(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us) Upload
See other formats

Full text of "Internationale avarij-grosse regeling"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



p 



w^ 



•- . - ■ ^ , 




INTERNATIONALE 






ACADEMISCH PROEFSCHRIFT, 



DOOR 



W. L. P. L MOLENGRUFF. 



& 



LEIDEN, 

S. C. VAX DOESBÜROH. 
1880. 



fe>5>° 




'• ■ \ 






INTERNATIONALE 



AVAEIJ-GROSSE REGELING. 



hKIDKN: BOKKDdUKRF.RU VAN L. VAN NIFTKRIR HZ. 



/ 



INTBMATIONALE 



AVARIJ-GROSSE REGELING. 



ACADEMISCH PROEFSCHRIFT , 



TBR VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN 




AAN DE RIJKSUNIVERSITEIT TE LEIDEN, 



OP GEZAG VAN DEN RECTOR-M AGNIPICÜS 



D«. H. KERN, 

HOOGLKEBAAS IN DE Ï-ACULTEIT D££ LKTTESÏN hü VIIJSBEGKKUIK, 



VOOR DE FACULTEIT TE VERDEDIGEN 



op Saterdag, den 2Ö8ten Maart 1880, des namiddags te 2 uren, 



DOOK 



ïillei LeonarJ Pieter ArilJ lleniraaff, 

GEBOREN TE NIJMEGEN. 



— •-<3öSC>-« 



^ . w « • - 



LEIDEN, 
S. C. VAN DOESBURGH. 






-■.:---: 1 



z %-■--- --- - - 



1880. ' ''':: /-- 'C^' 






^ .4 i# <■ ^ 



5^- 



THUNEWYORK 

FiJbLiCLiER..;.. 



1'. :7. 



„Nee erit alia lez Romae alia Athenis , sed et omnes gentes UDa 
lex eontincbit. 

Cicero. 









• *•• - .• 



.• • 



« ••• • 



• ••• • 
•• • •• 

« • 



• • • 









• • « • 












• • » • 



d 



(^fttf + * w i 



INHOUD. 



-K- 



Bladz. 
Verklaring vau eenige aanhalingeu xi 

loleiding 1 



EEKSTE HOOFDSTUK. 
Algemeene beschouwingen oTer ayarij -grosse. 

A f de el ia g I. Wat is avarij-grosse ? 4 

$ 1. Wat is eene avarij-grosse haodeling? 20 

§ 2. Welke gevolgen van eene avarij-grosse handeling zijn avarij-grosse? 43 

§ 3. Noodhavenkosten 47 

$ 4. Is redding uit gevaar een vereischte? 77 

Af de el ing II. Heeft het avarij-grosse recht nog reden van bestaan?.. 97 



TWEEDE HOOFDSTUK. 

Oeschiedenis der internationale ayarij -grosse beweging. 115 

$ 1 . Het congres te Glasgow 118 

§ 2. Het congres te Londen 135 



VUI I N II o U D. 

Bladz. 
f 3. Het avarij-grosse comité en het congres te York 141 

f 4. De congressen te Bremen en Aotwerpen 181 

f 5. Geschiedenis der laatste twee jaren 208 



DERDE HOOFDSTUK. 
Algemeene beschonwingen OTer de York-Antwerp-Bules. 239 



Bijlagen 815 

Stellingen 343 



VERKLARING VAN EENIGE AANHALINGEN. 



Beawes. W. Beawes, Lex Mercatoria, 6^"^ edit. by J. 

Chitty. 1813. 
Valin (Bécane). R. J. Valin, Commentaire sur rordonnance de 

la Marine par V. Bécane. 1828. 
PoTHiER. Traites sur diiférentes matières de droit Civil etc, 

par M. Pothier. 2^^ edit. 1781. 
Casaregis. L. M. di Ciu.*3^h, di^3ac'3i5 lo^ile^ d3 Gom - 

mercio. 1719. 
Verwer. Nederlandts Seerechten van Adriaen Verwer, 2^« 

druk. Amsterdam bij Jan Boom, 1716. 
V. D. Keessel. D. G. V. d. Keessel, Theses selectae juris Holl. 

et Zei. 1800. 
Emérigon (Boulay-Paty). Traite des Assurances et Contrats k la 

Grosse, d'Emérigon par P. S. Boulay-Paty. 1827. 
Frémery. A. Frémery, Etudes de Droit Commercial. 1833. 

Friqnet. e. Frignet, Traite des Avaries etc. 1859. 

Cauvet. J. V. Cauvet, Traite sur les Assurances Mari- 

times. 1862. 
DiEPHuis. G. Diephuis, Handboek voor het Nederlandsch 

Handelsrecht. 2^0 ed. 1874. 
Kist. J. G. Kist, Beginselen van Handelsrecht. 1875. 



X 



DE COUBCY. 



PÖHLS. 



Levy. J. A. Levy, Het Alg. Duitscho Handels wetboek 

vergeleken met het Nederlandsche Wetb. van 

Kooph. 1869. 
A. de Courcy, Questions de droit maritime. 1877 

en 1879. 
Darstellung des Scerechts nach gem. und Ham- 

burgischen Rechte etc. von M. Pöhls. 1830. 
V. Ealtenborn. C. y. Kaltenborn, Grundsatze des praktischen 

Europaischen Scerechts etc. 1851. 
Tecklenbobg. H. Tecklenborg, Handlexikon fur Rheder, Rhede- 

rei und Shiffscapitaine. 2d« ed. 1863. 
NoLTE. Wilh. Benecke's System von See-Assekuranz- 

und Bodmerei-Wesens, von Y. Nolte. 1851. 
Abbot (Shee). C. Abbot (Lord Tenterden). A treatise of the 

law relative to Merchant ships and Seamen. 

6Je edit. by W. Shee. 1840. 
Abnould (Maclachlan). Amould, on the law of Marine Insu- 
rance. 5'^e ed. by D. Maclachlan. 1877. 
Baily. L. R. Baily, General Average. 2^^ edit. 1856. 

Stevens (Phillips) | Treatises on Average and Adjustments of 
en l losses in Marine Insurance, by Stevens and 

Benecke (Phlilips). I Benecke, with notes by W. Phillips. 1833. 



LOWNDES. 



Phillips. 



Flandebs. 



R. Lowndes, The law of General Average. 3^* 

ed. 1878. 
W. Phillips, A treatise of the law of Insurance. 

4de edit. 1854. 
A Treatise on maritime law by Flanders. 



INLEIDING. 



-5i- 



Onder de pogingen in den jongsten tijd gedaan om 
eene internationale regeling van onderwerpen van han- 
dels- of zeerecht tot stand te brengen, meen ik dat 
zeer zeker die tot internationale regeling van het avarij- 
grosse recht de behandeling overwaard is. Komt toch 
zulk eene regeling tot stand dan zal er een hoogst 
belangrijk resultaat op het gebied der uniformiteit van 
het zeerecht verkregen zijn. Het is dan ook mijn 
doel de geschiedenis der beweging, die zich ten aan- 
zien van dit vraagstuk heeft geopenbaard, in dit proef- 
schrift zoo nauwkeurig mogelijk te schetsen, en de 
door haar verkregen resultaten aan de eischen van 
het recht en de praktijk te toetsen. 

Alvorens hiertoe overtegaan zal ik een antwoord 
trachten te geven op de vragen: wat is avarij -grosse ? 

1 



en heeft avarij-grosse in de tegenwoordige tijdsomstan- 
digheden nog recht van bestaan? eene vraag, in de 
laatste jaren meer dan eens ontkennend beantwoord. 
Aan de behandeling der noodhavenkosten is hierbij 
van zelt eene eenigzins grootere plaats ingeruimd, 
immers deze hebben aanleiding gegeven tot twee geheel 
verschillende stelsels, the physical safety en 
the common benefit theorie, aan wuer bestaan 
wederom de internationale avarij-grosse beweging hoofd- 
zakelijk haar aanzijn te danken heeft. Over het alge- 
meen zal ik mij bij de beantwoording dezer vragen 
voornamelijk bezig houden met het jus constituen- 
dum, als van het meeste belang met het oog op het 
te behandelen hoofdonderwerp , daar men mag aannemen 
dat bij het ontwerpen eener nieuwe wet het jus c o n- 
stituendum gewoonlijk een beter richtsnoer zal zijn 
dan het jus constitutum. 

Van zeeassurantie zal natuurlijk in dit proefschrift 
geen sprake zijn. 't Is toch eene geheel verkeerde 
opvatting avarij als een onderdeel van de leer der 
verzekeringen te beschouwen. Vooral zijn Yivarij -grosse 
en assurantie twee geheel verschillende rechtsinstituten 
die niets met elkander te maken hebben en geenzins, 
zooals zoo dikwijls gebeurt, met elkander verward 
moeten worden. Avarij-grosse, die reeds lang bestond 
voor dat de verzekering bekend was , en ook nu nog 
zeer goed zonder verzekering zou kunnen bestaan, 
vindt haren oorsprong in het recht, haren grondslag 
in de wet en bestaat dus onafhankelijk van eenig 
beding van partijen. Zij regelt de rechtsbetrekkingen 



die, wanneer iemands eigendom opgeofferd is tot ge- 
meen behoud van schip en lading, ontstaan tusschen 
al de daarbij geinteresseerde personen. Verzekering 
daarentegen kan slechts ontstaan uit eene overeen- 
komst tusschen hem, wiens eigendom aan zeegevaar 
is blootgesteld (den verzekerde) en den verzekeraar of 
hem, die de schade daardoor aan dat eigendom even- 
tueel te lijden , belooft te vergoeden ' ). Het eenige 
verband dat er tusschen deze twee onderwerpen bestaat 
is dit, dat ook de verzekeraar bij eene goede regeling 
van het avarij-grosse recht, een niet te loochenen en 
dikwijls direct belang heeft. 

Alvorens ik tot mijne bescheiden taak overga voel 
ik mij nog gedrongen mijnen oprechten dank te betui- 
gen aan Prof. Van Boneva l Faure, mijnen hoog 
geschatten promotor , Prof. Asser , Mr. E. N. Rahusen 
en Dr. C. H. H. Franck uit Lubeck, voor de wel- 
willende wijze , waarop zij mij door hunne inlichtingen 
en het afstaan van vele onuitgegevene of zeldzame 
bescheiden, in staat stelden mijn onderwerp zoo vol- 
ledig mogelijk te behandelen. 



1) Zie over het verschil tusschen avarij-grosse ea verzekering v. Kaltenborn 
II i 160, 162 en 186. 



EERSTE HOOFDSTUK. 



Algemeene beschouwingen over avarij-grosse. 



Afdeeling I. 
Wat is avarij-grosse? 

Van alle deelen van het handelsrecht is er zeker 
geen waarover de meeningen der geleerden meer verdeeld 
zijn als over het avarij-grosse recht, is er zeker geen 
waaromtrent de wetboeken der beschaafde naties eene 
bontere schakeering van verschillende en dikwijls tegen- 
overgestelde bepalingen bevatten. Toch is het beginsel, 
waarop het geheele avarij-grosse recht rust, eenvoudig 
en duidelijk, en bij alle schrijvers over dit belangrijk 
onderwerp onbetwist. Het is de reeds bij de Romeinen be- 
kende en door hen in 1. 206 Dig. de R. I. 50, XVII ge- 
huldigde rechtsregel : „jure naturse aequum est, neminem 
cum alterius ditrimento et i/duria fieri locupletiorem" '), 



1) Verg. Kaines, Principia eqaitatis II bl. 410. Stevens (Phillips) bl. 60. 



D 



die men dan ook met andere woorden terugvindt in 
de oudste rechtsbron die wij van dit deel van het 
zeerecht bezitten. Immers de beroemde lex rhodia 
DE JACTU, die waarschijnlijk tot de 7<^« eeuw v. Ch. 
teruggebracht moet verorden en tot ons is gekomen in 
de Pandecten, waarin Justinianus haar liet opteeke- 
nen, bepaalt ,,ut omnium contributione sarciatur , quod 
pro omnibus datum est" ') en zegt vervolgens: ,,aequissi- 
mum enim est , commune detrimentum fieri eorum, qui 
propter amissas res aliorum consecuti sunt, ut merces 
suas salvas haberent" ^). 

Frignet (I, n\ 298) zegt dan ook: ,,Son véritable 
fondement est dans ce principe d'équité naturelle qui 
défend de s'enrichir au détriment d'autrui, et qui veut 
que quiconque a directement ou indirectement profité 
d'un sacrifice volontairement fait dans son intérêt, 
soit tenu d'indemniser celui qui en a souffert." Cauyet 
(II n". 337) komt echter tegen deze leer op : ,,ce n'est pas" 
zegt hij ,,d'une raison impérieuse d'équité que dérive 
Tavarie commune; c'est l'intérêt de la navigation qui 
Ta fait nattre et qui Ta introduite dans la législation 
de tous les peuples navigateurs." Indien men slechts 
op billijkheid let, welnu dan is eene verhooging van 
de vracht voldoende als equivalent voor de lasten , die 
op den schipper rusten, en avarij-grosse overbodig. 
Be inladers kunnen evenmin jegens elkander ver- 
bonden zijn, noch door de cherte-partij , noch door 



1) Big. xiv. 2. 1. 

2) Dig. XIV. 2. 2 pr. i. f. Zie Kist. V. bl. 325. 



een quasi-contract , want dit laatste ontspruit volgens 
art. 1371 C. Civ. slechts uit : „un fait purement volontaire 
de rhomme, (d'oü natt un engagement)", en de inlader 
handelt hier niet , noch de schipper voor hem. Ook de 
meening dat de kapitein een negotiorum gestor 
is van de gemeenschap, gaat, zijns inziens, niet op, 
want gemeenschap is hier slechts „une figure de lan- 
gage'' en de kapitein meer dan een negotiorum gestor nm. 
de mandataris van de inladers, die als zoodanig eene 
opoffering der lading mag doen , ten minste wanneer 
de noodzakelijkheid die rechtvaardigt. Tot zoover de 
redeneering van c au vet, die door de geschiedenis 
van het avarij -grosse recht geheel weerlegd wordt. 

Indien wij toch deze nagaan, dan zien wij dat de 
avarij-grosse wel degelijk haren oorsprong vindt in een 
contract, in zooverre namelijk als zij oorspronkelijk 
het gevolg was van eene afspraak die tusschen de 
kooplieden , welke, oudtijds met hunne goederen mede 
aan boord gingen, en den schipper onder den drang 
van een dreigend gevaar gemaakt werd , krachtens 
welke de laatste gerechtigd werd goederen tot gemeen 
behoud te werpen ') onder beding dat aan den eigenaar 
de schade vergoed zou worden door de overige be- 
langhebbenden. Een gevolg van de noodzakelijk- 
heid ^), werd deze overeenkomst, omdat de billijkheid 



1) Werping staat hier in het algemeen als type voor eene avarij-grosse 
schade. 

2) Zeer schoon drukt prignet (1. s. c.) dit uit: ^Ce u'est pas une insti- 
tution de la loi dont on puisse prodaire Tacte de naissance. Sou origine est 



of liever gezegd het recht (want recht en billijkheid 
laten zich hier niet scheiden) dit eischte, ook door de 
wet en wel het eerst door de lex Rhodia gesanctio- 
neerd en tot een rechts-instituut verheven, 
zoodat ook zonder voorafgaande overeenkomst , er steeds 
avarij-grosse bestaat, wanneer de schipper een, door den 
drang van het oogenblik gewettigde opoffering , verricht. 
De toestemming der kooplieden werd derhalve geheel 
overbodig. In de Middeneeuwen toen er nog geene 
codificatie bestond volgens een bepaald systeem, maar 
slechts de costumen van groote handelsplaatsen werden 
opgeteekend , treedt ook weer dit oorspronkelijk karak- 
ter van de avarij-grosse nm. overeenkomst, meer op 
den voorgrond, en worden er zelfs bepaalde formali- 
teiten voorgeschreven, door de kooplieden en den 
schipper te vervullen, voor inen tot de werping 
mocht overgaan, om van de toestemming dier koop- 
lieden te doen blijken '). Toen het later hoe langer 
hoe zeldzamer werd dat de kooplieden of gemachtigden 
van hunnentwege (supercargo) de reis op het schip 
mederaaakten, moesten deze formaliteiten natuurlijk 
vervallen en werd de kapitein de stilzwijgend door de 
inladers gemachtigde persoon om in tijd van nood 
dergelijke opofferingen te doen. Daarom moet men den 
schipper , in het algemeen wanneer hij eene avarij-grosse 



aussi ancienne que la navigation. £lle remoate au jour oü, pour la première 
fois, pressés par la tempête, des navigateurs ont abattu lenr mUts ou jeté 
a ]a mer nne partie de la cargaison pour sauver leur vie et leur fortane. 

1) Waterr. van Damme a. 8. Röles d'Oléron a. 8. Costumen van Amsterdam, 
Enckhuyzen en Staveren a. 2. Consol. del. Mare. cap. XLIV. 



8 

handeling ') verricht, niet beschouwen als handelende 
in zijne hoedanigheid van schipper maar in die van 
gemachtigde of nog beter van negotiorum gestor van 
alle belanghebbenden '). 

Bij de toenemende scheepvaart der laatste eeuwen, 
werd het bestaan van avarij-grosse langzamerhand ook in 
die steeds meer en meer voorkomende gevallen erkend , 
welke analoog waren met de reeds bestaande, en 
waarvoor dus de billijkheid een zelfde recht eischte. 
Avarij-grosse, oudtijds het gevolg eener overeenkomst 
tusschen schippers en kooplieden , vindt dus wel dege- 
lijk haren grond in het recht, in dat wat cauvet 
„une raison impérieuse d'cquité" noemt '). 

„There is abundant evidence that suchhas, in fact 
been the origin of General Average. In the modern 
way of conducting commerce, however, some very 
different justification of this practice ouglit to be found, 
if it is to be defended, not on the mere ground of 
keeping up an ancient custom , but as a thing suitable 
to existing times.'' Aldus lezen wij in eene brochure, 
getiteld : „ General Aoerage^ Remarks on the practice of 
Lloyd's as to expenses at an intermediate ])ort, {TAver- 



1) Avarij-grosse handeling beteekent hier en verder elke handeling , die 
aanleiding geeft tot een' omslag der daardoor veroorzaakte schade of onkosten 
in avarij-grosse. 

2) Evenzoo beschoawt Lowndes, bl. 14, den schipper, wanneer hij eene 
avarij-grosse handeling verricht „not as servant of the shipowner, bat as the 
„ „servant of neccessity"" or of all those who are in danger." Zie: de Courcy 
I bl. 420, die de theorie van Caavet op zeer scherpzinnige wijze bestrijdt. 

8) Bij Arnoald (Maclachlan) II bl. 813 lezen wij: „introduced and justified 
by expidicncy, and sanctioned by the principles of uataral quity, this law 



9 

pool 1862)" '). De schrijver tracht vervolgens aantetoonen 
dat , daar in den tegenwoordigen tijd het bestuur over het 
schip met de lading aan één persoon, den schipper, is toe- 
vertrouwd , deze ook uit den aard der zaak het absolute 
recht heeft alles voor het behoud daarvan te doen, des 
noodig dus goederen of scheepstoebehooren over boord 
te werpen , of anderzins op te offeren en buitengewone 
onkosten te maken. Hieruit zou volgen dat er geen 
abstracte rechtsgrond voor eencn omslag in avarij -grosse 
kan bestaan , daar de schade, aan den eigenaar der 
goederen toegebracht door den schipper, omdat deze 
gerechtigd was dat te doen, onder de toevallige zee- 
schade behoort gerangschikt en dus door dien eigenaar 
alleen gedragen te worden. De conclusie luidt dan ook 
dat de ^very great practical utility" ^) de eenige reden 
is die , in onzen tijd , het bestaan van zulk een excep- 
tioneel recht, als het avary-grosse recht blijkbaar is, 
kan rechtvaardigen. 

Ook Lowndes komt tot deze slotsom in eene brochure 
van zijne hand, te vinden in de „ Transactiov^ of the 
International General Aoerage Committee. constituted at 
Londen^ on the W^ June 1862", en wel door uitslui- 
tend te letten op de natuur van het bevrachtingscon- 
tract. Op grond daarvan kent ook hij den schipper 



(the General average law) appears from various circamstances to be regarded 
by tbe laws of England as founded upon an implied contract between the 
coadventarers entered into in the eve of the ezpedition." 

1) BI. 10 V. 

2) T. a. p. bl. 11 en 28 v. 



10 

het recht en de maxïht toe, om opofferingen te maken 
en buitengewone uitgaven te doen, altijd binnen de 
grenzen van eene door de fortuinen der zee in het 
leven geroepen noodzakelijkheid en tot het behoud van 
de hem toevertrouwde goederen. 

Evenzoo Mr. kahusen '): ^Indien de stellingen van 
het burgerlijk recht op het vrachtcontract worden toe- 
gepast is er voor avarij-grosse geen plaats. Indien men 
bij de leer der avarij-grosse naar een grondslag zoekt 
dan moet die in het belang van den zeehandel wor- 
den gezocht.'* 

Volgens mijne bescheidene meening bestaat er daar- 
entegen, ook nog tegenwoordig nu men niet meer 
van eene overeenkomst kan spreken, wel degelijk een 
rechtsgrond voor avarij-grosse. Volgens algemeene 
rechtsbeginselen toch kan niemand ooit verplicht zijn 
de schade te vergoeden, welke een ander door toe- 
vallige omstandigheden lijdt, zelfs al trekt hij zelf daar- 
uit voordeel, alleen omdat hij niet handelend ingegre- 
pen heeft in het recht van dien anderen persoon. Is 
die schade echter aan zijne schuld of nalatigheid te 
wijten, dan zal hij zeer zeker, ook zonder daardoor 
bevoordeeld te zijn, tot vergoeding aangesproken kun- 
nen worden, om de eenvoudige reden dat zijn wil, 
dus zijne handeling, die schade heeft doen ontstaan, 
oi althans het ontstaan daarvan, niet verhinderd heeft. 



1) Verslag van de vergaderingen over de Internationale avarij-grosse rege- 
ling gehouden te Antwerpen in 1877, bl. 6. 



11 

waar het in zijne macht was of tot zijne verplichting 
behoorde dit te doen. Slechts in die gevallen is het 
billijk hem van deze verplichting te ontslaan, waarin 
men kan spreken van noodrecht. Dit recht bestaat 
o. a. dan, wanneer men iemands goed opgeofferd of 
hem schade berokkend heeft om een hooger recht van 
dienzelfden persoon of van meer andere personen te 
redden. 

Slaat men bijv. de ruiten van een huis in, ten einde 
een daarin uitgebroken brand te blusschen of menschen 
of goederen daaruit te redden, dan is het duidelijk 
dat de daardoor toegebrachte schade niet vefgoed be- 
hoeft te worden. De handeling toch, die de schade 
veroorzaakt staat hier niet als eene voleindigde han- 
deling op zich zelf, maar is het middel om eene recht- 
matige redding te verrichten. Wat anders schade zou 
zijn, zijn nu de onkosten eener rechtmatige handeling. 
De kosten komen daarom ten laste van hem wien de han- 
deling bevoordeelt. Anders zou men met recht kunnen 
zeggen : „ summum jus, summa injuria^'; wat in het 
algemeen recht is, zou in dit geval onrecht zijn. 

Brengt men dit nu over op het zeerecht, dan volgt 
hier duidelijk uit, dat de schipper steeds aansprakelijk 
moet zijn voor de door hem toegebrachte schade aan 
de hem toevertrouwde eigendommen (ook aan het schip 
wanneer hij niet tevens reeder is) tenzij hij zich kan 
justifieeren met een beroep op het noodrecht. Daarom 
heeft hij de bevoegdheid in hoogen nood en bij dreigend 
gevaar zulke schade toe te brengen en zulke uitgaven 
te maken, als hij denkt dat het meest geschikt zullen 



12 

zijn om dat gevaar af te wenden, zonder voor ver- 
goeding aansprakelijk te worden. Daar hij deze han- 
delingen echter altijd verricht om alle andere aan hem 
toevertrouwde dikwijls zeer kostbare goederen te red- 
den, is ook niets rechtmatiger dan dat de eigenaars dezer 
goederen, in wier belang toch de schade werd toege- 
bracht, de aansprakelijkheid van den schipper over- 
nemen '), en de geleden schade pro rata parte ver- 
goeden ^). In geval van uitgaven tot gemeen behoud, 
zijn tevens gewoonlijk, zooals zonder twijfel bij af- 
brenging, alle elementen van negotiorum gestio aan- 
wezig. Hèt bevrachtingscontract kan aan deze beschou- 
wing nooit in den weg staan. Het legt den reeder de 
verplichting op om de goederen te vervoeren en in 
't bizonder voor het behoud daarvan alle mogelijke 
zorg te dragen, zoodat alleen overmacht (d. i. iets dat 
werkt onafhankelijk van den wil of van eenig verzuim 
van den schipper) of schuld en nalatigheid van den 
eigenaar hem van de aansprakelijkheid voor beschadi- 
ging of verlies ontheft. Zelfs na eene opoffering ten 
algemeene nutte zou hij dus aansprakelijk zijn, indien 
niet in het algemeen het noodrecht zulk een daad 



1) Zeer juist bepaalt 1. 2 Dig. de leg. Bhod. dat de schipper de schade 
aan den eigenaar vergoeden moet, maar schadeloosstelling van de overige 
inladers kan vorderen. „Si laborante nave jactus factus est, amissarnm 
merciam domini, si merces vehendas locaverant, ex locato cum magistro 
navis agere debent; is deinde cam reliquis quoram merces salvae sunt, ex 
conducto, ut detrimentam pro portione commnnicetur, agere potest.'^ 

2) Volkomen dezelfde beginselen ziet men in het landrecht toegepast bij 
onteigening ten algemeene nutte, vooral bij die welke plaats heeft bij besmet- 
ting, oorlog, brand of watersnood. 



13 

justifieerde. Ook door op het bevrachtingscontract te 
letten, kan men op dezelfde gronden als boven ontwikkeld, 
slechts tot de conclusie komen dat alleen het recht, 
het jus naturae, de grondslag van de leer der avarij- 
grosse kan zijn '). 

De eenvoudige regel : „ nemo debet locupletari aliena 
jactura^' geeft nu wel den rechtsgrond van het avarij- 
grosse recht aan, het raison d'être van zijn bestaan, 
maar bepaalt geenzins wat avarij-grosse eigenlijk is, 
m. a. w. hij geefk ons geene definitie. Hij is het ant- 
woord op de vraag: waarom is er avarij-grosse? niet 
op die: wat is avarij-grosse? 

Voor ik tot de beantwoording hiervan overga, zal 
ik eerst even stilstaan bij de beteekenis en afleiding 
van het woord avarij-grosse. 

Avarij beteekent zeeschade^); avarij-grosse is dus 
het best te vertalen door gemeene zeeschade d. i. 
die zeeschade welke volgens de wet gemeen wordt, 
m. a. w., ten laste komt van de gemeenschap die in 
casu bestaat tusschen het schip, de vracht en de la- 
ding, in plaats van gedragen te worden door hem die 
ze onmiddellijk lijdt, in welk geval men van avarij- 
particulier spreekt. Avarij -particulier heeft slechts be- 



1) Verg. Dr. C. H. H. Frauk. Bericht über die Bestrebungen die üebereiu- 
stimmung des Havarie-grosse-Rechtes aller Schiffahrt t reibenden Völker herbei 
zn führen, 1879. bl. 57 v. Hij zegt o. a. : „der tiefere sicbere Grund auf dem 
die Havarie-grosse selbst beruht, ist namlich der, das Niemand berecbtigt ist, 
voQ einem Andern eine Leistung ohue Entschadigang za verlangen." Geheel 
anders denkt Rathbone er over in eene brochure in meergenoemde Transac- 
tions o. th. Int. Gen. Av. Com. 

2) Bijnkershoek. Quest. juris priv. IV. cap. XXIV bl. 470 v. Kist V. bl. 309. 



14 

teekenis als tegenstelling van avarij- grosse en omvat alle 
schade door wie ook bij eene zeereis geleden, welke, vol- 
gens hetgeen hier verder ontwikkeld zal worden, niet in 
avarij-grosse valt. Dikwijls wordt avarij -grosse ook gebe- 
zigd om de handeling die daartoe aanleiding geeft, of 
wel om den omslag van de schade aan te duiden '). 

De afleiding van het woord „ avarij ^^ is nog steeds 
niet met zekerheid te bepalen. Wel mag men aan- 
nemen dat die verkeerd is, welke nog uit den tijd 
dagteekent, dat men alles van het Grieksch wilde af- 
leiden en dus avarij liet afkomen van het woord 
(3xpog „ last'\ waardoor i(3xpog „ zonder last*' zou be- 
teekenen, omdat een schip, na werping, een gedeelte 
van zijnen last mist '), welke echter van de drie aflei- 
dingen, die men tegenwoordig geeft, de voorkeur ver- 
dient, daaromtrent kan men in dubio verkeeren. 

Wat de eerste betreft deze is, daarop gebaseerd dat 
het woord „ avere'' of „ havere'' in de beteekenis van 
ons „goederen" of „have'' reeds in eene zeewet van de 
stad Pisa van het jaar 1160 en evenzoo in latere Itali- 
aansche wetten voorkomt, lang voordat dit woord in 
de overige deelen van Europa bekend was. Men zoekt 
het dan ook te vergeefs in andere zeewetten uit dien 
tijd, zooals het Consolato del Mare en de Roöles d'Oléron, 
wat zeker wel het beste bewijs is tegen hen, die aan 
het woord avarij een' Germaanschen oorsprong toeken- 



1) DuidelijkBhalve zullen wg in die gevallen zoo veel mogelijk van avarij- 
grosse handeling en avarij-grosse omslag spreken. 

2) Zie Qnintijn Weytsen. Tractaet der Avargen. ed. 1664 bl. 1. ed. Verwer 
van 1716. bl. 229 $ 17. 



15 

nen, als komende van het Fransche woord: „hê-vre'', 
of van het HoUandsche ^haven'^ of Duitsche „ hafen ').'' 

De Guidon de la mer is de eerste Noord-Euro- 
peesche wet waar dit woord in voorkomt, nu echter 
geschreven: „averia," „avaria'' en „averaggia'' (van 
avere en agio) en evenals in de latere Italiaansche 
wetten, te beginnen met die van Genua van 1341, in 
de beteekenis van uitgave ten gemeene bate of ook 
wel van omslag. De afleiding van het Italiaansche 
woord „ aver, avere, averie'^ ligt dus voor de hand ^), 
en misschien is de stelling niet te gewaagd dat het 
een^ zelfden wortel heeft met het latijnsche woord: 
„habere,^' hebben. Hoe men er toe is gekomen om de oor- 
spronkelijke beteekenis van het woord „haver (have)'* 
zoo geheel te wijzigen wordt zeer scherpzinnig aange- 
toond door DE FRÉMERY (bl. 200). Ik kan dan ook 
niet beter doen dan naar hem en naar lowndes (bl. 
270 V.) te verwijzen. 

Dr. DOZY heeft eene andere afleiding gegeven in 
zijn: „Oosterlingen'' (bl. 22)^), en wel eene van het 
Arabische woord : 'a w ê, r , bederven. Van de Arabieren 
zou het door de Italianen tot ons zijn gekomen; 
'awèr toch, leert hij ons, is hetzelfde woord als 
het Italiaansche a varia. David maclachlan geeft weer 
eene andere. Hij bestrijdt in de door hem bezorgde 5^** 
editie van Arnould's Law of Marine Insurance (deel 



1) V. Kaltenbarn II bl. 52—55. Verwer 4de dr. 1764 bl. 220 en 252 v. 

2) Zie hierover uitvoeriger: Lowndes bl. 270 v. Fardessus u^, 781. v. Kal- 
tenborn II bl. 55. Frignet 1 § 286—288. 

3) Zie ook Kist, V. bl. 309. 



16 

II bl. 880—887) de door lowndes (t. a. p.) ver- 
dedigde afleiding van „aver'' en tracht op eene zeer 
ingenieuse wijze aan te toonen, dat de Romeinen het 
woord a ver si o (afwending) gebruikten om eeneavarij- 
grosse handeling (waardoor men immers tracht het ge- 
vaar af te wenden) aan te duiden. Men vindt het 
woord evenwel in de Pandecten niet anders dan in de ad- 
verbiale vormen, in, ex en per aversionem (Dig. 
XVIII, 1, 1. 62 i. f. e. a. 1.), en dan nog nooit in de 
door hem vooronderstelde beteekenis. Dit woord aversie 
nu zou door den loop der tijden afgesleten en vervormd 
zgn tot het tegenwoordig gebruikelijke a va rij, dat 
overigens dezelfde beteekenis behouden heeft *). 

Bij zulk een verschil van meening onder de be- 
roemdste schrijvers over dit onderwerp, zal ik het niet 
wagen eene beslissing te geven, maar die liever over- 
laten aan de in deze meer bevoegde taalkundigen ^). 

Is de afleiding van het woord averij reeds de aan- 
leiding geweest tot zooveel strijd onder de geleerden, 
nog meer is dit het geval met de definitie van avarij- 



1) V. Kaltenborn, II bl. 55 slaat deze afleiding reeds voor als de voorlceur 
verdienende boven die van a v e r a r e (van Marshall, on Insurance bl. 535), 
indien men ten minste eene afleiding uit het Latijn wil, waar hij zich juist 
niet mede kan vereenigen. Maclachlan komt dus de eer niet toe, welke Lown- 
des (t. a. p. 270) hem geeft, in deze de eerste geweest te zgn. 

2) Boxhorn leidt in z^'nc Epistola ad Vinnium (in Verwer's Seerechten) avarij 
af van het Scytische woord : A b a r , bebouwd , bewoond. Zie voorts Marshall 
1. c, Pöhls III $ 440 bl. 625. Flanders bl. 232 Tecklenborgbl. 197 v. Eméri- 
gon (Boulay-Paty) cap.' XII, S. 39 § 4. Stevens (Phillips) bl. 56 noot 1. 
Casaregis disc. 45 § 1. Valin (Bécane) II bl. 443. Levy bl. 715. De Vicq, 
aant. op Quityn "Weytsen by Casaregis II bl. 15. 



17 

grosse. De vele schrijvers over deze materie toch geven 
bijna allen verschillende definities. Verwonderen kan 
ons dit echter niet indien wij nagaan, hoe met de 
tegenwoordige hooge vlucht, die de zeehandel en stoom- 
vaart genomen hebben, de gevallen die aanleiding kun- 
nen geven tot een^ omslag in avarij-grosse oneindig 
talrijker zijn geworden, en met deze ook die welke tot 
dubia en tegenovergestelde beslissingen kunnen leiden. 
Neemt men hierbij in aanmerking dat het zeerecht zich 
na de 15^^ eeuw bijna bij alle handeldrijvende naties 
zelfstandig en daarbij dikwijls, door welke invloeden 
dan ook, in geheel verschillende richting ontwikkeld 
heeft, zoodat geheele categoriën van gevallen in het 
eene land avarij-grosse, in het andere land avarij-par- 
ticulier zijn, dan is het te begrijpen dat de schrij- 
vers, door het verschillende standpunt waarop zij ston- 
den, tot eene verschillende definitie moesten komen, 
want het spreekt van zelf dat het jus constitutum, niet 
zonder invloed bleef op de beantwoording der vraag, 
wat in deze recht moet zijn. 

In de Pandecten vindt men geen definitie van avarij- 
grosse. De Romeinen hebben trouwens nergens in hunne 
wetten en geschriften veel werk gemaakt van definities, 
en in deze materie was dat ook niet noodig. Tengevolge 
van de geringe scheepvaart kwamen er in hunnen tijd 
nog weinig avarij-grosse gevallen voor en wanneer 
men al tot zulk eenen omslag overging, dan geschiedde 
dit gewoonlijk wegens eene vooraf tusschen den schip- 
per en de kooplieden aangegane overeenkomst of ge- 



18 

maakte afspraak. De Pandecten gaven slechts eene 
wettelijke sanctie aan dat wat reeds langen tijd bij 
Rhodiërs en Grieken gewoonterecht was geweest '). 

In lateren tijd ging natuurlijk hand aan hand met 
eene steeds toenemende uitbreiding van de scheepvaart 
eene gelijke uitbreiding van het avarij-grosse recht. 
Het karakter van overeenkomst zien wij langzamer- 
hand uit de Middeneeuwsche wetten verdwijnen; wel 
wordt de toestemming van de medevarende koop- 
lieden nog vereischt, maar wordt deze niet verkre- 
gen dan mag de kapitein reeds onder eigene verant- 
woordelijkheid werpen, en bestaat er ook dan eene 
avarij-grosse handeling ^). Het avarij-grosse recht begon 
nu ook meer de aandacht der juristen te trekken en 
werd vooral door Hollanders bestudeerd, zoodat wij 
ook de oudste definitie bij een' Hollander, bij Quintyn 
Weytsen vinden '). Tegenwoordig voldoet zij echter 
niet meer, daar na hem het recht steeds ingewikkel- 
der, de wetten steeds uiteenloopender, en de schrijvers 
over deze materie steeds talrijker zijn geworden. Om 
deze reden en om de weinige eenstemmigheid die er 
tusschen de meeste schrijvers en zelfs in de praktijk 
(Baily pref. zegt : „ even professional adjusters differ on 
principle'') bestaat, meen ik dat het niet overbodig zal 
zijn de definities van avarij-grosse gegeven nog met eene 



1) Jul. Paulli Sent. II. 7. Dig. XIV. 2. 

2) Róles d'Oléron a. 8. Gons. d. 1. Mer. Con. LIV. cap. 281 u9. O^Wisbuy 
Seer. a. 38. 

3) Deze definitie luidt : Schaden die men gewillighiick ende voluntairement 
doet aan 't schip ofte goeden, om meerder eude apparenter hinder te beschutten. 



19 

te vermeerderen. Ik zal dit doen alleen met het oog 
op het jus constituendum, zonder eenige bestaande wet 
tot grondslag te nemen of mij met de verklaring daar- 
van bezig te houden. Dit toch heeft de meeste schrij- 
vers over dit onderwerp belet een zuiver juridisch 
standpunt in te nemen, en is grootendeels de oorzaak 
van het bestaande verschil van opinies. 

Eene definitie van avarij-grosse, wil ze goed zijn, 
moet behalve duidelijk en beknopt, van dien aard zijn, 
dat men voor elk voorkomend geval, door het aan haar 
te toetsen, tot de beslissing kan komen of men hier 
al of niet met de eene of andere soort van avarij heeft 
te doen. Zij moet daarom ook al de vereischten noemen, 
die aan de handeling of daad, die de schade of de 
kosten veroorzaakt, zulk een karakter geven, dat eene 
omslag van die schade of kosten in avarij-grosse ge- 
rechtvaardigd wordt. 

Nu stemmen wel alle schrijvers daarin overeen, dat 
slechts die schade avarij-grosse moet zijn en dus pro 
rata over schip, lading en vracht omgeslagen worden, 
welke opzettelijk tot behoud van deze drie zaken ge- 
maakt is, maar daarmede worden de vereischten, zonder 
welke de door den schipper verrichte handeling geene 
aanleiding tot avarij-grosse kan geven, niet juist genoeg 
aangeduid. Deze definitie is dus te vaag en laat te 
veel verschillende interpretaties toe'). In hoeverre moet 
die schade een gevolg van de avarij-grosse handeling 



1) Benecke (Phillips) zegt o. a.: „All those laws, may, therefore, be said 
to establish the samc general principles; viz. that a saerifice made fur 



20 

zijn om nog als avarij-grosse vergoed te worden? Is 
redding uit het gevaar een vereischte zonder hetwelk 
geen avarij-grosse kan bestaan? Op deze en meer vra- 
gen geeft die definitie geen antwoord. In een woord, 
zij is van dien aard dat, niettegenstaande allen met 
haar instemmen, toch geheel tegenovergestelde opinies 
met een beroep op haar verdedigd kunnen worden, als 
het de vraag geldt of in easu al of niet avarij-grosse 
bestaat. 

Daarom zal ik, alvorens eene andere meer preciese 
definitie te geven, ten eerste nagaan wat eene avarij- 
grosse handeling is, om vervolgens te onderzoeken 
welke gevolgen daarvan in avarij-grosse vallen en in 
hoeverre redding uit het gevaar een vereischte moet zijn. 

§ 1. Wat is eene avarij-grosse handeling? 

Om op deze vraag een goed antwoord te kunnen 
geven, moeten wij eerst de voor die handeling onmis- 
bare elementen nader beschouwen. 

Deze elementen, vier in getal, zijn de volgende: 
1\ De handeling moet het e enig e middel zijn waar- 
door men het gevaar van geheel verlies meent te 
kunnen afwenden. 
2\ Zij moet opzettelijk en 



the preservation of the ship and cargo is genera! average. Bat the coa- 
sequences dedueed by legislators and commentators from this apparently 
simple rule, differ materially from each other and this is not at all snrprising, 
if we consider, in what different senses the word sacriiice and preservation 
may be taken." (bl. 96 v.) 



21 

3\ tot redding van schip en lading verricht 

worden. 
4\ Het moet eene buitengewone handeling zijn. 

Ad 1^"^. De handeling moet het eenige middel zijn 
waardoor men het gevaar van geheel verlies meent te 
kunnen afwenden. 

Alle schrijvers en wetgevingen stemmen hierin over 
een dat gevaar een der elementen van avarij-grosse 
is; over de vraag hoe groot dat gevaar moet zijn be- 
staat daarentegen niet zulk eene eensgezindheid. 

De aanhangers der „jeopardy'' theorie sluiten elk 
gevaar uit dat zoo dreigend is, dat het slechts afge- 
wend kan worden door het doen van eene bepaalde 
opoflfering of het toebrengen van eene bepaalde schade. 
Zij nemen slechts dan het bestaan van eene avarij- 
grosse handeling aan, als de opoffering geschiedt terwijl 
er nog een ander middel bestaat om hetzelfde doel, 
redding uit gevaar, te bereiken '). Er moet volgens 
hen een alternatief bestaan of zooals stevens zegt *) : 
„the thing intended to be destroyed must be expressly 
selected for that purpose.'' Deze toestand noemen zij dan: 
„a state of jeopardy," van daar de naam „jeopardy'' 
theorie. Benecke is haar voornaamste verdediger. Bij 
hem lezen wij o. a. ') : „ It is clear that the moment 
of the greatest distress cannot be waited for,'' waar- 
voor hij als reden aangeeft : „ a measure so long diferred 



1) Verg. Levy bl. 7B2. 

2) Stevens (Phillips) bl. 61. 
S) Benecke (Phillips) bl. 99. 



22 

might often prove too late, and if it were put off till, 
without that measure being resorted to, all would be 
unavoidibly lost, it would no longer be a sacrifice." 
Een ander argument wordt door baily (bl. 11) aange- 
haald : „ . . . . when the vessel and the property in her 
are in a state of jeopardy only, and there is a possi- 
bility that they may be saved even if that act be 
not performed, a general average loss does result from 
that act y 

Krachtig wordt deze theorie bestreden door baily 

(bl. 9—12), FRIGNET (I § 316), LOWNDES (bl. 23—31) 

en ARNOüLD (maclachlan) (II bl. 816 v.). 

Baily komt daarbij tot de volgende conclusies: 
1^ dat ook dan wanneer er geworpen wordt in zulk 
eenen toestand van uiterst gevaar, dat redding niet 
mogelijk schijnt tenzij juist door die werping, er toch 
nog eene opoffering geschiedt, want „a moral certainty 
of total loss** wordt dan veranderd in „ an actual cer- 
tainty of total loss** m. a. w. de grootst mogelijke graad 
van waarschijnlijkheid (menschelijkerwijze gesproken: 
zekerheid) dat er iets verloren zal worden, wordt ver- 
anderd in het feitelijk verlies van de geworpen goe- 
deren; 2** dat de „jeopardy** theorie juist door dit ge- 
vaar uit te sluiten geheel onbepaald wordt en aanleiding 
geeft om zelfs bij het geringste gevaar avarij -grosse 
aan te nemen. Hij meent dan ook dat het gevaar 
waarom de handeling verricht wordt niet meer of 
minder moet zijn dan een ?/iora/ certainty of total 



1) Zie Cauvet II n». 342. Nolte II bl. 586. 



23 

loi^s^ daar de schipper door het bevrachtingscontract de 
risico van elk ander gevaar op zich neemt. 

De onjuistheid der „jeopardy" theorie wordt vooral 
hierdoor bewezen dat hare aanhangers zelve ze niet 
consequent durven toepassen, dit althans slechts bij 
werping doen. Het geven van losgeld aan zeeroovers 
wordt zoowel door stevens als door benecke '), op 
het voetspoor van het Romeinsche recht (Dig. XIV. 
2, 3. Si navis a piratis redempta öit, omnes conferre 
debent) zonder eenig voorbehoud onder avarij-grosse 
gebracht, niettegenstaande er geen geval denkbaar is, 
waarop de woorden van benecke „without that mea- 
sure being resorted to, all would be unavoidily lost," 
meer toepasselijk zijn. Yolgens zijn leer bestaat hier 
dus geen opoffering, ergo kan er van avarij-grosse geen 
sprake zijn ^). In andere gevallen neemt benecke alter- 
natieven aan, die zoo weinig waarschijnlijkheid bezit- 
ten, zooals (t. a. p. bl. 40) : „ . . . . when a mast is cut 
away to righten a vessel, which was in imminent danger 
of being capsized, this is general average; for the 
vessel might possibly have rightened without the mast 
being cut, and the mast have been saved with the 
rest ^)," dat dergelijke mogelijkheden van redding ook 



1) Stevens (Phillips) bl. 79. Benecke (Phillips) bl. 152. 

2) Phillips II. bl. 66 no. 1271. 

3) Elders (t. a. p. bl. 98) zegt hij: „If niasts were cat away, at the moment 
when, without that remedy all wonld have been irretrievably lost, it is clear 
that no sacrifice is made", wat zeker niet best is te rijmen met de in de 
tezt aangehaalde zinsnede; of kan iemand bepalen wanneer de daarin genoemde 
kans ophoudt te bestaan ? 



24 

bij elke „ certainty of total loss" bestaan en het zeer te 
verwonderen is dat hij eene dergelijke redeneering niet 
ook bij werpiDg heeft toegepast, want op het oogenblik 
van werping in uitersten nood bestaat evengoed nog 
zulk eene kans van redding, b. v. het plotseling be- 
daren van den storm. Ten slotte blijft er dan ook niet 
veel van zijn algemeenen regel in de toepassing over. 

De grondslag van de jeopardy theorie, het beweren 
dat de schipper de keuze moet hebben tusschen ver- 
schillende middelen om het gevaar af te wenden en 
dat er dus nog eene andere mogelijkheid en waar- 
schijnlijkheid van redding uit het gevaar moet bestaan 
dan door het toebrengen der schade in quaestie, is, 
geloof ik, niet moeilijk te weerleggen. 

Natuurlijk kan hier niet in aanmerking komen de 
kans van redding, waarvan hierboven sprake was, daar 
deze zelfs in het alleruiterste gevaar blijft bestaan, en 
men dus langs een omweg zou komen tot de „moral 
certainty of total loss" die hier juist is uitgesloten. 

Die andere mogelijkheid van redding, die door den 
schipper voorzien moet worden (anders toch heeft hij 
geen keuze) moet dus bestaan öf in het toebrengen 
van eene andere schade dan degene die men werkelijk 
gaat toebrengen óf in een hetzij gewoon hetzij gefor- 
ceerd gebruik maken van het schip en zijn toebehooren, 
in alle gevallen in iets dat geen opoffering van eigen- 
dom is. Tertium non datur. Van het laatste alternatief 
kan hier weer geen sprake zijn daar de schipper tot 
geen opoffering van eenig deel van het schip of de 
lading mag overgaan, zoolang hij nog kans ziet om 



25 

op eene andere wijze aan het dreigende gevaar te 
ontsnappen. Zoo zal hij bijv. tot geen werping mo- 
gen overgaan, om het schip lichter te maken en dus 
sneller te kunnen zeilen, ten einde een' naderenden 
vijand te ontvluchten, zoolang hij kans ziet hetzelfde 
doel door prangen ') met de zeilen te bereiken. Hem 
toch is de cura totius navis (Dig. XIV. 1) opge- 
dragen waarom hij alle mogelijke naarstigheid, toe- 
zicht en zeemanschap moet aanwenden tot behoud van 
schip en lading. Dit maakt zelfs hoofdzakelijk zijne 
verplichting uit jegens reeders en inladers. Gaat hij 
dus tot werping of eenige andere opoffering over, ter- 
wijl zonder dat de redding nog mogelijk en waarschijn- 
lijk was, dan is hij persoonlijk tot schadevergoeding 
verplicht ^). 

De keuze der jeopardy theorie zou dus alleen maar 
kunnen zijn de keuze tusschen de opoffering van ver- 
schillende voorwerpen. Dit zal echter slechts zelden 
kunnen voorkomen, en kan daarom reeds nooit als 
algemeen vereischte gesteld worden, benecke zegt 
wel: „it is clear that no sacrifice was made, since 



1) Lang is het een betwist punt geweest of prangen met de zeilen avarij- 
grosse is. Tegenwoordig kan men bet tegendeel als uitgemaakt beseboawen, 
wat ook door de meeste scbrijvers geleerd wordt, daar het een gebruik van 
schip en takelaadje is volgens hunne bestemming en de schipper bovendien 
bij het prangen geen opoffering beoogt. Zie Tecklenborg bl. 206. Nolte II 
bl. 616. Emérigon (Boulay-Paty) I bl. 620. Lowndes bl. 45 v. en 52. Arnould 
(Maclachlan) II p. 832. Anders Pöhls III bl. 641 v. v. Kaltenborn II bl. lOL 
Emérigon (Boulay-Paty) I bl. 605. 

2) Zie Lowndes bl. 26. sqq. v. Kaltenborn II. bl. 76. Pöhls III bl. 681. 
Lex. 14 pr. Dig. XIX. 5. 



26 

that which had already lost all its value cannot be 
said to be sacrificed. This is not so with respect to 
goods thrown overboard at the moment when, without 
that act, the whole would have been irrecoverably 
lost; for those goods might have been preserved if, 
instead of them, other goods had been thrown away'', 
maar de schipper is altijd verplicht te zorgen dat de 
avarij-grosse schade zoo gering mogelijk zij en het staat 
hem daarom niet vrij bij werping de goederen te nemen 
die hem goeddunken, integendeel hij is bepaald ver- 
plicht die te nemen, welke het zwaarste en het gemak- 
kelijkst te bereiken zijn en die tevens de minste waarde 
bezitten, in het algemeen zoo te handelen dat het 
beoogde doel, de afwending van het gevaar zoo spoedig 
mogelijk bereikt en tevens de minst mogelijke schade 
toegebracht wordt, zoodat van eene eigenlijk gezegde 
keuze geen sprake kan zijn *). Maar ook al was dit niet 
zoo, dan bestaat er nog geen verschil tusschen het 
geval dat hij op deze wijze kan kiezen en dat waarin 
hij dit niet kan doen, want er bestaat toch nooit een 
keuze tusschen twee verschillende soorten van middelen, 
maar slechts eene tusschen verschillende wijzen van 
hetzelfde middel toetepassen, waarmede elk wezentlijk 
onderscheid vervalt. 

Eindelijk strijdt de „jeopardy" theorie lijnrecht 
tegen den rechtsgrond van het avarij-grosse recht: 
„nemo debet locupletari aliena jactura", want niemand 
zal kunnen ontkennen dat er zelfs bij werping in den 



2) Emérigon (Boulay-Paty) 1 bl. 594 (cap. XII. Sect. XXXIX. f 5). 



27 

uitersten nood iets wordt gegeYen „pro omnibus'' tot 
redding van het overige. Natuurlijk behoeft de uiterste 
grens van het gevaar niet afgewacht te worden '), 
maar het moet toch van dien aard zijn dat de schipper, 
als een verstandig man ^), de redding van schip en 
lading van een wissen ondergang niet anders mogelijk 
kan achten dan door het doen van eene bepaalde 
opoffering. Het spreekt van zelf, dat men bij de beoor- 
deeling van elk bizonder geval, alles wat men ex post 
facto te weten is gekomen buiten beschouwing moet 
laten, en zich alleen maar moet afvragen of het gevaar 
van dien aard was om op een verstandig mensch, 
onder de gegevene omstandigheden, den indruk te 
maken, dat geheel verlies slechts te voorkomen was 
door de in casu gedane opoffering ^). 

Wat Baily zoo eigenaardig noemt „a moral certainty 
of total loss'' moet er dus bestaan, wil den schipper 
niet het verwijt treffen, dat hij lichtvaardig gehandeld 
heeft, en wil er van eene avarij-grosse handeling 
sprake zijn "). 

Naar aanleiding van dit element doet zich nog de 



1) Emérigon (Bouiay-Paty) cap. XII Sect. XXXIX § 6. v. Kaltenborn II bl. 77. 

2) Baily spreekt zeer kernachtig van „ a jndicious act" ea „ a judicions 
man'*. Ook Emérigon (Boulay-Paty) 1. c. Qiiintyn Weytsen $ 19. Casaregis, 
disc. 121, n^. 26. Frignet I, n^ 314 en 828 meenen dat er eene gegronde 
vrees voor vergaan moet bestaan. 

3) Gebeel in denzelfden geest: Arnould (Maclacblan) II bl. 823. Baily 
bl. 19 V. Phillips II bl. 65 no. 1270 en 1271. Levy bl. 751. 

4) Vrijwel tot dezelfde conclusie komen : Flanders bl. 233, Tecklenborg bl. 
199, Kist bl. 327, v. Kaltenborn II bl. 77. Pöhls III, bl. 631, Emérigon 
(Boulay-Paty) 1. c, Nolte II bl. 591. Vcrwer bl. 123 v. Bcawes bl. 242. 



28 

vraag voor, welken invloed het op het bestaan van 
avarij-grosse heeft, als het gevaar waarin schip en 
lading verkeeren te wijten is niet aan de fortuinen 
der zee maar aan de schuld of nalatigheid van den 
reeder, schipper of een der inladers. Oudere schrijvers, 
zooals VINNIU8, COCCEJUS en anderen, waren van 
meening dat dan geen omslag in avarij-grosse plaats 
kan hebben, en leerden dat hij, aan wiens goederen 
schade was toegebracht, de vergoeding daarvan kan 
eischen van hem door wiens schuld of nalatigheid het 
gevaar was veroorzaakt. Tegenwoordig vindt de tegen- 
overgestelde meening geen oppositie meer, en terecht, 
want er wordt even goed een gedeelte opgeofferd om 
het geheel te redden als in elk ander geval waarin 
het gevaar door zeeëvenementen is veroorzaakt. Boven- 
dien kan de schuld van een derde, nooit eene exceptie 
van niet ontvankelijkheid opleveren tegen hem, die 
zijn goederen verloren hebbende, van zijne mede-inladers 
omslag der geleden schade vordert. Op het karakter 
van het gevaar kan de oorzaak daarvan ook niet den 
minsten invloed uitoefenen, het blijft gemeen. Het 
eenige gevolg zal dus zijn, dat hij, aan wiens schuld 
het gevaar te wgten was, voor de schade aansprakelijk 
wordt en dat er aan den omslag in avarij-grosse een 
regresrecht gepaard gaat. Iets anders is het wan- 
neer de schuldige of nalatige tevens degene is die den 
omslag zou hebben te vorderen '). Hij is natuurlijk 
niet ontvankelijk, want wat hem betaald werd, zou 



1) Zie Lowndea bl. 10 y. en 40. 




29 

dadelijk teruggevorderd kunnen worden '). Voor het 
bestaan van avarij-grosse is het dus voldoende dat het 
gevaar tegenover hem, die de schade geleden heeft, 
toevallig is ''). 

Mr. KIST, schijnt zich hiermede niet te kunnen 
vereenigen, althans in zijn Handelsrecht (Y bl. 327) 
verkondigt hij de zeer vreemde stelling, dat a. 700 
W. K., bepalende dat „wanneer inwendige gebreken 
van het schip, deszelfs ondeugdzaamheid tot het doen 
der reize, of schuld of nalatigheid van den schipper 
of het scheepsvolk, de schade of onkosten hebben ver- 
oorzaakt" er geen gemeene avarij bestaat, in het voor- 
deel is van den eigenaar der geworpen goederen, als 
ten minste de ondeugdzaamheid van het schip de 
oorzaak van het gevaar was, want zegt hij, blijft die 
schade avarij-particulier der goederen, zooals dat hier 
bepaald is, dan heeft de eigenaar dier goederen zijn 
verhaal voor de geheele schade op den eigenaar van 
het gebrekkige schip, terwijl hij anders zelf een deel 
der schade zou moeten dragen. Mr. kist zou dus, als 
de schade avarij-grosse was, alle contribuanten in den 
omslag regres op den reeder geven behalve den eige- 
naar der geworpene goederen of zou hij dan soms het 
regres voor allen willen uitsluiten? De ongerijmdheid 
van het een en ander behoeft geen nader betoog. 
Daarenboven vergeet Mr. kist dat a. 700, in geval 
van faillissement of insolvabiliteit van den reeder, den 



1) Geheel in dezen zin is a. 704 A. D. H. 6. B. 

2) Zie Bijakershoek bl. 472. Baily bl. 98 noot. v. Kalteuborn II bl. 76 
i». 6B. Pöhls III bl. 631 $ 442. 



30 

eigenaar der geworpene goederen de geheele schade 
laat dragen, die anders pro rata parte ten laste van 
allen zou komen, en daarom dus juist in het nadeel 
van dien eigenaar is '). 

Ad 2""". De handeling moet opzettelijk verricht 
worden. 

Zonder uitzondering wordt dit door alle schrijvers 
over avarij-grosse erkend ^). Mr. kist ') noemt dit 
zelfs een hoofdkenmerk. 

Toch heeft de vraag wanneer eene handeling vrij- 
willig is nog aanleiding gegeven tot veel verschil van 
meening, zoo zelfs dat men, waar het in concreto de 
quaestie gold of men al dan niet met eene avarij-grosse 
schade te doen had, tot geheel tegenovergestelde be- 
slissingen is gekomen. 

Het woord vrijwillig is hiervan, geloof ik, grooten- 
deels de schuld. Lettende op dit woord toch is men 
te veel blijven stilstaan bij de vraag of de wil wel 
vrij is, wanneer men door de omstandigheden gedwon- 
gen wordt eene bepaalde handeling te verrichten, wil 
men nog aanspraak blijven maken op den naam van ver- 
standig mensch, watBAiLY(bL 17) aanleiding gaf zooda- 
nige handeling „ an involuntary act of a judicious man'^ te 



1) Verg. Levy bl. 7 65 v. 

2) V. Kaltenborn II bl. 77. Flanders bl. 245. Tecklenborg bl. 199. Nolte 
bl. 585 en 589. Qaintyn We.vtsen $ 17. Verwer bl. 124. Phillips II bl. 65 
no. 1271. Cauvet II n». 341. 

8) Handehr. V. bl. 827. 



31 

uoemen. Zoo verkondigen de aanhangers der jeopardy 
theorie, in verband met hunne beschouwingen over 
hetgeen eene opoffering ') is, de leer, dat als het 
gevaar van dien aard is, dat een totaal verlies moet 
volgen tenzij men eene bepaalde handeling verricht, 
die handeling niet vrijwillig is en er dus geen avarij- 
grosse bestaat ^). Stevens ') zegt wel: „the sacrifice 
must be made premiditatedly and deliberately. Abstractly 
sonsidered, the mind and agency of man must be 
employed, the act must be preceded by foresight and 
attented by volition" en evenzoo benecke *): „the 
act must purposely have been undergone and by the 
volition of man", maar bij vrijwillige stranding komen 
beiden tot de conclusie dat hier van geen vrijwillige 
handeling sprake kan zijn, omdathet gevaar gewoonlijk 
zoo imminent is, dat de schipper tot deze handeling 
gedwongen wordt *). Nu wil ik gaarne toegeven dat 
de vrijwillige stranding een betwist en betwistbaar 
vraagstuk is, maar, al moge men de toelating in 
avarij -grosse van de daardoor veroorzaakte schade 
om andere redenen kunnen bestrijden, zeer zeker zal 
men dit zoo min als in eenig ander geval om deze 
reden kunnen doen, dat er geen vrijwillige daad zou 
bestaan ^). Zij toch die dit beweren zien geheel over 



1) Vide supra bl. 21 v. 

2) Verg. Baily 1. c. 

3) Stevens (Phillips) bl. 61. 

4) Benecke (Phillips) bl. 97. 

5) Stevens (Phillips) bl. 82—84. Benecke (Phillips) bl. 143 v. 

6) Magazijn v. Handelsr. VII bl, 105— 113. 



