(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Idioticon Frisicum. Friesch Latijnisch-Nederlandsch woordenboek, uit oude HSS. bijeenverzameld"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



■.'x 




600084529Y 



V 

4 

ê 










) 








%• • 



IDIOTICON FRISICÜM 






\ 



Van denzelfden Schrgver: 

Beknopte Handleiding om de Oude Friescbe Taal gemakkelgk te lezen en te 
verstaan. — 1830. 

Het Emsiger Landrecht van het jaar 1312. Met vertaling, aant>oekeiyngen en 
facsimile. — 1830. 

Proeve van een Friesch-Nederlandsch woordenboek. — 1832. 

Priesclie spraakleer van R. Eabk, uit het Deensch vertaald en vermeerderd 
volgens latere mededeelingen van den schrijver. — 1832. 

Jurisprudentia Frisica of Friesche Eegtkennis. Met vertaling en aanteekenin- 
gen. 3 dln. — 1834—35. 

Onze reis naar Sagelterland. Met eene schets dier taal. Onder medewerking 
van B. R. Posthumus. — 1836. 

Oud en nieuw Friesland. Aardrijkskundige beschrgving. — 1840. 

Het Fivelingoër en Oldampster Landrecht uit de 14e eeuw. Met vertaling en 
aanteekeningen. — 1841. 

Oude Friesche Wetten, bijeen verzameld en op nieuw nagezien (uitgegeven 
door het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde). 2 
dln. - 1846-51. 

Ie deel: a. Het Hunsingoër Landrecht. — b. Het Rustringer Recht of Asegabuch. — 

c. Het Brockmer Recht of de Willekenren der Broekmannen. — d^ Het Em- 
siger Recht (Ie codex). •— e. Het Emsiger Recht (2e codex). 

He deel: a. Jas Municipale Frisonum. — b, Boetregisters. — e, Geestel^ke rechten. — 

d. Willekeuren. — e. Lex Frisionum. 

Stamboek van den Frieschen, vroegeren en lateren adel. Met bg voeging van 
de wapens der onderscheidene geslachten. Onder medewerking van Mr. A. 
VAN Halmael Jr. 2 dln. — 1846. 

Hints on the thesis >the old Friesic above all ethers the fons et origo of 
the old EngUsh" (Lond. 1856) 

Archaic and Provincial English words compared with Dutch and Friesic. 
(Lond. 1858.) 



/' 



«• 



IDIOTICON FBISICÏÏM. 



FRIESCH 



LATIJNSCH-NEDERLANDSCH 



WOORDENBOEK 



UIT OUDK HAMD8CH&IFTEM BUfENTlSIlZAHELD 



Jhr. Mr. MONTANÜS DE HAAN HETTEMA. 





LEEDWABDEN, 

HUGO SÜRINGAR. 
1874. 



S>ó5. 



l. 9r. 



/ nti7ic, et nosirae spernas primordia gentisy 
Quod teneat laudis non monimenta suae. 
Bomay tuae laudes peretint: et Frisia sur git. 
Vanescit fucus : Gloria pressa viget 
Macte igitur virtute fua, Frisiaca pubesj 
EstOy nee a patribus degenerato tuis. 

mut. mutand, 

Heinnbccius, 
in Praefatione Corp, Jur, Germ, Antiq. 



Drukkerg van G. T. N. Suringar, 



DEN FRIEZEN 



VIT DEN 



ALOUDEN FBIESCHEN STAM. 




VOORBERIGT. 



Sommigen beschouwen de Friesche Taal als een zamenraapsel, eigendnnkelgk 
door de Friesche landbewoners gevormd en achten de kennis daarvan voor de wetenschap 
nutteloos. Veel heeft hiertoe bggedragen, dat eenige latere schrgvers, die in deze taal schre- 
ven, lang nadat men reeds had opgehouden haar in de publieke acten te gebruiken, en 
toen z§ reeds door het Nederlandsch verdxoiigen was, haar met den naam van Boerefriesch 
bestempeld hebben, en dat ieder van hen, zonder op den aard der taal te letten, eene spel- 
ling bezigde, gegrond op de klanken die hg hoorde uitspreken, maar naar de Nederland- 
sche klanken afgebeeld. 

Sommigen meenen, dat het tegenwoordig geschreven en gesproken wordend Friesch 
een geheel ander iets is, dan de voor eeuwen gesproken taal. Deze vergissen zich; alleen 
het kleed, waarin die klanken liggen opgesloten, heeft allengs eenige verandering onder- 
gaan. *) 

De Friesche taal was voor eenige eeuwen de taal van het volk, dat van Calais tot 
aan Juüand langs de Noordzee woonde, doch zg is thans slechts die van de bewoners der 
tegenwoordige provincie Friesland, van het Sagdierland, van Helgoland, van Noordfriesland 



*) Zie: R. R. Rask, Frisisk Sproglaere, Kjöhenh, 1825, en de door m^' bezorgde vertaling: FrUsche Spraak- 
leer. Leeuw, 1882. Prof. Rask heeft, ofschoon hq de taal nooit gehoord had, op taalkandige gronden de klan- 
\eik toch JQitt zoo aangegeyen, als zq nog heden ten dage door de Friezen worden nitgesproken. 



« » 



^ 



en de daaxvoor liggende eilanden SyU en Möhr, en Van het eiland Wangeroog, B^ da last- 
sten evenwel minder zoivep ^ met Deensoi, Engelsch of EljVfedaitseli vermengd. 






Hoeverre landwaarts in clie t&al Iji^roken w^rd,. Is lAoeiJel^k te bepalen, • daar wif 

y • 

hieromtrenii in de vroeger^ ge9c];4e^tenis niets nÜlt gopioegzame zekerheid vermeld vrinden, 

^'^ • i ' 

maar het is zonder tw^fbl, *4it z^ met het Qotmsch", ' Allemannisdi, Angelsaksisch, IJs- 
landsch, Deensch, Zweedsch, VlaatailKA en Nedfcl&ndflch in aanraking geweest ^ is, en uit 
die talen woorden heeft ovei;genom«f, even als «g «an die talen woorden heeft gegeven, 
zooals dit nog dagelgks bij alle lev«üde talen het g^al \ê. Tindt men dus in deze of gene 
der genoemde talen een woordji: waarvan men den oorsprong niet juist weet aan te geven, 
dan zal men het Friesch zeer dikwgls met vrucht kunnen raadplegen. 

Oe Duitschers, do^h voomamelgk de Engelschen, sch^'neu dit begrepen te hebben, 

■ 

van daar hunne belangstelling in de kennis dezer taal. Het ware te wenschen dat ook de 
Vlamingen en de Nederlanders zulks meer beseften. 

Maar niet alleen is deze taal van belang voor den taaibeoefenaar, ook is sg dat 
voor den geschiedschrgver, want, zonder de kennis van de weinige tot ons gekomen en be- 
waÉrd gebleven Oude Foesche Wetten zal men wel geen goed beeld van den staatkundigen 
en godsdienstigen toestand, noch van de zeden en gewoonten vm het Frieschi volk kun- 
nen ontwerpen. 

Het was daarom dat ilChet niet onnut rekende, dit Woordenboek zamen te stellen. 
De bewerking en uitgav# van de meeste in de Friesche taal nog bMtaande bescheiden gaf 
mg daartoe gereede aanleiding. 

Eene vgftigjarige studie van de taal, de wetten, zeden ea gewoonten der Friezen 
doet mg, een afstammeling dier oude Friezen, vertrouwen, dat si^ arbeid vollediger on 
nauwkeuriger zal bevonden worden dan dii^ van mgne voorgangers Wiarda en Von 

BiCHTHOFEN. 

Dit Woordenboek bevat alleen de taal zooals zg tot in i|et begin der zestiende eeuw 
gesproken en geschreven werd en om mg zoo eens uix te drukken, de diplomatische van 



• •» 



;. • 



.t 



■•• i » 



d\éh ligd en niet die yan bftt; dagelgkach ley«iu Deze laatste is voor ons met betrekking 
int ..de spelling grootendeels vfcrloren gegaao,^iofschoon zg tot op den huidigen dag in.de 






pMincï^ Friesland door me^r dan twee derde mi bewonei^ — in de steden spreekt men 



• 1 

nu !N«deflandtch — nog als volkstaal, gesproken wordt, zoodat het meerendeel van hen 
iiaich niet behoorlek in het Nederlauoscfat weet nit te dmkken. . 

Van vergelgking der woavde]4,«11ait die in aanterwfti^ talen -<- ofschoon mg dit dik- 
werf geholpen heeft om ^e juiste beteekenis te fin4^ *-^ heb ik gemeend mg te moeten 
onthouden. UJt de med^deeliftg van d^n tekst waafin^let woord voorkomt, «al men zich. 



» 



naar ik mg vlei, kunnen overttigen dat mgne vertaling jniaifr- is, of althans de waarschgn-^ 

t '^'^ 
Igkbeid voor zich heefb. 






Dikwgls heb ik de woorden — vooral in den verleden tgd, en de naamvallen van 
de zelfstandige naaawoorden — teruggegeven, zooals ik ze aantrof, zonder ze tot de on- 
bepaalde wgze of tot den gersten naamval terug te brengen, daar ik vreesde (tengevolge 
van het dialectverschil en het o|lzekere omtrent de juiste spelling) alsdan misschien 
nieuwe woorden te scheppen, en anderen op het dwaalsj^or te brengen. Men zal nu bg het 

« 

zoeken van een woord on de befceekenis daarvan niet licht mistasten. 



Die oude spelling jmst weder te geven is hoogst moegelgk. Die van het Bustringer 
Regt (Asegabuch), van hot Stoehmer Mêgt (WtUküren êtr Brochmdnner), van het HwMingoër, 
van het Fhftltngoèr en Oldamp$ttr Lanëregt iê ^e meer oorspronkelgke dan die van de 
Jurisprudentia Prisica*) ea van d* andtre ftukl^eli, diar op deze laatsten het Platduitsch 
en het Nederlandsch veel invlied hebben gehad. Begelmaat in de spelling is evenwel bg 
geen van alle gehouden. 

Bg het gebruik van ^ Woordenboek zg men indachtig, dat de tekst van het door 
mg uitgegeven Jua Municipale Friaonum^ uit een later gevonden handschrift, duidelgker en 



^ Ten einde een misverstand if«g te nemen dat b^ sommigen bestaat, meen ik hier te moeten aanteekenen, 
dat Dr. Karl ton Richthofen's Friesitehe RechUguükn niet eene volledige verzameling van de oude Frietche 
Wetten bevatten. Daaraan ontbreken het door mij ^gegeven Fivelingo'êr en Oldampster Landreeht en de Jurië^ 
prudeniim Frisiea; deze laatste Ib een volledig in de Friesche taal geschreven wetboek voor Wettergo, dat de 
Oude Triesche Wetten en het Jus Municipale Frisonum heeft vervangen. 



meer volledig en wat de spelling betreft oucfer is dan die, welke voorkomt bjj Schotanus» 
Beschryvinge van de Heerlyckheijdt van Frieslandt 1664. fol. 86'— 106., en die welke gevonden 
wordt in de nitgave der Oude Frieache Wetten^ Campen en Leeuwarden 1782, of bij Von 
BiGHTHOFEK, BerUn 1840. Deze hebben tot grondslag den zoogenaamden Anjumer druk, 
die met meer zorg bewerkt had kunnen zgn. Ook het Charterhoeh van Friesland wemelt, 
wat den Frieschen tekst betreft, van drukfouten en is daardoor dikw^ls onverstaanbaar. 
Men zal dus wel doen die uitgaven met de mgne te vergeleken. 

Leeuwarden 1873, Db Haa!« Hettema. 



* « 



Verklaring der verkortingen. 



A. Asegabucb, uitgegeven door T, D. Wiakda, Berlinxx. Stettin 1805. Ot wel: 

Rustringer Begt, in de door mg uitgegeven Oude Friesche Wetten^ 
Leeuwarden 1846, deel I, bl. 91, 

A.1,2, ■=- Asegabucb, Ie deel §2. — A.v.l. = Asega- 
bucb, Ie voorrede. 

B. Willküren der Brocmanner, van denzelfden. Berlin 1820. Of wel: 

Broekmer regt, te vinden als voren, deel I, bl. 147. 

B.3. = Broekmer regt § 3. 

B.B. Bisscbop Everbards brief van 1276. In De Jageb, Taalkundig Ma- 
gazijn^ Rotterdam^ 1840, UI, 1 — 24. 

Cb. Groot Placaat- en Gbarterboek van Vriesland, van G. F.Baron 
TuoE ScHWABTZEifBEEG EN HoHENLANSBEEG. I, II deel, Lecuuf. 1768 eu 1773. 

I.E. Emsiger Begt (eerste codex), te vinden in Oude Friesche Wetten, Leeuw. 
1846, deel I, bl. 197. 

l.E.2,4. = Ie Emsiger codex, deel II § 4. 

0.E. Emsiger Begt (tweede codex), als voren. I, 249. 
* 2.E.4,1. =^ 2e Emsiger codex, deel IV § 1. 

E.L. Het Emsiger Landregt, door mg uitgegeven, Leeuwarden 1830. 

E.L.2,2. :^ Emsiger Landregt, deel II g 2. 

F.R. Jarisprudentia Frisica, of Friesche Regtkennis, door mg uit- 
gegeven, Leeuwarden 1834 en 1835. 

F.R.1,4. = Friesche Regtkennis, titel 1 § 4. 
F.R.m, 8. ^ nie deel, bL 8. 

F.OX. Fiyelingoer en Oldampster Landregt, door mg uitg^even, Dotf 
kum 1841. 

F.O.L.8,5. = 8e deel § 5. — F.O,L.I, U. = Bglage I, H §. 

H. Hunsingoer Landregt, te vinden in OudeFrietch» Wetten, Leeuw. 1S46, 
* deel I, bl. 30. 

H.6,3. = deel 6 § 3. — H.». = H. Voorrede. 






•.•; 



•♦^ 



JJI.F. 



Jas Miini«i|^aln FHsionam. Zie: (hui» Frieteh» WetU^^eeuu. 1846, 
UeieeU • ' / .^ ' ;% * 

. • . J.M.F.12,3.'*= 12e deel-% S. - J.M.F.199. =^*%L tö9. ~ 

J.M.F.13. Ziet rn;e /We», Ie deel bl. 263. — i:M.F.14. 
. ■ alcki»r n, 117. 

O. Ovde Frieashe Wetten. Cangfen en Leeutsarden 1782. 

0.« = O. 'Vporrede. — 0.11,9. =- deel 11 § 9. 

* ■ 

'Q.12 tot 17 bg*' Schotanus, Besckryving van de HeerJyckkeydt 
van Vriesland, fol. 94 — 106. 

P.d.Ms. Platduitsch Manuscript ^n het Emsiger LandrechCj getiteld: 
* * Dal olde Landtreekt der Frym Fresen. [eene c«p^ daarvan in mgn bezit]. 

Ridik. BiCHTBOFBN, Frietüche BechUquetten, Berlin 1840. 



OOBBIGENDA. 



^ 



'.* 



Col. 


115, 


reg. 


13 


V. 


0. 


staat: 


brande, 


lees; 


: brande. 


•9 


129, 


99 


6 


V. 


0. 


99 


vriedeneed, 


•9 


vriendeneed. 


»« 


132, 


99 


2 


V. 


b. 


99 


dey-. 


99 


deyt. 


M 


134, 


99 


4 


V. 


0« 


99 


duerie. 


99 


deuerie. 


W 


139, 


99 


18 


V. 


0. 


99 


sponse, 


99 


sponso. 


W 


158, 


99 


19 


V. 


0. 


99 


aliöi, elders. 


99 


quid^id siê, wat ook. 


n 


158, 


99 


16 


V. 


0. 


99 


nergens klagen. 


99 


wat ook, niet klagen. 


M 


183, 


99 


16 


V. 


b. 


99 


biliuê. 


99 


filius. 


9> 


]97, 


99 


1 


V. 


0. 


99 


erstinzen, 


99 


foerstinzen. 


M 


230, 


m 


10 


V. 


b. 


» 


r.14,4. 


99 


r.1. 4,4. 


n 


267, 


99 


12 


V. 


0. 


99 


unquis, 


99 


un^iê. 


•• 


329, 


99 


16 


V. 


b. 


99 


ina, 


99 


lina. 


19 


331, 


99 


2 


V. 


0. 


99 


uidberlika, 


99 


luidberlika. 


99 


360, 


99 


6 


V. 


b. 


99 


nachwedder 


t> 


nahwedder. 


99 


877, 


99 


15 


V. 


0. 


n 


door een, 


99 


door een eed. 


99 


401, 


99 


13 


V. 


b. 


99 


dwnheed, 


99 


dwmheed. 


n 


426, 


«9 


6 


V. 


0. 


9> 


ut and, 


99 


rutand. 


n 


507, 


99 


15 


V. 


b. 


99 


proterare. 


99 


proterere. 



»« 



^. 















V 






• « 



J^'' 



A: 



1 



•i 



. • 



a, etiam, ook. F.B. 15,55: Hoe noe- 
gelyck hya a sint. Hoe yoldo«nde 
zij ook zgh, — Aldl'27^: Jeffta in 
bodenen tfued dattet a weer. Of 
in welk goed 4at )uA ook ware. > 

«I semper, altijd. H.10,25 : Tha W aldV' 

mon and thet aster ombechte, 
. tha habbet a te riuchte stenden 
el^Uldernadomme. De woudman 
en het Oosterampt, die hebben altgd 
te regt gestaan te Onderdendam. — A. 
7,14|: A other sa felo. Altgd eens 
zooveel. 

a, t7i,in. H.1,3: Thet allera monna 

hwelic a sinem bisittevnbe- 

ji§Auad. Dat ieder mensch ongestoord 

^ . In het zgne zitte (het zgne bezitte). 

l.E. 1,1. 

Af #^f ^ h^^^f daar. F.B. 11,4: Als a 
biUBp#il| da freginge dis sitters 
steet Tcrioun. Gelijk hier boven in 
de ondervraging van den beschuldigde 
geschreven staat. 

a, ft§c, dan. H. 4,33.35: Hnfir sa*r ne 
a onfiucht. In hoeverre hij hem dan 
aanvecht. — B.156: And suere a for 
ene skilling, enne eth. En zweere 
dan, voor iedere schelling, een eed. 

a, eXf oit. H.4,1 : And hit a colc 
egendzin^ilk En het (oog) uit de 
hol^ gegaat'tf. B.190. 



« 
a, Versus j i&aar. l.E.1,9: A saxen a 

merkum. Naar di^ Saksische grepsen 

(landen). 

a, a^cA, van, l.E.2,5: Thet capade 

' ie »■ ene Riimfar$, Dit kocht ik 
fan een Bomevaarder (pelgrim.) 

a,4jy„ oir.'',^.E. 2,3: Sa fara re a sin 
ein god. Dan vaart hg op zgn eigen 
goed. 

a,m,tot. H. 4,18:A bote and a riuch- 
te. Tot boete en tot regt. B. 89. 

a, tn, te. l.E.1,9: A lende, a wa- 
ter e. Te land, te water. 

a bec, tn cfer^o, op den rug. l.E. 1,37. — 
a becse l.E.3,1. zie: abosme. 

a bedde, (berde), praegnam^ zwanger. 
H. 2,23: Sa hwasa ene frowa a bed- 
de (berde) bifiucht, binna the- 
re benena bruch (burch). Wie 
eene zwangere vrouw bevecht binnen 
de baarmoeder. 

a b y n n a, interdum, in hoc tempore^ in dien 
tgd, binnen dat tgdstip. F.B. 84,18: 
Haet so her dan deer a bynna 
schyd. Wat haar dan in dien t^d ge- 
schiedt. 

a blode hwerfa, aliguem appetere la- 
pidibus cum sanguinis effusione. Te bloe- 
den smgten. B.191: Hwersa thet 
age a blode hwerft. Wie het oog 
werpt dat het bloedt. 




a bosme— abba 



a bosme, super pectus, uit den boezem. 
l.E. 1,17: Jef that him se abecse 
(forte a bece) iefta abosme nimen. 
Of dat het hem van den rug of uit 
den boezem genomen is. 

a buppa, supra^ hierboven. F.R. 11,4. 

a buta, eatra, huiten. H.9,2: Tha por- 
ta gundt ma bisluta, thi kening 
Eerl mith sine folke was ter a bu- 
t a. Men ging de poort sluiten, de Koning 
Karel met zgn volk was daar buiten. 

a fretha, amicaliter^ vriendschappelijk, 
ongedwongen. 6.145: Hwersa mar 
enne monne a fretha inletand 
halt hine vr enne fenszena. Wan- 
neer men iemand vriendschappel^k in- 
leidt , en men hem als een gevangene 
houdt. 

a hond jewa, in custodiam dare^ in be- 
waring geven , ter hand stellen. H.2,17: 
Hwet sa thi mon otherum a 
hond ieft sines sikeris godes 
to ene fiamonde. Wat de man den 
anderen ter hand stelt van zijn vr^ 
eigen goed om te beheeren {in man- 
datum). — Pd. MS: Wat to holden deit. 

a honda begripa, aliquem in flagrante 
delicto apprehendere. Iemand op heeter 
daad betrappen. l.E. 3,9: Hu er sa 
ma tha mentere binna sinre 
smittha fad and falsk a honda 
begripth. Wanneer men den munter in 
z^ne smidze op heeter daad op verminde- 
ring en vervalsching van het geld betrapt. 

a longa rxis,\d {wr^l d) tempore mundi, 
ten tgde der wereld. 2.E.t;.: and thu 
thet (wede) efter domesdey alsa 
dreghe, tha a longa ruald, tha 
thi tha fathera tho thera tsiur- 
ca drogen. En dat gg het (kleed) 
na den dag des oordeels aldus draagt. 



als gedurende de wereld, toen u de 
ge vaders naar de kerk droegen. 

a midda, inter, tusschen, apud^ bij. 
F.R. 21,2: Dat ter symonia jeff 
scalkheed a midda se. Dat er sy- 
monie of arglist onder is. 

a tua, a twa, dmr«e, verschillend. 0.1: 
A twa spreka, verschillen, oneens 
zijn. F.R. 15,27. — 2) in duas partes, 
in twee deelen, in tweeën. F. R. 50,40: 
And thet gued riucht a twato 
lid zen e. En dat goed juist in twee 
deelen te leggen. — 3) fractus , gebro- 
ken. 2.E.1,9: Thet widebenatua. 
Het sleutelbeen gebroken. E.L.1, 23,36. 
A. 3,17, 

a tuihalua, diverse^ contrario, ver- 
schillend, onderscheiden. B.43: Hwer- 
sa tuene redieua kethat a tui- 
halua. Wanneer twee regters verschil- 
lende uitspraak doen. — 2) communiter, 
gemeenschappelijk. B. 78: Innatha 
londe, ther a tuihalwa slate 
send. In de landen, waar gemeen- 
schappelgke sloten zgn. 

a tuira wegena, duplex, dubbeld. 
B.5: Sa felle hi 't a tuira wege- 
na. Dan betale hij het dubbeld. 

a tuisahaiwa, zie: a tuihalua. 
2.E. 3. 

a twa, zie: a tua. 

a twihala, zie: a tuihalua. B.B. 

a twisck, inter, tusschen beiden. 
J,M.F.n,235. 

a wralde, semper, altgd. F.R,50, 21. 

abba, nomen proprium Abbe. H. 4,47: 
Abba sin hod oferawad. Abbez^n 
alarm-teeken afgenomen. (Deze Abbe 
schgnt te Dokkum Graaf te zijn ge- 
weest, zie: Lea Frisonum ed. Ricktho^ 
fen, Leov. 1866, praef. XXV. n. 37; 



abbit— achtatwintegoste 



Pertz, Monrmmta Gemian. Il, 353, 
en Oudheden en Gestichten van Fries- 
land, I, 408.) 

abbit, abbaSy abt. A.v. 1. 

abel, abeyl, apel, tumor, post vulnus 
sanatum ortus, verheven likteeken na 
degenezing der wonde ontstaan. I.E. 
4,4. 2.E.1,1. E.L. 1,10. H.4,4. 
A. 3,2. 

abere, anbera, apertus, openbaar* 
blikbaar. l.E. 1,17: Buta dathe 
and abere dolge. Behalve doodslag 
en blgkbare wonden. H. 1,17. 

abyt, haUtus, kleed. F.R. 81,14. 

absolveria, absolvere , kwg tschelden , 
ontbinden (van de zonde). 0.16,18. 

aburch, agger contra aquam, 'wsierkee' 
ring, rivierdgk. F.O.L. 1,16: Thetwi 
Fresan hebbat vrkern alle bar- 
ga, bihala twam burgnm ; Thio 
forme is tio aburch, thio other 
is thio seburgh. Dat wij Friezen 
afgewillekeurd hebben alle bnrgten, 
behalve twee bnrgten. De eerste is de 
rivierdgk , de andere is de zeedgk. Dus 
geene sterktens tot verdediging. 

Ac, etiam, ook, B. 89: Ac hwana sa 
't ekemen se. Van wien het ook 
gekomen is. H. 4,30. 

aca, obtinere, bekomen. H. 4,30: Ach hi 
ac thes nowet aca, sa capie *r 
ne. Kan hij ook deze niet bekomen, 
dan koope hg die. 

ach, competit, behoort toe. B.31: And 
efter wardie hi selua, ther thet 
hus ach. En daarna staat hij er zelf 
voor in, dien het huis toebehoort. — 
2.) debet, moet, hehoort. l.E. 1,3: And 
the Asega ne ach nenne dom 
te delane. En de regter moet geen 
vonnis vellen. H.1,3. 



achbre, super cilium, wenkhrBAnw, E.L. 
1,23: Jeftha sin achbre a twa 
slain. Of zijne wenkbraauw in twee 
geslagen. 

achbrekerf, incisura super cilii, wenk- 
braauwsngding. J.M.F. II, 199. 

achhlide, palpebra, ooglid. E.L. 1,23: 
En lappa of tha achhlide slain. 
Een lap van het ooglid geslagen. 

achhring, achring, gena, oogring. 
E.L. 1,23. H. 4,24. 

acht, congegratio, verzameling. B.56. . 

achta, achtia, in jus vocare , in reg- 
ten aanspreken. 2.E. 4,2: And hiu 
wel ma achta, sa ach hi tha 
achtena bi Emisgane dome. En 
men haar (de schuld] in regten wil 
vorderen , dan behoort hg aan te spre- 
ken volgens de Emsiger doem. — 
2.)^Wtcare, regtspreken. B. 212: And 
inna sine huse schellen se ach- 
tia buta husheren. En in zgn huis 
zullen zij regt spreken (geregthouden) 
zonder huishuur (te betalen) O. 1.55. 
— 3). recipere, aestimare, achten. 
F.B.38,2: Ende den setma naet 
achtien weer. En de wet niet achtte. 

achtatinde, dedmus octavus , achttien- 
de. A. 2,18. 

achtasum, octies , cum octo , achtmaal, 
met achten. H.8,18. 0.4,19. 

achtateinum (Ynder), interoctodecinit 
onder, uit achttien. H.10,20: Thet te 
re etta thiaue here twelef ethen, 
vnder achtateinum te nimane 
sinra sibbesta liua. Dat hg van 
den dief hoore twaalf eeden , uit acht- 
tien van zgne naaste verwanten te 
nemen. 

achtatwintegoste, vigesimus octa- 
vus, acht en twintigste. A.3,5: Sa 



i 



• • 



achte— %Bdem. 



■V*.' 



8^^ 



is thi bote achtatwintegoste 
twede merk. Dan is de boete zeven 
en twintig een tweede mark. 

ach te, octavus^ achtste. F.B. 12,9. 

ach te, competebat^ toekwam. I.E. 2,2: 
Ther hit er mith riuchte achte. 
Hetwelk het (kind) vroeger met regt 
toekwam. 

achtena, in jus vocare^ in regten aan- 
spreken. 2.E.4,2. zie: achta. 

achtende, octavus^ achtste, l.E.1,8. 
H. 1,8. O. V. 

achten e, octava^ octaaf, tgdstip van 
acht dagen. F.B. 5,1: To Pascha 
achten e. In het octaaf van Paschen. 

achtene, octo, acht. B.209: Achtene 
skillingar. Acht schellingen. 

achtia, zie: achta. 

achtich, octoginta^ tachtig. 0.16,6: 
Elkers lived, deer gaet, da iel- 
da ma mit achtiga merkum. An- 
dere lieden die er gaan, die betaalt 
men met tachtig mark. 

a c h t n m , judicibus vici , bu arregters. 
Ch.I, 105. zie: athe. 

achtnndad (thes), octava die, den 
achtsten dag. F. O. L. bglage I, § 49 : 
Alle daddolga a thes achtnndad 
to thingande and binna sex wi- 
knm to ieldande. Alle doodwonden 
altgd den achtsten dag te beregten en 
binnen zes weken te betalen. 

actene, octo, acht. Ch. 1,388: For 
actene grate merc. Voor acht groote 
marken. 

a d e m a , spiritus , adem. F.B. 85,1 . 
0.11,18. 

aderorem, inviceniy de een den an- 
deren, onderling. Ch.I, 489: En de 
wy fan beda igghe aderorem 
fries landis to warriane. En wg 



van beide z^den elkander vrg land 
te waarborgen. 

adnent, adventus, initium anni ecclesias^ 
stidy advent, begin van het kerke- 
l^k jaar. A.9,10:Thene aduent 
al to letora twilifta. Van den 
advent tot H. Driekoningen. F.B. 5,1. 

ae, umquam, ooit, immer. J.M.F. 12: 
Supp. bl. 179. Alsoe schene soe se 
omme engne frya Fresa aller- 
schenist ae beden sint. Alzoo 
schoon, als zg wegens eenigen vrijen 
Fries ooit het schoonst aangeboden 
zijn. 

aec, etiam, ook. B.B: Buogiath hia 
aec enge mon. Klagen zg ook ie- 
mand aan. 0.1. 

aechsjoen, visu oculorum, ac testis 
oculatus , aanschouwing , ooggetuige. 
Ch.I, 665: Fon dat foersz. land, 
deerhabbet wi Johannes, Jorert 
ende Foka foersz. wr ende oen 
wessen ty aerheer ende aech- 
syoen ende dat hliet wi in en 
tyoech der wirden. Van dat voor- 
schreven land , daar hebben wij Johan- 
nes , Jorrit en Focke voorschreven over 
en bg geweest als oor- en ooggetuigen 
en dat verklaren wij in getuigenis der 
waarheid. 

aeck, etiam, ook. F.B.1,9. 

aedem, affinis, zwager; gener, schoon- 
zoon. J.M.F.5,13: Jef zyn broer, 
ief zyn baelemond, iefta zyu 
stiaepfadir, iefta zyn aedem, 
syn sister, iefta zyn bern zyn 
land wrbrocht habbet. Of zgn 
broeder of zijn curator of zgn stief- 
vader of zgn zwager, zijne zuster 
of zgne kinderen zijn land doorge- 
bracht hebben. Graf, Diutiska III, 156. 



) 



mfm 



> A. 



* ï» 



aeflE^a— aeld. 



10 



aeffgia, zie: aefftigia. 

aeffi, zie: aeft. 

asffte si de, conjux^ echtgenoot. F.B. 

47,9: Dat de aeffte zonen, deer 

.twischa twaem aeffte siden 

teyn sint tofaer der wrald; en- 

• de in der wird so naet is foer 
God. Dat de wettige zonen, die tus- 
schen twee echte lieden getogen zijn, 
voor de wereld; doch in waarde zoo 
niet is voor God. 

aefftigia, aeftigia, aeftigha, aeff- 
gia, uxorem ducere, nuxtrimonio, conjungi^ 
trouwen, getrouwd worden. F.R. 47,5: 
In 't arst, so aefftiget hij da 
frowa, deer hij da natuerlike 
kynden b^ cryn haet; so sint 
da kynden aefft. Ten eersten, dan 
trouwt hij de vrouw bij wie hij de na- 
tuurlijke kinderen gekregen heeft ; dan 
zijn die kinderen wettig. F.R.72,2. O. 
1,8. — 2) legitimare^ wettigen. F.R.47,2: 
Hwa so him aeftigia schil leta. 
Wie zich zal laten wettigen. § 4: Jeff 
emmen een breef criged fan 
da keyser, dat hij aeftiget weer. 
Zoo iemand een brief kreeg van den 
keizer, dat hij gewettigd was. 

aeft, etiam^ ook, mede. 0.12,15: So 
aegh dio dede aeft naet to staen. 
Dan kan die daad mede niet bestaan. 

aeft, legitimus, wettig. F.R. 1,31: Jeff 
hg schel frij ende aeft herren 
wessa. Of hij zal vrij en wettig ge- 
boren zijn. F.R. 47,1. — 2.) legiti- 
matus^ gewettigd. F.R.47,5: Lettera 
tyd, wirdet hya aefft bij des 
Paus wyeld. Ten tweeden, worden 
zij gewettigd door het gezag van den 
Paus. — 3.) judicialis, geregtelijk. 
0. 1,31. So moet hi, in der sesta. 



aefta ban leda. Dan moet hij in 
het zesde (geregt) het geregtelgk bevel 
volgen. 

aefte, jusy id quod justum est, het 
regt, dat wat regt is, 0.4,23: Also 
waerd dat aefte oen eerdrike. 
En aldus bestaat (waart) het regt op 
aarde. -• 2.) matriinonium , huwelgk. 
0. 8,21: So hi se haudia mitta 
swird, deer se onder ghing, da 
se dat aefte bighing. Dat hij haar 
onthoofdde met het zwaard, daar zij on- 
derging, toen zg het huwelijk voltrok. 

aeftigia, zie: aefftigia. 

aeft ing ha, ma^nmonmm, hu welgk, 0. 1,8. 

aeftlijk, juste, rede, te regte, volgens 
pUcht. 0.8,23: Dat hjj 't huede al- 
so aeftlgk ende naet wrhuere. 
Dat hg het volgens plicht behoede en 
niet verwaarlooze. 

aeftschip, matrimanium , huwelgk. F.R. 
87,9: Omdat se lettera tyd in 
der aeftschip geen is. Omdat zij 
ten tweeden male in den echt gegaan is. 

aegh, ocmZm«, oog, 0.11,12. F.R.1,27. 

B,eghskf fel, pupilla, oogappel. O. 11,12. 

aeghbreed, palpebra, wenkbraauw. O. 
11,13. Levjej E<igenbreglu 

aeghhlid, pcdpebra, ooglid. 0.11,5: 
Faxfangh op da aeghhlid. Haar- 
greep op het ooglid. 

aeka, ascha, ita ut, zooals. J.M.F. 
12,10: Soe aegh him zyn Greet- 
man toe dae lioedwaere ti laiane, 
herhiwollebe ta aeka hiwr berd 
haet. Dan moet zijn Grietman hem 
tot den volkswerf dagvaarden , zoo hg 
boeten wil , zoo als hg verbeurd heeft- 

aeld, senis, oud. J.M.F. II, 287: And 
dat aelda lioda sint. En het oude 
lieden zijn. Oh. 1,744. 



i 



11 



aemthe— aenel. 



12 



a e m i h e, officina^ ambacht; officium^ ambt. 
0.12,13: Jeff disse tueen maen 
a^der fan sine aemthe gheet 
nioegen stapen. Zoo een dezer 
twee mannen yan hun ambacht gaan 
negen stappen j[passen). 

aen, unus^ een. F.B.7,6: Aen man, 
een man, iemand. 

aen, tn, op. O. 1,23: Aen dis selua 
dei. Op dien zelfden dag. 

aenbrenzera, iUata^ aangebrachte. 
Gh,I, 335: In breynhunden, in 
aenbrenzera serem, in hudena 
serum so hit sie. In hersenwon- 
den, in aangebrachte bezeeringen, in 
hoedamge . bezeeringen dat het z^. 

aeng, aliquis ^ quidam^ iemand, eenig. 
B. 5: And detV er aeng luida- 
mon tha rediena engne skatha. 
En doet iemand van het volk den 
regter eenige schade. 

aenwaerf, semel^ eenmaal. Ch.I,401: 
Ende haet vpbethen aenwaerf, 
then ora, ende then thredda, 
fiower pnndemeta londis, by 
tha aestria igge. En heeft aange- 
boden eenmaal, ten twi^den en ten 
derden , vier pondematen land aan den 
oostelgken kant. 

senwirde, jE>ar^ districtus^ deel van een ge- 
bied. J.M.P.II, 287: MytBoelswer- 
t dahemster aenwirder zighel. Met 
Bo^warderhemster districts zegel. 

aer, antequam^ eer, voordat. F.R. 46,55. 

aer, auris^ oor. E.L. 1,21: En mon 
sin aer wtspliten. Iemand zijn oor 
uitgespleten. 

aer cl en e, auris sdsaio^ oorklieving. 
0.11,24: Aijderis aercleuis boe- 
te. De boete van iedere oorklieving. 

a e r e , quisque , ieder. J. M. F. 2,49: 



Fan aere kenne een. Van iedere 
familie een. 

aerheer, aerher, testis qui rem audi" 
viii oorgetuige. Ch. I, 475: Der op 
da thyth ta aerher mey oen 
den zend stoên. Die op dien t^d als 
oorgetnigen mede aan den zeend ston- 
den. Zie: aechsyoen. 

aerlippa, lobus auris , oorlel. 0.11,24. 
aerleppa, Ch. I, 99. 

aerste^ primus, eerste. F.R. 1,12. 

aeschia, exigere, eischen. F,R. 9,6: 
Dat ma foerd aeschia mey. Dat 
men voort eischén kan. 

aesga, judex, regter. 0.1,30: Sa schel 
ma her folgia mitta aesga. Dan 
zal men haar volgen met den regter. 

aesgadoem, judicium judids, regter- 
lijk vonnis. F.R, 50,48. 

aeskinga, exactio, actionis instittUio, 
eisch. J.M.F.7, 18. 

aest, oriens, het oosten. 0,1: Fan 
aesta to westa, fan noerda to 
snda. Van oost tot west, van noord 
tot zuid. Ch. I, 239, 

aester, aestria, orientalis, oostelflk. 
Ch. 1, 744: Wp dae aestra syda. 
Aan de oostelijke zijde. Ch. 1,401. 

aet, aliquid, iets. O. 1,1: Dat him 
nimmen aet onriuchtes dwe. 
Dat hem niemand iets onwettigs doe. — 
O. 11,23: Jef dis benis aet ofslain 
is. Zoo er iets van het been afgesla- 
gen is. 

a e u e 1 , vitalitium , levensonderhoud. 
H.10,27: Thet ter nemmer aeuel 
ni gunge nena monne, buta tha 
riuchta erua. Dat er geene over- 
eenkomstvan levensonderhoud (lyfrente) 
worde aangegaan buiten den wettigen 
erfgenaam. Zie: e wel. 



13 



aexla— aftneda. 



14 



aexla, /tumeru«, schouder. 0.1,tn^ne: 
Da sagen se een tretteensta oen 
der stioerna sitten ende een 
axa op sijnre aexla, deer h^' 
mei] to lande stioerde, tojenst 
straem ende w^nd. Toen zagen zij 
een dertiende aan het roer zitten en een 
b^l op zijn schouders, waarmede hij naar 
land stuurde, tegen stroom en wind. 

aff^ vel, of. P.R. 12,1. 

affgod, afgod, afgoed, idola, af- 
god. F.R. 2,5,6. 0.1. affgodie, ido- 
latria, afgoderij. F.R. 56,7. 

afkera, separare se, zich scheiden, van 
elkander gaan. J.M.F. Il, 31 7 : En* e 
kere hia naet af eer kristus 
moerne, ende deerefter etta 
ghaerhalded. En gaan zij voor kers- 
tijd niet van elkander, en na dien tgd 
nog te zamen blflven. Ch. 1,377. 

,afrethe, pax major, poena major, 
hoogere vrede, boete. H.6,12. F.O.L. 
1,46. 

afstalla, differre, uitstellen, afstellen, 
niet meer doen. Ch. 1,727: Hierom 
synna wy dat fryontlic fan Jenna 
byjarryen, dat Jenna alsulke 
wyaldlike secken willet afstalla. 
Hierom zyn wij dat vriendelgk van u 
begeerende , dat gij dusdanige geweld- 
dadigheden wilt nalaten. 

afta go de, hona legitime possessa, wet- 
tig goed. A. 2,4: Sa hwersafeder 
and moder hiara dochter eine 
fletieue ieuath, and hia utbel- 
dath mith afta gode, and mith 
hiara fria e ru e. Wanneer vader en 
moeder hunne dochter een huwelijksgift 
geven, en haar uitboedelen met wettig 
goed en met hun vrij er%oed. H.2,4. 

afte, legiiimu9, wettig. E.L. 1,16: Mith 



sine afta prester. Met zgnen wetti- 
gen priester. 

afte n i m a , uxorem ducerê , ten echt 
nemen, trouwen. H. 5,5: End him 
thenna end kind .gader wrde 
end thet kind skenade and thet 
wif liavade, thet hi se thenne 
afte nome. En hun dan een kind te 
zamen gewierd en het kind erkende 
en het wgf beminde , dat hg ze dan 
ten echt nam. 

after, zie: efter. 

aftersin, zie: eftersin. 

aftmonde",* communitas bonorum ^matri- 
monialium , gemeenschap van l^we- 
Igksgoederen. F.O.L. 6,13: 'p a ^ eaa 
tiucht vntfeth ma vmbe aftmonda 
a schedene, bokinge and be- 
thringa ande tha lesta rekin- 
ga. Het getuigenis der geestelgken neemt 
men wegens gemeenschappelgk huwe- 
Igksgoed te scheiden, boekingen en 
schadevergoeding en giften ter zake 
des doods. 

aftne, aefte, legitimus, wettig. l.E.t;,: 
Alsa hia aftne stol urtygath. 
Wanneer zij wettig huwelgk bewijzen 
wil. H.5,5: Thet hiu ni thet kind 
ni machte nenne aftne stol bi- 
sitta, ni thera'Kinda nen', thef 
hiu bi hemtege. Dat noch zg, noch 
het kind eenig wettig huwelgksregt 
kan bezitten, noch een der kinderen 
die zij bg hem toog. 

aftneda, voor: afta neda, impedi- 
menta legitima, wettige verhinderingen, 
(nooden) om in regten niet te verschgnen, 
* F.O.L.2,17: Hit ne se thet tet 
him nime of thera thira (thri- 
r a) a f t n e d a. Ten zg dat het hun be- 
lette een der drie wettige verhinderingen. 






»• 

v^,'* 



15 



aftslit— ain. 






16 



aftslit, incestum^ bloedschande. 2.E. 
3,12: Hwasa sine nifte aftiget 
and alder fadersibbe is, ieftha 
hor deth, ieftha aftslit makat, 
ieftha woken plegat. Wie zgne 
nicht huwt, en daar gevaderschap is, of 
hoererij pleegt of bloedschande doet of 
woeker drijft, (B.B. heeft: jefta aft 
s 1 i t , of den echt breekt. Zie : Niesert 
MunsU ürkundenbuch. bl. 76). 

a f w e r f t e, dearticulatus^ ontleed, uit het 
lidgegaan. H.4,4: Afwerfte leraethe 
thredda half ptind. Lammingen 
door ontleding, twee een tweede pond. 

age, aghe, oculua^ oog. H.4,1. 2.E. 
1,3. 0.11,13. 

agebreud, aghebreud, depravatio oculi, 
beschadiging van het oog. E, L. 1,23: 
2.E. 1,3. 

agede, zie: righa. 

agen, contra^ tegen. 2.E. 4,27: Sa ne 
thur hi mith nanene, onzere agen 
stonda, bihala tham, ther him 
leind is. Dan behoeft hij met geene 
ontschuldiging daar tegen te staan , be- 
halven wegens dat , wat hem geleend is. 

agen, dehent^ moeten. P.R. 2,13: Alle 

, riuchteren agen to seken da wird, 
* ' ende da to folgien. Alle regters 
behooren de waarheid te zoeken en 
die te volgen. A. 1,9. agon. 

aghalithe, aghhlitte, palpebra, oog- 
lid. J.M.F. II, 187: Blodresene vp 
tha aghhlitte. Bloedrunst, op het 
ooglid (blaauw oog?). J.M.F. II, 225. 

aghe, zie: age. 

ah weder, jMirfem, wel. A.2,9: Jefther 
Ihapth sin thredkniling ief en 
sibbéra mon inur tha frasa and 
firor fiacht, tha ahweder se 
fremo iefta f er e. Zoo zijn verwan- 



te in den derden graad of een ver- 
wanter man in het gevaar loopt en ver- 
der vecht dan wel nuttig of voordeelig is. 

a h w i 1 e, interdum^dum^ dan, terwgl .F.O.L. 
2,3: Jef thene mon nortmon ni- 
mat and hi vter lond sleth wert, 
sa hwasa sin erue then ahwile 
kap at. Zoo de noormannen denman 
vangen ên h^' uit het land gesleurd 
wordt, wie dan z^n erf koopt. 

aien, contra^ tegen. l.E. 2,10: Jefta 
mit ene kampa oppa te haliane 
an thi other ther enne aien 
te Ie dan e. Of met een kamp vechter 
op te halen en de andere daartegen^ 
eenen aan te voeren. B. 153. E.L. 1,68. 
en aiun, H. 1,10. 

ayder, vel, of. F.R. 111,12: Ayder 
om penninghschielda jefta om 
odere, hoedene schielda ho hit se. 
Of om penningschuld of om andere, 
hoedanige schulden dat het zgn. — 
2.) «inyuK, ieder. E.L, 1,13: Tha n os- 
teren ayder tuen scill. De neus- 
gaten ieder twee schellingen. F.R. 3,1. 

ayderaoerna, invicem, onderling. O. 
12,10: Dat hiara ayderaoerna oen 
moerd slaeght. Dat z^ elkander 
doodslaan (de een den anderen). — -ai- 
der oerem. J.M.F.12,9. 

ain, ayn, propriusj eigen. O. 2,2. F.R. 
6,2. E.L. 3,27. Sa fare hit oen 
sin ain eerwe. Dan gaat het op 
zijn eigen erf. — 2) subjectus, onderwor- 
pen. F.R. III, 2: Ende ws ayn wil 
bringa. En ons eigen (slaaf) wil 
maken. 

ain, ai na, ayna, possessio, bezit. 0.1. 
bl. 10: Ende wise hiara aijn eerwe 
ende fee op hiara a^n.En hun eigen 
erf wyzen en op hun eigen tasten. F.R. 






< • 



■*r-- 



17 



ayndighia—alderlangne. 



18 



36.13: Dg schil in da ayna bly- 
wa. Die zal in het bezit blgven. 

ayndighia, jiinire, eindigen. Ch.1, 518: 
Ende ors al ons schilingha fon 
disse secknm is ayndeghet, send, 
ende barreth by ayders willa. 
En overigens is al ons verschil van 
deze zaken geëindigd, gezoend en ge- 
baard naar ieders genoegen. 

ayndom, possessio^ bezit. F.R.31,1. 36,4. 

ayne, proprietas^ eigendom. 0.10,31. 

aynehyn, servitudo, dienstbaarheid, huis- 
genootschap. F.B. 15,1: Dat sibbe 
ende aynehyn. De bloedverwant- 

« schap en de dienstboden. 

aynkneppa, domesticus, servus^ bedien- 
de , huisbediende. F. R. 1 1 ,5. 

aynlik, proprius^ eigen, eigendomme- 
l^k. O. 1,42: Dat hi aijnlikes 
gnedis soe fula oen sgnre wer 
naet habba. Dat hg niet zooveel 
eigen goed in zgn bezit had. — 2.) ut 
proprium^ als eigen. 0. 1 ,70 : Deer 
hi eer agnlike oen siner wer 
hede. Hetgeen hg vroeger als eigen 
in bezit had. 

aian zie: aien. 

aka', etiamj ook. J.M. F.II, 196. 

aka (to), supplere, aanvullen, toehaken. 
Ch.1, 109: Ne moghen sze thet 
nath wega, soe scel ma to aka 
al und se fol wege. Kunnen zij dit 
niet wegen, dan zal men aanvullen, 
totdat zij het volle gewicht hebben. 

aken, cognitus^ bekend. l.E.2,4. H,2,4: 
And hire menie aken werthe. 
En hunne vermindering bekend werd. 

aket, auctua^ vermeerderd, verhoogd. 
P.O.L.6,23: Therefter worden 
tha ielda aket to 24 merkum. 
Daarna werden de boeten verhoogd 



tot 24 mark. Leye^ eucan, augere. 

al, omnis, al, alles. 0.1,13: Al bg 
eenre meta. Alles bg gelgke maat. 
F.R.1,1, — 2.) jam, reeds. 0.12,13: 
Al eer Cristus berthe. Reedsvoor 
Christus geboorte. — 3.) tn, in. 2. E. 
4,11: Hwersa tha hewa fallath 
al lawa (a lawa?). Wanneer de be- 
zittingen in erfenis vallen. — 4.) to- 
iusy geheel. 0.1: Thet riucht is 
al riucht. Dit regt is geheel (vol) 
regt. A.3,5. J.M.F. Il, 206. 

ald, a u d, an^tjtiiM, oud. 0.1. F.R.15,10. 

afdafeider, aldfaer, avus^ grootvader. 
F.R.47,10. E.L.3,17. 

aldamoder, aldmoder, aviüj groot- 
moeder. F.R. 26,2. 

aldanoeglickste, suffidentiaaimus^ aller- 
voldoendste. F.R. 13,47: Mit alda- 
noeglickste bywys. Met allervol- 
doendst bewgs. 

aldeer, ihi^ aldaar. 0.9,1. 

aldeermei, /?erAoc, daarmede. F,R.7,2. 

aldeerom, zie: aldyromme. 

alder, ^^ru^o, wanneer. l.E.3,8. 2.E.t7.: 
Alder ma him betighet dern 
fias. Wanneer men hem wegens be- 
nadeeling van het goed aanklaagt. — 
2.) uhL waar. 2.E.3,10: Alder h'\\i\\ 
esken is. Waar het geschied is. H. 
1,12. 2.E.4,22. 

alder, paren» ^ ouder, F.R. 50,11: 
Hwanneer een kyndis aldera 
sterat. Wanneer een der ouders van 
het kind sterft. A.2,20. 

alderaerst, primus , allereerst. O.t?. 

alderbest, optimcy allerbest. 0.1. 

alder bi, tWu/76r, daar te boven. H.9,2. 

alderlangne, longissimvs^ allerlangste. 
0.9,1: Aldeer tojenst agen hya 
to ferdian alangne ferd ende 



19 



alderlas— allebetera. 



20 



alderlangne ferd. Daar tegen moe- 
ten z^ zoenen tot langen vrede en al- 
lerlangsten vrede. 

alderlas, orbuê^ ouderloos. B.91: Hwasa 
nimth thet alderlasa god. Wie 
het ouderloos goed neemt. 

aldfader, avus^ grootvader. F.R.57,4. 

aldirmon, aldermanniis^ onderman. A. 
5,13- 

aldyromme, t(2éo, daarom. F.B.1,28. 7,2. 

aldmoer, aldmoder, avia, grootmoe- 
der. P.R.47,10. 57,4. 

aldoir, ibidem^ aldaar. Gh. I, 522. 

al du Ik, talis^ dusdanig. F.B.3,6: lek 
hab ontfinzen da breeff ws 
Hera da Pauses in aldulke wir- 
den. Ik heb ontvangen den brief van 
onzen heer de Paus in dusdanige be- 
woordingen. 

aldus, talis^ zoodanig. 0.9,40: So aegh 
hg, aldus tigades, tuirasum on- 
riuchta. Dan moet h^', aldus aange- 
klaagd, met twee ontregten. 

aldusdeenre, talis^ dusdanige, 0.12,12: 
In aldusdeenre sonda. In dusda- 
nige zonden. 

Aleer, anteqaam^ voordat. F.B. 1,1 6. 

Al e na, aolua^ proprio motu^ alleen, uit 
zich zelven. l.E.5,23: And hi alena 
upstonde. En hg uit zich zelven op- 
stond. 

alfte, undecimus, elfde. F.B.12,12, 

algader, algadur, totus^ geheel, l.E. 
1,6. A.3,8. 2.E.4,13: Gef thi erm 
algader loma is. Zoo de armge- 
heel lam is. 

al ga er, omnej omnino^ al te gader, 
altemaal. 0.11,15: Dat is algaer 
penbrins. Dat is al te zamen bewgs. 

al heel, totcditer^ geheel, F.B.46,10: So 
is dat testament alheel wan- 



machtig. Dan is dat testament ge- 
heel krachteloos. 

alheerney, postea^ daarna. F.B.3.2: 
Alheerney so schel ma dera 
orkena spreeck hera in da 
riucht. Daarna zal men de verklarin- 
gen der getuigen hooren in het regt. 

alhond, alhvnt, w^jwe, totdat. H.2,2: 
Alhond hit ierech se. Totdat het 
meerderjarig is. — F.O.L.4,8: Alhvnt 
in thine hiudelika dey. Tot op 
den huidigen dag. 

alhwan, quando^ wanneer. F.O.L.1,9. 

alhwenne, donec^ totdat. A.9,10: So 
mot hit stonda biwllen al- 
hwenne tha wed elast werthat. 
Dan moet het bezoedeld blijven tot 
dat de panden gelost worden. 

alikna, assimilare^ vergelgken. A.3.21: 
Thruch thet, thet ter aliknath 
lith with lif. Doordien, dat men 
het lid met het ligchaam in vergelij- 
king brengt. (In verhouding tot de boete 
van het geheele ligchaam.) 

aljeerkis, quoqux> annoy jaarlgks. 
Ch.I, 517: Aldeer foir so scel Ju- 
we mg reka aljeerkis. Daarvoor 
zal Juwe mg jaarlgks geven. 

aljowns, libere, vrgwillig. F.B,46,45: 
Jeffta keysers orkenen, deer 
aldeer aljowns to ropen wir- 
deth. Of keizers getuigen, die aldaar 
vrgwillig toe geroepen worden. 

alyna, zie: allinna. 

allahledene, omnigenus , allerhande 
soort. Oh.1, 725: Der allahledena 
rynschypen wt en in mogen. 
Waar allerlei soort van rgnschepen 
uit en in kunnen. 

allebetera, multo melior^ veel beter. 
F.O.L.3. 



21 



alledagelix — allerlandijk. 



22 



alledag el ix, quoquo die, voor iederen 
dag. 0.4.13: Aller daghena Igck. 
J.M.P.6,13. 

alleens, acsij idem, evengelijk. F.R. 
44,7: Hwaso orem schylda qwyt 
leet, dat is alleens off hy hym 
alzofulla joe. Wie den anderen 
schulden kwgtschelt , dat is even gelgk 
alsof hg hem even veel gaf. — F.R. 
70,7: Ende alleens off se pro- 
fessien haet deen. Even alsof zij 
professie gedaan heefb. 

alleer, olim, eertgds. 0.1. 

allegader, omnes, alle. E. L. 3.18: 
Hversa tha alder hire kinder 
allegader wthbaldath. Wanneer 
de oaders hunne kinderen al tezamen 
uitboedelen. — 2.) tofti* , geheel. B.32: 
Sa se thet hus allegader an 
dere gei e. Dan is het huis geheel 
voor de boete. 

allehuettis, ellewetis, quidquid sit, 
wat dat het zij. B.B.15: And sa ne 
mey thiu stole allehuettis (2. 
E. 3,15: ellewetis) naut rogie. 
En dan mag de stool (het geestelgke 
regt) wat het moge zgn, niet klagen 
(wroegen). 

allen, idem, gelgk. B.46: And nacht 
andthidei, fon there ofledene, 
se allen. En nacht en de dag is alle- 
zins gelijk, wegens den aanval. E.L. 
3,17. — B.106:Szetel and comp al- 
len et ta nedmonda. Ketel (proef) 
en kampstrgd is gelgk bij schaking 
eener vrouw. 

allenga, per, langs. Ch.1, 98. J.M. 
F.n, 199: Jef thet dulch gheith 
allenga thre wersna. Wanneer 
de wonde gaat langs de drie rimpels. 

alleradykes, alleradisthik, gitoti- 



die, dagelgks, iedere dag. 1. E. 2,13. 
A. 7,6. 

alleraec, quisque, ieder. H,3,l: Thera 
fif keia bet alleraec, sinne no- 
raa end ene sunderge wald. Ie- 
der der vijf sleutels heeft zijn naam 
en eene afzonderlijke kracht. A.7,11. 

alleraerst, omnium primus, allereerst. 
0.1. F.R.2,5. 

allerdoernalgck, quaeque domus, ieder 
huis, deur. 0.1,23: Dat da schelten 
keda schellet allerlgck binna 
sine banne des monnendegs 
toe allerdoernalijck sex wi- 
ken eer ma se (bodthing) hal- 
de. Dat de schouten bekend zullen 
maken, ieder in zgn geregt, aan ieder 
huis zes weken voor dat men het (be- 
volen geregt) houdt. 

allerawelic, quisque, ieder. A.7,10. 

allerawirste, pessimus, ergste, aller- 
ergste. F.O.L,5,29: Thet allerawir- 
ste dolch achma in to scriuan 
and tha sex vtwardis. De aller- 
ergste wonde moet men inwaarts 
schrflven en de zes uitwaarts. 

alleramonnalic, allermannalyck, 
allermannick, quisque, ieder. F.R. 

lo,0. üV7,D. 

allerek, quisque, ieder. A.1,4: alrek. 
B.14. 

allerharist, obedientissimus, allergehoor- 
zaamst, F.0.L.7,1:I agen frethe 
to bonnane, tham erst, ther is 
allerharist. Gij moet vrede bevelen, 
dien het eerst , die het gehoorzaamst is. 

allerjeerlgkes, quoquo anno, jaar- 
lijks. 0.1,10. 

allerkerkanalgk, in omnibus eccle" 
siis, in alle kerken. 0.1,22. 

allerlandijk, allerlandick, qttaeque 



i 



23.. 



allerlich— alrahagiste. 



24 



.^ 



regio y ieder land. O.l: Dat aller- 
landitk truch sgn sonderinga 
bihoef wilkerren kerre. Dat ie- 
der land naar zgne byzondere be- 
hoefte wilkeoren kieze. J.M.F. 1,5. 

allerlich, allerl^ck, quisque^ ieder. 
J.M.F.n,229. 0.1,23. 29. Ch.I, 110. 

allerl^ckne, foZia, gelgke. F.B.47,6. 

allerscherpest, strenuisaimej accuratis" 
êimej omni jure, naauwgezetst. Ch.I, 
537: Dat Sybberen ende syn 
swager hemmen werde myt 
riuchte tojenst heren, soo zee al- 
lerscherpest kuden ende moch- 
ten. Dat Sgbren en z^'n zwi^er zich 
tegen hun met regt weerden, zoo zg het 
naaawgezetst konden en vermochten. 

allerweikes, ubique^ overal, allerwege. 
0.11,45: Hi habbe allerweikes 
een meta. Heeft het allerwege eene 
maat. 

allesa, ito, aldns. A.6,11: And thiu 
bote anna thet ield allesa fa- 
ra stonda. £n de boete en het geld 
daar aldus voor te staan. 

allewa, undedm, elf. F.O.L.5,2. 

allyck, simiUter, gel^kelgk. F,B.28,19: 
Da agen to delen den bata 
ende schada allyck. Die moeten 
de bate en de schade gelgkelgk deelen. 
0.4.16: allicke. F.R.30,6. E.L.3.67. 

allyckho, gtMlicumgue modo, om het 
even hoe. F.B.30,25: Hoedat dum- 
me lyoed hyaere land naet al- 
lyckho tobringe. Opdat onver- 
standige lieden hun land niet om het 
even hoe te zoek brengen. 

al lick wel, attamen, evenwel. F.R.1. 
14: Allickwel mogen se in da 
riucht staen. Desniettemin mogen 
zg in het geregt verschenen. 



allinna, alyna, sólue, a, urn, alleen. 
F.R.2,10. 25,12. 

allyons, simul, te zamen, Ch.I, 500: 
Deerefter soe nyme 't Sweynsera 
dat tredda jeer tweer eden al- 
lyons. Daarna dan neemt het Swgns 
het derde jaar twee geregten, te zamen. 

Al man ia, Aüemannia, Duitschland. O. 
12,20. 

alne, omnie, alle. H.1,17: Mith thrim 
monnem mei ma alne tigtega 
bifella. Met drie mannen (getuigen) 
kan men alle klachten te niet doen. 

alnijes, de nova, opnieuw. F.R.15,13: 
Ende hymmen dg Paus ende 
dg keyser alnges confirmeret 
haet. En de Paus en de keizer hem 
op nieuw bevestigd heeft. 

alomme, durante, gedurende. F.R.2,31: 
Fyortich deghen allomme. Ge- 
durende veertig dagen. 

alond, exilium, ballingschap. A.v. 1: 
Thi warth esant an thet alond. 
Die werd in ballingschap gezonden. 
{Richthofen heeft: insula, eiland.) 

alont, alont dat, usqae, uaque ad, 
totdat, tot zoolang. 0.1,9: Ende aec 
foerd al da fgf daghen, alont 
des saterdei s. En verders ook al 
de vgf dagen, tot des zaturdags. — O. 
12,4: Alont schel hi buta kerke 
staen. Tot dien tgd toe zal hg bui- 
ten de kerk staan. 

alrac, alrahec, alreck, quieque, ie- 
der. E.L.1,16: In alrac monathe. 
In iedere maand. — l.E.1,3: Th era 
marca alrahec. Ieder der marken. 
B.5: Alrec redieva. Ieder regter. 
B.14,17. 
alrahagiste, supremus , allerhoogste. 
0.8,4. 



25 



alrameste—alfloe. 



.26 



alrameste, allerameste,97uurtm€, al- 
lermeeste, het meest. H.6,15: Wande 
on enre wiue, ther mith hire 
monne is, mugen allerameste 
sconda blica. Want aan eene vrouw 
die met haren man is (ofwel die de ston- 
den heeft) kan het meest de schande 
blaken. 

alramonnahwelic, ^ut^^e, ieder. H. 
l,l:Thet alramonnahwelic end 
sine gode bisitte. Dat een ieder 
in zgn goed zal zitten. 

alrasibbest, proatmtis, naastverwant. 
B.93: Sa sette ma him thene to, 
ther him alrasibbest se. Dan 
voegt men hem dien toe, die het naast 
verwant is. 

alreck, quisque^ ieder. B.14. 

als, aicut^ als. F.R.1,1, O.t;. — 2.) cwm, 
quando^ wanneer. F.R.1,1: Als God 
syn riuchticheet wrngeth. Wan- 
neer God zgne geregtigheid vernieuwt. — 
3.) scilicet^ te weten. P.R.1,7, 

al sa, sicutj uti, ita, alzoo, aldus. H.t;.: 
Alsa hi bislat tha Egyptera 
linde in mare rubro. Gelijk h^ de 
Egyptenaren in de roode zee besloot. 
B.B.t?. — 2.) si, indien. A.1,4: Sa 
brekth hi theron, alsa re ef- 
ter bèta skil. Dan verbeurt hg 
daaraan , indien h^ daarna boeten zal. 
(tien reilmarken). 

alsabli, aeque bonus, even goed. A, 
7,22: Thet hi 't hebbe alle u- 
tad, alsabli, sa hiu 't hede 
an da were ebrocht. Dat hij het 
alles uitgegeven had, even goed als z^ 
het in de huishouding had gebragt. 

alsaden, alsadene, tcdis, zoodanig. 
l.E.1,3. E.L.3,20. H.1,3. B.22.62. 
100. 



als af el, tantum^ zooveel. E.L.3,39. 

alsafir, in quantum, in zooverre. B. 
13: Alsafir sa hi herech se. In 
zooverre hij hoorig is. B.133. 

als alk, talisy dusdanig. E.L.2,10: Sa 
skellath hia alsalk ield wi- 
ther wtreka. Dan zullen z^ zooda- 
nig geld weder uitkeeren. 

alsalonge, tanidiuj zoolang. H.t;. 

alsanaka, usque, tot dat. 2.E.4,8: Al- 
sanaka thet thi erewe gerich 
se. Tot dat de er%enaam meerderjarig is. 

alsaringh, tam cito, zoo spoedig. E, 
L.2,6: Huasa alsaringh sterfth 
fon ene vnde. Wie zoo spoedig ten 
gevolge van eene wonde sterft. — P.d.M: 
So geringe, 

alsek, alsellech, alselik, talis, zoo- 
danig. A.t?«l. l.E.t?. H.t?.: Thet wi 
alselik londriucht halde. Dat 
wg zoodanig landregt houden. 

alselda, non saepe, rato, zeer zelden. 
J,M.F.13:Hia droghen alle brede 
schelde ende flogen alselda. 
Z^ droegen alle breede schilden en vlo- 
den zeer zelden. 

alsemin, similiter, te zamen. A.3,17: 
Sa is thi maga alsemin fif skil- 
linga. Dan is de maag te zamen v^f 
schellii^en. 

alsieft, sicutj Eklsoi. 0.1,7: Alsieft hg 
se mith sgnre hand wrslagn 
hede. Alsof hg ze met zgn hand ver- 
slagen had. 

als o, alsoe, taliter, aldus; sicut, ge- 
Igk als; ita, gelgk, aldus. F.B.1,15. A, 
v.l. Ch.I,117. J.M,F.n,250. 0.11,11, 

alsodenich, talis, zoodanig. Ch.I, 252: 
Ende is thio misdede alsode- 
nich. En is de misdaad zoodanig. 

alsoe, /7ar, gelgk. J.M.F.II,208: alsoe 



27 



alsoewel— amasgalonde. 



28 



dyore als een manslachta. Even 
zoo daur als een manslag. 

alsoewel, similiterj simul, evenzoo, ook. 
P.R.ll,l: Dat hg sonder leyne 
dat sidze ende alsoewel, datze 
neen falscheed in der bywy- 
singhe foerdbrenget. Dat hg 
zonder leugen dat zegge en ook dat 
zg geene yalschheid in het bewgs aan- 
voeren. 

alsoefyr, in quantum^ in zooverre. O. 
1,22: Alsofijr so hi wil. In zoo 
verre hg wil. 

alsofoert, porro, wgders. F.R.19,1: 

alst, quando^ wanneer. F.R.3,1. 

al stede, mox^ terstond, op de plaats 
0.1,41: Soe aegh di kempa b n- 
ta hofwal toe staen ende al- 
stede in to faen. Dan moet de 
kamper buiten den kerkhofmuur staan 
en terstond daarin tasten (in den 
ketel). 

alsuke, talis^ zoodanige. F.R.27,13: 
Alsuke wisinghe seyt dat key- 
sersriucht is ney da riucht 
na et. Zoodanige uitwgzing zegt het 
keizersregt is volgens het regt nie- 
tig. Alsukedeneghe. F.R.26,16. 
81,21: Alsulkedenige. 

alsulke, talia^ zoodanige. F.R.1,48. 

altehond, mox^ terstond. B.38. 127: 
And altehond of tha ethe. En 
terstond uit het ambt. 

alter, altare^ autaar. 0.8,23. B.146. 
F.R.59,18. 

alterletzen, mappa aUaris, altaarla- 
ken. A.9,6: Alterliden. J.M.F. H, 
303. Ch.I, 349, 

alther, i W , daar. H.10,4: Hwasa 
alther enne mon sle. Wie daar 
iemand doodt. 



althervmbe, uf^o, daarom; quia^ dewgl. 
H.3,4: Althervmbe thet wi Fre- 
sa hebbaturkerenstocand stn- 
pa. Daarom omdat wg Friezen gevan- 
genis en boegen afgewillekeurd hebben, 
althus, ita, aldus, F.O.L. 1,54. 
altyda, altida, semper, altijd. F.R. 

1,34. 44,1. 
altolike, simul, tegelgk. E.L.3,22:pa- 
ritéVy gelgkelgk. Sa delath hia al- 
tolike hire feiders anda mo- 
ders goed. Dan deelen zg gelgkelgk 
hun vaders en moeders goed. 
altruch, totus^ geheel. F.R.40,3: So is 
hg dyn scade altruch schyl- 
dich om to tyaen. Dan is hg ver- 
plicht de schade geheel te voldoen, 
alue, undecim^ elf. E.L.1,21. 
alvmbe, circunij in 't rond. H.10,3: 
Fon there sunna uptochta thet 
etmel alvmbe. Van der zonnen 
opgang het etmaal rond. 
alvnd, donec, usgite^ tot dat. H.10,31: 
Alvnd thet kind to jerum cn- 
me. Totdat het kind meerderjarig is. 
alweer, quamvis^ hoewel, al ware het. 
F.R.1,14: Alweer dat seeck. Al 
ware het zake. 
alweikes, uUque^ allerwege. Ch.I, 113. 

J.M.F.n,238. 
al we, undecimj elf. 2.E.1,3. 
alwith, quod, quia^ dewgl, omdat. A. 
1,7: Alwith, thet wi er north 
herdon Redbate tha unfreth- 
monne. Omdat wg vroeger noord- 
waarts behoorden aan Radboud den 
onvreedzamen. 
alzodene, talis, zoodanige, dusdanige. 

F.R.1,24. 
Amasgalonde, Amesganalonde, 
EmaigOj Eemsland. B.B. E.L.2. 



29 



ambacht —anoker. 



30 



ambacht» ambechte, ambacht, o/- 
Jicium^ ambt, betrekking. F.R.1,50. 
23,9: Dg is mitter deda sjn am- 
bacht qwyt. Die is door dezedaad 
zgn ambt kwijt. — 2) missa^ misse. 
0.7,17: Sgn ambuchte to hera- 
ne, wgtat to ngmane. Zgne mis 
te hooren, gewijd brood te nemen. Zie : 
ombechte. 

amia, concubina^ bflzit. F.R.15,73: Aen 
prester, deer een openbeer a- 
mia ha et. Een priester die eene 
openbare bgzit heeft. 

amichtia, administrare cdicui sacramen" 
turn extremae unctionis. Iemand het H. 
Oliesel (zalving) toedienen. J.M.F.7,52: 
Dat hi him ierne brenge witad 
ende bychte ende amichtie. Dat 
hg hem gaarne gewijd brood brenge en 
biecht hoort en de H. olie toedient, 
(0.8,23 heeft: wgtat ende missa.) 

amma, ammer, aliquis, iemand. F.0. 
L.4,32. 8,18. 

amme, nutria, voedster. F.R.72,9: Als 
een amme deth her kynd. Gelgk 
eene min haar kind doet. 

ammer, semper^ immer, altgd. l.E.6,7: 
Thet hiu skolde ammer aftne 
stol bisitta. Dat zg altgd wettig 
gehuwd zal zgn. 

ammermar, semper^ immermeer. F.0. 
L.3: And hia ammermar frei we- 
re. En zg ten allen tg de vrg waren. 

ammon, aliquis, iemand. F,O.L. I, 24. 

amptenman, vir in ofjicio constitutusj 
minister j ambtenaar. F.R,2,19: Di 
rinchter is een kneppa off een 
amptenman, deer dis riuchtes 
sinne folget. De regter is een 
bediende of een ambtenaar, die den 
zin van het regt volgt. 



amptman, faber ferrariuSj smid« O. 
11,67: Jeff hg stande an heer- 
wei, oen tzierckwei of an een 
amptmannes huse. Zoo het (paard) 
stond aan den heerenweg, aan den 
kerkweg of bg het huis van een smid. 
(Het J.M.F.n, 242 heeft : smetiskuse.) 

a m s c h e, Emisgonia , Emsigo. J.M.F. 1 5 . 

an, et^ en. l.E.1,1. 

an, anda, anna, tn, ad, in, bg, aan. 
B.158: Anda enre kase. In een 
gevecht. — 2) Cum, met. 0.10,22: 
An sgn willa ende an des ode- 
ris onwilla. Met zgnen wil en met 
des anderen onwil. — 3) in , in. F.R. 
56,1: Alzofyr als 't an him is. In 
zooverre het in hem is, hg het ver- 
mag te doen. — 4) ad^ tot, in, l.E. 
1,4: Thi fare an ther otheres 
w e r a. Die gaat tot een anders werf. — 
h)8ub^ in, onder. A.2,13: Thet hiu is. 
an thes kininges mundelinge. 
Dat zg is onder des konings voogdg. — 
H.7,4: An honda nima, vatten, be- 
trappen. — 0.8,22: An moerne, mane^ 
's morgens. — F.R.2,31: An nede ny- 
ma, vim inferre^ geweld aandoen. 

an, unu8^ een. A.1,7. 

ana, ad^ in, aan. A.1,3: Thet er al- 
leramonna ek ana sina eyna 
go de bisitte. Dat er ieder in zgn 
eigen goed zal zitten. — A. 7,5: And 
ana en or lond to tiande. En in 
een ander land te trekken. 

anbetta, adoratie j aanbidding (van het 
H. sacrament des autaars). 0.7. 

anckele, taltis, enkel (van den voet). 
0.11,39: Jeff di winstera foet 
off is it ta anckel-e. Zoo de linker 
voet af is bg het enkel. 

ancker, anchora^ anker. F.O.L,6,12. 



31 



and— aneihe. 



S2 



and, anda, e<, en. l.E.1,2. — 2)ctiin, 
als. B.163: Sa halde ma se mith 
etham, and hit mith holte and 
mith pelem biset se. Dan hoade 
men het met eeden, als het met hoat 
en met palen bezet is. — 3) sicut, 
als. A.1,3: And alle werlase lio- 
don like to helpande and sine 
thredknilenge. En alle weerlooze 
lieden gel^k te helpen als zgne ver- 
wanten in den derden graad. — 4) in, 
te, aan. l.E.r.: Hi was thi forma 
ther and Rume thet rike biset. 
Hg was de eerste die te Rome het 
rgk bezette, E.L.1,22: Anda thet 
are slain. Aan het oor geslagen. 

andderda, zie: anderda. 

andema, spiritus, adem. J.M.F.II, 210. 
Ch.I, 102. 

anderda, andderda, anderia, an- 
derya, respondere, antwoorden. P.R, 
1,30: Dat se beda sprecka ende 
bede anderda. Dat zij beide spreken 
en beide antwoorden. P.R.3,1. 7,10. 
0.1,35. 

anderke, tnstrumenta rustica, boerenge- 
reedschap, (Zweedsch: anyrke, rwa(m- 
alien zu IlausgeraJii, matiere aux har^ 
des,) 0.1,70: zie: Emka en Inka. 

andern, and r e n, /<?n€5<ra, venster. A. 
7,29: Jefta sina andema instat. 
Of zgne vensters instoot. B.48: Thet 
andren to bctande. Het venster 
te boeten. Zie: derne. 

andert, responsio, antwoord, defensio, 
verwering, 0.13,11: Soe aegh him 
di schelta to andert te brin- 
gen. Dan behoort de schout hem 
tot antwoord te brengen. P.R.25,20. — 
2) presentia, tegenwoordigheid. O. 
1,55: Aen sgnra bura andert. 



In tegenwoordigheid zgner boren. F. 
R.3.2. 13,10. 

andes, pro: ande, et, in. F.O.L.1,9. 

a n d 1 e t , facies, aangezicht. F.R.60, 1 3 : 
So aegh ma hym een teyken to 
dwaen buta der andlet om da 
likanisse ws Herens. Dan moet 
men hem brandmerken buiten het aan- 
gezicht, om de gelgkenis onzes Hee- 
ren. — 0.11,8: Bloedresene onder 
da andlet a. Bloedrunst onder het 
aangezicht. 

andlof te, undecimus, elfde. A«l,ll. 

andre, sub, onder. B.159: Hwerth 
er aeng stenhus hagra vrocht, 
sa tuelf ierdfota hach andre 
thivcke; and szelner vr taa 
feke andre thiuchke. Wordt er 
een steenhuis hooger gemaakt dan twaalf 
aardvoeten onder het dak; en kelders 
boven twee vakken onder het dak. 

andre de, responsalnlitas , verantwoorde- 
Igkheid. J.M.F.9,34: Fan andre de 
dis hera foer 'n knecht. Van de 
verantwoordelgkheid van den heer voor 
den bediende. 

andren, zie: andern. 

andria, zie: anderda. F.R.7,7. Ch. I, 
519. 

andrich, responsio, defensie., verant- 
woording. Ch.I,519:Da wraldische 
toe andrich oers naet, den in 
da riucht, deer hia hwssitten 
sint. De wereldl^ke niet anders ter 
verantwoording, dan in het regt, waar 
zg huiszittende zgn. 

andwert, responsio, antwoord. F.R.3,6. 

a n e, sine, zonder. 0.4, 14: Ane lioda 
werd. Zonder het gezag van het 
volk. 

anethe, quisque, ieder. H.1,16: Wand 



33 



anfara— ara. 



34 



God bad anethe« Want God beval 
een ieder. 

anfara, ante, voor, in. Anfara haf- 
de. Voor aan het hoofd. A.3,7. 

anfeng, aggressioj attacius violentus, aan- 
pakking. 2.E.1,17: Thi vnriuchta 
anfeng and thiu wetskamene. 
De onwettige aanpakking en het kleed- 
scheuren. 

angel, angelus j engel. A.7,9. 2.E.v. 
meervoud: anglar, anglon. 

angen, angher, aliquis, eenig. F.B. 
62,11: Fan angher misdeda. Van 
eenige misdaad. — 2.) nullus, geen. H. 
9,2: angne Hera, nullus dominus^ 
geen Heer. 

anhalda, occultare, verbergen, aanhou- 
den. l.E.6,6: And theth anhald 
dey and nacht. En het dag en nacht 
aanhoudt. — F.R.60,8: So bygeet 
dg tyeffte, deer 't anhalt. Dan 
begaat hg diefstal, die het aanhoudt. 

anhoude, (2omta7tum, woonplaats, aan- 
houd. Ch.1, 597: Ende ghien an- 
houde en hebbe. En geene vaste 
woonplaats heb. 

anna, et, in. A.(),ll. 

anna, in, in. A.6,5: Fait hi ac an- 
na en hus. Valt hij ook in een huis. 

annema, aliquis, iemand. Gh.1, 542: 
Hor vy, ner annema fan vszer 
we ge na. Noch wg, noch iemand van 
onzentwege. 

anoech, «o^t^, genoeg. F.B.15,49. 0.3,8. 

ansecke, actor, eischer. F.R.2,6: Ende 
hg is schyldich dat gued da 
ansecka to bytellien alheel. 
En hg is verpligt dat goed aan den 
eischer geheel te betalen. 

ansicht, aensicht, facies, aangezicht. 
F.R.62,11. 



antwerdia, antwirda, respondere, 
antwoorden. Ch.1, 376. F.R.67,6. 
J.M.F.II, 315. 

antwurt, praesentia, tegenwoordigheid. 
Gh.I, 541: In her Ynta antwurt. 
In tegenwoordigheid van Heer Ynte. 

anxta, timor, vrees, angst. F.B.3,13. 
— 2) damnum, schade. F.B.31,1: Dat 
is ma schyldich to openberien 
dajennen, deer 't oen geet jeff- 
ta anxta fan habba mey. Dat is 
men verplicht te openbaren aan dien, 
die het aangaat of er schade van heb- 
ben kan. 

apale, stipes, palus, qui in aqua ad 
viam discemendam ponitur, A.7,30: 
Thet thi dikaldermon hach to 
wetande and to wisande alle 
sonswiththa and alle apala and 
alle riuchte ondhafda. Dat de 
dgkregter behoort te kennen en te wg- 
zen alle aanspoelingen en alle water- 
merken en alle wettige waterkeeringen. 

apel, zie: abel. 0.11,47. 

apostelen, apostillae. F.R.19,4. 

appelssmelinga, laesio pupiüae, be- 
leediging van den oogappel. F.O.L.5,6. 

ara, honorare, eeren. 0.8,22: Alter a- 
rade. Het autaar eerde (op hetautaar 
oflferde). 

ara, arrha, handgeld, pand. F.R.32,9: 
Al is 't seeck, dat ter neen a- 
ra jown is, want dg ara maket 
neen caep, men hgt is een by- 
wisinghe fan een caep. Al is het 
zake dat er geen handgeld gegeven is, 
want het handgeld maakt geen koop, 
maar het is een bewgs van een koop. 

ara, possessio, bezitting. B.135: Hit ne 
se thet him alle sine ara of- 
berned se. Tenzg dat hem al zgne 

3 



35 



ara— athenL 



86 



bezittingen a^ebrand zgn, Leye^ Ar. 
opu8^ usus^ aeê. 

ara, ar ra, prior ^ vroeger. P.R.46,62: 
Ende dg ara naet. En de vroegere 
niet. — Ney da ara syucte. Na de 
vroegere ziekte. 

ara, laestiSj bezeerd. 0.11,13: Hwaso 
di sioen fan da age dio fiaern- 
deel ara is. Wanneer het gezicht van 
het oog een vierde verzwakt is. 

ara, auris^ oor. 0,11,24. A.3,4. B.61. 

arboga, annulns aurüj oorring, rand 
van het oor. F.O.L.5,28. 

ar ch, /rat**, bedrog. Ch.I, 596. 

archa, arca^ ark. 0.12,18. 

arenda, destruere^ vernielen. 2.E.1,17: 
And ma thet hus areth. En men 
het huis vernielt. 

argalist, astutia^ arglist. Ch.I, 240. 

armborst, arcubalista^ manubcUista^ boog 
om mede te schieten. 0.10,34. (Ys- 
landsch: armbrysti). 

ar ra, prior, vroeger. 0.4,24: Dat hg 
een arra moerddeda eefter der 
ora deen habbe. Dat hg een vroe- 
gere moorddaad, aan den anderen ge- 
daan heeft. F.O.L.6,9. 2.E.4,37. 

ars te, primus^ eerste. O.v. 

as,*tcuf,als. H.10,8: As er syde was. 
Als vroeger gebruik was. 

asa, (alsa) tam, alzoo. A.7,23. 26. 

ascha (pro: alftha) decem et dimidiumj 
tien een tweede. P.O.L.5,22. 

ascha, vel, of. J.M.P.n, 248: Blodres- 
na an der tunga, ascha jelkis 
and tha felle. Bloedranst aan den 
tong of elders aan de huid. Ch.1, 116. 
— 2)sicut, gelgk, zoo als; tune, toen. 
J,M.P.1,7. Zie: acka. 

asche, earactio, eisch. F.O.L.8,26: Ther- 
efter fon aller asche, ther ma 



tha erwa tosecht fon alla go- 
dishusum. Daarna van alle eischen 
dien men van de erven vraagt van alle 
godshuizen. F.O.L.6,9. 

asega, judex, regter. A.1,3. 

a s i a, conJtemplari, aanschouwen, beschou- 
wen. l.E.5,22. 2.E.1,19. E.L.1,78. 
Zie: asla. 

askia, exigere, eischen. A,2,5: Tho 
hwam sa ma en god ieftha en 
lond askie. Van wien men een goed 
of een land eischt. B.152. 

asla, attingere, bereiken. 2.E.l,19:Thet 
hi ne muge thene grund nawit 
asla, ne himel nawit asia. Dat 
hg den grond niet kan bereiken noch 
den hemel aanschouwen. 

aslain, percussus, verslagen. B.131. 

aspera, attingere, besperren, bereiken. 
E.L.1,73. 

ass, quando, als. F.B.1,19. 

asterste, orientalis, oostelgkste. H. 1 ,9. 

astha (pro: as hith a), quasi in, alsof 
het. Ch.I, 119: Astha hem selm 
den were. Alsof het aan hem zelven 
gedaan ware. J.M.F.II, 255. ascha. 

asunderga, asunderghe, separatim, 
afzonderlgk; nominatim, inzonderheid. 
H.10.26: Nen ombecht asunder- 
ga nenne warf ni halde. Geen 
geregt inzonderheid geen werfgeregt, 
te houden. — E.L.1,54: Asunderghe 
to beten. Afzonderlgk te boeten. 

ath, jtticjMwf, wat. J.M.F.n,243: Oers 
ath. Anders iets. Gh.1, 115. 

atha, atta, attha, judex vici, (xg- 
gerum, buur of dgkregter. 0.9,19. 
J.M.F.n,302. Ch.I,344. 348. P.R. 
24,21. Aththa. A.7,31. 

athem, athom (meerv. athmar), ge- 
ner, schoonzoon, zwager. 0.8,14: Je f- 



37 



athir— aza. 



38 



ta sgn stiepfader iefta s^n 
at hem. Of z^n stielVader of zgn zwa- 
ger. Ha,U. A.1,14, 2.E.4,25. — B. 
150: Thiu snore and thi swia- 
ring and thi athum. De zwa- 
gerin en de zwager en de schoonzoon. 

athir, quisque^ ieder. Ch.I, 337. 

anbere, apertus^ openbaar, zichtbaar. 
H.1,17: Buta dathe and aubera 
dol ge. Behalve doodslagen en zicht- 
bare verwondingen. 

aud, natuêj oud. F.R.46,55: Fyoer- 
tyen jeer aud. Veertien jaren oud. 
— 2.) antiquus^ oud. P,R.15,10. 

au de ma, spiritus j adem. Ch.I, 111. 
J.M.F.n, 210,232. Zie: andema. 

auder, vel^ot. B.46: Ander deis iof- 
tha nachtes. Of des daags, of des 
nachts. 1,E.6,7. 

audfaer, atms, grootvader. P.R.57,4. 

audmoer, avia^ grootmoeder. F.B.57,4. 

aut, aliquid^ iets. Ch.1, 242: Hwaso 
otherm aut deth. Wie den anderen 
iets doet. 

auwa, demonstrare ^ probare^ aantoonen, 
bewgzen. H.7,2: End hiu en urpe- 
na warue end en heida thinge 
hire modwilla aut. En zg in een 
opgeworpen geregt en in een gespan- 
nen geregt haren onwil aantoont. — B. 
185: And hebbe to auwande 
wedlingar ieftha blodelsa. En 
aantoonen kan bezeeringen en bloe- 
ding. Leye, eawan^ heawan. 

auwed, demonstratus, vertoond. 2.E.1,1: 
And tha rediewa blodich au- 
wed se. En den regter bloedend ver- 
toond is. Awed. E.L.1,13. 

auw et ^ (Uiquidj iets. A.7,27: Jef ma 
ther auwet to iefth. Zoo men 
daar iets toe geeft. 



awa, probare, bewezen. 0.1,74: Mei 
hioe 't awa an da buirschip. 
Kan zg het in de buurt bewgzen. Zie: 
auwa, ook ta en tawa. 

awane (thi), vespers j des avonds. O. 
9,2: Nu aegh aller scheltena 
Igc, thi awane, binne sine ban- 
ne, dae branden toe baernane. 
Nu moet ieder der schouten, des avonds, 
de vuren ontsteken in zgn district, 
awend. J.M.F.9,37. 

awa ra werda, certum fisri^ gewaar- 
worden. F.B.58,36: And hg des 
awara wirth. En hg dit gewaar wordt. 

awed, zie: auwed. 

aweey, awey, awei, a, aft, dsy verlo- 
ren, w^. F.B.25,27: Aweinima, 
wegnemen. F.R.54,3. B.25. — 0.1 1,22: 
Sint da tre delen awei. Zgn de 
drie deelen weg. Leye^ awey^ absens, 
deêst 

awend, zie: awane (thi). 

awerkera, aurikera, auricanus, auri- 
cher. B.160: Buta auwerkera ges- 
tel on de. Behalve auricher gaastland. 

awet, cdiquid^ iets. A.5,13: Sa thera 
wedda awet ouirte. Datzgnemagt 
in iets te buiten gaat. 

awete, abbas^ abt. 2.E.3. (B.B. heeft: 
bedin, voor abbedin?) 

awralde, perantiquum ^ semper, altgd, 
overoud. F.R,50,21: Ende dit awr- 
alda ald riucht wessen fan 
Abrahams tyden ont nu. En dit 
van ouds oud regt geweest van de 
tgden van Abraham tot nu. 

axa, acsia^ securisj bgl. O.l.supl.: Da 
worp hg mitter axa op dat land 
ende worp een tura op. Toen 
smeet hg met den bgl op het land 
en wierp eene zode op. 



39 



axel— balemnnda. 



40 



axel, humerusj schouder. E.L.1,36: An- 
da til er axel e. Aan het schouder. — 
2.) Scoptulay schouderblad. P.O.L.5,16. 
2.E.1,9. 1,E.5,9. 



axfeg (Faxfeg, Paxfeng?), arreptio 
criniumj haartrekking , haargreep. H. 
4,15. 

axla, zie: aexla en axel. 



B. 



bad, mandabat, gebood, beval. A.v.1. 

baech, annuluSj ring. J.M.F. 13: Jou- 
wa enen geldene baech. Een gou- 
den ring geven. {Ducange: baga, ^em- 
meuê aureusve ornatuê annuUts,) 

baeden, invitatus^ verzocht. F.R. 17,11: 
Ende haet ter een man selff 
na et om baeden. En heeft er ie- 
mand zelfs niet om verzocht. 

baelmond, malus tutovj slechte voogd. 
P.R.26,5. Baelemond. J.M.F.5,13. 
zie: balemunda. 

baem, arbor^ boom. F.B.48,1: Baem 
des sibbe s. Geslachtsboom. 

baen, bannum, ban. J.M.F.Ü, 315. 

baer, arbitriumj baar, zoen. F.R.21,12. 

baerman, arbiter, zoensman. F.B.13,27, 

ba erna, urere, branden. 0.7,12: Hor 
hi se hangie, soe hi se haudie, 
so hg se drinse, bo hi se baer- 
ne. Of hg ze wil hangen, of hg ze 
wil onthoofden , of hg ze wil verdrin- 
ken, dan of hg ze wil verbranden, 

baerne, incendiarius , brandstichter. F. 
R.III, 4: Dat ma alle da baerne, 
deer nachtis brand dwee. Dat 
men alle brandstichters , die des nachts 
brand stichten. 

ba e sier, puffio, sica, zeker wapen. F.R. 
72,4: Wepen nympt hg hier foer 



swird, foer baesler, foer steck- 
misse of morren. Wapens neemt 
hg hier voor zwaard, voor baselaar, 
voor dolk of moordpriem. (Ducange: 
badelare, ensis brems species, baze- 
lare, Gall. un petit coutel portee 
tif appellé baudelaire, bazelar- 
dus, bazalare.) 

haga, gloriarij roemen, bogen. 0.1: 
Dis bagaden dae fan Roem. 
Toen beroemden zich die van Rome. — 
J.M.F.1: Dis bagade Rome. 

baken, />Aaru9, vuurbaken. 0.1,2: Jeft 
it him keth wirt mith boeda 
iefta baken a. Hetzg het hem door 
boden of door bakens verkondigd wordt. 

balckfallich. 0.10,26: Hwasoe an- 
deris huus baernt iefta breekt 
speerfallich ende balckfallich. 
Qui domum alterius urit vel destruit^ 
ita ut trabes et tigna non amplius te^ 
nent. Wie iemands huis verbrandt of 
vernielt, dat sparren en balken vallen. 
F.R.59,2, 

balde, fi^oor, terstond. H.9,2: Alle bal- 
de se to there burg flegen. Ter- 
stond vlogen zg alle naar den burgt. 

balemunda, balumon, tutor, curator, 
voogd. H.1,14. A.1,14. (Bg Ducange: 
ballum, tutela, ballus, tutor, S. ba- 



41 



balge— baria. 



42 



lias. Misschien verwant met ons bal' 
juw. Het wordt gebruikt , als de tweede 
man eener vrouw mede voogd is. J.M.P. 
5,13.) 

balge, vagina^ scheede. E.L.1,9: Mith 
tha balga swerde. Met het zwaard 
in de scheede. — Pd.MS. Mit den 
bloten sweerden. 

bam, arhoT, boom. B.147: Sa skel 
ma hine setta oppa enne tian- 
spesze fial, and oppa enne north- 
haldne bam. Dan zal men hem op een 
tienspakig rad zetten en op een boom 
uit het noorden (eikenboom). H.7,4. 

bame, /ti^^w, stok. B.185: Werth er 
en mon eslain oppa sin hand 
mith eene bam e. Wordt er iemand 
met een stok op zgn hoofd geslagen. 
0.4,8. A.2,19 (bg Wiarda: bambe). 

ban, bannuSf jurisdictio, ban, geregts- 
baarheid. P.R.1,21. — 2.) poena ec- 
clesiastica, kerkelgke ban. 0.1,23. — 
3.) multa, boete. P.R.64,7. 

banek, scamnum, bank. E.L.1,40. 

band, obligatus, verbindend. P.R.23,3: 
Om disse wil, so is 't aeck ful- 
la mara need ende band, haet 
een man God onthaet. Om dies 
wil, zoo is het ook noodzakel^ker en 
meer verbindende, wat iemand aan God 
belooft. ,' 

banden, jussus^ bevolen. F.R,12,30: Wr 
enen banden sind. Voor eenen be- 
volenen zeend (geestelyk geregt). 

bane, faha, boon. J.M,P.16: Thet hle- 
pen weyt gold toe Bolsw. op 
den Pascha-ionde(1316)12 scill. 
ende thio bane alsofula. Het lo- 
pen (de halve hectoliter) tarwe gold 
te Bolsward op Paaschavond 12 schel- 
lingen en de boonen evenveel. 



banfellinghe, solutio banni^ betaling 
van het geregt, geregtskosten. P.R. 
81,5: So is hy him schyldich 
fol to dwaen ney loep dis rinch- 
tes, fan banfellinghe, fan kost- 
fellinghe. Dan is hg verplicht te 
voldoen, volgens den loop van het 
regt, de geregtskosten en uitgaven. 

banna, jubere^ bevelen. 0.1. A.v.1. 

bannere, apparitovj geregtsdienaar. O. 
1,76: So schil di bannere quaen. 
Dan zal de geregtsdienaar zeggen. 
P.R.60,22. 

bannethe, homiddium^ doodslag. J.M. 
P.6,8. Zie: bene the. 

banschyldich, poenae obnoaius, boet- 
vallig. P.R.25,23. 

banthe, homiddium^ doodslag. P.R. 
13,38: Hwerso een banthe een 
man opseyt. Wanneer iemand een 
doodslag aanklaagt, 0.4,8: banthe- 
ren, zie: bene the. 

ba ra, mmere^ beuren, ontvangen. P.R. 
21,36: Aeschia ende bara. Eischen 
en ontvangen. 

bara, accusare^ aanklagen. B.136: Ba- 
rath ma tua sennene ieftha hi- 
re other. Klaagt men twee echtge- 
nooten of een hunner aan. E,L.3,27. 

bare, accusatiOy klagt; accuêotuê^ be- 
klaagde. B.134— 138. P.O.L.8,9. 

bared, arbitratusj gezoend, gebaard, 
P.R.18,13. 

barghe, poreus^ Yaiken. Ch.I, 656: Pan 
horndeyer, hynxtedeyren yefte 
fan barghen ende fan schepen. 
Van rundvee, paarden of van varkens 
en van schapen. 

baria, notum reddere, bekendmaken, open- 
baren, 0.1,30: Her willa to barien. 
Haren wil te openbaren. 0.1,60. — 



43 



barna — beclema. 



44 



2.) accuêarej beschuldigen. E.L.3,26: 
Allermannick mot ma baria, 
thet is: wrklagie. Iedereen kan 
men baren, dat is: verklagen. — 
(B.48,134 en 152 is het: wegens den 
kampstrgd aanklagen.) 

barna, urere, branden; tnceiuJ^re, brand- 
stichten. E.L.3,32.33. A,2,20. 

barned, barnid, barnd, ttstus^ ge- 
brand, F.R.1,33. 2.E.1,1. 

barnend, uren«, brandend. 0.4,24: Mit 
barnenda brande. Met een bran- 
dend brandhout. (l.E.2,24: beman- 
de bronde.) 

basfeng, htLseteng^turpistactusinfemi- 
nis factus , oneerbare aanranding eener 
vrouw. E.L.1,40. l.E.4,22. 2.E.1,13. 
P.O,L.5,39, (F.O.L.6,21: basefeeng.) 

bata, commodum, bate, voordeel. F.B. 
12,14. 

batya, prodessej voordeelig z^n, baten. 
P.R.17,15. 

be, funduê matrimonialis , bona conjugum 
communia^ gemeenschappelgk goed der 
echtgenooten. 0.9,30: Dat hio- oen 
her manne vercoft habbe half 
be ende half bodel ende tr^- 
mene sin ain, lawiged ende on- 
la wig e d. Dat z^ aan haar man ver- 
kocht hebbe de helft van het ge- 
meenschappelgk goed en de helft van 
den boedel en ten derden z^n eigen, 
geërfd en niet geërfd. J.M.F.9,33. 
F.O.L.6,79. 

beaskia, exigere^ eischen; denuntiare^ 
aanklagen, aangeven. H.10,20: And 
hi enne skeldega beaskie. En 
h^ eenen schuldigen aangeeft;. F.O.L* 
9,18. 

bebunden, ligatus^ gebonden. A.2,15: 
Jeftha en mon unskeldech mith 



enere hauedleina bebunden 
werth. Of dat iemand onschuldig 
met een strop gebonden wordt. 

bec, beek, dormm^ rug. B.143: And 
bint him sina honda oppa sin- 
ne bec. En bindt hem zgne handen 
op zgn rug. E.L.1,65. H.4,12. 0.6,5. 

becannisse, cognitio, discrimen^ ken- 
nis, onderscheiding. F.R,1,1: Want 
hy haet neen becannisse uer 
neen onderstannisse in hem 
selm. Want hg heeft noch kennis 
noch verstand in zich zelven. 

becfengh, retracHo, terugtasting. E.L. 
3,68: Hversa thiu suster wtbalt 
is, sa ne mey hiu nannen bec- 
fengha dwa. Wanneer de zuster 
uitgeboedeld is, dan mag zg geene 
terugtasting (in de erfenis) doen. B. 
118. F.O.L.6,7. 

bechelp, bechlep, asstdtus in dorsum, 
het op den rug loopen. H.6,18: Bec- 
help: thet ma tha monne oppa 
thene bec hlape and hwelic vn- 
ieue word spreke. Op den rug ge- 
loopen: dat men iemand op den rug 
loopt en eenige onvoegzame woorden 
toevoegt. (l.E.5,16 heeft bechelp en 
vnefoge.) 

beclamethe, debilitatio dorn, rugver- 
lamming. E.L.1,33: Thiu beckla- 
methe thiu kempth fon ther 
waldensine. De rugverlamming ont- 
staat uit de (verwonding der) ruggespier. 

beclagia, deferre, accusare^ aanklagen, 
beschuldigen. H.10,17: And hocne 
redgeua sa ma beclagie. En 
welken regter dat men beschuldigt. 

b e c 1 e m a , accuaar e ^ constringere^ beschul- 
digen, beklemmen, betrekken. Ch.I, 
346: Hwae soe orem in der tyo- 



45 



been— bedels. 



46 



la beclemet. Wie den anderen in 
hetgeregt betrekt. (J.M.P.Ü, 294: bi- 
clemet.) 

been, instrumentum munccde, bekken 
(zeker mazgkinstroment). F.O.L.6i25. 
in fine: Hwersa ma en wif ha- 
lat mith home and mith hin- 
de mit beena and mith drechte. 
Wanneer men eene vrouw haalt met 
hoornen en met geschal , met bekkens 
en met gevolg. F.O.L.4,3. H.5,4. 

becnam (to) retroj terag« B.40: Halt 
ma hit to becnam. Houdt men het 
terug. 

b e co ma, supervenire^ overkomen. B.93: 
Hit ne se thet him becume hun- 
ge r. Tenzg dat hem honger overkwam 
(dat h^ honger moest Igden). 

becward, inopinatuê^ onvoorzien. 2«E. 
4,38: Olie vnwalda deda, spil- 
deda and olie becwarda deda« 
Alle niet gewelddadige daden, daden 
in spel en alle onvoorziene daden. — 
B.182: ruggelings, achter den rug. 
To becnum, terug. B.40. 

bed, jubebat^ gebood, beval. A.2,24. 

bed, fnatrimonium j huweligk, bed. F.R. 
87,9: Alsolangh als deer meer 
kynden sint fan da aersta bed. 
Zoolang als er meer kinderen uit het 
eerste huwelgk zgn, — 2.) lectuBj bed. 
£i.L.l,82. 

beda (om), obpreced^ precario^ ter bede. 
P.R.11,5. 

beda, ambo^ beide. F.R. 1,4. 

beda jou wa (ti), collocare aliquem in 
matrimonium , iemand uithuweligken. 
0.16,14: Hveerso ma een knappa 
iefta een famna ti bede jeft. 
Wanneer men een jongeling of een 
meisje uithuwelijkt. — Zie: bosta 



jouwa (to), bostigia. 0.12,15. 
J.M.F.12,16: To beithe det. 

bedclaen, necessaria lecti, beddegoed. 
F.R.26,5. 

bedde, bed, lectuSj bed. A.3,3. E.L. 
1,32. — 2.) êociuê tori^ bedgenoot. 
2.£.t;: Thet thu nebbe thinis 
bedda god stelen ne vrhelen, 
sin ne wart, thin ne gret. Dat 
gg het goed van uwen echtgenoot niet 
hebt gestolen noch verholen , het zgne 
niet verminderd, het uwe niet ver- 
groot. 

bede, oratio^ gebed. F.R.2,40: Bnta 
der mena beda. Buiten het alge- 
meen gebed. FR.56,1. — 2.) petitio ^ 
rogatioj verzoek. F.R.2,6. A.5,13. 

bedeldeggen, dies orationisj biddagen. 
F.R.5,1. 

bedelns reka (to), in dotem dare^ten 
bruidschat geven. F.R.30,19: En de 
dyo suster mey her deel gue- 
den, dyr hyo ondeeld haet ende 
ontfinsen haet fan her faders 
lawen to bedelns reka, butha 
her broders wederspreck. Ende 
zuster mag haar aandeel goed, het 
welk zg ongedeeld heeft , en van haars 
vaders erfenis ontvangen heeft, ten 
bruidschat geven zonder tegenspraak 
van haren broeder. 

bedels, bona dotalia^ uitzet, huwelgks- 
goed. F.R.46,68: Ende dyo bedels 
jeff byspreckma in da testa- 
ment schel ma al tofara off- 
recknia, jeff wr een haep brin- 
ghen in da gued, ende dele dan 
dat 1 y c k. En de uitzet of het legaat in 
het testament zal men er te voren af- 
rekenen of op een hoop bg het goed 
brengen en dan gelgkelgk deelen. 



47 



beden— begreta. 



48 



beden, jussnsj bevolen. F,R.1,9. — 2.) 
Togatui^ petitusj gevraagd. F,R.46,2. — 
3.) oblatuSf aangeboden. F.R.30,12. — 
4.) mandatus, aanbevolen. B.153: Bi- 
halua tham allena, ther beden 
is ieftha lened. Behalve dat alleen 
wat in mandaat gegeven is of geleend. 

bedin, zie: awete. 

beding e, orcUio^ preces ^ gebed. F.R. 
72,7: Ende syn bedinga, deer 
bg spreekt, wirdet wandelet 
in sonde n. En zgne gebeden, die 
hy spreekt, worden veranderd inzon- 
den. 

bedle, pera, buidel, zak. J.M.F.9,2. 

bedlinze, dos^ huwelgksgoed. F.O.L. 
6,7: Thet se vrweddade thene 
becfeng an da lawm and sa 
weddade hire bir feder wither 
tha bedlinze alle hredda. Dat 
zg afstand deed van de tenigtasting 
in de erfenis, en dan verzekerde haar 
vader haar daartegen het huwelgks- 
goed geheel vrg. Zie: b edels. 

bedreeglicheit, fratM^ bedriegelgkheid, 
bedrog. F.R.27,4. — bedregelyck, 
fraudulenter, bedriegelijk, F.R.32,10. 

beenstallich, benstal, cum vulnus 
0881 coabieritf adunatum JueriU Het 
vastgroeien der wonde aan het been. 
0.11,9. F.O.L.5,1. 

heerwee d, amiculum ferale^ rouwkleed. 
0.1,72: So schil hi da nima 
toienst dat beerweed. Dan zalhg 
dat nemen tegen het rouwkleed. 

befalla, zie: bifalla. 

befara, anie^ supra^ voor, boven. H. 
8,19: Gef thi fot befara there 
fotwirts al of is. Zoo de voet bo- 
ven het voetgewricht geheel af is. 

befara, invenire^ bevinden, aantreffen. 



2.E.2,6: Alsa thet sin rediewa 
hine libbande nawit ne be- 
fare. Zoodat zgn regter hem niet le- 
vend aantreft. 

befella, commendarej bevelen, aa|^be- 
velen. F.R.2,2: Deer dat riuchl 
befellen is. Wien het regt aanbe- 
volen is. 

bef er en, inventu8, betrapt. H.3,4: And 
hi thenna beferen werth. En hg 
dan betrapt wordt. — l.E.3,3: Anci 
ma hia binna durem and binna 
dreple beferth. En men hen bin- 
nen deuren en binnen drempels betrapt. 

befolad (befolgad?), insectatusj ver- 
volgd. H.2,25: And werth then- 
na biropen and befolad. En 
wordt dan beroepen en vervolgd. 

befrethad, satisfactusj bevredigd. H. 
10,11: Alle vnierege bern sken 
wesa befrethad uppa hiara fe- 
der go de. Alle minderjarige kinde- 
ren zullen op hun vaders goed bevre- 
digd zgn. 

befta, po8tj achter, na. l.E.4,2: Hand- 
lemethe befta ara. Hoofdverlam- 
ming achter het oor. — B.137:Beftii 
rediena bekem. Achter den rug 
van den regter. — A.2,16: And hii 
befta hiam ne lenath feder n< 
moder. En zg geen vader of moedei 
nalaten. 

beginre, inceptor, auctor^ beginner 
F.R.58,8: Deer roderen ende ra- 
meren ende beginren des stri 
des sint. Die aanraders en aanleg' 
gers en aanvoerders van den strgd zgn. 

begreta, accusare^ aanklagen. H.8.22 
To tha mara stride hebbe i] 
iu begret. Tot den meerderen strg< 
heb ik u aangeklaagd. 



49 



bdgryp — beken. 



50 



begryp, contractusj overeenkomst. Ch. 
1,239: Dat nemmen dissen be- 
gryp ende preuilegia inbrecka 
schel. Dat niemand deze overeen- 
komst en privilegiën zal verbreken, 
begriplick, peremtorie, f eremioir. P.R. 
3,5: Dyo haet peremtoriej dat is: 
begriplick. Die heet : perenitoir^ dat 
is: zonder verder uitstel, 
behalda. Zie: bihalda. 
behalna. Zie: bihalua. 
behaniga, laedere^ damno afficerej be- 
nadeelen. F.R.31,10: Hwant weer 
't se eek, dat wedue off wees- 
ken off tzereke were behaniget 
off bycloket. Want ware het zake 
('t geval), dat weduwe of wees of kerk 
benadeeld of verkloekt ware. 
beheera, vegere j adminietrare^ beheeren, 
(besturen?) J.M.F. 16. ook: behooren? 
behela, zie: bibela. 
behelpa, adjuvare in, ad, helpen in, 
aan. F.R.2,12: Ende hy wil hyer- 
rem neen riuchtes behelpe. £n 
hg haar aan geen regt wil helpen. — 
2.) mstentare, onderhouden. l.E.6,3: 
Ther hiu (him) thes liuues mithe 
b e h u 1 p e. Waarmede zg (het kind) het 
leven onderhield, 
behlien is, accuèat, beschuldigt, be- 
luidt. F.R.65,11: Ende is behlien 
een orem fan quada seckem. 
En een ander van slechte zaken be- 
schuldigt, 
behoed, custodia, bewaring. F,R.41,1. 
behoef^ necesse, noodig. F.R.l,38:Dyr 
ma behoef is. Welke men noodig 
heeft, 
behvilen, interdum, somwglen. 0.1: 
Hinzia moetl^kera ting ende 
aec behvilen oenmoetlikera 



tingh. Qemoedelgke zaken geheugen 
en ook somwglen niet gemoedelgke 
zaken* 
beieerte, cupido^ begeerte. J.M.F. 1,8. 
beya, curvare^ incurvare^ buigen. E.L. 
1,93: Anda hia vterbec beye. 
En haar achterover buigt, 
beile, beylle, tumor^ buil, etterbuil. 
2.E.t;. A.3,21. F.O.L.n. Leye, bil e, 
ulcuê. 
beynde, tnncuZum, band, boei. F.R. 
60,22: Dat hg hym na beynden 
oenleyde. Dat hg hem geen boegen 
aandeed, 
beita, zie: beda. 

beite, eimul^ tegelgk. l.E.1,17: Beite 
a himele and a erthe. Tegelgk 
in den hemel en op aarde, 
beyteria, reparare^ beteren, herstellen. 

E.L.3,70. 
beithe, froZn^um, bad. E.L.1,32: Tnna 
beithe, oppa tha bedde. In het 
bad, op het bed. Pd.Ms: inna beite, 
in syn gebedt 
beithe dwaen (to), in matrimonium 
dare, ten huwelgk geven. J.M.F.12,16: 
lef di mond dae kynden to bei- 
the deth eer hia toe ierum 
commen sint. Zoo de voogd de 
kinderen ten huwelgk geeft voor zg 
tot de jaren gekomen zgn. — Let/e: 
bebedded, desponsatus. 
bek, doreum^ rug, zie: bekum (bef- 

tha). 
bekanlich, visibilisj zichtbaar, kenne- 
Igk. Ch.1, 98: Thet en blodresna 
is, ther thria and sextigha da- 
ghare bekanlich is. Dit is eene 
bloedrunst, welke 63 dagen zichtbaar 
is. (J.M.F.II, 198 heeft: daghan.) 
beken, phariM, baken, vuurbaken. B.218. 

4 



51 



beklegga— benete. 



52 



Sa berne hi thet forme beken. 
Dan steekt kg het eerste Yuurbaken 
aan. 

beklegga, accusare^ beklagen. F.B.3,10. 

bekum (befta), clam^ beimel^k, ach- 
ter den mg. B.37: Jof hi taia al- 
lenna en thing echt hebbe bef- 
ta hira bekum. Zoo hg tweemaal 
alleen eene zaak, achter hunnen rug, 
beregt heeft. 

bekwardich, occuüusj verborgen, ge- 
heim. A.2,12: Mith bekwardiga 
wepne. Met verborgene wapenen. 

beleke, siupidi^ bezeerde. H.8,14: Thriu 
beleke lithe. Drie bezeerde leden. 

b el i f th, mane^. blgft. F.O.L.I, 50: Be- 
lifth ac thi mon dad. Blgft de 
man ook dood (sterft hg). 

belika, simulj pariterj ge^kélijk. F.O.L. 
2,16: Sa dele hia tha friund al 
belika. Dan deelen haar de vrienden 
gelgkelgk, 

beloued, promismsj beloofd, verloofd. 
J.M.F.17: Ende disse frou Jacob 
was beloued toe (thrim) man- 
nen. En deze vrouw Jacoba was aan 
(drie) mannen verloofd. 

bem, 8um, ben. H.2,25: And ik bem 
self tuera en godes kniucht. 
En ik ben voorwaar zelf een knecht 
Gods. 

bemd (heinde?), vinculumj boei, band, 
Ch.I,115. J.M.F.n,242. 

ben, pesj voet, heen; pedes^ Yoeten. E.L. 
1,91. l.E.5,28. 

ben, ligabanty bonden, bevestigden. Van 
binda, liga/re. A.7,10:Tha ben thi 
Paus Leo and thi biscop Liod- 
ger hara bon theron. Toen be- 
vestigden de Paus Leo en de bisschop 
Ludger hunnen ban daaraan. 



bene, benke, scamnum^ bank. H.6,11. 
l.E.5,13. B,178. 

bende, ligatioy binding. 1,E.5,24,28. 
2.) tempus perditumj verzuim, opont- 
houd. H,l,9: End of tegetha him 
hira scatha to fellane ief tha 
bende. En hun uit de tienden hunne 
schade te betalen of hun oponthoud. 

benedgnge, benedictie, zegening. F.B. 
3,6. 

benen, infra , binnen. J.M.F.II, 327 : 
Hath benen acht ponden is. Wat 
binnen (minder dan) acht ponden is. 

bennaburch, benenabruch, uterus, 
baarmoeder. A.2,23: And hiu se sa 
fir onefuchten inur ta benena- 
burch, thet thet bem and thiu 
berthe ofliue werthe. En zg zoo- 
verre aan de baarmoeder aangevochten 
is, dat het kind bg de geboorte aflg- 
vig werd (stierf). F.O.L.2,23. H.2,23. 

b e n e r a, impedire, verhinderen, beletten. 
l.E.1,9: Ac ief fresena capmen, 
and there sogen stretena enge- 
re, wertha benet ieftha bene- 
ret a saxena merkum vrriucht. 
Ook wanneer de friesche kooplieden 
op een der zeven hoofdwegen, tegen 
regt, in de Saksische landen werden 
benadeeld of gehinderd. 

benesbreke, benesbreszie, cTruris 
fractie, ossium fractio, been-, beende- 
renbreuk. H.4,4. 6,9. 

beneta, violare, schenden. H.2,20: Wif 
benet. Vrouwen geschonden. — 2.) 
nocere, benadeelen, schaden, schade 
doen. l.E.1,9. 

benete, o^^a, gebeente. A.7,9: Sa werth 
egadurad alle thet benete. 
Dan wordt al het gebeente vergaderd. 
l.E.3,13. 



63 



benetha— bèra. 



U 



benetha, délinquere aliquid\ iets ver- 
beuren, H.4,34: Thet hi 't mith 
sine halse beneth het. Dat hg 
het met zgnen hals verbeurd heeft. 

benethaburch, zie: benenaburch. 
P.O.L.5,32. 

beliethe, Aomtadmm, doodslag. l.E.2, 
8.10. H.2,10. A.2,19. — 2.) Aomioda, 
doodslager. B.178: Al sa thi men- 
neska wndad is, sa skeppe hi 
sine eyne benethe. Wanneer de 
mensch (doodelgk) gewond is, dan geve 
hg zgn eigen doodslager aan« — 3.) 
accuêatio homicidii^ beschuldiging we- 
gens doodslag. 

benethia, accusare aliquem de homici" 
cidio. Iemand van doodslag beschuldi- 
gen. B.178: And naut ma sa enis 
ne mot ma benethia and enne 
bona to makiande. En niet meer 
dan eens moet men van doodslag aan- 
klagen en eenen doodslager maken. 

benfest, cruri coalituê, aan het been 
gegroeid. F.O.L.1, 8. 

benfrotha, rasura pedis^ ossium^ been-, 
beenderenschaving. B.196. 198. 

benitha, benithum, sub, onder, be- 
neden. 2.E.l,13:Thet hiu benitha 
gerle blik e. Dat zg beneden den 
gordel bloot is. — Theth hem e the 
benithum. Het hemd daaronder. 

benke, scamnum^ bank. B.178: Vper 
benke and vper epene grewe. 
Op den bank en boven het opene graf. 

benna, bannare, dagvaarden. P.O.L.2,21: 
Thet lond, ther thu mi to so- 
kest and vmbe to thinge bren- 
gest and bennest. Het land, het- 
welk gg van mg vordert en om (het- 
welk gg mg) voor het geregt brengt 
en dagvaardt. 



benima, (dmperèf benemen, afnemen; 
impedire, beletten. 1«E.2,1: Thet 
him ned benome. Dat de nood 
(het) hem belette (benam). 

benisbiti, laesio ossium , beenbezeering. 
A.3,17. 

bennia, in/ra, beneden. F.B.1,12: Ben- 
nia syn 25 jeren is. Beneden de 
25 jaren is. 

benomad, nominatus^ genoemd. B.53: 
And thisse benomade bota. En 
deze genoemde boete. 

benseohtich, cruri coalitus, aan het 
been gegroeid. E.L.1,11. 

bensetan, bensittan. idem. F.O.L. 
5,18. 

benstal. F.O.L.5,1. Zie: b'eenstal- 
lich. 

bente, (bernte? beutè?) berdene^ 
praeda^ buit. 0.12,13: Mith fa- 
tiender bente. Met de gevatte buit. 
J.M.F.12,13. 

ber, barbaj baard. H.4,5: bef éber- 
ned. De baard gebrand. 

ber, vicisy beurt. Ch.I, 499: Elck syn 
ber. Ieder zgne beurt. — 2.) minatio, 
bedreiging. l.E.5,18: Thi vnriuchta 
ber mith edze and mith orde 
den. De onwettige bedreiging inet 
speer en met zwaard gedaan. H.4,38: 
bere. 

b e r a, otfcia, bgl. A.7,8: Mith tha spa- 
da and mith there bera anA 
mith thera forka. Met de spade 
en met den bgl en mét de vork. 

bera, percipere^ beuren, ontvangen. F.R. 
33,5: Ende dij capellaen ber da 
renthen of nettichheed op fen 
dat beneficium. En de kapellaan 
beurt de renten of het voordeel van dat 
beneficie. — 2.) oportercj behooren, be- 



s* 



5& 



beradia—berfoet. 



56 



tarnen. E.L.3,59: Anda fode then 
bisinne alsa hit berth. En on- 
derhouden den onzinnige zoo als het 
behoort. E.L.1,27. — 8.) competere, 
toebehooren. B.7: Hwam hit fon 
rinchte bera mnge. Wienhetreg- 
tens mag toebehooren. F.B.26,16. — 
4.) mïnan, dreigen. H.4,38: Hversa 
otherum enne bere to berth. 
Wie den anderen met eene bedreiging 
dreigt. — 5.) apparere^ oportere, ge- 
bleken, behooren. P.O.L.9,12.13: Sa 
hit bert. Dan het behoort. 

b eradia, proJare, bewezen. J.M.F,9,24. 

bera et, paraius, gereed, bereid, J.M.F. 
4,7: Da dit breef beraet was. 
Toen die brief gereed was. 

berant, zie: berawa (berant?). 

berawa, privare, berooven. H.3,4: 
And hi ther binna tha helga 
berant. En hg daar binnen het heilig- 
dom berooft. 

berd, berde, nativitaSj geboorte; onuSj 
dragt. l.E.v: Ther efter Gristus 
berda keningar arden. Die na 
Christus geboorte koningen werden. — 
E.L.1,43: Hu hit an ther berd 
sken se. Hoe het bg de geboorte 
heeft plaats gehad. — H.4,7: Mith 
berde. — F.O.L.2,23: An berde, 
praegnanSj zwanger. B.209. l.E.2,23. 
P.O.L.4,12. 5,38. 

berdene, zie: bente, hemde. 

berdeshemelinga, eatractio^ kiesio bar^ 
baej baardbederving, baarduittrekking. 
l.E.4,9. A.3,5. 

berdfeng, violenta barbae apprehensio^ 
baardgreep. l.E.4,9. A.3,5. 

berd wenden e, laesio fructuêj beleedi- 
ging der vrucht eener zwangere vrouw. 
F.O.L.5,32. Zie: bernwendene. 



bere, minatio^ bedreiging. H.4,38. 
F.O.L.5,37. — 2.) area^ dorschvloer. 
BJ28: Slain ieftha vndad inna 
scule, iefta ina sketskiale ina 
re bere. Gedood of gewond ondereen 
afdak, of in een beestenstal, op de 
dorschvloer. E.L.1,87. — 3.) ostett' 
tatioj gebaar, gedruis. 0.1: Mith so 
freeslika bere. Met zulk een vree- 
selgk gedruis. — 4.) feretrum^ berrie, 
burrie, doodbaar. B.178. 

her e da, deliberare^ beraden, beraadsla- 
gen. F.R.15,27: Een dey to be- 
reden. Een dag om te beraden. 

berede, deltberatio, beraad. F.R.15,27: 
Als d^ dey dis beredis is om- 
c om men. Als de dag van beraad 
verschenen is. 

her e dia, probare^ bewgzen. 1. E. 2,1 5: 
Alsa hi mith riuchte beredia 
mughe. Zooals hg met regt bewezen 
kan. 

bereit, zie breya. 

beren, natua^ geboren. B.96: Ander 
thene berena ief thene kerena. 
Of de geborene of de gekozene (voogd). 
A.1,15. 

berende, pignus^ cautio, borg, borg- 
tocht. J.M.F.2,43.44: Dat hi anne 
berende habba schol, also rike. 
Dat hij een borg hebben zal, zoo 
rgk. 

berendschep, cautioj borgtocht. J.M.F. 
2,44. 

bereschinka, bereskinse, berschin- 
se, a/)eriu«, openlijk. 1,E.2, 24. J.M.F. 
6,24, 0.4,24. 

berewede, amiculum fercde^ pannus ƒ€- 
retri^ l^kklced, doodkleed, zie: beer- 
weed. 

berfoet, nudis pedibus^ barrevoets. 






57 



be^— benren. 



"-^^~^"— »"^ 

C:^- 



58 



0.8,10: Willen ende berfoet. In 
wol en barrevoets. 

berg, monê, berg. H.2,5. A.r.l. 

berielda, honorarium judicis, regtsspor- 
telen. H.10,30: Thet ter nen red- 
gena sinne berielda urhericb 
ni kethe. Dat er geen regter zgne 
sportelgelden (honorarium in de zaak), 
wegens niet-yerschgning, invordere. 
P.O.L.7,1. 9,25. (Ten onregte m. o. 
wordt het bij Halaema en anderen 
door biergelden verklaard. Biare is 
bier, bere is klacht. Misschien is 
men misleid door de omstandigheid, 
dat sommige boeten met bier betaald 
werden.) 

berlase. 2.£.4,22. Zie: bernlas. 

bern, infans, kind. A.2,6. B.90. 

berna, urere, branden. B.16: And sin 
hns berne ma naut. Enmenbrande 
zgn huis niet. 

bemande. H.3,4. Zie: barnande. 

bern de (fata de), furtum^ diefstal; het 
gestolene; onus, last, vracht. H.7,4: 
ür soche end ur sede, end ur 
thet fatade bernde. Op heeter 
daad en met de gevatte vracht (het 
gestolene). Zie: ben te. 

berne (mith), praegnanSy zwanger, met 
kind. A.2,23: And hiu se mith 
berne. £n z^ zwanger is. 

bernen (bennen?), barmare^ bevelen. 
l.E.t?: Efter ebeden et ande ber- 
nen. Daarna geboden het en bevolen. 

bern ere, incendiarvus^ brandstichter. B. 
28: And efter skel thi bernere 
thet ielda. En daarna zal de brand- 
stichter het betalen. 

bernheftich, joro^^fnan^, zwanger. J.M.F, 
reg. 

bernig, atemma infantium^ kindsstaak. 



H.4,43. Beirninghe, gradus cogna- 
tioniê, graad van verwantschap. B.3. 

bernisberde, nativit(iê infantis^ ge- 
boorte van een kind, zie: berd. 

bernisbern, nepos^ kindskind. B.112: 
Bernisbern is tuia bern. Kinds- 
kind is tweemaal kind. 

bernlas, orUs^ kinderloos. 2.£.4,22: 
Fon tha bernlase lawem is 't 
aldus de en doem. Van kinderlooze 
erfenissen is het dusdanig regt. B. 
119. 2.E.4,22: berlase. 

bern Is e, dos^ huwelijksgoed. P.R.1S,7. 

berntachta, stimulus , mannel^kheid ; 

pudenda , schamelheid. F.O.L.5,20 : 

Is ti berntachta ofnimen. Is 

de mannelgkheid (kindteler) weggeno- 
men. 

berntam, berntachte. F.O.L.5,26. — 
2.) posteritcts, sobolis, nakomelingschap. 
Let/e. Bearnteam, sobolis^ vel libero- 
rum procreatio^ posteritas. 

bern the, onus, bezwaar. F.R.28,19: 
Hwaso dyn , schada iefftha 
berntha haet. Wie de schade of het 
bezwaar heeft. — F.R.79,2: Hweerso 
een bernthe off een hlest op 
een land is. Waar een bezwaar of 
een last op een land is. 

berennen, adortusj overvallen, beloo- 
pen, berend. J.M.F. 1,4, 

bernwendene, laesio fructus^ vrucht- 
beschadiging eener zwangere vrouw. 
H.4,41. 

berra, acdpere^ beuren, ontvangen; per- 
tinere alicuiy toekomen. F.R.60,5: So 
mey 't him berra fan breken 
wegena. Dan mag het hem wegens 
de breuke toekomen. 

herren, naius, geboren. F.R.1,31: Jeff 
hg schel frg ende aeft herren 



S9 



berria— beslagad. 



60 



wessft. Of bg zal yrg en wettig ge- 
boren Kgn. 

berria, arbkrari^ zoenen, baren. F.R. 
21,2: Ende dae soenlyoed ber- 
ria da seeck. En de zoenslieden 
baren de zaak. 

berschinza. 0.4,23. A.2,23: ber- 
skinza. Zie: bereschinka. 

bersta, deficere^ ontbreken. F.R,60,22: 
Jeff him dis berst. Zoo hem dit 
ontbreekt. 1.E,2,6. 

berthe, fructuê^ vrucht, 0.1,50: Dat 
dgo berthe libben oendgawrald 
coem. Dat de vrucht levend ter we- 
reld kwam. — 2.) nativitas^ geboorte, 
F.R.in,2: Eefter Godes berthe. Na 
Oods geboorte. — 3.) graviditoê^ zwan- 
gerschap, vrucht. F.R.48,7: Hweerso 
een frow eenre berthe byweent. 
Wanneer eene vrouw eene zwanger- 
schap voorgeeft. — 4.) onusj bezwaar. 
F.R.32,13: Dat dat gued ende 
dyo berthe dyr aldyr op is. Dat 
het goed en het bezwaar hetwelk daar 
op is. 

berwild, ferocisaimua ^ woest, wild. 
J.M.F.6,2: Dat berwilde diaer 
seect des birghes hly. Het wilde 
dier zoekt de luwte van den berg. 

beschat, discretus, legitimus^ definitus^ 
bescheiden, bepaald. F.R.44,7: Ende 
dat om beschatte secken. En 
dat wegens bepaalde zaken. 

beschatta, dejinire^ decidere, beslissen. 
F.R.34,1: Alont hit beschat is. 
Totdat het beslist is. 

beschede, discretus^ sapiens, perituSj 
bescheiden. F.R.2,24: Een trowe, 
wyse, beschede man. Een geloof- 
baar, wijs, bescheiden man. 

beschermcuse. beschirmeiise, by- 



schyrmnisse, protectio^ bescherming. 
F.R.13,12. 

beschireth, probatus^ bewezen. J.M.F. 
11,283: Ende dat hy 'th hath 
beschireth in dae riuchte. En 
hg het in het regt bewezen heeft. 

bescowia, judicare , beschouwen , be- 
oordeelen. J.M.F.9,25. 

bescrien, ploratus , beschreid. E.L. 
3,16: Thet ta fiower herna be- 
scrien se. Dat de vier hoeken be- 
schreid zgn (d. i. zgn er geen kind of 
kinderen). — 2.E.4,22. B.121: heb- 
ben: biwepen. J. Grimm^ Deutsche 
ReckUaUerihumer. 1828. bl. 75,410. 

besculden, accusatua^ beschuldigd. J.M.F. 

n,2i7. 

besekeria, jiMÜJicare scy zich regt- 
vaardigen. 2.E.2,3: Sa agen hia 
se to besekeriane mith taelef 
ethum. Dan moeten zg zich met 12 
eeden regtvaardigen. 

b e s e 1 1 a, determinare^ bepalen. B.B. 1 : 
Allererst besette wi. Allereerst 
bepalen wij. 

besyglia, «^tUare, bezegelen. F.B.17,10. 

beskriwen, conscriptuê^ beschreven. 
2.E.2. 

besla, bisla, maculare^ inquinare^ be- 
slaan, bevlekken, bezoedelen. A.9,9. 
10: Sa ne mei ma therumbe nen 
Godishus besla. Zoo mag men 
daarom geen Godshuis voor bezoedeld 
verklaren. — 2.) deddere^ beslissen. 
B.105: Alla nedkesta skel ma 
mith compe b^sla. Alle criminele 
actiën zal men door den kamp beslissen. 

beslagad, (beclagad?) plorcUuSy be- 
klaagd. l.E.5,23.27: Beslagat and 
mith tarem biwained. Beklaagd 
en met tranen beweend. (Of is het Jlic 



61 



besma— bettenu 



62 



tu8^ geslagen? Mit hondem dem 
bislagat and mith tarem bi- 
weinath. Met handgewring en tra- 
nenvloed hem beweent?) 

besma, lectus^ bed. 0.8,22: Ende hio 
breigdelike sine besma opstoed. 
En zg als brnid zgn bed instapte. Zie : 
bethselma. 

besma, jlageüatio^ geeseling. H.1,16: 
Dter besma and uter skera. 
Zonder geeseling en zondw brandmerk. 
l.E.1,16. 

bespanna, spithama pertingere^ be- 
spannen. Ch.1, 100: Mey hi se be- 
spanna. Ean hg ze bespannen. 

bestediga, inhumare^ begraven, ter 
stede brengen. F.B.84,1: Dat lyck 
mey to bestedigen. Het Igk mede 
te begraven. 

bestouya, confirmare^ bevestigen, staven. 
Ch.1, 103: Soe fyr soe hi 't be- 
stouya leten habba mith ach- 
tem anth mith orkenden. In 
zooverre hg het heeft laten bevesti- 
gen met buurregters en met getuigen. 
J.M.F.n, 187: athem. 

beswerit, gravatus^ bezwaard. P.R. 1 9,8. 

beswerra, jurare, bezweren. F.R.24,12. 

beswiga, reticere^ verzwggen. F.R. 
24,18: Ende da wird beswiget. 
En de waarheid verzwggt. 

bet, beth, meUua^ beter. F.R.24,7: 
Da wird bet wrsteet. De waar- 
heid beter kent. F.R.2,14. — 2.) 
iterum^ wederom. F.R.7,8: So mey 
er yta wol beth sprecka. Dan 
mag hg nog wel wederom spreken. 
P.R.56,2. 

oeta, betha, poenam dare^ boeten; re- 
parare^ herstellen. 0.1,23. A.1,11. 
2,18. E.L.1,90. l.E.5,18. 



bete (acht), octiesj achtmaal, F.O,L. 
4,18.19. 

bete, morsuê^ beet. Ch.1, 104. J.M.F.I, 
190. 

betein, completus^ voldragen. I.E. 
3,11: And werth thiu berd be- 
tein. En wordt de vrucht voldragen. 

beten ta, circumcingere^ omheinen, af- 
sluiten. A.7,6: Sa hwa sa oron 
en wetir betent and betim- 
brath. Wie een anders water afsluit 
of betimmert. 

betera, satisfacere^ voldoen, beteren. 
l.E.2,13.n. 

beth, iterum, wederom. F.R.7,3. 56,2. 
Zie: bet. 

betha, zie: bèta. 

bethe, zie: beithe. 

bethe, ambo, beide. H.2,9. E.L.3,18. 
B.112. —2.) balneum, bad. l.E.4,12. 
F.O.L.5,2. H.8,7. Zie: beithe. 

bethenzia, perpendere, bedenken. H.8,7. 

bethingia, plaeitare^ jndicare^ beplei- 
ten, beregten, dingen. l.E.2,5: A 
liuda warue te bethingiane. 
Aan den volkswerf te beregten. 

bethiu, ut, opdat. H.1,10: Bethiu 
thet hia hira lond bihelde. 
Opdat zg haar land behoude. 

beth les, êine muUa, boeteloos, zonder 
boete. Oh.I, 618. 

bethselma, ledus, bedsteed. F.O.L. 
4,3: And brejjrdelike sinne bjeth- 
selma vrstop. En als bruid zgn 
bedsteed instapte. Zie: besma. 

betimbra, circwnatruere, betimmeren , 
zie: betenta. 

betsca, nummua quidam, botje (zekere 
munt, ter waarde van ƒ0,02 '). Ch.1, 603. 

bette ra, meliorem reddere, corrigere, 
beteren, zich verbeteren. F.R.72,7. 



63 



betteringe— biare. 



64 



betteringe, bettringa, eapiatio^ sa- 
tiêfactio^ voldoening, genoegdoening. 
0.15,4. 16,5. F,R.58,14. 

bettria, èatUfacere^ ëolvere^ voldoen, 
betalen. F.R.21,12: Dat bettrie 
hy selff. Dat voldoet hg zelf. — 2.) 
meliorem reddere^ verbeteren. F.R:7,6: 
Aen man mey syn libel wand- 
lie ende bettrie. Iemand mag z^n 
Ubel (dagvaarding) veranderen en ver- 
beteren. 

beua, tremere^ beven. A.7,11: Sa be- 
uath alle thiu wrald alsa thet 
espene laf. Dan beeft de geheele 
wereld (allen) gelgk het loof der po- 
pulieren. 

bewainad, ploratus^ luctusj beweend. 
l.E.5,27. 

b e w e p e n, ploratus, beschreid. 2. E.4,22. 
B.121: biwepen, zie: bescrien. 

bewisa, demonstrare , bewgzen. E.L. 
1,12. F.R.23,3. 

bewised, judicatua^ gewezen. J.M.F. 
2,34: Soe aegh di scelta dere 
bewiseda boete toe moniane. 
Dan moet de schout de gewezene 
boete inmanen. 

bewllen, inquinatus^ bezoedeld, bemorst. 
A.8,4. 

bi, by, in, in. A.v.1: Bi sine tidon. 
In zgn tgd. — 2.) apitd^ bg, aan. 
A.7,30: Bi tha dike, bi tian fulla 
merkon. Bg den dgk, bg tien volle 
mark. J.M.F. 15. — 3.) aft, van, ad, 
aan. F.R.65,1: Dat ter een oer 
een exempel bg nym. Dat een an- 
der er een voorbeeld aan neme. — 
4.) secundum^ ex^ volgens, uit, naar- 
mate van. F.R.1,44: Als 't bg syn 
gued blycka mey. Zoo als het 
volgens zgn goed geblgken zal. — 



Bg gongen ende bg standen. 
Gaande en staande, (gezond). F,B. 
44,14. — By fulla degunu Bg 
volle dagen, op lichten dag. ChJ, 
521. — Bg eda ende bg seel. 
juramenta et consdentia^ op eed en ge- 
weten. F.R.2,18. — Bi efta, remo- 
tior^ ten achteren. A.2,6: Ena hal- 
ua kni bi efta. Een halve graad ten 
achteren. — By wilem, interdum , 
somwglen. F.R.59,25. — Bi willa, 
voluntarie, vrg willig. H.9,2. — Bg 
w tg aen, judicari^ beoordeeld worden. 
F.R.46,9: Aldeer schel 't bg wt- 
gaen. Daarvolgens zal het beoordeeld 
worden. — By dae hymele, in 
aêrey in de lucht. J.M.F.1,8: Fan 
alle der creature, deer by dae 
hymele fliocht. Van alle de schep- 
selen, die in de lucht vlijen. — Bi 
eenre tyd, certo tempore ^ op zekeren 
tgd. O.ll.S.3. 

byachtia, observare, nakomen. Oh.I, 
349: An iuwer herta bytrach- 
tia iefta wth (mith?) uwe wy- 
sera byachtia. In uw gemoed over- 
wegen of met uwe wgzeren (of uwe 
wgsheid) nakomen. — J.M.F.II, 305 
heefb iuwe, voor het laatste awe. 

biada, offerte^ bieden. A.2,1. — 2.) 
jtibere^ gebieden. H.v. 

biaka, satisfacere^ voldoen, toehaak ge- 
ven, schadeloos stellen. H.4,29: Sa 
ach ma hia to biakene mith 
thredda penuinge. Dan moet 
men hun voldoen met een derde geld. 

biare, ceremeia^ bier. E.L.1,88. l.E. 
5,16. — 2.) tabema^ bierhuis. E.L. 
2,9: Inna biare ief oppe ther 
strete. In de herberg of op de straat. 
Pd.Ms. In bierbancken, in biere. 



65 



biarlein— bycomria. 



66 



biarlein, biarlem, cantharus cerevi' 
nartW, bierkan. H.4,32. 

biarskeppene, infusie in aliquem cum 
ceremsia^ het met bier begieten. 1.£. 
5,18. 

bybaend, juasua^ bevolen. 0.12,2: Bij- 
screven ende bijbaend. Beschre- 
ven en bevolen. 

bibidda, bybanna, bi biuda, juier^, 
bevelen. H.9,1: Hi bibad it. Hg be- 
val het. F.O.L.ü.l: Ther thet gode 
bibiath. Die het goede beveelt. 

byborgia, biburgia, cautione spon- 
dere^ borgen, beborgen, bprgstellen. 
F.R.26,19. 0.12,15. 

bibiuth, ofert, aanbiedt. P.O.L.4,25. 
Zie: bibidda. 

bybrewa, litteris certior facere^ met 
brieven bevestigen. F.R. 13,25: By- 
brewet ende sigled. Met brieven 
bevestigd en bezegeld. 

bycand, instructus, onderzocht. F.R. 
10,4. 

bicanna, bgcanna, conjüeri^ bekennen; 
agnoscere^ erkennen. 0.1,11: Ende 
hit sgn moeder naet bgcannna 
wil. En zgne moeder het niet erken- 
nen wil. F.R,10,4: Eer hit bycand 
is ney da riucht. Voor dat het in 
het regt bekend is. — 2.) probare, 
bewgzen. 0.11,14: Wirt hio bi- 
cand. Wordt het bewezen. Bicant 
ma him naet. Bewijst men hem 
niet. — 8.) convertere, bekeeren. F.R. 
81,23: Deer wanlauwich wirdeth 
ende hymmen dan weer bycan- 
net. Die ongeloovig worden en zich 
dan wederom bekeeren. 

bycanlyck, cognitua^ apertus, kennelgk, 
openbaar. B'.R. 13,46: Dat moet 
wessa bycanlyk off wytlyck. 



Dat moet openbaar of kennel^k zijn 
(bekend z^n). 

bycapet, /rauda^M*, bekocht. F.R.32,11: 
Bycloket off bycapet in da 
caep. Verkloekt of bekocht in den 
koop. 

bychta, conjiteri^ biechten. F.K.12,15. 
15,15. 

b y c h t e r , confessionarius , biechtvader. 
F.R,50,56: Dat by reed hyaere 
bychters. Dat bij raad van hunnen 
biechtvader. F.R.45,13. 

byclaya, conjiteri, leedwezen toonen, 
schuld erkennen; in judicio persequi^ 
vervolgen. J.M.F.reg.bl.19. II, 178: 
Hoe dat ma een daedslaeht 
schil byclaya. Hoe dat men een 
doodslag zal vervolgen. 

b y c 1 a m d, accusatus^ betrokken, beklemd. 
F.R.59,23: Byclamd an een mi s- 
deda. In eene misdaad betrokken. 

biclappa, deferre^ beklappen; accusare^ 
beschuldigen. E.L.1,91: Hua sa 
otherem vnriucht biclappeth. 
Wie den anderen ten onregte aan- 
klaagt (aanspreekt). 

biclywa, Jirmum jierij beklijven, sterk 
worden. 0,1: F o er dat lloem bi- 
gonde to bicly wen. Voor dat Rome 
bestond (opkwam). 

byclokia, decipere, verrassen. F.R. 
27,5. 32,11, zie: bycapet. — 2.) 
procurare^ verzorgen. F.R.26,13: To 
foerwarien off to byclockien. 
Te bewaren of te verzorgen. 

byclokinghe, deceptio, bedrog. F.R. 
27,8. 

bycommeringhe, molestatio, overlast, 
moeite. P.R.20,6. 

bycomria, molestare, lastig vallen. PM{ . 
43,11: Nymmen bycomriJi om 



67 



bicoren— bifEi, 



68 



schylda. Niemand wegens schulden 
lastig Tallen. Bjrcomm^rt, móUèta" 
tu8. F.R.20,17. 

bicoren, abacissuSf afgesneden; circum^ 
cisus^ besneden (het geld.) 0.12,13. 

bycrensa, minuere^ circumrodere y be- 
dingen, beknibbelen, verkorten. Ch.I, 
473: Daet hemme nemmen hia- 
ra riocht bycrense. Dat hun nie- 
mand hun regt krenke. 

bycriga, obtinere, verkrggen. F.R.4,3: 
Dg bycriged naet. Die verkrggt 
niets. 

bgcringha, obtinere, verkrggen. 0.1: 
Ont Romeran dat bycrongen. 
Tot dat de Romeinen dat verkregen. 
0.12,16. 

bid da, petere^ verzoeken; rogare^ bidden; 
jubere^ bevelen. A.v.1: And e bad 
thet wi hilde. En beval dat wg 
hielden. — F.R.in, 10: To bidden 
wtsegnden. Te bedelen uitzenden. 
F.R.17,11. A.2,1. 

bidekka, tegere, occuUare^ bedekken, 
verbergen. 0.12,25. 

bydela, alicui nimis parvam partemad- 
judicarej misdeelen, te kort doen. F.R. 
46,29: Hwaso wirth oneerwet 
off bydeeld. Wie dat onterfd of 
misdeeld wordt. — 2.) adjudicare^ 
discemere^ beslissen, scheiden, toewg- 
zen. B.170: Jef hia sziwe vmbe 
thene slat, sa bidele thi redia 
thet. Zoo zg twisten over den sloot, 
i^ftTi beslisse de regter het. 

bidelua, terrae infodere, begraven, be- 
delven. F.O.L.8,26. J.M.F.2,65: Jef 
binna zyn huus bidellen. Of in 
zgn huis bedolven. 

bid ia, bydia, expectare^ manere^ ver- 
blgven, verbeiden, wachten. 0.1,45: 



Soe schillet dae wepen oen d 
kampstal bidia. Dan zullen d 
wapens op de kampplaats verblgvei 
J.M.F.2,44. — F.R.59,18:So ne aeg 
nymmen alzolangh to bydiei 
Dan behoeft niemand zoolang \ 
wachten. 

bydolen, biduluen, terrae in/osnt 
begraven. F.R.60,10. O.Jl,65. — B: 
dellen. J.M.F.2,65. 

bydrecht, decipit^ bedrij. F.R.46,1! 

bydrega, decipere^ bedriegen. PJ 
21,34. 27,1. 46,15. Bydreyn, d 
ceptusy bedrogen. 

bidrita, concacare^ bedrgten, beynilei 
F.O.L.6,21: Thet hi ne alle b< 
drit. Dat hg zich geheel bevuilt. 

bgecta, confiteri^ biechten. H.10,17. 

bieda, byeda, jubere^ bevelen. 0.1,5J 
F.R.3,10. — 2.) offerre^ aanbiedei 
F.R,61,2: So aegh hy 't ayn fri 
na deer to byeden. Dan behoo: 
hg het daar zgn schout aan te biedei 

bier, ceremsia^ bier. 0.11,65. CJh. 
120. J.M.F.n,258. Zie: biare « 
berielda. 

biëra, arando terram aUeriiis Jurtitn o 
perey beploegen, afylo^en zonder reg 
F.O.L.7,1. 

bierhuse, tabemay bierhuis. 0. 13,7. 

biërua, obtinerey possiderey verkrgge 
bezitten. A.9,3: And tha liod 
ther thet Godishus, biëruat 
and tha buwnge dwath. En 
lieden, aan wie de kerk behoort, • 
(die) het bouwen verzorgen. 

biërwed, haeredes ea lege habenSj l 
erfd, erfgenamen hebbend. B.90: ] 
ne se biërwed. Tenzg hg er%eD 
men heeft. 

bifa, aseumerey subjicerey opnemen, o 



69 



bifalla— byfolgia. 