32 

het hoofd, dat het juist tot het wezen der avarij- 
grosse behoort dat de schade door toedoen van een' 
mensch toegebracht moet zijn, in tegenstelling der 
avarij-particulier, welke de schade is die door de for- 
tuinen der zee veroorzaakt wordt. Het doet er dus niets 
toe of men in het geval van uitersten nood het be- 
staan van een vrijen wil negeert, dan wel dezen met 
BAILY zelfs nog aan hem toekent, die zich op de rails 
van een spoorweg bevindende en eene locomotief op 
zich ziende afkomen, daar afspringt, want, zooals gezegd, 
is het voor het bestaan eener avarij -grosse hande- 
ling volkomen voldoende dat de schade veroorzaakt 
wordt door het toedoen van een' mensch. En niet 
alleen dit, maar het is zelfs een vereischte, dat de 
wil (hij moge dan vrij of onvrij zijn) door een dreigend 
gevaar en door de redelijke vrees voor geheel verlies 
tot die handeling gedetermineerd wordt, immers uit 
hetgeen bij het vorig element is opgemerkt, volgt in 
verband met het hier gezegde, dat de schipper in 
geen ander geval tot eene opoffering gerechtigd is. 

Er moest dus bestaan, wat targa noemt, eene 
„Volonta violentata dal' accidente del pericolo" '), eene 
door het gevaar gedwongen wil ^), waarom het beter 
is, ten einde alle misverstand te voorkomen, in plaats 
van eene vrijwillige, van eene opzettelijke hande- 
ling te spreken. 



1) Targa cap. 58. 

2) Zie: Emérigon ( Boulay-Paty) cap, XII Sect. XXXIX § 6. Pöhh III 
bl. 631 $ 442. Baily bl. 17 v. Frignet I bl. 290. Arnould (Maclachlau) II 
bl. 815. Lowndes bl. 24 v. schgnt te wijfelen. 



33 

Ad 3°™. De handeling moet tot redding van schip en 
lading (d. i. in het algemeen belang) verricht worden. 

Baily noemt het „common interest/^ het hoofd- 
beginsel waarop het geheele averij -grosse recht berust, 
en terecht, want al heeft het zijnen oorsprong voor- 
namelijk aan de noodzakelijkheid te danken, dit neemt 
niet weg dat zgn rechtsgrond daarin ligt, dat de opoffe- 
ring van een deel geschiedt tot redding en behoud 
van het geheel. 

Reeds 1. 1 Dig. XIV. 2 ') huldigt dit beginsel, dat 
later dan ook nooit door eenig schrijver is betwist ge- 
worden ^). Als voorbeeld van eene opoffering niet ten 
gemeene bate wordt gewoonlijk genomen, het eens 
voorgekomen geval, dat een kapitein die in het geheim 
smokkelwaren in zijn schip voerde, goederen van een 
der inladers wierp, om aan de vervolging der douanen 
te ontsnappen. 

Als afzonderlijk vereischte stelt arnould (macla- 
CHLAN) nog, dat de handeling moet geschieden met het 
oogmerk om het gevaar van het geheel vergaan van 
schip en lading af te wenden, niet bloot om bescha- 
diging te voorkomen. Tot opheldering hiervan zegt hij. 



1) Lege Rhodia cavetur, nt, si levandae navis gratia jactas mercium fac- 
toB est, omniam contribatione sarciatur, quod pro omnibus datum est. Verg. 
1. 2 pr. i. f. Dig. eod. tit. 

2) Arnould (Maclachlan) II bl. 820 v. Kaltenborn II bl. 77. Frignet bl. 
279 V. Benecke, Princ. o. Ind. bl. 223. Baily, bl. 2. Kist V bl. 828. Eme'rigon 
(Boulay—Paty) cap. XII Sect. XXXIX $ 6. Nolte II bl. 590. Verwer bl. 124. 
Caavet II n». 843. 

8 



34 

dat als de werping geschiedt om beschadiging te voor- 
komen, men allicht A schade doet lijden, waar door 
den storm B die geleden zou hebben. Dit is volkomen 
waar, maar hieruit volgt dan ook dat de opoffering in 
zulk een geval niet ten gemeenen bate geschiedt, en 
dus dit voor het bestaan van avarij -grosse onmisbare 
element ontbreekt, waardoor het geheel onnoodig wordt 
nog een afzonderlijk vereischte te stellen, gelijk AR- 
NOULD dit doet. 

Ad 4"*". Het moet eene buitengewone handeling zijn. 

Het moet eene buitengewone handeling zijn in dien 
zin, dat het geene handeling mag zijn, waartoe de 
schipper onder de gewone omstandigheden van de reis 
jegens de inladers verplicht is over te gaan '), maar 
integendeel eene welke hem dan in het algemeen ver- 
boden is en, zoo hij er toe overging, zelfs aansprakelijk 
zou maken tegenover de eigenaars der lading. Zoo zijn 
werping, het kappen van een' mast buitengewone han- 
delingen, waartoe de schipper nooit mag overgaan tenzij 
wanneer een dreigend gemeen gevaar hem er toe 
dwingt. Gebruikt hij daarentegen om een dergelijk 
gevaar af te wenden de scheepstoebehooren en worden 
deze daardoor in 't bizonder en in eene hooge mate 
aan beschadiging bloot gesteld, dan zal het geheel van 
het gebruik, waartoe zij gebezigd worden, afhangen of 



1) Zie Nolte bl. 594. Arnoald (Maclachlan) bl. 818 t. Levy bl. 740, ad 
a. 702 A. D. H. 6. B. 



35 

het in casu eene buitengewone handeling is al dan 
niet. Gebruikt men ze daarvoor waarvoor ze bestemd 
zijn, dan kan er van geene buitengewone handeling 
sprake en de schade bij gevolg ook geene avarij-grosse 
zijn '). Om deze reden is bijv. de schade tengevolge 
van prangen, om een lager wal of den vijand te ont- 
wijken, door zeilen, masten, het casco of de lading 
geleden avarij-particulier ^). De schipper toch doet, 
wanneer hij prangt, niets anders dan hetgeen hij ge- 
houden is te doen, telkens wanneer het noodig is, 
en waartoe het schip ingericht en bestemd is. Toch 
werd dit vroeger lang niet algemeen aangenomen en 
gaven vele wetten en schrijvers eene andere beslissing 
nl. dat hier avarij-grosse bestaat '). Deze opinie wordt 
gewoonlijk verdedigd met de opmerking, dat het toch 
een opzettelijk blootstellen is van een bepaald voor- 
werp aan eene bizondere schade tot redding uit een 
algemeen dreigend gevaar, en dat hier dus evengoed 
avarij-grosse moet zijn als wanneer men een gedeelte 
der lading in lichters heeft geladen en zoodoende aan een 
buitengewoon gevaar heeft blootgesteld; dan toch zijn 
allen het eens dat de eventueel door de lading te lijden 
schade avarij-grosse is. Men vergeet dan echter dat 



1) Nolte bl. 613. Phülips II n». 1299. Benecke (Phillips) bl. 98 vindt 
het geven eener beslissing in dergelijke gevallen zeer moeilijk. 

2) Zie de op bl. 35 noot 1 aangehaalde schrgvers, alsmede Phillips n^. 1297. 
Benecke (PhUlips) bl. 114. Baily bl. 68 Levy bl. 782. 

3) Zie de boven bl. 35 noot 1 aangehaalde schrijvers, benevens Caavet II 
bl. 121 V. Ook Prignet I n^ 390—896 schijnt in sommige gevallen bij pran- 
gen avarig-grosse aan te nemen. 



36 

hier juist een groot verschU bestaat, want de lading die 
in lichters wordt geborgen, is daarin niet op hare plaats 
en deze maatregel alleen te rechtvaardigen wanneer hij 
ondernomen wordt omdat het algemeen belang dit 
dringend vordert ^), terwijl de zeilen nergens anders 
toe dienen dan om gebruikt te worden wanneer en 
voor zooverre dit noodig blijkt te zijn. Lijden zij, of 
eenig ander deel van het schip, door dat gebruik schade, 
welnu dan kan die nooit iets anders zijn dan avarij-parti- 
culier. Een ander argument is dit, dat de schade niet op- 
zettelijk veroorzaakt zou zijn, omdat de schipper, wan- 
neer hij gaat prangen, juist hoopt en vertrouwt dat 
de masten niet zullen breken, anders toch zou hij zijn 
doel, redding uit het gevaar, niet kunnen bereiken '). 
Mijns inziens is dit echter minder juist, want, gesteld 
dat de daad van het prangen alle vereischten voor eene 
avarij-grosse handeling bezat, dan zou ook de schade, 
die een noodzakelijk en voorzien gevolg daarvan was, 
avarij-grosse moeten zijn. De eenige reden dat die 
schade geen avarij-grosse is, ligt dus hierin dat juist de 
handeling zelve geene avarij-grosse handeling is omdat 
zij eene der daarvoor vereischte elementen, nam. dat 
het eene buitengewone handeling moet zijn, mist. Ge- 
bruikt men daarentegen een der scheepstoebehooren niet 
volgens zijne bestemming, maar tot een ander doeleinde, 



1) Geleid door deze overwegingen brengen ook Benecke (Phillips) bl. 97 
en Nolte bl. 586, het op deze wijze blootstellen van de lading aan gevaar, 
onder avarg-g rosse. 

2) Zie Nolte bl. 616. Tecklenborg bl. 206 v. 



37 

dan is de schade die ze door zulk een buitengewoon 
gebruik lijden (aangenomen dat de overige vereischten 
eener avarij-grosse handeling aanwezig zijn) avarg- 
grosse '). Daarom wordt o. a. prangen om een gestrand 
schip vlot te krijgen in avarg-grosse gebracht. De 
masten, zeilen en verder toebehooren toch zijn bestemd 
om een schip dat vlot is voort te stuwen, niet een dat 
op het strand vast zit, zoodat men hier het bestaan 
van eene buitengewone handeling kan aannemen ^). 

Veel moeilijker is de beslissing of in een voorko- 
mend geval de handeling al of niet behoorde tot datgene, 
wat de schipper jegens zijne inladers verplicht is te 
doen, daar het dikwijls niet mogelijk is deze verplich- 
tingen juist af te bakenen. Toch hangt in zeer vele 
gevallen het karakter der schade juist van deze be- 
slissing af, waaruit zich het groote verschil van opinie, 
dat men telkens aantreft, gereedelijk laat verklaren, 
daar die handelingen, welke tot de verplichtingen van 
den schipper behooren, omdat zij niets buitengewoons 
hebben, ook geene aanleiding kunnen geven tot avarij- 
grosse, terwijl die, welke hij als zoodanig niet verplicht 
was te maken, dit zeer zeker zullen doen. 

In het algemeen is de schipper verplicht de reis 
zoo spoedig mogelijk zonder deviatie te vervorderen, 
daartoe bijgevolg alle mogelijke zeemanschap te ge- 



1) Zie Phillips n^. 1299 „An other case of general average is the applica- 
tion of something belonging to the ship to a ase different f rom that to whicb 
it is applied in the ordinary coarse of navigation." Nolte 1. s. o. Lowndes bl. 52 v. 

2) Verg. Baily bl. 72. Lowndes bl. 55. Anders Schneider, Secrechtliche 
Fragen bl. 67. 



38 

bruiken, alle noodige en gewone uitgaven te doen, 
eene voldoende bemanning in dienst te stellen, en een 
weluitgerust schip met deszelfs toebehooren overeen- 
komstig zijne bestemming te gebruiken, voor zooverre 
hij in het een en ander niet verhinderd wordt door 
de fortuinen der zee. Mocht dit gebeuren, dan houden 
deze zijne verplichtingen op, en hoeft hij dus niet ten 
koste van den reeder allerlei uitgaven te maken om 
door middel van buitengewone maatregelen de reis te 
kunnen voltooien; hij zal dit slechts kunnen doen 
als negotiorum gestor van alle belanghebbenden *). 
Houdt men dit beginsel goed in het oog dan zal het 
niet al te moeilijk zijn om in elk bizonder geval de 
juiste beslissing te geven, waarvan wij een voorbeeld 
zullen zien bij de behandeling van het vraagstuk der 
noodhavenkosten. 

Opmerking verdienen vooral nog de twee voorbeelden 
welke ARNOULD bij de behandeling van dit vereischte 
geeft. Het eerste is de zaak Covington v. Roberts. Een 
schipper door den vijand aangevallen, slaat dezen na een 
langdurig gevecht af, echter niet zonder groote schade 
aan schip en takelaadje geleden te hebben en nadat 
velen der manschap gewond waren. De Engelsche rech- 
ter besliste dat hier geen avarij -grosse bestond, omdat 
het schip gewapend was met het oog op den toen be- 
staanden zee-oorlog. Substantieel hetzelfde vonnis werd 



1) Verg. o?er de verplichtingen van den schipper. Lowndes bl. 18 v. 
Arnoold (Maclachlan) II bl. 818 v. Nolte II bl. 592 v. Abbot (Shec) Chap. 
IV. Baily bl. 16. Pothier II bl. 878 v. Tr. de Ch. part. bl. I Sect. 2 a. 2. 



39 

later gewezen in de zaak Taylor v. Curtis '). Om de daarbij 
gevoegde considerans kan de juistheid dier beslissingen 
niet betwijfeld worden; indien toch het schip met het 
oog op den oorlog, dus op de mogelijkheid van door den 
vijand aangevallen te zullen worden, gewapend is, 
dan behoort de verdediging, telkens wanneer die noo- 
dig zal zijn, tot de verplichtingen, die de schipper ge- 
acht moet worden op zich genomen te hebben ; waartoe, 
mag men met recht vragen, dient anders de wapening ? 
Geheel verkeerd is het daarentegen, om het geval dat 
een ongewapend schip bijv. door een' kaper of roover 
aangevallen wordt hiermede gelijk te stellen. Toch vindt 
deze meening hare verdedigers, die de schade geleden bij 
eene verdediging van schip en lading tegen vijanden, 
kapers of roevers altijd als avarij-particulier beschouwen ^). 
Hunne voornaamste argumenten laten zich dus resu- 
meeren : de schipper is in elk geval verplicht het schip 
te verdedigen, er kan dus van geen vrijwillige daad 
sprake zijn en de . schade door den vijand toegebracht 
is een gewoon ongeluk of toeval. Eene gewone verplich- 
ting van den schipper onder het contract van bevrach- 
ting kan verdediging echter alleen dan zijn, wanneer 
het schip gewapend is (zie boven); want in het alge- 
meen kan men, vooral in den tegenwoordigen tijd, on- 
mogelijk zeggen dat de noodzakelijkheid van verdedi- 



1) Arnonld (Maclachlan) II bl, 818 en 883. Lowndes bl. 46. 

2) Stevens (Phillips) bl. 85 v. Eme'rigon (Boulay-Paty) I bl. 610, die 
echter, inconsequent genoeg, de kosten van verpleging der gewonde matrozen 
in avarij-grosse brengt, bl. 616. 



40 

ging een gewoon toeval is aan iedere zeereis verbonden. 
Was dit zoo, dan zou het eene verplichting van den 
schipper zijn de risico daarvan te dragen, en een schip 
niet goed uitgerust zijn indien het niet van kanonnen en 
dergelijke wapens voorzien was, wat zeker niemand zal 
beweren en ook geen nadere bestrijding behoeft'). Dat 
de verdediging een gedwongen en geen opzettelijke 
daad zou zijn, mag minst genomen zeer vreemd ge- 
noemd worden, daar door dezelfde schrijvers, die dit 
beweren, erkend wordt dat werping of vrijwillige stran- 
ding om een vijand te ontsnappen, als opzettelijk ge- 
schiedende, avarij-grosse handelingen zijn. Evengoed is 
immers de verdediging het resultaat van een opzettelijk 
in het algemeen belang genomen besluit, om in plaats 
van te trachten den vijand te ontvluchten of zich over 
te geven, integendeel den aanval af te wachten, in de 
hoop die af te kunnen slaan, waarbij men evenwel 
het schip en de bemanning aan een geheel buitenge- 
woon gevaar blootstelt en zeker niet overeenkomstig 
hunne bestemming gebruikt ^). 

Ten tweede behandelt arnould de zaak van Wilson 
V. Bank of Victoria. 

Een zeilschip met hulpschroef, werd door een storm 



1) Ook Frignet n^. 898 maakt onderscheid tusschen eea oorlogschip en een' 
koopvaarder. Alleen bij den laatsten neemt hij avarij-grosse aan. 

2) Zie in dezen zin de Aanm. van Boulay-Faty op Ejnérigon^s chap. XII. 
Sect. XLI, deel I bl. 619. Valin, tit. d. av. a. 6. Quintyn Weytsen f 29. 
Caiivtt II no. 337 bl. 170 v. Beneeke (Phillips) bl. 154 ?. Phillips n». 1810. 
V. Kaltenborn IJ bl. 113 v. Pöhls III bl. 646 v. Pothier II Ch. Part. H 
Sect. 2 n®. 143 bl. 421 v. Levy bl. 774 v. 



41 

beloopen, en in een toestand gebracht dat het onmo- 
gelijk was verder te zeilen. De schipper gebruikte nu 
de hulpschroef en bereikte zoodoende behouden de bestem- 
mingshaven, maar hij had daarbij een uitgave van 1390 £ 
moeten doen om zich van de noodige kolen te voorzien. 
Deze kosten waren volgens den Engelschen rechter, die 
in deze zaak besliste, avarij -particulier en te recht, 
want het aanwezig zijn van eene hulpschroef toont 
duidelijk aan, dat de schipper zich verbindt om in ge- 
val hij niet meer zal kunnen zeilen, deze te gebruiken 
om de reis te vervorderen. Er bestond dus in dit ge- 
val eene speciale verplichting van den schipper *). 

Vele schrijvers nemen nog als vereischte voor eene 
avarij-grosse handeUng aan, dat die handeUng schade 
en wel eene op geld waardeerbare schade veroorzaakt 
heeft ^). Ik meen echter dat het geheel overbodig is 
hiervan een afeonderlijk element te maken, immers avarij 
beteekent (gelijk wij boven bl. 13 reeds gezien hebben) : 
„ eene op geld waardeerbare schade ter gelegenheid eener 
zeereis geleden" of korter „ zeeschade" en avarij-grosse : 
„ gemeene zeeschade" ; het woord zelf duidt dus reeds aan 
dat schade de conditie sine qua non is voor het bestaan 
van elke avarij. Het is daarom een pleonasme te zeg- 
gen dat eene handeling schade moet veroorzaken, wil 
deze ooit avarij-grosse (gemeene schade) zijn. 't Geldt 
hier ook niet de vraag of avarij-grosse eene schade is 



1) Zie Lowndes bl. 9. 

2) Zie Kist V bl. 326 v. v. Kaltenborn II bl. 86. M. Pöhls III bl. 634. 



42 

of wel iets anders^ maar deze^ welke schade in het 
algemeen ayarij-grosse is en welke niet. 

Bailt noemt nog een ^fandemental principle/' dat de 
handeling niet moet bestaan in de opoffering van eene 
zaak die zelf de onmiddellijke oorzaak ran het gevaar 
was, want „a man eannot be ealled npon to pay da- 
mage for doing that which in principle he is justified 
in doing, for instanee when his life is endangered 
by another, if no other means exist of aroiding the 
danger, he may eren take the life of that other, and 
eannot be ealled npon to make a eompensation for the 
loss eaused by his act. On the same principle when 
another's property endangers his, and no other means 
exist of avoiding the danger, he may destroy it, and 
eannot be ealled npon to pay damage for his act'* *). 
Dit moge in het algemeen volkomen waar zijn, juist 
op het avarij-grosse recht kan dit beginsel niet toege- 
past worden, daar eene consequente toepassing tot de 
conclusie zou leiden, dat de schade gedragen moet wor- 
den door hem dien ze treft, daar de schipper door 
het noodrecht steeds gejustifieerd wordt, 't Is dan ook 
voldoende hieromtrent te verwijzen naar hetgeen hier- 
boven (bl. 10 V.) gezegd is over den rechtsgrond van 
avarij-grosse. Slechts dan heeft baily's redeneering nog 
üonigo waarde, wanneer de toestand van gevaar aan 
do schuld of nalatigheid van den eigenaar der gevaar 



1) Otiwoüulgk wordt als voorbeeld aangehaald het werpen van henuip, die 
Mli hvt brut^iru is geraakt, terwijl het niet mogelijk is een noodhaven aan te 
ituvM om ie Af te koelen en te luchten. Verg. Cauvet II bl. 118. 




43 

veroorzakende goederen te wijten is. Dat er dan ook 
om andere redenen geen avarij-grosse kan bestaan, 
hebben wij reeds aangetoond '). 

Met het oog op hetgeen wij dus als de noodzakelijke 
vereischten voor eene avarij-grosse handeling hebben 
leeren kennen, kunnen wij daarvan de volgende defi- 
nitie geven: elke buitengewone handeling opzettelijk 
door den schipper verricht om schip en lading uit een 
dreigend gevaar van geheelen ondergang te redden. 

§ 2. Welke gevolgen van eene avarij- 
grosse handeling zijn avarij-grosse? 

Dat hier slechts die gevolgen in aanmerking kunnen 
komen welke in eene op geld waardeerbare schade 
bestaan, spreekt van zelf. Bij deze kan men echter 
onderscheid maken tusschen onmiddellijke, middellijke, 
onvoorziene, voorziene, toevallige, verwijderde gevolgen 
enz. De vraag is dus of alle schaden, die een gevolg, 
welk dan ook, van avarij-grosse handeling zijn in 
avarij-grosse gebracht moeten worden, dan wel of men 
sommige daarvan moet uitzonderen en zoo ja, welke? 

Wij zullen trachten aan te toonen, dat slechts die 
schade of kosten in aanmerking kunnen komen, welke 
men by het verrichten der handeling voorzag of had 
kunnen en moeten voorzien, m. a. w. die welke een 
noodzakelijk en onvermijdelijk gevolg zijn van die 
handeling. 



1) Zie bl. 38 7. 



44 

Er is zeker niets dat in het avarij-grosse recht tot 
zooveel strijdvragen aanleiding heeft gegeven als de 
bepaling, welke gevolgen van eene avarij-grosse hande- 
ling avarij-grosse zijn. Alleen door zich geheel van de 
daaromtrent bestaande wetten en praktijken los te 
maken, en slechts te onderzoeken wat of de algemeene 
rechtsbeginselen en de natuur van het avarij-grosse 
recht vorderen, is eene juiste beslissing dezer vraag 
mogelijk. Is men zoodoende tot een' algemeenen regel 
gekomen dan moet deze ook altijd en onder alle om- 
standigheden consequent toegepast worden, en mogen 
geene andere redenen gebruikt worden om zijne toe- 
passelijkheid in sommige gevallen uit te sluiten. Daar 
van zoude eene verwarring in het recht, gelijk er reeds 
bestaat, het natuurlijk gevolg zijn. Slechts gewichtige 
practische bezwaren kunnen het noodig maken som- 
tijds van den regel af te wijken. Toch zal ik in 
dit proefschrift een geheel theoretisch standpunt in- 
nemen, daar de praktijk voor mij natuurlijkerwijze 
tot nog toe een gesloten boek moest blijven, iets wat 
vooral bij het lezen der volgende bladzijden en bij de 
beoordeeling der daarin verdedigde meeningen in het 
oog gehouden moet worden. 

Het kenmerkend onderscheid tusschen avarij -parti- 
culier en avarij-grosse bestaat daarin, dat de laatste 
slechts veroorzaakt kan worden door de daad van een 
mensch, die handelend ingrijpt in den loop der ge- 
beurtenissen. Waar dit niet geschied is zal men per se 
met avarij-particulier te doen hebben. Hieruit is als 
een logisch gevolg af te leiden, dat ook slechts die 




45 

gevolgen van eene avarij -grosse handeling als avarij- 
grosse beschouwd kunnen worden, die in den wil van 
den handelenden persoon begrepen waren, of wat hier 
mede gelijkgesteld moet worden, die hij had kunnen 
of moeten voorzien. Welke schade en welke kosten 
geacht moeten worden gewild of voorzien te zijn is 
duidelijk ; het zijn die welke met logische noodzakelijk- 
heid uit de bepaalde handeling, in verband met de 
omstandigheden, waaronder ze verricht werd, moeten 
voortvloeien, daar een verstandig mensch deze kan 
kennen '). Hierbij komt het volstrekt niet op het tijd- 
stip aan waarop die gevolgen zich openbaren. Dat de 
schade gewild werd is de reden dat ze vergoed moet 
worden; voor zoover als men dus moet aannemen dat 
de schadelijke gevolgen in dien wil begrepen waren, 
moet ook de vergoeding zich uitstrekken. Toeval kan 
natuurlijk nooit in aanmerking komen ; heeft de hande- 



1) Evenzoo zegt Baily (bl. 24) dat het geldel^ke verlies voortspruitende 
uit de avarij-grosse handeling, het noodzakelijke onmiddell^ke gevolg daarvan 
moet z\jn. „From this it follows," zegt hij: „thatthe loss admissiblein general 
average mast not exceed what necessarily follows the general average 
act; i. e. it mast not extend beyond what a man exercising a soand jud- 
gement coald not prevent or diminish. The fair view of any case is to 
take it with all its attendant circumstances, and to consider that all damage 
which follows a general average act, owing to the caases in operation at the 
time when the act is performed, and which woald not have been sastained 
bat for the performance of the general average act, form part of the act in 
that case, and should all be allowed in general average." Hieronder begrijpt 
hij zoowel voorziene als niet voorziene gevolgen, want later (bl. 35) schrijft 
hg: „Rale 1 (nm. practical rale 1) limits this principle to the proximate 
effects of a general average act." Deze naaste gevolgen zgn MSQch as may 
fairly and reasonnably be considered as arisiag natarally i. e. according to 
the asaal coarse of thiags and sach as may be reasonnably sapposed to have 



46 

ling dus door bloot toeval of overmacht *) nog meer 
verliezen ten gevolge, dan kunnen deze ook nooit onder 
avarij-grosse gebracht worden '). 

Dit beginsel, dat alle schade, die een noodzakelijk 
en onvermijdelijk gevolg is van de handeling ten alge- 
meenen nutte verricht, maar ook deze alleen, als 
avarij-grosse vergoed moet worden, zal dus het richt- 
snoer moeten zijn, dat ons in de meest betwiste ge- 
vallen tot eene beslissing zal leiden. 

Bekend is het dat de vraag welke gevolgen van 
eene avarij-grosse handeling men als avarij-grosse moet 
beschouwen, het aanzijn gegeven heeft aan twee geheel 
verschillende theoriën, nm. de physical safety en de 
common benefit theorie. 

De eerste dezer theorieën, die der physical safety^ is 
de oorzaak dat Engeland tegenwoordig in zijne avarij- 
grosse praktijk alleen staat tegenover alle andere handel- 



been in the contemplation of the performers of the act at the time when 
the act was performed, as the probable rcsalt of it." Ik meen dat deze laatste 
regel niet alleen practisch maar ook theoretisch de eenige juiste is en dat 
Baily waar hy den eersten als „principle'* vaststelt te ver gaat. Gevolgen 
die men niet had kannen of hoeven voorzien, kannen ook nooit hetzelfde 
karakter dragen als de handeling die er de toevallige aanleiding van was. 
Aanleiding toch noem ik die handeling zonder welke het latere toeval niet 
voorgevallen zoa zijn. 

1) Zoo zgn bmnd of diefstal in de pakhuizen, waarin de lading in eeoe 
noodhaven is opgeslagen, bloot toevallige gevolgen van het verbiyf in die 
noodhaven. 

2) Verg. A. de Courcy. Q. d. dr. mar. V^, serie hl. 260 v. ^Les conséquenccs 
directes et nécessaires da fait s^y incorporent comme Taccessoire avec leprin- 
cipal. Les conséquenccs indirectes, éventnelles, fortuites sont des avaries 
particulières." 



47 

drijvende naties '), welke geïsoleerde toestand hoofd- 
zakelijk de beweging der laatste jaren ten gunste van 
eene internationale regeling uitlokte. Het verschil tus- 
schen deze theorieën openbaart zich voornamelijk bij 
de behandeling van de kosten welke in eene noodhaven 
gemaakt worden. Omdat deze strijd over het wezen 
der noodhavenkosten zijn oorsprong vindt, zoowel in 
het verschillende karakter dat aan de gevolgen eener 
avarij-grosse handeling wordt toegekend, als ook in 
eene verschillende opvatting van de verplichtingen 
van den schipper, terwijl hij tevens het zwaartepunt 
uitmaakt van de beweging der laatste jaren tot ver- 
krijging eener internationale regeling van het avarij- 
grosse recht, en wij er dus nog telkenmale op zullen 
moeten terugkomen, meen ik dat het hier de beste 
plaats is om dezen strijd meer van nabij te beschouwen 
en eene poging aan te wenden om tot eene bevre- 
digende oplossing te geraken. 

§ 3. Noodhavenkosten. 

Daar alle schrijvers over avarij-grosse en de meeste 
over zee-verzekering dit onderwerp meer of minder 
uitgebreid behandelen, terwijl de internationale avarij- 
grosse congressen nog tot een aantal brochures hoofd- 
zakelijk over deze quaestie aanleiding hebben gegeven, 
zal ik deze laatste, bij zulk eene uitgebreide literatuur, 
voor het oogenblik met stilzwijgen voorbij gaan en mij be- 



1) Zie echter de beslissing ia Atwood v. Sellar (4 Q. B. Div. ^42), bl. 60 
(noot) infra. 



48 

palen tot het nagaan en zoo noodig wederleggen van 
de argumenten door de voornaamste schrijvers voor en 
tegen deze of gene theorie bijgebracht. 

Onder eene noodhaven is te verstaan: elke haven 
behalve de plaats van bestemming, welke de schipper uit 
nood (dreigend zeegevaar, vrees voor neming door vijan- 
den of zeeroovers, beschadigde toestand van schip of lading, 
gebrek aan bemanning of levensmiddelen etc.) gedwon- 
gen is binnen te loopen, ten einde de reis, nadat de oor- 
zaken van het gevaar weggenomen zijn, weder veilig 
te kunnen voortzetten. Natuurlijk sleept zulk een ver- 
blijf in eene noodhaven kosten na zich ; zeker die van 
het in- en uitloopen, misschien ook wel die van 
lossing, wederinlading en pakhuishuur van de lading, 
die van reparatie van het schip, en van gagie en onder- 
houd der bemanning gedurende al dien tijd. Of er nu 
reden bestaat om eenige of misschien wel al deze 
kosten onder avarij-grosse te brengen, en welke mt- 
zonderingen hierop gemaakt moeten worden, moet hier 
dus onderzocht worden. 

Vooreerst dan de opinies van de voornaamste auto- 
riteiten op dit gebied. 

V. KALTENBORN (II bl. 102) brengt onder avarij- 
grosse de volgende noodhavenkosten : 

r. Het loodsgeld (door hem extra loodsgeld genoemd), 
2\ andere havenkosten (beiden zoowel bij het binnen- 
als het uitloopen), 3". het lichtergeld, en de kosten 
van het lossen en wederinladen der lading als dit 
noodig is voor de reparatie van het schip (bl. 106), 
4i\ de schade die aan de lading bij het uitladen 



49 

overkomt, alsmede de pakhuishuur; (de laatste alleen 
als het schip de reis werkelijk voortzet ) 5°, Het verlies 
door diefstal of brand aan de lading in de pakhuizen 
overkomen '). Is het verlies het gevolg van eigen 
bederf dan blijft het a var ij -particulier. Als het schip 
de reis niet vervordert, dan meent v. kaltenborn 
dat de avarij-grosse ophoudt met den opslag der lading, 
zet het die wel voort dan gelden de genoemde regels, 
omdat dan, gedurende het verblijf in de noodhaven, de 
oorspronkelijke gemeenschap tusschen schip en lading 
blijft bestaan en het dus gerechtvaardigd is om ook 
de verwijderde gevolgen van het inloopen in de nood- 
haven als avarij-grosse te beschouwen '). Volgens deze 
redeneering, had hij echter bij staking der reis in de 
noodhaven de avarij-grosse moeten laten voortduren 
tot de afkeuring van het schip, daar eerst dan de 
gemeenschap tusschen schip en lading kan geacht 
worden optehouden. 6\ De gagie en het onderhoud 
van het scheepsvolk gedurende het oponthoud in de 
noodhaven. Is het waarschijnlijk dat dit oponthoud 
lang zal duren dan is de schipper verplicht zijn volk 
te ontslaan. Gebruikt hij het om het schip te repareeren, 
dan hangt het van den aard der schade, die hersteld 
moet worden, af of er avarij -particulier is dan wel 
avarij-grosse. Dit beginsel geldt ook voor de kosten 
der reparatie zelve: is de schade avarij-grosse dan. 



1) In deze meening staat bij vrgwel alleen; bloot toevallige schaden zooals 
deze kunnen nooit anders als avarij-particnlier zijn. 

2) „Es scbeint falscb, dass bloss die uumittelbarsten Folgen des Factum 
des Havariegrossefulles zur Havarie-grosse geboren." 

4 



50 

maar ook dan alleen, is de reparatie het even zoo. 

Het brengen in avarij-grosse van hetgeen de repa- 
ratie van eene avarij-particulior, meer kost dan ze in 
de bestemmingshaven gekost zou hebben, noemt v. 
KALTENBORN „reine Willkür." Eerder zou hij er toe 
geneigd zijn om dit te doen met de voorloopige repa- 
raties, die, terwijl zij later weer door eene nadere re- 
paratie vervangen moeten worden, noodzakelijk i¥aren 
om de reis voort te zetten, overeenkomstig de uit- 
spnuik van den Engelschen rechter bayley, in Plum- 
nier v. Wildman '). 

PöHLS (III bl. 642) gaat met v. kaltenborn 
mede voor zoover het loodsgeld, de havenonkosten en 
het lichtergeld betreft. De lossing beschouwt hij dan 
alleen als avarij-grosse, wanneer de reis voortgezet 
wordt "). Bij het kostgeld en de gagie der bemanning 
stelt hij dezelfde voorwaarde: eene beperking, welke 
juist zou kunnen zijn, indien men altijd vóór het los- 
sen de zekerheid had dat het schip geene reparatie 
meer waard zal zijn, iets wat men gewoonlijk eerst 
later ontdekt na een onderzoek door deskundigen, zoo- 
dat er tot aan de afkeuring wel degelijk een gemeen- 
schapj)elijk l)elang blijft bestaan. Ook hij acht den 
schipper verplicht bij een verblijf van eenigen langen 
duur het volk te ontshian. Overigens vindt men bij 



}\ MAule» nud Salviu Uoports Hl bl. 482. 

2) M^Vird die LHdutic im Nothhafeu empfaugeu, so kano Ton einer Havarie- 
grosse uii'ht die Kede seiu, da nur bis zu dem Löschen derselbe zum algemei- 
neu Retteu gehaudeld wurde, vou dieseni Ausenblicke an aber das luteresse 
des SchiflVs «ich vuu dem der Laduug treuut.'* 



51 

hem vrijwel dezelfde opmerkingen als bij yon kal- 
TENBORN, van wien hij daarin alleen afwijkt, dat hij 
inwendig bederf van de goederen of verlies er van door 
diefstal, brand enz. onder avarij-particulier brengt. 
Want, zegt hij (bl. 654 v.): ^das Einlaufen des 
Schiffes in dem. Nothhafen ist die freiwillige Hand- 
lung. Sobald dass Schiff in dem Nothhafen in Sicherheit 
gebracht ist, oder wenn man recht weit gehen will, 
sobald die Ladung aufgelegt ist, ist diese als gerettet 
zu betrachten, selbst die Lagerung der Waaren gehort 
nur bedingungsweise in Havariegrosse. Aber an der 
Lagerung selbst hat undenklich das Handeln zum 
gemeinschaftlichen Besten von Schiff und Ladung 
seine Granze. Innere Verderb sowohl, wie auszere 
Beschadigung der Waare sind hinsichtlich des Schiffers 
und der Eigenthümer der übrigen Ladung reine zufal- ' 
ligkeiten, für die sie nicht können antworten sollen.'' 
Hij schijnt dus aan de physical safety theorie de voor- 
keur te geven, zonder haar echter consequent toe te 
passen, of met kracht en overtuiging te verdedigen. 

NoLTE (II bl. 590) meent dat alle onkosten, welke 
uit de noodzakelijkheid voortvloeien, eene noodhaven 
tot reparatie van het schip op te zoeken, tot avarij- 
grosse behooren, omdat dit ten gemeenen bate van schip 
en lading geschiedt. Later (bl. 629) lezen wij : „ Fasst man 
die Elementar-Grundsatze im Auge, nach welchen der 
Unterscheid zwischen dllgemeiner und partikularer Hava- 
rie sich herausstellen musz, so wird es leicht begreiflich, 
dasz wenn ein Schiff ein Nothhafen aufsucht, um will- 
kührliche, zum gemeinsamen Besten von Schiff und La- 



52 

dung bestandene Schaden repariren zu lassen, alle die 
damit verknüpften unvermeidlichen Kosten des Ein- und 
Auslaufens, der LöschuDg und Wiedereinnahme der La- 
dung und ahnliche, dem Rheder ein Recht auf Vergütung 
durch allgemeine Beitrag zur Havarie-grosse geben, 
eben weil sie die nothwendigen Folgen einer zum 
gemeinsamen Beste getroffenen auserordentlichen Mas- 
regel sind.'^ En verder: „Erfordern die Reperaturen 
unbedingt das Löschen der Ladung, so werden alle 
die Kosten des Ausladens, der Lagermiethe und des 
Wieder-Einnehmens derselben in Havarie-grosse ge- 
bracht, weil diese ünkosten zum gemeinsamen Besten 
von Schiff und Ladung gemacht wurden — des Schiffes 
behufs der nothwendigen Reperaturen und der Ladung, 
damit sie wohl erhalten werde.'^ Blijkbaar een geheel 
ander standpunt dan door pöhls wordt ingenomen. 

Wat de reparatiekosten aangaat, het karakter daarvan 
laat hij afhangen van de natuur der schade die her- 
steld moet worden. Met hem moet het dan ook een 
ieder verwonderen dat dit ooit aan twijfel onderhevig is 
geweest. Reeds de lex. Rhodia (Dig. XIV, 2 1. 6.) huldigt 
het eenige juiste rechtsbeginsel, dat schade door de fortui- 
nen der zee veroorzaakt, alleen ten laste van den reeder 
kunnen komen. Eene misvatting van de beslissing in 
de zaak van Plummer v. Wildman gegeven, schijnt 
de eenige aanleiding tot de verkeerde opvatting geweest 
te zijn, die men bij sommige schrijvers vindt. Nolte 
bestrijdt trouwens en terecht die beslissing. Wat betreft 
de kost en gagie der bemanning, schijnt nolte er toe 
over te hellen het oordeel van abbot (Lord tenteb- 



53 

den) ') te volgen en die slechts dan als avarij -grosse te 
beschouwen, wanneer de reparatie van het schip dit is. 
Is deze laatste avarij-particulier dan moeten ook de ver- 
meerderde uitgaven voor kost en gagie avarij-particulier 
zijn, omdat die kosten volgens hem, alsdan onder de 
verplichting van den schipper vallen om volgens het 
bevrachtings-contract zijn schip in goeden toestand te 
houden en voor eene behoorlijke bemanning te zorgen. 
Indien deze reden voldoende is mag men echter vragen, 
waarom alleen dit deel der noodhavenkosten, maar 
niet alle, wanneer het de herstelling van avarij-parti- 
culier geldt, ten laste van den schipper gebracht? 

Frémery (bl. 204 v.) komt tot het besluit dat alle nood- 
havenkosten, behalve de uitgaven voor kost en gagie 
der bemanning, wanneer het verblijf in de noodhaven 
dient tot herstelling eener avarij-grosse schade, in elk 
geval avarij-particulier zijn. Hij levert hiervoor een 
betoog, dat echter mijns inziens eene algeheele mis- 
kenning is van de algemeene rechtsbeginselen, waarop 
de avarij-grosse gegrond is, alsmede van hetgeen in 
dergelijke omstandigheden gewoonlijk feitelijk plaats 
grijpt. Hij zegt namenlijk: „La règle d'équité que la 
coutume a établie prescrit Ie remboursement par con- 
tribution de ce qui a été volontairement sacrifié. Or, 
dans Ie peril imminent, Ie volonté ne s'est dirigée que 
sur un seul point: Tobjet k sacrifier. C'est dans la 
limite de sa valeur que, se renferme Tentendue du dom- 
mage qu'il a éte résolu de supporter en commun. La 



1) Abbot (Shce) bl. 437 v. Nolte bl. 640 v. 



54 

consifl(Tati()ii que ce sacrifice pourra necessiter ensuite 
une relache ; la circonstance que Ie navire se trouve plus 
voisin d'un port de relache que du port de destination, 
sont des choses que Ton n'a point examinées. EUes 
sont en dehors du cercle dans lequel s'est agitée la 
deliberation; elles sont accidentelles ; et quoi qu'elles 
aient un Hen qu^on ne peut meconnaitre avec Ie sacri- 
fice qui a etc résolu et effectué, elle s'en distinguent 
cepcndant fort nettement; car on a résolu de sacrificr 
tol object et non pas de faire telle relache." Fré- 
MERY negeert hier geheel en al het feit dat het 
aandoen eener noodhaven wel degelijk, onafhankelijk 
van hetgeen daaraan voorafgaat, eene opzettelijke han- 
deling is, w^aartoe door den schipper besloten wordt 
om aan het gevaar te ontsnappen waarin de gemeen- 
schap verkeert '). Ik geloof zelfs dat dit meestal een 
vrijwilliger (sit venia verbo) daad zal zijn dan de 
avarij-grosse handeling die er mogelijk aan voorafging 
en er misschien de aanleiding van is. Tot deze zal 
men gewoonlijk overgaan in hoogen nood, wegens het 
gevaar van het oogenblik dikwijls zonder voorafgaande 
beraadslaging ^), terwijl daarentegen tot het aandoen 
eener noodhaven moestal besloten wordt, nadat de 
storm geweken is, maar men tot de overtuiging is ge- 
komen dat er toch gevaar bestaat om in den toestand 



1) Frignet l. bl, 375 zegt van Fréinery*s systeem : „Ie système est d'une 
recherche trop étroite, il est faux.'* 

2) Men herinnere zich dat Emcrigon mededeelt, dat alle gevallen van 
werping waarbij eene voorafgaande beraadslaging had plaats gehad, vermoe- 
den van oneerlijkheid opwekten. Zie I bl. 591. 



55 

waarin het schip zich dan bevindt, de reis voort te zetten, 
dus gewoonlijk na eene beraadslaging waarbij men wel 
degelijk de haven kiest welke men binnen zal loopen. 
't Is dan ook onbegrijpelijk hoe men dit een toeval 
kan noemen, want zoo ergens dan bestaat hier eene 
opzettelijke handeling, waartoe men in het algemeen 
belang besluit, waarmede dan ook de geheele redenee- 
ring van FRÉMERY met de daaruit door hem getrokken 
consequenties, vervalt. 

Ook de kost en gagie van de bemanning brengt bij ') 
onder avarij -particulier ten laste van den reeder, omdat 
zij geene onvoorziene uitgave zijn, maar integendeel 
een deel uitmaken van de speculatie der reeders, die 
rekenen op een oponthoud gedurende de reis, als die 
welke door het aandoen eener noodhaven veroorzaakt 
wordt, en daarvoor in de vracht eene vergoeding zoeken. 
Dit argument bewijst echter niet veel of liever veel 
te veel, daar men met gelijk recht zou kunnen beweren 
dat de reeders er op rekenen moeten dat de fortuinen 
der zee het kappen van een mast noodig maken, wat 
dan ook avarij -particulier zou zijn. Yoor avarij-grosse 
zou er dan inderdaad geen plaats meer overblijven. 

Onder avarij-particulier brengt frémery (bl. 216) 
verder alle noodhavenkosten gemaakt tot herstelling van 
avarij-particulier, en wel de uitgaven voor kost en 
gagie der bemanning ten laste der reederij en de 
kosten van lossen, wederinladen en de pakhuishuur 
van de lading ten laste van de eigenaars daarvan. 



1) bl. 208 V. 



/ 



56 

Zijns inziens heeft hier geene vrijwillige opoffering 
plaats, maar zijn dit toevallige schaden, omdat dezelfde 
overmacht, die het schip beschadigd heeft, den schip- 
per noodzaakte de noodhaven in te loopen; de 
algemeene regel voor schade door zeeëvenement ver- 
oorzaakt: „chacun porte sa perte" moet dus ook 
hier gelden. Hen, die deze kosten in avarij-grosse 
willen brengen, bestrijdt hij o. a. met de volgende 
woorden: „ce n'est pas \h Ie caractère qui détermine 
Tavarie commune. Pour qu'il y ait lieu k contribu- 
tion, il faut que Ie dommage soit causé par un sacrifice 
volontaire fait pour échapper k un péril imminent. Or 
quand un dommage causé par une force majeure a 
rendu la reUche nécessaire, elle ne peut avoir Ie carac- 
tère d'un sacrifice fait volontairement ; Ie capitaine est 
obligé, sous sa respon sabili té personnelle, d'entrer dans 
un port de relê-che et d'y réparer son navire, quand 
Ie dommage survenu rend les réparations indispensables. 
La relèche est donc Feffet d'une necessité et non d'une 
volonté; la necessité étant constante, la délibération 
n'est pas permise.'' Had hij dezelfde argumenten gebezigd 
waar hij de noodhavenkosten, gemaakt om eene avarij- 
grosse schade te repareeren, besprak, dan had hij daar 
tot de conclusie moeten komen dat die allen in avarij- 
grosse vallen, want dezelfde opzettelijke daad die het 
schip schade toebracht, noodzaakte ook om de nood- 
haven in te loopen. Al valt er dus op zijne redeneeringen 
heel wat af te dingen, zeker is het niet consequent 
om in geheel analoge gevallen geheel verschillende 
argumenten te bezigen. Of en hoeverre het volgens 



57 

het bevrachtings-contract eene verplichting van den 
schipper is om eene noodhaven binnen te loopen zullen 
we later zien. 

Frignet (II bl. 377 v.) onderscheidt vier gevallen: 
1". Het inloopen in eene noodhaven is op zich zelf 
^racte de salut commun'', dat wil zeggen er wordt 
toe besloten als voorzorgsmaatregel om aan een dreigend 
gevaar te ontsnappen,- voordat er eenige schade geleden 
is. Alle kosten van af het binnenloopen tot het weder 
verlaten van den noodhaven moeten dan beschouwd 
worden als de onmiddellijke gevolgen van hetgeen 
waartoe tot algemeen behoud is besloten en vallen der- 
halve in avarij-grosse (t. a. p. n\ 418). 

2\ Het is het gevolg van een' anderen maatregel 
tot gemeen behoud genomen, die het schip in gevaar 
heeft gebracht en eene reparatie noodig maakt alvorens 
de reis voort te zetten. Ook in dit geval zijn alle 
kosten, zelfs die van reparatie van het schip, de nood- 
zakelijke, hoewel dikwijls onvoorziene gevolgen van de 
gedane opoffering en dus avarij-grosse (t. a. p. n°. 419). 
't Is echter niet noodig en ook niet juist met frignet 
deze onderscheiding aan te nemen, en in het eene 
geval de noodhaven kosten als de noodzakelijke gevol- 
gen van het besluit tot inloopen, in het andere geval 
van de daaraan voorafgaande avarij-grosse handeling 
voor te stellen. Men moet juist steeds het besluit om 
eene noodhaven aan te doen op zich zelf beschouwen, 
daarop alleen komt het aan. Wij zien dan dat in deze 
beide gegeven gevallen dat besluit gelijkelijk genomen 
wordt, om het gevaar af te wenden dat de gemeenschap 



58 

.dreigt en dat bestaat in de waarschijnlijkheid van 
vergaan als anderzins, indien men de reis voortzet. 
Wat de oorzaak van dat gevaar is, een opkomende 
storm of eene vroeger gemaakte avarij-grosse handeling 
doet er niets toe '). Niet om de door frignet gegeven 
reden maar omdat er au fond geen wezenlijk verschil 
tusschen de gestelde gevallen bestaat, moeten zij tot 
dezelfde beslissing leiden. 

3". Het aandoen van eene noodhaven tot herstelling 
van zeeschade, zoogenaamde „relé,cheforcée.'' Aangezien 
dit eene opzettelijke handeling is in het algemeen be- 
lang behooren ook alle kosten hiervan in avarij-grosse 
(t. a. p. n". 420 V., zie vooral het daar aangehaalde arrest 
V. h. Hof te Rouaan). Wat aangaat de kost en gagie der be- 
manning schijnt FRIGNET over te hellen tot het gevoelen 
der Engelsche rechtbanken, dat dit altijd avarij-parti- 
culier ten laste van den reeder is (t. v. p. n". 438)^ 
omdat die volgens het bevrachtings-contract gehouden 
is steeds voor eene voldoende bemanning te zorgen: 
„Le premier devoir du propriétaire du navire n'est il 
pas en effet d'entretenir a son bord un equipage tou- 
jours suffisant pour les besoins de Texpédition? Et si 
pour quelque motif que ce soit, il survient un retard 
dans la termination du voyage, n'est ce pas \h un 



1) Verg. Baily bl. 29, waar hij de volgende woorden van Lord Ellenborough 
in Plummer v. Wildman aanhaalt: ^it is uot so much a question whether 
the first caiise of damage was owiug to this or that accident, as whether the 
effect produced was such as to incapacitate the ship, without endangeringthe 
whole concern, from farther prosecating the voyage, unless she removed the 
impediment". 



59 

evenement que Tarmateur a du calculer, qui est entre 
en ligne de compte dans Ie prix de son fret, qui en 
un mot, fait partie de la spéculation, de même que la 
privation du capital d'achat et la détérioration des mar- 
chandises sont comprises dans les chances du propriétaire 
du chargement?'' Op deze vragen schijnt hij een vol- 
komen bevestigend antwoord te verwachten (t. a. p. 
bl. 433) '). 

Emérigon, de beroemdste fransche schrijver over 
assurantie en avarijen, wijst er op dat de rechtspraak 
in Frankrijk, die de noodhavenkosten in avarij-grosse 
toelaat, in strijd is met de fransche wetten ^). Toch 
neemt hij die jurisprudentie in bescherming, want, zegt 
hij, als een door een' storm beschadigd schip, niet in 
de noodhaven gerepareerd werd, zou dit ook een 
groot nadeel zijn voor de lading. „ Il s'agit donc ici 
d'une dépense fait „ „pour Ie bien et salut commun'' '' 
(ed. BOULAY-PATY I, bl. 608 V.). BouLAY-PATY bestrijdt 
hem in zijne aanteekeningen op de 41»^^ Sectie van het 
12^^ hoofdstuk (t. a. p. bl. 620). Volgens dezen kan men 
slechts de ingaande havenkosten in avarij-grosse bren- 
gen als gevolg van eene handeling ten gemeenen bate ; 
de overige daarentegen zijn allen avarij-partieulier, 
omdat zij slechts natuurlijke gevolgen zijn „d'un acci- 
dent fortuif 

In Engeland is de grootste strijd gestreden tusschen 
de phydcal safety theorie (alleen de kosten van het 

1) Zie echter infra bl. 75 v. 

2) Titre du fret a. 11. Ord. v. 1681. Jugemens d*01éron a. 4. C. d. C. 
a. 403, 30. 



60 

inloopen der noodhaven en van de lossing avarij -grosse) 
en de common benefit theorie (alle noodhavenkosten 
avarij -grosse) ; wat niet te verwonderen is in een land 
waar geen codificatie bestaat. Dit toch leidt natuur- 
lijkerwijze tot eene groote autoriteit der meest bekende 
en bekwame juristen en schrijvers en tot eene 
onbeperkte heerschappij eener eens gevestigde praktijk 
zoo lang geene rechterlijke beslissing uitgemaakt 
heeft wat recht is. In tegenstelling met de praktijk 
van het vasteland huldigt de Engelsche de physical 
snfety theorie '). Ik zeg ^ in tegenstelling met de prak- 
tijk van het vasteland/' want in die landen, waar de 
wet de common benefit theorie niet huldigt, nam. in Frank- 
rijk (C. d. C. art. 403, n" 3.), Spanje (C. d. C. art. 970), 
wordt deze toch door de praktijk, gesteund door de 
jurisprudentie, toegepast, met uitzondering alleen van 
België waar de praktijk zeer veel overeenkomst heeft 
met de Engelsche ^). Engeland bezit een zeer uitge- 



1) Onlangs werd echter in Atwood v. Sellar Co. (4 Q. B. Div. 842), 
waarbij de in praktijk zijnde physical safety theorie nominatim ter sprake 
kwam, bij monde van den ,,Chief Justice" Cockburn beslist, dat de pakhais- 
huur der ladin;;:, de kosten van wederinlading en de uitgaande havenkosten 
avarij-grosse zijn, omdat men de noodhaven in Joopt, niet alleen voor de 
common safety maar ook „for the further prosecution of the adventure/* Zie 
naar aanleiding van deze beslissing „General Average'' in „the Journal of 
Jurisprudence and Scottish Law Magazine" vl^. 273, Sept. 1879, vol. 23, bl. 
449 V., waarin deze uitspraak hevig bestreden wordt. Het is het eerste vonnis 
waarin, met verwerping van de tot nog toe bestaande Engelsche praktijk, de 
common benefit theorie openlijk gehuldigd cu verklaard wordt het recht te zijn, 
en is daarom de aandacht overwaard. 

2) Het tweede boek van het nieuwe Belgische wetboek van koophandel van 



61 

breide literatuur op dit gebied '), waarom wij ons hier 
zullen bepalen tot zijne beroemdste auteurs, benecke, 

BAILY, ABBOT en LOWNDES. 

Volgens BENECKE zijn alle kosten (ook die van 
onderhoud en gagie der bemanning), veroorzaakt door 
dat het schip eene noodhaven moet aandoen tot herstel- 
ling eener schade vrijwillig gemaakt in het algemeen 
belang, avarij -grosse, daar zij dan de noodzakelijke 
gevolgen zijn eener avarij -grosse-handeling (benecke- 
PHILLIPS bl. 118). Dit argument is echter minder juist, 
zooals ik reeds (boven bl. 58) heb trachten aan te too- 
nen, terwijl de noodhavenkosten noch altijd een 
noodzakelijk, noch altijd een voorzien gevolg van het 
toebrengen van schade aan het schip zijn. Dient het 
verblijf in de noodhaven tot het repareren van eene 
toevallige schade door storm of andere zeeëvenementen 
veroorzaakt, dan zijn alleen de kosten van het inloopen 
dier haven avarij-grosse als gevolgen van eenen maatregel 
vrijwillig genomen, tot behoud van het geheel, benecke 
maakt zich hier aan dezelfde inconsequentie schuldig, 
die wij reeds bij frignet hebbeu aangetroffen, om nam. 
nu eens de toegebrachte schade, dan eens het besluit tot 
het aandoen der noodhaven als de oorzaak der kosten te 
beschouwen. In het laatste geval noemt hij zelfs alleen de 
kosten van het inloopen het gevolg van dat besluit. 
Zoodra schip en lading in veiligheid zijn, zijn alle 



4t Sept. 1879, (art. 103) bepaalt nitdrakkelijk dat alle noodhavenkosten avarij- 
grosse zijn; eene bepaling v^raarna de praktijk zich wel zal moeten schikken. 
1) De meeste Eugelsche schrijvers behandelen de avarij-grosse in werken 
over assurantie, zooals Park, Benecke, Millar, Marshall, Arnould e. m. a^ 



62 

verdere kosten avarij-particulier ten laste van de reeders 
en de inladers, want dit zijn volgens hem, bloot 
noodzakelijke gevolgen van de geledene toevallige 
zeeschade. 

Baily (bl. 37) geeft als vierde ,, practical rule/' dat 
het onderhoud en de gagie der bemanning gedurende 
de verlenging der reis tengevolge van eene avarij-grosse 
handeling, niet in avarij-grosse toegelaten worden, waar- 
mede hij zich zeer goed vereenigen kan, omdat het eene 
verplichting van den schipper is uit het vrachtcontract. 
Daarentegen vindt hij de praktijk verkeerd, waar zij de 
schade die de lading bij lossing in eene noodhaven onver- 
mijdelijk lijdt, en de pakhuishuur dier lading, als avarij- 
particulier, ten laste van de eigenaars brengt (t. a.p. bl. 40 
en 42 v.). Hij merkt o. a. op, dat het argument, dat de 
plaatsing der lading in een pakhuis slechts hare eige- 
naars tot voordeel strekt, reeds daarom niet opgaat, 
omdat indien de lading verloren ging, in de meeste 
gevallen ook geen vracht verschuldigd zou zijn, en dus 
de reeder ook wel degelijk bij het behoud der lading, 
ergo bij den opslag, belang heeft. De kosten van weder- 
inlading komen ten laste van de vracht, omdat daarbij 
alleen de vracht gebaat zou zijn '). Zoowel uit beginsel, 
als om reden, dat de lading, die gewoonlijk in de 



1) Deze vier „practical rules'* zija geheel in strgd met de door denzelfden 
schrijver gegeven „pratical rule'* u^ l op bl. 35 van zijn werkje „on General 
Average" (Zie boven bl. 45, de noot). Ik geloof toch dat het niet te ontkennen valt, 
dat de hier genoemde kosten of schaden allen zijn : „ accordiug to the usual course 
of things and such as may be reasonably supposed to have been in the con- 
templatiou of the performers of Ihe act (in casu het inloopen der noodhaven) 
at the time whcu the act was perfomed, as the probable rcbult of it." 



63 

noodhaven minder waarde heeft als ter destinatie- 
plaats, wel degelijk voordeel beeft bij de wederinlading, 
bestrijdt Baily ook dezen regel (bl. 43 v.). De schipper 
toch mag de reis in de noodhaven niet staken, de in- 
lader zijne goederen daar niet tot zich nemen, waar- 
door zoowel het schip als de lading in de noodhaven 
voor hunne respectieve eigenaars geen waarde bezitten 
en deze allen evenzeer belang hebben bij de weder- 
inlading en de voortzetting der reis. 

Het beginsel waarna baily in al deze gevallen 
eene beslissing zou willen geven, drukt hij aldus uit: 
„when the performance of any general average act 
necessarily involves that of other acts before the ullerior 
object can be attained, such subsequent acts are also 
general average acts when that ulterior object is attai- 
nable'' (t. a. p. bl. 22). Zeer juist toont hij hierbij aan, 
dat dit einddoel bestaat in het, nadat het gevaar afgewend 
is, zoo mogelijk behouden bereiken der bestemmings- 
plaats, want het schip en de lading zijn aan elkan- 
der verbonden tot het einde der reis. Nu moge het 
naaste doel der avarij -grosse handeling de veiligheid 
van schip en lading zijn, het einddoel zal altijd wezen 
met beiden de reis voort te zetten en de bestemming 
te bereiken. Volgens dit beginsel moeten dus alle nood- 
havenkosten (ook het onderhoud en de gagie der be- 
manning, waarvoor baily eene uitzondering maakt) 
avarij-grosse zijn. Ik meen evenwel dat het beter is 
geen regel te maken die niet algemeen, maar zooals 
deze slechts in speciale gevallen van toepassing kan 
zijn. Niet alleen wordt men daardoor genoodzaakt, met 



64 

BAILY, weer te onderscheiden tusschen avarij -grosse 
handelingen quoad het naaste doel, en avarij-grosse 
handelingen quoad het einddoel, maar bovendien wordt 
zij geheel overbodig, w^anneer men een' algemeenen 
regel voor de gevolgen, zooals den door ons (z. bl. 46 v.) 
voorgestelden, aanneemt. 

Abbot (Lord tenderden) ') zegt over dit onderwerp : 
„ if the damage to be repaired, be in itself an object 
of contribution, it seems reasonnable that all expenses 
necessary, although collateral to the reparation, should 
also be objects of contribution, the accessory should 
foUow the nature of the principal. On the other hand, if 
the damage itself be not nuch as to be the object of con- 
tribution, by the same rul e, neither ought the colla- 
teral expenses incurred with regard to the repairs to 
become so." In het laatste geval behoort de reparatie, 
met alle daaraan verbonden uitgaven, tot de verbind- 
tenis van den schipper „ to keep his vessel tight, staunch, 
and strong'' (bl. 441), een argument dat hem vol- 
komen voldoende toeschijnt. 

LowNDES geeft in zijn beroemd werk „ the Law 
of General Averag e^'^ van alle schrijvers het volle- 
digste overzicht van deze strijdvraag; een tal van 
argumenten zoowel voor deze als gene theorie kan 
men bij hem vinden, daar hij, vroeger een hard- 
nekkig verdediger van lloyd's praktijk, in den laat- 
sten druk van zijn werk blijkbaar tot de common bene- 
fit theorie is overgegaan. Als regel voor de gevolgen 



1) Abbot (Shee) bl. 437 v. 



65 

geeft bij dezen, ,,no other consequences of an actforthe 
common safety are admissible into general average, 
but such as foUow that act by direct physical necessity, 
independently of any subsequent accident or of any act 
of volition having some other motive'' (bl. 29). Dit is* 
geheel in den geest der physical-safety theorie. De toe- 
lichting er yan luidt aldus: de ayarij-grosse handeling, 
bestaande in het inloopen der noodhaven, moet men 
losmaken van hare oorzaak, het ongeluk of het toeval 
dat haar noodzakelijk gemaakt heeft, want doet men 
dit niet, maar beschouwt men haar als een gevolg van 
dat ongeluk, dan kan er ook geen avarij-grosse zijn. 
Analogisch op andere gevallen toegepast zou men zoo 
tot het niet bestaan van avarij-grosse komen. Daarom 
moet men de avarij-grosse handeling van hare oorzaak 
losmaken en beschouwen als eene handeling op zich 
zelf. Wil men consequent zijn dan moet men dit in 
alle gevallen doen en dus ook de gevolgen van eene 
avarij-grosse handeling ieder afzonderlijk beschouwen. 
Vereenigen nu bijv. de kosten, die zulk eene handeling 
na zich sleept, op zich zelf beschouwd, niet alle ver- 
eischten voor het bestaan van avarij-grosse in zich, 
dan kunnen ze ook geen avarij-grosse zijn, maar moe- 
ten zij ten laste van hem komen, die er uitsluitend 
door wordt gebaat. 

Tegen deze redeneering meen ik het volgende 
te kunnen inbrengen. Het bizondere karakter der 
avarg-grosse handeling bestaat daarin dat de wil 
van iemand, die bevoegd is voor de gemeenschap 
te handelen, hier handelend optreedt. Eene schade, 



66 

die anders eene bloot toevallige zou zijn, komt om- 
dat ze gewild is ten laste van allen in wier belang 
ze gewild is, mits een dreigend gevaar het bestaan van 
dien wil rechtvaardige. Wat de oorzaak van dit gevaar 
moge zijn, doet er niets toe; het karakter der handeling 
kan daardoor niet veranderen. Al beschouwde men dus 
elke avarij -grosse handeling als een gevolg van eene 
toevallige schade, dan blijft ze toch haar bizonder 
karakter behouden, omdat zij dit verkrijgt om geheel 
bizondere omstandigheden, alleen bij haar aanwezig en 
onafhankelijk van die schade werkzaam. De vraag is 
niet, waardoor is die wil gedetermineerd, maar alleen, 
bestaat die wil. Is dus eene avarij -grosse handeling haar 
bizonder karakter alleen daaraan verschuldigd, dat de 
wil van hem, die tot handelen gerechtigd, ja verplicht 
was, haar in het leven riep, dan mag men om dezelfde 
reden die gevolgen niet van haar losmaken, die in dien 
wil begrepen waren, 't Is immers onmogelijk alleen 
tot eene zekere handeling te besluiten en daartoe over 
te gaan, zonder tevens de gevolgen te willen, die men 
weet, althans kan weten, dat er noodwendig uit moeten 
voortvloeien en die men misschien wel voorziet. Die 
gevolgen mag men dus niet van hare oorzaak afschei- 
den en alleen beoordeelen naar het oogenblik waarop ze 
plaats hebben. Zij zijn niet zoozeer gevolgen als wel 
deelen van datgene waartoe men besloten heeft '). 

Daar waar lowndes de noodhavenkosten meer in 
extenso behandelt vinden wij nog tal van argumenten 



1) Verg. verder Lowndes bl. 26-29, bl. 92—117 en 136—139. 



67 

voor en tegen de beide theoriën. Ons bestek gedoogt 
niet ze hier allen weer te geven; eene wederlegging 
van de voornaamste argumenten voor de physical 
safety theorie moge hier alleen eene plaats vinden. 

Vooreerst dan zegt men: de reparatie van het schip 
is eene verplichting van den reeder, dus moeten alle 
kosten die daaraan verbonden zijn te zijnen laste 
komen. Zeer zeker is de reeder en voor hem de schip- 
per verplicht zoo veel mogelijk voor de behouden 
overkomst van de lading te zorgen, daarvoor alle naar- 
stigheid en voorzichtigheid in acht te nemen, een goed 
uitgerust, wel gekalfaterd en bemand schip te leveren en 
zoo dit beschadigd wordt die schade te herstellen ; tevens 
is hij gehouden de reis zoosnel mogelijk te vervorderen, 
en mag hij niet van den bepaalden koers afwijken ; 
dit alles echter tenzij de fortuinen der zee hem daarin 
verhinderen, voor welke overmacht hij natuurlijk zal 
moeten zwichten. Wordt nu het schip op reis door 
storm beloopen en lijdt het hierbij schade, die hetzij 
door toeval, hetzij door eene opzettelijke opoffering 
veroorzaakt wordt, dan is de schipper verplicht deze 
schade te herstellen voor zooveel dit in zijn vermogen 
ligt. Hij zal de gebroken masten of verloren en ge- 
scheurde zeilen, door noodmasten of noodzeilen moeten 
vervangen en verder in een woord alles doen wat 
noodig is om het schip zeewaardig te houden. Van den 
koers af te wijken en eene noodhaven aan te doen om 
de schade te herstellen, valt echter niet alleen buiten 
zgne verplichting, maar hij mag daartoe zelfs niet 
overgaan, daar hg verplicht is de reis voort te zetten 



68 

zonder deviatie. Hoe ernstig de schade aan het schip 
ook moge zijn, zelfs al bestaat er groot gevaar, hij zal 
altijd aansprakelijk blijven voor eene dergelijke afwij- 
king van den koers. 

Is de schade daarentegen van dien aard dat er ge- 
vaar voor schip en lading beide uit ontstaat, zoo al 
geen oogenbhkkelijk, dan toch een dreigend gevaar, 
als de reis in den toestand waarin het schip verkeert 
wordt voortgezet, dan moet de schipper een noodhaven 
opzoeken en daar de noodige reparaties laten doen. 
Evenwel is hij daartoe dan niet verplicht als schipper, 
maar als gemachtigde, zoowel van den reeder als van de 
eigenaars der lading, om, als het gevaar dit vereischt, 
alle kosten te maken die zullen blijken noodig te zijn 
om het gemeenschappelijk belang daaraan te onttrek- 
ken en de reis zonder dat gevaar van te vergaan voort 
te zetten. In casu zullen die kosten dus bestaan uit 
al die, welke noodig zijn om den schipper in de ge- 
legenheid te stellen zijne verplichting om het schip 
te repareeren te vervullen. Een bizondere verplich- 
ting om eene noodhaven binnen te loopen bestaat 
er voor den schipper volgens het bevrachtings-contract 
niet, daar dit contract alleen voorziet in en slechts 
gemaakt wordt met het oog op de gewone omstandig- 
heden die zich bij elke zeereis voordoen '). In de 
buitengewone en onvoorziene gevallen van uiterst ge- 
vaar ontstaat het avarg-grosse recht; de schipper is 

1) Nolte bl. 592 t. zegt eveuzoo, dat de schipper door het bevrachtings- 
contract slechts de verplichting op zich neemt, alles te doen, wat in het ge- 
wone verloop eener reis noodig is. 



69 

dan verplicht alles te doen wat in het belang der 
gemeenschap noodig is, zelfs schade aan te richten 
en kosten te maken, die dan gemeenschappelijk vergoed 
en gedragen worden. De verplichting nu van den schip- 
per om eene noodhaven binnen te loopen is geene 
andere dan die om in zekere omstandigheden goederen 
te werpen, een mast te kappen of dergelijke opofferin- 
gen te doen. Bovendien zal men moeten erkennen dat 
hier alle vereischten voor eene avarij-grosse handeling 
aanwezig zijn. Er bestaat immers eene opzettelijke 
handeling, die kosten na zich sleept en waartoe men 
wegens een dreigend gevaar ') in het algemeen belang 
overgaat, nm. het besluit om al die buitengewone 
kosten te maken die noodig zijn om de reis zonder 
gevaar voor schip en lading voort te kunnen zetten ^). 
Gesteld dus dat het bevrachtings-contract medebracht 
niet alleen eene verplichting voor den schipper om te 
repareeren, maar ook om alle kosten te maken ver- 
bonden aan het zoeken eener geschikte gelegenheid 
daartoe, en daarmede het recht om ten dien einde van 
den koers af te wijken, dan nog zou die verplichting 
zich gedeeltelijk oplossen in het maken eener avarij- 
grosse handeling, daar hg toch nooit anders als in uitersten 
nood in het belang der gemeenschap met dat doel tot 
het aandoen eener noodhaven zou mogen overgaan. 

1) Wat de oorzaak van dit gevaar is, doet er niets toe; sterfte onder de 
bemanning, een gevaarlijk lek, het kappen van masten of broeiing der lading, 
niet aan iemands schuld of nalatigheid te wijten, staan als oorzaak vol- 
komen gelijk. 

2) Het bereiken der bestemmingshaven is slechts een verwijderd doel en 
kan hier das niet in aanmerking komen. 



70 

Men moet hierbij ook in het oog houden dat het 
avarij-grosse recht ontstaan is naast en in weerwil van 
het bevrachtings-contract en daardoor de strenge wer- 
king van het laatste eenigzins beperkt heeft. Cauvet 
n®. 337) komt zelfs tot de conclusie dat avarij-grosse 
door de gewoonte eene stilzwijgende, hoewel niet essen- 
tieele *) clausule van de chertepartij is geworden. 
LowNDES (bl. 96 V.) vestigt nog de aandacht op een 
gewichtig practisch voordeel dat aan het brengen der 
noodhavenkosten in avarij-grosse verbonden is. Hij 
meent dat het avarij-grosse recht grootendeels gevestigd 
is „on the ground of general policy," op de noodza- 
kelijkheid om den plicht van den schipper, om alles 
te doen wat in het belang van allen is, meer m over- 
eenstemming te brengen met zijn eigen belang, om zoo 
min mogelijk kosten te maken ten laste van zijne 
superieuren, de reeders. Ook deze reden maakt de 
omslag van de noodhavenkosten in avarij-grosse zeer 
wenschelijk, want als de schipper alle kosten alleen 
moet betalen, zal zijn belang hem weerhouden, ook 
al mocht het noodig zijn, eene noodhaven aan te doen. 
Cauvet, die den eenigen rechtsgrond van het avarij- 
grosse recht in het belang der zeevaart zoekt ^), dringt 
dan ook hoofdzakelijk om deze practische reden er op 



1) Door uitdrukkelijk beding mogen de part^'en dan ook van de bepalingen 
der wet omtrent avarij-grosse afwijken. Zulk een beding kan natuurlijk slecht 
werken tusschen hen die er uitdrukkelijk in toegestemd hebben. Is het dus niet 
in cognossementen aangeteekend dan zal het ook niet van kracht zijn tegenover 
de ontvangers der lading. 

2) V. s. bl. 5 V. 



71 

aan om de kosten van de lossing der lading en de 
pakhuishuur in avarij-grosse te brengen. Zoo lezen wij 
bij hem (II, bl. 143, n^ 365): „or, avec unfretégaJ, 
les frais de déchargement seront fort inégaux. lis devien- 
dront parfois tellement onéreux qu'il seront ruineux. 
On courra, par suite, Ie danger de voir un capitaine 
s'obstiner, malgré une voie d'eau, k exposer sur mer 
son navire, son cargaison, la vie des hommes de 
Téquipage, plutót que de retócher, par la certitude 
qu'il aura d'être ruiné s'il relSxihe. Les capitaines 
n'éviteront la ruine qu'en faisant condamner les navires 
assurés et les déclarations d'innavigabilite deviendront 
plus fréquentes. Les frais de déchargement étant, en 
efifët, réputés accessoires des réparations, il faudraaug- 
menter du montant de ces frais Tévaluation des 
dépenses, et on atteindra les trois quarts de la somme 
assurée sans que les opérations k faire soient par elles- 
mêmes tres couteuses. On arrivera k ce resultat singu- 
lier, que ce sera, non Tétat du navire, mais la richesse 
de la cargaison qui déterminera la décision d'innavi- 
gabilité." Het spreekt van zelf dat ook dergelijke 
overwegingen bij het geven eener beslissing in aan- 
merking moeten komen. 

Men is dan ook nog nooit tot de uiterste consequentie 
overgegaan om alle noodhavenkosten, zoowel wanneer 
het de reparatie geldt van eene avarij-grosse, als 
van eene avarij -particulier, ten laste van den reeder 
te brengen. Van de schrijvers toch, die de boven door 
mij verdedigde meening niet zijn toegedaan, brengen 
sommigen de kosten van het inloopen der noodhaven 



72 

en van het lossen der lading in avaiij-grosse en de overige 
kosten ten laste van hem, die men aanneemt dat daar- 
door het meest is gebaat (nm. de pakhuishuur ten 
laste van de eigenaars der lading '), het onderhoud 
en de gagie der bemanning ten laste van den reeder 
en de kosten der wederinlading ten laste van de vracht 
of ook wel van de inladers ') ), anderen, naar gelang 
de schade veroorzaakt is door een toeval dan wel door 
eene avarij -grosse handeling, alle kosten hetzij onder avarij- 
particulier, ten deele voor rekening van de reeders, ten deele 
van de eigenaars der lading, hetzij onder avarij-grosse '), 
en brengt eindelijk frémery, die in zijne opinie vrij- 
wel alleen staat, wel alle kosten onder avarij -particulier, 
maar toch niet alleen ten laste van den reeder, daar 
hij meent dat de kosten van lossing, wederinlading en 
de pakhuishuur voor rekening van de eigenaars der 
lading moeten komen *). 

De eerste der hier genoemde meeningen noemt men de 
physical safety theorie, waarvan arnould de voor- 
naamste kampvechter is. Deze theorie is gebaseerd op 
de stelling, dat het gevaar waarin schip en lading ver- 



1) Geheel ten onrechte, want de reeder is evengoed bij het behoud der 
lading geinteresseerd, daar, ten minste volgens Engelsch recht, de vracht 
afhankelijk is van het behouden arriveeren der lading ter bestemmingsplaats. 

2) Zie Pöhls bl. 654, Boulay-Paty bij Emérigon I bl. 620 v., die ook de 
kosten van lossing voor rekening van de inladers brengt. Arnould (Maclachlan) 
bl. 839 V. en 859 v., die beweert dat de common-benefit theorie op het vaste- 
land gehuldigd wordt wegens de „timid spirit" die daar heerscht. 

3) Benecke (Phillips) bl. 117 v. Abbot. JV, 9, § 7 bl. 437 v. Kist V bl. 
389 V., waar hij de bepalingen van art. 699, 90, lO^ en IP W. K. aanvalt. 

4) Frémery bl. 204 v. 



73 

keeren zoo groot is, dat de schipper voornamelijk om 
deze beide in veiligheid te brengen de^ noodhaven 
binnen loopt, terwijl het repareeren der schade slechts 
als een bijkomend oogmerk wordt beschouwd. Door 
dit gevaar nu zou, zoolang als het bestaat, de werking van 
het bevrachtings-contract opgeheven worden, zoodat de 
kosten noodig om die veiligheid te bereiken in avarij- 
grosse vallen. Hiertoe zouden dan weder de kosten van het 
inloopen der noodhaven en van het lossen der lading 
behooren. Deze stelling is echter onwaar en daarmede 
moet ook de geheele theorie vallen. Feitelijk toch 
komt het bijna nooit voor dat er zulk een oogenblik- 
kelijk dreigend gevaar van vergaan bestaat, dat de 
schipper voor alles slechts kan denken aan het in 
veiligheid brengen van schip en lading. Immers juist 
daardoor dat er geen oogenblikkelijk gevaar bestaat, 
is het mogelijk, dikwijls in een' toestand, die het ge- 
vaarlijk maakt de reis voort te zetten, eenen soms niet 
onaanzienlijken afstand af te leggen om de naaste haven 
te bereiken, waar gelegenheid is om het schip te repa- 
reeren. Al is bijv. een schip masteloos geworden, dan 
zal het daarom nog niet in een oogenblikkelijk dreigend 
gevaar verkeeren, integendeel het kan volkomen veilig 
zijn, maar toch is het noodig eene noodhaven aan te doen, 
omdat het niet wenschelijk, ja gevaarlijk is in dien 
toestand de reis voort te zetten. Volkomen hetzelfde 
geldt wanneer er door ziekte of sterfgevallen gebrek 
aan bemanning is ontstaan en in zooveel andere ge- 
vallen meer. Minst genomen is het dus een zeer zwak 
argument. Voor de praktijk, volgens de physical safety 



74 

theorie, om de kosten van ontlading in avarij-grosse te 
brengen, die van opslag der lading in de pakhuizen en 
van de wederinlading in avarij-particulier, is geen 
enkel goed argument te vinden, tenzij men de gewoonte 
als zoodanig wil laten gelden '). 

Zooals wij gezien hebben is het besluit om een 
noodhaven op te zoeken eene avarij-grosse handeling. 
Men moge nu met ons alle uitgaven in de noodhaven 
noodzakelijk te maken de voorziene en noodwendige 
gevolgen van die handeling noemen, of wel het ge- 
heele verblijf in de noodhaven als eene avarij-grosse 
operatie beschouwen, de resultaten waartoe men 
komt zullen dezelfde zijn, daar er geen principieel ver- 
schil bestaat tusschen de eene en de andere zienswijze ^). 
De kosten van lossing, de schade bij de lossing nood- 
zakelijk door de goederen te lijden, de pakhuishuur, 
de kosten van wederinlading, de in- en uitgaande 
havenkosten, ze moeten alle avarij-grosse zijn. Daaren- 
tegen zal de schade aan de lading in de pakhuizen 
door brand of diefstal toegebracht, als zijnde een bloot 
toevallig verlies, noodzakelijk ten laste van de eigenaars 
moeten komen. Evenzoo blijven de reparatiekosten van 
eene avarij-particulier van het schip uitsluitend ten laste 



1) Zie Lowndes bl. 119. 

2) Lowndes bl. 206 v. „The act or operation resolved upon for the com- 
mon-safety, was really one whole, it must be regarded, from first to last as 
one, aod the expeoses iu question (reloading and ontwardcharges) form part 
of the loss included iu that whole; the reason being, that the whole was 
contemplated at the time when the general average act was resolved on." 
(bl. 208). 



75 

van de reeders, daar het karakter dezer schade niet 
kan veranderen en zij ook geen noodzakelijk gevolg 
van het aandoen der noodhaven is, maar veeleer op 
den schipper de verplichting rust om de reparatie te 
bewerkstelligen, wanneer hij daartoe in de gelegenheid 
is gesteld. 

Dat de reparatie kosten in de noodhaven hooger zijn 
dan zij ter bestemmingshaven geweest zouden zijn, of 
dat het gerepareerde slechts tijdelijk aangebracht wordt, 
kan geen reden zijn om voor een deel dier kosten 
eene andere beslissing te geven '). Strekken de repa- 
ratie-kosten tot herstelling eener avarij-grosse schade, 
den vallen zij natuurlijk in avarij-grosse. 

De kosten van onderhoud en gagie der bemanning 
gedurende het verblijf in de noodhaven, zijn buiten- 
gewone uitgaven, die een noodwendig en voorzien ge- 
volg zijn van dat verblijf en moeten dus evenzeer in 
avarij-grosse vergoed worden als bijv. de pakhuishuur 
of andere onkosten. De meeste schrijvers echter, die, 
op welken grond dan ook, alle noodhavenkosten als 
avarij-grosse beschouwen, maken eene uitzondering van 
de hier genoemde ^). Het houden van eene voldoende 
bemanning, zeggen zij, is eene bepaalde verplichting 
den schipper door het bevrachtings-contract opgelegd, 



1) Lowndes bl. 128. Anders Phillips n». 1300. De boTen (bl. 52) aange- 
haalde beslissing in Plummer v. Wildinan is overruled door die, welke gegeven 
is in de zaak Wilson v. Bank of Victoria. 

2) Zie Tecklenborg bl. 286 v. Stevens (Phillips) bl. 87 v. Noltc il bl. 670, 
Baily bl. 37. Frignet I, bl. 399 n^. 433. Cauvet II nO. 860—376. Lowndes 
bl. 316 7. twijfelt. 



76 

welke niet opgeheven kan worden door eene eenvoudige 
verlenging van de reis; is deze het gevolg van tegen- 
wind als anderzins dan krijgt hij immers ook geene 
vergoeding. Dit is zeer waar wat betreft eene toevallige 
verlenging van de reis, hier geldt het echter het ver- 
blijf in eene noodhaven d. i. eene opzettelijke ver- 
lenging in het algemeen belang, dus juist het tegen- 
overgestelde. Wil men desniettemin het onderhoud en 
de gagie avarij -particulier noemen, dan zou men ook 
de bevrachters voor den tgd van het oponthoud in de 
noodhaven vracht moeten laten betalen; het bevrach- 
tings-contract toch brengt niet mede dat er geen vracht 
verschuldigd zal zijn wanneer de reis opzettelijk in 
het belang van allen verlengd wordt. 

Mocht het verblijf in de noodhaven nog andere uit- 
gaven of schaden, dan de hier genoemde, na zich 
sleepen, dan zal van de vraag of ze al dan niet de 
noodzakelijke en voorziene gevolgen van de avarij-grosse 
handeling zijn, de beslissing moeten afhangen, of ze 
eene avarij-grosse dan wel particulier zijn. 

Inderdaad bestaan er dan ook slechts twee logische 
oplossingen van deze kwestie ; men moet of het opzoe- 
ken van eene noodhaven eene gewone verplichting 
van den schipper noemen, en dan ook alle onkosten 
die daardoor veroorzaakt worden, zoowel van in- als 
van uitloopen, van lossing en wederinlading, van pak- 
huishuur en van gagie, te zijnen laste brengen (eene 
consequentie nog door geen enkelen schrijver aanvaard) 
of wel de geheele operatie het karakter van eene 
avarij-grosse handeling toekennen en daarmede alle 




77 

kosten, die er het onvermijdelijke en voorziene gevolg 
van zijn, als avarij-grosse beschouwen '). 

§ 4. Is redding uit het gevaar eene ver- 
eischte? 

Alvorens tot het geven eener definitie van avarij- 
grosse over te gaan, moeten wij eerst nog onderzoeken, 
in hoeverre redding uit het gevaar, dat noopte tot 
het doen der avarij-grosse handeling, noodig is, om de 
schade daardoor geleden eene avarij-grosse schade te 
doen worden. 

Op het voetspoor van het Romeinsche recht werd 
en wordt nog in alle wetten redding uit het gevaar 
als eene voorwaarde voor het bestaan van avarij-grosse 
vereischt. Alle oudere schrijvers (zooals : valin, pothier 
EMÉRIGON, BEAWES, MAGENS, VOET enz. met uitzon- 
dering alleen van quintyn weytsen en casaregis) 
en de meeste nieuwere (o. a. pöhls, von kaltenborn, 

TECKLENBORÖ, BOULAY-PATY, PARDESSUS, FRIGNET, 
CAUVET, KIST, ABBOT, 8HEE, STEVENS) sluiten zich 

hierbij aan. In den laatsten tijd zijn echter verscheidene, 
vooral Engelsche, schrijvers (arnould, maclachlan, 

BENECKE, BAYLY, LOWNDES, PHILLIPS, NOLTE en FRÉ- 

mery) tot eene tegenovergestelde conclusie gekomen. 



1) Van Kaltenborn II, bl. 103 v. Phillips cap. XV. Sect. IV. bl. 101 v. 
Emérigon (Boulay-Paty) I, bl. 608. Flanders bl. 269. Verg. voorts Levy bl. 
772 Y. en vooral Lowndes bl. 109 v. Het zij hier herin nerd dat deze in den 
laatsten druk van zijn „ Law of General Average," zijn vroeger standpunt 
(de phytical tafety theorie) geheel verlaten heeft. 



78 

Zij hebben dit vereischte aJs geheel onbestaanbaar met, 
en indruischend tegen de eerste beginselen van het 
avarij-grosse recht, verworpen. 

Deze quaestie is vooral van zooveel gewicht omdat 
hiermede nauw verbonden is de vraag, welke de dra- 
gende waarde moet zijn van de goederen waarover 
de avarij-grosse wordt omgeslagen, volgens welk tijd- 
stip deze berekend moet worden en welk bedrag 
aan hen, die schade geleden hebben, vergoed moet 
worden. 

Bij onderzoek hiervan moeten wij eene onderschei- 
ding maken tusschen opofferingen van eigendom en het 
doen van uitgaven, daar deze gevallen niet gelijk staan 
en daarom tot verschillende beslissing aanleiding geven. 

Vooreerst dan wat recht moet zijn bij opofferingen. 

Als rechtsgrond voor het bestaan van avarij- 
grosse hebben wij de billijkheid leeren kennen, welke 
medebrengt dat hij wiens goed opgeofferd wordt, met 
het doel om een geyaar waarin men gezamenlijk ver- 
keerd af te wenden, door allen in wier belang dit 
is geschied, schadeloos wordt gesteld. Is het dus billijk 
dat men door zulk eene opoffering in het algemeen 
belang geen schade lijde, even billijk is het ook dat 
men er geen voordeel uittrekke ter praejudicie van 
anderen. Het is daarom niet voldoende, dat er goed 
opgeofferd is, om de schade daardoor geleden vergoed 
te krggen, maar er moet ook blijken, dat zij, wier 
goederen niet opgeofferd zijn, niet ook eene even groote 
schade geleden hebben, niettegenstaande de werping 
die er bijv. plaats heeft gehad. De eigenaar der opge- 



79 

offerde goederen moet dus in den zelfden toestand ge- 
bracht worden, waarin hij zou verkeerd hebben, indien 
niet zijn goed, maar dat van een ander opgeofferd 
ware geworden. De omslag heeft daarbij plaats over 
hetgeen gered is, want het bedrag van het geredde 
toont eerst aan, in hoeverre het belang, dat ieder bij 
de opoffering had, zich verwezenlijkt heeft. 

Dat er schade geleden en dat er iets gered is, zijn dus 
bij opofferingen twee „ conditiones sine quibus non" voor 
het bestaan van avarij -grosse. Vandaar dat steeds als 
een algemeene regel gegolden heeft en nog geldt, dat 
wanneer men er niet in slgiagt om door de opoffering 
het allen dreigend gevaar af te wenden, maar integen- 
deel alles vergaat, er ook geen avarij-grosse kan zijn. 
Er is dan immers noch schade geleden noch iets gered. 
Wanneer het gevaar wel afgewend en alles behouden is, 
mag^r later tengevolge van andere oorzaken een totaal 
verlies volgt, dan zal men tot dezelfde conclusie moeten 
komen, daar er dan, al zij het door de inwerking van 
latere onafhankelijke omstandigheden, weer dezelfde 
toestand geboren wordt, namelijk dat er geen schade 
geleden, en ook niets gered is '). Men moet dus aan- 
nemen dat er geene avarij-grosse is, wanneer schip en 
lading na eene opoffering hetzij dadelijk, hetzij later 



1) Evenzoo wordt er geen schade geleden wanneer het schip na eene 
opoffering van een deel der scheepstoebehooren, alleen geheel vergaat, of wel 
de lading alleen, na opoffering van een gedeelte daarvan ; in beide gevallen 
kan er geen avarij-grosse omslag plaats hebben. Verg. Benecke (Phillips) 
hl. 113 en 231 en Levy bl 760 v., aanteekeningen op de zeer juiste artt. 
706 en 707 A. ]). H. 6. Zie ook art 32c der Deensche wet. Anders v. Kaltea- 
born II bl. 202. 



80 

geheel vergaan. Ook bij de Romeinen was dit reeds 
vastgesteld. Zij gingen echter verder, daar zij blijkens 
1. 2 pr. i. f. Dig. XIV. 2 (aequissimum enim est, commune 
detrimentum fieri eorum, qui propter amissas res aliorum 
consecuti sunt, ut merces suas salvas haberent) en 1. 5 
pr. eod. tit. (amissae navis damnum collationis con- 
sortio non sarcitur per eos, qui merces suas naufragio 
liberaverunt ; nam hujus aequitatem tune admitti non 
placuit, quum jactus remedie ceteris in communi peri- 
culo salva navi consul tum est')) behalve bij totaal 
verlies, ook dan a var ij -grosse uitsloten, wanneer de 
redding niet het gevolg was van de opoffering. Uit 
de Pandecten is deze bepaling overgegaan in alle 
Middeneeuwsche en hedendaagsche wetgevingen, zoo- 
dat men, wat het jus constitutum aangaat, kan zeggen, dat 
redding tengevolge van die opoffering een vereischte 
is. Door de praktijk en door aUe schrijvers ') werd dit 
dan ook steeds aangenomen en, wel met zulk eene 
consequentie dat o. a. emériöon eens bij arbitrale 
uitspraak besliste, dat wanneer, zooals het geval was, 
de werping geschiedt om aan de vervolging van 



1) Verg. 1. 3 en 5 Paalus Seutentiae II. 7. 

2) V. d. Keessel Ihes. 786. Bijnkershoek Q. J. P. IV. 24 bl. 471. Voet 
ad. leg. XIV. 2 Dig. Beawes, I. bl. 143. Valin (Bécane) il bl. 455, 525 en 
529, waar hij zelfs zegt: ^i\ faut prendre garde au reste que, daus Tordrede 
eet article (a. 16 tit. VIII Ord. de Mar.), Ie navire doit effectivement avoir 
éié sauvé par Ie jet, de maniere que la tempête apaisée, il a ensnite continue 
sa route, car si Ie navire n'avait été qne soulagé simplement par Ie jet, et 
qu'après quelques heures dMnterrnption on diminuatiou de la tempête, elle 
est recommencée avec Ie même violence, on qu'autrement Ie naufrage s'ensuivit 
quoique plusieubs jours apbès Ie jet, ce serait Ie cas de Tarticle pre- 
cedent, suivant Ie quel il u'y aurait pas lieu a aucune contributiou.*' 



81 

een^ kaper te ontkomen en het schip desniettegenstaande 
genomen wordt, het verlies door werping veroorzaakt 
geen avarij-grosse is, al mocht de bemanning er ook 
later in slagen, zooals hier geschied was, schip en 
lading weer uit de handen der kapers te verlossen en 
behouden ter bestemmingsplaatse te brengen. De red- 
ding is dan niet te danken aan de werping, ergo geen 
avarij-grosse *). Ook pothier is deze meening toe- 
gedaan *). 

De onbillijkheid dezer beslissing springt echter zoo- 
danig in het oog, dat zij bij latere schrijvers eene ver- 
diende kritiek heeft ondervonden. Frémery (bl. 228 v.) 
meent dat zij zelfs in het Romeinsche recht geen steun 
kan vinden, want de regel : „ CoUatio intributionis ob 
jactum salva navi fieri debet ')", sluit wel den omslag 
uit wanneer het schip vergaan is, maar volstrekt niet 
wanneer het, zooals in dit geval, zij het dan ook niet 
door de werping, uit het gevaar gered is. Al moge dit ' 
volgens de letter van den tekst van de Sententia van 
Paulus en van de Pandecten waar zgn, zoo geloof ik 
toch eerder dat de Romeinsche juristen aan het lang 
niet alledaagsche geval, dat emérigon te beslissen 
kreeg, in het geheel niet gedacht hebben, dan dat zij 
juist met het oog op daaraan analoge gevallen hunne 
meening dus ter neerschreven. Ook zijn de hierboven 
aangehaalde plaatsen *), met deze opvatting ten eenen- 



1) Emérigon (Boulay-Paty) Tr. d'Ass., Ch. XII, Sect. XLI, § 4, deel I, bl. 601. 

2) Contr. de Charte-partie n^. 113. Eveneens Caavet II bl. 100. 

8) L. 5, Pauli Sent. II, 7. Verg. 1. 8 eod. 

4) Zie bl. 80. 

6 



82 

male in strijd, daar zij uitdrukkelijk eischen het behoud 
yan het schip tengevolge van de opoffering. Trouwens 
doet het er weinig toe welke meening de Romeinsche 
juristen toegedaan waren, daar deze, zoodra het blijkt 
dat zij tegen de billijkheid en het recht zondigt, geen 
richtsnoer meer kan zijn voor ons recht. 

Krachtiger is dan ook het tweede argument door 
FRÉMERY bijgebracht tegen de leer van emérigon. Hij 
zegt (bl. 230 V.) : „ si la condition de Tun des intéresses 
a été empirée pour Ie salut des autres, ces demiers 
ont été, dès ce moment même, gravés de Tobligation 
d'indemniser eet intéresse k proportion de ce qu'ils 
sauveront du danger moindre dans lequel ils sont 
restés." Inderdaad, wanneer men in het oog houdt dat 
men het eigendom van een ander niet opofferen mag 
om zich zelven te bevoordeelen, en het dus billijk is, 
dat, waar de noodzakelijkheid zulk een opoffering ge- 
biedend eischt, deze ook vergoed wordt, dan kan 
dat recht op vergoeding niet afhankelijk zijn van het 
feit of door die daad het beoogde doel, eigen redding, 
wel bereikt is, maar alleen daarvan of hij wiens goed 
daardoor is opgeofferd in zulk een nadeelige positie is 
gebracht dat hij eene schade lijdt, die de anderen 
niet lijden. In het geval door emérigon beslist, was 
het geworpen goed door de werping in zulk een 
toestand gebracht, dat het onmogelijk was, dat het ook 
door de later plaats hebbende gebeurtenissen evenals 
het overige eigendom behouden bleef. In het algemeen 
zal er, wanneer men in hoogen nood tot eene opoffe- 
ring overgaat, al is er op het oogenblik een 7/ioral 



83 

certainty of total losSj toch altijd nog eene kans op 
redding, hoe gering ook, bestaan, van welke kans men 
de eigenaars der geworpene goederen berooft. Zoodra 
dus de opoffering door de omstandigheden, waarin men 
verkeert, gerechtvaardigd is, ontstaat er ook een recht 
op vergoeding voor hem wiens goederen opgeofferd 
zijn, wanneer ten minste eventueel blijkt, dat hij 
daardoor in eene nadeeliger positie gebracht is dan de 
overigen. Omgekeerd ontstaat voor hen, in wier be- 
lang de opoffering geschied is, de verplichting om die 
schade te vergoeden, naar gelang van het voordeel dat 
zij getrokken hebben uit de gunstiger positie, waarin 
hunne goederen bleven verkeeren, eene positie des te 
gunstiger omdat aan de geringe kans op redding die 
er bestond, door de opoffering nog eene nieuwe veel 
betere toegevoegd wordt. In het door emériöon mede- 
gedeelde geval bestond er dus wel degelijk reden om 
eene vergoeding in avarij -grosse toe te kennen. 

Wordt er, niettegenstaande de werping, toch schip- 
breuk geleden en slechts een deel der lading gered, 
dan moeten die geredde goederen op dezelfde gronden 
bijdragen tot de schade door de eigenaars der ge- 
worpen goederen geleden. Deze schade bestaat in de 
kans, hem door de werping ontnomen, om zijn goed 
op dezelfde wijze gered te zien als het geborgen gedeelte 
der lading. Was bijv. de geheele lading ƒ 50.000 
waard, terwijl gered is tot een waarde van ƒ 10.000, 
dan bestaat de schade door hem geleden, van wien 
voor / 1000 goederen geworpen zijn, in eene som die 
in dezelfde verhouding staat tot die / 1000, als de 



/ 



84 

waarde der geredde goederen tot die der geheele lading. 
Men mag toch niet aannemen dat hij de kans verloren 
heeft dat al zijn goed gered werd, maar alleen dat er 
zulk een evenredig deel gered zou zijn geworden; in 
casu zal dus / 200 als avarij -grosse omgeslagen moe- 
ten worden '). In al dergelijke gevallen geldt echter 
de regel: „jus in causa positum"; kan er niet bewezen 
worden dat er eene redelijke kans op redding bestond 
en dat er op deze wijze schade geleden is, dan 
moet ook geene vergoeding toegelaten worden^). Ar- 
gumenten zooals door nolte (II bl. 589), arnould 
(maclachlan) (Il bl. 818 v., 857 v.) en benecke 
(PHILLIPS) (bl. 100) gebezigd worden, dat het niet 
mogelijk is met zekerheid te bepalen in hoeverre de 
avarij -grosse handeling soms misschien tot de redding 
heeft medegewerkt, en dat er daarom in alle gevallen 
avarij -grosse moet bestaan wanneer er iets gered is, 
zijn minst genomen zeer zwak, daar men evengoed op 
die gronden het tegendeel zou bunnen beweren. Overi- 
gens meent nolte, wat een veel juistere reden is, dat 
het niemand geoorloofd kan zijn, op kosten van enke- 
len eene poging te doen tot redding van het geheel, 
en dat dus gelijk benecke het uitdrukt: „each party 



1) De tegenwoordige wetgevingen sloiten allen in dit geval avarij-grosse 
uit; tot zelcere hoogte misschien niet ten onrechte om practische bezwaren 
af te snijden. Alleen de deensche wet, a. 32 van het Konk. Charter van de 
Copeuhaagsche Zee-verzekeringsmaatschappij van 1850, huldigt met zeer veel 
juistheid de door ons verdedigde beginselen, en kan in dit opzicht als een 
voorbeeld gelden voor alle latere wetgevers. 

2) Verg. hiermede Frémery bl. 230 en Frignet II bl. 99, waar h\j dezen 
bestrijdt. 



85 

who would have been benefited by this attempt, had 
it proved succesfull, must contribute towards the ex- 
penses" *). Ook baily (bl. 20) komt tot de conclusie 
dat de uitslag van de handeling er niet toe doet, als 
zij maar „ a judicious act" is, onder de omstandigheden, 
waaronder zij verricht wordt '). 

Moet men nu ook hetzeKde aannemen als er buiten- 
gewone onkosten in het algemeen belang gemaakt 
zijn? 

Door de meeste schrijvers is ongelukkig niet genoeg 
gelet op het groote en tastbare onderscheid dat er 
bestaat tusschen eene opoffering en uitgaven ten alge- 
meenen nutte gemaakt. Dit geldt vooral hen, die geen 
omslag toelaten indien schip en lading niet gered 



1) Benecke (Phillips) bl. 100. Zie ook bl. 106, waar 1l\j Emerigon be- 
strijdt. Is er slechts een onbeduidend gedeelte van de lading gered dan 
neemt hg geen omslag aan. 

2) Verg. Benecke (Phillips) bl. 95 noot. Casaregis disc. 46, § 33 en 347. 
Phillips n^ 1318. Lowndes bl. 16—20. Molster bl. 18. Anders Cauvet $344. 
Pöhls III bl. 634 V. V. Kaltenborn II bl. 88 en 200. Tecklenborg bl. 200, 
$ 4. Abbot (Shee) Gap. IX, § 2 i. f., $ 3, bl. 427 en § 13, bl. 446. Kist bl. 329. 
Stevens (Phillips) bl. 61. Frignet I n». 330 v., 363—366. Levy bl. 719, 758 
V. Zie ook Arnonld (Maclachlan) II bl. 858. Over de meening van Qnintyn 
Weytsen bestaat veel verschil. § 32 en 33 toch zijn schijnbaar met elkander 
in strijd. § 32 bepaalt echter niet anders dan dat er iets gered moet zijn en dat 
er dus geen avarij-grosse omslag is „als men schip en scharre verliest," wat 
blijkens de aanteekening van Verwer ad hoc locum (Verwer, Seerechten bl. 
255) beteekent: totaal verlies, dat er geen splinter van terecht komt; terwijl 
\ 33 daarmede conform als algemeenen regel geeft, dat redding door de opof- 
fering niet noodig is. Men leest daar: »6oo soude in dit cas, niettegenstaande 
't gunt voorz. is, de gebergde goederen ofte die gevischt zijn, moeten contri- 
bneren, aan de geworpene goeden; overmits dat deselfde tot sulcker intentie 
en meyninge geworpen zijn, om het schip en de reste van de goederen te 
preserveeren." Quintyn Weytsen is dus wel degelijk onze meening toegedaan. 



86 

worden uit het gevaar, of ten minste niet ook later 
behouden blijven, wat gewoonlijk als een algemeen 
beginsel gesteld wordt en dus natuurlijk evenzeer toe- 
passelijk moet zijn bij vergaan na eene opoffering als 
na buitengewone uitgaven bijv. in eene noodhaven '). 
PöHLS (III bl. 634 V.) verdedigt zijne meening uit- 
drukkelijk daarmede, dat de avarij-grosse-contributie is 
eene obligatio re^ die ontspruit niet uit de avarij-grosse 
handeHng zelve, e. g. uit de werping, maar uit het 
feit dat er iets gered is op kosten van anderen. De 
avarij-grosse rust als een last op het geborgene, waar 
geen geborgen object is, kan dus geen contributie 
plaats hebben. Evenzoo emériöon (boulay-paty, I 
bl. 635. Tr. d'Ass. XI, 43 § I). „L'action en contri- 
bution est réelle de sa nature. EUe s'évanouit si les 
effets sauvés par Ie moyen du jet périssent avant de 
parvenir k leur destination." '). 

Yolgens deze beschouwing krijgt avarij-grosse geheel 
het karakter van een bodemerij -schuld, en wel zoo 
alsof ieders eigendom afzonderlijk verbodemd ware voor 
een deel geëvenredigd aan de toegebrachte schade of 
gedane uitgaven. Pöhls aanvaardt dan ook de conse- 
quentie dat die verplichting om te contribueeren on- 
voorwaardelijk ontstaat, zoodra het gevaar, waarom men 



1) Zoo Cauvet, Kist, Abbot (Shee) 1. s. c. Tecklenborg bl. 210 § 10. Pothier 
fwygt geheel over hetgeen bij uitgaven vergoed moet worden. Ook Valin 
behandelt alleen de contributie bij werping evenals de Ord. d. 1. Mar. v. 1681. 

2) Casaregis, disc. 45 n°. 34. „Actio ad petendum contributionem est in rem 
scripta, proinde si res salvatae postea pereant, domini mercinm liberationem 
consequuntur.'* Overigens spreekt hij nergens van avarij-grosse bij uitgaven. 
Verg. Kist bl. 330 v. v. Kaltenborn II bl. 201. Levy bl. 760. 



87 

tot de avarij-grosse handeling is overgegaan, geweken 
is en dus ieder, volgens de waarde die zijne goederen 
hadden op het oogenblik der redding, moet bijdragen, 
voor zooverre dit bedrag na afloop der reis nog op 
zijn goed verhaalbaar is. Latere depreciatie en bescha- 
diging heeft volgens hem geen invloed op het te be- 
talen quantum. 

Dat de verplichting tot contributie eene obligatio re 
is in den zin dien pöhls er aan hecht of eene reëele 
actie ^) gelijk emérigon ons leert, omdat de redding 
op kosten van een ander, haar rechtsgrond zou zijn, 
is zeker eene zeer gewaagde stelling. Yeeleer zou, ge- 
steld dat deze rechtsgrond de juiste is (des neen), 
hieruit voortvloeien dat zij tot eene persoonlijke actie 
aanleiding geeft, op welker bestaan latere omstandig- 
heden niet den minsten invloed kunnen uitoefenen. 
Immers het feit, dat er redding heeft plaats gehad ten 
koste van anderen blijft bestaan, ook al vergaat eeni- 
gen tijd later alles. Om deze reden eene reëele actie 
aan te nemen gaat dus niet aan. 

Beschouwt men nu den waren rechtsgrond van de 
avarij-grosse, de billijkheid dat de schade, ten alge- 
meenen nutte op eene zeereis onder bepaalde omstan- 
digheden, die wij hebben leeren kennen, geleden of de 
onkosten op gelijke wijze gemaakt, door allen pro rata ver- 
goed moet worden, dan is er nog minder plaats voor zulk 
eene obligatio re. Door toch die verplichting als zoodanig 
te beschouwen zou in vele gevallen het doel van het ge- 



1) Deze schijnbaar technische uitdrukkingen kunnen slechts tot verwarring 
van begrippen aanleiding geven en moeten dus liever vermeden worden. 



88 

heele avarij-grosse recht, yergoeding der schade, illusoir 
blijven. Avarij-grosse is niets anders dan eene bevoor- 
rechte schuld op het schip en de goederen die behou- 
den aan komen. Even als bij alle dergelijke schulden, 
kan men den schuldenaar in zijn verder vermogen, 
hier zijn fortune de terre aanspreken, indien de spe- 
ciaal aansprakelijke goederen niet toereikend zijn '). 
V. Kaltenborn (bl. 88) sluit avarij-grosse bij geheel 
verlies altijd uit, dus ook wanneer het uitgaven betreft, 
omdat het zeerecht in het algemeen slechts schip en 
goed voor zeerechtelij ke verbintenissen aansprakelijk 
stelt, niet het overige vermogen '). Dit moge juist 
zijn wat betreft het jus constitutum van sommige lan- 
den, dat het in het algemeen waar is, zou zelfs v. 
KALTENBORN niet kunnen bewijzen '). Het is louter 
eene petitie principii. Maar toegegeven dat het zeerecht 
dit eischt, wie moet dan de in de noodhaven gemaakte 
kosten betalen, als het schip op de verdere reis met de 
geheele lading vergaat? Als men ze ten laste laat van 
hem, die ze betaald of voorgeschoten heeft, dan zou 
deze meer verliezen dan de waarde van zijn schip of 
goederen bedraagt, en dus de regel door v. kaltenborn 
gegeven reeds geschonden worden. Moet men, mag ik 
vragen, voor dezen persoon eene uitzondering maken 



1) Ook in ons recht is de actie tot bijdrage in avarij-grosse, niets meer dan 
eene bevoorrechte schuld, artt. 487, 489 en 490 W. K. Daarentegen leert 
ons het vonnis van de Arr. Rechtbank van Amsterdam van 9 Dec. 1869, dat 
avar^-grosse „een zakelijk regt daarstelt, klevende op het goed, aan hetzelve 
onderworpen" (W. n^. 3211). 

2) Verg. Levy passim, vooral bl. 803. 

3) Ik hoef slechts aan het Engelsche en Amerikaansche zeerecht te herinneren. 



89 

op dat wat het zeerecht eischt, en hem ten bate van 
alle anderen, die bij de uitgave geïnteresseerd waren, 
alleen die kosten laten dragen, waarvoor hij natuurlijk 
zijn fortune de terre zal moeten aanspreken? Men ziet 
tot welke inconsequenties men op deze wijze moet 
komen. Het kan dan ook aan geen twyfel onderhevig 
zitjn dat de schipper, wanneer hij door de omstandig- 
heden gerechtvaardigde, noodige en nuttige uitgaven in 
het algemeen belang maakt, daardoor van dat oogen- 
blik af, schuldeischer van hen wordt in wier belang 
het geschiedde. Het meest springt dit in het oog bij 
de kosten van afbrengen {Salvagë). Gewoonlijk wordt 
dit door bergers of andere personen gedaan tegen een 
zeker aantal percenten van de geredde waarde. Ieder 
eigenaar is dus persoonlijk aan de bergers verbonden 
tot betaling daarvan, waarop een later vergaan van 
zijne goederen niet den minsten invloed zal kunnen uit- 
oefenen. Indien nu de schipper dit bedrag voor hen 
betaalt of tegen eene ronde som over de afbrenging of 
berging van schip en lading overeenkomt, kan dit dan 
eene reden zijn om hem, wanneer later bij voortzetting 
der reis alles vergaat door een hiermede in geenerlei 
verband staand toeval, alleen die kosten te laten dra- 
gen? Immers neen, tenzij men de schreeuwendste on- 
rechtvaardigheid wil begaan. Hetzelfde geldt bij nood- 
havenkosten; beschouwt men deze als avarij -grosse, 
dan is er ook geene enkele deugdelijke reden bij te 
brengen om den omslag uit te sluiten in geval van 
later vergaan. Toch wordt nog dikwijls als argument 
gebezigd dat de schipper of reeder de noodhaven- 



90 

kosten, die hij betaald heeft, kan laten verzekeren, 
wat dan den omslag in avarij-grosse, wanneer schip en 
lading, voordat zij de bestemmingsplaats bereiken, totaal 
vergaan, overbodig zou maken. Slechter argument be- 
staat er echter zeker niet. Het bewijst veel te veel. 
Tegen elke avarij-grosse, hetzij schade, hetzij uitgave 
kan men verzekering nemen, zoodat deze redeneering 
lijnr^M « de .f.hfffi„g vai het geheele avanj.gj 
recht zou leiden. Inderdaad is de afschaffing ervan op 
dezen grond meer dan eens verdedigd. De meeste schrij- 
vers leeren dan ook dat alle ten gemeene bate gemaakte 
uitgaven altijd als avarij-grosse ten volle moeten ge- 
restitueerd worden, onverschillig of schip en lading al 
dan niet behouden blijven '). 



1) Nolte II bl. 610 jo. 698. v. d. Keessel th. 794. Kist V, bl. 881. Arnoold 
(Maclachlan) II, bl. 854. Phillips n». 1319, 1355 en 1393. Lowndesbl. 161 y. 
179 V. Stevens (Phillips) bl. 74, niettegenstaande hij (bl. 209) zegt: „aperson 
is reqnired to pay only in proportion to the benefit received." Benecke 
(Phillips) bl. 173 „tbat shipowners and proprietors of cargo, as well astheir 
anderwriters, shonld thus be eiposed to losses exceeding the capital orgioally 
invested or insnred is perfectly consistent with the nature of the subject, 
and should be considered beforehand by every person, hasarding bis pro- 
perty npon the seas, or engaging in insurances. It is evidently, therefore, 
a false maxim in the French jnrisprudence, that the property on shore should 
n e V e r be prejudiced by adventnres at sea,^' bl. 241 en 243. Baily bl. 144. 
Frignet, I, n°. 630, die anders bij opoflferingen van eigendom redding als eene 
voorwaarde voor het bestaan van avarij-grosse beschouwt. Frémery bl. 233. 
Alle wetgevingen beperken daarentegen de verplichting tot bijdrage in avarij- 
grosse tot de waarde van de geredde goederen, m. a. w. tot het fortune de 
mer. Levy bl. 718 en 764, beweert ten onrechte dat volgens de Hollandsche 
en Duitsche wetgevingen de uitgaven altijd ten volle vergoed moeten worden. 
Tegenover de bepaling van a. 738 i. f. W. K. voor een speciaal geval, stel 
ik de algemeene bepaling van a. 738 pr. W. K. en tegenover a. 707 b. A- 
D. H. G. a. 706 van hetzelfde wetboek. Alleen de in vele opzichten zoo uit. 



91 

Om hen echter, die zeehandel drijven, zooveel moge- 
lijk van het bezwaar te ontheffen, waaraan zij tenge- 
volge van het avarij-grosse recht blootgesteld zijn, van 
bij eene zeereis nog meer te kunnen verliezen dan de 
waarde van het vermogen dat zij aan de zee toever- 
trouwd hebben, zal het zeer dienstig zijn, dat den 
schipper bij de wet de verplichting opgelegd worde om 
alle buitengewone onkosten met premie te verzekeren. 
Hierdoor zal de omslag, wanneer schip en lading nader- 
hand vergaan, bijna altijd overbodig worden, daar de 
schipper, die gewoonlijk betaald heeft, in dat geval den 
verzekeraar kan aanspreken. Toch moet avarij-grosse 
hierom volstrekt niet uitgesloten worden, zooals alle 
wetgevingen doen, daar de omslag nog altijd in ge- 
val van insolventie der verzekeraars te pas zal 
komen. 

Het continentale recht wordt gewoonlijk verdedigd 
op drie aan het jus constitutum ontleende gronden. 

1^. De reeder, die gewoonlijk in de noodhaven de 
in het algemeen belang gemaakte kosten betaalt, kan 
deze kosten laten verzekeren. Onze wet (art. 378 W. K.) 
bepaalt uitdrukkelijk dat de schipper bevoegd is dit te 
doen, niet, zooals door sommigen uit dit art. in ver- 
band met art. 334 W. K. afgeleid wordt, dat hij er toe 
verplicht is. Wij hebben hierboven echter aangetoond dat 



stekende Deensche wet (het Konk. Charter van de Copenhaagsche Zeeverzeke- 
ringsmaatschapp^j van 1850) bepaalt in a. 50 'nitdrukkelijk dat het recht om 
omslag van buitengewone uitgaven in avarij-grosse te vorderen, niet ver- 
loren gaat wanneer er later een totaal verlies of wel waardevermindering 
plaats gr^pt. 



92 

dit niet wegneemt dat de reeder alleen alle schade 
lijdt, wanneer de verzekeraar insolvent is geworden. 

2°. De reeder kan afstand doen van het schip. Een 
argument van zeer betrekkelijke waarde, daar abandon 
slechts gedaan kan worden voor door den schipper, 
zonder voorkennis of uitdrukkelijken last van den 
reeder, gemaakte schulden, voor zooverre zij natuurlijk 
door den reeder nog niet betaald zyn. Als dus de 
schipper geld in de noodhaven opgenomen of verkregen 
heeft door wissels op den reeder te trekken, kan deze 
voor die schuld zijn schip abandonneeren, indien hij 
ten minste van het vergaan bericht krijgt voor de 
acceptatie van de wissels. Tegenwoordig zal dit echter 
slechts zelden kunnen geschieden, daar de schipper in 
de noodhaven gewoonlijk op orders van zijn reeder zal 
wachten, nu de snelle telegraphische gemeenschap zulks 
zonder tijdverlies en veel kosten toelaat. Het natuurlijk 
gevolg zal hiervan zijn dat de reeder persoonlijk ver- 
bonden wordt door zijne lastgeving en het recht van 
abandon voor hem verloren gaat. 

30. De rechtsregel dat niemand voor zeerechtelijke 
verbintenissen aansprakelijk moet zijn in zijn fortune 
de terre. Dezen zoogenaamden regel hebben wij reeds 
(bl. 88) besproken. De continentale wetten passen 
hem juist op den reeder, ter wille van de inladers, 
niet toe. Ook is het volstrekt geen algemeene regelen 
zijne juistheid niet boven alle bedenking verheven. In 
Engeland en Amerika heeft hij ten minste nooit ge- 
golden, en ik geloof niet, dat de handel en scheepvaart 
van die landen er ooit nadeel door hebben geleden. 



93 

want op de congressen te York en Antwerpen gehou- 
den, bleken juist de Engelsche kooplieden en reeders 
zeer tegen het continentale stelsel gekant te zijn. De 
geheele regel is trouwens een utiliteitsregel, die als 
zoodanig misschien zeer juist en wenschelijk, maar 
zeer zeker nooit volgens algemeene rechtsbeginselen te 
verdedigen is. 

Afgescheiden van dit alles dient men ook hierop 
te letten, dat avarij -grosse uitgaven, omgeslagen moe- 
ten worden over de waarde die de goederen had- 
den op het oogenblik, dat die uitgave ten algemee- 
nen nutte gemaakt werden. Het is de grootste on- 
rechtvaardigheid, wanneer bijv. de waarde van het 
geredde minder bedraagt dan de gemaakte noodhaven- 
kosten, die kosten aan den reeder slechts in zooverre te 
vergoeden, als zij op die geredde goederen verhaald 
kunnen worden, in een woord om de avarij-grosse om 
te slaan over de waarden ter bestemmingsplaats, waar- 
door ook nog de inlader, wiens goed gered is, zwaarder 
belast zal worden ten voordeele van hem, die het zijne 
misschien grootendeels verloren heeft. Zoodra de uit- 
gaven gedaan worden, wordt ook het voordeel er van 
genoten. Zijn er noodhavenkosten gemaakt dan bestaat het 
voordeel dat ieder daaruit trekt daarin, dat schip en lading 
de reis in zeewaardigen toestand voortzetten en is dus 
voor ieder geëvenredigd aan de waarde die zijn eigen- 
dom op dat oogenblik bezit. Latere ongelukken kunnen 
hierin geene verandering brengen ; omdat het goed van 
den een misschien vergaat voordat het de bestemmings- 
plaats bereikt, mag een ander niet zwaarder belast 



94 

worden. Ieder moet zijn eigen deel in de voor allen 
gemaakte kosten dragen, wat er later ook gebeure. 

Het hier gezegde omtrent de noodzakelijkheid van 
redding uit het gevaar, in het kort resumeerende, 
kunnen wij de volgende conclusie opmaken: avarij- 
grosse uitgaven moeten omgeslagen worden over de 
waarde, die de bijdrageplichtige goederen op het 
oogenblik dier uitgave bezitten. Noch de bevoegdheid 
van de reeders om deze kosten te verzekeren, noch 
het hun toekomende recht van afstand, noch de zoo- 
genaamde rechtsregel, dat men aan de zee niet meer 
moet verliezen dan men haar toevertrouwd heeft, kan 
eene voldoende reden zijn om avarij-grosse altijd uit 
te sluiten als later alles vergaat, of tot het geredde te 
beperken als de waarde daarvan minder bedraagt dan 
de gemaakte kosten. 

De volgende bepalingen zouden dunkt mij de meest 
juiste zijn en tevens de geschiktste om het recht en de 
eischen der praktijk (het continentale stelsel) zooveel 
mogelijk met elkander te verzoenen en daardoor de voor- 
naamste zwarigheden voldoende op te lossen. 

V. De noodhavenkosten die in avarij-grosse yalleu 
worden omgeslagen over de waarde, die schip, vracht 
en lading bezitten op het oogenbUk van het verlaten 
der noodhaven. 

2\ De reeder, en de schipper voor hem, is verplicht 
deze kosten met de premie in het belang van allen 
te verzekeren. 

S\ De avarij-grosse omslag heeft, indien schip en 
lading naderhand geheel verloren gaan, slechts plaats 



\ 



95 

in geval van faillissement of insolvabiliteit van den 
verzekeraar. 

49, Indien de waarde van het geredde minder be- 
draagt dan de som, die de eigenaar daarvan inavarij- 
grosse moet betalen, moet de reeder voor dit verschil 
den verzekeraar aanspreken en kan hij den eigenaar 
van . het geredde eerst aanspreken in geval van fail- 
lissement of insolvabiliteit van den verzekeraar. 

Yerkoop van goederen in de noodhaven om de 
avarij-grosse kosten te bestrijden, moet geheel met 
werping gelijk gesteld worden, daar in dat geval voor 
eene uitgave de opoffering van goed in de plaats gesteld 
wordt '). 



1) Zie Nolte II bl. 606. Arnould (Maclachlan) Ilbl. 829. Phillips n». 1361. 
Lowndes bl. 153 v. Stevens (Phillips) bl. 70. Benecke (Phillips) bl. 182 v., 
193. Baily bl. 94. Frignet 1 n», 368. Bécane noot op Valin II bl. 68 . Anders 
Frémery bl. 221 v. Pothier II, des Louages Mar. n». 34 en 72. Valin II bl. 
68 V. Emérigon (Boulay-Paty) II bl. 475 noemt het „ une espèce de prêt forcé 
k grosse aventnre." Als de goederen in de noodhaven meer opbrengen dan zij 
ter bestemmingsplaats opgebracht zouden hebben, wien komt dan dat surplus 
toe? Dit moet ten bate van de gemeenschap komen, en dus van het totaal 
der avarij-grosse onkosten afgetrokken worden, „quoniam detrimenti, non 
lucri fit praestatio." Zie Benecke (Phillips) bl. 193. Stevens (Phillips) bl. 71 v. 
en daar op bl. 72 de noot van Phillips. Nolte II bl. 609, in tegenspraak met 
hetgeen hij op bl, 700 zegt. Frignet n»> 371 en 372. Anders Phillips n^ 1364. 
Lowndes bl. 166. Emérigon (Boulay-Paty) t. a. p. bl. 475 i. f. Levy bl. 777 v. 
Baily, 1. c. Frémery 1. c. Hoe men het profijt, door den verkoop in de nood- 
haven verkregen, aan de eigenaars der goederen kan toewijzen, op grond dat 
de schipper anders hg den verkoop voordeel zou hebben, en daar das te licht- 
vaardig uit eigenbelang toe zon overgaan, is mg niet recht duidelijk. Aan 
eene gedwongen leening kan men hier evenmin denken. Slechts voor zooverre 
de verkoop geschiedt ook tot dekking van avarij-particulier kosten, zou men 
hem als zoodanig kunnen beschouwen. Zie de beslissing van de „Court of King's 
Bench" in Richardson v. Nourse bij Phillips n° 1364 en Lowndes bl. 155. 



96 

Naar aanleiding van het in deze § ontwikkelde meen 
ik dat mijn onderzoek de volgende conclusie wettigt: 

Bij avarij-grosse komt het slechts daarop aan of er 
schade geleden is; eene dadelijke of wel latere red- 
ding uit het gevaar is voor het bestaan daarvan vol- 
strekt geen vereischte. 

Om die schade te bepalen, moet men hem, wiens 
goederen opgeofferd zijn of die kosten betaald heeft, 
in denzelfden toestand brengen, waarin hij zou ver- 
keerd hebben, indien in plaats van zijne goederen die 
van een ander opgeofferd of die uitgaven door een 
ander gedaan waren. 

Zij, die deze schade moeten vergoeden, moeten bij- 
dragen, naar gelang van het voordeel dat zij daaruit 
getrokken hebben, dat niet hunne goederen opgeofferd 
zijn, maar die van een ander, dat niet door hen, maar 
door een ander de uitgaven gedaan zijn. 

Yergaat schip en lading na avarij-grosse handehn- 
gen geheel en al dan wordt eene vergoeding voor 
gedane opofferingen onmogelijk, terwijl die voor gemaakte 
kosten blijft bestaan. 