70 



derwerpen. H.9,2: Mith a gaste- 
lika riuchte welde bifa. Onder 
het geestelgk regt wUde opnemen. — 
2.) eaperêj mmerey nemen. 0.1,55: 
Dat di schelta dat eerwa bi- 
faen schil. Dat de schout dat erf 
tot zich nemen zal, 

bifalla, bef al la, mori^ stervexi. A.Q, 
9.10: An da weddon befalla. Aan 
de wonden (bezeeringen) sterven. — 2.) 
perderer verliezen. 0.1,38: Jefsgn 
kempa oen da ordel bifalt. Zoo 
de kamper in het godsoordeel het verliest. 

by f al scha, vitiare^ vervalschen. F.B. 
67,1. 

bifang, juriêdictio extra muros^ regtsge- 
bied buiten de stad. 0.10,11: To 
Fraenker iefta to da bifanges 
waer. Te Franeker of in het geregt 
der jurisdictie. (Of liever: het geregt, 
hetwelk onder het regtsgebied van 
Franeker als hooger geregt behoort.) 

bifangen, apertus^ bevangen, overix)gen. 
A.7,9: Mith ena blodiga dawe 
bifangen. Met een bloedigen dauw 
overtogen. 

bifara, ante, voor. B.99:3ifara alle 
thingum. Voor alle zaken. — 2.) 
anteaf te voren. A.7,9: Lik se bi- 
fara weron. Zooals zg te voren wa- 
ren. 2.E.4,16. — Bifarra him. Voor 
hem. O.v. 

bi f a r a, b 7 f a r a, deprehendere, betrappen. 
A.4,5: Sa hwersa ma enne meno- 
tere bifari mith falske. Wan- 
neer men een munter op valschheid 
betrapt. — F.R.59,18: Deer hy ne 
alleraerst byfaert. Die hem het 
eerst betrapt. F.O.L.1,17. 

by f ela, ^u&er«, bevelen. A.1,10. H.8,22. 

bifelia, zie: byfella. 



byfella, bifelia, bifelia, jubere, be- 
velen. F.R.3,6. 24,11. — 2.) recom- 
m^iartf, aanbevelen. F.R.46,8. B.B.— 
3.) inhunxare ritu romano, animam de^ 
Jnncti Deo ante inhumationem recom- 
mendare, exequias agere presente cor^ 
pore defuncH, kerkelgk begraven. O. 
7,14. F.O.L.4,26. 0.4,5.— 4.)8olvere, 
betalen. H.1,17: Mith thrim mon- 
nem mei ma alne tigtega bi- 
felia. Met drie mannen (getuigen) 
kan men alle aanklachten betalen. — 
5.) cavere, Jirmare, verzekeren. 0.1,50: 
Dat gued ende dgn sitma bifel- 
ia. (J.M.F,2,49 heeft: bifesta.) Dat 
goed en dat bezit verzekeren. 

byfellinghe, jussioj bevel. F.R.24,22. 
mandatum, last. F.R.25,13. 

bifen, captus, gevat, betrapt. B.147: 
Hwerth er en mon bifen mith 
colege crocha and mith rhume- 
gre hond. Wordt er iemand met 
een gloegende kolenpot en metroetige 
hand betrapt (op brandstichting). 

bifesta, certum facere, yastzeüen. J.M.F. 
2,49. 

bifinda, deferre, judicare, in regten 
brengen. l.E.2,5: Binna fiftena 
wikum te bifindane. Binnen vgf- 
tien weken in r^ten te brengen, te 
beslissen. 

bifinsen, byfinzen, gravaius, be- 
zwaard, bevangen. F.R,46,79: Off 
met quade secken byfinzen. Of 
met kwade zaken bezwaard. — 2.) 
deprehenma, gevat. 0.12,13: Ende 
hi dan bifinsen wirt. £n hg dan 
gevat wordt. 

byfleckkia, inquinare, bezoedelen, bcr 
vlekken. P,R.74,4. 75,4. 

byfolgia, persequi, vervolgen. A.7,13: 



1 



bifonden — bygnp. 



72 



And hi thenne werth bihrepen 
and hifol^ad. En hij dan beroepen 
^n vervolffd wordt. E.L.1,84- 

Hi ion den. jndiratHê , beregt. J.M. F. 
1.6: Ont het toe Rome weer bi- 
* o II den. Tot dat het te Rome ware 
beregt. (O. heeft: worde onderfon- 
den>. 

Kjfonden. iurettt*t^. bevonden. F.R.67,3. 

b r f o r w i r d a. '-ontraJtere . voorwaarden 
maken, overeenkomen. F.R.22.21: Alle 
«ecken dvr ma byforwirt. Alle 
zaken waarbij men overeenkomsten 
maakt. 

bifrethia. confirnuire, fredam alicui do^ 
nnr^, bevredigen, rustig in het bezit 
-tellen. H.10.22. 

biga. bigaen, brga, perpetrare. be- 
gaan, doen. F.R.41.1. — 2.) contrahere. 
voltrekken, .sluiten, aangaan. 0.5,1: 
Hweerso een joncfrou een aefte 
bigaen schil. Wanneer eene jonk- 
vrouw een echt zal aangaan. F.R.49,8. — 
3.) farere, doen begaan. F.R.64,8: 
Aan swommeldveer ieffta kw 
mev raeff bveaen. Een zwemmend 
dier of koe kan roof begaan. — 4.) 
inrenire. bevinden, betrappen. F.R. 
58,36: And da lyoed byging dyn 
t y e f. En het volk betrapte den dief. — 
F.R. 72. 8: Mer bygeet hg se to- 
gara in der meenscip. Maar be- 
trapt hij hun te zamen in gemeen- 
schap. - 5.) procurare. verzorgen. 
F.R.34,1: Da seel mey to bygaen. 
De ziel mede te verzorgen. — 6.) ce^ 
M/rare. vieren. F.R.20,3: En de sijn 
hachtyt bygeed. En zijn hoogtijd 
(avondmaal) viert. — 7.) administrarey 
bestieren. F.O.L.4,6: Th et hi sin 
gued bistan and bigaen muge. 



Dat hg zgn goed beheeren en bestie- 
ren konde. F.R.84,3. Bygbaen. — 
8.) transire^ voorbggaan. J.SLF.12,2: 
Dit willa wi nv leta bigaen. Dit 
willen wg nu laten Toorbggaan (over- 
slaan), 
bigerdele, bigherdele, bursus^ êoe- 

ruê^ beurs. A.4,5. 0.6,2. 
bigerria. cupere^ begeeren. F.B.2,12. 
b i g e t e r , con/eêêionarius , biechtrader. 
0.16,16: Mit sgn bigetris rede. 
Met raad van zgnen biecbtrader. 
byghinsen, aetio^ handeling, het be- 
gaan, het voltrekken van iets. F.B. 
84,1: Twyra menscha willa in 
een byghinsen. De wil van twee 
menschen in een en deselfde handeling, 
bygin, imtiumj begin. F.R.3,3. 
*>ygïïïKt capiebant. vatteden. F.R 

58,36. Zie: biga. 
biginsen, byginsen, caphu^ depre- 
htnttiê, betrapt, gevat. 0.12,13: In 
da hole biginsen. In het gat be- 
trapt. — 2.)/a<rfi«, bedreyen. F.R.20,7. 
bygt)ede, incipiebat, begon. J.M.F.1,4: 
Hy bigoede se to scrynwa. Hfl 
b^on ze te schrgven. 
bigreta, compellare^ vocare, begroeten, 

aanspreken. 0.1,47. 
bigrewa, bigrova, sepelire^ inhumare^ 
begraven. F.O.L.8,24: Th er vj 
sine howe bigrewen se. Die o| 
zijn kerkhof b^raven is. — F.R.71,2 
So schel ma hym bygrova ii 
da stront. Dan zal men hem in dei 
drek begraven, 
bygrip, contractus, overeenkomst. F.R 
17,17: Tojeens den bygrip 
deer bygripen is, T^en de over 
eenkomst, die gemaakt is. — H.8,22 
bi grip en, conlractusy overeengekomen 



73 



bigripa— bihella. 



74 



bigripa, capere, deprehendere j vatten, 
grgpen. 0.12,13. — 2.) contrahere, 
oyereenkomen. H,8,22. 

bygryplick, peremtorie^ peremtoor. 
F.R.6,7: Dyo lettera onschyl- 
dinghe haet peremtorie^ dat is: 
bygryplick. De tweede ontschiildi- 
ging wordt peremtoor genoemd, dat 
is: zonder verder uitstel. 

bygrova, zie: bigrewa. 

bigunga, continere, bevatten, begaan, 
omvatten. A.7.26: Alsafir sa thi 
sprangel hit bigunch. Voor zoo- 
verre het onder het bereik van den 
sprengel (het gewflde) is. — 2.) con- 
trahere, voltrekken. F.O.L.4,5: Th et 
hin thet afte bigunga muge. 
Dat zg den echt mogt voltrekken, 
aangaan. — 3.) invenire^ betrappen, 
vatten. A.6,5: Sa hwer sa ma 
hini thenne biguncht. Waar dat 
men hem dan betrapt. 

bihaeglyck, acceptus, behaaglgk. F.R. 
1,35. 

bihaelf, ainej zonder. J.M.F.7,3, 

bihaga, placere^ behagen. B.B. 

bihala, tegere, abscondere^ bedekken, 
verbergen, verheelen. 2,E.1,1: zie: 
bihella. 

bihala, nocere^ beschadigen. J.M.F.Ü, 
192: Hwaso en hus wthwardis 
bihalt. Wie een huis van buiten be- 
schadigt. — 2.) perdere, verliezen. 
F,O.L.I, 58: Bihalt (bifalt?) thes 
thiaues campa. Verliest de kam- 
per van den dief. 

bihala, byhala, excepto^ behalve. 
F.R.13,16. III, 10, 0.12,22. 

bihalda, behalda, perdere^ verliezen. 
F.O.L.I, 58. 

bihalda, behalda, conservare^ tenere, 



behouden. A.1,6. — Bihalden, con-- 
aervatusj behouden. B.94. — Bihelde, 
conservabatj behield. H.1,10. l.E.1,10. 
A.1,10. 

byhaldelick, inalienabilis j onvervreemd- 
baar. F.R,82,10: Dat da frouwen 
sint byhaldelick hyara birnse. 
Dat het huwel^ksgoed der vrouwen 
onvervreemdbaar is. E,L.3,10. F.R. 
26,6. Bihalden. 

byhalden, byhaldis, salvo, behou- 
dens. Ch.I, 520: En de elk byhal- 
dis riucht toe wessen. En ieder 
behoudens regt te zgn. F.R.13,12. 

bihalden, retinere, onthouden, terug- 
houden. J.M.F.9,7. 

bihaldin, illaema^ ongeschonden, be- 
houden. B.67: Sen sze naut bi- 
haldin. Zgn zg niet ongeschonden. 

bihalt, nocet, beschadigt, zie: bihala, 
nocere, 

bihalue, bihaelf, behalua, eacepto, 
behalve, uitgezonderd. H.3,4. E.L. 
3,26. J.M.F.2,25. 

b y h a r d a, veger e^ oAniiniatrare, beheeren . 
F.R.50,48: And byhilde and by- 
harda sines alderis lawa. En be- 
stierde en beheerde zgn ouders erfe- 
nis. 

byheffa, sumere^ impositionem mittere 
in, nemen , heflfen. F.R.III, 14: Dat 
da wraldscha riuchteren naet 
ne byhefte fan gastlica gued. 
Dat de wereldsche regters geene schat- 
ting zullen heffen van geestelgk goed. 

byheld, occultus, verborgen, verheeld. 
F.R.64,16. 

bihella, bihela, behela, abscondere, 
verheelen, verbergen. E.L.2,3: Au da 

hine thach ther ynne bihelth. 

»■' 

En hg zich toch daarin verbergt. F.R. 



75 



bihelpa— bihoda. 



76 



6446. l.E.6,8. 2.E.2,8. — 2.) laedere, 
benadeelen. F.B.21,84: By hel Iet 
ende wr den haldeel dis goe- 
den. Benadeeld en voor meer dan de 
helft van het goed. — 3.) oonservare^ 
behouden. A.l^lO. H.1.10. l.E.1,10. 

bihelpa, vindicare^ danare^ aan iets hel- 
pen. A.ü.1: Thesse fiuwer Hera 
bihnlpon vs Frison fri halses 
and fridomes. Deze vier heeren 
hielpen ons Friezen aan den yr^en 
hals en aan de vrgheid. — 2.) susten- 
tarey onderhouden. 0.4,2: Ende des 
liues bihelpa. En het leven onder- 
houden. 

byhelplyck, atunliaris^ behulpzaam. 
F.B.4f2. 

byhelt, abscondit^ verbergt. 2.E.2,3. 

byhera, aportere^ obligatum esse^ behoo- 
ren, verplicht zgn. F.R.5.2. 

biherda, decemere^ beslissen. B.178. 
Sziwie hia, sa skel thi redia 
ne biherda. Twisten zg, dan zal de 
regter het beslissen. — 2.) confirmare^ 
bevestigen. F.O.L.4,3: Sa skel ma 
thet afte biherda mith sogen 
burum and mith a prestere. 
Dan zal men den echt bevestigen met 
zeven buren en met den priester. 

bifaersela, ligare^ binden. H.6,18: 
Mith ene sime vmbe sinne 
hals gislein end a windsele 
biherselet. Met een strik om den 
hals geslagen en in banden gebon- 
den. 

biherta, curare, curam habere alicujus 
rei, behartigen, zorg voor iets dragen. 
P.O.L.1,10. 

bihield, ciira, opzicht, beheer. 0.4,2: 
Omdat hio da bihield habbe 
ende biwaer. Omdat zg het beheer 



en de verzorging heeft. (Byhyeld. 
F.R.26.12.) 

bihiella, abscondere, verbergen, verhee- 
len. 0.1,64: Onder dae schaet 
bihiella. Onder den voorschoot ver- 
bergen. J.M.F.2,65. 

bihilda, curam gererè, bestieren; xie: 
byharda. 

byhyndich, artificiosus, behendig, lis- 
tig. F.E.24,14. 

byhyndiga, mtuperare, honen, laken, 
belasteren. F.R.64,23: Sc schell er 
nymmen byhyndiget ner bylas- 
tereth wessa fan een oers qua- 
da deda. Dan zal er niemand ge- 
hoond noch belasterd zgn door een 
anders kwade daden. 

byhindria, impedire, verhinderen, be- 
letten. F.R.22,7. 

byhletten, accusatus, belnid, aange- 
klaagd. F.R.15,12. 20,17. 65,3. 

byhlya, accusare, beschuldigen. P.E. 
12,15. 65,3. 20,17: Hweer een 
man naet bygrypen ner byleth 
ner bycommert is. Wanneer ie- 
mand niet betrokken noch beschul- 
digd noch bekommerd is. 

bihlia, certijicare, canJUeri, verzekeren. 
verklaren, belgden. F.O.L.8,24: So 
bihlie thet thi Prior. Dan ver- 
klare het de Prior. 

byhlinge, confessio, bekentenis, helg- 
denis. F.R.65,17: Mey syn selnis 
byhlinga. Door zgne eigene beken- 
tenis. 

byhluda, byhiudiga, accu9are^ aan- 
klagen, beluiden. F.R.65,3.4.12. 

bihoda, administrare, behoeden, bestie- 
ren. 0.12,14: Dit ordel mogen 
bihoda ende dwaen tre riuch- 
teren. Dit vonnis mogen behandelen 



77 



bihodMbe— bykera. 



• 78 



en geven drie regters, — 2.) canser' 
vare^ beschermen. F.R.33,6. 

bihodene, oj^/Ioantf^, ambtenaar; a<2mt- 
nistrator^ bestierder. 0,14,4: Jefta 
hna so een gastelick bihodene 
onfacht mit Sgmonie. Of wie 
een geestelgk ambtenaar beschuldigt 
van simonie (het yerkoopen van gees- 
telgke bedieningen). 

byhodinghe, opinio publica^ openbare 
meening. F.B.13,35: Dyr openbeer 
sint ney der byhodinghe. Die 
openbaar zgn volgens het algemeen 
gerucht. 

bihoef, neeeêêitoêf quod optM est^ behoefte. 
O.v: Truch sgn sonderinga bi- 
hoef. Door zgne bgzondere behoefte. 

bihowia, opu8 Aod^e, behoeven. B.173. 
byhoweSf opus est, is noodig. F.B. 
12,28. 

bihropa, vocare, roepen, beroepen. 
A.7,13. Zie: bifolgia. 

bihuda, conservare, behoeden, verzor- 
gen. B.93. 2.E.2,3. 

bihulpon, zie: byhelpa. 

bihwerna, oppignorare, bepanden, be- 
vestigen. J.M.F.12,s: Thine ferde 
bihwerna. Den vrede bevestigen 
(verzekeren). 

byjaria, cupere, b^eeren. Ch.1, 240. 
byjarith, cupit, begeert. F.B,1,11. 

biichtfeer, eonfessionarius, biechtvader. 
Ch.I, 541. 

byjefte, arbitrium, begeving op zoen- 
lieden. F.R«21,13: Hweerso tween 
ygen een seeck bysprekket op 
soenlyoed ende dg ora igh 
sterft, so toer dg eerwa da by- 
jefta naet halde ende in der 
byjefta naet blywa. Wanneer 
twee partgen eene zaak op zoenlieden 



geven en de eene partg sterft, dan 
behoeft de erfgenaam de begeving niet 
te houden en in de b^eving niet te 
blgven. 

biienna, indpere, beginnen. B.24. 

byjerra, cupere, begeeren. F.B.21,8. 

biieringe, cupido, begeerte. O.v. 

biiewen, deditus, traditusj begeven, 
toegedaan, overgegeven. 2.E.3: And 
eiker biiewane liudem. En alle 
geestelgke (begevene) lieden. — E.L. 
1,42: En fone, ther biiewen se 
fon ther rualde. Eene maagd, die 
zich van de wereld bleven heeft (in 
het klooster is gegaan). Byjowen. 
F.R.42,8. 

byjowt, relinquit, verlaat, geeft weg. 
F.R.56,1: So byjowt hg syn sil- 
licheed ende tzyest syn foer- 
domenisse. Zoo verlaat hg zgne 
zaligheid en kiest zgne verdoemenis. 

biiuth, aspergit, begiet. E.L. 1,83. 

bikanna, bikenna, reoognoscere, er- 
kennen. J.M.F.13: Nv bikan ie 
wel hiara moed. Nu erken ik wel 
hun moed. — 2.) probare, bewgzen^ 
A.1,14: Mi hi *t thenne bikan- 
na. Ean hg het dan bewgzen, kenne- 
Igk maken. H.1,14. l.E.2,20. 

bikas, eligebat, koos. B.69. 

bikema, (iccusare, klagen, aanklagen. 
B.36: And thi othere thet bike- 
me thria an da warue. En de an- 
dere het driemaal aan het geregt 
klaagt. 

bikenna, conJUeri, agnoscere^ bekennen, 
erkennen. H.8,22: End thes min- 
nera ne bikenne ik nowet. En 
den minderen (strgd) erken ik niet, 
(neem dien niet aan). 

bykera, bikera, occupare, zich onle- 



79 



büdasa-bilethad. 



80 



dig honden; aan houden. F.R.21,10: 
Naet oen to bykeren. Niet aan te 
houden. P,R.72,3. — 2.) moleaiare^ 
hinderen, beleedigen. Ch.I, 74G: £ n d e 
nemmen fan ws forbonden wey- 
ue hem deeroen toe bikeren. En 
niemand van wege ons verbondenen 
hem daarin hinderlgk te zgn. — 3.) 
convertere^ bekeeren. A.v.1: And 
Angelond warth bikerd. £n En- 
geland werd bekeerd, 
bik ia sa, eligere^ kiezen. B.69: Er ma 
tha kere bikas. Voordat men de 
keur koos. l.E.6y7. Bikeren, eleo 
tu8^ gekozen. B.212. 
b i k n i a, cogtmtionem proximiorem probare^ 
naaste verwantschap bewijzen. E.L. 
3,39: Sa nime thi thet, ther hit 
biknia muge. Dan neemt die het, 
die de naaste verwantschap bewezen kan. 
bykoestighia, pendere, bekostigen. 

Ch.I,471. 
bykrinsa, minuere^ bekorten, bekrimpen. 
F.R.46,17: Joff dg eerffnama aet 
bycrinst is in syn eerfscip* Zoo 
de erfgenaam iets te kort gedaan is 
in zijne erfenis, 
bilanda, appeltere^ aanlanden. J.M.F. 
16: Ende thet bi ther Elwa bi- 
land tha flothe. Eu dat de vloot 
bg de Elbe aanlandde, 
byld, iinagOj beeld. O.r. 
bil da, forinare, vormen, beelden. E.L. 

1,44. 
byleckkia, accusare^ beschuldigen, kla- 
gen. F.R.46,23: Dg, deer 't by- 
leekket ende dat riucht, deer 
da byleckinghe ontfaed. Die, 
welke het aanklaagt en het regt, dat 
de klachte ontvangt. — 2.) vituperare^ 
vindicare^ verachten, wraken, laken. 



F.R.18,20: Dyo sententie bylec- 
keth. De uitspraak wraakt. 

bil eg ad, fornuituSy gevormd. E.L. 1,44: 
Anda tha othere monathe, sa 
werth thi licma bilegad. In de 
tweede maand wordt het ligchaam ge- 
vormd (bg zwangerschap). 

bilegen, bileger, bylegher, caatra, 
excercitus, helium, leger, oorlog, leger- 
plaats. YrgeFries,n, 128: Ende was 
en schettena bylegher. En was 
een oorlog aan het vee. — Vr.Fr.ü, 
123: 1439 werd Edo Kempazn. 
in Aggo Her Peters bileger sla- 
ghen. In 1439 werd Edo Kempazn. 
in het leger van Aggo Heer Pieters 
doodgeslagen. 

bilegga, tegere, dekken. 0.11,67: Mit 
leder bileit haet. Met zadel be- 
legd had, gezadeld had. 

bileischen, bileken, biletzen, clau- 
8U8, gesloten; stupidtis, stram. F.O.L. 
1,7. 1.E,4,5.13. E.L.1,23. H.8,14. 
A.3,8: bilezen. J.M.FJI, 244: And 
thet age nath luca ne mey, 
jeftha hit is al bileischen. En 
het oog niet sluiten kan, of het is 
geheel gesloten (bezeerd). 

bileit, zie: bilegga. 

bil e na, in feudum dar e, in leen geven. 
0.17,7. 

bil es ad, liberatus, verlost. l.E.6,2: 
Thes liwes bilesed. Van het le- 
ven verlost, gedood. — A.5,11: And 
ena monne tha liue bilese. En 
iemand doodt. 

bilesta. J.M.F.2,47. Zie: bylyowa. 

biletzen, vulneratusy beschadigd, F.O.L. 
5,6.16. Zie: bileischen. 

bilethad, /orwatM*, gevormd. l.E.3,11. 
zie: bilda. 



81 



-jrr 

bilesed— binaera. 



82 



bilesedf arreptus^ a%enomen. l.E.6,2. 

bil e wen, mortwis^ gestorven, J.M.F. 
6,23. 8,8. bilewath. 

bilewid, Zie: bilowid. 

bil e zen, dausw^ gesloten. H.8,9. 

bilia, perdere^ verliezen, 0.1,31: Soe 
hg 't bilia schil. Dan dat hg het 
verliezen zal. 

bylidza, addere^ bg voegen, bgleggen. 
F.R.21,25: So moghen da soen- 
lyoed deer nen bglidze. Dan 
mogen de zoenslieden daar geen bg- 
vo^en. — 2.) êitum esse^ gelegen zgn. 
0.17,5: Deer aldeer bilidset. Die 
aldaar gelegen zgn. 0.9,7. — 3.) mort, 
sterven. J.M.F.2,49: Aldeer di man 
bilyst. Wanneer de man sterft. 

bylyka. F.R.50,50, zie: belika. 

bilyoda, cancedere, toestaan, inwilligen. 
0.1,48: Jof di schelta him bi- 
lyout. Zoo de schout hem inwil- 
ligt. (J.M.F.2,47: bil est.) 

bilyowa, Jidem habere, gelooven. F.R. 
17,11: En dyr schel ma neen 
syghel den bodda bylyowa. £n 
daar zal men geen zegel om bede ge- 
looven. 

biliowet, non relinquit^ niet nalaat. O. 
5,8: So hya dan des biliowet. 
Zoo zg die dan niet nalaat. — [J.M.F. 
8.8 heeft: Als hia des taemes bi- 
lewath. Zoo zg geen kroost nalaat. 
6.23: Dat dio berde bil^wen (bi- 
lewid) se. Dat de vracht dood is.] 

bilyst, morüur^ sterft. J.M.F.2,49. zie: 
bilidza. 

biliua, biliwa, manere, big ven. A.6,6. 
H.9,2. 

biliuga, menhW, beliegen. A.8,3: Sa 
hwa sa enne prestere nnwerth- 
like biropt ieftha biliucht. Wie 



een priester onwaardiglgk bepraat of 
beliegt. 

bilowad, tcusatusj geschat. 0.3,2: 
Toejenst da twa ende sauntich 
ponda waes 't hare bilowad 72 
schillingen. Tegen de 72 ponden 
was hun toegeschat 72 schellingen. 
J.M.F.5,2: lowad. 

by 1 o w e t , commendaiua , toevertrouwd. 
F.R.32,23: Deer dat bylowet is. 
Dien dat toevertrouwd (opgedragen) is. 

bilowid, bilewid, suAjectus, ter neder 
geslagen. J.M.F.1,3. O.v.: Nu is al 
dyo wrald truch Romes drede 
wiges bilowid. Nu is geheel de 
wereld door den schrik voor Romes 
wapenen ter neder geslagen. 

bilucht, daudit^ sluit. H.6,5: Ymbe 
thet, thet hi tha hond bilucht. 
Daarom, dat hg (de kleine vinger) de 
hand sluit. 

biluka, dooidere^ sluiten. 0.1,64: Oen 
der hand biluka. In de hand be- 
sluiten. H.6,5. l.E.4,5. F.O.L.5,6.18. 

byn,intra, binnen. F.R.26,28: Byn da 
je er. Binnen het jaar. 

bynaemd, binoma t, innominatus^ on- 
genoemd. F.R. 1,33: Om een by- 
naemd moerd. Om een ongenoemde 
moord. — 0.7,5. 8,20: oennaemd, 
onnaemd, onbinaemd, quod ncH 
men nondum habet^ dat nog geen 
naam heeft. — F.O.L.4,17: binomat. 

bynaemd, fii«ft'fti(ti«, benoemd, ingesteld. 
F.R.46,24: Ende haet een eerwa 
in da testament bynaemd. En 
heeft een er%enaam in het testament 
benoemd. — 2.) nominatus^ genoemd. 
0.1,66: Dat binaemde goed. Het 
genoemde goed. 

binaera, irnpedire^ beletten, hinderen. 

6 



83 



binda--biprouwingha. 



84 



0.3,9: Hwa soe ws dera saun 
streta enich binaert. Wie dat 
ons op een dezer zeven wegen hin- 
dert, 
binda, bynda, ligare^ binden. H.2,14. 
A.2,20. — 2.) retinere, terughouden, 
beletten. O.v. F.R.1,3: Ende byn- 
da den quada fan da lust der 
sonda. En den kwaden van den lust 
der zonde terughouden, 
binera, distinerej onthouden, beletten. 
H.2,3: Hna sa 't him bipent 
and binert. Wie het hem a&ieemt 
en onthoudt. 1.E,2,3. F.O.L.1,9. 7,1. 
binetha, binetta, delinquerej verbeu- 
ren. F.O.L.6,20: Thethi'tmith 
sine hals bineth heth. Dat hg 
het met zgn hals verbeurd heeft. — 
2.) periditarij wagen. 0.2,1: Da bi- 
netten 't da Fresen mit ta line. 
Toen waagden het de Friezen met 
hun leven. (J.M.F.4,1 heeft: byne- 
den). 
binetta, tUi^ gebruiken, benutten. O. 
9,29. F.R.36,8: Bynetten ende 
bysetten. Genoten en bezeten. 6. 
165. 
bynia, tn/ra, beneden. 0.11,27: B een- 
breek bgnia da brein. Beenderen- 
breuk beneden de hersenen, 
bynymma, binima, by ni ma, au/erre, 
privarBj a&iemen, benemen. F.R.1,16. 
26,12. E.L.1,58. 0.1,3. B.104. Ch.I, 
104. — 2). accipere^ aannemen. O. 
12,17: Dat hia se binoemen ende 
aec makaden to riuchte. Dat zg 
ze aannamen en ook tot regt maak- 
ten. — 3) impedirej beletten, bene- 
men. B.148: And (hi) binime tha 
kempa thet strid. En (hg) belette 
den kamper in den strgd. 



binitha, tn/ra, beneden, onder. E.L 

1,40. 
bynna, tn/ra, beneden. F.R.27.1: Byn- 
na 14 jeren. Onderde 14 jaar. FJL 
III, 8. — 2.) intra, binnen. H.3,4. E.L 
3,39. — 3.) mtnti^, minder. B.88: 
Enna sextadel ieftha binna. Een 
zesde deel of daarbinnen (minder), 
binnenaburch, uterus^ baarmoeder. 

0.4,23. Zie: benenaburch. 
binnetha. 0.2,1. zie: binetha. 
binnia, infra^ beneden. 0.1,9: binnia 

da balken. Beneden de balkeii. 
binoemen, accipiebant^ aannamen. O. 
12,17: Dat hia se binoemen. Dat 
zg ze aannamen, 
binomad, statutusj bepaald. B.53: 
Thisse botha, ther binomad 
send. Deze boeten, die bepaald sgn. 
bioda, minari, dreigen. A.7,19: And 
biot him benda. En dreigt hem met 
banden. — 2.) jubere^ bevelen, gebie- 
den. F.R.48,1: Dit byoet openbeer 
dg keyser. Dit gebiedt de keizer 
openlgk. F.R.48,2. — 3.) o^erre, aan- 
bieden. J.M.F.9,o. 
bipenda, auferre^ w^nemen, afiiemen. 

H.2,3. Zie: binera. 
biplega, jubere, opleggen, verplichten. 
F.O.L.3: A hu hage hi 't himmen 
biplichte. O hoe hoog hg het hun 
oplag, 
byplisc^et, inundatusj overstroomd, be- 
plascht. Vrge Frie8.n, 128: Dat iet 
land all byplischet ward. Dat 
het land geheel overstroomd werd. 
biproulick, probabilis^ bewgsbaar. 
F.R.81,5: biproulike dwalicheed. 
bewgsbare dwaling (gekheid), 
biprouwingha, probatto^ bewgs. F.B. 
81,5. 



85 



bypro wet — birynd. 



86 



byprowet, approbatus , goedgekeurd. 
F.R.1,8. 

byprowia, probare, bewgzen. F.R.6,7. 

biquetha, promittere, bespreken, beloven. 
l.E.2,6: And biquethat him riucht 
suesdel efter sine degum. En be- 
looft hem wettig erfdeel na zgn dood. 

byqwaem, aptus^ bekwaam. F.B.26,15. 

biracht, definitusy bepaald. H.8,22: 
Liudfrethe, ther biracht end 
bigripen was. Volksvrede, die be- 
paald en vastgesteld was. 

birada, biradia, probare, bewgzen. 
0.1,69: Deer dat biradeth, dat 
hi aeftera eerwa se. Die dat be- 
wgst, dat hg wettiger erfgenaam is. 
0.12,6, 

birat, judicalusj geoordeeld, beregt. E.L. 
1,84: Alle skeldech birat werth. 
Geheel schuldig geoordeeld wordt, 

birat, paratus, gereed. F.O.L.3: Tha 
thit bref birat was. Toen die 
brief gereed was. 

biraua, byrawia, privare, berooven. 
A.1,4. F.R.1,16. 15,18. 

birawed, velaris, zeilree. 0.15,2: Een 
birawed schip. Een zeilree schip. 

birawia, zie: bisplitta. F.R.71,5. 

birdbreeck, orae (auria) /radio, zoom- 
breuk (van het oor). 0.11,24: Bird- 
breeck fan da aerem. Zoombreuk 
van de ooren. 

birdfangh, attactus violentus barbae, 
baardgreep. 0.11,5: Birdfang om 
den mond. Baardgreep om den mond. 

birechta, judicare, beregten, vonnissen. 
H.2,25. 

bireckhnad, computatua, berekend. 
Ch.I, 97: In da bireckhnade bo- 
ten. In de berekende boeten (geëva- 
lueerde boeten.) 



byreda, deliberare, beraden. F.R.3,1: 
Hym to byreden. Zich te beraden. 
F.R.8,9.— F.R.18,19: byreed, delibe- 
ratio, beraad. — 2.) administrare , be- 
redden, bestieren. F.O.L.4,6: Sin 
goud bistan and bigaen rauge 
and bireda. Zijn goed beheeren en 
nagaan en beredden kan. — 3.) pro^ 
bare, bewgzen. l.E.2,24: Th et mit 
withem bireda mughe. Dat met 
getuigen bewezen kan. 

bireya, probare, bewgzen. 0.12,7: 
Bireya mit lioeda landriucht. 
Bewezen met landregt der lieden. 
J.M.F.12,5. 

birekenia, computare, berekenen. E.L. 
3,1. (Misschien moet men lezen: bi re- 
ken ia, bg, volgens, naar rekenen.) 
Zie: biriuchta. 

bireppa, agere, movere se, handelen, 
zich reppen, roeren. F.O.L.5,2. 

byreppinghe, provocatio, uitdaging. 
F.R.55,5: To meckien een byrep- 
pinge dis stridis. Eene uitdaging 
ten strijde te doen. 

byrespa, arguere, berispen, vermanen. 
F.R.60,23. 

biretha, judicare^ oordeelen; convincere, 
overtuigen. A.5,13: And hi thes 
birethad werthe. En hg hiervan 
overtuigd werd, 

birgh, mons, berg. 0.4,2: Der bir- 
gha hly. De luwte der bergen, 

birgia, salvare, behouden, redden, ber- 
gen. J.M.F.9,37: En de syns lyfs 
to birgiane. En zgn leven te redden. 

birynd, dejectus, in terram detractus, 
omvergehaald, met voeten getreden. O. 
8,4: Di tzglick stirt is, dat font 
britsen, da helligha birijnd. 
De kelk omgestort is, de doopvont 



97 



byriousiga— biBohian. 



88 



gebroken, de heiligen omvergehaald. 

byriousiga, poenitere^ berouwen. F.R. 
86,10: By'riousiget hio 't seer. 
Beroawt het haar van harte. 

b y r y o w a , poenitentia , berouw. F.R. 
58,2. 

biriuchta, byriuchta, judicare^ be- 
regten. 0.12,2. — 2.) curam habere^ 
administrarey beregten, bestieren. 2.E. 
4,10. — 3.) arguere^ bestraffen. O. 
16,4: Hua so hinderet, dat hi se 
naet redelic biriuchta moet. 
Wie dat verhindert, dat hg ze niet re- 
delgk bestraffen kan. F.B.m,'4. (E.L. 
8,1. zal men moeten lezen: Bi reke- 
niat, bi riuchtath. Bg rekenen, bg 
regten. Zie: birekenia.) 

birlenze, dos^ huwelgksgoed. J.M.F. 
5,17: Jef wt ti birlenze ioewe. 
Of in huwelgksgoed uitgaf. 

birns, birnse, birnze, dos^ huwe- 
Igksgoed. F.B.13,16. 24,13. 27,10. 
82,4.5.6. 87.1: Oen de lettera 
man naet toe birnse bringa. 
Aan den tweeden man niet tot hu- 
welgksgoed brengen. 

byrokere, curator. F.B.27,12: Dat da 
mond jeffta byrokeren forsumet 
wessen habbet in syn gued. 
Dat de voogd of curators hun goed 
verwaarloosd hebben. 

bgronnen, oppresstu, overvallen, be- 
rend. O.v. 

biropa, bihropa, byropa, accusare 
viva voce, met luider stemme aankla- 
gen. B,106. — 2.) male de aliquo 2o- 
quiy kwaad van iemand spreken. A.8,3. 
zie: biliuga. — 3.) vocare^ beroe- 
pen. E.L.1,84. H.2,25. zie: bifol- 
gia. — 4.) appeUare, beroepen, in 
beroep gaan. F.B.19,1. 



biropen, convocatuB^ bg eengeroepen. 
£.L.2,1. 2.Ïj.2,1. 

byropen, reaponaus^ beantwoord. F.R. 
9,4: Jeff eefterdaem, dat een 
man syn secka folcommelick 
byropen haet. Of nadien, dat iemand 
zgn zaak volkomen beantwoord heeft. 

byrouwed, velaris ^ zeilklaar. J.M.F. 
Beg.bl.15. zie: birawed. 

byruftiget, in mala fama esse^ berucht 
zgn. F.R.81,15. 

bischagia, nocere^ beschadigen. Gh.I, 
242. 

byschalket, fratuiatusy bedrogen, ver- 
schalkt. F,R.27,9. 

byschat, definitue^ bepaald. F.R.15,29: 
To byschatta jerem. Tot jaren 
van onderscheid (de bepaalde ouder- 
dom volgens de wet). 

byscheda, defimre^ beslissen. F.R. 
46,12: So mey dy fader dat by- 
schede. Dan mag de vader dat be- 
slissen. 

byschedelik, bischedelik, discrete^ 
bescheiden. F.R.13,7. 0.12,13. 

byscheed, judicium ^ oordeel, onder- 
scheiding. F.R.46,52: Habbe gued 
byscheed. Een goed oordeel hebben 
(goed bescheid kunnen geven). 

byschemmia, confundere^ beschamen. 
F.R.56,1. 

bischera, ionder e ^ bescheeren, schee- 
ren. 0.11,5. E.L.1,79. — 2.) metendo 
furtum facere^ overmaagen. F.O.L.7,1. 

by SC hermud, protectue^ beschermd. 
F.R.27,13. 

byscherren, tonsus, geschoren. F.R. 
72,4. 

bischian, injuria^ damno afjficiy scha- 
de Igden, misschieden. F.O.L.7,13: 
Dec sa mei ther dochters kind 



89 



byschyd— bysexiget 



90 



nout bischian. Evenwel mag des 
dochters kind geene schade Igden. 

byschyd, fit^ geschiedt. F.R.19,7: 
Hweer so een man onrincht. 
byschyd. Wanneer (aan) iemand on- 
regt geschiedt. 

bischien, definitus^ bepaald, beschei- 
den. 0.16,3: Als fan da onthal- 
deren bischien is. Zooals het door 
de heelers bepaald is. 

byschinen, visus, gezien, ontdekt. 
F.R.in, 6: Byschinen wirth. Ont- 
dekt wordt. 

bischira, probate^ bewgzen. J.M.F. 
R^.bl.17. Hweer een man syn frya 
hals bischira schil. Waar iemand 
zgn vrgen hals (vrgheid) bew^'zen zal. 

bischirmense, defendoj verdediging. 
0.12,15. Bischirmenisse. J.M.F. 
12,16. 

byschirmnt, defendit^ verdedigt, be- 
schermt. F.R.11,5: Deer da secka 
mey byschirmnt. Die de zaak mede 
verdedigt. 

byschoya, cantemplari^ beschouwen. 
F.B.50,32: Als ma hyr byschoya 
mey. Zooals men hier zien kan. 

bjscholden, biscoaden, (iceuêatua, 
beschuldigd. F.B.60,18. 0.11,68. 

by schud da, impedire^ beletten, schut- 
ten. F.B.82,14: Weersprecka ende 
byschudda. Weerspreken en beletten. 

byschwdda, praevenire , voorkomen. 
Ch.1, 548: Elck man sywch toe, 
dat ter syn schaed byschwd. 
Ieder zie toe, dat hg zgne schade 
TOOirkome. 

biscluta, ocdudere^ deprimere^ beslui- 
ten. l.E.r.: bisclut, besluit; bi- 
sclath, besloot. 

biscop, epiêcopuêj bisschop. B.54. 



biscouden, zie: byscolden. 

biscouweth, judicatus^ geschouwd. 
J.M.F.9,25. 

biscred, tondit^ scheert. J.M.F.II, 258: 
Hwam so ma mith wald bi- 
scred. Wien men met geweld (het 
haar) scheert. J.M.F.6,11. 

biscrien, zie: bescrien. 

biscrima (biscirma?), defendere^ be- 
schermen, verdedigen, of wel: appeüare^ 
zich beroepen. H.2,1: Ther hine 
thi Fresa mithe biscrima mei. 
Daar de Fries zich mede verdedigen mag. 

biscrjoen, byscrioun, biscriuen, 
conscriptusj beschreven. Ch.I, 242. 
F.R.1,9. 26,2. E.L.2. 

biseika, biseka, diêputare^ betwisten; 
denegare^ ontkennen, bezoeken. F.B. 
7,2: Hoe 't dy igh naet byseck. 
Opdat de partg het niet ontkenne. 
E.L.l,68: biseika. A.2,11. F.O.L. 
2,8. — 2.) inquirerej onderzoeken. 
0.12,13: Naet fora to biseken. 
Niet verder te onderzoeken. A.1,8: 
bis o k e, denegabat^ ontkende. 

bysecken, riaae, twisten, ontkenningen, 
zie: biseika. F.R.7,2. 

biseiten, habüana, woonachtig, geze- 
ten. E.L.2,8. 3,25. 

bisened, pacatuê^ gezoend, overeenge- 
komen. B.54: 8a re ina re bisco- 
pes sone bisened is. Zoo het in 
den bisschopszoen gezoend is. 

bisenga, tarrere^ schroeien, zengen. 
J.M.F.6,11: Zyn haed mit walde 
bisengt. Zgn hoofdChaar) met geweld 
schroeit. 

biseppen, sHUanê^ waterend, tranend. 
0.11,12. J.M.F.n,230. 

byseriget, vuZnerattM, bezeerd, gewond. 
F.B.58,25. 



91 



biset—bysla. 



92 



biset, beset, comprehensus, bezet. B.88: 
And mith a huse biset se. En 
aandeel in het hais heeft, een deel 
daarvan uitmaakt. 

byseth, possessus^ bezeten. F.R.41,2: 
Fan haet bjsittera dat hyt by- 
seth wirth. Van welken bezitter het 
bezeten wordt. 

bisetma, bisetnisse, oppiffnoratio , 
pignusj bepanding, pand. J.M.F.9,40. 

bisetta, oppignorare^ bepanden. B.94: 
Thet skel hi mith londe biset- 
ta. Daar zal hg land voor tot pand 
geven. B.211. — 2.) determinare^ bepa- 
len. 2.E.3,1. zie: besetta. — 3.) 
occupare, bezetten. B.B.6. 2.E.3,6. — 
4.) cavere, certo certius conatituere^ ver- 
zekeren, waarborgen. F.B.73.1: So 
is dyo tzercke him schyldich 
to bysetten syn kost. Dan is de 
kerk verplicht hem zgne kosten te 
verzekeren. 

biset te, de/iniebant j bepaalden. J.M.F. 
1,6: Dat se hiara landes therwa 
bisette. Dat zg de behoeften van 
hun land bepaalden. 

bysetten, possessus^ bezeten. F.R.1,41. 

bysghya, bysgia, uri, gebruiken, bezi- 
gen. Ch.I, 472.757. F.R.46,73. 64,20. 

bisia, bysya, comtemplari, beschouwen. 
A.7,9: Thet se nen age bisia ne 
mi. Dat geen oog haar aanschouwen 
kan. — F.R.59,18: Ende neen man 
tobysyaen. En niemand (hem) aan 

te zien. 
bysib, coffnatusj verwant. F.R. 15,21: 

Orkenen, deer een menscha mey 

bysib is. Getuigen, waarmede iemand 

verwant is. besibd. 
bysida, ter zgde, afzonderlijk. F.R. 15,27. 
bysiecka, inquirere^ onderzoeken. F.R. 



111,6: Riuchtelyck bysiecka en- 
de byriuchta. Nauwkeurig onder- 
zoeken en beregten. 
bysyghet, factus^ gebezigd. F.R. 50,34. 
bysyglet, signatus , sigillatuaj bezegeld. 

F.R,3,6. 
b i s i n n e , amens, krankzinnig , van zgne 
zinnen beroofd. E.L.3,59: And hire 
other wirthe besinne. En een 
hunner krankzinnig werd. 
bisynnedia, dicere jus synodale^ be- 
zeenden ("geestelgk regt honden ). J.M.F. 
7,22. 
bysitma, possesaioj bezit, bezitting. 

Ch.I, 757. 
bisitta, bysitta, possidsre ^ bezitten. 

O.v. A.1,7. F.R.11,3. 
bisitter, assessor^ bgzitter. P.R.11,7. 
bisiuckt, aegrotans, ziek. P,R.73,1: 
Hweerso een prester is be- 
siuckt. Wanneer een priester zie- 
kelgk is. 
biskauwia, invenire^ contemplari^ ont- 
dekken, beschouwen. l.E.6,6. (E.L. 
1,84 heeft: biskawia.) 
biskiffa, creare, decidere^ aanstellen, 
beslissen. B.19: Alrecke burar bi- 
skiffe sine eyne rediewa. Tedere 
buurschap stelle zijn eigen regter aan. 
biskeldigia, accusare , beschuldigen. 
E.L.2,2. 

b i 8 k i r m a, de/endere, beschermen. A .2,1. 

bisia, decidere, hesliasen. B.154: And 
en kempa skel hit bisia. En een 
tweestrgd zal het beslissen. 

bysla, besla, maculare^ bezoedelen, be- 
slaan. A.9,9.10:Sa ne mi ma ther- 
umbe nen Godishus besla. Zoo 
kan men daarom geene kerk bevlek- 
ken, (F.R,75,6: byslayn, maculatui, 
bevlekt.) 



93 



bisla— bistan. 



94 



bis la, eadre, evenire, determinare, uitko- 
men, uitvallen, beslaaif, Oh.1, 535: 
Hyt byslee toe lyue off toe 
dade. Het kome uit op leven of op 
dood. 

bislagat, zie: beslagad. 

bislaghen, cinctus^ fossusj begraven. 
l.E.6,3: Vnder eke and vnder 
eerthe bislaghen and bisleten. 
In de kist en onder de aarde begraven 
eu besloten. 

bislata, fodere, graven, slatten, a%ra- 
ven. E.L.3,34: Hvasa lond wel 
bislata. Wie land wil afslatten (een 
sloot daarin maken.) 

byslepa, incumbere mulierij eene vrouw 
beslapen. F.R.13,6. 47,14. 71,1. 

bisleten, bysletten, datésiMj beslo- 
ten. l.E.6,3. F.O.L,2,2. — 2.) per- 
tinens^ obligatusj behoorende, verbon- 
den. F.B.26,13: Deer dyo mond- 
scip in bysletten is. Waarin de 
voogdg besloten is. 

bisluta, daudere^ sluiten, afsluiten. 
H.v. 0.12,18: bisluta diin eviga 
wei, deer ti da himelryc leit. 
Den eeuwigen weg afsluiten, die ten 
hemel leidt. — 2.) excludere^ uitslui- 
ten. F.R.26,21: Ende dyo moder 
is tofara seth ende byslut van 
alle sibdelen, deer fan da syda 
wtspruten sint. En de moeder 
gaat voor en sluit alle verwanten in 
de zylinie uit. 

bysluthinghe, /tnw, einde, besluit. 
F.R.37,13: Bysluthinghe dis se- 
kis. Het einde der zaak. 

bysmitta, maculare^ bezoedelen, be- 
smetten, F.B.75,6. 

bysnia, sumere ex^ diminuere^ besngden, 
a&emen, verminderen. F.R.46,17. 



bysocht, qucLesitua^ opgezocht, nage- 
gaan. 0.12,9: In des Paves riucht 
bisocht. In het geestel^k regt op- 
gezocht. 

bisoke, denegebat^ ontkende. A.1,8. 

bysonderinga, separaiim, afzonder- 
lek. F.R.15,27. 

bysonderlinghe, praecipue^ voorna- 
mel^k, inzonderheid. F.R.70,7. 

bysorget, certo constituties ^ verzorgd, 
voorzien. F.R.48,5. 

bispana, bispanna, poUtce et digito 
7ninimo pertingere^ bespannen. 0.11,8. 

byspilwerdf adagium , spreekwoord. 
F.R.59,8: Hwant ma seyt to een 
byspilwird. Want men zegt tot een 
spreekwoord. 

bispith, spuit ^ bespuwt. E.L.1,93. 

bysplitta, incarcerare^ opsluiten. F.R. 
71,5: Dat ma da monicken moet 
bysplitta ende byrawia, hwan- 
neer hya hyaere regula naet 
haldeth. Dat men de monniken mag 
vastzetten en gevangen houden, wan- 
neer zy hunnen regel niet houden. 

byspreke, byspreeck, legatum^ be- 
spreking, legaat. F.R.46,38. 87,5. 

bysprekka, conferre^ bespreken, geven 
op. F.R.21,13: Hweerso tween y- 
gen een seeck bysprekket op 
soenlyoed. Wanneer twee partgen 
eene zaak op zoenslieden geven. 

by spritsen, coUatusj besproken, bege- 
ven. F.R.21,5. 

bistaen, tenere^ houden. J.M.F.12,1: 
Nelleth hia dan disse hereferd 
naet bistaen. Willen zg dan die 
heervaart niet houden. 

bis tan, adjuvare^ helpen, bgstaan. H. 
9,1. — 2.), regere, regeeren, F.O.L. 
4,6. Zie: bigaen. — 3.) attinere^ 



É 



95 



bistandioh— bytema. 



96 



in esse , toebehooren. J.M.F. 10,1: 
Deer dae merkede bistaed 
ende toehereth. Dat de markt aan- 
gaat en toebehoort. 

bistandich, auailianSy behnlpzaam. 
£j.1j.2,o« 

bystappa, figere vestigia^ in loco esse^ 
betreden, tegenwoordig zgn. F.R. 
15,54: Myt handen taest jefta 
myt foten bystapen. Met de han- 
den betast en met de voeten betreden. 

bistedigia, committeren bestellen, be- 
steden. 0.8,3: Dine dada to der 
molda bestedigia. Den doode ter 
aarde bestellen. 

b y s t e r a, haereditatia jure transire , ver- 
erven, aansterven. F.R.66,1: Dat 
op derten lyued ende dwirgen 
een mey neen leen ner neen 
eerwa bystera. Dat op krankzin- 
nigen en dwergen een leen noch erfe- 
nis kan vervallen. 

bistherd, perjusus^ bestort. Ch.I, 394: 
Mit biara bistherd. Met bier be- 
stort. 

bistridega, accusatus de^ aangeklaagde, 
bestredene. F.O.L.6,13: Sa thi bi- 
stridega tofara to bon den 
was. Zoo de beschuldigde te voren in 
den ban gedaan was. 

biswera, conjurare^ bezweren. B.58. 
F.R.19,1. A.9,4. 

bisweringhe, jwramentum^ eed. F.R. 
19,1. 

biswict, deficit^ bezwgkt, breekt. J.M.F. 
2,44. 

bit, byt, morme^ beet. E.L.1,27. O. 
4,11. 

bita, mordere^ bgten. E*Ii.3,44. 

bitacht, bithacht, teetus^ bedekt. 
0.4,2. F.O.L.2,2. zie: bi slagen. 



bitael, bitalinga, bytalighe, «ob- 
tio, betaling. F.R.32,5.7. E.L.S,1. 
Ch.I, 533. 

bitall jen, solvere, betalen, J.M.F.n, 
316. Ch.I,533. 

bitankya, gratias agere^ bedankeiL 
Ch.I, 533. 

bite, bythe, morstee, beet. A.3,17. 
0.1,10. 

bitech, zie: bitega. 

bitecna, bytechna, bitekna, êigm- 
ficare, beteekenen. H.1,3. lJEi.1,3. 
A.1,3. 

bytefta, retro, ten achteren. F.B. 
81,15: Bytefta blynwet. Ten ach- 
teren blgft. 

bitega, impedire, beletten, belemmeren. 
F.O.L.1,9: Sa hwa sa vs thira 
sogen stretena eng bitech jef- 
ta binimt. Wie dat ons een dezer 
zeven wegen belemmert of beneemt. 

bitein, betogen. E.L.3.16: Lawa, 
ther nawt bitein send. Heredibor 
teSj u6t pueri non relicti mnU. Erfe- 
nissen, die niet betogen zgn (waar 
geene kinderen zgn). E.L.3,18: Bi- 
teyna lawa. Betogene erfenis. 

bitella, numerare, probare, optellen, be- 
rekenen, bewgzen, A.3,4. — 2.) <tgen 
de, bespreken, handelen over. E.L.3,3: 
Hversa hir tuen annen cap bi- 
tellath and makiath. Wanneer 
er twee een koop bespreken en slui- 
ten. — 3.) committere, bespreken, 
geven op. 2.E.4,4. — 4.) solvere, be- 
talen. F.R.1,37. 7,2. A.2,12.^ Bi- 
tellia. 

byt e ma, decere, betamen. F.R.81,4: 
Alsulke bettringa dwaen, als 
dat bytemet. Zoodanige VOTgoediiig 
geven, als het betaamt. 



97 



bitensa— bituiskia. 



98 



bitensa, reminisci^ bedenken. 0.1,71: 
Dat g io bet bitensa moge. 
Dat gg u beter bedenken moogt. 

b i t e 1 8 z i a, tectum in fundo aUerités locarej 
overdakken, bedakken. F.O.L.7,1. Het 
dak over het erf van een ander laten 
uitsteken. Zie: bitana. 

bitetza, attingere^ legere^ bereiken, be- 
dekken. F.O.L.6,25: Thet hi tha 
oza mitb sine etgers orde bi- 
tetza mnge. Dat hg met de spits 
van zgn spies de goot beraken kan. 

bithanka, reminisci^ bedenken, over- 
wegen. A.3,3. 

bithia, occti^are, beschuldigen, aantggen. 
H.6,16:.Ende hin nenne wirde 
bithia nelle. En zg geene schade- 
loosstelling aantggen wil. 

bithio, ideo^ daarom. F.O.L.v. 2,5.21: 
Bithio mot ie thet erne bi- 
halde. Daarom moet ik dat erf be- 
houden. 

bithiuda, demoMtTare^ beduiden. F.O.L. 
v.1. bethiut, beduidt, leert. 

bithunga, eamprimerej bedwingen. 
F.O.L.6,25: Thet thet sexte thet 
sogende bithunge. Dat het zesde 
het zevende bedwinge. 

biti, laceratioj morsuSj scheuring, beet. 
A.3,20: b e nes biti, beensbezeering. 

bytichma, bytichtma, accuêoiio^ be- 
schuldiging , betichting. F.R.24,21. 
65,2: Een hluud jeffta byticht- 
ma. Een kwaad gerucht of betichting. 

bytiga, fieri^ ^vmre, geschieden, overko- 
men. F.R.32,4: Alle schada ende 
bata haet oen da gued bytiget. 
Alle schade en bate welke aan het 
goed overkomt. 

bitigia, occuaare, aantggen, beschuldi- 
g»u E.L.1,64. 



biti la, ferre^ brengen. 0.15,2: Jef hi 
deer to bitilet wert. Zoo hg daar- 
toe gebragt wordt. 

biti led, obtentusj verkregen. 0.4,1: 
Ende alles, deer hi bitiled haet. 
En alles, wat hg verkregen heefb. 
F.R.33,15. bytilet. 

bgtglet, procreaJtua^ verwekt, voortge- 
bragt. 0.1,50: Deer hy oen her 
bytyled habbe. Die hg bg haar 
verwekt heefb. 

bytinged, bitinged, judicatusj deter^ 
minatus^ beregt, voldongen. F.B.13,25: 
Een wird bitinged off bybreuet. 
Eene verklaring in regten gedaan of 
met brief bevestigd. — 2.) particeps^ 
complices esse^ medephgtig zgn. 0.1,30: 
Deer aldeer in bitinged wir- 
de t. Die daarin betrokken worden. 
J.M.F.2,32: Jef se deerin bitio- 
gad wirdet. 

bitioda. bytyoda, bitiueda, by- 
tywda, significare^ beduiden; demon' 
strare, aantoonen. F.R.8,1. 15,35. 
27,1. 0.12,18, 

bitioga. J.M.F.2,32, Zie: bytinged. 

bytionga, conditio^ beding, bepaling. 
F.R.46,73. 

bitiuga, procreare^ teelen, voortteelen, 
verwekken. l.E.6,1. 

bytywda. F.R.8,1. Zie: bitioda. 

bituina, disptttare^ hetwisien. l.E.2,4: 
Ac jeu et hire brother tenna 
welle tetszia ieftha bituina, 
and mit vnriuchte onspreca. 
En zoo haar broeder het dan wil tot 
zich trekken of betvnsten, en met 
onregt aanspreken. 

bytuinga, cogere, bedwingen. 0.v« 

bituiskia, discemere , onderscheiden. 
l.E.5,5: Fiouuer ach ma to be- 

7 



d9 



100 



tane. ief ma hia bitnifkia mer. 
Vkr moet men bcipeleii, ais men Inzn 
onderaeheiden kan. 

bitaiekum, zie: bitwic§cha. 

bitana« ctVcvnutepi ne , omtninai. om- 
heinen. F.O.L.7.1: Thet hit nen 
mon ne binerethe. bitetszie 
iefta bitnne. biêre iefta bi- 
Bchere. Dat het nieniand benadeele. 
hnfaHrf of omheine, bepfeege of be- 
maage. 

bjtnongen, zie: bjtwongen. 

bitwisscha, bitwishnm, bitai»- 
kam, titfer, tnuwchen, E.L.1.14. 3,35. 
F.B.83,1- imcicemj onderling. 

bjtwonghen, bgtnongen, eoaduê, 
bedwongen. O.r. FA84,2. 

bitza, /agdliL, zweep. E.L.1,S2« Hoogd. 
Peiiicie. P.d.M,S: mit einen leren. 

byaarer, CÊUtaSj bewaarder. F.R.26.5. 

biaesed, <7riiitf, wees, onderioos. 0.10,1. 

byaisa, binisa, probart^ bewgzen. 
F.R.1,46. 17,3. 

binissia, probart^ certifieare^ rerze- 
keren, Tergewiasen, bewgzen. F.R. 
15,79. 

bifillen, maailaJhu^ bezoedeld. H.1,6. 
A hordome sa fir biüllen. Met 
hoererg zooTerre bezoedeld, zie: bi- 
wllen. 

biflnia, (binima?) rapert^ mperf, be- 
nemen. Ch.1, 243: Sine riochta 
sikerega biflnia wolde. Zgne wet^ 
tige Terontscholdiging benemen wilde. 

byvleckingha, inquimUio^ bevlekking. 
F.E.81,12. 

biwaer, zie: bihield. 

biwayna, biweina, biwena, Iw- 
jrere, beweenen. E.L.1,74. l.E.5,23. 
0.1,50. 

biwainad, bewainad, ploraJtu»^ be- 



weend. beCrmd. l.E.5,27. 2e: bi- 
slagad. 
biwaria. {«rtgiflarv. bewmarheden , ver- 
zekeren. F.OX.S.4: Mith ene ethe 
to biwariane. Met een eed te Ter- 



biwaringa. titrtmM mefw, hetH.oEe- 
aeL KL.1,74: Anda ma then pres- 
ter hallath anda ma him sinne 
biwaringa deth. En men den pries- 
ter haah, en hem de laatste aacia- 
menten toe dient (de H. cue). 

bivarria. autodin. bewaren. 0.1,2. 

bywda, jmbert^ beTelen. FJL1,28. 

biwedia, promuiUrtn cppigmorare, belo- 
Ten, bepanden. 0.1.46: Jefta dat 
strgd biwedia. Of pand voor den 
strgd stellen. Leytj biweddiomj tpomdan. 

biweina, zie: biwarna. 

biwelde, etmnJu^ opsettelgk. EJj.1,77: 
Anda older leth lidze biwelde. 
En daar met opzet laat liggen, ofwel: 
tererwelken. (2.K1,25 heeft: welde, 
niet«) 

biwena, promiiUre^ beloren. H.8,22: 
End biwene mi thes. En beloof 
mg dit. — 2.). simmlare^ Toorgeven. 
F.R.48,7: Hweerso een frow een- 
re berthe byweent. Wanneereene 
TToaw zwangerschap Tooigeeft. 

biwend, ma/^/ianm , misdaad. A.7,30. 
Sa stondath alle londraf and al- 
le biwend, bi tha dika, bi tian 
fnlle merkon. Dan staan alleland- 
roof en aUe orertredingen, hg den dgk, 
op tien ToUe mark. 

biwepen, ploratus^ beschreid. B.124: 
Werthath tha wagar biwepen. 
Worden de wanden beschreid, d. i. zgn 
er kinderen. (P.d.M.S: Dat is dat se 
eyn kind to der werlt hebbe ge- 



101 



biwera— blenda. 



102 



brochti dat geschreyet hebbe 
in den huse, daar dat geboren 
is.) 2.E.4,22. Zie: bewepen, be- 
scrien. 

biwera, defendere^ verweren. E.L.1,85. 
l.E.6,8. — 2.). probate y certificarey 
bewgzen, bewaarheden. F.O.L.2,11- 
E.L.1,43. B.61.89. 

biweria, probarey bewgzen, bewaar- 
heden. P.O.L.2,11. E.L,1,43. B^ 
61.89. 

biweridf custodituSy bewaard. J.M.F. 
2,74: In dat meenbidle biwerid 
se. In den gemeenschappelgken boedel 
bewaard is (gebracht is). 

biwernad, oppignoratus ^ bepand, be- 
borgd. B.35: Alsa hi biwernad 
se, iefta werna inna warwe be- 
den se. Zoo hg pand gekregen heeft, 
of hem panden in het geregt aange- 
boden zgn. . 

biwertherad, taaaiusy gewaardeerd. 
B.89: Sziwe hia vmbe thet werth, 
sa biwerie hi thet, ther thet 
lond ach, a sex penningar mith 
ene ethe, thet hi 't alsa bi- 
wertherad hebbe. Twisten zg we- 
gens de waarde, dan bewgze die het, 
dien het land behoort , de zes pennin- 
gen met een eed, dat hg het alzoo 
gewaardeerd heeft. 

bywieldigia, tnncere, overweldigen, 
F.R.81,14. 

bij wil em, interduniy somtgds, bg wglen. 
F.R.59,25. . 

biwirda, tcueare, waardeeren. 0.7,8. 

biwijsd, judicatuSj condemnatus j gevon- 
nisd, gewezen. 0,1,32: Daebiwijs- 
da bota. De gewezene boete. — 2.) 
convictusj overtuigd. F.R.56,3. by- 
wysd. 



biwissia, comparare , parare , verzeke- 
ren, vergewissen. 0.4,23. 

b y w t h , jtébet , gebiedt F.R.1,28. 

biwixled, mutatusy gewisseld. 0.1,45: 
Al ont da etkeren biwixled 
sint. Totdat de zwaarden gewisseld 
zgn. 

biwllen, biwluen. biwoUit, inqui" 
natusy bezoedeld. F.O.L.1,6. 0.3,6. 
A.9,10. 

biwoddia, oppignorare^ beborgen. 
J.M.F.2,43. 

biwrocht elaboratusy promsua^ bewerkt, 
voorzien. H.4,31: Mith a sogen 
wedden bewrocht is. Met de ze- 
ven wgdingen voorzien is. 

bywsterlyck, indietinde j ondnidelgk, 
bgster. F.B.12,8: Jecht een man 
bywsterlyck ende dyonckerlyck 
fan een tingh. Verklaart iemand, 
verward en duister wegens eene zaak. 

by wtgaen, ratum habere^ bg uitgaan, 
opgevolgd worden. F.R.46,9. 

blacand, decoriaiuSy denudatuSy ontveldi 
ontbloot. F.O.L,6,3: Blacanda vl- 
la. Blootwol. Zie: mol ka. 

blat, pauper^ bloot, arm. B.105. — 2.) 
pauper y arm man. A.5,11. 2.E.2,3: 
blatmon. — 3.) nudtMj bloot. 0.11,3: 
Mit ter blate hand deen se. Met 
de bloote hand gedaan is. 

blatnese, paupertas ^ armoede. B.80. 

blau, blaw, luriduSy blaauw. E.L.1, 
23.68: Blaw jeftha blodich. Blaauw 
of bloederig. — blawelse, luriditas^ 
blaauwheid. E.L.1, 8. 

bleda, sanguinare^ bloeden. l.E.2,9. 
F,R.76,3: Dat hy net seer biet. 
Dat hg niet erg bloedt. 

blenda, rnlnerare^ laedere^ bezeeren. 
F.O.L.2,9. l.E.2,9. B.59. Blent 



103 



"TT 



blendene— blodrennancL 



104 



jeftha hexnat. Bezeert of bindt. 

blendene, blendenghe, blendin- 
ge, laeato, bezeering. H.8,9. l.E.4,5. 
A.3,4. 

bleszene, bleziene, bletsiene, 
bletzinge, nudatio^ ontblooting. 
P.O.L.5,38. H.6.16. 4,27: Thiu 
leista (bletsiene) sa hire cla- 
thar nperavad send, and hire 
skene blicht. De ligtste (ontbloo- 
ting) zoo hare kleederen opgetild zgn 
en hare schaamte zichtbaar is. 

bli, zie: alsabli. 

bli, blie, coïor facieij kleur van het 
aangezicht. l.E.4,2. E.L.1,16: Jef 
hua a sin haued slein werth 
a thera fiuner breinclonena 
en, thet him bli went se, and 
hi, mond ekes, (inna alrac mo- 
nathe) ne muge vther bedda we- 
sa dey iefta tuene. Zoo iemand 
op zgn hoofd aan een der yier her- 
senpanslnitingen geslagen wordt, dat 
hem zgne kleur verandert, en hg in 
iedere maand een of twee dagen niet 
uit het bed kan zgn. (P.d.M.S: 
Vervfe.) 

blica, blika, apparere, blgken. E.L. 
1,93, P.R.46,26. — 2.) nudum ease^ 
bloot zgn. l.E.5,22. 

blicand, blikand, msibilis^ zichtbaar, 
blgkend. A.3,1. 0.7,1: Als hi na et 
blicandis ne haet. Als aan hem 
niets zichtbaar is. 

b I i c t h , apparet , blgkt , zichtbaar is. 
H.4,37. 6,11. 

blyken, tnsuSj conapectuSj gebleken; 
F.R.64,26: Nu is 't blyken open- 
beer. Nu is het openlgk gebleken. 

blikert, moneta quaedam^ bleekert (ze- 
kere munt). Ch.I, 603. 



blynd, blind, coecu9^ blind. F.B.11,5, 
A.3,4. 

blgnda, coecare^ blinden. 0.2,1. 

blyoua, bliuua, blywa, manere^ 
blgven. 0,r. F.R.18,13. 3,4. 64,3: 
Blywa foerlerren. Verloren gaan. 

blixemynge, blixen, Jtdmetij /ulffur^ 
bliksem. O.v. J.M.F.1,7. 

bloc, carcer^ truncuij caUuta^ blok, ge- 
vangenis. F.O.L.8,12: Vppa thet 
bloc iefta inna thet kalde yr- 
sen sle. Aan het blok of in boegen 
slaat. 

blod, sanguisj bloed. B.184. H.6,3. 

blodeghe, blodige, blodinghe, 
apertuêj openbaar, bloot, zichtbaar. 
A.4,3. H.7,4: Tha blodega thiuf- 
the. De openbare diefstal. Het zoo 
even gestelene. — 2.) strictus, ont- 
bloot, getrokken. l.E.3,2: Mith blo- 
deghe wepene. Met ontbloote wa- 
penen. F.O.L.1,17. 

blodelsa, mdneratioj ut sanguis inter 
cutem et camem se oatentet^ bloeding, 
buüslag. l.E.2,14. H.2,14. A.2,23. 
E.L.1,8. B.185. 

bloderene, sanguinis effudoj bloed- 
vloeging, bloedloop. H.4,6: Thera 
frouwa bloderene fon hire 
m e c h t e n. Der vrouwe bloedloop uit 
hare schaamdeelen. 

blodga, tmlnerare cum eanguinie ejffusv' 
one. Iemand bloedend slaan. A.7,10: 
Blodgad er ne. Slaat hij hem bloe- 
dend. 

blodich, vulnercUtMj gewond. A.2,9. — 
2.) sanffuineusj bloedend. E.L.1, 13.68. 

blodinghe. F.O.L.1,17. Zie: blode- 
ghe. 

blodrennand, blodrunnand, bloed- 
rinnend, sanguinem effundens^ exer^ 



105 



blodresne— bodesdp. 



106 



nensj mdmUj e qtto sanffuis; factüy qtute 
êanguinem Jluere faciunt^ bloedvloegend. 
A.2,23. H.4,36. 0.4,23. 

blodresne, blodrisne, aanguinia fluc- 
tioj bloedrunst, bloedvloeiing. Ch.I, 
99. J.M.F.n,200. l.E.4,3. A.3,1. 
P.O.L.5,1. 0.4,15. 

blodsketta, occupare^ cohibere sangui" 
nemy bloed stuiten. l.E.5,27: Wel tu 
blodsketta, so weth enne rer 
inna blode and scrif dit ord 
vmbe tha vnde: coneummatum est. 
Wilt gg bloed stuiten (schutten), zoo 
doop een veder in het bloed en schrgf 
dit woord om de wonden: consummatum 
est. 

bloedi familiaj verwantschap. F.R. 
26,15: Da nesta fryonden ende 
dat sibsta bloed. De naaste vrien- 
den en de naaste verwanten. 

bloedielene, vulnus sanffuineum, bloed- 
wonde, bloeding. J.M.F.n, 197. 

bloedreina, bloedrenna. E.L.1,40. 
84. Zie: blodrennand. 

bloedstirtinge, sanguinis effimo^ bloed- 
storting. 0.17,3. 

blo yen, mansus, gebleven. F.R. 1,5: 
Soe is hyt bloyen to fara God 
al lyfachtich. Dan is het voor God 
geheel aangenaam gebleven. 

blotlesa (blotelsa). 2.E.1,1. nudatioj 
ontblooting, doch zie: blodelsa. 

blud. H.6,4. Zie: buld. 

bobbaburchf mammay borst. H.4,40: 
Alsa en vngerech kind sit an 
dere bobbaburch. Wanneer een kind, 
jonger dan 1 jaar, aan de borst ligt. 

bobpa (boppa?), super ^ boven. J.M.F. 
n, 286. 

boe, scriptura, liber^ schriftuur, boek, 
bgbel. H.2,10. 



bocad, inscripiusj geboekt, ingeschreven. 
l.E.1,6: bockad. H,l,6: Ther ma 
tha helgum iewen iefta bockat 
hebbe* Dat men de heiligen gegeven 
of geboekt heeft, (d. i, om zieldiensten 
jaarlgks uit den intrest der som te la- 
ten lezen). 

boch, arca^ boog. P.O.L.8,1: Vnder 
tha boch. Bg het boogschieten. 

bod, jussumj bevel, gebod. A.v.l. 
F.R.2,7. 

boda, nuntius^ legatus^ bode, afgezant. 
H.1,16. A.1,11. l.E.6,2. 

bod da, petitioj verzoek, bede, last. F.R. 
17,11. Zie: bylyowa. 

bodden, jus bannitum^ bevolen geregt. 
F.R.13,29. Zie: bodthing. 

boddia, eitore, dagvaarden, opontbieden. 
F.R.3,10: Dat hy ne to how bod- 
die in synre bura andert. Dat 
hg hem in tegenwoordigheid zgner 
buren ten hove dagvaarde. 

bode, venditio, dies venditionisj verkoo- 
ping, verkoopdag. F.R.30,29: Eer 
hg den fyaerde dey fan da bo- 
den tojowt. Voor hij den vierden 
dag der verkooping toelaat. — 2.) ct- 
tatio, dagvaarding. F.E.46,78. 

bod el, bona mobiUa^ inboedel, boedel, 
roerend goed; haereditaSj erfenis. O. 
1,62. F.R.34,1. 

boden, dtatus^ gedagvaard. F.R.3,8. 

boden, possessie^ proprietas^ bezitting, 
eigendom. F,R.40,4: To ferenop 
syn boden. Te voeren op zgne be- 
zitting. 

bodescip, tn^rcafura, handel. H.10,17: 
And alle tha, ther thet bode- 
scip a twiska driue, mith a 
redgeua te bonne due. En al 
degenen, die daar handel in drgven, 



107 



bodia— bokkmd. 



106 



(bdudpuun 1911), met den legter in 

den ban te doen. 
bodia, cüart^ dagraarden, ontbieden* 

0.1,55. F.R.3,11. 
bodiscip (bodisdscip, schrgffoot?) 

aMÊMwAiaüo^ boodschap, berieht. H.9,1- 
bodthing, a>mmune judidmm^ quo on»- 

»e$ adêêse debemt et voeamiur. Alge- 

meene Teigadering, op welke een ieder 

geroepen werd en Terpligt was om te 

rerschgnen. 0.1,22. A.1,10. 
boede, jussttm, bereL O.r. — 2.) 

oUaium^ aanbod; atictio, rerkoop, bod. 

FJl.30,25: Hwanneer da boed 

omcommen sint. Wanneer het 

bieden gedaan is. 
boedescbepe, bodeschepe. J.ILF. 

2,61. Zie: boetschipe en bode- 

scip. 
boefaehtich, mahuy boefiuïhtig. F.R. 

37,7. 

boeghia, hatnlare^ wonen. O.r: Boe- 
ghia mit hgara frionden. Met 
hunne rrienden wonen. J.M.F. 1,3. 

boerd, asêer^ plank, bord. 0.11,72: 
Staet hi een boerd wt. Stoot hg 
een plank nit. — 2.) ara, margo na- 
vis^ boord, rand, scheepsboord. F.B. 
50,47: And taegh ne weer inoer 
boerd. En trok hem wederom bin- 
nen boord. 

boernahuns, domus civis^ borgerhnis. 
O.r. 

boem e, /onê^ bron. J.M.F.1,3. 

boert, boertlyckheit, jocus^ boert, 
spot. F.B.62,12.13. 

boes, maluê^ boos. 0.17,6. 

boesheed, boesheit, malitia^ boos- 
heid. F.B.56,1. 0.17,6 

boe 8 me, peetus, boezem, borst. 0.6,5. 

b oestigia, nu6er«, tronwen. F.B.82,10: 



Opdat bja ney biare mannis 
daed moghen mit erem weder 
boestigia. Opdat q na Imien mans 
dood met eoe weder kunnen iioii- 
wen. 

b o e t h, tmmtiuê, bode. J JLF JI, 301. 

boetloes, «tne poflio, boetelooa, «mdsr 
boete. F.B.58,9. 

boetschioldich, poemas obmtudÊU^ boei- 
sdioldig, boetrallig. J.MJJLeg.bLlS. 

boetschipe, fiautio^ P^^mo^ Ugaiio^ 
boodschap, berel, gexantschap. O. 
1,60. 

boga, habüart^ wonen, TeiblgTen, re^ 
toeven^ O.r: Deer God mit Mog- 
se nppa bogade. Daar God met 
Mozes op vertoefde. J.MJ.l,?. 

boga, ora (aiim), rand (van hei oor). 
F.O.L.5,28. 6,21. — 2.) bogha, or- 
rtf«, boog. 0.1,21. 

boghen, fnmdts^ bedriegergen. F.R. 
81,14: Deer mit boghen omgeet 
op een kersten menRcha. Die 
met bedriegergen omgaat jegens een 
christen mensch. 

hogere, êogiüarius^ boogschutter. B. 
219. 

bok, Ux, wet. l.E.3,12. — 2.) Uber, 
boek. H.3,1. 

boka. F.O.L.1,6. Zie: bocad. 

bokingo, inscriptio adpioêusus, inschig- 
ying om geestelgke diensten te doen. 
F.O.L.8,24. FJl.46,20. Zie: bocad 
en bokland. 

boklond, ager ad pios urn», regiMtro 
ecdesiae tfi«crtphi-«, boekland. Land, uit 
wier opbrengst zieldieusten moeten, 
geschieden en in het register derker- 
kelgke goederen ingeschreven. A.1,6. 
(Bokinge is das de daad yan inschrg- 
Ting. H. Spelmanni ArAeologMê^ 



109 



bola— bostigia. 



110 



Bocland, acripH auctoritcde^ Folc- 
land, poptdi testimonio possidens. — 
Leye^ Territariaj terra codiciUaris. 
Zie ook: Sachsenspiegel^ Dresden 1553, 
Ikliche vrtheil der Schöpffen zu Leip' 
sichj in principio. — Wiarda^ Wör- 
terbuck, in voce. — Bg Von Wicht^ 
Ostfr. Landrechty p.35.n. bona libeUa^ 
ria genoemd, leengoed, [In Friesland 
kent men nog de boekmissen.]) 

bola, concubinuê^ boel; cancubina^ bg- 
wgf. F.R.84,18.23: Nympt hyo 
een bola eer hyo 25 jeer ald is. 
Neemt zg een boel (boeleert zg) voor dat 
zg 25 jaar oud is. — Dat wyff jefta 
bola. Die yroaw of die boeleerster. 

bolbrenga, boldbreng, boldbren- 
za, boltschet, dosj huwelgksgoed. 
KL.3,24.67: Sa maki hia thabol- 
brengar allike god. Dan maken 
zg het ten huwelgk gebrachte van de- 
zelfde waarde. — Huful hia hir 
to boltschet reke wille. Hoe- 
veel zg haar als huwelgksgoed geven 
wü. B.90.108, 

bold, audax^ stont. F.B.1,50: Na et 
to bold. Niet te stont, vermetel. 

bóldbreng, zie: bolbrenga. 

boltschet, zie': bolbrenga. 

hou, jusaum, bevel. A.7,10. — 2.) muJ- 
to, boete. B.51. F.O.L.4,15. — 3.) 
jus, regt. A.1,2. B.54. — 4.)jt<«tó- 
tiariusj ger^tsdienaar. A.7,3: Sa 
hwer sa thi bon ena monne bi- 
tegath enere clagi. Wanneer de 
banner iemand wegens eene klagt aan- 
klaagt. — Bonne, bonnere, praecoj 
banner. A.2,1. 7,24. l.E.3,7. 

bona, homicida, doodslager. F.O.L.8,9. 
B.178. A.6,5, E.L.2,2. Zie: Be- 
nethia. 



bondedoge, homicida, doodslager. A. 
6,5. 

bonden, ligaJtuê, gebonden. 0.6,5. 

bon ia, accusare aliquem de homicidio, 
iemand wegens doodslag aanklagen, 
E.L.2,2: Ac jeff hia then riuch- 
ta bona nawt ne withath, 
anda boniath hine nawt wr 
thet epene gref. En zoo zg den 
regten doodslager niet kennen, en 
hem niet bg het opene graf van dood- 
slag aanklagen. 

bon na, idem, B.152. 

bonne, zie: bon, 

bonned, bonnen, jusmsj bevolen. 
F.O.L.1,17. H.7,3. A.9,9. 

bonner, zie: bon. 

bora, accidere, overkomen, gebeuren. 
F.R.56,12: Ende op al dat quaed, 
dyr him oen siel ende lyff 
bore mey. En bg al het kwaad, 
dat hem aan ziel en ligchaam over- 
komen kan. 

bord, margo, ora, boord, rand. A.7,32, 
zie: boerd. 

boren, natus, geboren. F,R.5.4: Op 
dyn dey boren. Op dien dag gebo- 
ren. 

bos, malue, boos. P.R.56,1: In deï 
bosa gastena selscep. In gezel- 
schap der duivelen. 

bosme, pectuê, boezem. B.143. 

bostigia, to bosta jewa, matrimo- 
nium inire, in matrimonium dare, trou- 
wen, uithuwelgken. F.R.26,17: Dyo 
schel naet weer bostigie. Die 
zal niet weer trouwen. — 0.12,15: 
Jef di mond da kinden to 
bosta jout. Zoo de voogd de kinde- 
ren uithuwelgkt. Zie: beithe dwaen 
(to). 



111 



bot— brpefh. 



112 



bot, üerunij nuncy wederom, nn. J.M.F. 
1,1: Sey my bot. Zeg mg na. 

bote, mtdta^ boete, E.L.1,16. B.157. 

bothe, praedictio^ voorzegging, voor- 
spelling. F.R.80,8: Hwa so inyt to- 
werie, myt foergiffnisse, myt 
bothem, myt wytgien ende 
myt onlawa omgeet. Wie met 
tooverg, met voorgevingen, met waar- 
z^gen en met ongeloof omgaat. {Theu- 
tonista^ boete, devinatio. Zie: baete.) 

botterschoete, decima butyrij boter- 
schatting. Ch.I, 349. J.M.P.II, 303. 

botthe, nummus quidam^ botje (ƒ0,02'). 
J.M.F.II, 326. 

bottringa, eapiaiio^ voldoening, J.M.F. 
B%.bl.3. 

botzin, nummus quidam^ hotje (ƒ0,02'). 
Gysb. Jac.2,4. Zie: betsca. 

bowa, aedificare^ bouwen; habitare, wo- 
nen. 0.12,16: Da hella bowa 
mit ta dg vel. Met den duivel in de 
hel wonen. 

brakand, novalis (affer)j braakliggend, 
onbebouwd (land). J.M.F. 12, Supl.: 
Ende hit buta oen brakande 
OW ere leith. En het buiten aan den 
onbebouwden oever ligt. 

brad, braed, panis^ brood. l.E.v. 
F.R,45,11. — 2.) aviditasy begeerlgk- 
heid. F.R.43,3. Zie: f o er red en. 

braedghensen, victum mendicantesj 
broodbidders. J.M.F.5,11. 6,13. 

braeditane, familiares, domestici^ huis- 
bedienden. Ch.I, 535: Toe waryaen 
Toir syn braeditane lyode. 
Voor zgne huisbedienden (zgn brood 
etenden) in te staan. 

brand e, ensis^ zwaard. 0.4,24: Mit 
barnenda brande ende mit 
gliander coele. Met uitgetrokken 



zwaard eii met gloegende kolen. (Zie: 

bronde en barnande, waar ik 

het door > brandhout*' heb vertaald; 

men oordeele zelf wat juist is.) 
branga, portare^ brengen. A.2,20. 
braspenninck, moneta quaedamj 10 

duiten (ƒ0,06'') Ch.I, 603. 
braste, briast, briest, burst, pee- 

tus, borst. E.L.1,39. l.B.5,14. 2JB. 

1,14. F.O.L.5,27. 
brec, bracca^ broek. E.L.1,89: Hvasa 

otherem offsplit thet hameden 

ieftha brec. Wie den anderen het 

hemd of de broek afischeort, 
breca, breka, deficere^ ontbreken. O.k 

Als di setma brect. Zoo de wet 

ontbreekt (zwggt). 0.1,21. P.B. 13,1 7. 

B.3. 
breek, multa^ boete, breuk. P.R.1,28. 
brecheftich, poenae debitor^ poena€ob^ 

noxiusy boetvallig. Gh.I, 462. 
breema, multa^ boete. B.15. H.10 28. 
bred, laesus^ bezeerd. F.O.L.5,6: Thet 

age bred and thet hlid stioai 

Het oog bezeerd en het ooglid stgf 

geworden, 
bred, laJtus^ breed. E.L.3,75. 2.) 

amplusy breed. Br e dra, ampliar^ sêh 

perior. B.140: A bredera warf. 

Aan het hooger geregt. 
breda, frigere^ braden. A.r.l. 

bredhus, domus sponsae^ bruidshuis. 
F.O.L.6,25. 

bredra, zie: bred, lotus. 

breeck, vitium^ gebrek. P.R.84,8. 

breef, scriptara^ scripta probatio, bewgs 
in geschrifte. F.R.3,2: Ende hiara 
breef mey to bywisen hiara 
spreeck. En hun schriftelgk bewgs 
om hunne aanspraak mede te bewgsen. 

breeth, opparei, geblgkt. J.MJP,II, 827. 



113 



bref — briasechte. 



114 



bref, littera, brief; lea, wet. B.9. 

bregge, pons^ brug. A.7,17. 

breia, projicere^ uitwerpen. B.106: 
And breit hiu inur dura and 
invr d rep pel. En werpt haar bui- 
ten de deur en over den drempel. 

breia, Jluere^ eluere, vloeijen, wateren 
(van het oog). H.8,9: Jeftha hit 
breit. Of het (oog) watert. 1.E.4,S. 
b e reit. A.3,4. brit, eluit^ watert. 

breid, breyde, sponsa, bruid. 0. 1.10, 
H.4,39. F.O.L.4,6. 

bregdelike, ut sponsa, als bruid. O. 
8,22: Ende hio bregdelike sine 
besma opstoed. En zg als bruid 
zgn bedsteed beklom. J.M.F.7,50: 
Ende hio bredelike sine bed- 
selma wrstoep. 

breidgome, sponms^ bruidegom. H. 
10,11. 

breidhus, domus sponsae, huis van de 
bruid. H.5,6. 

breidstole, breitbonke, thalamusj 
bruidstoel. l.E.5,21. 2.E.1,18. H. 
4,39. 

breyn, breyne, cerebrum^ hersenen, 

brein. Ch.1, 98. 
breyncloue, margo er anti , cranium , 
naad van de hersenpan, de hersenpan. 
E.LJ,16. l.E.4,2. Zie: bli. 
breincoppe, cranium ^ hersenpan. 

F.O.L.5,1. 
breinduig, laesio cerebrij wonde aan 

de hersenen. 0.11,9. 
breynhunden, zie: breynwonde. 

Ch.I, 335. 
bregnpanna, breinponne, cranium^ 
hersenpan. 0.11,9. l.E.4,4. F.O.L.5,1. 

breinsiama, breynsiama, liquor^ 
qui laesione eranii ex vulnere fluit. Het 
vocht, dat door de beleediging van 



de hersenpan uit de wonde vloeit. 
E.L.1,12. B.210. 211; breynsima. 

breynwonde, vulnua eranii vel cerebri , 
hersenwonde. F.R.58,41. 

breit, pvyicit^ werpt uit, (bruit). B.106. 

breitbonke, zie: breitstole. 

breka, zie: breca, — E.L.2,12: bre- 
keth, deficit ^ ontbreekt. 

breka, delinquere, verbeuren. E.L.1,57. 
0.12,12: tobritsen, verbeurd. Zie: 
britsen. 

brekande, maleficium^ misdaad, over- 
treding. H.4,42: Tha warth er 
alle brekanden to boden ebern. 
Toen werden alle overtredingen ter af- 
koop gebracht. 

breken, fractus , gebroken. A.5,5. 

brensza, ferre^ brengen. B.84. 

bresen, difractus^ dirnptus^ gebroken. 
E.L.3,10: Bresena dikar. Ingebro- 
ken dijken. 

brescredene, breskerdene, bre- 
skredene, bresskedene, indsura 
supercilii, wenkbrauwsngding , bezee- 
ring. Ch.I,113. J.M.F,II,237. F.O.L. 
5,6. A.3,2. H.8,5: brieskerdene. 

bresze, multa^ boete. B.54: buta 
bresze and buta fretha. Buiten 
breuk (boete) en buiten vrede. 

bres zie, fractura^ breuk. H.6,9. 

breszen, bretzen, brezen, britzen, 
fractus^ gebroken. H.6,10. 1. E. 5,20. 
F.O.L.4,3. E.L.1,11. — 2.) fracturae , 
breuken, F.R.17,5. B.28. 

briasechte, 2.E.r. zie: beylle. Thet 
thu alla thina litona alsa be- 
halde tuise il and sward, fon 
farendum and fon fretma, fon 
beyllum and fon briasechtum 
and fon ra lerha fallanda ewele. 
Opdat gg alle uwe leden tusschen de 

8 



115 



briast— bnirblicand. 



116 




hiel eD den nek vrijhoude van pest, 
en verzweering, van etterbailen en van 
borstziekten en van de lichte vallende 
ziekte. 

briast, zie: braste. 

brida; vexare^ tribulare^ hinderen, pla- 
gen. A.2,4: Ac jef hiri brother 
tha (letieua brida wili and 
tiona. En zoo haar broeder den uit- 
zet hinderen wil en tot zich trekken. 

brieskerdene, zie: brescredene. 

briest, zie: braste. 

brieuwe, epiatola^ brief. J.M.F.4,7. 

bringa, aferre, brengen. F.R. 13,30. 

brinponna, cranium, hersenpan. A.3,2. 

bryouth, coctura^ kooksel, brouwsel. 
Ch.1, 540: En bryouth byers. Een 
brouwsel bier. 

brit, A.3,6. zie: breia. 

britsen, fractus , gebroken; delictus^ 
verbeurd. 0.12,11. 

brocgerdel, corrigia braccarum^ dn- 
gulum braccarum^ broeksband. B.65. 
l.E.5,20. 

broderlicheit, fratemitaSj broederlgke 
verwantschap. P.R.49,3. 

brond, ustio, brand. E.L.3,33. B.75. 

bron de, fax^ brandhout. H.3,4. Zie: 
brande. 

bronddolich, bronddolch, vulnus 
tistione factum, brandwonde. E.L.1,10. 
H.8,17. 

brondrad, rubidus^ vuurrood. H.9,2: 
Fon brondrada golda. Van vuur- 
rood goud. 

brotherdel, portio fratema^ broederlgk 
deel. H.4,45. 

browia, (prowia?) probare^ bewezen. 
F.R.15,79. 

bruca, brucka, i«ft, gebruiken. H. 1,1 7. 
0.1,30. 



brudden, stridusy uitgetogen. l.E.6,2: 
Mith bruddene suerde. Met uit- 
getogen zwaard. — A.7,1: bradena. 

brukinghe, tumsj gebruik. F.R.36,6. 

brun, fusciis^ bruin. A.7,8. 

brust, pectiMy borst. E.L.1,38. F.O.L. 
5,27. 

buc, buk, venter^ buik. H.4,6: Uppa 
ne buc etreden. Op den buik ge- 
treden. 

bucket, zie: buecket. 

buclamethe, buclemethe, ddnUiatio 
ventrisy buikverlamming. E.L. 1 ,32. 
H.4,3. 

buckueste, bucfest, ad certos amiot 
puer^ manbaar; ad maturitatem^ tot 
manbaarheid. F.R.47,11. P.O.L.7,6. 

budele, pera^ buidel, zak. 0.6,2. 

beucket, bucket, F.R.46,20. zie: 
boka. 

buert, jocusj boert, spot. F,R.58,38. 

beu te, conjuratiOf bezweering. F.R.80,5: 
Ende aeck dat ma naet lyowe, 
dat tet dij menscha selff, mit 
da wirden, da buete dwe, mer 
dat hg da wirden spreekt, ende 
God da bueten deth. En ook dat 
men niet moet gelooven, dat de mensch 
zelf, door de woorden, de bezwee- 
ring doet, maar, dat hg de woorden 
spreekt en God de bezweering doet 
Zie: bothe, bete. (In het charter 
van Philips den Goede van 14 Au- 
gustus 1459. artt. 2 en 3 wordt het 
botter genoemd: Vaneden JBoUen 
en Tigerincxs), 

bueth, poena^ boete. F.B.1,29. 2,28. 
buetloes, sine poenaj boeteloos. F.B. 
1,29. 

buirblicand, vicinis oognüuê^ buur- 
kundig, in de buurt bekend. 0.1,70. 



117 



bukwnde — bwck. 



118 



bukwnde, vulnuê ventrüj buikwonde. 

l.E.4,15. A.3,10. 
bul derslee, contusioj builslag. H.4,19. 
buide, buld, moneta quaedam^ zekere 
munt (waarde niet bekend). F.O.L.6,5: 

Tua buldscill. Twee buldschellin- 

gen. H.6,9. 
bunden, liffattu^ gebonden. B.104. 

£,L.3,61. 
bunke, m, pes^ been, bonk, voet. 

E.L,1,11. 
buppa, super^ boven. F.R.1,17. E.L. 

3,92. 
bur, buur, tnctnu^, buur. H.2,24. — 

2.) cims, burger. J.M.F.12,12.14. 

F.E.3,10. 
buraldermon, judea rtct, buurregter. 

F.O.L.I, 43. 
bur ar, vicusj vicinüasj buurt, buurtschap. 

6,19: Alrecke burar biskiffe 

sine eyne rediewa. Ieder buurt- 
schap stelle zgn eigen regter aan. 

B.42.138. 
burch, zie: burge. 
burcher, ctvw, burger. O.t?, Da se 

da burich wonnen, dae weren 

86 burcheren toe Roeme. Toen 

zg de stad wonnen, toen waren zg 

burgers van Rome. 
burchscip, zie: burgscip. 
burcuth, buurkund, buurkuud, 

mcinis notus^ buurkundig. B.155. 

0.4,18. P.R.13,22. 
burga, burgia, oppignorare^ spondere, 

boi^n, borgstellen, beloven. F.R. 

15,39. 0.1,45. 
burge, burch, ara^ burcht, kasteel. 

H.3,4. B.159. — 2.) agger^ dgk. 

F.O.L.1,16. Zie: aburch. — 3.) 

cautio^ borg. 0.1,43. 



burgscip, burchscip, burgtocht, 

fidejusaio^ borgschap, borgtocht. F.R. 

27,10. 42,5.7. 
burich, civitaSy arx^ stad, kasteel, 

burcht, O.v. 
b u r i n g e, mcM5, buurt, gebuurte. J.M.F. 

n, 288. 
b u r m e 1, convivium vicinorum^ buurmaal- 

tfld (bfl huwelgksplechtigheden). F.O.L. 

4,3. 
burna, f om, bron. O.v. l,Supl. 
burna, ebullire, opwellen. A.7,9. 
burscipe, buirschip, buurschip, 

vicinia, buurtschap. 2,E,4,37. 0.1, 

43.74. 
burst, pectus^ borst. Ch.I, 101. O. 

11,27. (J.M.F.II,207: bursten, lees: 

burst en.) 
bursten, diruptus^ gebarsten. F.O.L. 

5,22. 

buta, butha, sine, zonder. H.1,4: 
Buta asega ledene. Zonder ge- 
leide van den regter. B.54. — 2.) 
extra, buiten. B,88. — 3.) eaepto, 
behalve. H.1,17: Butha dathe. 
Behalve doodslag. — 4.) sed, maar. 
A.7,21: Buta thet. Maar dit. A.8,1. 

buta (bura?) vicus, buurt. F.O.L.5,42. 
Zie: H.4,20: Burawarfte. Buur- 

geregt. 
butere, b uth er e, tutyrum, boter. 2.L. 

4,4. E.L.3,4. 0.7: buterschot, 

boterschatting. 
buur, zie: bur. 
buurkund, zie: burcuth. 
buwa, aedificare, bouwen. A.9,3. Buv- 

de, aedijicabantj bouwden, 
buwnge, aedijicatio, bouwing. A,9,3. 
bwck, venter, buik. 0.10,8. 



i 



119 



caend— clagL 



120 



C. 



caend, probatus^ bewezen, erkend. F.R. 
10,4: Eer hit noeglick caend is. 
Voor dat het voldoende bewezen is. 
(met regt). 

caepland, praedia emta^ non heredita- 
ria^ aangekocht land. 0.3,6. zie: kap- 
lond. 

calde yrsen, instrumentum chirurgicale^ 
heelkandig instrument. J.M.F.II,218: 
Hwerso en man dolghet werth, 
and hi thet calde yrsen anhim 
dreith (H, 190: dregheth). Wan- 
neer iemand gewond wordt en hg het 
koude ijzer bg zich draagt. 

cal en da, districtus ecclesiasticuSj geeste- 
Igk district. Ch.I, 344. {Ducange: ka- 
len da, congregatio piae societatis. — 
Wachter: ka land, societas^ st/nodus, 
conventus societatis^ domus^ aedificium 
societatis.) 

campa, />7/^7, strijder, kamper. A.1,8. — 
2), pugna^ strgd. Nenne campa 
leda. Geen strgd voeren. 

campschielde, pugna^ dueüum^ kamp- 
strijd. 0.3,15. 

canna, noscere^ scire^ weten. F.R. 11,7. 

canoniek, canonicusj kanunnik. F.R. 
11,5. 

cap, emtioj koop. E.L.3,1. H.2,4. 

capellapaep, sacellanus, kapellepries- 
ter, kapellaan. 0.8,3. 

capenscip, niercaturaj koophandel, han- 
del. F.R. 12,20. 
^apia, ^m€re,koopen. H.1,7. F.R.20,16: 
^apien, emens^ koopende. 



caphsa, capsa^ kistje. H. 10,20. 
caplond, H.1,6. zie: caeplond, kap- 
1 o n d. 

capmon, fnercator^ koopman. (meer?, 
capmen.) H.1,9. 

cappa, capitium, cucullus ^ kap, hoofd- 
deksel. Ch.I, 603. 

carda, exitia, scopus, kaarde, borstel, 
schuijer. F.O.L.6,4. 

case, /)ti^iia, strgd. B.46: Jof tha fiund 
thenna aenge case makiath. Zoo 
de vijanden dan eenen strgd beginnen. 

cathene. catena, keten, boei. J.M.F.1,3: 
Mit geldene cathenem. Metgou- 
den ketenen. 

chrimlawey, cornua bovis^ het geweide 
(de horens) van eene koe of ander dier 
F.O.L.6,12: Vmbe thene chrimla- 
wey ther kw binimen. Wegens 
het geweide (de horens) aan de koe 
ontnomen. 

claed, testis, kleed. 0.1,64. F.O.L.5,26: 
Butaclanum. Buiten de kleederen, 

claegh, accusatioy aanklachte. P.R.1 27. 

claeghwroginghe, zie: claegh. 
F.R.13,46. Klachte (wegens bezeerin- 
gen). 

claeglick, rfofe/w, klagende. F.R. 13^47; 
claeglick wrogia, wegens bezee- 
ringen aanklagte doen. 

claesterferd, zie: clasterferd. 

claesterfrouwen, religiosae, nonnen. 
F.R.37,14. 

clagi, accusatioj beschuldiging. F,0.L. 
1,26. 



I 



121 



clay— cliwa. 



122 



clay, arfftUa^ leem, klei. E.L.1,77. 
2.E.1,25. 

claicloes, sine vitiis, klakkeloos. Ch.I, 
496. 

clam, accusatio, beschuldiging. J.M.F, 
n, 273. 

clan, zie: climna. 

cl aria, eaplicare, ophelderen, uitleggen, 
verklaren. F.R.8,1: So fregie dg 
sitter, dat me 't him clarie. Dan 
vraagt de aangeklaagde, dat men het 
hem opheldere. 

clasterferd, introïtus, in viam monas^ 
ticam, kloostergang. J.M.F.12,16: Jef 
dat eerwe wrbrocht is mit clas- 
terferd iefta mit kaepe. Zoo het 
erf doorgebracht is met kloostergang 
(vrede?) of door koop (door in het 
klooster te gaan). 0.12,15. 

clath, vestis, kleed; (meervoud: cla- 
thar, clathwer, clanum.) E.L. 
1,10. H.4,16. B.67, 2.E.1,26. F.O.L. 
5,26. 0.11,66. Zie: claed. 

cl au, claw, roBtrum, hark. F.R.20,3. 
0.9,5. Ende syn claw fait. En 
zgne hark valt. — Da syn clawa 
oen der eerde foei. Toen zyne 
hark op de aarde viel (toen hij zgn 
land [in het voorjaar] begon te be- 
werken). Zie: era wel. F.R.20.2. 

clecht, vestis, kleed. F,O.L.6,18: Thria 
clecht thruchesnithen. Drie 
kleedingstukken doorgesneden. 

cleem, dissensioj verschil, twist. Ch.I, 
240: Hwaso maket aen cleem 
twem iggen bytwischa. Wie tus- 
schen twee partgen twist stookt. 
J.M.F.II, 298. zie: clam. 

cleft, districtus, kluft. F.O.L.8,18. H- 
10,24. 

cleggia, doUre^ klagen. F.R.58,12. 



cl en, exiguus, parvus, klein. 0.12,13. 

clene seke, (clemeseke?) discordia, 
twistzaak. F.O.L.8,3. 

c 1 e p p a , tinnire , tintinnare , kleppen ; 
klinken, luiden. Ch.I,102.599: Als 
er clocka clept wert. Als de 
klok geluid wordt (geklept wordt), 

cleppa, (togara) cofre, zich vleeschelijk 
vereenigen. 0.12,26: Hweerso een 
man ende een frowe dwaet to 
gara deppen. Wanneer een manen 
eene vrouw vleeschelgke gemeenschap 
hebben. J.M.F.12,24. — toegaedere 
cleppa. F.O.L.I,52: En omfo jeftha 
thet ma hia cleppe and kesse. 
Eene omhelzing , of dat men zich vlee- 
schelijk met haar vereenige en kusse. 

clepschilde, zie: clippaschylda. 

clesie, cliszie, dies 25 Martis. 
25 Maart. Maria boodschap. 0.1,32. 
J.M.F.2,34. (Hoogd: KUibeltag.) 

cletsia, pugio, dolk, klis, kris. A.5,16. 

clinga, yJiwia, haak. E.L.1,3. — slin- 
ga. l.E.5,3. 

climna, clinna, sonare, tintinnare, 
klinken, luiden. l.E.2,1. H.2,1. 0.3,9. 
J.M.F.13: Manich clocke deer 
scheen clan. Menige klok die schoon 
luidde (klonk). 

clippa, sonare, klinken. 0.11,9: Dat 
me 't mochte hera clippa in 
een lewgn. Dat men het in een 
bekken konde hooren klinken. 

clippaschylda, clipscelde, clip- 
skilde, clepscelde, censio, belas- 
ting. F.R.50,48. H.1,7. A.1,7. F.O.L. 
7,1. l.E.1,7. (te betalen met zuiveren 
gewichthoudend geld.) 

cliszie, zie: clesie. 

cliwa, Jlorescere, firmum sive fortem jieri, 
beklgven. J.M.F.1,3: Sont Rome 



123 



clocke — cranlcrauiiL 



124 



cliwa bygunde. Sedert Rome begon 

op te komen (te beklgyen). 
clocke, tinlinnabulum j klok. 0.8,22. 

clockaklin, klokgelnid. F.R.59,18. 
clocla, (cnocla?) articulusj knokkel. 

Ch.I, 99. zie: cnocle. 
clompa, cespes^ zode, turf. Ch.I, 517. 

Hnndert clompa eedis. Honderd 

turven, 
clowa, districtuSj klaauw, kluft. H. 

10,24. 
cnocle, knocle, articulus^ knokkel. 

B.186. Ch.I,99. 
coele, eaulisj carbo^ kool. 0.4,24. 
coern, corn, fromentumj koom. O. 

1,71. 1.E,3,8. 
colc, colek, colk, recessns oculorum^ 

oogholte; foramen, gat, kolk. H.4,1. 

B.190, E.L.1,23. 
co leg, urens^ brandend. B.147: Co le- 
ge crocha. Eolenpot. 
comma, venire^ komen. O.t?, F.R.20,6. 

63,1. 
c om men, adventus^ gekomen, P.R.7,3. 
comnt, r«m<, komt. F.R.2,14. comnpt. 

F.R.5,5. 
comp, pugna^ strgd. B.73,74. 
compania, societas^ gemeente. J.M.F. 

II, 313. 
compthing, judicium circa perduellium^ 

strgdgeregt. 2.E.4,28. 
comskelde, zie: campschielde. 

l.E.1,15. 
condich, notus^ bekend, 0.12,21: 

Condich dwaen. Kond doen, 
confusinge, confuus, damnum^ de- 

trimentumj schade, nadeel. F.U.63,1: 

Ende aldeermey schade deth, 

ende graet confusinghe aldeer 

fan ha et. En daardoor schade doet 

en groot nadeel daarran heeft. — Ende 



dat confuus wirderia wil. Sn 
het nadeel waardeeren wil. 

conuent, cofwentuê^ monasterium^ kloos- 
ter. F.R.15,19. Conweynt. F.R. 
85,1. 

conuers, convertusy convers, klooster* 
ling. F.R.74,2, 

cop, caput^ hoofd. EJi.1,12, 

cop, poculumj beker. 0.11,65: Halt 
hi dine cop ende suingt hi mit 
ta bier. Houdt hg den beker en 
werpt hg met het bier. 

coppesrend, laesio copï^, hoofdscheo- 
ring, beleediging. l.E.5,1. 

copscelde, (compscelde?) H.1,15. 
Bg A.1,15 heeft mem mith compe. 
Zie: campschielde. 

corbita, pants sacratus^ gew^d brood. 
H.2,10. 0.4,10. 1X2.10. 

corn, zie: coern. 

corporale, doek, waarop de hostie op 
het altaar gel^^ wordt. 0.7. 

cos, osculunij kus. J.M.F. 12 in faui 
And thine cos capia and tt 
soena winna. En den (vrede) ku 
koopen en den zoen winnen. Zie: E os. 
0.11. Supl.3. 

cos te, tmpen^a, onkosten. B.154: Mith 
coste and mith compe. Met on- 
kosten en met den strgd. Ch.I, 346. 

co the, maasiüa^ kaak. Ch.1, 98: Soo 
thio were tilled fan da cothem 
(J.M.F.U, 199 heeft: tilled fan d« 
tothum). Zoo de lip we^enomen is 
van de kaak (van de tanden). 

craftegha, confirmarey bekrachtigeD. 
Ch.I, 334: To crafteghane. Te be- 
krachtigen. 

c ram er, mercator^ koopman, kramer. 
J.M.F.10,13. 

craulcruum, crawelcrnmb^ er*- 



w 



125 



crawel— daddel. 



126 



welkrum, curvatura manus ad po^ 

sitionem scabendi^ krom, in de rigting 

om te krabben gekromd, E.L.1,35. 

l.E.5,9. . 0.11,38. F.O.L.5,24. 
crawel, harpcyo, rostrum^ hark. P.R, 

20,2. Zie: claw. 0.9,5. 
creft, valoTj kracht 0.12,16. F.R. 

22,19. 
creftigia, confirmare^ bevestigen, be- 
krachtigen. F.R.ra, 14. 0.16,24. Zie: 

craftegha. 
Creklonde, Érroéctd, Griekenland. A.r.1. 
cresma, zie: crisma. 
crestilic, christelgk. F.0.L.t?.l. 
cryga, crygia, obtinere^ verkrggen. 

F.R.15,42, 47,5: Deer hgdana- 

tuerlike kynden bg crgn haet. 

Daar hg de natnurlgke kinderen bg 

verwekt heeft, 
crioce, criose, cru^, kruis. A.v.l. 7,9. 
crisma, crisema, cresma, chrisfna^ 

zalving, H. olie. F.R.81,23. H.3,1, 

B.B.18. 2.E.3,18. 
cristenede, chriêiianitaSj christenheid. 

H.3,1. O.ü. F.R.28,3. Crystenheet. 
cristen dwaen, bapHsare^ doopen. 

0.8,3. 
cristenga, baptüma^ doop. F.O.L.4,32. 
cristesmoerne, feêtum chriati nativi^ 



tatisj kersmorgen, kerstgd. 0.1,22. 
8,4. F.R.5,2: Crystyd, 

cristma, baptisare^ doopen. F.O.L. 
4,27: To cristmane. Te doopen. 

crywse, crua^ kruis. F,R.56,12. 

crywsgad, crucifixus^ gekruist, kruis- 
dragend. F.R.20,8. 

crocha, carbonaria^ kolenpot, B.146. 
E.L.1,71. 

cronkbedde, Uctus mortalis^ dood- 
bed, ziekbed, krankbed. E.L.3,57. 

cronige, impedimentum, beletsel, be- 
kreuning. F.R.36,6: Sonder claegh 
end e cr.onigen. Zonder klachte en 
bekommeringen. 

crumb, curvu»^ krom. A.3,20. 

CU, vaccüy koe. l.E.3,8. H.8,22. 

C u f o r (C u f o r d e ?) Koevorden. 1 .E. 1 ,9. 

c u n c t a , muliebria , vrouwelgkheid. 
J.M.F.II,212. 239. Zie: kunthe. 

cunna, poaae^ kunnen. l.E.1,6, 

curuen, insectus^ gekorven. B.199: 
And him werthe sina sina cur- 
uen. En hem worden zgne spieren 
gekorven. 

CU ster, aeditimus^ koster. 0.8,9. 

cuth, notus^ bekend, kond. 2.E.2,12. 
B.B.12: Cuth and witlike. Kond 
en kennelgk. 



D. 



da, tunc^ toen. O.v: Da spreek di 
koningh. Toen sprak de koning. 

da, iUum^ dien. F.R.49,1: Dg geet 
op to da. Die gaat op tot dien. 

dach, attamenj toch, evenwel. Ch.1, 119. 

dad,' f7ior«, dood. Da de, néortuusj doode. 
E.L.1,74. FJL43,2: Dayeth hi 



thene dach. Sterft hg dan even- 
wel, 
daddel, homicidium^ doodslag. E.L.2,1. 
B.47.68: Fald hit to dadele, thet 
hus thera liuda. Geschiedt er dood- 
slag , het huis aan het volk. — B.40 : 
Hit se deda ioftha dadel. Hetzg 



• -n 



127 



daddolg— dan. 



128 



daden of doodslag. P.d.Ms: doetslachte. 
daddolg, vulnus lethale^ doodwonde. A. 

3,21. 
da de, actio, handeling. F.R.1,21: Mit- 

t e r d a d a , metterdaad . 
dadele, dadle. H.7,1. E.L.2. 2.E.2,13. 

Zie: da d del. 
dadelik, vems^ wezenlyk. 0.12,13: 

Also dede h^t mit dadelika 

g o m e. Alzoo deed het met wezenlijke 

vreugde, 
dadslachte, hcytnicidium , doodslag. 

E.L.2. 
dadsvima, defectio animae, doodzwijm. 

B.204. 
da e, dum, quando^ quum^ wanneer. O.r: 

Dae God sijn folck dae nede joe. 

Toen God zijn volk de genade gaf. 
daed, mors, dood. O.i;. 
daedban, multa morUiaria, boete wegens 

doodslag. F.R.53,3. 
daedbante, homicidium, doodslag. O. 

4,10. 9,2. 0.4,9: banthern. 
daeddel, daeddeller, daedslachte. 

homicidium, doodslag. F.R.2,28. 0.4,8. 

Zie: daddel, dadele. 
dacf, daff, surdus, doof. F.R.2,4. 

E.L.1,22. 
daegen, 'concilia, judicia, vergaderingen, 

dagvaarten, Ch.I, 545: Jef ma dae- 
gen schoeide h a ld a. Wanneer men 

dagvaarten zoude houden, 
daeghu, daga, valere, deugen, goed 

zjjn. F.R.6,4. 47,1: So daged hya 

na et. Dan deugen zg niet. 
da eg hen, oporteren behooren. F.R.1,34: 

Dg daegh to spreckken. Die be- 
hoort te spreken, 
daejeen, daejen, ille, de geene. F.R. 

1,14. 0.1,14. 
daem, doem, dom, agger, dam, 



dgk, tusschenruimte. 2.£.1,1. E.L. 
1,14. 

daeth, occidit, doodt. J.M.F. 11,3. 

daff. Zie: dae f. 

d ah ui Ie interea, terw^I, intusschen. 
E.L.3,44: Tha tid nawt offkirta, 
ther hi dahuile wrsumath. Den 
tijd niet afkorten, dien hg intusschen 
verzuimt. 

daia, dayaye, permitteren dulden; at- 
tredare, doen, toelaten. 0.4,8: Nen 
meer onbringh daia. Geen meer- 
der bewijs toelaten. 0.8,5.6. F.R 
38,4. F.O.L.4,35. 36. 6,1. _ Willeth 
yemma moninghe dayaye. Wilt 
gy gehoor geven aan de aanmaning. 
J.M.F.II, 299. 

daia, daya, mori, sterven. Ch.I, 119. 
J.M.F.II,257: Dayeth hi thenê 
dach alder on. Sterft h^ dan even- 
wel daaraan.— J.M.F.17: Ther thi- 
ne marteldom daythe toe Doc- 
kum. Die te Dokkum den marteldood 
stierf. 

dayenum, illisy aan diegenen. PR 
50,19. 

dal lidza, (to) seponere, nederlagen, 
ter zijde stellen. F.R.50,41; And leyd 
ma hit to dal. En lag men het ter 
zijde. 

dale, (dadle?) homiddium^ doodslag 
2.E.2,5.12, 

dam, agger, dgk, dam, tusschenruimte 
F.R.79,3. 

dam, üli, dien. F.R. 12,24: Dam is 
*t byhaeglyck. Dien is het welge- 
vallig. To dam. Tot dien. F.R.49,1. 

dan, dattis, gegeven, H.9,2. 

dan, factus, gedaan. F.O.L,7,14. 

dan, quam, als. F.R.21,26. — 2):' tune, 
dan, alsdan. 0,12,11. F.R.21,7. 



129 



dana— deemey. 



130 



dana, indej van daar. 0.13,11: So 
aeg hi to gaen dana. Dan moet 
hg van daar gaan. 0.1,59. 

danne, lustrum j leger van een dier. 
Ch.1, 115. J.M.P.n,242: Jefta als 
ma hine slayth in sinne dan- 
ne. Of zoo men hem (den hond) in 
zgne legerstede slaat. 

darth, tW, aldaar. P.O,L.8,15: Sa se 
dart kom. Zoo zg aldaar kwam. 

dath, morsj dood. H.2,1: dathe, 
mortuusj doode. E.L.1,59. J.M.F.15. 

dath e, homicidium^ doodslag. A,2,8. 

dathsuima, dathswime, defectio ani- 
mae^ doodzwgm. E.L.1,74. l.E.2,1. 

dana, dawa, surdum fieri^ doofworden. 
A.3,5. Ch.1, 110. 

dawe, nw, daanw, A.7,9. Mit ena 
blodiga dawe bifangen. Met een 
bloederigen daauw overtogen. 

daweddasingha, aurium tinnitus^hei 
suizen van de ooren. J.M.F.U, 225. 
Ch.1, 109. 

dawense, surditasj doofheid. Ch.1, 
110. 

dec, dech, attamen^ ^Tgo^ evenwel, 
toch, dierhalve. F.O.L.7,13. J.M.F, 
2,32. 

decht, facit, doet. F.O.L.2,20: Zie: 
daa. 

ded, irf, dat F.O.L.1,5; 2,7. 

de de, dabat, gaf. J.M.F.12,1: Deer 
hy dede binna Bordeus. Die hg 
te Bordeaux gaf. 

dedede, dedeth, juramentum familiae^ 
Yolkseed, vriedeneed. 0.3,5. H.1,5. 
A.2,4. F.O.L.2,4.5. J,M.F.8,8. — 
2.) juramentum probationü, bewgs-eed. 
2.E.1,5. P.d.Ms: dat is , de waarach- 
tig sijn, dat is de tuycbaar sint; eden 
de unberudUiget sünd. 



dedir, actor, dader. 0.12,27. 

dedlade, dedlatha, deedlada, ju- 
ramentum probationis, bewgs-eed. O. 
9,2. F.O.L.4,22. 

deedeed, zie: dedede. 

deeckma, dek erna, decima, tiende. 
0.2,4. 8,3. J,M,F.n, 273. 

deel, divisio, verdeeling. J.M.F.2,34. 

deel, judicium , jurisdictio, ger^, regt- 
spraak. F.B.3,14. 

deeld, judicatus, divisus, geoordeeld. 
O.v. 

deelnyminghe, participatio j deelne- 
ming. F.B.60,3: deelnymer, parti-- 
ceps, deelnemer. 

deelscip, deelschip, partitio, dee- 
ling. 0.4.16. F.E.57,4. 

deen, factus, gedaan. F.E.70,7. 0.11,8. 
Professien haet deen. Professie 
heeft gedaan. 

deen, datus, gegeven. F.E.39,5: Een 
pand leend off deen. Een pand 
geleend of gegeven. 

deen haed, egit, gehandeld heeft. F.R. 
2,7. 

deenthe, status , hoedanigheid. F.B. 
65,4: Ney da graetheyt der de- 
da ende deenthe disjenis, deer 
byhludiget is. Na de grootheidder 
daad en den stand van dengene, die 
belasterd is. 

deer, qui^ quae, quod, dat, hetwelk. 
F.B.1,1: Deer onnette is. Dat onnut 
is, — 2.) ibij daar. F.B.7,5: Ney da 
jeld, deer deer geet. Volgens het 
geld, dat daar gangbaar is. 

deerefter, postea^ daarna. F.B.2,25: 
Da mey ma deerefter naet lec- 
kia. Die mag men daarna niet laken 
(wraken). 

deerney, idem. O.r, 



131 



deerintaisscha— dele. 



132 



deerintuisscha, interea^ ondertns- 

schen, intasschen. 0.1,5. 
deerom, ideOj daarom. 0,v. 
deertobuppa, insuper, daarenboveD. 

de er we, noxius^ schadel^k. 0.7: Alle 
deerwe soen wrbaune ick. Alle 
schadel^ke verzoeningen verbied ik. O. 
10,18. 

de ga, prode8ê€, voordeelig zgn. H.3,1: 
Ther bethe tha liwe and there 
sele dege. Die beide aan het ligchaam 
en aan de ziel voordeelig zgn. 

deger, exacte j atricte^ terdege, zeer goed. 
Cli.1,532: Ende wy dit breef de- 
ger myt V8 mena riucht foer- 
stonden. En wg dien brief met ons 
gemeenschappel^k regt naanwkeurig 
vergeleken. 

degh, attamerij evenwel, toch. J.M,F. 
12,13. 

degma, dekama, dekma, decima, 
tiende. A.1,9. F.O.L.3,4. 

dey, dieêj dag, E.L.1,16. Deigar, 
clegghen, deggen, dega, diesj 
dagen. F.R.2,31. A.w.l. 2,13. F.R.5.2. 

deya, pemiittere^ tolerare, dulden, ver- 
dragen, toelaten. F.0,L.4,1 : Than 
hi age to deyane sineth ieftha 
en ontinch. Dan h^ den zeend of 
een tegenbewgs behoeft te dulden. 

deya, interficere ^ dooden. O.l.Supl.: 
Dat ma iemna deye. Dat men u 
doodt. 

deyferd, iter unitis diei^ een dagreis. 
F.R.3,14: Een off twa deyferd. 
Een of twee dagreizen. 

deikisflod, aeetus quotidianus^ dage- 
mksche vloed. F.O.L.3,5. 

deylinghet, jtidicatue, geoordeeld, 
gevonnisd. F.R.2,6. 



d e y t , populus , volk. Ch.I, 609: S o 
schilla hya yens da Godis dey- 
deytinge. Dan zullen zg Qoda volk 
in regten aanspreken. 

deytinge, zie: deyt. 

degtingh, citatio, legitima temporis düa- 
tio^ dagvaarding, uitstel om in r^- 
ten te verschflnen. 0.1,50: So is di 
riuchte de^tingh t^en monaden. 
Dan is het wettig uitstel tien maanden. 
l.E.2,1. F.O.L.2,1. 

deywirch, Idbor unius diei^ dagwerk, 
wat in een dag gewerkt wordt. Ch.I, 
435: Twa deywirch edis. Twee 
dagwerken turf. 

dekema. J.M.F.II, 273. Zie:deeckma. 

del, dividit, deelt. F.O.L.8,14: Tha 
del ma. Die deelt men. 

del, judidumy dUtrictus, geregt, district. 
0.1,1, — 2.) pars deel. B.88. 

del, ffi/ra, neder. F.R.50,19. 44,15: 
Ner op ner del. Noch op noch 
neder. 

dela, judicarSy wgzen. A.1,3. F.R.18,1: 
Da seeck dela. De zaak wgzen, 
beslissen. — F,R.1,45: Domen to de- 
len. Vonnissen te vellen. 

dela, fodere, graven, delven, spitten. 
E.L.1,77: Anda olther satha jef- 
tha clay delt. En aldaar zoden of 
leem spit (delfb). 

delbitin, inferius morsus, naar beneden 
gescheurd , gebeten. F.O-L.1, 8. Zie: 
dele. 

delden, dividebant^ deelden. H.3,3. 

dele, infra^ neder, naar beneden, in- 
waarts. A.4,17: Heth hit dele bi- 
ten to tha midrede. Is het in- 
waarts gescheurd tot op het middenrif. 
— B.159: To dele ne leith. Niet 
ter neder legt (niet omverre werpt). 



133 



deled—di. 



134 



de led, divUuSy gedeeld. E.L.3,11. 

delefal, lapsus in terram, aardval, het 
nedervallen. E.L.1.8. l.E.1,1. B.206. 
Delefel. 

delgong, linea descendens^ nederdalende 
Ign. F.R.50,19: Dit is dj riuchte 
delgong dis barnes. Dit is de wet- 
tige nederdalende l^n van dezen (ge- 
slachts)boom. 

ieln^^ foderêj delven, graven. B.60. 

de ma, judicare^ vonnissen, doemen. 
l.E.1,3. 

demith, mensuraagri^ deimat, (400 D 
rgnlandsche roeden). B.114. 

den, denna, tunc^ dan. F.O.L.l,9.17. 

den, eden, geden, foetus^ gedaan. 
F.O.L.1,17, A.1,16. H.1,17. E.L.1,21. 
29: Is hit inna drame den. Is 
het in een gezelschap gedaan. — F.B. 
22,2: Dat nemmen syn dena de- 
da ondwaen mey. Dat niemand z^- 
ne gedane daden vernietigen kan. 

den, tenuis, dun, F.O.L.1, 9: Kor tra 
and crambra ieftha denra. Kor- 
ter en krommer of dunner. 

dendes chyp, navis quaedam^ zeker 
soort van schip (tentschip), schip met 
een roef. Gh.I, 659. 

dene, tn/ra, neder. 0.1,27: Ende 
d^oe kv7 da klewen dene deth. 
En de koe de klaauwen nederlegt. 

denged, zie: donged. 

denerwys, etiam, ook, insgelgks. Zie: 
deuerw^s, B.B.6, 2.E.3,6. 

denicheed, quaiitas^ hoedanigheid. 
F.B.54,6. Zie: de en the. 

denra, tenuioTj dunner. Zie: den, 

depa, baptisare^ doopen. 0.7,15. A.7,12. 

dep e, baptisma^ doopsel. H.6,20. 

dep e re, baptista, dooper. 2.E.t;. 

der, 60, daar, daarheen. F.B.in, 6: 



Deer der gonge. Die daar gingen. 

dera, nocere, hinderen, deren, schaden. 
l.E.i;. 

dern, Za«u«, benadeeld. B.102: And hi- 

re bern bitigie hire dern fias. 

En hare kinderen betijgen haar wegens 

benadeeling van goed. — Dern sone, 

geschondene zoen. F.O,L.6,10. 7,1. 

'dern, publicatus, verbeurd. H,10,16: 
Thet se alle dern lendenge on 
thena monda brenge. Dat zg alle 
verbeurde inkomsten in de gemeenschap 
brengen. 

derne, (anderne? zie: aldaar) /en^^^ra, 
venster. E.L.1,69. F.O.L.5,44: Du ra 
ende derna. Deuren en vensters. 

der ten, amens^ onnoozel. F.R.2,4. 
15,11: Een mal man jof een 
derten man. Een gek mensch of 
een onnoozel mensch. 

der we, quae necessaria (sunt)^ behoefte. 
0.1: Mislike derwa. Onderschei- 
dene behoeften. Zie: Therwa. 

des, guo ad hoc^ te dien aanzien. F.B. 
15,23: Des een fulla meen habba. 
Te dien aanzien eene volledige mee- 
ning hebben. 

desema, desene, lapsioj struikeling. 
2.E.1,17: Thi desema, thet hi 
and sine kniu skiata. De struike- 
ling, zoodat hg op zgne kniên stort. 
H.6,18. 

de SS e, /uc, haec, hocj deze. F.B.5,4. 

det, facit^ doet. F.R.2,27. Zie: dwa. 

deth, dat^ geeft. A.2,17. 

deth, /actum, daad. E.L.1,12: Inruetza 
detha. Ingescheurde daden. 

duerie,yuWum, diefstal. E.L.l,64. 3,61, 

deuerwys, zie: denerwys. B.B.6. 

di, dg, iUe^ die. F.R.1,1. — 2.) tibij 
u. O.t?. 



i 



135 



di— doch. 



136 



di, die^^ dag. A.3,5: Jer and di. Jaar 

en dag. A.7.9. 
diape, profunduSy diep. l.E.6,3: Sa 

diape and sa dimme. Zoo diep en 

zoo duister. P.O.L.2,2. B.160: Dia- 

pera, dieper, 
dyar, dyer, bestia^ beest, dier. F.R. 

64,18. E.L.1,81. 
dyc, aggevy dflk. 0.9. 16. 
dichta, camponere^ opstellen. F.R.7,2: 

Ho me *t (libel) dichta schil. 

Hoe men het (libel) zal opstellen, 
dichte, kistoria^ verhaal. 0.12,21: Nu 

wil ick corta disse dichta. Nn 

wil ik deze verhalen afbreken, 
d^cka, fodere^ graven, vergraven. 

0.9,20: Hwaso des dikes helde 

delt, ieftha dgckt jeftha mit 

spade greeft. Wie de kruin van den 

d^k veigraaft of afgraaft of met de 

spade omspit, 
dyckatta, judex aggerum^ d^kr^^r. 

Ch.1, 348. J.M.F.II, 302. 
dyckattene, dyckettene, pastus in 

aggeribuê , dgkbeweiding. Ch.I, 656. 
i^Bp^ fosêa^ diep, gracht. 0.12,19. 
dyer, dyar, bestia^ beest, dier. E.L. 

1,81. F.R.64,8. 
dier, qui, die. J.M.F.n, 278: Dier 

haet een aeffte frouwe. Dieeene 

wettige vrouw heeft, 
dyerdoch (lees: doch. Dyer schgnt 

eene verschrgving) , pannus^ laken. 

J.M.F.II, 219. Zie: doch. 
digerheyt, ciira, voorzorg, F.R.58,28. 

dygher, accurate^ naauwkeurig. F.R. 

39,3. 
dika, aggerem struerCy bedgken, dgk 

maken. A.2,1. 
dikfretho, pax aggerum^ dgkvrede. 

A.1,12. 



dimme, obscure j duister. 0.4,2. F.O.L. 

2.2. l.E.6,3. Zie: diape. 
dyncker, dyoncker, dywncker, 

obscurusy donker. F.R.8,1. 13,9. 
dyo, dyoe, tUa, de. F.R.1,4. ^ 

dyoer, diore, carua^ duur. F.R.11,3. ' 

0.4,2. Dyora, cariovy duurder. F.B. 

68,5. diorra. A.3,9. 
dioerthe, pretiosa^ kostbaarheid. J.M.F. 

1.3. Syrheed bg O.r. 
dyonckerlyck, confuse^ duister. F.R. 

12,8. 
diouel, dyoul, diowel, diowle, di- 

wel, diaholuêj duivel. F.R.46,48. A. 

3,9. E.L.1,35. 
dyr, ibi^ daar. F.R.1,50« 
dyr, qui^ quaej quod^ wie, welke. F.R. 

1,5. 
dire (voor dinre of dere), den. l.E. 

2,24: An dire neilthi ustera 

nacht. In den stikdonkeren nacht, 
dis, ideo, daarom. O.v. J.M,FJ,3: Din 

bagade Rome. Daarom roemde 

Rome. 
disa, ditza, dytza, ditzia, detzia, 

aggerum construere, dgken, bedgken, 

dgk maken. 2.E.2.13. 0.12,19. J.M.F. 

12,20. l.E.2,1: Jeftha re sin iet 

scolde disa. Of dat hg zgn gat zoude 

bedgken. 
disghelycke, distolycke, talis^ ge- 

Igke. F.R.7,3. 42,8. 
dithing, zie: deithing. 
ditzia, zie: disa. 
dinre, cartu^, duurder. H.2,25. 4,6. 

F.O.L.4,1. B.73: diurra. 
diwel, zie: diouel. 
dywncker. F.R.8,1, zie: dyncker. 
dobler, aleator, dobbelaar. F.R.28,21. 
doe, linteumj doek. H,7,4. 
doch, pannuSj laken, linnen. Ch.I, 107. 



137 



doch— draggen. 



138 



J.M.P.n,219. [Er staat: Fior her- 
nath dye'rdoch. Kan dit dyer 
ook wollen stof beteekenen, zooals la- 
ken, baai enz., dat van de wol der 
dieren gemaakt wordt? Vierkant laken 
(onversneden)]. 

doch, attamen^ toch, evenwel. F.R.87,1. 

doda. J.M.F.II,252. Ch.1, 118. Zie: 
deda, ocfto, daad. 

doem, judicium^ vonnis, geregt. F.R. 
12,22. Juê, regt. 2.E.4,22. 

doem, zie: daem. 

doemlaes, domlas, incapax judicandi^ 
onger^tigd om te vonnissen. J.M.F. 
2,78. 

do er, j>orta^ denr. F.R.75,3. 59,17: 
Bg ritzena fywr, ende bg lit- 
zena dorem. Bg berakeld vnnr en 
bg gesloten denren. 

dol, infra^ neder. J.M.F.1,7: Fan dae 
berghe dol hloep. Van den bei^ 
naar beneden liep. 

dolch, dolgh, vulnuê^ wonde. A.2,8. 
Ch .1, 100. F.O.L.2,8.9. 

dole, ghria^ roem. H.9,2: Mith dole 
and mith eram. Met roem en met 
eer. 

dolge, milnera^, verwonding. H.1,17. 
2,8. 

delg er, viiJnu^, wonde. Ch.1, 100. 

dolstride, oontumacia^ opzet, onbe- 
suisdheid. A.2,1: Bi nrmode and 
dolstride ursitte. Door overmoed 
en onbezonnenheid verzit. (F.O.L.1,9 
heeft: dolla strid.) 

dolnen, fossuB^ gedolven. J.M.F.9,26. 

dom, zie: doem. 

dom, domma, aggevj dgk, dam. E.L. 
3,70. A.3,6. F.O.L.5,8. 

domdorstich, audcus, driest, stont. 
Ch.1, 590: Jeft er emmen soe 



domdorstich were, dat hy enich 
onderreed oen wse Land dede. 
Zoo er iemand zoo driest ware, dat 
hg eenig verraad jegens ons Land 
pleegde. 

dome. 0.9,11. B.106. Zie: doem. 

do me, ritus j feestelgkheid, plechtigheid. 
H.2,6: Mith dome and mith 
drechte. Met plechtigheid en met 
gevolg. Pd.Ms: domej dat is mit 

gude, 

domesdi, dies judicii^ dag des oordeels. 
A.7,9. 

domia, judicare^ oordeelen, vonnissen. 
F.R.21,25. 

domles, zie: doemlas. 

domliacht, clara luce^ helder licht. 
1,E.2,12: Enes domliachtes deis. 
Op eenen helder lichten dag. 0.4,14. 
A.2,22. F.O.L.2,12. 

donged, denged, stercoratus^ bemest. 
E.L.3,41: Heth hi then ecker 
donged. Heeft hg den akker bemest. 

dora, dura, audere^ durven. E.L.1,76. 
l.E.5,10: Theth hi hine hrera 
ne dor, ni mey. Dat hg zich niet 
durft noch kan roeren. 

dorpel, limen^ drempel. J.M.F.Reg.12. 

dorper, stultus^ gek, onnoozel. F.R. 
25,1. 

dorsticheit, aadada, driestheid. F.R. 
33,17: In alzo grater dorsticheit 
ende dwalicheit. In zoo groote 
driestheid en dwaling. 

dorstig, aadax^ driest. F.R.62,8. 

drachte, drechte, congregatie^ verza- 
meling. A.7,26: Buta there wi- 
thume and buta tha helich 
drachta. Buiten het heiligdom en 
buiten de heilige gemeenschap. 

draggen, praegnans^ zwanger. J.M.F. 



139 



drame— droch. 



140 




Reg.9:Deer draggen is. Die zwan- 
ger is. 

dra me, societas^ gezelschap, drom. l.E. 
5,17. 2.E.1,17. E.L.1,29.83. 0.6.7: 
Ou vse drochtenes drame. In 
ons heeren gezelschap. — F.O.L.5,43: 
Den deth ma inna Godis dra- 
m e. Dien doet men in Gods gezelschap. 
(Hiermede zal wel eene kerkelijke pro- 
cessie bedoeld zgn.) 

dr e, tres, drie. F.O.L.4,23.26. 

dre, tre, liffnum, arbor, hout, boom. 
2.E.1,24. 

d r e c h t , valet , bedraagt. Ch.I, 347: 
Ende drecht dio seck bynya20 
ponda. En bedrat^ de zaak minder 
dan 20 pond. E.L.3,29: dreith. 

drecht, portat, draagt, brengt. F.R.37,2. 

drecht e. H.2,6. 0.4,6. P.O.L.6,9. 
zie: drachte. — 2.) solemniUu nwr 
trimonialis, huwelgksplegtigheid. F.R. 
50,41. F.O.L.6,8. P.d«Ms: werachup. 

drechtpnnd, pecunia^ quam sponsa ao- 
cipit cum, occiso sponse, eum cum cog^ 
natie sepeliit, volggeld van eene we- 
dawe van haren gedoodden man; 
weduwengeld. F.O.L.6,8. 

dre de, timor, vrees. O.t?. Zie: bilowid. 

drega, portare, dragen. H.9,2. F.R. 
37,2. 

drega, computare, rekenen; valere, be- 
dragen. Ch.I, 347. F.O.L.6,3: By- 
fara ne droch ma nen fia, ther 
bodelbreng was. Voormaals re- 
kende men geen vee als boedelgoed, 
boedel-inbreng. 

dregan, rnobilia, roerend goed. F.O.L. 
6,19: Buta thriwan ende dre- 
gan. Behalve drgvend en draagbaar. 

dregga, ferre fructum, auctare aliquem 
lucro^ opbrengen. F.R.37,4: Ende 



mey neen fol renthen dregge. 
En kan geen volle rente opbrengen. 
F.R.13,45. 

dre i ga, portare, dragen. E.L.3,9: Dri- 
wa and dreiga. Draven en dragen. 

dreith, portat, draagt, voert. F.O.L.I, 
37. 

dreith, valet, zie: drecht. E.L.3,29. 

dreppele, Urnen, drempel. B.49. 

drenua leta, negligere, verzuimen; aan 
zich zelven overlaten. 0.9,10: Ende 
hy ne dreuua leth. En hg hem 
(den weg) verwaarloost. 

driapa, tripudiare, tremere, trippelen, 
mank gaan. E.L.1,37: Huam sa sin 
fot stedes driapt. Wiens voet 
steeds trippelt. B.199: driapand, 
trippelend. 

drincka, drinsa, submergi, verdrin- 
ken. F.R.50,47: Dat hg allinna 
drinckte. Dat hg alleen verdronk. — 
0.7,12: So hg se drinse. Of dat 
hij haar verdrinke. 

driua, driwa, cogere, noodzaken, drg- 

' ven. B.90: Hine driue ther to 
hunger. De honger drgve hem daar- 
toe. 

driua, agere, doen. F.R. 15,4. B.62: 
Thi, ther tha wald drifth. Hg, 
die de macht voert. F.R.62,14. — 
2.) ponere, stellen. B.178: Vnder 
sete driwa. Onder boi^tocht stel- 
len. — 3.) ducere, compeUere, drgven. 
F.R.64,8:Dat me se deerin dryw. 
Dat men ze daarin dreef. E.L.3,9. 
F.R.32,8. 

driuant, driwant, driwend, dri- 
wen, mobilie, roerend, drgvend. B. 
102. E.L.3,21. 2.E.4,13. 

driupa, zie: driapa. 

droch, zie: drega. 



141 



droohte — duumnisse. 



142 



drochte, dominusj heer, H.v. 2,E.t;. 
A.7,9. 

droncker, potator^ drinker. P.O.L.6,3. 

dronckenscip, ebrietas^ dronkenschap. 
F.R.58,28, 

drope, gutta, dmp. A.3,15: Thera 
thrira dropa opa there heli- 
brede. De drie drnppen op het schou- 
derblad. F.O.L.1, 1. Halimbrede. 

da, tUj gg. O.v: Hoe du. Opdat gg. 

dna, dva, dwa, facere, doen; dare, ge- 
ven. A.i7.1:Nenne monslaga dva. 
Qeen manslag doen. E.L.3,30. F.R. 
3,6. 15,16. 18,8. 48,2. 0.12,11. B. 
23. — F.R.1,44: Omdat hy schot 
ende schylde deth. Omdat hg 
schot en lot betaalt. — F.O.L.2,20. 
Decht, doet. A.1,15. 

dnande, actto, handeling, doen. 2.E.t;: 
In alle duande. In alle handelin- 
gen. — B.100: Ie nebbe with thi 
nen duande. Ik heb jegens u geen 
doen (handeling). 

dubeld, duplea, dubbeld. F,R.82,9. 

duc, dueck, doe, lirUeum, doek, lin- 
nen. J.M.F.11,17. 0.10,27. 

ducht, zie: duka. 

dudslec, duustslec, dwistslek, 
ietuêf quo quia vertigine corripitur^ slag, 
waardoor men duizelig wordt. E.L. 
1,46. l.B.4,3. H.4,15. F.O.L.4,35. 
0.1,60. 8,5. Ch.I, 549. Duustscou, 
dausteten, duustwerp. Ch.1, 98. 
0.11,1. — 2.) verber^ sine vulnere^ quo 
tumor orüur, builslag, schop, stoot, 
werp, waardoor men een buil krggt. 
Zie: du sa. 

dueghed, duget, virtus^ deugd. 0,v. 
14,4. 

duers wrnacht, altera die, des ande- 
ren daags. J.M.F.2,18. 



duka, delabi, uitschieten. B.171: Jef 
thi werf ducht. Zoo de werf uit- 
schiet. 

dulga, vulnerare, wonden, verwonden. 
F.R.13,18. 35,1. 

dullich, «uZwM*, wonde. 0.11,15. F.R. 
13,38. 

du 11a, fodere, graven, delven. Ch.I, 
435: Moghen dulla leta in dis- 
se forsz. fan e. Mogen laten graven 
in deze voorschreven veenen. 0.9,24. 

duiven, /oMu«, vergraven. 0.9,24. 

dum, dumb, irratiofialisj amens, stupi- 
duêj dom, onzinnig. E.L.3,69. 2.E. 
4,38. F.R.14,1. 0.2,3. 

dunge, stercus, mist, gier; stercoratio, 
bemesting. B.160. 

dunredaghe, dies jovie, donderdag. 
Ch.I, 335. 

dura, durva, audere, durven. E.L. 
1,76. Zie: dora. - 

dura, durare, duren. Ch.I, 242. 

dure, portaj deur. B.48. E.L.1,70. 

durig, audaa, stout; malus, boos. O.v: 
Binda den duriga (J.M.F.1,1: 
durga) fan da lust der sonda. 
De boozen terughouden van den lust 
om te zondigen. 

du sa, vertiffine laborare, Amzeien. 0.11,2: 
Dat tet him it ta ara dauid 
ende duset. Dat het hem aan het 
oor verdooft en duizelt. 

dusker, hic, deze, dusdanige. Ch.I, 
698: Om dusker sekken. Om deze 
zaken. 

duud, virtus, deugd. Ch.I, 610: Ende 
alle duud ende fryoentschyp 
mey sterk et se. En alle deugd en 
vriendschap mede versterkt zg. 

duumnisse, stuüitia, insapientia, krank- 
zinnigheid, onnoozelheid. F.R.84,22. 



143 



duustslek— ebem. 



144 



duustslek, duustscou, dnuststet, 
duustwerp. Zie: dudslek. 

dwa, zie: dua. 

dwaela, errare^ dwalen. F.R.12,18. 

dwaelheyt, dwalicheyt, imprudentiaj 
onvoorzichtigheid, gdelheid. F.B.12,10. 
59,12: B^ synre dwaelheyt ende 
bg synre eenfaldicheyt. Door 
zgne onvoorzigtigheid en door z^ne 
eenvoudigheid. — Dwaling e, error^ 
dwaling. P.R.1,1. (Goth.: dvfolitha, 
zotheid, ^delheid.) 

dwaen, fqcere^ doen; darej geven. 
P.R.18,8.10: In scriptie redigere. In 
scrift dwaen. In geschrift brengen. 
J.M.F.12,12. II. 

dwaen is, agit, handelt; dare, geven. 
F.R.2,11. 43,3. 

d wan de (te), facere, te doen. A.2,1. 

dwars wr nacht, zie: dwers nr nacht, 
duers wr nacht. 

dw e, facit, doet. F.R.37,7. 



dweesheet, dweesigheed, «hifttfta, 
dwaasheid. F.R.58,40. 59,12. 

dwers ar nacht, altera die, des ande- 
ren daags. F.R.2,31, 

dwyla, morari, vertoeven, verwijlen. 
Ch.I, 739: Want der lang anoegh 
dwylit is, ende tyd is aeftole- 
ten. Want er lang geno^ verwgld 
is, en tgd is om natelaten. 

dwirge, nanitê, dwerg. F.R.66,1. 

dwistsleke. J.M.F.II, 268. Zie: dud- 
slek. 

dwmheed, siuUitia, domheid, onkunde. 
O.v. 

dzie, dzye, tmo, ja; affermatio, beves- 
tiging van iets. F.R.10,1: So schel 
hy dat oppe loegh dwaen, dat 
is: eer dzie ende ne gaercom- 
met. Dan zal h^ dat op de plaats (ter- 
stond) doen, dat is: voordat ja en neen 
(eisch en antwoord, de pleidooien) te 
zamen komen (gedaan zgn). F.B.28,5. 
63,7. 



E. 



e, ex, uit. E.L.1,13: E ta sogen ho- 
lem. Uit de zeven holten (gaten van 
het hoofd). — 2.) ad, prope, bij, aan. 
B.123: E ta fiardeudelis ende. 
Aan het eindgeregt van het district. — 
A.2.6: E ta withon. Op de heili- 
gen. — The e tere gasthercke 
weldich is. Die het gezag over 
de dorpskerk voert. 

Oi iUe, hy. 1«E.3,13: And tha scop 
e Eva. En toen schiep hg Eva. 



ebarned, eberned, t^stus, gebrand. 
A.3,5. l.E.2,20. 

ebba, refiuxus, eb. E.L.1,73. 0.1,2. 
l.E.5,22. 

eb bet, dbbas, abt. H.10,1. 

eb e den, juasus, geboden, bevolen. l.E, 
2,1. A.2,1. 

ebern (ekern?), electus, gekozen. H. 
4,42: Tha use drochten ebern 
warth. Toen onze Heer gekoren 
werd. (Of is het: natus, geboren?) 



145 



ebem — eeder scip. 



146 



ebem, posüuêj gebragt. H.4,42: Tha 
warth er alle brekanden to bo- 
den ebem. Toen werden alle over- 
tredingen ter afkoop gebragt (op geld 
gezet). 

ebemed, zie: ebarned. 

e bet, muUatuêj geboet. A.1,4. 

eb e te, stn^ mu/fa, buiten boete. F.O.L. 
2,12. A.2,22: Enbete. (P.d.Ms: dat 
iê êunder bote,) 

eblant, coecahu^ geblind. J.M.F.13: 
Hwant se synen broeder de 
paues Leo heden eblant. Want 
zg hadden zgnen broeder den paus Leo 
blind gemaakt. 

ebreka, deficerey ontbreken, gebreken. 
H.2,6. E b r e k e n, fractus^ gebroken. 

ebren, aeêtimcUuSj positua^ geschat, ge- 
steld* Ms.Emmins, zie: ebem, po^ 
Htuê. 

ec, qidaque^ ieder. H.v.1: Allera Ion- 
da eccnm. Aan ieder land. — H.6,4: 
Ec stek. ledere steek. - l.E.v. Ec- 
kem, cuiqu€j aan ieder. 

echta, achta, judicare de divisiane bo- 
narunij bg regterlgke uitspraak de ver- 
deeling der goederen maken. — B. 
18,81: Echta lond. Landgeregtelgk 
verdeelen. 

echtamon, judex met, buurregter. 
P.O.L.8,10. 