Nu wij de verschillende vereischten voor het bestaan 
van eene avarij-grosse handeling hebben leeren ken- 
nen, alsmede de voorwaarden waaronder de gevolgen 
daarvan avarij-grosse zijn, is het niet moeilijk eene 
algemeene definitie van avarij-grosse te geven. Zij zal 
moeten luiden: 

Avarij-grosse is elke schade of uitgave 
die het noodzakelijke en voorziene gevolg 



97 

is, van eene buitengewone handeling, door 
den schipper opzettelijk verricht, tot af- 
wending van een alles dreigend gevaar van 
geheel verlies, en die daarom over schip, 
vracht en lading wordt omgeslagen. 

AFDEELING II. 

Heeft het avarij-grosse recht nog 
reden van bestaan? 

Werd er vroeger niet aan gedacht in een onderzoek 
van deze vraag te treden, daar niemand er aan twij- 
felde ze toestemmend te beantwoorden, tegenwoordig 
moet men er wel de aandacht aan wijden, sedert 
meer dan eens de afschaffing van het geheele avarij- 
grosse recht tot leuze werd verheven. 

't Is bekend dat door sommigen (o. a. cauvet en 
LOWNDES) het avarij-grosse recht wordt beschouwd als 
een utiliteitsrecht, *) dat zijn bestaan te danken heeft aan 
het belang van den zeehandel. Natuurlijk moet deze be- 
schouwing tot geheele afschaffing van dit recht leiden, zoo- 
dra het zou blijken niet meer in het belang van den han- 
del te zijn. Maar al is men met mij van meening dat 
avarij-grosse haar oorsprong vindt in de algemeene 
beginselen van billykheid en recht, ook dan nog zou men 
met vrucht kunnen beweren, dat de bizonde re toestand 
waarin de zeehandel op een gegeven oogenblik ver- 
keert, de onbillijkheid gelegen in het afschaffen van 



1) Vide sapra bl. 6—10. 



98 

datgene wat het recht medebrengt, in casu van de 
avarij-grosse, kan opheffen. Blijkt het bijv. dat dit in 
het belang van dien handel en mogelijk zou zgn zonder 
benadeeling van de daarbij het meest geïnteresseerde 
personen, dan zal het nuttig en noodig kunnen zijn 
daartoe over te gaan, zonder zich te laten weerhouden 
door de overweging dat het strenge recht dit niet toe 
zou laten. Zoo zou bijv. de reeder volgens algemeene 
rechtsbeginselen nooit gerechtigd kunnen zijn, zich van 
de verbintenissen door boekhouder of schipper aan- 
gegaan, door abandon van vracht en schip te bevrijden. 
Toch wordt hem dit beneficium in het belang van den 
handel door zeer vele wetgevingen toegekend, en is 
het bestaan daarvan in het algemeen om deze reden 
te rechtvaardigen. Maar er moet dan ook een deugde- 
lijk bewezen belang, eene algemeene behoefte bestaan, 
het moet om practische moeilijkheden ondoenlijk zgn 
het recht te handhaven, wil zulk een inbreuk op het 
recht geoorloofd en gewettigd zijn. Van dit bewijs zal 
dus altijd alles afhangen en het moet door hem, 
die de avarij-grosse zou willen afschaffen, in de eerste 
plaats geleverd worden. Het belang van den zeehandel, 
wel verre van den rechtsgrond van avarij-grosse te 
zijn, zou dan de reden van hare afschaffing kunnen 
worden. 

T. F. w. TONNIES, een Duitsche schrgver over as- 
surantie, was de eerste die meende dit te kunnen 
doen. In het werkje: Ueber Averiegrosse und die noth- 
wendige Abhülfe hdufiger Misbrauche bei dieselben {^Ham- 
burg 1823), tracht hij aan te toonen dat avarij- 



99 

grosse door de assurantie onnoodig is geworden, ten 
minste binnen zeer enge grenzen beperkt kan worden. 
Hij doet dit echter op zulk eene wyze, dat v. kal- 
TENBOEN *) hiervan kon schrijyen: „Er wagt es den- 
noch die Jahrhunderte lang nebeneinander als berechtigt 
herlaufende Entwickelung beider Instituten im prak- 
tischen Seerecht gleichsam Lügen zu strafen. Die 
Grunde aber, welche er zu Belegung seiner Meinung 
angefïihrt, sind so seicht, so einseitig im egoistischen 
Interesse der Assecuradeurs, sind femer bereits gleich- 
zeitig von Pöhls ') widerlegt worden, und steht endlich 
diese Ansicht so vereinzelt in Praxis wie in Theorie 
da, dass es sich nicht der Mühe zu yerlohnen scheint, 
darauf weiter einzugehen. Er genügt die blosse 
Erwahnung.'' 

Zijn voetspoor zou echter later door velen gevolgd 
worden. Zoo werd op het internationale avarij-grosse 
congres, te Antwerpen in 1877 gehouden, door de 
afgevaardigden van Lloyd's, de heeren natusch en 
HiLLMANN, eene missive van het hoofdbestuur dier 
corporatie overhandigd, waarin onder meer verklaard 
werd dat het overweging verdiende te onderzoeken, 
of avarij-grosse niet geheel afgeschaft kan worden *). 
De heer hillmann betoogde met „ onmiskenbaar talent 
dat er in beginsel geen avarij-grosse bestond en dat 
het voor de assuradeurs voordeeliger was van alle 

1) t. a. p. bl. 74 $ 162. ^ l^ï-^ 

2) M. Pöhls. Bemerkungen über Havarie-Grosse nach Prinzipien des Rechts 
and der Handelspolitik. 

8) Zie infra Hoofdst. II, { 4. 



100 

avarij -grosse eenvoudig avarij -particulier te maken" '). 
Hij baseerde zich voornamelijk daarop, dat alle eigen- 
dommen die aan de gevaren der zee worden blootge- 
steld, verzekerd zijn '), en meende dat het daarom tot 
besparing van kosten en voorkoming van misbruiken 
het beste was de avarij-grosse geheel af te schaffen. 
Deze toch was slechts een „heavy burden" voor den 
handel en in het nadeel der verzekeraars. Juist dit 
bijna uitsluitend letten op de belangen der verzeke- 
raars was de oorzaak dat Lloyd's een veel te eenzijdig 
standpunt innam en daarbij den bodem van het recht 
grootendeels verliet. Ook nog anderer belangen staan 
hier op het spel, die zeker niet, gelijk ik nader hoop 
aan te toonen, de algeheele afschaffing van avarij-grosse 
vorderen, maar wel hare beperking binnen de juiste 
grenzen, en het zooveel mogelijk tegengaan van de mis- 
bruiken, welke aan de praktijk verbonden zijn '). Lloyd's 
maakte dan ook geen bepaald voorstel van deze hare 
meening, die door eene groote meerderheid krachtdadig 
bestreden werd en bij niemand instemming vond *). 
In den allerlaatsten tijd is weder een bestrijder van 
het avarij-grosse recht in Duitschland opgestaan in den 



1) Woorden van Mr. Rahuseu in zijn verslag van de vergadering te 
Antwerpen bl. 5. 

2) Zie hetgeen Mr. Levy hier over zeide op de vergadering der Ned. Jnris- 
tenvereeniging van 29 Ang. 1879 in Pal. v. Just. Bijblad n' 87. „Veeleer 
moest volgeus dien spreker, de avarij-grosse worden ingekrompen, ja het was 
zelfs de vraag, of z\j in het geheel wel noodig was. Immers nagenoeg alles 
wordt toch verzekerd en het is dns van minder belang, wie de schade draagt." 

3) Verg. A. de Conrcy II bl. 281 v. 

4) Verg. infra Hoofdst. II, $ 4. 



101 

persoon van J. ph. schneider, koopman en gevolmach- 
tigde (agent) van eene zeetransport-verzekerings-ver- 
eeniging te Bremen „ Seerechtliche Fragen. Eitie Be- 
trcLchtmg von Vrtheüen des Ober-Appellationsgerichts 
zu Lubech^ des Reichsober/tafidelsgerichts zu Leipzig^ 
des Obergericfits zu Hamburg und des Handelsgerichts 
zu Bremen; nebst einer Abhandlung betreffend die 
überlebte Institution des gemeinen Haverd {Havarie 
Grosse)^ Berlin 1879," is de titel van het werkje, 
waarin hij de avarij-grosse en alles en een ieder die 
daarmede in betrekking staat eens duchtig onderhanden 
neemt *). Op bl. 32 begint hij het hoofdstuk over 
avarij-grosse, met als motto te kiezen de woorden van 
Mephistopholes uit het eerste deel der Faust, waar 
hij tegen den scholier (Schuier) zegt: 

„ Es erben sich Gesetz,- und Rechte 
Wie eine ew'ge Krankheit fort; 



Vernunft wird Unsinn, Wolthat Plage." 
Uit hetgeen de heer schneider ons dan verder ten 
beste geeft, blijkt dat hij de dispacheurs beschouwt als 
de booze geesten, die de grootste plaag van den zeehan- 
del in den tegenwoordigen tijd, de avarij-grosse (die 
toen er nog geene verzekering bestond een weldaad 
was), zorgvuldig in stand houden. Deze heeren toch, 
wier dagelij ksch brood uit ongelukken voortkomt en 



1) Een uittreksel der ^^Seerechtliche Fragen," voor zooverre het avarij-grosse 
recht daarin hehandeld wordt, vindt men in „Fritsch, Annalen des gesammten 
Versicherungs-Wezeni 1879 n^. 18 v. 



102 

voor wie iedere avarij-grosse een feestmaal is (sic, bl. 
37), hebben het kleine lootje dat in den grond gesto- 
ken was, allengs tot een' reusachtigen boom met wijd 
uitgespreide teikken, die kwade vruchten dragen, aan- 
gekweekt. De heer schneider werkt deze beeldspraak 
nog verder uit (bl. 52) en schijnt dus in het avarg-grosse 
recht een sprekend voorbeeld van het „tandem fitsur- 
culus arbor" gevonden te hebben. Wij leeren boven- 
dien uit zijne onpartijdige en ware verhandeling (sic, 
bl. 76) dat deze zooveel kwaad stichtende dispacheurs 
steeds, met de reeders geraeene zaak makende, speciaal 
de verzekeraars tot hunne slachtoflFers uitkiezen, en deze 
arme lieden, die hen moeilijk kunnen controleeren en 
voor wie de weg van rechte gewoonlijk te kostbaar 
is, steeds op eene ergelijke wijze trachten te plukken. 
In het kort kunnen wij overigens den inhoud aldus 
weergeven: aan de avarij-grosse zijn vele en velerlei 
misbruiken verbonden, de dispacheurs zijn hiervan de 
oorzaak, omdat het in hun belang is zooveel mogelijk 
alles in avarij-grosse te brengen, de verzekeraars zijn 
de lijdende partij, de dispacheurs kan men niet missen 
en moeilijk controleeren, het is dus in het belang van 
de verzekeraars om avarij-grosse geheel af te schaffen, 
ergo moet men in het belang van den handel daarop 
aandringen. Hieruit blijkt duidelijk dat bij den heer 
SCHNEIDER het belang van den geheelen zeehandel 
identiek is met het belang van de verzekeraars. Hij 
zelf toch doet uitkomen dat de inladers bijna altijd 
verzekerd zijn en het voor hen dus onverschillig is, 
wat avarij-grosse is en wat niet, daar zij toch alles 



103 

terug krijgen. Tot staving van zijn beweren dat het 
begrip van avarij-grosse veel te ver buiten zijne grenzen 
uitgebreid wordt, geeft hij een zestal voorbeelden van 
in Bremen opgemaakte dispachen, waarin dit werke- 
keiijk meer of minder het geval is. Dat er mis- 
bruiken bestaan, hoefde hij waarlijk niet te bewijzen, 
dat weet iedereen wel en zal niemand hem tegen- 
spreken, maar is dat een reden om het geheele rechts- 
instituut af te schaffen, zooals hij doen wil, zonder 
dat er van het geringste onderzoek blijkt, of die mis- 
bruiken ook voorkomen of verhinderd kunnen worden 
met instandhouding van het recht? 

OntegenzeggeUjk wordt door vele kooplieden misbruik 
gemaakt van het failissement, en wordt deze instelling 
dikwijls gebruikt om zich te verrijken, wat toch zeker 
lijnrecht tegen de bedoeling van den wetgever indruischt ; 
bijna dagelijks zien wij, zoowel hier als elders, hoe 
naamlooze vennootschappen op aandeelen het werktuig 
zijn in handen van bedriegers en oplichters, die daardoor 
tal van menschen van hun geld berooven, maar zou 
de heer schneider daarom het faillissement willen 
afschaffen en het oprichten van naamlooze vennootschap- 
pen verbieden? Zeker zou het zeer consequent van 
hem zijn, maar ik geloof toch dat hij zelf in zou zien 
hoe overdreven en ongerijmd zijne redeneering is. 
Er is bijna geen deel van het recht dat niet in han- 
den van enkelen tot misbruik aanleiding geeft, maar 
daarom moet men ook vóór alles onderzoeken hoe men 
zulk misbruik kan beteugelen. Had de heer schneider 
dit met ernst en onpartijdig gedaan, hoeveel meer 



104 

waarde zou zijn arbeid niet bezitten! Hij heeft voor- 
namelijk, even als Lloyd's op het Congres te Antwerpen, 
de belangen der verzekeraars op het oog, maar vergeet 
daarbij geheel dat ook de verzekering tot misbruiken aan- 
leiding geeft. Zijne eigene wapens worden dan ook door 
den heer a. de courcy ^), nog wel den administrateur 
van de „Compagnie d'Assurances générales" te Parijs, 
tegen hem gekeerd, waar deze zeer juist schrijft (bl. 281) : 
„Il y a Ik (met betrekking tot de verzekering) de 
bien autres fraudes que celles des avaries communes, 
il y a des crimes *), il y a aussi des catastrophes, 
amenées par Fincurie, qui coütent la vie h de nom- 
breux equipages. Ce ne sont pas non plus les litiges 
qui font défaut '). ün esprit absolu proposera donc 
de supprimer les assureurs," en verder (bl. 285): „Il 
n'y a pas plus lieu de supprimer Tavarie commune k 
cause de ses abus que Tinstitution des assurances". 

ScHNEiDER beroept zich voomamenlijk daarop dat 
de verzekeraars, die misschien in de verst verwijderde 
landen overal verspreid wonen, den dispacheur moeilijk 
kunnen controleeren en dat de som, die van hen ge- 
vorderd wordt, gewoonlijk te klein is, om zich daar- 
voor de kosten van een proces op den haJs te halen. 
Dit alles zou veranderen aJs er alleen avarij -particulier 
bestond. Dan toch zou de schade gewoonlijk slechts één 



1) Qaestions de dr. mar. II bl. 280 v. 

2) Wie herinnert zich niet de Bremer catastrophe, die eenige jaren geleden 
plaats greep. 

8) In ons land worden, zonder overdr^ving, zeker tienmaal meer processen 
gevoerd over assur&ntie-, dan over avar^j-grosse zaken. 



105 

verzekeraar aangaan, die veel beter controle zou kun- 
nen uitoefenen en voor wien de som grooter en dus 
een proces waard zou zijn. Op deze moeielijkheid van 
controle is echter wel wat af te dingen en zij zal vol- 
strekt niet in alle gevallen door het bestaan van avarij- 
particulier opgeheven worden. Waar de moeilijkheid 
bijv. bestaat in het bewijs, doet het er niets toe of er 
één dan wel vijf en twintig verzekeraars zijn ; het zal 
voor één persoon niets gemakkelijker zijn dit te leve- 
ren. Hieromtrent verdienen ook de volgende woorden 
van LEWIS in het „ Zeitschrifi für das gesainmte Han- 
dehreclif onze opmerking: „handelt es sich um be- 
deutende Interessen, dann verstandigen sich selbst die 
an den entfemsten Orten wohnenden Versicherer schon 
in der kürzesten Zeit über die in dieser Hinsicht zu 
ergreifenden Maszregelen; und heutzutage wird dies 
noch wesentlich durch die Verbande der verschiedenen 
Versicherungsgesellschaften erleichert" *). 

De kracht van het argument dat de kosten van een 
proces voor de verzekeraars gewoonlijk te hoog zijn, 
meen ik ook te moeten ontkennen. Overal toch moet 
de verliezende partij de kosten betalen; hoe deze dus 
den verzekeraar kunnen weerhouden om te procedee- 
ren, wanneer er een geheel ongemotiveerde en onrecht- 
matige eisch tegen hem ingesteld wordt (dit toch is de 
casuspositie van den heer schneider) en hij dus met 
zekerheid kan weten de winnende partij te zullen zijn, 
is mij een raadsel. De verzekeraars hebben het hier 



1) d. XXIV. bl. 522. 



106 

juist in hun macht de misbruiken tegen te gaan, en 
het was beter dat zij dit deden en steeds onwrikbaar 
op hun recht stonden, dan ze door hun lauwheid in 
de hand te werken en dan later te klagen en alles af 
te willen schafiFen. Het beste bewgs, dat een meer 
energiek optreden van de verzekeraars veel goed zou 
kunnen doen, levert een juist door den heer schneider 
(t. a. p. bl. 62) gegeven voorbeeld van eene onrecht- 
matige avarij -grosse vordering, die, terwijl er door een 
verzekeraar aan voldaan was, tegen een ander afge- 
wezen werd toen het tot een proces kwam. 

Trouwens de geheele bewering dat de misbruiken 
aan het avarij -grosse recht verbonden door het aan- 
nemen van den regel : res perit domino^ zouden ophou- 
den, is niets meer dan eene hypothese. Het eenige 
gevolg van de afschafiBng der avarij-grose zal dit zijn, 
dat dezelfde verliezen eenvoudig door andere personen 
gedragen worden, en het meerendeel der bestaande 
misbruiken weer onder een andere gedaante te voor- 
schijn treden, daar deze niet onmiddellijk uit het 
avarij-grosse recht, maar veeleer naar aanleiding daar- 
van uit de verzekering voortspruiten '). 

Wat er ook bewezen moge zijn, dit zeker niet, dat 
het handelsbelang gebiedend vordert dat er slechts 
avarij-particulier besta, en nog minder dat het wegens 
practische moeilijkheden of aan de toepassing verbon- 
dene bezwaren onmogelijk zou zijn om de avarg-grosse 
in stand te houden, zooals het recht en de billijkheid 



J ) Verg. R. Ulrich Denkschrift bl. 2?. 



r- 



107 

dit eischen. In Engeland staat dan ook Lloyd, in 
Duitschland de heer schneider in zijne pogingen nog 
geheel alleen, terwijl Lloyd's te Antwerpen, zoowel door 
de kooplieden als door de verzekeraars, die hunne 
eigene belangen toch wel zullen kennen, krachtig werd 
bestreden. Opmerking verdient ook dat de technische 
commissie voor de zeescheepvaart, waaraan door de 
Duitsche regeering de taak is opgedragen, een onder- 
zoek in te stellen naar de internationale regeling van 
het avarij-grosse recht, in hare zitting van 27 Febr. 
1879 eenstemmig besloot, dat het wenschelgk is dat 
avarij-grosse blijft bestaan *). 

Wij kunnen dus stellen: 

1\ Dat het recht en de billijkheid het bestaan van 
avarij-grosse dringend vorderen *). 

2". Dat er nergens practische bezwaren bestaan van 
dien aard, dat zij het bestaan van avarij-grosse onmo- 
gelijk maken of bemoeilijken. 

3". Dat nog nooit gebleken is, althans niet vol- 
doende, dat het belang van den handel de afschaf- 
fing van avarg-grosse gebiedend noodzakelijk maakt. 

ZeKs zij, die in dat belang alleen den rechtsgrond 
van avarg-grosse zien, zijn het allen daarover eens, 
dat in den tegenwoordigen tijd deze rechtsgrond nog 



1) Zeitschrift f. d. g. Haudelsr. t. a. p. bl. 521. C. U. H. Franck, Bericht über 
die Bestrebungen etc. bl. 55 t. en 63 v, 

2) Zie de Courcy, Il bl. 282 v. Zoo zegt bij, sprekende over de mogelijk, 
heid om een' gekapten mast niet in avarij-grosse te brengen : „ Non, ce serait Ie 
comble de TinjuBtice, ce serait presque un dol, et il n'y a pas an monde nn 
législatear éclairé qni paisse se résoudre êi faire entrer une pareille iniquité 
dans un code." 



108 

onverzwakt bestaat '). Inderdaad, een oogenblik toege- 
gegeven dat dit belang de eenige reden van het be- 
staan van avarij -grosse is, dan is zij ook eene voldoende 
reden. Zoolang toch de schippers menschen zyn, zullen 
zij ook bizondere belangen met hunne principalen, de 
reeders, gemeen hebben, en zal avarij -grosse omslag het 
eenige middel zijn om hen zoodanig bij het behoud 
der lading te interesseeren, dat het hen onverschillig 
is, ten koste van wiens eigendom eene handeling 
tot behoud van schip en lading beide verricht wordt, 
of wie de onkosten met hetzelfde doel gemaakt voor- 
schiet. Daarom zou juist de afschafiBng van de avarij- 
grosse een zware slag voor den zeehandel zijn. In de 
bekende werken van cauvet en lowndes wordt dit 
uitvoerig behandeld, aangetoond en met voorbeelden 
gestaafd, waarom ik meen niet beter te kunnen doen 
dan daarheen te verwijzen '). 

Nu echter nog een enkel woord over de misbruiken. 

Kunnen wij voor den heer schneider weinig sym- 
pathie gevoelen om zijne partijdigheid en minder parle- 
mentaire uitdrukkingen, het valt niet te ontkennen, 
dat zijn werkje een menigte van behartigingswa^rdige 
wenken bevat, en een der grootste gebreken aan het 



1) Zie Cauvet II bl. 84 v.. U3. Lowndes bl. XLVIII, bl. 97. Rathbone, in 
zgne brochure in de Transactions of the Geu. Av. Committee van 1862 opge- 
nomen. Mr. Rahusen, Verslag v. h. Cougr. te Antwerpen bl. 6, waar men 
tevens eene wederlegging vindt van de motieven door de afgevaardigden van 
Lloyd's voor hun denkbeeld bijgebracht. 

2) Zie ook de Courcy, passim maar vooral bl. 282 v. 



109 

avarij-grosse recht klevende, onbarmhartig blootlegt. 
Het is toch maar al te waar, dat vooral in de laatste 
jaren door enkele dispacheurs aan avarij-grosse eene 
ongeoorloofde en onrechtvaardige uitbreiding wordt ge* 
geven. Natuurlijk staan bij de dispache de belangen 
van de reeders eenigzins tegenover die der inladers, 
en met deze tegenover de verzekeraars der lading. Hoe 
meer kosten de reeder vergoed kan krijgen, des te beter 
voor zijne beurs. Hij zal zich dus zooveel mogelijk 
toeleggen op het uitvinden van avarij-grosse schaden 
en kosten, daar waar zelfs geen enkele reden voor 
zulk eene vergoeding bestaat, en zal van avarij-grosse 
spreken waar de schade buiten het begrip daarvan valt. 
De persoon die voornamelijk dergelijke handelingen kan 
beletten en voorkomen is de dispacheur, de door partijen 
of door den reeder benoemde persoon, om naar recht, 
billijkheid en wet de dispache op te maken. Maar juist 
hierom moet de dispacheur zulk een onpartijdig man 
zijn, een onafhankelijk persoon, die boven de partijen 
staat, slechts het recht en de billijkheid raadpleegt en 
die niet ter wille van meerdere winst de onrechtmatige 
belangen van eene partij ten praejudicie der andere dient. 
Daarom is het beroep van dispacheur zulk een schoon en 
edel beroep en is het zoozeer te betreuren, dat nog door 
sommigen deze gewichtige positie misbruikt wordt ten 
faveure van reeders en schippers. In dit opzicht is 
hetgeen schkeider zegt dan ook zeer gegrond; zijn 
werkje moge eene waarschuwing zijn tegen partijdig- 
heid. Nu staat schneider nog vrijwel alleen en is er 
nog weinig kans op afschaflGlng van avary -grosse, maar 



110 

hoe lang zal dit duren als misbruiken op zulk eene 
ergerlijke wijze blijven toenemen? De klachten zgn 
algemeen, zoowel in Engeland, als in Frankrijk en 
Duitschland. Men sla de jongste literatuur slechts op, 
overal wordt er op gewezen. Ook in ons land zgn 
niet alle dispachen even rechtvaardig en onpartijdig. 
Op de dispacheurs rust de schoone taak het avarij- 
grosse recht weer in zijn eer te herstellen. Van hen 
toch is de meeste verbetering te wachten; een eerlgk 
dispacheur is de beste waarborg tegen misbruiken. 

Overigens zouden ook de volgende drie dingen veel 
tot beteugeling daarvan kunnen bijdragen. 

Ten eerste moet er eene vrije concurrentie tiisschen 
de dispacheurs kunnen bestaan. Het moet een vrij be- 
roep zijn, wat in sommige landen, met name Duitsch- 
land, nog niet het geval is. De partijdige dispacheur 
zal dan in het verlies van zijne praktijk eene welver- 
diende straf ondergaan, en de belanghebbenden het aan 
zich zelf te vnjten hebben indien zij benadeeld worden. 
Monopolie werkt altgd verderfelijk en is ook hier eene 
hoofdoorzaak van het kwaad. 

Ten tweede eene duidelijke, ondubbelzinnige wet- 
geving op het stuk van avarij-grosse, uit wier bepa- 
lingen, niet zooals uit ons art. 699 W. K. (vooral het 
beruchte n". 23) allerlei onrechtmatige vorderingen ge- 
distilleerd kunnen worden. Dat zich hierbij echter groote 
moeilgkheden opdoen valt niet te ontkennen, want zelfs 
de duidelijkste wet is niet bestand tegen chicane-geest. 
Toch kunnen in dit opzicht de wetten van bgna alle 
staten nog zeer verbeterd worden, en is in ons land 



111 

aan de onlangs bij Kon. Besluit van 22 Nov. 1879 
benoemde staatscommissie tot herziening van het Wet- 
boek van Koophandel, eene schoone taak weggelegd. 
Trouwens de namen der leden waarborgen de beste 
verwachtingen. Bepalingen in den geest der hier vol- 
gende zouden vooral zeer wenschelijk zijn: 

1". Zoo dikwijls de schipper gedwongen wordt een 
noodhaven binnen te loopen, omdat de toestand waarin 
het schip, de lading of de equipaadje verkeert het ge- 
vaarlijk maakt onder de bestaande omstandigheden de 
reis voort te zetten, of wel wanneer men zulks doet 
tot ontvluchting van vijanden of roovers, zijn de vol- 
gende kosten, voor zooverre zij onvermijdelijk zijn, 
maar ook alleen deze, avarij-grosse, te weten : de kosten 
verbonden aan het binnenloopen en weder verlaten der 
haven, de kosten van lossing en wederinneming der 
lading, de schade door de lading bij die lossing en 
wederinlading noodzakelijk te lijden, de pakhuishuur 
der geloste lading en de kosten van gagie en onder- 
houd der bemanning gedurende het verblijf in de 
noodhaven tot den dag dat de reparatie voltooid had 
kunnen zijn en de haven weder verlaten worden. 

2°. Alle kosten welke verbonden zijn aan de her- 
stelling van eene avarij-particulier in eene noodha- 
ven of elders, en aan het huren en ontbieden 
van eene nieuwe bemanning, wanneer dit noodig 
mocht zgn, zijn avarg-particulier ten laste van den 
reeder. 

3°. De kosten van het aandoen eener noodhaven of 
van het oponthoud aldaar, wegens tegenwind, ijsgang 



112 

en andere gewone omstandigheden eener zeereis, zijn 
avarij -particulier '). 

Door deze en dergelijke bepalingen zal ten minste 
het brengen in avarij -grosse der premie van verzeke- 
ring der in de noodhaven in pakhuizen opgeslagene 
goederen, van de kosten verbonden aan het laten over- 
komen van equipaadje uit eene andere plaats, als deze 
in de noodhaven niet te krijgen is, van het onderhoud 
en de gagie van de equipaadje tot aan de bestemmings- 
plaats, (zooals wel eens is voorgekomen ! ! !) onmogelijk 
meer te verdedigen zijn met de wet in de hand. Deze en 
dergelijke misbruiken toch gaan tegenwoordig gewoon- 
lijk vergezeld van een meestal onjuist beroep op het 
veel te rekbare art. 699 n^ 23 W. K. 

Voor alle niet speciaal voorziene gevallen zou men 
dan de boven (bl. 96 v.) door mij gegeven definitie tot 
richtsnoer kunnen nemen. 

In het bizonder verdient ook het „Projet de Code," 
door de in 1865 in Frankrijk benoemde commissie tot 
herziening van de „ Code de Commerce" in 1869 inge- 
diend, de opmerkzaamheid van allen die in het avarij- 
grosse recht eenig belang stellen. Beknopt en duide- 
lijk zal het een zeer goed wetboek kunnen vormen, 
terwijl het de meeste gebreken die de „Code de Com- 
merce" ontsieren, zal wegnemen. Vooral art. 412 is 
een groote stap vooruit, daar het bij geheel verlies de 
contributie enkel uitsluit voor opgeofiFerde of geworpene 
goederen, en deze dus, want zoo ooit dan is hier een 



1) Duidelgkshalve heb ik dezen regel hier nog gegeven; zij is reeds implicite 
in de eerste begrepen. 



113 

argumentum a contrario geoorloofd, schijnt te laten 
bestaan voor gemaakte uitgaven en onkosten. Ook 
meen ik te moeten wijzen op de Deensche wet (het 
Koninklijke Charter van de Copenhaagsche Zeeverze- 
keringsmaatschappij van 1850), welke, boven alle op het 
oogenblik bestaande wetten, uitmunt door juistheid en 
rechtvaardigheid. 

Eindelijk moet het bewijs beter geregeld worden. 
Natuurlijk komt dit gewoonlijk slechts van éénen kant, 
daar het meestal geput moet worden uit scheepsVer- 
klaringen, het journaal en andere stukken afkomstig 
van den schipper, wiens belang, als hij zelf geen reeder 
is, toch steeds identiek zal zijn met dat van den reeder, 
die hem aangesteld heeft. Het is daarom van het 
hoogste belang geen schade in avarij-grosse toe te laten, 
dan voor zooverre overtuigend bewezen kan worden, 
dat zij een noodzakelijk gevolg eener avarij-grosse 
handeling was, m. a. w. elke schade moest alsavarij- 
particulier beschouwd worden tenzij bewijs geleverd 
werd van het tegendeel. Eene betere regeling van de 
bewgskracht der scheepsverklaring is ook dringend 
noodig, vooral in die landen waar zij een volledig be- 
wijs oplevert, hetgeen de bron is van vele misbrui- 
ken '). Tevens zou het zeer nuttig zijn het afleggen 
eener valsche scheepsverklaring strafbaar te stellen. 
Werd dit gedaan en hieraan streng door het Openbaar 
Ministerie de hand gehouden, dan zou er reeds veel 
zijn gewonnen, daar de meeste dier verklaringen tegen- 



1) In ons land is tegenbew^s toegelaten. 

8 



114 

woordig eene zeer twijfelachtige waarde bezitten, hoofd- 
zakelijk ten gevolge van de, met het oog op onze 
wet, zeer juiste beslissing van den Hoogen Raad 
van 25 Juli 1864, dat het afleggen en zelfs beëedi- 
gen van eene valsche scheepsverklaring niet strafbaar 
is '). Met genoegen kunnen wij dan ook constateeren dat 
in het ontwerp Wetboek van Strafrecht de gewenschte 
verbetering voorgesteld is, daar de valsche scheeps- 
verklaring in het bereik valt van art. 248. Ontw. 1879. 
Doet eindelijk iedereen in zijn werkkring zijn best 
om het recht te doen zegevieren, dan zal ongetwijfeld 
aan vele klachten spoedig een einde komen. 

De inhoud van dit hoofdstuk laat zich kortelijk 

samenvatten in de volgende conclusiën: 

1^. Avarij-grosse is tot nog toe onmisbaar. 

2^. Van een theoretisch standpunt beschouwd, is het 
continentale stelsel verre te verkiezen boven het 
Engelsche. 

3^. De bestaande misbruiken zijn het beste te beteu- 
gelen door onpartijdige dispacheurs, gesteund door 
eene betere wettelijke regeling. 



1) Zie Gademan, Verh. over Strafr. en Strafv., n". 8. Bechtsg. Bijbl. d. XV, 
jg. 1865, bl. 422. v. d. Hon. Sr. en Sv. jg. 1864, bl. 212. Ned. Rechtspr. 
77, $ 85, bl. 260. Mag. v. H., d. VI, bl.309. Opm. en Med. vanMrs. Oudeman 
en Diephais, d. XVI, 2de reeks, d. VI (jg. 1865) bl. 9. 



TWEEDE HOOFDSTUK. 



Geschiedenis der internationale avarij-grosse beweging. 



Met een enkel woord hebben wij reeds opgemerkt 
hoe de betrekkelijke eenheid die in de Middeneeuwen, 
ten gevolge van het groote gezag die de costumen en 
usantiën van enkele voorname zeeplaatsen bezaten, in 
het avarij-grosse recht bestond, na de 15'^« eeuw spoe- 
dig verloren ging, doordat de hooge vlucht, die handel 
en scheepvaart na de ontdekking van Amerika en 
Oost-Indië namen, de zelfstandige ontwikkeling van 
het recht in een steeds toenemend aantal handels- 
plaatsen zeer in de hand werkte. Wel heeft het Napo- 
leontische codificatie-systeem weer eene meerdere eenheid 
in het leven geroepen, maar toch altijd slechts eene 
betrekkelijke, daar vele usantiën zijn blijven bestaan, 
doordat de overeenkomsten partijen tot wet strekken 
en men toch altijd nog met een voor elk land ver- 



116 

schillend recht te doen heeft, terwijl in Engeland, 
waar geen codificatie bestaat, de toestand zoo verward 
en de praktijk in een aantal steden zoo verschillend 
is, dat de juristen en deskundigen zelve er soms niet 
over eens zijn wat recht is ') en de rechtbanken dik- 
wijls uitgemaakt hebben, dat de praktijk lijnrecht in 
strijd was met de zoogenaamde „common law." De 
bezwaren van dezen toestand doen zich hoe langer 
hoe meer gevoelen. Niets werkt voor het zich in den 
laatsten tijd steeds sneller ontwikkelende internationaal 
handelsverkeer belemmerender dan rechts-onzekerheid. 
De koopman toch kan tegenwoordig niet meer alleen 
koopman zijn, hij moet ook jurist wezen, want zonder 
de uitgebreidste kennis van vreemde wetten en ge- 
bruiken, zal hij telkens teleurstellingen en dikwijls 
groote verliezen ondervinden, indien hij goederen 
bezit die aan zeegevaar zijn blootgesteld. Tot hoeveel 
rechts-onzekerheid en verwarring moet het niet aan- 
leiding geven, wanneer van twee met elkander in een 
druk handelsverkeer staande volken, zooals Engeland 
en Nederland, het eene de pliysical safety theorie, het 
andere de common benefit theorie tot zijn recht heeft 
verheven ? Hoeveel te meer, daar ieder belanghebbende 
bij den avarij -grosse omslag verbonden wordt door de 
dispache opgemaakt ter bestemmingsplaats, en zoodoende, 
de reeders, de verzekeraars, . de bevrachters en gecon- 
signeerden, die misschien tot geheel verschillende naties 
behooren, onderworpen worden aan vreemde hen ge- 



1) Zie Baily bl. 1. 



117 

woonlijk onbekende wetten en gebruiken. Dit klemt 
nog sterker nu het veelal in praktijk komt om de 
schepen naar eene vreemde haven te zenden om 
order, waardoor de bestemmingsplaats onzeker wordt. 
Wordt bijv. een schip naar Plymouth als orderhaven 
gezonden om van daar gedestineerd te worden naar 
eene haven aan de Noordzee, dan zal het van het 
welgevallen van den bevrachter afhangen, of de kos- 
ten in eene noodhaven gemaakt avarij-grosse zullen 
zijn dan wel grootendeels avarij-particulier, naar gelang 
de bestemmingsplaats eene HoUandsche dan wel eene 
Engelsche of Belgische haven zal blijken te zijn. Is Duin- 
kerken of Antwerpen de bestemmingsplaats, het schip 
zal slechts voor de helft zijner waarde behoeven bij te 
dragen, is het eene Engelsche of HoUandsche haven, 
voor het geheel. Zeer sterk laat zich dan ook de be- 
hoefte aan eene internationale gelijkvormige regeling ge- 
voelen in deze materie '), waarin zoovele verschillende 
belangen betrokken zijn. Reeders, schippers, bevrach- 
ters, inladers, geconsigneerd en, verzekeraars, zij allen 



1) Dit is zoo waar dat het reeds in 1859 aan Friguet de volgende zinsnede 
in de pen gaf: „Quelle matière cependant exigerait plus de précisions dans 
les testes, plas d'aniformité dans les décisionsl C'est k Tétranger, sous 
Tauspice de lois et de coutumes différentes, que d'ordinaire s'ouvrent les 
contribations, s'arrêtent les comptes, se clótureut les règleroents entre intéresses 
de nationalités diverses que la necessité du salut comman a seul rapprochés 
un instant. Mais belas I combien un état de choses si désiderable semble-t-il 
encore éloigné, lorsqne Ton compare les testes qui contiennent Ténumeration 
des principaux cas d'avarie commnne !" (I b1. 262). Hoe weinig kon bij denken 
dat reeds bet volgende jaar een begin gemaakt zon worden om tot die ,,état 
de cboses désiderable^' te geraken. 



118 

zijn daarbij belanghebbenden. Al moge men ook het 
tegendeel beweeren, omdat het finantieel nadeel door 
deze categorie van personen geleden gewoonlijk op den 
consument verhaald wordt, hier staat tegenover dat het 
nadeel, aan een onzekeren rechtstoestand verbonden, 
niet alleen van geldelijken aard is '). 

De laatste twintig jaren, zoo rijk aan internationale 
bewegingen op allerlei gebied, hebben ook in dit op- 
zicht veel goeds tot stand zien komen. 

§ 1. Congres te Glasgow. 

Bronnen : 

Eeport of the proceedings of the International Congress on General 
Average held at Glasgow. Liverpool, 1861. 

Verslag aan de permanente Commissie uit de Amsterdamsche 
Reederijen door Mr. E. N. Rahusen. 

Congres de Glasgow. Législation Uniforme en matière d'avarie- 
grosse OU génerale. Rapport par Th. Engels et C. v. Pebobgh. 

Magazijn van Handelsrecht II, 1860. Meng. bl. 130 v. 

LowNDEs. The Law of General Average, bl. 457 v. 

Jahrbuch für Gesetzgebung, Verwaltung und Volkswirthschaft im 
Deutschen Reiche. 2^8 jg. 1878, bl. 464 v. 

Zeitschrift für das Gesammte Handelsrecht, IV bl. 494 v. 

J. A. Lbvy. Het algemeen Duitsch Handelswetboek vergeleken 
met het Nederlaudsch Wetboek van Koophandel. 1869, bl. 741 v. 

International General Average. Law Magazine and Law Review, 
jg. 186?. 

Dr. Siebenhaar's Archiv für Deutsches Wechselrecht und Han- 
delsrecht N. F., V, 2. 



1) Bene poging om te betoogen dat internationale gelijkvormigheid van 
avarij-grosse slechts eene quaestie is van belang voor den consument, vindt 
men in een stokje getiteld: „International General Average" in het „Law 
Magazine and Law Review", jg. 1862. 



119 

Eenige heeren uit Liverpool komt de eer toe de 
eersten geweest te ziijii, die het denkbeeld opvatten om 
pogingen in het werk te stellen om tot meerdere ge- 
lijkvormigheid in het avarij-grosse recht te geraken. Het 
waren de heeren rathbone, laurence baily en meer 
anderen, reeders en kooplieden van Liverpool. Zij stelden 
zich in betrekking met collega's te Londen en traden 
in overleg met het bestuur der ^National Associafion 
for the promotion of sodal isdence ')/' binnen wier 
werkkring men begreep dat dit internationaal belang 
mocht vallen. Het resultaat van deze bemoeiingen was 
eene circulaire van 3 Mei 1860, gericht aan de voor- 
naamste handelslichamen van Europa en Amerika, en 
onderteekend door den president van Lloyd's te Londen, 
benevens elf anderen, presidenten van Kamers van 
Koophandel, vereenigingen van verzekeraars, reeders 
enz. enz., uit Londen, Liverpool, Glasgow, Huil en 
Bristol. Hierin noodigde het bestuur ^^x IS ational Asso- 
ciaiiov^ met nadruk op de nadeelige gevolgen der be- 
staande toestanden wijzende, er toe uit, afgevaardigden 
te zenden naar de vergadering dier vereeniging, die 
den 24 Sept. 1860 te Glasgow gehouden zou worden, 
ten einde over de beginselen van het avarij-grosse 



1) Dit Genootschap, in 1857 door Lord Brougham opgericht, stelt zich ten 
doel de kennis van alle sociale wetenschappen te hevorderen, waaronder de 
rechtsgeleerdheid in het algemeen begrepen is. Het is verdeeld in vijf depar- 
tementen, te weten: P. Rechtsgeleerdheid en wetsherziening, 2^. Opvoeding, 
3^. Straffen en zedelijke verbetering, 4^ Openbare Gezondheidsleer en 5**. 
Staathuishoudkunde en Statistiek, en houdt jaarl\jks eene vergadering of Con- 
gres in eene der grootere steden van Groot-Britannië. 



120 

recht tot eenige overeenstemming te geraken *). Te 
gelijkertijd wendde men zich tot Lloyd's, de reederij- 
commissiën en de Kamers van Koophandel in de 
grootste havensteden van Engeland en Schotland, met 
het verzoek de zaak ook in den vreemde ruchtbaarheid 
te geven, daar men wel overtuigd was, dat, zonder 
medewerking der andere handeldrijvende naties, een 
goede uitslag onmogelijk zou zijn. 

Niet te vergeefs was deze oproeping tot een' gemeen- 
schappelijken arbeid, want op den bepaalden tijd kon 
men binnen Glasgow vertegenwoordigers vinden van 
de meest invloedrijke handelslichamen van het vaste- 
land en Amerika, 's Maandags, 29 September 1860, 
werd het congres door den president, den 82jarigen 
Lord BROUGHAM geopend, terwijl den volgenden dag, 
na eene algemeene vergadering der vijf departementen, 
de sectie-vergaderingen begonnen. Dit jaar was het 
departement van Rechtsgeleerdheid in twee secties ver- 
deeld, waarvan een de beginselen van het avarjj-grosse 
recht zou behandelen. Het is dus alleen met het in 
deze sectie behandelde, dat wij ons zullen bezighouden. 

Zij werd dien dag gepresideerd door Lord brougham 
en telde onder hare leden, behalve de onderteekenaars 
van de bovengenoemde circulaire van, 3 Mei, en ver- 
scheidene andere afgevaardigden van Britsche handels- 
lichamen, een niet gering aantal buitenlandsche ver- 
tegenwoordigers uit Amsterdam (Mr. E. N. rahusen, 
dispacheur en advokaat, als afgevaardigde van de Ned. 



1) Zie Bijlage A. 



121 

Handelmaatschappij en van de permanente commissie 
uit de Amsterdamsche Reederijen), Antwerpen, Bos- 
ton, Bremen, Cadix, Kopenhagen, Hamburg, Lissabon, 
Mobile, New-Orleans en New- York, benevens een aantal 
van de voornaamste dispacheurs uit Londen, Liverpool, 
Glasgow, Amsterdam (Mr. j. wertheim Joh\Zn.) enz. 
Frankrijk had, hoewel zijne adhaesie aan de zaak be- 
tuigende, geen afgevaardigde gezonden. Bij de opening 
der vergadering werd, om een gemakkelijker overzicht 
te verkijgen van het recht en de praktijk der verschil- 
lende landen, eene synoptische, ongelukkig niet zeer 
juiste, tabel rondgedeeld van de bestaande avarij-grosse 
praktijk in Engeland, Frankrijk, Amerika, België, 
Nederland en Duitschland. 

De secretaris van de National AH^^ociatiov^ de heer 
HASTINGS, begon met de beweging te schetsen die had 
geleid tot deze vergadering, welke bestemd was de 
verschillende betwistbare punten te bespreken, die men 
in het avarij -grosse recht aantreft. Om de discussies 
gemakkelyker te maken had hy een kort résumé ge- 
maakt, in negen resoluties vervat, die zijns inziens de 
hoofdquaesties uitmaakten. Vervolgens verzocht hij den 
heer rathbone, den secretaris van deze sectie, een 
algemeen overzicht der zaak te geven. Deze besprak 
nu de nadeelige gevolgen voortspruitende uit de ver- 
schillende regelen en wetten omtrent avarij-grosse in 
vigeur en constateerde dat deze vergadering bijeeen- 
gekomen was om die verscheidenheid door vaste en 
eenvormige regels te vervangen. Vervolgens werd aan 
de leden gelegenheid gegeven geschreven opstellen, zoo 



122 

zij die medecjebracht mochten hebben, voor te lezen, 
waaraan door een tiental hunnergevolg werd gegeven '). 
Al deze voordrachten hadden ten doel om het wensche- 
lijke eener internationale regeling voor den handel in 
het algemeen en de verzekering in 't bizonder te doen 
uitkomen, terwijl enkele ook de negen te bespreken 
punten en de te nemen maatregelen na behandeling en 
vaststelling dier regels nagingen. Hierop werd tot de be- 
raadslaging en stemming over de door den secretaris 
ontworpen resoluties overgegaan, daar men deze tot de 
basis wilde maken voor een internationaal wetsontwerp. 

Een kort overzicht der gevoerde discussies en de 
resultaten daarvan moge hier volgen. 

De eerste resolutie luidde: „That the damage done 
to ship, cargo and freight, by running a ship on shore 
excepting the damage done to the ship above water in 
heaving her off, when the expense of heaving her off 
is allowable in General Average — shall not be allowed 
in General Average." 

Over geen enkele resolutie was de discussie heviger 
en waren de opinies meer verdeeld dan juist over deze 
eerste. De heer baily verklaarde in principe de schade 
ten gevolge van vrijwillige stranding geleden, als 
volkomen vrijwillig toegebracht, als avarij -grosse te 
beschouwen, echter om practische reden — de groote 
moeilijkheid om de schade voor de stranding geleden 
te onderscheiden van die door de stranding toegebracht 



1) De Dumen der sprekers, alsmede de redevoeringen in extenso, zijn te 
vinden in het: Report of the Proceediugs etc. 



123 

en het bedrog dat er gepleegd wordt — die hem over- 
wegend toeschenen, voor de uitshiiting daarvan te zijn. 
Lord BROUGHAM kon zich niet begrijpen hoe men 
van vrg willig op het strand zetten kon spreken, 
indien dit geschiedt omdat het schip bijv. in zinkenden 
toestand verkeert; er bestaat dan geen vrijwillige daad 
maar eene waartoe men gedwongen wordt. De heer 
BAILY wederlegde dit, door terecht op te merken dat 
zelfs die daad eene vrijwillige (beter: opzettelijke) ge- 
noemd moet worden, waardoor men in de plaats van 
iets wat volgens menschelijke berekening zeker moet 
gebeuren, dat stelt wat facto plaats grijpt (to convert 
a moral certainty into an actual certainty). Daarom 
verricht hij, die den struikroover, die hem een pistool 
op den borst zet, zyne beurs overgeeft, eene vrij willige 
daad. De redeneering van Lord brougham zou trouwens, 
ging zij op, een einde maken aan de geheele avarij- 
grosse leer, daar slechts die daad aanleiding tot avarij- 
grosse kan geven, die men, hoewel opzettelijk, juist door 
den nood gedwongen maakt. Na een lang debat waarin 
de resolutie veel verdedigers vond, maar meer tegen- 
standers die terecht aanmerkten dat men de zoozeer 
geprezen eenheid niet moest trachten te verkrijgen, 
ten koste van hetgeen in beginsel recht en billijk is, 
of door onjuiste regels, die de moeilijkheden afsnijden, 
werd zij ten laatste verworpen. 

Als tweede resolutie werd voorgesteld : „ That the 
damage done to ship, cargo and freight, in extinguishing 
a fire, shall be allo wed in General Average." 

Nadat de heer baily ze verdedigd had, met bestry- 



124 

ding der meening, dat brand aan boord aanleiding zou 
geven tot een toestand van sauve qui peut^ waarbij de 
te lijden waterschade als een bloot toevallige schade 
beschouwd zou moeten worden, werd zij met 22 tegen 
6 stemmen aangenomen. 

Den volgenden dag (26 September) kwam de beurt 
aan de derde resolutie : „That the damage done to cargo 
by chafing and breakage, resulting from a jettison of 
a portion of the remainder of the cargo, shall not be 
allo wed in General Average." 

Zij vond vooral steun bij den afgevaardigde van 
Lloyd's, den heer leathly, die nog het verouderde 
principe, dat er een voorwerp tot vernietiging uit- 
gezocht moet zijn, wil er avarij-grosse bestaan, bleek 
toegedaan, en daarom deze schade een bloot toevallige 
noemde en niet in avarij-grosse wilde admitteeren. 
Anderen meenden dat breek- en wrijfschade tenge- 
volge van verstoring der stuwaadje een verwijderd 
gevolg van de werping was en daarom niet in aanmer- 
king mocht komen, terwijl eindelgk sommigen zooals 
de heer Baily, het theoretisch wel niet voor twijfel- 
achtig hielden dat men hier met eene avarg-grosse 
schade te doen had, maar het practisch zoo moeilijk 
achtten uit te maken, welke schade aan slechte stu- 
waadje en welke aan de werping te wijten is, dat zij 
daarom dezen regel meenden te moeten aannemen. 
Van den anderen kant werd het juiste betoog ge- 
leverd dat hier maar twee dingen mogelijk zijn, of de 
schade is het gevolg van slechte stuwaadje of onaxjht- 
zaamheid bij de werping en dan is de schipper aan- 



125 

sprakelijk; of de verstoring der stuwaadje en daarmede 
de schade zijn het noodzakelijke gevolg van de werping 
en dan bestaat er volgens algemeene beginselen avarij- 
grosse. Tertium non datur. Wat de moeilijkheden van 
de bewijslevering aangaat deze blijven, ook al beschouwt 
men de schade als particulier, in gelijke mate bestaan, 
juist omdat het karakter der schade altijd afhankelijk 
blijft van het bewijs dat de schipper moet leveren dat 
zij niet aan zijne schuld of nalatigheid is te wijten. 
Toch werd de resolutie met 19 tegen 9 stemmen aan- 
genomen en dus door de meerderheid het recht aan 
een zoogenaamd utiliteitsbeginsel opgeofferd. Mr. ra- 
HUSEN mogen wij onder de tegenstemmers tellen. Blij- 
kens zijn verslag (bl. 8) was ook hij van meening, 
dat deze regel door geen practische moeilijkheden, die 
men in elk bizonder geval moet trachten op te lossen, 
gewettigd kan worden. 

De vierde resolutie luidde : „ That the damage done 
to cargo and the loss of it and the freight of it, re- 
sulting from discharging at a port of refuge in the 
way usual at that port with ships not in distress, shall 
not be allowed in General Average." 

De heer baily releveerde hierbij, hoe velerlei en 
verschillende schade er door goederen biij eene gedwon- 
gene lossing in eene noodhaven kan geleden worden, 
hoe sommige goederen door hunne bizondere natuur 
noodzakelijk schade moeten lijden en hoe dit dikwijls 
nog kan gebeuren gedurende het verblijf in de nood- 
haven, zelfs na opslag in een pakhuis, door diefstal, 
brand als anderzins, waarom hij het wenschelijk achtte 



126 

een onderscheid te maken tusschen toevallige en nood- 
zakelijke schaden. De heer rahusen meende dat eene 
bepaling in den geest van ons art. 699 n^ 14 W. 
K. de voorkeur verdiende. Nadat er echter geconsta- 
teerd was dat alleen die schade bedoeld werd, die de 
lading lijdt gedurende het lossen '), werd de resolutie, 
met verandering van „«/ a port of refiige" in ^e;2 a 
port of refuge," met 19 tegen 6 stemmen aangenomen. 
„That the loss sustained by cutting away the wreek 
of masts accidently broken shall not be allowed in 
General Average;" dus luidde de vijfde regel, die met 
27 tegen 2 stemmen werd aangenomen. Het waren 
alleen onze HoUandsche afgevaardigden, de heeren 
RAHUSEN en WERTHEIM die tegen stemden, daar zij 
dit opzettelijk kappen van de vleet als eene avarij- 
grosse handeling beschouwden, waarom hare waarde, 
als zij er ten minste nog eene bezat bij het overboord 
werpen, in avarij-grosse vergoed zou moeten worden. Hoe 
die waarde te constateeren, was slechts een practische 
vraag waarom het beginsel niet opgeoflFerd mocht wor- 
den. De heer baily voerde hier tegen aan dat er geen 
sprake kan zijn van avarij-grosse, omdat Wer slechts 
datgene opgeofferd wordt, dat de oorzaak is van het 
gevaar waarin schip en lading verkeeren, en ontkende 
daarboven de mogelijkheid om de waarde van het 
gekapte te bepalen. Zeker is er zeer veel voor den 
regel, zooals hij werd aangenomen, te zeggen en in 



1) Geheel ten onrechte wordt in „the Law Mag. and Law Rev." t.a.p. be- 
weerd dat deze regel inplicite, alle andere toevallige schaden, door de lading 
bij diefstal, brand enz. in de noodhaven te lijden, onder avarjj-grosse brengt. 



127 

zijn verslag t. a. p. bl. 9 zegt dan ook deheerRAHU- 
SEN : „het is misschien niet ongewenscht, dat de boven 
staande resolutie tot vijfden regel is verheven." 

De zesde resolutie was: „That the expense of ware- 
house rent at a port of refuge on cargo necessarily 
discharged there, the expense of reshipping it, and 
the ontward port charges at that port shall, when the 
ship carries on the cargo from that port, be allowed 
in General Average." 

Met deze resolutie moest het Congres beslissen 
tusschen de phymcal safety en de common benefit theorie, 
waarom deze zoowel als de achtste (zie infra bl. 128) 
terecht de belangrijkste van allen genoemd mag worden. 
Kon men dus en om haar gewicht als zoodanig en 
met het oog op de Engelsche praktijk een' hevigen strijd 
verwachten, des te meer is het te verwonderen dat er 
bijna geene discussie gevoerd werd. De heer richards 
alleen verdedigde met een enkel woord de physical-safety 
theorie, waarop de heer baily aantoonde dat niet bloot het 
in veiligheid brengen van schip en lading, maar ook het 
voortzetten van de reis en zoo mogelijk bereiken der be- 
stemmingshaven het doel van het inloopen eener noodha- 
ven is. Zelfs de afgevaardigde van Lloyd's (de heer leatly) 
deelde deze opinie en stemde vóór de resolutie, die dan ook 
met 24 tegen 5 stemmen werd aangenomen. Wel een be- 
wijs dat men zelfs in Engeland reeds doordrongen was 
van het onhoudbare van het daar heerschende stelsel. 

„That the damage done to ship, cargo and freight by car- 
rying a press of sail shall not be allowed in General Ave- 
rage" werd terecht met algemeene stemmen tot zevenden 



128 

regel verheven. In Duitschland alleen wordt de schade door 
prangen met de zeilen nog wel in avarij-gi'osse vergoed. 

Als achtste regel werd voorgesteld: „That wages 
and provisions for the ship's crew shaJl be allowed to 
the shipowner in General Average, from the date on 
which his ship reaches a port of refuge under average 
until the date on which she leaves it — the aJlowance 
for provisions to be calculated at a fixed rate." 

Door deze resolutie werd de common benefit theorie 
weder aan het oordeel der vergadering onderworpen en 
ook nu waren de discussies weder kort. Om het geval 
uit te sluiten dat een schip de noodhaven binnenloopt 
alleen om eene schuilplaats te zoeken tegen slecht 
weer, kwam men overeen de woorden: ^ under average" 
te vervangen door „in distress." De heer baily ver- 
dedigde vervolgens op de bekende gronden de niet 
toelaatbaarheid dezer kosten in avarij-grosse. Hg zag 
geen onderscheid tusschen deze uitgaven en de slijtage 
van het schip gedurende de reis, want beiden waren 
verliezen waarop de reeder rekende. Begrijpende dat 
dit evenwel niet een ieder met hem eens zou zijn, ver- 
klaarde hij dezen regel te zullen aannemen bij wijze 
van compromis ter bevordering der eenheid. In stem- 
ming gebracht werd hij met 18 tegen 11 stemmen 
aangenomen. Er bleek dus een krachtige oppositie te 
bestaan, hoewel men toch na de aanneming van den 
zesden regel niet wel anders kon beslissen. 

De negende regel luidde: „That the contributing 
value of ship, freight and cargo shall be their actual 
values to the owner of them at the time when they 



129 

became liable for General Average. Thdt in fixingthe 
value of freight, the wages and port charges up to the date 
of the General Average act shall not be deducted, and the 
wages and port charges after that date shall be deduc- 
ted from the gross freight at the risk of shipowner." 

Uit de langdurige en ingewikkelde beraadslaging, die 
naar aanleiding van dezen regel ontstond, bleek ten 
duidelijkste, dat de meerderheid wel van meening 
was, dat bijgedragen moet worden volgens de waarde, 
die de verschillende eigendommen, schip, vracht en 
lading, ter destinatieplaats of liever bij het einde der 
reis bezitten, maar dat er over de vraag of de avarij- 
grosse uitgaven ook dan vergoed moeten worden, wan- 
neer er niets of niet genoeg behouden is gebleven 
zeer veel verdeeldheid bestond. 

Hierom stelde de heer rathbone in plaats van deze 
ééne resolutie de drie volgende voor : „ When the amount 
of the expenses is less than the value of the property 
finally saved, the contributing value of ship, freight 
and cargo shall be their value to their owners at the 
termination of the adventure." 

„That when the amount of expenses exceeds the 
value of property finally saved the excess of expenses 
over proceeds shall be apportioned as if the whole 
property had reached its destination." 

„That in fixing the value of freight, the wages and 
port charges up to the date of the General Average 
act shall not be deducted, and the wages and port 
charges after that date shall be deducted from the gross 
freight at the risk of the shipowner." 

9 



130 

Na eenige nadere discussie werden dezen als negende, 
tiende en elfde regel respectievelijk met eene meerder- 
heid van 20 tegen 2, 19 tegen 3 en 14 tegen 5 
stemmen aangenomen. Door den heer rahusen ') wor- 
den deze resoluties alle drie afgekeurd. Zijne oppositie 
tegen den negenden regel is mij niet recht duidelijk. 
Hij zegt daarbij volkomen juist dat de waarde die het 
schip voor den reeder heeft na afloop van de reis weinig 
te maken zal hebben met de waarde daarvan ter desti- 
natieplaats ^), maar dit staat ook niet in genoemden 
regel te lezen. Er staat ^ought to be their values 
to the owners of them respectively, at the termina- 
tion of the adventure," en nu lees ik in het boven- 
genoemde Report of the proceedings etc, (bl. 59) dat 
dit, juist na eene opmerking van den heer rahusen, 
dat de waarde die een schip ter destinatieplaats heeft 
geen goede maatstaf is om het schip te laten bijdragen, 
door den heer rathbone is voorgesteld in plaats van: 
,,at the port of destination/' wat door sommige leden 
verlangd werd. Mijns inziens kan de resolutie, zooals zij 
nu luidt, dus niets anders beteekenen dan dat de eige- 
naars moeten bijdragen naar de waarde die hun goed 
bij eindigen der reis voor hen bezit, onafhankelijk van 
de marktprijs ter destinatieplaats. Voor den reeder zal 
dit dus de som zijn, die het schip hem waard is, 
waarvoor hij het schip zou willen verkoopen '), voor 
de eigenaars der lading, die bestemd is ter destinatie- 



1) t. a. p. bl. 11 V. 

2) Anders zijn verslag van het congres te Antwerpen in 1877, bl. 25 v. 

3) Zie Lowndes, bl. 193. 



131 

plaats verkocht te worden, kan dit daarentegen niets 
anders zijn, dan de prijs waarvoor die goederen daar 
ter destinatieplaatse op de beurs of de markt verkocht 
kunnen worden, m. a. w. de markt- of beursprijs. Deze 
regel stelt juist dat vast, wat er naar de meening van 
den heer rahusen aan ontbreekt, waardoor zijne 
oppositie alle reden van bestaan verliest. 

Wat de tweede resolutie aangaat, in hoeverre ik mij 
daarmede zou kunnen vereenigen, kan blijken uit het- 
geen ik reeds vroeger (bl. 80 v.) heb opgemerkt omtrent 
het vereischte van redding. Eene verwijzing daarnaar 
is dan ook voldoende. 

De elfde regel is geheel op Engelsche leest geschoeid, 
en zou slechts dan ingevoerd kunnen worden op het 
vasteland als daar de bepalingen omtrent de vracht er 
mede in harmonie werden gebracht. In Engeland toch 
is het gewoonterecht: 

1\ dat de reeder niet bijdraagt voor de vooruit- 
betaalde vracht, omdat deze bij totaal verlies niet 
teruggegeven behoeft te worden en dus geen risico loopt. 

2\ Dat geen vracht verschuldigd is als het schip op 
reis afgekeurd wordt en de schipper de goederen niet 
ter bestemmingsplaats aflevert, en 

3". dat geen vracht verschuldigd is voor in de 
noodhaven wegens beschadiging verkochte goederen. 

Het stelsel van pro rata vracht is daar in een woord 
onbekend. 

Hiermede was de taak der vergadering voor dezen 
dag vervuld. Den volgenden dag werd, na eene lang- 
durige discussie, waaraan bijna alle leden deel namen, 



132 

eene zeer vage resolutie van Lord neaves over de 
vrijwillige stranding in plaats van den afgestemden 
eersten regel bij wijze van transactie met 22 tegen 3 
stemmen aangenomen. Zij luidde: „That as a general 
rule in the case of the stranding of a vessel in the 
course of her voyage, the loss or damage to ship, cargo 
or freight shall not be the subject of General Average, 
but without prejudice to any such a claim in excep- 
tional cases, upon clear proof of special facts." 

Vervolgens nam men in overweging welke de beste 
wijze zou zijn om de verschillende Kamers van Koop- 
handel en in het algemeen de handelswereld in kennis 
te stellen van hetgeen op dit congres verhandeld en 
besloten was en om verder het beoogde doel, inter- 
nationale avarij -grosse regeling, te bereiken, nu men 
over deze elf hoofdpunten tot overeenstemming was 
gekomen. 

De volgende door den heer marvin (een Ameri- 
kaansch rechter) ontworpen moties werden daartoe 
aangenomen : 

P. ïhat the meeting hereby requests the Council of the Associa- 
tion to assist by their couDsels such person of persons as may be 
approved of by thein, in drawing up a Bill, with a view to its 
being enacted into a law by the legislative authorities oftheseveral 
naiions of the vvorld, which Bill shall define, as clearly as may be, 
the term „General Average,'' and describe more or less fuUy the 
cases intended to be included within the definition, and which shall 
also specify the nature of the loss, damage, or expense allowable 
in General Average, and the principle on whieh the amount of the 
loss, damage, or expense shall be ascertained; also, furnish a rule 
or rules for ascertaining the contributory values of the interests concer- 



133 

Ded, and which shall also contain such matters as the person or 
persons drawing up the Bill may think it advisable to insert. That 
upon such Bill being drawn up and printed, copies thereof shall be 
transmitted to the several Chambers of Commerce, Boards of Under- 
writes, Shipowners' Associations, and other commercial societies in 
different part of the world, accompanied by a copy of this resolu- 
tion, and a request to tbem to examine and return the said copies, 
with such alterations or amendments as they may think proper to 
make therein, within six months from the time of receipt thereof. 
That, upon the return of the said copies, or upon the expiration of 
the said six months, the said Bill shall be revised by the person 
or persons drawing up the same, enlightened by the information 
acquired as aforesaid. That, upon the Bill being perfected in the 
manner aforesaid, it be recommended to the legislative authorities 
of all commercial nations, to enact the same into a law." 

2^. That, in the meantime, the meeting resolves to 'circulate as 
widely as possible, for general information, the rules embodied in 
the resolutions which have been passed by the meeting, as those 
which under a uniform system, it might be desirable to consider." 

Een voorstel om aan de hier vastgestelde regels 
uitvoering te geven door in de charte-partijen, polissen 
van verzekering, cognossementen en andere stukken 
eene clausule op te nemen, die de dispache zou be- 
velen overeenkomstig de Glasgow Rules^ vond geen 
bijval, omdat de onwilligheid van een der geïnteres- 
seerden het altijd onmogelijk zou kunnen maken. 

Na moties van dank aan de presidenten en aan de 
buitenlandsche leden, werd deze belangrijke vergadering 
gesloten. 

Dus was de eerste stap gedaan om tot de zoo lang 
gewenschte uniformiteit te komen en, al zou men met 
al wat besloten werd niet onverdeeld kunnen instem- 



134 

men, toch kan de goede strekking en de deugdelijkheid 
van het meerendeel der vastgestelde artikels niet ge- 
loochend worden. De beste waarborg voor een later 
goed slagen der beweging lag in de merkbare toenade- 
ring, waarop ik gelegenheid had te wijzen bij de 6^® 
en 8^^^ resolutie, tot de beginselen die in het vasteland 
van Europa en de Vereenigde Staten van Noord- 
Amerika gehuldigd worden. Gelukkig begreep men in 
Engeland dat de liberale weg de eenige was die tot 
het beoogde doel kon leiden '). Men koesterde dan ook 
de beste verwachtingen ') en, zooals wij zullen zien, 
werd de zaak met kracht door de National Association 
voortgezet, terwijl de in Engeland zoo machtige Lloyd's, 
wier hulp men eenigszins onmisbaar achtte, niettegen- 
staande de gehechtheid aaa hare eigene usantiën, hare 
volle sympathie voor dit streven betuigde, eerst op het 
congres bij monde van haar afgevaardigde den heer 
LEATHLT, later en nog krachtiger op eene vergadering 
van haar uitvoerend comité. Den 10^«° Oct. 1860 toch 
nam het „Committee for managing the Affairs of 
Lloyds," na ontvangst van het verslag van haar afge- 
vaardigde op het congres te Glasgow, de volgende 
moties aan: 

1^. „That the thanks of this Comrnittee be given to the several 
Gentlemen who, at a great sacrifice of personel convenience, ha\re 



1) Zie Rahnsen, Verslag bl. 14. 

2) Zoo schreef de heer Bahusen : „ Indien de beweging nit Liverpool uitge- 
gaan, in Londen met warmte wordt omhelsd, is er veel kans, dat men over 
eenige jaren een internationaal reglement voor het behandelen der ava^jen 
zal hebbeu". 



135 

come from abroad to attend the Meeting at Glasgow on the subject 
of General Average and whom the Committee had the honour of 
Meeting by a deputation of her body." 

20. „That this Resoiution be communicated to each of the Gent- 
lemen, and that they be assured, at the same time, that this Com- 
mittee take a strong interest ia the subject discussed at Glasgow, 
and that the will gladly co-operate in the endeavour te carry out 
the very desirable object sought to be attained." 

§ 2. Het congres te Londen. 

Bronnen : 

General Average Consolidation Draft of Bill. 

Verslag aan de Nederlandsche Vereeniging van Assuradeurs, geves- 
tigd te Amsterdam, door Mr. J. Wertheim Joh".Zn. 

Magazijn van Handelsrecht, IV. 1862, bl. 98 v.. Meng. 

Jahrbuch fiir Gesetzgebung, Verwaltung und Volkswirthschaft von 
V. HoLTZENDORFP und Brentano, 1878, 2de jg,^ bi^ 473^ 

LowNDEs, bl. 460. 

Levy, bl. 743. 

Zeitschrift fiir das gesammte Handelsrecht, IX bl. 214, 

Dr. Siebenhaar's Archiv. für Deutsches Wechselrecht u. Handelsr. 
N. F., d. V, 2. 

Het eerste der te Glasgow genomen besluiten leert ons, 
dat men daar de meening toegedaan was dat de beste 
modus procedendi om tot eene internationale regeling te 
geraken, het ontwerpen van eene wet zou zijn, die, na 
eene grondige voorbereiding en gemeen overleg tot 
stand gebracht, aan de verschillende regeeringen aan- 
bevolen zou worden, in de hoop dat dan wel in de 
meeste beschaafde landen de aanneming zou volgen. 
Op de eerstvolgende vergadering van de National 
Association, die in 1861 te Dublin gehouden zou 



136 

worden, moest het ontwerp in discussie gebraxïht en 
definitief vastgesteld worden. Maar reeds dadelijk waren 
de omstandigheden het door het bestuur der Association 
benoemde avarij-grosse comité niet gunstig en bleek 
het dat de te Glasgow vastgestelde termijnen voor 
zulk eene omvangrijke arbeid veel te kort waren. De 
heer rathbone moest al zeer spoedig het secretariaat, 
waaraan de verplichting om het ontwerp te stellen 
verbonden was, nederleggen. Evenzoo werd de heer 
VERNON LUSHINOTON, de zoon vau den bekenden 
rechter van dien naam in het Admiraliteitshof, aan 
wien vervolgens deze taak opgedragen was, eerst door een 
ernstige ziekte, daarna door eigen drukke bezigheden 
verhinderd zich daarvan te kwijten. Na lang zoeken 
naar een geschikten persoon, wat natuurlijk uitstel ten 
gevolge had, viel eindelijk de keus op den lerschen 
rechtsgeleerde o'hava. In plaats echter van in 't begin 
van 1861, kon nu eerst in Mei 1862 aan de ver- 
schillende belanghebbenden de lang verwachte concept- 
w^et toegezonden worden. Met dat ontwerp, getiteld: 
„ Braft of a Bill intituled: An Act to consolidate and 
amend the Laws relatinp to General Aoerage Sacrifices 
and General Average Contributions^'* gingen vei^ezeld 
eene korte uiteenzettting van de beginselen van den 
steller en twee vlugschriften, één van den heer L. B. 
BAILY, den kampioen van den vooruitgang, een ander 
van R. LOWNDES, den toen nog conservatieven verdediger 
van de reeds te Glasgow veroordeelde physical safety 
theorie van Lloyd's. 

Hoewel er nu volgens het te Glasgow genomen 



137 

besluit aan de verschillende Kamers van Koophandel 
en andere handelslichamen een tijd van 6 maanden 
gelaten moest worden, ten einde het ontwerp te onder- 
zoeken en met hunne aanmerkingen en amendementen 
terug te zenden, meende het bestuur van de Association, 
uit bezorgdheid om de zaak nog langer, misschien 
onnoodig, uit te stellen, van dit voorschrift te moeten 
afwijken en noodigde het, te gelijk met de toezending van 
het ontwerp, tot het zenden van afgevaardigden uit, 
naar het tweede Internationale avarij-grosse congres, 
dat van den 4^«» tot den 14^®» Juni 1862 te Londen 
gehouden zou worden, naar aanleiding van de jaarlij ksche 
vergadering der Association. Door dit kort tijdbestek 
van nauwelijks eene maand, werd echter het wisselen 
van schrifturen en het voorstellen van amendementen 
onmogelijk. Dit verhinderde evenwel niet dat de meest 
invloedrijke handelslichamen van het buitenland, hoe- 
wel ten zeerste betreurende dat niet overeenkomstig 
het te Glasgow beslotene gehandeld kon worden, toe- 
zegden zich op het Congres te doen vertegenwoordigen. 
Op den bepaalden dag kwamen dan ook, hoewel de 
opkomst veel geringer was dan te Glasgow, afgevaar- 
digden bijeen van de Nederlandsche Handelmaatschappij 
(Mr. rahusen), van de Kamers van Koophandel te 
Boston (V. S.), Antwerpen, Kopenhagen, Liverpool en 
Rotterdam, van de reederij-vereenigingen te Amsterdam 
(Mr. rahusen) en Liverpool, benevens verscheidene 
dispacheurs, rechtsgeleerden, verzekeraars en koop- 
lieden. 

Het congres was bijeengeroepen met het doel om 



138 

de ontwerpwet te behandelen en vast te stellen; ge- 
wis een zeer omvangrijke taak, als men in aanmerking 
neemt dat het ontwerp 126 artikels rijk was, en een 
niet minder gewichtige, omdat dit als het ware het 
laatste woord moest zijn, dat er in deze quaestie van 
wege bizondere personen en vereenigingen gesproken 
zou worden. Volgens het Glasffow-besluit toch zou men 
na aanneming van het ontwerp het overige aan de 
wetgevende machten der verschillende landen overlaten. 
Op het voorstel van den heer wertheim, dien het 
minder doelmatig voorkwam om de 126 artikels of 
sectiën dezer wet, zooals die was liggende, in openbare 
behandeling te brengen, werd besloten om eerst in 
eene voorvergadering der gedelegeerden na te gaan, 
over welke gedeelten van het ontwerp geen strijd was, 
welke met eene geringe wijziging konden worden goed- 
gekeurd en welke men, om een te groot verschil van 
gevoelens ter openbare discussie en beslissing zou verwij- 
zdaarin 
verhinderd werd. 



149 

nationale comité, gaf een overzicht van de werkzaam- 
heden van dat comité, waarbij hij eenigzius uitvoerig 
stil bleef staan bij de 23 behandelde vraagpunten en 
gaf als zijne meening te kennen, dat om het ontwerp 
tot eene internationale wet verheven te zien, het voor 
alles door het Engelsche Parlement aangenomen zou 
moeten worden; was dit geschied dan zouden de 
overige landen wel volgen '). Hiama las de voorzitter 
een brief voor, hem door den heer halsted, secretaris 
van Lloyd's, namens het bestuur daarvan overhandigd. 
Lloyd's betreurde het daarin dat het comité in plaats van 
eene internationale wet voor te bereiden, zich alleen 
maar ten doel scheen te stellen eene verandering 
enkel in de bestaande Engelsche wet en praktijk te 
maken, en schreef verder: „The Draft Bill which is 
to be submitted, seeks to establish uniformity in the 
adjustment of General Average by the sacrifice of the 
most valuable points in English custom, in favour of 
the most objectionable as administered abroad, and which 
the Comittee consider would have a very prejudicial 
effect upon the liability of Owners of Cargo whose 
interests throughout the proposed Bill would appear 
to be made subordinate to those of the Shipowner. 
The proposed system would also largely add to the 
abuses and misunderstandings which arise under the 
existing system." Om deze redenen verklaarde het 
Bestuur zich verder van deelneming aan de toenmalige 



1) De rede is in zija geheel opgenomen in de „Minatesof Proceedings etc. 
bijlage A en in de MÏ'&pers on mar. leg., bl. 87 v. 



150 

beweging te zullen onthouden *). Eene missive van 
gelijke strekking was ingekomen van de met Lloyd's in 
betrekking staande Salvaffe Asmciation '). 

De inhoud van deze brieven lokte eenige discussie 
uit en om in het vervolg elk misverstand, zooals dit 
van de zijde van Lloyd's, onmogelijk te maken en het 
streven van dit congres duidelijk te doen uitkomen, 
werd op uitnoodiging van den voorzitter de volgende 
motie aangenomen: 

„That the object of this Congress is simply to cariy out the 
Glasgow resolution passed ou the 27^** of September 1860; and that 
it is by no means intended that the bill should be passed only by 
the English legislature, bul thut, in the terms of that resolution, it 
should, when perfected, be recominended to the legislative authorities 
of all coramerciül nations, to enact the same into a law *).** 

Nadat de heeren manley hopkins van Londen en 
Dr. FRANCK van Lubeck ieder nog een geschreven 
opstel over internationale avar ij -grosse regeling hadden 
voorgelezen *), begonnen de eigenlijke werkzaamheden, 
de behandeling van den Draft BUL 

Het eerste artikel daarvan luidde: „A jettison of 



1) Minutes of Proc, bijlage D (1), en M. v. H., bl. 28 v. 

2) £ene iustelling gemachtigd om in het geval yau schipbreuk of avarij 
terstond handelend op te treden. De brief is opgenomen in de Minutes of 
Proc, bijlage D (2), en M. v. H. bl. 80 v. 

3) Zie M. V. H., bl. 31 v. Mr. Rnhusen zegt daar: „de voorlezing dezer 
brieven bracht een' pijnlijken indruk te weeg." H^ geeft daar ook de reden 
van het veranderde standpunt van Lloyd's aan. 

4) ])e verhaudeliug van Manley Hopkins is opgenomen in Minutes etc, 
bijlage B., en de hoofdiuhoud er van ook te vinden in M. v. H., bl. 83 v.; 
die van Dr. 1'ranck in Minutes etc. Bijlage C. Verg. M. v. H., bl. 37. 



151 

timber or deals carried on the deck of a ship, in 
pursuance of a general custom of the trade in which 
the ship is then engaged, shall be made good as 
General Average, in like manner as if such cargo had 
been jettisoned from below deck. 

„No jettison of deck cargo, other than timber or deals 
so carried as aforesaid, shall be made good as General 
Average ; but if the shipment on deck have been made 
•without the consent or sanction of the shipper or owner 
of such cargo, the loss resulting from such jettison 
shall be made good by the owner or owners of the 
ship; whereas, if such shipment have been made with 
the consent or sanction of such shipper or owner, the 
loss of cargo shall fall upon such shipper or owner. 

„Cargo which is in a deck-house, poop, ortopgallant 
forecastle, shall, for the purposes of this Act, be treated 
as cargo laden on deck." 

In het verslag van het avarij -grosse comité was dit 
punt reeds ter sprake gebracht, en de daarop gevolgde 
brochures der leden hadden een' grooten twijfel en 
veel verschil van opinie aan het licht gebracht. De 
heeren wendt en lamport waren voor het toelaten 
van werping van deklading in avarij -grosse, daar waar 
het een vaststaand en algemeen gebruik is om som 
mige bepaalde artikels op het dek te laden. De heeren 

BAILY, ENGELS, V. PEBORGH, GRAM, THUNE, SUENSON 

en DRIEBEEK waren uit principe tegen elke toelating, 
welke ook. De eerste zou zich echter met eene uitzon- 
dering voor hout om de bestaande gewoonte kunnen 
verzoenen, de Belgische heeren, bg wijze van compromis, 



152 

met eene uitzondering voor de kustvaart maar dan 
slechts voor goederen die niet door het zeewater kun- 
nen bederven, de Deensche leden met eene uitzonde- 
ring voor de kustvaart in het algemeen en de heer 
DRIEBEEK met eene voor bij name nader te bepalen 
goederen. De heer bradford kon eene algeheele uit- 
sluiting van avarij-grosse ook daar waar de gewoonte 
deklast toelaat en de schepen bepaald met het oog op 
zulk eene bevrachting gebouwd zijn, niet goedkeuren. 
De heer rathbone wilde geen omslag in avarij-grosse, 
maar de schade alleen ten laste van den eigenaar der 
lading en van de vracht brengen, terwijl eindelijk de 
heer lowndes eene uitzondering voor hout en levens- 
middelen billijk en gerechtvaardigd achtte. Acht 
stemmen waren dus in theorie voor de algeheele uit- 
sluiting van avarij-grosse, en slechts vier voor de toe- 
lating van deze of gene uitzondering, vooral voor 
hout. Het eenige en algemeene argument was natuurlijk 
dat deklading het besturen van het schip belemmert, 
het scheepsvolk verhindert om van het dek vrijelijk 
gebruik te maken, om deze redenen dikwijls een bron 
van gevaar is, en werping noodzakelijk maakt onder 
omstandigheden die er anders geene aanleiding toe 
zouden geven, waardoor de eigenaars van de lading 
onder dek op zware lasten gebracht worden. 

Bij de behandeling van dit artikel op het Congres ver- 
toonde zich het zelfde verschil van gevoelen, dat zich in 
het comité geopenbaard had. Mr. rahusen stelde dadelijk 
het radikale amendement : „No jettison of deck cargo shall 
be made good as General Average'' voor. Zijns inziens 



153 

was het maken van eene uitzondering voor hout niet 
te rechtvaardigen, daar ook andere goederen dikwijls 
als deklast vervoerd worden, en waar moet dan een 
grens getrokken worden? De heer rathbone onder- 
steunde hem. De heer Crusemann wilde eene uitzonde- 
ring alleen voor de kustvaart. De heer wendt deed 
uitkomen dat in den houthandel de schepen juist met 
het oog op het voeren van deklast gebouwd worden. 
De heer baily wees er op dat het Lagerhuis het voe- 
ren van hout als deklast tusschen 1 Sept. en 1 Mei 
verboden had ') op grond, dat het, na ingesteld onderzoek, 
gebleken was dat er een te groot gevaar aan verbonden 
is. Indien dat gevaar in die maanden zoo groot is, 
dus redeneerde hij, zou het ook in de andere maanden 
van het jaar wel niet gering zijn. In de Engelsche 
praktijk is er dan ook geen avarij -grosse (bij werping 
van deklast), maar bestaat er eene zoogensjsunde ^fieneral 
contribution^ een omslag over schip, vracht en lading, 
waardoor echter noch de verzekeraars, noch de inladers, 
die geen partij zijn geweest bij het bevrachtings-contract 
voor den deklast, verbonden worden. De heer marvin 
verklaarde voor het artikel te zullen stemmen om eene 
concessie aan de Engelsche idees te doen. 

Na eene langdurige discussie werd eindelijk het 
amendement rahusen met 12 tegen 8 stemmen ver- 
worpen en het eerste lid der resolutie met 18 tegen 
2 stemmen aangenomen, nadat eerst nog op voorstel 
van den heer atkinson (president van de kamer van 



1) Dit verbod ld later weder ingetrokken. 



.^ 



154 

Koophandel te Huil) achter het woord ^ deals" ^or any 
other description of wood goods'' was ingevoegd. 

De voorzitter stelde nu de tweede alinea aan de orde : 
„no jettison of deck cargo other than timber or deals 
or other wood cargo, so carried as aforesaid, shall be 
made good as General Average'', met weglating met 
het slot, wat stilzwijgend werd goedgekeurd. Er werden 
drie amendementen voorgesteld, een door den heer 
GOüRLEY, om de woorden „ tar, cotton and tallow" op 
„other wood cargo" te doen volgen, een door den 
heer crusemann, die ook eene uitzondering voorstelde 
voor de kustvaart en een, om het woord „cattle" in 
het artikel op te nemen. Alle werden zij met eene 
groote meerderheid verworpen, waarna deze alinea 
onveranderd met 15 tegen 4 stemmen werd goedge- 
gekeurd. 

Toen vervolgens de derde alinea aan de beurt kwam, 
stelde de heer jacob, namens de reederij-vereeniging 
te Liverpool, de weglating daarvan voor, daar het al- 
gemeen de gewoonte is, om verschillende goederen, 
zelfs zeer kostbare, zooals zijde en andere lichte waren, 
in de kampanje te bergen en daartegen ook geen over- 
wegende bezwaren kunnen bestaan, zooals die tegen 
eigenlijk gezegde deklading worden aangevoerd. De 
heer baily gaf hierop in overweging het volgende te 
bepalen : „ Every structure not built in with the frame 
of the vessel shall be considered to be a part of the 
deck of the vessel." De kampanje maakt altijd een 
geheel uit met het geraamte van het schip en werd 
hierdoor dus niet onder het dek begrepen. Na eene 



155 

korte woordenwisseling over de juiste beteekenis van 
het amendement, werd het, nadat de heer jacob zijn 
voorstel had ingetrokken, met 14 tegen 7 stemmen 
aangenomen *). 

Van het tweede artikel, dat nu in behandeling kwam, 
luidde de eerste aliena: „Damage done to goods or 
merchandise by water which unavoidably goes down 
a ship's hatches, when opened for the purpose of ma- 
king a jettison, shall be made good as General Average, 
in case the loss by jettison is so made good." 

De heer baily stelde als amendement voor op het 
woord „shall" „ not" te laten volgen. Alleen om prak- 
tische bezwaren was hij tegen deze alinea, die zijns 
inziens de deur wijd opende voor bedrog en eindelooze 
geschillen. Het was vreemd, zeide hij, dat eischen tot 
omslag in avarij -grosse van dezen aard bijna niet 
anders voorkomen dan wanneer de lading verzekerd 
is, vrij van avarij -particulier. Dat de meerderheid echter 
van meening was, dat practische moeilijkheden geen 
reden mogen zijn om het recht, ook in de gevallen dat 
er een volledig bewijs geleverd kan worden, uit te 
sluiten, bleek uit de stemming, die den heer baily 
met 20 tegen 1 stem in het ongelijk stelde, waarna 
de alinea unaniem aangenomen werd. 

De tweede alinea was: „Damage done bybreakageor 
chafing or otherwise from derangement of stowage 
consequent upon a jettison shall not be made good as 
General Average, but shall fall upon the owners of 
the goods 80 damaged or their underwriters." 

1) M. V. H., t. a. p., bl. 34—41. 



156 

Uit de brochures van de leden van het comité was 
reeds gebleken, dat het onderwerp van deze alinea, 
die de 12^® paragraaf van het verslag uitmaakte, bij 
de meesten op geene instemming meer kon rekenen. Vijf 
leden immers verklaarden deze schade bepaald als 
avarij-grosse te beschouwen, twee anderen waren het 
hier wel mede eens, maar vonden toch eene verande- 
ring van de te Glasgow met zulk eene groote meer- 
derheid aangenomen resolutie niet wenschelijk, terwijl 
eindelijk slechts de heeren baily, engels en v. peborgh 
ook uit principe hare handhaving verdedigden. 

Toen den heer atkinson nu dan ook voorstelde om 
het woordje „ not" weg te laten, werd dit zonder eenige 
oppositie met 16 tegen 6 stemmen goedgekeurd en zoo 
de voor 4 jaren te Glasgow begane fout hersteld. Het 
slot der alinea „but shall fall" viel hierdoor van 
zelf weg '). 

Artikel 3: „Damage intentionally done to a ship 
or cargo for the purpose of extinguishing a fire on 
board ship, and damage done by water poured in or 
admitted through scuttle-holes or otherwise for the said 
purpose, shall be made good as General Average," werd 
bijna zonder discussie aangenomen, hoewel in dezen 
eenvoudigeren vorm: „Damage done to a ship and cargo 
by water or otherwise in extinguishing a fire on board 
the ship, shall be made good as General Average." 

Evenzoo ging het met het volgende artikel: „Damage 
done by cutting away the wreek or remaisis of spars. 



l) M. V. H. bl. 41 V. 



157 

or otlier things whicli had previously been carried away 
or permanently displaced by sea peril, shall not be 
made good as General Average;'' alleen de woorden 
or „permanently displaced'' werden weggelaten. 

Den volgenden dag (27 Sept.) werden, weder onder 
voorzitterschap van Sir fitsroy kelly, de beraad- 
slagingen geopend over art. 5: „If ashipisintentionally 
run ashore, in order to avoid capture or foundering, 
and is afterwards got off and repaired, all damage 
caused either to the ship or cargo on board by such 
running ashore shall be made good as General Average. 

„If a ship has been intentionally run ashore as afore- 
said, but is not afterwards got off the shore, or being 
got off is found irreparably damaged, or so damaged 
as not to be worth repairing, no compensation in the 
way of General Average shall be made for the damage 
caused by such running ashore." 

De leden van het comité waren over deze quaestie 
in het geheel niet tot eenheid gekomen. Het verslag 
van den secretaris bracht vrijwillige stranding wel in 
het algemeen in beginsel onder avarij-grosse, maar 
meende dat dit om praktische redenen toch slechts 
voorgesteld kon worden voor het geval van stranding om 
neming te voorkomen. In alle andere gevallen zouden 
daartegen te veel bezwaren bestaan. De twee pogingen 
om deze bezwaren op te lossen, nam. het eerste der 
Glasgow-artikels en art. 708 n\ 3 van het algemeene 
Duitsche Handels wetboek *) haalde het wel aan, maar 

1) Art. 708 n^, S A. D. H. 6b. luidt: Grosse Avarie liegt namentlich im 
folgenden fftllen vor: 



158 

tegen beiden, vooral tegen het eerste, had het vele be- 
denkingen, zoodat het eigenlijk alles aan de beslissing 
van de leden van het comité overliet. Deze waren het ook 
bijna allen eens, dat naar recht en billijkheid vrijwilUge 
stranding evengoed als elke andere vrijwillige opoffe- 
ring recht op vergoeding in avarij-grosse geeft. Om 
praktische bezwaren echter, zooals het moeilijke van 
het bewijs der door de stranding veroorzaakte schade, 
het misbruik van de zijde van den kapitein te duchten 
en andere meer, wilden de meeste hetzij restricties, hetzij 
algeheele uitsluiting. Slechts de heer bradford Het 
zich hierdoor niet van zijn stuk brengen ; hij bleef er 
op aandringen dat schade tengevolge van eene vrij- 
willige stranding geleden, in avarij-grosse vergoed moet 
worden, natuurlijk slechts voor zooverre het oorzake- 
lijke verband tusschen de stranding en de schade, 
evenals het opzettelijke der daad, volledig en over- 
tuigend bewezen kan worden. De heeren wendt en 
DRIEBEEK verecnigden zich met art. 708 n*. 3 A. D. 
H. Gb.; de Deensche leden wilden avarij-grosse bij 
stranding om neming of zinken te voorkomen, in het 
laatste geval echter alleen als de reis na de stranding 
nog voortgezet kan worden; de heeren BAiLYenRATH- 



Wenn das Schiff absichtlich auf dem Straude gesetzt worden ist, jedoch 
wenn die Abwenduog des Untergaoges oder der Nehmnng damit bezweckt war. 

Sowohl die durch die Strandang einsliesslich der Abbriugung entstandenen 
Schaden, als auch die Kosten der Abbringuug geboren znr grossen Haverei. 
Wird das Behufs AbwenduDg des Unterganges auf dem Straude gesetzte Schiff 
nicht abgebracht oder nach Abbringuug reperaturuufahig (art. 444) befunden 
80 findet eine Havarie-vertheiluug nicht statt. 

ist das Schiff etc. 



159 

BONE vonden algeheele uitsluiting van avarij -grosse het 
beste, de eerste „on ground of expediency" waaraan hij 
altijd nog al spoedig bereid is het recht op te offeren, 
de laatste omdat dit het eenvoudigste is (sic). De heeren 
RAHUSEN en WERTHEiM stelden een' regel voor om 
slechts avarij-grosse toe te laten, als de schipper tot 
de stranding is overgegaan terwijl hij nog de keuze 
had om door andere middelen de redding van schip 
en lading te beproeven; de heeren v. peboröh en 
EKGELS eindelijk beschouwden onvoorwaardelijk vrij- 
willige stranding om zinken te voorkomen als avarij- 
particulier. 

Openbaarde zich dus onder de leden van het comité 
eene groote verdeeldheid van opinie, op het congres 
was dit natuurlijk niet minder het geval, zoodat de 
behandeling van dit artikel, even als van het eerste 
te Glasgow, weder het langst duurde en een zeer 
levendige discussie uitlokte. De resolutie was gebaseerd 
op de Duitsche wet, die het gevolg van de stranding 
laat beslissen over haar karakter. De heer marvin 
bestreed de juistheid daarvan en stelde de weglating 
voor van de woorden: „and is afterwards got off and 
repaired.'' Niettegenstaande de ondersteuning die dit 
amendement bij de Hollandsche leden vond, daar het de 
resolutie geheel in overeenstemming met onze wet zou 
brengen, werd het met 9 tegen 8 stemmen verworpen. 
Een gelijk lot onderging een amendement van den 
heer lowndes om in plaats van: „or so damaged as 
not to be worth repairing" te lezen: „or so damaged 
that the expense of repairing would exceed the value of 



160 

the ship then repaired, and if the ship shall not 
be in fact repaired" dat met 9 tegen 8 stemmen, en 
een van den heer crusemann om die woorden weg 
te laten, dat met 8 tegen 6 stemmen werd verworpen. 

De heer lowndes beoogde met zijn voorstel slechts 
gelijkheid, daar de woorden : „ or so damaged as not to be 
worth repairing" in verschillende landen tot eene ver- 
schillende interpretatie aanleiding kunnen geven. „In 
sommige landen toch wordt het schip voor afgekeurd 
gehouden, als de reparatiekosten 7» ^^^ ^® waarde 
overtreffen, terwijl in Engeland de (zeker juistere) regel 
geldt, dat de afkeuring eerst dan gewettigd is, indien 
de reparatiekosten de waarde overtreffen, die het schip 
na afloop van de reparatie zoude hebben ')." 

De heer baily sloeg nu voor de geheele eerste 
alinea weg te laten en door de volgende te vervangen : 
„When a ship is intentionnally run on shore because 
she is sinking or driving on shore or rocks, no damage 
caused to the ship, the cargo or the freight, or any 
or either of them, by such intentional running on 
shore, shall be made good in General Average.'' 

Hij verdedigde het op de bekende gronden, waar- 
onder vooral de moeilijkheid van het bewijs der schade 
en de dikwijls voorkomende misbruiken eene hoofdrol 
speelden. Vele leden meenden echter dat misbruik en 
bedrog in weerwil van het amendement baily zouden 
blijven bestaan, omdat dit, zooals de voorsteller zelf 
verklaarde, het eene opene quaestie liet of er al dan 



1) Woorden van den heer Rahasen. M. v. H., t. a. p., bl. 53. 



161 

niet avary -grosse bestaat in andere gevallen, niet in 't 
bizonder vermeld. De heer marvin was geneigd het 
voorstel aan te nemen om eene concessie aan de 
Engelsche verzekeraars te doen. Met hem stelden zich 
nog meer anderen op dit verkeerde standpunt en onder- 
steunden het amendement voornamelijk om daardoor de 
verzekeraars te beschermen tegen de reeders, die vol- 
gens hen, gewoonlijk op onrechtvaardige wijze door 
eene, vooral te Liverpool, tegen de verzekeraars inge- 
nomen jury geholpen worden. Sommigen bleven echter 
aan de Glasgow-resolutie de voorkeur geven boven 
deze uitzondering voor twee gevallen, die als zoodanig 
volgens hunne meening hare gevaarlijke zijde had. 
Anderen vonden weer dat het amendement te weinig 
uitsloot en wilden eene positieve bepaling dat er slechts 
dan avarij-grosse bestaat als de stranding geschiedt om 
neming te voorkomen. De heer bradford stond daar- 
door geheel alleen in de handhaving en verdediging van 
het beginsel, dat hier avarij-grosse bestaat, tegen elke 
besnoeiing daarvan om practische moeilijkheden, die 
aan de toepassing verbonden zouden zijn, moeilijkheden 
die hij overdreven noemde. Hij merkte o. a. niet ten 
onrechte op, dat het niet aanging, omdat de schade 
in vele gevallen moeilijk of in het geheel niet is te 
constateeren, avarij-grosse ook dan uit te sluiten wan- 
neer dit wel kan geschieden. Hoe dit ook zij, de meer- 
derheid liet zich niet overtuigen en na veel praten 
werd het amendement met 13 tegen 6 stemmen aan- 
genomen. 

Het zesde artikel luidde: „Damage occasioned to a 

11 



162 

ship or cargo by carrying a press of sail shall not be 
made goofl as General Average/' en werd aangenomen 
na verwerping van twee amendementen van deheeren 
ATKINSON en Dr. franck, die respectievelijk aan het 
artikel het volgende wilden toevoegen : ^ except in cases 
where such sail in carried to keep ofiF a lee shore'' en 
^unless it be proved that it was of an extraordinary 
kind and actually necessary to save the ship and cargo 
from a common peril." 

Artikel 7 was: „When a ship shall have entered 
a port of refuge under such circumstances that the 
expenses of entering the port are admissible as General 
Average, and when she shall have sailed thence with 
her original cargo or a substantial part of it, the cor- 
responding expenses of leaving such port shall likewise 
be 80 admitted as General Average: and whenever 
the cost of discharging cargo at such port is admis- 
sible as General Average, the cost of reloading and 
stowing such cargo on board the said ship, together 
with all storage charges on such cargo, shall likewise 
be 80 admitted.'* 

Van alle leden van het comité had slechts de heer 
LOWNDES zich hiertegen verzet; in hem alleen vond 
^ep/ti/sical safefy theorie nog een' talentvoUen verdediger. 

Op het congres waren het dan ook slechts quaesties 
van détail die besproken werden. Nadat men besloten 
had om het woord „substantial'* weg te laten, be- 
gonnen de beraadslagingen over een amendement van 
den heer baily om het artikel aan te vullen met de woor- 
den: „as regards the ship, the cargo reshipped and the 



163 

freight on it.'* Hij argumenteerde dat de reis eindigt 
Yoor de lading die achtergelaten wordt en deze dus 
niet behoeft bij te dragen in de kosten van het ver- 
laten der noodhaven. De heeren rahüsen en v^ert- 
HEIM voerden hiertegen eene hevige oppositie. Volgens 
hen mocht het wegens vice propre in de noodhaven 
achtergelaten of daar verkochte goed niet in een 
beteren toestand gebracht worden dan de rest van de 
lading en deze niet zwaarder belast worden, omdat een 
gedeelte in het belang der eigenaars verkocht werd. De 
langdurige discussie bestond dan ook voornamelijk 
uit eene uitvoerige verdediging van de Hollandsche 
praktijk door de Hollandsche leden tegen over de 
bestrijding daarvan door den heer baily. Nadat de 
heer bradford nog verklaard had dat ook in Amerika 
de verkochte lading niet bijdraagt in de uitgaande 
havenkosten, om dat de avarij-grosse slechts zoolang 
duurt als er een gemeenschappelijk belang bestaat, 
werd eindelijk het amendement baily met 10 tegen 
5 stemmen aangenomen. De redactie was door den 
voorsteller in den loop van het debat gewijzigd en 
luidde nu: „Except that any portion of the cargo left 
at such port of refuge on account of its being unfit 
to be carried forward, shall not be called on to con- 
tribute to such corresponding expenses.*' 

Artikel 8 luidde: „When a ship shall have ente- 
red a port of refuge under the circumstances defined 
in section seven, the wages and cost of maintenance 
of the master and mariners, from the time of entering 
such port until the ship shall have been made ready 



164 

to proceed upon her voyage, shall, subject to the pro- 
visoes undemamed, be made good as General Average. 
Provided that if reasonable dispatch be not used in 
repairing or otheiwise getting the vessel to sea, no 
allowance for wages and maintenance shall be made 
in respect of the time so improperly expended. Pro- 
vided, also, that no allowance shall be made for 
wages or maintenance as above, in case the ship shall 
be condemned at such port as irreperable ornotworth 
repairing, or in case for any other lawful cause the 
cargo, or a substantial part of it, shall not be reladen 
on board such ship for the purpose off urther transport." 

Slechts twee leden van het Internationale comité 
hadden zich blijkens de Transactions met deze bepa- 
ling niet kunnen vereenigen. Nu echter bleek het dat 
ook deze oppositie niet meer bestond, daar een voorstel 
van den heer rathbone om te lezen „shall not be 
made good as General Average,'' dat dus juist het tegen- 
overgestelde van dezen regel beoogde, zelfs geen onder- 
steuning vond, waarna de eerste alinea die het beginsel 
zelf bevat met algemeene stemmen aangenomen werd, 
al was het motief voor sommige leden slechts gelegen 
in het doen van eene concessie aan de continentale 
begrippen. 

De beperking van de tweede alinea werd eveneens 
eenstemmig goedgekeurd, terwijl daarentegen het slot 
der resolutie tot eene warme woordenwisseling aanleiding 
gaf. De heer crüsemann stelde voor dit dus te lezen: 
„Provided also that in case the ship shall be condemned 
at such port as irreparable, or not worth repairing, 



165 

no allowance shall be made for wages and maintenance 
beyond the date of condemnation ; and no allowance 
shall be made in case, for any lawful case, the cargo, 
or a substantial part of it, shall not be reladen on 
board such ship for the purpose of further transport/' 
Zijns inziens mocht de avarij-grosse eerst ophouden 
als de gemeenschap van belangen verbroken wordt 
door de afkeuring van het schip. De heer bradford 
ondersteunde dit voorstel tegen de aanvallen van de hoe- 
ren LOWNDES en BAILY, die in geheel geen avarij-grosse 
erkenden als het schip in de noodhaven afgekeurd en 
dus de reis niet voortgezet wordt, blijkbaar omdat zy 
zich nog niet goed los konden maken van de physical- 
safety-theorie, want zelfs de Engelsche praktijk is tegen 
hen. Het amendement werd met 10 tegen 8 stemmen 
aangenomen. 

De vergadering werd nu tot den volgenden dag 
(28 Sept.) verdaagd, toen de beraadslagingen over het 
slot van dit artikel weder geopend werden. De heeren 
BAILY en LOWNDES Openden dadelijk weer het vuur 
tegen het den vorigen dag aangenomen amendement 
CRUSEMANN en trachtten het langs een omweg weer 
uit de wet te verwijderen. Eene eindelooze discussie 
en tal van amendementen waren hiervan het gevolg. 
Om tot overeenstemming te komen stelde de heer 
LOWNDES eindelijk eene transactie voor, hierin bestaande 
dat de avarij-grosse zou voortduren, niet tothetoogen- 
blik der afkeuring van het schip, maar tot op dat der 
ontlading. Ook dit echter kon de goedkeuring der ver- 
gadering niet verwerven en werd met 8 tegen 5 stem- 



166 

mon verworpen. Ten slotte werden de beide reserves 
weder uit het artikel gelicht en alleen de eerste alinea 
behouden. 

De heer marvin stelde vervolgens voor, zoowel het 
zevende als het achtste artikel te schrappen en daar- 
voor het volgende in de plaats te stellen: „K, on 
account of the damage suffered by the ship in the 
course of the voyage, whether of a particular or General 
Average nature, the sickness or mortality of the crew, 
the derangement of the stowage of the cargo, or other 
the like accidents of the sea, it becomes prudent and 
judicious in the master to deviate from the course of 
the voyage and go into a port refuge, the expenses 
of entering such port, the port charges, the unloading 
of cargo, the warehouse rent or storage thereon, the 
expenses of reloading the cargo on boardj the wharfage 
and dockage of the ship while unloading and reloading, 
the wages and provisions of the crew, from the time 
that the ship shall bear up to enter such port of 
refuge until the time when the ship can again be got 
ready to resumé her voyage, the expenses of leaving 
the port, or other incidental expenses necessarily incurred 
by the master for the common benefit, shall all be 
made good in General Average, in all cases in which 
the master shall resumé and prosecute the voyage 
with the cargo on board. In case the voyage shall 
be abandoned in such port of refuge, the interests 
shall be deemed to be dissociated by such abandonment 
and the general average expenses shall cease thereon, 
and each interest shall thereafter bear its own expenses." 



167 

Jammer genoeg vond dit heldere en duidelijke voor- 
stel, waardoor de gebreken van de beide artikels die 
het moest vervangen, volkomen werden weggenomen, 
en waarin eene juiste beslissing gegeven werd voor 
alle noodhavenkosten, slechts ondersteuning bij den 
heer wertheim en werd het met 10 tegen 5 stemmen 
verworpen. 

Hierna kwam artikel 9 in behandeling: „Damage 
done to cargo in the act of discharging it at a port 
of refuge shall not be admissible as General Average 
in case such cargo shall have been discharged at the 
place and in the manner customary at that port with 
ships not in distress/' Het werd op één na met alge- 
meene stemmen dadelijk goedgekeurd, met verandering 
van „in the act of discharging" in „by discharging." 

Artikel 10 luidde: „The contribution to a General 
Average shall be made upon the actual values of the 
property at the termination of the adventure, to which 
shall be added the amount made good as General 
Average for property sacrificed; deduction being made 
from the shipowner's freight at risk, of that portion of 
crew's wages, and the portcharges on the ship, the 
liability for which is contingent upon the earning of 
such freight." 

Het eerste gedeelte tot „deduction" werd zonder 
discussie aangenomen. 

Op het tweede gedeelte stelde de heer baily als 
amendement voor: „deduction being made from the 
freight of two fifhts of such freight, in lieu of crew's 
wages and port charges on the ship." Een vaste maat- 



168 

staf, volgens welken de vracht in avarij-grosse zou hebben 
bij te dragen, kwam hem wenschelijk voor met het oog 
op de eenvormigheid, daar het rechtvaardiger systeem 
van het ontwerp juist tot groot verschil aanleiding 
zou geven, omdat het wel in overeenstemming is met de 
Engelsche wet, echter niet met die van andere landen. 
Maakt toch overal de wet de aanspraak op gagie ge- 
heel daarvan afhankelijk of er al dan niet vracht ver- 
diend wordt, volgens het juris paroemium „ freight is 
the mother of wages,'' de Engelsche wet staat daaren- 
tegen altijd gagie toe tot op het oogenblik dat het 
schip verloren gaat, waarom elke wijze van berekening 
van het bijdrageplichtig bednig van de vracht, die op 
de uitbetaling der gagie gebaseerd is, in Engeland tot 
een ander resultaat zal leiden dan in de andere landen. 
Het voorstel van baily werd dan ook met 7 tegen 
3 stemmen aangenomen. 

Nu moest nog geregeld worden wat van de vracht 
afgetrokken moet worden. Om een einde te maken 
aan den storenden invloed van de pro rala vracht, 
die in sommige landen toegelaten is, stelde de heer 
BAILY voor, dat er geen aftrek van gagie zou zijn van 
pro rata vracht, wat echter verworpen werd. Men 
kwam daarentegen overeen dat voor de passagegelden 
hetzelfde als voor de vracht zou gelden. Op voorstel 
van den heer crüsemann werd er nog eene zinsnede 
aan het artikel toegevoegd om vast te stellen dat van 
de dragende waarden alle kosten afgetrokken worden, 
gemaakt na de avarij-grosse handeling. De tekst hiervan 
luidde: „deduction being also made from the value of 



169 

the property of all charges incurred in respect thereof 
subsequeatly to the arising of the claim to General 
Average.'* 

Er was in het ontwerp nog eene tweede alinea 
van dezen inhoud : „ In case the amount to be made 
good shall exceed the agregate of contributory values, 
computed as above stated, such agregate shall, in the 
first instance, be taken towards satisfying the General 
Average ; and the excess of the General Average shall 
then be apportioned as if the ship and the entire cargo 
on board or at risk at the time of doing the act or 
measure which has given rise to the General Average, 
had reached the port of destination free from damage." 

De heer wertheim stelde voor de geheele schade 
weg te laten, omdat zij volgens hem tegen alle begin- 
selen van recht indruischte, volgens welke niemand 
door de fortuinen der zee meer mag verliezen dan hy 
aan de zee heeft toevertrouwd. Deze meening vond 
veel tegenstand bij de Engelsche heeren, die van oordeel 
waren dat het bedrag, waarmede de kosten de waarde 
der geredde goederen overtreffen, over de waarden 
omgeslagen moeten worden die bestonden ten tijde dat 
de avarij-grosse handeling plaats greep. De kosten zijn 
in het algemeen belang gemaakt, moeten dus door alle 
daardoor bevoordeelde partijen gedragen worden en 
mogen niet ten laste van hem alleen gebracht worden, 
die ijveriger is geweest dan de anderen en voor hen 
betaald heeft. Aldus redeneerden zij en zeker is hier 
niets tegen te zeggen, vooral indien men in het oog 
houdt dat in Engeland afstand van schip en vracht 



170 

door den reeder voor door den schipper aangegane 
verbintenisseri niet toegelaten is, zooals in Frankrijk, 
België, Nederland en andere continentale landen. Om 
dit groote verschil in de wetten der verschillende 
landen besloot men echter liever de geheele alinea 
weg te laten, ziende dat men toch niet tot de gewenschte 
overeenstemming kon komen. 

Hiermede was de behandeling der tien artikels van 
het ontwerp nog niet geëindigd, daar eerst nog een 
amendement van den heer baily aan de orde kwam, 
om aan artikel 8 nog eene alinea toe te voegen 
luidende : 

„Except that any portion of the cargo left at such 
port of refuge on account of its unfitness to be carried 
by the ship, or the unfitness or inability of the ship 
to carry it forward, shall not contribute to such General 
Average/' 

Daar in geen een artikel van de vergoeding der 
vracht wordt gesproken werd nog als elfde artikel het 
volgende vastgesteld : „In every case in which a sacrifice 
of cargo is made good as General Average, the loss 
of freight, if any, which is caused by such loss of 
cargo, shall likewise be so made good." 

De president Sir fitzroy kelly hield nu eene lange 
redevoering, waarin hij de methode besprak welke men 
moest volgen om de wet bij het Parlement niet alleen 
ingediend te krijgen, maar ook om zich te verzekeren 
van hare aanneming in de beide huizen. Vervolgens 
werd de vergadering gesloten na eerst nog twaalf door 
den heer lowndes voorgestelde besluiten te hebben 



171 

aangenomen, waarvan wij die, welke voor ons van 
eenig belang zijn, hier laten volgen: 

30. That the Draft Bill as now amcnded in Congress, oiight, in 
the opinion of this Congress, to be the basis of International General 
Average Law. 

40. That in order to carry out this object, Associations should be 
formed, or other measures taken in each of the Countries represented 
in Congress, and in other Countries where practicable, for the pur- 
pose of causing this Bill to become the law and practice of such 
country. 

50. That this end should be pursued through the Legislatures of 
each country where practicable, and also, pending legislation, by raeans 
of Clauses to be introduced into Bills of lading and Charter Parties. 

6^. That the Clauses recoramended for this purpose be the following : 
„All claims for General Average to be settled in conformity with 
the International General Average Rules, framed at York in 1864." 

7®. That, for the execution of these resolutions in each of the places 
represented in this Congress, the following Representatives be appointed 
in the name of the York Congress: . 

Holland. Mr. E. Driebeek, Mr. E. N. Eahusen, Mr. J. Wertheim. 

België. Th. J. Engels, E. van Peborgh. 

Maine {State of), J. R. Br ad ford. 

NetO'York (Do.), HoN. Jüüge Marvin. 

Bremen, Dr. E. Crüsemann. 

Hamburg and Lubeck, Dr. C. H. H. Franck. 

Bngland, H. J. Atkinson, Huil; L. R. Baily, Liverpool; E. T. 
GouRLBY, Sunderland; R. M. Hudson, Sunderland; W. F. Jacob, 
Liverpool; W, J. Lamport, Liverpool; R. Lowndes, Liverpool; 
D. W. Mackechnie, Glasgow; P. H. Rathbone, Liverpool; E. E. 
Wendt, London. 

Trance. Jules Delahaye. 

Portugal, 

Ru&sia, G. Kamensky. 

Denmark, S. Gram; J. Süenson; E. Thune. 



172 

8^. Tlmt the E^presentatiye or Eepreseotatives of each conntry or 
place, as naiDed above, shall charge himself or themsekes with the 
task of organiziiig an Associaiion or Committee for such place, or 
taking such other measures as in bis judgment shall be best con- 
ducive to the carrying out of the parposes laid down in the fore- 
going resolutions. 

90. That each Local Associaiion, organized as above, or theEepre- 
sentative himself in the absence of an Association, shall make an 
Annual Report to the Council for the time being of the Social Science 
Association, setting forth whnt progress shall have been made in 
hls or their district; and such Annual Reports shall be coutinued 
until the task assigned to such Local Association or Hepresentative 
shall have been completely accomplished. 

100. xiiat in case any country or place, not here represented, 
shall hereafter wish to join in the movement, the Council for the 
time being of the Social Science Association shall have power to 
appoint a Eepresentative on Representatives for such country or 
place, who shall then have equal powers with the Representatives 
here appointed. 

120. Xhat the objects of this Congress having been attained, ihis 
Congress and the „ International General Average Committee*' be 
now dissol ved. 

Welke, mag raen vragen, waren bij het einde van dit 
derde internationale Avarij -grosse congres, de vruchten 
dezer vij^arige beweging? 

Veel dichter bij het gewenschte doel, de invoering 
eener internationale wet, regelende de avarij -grosse, 
was men na zooveel jaren arbeids nog niet gekomen. 
Want, al waren er te York meer afgevaardigden dan te 
Glasgow, vooral niet Engelsche (Rusland, Frankrijk 
en Lubeck waren voor het eerst vertegenwoordigd), 
waardoor het internationaal karakter meer op den voor- 
grond trad, toch waren het in hoofdzaak weder dezelfde 



173 

personen, bleven au fond de Glasgow Rules de ba- 
sis der discussiën uitmaken en waren bijna dezelfde 
regels, hier en daar gewijzigd, het resultaat van de 
werkzaamheden van het congres, terwijl men einde- 
lijk den machtigen steun van een lichaam als Lloyd's 
voorgoed verloren had. Toch is deze tijd van een 
onmiskenbaar nut geweest voor de geheele bewe- 
ging. Het Glasgow-congres was in September gehou- 
den, nadat in Mei daartoe eene uitnoodiging was 
rondgestuurd. Deze korte tusschentijd was nadeelig 
geweest voor de werkzaamheden van het congres, 
daar de leden zich niet genoeg hadden kunnen voor- 
bereiden op zulke bij uitstek ingewikkelde en belang- 
rijke quaesties als het avarij-grosse recht oplevert. 
Alle tegenstrijdige wetten en gebruiken te onder- 
zoeken, het voor en tegen er van te overwegen, de 
verschillende theorieën onderling en met de eischen der 
praktijk te verzoenen, dat alles vereischte eene langdu- 
rige studie waaraan men zich niet had kunnen wijden. 
Zulk eene studie, zulk een grondig onderzoek was 
vooral de vrucht der laatste twee jaren. Het comité 
op het congres te Londen benoemd, had zyne taak 
goed weten op te vatten. Het stoute plan om eene 
volledige wet te maken, bleek alras onuitvoerbaar zoo 
lang men het over de hoofdpunten nog niet eens was, 
waarom het comité deze ook tot het onderwerp 
zijner studiën maakte. Het is hier dan ook aan te 
danken dat zeker nog nooit eenig rechtsgeleerd onder- 
werp beter dan dit onderzocht en toegelicht werd door 
de daartoe bevoegde personen, uit alle deelen der be- 



174 

schaafde wereld. Vandaar de verandering die eenige 
Glasgüw-r/^^^y op het congres te York ondergaan 
hebbeu. 

De eerste Glasgow regel, over de vrijwillige stran- 
ding, werd vervangen door eenen veel meer bepaalden, 
die voor sommige gevallen avarij-grosse uitsluit. De 
tweede (bluschschade), de vierde (lossing in de nood- 
haven), de vijfde (kapping van de vleet), de zesde 
(noodhavenkosten), de zevende (prangen) en de achtste 
(gagie en onderhoud der bemanning in eene noodhaven) 
worden met geringe wijzigingen in de redactie of op 
ondergeschikte punten overgenomen. De derde (broek- 
en wrijfschade na werping) werd daarentegen vervan- 
gen door eene tegenovergestelde bepaling, terwijl de 
tiende geheel weggelaten en de elfde en twaalfde aan- 
merkelijk veranderd tot eenen regel samengesmolten 
werden. 

Wanneer men echter nagaat dat het congres te 
York gehouden werd met het doel om daar het laatste 
woord in deze zaak te spreken, om regels vast te 
stellen geschikt om het ontwerp te vormen voor 
.eene internationale wet, die dan alleen nog maar door 
de verschillende regeeringen zou behoeven aangenomen 
te worden, en dat men verklaarde dit doel bereikt te 
hebben, dan vraagt men zich, bij het beschouwen dezer 
twaalf regels, onwillekeurig af, wat was er geworden 
van het grootsche streven waarmede deze beweging op 
het touw gezet werd, eene volledige internationale 
uniform wet voor avarij-grosse? en vooral zijn deze 
regels, die slechts enkele punten gedeeltelijk of onvol- 



175 

ledig regelen, wel geschikt om dit doel, zij het dan 
ook voor een zeer bescheiden gedeelte, te vervullen? 
De beantwoording hiervan moge later plaats hebben, 
daar zich ook in een later stadium dezer beweging 
dezelfde vragen zullen voordoen, en de geschiedenis 
vooreerst nog onze aandacht vordert. 

Uit de te York genomen besluiten blijkt, dat men op 
tweeërlei wijze de daar vastgestelde regels in werking 
zou trachten te brengen. Men zou zooveel mogelijk de 
verheffing er van tot wet in de verschillende landen zien te 
bevorderen en zoolang als dit nog niet geschied was 
door het opnemen in de cherte-partijen en cognosse- 
menten van de te York vastgestelde clausule, in de 
praktijk aan de regels het burgerrecht trachten te ver- 
schaffen. Was voor dit laatste slechts de sympathie 
van den handel noodig, welke men reeds voor een 
groot gedeelte meende gewonnen te hebben, toch vond 
dit middel veel oppositie. Terecht werd door velen be- 
toogd dat het opnemen van zulk eene clausule in de 
cherte-partijen en cognossementen, niet het minste 
resultaat kon hebben, zoolang ook maar een enkele van 
de in het schip of de lading geïnteresseerden daartoe 
niet wilde medewerken, terwijl, zoo zij niet te gelijker 
tijd in de verzekeringspolissen werd opgenomen, haar nut 
geheel illusoir zou blijven, omdat de verzekeraars anders 
door eene dispache, opgemaakt volgens „ York-Rules'', 
niet verbonden zouden worden. Hoe het ook zij, de 
clausule heeft zich onder de handelsusanties geen plaats 
kunnen veroveren en is nooit ergens gebruikt geworden. 



176 

Aan den anderen kant ontveinsde men zich niet dat 
ook de opneming van deze regels in de wetten van 
zooveel verschillende landen met zeer veel moeite ge- 
paard zou gaan. Algemeen was men van oordeel dat 
Engeland, als de grootste zeehandel drijvende natie, 
hiermede zoowel als met toepassing in de praktijk, 
moest voorgaan. Waren toch de York-Rules in Enge- 
land tot wet verheven dan zouden de andere mogend- 
heden wel spoedigvolgen, terwijl er van geene interna- 
tionale regeling sprake zou kunnen zijn indien Engeland 
mocht weigeren'). Daarom besprak de heer fitzroy 
KELLY na het einde der werkzaamheden uitsluitend de 
wijze waarop men het ontwerp bij het Parlement moest 
indienen. Wijzende op de groote daaraan verbonden 
moeilijkheden raadde hij aan, dat men vóór alles de 
goedkeuring en instemming moest zien te verkrijgen 
van de handelswereld en de overige zeehandeldrijvende 
naties, om zich daarna hetzij tot den „Board of Trade" 
te wenden, om door middel daarvan de indiening van 
de York-Rules bij het Parlement door een' der ministers 
te verkrijgen, hetzij tot eenige onafhankelijke leden 
van het Lagerhuis, die zich met de indiening en ver- 
dediging zouden willen belasten. 

Een geheel andere wijze van handelen had de afge- 
vaardigde van Hamburg en Lubeck, Dr. c. H. H. franok 
voorgeslagen in eene brochure getiteld : „ Observatiom 



1) M. V. H., VIII, bl. 68. Meng. Mr. Rahusen zegt hier :„ Eogeland toch is 
het land dat belangrijke wijzigingen moet maken. Zoolang de wijzigingen daar 
niet in praktijk zijn opgenomen, is het noodeloos dat zulks door andere 
landen die slechts weinig te veranderen hebben, worde beproefd." 



177 

on the mode hitherto foliowed to the end of establis- 
hi?iff an TJniverml General Average Law for all seafa- 
ring nations *)." Na er op gewezen te hebben dat het 
doel der beweging was en moest bliJTen het tot stand 
brengen eener volledige avarij-grosse wet, tracht hij 
aan te toonen dat de tot nu toe gevolgde weg niet de 
juiste was om dat doel te bereiken, daar, volgens den 
schrijver, vergaderingen van private personen, wat de 
congressen te Griasgow en Londen eigenlijk geweest 
waren, en dat te York zou worden, niet den noodigen 
invloed kunnen uitoefenen en te weinig gezag bezitten 
om met vrucht eene internationale wet tot stand te 
brengen. 

Hij stelde daarom het congres voor de volgende be- 
sluiten te nemen: 

10. That the members of the General Average Congress assembled 
at York appoint a permanent Committee consisting of English and 
Foreign members, authorized to select and add new English and 
Foreign members to the members chosen at York and that this committee 
be commissioned by the congress now assembled to enter into com- 
munication with the British Government with a view of causing the 
same to invite at once the Governments of those states, who have ma- 
ritime interests to send to a Conference to beheldin 1865 atLondon 
competent delegates familiar with the matter of General Average and 
authorized to deliberate and agree on an universal General Average Law. 

20. That the Congress at York in order to facilitate the labour 
of the Conference furnish the same with a draft of an universal 
General Average Law founded on the experience of its members as 
well as on the valuable clements of the German Mercantile Law, 
the Projet de Code of Mess". Engels and van Peboegh of Antwerp 



1) Deze brochure werd eenigen tijd voor het congres te York uitgegeven. 

12 



178 

and the commercial codes of other nations; and enters immediately 
on the task of framing and fixing the contents of sach drafi. 

Eene korte toelicliting, waaruit blijkt dat de groote grief 
van Dr. fbanck daarin bestond, dat aan de beweging 
een officieel karakter geheel ontbrak, ging aan deze 
voorstellen vergezeld, terwijl er nog een door den 
schrijver opgesteld ontwerp van eene avarg-grosse wet 
aan toegevoegd was. Op het congres verdedigde hg 
nog nader zijne zienswijze, waarvan hem de juistheid 
bewezen werd door de ondervinding in den laatsten 
tijd opgedaan. Tot zijn leedwezen toch moest hij ver- 
klaren, dat van de regeeringen van Oostenrijk, Frank- 
rijk, Pruissen, Zweden en Noorwegen, Mecklenburg, 
Oldenburg en Hannover, welken hij verzocht had, met 
het oog op het congres te York, hunne hulp en hunnen 
steun aan de beweging te willen toezeggen, sommigen 
hem hadden doen weten, dat zij, hoewel met sympathie 
het streven tot verkrijging van eenheid in het avarij- 
grosse recht gadeslaande, niet geneigd waren om ver- 
tegenwoordigers te zenden naar eene vergadering van 
private personen, anderen hem niet eens geantwoord 
hadden. In geval de Engelsche regeering hen officieel 
uitnoodigde tot eene conferentie verklaarden eenigen 
zich uitdrukkelijk bereid, daaraan gevolg te geven. 