Echtawerderadeyl, Echtawerde- 
radeil, Achtkarspelen (eene burger- 
Igke gemeente in Friesland). Ch.I, 
97. J.M.F.n, 195. 

echtene, jurisdictio^ regtsgebied. B.36. 

eek e, /uuta, spies. H.4,38. 

ecker, agerj land, akker. 0.1,64. E.L. 
3,41. B.161. eker. 

ecommen, qui venitj natus^ gekomen, 
ontsproten. F.R.III, 8. 



ed, juramentumy eed. F.R,2,6. J.M.F. 
7,2. 

e dan e (ti), adjurare^ ad jusjurandum 
adigere^ beëedigen. J.M.F,7,2. 

E d d e r e, Eidora, de Eider. F.O.L. 1,10. 

eddere, edder, veiia^ ader. E.L. 1,44: 
Sa wirdath tha siua festnad 
an da eddera. Dan worden de spie- 
ren Qn de aderen bevestigd. 

edel, edil, possessio patema^ ouderlgk 
erfgoed. F.O.L.6,10. A.1,5. Zie: 
ethel. J.M.F.6,7. 0.3,14. 

edel, paiemusj ouderlgk, l.E.1,5. H. 
1,5. A.1,5. F.O.L.1,5. B.120: Ede- 
les lawa. Ouderlgke nalatenschap. 

edel, edelboren, nobilis^ edel, adel- 
Igk. F.R.87,1. J.M.F.6,7. 

edeldoem, edelheyt, nobilitasj adel. 
0.3,7. F.R.12,10. 

edeled, judicatuSj gevonnisd, gedeeld. 
A.9,11. 

edeiij factusj gedaan. A.l,16. Zie: den. 

edomad, damnatusj verdoemd, gedoemd 
A.9,11: Sa werth him edomad 
and edeled thiu niuent liille. 
Dan wordt hem de duistere hel toe- 
gedoemd en toegedeeld. 

e dra, confirmare^ bevestigen. Ch.I, 349. 
J.M,F.II,303:Ther hya thine Gc- 
des thyanst mede ferdrie, edre 
and leete. Daar zg de Godsdienst 
mede bevorderen, bevestigen en leiden. 

e ds e, liastaj spies. l.£.3,2. 

Eedawere, Idaard. Ch.I, 252. 

eed, officium^ bediening. 0.10,32. Ju-- 
diciuin^ geregt. Ch.I, 499. 

e ede, terra^ aarde; cespes^ turf, Ch.I, 
517. Zie: clompa. 

eederscip, negligentia^ verzuim, onop- 
lettendheid. F.R.58,28: In dr on- 
ken scip off in oederscip. In 

10 



147 



eedling— eentale. 



148 



dronkenschap of door verznim. Negli- 
gerdia major ^ verwaarloozing. Zie: e- 
ghia. 

eedling, nobüisy edelman. O.v. 

e e ds pil, ofjicium, jurisdictio^ bediening, 
ger^tsgebied, espel. 0.10,32. 

eedsaar a, juratus testis^ eedzweerder, 
getuige. 0.7,1. 10,32. 

eedtocht, juramenJti prae8tatto^'9eeidoe- 
ning. P.R.14,4. Perjurium^ meineed. 
J.M,F.5,6. 0.3,5 

eedswerringhe, juramenti praestatioj 
eeddoening. F.B.III, 14. 

eefta, iterunij etiam^ wederom, ook. O. 
12,15: Soe haet hio se eefta wr- 
loreu. Dan heeft zg ze wederom ver- 
loren. 

eefter, po«f, na. F.R.15,33: Eefter da 
s war ren. Na de eeden. — 2.) ad, 
in, aan. 0.4,24: Dat hg een arra 
moerddeda eefter der ora deen 
habbe. Dat hg eene vroegere moord- 
daad aan den anderen gedaan hebbe. 

eefterc ommen, eeftercommenden, 
êuccedentesj opvolgende , nakomende. 
F.R.31,9. m, 10. 

eefterdaem, post hoc^ daardoor. F.R. 
8,8: So iss er eefterdaem al in 
't andert geen. Dan is hg daardoor 
reeds in antwoord gekomen. — 2.) 
postquam^ nadat. F.R.32,4. 

eefter f ara, in itinere aliquem sequi^ 
achtervolgen, nareizen. 0.4,5. J.M.F. 
6,5. efterfara. 

eefterletha, relinquere, nalaten. F.R. 
50,14: Ende eefterleth een broer. 
En een broeder nalaat. 

eeftersusterlingh, absobrinusj ach- 
terznsterling. F.R.46,35. 

eehera, ehera, judex^ regter. Ch.I, 
344. 



e e la, perditus^ verloren, kwgt. F.R. 
30,28: Dat dy dan is eela al syn 
riucht. Dat die dan al zgnregtkwgt 
is. 

eeldra, veruUj aderen. l.E.3,11: Sa 
warthath tha sina ifestnad an 
ta eeldra. Dan worden de spieren 
en de aderen bevestigd. Zie: e d de re. 

eem, avunaduê matemuêj oom van moe- 
ders zgde. 0.4,7. 

een, non^ niet. F.R.1,11: Een is 
neen playtien. En is niet te plei- 
ten. 

een af ara, singtdatimy een vooraf. O. 
1,61: So schillet hia sann sid- 
za een afara ende sex folgia. 
Dan zullen zg zeven, een vooraf, en 
de zes volgen, zeggen. 

eenbeeth, aitnplexj enkeld. 0.7,10. 

eenfald, idem. F.R.59,10. 

eenfaldicheyt, simplicitcta, eenvoudig- 
heid. F.R.12,10. 

een man, aliquisj iemand. F.R. 1,48. 

eenschet, êemdj enkeld. 0.1,65: Soe 
schil hg dat gued eenschet 
ende dat oder wederjae. Dan zal 
hij dat goed dubbeld wedergeven. 

eenst, eenstich, bona opinio, favor, 
gunst, goede gedachte. F.R.13,16.13: 
So is ma billicker eenstich to 
wessen da sittera dan da da- 
ger, want dy sitter graten 
eenst haet ney da riucht. Dan 
is men billgker gunstig te wezen den 
beklaagde, dan den klager, want de 
beklaagde groote gunst volgens het 
regt heeft. — 2.) favorabüis^ gunstig. 
F.R.13,12: Allgck eenstich. Even 
gunstig. 

eentale, contractus oraUs, mondelinge 
overeenkomst; afspraak. 0.5,3: Ho- 



149 



eer— efelled. 



150 



lange hiara eentale se. Hoelang 
hunne overeenkomst daort. 0.13,2. 

eer, prius^ eerst. F.R.22,13: Huecke- 
ra eer oeffliuich wirde. Wie hun- 
ner het eerst aflgvig werd. — 2.) 
ofite, voor. 0.1,22: Efter cristes 
morne, eer jerisdey. Na kerstgd, 
voor nieuwjaar. 

eerdsch, terreêtriê, aardsch. O.v. 

eer f, eerfskip, haereditusj erfenis, erf. 
F.R.15,5. 26,21. 46,17. 

eerge, malum, het kwade. O.v: Deer 
dat gued luuet ende dat eerge 
leth. Die het goede prgst en het 
kwade laakt. 

eergelist, astutia, arglist. F.R.64,12. 

eergens, eergense, dMlitcUio^ ver- 
zwakking, verergering. 0.11,51. 

eergh, malum^ het kwade. F.R.18,9. 

eerhaftich, honaratus, eerbaar. F.R. 
56,5: Ner neen eerhaftich offi- 
cie h.ibbe. Noch eenige eerbare be- 
diening hebben. F.R.15,77. 19,4. 
eerheftiger, honorabilior, eerbaarder. 

e e r y d, honoratus^ geëerd. Gh J, 610: 
Dat ter God in eeryd se. Dater 
God door geëerd zg. 

•erm, pauper, arm. F.R.11,6. 

eerm, brachium, arm. F.R.59,18. 

eermboga, cubitusj elleboog. 0.11,29. 

eermde, tra, gramschap, arrenmoede. 
J.M.P.12.Supl. 

eermicheed, eermodicheit, pauper^ 
t€U^ armoede, F,R.15,1. 43,9. 

eermmergh, radius, armpgp. 0.11,27. 

eermodicheyt, zie: eermicheed. 

eermschet, cubitusj elleboog. 0.11,27. 

eer naet langh, brevij binnen kort. 
Ch.I, 754: Dat hit jenna ryowa 
mocht eer naet langh. Dat het u 
binnen kort berouwen mochte. 



ii 



eernsta moed, irato animo, in toorn, 
met opzet. F.R.62,12: Naet in 
qwaeda and eernsta moed. Niet 
in boos en toornig gemoed. 

eertryck, terra, aardrgk. F.R.84,7. 

eerue, eerwa, haeres, erfgenaam. F.R. 
21,13. 25,8. 

eerwenscip, haereditas, erfschap, er£ê-. 
nis. F.R.46,30. 

eerwia, haereditare, erven. F.R.77,6 

eesna, esna, merces, loon. 0.9,31: 
Dat hi habbe een man to met 
ende to mele ende hg him hab- 
be eesna joun. Dat hg iemand op 
de kost heeft (op spgs en drank) en 
hg hem loon gegeven heeft. Zie: esna. 

eet, aliquid, iets. F.R.75,6. 

e e tb er, esculentus, eetbaar. 0.1,44: 
Eet b er fya. Eetbare waren. 

eethfya, cibaria, eetwaren. 0.1,44. 

eetmei, eetmol, horarum 24 spatium, 
etmaal. F.R. 1,33. J.M.F. 1,3. 

e ets Ie, aculeus, calcaria, radius, spoor. 
0.1,10: Fan honna eetsle. Van 
hanenspoor. Zie: etzel. 

e f, sive, of; nee, noch. H.1,16: E f hi 
fia nebbe ef ne ielt. Of hg geen 
goed heeft noch betaalt. — 2.) ab, 
van. H.4,43: Thi brother ef ta 
tian merk. De broeder van de tien 
mark. — 3.) si, indien, zoo. A.8,2: 
Ef ter en papa lemid werth. 
Zoo een priester gewond wordt (ge- 
lamd, bezeerd). 

efald, efalled, zie: efelled. 

efcla, e fel Ie, decoriatus, ontveld. 
8,1: Weden ieftha efelle. 
gedaan of ontveld. F.O.L.5,26. 

efelled, efald, effalled, vulneratus, 
occisus, gewond, gedood, geveld. l.E. 
1,13, A.6,7. 2.E.2,7. 




H. 
Zeer 



151 



ef elled — egendzin. 



152 



efelled, solutus, betaald. l.E.3,5: Ac 
werthe him thi brond ieftha 
theth raf efelled. En wordt hem 
den brand en het geroofde betaald. 

efen, arreptusy gevat. H.4,6: Bi tha 
mechten efen. B:g het gemacht 
(schaamdeelen) gevat, 

efendse, captus^ gevangen. l.E.3,8: 
Sa huersa ter en kind efendse 
ande fiterad werth. Wanneer er 
een kind gevangen en gebonden 
wordt. 

eferin, peregrinatus^ gevaren, gereisd. 
A.2,5. 

efliue, efteliae, ofline, mortuus^ af- 
Igvig, dood. 1.E,2,23, A.2,23. 

e f na (efsifna?), avulsioj afscheuring. 
P,O.L.5,9. Zie: efsivne. 

efolad, secutus, gevolgd. F.O.LJ, 60. 

efremid, cdienatuêj vervreemd. A.2,20. 

efremid, lucratus^ overgewonnen, zie: 
fremma. 

efrethe, sine pace, sim freda^ vrede- 
loos, zonder vredeboete. A.2,22. 

efsivne, avulsio^ afschaving. B.198. 

e ft, postea^ daarna. F.O.L.4,31. A. 
2,20: And eft withir to londe 
brangath. En daarna weder in het 
land brengt. — 2.) adhuc^ nog. H. 
6,5: Sa hi eft stondande is. Zoo 
hg nog staat. 

efta, postj achter. A.8,1: Efta tha 
durun. Achter de deuren. — 2.) 
iterum^ wederom; iterata vicey nog eens. 
l.E.3,12: And efta 2700 scillin- 
ga. En nog eens 2700 schellingen. 
0.1,36.45: eft. 

efta, legitimus^ wettig, echt. H.8,22: 
Enes eftes onderdes bidd ie 
there gretene. Een wettig antwoord 
verzoek ik op de klachte. 



eft e, a, ah, van. l.E.2,23: Eft e (ef 
tha?) liue vrden se. Om het le- 
ven gekomen is. 

efteliue. l.E.2,23. Zie: efliue. 

efter, ea, uit, B.123. A.7,9. — 2.) 
pro, ante, voor. 0.7,16: Efter him 
laya. Voor hem dagvaarden. 0.4,24. 
E e ft e r. — 3.) postea, daarna. A. l ,4. 
0.12,8. B.31. H.3,1. — 4.) per, door, 
aan. H.9,1: Hi bibad it efter 
alle sine rike. Hg gebood het aan 
alle zgne rgken. — 5.) eecundum, vol- 
gens. H.4,5: Al efter godfretha. 
Alles volgens de goederen vrede. I.E. 
1,1: Efter kere. Volgens de keur. 

eft er dam, efter, postea, daarna, na- 
dien. 0,1,27. 4,1, H.r. 

efter f ara, in iHnere cdiquem sequi, na- 
reizen, l.E.2,5. 

efterganga, sequi^ nagaan, volgen. A. 
1,2: Alder thes kyninges bon 
eftergeng. Alwaar des konings ban 
op volgde, 

efterkumande, descendentee, poêteritoê^ 
nakomelingen. H,9,2. 

eftersin, eftersind, synodus posteri-^ 
or, achterzeend (geestelgk eindgeregt 
J.M.F.n,266. 267. 

eftertham, quia, nadien. B.149. 

efterthes, efterthiv, posteay daams 
A.t7.2. 4,4. 

efuchten, /> ti^na^titf, gevochten. A.2,'' 

e f uil ad, conipletus, vervuld. l.E.2,5» 

eg, ensis, zwaard. E.L.1,90: Huac 
otherem totiucht eg anda or* 
and thruth hine. Wie den andere 
zwaard en spies voorhoudt en hem 
dreigt. Egge. l.E.6,2. 

egadurad, congregatue, vergaderd, ver- 
zameld. A,7,9. 

egendzin, egenzen, egressus, uitge- 



153 



egengen — eynse. 



154 



gaan. H.4,1: And hit a colc e- 
gendzin is. En het uit de holte ge- 
gaan is. E.L.1,23. l.E.5,3. 

©göïigeö, Itber^ liberatus^ vrg, bevr^d, 
ontgaan. — A.6,2: Thi skil we sa 
alla skeldon egengen. Die zal 
Tan alle schalden vr^' zgn. 

egeuen, datus, gegeven. l.E.1,6. 

egge, zie: eg. 

egh, pars^ partg. F.R.56,10: Een 
falsck orkena foerwirket God 
den ruichter ende den egh. Een 
valsch getuige beleedigt God , den reg- 
ter en de partg. 

eghia, nuffari cum cMquo^ stoegen. 
F.R,58,29: Hweerso tween man 
eghiat ieff wraxliet. Waar twee 
mannen stoegen (wrakselen). 

eg in, proprius^ eigen. H.4,48. — 2.) 
proprietas^ eigeudom. H.1,6: Godis- 
huses egin. Het eigendom der 
kerk. 

eg 1 ing, nobüis^ edele, edelman. F.O,L. 
6,10: Tha hethe thi egling, ther 
thet ethele werde en kayde. 
Toen heette die edele, die het ouder- 
Igk goed verdedigde en beschermde. 

eheer, ehera, judexj regter. 0.1,61. 

eheges lefta, guperstes occisi conjux^ 
nagelaten echtgenoot. F.O.L.6,18: 
Efter alders dathe ne thor thi 
eheges lefta nanne schathame- 
ne deya. Na den dood van een der 
ouders behoeft de ovei^eblevene echt- 
genoot niet in de gemeenschappelgke 
schade te dragen. (De zin dezer woor- 
den is duister.) 

ehemmed, rigoratus^ verstgfd. H.4,11: 
Thet endleste lid an de finge- 
ren jeftha an da tanem, jev ed 
ehemmed is jeftha lemed is. Het 



uiterste lid aan de vingers of teenen, 
zoo het verstgfd is of verlamd is. 

e heten, nominatus^ vocatus^ geheeten. 
A.vA. 

ehulpen, adjutus^ geholpen. A.2,9. 

eg, om, schaap. 0.1,70: Ku ende eg. 
Koe en schaap. 

eyda, rastrum, egge. F.R.64,12: Spa- 
da ende furke, ploegh ende ev- 
da. Spade en vork, ploeg en egge. 

eider, eyder, quisque^ ieder. l.E.2,17. 
H.4,6. B.9. A.8,4. 

ei en (lien?), con/e««u«, erkend, beleden, 
F.O.L.I, 25: Jef enes thinges eien 
an a heyde thinge. Of eene zaak 
erkend in het gespannen geregt. Zie: 
Ia. 

eifnad, aequatus^ geëffend. A.7,9:And 
tha berga werthat eifnad. En 
de bergen worden vlak gemaakt. 

e in, eyn, proprius^ eigen. B.32: En 
eyn hus. Een eigen huis. B.158. 

ei na, proprietas^ eigendom. A.2,5: Ik 
wille thit eina halda. Ik wil 
dit eigendom houden. 

einaerve, haereditarius^ eigenerfde. A. 
1,14. Zie: einerua. 

eind, Jinis^ einde. F.R.3,1* 

eind, egnd, jurisdictioj judicium^ jus^ 
geregtsdistrict , geregt, regt, vonnis. 
O.l.Supl.: Da bisette ellick sijn 
oerd ende sgn egnd. Toen be- 
paalde ieder zijn oord en zgnen grens. 
F.R.18,11.16. m,14. 

eyndom, proprietas^ eigendom. Ch.I, 
534. 

einerua, liberi fundi possessor, eigen- 
erfde. H.1,8. 

einemon, servua^ Igfeigene. l.E.1,8. 

eyn lick, dejinitimuj eindel^k. F.R.18,3. 

eyn se, moneta^ nee non menmra agii^ 



155 



eynt— elemathiande. 



156 



einse (oude mnnt), ook zekere land- 
maat (3 are). F.R.59,1. 

eynt, definüus^ geëindigd. F.K. 15,35. 
21,10. 18,11: Eynte eyndes deeld. 
Bg eindvonnis uitgesproken. F.R.2,30. 
Eyntent. F.R.9,2. 

eyntlick, definitivus^ eindelgk. F.R. 
12,18. 

eitzel, radittSj spoor. E.L.1,81: Hoy- 
ne eitzel. Hanenspoor. 

e kalt, gelidus factus^ koud geworden. 
F.O.L.5,31: Is him thi maga ther 
fon ekalt. Is hem hierdoor de maag 
verkoeld. 

eke, lignum^ arca^ hout, kist. 0.4,2: 
Onder eke ende onder da eerda 
bisloten ende bitacht. In de 
kist en onder de aarde besloten en 
bedekt. F.O.L.2,2. 0.9,14. 

eke, eker, eiker, quisque^ ieder; ite- 
rum^ wederom. l.E.6,7: Theth the- 
ra frouuena eke ne fri kere 
ach. Dat ieder der vrouwen eene 
vrje keuze heeft. — B.110:l8hiu 
alsa blat thet eker hiu se nawt 
ne muge thia, (thet hiu se ei- 
ker ne muge nauvet hatia). Is | 
zg zoo weinig vermogend, dat zg ieder | 
niet kan opvoeden. — B.45: Stet 
ma ne hod eikera hwerua up. 
Steekt men het alarmteeken wederom 
op. 

eker, ager^ akker. F.R.8,1. Ekker. 
A.1,14. 

eker en, electus, gekozen. A.1,3. 

eketh, proclamatus^ verkondigd. A.2,1: 
Thet him sin bonnere nen 
thing eketh nebbe. Dat zyn ge- 
regtsbode hem geen geregt heeft aan- 
gekondigd. 

ekker, zie: eker, ager. 



e k k o r, insuper, overigens. A.2,1 3: E k- 
kor skilun hia ondwardia. Ove- 
rigens zullen zg antwoorden. 

e 1 a g a t, aestimatiAS, geschat, gewaardeerd. 
A.1,2: Leyd and elaged (ande 
lag ad). Gelegd en geschat. H.1,2: 
Lowad ende lagad. 

elamachiande, zie: elemathiande. 

elameth, parcdysi affectuSf debilitatua^ 
verlamd. 2.E.2,7. 

e last, reatitutus in integrum^ «oZi^«, be- 
taald, gelost. A.7,2. 9,10: And thet 
ma alle weddede wed elaste. 
En dat men alle verpande panden in 
losse. — Alhwenne tha wed e- 
last werthath. Totdat de panden 
gelost worden. 

elathad, citatusj gedagvaard, geladen. 
H.10,23. 

elck, elclic, elckiers, quisque^ ieder. 
F.R.57,6. Ch.I,498: Dae habbet 
elckiers acht riuchteren. Die 
hebben ieder acht regters. F.O.L.5,1. 

eld, aenis, oud. H.2,5. eldera, el- 
de st. H.2,22. l.E.2,22. 

eldra, senior, oudere. 1.£.3,10. 

eldramoder, avia^ grootmoeder. B.120 « 

e Ie, totua^ geheel. H.8,21: AndeVe 
lom. En geheel lam. 1.£.4,5. 

E Ie, districtuê quidam. F.O.L.6.10: 'B 
Ele and bi Ongle, bi Henning*^ 
and bi Wendlinge, bi Trinter^c 
mara and bi Twelf wintra m^— 
ga, ther leit ma thene freth^ 
(Hier schgnen zes geregtsplaatsen be*^ 
doeld te worden waar de vrede gege- — 
ven werd. Maar welke zgn die?) 

eleid, positua, gelegd. A.8,4. 

elemathiande, elemechtiga, elle- 
machiande, omnipotena^ almachtige. 
l.E.ü, 2.E.t?. F.O.L.II. 



157 



elemefha— elne. 



158 



elemetha, zie: elmeente. 

el en de, exüiumj ballingschap, uitlandig- 
heid. 0.13,11: Dat me 'n blgnde 
iefta barne iefta an elende 
s e i n d e« Dat men hem binde of brande 
of in ballingschap zende. 

eletzen, direptus, abreptus^ getrokken, 
afgetrokken. l.E.5,18: Tha o sa at- 
el e tz en. De goot afgetrokken. 

el ing, nobiliêj edeling, edelman. F.O.L. 

9.1. 

elirnad, doctus^ geleerd. A.1,6. 

eliue, mortuuê, dood, ontzield, aflgvig. 
A.6,8. 

elk, eiker, elkerlyc, elkerlyck, 
eelkerlick, unusquisque, ieder; el- 
kerlyck orem, unicuique, aan een 
ieder. E.L.1,43. B.110. 0.4,15. 9,9. 
J.M.F.1,1. zie: eker. 

elkeris, eiker s, aliter, tn^tiper, anders, 
overigens. l.E.5,5. 2.E.1,5: Elkers 
bete ma hia alsa hit bereth bi 
there met e. Overigens boet men 
die (wonden) zoo als het bg de maat 
is bepaald. 

elkersk, elkers, aliusj andere. B.B. 
26. 2.E.3,26: Alle tha, ther he- 
ring jef mith elkersk fisck op- 
pa Sascklonde ferath. Alle die, 
die haring of met andere visch in 
Duitschland invoeren. 

eikerweer, aUbi, elders. 2.E.3,28. 

elkes, alibi, elders. Ch.1, 98. F.O.L. 
5,18. 9,9. 

elkoemen, tintncem, onderling, elkan- 
der. Ch.I, 700: Ende wg deer elk- 
oemen in toe helpen. Enwgelk- 
ander daarin te helpen. 

el Ie, omniêj al, geheel, alles. B.8: And 
rinchte elle riachte. En beregte 
aUes wettig. H.2,20. - B.105: Th et 



hi elle siker se. Dat h^ geheel 
zeker is. B.148. 

ellefte, undecimus^ elfde. H.1,11. 

ellekes, ceteroquin, overigens, anders. 
F.O.L.3: Ther nas ellekes in Fres- 
lond naut monich. Daar waren 
overigens in Friesland niet veel, 

ellemachiande, ellemachtiga, om- 
nipotens^ almachtige. A.t;.2. F.O.L.II. 

ellende, exilium, ballingschap. O.v. 

ellendich, extraneus^ vreemdeling. 
J.M.F.Reg.4. 2,52. 

ellendicheed, miseria, ellende. F.R. 
73,1. 

ellendighe, miser^ ellendige. F.R. 
25,29: extraneus, vreemdeling. J.M.F. 
Reg.4. 

elles, ellis, porro, overigens. F.R.III, 
2. F.O.L.2,15. H.4,44: Elles ach 
se vmbe alle wendar ti onder- 
tan e. Overigens moet zy wegens alle 
misdaden verantwoorden. 

ellwetis, alibi, elders. 2.E.3,15: And 
sa ni mey thiu stole ellewetis 
na wit ruogia. En dan mag het 
geestelijk regt nergens klagen. B.B. 
15: Allehaettis. 

el lick, quisqite, ieder. 0.3,4. 

ellinghe, invicem, onderling. Ch.I, 
519: Mit ellinghe. Onder elkander. 

ellis, zie: elles. 

elmeente, elmetha, communio, com" 
mune, gemeente. O.r. H.10,24. F.O.L. 
vA. 9,21. 

el mis se, eleëmost/na, aalmoes; F.R.ni| 
10. 

el te, novus, frisch. B,104: Sa hi el te 
and sund is. Zoo hij frisch en ge- 
zond is. 2.E.4,14. 

Elue, El we, Albia, Elbe. 0.3,9. H. 
1,9. J.M.F.5,9. 



159 



em ~ ensunderga. 



160 



em, avunculus mateTmus, oom van moe- 
ders zgde. H.l,5. F.O.L.2,7. 

e mak ad, constructus, gemaakt. A.v.l. 

e me, vobisj uw, J.M,F«13: Dat ie 
ajef eme reed. Dat ik u raad gaf. 

e men ad, reductus^ teruggebragt. A.7,9: 
Thes tianda dis, werth thiu 
wrald emenad and thera selua 
skipnese. Op den tienden dag dan 
wordt de wereld tot haren vorigen 
toestand teruggebragt. 

Eme se, Amisia^ Eems. H.1,9. 

emessunu, JUius avunculi matemij ooms- 
zoon. A.7,21. 

Emetha, Amisia, Emden. l.E.1,9. 

emka. J.M.F.2,70. Zie: in ka. 

emma, o/tjtit^, iemand. Ch.I, 242. 496. 

emmant, idem. Ch.I, 102. 

emmer, semper, quaque mee, alt^d, tel- 
kens, immer. H.10,19. 0.13,11. 

emsgane, am(Manu8^ emsiger, emsigoêr. 
2.E.2. 

en, adj in, aan. H.7,2. l.E.5,19. 

en, enne, unus, een. H.1,2. B.155. 

e na, unanimis, eens, eensgezind. O. 
10,10: Jef da tre athen naet en 
ena sind. Zoo de drie buurregters 
het niet eens zgn. — 2.) idenij de- 
zelfde. B:g ena wega ginge. Langs 
denzelfden weg gingen. 

enbete, sine multa, zonder boete. A. 
2,22. F.O.L.2,12. Zie: ebete. 

end, ende, in, in. H.1,1, 2,1. 
6,11. — 2.) et, en. F.O.L.2,20. — 
3.) sicutj als. 0.3,3: Alle wesem 
like ende sine thredkninge. 
Aan alle weezen gelgk als aan zijne 
verwanten in den derden graad. 

ende, /nw, einde. A.3,16. 7,12. 

ende, judicium, decisio^ vonnis, beslissing. 
B.39. 123. H.10,19. F.O.L.9,17. 



endeleste, enderneste, uUimuê, 

laatste. H.4,11. l.E.5,9. 
endgia, éndigia, determinare, Jlnire, 

eindigen, beslissen. B.174. B.B. 
en eng e, con^racfu^, overeenkomst. F.R. 

50,48: B^ enengem and setma. 

Bg overeenkomst en bg de wet. 
e nes, e nis, semel, eens, eenmaal. B. 

38,85. l.E.6,7. 
enfald, enfaldech, simplex^ enkeld. 

E.L.1,84. B.6. 
enfara, ante, voor, van voren. H.8,13. 
eng, engere, aliquiê, eenig. B.16. 

H.2,6. B.B. l.E.1,9. F.O.L.5,22. 
eng, unusy een. E.L.1,35. 
englesk, sanctus, angelieuB, heilig, gees- 

telgk. H.4,35: Engleska wede. 

Priesterlgk gewaad, 
engne, zie: enich. 
e n i e h, cdiquis, eenig. A . c;. 1 . — 2.) unus, 

een. A.3,9. 1.E,2,6. 
enich, aolummodo^ slechts. J.M.PJI, 

225. (misschien: mith, met?) 
enich, engne, districtus, oord. 0.12,18. 

J.M.F.12,19: Deer dis wrald enich 

ka es. Die dit oord der wereld koos. 

(of wel: en ich, een hoek: die een 

hoek dezer wereld koos.) 
enigad, eniget, compositus, congrega- 

tus, vereenigd, verzameld, overeenge- 

brt^. O.v.16,1. 
enighanda, enigherleye, aliquis, 

eenigerhande, eenigerlei. P.R.2,6. 

38,1. 
enighia, constituere, overeenkomen, vast- 
stellen. 0,13,5, 
eninge, aliquis, eenig. F.O.L.4,3. 
enoch, aatia^ genoeg. A.7,4. 
ense, êetnel, eenmaal. E«L.3,38. J.M.F. 

14. 
ensunderga, aeparatim, afzonderly k. 



161 



entele— ergera. 



162 



H.6,1: Thet ma thera wigelsa 
alra ec alsa ensunderga gulde. 
Dat men ieder der wijdingen alzoo 
afzonderlgk betaalde. 

entele, actioj aanspraak, 6.151. 

entlicke, dejinitivusj eindel^ke. F.B. 
15,71: Entlicke soenlyoed. Zoens- 
lieden, aan wie de eindbeslissing is 
opgedragen. — 2.) pereintorie^ pereni- 
toor. P.R.8,3. 

en tra, alteruter, vel vel^ een dezer. 
J.M.P.9,36. 32: Dat hi him schil 
entra kestigia, ieftlia optliin- 
gh i a. Dat hij hem of verzoenen of in 
regten vervolgen zal. 

en tuede, duae de trilms partibus, H. 
4,33. semi, half? 

Epangne, Parrega, (dorp in Friesland). 
Ch.I, 242. 

epen, zie: epened. 

epenber, apertus, openbaar. E.L. 
3,38. 

epened, epen, apertus, geopend. B. 
150. E.L.2,2. A.5,10. 0.3,17, 

epenya, aperire^ openen. F.R.72,10. 

epenvddrat, impotentia lac retincndi^ 
open-ugerig (van eene koe). F.O.L. 
6,1: Da kv mey ma seknia bin- 
na thrim ethmelnui, sa se epen- 
vddrat is. De koe kan men (bij koop) 
binnen drie etmalen weigeren, zoo zij 
hare melk laat loopen. 

eperne, apertus, open. H.8,20. 

eperuia, aperire^ openen. 2.E.2,3. 

epessa (epen se?), vulneratus est^ ge- 
woud is. P.O.L.4,17. 

e pi ik e, apertus^ openlijk. B.B.20. 

eppe, idem. B.178. 

eqaerked, strangulatua^ geworgd. A. 
2,19. 

er, i«e, hij, er. H.1,8: Thet er. Dat 



er. — 2.) priusj eer, vroeger. H.1,8. 
E.L.1,32. 

era, pejus^ erg, kwaad. O.v: Truch 
fruchta des era. Uit vrees voor het 
erge. 

era, arare^ ploegen. E.L.1,77. 0.9,17. 
B.60. 

eramoed, ira^ gramschap, arren moede. 
F.R.58,29. 

erber, venerabüis, eerwaardig, eerbaar; 
hanorabilisj achtenswaardig. P.R.15,76. 
65,2. 

er da, terra j aarde, grond; possessio^ ei- 
gendom. F.O.L.1,14. 

crdfal, lapstiê in terram^ het op den 
grond vallen. Ch.I, 120. 

ere, Iionor^ eer. O.v. A.9,3 

e/ed, aratiis, geploegd. B.160. 

er en e, pcjoratioy verergering, bezeering. 
J.M.F.II, 188: Thet inre in thet 
lyff sundererene. De inscheuring 
in het ligchaam, behalve de vererge- 
ring. 

e r e n t, diffractus^ fradusj gescheurd. 
1.E.5,18. 

erest, primus^ eerste. l.E.v. 

erfnoma, liacrea^ erfgenaam. E.L. 
2,7. 

erga, malum, het kwade, booze. H.1,16: 
Thrug thet ma erga stiure. Op- 
dat men het booze bedwinge. F.O.L.I, 
28. A.7,1. — 2.) pravus^ slecht. A. 
1,15. 2,23. P.O.L.2,2. 

ergens, crgenze, maluniy kwaad; pe- 
joratio, verergering. 0.11,10. Ch.I, 
113. J.M.F.II,235. 

erg era, diminucre^ verminderen, ver- 
slimmeren, verergeren. A.3,3: Th er 
fon send him ergerad sina fif 
sin. Hierdoor zijn hem zijne vijf zin- 
nen ontsteld. 

11 



163 



ei^;uld6n— eset. 



164 



erg ui den, aolutus^ betaald, vergolden. 

er ia, honorare^ eeren. A.v.l. 
erigh, malusj boos, erg. P.R.50,41. 
erim, erm, pauper ^ arm. Ch.1, 332. 

A.6,1. 
er ka, cista^ arca^ kist, kast. H.8,20: 

Tha komersdura end erka te- 

brecht. Kamerdeuren en kasten ver- 
breekt, 
erm, zie: erim. 
erm, brachium^ arm. E.L.1,36. B.198. 

A.3,8. — 2.) paupevj arme. H.2,10. 

P.O.L.5,16. 
er mbo ga, cubitus^ elleboog. E.L.1,36. 

2.E.1,9. Ch.I,99. 
ermmerich, pechis^ radius^ armpgp. 

J.M.P.n, 207. 
ermscheyd, ermskete, ermskeith, 

ermsteith, pechisj radius, armp^p. 

Ch.I,99. 112. E.L.1,37. J.M.P.II, 

249. 
erna, radia, wortel. H.8,13: Ge f thi 

erna stet and stapel of is. Zoo 

de wortel staat en de punt (der t«nd) 

er af is. 
e rost, primus^ eerste. A.v.1. E.L.1,84. 

erste. 
erra, prior, vroeger. H.6,13: Mitb a 

erra riuchte. Met het vroegere regt. 
erra, erria, jt?«jor, erger. J.M.P.II,199. 
er se die, medicamentum, geneesmiddel, 

artsenij. P.R.32,25: Hwant njje 

syuchten behowet n^e ersc- 

die. Want nieuwe ziekten hebben 

nieuwe geneesmiddelen noodig. 
erseke, causa prior, vroegere daad. A. 

2,9. 
ersknop, os sacrum, aarsknop. E.L. 

1,33. 
-erste, zie: erost. 



erthe, terra, aarde« E.L.1,8. 3,34. B. 
170. 

erthelic, honestus, eerlgk. F.O.L.v.1. . 

ertichta, accusatio prior, vroegere 
klachte. A.1,14. 

erthkening, rea terras, koning der 
aarde, aardsche koning. l.E.v. H.o. 

ertherska, terrestris, aardsch. H.3,1. 

erthfel, lapsus in terram, het op den 
grond vallen. l.E.4,20. H.8,2. 

ertslauwe, dejectio in lutum, jactus Umi, 
slgksmigting, het door het slgk sleu- 
ren. Ch.I, 347. 

erua, erwa, proprietarius, hasres, be- 
zitter, erfgenaam. B.95. 97. 

erua, er we, possessie, bezit; haeredttas, 
erfenis. B.90. H.2,2.3.7. E.L.3,29. 

erues las, haereditate privatus, van het 
erf beroofd. A.9,4: Thet hi thes 
thes erues las se, the to tha 
Godishuse hach. Dat hg dan geen 
regt op het goed heeft, dat aan het 
Godshuis (de kerk) behoort. 

erunnen, fluxus, geronnen, gevloeid, 
geloopen. P.O.L.5,15. 

erwa, zie: erua. 

erwemeithe, jus coUaterale, successie- 
regt, regt op de doode hand. B.115: 
Pon there erwemeithe mei ma 
enis nima tha bisetta meide. 
Wegens successie-regt mag men eens 
de bepaalde belasting nemen. 

e sant, missus, gezonden. A.t;.l: E sant 
an thet alond. In ballingschap ge- 
zonden. 

escreuen, scriptus, geschreven. F.R. 
150. 111,12. — escriuin. A.t;.l,2. 

esen, seminatus, gezaaid. B.160: Thi 
't ered and esen heth. Die het 
geploegd en bezaaid heeft. 

e set, obligatus, bezwaard, verplicht. H. 



165 



esken— ethelet. 



166 



2,17: Thet tet god ande thi fia- 
monda thermithe gader eset 
se. Dat het goed en het beheer van 
het goed daarmede beide bezwaard 
zgn. 

esken, foetus, geschied. B.B.10. E.L. 
1,43. 

eskepen, conMtitutus permissus, gescha- 
pen, toegelaten. A.2,3: Is 't th en- 
ne tha kinde eskepen, thet hit 
to londe kumi. Gebeurt het het 
kind, dat -het in het land komt. 

eskeren, tansus, geschoren, gesneden. 
l.E.5,1: Her of eskeren. Het haar 
a%e8choren. 

e skipen, creatus, geschapen. A.ü.I. 

eslein, victus, verslagen. A.v.1. 

e sleten, clauêus, gesloten. 2.E.1,21: 
Hwa sa inna thet calde yrsen 
werth esleten. Wie dat in boegen 
wordt gesloten. 

esna, eesna, merces, loon. 0.9,13. B. 
168: And thi slatere bewerie 
ne esna mith sinre sele. En de 
slootgraver bew^ze het loon met zg- 
nen eed. — esna, servus, bediende. 
J^Bj esne, adolescensj servus, plebs, 

esnithen, scissus, gesneden. 2.E.1,1. 

espen, populeus, populieren. A.7,9: 
Thet espene laf. Het loof der po- 
palieren. 

estat, transjiaus, perforatus, gestooten. 
E.L.],15: Thruch estat. Doorge- 
stooten. 

estelin, furatus, gestolen. B.155. 

estrichsen, estrizen, detractus^atge- 
fcheurd, afgetrokken. l.E.5,1. 2.E. 

14. 
esxe, /raaineusj esschen. H.4,23: esxe 

halt hei. Slag met een esschen hout, 

stok. 



et, ab, van. F.O.L.2,5: Et e na. Van 
eenen. — 2.) ad, aan. A.9,4: Ther 
ma et sinuthia skil. Waaraan 
men zeend houden zal. — 3.) tn, in. 
B.211: Et ta mena skrifta. In het 
algemeene boek. — 4.) fd, het. F.R. 
1. — 5.) quisque, ieder. H.6,4. Voor 
ec, zie aldaar. 

eta (heta?), calidus, heet. F.O.L.5,29: 
Thi eta brond. De heote brand. 

etein, procreatusj getogen, geteeld. E.L. 
1,45. l.E.5,12: Bern etein. Kin- 
deren geteeld. 

etfenne, pratuniy weidland. EX.3,34: 
Inna medem ieftha bi tha et- 
fenne m. In de hooilanden of bg de 
weidlanden. 

etger, etteger, acies, zwaard. F.O.L. 
3. 6,25. 

eth, e the, juramentum, eed. A.1,3. 
B.110. — 2.) officium, regtsgebied, 
regtspraak. A,7,5: Ther hi nenne 
eth nebbe. Waar hij geen regt- 
spraak heeft. B.32. H.10,7. F.O.L.9,6. 

ethaj sacramentum dicere, beëedigen. 
F.O.L.4,15: Tofara tha bonne to 
ethane. Voor het geregt beëedigen. 

ethel, no6i7w, edel. A.2,22. H.2,10. — 
2.) possessie patema, ouderlijk goed. 
H.1,14. 2,3. F.O.L.6,10. Ethele, 
parentes, ouders. F.O.L,2,7.21. 

Ethela, Attila. A.r.1. 

eth el dom, patermi haereditas, ouderlijk 
erf; bona libera, vrij goed. H.1,7. A. 
1,9. l.B.1,7. 

ethel ing, ivobilis, edelman. Ethele 
men, nobiles, edellieden. H.1,8. A. 
1,8. F.O.L.1,8. 

ethelet, ab intestato in possesionem inis" 
sus, aangeërfd. F.R.50,39. Ethe- 
lath. F.O.L.7,4. 



167 



' ethelislawa— ewa. 



168 



ethelislawa, patema heavieditas^ ou- 

derlgk erf. F.O.L.2,7. 
etheslas, privaius, ambteloos. A.9,10. 
ethla, parentes, ouders. A.2,2L 
ethma^ spiritus j adem. A.3,16: Th es 
ethma thampene anna eider 
nosterna. De belemmering van den 
adem aan beide neusgaten, 
ethmel, zie: etmel. 
ethsworan, jurati^ gezworene. P.O.L. 

4,15. 
ethwitisword, declaratio^ quod quis 
aliquem audivit jurare, verklaring dat 
men iemand heeft hooren zweren. 
P.O.L.6,21. 
etilled, sublevatus, opgeheven, opgetild, 

afgenomen. H.6,18. 
etker, ensisj zwaard; hasta^ spies. O. 

1,45. H.5,6. Zie: e tg er. 
etmel, ethmel, etmelde, horarum24: 
spatium^ etmaal. A.2,23. 0.t>. F.O.L. 
2,18.23. E.L.1,16. B.209. 
e treden, cursus^ getreden, getrapt, ge- 

loopen. H.4,6. 
ets e Ie, etzel, etzil, radius, calcar, 
aculeus, spoor, 1.E.2,1L F.O.L.2,11. 
H.2,11, 
etszene, fraxineus, esschen. F.O.L.I, 
20: Etszena withtha. Banden 
van esschen hout. 0.2,2: Holte na 
witta, 
etta, adhuc, nog. Ch.1, 377. Zie: af- 

kera. 

etta, poseere, voeden, weiden. E.L.3,38. 

etteger, zie: etger. F.O.L.3: Ette- 

gris orde. Acumen aciei. Punt van 

den spies. 

ettene, pastus, weiding, het weiden. 

F.O.L.6,21. 
euel, malus j boos, kwaad. l.E.2,20. — 
2.) mahim, kwaad, boosheid. 0.4,21: 



Haet so hi eueles deth. Wat 
kwaad dat hg doet. F.O.L.4,15: e- 
weles. 
e u e n, par, gelgk. 0.1,45: Euen lang. 
Even lang. H.10,10: Al euen. Even 

zoo. 

euencristen, cochristianus, medechris- 
ten. H.8,24. 

euendeel, pars aequaiisj gelgk deel. 

0.9,1. 
euest, odium, haat, kwaad opzet. l.E. 
2,9. H,2,9: Thruch euest ni 
thruch nit ni thruch nene alda 
seke. Met boos opzet noch door ngd 

noch wegens eene oude zaak. 
euga, sempitemus, eeuwig. A.7,10: An 

there euga urdemnese. In de 

eeuwige verdoemenis, 
e u lik e, semper, eeuwig. Ch.I, 252. 
eunad (eundat?) vulneraius, gewond. 

l.E.5,14: Werth hir ac hua eu- 
nad anda sinne buc (bec?). 

Wordt hier ook iemand aan zgn buik 

(rug?) gewond. H.4,6: eundat. 
euuert, laesus, ontsteld. l.E.5,14. 

4,12: Ther sint him fon euuert 

sine fif'sin. Daardoor zijn hem zgne 

vijf zinnen ontsteld, 
evelik, semper, eeuwig. 0.12,27. H. 

9,2. 
e V e n e t h , cojuratus, mede-ambtenaar, 

medegezworene ; cojudex, mederegter. 

H.1,3. 
evenkne, ejusdem gradus oognatus, in 

gelijke graad verwant. 0.1,70. 
evna, par, gelgk. B.159: Al evna 

tha othre frethum. Evenzoo de 

andere vreden. 
ewa, ewene, Ux, wet; lex scripta, con- 

stitutio legalis^ F.R.1,1. O.v. J.M.F. 

1,1. 



169 



ewabrekker— ezeL 



170 



ewabrecker, non observator legum^ 
overtreder der wet. P.R.46,71. 

e wart, hums^ ontsteld. E.L.1,39: Is 
hia ac olsa sere ewart. Is zg ook 
zoo zeer ontsteld. 

e we Ie, wiafe, kwaad, H.3,4. F.O.L. 
2,20. 4,15. 

ewelgung, vitalitium^ levensonderhoud, 
overeenkomst daaromtrent. F.O.L. 
8,23. [In de Groninger Rechtkennis 
van het jaar 1738 bl, 99 staat: >Wat 
is oevelganck? Oevelganck is een schen- 
kinge, waardoor iemand, bij levende 
lijve, al zyn goed, of een gedeelte an 
een ander met ter daad overgeeft, on- 
der beding, dat daarvoor, geduirende 
syn leven, behoorlek onderhoud zal 
genieten."] Lgfrente. H.10,27: aeuel. 

ewelick, semper^ altijd. F.R.6,7. 

ewelick, Ugitimus^ wettig. F.R.49,1: 
Trirahanda slacht is ter. Een 
flaeslick, een gastlick ende 
een ewelick. Drieërlei verwantschap 
is er. Eene vleeschelijke, eene geeste- 
l^ke en eene wettelgke (volgens de 
wet). 

ewen, a«jtf«, gelgk, even. H.2,10. 0.9,1. 

e wende, vesper^ avond. F.O.L.1,10: 
An suther nout farra, than se 
ewenda machte wither kuma. 
Sn zuidwaarts niet verder, dan datzg 
des avonds kunnen terug komen. 

ewene, circa^ omtrent, ten naaste bij, 
even, juist. J.M.F.II, 189. Ch.1, 104: 



Tzamith ewene vppa 15 merck. 
Komt even op 15 marii:. 

eweneker, mique suum in separatione 
agrorum^ gelyke akkers, scheiding der 
akkers naar evenredigheid. 6.1 Gl: 
Alle weruar mot ma leia ewen- 
eker, al to tha riuchta tia. Alle 
werven moet men naar evenredigheid 
der akkers scheiden, tot aan de wet- 
tige grenzen. 

e w e n p e n d e, communis^ mandeelig, even- 
pandig, B.83. Wiarda heeft: twe- 
pende. 

cwer, verum. waar. l.E.2,20: Th et 
tet alle ewer se. Dat het alles waar 
zg. 

ewert, ewart, cuuert, laesus vulneru" 
ftw, bezeerd, gewond. l.E.5,12. F.O.L. 
5,19. 

ewga, sempiternua^ eeuwige, H,l,17. 

ewiged, sacratus^ gewgd. A.7,11. 

cwitha, contractus legalis, wettige over- 
eenkomst. F.O.L.6,9: Jef tha bern 
makaden ennen ewitha mith 
er moder. Of de kinderen maakten 
eene wettige overeenkomst met de 
moeder. 

ewrpen, projecttia, geworpen. A.7,32: 
Sa hwersa en mon ana enne 
uthaldene stram ewrpen werth. 
Wanneer iemand in een uitloopenden 
stroom geworpen wordt. 

ezel. l.E.5,15: Hona ezel. Hanen- 
spoor. Zie: ets e Ie. 



171 



£a— fiiken. 



172 



F. 



fa, capere, occupare^ vatten, in bezit ne- 
men. B.13: Sa fa se oppa thet 
gold vmbe tliene brecma. Dan 
tasten zij op het geld wegens de breii- 
ke. B.112. F.R.50,21. F.O.L.4,10. 
2.E.4,19. F.R.32,8. To faen. Te 
tasten. 

fach, periculum^ gevaar; responsabilis, 
aansprakelgk. A.2,18: Sa ne thur 
hi firor nen fia reka, nc selua 
fach sitta. Dan behoefk hij verder 
geen goed te betalen noch aansprake- 
lijk te zgn. — A.6,12: Sa skil hi 
wesa fach and frethe. Dan zal hg 
aansprakelijk en vredeloos zgn. 2.£.2,7. 

fachte, frumentum, vrucht. E.L.1,77: 
Huasa then fachta op en werf 
weith. Wie de vruchten op de werf 
rijdt. — 2.) proventus, opbrengsten. 
F.O.L.I, 57. 

fachte, stipeê, staak. 0.8,5. 12,10: 
Mit sine fiower fachtum. Met 
zyne vier staken. F.O.L.4,35. 

fad, diminutio pecuniae, vermindering 
van het geld. B.156: Fad ieftha 
fal&s gold. Slecht of vervalscht geld. 
H.7,5. l.E.3,9. 0.13,8. F.O.L.1,17. 
6,13. 

fad er, diminutor pecimiae, een die het 
geld vermindert. 0.13,8. Faed. O. 
12,14. 

fader, fadrie, pater, iutor, susceptor, 
vader, gevader, voogd. F.R.15,8. 
49,3.6: Da kynden deer tween 
fadrien habbet, hor so se teyn 
3int eer da faderschip. De kin- 



deren die dezelfde gevaders hebben, 
zoo zij voor het gevaderschap geto- 
gen zyn. — B.107: And hia ma- 
kie ma mith a faderem vnie- 
rech. En men hen door de voogden 
minderjarig maakt. Zie: f e der en 
fedria. 

faed, zie: fad. 

faen, capere^ vatten, 0.10,36. 

fa er, ante^ voor. F.R. 12,26. 

fa er, pater^ vader. F.R.57.3. 

faera, peregrinari, reizen. F.R.3,4. 
Faeer, peregrinatur^ reist. 

fa ga, fagia, colligere^ plukken, verza- 
melen; assumere sibi, occupare, nemen. 
2.E.3,24. E.L.3,38. 1,86: Anda 
thiu blodich hond, thi ne mey 
nene lawa fagie. En de bloedende 
hand die mag geene erfenis nemen. 

fagad, collcctus, verzameld, gerispt. B. 
86: Hwasa heth en lond ca- 
pad and vrgulden and fagad. 
Wie een land heeft gekocht, betaald 
en gerispt (de vruchten ingezameld). 

fay, proacriptus, cui terra et aqua tnter- 
dictae, vogelvrg, faai. F.R.69,1: Deer 
da lyoed mogen lidza fay ende 
ferdloes. Die het volk vogelvrg en 
vredeloos kunnen leggen. Zie: fach. 

fay the, inimicitia^ vijandschap, veete. 
2.E,2,7: Thet him thiu faythe 
vrieweu se. Dat hem de veete ver- 
geven is. 0.9,1. fayte. 

faken, saepe^ dikwijls, vaak. E.L.3,80: 
Huente thi feider faken vnwis 
is. Waut de vader is dikwgls onzeker. 



173 



fid— fiEUig. 



174 



fal, terminus^ tenngn in rechten. F.R. 
81,15: Sann fallen. Zeven termg- 
nen. 

fal, lapsus j val. A.3,7. 

fal e SC, depravatio, vervalsching. H.7,5. 
1.E,6,2. faleske, depravator^ verval- 
scher. 

falicant, f raus, bedrog, misleiding. 
Ch.1, 462: Alle thing sonder fa- 
licant en nye infondenze. Alle 
zaken zonder bedrog en nieawe vonden. 

falla (a lawa), jure haereditatis transire, 
vererven, in erfenis vallen. B.99. — 
2.) falla, solvere, betalen. 2.£.4,24: 
And nen holda for hine falla 
nel Ie. En geene vrienden voor hem 
betalen willen. Zie: fel la. --* 3.) es- 
se, pertinere, behooren, vallen. 0.12,9: 
Dae tria fallat oen da gast- 
lika hand. De drie behooren tot 
het geestelgk regt. — 4.) accidere, 
gebeuren, vallen. 0.12,10: Jeft hit 
also fait te legder. Zoo het helaas 
aldns gebeurt. — 5.) incumbere, ko- 
men. E.L.3,57: Hu er sa 'r mon 
ieftha wiff fait oppa sin cronk- 
bedde. Wanneer er man of vrouw 
op het ziekbed komt. — 6.) occidere, 
dooden. A.6,6: Alder thi blat 
fait enne mon. Wanneer de arme 
iemand doodt (velt). — 7.) perdere, 
verliezen. F.R.43,5: So fait hy al- 
heel van syn spreeck. Dan ver- 
liest hg zgne aanspraak geheel. — 8.) 
/ugere, vlugten. A.6,5: Fait hi ac 
anna en hus. Vlugt (valt) hg ook 
in eén huis. — 9.) cadere, accidere, 
gebeuren. 0.12,18. F.R.77,4. 

fallen, foetus, geschied. 0.12,18: Want 
hit leider alsoe fallen is. Want 
het helaas alzoo geschied is. 



fallich, multae debitor, obnoxius^ boet- 
valHg, schuldig. F.R.3,13: So is hij 
fallich syn riuchteren. Dan is 
hg zijnen regtcrs schuldig (vervallen). 

falsc, falsch, falsxc, fdsus^ valsch. 
O.r. F.R.1,36. B.156. 

falsch, falschede, falsitas, falsimo- 
nium, depravatio, valschheid, verval- 
sching. F.R.81,9: Dat ma da falsch 
bewyse. Dat men de valschheid be- 
wgze. 0.12,13. 

falsche, falsarius, valschaard. F.R.1,36. 

famna, virgo, maagd, meisje. 0.1,8. 
H.1,15. F.O.L.1,15. F.R.36,11: fam- 
na kynd. 50,5: famna bern. 

fan, propter, om, uit, wegens. F.R.12,3: 
Jeff een man jecht fan anxta. 
Zoo iemand uit vrees bekent. 

fan, fain, fayn, palus, veen, moeras. 
Ch.I, 435. 

fan dana, inde^ vandaar, daarvandaan. 
0.1,15. 6,6: Ende hi fan dana 
ge et. En hg van daar gaat. 

fana, vexillum, vaan, vaandel. OJ,79. 
8,23. Fanadreger, vexillarius, vaan- 
drager. 0.2,1. 

fand, inveniebat, vond. A.v.1. 

fan de (on to), sumere, aan te nemen, 
aan te tasten. A.2,16: luinfir on 
to fande mith iuin sibba hon- 
don. Evenver aan te tasten met even 
verwante handen. Zie: fa. 

fan dia, fan dl ia, visitare, invisere, be- 
zoeken. Ch.1, 110. J.M.F.n,227. O. 
8,23: Toe fandiane da sgecka. 
De zieken te bezoeken. Administrare 
sacramentum unctionis, het H. oliezel 
toedienen. 0.11,8: Ende hem sijn 
prester fandlet. En zijn priester 
hem bezoekt. 

fang, terminus solutionis, termgn van 






175 



fange— £eck. 



176 



betaling, van ontvangst, J.M. F. II, 
195. ü.ll.S.2: So is di arsta fang 
fan disse ielden. Dan is de eerste 
termijn van betaling dier gelden. 

f a n g e, «tz/7e«, staak. 0.9,1. Zie: f ach te. 

fara, ante^ voor, H.1,3. 

f ara, agere^ doen. H.5,3. 4,46: Sa se 
fiuchtande faren hebbat. Zoo 
als zij vechtende gedaan hebben. 

fara, ire^ veltij gaan, reizen, varen, rg- 
den. H.1,4.9. E.L.1,77. B.58. 

farand, mobilisj roerend. 2.E.4,25: 
And vmbe lidzande erwa, and 
vmbe farand gud. En om liggend 
land en om roerend goed. 

f ar da, pax. vrede. J.M.F.2,80: End e 
tweer scillengan ti farda. En 
twee schellingen voor den vrede. 

fare, iter, via^ weg. 0,12,19: Wr 
bannena faran. Langs publieke 
wegen. 

farefester. l.E.1,11. Zie: karefes- 
ter. (Eene schrijffout?) 

f ar e n du m, pestis, pest. F.O.L.II. Zie: 
briasechtum. Isl. Faraldr. Mor- 
bus epidemius. 

f a r n e s t e, primiis, voorste, eerste. E.L. 
1,35: Thet farneste lith off. 
Het voorste lid af. 

farra, longinquius, verder. F.O.L.3. 
1,10. 

f ar s er i wen, praescriptus^ voorschreven. 
E.L.1,84. 

fatad, quod captus est, het gevatte. 
H.7,4: Ur soche (sothc?) end ur 
sede end ur thet fatade bern- 
de. Op heeter daad en met den ge- 
vatten last (het gestolene). 

fatapertya, factio vetcoperorum , par- 
tij der Vetkoopers. Ch.I, 252. 

father, cognatio spiritualis^ gevader. 



gevaderschap. E.L.9,16. B.B.12. Fa- 
thersibbe. Geestelgke verwantschap. 

fa tiend, quod captus est^ het gevatte. 
0.12,13: Mith fationder bente. 
Met de gevatte buit (bente voor 
bernde, buit, last). Zie: fatad. 

f a t k a p e r, vetkooper. Ch.I, 252. Zie: 
fatapertya. 

fauxfang. J.M.F.II, 268. Zie: fax- 
fang. 

fax, crinis, haar. H.4,41. 

faxfang, faxfengh, fauxfang, ar- 
reptio crinium^ haarpakking, haargreep, 
0.7,9. A.3,1. H.8,1. F.O.L.4,19. 5,1. 
J.M.F.II, 268. 

f e, parunij weinig. 2.E.4,28: And hir 
barne fon fe husa ieftha fele 
hu sa. En daar weinig of veel huizen 
door branden. (Lei/ej fea, pauci. P.d. 
Ms. heeft: Und dar barne fan 
gudt, ofte vele huse.) 

fech, pluteus, hek. B.25: Nen holt, 
nenne fech uphawa. Geen hout 
(vonder), geen hek verbreken (he- 
fech?) 

fecht, fructus^ proventus^ vrucht, voort- 
brengsel. B.160: Thi 't ered and 
esen heth, thi nime ne fecht 
thes ieres. Die het geploegd en be- 
zaaid heefk, die neemt de vrucht van 
dat jaar. 

fechtelick, pugna, gevecht, strgd. 
J.M.F. 16: Dae sterf Schelta Yaie- 
ma fan dat selua . fechtelick. 
Toen stierf Schelte Jaiema in dien 
zelfden strijd. Vqje Fries. II, 125. 

f eek, fek, camera, spatium, intervaüum, 
intervacuum, kamer, vak, ruimte. O. 
3,9: Wr nijogen fecke huses. 
Door negen vakken van het huis. H. 
2,1. B.159. 



177 



fed— fenne. 



178 



fed, pedeêf Toeten. LE«5,24. 

f e da, ptUruuê, oom van vaderszgde. 

F.OJi-1,5. 
feda, alere^ voeden. 0.15,1. 
feder, feider, jMiter, vader. E.L.3,15. 

B,78.90. 
federia, fedria, fedrya, fidira, pa- 

truuê, oom van vaderszgde. H.4,43. 

B.119. l.B.2^6. 0.4,6. A.7,21. F.O.U 

2,6. 6,5. 7,3. P.d.Ms.: Dat is de 

oem. 

fee, eaperê, vatten. F.B.21,25. 50,38. 
Feet, eapitj vat. 

feylich, tutuêy veilig. F.B.36,6. 
feythe, inimicitia, veete, vyandschap. 

H.2,9. Crimenj misdaad. A.1,16. 
fel, ïapiuê^ val. A.3,2. l.E.4,4. 
fel, cutü^ hnid, vel. l.E.2,5. A.2,5. 
fel, muUunh veel. 2.E.4,28. 
fela, semtire^ voelen, gevoelen. l.E.4,5. 

feldsege, tuinuZdM, optocht, strooptocht. 
J.ILF.5,8: Omme ene feldsege of 
vol se. W^^ens een strooptocht of op- 
roer. 

fele, valdey seer. H«9,l: Fele steric. 
Zeer sterk. — 2.) plus, meerder. B. 
213: Thet ter nen fele lith ne 
mote wesa binna Wibaldinga 
szerspele. Dat er geene meerdere 
ger^rteplaatsen moeten wezen in het 
Wibaldinge kerspel. 

fele, parum^ weinig. B.154n: And 
hir berne fon (phe) fele husa 
ieftha fnle husa. En daarvan wei- 
nig of veel hnizen verbranden. Zie: f e. 

felich (of: selich), solemnis^ feestelgk. 
E.1j«2,1.3. 

fel la, sdvere, betalen. B.5.156: Mith 
tha halse fella. Met den hals be- 
talen. 



f e 11a, implere^ reparare^ vallen, herstel- 
len. E.L.3,76: Anda thet saddick 
wither to feilen, sa hit er was. 
En den zooden dgk weder zoo te her- 
stellen, als die vroeger was. 

fella, interficere^ dooden, vellen. H. 
1,13. 10,1: Bi fellede monnem. 
Bg gedoode mannen. 

fellinga, feil inghe, tiiuZto, boete; «en- 
tentia, oitspraak. F.R.2,23.38. 43,11: 
Myt wilker onder fellinghe 
ginsen. Zich vrg willig aan de uit- 
spraak onderworpen. F.R.21,10. Oh. 
1,344. J.M.F.n,290: So mey ma 
qwyt wessa mit ter pena, oers 
mey dy wilkared riuchter neen 
fellinge jaen. Dan kan men vry 
zgn met de straf, overigens mag de 
gewillekeurde r^^r (de zoenlieden) 
geene boete geven (opleggen). 

felo (to), ntntitf, te veel, te zeer. A. 
1,8: Thet nen hnsmon withsin- 
ne hera to felo ne stride. Dat 
geen haisman te zeer tegen zgn heer 
zal strgden. Zie: snithe. 

femne, mrgo^ maagd. H.4,7. 

f en, cop^tf, gevangen. E.L.3,61: Hwer- 
sa 'r en mon werth fen anda 
banden. Wanneer iemand gevat en 
gebonden wordt. 

fen da, invenire^ vinden. 1. E. 1,1 2: Al- 
der men efellede fend. Waar 
men verslagenen vindt. 

f ene, terra paluatris^ moeras, veen. B. 
169. 

fengnese, captivitasy gevangenschap. 
H.1,14. 

f enne, pratutuj weidland. E.L.1,57. A. 
7,8: Thet skil wesa alla fennon 
and fili, er santé Vitas di. Dat 
zal voor alle weidlandcu zgn en onbe- 

12 



179 



fenszen— ferest. 



180 



kommerd voor St. Vitnsdag. Zie: fili. 
A.7,8. (Wurster Landrecht p.84 heeft: 
ynbekummerd.) 

fenszen, possessus, acceptus, in bezit 
genomen, verkr^en. B.163: And 
fenzse lond and sex ier bise- 
ten se. En in bezit genomen land 
dat zes jaar in bezit is. 

f era, austinere^ verzorgen. H.2,5: An- 
de fereth end nerede mith a 
f ia. En veïzorgde en onderhield met 
het goed. 

f era, portare, dragen, voeren. A.7,5: 
Sa brekt hi, the ne fona an 
dere hond ferth. Dan verbenrt hg 
die de vaan in de hand voert (draagt). 

fera, dare, praestare, geven. 0.1,79. 
P.R.15,18: Pera orkenschip. Ge- 
tuigenis geven. 

fera, cetebraroy vieren. P.R.5,4: Jel- 
kirs deggen, deer ma feret. Al- 
le dagen, die men viert. P.R.1,46: 
Rincht to feren. Geregt te hou- 
den. 

fera, tVe, gaan. B.109. 

ferd, paa, vrede. O.v. 3,2. 

ferdban, scriptura legaliê de possessione 
non turbandoj vredebrief, geschrift door 
het hoofd van het district afgegeven, 
dat de verkoop volgens de wet ge- 
schied is. P.R.2,25. 31,1. O.v. 
vredebevel. 

ferde, acHo, handeling. A.3,3: Ni an 
nenere ferde hini selua sa wel 
bithanka, sa hi er machte. Noch 
zich in eenige handeling zoowel be- 
denke, als hg vroeger vermogt. 

ferdya, eoncüiare, bevredigen. P.R. 
59,17: Alzo dat hym huns ner 
hof ner Godshuus ferdya mey 
ner helpa. Zoo dat hem huis noch 



hof noch kerk bevredigen noch helpen 
kan. 

ferdloes, freda privaiuSj vredeloos. 
P.R.1,39; 43,9. 

f er dl os, implacatio, vredeloosverklaring. 
P.R.2,25. 

ferdlosheed, implacoHo, vredeloosheid. 
ChJ, 239. 

ferdorether, turbcdtor pacie, mstver- 
stoorder. Ch.I, 548: Ferdoreteren, 
streetscheynderen, tyeven, moer- 
de ren. Rustverstoorders, straatschen- 
ders, dieven en moordenaars. 

ferdria, exigere, vorderen, eischen. 
^.O.L.2,11: And ma ne ach him 
mar to ferdrianne. En men moet 
niet meer van hem vorderen. 

ferdrie, zie: edra. 

f er e, utfJw, voordeelig. 0.6: Proem 
en de f er e. Nuttig en voordeelig. A.7. 

fere, utüüasj welvaart. O.v: Tg mena 
frede ende to mena fere. Tot 
algemeenen vrede en tot algemeenen 
welvaart. 

fere, actio, handeling; iter, reis. 2.E. 
4,39: And hia 't thenne nima 
vppa tha fere, ther se fara then- 
ne skelen. En zg het dan nemen op 
de reis, die zg dan varen zullen. P.d. 
Ms.: henneuaert^ doodreis, a&terven. 

feren, confecttts, gemaakt; /ormafti*, vol- 
tooid. B.158: Gold ie f tha f e ren e 
cl at har. Goud óf gemaakte Ueederen. 

ferende, adminütrans, beheerend, voe- 
rend. P.R.15,57: Want deer mey 
nemmen ferende wessa twa 
ampt fan ener seeck. Want nie- 
mand mag twee ambten in dezelfde 
zaak waarnemen. 

fere si, primo, eerst; ferost, primus, 
eerste, voorste. H.3,1. B.B.i9. A.3,9. 



181 



ferlick— fetha. 



182 



ferlick, patemuê^ vaderlgk. Ch.I, 332: 
That sin ferlike erwe is. Het- 
welk zgn vaderlgk erfgoed is. 

ferma, confirmarej vormen. A.9,2: 
Godia hna to wiande and kin- 
-dera to fermande. Gods huis te 
wgden en kinderen te vormen* 

ferna, erimefL, misdaad. H.6,1. Zie: 
firna. 

fernieere, fernyere, ferniere, ver^ 
lente, voorjaar. J.M.P.9,3: Als hia 
fernieer ende hire oen werum 
heden ende oen hewem. Als zg 
op het einde van het voorjaar (te za- 
men) aan bezittingen en have had- 
den. 

ferost, zie: ferest. 

ferra, mae, wegen. J.M.F.12,20: Wr 
bannena ferra. Over publieke we- 
gen. 

f er ra, dexter, refter. l.B.t;. 2.B.v. 
F.O.L.n: Ferrahond, ferrehond. 
Begterhand. 

ferra, major ^ porto ^ grooter, verder, 
meerder. 2.E.4,29: Thet nimth hi 
naut e ferra plicht, sa re syn 
ayn. Dat neemt hij niet in meerdere 
verzorging, dan zgn eigen. 

fersch, novuB^ nieuw, versch. Ch.I, 
591. 600: Mit ter ferscher died. 
Op heeter daad (terstond). 

f er se, ver^us^ vers. 0.3,17. 

ferst, prineeps^ vorst. F.R.51,2. 

ferst, dilatio, uitstel. F.B.3,1: Een 
ferst hym to byreden. Een uit- 
stel om zich te beraden. F.R.15,39. 
0.1,59: fersta, uitstel geven. 

ferst, acHoj handeling. F.R.1,33: Soe 
schel me 't ferst wysa wr nacht. 
Dan zal men des anderen daags de 
handeling uitwgzen. 



ferstellen, raptus^ afgestolen. J.M.F. 
6,17. 

ferth, it^ gaat. B.109. 

ferthe, actio^ handeling. 0.9,2. 11,10. 
iter^ reis. 

fessengha, fetsengha, sepimentum^ 
afschutting. Ch.I, 242: Hwaso tha 
fessingha brecht. Wie de afechut- 
ting (van het vee) verbreekt. J.M.F. 
312. 

fest, firmuê^ vast; JtmiahiSj bevestigd. 
F.R.1,18. 15,33.52.60. E.L.3,40: 
Fe ster, vaster. 

fest, pugntêSj vuist. Ch.I, 603: Slacht 
met ter fest. Slaat met de vuist. 

festa, jejunare^ vasten. A.o.l, H.3,4. 
0.1,70. 

fest e, /octto, partgschap. 2.E.4,26. B. 
151: Festis ieftha triuwena. 
Verraad of ontrouw. P.d.Ms.: Part ie. 

festeldey, diesjejuniiy vastendag. F.R. 
2,40. 

festeslec, festsleck, colaphus^ vuist- 
slag. B.203. E.L.1,7. 

festia, jejunare^ vasten. 0.1,41. A.8,1. 

festia, festigia, conjirmare^ bevesti- 
gen. F.R.44,4. 0.16,24. 

festnad, firmaius^ bevestigd. E.L.1,44. 

fet, pedesj voeten. l.E.5,28: Sine fet 
and ben gader mith enre lina 
bun den. Zgne voeten en beenenmet 
eene Ign zaamgebonden. 

fet, vasa^ vat, vaatwerk. F.O.L.5,44: 
Binna tha durum fete to slaith. 
Binnen de deuren (iu huis) vaatwerk 
vernielt, 

feth, sumit, vat, neemt. H.7,5: End 
to there othere feth. En op den 
anderen vat (den ander beschuldigt). 
accusat. 

fetha, fedria, patrutiSj oom van va- 



183 



fetafeng— field. 



184 



ders zgde. 2.E.4,22. H.4,29. B. 
121. P.O.L.7,3.7. 

fetafeng, fethafenge, ooms erfenis 
van vaderszijde. P.O,L.7,7. 

fetha lawa (berlase, bernlase?), 
sucoessio ah avunculo relicta^ qui êine 
liberis martuus est^ erfenis door eenen 
kinderloozen oom van vaders zgde na- 
gelaten. 2.E.4,22: Snnder berlase 
(bernlase) fetha lawen. Behalve 
kinderlooze ooms (van vaderszgde) er- 
fenissen. P.d.M.s. §20: Dan barre- 
los fetha lawa, datis: Erfnisse, die 
eine frouwe achterlath, de ghene kyn- 
den ghetoghen heft. 

fethansunu, biliuê patruij zoon van 
oom van vaderszgde, zoon van oom 
van moeders zgde. Zie: emessnnn. 
A.7,21. 

fethma, orgi/a^ vadem, roede. A.7,9. 

fetsenghe, zie: fessenghe. 

ff oerdmeer, porro, verders. F.B.15,52. 

f ia, fya, fyya, joom^mio, goederen, geld, 
bezitting. E.L.3,20. A.1,16. H.1,16. 
P.O.L.1,9.16. 2.E.t;. 

f ia, pecusj beetza, vee, beest. P.E.42,7. 

fia (fa?), capere, occupare^ in bezit ne- 
men, vatten, tasten. J.M.P.6,2: Soe 
fiaer hi oen syn ayn eerwe. Dan 
gaat hg op zgn eigen erf. 

fyaerteenste, dedmus quartus^ veer- 
tiende. P.R.56,1. 

f i a e t h, juramentum valoris^ waardeerings- 
eed. E.L.1,37. l.E.v. 2.E.Ü. P.O.L. 
2,14. 

fia fo Heng e, reparatie^ reêtitutioj her- 
stel, vergoeding. 0.5,8. P.O.L.4,12: 
And hio nene fiafollenga, ther 
thet brocht to ther wralde. En 
zij geene schadevergoeding, die het 
(kind) ter wereld bragt. 



fial, rota, rad, wiel. 1.E,6,4. E.L.1,84. 
H.2,25. B.147. P.O.L.5,32.33. 6,24. 

fiamonde, fiamanda, mandatum^ 
i7tan(2atontM, beheer, beheerder. 0.4,18: 
So haet so di man oderem jont 
op trowa ende wird ende riuchta 
fiamonde. Wat dat iemand den an- 
der op trouw en woord en in wettig 
beheer geeft. l.E.2,17. H.2,17. 

fiand, fyand, fiant, inimicus^ vgand, 
A.1,3. P.R.6,2. — 2.) diaholus, dui- 
vel, 0.5,8. 12,10. P.O.L.4,12. 

fiarda, fyarda, ^uarfu^, vierde. A.v.l. 
H.1,4. 

fiarda tuede, tres et duae partes dé 
quarto, drie tweederde. P.0.L,1,15. 

fiardahael, tres et dimidium, drie een- 
tweede. 0.9, 

fiardandeel, fiardandel, quarta 
pars, vierde deel. B.188. — 2). dUfric' 
tus, district. B.44. 

fiardeg, fiardung, fiardvng, fia- 
rendeel, quarta pars, vierendeel. H. 
4,43. A.7,24. P.O.L.I, S5. 

fiarder, inensura qaaedam, vierder, 
vierde van een ton. H. 10,16: Ur 
twene fiarderan biares. Boven 
twee vierders bier. 

fyaern, districtus, vierendeel. J.M.P. 
11,327: Ende een ygelick tolle 
in syn fyaern dat oen thoe 
brengen. En ieder tolman in zgn 
vierendeel (district) dat aan te brengen. 

f i a r f o t e, quadrupes, viervoetig. A.7,22. 

fiarling, quadrans, vierling, zekere 
munt. P.O.L.5,1. 

fiartiende, dedmus quartus, veertiende. 
O.v. 

fidira, fidiria. A.2,6. Zie: fethe, 
federia, emessunu. 

field, campus^ veld. 0.1,32. 



185 



fieldfiEuren— fjonwerfoted. 



186 



fieldfaren man, peregrinaior^ reiziger. 

P.R.59,18. 0.15,3. 
fieldferd, jmub agrorum^ veldvrede. O. 

8,10. 
fjenAek^judieare^ sententiam pronuntiare^ 

Tonnissen, beslissen. F.B.15,53: Dat 

schel tn fyenda. Dat zult gg be- 

sËasen. 
fier, longinqae^ verre. J.M.F.II, 294: 

Die den waer fier sitten sint. 
. Die verre van het geregt wonen, 
fiere, /Mftim, feestdag. J.M.P.R^.10: 

Wroginga fan britzen fiere. 

Klachte w^ens het verzuimen van 

feestdagen, 
fyya, pignus pand. F.R.24,4. Zie: f ia. 
fila, filla, /o^^Uartf, geeselen. 0.8,21: 

Hor hi se fille. Of hg haar gee- 

sele. 0.3,16: Wtoer scheran en- 

de wtoer filan. Buiten brandmerk 

en buiten geeseling. 
fili, perfedtusy beëindigd. A.7,8. Zie: 

fennon. 
fymelbreek, filmenebreke, laesio 

jmiendaTum , schaamdeelen-beschadi- 

ging. J.M.P.n,190. 211. 217. 239. 

0.11,47. (Tslandsch: f ei mr, pudi- 

hmduê,) 
fimeltingh, judicium^ in quo causae 

tuperstües firduntur. Geregt, waarin de 

onafgedane zaken van het Bodtingh 

geëindigd worden, 0.1,25. 
fyn, vêxUlum^ vaan, vaandel. Ch.I, 600: 

Mith . standena fyn, mith cloc- 

ke clanck. Met opgestoken vaan, 

met klokluiden. 
fynd, yti(2tctttm, vonnis. F.R.2,25: Aen 

fynd, dyr dg Greetman off een 

rinchter fynt Een vonnis, dat de 

Grietman of de regter velt. 
fynd, immtctf^, vgand. 0,3,3. 



fgnd, invenbum quidj vindst. 0.9,27: 
Jeft er een fgnd fonden wirt. 
Zoo er eene vindst gevonden wordt. 

fynda, fin da, judicare^ regten. A.3,2. 
9,4. 0.16,10. F.R.2,25. 

fynda, invenirej vinden. 0.t>. A.t;.l. 
fand. inveniebatj vond. 

finestife, fin ster, fenestra^ venster. 
H.8,20. P.R.64,12. 

fingerline, fingherlyn, atMulus, 
vingerring. 0.7,1. P.O.L.4,13. 

fynnich, hostüis^ vgandig; pravus^ 
slecht. P.R.1,10: Als een fynnich 
seeck. Als eene slechte zaak. 

fins en, capius^ gevangen, 0.4,2. P.R. 
25,8: Jeftha in heerbynden fin- 
sen weer. Of in strikken gevangen 
waar. 

finsenen, captivi^ gevangenen. P.R. 
66,5: Joff deer finsenen op ont- 
halden worden. Zoo er gevangenen 
op onthouden worden. 

finster, zie: finegtre. 

fyntscip, tmmtcttta, vgandschap. P.R. 
62,14. 

fiochd, foeghd, tutor^ voogd. J.M.P. 
11,275: Deer myn habbet soe 
fiouwer fiochden. Die minder dan 
vier voogden hebben. Ch.I, 342. 

fyoertich, quadraginta, veertig. P.R. 
58,1. 

fior, fyore, ^r?iw, vuur. 0.7,17. A.3,3. 

fior, fiowr, fiour, fyower, guatuor^ 
vier. P.O.L.1,4. E.L.1,24. B.B.J.M.P. 
II, 265. 

fiortech, fyortich, quadraginta^ veer- 
tig. E.L.2,1. 

f y OU werf al d, quadruplus^ vierderlei, 
viervoud. P.R.59,25. 

fgouwerfoted, quadrupes^ viervoetig. 
0.9,8. 



J 



187 



tyonwerhanda— fieesc. 



188 



fyonwerhanda, qwsdrifariu»^ vierder- 
lei, vierderhande. F.B. 1,1 2. 

fgonwerhernad, qiutdranffiUus, vier- 
hoekig. 0.10,27. 

fyowrasum, fyowasum, quatemi, 
quaiuor^ met vieren, vier. P.R.50,47. 

f ir, fyr, Umginque^ verre, l.E.1,2: Te 
fir. Te verre. l.E.1,10. A.1,10. 
J.M.F.5,10: Naet firra, non am- 
pUuê. Niet verder. F.R.l,12: Soe 
fyr, in quantum, in zoo verre. 

fira, nimis remotutn esse, te verre zgn. 
A.1,2: Tha firade us Frison thiv 
fire men o te. Toen was ons Frie- 
zen de verre munt te verre. 

fyrfeerd, ductus, vervoerd. J.M.F.6,3: 
Ende hi vt a lande fyrfeerd 
wirt. En hg uit het land vervoerd 
wordt. 

fyria, fira, cdebrarej vieren. A.t;.l. 
H.8,24: Fira thene snnnandei. 
Viert den zondag. F.R.20,16. 0.1,70. 
Ch.I,342: Fyra, Feestdagen. Zie: 
Festa. 

firn e, f er na, crimen^ misdaad. l.E.6,4. 
H.3,4. B.156. F.O.L.1,16. 6,23. 24. 

fyrste, ultimuSj verste. 0.1,70. 

fisck, fisk, piscis j visch. B.B.26. A. 
7,9. 

fyska, fysschya, piscari, visschen. 
Ch.I,464. 743. 

fyskania^, pt^cofto, visscherg. Ch.I, 540. 

fiscktauv, excipulum, arma piscatoria, 
vischtuig. Ch.1, 743. 

fysschya, zie: fyska. Ch.I, 743. 

fiterad, fitered, viruitus, gebonden. 
l.E.3,8. 0.4,2. 

fiuchta, dimicare, vechten. A.1,8. 
fin h te, dimicabatj vocht. A.9,10. 

fyuchtleek, pugna, slagerg. F.R. 
28,21. 



Fiulghe, Fiwelghe, FiveUngo (prov. 

Groningen). B.B.17. F.O.L.8,15. 

Fyulghelond. F.O.L.8,1. 
finnd, inimicusj vgand. B.217. 
fiure, fywr, ignisy vuur. E.L.1,32. 

F.R.59,17. Vomeresj gzers. F.O.L. 

5,33.35: MithlX fivrum (fiurum) 

vntgunga. Met 9 gzers ontgaan, 
fiuwertindoste, fiwertinde, ded- 

mus quartusj veertiende. A.1,44. 3,6. 
fivwer, fiwer, quatuor^ vier. H.1,4. 

B.71. 

flacht, loeus tectusj overdekte plaats, 
duivenvlucht, bergplaats voor beesten. 
F.O.L.8,1: Werth er en mon slain 
it ta ware thera riachtra jefta 
binna huse jefta binna schipis- 
borde, jefta vnder ta fugilscn- 
le, iefta vnder there flacht, 
jefta vp sine heregers and vn- 
der tha boch. Wordt er iemand 
doodgeslagen in de werf der regten, 
of in huis of binnen scheepsboord, of 
onder de vogelvlucht, of onder het af- 
dak, of op zgn erf en onder het boc^- 
schieten. 

flaesch, caro, vleesch. 0.4.5. 

flaeschelick, camalisj vleeschelgicz: 
F.R.72,10: Flaeschelicka fadei=r 
Yleeschelgke vader. 

flait, zie: flat. 

flard e, lobus^ lap, vlarde. A.3,17. 

f la SC, fleesc, caro, vleesch. 1.E.2,5> 
H.6,10. 

flat, flait, mobüis, vlottend, roerend. 
J.M.F.9,37. Zie: flet en fleta. 

flax, linum, vlas. 0.1,64. 

flecht, fuga, vlucht. A-2,14. Flech- 
tich, fugaa, vluchtig. l.E.6,2. 0. 
12,13, 

fleesc, zie: f la se. 



189 



flemsohe— fiotieftig. 



190 



flemsche, numeta qtiaedafn^ Vlaamsche 
(zekere mant). Oh.I, 345. 

flent, Jluenêj mobüis^ roerend. 0.9,2. 
Zie: flat, flet. 

flesfel, lapnu in coenum^ projectio in coe- 
nttm, slgkyal, slgksmgting. l.E.5,16. 
H.4,21. 6,18. F.O.L.5,43. Plesfal, 

flet, flethe, flette, moMlis^ vlottend. 
0.9,2: So hwasoe sgn gued flet 
iefta flent, huset ende howat. 
Wie dat z^ goed vlottend en roerend, 
in zgn huis en hof neemt (huist en 
hooft). J.M.F.9,37 heeft: flat iefta 
flait. 

flet, doêj hnwelgksgoed. l.E.2,4. F. 
O.L.2,4. Flette, 

fleta, mobilem e^se^ mobilia esêe, Jlttere^ 
vlieten. A.v.1: Thet flat f on me- 
iekon and fon hunige. Dat vloei- 
de over van melk en van honig. 

fletech, refiigusj Jugiens, vlnchtend. 
H.5,7. 

flethe, fletta, mobUiaj inboedel, roe- 
rend goed. F.B.50,88. 39. 0.1,67. 
69. 4,4: So schil hi alle bifara 
flette tinga. Dan zal hij voor al- 
les het roerend goed aanspreken. 

f 1 e t i e f t i c h, móbüisy ineertae possessioniê, 
van onzeker bezit, roerend. 0.5,8. 
J.M.F.8,8: Dat haet alle fletief- 
tich goet, deer ma iont onaefta 
berne. Dit alles noemt men goed van 
onsceker bezit, dat men aan onechte 
kinderen (uit den boedel) geeft, 

fletiena, do», hawelgksgoed. A.2,4. 
H.2,4. 

fliande, mobüisj vlottend. 2.E.9. 

flyeth, companuntf schikken. J.M.F.n, 
327: Ende als hya seeneth en- 
de flyeth, (en) haelpond. En als 
zg zoenen en schikken een halbond. 



flioger, moneta qfioedam^ vlieger (zekere 
munt). F.Rjn, 12. 

fliot, riwbilis^ beweegbaar. F.O.L.1, 8: 
En skilling goldes, sa se ben- 
fest is, fliot se en half skilling 
goldes. Een gouden schelling, zoo zg 
(de wonde) beenvast is, zoo zg be- 
weegbaar is een halven gouden schel- 
ling. 

flitan, fluuntj vlieten, uitgaan. F.O.L. 
5,26. 

fliuch, Jngebat, vlugtte. Zie: fliuga. 

fliuesde, fliusde, incertus^ onzeker. 
FJft.32,22: Fliusde caep. Onzekere 
koop, vlottende koop. Fliuscaper, 
incertuB emtor^ kanskooper. F.B.32,22. 

fliuesverp, projectio Ittti, slgksmgting. 
0.10,36. 11,7. J.M.F.n,189. Flyus- 
werp. 

fliuga, Jugere^ vlugten. fi.L.2,3. A. 
2,14. F.R.50,48. B.217. 

flocskiwech, u2, quod^ poit corrupH- 
onem in priori Btatü^ reduei potestj be- 
schadiging, die in den vorigen staat 
kan tem^ebracht worden. B«67(van 
stakettingen enz.). 

flodfarend, trcJienSj slepend, trekkend. 
F.O.L.6,12: Iding thing is ter 
set vmbe thes flodfarande an- 
ck e r e n. Het waterr^ is ingesteld we- 
gens losgegane ankers (schipbreuken). 
Zie: Iding. 

floed, düuffiufn^ vloed, zondvloed. O. 
12,16. 

floed, invdsioj inval. J.M.F.2,2: lenst 
den wilda witzinges floed. Te- 
gen den woesten inval der zeeroovers. 

f loge, stirpsj genSj staak, geslacht. 
P.O.L.6,5: Tha fior flogum. De 
vier staken van verwantschap. 

flotieftig, fnobüis^ roerend. 0.5,8. 



191 



fiuyswerp — foerd. 



192 



fluyswerp. Ch.1, 104. Zie: fliues- 
verp. 

f o da, alerej voeden. £.L.3,59. 

fodinghe, alimentumj voeding, voedsel. 
F.R.34,9. 

foeel, accidebat^ geviel, gebeurde. F«B. 
64,12: Al foeel hit alzo. Al ge- 
beurde het aldus. 

foeer, foer, t?eAw(/romenft), voer (koren 
of hooi). F.B.8.11: Hoemanich 
foeër off hofule dat in da eker 
stond. Hoe menig voer of hoeveel 
dat op den akker stond. 

foeêrd, zie: foerd. F.R.15,37. 

foeërlieza, zie: foerliza. F.R.38,2. 

foeërstera, zie: foerstera. F.R. 
28,11. 

foeghd, foéget, tutor^ voogd. J.M.F. 
n,275. 

foeghdie, tutela^ voogdg. F.R.72,4. 

f o e g h i a, daudere^ sluiten. Ch.1, 104. 
J.M.F.II, 189: Uweerso ma an man 
foeghet, an haltene an heftene 
and an herabendum. Wanneer 
men iemand sluit aan het blok in ge- 
vangenis en in banden. 

foelen, accidebantj voorvielen. J.M.F, 
n, 267. 

f o er, deque^ ac^ als, voor. 0.1,70: Jef- 
ta foer ful deel nima. Of voor 
een vol deel nemen. 

foer, ante^ voor; pro, voor; supra^ bo- 
ven, voor. F.R.1,27. 23,1. 

foeranderia, foerantwerta, r^irpcm- 
dere de^ respondere aliquem^ responaum 
davBj verantwoorden, antwoorden, ant- 
woord geven. Ch.1, 532: Kom ende 
foerandert ende seyda. Kwamen 
gaf antwoord en zeide. Zie: Foran- 
deria. 0.4,11. 

foeraeskia, foeraschia, invenire^ 



••■ — t 



~»*- 



r* 



uitvinde]iii*F«R*61,l: Kan hg den 
riuchtschy^^iM foeraschia. Kip 
hg. den regtheboend^ uitvinden. — 
2.) provocare^ uiteischen, « oitforsGhen. 
F.R.12,34: Ende dyo wird faer- 
aeskye. En de waarheid ui^orschen. 

foerband, bantdius^, in den ^^MUi ge- 
daan. P.R.1,14. 25,1. •^. 

f o er berd, oonjiêcaius^ ^6UcafM^|4^TBr- 
beurd. F.R.2,12. ## 

foerbetteria, mdiorem reddere m>ndir 
tionem suam^ verbeteren. F.B.20,14. 

foerbyeda, inJterdicere^ verbieden. P.R. 
23,11. 62,11. 

foerbyginzen, praeterUua^ voorbgge- 
gaan. F.R.57,11. 

foerbonden, oUigaJtua^ verplicht, ver- 
bonden. F.R.2,23. 

foerbringa, delapidarej doorbrengen, 
te zoek maken. F.R.27,2: Onjeriga 
kyndena gued selt ieffta foer- 
brinckt. Het goed van minderjarige 
kinderen verkoopt of doorbrengt. 

foerbringa, transpartarej overbrengen. 
F.R.38,1. 

foercapia, vendere^ verkoopen. 0.1 137. 

foerclaria, explicare^ ophelderen, uit- 
leggen, verklaren. F.R.21,26. 

foerclaringhe, explicatio^ verklaring. 
F.R.21,26. 

foercrefta, constuprare^ verkrachten. 
F.R.13,4, 

f o er er y ga, obtinere^ verkrggen. F.R. 
55,6. 

foercryzen, supprimena^ verguizend. 
F.R.56,1: Is hg foercryzen den 
kersten lawa. Is hg verguizend het 
christelgk geloof. 

foerd, foeërd, porro^ verders. 0.1,9. 
— moxj terstond. F.R.9,6. 12,34. 
15,37. 



193 



foerdaesohia— foerhera. 



194 



foerdaeschia, eaigere, opeischen. F.R. 
24.15: Hweerflo een man foerd- 
aeschet wfrth, ende hg dan 
8 w er re schil. Wanneer iemand op- 
geeischt wordt en hg dan zweren zal. 

foerd de laf in favorem alicuju^ judicare^ 
ten «yoordeele van iemand vonnissen. 

j|.^o%r4fyndelt| in favorem aticujus judi- 
eare^ ten voordeele van iemand von- 

*" nissen. 0.12,7.4: Dat ma dyne hal- 
dere aeg foerd to fjnden an da 
lioedwarre. Dat men aandenvolks- 
werf ten voordeele van den beklaag- 
de zal vonnissen (in twgfelachtige 
zaken). 

foerdgaen, jure haereditatis tranaferriy 
vererven. 0.5,4: Dat alle lawa 
agen foerd to gaen. Dat alle er- 
fenissen behooren te vererven. 

foerdgaen, prae €88$^ praetaUre^ voor- 
» gaan. 0.12,8. 

foerdgong, processiUj voortgang, pro- 
ces. F.B.1,6. 18,24. 

foerdylga, deêtruere^ verdelgen. F.B. 

ia. 

foerdmeer, ffoerdmeer, porroj ver- 
ders. P.R.15,52. 0.17,3. 

foerdomenisse, damnatioj verdoeme- 
nis. F.B.56,1. 

foerdsterka, oonfivmate^ versterken. 
F.R.81,14. 

foerdwinst, iMcrum^ commodum^ voor- 
deel, overwinst. F.R.26,5. 

foerfaer, defiinctu8^ overledene, verva- 
rene. F.R.22,28. 

foerfalschia, vitiarej vervalschen. 
F.B.56,1. 

foerfeemd,tn/bmt9, eerloos. F.R.25,33: 

. Een foerfeemd man, deer een 

seeck deen haet, deer hij syn 



riucht ende syn era mey wr- 
lern haet. Een eerloos man, die 
eene zaak gedaan heeft, daar hg zgn 
regt en zgne eer mede verloren heeft, 
f oer f e er d, perterritus^ vervaard. O.v. 
foerfirder, ardecessor^ voorganger in 
eene zaak. F.R.15,71: So schel dg 
riuchter da seeck aldeer begin- 
na, deer 't syn foerfirderen le- 
ten habbet. Dan zal de regter de 
zaak aldaar beginnen, waar het zijne 
voorgangers (do zoenlieden) gelaten 
hebben, 
foerfolgia, pergequi, vervolgen. F.R. 

2,12.24. 
foerfolgia, actionem contra aliquem in 
jure conetituere, iemand in regten aan- 
spreken. F.B.9,5. 
foerfolgia, eaecutionem dare alicui rei^ 
eene zaak ten uitvoer brengen. F.R. 
46,8. 
foerfolla, foerfulla, perficere^ ver- 
vullen, voldoen. F.R.32,5. 0.1,61. 
f o e r f r e m ud, exclume^ uitgesloten. F.R. 
75,1: Foerfremud in alle riuch- 
t e n. Uitgesloten van alle rechten (bui- 
ten de wet gesteld). Foerfremnd. 
fo erg aria, perficere^ voleinden, beslis- 
sen. F.R.32,9: Hweer so dg caep 
wirt foergaret bij frga willa. 
Wanneer de koop vrgwillig gesloten 
wordt. — F.R.45,5: Een foergareth 
seeck. Eene besliste zaak. 
foergaringhe, collegium^ congregatio^ 
verzameling, gezelschap, vergadering. 
F.R.70,6. 
foergiffnisse, AaWoiaft'o, waarzeggerg, 

voorspelling. F.R.80,8. 
foerguld, deauratus^ verguld. F.R. 

72,4. 
foorhera, clocare, verhuren. F.R.77,9. 

13 



195 



foerhoda— foerredenisse. 



196 



foerhoda, cavere dcj verhoeden. P.R. 
64,26. 

foerhwxsumheed, cautiöj aecuritasj 
reparatio damniy borgtocht, zekerheid, 
schadeloosstelling. Ch.1, 773. 

foeriagia, «^eZfere, veqagen. P,R.71,5. 

foeryenis, frustra^ vergeefsch. P.R. 
1,11. (foeryeuis?) 

foerjetta, oiZmW, vergeten. P.R.37,13, 

f o erker a, mutor^, veranderen. F.R.37,8: 
Als een menscha wonnen haet 
een wrichte ende dat waer foer- 
keert, off reynth. Als iemand een 
werkman gewonnen heeft en het weder 
verandert of het regent. 

f o e r k e r a, impedire^ beletten. P.R. 1 , 1 1 : 
Deer dat riucht moya wil of 
f oer ke ra. Die het r^ moegen wil 
of beletten (verhinderen). 

foerkera, habitare, wonen, verkeeren, 
zgn verblgf houden. F.R.20,1 6: Deer 
hg haed huusreed ende dyr hij 
dyn mara deel haet fan syn gue- 
den ende steedlick is foerkee- 
ren. Daar hg zgn huisraad heeft en 
daar hg het meestedeel heeft van zgn 
goed en steeds woont (verkeert). 

foerlenigha, concedere, Yerleenen. F.R. 
60,19: Hwanneer hym God sofu- 
la forlenighet haet. Wanneer God 
hem zooveel verleend heeft. 

foerlerren, perditusj verloren. P.R. 
20,12. 

foerlibba, supervivere^ overleven. P.R. 
46,25. 

foerlidza, recusare^ wraken; imponere^ 
opleggen. F.R.63,6. 

foerlyck (allyck), ejusdem jurisj ge- 
Igke na. F.R.50,5. 

foerlieza, foerlyoesa, foerlyosa, 
foerliusa, foeerlieza, perder^, ver- 



liezen. P.R.2,20. 3,16. 25,27. 33,11. 

38,2. 
foerlinsa, prolongare^ verlengen. P.R. 

2,38. 
foerlossa, liberare^ verlossen. P.R. 

50,30. 
foermaledgd, candemnatus^ verdoemd. 

P.R.62,2. 
foermetta, arrogare, vermeten. P.R. 

25,35. 
foermia, emtare^ vermgden. P.R.72,7. 
f oer mi ds, per, door, tengevolge, ver- 
mits. P.R.56,3: Poermids gane. 

Tengevolge giften, 
foerminria, diminuerej verminderen. 

F.R.37,4. 77,1. 
foermoda, irUentionem habere^ voornemen 

hebben; veUe^ willen. P.R. 13,46. 
foermoda, censeren (het er) voor houden. 

vermoeden. P.R. 58,1. 
foermoden, foermodinghe, stispicio. 

vermoeden. P.R. 13,46. 26,13. 
f oer mond, iutor^ voogd, voormond. 

P.R.26,8. 
foernogia, satisfacere^ solvere^ voldoen, 

vergenoegen. P.R.39,5. 
foerpachtya, elocarcj verpachten. Gh. 

1, 540. 
foerpenda, oppignorare^ verpanden: P.R. 

37,2. 
foerreda, /m>(2^^, verraden. P.R.56,1. 
foerrede, (xmsïUum^ ddiberatio^ beraad, 

overleg. Ch.I, 252:Mit gueda foer- 
rede. Met goed beraad, 
fo er re den, acquièitas^ verkregen. F.R. 

43,3: Dat land fan syn selnis 

braed hym foerreden haet. Dat 

land door zgne eigene begeerlgkheid 

verkregen heeft, 
foerredenisse, dolusy list, verraad. 

P.R.43,3. 



197 



foerscadigia— foerwandlia. 



198 



foerscadigiRf laedere^ beschadigen. 
F.R.3794: Ende suickdeen gned 
foerscadiget wirth. En zoodanig 
goed beschadigd wordt. 

foerschelda, cidpa amittere^ door schuld 
▼erliezen. P.R.87,1: Foerbeert en- 
de foerscholt. Verbeurd en door 
schnld verloren. 

foerschyn, foetus^ gemaakt, geschied. 
F.B.32,23: Ende da forwerda dyr 
foerschgn sint. En de voorwaarden 
die gemaakt zgn. (Ofwel: f o er schyn, 
te voren geschied, gemaakt zijn). 

foerscriden, perpetratus^ begaan. Ch.I, 
345: Foerscridenna secken. Mis- 
daden. J.M.F.n,290. Overtredingen, 
gepleq^ zaken. 

foersecka, negare^ pemegarej ontken- 
nen, verzaken. F.B.56,1. 

f o e r 8 e n a, placare^ verzoenen. F.R.in, 6. 

foersethf oppignoratus^ verpand. F.R. 
30,27. 

foersin, propontum^ opzet. F.R.18,18: 
Wytlick ende myt foersin. We- 
tende en met opzet. 

f o e r s m a y a, vüuperarej versmaden. F.R. 
1,34, 18,7. 

foersprecka, arguere^ wraken. F.R. 
15,69. 

foerspreka, patromis^ voorspraak, pro- 
cureur. F.R.1,7. 2,27. 25,1. 

foerstaen, examinarej percontari^ on- 
derzoeken. F.R.11,8. 12,34. 

foerstaen, comprehenderej verstaan, be- 
grgpen. F.R»48,2. 

foerste, praeeipuuê^ overste. F.R.70,6. 

foerstera, turbatOTj verstoorder. F.R. 
28,11: Dat is een foerstera der 
jowa gastlick riucht. Die is een 
verstoorder van uw geestlgk regt. 
erstinzen, comprdieMuSt verstaan* 



F.R.17,6: Folcomlick foerstin- 
sen. Volkomen verstaan. F.R.3,2. 

foersumige, foersumicheit, negli^ 
gentia^ verzuim. F.R.40.4. 58,28. 

foerswiga, reticere^ verzwijgen. F.R. 
12,26. 

foert, iterumj porro^ mox, wederom, 
verders. F.R.37,5. 

foertbrenga, aferre^ bgbrengen, aan- 
halen. F.R.1,10: Als een fynnich 
seeck, deer ma foertbrenckt 
toe riucht. Als eene slechte zaak, 
die men aanbrengt als regt. 

foertbringa, exigere^ eisschen. F.R. 
4,3: Hwaso qwelyck recknat 
jeff foertbringt. Wie kwalgk re- 
kent of eischt. 

foertege, zie: foertigia. 

f o e r t f y n d a, in favorem alicujtujudicarej 
ten voordeele vonnissen. F.R. 1,4. 

foertgong habba, continuarej voort- 
gang hebben. F.R.1,10. 

foertgongen, (J^cencien^, nedergaande. 
F.R.50,1: Foertgongen lawa, wr- 
beckgongen lawa. Nedergaande er- 
fenis, opgaande erfenis (teruggaande). 

foertiden, ante, prius, olim, eertgds, 
voortgds. F.R.46,13. 

foertyenste, meriium, verdienste. F.R. 
56,1. 

foertigia, solvere, betalen, opbrengen. 
0.3,7: Klipschielda foertege en- 
de huuslaga golde. Elinkschat- 
ting opbrachten en huisschatting be- 
taalden. 

foertreder, violator, overtreder. F.R. 
81,2: Boesheyt der foertreder. 
Boosheid van de overtreders. 

foertwirtza, pergere laborem, voort- 
werken. F.R. 3 7, 8. 

foerwandlia, mt*/arö, veranderen. F.R. 



199 



foerwarer— folc. 



200 



7,6: Syn libel naet foerwand- 

lie. Zijn libel (eisch) niet veranderen, 
f oer war er, fwtor, voogd, bewaarder. 

F.R,26,9: Mond joff een foerwa- 

rer. Voogd of een verzorger, 
foerwilkaria, voluntarie ae mbmittere^ 

constituere juriadictiani alicujus, zich 

vrgwillig onder iemands regt stellen. 

F.R.13,14. 
foerwinna, vincere^ verwinnen. P.R. 

12,16. 
foerwirka, peccare, zondigen. P,R. 

56,10: Een falsck orkena foer- 

wirket God. Een valsche getuige 

zondigt jegens God. 
foerwirta, confUtiones^ voorwaarden. 

F.R.37,1. 

foerwisa, foerwysa, condemnare^ yet^ 
oordeelen. F,R.12,33. Ner fan der 
jecht naet foerwisa mey. Noch 
w^ens de bekentenis veroordeelen kan. 

foerwita, imputare^ ver wg ten, toere- 
kenen. F.R.58,28, 

foerwrocht, publicatus, amisêti^j ver- 
benrd. 0.3,1. 

foetka, duelium inire; foet opsetta, 
dueUum offere^ twe^evecht houden, 
aanbieden. Ch.I, 699: En wold er 
syn foet opsetta. En wilde een 
tweegevecht aanbieden. — Deer naet 
foetka wil. Die niet een tweege- 
vecht wil houden. 

foethwerst, articulus pedis ^ gewricht 
van den voet. Ch.I, 100. 

foghetheed, juramentum administrator 
ris bonoTum ecclesiasticorum ^ eed van 
een kerkvoogd. J.M.F.II, 303. 

fögya» accomodarej aptare^ schikken, 
voegen. F.R.50,22: Dat ma da 
strengheed ney da riuchtme- 
thigia schil ende fogia mey. Dat 



men de gestrengheid van het recht ma- 
tigen zal en schikken mag. 
fogya, placere^ goeddunken. F.R.50,32: 
Ende reka da sisteren, deer 
hymmen foged. En geven aan de 
zusters wat hun goeddunkt, 
f o g y a, competere^ toebehooren. F.R.2,31 : 
Hyne foget nen banne. Hem be- 
hoort geen ban, voegt geen ban. 
fogya, addere, vo^en, bgvoegen. H.9,2. 
fogid, tutorj voogd. O.r. 
foirndeel, foirndel,pr(>prte^a*, eigen- 
dom; jura^ regten, voordeel. Ch.I, 350. 
J.M.F.n, 306: 1 n zyn foirndeel to 
si t ten. Op zijn eigendom te zitten, 
fol, totusj geheel. F.R.17,11: Naet 
fol lyowa. Niet geheel gelooven. — 
2.) prorsus^ omninOj vol, ten volle. O. 
1,31: Al ont hit fol bitinget is. 
Totdat het voldongen is. 
fol at h, sequitur j volgt. F.O.L.I, 44: 
And hiam thi rediena ther to 
folath. En de r^ter hun daarin volgt, 
fol baren, in forma perfecta natus, vol- 
geboren; leqitime natus^ wettig gebo- 
ren. F.R.50,12. 
folbrynga, folbynga, probare^ be- 
wezen. F.R.63,2: Ende dat naet 
folbringa mey. En dat niet bewg- 
zen kan. — 2,) administrarej obire^ 
funffi, volbrengen, volvoeren, waarne- 
men. F.R.73,1: Als hg dat ampt 
der helligher tzercke sonder 
schanda folbynga (folbrynga?) 
mey. Als hg dat ambt der heilige 
kerk, zonder schande, kan waarnemen, 
folbrocht, probatus^ bewezen. 0.13,8: 
Wirth hit folbrocht mit riucht. 
Wordt het met regt bewezen, 
folc, folck, populus^ volk. H.r. O.i?. — 
. 2.) familia^ huisgezin. F.R.64,6: Syn 



201 



— foner. 



202 



folck off syn fryonden. Zijn huis- 
gezin of zgne vrienden. 

folcommelick, aatis, perfecte, volko- 
men. F.R.8,4. 

folcwige, beUum publicum, openbare 
oorlog. J.M.F.13: Alsoefyr soe si 
machte an folcwige wessa. Voor 
zcoverre zg in openbaren oorlog mog- 
ten zgn. 

foldwaen, aolvere, satisfacere, voldoen, 
betalen. F.B.42,4. 

folgia, sequij volgen. E.L.3,36. A.v.1. 
4,2. 0.1,30. B.B.16. folath, volgt. 
• F.O.L.I, 44. 

folger, conductor, cojurator, volger, me- 
dezweerder. F.O.L.3. 0.2,6. F.R.15,59. 

folherdich, conatans, volhardend. F. 

R.2,11. 

foliath, obêervant, YÓlgen, A.t;.2: Ther 
tha rivchte foliath. Die het recht 
opvolgen. 

folyelda, solvere, betalen, voldoen. 
F.R.m, 16. 

folk, congregatio hominum, volksverza- 
meling. A.2,19: Hwa sa binna 
folke fiuchte. Wie in eene volks- 
verzameling vecht. Zie: folc. 

folkledere, dux, aanvoerder, volkslei- 
der. A.9,9. 

folla, solvers, betalen. 0.3,9. 

foUa, equulus, velen. F.B.39,4. 

folie, muUus, veel; plenua, vol. F.R. 
21,8. 

follingha, aatiafactio, voldoening. O. 
1,37. 

folliste, auxüium, hulp. 0.1,30: Dat 
hi deer mede an folliste were. 
Dat hg daarbg hulp bood. Zie: folste. 

folmachtig, vcdena, van waarde, van 
kracht. F.R.21,34. 

folschyda, aatiafacere, aatiafieri, voldoen, 



voldaan worden. F.R.50,31: Dat da 
susteren folschy fan da eerff- 
scip. Dat de zusters voldaan worden 
uit de erfenis. 

folsib, folla sib, cognatio plena, volle 
verwantschap. F.R.50,21 . 

folste, aequela, geyolg. F.R.60,2: Deer 
aldeer folste ende help to dwaed. 
Die aldaar bijstand en hulp aanbren- 
gen. — Ch.1, 394: Da redesluide 
mit to folst der burenna dat 
to sona to driwane. De raadslie- 
den met bijstand der buren dat tot 
verzoening te brengen. 

folstandig, constana, volstandig. F.R. 
2,11. 

foltella, perapicue enarrare, genoeg ver- 
halen. 0.3,17: Ende fan da pi- 
nen, deer in da helle sint, mey 
ma naet foltella. En van de pg- 
nen, die in de hel zgn, kan men niet 
genoeg zeggen. 

foldwaen, aatiafacere, voldoen. F.R. 
43,9.13. 

fomna, virgo, maagd. l.E.1,15. 

f on, ab, van. H.r. E.L.3,1, A.5,9. 

fona, vexülum, vaan. A.7,5. l.E.2,12. 

fona, f on na, anciUa, dienstmeid. E.L. 
3,10: Enape iefta fona. Knechten 
of dienstmeiden. Virgo, maagd. 

f on den, inventua, uitgevonden, gevon- 
den F.R.36,6. 0.9,27. 

ionden, judicatua, gevonnisd. F,R.30,24: 
Deeld off fonden is. Beslist of ge- 
vonnisd is. 

f on de ra, niti, inniti, ccm^tare, zich gron- 
den, fiindeeren. F.R.58,8: Hyr op 
fonderet, bede, gastlick endQ 
wralsch riucht. Hier op grondt 
zich beide, geestelgk en wereldlgk regt, 

foner, vexillariua, vaandrager. F.O.L.3. 



203 



fonfere —forianwen. 



204 



fonfere, oitïuff, afreis. H.10,4: Jeftha 
on there tofere ieftha on there 
fonfere. Of in de heen- of op de 
terugreis. 

fongvnga, abirej weggaan. B.217. 

f onna, virgo^ maagd. 2.E.4,43. Zie: 
f o na en fomna. 

font, baptisterium^ doopvont. O.4,l0. 
F.R.49,3. 

for, in, proj voor. E.L.1,43. 

fora, dexter, regter. 0.1,71: Fora 
hand. Regterhand. 

fora, porroy verders. 0.1,59: Jef ma 
him fora opsprecka wil. Zoomen 
hem verders wil aanspreken. 0.4,11. — 
2.) priitSj eerder. 0.12,13: Ende 
naet fora to biseken dan it ta 
lioedware. En niet eerder te on- 
derzoeken dan aan den volkswerf. — 
3.) forre, tiUerius^ verder. F.R.21,25. 
Zie: forre. 

fora, tVe, decedere. B.109: Ferth hiu 
fon tha grewe vt a werem. Gaat 
zg van het graf uit het bezit (de wo- 
ning). 

forakingha, probatio^ bewgs; augmen- 
tatio^ vermeerdering. Ch.1, 613: En- 
de dat om een netticheyt ende 
forakinghe dis friondscipis.En 
dit tot nut en bewgs van vriendschap. 

foramunder, tutar, voormond. H.2,6, 

foranderia, responderen verantwoorden. 
0.4,11: Fora ne aegh hij 't to 
foranderien. Verder behoeft hg het 
niet te verantwoorden. 

foratinsa, in memoriam revocare^ re- 
minisci, zich herinneren, heugen, F"R. 
64,17: Dat nymen foratinse mey. 
Dat niemand heugen mag. 

forbolgen, iratus^ verbolgen, vergramd. 
£.L.2,4. 



for da, pluteus^ hek, sluitboom. E.L. 
1,92. B.60. 

for dele, area domus^ plein voor het 
huis. F.R.60,22. 0.1,30.70: So schel 
ma her folgia mit ta aesga ti 
da fordel. Dan zal men haar met 
den regter tot het plein voor het huis 
volgen. 

fordel e, commodum^ voordeel. 0.13,10. 

forder, dexter^ regter. 0.13,8: For- 
d er ah and. Regterhand. 

fordera, occidere, dooden. J.M.F.15: 
Dyr forderth weren gn sekken» 
Die in zakken gedood werden. 

for dr u eken, dilapidaius htbendo^ ver- 
dronken. F.O.L.6,3: And queth 
thet, thet tha monnes heyne 
fordrucken hebbe. En zegt dat, 
dat de mans bediende het verdronken 
heeft, (fordruncken?) 

fordriwa, expellere^ verdrgven. O.v. 

fore, /m>, voor. B.101. 

foremund, formund, tutor^ voogd. 
F.O.L.4,5.37. 

foremunda, tutéUx^ voogdg. B.96. 

forfalla, haereditatis jure transirê, ver- 
vallen, in erfenis vallen. E.L.3,14.70. 

forfanda, defunctus^ overledene, verva- 
rene. F.O.L.8,16: Heth thi for- 
fanda thet recnat vppa sin leste. 
Heeft de overledene dit op zgn sterf- 
bed berekend. 

for f ara, moW, sterven. 0.4,2. 

forferene, defunctij overledene. 2.E. 
3,23. 

forfulla, satis/acere^ voldoen. 0.1,74. 

forgatherad, congregatus^ vergaderd. 
E.L.2,1. 

forhafde, forhaude, forhaved, /roii*, 
voorhoofd. A.3,2. F.O.L.5,1. 

foriauwen, veneno occisus^ vergeven. 



205 



foribranga— forste. 



206 



J.M.F.15: Ende wardt foriauwen 
fen sgn agn moer. En werd door 
zgne eigene moeder vergeven. 

foribranga, probare^ bewijzen. A.7,18: 
And tbet otber wif mith wer- 
de foribrangat. En de andere vrouw 
met getuigen bewgst. 

forief, donabatj schonk. l.E.1,1. 

forieft, absobitiOf kwgtschelding, schen- 
king. E.L.2,7. 

forieva, donare^ schenken. l.E.l,l- 

forifalla, mori^ sterven. A.5,6: And 
kinda tein hebbath and hiara 
ether forifalle. En kinderen ge- 
teeld hebben en een hunner sterft. 

foriflechtoch, profisgtUj voortvluchtig. 
F.O.L.1, 50. 

forifongera, forifonghera, is^ qui 
amJte aUquid abstulit^ fecit. Die vroeger 
aan iemand iets a%enomen, gedaan 
heeft. A«7,l: Sa hwa sa breke, 
thet hi bete, hit ne se, thet hi 
forifongera winne. Wie dat ver- 
beurt, die boete, tenzg hg zich op vroe- 
gere daden beroepen kan. F.O.L.1, 
29. 

foriwernande, obatinaa^ wederspau- 
nig. A.1,9: Hwa sa tha kininge 
werth foriwernande. Wie den 
koning wederspannig wordt. 

f orka, fiérea^ vork. A.7,8. 

forledene, defunctue, overledene. F. 
O.L.6,13: Tha wrfath tha for- 
ledene. Die vervangen de overlede- 
nen. 

f o r li d z a, producere, voortbrengen, voor- 
leggen. B.114. 

forma, imago^ beeld. 0.9.12,13. 

forma, primuê, eerste. l«E»v. H.v. Av. 
formeste. H.2,1. 

forma, moduê, vorm, manier. F.B.3,6: 



Ney der forma, deer dat breef 
inhalt. Op de manier als die brief 
inhoudt. 

formels, olim^ eertgds, voormaals. Ch. 
I, 335. 

formyds, per, vermits, tengevolge van. 
F.R.15,35. 

formitha, evitare, vermeden. H.2,25. 

forndeel, commodum, privïlegium, voor- 
deel, privilegie. F.R.20,10. 22,1. 

fornedrya, vituperare, verachten, be- 
leedigen. J.M.F.II, 301: Bihyndrya 
iefta fornedrya. Hinderen of ver- 
achten. 

fornima, subsentire, vernemen. H.9,1: 
Tha hi thet f om om. Toen hg dat 
vernam. 

fornste, primus, eerste. 0.12,13. F.R. 
36,19. 

f o r r e, porro, ulterius, verder. F.R.21 ,25: 
Dat se naet forre fee. Dat zij 
niet verder gaan (tasten, vatten). 

forruchsimheit, Uxetttia^ vreugde. 
Ch.1, 435: Vm da joga forruch- 
simheit ende salycheit. Om de 
eeuwige vreugde en zaligheid (verheu- 
genis). 

fors, vis, kracht, geweld. J.M.F.15: 
Dauid dy quam ney hem mit 
fors. David volgde hem op door ge- 
weld. 

forseyth, praedidus, voorvermeld. Ch. 
1,242: Lic tha forseytha pon- 
tem. Gelijk de voorvermelde punten. 

forsionich, promdus, voorzienig; cu- 
rans, oplettend. Ch.I, 700. 720. 

forslagn, devictus, occisiM, verslagen, 
gedood. 0.2,1. 

forsmaga, vituperare, versmaden. H. 3, 1 • 

{orsiA, princeps, vorst. F.B.in, 2. 

forste, frigus, vorst, koude. 0.4,2. 



207 



forstan— fortrech. 



208 



T*«^ 



forstan, mente camprehendere^ verstaan, 
begrgpen. H.9,2. 

forstitzen, occultus, verborgen, versto- 
ken. Ch.1, 720: Az in Dongera- 
deel of deeromtrint hiara gue- 
den forstitzen en onthalden 
w ir dit. Als in Dongeradeel of daar- 
omtrent hnnne goederen verborgen en 
onthouden worden. 

forstonda, administrare^ voorstaan, be- 
stieren. E.L.3,9: Alderlose kinder, 
ther him selua nawt mugath 
forstonde. Ouderlooze kinderen, die 
zich zelven niet kannen besturen. 

forswerra, ejurare^ perjurare, verzwee- 
ren. 0.t>. 

fort, forth, porroj longius, verder. A. 
2,9. F.O.L.5,15. H.2,25. l.E.6,1. 

fortaskia, citare, dagvaarden. F.O.L. 
4,16: Jef thi deken anne mon 
forthaskie buta tha ethswora 
wrogenga. Zoo de deken iemand 

, zonder klachte van de gezworenen dag- 
vaart. F.O.L.4.21: Fortaschat. 

fort deis, directe j terstond. F.O.L. 

7,1. 

forth, zie: forwarth, fort: 

forthdriwa, persequi^ vervolgen. B.3: 
And ne driuath tha talemon 
jof tha redieua thith riucht 
naut forth. En de taalmannen of 
de regters dat regt niet voortzetten. 

forthlera, docere, iemand leeren, on- 
derwazen. A.t;.l: And hi forth- 
lerde tha Israheliska folke. En 
hij onderwees het Israëlitische volk. 

forth liwa, mpervivere^ overleven. l.E. 
6,1: Huersa thet alder sin kind 
forthliwa (forthliwath?). Wan- 
neer een ouder zgn kind overleeft. 

forth inur, porro in, verders in. A.3,17. 



fortbrede, zie: forthskette. 

forthsedel, occupatio langiar^ het lan- 
ger in bezit houden. J.M.F.10,2: 
Hwa soe en huus an ene mer- 
kede selt ene synre bure, ende 
hi den stede bihalt ende dl ka- 
pere dine forthsedil wint ende 
bitingath, hir hit is langra soe 
cortera. Wie in eene marktplaats 
aan een zgner buren een huis verkoopt 
en h^ den grond behoudt, en de koo- 
per het langer bezit hetzg langer of 
korter, wil hebben en bedingt. 0.13,2 
heeft: s e delf o er d, het bezit verder. 

forthsetta, persequi^ vervolgen, voort- 
zetten. 2.E.2,2: The hia tha ha- 
nethe forthsettath. Dat zg de be- 
leediging vervolgen. 

forthskette, forthrede, pravenius^ 
opkomsten, vruchten, jong vee. 2.E.9. 

forthsteppa, joro^redt, vooigaan. I.E. 
2,5. H.2,5. 

fortledene, perseeutio^ vervolging. 
F.O.L.6,16: Ne vr tha thredda 
hond nene fortledene dwa. Noch 
over de derde hand vervolging doen. — 
Nen strid fortleda vr then dre- 
gande schild. Geen strgd vervolgen 
buiten het regtsgebied. • 

forti e wa, relinquere, nalaten, RO.L. 
6,9:Sture thera berna eng, thet 
se fortlefde vppa sinne broder. 
Stierf een der kinderen, dat zg het 
moeten uitlaten op hunnen broeder. 

f or tocht, praemeditatus^ voorbedacht. 
Ch.I,343. J.M.F.n,281: Mith for- 
tochta synne. Met voorbedachten 
rade. 

fortrech, retardaJtio^ vertraging. Ch.I, 
335: Sunder fortrech. Zonder ver- 
traging. 



209 



forwalde — fireana. 



210 



Forwalde, Ferwoude (dorp in Friesland). 
Ch.n, 42. 

forwarth, forth, in anteriorem partem^ 
voorwaarts. E.L.1,31. 

forwerde, tempus conductionisj conditio^ 
▼oorwaarde. 0. 1 ,49. 

forwerk, tugurium^ praedia, boerderj, ' 
▼oorwerk van een klooster. Ch.I, 519: 
Hweer soe da conventes lyoede 
hiara ayn forwerk bysetten hab- 
beth myth hiara ayn monken. 
Wanneer de kloosterlingen hunne ei- 
gene boerdery bezet hebben met hun 
eigen monniken. 

forwirda, forwirtha, conditie^ voor- 
waarde. F.R.15,34. 22,12.17. — 2.) 
conditioj stand. F.R.15,2. 

forword, omdtftb, voorwaarde. E,L.3,2. 

forwrocht, amissus, publicatusj ver- 
beurd, verwerkt. 0.8,12: Forwrocht 
Godes hulde. Gods genade ver- 
beurd. 

fot, peê, voet. E.L.1,37. H.4,1. 

fotad, pedibus praeditus^ voetig, dat voe- 
ten heeft. F.B.45,18: Fyowerfota- 
de schetten. Viervoetig vee. 

fotsperne, fotsporne, impedimentum 
dare pedibus^ quo quis labiturj voet- 
sperring, iemands voeten in het gaan 
hinderen, waardoor hjj valt. H.4,37. 
2.B.1,1. E.L.1,7. 

fotwirst, fotwrits, articulus pedis, 
voetwervel, gewricht. F.O.L.5,21. 

foud, foechd, foeget, foget, fiochd, 
eirfor, voogd. J.M.F.II, 274. 275. 
0.1,6. 

fonna, fovna, fona, fonna, famna, 
femna, fomna, andllaj dienstmaagd; 
virffo, maagd. B.93.94.107. B.L.3,10. 
l.E.1,15. 2.E.4,43. H.1,15. 4,7. O. 
1,8. 



fraemd, peregrinus, vreemd; non cogna- 
tusj niet verwant. 0.5,7. 

fraes, fraeshced, periculum, gevaar. 
F.R.45,3: Dat weer fraes des man- 
nis se el. Zulks was gevaarlek voor 
des mans ziel. — F.R.2,24: Fan 
fraesheed syn lyf off fen oers 
needsecken off nyoedseckeu. 
Wegens gevaar voor zijn leven, of om 
andere noodzaken ofnooden. 0.11,42. 
F.R.58,8. Ch.1, 104. 

framde, peregrinusj vreemde. A.2,6. 

frametha, alienarsj vervreemden. F.R. 
50,38: Alzo hit byteyn is and 
fan da hirde framethat. Alzoo 
het betogen is en van den haard ver- 
vreemd. 

framia, prodesse, voordeelig zyn, vro- 
men. Ch.I, 349. J.M.F.II, 304. f ro- 
mia, frommia. 

f ram ma, honorare, vcreeren; prodesse, 
voordeelig zijn. F.O.L.4,4: Th er ma 
Godes thianst mithe framma 
schol. Waar men den godsdienst voor- 
deelig mede zal zgn. — 2.) satisfacere, 
voldoen. J.M.F.6,17: Ende framma 
dae manne dat wcdcricld. En 
voldoet den man het weergeld. 

f ra na, scultetus, schout, irone. H.1,2. 
A.4,2. Ch.I, 118. 

frasa, periculuni, gevaar. A.2,9. O. 
10,8. Zie: fraes. 

fraslik, periculosus, horribilis, gevaar- 
lek, vreesselijk. B.B.1. 

fre, libevj vry. A.9,11: Thes scnd 
fre to tha iungosta di. Dezezjjn 
vrij tot den jongs ten dag. 

freana, commodum, voordeel. 2.E.4,40: 
Therefther skatha and freana 
a tua. Daarna de schade en bate in 
tweeën. 

14 



211 



&ed— firethofest. 



212 



f red (ferd?), actio^ handeling. H.8,7. 
Zie: ferd. 

fredi, dies veneris^ vrgdag, 0,1,23. 

freedde, pax^ vrede. J.M.F. 1,3. 

freedeed, juajurandurn pacis conservan- 
dcC^, vrede-eed. F.R.III, 10. J.M.F.II, 
304. 

freedloesbrekir, qui vituperat senten- 
tiam, qua proscriptus est^ proscriptus, 
de vredeloosheid verachtende, vrede- 
looze. F.R.66,5. 

freemsend, freemsind, primum judi- 
cium synodale^ eerste zeend, voorzeend. 
Ch.I, 341. J.M.F.II, 267. 

freesch, frisicus^ friesch. 0,7,1: Di 
Decken schil vessa fri ende 
freesch ende fulre berthe bo- 
ren ende syn vyed ende syn 
riucht onforloren ende enis le- 
ka 8 oen. De Deken zal zijn vrij en 
friesch en van volle (wettige) geboorte 
geboren en zijne wijding en zyn regt 
niet verloren (hebben) en de zoon van 
een Leek, J.M.F.7,2, 

frega, fregia, rogare, vragen. F.R. 
2,14, 8,1. 

freginge, interrogatio^ ondervraging. 
F.R.11,3. 

frey, laetus, vrolyk. F.0.L,3: Hv frey 
monich Fresa thes was, Hoe 
verheugd menig Fries daarover was. 
0.2,7. Froe. 

freyteed, freytheth. Ch.I, 105. J. 
M.F.II, 191. Zie. Freedeed. 

fremdsind. J.M.F.II, 269. Zie: freem- 
send. 

frerama, satisfacere^ voldoen; solvere^ be- 
talen. 1.E,3,5: Sa fremme ma tha 
monne sin god, half a hond 
and half nime 'th thi Greua. 
Dan bctale men den man met z^u 



goed; de helft in de hand (aan hem) 
en de helft neemt de Graaf. 

f rem o, utilis, nuttig, voordeelig. A. 
2,9: And firor fiucht, tha a- 
hweder se fremo ieftha fere. En 
verder vecht, dan nuttig en noodig is. 
0.6. Froem. 

frese, periculum^ incommodum^ gevaar, 
schade. Ch.I, 394: Daer frese fan 
bischeen mochte. Daar gevaar 
door geschieden konde. Zie: fraes, 
frasa. 

freslan, antiae^ haarlokken, krullen. 
Ch.I, 104. Zie: frislen. 

freta, turbator pacis, vredebreker, vre- 
delooze. B.132. 133: Fait thi tich- 
tega oppa thene freta, sa felle 
tha holda. Valt de beschuldiging op 
den vredelooze, dan betalen de vrien- 
den. 

fret e, pace jpnrafiw, vredelooze, A.6,12. 

fret ha, paa, vrede. H.1,2. B.44. 

frethebon. F.O.L.4,15. Zie: ferdban. 

freteghe, compositio pacis j vredebevel. 
F.0.L.6,17: Hwa so otherem the- 
ne wey want buta thisse fre- 
thegum. Wie den anderen boven 
deze bevredigingen den weg belemmert. 

frethelos, fretholas, pace privaJtus, 
sine pace, vredeloos, buiten vrede, 
frethlas, E.L.2,7. 2.E.2,7. A.6,5.6. 

frethepenningar, frethopannig, 
multa fredae, pacis, vredegeld. 1 .E. 1 ,9. 
H,l,9. A.1,9. 

frethia, conciliare, bevredigen; poenatn 
solvere, vrede betalen. A.6,5. 

frethofest, fraedae obnoxius, debitor, 
boetvallig. A.2,14: Sa is thet al 
twibete, thet ma him ther ef- 
ther in deth and frethofest; 
and enbete, alle thet hi ut- 



213 



firethlas— frindelf. 



214 



finclit and fretholas. Dan is het 
alles dubbele boete, wat men hem 
daarna daarin doet en boetvallig; en 
zonder boete, wat dat hg uitvecht (tot 
verdediging doet) en niet boetvallig. 

frethlas, fretholas, zie: frethofest, 
frcthelos. 

frethma, fretma. 2.E.t;. F.O.L.II. 
Zie. briasechtum. 

frewelheed, correctie , naauwgezetheid. 
O.r: Ende mgt grate frewelheed 
kir te. En met de meeste naauw- 
keurigheid verkortte. F r e u i 1 h e d e. 
J.M.P.1,4. 

fry, fri, frya, fria, liber, vrg. B.89. 
F.O.L.I,20. H.1,7. F.R.27,1. 

friaerue. bona libera^ onbez waard erf. 
A.2,4. 

friastol, Jtfdtctum Ztfterum, vrije regtstoel. 
H.1,7. 

fria, friaga, friaia, Kfterare, vrijspre- 
ken, bevrijden. B.9.33. F.O.L.6,1. 
E.L.3,25. 2.E.4,23. 

friafoged, administrator ecclesiae^ kerk- 
voogd. 0.12,10. 

friboren, fribroren, /li^rnafM*, vrij- 
geborene. 0.12,12. J.M.F.12,11. 

fridling, liber, vrge. F.O.L.6,10: Tha 
hethe thi egling, ther thet ethe- 
le werde en kayde. Thi other 
heth fridling, thi achte nen 
ethel. Dan heet die edele, die het 
ouderlgk goed verdedigde en bewaarde. 
De andere heet yryling, dien behoort 
geen oaderlgk goed (heeft zgn regt 
daarop verloren). 

fri dom, libertair vrgheid, vrijdom, O.t?. 
A.v.1. 

fryeed, Zft&erto«, vrgheid. F.R.74,2: Al- 
deer eeffter woex disse fryeed 
disser lyodena alzoseer. Daarna 



wies deze vrijheid van deze lieden zoo 
zeer. 

fryheed, libertas^ vrijheid. Oh.1, 239. 
F.R.13,7. 

fri en caep, non gravata venditio, vrij- 
koop, onbezwaarde koop. F.R.32,25. 

f r y k a s e, pugna voluntaria^ vrij willig ge- 
vecht. J.M.F.II, 251. 

f ril ing, liber^ vrije. A.1,8. Frimon. 
H.1,8. 

frymsin. J.M.F.II, 266. Zie: frcem- 
sind. 

frine, liber^ vrge. A.9,1: Frine hals 
and fria spreke. Vrijen hals en 
vrije spraak (vrijheid en vrij regt). 

friond, amicus, vriend. A.1,3. 

fryondelicke, amicabilis^ vriendelij k. 
F.R.21,8. 

fryonscip, amtatta, vriendschap. F.R. 
3,6. 

fri si en, antiae, haarlokken, krullen. O. 
11,5: Jef ma een frowa mit wald 
her frislen offsngt. Zoomcnceue 
vrouw ^ met geweld hare haarlokken 
afsnijdt. 

frist, dtlatio, uitstel. F.O.L.4,30: The- 
re kerena (skerena?) frist. Het 
uitstel van de heetijzerproef. Zie: ferst. 

f r i t h i a, Uberare^ pacijicare, bevryden, be- 
vredigen. F.O.L.I, 46: Thene brond 
skil hi ielda and frithia. Den 
brand zal hg betalen en bevredigen. 

friudelf, frudele, frudelf, marttus, 
amatus, man, echtgenoot, minnaar. 
F.O.L.5,38. 6,6. H.4,7: Thiu ha- 
geste bleziene, ther ma engre 
frowa dua mei, ther mith hire 
friudelwe is. De hoogste ontbloo- 
ting, die men aan eene vronw doen 
kan, die met haren man is. — H.7,2: 
Thene frudelf urtiucht, end to 



215 



friund — Aüolaerliok. 



2i6 



tha riuchta foremunda gength. 
Zich aan den minnaar onttrekt en tot 
den wettigen voormond gaat. 

friund, amicus^ vriend. H.1,3. 

friundlike, amicaliter^ vriendschappe- 
Igk. H.2,15. Zie: friond, 

frod, froed, sapiens, wijs, vroed. P.R. 
1,45. 82,1. 

fro deren, sapientes^ wgzen, vroede lie- 
den, vroedschap. P.R.18,8, 

f roe, laetus^ vrolgk, verheugd. 0.2,7. 
Zie: frey. 

froedlyoed, sapientes, w^zen, vroeden, 
F.R.2,22. 

froedschip, sapientia, vroedschap, F.B. 
15,11. 

froem, utilis, nuttig. 0.6. Zie: f er e. 

froemsind. Ch.1, 376. Zie: freem- 
sind. 

fro mm ia, prodesse^ voordeelig z^n. 
Ch.I,348: Tbct io frommia moge 
ief scadia. Dat u voordeelig mogte 
z^n of schaden. Zie: framia, fram- 
ma. 

f ro ste, forste, gelu^ vorst, 0.4,2. 
F.O.L.2,2, 

frucht, /rwcfu^, vrucht; profes, geboorte. 
F.B.81,23. proventus, opkomsten. F.R. 
32,22. 

frucht, pratum^ weide. F.R.64,18: 
Fan dyarem, deer ma yneth 
wth enis mannis frucht. Van 
dieren, die men neemt (schut) uit 
iemands weide (vruchten). 

fruchta, timere, vreezen. F.R.59,18: 
Dat ma da eerga deda wrmie 
ende fruchte. Dat men de slechte 
daden vermgde en vreeze. Fruchta, 
timor. O.ü. 

fruchtsyn, inusculiLSj vruchtspier der 
mannelgkheid. 0.11,49: Dio aerste 



haet dio staepsyn, dio oer dio 
wieldsyn, dio tredde dio frnchi- 
syn. De eerste heet de stgvingspier, 
de tweede de krachtspier, de derde de 
vruchtspier. 

frudelf, zie: friudelf. 

frumdede, frumdoich, wdnus prin- 
cipaUj actio principalisj hoofdwonde, 
hoofddaad. F.O.L.5,4.7.29, H.8,1 7. 

f r u m d s in d. Oh.I, 376. Zie: f r e e m- 
send. 

fruslan. J.M.F.6,11. Zie: frislen. 

fuchta, arriperBj vatten, vangen. F.R. 
35,1: Mer dy 't dyrt fucht, ende 
in syn wer crigeth. Maar die het 
dier vangt en in zjn bezit krggt« — 
F.R.III, 6: Hwaso ane prester 
mit wald fucht. Wie een priester 
met geweld aanpakt. 

fuela, acddebant^ voorkwamen, vielen. 
J.M.F.II, 266. 

f u e tl o e s, sine pedibus^ voetloos. F.R.66,2. 

fugel, avisj vogel. F.R.72,4. 

fugelscule, fugilscule, amarium^ 
vogelkooi. E.L.1,87. F.0.L,8,1. 

fuick, fuck, nassüj fuik, vischnet- 
Ch.1, 743. 

f ui, cadebat^ viel. J.M.F.9,5: Da sin 
clau an eerde ful. Toen zgn hark 
op de aarde viel (hg zgn land begon 
te bewerken). 

ful, muZ^um, veel. B.L.3,33. fula, wiiiW, 
vele. F.R.7,4. fule. B,154. 

ful, plenus, vol. A.2,18. fullere, 
plenior, meerder. 

fulbern, legüimuSj wettig, vol boren. 
F,R.1,32. J.M.F.7,2. 

fulbrother, frater germanus^ volle 
broeder. 1.E;3,10. H.3,3. 

fulclaerlick, aperte^ duidelgk. F.R. 
12,33. 



217 



ftüe—fturswerth. 



218 



fule, sardiduSf yoil. F.O.L.5,43. 

fulfensze, falfenszere hond, ple- 
ne liber homoy geheel vrge. B.77.114: 
And wardie selwa enre fulfen- 
szere hond; and nis hi nawet 
fulfensze. En staat zelf daarvoor in 
als een vol man; en is hg niet een 
Yol man. 

fnlia, satiêfacerej voldoen. F.O.L.I, 35. 

fulkama, perfectum esaej totum esse^ 
Yol, volkomen zgn, voldragen worden. 
H.4,41: On tha sexta and on tha 
sogenda monathe, so mei 't 
fnlknma. In de zesde en in de ze- 
vende maand dan kan het (kind) vol- 
' dragen zgn. 

fnllere, zie: fnle, plenus. 

fnllia, canfirmarej opitulari, mm addere^ 
Yollen, aanvallen, bevestigen. J.M.F. 
2,62: Soe schellet sauwen des 
koninghes orkonden sidzia en- 
de fnllia den aesga. Dan zullen 
zeven van des konings getuigen spre- 
ken en den regter aanvullen. 

fn II is te, adjutoTy medehelper. 0.1,44. 
J.M.F.2,43: Dat hi ne ionwe (O. 
heeft: so y ney iuue) onnette ful- 
liste sonder riocht frana wald. 
Dat hg geene onnutte medehelpers 
zal geven zonder last van den schout. 
Zie: folliste. 

f ui ney, pene^ bijna. B.B.: F ui ney 
fyf ieer« Bgna vgf jaar. 

fnlnisse, sordes^ eacrementaj vuiligheid; 
apathia^ bezwgming. £.L.1,76: Thet 



hi lidze ynna sine fulnissedey 
anda nacht. Dat hg dag en nacht 
in zgn vuiligheid (bezwgming) ligt. 

fulraed, valde rufus^ zeer rood. J.M.F. 
13: Allerlikum iowa enen gel- 
dene baech, di schel wessa graet 
ende fulraed. Een ieder te geven 
een gouden ring, die zal groot en zeer 
rood zgn. 

fulscondlic, turpiaaime^ zeer schande- 
Igk. B.208. 

fulwel. perbene j zeer wel. F.R.III, 14: 
Dat ma da wird fulwel wythe. 
Dat men de waarheid ten volle weet. 

fulwied, plene natua^ legitimua^ welge- 
boren. J.M.F.7,2. 

f ui wig et, rede aacratua^ wettig ge- 
wgd. F.O.L.4,14. 

fulwinga, projkere^ volvoeren. U.3,1: 
Thet te gerne a riuchtlike thin- 
gum fulwinge. Dat gg gaarne alle 
wettelgke zaken volvoert. 

funden, inventua^ gevonden. E.L.2,2. 

funt, baptiaterium^ doopvont. J.M.F. 
7,31, 

furch, furge, aulcua^ vore; aggerj ak- 
ker. l.E.5,27. E.L.1,77. 

furdel, magiaj meer. F.O.L.5,18: Thri- 
men furdel. Een derde meer. 

furge, zie: furch. 

furke, forca, vork. 0.2,5. F.R.64,12. 

furme, forme, prior ^ eerste. F.O.L, 
2,1.2. 

Furswerth, Foswert. Ch.I, 250 (kloos- 
ter in Friesland). 



219 



ga— gaeknud. 



220 



G. 



ga, vicus, dorp, buurt. Ch.I, 242: Wj 
gaelioede thera gaane. Wij dor- 
pelingen der dorpen. 

ga, attinere^ aangaan, betrefifen. Ch.I, 
515: ISnde dese bode gaed Het- 
ta Sycka zon Hettema. En deze 
verkoop betreft Hette Sgckozoon Het- 
tema. 

g a b b a t, /ur, dief. B.159. Zie: gabbia. 

gabbia, aliquem de furto accusare^ ie- 
mand van diefstal beschuldigen. B. 
152: Hwersa 'r en brond sketh 
ieftha en thiufte, sa skel ma 
hit thriia askia fon tha helga 
altare; efter skel ma 'r vmbe 
bonna ieftha baria ieftha gab- 
bia, and naut ne mot ma betha 
d u a. Indien een brand of een diefstal 
geschiedt, dan zal men het driemaal 
van het heilig altaar eischen, daarna 
zal men deswegen dagvaarden of kamp- 
strgd bieden of wegens diefstal aan- 
klagen, en men mag beide niet te za- 
men doen. (In Friesland: go b ben, 
gobberen, ergens naar verlangen 
dat het zyne niet is; en: gnobben, 
kleinigheden stelen. In de dieventaal 
beteekent gabbert een makker. Zie: 
Weekbl. van het regt. 27 April 1846 
no. 689. Isl. at gabba, decipere^ 
bedriegen, misleiden). 

gad, gadelik, godilik, galik, conve- 
niens, utilisj geschikt, gadig, nuttig. 
A.2,23. H.5,5: Ti alsadene thia- 
neste, sa him gad were. Tot zoo- 
danige dienst, als hem het meest ge- 
schikt was. l.E.6,7. 



ga da, congregare^ te zamen komen. H. 
4,46: And hiu se te wige gadath. 
En zij ten strijd is zamengekomen. 

gader, gadir, simulj te zamen. 2. E. 
1,21. gaderbunden, ligatus^ te 
zamen gebonden. l.E.5,24. 

gadèrleda, congregare, committere^ te 
zamen voeren, verzamelen. H.7,1: 
And tha tua folk mith casega- 
d e r 1 e t. En de twee partgen ten strgde 

voert. 

gadirtochta, conjuncHo^ zamentrekking, 
zamenvoeging. F.O.L.6,13: Un wei- 
dede dede ne acht mar halue 
bote and halue gadirtochta. 
Niet opzettelgke daden hebben niet 
meer dan halve boete en halve za- 
menvoeging (bg het berekenen der 
wonden). 

ga dr ia, adunare^ verzamelen. 0.8,17. 

gadringe, congregatio^ verzameling, ver- 
gadering. F.O.L.6,13: Nedmonda 
a wey is strid; an husesgadrin- 
ge XII ethan, jefta in en schipe. 
Geweld op den weg is strgd; en ver- 
zameling (onwettige) bg een huis, 12 
eeden, of in een schip. 

gadur, simul^ te zamen, onderling. A. 
4,1: Gadurlat. Te zamen brengt. 
Zie: gader. 

gaed, zie: ga, attinere. 

ga ede, conjux, echtgenoot, gade. F.R. 
28,17. 

gaefolck, paganij dorpelingen. F.R. 

77,1, 
gaekuud, pago notusj dorpkundig, be- 
kend. F.R.13,22. 



221 



gaelik— garia. 



222 



gaelik, repentinuêj intempestivusj haas- 
tig, onvoorzien, gaauw, spoedig. O.v.: 
Dae worden h^a mit ta gaelike 
daed bgronnen. Toen werden zi) 
door een haastigen dood overvallen. 

gaelioed, galioede, pagani^ dorpelin- 
gen. 0.1,66. Ch.1, 242, 

gaeman, gaman, paganus^ dorpeling. 
F.R.1,44.45. 

gaer, «tmuZ, te zamen. 0.11,66: Ende 
siet weer gaer. En naage het we- 
der te zamen. 

gaercomma, convenire, matrimonium 
inire^ trouwen, te zamen komen. F.R. 
49,8: Jeft er tweer gaercom- 
met. Zoo er twee huwen. — F.R.3,1: 
Als dyo spreeck to gaer is com- 
men in da riucht. Wanneer in reg- 
ten de conclosien genomen z^'n. 

ga er de la, perfeetum aestimare^ judicare, 
voltrekken. 0.12,7: Soe schil ma 
dat aeft gaerdela. Dan zal men 
den echt voor voltrokken houden. 

gaerlaya, citarej dagvaarden; congre- 
^fv, bgeenbrengeu. F.R.3,6: Dat du 
da igghen gaerlaye ende da 
secka wrstande. Dat gg de par- 
tgen bg elkander brengt en de zaak 
onderzoekt. 

gaerronne, conventus^ verzameling, za- 
menloop. F.B.in, 2: Dat wy mit 
mena gaerronne and mit weep- 
naderhand. Dat wg met algemeene 
verzameling en gewapenderhand. 

gaest, «ptr»fti«, geest; gaestelyck, étpi- 
rüuaUsj geestelgk. F.B.1,9.34. 

gaetzercke, cathedrcdej dorpskerk, hoofd- 
kerk. F.R.12,30. 

galick, convenieMy gadig, geschikt. F. 
R.21,6. Zie: gad. — 2.) repentinus^ 
haastig. J.M.F.1,4. 



gama, gratia^ genade, A.9,1: Tha dc- 
de God use Hera ena grata ga- 
ma. Toen gaf God, onze Heer, eene 
groote genade. Zie: go me. 

gaman, zie: gaeman. 

gamech, villicus^ dorpeling. Ch.I, 250. 
F.R.76,4: Tojeens der presteren 
ende gamegen willa. Tegen den 
wil der priesteren en dorpelingen (of: 
der dorpregters, judicum vid). 

gamenscap, mercatura^ handel. J.M.F. 
Reg.16. 

gan, pagani^ dorpelingen. J.M.F.7,27: 
Weer syn prester ende weer 
syn gan. Tegen zgnen priester en 
tegen zijne dorpelingen. Zie: g a, vicus. 

gans, totus^ omninOj geheel, gansch. 
0.17: Dis gansen Landis. Van 
het geheele Land. 

ganse, usitatua^ valorem habenSj gang- 
baar. A.7,11: Ther binna there 
stidi geue and ganse se. Die op 
die plaats gaaf en gangbaar zgn. 

ganselyck, totttSf geheel. F.R.46,15. 

gara, sinus j zgde, schoot. F.O.L.7,9: 
Hwant hi of sine gara gliden 
is. Want hij uit zgnen schoot ge- 
sproten is. 

gara, vestis, Jimbriaj kleed, zoom van het 
kleed. 0.10,36: So schil hi faen 
oen sijnre gara. Dan zal hg zgn 
kleed opnemen. Zie: hara. 0.1,71. 
J.M.F.2,71. 

gara, cotVe, coaguUzre^ verzamelen. O.v: 
Ende garen se toe Icsta En ver- 
zamelden zich ten laatste. J.M.F. 1,3. 

garde, decempeda^ virga, roede. Ch.I, 
608: Acht garde veens. Acht roe- 
den veen. 

garia, congregare^ computare^ pro uno 
habei^e^ verzamelen, bgeentrekken. O. 