Niettegenstaande deze sprekende feiten, meende de 
meerderheid te York toch de, in de daar genomen be- 
sluiten, aangegeven weg te moeten volgen, vooral 
omdat het van de buitenlandsche leden, met name van 
de Amerikaansche, die toch reeds driemaal voor de 
goede zaak de zee waren overgestoken, niet te vergen 




179 

was om misschien nog een reeks van congressen te 
komen bijwonen, waarop allicht weer afgebroken zou 
worden wat met zooveel moeite tot stand was gebracht. 
Al moge de betrekkelijke waarde dezer argumenten 
niet te ontkennen zijn, de geschiedenis der volgende 
jaren is eene sprekende getuigenis tegen de juistheid 
van de op het congres vastgestelde handelwijze. Het 
bleek toch dat het iets anders is eene wet te ont- 
werpen, iets anders dat ontwerp tot wet te doen wor- 
den, vooral als dit in het bij uitstek zoo conservatieve 
Engeland moet geschieden. Wel blijkt er van een begin 
van uitvoering, want in 1866 was de „Board of Trade'' 
van de zaak gesaisisseerd, en had hare president zich 
tot Lord BUSSEL, den toenmaligen minister van buiten- 
landsche zaken, gewend; waren zelfs dientengevolge 
tusschen Engeland en Frankrijk diplomatieke onder- 
handelingen geopend, om de zaak van gouvernements- 
wege op te vatten *) en was zij bovendien bij de „Privy 
Council" in onderzoek, maar na dien tijd verneemt 
men volstrekt niets meer. De met zooveel moed en zoo 
glansrijk begonnen onderneming ging allengs een' dood- 
slaap in, die ruim tien jaren duurde. 

De geringe sympathie die de Engelsche handel, voor- 
namelijk tengevolge van de tegenstand van Lloyd's, voor 
de voorgestelde regels toonde, en de volkomen vrucht- 
looze pogingen der Engelsche leden van het comité om 
hunne wetgeving in dien zin veranderd te krijgen. 



1) M. V. H., t. a. p., bl. 68. Marvin, Report bl. 75. Lowndes bl. 463, waar 
bij ook als een gerucht vermeld, dat het Fransche „Projet de Code" van 1869, 
wat betreft den titel over avarij, de vracht dier onderhandelingen zou zijn. 



180 

alsmede de onderlinge oneenigheid en het verschil van 
gevoelen over de te nemen maatregels '), waren de 
voornaamste redenen dat de zaak bleef sluimeren, daar 
de andere landen natuurlijk het voorbeeld van Engeland 
afwachten, omdat dit in zijne praktijk het meeste te 
wijzigen had. Aan het achtste en negende van de te 
York genomen besluiten, schijnt ook in het geheel 
geen uitvoering te zijn gegeven ^). 

Alles wat er in die tien jaren met betrekking tot 
ons onderwerp geschiedde bepaalt zich tot twee weinig 
beteekenende feiten, die wij hier volledigheidshalve 
zullen vermelden. Ten eerste stelde de Italiaansche 
regeering in 1871 een congres te Napels voor, om 
verschillende internationale vraagstukken te behandelen, 
waaronder ook de mogelijkheid om eene gelijkvormige 
avarij -grosse wet voor alle landen daar te stellen '). 



1) Lowndes, zelf een lid van het comité, zegt hierover t. a. p. : »The trath h, 
the members of the Committee were men whose time was fally occupied with 
matters of immediate personal concernment, and the delays of the English 
hureanz were obstacles which they were powerless to o?ercome. The indif- 
ference, if not hostility, of Lloyd's aided in wrecking the undertaking." 
Evenzoo Wendt, een ander lid van het comité in HoltzendorfTs and Brentano's 
Jahrbnch, bl. 20, „da auszerdem eine praktische Einignng über die Art und 
Weise wie die York Rules im öffentlichen Verkehr znr Ansführung zu bringen, 
unter den maszgebenden Perzönlichkeiten des Eongresses und anch spater zn 
erreichen sich unmöglich zeigte — so bat f ar mehr als ein Jahrzent die 
Bewegung geruht." 

2) Mr. Rahosen raadde in z\jn verslag zelfs af om plaatsel^ke comité's te 
benoemen, daar deze toch geen werkkring vinden en dus overbodig zonden zijn. 

8) De op het avar^ -grosse recht betrekking hebbende punten van het pro- 
gramma voor dit congres luidden: 

Come si possono prevenire Ie simnlazioni di avarie generali, ed è pmdente 
gettare Ie basi di accordi internazionali perchè la disugnaglianza di trattamento 



181 

Verder dan tot een voorstel is het echter nooit gekomen. 
Ten anderen werd door de Kamer van Koophandel 
te Bremen, den 22 Mei 1874, namens de conferentie 
van gedelegeerden der Noord-Duitsche zee- en handels- 
steden, een adres gericht aan de rijkskanselarij te 
Berlijn, waarin vooral op de nadeelen voor handel en 
scheepvaart voortspruitende uit het verschil in het 
avarij-grosse recht der verschillende landen gewezen, 
en ten slotte het verzoek gedaan werd om namens 
het Duitsche rijk het initiatief te nemen tot vaststelling 
van een internationaal wetboek van zeerecht en daartoe 
de noodige onderhandelingen met de regeeringen van 
andere zeestaten aan te knoopen '). 

§ 4. Congressen te Bremen en te 

Antwerpen. 

Bronnen : 
Association for the Keforra and Codification of the Laws of Nation. 
Keport of the fourth annual Conference held at Bremen, 1876. 



del Daviglio non costituisca pregiudizio per la marina mercantlle del paese 
che a?es8e adottato una riforma? 

E a desiderare che il governi civili iniziino trattative per la forxnazione 
d'nn codice internationale che regoli in modo uniformo il diritto commerciale 
marittimo o alcnne parti di essoP 

Zie Lowndes bl. 464. Dr. Franck, Bericht etc. hl. 14. Siehenhaar's Archiv. 
f. D. Wr. u. Hr. V, 2. 

1) Zie R. XJlrich, Denkschrift betreffend die Int. gesetz. Beg. des Rechts- Ver- 
haltn. des Gr. Hav., bl. 13 en 43 v., waar men het adres als bijlage kan vinden- 
Verg. Tooral Dr. C. H. H. Franck. Bericht etc. bl. 12, over de verschillende 
stemmen in Duitschland in dezen tijd opgegaan tot aanbeveling van een 
internationaal wetboek van zeerecht. Evenzoo een opstel van zijnen hand in 
Siebenhaar's Archiv für D. Wr. u. Hr., N. F., V. 2. Men vindt daarin een 
zeer merkwaardig „Denkscbrift" door hem aangeboden aan de „Delegirten Con- 
ferenz der deutschen Seestadte" in 1866. 



182 

De Economist, 1877 I. 

Verslag van de vergaderingen over de internationale avarij-grosse 
regelinj^ gehouden te Antwerpen, door Mr. E. N. Eahusen, 1877; 
ook als bijlage van N. B. v. R. en W., 1877, n^. 3. 

TflEMis, 1878, I. 

Zeitschrift für das gesammte Handelsr., XXIV, bl. 491 v. 

Revue de droit International et de législation comparée IX,1877,nO. 3. 

A. DE CouRCY, Questions de droit maritime, IT, 1879, bl. 265v. 

Le Précurseur, Journal politique etc. van 31 Aug. en volg. dag., 1877. 

Jacob Ahlers, Die Einführung der York-Antwerp Roles of 
General Average. 1878. 

J. Ph. Schneider, Seerechtliche Tragen, bl. 32 v. passim. 

Holtzendoeff's und Brentano's Jahrbuch etc, 2^® jg., bl. 476. 

Dr. c. H. lï. FRANCK. Bericht über die Bestrebungen die Uberein- 
stimming des Havarie-grosse Rechtes aller SchifiPahrt treibenden 
Völker herbeizuftihren. 1879, bl. 20 v. 

LowNDES bl. 464 V. 

Zagen wij zooeven dat de onder zulke gunstige 
auspiciën begonnen beweging geheel was ingesluimerd, 
het zal ons nu vergund zijn weer van een opgewekter 
leven te gewagen. Het was de heer E. E. wendt, wien 
het mocht gelukken haar na een tiental jaren weder 
uit haren doodslaap op te wekken, en voor een nieuw 
leven een' krachtigen bodem te vinden. Aan zijne be- 
moeiingen toch is het te danken dat het j^ExecuHve 
Council of the Association for the Beforni and Codifi- 
cation of the Law of Nations ^), waarvan hij lid was, 



1) Deze niet alleen uit rechtsgeleerden bestaande vereeuiging van Ameri- 
kaanschen oorsprong werd in 1873 te Brussel opgericht en stelt zich ten doel 
het Volkenrecht zoodanig te hervormen en te codificeeren, dat in het vervolg alle 
twisten, die tusschen gelijkelijk souvereine volken ontstaan, door scheidsrechters 
en met uitsluiting van wapengeweld beslist zullen worden. Overigens be- 
palen de statuten, dat zij zich ook bezig zal honden met zulke werkzaamheden, 



183 

in 1875 den afgebroken draad der beweging weer 
opnam, door het besluit het averij-grosse recht zijne 
nadere opmerkzaamheid te schenken. Toen dan ook 
in 1876 de vierde vergadering van deze Association 
gehouden zou worden, werd avarij-grosse op het pro- 
gramma der werkzaamheden geplaatst. 

Yan 25 — 28 September werd deze vergadering in 
eene der zalen van het beursgebouw te Bremen onder 
voorzitterschap van Sir travers twiss gehouden. Na 
de afdoening van eenige andere werkzaamheden kwam 
het onderwerp der avarij-grosse aan de orde en werd 
dit door den heer th. hach (Bremen) in eene uitvoe- 
rige rede ingeleid. Hij schetste de geschiedenis der drie 
avarij-grosse congressen, en kwam, wijzende op de 
moeilijkheden waarop men stuit tengevolge van oude 
praktijken en lang gevestigde gebruiken, tot de con- 
clusie dat de Association nog niet zoozeer moest be- 
proeven om een volledig wetsontwerp te maken, maar 
zich liever vereenigen met de volgende drie punten: 
V. dat zulk eene wet noodig is, 2\ dat de beginselen 
daarin neer te leggen in overeenstemming met het recht 
en algemeen erkend moeten zijn en dat 3^ zulk eene 
wet uitvoerbaar is. Na eene gedetailleerde uiteenzetting 
van de volgens spreker ware grondbeginselen van het 
avarij-grosse recht, stelde hij een zestal besluiten voor. 



als zij te eeniger tijd noodig en nuttig zal achten, ter bevordering van de 
vriendschappelijke betrekkingen tusschen de volken en den vooruitgang van de 
internationale beschaving. Het bestuur berust in handen van een zoogenaamd 
«Executive Council." Zie Wendt in HoltzendorfTs und Brentano*8 Jahrbuch, 
t. a. p., bl. 457 V. 



184 

waarvan wij de twee voornaamste hier laten volgen, 
namelijk het derde: 

This (de inhoud der twee eerste besluiten) is the basis upon which 
an International Law of General Average ought to be founded; bnt, 
as there is no prospect of this object ever being attained without 
the initiative of the different governments and legislations, the first 
efforts of the Association should be directed towards influencing 
those bodies, 

en het vijfde: 

Provisionnally, in order to obviate, as much as possible, the evil 
effects to the existing discrepancies in the laws of General Average, 
it is desirable that average statements made at the port of destina- 
tiou of a ship with the proper formalities and in accordance with 
the laws there ohtaining, should be every-where recognized by insurers 
as binding. 

Yervolgens las de heer j. ph. schneider (Bremen) 
een opstel voor, waarin hg het wenschelgke betoogde 
zoowel van eene internationale avarg-grosse wet, als 
van eene internationale regeling der zeeverzekering en 
dat voornamelijk verbetering noodig was wat betreft de 
onkosten voor het schip gedurende de aanhouding door 
eene regeering of andere hooge macht, de noodhaven- 
kosten en schade door aanvaring veroorzaakt. Aangaande 
de noodhavenkosten verdedigde hij de vreemde theorie 
die aan de Spaansche wet ten grondslag ligt en wilde, in- 
geval de noodhaven aangedaan wordt, tot herstelling van 
avarij-particulier, aanvulling der levensmiddelen of der 
bemanning, de kosten van het inloopen, de gagie en het 
onderhoud der bemanning als avarij-particulier ten laste 
van de reeders, de kosten van lossing en herlading als 
avarij-particulier ten laste van de afladers brengen. 



185 

Nadat nog eenige sprekers het woord gevoerd hadden, 
werd de volgende motie van den heer H. H. meier 
aangenomen : 

That a Committee be appointed to consider the subject of Gene- 
ral Average and that Mr. hach's resolutions and Mr. schneider's 
papers be referred to the Committee." 

Tot leden van dit comité werden in den loop der 
zitting benoemd de heeren: Sir travers twiss (presi- 
dent), Dr. A. HiNDENBURa (Kopenhagen), E. E. wendt 
(Londen), j. wertheim (Amsterdam), h. th. hach 
(Bremen) en D. murray, tot secretarissen de heeren 
H. D. JENCKEN (Londen) en R. s. tredöold (Londen). 

Yan het een en ander zou mededeeling gedaan wor- 
den aan de locale comité's in de verschillende landen. 

Hiermede waren de werkzaamheden van het con- 
gres wat betreft avarij-grosse afgeloopen. Hoe gering 
zij ook mogen schijnen, zoo waren zij toch van groot 
gewicht, daar van dit congres nieuwe levenskracht en 
belangstelling voor de goede zaak uitging. Die belang- 
stelling openbaarde zich vooral op het Congres te 
Antwerpen. 

Naar aanleiding van de vijfde jaarlijksche vergade- 
ring der Association^ die den 30»*«° Augustus 1877 en 
volgende dagen te Antwerpen gehouden zou worden, 
zou daar tevens in verband met de pas opgerichte avarij- 
gro.se secüe dier vereeniging, een inilion<„d coi 
^ geopend worden ter l^M.g eener «varg-grosse 
regeling. Ten gevolge van de krachtige bemoeiingen 
van de in vele landen reeds bestaande of na het con- 
gres te Bremen opgerichte locale comité's was de op- 



186 

komst van belanghebbenden en afgevaardigden grooter dan 
zij vroeger op eenig avarij-grosse congres ooit geweest 
was. Men vond er afgevaardigden bijeen van verschil- 
lende verzekeraars- en reeders-vereenigingen, Kamers 
van Koophandel en handelmaatschappijen, van Lloyd's 
te Londen en van de Noord-Dnitsche Lloyd, dispacheurs, 
rechtsgeleerden, kooplieden, verzekeraars, reeders, make- 
laars enz. grootendeels andere personen dan te Glasgow, 
Londen of York geweest waren. Engeland, Duitsch- 
land en België waren vooral sterk vertegenwoordigd. 
Nederland telde er vijf leden (Mr. E. N. rahusen, 
voor de Ned. Handelmaatschapij en de permanente 
commissie nit de Amsterdamsche reederijen, Mr. J. 
WERTHEIM, voor de vereeniging van verzekeraars te 
Amsterdam, Mr. L. c. driebeek. Mr. c. c. dutilh, 
dispacheurs te Rotterdam, en Mr. J. P. bredius Sr., 
lid der tweede kamer Staten-Generaal en dispacheur 
te Dordrecht), Denemarken drie. Zweden en Noorwe- 
gen twee en de Unie één lid ; in het geheel een zestig- 
tal personen *). Daarentegen was er geen der overige 
landen van Europa vertegenwoordigd, wat vooral van 
Frankrijk vreemd mag heeten. 

De Avarg-grosse vergaderingen werden gepresideerd 
door Sir travers twiss, denzelfde, die in 1862 te 
Londen en later te Bremen in de avarij-grosse sectie 
had voorgezeten '). 



1) Een volledige naamlijst als bijlage b\j Ahlers (t. a. p. bl. 76) te vinden. 

2) Een enkele maal fungeerde evenwel de algemeene voorzitter van het 
congres, Lord 0'Hagan, die onder een vroeger ministerie kanselier van Ierland 
was geweest, als president. 



187 

Na afloop der openingsfonnaliteiten richtte de voor- 
zitter eenige woorden tot de vergadering, ter aanbeveling 
van de York-rules als basis voor de beraadslagingen, gelijk 
zij het waren geweest voor de werkzaamheden van de 
comité's te Bremen, Phiadelphia en Gothenburg, die 
ieder een rapport over het aanhangige vraagstuk had- 
den ingediend. In de rapporten van Phiadelphia en 
Gothenburg werden de York-Rules besproken en enkele 
amendementen daarop voorgeslagen, terwijl het Bremer 
comité eene vergelijkende studie had gemaakt van de 
Engelsche gebruiken en costumen, de York-Rules en 
het Duitsche Handelswetboek. Na eene nauwkeurige 
vergelijking van de daarin voorkomende bepalingen 
eindigt dit rapport met den voorslag om eenige van 
de York-Rules te amendeeren en ze door de bijvoeging 
van verscheidene andere bepalingen belangrijk uit te 
breiden. Deze verslagen werden weder beantwoord en 
gecritiseerd in een zeer uitvoerig verslag van het 
„Executive Council of the Association," waarvan de 
heer wendt voorlezing deed en waarin ook nader op 
het voorstel van den president aangedrongen werd *). 
Dienovereenkomstig werd dan ook besloten. Te gelijker 
tijd liet men : „ Rules for the adjustment of claims for 
Genercu Average^ and for Average from coUision^ pro- 
posed for universal adoption by J. PH. SCHNEIDER 
of Bremen^' circuleeren. Zij werden door den schrij- 
ver in plaats van de York Rules voorgesteld, maar 
kwamen natuurlijk niet meer in aanmerking, nu de 



]) De vier verslagen als bijlagen afgedrukt bij Ablers, Die Einfübrung etc. 



188 

laatste als leiddraad voor de discussies waren aan- 
genomen '). 

Voordat men echter tot de algemeene beraadslagingen 
kon overgaan had er eerst nog een belangrijk inci- 
dent plaats. De heer natusch (met de heeren HiLLMAinj 
en HOZIER afgevaardigde van het hoofdbestuur van 
Lloyd's) vroeg namelijk eerst een' brief van genoemd 
bestuur te mogen overhandigen, waarvan hij tevens 
voorlezing verzocht ^). Dit geschiedde en tot hare groote 
verbazing vernam de vergadering dat de afschaffing 
van avarij-grosse voorgesteld werd door de conservatieve 
Lloyd's ! Dadelijk stond de heer rathbone uit Liverpool 
verontwaardigd op, bestreed op krachtige wijze zulk 
een radicaal middel om enkele misbruiken af te schaffen 
en stelde voor op de voorslagen van Lloyd's niet te 
letten, maar dadelijk tot de behandeling der York- 
Rules over te gaan '). Op aandringen van den heer 
j. öLOVER (afgevaardigde van de algemeene reederij- 
vereeniging te Londen) werd echter aan de afgevaar- 
digden van Lloyd's gelegenheid gegeven om te verklaren 



1) De „rules*' van Sclineider zijn afgedrukt als bijlage by Ahlers, en in 
Schneider'B Seerechtliche Fragen. 

2) De inbond ?an dit merkwaardige stuk kan men bier achter als bijlage A 
vinden. De brief is ook bij Ahlers (bl. 71 v.) ea in de „Seerechtliche Fragen" 
(bl 85 V.) afgedrukt. 

8) Zie verslag van Mr. Rahusen, bl. 5: „Eerstgenoemde (Rathbooe) zeide 
op sarcastischen toon, dat al mocht een lid van Lloyd meenen sterker te zjn 
dan eenig ander man op de wereld, het daarom nog niet opging te meenen, 
dat Llojd zelf sterker was dan de geheele wereld minus Lloyd, en hij voegde 
Lloyd toe, dat, wilde het zich niet buitengesloten zien, het verplicht zou zijn 
om te doen, hetgeen de scheepvaart der wereld verlangde en waarbij het ver- 
standig was zich neder te leggen." 



189 

welke de redenen waren die tot het zenden van zulk 
een brief geleid hadden. De heer hillmann nam hierop 
het woord en verdedigde zijn standpunt en het nivel- 
leerings-systeem van Lloyd's met een talent, eene betere 
zaak waardig. Zijne argumenten hebben wij reeds vroeger 
(bl. 99 vv.) besproken en getracht te weerleggen, genoeg 
zij het dus hier op te merken dat zijne lange redevoering 
eerst door den heer bailt bestreden en vervolgens door 
den heer rahusen schitterend weerlegd werd. Deze sprak 
als zijne overtuiging uit dat Lloyd's niet de avarij-grosse 
maar omgekeerd de avarij-grosse Lloyd's zou overleven 
en toonde het gebrekkige der bewijzen doorHiLLMANN 
voor zijne stelling, dat avarij-grosse een „heavy burden 
for commerce" is, bijgebracht, voldingend aan. Lloyd's 
had slechts het belang der verzekeraars op het oog, 
alsof avarij-grosse geen andere daarbij geïnteresseer- 
den kent! 

Wat zou men nu echter met den brief van Lloyd's 
doen ? Verschillende voorstellen, het eene om eenvoudig 
over te gaan tot de orde van den dag, het andere in 
meer verzoenenden geest, werden gedaan. Na lang- 
durige discussies kwam men tot de eenige mogelijke 
en eenvoudigste oplossing der quaestie door den brief 
voor kennisgeving aan te nemen en in het archief van 
het congres neer te leggen, met de uitdrukkelijke ver- 
klaring dat deze beslissing geen aan Lloyd's vijandig 
karakter bezat, daar dit lichaam, door drie afgevaar- 
digden vertegenwoordigd, volkomen gerechtigd was hare 
opinie te openbaren. 

Nu begon de behandeling der York-rules seriatim. 



190 
De twee eerste alinea's der eerste rule: 

A jetlison of timber or deals, or any other description of wood 
cargo, carried on deck of a sbip in pursuance of a general custom 
of the trade in which the ship is then engaged, shall be made good 
as general average in like manner as if such cargo had been jettiso- 
ned from below deck. 

No jettison of deck cargo other thau timber or deals or other 
wood cargo, so carried as aforesaid, shall be made good as general 
average; 

kwamen uit den smeltkroes der discussies met ver- 
andering der eerste alinea in: „No jettison of deck 
cargo shall be made good as general average," waar- 
door de tweede van zelf verviel. 

Wij hebben gezien dat deze rule reeds op het con- 
gres te York tot zeer veel verschil van opinie aanlei- 
ding gaf, dat men in 't algemeen het nadeelige van 
het voeren van deklast wel inzag en begreep dat deze, 
als zijnde zelf dikwijls de oorzaak, die de werping 
noodzakelijk maakt, geene aanleiding tot avarij-grosse 
kon zijn, maar hoe toch de een in het belang van 
dezen, de ander van genen handel eene uitzondering 
op het strenge recht wilde, en zich ten slotte slechts 
de bonthandel in eene concessie ten zijnen gunste ver- 
heugen mocht. Gelijk toen (te York) de rahusen 
gedaan had, stelde nu de heer rathbone als amende- 
ment voor: „No jettison of deck cargo shall be made 
good as General Average." De argumenten die voor 
het amendement aangevoerd werden, waren natuurlijk 
niet nieuw en zijn ons bijna allen bekend door het 
congres te York (v. s. bl. 152). De heer langlois 
(Antwerpen) wees vooral nog op de vele practische 



191 

bezwaren en op de moeilijkheid om te constateeren 
welk gedeelte van den deklading geworpen, welk ge- 
deelte daarvan over boord geslagen is. Het bleek dan 
ook weldra dat de zienswijze der meerderheid sedert 
het congres te York geheel veranderd was. Men was 
van het gevaarlijke van deklading overtuigd geworden en 
begon het nut van gelijkheid voor allen in te zien '), 
zoodat ten slotte met groote meerderheid het amende- 
ment RATHBONE aangenomen werd. 

Een ander door een der Deensche afgevaardigden 
voorgesteld amendement, om avarij-gi*osse toe te laten 
alleen in het geval van werping bij stranding om het 
schip weer vlot te krijgen, werd verworpen, hoewel 
de tegenstemmers zich door geheele verschillende be- 
weegredenen lieten leiden. Sommigen toch meenden 
dat werping onder zulke omstandigheden eene nood- 
lossing is, anderen daarentegen wilden niet medewerken 
tot eene uitzondering, welke dan ook, op het zoo even 
aangenomen beginsel. De heer rahusen be3chouwt 
het amendement (t. a. p. bl. 12) uit het oogpunt van 
noodlossing en betreurt er de verwerping van. Hij 
zegt: „niemand toch zal in twijfel trekken, dat indien 



1) In het door den heer Wendt voorgelezen rapport van het „Executive 
Conncil/' leest men o. a. : „The Report of the Swedish Committee draws very 
prominently oar attention to the enactment in their law that no jettison of 
deckload in allowed in General Average, unless effected in order to lighten 
the vessel when agronnd; and if we take into consideration that this law 
is in existense in one of the conntries who have most of vessels trading 
under their flag which are speciallj huilt and fitted for carrying large deck- 
loads, the principle here laid down is undoubtedlj worthy of our most serioua 
consideration." 



192 

de deklast van een gestrand schip over boord wordt 
gewerkt en in vlotten langs zijde wordt gehouden, de 
kosten der vlotten en het herladen dier vlotten avarij- 
grosse zijn." Maken nu weer en wind het behoud dier 
geloste lading onmogelijk (dus redeneert hg) en wordt het 
feitelijk eene werping, dan kan daardoor het karakter 
dier handeling niet veranderen en moet er dus evengoed 
avarij-grosse zijn. Hier staat echter tegenover, dat waar 
bewezen is dat deklast, welke dan ook, de navigatie 
en richtige behandeUng van het schip grooteUjks be- 
lemmert, ja het zelfs in gevaar brengt, dit zeker 
niet minder het geval zal zijn, indien het schip ge- 
strand is. De deklast kan juist de oorzaak der stranding 
zijn, het vlot maken van het schip belemmeren als 
anderzins. Om consequent te zijn moet men dus ook 
hier evenmin als bij werping in volle zee vergoeding 
in avarij-grosse toelaten. Bovendien zijn uitzonderingen 
op een' algemeenen regel nooit wenschelijk, en wordt er 
door de beslissing op het congres genomen volstrekt 
niet geprejudicieerd aan het al of niet bestaan van 
avarij-grosse in geval van eene werkelijke noodlossing. 
Daar de tweede aliena van zelf vervallen was kwam 
nu de derde: 

„Every structure not built in with the frame of the v^essel shall 
be considered to be a part of the deck of the vessel," 

aan de orde. Zij vond nog al bestrgding om de 
moeilijkheid eener juiste onderscheiding tusschen het- 
geen in technischen zin , is buut in with the frame 
of the vessel" en hetgeen daar niet mede verbonden 
is, vooral ten gevolge van het meer en meer in ge- 



193 

bruik komen van ijzeren schepen. Hierbij kwam nog 
eene tweede moeilijkheid, de vertaling uit het Engelsch 
in de talen der andere betrokken naties. De heer 
LANöLOis uit Antwerpen vroeg daarom ter opheldering 
of jj la membrure et les barrots" (spanten en dekbalken), 
beide in het Engelsche woord „ frame'' begrepen zijn, 
wat bevestigd werd. 

Om de bedoeling dezer alinea nog beter te doen uit- 
komen en juister uit te drukken, stelde Mr. rahusen 
voor om het volgende te lezen : „ Cargo laden in any 
structure not built in with the. frame of the vessel, 
shall be considered as cargo on deck." De meerder- 
heid vond echter deze verandering niet wenschelijk en 
zoo bleef men bij de oorspronkelijke redactie. Ten 
slotte werd het geheele artikel met 26 tegen 10 stem- 
men aangenomen. 

De iweede York-Rule luidde: 

Damage done to goods or raerchandise by water which unavoi- 
dably goes down a ship hatches opeued, or other opening made 
for the purpose of makiug a jettison, shall be made good as gene- 
ral average, in case the loss by jettison is so made good. 

Damage done by breakage and chafing, or otherwise from deran- 
gement of the stowage consequent upon a jettison, shall be made 
good as general average, in case the loss byjettison is so made good. 

De eerste alinea van dezen regel gafaan Lloyd's, bij 
monde van haren afgevaardigde hillmann gelegenheid, 
om nog eene lans te breken voor de beperking van 
de avarij -grosse. De practische moeilijkheid om met 
juistheid de schade te constateeren, die aan deze oor- 
zaak en niet aan bij andere gelegenheden toevallig 

13 



194 

binnengedrongen zeewater te wijten is, was ook nu weder 
het voornaamste argument om het goed recht der uit- 
sluiting van avarij -grosse te betoogen. Het amendement 
in dien geest werd echter met groote meerderheid ver- 
worpen. De heer manley hopkins (Londen) bestreed 
het artikel nog omdat het hier de groote vraag gold, 
welke gevolgen van eene avarij -grosse handeling in 
avarij-grosse vergoed moeten worden. Van Duitsche 
zijde ondersteund werd het echter weldra met 36 tegen 
6 stemmen aangenomen, op voorstel van den heer 
RAHUSEN verrijkt met de ophelderende toevoeging van 
de woorden: „in case the loss by jettison is so made 
good,'' bij de tweede alinea. 

De derde Rule (bluschschade) was: 

Damage done to a ship or cargo or eiiher of them by water or 
otherwise iu extinguishing a fire on board the ship, shall be general 
average. 

Een zeer juist amendement van den heer lowndes : 
„except that no compensation be made for damage 
done to packages which have been on fire", werd 
hierop aangenomen. Men wilde hiermede den regel 
huldigen, dat de zaak, die zelf de oorzaak van het 
gevaar is en als zoodanig aanleiding tot de avarij-grosse 
handeling geeft, niet in avarij-grosse vergoed behoeft te 
worden. 

De vierde Rule (kapping van de vleet) luidde: 

Loss or damage caused by cutting away the wrecks or remains 
of spars, or of other things which have previously been carried 
away by seaperil, shall not be made good as general average. 

lij werd door den heer hach (Bremen) overeenkom- 



195 

stig de in het rapport van de Duitsche afdeeling der 
Association geopperde bezwaren en door den heer lan- 
GLOis (Antwerpen) bestreden. Betoogde de eerste dat 
het gekapte dikwijls nog zekere waarde, die dus opge- 
offerd wordt, vertegenwoordigt, de laatste meende dat 
deze rule den kapitein aanleiding zou kunnen geven 
om de spoedige kapping van de vleet, waar dit in het 
algemeen belang noodig is, in het vermeende belang 
van den reeder langer dan wenschelijk is, uit te stellen. 
De heer rahusen en met hem verscheidene anderen 
bestreden deze beschouwingen, omdat de gebroken en 
over boord hangende mast meestal geene waarde meer 
heeft als hij gekapt wordt, en vooral ook op grond 
van het beginsel dat tot aanneming van het amende- 
ment LOWNDES op de vorige Rule had geleid. De ver- 
gadering sprak zich dan ook met algemeene stemmen 
ten gunste der Rule uit; eene beslissing die zeer toe 
te juichen is, daar zij aan veel quasi-kapping na voor- 
afgaande breking een einde zal maken. 

De vijfde York-Rule : 

When a ship is intentionally run on shore because she is sin- 
king or driving on shore or rocks, no daraage caused to the ship, 
the cargo and the freight, or any or either of them by such inten- 
tional running on shore, shall be made good as general average 

en de zesde 

Daraage occasioned to a ship or cargo by carrying a press of 
sail shall not be made good as general average, 

werden beiden zonder noemenswaardige discussie met 
algemeene stemmen bevestigd. 



19f) 
De zevende kwam nu in behandeling: 

When a ship shall have entered a port of refuge under such 
circumstances that the expenses of entering the port are admissible 
as general average, and when she shall have sailed thence wiih 
her original cargo or a part of it, the corresponding expenses of 
leaving such port shall likewise be so admitted as general average; 
and w henever the cost of discharging cargo at such port is admis- 
sible as general average, the cost of reloadiug and stowing such 
cargo on board the said ship, together with all storage-charges on 
such cargo, shall likewise be so admitted. 

Except that any portion of the cargo left at such port of refuge, 
on account of its being unfit to be carried forward, or on account 
of the unfitness or inability of the ship to carry it, shall not be 
called on to contribute to such general average. 

De heer scheider (Bremen) stelde hierbij een geheel 
nieuw artikel 7 voor, dat evenals de Spaansche wet 
geen avarij-grosse erkende in geval de noodhaven 
binnengeloopen wordt om eene avarij -particulier te her- 
stellen. Het specializeerde alle bizondere gevallen en ein- 
digde met eene alinea luidende: ^In case a vessel has 
entered a port of refuge for repairs of general and particu- 
lar average, the expenses incurred shall be devided in 
proportion to the importance of each description of 
average and be distributed as before stated ;" ten einde 
de uit het stelsel van den voorsteller voortspruitende 
moeilijkheden op te lossen. Het vond evenwel hoege- 
naamd geen ondersteuning en kwam dus niet eens in 
behandeling. Een amendement van den heer hach, 
om de laatste alinea der York-Rule te laten wegvallen, 
werd daarentegen, niettegenstaande . de oppositie van 
Lloyd's, na verdedigd te zijn door den heer bredius, 



197 

aangenomen. De motieven daarvoor hebben wij reeds 
boven (bl. 163) op het congres te York leeren kennen. 
Dat de onmogelijkheid om een gedeelte der lading 
verder te vervoeren geen reden mag zijn om de overige 
eigendommen zwaarder te belasten is wel het krach- 
tigste argument. Ook dient men in het oog te houden, 
dat als de oorzaak in den slechten toestand der lading is 
gelegen, de eigenaars daarvan door een verkoop in de 
noodhaven juist gebaat worden, en dat de reeder in 
alle gevallen de vracht verliest en dus reeds genoeg 
nadeel lijdt '). 

York-Rule 8 luidde: 

When a ship shall have entered a port of refuge under the cir- 
cumstances defined in Eule 7, the wages and cost of maintenance 
of the master and mariners, from the time of entering such port 
until the ship shall have been made ready to proceed upon her 
voyage, shall be made good as general average. Except that any 
port ion of the cargo left at such port of refuge, on account of its 
being unfit to be carried forward or on account of the unfitness 
or inability of the ship to carry it, shall not be called on to con- 
tribute to such general average. 

Op voorstel van den heer hach werd de uitzonde- 
ring van de tweede alinea ook hier weggelaten. De 
heer nesbitt, afgevaardigde van de verzekeraars-ver- 
eeniging te Liverpool, ontvouwde hierna kortelijk zijne 
denkbeelden over deze Rule, daarbij concludeerende tot 
geheele verwerping. Natuurlijk vond hij vooral steun 



1) Dit is alleen waar volgens het Engelsche vrachtrecht. Het continentale 
stelsel brengt de eigenaars der achtergelaten of verkochte lading in eene 
bizonder moeilijke en ongunstige positie, daar zij van het geringe bedrag dat 
zij gewoonlijk ontvangen nog eene pro rata vracht moeten betalen. 



198 

bg Lloyd's. De heer meier (president der Noord-Duitsche 
Lloyd) verklaarde dan ook zich niet te kunnen begrij- 
pen waarom Lloyd's steeds willig was te verzekeren 
met eene clausule, strekkende om zich te onderwerpen 
aan in het buitenland opgemaakte dispachen, terwgl 
zij het buitenlandsche recht dagelijks bestreed en zelfs 
een ongeluk noemde. De heer ölover (afgevaardigde 
van de algemeene reedersvereeniging te Londen) ver- 
dedigde de Rule met veel talent en energie en deed 
uitkomen dat de vrees, dat het toelaten van de gagie 
en het onderhoud in avarij-grosse den kapitein zou 
verleiden langer dan noodig is in eene noodhaven te 
verblijven, geheel ongegrond is, daar vooral voor de 
reeders van stoombooten, de tijd veel te kostbaar is, 
om die, bloot met het oog op eene zoo geringe ver- 
goeding, in eene noodhaven te verkwisten. Hij consta- 
teerde verder dat men in Engeland op dit punt al 
lang toegegeven had en dat de onderlinge verzekerings- 
maatschappijen deze gelden steeds in avarij-grosse 
toelaten. Eene krachtige ondersteuning vond hij inden 
heer copper, den representant van de Kamer van 
Koophandel te Cardiff. De heer hillmann trachtte hen 
te wederleggen door de verklaring dat het verzekeren 
met die clausule in de bestemming van Lloyd's ligt, die 
tegen alle zeegevaar verzekert en dat de onderlinge 
verzekerings-maatschappijen in eene geheele bizondere 
positie verkeeren, die hen toelaat dus te handelen. 
De heeren rathbone en coudert, afgevaardigden uit 
New-York en New-Orleans, repliceerden, waarbij de 
laatste op het verkeerde wees om de kapiteins steeds te 



199 

verdenken. Met groote meerderheid viel dan ook het 
amendement nesbitt. Nadat nog een voorstel vanden 
heer lowndes, bijvoeging van de woorden: „deduc- 
ting however any saving in the expense actually made 
or which ought to be made by paying off the crew 
or any portion of them at the port of reftige/' verwor- 
pen was, werd het oorspronkelijke artikel met 45 tegen 
5 stemmen aangenomen. 
Hierna ging men over tot rule 9: 

Damage done to cargo by discharging it at a port of refuge 
shall not be admissible as general average in case such cargo shall 
have been discharged at the place and in the manner customary at 
that port with ships not in distress. 

Een amendement van den heer hopkins, om de 
schade bg ontlading door goederen te lijden in alle 
gevallen in avarij-grosse te admitteeren, werd verwor- 
pen. De heer glover deed nitkomen dat er bg de 
lossing ook materieel verlies, niet te verwarren met 
beschadiging, geleden kan worden, en vroeg of men 
ook dat op het oog had gehad bij de redactie van dit 
artikel. Zijne vraag werd echter niet beantwoord, 
waarom men moet aannemen, dat deze Rule geen 
onderscheid maakt tusschen qualitative en quantitative 
schade, welke laatste toch bij sommige artikels onver- 
mijdelijk is, zooals bij salpeter. 

Rule 10 luidde: 

The Contribution to a general average shall be made upon the 
act u al values of the property at the termination of the adventure, 
to which shall be added the amount made good as general average 
for property sacrificed, deduction being made firom the shipowner's 



200 

freight and passage money at risk, of '/s th of soch freigbt in lieu of 
crew's wages, port charges and all other dedaclions; deduction being 
also made from the valuc of the property of all charges incurred 
in respect thereof subsequently to the arising of the claim to 
general average. 

De heer hach stelde in plaats hiervan een ander 
artikel voor, dat op de leest van het Algemeene Duitsche 
Handelswetboek geschoeid, afzonderlijke bepalingen voor 
de lading, het schip en de vracht inhield, en vooral 
in dit opzicht van de York-Rule afweek, dat van de 
waarde van het schip slechts de, bg het einde der reis 
nog voorhanden, waarde van de na de avarij-grosse 
handeling gemaakte reparaties afgetrokken zou worden. 
De voorsteller wees er op dat het toch kan gebeuren, dat 
de reparatiekosten in de noodhaven zoo hoog zijn, dat er 
geen dragende waarde meer overblijft als zij afgetrokken 
worden van de waarde die het schip, bij het einde der 
reis, heeft. De heer meier ondersteunde het voorstel, 
dat echter de goedkeuring der vergadering niet mocht 
verwerven. Een amendement van den heer lowndes 
om de woorden „ deduction being made from the ship- 
owner's freight and passage money at risk of 7$ th. 
of such freight in lieu of crew's wages, portcharges 
and all other deductions" te vervangen door „deduction 
being made from the shipowner's freight and passage 
money at risk of portcharges and crew's wages, as 
would not have been incurred had the ship and cargo 
been totally lost at the date of the general average act 
or sacrifice,'' werd daarentegen met 28 tegen 11 stemmen 
aangenomen. Hierdoor werd eene onjuistheid verbeterd. 



201 

die op het Congres te York om hare practische ge- 
makkelijkheid verdedigd was en verkreeg men de, 
misschien den dispacheurs meer moeite veroorzakende, 
maar zeker zeer juiste bepaling, dat alleen de wezent- 
lijk gedane uitgaven en niet een hypothetisch bedrag 
afgetrokken moet worden '). 
York-Rule 11: 

In every case in which a sacrifice of car<^o is made good as 
general average, the loss of freight (if any) which is caused by such 
loss of cargo shall likewise be so made good. 

werd zonder discussie onveranderd behouden. 

Hiermede was de beraadslaging over de York-Rules 
afgeloopen, echter nog geenzins een einde aan de werk- 
zaamheden gekomen, die den volgenden dag (den l^^^^^ 
Sept.), in eene derde zitting onder presidium van den 
heer engels, werden voortgezet. Verschillende voor- 
stellen werden toen gedaan, maar de vergadering was 
zeer karig in het vaststellen van nieuwe regels, waar- 
voor vooral de Engelsche leden zeer huiverig schenen 
te zijn. Nadat men had besloten om het Engelsch als 
de officieele taal voor de „ Antwerp-Rules" te behou- 
den, werd den heer hach gelegenheid gegeven om de 
voorstellen van de afdeeling Bremen nader te ontwik- 
kelen. Het eerste van die voorstellen, dat hij aan het 
oordeel der vergadering onderwierp, strekte om de nu 
aangenomen Rules eene algemeene definitie van avarij- 
grosse te doen voorafgaan, waartoe hij de aanneming 
van art. 702 A. D. H. Gb. in overweging gaf. Aan de 



1) Verg. de zeer juiste opmerkingen van Mr. Rahnsen, t. a. p. bl. 27 v. 



202 

vraag of het wenschelijk was eene algemeene definitie 
in de Rules op te nemen, knoopte zich nu een lang- 
durig debat vast, daar vooral de Engelsche leden hiertoe 
niet geneigd waren; zij meenden dat het tot eindelooze 
disputen aanleiding zou kunnen geven, dat men bij 
elkander was gekomen om eene wet te maken, niet 
om definities te geven, en hadden in een woord tal 
van bezwaren. Een der afgevaardigden van Lloyd's 
durfde zelfs de bekende rechterlijke uitspraak in Birkley 
V. Presgave van het jaar 1801 ') tegenover art. 702 
te stellen, daarmede de vergadering implicite uitnoodi- 
gende het met zooveel moeite tot stand gebrachte werk 
weer af te breken en tot de phymal-^afety theorie 
terug te keeren. Het einde van alle discussies was dat 
men eenvoudig tot de orde van den dag overging. 

De heer hach stelde nu art. 705 A. D. H. Gb. aan de 
orde, waarvan de Engelsche vertaling luidde : „Average 
contribution takes placQ only when both ship and cargo, 
whoUy or in part, have been actually saved". Op eene 
vraag van den heer baily werd „actually" veranderd 
in „ultimately.'' Dit gaf tot misverstand en daardoor 
tot een zeer ingewikkeld debat aanleiding, totdat de 
heer sievekinö (Bremen) den zin van het artikel nader 
verklaarde. Het omschrijft de aansprakelijkheid van 
partijen volgens de continentale opvatting daarvan, door 
den omslag in avarij -grosse te doen vervallen zoodra 
het schip of de lading na de avarij-grosse handeling, 
doch voor het einde der reis, geheel zijn ver- 



1) Zie Lowndes bl. 1 v. 



203 

gaan '). Yergaat bijv. het schip of de lading na eene 
noodhaven aangedaan te hebben op weg naar de bestem- 
mingsplaats, dan vervalt de omslag in avarij -grosse, en 
blijven de gemaakte kosten ten laste van hem die ze 
betaald heeft ^). De aansprakelijkheid voor avarij-grosse 
gaat dus voor geen bijdrageplichtige ooit verder dan 
de waarde van het goed dat voor hem behouden blijft. 
Anders volgens het Engelsche recht, waarvan de heer 
BAILY zich tot tolk maakte in het volgende voorstel: 
„When there is not any pecuniary benefit, or when 
the pecuniary benefit is less than the expense caused 
by a general average act, the excess of that expense 
over that benefit shall be apportioned over the benefit 
which, at the time when the general average act was 
performed, it was intended that it should produce," dat 
natuurlijk de oppositie van alle afgevaardigden van 
het vasteland, met name van de heeren vanpeborgh 
en RAHUSEN, uitlokte. Na eene langdurige woorden- 
wisseling verklaarden de heeren hach en baily vol- 
daan te zijn, nu zij er in geslaagd waren, voor de 
toekomst de aandacht op zulk eene gewichtige quaestie 
gevestigd te hebben en trokken zij hunne voorstellen 
weder in. 

Het derde voorstel van den heer Hach : 



1) Schip en lading moeten beiden ten minste gedeeltelijk gered zijn, wil 
er avarij-grosse bestaan. 

2) Toen een der Engelsclie leden vroeg of de reeder dan de noodhaven- 
kosten, dien hij gewoonlijk betaalt, bij later vergaan van het schip, alleen 
moet dragen, gaven de heeren Meier en Engels (Antwerpen) een bevestigend 
antwoord, op grond hij die kan laten verzekeren II Zie boven bl. 89 vv. 



204 

The amount to be allowed for goods sacrificed is computed analo- 
gou 8 to the contributory value, by the actual nett vahie of like 
goods in the sa me quality and condition at the end of the voyage, 

vond een gunstiger verhaal. Het werd aangenomen 
en als twaalfde regel bij de anderen gevoegd, nadat 
de redactie op voorstel van baily aldus veranderd was: 
„The value to be allo wed for goods sacrificed shall be 
the value which the owner would have received if 
such goods had not been sacrificed." Dit artikel geeft 
uitdrukking aan den zeer juisten regel: damni non 
lucri fit praestatio. Kan men dus als zeer waarschijnlijk 
bewijzen dat de geworpen goederen, indien ze aan boord 
gebleven waren, evenals de overige lading, beschadigd 
aangekomen zouden zijn (m. e. w. avarij-particuUer 
geleden zouden hebben), dan is de geleden schade 
ook slechts de waarde die die goederen in een dus 
beschadigden toestand zouden gehad hebben en moet ook 
slechts dit als avarij-grosse vergoed worden, daar anders 
verrijking ten koste van anderen zou plaats hebben '). 
Het was ten minste vooral hierop dat men het oog had. 
De heer lowndes stelde nu een ander veelomvattend 
onderwerp aan de orde, betrekking hebbende op de 
verhouding tusschen den verzekeraar en den verzekerde. 
Hij toonde aan hoe onrechtvaardig het was om steeds 
een derde van de reparatiekosten ten laste van den 
verzekerde te laten, en stelde daarom op dezen regel 
eenige uitzonderingen voor, nm.: geen aftrek gedurende 
het eerste jaar van het schip; vergoeding van de ge- 

1) Zie boven bl. 90. 



205 

heele waarde bij ankers; aftrek van '/e ^^^^ kettings; 
geen aftrek van de bodemerij-premie en commissiën, 
noch van de tijdelijke reparaties; en van de reparatie- 
kosten in de noodhaven gemaakt een' aftrek, '/s ^^^ 
de getaxeerde kosten van eene dergelijke reparatie in 
de plaats waar de dispache wordt opgemaakt, niet 
overschrijdende. De heer glover maakte te recht op- 
merkzaam op het groote verschil dat er tusschen houten 
en ijzeren schepen bestaat, wat de voorsteller dan ook 
inzag en waarom hij de verbetering van zijn voorstel ver- 
zocht. De heer meier meende dat men nog te weinig 
ervaring met betrekking tot ijzeren schepen had opge- 
daan, maar sloeg toch eventueel voor om daarbij ge- 
durende de vijf eerste jaren geen aftrek, gedurende de 
tien volgende slechts een' van '/e ^^st te stellen. Daar 
echter het geheele voorstel meer op het gebied van 
de avarij-particuher lag, werd het niet in behande- 
ling genomen maar ging men over tot de orde van 
den dag. 

De Heer ahlers (Bremen) beval daarop de ver- 
gadering deze Rule aan, ontleend aan art. 757 A. 
D. H. Gb. '), dat den eigenaar der lading een pand- 
recht op het schip geeft : „ Either party whose pro- 
per ty has been jettisoned or sacrificed for the common 
safety has a lien on the interests saved for contribu- 
tion which may be enforced by application to the 
proper tribunal or by retaining possession where the 
party entitled to the lien is in possession." Hij verde- 



1) Zie art. 757, 6» jo. art. 768 en 759. 



206 

digde dit voorstel door te wijzen op den ongunstigen 
toestand, waarin hij verkeert, wiens goederen gewor- 
pen of op eene andere wijze beschadigd zijn, wanneer 
hij zijne rechten tegen den reeder wil doen gelden. 
Terwijl deze retentierecht op de geredde lading heeft, 
staat voor genen slechts de gewone omslachtige weg 
van rechte open, die bovendien geheel onvoldoende is 
indien de reeder intusschen insolvent is geworden, zooals 
meermalen is voorgekomen. Vooral in Engeland is dit 
argument van kracht, omdat daar slechts buitenlandsche, 
geen Engelsche schepen in beslag genomen kunnen 
worden. Het voorstel vond desniettemin veel tegen- 
stand en bij de Engelsche leden geen steun, omdat eene 
dergelijke bepaling in Engeland, waar men ook met 
zijn „fortune de terre" aansprakelijk is, minder noodig 
schijnt, zoodat de meerderheid voor eene motie stemde 
om tot de orde van den dag over te gaan. ' 

Nadat de heer lowndes nog, hoewel zonder eenig 
succes, een aan art. 708 A. D. H. Gb. ontleenden 
regel had voorgesteld, werden de beraadslagingen ge- 
sloten. 

De eigenlijke werkzaamheden van het congres waren 
hiermede afgeloopen ; er bleef slechts over om den weg 
aan te wijzen om tot een practisch resultaat, tot invoe- 
ring van de „ York- and Antwerp-Ridea'^ te geraken. 
Daartoe werd eene door den heer meier voorgestelde 
motie met groote meerderheid aangenomen, luidende: 

Th at the local Committees of this Association be requested imme- 
diately to take such steps as they may deern expediënt, with aview 
to ensure the consideration of the rules as revised, and thefarorable 



207 

attention and action of their respective Governements, reporting the 
result of such steps to the Council of the Association ^). 

Bij het sluiten der vergadering bleek dat alleen Lloyd's 
nog by haren tegenstand bleef volharden. Hare afgevaar- 
digden weigerden, bg monde van den heer hillmann hare 
medewerking om de aangenomen regels in de praktijk 
ingang te verschaffen, herhaalden, toen de heer glover 
hen uitnoodigde zich aan de beweging aan te sluiten, 
hun protest en constateerden het een en ander nog 
twee dagen later in een' brief aan den secretaris der 
Association gericht '). 

De heer rathbone verklaarde daarentegen namens 
de verzekeraars en reeders van Liverpool, dat deze 



1) Mr. Rahusen geeft dit besluit in zijn meergenoemd verslag aldus weer : 
de vergadering besloot daarom ten slotte: 

1^. dat de leden, die de vergadering badden bijgewoond, in hunne respec- 
tieve landen comité's zouden formeeren met bevoegdheid zich zoodanige leden 
te assumeeren, als zij in het belang der zaak geraden zouden achten. 

2^. aan die comité's op te dragen: a, om hunne regeering mededeeling te 
doen van de vastgestelde regelen en haar uit te noodigen in overleg met de 
regeering en de overige betrokken rijken zoodanige wijzigingen in de wetgeving 
te brengen als het voorgstelde doel noodzakelijk maakt; b. om door alle 
andere gepaste maatregelen die vastgestelde regelen in de praktijk te doen 
toepassen. 

Mr. P. J. Bachiene heeft in Themis, 1878, bl. 46 v. tegen deze opvatting 
der zaak protest aangeteekend, er op wijzende dat in de motie gesproken 
wordt van »Local Committees of this Association," wat wil zeggen de afdee- 
lingen, in casu de Nederlandsche afdeeling, van de^ Association for the Reform 
and Codification of tbe Law of Nations/' en dat er dus geen sprake kan zijn 
van een nieuw op te richten avarij-grosse comité. Met het oog op de motie, 
zooals zij daar is liggende, schijnt mij deze redeneering van Mr. Bachiene 
moeil^k te weerleggen; hoe dit echter zij, er heeft zich overeenkomstig de 
meening van Mr. Rabusen een avarij-grosse comité geconstitueerd. 

2) Zie Ahlers, bijlage VI, welke alle stukken van Lloyd's bevat. 



208 

alles in het werk zouden stellen om de ^ York- and 
Anfioerp'jRuIe-^^^ (de officieele door het congres aange- 
nomen naam) tot uitvoering te brengen, door welke 
mededeeling elke vrees onnoodig gemaakt werd, dat er 
ook nu weer, even als na het York congres, een tijd 
van stilstand zou komen. 

Het laatste bewijs hiervoor levert ons de geschiedenis 
der laatste jaren, waartoe wij nu zullen overgaan. 

§ 5. Geschiedenis der laatste twee jaren. 

Zooeven hebben wij gezien dat de taak van de 
Association en van het congres door de verschillende 
afdeelingen of op te richten avarij-grosse comité's over- 
genomen zou worden. Om dus met vrucht na te kunnen 
gaan wat er in den betrekkelijk korten tijd van twee 
jaren, sedert het congres te Antwerpen verloopen, 
in het belang der beweging is geschied, zullen wij 
elk land afzonderlijk beschouwen en aantoonen wat 
daar zoowel op wetgevend gebied, als van particuhere 
zijde tot stand is gebracht *). 



1) Deze taak wordt eenigzius verlicht door het verslag van het avarij-grosse 
comité der Association, door den secretaris van dat comité uitgebracht op de 
zesde jaarvergadering der Association, den 20steu Aug. 1878 en volgende 
dagen te Frankfort a/d. Main gehouden, en door «Het rapport aan heeren 
Assuradeurs te Rotterdam over de zevende jaarlij ksche vergadering van de 
Association etc, gehouden te Londen van 11 tot 15 Aug. 1879, uitgebracht 
door Mr. C. C. Dutilh." 

In het eerste verslag worden de resultaten, in den loop van het eerste jaar na het 
congres te Antwerpen verkregen, medegedeeld en de stand der beweging in 
de verschillende landen van Europa en Amerika geschetst. Nadat de vergade- 
ring het verslag had aangehoord, werd de volgende motie van den heer Hach 



209 

Natuurlyk dat wij het eerst onze blikken wenden 
naar Engeland, het land dat met overoude toestanden 
en gewoonten te breken heeft en het meest in wet- 
geving of praktijk moet veranderen. Van hier was de 
beweging uitgegaan, hier was er het krachtigst aan 
gearbeid, maar hier vond zy ook den meesten tegen- 
stand. De machtige Lloyd's bleef ook na het congres 
te Antwerpen haar grootste vijand. De Liverpoolsche 
heeren hadden toen verklaard dat naar hunne meening 
de voorgestelde eenheid desniettemin in het leven zal 
treden, daar de beslissing van dergelyke vraagstukken 
in den tegen woordigen tijd uitsluitend in de hand der 
groote stoombootmaatschappijen ligt, die de macht heb- 
ben de voorwaarden der bevrachting vast te stellen, 
zoodat de verzekeraars, willen zij zich zelve niet bui- 
tensluiten, verplicht zijn te volgen ') en het moet 
erkend worden dat de geschiedenis der laatste jaren 
eenigzins eene bevestiging hunner woorden is. Heeft 
toch Engeland op het gebied van wetgeving, zoo als 
wel te verwachten was, nog niets gepraesteerd, door 



uit Bremen aangenomen: That this Association regards with satisfaction the 
progresB made in the matter of the adoption of the York and Antwerp Rnles 
for the adjastment of general average losses and desires to express its acknow- 
ledgment of the valnahle services rendered hoth hy the committees on the 
continent and the United States of America and by the English Central 
Committee of anderwriters and shipowners dnring the last past year and to 
express its sense of approval of the energetic measnres taken by the English 
Central Committee to carry ont those rules, and it adds an earnest reqnest 
that the committees will continue their labours/^ 

Hiermede waren de werkzaamheden van het congres te Frankfort met be- 
trekking tot het avarij-grosse recht afgeloopen. 

1) Zie Mr. Rahnsen, Verslag v. h. Congres te Antwerpenj bl. 8. 

U 



210 

particuliere samenwerking is men er reeds tot een 
zeker resultaat gekomen, ja zelfs tot toepassing in de 
praktijk van de Antwerp-Rules. 

Den 14 Dec. 1877 werd door de Kamer van Koop- 
handel van Liverpool een negental resoluties aange- 
nomen, waarin de Kamer als hare opinie uitsprak, dat de 
invoering der York- and Antwerp-Rules zeer wenschelijk 
is, en verder den weg aanwees, die haar inziens de 
meest geschikte zou zijn, om die invoering zoowel in 
wetgeving als praktijk tot stand te brengen, waartoe 
zij eene clausule voorstelde, in cherte-partijen, cognos- 
sementen en polissen op te nemen '). 

Naar aanleiding hiervan werd den 30^" Mei 1878 
door de ^General Shipowner's Association," waaraan 
de leiding der beweging in Engeland in de eerste plaats 
was toevertrouwd, in Cannonstreethotel te Londen, onder 
presidium van Sir travers twiss, eene vergadering 
van reeders en verzekeraars uit het Vereenigde Konink- 
rijk belegd, om de vraag te behandelen of de aanneming 
der zoogenaamde „Rules of York and Antwerp" al of 
niet wenschelijk is. Vereenigingen van belanghebbenden 
bij de scheepvaart waren talrijk vertegenwoordigd, 
zoowel uit Londen, als van elders, o. a. uit Liverpool, 
Huil, Cardiff enz. ; Lloyd's schitterde, evenals alle andere 
tegenstanders der rides^ door zijne afwezigheid. De 
werkzaamheden bestonden hoofdzakelijk in het voor- 
stellen en aannemen van verschillende moties. De eerste 
was van den heer R. lowndeb en luidde: 



1) Eene der toen aangenomen resolaties geeft Ulrich, in zgn Denkschrift, 
bl. 28 V. 



211 



That in the opinion of this Meeting it is desirable that the York 
and Antwerp Eules of General Average be carried iuto operation. 

Naar aanleiding dezer motie verklaarde de heer dale 
(Liverpool) dat men in Liverpool algemeen van gevoe- 
len was, dat de aanneming dezer rules voordeel aan 
zou brengen, terwijl hij de hoop uitdrukte, dat de der 
beweging nu nog vyandige verzekeraars, zich spoedig 
bij het nieuwe stelsel zouden aansluiten. 

Vervolgens stelde de heer atkinson (chairman of 
the General Shipowners Association) eene tweede reso- 
lutie voor, die, behoorlijk ondersteund, eveneens de 
goedkeuring der vergadering verwierf en inhield: 

„That in the opinion of this Meeting the most effectual mode of 
procedure will be by a general agreement on the part of shipowners, 
merchants and underwriters to insert in bills of lading and charter- 
pariies the words: General Average^ if any, payahle accordlng to 
York and Anttoerp rules, and in policies of insurance to add to the 
foreign General Average clause the words, or York and Anttoerp 
Bules, 80 that the clause will run thus : General Average payahle as 
per foreign adjuatment (or custom) or York and Anttoerp Rules, tf 
so made up'^ 

Atkikson voerde onder meer tot verdediging dezer 
motie aan dat hij wanhoopte aan het tot stand komen 
eener wettelijke regeling, waarvan hij ook de noodza- 
kelijkheid loochende, daar de overeenkomst partijen tot 
wet strekt. 

Op voorstel van den heer E. E. wendt werd 1 Jan. 
1879 aangenomen als de dag, na welken deze clausule 
in bovengenoemde handelspapieren opgenomen zou wor- 



212 

den '). Het belang eener wettelijke regeling zag men 
daarom toch evenmin over het hoofd; men b^reep 
dat de wet niet mocht achterblijven bij het handels- 
gebruik en vereenigde zich dan ook met eene motie 
Tan den heer scheepsreeder glover: „dat men zich 
door den Board of Trade tot de regeering zou wen- 
den om wettelijke regeling in Engeland en in de 
overige landen te verkrijgen." 

Ten slotte werd nog eene centrale commissie be- 
noemd, om in overleg met de verschillende locale 
comité's, de genomen besluiten tot uitvoering te bren- 
gen, met den heer glover als president en den heer 
LOWNDES als secretaris. De commissie nam den naam 
English central Committee aan '). 

Deze bijeenkomst gaf Lloyd's aanleiding om, bij wijze 
van demonstratie, harerzijds eene vergadering van alle 
tegenstanders der nieuwe regeling te organiseeren. Zij 
zond uitnoodigingen aan alle assurantielichamen om 
met haar de zaak der internationale avarij -grosse rege- 
ling op 10 Juli 1878 in een' der zalen van haar ge- 
bouw te Londen te komen bespreken. Hieraan gaven 
gehoor: „the Royal Exchange Assurance Corporation, 
the Home and Colonial Marine Insurance Company, 
the Marine Insurance Company, the Oreantal Mar. 
Ins. Comp., the Commercial Union Ass. Comp., the 
üniversal Mar. Ins. Comp.," de leden van Lloyd's 



1) That a definite should be fizec^for the purposed change; and the date 
recommended by this committee is the 1 January 1879. 

2) Zie Times, van 31 Mei 1878. W. v. h. R. n». 4268. Ass. f. the R. a. 
C. of the L. of N., Report van de zesde vergadering te Frankfort. 



213 

(door eene deputatie, afgescheiden van het bestuur dat 
de vergadering had belegd), „the Liverpool Underwriters 
Association," de verzekeraars van Glasgow en „the 
Australian and New-Sealand Underwriters Association.'' 
Het bestuur van Lloyd's verklaarde dat deze vergade- 
ring belegd was naar aanleiding van de besluiten op 
de vergadering in Cannonstreethotel genomen, voor- 
namelijk omdat de Liverpoolsche verzekeraars zich reeds 
verbonden hadden om die Rules van af 1 Jan. 1879 
toe te passen. Het kon niet aanraden het voorbeeld 
van deze heeren te volgen, eensdeels omdat zijns inziens 
de waarborgen voor eene algemeene invoering ontbra- 
ken, ten andere omdat het de voorgestelde Rules niet 
wenschelijk vond. Daar echter ieder lid van Lloyd's 
vrij is, om zoodanige clausule in de polis op te nemen, 
als hem goeddunkt, begreep het bestuur dat op die wijze 
de meeste leden de York- en Antwerp-Rules toch zouden 
aannemen en zgn tegenstand te vergeefs zou zijn, 
waarom het meende dat men geen vijandige houding 
tegen de beweging moest aannemen en voorstelde zich 
tot de volgende verklaringen te bepalen: 

De voorgestelde uitbreidiDg der avarij-grosse brengt met zich 
mede eene overdracht van lasten van de schouders van den reeder 
op die van de eigenaars der lading. 

Zulk eene overdracht schijnt zich even weinig te laten verdedigen 
uit het oogpunt van rechtvaardigheid, als uit het oogpunt van nuttig- 
heid. Eene wijziging der premiën zal het noodzakelijk gevolg der 
aanneming zijn. 

Uitbreiding der avary-grosse is niet wenschelijk. 

Overigens erkende het bestuur dat eene gelijkvormige 



214 

avarij-grosse regeling voor de verzekeraars van onmete- 
lijk belang is, en dat de vergadering daarmede vol- 
komen instemde bleek uit de opdracht aan het bestuur 
van Lloyd's om onmiddellijk eene vergadering in Londen 
te beleggen, zoodra het zich laat aanzien, dat het con- 
gres te Antwerpen gehouden een practisch resultaat 
zal opleveren '). 

De Liverpoolsche gedelegeerden onthielden zich van 
stemming, en leverden eene verklaring in, dat hunne 
committenten zich met de nieuwe regeling hadden ver- 
eenigd, terwijl de verzekeraars uit Glasgow zich eveneens 
onthielden op grond dat zij zich geheele vrijheid van 
handelen in de toekomst wilden voorbehouden '). 

In hoeverre aan het besluit, op de besproken ver- 
gadering van 30 Mei te Londen genomen, om de York- 
Antwerp-Rules in de praktijk in te voeren, gevolg 
werd gegeven, is gebleken uit de mededeelingen van 
de Engelsche commissie op de zevende jaarvergadering 
der Vereeniging ter Hervorming en Codificatie van 
het Volkenrecht, te Londen den 11^«» Aug. 1879 en 
volgende dagen gehouden. 

Op de zitting van 13 Augustus kwam namelijk ook 
het avarij-grosse recht ter sprake, en werden in de 
eerste plaats de York-Antwerp-Rules behandeld. Blgkens 
het uitgebrachte rapport hadden, naar aanleiding van 
eene circulaire, door de centrale commissie aan de 
scheepsreeders, kooplieden en verzekeraars toegezon- 



1) Tot nog toe is mij nog niets ter oore gekomen Tan eene dergelijke 
vergadering. 

2) Zie W. V. h. R. n». 4265. 



215 

den, niet minder dan 789 maatschappijen, reederijen of 
finna's representeerende een scheepsinhoud van 2.296.85 
tonnen, ruim 43 7o ot meer dan Ys ^^^ ^^ gansche 
tonnenmaat van Groot-Brittanië, hare instemming met 
die regeling betuigd en zich verbonden de voorgestelde 
clausule in de cognossementen en chertepartijen op te 
nemen, te beginnen met 1 Jan. 1879 *). Ook hadden 
verscheidene onderlinge verzekeringsmaatschappijen, als- 
mede de verzekeraars van Liverpool, verklaard, over- 
eenkomstig de voor de polissen bestemde clausule de 
avarij -grosse te zullen regelen. „Ten huldigen dage is 
de York-Antwerp-Clausule reeds zeer in zwang, en 
vermeerdert de toepassing dagelijks," lezen wij in het 
verslag van Mr. dutilh omtrent den stand der zaak 
in Engeland. De centrale commissie stelde wijders voor 
om vooreerst alle pogingen in het werk te stellen, ten 
einde die regelen nog meer algemeen op het vasteland 
van Europa en in de transatlantische staten in de 
praktijk te doen aannemen, en ze eene verdere uit- 
breiding te geven, waarna de taak der codificatie een- 
voudig zou zijn het redigeeren van duidelijke en vast- 
staande beginselen. 

De heer H. H. meier, voorzitter der Noord-Duitsche 
Lloyd ondersteunde namens Duitschland, de heer engels, 
de voorzitter der Belgische Lloyd, namens België, de 
voorgestelde uitbreiding der rules. De afgevaardigde 
uit Frankrijk, de advocaat clunet constateerde dat 



1) Verg. Mr. C. C. Dutilh, Verslag van het congres bl. 3. Dr. Franck, 
Bericht etc. hl. 67. 



216 

men in Frankrijk geheel onverschillig was en meende 
ook geen termen te vinden, om de verhefl&ng der 
Rules tot wet op dit oogenblik voor te staan. Namens 
Nederland voerden de heeren rahusen en beelaerts 
VAN BLOKLAND het woord '). De eerste, wiens gunstige 
opinie over de regels wij kennen, erkende dat eene 
vervallingverklaring der in ons land bestaande, of wel 
eene aanneming als uniformwet der avarij-grosse rege- 
ling volgens de York-Antwerp-Rules, voor het bogen- 
blik niet noodig was, omdat men door het aannemen 
der voorgestelde clausule nog niet noodzakelijk met de 
bestaande wet in botsing zal komen, en met het oog 
op mogelijke oppositie, de behoefte nog niet gebleken 
is, om reeds nu deze Rules aan de goedkeuring of be- 
spreking van een wetgevend lichaam te onderwerpen. 
Hij meende toch dat de Rules geen verdediger behoe- 
ven, omdat zij voor zich zelven spreken en dus ook 
wel voor zich zelven propaganda zullen maken, daar zij 
in de praktijk zullen toonen goed te zijn. 

Overeenkomstig het voorstel van de Engelsche cen- 
trale commissie werd besloten. 

De vergadering door Lloyd's belegd en deze van de 
Vereeniging tot Hervorming en Codificatie van het 
Volkenrecht, doen den toestand kennen, waarin op het 
oogenblik de beweging in Engeland verkeert. Aan den 
eenen kant werkelijke invoering der York-Antwerp- 



1) Nederland was op deze vergadering vertegenwoordigd door de heeren 
Mr. Beelaerts van Blokland, G. A. van Hamel, Levyssobn Norman, Borsius 
(lid der eerste Kamer Staten-Generaal), E. N. Rabusen en Datilh (dispacheurs) 
en Baart de Ia Faille (consul-geucraal der Nederlanden te Londen). 



217 

Rules, door middel van clausules in chertepartijen, 
cognossementen en polissen, door een aantal reedenjen 
en enkele verzekeraars, vooral uit Liverpool, aan den 
anderen kant nog altijd dezelfde tegenstand, van de 
zijde van Lloyd's en vele verzekeringsmaatschappijen, 
hoofdzakelijk in Londen, hoewel de verklaringen, op 
de door Lloyd's bijeengeroepen vergadering, door haar 
bestuur gedaan, de gevolgtrekking schijnen te wettigen, 
dat die oppositie eenigzins in kracht is afgenomen en 
men geneigd is zich neer te leggen bij hetgeen niet 
tegengehouden kan worden. Sedert eenigen tijd kan 
men dan ook bij Lloyd's verzekeringen sluiten op de 
Antwerp-Yorksche conditiën. Mr. dutilh constateert 
daarentegen, en hij kan het weten, dat de tegenstand 
van Lloyd's, en in het algemeen van de belanghebbenden 
te Londen nog niets verminderd is '). Deze resultaten 
zijn voor de beweging vrij gunstig te noemen wanneer 
men in het oog houdt dat Engeland het eenige land 
is waar de physical safety theorie zuiver in de praktijk 
wordt toegepast, dat daar dus de oppositie het natuur- 
lijkste is en de meeste reden van bestaan heeft. Indien 
echter de jurisprudentie, de boven (bl. 60 noot 1) vermelde 
beslissing in Attwood v. Sellar, waarin terecht aange- 
nomen wordt dat recht en billijkheid slechts tot de 
common benefit theorie kunnen leiden, blyft huldigen, — 
en blijkens het verslag op het Congres te Londen uit- 
gebracht, schijnen reeds meerdere vonnissen in dien 
geest gewezen te zijn, — is het meer dan waarschijnlijk 



1) Zie zijn verslag bl. 4. 



218 

dat de tegenstand spoedig gebroken zal zijn. Mr. dutilh 
deelt nog mede dat yele assuradeurs zich hebben ver- 
bonden, om een proces, waarbij in de eerste instantie 
ten faveure der York-Antwerp-Rules was beslist, tot in 
de hoogste instantie, dat is tot voor de House of Lords 
door te voeren. Mocht dit gebeuren, zal het zeker 
oneindig veel bijdragen om in Engeland een' zuiverder 
toestand in het leven te roepen, en over het lot der 
beweging te beslissen. 

Nederland. De belangstelling was ook in ons land 
in de laatste twee jaren zeer groot, en de resultaten 
zijn dan ook weinig minder dan in Engeland. 

Reeds in 1877 werd bij de behandeling van Hoofd- 
stuk III (begrooting van buitenlandsche zaken) van 
de Staatsbegrooting voor 1878, in het voorloopig ver- 
slag van de commissie van rapporteurs, in § 7 de 
aandacht der regeering gevestigd op de pogingen tot 
internationale regeling van het avarij-grosse recht. 
Door de regeering werd hier op geantwoord, dat 
zij het streven tot het verkrijgen van eenvormiger 
bepalingen naar vermogen zou bevorderen en het 
nemen van het initiatief van de zijde van Nederland 
te zijner tijd tot een punt van overweging zou 
maken. 

Werd dus officieel de wenschelijkheid eener inter- 
nationale regeling geconstateerd, ook de ijverige leden 
van het congres te Antwerpen, die ons land daar ver- 
tegenwoordigden, hadden niet stil gezeten. Weldra toch 
constitueerde zich een Nederlandsch comité bestaande 
uit de volgende heeren: 



219 

M. N. Insingeb, Voorzitter van de Kam. v. Kooph. te Amsterdam, 
voorzitter van het comité. 

N. TRA.KANEN, Voorzitter der Xederlandsche HaDdelraaatschappij. 

M. M. DE. MoNCHT, Voorzitter van de Perm. Comm. uit de 
Amsterdamsche Reederijen. 

A. Plate, Directeur van de Ned. Amst. Stoombootmaatschappij. 

Jan ter Meülen, Voorzitter van de Verg. der Amst. Assuradeurs. 

G. V. Houten, Verzekeraar te Eotterdam. 

Mb. e. J. Asseb, Dispacheur te Amsterdam. 

W. S. Burger, Wz., „ te Rotterdam. 

Mr. J. Wertheim Jz., „ te Amsterdam. 

Mr. e. N. Rauusen, „ te Amsterdam, Secr. van het comité. 

Mr. L. C. Driebeek, „ te Rotterdam. 

Dit comité nam op een harer vergaderingen de vol- 
gende besluiten: 

10. Aan de regeering mededeeliug te doen van de te Antwerpen 
genomen besluiten. 

20. De weuschelijkheid voor Nederland voortvloeiende uit eene 
internationale toepassing dier Regels aan de regeering te betoogen. 

30. De medewerking der jegeeriug tot het bereiken van het 
beoogde doel te verzoeken. 

Het blijkt echter ') dat de gevoelens in den boezem 
van het comité nog al verdeeld waren over de vraag, 
in hoeverre het wenscheUjk was de regeering uit te 
noodigen, reeds nu een wetsvoorstel in te dienen, om 
ons Wetboek van Koophandel in overeenstemming met 
de York-Antwerp-Rules te brengen. Sommige leden 



1) Adres aan hunne Ezcellentiën den Minister van Waterstaat, Handel en 
N^verheid, van Justitie en van Buitenlandsche Zaken van het Nederlaudscli 
Comité ter bevordering eener Internationale Avarij-grosse regeling, bl. 2. 



220 

beantwoordden dit in bevestigenden zin, want, waarde 
York-Antwerp-Rules van het Wetboek van Koophandel 
afwijken, daar zou het aannemen van de bepalingen 
dier Rules eene verbetering zijn. De meerderheid meende 
dit echter te moeten afraden, daar zij eene lat-ere wijzi- 
ging of uitbreiding der aangenomen regels, misschien 
wel langs diplomatieken weg, waarschijnlijk achtten, 
wat dan weer nieuwe wijzigingen in ons wetboek nood- 
zakelijk zou maken. Dit nu vond zij bedenkelijk; een 
wet moet niet te dikwijls gewijzigd worden. Eerst 
wanneer de ons omringende handeldrijvende volken, 
vooral Engeland, het voorbeeld gegeven zullen hebben, 
meenden zij dat voor ons land de tijd gekomen zal 
zijn voor wetswijziging. Hierover was men het echter 
eens dat de Nederlandsche regeering zich geneigd moest 
betoonen om de regels eventueel aan te nemen en dat 
vooral het oogenblik voor haar gekomen was om het 
initiatief voor eene internationale bespreking te nemen. 
Aan de drie zoo even vermelde besluiten werd in 
Jan. 1878, in een adres aan de Ministers van Water- 
staat, Justitie en Buitenlandsche Zaken, uitvoering 
gegeven. Te gereeder ging men hiertoe over wegens 
de bij de behandeling der begrooting gebleken bereid- 
willigheid der regeering. Het adres geeft bij de mede- 
deeling der aangenomen regels o. a. ook een overzicht 
van de overeenstemming met en de afwijking van het 
Nederlandsche recht, terwijl het besluit met een krach- 
tig woord aan de regeering om deze aan te sporen 
het initiatief te nemen tot het richten van vertoogen 
aan de Engelsche regeering, ten einde daardoor invloed 



221 

op den gang van zaken in Engeland uit te oefenen '). 

Terzelfder tijd wendde zich met hetzelfde doel ook de 
Nederlandsche Afdeeling der Vereeniging tot Hervorming 
en Codificatie van het Yolkenrecht tot de regeering. Zij 
drong echter aan op dadelijke wijziging van ons Wetboek 
van Koophandel in den geest der York- Antwerp-Rules, 
waarna de regeering verzocht werd er bij andere naties 
op aan te dringen om dat voorbeeld te volgen. 

Naar aanleiding van deze adressen heeft de Minister 
van Justitie aan de Kamers van Koophandel en Fabrieken 
advies gevraagd betrekkelijk de door de comité's aan 
het oordeel der regeering onderworpen voorstellen en 
de door haar te volgen gedragslijn. De Kamer van 
Koophandel en Fabrieken te Dordrecht heeft hierop 
besloten den Minister hare algemeene instemming daar 
mede te kennen te geven met dien verstande, dat de 
Internationale regeling, waartoe de regeering verzocht 
werd het initiatief te nemen aan de wijzigingen der 
eigene wetgeving moet vooraf gaan ^). De Amster- 
damsche Kamer gaf hare instemming met de York- 
Antwerp-Rules te kennen, maar raadde ten sterkste 
wetsverandering af, zoolang andere landen, met name 
Engeland, daarin nog niet zijn voorgegaan. Of nog 
andere Kamers een advies hebben uitgebracht en in 
welken zin, is mij onbekend. 

Hierbij bleef het totdat bij de behandeling der Staats- 



1) Aan het adres is als aanhangsel de tekst der York-Antwerp-Rules toe- 
gevoegd, met eene vertaling in het Hollandsch. Ook in W. v. h. R. n^. 4265 
vindt men eeue Hollandsehe vertaling. 

2) Zie W. no. 4237. 



222 

begrooting voor 1879 het avarij-grosse recht weer ter 
sprake kwam. In § 12 van het voorloopig verslag der 
commissie van rapporteurs *) over hoofdstuk III der 
begrooting werd aan den Minister gevraagd of hij reeds 
meende dat de tijd aangebroken was om het initiatief 
te nemen met betrekking tot de internationale avarij- 
grosse regeling, daar dit initiatief, volgens de Memorie 
van Beantwoording over hetzelfde hoofdstuk der Staats- 
begrooting ten vorige jare, een punt van overweging 
bij de regeering uitmaakte, en of verder de bedoelde 
regeling in eene niet verre toekomst was te voorzien. 
De Memorie van Beantwoording ') zeide hierop: 
„ Nopens de internationale regeling der avarij-grosse is 
het gevoelen ingewonnen der voornaamste Kamers van 
Koophandel en Fabrieken, wier onlangs ontvangen 
adviezen een onderwerp van overleg tusschen de daarbij 
betrokken departementen van algemeen bestuur uit- 
maken." 

Bij de algemeene beraadslagingen over Hoofdstuk III 
bleek echter dat niet alle leden der Tweede Kamer 
dit antwoord voldoende vonden. De heer godefeoi 
bracht toen het avarij-grosse recht het eerst ter sprake. 
Hij wenschte de opportuniteit van de oplossing van 
het vraagstuk der internationale regeling van de avarij- 
grosse te behandelen, daar zijns inziens de York-Ant- 
werp-Rules geen volledig stelsel eener wetgeving op 
dit stuk bevatten. „Mij althans," zeide hij, „komen 
zij voor meer te zijn losse onsamenhangende stellingen, 



1) Bylage A van de Handel, der St. Gen. 1878—1879; Hoofdet. III, n». 7, bl. 4. 

2) t. a. p. n». 8, bl. 8. 



223 

bestemd om door grondige bewerking de basis uit te 
maken eener toekomstige internationale wetgeving op 
dit onderwerp van Handelsrecht/' Nu meende hij dat 
aan het vraagstuk der avarij -grosse uit het oogpunt 
van het verschil van wetgeving, niet zoovele bezwaren 
verbonden waren als men wel eens beweerde en hij 
was dan ook niet overtuigd dat aan de regeling daar- 
van zulk eene dringende behoefte bestond, want ten 
eerste bestonden hier geen rechtsconflicten, daar men 
weet dat men aan het recht der destinatieplaats is on- 
derworpen en ten tweede was, zijns inziens, avarij-grosse 
financieel van weinig gewicht, als accessoir van het 
vrachtrecht, dat juist zoo veel verschil opleverde in de 
verschillende wetgevingen. Daarom twijfelde spreker 
aan de nuttigheid eener avarij-grosse regeling, als de 
vracht niet eerst geregeld werd en in verband daar- 
mede aan de oppurtuniteit van de solutie van dit 
vraagstuk. Ook wees hij er op dat Lloyd's aan deze 
beweging vijandig bleef, die, zooals licht te verklaren was, 
door de Engelsche reeders en dispacheurs in hun belang 
tegen het Engelsche recht in het leven geroepen was '). 
Naar aanleiding hiervan hield de heer witgens een 
warm pleidooi voor de noodzakelijkheid eener interna- 
tionale regeling der avarij-grosse, „die misschien het 
meest dringt, omdat men zich daarbij niet altijd be- 
helpen kan met algemeene bepalingen van internationaal 
recht en werkelijk kan komen in onoplosbare moeilijk- 



I) Verg. Handel, d. St.-Gen., 1878—1879 II, bl. 268 en Buil. d. 1. Soc. de 
lég. comp., Febr. 1879, bl. 155, waar de heer Godefroy in de »chronique legis- 
lative" z^ne argumenten tegen de avarij-grosse regeling herhaalt. 



224 

heden.'' Wijzende op liet adres van het Nederlansche 
avarij -grosse comité en op het Denkscfirift^ betreffend 
die intern, gesetzliche Itegelung des Recht' V er hidtnisses 
der Grossen Havarei, lm Au/trage des zu- Berlin domi- 
cUirenden Internationalen Transport- Versicherungs- Ver- 
dandes verfasst von R. ULRICH, kwam hij tot de conclusie 
dat „wel verre dat men zou kunnen zeggen dat hier 
geen opportuniteit bestaat, er de hoogst mogelijke nood- 
zakelijkheid'' bestaat „om het onderwerp hoe eerder 
hoe beter te regelen". Hij toonde aan dat men volstrekt 
niet altijd a priori weet welke de destinatieplaats van 
het schip zal zijn en dat er wel degelijk niet onaan- 
zienlijke geldelijke nadeelen aan den tegenwoordigen 
toestand verbonden zijn, vooral omdat de verzekeraars 
bij ons niet in alles verbonden worden door de dis- 
pache ter destinatieplaats opgemaakt. Hij was het met 
ULRICH (t. a. p. bl. 27v.) eens dat de bestaande misbruiken 
niet door beperking van de avarij-grosse verdwijnen 
zullen, daar de reeder zich altijd zal kunnen dekken 
door de verzekering. Om alle deze redenen meende hij 
dat het oogenblik om in dezen het initiatief te nemen, 
wel degelijk voor ons land was aangebroken '). 

Ook de heer cremers, die het congres te Antwerpen 
had bijgewoond, drong bij de regeering op meerdere 
activiteit aan, en meende dat de Nederlandsche diplo- 
matie in deze nog eene zeer werkzame, nuttige en 
eervolle taak had te vervullen '). 



1) Hand. t. a. p. bl. 270 en 271. Redevoeringen in de 2de Kamer St.-6eii. 
door Mr. Wintgens, 1877—1879, bl. 323 v. 

2) Hand. t. a. p. bl. 275. In dezelfde zitting besloot de Tweede Kamer nog 



225 

In antwoord op deze vertoogen beloofde de Minister 
van Buitenlandsche Zaken, yan heekeren yan kell, 
dat de woorden van de Memorie van Beantwoording 
geen zinledige phrase zouden blijven, terwijl zijn ambt- 
genoot van Justitie, de heer smidt, verklaarde het met 
den heer wintgens eens te zijn, dat de regeling van 
het avarij -grosse recht voor die van het wisselrecht 
(waaraan de heer godefroi de prioriteit wilde toeken- 
nen) moest gaan, omdat de regeling van het eerste al 
voorbereid was. Bovendien gaf hij de verzekering, dat 
de regeering de zaak voor als nog volstrekt niet zou 
laten rusten '). 

Repliceerende verzocht de heer godefroi de regeering 
nog, bij de overweging van dit vraagstuk ook aan zijne 
dubia een welwillend oor te willen leenen ^). 

In het voorloopig verslag der Eerste Kamer over 
hetzelfde hoofdstuk der begrooting kwam deze quaestie 
ook weer ter sprake. Wij lezen ') daar : „ Inzonderheid 
met het oog op de daaromtrent bestaande bepalingen 
in Groot-Britannië wenschten eenige leden bij de regee- 
ring aan te dringen op het tot stand brengen eener 
internationale regeling der avarij-grosse.'' De Memorie 



een adres van de Ned. Afd. der Associaüon for the Reform and Codification 
of the Laios of Nations, waarin haar verzocht werd om hare goedkeuring en 
bekrachtiging te geven aan voorstellen, eventueel door de regeering te doen 
om het Wetboek van Koophandel in overeenstemming met de York-Antwerp- 
Snles te brengen en om de internationale regeling van het onderwerp te be- 
vorderen, ter griffie ter inzage der leden te doen deponeeren. 

1) Hand. t. a. p. hl. 270 en 277. 

2) Hand. t, a. p. hl. 277 en 278. 

3) Hand. t. a. p. I bl. 70. 

15 



226 

van Beantwoording behelsde het volgende antwoord 
der regeering: „Uit de gedachten wisseling in de zitting 
der Tweede Kamer van 5 Deo. jl. over internationale 
regeling der avarij -grosse is gebleken, dat de regeering 
deze aangelegenheid ter harte neemt. Nopens den stand 
der zaak wordt verwezen naar het gezegde in § 12 
der Memorie van Beantwoording op het voorloopig 
verslag dier Kamer" '). 

Bij de hierop volgende algem^ene beraadslagingen 
over dit Hoofdstuk nam de heer borsius het woord, 
omdat er dat jaar in de Memorie van Beantwoording 
niet over het initiatief der regeering wordt gesproken, 
zooals dit het vorige jaar het geval was geweest. Om 
toch het belang daarvan aan te toonen bracht hij het 
arrest van den Hoogen Raad van 13 Dec, 1878 in 
herinnering, waarbij de cassatie verworpen werd tegen 
een arrest van het hof van 'sGravenhage van 11 
Februari 1878 ^), waarin beslist was dat de dispache 
in het buitenland overeenkomstig het daar bestaande 
recht opgemaakt, wel uitmaakt welke schade en voor 
welk bedrag deze avarij-grosse is, maar geenzins op 
welk object de avarij moet verhaald worden, dat dus 
in casu, omdat de dispache te Melbourne volgens 
Engelsch recht opgemaakt was, de kosten van weder- 
inlading der lading in de noodhaven en de uitgaande 



1) Hand. t. a. p. I. bl. 81. 

2) Hierbij werd vernietigd een vonnis van de rechtbank te Rotterdam vaa 
28 Febr. 1877. Zie R. B. 1878, Afd. B, bl. 26 en 1879, Afd. B. bl. 46 t., 
alsmede W. n». 4209 en 4320. Ned. Rspr. d. 120, $ 26, bl. 192 en v. d.H., 
B. R. d. 43, uo. 1617, bl. 391. 



227 

havenkosten, benevens de gagie en het onderhoud der 
bemanning gedurende het verblijf in die haven, wel 
geen avarij-grosse waren, dus niet ook als avarij -grosse 
door den reeder van den verzekeraar op de bruto-vracht 
penningen ') terug gevorderd konden worden, maar 
evenmin avarij-particulier uitmaakten en als zoodanig 
van den verzekeraar gevorderd worden, omdat ze dit 
volgens onze wet niet zijn. Het oogenblik was volgens 
spreker met het oog op de Engelsche toestanden bij 
uitstek gunstig, om het initiatief te nemen, vooral 
omdat men het over de wenschelijkheid der invoering 
volkomen eens was. „Het eenige punt van verschil is 
de modus quo. De Nederlandsche Afdeeling der Yer- 
eeniging tot Hervorming en Codificatie van het Yolken- 
recht wenscht eerst verandering van ons Wetboek van 
Koophandel en dan aandringen bij andere naties op 
het volgen van dat voorbeeld. Het Nationale Comité 
ter bevordering van de Internationale Avarij-Grosse 
regeling wenscht daarentegen eerst eenheid met andere 
naties te verkrijgen, en die verkregen de wet te wijzi- 
gen." Ook spreker wilde eerst langs diplomatieken weg 
eenheid zien te verkrijgen en dan wetswijziging en 
drong er op aan dat Nederland het initiatief zoude 
nemen ^). 

De Minister van heekeren van kell beantwoordde 
hem en verklaarde daarbij dat het initiatief door de 



J) Ik zeg met opzet „bruto vracht penningen/*' omdat ik meen, dat als de 
verzekering op netto vracht-penningen was gedaan de beslissing anders had 
moeten wezen. 

2) Hand. t. a. p. bl. 95. 



228 

regeering in . dezen nog niet genomen werd, omdat 
de zaak daarvoor nog niet genoegzaam was voor- 
bereid '). 

Al meende de regeering dat de tijd tot handelend 
optreden in dezen nog niet gekomen v^as, tocli bleef 
zij steeds van de zaak gesaisisseerd. Ook in het voor- 
loopig verslag der Tweede Kamer over Hoofdstuk 
III der Staatsbegrooting voor 1880 werd zij weder 
aangeroerd. Blijkens hare Memorie van Beantwoording 
heeft de regeering echter in den loop der beweging nog 
geene aanleiding kunnen vinden om van hare tot dus 
verre gevolgde gedragslijn af te wijken en zal zij voor- 
loopig nog eene afwachtende houding blijven aannemen. 
Zij zegt hierin ten minste: „De regeering volgt met 
groote belangstelling de beweging tot het erlangen van 
uniformiteit op het gebied van handels- en zeerecht, 
maar vindt vooralsnog geene aanleiding om het initia- 
tief te nemen voor het avarij -grosse recht. Terwijl dit 
vraagstuk ook in Engeland en in Duitschland door eene 
speciale commissie ernstig onderzocht wordt, is onze 
regeering bereid om tot de regeling daarvan eventueel 
hare medewerking te verleenen/' Dat hare opinie nog 
niet veranderd is blijkt uit de verklaring in Jan. jl. 
door de Minister van lijnden in de Eerste Kamer 
afgelegd. Hij zeide toen: „de internationale regehng 
van 't wisselrecht wordt voorbereid, en ten aanzien 
van eene regeling der avarij -grosse kan de Regeering 
eerst optreden, als de belanghebbende partijen het eens 



1) Haad. t. a. p. bl. 97. 



229 

zijn. Er is wel eene schrede voorwaarts gedaan, maar 
de vraag is, of niet ook 't bevrachtingsrecht vooraf of 
gelijktijdig behoort geregeld te worden." 

Al zal de zaak bij ons dus voorloopig nog een 
particulier karakter blijven dragen, zoo heb ik toch 
gemeend den inhoud der gewisselde stukken en ge- 
voerde discussies eenigzins uitvoerig te moeten mede- 
deelen, daar het, bij de geschiedenis der internationale 
avarij-grosse beweging, vooral voor ons van belang is 
te weten in hoeverre ons land ook van officiëele zijde 
daaraan- heeft deelgenomen. 

Welke resultaten wij aan de bemoeiingen der ge- 
interresseerden zelven te danken hebben zij hier nu in 
het kort vermeld. 

Yerleden jaar was men reeds zoo ver gevorderd, dat 
de heer rahusen op de vergadering der Vereeniging 
tot Hervorming en Codificatie van het Volkenrecht in 
Augustus 1879 te Londen gehouden, waar hij voor- 
namentlijk namens Nederland het woord voerde, kon 
mededeelen, dat de belanghebbenden in Nederland de 
Rules gaarne in toepassing zouden brengen, en met 
verlangen hare algemeene toepassing tegemoet zien. 
Hier staat wel tegenover dat eenige dagen later, den 
208ten Augustus, vau wege den secretaris van Lloyd's 
eene circulaire rondgedeeld werd, die een bericht be- 
helsde van een HoUandschen correspondent van Lloyd's, 
waarin medegedeeld wordt dat de Amsterdamsche ver- 
zekeraars den Rules geheel ongezind zijn en veel liever 
de Engelsche praktijk algemeen toegepast zouden zien. 

Dit bericht, in minder parlementairen stijl vervat. 



230 

moge te sterk gekleurd zijn, feitelijk is het toch waar 
dat de Amsterdamsche verzekeraars zich tot nog toe 
niet officieel aan de beweging hebben aangesloten. Ook 
is de polis met de York-Antwerpsche clausule op de 
Amsterdamsche beurs nog niet in gebruik. 

De reeders schijnen daarentegen met de nieuwe rege- 
ling zeer ingenomen te zijn. Den 12 Nov. 1879 hield 
namelijk de permanente commissie uit de Amsterdamsche 
reederijen eene algemeene vergadering met heeren ree- 
ders, waarop o. a., naar aanleiding eener missive van het 
Nederlandsche comité, de vraag behandeld werd, of de 
Amsterdamsche reederyen het voorbeeld in Engeland 
gegeven zouden volgen, en in hare cognossementen en 
chertepartijen de clausule opnemen: Avarij-grosse te 
regelen naar de bepalingen van York en Antwerpen. 
Mr. RAHUSEK leidde het debat hierover in. Nadat deze 
een zeer zaakrijk en warm pleidooi voor de Rules ge- 
houden had en de wenschelijkheid van hunne toepas- 
sing en de voordeden daaraan verbonden in het licht 
had gesteld, werd na eenige discussie met algemeene 
stemmen de volgende motie aangenomen: 

„De Amsterdamsche reederijen achten het zeer wen- 
schelijk dat de York-Antwerp-Rules algemeen ingang 
vinden, en zullen zij zooveel mogelijk trachten om in 
chertepartijen en cognossementen de clausule „avarij- 
grosse regeling volgens York- Antwerpen" te doen op- 
nemen' ' '). 

De invoering der York-Antwerp-Rules in de praktijk 



]) Haudclsblud vau 13 Nuvcmbcr. N. llott. Courant vau 14 Nov. 



231 

kunnen wij dus wat Amsterdam betreft vrijwel als een 
voldongen feit beschouwen, terwijl men, naar men mij 
van bevoegde zijde verzekerd heeft, van Rotterdam 
spoedig hetzelfde zal kunnen zeggen. 

Duitschland. Ook hier bijna hetzelfde verloop der 
beweging. Eerst verschillende adressen aan de regeering, 
vervolgens, in afwachting van de handelingen der re- 
geering, practische toepassing door middel van clausules. 

Den 30 October 1877 richtte de Duitsche afdeeling 
der Vereeniging tot Hervorming en Codificatie van het 
Volkenrecht een adres aan den Kanselier van het 
Duitsche Rijk, Vorst von Bismarck, waarvan de con- 
clusie luidde, dat de afdeeling hem verzocht: „mitden 
verschiedenen Seestaten und vornehmlich mit England 
Verhandlungen anzuknüpfen, zu dem Zwecke, eine 
internationale Regelung der Havarie-grosse etwa im 
"Wege der Berufung von Sachverstandigen der ver- 
schiedenen Seestaaten behufs nochmaliger Vorprüfung 
und Erganzung der angenommenen Gründsatze — 
herbei zu führen, falls eine solche in genereller Weise aber 
scheiteren soUte, wenigstens für Aufnahme der betref- 
fenden Rules in die Einzelgesetzgebungen zu wirken" *). 

Het bestuur van de te Berlijn gevestigde Internationale 
Transport- verzekerings- vereeniging leverde eenigen tijd 
later (den 16 Maart 1878) eene petitie^) bij den rijks- 
dag in om zijne medewerking te verzoeken tot veran- 



1) Het adres met bijlage is te vinden in het Denksclirift van Ulrich. Zie 
Dr. Franek, Bericht etc. bl. 26. 

2) Deze petitie ging vergezeld van het bekende Denkschrift van R*. Ulrich. 
Zie Dr. Franek, Bericht bl. 26. 



232 

dering van het Algemeene Duitsche Handelswetboek in 
den geest der York- and Antwerp-Rules, terwijl eindelijk 
de gedelegeerden van de Xoord-Duitsche zeehavens en 
handelsplaatsen een adres tot de regeering richtten, 
waarin op de aanneming der Rules aangedrongen wordt *). 
Op instigatie van de Duitsche afdeeling der „Asso- 
ciation" werd door de Kamer van Koophandel te 
te Bremen in November van dat zelfde jaar eene cir- 
culaire afgezonden, waarin alle Duitsche belangheb- 
benden bij de scheepvaart verzocht worden, om in 
afwachting van nadere wettelijke regeling, in de cherte- 
partijen en cognossementen de clausule op te nemen: 
GroHHc Ilavarie ist vorkommenden Falies in Gemdsz/ieit 
der York and Antwerp Rules zu reguliren. en in de 
polissen van verzekering de clausule: Grosse Havarie 
soll in Gcmaszheit der York and Antwerp Rules regu- 
lirt toerden, wenn die Absicht^ èine solche Regulirung 
eintreten zu lassen^ in den Konnossenienten oder Ckar- 
tepartien bei oder vor dem Beginn der Reise aus- 
gedrdckt isf^ '). De Noord-Duitsche Lloyd heeft aan 
deze uitnoodiging dadelijk gevolg gegeven, blijkens 
eene bekendmaking van hare directie, dato 12 Dee. 
1878, dat zij te beginnen met 1 Jan. 1879 in hare 
cognossementen de bedoelde clausule zou opnemen '). 



1) Off. Ferslag van de vergadering der Ass. te Frankfort a/d. M. bl. 54. Zeits. 
f. d. ges. Handelsr., XXIV. N. F., IX, bl. 493 v. 

2) Deze circulaire, die hoofdzakelijk eene vergelijking tusscben de York and 
Antwerp Rnles en de bepalingen van bet Duitsche Handelswetboek bevat, is 
opgenomen in: Annalen des gesammteu Versicherungswesen, 1879, n^. 8 en 9. 
Verg. Dr. Franck, Bericht etc. bl. 29. 

3) Z. f. d. g. H., t. a. p., bl. 494. 



233 

Naar aanleiding van eene onlangs gehouden vergadering 
van de vereeniging van Bremen zee-verzekerings-maat- 
schappijen zal dit jaar (1880) ook in de polissen de 
clausule: Grosze Havarei in vorkommenden Fallen nach 
York and Antwerp Rules zu regutiren gevoegd worden '). 
Evenzoo heeft de Vereeniging van Hamburgsche 
verzekeraars bekend gemaakt, dat door hen, volgens 
een den 16 Dec. 1878 genomen besluit, de clausule: 
Havarie-grosse zu vergüten^ auch wmn 1 °/^ and dar- 
unter, und toird auch Dispac/drung nach York-Antwerp- 
Rules anerkaunt, wenn in den Fr acht- Contracten aus- 
bedungen in de polissen zal worden opgenomen *). 
Blijkens eene circulaire van de Duitsche Afdeeling 
der „Association,'' dato 29 April 1879, hebben bijna 
alle reeders uit Bremen eene verklaring onderteekend 
om in het vervolg in hunne cognossementen en cherte- 
partijen de clausule: Allgemeine Havarie entretenden 
FaUes in Gemdszheit der York and Antwerp Rules zu 
regeln desverkiezend in te zullen lasschen. Verder 
hebben zich de „ Kaufmanschaff' van Hamburg en 
Berlijn, alsmede de verzekeringsmaatschappijen te Stet- 
tin, bij de beweging aangesloten, in vergaderingen, 
met dat doel belegd, verschillende resoluties aangeno- 
men om hunne ingenomenheid met de York- and Ant- 
werp-Rules te betuigen, en besloten om de invoering 
er van door middel van clausules te bevorderen '). In 



1) Schneider, Seereclitliclie Fragen bl. 74. 

2) Dr. Franck, Bericht etc. bl. 29. 

3) Zie Fritsch, Ann. d. g. Versicherangsw., t. a. p., ii^. 8 en n^. 15. Dr. 
Franck, Bericht etc, bl. 61. 



234 

denzelfden geest hebben de reederijen en verzekeraars 
van Altona zich verklaard *). 

Ook de regeering heeft zich met de zaak onledig 
gehouden, ten minste is door den Bondsraad aan de 
technische commissie voor de zeescheepvaart opgedra- 
gen het vraagstuk der internationale regeling nader te 
onderzoeken. In hare zittingen van 27 Februari en 3 
Maart 1879 heeft deze commissie vier besluiten ge- 
nomen, die in hoofdzaak hierop neerkomen: 

dat in het belang van den zeehandel het avarij-grosse 
recht als onontbeerlijk beschouwd moet worden, en 

dat eene internationale regeling op grondslag der 
York and Antwerp Rules zeer wenscheljjk is. 

In het bizonder slaat zij verschillende amendementen 
op en eene uitbreiding van de Rules voor '). 

België. In dit land heeft de „Société Commerciale 
et Industrielle" van Antwerpen zich aan het hoofd 
der beweging gesteld. Een door haar benoemd comité, 
bestaande uit de heeren, th. c. engels, e. van peborgh 
en G. BERDOLT, heeft zich overeenkomstig ontvangen 
opdracht, tot den minister van Justitie gewend om eene 
wijziging van den „Code de Commerce" uit te lokken 
en van dezen een welwillend antwoord ontvangen, met 
belofte dat de zaak onderzocht zal worden; terwijl 
den 10 Februari 1879, met algemeene stemmen, een 

1) Congres te Londen 1879. Verslag van Mr. Dutilh. 

2) Z. f. d. g. H. t. a. p., bl. 494 noot en 528 v. De text der genomen 
besluiten in Fritsch. Ann. d. g. Versicher. 1879, n^. 15. Een uitvoerig verslag 
van de werkzaamheden der commissie, benevens eene critiek van bare beslaiten 
geeft Dr. Franck in zijn Bericht etc. bl. 26, 31, vlgg. 62 vlgg. 



235 

door de commissie, door haar belast met het onderzoe- 
ken van de beste maatregelen tot invoering van de York- 
and Antwerp-Rules, aangeboden verslag aangenomen 
werd, waarin der Société aanbevolen wordt, het initiatief 
te nemen ten einde ook in België aan de in Engeland 
gebruikelijke clausule het burgerrecht te verschaffen *). 
Frankrijk en Italië. Wat de toestand in deze landen 
aangaat, a. de courcy schetst die in zijn uitstekend 
werk, „Questions de droit Maritime" in de volgende 
woorden: „La France et Tltalie sont restées presque 
indifférentes k ce mouvement. On s'en étonne dans Ie 
nord et aux Etats-Unis. Je ne serais pas surprisqu'on 
fit k cette occasion d'ethnologie en accusant de Tinertie 
dont on se plaint Ie sang des races latines. La vraie 
raison k moins de profondeur. Les armateurs de la France 
et de ritalie sont en possession d'une législation qui 
favorise les armateurs en ne les faisant contribuer que 
pour la moitié de la valeur des navires. On ne peut 
pas leur demander beaucoup de zèle pour repousser 
cette faveur. Les assureurs, garantissant tantót des 
navires et tantót des cargaisons, estiment qu'ils ontun 
assez médiocre intérêt k la question. Ce qu'ils payent en 
plus d'un cóté, ils Ie payent en moins d'un autre. 
Les chargeurs de marchandises étant presque tons assu- 
rés se trouvent sans intérêt et ne se remueront pas 
pour une theorie. Les practiciens, en fort petit nombre 
parmi nous, qui ont étudié les régies dTork et d'An- 
vers, souhaitent sincèrement la propagation de ces 

1) Dit verslag is opgenomen in Fritsch, Ann. d. g. Versicherungsw., t. a. p , 
n». 15. 



236 

règles. Il ne se sentent pas portes k de grands efforte 
pour obtenir des chambres frangaises, sur un point par- 
ticulier, une réforme qui serait désagréable k nos ar- 
mateurs et k nos capitaines et qui bouleverserait des 
habitudes plusieurs fois séculaires. 

Il faut donc que Tassociation du nord en prenne 
son parti, elle reneontrera par mi nous un concours peu 
impressé. C'est déjk beaucoup et il doit lui suffire de 
ne pas rencontrer d'opposition" (2^« serie, bl. 267 v.). 

Het hier medegedeelde werd geheel bevestigd door 
den advocaat M. E. clunet, uit Parijs, op het laatste 
congres te Londen. 

Alleen de Kamer van Koophandel te Lyon heeft 
hare adhaesie aan de Rules geschonken. 

Uit een en ander blijkt echter dat van deze beide 
landen voor de internationale regeling door middel van 
private overeenkomsten niet veel te hopen is. 

Zweden en Noorwegen. In deze landen hebben de 
York-Antwerp-Rules eene bijna algemeene instemming 
gevonden, zoowel bij de reeders als bij de verzekeraars 
en verzekeringsmaatschappijen. In Noorwegen alleen 
worden de Rules door middel van clausules reeds door 
een 200tal reeders en een groot aantal verzekerings- 
maatschappijen toegepast '). 

Denemarken. De reeders en assurantiemaatschappijen in 
dit land hebben eene resolutie aangenomen, waarbij zij 
hunne instemming met de York-Antwerp Rules betuigen 
en de invoering en de toepassing daarvan aanbevelen, 

1) Why the York-Antwerp Rules ought to bc rejected by „Common Sense" 
bl. 42 en 53. 



237 

behalve waar zij strijden tegen reeds bestaande rechten '). 

Rusland, Oostenrijk, Hongarije, Zwitserland. Alhier 
hebben sommigen der grootste verzekeringsmaatschap- 
pijen, zooals de Russische Lloyd te St. Petersburg, de 
Jakob verzekerings-vereeniging te Moskou, de verzeke- 
rings-vereenigingen van Weenen en Triest, die van 
Basel, en de Zwitsersche Lloyd, de York-Antwerp 
Rules bij de regeling der avarij-grosse erkend. 

Vereenigde Staten van Noord-Amerika. De verzeke- 
raars van New- York, Boston, Phiadelphia en St. Fran- 
cisco hebben besloten de clausule GeneraUAverage 
payable as per foreign adjustnient (or custom) or Yorh 
and Antwerp Holes in hunne polissen op te nemen. 
Evenzoo hebben meer dan honderd groote reederijen 
besloten de York-Antwerp-Clausule in hunne cherte- 
partijen en cognossementen op te nemen. Overigens 
schijnt men het in New-York nog lang niet eens te 
zijn over de Rules, daar in eene vergadering van de 
Kamer van Koophandel dier stad, den 5 Dec. 1878 
gehouden, door de meerderheid van het avarij-grosse 
comité dier Kamer een rapport werd ingediend, dat 
een zeer vijandigen geest tegen de Rules ademde en 
de clausule tot toepassing daarvan ten hoogste af- 
keurde, terwijl daarentegen het lid, dat de minderheid 
vormde, even gedecideerd voor de Rules in de bres 
sprong \ Ook de Kamer van Koophandel te St. Fran- 
cisco verklaarde zich tegen de Rules. De Board of Trade 



1) Verslag v. h. Congres te Londen door Mr. Dntilh, bl. 6. 

2) In de boven aangehaalde brochare van „Common Sense" vindt men het 
rapport der meerderheid zoowel als dat der minderheid als bglage afgedrukt. 



238 

te Baltimore betuigde daarentegen hare instemming. 
In de Britsche koloniën in de verschillende wereld- 
deelen hebben de Rules bijna overal een gunstig ont- 
haal gevonden. 

In het kort het hier medegedeelde resumeerende, 
kunnen wij van den stand der beweging ophetoogen- 
blik zeggen, dat eene meerder of minder algemeene 
toepassing der regels in de praktijk door middel van 
clausules in cognossementen, chertepartijen en polissen 
verkregen is in Engeland, Nederland, Duitschland, 
Zweden, Noorwegen, de Vereenigde Staten en de Brit- 
sche koloniën in Noord- Amerika, terwijl deze wordt 
voorbereid in België, Rusland, Oostenrijk, Zwitserland, 
Denemarken en de Britsche koloniën in Azië en 
Australië. Verder zijn wel enkele gouvernementen van 
de zaak gesaisisseerd maar van deze zijde is nog 
weinig hulp voor de regeling te verwachten. 

De geschiedenis leert ons dus dat de in 1860 be- 
gonnnen beweging betrekkelijk slechts geringe, maar 
met het oog op de zware taak, die zij zich op de 
schouders had gelegd, niet onbelangrijke vruchten heeft 
gedragen. 

Moge hare toekomst, en ik meen te mogen voor- 
onderstellen dat dit geene ijdele hoop zal zijn, glans- 
rijker zijn dan haar verleden en haar heden en ons 
schenken, wat steeds haar doel moet blijven, eene 
zoo volledig mogelijke internationale regeling van het 
avarij -grosse recht. 



DERDE HOOFDSTUK. 



Algemeene beschouwingen over de York-Antwerp Rules. 



Op het congres te Glasgow werden o. a. twee be- 
sluiten genomen luidende: 

That the Draft BUI as now amended in congress, ought in the 
opinion of this congress, to be the basis of International General 
Average Law. 

That in order to carry out this object Associations should be 
formed or other measures taken in each of the Countries represen- 
ted in congress, and in other Countries where practicable, for the 
purpose of causing this bill to becorae the law and practice of 
such country. 

Evenzoo werd er na het congres te Antwerpen door 
de verschillende locale comité's der Association, zoo- 
als wij reeds gelegenheid hadden op te merken, bij 
hunne respectieve regeeringen op aangedrongen om de 
wetgevingen in overeenstemming met de York- and 
Antwerp-Rules te brengen. 



240 

Het is dus duidelijk dat de leiders der beweging 
meenden, dat deze eerst te York aangenomen en 
later te Antwerpen herziene regels eene voldoende in- 
ternationale regeling van het avarij -grosse recht inhiel- 
den, en dat zij overtuigd waren van de welwillend- ii 
heid der verschillende regeeringen om, zoo er geen || 
bepaalde internationale overeenkomst kon getroffen Ji 
worden, deze regels ieder afzonderlijk in hun land tot \i 
wet te verheffen. Inderdaad verklaarde dan ook de ;^ 
heer wendt het eerste ipsis verbis in zijne rede tot i 
opening van het congres te York. Hij zeide immers: i| 
„for our purpose, I mean for the establishment of i) 
international uniformity, it will suffice that the im- :il 
portant principles proposed in our draft bill should be -i' 
agreed upon and carried into effect'' '). DitzeKde blijkt 'j 
implicite uit alle adressen waarin op aanneming der 
Rules wordt aangedrongen, want wie zou dit doen 
wanneer hij niet overtuigd was dat de Rules vol- 
doende zijn om het beoogde doel, de internationale 
gelijkvormigheid, te bereiken. 

Laat deze meening zich echter rechtvaardigen met 
het oog op de innerlijke waarde der York and Ant- 
werp Rules zelve? Ik meen van neen, en geloof dat 
de gunstige opinie over deze Rules, in zooverre name- 
lijk dat ze eene voldoende regeling van het avarij- 
grosse recht zouden bevatten, eensdeels is toe te schrg- 
ven aan eene zekere vooringenomenheid van de auteurs 
met dit hun werk, anderdeels daaraan, dat men altgd 



1) Officieel Report van het congres te Glasgow, Appendix A, bl. 52. 



241 

^eneigd is om dat voor werkelijkheid te houden, wat 
en gaarne zou wenschen dat werkelijkheid was. Maar 

Msteld dat de Rules in dit opzicht allezins voldoende 

r^ (des neen), dan doet zich nog de vraag voor: is de 
^jdlf dien men tot nu toe hoofdzakelijk heeft ingeslagen 
lai de geschiktste om tot eene internationale wetgeving 
DBegit eene internationale wet en niet de verandering der 
Bke gillende wetgevingen in denzelfden zin is toch al- 
llgn ijt einddoel geweest) op grondslag van de door de 
<iJBred lillende congressen vastgestelde regels te geraken ? 

(jlKpetflit meen ik ontkennend te móeten beantwoorden 
itrfvera^>p deze bewering voldoende te kunnen staven. 
'"oJigheóreerst dan de beantwoording der vraag of de 
jJüe dTd der York- and Antwerp-Rules van dien aard 
^t, it zij eene voldoende internationale regeling van 

naH avarij -grosse recht bevatten, of ten minste eene 
wetswijziging van de handels wetboeken der verschil- 
lende landen wenschelijk doet worden. Reeds door de 
Rules eens over te lezen moet men, dunkt mij, wel 
tot de overtuiging komen dat zij geheel ongeschikt zijn 
om te dienen als wettelijke regeling. Wat men hier 
moge vinden geen zweem van een stelsel, van eene 
leidende gedachte, van een plan, waarvan de regels de 
uitdrukking zouden moeten zijn. Zij staan integendeel 
met elkander niet in het minste verband, daar elke regel 
eene speciale bepaling bevat voor een speciaal geval, 
zonder dat ergens een algemeen beginsel wordt gegeven. 
Zoo bepaalt de eerste regel niet dat werping behalve 
van deklading avarij -grosse, maar integendeel dat wer- 
ping van deklading avarij-particulier is. In de wet of bij 



242 

internationale regeling zou toch zeker het eerste moete 
staan. Rule II spreekt van waterschade, en van bree 
schade ten gevolge van verstoring der stuwaadje, aan 
lading ter zake van de werping overkomen. Dus 
van twee speciale gevallen, waar nog zoo vele an 
kunnen voorkomen, die allen hetzeKde karakter dr 
Bijv. men plaatst, om bij zware goederen te k 
komen, die men werpen wil, andere maar kostba^ 
op het dek, welke beschadigd of over boord g^ de 
worden. Waarom, mag men vragen, geen alg(» tot 
bepaling zooals deze: elke schade door schip eniners: 
geleden als noodzakelijk en te voorzien (onver mij^t of ?i) 
gevolg ') van de werping is avarij -grosse? Dai im- jiÜ 
men ten minste een' juisten regel, waaraan mSd be 'm 
voorkomend geval kon toetsen, terwijl nu vaflgkt \\i 
schade aan het schip toegebracht om de werping 4^r f 
makkelijker te maken, wat zeer dikwijls voorkomt, 
geheel gezwegen wordt. Men scheen het „eadem ratio, 
idem jus*' speciaal bij dezen regel vergeten te zijn, 
want bij den volgenden deed men juist het omgekeerde 
en spreekt men zeer uitvoerig en omslachtig van schade 
aan schip of lading of aan beide toegebracht. Weleen 
bewijs dat hier geen schijn of schaduw van een systeem 
bestaat. Regel V behandelt de vrijwillige stranding, een 
der moeilijkste vraagstukken van het avarij -grosse recht, 
beslist echter niets omtrent alle gevallen van stranding 
om redenen niet met name in dezen regel genoemden 



1) Er moet een oorzakelijk verband (Kaasalzasammenbiang) met de ayarg 
grosse handeling bestaan. 



Z'écÖ 



geeft dus slechts eene halve beslissing. Dat prangen geen 
avarij-grosse meer zal zijn, constateert regel VI, maar 
\ merkt de courcy ') terecht aan: „Je m'étonne que les 
i rédacteurs, oubliant Tépoque oü ils écrivaient, n'aient pas 
I' ajouté: ou un forcement de vapeur. C'est une lacune 
I manifeste, que saurait sans doute combler l'interprétation." 
lm Regel VII en VIII, die de cardo quaestionis, de eigen- 
wlijke reden van de geheele beweging, moesten oplossen, 
[iKJdjn zoo vaag mogelijk: „When a ship shall have en- 
Bcltered a port of refuge under such circumstances that the 
c (tepenseö of entering the port are admissible as general 
lUKliverage" luidt de aanhef. Maar welke zijn die omstan- 
V'oijSigheden ? Dit zal geheel afhangen van de beslissing 
iQi^e de dispacheur in concreto geeft, waaruit echter volgt 
, idatj als deze regels tot wet verheven worden, de inter- 
ik nationale gelijkvormigheid tot de vrome wenschen zal 
blijken te behooren ^). Evenmin heeft men er aan gedacht 
om te bepalen wanneer de kosten van ontlossing avarij- 
grosse zijn. Ook de volgende regel, hoe goed overigens 
zijn inhoud moge zijn, zal nooit gelijkvormigheid in het 
het recht kunnen scheppen, zoo lang de vracht niet in 
alle landen op denzelfden voet is geregeld. En hoeveel 
verschil er in het vrachtrecht bestaat, daaraan zal ik 
wel niet behoeven te herinneren. Ook hier staat een 
continentaal stelsel, dat van de pro rata vracht, tegenover 
een Engelsch, in dit opzicht echter veel beter stelsel, dat 



1) Q. de dr. mar. II. bl. 272. 

2) Verg. Schneider, Seer. Fragen, bl. 50, waar hij met zijn gewoue scherpte 
deze regels veroordeelt. 



244 

slechts vracht toelaat Yoor zooverre de schipper de 
lading behouden ter bestemmingsplaats aflevert '). Nadat, 
met het doel om ook voor dit belangrijke deel van het 
zeerecht gelijkvormigheid te verkrijgen, in 1865, een 
congres te Shefl&eld gehouden was, is deze zaak echter 
tot nu toe blijven sluimeren. Eerst op de vergadering 
der Vereeniging tot Hervorming en Codificatie van het 
Volkenrecht te Londen in 1879 gehouden, werd de 
behandeling van het vrachtrecht en de Sheffield-rules 
weer opgenomen en commissoriaal gemaakt, zoodat wij 
op de volgende vergadering dier vereeniging eene dis- 
cussie over die onderwerpen mogen verwachten. 

Indien wij dus gedwongen worden de regels op zich 
zelven reeds van onvolledigheid te beschuldigen, hoe- 
veel te meer springt dit in het oog indien wij ze als 
een geheel beschouwen, en dan nagaan hoeveel quaesties 
ze nog onopgelost laten. 

Eene algemeene definitie, die, niettegenstaande haar 
nadeelen, in eene wet onmisbaar is, trachtte men op 
het congres te Antwerpen te vergeefs te doen aanne- 
men *). Het is zeer te betreuren dat eveneens alle overige 



1) Op het avarij'grosse congres te Glasgow kwam na afloop der werkzaam* 
heden, ook het vrachtrecht ter sprake, wat tot een internationaal vrachtcongres, 
in 1865 te Shefileld gehouden, aanleiding gaf. Er werden tien regels aangeno* 
men, voornamelijk de afschaffing van elke pro rata vracht vaststellende. Zie 
Bijlage F. 

2) Het nadeel van eene algemeene definitie hestaat voornamelgk daarin, dat 
het hijna onmogelijk is er eene te maken die zoo daidelgk en juist mogelp 
en tevens zoo coucis is, dat z^ aan de chicane geest en eene verkeerde wets* 
interpretatie de gelegenheid heueemt, om het recht buiten zgne grenzen uitte 



^ 245 

pogingen om over nog meer dan deze twaalf punten 
tot overeenstemming te geraken zoowel op het Congres 
te Antwerpen, als op dat hetwelk laatstelijk te Londen 
gehouden werd, schipbreuk geleden hebben. Neen, het 
is zeker geen onverdiend verwijt, wanneer wij de Ant- 
werp Rules ongeschikt achten om, zoo als ze nu luiden, 
dienst te doen als internationale avarij-grosse wet. Men 
kan gerust zeggen dat de boven aangehaalde woorden 
uit het openingsverlag van het congres te York een 
hersenschimmig idee zoo geen dwaasheid bevatten ^). 
Aan den anderen kant kunnen wij met genoegen con- 
stateeren dat de belanghebbenden zelve bij de beweging, 
vooral in de laatste jaren, de waarheid van het hier- 
boven gezegde hoe langer hoe meer beginnen in te zien 
en het denkbeeld dat de York- and Antwerp-Rules eene 
voldoende regeling bevatten, grootendeels hebben opge- 
geven. Het is genoeg tot illustratie hiervan de volgende 
woorden uit verschillende op de beweging betrekking 
hebbende stukken te citeeren. 

Vooreerst de Promemoria van de Bremer Kamer van 
Koophandel bij haar bovenbesproken ') circulaire. Men 



breiden. Een waarschuwend voorbeeld zijn in dit opzicht art. 699 n**. 28 van 
ons W. V. K. en art. 400 i. f. C. de Commerce. 

Eene algemeene definitie kan echter niet gemist worden omdat de wet 
onmogelijk eene volledige opstelling b.v. van alle voorkomende avarij-grossi 
schaden kan bevatten. 

1) De heer Rahnsen beschouwde, blijkens zijn verslag in M. v. H. 1866 
bl. 17, reeds in dat jaar de „ York-Rules*' slechts als een* tgdelijken en voor- 
loopigen maatregel in afwachting van een nader tot stand te komen inter- 
nationaal wetboek. 

2) Vide supra bl. 232. 



246 

leest daar: ^ Vorauszuschicken ist, dass die 12 in 
Antwerpen angenommenen Regeln nicht beabsichtigen 
die in Friige stehende Materie zu erschopfen, viel 
mehr nur eine Reihe besonders praktischer Einzelfalle 
entscheiden wollen'* '), en in het bijschrift : ^Diebereits 
erwiihnten York- and Antwerp-Rules stellen sich nun 
als ein Compromiss der hauptsachlich in Frage kom- 
menden Ilavarie-grossesysteme dar" '). Ook in het adres 
van de Duitsche afdeeling der Associatio7i for the Be- 
fonii and Codificalioti of the Law of Nations^ heet het : 
„ Dass für die eventuellen Verhandlungen die bis jetzt 
vorliegende Resul tate nicht den Anspruch erheben 
können, als maasgebend im spateren Stadium der Be- 
ra thungen zu gelten, ist selbstredend." Het beste bewijs 
hiervoor zijn bovendien de pogingen die men te Ant- 
werpen van Duitsche zijde tot uitbreiding der Rules 
maakte, en hetgeen te Londen door de meeste leden 
van het congres aldaar gesproken werd '). 