223 



gast— gelene. 



224 



11,8: Garia to ene meteduligh. 
B^eentrekken tot eene maatwonde. 

gast, spiritus, geest. O.t?. F.R.72,10. 
gastelick, geestelyk. F.B.1,21. 

gasthereke, cathedrale, hoofdkerk, dorps- 
kerk. A.9,4. 

gastland, agra alta ac arenosa, bouw, 
gaastland, hoogland. 0.8,23. 

gat te, procurabant, verzorgden. F.R. 
51,1. noot. Dat hya hyare jel- 
dera naet gatte off bysorgade 
off hya oeffsinnich worden. Dat 
zij hunne ouders niet onderhielden of 
verzorgden zoo zy zinneloos werden. 

gaue, donuirij gifte, gave. F.R.82,9. 

ge, conjitetur, bekent. l.E.2,23: Jef hi 
ge. Zoo hy bekent. Zie: ja. 

ge, ito, ja. F.O.L.7,1: Ge God! wi. 
MeHercule! nos. Ja, bg God! wij. B. 
76: Thet hia spreke ge ieftha 
na. Dat zy ja of neen zeggen. 

gebern, natus, geboren. l.E.3,11. 

geberned, ustuSy gebrand, verbrand. 
H.2,20. 

gebleszet, vulneratus, gewond, H. 
6,15: En hire ben gebleszet 
werthath. En haar beenen gewond 
worden. 

gebreck, de/ectiM, dejicientia^ gebrek. 
F.R.57.11. 

gedan, geden,/ac<ii^, gedaan. H.1,17. 
9,2. l.E.2,20. 

geelt, persequitur, vervolgt. F.O.L. 
5,43: Geelt ma him in hws. Ver- 
volgt men hem in huis. Zie: gel e da. 

geen, progressus, gressus, gegaan. F.R. 
8,8: So iss er eefterdaem al in 
't andert geen. Zoo is hy daardoor 
reeds ten antwoord gegaan. 

ge et, curritj loopt. F.R.51,2, noot. 

ge f, dabat, gaf. l.E.v. 



ge f, «, zoo. H.8,9. l.E.3,5. F.O.L. 
2,1. 

gcfella, expiare^ sdvere^ betalen. H. 
3,4: Hi ne mughe tha sende 
mith festa and thet fereth mith 
f ia gefelle. En hg mag de zonde 
met vasten en de daad met geld vol- 
doen, 

gefen, apprehensuê^ gevat. H.4,6: Sa 
hiu therbi gefen werth. Zoo zg 
daarbg gevat wordt. 

geheid, cusus^ formatus^ erectus^ gesla- 
gen, opgeregt. H.6,1: Hir efter 
vrden tha ield geheid, ffiernaar 
werden de muntstukken geslagen. 

gehent, captus^ apprehensus^ gevat. 1. 
E.1,17: Ac se hi et hole gehent. 
Is hg ook in het gat gevat. Zie: 
henda. 

geia, solvere multamj boete betalen. B. 
3: Sa geie hia mith achta mer- 
kum. Dan boeten zg met acht mark. 

gek e men, adventuSj gekomen. H.4,48. 

gelda, aolverey betalen. H.1,7: And 
clipscelde gulda. En klinkschat- 
ting betaalden. 

gelden, aureusj gouden, van goud. H. 
2,1. A.7,8. florenua^ gulden. E.L. 
1,26. 

ge Ie da, peraequij leiden, vervolgen. B. 
217: And tha fiund hine ther- 
on gelath. En de vganden hem daar^ 
in vervolgen. F.O.Ii«5,43. geelt, 
geit, persequituTj vervolgt. l.E.5,16. 
F.O.L.6,17. 

geleerd, instructuuj onderwezen, onder- 
rigt. F.R.13,47. 

gel en e, persecutio^ vervolging. H.6,1 8. 
F.O.L.5,43. l.E.5,16: And gelene 
ondlenges weis. En vervolging 
langs den weg. 



225 



gelemad — ghaedera. 



226 



geler n ad, inttructus^ zich zelven ge- 
leerd. H.3,1. 
geit, zie: geleda. 
gens, contra^ tegen, F.O.L.5,18: Qens 

then dyael. Tegen den duivel, 
genzie, valens^ gangbaar. H.8,22. Zie: 
ganse. 

ger, annuSf jaar. l.E.v.3,8: Jeft er 
erge ger werthath. Zoo er slechte 
jaren komen. 

ge ra, fimua^ mest; aqua stercorea^ gier, 
aal, mestwater. H.6,7. 

gera, cupere^ b^eeren. LE.t;.: Thera 
hire herte gerade. Wat hun hart 
begeerde. 

gerdel, gerle, cingtdunij gordel. E.L. 
1,40. l.E.5,13. 2.E.1,13. 

ger e ia, nduUerare^ overspel doen. H. 
8,24: Thet thu nenes thines 
enencristena wines ne gereie. 
Dat gg uw medechristens huisvrouw 
niet zult b^eeren (omhelzen, gerie- 
ven). 

gerfonge, harpagoj haak. P.R.50,47: 
And sloegh wt myt ena gerfon- 
ge and taech ne weer inoer 
boerd. En sloeg uit met een haak en 
trok hem weder binnen boord. 

gergewa, tina, simul darcj aolvere^ ge- 
samenlgk betalen. H.4,42. 

gerle. 2.E.1,13. Zie: gerdel. 

gerne, Ubenter^ gaarne. H.3,1. 

gers, gers o, ^ram^, gras. A.7,9. l.E. 
3,13: Tha lokkar fon tha gerse. 
De lokken van het gras. 

gersfal, gersfel, gersfalle, gres- 
ful, gerstfalle, ciutis interram^ het 
op den grond vallen. A.3,5. l.E.4,8. 
B.9. P.OX.5,7.8.14. — B.189: Gers- 
fal lic h lith. A%evallen leden. O. 
6,6. 



gers si 1 enge, in terram prostratio^ het 
op den grond smgten van iemand, het 
langs den grond sleuren. H.6,15. 
Zie: Iers fel Ie. l.E.3,2. 

gerstelkerf, ineisura cartilaginisj knars- 
beenbeschadiging. 0.11,23. Zie: gris- 
tel. 

ge sla, contemplari^ beschouwen, gade- 
slaan; attingerey bereiken, raken. H. 
6,14: End hi ne muge grund 
gesla, ni himel sia. En hg den 
grond niet kan bereiken noch den he- 
mel zien. 

ges Ie in, verberatus^ geslagen. H.6,3. 

gestelonde. B.160. Zie: gastland. 

geth, conjiteiur, bekent. l.E.2,20: Sa 
geth hi thet alles. Dan bekent hij 
dat alles. 

getta, augere^ vermeerderen. O.v.12,16. 
J.M.F.12,17: Hor hia se ne get- 
ten (gretten?), ner naet ne ker- 
ten. Hoe zg ze niet vermeerderden 
noch verkortten. 

geue, datj geeft. H.10,12: Geue re. 
Geeft hg. 

geue, validusy gaaf. A.7,11: Geue 
and ganse. Gaaf en gangbaar. 

geuet (voor ge f thet), ai idy zoo het. 
H.1.8. 

geweed, vesHsj kleed, gewaad. F.R. 
71,6. 

gewin n e, subjicere se, agnoscerey aan- 
nemen, onderwerpen, winnen. H.9,2: 
Thet hia bi willa angne hera 
gewinne. Dat zg met hunnen wil 
geen heer onderworpen zullen zgn. 

gha, ircj gaan. Ch J, 98. Zie: gheith, 

ghaedera, congregarej verzamelen. O. 
12,18: Want se aldeer worden 
ghaederet. Want zg aldaar worden 
verzameld. 

15 



227 



ghare— god. 



228 



ghare, ghaera, sinits vestis^ kleed. O. 
7, J.M,F.2,71. Zie: gara, 0.10,36. 

ghebcren, natus^ geboren. l.E.t?. 

ghebilethat, formaXus^ geyormd, ge- 
beeld. l.E.3,11: Sa werth theth 
kind ghebilethath. Dan wordt het 
kind gevormd, 

gheheten, iwmiwxtoB^ geheeten, ge- 
noemd. l.E.3,12. 

gheith, ii, gaat. Ch.I, 98: Jef thet 
dulch gheit allenga tre wers- 
na. Zoo de wonde gaat over de drie 
spieren. Zie: gha. 

ghelewet, relictus^ nagelaten. 1 .E.2,1 5: 
Sa huersa lawa ghelewet sint. 
Waar dat erfenissen nagelaten z^n. 

ghelyawia, placere^ gelieven, believen. 
Cli.I, 738: Joe ghelyawie to wy- 
ten. Gfl gelieft te weten. 

gheng, ihat^ g^^^g* l.E.6,4. Zie: gha. 

gheselt, venditusj verkocht. l.E.6,3. 
Zie: sella. 

ghi, eu, gij. Ch.I, 348. 

ghiet, it, gaat. J.M.F.H, 282. 

ghiselbroren, fiagellantes^ geeselbroe- 
ders (eene sekte). J.M.F.16. 

gia, confitere^ bekennen. l.E.2,20. 

giden, factus^ gedaan, geschied. H.6,7. 

gin, Aic, nullus^ deze, gene. Ch.1, 462: 
Gin fan neenre wirdena thoe 
we SS en. Qeene van eenige waarde 
te z^n. 

ginsen, gressus^ progresêus, gegaan. 
F.R.43,11: Off myt wilker onder 
fellinghe ginsen. Of vrgwillig on- 
der boete g^aan. 

gin te, pritM^ vroeger, A.2,20. bg Wi- 
arda: Truch thet ginte morth, 
ther hi er mith tha witsingon 
efremed heht. Om den vroegeren 
moord, dien hg vroeger met de zee- 



roovers bedreven heeft. — (Zou het 
niet: grata, groote, zware, moeten 
zgn?) Zie: J.M.F. aldaar. 

giricheet, giericheed, avaritiaj gie- 
righeid. 0.14,2. F.R.2,6. 

girig, avarusy gierig. F.B. 15, 16. 

g lande, igneus^ gloegend. l.E.2,10: 
And hit him helpa ne muge 
thet glande riucht. En hem de 
vuurproef niet helpen kan. A.2,24. 
H.2,24. l.E.2,24: Glandere gle- 
de. Gloegende kool. 

gled, lubricuSf glad; lemsj ligt. E.L. 
1,32. 

glede, carbOf kool. F.O.L.2,24. Zie: 
glande. 

glede, ignisj vuur, brand, gloed. B.29: 
Sa ielde hi 't, ther tha glede 
onstet. Dan betaalt die het, die 
den brand aansteekt. 

g Hand e, candescenSj gloegend. H.2,10. 
F.O.L.2,24. 0.4,24: Mith enre 
gliande glede. Met een gloegen- 
den gloed (kool). 

glida, proUMj tnoveri^ gigden, zich be- 
wegen. 0.11,11: End ma hit naet 
scwa(scuwa?) mei, dat hit glida 
ne mei. En men het niet verschai- 
ven kan, dat het niet gigden kan. 

gliden, praeterituSf geleden, verleden. 
F.B.17,8: Secken, deer langh gli- 
den sint. Zaken, die lang geleden 
zgn. 

glisa, fidgere^ JiUgurare^ radiare^ glin- 
steren. H.8,9. 

g 1 i 8 a n d, fiUguranSy glinsterend. A .3,4. 

glisinga, falguraüo^ glinstering (van 
het oog). F.O.L.5,6. 

glosa, gloaaa^ glosse. F.B.23,10. 

god, honum^ goed; posaessioj goederen, 
bezit. H.1,1. E.L.3,17. 



229 



god-gre. 



230 



God alla ferra, bg God, God boven 
alles. F.R.23,1. 

godelic, god, bonus^ goed. l.E.2,23, 
A.2,23. Godelic, zie: gad. — go- 
delike, godilik, honesttis^ eerlgk, 
eerbaar. A.i;.2,23. 

Goden fynden, inimici Deij yganden 
Gods. P,R.59,8. 

godfretha, pcue circa bonaj goedèren- 
vrede. H.4,5, 

godre werd e, justum pretium^ tatiaatio, 
wezenlgke waarde, tauxeering. 2.E. 
4,1: lek hebbe 't capath and 
hebbe 't thi ol betalath vpper 
godre werd e. De heb het gekocht 
en heb het n geheel betaald volgens 
de waarde van het goed. 

goedkost, indemnüas^ schadeloosstelling. 
J.M.F.6,16: Meentele, dat is meen- 
kosty deer dae sibsta friound 
oerem rekath toe goedkost. 
Meentele, dat zgn de gemeenschappe- 
Igke kosten, die de naaste vrienden 
een anderen geven tot schadeloosstel- 
ling (bg doodslag). 

gold, aurum^ gond. E.L.3,32. B.158. 

golden, aureusj gouden, van goud. O.v. 

goldfingher, digitua annularisj ring- 
vinger. Ch.1, 99. J.M.F.II, 202. 

go me, ktetitia^ vreugde; graiia^ genade. 
Zie: gama. 0.12,13: Also dede 
hyt mit dadelika gome di goede 
sinte Peter, deer ti Rome was 
di forma Paus. Alzoo deed het met 
wezenlgke vreugde de goede heilige Pe- 
trus, die te Rome de eerste Paus was. — 
J.M.F.12,14 vo^ er bg: deer toe 
Rome buur was. Die te Rome bur- 
ger was. 

gong (forma), prima vice^ eerste maal. 
A.8,4. 



gonga, ingressus^ ingegaan. F.R.75,3: 
In dat huus gonga. In het huis 
gegaan (g on gen?). 

gonst, favorj gunst. F.R.2.5. 

goth, bona, goederen. J.M.F.II, 314: 
Wald jef onriucht an sino li- 
we jef an sine gothe dede. Ge- 
weld of onregt aan zgn lijf of goe- 
deren deed. 

goud, bonus j goed. F.O.L.t?.14,4: 
Vnicheed is also goud sa scriuen 
riucht. Gewoonte is even goed als 
geschreven regt. — 2.)bona, goederen. 

gowna, jlorenuSy gulden. Ch.1, 699: 
Een lichten gowna. Een lichten 
gulden. 

grada, gradus^ trap. A.8,4: The ra 
thrira grada tofara tha altere. 
De drie trappen voor het altaar. 

graet, magnus^ groot; praectpuus^ voor- 
naam. F.R.2,12. 

graetheed, quantitaSf hoegrootheid. 
F.R.7,10. 

grandera, judices districtus Grandtoerum^ 
regters van het district Grandwerum 
(tusschen Harlingen en Workum langs 
de Zuiderzee). J.M.F.II, 301 . — (Oud- 
heden en gestichten van Friesland. 
II, 34 en 227, noot 6, worden gran- 
giae de uithoven der abtdgen genoemd 
en vanhier waarschgnlgk grandera, 
regters dier uithoven). 

grandscriwere, zie: grundsstru- 
were. J.M.F.II, 209. 257. Ch.1, 199. 

grat, magnusy groot; gr at er, major ^ 
grooter. A.3,18. E.L.1,37. l.E.1,12. 
14. 

gr e, creadt, groeit. J.M.F.12.S: Soe 
langhe soe th wind wie and 
gers gre, senne opthie and thi 
wrald stande. Zoolang als de wiud 



231 



gred— gripa. 



232 



waait en het gras groeit, de zon op- 
komt en de wereld zal staan, 
gred, pratum, greide, grasland. B.172. 
gr e e, canuSj grgs, graauw. P.R.33,7: 

Gr e e grys. Overoud, 
green erf, terra cuüaj vruchtbaar land. 

F.R.32,5, 
greetman, grietinannusj judex districtus 

in Frisia^ grietman. F.R.2,25. Zie: 

eehera. 
greetwerdere, gretwerdera, qui 

campo prae est, ad pacem in eo servan^ 

dawi, krgtwaarder. 0.1,45. J.M.F.2,44. 
greetwird, accusatio, klacht. 0,1,35: 

Ende schil greta mit aefte 

greetwird. En zal met wettige 

klachte klagen. 9,2. 
gr e f, foaaaj sepulchrum, graf, begraaf- 
plaats. B.109. 178. Greff. E.L. 

2,2. A.5,10. 
grehwyt, canus, witgrgs. J.M.F.6,21: 

En ald grehwyt man. Een oud 

witgrijs man. 
gr en, mridus, groen. A.7,8. 
gr en eg, groninganus, groninger. H, 

10,3: Greneg slachta. Groninger 

munt. 
grenskin, moneta qimedam, zekere pas- 
munt, onderdeel van een penning. 

F.O.L.5,8. 
gresfalle. E.L.1,14 F.O.L.5,14. Zie: 

gersfelle. 
grestelesbreke. H.8,11. F.O.L.5,8. 

Zie: gristlesbreke. 
gr et, magnuSj groot. H.2,24: Gr et 

kam pa. Groote strgd. 
greta, gretha, accusare, beschuldigen. 

0.1,26. 8,22. 9,2. 
grete, gretene, accuaatioj klacht. F.B. 

24,19. F.O.L.4,36. 0.8,6. 9,2: Dat 

hg dae gretene liouwe, iecht- 



wird iefta seckwird. (J.M.F. 
11,37: Dat hi dere gretene io- 
we, entra, iechtwerd iefta séck- 
werd.) Dat hg op de klachte geve, 
een van beiden, bekenoing of ontken- 
ning. 

gretene, districtus jtuHdaUs, grieteng. 
Ch.1, 499. 

greth, crescit, groeit. H.4,16: Sinke- 
le, ther nemmer nen her uppa 
greth. Kaalheid der huid, waarop 
nimmer weder haar groeit. 

gretha, zie: greta. 

greth e, nummus quidanij groot (eekere 
munt). Ch.1, 99. 

gretwerdera, zie: greetwerdere. 

greua, judex j regker. Gh.I, 98: Thet 
se en riuchten greue schel bi- 
scowia er me se bete. Dat het 
een wettig regter beschouwen zal voor 
dat men ze boet. J,M.F.II, 199. 

greua, greva, grewa, camesj graaf. 
O.v.1,1. A.ü.l. 

greva, foderej graven. 0.9,20: Mit 
spada greefth. Met de spade graaft. 

grieta, accusare, klagen. J.M.F.7,33. 

grieuwa, greuwa, griouwa, oomes^ 
graaf. J.M.F.2,1. 

^xi^iia^VL, judex districtus^ zie: greet- 
man. 

grim, austerus, horridusj gram, toornig. 
0.3,7. l.E.t>. H.1,7. 

grimlike, ircUe^ gramstorig, verwoed. 
H.9,1: Tha fugtin se alsa grim- 
like. Toen vochten zg zoo verwoed. 

griowa, zie: grieawa. 

g r y o w a, vellere, diveUere, scheuren , ker- 
ven. F.B.58,41: Jef men gryowa 
ende snida schil. Als men kerven 
en sneden zal (of: m' e n, men iemand?). 

gripa, arripere^ apprehendere, vatten, 



238 



gripliald— haehtid. 



234 



grgpen. A.7,10: Bi tha here gri- 
pi. Bg de haren greep. F.B.12,34. 
0.1,64. 

griphakl, grgplam, griplom, tm- 
piriens tenendi^ paralyticuê, lam om te 
grgpen. EX.1,35. 0.11,38. I.E. 
5,9. 

grisdesbreke. H.8,10. Zie: grist- 
lesbreke. 

gr g 8 lick, horribiUêj abominandttSy af- 
grgslgk. O.v. 

griste], gj^estel, cartüagoj knarsbeen. 
A.3,5. P.O.L.5,5.8. 

gristelsyama, aqua cartüaginaria^ 
knarsbeenwater. 2.E.1,1. E.L.1,12. 

gristlesbreke, frac^ cartilaginis ^ 
knarebeenbrenk. 1,E.4,6. F.O.L.5,5. 
gristelisbreke. 

groya, curare^ coïre^ genezen. F.B. 
58,39: End e da dolginghen gro- 
ye him weer. En de wonden ge- 
nezen weder bg hem. — 2.) crescere^ 
groegen. H.4,16. 

gronde (to), in totunij in zgn geheel. 
FJEL59,21: To gronde weer brin- 
ghe. In zgn geheel weder brengen. 

grope, foêsaj gmppel. E.L.1,52. 2.E. 
1,17. 

growinga, accretio^ accrementum, ver- 
dikking. E.L.1,36: Lithsmelinga 



ieftha growinga. De versmalling 
of verdikking van het lid. 

grnndiet, foramen capitdUy grondgat,* 
hoofdgat. J.M.F.2,18: Jef dat grnnd- 
iet dat salta wetter inlet. Zoo 
het grondgat het zoate water inlaat. 

grundstruweren, gru n ds str uwe- 
ren, grands criwere, qui mUnera 
metiunt et taxant^ deskundigen, die de 
wonden meten en waardeeren. J.M.F. 
11,209. 257. Ch.1, 101. 119. 

gued, b<ma^ goederen. F.B.1,14. 44,10. 

guedentyenst, religiorda exercitium^ 
cultus divinusj godsdienst. F.B.44,10. 

guedschaed, restauratio damni^ schade- 
vergoeding. F.R.44,11. 

guedtincka, placerej goeddunken. F.R. 
81,4. 

gulde, solvebant, betaalden. H.1,17. 

g u n d t, t&af , ging. H.9,2. Zie: a buta. 

gunga, ire, gaan. A.7,7. E.L.3,52: 
Anda machtich iten anda gun- 
gen. En vermogend om te eten en 
te gaan. 

gwed, maturus, bonus^ rgp, goed. F.B. 
18,19: Myt gwede rede. Metgoede 
reden. 

gweed, hona^ goederen. F.R.2,5: Om 
gweed off om gonst. Om goede- 
ren of om gunst. 



H. 



ha, dcut^ als, gelgk. H.4,4: Al sa diu- 

re ha tua en tuede lif. Even duur 

als twee-een-tweede Igf. 
habba, habere, hebben. F.R.1,9.12. 

14,1. 73,1. 
hach, debetj moet. A.9,8.10. Zie: ha- 

ga* — 2). oftiM, hoog. 



hacht (acht), conventua, vergadering. 

B.127 bg Wiarda: Sa skethe thet 

thiu mene hacht. Dan scheide dit 

de algemeene vergadering, 
haehtid, hachtyt, haechtid, fes- 

turn, hoogtijd. A.9,10. 0.8,23. F.R. 

20,3.16. 



235 



hadele— hage. 



236 



ha de Ie, dimidia par 8^ de helft, halfdeel. 
ChJ, 98. J.M,F.n, 199: Sprecht hi 
thet, tbet hi tha hadele erria 
si e. Zegt hg dat, dat hij voor de helft 
verergerd is. 
hadeloes, sine duce^ hoofdeloos, zon- 
der aanvoerder. Ch.I, 656: Hweer 
sommigha haedeloes ferby gheedt. 
Waar lastdieren zonder aanvoerder 
voorbfl gaan. (Fransch: bêtes de s om- 
in e^ lastdieren.) 
had ing, actor criminis^ hoofdbeschul- 
digde. B.135. bg Wiarda. Zie: hau- 
ding. 
ha e, fenum, hooi. 0.1,44. J.M.F.2,43: 
Ner oen hae ner oen stree ner 
oen goeda ethbera fia. Noch aan 
hooi noch aan stroo noch aan goede 
eetbare waren, 
haed, caput^ hoofd. Ch.I, 239. 
haed, habetj heeft. F.R.1,5. 
haedeloes, zie: hadeloes. 
haedlesene, capitis redemtio^ hoofd- 
lossing. 0.1,30. 
haedmerkad, emporium^ hoofdmarkt. 

0.12,13. J.M.F.12,14. 
haedmonta, handmonta, lomsprae' 
cipuu8 monetae cudendae^ hoofdmunt. 
J.M.F.9,1. 
haedstoe, ecclesia parochialis, hoofd- 
kerk. 0.1,13. 
haeet, jutd, wat. F.R.11,4: Myt haeet 

riuchte. Met welk regt. 
haegh, aUuSj hoog. F.R.72,4. 
hael, dimidiuSj half. F.R.18,2. 
hael, muUuSj veel. 0.2,1. Hael bet- 
te ra. 'Multo meliar. Veel (de helft) 
beter, 
haelsister, soror ex matte tantum^ half- 
zuster. F.R.57,5. 
haelbroder, fraJter ex patre tantum^ 



halfbroeder. Haelbroer. P.R.57,5.9. 

haene, laesuè^ beleedigde. Ch.I, 599. 
gehoonde, zie: ha na. 

haep, acervuSf congluea^ congestus^ hoop. 
F.R.46,68: Jeff wr een haep brin- 
ghen in da gued. Of bg het goed 
op een hoop brengen. 

haersemheed, obedientia^ gehoorzaam- 
heid. F.R.70,3. 

haest, citOj spoedig. F.R.17,15. 

haest, festinatio, haast. 0.11,58. 

haet, quid, wat. F.R.1,6. O.v. 

haeta, nominarej noemen, heeten. O.v: 
Eoninges setma haet ma scrionn 
r i u c h t. Des konings verordening heet 
men geschreven regt. 

haeta, jti&er^, bevelen. F.B.64,6: Hwa 
80 orem een tingh haet dwaen. 
Wie een ander eene zaak gelast te 
doen. 

haeth, qui, quae^ quod^ wie, welke, wat, 
qaid, wat. F.R.1,1. 25,2. O.v. 

haetia, impedire, obstruerej beletten, ver- 
hinderen. 0.12,19: Dat ter nim- 
men haetie da heerstreta. Dat 
niemand de heerewegen belemmere. 
J.M.F.12,20. 

haetjen, quody hetgeen. F.R.21,7: En- 
de haetjen riuchteren dan dwaet 
off wised off senet. En hebeen 
de regters dan doen of vonnissen of 
zoenen. 

haf de, caput^ hoofd; ondhafde, agge^ 
resj dgken. A.3,7. 7.30. 

ha ga, districtusy hoek, buurt. H.3,4: 
Ut thene haga. Uit dien hoek. 1. 
E,6,4, 

haga, debere^ moeten. F.R.72,9: Hya 
hagen to bywarien. Zg moeten 
bewaren. 

hage, caruSy welgevallig. 0.2,1: Dis 



237 



hagia— halinge. 



238 



koninghes haga heranathen. 
Des konings welgevallige lieirgenoo- 
ten. — 2.) aUuêj hoog. B.61« A.1,2. 
F.R.10,3. 

hagia, placere^ hehagen. H.10,24. F.R. 
16,4. 84,12. 

ha la (hal da?), tenercj houden. B.213: 
Halath hit aeng mon. Houdt het 
iemand. 

ha la, inciper€j beginnen. B.64. 127: 
Ther tha case halad heth. Die 
den strgd bronnen is. 

hala, (halda?) obêervarej houden. F.B. 
12,12: Desse freginghen hal ma 
nu naet. Deze vragen houdt men nu 
niet. 

hala, arcessere^ quaerere^ zoeken, halen. 
H.2,10. A.2,6. l.E.6,7. 

hala, dimidiumj half. F.B.75,3: Myt 
een hala pond. Met een half pond. 

halbred, halbrede, halbreide, he- 
lebreda, laesio coüi^ halsbezeering. 
2.E.1,1. J.M.F.n,228: Thiu hal- 
bred olther hiu sit. De halsbezee- 
ring waar die aangebragt is (zit). E.L. 
1,12. Halimbrede. F.O.L.1, 1: eer- 
viXf nek. H.4,5. F.O.L.5,5. 

halda, tenerej houden. B.40. 124. 210. 
F.O.L.3. 

halda, mutentarej houden; conacrvare^ 
onderhouden. E.L.3, 7 7 . 

halda, cmtodire^ bewaren. A.2,17: To 
haldande deth. Te bewaren geeft. 

haldande, doatdicans^ hinkend, A.3,18. 
Zie: helpande. 

halde, helde, vinmkifn^ band, boei. 
A.7,19: Brangth er ne an da hel- 
de and ana heftnese. Brengt hy 
hem in boegen en in gevangenis, zie: 
helde. 

hal de el, dimidia pars^ de helft, het 



halve deel. F.R.21,34. 0.11,10. J. 
M.F.II, 248. 

haldere. accusatus^ aangeklaagde. O. 
1,39: Dat di oentingere neen 
kempa winna thoer men di hal- 
dere. Dat de aanspreker geen kam- 
per winnen mag, maar de aangespro- 
kene. 0.12,4. 

haldere, posseasor^ houder (of wel: ae- 
nioTj oudste). A.2,5: Sa ondwarde 
thi haldere. Dan antwoordt de be- 
zitter (de oudste). Bij 0.4,5: Al- 
dere. H.2,5: Eldera. 

haldere, pollex^ duim. A.3,18: Th es 
halderes and thes sluteres.We- 
gens den duim en den kleinen vinger 
(houder en sluiter). 

halendeel, dimidia pars^ de helft. O. 
9,38. 

halffederia, avunculus ah una parte 
patris, halve oom van vaderszgde. B. 
109. 

halfskerde. F.O.L.1, 5. Zie: haskerde. 

halfsib, cognatio ab una latere^ halve 
verwantschap. F.B.50,21 . 

half te, dimidia pars^ de helft. E.L. 
3,39. 

hal ia, probate^ bewezen, halen. B.207: 
Mith fiuwer ethum to haliande. 
Met vier eeden te bewezen. F,O.L.5,4. 

halik, magnua^ hoog, groot. H.9,1.2: 
Mith halike lowe. Met grooten lof. 
Monege halike man. Menig voor- 
naam man. 

halimbrede, zie: halbred. 

haling, hallinck, nummua quidam^ 
balling (zekere munt). F.O.L.5,1. F.R. 
7,5. 

halinge, probatio^ bewgs; provocatio^ 
aanl^. B.127. F.O.L.5,4. Zie: in- 
halinge. 



239 



halla —liandblecL 



240 



Halla, qitaerere, zoeken, halen. E.L.1,74. 

hallem (eerfnama), a parte haeredisj 
van wege den erfgenaam. 0.1,50. 
halm, P.O.L.2,1. 

hal Ier, moneta quaedam^ haller, heller 
(zekere munt). P.R.ni, 12. 

hallinck, zie: haling. 

halm, zie: hallem. 

hals, collumj hals; mto, leven, hals. 
H.1,7. E.L.1,30. 0.11,25. 

halscriga, coUi delocatioj hBlsverrelJsing. 
2.E.1,8. H.4,37. 

ha Is doe, amictorium, halsdoek. B.194. 
l.E.6,8. 

halseberenczen (halse britzen?), 
a collo diruptus^ van den hals gebro- 
ken, weggenomen, Ch.1, 104. J.M.P. 
11,190. Vergelgk aldaar 217 enCh.I, 
107. (Berenczen schgnt mg eene 
schrgffout, die men in den tekst ver- 
geten heeft om door te halen.) 

halsene, helsine. J.M.F.II, 212. Zie: 
halssinekerf. 

halsfang, obsidium^ ggzeling; injusta 
retentio^ onwettige terughouding. O. 
1,9. 

halskerde. A.3,16. Zie: haskerde. 

halsknaep, halsknape, vertebra pri- 
ma coUi^ halshioop. Ch.1, 99. O. 
11,29. J.M.P.II,201. 

halskrighe. l.E.5,8, !^ie: halscriga. 

halssinekerf, scissio nervi colli, hals- 
spiersngding, J.M.P.II, 187. 201. 

halsslec, ictus in collum, halsslag. H. 
4,20. 

halswerden e, laesio coUi^ halsbezeering. 

A.3,16. 
halt, Justis, hout, stok. H.4,23: Esxe 

halt hei. Slag met een esschenstok. 
halte, daudusj kreupel. 0.8,23, 
halua, aparte, -halve, -wege. £.L.3,18: 



Pon thes datha alders halue 
iefta side. Van des overledeBe oa- 
dersw^e of zgdel H.1,8. A,l,8. Zie: 
hallem. 

halue diorra, dimidia pretii tnajor^ 
eens zoo duur. A.8,4: fnur do ra 
and inur dreppelsa halue dioi^ 
ra. Binnen deuren en over drempels 
eens zoo duur. 

ham (hwam), ctft, wien. B.7. hSWiarda: 
-Ham hit fon riuchte bera muge. 
Wien het volgens regt toekomt. 

hamed, induêium^ hemd. E.L.1,40. 

hamed, percusstu^ a%eslagen. 2.E.1,9: 
Hamed ieftha lamed. A%eslagen 
of verlamd (ofwel: rigiduê, stgf). E.L. 
1,35. Hammeth. 

hamelinge, zie: hemelenge. 

hammerke, hanmerke, disêridusj 
buurt, hemrik. F,O.L.2,5. 

hammeth, zie: hamed. 

hana, ojmstu, beleedigde, gehoonde. 
P.O.L.8,6. P,R.54,6: Dyn schada 
dis hana wirderia. De schade van 
den beleedigde waardeeren. 

hana, Atnc, van hier, vandaar. J.M.F. 
2,47: Jef him di schelta hana 
leth. Zoo de schout hem van hier 
laat. 0.1,48. 

hand, scriptura, stibaeripHoj patestas^ 
geschrift, onderteekening, gezag. F.R. 
17,4. 0.12,18. 

hand, gradtu cognationis^ graad van ver- 
wantschap. F.B.46,24: Wtoer sex 
handen. Buiten de zes graden van 
verwantschap. 

handa, capere, vatten. E.L.1,73. A. 
7,23: Sa hwersa thi husig enne 
thiaf hant. Wanneer dat de huis- 
man een dief vat. A.4,3. J.M.F.Beg.16. 

handbled, handbird, palnui^ het 



241 



handbreka— harra. 



242 



platte der hand. Ch.1, 99. 0.11,27. 

31. J.M.F.n,249. 
landbrekoi artieulus manusj gewricht 

der hand. J.M.F.n, 249. 
handdedige, reus^ handdadige. F.Il. 

62,6. 
bande (baande). 1.£.2,17. Zie: 

jinande. 
bandfana, zie: haadfana. J.M.F. 

7,52. 
bandgheft, handieftich, mobüis^ 

roerend. 0.10,28. Ch.1, 107. J.M.F. 

II, 220. 
handiefte, jmvï^égrtum, handvest, voor- 

regt 0.12,20. 
handyrsen, ferram^ qttod utuntur in 

€>rdalibuê, handgzer. 0.7,17. 
bandlya, habere aliquemf agere c^m 

aliquo, behandelen. F.R.51,1: On- 

honeslick handlje. Onheusch be- 
handelen, 
handloes, nhe manibuSj bandeloos. 

F.B.66,2. 
handordel, ban orde 1, judicium per 

immiMianem manus in aqua buUiente; 

vel portando in manum ferrum candi' 

dum , heetwaterproef, heetgzerproef. 

P.OX.4,17. 
handschoech, handschoegh, yna- 

fdea, handschoen. 0.1. S. J.M.F.3. 
handtrowe, actue, quo desponeatis siln 

nianum dant, et dedarant se invicem ut 

maritum et uxarem eumere^ eponsalia^ de 

verloving, trouwbeloften. F.R.15,32. 
handwirst, handwerst, ar i^cuZu^ ma- 

fiti«, gewricht van de hand. 0.11,27. 

J.M.F.II, 201. 
b an e t h e, accusatio^ laeeio, beschuldiging, 

beleediging. 2.E.2,2: And tobrecht 

tha erwen thes witscipis, the 

hia tha banetbc forthsettath. 



En ontbreekt den erven het bewgs, 
doch dat zg de klacbte doorzetten. 

bangst, hanxt, equus^ paard. B.B. 
27. E.L.1,78. 2.E.3,27. 

hanmerke. F.O.L.2,5. Zie: ham- 
merke. 

ban te ra, facere^ <^^b^ handelen, be- 
handelen. F.B.70,7: Ende deth 
ende hanteret wirken. En doet 
en behandelt werken. 

ban z och, eubditue^ gehoorig, onderda- 
nig. A.1,7: And wrthe tha su- 
thera kininge hanzoch and 
her och. En den zuidelgken koning 
onderdanig en gehoorzaam werden. 

hap, cumulus^ parsj hoop, deel. E.L. 
3,70. B,116. 

har, obligatus^ verplicht. A.7,8: Ther 
skil on wesa allera ierdik iuin 
har oron. Daartoe zal de eene roede 
even verplicht zgn als de andere. 

har, plue^ altior^ hooger. J.M.F.4,3.4: 
Dat hia nen bimelscilda har 
ne go ld e. Dat zg geene geestelgke 
schatting hooger betaalden. 

bare (ghare?), vestis^ kleed. 0.1,71. 
(J.M.F.2,71 heeft: ghaere): So aegh 
hi op toe ngmen mit siner win- 
sterhand sine winstera hara. 
Dan moet hg met zgn linkerhand zgn 
kleed aan de.Unkerzgde opnemen. Zie 
ghara. 

harkya, audire^ auscultare, hooren, toe- 
luisteren. 0.2,1: Will g harkga 
ende lettet joe sidza. Wilt gg 
toehooren en u laten zeggen. 

haroge, obedientes, onderhoorige. A.5,4. 

har ra, prior ^ proximior^ aUior^ eerder, 
nader, hooger. H.6,13: Sa nis hiu 
a bote ni a riuchte nowet ti 
harra tha hi. Dan is zg noch in 

16 



243 



hars— haudsto. 



244 



boete, noch in regt hooger dan hg. 

hars, é^uu^, paard. A.2,11: Fon har- 
sis hou e. Door paardenhoef. 

harsim, harsum, obediens^ gehoorzaam. 
Ch.I,435: Her Vteka onze har- 
sim e brode r. Heer üteke onze ge- 
hoorzame broeder. — A.9,11: Sa is hi 
Godi harsum. Dan is hg gehoor- 
zaam aan God. 

haskerde, halfskerde, halskerde, 
hasmuled, qui os habet leporinum, 
die een hazemond heeft. A.3,16. 
F.0.L.I,5. E.L.1,26. (Li het Wurster 
Landrecht staat: halue scherde, op 
't midden doorgesneden (lip). 

haste, iracundua, festinanSj vergramd, 
haastig; ira^ gramschap. H.4,38: 
Mith hasta hei and bi ira mode. 
Met haastigen zin en in grammen 
moede. 

hastelik, ciVo, haastig, spoedig. H.9,2. 

hat, odium^ haat. F.R.2,6. 

hata, aliquid^ iets, wat, F.R.17,3: 
Deer se mey willet hate biuisa 
Daar zg iets mede willen bewijzen. 

hath, piletis^ hoed. E.L.1,88: Hvasa 
otherem sin hath nimpt off 
tha haude. Wie den ander zijn hoed 
van het hoofd neemt. 

hat ia, sustinere^ onderhouden. B.110: 
Thet hiu se eiker ne muge nau- 
vet hatia. Dat zich ieder niet on- 
derhouden kan. 

hatyd, tempus messis jhooiiigA. F.R.5,3. 

hatte, cUiquidj iets. F.R.34,1: Dat 
ter hatte needtreffte se. Dat er 
eenige behoefte is. 

hatte, odium^ haat. F.R.63,2: Bg hatte 
ende bg nyd. Uit haat en uit ngd. 

hauck, accipiter, havik. F.R.72,4. 

haud, caputj hoofd. E.L.1,12. H.1,15. 



hauda, continere^ bevatten, inhouden. 
F.R.3,5. 

handel, dimidium^ de helft. 0. 1696. 

haude n, tenere^ observare^ houden, op- 
volgen. F.R.1,15. 

hauddeda, crimen capitale^ hoofdmis- 
daad. H.1,16. 

hauddusinge, hauddusengha, ver- 
tigOj duizeling. E.L.1,19. F.O.L.5,1. 

haudfana, vexiïlum majusj hoofdvaan. 
J.M,F.7,52. 

h au dia, decoUare^ onthoofden. 0.8,21: 
So hi se haudie mit ta swird. 
Of dat hg haar onthoofde met het 
zwaard. — F,R.ni, 4: Diin schel 
ma haudiapyngia als da nacht- 
branderen. Dien zal men met het 
hoofd straffen als de nachtbrandstichters. 

hauding, capitaneus, hoofdman; actoTj 
aanlegger. B.40. 137. 215. 

haudlas, haudlos, sine ducCj hoofde- 
loos, zonder aanvoerder. l,E.2yl2. 
E.L.1,69. 

h au diemet h, debüitatio capitisj hoofd- 
bezeering. H.4,2. 

haudlengh, haudling, capitaneus^ 
hoofdman. Ch.1, 252. E.L.2. 

haudlesene, hauedlesene, haued- 
lesne, solutio capitis^ hoofdlossing. 
F.O.L,2,24, A.1,8. A,2,24. 

haudmonta, monetcUis officinacapitalis^ 
hoofdmunt. J.M.F,9, 1 . 

haudnede, haudnethe, necessitas ca- 
pitalisj hoofdnoodzaak. F.O.L.2,2. 

haudraf, zie; hawedraf. 

haudseck, crinien capitale^ hoofdmis- 
daad. F.R.15,3. 

haudsonde, peccatum capüale^ hoofd- 
zonde. F.R,2,29. 

haudsto, haudstoed, capüale^ hoofd- 
plaats. 0.1,40. 2,4. P.0.L,3. 



245 



haua— heerkedde. 



246 



haua, paaaeêsioj bezit, have. O.v. F.B. 
1,33. 

haueddeda, zie: haveddéda. 

haaeddasinge, haveddusinge. A. 
3,2. Zie: hauddasinge, 

haaedlas. A.2,22. Zie: haudlas. 

haaedleina, laqueus^ strop, hoofdlgn. 
A.2,15. 

hanedlesene, zie: haudleseue. 

ha a en ia, vindicare^ handhaven. H. 
10,27. Hawne. P.O.L,9,23. 

haun, habebant^ hadden. F.R.51,1. noot. 

haan ia, sustentare^ reparare, onderhou- 
den. B.171. 172: Sa haunie hi ne 
slat. Dan onderhoudt hg de sloot. 

haat, continetf bevat, houdt in. F.ll. 
3,5. Zie: hauda. 

hanth, demolit^ vernielt, houwt. A. 
7,29. 

hauuet, caput^ hoofd. 1.E,5,2. 

ha aan, habuit^ gehad. Hawn. F.B. 
27,4. 

haawen, hawen, hawgn, caesus^ ge- 
houwen. E.L.1,12. Ch.1, 100. 119. 
J.M.F.n, 257. 

havde, poêseêsto^ bezit, have. F.O.L. 
6,3: Mar hit hweng ma to ta 
havden ut. Maar dit zonderde men 
van het bezit af. A.v.l. ha va. 

haveddede, haueddeda, crimen ca- 
püdU^ hoofflmisdaad. A.1,16. 

haveddusinghe, zie: haueddusinge. 

hawa, diruere^ demolire^ vernielen, hou- 
wen. A.5,3: And hwa sa ther 
efter enich hus hawe. En wie 
daarna eenig huis vernielt. — A.7,29: 
And sin hus stat ieftha hauth. 
En zgn huis instoot of vernielt. 

hawed, haved, haud, caput^ hoofd. 
B.183. H.6,9. 8,8. 

hswedlesne, zie: haudlesene. 



hawedraf, hauedraf, direptio capitis, 

hoofdroof, hoofdberooving. H.4,10. 

6,15. 
hawey (awey?) perditus, verloren. J. 

M.F.II,258. Ch.I, 119. 
hawere, hawerff, locus ubi fenum de- 

ponitur^ hooiwerf, hooiberg. 2.E.4,80. 

E.L.3,46. B.167: Fon hawerwm. 

Van hooiwerven. 
hawyn, caesus^ gehouwen. J.M.F.II, 

157. Ch.1, 119. Zie: bauwen, 
hawn, zie: hauun. 
hawne, zie: hauenia. 
he, bede, heed, habebat^ had. F.R. 

27.1. 67,5: Hy he do wird alzo 

seyd. Hg had hiermede do waarheid 

gezegd, 
bede, heed, cutisj huid, vel. E.L.1,44. 

0.1,41. 
heel, dimidiattiSj half, ten halve. O. 

12,14: Ende naet heel bliwa. Bn 

niet ten halve blgven. 
heel, plenvs, vol. F.B.27,2: In hyaere 

heel gued weer to helpen. In 

haar vol goed weder te helpen, 
heel, cair,hieL 0.11,30. J.M.F.II, 239: 

Heelsinekerf. Hiel-spier-sng ding. 
heel, êanatu8^ genezen. F.B.58,39. 
heemsteed, domus, locus, in quo domus 

sita est, woning, woonstede. 0.9,12. 
heer, crinis, haar. 0.1,41. 
heer, conductio, huur. F.B.37,2. 
heer, hic, hier. F.B.50,30. 
heerbeynden, ligatio, binding met 

touwen. F.B.25,8. 
heerehorna, buccitMej krggshoornen. 

J.M.F.1,7. 
heerfana, zie: heerkedde. 
heerfst, autumnus, herfst. F.B,68,4. 
heerkedde, eaercitus, leger. 0.6,1: 

Tweer heerfanen opriucht en- 



247 



heerlioht—hein. 



248 



de tween heerkedden mit oen- 
ledena togara laet. Twee krggs- 
yanen opricht en twee legers ten aan- 
val te zamen brengt. J.M.P.9,1. 

heerlicht, dominium^ heer^kheid. F, 
R.2,12: Ende hg is syn heerlicht 
wriiesen. En hg heefb zgne heerlgk- 
heid (waardigheid) verloren. 

heermon, conductor^ huurder. F.R.37,5. 

heernat, zie: heranaet. 

heernee d, captimtas^ gevangenschap. 
0.3,14. 

heerscap, heerscip, administratio^ 
jurisdictioj beheer, r^tsgebied. F.R, 
31,8. 72,9. 

heerschield, (trmaj beUurn^ wapenen, 
oorlog. O.r. 

heerscrede, tonêura^ haarafscheering. 
Ch.1, 109. 

heerstraem, heetsttem^ flutnue mili' 
tariê capiUdisj hoofdstroom, hoofdvaart. 
Ch.I, 743. 

heerstrete, heerwei, via capitalis^ 
heerestraat, publieke weg. 0«1,13. 
12,19. 

heerweren, possessiones jure beUi^ be- 
zit door krgg. F.B.36,11: X jeer 
besittinghe sonder raeffweren 
en sonder heerweren. 10 jaren 
bezit zonder roofbezit of krggsbezit. 

h e f, mare, zee. HJ,10. A.1,10. l.E.1,7. 
P.O.L.1,7. 14. 

hefech. B.25. Zie: fech. 

heft, habet, heeft. F,O.L.7,5: Heft 
thet letere wif en bodel in tha 
were brocht. Heeft de tweede vrouw 
boedelgoed in de huishouding gebragt. 

hef te, vinctdumj band; carcevj gevange- 
nis. B.144: And werpth hine a 
hefte and a helda. En werpt hem 
in de gevangenis en in boegen. 



keftich, vivens^ guod se movere poteet^ 
levend, beweegbaar. H.4,41: Sa 't 
lif heftich is. Zoo het ligchaam 
zich bewegen kan. (Of is het: lif hef- 
tich, vatbaar om te leven? Zie: lif- 
heftich.) 

heftnese, captivitoij hechtenis, ge- 
vangenschap. A.7,19: Brangth er 
ne an da helde and ana heft- 
nese. Brengt hg hem in boegen en 
in gevangenis. 

hei, hey, antmu^, gemoed. B,27: Vr^ 
waxt hir aenge monne sin heL 
Wordt iemands gemoed ontstoken. ~ 
B.59: Mit hasta hey. In haasi 
F.O.L.5,37: Mit bisette hei. Met 
opzet. 

hei, ictue^ slag. H.4,23. Zie: esxe. 

heia, inatruere^ constüuere, spannen, op- 
richten. F.O.L.1,5: To heiane and 
to haldane. Op te richten en te hoo. — 
den. A.t?.l. H.1,17. F,0.L.l,15.1ir , 
(H.2,1 heeft: heinnane.) 

heidthinze, judicium instructum^ g 
spannen geregt, l.E.6,2: And hL 
thenna inna urpeno anare ais 
inna ene heidthinze hire ns 
keme. En zg dan in een opgewi 
pen geregt en in een gespannen 
regt haren nood klaagt. 

hey et cusue^ geslagen; auc<i<«, ver 
F.O.L.B,36: Hir efter werden t 
ield heyet. Hiervolgens werden 
munten geslagen (verhoogd). 

hey ge ra, altior^ hooger, meer. 
n, 286. 

keyl, salus, heU. F.B.25,26. 

heil e, calx, hiel. E.L.1,34. IIA,^^ 
F.O,L.5,24. 

hein, proprium^ eigen. B.155. ^V 
Wiarda. 



j.m:.J 



249 



heynd— helpande. 



250 



heynd (to), propinguej te nabg. F.IU 
20,14: Deer dg alda to heynd 
wyr. Die de oude te nabg ware. 

heyne, heine, aervus^ domeaticus^ be- 
diende, hnisgenoot. F.O.L.5,44. 6,3. 

heine, famüia^ hnisgezin. H.8,20. 

heinesna, merces domesticorum^ hois- 
loon. P,O.L.6,21. 

heinnane. H.2,1. Zie: heia. 

heinzioch. A.9,1. Zie: hensich. 

heire, exercitusj leger, heer. £.L.1,69. 

heirfona, vmUum, heervaan. E.L.1,69. 

heyrskedene, tonsuraj haarafscheering. 
Ch.I, 98. Zie: heerscrede. 

hel, heel, plenus, vol. B.209: En hel 
ield. Een vol geld. — 2)totu8^ geheel, 
ükiesw, ongeschonden. E.L.1,23: And 
thet hlid se hel. En het lid onge- 
schonden is, — 3) bonus^ goed, deugd- 
zaam. — A.7,8: Alsafelo heles 
londes and grenes turues. Zoo- 
veel goed land en groene zoden. F.B, 
59,21. 

hela, oeadtarej verbergen. E.L.1,84: 
Anda ma thet helt dey anda 
nacht. En men het dag en nacht 
verbei^ (heelt). 

hela, reitituere^ herstellen, heelen, 
vergoeden. F.R.59,21: Want alle 
thing schel ma hela dayenen 
deer bgraweth sint. Want alle 
zaken zal men vergoeden aan die be- 
roofd zgn. 

hela, reparare , herstellen. Ch.I. 394: 
Den heerwey biriuchta ende 
helen. Den openbaren weg onder- 
houden en herstellen. 

helde, halde, custadia, bewaring. I.E. 
2,17. — 2) carcer^ gevangenis; trincu" 
lum, boei. B.144. F.O.L.2,17. Zie: 
hef te. 



helde, gratioj favor, hulde, genade. A. 
9,2: And godis helde winne. En 
Gods genade winnen. — 2) salus, heil. 
A,8,l: And bidde to sinere hel- 
de Godes uses hera. En God on- 
zen Heer bidden tot zgn heil. 

heldest (eldest?), senior, oudste. 1, 
E.2,5. 

helebreda. l.E.4,4. H.4,5. F.O.L. 
5,5. Zie: halbred. 

helech, heleg, sanctus, heilig. A.v.l« 

7.9. H.1,6. B.146. l.E.3,13. E.L.2,6. 
helgena mon, ^cc^m^^fcu^, geestelgke. 

B.5. 

helhalda, iUaese custodire, ongeschon- 
den bewaren. B.157: Is thet hus 
elle heihalden. Is het huis geheel 
ongeschonden gebleven. 

helibreda. A. 3,2.15. Zie: halbred. 

hellede sterk, robustus volde fortis, 
J.M.F.13: Hellede sterk ende 
goede. Zeer sterk en dapper. 

hellen, occultus^ verborgen, geheeld. 
0.1,71: Hellen ner hindereth. 
Geheeld noch gehinderd. J.M.F.2,71. 
heled. 

hellicheed, sanctitas^ heiligheid. F.B. 
19,4. 

helm, miles j krggsman; gaUa, helm. H. 
3,4: Halat ut thene haga helm 
ande thene rada sceld. Uit dien 
hoek den helm en het roode schild 
haalt (of is het: den hoogen helm uit- 
haalt?). — A.7,8: With thene sta- 
pa helm. Tegen den aanrukkenden 
krggsman. 

heine, totus^ plenus^ heele, volle. 2. E. 

2.10. E.L.2,10. 

help, auxUium^ hulp. P.R.1,11, 
helpand e, tripudians^ trippelend. A, 
8,18: Helpande and haldande. 



251 



helplicheit ~ hengnese . 



252 



Trippelend en hinkend. F.O.L.1, 9. 
Hilpande. 

helplicheit, auailium^ hulpmiddel. F.R. 
27,4;Een helplicheit dis riuch- 
tes. Een hulpmiddel des regts. 

helplick, auanliaris^ behulpzaam. F.R. 
13,11. 

helpynde, vulnus, ad vulnera sananda 
actum^ hulpwonde, garou. E.L.1,54. 
2.E,1,11. 

helse, coUum, hals. l.E.1,7: Fria hel- 
se. Vrge hals. 

helsinekerf. J.M.F.II, 188. 212. Zie: 
heel, cahc. 

helt, abscondit^ occuUat, heelt, verbergt. 
F.R.16,3: Hwaso da wird swiget 
eff helt. Wie de waarheid verzwggt 
of heelt. 

hem, ad, coramj bg, voor. Oh.1, 242: 
Jeftha elles sekin seka hem 
tha Heran fan Vtracht. Noch an- 
dere zaken zoeken b^ de heeren van 
Utrecht. (Er staat: esses se kin. 
Schotanus Tablinium 75 heeft: esses 
sekin. Ik heb het in elles veran- 
derd, omdat het mij voorkwam een druk- 
fout te z^n. Esses komt niet voor.) 

hemblyck, hemelich, c/am, heimel^k. 
Ch.1, 760. F.R.14,1. sub manu, on- 
derhandsch. 

heme, domus^ huis. l.E.1,14: Sine 
eldera hof and heme. Zgn ouders 
hof en huis. 

hemede, hemethe, indusium, hemd. 
l.E.5.13. 2.E.1,13. H.6,18. 

hemelinga, hamelinga, homelin- 
ga, truncatio, verstommeling. 0.11,47. 
Ch.1, 102. A.3,5. H.8,19. F.O.L.6,21. 

hemelick, zie: hemblyck. 

hemeswege, zie: hemwege. 

hemeswerue, locus publicus vici^ pu- 



blieke plaats van den hem (gemeente). 
F.O.L.6,14. 

hemetoga, judex ecclesiasticuSj geeste- 
lijke regter. A.9,8. 

hem me, locus^ in quo domus habetur^ 
heem. B.52. 148. area^ kampplaats. 

hemmerick, districtus, p<^^g^^i hamrik, 
hemrik. 0.1,5. 

hemsecninge, hemsekinge, hem- 
sekne. visitatio domus alicujus^ aggres- 
sioj aanval op een huis. l.E.4,24. 
5,19. E.L.1,69. H.8,20. F.O.L. 
5,44. hemsekene, hemseke (Isl. 
heimsökn). 

hemweghe, hemeswege, via piMica 
pagi vel vici, dorpsweg, gemeenteweg. 
Ch.1, 348. J.M,F.U, 303. F.0,L.7,1. 

hemzoch, A.1,9. Zie: hensich. 

hena, nocere, schaden, beschadigen. £• 
L.2,7. 3,44: And sin diar hine 
hent, bith ieftha slaith. En zgn 
dier hem schaadt, b^t of slaat. F.O.L. 
6,22. 

hen da, capere, vatten, vangen. H.6,14: 
End et there stiarne hent. En 
bg het roer opvangt (vat). 

hende, captivitas^ gevangenschap. H. 
3,4. l.E.5,28. F.O.L.1,16. 

hendedich, possidens^ habenSj cap<up^ 
vatbaar, vermogend. J.M.F.7,2: Al — 
soe hendedich fan goede. Zoo 
vermogend in goed. Zie: hioech.— 
dedich. 

hendreth. F.O.L.2,71. Zie: hindera. 

hendsegcht. l.E.1,7. Zie: hensicL 

hened, laesus^ beschadigd. £.L.2,7. 
Zie: hena. 

heng, vitam laqueo finiébat^ pendebat^ 
hing. A.v.1. 

hengnese, hengnisse, concessio^ toe- 
lating. 0.8,4. F.R.80,2. 



253 



henninge— here. 



254 



henninge, zie: ele. 

hensekinga. 2.E.1,17. Zie: hem- 

secninge. 
hensich, hensech, h enz e g, subditusj 

onderdanig. 0.3,7. H.1,7. P,O.L. 

1,7. 
henszebene, os podicis^ spina dorsi^ 

aarsbeen, rn^egraat. B.198: Ben- 

frotha a ermen a benem and 

an da szinbacum,, an da scul- 

derbene an da henszebene. Been- 

beschadiging aan armen, aan beenen 

en aan de kinnebakken, aan de schou- 

derbeenen, aan het aarsbeen. 

henszesine, nervtis dorst^ niggespier. 
B.199: Werth er en mon ewn- 
dad anda sine henszesine and 
him sin erim driapande se and 
lorna. Wordt iemand aan zijn rugge- 
spier gewond zoodat hem zijne armen 
hangende en lam zgn. 

hent, capit^ vat, zie: henda. 

hent, nocet^ schaadt, zie: hena. 

h enz ia, tolerare^ gehengen, toelaten. 
F,O.L.t?.l. 

her, gtve, of. J.M.F. 11, 12. 

her, heer, crinisj haar. l.E.3,11. H. 

4,5. B.208. 
lx era, conductionis pretium^ hmxr. B.160. 
Il era, sub esse, subjectum esse, behooren, 
onderdanig zgn. 0,7. F.R.1,25. — 
2) auscuUare^ hooren. E.L,1,22. 
Il erabon, ^möannu^, heerban. F.O.L. 
1,10. 

lieranaet, heernat, herenat, com- 
fnüüoj heergenoot, krggsmakker. O.v. 
P,0.L.3. 

heranede (heran de, heeren die?), 
dt>mtm, heerschappen. 0.12,17. J.M.P. 
12,18. heren. 

herarfona. l.E.6,2. Zier herefona. 



herbreid, herbreud, perturbatio crinis^ 
haarbederving. E.LJ,1. l.E.5,1. 2.E. 

1,1. 

herckia, audire^ hooren. F.R.67,6: 
Tojeenst een openbeer leynta- 
ler schel ma naet allegerie 
off antwirdie en lyowa off her- 
ckia. Tegen een openbaren leugenaar 
zal men niets aanvoeren, noch ant- 
woorden, noch gelooven, noch hooren. 
herd, conductus^ gehuurd. E.L.3,40. 
herdaferda, hebetatio aitditusj gehoor- 
verderving, verdooving van het gehoor. 
J.M.F.1I, 224. Ch.1, 109. 
herde, Jirmm, vast. 0.2,7: Dat dae 
Fresen dat also herde hilde. 
Dat de JbViezen dat zoo vast hielden, 
herdefang, arreptio humerorum^ schou- 
derpakking. 0.10,36. (Isl.: her da, 
schouders.) [Of is het: he r-d ef a ng, ge- 
hoor- verdooving? Zie: herdaferda en 
de daar aangehaalde teksten.] 
herde wel, per bene^ zeer wel. O.v. 
herdstaeda, herdstede, herdsteed, 
hertstethe, domus ^ haard, huis. O. 
4,24. B.81. J.M.F.6,24. 
here, auditus^ gehoor. B.187. 
her e, eaercitus, leger, H.1,10. 
here, cantus^ gezang. F.R.50,41: Hweer- 
so een man syn breyd haleth to 
how ende to huus myt here en- 
demyt drechte. Wanneer iemand 
zgne bruid in hof en in huis haalt 
met gezang en met gevolg. (H.2,6 en 
1,E.2,6 hebben: do me. J.M.F.G,6 en 
0.4,6: mit hoern). F.O.L.6,9, 
here, possessor^ dominus^ bezitter, heer. 

E.L.1,57. 
here, socer, schoonvader. E.L.3,53: 
Jeff thi swager sinem here. Of 
de zwager zgnen schoonvader. 



»t fc I 



255 



here— herskipL 



256 



herè, locabio^ hunr. B.86: To here 
se ld. Verhuurd. 

herebende, ligaJlio vi, binding met ge- 
weld. l.E.4,23. H.8,18: Thet send 
herebende: thet thene mon tue- 
ne halde end en sine ynewald 
lede. Dit zyn herebende: dat twee 
den man houden en onmagtig ma- 
ken. 

herec, here^h, hereght, obedienSj 
gehoorzaam; presens injudicio^ in het 
geregt verschgnend. H.1,7. B.214. 
l.E.1,7. 

hered, subditus, obediens^ gehoorig. J. 
M.P.5,3. 

her eng, hdUx^ haring. 2.E.3,26. B. 
B.26. 

hereferd, herefert, hereferth, ex- 
peditio müitaris^ heenraart. H.1,10. 
1,E.1,10. F.O.L.2,19. 

herefane, herefona, veaillum, heer- 
vaan. H.7,1. F.O.L.1,17, J.M.P. 
9,1. 

herefrethe, pcue eaercitus, heeryrede. 
H.1,12. F.O.L.1,12. 

heregers, dominium, heerlgkheid. F. 
O.L.8,1. 

hereght. l.E.1,7. Zie: herec, 

heregong, bellum, oorlog. B.93. 

herehuse, ccwi^ZZwm, kasteel, F.R.2.31. 

herekedden. J.M.F.9,1. Zie: heer- 
kedde. 

herenat, zie: heranat. 

her est, prius^ eerst. H.v. 

hcrestede, zie: hertstede. 

herich, herig, obediens, gehoorzaam. 
0.2,7. F.R.1,45: Dyn wnheriga 
to heriga to bringen. Den onge- 
hoorzame tot gehoorzame te brengen. 

heringhe, beUum^ oorlog. Ch.1, 345: 
Hwerso brect manschouwingba, 



ist in dae heringhum jeftha 
bynna tha onfrede ende in 
alle» reysem, deer dio meente 
wtk§^ wirth. Wie niet tel^wa- 
penschouwing komt, zg het in den 
oorlog of binnenlandsche onrust en 
in 'alle tochten, waar de gemeente 
opgeroepen wordt. J.M.F.II, 201. 

hcrmscheed, hermschere, hermi- 
schere, lüterae poenitentiariae^ boete- 
brief. 0.7,4. 8,21. 14,4. F.O.L.4,16. 
J.M'.F.7,5. 49. Aflaatsbrief. 

hem ad, anffulatus^ hoekig. J.M.F. 
11,17: Fiouwerhernade duc. Vier- 
hoekig (onaangesneden) linnen. O. 
10,27. 

hem e, angtdus^ domua^ Tcgio^ hoek, 
huis, oord; dominium^ heerlgkheid. 
H.1,7. 7,4. B.143. 0.3,7. A.ü.1. 
F,O.L.2,24. 

herne, auppeüex^ huisgeraad. F.R*50,41: 
So nyme hyo dat herne and dat 
kaepland halff with a bern. Dan 
neemt zg het huisgeraad en het aan- 
gekochte land voor de helft t^^nover 
hare kinderen. 

hemsele, cooffmenta^ muurgebinten. 
F.O.L.I, 55: Stat ma dora in ief- 
tha anderna, tha hemsela ha- 
we. Stoot men deuren in of vensters, 
of muurgebinten vernielt. 

hemtoth, herntusk, dens angularü, 
hoektand. B,195. KL.1,27. 

her och, obediens^ gehoorig. A.1,7. 
F.0.L,3. 

hers, equuê^ paard. l.E.2,11. H.2,11. 
F.O.L.4,6: Fon herses howe. Van 
paardenhoef. 

herskipe, dominusj heerschap. B.71. 

her ski pi, dominium, heerschappg. A. 
7,8. 



f 



257 



horatft — hoznft. 



258 



her sta, dettruere, omrerstooieii. F.R. 
81,23: Deer laawa brekt en deer 
deertojenst dwaet end# her- 
stèi. Die beloften breekt en*(fie daar- 
tegen doet en omverstoot. 

herstme, ductioj leiding, bestiering; con- 
êemuê^ toestemming. Gh,1, 115f Ner 
. hit wera bnta tha witsceppe 
and zonder herstme sines and 
wr zjn wpUa then ronne. Tenzg 
dat het buiten zgn weten ware en 
zonder zgne toestemming, en tegen 
zgnen wil dan liep. J.M.F.n, 243, 

hert, herth, donius^ huis, heerd, haard. 
P.O.L.8,15. B.L.3,16. B.153. 

hertblede, paltna manus^ palm der 
hand. J.M.F.n,233. Ch.1, 112. Zie: 
handbled. 

her te, cor, hart l.E.v. H.8,24. 

hertstethe, herthstede, herestede. 
domuê^ huis, heem ; focusy haard, vaor- 
steed. A.2,24. H,2,24. l.E.2,24. 
P.O.L.2,24. 

mertoga, dtM?, aanvoerder van een le- 
ger. A.7.5: Thet is een haaed- 
las hiri: sa hwer sa nen greua 
ni nen hertoga mithi is. Dit is 
een hoofdeloos l^er: waar graaf noch 
aanvoerder bg is. 

K^erwere, poêsessio titulo loeationis^ hnur- 
bezit. F.O.L.7,1: Mith cape sa 
mith wixle, sa mith riuchta 
herwernm. Door koop of door ruil 
of door wettig huurbezit. 

:xet, qmdquid,WBL F.B.25,11: Het dg 
rinchter deereefter deth. Wat de 
regter daarna doet. 

het, hete, cahr^ hitte. F.O.L.5,4. 
21. caltdus, heet. H.2,10. F.O.L. 
5,29. 
het (helt?), tenetj houdt. F.O.L.5,33: 



I 



Het and helit. Houdt en verbergt, 
het, cutiêj huid, vel. l.E.3,11: Sa 

wext ed merch and thiu het. 

Dan groeit het merg en de huid. 
heta, jubere, bevelen. F.O.L.3. 
heta, vocarij heeten. F.R.7,4. H.1,2. 

0,t?.2,7. 
heten, vocatus^ geheeten. F.B.2,1. 

13,10. 
heten e, aggreasio^ aanval; pugna^ strijd. 

0.1,45: Dioe leste hetene, deer 

da kempen dis tredde degs 

fiuchtet, dgo haet dgo Inck- 

hetene. De laatste strgd, die de 

kampers den derden dag strgden, die 

heet de sluitstrgd. 
het hen, paganus^ heiden, heidensch. 

l.E.1,7. H.1,10. 
hetta, aliquid, wat, iets. F.R.77,9: 

Mer wil ma him hette jaen. 

Maar wil men hem wat geven, 
hette, calor, hitte. 0.11,47: Hette 

ende kelde. Hitte en koude, 
heua, lewire^ heflfen. F.R.49,3: Dy 

deer dat heuet fan da fonte. 

Die, die het uit de doopvont heft. 
heue, mare^ zee. O.v.i Heuesmuda, 

Oêtium maris. Zeehaven, 
heue, possessio^ bezit. F.B 33,15. — 

heuwa, hewe, possesno^ bezit, have . 

E.L.1,84. 3,59. B.93. l.E.6,6. F. 

O.L.1,3.4. 2,1, 7,1. — heve, poêses- 
sio, bezit. F.B.33,15. 
hexil, linteum, doek; vestis^ kleed. H. 

2,10: And uexede hexil ach hi 

to dregane. En een gewast kleed 

moet hg dragen. (Angt.» hacele.) Zie: 

hreil. 
hexna (hoxna?), ligare^ binden. B. 

59: Hwasa bleut ieftha hexnat 

ene mon mith wald. Wie iemand 

17 



259 



i — hyndera* 



260 



met geweld bezeert of bindt. Zie: 
blenda. 

hi, iUe, hg. E.L.1,22, H.t?, — hia, 
hya, iUi, zg. F.R.1,12. Ch.I, 698. - 
hiam, iUisj hun. A.2,16. — hyae- 
rem, hyerrem, illis^ hun. F.B.2,12. 
15^45. — hiarens, eorum^ hunner. 
Ch.I, 698, 

hia f conJUeri^ bekennen. A.2,15. bg 
Wiarda: Wili hi 's hia. Wü hg het 
bekennen, 

hiaerlyoed, conductoreSj huurlieden. 
Ch.1, 698: Elk man, ryk en niet 
ryk, ayneerd en hiaerlioed. 
Een ieder, rgk of niet rgk, eigenerfde 
of huurlieden. 

hiahuelick, quisque^ ieder. 1.£.4,5: 
Sa is hiahuelick wlemmelsa. Dan 
is iedere bezeering. 

hiare, hyaere, qiwd earum est^ wat 
het hunne is. F.B.45,13: Mogen 
hiare oen trim lawgwia. Kunnen 
het hunne aan drie nalaten. 

Hiddisheckere, Hiddisekre, Hid- 
deseckere, Itzehoe in het Holstein- 
sche. 0.3,10. A.1,10. l.E.1,10. 

hyedy habebant^ hadden. F.R.1,14. 

hiede, habebat, had. F.B.46,61. 

hyeld, custodiay bewaring. F.R.40,2: 
To halden ende oen hyeld ende 
op to hoeden. Te houden en in be- 
waring en om het te verzorgen. 

hielde, Jitnis^ koorde, band. 0.8,17: 
Mit tuam hieldem spant. Met 
twee koorden gespannen (gebonden). 
J.M.F.7,48. 

hielde, tenebant^ hielden. J.M.F.1,6. 

hier, iUae, aan haar. J.M.F.n, 278. 

hieta, nominarej noemen, heeten. F.B. 
21,35. 

hila, iVe, gaan, glen, spoeden. J.M.F. 



11,292: Ende hwa se nath habba 
wol, dey my hila ors. En die ze 
niet hebben wil, die kan elders gaan. 

hild (hlid), operculunij deksel, lid. H. 
6,21: Li ma 't hild wither up. 
Legt men het deksel weder op. Zie: 
hlid. 

h i 1 d e, decUmtas aggeria^ helling der dgk. 
0.9,15. Des dgckes hilde. 

hilde (wy), observobamua^ wg hielden. 
J.M,F.6. hilden. H.r. O.r. 

hilia, sanare^ genezen, heelen. F.0.L, 
5,25: Nanene vnda ach ma to 
scriuane er se alle hel is, hit 
ne thet se, thet se nout hilia ne 
muge. Gteene wonde behoort men te 
schrgven (te berekenen) roor zg geheel 
genezen is, tenzg zg niet heelen kan. 

hille, infemum^ hel. A.v.1. 

hilpande, inactivus^ hulpeloos. F.O.L. 
I, 9, Zie: helpande. 

himel, himul, ooehtm^ hemel: O.v. 
A.7,9. F.O.L.3. 

hymelryck, himelrike, himulrike, 
regnum coelij hemelrgk. H.o. A.v.1. 
F.B.2,5. 

himelschielda, himelschilda, een- 
stA8 ecdesiaaticuê^ geestelgke schatting. 
0.2,4. F.O.L.3. 

hynde, familiaris^ domesticus^ huisge- 
noot. F.B.59,1. 75.3: Ende schil 
deertho elcka menscha fan da 
hynden een wald bèta. En zal 
daarenboven aan ieder der hui^^oo- 
ten een geweld (beleediging) boeten. 

hyndera, proximiar^ nader. Van hyn- 
de, prope^ nabg, heinde. 0.14,4: Al- 
ont dat schil hi buta kerka 
staen ende nen man hyndera 
comma, dan dat ter s twisschs 
se nioghen feet. Tot dien tgd zal 



261 



hindera— hiflothe. 



262 



hg buiten de kerk staan en niemand 
nader komen, dan dat er negen voet 
tosschenbeide is. J.M.F.10,12. niaer. 

hindera, impedire^ beletten, hinderen; 
nocerBj schaden. P.R.1,27. 0.1,71. 
hindria. F.B.12,18.20. 

hinderlyok, noaiusj schadel^k. F.B, 
12,32. 

hyndicheed, astutiaj behendigheid, loos- 
heid. FJL4,3. 

hindria, zie: hindera. 

hine, hione, hiane, domesticus^ huis- 
genoot. 0.12,19: Hwaso in een 
hws onder een hinen an nachta 
stolkens (J.M.F.12,20: scalkense) 
dsedslacht. Wie in een hnis een 
onder de hnisgenooten des nachts in 
state doodslaat. — Ch.1, 108: Th era 
hinena allerek. Ieder der huisge- 
nooten. J.M.F.n, 221. 

hynege, famüta^ huisgezin. F.B.50,50: 
Joff deer is een man ioffte een 
frowe an twyne hynegum. Zoo 
er een man is of eene vrouw voor de 
tweede maal gehuwd. 

hinga, hnigha, tranaigerej pacisd^ 
eonvenire^ oyereenkomen, neigen. B.B. 
2.E.3: And wy metlike hingeto 
re festeched there nethe. En wij 
gezamenlgk neigen tot bevestiging der 
behoefte. 

hingnisse, concesêio, toelating. O. 
12,9. 

hingia, penderej hangen. F.R.1,43. 

hynit, equuê^ paard. 0.1.10. 

hinzia, henzia, permitteren toelaten, 
geheugen. O.ü. J.M.F.1,1. 

hyoda, hioede, hodie^ heden. O.v. 
Ch.I, 347: Hyodendeys. F.R.50,24. 
hioedlick, hodiemus^ huidig. 0.5,4. 

hioechdedich, potena^ dives^ bona pos- 



sidens^ vermogend, rgk. 0.7,1. Zie: 

hendedich. 
hione. A.2,4. Zie: hine. 
hyownt, veeper j avond. Ch.I, 727. 
hir, hiir, hyr, Atc, hier. H,t?. O,». 

B.157. F.R.m, 12. 
hyr, pretium conductumia^ huur. F.K. 

26,5: Ende qwick ende land 

naet to hyr jow. En vee en land 

niet in huur gaf. 
hire, suus^ hunne, hare. H.1,7. B.136. 
hyrbyfara, oKm, eertgds, te voren. 

F.R.m, 16. 
hir da, confirmare^ bevestigen. 0.8,22: 

Soe schil ma dat aeft hirda. 

Dan zal men dien echt bevestigen, 
hir de, dominium^ haard, bezitting. F.B. 

50,38: Fan da hirde framethat. 

Van den haard vervreemd, 
hiri, exerdtue^ leger, heer. A.2,22: 

Thet him thi hauedlasa hiri to 

f erin was. Dat het hoofdeloos leger 

b^' hem gekomen was. 
hiribenda. A.7,15, Zie: heerbeyn- 

den. 
hiriferd. A.1,10. Zie: hereferd. 
hirifolk, militesj soldaten, knggsknech- 

ten. A.4,1. 
hirifona, t;^^i^um, heervaan. A.4,1. 7,5. 
hirthlemcthe, debilitatio cerviciêj hals- 

bezeering, F.O.L.1, 10. Isl. herda 

humeri. 
hirthstidi. A.2,24. Zie: hertstethe. 
hirvmbe, ideo^ hierom. H.9,1. 
hisy estj is. F.O.L.4,36. 
hiscthe, familia^ huisgezin. B.102: 

Sprecht thi suiaring ieftha 

brother ieftha en other mon 

buta tha hiscthe. Spreekt de zwa- 
ger of de broeder of iemand buiten de 

familie. 



» • 



263 



-hliga. 



264 



' I 



hit, idf, quad^ iUud^ het. H.2,2. 

hit, noininatur^ heet, wordt genood. 
F.O.L.1, 15: And hit ma thene 
panning. JEhi men noemt die pen- 
ning. 

hiu, illa, zij.' B.L.1,12. 

^hiude, hodie, heden, H.8,22: Hinde 
te dey. Heden* ten dage. 

hinddene, qualis^ hoedanige. J.M.F. 

n, 282. • 
' hi u ld e,« 'obsequiumj hulde. J.M.F.2,54. 

i 0.1,55. hulde. 

hiune. H.2,1.4. Zie: hine. 

hiacka, ridere^ lagchen. O.v.S: Pa 
spreeck di kontngh Eaerl: ha 
ha, dat land is myn ende hla- 
ckede. Toen riep de koning Karel: ha 
ha, het land is het mgne, en lachte. 
J.M.P.3. 

hl adder gong, spaiium^ ubi aliuê jus 
habet scalaa panendij het regt van lad- 
derplaatsing. E.L.3,47. 

hlayth,;ace^ligt. Ch.1, 101. Zie: lyat- 
gher. 

hlapa, currere^ loopen. H.6,3. l.E. 
5,16, P.O.L.2,9. 

hleda, sonare^ luiden. 0.8,22. F.O.L. 
4,3: Deer da clocke hlette. Die 
de klok luidde. 

hledere, hleerde, scalaj ladder. H. 
6,21, Ch.1, 604. Branthleerda. 
Brandladders. 

hl e e f, utensüia, huisgeraad. J.M.P.2,70: 
Soe schellet hia foerddragha 
hleef ende stucke. Dan zullen zg 
wegvoeren huisraad en kleingoed. 

hlenbed, lenbed, lectus aegroti^ ziek- 
bed. 2JE.4,39.40, E.L.3,51.57. cron- 
kebedde. 

hlenszene, longüudoj lengte. B.183: 
Tha wnda te betande efter the- 



re mete and thin hlenszene 
tuene skillingar. De wonden té 
bo«ten naar hare maat, en de lengte 
twee schellingen. 

hiep, currebat^ liep. Zie: hlapa. 

hl epen, menmra fromentij loopen (ze- 
kere koommaat) halve hectoliter. J. 
M.F.16. 

h 1 e p e n, ' cureuê^ geloopen. H.6,3: End 
up e ta mula hlepen se. En in 
den mond geloopen is. 

niest onu8j last, bezwa»r. F.B.9,5. J. 
M.F.13. 

hleste, amoenus^ aangenaam. J.M.F. 
12 in fine. 

hleste, laetitia jubila^ vreugde, gejuich, 
lust. O.v. Ch.1, 349. J.M.F.1,3. H, 
305. 

hli, hly, refrigeriumj Iocub a venJto de- 
fen»us, luwte. 0.4,2. l.E.6,3. F. 
O.L.2,2. 

hlia, con/Uen^ belgden. F.O.L. 1,1 5, 
P.R.12,22: So hlit hy. Dan bekent hg, 

hlia, incumbere^ liggen, F.O.L.2,2: On 
tha tunan hliet. Over de velden 
ligt. l.E.6,3. Hleth. 

hlia, probare^ bewgzen, verklaren. F.O.L* 
8,25. 

hlid, opereulumj lid, dekseL E.L.3,64. 
Zie: hild. 

hli dia, purgarCj zuiveren. F.O.L.7,1: 
Silan to hlidiane. Sluizen te zui* 
veren. 

hliene, approbatio, conêeano^ toestem- 
ming, A.5,13: Ouer ther redieua 
wille and sine hliene. Buiten wil 
des regters en diens toestemming. 

hliga, tcLxare^ schatten. A.5,2: Tha 
utwaga to ieldande alsa se thi 
redieua hlige. De buitenwanden te 
betalen, zoo als de regter schat. 



26S 



hligene— hodat. 



266 



hligene, taaatioj schatting; dedaroHo^ 
a/firmatio^ verklariiig. A.5,2. 

hlinga, eanfessio^ bekentenis. F.B.65,1T: 
Enis misdedich mannes hlinga 
•(h Hen ga?). De bekentenis van een 
misdadiger. Hlynga. F.B.46,77. 
' hlit, eonJUeturj bekent, bel^dt, erkent. 
F.BJ2,22: So hlit hy. Dan erkent 
hg. 

hutten, declarabantj verklaarden. F.B. 
15,68: Ende hlitten hya hepi 
selm mey. En zg verklaarden tot 
zgn eigen voordeel. 

hliope, currebantj liepen. tüh.1, 104. 
J.M.F.n,190: Hoder hia hliope. 
soe se bonden stoede. Hetzg zy 
liepen, of dat ze gebonden stonden. 

hloete, hlote, «orh'tto, lot, loting. J. 
M.F.7,25. 0.8,23. F.O.L.4,4. 

hlot, zie: hlotya. 

hlothe, protectum^ afdak, loods, hnt. 
B.68: Hwet sa 'r sketh et war- 
ste and et hlothe, binna wagem. 
Wat er geschiedt op de werf en on- 
der het afdak, binnen de mnren. (6o- 
thisch: hleithra, hnt.) 

hlotya, hlottia, sortiri^ loten. F.B. 
80. 1,2. hlot, tfor«, lot. 

hlada, êonare^ luiden; dicere^ zeggen. 
F.B.46,75: Als da wirden hludet, 
deer in dat testament scrioun 
sta et. Zoo als de woorden Iniden, die 
in dat testament geschreven staan. 

hl ut ter, purusj zuiver, louter, F.B. 
60,13: Claer ende hlutter. Elaar 
en helder. 

hluud, famaj gerucht, naam. F.B. 6,2: 

Dat jo een quaed hluud wrgeet. 

Dat omtrent u een kwaad gerucht gaat. 

F.B.15,1.12. 

hluud, sanum^ geluid. O.v.8,22: Mit 



hoerneshluud. Mat hoomengeschal. 

hluud, dare, duidelgk, luide. O.t?. Al^ 
so hluud. Zoo luide. J.lMLF.1,7. 
hluda» 

hnecka, cervix^ vertebra prima colU^ 
nek. E.L.1,31. liA,l2. 

hneze, capULare^ muts. l.E.5,1. P.d; 
Ms.: huue. 

hniga, propensum eaae^ overhellen, nei^ 
gen. B.B. Zie: hinga. 

ko, quomodo, in quantum^ hoé. O.v. — 
2) utj opdat. F.B.45,1: Ho dg eei^ 
ua naet onteérwet se. Opdat de 
«rfgenaam niet onterfd zg. 

hoc, talis^ zulks. l.E.6,7: Theth hit 
alsawel machte, sa there sexa 
ta hoc. Dat het evenzoo vermogt, als 
de andere zes. 

hoc, qualis, welk. .FjO.L.5,17: ^r hoc 
lith. Over welk lid. 

hockera, hoeckera, quij quae^ quad^ 
welke, wat. F.B.11,9. O.l,30: Hoc- 
kera hio dan spreekt. Wat zg dan 
zegt. 

hockin, qualis^ welke. F.O.L.9,15: 
Hockin reddia. Welk regter. 

hod, pileus hellicus^ alarmteeken. E.L. 
1,69. H.4,47. B.45: Hir skel ma 
thene hod upsteta. Hier zal men 
het alarmteeken opsteken. 

hoda, confirmare^ bevestigen. F,B.46,2: 
So moghen hya neen testament 
hoda. Zoo kunnen zg geen testa- 
ment bevestigen. 

hoda, adminietratio, beheer, hoede. O. 
5,2. 12,15: So mei hio foerd in 
der hoda bliuwa. Dan mag zg ver- 
der in het beheer blgven. 

hoda, indemnem praestare, damna resar^ 
eire, voor instaan. F.B.16,1. 32,2. 

hod at, 8%^ indien. F.B.50,12: Ho dat 



< 






I 



267 



hodder— hol. 



268 



ze aefft ende folbaren wtkom- 

men se. Indien zg wettig enuitvoUe 

geboorte gesproten zgn. 
hodder, neque^ hetz^', noch. 0.7,2: 

Hodder to ïechtvird, ner to 

seckwird. Noch tot bekentenis, noch 

tot ontkentenis. 
hodeen, hoedeen, qudlis^ hoedanig. 

P.R,m,2, 27,1. 0.16,2. 
hodene, custodia^ hoede, bewaring. O. 

9,39. 
hoder, vel^ of. H.9,1. Zie: hodder. 
h o d e r e , juêiitiarins , geregtsbediende, 

alarmteeken-drager. F.O.L.I, 6 1 . 
hodesias, eMra administrationem^ be- 

trekkingloos. F.O.L.I. 61. 
hoe, quare^ waarom. J.M.F.3: Hoe 

bidde wy him naet oen. Waarom 

roepen w^ hem niet aan. O.v.S. 
hoeckera, hoeckra, qwdisy welke. 

J.M.F.2,4. 
hoeda, mtor«, hoeden, vermgden, zich 

wachten. O.t?. 
hoeda, confirmare^ bevestigen, hoeden. 

F.R.16,1. Zie: hoda. 
hoef, cimiterium, kerkhof. J.M.F.II, 

266: Dat dio tzierk iof dat hoef 

bysleyn worde. Dat de kerk of het 

kerkhof besmet werd. 
hoef, unquiêj hoef van een dier. F.O.L. 

2,11. 
hoele, cavea^ hol, gat. J.M.F.12,13. 
hoemanich, qtMm muUii hoe meniger- 

lei. O.v. 
hoer, hor, necj noch. Ch.I, 535: Hoer 

thoe nymane, hoer toe jane ner 

to wrackana nenerlya wiss. 

Noch te nemen noch te geven noch 

op eenigerlei wgze te wraken. ' 
hoerbern, hoerkynd, notus, spuriua^ 

hoerkind. F.R.47,1. 48,9. 



hoerdom, meretricium^ hoererg. O.v. 

F.R.83,2. 
hoerhnse (boerhase?). J.M.F,1,3. 

Zie: boernahuse. 
hoern, contti, hoorn. 0.1,10. 
hoernege, horneghe, horningh, 

spuriuê^ notus^ hoerkind. F.R.50,41. 

l.E.6,1. H.4,48: hornegieaa, hoe- 

regave. F.O.L.7,9. 
hoers, equtAS^ paard. 0.1,21. 
hof, hoef, ufifffdaj hoef. A.2.11. 
hof, cimiteriumj kerkhof. B.49. H.4,35. 
hof, curtisj hof. 0.7,14. A.5,15. 
hof, judicium^ geregt. F.R.3,10. 
hofferd, hoffretha, pax ecdenasHcaj 

hof-, kerkvrede. 0.1,62. P.E.75,6. 

B.148. 
hoffman, hoff jager, ouZtctM, hoveling. 

47,6. F.R.72,9: Ffula quader weer 

dat, dat ma een hoffjager byfeel 

da surg der selen. Veel erger ware 

het, dat men eenen hoveling de zoig 

der zielen aanbeval, 
hof mar, domuBj mllae^ hoven. H.8,20. 

F.O.L.5,44. 
hofregge, mwrus cimüerii^ muxa van 

het kerkhof. J.M.F.6,11. 
hofule, quanJtum^ hoeveel. F.R.8,11. 
hof wal, muruB cimiterii, kerkhofinanr. 

0.1,41. 
hof war a, aerarium^ schatkist. 0.7,14. 
h o y g e r a, aUiarj hoogere. J.M.F.II, 266. 
hoyn, gaUtis, haan. E.L.1,81. 
hoke, zie: ele. 
hok e, qui^ qtme^ quod^ t9, ea, u2, welke, 

wat. 2.E.2,2.9. F.O.L.5,14: In ho- 

ka lithe. In welke leden, 
hokka, capsa^ capiUare^ hoeike, mnts. 

B.208. 
hol, foranienj antrum^ hol, gat. F,OX. 

1,17. H.7,4. 



269 



hola— homegieiia. 



270 



hola, hole, holla, cavuê^ hol; cavea, 
kelder. l.E.6,3. 0.4,2. 

hold, favuê^ gunstig, genadig. 2.E.t;. 

holde, amicuê famüiariê, vriend. 0.4. 
E.L.3,27. 6.90: Sa skel ma thet 
daa mith holdena rede. Dan zal 
men dat doen met overleg van de 
vrienden. 

holla, eapia, hoofd. F,O.L.5,23: Port 
thrnch thene holla. Verders door 
het hoofd. 

holt, i^wim, hout. 0.2,7. 9,14. — 2) cw- 
êereêf planeaj plank, vonder. B.25. — 
3) /uitü, stok, knuppel. Ch.1, 98. J. 
M.F.n,198: Mit holte slayn. Met 
een knuppel geslagen. 

holten, Itgneuêj houten. 0.o.2,2. 

homelenga. H.8,17. Zie: hemelinge. 

homelia, deHruere^ debilitarej vernie- 
len, bederven. H.10,35: Hwersa ma 
en hus homelie, balkan and sela 
kerue. Wanneer men een huis ver- 
nielt, balken en gebinten kerft. F.O.L. 
9,28. 

hona, sie: honna. 

hond, mamuj hand. £.L.1,35. H.1,16. 

Hondakeringe, Hondsrug (w^ in 
Banadeel). 

hondbrede, palma^ het vlakke der hand. 
B.198. 

hondechtig, mdbüü^ roerend. F.O.L. 
6,21. 

hondefta skette, arrha^ handpenning. 
F.OJi.6,1. 

hondega, tradere, overhandigen. J.M.F. 
13. 

honderuist, hondruist, carpus^ 
handgewricht E.L.1,36. 2.E.1,9. 

hondeth, juramentum, eed, door het 
opsteken der twee voorste vingers. 
F.OIi.6,2. 



hondkelene, satisfactio qaaedam^ hand- 
koeling, voldoening. F.O.L.6,12. 

h on draf, latrocinium^ furtunij roof, dief- 
stal. H.6,19. 

h oneer, quando^ wanneer. Ch.1, 342. 
J.M.F.n, 273. 

honga, penderej hangen. H.1,16. 

honna, hona, gaUuSj haan. 0.1,10. 
l.E.2,11. H.2,11. 

hop, cutmdus^ hoop, massa. A«7,8. 

hor, hore, horre, Zuhim, slgk. B.168. 
2.E.4,32. E.L.3,35. 0.9,14: Hor 
disse bannena sgl also wrocht 
se mit hore ende mith holte, 
mit eerda ende mit eke. Of die 
publieke sluis aldus gemaakt is met 
slgk en hout, met aarde en met balken. 

hor, velj of; w, indien; n^c, noch. F.R. 
1,25. 0.1,2. 9,14. 

hor, meretricium^ hoererg. A.ü.1: Thu 
ne skalt nen hor tha nen over- 
ftoT dua. 6g zult geene hoererg noch 
overspel doen. 

hor do me, meretriciuvij hoererg. A.1,6. 
H.1,6. 

hordnar, comua^ horens. E.L.1,80. 
Zie: horn. 

horewerp, jactus in lutum^ luH jactio^ 
in het slgk smgten, het met slgk 
smgten. H.4,26: Thet het en ho- 
rewerp, thet ma ne mon mit 
wetere wasa werpe. Dit heet een 
horewerp^ dat men iemand met natte 
vuiligheid werpt* 

horn, home, comu^ hoorn, E.L.1,81. 
H.2,11. 

home, noius^ hoerkind. F.O.L.7,9. 

hornege, hominge, notusj hoerkind. 
l.E.6,1. F.O.L.7,9. H.4,48. Isl.: 
hornung. 

homegieua, horningeieuua, do- 



■•••■• 



271 



hornfla — hretba. 



num meretricmm^ hoeregift. H.4,48. 
l.E.6,1. Zie: hoernege. 

hornfia, armenta^ hoornvee. Ch.I, 250. 

hor on ga, subditits, gehoorige. F.O.L. 
1,21. 

hors, zie: ros. 

hot, guid, wat. J.M.P.Reg.1. 

hothan, testiculij teelballen. J.M.P.Ü, 
208. Ch.1, 101. 

hou, pugna^ beUum, strigd, slag. 0.12,1: 
In da hou to Roem. In den strgd 
voor Rome. J.M.F.12,1. Howe. 

houde, aniicus, vriend. 0.3,17: Deer 
God sine houden jaen wil. Die 
God aan zgne vrienden geven wil. 

houia, excipere aliquem hospitio^ iemand 
in huis opnemen. H.10,9: Hwa sa 
thene blata houie ieftha hus- 
ge. Wie den arme hooft of huist. 

houiskoti, census ecclesiasticus^ kerke- 
Igke schatting. P.O.L.I, 22. 

houmaen, capitaneus^ hoofdman. Vï^e 
Fries 11,129: Ende deer ward een 
houmaen slayn fan der soldye, 
die Ploys hete. En daar werd een 
hoofdman der soldaten, die Ploys heet- 
te, verslagen. 

houwe, diadema, capülare, hoofdsiersel, 
muts. E.L.1,1. 

houwe, hoef, cimitefium^ kerkhof. J. 
M.P.n,268. 269. 

houwia, howa. P.R.81,14. B.129. 
Zie: houia. 

how, curtis, hof. P.R.50,41. — 2) jus, 
geregt. 0.12,11. Zie: hou. 

howa, zie: houia. 

howe, hoef, ungula, hoef. F.O.L.2,11. 

howen, interfectus, gedood. P.R.60,22: 
Jeff des tyeuis kempa howen 
wirth. Zoo de kamper van den dief 
gedood wordt. 



. 272 



.* •■ • 



howrne, cornua^ hoornen. F.0X.2|11. ^ 

hoxna, hoxena, alea, okselen. • <Ó^.I, J. 
102. 114. 0.11,30. 

hoxna. JRichtho/en 159. Zie: hexna^. . 'fy 

hreclit, hrelic, amiculum, ove^dR. •;* 
H,6,17.18. •• 

hredde, paratuSj gereed: liber^ vig. 
P.O.L.6,7. 

hrediewa, judea^ regter. E.L.1,13. » 

hreg, doTsumj rug. E.L.1,471 

hreil, t^e^^tmentum, kleed. l.E.2,10: En 
het wexet Mreil te éyega'ild. En, 
het gewaste kleed te dragen- ZieiJ^xil. 

hreilmerk, wammus quidam^ Mk»re 
munt. H.1,12. A.7,33: Thiureil- 
merk is fiuwer skillinga. De 
reilmerk is vier schellingen. 

hrelic, zie: hreclit. 

hrembendar, hringbende, genus quod^ 
dam ligaturae, bindingen. £.L.1,66: 
Hua sa inna kald isrn slain 
werth, sa send hit ene hrem- 
bendar. Als iemand in het koude gzer 
(in boegen) geslagen wordt, dan is dit 
eene hrembendar. H.4,14. 

hremskerdene, secatio dnguU, gordel- 
sngding. l.E.4,3. 

hrene, odoratus^ reuk. A.3,3. l.E. 
4,12. hrena, odorairij miken. 

hrera, movere «e, zich bewegen. E.L. 
1,76. l.E.5,10: Thet hi hine hre- 
ra ne dor. Dat hg zich niet durft 
verroeren. — 2) tangere^ raken, roeren. 

hreraf, raptus vesHsj kleedroof. H.6,17. 
; hretha, probare^ bewgzen. E.L.1,71: 
And ma thet hreth. En men het 
bewgst (destruitj vernielt?). 

hretha, sumere^ deripere^ nemen, weg- 
nemen. H.6,21: Hreth ma thene 
liccoma of tha serka. Neemt men 
het ligchaam uit het graf. 




hrider— huila. 



274 



■rf >• 



!^ liri^dM^ hrinder, hriter, bosj rond, 

* iL.1,81. P.O.L.2,11. H.2,11. A.2,11. 

• hrindershowrne, camua bavü^ run- 
Jf«' ^derhoonïen. F.O.L.2,11. 

. 1|tttgbe]ide. H.4,14. Zie: hrem- 
f bende. 

Mirock, ve^'m^nhim, rok. E.L 1,88. 
^dJfS.: rock ofte pels. 

hropa, damare^ roepen. A.7,9. 

krop anti, damans^ roepende. l.E.8,3. 

hrniskni^^matanêj rochelend. £.L.1,30: 
HHj^a 'lieten iefta stat wert 

tlfjfncb' sinem wasanda, 

- |1NIm hi brutande se. Wie door 
zgne *keel geseboten of gestooten wordt, 

dat bg rocbelende is. Zie: rn- 

fand. 

boy ut. opdat. l.E.1,16: Hu tbet ma. 
Opdat men. 

biiai guiê^ aliquia^ wie, iemand. l.E. 
1,14. £.L.3,19: Spreekt bua tben 
otberen ym,me lend ield. Spreekt 
iemand den anderen aan wegens ge- 
leend geld. 

bna, suêpendere^ bangen, opbangen. O. 
9,26: Hor bi ne selua bue. Of hg 
zich zelyen ophangen 

hualebera, nobilis^ welgeboren. l.E. 
2,13. Zie: walbere. 

baande, baande t, nam, want. l.E.v. 

1,7. 

haardlar, baarlar, veriebrae, werve- 
len. B.L.1,31. l.E.5,14. 2.E.1,15. 

baata, weta, quid, aliquid, wat. B«B. 
2.E.3. 

bada, cugtodire, bewaren. E.L.3,10. 

ba de, eustodia, hoede, bewaring; admi' 
fdHratio, beheer. H.10,31. 

badene wis, quo modo, op welke wgze. 
E.L.2,11. 

ba dia, hu da, occuUarej verbergen. F.R. 



60,2: Al heipet hya naet meer 
dan budit ende swigiet deer- 
mey, ende belletb. Al helpen zg 
niet meer dan dat zg het in bewaring 
nemen en daarvan zwggen en helen. 

b.uderslan. F.O.L.4,6. Zie: lutbers- 
lan. 

bue eken, ^t, qtuiej quod^ welke. O. 
4,21. bueckera, quorum^ welker. 
P.R.1,4. 

bueder, nam^ iterum^ of, hetzg. E.L. 
1,35: Hueder sa hia olie lom se. 
Hetzg dat zg geheel lam zgn. 

buelcne, aliquüj eenige. l.E.2,20: 
And hia binna tha thörpe buelc- 
ne scatha duath. En zg in het 
dorp eenige schade doen. 

huelk, ^t, welke. O.v. l.E.4,9. 

buenzen, suspensus, gehangen. l.E. 
3,4: Jef ta mon buenzen werth. 
Zoo de man gehangen wordt. 

hu er da, Jieri^ worden. l.E.2,3. 

huergelt. l.E.6,2. Zie; wergelt. 

huersa, cum^ quando^ n, wanneer, in- 
dien. l.E.5,12. 

buerna, hwerra, vendere^ verkoopen. 
B.89: Hwa sa welle mith sine 
londe hwerra, sa biade hi 't vr 
sine eine burar. Indien iemand zgn 
land wil vervreemden, dan biede hg het 
in zgne eigene buurtschap aan. 

hu et, quid, wat. E.L.3,67: Hu et hi 
hebbe. Wat hg heeft. 

bueta, aliquidj iets, wat. l.E. 5,2. 
2.E.1,2. 

hu e tb, quis, wie. l.E.1,8: Sa buetb 
sa thi were. Wie dat het was. 

huetta, qui, quae^ qtiod^ quicumque^ wel- 
ke. E.L.2,2. 2.E.2,13. buette. 

bug ia, meminisci^ heugen. F.B. 15, 10. 

huila, zie: bwila. 

18 



275 



huinsen — hveder. 



276 



huinsen, zie: hwinsen. 

huid, obsequium^ hulde. F.R.2,12. 

hulka, gtuüis^ welke. Ch.1, 335. In 
hulka Dele. In welk Deel (district). 

hulpen, adjutus, geholpen. B.123. 

humonich, quot^ hoeveel, hoemenig. 
A.8,2, 

hund, canis, hond, H.2,11. 

hund, stiva, bura^ ploegstok (met gzer 
beslagen stok?). E.L.1,82. 

hungarier, fames^ hongersnood, hon- 
gerjaren. E.L.3,10. 

hunige, melj honig. A.v.1. 

huoe, quomodo^ hoe. 0,v. 

hus, domus^ huis. A.3,3. 

hu sa, recipere cdiquem domum^ iemand 
in huis opnemen. B.129. Zie: howa. 

husefna, locus ubi domus Juit^ plaats 
waar een huis gestaan heeft. F.O.L.I, 
16: And opa thet husefna tha 
dora to settande. En op de ledige 
plaats van het huis de deuren te 
plaatsen. 

hus eg, rusiicus^ boer, huisman. I.E. 
1,17: Wither alle hera and wi- 
ther alle husega. Jegens alle hee- 
ren en jegens alle huislieden. 

husekem (aller), cuique domuij aan 
ieder huis. 0.1,32. 

husesgadringe, aggreasio domus^ aan- 
val op een huis. P,O.L.6,13. 

husfera, aggressio domus^ aanval op een 
huis. B.46. 

hnsfere, iter ad domum^ het naar huis 

gaan. B.B-2. 2.£.3,2. 
hu sf re the, pax domus ^ huisvrede, vrede 
voor het huis. H.1,12. A.1,12. E. 
L.1,70. 
husga. H.10,9. Zie: husa. 
husig. A.7,23. husingar. H.1,17. 
Zie: huseg. 



huskerl, rusticus^ huisman. H.1,8. 

huslas, sine habitatione^ huisloos. I.E. 
3,8. 

huslotha, census qui exigitur ab una- 
quaque domo^ huisschatting. A.1,7. 
H.1,9. l.E.1,7. huslowa. P.O.L. 
1,7. huuslaga. 0.2,3. 

husmon, rusticus^ huisman. A.1,8. 

huswardt, huswerd, dominus domus^ 
huiswaard. J.M.F.5,4. B.47. 

huswerdrar, membra domus^ vertrek- 
ken van een huis. 2.E.2,3: And hia 
tha huswerdrar ferra sekie. En 
z^ de vertrekken verder doorzoeken. 

hut, e^, uit. H.2,3. 

huud, cutis^ huid. P.R.42,7. 

huueruua, huueuuane, haereditatis 
jure transire^ vererven. 1.£.6,1: Al- 
la lawa aghen to huneruuane 
inna tha sibbesta honda. Alle 
erfenissen moeten op de naaste ver- 
wanten vererven. 

huusbreeCi effractura damus^ huis- 
brUak, vernieling. 0.9,40. 

huuslaes, huuslas. 0.4,2. l.E.6,3. 
Zie: huslas. 

huuslaga. 0.2,3. Zie: huuslothe. 

huuslioed, rustici, huislieden. F.R.2,31, 

huusnath, convictorj huisgenoot. 0.9,32. 

huusreed, oeconomia, suppeUea^ huia- 
geraad. P.R.20,16. 

huwa, jut, wie. H.1,17. 

huwanoers, quando^ wanneer. Ch.I, 
760: En dae daghe to haldhun, 
huwanoers die soenlioed lid- 
set. En de dagen te houden wan- 
neer de zoenslieden (die) bepalen. 

hvasa, qui^ wie. £.L.3,31. 

h veder, «w, hetzg, of. H.2,17: H ve- 
der sa hire god, ther tho tha 
fiamonde se, lid waxe, sa 't wo- 



277 



hw — hwema. 



278 



nie. Hetz^ dat haar goed, hetwelk in 
mandaat gelegd is, een weinig vermeer- 
dert of vermin^dert. 

hw, quomodo, hoe. Ch.I, 377, 

hwa, quij wie. F.R.13,18. — quis^ ie- 
mand. 2.E.1,1. — hwaem, hwam, 
a quo^ van wien. F.B.5,5. — hwam, 
cMt, wien. — hwammes, cujusj 
wiens. P.R.8,4. 

hwaen, suspendere^ ophangen. F.R. 
111,4: Deer dat gued stellen 
haet, dim schel ma hwaen. Die 
het goed gestolen heeft, dien zal men 
ophangen. A.l,16. to hwande. 
J.M.F.9,28. ti hwane, op te hangen. 

hwaena, hwana, undej van waar. 
B.89: Hwana sa 't ekemen se. 
Van waar, van wien het gekomen is. 
O.t?. J.M,F.1,7. 

hwande, zie: hwaen. 

hwande, hwanne, huande, hwante, 
nam^ want. H.r.3,1. l.E.t;. O.r, 

h wan na, quando, wanneer. F.O.L.4,7. 

hwannier, qaando^ wanneer. F.B. 
15,76. 

hwara, hwarne, vieis^ maal, werf, 
keer, 0.9,2: Nyoghen wara, nome^, 
negenmaal. H.6,15. 

hwe, pendèt, ophangt. J.M,F.9,28: Her 
hi dyn tiaef hwe. Of hg den dief 
hangt. 

hweddeda (haweddeda?), criinina ca' 
pitalia, hoofdmisdaden. H.3,2. 

h wed der, ut, sicut, gelijk, zooals. A. 
7,3: Sa mi re dwa hwedder sa re 
wili, ia, tha bisecka. Dan kan hg 
doen zoo hg wil, bekennen, of ont- 
kennen. — 2) sive, hetzg. A.3,19. 
B.33. hweder. B.152. F.O.L.1,14. 

hwedder, hweder, qui, welk. B.43. 
Bg Wiarda: And hwedder kethe- 



re sa vnriucht ket. En welke 
regter onwettig dagvaart (een an- 
dere tekst heeft misschien juister: vn- 
riucht het, onregt heeft). F.O.L.I, 
32: Sa hwedderon. Wie hunner. 

hweer, ubi, alwaar. F.R.55,4. 

h w e e r o m, cur, quare, waarom. F.R. 1 ,3. 

hweerso, quando, wanneer. F.R.55,1. 

hwek, unusquisque, ieder, elk. A.2,1. 

h wel ie, cdiquis, eenig. H.6,18: End 
hwelic vnieue word spreke. En 
eenige onvoegzame woorden zegt. 

hwelic, quisque, ieder. F.O.L.2,13. 

hwelike, hewelike, hwelke, quis, 
•welke, 0.1,77. H.9,2. 

hwellech, qui, quae, qtwd, ieder. 2.E. 
2,13: Alle monne hwellech. Een 
ieder man. 

hwen, suspenstMy gehangen. H.6.18: 
Up enga suinga hwen. Op eenig 
hek gehangen. 

hwenachtig, habitans , woonachtig. 
F.R.3,15. 12,21. 

hwene, qui, quae, quod, wien. B.134: 
Hwene hi wel. Wien hg wil. 

hweng, separahatur, scheidde af. F.O.L. 
6.3. Zie: havde, 

hwen na, quandoj wanneer. F.O.L.8,3. 
I hwerfta, lumbus, articulus, lid, wervel. 
F.O.L.5,21: Is tio dede, buppa it 
ta hwerfta, on tha bene kemen. 
Is de daad, boven aan het lid, aan 
het been gekomen. 

hwerpa, jacere, werpen. B.144. bij 
Wiarda. 

hwerra. B.89. Zie: huerua. 

hwerua, vicis, maal, werf. B.45: Ei- 
kera hwerua. Telken male. 

hwerua, hwerwa, obvenire alicui, aan 
iemand vervallen, vererven. B.88: Sa 
skel thi werf allegadder to 



279 



hwet— idinir. 



280 



riuchte dele hwerua. Dan zal het 
erf aan allen voor hun wettig deel 
vervallen. 2.£.4,18. 

hwet, quij quae, quod^ welke. B.58. — 
quid^ wat. B.104. 

hw ether, aliquU^ qui^ welk. F.O.L. 
8,3: Jef ter, inna tha hwethera 
lond, ene clene seke se. Zoo er, 
in welk land ook, eene twistzaak is. 

hwyl, pauciUum temporis^ wgle, F.R. 
55,4: Hwylt hg een litick hwyl. 
Vertoeft hg een kleine wgle tgds. 

hwila, hwyla, morari^ vertoeven, rus- 
ten. F.B.55,4. B.159.n: Stenslek 
hwile efter al tha londe. Het 
bouwen met steen rust door het ge- 
heele land. B.106. huila. 

hwylt, hwyt, qmd^ et id^ wat. Ch.I, 
845: Ende hwyt meer is. En wat 
meer is. Ende hwylt meer is. 

hwynd, canU venaticus, windhond. F.R. 
72,4. 



hwinsen, huinsen, suêpetmu, gehan- 
gen. 0.4,8. 

hwyr, ttW, waar. F.R.8,1. 

hwyr, cuij wien. F.R.80,18: Hwyr 
dat hy wil. Aan wien dat hg wil. 

hwyr om, quare, waarom. F.R.8,4. 

hwyrso, quando, wanneer. F.R.25,23. 

hwyt, zie: hwylt. 

hwit, alhus^ wit. H.10,1. 

hwnd, canttf, hond. 0.1,10. 

hwotta, cdiquidj iets, wat. Ch.1, 530: 
Dat dy Abt hwotta fry mackya 
moghe. Dat de Abt iets vermogt 
vrg te maken. 

hws, domtis^ huis. 0.12,1. 

hwsloga, incendium^ huisbrand. F.O.L. 
6,10. 

hwslotha. F.0.L,3. Zie: hnslothe. 

hwssitten, hahitan», hniszittend, wo- 
nend. Ch.1, 519: Deer hia hws- 
sitten sint. Daar zg wonen. 



I. J. Y. 



'h y, tu, gg. H.8,22. F.R.6,2. 

i, tn, in. F.R.1,33: Ende i ta lette- 

ra etmel. En in het volgende etmaal, 
ia, confiteri^ bekennen. A.2,12: Jef hi 

ia wili. Zoo hg bekennen ivil. H. 

2,24. — ieth, con/iteiur, bekent. E.L. 

3,19. — ian, co7i/!^m, bekennen. F.0. 

L.1,15. 2,23.24. 4,16,31. 1.K2,24. 
ja, jaen, yan, dare^ geven. 0.1,41.78. 

F.R.45,6. 71,2. Ch.I, 535. 
jaeghond, cania venatieus^ jagthond. 

F.R.72,4, 
jaeth, dantj geven. F.R.51,4: Deer 

se da ayne lyued mey frg jaeth. 



Waar zg de eigene lieden mede vrg 

geven, 
jahweder, iahwelik, jawelic, ia- 

huelc, iahuelkre, quüque^ ieder. 

H.8,5. A.2,8. l.E.2,14. H.4,1. F. 

O.L.5,19. l.E.4,12.13. 
jamelic, mtWé», jammerlgk. F.O.L. 5,31. 
ian, yan, zie: ia. 
ydel, idle, vanus, vane^ gdel. 0.12,25. 

A.v.l. 
ydelnisse, i dein e se, vanitasj gdel- 

heid. O.ü. J.M.F.1,8. 
iden, factus^ gedaan. l.E.2,20. 
iding, judicium marüimum^ ze^er^^ 



281 



iebeden— jeldera. 



282 



lig I6gt F.0.L.M2: Iding la- 
thath ma twiska twa sunna and 
endath ma binna etmele. Tot het 
zeegeregt dagraardt men binnen vier- 
entwintig nnr en eindigt men binnen 
het etmaal. 

iehedenj juêsuêj bevolen. H.3,1. 

iebanden, ligatus, gebonden. l.E.2,20. 

jecht, artrüis, jicht. P.O.L.5,30. 

jechta, canJUeri^ bekennen; affirmare^ 

cerHficarej verzekeren. P.R.4,1. O. 

lïO. — 2) probare^ convincerej bewezen. 

A.2,12. 4,2. F.0.L,1,17. H.4,34: 

Jew et jecht is. Zoo het bewezen is. 

jechtich, probatuê, bewezen. B.75. 
109. — 2) conJUens, bekennend. F.R. 
12,23: Dfl flechtiga foet is dyo 
jechtiga hond. Die vlugt bekent 
zgne schuld. 

jechtwird, canfessio, bekentenis. O. 
1,47. P.R,7,6. — 2) afJirmcUiOj beves- 
tiging. Zie: seckwird. 

jeef, vel, of. P.R.2,1. 

jeeld, aetasj ouderdom, leeftgd. P.E. 
46,55: Want alzodeen jeeld weet 
naet haet ze d e th. Want zoodanige 
leeftgd weet niet wat ze doet. 

jeen, tttw, die. P.R.47,6: Mit jeen 
wirde. Met die woorden. 

Jeenselscipinge. P.R.in,10. Zie: jen- 
selschippinge. 

jeenspreeck, zie: jenspreeck. 

jeenswerringe. P.R.in, 10. Zie: jen- 
swerringa. 

jeenwirdich, praesens, tegenwoordig. 
P.B.12,20. 

jeer, annus, jaar. P.R.7,11. 87,3. 

jeerkis, jeerlicke, jeerlix, annua-- 
tinèj jaarlgks. Ch.1, 751: Jeerkis 
twier rinsgowna. Jaarl^ks twee 
ijnsche guldens, P.R.2,34. 33,5. 



jeermerket, nund!tna« anntio^, jaarmarkt. 

Ch.I, 546. 
jeerscher, tempus antude, jaargang. 
Ch.I, 499: Soe delath Achtlumma 
hiare twa jeerscher an thria. 
Dan deelen die van Achlum hunne twee 
jaargangen (ger^tsjaren) in drieën. 
Zie: ierim. 
jeertale, annus, jaartal, huurjaar. P.R. 

27,6. 0.1,31. 
je f, ie f, «, indien; vel^ of. E.L.1,16. 

P.R.1,1. H.1,8. A.1,10. B.155. 
jeffte, donum, geschenk, gift, gave. Ch. 

1,517. F.R.44,13. 
jeffterdam, poêtquam, nadat. F.R.32,3. 
jefftigh, jeftich, mobüisj roerend. 

F.R.27,10. 82,7. 
jeft, constitutio, gifk. l.E.t;.l,l. 
jeft, quamviêj ei, alhoewel, zoo, indien. O.v. 
jefta, iterum, wederom. 0.7,12: Soe 
moet hi se, fiarda kest, iefta 
toe him nima, jef hit him di 
wisa prester reth. Dan moet hg 
ze, als vierde keuze, wederom tot zich 
nemen, indien de wgze priester het 
hem aanraadt, 
jefta, nominatioj benoeming, aanstelling. 

O.r.l. 
jefte, donum, geschenk, gift, O.v. F.O.L.3. 
jeftha, vel, of. H.2,9. l.E.5,3. 
yegelick, quisque, ieder. F.R.15,28. 
ield, poena, pecunia, boete, geld. B. 
50. y el dan, poenae, boeien. Ch.I, 97. 
jelda, eolvere, betalen. H.1,17. B.158. 

J.M.P.n, 195. 
jelde, aetas, ouderdom, leeftgd. F.R.15,1. 
jeldera, parentee, ouders. 0.5,7. F.R. 

22,19. 
jeldera, senior, oud, oudere. 0.1,12. 
F.R.12,9. 44,13: Jelderne frowe, 
Oude vrouw. 



283 



jelde-brother— ierda. 



284 



jelde-brother, -swester, coUegii sodus^ 
èocia^ gilde-broeder, -zuster. A,7,3. 

i e 1 d 1 a s, sine poena pecuniaria, boeteloos, 
zonder boetegeld. 2.E.2,4: Sa lyt 
thi other hals ieldlas ien then 
orne. Dan ligt de eene bals boeteloos 
tegen den anderen. 

ieldmark, ieldmerk, moneta quae-- 
dam, zekere munt. A.7,33. F.O.LJ, 6: 
Thet is thiu ieldmerk, thiu is 
en skilling. Dit is de ieldmerk, die 
is een schelling. 

ieldstopa, pretium euppletionis, aanvul- 
lingsgeld, geldstopping. H.4,44: Al- 
sa thi Fresa enne mon sleit, sa 
skel ma ne ielda; sa skel 't kni 
stonda bi tha otheren, nift al- 
sa thi neva, sa se nene vigande 
tein neth, Thit ield hetat ene 
ieldstopa. Wanneer de Fries iemand 
verslaat, dan zal men hem betalen; 
dan zal de eene graad gelgk zgn aan 
den anderen, nichten gel^k de neven, 
zoo zg geen afstammelingen hebben 
getogen. Dit geld noemt men eenieZd- 
stopa. 

je Ik erf, ccdcis incisura, hielsngding. 
0.11,40. Zie: ileskerdene. 

ielkirs, insuper, daarenboven. 0.1,30. 
45. — 2) aliter, anders. F.R.13,14. 
44,12. — 3) oZü, andere. F.RJ,7. 

ielmisse, elemosyna, aalmoes. Ch.I, 
723. 

jelna, yelne, ulna, el. Ch.I, 349. O. 
13,1. 

j eln er e, ferreus, gzeren. F.R.59,18. 

jels, alitery anders. F.R.13,15: Alont 
hg jels wirth byprowet. Totdat 
hg anders overtuigd wordt. 

jelt, pecunia, geld. H.1,16. 

iemena, vestrorum, ulieder. J.M.F. 



12,1. iemmanem, vobis, aan u. 
J.M.F.12,17. 

ien, in, in. 2.£.4,31: And olremon- 
nec ien sjne ayna werartoma- 
kiande. En ieder in zgne eigene be- 
zittingen te maken. 

ien, contra, tegen. 2.E.2,4. Zie: ield- 
las. 

jen, is, ea, id, iUe, illa, iUud, die, deze, 
dat. F.R.13,45. 79,3: Deer op jen 
gued heerth. Dat op dat goed be- 
hoort. 

ien, obstringere, goedkeuren, hechten, 
aan. F.O.L.3: And alle Fresan 
an Magnus kere ien. En alle Frie- 
zen de keur van Magnus goedkeurden. 

ienbare, expostulatio cumaUquo^ weder- 
klagte. B.135. 

ieng, aliquis, eenig. 2.E.3,20: leng 
tui u el. Eenige twgfel. 

jenselschippinga, conjuraiio, zamen- 
zwering. 0.16,20. F.R.m, 10. jeen- 
selscipinge. 

jensidza, contradicere ^ t^enspreken. 
F,R.45,15. jenseyt, contradicitj te- 
genspreekt. 

jenspreeck, jeenspreeck, contradie^ 
tio, tegenspraak. F.R.59,10. 

jensw^erringa, jeenswerringe, con- 
juratio, zamenzwering. 0.16,20. F.R. 
m, 10. 

jenst, contra, tegen. 0.17,3: Jenst 
dine Grewa. Tegen den Graaf. 

yens tal, defensio, tegenweer. FJB.60,3. 

jenwirdich, zie: leenwirdich. 

jer, annua, jaar. A.r.1, E.L.1,22. 

jera, aqua Jimi plena, stercortxtio, aal, 
gier, mestwater. E.L.1,83. i.E.5,17. 

jerahec (jeralic?), annuatim, jaar- 
Igksch. H.9,2. 

ierda, virga, roede. Oh.I,614: Twa 



285 



ierdfet— igge. 



286 



ierda fanis. Twee roeden veen. B. 
172: Allera ierdik (ierda ek). 
ledere roede. 

ierdfet, ierdfot, vestigium terrae im- 
presêum ac mensurae vice dein fungens^ 
aardvoet (een tiende van eene vierk. 
roede). E.L.3,49. 2.E.4,31. B.87. 

ierech, ierich, majorennis ^ puber j meer- 
derjarig. H.1,17. 0.4,2. B.93. 

ierengga, zie: ieringa. 

ieria, cupere, b^eeren. H.8,24. A.v.l. 

i e r i m, pretium conductionis annuae^ annua 
offidi^ jtirisdictiamsj dienstjaar, huur- 
jaar, gerq^tsjaar. B.4. 160. — ier- 
mei. E.L.3,41. — ieerscher. Ch. 
1,499. 

ieringa, canalis fimi^ mestsloot. E.L. 
3,48. 2.E.4,31. ierengga. 

jerisdeg, dies primus anni^ nieuwjaars- 
dag. 0.1,22, 

i er mei. E,L.3,41, Zie: ierim. 

ierne, jern, voluntarisj libenter^ gsatme. 
P.R.4,2. H.4,30. . 

ieroch. A.2,13. Zie: ierech. 

ierra, pejus^ erger. J.M.F.1,1: Om 
anzta des ierra. Uit vrees voor 
erger. 

iersfalle. l.E.3,2. Zie: gerssilenge, 
gersfal. 

i er toch te, fossa stercareaj mestsloot. 
2.E.4,31. Zie: jeringa. 

jesele, obsidium, ggzéling. Ch.I, 733: 
Ende to jesele selff schillet. 
oom ma. En zelfs in ggzeling zult 
komen. 

jeselschip, obsidium^ ggzeling. Ch.I, 
734: Weip Lyuwaz to Franeker nu 
in jeselschip. Werp Lieuwe zoon 
te Franeker nu in ggzeling. 

jessen, yrrs en, /errum, gzer. Ch.I, 
105. J.M.F.n,191. 



iestlika, ecdesicisticus, geestelgke. A. 
9,1, 

iet, jeth, foramen^ gat. H.2,1. l.E. 
2,1. E.L.3,77. 0.4,1: Syn iet dyt- 
sa. Zgn gat bed^ken, digt maken. 

ieta, ietha, iette, yetta, odAuc, nog, 
alsnog, verders. 0.t;.12,9. F.R.17,12. 
B.123. J.M.F.1,1: Ieta sey my 
bot (O.v: Ieta beth seg meg). Zeg 
mg nu weder. 

jeth, zie: iet. 

ieth, offnoscity erkent. E.L.3,1: Anda 
ieth then cap. En erkent den koop. 

ieua, si, indien. l.E.3,5. 

ieua, coUocare, nuptui dare^ uithuwelg- 
ken. H.10,11. 

ieua, dare^ geven. H.3,1. 

ieue, vahremhabens^ gaaf. H.8,22: Ie- 
ua ende genzie. Gaaf en gangbaar. 

ieuelick, ieulick, ioulick, jawe- 
likes, ihawelikes, jeweliken, 
yewelick, jollikes, joulikes. O, 
11,68. F.R.2,11. 25,28. 45,6. 86,2, 
F,O.L.2,14. jhawelick, quisque^ ie- 
der. 

ieuua, vél^ of. l.E.5,1. 

ieve, donumj gift, gave. H.3,1: F on 
Godes ieven. Van Gods gaven. 

jeve, pro jef hi, si iUe^ zoo hg. H. 
4,6. jeved. H.4,11. en jewet {pro 
jef hit, zoo het). H.4,34. 

je wen, datus, gegeven. H.1,6. 

jewelicken, zie: jeuelick. 

i f e s t n a d, firmatus^ bevestigd. 1 .E. 3,1 1 . 

yge, igh, pars^ partg. F.R.3,6. 21,13: 
Dat tu da igghen gaerlaye. Dat 
gg de partgen te zamen brengt. 

igh, margo^ boord, rand. 0.11,9: Bi 
da lingra igh. Langs de langste 
zgde. 

igge, hasta^ spies. 0.6,6: Mith igge 



y 



287 



— infondenze. 



•^f 



y 



n* 



288 






i^ *» 



ende mit oerde. Met spies en mei» 
zwaard. 

iha, P.O.L.2,18. Zie: ia. 

ihawelick, zie: jeuelick. 

ihera, annus^ jaar. 2.E.2,4. 

jhvna, familia^ huisgezin. P.O.L.6,6: 
And hio thenna to othera jhv- 
nnm komt. En z^ dan in eene an- 
dere &milie komt. Zie: hine. 

yla, acceleratioj overgling, overhaasting. 
P.0,L.6,1: Swin ende schep ne 
mej ma nout seknia, wara plich- 
ta with a yla and maf'e liwera. 
Zwanen en schapen mag men (den 
koop) niet (wegens gebreken) betwis- 
ten, maar voor de overhaasting zelve 
instaan en elkander leveren. 

il e, ili, yle, cala^ hiel, hak. P.O.L.II: 
Tuise ile and sward. Tnsschen 
den hiel en den nek. 0.11,40. A. 
3,13. l.E.4,16: Tha leseka an da 
ile. De spieren aan de hiel. 

ililenda, eaüiumj ballingschap. A.1,14: 
Tha thet kind an tha ililenda 
was. Toen het kind in ballingschap 
(uitlandig) was. 

ileskerdene, iliskredene, caZo» !a«- 
sioj hielbezeering. H.8,i7. A.3,13. 

ilod (iold), canjuratio^ cottto, eedgespan, 
gilde. A.7,3: Sa hwasa ilodski- 
pnn finchte. Wie gilden bevecht. 

ymmen, aliquis^ iemand. 0.1,3. 

ymmer, gmmermeer, aernper^ immer. 
0.2,2. P.R.22,16. 

in, tn, tot, in. P.R.46,7. — ante^ prae^ 
voor. 2.E.2,3: And him ta dnra 
in agen slayt. En hem de deur 
voor de oogen digt slaat. — 2) oJ, van. 
P.R.75,1: Ende is foerfremnd in 
alle riuchten. En is verwgderd van 
alleregten. — 3) cunij met; contra, te- 



'gen. p.)JL|67: In «fjn willa ende 
>. in oder^ ,09W^ll>i.' Itfèt .zgnen wil 

en tagen.des fn4eien- wiT. 
iucepta, im(t&rsum preè^ifSj ingekeept. 

0.11,47. P.q,L.5,15. Ke: abel. 
jnch, iratus^ vertoornd. . F.O.L.4,34: 

» 

Sa is tl au^el jnch. Dan is de 
engel vertoornd. 

indam, indeen,* indyén, «t, indien. 
P.R.9,3. 16,1.* 86,2. 

inde ken, inculc€itus, ingedeukt, inge- 
drukt. E.L.1,19: Mosdolch thet 
thi cop is indeken. Mosdolch, dat 
het hoofd is ingedeukt. 

in del te, infoasio, vergraving. J.M.P. 
9,22. 

indycken, aggeratio^ bedgking, afdam- 
ming. 0.12,19. 

in dr e ga, adfervé, indragen. F.O.L.6.8. 
l.E.5,23: Indreith. Indraagt. 

indriwa, inducere, itUrarsum aggere (tn 
aquae), indrgven. Gh.I, 540: Dat en- 
tera fan da sylen inbreke yef- 
ta indryou. Dat een der sluizen in- 
brak of indreef. 

ynege, pacijicatio, bevrediging, vereeni- 
ging. P.R.2,17: Ende meckia da 
seeck to ynegem ende to wtin- 
gem. En brengen de zaak tot ver- 
eeniging en tot beslissing. Zie: wtinge.- 

inethma, ingressusj ingang. A.3,15: 
Inethma and utethma. Ingangen 
uitgang. 

infara, invehij inrgden. O.ü: Infaer, 
inreed. 

inferd, inatihUiOj müêio in poêêesmonem^ 
in bezitstelling, 0.1,67. 

infiuchta, oppugnare, vtolare^ aanvech- 
ten, aanvallen. P.R.45,9« 46,80. 

infoertidem, oltm, eertgds. FJt.80,17. 

infondenze, Mtutia^ f^^^xuêj inveniio^ 



289. 






infirethe— inoer. 



290 



▼oorwendiel,' nitviadingf bedrog. Oh. 

infrethê, pax tn, Trede in. F.O.L. • 
1,12: Des byscopes infrethe. De 
Trede yt>of den bisachop, ftls bginhet 
land ia, * . 

inga en, agere cum^ handelen met. F.R. 
26,2: Bjj der fryondena reed in 
to ga en. Met overig der nienden 
te handelen. 

ingeld, credüunij ftischuld. Ch.I, 349: 
And hwa soe tha ' Godishwse 
enighes inscielda ief ingelda 
schild ich se. En wie aan de kerk 
eenige inscholden en ingelden schul- 
dig is. J.M.F Jl, 303. 

inglnpa, inaerpere^ insluipen. B.68: 
Inglupt, ieftha inrent ieftha 
in s t e t. Insluipt, of inbreekt of instoot. 

ingod, suppeUeaj inboedel, huisgeraad. 
B.75. A.5,2. F.O.L.1,54. 

ingong, ingrei^usj ingang. B.201. Ini-- 
(ttim, jui^ iurgumeniuf^ possessionis^ het 
in het bezit gaan. F.B.33,10: To 
bynisen den titel off ingong 
synre bisittinghe. Den titel of 
aankomst van ygne bezittingen te be- 
wgzen. 

inhald, qntame, periochaj inhoud. F.B. 
21,25. 

inhalda» continerej inhouden, beyatten. 
F.B.21,26. 

inhalinga, inhalnige, contract, />ro- 
boHOf bgtrekking, bewgs. F.O.L.5,4.7. 

inhwilem, interea^ cumj terwgl, als. 
F.B.2,28: Inhwilem deer ma wr- 
gared is. Terwgl men -vergaderd is. 

ynia, ynigia,. revendicare, toUere^ vor- 
deren, innen, w^piemen. F.B.46,62. 
F.O.L.2,6. ynige, remndicatio^ terug- 
vovderingii inning. Zie: innia. 



in ka, inetrumefita ruatica, utensilia, boe- 
rengereedschap. 0.1,70: Soe schel- 
le 's foerddraga gold ende weed 
jof hit deer is, ku ende ey, en- 
de hiara quickfia ende inka 
(emka) ende anderke. Dan zullen 
zg voorbrengen geld en kleederen, zoo 
die daar zgn, koegen en schapen en 
hun jong vee en boerengereedschap- 
pen en handwerktuigen, J.M.F.2,70. 
Zie: anderke. 

inkriepa, inserperej inkruipen. J.M.F. 
12,13. 

inleda, inducetêy inleiden. B.219: Ther 
ne inelet heth. Die hem ingeleid 
heeft. 

inlek, inlike, iatimusj innerlgk, innig. 
0.i;.S. H.8,24: Mith inlekera her- 
ta. Met innig gevoel. 

» 

inlemithe, debüitatio interna, inwen- 
dige verlamming. A.3,17. 

inlendes, inlendis, incolaj inlandig. 
l.E.1,14. F.O.L.2,3: Sa hi thene 
wither inlendis cume. Zoo hg 
dan weder in het land komt. 

inlidza, adferre, inbrengen, inleggen. 
B.109. 

inna, ynna, innia, revendicare, toUerej 
exigere, vorderen, opvorderen, wegne- 
men. B.130. E.L.1,58. Zie: ynia. 

inna, inne, in, in. B.46. E.L.1,16. 
F.O.L.8,2. 

innia (nima?) capere, nemen. F.O.L. 
2,6. Zie: inna. 

in nima, acdpere, aannemen, ontvangen 
B.41: Alsaden sa hi innime, sa 
reke hi alsaden vt. Zoodanig als 
hg ontvangt, zoodanig geve hg weder 
uit. F.O.L.8,1. 2.E.2,7. 

inoer, inover, invor, invr, intra, 
in, binnen. B.77. H.8,20. F.R.50,47. 

19 



291 



inra—intela. 



292 



.0.1,63: Jef hi deer inoer wil. 
Zoo hg daar in wil. — per^ door. 
E.L.1,46. J.M.F.17. 

inra, intemus, binnenst. E.L.1,30. B. 
143: Tliene inra dreppel. De bin- 
nenste drempel. A.3,6. — 2) medius, 
middelste. l.E.5,13: Thet uterste 
clath, thet inre, thet hemethe. 
Het bovenste kleed, het middelste, het 
hemd. — in rest, intemus^ binnenst. 
H.4,11. J.M.F.n, 192: Thes vthe- 
wardis dulgis alsoo, inre dul- 
gis sexasum. De uitwaartsche wonde 
evenzoo, de inwaartsche (met zes ge- 
tuigen). 

inre, inreed, inrede, inrethe, dtZa- 
ceratio, inscheuring, inrgting. Ch.1, 98. 
105. 110. 0.11,9.41: Bloedresene, 
inre. Bloedrunst, inscheuring. Mete- 
duig, inre. Maatwonde, inscheuring. 

inrenda, efringere, inbreken, inscheu- 
ren. B.68. Zie: inglupa. 

in ren e, incursits^ inloop. H.4,5. 1. 
E.4,4.15. A.3,2. F.O.L.5,1. 

inridich, lacerattts, gescheurd, inge- 
scheurd. Ch.1, 376: Inridich dolch. 
Gescheurde wonde. 

inrif, intestina, ingewanden. A.3,10. 
F.O.L.5,19, l.E.4,15. 

in ros te, colomis cis aggerem^ binnen- 
dgker, inwoner. A.7,8: Ther skil 
thi utrosta an thi inrosta thes 
wigis plichtich wesa. Daar zal 
de buitendgker en de binnènd^ker tot 
den strgd verplicht zign. 

inrueza, inruetza, inrutza, inrwe- 
ze, dilaceratus^ ingescheurd. B.204. 
E.L.1,12. 2.E.1,1.14. 

inscatengha, onscathenga, inska- 
tinga, dilaceratio^ inscheuring. O. 
11,12. l.E.4,5. J.M.F.n,231. 



inscielda, credita, inschuld* Zie: in- 
geld. 

insepna, inseptha. 2,£.1,1. A.3,2. 
l.E.4,4. E.L,1,10. cicatria. Zie: a- 
bel. Ingaand litteeken na de gene- 
zing der wonde overgebleven (ingekeept 
litteeken. — Holl. keper). 

inset (urset?), opptgnoratus^ verpand, 
verzet. F.O.L.1,14. 

inseten, incola, ingezeten. F.O.L.1.6: 
Ayneruat an insetene liude. Ei- 
generfden en ingezetenen. 

insetta, constituerêj instellen. F.R.5,3. 

insettinga, oonatitutioj instelling. F. 
R.5,2. 

insigel, sigillum, zegel. 0.1,1. 

insmuge, obreptioy inkruiping, inslui- 
ping. F.R.59,17. 0.12,13: Wirt 
hi dan in da hole biginsen, so 
haet hi mit ter insmuge syn 
fria hals wrleren. Wordt hg dan 
in het hol betrapt, dan heeft hg door 
de insluiping zgn vrgen hals verloren. 

instaep, instap, aggresdo, aanstap. 
0.11,39. Ch.1, 113: Neydam dat 
hi thiue instap thretha schel, 
Doordien hg de aantrede daarmede be- 
ginnen zal. 

instapi, zie: instepi. 

instatenghe (inscatenghe?). J.M.F. 
11,231. Ch.1, 111. Zie: inscaten- 
gha. 

instepi, instapi, fmlneratio^ verwon- 
ding, kneuzing. A.3,15. F.0.LJ, 1. 

inszilethra, zie: inzilethra. 

intaengha, citatie^ indaging, dagvaar- 
ding. J.M.F.n, 213. 

intaya, citare^ dagvaarden. Ch.1, 119. 

intaingha. 0.11,8. J.M.F.n,255. 
Ziet intaengha. 

in te la, actio^ eisch, aanspraak. F.0,L. 



293 



in 



za— jonger. 



294 



1,60: Alrek rediena sin szerek- 
spil to beriuchtande, er hi eni- 
ga intela here. Ieder regter zijn 
kerspel te beregten, voordat hg eenige 
aanspraak hoort. 

inthinsza, citare^ dagvaarden, indagen. 
B.126. Zie: intaenghe. 

intywga, testibua probare^ met getuigen 
bewezen, F.B.64,19. 

innr, per^ door. A.3,17. Zie: in o er. 

inuneie, inweye, introitus, ingaanbaar. 
E.L.1,69. l.E.5,19: And theth hns 
macath inuneie and ntweie.' En 
het huis maakt dat men er in en door 
kan gaan. 

invendelyck, interne^ inwendig, F.R. 
46,19. 

invr, tranêj over. B.77. P.O.L.2,5.12: 
Hi lette invr berch. Hg voerde 
over de bergen. — Invr hof and 
invr hus. Door hof en door huis. 
Zie: inoer. 

inweye, zie: innueie. 

inweyndich, interne^ inwendig. F.R. 
33,1. 

inwenna. J.M.P.H, 191. Zie: inwinna. 

inwerdene, laesio interna^ inwendige 
bezeering, A,3,17. 

inwerk e, inwirke, opificium^ hand- 
werk. 0.1,64. J.M.F.2,65. 

in wet ir, ctquae ductio^ waterleiding, 
stroom. A.7,6: Thruch thet er 
alle inwetir stonda skilun, 
sa se God eskipin heth. Omdat 
alle stroomen zoo zullen blgven, zoo 
als ^God die geschapen heeft. 

in wind, quo ventus intrat^ waar de wind 
ingaat. B.47: Inwind and vtwei. 
De wind in en weg daardoor. 

inwinna, probatione obtinere, door be- 
wjjs verkregen. F.E.64,16.19. — 2) 



asmmere sibi^ obtinere, toeëigenen. F.R. 
46,61. 

inxta, iratiia, vergramd. F.O.L.5,37: 
Mith hasta hey ende mith inxta 
mode. Met haastigen zin en gram- 
men moede. 

inzilethra, inszilethra, dilaceratio, 
scheuring, schaving. H.6,10. 

jo, joe, tu, gg. F,R.6,2.4. 0.1,23. 
j o e n, tuusj uwe : j o e r e, j o e w e r, 
j o n e, vester. J.M.F.9,3. 

jo» joe, joe we, dabat, gaf. F.R. 1,46. 
J.M.F.5,17. 

j oendes, vespere, des avonds. J.M.F. 
2,44. Zie: jonde. 

jof, joff, jofft, vel, of. F.R.1,37. 2,8. 
F.R.m, 2. 

jog, dabatj gaf. F.R.1,46. 

joget, juventus, je^d. F.R.27,8. 

joldfretho, paa congregationis, genoot- 
schapsvrede. A.7,3. 

joldskipe. A.7,3. Zie: ilod. 

jollick, jollikes, joulickes, quis- 
que, ieder. 0.11,68. Zie: jeuelick. 

ion, obviam, tegemoet. H.9,1: To io- 
nis komin. Te gemoet gekomen. 

joncfrou, joncfrow, religiosa, non. 
0.5,1. 16,4. F.R.12,12. 

iond, jam, nunc, nu. J.M.F.II, 216: 
Thet cumth iond op 15 merke. 
Dat komt nu op 15 mark. 

ionde, vesper, avond. 0.1,45. 3,10: 
Soe hya een (oen?) ionde weer 
mogen comma. Dat zg tegen den 
avond weder mogen komen. — ion- 
dis ende morns, 's Avonds en 's 
morgens. 

jone, zie: j o. 

jonger, jongher, descendens, discipulus, 
jonger, leerling, afstammeling. O.v.S. 
F.R.50,21. 



295 



jonghiste— iuinsibba. 



296 



jonghistei ultimuêj laatste, jongste. 

0.8,23: Toe ionghista dei. Ten 

jongsteu dage. 
j o th$kn e^ judaeusj joodsch. A.7,9: In 

thera jothana bokon. In de jood- 

sche geschriften, 
joulick, zie: jeuelick. 
joun, datus^ gegeven. 0.t;.3,6: Deer 

ws haet 'joun. Die ons gegeven 

heeft, jown, jouwen. F.E.14,2. 

45,2. 

j o wa, Jar^, geven. O.v. H.9,2. Ch.I, 
242. 

jower, donator, schenker. F.R.44,2. 

jower (jof ther), si »W, zoo aldaar. 
Ch.I, 242. 

iowigh, aetemuSf eeuwig. P.E.15,5: 
lowigha kerkener. Eeuwige ker- 
ker, hel. 

iowlick, quisquey ieder. F.B. 72,9. 

jowinghe, consensusj toestemxnmg, F.B. 
29,6. 

jownkrysten, cocArtationu^, medechris- 
ten. F.R.56,1. 

ir e, iratusj gram. H.4,38. 0.8,4. 

irdfet. E.L.3,35. Zie: ierdfet. 

yrnse, yrnsne, irsen, yrser, yrr- 
sen, ferrumj flzer. H.8,18. 0.4,10. 
F.O.L.4,30. 5,25. J.M.F.n, 227. 191. 
yessen. 

irsahelesk, israelüieuêj israelitisch. 
H.r. 

Irmagardafoerde, ifonoatmum, Mun- 
ster. 0.3,9. 

yrsta, iratus^ vergramd. F.R.63,3:Yr- 
sta moed. Vergramd gemoed, 

ir the, terra^ aarde. A.7,9. 

irthbiuinge, terrae moh««, aardbeving. 
A.7,9. 

irthfal| in terram lapms, aardval. A. 
7,16. 



irthkining, rea terrae, aardkoning. 

A.v.1. 
irthrike, terra, aardrgk. A.v.1. 
ys, est, is. F.R.1,37. 
is e, glacieê, ^s. E.L.1,32. H.8,7. 
yserne, isern, isrn, ferra, gsers. 

Ch.1, 98. l.E.2,10. E.L.1,66. Zie: 

yrnse. 
isernslec, icius ferri, slag met een 

gzer. E.L.1,9. 
islein, ictusj cuêus, geslagen, gemunt. 

H.2,1. l.E.3,4. 
it, ith, itha, ad, aan. H.9,2. 2.E. 

2,1. — in, in. FJR.2,31. J.M.F.1,9. 

ieta. Ch.I,99. 0.1,22. 
yta, adhuc, nog. F.R.7,3: So mey er 

yta wal beth spreeka aldus. 

Dan mag hg nog wel weder aldus 

spreken, 
ita, manducare, eten. F.R.2,31. 81,13. 

23. E.L.3,52. 
itsile, calcar, radius, spoor. A.2,11. 
ju, tu, gg. H.8,22. 
iuen, iuin, par, gelgk. A.2,16. 
iuenes, quisque, ieder. A.1,16: Sa 

heth hi iuenes urgulden. Zoo 

heeft hg ieder betaald, 
iueneth, socius, collega, ambtgenoot. 

A.1,3: Mith tuam sine iuenethon. 

Met twee zgner ambtgenoten, 
iuinfir, aequa parte. even ver. A.2,16. 
iuinhar, aeque óbligaJtus, even verplicht, 

gelgk gehoorig. A.7,8. 
iuinknilingar, conjuncti pari affinir 

tate, van gelgken graad van verwant- 
schap. A.2,16. 
iuinsibba, pari affinitate conjuncti. A. 

2,16: Sa hagon tha iuinknilin- 
gar to there were to tiande, 

tha sibbe, ther to kniande, 

iuinfir on to fande mith iuin- 



297 



inne— karefester. 



298 



sibba hondon. Dan moeten de gel^k 
verwante tot den werf komen, de ver- 

■ 

wantschap daar berekenen, en evenverre 

met gel^krerwante handen te nemen. 
inne, jnwer, iwe, vester^nwe. 0.1,44. 

9,4. J.M.P.12,17. 
irenkersten. A.v.l. Zie: jownkrys- 

ten. 



ywen, pariter^ gelgkelgk, gel^'k, even. 
F.O.L.9,8: Alle ywen sche ta iel- 
de. Alle bekomen gel^k geld. 

iwen, t?el, of. H,l,8. 

iwergeua, tradere^ overgeven, geven. 
l.E.o: Hi iwergeu em ac manna. 
H^ verstrekte hun ook mabna. 



K. 




kaeld, nudaiuêj ontbloot. 0.11,5: Bird 
offbaernd jefta kaeld. Baard af- 
gebrand of afgeschoren (kaal gemaakt). 

kaerif kamo^ man, kerel. J.M.F. 13, 

kaet, taluêj koot. 0.11,27: Dij been- 
breek oen der nesta kaet. De 
beenlveok aan de naaste koot. 

kay, datfiê^ sleutel. 0,1,70: Deer ka- 
mer ende kagen warade. Die de 
kamers en de sleutels bewaarde. 

kaya, dauderê^ sluiten; procurare, ver- 
zorgen. F.O.L.6,10: Ther thet ethe- 
le werde en kayde. Die het ouder- 
Igk goed verdedigde en bewaarde. 

kald, frigidusj koud. E.L.1,66. A.3,2. 
kalde, jfriguêj koude. 

kaldadeel (kalahei?). J.M.F.3: Dae 
kaepeden hia mey scette ende 
mey schellinghe Deldemannes, 
id est: Kaldadeel, deer thingade 
hi daeoppa. Toen kochten zg met 
vee en met geld Deldemannesy dat is: 
Kaldadeelj daarvan voerde hij het regt. 

kale, nudatio^ ontblooting, het afschee- 
ren van den baard of van het haar. 
£.L.l,39:Is hir en kale ieftha en 
blodelsa den. Is hier eene afischee- 



ring of bloedstorting geschied. Zie: 

kaeld. 
ka 11a, vocare^ noemen. H.4,30: Alsa- 

denra penniga, sa ma Mimiger- 

deforda het ende kelt. Zoodanige 

penningen als men Munstersche heet 

en noemt, 
kamercap, venditio non ptiblica^ onder- 

handsche koop. F.B.31,13. 
kamp, cZueUiiTTi, tweegevecht. Zie: comp. 
kamp stal, /72i<7z7teifn, lome pugnae^ cam- 

pus^ kampplaats. 0.1,45. 
kan lic, coynttti«, bekend, kennelgk. Ch. 

i, 242. 
kanna, discemere^ dijudicare^ onderzoe- 
ken, kennis van nemen. F.R.21,8. 

27,5. 
kanna, agnoscere^ erkennen. 0.9,7. — 

2) conJUerij bekennen. F.R.9,1: Dat 

kan ick hem. Dat beken ik hem. 
kannighe, cognitio, confessio^ kennis, 

bekentenis. F.B. 9,1. 
kaplond, ager emtus, aangekocht land. 

F.O.L.6,9. 
karfesta, carinaj veertigdaagsche vaste, 

a.1,6, 
karefester, karfester, catinarius^ 



299 



karma ~ kenbacke. 



300 



cui poena inflida est jejunii 40 dic' 
ru7n^ veertigdaagsche vaster; poeniten- 
tiarius, poenitens^ boetedoener. A.1,11. 

H.1,11. 
karina, karine. A.1,6. F.O.L.1,6. 

11. Zie: karfesta. 

kase, pugna, stryd. 0.9,9. E.L.1,43. 

kate, kathe. 2.E.t;. Ch.1, 101. Zie: 
ka et. 

kat er ie, ineptiae^ calumnia^ praterg, 
kwaadsprekendheid. F.R.9,5: Fan ka- 
terie ney enis menscha daed. 
Van lastering na iemands dood. 

kathe, zie: kate. 

katta, catta, felis^ kat. 0.11,68. F. 
O.L.6.4. 

katte re, gut peccat contra naturanij so- 
domiet. F.O.L.6,13: Thene katte- 
re barn ma jeft siath ma. Deso- 
domiet verbrandt men of schiet men. 

ked, keda, kedde, promulgatoT senr 
tentiaej uitspreker van het vonnis, B. 
17,18. 

keda, promulgare^ ptMicare^ verkondigen. 
0.1,22. F.O.L.4,13 Zie: ketha. 

kedda, mr, Aomo, man, kerel. F.O.L. 
5,35. A.7,18: Sa hwersa tnene 
kedda fiuchtat and ther en wif 
to hlapt. Wanneer twee mannen 
vechten en daar eene vrouw naar toe 
loopt. 

kede, catena^ ketting, keten. O.v: En- 
de bg da waynen trowaden ko- 
ninghen spand mit goldena 
ked en. En bg de wagens liepen 
(draafden) koningen gebonden met goa- 
den ketens. 

kedingha, keed, promulgatio, verkon- 
diging. 0.9,2. F.Ra7,4, 

kees, zie: kes. 

kei, claviê, sleutel. H.3,1: Mith fif 



keiem te vndslutane. Met vgf 
sleutels te ontsluiten. 

keia, publicare, verkondigen. Ch.I, 376: 
Den sind sex wikum tofara to 
keyene. De zeend zes weken te. vo- 
ren aan te kondigen. 

keysers-orkene, notarius^ zg die den 
keizer gezworen hadden en als grond- 
bezitters ook op hunne beurt r^^rs 
waren. F.R. 13,41. 

keke (bek e?), dorsum^ rug. 1.£.5,14. 
2,E.1,15. 

kela, refrigerare^ punire^ straffen, koe- 
len. A.1,16. H.1,16. l.E.1,16. F. 
O.L.2,24: Morth mot 'ma mith 
morthe kela. Moord moet men met 
moord koelen. 

kelde, frigus^ koude. l.E.v. F.O.L. 
5,4.5. 

kelner, ceUarius^ provUor^ keldermees- 
ter, provisiemeester. Gh.I, 250. 

kelt, zie: kalla. 

kema, venire^ komen. H.1,14. 

kema, dolere, klagen. l.E.6^2. B.106. 
123: Eemth er aeng mon. Klaagt 
er iemand. 

kern e, accusaüo^ casus^ beschuldiging, 
toeval. B.209. 

kemen, ekemen, perfectus^ adventus^ 
gekomen. B.89. £.L.1,84. 

kemede, adventus^ komst. 2.E.3,2. 

kemne, accusatio^ klachte. B.209. 

kempa, pugnare^ vechten. B.105. 

kempa, miles ^ pugnator^ strgder; pugna, 
strgd. 0.1,38. H.1,8. 

ken, populus, volk. F.O.L.1, 37. familia^ 
huisgezin. Sa skil thet ken mith 
him bèta. Dan zal de ÜEunilie met 
hem boeten. A.5,11. Zie: kenne. 

kenbacke, scrotum^ balzak. J.M.F.II, 
191. 



801 



kenep— kersoma. 



302 



kenep, mtfêtaa^ knevel. A.3,5a. 
keninze, reges^ koningen. l.E.1,7. 
kenlik, regius^ koninklgk. F.O.L.6,25: 

Mith ther kenliker wald. Met 

de koninklgke macht, 
ken na, inquirere^ onderzoeken. F.R. 

2,22. 

kenne, famiUa^ genus ^ huisgezin, ge- 
slacht, verwantschap, kunne. B.105. 
2.E.4,15. A.7,23. 

kennemeg, cognatua (coüatercdis^), ver- 
wante. l.E.2,22. (keremeg. H.2,22.) 
Mith tuam kerene kenneme- 
gnm — mith tuam keremegum. 
Met twee gekozene naastbestaandeii, 
kniemagen. (Zie: Grimm^ Deutsche 
Itechts-Alt. 1828. Seite 468.) Mis- 
schien moet men voor keremegum, 
kerene megum, gekozene magen, 
lezen. 

kenst, ars, kunst. P.O.L.r.l. 

kepla, jugaref koppelen, keppelen. J. 
M.F.I1, 206. 

kepie, jugum^ koppel; frenum, touw. 
J.M.P.n,206. keppel. 0,11,67. 

keppet. B.67. Zie: kneppet. 

ker, electio^ keur. O.1.70. 

kera, eUgere, keuren kiezen. A.5,1. 

kera, impedire^ beletten. 0.4,4. 

kera, vertere, wenden. F.B.55,5. ke- 
ren. 

kera, reddere, teruggeven. F.R.32,22: 
Ende is dat land mit da fruch- 
ten schyldich weer to keren. 
En is verpligt dat land met de vruch- 
ten weder te geven. 

kera, ctrctfmodére, besngden, besnoeien. 
B.156: Thet hi fad ieftha falxke 
penningar ekeren hebbe. Dat 
hg slechte of valsche penningen be- 
sneden (besnoeid) heeft. 



kerckhoue, cimiterium^ kerkhof. O. 

12,19. 
kercwei, via ad ecclesiam, kerkweg. 

0.1,13. 
kere, indsura^ sn^ding. 2.E.1,12: Is 

hire en kere ieftha blodelsa 

den. Is hier eene sn^ding of bloed- 

storting gedaan, 
kere, eUctio^ keur, wet. B.159. 
kerecfrethe, paa ecclesiae^ kerkvrede. 

l.E.1,12. 
keregunge (kercgunge?), iter ad ec- 

clesiam, kerkgang. H.4,39. 
kerekest, electio^ keur, wet, gekozene 

keur. 2.E.V. 
keremeg. zie: kennemeg. 
keremen, electij arbitri^ keurmannen, 

gekozene. B.212. 
keren, electuej gekozen. l.E.2,22. B. 

96. H.1,3. ekeren. 
kerene. H.4.31. Zie: karina. 
kerene (skerene, vomerum?) Zie al- 
daar. F,O.L.4,30. 
kerf, incisttraj kerving, insn^ding. O. 

11,11. 
kerfd, incistM^ ingesneden, gekorven. 

A.3,15. 
kerkener, carcer, kerker. F.B.15,18. 
kerkfester, zie: karefester. 
kerkstal, visitatio eccleeiae, aditio eccU' 

siae^ kerkgang. 0.8,22. 
kerkewalle, kerkwalle, murue cimi- 

teriij kerkho&muur. 0.1,40.41. 
kerl, vir, man. l.E.v. — 2) Carolus^ 

Earel. 
kersna, ct/dae^ palia, keurs, keurslgf. 

J.M.F.6,22: An zyn ommecleed, 

mantel ende kersna. Aan zgnover- 

kleed, mantel en keurs, 
kers o ma, chrisma, heilige olie. A. 

9,5. 



303 



kersten — kistapand. 



304 



kersten, cAristianua^ christen, christe- 

Igk. A.v. 9,11. 
kerstenede, christianitas^ christendom. 

A.1,3. 
kerstestid, nativitatis Christi festum^ 

kerstgd. A.1,9. 
kerstenge, baptisma^ doopsel. 0.8,1. 
kerstna, baptizarCy doopen. F.R.81,23. 
kerta, vestte^ kleed. Ch.I, 242. 
kerua, kerya, aecare^ sngden, kerven. 

E.L.1,19. B.208. 
kes, kese, kees, maxülaris dens^ kies. 

Ch.I, 98. J.M.F.II, 198. 0.11,20. B. 

196. 
kessa, oaculari, kussen. 0.9,1. 
kesseth, kesten, kessidne, oscula- 

tus, gekust. Ch.I,97. J.M.F.10,12. 

0.8,12. 
kest, eUctio^ wet, kest, keur. 0.1,9. 

fl.1,1. 
kest, osculatus, gekust. O.ll.S.3. 
kest, 'pifffius mobüiumy pand van roe- 
rend goed. F.R.24,22. 
keste, pignua, pand. O.ll.S.3: Mit 

tilla kesten. Met losse panden, 
k e stère, accusator publicua^ openbare 

aanklager, uitroepen B.80. 2.£.4,12. 
kestigia, accuaarey aanklagen, bekom- 
meren. 0.1,61. 
kest fr ion d, dectua amicua^ intimua^ 

cognatusj gekozen vrie&d, verwante. 

A.2,18. 
ket, ccUena^ keten; eataracta^ sluis, wa- 

terkeering» Ch.I, 336: Daa aester 

ket dat to keren. De oostersluis 

dat te keeren. 
ket, keth, promtUgatuSj verkondigd. O. 

1,2. 7,13. E.L.1,60. Zie: ketha. 
ketelfangh, ordalium aquae cdUdae^ 

heetwaterproef. 0.1,38. 
ketha, kethta, promulgare^ pronunttare^ 



verkondigen, uitspreken. B.5.56. H. 
5,1. F.O.L.4,13. 

keth ene, juriadictio, regtsgebiid. B. 
36. Zie: echtene. 

ket her e, promulgator^ verkondiger. B. 
56. 

ket te, kethta, promulgaimf verkon- 
digd. J.M.F.7,1. F.O.L.4,18, 

kittig, cognitua, bekend. F.B.15,32: 
So fyr so hit nimmen kettiger 
weer, so hym. In zooverre het nie- 
mand meer bekend was dan hem. 

kiasa, eligere^ kiezen. B.81. F.B.50,41. 
F.O.L.3. 'kas, ka es, eliffebatj koos. 
A.1,2.8. 

kiase (kase?) pugwiy strgd. 2.fi.3. 

kielde, frigua^\o\xè!b. Ch.1, 102. 

kyfgued, rea litigioaa^ betvrfit wordend 
goed. F.R.10,4. 

kyn, puer^ kind. F.R.15,10. kyades- 
kynd, kindeskind, abneposj kinds- 
kind, kleinkind. F.R.44,15. B.120. 
Pd.Ms.: kyndeskynt ende ¥oert 
kyndeskynt. 2.E.4,21: bernis« 
bern and kindiskind. 

kinigrike, regnum^ koninkrgk. A.2,5. 

kininzis, re^oZts, koninklgk. 1.K2,23. 
Zie: bereschinza. Door deze twee 
woorden sch^nt dezelfde 8tx)|d te s|^ 
bedoeld; de hoogste strgd. 

kinne, genua^ geslacht, kunne. 0.12,10. 

kiost, VU&, kiest, verkiest. F.O.L.1,51. 

kirta, m compendium redigere^ müigarej 
korten, verkorten. 0.1,12.13: Alle 
da riueht deer to »weer ende 
to manichfald weren, biriuch- 
te ende kiite. Al de regten^ die 
te zwaar en te menigvuldig waven, 
herzag en bekortte. 

kistapand, pig§ma mobüiumf> pand wn 
roerend goed. FJl.41,& 



S05 



klaegh— koere. 



306 



klaegh, aecusatio^ Uagte. F.B.9,L 

klau, unguiêj kkaaw. 0.1,27. meerv. 
klewen. Ende d^oe kw da kle- 
wen den e deth. En de koe de klaaa- 
wen nederlegt. J.M.F.2,21. 

kleem, rura, twist. Ch.1, 376: En 
sliockt onhlest een hael pond, 
nyes jeldis; mer hwa anne kleem 
makket twiska twene iggeü, 
ayder ig twa pand nyes jeldis. 
Bene eenyoadige beleediging een half 
pond nieuw geld; maar die een twist 
stookt tosschen twee partgen, iedere 
party twee pond nieuw geld. 

klefte, vicus, tnaort, kluft. H.10,24. 

kiene, curvotura minor ^ êive superius 
stofnachi^ aM>pAa^ni«, slokdarm. A.3,19: 
Thrnch thet kiene thes maga 
ska ten» Door de bovenkromming der 
maag geschoten. 

klewen, zie: klau. 

klin, êonuêj klank, geklep, gelui. F.B. 
59,18: Mit clocka klin. Met klok- 
gelui, 

klipschielda, cennu regalis^ konink- 
Igke schatting. 0.3,7. (Te betalen 
met wichtig geld.) Zie: clip pa en 
leflene. 

knaya, cognaiionem probare^ yerwant- 
schap bewgzen. F.O.L.2,16. Zie:knia. 

knapa, puer, JUüu, êervua, kind, zoon, 
bediende. 2.E.4,43. B.93. E.L.3,10, 

kne, graduêj graad; genu^ knie. F.R. 
49,1. Ch«I,102: left hit fan sine 
kne fole in een liowen. Zoo het 
van zgne knie viel in een bekken. 

knebolla, knibola, knibla, genu, 
knie. J.M.F.n,202. H.4,23. F.O.L. 
5,21. 

knep, n^êtax, knevel. H.8,5. Zie: ke- 
nep. 



kneppa, puer^ jongen; «erütM, bediende. 
F.R.2,19. 36,11. 

k nep pet, resecatus, geknipt. B.67: 
Nestla bresze en hagest skil- 
ling, kneppet sex penningar. 
Nestel gebroken een hoogste schelling 
geknipt zes penningen. (Cod. Oelrichs 
heeft: keppet.) 

knesciua, knesciwa, kneescuwa, 
;>opfe«, knieschflf. E.L.1,37. 0.11,27. 
J.M,F.n, 233. 

kni, graduê^ graad, geslacht. B.116. 
H.2,6. F.O.L.2,6.9. 7,6. 

knia, cognationem prohare^ verwantschap 
bewgzen. A.2,16. kniaia. 2.E. 
4,43. 

knibla, knibola, genu^ knie; poples^ 
Jmieblad. H.4,23. F.O.L.5,21. 

kQidling, knileg, graduê^ graad van 
verwantschap. H.4,43. F.O.L.6,5. 

kniu, genu^ knie. E.L.1,46. H.6,18. 

kniucht, sermuj knecht. H.2,26. 

knoei e, articuluê^ kneukei. B.196. 

knotte, nodue, knoop; laqueuê, strop. 
F.O.L.1,17: Sa ach hi bi riuchta 
thene swartha lappa and thene 
smerta knotta and thet nordal- 
de tre. Dan behoort hem volgens 
regt den zwarten lap en den smarten- 
den strop en den noordschen eik (dat 
is: opgehangen te worden). 

koe ar, koek er, vagina, koker. 0.1,21. 
B.40. 

koeme, veniebant, kwamen. J.M.F. 1,7. 

koe na, sdre, cognoscere, kennen, weten. 
J.M.F.5,3: Hi skel koena pater 
noster ende syn lauwa. Hg moet 
zgn pater noster en zgn credo kennen. 
Zie: kona. 

koere, corUs, korf. Ch.1, 743. Zie: 
raemkoer. 

20 



307 



koemty d — kramer. 



308 



koemty d, tempus messis^ oogsitgd. 
F,R.5,3. 

koyt, cerevisia, bier. Ch.I, 511. 

k o 1 c k, agffer, waterdam. Ch.I, 540: 
Den kolck tho slaen. Den water- 
dam (bg de sluis) te l^gen. — kolk, 
fovea^ gat. 0.8,17. 

kom, veniebaty kwam. Zie: komma, 
kome. J.M.F.1,7. komen, venie" 
bant, kwamen. A.v.l. 

komerdura, komersdura, janua ca- 
merae, kamersdeur. £.L.1,69. H. 
8,20. 

komma, venire, komen. Ch.I, 543. F. 
O.L.3. kom, veniebat, kwam. H.3,4. 

komme (to), accidere, gebeuren, over- 
komen. F.R.25,4: Om alle secken, 
deer him to komme moghen. 
Wegens alle zaken, waarover hg aan- 
gesproken kan worden. 

kompe, kom pi a. 2.E.4,28. F.O.L. 
1,15. Zie: kamp en kampia, 

kompnt, venit^ komt. F.R.1,18. 

kompschelde, perdueüium, tweegevecht. 
F.0.L.lyl5: And ma hine mith 
kompschelde winne. Enmenhem 
in een kampstrgd verwint. 

kona, konna, scire^ kennen, weten. 
0.3,6. J.M.F.5,6. 

koninges orkenen, zie: keysers 
orkenen. 

konst, ars, kunst. O.v. 

kopkiin, moneta quaedam, zekere munt 
(waarvan vigf op een Engelsche). F.R. 
III, 12. 

k op p e, poculum, beker. J.M.F.H, 258. 
Ch.I, 120: Halth hi thine cop, 
and swenghet mith tha biere. 
Houdt hg den beker, en werpt met 
het bier. 

koren, scissus, insectus, gekorven, ge- 



sneden. J.M.F.II, 233. kom. Ch.I, 
111. 0.11,24. 

kom, zie: koren. 

kom, frumentum, koom. E.L.3,4. 

kos, osculum, kus. Ch.I, 97. pacificaiio, 
placatio. O.ILS.3: Als dio seke 
seend is ende di kos kest is. Als 
de zaak gezoend is en de kus (verzoe- 
ning) gekust is. 

kosya, ludere modo amatoris, liefkozen. 
F.R.58,26: Hwanneer een man 
een orem menscha lyauuen ko- 
syen syucht allinna mit syn 
wyff. Wanneer iemand een ander 
liefkozen ziet alleen met zgne vrouw. 
(de tekst heeft: lyauuen menscha 
kosyen). 

kost, impensa, kosten. 0.16,23. F.R. 
111,14. 1,37.45: Kost to dwaen. 
Belasting te geven. 

kost, alimentumj voedsel, kost. A.9,2. 

kostfellinge, impensa, kosten. F.R. 
1,37: So ys ma hem schyldich 
syn kostfellinga to bitellien. 
Dan is men hem schuldig zgne ge- 
maakte kosten te betalen. 

kraem, puerperiumj kraembed, kinder- 
bed. F.R.75,3. 

kraga, boja, catena, mnctdum, quo coüum 
circumdatur, halskraag der misdadigers, 
F.O.L.1,16: Sa ielde hi 't selua 
mith sina halse, jef hi fia neb- 
be. Sa scol re ac in thene kra- 
ga, ttter tha kv nebbe. Dan betaalt 
hg het met zgnen hals, zoo hg geen 
geld heeft. Dan zal hg ook in den hals- 
kraag, die de koe niet heeft (gedragen). 

kramer, kremer, meroaiar^ koopman. 
0.15,3. F.R.2,31: Jefte een kre- 
mer myt syn secke geet. Of een 
koopman met zgn zak gaat. 



309 



krawa— lada. 



310 



krawa, contrixhi^ optrekken. F.O,L.5,21: 
Eraweth thet ben vp. Trekt het 
been op. 

krefft, robur, kracht. F.R.72,8. kreff- 
tich, fortiêy sterk, krachtig. P.R. 
46,19. 

k r e f 1 1 i k e, fortis, krachtig, sterk. H.9,2. 

Krekalond, Graecia^ Griekenland. O.t;. 

kremer, zie: kramer. 

krepa, reperej kruipen, J.M.F.5,11. 

kreppele, mancus^ claudus, kreupele. 
F.fL66,l. 

krga, capere, acquirere, nemen, verkrg- 
gen. F.R.8,5. 

kriapa, repere^ kmipen. A,8,l. > 

kringa, in^pulari^ bedingen. H.4,42. 
F.O.L.6,23: Tha krungen tha 
frinnd sex merk to tha tuelef 
merknm tho tha setta ielde. 
Toen bedongen de vrienden zes mark bg 
de twaalf mark, van de bepaalde boete. 

kronc, aeger^ krank, ziek. E.L.3,13. 

kn, kv, kw, v<icca^ koe. H.5,5. 0.4,2. 
F.O.L.1,16. 

kuda, ictuê clavae^ knodsslag. E.L.1,9: 
Thi kuda achta penningar. I- 
sern slee. De knodsslag acht pen- 
ningen. Slag met een gzer. 

knde (to), cognitus^ bekend. F.B.64,14: 
Als 't him to knde wirth. Als 
het hem kenbaar wordt. 



kaden, poteraiU, konden. Ch.I, 537. 

kuic, jyecus, vee. A.7,22: Fiarfote 
'kuic, Viervoetig vee. 

kuit, notus, bekend. Ch.I, 388: Dve 
kuit. Doe kennelijk. 

kuma, venire, komen. A.1,14. B.B.2. 

kuna, vaccaCj koeijen. Ch.I, 542. Myt 
acht kuna ingungh ende wt- 
gungh. Met acht koeijen ingang en 
uitgang (regt van beweiding voor acht 
koeijen). Zie: ku. 

kunbeltride, poples, knieschijf. 2.E. 
1,11: Hwam so ma tha kunbel- 
trida a twa slayt. Wien men de 
knieschijf stukken slaat, (knib el tri- 
da?) Zie: knebolla. 

kundegia, proclamare^ verkondigen. H. 
9,1,2: Kundig duan. Bekendmaken, 

kundich, notus, bekend. E.L.2,7. 

kun na, posse^ kunnen. H.3,1. F.R. 
32,24. 54,6. kuede, kuud, poteratj 
konde. 

kun tha, muliebria^ vrouwelgkheid ; pu- 
denda, schaamdeelen. 0.11,50. 

kuth, kuud, coffnitus^ notus, bekend. 
F.O.L.6,25, 

kuud, zie: kunna. 

kv, kw. 0.1,27. Zie: ku. 

kwd, notus^ bekend. 0.12,3: Kwd 
dwaen. Bekend maken. 



L. 



lackia, coniemnere, punire^ laken, ver- 
smaden. Ch.I, 335» 

lad, laed, unciaj lood. A.3,16. F.R. 
74,2. 



lada, in medium projerre^ adducere ar^ 
gumenta, aanvoeren, bewijzen. A.5,3: 
And thes nena iechta ne lede. 
En hieromtrent geen bewgs aanvoerde. 



311 



lada— landsanne. 



312 



lada, ladia, eitarej dagvaarden. H.2,22. 
0.1,36. 

lada, laden e, citatio^ dagvaarding. J. 
M.F.M. 0.1,76. F.R.13,17. 

lada, probatio^ bewgs. 0.7,11. F.B. 
18,9. 

ladia, zie: lada. 

laeda, ducere^ leiden. F.B.14,2. 

laen, merces^ loon. 0.12,18. F.R.37,8. 

laenia, lania, remunerarej beloonen. 
0.t;.12,18. 

laes, Ubevj los, vrg. l.E.1,18. 

laes, astutus, loos. F.B.2,16. 

laesheed, laesheyt, aatutiaj loosheid. 
F.R.4,3. 27,9. 

laeslick, astuhUj loos. F.R.22,4. 

laesta, probare, bewgzen; praestare^ 
voldoen. F.R.1,25. 

laetkinge, appellatio^ appel, laking. 
Ch.I,394. Zie: lackia. 

laf, foliunij loof. A.7,9:Thet espene 
laf. Het loof der popnlieren. 

la ga, deatimare, rekenen, berekenen, 
schatten. H.1,2. F.O.L.1,2. A.1,2. 

lagad, aeattmatuêj geschat. H.1,2. 

lagerie, rf^tfirwere, vernietigen, eindigen, 
ter neder leggen. F.R.36,15: Hweer- 
so dat ter een riucht bysittin- 
ghe is ieffta weer, deer ma alle 
claegh mey lageria schil, deer 
heert to bona /des. Waar er een 
wettig bezit is of was, waarmede men 
alle aanspraak kan ter neder leggen, 
zoo behoort daartoe de goede trouw. 
F.R.46,72. legered, ter neder ge- 
legd. 

Ia7a,cteare, dagvaarden. F.R.3,1, 13,11: 
And dyn sitter to riucht laye. 
En den beklaagde voor het geregt dag- 
vaarden. — 2) ducere^ voeren, leiden. 
I.E.V. 



layd, citcOuB^ gedagvtord. F.B.18,10. 
layed, citatus^ gedi^praard. F.R.3,4. 
layna, praestare, volbrengen, aflq^en, 

doen. F.O.L.9,15.16: Eth layna. 

Eed doen. 
layenghe, laynghe, lainge, cüatio^ 

dagvaarding. 0,7,16. F.B.3,3. 13,12. 
laysa, cantus^ gezang. F.O.L.3. Zie: 

leysa. 
lamed, debiUtatus^ verlamd. E.L.1,85* 
lamelsa, lamethe, lamithe, debiU- 

tatiOf verlamming. Gh,1, 113. S.L. 

1,36.37. A.3,21, 
lamma, débïUtare^ verlammen. A.8,21. 

lemith, debüitatj verlamt, 
lan, mercesj loon. EJi.3,44. 
landebede, landebethe, eüatiö pO' 

puli generalis^ algemeen opontbod van 

het volk. 0.10,21. J.M.F.n,219. 

Ch.1, 107. 
landcaep, emtio agrorum^ landkoop. 

F.R.2,27. 
landesfroWf domina^ landsvronw. F. 

R.21,4. 

m 

landheer, conducHaniê preHum^ land- 
huur. F.R.77,3. 

landlied e, coUectio populi^ verzameling 
van het volk. Ch.1, 108: Mith wep- 
nader hand and mith landliede 
ina sine erwe wald deth. Gewa- 
penderhand en met een verzameling 
van volk op zgn erf geweld pleegt. 

landnath, indigena^ landgenoot. 0.9, 1 3. 

landruf. 0.3,8. londraf. l.E.1,8. 
H.1,8. londriucht, J.M.F.5,8. spo^ 
liatio terrae^ landroof. P.d.M8: lani- 
roef. 

landtremynga, peregrinaUoj landver- 
huizing. Ch.1, 617: Landtremyn- 
ga de de. Voortvluchtig werd. 

landsanne, eaposUdatio de jure agri 



313 



landsata— led. 



314 



posêidendi^ twist wegens landbezit. Gh, 
1, 496. 

landsatd, landsette, agricola, land- 
zaat, boer. 0.1,49. F.R.36,18. 37,2. 

landwandel, permutatio agri^ land ver- 
wisseling. Ch.I, 888. 

landwer, defeniio regionU^ landweer. 
0.1,21. J.M.F.2,21. 

landwere, jua^ quod apud domum tene- 
tur, het geregt, dat bg het huis ge- 
houden wordt. J.M.F.2,36^ 

landwixel, permutatio agri^ landverwis- 
seling- F.R.2,27. 

langefinger, langhestafinger, di- 
gitus mediuSj middelste vinger. O. 
11,37, Ch.I,99. 

lange jeer (dat), tottM anntu, het ge- 
heele jaar. Ch.I, 376. 

langer, langera, langor,(2tufu)r, lan- 
ger. E.L,3,77. F.R.1,47. A.r.l. 

langhbeen, moneta quaedam^ zekere 
mnnt. Ch.I, 603. 

langheliwech, longe vivens^ lang le- 
vend. J.M.F.1,8. 

lania, remunerari^ beloonen. H.9,2. 

lap, parsj deel. 2.E.4,20. 

lappa, êegmentum, litdeunij lap, doek. 
E,L.1,11. F.O.L.1,17. 

la ra, doctrina^ onderwgs, leer. H.10,17. 
lara dua, concionari^ instruere, pre- 
diken, onderwazen. F.O.L.9,15 heeft: 
lawa dwe, het geloof verkondigen. 

las, libetj los, vrg. A.7,23. 

las, calliduê^ loos. F.R.13,11. en 4,2. 
lastera. 

laser. F,R.13,11. Zie: lastera. 

lasta, laesta, dare^ tradere^ redder e^ 
praestare^ geven, overgeven, volbren- 
gen, doen. F.R.1,25. 14,3. 0.1,9. 
£.Ii.3,23. 

laster, catumnta^ laster. 0.11,66. 



laster, incommodum, ongemak. A.6,5. 

lastera, incommoda^ caUida, lastige, 
looze. F.R.4,2. laser. F.R.13,11. 

lath, t2uch/«, gevoerd, geleid. F.O.L.2,4. 
1,39. lat, ducitf legt, brengt. A.t;.2. 

lathenga, lathinga, citatio, dagvaar- 
ding. H.10,23, F.O.L.4,29. 

lathia, dtare^ dagvaarden. F.O.L.4,26. 

latte, ducebat^ voerde, leidde. A.v.2. 

laua, haereditaSj erfenis. H.1,5. 2,15. 
4,44. 

langad, haereditatus^ geërfd. J.M.F. 
9,33. lawiged. 0.9,30. 

laugia, laava, lauwa, lawgia, hae^ 
reditari, relinquere^ vererven, nalaten. 
F.R.22,19. 45,14. 0.1,6. 4,22. H. 
4,30. 

lauwa, lawa, fdeê^ geloof, trouWé J. 
M.F.5,3. F.R.32,24. 

lauwa, lawa, haereditaSj erfenis. O. 
13,9. F.R.22,18. 

lauwa, leo, leeuw. H.9,2. 

lawa. F.O.L.9,15. Zie: lara. 

lawa, lex^ wet. O.v. F.R.14,4. 

lawiged, haereditatus^ geërfd. 0.9,30. 

lawigya, lawgia, lawgwia, laugia. 
F.R.22,13.19. 45,13. Zie: laugia. 

lechith (lethich?), liber, los, vrg. 
J.M.F.II, 242: lauwelikes fias 
dulch schel ma bèta aldeer hit 
lechith hlap. De wonde door ieder 
dier zal men boeten, wanneer het los 
liep. Ch.1, 115. Zie: lethich. 

leek, vituperium^ vitiüm^ verachting, ge- 
brek. F.R.65,14. 0.11,16. Ch.I,107. 

leckya, vituperare^ verachten. F.R. 
1,35. 

lecslaga, homominorie conditionisj iemand 
van geringeren stand, Igfeigene. H. 1 ,8, 

led, conductioj leiding. 0,3,4. 1.£.1,4, 
H.10,14. 



315 



leda—leflene. 



316 



leda. J.M.F,n, 267. Zie: lyoda, 

leda, ducere, leiden. A.1,8. H.1,8. 
A.r.l. 2,8, F.O.L.ü.2. 2,5. 

leda, praeetare, geven. Ch.I, 349. B.3. 

ledene, citatio^ dagvaarding. F.O.L. 
9,13: Ha mon sa ma ielde vn- 
der enere ledene. Hoeveel men zal 
betalen bg eene dagvaarding. 

ledene, conductusj comitatus, begeleiding. 
0.3,4. l.E.1,4. 

leder, retis^ schuldige, Igder. F.R.64,11. 
58.6: Bnaso fyucht off fyuchta 
wil ende roept off seyt: heipet 
my! ick wed di da leed, haet 
ter van comnpt of can komma, 
dyr wil ick leder fan wesse. 
Wie vecht of vechten wil en roept of 
z^: help mg! ik sta u in voor de 
schade die er van komt of komen kan, 
daar wil ik de schuldige van zgn. 

leder, ephippium^ zadel. 0.11,67: Hors 
deer hi met leder bileit haet. 
Paard, dat hg gezadeld heeft. 

ledere, praestator, bewgzer. Ch.I, 349. 
iauxator vulnerum, wondschatter. 

ledich, leech, liber, los. 0.11,68. Zie: 
lethich. — 2) vacuus^ ledig. F.R. 
77,3. 

ledigia, Uberare^ lossen, bevrijden. J. 
M.F.11,11. 

ledza, ducere^ leiden. F.O.L.6,7. depo- 
neren nederleggen. With wanesa 
hio hire lif wolde ledza. Met wien 
zg wil trouwen, haar leven leiden (of: 
haar lichaam bg neder leggen). 

led z ia, statuere^ constituere^ leggen, ma- 
ken. H.10,3. l.E.1,11. 

leech, zie: ledich. 

leeckman, laicus, leek. 0.7,8. 

leed, damnum, schade. F.B.58,6. 64,11. 
Ch.I,349. Zie: leder. 



leed, dolor^ leed, verdriet. F.R.50,47. 
62,16. 0.2,1. 

leed eed, juramentum probationis damni 
illati propter laeaiones^ bewgseed we- 
gens schade voor verwondingen. Oh. 
349. J.M.F.II, 304. 

leedicheyt, injuria, beleediging. F.R. 
62,16. 63,8. 

leedlica, mortem cdicujus annuntiarej 
leed aanzeggen, doodbericht geven. 
Ch.I, 603, 

leedlick, difformia^ leelgk. O.v» 

leekemaen, laici^ leeken. J.M.F.4,6. 

leekslachta, minoris conditioniê homo^ 
Igfeigene. 0.3,8. Zie: lecslaga. 

leen, praebenda^ leen. 0.1,1. F.R. 
21,16. 

Ie end, mutuum datus^ geleend. F.R. 
39,1. 

leerde lyued, docti^ experti^ êapientes, 
wgzen, geleerden. F.R.59,6. 

leesne, damnumj schade; laesio^ bescha- 
diging. 0.16,2. 

leest, redimit^ lost. F.R.41,4: Ende 
dat pand naet leest. En dat pand 
niet lost. 

leeta, administrare^ besturen, leiden. 
Ch.I,349. J.M.F.n,303. Zie: edre. 

lef, aeger^ krank, ziek. B.98: Hwer- 
sa 'r is en mon ieftha wif al- 
sa lef, thet ter hine selwa ne 
muge nawet biriuchta. Wan- 
neer een man of vrouw zoo ziek is, 
dat zg zich zelven niet kunnen red- 
den. 

lefd, relictua^ nagelaten. F.O.L.1, 60: 
Lef de lawa. Nagelaten erfenissen. 

leflene, labrum^ bekken. H.2,1: Thet 
ma se hera muge ur niugen fe- 
ke huses ina ene leflene clim- 
ne. Dat men ze over negen vakken 



317 



lega— leyt. 



318 



Tan het huis in een bekken kan hoo- 
ren klinken. 

lega, insidiae, lagen. F.R.51,2: Je ff 
dg fader om synes sones l;ff 
lega leyt. Zoo de vader op zyns 
zoons leven lagen legt. Cli. 1,617. 

1 6 S A, projiinditasj diepte, laagte. B. 1 63. 

legei leghe, demanstrabatj bewees. J. 
M.F.1,6. O.v. 

leged, liberatusj bevrgd, gelost. F.R. 
81,8: So aegh ma 't to halden 
al ont hg leged se. Dan moet men 
het honden, totdat hg bevrgd is. 

legeelicheyt, inêidiae^ belaging, mis- 
leiding. F.B.27,4: Deer onderwor- 
pen sint manigha bedreechli- 
chéit ende legeelicheyt. Die aan 
menig bedrog en misleiding onderwor- 
pen zgn. 

leger, legor, êitus^ ligging. 0.16,15. 
A.5. 

legered, e^/inthM, geëindigd. F.R.46,72: 
Ende dat placht legered wird. 
En het pleit geëindigd werd. 

legers forda, via reparatione subjecta^ 
bedorven w^. F.O.L.6,14. 

leg ha, probare^ bewgzen. O.v. 

leghith, liber, los, vrg. Ch.1, 113. 
J.M.F.n, 254. 

leg h e da lege, inMiose^ geleider lage. 
ChJ, 617. Zie: leidera. 

leghia, legia, exofierarej lossen. Oh. 
1,97. O.ll.S.3. F.R.51,1.2. 

leghstede, staHvCj statio^ locus aeptUHo- 
niêj ligplaats, b^raafplaats van iemand. 
B.B.23. 2.E.3,23. 

legia, Uberare^ vrgmaken. F.R.45,8. 
51,1. Zie: leghia. 

Ie ia, leya, laicusj leek. A.8,2« B.54. 
E.L.3,54. 

leia eweneker, Offrosj aequos^ planos^ 



pares reddere^ de landen gelgk maken, 

de juiste grenzen geven. B.161. 
leid, tectum, dak. l.E.5,18. E.L.1,90. 

H.8,20. 
leyd, admintstratiMj behandeld. F.R. 

1,47: Want dat rincht schel al- 

tyda mey nochteren tonghe 

leyd wirda. Want het regtzalaltgd 

met nuchtere tong behandeld worden 

(des voormiddags gehouden worden), 
lei da, constitutua^ bepaald. 0.3,2. F. 

O.L.1,2.13: Thi leida liudfrethe. 

De bepaalde volksvrede. 
leider, eheu^ helaas. J.M.F.12,19. O. 

12,18. heider. 
leidera lega, insidiose, geleider lage. 

0.10,3. Zie: leghede, lege. 
leyna, layna, praestarej doen, geven. 

H.10,18. F.O.L.9,16. 
leina, yum>, lgn,toaw. A.2,15. haud- 

leina, strop, 
leynafftich, mendax^ logenachtig. 

F.R.56,6. 
leynd, mendaa^ logenachtig. F.O.L.I, 

16: Leynd Asyga. Logenachtig regter. 
leyne, mendaciumj logen. F.R.67,3. 
leyner, zie: leintaler. 
1 e yn merk, moneta quaedam^ zekere munt. 

A.7,33: Thiu leinmerk is twilif 

skillinga. De leinmerk is twaalf 

schellingen, 
leintaler, leyner, mendax^ logenaar. 

F.R.67,2.6. 
leg sa, cantus^ gezang. 0.2,7: Da hoef 

op Magnus een legsa ende sangh. 

Toen hief Magnus een lied aan en zong. 
leyscha, leyschza, leyscziaen, cAi- 

rurgusj arts, heelmeester. Ch.1, 110. 

J.M.F.15. Zie: letza. 
lei sta, lemêsimue^ ligtste. H.4,14. 
leyt, attinet^ behoort, ligt. F.R.7,1: 



319 



leiter— lesta. 



820 



Dat leyt in da riacht ho lan- 
ghe tyd dat hg hyin jouwe Dat 
ligt aan het geregt hoe langen tgd 
dat het hem geeft. 

lei ter, posterior^ latere. E.L.1,43: Tha 
leiter twene. De latere twee. 

leith, tristis^ droevig, leede. F.O.L.3. 

lek e, nummus quidam^ zekere munt. 
J.M.F,5,12. 

lemed, lamed, débilitatua^ gelamd. B. 
104. H,4,ll, 

lemethe,lemithe, debilitatioj lamming, 
verlamming. H.4,2. B.46. 179. A.3,8. 

lemi, deMlitatf lamt. F.O.L.1, 12: Thet 
hine lemi. Dat hg hem lam slaat, 
lemith. A.d,21. 

lemithe, lemmethe, debilitatio, lam- 
ming. 1.£.5,9. 

len, praebenda, leen. B.177. 

lenbed, hlenbed, lectus aegri^ ziekbed. 
2.ïi.4,40. P.d.Ms:henbedde,kranck- 
bedde. 

lend, mtaattis, geleend. E.L.3,19. 

len da, afferre^ ferread^ voeren. H.2,20: 
And utlendes lendath. En buiten 
landg voert. — 2.E.3,16: Thet hi 
binna sex wikum sine seke 
lende. Dat hg binnen zes weken 
zgne zaak aanbrengt. 

lendinge, proventus^ opkomsten. H. 
10,16: Thet se alle dern lenden- 
ge on thene monda brenge. Dat 
zg al de opkomsten in de gemeen- 
schap brengen. F.O.L.9,14. 

leng, longiuêj langer. B.17: Leng sa 
ier. Langer dan een jaar. Leng ra. 
H.2,5. B.11. F.R.1,22. 

lengad god, feudun^^ beneficium^ leen, 
leengoed. A.5,15. 

lenpenningar, pecunia fnutuuj geleend 
geld. 2.£.4,12. B.100. 



lente, competentia, aanhoorigheid, com- 
petentie. 2.£.4,37: Thet ma thet 
lente fiuchte. Dat men de compe^ 
tentie betwist. {Richthofen leest: Thet 
len te fiuchte. Het leen betwist. 
P.d.Ms: Woerde oeck dat richte 
to vüchten.) 
1 ent ze, hngiiudo^ lengte, EX. 1,36: 
And huersa thet lith sinelent- 
ze nawt ne heth. En wanneer het 
lid zgne lengte niet heeft. 

epen, cursus^ geloopen. H.4,6, 

ere, ephippmm^ zadel. Ch.1, 101. Zie: 
leder. 

erest, faciUimus^ minifnuêj minste, 
ligtste. l.E.v. 

erhafallanda ewele, epilepêiat val- 
lende ziekte. F.O.L.IL 1«E.«. 

ernia, docere^ leeren. F.O.L.t;.l: Thet 
other scol tu lernia. Het ander 
zult gg leeren. 

e sa, redimerej lossen. H.1,15. E.L. 
3,27. F.R.41,4. A.5,10. 

esed, redemtti9j gelost. A.2,20. 

eseka, lesoka, leska, nertfusj spier. 
l.E.4,16. F.O.L.5,1. A.3,2. 0.11,40. 
E.L.1,17. 

esene, leesne, damnum^ beschadiging. 

F.R.ra, 2. 

eska, zie: leseka. 

essa, mtnor, minder. B.74. 0.1,21. 

F.O.L.5,17. 6,1. 
eBSSkjlegere^ lezen. F.B.15,27. Ch.I,346. 
est, Jinisj einde. FJEl.12,29: Op syn 

lest leyt. Op zgn laatst (op sterven) 

ligt. B.176. 
est, ultimua^ laatst. H.2|7. 0.12,23. 
e sta, praestarej geven, voldoen, betalen. 

B.51: And leste 't bon. En betale 

den ban. B.10.16: To lestande. 

Te betalen. 



#'. 



*• 



321 



lesta— letma. 



322 



lesta, ultima votuntas^ laatste wil. F.R. 
46,6: Allick man mey syn lesta 
wandelya. Ieder kan zgnen laatsten 
wil veranderen. 

lest ene-, solutio^ betaling, B.10.16. 

leszed, liberatus^ gelost, bevrgd. F.O.L. 
2,20. 

1 e t^ impedit, helei. F.O.L.v.l. Zie: let ta. 

leta, rélinquere^ non facere^ nalaten, niet 
doen, verzuimen. F.R.1,40. 17,3. A. 
v.l. 0.12,17. J.M.P.1,1. lot, re- 
linquebat^ naliet. B.124. let, negli- 
ffit, verzuimt. 

leta, ducere^ leiden. H.v. Ie te, duce' 
batj leidde. A.v.l. latte. 

letana lawa, haereditates^ nagelatene 
erfenissen. 2.E.2. 

letar, domestid^ bedienden» A.2,13. 
F.O.L.2,15. 0.4,17: Dat dio vedue 
ner her kind ne tboren ander- 
da om land ner om letar, ner 
om menteel, eer dat kind jerich 
se. Dat de weduwe noch haar kind 
zich behoeven te verantwoorden, we- 
gens land noch wegens bedienden, noch 
wegens het gemeene deel der vrienden, 
voor dat het kind tot jaren is gekomen. 
1.£.2,16. lethina. H.2.16. letma. 
(P.d.Ms: letan, dat is knechten, 
lecma, dat is knecht.) 

Ie te, ducebat, leidde. Zie: leta. 

letea, facere^ jvbere^ gelasten, laten doen. 
Ch.I, 603. 

leten wessa, non teneri, vrg zgn, niet 
gehouden. B.45: And hit ne se 
tha redieua naut clagad, sa 
skel hi se leten wessa. En het 
den r^ter niet geklaagd is, dan zal 
hg daarvan vrg zgn (zal men hem 
laten). 

letera, posterior^ later. B.15. 



letha, perdere^ verliezen. F.R.2,6: Dat 
hg leth al da era in hymelryck. 
Dat hg alle eer in den hemel verliest. 

letha, deprobare^ improbare^ afkeuren, 
laken. O.v: Deer dat gued luuet 
ende dat eerge leth. Die het goede 
looft en het erge laakt. 

letha, inimiciy odiosi^ vijanden. H.1,3: 
Hi scel dema tha letha sa tha 
liaua. Hg zal de vganden gelgk de 
vrienden oordeelen. l.E.1,3. 

lethe, consensus, toelating. l.E.1,14: Ur 
sine lethe. Buiten zijne toestemming. 

lethe, malutnj kwaad. A.2,20: And 
hwet sa hi to lethe dwa mi. En 
wat kwaad hg doen mogt. 

lethich, letheg, liber, los. H.2,18. 
Zie: lechith. 

lethina, lethma, zie: letar. 

leth och, liber, vrg; liberatusj bevrgd. 
A.9,10. 

lethoga, liberare, bevrgden. A.i;.l. 

lethslachta. A.1,8. F.O.L.1,8. 1,21: 
Thet send letslachta: sa hwer- 
sa ayne liode knapa thiat, and 
thenne tha knapa fon tha alde» 
ron farath opa en or ayn god, 
and thenne wif nemath and ther 
bi knapa thiath. Thet send riuch- 
te letslachte m a n. Dit zgn Zete2acA- 
te: wanneer eigene lieden zonen tee- 
len, en de zonen dan van de ouders 
op een ander eigen goed gaan, en dan 
vrouwen trouwen en daarbg zonen tee- 
len. Dat zgn de regte letslachte man- 
nen. Zie: lecslaga. P.d.Ms: let- 
slachta maen dat synt edelin- 
gen, de yn den goede synt vor- 
gaen. 

lethwey. Ch.I, 100. Zie: lidwey. 

letma, zie: letar. 

21 



323 



letore — lyafltioh. 



824 



letore, secundus^ posterior, tweede, la- 
tere. A.9,4. 

Letrene, Letteren, Lateranum^ Late- 
raan. A.9,1. J.M.F.13. 

letsen, pannus, laken, kleed. A.9,7. 

letslachta, zie: lecslaga, leth- 
slachta. 

letta, impedire^ beletten, hinderen. B. 
45. lette, impediebat^ hinderde. F. 
O.L.r. let, impedit^ helet. P.R.81,11. 

lette, Jkbat, liet. H.9,2. 

lette, omittebat^ naliet. l.E.6,7. 

let ter a, posterior, latere, tweede. F.R. 
1,45. 0.1,15. 2,2. 

letza, medicus j chirurgus^ arts, genees- 
heer. E.L.1,12. 38. 2.E.1,1. Isl. 
lacknir. 

1 e u a, 1 e w a, rélinquere^ nalaten. A.2,2 1 . 
B.97. l.E.2,22. F.OX.6,9. 7,3. 

leua, promittere^ beloven. F.O.L.6,25. 
1 ene den, promittebant^ beloofden. 

leus, placatio^ reconciliationis pretium 
hominia occisij verzoening, zoengeld, 
mangeld. F.O.L.6,10: There lens 
bi tha halse, thene frethe bi 
ayne and bi erde. Het manslag- 
geld met den halsi, de vrede met eigen 
en met erf. (Het is het: leudum^ leudü^ 
leodis der Saksische wetten,) 

leverey, familiaris vestisj liverg, uni- 
form. Ch.I, 603. 

1 e wa, reZtn^ere, nalaten. H.2,15. B.92. 

lewa, vivere^ leven. H.1,17. lifde, w- 
vebatj leefde. 

lewa, non computare^ niet berekenen, 
achterlaten. J.M.P.II,252: And le- 
wa then fiardel. En het vierde niet 
mede rekenen. 

leweden^ promittebant^ beloofden. H.5,1. 

lewgn, jMi^ena, bekken. 0.3,9. Zie: 
leflene, liowen. 



leza, medicus j chirurgus^ arts, genees- 
heer. l.E.5,1. Zie: letza. 
Ihapa, hlapa, currere^ loopen; venire^ 

b^eenkomen. A.2,9.20. 
Ihem, debilitatio, verzwakking. B.203. 
Ihidesbretze, ejractura articuU^ lid- 

breuk. 2.E.1,3: Taraskete snn- 

der Ihidesbretze. Traanvloeging 

zonder lidbrenk (van het oog). 
Ihiga, judicare^ jus dicere^ r^ten, ver- 

effenen. A.7,25. Yergelgk maken, 
li, ponitj legt. H.6,21: Li ma 't hil 

(hlid?) wither np. Legt men h< 

lid er weder op. 
lya, /)ro6ar^, bewg zen. F,R.30,22: Dee 

dg sibba Iga wil. Die de verwan 

schap bewgzen wil. 
lya, praestare, geven. P.R*32,9. 
lya, pati^ Igden, dulden. F.R.20,14. 
lia, testari^ getuigen. F.R.56,3: Falsc 

to Hen. Yalsch te getuigen, 
lia, satis/acerej voldoen. J.M.F.2,4. 
lya, lyae, membra^ leden. 0.4,2. 10, 
liacht, liaht, lumen^ licht. O.v. 

7,1: Liachtis deis. Op lichten 
lyaef, amabilis, amabilitas^ amor^ li» 

liefde. F.R.2,12. lyaef f te. F. 

65,1. B.212. Haf. 
lyaeffjeffta, dos, huwelgk^oed, h 

welgksgift , wednwengeld. F.B«8 

1.5. 
liaeflick, liaflike, amabUis, liefeli§ 

0.1?. A.9,2. 
lyaem, membra, leden. F.R.15,3 

Brek in hyaere lyaem. Oeb 

aan hunne leden, 
lyaera, potius^ liever. F.R.62,16. 
Haf, liaflike, gratus^ accepius, 

bilis, lief, aangenaam. B.212. 

9,2. 
lyafftich, vivens^ levend. F.B.69,?- 






l 



325 



liafiefta— lyckenisse. 



326 



Al is hg yta lyafftich. Ofscaoon 
hg nog leeft. 

liafiefta. J.M.F.Beg.9. Zie: lyaeff- 
jeffte. 

liand, mto, leven. 0.12,27: lek bin 
di wei, der wird ende Hand. Ik 
ben de weg, de waarheid en het le- 
ven. J.M.P.12,25. 

yatgher, mdUfactor^ beleediger. Ch. 
1,101. J.M.F,n,206: lauwelickes 
fias dolch scel ma bèta aldeer 
dy lyatgher hlayth. De wonde 
door ieder vee gedaan zal men boeten, 
waar de beleediger ligt. 

iatza, mentirij liegen. 2.E.t?.: Sa thu 
a thisse wordem nauwit liatze. 
Zoo gg in deze verklaringen niet liegt. 

ia na, amatus^ geliefde. H.1,3. 

ianuenkosyen, peüicere^ liefkozen. 
F.B.58,26: Hwanneer een man 
een orem lyannen menschako- 
syen syucht allinna mit syn 
wyff. Wanneer iemand een ander in 

het geheim ziet liefkozen met zgne 

Vrouw. Zie: kosya. 

^ya, amare^ beminnen. H.5,5. 

^ya, atnantes, geliefden. F.O.L.1,53. 

^wera, potiusj liever. 0.12,10. 

^wered, traditusj geleverd. F.R. 

12,34. 

:>ba, vivere^ leven; se movere^ zich 

bewegen. A.v.1. O.v. 

:>bande, libbende, vivens^ levend. 

l.E.1,13. E.L.3,16. F.R.44,2. 

:>ben, mto, leven. F.R,44,1. 

>ben werre, pecusj levende have. 

Ch.1, 496. 

^j />ö^i gelflt. H.4,4. E.L.1,85. 

ccoma, lichame, licma, corpus^ 

ligchaam. H.6,21. F.R.24,17. E.L. 
1,44: Hreth ma thene liccoma 



of tha serka. Scheurt men het lig- 
chaam nit het graf. 
lycfelinga, lykfellinga, recomman- 
datio animae^ beveUng, plechtigheden 
en gebeden bg het Igk voor de be- 
graving door den priester te doen. 
F.O.L.4,32. 
lichera, lumina^ candelae^ lichten, kaar- 
sen. 2.E.t?. F.O.L.II. 
lichliken, Uviter^ ligtelgk* J.M,F.II, 

275. 
lichscilda, debita funerariaj doodsch ui- 
den. .Ch.1, 348. F.O.L.6.3. 
licht, ailatua, gelicht, afgenomen. F.R. 

24,15. 
1 i c h t, /or^an, welligt. F.R.45,15, 
licht, sapiensj wgs, verlicht. 0.7,2: 

Lichte lioed. Verlichte lieden, 
lichta, sublevare^ minuere^ mitigare^ lig- 
ten, verminderen, verzachten. F.OX. 
1,2. 
lichte, liher^ los; incertus^ onzeker. H« 

4,48. 
lichta, parvi valorüj gering, licht. 

F.R.7,5. 
lichter, facilior^ minor y lichter, gerin- 
ger, gemakkelgker. H.7,5. 0.1,37. 
lyck, exempli gratia^ bg voorbeeld. F. 

R.1,17. 
lyck, aque ac, aicut^ gelgk, als. F.R» 
59,7: Lyck off hg 't selff deen 
heed. Even als of hg het zelf gedaan 
had, 
lyck, cadaver^ Igk. F.R.34,1. 
lyckia, likia, 1 ik i gi a, comparare, ver- 
gelgken. F.R.69,4. F.O.L.2,2: Li- 
kege re him thi cap. Behaagt zg 
hem, de koop. 0.4,2. placere, Igken, 
behagen, 
lyckenisse, similitudo, gelgkenis. F.R. 
1,26. 



327 



lioma— lyya. 



828 



licma, corpus, ligchaam. E.L.1,44. 

1 gemis sa, missa pro defunctis, zielmis, 
zieldienst. 0.7,17. 

lier af, raptus cadaverum, Igkroof. H. 
4,9. 

lid, jacet, ligt. 2.E.1,20: Dad lid. 
Dood ligt. 

lid, operculum, lid, deksel. H.6.21. 

lid, membrum, articulus, gradus, lid, ge- 
Ud, graad. F.R.50,15. 

lid, sive, hetzg. H.2,17. 

lida, satisfacerej voldoen. 0.1,4: Dat 
di fria Fresa wgta moét mit 
hwelker meta dikes ende weges 
hg lida moeghe. Dat de vrge Fries 
weten mag met welke maat dgk en 
weg hg voldoen kan. 

lyda, pati, Igden. F,R.44,1. 

lidweg, lithwey, via trans articidum, 
Udweg. 0.11,29. Ch.1, 99. J.M.F.n, 
202: Thet is riueht lithwey: Al- 
der thet dolch gheth vr thet 
lith ende abnta tha metahaed. 
Dat is wettige lidwei/: Wanneer de 
wonde over het lid gaat en boven- 
dien de maat heeft. 

lidwerdene, laesio membrorum, lidbe- 
sehadiging. H.4,4. 

lidza, ponere, stellen, leggen. H.6,21. 
2.E.2,4. lidzia. A.6,5. 

lidza, attinere, behooren. F.B,7,1« 
Dat leyt in da riueht holanghe 
tyd dat hg hym jowe. Dat ligt 
aan het geregt hoe langen tgd dat hg 
hem geve. 

lidzen, positus^ constitutus, gelegen, ge- 
steld, liggend. F.R.31,1. 20,4. lid- 
zen e erf f, immobüiaj onroerend goed. 

lyega, mentiri, liegen. F.B. 15,54. 

lifhaftich, zie: heftich. 

lyen, lien, passioj cura, Igden, zoi^. 



F.R.30,17: In lien brocht. Door- 
gestaan. — F.B.22,19: Hwant hyo 
graet Igen mit ta kyndenhaet. 
Want zg heeft vele zorgen met de < 
kinderen. 

lyengued, feudum, leen, leengoederen. . 
F.R.20,1. 

liesa, redimere^ lossen. J.M.F.2,41. «^ 
12,19. 

lyf, lif, corpus, Igf. B.299. A.2,5.. ^ 
3,17. E.L.1,15. F.E.26,15. — 2)C- 
vita, leven. O.v. — 3) sóUitio hofninhm.t " 
occisi, boete voor doodslag. l.E.5,2... S 
E.L.3,80. 

lif lyda, ducere vitam, leven met ie— « 
mand. l.E.6,7: Theth thera frou--« 
nena ek ene fri kere ach, th^ 
wif, huene hiu hire lif lyd^ 
and hire fereth mengde. Dat ie- ^ 
der der vrouwen eene vrge keuze 
de vrouwen, met wien zg haar leve 
leiden (willen) en hare handelinge 
doen. 

lyfachtich, gratus, acceptus^ 
F.R.1,5. 

lif de, vivebant, leefden. A.2,24. 

lifheftich, capaa vitae, vivena, vath 
om te leven. F.O.L.5,32: Sa lx :S. 
lifheftieh is, neylan ende lx ^i 
heth. Zoo het vatbaar is omtelev^^xi, 
nagels en haar heeft. Zie: heftic^ Ii. 
(H.4,41: neil and fax het). 

Igflaes, eaanimis, levenloos. 0.9,2. 

lyf stond, mtalitium, Igfstond. F. 
87,9. 

ligta, diminuerej tauaare, vermindere: 
schatten. l.E.1,2: Thet skel m 
ligta oppa en end twintic 
schillenga. Dat zal men verminde-""^ 
ren tot op 21 schellingen. 

Ij7&) ly^f />ate', schade Igden. F.R.64,3^ 



1 
a 



lik-Ufha. 



330 



;elgk. A.t?.l. 7,9, H,2,17, 

I, conoenire^ gelgken, goed- 
Zie: lyckia» 
êimüitudoj gelgkenis. F.R. 

ma^ vrouwelgkheid, schaam- 
^O.L.5,20, 
t^, simt^ gelgkerwgze. A. 

omparaturj wordt vergeleken. 

a. 0.8,1. Zie: licfellinga. 
ald, Lutkewoude (dorp in 
. Ch.1, 435. 
Ign. H.6,18. 

lyngera, lonffiusy diutius^ 
).4,5. F.R.45,18. 
ongare, verlengen. F.R.8,2: 
ïhter mey da ferst wal 
'e regter mag het uitstel wel 

nntiare, uitspreken. J.M.F, 
ie: Ie da. 

tutor ecclesiasticusj kerkvoogd, 
'het thi liodamon hach 
ide thera helegena go*d 
es presteres rede. Dat 
»ogd met overleg van den 
3t goed der kerk moet ken- 
zie: liodwerdene. 
oopulo notus, volkkundig. A. 

Leovardiensis , Leeuwarder. 

familia, familie. A.2,4. 
a bonuj erfgoed. Zie: liud- 

electio a populo facta, volks- 
l.l. 



liodskelde, defensio popvlaria, volks- 
beschutting. A.2,20. 

liodwerdene, liodawed, (Jamnumpa- 
pulo Ulatum, volksbeleediging. A.2,23. 

lyoedmerk, moneta quaedam, zekere 
munt. 0.3,13. P.d.Ms: De marck 
als gange vnde gheue is. 

lioedwarf, lioedwarre. 0.12,1.4. 
Zie: liudawarf. 

lyoedwerdene, Igoedwirden, pre- 
tium hominie occUi, geldboete voorden 
manslag. 0.1,2. A.2,23. Zie: liod- 
werdene. 

1 i o t h e, populuê, volk, lieden. Ch.I, 40 1 . 

lyoud, credit, gelooft. F.B.81,14. 

lyovuen, credere, gelooven. F.B.2,37. 

lyowa, aestimare, schatten. 0.9,2: Dat 
hg dae gretene Igouwe. Dat hg 
de klachte schatte. 

lyowa, relinquere, nalaten. F.B.46,12: 
Dat ze neen kynden lyowe. Dat 
zg geene kinderen nalaten. 

lyowa, credere, Jideni habere, gelooven, 
vertrouwen. F.R.1,20. 12,33: Naet 
schel lyowe wesse. Niet zal ge- 
looven. 

lyowen, erator, bekken. Ch.I, 102. 104. 
heeft daarvoor: brunen sceld, bruin 
schild. Zie: leflene. 

lipp, lippe, labiumjMf. A.3,16, H.6,4. 

list, arsj kunst, wetenschap. O.v. 
F.O.L.t?.l. 

lis z ene, lotw, spoeling. B.212: Th er 
thene haunie mith liszene and 
mith SU epen e. Die haar onderhou- 
den met spoelen en vegen. 

lith, membrum, lid. E.L.1,35. 

lith, paseus, geleden. 0.17,3. 

lith, jus, geregtsplaats. B.213. 

litha, convenire, concedere, toestemmen. 
Ch.1, 106: Jef hi ther nath mith 



331 



liihe— liulas. 



332 



litha nella. Zoo hg zich daarmede 
niet kan vereenigen (vergelgken). 

lithe, eerevisia^ bier, brg, pap. U.4,22. 

lithlemethe, débilitatxo membrarum^ 
lidverlamming. B.189. 

lithsyama, humor articulorum^ lid water. 
E.L.1,12. 

lithsmelinga, lithsmalenga, dimi" 
nutio membri, lidversmalling. l.E.4,13. 
£.L.1,35. Zie: growiuga. 

lithwega, lithwey. F.O.L.5,16. A. 
3,2. Ch.I,99. Zie: lidwey. 

liteka, Igtka, parvus, klein. Ch.I, 
99. 0.11,37: Lgtka vinger. Kleine 
vinger, pink. 

litic, zie: littic. 

lytich, non contentua^ ontevreden, boos. 
Vrge Fries 11,117: Tha werden 
hia altherefther op en lithich 
vnder himmen sielma ende on- 
een a. Toen werden zg daarna op een- 
maal onderling boos en oneenig. 

litikia, diminuete^ verkleinen. 0.1,5. 

litter, minua^ minder; pejus^ erger. 
1.£.6,7: Jef aeng mon eng be- 
thera wiste theth ma thet lit- 
tere lette. Zoo iemand iets beters 
wist, dat men het mindere naliet. 

littic, litick, parvus^ klein. 0.10,20. 
F.R.2,8. E.L.3,36. F.O,L.5,29. 

litzen, claums^ gesloten. F.B.59,17: Bg 
litzene dorem. Bg geslotene deuren. 

lyncht, apparet, blgkt. J.M.F.II, 327. 

liud, populus^ volk. H.t?. 

liudamon. B.5. Zie: liodamon. 

liudawarf, lioedwerf, judicium gene- 
rale populi^ volksgeregt. B.140. 

liudawerde. H.2,20. Zie: liodwer- 

dene. 
iudberlika. J.M.F.II, 221. Zie:luid- 
berlika. 



liudgarda, lindgartha. B.113. H« 
2,4. F.O.L.2,4. 6,6. Zie: liodgar- 
da. — P.d.Ms:Luitga6rden, dat is 
de erue. 

liudkuth. F.O.L.2,17. Zie: liodkuth. 

liudlona, semita vel via ad communem 
uêumj volkslaan, algemeen voetpad. 
2.E.4,31: Olie liudlona agen to 
wesande tuelf i^rdfet. Alle volks- 
lanen moeten van twaalf aardvoeten 
zgn. — P.d.Ms: Weghen de ghe- 
meen synt, gemeine löne. 

liudscelde. H.2,3. Zie: liodskelde. 
F.O.L.1,15, kompschelde. 

liudskin, impedimenta legitima in jure 
non comparandi, noodschgnen, ontschul- 
digingen. l.E.2,1. Zie: nedskin. 

liudwed. H.2,23. Zie: liodwer- 
dene. 

liudwerdene. F.O.L.2,23. Zie: liod- 
werdene. 

liudwithe, sapientes dietrictus, de wgs- 
heid, de wgze mannen. l.E.1,17: Thet 
thing scel ma halda mith a so- 
gen liudwithem fon tha soghen 
Selondum te upstalesbame, ties- 
deis an dere pinsterwika, mith 
allera Fresana riuchte. Dit ge- 
regt zal men houden met de zeven 
wgze mannen van de zeven Zeelanden 
aan het opperste geregt, des dingsdags 
in de pinksterweek, volgens het r^ 
van alle Friezen. 

liudworpena ware, judicium popuU 
ad domum reitenendum^ gehegen volks- 
geregt aan het huis van den beklaag- 
de. F.O.L.1,17. liudwrpene war- 
ue (wrpena liudwarue?). 

liuedgarda. 0.4,4. Zie: liodgarda. 

Hul as, exanimisj levenloos, aflgvig. 
2.E.2,2: Ther hi liulas fon wr- 



333 



linwa— longe. 



334 



then se. Daar hg door gestorven is 
(levenloos geworden). 

liuwa, corpusj Igf. J.M.F.II, 241. 

lived, lywed, populus^ volk, lieden. 
0.16,6. F,R.15,19, lywd. F.R.1,12. 

liwa, lywa, viverej leven. H.t?. 1,17. 
P.R.44,2. 

lywdgaerda. F.R.48,1. Zie: liod- 
garda. 

liwe, wto, leven. H.1,17. 

liwech, vivenê, levend. J.M.F.1,8. 

liwendich, tnvens, levend. E.L.2,6. 

liwera, jecur^ lever. 2.E.i;. 

lyweria, tradêre^ leveren. F.R.32,3,4. 

ly wm, corpora, Igven. F.O.L.8,6: Mith 
fif tha sibbesta liwm. Met vgf 
van de naaste verwanten (Igven). F.O.L. 
8,7: Mith fif sine sibbeste lif. 

lizet, planuê, aequu^, aequatus^ effen, ge- 
ëffend. F.O.L.7,1: And buta vppe 
lizet. En boven op geëffend. Zie: 
liszene. 

loc, sera, slot. E.L.1,69. l.E.5,19. 

locstef, vectU^ sluitboom. E.L.1,69: 
Dura anda derne, loc and loc- 
stef. DQoren en vensters, slotensloit- 
boomen. 

loegh, paguê^ dorp; locusj plaats. F.R. 
6,5: Men mey my naet laya in 
dat loegh. Men kan mg op die 
plaats niet dagvaarden. 

loende, ager, land. B.B.24. Sa sk- 
ioen de. Saksen. 2.E.3,24. Saxlonde. 

loep, processuBj gangf loop. F.R.81,3: 
Ney da loep des riuchtes. Vol- 
gens den loop van het regt. 
lofleisa sang, hymnuê^ loflied. J.M.F. 

4,7. Zie: lei sa. 
loffnisse, promissio^ belofte. F.R.23,1. 
logad, elocatuê^ uitzet gegeven. E.L. 
3,23. 



loge, locusj plaats, geregt. B.84. 
logunge, locus, ubi instrumenta rustica 

custodiuntur, loots, bergplaats voor het 

boerengereedschap. B.1 67. 
loye, populus, volk, lieden. Ch.I, 600: 

Wv dwat kuid, kanlic ende 

epenbier alle tha loye. Wg doen 

kond, kennelgk en openbaar aan alle 

lieden, 
lokka, antiaCj lokken, haar. l.E.3,13. 

Zie: gers. 
lom, debilis, lam. E.L.1,33. A.3,8. 
lom se, lonensc, moneta quaedam, ze- 
kere munt. F.O.L.5,29. Zie: lon- 

sche. 
lona, ambuLatio, laan. E.L.3,49. Zie: 

1 i n d 1 o na. 
lond, regio, landstreek. H.t?. 9,2. A. 

2,20. 
londcap. B.79. Zie: landcaep. 
londdriwere, evocator populi^ praeco, 

oproeper, uitveiler van land. B.80. 
londgong, beUum, oorlog, krgg. H. 

5,1. 
londhere, conductioniê pretium, land- 

huur. E.L.3,4.41. E.L.3,42. dominus 

fundi, grondeigenaar. Zie: landheer. 

londkap. E.L.3,38. Zie: landcaep. 

londleda, vocare populum ad beUum, 

het volk ten strg de roepen. H.10,29, 

F.O.L.9,24. 
Ion draf, spoliatio terrae, landroof. H. 

1,8. Zie: landruf. 
londsenene, disaentio propter proprie^ 

tatem affgeris, landtwist. B.84. 
londseike, bellum, oorlog. E.L.3,10. 
londstrete, via publica, publieke w^, 

landstraat. l.E.1,9. H.1,9. 
londwixle, permutatio agri, landwissel. 

B.82. E.L.3,39. 
Ion ge, Umguê, lang. l.E.v. 



335 



longenscreden — luwe. 



3S6 



longenscreden, laesio pulmonis^ lon- 
genbeschadiging. 0.1 1 ,47. 

longensiama, zie: luggensiama. 

longes weis, pet viam^ langs den weg. 
E.L.1,46. 

lonsche, lonscher, moneta quaedam^ 
zekere munt. F.R.III, 12. lom se, lo- 
nensc. 

lot, relinquébat^ naliet. J.M.F. 1,1. 

lota (locha?), serae^ claves^ vectes^ slo- 
ten, sleutels, sluitboomen, F.O.LJ, 
21: An tha lotha twisk tha du- 
run of there axla falla let. £n 
de sleutels tusschen de deuren van de 
schouders laat vallen. 

loua, conatituerej bepalen. H.1J2: Al- 
der ma sueslika triira louad. 
Alwaar men zulke trouw belooft. A. 
2,23. 

loua, promitterej beloven. A.1,2. 

1 OU e the, promiaaio^ belofte. H.1,14. 

lowa, lowia, aeatimaTe^ schatten. H. 
1,2. 0.12,8. F.O.L.1,13. 

lowan (tolwan?), judices vicij buur- 
regters. J.M.F.n, 224. 

lowinghe, promUaum^ belofte. F.R. 
22,7. 

lua, laudate^ prezen. J.M.F.1,1. 

luca, zie: luka. 

lucka, zie: luka. 

luckhetene, ultima aggressioj laatste 
aanval, sluitstrgd in een kampstrgd. 
0.1,45, Zie: heten e. 

lude, sonus^ geluid, geschal. l.E.2,6: 
Mith home and mith lude. Met 
hoorns en met geschal. 

luggensiama, lungensiama, lun- 
girnsiama, lungerensiama, lon- 



gensiama, humor ex pulnumSj long 
water, zeem, vocht. F.O.L.5, 19.31 
H.4,1. 2.E.1,14. 

luidberlike, a/>er<u«, openbaar. Ch.1 
108: Liachtes de^s And luidber 
lika. Op lichten ^ag en«in het open 
baar. . . 

luyrock, vestis featiwa^ feoa^Skéeim CL 
1,660. 

luitelemmelsa, laesio euHe apertOf 
huidbezeering buiten de Ueederen. 1. 
E.5,1. Zie: wlitewlemmelsa* 

luywerck, omamenta^ sieraden. ChJ, 
660. 

luka, luca, lucka, daudere, sluiten, 
luiken. H.8,9. 

luka, ^roAere, trekken. F.B.80,4. F.O.L. 
5,7.9. 

lunge, pulmo^ long. EJj.1,38. A.3,10. 

lungenscedene, lungenscredene, 
l.E.4,16. A.3,10. H.8,16. Zie: lon- 
genscreden. 

lungensiama, lungensyma. B.210. 
211. Zie: luggensiama. 

lunglagan, pulmonea^ longen. F.OJ4 
5,31. 

lust, cupido^ begeerte. O.v. F.O.L.v.1 

lustelick, amoewMj aangenaam. F.B 
12,10.24. 

luterslaen, lutherlan, huderslau 
merces tutelae matri a JUio solvendai 
usque ad armum dttodecimum^ behoed 
loon. E.L.3,73. F.O.L.4,6. 0.1,1G 

lunet, laitdatj pr^st. O.v. 

luwe, benevolentiaj gen^^nheid, liefde 
F.B.83,1: Oermids da luwe end 
liaefte. Vermits de genegenheid e: 
liefde. 



337 



ma— malo. 



338 



** 



M. 



« • 



ma^ ftt, men. E.L,1,14. B.155. H. 
l\&, 4,7: 7ef jna. Zoo men. 

ma, forro^ têerders; amplius^ meerder. 
l.&l,S:*Bfk n% ^ch hi nenne doem 
ma to'deiane^ Dan behoort hg geen 
vonnis meer te wijzen. 

ma, pbis^ moffisj meer. B.85. F.O.L. 
5,1. E.L.3,22: Send er thre suna 
i e f t h a ma. Zgn er drie zonen of meer. 

mach, fructus^ embrio^ de vrucht, het 
ongeboren kind. B.209. bg Wiardai 
Sa skel ma tha moder and thet 
mach mith fulle ieldum ielda. 
Dan zal men de moeder en de vracht 
met volle boeten betalen. 

machta, genitalia^ teeldeelen, gemacht. 
E,L.1,39. 0.8,17. 

machtich, potensj vermogend. E.L. 
3.22: Thi feider is machtich«De 
vader vermag. 

machtich, valens , van waarde. F.B. 
33,2: Aer da byspritzena lawa 
sint machtich deeld. Voordat de 
besproken erfenissen van waarde zgn 
verklaard. 

machtich, procuratus^ demandatus^ ge- 
magtigde. F.B.33,4: Ner neen mach- 
tigen foerspreke haet. Noch een 
met volmagt voorziene verdediger heeft. 

m a ei a, /acere, maken. J.M.F.II, 292. 

maen, mn, mannen. F.R.43,7: Fro- 
wen ende maen. Vrouwen en man- 
nen. 

m a e r, j[72u«, meer. F.B. 30,7: Dat ma er. 
Het meerdere. 



ma er, fossa^ sloot. 0.9,37: Hemme- 
rick maer. Sloot van het hamrik, 
poldersloot. 

maesta, plurimusj meeste. F.R.5,1. 

maesterlaen, merces sanationis^ ge- 
neeskosten. F.B.58,15. 

maesterscijp, magisterium , meester- 
schap. O.v. 

maestria, maestryen, sanare^ gene- 
zen. Ch.I,347, F.B.73,2: Om to 
maestrien fan der siuckt. Om 
van de ziekte genezen te worden. 

maga, zie: ele. 

maga, stomachus^ maag. 2.E.1,14. E. 
L.1,38. A.3,17. 

mag e, cognatuSy maag, verwante. F.O.L. 
2,6. 

magte, possent j konden, H.9,2. 

may, co^ mede. Ch.1, 401: By rethe 
myra mayriochtera. Met overleg 
van mgne mederegters. 

maketh, pacijicatusy arbitratus, con/ec- 
tus^ verzoend, gezoend, voleind. F.R. 
21,8: Dyr fryondelicke soen- 
lyoed mTtketh haed. Welke vrien- 
delgke (vredelievende) zoenslieden ge- 
zoend hebben. 

makia, facere, maken. F.R.2,5. 

mak ia, conjicere^ reparare, maken, her- 
stellen. H.8,20: Thet makie re 
alsa god, sa hit er was. Dat her- 
stelle hg zoo goed, als het vroeger 
was. 

mal, siultus^ mal, gek. F.R. 15,11. 

male, invicem^ onderling. F.O.L.6,1: 

22 



339 



man— mantela. 



340 



Ende male liwera. En elkander 
leveren. P.R.17,3. 32,1. malcoren, 
mallickorem. 

man e ft er man, homines, menschen. 
J.M.F.5,17: Ende man efter man 
liuwade. En menschen leefden. 

manda, conjunctio carnalis, vleeschelgke 
gemeenschap. 0.12,26. J.M.F.12,24: 
Jef di man bisect dis manda. 
Zoo de man deze vleeschelijke ge- 
meenschap ontkent. 

manda, communitas, gemeenschap. F.B. 
30,19: Deer ondeeld guet haed 
to manda. Die ongedeeld goed in 
gemeenschap heeft. Zie: monda. — 
F.R.43,6: To manda wirden. Ten 
deel gevallen. 

ma neer, modus^ wflze, manier. F.R. 
56,12. — 2) mo8j zede, gewoonte. 
P.R.15,10: Wys weer van maneer 
ende fan syn. Wgs in zgn doen en 
laten zgn. 

manegra, zie: manich. 

manethich, manetich, manettich, 
in diêcrimine vitae^ in levensgevaar. 
Ch.I, 114, J.M.F.II, 240. 0.11,59: 
Hweerso di man dine oderne 
bit ende manetich wirt. Wan- 
neer iemand den ander bgt, en in le- 
vensgevaar komt« (Isl.: mannhsetta, 
periculutn vitae hominum. De vertaler 
van O. heeft: en een menscheneter 
wordt.) 

m a n gh e, semita f ommuniê, gemeenschap- 
pelgk voetpad. Ch.II, 270: Een man- 
ghe alsoefyr als dae fotlinghe 
gaet. Een voetpad in zooverre de 
voetgangers het begaan. 

manich, manigden, manegera, 
plures, meerdere. 0.12,13. F.R.25,1. 

manich fa ld, variua, velerlei. F.R. 17,2. 



multifarius multiplea^ velerlei. F.B. 
11,5. 81,12, 0.12,18. 

manichfaldicheed, muUitudo, vartetas^ 
diversitas^ menigte, menigvuldigheid. 
F.R.m, 2. 

manne, jubae^ manen van een paard. 
J.M.F.13: Ende floghen dae hors 
onder da mannem. En vlogen de 
paarden in de manen. 

manneghe, homines^ lieden, mannen. 
J.M.F.II, 312: And alle hare man- 
ne g h e n. En alle hunne manschappen. 

mannia, matrimonium, inire^ trouwen, 
een man nemen. F.R.26,19: Dat ie 
oerste tyd mannie. Dat zg ten 
tweedenmale een man neemt. 

mannick, monnick otherum, ma- 
nick mith orem, tnmc^m, onderling. 
E.L.1,72. F.R.50,17. Hl, 2. 

manniska, mansche, homo, mensch. 
A.7,9. E.L.3,52. 

manschouwinghe, inêpectio müitaris^ 
wapenschouwing. Ch.I, 345. 

manslachta, honiicidium, manslag, dood. — - 
slag. O.v. Ch.I, 119. 

manslicke, virïlitaSy mannelgkheid; ^^^ 
nitcdia, teeldeelen. J.M.F.II, 251 
Werth hem syn pinth ofsney: 
8 pond, hine wirde eth wiue 
ther bekanth, so ach hi nen ^ 
bote vmbe thet manslicke, vn^.- 
be thine peynth offeseynbl 
(sneyth?). Wordt hem sgne roecl^ 
afgesneden, 8 pond, tenzg hg daarD^ 
bg vrouwen gevonden wordt, dankooA" 
hem geene boete toe wegens de man^' 
nelgkheid, wegens het afsngden des 
roede. Ch.I, 119, 

mantela, meenteel, poena a prcpin" 
quiê solvenda causa homicidii ab eortff* 
propinquo perpetrata^ het gemeenschap* 



341 



mar— meenkaes. 



342 



pelijk deel der boete, door de naastbe- 
staanden van eenen doodslager te be- 
talen. A.2,13. Zie: meenteel en 
letar. 

mar, sedj maar. F.O.L.5,5. 

mar, fossa^ sloot. H.6,14. Zie: ma er. 

mar, plus, meer. O.v. l.E.6,4: Mon 
ioftha mar. Minder of meerder. E. 
L.3,8. marra. J.M.F.13. mara. 

mare, zie: ele, 

mark et greetman, judex emporius^ 
grietmannus nundinarius, marktregter. 
Ch.I, 334. 

martilar, martyres^ martelaars. 2.E.t;. 

masterschip, chirurgia^ heelkunde. F. 
O.L.5,23. 

mata, matta, mensurare^ meten. J.M. 
F.n, 240. 241. 

mee, zie: meck. 

mechte, genitalia^ teeldeelen, gemacht. 
H.4.6. l.E.4,1: Jef het sa kume, 
ihet er hua sketen werthe thruch 
sine mechte, thet er sin weter- 
wisene binimen werthe. Zoo het 
gebeurde, dat er iemand door zgn ge- 
macht geschoten werd, dat hem z^n 
waterwgzer (penis ^ mentula^ urethra^ 
stimulus) benomen werd. 

meck, mee, conventus matrinionialisj ma- 
trimonium, huwelgksoyereenkomst, hu- 
welgk. F.R.15,22. F.O.L.6,7. mek, 
B.107. wilmec. 

meckket, institutus, nominatus^ inge- 
steld, benoemd. F.R.16,15: Neen 
monden meckketh sint. Geene 
voogden aangesteld zgn. 

meckkia, meckia, facere, doen, ma- 
ken, in orde brengen. F.R,2,17. 21,19. 
22,13. 

meclike, metlike, una^ simul ac so- 
ctï, socicUiter^ gezamenl^k. B.B. 2.E.3: 



And wi metlike hnige. En wg 
gezamenlijk bereid zijn, neigen. 

medda, medius, middelst. Ch.I, 99: 
Lithwey it ta medda knoclim. 
Lidweg over de middelste kneukels. 

medde, mede, meed, hydromelia^ meed, 
honigdrank. Ch.I, 395. 603. H.9,1. 

mede, donum, geschenk. 0.3,3. 10,32: 
Hueck riuchter in sgn eedspil 
mede nimth. Welk regter in zijn 
geregtsdistrict geschenken neemt. 

mede, animusj gemoed. 0.9,34: An 
sine mede ende an sine willa. 
Tegen zgn gemoed en tegen zijnen wil. 

mede, pratum^ weide, hooiland. E.L. 
3,34. B.168: Inna fennem iefta 
inna medum. In graslanden of in 
hooilanden. 

mede, zie: medde. 

medemeste, medtW, middelste. H.6,14. 

meed, zie: medde. 

meel, tempus edendi, actus edendi, maal- 
tijd. F.R.15,23. J.M.F.4. 

meenbidle, meenbodel, meenboel, 
communitas bonorum^ participes^ ge- 
meenschappel^ke boedel. 0.11,62. J. 
M.F.2,73, F.R.27,1. 

meenedich, meeneendich, /jer/wrw^, 
meineedig. F.R.24,14, 

meeneed, menaeed, meneed, perju- 
riumj meineed. 0.1,41. J.M,F.2,41. 

meenfolck, populuSy volk, het volk in 
het algemeen. F.R.28,14: Fan dat 
meenfolck foer syd endè pliga 
halden is. Van het volk in het al- 
gemeen voor zede en gewoonte ge- 
houden is. 

meenhluud, fama^ gerucht. F.R.14,4. 

meenkaes, pugna^ pugna inter plures^ 
onderlinge strgd, algemeen gevecht. 
F.R.58,25. 



843 



meenkaser — meyt. 



344 



meenkaser, qui pugnat inter plures^ vech- 
ter in een onderlingen strijd. F.R.58,25. 

m e e n 1 i ck, unanimis^ gemeenschappelijk. 
P.R.III, 14. — 2) consuete^ gewoonlgk. 
F.R.20,5. 

meens, falso, valsch. F.R.24,15: To 
swaren meens. Valsch te zweren. — 
F.R.15,54: So is dy eed meens. 
Dan is de eed valsch. 

meenscip, concubitusj coïtus^ vleesche- 
Igke gemeenschap. F.R.72,8. 

meent, communitas^ gemeente. 0.7,17. 

meenteel, meentel, meentele. O. 
4,17. F.R.20,15. J.M.F.6,16: Meen- 
tele, dat is meenkost. Meentele^ 
dat is gemeenschappelijke kosten. Zie: 
mantela, meintele. l.E.2,16. mei- 
tele, meytele. H.2,16. F.O.L.2,15. 
9,11. P.d.Ms: Mentela, dat is me- 
taal, dar me einen doden gel- 
den zal. 

meenwirck, apuB commune^ gemeen- 
schappelijk werk. 0.1,20. 

m e e r d, impeditus, gehinderd. F.R.59, 1 9: 
Ende dyo fornste spreeck deer- 
om machte meerd wirde. En de 
eerste aanspraak daardoor konde ge- 
hinderd worden. 

meeticheyt, sobrietaSj matigheid. F.R. 

44,12. 
meetliode, cives mediocris fortunae, de 

middelstand. Ch.1, 603. 
meetryck, metrike, aequedives^ ejus- 
dem conditionisj even r^k, van gelig ken 
stand. F.R.13,17. H.10,21. 
megh, cognatusy bloedverwant, maag. O. 
1,30. A.2,6. — 2) nepos, neef. F.R. 
30,6.7. 50,52. 
megheth, megith, virgo, maagd. 2. 

E.v. A.1,15. 
mey, potest, mag, kan. B.49. 



mey, cumj met. F.B.'64,12. —2)etiafnj 

mede. F.R.64,l3: Dg aegh mèy 

dyn bata. Die heeft mede het voor- 

deel. 

meia, myaen, metere, maagen. E.L. 

1,77. J.M.F.n,327. 
meiden., virgo, maagd. F.O.L.4,37. 
meide, meyde, meythe, donum, ge- 
schenk. l.E.1,3. H.3,1. F.O.L.9,14. 
Zie: mede, donum, 
meide, meyde, meythe, census^ be- 
lasting. B.115: Fon there erwe- 
meithe mei ma enis nima tha 
bisetta meide. Als successieregt 
mag men eens de bepaalde belasting 
nemen. — 2) mercea, loon. F.O.L. 
6,21. 
meyeerua, cohcteres, mede-erfgenaam. 

F.R.50,29. 
m eik e re, arbiter, scheidsman. E.L. 

3,23. 
meymannegha, consortee, gevolg. Ch. 
1,518: So reka wy w en uw mey- 
mannegha een fry, fest, seker 
gheleyd, Zoo geven wg u en uw ge- 
volg een vrg, vast, zeker geleide, 
meinesna, menesna, census, merces, 
domesticorum, dienstloon. F.O.L.6,12. 
meinethech, perjurus, meineedig. H. 

1,6. 

meintele. l.E.2,16. Zie: mantela. 

meynwif, foemina, quae est siii juris, 

eene geëmancipeerde vrouw. F.O.L. 

4,37: Jef en meynwif mei hina 

lesa, dar vten bodelhws is, t* 

afta. Of eene geëmancipeerde vrou 

die uit den boedel is, mag hem lo 

sen, door hem te trouwen. 

meyriuchter cojudex, mederegter. 

R,30.27. 
meyt, meit, cibw, spgze, voedsel. 



345 



meythe— menBcheed. 



346 



L«l,75: Tliet hi siném meyt, tliet 
is iten anda drinken, nawt bi- 
halda ne mage. Dat hij z^n meyt^ 
dat is eten en drinken, nie(- inhouden 
kan. 

meythe, zie: meyde. 

meitele, meytele. H.2,16. F.O.L. 
2,15. 9,11. Zie: mantela. 

meytya, meythia, definire, discernere, 
maken, beslissen. F.R.19,6. 21,6. 
Zie: maked. 

mek, mee. B.107. Zie: meck en 
meikere. 

mek e re, qui contractum matrimoniale 
scribit, iemand die het .huwelij kscon- 
tract opmaakt en schrgft. B.107. Zie: 
meikere. 

meld ka, os sacrum^ podexy aarsknoop, 
P.O.L.5,15: Tha waldewaxa scrift 
ma al to ther meldka, twischa 
tha twa ara and onlinga thes 
reggis, al vppa tha lenderna. 
De ruggespier schrgffc men tot op den 
aarsknoop, tusschen de twee ooren en 
langs den rug tot op de lendenen. 

mei e, cibus, spijs. 0.9,31. 

mele, /arifia, meel. F.O.L.6,3: Vn e se- 
la de me Ie. Ongebuild meel. Zie: 
molka. 

m e 1 e d, pictusy gemaald, geschilderd, ge- 
schreyen. O.t?. 

melok, lac, melk. A.v.1: Thet flat 
fon melokon and fon hunige. 
Dat overvloed had van melk en honig. 

memma (mei ma), licetj mag men. 
F.O.L.1,17. 

men, «ed, maar. 0.1,39. E.L.1,43. 3,3. 

men, hominea ad literanij men. F.R. 
6,5. 

me na, significare^ beteekenen. O.v. 
Haet meent dat, riuchtes ende 



g o e d e s ? Wat beteekent dat, het reg- 
te en het goede? 

me na, mene, communis^ algemeen. E. 
L.3,49. H.I0,2. B.173. A.5,4. 

mena acht, conventus publicusj alge- 
meene vergadering. B.56. 

mena loge, hcus^ conventus publicus^ 
algemeene vergaderplaats. B.2, 

mena menter, adulterator pecuniae^ 
valsche munter. B.156. 

menbelad, communitas bonorutn^ goe- 
deren-gemeenschap. Ch.1, 101. Zie: 
meenbodeL 

menchscip, communitas^ gemeenschap, 
vermenging. J.M.F.II, 277. 

mene, zie: meni. 

mene urda en kind, procreare in^ 
fantemj een kind overwinnen. l.E. 
6,7: And him bi there wiuue en 
kind mene urde. En hg bg de 
vrouw een kind overwon. 

menedich, menedigh, joer/wrw^, mein- 
eedige, meineedig. F.R.2,35. 38,4. 

me nes, falso^ valsch. F.O,L.8,8: Al- 
ramonnic wite him sellum, thet 
ter nont menes ne dwe. Ieder 
wachte zich, dat h^' niets valschs doe. 

menesna, zie: meinesna. 

menet, ordinarius j consuetus^ gewoon. 
B.6,21: menet punda. Gewone pon- 
den. 

meneth, perjurium, meineed. A.v.l. 
7,3. 

m en e t h i c h, perjunts, meineedig. F.0. 
L.1,6. 

meni, menie, mene, diminutio^ ver- 
mindering. H.2,4. A.2,4. 1.E,2,4. 

menned, perjurium^ 0.12,10. 

men o te, moneta^ munt. A.1,2. 

menscheed, perjurium, meineed. Ch. 
1,107, J.M.F.1I,218: Tiocht hi 



347 



menscip — mema. 



348 



therefter kindan so schel hi 
tha botha wetheria and thy 
menscheed bettrya. Teelt hfl 
daarna kinderen, dan zal h^ de boe- 
ten wedergeven en den meineed bete- 
ren. Zie: manslicke. 

menscip, concubitus^ coïtus^ cohabitatio^ 
vleeschel^ke gemeenschap, zamenwo- 
ning. F.R.85,1. J.M.F.II, 277. 

mensengeed, mensingheed, jura" 
mentum illorum, qui in communione 
agrum quemdam poasident de divisione^ 
vel communione, eed betrekkelijk het 
gemeenschappelgk bezit. 0.1,32. J. 
M.F.2,34. 

mens lic, humanusj menschel^k. O.v. 

ment e, communio, gemeente. E.L.3,70. 
Ther tha mene mente to kumpt 
to halden e. Welk de geheele ge- 
meente toekomt te onderhouden. 

mente, moneta^ munt. l.E.1,2. H.1,2. 

men tel, intergerini^ parietesj scheiding, 
schutting, muur. B.67: Hwersa 
mar rent mentel ieftha stac. 
Wanneer men schuttingen of staket- 
sels vernielt. 

nxentere, monetarius, munter. l.E. 
3,9. H.7,5. 

menzia, miacere, vermengen. O.t;. J. 
M.F.1,8. 

mer, sed^ maar. F.R.1,1. 

mer, mare^ zee. 0.4: In^ dat rade 
mer. In de roode zee. 

mer, fosaa^ sloot. J.M.F.9,42: Hem- 
merck mer. Hamrik-poldersloot. 

mera, impedire^ beletten, hinderen. O. 
4,3. Ch.1, 105. l.E.2,4. 

merch, medulla, merg. E.L.1,44. 1. 
E.3,11. 

merch e, prata^ cLg'n^ landen. F.O.L. 
1,3: Hweder sa thi mon hebbe 



driuande sa dregande hewa a 
wei sa a wetere, merche sa mo- 
re, thet hi vppa sinne gode sit- 
te vnbirawat. Wanneer iemand drg- 
vende of dragende bezittingen heeft, 
op den weg of op hét water, landen 
of veenen, dat hg het zgne ongestoord 
zal bezitten. 

merck, mar ca, mark, zekere munt. F. 
R.6,7. 

merck a, merka, limeêy grens. H.6,14. 

merckelyck, insignia, aanmerkelgk. 
F.R.18,23: Een graet merckelyk 
need. Een aanmerkelgk groote nood. 

mercklick, apecialiter^ inzonderheid, 
bgzonder. F.R.21,25: Ende dyrom 
schillet da soenlyoed merck- 
lick oensyaen wessa dat com- 
promis. En daarom zullen de zoens- 
lieden bgzonder het compromis in 
oogenschouw nemen. 

m e r c k t, etnporium, markt ; officina^ win- 
kel. F.R.20,14. 

me rel a, dcatria, litteeken. 2.E.2,2: 
Ene vnde ief anna bretse ief 
ana mercla inna tha dada lic- 
coma. Eene wonde of eene breuk of 
een litteeken aan het doode ligchaam. 

mere, vinculum, band. H.9,1: Mith 
ene sterka mere. Met een sterken 
band. 

mere, fama, gerucht, mare. H.9,2. 

merech, medulla^ merg. F.O.L.5,29.^ 
merechrene, ejimo meduUae^ uit— ~ 
loop van het merg. F.O.L.5,31. 

merked, merket, emporium^ nundinae^ 
jaarmarkt, markt. 0.1,64. F.O.L.]^H 
45. 

merkedriucht, jua nundinarium^ mark-"fc- 
regt. O.t?. 

mema. F.O.L.I, 60. Zie: sona. 



349 



merser— mids. 



350 



merser, mercator^ marskramer, koop- 
man. J.M.F.Reg.15. 

mert, impeditus, gehinderd. l.E.2,4. 

mese, urina, pis. 1.E.5,12. E.L.1,83. 
H.6,7. P.d.Ms: mensclien pisse. 

mesluuc, pugna ope cuüri, mestarekking. 
Ch.I, 603. 

mesterskipe, magisterium, meester- 
schap. H.3,1. 

met, potua^ drank, F.R. 15,23: To met 
en de to me e Ie. In drank en in kost. 
Zie: meel. 

meta, obviam ire, tegemoet komen. B. 
168. A.7,8. F.R.58,37. J.M.F.13. 
metten, obviam ibant, gingen tege- 
moet. 

meta, mensura^ maat; qualitaa, rang. 
0.13,5. H.3,1. 

mete, alimentum, voedsel. B.4,37. 

me te dol ch, vulnics^ quod mensuram ha' 
bet lege descriptam^ maatwonde. H. 
4,16. A.3,1. B.194. F.O.L.9,16. 
metedulgh. 0.10,36. 

meterene, papiUa, tepel. F.O.L,5,27. 
letterlgk: de voedselloop (der borst). 

metawertdelsa, impedimentum edendi^ 
voedselbelemmering, bederving. F.0. 
L.5,19: Thiu metewertdelsa in 
tha maga. De sp^sbederving in de 
maag. 

metevnd. E.L.1,10. Zie: metedolch. 

me tha, metere^ maaien. B,60. 

metheryochter, cojudex^ mederegter, 
Ch.I, 252. 

methlik (mothlic?), conacienter reli- 
giostis, gemoedelgk. F.O.L.v.l: Hen- 
zia methlika thinga, and ac bi 
hwilum vnmothelika thinga. 
Gemoedelgke zaken gedogen (gehengen) 
en somtgds ook niet-gemoedelgke za- 
ken. 



metigia, moderari^ matigen. F.R. 
50,21. 

metlike, meclike, simul^ invicem^ ge- 
zamenl^'k. 2.E 3. B,B. 

metrike. H.10,21. F.O.L,9,19. Zie: 
meetryck. 

metta, potua, drank. J.M.F. 9,35. Zie: 
met« 

met te, mater luatrica, meter, peetmoe- 
der. F.R.81,23. 

metten, zie: meta. 

my, cum^ per, met, bg. F.R.45,2: My 
fria villa. Bij vrgen wil. 

mi, poteatj mag, kan. A.1,3. 

myaen, metere, mei&^en. J.M.F.U, 327. 

mi da, dona, geschenken. A.1,3. Zie: 
meyda. 

midda, inter, onder, tasschen. A.5,1; 
Midda alle Riostringon. Tas- 
schen alle Rustringers. 

midda, medina, midden. E.L.1,69: E 
ta midda huse. In het midden van 
het huis. 

middey, meridiea, middag. O.v, 

middel, rationea, middelen van verdedi- 
ging. F.R.2,18. 19,5. medium, het 
midden. 

middeldom, caro aive oa integra inter 
duo vulnera, dam tusschen twee won- 
den. E,L.1,36. l.E.5,9. 

midleste, midloste, mediua, middel- 
ste. H.1,9. A,3,8. 

midpanninga, dona, geschenken, F. 
O.L.I, 61. Zie: mida. 

midrether, midrith, midrif, dia- 
phragma, middenrif. H.4,25, F.O.L. 
5,19. Leye, midhrifi, midref, de 
binnenspier voor de ademhaling. 

mids, in medio, in het midden, mids. 
F.R.50,19: So is ter mids in da 
baem een pont. Dan is er in het 



mcnysSBT- 






3i;*. ïiTT-i puan ptxr. ^ms i«t Ji:9- 
3i-.*iii xii- 31-i ia-; ji-t i-i. 3ti 

s-tiii-;. —.■Ren. n^-TTiit F^I: 
muit i : St. -ntU'-i-Mj. 'ifloadutauir- 



ilL3i: 



7 1-, ii:iu^r..—um. Ma- 



ai. 3. n-a. ntnu. . TT-.iar. Tfn 

11 t-i. ■."ii.l ■". :a:a3:- -n:!!-*-, 

31733». H/lur, ^rJiit, ""in 7i*-c,Ii. 
31: 13 1. i.J-:ii7u. "^^— ""irijf TiTm^ Z. 

i.-i; A-ii Til r-r-i-tz.i i'.iii^a'i 
-•m. I.Ï.J,j. — ? '.-.1.1. -3-J; 1I::j 

3i:a:lJ3. Ia TT^itr. 

ai3:i.i. imiirr. it- minn t-n i.J, 1. 

31 13 - '1. iimia'ii. ~^-' ~niM iifW.n. >. 4.1-; 
W"*!-: •- 1: 31.3.--: T. Winr jct -t 
Tf-rmin-icr' 'z-r':. — n-ar. 1. ?.-!. ■'-;.-. 

fin-.'' ."-'(«•.-*■■•. Mina-m fj'Hier*. F. 3. 

in. : >. 

31 7 J i': J. *. U/iTW/. Jltrnscil- F.IÏ.— .f..i"ï. 

44. Ó. 
3i:a*pij.i. 3l:3^|;:^. ■'jtmnuiuiae, i"^ 

31M:a:i«:iuO. ,'.M.F".iI. I~"'- 

ai::i^--;r. ■tUwir'u- . Miia=ter. .lonidkerk. 

j.m.f.:j. 

3i-.r'.z.i, li/^-.rrun. nen. jpmerken. 'Th. 
L ->'f'f: -L. * ••ï:';~ il" 3H ^- i^-a 
W'',! ■ii'i'i 3t:r^2i "3 i.i" r-:\t'--^ 
zte. ~'nir ii/ijvf^m aiea ui itt r^zii- 
Ber al zien ;n 'ïcmcrkea. F H.ji'.I?. 



F 5. 111. — .' M. J 3r«r. 1 1. 3Li«>i« 

p---a. z-^oriiicr. Z-:-ir 31-7- b-i-ï- 

aii-rÏTlï:. ~Tt; 31eC Mrr«£!l SOO 

3i;-»:i7i. -ntiu'i ;^. -n:«tiii.*Ti. ] 

ULU'icieg. A,';.1j. 
31:1^11.11. ■>— r-. T>; 3iec fitui. .i 

31'. «^l'Vi. tf'tr-STa. lOlf'rl.OtiL, -ESt 

FXlj.i~. 3i:*^iTLx. iiuptiutf* 

31'. i. 1 i. 31: *. . i f, inT' -TTt». "rr^Mrf. 

Ttdiiltïiiii. J-.:-. F.'!'.!...'.!. 
n:*--!. 'ti'.-i''i. nidJir'^M. '."^.5.i3 
i ;ns«i, ie 3US. Tiarsr. 3.7:i,7 

3i:*Tt. ■:r' - , 3Ii***r!l. JUtbeniO. O. 
31 1 4 * : ~ 1. lifii, -niMian.i^tli W'i 



r'(toricnHRnc«. all 



«'(/. Tl > -i nnni i»i ï q^ ^ 



ï^ji-iea. lï.i.t: Aa -.k IL^i 
i.ri £ }-i 3i:---T3.r3-i. Ea -iei 
iea luu ji^r*! "■;rmiinier»ie. 

2177. lil-, iii-r.i. -?»Hi, 3iet; tpuü 
F.S.1.-. a..-. ö.L.l.IitM. IJ 
3.1 ■.•4. 

3i:';a I-u I •.:;!,. H.i.JS: Ta-ae 
•n-a .-ni :-a, .1 inxii wa 
r'ieti iotft 3ic!i um 'jïee y 

'ien -r-ina. 
31:'3ï:i1 il, lu-eriiu ■ 

'toiia. Ü.Tpj: Aai 



•ier-gi 



■i-i J:a 



868 



ndtia— niMida, 



354 



wet mith him. En stonden ssg hem 
niet bg. 

mitza. F.B.5948. Zie: mirtza. 

mode, animuêj gemoed. A.8,1: Onir- 
bulgena mode. Met verbolgen ge- 
moed. — H.9,1: Tornig was him 
hirvmbe sin mod. Vergramd was 
hem hierom zgn gemoed. 

mod er, mater^t moeder. B.90. 0.v« 
F.R.50,40, 

modriii, avuncidus^ oom van moeders 
zgde. F.B.50,36. — Modiran snnn. 
Zoon van een oom yan moeders zgde. 
A.7,21. F.O.L.7,3. Zie: emessnnu. 

modwilla, petulantia^ data opera malo 
animOf moedwil. H.7,2. 

moed, êoiisfactio ea animi sentenüa^ ge- 
noegen, voldoening. F.B.21,5. O. 
1,37. mode. 

moed, animusj gemoed. 0.«. J.H.F. 

moedwilla, W>era voluntaSj vrge wil. 
F.B.44,17. frga moedwilla. 

moer, nuüerj moeder. F.B.26,17. 57,8. 

moerd, moert, hamicidiumy moord, 
snoode daad. F.B.1,33. 58,2. 

moerdbrand, incendium dam factam^ 
heimelgke, nachtelgke brandstichting. 
F.B.1,33. 0.12,14. 

üLoerdbrander, incendiarius clandesH' 
nus^ heimelgke brandstichter. F.B. 
m,4. 0.16,3. 

moerdener, homidda^ moordenaar. O. 
16,4. 

moerdnachten, crimina clam facta. 
F.B.59,18, Zie: morthdeda. 

nioern, craa^ tempus matutinumj mor- 
gen. 0.0.1,58: Dgsmoerns. 'sMor- 
gens. — J.MJP.2,44: loendes en de 
moerney (moernes). Des avonds 
en des morgens. 



moes, prandiumj maaltgd. 0.2,1. 
moeta, posse^ kannen. 0.1,32. 
moetlick, gratue^ sufficiens^ guod satie 

est, gemoedelgk, F.B.13,12. 75,9: 

Naet moetlyck dae lyuedem. 

Niet aangenaam aan de lieden, 
mogende, potens, vermogend, kunnend. 

0.7,13. 
mog, inter, tusschen, A.3,17: Mete- 

wnde mog tha here. Maatwonde 

tusschen het haar. 
moya, impedire, beletten, moeien. F.B, 

1,11. 
moyense, arguatio, bemoeilgking. J. 

M.F.n, 294. 
molde, humus, aarde. 0«1,72. C9i.I, 

603. F.O.L.2,2, 
mol ka, veêtimenta, panmus, linteum, klee- 

deren, laken, doek. F.O.L.6,3. 
mollisfoet, mensura vestigii terrae tm- 

pressi, aardvoet (zekere landmaat). O. 

1,13. 
mon, homo, man. £.L.1,13. H.1,5. 

B.58. 
mon, parum, weinig, min. 1.£.6,4. 

H.3,4. Zie: mar. 
mona, luna, maan. F.B.80,6. 
mona, jubae, manen van een paard. 

E.L.1,79. 
mona, admonere, vermanen. 2.E.3,5.15. 
monath, moneth, mensis, maand. B. 

58. E.L.1,16. 
mond, tutéla, voogdg. 0.1,8: Dat ter 

ter nimmen aech digne mond 

oen der wedue. Dat er niemand de 

voogdg over de weduwe toekomt. J. 

M.F,2,8 — tutoT, voogd. 0.5,2. F. 

B.26,3. 
monda, monde, mensis, maand. l.E. 

3,11. B.15. 
monda, communio, societas, gemeenschap, 

23 



351 



midweynter—mifhstonda. 



352 



midden van den (g6slaelits)booni een 
punt. 

midweynter, christi nativitatis festum^ 
kerstgd, midwinter. Ch.I, 250. 

mylder, Uberalior^ stiavior^ mitiory mil- 
der, zachter. F.B.13,15. 

miltascredene, laesio spienis, milt- 
bezeering. Ch.I, 102. J.M.F.n, 211. 
0.11,47. 

Mimigerdeforde, Monasterium, Mun- 
ster, F.O.L.1,9. 

min, myn, minus, weinig, min. O, 
11,42. Ch.I, 97. minner, minnest. 
A.t;.l. 3,8. E.L.3,8, 

myn, meus, het mgne. F.R.7,3. 

mynna, amor, liefde, min. F.B.44,12. 

min na, pacatio, bevrediging, minne. H. 
2,6: And tha federia alsadene 
minna te retzia. En de ooms van 
vaders zgde gelijke bevrediging te ge- 
ven. l.E.2,6. — F.O.L.1, 53: Mith 
minnon, In vrede. 

minnia, amare, beminnen. H.3,1. 

minra, diminui, verminderen. 0.4,18: 
Waxt et of minre 't. Wint het of 
vermindert het. — myn r ia. F.R.63,2. 

Mynrabroren, fratres minor es ordinis 
sancti Francisd, Minderbroeders. F,R. 

nr, 10. 

mynscha, homo, mensch. F.R.25,28. 
44,5. 

mins chip, minscip, communitas, ge- 
meenschap. J.M.F. [I, 276. 

minster, cathedrale, Munster, hoofdkerk. 
J.M.F.13. 

mirtza, observare, zien, opmerken. Ch. 
1,500: Alsoefyr dat ma syaen 
wil ende mirtza in dat regis- 
ter. Voor zooverre men in het regis- 

■ 

ter zal zien en bemerken. F.R.59,18. 
mitza. 



mis, uUra quam par, jus est^ mis, on- 
juist. F.O.L.7,1. 

misdadigha, misdaeghede, misde- 
diga, poenae ohnoxius, misdadige. Ch. 
1,335. F.R.1,14. 

misdede, crim^n, misdaad. F.R.12,15. 

misdedoge, maleficus, boosdoener. A. 
9,2. 

misdwaen is, malefecit, misdaan heeft. 
F.R.1,11. — J.M.F.Reg.11. misdwaet, 
peccat, zondigt. Deer mey beesten 
misdwaet. Die met beesten zondigt. 

misfara, maUfacere, misdoen, slecht 
handelen. A.5,13. 

misganga, perire, tenietgaan. A.2,4. 

mislawa, haeresis, ongeloof, ketter^. 
F.R.15,67. mis la wig, ongeloovig. 

mislik, mi si ik e, diversus, variuSf ver- 
schillend. O.t?. F.O.L.ü.1. 

mis sa, eulogia, misbrood. 0.8,23. — 
2) missa, de mis, markt. B.72.75. 

m i s s a, carere, missen, ontberen. 0.14,4. 

misscya, laedi, mishandeld worden. 
0.1,7. 

missida, pravae consuetudines^ slechte 
zeden. F.O.L.v.1. 

mis qua me, laesio, mishandeling. J.M. 
F.2,12. 

misvangha, perder e, verminderen, ver- 
zwinden. l.E.2,4: An ta linde 
hira god misvunghe. En den lie- 
den hun goed verminderde. 

myt, mit, mith, cum, met; apud, 
F.R.1,8. H.r. E.L.1,12.40. l.E.1,9 
B.104. 

mith (ma ith). H.4,38: Thene de 
mith (ma ith) a frana waru 
Dien doet men aan het geregt vi 
den frana, 

mithstonda, auxilioesse, opitulari, 
staan. B.76: And stonde hia n. 



ai 

■e- 

8- 



868 



ndtia— niMida, 



354 



wet mith him. En stonden ssg hem 
niet bg. 

mitza. F.B.59,18. Zie: mirtza. 

mode, animus^ gemoed. A.8,1: Onir- 
bulgena mode. Met verbolgen ge- 
moed. — H.9,1: Tornig was him 
hirvmbe sin mod. Vergramd was 
hem hierom zgn gemoed. 

moder, mater ^ moeder. B.90. 0.«« 
F.R.50,40. 

modria, atmncidusj oom yan moeders 
zgde. F.R.50,36. — Modiran sunu. 
Zoon yan een oom yan moeders zgde. 
A.7,21. F.O.L.7,3. Zie: emessnnu. 

modwilla, pettdantiaj data opera malo 
animo^ moedwil. H.7,2. 

moed, êotisfactio ea animi sententia, ge- 
noegen, voldoening. F.R.21,5. O. 
1,37. mode. 

moed, animuSj gemoed. 0.«. J.H.F. 
Beg.d. 

moedwil la, libera voluntaSj yrge wil. 
F.B.44,17. frga moedwilla. 

moer, mater^ moeder. F.B.26,17. 57,3. 

moerd, moert, homicidiumj moord, 
snoode daad. F.B.1,33. 58,2. 

moerdbrand, incendium dam factum^ 
heimelgke, nachtelgke brandstichting. 
F.R.1,33. 0.12,14. 

ipoerdbrander, incendiarius clandeêti- 
nusj heimelgke brandstichter. F.B. 
m, 4. 0.16,3. 

moerdener, Aomtctcia, moordenaar. O. 
16,4. 

moerdnachten, crimina dam facta, 
F.B.59,18. Zie: morthdeda. 

moern, cra»^ tempus matutinumj mor- 
gen. 0.t;.l,58: Dgsmoerns. 'sMor- 
gens. — J.M.F.2,44: loendes ende 
moerney (moernes). Des avonds 
en des morgens. 



moes, prandium^ maaltgd. 0.2,1. 
mioeta, poase^ kannen. 0.1,32. 
moetlick, gratuSj sufjidens, quod satis 

est, gemoedelgk, F.B.13,12. 75,9: 

Naet moetlyck dae lynedem. 

Niet aangenaam aan de lieden, 
mogende, potene, vermogend, knnnend. 

0.7,13. 
mog, ifiter, tasschen. A.3,17: Mete- 

wnde mog tha here. Maatwonde 

tnsschen het haar. 
moya, impedire, beletten, moeien. F.B. 

1,11. 
moyense, arguatioj bemoeilgking. J. 

M.F.n, 294. 
molde, humus, aarde. 0«1,72. Oh.I, 

603. F.O.L.2,2. 
molka, vestimenta, patmus^ linteum, klee- 

deren, laken, doek. F.O.L.6,3. 
mollisfoet, m/ensura vestiffii terrae im^ 

pressi, aardvoet (zekere landmaat). O. 

1,13. 
mon, homo, man. £.L.1,13. H.1,5. 

B.58. 
mon, parum, weinig, min. 1.£.6,4. 

H.3,4. Zie: mar. 
mona, luna, maan. F.B.80,6. 
mona, jubae^ manen van een paard. 

E.L.1,79. 
mona, admonere^ vermanen. 2.E.3,5.15. 
monath, moneth, mensis, maand. B. 

58. E.L.1,16. 
mond, tutela^ voogdg. 0.1,8: Dat ter 

ter nimmen aech dgne mond 

oen der we dae. Dat er niemand de 

voogdg over de wedawe toekomt. J. 

M.F,2,8 — tutor, voogd. 0.5,2. F. 

B.26,3. 
monda, monde, mensis, maand. l.E. 

3,11. B.15. 
monda, communio, sodetas^ gemeenschap, 

23 



355 



mond— mose. 



356 



gezelschap. H.6,18: Scenc ma ene 
monne weter binna enemonda. 
Schenkt men iemand water (in plaats 
van bier) in een gezelschap. 0.12,26. 
H.10,16. P.O.L,9,14. — P.O.L.5,43 
heefk: In ena monda aelscip. Zie: 
manda. 

mond ekes, quaque tnense^ in iedere 
maand. l.E.4,2: And hi mond 
ekes ne muge vther bedda we- 
sa dey iefta tuene. En hg in ie- 
dere maand een of twee dagen het 
bed moet houden (niet uit het bed kan 
zijn). 

mondele, mandele, mundelinge, 
pupiUuêj minderjarige. 0.4,1 S. F.0. 
L.2,13! A.2,13. 

mondschet, merces tutelae^ voogd^- 
schatting, voogdijgeld. 0.1,9. 

mondscip, monschip, tu tela, Yoogdg. 
0.1,8. F.R.26,3. 

monech, moneghe, mongra, mon- 
ge, monige, monne g, pUires, mul- 
ti, vele, meerdere. LE.t;. P.ll. 104. 
A.r.l. F.O.L.5,92. 10.18. 

Monegerdeforde, -Mbncwimuw, Mun- 
ster. l.E.1,9. 

moneia, admonere, vermanen. 2.E.3,16. 

monelike (menelik e?), simulj invicem, 
conjunctimj gezamenlgk. Gh.1, 469: 
Dat wy monelike wreen dreyen 
(dregen?) send. Dat wg gezamen- 
Igk overeen gekomen zgn. 

monenge, moninhge, admonitio, Yer- 
maning. F.R.72,10. 0.7. Ch.1, 347. 

moneth, admonituSj vermaand. F.R. 
43,11. 

mong, intevj tusschen. F.O.L.I, 8. Zie: 
mog. 

monia, admonere^ vermanen. B.168. 
0.1,7. 



monykouwerum, tnm'cem, elkander. 

Ch.1, 520. 
monna, nuhere^ huwen. B.102. Zie: 

mannia. 
monne c, monnic, quisque^ ieder. 2. 

E.4,41. E.L.3,67. 
monscip, zie: mondscip. 
monslachtech, homicida, ctdpcJnliê ho- 
• micidiiy schuldig aan manslag. H.1,6. 
monslage, Jiomicidium, manslag. A.v.1 . 
monte, montha, nwneta^ munt. F.R. 

64,14. 
montga, monetam cudere^ munten, munt 

slaan. O.o. 
mora, paludes^ moerassen, veenen. F. 

O.L.1,3. Zie: merche. 
morddeda, morthdeda, necesy hamieir 

dia^ doodslagen. F.O.L.I, 16. 
mor da, occidere^ moorden, vermoorden. 

E.L.1,84. 
mordir, occt^or, moordenaar. F.R.64|14. 

F.O.L.5,32. 
morns, mane^ 's morgens. 0.1,45. 
morre, pugio^ moordpriem. P.R.72,4. 
morth, hoinicidium, moord. H.1,16. 

A.1,16. E.L.1,84. 
morthcase, morthkase, homicidiufit^ 

doodslag. H.4,41. F.O.L.5,32. 
morthdeda, crimina clam facta^ slink- 

sche daden. 1. E. 1,1 6. Zie: mord- 
deda. 
morthdolch, vulnus inopincUe iUatuntj 

slinksche verwonding. H.4,32. 
morthia, inopinate^ vel clam aliquem 

vulnera inferre^ iemand onvoorziens 

wonden. H.4,32. 
mosdolch, mosdulch, vtdnus quatsc' 

tuin^ contuêioj kneuzing. E.L.lyl9. A. 

3,11. 0.11,47. F.O.L.5,26. 
mos e, prandium^ maaltigd. F,0.L3. 

Zie: moes. 



357 



mota— naehta. 



358 



mota, motha, debere, moeten. B.159. 
H.1,5. l.E.1,7. F.R.11,9. 

mota, posse, kunnen. B.56. A. 
2,24. 

mot e, consensus^ toestemming. Gh.I, 
242: Butha rethe and mothe 
there gaana. Baiten raad en toe- 
stemming der dorpen. 

m o th e r, /?aZZa, keurslg f. H.6,18: Thet 
hreclit, thet mother, thet he- 
methe. Het overkleed, het keurslgf 
en het hemd. (Isl.: motr, peplummu- 
liebre. H.d.: Mie der). 

much, potestj mocht. F.R.75,6: Much 
ma, 81 licitum erat^ mocht men. 

mnga, posse^ kunnen, mogen. E.L. 
1,16. B.29. F.R.12,18. mugghe, 
mochte. 

miiken, striga feni resecti, stroohalmen, 
strootjes. F.Il.80.3,4: Dat ma wel 
muken ende breuen lucka moet 
in da secken, deer wralscksec- 
ken off lywd sint. Dat men wel 
strootjes of papiertjes trekken mag, 
die wereldlgke zaken of lieden betref- 
fen. (Isl.: mugr. Theutonista: muyc- 
ke, een lot.) 

mula, 08y mond. H.4,6. F.O.L.5,7. 



muldesleck, ictus in f adem, slag voor 

den mond, muilslag. l.E.4,2. 
mnnck, zie: munik. 
mnnd, os, mond. E.L.1,27. 
mundelinge, zie: mondele. 
mundlas, stne tutela, non sub tutela, 

voogdeloos. F.O.L.4,37. 
mandsket, munschet. H.4,30. Zie: 

mondschet. 
munekabref, jus canonicum, geestelgk 

regt, monnikebrief. B.173. 
munik, munck, monachus, moimïk. B. 

159.n. E.L.3,71. 
mun^'a (muntiga?), monetam cudere, 

munten, munte, slaan. 0.12,13. 
munickfr ouwen, religiosae^ nonnen. 

F.R.ni, 4. 
munther, munter, monetarius^ mun- 
ter. 0.6,2. 12,13. 
mure, murus, muur. B.159. 
muth, os, mond. 2.E.1,3: Thet him 

sin muth to tha ara tiucht. Dat 

hem zgn mond naar de ooren trekt. 

B.184. 
muthbreud, laesioorts, mondbezeering. 

E.L.1,26. 2.E.1,3. 
muth e, foramen, os, orificium hiatus, 

opening. A.3,6. E.L.1,24, 



N. 



na, nee, nog. F.O.L.r.l: Al sa er (en) 
nie seke vphlap, ther na nout 
fon escriwen is. Wanneer er eene 
nieuwe zaak voorkomt, waarvan nog 
niet geschreven staat. — 2) non, neen. 
E.L.2,7. B.76. — 3) non, niet. O.v. H. 
3,4. — 4) secundunij volgens, na. H.7,1. 



nabbe, non habere, niet hebben. F.R. 
50,38: Naet. Niet heeft. 

nach, nee, nog. A.1,14. Zie: noch. 

naehta, non debere, niet moeten, niet 
behoeven, niet toekomen. Ch.1, 119: 
Thes onberna benis nachte 
nene bot e. Voor het niet geboren 



I 



359 



nachtdeda— nat. 



360 



been behoeft geene boete. Zie: vn- 
berna. 
nachtdeda, facta sinistra, slinksche 
daden. 0.12,13. Zie: moerdnach- 
ten. 

nachtferst, prorogaJtio umus dieij uit- 
stel tot den anderen dag. 0.1,58. 

nachtraef, nachttyeffte, nacht- 
thiuvethe, nachtstelene, furtum 
noctumum^ nachtdiefstal, diefstal bg 
nacht. A.2,17. P.R.40,2. l.E.2,17. 
0.12,13. 

nad, nan^ niet. J.M.n, 226: And nad 
mannighera. En niet meerdere. 

nad, utilis^ nuttig. E.L.2: Th er nad 
anda bihoff send. Die nuttig en 
noodig zgn. 

nade, gratia^ genade. 0.2,7. 

na del ie, utüis^ noodig, nuttig. 0.4,23. 

na e, nullus^ geen. F.R.30,10: Aen 
kynd, dat nae lyff ontfinzen 
haet. Een kind dat geen leven ont- 
vangen heeft. 

naed, non, niet. P.R.87,8. 

naemd, nominahis, benoemd, genoemd. 
P.R.3,6. 21,31. 0.12,21. 

naemlick, notus, bekend. 0.12,27: 
Jof enich riuchter deth een 
naemlick onriucht. Zoo eenig 
regter een openbaar onregt doet. 

naemna, naemnia, nominare^ noemen. 
0.1,64. J.M.P.2,65: To naemna- 
ne. Te noemen. Zie: nam ia. 

na e ra, nocere^ impedire^ beletten, scha- 
den. J.M.F.6,3: Bwasoe him nae- 
rith iefta wrspeert. Wie hem 
belet of verspert. 

ne^eTB^ propinquior, nader. Gh.I, 743: 
Nare toe slaen. Nader te zetten. 

na e me, nuUibij nergens. J.M.P.U, 
266. 



naet, non, niet. O.v. PJt.50,88. — ' 

2) nihil, niets, nietmetal. F.B.27,1. 

46,38. 
nagtbrond, tncendtum nocfiimum, nach- 

telgke brandstichting. H.1,16. 
nachwedder, non ampliuêj niet weder. 

A.2,1. 
naked, naken, pauper, arm, naken. 

l.E.6.3. 0.2,1. 
nal, non tndt, niet wil. F.O.L.6.17: 

And nal ma hit nout onleda. 

En wil men het niet bewgzen. — 

naliet, nolunt, niet willen. J.M.F. 

n, 278. 
namia, namma, nonUnare, noemen. 

F.R.7,11. J.M.P.11,19. Ch.1, 105. 

nanna. 
nam me, nonien, naam. P.R.24,1. 
nammermar, nunquam, nimmermeer. 

A.8,1. P.O.L.5,30. 
nanen, nannen, nullus, geene. I.E. 

6,2. E.L.3,68. — P.O.L.5,18: nemo, 

niemand. B.90. 
nanyane, nominare, benoemen. J.M.F. 

11,323. — nannya, nominare, noe- 
men. J.M.F.II, 321. 
nanna, zie: namia. 
nant, nominatus, genoemd. B.B. 
nara, anguetia, benaauwdheid. H.8,18r« 

Hwersa ma thene mon en narfls 

end en nede vnthonckes heltd 

Wanneer men iemand zgns ondanks 

in angst en in nood houdt, 
nas, non ercU, niet was. F.R.50,4^^ 

Ende nas neen anderis naths 

En geene was den ander in geboort"^ 

gelgk. H.3,3. l.E.3,10. 
nat, raptt, schaakt. F.O.L.1,15. 
nat, beatia, pecus, beest, vee. A.2,1 - 

F.O.L.6,2. 
nat, sociuê, genoot. A.7,4. 0.10,3 



361 



nates— nedenïma. 



362 



•nates, nihü, niets. 0.5,2. 
nath, non, niet Ch.1, 98. 
nat ha, neceêsitas, nood; impedimenta 
legüima, wetidge beletselen. A.i;.!: 
Thet ma hit thrvch nata dve; 
Êhrnch thet tha natha send 
marra, tha thet riucht. Dat men 
liet uit nood doet; omdat de nooden 
xneerder zgn dan hetregt. Zie: nede. 
^ tha, gratia, genade. J.M.P.17: Jo- 
liannes sonder natha. Johannes 
zonder genade, 
«fcthelik, tOüii, nuttig. A.2,23. 
^nder, nuUus eorum, nee, geen hun- 
eer; noch. l.E.r. B.194. E.L.1,68. 
. ^nl, n au 1 a, umWKctt*, navel. 0.11,46. 

J.M.P.n,211. Oh.I,102. 
L^ut, nauuet, nauwer, nawet, nawt, 
»aet, mm, niet. B.50. J.M.P.2,50. 
l.E.6,2. A.2,6. 7,10. E.L.1,23. 
tauwer. J.M.P.2,50. Zie: nauder, 
:iiaut. 

i^o, nee, noch. E.L.1,68. B.143. A. 
1,14. 

ï-^ (hine), Wum, hem. B.55: Sa skel 
thi redieua ne vnder sete dri- 
wa. Dan zal de r^^r hem onder 
borgtocht brengen. 

^ ^bba, non habere, niet hebben. l.E. 
1,15. H.1,16. 

^^chte, neth, non posndet, non habet, 
niet bezit, niet heeft. A.7,8. (Bg 
Wiarda vindt men: nechtere. Richt- 
hofen, S.112: Nechthere. Dit zal 
wel: neth there, heeft hij niet, moe- 
ten zgn.) 

^ ed, neceesitoê, nood; tmpedtmenttim, be- 
letsel. F.R.3,8. 

^eda, vim inferre, geweld aandoen. H. 
2,18. 

^edbedde, lectue aegri, ziek-, doodbed. 



P.O.L.I, 35: Thet ther nen mon 
an da nedbedda mar ieue ne 
mot ur thes formondes willa 
tha siugun fiardvnge. Dat er 
niemand op zgn sterfbed, buiten wil 
van zgn beheerder, meer mag geven 
dan zeven vierdingen. (Dit schgnen 
zielmissen te zgn die elk vierendeels- 
jaar gelezen werden). 

nedbenda, mctio violenta, captatio cdi- 
CUJU8 vi aliqua facta, gewelddadige bin- 
ding, aanhouding. l.E.4,23. H.8,18: 
Hwersa ma thene mon en nara 
ende en nede vnthouckes helt 
sa send tha nedbende bote fif 
pund. Wanneer men iemand zgns on- 
danks in angst en in nood houdt, dan 
zgn de gewelddadige aanhoudingen vgf 
pond boete. 

nedbrond, incendium vi factum, ge- 
welddadige brandstichting. B.90. E. 
L.3,1Q. A.2,17. P.O.L.1,16. 

nede, captivitaa, vis, gevangenschap, ge- 
weld, nood. H.1,14. 8,18. Zie: nara. 

nede, necessitas, behoefte, 0.3,3. 14,4. 

nede, gratia, genade. O.v. 

nede, periculum, nood, gevaar. A.v.1. 

nede, impedimentum, beletsel, noodschgn. 
0.12,21, P.Il.12,16. Zie: nedskine. 

nede, nonhabebat, had niet. P.B.50,41: 
Thach nede sg dg prester on- 
der boeck and onder stola naet 
gaer jown. Doch had ze de priester 
niet kerkelgk getrouwd (onder boek en 
stool). 

nedel, nedle, acus, naald. E.L.1,11. 
91. H.6,4. 

nedelick, utilis, nuttig. J.M.P.1,1. 

nedenima, violare, vim inferre, ver- 
krachten, geweld aandoen. H.1,15, 
P.O.L.2,18, 



363 



nedera— nei. 



364 



nedera, nethera, infernor, onderste. 
0.11,51. J.M.P.II, 240. Ch.1, 103, 
nederste, injimus, onderste. Ch.I, 
120. Zie: swolle. 

nedergongh, linea descendens, neder- 
gaande lyn, de nedergang. F.R.50,19. 

nederslaen, destntere^ vernietigen, krach- 
teloos maken, 0.12.23. 

n e dg ia, violare^ vim inferre, verkrach- 
ten. A.2,20. nedgad, verkracht. 
A.2,18. 

nedir, infraj neder, beneden. 0.12,18. 

n e d k e s t, actio criminalisj hoofdmisdaad. 
B.220. 105: Alle nedkesta skel 
ma mith compe besla. Alle hoofd- 
misdaden zal men door den strgd be- 
slissen. Zie: Lex. Frisionnm, tit. 3. 
J.M.P.12. in fine. 

nedle, zie: nedel. 

nedlinges (tredlinges?) cognatus in 
tertio ffvaduj verwante in den derden 
graad. J.M.F.Beg.6. 

nedmond, raptus, schaking. F.O.L. 
6,13. 

nednachten, cursiones noctumae^ nach- 
telgke tochten. F.O.L.1,16. Zie: 
moerdnachten, nachtdeda. 

n e dr af, rapina violenta^ roof met ge- 
weld. A.2,17. 

nedschine, nedscine, nedskinin- 
ga, impedimentum legitimum^ nood- 
schgn, wettige verhindering. A.2,1. 
H.2,1, F.O.L.2,1. 

nedseike, necessitas, noodzaak. E.L. 
3,7. 

nedstiger, descendens^ afstammeling. 
F.R.44,16. 

nedszie, fasda^ hoofdsiersel. H.6,15. 

nedwere, nedwiri, defensie legitima^ 
noodweer. l.E.2,12, A.5,5. F.O.L. 
2,12. 



need, gratia^ genade. 0.3,11. 

need, necessitas^ nood. F.Il.12,13. — 
2) necesaarius, noodig. F.R.18,15. 

needbrand. F.R.40,2. Zie: nedbrond. 

needdaedel, factum violentum^ geweld- 
dadige daad. 0.4,1. 

needmond. 0.11,64. Zie: nedmon<l. 

needmondiga, tapete mulieremj scha- 
ken. F.R.66,5. 

needraef. 0.1,70. F.R.40,2. Zie: 
nedraf, 

needschyn. 0.4,1. Zie: nedschine. 

needsecken. 0.1,22. F.R,2,24. Zie: 
nedseike. 

need tref ft, necessitas^ behoefte, nood- 
druft. F.R.26,20. 34,1. 

needtreftich, neceesatiuSj nooddrufkig, 
F.R.1,7. 

needtrefticheit, necessitaa^ nooddruft. 
P.R,43,9. 

needver, needwer, defensio legiHma^ 
noodweer. 0.4,14. 15,3. J.M.F.n, 
281. Zie: nedwere. 

needvyf, needwyf, violatio^ verkrach- - 
ting. 0.10,2: Dat se to needvyf^ 
vonnen is. Dat zg geschaakt is. - 
J.M.F.11,2. 

neen, nuüus^ geen. F.R.1,1. 3,9. 

n eerste, nederste, tn/imu«, onderste^ ^ 
laagste. 0.11,16. 17,3. 

neerstiger. F.R.45,6. Zie: nedsti-X- 

ger. 
nee rv rest e, supremus infimorum^ o^i^ 

een na bovenste. Ch.I, 98. 
neetwerre. J.M.F.II, 280. Zie: ne- 

were. 
nei, ney, ad, naar; secandum^ volgec^Hu 

H.1,3. 10,14. F.R.22,16. — 2) n.«», 

niet. Ch.I, 771. — 3) prope, tïsnbg. 

H.5,6. — 4) postea, daarna. O.v. F, 

R,22,23. 



365 



neybyld— nerih. 



366 



F. 



O. 



neybyld, exemplum^ voorbeeld. F.R, 

72,7. 
neidam, quia^ naardien. 0.9,2. F.R. 

32,25. 
ne^erlegerda, vicinus, naastleger. 

R.2,27, 
ne^es, nges, de novo^ op nieuw. 

1,59. F,R.21,10. 32,25. UI, 14. 
neifolger, successor^ navolger, opvolger. 

0.17,6. 
neyfolginge, successie^ opvolging. F. 

R.1,40. 
neyl, neil, unguis^ nagel. E.L.1, 35.44. 

H.4,4. Cli.1,99. 1.E,3,11. B.197. 

F.O.L.5,32.35. — 2) davisj spgker. 

0.4,2, F.O.L.2,2. 
neglkerff, acUsura unguisj nagelscheu- 

ring. 0.11,29. 
neilthinster, per obscurusj stikdonker. 

l.E.2,24. negltiuester. 0.6,5, 
neyrenth, per sequitur^ naloopt. J.M.F. 

II, 327. 
neyscrioun, postscriptuSj nageschre ven. 

F.R.27,10. 
nek e de, apertua^ bloot. J.M.F. 12 in 

fine: Dat nekede s werd. Het bloote 

zwaard, 
nel, non vultj niet wil. l.E.6,2. nele, 

A.2,6. nel Ie, F.O.L,4,24. Ch.I, 

106. H.2,1. 0.1,31: Jef se sine 

eed nellet ontfaen. Zoo zg zgn 

eed niet willen aannemen. 2.E.2,7. 

nel den, nolebant^ niet wilden, 
oelde, acus^ naald. 2.E.1,1. Zie: ne- 

del, 
nelthera, nuUius^ geen hanner. F.R. 

50,41: So was dat gaed hyarens 

nelthera. Dan behoorde geen hunner 

dat goed. ^ 
aember, numquam^ nimmer, nooit. H. 

4,47. 



nemende, nement, nemmen, nemo^ 

niemand. E.L.3,29.33. F.R.1,28. Ch. 

I, 240. 
nemmen, nomina^ namen. F.R.65,3, 
nen, nena, nene, nullus^ geen. H.1,6. 

A.5,13. E.L.1,43. 
nenerhanda, nenirhanda, nenra- 

honda, nulUie^ geenerhande. F.R. 

25,20. 87,5. H.10,14. 
nenerleye, nuüus^ geenerlei. Ch.1, 

535, nenerleya wyss, nuUo modo^ 

op geenerlei wgs. nenerslachta. 

0.4,9. 
nenya, nominare^ noemen. J.M.F.II, 

220: So scel hi thet land nenya. 

Dan zal hg het land noemen, 
nenne, ntMus^ geene. B.51. H.1,3. 

nentera, nenthera, nentra, nuUus 
eorum, geen hunner, F.R.36,9. J.M. 
F.17 Zie: nelthera. 

ner, nee, noch. O.v. 

nera, alere, voeden. H.2,5. 0.4,5. 

nere, anguatua, angstig. J.M.F.13: Dae 
was *t alle Romerum an nere, 
dat hia alle fara weren. Toen 
hadden alle Romeinen angst, dat zg 
(de Friezen) vooraan waren. Zie: nara. 

ner ra, alere, voeden; sustinere, educare^ 
onderhouden, opvoeden, F.R.59,18. 

nerringhe, commercium, handel; meten- 
tatio, educatio, voeding. 0.15,2. 

nerst, proximue, primus , naast, eerst. 
J.M.F,14. 

nerth (ne werth), non fit, nonrevenit, 
komt niet, wordt niet. A.3,18: Nerth 
ther nen neil mar. Komt er geen 
nagel weder. — ner the, non fisbat, 
werd niet. F.O.L.5,30: And nam- 
mermar sprecande nerthe. En 
nooit weder sprekende werd. 



367 



nwtfa. — iiy« 



sas 



nerth, non eraty niet was. l.E.2,24: 
Thi lethera sleck nerth nante 
gr at. De laatste slag werd niet aan- 
geklaagd. 

nerth e, nocebat^ schaadde. H.4,47. 

nesla, nestla, ligamenta^ banden, nes- 
tels. B.67. God. Oelrichs ibid. 

nest, proximus^ naast, naaste. H.2,1. 
B.94. 0.1,70. l.E.4,2. 

nesta, concubinus^ maritus, bedgenoot. 
J.M,F«17: Ten lesten nam hio her 
Franck ty een nesta. Eindel^k 
nam zg (Jacoba) heer Frank tot bed- 
genoot. 

nestcaep, jus tricinii et propinqui^ in 
vendiiiom bonorum propinqui vel vicini 
publica^ niaarkoop, naderingsregt. F. 
R.30,23. Zie: nyaer. 

nestla, zie: nesla. 

nestleger, ts^ ^us ager alius agro 
proximus estj naastleger. F.Il.30,2. 

nestn, non habesj hebt gg niet. 2.E. 
4,1: And thet nesta nanwet bi- 
talat. En dat hebt gg niet betaald. 

net, neecit^ weet niet. A.7,9. 

net, neth, nethlic, utilisj nnttig. O. 
V. F.R.18,9. 

net, rapit^ schaakt; vim infertj geweld 
doet. l.E.2,18. 

neth, non habet^ niet heeft. B.133. 

netha, <idire pericuktm^ zich wagen. 
F.O.L.3: Tha nethtend tha Fre- 
san.mitha liwe. Toen waagden de 
Friezen hun leven. 

nethe, netthe, ^rofta, genade. H.1,11. 
B.B. — 2) utilitas^ nut. H.t? 

nethe, rw, geweld. B.146. 

nethekesta. 2.E.4,15. Zie: nedkesta. 

nethere. C5h.1, 103. Zie: nedera^ 

nethelic, netherlick, nethlic, uti- 
lisj nuttig. l.E.2^. F.OJi.i;.l. O.v. 



nethse, faedaj hoofddersel, mats. 2. E. 

1,1. Zie: nedszie. 
neticheyth, utüitoê^ nut, nattigheid. 

J.M.F.II, 311. 
netiga, vidare^ vim inferre^ yerkrach- 

ten, geweld aandoen. A.1,15. 
n e tref ft, alimentum, neeesearium^ be- 
hoefte, nooddruft. F.B.60,19. 
netreflick, necessarius^ noodzakelgk. 

F.R.8,3. 
netta, nottia, utt, gelnmiken. F.R. 

64,20. 0.8,22. 
nettaskredene, netskredene. A. 

3,10.19. Zie: nittaskedene. 
nette, utüitctSj nut. F.O.L.5,16. — 

2) utüis, nuttig. F.R.1,1. A^,18. 

H.9,2. nettere, tUUior^ nuttiger. F. 

R.1,4. 
nette, otnewtum^ darmnet. A.3,10. 
nettegia, nottighia, culminiëlrare^ -i 

besturen. 0.1,50. J.M.F.2,49. 
nettegia, utij gebruiken, nuttigen. 

R.32,24. 
nettia, zie: netta. 
netticheed, netticheid, uttUéo^yn 

0.12,13. 
netticheed, proventus^ opkomsten. 

R.87,5. 
netticheed, necesHtoê^ noodxskeljj 

heid. F.R.32,14. 
neua, newa, nepos^ neef. B.lld. 

L.3,16. H.2,15. 
nevil, nebula, nevel. 0.4,2. 
ne werra, eive^ ten ware, tenzg. 

O.L.2,9: Ne werra thet hi hi 

hilpa wolt. Ten ware hg hem helr 

pen wilde, 
nhetzie. H.4,10. Zie: nethse. 
ny, ni, nee, noch. B.22.194. fl.l^lC^ 

non, niet. 
ny, novus, nieuw. O.r. 



369 



ni— niuent. 



370 



ni, prope, aequo jure^ na, nabg. A.2,6: 
Ther is alsa ni. Er is even na. 

ny, postj na. 0.1,8: Lgwet ng dg 
soen. Overleeft dé zoon hem. 

nia, novus, nieuw. B.13. nyara, nieu- 
were. 0.3,2. 

nyaer, jus retractus, naderingsregt. Zie: 
nestcaep. 

nyaer, niar, niarra, majoris juris^ 
nader. F.R.3,7. A. H. en F.O.L. 
1,2. 2,6. nyer. 0.1,49. P.R.m, 8. 

niarkap. E.L.3,38. Zie: nestcaep. 

nyarwixle, commutatio bonorum jure re-- 
tractus, naderingswisseling. B.83. 

niata, uti^ nutten, gebruiken. F.O.L. 
4,34. 

niauwe, nepos^ neef. J.M.F.Reg.4. 
2,70. 

nicht, invidia^ ngd, F.O.L.2,9: Vmbe 
aldne nicht. Wegens oude haat. 

nida, infraj beneden. 0.8,17. 

nidla, nitla, acus, naald. Ch.1, 105. 
0.11,66. 

n i e, ng e, noms, nieuw. F.R.7,6. 32,25. 
F.O.L.t;.l. 

nyerlegerda, vicinua^ naastleger. F. 
R.2,27. 

nyes, zie: neyes. 

nieta, nyeta, uti^ gebruiken, genieten. 
0.12,21. 14,4. 

niewil, nebiUa, nevel. J.M.F.6,2. nie- 
wiltj oester, perobscurusj stikdonker. 
Zie: neilthiuster. 

nift, niftline, neptia, nicht. E.L. 
3,16. B.119. H.2,15. F.O.L.7,2. 

niga, inclinarej neigen; proclinare^ bui- 
gen, gehoorzamen. A.1,7: Til thiv 
thet wi Frisa suther nigi. Daar- 
om, dat wg Friezen ten zuiden ge- 
hoorzamen. 

nigun, niugun, novem, negen. A.9,6. 



nige, novi, nieuwe. H.9,2: Thet Fre- 

san ierahec nige redian him 

kere. Dat de Friezen zich jaarlgks 

nieuwe regters kiezen, 
nil, nel, non vult, niet wil. B.166. 

Zie: nel. 
nima, nimia, caperCj sumere^ nemen, 

vangen. H.3,3. P.R.25,8. B.143. 

156. nom, capiebat, nam. l.E.3,10. 

J.M.F.II, 287. 
nymen, nimen, sumtus, genomen. F. 

R.21,22. 27,1. l.E.1,17. 
nymen, nymma, nymmen, nim- 

mend, nemo^ niemand. F.R.1,16. Ch. 

1,401. 772. 
nintera, nullus^ geen hunner. 0.9,1. 

Jef hia deer nintera sint. Zoo 

er geen hunner is, 
nyoedsecken. F.R.2,24. Zie: need- 

secken. 
niogen, novemj negen. l.E.2,1. 
niogende, nonus, negende. O.v. 
nioghentendeste, decimus nonua^ ne- 
gentiende, l.E.2,19. 

• 

nis, non est^ is niet. F.R,IU, 16. 

nith, invidia, ngd. A.2,9. Zie: nicht. 

nithere, nidere, nithereste, tn/i- 
mu8j onderste, benedenste. 1,E.4,9. 
H.4,13. 6,9. E.L.1,26. 

nitla, zie: nidla. 

nittascedene, nittascredene, lae- 
aio ofnenti vel acrotij beleediging van 
het darmnet of van den balzak. F. 
O.L.5,19. H.8,16. Ch.1, 116. 

niuent, obacurua, immenauaj duister, gron- 
deloos. A.9,11: Sa werth him er 
domad and edeled thiu niuent 
hille. Dan wordt hg gedoemd en 
veroordeeld naar de duistere hel (gron- 
delooze hel). (Angelsaksisch: niu el- 
nis se, afgrond.) 

24 



371 



6 — notnuu 



872 



niugende, nivgnude, nonus, negende, 

A,v.l. H.1,9. 
ninre, vena, tongriem. l.E.4,10. 
niwil, nebuia, nevel. F.O.L.2,2. 
noch, nach, adhucj noch. A.1,14. 
noch, aatis, genoeg. l.E.1,8. P.O.L.1,8. 
noch lik, quod placet, salie, voldoende, 

genoegend. Ch.1, 250. 
nochtan, attamen, nogtans. F.R.25,13. 
nochteren, jejunus, nuchteren. F.R. 

1,47. 
noder, nonder, novder, nee, noch. 

F-O.L.2,1.2. H.2,1. 
noed, pericubim, gevaar, risico. F.R. 

32,1, 
noeglick, noglik. F.R.3,8.9. Zie: 

nochlick. 
n o e r d, septentrionem versus, noordwaarts. 

O.v. 4,2. 

noerdsche, septentrionalis, noordsch, 
F.R.50,48. 

noes, nasus, neus. 0.11,23. 

noet, vis, potestas, magt, geweld. O. 
12,18. 

noet, not, fructus, vruchten. J.M.F. 
2,18. B.97. 

noethtrederen, qui fructus conculcant, 
vruchtvertreders. F.R.III, 4. 

nogelick. F,R.2,37. Zie: noeglick. 

nog ia, satisfacere, sufjicere, voldoen. 
F.R.45,17. 

nom, capiebat, nam. H.3,3. 

noma, tutela, voogd^'. H.4,14: Thet 
se a noma se. Dat zg onder voogdg 
is. — E.L.3,12: Alle frouwes no- 
ma (monda?) 'scel hebbe then- 
ne berna ieff then kerna. Alle 
voogdg over vrouwen zal zgn bg den 
geborenen (verwante) of bg den ge- 
korenen (echtgenoot). 

noma, namen, naam. A.v.1. H.3,1. 



nomen, capiebant, namen. J«M.F.12,12. 

Zie: nom. 
nomelic, nominaJtus, cognitus, bekend. 

F.O.L.t;.l. 
nomia, nominare, noemen. 0.4,22. 
nordischa, zie: northera. 
north, septentrionem versus, noordelgk. 

H.1,7. 1.E,1,7. A.1,10. 
northera, northeska, septentrionalis, 

noordsch. B.76. H.5,2. 
northalde, northhaldne, septentrio- 

nalis, noordsch. H.2,25. 3,4. B.147. 

F.O.L.1,17. Zie: tre. 
North ef. Mare germanicum, Noordzee. 

H.3,4. 
northhiri, exercitus septentrionalis, 

noordsch leger, noormannen. A.1,10. 
northkening, rex, qui habitat in par^ 

tibus septentrionalibus, noordsche ko — 

ning. F.O.L.3. 
northliude, northman, normanm -2 

noormannen. H.1,10. A.2,20. 
nose, nosi, nasus, neus. E.L.1,2 

A.3,6. 
nose ben, os iumi, neusbeen. B.198. 
nosebreud, laesio nasi, neusbezeeru 

neustrekking. 2.E.1,3. E.L.1,24. 
n os t, cloaca, riool. E.L.1,51. 2.E.1,L 
nosteren, nostern, nosterle, n(^ « 

terlin, nostar, nostrim, nar^^^ 

neusgaten. E.L.1,13. B.184. 1 .JEL 

4,8. H.4,15. A.3,16. 2.E.1,4. F^ 

O.L.5,7. 
not, noth, fructus, vruchten. B.^7. 

E.L.3,60. 0.1,17. Zie: offnoia.^. 
nothrauwe, raptus fructuum, roof tui 

vruchten. J.M.F.n, 304. 
notya, uti, gebruiken, nuttigen. CÜïiAv 

471. 
notma, fructus^ vruchten. F.B-^^S,12 

Den lesta notma hawn fc^ ~b ^ 



373 



nottredinne— oen. 



374 



landen. De laatste vruchten van het 

land gehad, 
nottrediune. J.M,P.II, 304. Zie: 

noethtrederen. 
noulick. F.R.15,37. Zie: nochlick. 
nout, won, niet. F.O.L.1,10, 2,2. 4,16. 
nonnen, nepotes^ neven. F,R.49,2. 
nouwelicke, satis^ genoegzaam. J.M.F. 

II, 281. 
novder, necj noch. H.2,1. 



novte, non, niet. H.10,14. 
nowa, neposj neef. F.R.11,6. 15,27. 
nowerna, nuUibi, nergens. F,O.L.5,2. 
nowet, non, nihil, niet, niets. F.O.L. 

8,5. S.2,2. 
nowlick. F.Il.9,6. Zie: nochlick. 
nu, nw, nunc, nu. E.L.3,1. O.v. F.R. 

6,6. 

nut ha, alere, voeden. F.O.L.2,5. Zie: 
notya, nettia. 



o. 



ebenen, fomaces, ovens. Ch.1, 394: 
Dat de Redeslioede moghen 
riuchte vr obenen ende thera, 
ende elkis punten, deer nette 
sin tojenis den brant. Dat de 
Raadslieden het opzicht zullen hebben 
over ovens en teerkoker^en en over 
aUa zaken, die noodig zgn tegen brand. 

och, />ro^u>, bewgs. Ch.1, 103. [J.M. 
F.II, 187 heeft: oth (eth?), eed, be- 

WflS.] 

-echt, competit, komt toe. F.R.64,3. — 

2) oportet, behoort. 0.5,2. — F.R. 

61,2. ochte, exigebai, eischte, 
ocke, etiam, ook. 2.E,4,3. 
o der, secundus, tweede. O.v. F.R.17,3, 

oderis, alterius, andere, oderem. 

aüeri, den anderen. F.R.17,15. 
oeef, zie: of. 

oeentamen. F.R.6,8. Zie: oentame. 
o e ff, zie: of. 

oeffdela, abjudicare, siwijzen. F.R.36.2. 
oeffliuich, mortuus, aflgvig, dood. 

P.R.32,13. 



oeffnyma, impedire, beletten, benemen. 
F.R.19,2. 

oeffsetta, amovere a, abrogare alicui, 
afeetten. F.R.73,1. 

oeffsinnich, demens, onzinnig. F.R. 
5 1,1. noot. 

o e f f 8 1 o e r n, defunctus, qui morte jus hae^ 
reditatis amisit, afgestorven. F.R.37,6. 

oeffwerrer, defensor, verweerder, ver- 
dediger. F.R.63,9. 

oefste, oeftelick, saepe, dikwgls. F. 
R.13,11. Ch.1, 743. 

oefwynna, impetrare a, auferre cdiquid^ 
afwinnen, afvorderen. F.R.15,35. 

oefwysd, abjudicatus, afgewezen. F.R.7,3. 

oemen, cUiquis, iemand. Gh.1, 699: 
Jeft er emmen oemen bytiga 
mith tyauwerya. Zoo er iemand 
iemand beticht van toverg, — Hwa 
oemen byfiucht in dykwirk. 
Wie iemand in dakwerk hindert. 

oen, ad, in aan. J.M.F.6,2. — 2) in, in. 
F.R.59,4. J.M.F.1,3: Des deys oen. 
Den volgenden dag. 



375 



oenbegin— oenprovinga. 



876 



oenbegin, oenbigin, initiumy prinr 
cipiwn, begin, aanvang. F.R.2,18. 
4,2. 49,1. 

oenbern, oenebern, innatus^ aange- 
boren. O.v. J.M.P.1. 

oenbern e, nondum natusj ongeboren, 
niet voldragen. J.M.F,4,1. 0.2,1. 

oenbihinderd, liber, ongehinderd. O. 
17,7. 

oenbikera, interponere «e, curare^ ad" 
miscere se alicui negotio^ zich met iets 
bemoeien. F.R.26,4. 

oenbiradedis, zie: onbirades. 

oenbinda, absolvere^ ontbinden. 0.1 4,5. 
J.M.P.10,13.n.l. 

oenbrengh, oenbringh, probatiojhe" 
wgs. P.R.13,21. 0.9,2. J.M.F.9,37. 

oenbringa, probare^ bewgzen. 0.4,24. 

oenbringh, immissio in possesaionem, 
het in bezit stellen. F.R.30,30. 

oenbrocht, convictus, probatus^ over- 
tuigd, bewezen. F.R.43,1, 

oencoeme (oentcoeme?), evadebant, 
ontkwamen. J.M.F.1,6. O.v. 

oencommen, adeptus^ aangekomen. F. 
R.17,13. 36,14. 

oendeeld, indivisus, ongedeeld. 0.1,33. 
J.M.F.2,34. 

oendeen, annihilatus, vernietigd, ont- 
daan. J.M.F.12,17. 

oenebern, zie: oenbern. 

o en e er wet, haereditariusj aangeërfd. 
F.R.36,15. 

o en fa, occupare, in bezit nemen. O. 
12,18. J.M.F.12,19. oenfing, ca- 
piebat, aanvatte. F.R.44,1. oenfin- 
zen, aangepakt. F.R.51,1. 

o e nf al la, obtingere, te beurt vallen. 
F.R.50,7. 

oenfer, execuiio^ inlaag. 0.9,13. Ch. 
I, 239. 



oenferd, immiêsio in passeationem^ in 
bezitstelling. 0.4,1. 

oenfing, capiebcU^ vingi aanvatte. F. 
R.44,1. 

oenfyuchta, oppugnare^ bevechten. 0.«. * 

oenflecht, laeaio^ bezeering. 0.11,18. 
Ch.1, 102. J.M.F,n, 210. 

oenfoel, zie: oenfalla. 

oenforwrocht, non amissus^ niet Ver- 
werkt, niet verbeurd. F.R.33,li, \ 

oen ga, attinere, aangaan, betreffen. F. 
R.15,14. 

oenga, probarCj se de/endere^ ontgaan, 
verdedigen. F.R. 1 ,24. 

oengaen, accipere, aannemen. 0,12,10. 
J.M.F.12,9. 

oenhaler, zie: onhaler. 

oenheer d, auditus^ aangehoord. F.B. 
46,2. 

oenheldicheed, 7na2uf7i, kwaad. J.H. 
F.1,1. 

oenhing a, laqueo vitam Jmire, ophan- 
gen. F.R.64,12. 

oenhlest, festivus clamor, gejuich. O. 
8,22. J.M.F.7,50. onhleste. 

oenkalta, oenkaltia, accusare^ aan- 
klagen. 0.11,28.51. 

oenled ene, ductus^ aanvoering. 0.6,1. 

oenleger, instinctar^ auctor ^ aanl^^r. 
F.R.58,5. 

oenlenda, attingersj aangrenzen. O. 
1,31. 

oenmoetlyk, impius, irreligioêus^ niet 
gemoedelgk. O.v. J,M.F.1,1. 

oennaemd, zie: onnaemd. 

oennyma, accipere^ aannemen. F.R. 
21,12. 

oenprovia, probare, bewgzen. F.R.l,24. 

oenprovinga, oenprowinge, oen- 
prowyngha, probatio^ bewgs. O. 
16,23. F.R.13,1. m, 14. 



377 



06nriacht--oerloiiit. 



378 



oenriacht, injuste, ten onregte. O.t?. 
oenschiolde, innocentia, onschuld. 
J.M.F.1,1. 

oensecka, actovj aanspreker, eischer. 
P.R.15,34. 

pensyoen, cwrpecfti*, beschouwing. F.R. 
13,2. 

.xjietisiucht, aspicit^ aanziet. F.R. 
2,14. 

oenslita, annihüare^ vernietigen. J.M. 
R2,62. 

oenspreeck, oensprek, oenspreke, 
actto, aanspraak, eisch. 0.12,6. F.R. 
7,1. J.M.F.n,286. 

oenspreker, actor^ eischer, aanspreker. 
F.R.1,7. 

oenspritzen, in jus vocatus, aange- 
sproken. F.R. 1,22. 

oenstand a, oririj nasci^ ontstaan, op- 
staan, O.t;. oenstoe d, ontstond. 

oenstore n, marie ctd aliquem devolutus^ 
alicui relictusj aangestorven, aanbeêrfd. 
F.R, 7,3* 

oenstrida, oppugnare^ bestrgden. F.R. 
58,8: Dyr oenstrith wirth. Die 
bestreden wordt. 

oenswerra, ae purgare^ zich door een 
zuiveren, ontzweren. J.M.F.2,20. 

oen tal a, in jus vocare, aanspreken. 
F.R.m, 14. 

oentaelra, actor, aanspreker. J.M.F, 
n, 286. 

oentame, eaceptioj uitzondering, ex- 
ceptie. F.R.6,8: Dat alle da oeen- 
tamen mey dfl sitter nymma. 
Dat de beklaagde alle exceptien mag 
stellen. F.R,13,11. 

oentasta, capere^ aanpakken, aantasten. 
F.R.60,16. 

oentgeet, oblitus est, vergeet, ontgaat. 
F.R.31|5. 



oenthinga, judicare, vonnissen. F.R. 

2,29. 
oentingh, probatio, bewgs. 0.8,5. 
oentingere, actor, aanspreker. 0.1,39. 
oentingh, accipiebat, aanvaardde. F.R, 

2,29. 
oentoicht (oentiocht?), induit, aan- 
trekt. J.M.F.n, 284. 
oenwaexna, abortivi, onvolwassenen ; 

minores, minderjarigen. 0.3,11. 
oenweemd, onwemet, oenwenned, 

illaesus, onbeschadigd. 0,5,2. J.M.F. 

2,11. 
oenwerke, machina, werktuig. 0.1,64. 

Zie: inwerk e. 
oen werp, instigatio, inspiratio, inge- 
ving. O.vl 
oen wessa, adesse, tegenwoordig zgn. 

Ch.I, 537:By, wr ende oenwessen. 

Bg, over en tegenwoordig geweest, 
oer, alter, ander. JM.F.2,65. 
oer, super, op, over. F.R.76,6: Oer 

da noes. Op den neus, over den 

neus. 
oerd, acus, spitse, punt. 0.1,2: Mgt 

etkeris oerd. Met de punt van het 

zwaard, 
o er de, ordo, regula, order, regel. F.R. 

ra, 10. 

o er hal, unus et dimidium, een-een-tweede, 

anderhalf. Ch.I, 97. 
oerlef, oerlof f, permissie, verlof. O. 

1,64. F.R.5,2. 55,4. — orloff. J, 

M.F.2,65. 
oerloefft, permittitur, geoorloofd is. 

F.R.55,5: Hwam dat oerloefft to 

s tri den. Wien het geoorloofd is te 

strijden, 
oerlouit, permissus, geoorloofd. F.R. 

55,5: So is 't him oerlouit. Dan 

is het hem geoorloofd. 



379 



oers— ofbetta. 



380 



o er 8, alii, andere. F.R.1,29. 

o er 8, porrOy oyerigen8. F.R.21,10. 

oer8chet, reliquium, overschot; altera 
pars^ ander gedeelte. F.B.60,21. 

oerss, porro^ overigens. F.R.15,12. 
21,10. 

o er s te, secundo^ ten tweeden, ten an- 
deren male. F.R,26,19: Dat ze 
oerste tyd mannie. Dat zg ten 
tweeden male een man neemt, 

of, aft, van. B.127. l.E.1,9. — 2) ex, 
uit. E.v. A.2,22. — 3) per, door, met. 
A,7,16: Of stokke. Met den 8tok. 

ofbreszen, abruptuë, a%ebroken. H. 
6,15, 

ofdrenka, mbmergi, verdrinken. Ch.I, 
376. ofdrinste, submergebatur, ver- 
dronk. 

ofdreuen, expuUuê, verdreven. F.R. 
2,31. 

ofdrina, offdryuua, eapeUere, afdrg- 
ven, verjagen. A.2,3. F.R.1,41. 

ofe breken, abruptus, a%ebroken« H. 
4,10. 

ofecnruuen, ofekoren, abscissus, af- 
gesneden. J.M.F.n, 189. l.E.5,1. 

ofelat, ablatus, afgevoerd. J.M.F.9,26. 

of e ra, partem alitis agri arando adi" 
mere, ac sibi vindicare, af-, overploe- 
gen. l.E.5,27. 

ofeslein, decusstéSj amputatus, a%esla- 
gen. A.v.1. ofeslagin. F.O.L. 
5,14. 

ofesnithen, abacisêus, afgesneden. H. 
4,4. 

of f ara, offerre, offeren, aanbieden. O. 
8,22. J.M.F.7,50. 

offdeeld, abjudicatus, afgewezen. F.R. 
7,3. 

ofdrynua, eapeUere, afdrgven, verjagen. 
F.R.1,41. 



off dry wa, adimere, detrahere, wegne- 
men. F.R.24,9. 

o f f e r m a n, aediHmuê, koster. P.O.L.4,3. 

of f f ara, abire, afgaan. F.R.37,1. 

off bauwen, abscissua, afgehouwen. E. 
L.1,20. 

offkera, abscindere, afsngden. F.R.III, 
10: Hand offkere. Hand afsn^di 
E.L.1,80. offkerth, abscinditj af- 
sn^dt. 

offketa, proclamare, afkondigen. £.B. 
5,6. 

of f kirt h e, detra/iere, deducere, afkorten. 
E.L.3,44. 

offlidza, solver e, betalen, voldoen. B. 
B.16. 2.E.3,16. F.R.59,7: Al den 
schada offlidza. Al de schade vol- 
doen. 

offleta, omittere, denstere, nalaten. F. 
R.60,23. 

offnima, au^i^rre, wegnemen. E.L.1,57. 

offnima, impedire, beletten, verhinde- 
ren. J.M.F.10,1.11. 0.13,1.11. 

offnoma, proventus, opbrengst. S.Ii. 
3,60: Sa tali hia tha nota thet 
is tha offnoma fon butere and 
korne anda fon ther tetinge. 
Dan deelen z^ de vruchten, dat is: de 
opbrengst van boter en van koom en 
van den veeteelt. 

of f scheren, tonsusj derasus, geschoren. 
E.L,1,2. 

offsella, redimere, afkoopen, lossen. 
F.R.24,13. 

offsenga, deurere, afschroegen, zengen. 
E.L.1,91: Huasa otherem sine 
clathar sine vlle offsangh* Wie 
den ander zijn wol van de kleederen 
afschroeide. 

offsetta, dimitterey dejicere (aliquem) 
maffiêtratu, afzetten. F.R. 19,8. 



381 



ofGsla— olinga. 



382 



offsl a, amputorö, afslaan. P.R.IQ, 10. 
E.L.1,11. 

offsnithen, abscUms^ a%esneden. E. 
L.1,6. 

offsplita, abripere, afscheuren. E.L. 
1,88: Then mantel offsplit. Den 
mantel afscheurt. 

offstyora, deducere^ afsturen, afbren- 
gen. P.R.60,23. 

offstritzen, abrepttiSj a%estreken, af- 
gescheurd. E.L. 1,1. 

offta, saepcj dikwgls. F,B.4,2. 

offwerrer, defensor^ reus, verweerder. 
F.ïl,24,20. 

o f f w i n n a, usurpare, oceupare, afwinnen. 
E.L.1,71. 

ofgebresken, ofgebreszan, abrupt 
tu8, afgebroken. H.8,5. 

ofgesnithin, aisciasus, afgesneden. 2. 
E.1,6. 

ofghenghe, nioriebaiur, stierf, verloor. 
Ch.I, 376. 

ofginimin, aublatus, afgenomen. H.6,17. 
of gong, dücesêio, disceseus, afgang. A. 
3,18. 

ofgunga, abire, afgaan, verlaten. B.5. 

ofheva, sublevare, afheffen, aftillen. B. 

. 48. E.L.1,70. 

ofkera, abadndere, afengden. 0.16,19. 

ofketha, prodamare, invitare ad eaeun- 
dum, uitroepen. B.218. 

of Ie da, deducere, afleiden. H.2,9, 

ofledene, aggreano, aanval. H.7,1. 
l.E.6,2. B,46. A.4,1. P.O.L.1,17. 

ofleten, oefleten, indvlgentiae, afla- 
ten. ChJ, 630. 

oflethegenze, oflethenghe, abscis- 
êio, afelag. 2.E.1,1. l.E.5,1. (P.d. 
Hs.: a^fsneden.) 

oflguichy martuusj aflgvig, dood. O. 
1,50. 



of na, eaercere, oefenen. A.9.2. 
ofnima, toUere, eacipere^ afnemen, af- 
zonderen. A.4,1. 
ofnima, impedire, beletten. l.E.6,5. 
ofnima en lif, occidere^ dooden. H. 

2,23. 
ofschera, ofscherra, foruJ^r^, afschee- 

ren. 0.1,64. J.M.P.2,65. 
ofsedel, descensioj het afstggen (van een 

paard). 0.10,35. 
ofsinghet, ofsinsghet, deustus, a- 

dustus, afgeschroeid. Ch.I, 109. J. 

M.F.n, 226. 
ofsitta, deacendere, afstggen. 2.E.1,26. 
of sla, amputare, afslaan. A.1,16. 
ofslech, ofslecht, ofslegt, amputa^ 

tio, afelag. H.4,4. 8,15. A.3,9. 1. 

E.4,1. P.O.L.5,1. 
ofsneyn, abaciasus, a%esneden. J.M.F. 

II, 210. 
ofstata, detrudere, afstooten. A,3,14. 
ofstonda, renuntiare^ abnegare, verza- 
ken, afstand doen. A.8,1. 
ofta, aaepe, dikwgls. H.10,17. 
of to slande, amputare, af te slaan. 

A.1,16, 
oghe, oculua, oog. 2.E.1,1. 
ogneil. difformiiaa unguia^ wanstaltenis 

van den nagel. A.3,18. Zie: ongneil. 
ol, olie, omnisj al, alle. E.L.1,13. 
olderefter, poateaj daarna. 2.E.4,19, 
olderleresta, leviaaimua^ allerlichtste. 

E.L.1,77, 
olderminsta, minimua^ allerminste. 

E.L.1,74. 
olia, adminiatrare aacramentum extremae 

unctiontSj het H. olgsel toedienen. 

F.R.60,11. 
olie, oliene, unguentum, zalf. O.v. 2.E.t;. 
olinga, per f illac^ iatacj veraua^ langs. 

F.O.L.5,2.21. 



383 



olie— omslaen. 



olie, zie: ol. 

ollena, solus, alleen. E.L.1,74. 

Hik e, par^ gelgk. E.L.1,68: O Hik e 

f ui. Evenveel. 

ologad, unctus, gezalfd. A.7,12: And 
wil i ologad wertha. En wil hij 
met de H. olie gezalfd worden. 

olrackne, olracne, unusquisqtiej ieder. 
2.E.1,26, 

olreerest, olrest, prius^ allereerst. 
2.E.4,28. 

olremonnec, quisque^ ieder. 2.E.4,5. 

olsa, aeque^ evenzoo. E.L.1,13.15. 

olsanaka, cum, als, zoodra. 2.E.4,37: 
Thet arre reskip and thet lete- 
re tuihscat olsanaka, sa da le- 
tera rediewa thene eth hebbeth 
esnerin. Het vroegere geregt en het 
latere scheiden, zoodra de latere reg- 
ters den eed gezworen hebben. 

olther, ubiy alwaar, waar. E.L.1,12. — 
tW, aldaar. E.L.1,77. 

01 the refter, posthoc^ daarna. E.L.2,2. 
ol to, usque ad^ tot op. E.L.ly42: 01 

to tha hamede. Tot op het hemd. 

om, quo ad, wegens. F.R.1,4, 

om, spiritus, adem. E.L.1,38. 

om b echt, districtus, ambacht, regtsge- 
bied. H.10,11. 2.E.4,23. 

ombecht, ombeth, ofjicium, munusj 
ambt, bediening. E.L.2,12. 

ombithe, o mh e cht^recommendatioani- 
tnae, aanbeveling der ziel, P.O.L.4,30. 
31:Sin ombithe ther to herane. 
De aanbeveling z^ner ziel daar te hoo- 
ren. 2.E.4,39. 

ombrecka, deficere, ontbreken. F.R.12,1. 

ome om ma, impleri, finiri, elabi, ver- 
vallen, eindigen, omkomen, versche- 
nen. 0.1,15. F.R.7,1. — omcom- 
men, elapsiis, verschenen. F,R.9,1. 



894 



omdat, ideo, daarom. 0.3,16: O'm- 
dat schillet alle Fresan wessa. 
Daarom zullen alle Friezen a^n. 

omfo, ampleausj omhelzing. F.O.L.I, 
52: En omfo, ieftha thet ma hia 
cleppe and kesse. £ene omhelzing, 
of dat men zich vleeq^^lgk met haar 
vereenige en haar kussS; 

omga, perpetrare, tUi, bezigen, verkee- 
ren, met omgaan. . F.R.81,14. 

omga, se sententiam mutare, van gevoe- 
len veranderen. F.R. 15,23. 

omginsen, factus, geschied, gedaan. 
F.R.7,6. 

omkaltya, accusarej aanklagen. Ch.L^ 
103. Zie: oenkaltia. 

omkap ia, corrumpere, omkoopen, F.EL 
56,3. 

omma, spiritus, adem. H.4,17. A.3,1^ 3. 
F.O.L.5,8. 

ommecleed, amiculum^ overkleed. J. 

M.F,6,22. 

ommia, spirare, ademen. E.L.1,24. 
ommietlick, sine mensura, immenm^mSf 

extra potestatem, onmetelgk, bo^T'en 

magt. F.R.9,5. 
ompachke, districius, regtsgebied. F. 

O.L.9,10. Zie: ombecht. 
ompel, ampüUa, calia, beker, kelk. F. 

O.L.4,4.34. 

omseth, institutus, ingesteld. F.B, 
50,34: Dat riucht is omseth, dat 
tet een man helpa schil. Hei 
r^t is ingesteld opdat het iemand 
helpen zal. 

omsiaen, attendere, opletten, omzien. 
0.12,27. 

omsiaen, agerede, tractare, behandelen. 
P.R.60,23: Ende hwelck boes- 
heyd ende misdede oen hym 
allermaest is, deer sel men ftl* 



\ • 



S85 



omtyaen-^onderde. 



386 



lermaest omslaen, ende men 
schil him ymmer tofara deer 
fan bjrespa. En welke boosheid of 
misdaad bg hem de grootste is, die 
zal men het meest onderzoeken en 
men zal hem immer voor alles daar- 
over berispen. * 
omtyaen, aatisfacere^ voldoening geven. 
F.R.58,6. — 2) suscipere in se, sumerej 
aannemen. F."R.64,1: Dy is dyn 
schade al truch schildich om 
to tyaen off op to riuchten. 
Die is verplicht de geheele schade te 
voldoen of te herstellen. 

omtrent, usque ad^ tot. P.R. 1 ,47: F a n 
der sonna opgong omtrent mid- 
dey. Van zonsopgang tot den middag. 

on, ad, aan. E.L.1,84, A.1,13. l.E.1,9. 

onaefft, illegitimus, onecht, onwettig. 
F.R.47,1. 

onaemed, non nominatus, niet benoemd. 
J.M.F.Reg.10. Zie: onnaemd. 

onbannen, liber, vrg; non ff ravatus, niet 
bezwaard. 0.8,8. J.M.F.Reg.11. 

onbanplichtich, banni non obligatua, 
niet banschuldig, -plichtig. 0.7. J. 
M.F.7,l,n*. 

onbern, non natua, nondum natua, on- 
geboren. 0.11,19. F.R.1,46. 

onbesaend, non diaceptatua, de quo 
non eat diaputatum, onbetwist. F.R. 
36,13. 

onbescat, indejinitua, onbepaald. F.R. 
37,8. 

onbewillet, immaculatua, onbesmet, 
onbezoedeld. 0.12,10: Onbewillet 
wessa fan sondlika dedem. On- 
besmet zgn wegens zondige daden. 

onbynda, aolvere quaeationem, oplossen. 
F.R.46,31:Dat onbynd ick aldus. 
Dat los ik aldus op. 



onbinda, alligere, aanbinden. A.7,5. 

onbiginna, incipere, beginnen. A. 
7,10. 

onbiienne, initium, hegin, aanvang. 
A.7,9. 

onbinaemd, non nominatua, niet be- 
noemd. 0.7,5. Zie: bynaemd. 

onbirades, oenbiraedadis, ^tW con- 
ailio, onberaden, zonder overleg. O. 
15,1. J.M.F.10,13. 

onbiriocht, non judicatua^ onberegt. 
Ch.I, 376. 

onbisamyd. J.M.F.9,32. Zie: onbe- 
saend. 

onblara, inflare, inapirare, aanblazen, 
inblazen. l,E.o,13: And tha bier 
em on thene helga om. En blies 
hem toen de ziel (heilige adem) in. 

onbodet, oenbodath, non citatuaj met 
gedagvaard. 0.1,57. J.M.F.2,58. 

onbreek, diaailiebat, brak los. J.M.F. 
1,7: Dat dy hemel onbreek mei 
tonre ende mey blixemynge. 
Dat de hemel losbrak met donder en 
met bliksem. O.v. ontbreeck, zie: 
ontbreka. 

onbrinscze, onbrinsche, accuaatio, 
aanklachte; probatio, bewgs. Ch.I, 98. 

on cl e u e, talua, enkel. A.9,1. 

on deel d, indiviavs, ongedeeld. F.R. 
30,18. 

ondeelachtig, non particepa, niet deel- 
achtig. F.R.56,1. 

onder, aub, onder. O.t?. 

onder, praeaentia, tegenwoordigheid. 
F.O,L.8,2: Inna thes riuchters 
onder schen is. In tegenwoordig- 
heid van den regter geschied is. 

onderde, reaponaio, antwoord. H,8,22. 

onderde, praeaentia, tegenwoordigheid, 
H.10,18. 

25 



387 



onderdia — ondrein. 



388 



onderdia, respondere, antwoorden. F. 
O.L,2,15. 

onder ene gunghe, invicem, pervices^ 
onderling , beurtelings. Ch.I, 500: 
Ende als disse twa grata ghae 
habbet onder ene gunghe fiou- 
wer jeer, elck hiara eed ferd. 
En als deze twee groote dorpen op 
hunne beurt vier jaar, ieder hun regts- 
gebied gevoerd hebben. 

onder fonden, inguisitua, onderzocht. 
O.V.: Alont hit to Boem worde 
on derf on den. Totdat het te Rome 
onderzocht werd. 

onderhaua, onderhewa (ouder he- 
wa?) bana patema, ouderl^ke bezittin- 
gen; feudum^ leen? 0.1,6. J.M.P. 
2,6.33. [Het opschrift van § 6 is: 
Fan anderis (alderis) lawa.] 

onderpanda, oppignorare^ ten onder- 
pand stellen. F.R.87,8. 

onderree d, proditio, verraad. Ch.I, 
590: Soe domdorstich were, dat 
hy enich onderreed oen wse 
Land dede. Zoo stoutmoedig was, 
dat hg eenig verraad jegens ons Land 
bedreef. 

onderronnen, circumdatua^ obsidione 
cinctus^ berend. F.R.66,4: Je ff een 
man syn burich onderronnen 
wird. Zoo iemands burgt berend werd. 

onderscheed, onderschjl^ diferentia^ 
onderscheid. F.R.23,2. 50,5. 

onderseka, inquirere^ onderzoeken. F, 
R.73,2. 

ondersetma, pignus^ pand, pandstel- 

ling. Ch.1, 663. 
ondersetta, oppignorare, borgstellen. 

ChJ, 663. 
ondersetten, «uMttt, onderzaten. F.R. 

36,10. 



ondersitta, suhditum esse alieujus jur 
risdictionisj hcAitare, onderhoorig zgn, 
wonen. F.R.12,21. 

onderstannisse, intellectuSj verstand, 
kennis. F.R. 1,1. 

onderstonda, inteUigere^ verstaan. F. 
O.L,5,23. 

ondert, onder, responsioj antwoord. 
F.O.L.4,36. 

onderta, ondertia, submittere «e, por 
rercj onderstaan, gehoorzamen. I.E. 
1,8. H.1,8: Ande thi huskerl 
scel er ondertia ende er snera 
sine hera. En de huisman zal eer- 
der onderdoen (gehoorzamen) en eerder 
zgnen heer zweren. 

ondertia, respondere^ antwoorden. H. 
2,22. onderte, re^/>(m(2t>, antwoordL 

ondeuwelika, mdU^ pessime^ verkeer- 
delijk, niet behoorlgk. Ch.I, 376: Jef- 
tha ondeuwelika ofgenghe. Of 
niet behoorlgk (niet natuurlgk) stierf. 

ondhafda, agger contra aquam irruenr 
tem, waterkeering, dgk. A.7,30. Zie: 
apala. 

ondlanda, e^roprtar^, onteigenen. ChJ, 
528: Ende hya Stinnert ondland 
werdden. En zg Stennert onteigend 
worden (voor zooverre hg te veel heeft). 

ondleng, ondling, in longum^ in de 
lengte, langs. B.202: Ondling and 
thweres. In de lengte en breedte. 
H.6,18. — 1,E.5,16: Ondlenges weis. 
Langs den weg. 

ondletha, facies, aangezicht. 2.E.V.: 
Tho fara tha elemathiande Go- 
des ondletha. Voor het aangezicht 
van den almachtigen God. 

ondling, zie: ondleng. 

ondrein, vndrein, ablatua, ontdragen. 
0.5,8. J.M.F.8,8. F.O.L.4,12. 



389 



ondriucht— ongastlick. 



390 



ondriucht, injustus, onregt, onregt- 
vaardig. P.R.19,5. 

^ondsere, purgatioj tegenbewgs. l.E. 
2,17. Zie: ondzera. 

ondwaen, destruere^ te niet doen. F.R. 
22,2. 45,1. III, 10. 

ondwardia, responderen restituere, ant- 
woorden, verantwoorden. A.1,7. 2,5. 
13.17. 

ondzera, eapurgare se^ respondere^ af- 
zweren, ontgaan, verantwoorden. l.E. 
2,2: Otheres ach hin te ondze- 
rane vmbe alle riachte wendar. 
Overigens moet zg wegens alle gereg- 
telïjke misdaden zich verantwoorden. 

on e, oni, sine, zonder. F.O.L.2,12. A. 
2,22. 

onebonden, liberattiêy ontbonden. J. 
M.F.1,6. 

o nee na, discorsy dissentiensj oneenig. 
J.M.P.15. 

oneerfgia, oneerwia, exhaeredare^ 
onterven. F.R,50,24. J.M.F.Iteg.18. 

onefeng, attactus violenius, aanpakking. 
aanvatting. H.4,26. 

o ne fin zen, liber^ vrg, niet gevangen. 
F.R.60,22. 

onefnchten, onefiuchten, impug- 
natus^ aangevochten. A.2,9,23. I.E. 
2,23. 

onekemen, zie: onkemen, 

oneracht, conjinis^ conterminusj aan- 
grenzend. B.83: Inna tha londe, 
thet et erest oneracht is. In het 
land, dat het naast daaraan gelegen is, 

oneslagen, a/Jiaus^ aangehecht, aan- 
gesli^en. J.M.F.II, 314. 

onespien, sputo conspurcatusj aange- 
spuwd. l.E.5,18. 

onespreka, contradicere^ tegenspreken. 
H.4,42. 



onfa, accipere, nemen, aannemen, ont- 
vangen. 0.1,9. 10,10. 

onfa, capere^ vatten, aanvatten. B.llO. 

o nf ar wed, non coloratua^ ongeverfd. O. 
1,64. 

onferd, onfere, immissio in possessio- 
nem^ inbezitstelling. A.2,1, l.E.2,1. 
H.2,1. F.O.L.2,1. 

onfest, injirmusj loco suo remotus, ont- 
steld. H,l,13. l.E.1,13. 

onfoersyonich, inopinato, insperato^ 
onvoorziens. F.R.58,38. 

onfoeruonnen, invictus, onoverwon- 
nen. F.R.33,11. 

on foer wrocht, non amissus^ niet ver- 
beurd. O.v. 

onforloren, non perditus^ niet verloren. 
0.1,1. 7,1. 

onfrede, helium intestinum, binnenland- 
landsche twisten. Ch.1, 345: Hwer- 
soe brect manschoawinghe, is 
't in da heringhum jefta bynna 
tha onfrede ende in alle rey- 
sem. Wie de inspectie verzuimt, is 
het in den oorlog of in tgd van bin- 
nenlandsche twisten en in alle tochten. 

onfuchten, oppugnatua^ aangevochten. 
E.L.1,84. 

onga, liberare se^ ontgaan, bevrgden. 
0.10,9. 

onga, accipere^ aannemen, aangaan, be- 
ginnen. F.O.L.4,24: Nu is hi niar 
mith ethe hia to sikriane, than 
hio thet ordel thor ongan. Nu 
is hg nader met eede haar te ontschul- 
digen, dan dat zg het ordale behoeft 
aan te gaan. 

ongastlick, non religioms, niet gees- 
telgk. F.R.80,4: Deer wralsck 
sint ende ongastlick. Die we- 
reldsch en niet geestelgk zgn. 



391 



ongefEd— onleda. 



392 



ongefal, ongenal, onggefael, mala 
fortuna, malum, ongeval, ongeluk. F.R. 
81,23. 82,15. ChJ, 540. 

ongerig, mtnarennis^ minderjarig. F.R. 
26,9. 

ongert, sine cingulo^ ongegord. 0.1,64. 

onghefachten, impugnatus^ aangevoch- 
ten. l.E.6,2. 

ongle. zie: el e. 

ongneil, ognel, ongnil, hirqtius^hoek 
van het oog. 0.11,12, l.E.4,5. — 
2) delocatio unguis^ ontstelling der na- 
gel. F.O.L.I, 9. Zie: ognel. 

ongong, negatto^ ontkenning, tegenbe- 
wijs. F.R.13,21: Dg ongong is 
nyaer, dan dij oenbreng. Het te- 
genbewgs (het ontgaan) is nader dan 
het bewgs (het aanbrengen). 

ongosta, anxietas^ angst. A.7,9. 

o n g r i p a, arripere, aanvatten, aangrijpen. 
E.L.1,91. 

on gun ga, covenirej congregatie aanko- 
men. B.2. 

on hal er, auctor ^ aanlegger. Ch.I, 535: 
Ende deer van onhaler weere 
der kas e. En daarvan aanlegger van 
het gevecht ware. 

onharsnm, inobediens cantumawj onge- 
hoorzaam, wederspannig. J.M.F.13. 

onheten, promissus, beloofd. F.R. 
6,7. 

onhetenisse, promisaioj belofte. F.R. 
23,1. 

onhleste, zie: vnhleste. 

onhoeschsta, inhonestisaimus , alleron- 
heuschte. F.R.59,25. 

onhoneslick, onhonisk, inhonestê^ 
inhonesiusj onheuschelyk, onheusch. 
F.R.15,16. 51,1. 

oni, sine, zonder. A.2,22: Oni lioda 
orloui. Zonder verlof van het volk. 



onjerich, minorermisj minderjarig. F. 

R.26,3. 
onjonwelykke, indigne^ onwaardig; 

J.M.F.n, 276. 
onjown, impaty oneven. F.B.21,1- 
onkeme, initium vulneris^ hegiikj oor- 
sprong der wonde. E.L.1,25. A.3,4. 
F.O.L.5,5. 

onkemen, onekemen,/ii^ii«, geschied, 
aangekomen. F.O.L.545. B.50: Sa 
skel thi redieua thet wita, ther 
vr hine sveren heth, ther thin 
dede onkemen is. Dan 7«al die r^ 
ter het onderzoeken, die over hem ge- 
zworen heeft, daar de daad geschied is. 

onkera, uti^ gebruiken, besteden tot iets, 
beleggen. A.7,27: Thet thi liodar 
mon hach to wetande therahe^ 
legena god mith thes presteres 
rede, ief ma ther anwet to jefth, 
hwer ma thet onkere, thet hit 
god se. Dat de kerkvoogd, met over- 
leg van den priester het goed der hei- 
ligen behoort te kennen, zoo men daar 
iets aan geeft, waartoe men het be- 
steden zal, dat het goed is. 

onklewa. J.M.F.U, 236. Zie: ont- 
clewe. 

onkost, impensa, onkosten, uitgaven. 
F.R.64,26. 

onladeth, non citatua^ niet gedagvaard. 
F.R.31,2. 

onlawlick, incredibüis^ oi^eloofl^k, 
F.R.67,2, 

onleclys, oenleckljs^ sinevitiis^ klak- 
keloos. Ch.1, 539. 

onleda, probare^ bewgzen. B.49: Let 
thi redieua thet on, thet hit 
binna wagum sken se. Bewgst de 
regter het, dat het binnenshuis ge- 
schied is. 



393 



onlege— onscepen. 



394 



on lege, laboriosus, non vacuus, onledig, 
werkzaam. F.R.5,4: Dyo onlege 
tyd, dat is: dyo haetyd ende 
dyo koerntgd. De drukke t^'d, dat 
is: de hooi- en koomoogst 

onleyde, administrabat, toediende. F. 
O.L.II, And thi helegha depin- 
ge onleyde. En den H. doop toe- 
diende. 

onletene, facies, aangezicht, gelaat. 
Ch.I, 100. 

onlyck, onlik, impar, discors, ongeluk. 
P.R.15,22. 46,7. 

onlinga, verms, langs. F.O.L.5,15. 
Zie: olinga. 

onlnck, infortunium, ongeluk, toeval. 
F.R.58,29. 

onmachtich, impotens, onmachtig, krach- 
teloos. F.R.17,11. 

onmare, offensusj verzet, beleedigd. J. 
M.F.13. Vrge Fries 1,263: Dat alle 
Romera heden den koning Kaer- 
le onmare. Dat alle Romeinen den 
koning Karel beleedigd hadden. (Niebe- 
longen-Lied. 1820, bl. 602: unmaere, 
unlieb; zie ook: Theutonista, voorr. xliy: 
ommaere hebben, verachten; Blom- 
maert^ Oudvlaemsche Gedichten, bl. 124; 
Meijer^ Leven van Jezus. bl. 345). 

onmeens, non falae^ juste, niet valsch. 
F.R.56,12. 0.1,44.71. Zie: meens. 

onmyldicheed, onmyldicht, malitiaj 
boosheid. O.v. F.R.1,1. 

on mis sa, deficere^ ontbreken. Ch.I, 
117: Jeff hy aller syone on 
mist. Zoo hg zgn gezicht geheel 
mist. 

onmoedelykf riaans^ twistend. J.M.F, 
n, 286. 

onmugelickfOnmuglick, impossibilis^ 
onmogel^k. F.R.22,4. 



onnaemd. 0,8,15.20. J.M.F.7,6. Zie: 
bynaemd. 

onnaetlick, indiffnus, onwasxóig. F,R. 
46,24. 

onnayn, improprius, alienuSj oneigen, 
vreemd. F.R.32,5. 

onnette, inutilisj onnut. 0.1,44. J. 
M.F.2,43. 

onnyeta, obesse, damno esse, schaden, 
schadelgk zgn. F.R.50,54: Ende 
agen hyaere faders daed naet to 
onnyeten. En moet hun vaders dood 
hun niet schaden. 0.12,10. J.M,F. 
12,9. F.R.58,34. to onnieten. 

o n n o s e 1, innocensj onschuldig. Gh.1, 344. 

onpeynde, reluere^ ontpanden. F.R. 
59,2. 

onpynget, impunitus^ ongestraft, F.R, 
23,11. 

onprowinghe, oenprowinghe,pro- 
bcAioj bewgs. F.R.18,9. 

onraeflic, aine rapina^ ongeroofd. O. 
9,29. 

onrecklick, ineptuSj onredeLgk, onge- 
schikt. F.R.28,4. 

onreda, probare, bewgzen. 2.E.1,1: 
On the redane mith tuam wi- 
them. Met twee getuigen te bewgzen. 

onredelick, injustus^ onregtvaardig, 
F.R.28,4. — 2) non unanimisj niet 
eensgezind. J.M.F.II, 287. 

onreplick, onreppelick, immobilisj 
onroerend. F.R.36,9. 38,1. 

onriucht, onriuchtelick, injuatitia^ 
injuêtey onregt, ten onregte. 0.1,35. 
F.R.1,1. 

onsand, inturbatus^ ongemaand, onge- 
zaand, ongehinderd. 0.9,29. 

onscepen, non elaboratus^ rudia, onge- 
maakt. J.M.F.II: Onscepena we- 
de. Ongemaakte kleederen. 



395 



onsehatenga— ontfiüla. 



396 



onschatenga, zie: inscatinga. 

onschield, onschyld, innocentia^ on- 
schuld. 0.14,2. F.R.1,1. 

onschyldigia, excusare^ y erontschnl- 
digen. F.R.6,1. 

onschyldinge, excusatio^ verontschul- 
diging. 

onschinende, invisibüië^ onzichtbaar. 

F.OL.8,7. 
onsciolde, irmocens^ onschuldige. J. 

M.F.7,14. 10,12. onscioldich. 
onse, zie: onsia. 

onsecht, facieê^ aangezicht. £.L.1,31. 
o n s i a, o^ptcere, aanzien. E.L.1,40: An- 

da thet tha liude onse. En het 

Yolk dit aanziet, 
onsittand, laxus^ deformiê, ontsteld, 

misvormd. H.4,1. k.^^A. F.O.L.5,6. 
onspyd, onspyn, Bputo conspurcatuêj 

aangespuwd. 2.E.1 ,1 7. 
onspia, adspuere^ bespuwen. E.L.1,90. 
onspreka, aUoqui^ in jus vocare^ aan- 
spreken. H.2,4. 
onspreke, actio, aanspraak, eisch. A. 

onstaen, non valere, geen stand hou- 
den. F.B.46,20: So schillet da 
bokinghe onstaen. Dan zullen de 
inschrg vingen geen stand houden (nie- 
tig zgn), 

on stal, delocatioj luxata membra, wan- 
stalte, wanstaltig, 0.11,9. l.E.4,1. 

onstedicheyt, incanstantia, ongestadig- 
heid. F.R.85,1. 

onsteta, accendere, aanstoken. B.30. 
154. 

onstondende, zie: ontstondende. 

onsuerra, abjurare, ontzweren. 0.1,9. 

onszere, reaponsio, verantwoording. B. 
153: Sa ne thnr hi ther mith 
^anene onszere aienstonda. Dan 



behoeft hg daarvoor geene veraniwoor- 
ding te geven. 

ont, uêque ad, totdat. O.v. 

ontach, vestUbat, aantrok. F.O.L.!!: Ie 
wituie thi by tha forma wede, 
ther ma thi ontach. Ik bezweer n 
bij het eerste kleed, dat men u aan- 
trok. 2.E.r. 

ontaem, exceptio {dilataria)j uitzonde- 
ring. F.B.ll,l. ontaemlich. F.R.6,1. 

ontanc, mala gratia, ondank. Cv. 

ontanclyck, ingratusj ondankbaar. F. 
R.37,11. 

ontankes, non obstanUj involunUtrii, 
ondanks. 0.4,21. 

ont b ara, indigere^ carere, ontberen. 0. 
11,9. 

ontbynda, absolt>erej ontbindeni kwgt- 
schelden. F.R.72,7. 

ontbreka, dissilire, losbarsten. O.r. 

ontbroket, onbroket, sine braccit, 
exutuB braccis, ontbroekt, zonder brode 
0.1,64. 

ontclewa, talu$, enkel. Ch.1, 113. 
Zie: onclewe. 

ontdaen, ad nihilum reductuSj mcMito, 
spoliatuêy non impletua, te niet gedaan. 
0.12,16. 

onteyn, inceptua, begonnen. FJl.6,1: 
Dyr wirt dyo seeck by onteyn. 
Daar wordt de zaak bg begonnen. 

ont el e, conventio^ cantractus^ overeen- 
komst. F.O.L.4,7: Hu long hiara 
ontele se. Hoe lang hunne overeen- 
komst duurt, 
ontfa, acctpere, ontvangen ; e4?tfrcer«, uit- 
oefenen. F.R.1, 31.32. 22,18. 44,1. 
ontfalla, cadere, vallen; decidere^ ont- 
vallen. O.l.S. J.M.F.3. oenfalla. 
(Bg i2tcAMo/bt: ezcusare 8e,zichver- 
ontschuldigen). 



J 



ontfeenghe— onuerheftinghe. 



398 



aghe, accipiebat, ontving. J.M. 

9. 

sen, ontfinzen, acceptuSj ont- 

n. 0.1,49. P.R.3,6. 32,6. 

in, evitare, ontkomen; def endere 

ch verontschuldigen. P.R,1,24. 

n, inirej aangaan, ingaan. J.M. 
1. 

da, solvere^ betalen. 0.2,3. F. 
14. 

Lg, contraprobatioj t^enbewgs. 
3,10: So mey hym dg ora 
sykeria, ner ontgonghab- 
ler wedriacht byeda. Dan 
de ander zich niet veronischol- 
, noch tegenbewgs leveren, noch 
laar tegenover aanbieden, 
da, retinere^ amovere^ onthouden. 
2. 

de lick, abatinensj coniinenSj ecu- 
nthoudend, kuisch, F.B.13,3. 
ida, decoUare caput ense decutere^ 
ofden. J.M.F.16. 
a, promitterej beloven. F.R.23,6. 
enisse, onthetingha, onhe- 
j, promiesio^ belofte. F.R.22,17. 
3,1. 
missaj de mis. J.M.F.7,31. O. 

la, luere^ solvere, betalen, ont- 
i, voor instaan. F.R.66,4. 
i s t a f t i c h, libevj niet dienstplich- 
iet verplichtend. F.R.44,16, 
aed, immobilia^ onroerende goe- 

F.R.27,1. 
h, ontiuch, probatio^ bewgs. 
.4,1.35.36. — 2) accueatio^ klach- 
.M.F.II, 322. 

a, carere^ ontberen; defraudare^ 
aden worden, F.B.46,47. 



ontlyuet, morte mnfóafii^, ontlgfd, ont- 
zield, gedood. F.R.56,9. 
ontnyeta, nocerej schaden, F.R.62,6. 

Zie: onnyeta. 
ontofande, zie: fande (on to). 
on toga, induere, aantrekken, 2.£.t?.: 

By tha forma wede, ther mathi 

on t ach. Bg het eerste kleed, dat men 

u aantrok. F.O.L.II. 
ontrenna, evadere, ontloopen. F,R. 

58,34. ontronne, evadebat, ontliep, 
ontrouheed, ontrow, infidelitas, in-- 

fidelie, ontrouw. F.R.15,29. 87,2, 
ontstondende, onstondende, 2ua;u«, 

deformis, wanstaltig. E.L.1,35. 2.E. 

1,9. 
ontswarra, abjurare, ontzweren. F.R. 

24,18. 
on twa spreka, differrej discrepareyYer" 

schillen. 0.11,68. 
ontwyeldia, aufugere, ontvluchten, uit 

de macht komen. F.R,35,1. ont- 

wyldet, aufuffit, ontvlucht, 
ontwisa, abjudieare, ontregten. F.R. 

42,6. 
ontwywel, eine dubio, ongetwgfeld, 

zonder twgfel. Ch.I, 737. 
ont wonnen, abreptus, ademtus, a%eno- 

men, ontvreemd. F.R. 17,13: Hwyr- 

so een man syn sighel myt 

falscheed ontwonnen wirt. 

Wanneer aan iemand zgn zegel met 

valschheid ontnomen wordt, 
ontwordia, reaponder e, antwoorden , 

I!.L.3,1. 
onueen, onwene, inopinattis, ongewoon, 

onverwacht. 0.4,16, Zie; vnwena. 
onuerheftinghe, qui aliquid accipit 

in compensatione impeneorum funeralium\ 

ut marituB vel uxor euperêteê, iets dat 

een der echtgenooten bg den dood van 



^ 1> 



399 



onuuertlike — opgripa. 



400 



een hunner tegen vergoeding der dood- 
kosten ontvangt. J.M.F.2,72. (ouer- 
heftinghe?) 

onuuertlike, indigne, onwaardiglgk. 
l.E.5,18. 

onwilla, nolente, onwillens. 0.4,12. 

onvnga, adire^ intrare^ ingaan, bezet- 
ten. B.215. 

onwad| non vadosusj profundus^ niet 
doorwaadbaar, diep. 0.7,13. 

onwald, extra poteatatem^ buiten macht. 
0.4,12. 

on wem e d, illaesus^ onbesmet, onbe- 
schadigd. 0.1,10. J.M.F.2,11. oen- 
wennet. 

onwennena. J.M.F.2,6. Zie: onwon- 
na. 

on werp, inspiratie^ ingeving. F.O.L. 
t;,l. J.M.F.1,1, 

onwilla, onwillens, onwilmis, on- 
wil lum, non 8ua aponte^ repugnantia^ 
onwülens. 0,1.7,30. 11,69. J.M.F. 
2,7. F.R.20,10. 64,7. 

onwirdelic, indignus, onwaardig. O. 
10,5. 

onwyslick, stultuSj dwaas. F.R.46,48. 

on wis, inceriuSj onzeker. F.B.36,6. 

onwitlyke, iUegaliter^ onwettig, straf- 
feloos, J.M.F.II, 277. 

onwytscip, onwitenheyt, inacitia^ 
onwetendheid, F.R,46,61. 64,21. 

onwonna, onwennena, immeritus^ 
niet gewonnen, niet verdiend, niet ei- 
gen. 0.1,6. J.M.F.2,6. 

onwonnen, victus^ verwonnen. J.M.F. 
Beg.11: Deer mey wallen wetter 
onwonnen wirdet. Die door het 
heete water verwonnen (overtuigd) wor- 
den. 

on wrocht, non elaboratusj ongemaakt, 
onbewerkt. 0.1,64. 



onzere. 2.E.4,27. Zie: onssëre. 

onzuuara, ahjurare, ontzweres. 0.1|2. 

opa, supra^ op. A.t7.1. 1,16. 

opanderda, respondere, verantwoorden, 
0.1,50. 

o p b e r r a, accipere^ capere^ beuren, nemen. 
F.R,24,9. 32,8. 47,3. 

opbywda, citare^ dagvaarden; eoAgere^ 
eischen. F.R.20,12. 

opbringa, educare^ opbrengen, opvoe- 
den. F.R.22,19. opbrinckt, educat. 

opbringa, jus dicere^ g^regt houden. 
Ch.1, 344: Dat eelck Greetman 
zyn tinghet iefta zyn fellinghe 
opbringhen schil mith twam 
swerne syem. Dat ieder Grietman 
zgn geregt of zgne boeten, met twee 
gezworene bgzitters zal houden, 

opbringh, adstructio^ bewgs, F.B.8,8. 
0.13,4. 

opclagia, accuaare, aanklagen. F.B. 
3,17. 37,13. 62,13: Opclayen wes- 
sa. Beschuldigd zgn. 

opdeth, invenity opdoet, vindt. FJL 
35,1. 

op een komma, concordare, overeen- 
stemmen. Ch.I, 98. J.M.F.II, 197. 

openbeer, opinbere, apertua^ open- 
baar. H.9,2. F.R.13,46. 

openberer, ea argumento^ naar luid, 
F.R.19,4: Dat B. openberer der 
breuen. Dat B. naar luid der brie. 
ven. 

openbericheed. openbeerlicheed, 
evidentia, perapicuitaa^ openbaarheid. 
F.R.13,2.3. 

opgongh, adacendena (Ztnea), ortua^ op- 
gaande (Ign), het opgaan. F,R.50,19: 
Da opgongh dis slachten, Deop- 
gaande l^n van het geslacht. 0,1,26. 

opgripa, accipere^ aannemen, aanvaar- 



•/ 



401 



ophalda— opstonda. 



4»2 



:^ 



» 
». 



deS; *^;iB.2,29: Een kamp opgript. 
Eeü'kampstrgd aanneemt. 

ophalda haas, rem familiarem curare^ 
huishouden. F.R.46,56. 

ophalya, decidere^ beslissen, beslechten. 
0.4,10: Jefta mit ene kempa op 
ti halyahe. Of met een kampstrgd 
te beslissen. 

opheaen, oppehèwen, ophouen, 
inceptus^ aangevangen, begonnen, aan- 
geheven. 0.8,4. J.M,P.7,31. 

op hliaept, on^r, ontstaat. O.v. Deer 
bg willa ende bg dwnheed op- 
hliaept. Die met opzet en door eu- 
velmoed ontstaat. 

ophoaen, instituebantj erigehant^ stelden 
in. J.M.F.1,4. 

opinbere, zie: openbeer. 

op ja, renuntiare, opgeven, overgeven. O. 
1,22. 

oplidza, imponerej opleggen, 0.1,44. 

opnyma, tollere^ wegnemen. 0.i;.bl.5.7. 

opnyma, praevalere, voorgaan, te boven 
gaan. P.R.1,15: Dat Landriucht 
nympt op beda Pawsriacht en- 
de Eeysersriacht. Het Landregt 
gaat voor het Pauselgk en Keizersregt. 

oppa, oppe, super, op, in, in de. E.L. 
1,13. P.R.10,1. 

oppahalia, gerere^ incipere, deddere^he- 
slissen. l.E.2,10. Zie: ophalya. 

oppenbered, patefactus, bekend; vuU 
gatus, geopenbaard. F.R.15,34. 

oppehouen, zie: opheaen. 

oppermon, aeditimus, koster. A.7,12. 

oprera, evocare, e vita altera in presen- 
tem hanc revocare {per testes), oproepen, 
terugroepen. J.M,F.2,63: Mit aldus- 
dena tioege schel ma den dada 
oprera. Met dusdanig getuigenis zal 
men den doode vertegenwoordigen. 



oprisen, orius, ontstaan. P.R.48|6: 
Hweerso dat sib is oprisen fan 
een onaeffter stemme. Wanneer 
de verwantschap is ontstaan uit een 
onechten stam. 

oprisenisse, resurrectio, verrgzenis* O. 
12,24. 

opriuchta, vpriuchta, restittiere, re- 
parare, herstellen. B.16, F.R.2,9. 
39,2. 

opsanna, admonere, aanspreken, aan- 
manen. J.M.F.2,6: Jef him dy fo- 
ghed opsanna wol Ie. Zoo de voogd 
hem wil aanspreken. 0.1,6. 

opsedel, ascensio, het opzitten, het op- 
stggen. 0.10,35. 

opsetma, depositum, bewaargeving. P. 
R.20,1. 

o p s e 1 1 a, condlium , animo deliberato, op- 
zet. P.R.63,3. 

opsidza, accusare, beschuldigen. P.R. 
63,1: Hweerso dg ena menscha 
da orem sweer secken opslacht. 
Wanneer de een den ander van mis- 
daden beschuldigt. 

opstalbaem, judicium supremum alicu- 
jus districtus, oppergeregtsplaats van 
een district (dus niet alleen de Opstal- 
boom bg Aurich). P.R.III, 2. op- 
stallisbaem, opstallisbame. J. 
M.P.11. 

opstallingh, judex supremus, opper- 
regter. 0.16,23. 

opstiger, cognatus in linea adscendenti, 
bloedverwant in de opgaande Ign. P.R. 
44,16: Dy opstiger tojenst dyn 
nedstiger. De bloedverwant in de 
opgaande Ign tegen den bloedverwant 
in de nedergaande Ign. 
opstonda, ascendere, beklimmen. O. 
8,22: Ende hio bregdelike sine 

26 



403 



optya— oua. 



404 



besma opstoed. En zg als bmid 
zgn bedstede beklom. 

optya, uh', eloquij gebruiken, uitspreken, 
aannemen. O.r. Ner to nene ijdel- 
nisse optgaen. En niet gdel ge- 
bruiken, 

opweckria, renovare^ excitare^ op wak- 
keren. F.R.21,10. 

op wr et sa, vi aperire^ openscheuren, 
openrukken. Ch.1, 540: Jef dorra 
opwretst. Of deuren openrukt. 

or, cdter^ ander. A.7,5. 3,16: Halue 
sione an tha ora aga. tiet halve 
zien aan een der oogen. — F.O.L.5,32: 
Or sa diure. Eens zoo duur. F.B. 
17,3. 0.1,30. Oh.1, 242. 

orber, tUüitaSj nut. F.B.5,3. 

orberlyck, utilis^ nuttig, oorbaar. F. 
R.75,9. 

ord, aciea, spies. E.L.1,90. l.E.3,2. A.7,8. 

ord, verbum^ woord. l.E.5,27: And 
scrif dit ord. En schrijf dit woord. 

orde, margo^ boord, rand, zoom. F.0. 
L.6,13: Thene orde met ma al 
ymbe. Den rand meet men geheel om. 

o r d e 1, ordalium^ Godsoordeel. 0.1,38. — 
judicium^ vonnis. F.B.2,29. 21,9. 

ordelwgenga, ordelwigenga, con- 
secratio ordaliij proefwgding. 0.7,17. 
F.O.L.4,30. 

ordert (ondert?), praesentia^ tegen- 
woordigheid. F.O.L.8,1 1 . 

ordil, pugna, strgd. H.9,2. 

ordlinga, marffines, boorden, randen. 
A.3,15. 

oren de el, altera para^ het andere deel. 

Ch.1, 495. 
ores, tn«<per, overigens. F.O.L.I, 48.59: 

And hi ores clagi umbe nene 

seke. En hg overigens over geene 

andere zaak klaagt. 



ork en, te«<», getuige. 0.1,50. F.B.1,7. 

orkenschip, testimonium^ getuigenis. 
F.R.1,38. 

orknya, teetari^ getuigen. Ch.1, 533. 

orle (orleue?), orleff, orleue, or- 
loui, permisêio^ verlof. F.OX.1,16. 
E.L.1,57. H.1,4.16. 2.B.1,16. A.7,10. 

orloge, beUum^ oorlog; pugna, strgd. 
0.17,4. J.M.F.1,6. 

oma, insuperj bovendien. F.O.L.5,29. 

ome, alter ^ aliter^ ander, anders. A. 
1,4. H.3,1. 

ors, (üiterj anders. Ch.1, 242. 

ors, porro^ verders. Ch.1, 518. 

ors, zie: hors. 

o sa, cloaca, goot. l.E.5,18. H.5,6. 
E.L.1,90. 

osedroptha, stillicidium , waterdmp. 
E.L.3,47. 

oth (ith?), ad, aan. Ch.1, 104. - 2) 
juramentum, eed. J.M.F.II, 187. 

other, aZter, ander. E.L.1,22. other— 
oth er, unus et altera de een en de 
ander. H.1,2. 2,25: Other sa diu- 
re. Eens zoo duur. A.7,12. 2.E.2,1. — 
2) untM eorum, een hunner. A.2,6. 
l.E.3,2: Jeftha sin other age. Of 
een zgner oogen. B.159. othre, de 
andere. 

otheres, iTi^fp^, porro, verders. 1.£.3,5. 

otherhalue, otherhalwa, unusetdi- 
midiumj een-een-tweede, anderhalf. 2. 
E.2,10. E.L.3,48. 

otmel, spatium 24 horarum, etmaal. 
Ch.1, 394. 

oua, ouer, ova, ad, aan, in, over. A. 
5,13. 7,8: Fon oua to uta, in to- 
turn, geheel. — 2) super, op. A.8,4. 
v.1: Ova thines ivenkerstena 
ha va. Op de bezittingen van uwen 
medechristen. 



405 



oua— owere. 



406 



o na, eaercere, oefenen. l.E.v. A.2,24. 

ononade, eaercebat^ oefende, 
onawinna, tollere^ auferre, a&emen, 

A.6,5. F.O.L.1, 41. 
onawnnen, ablatus, afgenomen. A. 

6,11.12: Werth him thenne sin 

lif onawnnen. Wordt hem dan zgn 

leven benomen. P.O.L.I, 41. 
onder, prior, antecedens, vroeger. H. 

6,13. 
OU e, o we, aft, af. l.E.4,6. F.O.L. 

5,18. F.O.L.5,5. 
on er, contra^ tegen. A.5,13: Oner 

thes redieua willa. Tegen den wil 

des regters. 
oner, citra^ over; per, door. l.E.t?. 
onerdede, suicidebat, zich vermoordde. 

A.v.1. verdeed, 
onerdelte, zie: onerere. 
ouerdemet, condemnatus, veroordeeld. 

l.E.1,16. 
onere, o ni r, rtpa, oever. 0.1,13. 9,28. 

A.1,10. 
oner-ere, -delta, -haeck, -meed, 

-ryp, onerschere. J.M.P.2,55. age- 

re tdtra suum proprium in, overploe- 

ging, -graving, -haking, -maaging, 

-plakking, oversngding. 
ouerhaeck, zie: onerere. 
onerhalne (otherhalue?), unueet di- 

midium, een-een-tweede, anderhalf. F. 

O.L.6,5. 
ouerkoma, accidere, gebeuren, overko- 
men, H.1,8. 
ouerlendich, extraneiM , vreemdeling. 

J.M,F.9,30. 
ouermeed, zie: onerere. 
ouerryp, zie: onerere. 
onerschere, zie: onerere, 
onestrizen, avuUus, afgestreken. l.E. 
5,1. 



on ir, contra, tegen; supra, boven. A. 
5,9: Ouir wold and ouir willa. 
Met geweld en tegen den wil. 0.3,17. 

onir, ripa, oever. 0.9,28. 

ouirbulgen, iratus, verbolgen. A.8,1. 

ouirdelta. 0.1,54. Zie: onerere. 

onirfiuchta, pugnando suum perdere, 
vervechten (zijn goed). A.7,4, 

onirhere, contumax, inobsequens, onge- 
hoorig. A.6,5. F.O.L.1, 26. 

ouirlandich, hospes, vreemdeling, bo- 
venlander. 0.1,51. F.O.L.1, 26. 

ouirlenda, trader e, concedere, overge- 
ven, overlengen. F.O.L.1, 21. 

ouirmeet. 0.1,54. Zie: onerere. 

ouirscheer. 0.1,54. Zie: onerere. 

onirsitta, super cedere, verzitten, laten 
voorbggaan. F.O.L, 1,26. 

ouirtia, sumere plus quam justum est^ 
te veel nemen. A.5,13. 

ounima, auferre, a&emen. l.E.3,2. 

ononade, exercebant, oefenden, beoefen- 
den. A.2,24. 

ourtreddér (nothtredder?), destruc-' 
tor frucluum, vruchtvertreder. 0.16,3. 
F.R.UI, 4. noethtreder. 

ouwer, ripa, oever. J.M.F.2,2. 

ouwinna. A.6,11. Zie: onawinna. 

o va. A.t7.1. Zie: o na. 

overdwa, vitam laqueo Jinire, zich ver- 
hangen, verdoen. A.v.l. 

overhor, aduüerium, overspel. A.t;.l. 

OW ene, fornax, oven. B.153, 

owensens, nihilominus, desniettemin, 
F.R.50,41: So onteerwade 'r owen- 
sens thera bern. Dan onterfde hg 
desniettemin de kinderen. 

OW er, alter secundus, andere, tweede* 
F.O,L.5,3. 

owere, owirra, ripa, oever. 0.1,2. 
3,10, 



407 



owereendreghen— pent. 



408 



owereendreghen, qui pacti sunt inter 
86^ de aliqua re, oyereengekomen, zich 
verdragen hebben. Gh.I, 375. 

owerhael, unua et dimidium, een-een- 
tweede, anderhalf. Ch.1, 744. 

owerhora, adulterare, overspel doen. H. 
8,24. 

owers, aUtevy anders; alibi j elders. Ch. 




owerwrocht, eonvictusy próbatus, over- 
tuigd. J.M.F.5,3: En de mey rioch- 
ta thyngade owerwrocht es. En 
met wettig geding overtuigd is. 

owet, cdiquid^ iets. F.O.L.4,15. 5,18. 

oxa, taurusy os. Ch.1, 115. 0.11,68. 

oza. F.O.L.6,25. Zie. o sa. 



p 



pacht, poena^ boete, bezwaar. F.B.46,6. 
paellaes, palenzia, paUUiumj paleis. 

O.v. J.M.F.1,4. palas. H.9,1. 
paepheed, clerus^ geesteLgkheid. O, 

7,12. J.M.F.7,14. 
paeplic, religioswy geesteLgk. 0.8,9. 
paert, pars^ deel, partg. F.R.21,37. 
paes, pas, pascha^ paschen. 0.14,4. 

J.M.F.10,12. 
pagns, papa, paos. F.O.L.I, 21: Thi 

pa gas Leo. De pans Leo. 
payment, patê certa solutionis^ betaling. 

O.ll.S. 
palas, zie: paellaes. 
paleftreda, paliftredda, veatimenta 

acu picta^ borduurwerk, borduursel. 

0.1,72. J.M.F.2,72 F.R.45,18. 
palenzia, zie: paellaes. 
p a 1 m e r e, palmifer^ palmdrager. H.1,1 1. 

l.B.1,11. 
pannichschelda, debita pemniaria^ 

penningschuld. E.L.3. F.B.1,37. 
papa, «ao^cfotf, priester. B.54. F.B.ni,16. 
partie, factio^ pa^g, verraad; tumuUuSt 

conjuratio^ oproer, zamenzwering. E. 

L.8,81. Ch.1, 699. F.R.37,1. 



partyelyodem, conjuratoresj zamen- 
zweerders. F.R.72,5. 

pas, zie: paes. 

passia, paesio, het Igden. 0.12,27. 

passia, poneren stellen, zetten, passen. 
0.14,4: Bi schil tojens sgn stef 
passia. Hg zal te vergeeft zgnen 
staf stellen. 

pawsriucht, ju8 canonicum^ geestelgk 
regt. F.R.1,15. 

peen, poena^ straf, boete. F.B.22,1. 

peyndeldeghen, dies^ quibus pignora 
sua judicea deponunt bene et jtute ju- 
dicandij borgtogtdagen der r^^rs. Gh. 
I, 536. 

pelar, pelen, poli, palen. B.163. 166. 

pelin (plem?). B.67. Zie: plem. 

penda, oppignorare^ panden, 0.9,28. 
F.O.L.8,21, 

p end Cl par 8^ deel, pand. B.114. 

pennegad, eolutue^ betaald. H.8,22. 

penningschylda, zie: pannich- 
schelda. 

penningwirde, valor nxonetae^ pen- 
ningswaarde. F.B.2,2 7. 

pent, oppignoratue^ bepand. H.8,22. 



409 



persona— poda. 



410 



persona, presbiter^ eon/^nonanW, pries- 
ter, biechtvader; curatus, pastoor eener 
hoofdkerk. F.R.15,15. 
phe, parum, weinig. B.154. Zie. f e, 
pyke, nummuê quidam, zekere mnnt. Ch, 
1, 1 03. 

pilgramaetze, peregrinatio, pelgrimatie- 

F.R.25,8. 
pi na, poena, straf, boete; dohr, pgn. 

0.12,24. H.1,16. 

pinkostratide, pentecostes, pinkster. 

A.9,10. 
pyngya, pinighia, pynningia, pin- 

nigia, poenam infiigere, straffen. F.R. 

2,9. J.M.F.n,276. 277. 0.16,3. 
pynlyck oensprekka, crimine accu- 

Bare, wegens misdrgf aanklagen. F.R. 

63,4. 

pint, penis, membrum virile, manlgkheid. 
Ch.1, 101. 0.11,49. 

pipe, rorftW, armpgp. E.L.1,3*. 2.E.1,9. 

pipermose, pipemose, jus, vleesch- 
nat. E.L.1,83. 2.E.1,17. Pd.Ms.: 
heten jnchen, warm bere. 

piseldrepie, f is el durek, portacultnae, 
keukendeur. E.L,1,69. B.142. P,d. 
Ms.: piseldoer, kamerdoer. 

pisle, culina, keuken. B.142, E.L. 
1,69: Hwersa ma thria dura to 
brecht, tha wachdure tha pisel- 
dura anda tha komerdura. Wan- 
neer men drie deuren vernielt, de bui- 
tendeur, de keukendeur en de kamer- 
deur. — B.142: Binna pisle and 
binna piseldrepie. In de keuken 
en binnen den keukendrempel. [W. pi- 
sel, pysele, kleedkamer.] 

pisse, pissenge, urina. pis. E.L. 
1,83. H.6,21. 

placht, playte, causa, pleidooi, pleit. 
F.R.3,1. 18,2. 



placta, corona sacerdotalis, geschoren 
kruin der priesters. H.4,35. 

plaghe, vexatio, morbus, poena, plaag, 
ziekte, straf. F.R.80,6. 

playtia, litigare, litem agere, pleiten. 
F.R.1,11. 

pi e, cura, verpleging. H.8,8: En ple 
and en plicht. In verpleging en in 
verantwoording. F.O.L.2,2.17. 

pi eg ia, curare, verplegen, verzorgen; ad- 
ministrare, beheeren. B.177: Nenra 
wraldeskera lena plegia. Geene 
wereldlyke leenen beheeren. 

plegia, obligatum esse, verplicht z^n. 
F.O.L,1,10: Thet wi Fresan ne 
thoren nenes herabonnes farra 
plegia, tha kayser to hilpe. Dat 
wg Friezen tot hulp van den keizer 
tot geen heerban verder verplicht zijn. 

pleiga, plega, solere, agere, exercere, 
plegen, oefenen. 2.E.3,12. B.B.12. 

plem, jümla, pessulus ligneus, houten pen, 
houten spgker. B.67: Sa is thi pe- 
lin (plem bg Wiarda) and thiu 
sponne sex 'penningar. Dan is de 
houten pen en de sponning zes pen- 
ningen. 

pli. E.L.1,22. l.E.6,3. Zie: ple. 

plicht, periculum, gevaar. l.E.2,17. 
H.8,8. F.O.L.2,17. 5,3. Zie: ple. 

plichtich, obligatus, verplicht. A.7,8. 

pli ga, conauetudo, gewoonte. O.v. 

pliga, pligia. F.R.4,2. 13,11. 18,6. 
72,6. 0.12,27. Zie: pleiga. 

pligia, curare de, verzorgen. F.R.45,1. 

ploch, ploech, p 1 o g h, aratrum, ploeg. 
E.L.1,78. A.1,12. F.R.50,48. 64,12. 

ploncke, tabula, jlanik. E«L.3,64: Mith 
ene plonckene hlide. Met een dek- 
sel van planken. 

poda, caput, cranium, hoofd, hersenpan. 



411 



post— quema. 



412 



2.E.t;: Buppa fon there poda, al 
tho re litteca thane. Boven van 
het hoofd tot aan den kleinen teen. 

post, tignum, clathrumy balk, slnitboom. 
£.L.1,92: Hva sa others post ief- 
tha forda yphant fon siner fen- 
ne. Wie dat iemands slnitboom of hek 
van zgn grasland opent (of wel: yp- 
hant, openbreekt). 

pot, oüa, pot. P.R.20,2. 

pre, ro^tW, bovenste armp^p. B.L.1,36. 

prelling, testiculus, teelbal. H,6,9. 
l.E.5,12, 

pryoweljeer, prowelj eer, annw^pro- 
bationis^ proe^aar. F.R.70,7. 

prisia, taudare, prgzen. F.B.1,35. 
44,12. prised, laudcUus, geprezen. 

professien lyu e d, wona^^mate*, kloos- 
terlingen. F.R.70,7. 

progia, probate^ bewgzen, Richthofen^ 
bl.255. 

proginghe, pronige, provinghe, 



prowyng, probatio, bewgs. Ilichthth 

fen, bl.254 en 255. 
progost, pronest, praepositus^ proost», 

A.7,3. 0.8,1. 
pronda, beneficium ecdeMiasHcum. 

natuSy geestelijk beneficie, leen. 

8,9. F.R.30,1. pro n dal and, lee 

land. 
pronnisdey, dies patrcnalis, patroo; 

dag. Ch.1, 110. 
pronest, zie: progost. 
prowa, approbarej goedkeuren. O.». 
proweljeer, zie: pryoweljeer. 
pro w ia, inquirere, onderzoeken, beprcrz^e- 

ven. F.R.1,1.24. 
pro wit, approb(itu8j goedgekeurd. p, 

R.9,6. 
prowinghe, probatio, hewys. F.B,1S,2, 
pnndemeta, menmra quaedam a^^frij 

pondemaat (zekere maat, ter waajide 

van 36»/4 are). Ch.I,250. 



Q. 



qua, qua en, hqui^ spreken. F.R.6,2. 
0.1,50. 

qnad, qnaed, malum, kwaad. E.L. 
3,61. F.R.1,3. 2,37. 

qnad e, squalor sordes^ vuiligheid. I.E. 
5,10: Thet hi lidza inna sine 
quade dey and nacht. Dat hg dag 
en nacht in zijn vuilnis ligt. 

quade gast, diabolus, duivel, kwade 
geest. 0,11,38. 

quaed, zie: qnad. 

quaedheed, quaeddya, malitia, boos- 
heid. Ch.1, 109. J.M.F,n, 224. O. 
17,6. 



r 



qualic, qualike, male, kwalgk. F»S- 
64,12. 0,11,49. 

quamben, quemben, os femoris, ii^' 
been; os ilium, buikbeen. Oh.I, K^^- 
104. 106. 112. J.M.F.n, 188. 2»S. 
0.11,27. 

que de, dicebat, zeide. F.R. 13,38. 

quemben, zie: quamben. 

querdzed, sufocaius, gewoigd. 1.E* 
6,8. 

querna, lac in butyrum cogere^ denson^ 
coagulare, karnen. H.5,5. 1.£.6,7:' 
Huuersa hir en mon wif nim® 
to ku and querna. Wanneer iemand 



413 



qneta— raffforeferen. 



414 



eene vrouw neemt voor de koegen en 

het kamen (als huishoadster). 
aeta, loqui^ spreken. H.2,5. F.O.L. 

2,6.8. 
letsene, qneesene, laesio, bezee- 

ring, kwetsing. H.6,10. 
]iic, quik, qwick, pecus^ animale ^er, 

beest, vee. 2.E.1,18. A.7,31. B.60. 

F.R.26,5. 
jiika, vttni«, levend. 0.8,3: To da e 

qnika ende to da dada. Voor de 

levenden en voor de dooden. 
nik f ia, pecus vivunij levende have. O. 

1,70. 



quytduaen, pnvar^, afnemen, bevrgden. 

0.12,1. 
qwa, qwaen, loqui^ spreken. F.R.6S,2. 

Zie: qua, queta. 
q w a d i e r , malus spiritus, diabolus , kwade 

geest, duivel, de kwade, F,R.80,6. Zie 

Melis Stoke I, 425 v, 766: peccatar im- 

pius ; 11,313: kwaadspreker, 
qwelyck, male, kwalgk. F.R.4,3, 
qwick, pecus, vee. F.R.26,5. 
qw jt, perditus, verloren, kwgt. F.R.1,21. 
qwytleta, liberare, absolvere, condonare, 

eaonerare, bevrgden, kwgtschelden. F. 

R.44,7.8. Zie: quytduaen. 



R. 



B, paratusj bonus, capaa, gereed, goed, 
geschikt. J.M.F.7,26. sapiens, wgs. 
Alsoe ra and alsoe rike. Zoowgs 
en zoo rgk. 

a, rad, rufr^, rood, l.E.6,4: Ra skeld. 
Rood schild. A.t;.l. l.E.v. H.3,4. 

acht, dudt, voert, brengt. F.R.25,6: 
Alzofyr racht. Zoo verre brengt. 

acht, traditus, gegeven, gereikt. F.R. 
33,5. 

ade rond, rad rond, sanguis coagu^ 
latus, rood geronnen. H.6,15. E.L. 
1,8. l.E.5,1. P.d.Ms.: Ein roed- 
trunne. (kneuzing van het vleesch.) 

adeth, paralus, gereed. F.R.25,8: 
Hwanneer 't al to da ordel ra- 
de th is. Wanneer het tot het vonnis 
gereed is. 

adich, sapiens, sagax, consuetus, oordeel- 
hebbend. J.M.F.8,2: Dat hi soe ra- 
dich ende soe wittich is. Dathg 
zgn oordeel en verstand heeft. 



ra e de, consilium j raad. J.M.F. 13. 
raefferde, paa ob pignora data, pand- 

vrede. 0.1, 38, 
raefferth, raptus aratro factus, roof 

door ploegen. F.R.64,16. 
rae ff treden, degradatio fructus alterius 

in illos currendo, vruchtvertrapping. 

F.R.64,16. 
r a e f r e d e, equitatio iUicita, violenta, quae 

Jit usu equi alterius sine ejus consensu, 

roofrgden, iemands paard tegen diens 

wil rgden. 0.9,34: Dat hi habbe 

syn ros an raefrede riden. Dat 

hg zgn paard steelswgze heeft gereden, 
raefwere, possessio iUicita, raptti aty 

quisita, roofbezit. F.R.36,2. 
raemkoer, nassa, Jiscella, korf om visch 

mede te vangen. Ch.I, 743. 
ra f, raff, rapina, roof. H.4,9. B.66. 

pignus, pand. E.L.3,72. 
r a f f f o r e f e r e n, dejunctus, overledene. 2 . 

E.3,23, B.6. heeft: foreferene (ra f 



415 



raflike-^red. 



416^ 



zal overtollig zgn en misschrgving). 

ra flik e, furtim, steelswigze. A.9,7. 

raka, reka, dare, geven. 0.1,S: Da 
rachten him de koningh Rad- 
boed. Toen gaf de koning Radboud 
hem dien. 

raka, efjicerej eo usque rem ducere^ bren- 
gen, voeren. F.R.25,6. End e hy 't 
alzofyr racht. En hg het zooverre 
brengt. 

ramed, aedijicatus, gebouwd. 0.2,7: 
Sinte Michiels dom, deer to 
der tgd was ramed mit holt 
enderegl. H. Michiels kerk, die te 
dien tg de van hout en riet gebouwd was. 

ramer, auctor , uitvinder, beramer. P.R. 
58,4: Reder en ramer is des stri- 
des. Rader en aanlegger is van den 
strgd. 

raminge, constitutie, hef aiing. Ch.I,499: 
Als van der raminge in dae wes- 
tera fiarndel. Te weten van de be- 
palingen in het wester vierendeel. 

r a m m a, constituercj beramen , vaststellen. 
ChJ,499. 590. 

ransastlath. 2.E.1,26. Richthofen, h\. 
240 leest: ransak lath, en vertaalt 
het door: huiszoeking. Zie: Grimm, 
Deutsche Rechts- AUherthumer, 1.640. op: 
ransak. — Grose, Ghssar of Provincial 
or hcal words. London. 1839: Ransh- 
.aclded, out of repair applied to build- 
ing. — In het Yslandsch bg Biörn 
Halderson leest men: ransamr, prae^ 
dabundus, roovend. — Ik lees dus: H wa 
sa ransast lath sunder helgane 
monnen vmbe ene stelne inna 
ene hu se. Wie wegens een diefstal 
zonder de geestelijkheid huiszoeking in 
een huis doet. — Punch, 11 Oct. 1862, 
bl. 148: ransacked, doorsnuffeld. 



B 



0. 



rant, raonth, laceratus, gescheurd, ge- 
reten. E.L.1,39. Ch.1, 105. 
ratte, constituebat, beraamde, bepaal' 

l.E.6,7: And ma there ratte al 

tha riucht. En men daar alle 

ten beraamde (nazag). Zie: ra da. 
raue, rapina, roof. A.2,10. Zie: ra 
rawa, oppignorarsj occupare pignara, 

den, pand nemen. B.57. 
ra we, raue, oppignoraHoj panding. 

40. 
rawed, rawet, raptus, geroofd. 

16,2. P.R.36,1. 
rawer, raptor , roover. F.R.2,6. 
rfiwia, rawega, furare, roeven, stelen. 

l.E.2,2. J.M.P.II,282. 
re (hi), iUe, hg. l.E.1,3. H.4,21: Sa 

re wet is and w:asech. Zoo hg :xiat 

en bevuild is, 
rechscerd, laesio dorsij rugbezeerïng. 

l.E.4,1. 
recht, dat, geeft, reikt. B.38. re cli- 

tan, dabat, gaf. J.M.F.3. 0.1. S. 
rechteuoert, moa, terstond. J.M.F. 16. 
reek, donatio, gift, schenking. EJi. 

3,59: Bi reek anda bi tha sibdel 

and bi tha lawum. Bg schenldng 

en door naaste verwantschap (abintef- 

toto) en bg erfenis, 
recka, dare, geven, reiken. F.R.8,6. 
reckende, fumansj rockend. J.M.F.n, 

273. 
recklin, amiculum, overkleed. F.OX. 

6,18. Zie: hreclit. Tslandsch: rike- 
. lin, alba, camisia, 
r e ck ni a, computare, rekenen. F.R. 15,58. 

54,6. 
red, jus, regt. H.4,33: Red reda and 

vnred leta. Regt spreken en onregt 

nalaten, 
red, ratio, consilium, rede, raad. A.2,1* 



red— reedsman. 



418 



merattiê^ praesens^ gereed. E.L. 
Sin red ieId.Zgn gereed (baar) 
Ch.I, 97. 
roharê, bewgzen. 2.E.4,22. 
^ersuadere^ raden, raadgeven; cu^' 
verzorgen. P.R.26,5. 
\AxiUari, redden, helpen. 0.15,1. 
1.2,2. 

>juï, spreken. H.3,1. 
tdicare^ regten. B.44. 
isidiari, lagen leggen. F.B.51,1: 
h oen liyaere lyff. Op hun 
lagen leggen. 

^(dvare^ redden. F.B.50,47: Re- 
o da lyne. Het leven redden. 
oêsumere sibi, zich toevoegen. 
r.2,4: And hire broder thet 
a wel Ie. En haar broeder dit 
^1 toevoegen. 

a, reddra, jura^ regten. H. 
Thes reddera and thes sti- 
Wegens de r^ten en instellingen. 
,6. teddra (reddra?) 
, zie: redgeua. 
(mailium^ raad, overleg. E.L.3,7. 

P.O.L.2,2. P.R.11,7. 
lecisioj beslissing. 2.E.1,26. 
paratus^ numeratus^ praesena^ ge- 

A.7,12. reder, paratior^ ge- 
r. F.R.13,15. 

c, honestus, eerlgk. 0.t;.12,4. 
ck, aeque^ bill^k, redelgk. F.R. 



K 



lisj causüj rationes^ argumentatio^ 
ïwist, reden. F.R. 18,1. 
re den e, consilium^ raad. F.R. 

probatio, bewgs. H.1,15. 
3, juriadictioy regtsgebied. B.36* 
,5: Redena vnred. Stoornis van 
[eregt. — 2) jus, geregt. 



re den e, res judiciariae^ geregtelgke za- 
ken. B.3. 

reder, paratior^ gereeder. F.R.13,15. 

reder, redir, canailiator, rader, aanra- 
der. F.R.58,4. 

redgeua, redieua, judex^ regter. H. 
10,5. B.1.82. redia, reddia, re- 
diewa. H.9,2. F.O.L.5,37. 6,12. 
9,4. 

redia, consiliari^ rationem attdire, in ju' 
dicio stare^ aanraden, teregtstaan; res- 
ponderen antwoorden. 0.4,1. A.2,1. 
F.R.81,23: Reedien sint. Zich be- 
raden, in beraad houden. 

redinge, dUpositiOj schikking, beschik- 
king, regeling. E.L.3,56. 2.E.4,40« 
redinge, dat is scheydinge oers 
goedes. 

redislywd, consiliarii, raadslieden. F. 
R.25,15. 

redisman, advocatus, raadsman. F.R. 
8,5. 11,3. 

r e d 1 a s, sine jure^ r^loos. F.O.L.I, 60: 
Redlas and botelas. Buiten regt 
en buiten boete. 

redskipe, redskipi, judicis officium^ 
regterambt. B.7. F.O.L.I, 60. 

reeck, yumti», rook. F.R.59,3. 

reeckhol, caminus^ schoorsteen. O. 
1,65. 

reed, consilium^ raad. O.r. F.R.46,27. 

reed, utüitasy nut. O.v. 

reed, paratusj gereed. F.R.8,5. 0.8,3. 

reeder, bestia, rund, beest. 0.1,10. 

reed ield, numerata pecunia, gereed 
geld. F.R.32,6. Zie: red. 

reedien. F.R.81,23. Zie: redia. 

reedlick, aequus, honesius, redelgk. F. 
R.28,14. 

reedsman, consiliarius, raadsman. F. 
I R.1,7. 

27 



419 



reemud— reppa. 



420 



reemnd, adjiuUcatus, toegewezen, inge- 
ruimd. P.R.30,27: Eer dg fyaerde 
dey to reemud wirth, Voordatde 
vierde dag toegestaan wordt. 

reesraef, furtum cadaverü^ Igkberoo- 
ving. 0.7,6. J.M.P.7,7. 

reesschip, instrumenta^ gereedschap. 
Ch.I, 701. 

re f f e, septum^ involucrum, diaphragma^ 
het rif. Ch.I, tt5. J.M.P.H, 245. 

reg, regh, regge, dorsum^ rug. A. 
3,19. P.R.1,27. 0.11,27. 

regiment, (zdministratio, beheer, ver- 
zorging. F.B.58,1. 

regstiwenga, rigiditas dcrsij stgfheid 
van den rug. F.O.L.5,19. 

reyd ield. Ch.I, 250. Zie: reed ield. 

reyl, arundo^ riet. O.t?. 

reilbende, vinctio ope funiumj binding 
met touwen. A.7,15. 

reilmerk, moneta quedam, zekere munt. 
A.1,4. 7,33: Thiu reilmerk is fiu- 
wer skillinga. 

reyn, pluvia^ regen, P.R.80,6. 

regnboga, m>, regenboog. O.v. 

reyngbendOi vinctio ope vinculorum, 
het in boegen slaan, ringbinding. F. 
O.L.6,22. Zie: rembende. 

reynth, pluit^ regent. F.B.37,8. 

reyse, vice^ raid, maal. F.B.81,3: Tria 
reysa, Ter^ driemaal. 

reysinge, peregrinatio^ reize. Ch.I, 
600. 

reyt, calamus^ riet. Ch.I, 540. 

re ka, tangere^ raken, reiken, bereiken. 
H.5,6. 

re ka, solvere^ betalen; dare^ geven, rei- 
ken. B.3. F.O.L.2,1. A.2,18. 

rek e, aJmtm^^rato, gegevene, uitgereikte. 
H.8,23. 

rekenad, purgatusj schoongemaakt. J. 



M.F.9,1. 7,30: Rekin ende rede. 

In orde en gereed. Be kon. F.O.L.I, 

22: Bekon anda rum. In orde en 

ruim. 
rekkenen, Juman»^ rookende. J.M»^« 

11,272: Deer fior rekkenen is. 

Waar het vuur rookende is >(waar g5^ 

stookt wordt), 
rekinga, danatioj schenking, reikiis^;. 

F.O.L.6,13: Tha leste rekinga. X)6 

giften ter zake des doods, 
re ma, deserere^ decedere^ mimen, ozi.t- 

ruimen. 0.1,35. H.2,4. F.O.L.8* 
rembende, vinctio ope vineidorum, liet 

in boegen slaan. H.8,18: Hwa sa 

otherum rembende deth, e sd 

kald irsen umbe sin ben lei4^1i. 

Wie den anderen eene rembende dc^ 

een koud gzer om zgne beenen legg^ 
rem e, ramus^ riem. 0.1.8. 
remed, factus^ constructuêf gemaakt. H. 

6,9. 
rend, rima^ scheur. E.L.1,59. — 2)^r^ 

8ura^ JUsura^ rgting. 2^E.1,1. JEL. 

1,19. 
rene, purw^ rein. A,9.1. 
renicheed, mundita»^ einceriiasj inno' 

centia^ puritae^ reinheid, zuiverheid. 

F.B,71,1. 
renna, fliiere^ vloegen, loopen, stroo- 
men. B.191. 
rennande, rennende, uem conaaad 

aptus^ bruikbaar, loopbaar. H.1,9. 0. 

3,9. 
rennade, Jluens^ vlietend, stroonMnd, 

bruikbaar. F.O.L.1,9. 
repliek, mobilie, roerend. E.L,8,29. 
reppa, agere de, reppen, roeren, spreken. 

F.O.L.5,17: Sa ofta sft ma lomm^ 

lithe rept. Zoo dikwgls men nJ^ 

lamme leden spreekt. 



re^eth— rikia. 



422 



»th, mobUüj roerend. J.M.F.6»22: 

stoel schel wessa scethath 

;e dat kessen schel wessa 

peth. De stoel zal vervoerbaar en 

kussen los zgn. 

nghe, appellation beroep, appel, 

ipraak. Ch.1, 660. 

tuma^ penna, veder, pen, roer. 1. 

27: Sa weth enna rer inna 

de and scrif dit ord vmbe 
vnde. Zoo doop een pen in het 

1 en schrgf dit woord om de wonde. 
raptuê vestium^ kleederenroof. H. 
P.O.L.4,36. 5,43. 

ipe, reskipe, jua^ geregt. 2.E. 
P,O.L.8,9. 

Q se, oriiur^ ontstaat. F.R.87,2. 

pe, zie: reschipe. 

, ructare^ rispen, plakken. F.B. 

2. 

, requiescere^ rosten. A.v.1. 
quiesj rost. F.B.36,10. 

lick, guiete^ rustig. F.E.30,11. 
dare^ solvere, geven, betalen. B. 

94. Zie: retza, reka. 

rota, rad. A.1,16. 

» ratio^ probatto^ rede, bewgs. A. 
Ch.I, 242. consiliumj raad. 

like, aeque, honeste^ redelgk. F. 

v.1. 

retza, retzia, dare^ solvere^ ge- 
betalen. 1.E,2,6. B.13. E.L. 

'. H.2,1. 
jtuiicare, regten, B.33.35. ret 

:atn spreekt regt. 

I, tangere j raken, bereiken. l.E. 

a (rhera?), movere se^ roeren, be- 
sn. 2.Ea,10. 

, cursus, loop. F.O.L.7,1: A ful- 
rhine riwat, and buta vppe- 



lizet. Behoorlgk geëgd en van boven 
vlak gemaakt. 

rhoof, tectum, dak. B.26. 

rhumeg, zie: rnmeg. 

riakande, Jumans, rookend. l.E.6,4. 

rib, ribbe, costa, rib. 0.11,27. B. 
198. l.E.3,13. 

rychede, divitiae, rgkdom. J.M.F.1,3. 
Zie: dioerthe. 

rycheftich, dives, possessiones habens^ 
rgk. F.O.L.4,15. 

ryck, divitiaej possessio, rgkdom, bezit- 
ting. 0.13,11: Is 't. een ryck man, 
deer men 't oenspreckt, so moet 
hi burgia op syn ryck. Is heteen 
rgk man, dien men er om aanspreekt, 
dan moet hij borg stellen op zgn bezit. 

ride, Uxtus, zgde. B.96. — Bg Wiarda: 
federride, vaders zgde. (side?) 

rider, vestis, kleed. F.O.L.6,8: And 
thet inreste iefta thet vterste 
rider. En het onderste of het boven- 
ste kleed. 

ried, consilium, raad. J.M.F.II, 276. 

rient, laceratus, gescheurd. 2.E.1,12. 
Zie: rend. 

righa, obtinere, bekomen. Ch.I, 242: 
And righede fan ene riochtere 
the absolutio. En verkreeg van 
den regter de absolutie. (Misschien 
moet men crigede lezen; bg J.M. 
F.II, 312. staat: aghede, zal eene 
schrgffout zgn.) 

rihter, pecus, rund. A.2,11. bg Wiar- 
da. Zie: rither, reeder. 

rik en ga, donatie, schenking, uitkeering. 
B.104. 2.E.4,14. 

r i k i a, possessiones acquirere, ditescere, 
rgk worden, bezit krggen. 2.E.4,37. 
And hi rikie therefter. En daar- 
na bezit krggt. 



423 



rimbendar— riwat 



424 



rimbendar, rinbende. H.^,18. 2. 
E.1,2L Zie: rembende. 

rime, regula^ versus^ series j calendarium^ 
ï^T regel, kalender. 0.12,13: Deer 
naet in dm rime was. Die niet in 
de volgorde (in den kalender) voorkwam. 

rinbende, zie: rembende. 

xind, rotundus^. rond. l.E.5,14. *t rind 
nmbe, orUctdatim^ in het rond. 

ringh, ctto, spoedig. E.L.2,6: Hua sa 

' alsa ringh sterft fon ene vnde. 
Wie zoo spoedig tengevolge eener 
wond* sterft. * P.d.Ms.: gherynge, 
sor geringe. 

« 

rynna, currere^ loopen. F.E.60,17. 

ryBske gondene, Jlorenus rhenanus, 
rgnschj^ gnldei^. F.B.74,3. 

riochtdey, di4$ judiciij.TegÜBg, J.M. 
F.n, 266. 

riouinge, rasio^ triHo^ schuring, wrgving. 
^ F.O.LJ»48: Eu aubere riouinge. 
Eene zichtbare schaving (der huid). 

riouwa, taedere, poenitere^ rouwen, be- 
rouwen. 0.8,18. 

rira, mobilia^ roerende goederen. 2.E.9: 
Alsa fliande werthe thi tha ri- 
ra, sa thet wede oppa liwe. E- 
ven zoo slgtende worden uwe roerende 
goederen, als uw kleed op uw lig- 
chaam. 

risa, rysa, oririy ontstaan. A.7,21. 
F.R.20,7. 

rise, mV^a, roede, rgs. F.R.60,13. 

risen, ortusj ontstaan. H.3,1. 

rither, rhither, pecusj vee, rund. 1. 
E.2,11. Zie: thruchstrinzed. 

ryths, rapina^ roof. P.R.43,3. 1X1,152. 
of wel: mobüia^ roerend goed. Zie: ri- 
ra. (Het staat tegenover land, onroe- 
rend goed.) 

rytzen, canditus^ obductusj verborgen. 



berakeld. P.R.59,17: By rytzenm 
fywr. Bg berakeld vuur. 
riuchschyldiga, seeleratus^ misdadige. 

F.R.54,4. 
riucht, jus^ regt. F.R.1,1. — 2) ju- 
risdictie^ geregt, regt^ebied. F.R.3,1. 
riucht, legalis^ Ugitimus, wettig. O. 

14,3. B.6. Ch.1, 345. 
riuchtafoerd, zie: riuchtefoerd. 
riuchta, jiM2icar€, regten, te regt staan. 

A.1,8. 
riuchta, regere^ r^eeren. H.9,1. 
riuchtdegghen, dies judidi^ rotda- 
gen. J.M.P.n,267. 
riuchie^ justusj regtvaardig, wettig. A. 
r.1. F.R.in,2. — 2) Juste. B.8: 
And riuchte elle riuchte. En be- 
regte alles r^tvaardig. 
riuchtedich, justus in munerSj wettig 

aangesteld. F.R.in, 14. 

riuchtefoerd, riuchtafoerd, riuch- 

tafoert, riuchtforth, hum?, te^ 

stond. F.R.55,4. E.L.2,4. F.R.1M. 

rinchter, judea^ regter. F.B.1,7. 

riuchtfera, jus agere^ r^tvoeren. F. 

R.58,17. 
riucht fe rand, potestate judicandi prat- 
ditusj r^tvoerend, stemgeregtigd. Ch» 
[, 499. 
riuchtfirdich, justus^ regtvaardig. F» 

R.16,4. 55,4. 
riuchtfirdicht, riuchticheet, riucht 
licheit, justitia^ r^tvaardigheid. F. 
R.1,1. 2,1. 
riuchtschyldiga, justus Isgitimusqtt» 
possessoTy regthebbende, geregtigde. 
F.R.61,1. 
riuchtsculdiga, scelercUus^ misdadige. 

Ch.I, 345. 
riwat, sarritus, ge^d, F.O.L.7,1. Zie: 
rhine. 



425 



riwithe— mter. 



426 



riwithe, teretj slgt. F.O.L.!!: Als o 
riwithe thi thina hewa, sa thi 
thet wede. Evenzoo slgten uwe be- 
zittingen als het kleed. (2.E.t7. heeft: 
Alsa werthe thi thina hewa. 
Evenzoo worden awe bezittingen.) 

roda, virgüj roede; Jlagellatio^ geeseling. 
Ch.I, 616. 

rode, patibulumj galg. H.6,14. l.E. 
5,24. E.L.1,65. 

roder, gubemaculum^ roer. 0.9,28. 
roer, O.l.S. 

roeft, clanwT^ geroep. Ch.1, 100, 

roe ster, craticula, rooster; ordo, regel. 
F.E.80,8. 

roewer, gubemaculum^ Toer. J.M.P.9,31. 

rofte, damarj geroep. A.7,31. 

rokeloes, sine accuaatione^ zonder aan- 
klagte. J.M.F.Reg.14. 

rok o los, temerariua^ roekeloos. Ch.I, 
607. 

ropa, c2ai7uiré, roepen. P.R.58,6. H.7,2. 

rora, attinere^ betrekking hebben, roe- 
ren. F.E.13,47. 

ror end e, a^en«, handelende. O.v. Deer 
dit boeck fan rorende is. Daar 
dit boek van handelt. 

Pos, hors, equus^ paard. Ch.1, 101. O. 
9,34. 

rosche tyd, festum civile^ burgerlgke 
feestdag. F.R.5,4: Dyo rorsche (ro- 
sche?) tyd is, als een landishere 
spreekt, hy se op dyn dey bo- 
ren. Feesttgd is het, wanneer de lands- 
heer zegt, dat hg op dien dag gebo- 
ren is. 

rossche weninghe, opinio voluptuaria^ 
wellustige waan. F,B.13,6: Als me 
syncht ane man ende een fro- 
we bede naken togara, so is dat 
een weninge, dat hi se bysle- 



pen habbe. Wanneer men een man 
en eene vrouw beide ontkleed te zamen 
ziet, dan is er een vermoeden, dat hg 
haar beslapen heeft. 

malde, mundtis^ wereld. E.L.1,42. 
ruald. F.O.L.II. Zie: w ra ld e. 

r u d a d, tractus^ gesleurd. F.O.L.I, 52: 
Werth er ac en wif togad and 
rudad, and hiu se biwiri. Wordt 
er ook eene vrouw getoogd en ge- 
sleurd, en vg zich verweert. 

rueka, recusare, wraken. B.80. 

rufferie, ignominia^ scKandtaal. F.B. 
86,8. 

ruft, damor, geroep. Ch.I, 118. 

ruia, acciésare^ beschuldigen, wroegen« 
2.E.3,14. B.B.14. Zie: riiogia en 
wreia. * 

rukia, odorare^ ruiken. Ch.^, 115. 

rum, r u m e, spatiosua^ ruim ; amplus^ /?a- 
^^n9, ruim, breed. l.E.1,9. H.1,9. 2,3« 

rum eg, rhumeg, famana^ rockend. B. 
147. 

Bumfara, Romipeta, Bomevaarder. H. 
1,11. A.2,5. F:0.L.1,11. Bumere. 
A.1,11. 

Bumfrethe, pax Romipetisj vrede voor 
die naar Bome gaan. l.E.1,12. F. 
O.L.1,12. 

rundvm, ubique, post se^ circumse^ rond- 
om. £.L.1,31. 

ruoga, accusatio^ klachte. 2.E,3,14. 
B.B.14. 

ruogia, accusare, aanklagen, wroegen. 
B.B.13.14. 2.E.3,14. 
utand, screanêj rochelend. H.4,18: 
Werth et rutande and hi 't sa- 
wer nowet bihalda ni muge. 
Wordt het rochelend en hg zgn speek- 
sel niet kan terughouden. 

ruter, servus^ bediende. J.M.F.Beg.8. 



427 



mwidele— sanra. 



4aa 



rnwidele, roHmditaSf orbi», eireulut, 

m 

ronddeel, het erf waarop het huis staat. 
B.49. (bg Wiarday 



rwalde, mundtm wereld. US.5.,20^ ï^K 
wralde. 



s. 



sa, aicut^ als: A.v.1. H.t?. — 2) tunc^ 
dan. E.L.lflS. H.1,3. 

saamlyc, simul, tina, communitery geza- 
menlgk. Oh.1, 519« 

sa4d1k, offffcr cespitibus eatrucHtSy dgk 
«van zoden. E.L.3f76. 

sade, satha, cespesj zode. 2.E.1925. 
B.L.3,77. 

saden, talis^ zoodanig. A.7,9: Er nen 
saden nas. Vroeger niet zoodanig een 
was. 

8 tLe n^ aeptem^ zeYeiL J.M.F.II, 206. Ch. 
1, 101. 

saen, dücordia^ twist. F.R.27,1. 

saennady conffregatusy eonvoccUuSj verza- 
meld, bgeengeroepen. 0.10,20: Mith 
saennada (saemnada?) siden. Met 
verzamelde genooten. Zie: samana. 

saghen, sogin, «^ptem, zeven. 2.E.1,1. 

salt, saUuê^ zout. A.2,1.^ H.2,1. 

salna, inquinare^ squalere^ bemorsen, be- 
vuilen. I.E.V.: Ni hira wede ne 
saluade. Noch hun kleed vuil werd. 

sam, margo^ boord, zoom. H.6,4. 

samana, cangregarey verzamelen. 0.1,73: 
Als me 't samanade. Zoo als men 
het bgeenbragt. — F.R.59,1: Myt sam- 
nada syden. Met verzamelde genoo- 
ten. — samenda. J.M.F.II, 14. 

san, diêcordtüy twist. 0.16,11: Stryd 
jefta san. Strgd of twist. 

sana, admonere^ eaigere^ appeUare depe^ 



cunta, flagitare debita^ manen, aanma- 
nen. 0.1,6: Jeft him dg foget 
deerum sana wil. Zoo de voogd 
hem daarom wil manen. Gh.I, 520. 

sand, septem^ zeven. J.M.F.B^.5. san- 
de, septimuê^ zevende. F.R.51,1. 

san de, sanctus^ heilig. J.MJF.2,33. 

sanderhanda, sepüfivriuB^ zeTenderleL 
F.R.13,2. 

san las, 9ine discordia^ twisteloos. F.0. 
L.7,1. 

san na, disputare^ verschil hebben. F. 
O.L.I, 32. 

sanne, san, saen, diacordia^ twist 
F.R.m, 6. 

sannia, disputare^ betwisten. 0.9,1. 
[J.M.F.2,51 heeft: inia, acct]p^«, ont- 
vangen, innen. Deer den fengli 
scellet inia mey twam orken- 
dum. Die het aandeel (van het ge- 
meene deel) met twee getuigen znllen 
innen.] — Deer dine fangh san- 
nia schillet mit twam orkenem. 
Zal het hier ook fjnnia moeten z^n? 

sangwgand, dies sacrationU dnermh 
aschwgding, aschwoensdag. F.R.5,1« 

san sa, aubmergere, verzuipen, verdiin- 
ken. l.E.6,4: Sa ach ma (him) 
north inna thet hef (toferans) 
and ther on (to) sansane. Dan 
moet men hem noordwaarts aan de 
zee brengen en daarin verzuipen. 



iaat— soaiie. 



«se 



metusj heilig. 0.1,5. 

1, Septuaginta^ zeventig, J.M.F. 

L 

armaius^ beUicaaus^ gewapend, 
zuchtig; tansuê^ geschoren. 1. 

Zie: sered. 

saaonicuê^ saksiBch. F.O,L.6,24. 
»7, dies satumi, zaturdag. O. 

uteus, pui S.L.3,68.64: Sath 
a wal Ie, Put of wel (bron), 
!^pes^ zode. E.L.3,76.77. 
mucus, snot, Bpeeksel. l.E.4,25. 
erck, cespitesjZoAen. Gh.I, 743. 
eptem^ zeven. O.r. saunde, 
üs^* zevende. «annteenstej 
tiende, decimus septimus^ ze- 
ade. O.v. PJl.»l,9. 
wherra,9épfte«, zevenmaal. Ch. 
. 

mueus, smot, speeksel. E.L.1,24. 

q^tem^ Bev«n. F.B.5,2. 

?r,mes. A.3,13. 6,17. 0.10,34. 

8, 

epen, arma rioctwi, schadende 

OT. H.10,4. 

nocerej schaden, beschadigen. 
5. 

;icfaeed, laesiOf beschadiging. 
)8. 

da, skacraf, 2af rocinw???, straat- 
roof door geweld. F.R.2,31. 

lef, scakera rawe. J.M.F. 

Zie: scaekdede. 
lie: scha en. 

er, scapularium^ schapelier, schon- 
k. Ch.I,S44. 

mnt^ geschieden. J.M.F.II, 266. 
licheid, J.M.F«II, 243. Zie: 
tahefticheid. 



scakera rawe, zie: scaekraef. 
scalc, servus^ bediende. H.2,10. l.E. 

2,10. 
scalkheed, peccaium^ misdaad. E.L. 

3,43. 

scalkense, insidiose^ Kstig. J.M.F. 

12,20. (0.12,19. heeft: stoickens, 

stilleiges.) 
scall«, testiciduSi teelbal. Ch.1, 114. 

J.M.F.II, 239. 
scalsine, nermis iesticuU^ teelbalspier. 

Oh J, 114, J.M.F.n,239. 
scalsleeck, ictas in testiculis^ slag te- 

^n den teelbal. 0.11,49. J.MJ*.!!, 

2S9. 
s camel, pauper ^ «rm, sofaamel. F;B. 

15,31. 
s ca net, ver9€haJt^ schonk. H.9,1. 
soa ra, votmt^ t^k)eggzer, gzer bg de 

godsoordeelen gebmikt wordende. J. 

M.F.6,23. 
scard, cnnts, haar. J^M.F.Ü, 237. 
scardinge, «aptmi^iitum, scheiding, sdint- 

ting. E.L.3,46. 
scatha, noxa^ schade. H.1,9. J.M.F. 

n, 243. 
sced. J.M.F.n,252. Zie: scerd. 
sceda, separ^re^ scheiden; discemere^ 

onderseheidim. O.v. 
scedd«,.9no^«r«, schtKlden. E.L.1,91. 
scedinge, separatie^ sehddii^. E.L. 

3,56. 
SC e ld, 9mtum^ schild. Q.3,4. 9,2. 
scemma (scelma), zal men. F.O.L. 

5. 22,29. 
scenda, Yiaeere, beleedigen, schade doen. 

J.M.P.14. 
scène, skene, pudenda^ jotcdor, schaam- 

deelen, schaamte. H.4,27: Sa hire 

clath^r uperannad send and hi- 
re skene blieht. Zoo hare klee- 



431 



soensda— schat* 



482 



deren opgetild zgn en hare schaamte 
zichtbaar is (blgkt). 

scenzia, infundere pocula^ schenken, in- 
schenken. H.6,18. SC ene, schenkt. 

soep, schep, dbusj spgze. F.O.L.9,2. 
H.10,2: Scep and skensie. Eten 
en drinken (het geschepte engeschon- 
kene). Zie: schansa, skenzie. 

scepa, praestare^ beschikken, verschaf- 
fen. 0.3,15. 

scep en, /ach««, elaboratus^ gemaakt, vol- 
tooid. E.L.3,66: Scepene clather. 
Gemaakte kleederen. 

scep pa, creare^ scheppen; constitueren 
vaststellen. O.v. 

scep pa, deddere^ beslissen. E,L.3,24. 

scerd, scard, sterd, criniê^ haar. Oh. 
1,101. J.M.P.n,209. 237. 

scere, etigman brandmerk, l.E.1,16. 
Zie: skere. 

sceth, liber^ los, schietend. Ui.3,11: 
An da niughenda monathe sa 
werthath se sceth. In de negen- 
de maand dan wordt het (het kind) 
los. 

scetta, impedirej beletten, schatten. 
Ch.I, 848: Dat ghy dat scette mit 
rede ende mit dede. Dat gg dat 
met raad en daad verbindere. 

schadigia, laedere^ beschadigen, bena- 
deelen. 0.1,64. 

schaeckraef, schaekraef. 0.12,10. 
F.R.59,17. J.M.P.10,13. Zie: scaek- 
dede. 

schaed, fiunt^ geschieden, Ch.I, 239. 

schaedachtig, damno obnoMus^ schade- 
schuldig. P.R.64,4. 

schaedafticheed, lo^sto, beschadiging. 
0.11,68. 

schaedhelp, restitutio, restauratie dam' 
m, herstel van schade. F.B.44,6« 



schaedloes, indemnis^ schadeloos. F.B. 

42,2. 
scha en, scaen, Jierij geschieden. F. 

R.12,32, 60,4. Ch.I,239. ^wnt, ge- 
schieden. F.B.62,12. 
schaet, casttda^ voorschoot, 0.1,64. 
schaete, discedebantj scheidden. J.M. 

F.1,6. 
schahefticheit, laesioj beschadiging. 

Ch.I,115. J.M.F.n,243. Zie: ther- 

stahefticheid. 
schaga, nocere, schaden. 0.16,1. 
schaker, latro^ raptor ^ violator^ stnmi- 

roover, schaker. F.E.15,27. 59,17. 0. 

15.1. 
schalc, servusj bediende. F.OX.2,10. 

0.4,10. 
schalchicheed, astuHa^ loosheid. F. 

B.4,1. schalicheed. F.B.62,12. 
schalkislada, citatio propter finrtm 

apertum^ dagvaarding w^(ens sfanat- 

roof. F.B.60,18. (schaekerisladif) 
s c h a 1 e 8, indemnisj schadeloos. Ch.1, 24S. 
schaluere, actio ludendo facta^ in ffA 

gedane daad. F.O.L.6,18. Bjj F« 

Wicht vindt men: schaloensboei^ 

is men halue boete. Zie: spiV* 

deda. 
schanda, laedere^ benadeelen, schead^ 

0.16,1. 
schanka, injundere poctdaf scha: 

inschenken. E.L.1,83. 
schansa, potus, drank. P,0.L.9, 

scep. 
schat, pecunia^ geld. F.B.in, 4. 
schat, definitus^ gescheiden, 

B.18,13. 
schat, impositioj coHatio^ censuê^ 

belasting. 0.17,7. 
schat, impensa^ onkosten; sunwH^^ s^ 

0.1,45. 



• 433 



sohata— schien. 



434 



schataf separare^ scheiden, eindigen, 

beslissen. F.B.2,1. 
schate, castulaj voorschoot. 0.6,2. 
schatta, muUam infiigere^ boete opleg- 
gen. P.R.65,17. 
scheda, separare^ decidere^ beslissen, 

scheiden. F.B.2,24. 49,4. 
scheda, discedere^ vertrekken, scheiden. 

0.12,20, 
scheda, desisteren afzien, afstaan, afstand 

doen. F.R.8,1. 
scheed, vagina^ schede. F.R.58,30. 
scheen, pulcher^ schoon. O.v. 
scheen, aperttis^ open, zichtbaar. Oh. 

1,345: Op *t scheenste fan dae 

waer. Op het meest zichtbare van de 

werf (geregtsplaats). 
scheep, ovis^ schaap. 0.1,64« 
scheere, vomer^ ploeggzer. 0.7,17. 

Zie: 8 ca ra. 
scheft, baculum^ staf. J.M.F.4,7. 
schel (scheld?), debitum^ schxild. E.L. 

3,1. 
acheldigia, schieldigia, accusare^ 

beschuldigen. 0.10,10. 
schema (schel ma?), zal men. F.0. 

L.9. 

schen, zollen. F.O.L.1,3. 4,15. 7,11. 
voor schelen. 

schen, factus^ geschied. E.L.3,43. 

ach en ia, purgare^ zuiveren, reinigen, 

. schoonmaken. E.L.3,63. 

schening e, d%msix>n deeling, scheiding. 
F.O.L.9,27. 

schep. F.O.L.9,2. Zie: scep. 

schep, om, schaap. F.O.L.6,1. Zie: 
scheep. 

schepen, posüus, constitutusj conforma" 
tuSj ejus est naturae^ gesteld, gescha- 
pen. F.R.50,46: Dat deeromme 
also schepen.' Dat is aldus gesteld. 



schepen, factus^ gemaakt. 0.1,70: 
Schepena weed. Gemaakte kleede- 
ren. 

schep pa, excercercj uitoefenen. 'O.v. 

scheppen, factus, elaboratus, gemaakt, 
voltooid. F.R.45,18. 

scheppen, scabinus^ schepen. F.R.25,15. 

sch era, /or/ïce«, schaar. 0.13,8. 

schera, metere^ maaien. 0.9,17. 

scherd, criniSf haar. J.M.F.II, 285: 
Twiska wede and scherd. Tus- 
schen het kleed en het haar. 

schere, vomer^ ploegyzer. 0.4,23. F. 
O.L.2,23. 4,28. Zie: scara. 

scheriga, citarej dagvaarden. Ch.I, 
394. 590. 655. scherziget, ge- 
dagvaard. 

scherren, tonsus, geschoren. 0.11,5. 

scherziget, zie: scheriga. 

schet, pecusj vee. 0.1,70. 

schet, efjlttens^ uitstroomend, schietend. 
0.9,17. 

scheten, ablatus^ transjums^ trajectus^ 
trans/oratuSj gestooten, geschoten, aan- 
gebracht. E.L.1,28. 

scheth, Jit^ geschiedt. E.L.2,11. 

schetha, separare^ scheiden. F.O.L.t;. 

schetschiale, zie: sketskiale. 

s c h e 1 1 e, mobilia^ los goed ; vcdor^ waarde. 
F.O.L.6,1: Hondefta schette. Hand. 
geld. 

schette, exiebatj schoot. F.R.58,30: 
Wter scheed schette. Uit de 
schede schoot. 

schia, Jieri, geschieden. E.L.3,7. 

schycka, convenire^ schikken. Ch.I, 
469. 

schide, Jiebat, geschiedde. J.M,F.1,3. 

schield, scutunij schild. 0.1,2. 

schieldigia, zie: scheldigia. 

schien, factus, geschied, J.M.F.II, 321, 

28 



1 
% 



435 



Boliyla— Bchuur. 



436 



schyla, diferre ^ YersohiWen, F.R.15,77. 

schyld, debitum, schuld. F.R.17,16. — 
culpa, schuld. F,Il.40,4. 

schyldboeck, tabula accepti etexpensi, 
schuldboek. F.R.17,16. 

schylde, tributum^ belasting. F.R,1,44: 
Schot ende schylde. Schot en lot. 

schyldnatha, debitor, schuldenaar. F. 
R.42,4. 

schilinghe, riasüj discordia, diasidium^ 
twist, verschil. F.R.21,19. 

schylman, debitovj schuldenaar. F.R. 
43,4. 

schyn, Jiebant, geschiedden. J.M.F. 1,3. 

schyn, factus, geschied; perfectuSj vol- 
eind. F.R.32,4. 0.1,80. 

schyna, lucere, videri, apparere^ schg- 
nen, O.v. F.R.59,19. 

schipbrekande, naufragi^ schipbreu- 
kelingen. B.B.25. 

schipisboerde, shipisboerde, /o- 
n, orwm, scheepsboord. 0.8,3. sce- 
pesborde. J.M.F.7,30. 

schipliude, navitae^ schippers. F.R. 
81,14. 

schira, mobilia, huisgeraad. F.O.L. 
8,21. Zie: ski ra. 

schirapertya, /ac^io scliiringorum^ schie- 
ringer partg. Ch.I, 252. 

schyt, Jit^ geschiedt. F.R.75,8. 

schitst, destinatuSj commUsua^ beschikt, 
aanbevolen. Ch.I. 617: Daejenne 
deer schitst wirdet dat regi- 
ment to feren. Diegene aan wien 
het beheer is aanbevolen, geschikt ge- 
vonden zgn. 

schitza, disponerey beschikken. Gh.I, 
590: Haet hya redet, rammit, 
schitzet ende ordinerat. Watzg 
besluiten, beramen, beschikken en ge- 
lasten. 



schiuld, scutum, schild. J.M.F.4. 

scho, schoeide, schode, schoude, 
zoude. F.R.87,3: Scho haun hab- 
b a, acceptura /uüset Zoude gehad heb- 
ben. F.R.23,11. 25,8. 

schoete, tributum, schot, schatting. J. 
M.F.II, 271: To schoeten ende 
toe schilden. Tot schot en lot. 

schoff, opprobrium, schande, schofterg. 
F.R.63,2. 84,10. 

schoya, contemplari, beschouwen. O.v. 
scoya. 0.9,13. 

scholder, humerus^ schouder. 0.11,27. 

scholinga. 0.4,4. Zie: scolanga. 

scho nek, pes^ voet, been. 0.10,8. F. 
R.59,18. 

schot, tributumj schatting. F.R.1,44. 

schond, zoude. F.R.75,6. Zie: scho. 

schoude, zie: scho. 

schrede, ctVcumct^to, besngding. 0.6,2: 
Mit fade ende mit schrede. Het 
vervalsching en met besngding (van 
het geld). 

schreeder, circumcisor pecuniae^ geld- 
snoeger. 0.12,13. 

schrene, serene, scriniumy schrgn, 
kast, kist. 0.6,2. 12,13. 

schriuwer, scriba^ geheimschrg ver. Cli. 
I, 344. J.M.F.n, 290. 

s e h u d d a, arceren impedire^ schutten, be- 
letten. F,R.7,8. Zie: scetta. 

schula, latere, occultare^ schuilen, ve^ 
bergen, verschuilen. F.R.25,8. 

schunck, pes, voet, been. J.MJP.Beg. 
15. 

schuppa, Ugo, pala, schup. J.M.F.n, 
227. 

schurtinge, separatio, scheiding; dU- 
êidium, discordia, verschil ; noaa, schade, 
schorting. F.R.39,5. 

schuur, êcabies, schurft. F.R.85,1. 



437 



schwerth— sorif. 



438 



schwerth, jurat^ zweert. F.O.L.I, 62. 

schzake, maaiUaj kaak. Gh.I, 111, 

8 ei del, radius j kleine armpgp. E.L. 
1,36. 

scildig, reusj criminosuSy schuldig. 
F.O.L.6,16. scildra (scildegra?) 
schuldiger. 

scilnese, scilnisse, menstruaj ston- 
den. 2.E.1,13. E.L.1,40. 

sciolde, scutum, schild. J.M.F.4,5. 

scipa, obtinere^ officiy verkrggen, schee- 
pen. P.R.58,29: Ende dgenabij 
onluck scipet daed ieffta duig. 
En de een bg ongeluk den dood scheept 
of wonde (krggt). 

8 ei p man, navita^ schipper. 0.9,28. 

scir, praesenSj nutneratus, baar, klinkend. 
E.L.2,4: Mith scire jelda. Met 
baar geld. 

scirdmunic, monachus canus^ schier- 
monnik. Ch.1, 332. 

Bciulde, debitunij schuld. J.M.F.2,70. 

sclachte (slachte?), stipes, stirps^fa- 
milia^ stam, staak, geslacht. Ch.1, 335. 

8 e ebbe, squamma, schub; moneta quae- 
danij zekere munt. F,R.57,7: Na et 
een scobbe. Niets met al. Zie: 
scnbbe, 

scode, scolde, zoude. H.9,1.2. Zie: 
scho. 

scoya, contemplari^ beschouwen, schou- 
wen. 0.9,13. 

scol, zult. F.O.L.v.l. scol tu, debes, 
zult gg. 

scolanga, scolenga, impensa^ kosten; 
reparoHo damni^ schadevergoeding. 1. 
E.2,4. 0.4,4. H.2,4. F.O.L.6,9. 

gcomelike ewel, pudendum malum^ 
geheime ziekte. F.O.L.5,30. 

sconda, pudor^ schaamte, schande. H. 
6,15. 



scone, pulcher, schoon. H.9,2. 

scone, calceus^ schoen. H.6,15. 

scop, creabat, schiep. l.E.3,13. 

scortha, defectus, gebrek, schorting, na- 
deel. F.R.50,41: Da scortha swa- 
re. De benadeeling bezweren. 

scote, rastrum^ hark. B.171: Jef thi 
werf ducht, sa nime re alsa stor, 
sa re mit tha scote winna mu- 
ge. Zoo de werf uitzakt, dan neemt 
hij zooveel, als hij met de hark ver- 
krggen kan. 

scotfinger, index, voorste vinger. Ch. 
1,99, 0.11,37, 

scotschieldich, tributcmus, schotplich- 
tig. 0.9,13. 

scouwa, protruderCj schuiven. J.M.F, 
n, 229. 

SC o wet, contemplatus, judicatua, agnitus^ 
beschouwd, geschouwd. 0.9,13. 

sera n ga, vexare, disturbare, benauwen, 
bevreesd maken. Ch.1, 733: So Ie et 
ie jenna wita, dat ws scran- 
ghet, dat (ma) ws nen lauwa 
scil haMa, wil ie to jesla byn. 
Zoo laat ik u weten, dat wg bevreesd 
zijn, dat ons geen woord zal gehou- 
den worden, wanneer ik in ggzeling 
zal zign. 

scred, tonsus, geschoren. F.O.L.l.S.lO. 
Zie: sered. 

scheden, scredene, scissio^ sngding. 
0.11,9. H.4,16. 

screed, streed, circumcisioj besnoeing. 
0.12,14. 

scrya, skria, plorare, fiere^ schreien. 
0.4,2. F.O.L.2,2. 

scryeljeer, annua luctus, rouwjaar. F. 
R.87,1. 

scrif, «cnp^M«, geschreven. H.4,1: Ther 
scrif is. Die geschreven is. 



439 



scryQiaiming- 



440 



scryfpanning, salarium, schr:gfloon. 
Ch.1, 344. 

scrift, lea^ wet. F.R.37,1. — 2)«cnp- 
tuTüy geschrift. F.R.7,2. F.O.L.5,29. 

s erin e, arca, scrinium, kist, schrgn. 
l.E.6,2. 

scrioua, scriwa, scrywa, scribere^ 
schrgven. P.R.5,5, 11,3, 36,10. H.t?. 
B.125. 

scrioun, scriuen, scriptusj geschre- 
ven. O.v. F.R.46,3.59. H.8,24. 

scriouwe, scribebat^ schreef. J.M.F. 

1,7. 

scrodere, circumcisorj geldbesnoeier. 

J.M.F.IO,?. 
scrowen, conscriptus^ beschreven. Ch. 

1, 100. 
scnbbe, moneta quaedam, zekere munt. 

Ch.1, 97:Ti grate is fior scub- 

ben. De groot is vier schubben, 
sculd, zoude. F.R.46,38. J.M.F.7,25. 

Zie: scho. 
sculderben, scapula^ schouderblad. B. 

198. Ch.1, 101. 
scunka, pes^ os, voet, been. E.L.1,37. 
scura, lacerare, scheuren; to scura, 

verscheuren. F.R.7,9. 
scuwa, scwa, protrudere, verschuiven. 

Ch.I,98. 0.11,11. Zie: scouwa. 
sczaka, maailla^ kaak. Ch.1, 103. 
sczenkele, calvities cutisj kaalheid van 

het vel. Ch.1, 102. J.M.P.n, 209. 
se, marej zee. H.t;. 0.1,2. A.r.1. 
se, illa, zg. O.v: Jeft se naet ne 

swiwet. Zoo zg niet verschilt, 
se, se, zich. O.v. 
seburch, cataracta, agger marinus, sluis, 

zeedgk. A.7,8. Ch.1, 101. F.O.L. 

1,16. 
secht, sechte, morbus, ziekte. F.O.L. 

2,1. 5,30. l.E.6,5. 



sechte si ak, aegrotana, sukkelend. A. 
2,1. 

secka, causa, zaak. F.R,1,14. 2,6. 

secka, accusatus, beschuldigde. Ch.1, 
550: Soe scil ma dae secka by- 
thiode hwierom dat hy wroe- 
get se. Dan zal men den beschul- 
digde voorhouden waarom hg beklaagd 
is. J.M.F.II, 276. 

secke, sardna, saccus, pera, zak, pak, 
reiszak. F.R.2,31: Je ft e een kre- 
mer myt syn secke geet. Of een 
marskramer met zgn pak gaat. 

secna, aceusatio, actio, beschuldiging, 
actie. B.48. 134: Secna to maki- 
ande. Actiën in te stellen. 

secza, quaerere, zoeken. lJEi.1,15. 

sed. F.O.L.1,17. Zie: sede. Yr send 
and vr sed, in fiagranH deUcto^ op 
heeter daad. 

sed (se hit), sit {consHtutum), hetzg. 
B.62. bg Wiarda. 

sed, satis, genoeg, verzaad; perfecbu, 
geëindigd. Ch.1, 115. 

sed, semen, zaad. F.R.76,1. 

se da, seminare, zaaien. F,R.37,12. 

sede. H.7,4: Ur soche end ur s 
de, in fiagranti, op heeter daad. Zi< 
sed, fatada. 

sedebode. l.E.1,11. Zie: sendi 
bode. 

sed el, haUtatio, zetel, het bewonen. 
13,2. 

se den, ustus, gebrand; coc<tM, gezod^zi 
F.O.L.5,29: Seden dolch. 6ebiaiB.de 
wonde. 

sedzen, dicium, dedaratio, verklaring; 
het z^gen. E.L.3,42: To go der 
liude sedzen. Op goeder mannen 
verklaring. 

seeburich. 0.9,13. Zie: seburcL 



:l. 



441 



seeo— sella. 



442 



seec, seeck, causa^ zaak. 0.16,5. 

seecknisse, seecknese, seecknis, 
inquisitiOf visitatioj huiszoeking, hnis- 
aanval. 0.1,66. 9,35. P.R.60,9. 

se el, animuSy ziel. 0.4,5. 

seelsillicheed, beaUtudo^ der zielen 
zaKgheid. P.R.22,4. 

seelmoninge, recommendcUto animae^ 
beveling der ziel. 0.8,9. 

8 e e n t, pacat, zoent, verzoent. J.M.P.9,27. 

seer, mdnus^ wonde. 0.10,8. — 2)fae- 
sioj bezeering. Ch.I, 335. 

seer, valde^ zeer. P.R.15,31. 76,3, 

seerfaldicfaeed, moeror^ droefheid. 
P.R.87,1. 

seerfallich, soUicitus^ zorgvuldig. F. 
R.2,13. 

seerlawa, haeredttas pecuniae occisi^ er- 
fenis van het mangeld. F.R.53,1. 

seet, Bedebat, zat, P.R.36,18. J.M.P. 
4,7. 

seet ma, decifna^ tiende. P.R.1,44. 

seevta, êeveritasj crudelitas^ crudelia 
fada^ wreedheid. Ch.I, 610. 

se ge, tnctoria, overwinning. H,9.2. 

seg.e, decisioj beslissing. 0.9,7. sege, 
seghe, judicium j uitspraak. J.^.P. 
9,32. 

segong, inundatio^ overstrooming. 2. 

E.4,6. 
.segongar, szegongar, cataractae^ o- 
guaeductuê^ sluizen, waterleidingen. B. 
172. 

sei, judicium, sententiaj vonnis, uitspraak. 
J.M.F.9,7: Als dat aefte tioegh 
tiogid is ende dis thinglaze 
sei ghenzen is. Als het wettig ge- 
tuigenverhoor algeloopen is en de uit- 
spraak bg verstek geschied is. 

seid, dictus, gezegd. E.L.3,4. 

seynd, missus^ gezonden. P.R.18,15. 



seyne, sagena, zeegen, vischnet. C!i.I, 
743. 

seining a, benedictie ^ zegening. I.E. 
4,14. 0.11,38. 

sek, seke, ree, causa, zaak. O.v. 

se ka, quaerere, zoeken; visitare, bezoe- 
ken. O.!?. 1,23. E.L.2,3. 

seke, zie: sek. 

sekenisse, seeknis, inquisitio, onder- 
zoek. P.R.60,9. 

sekka, causae, zaken. Ch,I, 550. 

seknia, negare, ontkennen; disputare^ 
betwisten. P.O.L.6,1. 

seknie eth, seknian eth^juramentum 
negationisj wrakingseed, ontkennings- 
eed. F.O.L.6,1: And hi en thing 
seknie, sa is ma niar enne sek- 
nie eth to swerane. En hg eene 
zaak ontkent, dan is men nader een 
ontkenningseed te zweren. 

sei, animus, ziel. P.O.L.2,5. 

sei, idem, hetzelfde. P.R.9,1. 

seld, venditus, verkocht. 0.1,37. 

sei da, raro, zelden. J.M.P.12,25. 

sei e, anco, jugamentum, iigium, trabs, 
gebint, balk. H.10,35. P.O.L.9,28. 

sei e, anima, vita, ziel, leven. l.E.3,11. 
H.1,3.17. 

sei e, juramentum, conscientiaf eed, ge- 
weten. B.3. 

sei e, Junis, touw, band. P.O.L.6,22. 

sei e, columna, zuil, 0.12,25. 

self, proprius, suus, eigen. P.R.22,13: 
Pan hyare seluis gueden. Van 
hunne eigene goederen. 

sei ff tredde, ipse tertius, hg zelf de 
derde, twee met hem. P.R.42,6. 

selich, beatua, zalig; sanctus, heilig. 
H.3,1. £.L.2,1. 

sei la, vendere, verkoopen; solvere, be- 
talen. B.90. H.2,2. A.3,21. 



443 



BOJJflv~~~BOv0 



444 



Bella, ligare^ binden. 2.E.1,21: And 

ma ene snartne dech vr sine 
.scline selt. En men eenzwarten 

doek voor zijne oogen bindt, 
sella (to here), locare^ verhuren. B. 

86: To here seld. Verhuurd, 
selle, sellim, selm, ideirij dezelfde. Ch. 

1,546. F.R.1,1. 20,1. F.O.L.1,3.17, 
selscep, sodetasj gezelschap. F.B.56,1. 
selschipia, conjurare^ zamenspannen, 

zamenzweren. 0.12,18. 
selsketa, arcus autoniatuSy koordboog, 

koordboogschieter . B. 2 1 9 . 
selt, salsuêj zout. Ch.1, 550: 't Selt 

wetter. Het zoute water, de zee. 
selua, selua, idem^ dezelfde. F.RJ,31. 

40. F.O.L.9,3, in fine. p. 166. selun, 

«t6t, zelven. 
selua, seiner, seluis, seluua, sel- 

va, selwa, ipse^ proprius^ zelf, eigen. 

F.R.2,5. l.E,t>, A.r.1. H.t?. 
seluer, seluir, argentum^ zilver. E.L. 

3,32. H.10,6. 0,1,71. 
sen, sutiê^ zgn. J.M.F.II, 248: In sen 

mund. In zgn mond. 
sen, sin, ingenium, senaus^ zinnen. Ch. 

1,616: Wit ende sen. Verstand en 

zinnen, 
sen, seminatus, gezaaid. B.160: E red 

and e sen. Geploegd en gezaaid, 
sena, placare^ verzoenen, 0.16,11. 
send, zie: sed. 

send| pacatusj gezoend. A.7,2. 
sen de, peccatum^ zonde. A.9,2. 
sendebode, nuntius synodi^ bode van 

den zeend (van het geestelgk goregt). 
H.1,11. 
sen den, judicatus^ pacatuê^ gevonnisd, 

gezeend. F.R.18,20. 
senenga, seninge, benedictie^ z^ening. 
B.L.1,35. F.O.L.5,18. 



sengha, torrerêj zengen, Bchroeieii. 
Ch.1, 120. 

senid, pcLcatus^ gezoend. J.M.F.9,27. 
0.9,25. 

senne, conjugeer echtgenooten. E.L. 
3,17. 58,59. 

sennegath, pacatus^ gezoend. J.M.F. 
10,6. 

sennesedle, occasuê èolis, zonsonder- 
gang. J.M.F.12,13,L 

sennighia, cantradicere^ non eaneedere^ 
arguere de aUqua re, cum aUquo alter- 
cari, betwisten. J.M.F.2,76. 

senoth, pacatusj gezoend. J.M.F.TI, 
192. 

sera, dolorem senttre^ pgn gevoelen. 1. 
E.r: Hira haued ne serade. Hun- 
ne hoofden geen pgn gevoelden. 

sere, valde^ zeer. E.L.1,39. 

sered, sa r e d, ton^tM, geschoren; arma- 
tu8j gewapend. F.O.L.1,8.10. 6^25. 
H.5,2: Thene sereda riddere. De 
geschoren ridder. H.3,4. De ridders 
waren hoog om beschoren. Zie: scred. 
P.d.Ms.: Sudersassen, snden wa- 
pende ridders, snther sareda, 
sutherna sereda. 

serk, sepulchrumy sarcophaguSj dpput^ 
graf, graftombe. H.6,21. 

serilsa, laesio^ bezeering. F.OJLi.5,23. . 

s er lik, dolorosus^ pgnlgk. F.O.L.5,30: * 
Thet hi heth tha serlikm deda,... 
Dat hij pgnigke daden (de jicht) heeft.» ^ 

serlike, serius^ ernstig, H.9,2. 

set, positioy stelling, positie. P.R.25,37r *! 
Eer ma da setten gaerbrincktaB 
Eer men de conclusien gewisseld heeftJF 

set, oppignoratuê^ verzet^ verpand. 
O.L.2,2. 

set, institutus^ ing^esteld, O.v. F.] 
1,3, 5,3. m. 10. 




seth— sib. 



446 



cictu8y gehandeld. F.R.87,1. 
3, vicis, vicea, maal. H.6,15: Fi- 
r seth en, quater^ viermaal. 
3, pifffitiSj pand. Ch.1, 97: Mith 
la sethem. Met lodse panden. 
3g, poêèidens^ bezittend. F.O.L. 
0: Thi sethega thiaf. De in 

bezit zgnde dief. 

3r, postea^ daarna, later. I.E. 
.7.8. 

ooiond, tutor dativus, gestelde voogd. 
i.26,15. 

na, setma, lex^ conatitutio, wet, 
«Uing. F.R.29,1.2.8.9. 
, zetta, constitueren bepalen. H. 
3. E.L.1,63. 

, inatüuerej instellen. O.v. H.2,1. 
.1. — 2) cautionem dare, borgstel- 
B.5. — 3) aederej zitten. F.R. 
1. 

>, se te, cautio^ borgtocht, borg. 
;.F.14. B.54. 

n, poeitionee^ positien in regten. 
i.^0|07 • 

ngha, institutioj instelling. F.B. 
3. m, 2. 0.16,20. 
:, sewer, 8€divan speeksel. A* 
3, 0.11,18. F.O.L.5,10. 
seaj zes. H.v. sexasum, êeaies, 
naai. 0.1,2. sexte, êeatusj zesde. 

tenda, sextiende, sextinde, 
:tendeste, decimua sewtusj zes- 
de, F.R.56,1. O.v. A.2,16. H. 
5. l.E.6,4. 

ndon, accusationesy bescholdigin- 
) aanklachten. F.O.L J, 64: S a 
1 thet lond wesa fon sextin- 
L and fon alrahönda riuchte 
nge and thene di, ther ma 
sse honda bethwinge. Dan 



zal het land zgn buiten aanklachtefn 
en boven allerhande regten tot den 
dag dat men deze partgen bedwingt. *^ 

seza, quaerercy zoeken. 2.E.2,8: Sa mo- 
ten thes thata erwa therinna 
seza. Dan moeten de erfgenamen 
van den overledene daarin zoeken. 

si, sg, Victoria, zöge, overwinning. A, 
9,1. F.R.5,4. 

sia, viêusj gezicht, het zien. F.O.L. 
5,6: Thio siawerdene. De gezichts- 
beschadiging. 

sia, viderey zien. H.2,9. 6,14. A.3,8. 
l.E.4,12. E.L.1,31. J.M.F.1,5. sio- 
de, videbcUj zag. 

sia, êuterej naaien. 0.11,66: En de 
nim nitla ende treed ende sie 
't weer gaer. En neem een naald 
en eene draad en naai het weder te 
zamen. Gh.1, 105. 

sia, latuêj zgde; gradusj graad. E.L. 
3,16. H.4,48: In then thredda 
sia. In den derden graad. 

sia, sya, asaeesorj bezitter. 0.16,23. 

siac, a^ger, ziek, krank. l.E.3,7. 6,5. 

syaende, siande, videns, ziende; qui 
videre poteetj ziende. F.R.1,5. A.1,3. 
O.v. 

siama, humor, zeem, vocht. F.O.L.5,25: 
And thi siama ther vte rent. 
En het vocht daaruit loopt. 

siand, zie: syaende. 

si at ha, coquere, zieden, koken. l.E.6,4. 
P.d.Ms: seden, koken. 

siawerdene, laesio visus, gezichtsbe- 
schadiging. F.O.L.5,6. 

sib, sibbe, cognatus, co^na^, verwante, 
verwantschap. F.R:15,1.20. B.80. 
H.2,6. 

sib, sibbera, sibbest, prope, propri^' 
orj proaimuSy na, nader, naast. F.R. 



447 



sibdeel— sylrap. 



448 



2,27. H.2^5. E.L.3,39, F.O.L.2,9. 
sibdeel, sibdel, proximus cognattis, 

naastverwante, E.L.3, 39.59. 
sycker, «ecuru^, veilig, zeker. F.R.25,9. 
syckerleyd, salvus conductus^ vrgS®" 

leide. F-R.18,15. 
sicura, zie: sik era. 
syd> syde, mos, zede, gewoonte. H. 

10,8. F.R.1,18. 
syd, conjua^ echtgenoot. 0.12,10. 14,3, 
syde, zie: syd. 
syde, latuêj zgde; margo, boord, rand, 

zflde. A.3,10. E.L.1,20. 0.17,1. 
syde, asêesêOT, bgzitter; sydena, sy- 

ena, asseesores, bgzitters. F.B.2,18. 

in,14. 
side, pro/undtMj diep. H.7,9: Th es 

tredda dis, fallath se alsa side, 

thet se nen age bisia ne mi. 

Den derden dag, vallen zg zoo diep, 

dat geen oog haar aanschouwen kan. 
sidza, dicerej zeggen; loqui, spreken. 

F.R.15,26. 
sidzen, dicta, het zeggen, het spreken. 

F.R.15,27. 
sie, sye, sit, is, zg. 2.E.1,13. F.R.31,8. 
sied, sutus, genaaid. F.O.L.5,1,16. 
syeck, €ieger, ziek, 0.4,1. 
syeld, venditua, verkocht. F.R.32,8. 
sielden, raroj zelden. 0.12,27. 
syena, zie: syde, assessor. 
syerheyt, omamenta, sieraden. Ch.I, 

349. J.M,F.1I,304. 
syeringe, afjinis, zwager. F.R.25,13. 

Sibdelen, syeringen ende jel- 

deren. Aanverwanten, zwagers en 

ouders, 
syeta, jaculari, jactare, inferre, infligere, 

schieten, werpen, stooten. Gh.1, 98. 

0.11,9. F.O.L.6,13. 
sigel, sigiUum, zegel. F.R.3,6. 



sygled, sigiUo confirmatuSj gesegeld, 

bezegeld. F.R.17,2. 
sighende, descendens, ddabens, occidenij 

zggend, nederdalend, ondergaande. 0. 

1,27. 
sigun, septem, zeven. A.8,2. si gun 

stunda, septies, zevenmaal. A.9,5. 
syild, solutusj betaald. Ch.I, 489. 
sik er, innocens, onschuldig. 0.4,24. Ü. 

105. 
siker, syker, securuSy zeker, veilig. 0. 

4,5. F.R.13,15. 
siker, proprius, eigen. H.2,17. 
sikera, sicura, securum praestarSj red- 

dere, convincere, certificare, zekeren, 

verzekeren. H.1,8. 
sikera, sikeria, prebare, bewgsen. 

B.143, H.2,18. 
sikerega, sikeringa, 8ikringe,/>n>- 

batio, bewgs; certificatio, verzekering. 

J.M.F.1I,313. F.O.L.2,18. 0.8,15. 
sykerleyd, zie: syckerleyd. 
siker makia, literare absolvere, vrgspre- 

ken. B.13: Siker jeftha schel- 

dech makia. Vrgspreken of schul- 
dig verklaren, 
siker man, vir prebus, vredig man. 

F.R.59,1. onschuldig man. 
sikringa, liberare, bevrgden, zich ze- 
keren. F.O.L.2,18. 
sikur, innocens, onschuldig. A.2,10. 
sikura, sicura, securare, certum red- 

dere, zekeren. A.1,8, F.O.L.1, 40. 
sil, syl, cloaca, riool; cataracta, sluis. 

0.9,13. 
syld, venditus, verkocht.' F.R.32,12. 
s i 1 1 e n, zullen. J.M.F.n, 286. 
sillicheed, beatitudo, zaligheid. F.R. 

22,4. 
sylrap, Junale, zeel der tuigen. H. 

8,18. 



449 



sylroda— syoet. . 



450 






sylrodaf fo^a^ quae aqtiam ad catarac- 

tam ' ducity zglroede, kolk voor de sluis. 

0.1,20. 
sim, si me, vinculunij strik, strop, band. 

E.L.1,65. H.6,18. P.d.Ms.: Tow. 
sin, syn, sensus, zinnen. E.L.1,18. 

P.R.1,1. F.O.L.5,2. 
sin, syn, suusy zgn. E.L.1,13. B. * 

199. 
eindbode, misstis dominieusy afgevaar- 
digde van wege den zeend. 0.3,11. 
sindelic, aecundum leges synodales^ vol- 
gens de voorschriften van den zeend. 

J.M.F.7,1.* — 2) aynodalisj wat tot 

den zeend behoort. 0.7. 
sin dia, synadum agere^ zeend houden. 

0.8,2. 
syndriucht, sindriucht, jus syno^ 

dale^ zeendregt (kerkelgk regt). O. 

4,10. 7,1. 
sindslitene, turbatio eynodi^ zeendsto- 

ring. J.M.F.7,1.* 
sindstal, jurisdictio eccleeiaaticay gees- 

telgk geregt. F.R.42,3. 
syndtingh, res synodalis^ zeendzaak. 

F.R.20,8. 
sin e, nervusy ligamenta, spier. F.O.L. 

5,1. B.199. Zie: sinespield. 
syn en a, conjuges^ echtgenooten. F.O.L. 

7,6. 
sinekerf. J.M.F.II, 240. Zie: s i n i- 

skredene. 
sinespield. J.M.F.II, 240. Zie: sini- 

skredene. 
sinetriucht, sinethriucht. l.E.v. 

H.v. Zie: syndriucht. 
sinewege, via contttsione nervorum orta^ 

weg over de spier. l.E.4,3. Zie: lith- 

wey, 
sinewerdene, laesio nervorum^ spier- 
beschadiging. l.E.4,15. 



singha, torrere, zengen, schroeien. O. 

11,5. 
sinhiga, conjuxj echtgenoot. A.5,6. 
'siniskredene, sectioj laeaio nervorum, 

spiersngding, -beschadiging. F.O.L.I, 

11. 
sinkael, sinkale, synkele, ccUvities 

cutisj het kaalblgven der huid. E.L. 

1,7. H.4,16: Sinkele, ther nem- 

mer nen her uppa ne gret. Sin- 

kelej waar nimmer weder haar op 

groeit. 2.E.1,1. F.O.L.5,1.14. 
synkerf, sinekerf. 0.11,30. Zie: 

siniskredene. 
sin na, sin, sensue^ zinnen, zintuig. B. 

103. H.4,2. 
sinne, synned, sinneth, synodus, 

zeend (kerkelgke vergadering). A.2,20. 

J.M.F.7,1. 
sinne, suus, zgne. l.E.5,24. 
sinne, aol^ zon. Ch.I, 334. 
synnedia. J.M.F.7,1. Zie: sindia. 
sinneth e. B.136. bij Wiarda, Zie: 

sinhige, synena, sennena. 
sinnetriucht, sinthriucht. jus si/- 

nodale^ zeendrecht. J.M.F.7,1. F.O.L. 

4,1. 
si nu n ga, benedictio^ zegening, A.3,9. 
sinuth, synuthe, synodue^ zeend. A. 

9,4, Zie: sinne. 
sinuth ia, aynodum agere^ zeenden, 

zeend houden. A.9,4. 
sinutkost, impensa synodij kosten van 

den zeend. A.9,4. 
siode, videbaty zag. J.M.F.1,5. 
sioecte, aegritudo^ ziekte. J.M.F.6,1. 
sioen, syoen, sione, syone, vieue^ 

gezicht, het zien. 0.11,12. F.R.2,14. 

A.3,3. Ch.1, 99. J.M.F.1,3. syoen, 

videbantj zagen, 
syoet, jaculabatur^ schoot. Ch.I, 108: 

29 



451 



syoket— skeld. 



452 



Hwam so ma in da hemcase sin 
aghe wth syoet. Wien men in een 
hnisge vecht zijn oog uitsclioot. 

syoket, sycket, aegritudo, ziekte. F.R. 
73,1. 

syongha, cantare^ zingen. F.R.5,1. 
77,9. 0.7,14. 

syoun, signum ad evocandum populum, 
sjoQ, alarmteeken. Ch.I, 599. 

syrheed, omamenta, versierselen. O.r, 

sisterlingh, sobrinusy zusterling. F. 
R.15,27. 

sithe, collega^ ambtgenoot. B.15.16. 
215. 

sitma, poasessioj bezit. 0.1,50. 

sitta, habitarej wonen; sedere, zitten. 
E.L.1,12. F.R.19,1. 

sitta, eistere, zitten. F.O.L.I, 26: And 
nen thing sitta. In geen geregt 
plaats nemen. 

sitten, eedene, zittend. F.R.18,16.5: 
Sitten ende naet standen. Zit- 
tende en niet staande. 

sitter, poeeeeeor, bezitter. F.R.59,26: 
Een sitter, deer een gued mit 
wyeld bysit joff halt. Een bezit- 
ter, die een goed met geweld bezit of 
houdt. 

sitter, reue, beklaagde. F.R.3,1: Deer 
ma oenspreckt, dat is d^ sitter. 
Wien men aanspreekt die is de eitter. 

sittinge, poeeeeeio, bezit. F.R.59,26. 

synckt, syackte, aegritudo, ziekte. 
F.R.3,13. 19,2. 

syucht, sywch, mdet, ziet. F.R.13,6. 
Ch.I, 548. 

siugunde, sivgnnde, eeptimue, ze- 
vende. A.t;.l. 2,7. 

siuguntinda, decimue eeptimue, zeven- 
tiende. A.1,17. 2,17. 

siuld, venditue, verkocht. J.M.F.2,74. 



siune, sivne, vime, gezicht. B.l(^ 3. 

E.L.1,18. l.E.4,5. 
siurcgong, sinnrgong, iurcgon. ^. 

aditue, iter ad eccleeiam, kerkgaiM.^ 

l.E.5,21. 
siuth, jamlatur, schiet. F.O.L.6,13. 
sivne, zie: siane. 
sivne, avuleio, a£schaving. B.196. Zie.*^ 

efsivne. 
siwnlik, swinlik, vieibiUe, zichtbaar. 

F.O.L.5,21. 
sywch, zie: syucht. 
ska er af, latrocinium, straatroof. B.70. 
skaduwepne. A.3,13. Zie: skathe- 

wapen, scadewepen. 
skalk, servue, bediende. A.2,12. 
ska met, pudenda, schaamte, schaam- 

deelen. F.O.L.6,18. 
skansa, infundere, inschenken, F.O.L. 

5,43. 
s k a r i a, compeneare, rationee {alieujus rei) 

eubducere, putare rationem cum aUquo, 

in rekening brengen, afrekenen. B. 

211: Nimth ma tha bota, sa ska- 

rie ma se anda thet ield. Neemt 

men de boete dan rekene men die 

van het geld af. 
skate, caetula, voorschoot. A.4,5. 1. 

E.6,2. 
skathewapen, arma nociva, scherpe 

wapenen. E.L.1,68. Zie: scadewe- 
pen. 
skathia, nocere, schaden, beschadigen. « 

A.v.1. skatha, noora, schade. A.6,11. .. 
skecht, zie: skeka. 
skefte, vagina, baculum, decempeda, 9clie 

de, schacht, stok, staf. F.O.L.3,9. 
skeka, rop^re, schaken. B.108, skecht^.- 

rapit, schaakt, 
skeld, debitum, tributum, schuld. B.99. 

A.1,9. 



453 



skeld— sketta. 



454 



Keld, scutum, schild; protectioj hesohuir' 
ting. A.6,2: Ti skel wesa alle 
skeldon egengen. Die zal van alle 
bescherming verstoken z^n. l.E.6,4. 

Kei da, accusare^ beschuldigen. F.O.L. 
1,61. 

Ikelde, protectum, stillicidiumy protecta, 
orum, afdak. B.52: Binna skelde. 
Onder het afdak. 

Ikeldegia, (iccuaare, beschuldigen. 1. 
E.3,1. 

Ikeldich, reus^ schaldig. A.1,6. 

3[eldige, scheldige, reusy schuldige. 
£.L.1,63. 
kern ma (skel ma), zalmen. 2.E.2,8. 

> ken, pulcher^ schoom A.8,1. 

^ ken, factus^ geschied. B.49.69. 209. 
E.L.1,43. esken. 

sken, schen (skelen), zullen, fl. 
10,11. F.O.L.4,15. 

skena, agnoscere, legitimare^ erkennen, 
wettigen (schoonmaken van de vlek 
van onwettigheid). H.5,5. 1.£,6,7. 

«kenast, pulcherrimua^ schoonst. A. 
8,1, 9,1. 

skenca, infundere pocula, schenken, in- 
schenken. l.E.5,16. 

skene, pudenda, schaamte. H.4,27. 
(skeme?) 

skenzie, potusy drank. H.10,2: Thet 
him scep and skenzie mene se. 
Dat hem kost en drank gegeven werd. 

skeninge, danatio^ schenking. H.10,32. 
F.O.L.9,27. schening e, zie aldaar. 

skep, ovis, schaap. E.L.1,81. 

s kepen, factusj elaboratus, gemaakt. F. 
O.L.6,3. 

skep pa, nojninarey decidere^ benoemen, 
besHssen. B.21. 107. 2.E.4,17. 

skera, metere^ poseere^ afsngden, af- 
maaien, afweiden. E.L.1,77. 



skerd, segmentum^ pars, particula, lap. 

F.O.L.5,22. 
skerd,- incisioy sn^ding. B.193. 
skerd, acuminatus, gespitst. H.2,25. 

2.E.1,24: Skerde fial. Gespitst wiel, 

rad. 
skere, vomer, ploeggzer, proefflzer bij 

het godsoordeel. F.O.L.5,32. I.E. 

2,23. H.4,41. Zie: schere. 
skere, stigma, brandmerk. A.1,16. H. 

1,16. F.O.L.1,16. 
skergest, skernigest, stercore ma- 

culatusj met drek bemorst. 2.E.1,17. 

E.L.1,52, 
skeria (sikeria?), purgare, zuiveren, 

verontschuldigen. H,4,41 . 
skern, stercus, mest, drek. E.L.1,93. 
skernigest, zie: skergest. 
skerningha, separatio, scheiding, af- 
scheiding. 2.E.4,30. 
skerp, acutus, scherp, spits. 6.110. 

l.E.6,6. Zie: skerd, acuminatus, 
sket, custodit, bewaart, schut. 2.E.1,18. 

Zie: schetta. 
sket, pecusy rund, vee. 2.E.t;. E.L. 

1,57. 
sketen, jaculatus, geschoten* H.6,2. 
sketh, pecus, vee, rund. 2.E.1,18. Zie: 

sceth. 
sketha, separare, scheiden. A.5,8. 

B.19. 
sketrawe, raptio pecorum, veeroof. B. 

62. 
sketskiale, sketskiule, stabulum, 

beestenstal. B.128. E.L.1,87. 3,74. 

Zie: schetskiale. 
s k e 1 1 a, custodire, schutten (van het vee). 

F.O.L.6,2: Skettene penningar. 

Schutgeld. 
sketta, cohibere, schutten, stuiten. l.E. 

5,27. Zie: blod sketta. 



455 



skette— slautotii. 



456 



skette, mobiliaj roerend goed, los goed; 
valor^ waarde. F.O.L.64: Fon nena 
hondefta skette. Van geen band- 
geld. 

skettene, zie: sketta. 

skia, Jieri, geschieden. B.75. H.9,2: 
Th et ske. Het geschiedde. 

skiata, jacutari, schieten; cadere^ uit- 
schieten, vallen, invallen. l.E.5,16: 
Thet hi a sine kniu skiate. Dat 
hg op zgne knie valt. H.6,18. 

skyd, schyd, schyt, /i, geschiedt. F. 
R.75,8. 

skide (bemande), gladius strictus, 
uitgetrokken zwaard. H.4,33. 

ski del, radius minus^ brachii mediuê oSy 
kleine pgp van den arm. 2.£.1,9. 

ski e, Jit, geschiedt. H.10,14. 

skiffa, decidere^ beslissen. B.7. 

skiffene, decisie ^ beslissing. 6.127. 

skifta, separate j scheiden, schiften. 
A.7,21. 

skildwepern, moneta quaedam^ zekere 
munt. F.O.L.6,6. 

skina, lucere^ schgnen. A.2,22. 4,1. 

ski pa, constitueren daarstellen, scheppen, 
vormen. H.5,1. 

skipbreckande, vaufragi^ schipbreu- 
kelingen. 2.£.3,25. 

skipisbord, /on, orum, scheepsboord, 
A.7,32. 

skipnese, dispositie, constitutioy gesteld" 
beid, toestand, geschapenheid. A.7,9. 

skippere, creator, schepper. A.v.1. 

ski ra, mobiliaj meubelen. F.O.L.8,15. 
(Hoogd.: Geschirr.) 

skiria, cf^acZ^re, beslissen. B.33. — 2) 
purgarSj zuiveren. B.174. — 3) op- 
peUare, beroepen. B.56. 

skirra pannenga, praesens pecuida, 
baar geld. 2.E.2,4. 



skiurkawage. H.6,21. Zie: szinrka- 
wage. 

skonda, skonnede,/7U(2«fu2a, schaamte, 
schaamdeelen. F.O.L.5,38. E.L.1,93. 

skredene, laesio, scissio, sngding, ker- 
ving, bezeerihg. A.3,10. 

skria, lacrymari, schreien. F.O.L,2,2. 

skriehte, Jletus, geschrei. A.7,31. 

skrine, arca, scrinium, schrgn, kist 
A.4,5. 

skufth, ca{ca^, schopt. A.7,16: Jef ma 
hini skufth. Zoo men hem schopt 

sla, verberarej slaan; ocddere, verslaan, 
dooden. A.2,20. B.64. 127. H.2,25: 
A morth selit (si e it?). Doodsloeg. 

slacht, stipesj linea, stirps^ staak, ge- 
slacht, familie. F.R.46,12. 50,3. 0. 
12,18. 

slachta, moneta, muntslag, de moni 
H.1,2. A.1,9. F.O.L.1,2.9. 

slachta, Aomtct<2tum, doodslag. J.M.F.6,9. 

slaet, slayth, fossa, sloot. E.L.3,34. 
Ch.1, 105. 

slain, occisus, gedood. E.L,3,17« F. 
O.L.6,8. B.110. 

slain, verberatus, geslagen. E.L.1,13< 
B.157. 

slain, cusus, geslagen, gemunt. 0.1,71* 

slain, pactuSy overeengekomen. F.B* 
32,1: Ende dat gued malcoren 
toslayn habbet. En elkander dat 
goed hebben toegeslagen (over dat goed 
zgn overeengekomen). 

slayth, fossa, sloot. J.M.F.II, 193. Zie: 
slaet. 

slaitoth. F.O,L,I, 5. Zie: slautoth. 

slata, excitare incilia, slatten, slootma- 
ken. B.168. 2.E.4,32. E.L.3,34. 

slaudolch, vulnus ustum, gebrande 
wonde. F.O.L.5,29. 

slautoth, slaitoth, sleintoth, slei- 



457 



slee — smetliishase. 



458 



tot, dens eaertuê^ slagtand, sn^tand. 
2.E.1,5. A.3,7, 15. l.E.4,9. slei- 
tech. l.E.4,2. F.O.L.1, 5. 

slee, sleeek, sleek, slek, ictusy ver- 
bera, slag. P.R.55,4. l.E.2,24. F. 
O.L.5,17.18.23. 

slein, verberatusy geslagen. l.E.5,23. 
28. B.54, Zie: slayn. 

sleitech, sleitot, zie: slaatoth. 

slek, zie: sleeek. 

slek e, moneta, muntslag. A.1,2. 

si e pa, dormirej slapen. H.4,33. E.L. 
1,2. l.E.4,6. 

slepand, slepen, dormiensj slapend. 
H.3,4. F.R.1,13. 

sleph, injicit, werpt. H.8,18: End 
thene silrap an thene hals sleph. 
En het tonw om zgn hals werpt (of 
wel: sleth, slaat). 

slet, sera^ slot. 0.9,7. 

slete, habitus j kleed, omslaiting. J.M. 
F.6,22: Soe moet hi habba thria 
sletene oen. Dan mag h^drieklee- 
dingstokken aan hebben. 

sletel, slettel, c^vt^, sleutel. A.7,12. 
0.12,9. 

sleth, duduê^ gesleurd, gevoerd. F.0. 
Ij.2,3. 

sletta, claudercj sluiten. F.R.25,28. 
50,19. 81,14. 

sletta, confirmarej jungere^ sluiten, be- 
vestigen, besluiten, voegen. Ch.I, 98. 
J.M.F.n, 198. 

slettel, zie: sletel. 

slettende, claiisij geslotene. J.M.F.II, 
282: By slettende doeren. 6g ge- 
slotene deuren. 

slinga, ligamentumy fasciola^ lint, band. 
l.E.5,1. 2.E.1,1. Zie: clinga. 

slita, frangere^ breken; infringere^ slij- 
ten. B.26. 0.7. 



slita, deolere, delere, krachteloos maken, 
0.1,61. F.O.L.4,3. 6,1. 

sliocht, sliucht, simplex ^ solus^puruSy 
eenvoudig, slecht. Ch.I, 377, F.R. 
15,79? 

sliuchtis, saltemj tantum^ slechts. F. 
R.37,7. 

si och, vincebatj versloeg. A.v.l. 

slofbende, slopbende, slotbende, 
ligatio simplex^ losse binding. H.4,14. 
8,18. A.7,15. F.O.L.6,22: Slofben- 
de, thet ma thene mon mith 
hondum halde and sin fiund 
hine hena wille. Slofbende^ dat 
men den man met handen vasthoudt 
en zgn v^and hem beleedigen wil. 

slot, arxy kasteel, slot, burcht. F.R.66,5. 

sluter, digitus minimus ^ kleine vinger, 
pink. A.3,18: Thes halderes and 
thes sluteres. Wegens den duim 
en den kleinen vinger. 

slwich, simplex^ onnoozel. F.R.46,52. 

smaul, osy mond. Ch.I, 111. Zie: sna- 
ke, snaul. 

smeek, smek, gustus, smaak. l.E.4,5. 

ix.o,ï5. 

smek ka, gustare, smaken, proeven. A. 
3,3. 

smel, minor y kleiner, geringer. H.10,4. 
F.O.L.5,31. J.M.F.16: Smelle he- 
ren. Geringe lieden. 

smelenga, angustatioy versmalling. F. 
O.L.5,6. 

smel la, angustatre^ versmallen. E.L. 
3,75. 

smere, adeps^ vet, smeer. E.L.1,38. 
2.E.1,14. 

smerte, dolorosus, smartelgk, smartend. 
F.O.L.1, 17: Smerta knotta. De 
strop (smartende knoopdoek). 

smethishuse, smidshuse, domus fa- 



459 



smetsa— soldede. 



460 



6W /^rrant, smidshuis. Ch.1, 101. 107. 
J.M.F.II, 206. 

smet sa, sapere, proeven. l.E.4,12. 
Zie: smekka. 

smithe, smitte, smittha, o/Jicina 
ferraria, smidse. Ch.I, 101. 107. O. 
13,8. 

smughe, obreptio, inkruiping. J.M.P. 
12,13. I, Zie: insmuge. 

snabba, o«, mond. E.L.1,13. 

snayn, sneynd, dies dominica, zon- 
dag. P.R.5,1.2. 

snak e, maasilla, kaak. Ch.I, 98. J.M. 
P.II, 199. 

snaud, dies satumi, saterdag. Ch.I, 
605. 

snaai, s na wel, os, mond. Ch.I, 98. 
J.M.F.II,199. 230. 0.11,14. 

snei, scissura, scissio, schenr, snede. 
0.11,9. 

sneyn, scissm, gesneden. J.M.F.n, 210. 

sneyn, dies dominica, zondag. F.R. 
5,1. sneynds, zondags. Zie: snayn. 

sneze, numerus viginti, twintigtal, snees. 
Ch.I, 99. J.M.F.16. 

snya, scindere, sneden. 0,11,9. 

s ny ck e, navis quaedam, zeker schip: snik. 

snyeke, cervical, peluw. Ch.I, 597: 
Want sie my oec om Godis wil- 
len een bed ende een snyeke 
gheghenen hebben. Want zij m^ 
ook om Godswil een bed en een pe- 
luw gegeven hebben. 

snida, scindere, sngden. F.R.58,41. 

snide, snythe, sdssura, snede. 0.11,9. 
Ch.I, 98. 

snithen, scissus, gesneden. E.L.1,23. 

snithia, secare, snijden. Ch.I, 98. 

snode, pravus, snood, slecht. F.R. 
81,15: In snoda steden. Op slechte 
plaatsen. 



snoed, pauper, vilis, arm. F.R.15,31: 

Snoed fan claen. Slecht in de 

kleederen. 
SU ore, fratria, zwagerin. E.L.1,86. 

3,30. B.150. 2,E,4,25. 
snotta, mucus, snot, kw^l. E.L,1,24. 

l.E.5,4. 
so, soe, tune, dan, F.R. 1,1. — 2) tto- 

que, ergo, derhalve. F.R.18,8. — 3) 

si, indien. P.R.61,2. — 4) So fyr 

so, in quantum, in zoo verre als. F. 

R.1,1. — 5) So eer. Zoo even. F. 

R.12,18. 
soch, sooch, causa, zaak. H.2,9. J. 

M.P.6,9. 
soche, zie: se de. 
socca, socke, socculus, sok. H.6,15. 

0.7,17. 
soe der, jam inde, sedert. J.M.F.12,12: 

Soeder hilden hit. Sedert hielden 

het. 
soen, JUius, -zoon. F.R. 12,9. 
soen, arbitrium, zoen. F.R.21,7. 
soenlyoed, soenlywd, arbitri, zoen- 

lieden, arbiters* F.R.21,1. 
sogen, septem, zeven. H.r. E.L.1,13. 

l.E.v. 
sogenath. 6.43. Zie: somnath. 
s ogend e, sepHmus, zevende. H.1,7. 
sogentendeste, decimus septimus, 

ventiende. H.1,17. l.E.1,17. 
sogentich, Septuaginta, zeventig. 

soghentena, septemdecim, zeventfï 

l.E.1,17. 
s o k a, quaerere, zoeken ; exigere, vorde*^ 

F.O.L.2,5. 21. 
sold, v^ndtftitf, verkocht. ChJ, 250. 

seld. 
s o 1 d e d e, facinus inquinatum, bezoed 

A.3,11. B.207. E.L.1,75. 2. 




461 



soldye— sothe. 



462 



H.4,8: Thet is en solded, wer- 
sa ne mon alsafir onfiucht, thet 
him sin spise eta tuan enden 
yngnnge. Dit is een solded^ wan- 
neer men iemand zoo erg aanpakt, 
dat hem zgne sp^ze nit de beide ein- 
den ontgaat. 

oldye, militia^ krggsmacht. J.M.F.16. 

oma, numentSj cohors, som, aantal. H. 
4,30. 

omlike, sommelike, a!t(^tit, sommige. 
0.11,9. P.R.47,7. 

omma, citare^ dagvaarden. J.M.F. 13. 

3mmels, interdum, aomïgia. F.R.12,33. 

3mmich, aliqui^ sommige. 0.17,5. 

3mmighe, jumenta, lastdieren. Gh.I, 
656: Hweer sommigha haedloes 
ferby gheedt by da dycke, fan 
elcka foet een fiemsche. Wan- 
neer lastdieren zonder geleider langs 
den d^k loopen, yan iederen voet een 
flaemsche. (Gallice: bêtes de som- 
me.) 

omnath, sogenath, congregatio^ ver- 
zameling. U.214. — 2) congregatusy 
verzameld. B.43. Zie: sonhaga. 

3mnia, sompnia, congregare, verza- 
melen. A.7,9. H.3,1. l.E.3,11. 
B.214. F.O.L.1,17. 

>n, moa, terstond. A.2,21. F.O.L. 
2,21: Sa nome ie se son. Dan noem 
ik ze terstond. 

>n, êanua. gezond. l.E.5,23. E.L.1,74. 

>na merna, moa^ terstond, zonder 
verwgl. F.O.L.1, 60. (Angelsaksisch: 
SC na, spoedig.) 

>nd, sanuê, gezond. 0.1,70. 

>nda, sanitas^ gezondheid. 0.11,9. 
Zie: snnda. 

> n d e m a, corrigia^ gezondheidsband. 
H.6,18. (P.d,Ms.: nedercleet.) 



son der, sed^ maar. F.R.25,35: S on- 
der hy moet. Maar hij moet. 

sonderlinga, sonderinga, separatus, 
afzonderlgk. 0.11,26. F.R.50,50. 

sonderlinghe, imprimisj inzonderheid, 
bijzonderlgk. O.v. F.R.50,28. 59,21. 

sondiga, peccator^ zondiger, zondaar. 
0.9,11. 

sondiga, peccare^ zondigen. F.R.72,1. 

sondighen, peccans, zondigende* F.R. 
2,11. 

sondwey, via aqtiatica, waterweg. F. 
O.L.1, 22: Wenrwey (weinwey?) 
tha sondwey. Of rgdweg of water- 
weg. 

son e, pacijicatio, arbitrium, verzoeliing, 
zoen. A.2,23. 

sonedey, sonnendey, dies solisj zon- 
dag. F.R.2,40. 5,4. l.E.2,14. 

song, cantus, gezang. A.9,10. 

sonhaga, citare^ dagvaarden. F.O.L.1, 
26: And to ouirherne sonhagath. 
En als ongehoorige {contutnaa) gedag- 
vaard. 

son ia, congregare, verzamelen. E.L. 
1,44. Zie: somnia. 

sonna, soen, pacijicatio^ zoen. J.M.F. 
n,281. 

sonnasedel, occaaus solis^ ondergang 
der zon. 0.1,28. 

sonswitha, alluvionesj aanspoelingen , 
aanwassen. A.7,30. 

sont, jam inde^ sedert. J.M.F.12,14. 

soo, eicut^ als, zoo, gel^k; tunc^ dan. 
0.1. 

sooch, causa^ zaak. J.M.F.6,9: Thruch 
sine sochis willa. Ter wille van 
zgne zaak. Zie: soch. 

sothe, muria^ pekel. l.E.5,17. E.L. 
1,83. F.O.L.5,29. (P.d.Ms.: Heten 
sothe van vleysch, sode water). 



463 



sothe— sprangel. 



464 



sothe, zie: sede, soche. 
sotte, constituebat, stelde in. J.M.F.ly9« 
80 wen, septem, zeven. Ch.I, 97. 
spada, liffo, spade. 0.1,2. A.7,8. 
spaende, dissolvebat, afbond. J.M.F. 

4,2. 
spand, Ugatus, gebonden, gespannen. 

O.v. 
spand, eatensus, gespannen, gerekt. O. 

8,17. 
spanna, dissolvere^ ontbinden. 0.2,2. 
spara, parcere^ sparen. 0.17,6. 
spatze, spetzie, radius^ spaak yan 

een wiel; %n^u«, spakig. H.3,4: Tian 

spetzie fial. Tienspakig wiel, rad. 

l.E.6,4. 
specie, saliva, speeksel. E.L.1,27. 
spedelspring, spedelsprengh, spe- 

delsprig, ejectio involuntaria aalivae^ 

onwillekeurige uitwerping van het speek- 
sel. E.L.1,26.27. 0.11,47. A.3,13. 

2.E.1,5. Ch.I, 113. H.6,4. F.O.L. 

5,10,11. 
spedla, saliva, speeksel. H.4,13. 1. 

E. 5, 5. 
speer, hasta^ speer. 0.1,21. 
speerfallich, caducus^ quo ad tigna 

tecti^ sparvallig, bouwvallig. 0.10,26. 

Zie: balckfallich. 
spelemede, muneray geschenken. J. 

M.F,11,20. 
spera, attingere^ bereiken, besperren. 

A.7,17. F.O.L.6,21. 
sperahand, sperehond, linea ^mas- 

culina, mannelgke lijn, zwaardzgde. 

F.R.50,45. F.O.L.7,7. 
speres orde, mucrOj spits der spies. 

l.E.6,2. 
8 p er ter a, attingere, besperren, bereiken. 

A.7,17. 
spetze, spetzie, radiatus^ radiis tn- 



structtiSy spakig, met spaken voorzien. 
E.L.1,84. H.3,4. Zie: spatze. 

s p i e 1 d, JUaura, spleet. Ch.I, 114: S i- 
nekerf and sinespield. Spierker- 
ving en spierspl^ting, 

spier, hastüj speer. J.M.F.R^.3. 

spiga, apuere^ spuwen. H.6yl9. 

spil, jocus^ boert, spel. F.B.58|38. 
62,14. 

spildede, spildethe, actiones ludendo 
factaej speeldaden (niet opzettelgke). 
E.L.3,55. 2.E.4,38. B.182. 

spylia, ludere, spelen. F.R.72,4. 

spilikheed, jocua^ ludus^ spel, boertig- 
heid. F.R.62,14. 

spylkind, notus^ speelkind. F.R.47,1. 

spiri, hasta, speer. A.7,9. 

spisa, hasta, spies. B.B.5. 2.E.3,5. 

spise, esca, sp^ze. H.4,8. 6,21. 2.E. 
1,9. 

spon, Jibula^ haak, span, gesp. 2.] 
1,18. 

spon del sy de, linea feminina^ vrouwi 
Igke Ign. F.R.30,5. 

spondoc, linteumy quo sacerdaSj in 
lebranda misaa olim utebatur, nune 
nipulus, altaardoek, manipel. H.4,1 

sponne, epietomum^ duig, spon van 
vat. B.67. 

sponste, seductioy perstuuio^ verleidin. 
overreding. 0.5,8. 12,10. F.O.: 
4,12. 

spont, promittitj spondet^ belooft. 
107. 

sprang, oriebatur, ontsprong. J.1L] 
1,3. 

sprangel, sprengel, peniciUui, 
waterskwast, A.7,26: Thet is tl 
riuchta withume, binna tha fic^ -^ 
wer stenon, asa fir sa thi sprac^ ^ 
gel hit bigunch and thi bisco 



465 



sprecka-— stapa. 



466 



ewiged heth. Dit is het wettig m- 
thum (gewgde grond); binnen de vier 
steenen, zoo verre de wgwaterskwast 
het gesproeid en de bisschop het ge- 
wgd heeft. 

sprecka, loquiy spreken; nomtnar^, noe- 
men. A.t;.2. 2,4. F.R.1,14. 

sprecka (op een), in jus vocare ali- 
quem^ iemand in regten aanspreken, 
F,R.20,10. 

spreeck, loquebatur, sprak. J.M.F.1,7. 

spreeck, spreka, spretze, spreze, 
loquelaj spraak. 0.3,7. 11,21, B.186. 
A.1,7. E.L.1,27. 

spreek, actioj aanspraak ; jt^^aciVm/i, plei- 
dooi. F.R.17,6. 

sprensze, sacratus, gewijd, besprengd. 
B.51. 

spretze, zie: spreeck. 

spretzen, spritzen, locutusy gespro- 
ken. l.E.1,17. F.R.17,6. 

spreze, loquela, spraak. l.E.5,5. 

spritzen, zie: spretzen. 

sprideka, diapkragma^ middelrif. O. 
11,44. Ch.I, 113. 

sprutha, oririy ontstaan, spruiten, af- 
komstig zgn. E.L.1,86. 

spud, spuity spuwt. J.M.F.II, 218. 

spa ma, contemplariy bespeuren, zien, 
beschouwen, F.O.L.6,21. Zie spera. 

sta, êtarej staan. F.O.L.2,20. 

sta, praestare damnunij voor iets instaan. 
F.R.25,19. 

stac, rigiduê, stram. F.O.L.I, 9: Ste- 
yande and stac. Stgf en stram. 

stac, sepesy staketting, heining. B.67. 

stad, truditj stoot. J.M.F.II, 192: Stad 
hi en bord wt. Stoot hij een plank 
uit. 

stadewerder, stauriensis^ staversch, van 
Stavoren. Ch.I, 111. J.M.F.II, 229. 



staedick, stadelick, firmua^ certusy 
.Vftst, zeker, voldoende. 0.12,1. J. 
^'tf.F.12,1. 
staepel, truncus, blok, geregtsblok. O. 

12,13. J.M.F.12,14. 
staepsijn, nervi sacri^ virilitas^ kracht- 
spier, manl^kheid. 0.11,49. 
staerblgnd, coecitas pupülarisj omnino 

coecusy starblind. 0.11,12. 
staet, tru8U8y gestooten. 0.11,24. 
sta et, conditie j staat, stand, toestand. 

F.R.37,4. 
stahefticheid, zie: therstahef- 

ticheed. 
stak, stac, rigidus tWfu/>u^, stgf, strak, 

A.3,18. 
si2k\fimiiia8y vastheid, stand. Ch.I, 435, 

F.R.12,31: Dat aegh een stal. Dat 

moet vast staan, stand houden. A.5. 

stede and stal Ie, steevast, 
stalfestich, instupens, geheel stgf. O. 

11,12. 
sta 11 e, statioy het staan. 0.1,S: Deer 

orem oen stille stalle wrstoed. 

Die den ander met stilstaan overstond 

(overtrof), 
stanaftich, validus^ bestaanbaar. F. 

R.44,18. 
s tan da, consisterey ratum esse, staan, 

stand houden. F.R.36,11. 
standan, standen, stans^ staande. 

Ch.I,97. F.R.8,10. 12,19.30. 18,5. 

0.8,11. 
standfestich, /rf72U5, standvastig. F. 

R.33,2. 
stapa helm, galea altUj hoogehelm. A, 
7,8. bg Wiarda: Ac skilu wi use 

lond wera mith egge and mith 
orde and mith tha bruna skel- 
de, with thene stapa helm and 
with thene rada skeld, and 

30 



467 



stape— stef. 



468 



with thet unriuchte herskipi. 

Ook znllen wg ons land verdedigen 

met spies en met zwaard en met het 

bruine schild, tegen den hoogcn helm 

(den Frank) en tegen het roode schild 

(den Saks) en tegen eenig onwettig 

heerschap, 
stape, gradus, tred, stap. 0.11,9. 
stapel, stapnl, acumen^ corona, spitse. 

l.E.4,9. H.8,13. A.3,7. 
stapel, loeuê forenaiSf stapelplaats, markt. 

F.O.L.6,25. 
star (star f?), moriebatur^ stierf. F.O.L. 

6,9: Star thera berna eng. Stierf 

een der kinderen, 
starblind, stareblind, starublind. 

B.L.1,23. H.4,1. B.210. A.3,4. Zie: 

staerblynd. 
Starem, Stauria, Stavoren. 0.3,9. 
stare meta, meruura atauriensisj maat 

van Stavoren. J.M.F.Ü, 111. 
staringer, atauriensisj staversch. F.R. 

m, 10. 

stat, trtisuê, gestooten. E.L.1,14. 

stath, trudit, stoot. J.M.F.II, 192. 

stathalder, locum tenens, plaatsbeklee- 
der. Gh.U, 224: Fnlmachtich stat- 
halder in Hemsteradeel. Gevol- 
machtigde plaatsbekleeder in Hemste- 
radeel. 

stath e, habitatio, arjCj woning, kasteel, 
stins, state. l.E.1,14. H.1,14. stat- 
ta. Ch.I,337. 

stath nl, validuêj firmuêy stevig. A«7: 
Thet ter ne dik stathul mithi 
halda mngi. Dat hg daarmede den 
dgk stevig kan houden, 

statta, zie: stathe. 

staure, stauere, stawre, qui jura- 
mentum audity eedstaver. H.10,7. F. 
0-L,9,6. 



stauuad, stawad, stabilitus, gestaafd. 
B.10. 

stawia (eed), juramentum audire^ eed- 
staven. F.O.L.4,6. 

steb, stebbe, instupensy riffiduê^ strak, 
stgf, stram. l.E.4,13. F.O.L.5,26. 
H.8,14. A.3,8. 

stee, punctioy steek. H.6,4. 

steckmesse, pugio^ dolk. F.B.72,4. 

sted, urbs, stad. A.r.l. F.R.28,16. 

stedde, staret^ zoude staan. F.B. 7,1: 
Hor hg in da riuchta stedde. 
Of hg in het geregt zoude staan. 

stede, poaitioy positien in regten. 0. 
1,46. J.M.F.2,45. 

stede, firmusy tutuêy vast, veilig. F.B. 
36,1. 

stede. A.5. Zie: stalle. 

stede (oppa re), mo^, terstond ; tn Itxx^) 
in de plaats. B.33: Mit stede. Op 
staanden voet. J.M.F.2,41. 

sted es, continue^ steeds. E.L.1,37. 

stedga, confirmarey bevestigen. A.t;.l* 
stedgadon, confirmabointy bevestigden. 

stee, locusy steed, plaats, F.B.1,44. 

steed, firmuèy vast; continuusy besten- 
dig. O.t;. 

steedlick, continue^ gestadig, aanhoa- 
dend. F.R.20,16: Eu de steedlick 
is foerkeren. En gestadig woont 
(verkeert). 

steen, staiusy gestaan. F.B.41,5. 

steenewel, ca2cuZt<«, graveel. F.O.L.5,81. 

steenhuys, arx^ stins, kasteel. F.B. 

ra, 10. 

steente, ^«mfna, edelgesteente. 0.1)71. 

steer, moriebaturj stierf. F.R.46,64. 

steerlawa, zie: seerlawa. 

stef, via, geweld. A.1,14. 7,21: üter 
stef and uter strid. Buiten ge- 
weld en buiten strgd. 



169 



Btef— stiierekliom. 



470 



ie f, 8 ten e, baculumj veaillum^ stok, 
standaard. 0.1,30. 2,7. 
lefgenza, stefgenzia, stefgende, 
stefgong, baculo innitens, op den 
stok steunende in het gaan. l.E.5,11. 
B.210, H.4,1. E.L.1,37. A.5,9. 
:efgong, cidüus ad baculum^ het naar 
den staf gaan, bg eene procedure we- 
gens schaking. 0.1,30: Ende tweer 
stenen to setten. En twee staven 
te zetten. 

;efloma, qui sine baculo ir e non po- 
têitf die niet zonder stok kan gaan. 
l.E.4,1. 

ieithe. E.L.3,42: Bi steithe ande 
bi stonde, maa^ terstond, op staan- 
den Toet. 

; e k e, tnaneta quaedam^ zekere munt. Gh. 
1,97. — 2) punctie, steek. E.L.1,11. 
iel en, chalj/beus, van staal, stalen. O. 
3,17. 

elen, stelin, estelin, stelyn, 
stellen, stelna, raptus^ gestolen, 
geroofd. 2.E.t?. 0.4,18. F.R.m,4. 
— 2) furatusj bestolen. B.155. 
embe, instupensj rigidus^ stgf, stram. 
F.O.L.5,16. 

emblenge, stemblinga, stemp- 
linga, mutHatio, verstommeling. l.E. 
4,6, H.4,13. A.3,5. F.O.L.5,5.8. 
empene, obstructio, verstopping. F. 
O.L.5,10,11: Omma stempene. Be- 
lemmering van den adem. Zie: th em- 
pene. 

en, lapis, steen. O.i?. A.7,9. 
en, status, gestaan. F.O.L.4,23. 
enhus. B.159. E.L.1,71. Zie: steen- 
hnys. 

e n 8 1 e k, aedificaiio, bouwing met steen. 
B.159n. 
epe, gradus, stap. F.O.L.5,24. 



stepane (toe), adjurare, helpen, stg- 
yen, stoppen, aanvullen. J.M.F.5,15: 
Sae aeghen him zjn friond toe 
stepane. Dan moeten zgne vrienden 
voor hem aanvullen. {Cod. Emmius 
heefb: him to hilpane, hem te hel- 
pen.) 

stepiten, stipites, stirpes, lineae, sta- 
ken. F.R.48,1. 

stepne, prora, steven van een schip. 
H.6,14. 

step pa, currere, loopen; incedere, stap- 
pen. E.L.1,93. 

stera, stella, ster. A.7,9. 

s t er a, moW, sterven. 0.4,2. F.R.21,15. 
33,5. 87,8. F.O.L.6,9. 

stera, administrare, bestieren, besturen, 
verzorgen. H.v. A,v.l. 7,10.12. 

s t e r i k, firmus, vast, sterk ; potens, mach- 
tig. H.9,2. 

sterka, sterkia, sterca, conjirmare, 
bevestigen, versterken. A.7,10. l.E. 
V. 0.1,1. 8,22. 

stert, cauda, staart. B.61. 

stert, moritur, sterft. F.B. 3 3, 5. 

stert, efusus, gestort. F.O.L.4,34. 

sterwa, mort, sterven. B.63. 

stet, ictus, trusus, geslagen, gestooten. 
H.4,25. 

s te tan de (te), destruere, omver te ha- 
len. B.45. 

stetha, locus, plaats. E.L.1,50. 2,2.9. 

steuande, stevande, immobilis, ri" 
gidus, stgf. A.3,18. F.O.L.1, 9. 

steue, zie: stef. 

stewene, prora, voorsteven van een 
schip. l.E.5,22. £.L.1,73. 

stherekfrethe, pax ecclesiastica, J^erk' 
vrede. A.l,12. 

stherekhoui, cimiterium, kerkhof. A. 
7,8. 



471 



sthiake — stokke. 



472 



sthiake, maxilla^ kaak, A.3,15. 
sthzake. J.M.F.II, 229. Zie: sthiake. 
stiapfeder, mïncu^, stiefvader. H.1,14. 

A.1,14. stiepfader. 
stiapsine, nervi sacri. Ch.I, 101. Zie: 

staepsgn. 

stiarne, gubernaculum^ roer. l.E.5,22. 

H.6,14. 
stickelband, lemniscus^ gestikte band. 

E.L.1,4. 
stidi, locusj plaats. A.7,9: Anna ene 

stidi. Op eene plaats, 
stiepfader, vitricuê, stiefvader, 0.3,14. 

5,6. 

stiepmoder, vitrica^ stiefmoeder. O. 
3,14. 5,6. 

stierwa, mori^ sterven. F.R.87,6. 

stift, fundatuSj gesticht; institutus, in- 
gesteld. l.E.2,23f}. 

stifta, fundare^ instituere, stichten. A. 
v.l. 7,8. M.t?* 

stifne, status, ccmdt^to, toestand. A.7,9: 
And tha stifne net nen man- 
niska, buta God allena. En dien 
toestand kent geen mensch, maar God 
alleen. 

stiga, sitblevare, adscendere, stggen. A. 
7,9. 

stil e, columen, stgl, staaf. F.R.59,18. 

stilnese. l.E.5,13. Zie: scilnese. 

stins, arwj kasteel, burcht. F.R.26,5. 

stinsen, statusy gestaan. 0.7,11. 

stynswynst, expugnatio casteUij het in- 
nemen van een kasteel. Ch.I, 547. 

stioera, stiora, vegere, stnren, regee- 
ren. O.l.S. A.1,16. 

stioerna, gubernaculum, roer. 0,1.8. 

stipa, columen, stgl, staaf. F.R. 
59,18. 

stirt, stirth, cauda, staart. 0.8,17. 
E.L.1,79. 



stirt, effums, gestort. 0.8,4. 
stitha, institutio, instelling. H.2,25. 

l.E.3,6. 
stithle, cacabus, ketel. A.5,12. 
stiua, ob torpescere, stgf worden, rer- 

stijven. H.8,14. 
stiuand, instupens, stgf. l.E.4,13. 
s tiara, vegere, coêvcere, cogere, bestie- 
ren, keeren, afwenden. l.E.1,16. F. 

1,16. 
stiurcfrethe, pax ecclesiae, kerkvrede. 

H.1,12. 
sto, locus, plaats. Ch.I, 99: Dolch an 

der selua sto. Wonde op diezelfde 

plaats, 
stoc, stok, carcer, gevangenis. H.1,16. 

A.1,16, Ch.1, 335. 
stocknaken, zie: stoknaked. 
sto de, stabat, stond. J.M.F. 1,6: Dat 

een man onder da galga stode. 

Dat een man onder de galg stond. 

O.v. stoed. 
sto e, tempus, oogenblik, stond. F.B* 

84,27. 
stoed, locus, plaats, steed, 0.12,11' 

stoeth. Ch.I, 117. 
stoel, sedes matrimonialis, echtstoel. 

J.M.F.n, 277. Zie: stol. 
gtoenda, stonda, stare, staan; Mt^i 

zijn. B.B.2. 2.E.3,2. F.R.35,1. 
stoer, magnus, groot. 0.11,14. 
stoer, moriebatur, stierf. F.R.21,15. 
stoern, viortuus, gestorven, F.R.26,15. 
stoya, juramenta praestare, eedstaven. 

F.R. 5,1. 
stok, rigidus, instupens, stram. A.6,11. 

Stef and stok. Stgf en stram, 
stoknaked, stocknaken, pvovsusnu- 

dus, moedernaakt. 0.4,2. F.O.L.2,2. 

1. lij. o, 8. 
stokke, baculum, stok. A.7,16. 



stol— stnre. 



474 



r, geregt, geregtstoel. H.1,7. 

F,0.L.1,7. F.R.2,31, 
't n e), matrimonium legitimum^ 
huwelijk. H.5,4. 
tola^ stool. 0.4,5. — 2) jua^ 

P.R.2,31. 
s, clam^ heimelijk, stilletjes. 

clava^ stomp, knods. 0.12,10. 
tct«, stond, maal. 0.12,13. 
wmentum, oogenblik. 0.12,26. 
«tore, staan; esse, z^n. A.2,6.9. 
durare, duren. B.4. 
:.L.1,13. B.50. H.2,1. Zie: 

moriebantur^ stierven. F.R, 

, mortuus, gestorven. F.R.57,6. 
a. F.O.L.5,23. Zie: strot- 

id, praestitua^ gestaafd. Ch.I, 
en stouwenden eeth. Een 
len eed. 
juramenta praeatare, eedstaven. 

F.R.18,18. — 2) confirmare^ 
fen, 

stram, flumen^ stroom, vloed, 
ï.L.1,73. l.E.5,22. A.7,32. 
, obstare^ zich verzetten. E.L. 
3 hit ac thet hit hua straf- 
het ook dat zich iemand daar- 
"^erzet. 

^amen, stroo. 0.1,44. 
heynder, grassator, straat- 
r. Ch.I, 548, Zie: ferdore- 
l. 

n, sparsus, gestrooid, gesprengd. 
.6. 

, strewet, consternatusj Uir^ 
Hsturbatiis, in wanorde gebracht. 

E.L.l,l. 



strichalt, strickhalt, labanSj qui ire 
nequit, struikelend. B.210. 0.11,39. 
F.O.L.5,21. 

stricloma, impotens eundi, langs den 
grond voortschuivend. E.L. 1,37. 

strid, strideth, pugna^ duéZZum, strgd, 
kampstrgd. B.148. H.1,5. A.1,14. 
l.E.5,25. 

stridenderhand, pugnans^ str^dend. 
F.R.55,6. 

strydferda, paa exerdtus^ strydvrede. 
0.1,38. 

strydheftich, stritheftich, inca- 
pax pugnae^ strgd wegnemend, niet 
strijdbaar. 0.11,68. Ch.1, 101. 115, 

strydwirdich, de quo duellum inire 
licety strgdwaardig, waarover men strg- 
den mag, moet. 0.11,68, Ch.1, 101. 

strodbolla, strotbolla, strotbola, 
stotboUa, laryna, strottenhoofd, strot, 
keel. l.E.5,8. E.L.1,30. 0.11,25. 
F.O.L.5,23. Ch.I, 102. (P.d.Ms: kele.) 

strumphalt, strumphelte, labana^ 
struikelend, strompelend. U.6,8. E. 
L.1,37. 

stucke. J.M.F.2,70: Hleef ende stuc- 
ke, mobiliaj huisgeraad. Zie: hleef. 

studen, praeterituSj verleden. F.R. 
15,27: Homanich tyd is *t stu- 
den? Hoelang is het verleden? 

stuit, audaxj stout. H.9,1.2. 

stultlike, audactevj stout. H.9,2. 

stunde, vicis, stond; mom^n^t^m, oogen- 
blik. A.7,11. l.E.3,12. H.9,1. 

stupa, vinculum^ band. A.1,16. H. 
1,16. F.O.L.1,16. 

stupa, truncuSj clava, stompel, knods. 
0.11,9. 

sture, moriebantur^ stierven. F.O.L.6,9: 
Sture thera berna eng. Stierf een 
der kinderen. Zie: star (starf?). 



475 



stwe — som. 



476 



stwe, yiw, geregt. 0,4,24. 

8 1 weren, stuveri, stniver (5 centen). 

J.M.FJI, 326, 
suagar, afjinis, zwager. E.L.«3,30. 
suang, affusio, begieting, het zwengen. 

2.E.1,17. E.L.l,83. 
snanga, swanga, afundere^ begieten. 

2.E.1,17. 
suarte, snatne, sward, cutisy huid. 

H.2,14. 6,7. E.L.1,83: Suarte 

snengh. Huidbegieting. 
suarth, nigevy zwart. O.v. l.E.5,28. 
aubtglheit, subtilitas, fijnheid. F.R. 

13,23. 

SU da, austruSy meridies, zuid. O.v. 

sudaest, swdaest, eurotenus, zuidoost. 
Ch.I, 744. 

suder, suderna, australis, zuidelijk. 
0.2,7. J.M.F.5,10. 

sudermuda. 0.1,1. (Het J,M.F.2,1. 
heeft: suda moeta, a parte auatrali^ 
van de zuidzgde.) To sudermuda 
(suda moeta) inkomma. Van de 
zuidzgde moeten inkomen. 

sueg, sueng, affusio^ aspersioj begie- 
ting. H.2,14. 4,22. 6,7. l.E.2,14. 

suengh, peccatum, misdaad. 0.14,1. 

suenga, E.L.1,83. Zie: suang. 

suepene, zie: svepene. 

SU er, gravis, zwaar. H.1,2. 

suerd, zie: swerd. 

suertnesueng, aspersio cutisj huidbe- 
gieting. l.E.2,14. 

SU es, swes, proaimus, naast, verwant. 
H.2,9. l.E.2,9. 

suesbed, incestum^ bloedschande. F. 
O.L.1, 19. 

suesdeel, suesdel, swesdeel, pars 
banorum patemorum, Jilio familiae com- 
petensj vaderlgk erfdeel vitn den zoon. 
1,E.2,6. H.2,6. F.O.L.2,6. 



SU e si ik, tcUiêj zulk, zoodanig, dusda- 
nig. H.1,12. 0,3,12. 

SU et, êudoTj zweet. l.E.3,13. H.6,9. 

suetha, suethe, suethta, proximus^ 
het naaste, zwette. B.78. — 2) Zi- 
mesj grens, grensscheiding. 2.E.4,30. 
B.167. 

suethaned, suethenat, vtctmi^, naast- 
leger, zwetgenoot. 2.E.4,32. B.168. 

suethma, dulcedoj zoetigheid. l.E.9. 

suethta, zie: suetha. 

suiaring, affiniè^ zwager. H.4,30. 2. 
E.4,25. 

suigia, tacerty zwegen. 0.8,6. 

suimea, suimma, defectio animae^ be- 
zw^ming. H.2,1. 6,14. 

suimslec, ictus^ quo cuianimuB defidatj 
zwgmslag. H.4,2. 6,14. 8,3. 

suin, poreus^ zwgn. l.E.2,11. H.2,11. 

SU inga, crates^ quo agH aditua oedudü' . 
tu8y wring, hek. H.6,18. 

suingh, zie; suengh, swingh. 

suite. H.1,8. l.E.1,8. te suithe,. ^ 
nimiêj te veel. A.1,8. heeft: to felo ^ 
(P.d.Ms: to seer.) 

suiue, cohorsy comitatua, aaaectoHo^ 
volg. B.31: E ta redieuana su 
ue. In gevolg van den regter. 

sul ch, jtiu^am, sommige. Ch.I, 99. 10 

sulckdeen, tcUia^ zoodanig. F.R.37, 

sullenge, inquinatioj bezoedeling. " ~~ZB 
6,21. 

sum, partim, deels, gedeeltelgk. F.0 ^X. 
5,5.27: Jef hit sum stant eiLde 
sum oue is. Zoo het deels staat en 
deels af is. 

sum, qui, die. A.v.2: And ac sum 
kersten wrdon. En ook die chris- 
tenen werden. 

sum, aiiqui, sommige, eenige. l.E.5,3: 
Thet summe tar of tha aga Ie- 



477 



ramlike— swarren. 



478 



te. Dat het eenige tranen uit het oog 
liet. 

snmlike, aliquij sommige. A.v.1. 

Bumedre, snndre, nepotesj kleinkin- 
deren. B.32. bg Wiardüj 104. s an- 
dere. 

snmur, (lestas^ zomer. . A.7,8. sumers- 
dey, sumeresnacht, dies 24 «/timï, 
24 Juni, St. Jan. E.L.3,60. B.97. 

sun, snne, Jilius^ zoon, E.L.8,17.53. 
A.ü.1. B.110. H.ü, 

snnd, snnt, sanus^ gezond. £.L.3,52. 
B.104. 

. s n n d a, sanitaSj gezondheid. Ch.I, 98. 
100. J.M.P.n, 205. 227. 

8 and e ra, apecialis^ bgzondere, afzonder- 
lek. Ch.1, 102. 

snnder, sine^ zonder; contra^ tegen; 
extra^ baiten, behalve. H.2,3. F.0. 
L.4,6. 5,5. EX.1,57. A.6,5. 2.E.t;. 
4,22. 

snnderacht, negligentia^ yerzoim. F. 
O.L.7,1: Sa ach hi him to Tr- 
bonnana thingslitene, dern 
sone, sanderacht an vnhlest. 
Dan moet hg hem gerigtsstoring, 
zcenverbreking, verzuim en overlast 
verbieden. 

sundre, zie: sumedr-e. 

sunderge, imprimisj inzonderheid. H. 
3,1. 

sanderlepis, separatimj afzonderlek. 
2.E.1,11: Sa acht ma alrake san- 
derlepis te betane. Dan moet men 
ieder afzonderlek boeten. 

san droge, idem. A.8,4. 

sanna, solj zon. l.E.3,13. H.7,1. 

sunnaewende, vesper ante diem solis^ 
saiurdagavond. B.134. 

sunnandei, sunnandi, dies solisj zoU" 
dag. H.2,14. A.v.1. 



sunnaskine, lucente sole, zonneschê'n, 
het klimmen der- zon. B.148. 

sunt. B.104. F,0.L.1,14. Zie: sund. 

suolle, swolle, abdomen, onderbuik. 
0.11,51. J.M.F.II,240, 212: Thes 
netheres zwollesbreke ief szen- 
lesbreke. De breuk aan den onder- 
buik of de breuk aan het gemacht. 

suomma, natare, zwemmen. O.v. 

surgh, cura, zorg. F.R.72,9. 

suter, suther, sutor, kleedermaker. 
2.E.1,26. E.L.1,59. 

suther, austrum versus , zuidwaarts. A. 
1,7. H.1,9. 0.4,2. B.76. 

suthersch, australis, zuidelgk. F.R. 
50,48. suthroste. A,2,5. 

suudwirth, austrum ver sus j zuidwaarts. 
0.3,10. 

svartasveng. B.205. Zie: swarta- 
swangh. 

svepene, snepen e, purgatio^ zuivering, 
het schoonvegen. B.212. 

swa, meridiem versus, meridies, het zui- 
den. Ch.I, 547. 

swanga, zie: suanga. 

swara, swarra, jurare, zweren. F.R. 
15,26. 26,2. 

sward, cervia, nek. 2,E.ü. 1.E.4,2. 
F,O.L.n. Zie: il e. 

sward, niger, zwart. Ch.I, 98. 

sward, cutis, huid, zwoor. A.3,14. 

swardebende, swartabende, liga" 
tura, vinctio capitis, hoofd-, halsbin- 
ding. H.8,18. A.7,15. swarte- 
bende. F.O.L.6,22. 

swaren, zie: swarren. 

swarge, afjinis, zwager. F.O.L.6,6. 

swarra, zie: swara. 

swarren, swaren, juratus^ gezworen. 
F.R.2,16. — 2) praestaiio juramentij 
eeddoening. F.R.15,33. 



479 



swartaswangli— swymslec. 



.r 



480 



swartaswangh, swartenswengh, 
svartasveng, aspersio cutis^hmdhe- 
gieting. P.O.L.2,14. 5,43. 

swartasweng, swartenswengh, 
crimen capitale^ hoofdmisdaad, P.R. 
2,7. J.M.P.10,12: Fan dae swarta 
swengem. Van de hoofdmisdaden. 
(P.d.Ms: Vnrecht roef doet, dat 
is geheten swartne swen.) Het 
Omlander Landrecht hoeft: swaren- 
swengh. 

s w d a e 8 1, eurotenus, zuidoost. Ch.I, 744. 

sweer, ffravisj zwaar. P.R.7,4. 

sweerlyck, graviter^ z waarlflk. P.R. 1,1. 

sweng, crimen^ misdaad. O.v. P.O.L. 
2,14. J.M.P.10,1. 

sweng a, swensa, aspergere, begieten. 
P.O.L.5,43. 

swer, swera,;Mrarö, zweren. P.R.11,2. 

swera, onerare^ gravare, bezwaren. A. 
1,2. 

swerd, suerd, ensis^ zwaard. H.7,1. 

43werlik, swerliken, graviter, zwaar- 
Igk. J.M.P.II,266. 267. 

swern, swerren, juratus^ gezworen. 
P.R.22,3. 0.1,32. J.M.P.II, 281. 

swer ra, jurare^ zweren. P.R.3,1. 

swerringha, juramentum^ eed. P.R. 
22,6. 

swerstae, gravissimus, zwaarste. O. 
12,9. 

swert, cutis, huid. 0.4,15. 

swertesweng. 0.4,15. Zie: swar- 
taswangh en swartenswengh. 

swerth (swerfth?), vagatur^ zwerft. 
J.M.P.1,8. 

swerwa, vagari, zwerven. O.r. 

swes, proaimusj naaste. P.O.L.2,9.16. 

swesdeel, P.O.L.2,6. Zie: suesdeel. 

swesbedde, inceatum, bloedschande. A. 



■• /» 



sweselik, tcdisj zoodanig. F.O.L.1,12. 
Zie: sueslik. 

swes ter, soror^ zuster. A.1,14. F.O.L. 
1,31. swesternon, swesterna, 
zusters. 

swesost, proximusj naast. A.2,16. 
Zie: swes. 

swet, suaviêj zoet. 0.3,17. 

swetha, limes^ grens, grensscheiding. 
E.L.3,46. 

swet nat, vidnusj naastleger. E.L.3,39. 

swia, tacercj zwggen. P.R.6,7. To 
swien. 

swia ring, af/inisj zwager, li.150. 

swyd, ultra^ daarboven, meer. J.M.P. 
12,14. 0.12,14. snide, circumdêus, 
besneden. 

swide, swithe. 0.3,8. P.O.L.1,8.^ 
Zie: suithe. 

swierlict, graviter^ zwaarlgk. J.M.P *7 
n, 266. 

swiga, swigha, silentium^ hetzwggei 
P.R.1,19. 

swigia, tacerej zwiggen. 0.1,44. 

swika, ducere^ trekken. A.2,9: 
him sin friond thenne wili 
tha withon swika and to i^Lja 
withon tella. £n zgn vriend h^m 
dan van de eeden wil trekken (op de 
heiligen) en op eeden (op de heiligen) 
zich beroepen (d. i. zelf zweren). 

swila, colligere fenum^ zweelen, het hooi 
te zamen brengen. £.L.1,77. 

swila, adaestuarej vloeien, zwellen, 
vloeien. A.7,8: Ther thi salta» 
betha thes dis an tes nachts 
to swilith. Waar de zoute zee e 
des daags en des nachts tegen vloeit 
Zie: toswila. 

swymslec. 0.11,4. A.3,12. Zu 



_i 



^481 



JK 

^ 



swin— taefla. 



482 



swin, swyn, poreus ^ varken, zwgn. 
P.O.L.6,1. 0.1,10. E.L.1,81. A, 
2,11. 
swin ga, crates^ hek, wring. E.L.1,67. 
swingh, crimen, misdaad. 0.14,1. 
swinlic, visibiltSj zichtbaar. F.O.L. 

5,21. Zie: siwnlik. 
swird, ensis^ zwaard, 0.1,2. F.Il.86,5. 
swirdkempa, campio, zwaardvechter. 

0.1,43. 
swirdsyda, linea patema^ masculma, 
vaderlgke l^n, zwaardzgde. F.B. 26, 10. 
swire, linea j 1^'n, staak van eene fami- 

He. F.O.L.6,5. 
swithe. F.O.L.1,8. Zie* suitbe. 
Bwiwa, disputarej twisten, verschillen, 

strgden. O.v. 
swolle. J.M.F.II, 240. Zie: suolle. 
8 w om ma, defectio animae^ bezwigming. 
J.M.F.II, 252: Thet hi swomma 
leghe. Dat hg in bezwgming ligt. 
swomma, ncUare, zwemmen. J.M.F. 

1,8. F.R.64,8. 
^wommeldyer, vacca^ koe. F.R.64,8: 
Aen swommeldyer jeftha kw. 
Een sioommeldyer of eene koe, (Isl.: 
s wem la, vacca^ koe.) 
^^ora, jurarej zweren. Ch.1, 110. 



sxeremonne, presbiter^ geest-elgke, 

priester, kerkman. H.4,45. 
sze, illij zg. B.117: Sen sze 'r nau- 
we t. Zgn zg er niet. 
'szegongar, zie: segongar. 
szelner, cella, kelder. B.159. 
sze nies, genitalia, teeldeelen. Ch.I, 

103. J.M.F.II, 212, 
szerekspele, szerekspili, szerspe- 

le, districtus eccleaiasticus, kerspel, B. 

213. F.O.L.1, 39,41. 
szeremon. B.106. Zie: sxeremonne. 
szetel, szetele, cacabus, ketel. B. 

105. 106, 
sziasa, élegere^ kiezen. H.10,25. 
szinbace, maxilla^ kinnebak, B.198. 
sziua, sziwia, riaariy kg ven, twisten. 

B.78. H.4,29. 
sziue, riaa, twist. H.4,42. 
sziurcha, sziurka, szurka, ecclesia^ 

kerk. H.10,2. B,215. 
sziurchove, cimiterium, kerkhof, H. 

10,2. 

szinrkawage, murus dmiteriij kerk- 

hofsmuor. H,6,21. 
sziwegia, discrepare^ verschil hebben. 

B.114. 
szurka, zie: sziurcha. 



T. 




ta, probaiibj bewgs. J.M.F.2,68: En de 
jef haet dae ta heth. En zoo ie- 
mand het bewgs heeft, — Jef him 
dera ta brect. Zoo hem het bewgs 
ontbreekt. (Zie: tawa, thawaenwta. 
0.1,67. voor dat awa leze men da 
tawa, en voor deert awa, deer 
tawa.) 



tach, attameuj evenwel, toch; quamvis^ 

ofschoon. A.2,6. 
tacht, tectus^ gedekt, bedakt. 0.7: Al- 

soe tacht ende timmerad se. 

Alzoo met dak voorzien en gebouwd 

is, Taych. J.M.F.II, 303. Ch.I, 

349. 
taefla, mensae^ tafels. 0.2,7. 

31 



I 



483 



taegh— teenuL 



484 



taegh, procreabat, toog, teelde. F.B. 
50,19: Dy taegh by synre aerste 
frowe twa kynden. Die verwekte 
(toog) bg zijne eerste vrouw twee kin- 
deren, 

taekerisjefta, zie: takerisjefte. 

tael, actio, aanspraak, eisch. F.R.25,20: 
To tael ende to and ert. Tot eisch 
en antwoord* 

tael e, numerus^ getal; enumeratio, het 
tellen. O.v. J.M.F.1,2. 

taem, frenumj toom, breidel. F.B.58,31. 

t a e m, genus ^ geslacht ; numerus liberorum 
ex uno matrimonioj toom. F.R.15,19. 

taer, lacryma^ traan. £.L.1,23. 

taest, zie: tast, 

taga, tVe, gaan, trekken, togen. H.9,2. 
te gin, projiciscebanturj reisden, trok- 
ken, 

tagethe, decima, tiende. H,9,l. 

taych, zie: tacht. 

takerisjefte, donatie propter nuptias^ 
bedgifte, huwelgksgift. 0.1,12. J. 
M.F.2,13. 

tala, talia, dividere^ deelen, E.L.3,60. 
B.97: Sa skel ma tha notha ta- 
lia. Dan zal men de vruchten deelen. 

tal e, actio^ aanspraak. F.B.33,15: Mey 
tale ende mit reden, ende mey 
riuchta tingade. Met eisch en be- 
w^s, en met wettige regtspleging. 

tale Ie n, officium tribuni plebis, taal- 
mansambt (schepensambt). B.7. 

t a 1 e m o n, tribunus plebis^ taalman (sche- 
pen). B.3. 

talia, numerarSj tellen, berekenen. B. 
211. 

talia, zie: tala. 

tam. B.116. Zie: taem. 

tame. 0.11,67. Zie: taem. 

tam e, e^c^tio, uitzondering. F.R.24,22: 



Dio kest aegh neen tarnen. De 

keure kent geene eiceptien. 
t a n c k, proventus, opkomsten ; tuura^ foe- 

nus, rente, intrest. F.B.68,2. 
tan der, ludïbrium^ spot, schimp. E.L. 

1,2. 1«£.5,1. 
tand era, mft, annth', trachten, tomen. 

Ch.1, 499: Dae habbet onderty- 

den dat riucht wel aen tande- 

reth thoe habben. Daar heeft het 

regt eertgds wel naar getracht om 

het te hebben, 
tan e, digitus pedis^ teen. B.197. A. 

3,18. l.E.5,11. 
tapa, capere, vatten, grgpen. E.L. 

1,29. 
tar, lacrt/müj traan. H.4,24. 2.E.1,3. 

Zie: taer, 
taraskete, lacrymarum fluxio^ traan-^ 

vloeiing. 2.E.1,3. 
taresrene, idem. F.O.L.5,6. 
tast, taest, captus, apprehensus^ atta 

fu«, gevat, betast. F.B.15,54. 
tathnenga, actio^ daad, handeling. 

10,13. 
tauerna, taweerna, ctnfpona, herb^^, 

F.R.18,6. 72,4. 
taulic, institutusj ingesteld. O.v. J.if. 

F.1,1. 
tauwe, instrumentumy gereedschap. A. 

7,8. 
tawa, probatiojhew^s. 0.1,67. Zie: ta. 
taweerna, zie: tauerna. 
tawerie, ars magica^ toverg. 0.7. 
te (thi), ille, de. l.E.1,1. 
tech (theth?), dentes^ tanden. l.E.4,2. 
tecke. tectum^ dak. 0.7. 
teek net, signatus^ geteekend. F.R. 

46,10. 
teerua, opus^ necessitas^ behoefte, nood- 
druft. O.v. 



485 



tefel— tesse. 



486 



tefel, tabulaj tafel. H.v. A.v.l. meerv. 

tefla, tevla. 
te f ir, nimiê proculj te verre* H.1,2. 
tefta, post, achter. 0.12,10. F.R. 

18,12. 
tegadera cnma, matrimonium inire, 

trouwen; congregare, yei^aderen. H. 

10,4. 21. 
tegha, appellarej zich beroepen. J.M. 

P.1,6. 
tegheta, tegeda, tegotha, decima, 

tiende. H.1,9. 9,2. A.1,7. F.O.L. 

1,7.9. 
tegin, ibant. trokken, reisden. H.9,2. 

Zie: taga. 
tegothere, qui decima accipit, tiende- 
heffer. A.9,7. 
te hanwen, deslructuê, concisus, vernield, 

in stukken gehouwen. B.157. 
teycken, «t^um, teeken ; «^t^a, brand- 
merk. F.R.1,27. 60,18. teken. Ch. 

I, 606. 
teydeth, proceditj gaat voort. F.B. 

12,24: So teydeth ma. Dan vaart 

men voort, 
••eyn, te in, natus, procreatus, canceptus, 

geboren, geteeld. B.111. E.L.3,6. 

A*5,6. 
teywird, consensus, toestemming (toe- 
woord). F.B.46,12. 
teke, tectum^ dak. Ch.1, 349. J.M.F. 

n, 303. 
tel, tel e, numerus, getal. J.M.F.1,2. 

F.R.74,2: In der tel. In getal, 
tela (tefla), mensae, tafels. l.E.t?. Zie: 

tjoele. 
tele, actio, aanspraak. 0.4,1. l.E.1,3. 

H.1,3. F.R.33,11. A.1,3. F.O.L. 

1,4. 
te leyder, eheu, helaas. 0.12,10. 
te liker wis, al te likerwis, eadem 



ratione, simili modo, gelijkerw^ze. H. 
4,29. 

tella, appeüare, beroepen. B.39: And 
hwa sa telt oppa ne ende. En 
wie zich op een vonnis beroept. A. 
2,9. H.10,23. F.O.L.9,20. 

tel Ie, sublevatus, afgenomen. J.M.F.II, 
214: Soe hio telle (tille?) se fon 
tha tothem. Zoo zij van de tanden 
los is (afgenomen is). (J.M.F.II, 248. 
heeft voor telle, alle, totus, geheel.) 

temande, temende, temed, temen, 
retinens, sluitbaar. 0.1,18. Ch.1, 350. 
J.M.F.2,19. 9,1. 

ten da, septa, omheinde. F.O.L.5,44: 
Tenda tuim. Omheinde tuinen. 

tenynghe, rete quoddam, zeker visch- 
net. Ch.1, 336. — 2) piscatara apud 
cataradam, visscherg bg eene sluis. 

ten ter, sepimentum, ponticulus, omhei- 
ning, brugje. B.163: Alle silar 
and alle alde slatar, and alle 
tentra, and alle weinfera. Alle 
kanalen en alle oude sloten, en alle 
brugjes en alle rgwegen. 

ter, ibi, daar. E.L.1,14. — 2) ubi, al- 
waar. F.R.22,5. 

ter tyd, tempore, op tfld. F.R.37,4. 

terfa, terua, propendere, reclinare, ne- 
derhangen. 2.E.1,3: Thet nithere 
lith to dele terft. Het onderste 
lid naar beneden hangt. 

terinck, teringe, impensa, kosten, 
vertering. E.L.3,33. Ch.1, 346. 

terp, ager, bouwland, terpland. 0.1,71. 

ter ring, necessarium, vertering. F.R. 
1,37. 

terthalue, duo et dimidium, twee-een- 
tweede, derdehalf. E.L.1,24. 

tesch, dentes, tanden. 2.E.1,5. 

tesse, hic, luiec, hoc, deze. F.O.L.1, 22. 






*^ 



487 



tetinge— thera. 



488 



te tin ge, pastio, pastura, veeteelt. E. 
L.3,60. 

tets ia, occultare, verbergen, onthouden, 
bedekken. l.E.2,4. H.2,4. 

te 11 la, tiola, judicium, geregt, Ch.L 
394: Hem naet vet der teule to 
Ie tan e. Hem van het geregt niet vrg 
te laten. J.M.F.4,7. F.O.L.3. — 2) 
tabula, tafel. Zie: tioele. 

tha, tune, dan; quando, toen. H.t?, 
4,42. l.E.t;. — 2) usque ad, nee, tot 
aan, noch. A.i?.l, — 3) vel, of. A. 
2,17. 

thach, attamen, evenwel. E.L.2,3. 
3,16. A.2,6. — 2) lieet, ofschoon, 
F.R.50,41. P.O.L.5,31. 

thach, proereabat, teelde. F.O,L.6,9. 

thame, frenum, toom. Ch.1, 101. 

thampene, thempene, stempene 
extinetio, eoëreitio, demping, verstop- 
ping, belemmering. A.3,16. l.E.4,16. 
F.O.L.5,10.11. 

than, thana, tune, dan. Ch.I, 97. 1. 
E.3,2. 

t h a n a, ?/wrfö, van waar. A.6,8: Thana 

se u te gengen send. Van waar 

zij niigegaan zijn. 
thancke, eonsensus, toestemming. J. 

M.F.9,2. 
thantse, thanze, cogitare, denken, 

plan hebben. 2.E.t;: Jef thu 't mith 

falleske thanze te winnande. 

Zoo gg het met valschheid denkt te 

winnen. (F.O.L.H heeft: thautse en 

thauze.) 
thar, tar, lacryma, traan. l.E.5,3. 

F.O.L.5,4. 
thard, iU, daar. A.7,22. 
tharesskette, taraskete, laeri/ma" 

rum Jluado, traanvloeiing. l.E.5,3. 
thatha, mortuus, doode. 2.E.1,18. 



thaueswisa, furtim, diefsgewgze. P. 
R.50,46. 

thautze, thanze, zie: thantse. 

thawa, probare, ostendere, monstrare^ 
bewezen, toonen, aantoonen. Ch.I, 
375: Hi scil efter da kapittel 
syn breef thawa. Hg zal aan het 
kapittel zgn brief toonen. Zie: ta^ 
tawa. 

tha we, experimenta, inventie, bevinding. 
J.M.F.1,3: En de fan treflika tha- 
wen nye rincht setta. En uit 
goede bevindingen nieuw regt instellen. 

thahwile, thawile, interdum, terwijl, 
ondertusschen. H.2,3. l.E.2,3. F. 
O.L.2,20. 

the, probatus, bewezen; oo^thi^, bekend. 
B.B.10: The and epplick. Bekend 
en openbaar. (2.E.3,10 heeft: liud- 
cuth and epplic, den volke bekend^ 
en openbaar.) 

theez, hic, deze. J.M.F.1,3. 

thegede, zie: tegetha. 

they, dies, dag. Ch.I, 105. 

theide, trahebat, trok. J.M.F,1,6. (i 
V. heeft: of ne te.) 

theirmithe, eo, daarmede. l.E.2,1 

thempene. l.E.4.16. Zie: thampe 

then, thena, thenne, tune, dan. ~ 
1,3. 3,4. E.L.3,16. A.2,4. 

thenzia, cogitare, denken. H.3,1. 

ther, ibi, daar. l.E.t?. A.2,22. 

ther, nee, neque, noch. 2.E.1,24: Tlm^ 
hit nebbe nauder her ther 
ne neylar. Dat het haar noch najf- 
heeft. 

ther, qui, die, welke; hic, deze. H.t? — 

thera, therwa, necessitas, nooddra»^ 
J.M.F.1,5. Zie: therna. 

thera, pia liquida, teer. Ch.I, 39- 
B.153. 



•*.*.. 



489 



theretter— thicka. 



490 



ih er e f te^jpostea^ daarna, A,r.l. l.E.r. 
therma, alere, voeden. J.M.F. 12 in 
fine: Deer her Z. syns lyfs fan 
therma sculde. Daar heer Z. zijn 
leven mede onderhouden zoude, 
thermer, therma r, intesttna, inge- 
wand, darmen. E.L.1,44. l.E.3,11. 
thermithe, thermithi, eo, daarmede, 

daardoor. H.v. A.%1. 
therpe, villa, p(^^ffi^i vicus, loco aUiori, 

dorp, buurt, terp. A.6,5. 
therstahefticheed. (Ik lees: ther 
scahefticheed, damnum nonincum' 
hens, damni non culpabilis, niet schade- 
schuldig.) J.M,F.II, 243. en stahef. 
ticheid. 206. Ch.1, 101. Zie: sca- 
hefticheid en stridheftech. 
ther to, insuper, daar te boven. H. 
4,34. — 2) ad hoc, daartoe. H.1,15. 
tberumbe, thervmbe, thervmme, 
ideoj dsLSLTom; quia, dew^I. A.t;.l. H. 
2,20. E.L.3,72. 2,7. l.E.2,20. 
'fclierwa, teerua, opus , necesaaria, be- 
hoefte, behoef, nooddruft. O.v. F.0. 
L.t?.l. J.M.F.1,5. 
"fcies, ideo, hierom, daarover, dus. l.E. 

2,12. H,2,ll. 
*^ie8, hujusj van dit, dezes. B.24. F. 

O.L.1,17. 4,22.26. 
'*ïesse, hicj deze. A.r.l. 
^es te, terminus coniparationisj des te. 

-A.r.1. 
*^ «t, facit, doet. F.O.L.6,18. 
^ et, quod, dat. E.L.1,22, H.r. — 2) 

Aocj dit. l.E. 1,3. 
H i, iUe, de, hij. B.158. E.L.1,12. 

H.1,4. 
^y, ad, tot, aan. F.R.48,1. 
^ *i^ ia, zie: theide. 
^^iach, os femoris, d^been. E.L,1,37. 
l.E.5,11. 



thiachmerch, medulla femoris, dgbeen- 
merg. J.M.F.II, 207. 

thiachscuncke, os femoris, dgbeen. 
J.M.F.II, 202. 

thiade, populus, volk; homines, men- 
schen. l.E.2,24. A.2,24: Bi. sle- 
pandere thiade. Bij slapende men- 
schen. 

thiadward, caupona, waard, volkswaard, 
conciërge van een geregtsgebouw. .B. 
212: Thet is thiadward Johan- 
nesmonna. Die is de volkswaard 
Johannesman. (Andere vertalen thiad- 
ward Johanneszoon, doch monna 
beteekent niet: zoon. Man wordt nog 
wel in Friesland als achtervoegsel ge- 
bruikt: Janman; ook wel: om. Jan- 
om voor een op hooge jaren zgnd 
persoon van dien naam.) 

thiadfesta, carina quadragenaria, veer- 
tigdaagsche vaste, volksvaste. A.9,10. 

thiaf, fur, dief. H.4,34. 7,5. A.4,3. 
B.139. 

thiafraf, furtum, diefstal. H.4,34. in 
tegenstelling van scackraef, latro- 
cinium, straatroof. 

thiaghe, os femoris, dgbeen. l.E.5,11. 
Zie: thiach. 

thiana, thiania, servire, dienen. A. 
v.1. 

thianeste, servitium, dienst. l.E.6,7. 

thianestmon, vasallus, dienstman. B. 
176. 

thianst, servus, bediende.^ B.L.3,43.44. 

thiasa, eligere, kiezen. J.M.F.11,7. 

thiaweslaste, tiauesleste, furtim, 
diefsgewgze. H.7,4. F.O.L.1,17. 

thi bet, melius, beter, te beter. O.v. 

thicka brand, ustio in diversis locis, 
una ustione, verschillende brandwonden 
door eene branding (met kokend wa- 



491 



thiede— thojaen. 



492 



ter). Ch.I,114. Thicka schgnt ver- 
want met ons dik en dikwgls. 

thiede. J.M.P.1,3. Zie: thiade. 

thye, relinquitj verlaat, trekt. F.R.37,7. 

thyelda, solveren betalen. J.M.F.Reg.2. 

thienst (thi jenst), contra, tegen. 
Ch.I, 698. 

thige, thighe, intestina, ingewanden. 
J.M.F.1I,211. Ch.1, 102: Hwa soe 
wirth in thine naula dolghat, 
kume tha thige, soe is thi bote. 
Wie aan zgnen navel gewond wordt, 
zoo het ingewand er uit komt, dan is 
de boete. (J.M.P.n, 238 heeft: binna 
tha tyge, tot in de ingewanden.) 

thi 1 da, tolerare, sufferre, dulden, ver- 
dragen, P.O.L.4,23. 

thin (thriu?), tres, drie. 1.E,2,2. 

thine, tuits, uwe. 2.£.t;. F.O.L.II: 
Thine fia. Uw goed, 

thin ga, pacisci, bedingen. A.4,1. 

thingfrethe, paa judicii, geregtsvrede. 
H.1,12. B.126. 

thingh, tingh, jus, geregt. F.R. 
15,63. 

thingh, causa, zaak. H.v. 7,3. 

thingathe, thinght, processus, ge- 
ding. A.1,3. H.7,3. — 2) judicium, 
geregt. F.O.L.1, 57. 

thingia, judicare, beregten. H.1,17. 
A.2,11. 

thinglaze. J.M.F.9,7. Zie: sei. 

thinglesne, laesio judicii, geregtsbe- 
leediging. 1^.2,13. 

thingmon, procurator, voorstander, H, 
10,12, F.O.L.4,24. thyngman. 
J.M.F.2,33. 

thingslitene. J.M.F.9,1. Zie: thing- 
lesne. 

thingstapele, truncus judicii, geregts- 
blofc. H.1,16. 0.3,16. 



thins, dedma, tiende, cgns. 0.3,9, 
thin ze, processus, geding; judicium, 

geregt. 1. E. 1,4. 16. 
thioeged, testatus, convictus, getuigd, 

overtuigd. 0.9,2. 
thionene, laesio, ontstelling, beschadi- 
ging. F.O.L.1, 2.3: Thionene anda 

ore aga. Beschadiging aan een der 

oogen. 
thiothe, lingua communis, volkstaal. 

A.t;.2: Thet sprekth to thiothe. 

Dat beteekent in de volkstaal, 
thisse, hic, deze. H.2,25. E.L.1,84. 

F.O.L.5,5. thi se. 
thiu, tiu, illa, zg, de. 1.E.1|2. 
thiuch, zie: tiuch. 
thiuchda, zie: thiufthe. 
thiuchke, thivcke, tectum, dak. B. 

159. 
thiucht, it, gaat, trekt. F.O.L.1, 45. 
thiuch t, procreat, teelt. E.L.3,17. 
thiufthe, thiuvethe, thiuchda, 

thivta, furtum, diefstal. H.3,1. 1. 

E.6,2. A.v.l. 2,10. B.152. P.O.L. 

1,16. 6,20. 
thius, hujus, dezer. B.3. H.9,2. 
thiuspel, districtus, kerspel. P.O.L — 

8,11. 
thius ter, tenebrosus, duister. F.O.L.2,2 2 

thivcke, zie: thiuchke. 

thiuvethe, zie: thiufthe. 

thivta, zie: thiufthe. 

thiwed, thiwede, raptus, raptum, 

stolen, het gestolene, H.8,22. 
tho, ad, tot. A.v.l. 
thochta, cogitatio, gedachte. H.3,1. 
thochtman, executor, regterlgk beamb — 

F.O.L.1, 57. 
tho er, turris, toren. 0.2,1. 
thoer, debet, moet. F.R.2,29, 
thojaen, zie: tojaen. 



I 



493 



thola— thriwan. 



494 



thola, tolerarej dulden; patij Igden, 
verdragen. A.7,9: Th er hi an tha 
criose tholade fori as. Hetgeen 
hg Toor ons aan het kruis leed. 

thoncke, thonke, memoriam aanden- 
ken. l.E.1,16. 

thone, t7{f, dien. F.0.L.t?.2. 

thongersdei, zie: tonersdey, thun- 
resdei. 

thor, licet^ durft; ,debety moet; oportet, 
behoeft. l.E.1,8. H.1,8. F.O.L.1,10. 
2,15. Ch.I,115. 

thor, jper, door. Ch.1, 115: Thor huch. 

Door buik. 
thorpe, meus, loco altiori^ dorp, terp. 

E.L.2,9. H.2,20. F.O.L.2,20 
thralle, moa, repentej terstond, spoedig. 
2.E.2,6: Hwa sa tho dada vndad 
werth and hi vrfare thralle. 
Wie doodelgk gewond wordt en hg 
spoedig sterft (vervaart). Vergelgk 
E.L.2,6. ringh. (Angs. threalic, 
severe^ dire^ afflictioniê plenus^ severuSy 
calamiUmtê.) 

*lire, tre, arbotj boom. l.E.6,4. Zie: 

dre. 
*lre, tres, drie. E.L.1,13. A.7,3. 
^hreck, stercus^ drek, vuiligheid. E.L. 
1,47. 

"«^hredda, threddawordis, tertioj tev" 
tiusj ten derden. A.2,5.10. 

t;hredda knia lawa, haereditates in 
tertio graduj erfenissen in den derden 
graad. l.E.1,5. 

threde, threid, //urn, draad. 2.K1,17. 
E.L.1,90. Ch.1, 105. 

thredknia, oognaius in tertio graduj 
verwante in den derden graad. F.O.L. 
1,5. thredkines, thredkinges, 
thredknilinge, thredkning, thred- 
zia. A.1,8. F.O.L.2,7.8. 6,5. 



thredtinde, thredtendeste, thret- 
tendeste, decimus tertiusj dertiende. 
H.1,13. A.1,13. 

threid, Jilum, draad. J.M.F.U, 192. 
Zie: threde. 

thremede, tertitts^ tertia pars^ derde, 
eenderde. Ch.1, 112. J.M.F.II, 233. 

threten, treten, protritusj getreden, 
getrapt. E.L.1,52. 

thretha, ingredi, gradi^ treden, stappen. 
Ch.1, 113: Neydam dat hi thine 
instap thretha schel. Doordien 
dat hg den aantred treden zal. J.M.F. 
II, 236. 

tbr ia, ter^ driemaal. B.134. 

thribete, triplex poena, driedubbele 
boete. Ch.1, 242. 

thriewest, zie: triowest. 

thrifalde, triplea^ drievoudig, driedub- 
bel. E.L.3,62. 

thrimen, thrimenath, thrimme- 
nath, thrimnath, tertiapars^ derde 
deel, derde. E.L.1,16. 3,35. B.40,53. 
H.1,15. 10,25. l.E.1,15. 

thrine, trinue^ driedubbel. Gh.I, 242: 
Under thribeta and trine gilda. 
Onder driedubbele boete en driedub- 
bel geld (de regters). 

thriptera mare. F.O.L.6,10. Zie: ele. 

thriowa, Jidee^ trouw. F.O.L.1,12. 

thritech, triginta^ dertig. H.4fl4. 

thriu, tres^ drie. H.1,2. 

thriuch thet, quia^ omdat, doordien. 
H.1,15. 

thriuchthingathe, judicium definiti" 
vum^ ultimum, eindgeregt. B.122. 

thriwalda, triplex^ drievoudig. H.4,34. 

thriwan, conductibilie^ mobilis^ roerend, 
drgvend. F.O.L.6,19: Buta thriwan 
ende dregan. Behalve het drgfbare 
en draagbare. 



495 



throma— tyaecht. 



496 



throma (t hor ma), debet, moet men. 
H.3,4. 

throtbolla. F.O.L.5,15. Zie: strot- 
bolla. 

thruch, zie: truch; propter, om. 

thruch, per, door. H.t/. — 2) prop- 
ter, wegens. H.1,9, 

thruchdeda, vulnera transeuntia, door- 
gaande wonde&. F.OiL.5,19. 

thruchestat, tranafiaus, doorgestoo- 
ten. E.L.1,15. 

thruchgonck, transitus, doorgang. 1. 
E.5,2. 

thruchgungand, tran^eun^, doorgaan- 
de. E.L.1,38. 

thruchkeme. P.O.L.5,5.19.31. Zie: 
truchkeme. 

thruchschininge, thruchskineg- 
ge, perludditas, doorsckynendheid, 1. 
E.5,20, H,6,15. 

thrachsnitlien, persectus, doorgesne- 
den. H.6,18. 

thrnchstrinzed, nonligatus, los, losloo- 
pend. J.M.F.2,33: Thruchstrinzede 
rithere. Losloopend vee (vee in de 
weide). 

thruch t, truth, minatur, dreigt. Zie: 
thruga. 

thruga, minariy dreigen. E.L.1 ,71.90: 
Huasa otherem thracht. Wie 
een ander dreigt, 

thuinga, cogere, dwingen. H.5,3. 

thuma, polkx, duim. l.E.4,14. B.192. 

thun, hortus, tuin; arenaria, campus, 
ager, duin, veld, akker. l.E.6,3. 

thunresdey, thvnresdey, thuns- 
dei, thvnsdei, thongersdey, tho- 
nersdey, dies jovis, donderdag. H. 
10,7. P.O.L.9,6. 0.1,23,25. 



thuonge, potestas,, mAcht; visj geweld, 
dwang, 1.E,3,3. " 

thura, thuruua, opus habere, necesse 
esse, debere, oportere,' behoeven, be- 
hooren, B.153.,* l.E.t,10. 2,16. A. 

2.20. thurva. A.l,8.1<^ audere, 
durven. ^ 

thurva, opus habere, behoeven. l.E. 

1,10. 
thuwingga, cogere, dwingen. H.9,2. 

Zie: twinga. 
thwedmat (thwednath). P.O.L. 

9.21. Zie: tuednath. 
thweres, zie: tweres. 
thwinga, zie: twinga. 
thwyrhanda, bifarius, tweeërhande. 

P.R.17,1. 

thwis, thwiska, inter^ tusschen. Ch. 
1,101. J.M.P,II,203. 209. 

ti, in, ad, aan. H.1,9. 5,5. 

tia, tya, tiaen, trahere, ferre, addere, 
conjungere, donare, haeredem instituere, 
trekken, brengen, geven, zamen voe- 
gen, erfgenaam maken. 0.1,64. "E^ 
L.3,80. Ch.I,345. 609. J.M.P.1,6^ 
P.R.12,24. 37,7, thga. 

tia, gignere, teelen. H.4,6. A.2,6. 1 
E.5,12. P.O.L.5,41. 7,6. 8,16, P. 
48,1, 

tia, alere, voeden. B.103. 110. hati 

tia, peregrinari, ire, adire, reizen, tre' 
ken. 0.10,29. B.43. 

tia, demonstrare, aantoonen. B.62. 

tia, tya, appellare, zich beroepen. 
62. P.O.L.1, 44. 

tia, limites, grenzen, Ignen. B.1 
165. 2.E.4,30. 

tiade, populus, volk. O.v. 

tya der, frenum, tuier. J.M.P.II, 2L 

tyaeht, gignunt, teelen. J.M.F.12,7- 



497 



tyaende— tilathe. 



498 



byaende, trahens^fluens^trékkendj vloei- 
end. 0.1,18. Zie: temande. 

kial, rotaj rac^ wiel. J.M.F.10,18. Zie: 
fial. 

tian, decem, tien. H.1,4. 

tiana (lees: tia), traherej trekken. J. 
M.P.II, 211: Tha scel m» dela ty 
tha neylum tianath (lees: tia 
nath) vp thi tha liwe. Die (be- 
zeeringen) zal men nederwaarts tot de 
nagels brengen en niet opwaarts naar 
het lyf rekenen. Ibid. 236. 

tian de, decimus^ tiende. A.v.L 2,10. 

tianspesze, tianspetzet, decem ra^ 
diorum^ tienspakig. B.147. F.O.L. 
6,24. 

tianntrofte, fletus^ clamor ut egredian- 

tur ad opem nobü fer&ndum^ hulpge- 

schrei (letterlgk: kornuit geroep). A. 

7,31. 
tianwesleste, zie: thiawesleste. 
tyanwerya, ara magica^ tooverg. Oh. 

I, 698. 
tichta, tichtega, tichtiga, accu-- 

satio^ klacht, aantgging, betichting. 

AJ,17. P.O.L.6,21. 7,1, B.7. 2.E.2. 
tid, tempus^ tgd. H.1.2. 
tydia, appellare^ niti^ expectare auxilium^ 

zich op iets beroepen. F:R.58,39. 
tidia, ire^ gaan, trekken. B.32: Sa 

tidie tha linde alder oppa. Dan 

trekt het volk daarop, 
tieder, tyader, frenum^ vinculum, toom, 

tnier. 0.11,67. 
tieghmerg. 0.11,27. Zie: thiach- 

merch. 
tyegschonken, oasa femorunij dgen, 

dgbeenen. F.R.59,18. Ch.I, 117. Zie: 

tiachscuncke. ' 
kief, /tir, dief. 0.9,25. 
kyeffte, furium, diefstal. F.R.39,1. 



tyeflick, furtim, diefachtig. F.R.59,8. 

tyelda, pató, Igden, dulden. F.R.12,12: 
Dat mey dat riucht naet tyel- 
da. Dat kan het regt niei dalden (la- 
ten gelden). 

tielda (ti ielda), solvere^ betalen. O. 
1,9. 

tyel, rota, rad. F.R.59,18. Zie: tial. 

tyenda, decima^ tiende. 0.3,9. 

tyende, decimus, tiende. O.v, 

tyener, tjener, aervus, bediende. F.R. 
37,9. 

t y e n f a 1 d, deciea, tienvoud. F.R.III, 8. 

tyenia, aervire, dienen. 0,v. F.R. 
86,6. 

tyenst, aervitium, dienst. 0.1,51. 

tyenstman, vaaaallua, leenman, dienst- 
inan; aervus, bediende. F.R.1,40. 

tyesdei, tiesdey, diea martia, dins- 
dag. l.E.1,17. F.O.L.1,17. 

tieuta. F.R.58,36. Zie: tianntrofte 

tiga, accuaarej aantggen, beschuldigen. 
H.4,6. 

tig ad er, congregatim, te zamen. H.6,1. 

tyge. Ch.1, 113. J.M.F.n,211. 238. 
Zie: thige. 

^^gt^ga* crimerij accuaatio, misdaad, aan- 
klacht. l.E.2,20. H.1,17. 

til, aublevatua, getild. 0.11,15: So dio 
were til se f en da tosschen. Zoo 
de lip van de tanden afgelicht is. J. 
M.F.n,214. Zie: telle. 

til, opwd, bfl. H.1,8: Til ene monne. 
Bg eenen man. 

tila, gignere, teelen. 0.5,8. 

tila, colere, bouwen, teelen. B.160. 
E.L.3,41. 

tilathe, proventua, opkomsten. H.3,1: 
Wera fon Godes ieven and 
riuchte thilathe scel ma bethe 
lif ende sele nera. Maar van Gods 

32 



499 



tilber— tiuester. 



500 



gaven en wettige opkomsten zal men 

beide, lichaam en ziel, onderhouden, 
tilber, mobilia^ roerend. H. 10,21. E. 

L.3,77. 
til gued, mobilia, roerend goed. F.R. 

27,1. 
tilingha, tilling a, genitalia^ teeldee- 

len. Ch.1, 104. 0,11,49. 
t i 1 1 a, ponticulus, brugje. Ch.I, 464, 
til Ie, mobilis, roerend. O.ll.S.3. Ch. 

1,97: Mith tilla s e the m. Met losse 

panden, 
tilled, tilleth, aublevatus^ opgeheven, 

getild. Ch.I, 98. J.M.P.II, 230. 
tillenga, zie: tilingha. 
til thiv, quia, omdat. A.1,7. 
tima, decere^ betamen. 0,v. 
timber, aedijicium, getimmerte, gebouw. 

A.7,9. 
tymmereth, tymret, aediJicaitMj ge- 
timmerd, gebouwd. F,R.37,12. 
tinchman, actovj aanspreker, dinger. 

0.1,31. thyngman. J.M.P.233. 
tynet, servit^ dient. F.R. 1,44. Zie: 

tynia. 
ting, tingh, causa^ zaak, geding. O. 

V. — 2) ju8y geregt. F.R. 1,1. 
tynga, actionem inatituere^ actie instel- 
len, dingen. Ch.I, 105. J.M.F.II, 

193. 
ting er, actor, eischer. 0.1,47. 
tingh, zie: ting. 
tinghet, /u«, geregt, Ch.I, 344. 
tinghlas, sine actione^ dingeloos. O. 

1,46. J,M.F,2,45. 
tingstapele, truncus judicialia, gerigts- 

blok. 1,E.1,16. 
tingstoel, judicium^ geregt, dingstoel. 

0.12,27. 
tynia, êervire^ dienen. F.R.13,46. 
tins, tin ze, tynze, decima, tiende, 



cgns. H.9,2. O.v. A.1,7. P.O.L. 
1,7.9. 

tynsa, tinza, cogitare^ denken; r^mi- 
m«a, in memoriam revocare^ tenere^ 
heugen, zich herinneren. P.R.21,18. 
28,7. 

tynze, tinze, zie: tins. 

tioch, citatio^ dagvaarding. J.M.F.II, 
319, 

tyoech, testimonium^ getuigenis. Ch.I, 
462. 

tioele, tiola, tyola, ^W, geregt, 
Ch.I, 346. J.M,F.II, 295: Eer dae 
greetmaen hiara tiola lesset. 
Voor dat de Ghrietmannen hun r^ 
uitspreken. J.M.F.Reg.1. 1,7,8. — 2) 
mensa^ tabula^ registrum^ tafel, r^^ter. 
Hyr beghint een tyola. Hier be- 
gint een register. 

tyoesck, germanua^ duitsch. Ch.I, 552-^ 
J,M.F.TI, 287: Tyoesck prester^ 
Duitsch priester, (li^ Westergo, dat on — 
der het bisdom van Utrecht behoorden 
noemde men den geestel^ke uit Oostei^— : 
go, die onder het bisdom van Munster 
behoorde, een Duitschen priester.) 

tyoge, testis^ getuige. 0.v. 

tiola, tyola, zie: tioele. 

tiona, captare^ sumere ad se, betwisteasss 
tot zich trekken. A.2,4. 

tioster, obscurtiSy duister. J.M.F.6,& 

tysdei, dies martisj dinsdag. 0.1, 

tystera, devastare, vernielen, verste: 
J.M.F.1,1. 

tiuch, thiuch, tiucht, t€8timoniti=. 
getuigenis, O.v. 2.E.4,25. F.O. 
6,13. 

tyucht, trahity trekt, brengt. F.RS, 

tiucht ga th, raptus^ gestolen. J.M. 
6,17. 

tiuester, obscuniSj duister. 0.4,2, 



-3. 



501 



tiuftigad— toe stede* 



502 



tiuftigad, raptus^ gestolen. F.R,59,4. 
J.M.F.2,65. tiuchtegad. 

tin ga, appeüare^ zich op iets beroepen. 
B.135. 

tinga, ffignere, teelen, B,110. 

tin ga, attraherej adducere^ trekken, aan- 
voeren, brengen. P.R,3,3. 

tinga, tiyga, te^ton, getuigen. B.150. 
E.L.3,29. 

tivch. A.v.l. - Zie: iiuch. 

tywga, tywgha, teetari^ getuigen. P. 
B.11,1. — 2) probarej bewgzen. F. 
B.8,9. 18,23. 

tywget, testatus^ getuigd. P.R.18,23. 

tywgh, testimonium^ getuigenis. F.R. 
12,31. 

tywiter, obscure, duister. F.R.7,9. 

tywsternisse, caligo, tenebrae, duister- 
nis. F.R,13,46. 

to, ad, tot; juxta, apud, b^, te. B.159. 
T1.V. A.2,5. 0.t?.8,3. E.L.1,12.26. 
P.E.2,ll. -^ 2) a, ai, van. H.2,5: 
To hwam. Van wien, 

to aka, zie: aka. 

to askia, exigere, afeischen. A.2,5. 
H.2,5. 

to bek, zie: toe beek. 

to beth, melius, beter. F.R.65,3. 

tobiheer, jua^ ad eum pertinent, toe- 
behooren. 0.17,2. 

to breek a, destruere, verbreken, ver- 
nielen. O.v. 

to breka, deficere, ontbreken. 2. E. 
2,8. 

to breken, destructus, vernield, verbro- 
ken. A.7,9. 

to bringa, toe bringha, dilapidare, 
doorbrengen. F.R.46,48. 83,4. 

tochtalas, impotens procreandi, on- 
geschikt ter voortteling. l.E.5,12. 
tocht los. £.L.1,45. 



ochtnian, conductor, leidsman, aan- 
voerder, F.O.L.I, 64. 
o comma, accidere, gebeuren. F.R. 

13,14. 39,2. 
ocommend, futurus, toekomend. 

R.22,18. 
o dada slayn, ocdsus, gedood. F.R. 

58,10. 
odela, todelua, destruere fodiendo, 

vergraven. E.L.1,77. 3,75. l.E.5,27. 
o dei la, decumbere, reclinare, pendulum 

esse, nederzggen, nederzakken. E.L. 

1,24: Thet him sin achhlid to 

deile. Dat hem zgn ooglid nederzakt. 
o diupa, effodere, uitgraven. 2.E.1,25. 

E.L.1,77. 
o e, ad, tot, in. O.t?. Zie: to. 
oebeck, to bek, retro, terug. F.R. 

1,10.20. 
oe bringha, zie: to bringa. 
o edel a, adjudicare, toewezen. F.R. 

15,27. 
o en dej, ad diem, tot een dag. Ch. 

I, 462. 
oeienst, contra, tegen. O.v. 
oekomt, ad/ertur, aangebracht werd- 

J.M.F.9,27. 
o el at, permittit, toelaat. J.M.F.7,23. 
oelfta dey, epiphania. Drie-koningen. 

Ch.I, 342. A.9,10: Letora twilfta. 

De twaalfde dag na kersttijd. (Angels. 

twelfta daeg. Grieksch: dodixfjtH' 

QOV,) 

toelfte. duodecimus, twaalfde. O.v. 

toelta. F.R.80,2. 
toerstigh, sitiens, dorstig. F.R.59,18. 
toe seint, accusatus, beschuldigd. J.M. 

F.12,15. 
toeseit, accusat, beschuldigt. J.M.F. 

6,20. 
toe stede, in loco, ter plaatse. O.v. 



503 



to fiura— tolwa. 



504 



tó f ara, antea, te voren; antej voor. 

E,L.1,17. F.R.15,77, 
o f er e, iter ad locum, heenreis. H.10,4. 
of er in, adortus, overvallen. A.2,22. 
ogad, tractus, geslenrd, getoogd. F.0. 

L.I, 52. 

o gaen leta, admittere^ concedere, toe- 
laten, begaan laten. F.R.19,8. 

ogara, zie: togathere. 

ogara sitta, cohabitaref vivere ut coti" 
jugeêj te zamen wonen, hokken, leven 
als man en vrouw. 0.8,19. 

ogathere, togara, tegadere, si- 
mul, te zamen. B.173. P.R.13,6. 
E.L.1,67. 

ogta, memoriaj gedachte. l.E.3,13. 

o handes, zie: to hond. 

o hap e, congregatim, te zamen, te hoop. 
B.2. £«L.3,6. 

oharcker, auditor, toehoorder, F.R. 
1,7. 

o heynd, muUo proximus, te nabg. 
F.R.20,14. 

ohengenze, tohinsinghe, consen' 
SU8, toestemming. F.R.60,3. Ch.I, 
252. 

oh era, attinere, toebehooren. F.R.20,1. 

ohirdane, excitatio, aanhitsing, op- 
zetting, versterking. F.R.60,3. 

o hond, to handes, moor, terstond. 
A,6,6. O.r. 

o hope, eimul, te zamen. 2.E.4,28. 

ohwyl, dum, als, terw^'1. F.R.45,12. 

ojaen, concedere, toegeven. Gh.I, 462. 

ojegens, toiens, tojenst, contra, 
tegen, jegens. Gh.I, 463. F.R.1,9. — 
2) frustra, te vergeefs. 0,4,2. 14,4. 

oio nis, obviam, te gemoet. H.9,2. 

oiowa, concedere, toegeven. F.R.22,13. 

58,14. 
tokomste, eventus, nitkomst. F.R.1,50: 



Hwant dyo tokomste disriach- 

tes twinelick is. Want de uitkomst 

van het regt onzeker is. 
tokoren, tokorn, sdssus, gekorven, 

gesneden. Ch.I, 98. 0.11,11, J.M. 

F.n, 199. 
to kade, cognitus, notus, bekend. F.R. 

64,14: Als 't him to knde wirth. 

Zoo het hem bekend wordt, 
toleger, legatum, legaat, toelage. F. 

R.46,17. 
tolene, vectigal, tollen. 2,E.3,26.27. 

De tekst heeft § 27: ta lene. 
toleta, concedere, permittere, toelaten, 

toestaan. F.R.5,1. 19,8. to gaen 

leta. 
tolewa, tolena, jbdea teUmarius, ju- 

dex vici, tolr^ter, bunrregter. Ch.I, 

240. 349. n, 233. J.M,F.305. tol- 

na, zie: tolwa. 
toliftich, tolftich, centum et viginti, 

honderdtwintig, 0.10,3. J,M.P.11,3. 
tolike, sitnul, gelijkelgk. E.L.3,33,35. 
toliker wys, eodem modo, insgelgks. 

F.R.6,7. 
toliua, zie: tolwa. 
to liwe wirth a, reviviscere, herleve 

E.L.1,74. 
tollim. Ch.I, 240. Zie: tolewa, 
tolned, vectigal solutum, vertold, tolb 

taald. 0.1,64. 
tolner, publicanus, tollenaar. 0.13,1 
tolof, koliff, duodecim, twaalf. Ch 

99. F.R.46,55. 
tolna, zie: tolewa. 
tolwa, judex vici, buurregter, J.M 

9,3.7: Mit tolwa sawenum. 

zeven buurregters. — §7: En de 

ra toliua sauwen, en iets vercX 

Jef di scelta dat bitioecht & 

de dae tolue ende di aesga. ?c<3 



505 



to maime lyf— traest. 



506 



de flchont en de bnnrregters en Ase- 
ga dat betuigt. (Het schgnt dns een 
banrregter te beteekenen; misschien 
waren zg twaalf in getal, en van hier 
hunne benaming. Zie: toiewa.) 

to manne lyf, dum homines vivunt^ zoo 
lang menschen leven. 0.11,60. 

to meta comma, obviam venirê^ te ge- 
moet komen, ontmoeten. F.B,58,37. 

to monnon, in mundo^ in de wereld, 
bg de menschen. A.7,18: Tb et hiu 
morth to monnon brange. Dat 
zg een doode vrucht ter wereld bracht. 

tona, demonstrare^ toonen. F.R.30,30. 

tond, dens^ tand. H.2,11. 

tonersdey, thongersdej, dies jovis^ 
donderdag. 0.1,23.25. 

to nga, /orcep«, tang. 0.13,8. J.M.F. 
10,7. tanga. 

tonge, zie: tunge. 

tonghere, tonre, tonitru^ donder. O. 
V. J.M.F.1,7. 

top, vertewj top, bos (haar). H.6,9. A. 
3,14. E.L.1,91. 

top, acumen^ spitse. £.L.1,73. 

toraonth, lacerat^ verscheurt. J.M.P: 

n, 192. 

toreint, teren t, laceratus^ verscheurd, 
gescheurd. 0.11,66. B.157. 

tornig, iratus^ toornig. U.9,1. 

torotha, destruere, vernielen. B.166. 

torp, pagus^ dorp. 0.4,21. 

to samene, to semine, simulj te za- 
men. H.9,2. A.7,9. 

tosch, dens, tand. 0.11,15. 

toschicka, mitterej toezenden. F.B. 
25,38. 

toseggen, contradictio^ tegenspraak. 
F.R.1,50: Dat ter neen riucht 
soe claer ne se, deer ma neen 
toseggen to habbe ne moge. Dat 



er geen regt zoo duidélgk is, dat men 
daartegen niets zeggen konde. 

toseka, accusare, beschuldigen. F.O.L. 
2,15. — 2) admonere, actumem insff- 
tuercj aanmanen. A.2,21. tosext, 
aanmaant, aanspreekt, eischt. 

to semine. zie: to samene. 

tosetta, adjunffercj toevoegen, bijzetten. 
B.93. 

toslayn, concessus^ to^estaan, toege- 
slagen, toegewezen. F.B.32,1. 

tosoka, admonerej actionem instituere^ 
eischen, aanspreken. F.O.L.2;21. 

to splitta, lacerare, verscheuren. A. 
8,3. E.L.1,90. 

tospreka, actionem institueren aanspre- 
ken, eisch instellen. A.2,21. 

tostinzen, concessus^ toegestaan. F.B. ^ 
21,26.29. 

to stoer a, destruere^ vernielen, versto- 
ren. O.r, 12,16. 

to stota, te steta, deatruere^ omver- 
halen, omverstooten. B.45. 

to swila, adaestiiare^ alluere^ aanspoelen, 
^toevloeien. A.7,8. 

totancke, eoj animi sententia, naar ge- 
noegen. 0.11,50. Ch.1, 103. 

toth, dens, tand. A.2,12. l.E.2,11. 
B.195. 

to thiuga, intrudere^ toeduwen. E.L. 
1,90. Zie: tiuga. 

to tyt ner to fere, nee tempore neque 
secundum conditionem^ noch op tgd noch 
volgens overeenkomst. F.B.37,1. 

tow, velum zeil; instrumenta^ gereed- 
schappen. O.l.S. 

towerie, cantio, tooverg. F,B.80,8. 

traest, solatium^ troost. 0.12,20. 

traest, arbitrium^ goedvinden. F.B. 
26,2: Naet by syn ayn traest. 
Niet naar zijn eigen goedvinden. 



507 



traeih— troen. 



508 



traeth (tre eth?), tria juramenta^Arie 
eeden. J.M.F.II, 192, 

t rag da, cupere^ begeeren, trachten naar 
iets. l.E.v. 

trayt, impressus, gedrukt. Gh.1, 475: 
Vs ynsygel op dit breeff trayt. 
Ons zegel op dezen brief gedrukt. 

tre, arbor^ boom; liffnum, hout. F.O.L. 
1,17. l.E.6,4. H.2,25: Northhal- 
de tre. Het noordsche hout, de eiken- 
boom, het eikenhout, de galg, het rad. 
(P.d.Ms.Dat is eyn rad, dat is de 
galge of dat negenspakede rat.) 

treek, iter^ reis. F.R.1,37. 42,3. 

treda, proterare^ vertreden. F.B.58,31. 

tredda lawa, haereditates in tertio gradu^ 
erfenissen in den derden graad. F.R. 
50,42. 

tredde, tertittSj derde. O.v. thredda 
stond, tertio^ ten derden male. l.E. 
6,1. 

tredkninge, thredzia, tretknen- 
ges, coffnatus in tertio gradu, verwante 
in den derden graad. J.M.F.5,5. O. 
3,3. l.E.2,7. thredlinges. J.M. 
F.Beg.6.n. Zie: thredkinges. 

tree, tres, drie. F.B. 2, 31. 

treed, yiism, draad. 0.11,66. 

treed, proterebat^ vertrad, vertrapte. 
F.B.58,31. 

treemdeel. Ch.473. Zie: trymdeel. 

treesmed, treesmeth, triesmet, 
suffocatus^ gesmoord, doodgemaakt. Gh. 
I, 343. J.M.F.II, 284. 

treft, necessitas^ noodzaak; opus, nood- 
druft. 0.15,6. 

treftiga, bona publicatuj het verbeurde. 
0.13,8. 

treftlgk, treftelick, neceêsarius, 
noodzakelflk. O.v. F.R.1,2. — 2) 
necesse^ noodzaak. F.B.29,1. 



trefticheed, necessitasj noodzakelgk- 

heid; utilitds, nooddruft. F.B.Ifl, 14. 
tre me, tres, drie. F.R.III, 12. 
tre gongen, trifarius, drieërlei. F.R. 

49,1. 
tre pp a, gradus, trap. A.9,6. 
tretknenges. J,M.F.5,5. Zie: tred- 
kninge. 
tretteenste, trettiende, decimus 

tertius, dertiende. F.B.56,1. O.v, 
treuwa, trewa, Jides, trouw. A.f;.1.2. 
tria, trga, ter, driemaal. 0.11,68. F. 

B.3,12. 
trybeeth, thribete, triplex, driedub- 

beld. F.R.2,28. B.71. 
triesmet. J.M.F.n, 284. Zie: trees- 
med. 
t r i i n d, marginatua, gerand. F.R.III, 12 . 

Deer silueren ende triind se. 

Die van zilver en gerand zgn. 
trymdeel, trimdeel, tertia pars, derde 

deel. F.B.45,11. Ch.1, 473. 
trgmene, tertio, ten derden. 0.9,30. 
trimnath, thrimmenath, tertia pars, 

een derde. l.E.1,15. 
•tryn, tres, drie, F.B.2,28. 
trio west, th riew es t, /deiw, getrouw, 

geloofba^r. 2.E.3,14. B.B.14. 
tryra, trium, van drie. F.B.1,7. 
trgrahanda, trirahanda, triples, 

drieërlei. F,B.2,2.3. 
trgschet, triplex, driedubbel. F.B. 

59,12. 
tritichste, trigesimus, dertigste. F.B. 

19,9. 
txiua, triuwa, triwa, Jides, trouw. 

H.t?.l,12. I.E.V. 2,17. 
triuchthingath, zie: truchtingath. 
triawena, injidelitas, oatrouw. B.151. 

Zie: festis, partie. 
troen, throniis, troon. O.t;. 



509 



trou— tsiwa. 



510 Jir 



trou, certuSf zeker, geloofbaar. 0.2,7. 
t r o u, Jidelisj getrouw. 0.11,4. 
tronyen, matrimonium inire^ trouwen. 

J.M.P.Reg.19. 
trouw a, sponsalia^ trouwbelofte. O. 

12,24. P.R.12,8. 
trowa, Jides^ trouw. F.O.L.6,2. 
ir OW Aj Jidem habere aZtcut, iemand ver- 
trouwen, 
trowa, tVe, currerêj loopen, draven. 

O.v. Ende bg da wagnen trowa- 

den koninghen. En bg de wi^ens 

liepen koningen. 
trowe, declaratie, verklaring. F.R. 

12,13. 
trowe, credibiUj geloofbaar. F.O.L.S. 
trowe, fidelU^ fidus, trouw, vertrouwde. 

P.R.2,24. 14,2. 111,16. 
trowsta, consolari, troosten. J.M.F. 13. 
truch, propter, om. O.v. Truch des 

eihes willa. Om des eeds wille, 
truchagrewed. J.M.F.II, 185. Zie: 

truchgrioud. 
truch ende weer truch, vice versa, 

heen en weerom. Ch.I, 540. 
truchgrioud, truchagreweth, truch- 

greweth, transfixus^ doorgriefd. O. 

11,9. Ch.I, 103. J.M.F.n, 185. 
truchgungend, pervius, doorgaande. 

0.11,31. 
truchkald, friffidissimus, doorkoud. 

J.M.F.6,2. 
truchkeme, transitus, doorgang, h^ 

doorkomen. A.3,2. 
truchsketen, trans/Leus, doorgeschoten. 

A.3,6. 1.EJ^. 
truchskinand, translucens, doorschg- 

nend. E.L.1,40. 
truchslagn, percutiens, doorslaande. 

0.1,21. — 2) percuêmsj doorgesli^en. 

0.10,7. A.3,2. 2.E.1,6. 



truchstata, tranajigere, doorstooten . 
E.L.1,12. 

truchstetzen, tranajixue, doorgestoo- 
ten. l.E.4,6. 

truch thet, quia, omdat. A,l,8. H. 
1,2. 

truchthingath, triuchthingath, 
thruchtingath, ultimum judicium 
semiannis, het eindgeregt van het hal- 
ve jaar. B.123. 149. 124: Thene 
thruchthingath skel ma halda 
tuiia an da iera. Het eindgeregt 
zal men tweemaal in het jaar houden 
(op St. Michiel en op St. Pieter). 

true, triuwe, Jides, getrouw, geloof- 
baar. B.208. J.M.F.14. 

tsauen, tsawen, septem, zeven. Ch.I, 
341. J.M.F.n,265. 

tsczake, tscziake, scziake, fna^7^, 
kaak. Ch.I, 111. 116. J.M.P.H, 230. 
248. 

tsestich, zie: tzestich. 

tsetele, tsietele, cacabusj ketel. 2. 
E.4,15. l.E.6,4. 

tsiurcpathe, tsurkpathe, via adec- 
clesiam, kerkpad. 2.E.4,31 . E.L.3,50. 

tsiurka, ecclesia, kerk. B.BM. 2.E.3,5. 
tsyureka, tsyvrka, tsyurcka. 
B.218. 

tsiurkfogeth, 0dvocatus ecclesiae, cu- 
rator, kerkvoogd, B.B.9,10, 2.E. 
3,10. 

tsiurkkera, sacerdos, prieBiex. E.L.2,2. 

tsiürspelsliude, homines districtus, 
kerspellieden. B.B. 9. 

tsiuwia, litigare, kgven, twisten. 2.E. 
4,16. 

tsive, twise, lis, twist. 2. E. B.B. 

tsyvrka. B.218. Zie: tsiurka. 

tsiwa, tsiva, litigare, twisten. £.L. 
3,39, 



511 



tsurkpaihe— twede. 



512 



tsurkpathe, zie: tsiurcpathe. 

tsurksleeck, poena ecclesiastica^ ker- 
kelijke ban. B.B.15, 2.E.2,16. 

tsurspel, tzurspel, tsierspel, dis' 
trictus, kerspel. B.B.15. 2.E.3,10. 

tu, tUj gg. F.B.1,6. 

tua, twa, duOj twee. B.116. 0,9,7. 
taan. H.4,8. 

tuangh, coërcitio^ dwang. 0.6,4. 14,2. 

tuarent, laceratus, gescheurd. H.4,35. 

tuchtelas, impotens procreandij onge- 
schikt om voort te teelen. 2.E.1,12. 

taeddere, dimidius, half. l.E.2,11. 

tuede, twede, duplex^ dabbeld. l.E. 
2,18. — 2) duaCj de tribus partibus^ 
twee derde. F.O.L.1,15. — 3) dimi- 
dium, half. H.2,12. 2.E.4,38. 

tuede, bifarius, tweeërlei. H.1,16. 1. 
E.1,16. 2,18. 

tuednath, bis, duae de tribus partibus, 
tweemaal, tweederde. H.10,25. E,L. 
3,62. 

tuelef, duodecim, twaalf. l.E.1,4. H. 
1,4. tuelef te, duodecimus, twaalfde. 
H.1,12. tuelewasum, duorfent, twaalf- 
ersom, met twaalf (personen). H.1,8. 

tuera, zie>twera. 

tuia, tuiia, bis, tweemaal. B.37. 124. 
112: Bernisbern is tuia bern. 
Kindskind is tweemaal kind. twya. 
0.9,2. A.t;.l. F.R.7,3. 

tuiielde, duplex, dubbeld. H.2,24. 

tuig al, idem. l.E. 6,2. 

tuihscat, separai, scheidt. 2.E.4,S7. 

tuihsat, zie: tuiskette. 

tu im (tunim), horti, tuinen, velden. F.0. 
L.5,44: Inor sinne hofmar and in- 
vr sinne tenda tuim (tunim). In 
zgne hoven en in zgne omheinde tuinen. 

tuina, disputare, betwisten. H.2,4. 
Zie: tiona. 



tuina, bifariusj tweeërlei. £.L.3,56. 
tuin te ch, viginti, twintig. H.1,2. 
tuisa, tnise, tuisk, tuiska, twis- 

scha, tuisscha, inter, tusschen. 2. 

E.v.3. B.8. E.L.3,56. 0.1,15. 
tuiskette, tuihscat, duplex, dubbel. 

2.E.4,37. B.6. 
tuisk ia, discemere, onderscheiden. E. 

L,l,27: Jef ma se fon otherem 

tuiskie mey; mey ma hia nawt 

tuiskia. Zoo men ze van elkander 

onderscheiden kan; kan men hun niet 

onderscheiden, 
tuisscha, zie: tuisa. 
tuiualdere, tuiwald, duplex, twee- 
voud. l.E.2,12.19. H.1,11. 
tuma, tumma, poUex, duim. 0.11,34. 
tun, hortus, tuin. F.O.L.2,2, Zie: tuim. 
tunge, lingua, tong. £.L.1,28. H. 

1,17. 
tuntichste, vigesimus, twintigste. F. 

R.III,10. 
tura, turf, cespes, zode, turf. O.l.S. 

A.7,8. 
turn, turris, toren. F.O.L.3. 
tusc, tusck, tusk, c{en«, tand. H.2,12 

E.L.1,27. A.2,11. F.O.L.2,11. 
tusend, mille, duizend. F.B.UI, 2. 
tuskesbite, morsus dentis, tandsbeetiid 

B.196. 
tut e, os, mond, bek. F.O.L.2,11. 
tvifald, duplex, dubbel, tweevoudi^g 

0.1,9, 
twa, duo, twee. E.L.1,13. 0.9,7. 
twadeel, duaepartes, tweedeelen. f.^ 

1,115. 
twangh, coërcitio, dwang. F,B.44 — ^ 

to twangh, te drukkend. F.B.50,^^? 
twede, twedene, dimidium, half. 2 

O.L.2,18. — 2) duae de tribus pa-r^^* 

bus, tweederde. F.O.L.1,15. 10,12. — 



51S 



twednaih— tsaka. 



14 



B) duplex, duhhel H.2,18. 10,12. Zie: 
tnede. 
twednath. l.E.1,15. Zie: tuednath. 
tweintich, viffinti^ twintig. 0.3,9. 
twelfanasnm, twelnasum, twelfa- 

sum, twelwin, (^tuK^ent, twaalfersom. 

met twaalf. F.O.L.1,8. 2,6. Zie: tue- 

lef. 
twelfwintera. F.O.L.6,10. Zie: ele. 

(Goth. twalibwinthras, twaalQarig.) 
twelaasnm, duodenij twaalfersom, met 

twaalf. Zie: twelfanasnm. 
twelwin, zie: twelfanasnm. 
twendist a, vigesimus, twintigste. J, 

M.F.III, 196. twendistahael, no- 

vemdecim et dimidiumj negentien en 

een half, twintigstehalf. 
twene, duo, twee. A.v.l. 2,6. 
twenpende, communis j mandeelig. li. 

83. bg Wiarda. Zie: ewenpende. 
twera, tnera (a), veroj voorwaar. O. 

12,20. J.M.F,12,20. 
twerahanda, bifarius^ tweeërlei. F.R. 

6,1. 
tweres, thweres, obliquusj dwars. B. 

202: Ondleng and tweres. In de 

lengte en breedte, 
twethe, dimidius, half. J.M.F.II, 242. 
twia, zie: tnia. 
twibete, duplex, dnbbel. A.2,13. E. 

L.1,25, RO.L.2,19. 
twyerley, 6t/anW, tweeërlei. E.L.3,56. 
twifald, twifalder, duplex^ dnbbel. 

A.1,11. F.O.L.1,11. 
twyflick, twyflich, dubius, twgfel- 

achtig, 0.12,13. F.R.13,2. 
twiielde. A.1,9. Zie: tuiielde. 
twila (twifla?), duUtare^ twgfelen. 

Ch.I, 346: Ende twilet di rinch- 

ter. En twgfelt de regter. J.M.F.II, 

294. 



twilifi tuilif, dubium^ tw^fel. S.E. 

3,10: Hwer sa twilif (twifil?) on 

is. Waar twgfel aan is. 
twilif, duodecim^ twaalf. A.1,4. twi- 

lifte, duodecimus^ twaalfde. A.2,12. 
twilifta (to letora). A.9,10. Zie: 

toelfta dei. 
twina, duo, twee. F,0.L.1,15. 
twinga, thwinga, cogere, dwingen» 

A.2,20. F.R.24,17. 
twinsch, inter, tnsschen. Ch.I, 101. 

J.M.F.n, 208. 
twintegeste, twiategoste, twin- 

giste, twintichgiste, twintech- 

giste, vigesimus^ twintigste. A.2,20. 

l.E.2,20. F.O.L.2,20. 
twinthic (twintich), vigUüi, twintig. 

F.O.L.I, 22. 
twiraleya, duplex, bifarius, tweeërlei. 

F.R.1,17. 
twyrasnm, cum duobus, met tweeën, 

tweeërsom. 0.1,9. (J, Grimm, Deut, 

Gram. 11,951 zegt: selbdritte, dat 

onjnist is.) 
twiratale, contradictio, tegenspraak. 

0.3,17. F.O.L.1,17. 
twise, lis, twist. 2.E.3. Zie: tsive. 
twisk, twisscha, twi se ka, mfer, tns- 
schen. F.R.3,12. H.10,13. B.B. 
twisket, twischet, duplex, dubbeld. 

H.10,17. F.R.59,1. 0.9,1. 
twisk ia, discernere^ onderscheiden. F. 

0,L.5,29. 
twispan, /iV, twist, tweespalt. Ch.I, 496. 
twinel, twiuelachticheed, dubium^ 

twijfel. F.R.13,20.46. 15,54. 
twifelhlestich, twiuelick, dubius^ 

twflfelachtig. F.R.13,15.39. 27,14. 
twsch, dens, tand. 0.1,10. 
tzaka, tziaka, ztake, maxiUa, kaak. 

F.O.L.5,9.23. 

33 



515 



tzamiih— mnbe. 



516 



tzamith, conficiunt^ bedragen, maken, 
komen op. J.M.F.II, 189: Ti 13 tza- 
mith ewene yppa 15 merk. De 
dertien komen joist op vijftien marken. 

tzare, frenum^ toom. Ch.1, 101. Zie: 
tyader. 

tzerckatta, judex ecclenasticusj kerke- 
Igke regter. Gh.1, 348. Zie: ehera. 

tzerckbrecker, violator ecclesiae^ kerk- 
verstoorder. P.R.75,5. 

tzercke, tzerke, ecclesia, kerk. F.R. 
9,5. 75,4. 

tzerckferd, paa ecclesiae, kerkvrede. 
F.R.75,4. 

tzerckhon, cimiterium, kerkhof. O. 
1,14. 

tzerkstal. J.M.P.7,50. Zie: kerkstal. 
tzerp, loco altiori, vicus, dorp, terp. 

Ch.I, 464. 
tzesa, eligere, kiezen. J.M.F.Reg,19. 
tzettel, cacabus, ketel. F.R.26,5. 
tzextich, tsestich, sexaginta, zestig. 

F.R.ra, 6. Ch.I, 706. 
tziake, maxiUa, kaak. E.L.1,25. F. 

O.L.5,9. 



tzieerka, tzierka, ecclesia, kerk. 

F.R.81,11. 
tzyelk, calix, kelk. 0.7. 
tzierka, zie: tzieerka. 
tzierckranwer, raptor bonorum eccUêi' 

asticorum, kerkberoover. F.R.81,28. 
tziesa, tzisa, tzysa, eligere, kiezen. 

0.5,1. F.R.21,1. 
tzilick, calix, kelk. 0.8,23. 
tzirle, homo, man, kerel. Ch J, 706. 
tzisa, zie: tziesa. 
tzysordel, ordale purgatorium, zuive- 

rings-ordale. 0.8,14. tzise*ordil. 

J.M.F.7,44. 

tziurckfogeth, />a^rontM 6cc2tfna«, kerk- 
voogd. B.BJO. 

tziurk, ecclesia, kerk. E.L.3,70. 

tzinrspellinde, homines districtus, 
kerspellieden. B.B.10. 

tziwia, litigare, twisten. F.O.L.v.1. 
4,31. 

tznist. E.L.1,68. Zie: hrock. 

tzurcfodich, tzurkfochd. F.OX. 
8,18. Zie: tziurkfogeth. 



ü. •) 



uaza, crescere, groeien. B.92. Zie: 

waxa. 
ned, neet, humidus, nat, vochtig. I.E. 

6,3: And thi neetkalde winter. 

En de natkonde winter, 
neine, cumts, wagen. l.E.5,14. 
nel da (ielda?), solvere, betalen. H. 

4,45: Tha uelde (ielde) se in no- 

wet. Toen betaalde zg hem niet. 
nella, veüe, willen. F.R.2,22. 
aerda, Jieri, worden. A.7,17. 



nexed, cera iUatus, gewast. H.2,10: 
Uexede hexel. Gewastkleed. wexe 
hreil. l.E.2,10. 

nllen, maculatus. H.1,6. binllen.. 
besmet, bezoedeld. l.E.1,6. 

nm, umbe, vmbe,/7ropt^, om. 0.1,1 
B.3. A.2,5. 

nmbe, per, door. F.O.L.1, 60: The 
ma thingia skil umbe thet 1 
mit alle tha redskipi. Waarm< 

*) U« V en W wisselen dikwijjls met elkmder. 



517 



mnbereped— nniaihtlia. 



518 



door al hei land met alle degeregten 
regten zaL 

nmbereped, intactus, ongerept, onaan- 
geroerd. B.88. bg Wiarda. 

n m b 6 w 1 1 6 n, immaculatuê^ onbesmet. 
A.1,6: ümbewllen an menethon. 
Onbesmet van meineeden. 

nmme, prapter^ om. 0.8,1 4. 

nnaft, iüegüimu8j onwettig, onecht. A. 
2,12. 

unbern, ynbern, nondum natua, onge- 
boren. Ch.1, 111. 

anbewllen, immaculatuSj onbesmet. 
P.O.L.1, 60. 

nnblikandy inviaibilisy niet zichtbaar. 
A.S,1. 

and, zie: ynd. 

unda, vulnêraTBy verwonden, B.B.6. 

and e, mUnusj wonde. H.4,36. 

anden, man«, 's morgens. 0.1,26: Dat 
dae schelten deer bodtingh hal- 
det toe middeg, eer unden, han- 
nes bigonnen habba schillet. 
Dat de schouten, die tot den middag 
het bevolen geregt houden, in den mor- 
gen hun ban begonnen zullen hebben. 

under, sub^ onder, in. A.1,2. 7,23. 

underdenocb, subdttus, onderdanig. 
A.8,1. 

underwnna, eripere, afwinnen, onder- 
winden. A.5,15. 

andfa, accipere^ ontvangen. A.2,8. 9,2. 

nndfalla, zie: untfalla. 

andfangen, aeceptus^ ontvangen. A. 
7,11. 

nndhalda, vndhalda, vi retinere^ 
houden, onthouden; sustinere^ onder- 
houden. B.93. bg Wxarda. 

nndhenda, vnhanda, vnthenda, 
accipere^ ontvangen. B.100. bg Wi- 
arda. 2.E.4,1. 



undom, vndom, judicium injustum^ 
onwettig vonnis. B.9. W. 9. 

undriucht, vnriucht, illegitimuê, 
onwettig. B.6. W. 6. 

undsetta, opponere^ verzetten. P.O.L. 
1,43. 

undsprekande, mutus^ nne loquela^ 
stom, sprakeloos. B.186, W. 186. 

undswera, concredita sibibana abjurare^ 
juramento negare^ ontzweeren. A.2,12« 

undua, vnddwa, destruere^ annihilare^ 
vernietigen, te niete doen. B.82. W. 
82. 

undunga, vndvnga, vndga, vitare^ 
aufugerej ontgaan. B.3. W. 3. 

unelaf, qui haereditatem non accepity 
die geen erfenis ontvangen heeft. H. 
4,29. 

unfach, intactu$y ongeschonden, niet 
ve^. A.6,9: And otheres alle 
sine friond, unfach beliua. En 
overigens al zgne vrienden ongeschon- 
den blijven (niet aantastbaar). 

unforwrocht, vnforwrocht, vn- 
forwerkath, non amissus^ niet ver- 
beurd. A.1,1. H.1,1. 

unfreth, implacidua^ on vreedzaam. A. 
1,7: Bedbate tha unfreth mon- 
ne. Radboud den onvreedzamen man. 

unga, vnga, capesseroj suscipere^ «u- 
bire (ordalé)^ in-, aan-, ondergaan. 
B.7. 105. W. 7. 105. 

ungebern, minoris conditioniê^ niet vol- 
boren. H.1,8. 

ungeroch, vngereg, vniereg, tnt- 
norennisj minderjarig. l.E.1,11. A. 

i,u. 

ungunga, vngunga, de/endere se^ 

zich verdedigen. 2.E.2,13. 
uniaththa, non judea, geen buurreg- 

ter. A.7,31: Thi aththa and thi 



519 



unidena— ura. 



520 



uniaththa. De buarregters en de 
niet-bnurregters. 

unidena, non factusy improvisiiSy oi^e- 
daan, onvoorzien. A.2,2. 

anideld, indivisus^ ongedeeld. A.6,8. 

uniliaf, aeque acceptus^ even aange- 
naam. F.O.L.1, 32: Ther hiam se 
bethen al uniliaf. Die han beiden 
even lief zgn. (iuinliaf?) 

u nis kif, non aeparatus^ indiviauSj onge- 
deeld, ongescheiden, ongeschift. A.6,8. 

unlike, vnlike, impar, ongelgk. B. 
117. W. 117. 

unie n de, immensum^ profundusy niet 
waadbaar. A.7,17: Ana en unlende 
wet ir. In een on waadbaar water. 

unrinchte, unrivcht, injustus^ on- 
wettig. A.2,4. E.L.1,42. 

unscheldia, unskeldigia, eacusare^ 
ontschnldigen. B.B.14. 2.E.3,14. 

unsclitandi, zie: nnslitande. 

unskelde, crimen^ misdaad. A.7,20. 

unskeldich, innocens, onschuldig; un- 
skeldiges, innocenter. A.2,10. 

unslitande, unsclitande, vnscli- 
tandi, inexolescens, niet slotend. 1. 
E.2. 6,24. 

unstede, incertus, onvast. F.O.L.1, 60. 

untfa, uti^ gebruiken, bezigen. A.v.l. 
Nawet idle untfa. Niet gdel ge- 
bruiken (letterlgk: aanvatten). 

untfalla, purgare^ zuiveren, ontgaan. 
P,0.LJ,61. 

untgunga, excusare, def endere ae^ pur^ 
gare se^ ontgaan, zich verdedigen. A. 
7,18. 

untkuma, efugere^ ontkomen. A.2,8. 

untsetta, opponere^ zich verzetten. 
F.O.L.1, 64. 

unwerthlike, indigne^ onwaardig. A. 
8,3. 



unwilla, vnwillem, vnwilla, sine • 

voluntate, sine studio^ onwillens. B. 

106. A,2,12. Ch.1, 115. 
unwis, tncertuê^ onzeker; perditus^ ver- 
loren, te zoek; nimiê debilisj onwis. 

A.2,24. 7,12. 
uoer, proj voor; cum^ met. F.B.15,35. 
up, versttê, tegen, opwaarts. H. 1,9. 16. 

2) supruj op. 
uperauad, sublatus^ opgeheven, opge- 

tüd. H.4,27. 
upgehewin, inceptuSj aangevangen, 

aangeheven. H.9,2. 
uphawa, vphawa, tnct(2ere, opbouwen, 

openslaan. B.25. W. 25. 
uphliaepa, oriri^ ontstaan, oploopen. 

O.v. 
upnema, accipere^ ontvangen. A.5,15. 
upnima, adjungere^ vocare^ toevoegen, 

bgroepen. H.9,2. 
nppa, vpper, supra, op. H.1,16. E. 

L.3,23. 
uprethsa, erigere^ oprichten. 1. E. 1.1 3. 
upriuchta, levare^ opheffen. 1 .E. 3,11. 

H.7,1. A.2,22. l.E.2,12. 
upstalbaem, upstelesbame. l.E. 

6,7. Zie: opstalbaem. 
upstonda, eurgere^ opstaan. A.7,9. 
uptaga, erectio, optrekking. H.8,9. 
uptia, erigij optrekken. l.E.5,14:And 

sin haud uptie. En zgn hoofd op- 
trekt, 
uptochte, orfu«, opgang. H.10,3: Fon 

there sunna uptochta. Van zons 

opgang, 
ur, vr, trans j super ^ over. H.10,15. — 

2) infra, minus^ beneden, minder. B. 

88. 115: Is 't vr thene sezta del. 

Is het beneden het zesde deel (minder 

dan een zesde deel), 
u r a, superior i overman. Gh.1, 609: E n- 



521 



urbec— unnode. 



522 



de dyo seecken eynden by da 
^soenlioed ende den nra. En de 
zaken eindigen bg de zoenslieden en 
bg den overman (hnn toegevoegden 
scbeidsman). 

nrbecy urbek, urbech, vrbec, retro, 
terug. A.2,12. H.2,12. 2.E.1,15. 
l«S.5,2o« 

nrbeden, prohibitus, verboden. A.v.l. 
H.2,17. 

nrbidda, nrbieda, prohibere, verbie- 
den. H.2,17. O.t?. 

nrbote, poetM aupra êolitam poenam, 
overboete. A.1,12. 

nrbrnden, urbrwden, delapidatus, 
doorgebracht. A.2,17. H.1,14. 

arbarnen, ustus, verbrand. A.2,17. 

nrcrefta, conêtuprare, vitiare, verkrach- 
ten. J.M.F.n, 222. 

arcnma, deprehendere, convincere, be- 
trappen, overtuigen. H.1,15. 

ar del, judicium^ vonnis, oordeeU A.9,4. 

nrdela, condemnarej veroordeelen. H. 
1,16. A.1,16. 

ardema, idem. H.1,16. 

urdemnese, condemnatiOf verdoemenis. 
A.7,10. 

nresneren, nrsweren, abjuratus, ver- 
zworen. H.1,11. A.1,11. 

nrfa, vrfa, plus sumerej quam sibicom'- 
petüj overtasten. B.104. 2.E.4,14. 

urfara, vrfara, perire, omkomen, ster- 
ven. A.2,2. 2.E.2,6. 

urfella, solvere, betalen. A.1,17. 

arfiuchta, ob pugnam accipere, o ver- 
vechten, bevechten. H,4,43.46: Sa 
ne mei thera frowena noweder 
on othernm nenne afrethe ur- 
finchta. Dan mi^ de eene vrouw 
aan de andere geen overboete bevech- 
ten. 



urgelda, solvere, betalen, vergelden, 

A.1,7.16. B.86. vrgulden, BolutuB, 

betaald, 
urgripen, qui aberravit in apprehensi^ 

one alicujus rei, cUiena aibi aasumpsit, 

vergrepen, misdaan. A.1,6: Sa f ir 

urgripen nebbe. Zoo verre niet 

verkeerd gedaan heeft, 
urherad, victus, overheerd, overmees- 
terd. H.5,2. 
urherech, vrherech, inobeequens, coiP' 

tumax, ongehoorig, ongehoorzaam. 2. 

E.1,22. l.E.1,16. nrherga, contu- 

maces. 
urherech, non audittis, niet gehoord. 

H.10,30. 
urielda, vrielda, solver e, betalen. 

B.89. 
urietin, oblittts, vergeten. H.9,2. 
urieva, uriewa, concedere, overgeven, 

toestaan. A.v.1. 9,4. 
unriucht, unrivcht, injustua, onregt^ 

vaardig. A.v.1. 
urkapia, vendere, verkoopen. A.2,2. 
urkera, reprobare, rejicere, afkeuren. 

H.8,4. 
urkere, conventiones inter districtus, wets- 
bepalingen tusschen de districten. l.E. 

6,7. Zie: wrkerren. 
urknia, vrkniaia, cognationem eom' 

putare, verwantschap berekenen. B. 

89. 121. 2.E.4,22. 
urloua, abjurare, afzweeren. F.O.L.I, 

16: Sa urlouad hi al unriucht. 

Dan zweert hg al onregt af. 
urlouad, iUicitus, ongeoorloofd. A.1,3. 
urmeldia, memorare, vermelden. A. 

1,17. 
urmitha, evitare, vermijden. l.E.3,6. 
urmode, superbia, overmoed, hoogmoed. 

A.2,1. 



523 



umima— uta. 



524 



urnimaf sentire^ irUeüigere^ cognoêcere^ 
yernemen. H.9,L urn o min, cognos'» 
cebantj yemamen. 

urpa, projicere^ werpen. H.1,17, ur- 
pen, erectu8j opgeworpen. 

nrseld, venditus^ verkocht. A.1,14. 

ursetta, yrsetta, oppignorarej verzet- 
ten, verpanden. H.2,3. A.1,14. 1. 
E.2,3. 

ursia, aapicere^ aanschouwen. l.E.5,13: 
And hit tha linde nrse. En het 
volk het aanschouwt. 

uraia, vrsia, perquirere^ overzien, na- 
zien, gebruiken. H.2,10: Jef thi er- 
wa thet riucht ursia nelle. Zoo 
de erfgenaam dit regt niet wil na- 
zien (gebruiken). l.E.2,10. 

ursien, viêuê^ gezien. H.8,22. 

ursitta, negligere^ verzuimen, verzitten. 
l.E.1,9. H.1,9. A.2,1. 

urskrida, tranêire^ overschreden, voor- 
bggaan. A.7,32: And twa skipi 
hini urskridath. En twee schepen 
hem voorbg varen. 

nrstanda, def endere^ wederstaan, tegen- 
stand bieden. A.5,11. 

ur stelen, expilatus, ontstolen. A.2,1 7: 
Thet him sines godes urste- 
len se. Dat hem zgn goed ontstolen 
is. 

urstenden, impêditua, belemmerd. H. 
10,30. 

ursteppa, negligere^ verzuimen. B.6. 

nrstera, destruere^ verstoren, vernielen. 
J.M.P.16. 

ursterua, mort, afsterven. H.10,31. 

urstonda, def endere^ verdedigen, we- 
derstand bieden. l.E.3,7. 6,5. A.2,1, 
urstode, defendebat^ wederstond. 

ursuera, faUe jurare^ verzweren, valsch 
zweren. H.8,24. 



ursweren, abjurahia^ a%ezworen, ver- 
zaakt. A.1,11. 

urthia, urtia, vrtia, rêtrdrej retro- 
gradij terugtrekken. B.162. 

urthia, relinquere^ verlaten. F.O.LJ, 
20. A.5,8. urtiuch, relinquebat^ ver- 
liet. 

urtege, solvebant^ betaalden. A.1,7. 

urtia, probare^ bewgzen, overtuigen. A. 
1,7. 2,6. 

urtygia, probare^ cantnncere^ bewigzen, 
l.E.ü. H.7,2.5. 

urtiucht, relinquebat^ verliet. F.O.L. 
1,53. 

urtiucht, faUatur. vervalscht. H.7,5. 

urtiuga, probate^ bewgzen. A.1,3. 

urvnnen, vtchM, overwonnen. 1. E. 1,1 6. 

urwald, vm, geweld, overmacht. H. 
2,3. 

urweddia, oppignorarej verpanden. A. 
1,17. — 2) urwedia, promiMtfr^, be- 
loven. H.1,17. 

urwena wessa thes liues, mortuum 
apparere^ schgndood zgn. H.6,14. 

urwinna, vineerej overwinnen. H.1,3. 

urwixlia, permutare, vervrisselen. A. 
2,2. 

us, nas, ons. A.1,2. 

use, usere, usna, noeter^ onze. H. 
1,9. 3,4. A.1,10. 7,8. 

ut, e«, uit. H.1,9. — 2) eit^ het zg 
zoo, zooniet. H.9,2: Ut, mostin se 
him ihera her leta frilike waxa. 
Zoo niet, dan konde zg hun haar vrg 
laten groeien. 

uta, vta, insuperj daarenboven. A.7,8: 
Yta skilu wi Frisa vse lond 
hal da. Bovendien zullen wg Friezen 
ons land verdedigen. 

uta, tn/ra, beneden. A.7,8: Fon oua 
to uta. Yan boven tot beneden. 



525 



ntad — utroste* 



526 



ntad, êolutuêj betaald, uitg^eTen. A. 
7,22. 

ntane, aolutioj extraditioj betaling, vol- 
doening, uitkeering. A.2,1: Sa mot 
hi hebba tha onferd, tbi tber 
er utana onsprek. Dan moet hg, 
die het eerst de voldoening yorderde, 
de aanvaarding hebben. 

utawardes, utawerdes, extrinsecusj 
uitwaarts. H.8,12. A.3,7. 

atbelda, dolare JUiam^ een dochter uit- 
boedelen, boedeldeel uitkeeren. A. 
2,4. H.2,4. 

ntbioda, offerte^ aanbieden. A.2,14. 

n tbr e ca, effringere^ uitbreken. A.9,1. 

nte, Tte, ew, uit. B«46. l.E.4,5. 

n te breken, effractas^ uitgebroken, uit- 
gescheurd. A.S,5. 

ntedriuen, ytedrinen, eapuUus^ uit- 
gedreven, B.157. 

ntegeuuen, golutuij uitgegeven. 1.£. 
6,1. 

nteketh, vteketh, evoeatus^ a%eroe- 
pen, a%ekondigd. B.213. 

uiekwnken, e^rpatua^ uitgerukt. A. 
3,4. 

uieletzen, zie: eletzen. 

uter, vter, eastra^ uit; eantra^ tegen, 

buiten; nn«, zonder. l.E.2,3. B.120. 

H.1,5. 
nierinen, vteriuen, uteriwen, «ƒ- 

yracdM, uitgescheard. H.4,14. l.E.4,6. 
nterste, êupremusj esteriovj bovenste, 

buitenste. l.E.5,13. 
utethma, emtu$^ uitgang. A.3,15: 

Inethma and uthetma. Ingang 

en uitgang, 
utfere, iter^ reis; beüwn^ oorlog. A. 

6,14. 
n tg e belt, dotatus^ uitgeboedeld. H, 

4,48. Zie: ntbelda. 



utgelda, vtgelda, e«p«(br6, uitdrgven. 
uitgeleiden. B.220: Uta huse bernt 
iefta inna wirgat, ieftha vt- 
geld. Buiten het huis gebrand of 
daarin geworgd of uitgedreven. 

utgeriwen, effractuê^ uitgereten, uit- 
gescheurd. H.6,2. 

utgerunnen, «j^u^ti^, uitgeronnen, uit- 
gevloeid. H.6,3. 

uthalden, «j^tien«, uitloopend, uitvloei- 
end. A.7,32. 1.£.5,22. 

utheeuenen (uthegeuuen?), extra* 
dituêj uitgegeven, uitgekeerd. 1.£.6,1: 
Inna tha honda ther hia uthe* 
euuenen hebbath. In handen van 
dien ze uitg^even heeft. 

uther, vter, M^ra, buiten ; nn^, zonder. 
l.E.1,13. 

uthethe, eapülare^ muts, huif. 2Ji. 
1,1. P.d.Ms: huue. 

utia, vtia, sdvere^ betalen, uitreiken. 
B.113. 114. 

utketha, Ttketha^proelamarêmodojti* 
didali^ ger^^lgk bekend maken. B.6. 

utlendes, in aUam regionem^ in terram 
peregrinam^ uitlandig. H.2,20. 

utlendeska, vtlendesca, peregrinuSf 
vreemd, uitlandig. B.76. 

utmela, depingere^ afschilderen, afina- 
len, uitspreken. H.1,17. 

utmonnad, vtmonnad, in tusorem 
datu8j uitgehuwelgkt. 2.£.4,43. 

utra, vttra, exierior^ uiterste. B.142. 

ut ra, extraderej uitkeeren. A.7,22. 

utrene, Jlutno^ e/fluvium^ uitloop, uit- 
vloeiing. fl.4,6. 

utresza, vtresza, aolvere^hetelen; ex» 
traderey uitreiken. F.O.L.1, 33. ut- 
racht, uitgeeft. 

utroste, MrfemtM, buitenlander; exteruê^ 
buitenste. A.7,8. 



527 



utsteta— verdoren. 



528 



ntsteta, eapellere^ excutere^ eatmdere, 

uitstooten. H.4,1- 
nttebelt, dotatus^ uitgeboedeld. 1.£. 

6,1. 
uttera, vttera, uiterste, extremua^ 

buitenste, bovenste. 2,£.1,4. H.6,17. 
utwaga, paries eaterior, buitenwand, 

buitenmuur. F.O.L.1, 54. 
uuach, murus^ muur. l.E.5,19. 
uuachsele, coagmenta^ muurgebinten. 

1.E,5,19. 
ttueine, currua^ wagen. l.E.4,12. 



uuetere, aquaj water, 1.E.5,14. 

uuidse, carru8f kar, wipkar. 1.E.5,14. 

uuif, femina^ vrouw. l.E.3,11. 

uuiie, ma, weg. l.E.5,14: A uuidse 
ni a ueine, a uuiie ni a uuete- 
re. Op de kar noch op den wagen, 
op den weg noch op het water. 

uwerjewa, tradere, overgeven. l.E.1,7. 

uwermod, auperbia^ overmoed; feroda, 
woestheid. E.L.2,4. 

uwre, wre, auperius^ bovenst. A.8,4. 

uws, noeter^ onze. F.R.2,32. 



V. ') 



vaine, currus, wagen. 0.9,20: Mit 
vaine wrwint. Met den wagen 
overrfldt. 

vanspreke, malae loquelae esse^ diffi- 
cultas loquelae j wanspraak. 0.11,47. 

vanuirk, malum^ vitiosum opus, wan- 
werk, slecht werk, 0.9,10. 

vapeldepene, vapeldranck, vapel- 
pina, submereio, waterdompeling. O. 
4,15. 11,4.64, 

vasich, luteuèy slgkerig, modderig. O. 
11,7. 

vddrat, uberahabens, geuierd, uiers heb- 
bende. F.0.L,6,1: Epenvddrat. 
Opene uiers hebbend. 

vdera, mülgerey melken, H.5,5: To 
quern and to ku vdern. Te kar- 
nen en de koeien te melken. 

vderbec, retro, achterwaarts, terug. 2. 
E.1,16. 

ved. A.7,7. Zie: wede. 

vedelesverp, cimiterium, locus circa 
ecclesiafn sacratus, gewgde grond, kerk- 
hof. 0.8,6. 



veden, weden, laesus, bezeerd. O. 
11,1. 

veet, humidus, nat. 0.11,7. 

veimeringhe, zie: weimeringa. 

velethin (vteletzen?) t?uZn«ra^«, be- 
zeerd; disruptus, uithangend. 2,E. 
1,3: Aghe velethin (Richth. vte- 
lethin) iefta colc eghinsen ief- 
ta vtebretsin, en half lif. Het 
oog uithangend of uit de kolk gegaan, 
of uiigebroken een half Igf. 

velike (evelike?), semper, eeuwig. 
H.9,2. 

veninge, weninghe, opinio, praesum- 
tio, waan, vermoeden. F.R.14,2. 

vensitta, debilitatum, luaatum esse, 
wanzittend, ontsteld zgn. 2.E.1,3. 
venseteth, ontsteld is. 

verdban, zie: ferdban. 

verdomath, condemnat, verdoemt. F. 
R,81,21. 

verdoren, devastatus, verwoest, verdor- 
ven. J.M.F.16. 

•) Zie mede op U. 



529 



vere— vna. 



530 



vere, were, labiumj lip. H.8,12. 

vergadert, coüectus^ bgeengebracht. J. 
M.F.Reg,5. 

verlerin, perditus^ verloren. 2.E. 1 ,1 2. 

Terscrioun, praescriptus, voorschreven. 
0.11,27. 

versia, ohniti^ improbare^ tegenwerken, 
warsen, wars zgn. Ch.I, 692. 

▼ ersprecka, contradicere^ tegenspreken, 
weerspreken. F.R.84,13. 

versumicheed, negligeniia^ verzuim. 
Ch.I, 343. 

vespertyt, ad vesperasy tempus vesper-- 
tinum^ om avondtgd. F.R.18,8. 

vessa, esscj zgn. F.R.2,39. 0.12,15. 
we SS en, fuit^ geweest. 

vest, firmus^ vast. 0.8. 

vetbuer, eartraneti^, oitbuur. Ch.I, 394. 

vyed, vielsena, consecratio^ wgding. 
0.7,1. H.6,1. 

viff, quinque^ vgf. E.L.1,17. 

vyfstreuen, detractio capiUaris^ muts- 
afkrekking. 0.11,47. 

viganda, wiganda, descendentes^ af- 
stammelingen. H.4,44. 

vinst, lucrum^ winst. P.R.2,12. 

vir, trans^ over. 0.9,10: Vir da ieer. 
Over het jaar. 

vird, Jiebat, werd. F.R.12,18. 

vir da, Jleri^ worden. F.R.24,3. 

vir de, pretium^ waarde, F.R.32,1. 

vjs, sapiensj wgs. F.R.1,8. vysera, 
sapienteSj wgzen. 

vitna, (?) cognoscere^ te weten komen. 
Oh J, 535: Off emma mysdede in 
wse Dele oppenbeerlick ofta 
hemelike, deer vitne kome. Zoo 
iemand in ons Deel openbaar of hei- 
melgk misdeed, daar kennis van komt 
(er staat: wt ne kome, daar niet 
uitkomt, daar vreemdeling is?) 



vlke, nubes, wolk Ch.I, 349. J.M.F. 
n,304. 

vil e, lana^ wol. £.L.1,91. 

vmbben, unanimisj eensgezind, overeen. 
B.140. 

vmbe, propter^ in, ctVca, in, op, om- 
trent, w^ens. B.125. 

vmbebur, vicinus, qui non est prooi" 
muts in vicinitate^ verder afgelegen buur, 
buur, in onderscheiding van naaste 
buur. H.2,24 F.O.L.2,24. 

vmbehwerwa, opponere^ tegenwerken. 
B,56. 

vmbeide, inturbatus, onbehinderd, niet 
gehinderd. H.2,3. 

vmbekera, vertere^ omkeeren. 1.£.5,8. 

vmberavad, inturbatusj ongestoord, niet 
beroofd. A.1,3. 

vmberiuchta, vertere, omkeeren. 2.E. 
1,8: Thet hi sine hals nawit vm- 
beriuchte ne muge. Dat hij zijn 
hals niet omkeeren (verdraaien) kan. 

vmbeteld, non contradictus, niet tegen- 
gesproken. H.1,4. l.E.1,4. 

vmbethingades, non judicatus, onbe- 
dongen, niet voldongen. H,l,4. l.E. 
1,4. 

vmbewenda, vertere, omwenden, om- 
keeren. H.4,12. 

vmbewllen, immaculatus, onheBmei, A. 
1,6. 

vmlandleggera, proximus, naastleger. 
Ch.I, 533. 

vmme, propter, om, wegens. E,L.1,35. 
B.B. 

vmmekera, vertere, omwenden, omkee- 
ren. E.L.1,30. 

vna, una, habitare, wonen. B.B.16. 
2.E.3,16: Alder hi vnat. Daar hg 
woont. 

vna, exercere, praestare, beoefenen. F. 

34 



É 



531 



vnatt — vneberena. 



532 



O.L.1,17: And alle afte thing 
helde and vnade. En alle wettige 
zaken hielden en beoefenden. 

vnaft, illegitifnusj onwettig, onecht. E. 
L.3,80. 

vnberepped. B.88. Zie: nmbereped. 

vnbern, procreatuSj ontsproten. F.O.L. 
7,2: Is 't farra vnbern. Is het 
verders ontsproten. 

vnberna, vneberena, nondum natua^ 
ongeboren. l.E.5,12. E.L.1,45. Ch. 
I,lll, J.M.F.n,230. 

vnberauad, vnebirawat, vnbira- 
wed, securtiSj ongestoord. H.1,3. B. 
B.25. F.O.L.2,1. 

vnbitaled (vnbitellreda?). F.O.L. 
1,4. Zie: vmbeteld. 

vnblicande, non apparens^ niet zicht- 
baar. l.E.4,3. 

vnbursten, disruptus, gebarsten. F. 
O.L.5,26. 

vnd, usque ad^ tot, totdat. J.M.F.II, 
303. 

vnda, vulnerare^ verwonden. 2.E.3,6. 

vndad, vulneratusj gewond. B.157. 

vndbinda, solvere^ ontbinden. H.6,21. 

vnddua, annihilare, vernietigen. B.82. 

vnde, vndenge, wnde, vulnus, wonde. 
B.189. E.L.1,14. 2.E.3,20. 

vnderena, vndrena, aimul^ te zamen, 
B.2. 2,E.2,4. 

vnderlidza, oppugnare^ bevechten, be- 
zwaren. F.O.L.6,1.17. 

vnderstet, accensiAS^ aangestoken. H. 
10,14. 

vndersceidelick, differena^ onderschei- 
den, verschillend. F.R.III, 10. 

vndersta, êubditum esse alicujus juris' 
diciionis. onderstaan, behooren. B.3. 

vnderstondai intelligere^ verstaan. H. 
9,1. F.O.L.5,23.31. 



vndfengnese, coneeptio, ontvangenis. 
l.E.3,11. 

vndfensza, accipere^ ontvangen. Ch.I, 
250. 

vndfliuga, aufugere^ ontvluchten. A. 
2,20. vndfliuch, ontvlood. 

vndga. B.3. Zie: nndunga. 

vndhalda, zie: undhalda. 

vndhuerwa, arripere^ ^ff^ere^ ontne- 
men, ontvlieden. 2.E.t?. F.O.L.Ü. 

vndirne, mane^ voor den middag, 's 
morgens. J.M.F.2,28: Eer midda 
vndirne. 's Morgens, voor den mid- 
dag. Zie: unden. 

vndkuma, vitare^ negliffere^ derelinquere, 
ontkomen, ontgaan. H.2,8. 

vnd om, zie: nndom. 

vndrein. F.O.L.4,12. Zie: ondrein. 

vndrena, zie: vnderena. 

vndriuchta, abjudicare, ontregten. H. 
2,11. 

vndschawidis, illaesus, onbeschadigd, 
niet gesleten. F.p.L.6,8. 

vndscrifta, lex de vulneribus, wet op 
verwondingen, beschrgving der won- 
den. F.O.L.6,23. 

vndslitand, ineaolensj niet slotend. J. 
M.F.6,24. 

vnd si ut a, aperire, ontsluiten. H.3,1. 

vndstonda, negligi, omitti^ niet ten uit- 
voer brengen. Ch.I, 250. 

vndvnga, liberare se, ontgaan, zich be- 
vrgden. B.3. — 2) abire, vertrekken. 
B.51: Vndvngande fon tha hou- 
w e. Bg het verlaten van het hof (ge- 
regt). 

vndwa, annihilarey te niete doen. E.L. 
3,39. 

vndwertzie, destruere^ vernielen. H. 
6,21. 

vneberena, zie. vnberna. 



533 



vnebinomat— vnlic. 



534 



vnebinomat. F.O.L.4,1. Zie: onbi- 
naemd, non nominatus, onbenoemd. 

vnebirawat, zie: vnberaaad. 

vnedelmon, qui immobilia non possi- 
det patemüj die geen vaderlijk erf be- 
zit. E.L.3,79. 

vnedeled, indivisus, ongedeeld. B.92. 

Tnefoge, immodestus^ immoderatus, on- 
vo^zaam, niet betamelgk, ongeschikt. 
l.E.5,16. 

Tneforhelen, integer, salvus, incolumia, 
apertus, onverholen. F.O.L.6,1. 

vnehlest, non praestatioy nietvoldoening. 
F.O.L.6,10. 

▼nelathadis, non citatus, niet gedag- 
vaard, ongeroepen. H.9,2. 

vneselad, non eacretusj niet gebuild. 
P.O.L.6,3. 

vnethela, ignobilis, niet edel. H.2,10. 

vnewad, non vadosus, onwaadbaar. F. 
O.L.2,1. 

vnewaxen, minors minderjarige, niet 
volwassene. F.O.L.1,11. 

vnewis, incertus, onwis, onzeker. H, 
3,4. Zie: vnwis. 

vnewlemeth, immaculatus, niet bezoe- 
deld. F.O.L.4,6. 

vnfa, vntfa, acdpere^ aannemen, ont- 
vangen. F.O.L.4,28.33.34. 

vnfalle, calamitas, ongeval. Ch.I, 
463. 

vnfliuga, evadere, ontvluchten. F.O.L. 
2,20. 

vnforwaret, non custoditus, niet be- 
waard, niet verzorgd, niet beveiligd. 
F.O.L.4,6. 

vnforwerkath, vnforwrocht, non 
publicatus, niet verbeurd. H.1,1. 1. 
E.1,1. F.O.L.1,1. 

vnfruchta, timere, vreezen. F.O.L. 
r.l. 



vnga, aujugere, ontvluchten, ontkomen, 

onigaan. B.140. 
vngande, obstans, tegenhandelend. F. 

O.L.1,8. 
vngelda, non renumerare, niet vergel- 
den, onbetaald z^n. B,L.2,9. 
vngulden, sine solutione, onbetaald. 

E.L.2,9. 
vngulde, solvebat, betaalde. F.O.L.3. 
vngereg, zie: ungeroch. 
vngeroch, zie: vniereg. 
vnghane (to), exeundum, te ontgaan. 

J.M.F.II, 193. 
vngunga, aufugere, evitare, ontgaan. 

ontkomen. E.L.2,12. 3,31. 
vngunga, exire, ontgaan. H.4,8. 
vn gunst, retortu^, ontsteld. F.O.L.5,15. 
vnhalda, retinere, onthouden, terug- 
houden, verbergen. E.L.3,43. 
vnhanda, vnhenda, dare, geven. B. 

B. — 2) accipere, ontvangen. E.L. 

3,20. 2.E.4,1. 
vnhant, acceptus, ontvangen. 2.£.4,1. 
vnhlest, sequela, gevolg. F.O.L.4,3. 

J.M.F.7,50. onhleste. 
vnicheed, consuetudo, gewoonte. F. 

O.L.v.1. 
vnieer, pravus annus, slecht jaar. J.M. 

F.12.S: Twiska jeer and vnieer. 

Bij goede en slechte jaren, 
vniereg, vngerich, vnierga, mino- 

tennis, minderjarig. E.L.3,7. F.O.L. 

2,2. B.90. 2.E.4,2. 
V n i e u e, indecens, onbetamel^k, onkiesch, 

ongaaf. H.6,18. 
vnlanghe, brevis, niet lang, kort. J. 

M.F.17. 
vnlatket, vntlatket, non contradic- 

tu8, niet gelaakt. ChJ, 394. 
vnlic, vnlike, impar, ongelijk. E.L. 

3,67. B.117. 



535 



ynmanicli— ynttya. 



536 



ynmanich, pauci^ weinige, niet vele, 

J.M.P.17, 
vnmanslike, impotentia procreandij on- 
geschiktheid tot de voortteling. Ch.I, 

101. J,M.F.n, 208. 
vnmothelik, non religiosus^ niet ge- 

moedelgk. F.O.L.v.l. 
vnner, vnre, vure(?) unner, milesj 

soldaat; servusj heiiende. F.O.L.8,3.4. 

B.B.5. 2.E.3,5. 
vnorfades, sine consensu^ zonder toe- 
stemming van den eigenaar. P.O.L. 

6,15: Hors vnorfadis riden. Een 

paard zonder toestemming van den 

eigenaar bereden, 
vnred, injustitia^ onregt. H.4,33. 10,5. 
vnriucht, zie: undriucht. 
vnriuchtne, injustusj onregtvaardig . 

B.38. 
vnsceldeges, vnscheldich, innocens, 

onschuldig ; innocenter^ onschuldiglgk. 

H.2,14. vnsceldegne. l.E.2,14. 

vnschildiges. F.O.L.2,14. 
vnsclitande, ineaolescensj quod óonsu' 

mi nequit^ niet slotend. l.E.2,6. 
vnseika, negare^ ontkennen. E.L.3,19. 
vnseka, purgare^ negare^ zuiveren, ont- 
kennen. F.O.L.4,29. 
vnsekth, negat^ ontkent. E.L.3,32. 
vnskatenga, laesioj eruptioj inschea- 

ring, openscheuring. H.8,9. 
vnskeldigia, eacusare^ ontschnldigen. 

l.E.6,2. E.L.2,2. 
vnsometh, non fimhriatus^ ongezoomd. 

F.O.L.6,3. 
vnsprekande, mutus^ sprakeloos. B. 

178. 186. 
vnstellin, furto sublatusj ontstolen. F. 

O.L.2,17. 
vnswerra, abjurare^ ontz weren. J.M. 

F,n, 193. 



vntbidia, morari^ vertoeven, wachten, 
verbeiden. J.M.F. 13: Di koning 
hete se litick vntbidian. De ko- 
ning gelastte hun een weinig te wach- 
ten. 

vntfa, acdpevBj ontvangen. E.L.1,44. 
F.O.L.4,33. 

vntfangnisse, conceptioj ontvangenis. 
E.L.1,44. 

vntfen, acceptus^ ontvangen. E.L.3,20. 
32. 

vntfruchta, venerari^ eerbiedigen, ver- 
eeren. Ch.I, 348. 

vntgunst, vngunst, retortusj ver- 
draaid, ontsteld. F.O.L.5,1. 

vnthanckes, zie: vnthonckes. 

vnthaudia, decoüare^ onthoofden. F. 
O.L.4,2. 

vnthelande, non occuüua^ niet verho- 
len, niet geheeld. F.O.L.7.1. 

vnthenda, zie: undhenda. 

vnther, sub^ onder. J.M.F.16. 

vnthonckes, vnthanckes, invitus^ 
ondanks. H.8,18. J.M.F.13. 

vntyd, misaa^ tempore celebrationis mis- 
süBj misse. F.O.L.4,34. Zie: ontyd. 

vntinghe, ctbjudicatio^ ontregting, te- 
genbewgs. F.R.III, 14. 

vntioch, probatioj bewgs. J.M.F.7,32, 

vntkanna, agnoscere^ erkennen. F.0. 
L.1,7. 

vntlatket, zie: vnlatket. 

V n t p a n t, non oppignoratus^ niet bepand. 
F.O.L.6, 15.21. vntpantis, Kfter, los, 
vrg. 

vntriuchta, abjudicare , tegenbew^s 
leveren. E.L.1,18. 

vntteztsa, eripere^ defravdare^ ont- 
vreemden. F.O.L.1,6. 

vnttya, detrahere^ onttrekken. F.O.L. 
1,6. 



537 



vntuiuelik — vpstonda. 



538 



yntninelik, indubitabilis^ ontw^felbaar. 

H.9,2. 
ynnuelde, aine consüio^ sine proposüo^ 

non vi^ niet opzettel^k. l.E.5,15. 
vnvrfengen, quod capi potest^ tastbaar, 

F.O.L.e,!. 
Ynwad, non vadoms^ onwaadbaar. E. 

L.1,73. l.E.6,5. vnwald, 
▼ nwarlinge, indigne^ onwaardig; inO' 

pinate^ onvoorziens. E.L.1,91. 
Tnweder, tempeatas^ onweder, slecht 

weer. l.E.3,7. H.4,28. 
▼nwelde, ewtra potestatem^ involuntarie^ 

zonder opzet. F.O.L.2,11. 
ynweldich, impotens^ onmachtig. A. 

2,20. 
Fnweldig. H.2,12. Zie: vnwelde. 
ynwene, iniBolitua^ ongewoon. l.E.2,15. 

H.2,15. P.O.L.2,16. P.d.M8: Dat 

is unwisse erfnisse. 

▼ nwilla, contra voluntatem^ onwil. 1. 

E.2,11. F.O.L.2,11. 

▼ nwis, vnwisse, incertus^ onzeker. 1. 

E.6,4. E.L.3,80. 

vnwroch (vnwrocht?), infectus^ non 
elaborcUuê^ ongemaakt, ruw. F.O.L.6,3. 

voerschrionn, praescriptus, voorschre- 
ven. F.R.13,46. 

voirantwordya, respondere, verant- 
woorden. J.M.F.n, 321. 

voker, woker, usura^ woeker. F.R. 
24,8. 

vol se, tumultus^ oproer. J.M.F.5,8. 
Zie: feldsege. 

volwilkerya,. approbare libera volun" 
t(U€j met vrgen wil goedkeuren. Ch. 
I, 463. 

vonnen, lucratuêj gewonnen. 0.5,8. 
10,2. Zie: needvyf. 

Y OTT o tat, putrefactusj verrot; (dearticu- 
lotus, verrukt?) P.O.L.5,31. 



vort, porro, verders, voorts. F.R.23,10. 
vortaschia, citarej dagvaarden J.M. 

F.n,321, 
vp, vpper, super ^ op; apud, bg. E.L. 
3,56. 

vpdela, efodere, opgraven, opdelven. 
E.L.1,77: leff huasa others for- 
da vpdelt. Of wie eens anders dam 
opgraaft. 

vpdeth, aperü, opent, open doet. E. 
L.2,3. 

vphalda, custodire, bewaren. E.L.3,20. 

vphanda, aperire, openen. E.L.1,92. 

vphewa, incipersj aanheffen, aanvangen. 
P.O.L.3. 

vphlapa, assurfferSj fluere, influere, op- 
loopen, naar boven komen. B.184: 
And thet blod et a arem vp- 
hlape and et ta muthe. En het 
bloed in de ooren en in den mond op- 
loopt, 

vpkuma, surgere, opstaan. 2.E.1,15. 

vpnima, acdpere, ontvangen. E.L.2,7. 

V pon der da, responderen tradere, resti^ 
iuerej verantwoorden. F.O.L.2,17. 

vppehlepen, influams, opgeloopen» F. 
O.L.5,19. 

vpper, zie: vp. 

vprechta, vpriuchta, erigere, oprich- 
ten. l.E.1,12. E.L.1,44. F.O.L.2,12. 

vpsia, sursum octdos intendere, opzien, 
naar de hoogte zien. E.L.1,31. 

vpstatte, levatus^ opgeheven, opgesto- 
ken. F.O.L.6,11: Mith vpstatte 
hondum. Met opgestoken handen. 

vpstonda, surgere, opstaan. E.L. 1,74. 

vpstonda, reparare, herstellen, voor in- 
staan, Voldoen. E.L.3,33: Sa schel- 
lath hia tha teringe tolike vp- 
s ton de. Dan nullen zg de onkosten 
gezamenlgk voldoen. 



539 



vpstricka — vrjewa. 



540 



ypstricka, illinire, bestrgken. E.L. 

1,91. 
vptaga, distorsio, optrekking. F.O.L.5,6. 
vptia, vptilla, levare^ optrekken, op- 

heflfen, optillen. E.L.1,31.67. 
vpvr, super, over. 2.E.2,2. 
vpwaxa, crg«c^r^, opgroeien. Ch.I, 118. 

J.M.P.n, 253, 
vr, super, over; propter, wegens. B,19. 

160. 
vrald, mundus, wereld. 0.5,8. 
vralsck, civilis, burgerlgk, wereldlijk. 

P.R.20,1. 
vrbala, düapidare, doorbrengen. F.0. 

L.6,9. 
vrbarene, publicatus, verbeurd. Ch.I, 

242. 
vrbec, retro, achterover. F.O.L.2,11. 

4,9. Zie: urbec, 
vrbrinse, multa, boete. 0.16,8. 
vrburnen, ustus, verbrand. 1.£.2,17. 
vrdede, destruehat, vernielde. A.v.l. 
vrdela, condemnare, veroordeelen. F. 

O.L.4,37. 
vrdelfta, actio, qua quis ultra ter minos 

fodit, overgraving. B.62. 
vrdemet, condemnatus, veroordeeld. F. 

O.L.1,16. 
vrdera, perdere, bederven, verderven, 

F.0.L.t;.2. 2,6. 
vrdiligad, destructus, Yerde]gd. 2.E.3,1. 
vrdilighia, destruere, verdelgen. O.v. 
vrdriewa, vrdriwa, expeUere, verdre- 
ven. B.130. 160. 
vrdua, sibi satisfacere, zich voldoen. B. 

140: Sa vrdue hi ne selwa. Dan 

voldoet (betaalt) h^ zich zelven. 
vrdua, destruere, vernielen. A.v.l. 
vre, superior, boven; vrest, supremus, 

bovenste. E.L.1,26. H.4,16. 
vre ka, vindicare, wreken. 0.4,24. 



vrera, arare ultra terminos, overploegen. 
E.L.1,77. 

vre sta, supremus, superior, bovenste. 
H,4,16. 

vreuelat, castigatus , laesus, mishandeld . 
l.E.2,23: And hiu se safir vre- 
uelat. En zg zooverre mishandeld is. 

vrfa, zie: urfa. 

vrfa, in judido stare, in regten staan. 
F.O.L.4,25: Sa ne thor hine far- 
ra vrfan. Dan behoeft hg niet ver- 
der in regten te staan. 

vrfa, ulterius ire, verder gaan. F.O.L. 
5,31: Het hit ouet vrfen. Ts het 
iets verder gegaan. — 2) plus sumere, 
meer nemen, overtasten. 2.E.4,14. 

vrfa ra, mori, sterven, vergaan, omko- 
men. F.O.L.2,2. 

vrferelsa (vrserelsa?), laesio, bezee- 
ring. F.O.L.5,17. 

vrfiuchta, vrfuchta, pugnando per- 
dere bona, vervechten. B.62. 

vrflokin, maledictus, vervloekt. 2.E.t7. 

vrgeld, poena supra poenam, overboete. 
l.E.2,23. 

vrhela, occultare, helen, verbergen. 2. 
E.V. 

vrhera, vincere, overheeren, vermeeste- 
ren. l.E.6,7. 

vrherech, vrherich, inobediens, con- 
tumaa, ongehoorzaam, ongehoorig. F. 
O.L.4,13.26. 

vrhor, adulterium, overspel. F.O.L.4,2. 

vrjeft, absolutio, vergiflenis, kwytschel- 
ding. Zie: vrjewa. 

vrjeld. F.O.L.9,3. Zie: urjeld. 

vrielda, zie: urielda. 

vri einne, proprium, vrij eigen, onbe- 
zwaard eigendom. Ch.I, 596. 

vrjewa, condonare, schenken. 2,E.297. 
vrievon, schonken. A.v.l. 



541 



vrjewa — vrwaxa. 



542 



vrjewa, tradere^ donare, geven, verge- 
ven. B.133. vrjeft, absolutioj ver- 
giffenis. P.d.Ms: vorghyfnisse. 

vriest e, promissio^ belofte; liberatio^ 
verlossing. 2.E.t;, P.O.L.II. 

vrleue, permissio, verlof. B.57. bg 
Wiarda. 

vr lyc staen, ejusdem valoris esse, van 
gelgke waarde zgn. Ch.1, 337:Jof 
't naut vr lyc staen mey. Zoo het 
niet van gelgke waarde is. 

vrliesa, perdere, verliezen. B.73: Vr- 
linst ma 'r clathar. Verliest men 
daar kleederen. 

vrliua, supervivere, overleven. H.4,48. 

vrman, superior, overman (van de scheids- 
Ueden). Ch.1, 496. 

vrmela, memorare, vermelden. l.E.1,17. 
(vtmela? zie: ntmela.) 

vrmeta, mensura supra mensuram com- 
piUanda, overmaat. F.O.L.5,21. 

vrmethe, messio uUra terminos, over- 
maaiing. B.62. 

vrmode. F.O.L.2,1. Zie: armode. 

vrnacht, wrnacht, altera die, des an- 
deren daags. 0.9,19. 

vrreda. 1.E,4,(>. Zie: wrreda. 

vrredere, proditor, verrader. l.E.6,4. 

vrs, equua, paard. J.M.F.II, 206. Zie: 
ws. 

vrsant, transmisstMj overgezonden. F. 
O.L.1,14. 

vr sed. F.O.L.1,17. Zie: vr send. 

vrsed, deponit, verzet, legt ter neder. 
F.O.L.6,11. 

vrseld, venditus, verkocht. F,0.L.1,14. 

vr send. F,0.L.1,17: Vr send and 
vr sed, infiagranti delicto, op heeter 
daad. 

vrserelsa, ktesio, bezeering. F.O.L. 
5,17. 



vrsetta, zie: ursetta. 

vrsia, zie: ursia. 

vrsinca, submergere, verdrinken. F.0. 
L.6,13. 

vrskera, inessio ultra terminos, o ver- 
maaiing. B.62. 

vrsketrawe, retinentia iüicita, onwet- 
tige schutting van het vee. B.62. 

vrsperinghe, impeditio, versperring, 
Ch.I, 435. 

vrsta, resietere, wederstaan. F.O.L.2,1. 
vr stonde, resietebat, wederstond. A. 
6,5. 

vrstappa, adscendere^ overstappen, be- 
klimmen. F.O.L.4,3: And breyde- 
like sinne bethselma vrstop. 
En als bruid zgn bedstede beklom. 

vrstenden, impeditusj gehinderd. F. 
O.L.9,25. Zie: urstenden. H.10,30. 

vrsteppa, omittere, negligere, overstap- 
pen, nalaten, verzuimen. B.6. Zie: 
ursteppa. 

vrstod, vrstonda, zie: vrsta. 

vrstop, zie: vrstappa. 

vrsuera, abjurare, afe weeren, verz wee- 
ren. l.E.1,11. vrswern, abjuratua, 
afgezworen. F.O.L.1,11. 

vrtega, solver e ^ betalen, uitgeven. F. 
O.L.1,7. 

vrthingade, condemnatus, veroordeelde, 
beregte. B.130. 

vrthringa, poBtponere, expellere, oppri- 
mere, verdringen. F.O.L.6,1. 

vrtia, zie: urthia. 

vrvnnen, convictus, verwonnen. B.77. 

vrwalda, involuntarius, non spontaneus, 
onwillekeurig. B. 1 8 2 . 

vrwaxa, transgredi, iracundum fieri^ 
toornig worden. B.27: Vrwaxt hir 
aenge monne sin hei. Wordt ie- 
mands gemoed toornig. 



543 



vrwinna — wach. 



544 



vrwinna, vincere, overwinnen. A.1,3. 

vrwixla, pemmtare^ verwisselen. F.0. 
L.1,14. 2,*2. 

vrwnnen, victus^ overwonnen. A.1,15. 

VS e, no8^ ons. A.7,8. 

vta, insuper^ bovendien. A.7,8. — 2) 
eatraj uit, van buiten. H.8,22. 

vta, probatioj bewgs. J.M.P.2,46: Soe 
di fria Fresa ti stride thinghie 
wille ende dy ora da vta habba 
wille. Zoo de vrge Fries het twee- 
gevecht wil dingen en de andere het 
bewgs wil aanvoeren. Zie: wta. 

Y ÏB, ski e^pravocare^ uiteischen. £.L.1,72. 

vtbedla, vtbelda, vtbelia, dotare^ 
uitboedelen. F.O.L.7,2.7. B.118. 1. 
E.2,4. 

vte, zie: ut e. 

vtebretsin, effractus^ uitgebroken. 2. 
Kl,3. 

vted, impensfis, c{aft<«, uitgegeven. E.L. 
3,20. 

vtedriuen, zie: utedriuen. 

vteriuen, zie: uteriuen. 

vteketh, zie: uteketh. 

vter, extra, sine^huiten^ zonder. l.E.1,5. 

vteracht, datusj gegeven, uitgereikt. 
B.131. 

vterbec, retro , terug, achterwaarts. E. 
L.1,31.65. 

vtfleten, egresmsj uitgegaan. P.O.L. 
5,1.18. 



vtfolgia, persequij vervolgen. B,157. 

vtgelda, zie: utgelda. 

vtgunga, eairej uitgaan. E.L.1,72. 

vtgong, eadtusj uitgang. B.201. 
vthalden, exeuna, profiuena, vloeiend, 

uitstroomend. E.L,1,73. 
vthemeda, peregrinus, uitheemsche, 

vreemde. B.129. 
vtia, zie: utia. 
vtjewa, in matrimonium Jare, uithu- 

welgken. P,O.L,6,7. 
vtlendesca, zie: utlendeska. 
vtmonnat, zie: utmonnad. 
vtreka, vtretza, tradere, extradere, 

uitgeven, uitreiken, F.O.L.8,1. B. 

41. 

vtrendene, elaceratio, uitscheuring. F. 
O.L.5,28. 

vtresza, zie: utresza. 

vtretza, zie: vtreka. 

vtsmita, ejicere, uitsmgten, uitwerpen. 
E.L.1,73. 

vttera, exterior, buitenste, uiterste. E. 
L.1,24. 

vttra, zie: utra. 

vtunga, vtvnga, exire, provenire, uit- 
gaan, voortkomen. B.181. 

vtvr, extra, sine, buiten, behalve, zon- 
der. P.O.L.2,16. 

vtweie, zie: inweye, 

vtwerpa, ejicere, uitwerpen, B,214. 

vuyt, ex, uit, J.fiI,F.5,2. 



W.") 



wa, sicut, ut, zoo als, Ch.I, 514: Ende ' wa, aliquis, iemand. H,l,15. — 2)quis, 
anders wa it Heer Inthet tovo- ! wie, H.r. 



ren gedaen heft. Bn overigens zoo 
als het Heer Inthet voortgds gedaan 
heeft. 



wach (o), vae, wee, 0,1 ,8. 

wach, paries, wand, muur, zgde, E.L» 

*) Wisselt met U en V, 




545 



WMhMle— waldenidne* 



546 



1,24.69, 1,E.4,15, B.26, H,8a6. 

F.O,L,5,19. 
wachsele, coagmenta^ maurgebinten. E, 

L.1,69. 
wacht ia, respandere de aliqua re, voor 

ietB infltaan. B.129: 8a skel hi 

thes wachtia, hwet sa hi deth. 

Dto zal hg daarvoor instaan, voor 

hetgeen hg doet. 
wada, vadere, waden. A,9,l. Wod, 

waadde» 
waegh, muruêj wand. 0.1,67: Dine 

waegh in to breken. Den munr iü 

te breken, 
waeghe^ m, w^. 0.1,13. 
waejn, weyn, curruê^ wagen. J.M.F. 

n, 827. Ch.n, 283. 
waenwireke. J.M.F.2,18. Zie: wan- 

wirke. 
w^ er, judicium, geregt, werf. F.B. 12, 19. 

24,19: Standen waef. Staattd ge- 
regt. Ch.I, 345. 
waerdei, dies judicii, geregtefdag. Ch. 

1, 345. 
waerlike, warlike, wirlike, vère, 

waarlgk. 0.12,18. J.M.F.12,19. wrf- 

ren. 
waes, erat, was. J.M.F.II, 282: DalL 

alsovolla als dat waes. Maarzoo- 
veel als het was. 
wage, pariesj dam (van den neosy^neas- 

been. F.O.L.5,8. l.E.4,9. 
wage, waghe, domuê^ huis. B.61: 

Binna wagnm^ In hvis, binnen de 

wanden. Gh.I, 520. Ziè: waegh. 
waged, periclitatus, gewaagd. E.L.3,72. 
waya, ^re, waaien. F.R.59,18. 
wayn, wayne, curruêj wagen. F.R. 

59,18. E.L.1,32. 78. O.v. 
wayna, lacrymare, weenen. F.O«L.2,2. 
waynfere, waynpath, via, iter in 



curru, rijweg, wagenpad. 2.E.4,30. 

E.L.3,45. 
wakandon, vigilantes, wakende. A.2,24. 
wakinghe, qui vigilat, vigilans, wakend . 

F.O.L.1,17. voor: wakendnm. 
walbare, walbra, plene naius, nobiliè, 
^welgeboren. J.M.P.e,13. F.O.L.1,3. 

11. J.M.F.5,11. walbaren, dat 

sint braedghensen, broodbiddèrs. 

6,13: Walbra, dat «int lirai'lei^ 

bern, ieftha hit sent bfaedghin- 

8 en. Dat t^ wderloofee (ottdétloote) 

kinderen of het 2gn bh)odhidders. (P. 

d.Ms: Dat sint olderlöse kinder). 

In Ms. Belg.: Sint welbö^eren, no*- 

biles. 
wald, possessie, bezit. H.1,9. 
wald, vis, geweld, macht; imperium, ge-- 

bied. l.E.1,14. 0.1,80. H.8,1. 
wald, defensio, verdediging, tegenstand. 

B.22. 
wald, sf/lva, woud. l.E.6,4. 
wald, mandatum, bevel. H.1,14. 
wal da, regere, bestieren. B.94. E.L. 

1,27. H.2,25. 
wal da, agere, bedrgven. F.R.60,2. F. 

O.L.1,1. 2,22. 9,20. 
waldbrond, incendium friolentum, ge«> 

welddadige brand, A.5,2. 
walddeda, malsficium, factrnn violènéwn, 

misdaad. F.B464,8. 
waldede, beneficia, weldaden. F.R. 

56,12. 
waldelike, waldlike, aftdacfi^, stout- 

moedigy geweldig; potene, vermogend. 

H.9,1. 
walden, regio sylvestriê, de wouden, 

woudstreken. F.B.8O923. 
waldensine, waldsine, waldand- 

sine, èpina dor si, ruggespier. E.L. 

1,31.33. B.200. 

34 



547 



waldewaza — wanvisinghe. 



548 



waldewaxa, waldwaex, waldwaxa, 
walwax, walduwaxa, spina dorsi, 
raggespier. F.O.L.5,2.15. H.4,12. 
l.E.4,12. 0.11,48. A.3,3.19. 

walebera. H.2,13. Zie: walbare. 

walle, puteus^ fons^ put, bron, wel. 
B,25. E.L.3,63. 

walle, paries, dam. Ch.I, 99. Zie: 
wage. 

wallend, ebuUienSj kokend. 0.5,2. 
F.R.1,33.' 

walpeldepene, zie: wapeldepene. 

walubere. A,l,3.11. Zie: walbare. 
A.2,13. walnbora. 

wam e, quem, wien. 2.E.2,2: Wame 
sa ma thenna skeldech maketh. 
Wien men dan voor schuldig houdt. 

wamme, uterus ^ venter, hmk. Ch.1, 116. 
J.M.P.II, 245. 

wan, quia, enim^ want. F.R.23,10. 

wana, consuetudoj gewopnte, F.R.III, 
16. 

wana, deficere^ verminderen, verergeren. 
J.M.F.6,17: Waxt hit, waneth hit. 
Wint het, verliest het. 

wanandert, non comparitio, met-ver- 
schoning. Ch.1, 345. F,R.24,22. 

wanckel, incertus, onzeker, wankel. 
F.R.1,50. 

Taande, nanij want. H.1,3. 

wandele, permutatio^ verwisseling, wan- 
del. 0.16,15. F.R.31,9. 

wandele t, permutatua, verwisseld, ver- 
anderd. O.v. 

wandelia, wandlya, permutare, ver- 
wisselen. O.v. F.R.7,6. 

wandweesigheed (wan dweesig- 
heed, van dwaasheid?), jfuror, razer- 
ng, F.R.58,40. 

waneth, sordidus, morsig; luto asper- 
ms, slgkeng. 2.E.1,17: Th et hiu 



wet and waneth (wasech? zie: 
aldaar) se. Dat zg nat en slgkerig is. 

wanfel, wanfelle, wanfellich, cu- 
tis laesio, huidbezeering. Ch.I, 98. 
103. 0.11,1. 

wang e de, mcda adminütratio, slechte 
verzorging, behandeling. F.R.58,28. 

wan hoed, neffligentia^ verzuim. P.R. 
58,28. 

wanith. J,M.F.II, 189. Zie: wasech. 

wan ke ding e, male, vel non citatus, 
slechte of niet-dagvaarding. F.R.3,8. 

wanlastinghe, non solutw, wanbeta- 
ling. J.M.F.2,10, 

wanlauwich, incredulus, injidelis, on- 
geloovig, F.R.81,14. 

wanmachtich, impotens, onmachtig. 
F.R.19,8. 

wanmeta, mala mensura, slechte maat. 
0.13,6. 

wanna, habitare, wonen. Ch.I, 534. 
wan na de, habitabat, woonde. J.M. 
F.n, 319. 

wanna, impedire, beletten, hinderen. 
E.L.1,60. , 

wanne, quoniam, want, H,l,8. 

wanriucht, injuatitia, onregt. F.R.2,9. 

want, mutatua, veranderd, verkleurd. 
E.L.1,16: Thet him sin blie want 
wirthe. Dat hem zijne kleur ver- 
andert. 

want, quidquid, wat. F.O.L.6,9: Alle 
want ther was. Alles wat er was. 

wanten, transferebant, vertaalden, brach- 
ten over. J,M.F.12,18: Want hia 
se wanten an da latgnscha 
tungha. Want zij die in de latgn- 
sche taal overbrachten (0.12,17 heeft: 
weinten). 

wanvisinghe, mala demonstratio, mis- 
wyzing. 0.10,19. 



549 



wanwaerlas— warpa. 



550 



wanwaerlas, neglectus, yerznimd, ver- 
waarloosd. J.M.F.2,11. 0.1,10. 

wanweder, tempestas, onweder, slecht 
weder. F.R.3,13. 

wanwichi, malum pondus ^ slecht ge- 
wicht. Ch.I, 335. 

wanwircke, vanuirck, opus inper" 
fectum^ onvolmaakt, slecht werk. O. 
1,17. 9,10. 

wanwissengha, wanwytschip, tg' 
norantia, onwetendheid. 0.10,19. J. 
M.F.11,13. 

wapeldepene, wapeldepinge, wa- 
peldepna, wapuldepene, wal- 
peldepinge, wapeldranck, wa- 
peldranck, wapeldronc, warpe- 
lie, wapelpina, waterdepene, 
submersio, waterdompeling. H.2,14. 
4,2. 8,4. A.2,15. F.O.L.6,21. Ch.I, 
100. J.M.F.II,225. 253. l.E.2,14. 
EL.1,73. (P.d.Ms.: waterdöpent, 
wapel dopet, vnder dat water). 

wara, def endere, verdedigen, verweeren. 
0.1,67. 13,10. 

wara, veri/icarej verum demonstrare, be- 
wezen, waar maken. F,R.8,8. 

wara, custodire, bewaren, hoeden. O. 
1,17. 

wara, esse, z:gn; vivere, leven, waren. 
O.v. Deerefter ward een wys 
kegser to Roem. Daarna leefde 
een w^s keizer te Rome, 

wara, hwara, sed, maar. B.40. 177. 
B.B.28. 

wara, possessio, bezit; aerarium publi- 
cum, de schatkist. 0.3,4. 

warande, warade, warenda, cautio, 
borg, waarborg. H.2,5 0.1,64. F. 
O.L.2,5. 6,13. 

waranne, calidij calefacientes, verwar- 
mende. 0.4,2. J.M.F.6,2. warma. 



ward. J.M.F. 1,4. Zie: wara, vivere. 

war dia, cautionem dar e, borgstellen. 
H.2,1. 

war dia, def endere, verdedigen. l.E. 
2,24. 

ware, judicium, geregt, volksgeregt, 
werf. F.O.L.1, 15.16. 

warenderhand, armata manu, se de- 
fendendo, verwerenderwijs. FR.55,4. 

wa'renge, war inga, administratio sa- 
cramentorum moribundis, toediening der 
Heilige Sacramenten der stervenden. 
2.E.1,20. H.6,14. 

warenstew, tutor, voogd. E.L.3,11: 
Mith tha warenstew, thet is 
mith a formunder (voogd). 

warfte, area, werf, heem; judicium, 
geregt. H.4,3.20: A bura warfte, 
Aan het burengeregt, bunrgeregt. 

waria, custodire, bewaren. E.L.1,84. 
H.2,25. — 2) respondere, verantwoor- 
den. B.93. — 3) procurare, verzor- 
gen. E.L.3,77. •— 4) probare, bewg- 
zen. F.R.2,31. 5) judicare de ali^ 
qua re, over iets regten. F.R.21,24. 

waringhe, cautie, borgtocht, borg. F. 
R.25,16. Zie: warenge. 

war las, sine defensione, weerloos. H. 
1,11. 0.3,11. (P.d.Ms.: Warlase, 
de sunder were synt, broedbyd- 
deren, kynderen.) 

warlasheed, negligentia, verwaarloo- 
zing. 0.1,10. 

war ld, mundus, wereld. l.B.t?. H.3,4. 

warlike, vere, waarlijk. 0.12,18. 

war na, recusare, weigeren. 0.9,1: 
Warnet hga se him. Weigert zg 
ze hem. 

warpa, submittere se, zich onderwerpen. 
F.O.L.1, 60: Sa hwa sa an da hey- 
da thinghe sinne hals nawet 



551 



warpelie— wedeleswerp. 



552 




ne warpth. Wie dat zgn hals niet 
aan het gespannen geregt onderwerpt. 

warpelie, submersioy waterdompeling. 
l.E.2,14. Zie: wapeldepene. 

war ra, delocare^ laedere, ontstellen. E. 
L.1,18. 

war r ia, cautionem dare^ borgstellen. 
P.R.26,6. 

wars te, area, werf, heem. B.68. 

wart, laeêuSf bezeerd. 2.E.1,7. 

warte. wartha, werte, papüla^ tepel 
der borst. 2.E.1,13. 1.E,5,14. 

warua, haereditatis jure accipere^ verer- 
yen. H.4,48: Th er agen alle la- 
na an da sibbesta hond te war- 
nane. Alle nalatenschappen moeten 
op de naaste hand rererven. 

waru e, warwe, judicium^ geregt. B.22, 

wam 6) i^'ci^i werf, maal. H.4,35. ach- 
ta waru e, octie9^ achtmaal. 

warve, area^ fundus^ atrium^ heem, 
weer. H.4,3. 

wasande, wasandi, wasandei, gut" 
gesj oesophagus^ keel. £.L.1,30. 2.E. 
1,8, F.O.L.5,31. 

wasa, lutum^ slgk, modder, vnilnis. A. 
7,17. E.LJ,93. 

wasich, wasie, wassech, wanith, 
sordiduê^ luteus^ morsig, slgkerig. 1. 
E.5,16. E.L.1,47.91. J.M.F.n, 189. 

wassa, wasza, esscj zgn, weze'i. Ch. 
1,376. 536, 

waterdepene, submeraio^ waterdom- 
peling. E.L.1,73. 

wathemhof, wathemhuse, sacristia^ 
domtu sacerdotisj sacristie, huis van 
den pastoor, kleedkamer, garvenkamer 
der kerk. F.O.L.6,24. l.E.6,4. (P. 
d.Ms.: Weduwenhues.) 
wather, water, ojua, water. E.L.1,73. 
2.E.1,17, 



watirlesna, aquaeductua, waterlossing. 
F.O.L.I, 43. 

waulde, aylva^ bosch, woud. Ch.I, 239, 

wax, cera, was. E.L.1,74. 

waxa, uaxa, crescere^ groeien. O.v. 
B.92. H.2,17. 

waxschot, tributum cereum^ wasschat- 
ting. 0.7. 

wech, ma, weg. F.R.58,37. 

wech, totalüer, geheel. J.M.F.16: En- 
de thio Picredie ward in Hol- 
landt wech daedslaghen. En die 
van Picardien werden in Holland to- 
taal verslagen. 

weckia,t;f^rt2are, waken. F.R.1,13. wec- 
kien, vigilans, wakende. 

wed, Utesio^ verwonding. A.9,9. 

wed, impensa^ nossa, kosten, schade* H. 
2,4. 0.4,4. 

wed, cansecratio, pramissioj cautioj wg- 
ding, belofte, pand. H,l,17. F.O.L, 
6,6. F,R.8,8. A.1,17. 

wed, wede, habitus^ kleed. J.M.F.II, 
225. 

wedda, confirmarej bevestigen. 0.2,7. 

wed da, weddia, oppignorarej bepan- 
den; promitterCj beloven; constitueren 
bepalen.^ H.7,1. F.O.L.1,17. A. 
2,24. 0.1,43. 

weddad, promüetM, beloofd. A.1,17. 

wedder, oppignorator^ bepander. F.R. 
24,22. 

wede, ved, nummue quidam^ zekere 
munt. H.1,4. A,l,13. 7,7. l.E.2,4. 

wede, zie: wed, consecratio. 

wede, wedene, veatisj kleed, gewaad. 
l,E.t;. 2.E.t;, H.8,17. Zie: worma. 

wedeben, laesio ossisj beenbezeering, 
Ch.I, 98. J.M.F.II, 198. Zie: wi de- 
ben. 
wedeleswerp, dietrictusdmiterii^lLeA'' 



553 



W6d«n— wMmocte. 



554 



hof, gewgde grond om de kerk. F. 
O.L.4,86. 
^ weden, veden, laesiu^ bezeerd. O. 
11,1. P.O.L.5,16.26. 

weder, contra^ tegen. 0*1,44. 

weder, quorunij welker. H.4,29. — 2) 
êive, hetzg. H.4,16. 

wederclaegh, de/ermo^ yerdediging. 
F.R.18,12. 

wedereed, contragifrobaHo, tegenbewgs. 
0.1,44. 

wede rg aria, congregarey vemamelen, 
vergaderen. F.B.27,1. 

wedergeld, vereffildum^ weergeld, man- 
geld. F.R.60,18. 

wederwandlinga, weder wen da» 
lenga, wederwondlonga, we« 
derwoldinga, we dar wondelen- 
ga, aeriê muiatianem eentierUj pgnlgk- 
heid bg verandering van het weder. 
l.E.4,5. A.3,4. H.8,6.9. F.O.L. 
6,1.26. 

wedin, laesusj bezeerd. Ch.1, 98. J. 
M.F.n, 197. Zie: weden. 

wedlingar, laeêianea^ bezeeringen. B. 
66. 185. 

we dm on, tutor ecclesiaaticus^ kerkvoogd. 
F.O.L.9,23. 

wedneslek, loêiio zeéti, beaeering door 
een slag. A.3,21. 

wednewonnelse, wednewednelsa, 
wedscerdene, wed skemmene, 
corruptio, vüiatio v€stium^ kleedbeder- 
ving. l.E.5,1.18. H.8,17. 2.E.1,1, 

wedrincht, contraprobatio^ tegenbewgs. 
F.R.13,10. 

wedzia, zie: widzia. 

weed, habitus, kleed. 0.1,70.72. beer- 
weed, doodkleed. 10,36. 

weed, coloratusj gekleurd. 0.1,72. J. 
M.F.2,72. Zie: worma. 



weelcka, weleka, qtÊiêquê^ elke. Ch.1, 
545:Tojens weelcka Hem. Jegens 
elke Hem (district). 

weemd, laesuê, beschadigd. 0.1,11. 

ween, weninge, opinio^ waan, mee- 
ning. F.E.11,1. 14,1. 

ween man, aeeuêotusy beklaagde. F.R. 
1,14. 

weer, ver$uê^ er^, met, jegens. Oh.I, 
388: Weer da connentes lyode 
to Claricamp. Met de lieden van 
het convent te Elaarkamp. J.M.F, 
2,71. 

weer, verum^ waar, waarheid. F.R. 
57,10: Disse wrscrioun ponten 
handet weer. Deze voorschreven 
panten bevatten de waarheid, houden 
stand. J.M.F.1,8. 

weerafticheet, veriia»^ waarheid. F. 
R.2,16. 

weerbreek, zie: werbreeck. 

weerbritzen, fraehiê, verbroken. J. 
M.F.2.71. wrbritsen. 0.1,71. 

weerfal, pecunia pro hamieidio jure kae^ 
redüario campetens^ erfenis van het 
geld wegens manslag. F.R.53,1,2: 
So aegh hg d;n weerfal jeffi^ 
ta seerlawa op to barren. Dan 
moet hg het geld wegens manslag 
of de êierlatoa ontvangen. Zie: seer- 
lawa. 

weerfalla, relabi, terogvaUeu, terug» 
keeren. F.R.53,1. 

weerkera, Unpediri, belet worden. F. 
R.1,41. 

weerman, reus, aangeklaagde, verweer- 
der. F.R.9,3. 

weermakinga, conjirmatioj bevestiging, 
F.R.m, 2. 

weermode, luctusj rouwtgd. F,R.87,1, 
Zie: scryeljeer. 



555 



weerom-- weischettmge. 



556 



weerom, ratiane inversaj omgekeerd. 

F.R.87,10: Jeft weerom dat wyff 

her man. Of omgekeerd de vrouw 

haren man. 
weerrekrygingh, reacceptio^ acceptio 

iterata^ herkrgging. P.R.27,5. 
weerreka, reddere, wedergeven. P.R. 

12,26. 
weerrhape, revocatio, herroeping. Ch* 

1,517, 
weerse, ver^ lente. Ch.I, 471: In da 

weerse, in da herste* In hetvoor- 

jaar, in den herfst, 
weersecke, t^dversarius , tegenpartg . 

F.R.15,42. 
weersprekense^ contradictioj t^en- 

spraak. F.R.45,6. 
weervird, idem. 0.7,2: Hodder to 

jechtvird, ner to seckwird, ner 

to nene weervird comma. Noch 

tot bekentenis, noch tot ontkentenis, 
• noch tot tegenspraak komen, 
weet, weeth, humidusj nat, vochtig. 

Vrije Fries II, 117: Ende dae was 

ther weet jeer. En toen was het 

een nat jaar^ 
wega, inatruere, docere, viam monstrare^ 

onderwazen, den weg w^zen. 0,v: 

Ende hem alle riuchte leerde 

ende wegade. En hem alle regten 

leerde en onderwees. 
wegskj equitare^ vehi, rgden. 2.E.1,25: 

And vppa thene werf wege. En 

op den werf rgdt. E.L.1,77. weith, 
wega, ponderare, wegen. J.M.F, 14: 

Als hit dio wicht weith. Als het 

het gewicht weegt, 
wege, weghe, aqua, water. 0.8,15. 

F.R.1,33: Wallanda wege. Kokend 

water, 
wege, weyge, propter^ om, wegens. 



F.R,18,23: Fan neden wegena. 

Van wege de nooden. — J.M.F.II, 274: 

Van dae tzierka weygena. Van 

wege de kerk. 
wey, tna, weg. 0.1,14. E.L.1,68. F. 

R.1,1. 
weia, vehij rgden. E.L.1,77. 2.E.1,25. 

l.E.5,27. Zie: wega. 
weide, ^afta^ waaide. F.O.L.3. 
weide, sacratus^ gewgd. A.7,8. 
weyferdich, iter facienSj reizend. Oh. 

1,394: Ende all weyferdegha 

liodnm. En alle reizende lieden, 
weigaria, recusare, weigeren. E.L.2,3. 

3,38. 
weyge, zie: wege. 

w e y j o w a, erogare^ weggeven. F.R.44,9. 
weyke, curruSj kar. A.7,8: Mit wey- 

ke and mith weine. Met de kar 

en met den wagen, 
weymeringha, veymeringha, im- 

peditio viae, wegbelemmering. 0.11 ,75. 

F.R.81,14. 
weyn, weine, currusj wagen. J.M.F. 

II, 327. A.7,8. 
wei na, dolere, lacri/marej weenen, schrei- 
en. 0,4,2.' 
w e i n d, maleficium^ misdaad. F.O.L. 1,17. 
weinda, tranaferre^ overbrengen, verta- 
len. 0.12,18: Want hia se wein- 

ten oen da latinscha tonga. 

Want zg ze uit het latgn vertaalden, 
weinfere, rta, qua curru vehi potestj 

rgdweg. B.163. Wenrwey. bg 

Richth. 
weinwey, zie: weinfere. 
we ir, merces j waren. E.L.3,2.3. 
weyreka, erogare, dare alicui aliquid, 

weggeven. E.L.3,51. 
weischettinge, weywend, wei- 

uuendene, weywendene. 0.11,74. 




557 



weith— wennen. 



558 



B.66. l.E.4,21. H.6,20. E.L.1,68: 
Heth is en wejwendene? Huer- 
sa *r en mon aieh then otheren 
ganght mith skathewapen op- 
pa mene wey anda him slait 
blaw ieftha blodich. Wat is eene 
wegbelemmering? Wanneer er iemand 
eenen anderen op den algemeenen 
weg met schadende wapenen tegemoet 
gaat en hem blauw of bloedend slaat. 
Zie: weymeringha. 

weith, j?on(^a^ weegt. J.M.F.14. Zie: 
wega. 

wekand, gractUscens^ dunner wordend. 
A.3,20. 

weiand, debilis, slap, zwak. A.3,20. 

wel da, vegere j dominare^ regeeren, be- 
heerschen. A.7,10. wildon, domina" 
bant, regeerden. 

welde, poteatasj macht, kracht. 2.£. 
l,15f Hwersa thi mon vndath 
werth inna thene bec, thet him 
alle tha thrim welde ewert (se) 
Wanneer iemand in zgnen rug gewond 
wordt, dat hem alle drie krachten 
(krachtspieren) ontsteld zyn. 

weldech wesa, ofjicio fungi, in be- 
diening zyn. B.3. 

we ld e ga, assecurare, tutum, certumred- 
dere, verzekeren. H.2,6. l.E.2,6. 
P.O.L.2,6. 

weid eg a, plenipotentiarius, gevolmag- 
tigde. A.1,9. F.O.L.1,9. H.1,16. 

weldega, cidpabilia, schuldige, gewel- 
denaar. F.O.L.6,11: Thi o secne 
vrsed strid and iechta, sa thi 
weldega itta hws is. Het zoeken 
stelt stryd en bewgs ter z^de indien 
de geweldenaar in het huis is. 

weldegerahond, w, armata manu, 
met geweld, gewapenderhand. B.47. 



weldegera, potentior, machtiger, meer 

gerechtigd. B.96. 
weldewax, spina dorst, ruggespier. 2. 

E.1,15. Zie: waldewaxa. 
wel die h, potens, machtig. A.1,8. 
welec, aliquis, eenig. l.E.6,5. 
we 11a, veile, willen. B,87. P.O.L.2,6, 

l.E.t\ A.v.1. 
wemnid, laesus, beschadigd. J.M.F.2,12. 
we na, putare, credere, wanen, gelooven, 

meenen. 0,v. H.9,2. F.R.11,2. 
wenaftich, habitans, woonachtig. F.R. 

20,1. 
wend, malejicium, misdaad, wandaad. 

A.4,1, H.3,4. F.O.L.8,11. l.E.6,4. 
wen da, vertere, depravare, falso expli" 

care, keeren, verdraaien. A,5,13. B. 

120. bij Wiarda B.88. 
wende, J.M.F.II, 229. Zie: wei n de. 
wende, actio, handeling. H.3,1. F.0. 

L.5,2. 
wendlinge, zie: ele. 
wenech, proximus, naaste. 2.E.4,10. 

B.94: And thi ther lawena we- 
nech se. En die het naast aan de 

erfenis is. 
wenheed, consuetudo, gewoonte. O.t?. 
w e n h e f ft i c h, habitans, woonachtig. Ch. 

I, 747. 
wening e, opinio, meening, gevoelen. 

F.R.14,1.2. 15,16. 
wenna, obtinere, verkrggen. J.M.F.II, 

227. 
wennaeta, vicinus, naastleger. Ch.I, 

747: Ende Sybo Hendricks is 

wennaeta an dae aestran zyda. 

En Sgbo Hendriks is naastleger ten 

oosten, 
wenne, cum, wanneer, totdat. H.4,42. 
wennen, lucratus, gewonnen. J.M.F. 

6,1. 






.»\i' 



^9 



>.* 



wMuiêtflèy f^iwfü* 



%*. 






560 



J.M,P.16. 
wennedtéi^, zier tMnster. 
wennin, hdhitdre^ ^oirên. F.R.15,?3. 

72,4. ^ 

wennicheéd, con^t^fe^^O, gewoonte. O.v. 
wenr^^ey, bj Kichthtffeii, Zie: weyn- 

fere (weinwey?). 
wenstef, zie: wiöst^r. 
went, impèêkj *iAMett. B.49,60. 1. 

E.5,2S. 
w e lï t, ^r. tMcÜusj yeirtinderd, verbleekt. 

l.Ei"2. 
wen tb e, mtHój iMDidaiu^^ 2.B.t;. 
We|>a, mon^Mire, tooneïi. P.O.L.2,2: 

And #èpet tfrenne aine nakene 



1 i t h e. En tobiM ^"eg w naakte leden. ^ Éed, 



W6r, hófninéij msnnen. 1.£!0,5: Mit 
weir and mit Mr6{>erne. Met man- 
nen éii met wa{>6nell. 

Wet, vèfi£ê. #ter. E.t.1,13. 

wer, contiha^ te^eft. O.t?. — 3)cutn, sMet. 
P.B.8,5. 0.9,1: Bndê* vet »ine 
euénknë Héiet dèléi 1M|( .9é met 
2^ gélgké VerwÉttite f^M, Aej^ wil. 

Wei>, werfit^ pffBéêèfêt»; bèfeii. S(),4. 
P.OL.1,4. P.R.59,42. 0.1,91. 

wera, werwa, iêfërtii^èi tefwéWrèn, 
weeren, érfWeeren. PiO.lAtr.l. 6,10. 
P.R.60,9. 0.t;.13,9. A.7,8. E.L.1,69. 

wef ftf wöife, laUtm, lip. P.R.HI, 10. 
P.O.L.5,13. 0.11,16, 

weïa^ Wara, ^mt^ als. B.52. — 2) 



H.4,49. 



wepande, clamknèy röê||éndèf; dclens^ 

klagé**. ti.lf%. P.0-l/.i,17. 6,13. 
Wèj^eldepene. 11.205. *P.0.L.i,14, 

Zie: wapeldepene. 
wepen, wepern^, k/tem, kfgg, oorlog; 

éTfnéi wa]miB. P.R.1,44. l.S.Ö^S. 
W e|> e n a r e p t a, éldmér ad êtrma, Wapén- 

geifopep, kktaggeschm. P.R.59,18. 
wepenederhand, wepnaderehond, 

eiHnata 4rmfHif geWa^nderhand. O. 

10,2}. B.6a 
weperne, zie: wepen. 
YtepHth, êeMf klaagt; l.E.6,3. (PA 

Ms. beeft: woniatb, weénl) 
wè^iliège^ ttAMmf^ grentteair grcmspo*' 

len. A,l,10. 
wépin, ttHhiér Wéipettem A.t,ll. 
Wepïtóroft. A.4,2« Ziê: wepena- 

rojyta. J.M.P,9y2: Weppena ro- 

pe^#é is. Klagende rciépt. 
wepnaderbond. B.60. Zie: wepe- 

we^r^p^en, di^^M», Wüpem^. A.lyll* P. 
O.L.4,6. 



werd^ftd, warend, cautio^ boyg, WÉiAr- 

borg. A.2,5. 
weran4ist'^w,^7bi»tf7ui/^ b^fti^zi|l B. 

95. — *3) tuidr^ toogi, bestoiirder. 

Zie:' Warènstef. *^ ^^ 

Wer8#ird, tMttadkiio, têgfetospïMk. 

8,8. Zie: Wee!»viré. 
we^breeck, weerbreèk, /facitó^ toeft, 

lipbreuk. 0.11,16. 
wer da, difehtrare^ tertiorarê^ verklaren^ 

verzekeren. J.M.P.12. itt intt. 
we f de, Pêrifëi Wöordêö. J.M.P. 12,24. 
Werde, pr(^eSti6i beW^ B.d,60. A. 

1,15. 
werrd^e, ^eritaê, WMkfbeidi l.B.i|, H.tr. 

A^. 
wetde, werden, w«ifé«^e, te«k>, be^ 

eeenng; êeler^ot^aih, t6MTgeriii^ H. 

4,2. 6,6. A.3,3'. 
werdsrflr, aettimare, wéMMleeren. F.'B. 

3&/20. 
werdiu»n. H.Ï0,20. Zi«: W«dttoil. 
w«Ye, toMNffti lip. H.4,34. E^Lvlidd.' 

0.11,15. A.«,7. ^ 



T 



561 



were— wersa. 



562 



were, ptiiessio^ beajft^ A,2,6.24: 
were, zie: weta. 
were, merces^ waren. B.53. 
were, procuratioj volmacht. 0.1,1: Mit 
wirder were. Met behoorlgke vol- 
macht. '^ 
were, cuii^ zoi^. J.M.P.II, 228: Ther 
bi MJhi we rum. Daar te boven de 
vepo^g. 
were, wre, superior, bovenste. l.B, 

•4,5, • 
w er er e, accuaator, klager, aanklager. 
A.9,7: And thi werere thet wreit. 
En de aanklager dat klaagt, 
werewert, laeditur^ bezeerd wordt. F. 
O.L.5,31: Wasa were aldas jame- 
lic fon enre dede werewert. Wie 
dns jammerlyk door eene daad be- 
zeerd werd. 
werf, fundus, praedif^m^ area, werf, boer- 
* derg. E.L,3,41. 
werf, jus, geregt. 0.1,30. 
wergö, strangulare, worgen. B.181. 
wergeld, werjeld, werielde, huer- 
gelt, veregildum, mangeld. H.1,15. 
7,2. F.O,L.l,15.17. IE.6,2. 
werhiewa, reddere, wedergeven. l.E. 

6,2, 
weria, prohare^ bewijzen, waar maken. 

B.25, ^ 

werk, actio, handeling. H.3,4. 
werka, facere, doen. A.2,10: Hwan- 
de hi ne mi an tha withon nen 
marra riucht werka. Want hij 
kan op de heiligen (te z weeren) geen 
meer regt verkrggen. 
werlas, warlas, impotens, weerloos; 
sine possessione, zonder bezit. H.1,3. 
werlik, secularis, wereldlijk. E.L.3,54. 
werloes, negligens, nalatig, verwaarloo- 
jtopfd. 0.1,68: Omdat hi ieer en- 



d6 dei; werloeg was. Omdat hij 
jaar en dag nalatig was. Zie: warlas. 

w er man, defensor, verdediger. F,R.8,5. 

werna, oppignorare, bepanden. B.35: 
Ne wernat ma naat, sa geie hi 
allena, ther eret heth. Heeft men 
geen ^and gezet, dan betaalt hij (de 
regter), die het (vonnis) uitgesproken 
heeft. 

welp na, recusare, weigefen. A.5,9. F. 
O.L.Sf,l. — 2) laedere, beleedigen. A. 
6,2. F.O.L.1,9. — 3) impedire, Ihb- 
letten.* F.R.32,4. 

werna, reparatie, aéhadeloosstelling ; 
pignus, .pand. B.4,33^5. 

wem de, cautio, boi^tocht, waarborg. 
J.M.F.2,65: Jef hit on wrocht (gold) 
is, so mo^t hi 't ti syne wernde 
tiaen. Zoo het onbewerkt (goud) is, 
dan moet Bg het op zgn borg bren- 
gen. 0.1,64 heefi;: werende. 

wernia, oppignorare, panden. B.33. 

wernis (wernid?), laesus, ontsteld. 
J.M.F.II,245: Ther send fan hem 
wernis syne fyff sen. Daardoor 
zgn hen^ z^ne vijf zinnen ontsteld. Ch. 
1,115: Ther snid fan hem wet- 
nis syne fyf sen. 

wernisdey, wernsdey, dies mercurii, 
woensdag. 0.1,23. Ch.1, 252. 

wernwey. F.O.L.I, 22. en bl.251. Zie: 
weiuwey. Hwedder wenrwei tha 
s o n d w e y. Hetzg rg weg of waterweg. 

werpa, projicere, smgten, werpen. A. 
7,10: Wrp er ne an da irthe. 
Wierp hij hem op den grond. 

werpth, monstrat, toont. l.E.6,3. 

werra, pejor, erger, slechter. B,32. 
F.O.L.1,17. Zie: wirra. 

werre, defensio, verweering. F.R.13,12. 

wersa. Ch.I, 692. Zie: vers ia. 

36 



•/i 



563 



wersa— weta. 



564 



wersa, quando^ wanneer, waar dat. 2. 
Kl,3. 

werscop, epulum^ feestmaal. J.M.F. 
13: Ende meckeden en werscop 
graet. En hielden een groot feest- 
maal, Ch.I, 603 heeft: witscip, 

wersne, musctdusj spier. Ch.I, 98. J, 
.M.F.II, 199. 

werspreka, contradicere^ weerspreken. 
F.R.18,10. werspritzen, contradic^ 
tu8, weersproken. 

wert, valenSj cZt^nu^, waardig. E.L.1,80. 

werte, zie: warte. 

werth, laesus^ bezeerd, beschadigd, ont- 
steld; depravatusj verergerd.. H.8,7, 

wert ha, Jieri, oriri^ worden, ontstaan. 
A.3,18: Nerth (ne werth) ther 
nen neil mar. Komt er geen na- 
gel weer. 2,E.1,1. 

werthena, laesio^ bezeering. 2.E.1,1. 

wertheria, aestimare^ waardeeren. B. 
214. 

werthma, werthmond, viduum^ we- 
dnwengeld ; geld aan de weduwe wegens 
haren verslagenen man. A.2,22.23: 
wetma, wedmond, pecunia^ velpoena 
mulieri solvenda pro marito occiso. H. 
2,21. 1.E,2,21. witma, 

werua, redire^ terugkomen- J.M.F.8,8: 
Aldeer in werua. Daarin terug- 
keeren. 

werua, waru e, judicium^ geregt. F. 
O.L.2,24. A.1,17. 

werua, vicis^ maal. 0.1,55: Ngogen 
werua. Negenmaal, negenwerf. 

werwa, impedire, beletten. 0.13,9. 

werwe, werf, possessio, fundusj bezit- 
ting, werf; familiaj haard, huisgezin. 
B.88. 

we r wed, domui affectusj aan het huis 
verbonden. B.88: Fon werwede 



lande. Van land bg het heem be- 
hoorende. 

werwerpa, rejicerej verwerpen. F.R. 
2,29. 

wesa, essBj zgn, wezen. H.1,2. A.2,23: 
Sa wese re him. Dan zal hem zijn. 

wese, weseke, wesencline,/?tfptZ/u9, 
wees. A.1,3, 0.3,11. 5,5. F.O.L. ^ 
2,13. wesedme, pupillij weezen» 1. 
E.2,13. 

wesen, fuit, geweest. H.t>. B.79. 

wesenclene, pupillus, wees. J.M.F. 
8,5: Dat dae wesenclene innie 
(0.5,5: weseken ngme)hiara ald- 
faderslawa. Dat de weeskinderen 
hun grootvaders nalatenschap zullen 
innemen (na hun vaders dood). 

wessa, essBj zgn. w essen, fuit, ge- 
weest. F.R.1,6, 65,7.8. 0.3,2. 

we sta, occidensj het westen. O.v. 

westene, westenese, westenia, de- 
sertum, woestijn. H.v. 0.4. l.E.t;. 
P.O.L.v.2. 

we ster, occidentem versus , westwaarts. 
A.1,10. 

wet, weth, weet, weeth, neet, Am- 
miduSj nat, vochtig. B.20f5. E.L. 
1,47. A.7,17. l.E.5,16. 6,3. H.4,26. 

wet, aliquisj quid^ wai. H.1,8.17. 2. 
E.3. we te. 

weta, scirSj weten; cognitionem haberSj 
judicarSj kennis nemen, oordeelen. A. 
7,26: Thet ti prestere hach to 
wetande ur sthereka and ur 
stherekhof. Dat de priester behoort 
kennis te nemen wegens kerk en kerk- 
hof. 

weta, j?umVe, straffen. J.M.F.1,3: Biucht 
setta, deer da durigha wete en- 
de dae eerme beschirme. R^ | 
instellen, dat den ongehoorzame straft 



565 



weter— widebera. 



566 



en den arme beschermt. O.v. heeft: 

we ra, terughouden, 
weter, wetir,a^a, water. H.1,9. A.2,1. 
weterbrecma, inundatio^ overstrooming, 

doorbraak, fi.2,1. 
weterrene, ur^Mra, pislozing ; stimulus^ 

manlgkheid. F.O.L.5,20. 
weterstreta, wetherstreta, /urnen, 

stroom; via aquatica^ waterweg. H. 

1,9. l.E.1,9. 
weterwisene, membrum virile^ man- 

Ujkheid, 1.E4,1. 
wetha, tenere^ houden. F,O.L.4,2: Sa 

weth hire hir formund alle schil- 

dich. Dan houdt haer voogd haar voor 

geheel schuldig, 
wetha, imhuere^ immergere^ indompelen, 

natmaken. l.E.5,27: Weth enne 

rer inna blode. Maak een pen nat 

in het bloed, 
weth e m, sacratwrij het geheiligde; dis' 

trictua cimiterii, kerkhof; domus pas^ 

toralisj pastoors-erf. 0.7. 
weth er, aut^ of. F.O.L.4,7. Zie: h we- 
der, 
wetherfaert, reditus, terugkomst, te- 
rugreis. F.R.III, 16. 
wetheriae, reddere, teruggeven. J.M. 

F.II, 191. 
wetherstreta, zie: weterstreta. 
wetherwonlinga, zie: wederwand- 

linga. 
wethscepe, cognitioj kennis, wetenschap. 

Ch.r, 101. J.M.F.n,207. 
wetma (zie: werthma), viduum^ we- 

duwengeld. H.2.21. F.O.L.2,22. J. 

M.F.6,22. In het register wordt het 

1 i a e f i e f t a genoemd. Zie op dat woord, 
wetskamene, laceratio vestium, kleed- 

scheuring, 2.E.1,17. Richih. heeft: 

wetskamene. 



wetter, wetther, aqua^ water. O. 
1,17. JM.F.7,42. 

wettergong, Jlumen, stroom; aquae 
cursus, waterloop. 0.9,17. 

w etterkemp a, ordale aquae calidae, 
heetwateri^roef. J.M.F,7,44. 

wetterland, aqua palustris^ waterland . 
0.8,23. 

wettringa, opera aquatica^ waterwer- 
ken. Ch.I, 472. 

wexet, cera<M5, gewast. l.E.2,10: Wexet 
hreil. Gewast kleed. 

wi, via, weg. A.2,1. 

wi, helium, krgg. H.1,11. 

wi, nos, wg. H.v. A.1,7. 

wia, flare, waaien. J.M.F.12. in line. 

wia, wga, sacrare, vrgden. 0.1,41. B. 
177. ewiged, sacratus, gewfld. 

wiake, recedere, wgken. F.O.L.v.l: 
Ther scel nanne side wiake. 
Daar zal geen gewoonte wflken. 

wie, wyck, vicus, buurt, wijk. B.71. 
J.M.F.16. 

wich, helium, kr^g, strijd. A.1,11. O. 
9,7. F.O.L.1,11. 6,17. 

wichta, pondus, gewicht. 0.13,1. 

wijcka, cedere, wgken. O.v. 

wicksket, volatilia, gevogelte. 2.E.v. 
Zie: woldsket, viervoetig gedierte, 
of wel: jong vee en oud vee. 

wid, latus, wgd, breed. E.L,3,48. F. 
O.L.5,29. 

wida, wid e, widue, vidua, weduwe. 
B.102. A.1,3. 0.3,11. 

wideben, widuben, wydeben, cla- 
vicula, jugxdum, hals- of sleutelbeen. 
E.L.1,36. 2.E.1,9. B.198. 0.11,27. 
A.3,17. J.M.F.II,232. 247. 

widebera, delinquere aliquid, iets ver- 
beuren. F.O.L.8,11: Thera wen da 
allerec widebere ene Angli- 



-42. 



•ir 



567 ^ 



wideleswerp— wiliga. 



568 



-^ 



sche merc. Alle deze wandaden ver- 
verbeuren een £ngelscli mark. 
wideleswerp. 0.1,41. Zie: wede- 
leswerp. 

widerwendinga, extraditio^ uifckeering. 
F.O.L.8,17. 

widesenda, mittere^ afzenden. J.M.F.13. 

widze, cunae^ wieg. Ch.I, 552. 

widzia, wedzie, carruê^ kar. A.3,3. 
P.O.L.5,2. 

wie, via, weg. A.1,16. 

wied, ewied, ewiged, wieth, sacra- 
tus, gewijd. B.177. bg W. H.2,10. 
F.O.L.4,36. 

wiedheftichne, sacratua^ gewgd. J. 
M.F.7,21. 

wyblde, visj geweld; actio violentaj ge- 
welddadigheid. F.R.20,9. 

wieldelik, wieldig, rf, méè geweld. 
Ch.I, 699. 

wiel den er, f«, qui vim facit^ gewelde- 
naar.* Ch.I, 699, 

wieldich, wyeldich, potens, machtig. 
O.r. F.R.32,19. wieldigha boda. 
Gevolmachtigde. 0.14,4. 

wyeldlyck, rt, met geweld. •F.R.54,5. 

wyeldsin, wieldsine, spina dorsi^ 
ruggespier. 0^11,49. J.M.F.II, 208. 
Zie: fruchtsyn en staepsyn, en 
weldei^ potestas. 
wiel sa, êaèf^o, w^ding. H.8,23. 
wiena, res sacratae^ gewgde zaken. A. 
8,4: Hwa sa anna ena godishus 
fiucht, and tha helega wiena- 
to brekth. Wie eene kerk bevecht 
en de gewade zaken vernielt, 
wyenga, sacratio^ wijding. F.R.74,2. 
wiert, /uni, worden. J.M.F.II, 282. 
witth, wietha, sacratus^ gewijde. F. 
O.L.4,36: Thio wiethe erthe. De 
gewijde aarde. 



wif, femina^ vrouw, wgf. 1,E.6,7. A. 
2,6. wyfflick, femininusj vrouwe- 
lijk. F.R.26,16. 

wifstrewene, wyfstreuene, wi- 
uesstrewene, tractio mulieri facta^ 
het sleuren van eene vrouw langs den 
grond. B.208. A.3,11. l.E.4,16. 

wiga, sacrarej wgden. 2.E.3,4. 

wigande, zie: wïgende^ pugnator^ strij- 
der. l.E.6,7. 

wigandlïke, pugnaxj dapper, strijdbaar. 
H.9,2. 

wige, bellum^ stryd. O.r. F.O.L.2,1. 

wige, carruê^ kar. 0.11,10: An wige 
ner an weynden. Op karren noch 
op wagens. Zie: widzia en wigghe. 

wiged, sacratusj gewgd. 1,E.1,6. 

wigelaa, wigena, vielsena, sacratio^ 
wgding. H.6,1. A.7,10. 

wigghe, carrusy kar. F.O.L.I, 7. 

wika, decedere, wgken. 2.E.3, B.B. 

wik#, hebdcmas, ipeek. B.5. B.B.16. 

wilas, wilos, paci/icatus^ sine beUo, be- 
vredigd. A»7,8: Oua tha wilasa 
werpa. Op den bevredigden, gewgden 
grond. 

wil at, debilis^ verzwakt, verwelkt. P. 

O.L.5,16. 
wyld, /era, wild, wild beest. F.R.35,1. 
wild God wael, si Deo placet^ als het 

God belieft. Ch.I, 537. 
w i 1 d a, polluere^ bezoedelen. J.M.F.7,45: 

Dat hi schetten wildath. Dat hg 

zich met beesten bezoedelt, 
wylde, libertas^ vrgheid; campus j veld. 

F,R.35,1: In da wylde. In het veld, 

in het vrije, 
wildinghe, pollutio, bezoedeling. J.M. 

F.7,45. 
wildon, regebant^ bestierden. A.7,10. 
wiliga, vaticinatio^ wichelarg. 0.7. 



569 



wilkerad— wira. 



70 



wilkerad, wilkarad, electtis^ gewil- 
lekeurd. H.10,8. F.R.21,7. 

wilkere, electio libera, willekeur. O.v. 

wylisse, sacratio, wijding. F.R.56,5. 

wil la, posse^ kunnen. F.R.21,6: Mer 
ellick wil dwaen, als hym ga- 
lick is. Maar ieder kan doen, wat 
hem het geschiktst voorkomt. A.1,8. 

willa, velle^ willen. F.R.3,6: Dwe du 
deerin, deer du wilte. Doe daar- 
in, wat gg wilt. ^ 

wille, <7ra<u«, aangenaam. B.215: And 
alle liudem was 't wille. En al 
het volk was het aangenaam. 

willen, laneusj wollen. 0.8,10: Wil- 
len ende berfoet, In wol en bar- 
revoets. 

willens, willich, libero lubetUf hhen" 
ter, vrijwilUg. O.v. 1,30. F.R.70,7. 

wilmec, contractus matrimonialis êolun- 
tariuSf vrgwillig huwelgkscontract. B. 
107. Zie: mee. 

wilmis, voluntarié, vrgwillig. F.R.20,10: 
Hor wilmis ner onwilmis. Noch 
willens noch onwillens. 

wilosa, zie: wilase. 

wilte, zie: willa. 

w i m a, vendemiare, measem c^UigeTe, oog- 
sten. 0.4,1, 

win, vinum, wjn. H.9,1. 

win cel, cavus^ spelunca, hol, verblgf. 
F.O,L.2,2: On sine warme win- 
den. In zijne warme holen. 

wynd, ventus, wind. O.l.S. 

windsel e, funia, touw. H.6,18: End 
a windsele biherselet. En in 
touwen gestrikt, met touwen gebonden. 

win na, obtinere^ verkrijgen, E.L.3,5. 
0.1,39. B.114. F.R.86,10. 

win na, dimicare^ vechten, strgden. O. 
3,8. 1.E«1,8. 



winna, lucrari^ winnen, 7.R,15,37. 

win na, laetitia, vreugde. 0.8,22: Mith 
winna sangh. Met vreugdegezang. 
F.O.L.4,3. 

wynner, conductor, herus, aanbesteder, 
heer. F.R.37,9: Dy tjenef is nyaer 
syn arbeidslaèn in to wynnen, 
dan het dy wynner is to ont- 
h al den. De bediende is nader zgn 
arbeidsloon in te winnen, dan het de 
aanbesteder is om het hem te oiii* 
houden. 

winster, sinister, linker. 0.1,71: So 
aegh hi op to ngmen mit siner 
winster hand sine winstera ha- 
ra (ghara) ende deer op toe lid- 
zen tween ffngjeren mit sine 
fora hand. Dan moet hg de linker- 
z^de vbn zgn kleed opnemen met z^n 
linkerhand en daarop twee vingers van 
zgn rechterhand leggen. J,M.F.2,71. 
wennestra ghaera. E.L.1,31. win- 
ster. 

wintersnacht, nativitatis Christi festum, 
kersttgd, midwinter. ' E.L.3,60. 

wynth, ventvs, wiojd* J.M.F. 16. 

winthra^e, annuus, jarige. F.R.50,48: 
So aegh ma to kedane to der 
landwer dyne toleff winthrada. 
Dan moet men hen, die twaalf jaar oud 
z^n, tot de landweer oproepen. 

wypa, monstrare, toonen. J.M.F.6,2. 
Zie: we pa. 

wir, pro, voor. J.M.F.II, 320: Ende 
elck man toe waryaien wir syn 
braeditane lyode. En ieder voor 
zgne gebroode bedienden in te staan. 

wyr, ubi, waar. F.R.1,41. 

wyr, verus, waar. F.R.12,18. 

wira, labium, lip. 2.E.1,16. 

wira, de/endere, verdedigen, verweeren. 



571 



wirckeldoy— wytat. 



572 



A.3,11: And hiu se wire. En zg 

zich verweert, 
wirckeldey, dies communis, werkdag. 

RR.81,15. 
wyrd, wird, veritas, waarheid. F.R. 

1,1. 3,1. 15,9. 
wird, patronusj voorspraak. 0.9,2. 
wird, verbum, woord. O.v. 
wird, testimonium, getuigenis. 0.12,22. 
wird, dedaratio, verklaring. F.R.13,17. 
wird, procuratio, volmacht. F.R.25,19. 

20, 
wirda, Jieri, worden. P.R.1,10. 
wirde, valor, pretium, waarde, prgs. F. 

R.52,3. 54,6. — 2) laesio, beleediging. 

H.6,16- 
wirderia, ciestimare, waardeeren. F.R. 

54,6. 
wirderinge, aestimatio, waardeering. 

P.R.32,20. 
wirga, strangtdare, worgen. E.L.1,86. 

2.E.2,4. 
wyrheet, veritas, waarheid. F.R. 17,7. 
wirid, de/ensus, verweerd, verdedigd. 

A.5,5. F,O.L.1, 47. 
wirlike, vere, voorwaar, waarlgk, J. 
• M.F.12,19. 

wyrm, vermis, worm. F.R.81,23. 
wirra, pejor, erger, slechter. H.7,5. 

l.E.3,9, 
wirsena, wirsene, musculus, spier. 

H.4,16. 0.11,11. 
wyrt heten, nomfnafur, wordt genoemd. 

F.R.2,1« 
wirt, laesus, beschadigd, beleedigd. F. 

R.51,2.n.* 
wirt sa, tegere, dekken; Ja^rar^, maken, 

bewerken. 0.1,4. 9,10. J.M.F.2,4. 
wis, certus, zeker, wis. E,L.3,9. F.R. 

36,6. 
wis, sapienê, wgs. O.v. A.v.l. 



wisa, judicare, adjudicare, demonstrare, 
regten, wijzen, aanwgzen, toewijzen. 
F.R.18,8. l.E.2,22. 

wisczia, carrus, kar. Ch.1, 115. J. 
M.F.II, 245. 

wis do me, sapientia, de wijsheid, de 
vroedschap. H.3,1. 

wisheed, wissichheed, certitudo, ze- 
kerheid. F.R.25,13. 42,3. — H.10,8. 
sapientia, wgsheid. 

wijsing h, wising, pirata, zeeroover. 
0.1,2. F.O.L.6,25. P.d.Ms.: Nort- 
mannen, Northescha gygandum. 

wysinghe, wisinge, judicium, vonnis, 
gewgsde. F.R.18,12. 20,10. 

wyslyck, sapienter, wgslijk, F.R.2,17. 

wist (wi hit), nos id, wg het. J.M. 
F,13: Dat is bettera dat wist 
winne. Het is beter dat wg het win- 
nen. 

wiszegge, latebra, schuilhoek, wgk- 
plaats. B.5,2. 

wyt, ex, uit. J.M.PJI,320. 

wyt, cum, met. 0.12,14. J.M.F.12,15. 
mit. 

wit, scientia, kennis, verstand. 2.E.l,6. 
Ch.I,616. with. 1,E.5,6. 

wyta, wita, probare, bewgzen. 0.1,3. 
11,28. H.1,17. 

wita, judicare, beregten. B.148. 

wita, witha, weta, scire, weten; pro- 
bare, bevrgzen. 0.1,65. A.1,14. E. 
L.2,2. B.3. 

wita, poena, straf, verwgt. F.R.64,26. 
0.9,10. J.M.F.9,12. 11,317. Oh.I,377. 

wyta, withe, testis, getuige. l.E.2,7. 
B.153. 

wytat, panis sacratus, gewijd brood. 
0.7,17. — 2) ijprpus domini, gecon- 
sacreerde hostie. 0.8,23. F.O.L.4,30. 
wita. 



\ 



573 



wite— wifhsitta. 



574 



wite, iterum^ in contra^ weder. B.157. 

wytedum, res sacrae^ heiligdom. O. 
11,69. 

wijteed, juramentum de cognitione^ eed 
van bekendschap. 0.4,15. P.d.M.s.: 
Wytum, dat is, deme dat kun- 
dich is. Mit synen eede yn der 
waerheyt; dat is yn den hilli- 

wytelick, sciens^ wetende. ïm.l,9. 

wytens, scierUer^ opzettelgk. Ch.1, 699« 

witewlemmelsa, laesiocutisj zichtbare 
huidbezeering. H.4,16. Zie: wlite- 
wilmensa, 

witgia, zie: wytiga. 

with, apudj bij. A.v.l. — 2) contra^ te- 
gen; cttm, met. E.L.1,35. F.O.L.4,24. 

with, cognttio, verstand. l.E.5,6. 2.E. 
1,6. Zie: wit. 

with, largus^ w^d. J.M.F.II, 189. 

with, aU>u8, wit. J.M.F.II, 189. 

with (wi hit), nos id^ wg het. F.O.L. 
1,16, 

witha (with tha), contra^ tegen de. 
F.O.L.2,24. 

witha, zie: wita, acire^ weten. 

witha, probare^ bewgzen. F.O.L.1,17. 

witha, probatio^ bew^s. A.1,17. 

witha, res eacrae^ heiligdom. A.1,5. 
u«l,5. l.Ë.1,5. 

withe, cantraprobatio^ tegenbewgs. H. 
1,17. 

withe, zie: wyta, testis. 

withe, withe r, iterum^ wederom, we- 
der. B.15. E.L,2,4. 

withecuma, reverti^ terugkomen. B. 
109: Sa ne mei se mit nanene 
thinge withecuma, Dan behoeft 
zg met geene zaken terug te komen, 
d. i. de vierde penning van haar goed 
niet in te brengen. 



witheth, zie: wyteed, witheed. 
E.L.1,37. l.E.4,18. juramentum in re-- 
liquiisj eed op de overblgfiselen der hei- 
ligen. F.O.L.1,8. 

wythede. F.B.2,31. Zie: wytedum. 

withedriwa, reducere^ abjudicare, terug- 
drijven, afwgzen. B.3. 

withewrpa, subjicere^ verwoesten, on- 
derwerpen. F.O.L.6,25: Ther erst 
foren to Bome and thet withe- 
wrpen. Die het eerst naar Rome 
gingen en het verwoestten. 

with er, contra^ tegen. H.1,2. 

witheracht, restitutus^ wedergegeven . 
B.100. 2.E.4,12. 

witheretza, restituere^ wedergeven. B. 
13. 

witheriewen, restitutus^ wedergegeven. 
E.L.3,32. 

witherlaga, adversaritiSj tegenpartg. 
B.20, 

witherseike, withersike, idem. 2. 

E.3,5. B.B.5. 
withersteke, contrapunctioj wedersteek. 

H.8,17. 
witherstride, adversari^ tegenstreven. 

F.O.L.1,8. 
withervmme, iterum^ wederom. E.L. 

3,21. 
withir, idem, A.c.l. 
withirfulia, restituere^ wedergeven. F. 

O.L.1, 35. 
withirield, veregüdum, weergeld; du- 
plex poena^ dubbele boete. A.1,15. 
withsedza, contradicerej tegenspreken • 

B.85. 
withseka, negare^ ontkennen. H.1,15. 

B.66. 
withsitta, obsedere^ beleggen. F.O.L. 

6,10: Jef ter hwa vmbe en thing 

it ta hws withsete. Zoo iemand 



r.* 



575 



wifhsprecka— 



576 



wegens eene zaak een hnis belegerde, 
beleide. 

withsprecka, cautradicere^ tegenspre- 
ken. P.O.L.3. 

wiihstaen, reniti, tegenstaan, tegen- 
stand bieden. 0.1,27. 

withst on da, cadgre, vallen. A.7,16: 
Jef ma hini sknft, thet hi opa 
there irthe withstont. Zoo men 
hem schopt, dat hij op den grond ne- 
derkomt. 

withther, contra^ tegen. l.E.1,2. 

withum, withume, sacriva^ heilig- 
dom. F.O.L.1,5. 2,9.10. Zie: spran- 
gel. A.7,6. 

withum. H.2,7. Zie: wytedum. 

witi, prohaij bewast. A.1,17. Zie: 
wyta. 

witi de, testifféontum^ conventus, getuige- 
nis, oorkonde, overeenkomst. Ch.I, 
3S6: In orkenscip disser witide. 

. In getuigenis dezer oorkonde. 

wytiga, wytgia, vaticinari^ waarzeg- 

. gen. F.R.80,6.8. 

wytelyck, witlike, de industria^ met 
opzet. B.6. F.R.2,5. 

wytlicheed, cognitio^ kennis; consden- 
. tiaj geweten. P.R,2,16. 

witma. l.E.2,2l. Zie: wetma. 

witscip. Ch.1, 603. lees: werscip, 
zie: werscop, feestmaal. 

witscipe, witscepe, witskipe, tes' 
timoniumj getuigenis. H.9,2. 2.E. 
2,2. l.E.2.7. 

witsi ng, /nVa^a, zeeroover. A.2,20. Zie: 
wijsingh. 

witsprecka, witspreka. F.R.1,14. 
0.12,12. Zie: withsprecka. 

witta, torquesj band, halsband. O.v. 
2,2. F.O.L.3. 

witte, testis^ getuige, F.O.L.6,1. 



wittelike, sdensj wetende. $^.0.^1,42. 

wittich, sapiemf v^s, wetend. J.M.F. 
8,2. 

witiua, wituia, conjurare, bezweeren. 
2.E.t;. 

witum, testimonium^ testes, getuigenis, ge- 
tuigen. F.O.L.6,1. 

witzend. F.O.L.3. Zie: witsing. 

wiucha, recedere, w^ken. F.O.L.t?.l. 

wiuii, nitbere, uxorem ducere, trouwen. 
F.R.50,40: Qweerso een man twia 
wiuet. Wanneer een man tën twee- 
den male eene vrouw neemt. 

wiueda, femininus, vrouwelijk. B.92. 
bg W. 

wixel, wixle, permutatioj vnssel, rui- 
ling. H.2,4. F.O.L.2,4. l.E.2,4. 

wixlad, permutatusj gewisseld. E.L.3,39. 

w i X 1 i a, pemiutare, wisselen, verwisselen. 
B.160. 

wlema,. wlemma, annihilare^ te niet 
doen, verlammen. H. 10,1 9. F.O.L. 
9,17. 

wlemmelsa, laesio^ annihilatioj bescha- 
diging, tenietdoening. l.E.4,5. 

wlite, visibilisj zichtbaar. 0.11,8: Bloed- 
resene onder da andlete mit 
wlite. Bloedrimst beneden het aan- 
gezicht en zichtbaar. 

wlite wil mensa, wlitewlemmelsa, 
wlitewlemelsa, wlitewimelsa, 
wlytwemelsa, wlitelemmelsa, wi- 
tewlemmelsa, laesio cutis aperta non 
vestibus tecta, huidbezeering buiten de 
kleederen. H.4,16. E.L.1,11. Ch.I, 
98. A.3,4. 0.11,15.16. F.O.L.5,5. 
As. wlitan, apparere, videri. Qoth. 
wleitan, videre, Isl. lita (at) as- 
picere. As. wlite, facies, vultus. Qoth. 
wlits, facies. Isl. lit, aspectus. Lei/e, 
vlitevem, vtdtus macula. 



\ 



577 



wlna— wopen. 



578 



wlua, inqmnare^ bezoedelen. 0.8,17: 
Dat hi schetten^i^luat. Dat hg 
zich met beesten bezoedeld heeft. J. 
M.F.7,45. wildath. 

wn, vulnusj wond. A.2,9. 

wnde, idem. A.3,17. 

wndia, vulnerare. wonden, verwohden. 
B.42. 

wndunge, vulneratio, verwondiiig^ A. 
6,11. 

wne, domesticuêj huisgenoot. J*M.F.14: 
An wnnm ende an megnm. Aan 
hnisgenooten en aan magen. 

wnblest, importunitoê^ overlast. 0.7, 
J.M.P.7,l.n*. 

wnna. 2,E.4,5. Zie: winna. 

wnne (to win e), in umrem sufnebatj 
tot vrouw nam. FO.L.4,28: Quet 
hi thenna, thet hi hfa ne to 
wiue wnne. Zegt h^ dan, dat h^ 
haar niet tot vrouw nam. 

wnre, sertms^ bediende; mt^, soldaat. 
B.215: Is .'t es huthemede wnre. 
Is het een uitheemsche knecht, 

wn u i r d s t e, indignissimus^ onwaardigste. 
F.R.59,25, 

wob, vestiê^ kleed. 0.2,1: Gold ende 
goed wob. Goud en goede kleederen. 

wod, vadehat^ waadde. A.9,1. 

woed, vdebat, wilde. F.B.44,12. 

woeknare, wokener, uêurariiM^ foenC' 
ratoTj woekeraar. F.R.15,27 79,1. 

woenhaftich, domicilium habens, woon- 
achtig. Ch.I, 335, 

woenicheed. J.M.F.1,1. Zie: wo- 
nicheed. 

woenlyk, solito more^ gewoonlgk. Ch. 
I, 520. 

woernisdaghes, die wercunï, 's woens- 
dags. Ch.I, 334. 

wokener, zie: woeknare. 



wol ene, fwftM, wolk. l.E.v. 

wold, volebatf wildè. F.B.44,16. 

woldsket, pecus Icmi/erum^ woldrageud 
vee, jarig vee. 2.E.i;. Zie: wiek-» 
sket. 

wolue, lupus^ wolf, F.R.7l,5. 

wondergrat, permagntiê^ zeer groot. 
O.v. 

wondria, vagaH^ omzwerven. A.8,1. 

won gap a, laesio oris^ wangaping, niet 
kunnende ^pen. F.O.L.5,9. 

wongara, laééio mstiun^ Meedbeder- 
ving. 1,E.4,16. 

wonhere, laeèio audituê^ gehoorbed^r- 
ving. F.O,L.5,26. 

wonicheed, woenicheed, coMtsêiudOj 
gewoonte. J.M,F. 1,1. 

wonia, wonnia, diminuij afnemen, ver- 
minderen. B.94^,96: Waxa ni wo- 
nia. Winsen noch venninderen. 

won ir, servuB, bediende, knecBè, soldaat. 
A.5,7. ' - 

w O n 1 i a, mutarej verwisselen, veranderen. 
F.O.L.8,9: To haldan and nout to 
wonlian. Te behouden en niet te 
verwisselen. Zie: wandelia. 

wonnen, acquisttus^ lucratuê^ gewonnen, 
verkregen. F.R.1,18. 15,37. 

wonnen kneppa, domesticua, huisbe- 
diende. F.R.62,6. 

won sin, laeêio visus^ gezichtbederving. 
F.O.L.5,26. 

wonspreke, laesio loqtielae, spraakbe- 
lemmering. l.E.4,16. £.L.1,27. A. 
3,13, F.O.L.5,11.26. 

wonwara, laesio labii, lipbeschadiging. 
A,3,13. l.E.4,16. 

wonwara, merces pravae, slechte waren, 
F.O.L.6,1. 

wopen, planctus quaedam, noodgeschrei. 
0.6,4. F.R.64,14. Zie: wepenropta. 

37 



1 



579 



word — wrbannen. 



580 



word, ģ, geschiedt, J,M.F.2,13. 

worde, t^ec^arafio, verklaring ; aestimatio^ 
waardeering, A.1,17, 2.E.4,16. E. 
L.1,59. 

worden, factus^ obtentuSj geworden, F. 
R.11,3: Ende fan hwaem hit hym 
worden se. En van wien het hem 
geworden is. 

worderinghe, aestimatio^ waardeering. 
F.B.32,22. 

worma, purpura^ purper. 0.1,72: Ner 
weed ner worma. Noch gekleurd 
noch van purper. Angels, wurma, 
purperslek, J.M.F.2,72. wede ner 
worme, 

worpen, ejectus^ geworpen; erectus^ op- 
geworpen. 0.3,17. 11,14. F.O.L. 
1,15. F.R.12,26. worpen waer, 
erectum judicium^ opgeworpen ger^t, 
buitengewone geregtsplaats. 

wortafelspil, ludits quidanij kleurta- 
felspel. troquedille^ six^cinque. F. 
B.72,4. Teutonista heeft: wortaifel 
bret. Alea. Isl. verpill, dobbelstee- 
nen. Het kan dus het dobbelspel, het 
dobbelen beteekenen. 

wort e, papiUa^ tepel der borst. E«L. 
1,39. 

wortfolgya, persequij vervolgen. J.M. 
F.n, 321. 

woste, feroxj destructus^ woest. A.v.1. 

w os ten e, desertum^ woestgn. A.v.1. 

wr, poat^ over, na. F.R.19,7. 0.13,11. 

— 2) propter^ om, wegens. F.R. 
18,15. — 3) cum, met. F.R.25,11. — 
4) coram^ in tegenwoordigheid. E.L. 
3,56: Wr hire haudprester. In 
tegenwoordigheid van haren parochie- 
priester. — 5) prae^ voor. E.L.1,65. 

— 6) contra, tegen. 0.1,7. E.L. 
1,62. F.R.2,26. — 7) ad, naar. F. 



R.49,1. — 8) mpra, boven. F.R19,8. 

— 9) quasi, als. F.R.19,8. — 10) 

a, ab, van. F.R.21,10. — 11) ante, 

voor. F.R.15,27: Wr trymjerum. 

Voor drie jaar. 
wr, superior, bovenste. Ch.1, 120. J. 

M.F.n, 258. 
wra, zie: wrman. 
wrac, zie: wrak, 

wracka, vindicare, wraken. Ch.I, 535. 
wraeschia, exigere, vorderen. 0.13,9. 
wrak, wrac, dejiciens, gebrekkig, wrak. 

A,3,18. 
wral, wrall, ubique, prorsus, onmino, 

overal, boven alles. Ch.I, 110. O. 

1,75. F.R,72,7. 21,17. wral jowns, 

vooral in effen (even) getal, 
wralde, mundus, wereld, O.t?, A.7,9. 
wraldesk, wralsch, mundanus, secu" 

laris, wereldl^k, wereldsch. B.177. 
wraldfader, abavus, overgrootvader. 

F.R.48,1. 
wraldsheed, potestas secularis, reg- 

num seculare, wereldlgk gezag. F.R. 

36,10, 
wraldsch, wralsch, F.R.5,2. Zie: 

wraldesk. 
wraudesc. O.v, Zie: wraldesk. 
wraxlia, luctari, worstelen. F.R.58,29. 
wr ba eden, wrbeden, prohibitus, ver- 
boden. F.R.5,4. 0.12,13. 
wrbaerna, urere, verbranden. 0.1,41. 
wrbala, perdere, doorbrengen. P,R. 

50,41. 
wrband, bannitus, excommunicatus, in 

den ban gedaan. F.R.2,4. 
wrbanden, zie: wrbannen. 
wr banna, prohibere, verbieden. F.R. 

50,24. 
wrbannen, wrbanden, />roAt6t<u«, ver- 
boden. 0.12,13. J,M.F.n, 284. 



581 



wrbamed — wrfafh. 



582 



wrbamed, ustus^ verbrand. E.L.1,7. 
wrbec, wrbeck, retro^ terug. E.L. 

1,31. 3,55. 0.4,12. 11. 69. 
w rh e den^ prohibitus, verboden. 0.12,15. 
wrbera, amittere, publicare^ verbeuren. 

0.12,11. 16,4. F.R.46,23. 65,7. 
wrbernse, poena^ boete, verbeurte. 

F.R.ra, 4. 

wrbyeda, prohibere^ verbieden. F.R. 
25,5. 

wrhyndy hypothecaj verband. F.R.20,1. 

wrbreka, frangere^ verbreken, misdoen. 
0.2,3. 

wrbringelyck, convenienSj aptus^ pos- 
sibilisj volvoerbaar, uitvoerbaar, ge- 
schikt, F.R.43,8. 

wrbringa, düapidare^ doorbrengen. F. 
R.26,5. 

wrbringer, alienator^ vervreemder. F. 
R.30,17. 

wrbritsen, fractua^ verbroken. 0.1,71. 

wrbroedt, dilapidatus^ doorgebracht, 
verbruid. 0.3,14. 

wrdeeld, condemnatus^ veroordeeld. O. 
3,16. 

wrdelte, fossio ultra terminos^ overgra- 
ving. J.M,F.9,25. 

wrdera, wrderua, corrumpij condem" 
nare, bederven, veroordeelen. F.R. 
13,15. 26,5. 

wrderwid, devastatuSj vernield. Vrge 
Fries II, 117: Ende ther warden 
fula sloten wrderwid in da lan- 
de. En er werden vele sloten (stin- 
zen, burchten) in het land verwoest. 

wrdiligad, vrdiligad, vastatus ea- 
tinctus, verdelgd. B.6.1. 

wrdoemd, condemnatuSj verdoemd, ver- 
oordeeld. 0.3,16. 

wrdrega, transportare, overdragen. F. 
R.32,19. 



w r d r i f t e, judicium contradidorium, con- 
tradictoorgeregt, tegenspraak. F.R. 
26,25. 

wrdriua, wrdriwa, expellere, verdre- 
ven. E.L.3,41. 

wre, superior, bovenste. F.O.L.5,13: 
Thio wre were. De bovenste lip. 
A.3,4: Wre lid. Het bovenste lid. 

wreeck, uUio, wraak. O.v. 14,2. 

wreedheyt, imprudentia, onberadenheid. 
F.R.64,21: Aen mannes onwytscip 
ende wreedheyt een can een o- 
rem naet schaedlyck wessa ney 
riucht. Iemands onwetendheid en on- 
beradenheid kan volgens recht een an- 
der niet schadelgk zgn. 

wr een, uno animo, overeen, eenstem- 
mig. F.R.13,5. 0.12,8. 

wreergia, depravare, verergeren. F.R. 
26,8. 

wreeth, pravus, slecht. J.M.F.6,2: Jef- 
ta dae ieer wreeth wirdeth. Zoo 

< er slechte jaren komen. 

wre ia, accusare, aanklagen. A.9,7.8. 
F.O.L,4,17. 

wreka, ulcisd, wreken; improbare, wra- 
ken, O.v, A.6,7: Wrekth enich 
mon sinne friond hwek. Wraakt 
iemand een zgner vrienden. 

wretze, ultio, wraak. 1,E,6,8. 
I wreueled, depravatus, verergerd. O. 
4,23. 

wrfa, plus sumere quam Zic^^, overtasten, 
overvatten. E.L.3,22. 

wrfa, in judicio stare, voor het gerecht 
verschenen, 0.7,13: So ne thoer 
hy fora wrfaen dan to da nesta 
sind. Dan behoefb hg niet eerder in 
rechten te verschenen dan in den vol- 
genden zeend, 

w r f a th, representat^ vertegenwoordigt. 



>. 
1 



583 



wrfeUinglie— wrieröcli. 



584 



F.O.L,6,13: Tha wrfath tha for- 
led en e. Die yenrangt den overledene. 

wrfellinghe, aolutio^ betaling, voldoe- 
ning. J.M.F.12. in fine. 

wrfestighya, confirmare^ bevestigen. 
J.M.P.1,1. 

wrfiuchta, pugnando bona perdere^ zgn 
goed vervechten. F.R.66,4. 

wrfiuchta, vincere^ verwinnen, t^en- 
siand bieden. O.v. J.M,F.1,1. 

wrfolgia, pereequi^ evocarcj vervolgen, 

uitdagen. F.R.19,2. 46,7. 
^wrfolla, odfinpfer^, vervullen. F.R.19,2. 
26,3. 0.4,3. 

wrgameliok, vrgamelick, negUgins, 
verzuimend. J.M.F,n, 284. CL J, 343. 
FJl.in, 6: Jefta wrgamelick hat 
wessen in der behoede des kin- 
des. Of verzuim heeft gepleegd in de 
verzorging van het kind. 

wrgeLT edi^congreffatuêf verzameld. F.R. 

wrgaria, congregare^ verzamelen. F.R. 

. 46,45. 

wrgaringhe, congregatio, verzameling, 

vergadering, liet te zamen komen. F. 

R.3,1. 
wrliael, praelegatmn^ prelegaat. F.R. 

46,56. 
wthalia,, exigere^ verhalen, vorderen. 

FJL42,3. 
wrtieergens, wrheergenisse, inohe^ 

dientia^ ooniumacia^ ongehoorzaamheid, 

ongehoorigheid. 0.1,59. 9,11. F.R. 

m,16. 
wrhellen, occultus^ verholen, verheeld. 

F.R.9,6. 
wrhera, juridice inquirerej gerechtelgk 

onderzoek doen, verboeren. F.R.3,6. 
wrhera, audirCj aanhooren. F.R. 11,8. 
wrherd, r^^nan^, heerschend. F.R.46,52: 



Wrherda syueckt. Heerschende 

ziekte. ' 
wrherich, tnobedienSy contumaa^ onge- 

hoorig. 0.1,55. 9,11. F.R.in,6. F. 

O.L.4,22. vrherich. 
wrherichnisse, inobedientiaj contumacia^ 

ongehoorzaamheid, ongehoorigheid. O. 

1,55. 
wrhletten, mede auditus^ bepraat, be- 

luid. F.R 15,14. Ch.I,343. 
wrhoer, wrhuur, c^idteriumj overspel. 

0.7. CU, 377. F.R.9,5. 
wrhora, adulterare^ overspelen. J.M.F. 

7,14. 
wrhuera, depravare^ verslimmeren, mis- 
bruiken. 0.8,23. 
wr hus de the, maleficia in domo facta^ 

huismisdaden. E.L.3,55. 
wrhuur, zie: wrhoer. 
wrhwirua, défenderej verdedigen. F.R. 

60,12. 
wrichte, machina^ werktuig. 0.1,42. 

{vestesj kleederen?) 
wrichte, operarius^ werkman, arbeiden 

F.R.37,8. 
wrygiande, wrigiane, capite prono 

incedensj voorovergaande, waggelend. 

Ch.1, 102. 111. J.M.F.II,210. 232. 
wrja, remittere^ vergeven. F.R.13,15. 
wrjeffnisse, venenum^ vergif. F.R.51,2n*. 
wrjefnisse, dona;tio^ schenking. E.L.2,7. 
wrjeld, veregildus^ weergeld, mangeld. 

0.4,23. 
w r j e 1 d e, satisfactioj kwgtschelding, kwi- 
tantie. J.M.F.11,17. 
wrjelda, solvere, betalen; aatisfacere^ 

voldoening geven. F.R.44,6.17. 
wrierech, post annum^ na het jaar. 

J.M.F.9,6: Jeff hi se wrherich 

ende wrierech halt. Zoo hy die 

opzettel^k en over het jaar houdt. 



585 



wrj0tft-^ w rrodft* 



586 



wrjeta, oblivüei^ vergeten; F.R.25,26. 
wrjetzem, ohlitüs^ vergeten, 'F.R,17,8. 
wrjewen, datue, geschonken. E.L,2,7. 
wrj ouwen, in/ectus venenoj vergeven, 

vergiftigd. J.M«F.16. 
wrjown, tradituê, overgegeven, gegeven. 

F.R.44,3. 
wrkapa, vendere^ verkoopen. E.L.3,1. 
wrkerren, electiones majoresj aonventuh' 

nes inter duoê districtus^ overkeuren, 

overeenkomsten tnsschen districten. F. 

R.50,41. 
wrkiesa, electione legem annihüare, eene 

wet afschaflFen. F.R.50,41, 
wrklagia, accusare, verklagen, aankla- 
gen. E.L.3,26. 
wrkrefta, constuprare, verkrachten. F. 

R.81,23. 
wrlaet, imponitj oplegt. 0.13,10: Deer 

hy tollen wrlaet. Waar hg tollen 

oplegt, 
wrleren, wrlerren, wrlern,/>erdttM*, 

verloren. F.R.46,4. E.L.l,43. 
wrliasa, wrliesa, wrlysa, perderey 

verliezen. 'E.L.3,61. F.R.25,12. 
wrlibba, supervivere^ overleven. O. 

4,6. 
wrlidza, imponere, opleggen. 0.13,10. 

Zie: wrlaet. 
wrliesa, zie: wrliasa. 
wrlywria, tradere^ overleveren. F.R. 

12,34. 
wrlowad, illicitusj ongeoorloofd. 0.3,3. 
wrman, wra, superior ^ qui praeest arbi- 

trioj overman der scheidslieden. F.R. 

21,17.18. 
wrmata, wrmeta, wrmetta, audere, 

vermeten. 0.1,50. 9,3.29. J.M.F. 

9,32. 11,19. 
wrmia, evitare^ vermgden. F.R.59,18. 
wrmids, wrmits, ob, vermits, ten aan- 



zien van, door middel van. F.R.1,15. 

48. 18,21. 81,2. 0.17,6. 
wrmynria, dimintèere^ verminderen. F. 

R.40,1. 
wr nacht, cdtera die, des anderendaags. 

0.1,17. 
wrnya, renonare, vernieuwen, F.R.1,1. 
wrnima, cognoscerej vernemen. 0.12,27: 

Deer ma selden wrniïnpt. Daar 

men zelden van verneemt, 
wrocht, factus^ gemaakt, gewerkt. O. 

1,64. 
wrogelick, accusabilis^ klaaglgk, klaag-P 

baar. 0.7. 
wrogenga. F.O.L.4,15. 3ie: wrogin- 

ghe.- 
w rog er, accusator, aanklager. F.R.50,30. 
wrogia, accusare^ aankl^en. 0.7.' P. 

O.L.4,2.15. . ' 

wroginghe, wrogenga, accusaiioj 

klachte. 0.7.8,13. P.ïl,65,«. F.O.L. 

4,15. 
wrordelya, condenmare, ver<>ordeelen. 

F.R.1,33. 
wrp, projiciebat, wierp. .A.7,10: Wrp 

er ne an da irthe. Wierp hg hem 

op den grond, 
wrpanda, oppignorare^ verpanden. F. 

R.20,4. 
wrpen, projectus^ geworpen. 2.E.l,lSr ^ 
wrpen, erectus^ opgeworpen. A*.l,17. 
wrracht, traditus, overgegeven. F.R. 

25,19. 
wrrader, proditor, veniftder; malus pro- 
curator , slechte raadsman. 0.12,15: 

Een wrrader hiares guedis 

vessen. Een slecht raadsman over 

haar goed geweest, 
wrrath, /?rodtï, verraadt. J.M.F.Reg.15. 
wrreda, vrreda, prodersj verraden. F. 

R.13,24. 



587 



wrreod — wTtesto* 



588 



wrreed, proditio^ verraad. P.R.62,1. 
0.12,19. 

wrreka, trader e^ overreiken, overgeven. 
E.L.3,77. 

wrriucht, condemnatus^ veroordeeld. F. 
R.9,S. 

wrriucht a, judicare^ beregten. F.R. 
3,19. 

wrriucht a, de novo judicare, overreg- 
ten, op nieuw beregten, F.R.1,1. 20,6. 

wrrualde, aine indtMtria, niet opzette- 
Igk, boven macht. E.L.3,55. 

wrscelt, amüsus^ publicatuê, verbeurd, 
verspeeld. J.M.F.12,7. 

wrschelda, publicare^ amittere, verbeu- 
ren, verspelen. 0.12,8. 

wrscher, me$sio vltra temiinos^ over- 
maaiing. 0.9,21.. 

wrscriouen, praescriptus^ voorschreven. 
P.R.3,6. 50,19. 

wrsetta, oppignarare, verzetten, verpan- 
den. F.R.20,4. E.L.3,7. 0.3,14. 

wrsetta, impedire^ beletten, verzetten. 
F.R.25,5. 

w r 8 i a, conJtemplariy revidere^ beschouwen, 
overzien, herzien. E.L.1,84. 

wrsinnicheed, amentia^ waanzin. F. 
R.58,40. 

wrsitta, tempus negligere^ zjn tijd ver- 
zitten, niet komen. 0.4,1: Jef dat 
hij tria Igoedtingh wrsete. Of 
dat hg drie volksgerechten verzat (ver- 
zuimde). J.M.F.6,1. 

wrslaga, occidere, dooden, verslaan. O, 
12,12. wrslacht, occidit^ verslaat. 

wrslagn, wrslain, occi«u«, gedood, ver- 
slagen. 0.1,7. 5,8. 

wrsmaya, vituperare, versmaden. O. 
12,27. F.R.59,8. J.M.F.II, 272. 

wrsmaylick, vituperabilis^ versmadelgk. 
F.R.6,2. 



wrsmainge, vituperatió, versmading. 
F.R.14,1. 

wrspeerd, wrspiert, obtrudit, ver- 
spert. J.M.F.II. 272. 273. 

wrspil, adulteriumy overspel. F.R.81,23. 

wrsprecka, contradicere^ revocare, tegen- 
spreken, herroepen. 0.2,1. F.R.26,11. 

wrsta, superior^ overste. F.R.81,4. O. 
12,27. 

wrsta, wrstanda, resistere^ tegenstand 
bieden. O.l.S. — 2) compreliendere^ 
intdligere^ verstaan, begrgpen. F.R. 
3,6. 19,5. 2,17. wrstande, zal ver- 
staan. 

wrstera, relegare^ verbannen, verstoren. 
O.V.: Deer era leert ende one- 
ra wrsteert. Die eer leert en oneer 
verbant. 

wrstera, iurbare^ verstoren, vernielen. 
F.R.64,14. 

wrstinzen, interrogatus^ onderstaan, on- 
dervraagd. F.R. 15,42: Deer syn or- 
kenen wrstinzen habba. Diezgne 
getuigen verstaan (ondervraagd) heeft. 

wrstolen, furatus, gestolen. 0.4,18. 

wrsuma, negligere, verzuimen. F.R. 
25,18. 39,3. 

wrsumet, wrsumeth, neglectuSj ver- 
zuimd. F.R.39,3.4. 

wrsumenisse, wrsumicheed, neglu- 
gentittj verzuim. F.R.39,2. 50,33. 

wrswerra, ejurare, verzweeren, afzwee- 
ren. 0.3,11. 

wrtella, narrare, vertellen. F.R.62,14. 

wrtera, impendere, verteren, uitgaven 
doen. E.L.1,60. — 2) comedere, de- 
lapidare^ verteren, doorbrengen. P.R. 
50,41. 
wrtesta, wrfa, plus sumere, quam «- 
bi competitj overtasten. E.L.3,22: An- 
da nen fulbrother wrtest iefta 



589 



wriha — wta» 



590 



wrfeth then otherem. En geen 
volle broeder overtast of overvat (neemt 
meer dan) den anderen. 

wrtha, /m, worden. A,l,7. 

wrthegha, solvere, betalen, overreiken. 
F.R.50,48: And wrthigen da clip- 
paschylda. En betaalden de hnis- 
schatting (landsbelastingen). 

wrthingnese, processttSj regtsgeding* 
J.M.F.12. in fine. Dae allersche- 
nista wrthingnese. Het hoogste 
rechtsgeding, het schoonste bewgs. 

wrtyenia, mererej verdienen. F.B.50,56. 

wrtigia, deponeren nederleggen. 0.9,1: 
Ende deermede da fagte wrti- 
gia. En daarmede de veete (vgand- 
schap) nederleggen (overdekken). 

wrtioga, wrtgogha, demonatrare^ oxer^ 
tuigen. 0.1,3.16. J.M.P.2,3.17. 

wruald, wrwald, tn*, geweld. 0.11,73. 
F.R.m, 8. 

wruinna, vincere^ overwinnen. O.r, 
wruonnen, victtM^ overwonnen, F. 
R.11,2. 60,13. 

wrninna, obtinere^ verkrggen, herwin- 
nen (den ban). F.R.74,5. 

wrwandlia, permutare^ verwisselen. F. 
R.59,18: Dat hg syn weed wr- 
wandlia moge. Dat hg zgn kleed 
verwisselen kan. 

wrwerpa, abjicere^ verwerpen, afwgzen. 
F.R.2,29. 

wrwerria, cuatodire^ bewaren, verzor- 
gen. F.R.39,3. 

wrwyeldlyck, w, met geweld. F.R. 
33,17, 

wrwilkaria, libere rem jttdicio cdicujus 
submitterej verwillekeuren. F.R.21,7: 
Een man mey syn riucht wr- 
wilkaria op wilkarada rinch- 
teren off op soenlyoed« Iemand 



mag zgn regt ter beslissing geven op 
gekozene regters of op zoenlieden. 

wrwille, libere^ vrgwillig. F.R.47,14: 
Wil hij 't hym al wrwilla jowa. 
Wil hg het hem alles vrgwillig geven. 

wrwina, vehi^ rgden, 0.9,20: Mit 
vaine wrwint. Met den wagen be- 
rgdt. 

wrwyna, wrwinna, vincere, overwin- 
nen. F.R.6,7. '17,16. 28,8. 

wrwynja, perstmdere^ overreden, F.R. 
84,3: Als een man een wyff naet 
mey wrwynja eer hg se trouwe. 
Als iemand eene vrouw, voor dat hg 
haar trouwt, niet kan overreden. 

wrwinna, zie: wrwyna. 

wrwisa, condemnare^ verwgzen, veroor- 
deelen. F,R.13,15, 

wrwixlia, permutare^ verwisselen. E.L. 
3,40. 

wrwonden. J.M.F.7,29. Zie: wrworda, 

wrwonnen, victusj probatusj overwon- 
nen, bewezen. F.R. 7, 2. 

wrworda, depravarij bederven, verwor- 
den. 0.8,3: Als deer is wrwor- 
den di lyckwey. Wanneer de Igk- 
weg bedorven is. 

wrwunnen, vrwnnen, victuSj over- 
wonnen. B.B.14. 2.E.3,14. 

ws (vrs), hors, egutMj paard. Ch.I, 
101. J.M.F.n,206. 

ws, no«, ons, O.r. 

wt, ex, uit. E.L.1,38, 

wta, wtha, exceptioj uitzondering; di- 
latio, uitstel; probaiioj bewgs. 0.1,47: 
Als ma dijn fria Fresa toe strg- 
de tinghia wil ende di oera da 
wta habba wil, dat hi binna 
trim degem comma schil. Zoo 
men den vigen Fries tot strgd wil 
aanspreken en de ander het uitstel wil 



b-tt»-' 



^' *Aette ^ »„o.n A.09 

■araat ï^e» e" ^-e tel*)* . „ 0.«< 



63'^- . extern*' *^^ 

^^ï «o 10- Se »^ oiifte®* 

¥-*-^^'^ is ^et ^«^ 

^'^rJ' 64,1^- ^ .m^"^ 

50,50- o ' ge«teT>t«»' 
^tl.otataet^'y.R.81,6. y^oo^ge 

^ <,oot ^»* . ïittegge^' 

^^Ud*»' ,ei\>t«®*'''.:v \e«ge»- 



593 



— wlwara. 



594 



535: Dat dae riochteren wtley- 
tlie op al 'éülcke liode. Dat de 
rechters dusdanige lieden vervolgen. 

w 1 1 i d z a, provocare, uitdagen ; citare, dag- 
vaarden. F.R.65,1: Hwasó een orem 
wrogia wil, jeff wtlidza schil 
om meeneden. Wie iemand beklagen 
wil of uitdagen zal wegens meineeden. 

wtlikera, eatemuSy remotior^ uiterlgker. 
F.R.50,1. 

wtloga, in uaorem dare, uithuwelgken, 
uitplaatsen. E.L.3,23. 

wtmaked, creatus, ontstaan. J.M.F. 

7,1.» 
wtnyma, excipere, uitzonderen, F.R.46,8: 

So is ter ne naet wtnymen. Dan 

is er niemand van uitgezonderd. 

w t n y m e r, reus praedpuus^ hoofdbeschul- 
digde. F,R.58,4: Hwa so orem oen- 
fyucht ende reder ende ramer 
is des strides, dy aegh wtny- 
mer to wessen. Die een ander be- 
vecht en aanlegger en beramer van 
den strgd is, die moet voor hoofdbe- 
schuldigde gehouden worden. 

wtoer, extra f huiten. 0.3,14. F.B.50,7. 

wtordela, definitive disponere, finaal be- 
slissen, beschikken. F.R.12,29: Ende 
naet wtordelet. En niet ten einde 
brengt. 

wtreda, probare, bewgzen. 0.1,73. 

wtreysgia, peregrinarij reizen. F.R. 
72,5. 

wtreka, solvere, uitkeeren, uitreiken. 
jli.ij.2,7. 

wtrenna, effiuere^ uitloopen, uitvloeien. 
0:12,19. wtryn, excursio^ uitloop. 
0.8,4: Ende di prester toe dae 
bloedis wtrijn slain is. En de 
priester geslagen is, dat het bloed er 
uit geloopen is. 



wtriuchta, conjicerej praestare^ judtcare^ 
uitvoeren, oordeelen. F.R.2,23. * 

wtrunnen, effluxus^ uitgeloopen, uiige- 
vloeid. E.L.1,13. 

wtschaet, exceptus^ uiigezonderd, uit- 
geschoten. F.R.46,9. excipitf zondert 
uit. F.R. 1,46. 

wtschetten, effractus^ uitgeschoten, uit- 
gestooten. 0.10,7. 

wtscry€t, copia^ afschrift. F.R.1,46. 
3,1. 15,27. 

wtseyd, wtseyt, />ronun<ta<t^, uitge- 
sproken. F.R.21,26.30. 

wtseyd, excepto, uitgezonderd. F.R. 
3,15. 15,13. 

wtseynda, emittere, uitzenden. F.R. 
15,31. 

wtseyt, zie: wtseyd. 

wtsluta, excludere^ uitsluiten. F.R. 
15,75. wtsleth, excludit, uitsluit. 

wtsplitan, effractus, sciaaus, uitgesple- 
ten. E.L.1,2-1. 

wtspreten, wtspruten, ortus^ natusj 
geboren, uiigesproten. E.L.3,16. F. 
R.26,21. 

wtstecka, excludere, uttstooten, uitslui- 
ten, uitsteken. F.R.57,8. 

wtstirtinghe, effaaioy uitstorting. F. 
R.76,1., 

wtstowed, approbatuê^ gestaafd. F.R. 
23,10. 

wtteyn, extractus, perfecttM, uitgetrok- 
ken, uitgetogen. O.v. 

wtuardis, externe^ uitwaarts. F.R. 
75,3. 

wtuendelyck, aperte, openlgk, uitwen- 
dig. F.R.46,19. 

wtuisinghe, dejinitio^ uitwgzing. F. 
R.21,26. 

wtwara, excludere] uitsluiten, uitweeren. 
F.R.50,17. 

38 



i 



« tr 



595 



Wtward— zwoUe. 



.^.Vï:*.- 



't 



596 



wtward, externe^ nitwaarts. J.M.F.II, 
246. 

wtweyendich, wtuendelyck, exter- 
ne, uitwendig. F.R,33,1. 46,19. 

w tw y n n a, aequirere, obtinere, uitwinnen, 
afwinnen. F.R.59,5. 

wtwirtza, facere, perjicere, doen, toI- 
tooien. F.R.37,8. 

wtwisa, excipere, demon^trare, uitzon- 
deren, toewezen, aantoonen, O.v . F. 
B.32,8. 46,57. wtwysd, adjudicatusj 
toegewezen. F.R.13,25. 

wtwriten, circumscriptus, omschreTen. 
F.R,21,1: Deer in da forwirda 



-^ jbw riten sint* iXjsr i% -de voorwaar- 

den omschreTen zgnf 
wuis, nofter, onze. Ch.1, 616: Ney in- 

haldt wtiis weikern. Naar inhoud 

Tfin onze willekeuren. 
wuytwysinghe, dejiniti&f uitw^ting. 

Ch.I,616. 4 

wunde, vulnus, wonw. \S.L.2,8. 
wunnen, lucraitis, gewonnen, E.L.3,71. 
wurde, poena pro homicidio, geld, boete 

wegens doodslag aan het Tolk. l.E. 

2,20. Liuda wurde. 
wurpen, projectus^ geworpen. E.L. 

1,40.. 



z. 



ze, tüi, z^. F.R.51,1; 

zeerawer, pirata, zeerooTer. 0.17,6. 

zetta, zie: setta. 

zy, conjugesj echtgenooten, zgden. J.M. 

F.n, 279: Twa sibba zy. Twee te 

na verwante echtgenooten. 
zylschot, tributum pro cataracta, sluis- 

belasting. Ch.1, 348. J.M.F.II, 303. 
ziurka, ecclesia, kerk. l.E. 6,2. 
ztake, zie: tzake. 




ztiurkhof^ cifniterium, kerkhof. E.L. 
3,62. 

zonder, minuSj min. Ch.1, 120: Zon- 
der ene hala Engelse. Min een 
halve Engelsche. 

zonderacht. J.M.F.9,1. Zie: sun- 
deracht. 

zw, iUoSj zTjj hun. Ch.1, 601: Hwar 
zw kriget. Waar men hen krggt. 

zwarra, jurare, zweeren. F.R.11,1. 

zwoUe, zie: suolle. 



OcKB ScHA]ii<« Croniilü «nde wanchtige bcKhryvioghe 
Tan Yricsld^L Lti^w. Jac. Jansen. 1697. folio, ƒ2,50 

, 'QïaovÊdk en waaragtige beacliryvinge van 

Friesland. Leeuw. 1742. 40. 1,60 

-, Cronycke ende waerachtige beachryvinghe 



yan Vrieslandt. 

Handschrift ia folio, door Gerbnuidt Jacob&z. 
van Bolswardt. a(>. 1580. 

WiirsËMius, P.> Chroniqae ofte historische geschiede- 
nisse van Vrieslant. Fran, 162^. fol. Met eene kaart 
en met portretten. 4,50 

— ^— — — ^ Renin Ifrisicanun libcr. Leov, 1646. 
folio. 1,90 

ScuoTANVs, De. Geschiedenissen kerckelyck ende wereldt- 
lyck van Fcieslant tot 1588. Fran, 1658. folio. 5,50 

Die olde Freesche cronikp, met aantt. van E. 
Epkema. — Gesta Frisiornm. — M. Alvini 
tractatus. Leeuw. 1853. 4». 2,50 

Thet Freske riim, met aantt. van £. Epkema. — « 
Letuw. 1835. 4». 1,25 

Fu&MBBius, Annal. Phrysicor. libri tres. Fr^, 1609. 1,80 

Gesta Fresonum, uit de Apographa Juniana; ed. 
De Crane. Leeuw. 1837. 4». 1,25 

Analecta, of enige oude ongedrukte schriften van 
diversen inhoud, tot Friesland alleen specterende. 
Leeuw. 1750. 4». 1,20 

WoBP VAM TuABOB, Chronicou Frisiae libri tres. Leov, 
1847. (/ 1,80) 1,— 

— — ~ — ——, Vierdeboek der Kron^ken van Fries- 
land, bevattende de geschied, v. de XVe eeuw. Leeuw, 
IbbO. (/2,— ) 1.— 

■ . — — - ■, V^fde boek der Kron\jken van Fries- 
land, bevattende de geschied, van het begin derXVIe 
eeuw. Leeuw, 1871. 2,50 

Bbovëbius V. NiDEK, Aualccta mcdii aevi. Ie (eenigst) 

deel. Amêt. 1725. 1,80 

Beninga, Chronickel der Vriescher landen. — 

S, Jarichs, Van de herkomste d. Vreesen, enz. 

SuFf. Petvus, De Frisiorum antiquitate et origine. 
Fran. 1698. 24". 1,40 

— — — — — , De Scriptor. Frittiae. ^ra». 1699. — Apo- 
logia Suff. Petri. Fran. 1699. 24^ 1,80 

ÜBBo Eiuiivs, De agro Frisiae inter Amasum et La> 
vicam fl. Oron. 1646. 1,50 

Van DooBiiiNCK, Conunentatio ad qnaest: quia fuerunt 
Frisiae termini pro diversis aetat. diversi. 4^. 1,80 

Jamcko Douwama (Friesch edelman). Geschriften. Leeuw* 

1849. 40. (ƒ12,—) 8.60 

Boeck der partyen. ^- Articulen van foerant- 

wording. — Instructie an s\jn w^ff. «— Trac- 

taet fan sijjner recenscop. •— Handel sed. 1690, 

Proeliarius ofstrijdboek, bevattende de jongstt 
oorlogen in Friesland, in 1618 beschrcv. door Br. 
Faulus RudoipMt van Bistel, vroeger geheeten Jokt, 
Qruyter. Ed. Ottema. Leeuw, 1855. (ƒ2,—) 1,— 

F'oEKX Sjobbds, Alg. bescbryving van Oud en Nieuw 
Friesland. 4 dln. Leeuw. 1766. 4,90 

'■■ — , Historische jaarboeken van Oud- en 
Nieuw Friesland. 5 dln. Leeuw, 1771* 4,90 

Tegenwoordige staat vau Friesland. 4^dln. Amit, 



1786. 8». onafgetn, ex. in 7 etukien ingen. mei 
kaarten en platen, * f^fi^ 

Dk Haan IIetteha, Oud en Nieuw Friesland, of aard- 
rnksk. beschrijv. ?an die provincie. Leeuw, 1840. 

1,20 

Het verward Frieslandt. Leeuw. 1749. 1,40 

Gabbsha, Verhaal van de stad Leeuwarden, i^ra». 1701. 
40. 1,90 

EtKUOFf , Beknopte geschiedenis van Friesland. Leeuw. 
1851. (ƒ4,20) 2,70 

Stamboek van deuFrieschen, vroegeren en la- 
teren adel. Uit oude en echte bescheiden cu aau- 
teekeningen, en met b^voeging van de wapens der 
onderscheidene geslachten, opgemaakt door Jhr. Mr. 
M. de Haan Hettema en Mr. .A. van Halmael Jr. 2 
dln. fül. Leeuw. 1846. 100,— 

Inhoud, Ie deel: Geslachtregister. — Ile deel: 
Geschiedk. aantt. en alphab. register, met 42 
platen, bevattende 262 afbeeldingen van wa- 
pens, in goud en kleuren. 
Vau dit, voor de stadie der vroegere geschiedenis van 
Friesland onmisbaar werk, s^n slechts l&O ex. ge- 
drakt. Het hier aangeboden exemplaar ia zuiver ge- 
conditiouneerd, ook wat de platen betreft (hetwelk 
by de meeste exemplaren niet het geval is) en ge- 
bonden in twee half lederen banden. 

Frisia Nobilis, of Igk- en graf- sampt . mengeldich- 
ten, op diverse Friesche edelen. Leeuw, 1755. 1,70 

Gbabnïb, Brieven óver de Vereenigde Nederlanden. 2 

dln. Baarl. 1792. 1,80 

Met afbeeld, v. h. oud-Friesch costuum. 

A&BMDS, Physische Geschichte der Nordseeküste und 
deren Veranderungen durch Sturmfluthe. 2 vol. £m' 
den 1838. 2,70 

J. Caroli De rebus Casparus k Robles Billaei in Fri- 
sia gestis. Leov. 1781. 4». 1,50 

Ypbt, Verhandeling over de zeedijken. Uarl. 1777. 1,— 

MiKKEMA BuMA, Bedrage tot de geschiedenis van het 
d^kregt in Friesland. Leid, 1855. (ƒ1,50) 1,25 

Ostfriesisches Landrecht nebst dem Deich- u. 
Syhlrechte (zum ersten Mahle durch den Druckaus- 
gcfertigt). Aurich. Tapper. (1746) 4». 3,60 

Lez Frisionum, ed. S. Siccama; acced. StatutaOp- 
stalbomica A^. 1328 rogata. ree. C. G. Gaertner. 
Leipz. 1730. 40. (Zelden) 2,50 

Oude Friesche Wetten, met eene Nederd. ver- 
taaling en ophelder, aantt. (door Wierdsma). Campen 
en Leeuw, (1782) 2 stukken. 4». 2,50 

Oude Friesche Wetten, bgeen verzameld door Jhr. 
Mr. M. de Haan Hettema. 2 dln. Leeuw. 1846—1851. 
(ƒ4,50) 2.60 

Hunsingoër rcgt. — Rustringer regt. — Broek- 
mer rcgt. — Emsiger regt, Ie en 2e codex. — 
Jus Municipale Frisonum. — - Boetregisters. — 
Geestel^ke regten. — Willekeuren. — Lex 
Frisionum. 

VoM RiCBTHOfXN, De Lex Frisionum, naar Pertz Mo- 
numenta Oermaniae, met verband, over de Lex Fris. 
door Liutelo de Geer. Leeuw, 1866. 1,60 

De Walj Lex Frisionum. Lex Angliorum et Werinorum. 
Jmt, 1850. 0,90 



• Magazijn van 'Oude en 'Niéuwe Boeken van Hugo Suringar te Leeuwarden. 



Dx Haak Hbtteica, Het Emtiger Landregt van het 
jaar 1812. Leeitw. 1880. ƒ 1,80 

— ^ — — , JnriapradenUa Frisica, of Fr iesche 

. regtskennis. Een HS. nit de XYe eeai?. 3 d]n. Leeuw. 

1884. (ƒ7,80) 4,60 

Groot placaat- en Charterboek van Vriesland, 
door 6. F. Baron thoe Schwartzenberg en Hohen- 
lansberg. 6 din. in folio. ^Leeuw, 1778—1793. 

Een buitengewoon fraai exemplaar op groot pa-- 

pier in egale half lederen banden 40»'—- 

Een exemplaar op gewoon papier, onafgeêneden, 

in egale half lederen banden 82,~ 

Een exemplaar op gewoon papier, in half lede- 

deren banden 19,50 

A(zonderl^ke deelen, voor zooyer yoorbanden, zgn 

▼erkr^gbaar. 

Beneficiaalboekeu yan Friesland. Leeuw, 1850. 
folio. 7,50 

Vaü laxuwEN, Alphabetisch register of algemeen re- 
pertorinm op het Groot Plakkaat- of Charterboek 
van Friesland. Workum 1857. 2,50 

fixucKXB AnoBXiE, De origine joris mnnicipalis Frisici. 
Traj. ad Rh. 1840. 2,20 

Statuten, ordonnantien, reglementen en costumen 
yan rechte van Friesland. Leeuw, 1770. 2,20 

fiiNCKKS, Verklaaringe van de Statuten, ordonnantien 
enz. in Friesland. 4 din. Leeuw» 1785. 2,50 

WiEBDSMA Schik, Staatsregterl. geschiedenis der Staten 
van Friesland, yan 1581— :1795. Leeuw. 1857. 1,20 

Dx Wal, De claris Frisiae jureconsultis. Leov, 1825. 
8». 1,90 

DiBKS, De koophandel der Friezen tot aan den dood 
yam Karel den Grooten. XJtr, 1846. 1,90 

CoBONXL, Het gildewezen in Friesland. L. 1868. 0,;iO 

Eklco Verwijs, De Abdg van Corvei en de kerk van 
Leeuwarden. Leeuw, 1864. 1,— 

DixsT LonoiON, De Nederd. hervormde kerk in Fries- 
land, tot het jaar 1795. Qron. 1848. 8,90 

Blaupot ten Cate, Geschied, der doopsgezinden in Fries- 
land. Leeuw. 1889. gr. 8^. met kaart. 3,90 

Wehdemhaoen, De rebns publicis Hanseaticis. Lugd. 
Bat. 1631. 24». 2,40 

Sahtokius, Geschichte des Hanseatischen Bundes. 3 vol. 
Oott. 1802—1808. 8». 5,75 

De Vrge Fries. Mengelingen, uitgegeven door het 
Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taal- 
kunde. 12 din. Leptw, 1839—1878. (ƒ28,90) 12,— 
Belangrijke verzameling van stukken over de 
geschiedenis en de letterkunde yan Friesland. 
Afzonderl^'ke deelen en stukken z\jn uit deze serie 
steeds te bekomen. 

Archief voor de Vriesche Geschiedenis, Oud- 
heid- en Taalkunde, door Visser en Amersfoordt. 8 
• din. Laptw. 1824—1828. (ƒ6,75) 3,20 

DiRKS, Bedragen tot de penningkunde van Friesland. 
Work. 1843—1851. 5 stukken m. platen. 2,50 

■ , Nieuwe bgdragen tot de penningkunde y. Fries- 
land. Work, 1858. m. platen. 1,25 

■ , Monnaies anciennes tronvées eo Frise. 2 livr. 
Brux. 1868—59. m. platen. 1,20 



Dk Haam en EeXHOtv, Angelsaksische munten, in 
18C6 gevonden in Friesland. Leeuw. 1866. ƒ1,— 
Met 2 platen. Niet in den. handel. 

Vau Haren. — Verzameling van Gedichten, \an, voor 

eu tegen Jhr. Willem van Harend Met 3 vervolgen 

en een aanhangsel, Vtr. 1742. 18,50 

Kenrig ex. in folio. Met ingevoegd portret yan 

Vau Haren door Akkema en Tanjé en dat 

door de Putter. 

Hierachter: Missive aan haer H.M. over de de- 
vassalagie der steden Vlissingên en Vere (11 
Dfc. 1782); Verzameling van brieven enz. ra- 
kende het verkiezen van de zes generaals enz.; 
Eenige pamfletten betreffende de jaren 1745 en 
1746 en meer dan twintig spotprenten, histo- 
rieplaten en portretten, betreffende de zaken 
vun Maria Thercsia. 

Halbertsma, It ewangee^'e fen Matthéwes. — Uet 

evangelie van Mtittheus vertaald in het Landfriesch. 

Impensit Ludovici Lueiani Bonaparte. Lond, 1858. 4*^. 

Niet in den handel. Van dit werk z\jn slechts 

250 ex. gedrukt. 

Alihutsbn, Fricsche rymlary. Liouw. 1755. 4». 1,50 

Gtsbert Japicx, Friesche rymelaryc, in tryc deelen 
forschaet: d'eerste binne Ijeafd in bortl^cke mingel- 
d<:untjes: 't oarde sinte gemiene aef huwsmanne pe- 
tear, in oarc katerye; 't efterste iz: Uymmelsch 
harp-Iuwd, dat is to sizzen, \jt)i|jcke fen Davids psal- 
men. 8e druk, ed. E. Epkema. Ljeauw. 1821. 4^ m. 
portr. (ƒ8,90) 6,— 

Epkkva, Woordenboek op de Gedichten enz. van 
Gysbert Japicx. Leeuw. 1824. 4°. (ƒ8,90) 5,— 

Dx Haan Hettehia, Proeve van een Friesch co Ne- 
derlandsch woordenboek. Leeuw. 1832. 1, — 

— ■ ■ ■ , Hints on the thesis „the old 
Friesic above all others the fons et origo of the old 
English. {Lond. 1856). 1,— 

Bendsen, Die Nordfriesische Sprache nach der Morin- 
ger Mundart, herausg. v. Prof. M, de Vriet, Leid. 
1860. 80. (ƒ6,—) 4,20 

GwiLT, Rudimcnts of a grammar of the Anglo-Saxon 
tongue. Lond. 1829. 8». (Zelden) 3,60 

Setmoub and Flüoel, General engl. and gcrm. glossary; 
coll. of words, pbrascs, names, cusloms, proverbs etc. 
wich occur in the engl. and scotsh poets from Ckau- 
eer. Leipz, 1835. imp 8». 5,20 

Sttstba, Friesche spraakkunst. 1,80 

Inleiding. Leeuw. 1854. — Klank- en Schrift- 
leer. Ze^tr. 1856. •— Woordenlcer. lc(ecnigst) 
stuk. 1862. 

Friesch jierboeckje. 6 wl. L. 1829—1835. S,— 

Txv Bboecke Hoekstba, Nuttigheid van dé taalken- 
nis der middeleeuwen, alsmede van die der oude 
Vricsen. (Zelden.) 2.-— 

John Bowbino, Brieven op een reize door Holland, 

Friesland en Groningen. Leeuw. 1830. (ƒ3,60) 1,90 

Hierin: Iets over de Friesche letterkunde. 

£y. Wassenbeboh, Taalk. bijjdragen tot den Frieschen 
tongval. 2 din. Leeuw. 1802. (ƒ4,—) 2,80 

— — — — — , Verhandeling over de eigennaamcn 
4er Fri^en. Fran, 1774. 1,— 



Voorts : Diverse geschriften in de Friesche taal ; pièees fugitivea betrekkel^k de 

gesohiedenis van JMesland, enz. enz.