Terwijl men dus vrij algemeen tot de erkenning 
gekomen is dat de York- and Antwerp-Rules volstrekt 
^QQXi voldoende regeling bevatten, wordt er desniet- 
tegenstaande, vooral in den laatsten tijd, meer en meer 
op aangedrongen om de wetgevingen van de verschil- 
lende landen in overeenstemming met de Rules te 
brengen, ten einde op deze wijze internationale gelijk- 
vormigheid te verkrijgen ten minste voor de punten 



1) Fritsch Aan. d. Versicherungsw. 1879, n®. 8, bl. 91. 

2) Idem, bl. 90. 

3) Zie daaromtrent supra bl. 216. 



247 

daarin behandeld. Op het congres te York werd deze 
wijze van handelen reeds aanbevolen, en na dat te 
Antwerpen, zien wij bijna in alle adressen aan de be- 
trokken regeeringen gericht, met kracht op eene wgzi- 
ging der landswetten aangedrongen. Gelijkvormigheid 
in het recht kan hierdoor nooit bereikt worden, daartoe 
zijn de Rules veel te onvolledig ; maar waartoe moeten 
dan die wetsveranderingen dienen? Welk land zal ge- 
neigd zijn om het allicht veel betere en vollediger 
systeem van zijne wet te verbreken ter wille der York- 
and Antwerp-Rules ? Bovendien had men, indien men 
met eenige kans van slagen een internationaal wetboek 
tot stand had willen brengen, een' geheel anderen weg 
moeten inslaan. 

Een groot gebrek waaraan de geheele beweging mank 
ging, en waardoor in twintig jaren niet dat bereikt is, 
wat bereikt had kunnen worden, ligt daarin, dat haar 
steeds een officieel karakter geheel en al ontbrak. Zoo- 
als wij gezien hebben werd in 1859 door eenige par- 
ticulieren het initiatief genomen. Zij stelden zich in 
contact met het bestuur van de „Association for the 
Promotion of social science," en noodigden in vereeni- 
ging met dat bestuur binnen- en buitenlandsche belang- 
hebbenden uit tot een congres te Glasgow te houden. 
Dit was dus een congres van particulieren, geen eene 
regeering was er officieel vertegenwoordigd; men had 
er ook niet aan gedacht om dit zelfs maar aan de 
Engelsche regeering te verzoeken. Men besloot tot 
het ontwerpen van eene wet die de geheele avarij- 
grosse materie zou omvatten. Was dit eens door 



248 

een tweede congres, wederom enkel van paxticuKeren, 
aangenomen en vastgesteld, dan zou men bg de ver- 
schillende regeeringen op verheffing tot wet aandringen. 
Grooter utopie konde er bezwaarlijk bestaan. De ver- 
schillende regeeringen zouden, op het aandringen der 
in hun respectieve landen opgerichte avarij-grosse 
comités, hunne wetten moeten veranderen volgens een 
ontwerp geheel buiten hunne voorkennis, op een con- 
gres door eenige particulieren en belanghebbenden, aan- 
genomen! Hoe is het mogelijk, gesteld dat alle regee- 
ringen tot eene wet s verandering geneigd waren (wat 
in de gegeven omstandigheden niet waarschijnlijk zou 
zijn) dat men ooit op deze wijze gelijkvormigheid zou 
verkrijgen? Daartoe toch zouden alle regeeringen, of 
het ontwerp zonder veranderingen, of juist met de- 
zelfde veranderingen moeten aannemen en dat terwijl 
zij volstrekt niet met elkander in contact stonden, 
want in de besluiten van de congressen vindt men 
nergens een spoor om een internationaal congres van 
gedelegeerden der regeeringen of iets dergelijks uit te 
lokken. Steeds bepalen zij er zich toe om de comités 
op te dragen bij hunne regeeringen op aanneming aan 
te dringen. Gelukkig zag men na het congres te Londen 
dan ook de onmogelijkheid in om op zulk eene wijze 
eene algemeene avarij -grosse wet tot stand te brengen en 
bepaalde men zich toen tot het streven naar overeen- 
stemming omtrent de voornaamste en de meest betwiste 
punten. Op het congres te York werd deze overeen- 
stemming verkregen en het voorgestelde doel scheen 
toen spoedig bereikt te zullen worden. 



249 

Dat dit niet geschiedde maar integendeel de bewe- 
ging dertien jaren bleef sluimeren, meen ik dat aan 
dezelfde reden, die ik zoo even noemde, te wijten is. 
Op het congres zelf te York kwam dit duidelijk uit. 
De afgevaardigde voor Hamburg en Lubeck, Dr. c. H. 
H. FRANCK, toch verklaarde dat hij, om zulk eene be- 
langrijke onderneming als deze te bevorderen, pogingen 
in het werk gesteld had om vooral de leden der ver- 
schillende regeeringen voor deze zaak te interesseeren. 
Hij wendde zich daartoe schriftelijk tot de regeeringen 
van Frankrijk, Oostenrijk, Pruissen, Zweden en Noor- 
wegen, Mecklenburg, Oldenburg en Hannover. De 
Oostenrijksche regeering antwoordde dat zij zich niet 
liet vertegenwoordigen op een bijeenkomst van particu- 
lieren. Pruissen gaf geen antwoord. De Ministers van 
justitie van Zweden, Mecklenburg en Oldenburg gaven 
hunne adhaesie met de beweging te kennen, maar 
weigerden officieele afgevaardigden naar eene vergade- 
ring van particulieren te zenden. Zoo zg daarentegen 
door de Engelsche regeering officieel uitgenoodigd wer- 
den, waren zij bereid gevolmachtigden te benoemen. 
Het gevolg was dan ook dat slechts de Belgische 
en de Russische regeering te York vertegenwoordigd 
waren. Duidelijker kon, dunkt mij, niet blijken welke 
de fout was die men beging. Eenigen tijd voor het 
York-congres had de heer franck hier reeds in eene 
brochure ') op gewezen en eene andere wijze van be- 



1) Observations on the mode hitherfo foliowed to the end of establishing 
an Universal General Average Law. 



250 

handeling voorgesteld *), die ook mijns inziens verreweg 
de voorkeur verdient. Hij wijst daarin op het verkeerde 
in de methode die men tot nu toe gevolgd had en legt 
de zijne neer in twee resoluties die hij het congres ter 
aanneming voorsloeg, en welke wij reeds boven hebben 
leeren kennen. 

Tot toelichting zegt hij o. a. : 

Stariing from the well known circnmstance that the purpose of 

the whole movement is to obtain uniformity of the laws 

respect ing General Average troughout the world, I have to state .... 
that nothing short of one and the same General Average Law's 
being adopted everywhere will answer our purpose. Neither clauses 
entered to the effect of uniformity by private persons in their con- 
tracts either in charter-parties, bills of lading or policies of insurauce 
nor partial changes in the existing laws of the several countries 
wou ld be sufficiënt even if attainable : probably they would make the 
matter worse. Only an universal General Average Law would effect 
the highly desirable uniformity and would do so at once. But in 
order to obtain this universal law the active cooperation of all sea- 
faring nations cannot be dispensed with." 

En verder: 

Nor is it sufficiënt to have gained their (the classes of ships- 
owners, masters of ships, merchants, underwriters, average staters, 
lawyers) good will and made them aware of the interest they have 
in this question, there are still other bodies to whom we must 
apply for their powerful support and these are the Government^ of 
the several countries. I beg leave to lay the more stress on this 
quite indispensable element of a successful termination of the move- 
ment as the whole question has hitherto remained perfectly unknomi 
to them. Governments of course will not suffer by their rather invo- 
luntary neglect but the movement certainly. 



1) Vide supra bl. 177 vlgg. 



251 

Zijne resoluties kwamen echter niet eens in behan- 
deling. Men scheen te denken, (zie o. a. een slotrede 
van Sir fitzroy kelly in het officieele report van het 
congres) dat als Engeland maar eens de York Rules 
tot wet verheven zou hebben, alle andere landen wel 
klakkeloos zouden volgen! De volgende jaren bewezen 
echter dat men het nog niet eens in Engeland zoo 
ver kon brengen. Het was eene groote fout, die men 
te York beging, een dergelijk voorstel geheel te negee- 
ren, want toen was het juist geen ongunstige tijd om 
een internationaal congres in het leven te roepen. Had 
men hiertoe pogingen in het werk gesteld en hadden 
de regeeringen gedelegeerden, vertrouwd met de te be- 
handelen zaken, met eene volmacht gezonden om een 
volledig wetboek of samenstel van internationale regels 
betreffende de avarij-grosse aan te nemen, dan geloof 
ik dat de gelijkvormigheid nu misschien niet meer tot 
de vrome wenschen zou behooren, maar reeds lang zou 
bestaan. De York Rules zouden tot leiddraad der beraad- 
slagingen hebben kunnen strekken, en in alle gevallen, 
nu zij gebleken waren den wensch en overtuiging van 
zoovele belanghebbenden te bevatten, nooit zonder in- 
vloed gebleven zijn. Op het congres te Antwerpen 
bleek het dat men nog niets geleerd had; er was geen 
sprake van de verschillende regeeringen in de beweging 
te kennen om hunne machtige medewerking in te roe- 
pen. Er werd slechts besloten de locale comités van de 
Association te verzoeken dadelijk die stappen te doen 
welke zij de meest geschikte zouden achten om de 
beweging in hunne respectieve landen te bevorderen. 



252 

Deze comités meenden grootendeels hieraan het beste 
gevolg te geven door op wetswijziging aan te drin- 
gen. Op het verkeerde hiervan heb ik reeds gewezen. 
Ook de meerderheid van ons avarij-grosse comité blijkt 
deze opinie niet toegedaan geweest te zijn. Zij meent 
het oogenblik nog niet gekomen om reeds nu zoo ver 
te gaan en geeft daarvoor het volgende krachtige 
argument '): „Het was toch ligt mogelijk, ja zelfe 
waarschijnlijk, dat internationale gedachten wisseling 
langs deplomatieken weg er toe leiden zou, dat de 
aangenomen regels in eenig opzicht werden gewgzigd 
of uitgebreid en dan zou het noodzakelijk gevolgdaar- 
van eene nieuwe wijziging der Nederlandsche wetgeving 
zijn. En dit was niet zonder bedenking. Eene wetge- 
ving toch moet niet te dikwerf en eerst na gebleken 
noodzakelijkheid worden gewijzigd." Ik meen echter te 
moeten ontkennen dat het geschikte oogenblik ooit 
zal komen, daar het slechts een hersenschimmig idee 
is dat de wetgevende machten van een 30 verschillende 
staten, zonder eenige afwijking hunne wetten allen in 
denzelfden geest zullen veranderen. Veeleer rust op 
de regeering van elk land de verplichting die der an- 
dere landen in het belang van den handel uit te noo- 
digen tot het houden van een internationaal congres 
van afgevaardigden, met het oog op deze zaak van 
speciale volmacht voorzien, om eene internationale wet 
te ontwerpen; zonder dit zal men nooit tot eenheid 
komen. 



1) Adres aan hunne Excellentien etc. bl. 3. 



253 

Om aan te toonen dat op deze wijze dit doel zeer goed 
te bereiken is, hoef ik slechts te wijzen op de internatio- 
nale post- en telegraafcongressen, die samengesteld waren 
uit de gevolmachtigden van de verschillende mogend- 
heden en op de schitterende resultaten die deze in 
weinige jaren hebben opgeleverd. Ook de declaratie 
van Parijs van 1856 over het zeeoorlogsrecht is een 
bewijs voor de mogelijkheid om eene internationale wet- 
geving tot stand te brengen. Op dit voetspoor moeten 
dus de verschillende Staten ook nu weer eene conventie 
sluiten ter verkrijging dezer gewenschte eenheid in 
het zeerecht. Indien hiertoe de grootste zeehandeldrij- 
vende mogendheden zijn toegetreden, zullen ook de 
andere staten ligt volgen, zooals de geschiedenis der 
postconventie ons leert, waarom ook in dit opzicht 
geene bezwaren kunnen bestaan. 

Als de grootste en onvermoeide kampvechter voor 
deze zienswijze kan met eere vermeld worden Dr. c. 
H. H. FRANCK dispacheur te Lubeck. Het eerst trad hij 
voor de hier aanbevolen wijze van handelen in de 
bres in zijne : Observatio7is on the mode hitherto foU 
lowed to the end of establishing an JJniversai General 
Average Law etc.^ Hamburg 1867, waarmede wij reeds 
kennis gemaakt hebben. Ook later ging hij hiermede 
voort, wat blijkt uit een voorstel door hem in December 
1866 op de conferentie der gedelegeerden van de Noord- 
Duitsche zeesteden gedaan, hetwelk de totstandkoming 
van een internationaal wetboek van zeerecht als wen- 
schelijk uitsprak en der regeering dringend aanbeval 
daartoe de noodige stappen te doen. De breedvoerige 



254 

degelijke memorie van toelichting ') treedt voornamelijk 
in eene critiek van de avarij-grosse- en vrachtrecht- 
bewegingen en tracht te betoogen dat men slechts door 
tusschenkomst van de betrokken regeeringen tot een 
gewenscht resultaat zal kunnen komen. „Das Yerfahren, 
welches in dieser Angelegenheit seitens der Regierungen 
zu beobachten, ware dasselbe, welches bei Gelegenheit 
der Ausarbeitung des allgemeinen Deutschen Handels- 
gezetzbuches eingeschlagen worden, und zwar mit dem 
besten Erfolge. Wie es damals einigen dreiszig Staaten 
gelang, durch die von ihren Regierungen mit der Aus- 
arbeitung eines allgemeinen Handelsgezetzbuches be- 
trauten Rechtsgelehrten und Kaufleute ein so erfreuhches 
Resultat zu erzielen, wie die Einigung über ein ge- 
meinsames Handelsgesetzbuch es ist, so steht auf Grund 
dieser praktischen Erfahrung zu boffen dasz es auch 
den ernstlichen Bemühungen der dazu von den betref- 
fenden Regierungen unter Mitwirkung kaufmannischer 
Körperschaften ausersehenen Rechtsgelehrten und Kauf- 
mannischen, so wie nautischen Sachverstandigen der 
Seestaten gelingen werde, sich auf dem kleineren Gebiete 
des Seerechts zu einigen und das vorgesteckte Ziel zu 
erreichen: ein gemeinsames allen Schiffiahrt treibenden 
Völkern gemeinsames Seegesetzbuch.'- 

Eerst in 1868 werd op eene andere conferentie van 
gedelegeerden derzelfde steden het voorstel van Dr. 
FRANCK, aangenomen, en met zijne memorie van toe- 



1) Zij is afgedrukt in het reeds genoemde opstel van Dr. Franck in Sieben- 
haar's Archiv f. Deutsches Wechselr. u. Handelsr. N. F. V. 2. 



255 

lichting, aan de rijkskanselarij overhandigd. Ook in een 
zeer recent werkje: ^Bericht über die Bestrehungen die 
JJebereinstimmung des Havarie-grosse Bechtes aller Schiff- 
fahrt treibenden Völker herbei zu führerC' vindt men eene 
doorloopende verdediging en aanbeveling van zijne idees. 
Stond hij ten tijde van het congres te York nog 
vrijwel alleen, tegenwoordig wint, vooral in Duitschland, 
de overtuiging meer en meer veld, dat de door hem 
aanbevolen weg werkelijk de beste is. Overvloedige 
bewijzen daarvan vindt men in de geschiedenis der 
laatste jaren en worden door franck in bovengenoemd 
Bericht medegedeeld. Zoo werd op de vijfde duitsche 
„ nautische Vereinstag," in 1873 te Berlijn gehouden, 
de volgende resolutie genomen: „Die Herbeiführung 
eines internationalen Seerechts ist im höchsten Grade 
wünschenswerth. Das Bedürfnisz macht sich ins beson- 
dere fühlbar bei den Frachtvertragen, der Havarie grosse, 
der Bodmerei und der Haftungspflicht der Rheder. Nur 
durch Verstdndigung unter den betreffenden Begierangen 
ist das in Frage stekende Ziel zu erreichen. Das Reichs- 
kanzler-Amt ist zu ersuchen, das nöthige zur Herbeifüh- 
rung eines internationalen Seehandels-Rechtes zu veran- 
lassen'^ '). Het adres van de Kamer van Koophandel 
te Bremen van den 22 Mei 1874 ^) was in denzeEden 
geest gesteld. Evenzoo dat van de Duitsche afdeeling der 
„Association for the Reform and Codification of the 
law of Nations," den 30 Oct. 1877, aan vorst Bismarck 



1) Zie Franck Bericht p. 14 v. 

2) Zie boven bl. 181. 



256 

gericht, waarin echter subsidiair op wijziging der Duitsche 
wet wordt aangedrongen '). Ook het bestuur van de 
internationale Transport- verzekerings-vereeniging te Ber- 
lijn dringt in zijne missive aan den rijksdag van den 
16 Maart 1878 op eene internationale regeling van het 
avarij -grosse recht door middel van diplomatieke onder- 
handelingen aan '). Het zelfde meende eveneens de 
technische rijkscommissie voor de zeescheepvaart, die 
van de rijksregeering de opdracht ontvangen had het 
vraagstuk van het avarij-grosse recht te onderzoeken, 
als zeer wenschelijk te moeten aanraden '). 

Ook in Nederland blijkt dit gevoelen de overhand 
verkregen te hebben, zoowel in het Nederlandsche avarij- 
comite dat in zijn adres aan de ministers der in deze 
zaak betrokken departementen, aandringt op het nemen 
van het initiatief tot internationale bespreking door 
Nederland, als onder de geinteresseerden in het alge- 
meen, ten minste de kamer van koophandel en fabrieken 
van Dordrecht meende wetswijziging afte moeten raden 
zoolang er nog geen internationale overeenstemming 
tusschen de verschillende rijken tot stand is gekomen. 
De regeering schijnt deze meening evenzeer te zijn 
toegedaan. 

Moet men dus tot de conclusie komen dat het tot 
stand brengen van eene volledige internationale avarij- 
grosse wet slechts mogelijk is, door de tusschenkomst 
van de betrokkene regeeringen, door middel van eene 



1) Zie boven bl. 231. 

2) Zie boven bl. 231 vlgg. 

3) Zie Franck, Bericht bl. 64. 



257 

conferentie van gevolmachtigden, zoo als dit bij het 
ontwerpen van het duitsche Handelswetboek geschied 
is, dan blijft slechts deze quaestie ter beslissing over 
of het juiste oogenblik om daartoe over te gaan nu 
reeds gekomen is, en of eene poging daartoe nu niet 
praematuur zou zijn. Verschillend is deze vraag be- 
antwoord. Terwijl tal van adressen in verschillende 
landen aan de respectieve regeeringen aangeboden, gelgk 
wij boven gezien hebben, den tijd daartoe reeds gekomen 
achten en Dr. franck deze meening met talent ver- 
dedigt, heeft onze regeering laatst nog bij de behande- 
ling van de staatsbegrooting voor 1880 in hare memorie 
van beantwoording op het voorloopig verslag over 
hoofdstuk III dier begrooting te kennen gegeven dat 
zij den tijd om het initiatief daartoe te nemen nog 
niet gekomen acht, welke opinie ook door de regee- 
ringen der andere landen gedeeld schijnt te worden, 
indien wij dit ten minste uit het feit mogen afleiden, 
dat geen van aUen voor zoover bekend nog stappen 
gedaan heeft om eene internationale bespreking uit te 
lokken. Ook Prof. asser heeft bezwaar tegen de bewe- 
ging, omdat de nadeelen aan den tegenwoordigen toe- 
stand verbonden niet van dien aard zijn, dat zij eene 
internationale wetgeving, waaraan zoovele en groote be- 
zwaren verbonden zijn, daar zij steeds moet leiden tot 
eene geheele of gedeeltelijk opoffering van de nationale 
autonomie van eene staat, rechtvaardigen '). Vooral 
echter komt hij op tegen het streven om de avarij- 

1) Revue de droit International, X, 1878, n^ 1, bl. 101. Verg. voorts een 
opstel van zijne hand in dezelfde Revue, T. XIT, 1880, n^ 1. 

17 



258 

grosse geheel zelfstandig en afgescheiden van het be- 
vrachtingscontract te regelen *). 

Dr. LEWis acht den tijd voor eene internationale 
regeling nog niet gekomen, omdat daarvoor steeds eerst 
als voldoende basis een internationaal gewoonterecht 
moet bestaan. De publieke opinie der geïnteresseerde 
personen moet duidelijk spreken daar de regeeringen 
in dezen slechts moeten bekrachtigen wat praktisch 
reeds algemeen als nuttig en noodzakelijk erkend is 
geworden ') Vooralsnog wil hij dus praktische toepas- 
sing en uitbreiding der York- and Antwerp-RuleSj op- 



1) Zie hierover infra bl. 309 v. 

2) Zeitschrift für d. gesammte Handelsr. XXIV, bl. 499 v. Wat hg daar, 
tot bestrijding van Dr. Franck, over het doel der avarq-grosse congressen zegt, 
vindt xnqns inziens geen steun in de geschiedenis. Overigens schrijft h\) zeer 
jaist: „Sollen mit Erfolg internationale Verhandlungen über Herstellung ge- 
meinsamer gesetzlichen Bestimmangen der in Rede stehenden Art gepflogeo 
werden, so masz erst die Basis gewonnen werden, auf welcher dieselben statt- 
zafinden haben, and über die haben sich zunachst die Betheiligten schiüssig 
za machen. Anch mussen diese sich darüber entscheiden, ob der Gewinn der 
Rechtseinheit den Verlost des hergebrachten Rechts und eine Aendernog 
mannigfacher Ëinrichtnngen and Gebraache aafwiegt. Sind dieselben za einem 
Resultat gekommen and hat sich die öffentliche Meinung geklart dann werden 
sich aach die betreffende Staatsregierangen die Frage beantworten können, ob 
sie mit Erfolg den Versach einer Aendernng des Rechts machen and za inte^ 
nationalen Vehandlnngen der angegebenen Art, die Hand bieten können. Ja, ist 
die öffentliche Meiuang von der Nothwendigkeit der Schaffung eines neaei, 
allen civilisirten seefahrenden Nationen gemeinsamen Rechtszustandes durch* 
drnngen, so wird sie selbst die gleichgültig den Bestrebangen gegenüber 
stehende Regiernng drangen, der Sache naher za treten. Weinigstens ist dies 
entschieden von England za behanpten .... Es kommt hinza, dasz, wie es in 
einer (von Dr. Franck in Siebenhaar's Archiv, N. F., B. V, n®. 2, bl. 154 f. 
mitgetheilten) Erörternng der in Rede stehenden Frage in der Triester 
Zei tang vom 11 Jani 1872 heiszt, in wirthschaftlichen Dingen den staat] ichea 
Verhandlungen die letzte und sachlich geringste RoUe zakommen sollte, di 



259 

dat voor alles de algemeene instemming van den han- 
del daarmede blijke. 

Hoewel ik mij niet onder de meest bevoegde beoor- 
delaars van deze bij uitstek practische vraag, die zeEs 
twee zulke uitstekende practici als Prof. asser en Dr. 
FRANCK geheel verschillend beantwoorden, wil rang- 
schikken, zoo geloof ik toch de opinie van Dr. lewis 
tot de mijne te moeten maken, daarbij erkennende dat 
vooral in de geschiedenis der twee laatste jaren eene 
vingerwijzing ligt, dat waarschgnlijk het tijdstip niet ver 
meer verwijderd zal zijn, waarin de betrokken regeerin- 
gen met vrucht eene internationale regeling zouden 
kunnen beproeven. Te eerder mag men dit verwachten 
daar op het oogenblik in Denemarken (sedert 1873), Noor- 
wegen, Duitschland, Nederland en Italië deels eene her- 
ziening van het handelsrecht, en bij gevolg ook van het 
avarij -grosse recht, voorbereid wordt, deels de ontwerpen 
daarvan gereed zijn, terwijl in België verleden jaar 
eene herziening van den Code de Commerce, voor zoo 
verre het avarij-grosse recht betreft geheel in den geest 
van den 7^^" en 8"*^° York-Antwerp Rule, het eenige 
principiëele verschil met het vroegere Belgische recht, 
tot stand is gekomen. Van de meeste beteekenis is echter 
het feit dat de rechtspraak in Engeland (o. a. blijkens 
de boven bl. 218 besproken beslissing in Atwood v. Sellar) 



diese nur formell feslBetzen sollten, was von der berechtigten öffentliclieii 
Meinung, und von den Maszgebenden Fachmannern als richtig and nothwendig 
erkannt worden ist. Entspricht es doch in derartigen Dingen einer gesunden 
Rechtsentwicklong, das zunachst im Gewohnheitsrecht gewisse Grandsatze sich 
festsetzen, die dan ?on den gesetzgebenden Gewalt fizirt werden." 




260 

de common benefit theorie begint te huldigen, en in 
Frankrijk een ontwerpwet in 1869 door eene daartoe 
benoemde commissie is ingediend, welke de grootste 
afwijkingen van den Code de Commerce van het stelsel 
der overige continentale staten en van de York- and 
Antwerp-Rules, wat betreft de bijdrageplichtige waarde 
van het schip en de noodhavenkosten, geheel opheft. 

De geheel zelfstandige ontwikkeling van het recht 
in de verschillende landen schijnt dus tot meerdere ge- 
lijkvormigheid te zullen leiden in den geest der York 
and Antwerp Rules, waardoor deze, indien zij ten 
minste eene nadere uitbreiding ondergaan eene niet 
ongeschikte basis zullen opleveren voor eene eventueele 
internationale bespreking, terwijl hun inhoud toch altijd 
van dien aard is, dat men daarmede rekening zal 
moeten houden, als men, om hunne onvolledigheid, bij 
voorkeur een der bestaande wetgevingen ') tot grond- 
slag der beraadslagingen aannam. Tevens is deze ont- 
wikkeling van het recht in België, Frankrijk en vooral 
in Engeland, in dezelfde richting, de voornaamste reden 
die mij diplomatieke stappen tot verkrijging der inter- 
nationale avarij-grosseregeling vooralsnog niet wensche- 
lijk doet voorkomen. Eerst wanneer die ontwikkeling 
in de aangegeven richting in deze landen tot stand 
is gekomen, wat in België reeds geschied is door de 



1) Dr. Franck slaat daartoe in z\jn „Bericht etc." evenals op het congres 
te York het „allgemeines Dentsches Handelsgesetzhuch" voor, of subsidiair, om 
allen schijn van partijdigheid te vermijden, hetZweedschezeewetboek van 1864. 
Mijns inziens zou daarvoor het Fransche Frojet de Code van 1869, als het 
beknopste, duidelijkste en meest recente werk op dit gebied wel zoo geschikt z(jn. 



261 

herziening van den Code de Commerce, zal het geschikte 
oogenblik tot officiëele opvatting der zaak aangebroken, 
en het verkrijgen eener uniform wet niet moeilijk meer 
zijn, om de grootere overeenkomst die er dan in het 
recht der verschillende landen zal bestaan. 

Ook moet men in het oog houden dat aan eene 
internationale avarij -grosseregeling, het grootste strui- 
kelblok bij alle dergelijke regelingen, de quaestie nm. 
welke rechtskracht men aan buitenlandsche vonnissen 
en beslissingen moet toekennen, minder in den weg 
zou staan, daar nu reeds in verscheidene landen als 
een erkend internationaal beginsel geldt dat de dispache 
ter bestemmingsplaats conform de wetten of usanties 
van die plaats opgemaakt, alle, ook de in andere landen 
wonende, belanghebbenden bindt. 

In afwachting van eene internationale regeling en 
in de overtuiging dat deze in de eerste jaren nog wel 
niet tot stand zal komen is men begonnen met practische 
toepassing der Rules door middel van clausules in cherte- 
partijen, cognossementen en polissen, ten einde op deze 
wijze eene internationale gelijkvormigheid te verkrijgen. 

Er rest ons dus nog te onderzoeken in hoeverre dit 
streven aanbeveling verdient. 

Dr. FRANCK ') keurt het ten sterkste af en meent 
dat daardoor de verwarring en rechtsonzekerheid slechts 
vermeerderd worden, omdat het „zweifellos erscheint, 
dasz auf dem Wege der Einbürgerung der York- and 
Antwerp-Rules die Einheit des Havarie-grosse-Rechts 



1) Bericht t. a p., bl. 69. 



262 

nicht erreicht werden wird," omdat door de aanneming 
dier regels slechts een nieuw recht aan de verschillende 
tot nu toe bestaande avarij-grosse rechten toegevoegd, 
en dus juist het tegendeel verkregen wordt van het- 
geen de auteurs der beweging zochten te bereiken, 
nm. vermeerdering van ongelijkvormigheid in plaats 
van algemeene gelijkvormigheid, terwijl hij bovendien de 
vrees uitdrukt dat de ijverige bemoeiingen in deze rich- 
ting, belemmerend en verlammend zullen werken op het 
door hem voorgestane streven, om tot eene officieele inter- 
nationale bespreking van de avarij-grosse over te gaan '). 
Wat zijn eerste argument aangaat dit is volkomen 
waar, want het ligt in den aard der zaak dat door 
invoering der Rules in de praktijk nooit een algemeene, 
maar slechts eene betrekkelijke gelijkvormigheid be- 
reikt kan worden. Zoo lang toch bij elke reis die een 
schip maakt nog één belanghebbende, hetzij reeder, 
inlader of verzekeraar, gevonden wordt die weigert toe 
te treden blijft eene dispache volgens de York- and 
Antwerp Rules onmogelijk, of zal men, indien men 
zulk eene dispache opmaakt, om het quantum te bepa- 
len dat aan de niet toegetreden persoon of wel door 
dezen vergoed moet worden, nog eene afzonderlijke 
dispache volgens de wet der bestemmingsplaats moeten 
opmaken. Hoe veel te meer zal dan de gelijkvormigheid 
eene illusie blijven, zoolang nog machtige corporaties zoo- 
als Lloyd's of geheele landen zoo als Frankrijk, Spanje 
en Italië zich niet aan de beweging aansluiten; en dat 
daarin niet spoedig verandering zal komen is te voor- 

1) Verg;, zijn Observatiuns etc. blz. 7. Bericht t. a. p. bl. 34, 58, 65 ¥. 



263 

zien. Daarom heb ik er reeds op gewezen dat dit slechts 
kan bereikt worden door eene actieve tusschenkomst 
der verschillende bij de zeehandel geïnteresseerde regee- 
ringen. Hoe waar dit echter moge zijn, toch kan ik dit 
argument van Dr. franck niet afdoende vinden. De 
cardo quaestionis toch is juist of, in afwachting van 
eene misschien later tot stand te komen internationale 
wetgeving, de verkrijging van eene betrekkelijke gelijk- 
vormigheid door middel van praktische toepassing van 
Rules gelijk die welke te Antwerpen aangeuomen zijn, 
in het belang van de zeehandel goedkeuring verdient en 
bevorderd moet worden. Hierop nu meen ik volmondig 
een toestemmend antwoord te moeten geven '). 

Het bezwaar dat hierdoor de verschillende avarij- 
grosse rechten slechts met een vermeerderd worden is 
hier niet doeltreffend, want door de overeenkomst of 
verklaring om de dispache overeenkomstig de York 
and Antwerp Rules te doen opmaken, verkrijgt men 
voor de verschillende bij de reis geinteresseerden, met 
ter zijde stelling van alle verschillende en tegenstrijdige 
wetgevingen, een vast en onveranderlijk recht, in welk 
land ook de dikwgls bij het begin der reis onbekende 
bestemmingshaven, moge liggen. Voor zooverre dit moge 
lijk is, wordt het beoogde doel dus wel degelijk bereikt. 



1) Men houde hierbij in het oog, dat het hier de vraag geldt of in het alge- 
meen het in de praktijk in toepassing brengen van internationale avarij-grosse- 
regels, gelijk de York-Antwerp-Rules, goedkeuring verdient. Dit meen ik te 
kannen toestemmen, want. hoewel uit de volgende bladzijden zal blijken, dat 
ik de York-Antwerp-Rnles, zooals zij nu luiden, daarvoor minder geschikt vind, 
zoo geloof ik toch dat zij, indien zij meer systematisch uitgebreid werden, dit 
zonder twijfel zouden kunnen worden. Zie infra bl. 



264 

Ook de vrees dat dit eene internationale bespreking 
zal tegenhouden, is volgens mijne bescheiden meening 
niet zeer gegrond, omdat men mijns inziens tot zulk 
eene bespreking niet eerder mag overgaan, dan wanneer 
de noodzakelijkheid daarvan in het belang van den 
handel duidelijk is gebleken, en deze zich door niets 
krachtiger kan openbaren dan juist door de vrijwillige 
toepassing door de belanghebbenden van door henzelve, 
als de meest wenschelijke, vastgestelde regels. 

Deze pleiten dan ook zelve voor hunne toepassing daar 
zij bijna alle gewenschte verbeteringen in vele wetge- 
vingen zullen brengen. Om dit aan te toonen zullen wij 
in het kort nagaan in hoeverre zij afwijkingen van het 
bestaande recht bevatten of daarmede overeenstemmen. 

Voor dat ik hiertoe overga, meen ik echter nog te 
moeten wijzen op de minder juiste redactie die men de in- 
voerings-clausule gegeven heeft. Zoo als wij gezien hebben 
luidt zij : „ Avarij-grosse te regelen naar de bepalingen 
van York- Antwerpen; General Average, if any , payable 
according to York and Antwerp Rules" of „Grosze 
Havarie in vorkommenden Fallen nach York und 
Antwerp Rules zu reguliren.» Substantieel zal zij dus 
overal denzelfden inhoud hebben, maar ook tot dezelfde 
moeilijkheden aanleiding geven, moeilijkheden welke 
zich reeds nu doen gevoelen. Ten gevolge van hare 
algemeene bewoordingen doet zich al dadelijk de vraag 
voor wat recht zal zijn voor alle niet in die regels 
genoemde gevallen. Moeten deze avarij-particulier zijn 
of beoordeeld worden naar het recht der destinatieplaats? 
Nu toch wordt reeds beweerd dat de clausule slechts 



265 

toelaat alleen die schade als avarij-grosse te beschouwen 
welke daaronder door de regels nominatim gebracht 
wordt, iets wat zeker niet door de voorstellers der clau- 
sules bedoeld is. Vooral in die landen, zooals het onze, 
waar de York-Antwerp-regels bijna niet van de be- 
staande wet afwijken, en toch door de clausule ook voor 
de geheel gelijkluidende bepalingen, in 't algemeen naar 
deze regels verwezen wordt, zal zulk eene bewering niet 
geheel ongegrond zijn. Misschien zal men zich zelfs, tot 
interpretatie der regels of om deze op analoge gevallen 
uittebreiden, op de op de verschillende congressen ge- 
houden beraadslagingen gaan beroepen, welke toch, daar 
zij slechts de private opinies van enkele leden behelzen, 
in rechten niet de minste waarde kunnen bezitten. 

Tot afsnijding van deze moeilijkheden en om het 
karakter der York Antwerp Rules, als speciale bepa- 
lingen voor enkele bizondere gevallen, welke vooralle 
niet daarin behandelde punten het gemeene recht laten 
bestaan, beter te bewaren, geloof ik dat eene juistere 
redactie dezer clausule zeer wenschelijk zou zijn. Mijns 
inziens zou zij bijv. aldus moeten luiden: 

, Avarij-grosse te regelen naar de wet, met inacht- 
neming der York- Antwerp regels voor zooverre deze 
daaraan derogeeren," ofnog liever zou men, zoomogelijk 
zonder verwijzing naar de York- Antwerp regels, uitdruk- 
kelijk de uitzonderingen moeten opnoemen, welke men, 
overeenkomstig deze regels, op de nationale wet gemaakt 
wilde zien. Zoo zou men wanneer de dispache volgens het 
HoUandsch recht opgemaakt moet worden, kunnen zetten : 

„ Avarij-grosse te regelen volgens W. v. K. behoudens 



266 

de navolgende uitzonderingen: 1*. Schade ten gevolge 
van vrijwillige stranding zal geen avarij-grosse zijn; 
2*. Schade aan de lading veroorzaakt bij ontlossing in 
de noodhaven, slechts dan wanneer die lossing niet 
geschiedt op de gewone wijze. 3*. De omslag zal ge- 
schieden over de werkelijke waarde bij het einde der reis. 
4'. De kostgelden der bemanning zullen niet afgetrok- 
ken worden van de dragende waarde der vracht, waar- 
onder ook de passagegelden zullen begrepen worden;" 
of wanneer de destinatieplaats onbekend is : „ Avarij- 
grosse te regelen volgens de toepasselijke wet, behou- 
dens en met inachtneming van de volgende bepalingen: 
(men geve hier in het kort den inhoud der York-Ant- 
werp-Rules weer)." 

Door deze laatste redacties wordt elk verschil van 
opvatting of uitlegging onmogelijk gemaakt. 

Rule I. 

No jettison of deck cargo shall be made 
good as general average. 

Every structure not built in with te frame 
of the vessel shall be considered to be a 
part of the deck of the vessel '). 

De eerste alinea behandelt eene zuiver praktische 
quaestie. De juistheid dezer bepaling hangt geheel alleen 
af van de beantwoording der vraag, of het dek een 
geschikte plaats is om de lading te bergen en of dek- 
lading al dan niet geoorloofd moet zijn. 

1) Off. Vert. "Werping van deklast zal niet in Avarij-Grosse worden vergoed. 
Elke constructie geen geheel uitmakende met het geraamte van het schip zal 
heschonwd worden als een deel van het dek van het schip. 



267 

Indien wij nu de geschiedenis nagaan dan zien wij 
dat het voeren van deklading reeds door de oudste 
schrijvers en wetgevingen veroordeeld werd op welk 
beginsel eerst langzamerhand enkele uitzonderingen voor 
speciale gevallen gemaakt zijn '). 



1) Reeds Qaitijn Weytsen (Trac. d. Av. $ 60, bij Verwcr bl. 260) stelt den 
schipper aansprakelijk voor schade aan, en het verlies van koopmansgoederen 
door hem op den „ overloop geladen, „ wat alsdan men presumeert dat hij zijn 
schip overladen heeft." Hiermede str^dt eenigzins de inhoud van $ 56 en 66 
van z^n tractaat (Verwer bl. 248) : „ Ende uyt *t gene, dat voorsz. is, soo 
werdt geresolveert de vrage, als een koopman het geheel schip bevracht heeft, 
mits conditie, dat de schipper geen andere goederen in sal nemen dan de 
sijne; ende volgende de Charte-partie daer af zijnde, soo heeft de koopman 
den schipper sgn volle vracht ingegeven; nochtans de schipper, desen niet- 
tegenstaande, heeft seker packen van andere kooplieden ingenomen, op den 
Over-loop, de welke hij geworpen heeft deur tempeest ende storm: Quaeritur 
of de koopman, die 't geheele schip bevracht ende geladen heeft, schuldigh 
is te contribueeren in 't verlies van de packen? 

De resolutie is, dat de koopman van de Packen sal aanspreken de andere 
goeden in den Schepe geladen, omme daer aen te verhalen de Avarye; als 
door s\jn verlies behouden zijjnde, ende in gemeen peryckel geweest te hebben ; 
in aller manieren, gelijk twee gelachgenooten betalen moeten in Waardye de 
kosten van den gelage ; niettegenstaande eenigh contract ofte voorwaerde onder 
henlieden gemaeckt." 

Weytsen erkent daar passim een' omslag in avarij-grosse van geworpen 
deklading. Opmerkeiyk is het dan ook dat Emérigon (ed. Boulay-Paty) I bl. 263 
Tr. d. Ass. cap. XII, Sect. XLII $ 8 en Casaregis (disc. 46 n». 40— 42) dezelfde 
qnaestie behandelende, geen van beiden stellen dat de goederen van de andere 
kooplieden die geworpen werden, op het dek geladen waren. 

In zijn tgd schijnt dit nochtans veel gedaan te z^'n geworden, waaruit echter 
„ groot verlies en inconvenienties" voortsproten. In het placcaet van Filips, over 
de Seerechten, van 1663 werd dan ook (art. 8 van de titel, van schipbrekinghe, 
Seewerpinghe en Havaryen) uitdrukkelijk bepaald dat het werpen van op den 
overloop geplaatste goederen geen avar^'-grosse is en die schade alleenlijk ten 
laste van de schippers, reeders en het schip komt. Evenzoo van den Keessel, 
thesis 792: „Merces non opportuno loco positae, veluti in transtis, occasione 
periculi jacta avariam non faciunt, et damnum inde datum, a magistro itidem 



268 

Ook tegenwoordig bestaan deze nog in het zeerecht 
van enkele landen hoewel alle wetgevingen avarij-grosse 



est resarciendum/* met verwijzing naar de Ordonantie van Rotterdam art. 91 
en van Dordrecht art. 90. Hij voegt er echter bij dat er te Amsterdam eene 
uitzondering gemaakt werd voor schepen, die uit de Oostzee kwamen voor 
zooverre z^ koopmanschappen tnsschen de overloop en de koebrug voerden 
(Statuut van Amst. van 14 Jan. 1607, art. 3). 

Het 141*te Hoofdstuk van het „Consolato de la mer," (Pardessus, collect. 
de lois marit. II bl. 165) verbiedt zelfs ipsis verbis den schipper om goederen 
zonder toestemming der inladers op het dek te laden, op straffe van aanspra- 
kelijkheid voor alle schade die daaraan mocht overkomen, terwgl tevens elke 
omslag in avarij-grosse voor geworpen deklading uitgesloten wordt Deze be- 
palingen zijn later overgenomen in de Ordonnance van 1681 in art. 12 van 
het 2e boek, titre du capitaine en art. 13 van de 8ste titel van het 3e boek. 
Valin de bekende commentator van de Ordoonance geeft als reden voor de be- 
paling van dit laatste artikel, dat de goederen op het dek geplaatst worden, 
hetzij omdat er nergens anders in het schip meer plaats is, in welk geval er 
overlading bestaat, hetzij terw^'1 er onder dek nog wel plaats is en dan is het 
een fout van den schipper, zoodat deze in beide gevallen aansprakelijk moet 
zijn voor alle schade, indien het ten minste niet met voorkennis van den inlader 
geschiedde. (Valin, Bécane II bl. 622. Verg. Pothier. Contr. de louages Marit. 
f 118). Hij teekent hierbij echter aan: „ La disposition du présent article n'a pas 
lieu k regard des bateauz et autres petits batimens allant de port en port, 
oü Tusage est de charger les marchandises sur Ie tillac aussi bien que soos 
Ie pont," eu haalt bi|j de behandeling van art. 12 van de eerste titel van het 
2e boek der Ordonnance (de verbodsbepaling voor den kapitein om goederen 
op het dek te laden, zonder toestemming der eigenaars) zelfs een vonnis van 
28 Sept. 1747 aan (Valin, Bécane t. a. p. bl. 432 v.), waarbij beslist werd 
dat gezegd artikel, om „ la notoricté de Tusage," niet van toepassing was op 
de «navigation au petit cabotage." 

Emérigon constateert ook eenige uitzonderingen (Emérigon Bouly-Paty I, 
p. 623, Tr. d. Ass. cap. XII sect. XLII $ 3, o. a. een statnet van Marseille, 
lib. 4, cap. 20, bl. 462. „ Statuentes quod quaelibet navis possit portare snpra 
coopertam equos et alias bestias et lanam et boudrons, si navis veniret de 
partibus Barbariae) maar merkt overigens zeer juist op, dat hoezeer het in 
sommige gevallen goed kan zijn om den kapitein van de aansprakelqkheid 
voor de deklading te ontheffen, dit nog geen reden is om de andere inladers 
in avarjj-grosse te doen bijdragen voor de schade aan die deklading overkomen. 



269 

bij werping van deklading in beginsel uitsluiten. In 
Frankrijk bestaat eene uitzondering voor de kustvaart, 
echter niet in overeenstemming met den C. deComm., 
deze toch heeft de bepaling van de Ordonnance de 
Marine van 1681 (art. 12 van den S^^^n titel 2^^ boek) 
dat de kapitein aansprakelijk is voor alle schade over- 
komen aan goederen op het dek zonder toestemming 
van den inlader geplaatst, en art. 13 van 8*^^^» titel 
3^® boek, hetwelk omslag in avarij-grosse van gewor- 
pen deklading verbiedt, in art. 229 en 421 woordelijk 
overgenomen, evenwel met deze wijziging dat aan het 
1»^® artikel eene 3*^® alinea is toegevoegd, luidende : „cette 
disposition n'est point appliquable au petit cabotage;" 
de Fransche jurisprudentie nu heeft in deze toevoeging 
aanleiding gevonden om, niettegenstaande het stilzwijgen 
van art. 421, avarij-grosse omslag van geworpen dek- 
lading bij de petit cabotage toe te laten '). In Duitsch- 
land bestaat (art. 700 n^ 1 A. D. H. Gb. in verband 
met art. 567) eene uitzondering voor de kustscheep- 
vaart, voor zooverre de landswetten daarbij deklading 
geoorloofd zullen verklaren. Daar echter van deze be- 
voegdheid tot nog toe geen gebruik gemaakt is door 
de betrokken regeeringen, verliest deze bepaling elke 
beteekenis '). In Denemarken, Zweden en Noorwegen 
wordt avarij-grosse toegelaten bij werping van deklading 
om een gestrand schip weer vlot te maken. In Dene- 



1) Zie Cauvet II, bl. 106, f 861. Frignet I, bl. 806 v. 

2) Levy bl. 782 v. Ahlers t. a. p. bl. 14. Z. f. d. g. H. d. XXIV, bl. B02. 
Deakscbrift v. Ulrich, bl. 18. 



270 

marken steunt dit gebruik echter niet op de wet'). 
In België, Portugal, Spanje en Brazilië bestaat in de 
praktijk dezelfde uitzondering voor de kustraart als in 
Frankrijk '), hoewel alleen de Italiaansche wet (art 
524 C. d. C.) dit ipsis verbis toelaat. 

In ons land alleen laat het slecht geredigeerde art. 
733 W. V. K. avarij-grosse omslag toe, als de gewor- 
pen lading buiten weten van den inlader op den over- 
loop geplaatst was geworden, „behoudens het verhaal 
van alle belanghebbenden op het schip en den schip- 
per." Meer dan eens is over dit artikel dan ook reeds 
de staf gebroken, zoodat eene kritiek, hoe welverdiend 
anders, hier onnoodig schijnt '). 

In de Vereenigde Staten van Noord- Amerika bestaan 
slechts enkele geringe uitzonderingen welke echter in de 
jurisprudentie geen steun vinden. In Engeland wordt de 
schade omgeslagen over het schip, de vracht en de inladers 
die uitdrukkelijk toegestemd hebben in het voeren van dek- 
lading, indien deze uit houtwaren of teer bestaat ; eene 
zoogenaamde „general contribution" of oneigenlgke 
avarij-grosse omslag, welke ook voor rozijnen schijnt 
te bestaan, hoewel dit nog twijfelachtig is. In alle 
overige gevallen wordt deklading nooit in avarij-grosse 
vergoed, wat vóór 1837 ook niet geschiedde bg la- 



1) Art. 28 y. h. Koninkl. Cliarter v. d. Kopenhaagsche Zeeast. maat^ch. 
Art. 150 2° V. d. Code v. Stockolm en art. 69 l^ v. h. Lov on Söfarten. 

2) Art. 1847 Port. Cod. d. Com. Art. 950 Spaansche Cod. d. Com. 

8) Zie Le?y bl. 783 y. Adres aan de Ministers etc. yan liet Ned. Ay. Gr. 
Com. bl. 6 y. Rahnsen, verslag yan het congres te Antwerpen, bl. 11. Verg. 
ook Diepbuis, U, bl. 242 en 243. 



271 

dingen van hout en teer. Lang heeft men er getwist 
over het al of niet toelaatbare van eene uitzondering 
ten faveure van den houthandel tusschen 1 Mei en 1 
September. De jurisprudentie was een tijd lang voor 
avarij-grosse maar neemt tegenwoordig in plaats daar- 
van de „general contribution" aan '). 

Op het congres te York werd deze uitzondering ook 
aangenomen. De voornaamste motieven daarvoor vindt 
men dan ook boven bl. 152, vlgg. vermeld *). De meeste 
nieuwere schrijvers sluiten de werping van deklading 
van avarij-grosse uit '), alleen baily wil die toelaten 
in elk geval dat er eene handelsgewoonte, om zekere 
goederen als deklading te voeren, geconstateerd kan 
worden *), terwijl phillips n". 1282 tot de conclusie 
komt: „That a jettison of a deckload is to be contri- 
buted for in general average where the stowing of the 
jettisoned article on deck is justifiable, and the other 
parties interested have notice by the policy, or by 
usage or otherwise that such articles may be so car- 
ried and there is no plainly established usage nega- 
tiving the right to claim such contribution." Neemt 
men echter met de meeste wetgevingen en het congres 
te Antwerpen aan, dat deklading nooit „justifiable" 



1) Lowndes, bl. 82, ylgg. 

2) Zie vooral ook BaUy, bl. 54—56. 

8) V. Tecklenborg, s. v. Seewarf. Steyens-Phillips, bl. 64. Nolte, bL 
596. Benecke-Phillips, bl. 286. Abboth-Shee, bl. 429 d. IV, chap. IX f 4 (die 
zegt dat er in Engeland uitzonderingen voor de kustvaart erkend z^n) en 
Amonld-Maclachlan, bl. 824 v, 

4) Baily t. a. p. 



272 

is, dan heeft eene dergelijke conclusie praktisch al 
heel weinig nut. 

Inderdaad als het schip niet gebouwd is om dek- 
lading te voeren, dan zijn alle goederen op het dek 
geborgen daar niet alleen niet op hunne plaats maar 
bestaat er tevens overlading en kan er, ook volgens 
algemeene beginselen, hoegenaamd geen sprake van 
avarij-grosse zijn, omdat overlading zelf een oorzaak 
van gevaar en in alle gevallen nooit geoorloofd is. Is 
het schip daarentegen ingericht op het voeren van 
deklast dan kan dit argument wel niet gelden, maar 
niemand zal toch ontkennen, dat ook dan nog zulk 
een last de navigatie van het schip belemmert en 
bovendien vooral in geval van storm, doordat hy hcht 
overgaat, dikwijls een bron van gevaar is. Het beste 
bewijs dat er overwegende redenen bestaan om dek- 
lading ook in dit geval af te keuren, vind ik in de 
geschiedenis zelf. Zooeven toch hebben we gezien dat 
overal en altijd het beginsel gegolden heeft, dat dek- 
lading niet vergoed wordt, behoudens enkele uitzonde- 
ringen in sommige landen bestaande, voomameUjk voor 
de kustvaart, waarvoor het echter niet eens dringend 
noodig of zeer wenschelijk schijnt te zijn, daar anders 
in Duitschland wel gebruik gemaakt zou zijn geworden 
van de bevoegdheid in art. 701 A. D. H. Gb. aan de 
landswetten toegekend, en in ons Wetboek van Koop- 
handel art. 348, de 2^« alinea van art. 229 Code de 
Commerce niet weggelaten zou zijn. Bovendien zijn er 
in de groote vaart, vooral ten dienste van den hout- 
handel, evengoed schepen geschikt om deklading te 



273 

voeren, en toch is die zelfs dan nog zoo gevaarlijk dat 
in Engeland bij de wetten 2 en 3 (1838-1839) Yic- 
toria c. 44 en 3 en 4 (1839—1840) Yictoria cap. 36, 
het voeren van hout als deklading tusschen 1 Septem- 
ber en 1 Mei verboden moest worden '), en op het 
congres te Antwerpen, vooral de Scandinavische leden 
op de aanneming van deze eerste alinea der rule aan- 
drongen, terwijl het toch bekend is dat Zweden en 
Noorwegen den belangrijksten houthandel drijven, en het 
eveneens onbetwist is dat van alle dekladingen, hout 
nog de minst gevaarlijke is. 

Wanneer wij dit alles goed overwegen blijkt slechts 

- de conclusie gewettigd, dat de beslissing in Antwerpen 

gevallen zeer is toe te juichen en ieders goedkeuring 

verdient, daar zij een zeer juist algemeen beginsel 

stelt, en ook aan veel misbruiken een einde zalmaken. 

Speciaal ook met het doel om die te voorkomen is 
de tweede alinea gemaakt. Zij sluit echter niet eiken 
twijfel uit over hetgeen men al dan niet als dek moet 
beschouwen, waarom de courcy meent dat een juistere 
redactie noodig is (une rédaction plus précise aurait été k 
propos ^). Indien wij echter in het oog houden dat in der 
tijd de commissie tot samenstelling van het duitsche han- 
delswetboek bij de beraadslaging over het tegenwoordige 
art. 567 A. D. H. Gb. besloot, omdat het onmogelijk 
was eene voor alle gevallen juiste definitie te geven, 
er in het geheel geene in de wet op te nemen en 



1) Later schenen deze wetten weer ingetrokken te zijn. 

2) A. de Courcy, Qu. de dr. mar., Il bl. 269. 

18 



274 

zoodoende voor elk geval de beslissing aan den rechter 
over te laten '), dan is het zeker aan rechtmatigen 
twijfel onderhevig of er wel een veel juistere definitie 
dan die van alinea 2 gegeven kan worden. Bovendien 
zou zulk eene definitie slechts voor het oogenblik goed 
kunnen zijn, daar er dagelijks veranderingen en ver- 
beteringen in de constructie, vooral der ijzeren schepen 
gemaakt worden, zoodat allicht een speciaal onderzoek 
in elk geval noodig zal zijn, wat door niemand beter 
dan door den rechter, met behulp van deskundigen, 
ingesteld kan worden. 

Op het congres te Antwerpen werd nog uitgemaakt 
dat de inhouten of spanten en de dekbalken begrepen 
zijn onder: „frame ofthe vessel.'' Dat men daarentegen 
met het dek heeft willen gelijk stellen, de kampanjes, 
de roef, het spardeck en andere daarop geplaatste ge- 
timmerten wordt door den heer de courct aangenomen, 
onder bijvoeging echter van de woorden : „ Il parait que 
je me trompais'' '). En wat de kampanje aangaat ver- 
gist hij zich ook werkelijk, want uit de discussies op 
het congres te York gehouden, blijkt ten duidelijkste 
dat de tegenwoordige redactie dezer alinea gekozen 
werd, juist om de kampanje, die altijd zoo als de heer 



1) Ulrich, Denkschrift bl. 18 v. 

2) De Conrcy vervolgt aldus : „Déjil Ton dispute et Ton sontient que Ia 
dunette et Ie spardeck font corps avec la membrare." Dat de kampanje niet 
tot het dek behoort kan, dnnkt mij, in Frankr^k aan geen twq fel meer ODde^ 
hevig zijn, daar reeds de 13e Jan. 1841 door de Rechtbank te Bordeaox, 
eene beslissing in dezen zin gegeven werd luidende: „que la dunette diffère 
essentiellement du rouffle; qu'elle est Ie plus haut étage de 1'arrièred'unnavire; 
que sa couverture est coufectionnée comme celle du reste da b&timent, qu'elle 



275 

BAILY opmerkte, „is built in with the frame of the 
vessel" en waarin men het plaatsen van zelfs zeer 
kostbare goederen volkomen geoorloofd vond, buiten 
het bereik harer bepalingen te doen vallen *). Bij 
andere getimmerten zal eerder de quaestie kunnen oprij- 
zen, of zij een deel van het dek uitmaken, maar dit 
neemt toch niet weg dat de bepaling der Antwerp Rule 
volkomen te billijken is, al had men zich zeker veel 
logischer uitgedrukt, indien men de in Antwerpen door 
den heer rahusen voorgestelde redactie: „Cargo laden 
in any structure not built in with the frame of the 
vessel, shall be considered as cargo on deck," had 
aangenomen. 



est établie sar les prolongements des conrbes, qa'elle fait corps avec Ie 
b&timent; que les marchandises les plas précieases y sont parfois placées de 
préférence k toas autres compartiments du navire; que si dans les tempêtes, 
«lies sont ezposees k être atteintes par Teau de mer, celles qu'on dépose k 
fond de cale ne sont pas exemptes de eet inconvénient, ainsi que Ie démon- 
trent les rapports des experts appréciateurs qai passent toas les jours sous les 
yeux du tribunal. 

Attendu que les dunettes convenablement construites o£frent en général aux 
cbargeurs autant de sécurité que plusieurs parties de Tintérieur de la cale, et 
notamment celles qui avoisinent les barreaux du pont ou Ie vaigrage du navire, 
etc." (Frignet bl. 313). Dit vonnis werd in appel door de Cour Boyale bevestigd, 
waarvan Frignet ook nog eene gelijke beslissing van 6 December 1836 aanhaalt. 
Cauvet (II bl. 117 v.) zegt hiervan: „Certaines navires ont des dunettes ou 
des rouffies. Les marchandises chargées dans les dunettes ou dans des rouffles 
dont les murailles sout celles même du navire ne sont pas censées chargées sur 
Ie pont; elles sont sous converte comme celle de la cale; mais un ronfSe 
volant qui n'a pas les mêmes murailles que ie navire, n^est qu'un abri place 
sar Ie pont, et les marchandises qu'il recouvre forment aussi un chargement 
sur tillac.** 

2) Vide supra bl. 154 v. 



276 



Rule II. 



Damage done to goods or merchandise by 
water which unavoidably goes down a ship's 
hatches opened, or other opening made, for 
the purpose of making a jettison, shall be 
made good as general average, in case the 
loss by jettison is so made good. 

Damage done by breakage and chafing or 
otherwise from derangement of stowage con- 
sequent upon a jettison, shall be made good 
as general average in case the loss by jetti- 
son is so made good'). 

Daar het hier noodzakelijke en onvermijdelijke ge- 
volgen van eene avarij-grosse handeling geldt, kan van 
ons standpunt de juistheid dezer Rule aan geen twijfel 
onderhevig zijn. Haar te bestrijden op grond van de 
moeielijkheid om te bewijzen, welke van deze schaden 
zulk een gevolg der werping zijn en daarmede door 
causaalsamenhang verbonden zijn, welke aan eene an- 
dere oorzaak, — binnendringen van zeewater bij andere 
gelegenheden, of door een lek, of wel aan slechte 



1) Off. Vert. : Schade aan de lading veroorzaakt door water, dat bij het openen 
?an de luiken of bet maken van eene andere opening om eene werping te doen, 
zonder dat het te keeren was, naar beneden dringt, zal in Avar\j-6ro8se 
worden vergoed, indien het verlies door de werping ontstaan in Avarg-G rosse 
wordt vergoed. 

Schade (aan de lading veroorzaakt) door breken en beschadigen of op eene 
andere wijze ten gevolge van het verstoren der stuwage ten gevolge eener 
werping, zal in Avarij-Grosse worden vergoed, indien het verlies door de 
werping ontstaan in Avarij-Grosse wordt vergoed. 



277 

stuwaadje, — te wijten zijn, gaat in het geheel niet aan, 
daar men het recht niet aan praktische bezwaren mag 
opojfferen vooral als deze niet overwegend zijn. Hoe 
dikwijls toch niet is het bewijs moeilijk te leveren? 
Wordt in casu het noodzakelijke verband tusschen de 
schade en de werping niet volledig bewezen, dan kan 
er natuurlijk ook van geene avarij-grosse sprake zijn. 
De bepaling der eerste alinea is dan ook overal zonder 
uitzondering het recht '), terwijl die van de tweede 
alinea slechts verandering zou brengen in de costumen 
van Antwerpen ^) en in de Engelsche praktijk ') welke 
beide deze schade als avarij -particulier behandelen. 

Rule III. 

Damage done to a ship or cargo, and either 
of them, by water or otherwise, in extin- 
guishing a fire on board the ship, shall be 
general average; except that no compen- 
sation be made for damage done by water 
to packages which have been ön fire^). 

Deze regel spreekt vrij wat vollediger dan de voor- 
gaande, ook van schade aan het schip, ter zake van 
blussching, toegebracht; niet alleen van waterschade 



1) Art. 40Ü nO. 5 C. d. C. art. 699 n«. 5 en 6 W. K. art. 1819 n«. 5. 
Port. wet. art. 708 n». 1 A. D. H. G. B. 

2) Lowndes bl. 309 v. 

8) Deze praktijk is reeds door de Engelsche schrijvers eenstemmig veroor- 
deeld. Zie Baily bl. 39 en 60. Lowndes bl. 43. Stevens (Phillips) bl. 65. 
Benecke (Phillips) bl. 104 v. 

4) Off. Vert..: Schade aan schip of lading of aan beide toegebragt door water 
of op andere wijze bij het blusschen van eenen brand aan boord van het 



278 

maar ook van elke andere. Of men hierbij ook heeft 
gedacht aan vrijwillige stranding om het vuur te kun- 
nen blu88chen, en of dus de schade hierdoor aan het 
schip en de lading toegebracht onder dezen regel valt, 
is niet boven allen twijfel verheven, daar de gehouden 
discussies in dezen geen licht geven, al moge ook de 
ratio dezelfde zijn '). 

De bepaling van den regel is overigens geheel in 
overeenstemming met het algemeene begrip van avarg- 
grosse en daarom, zonder twijfel, ook met het recht 
van alle landen, al wordt blusschade in geen eene 
wetgeving speciaal vermeld '). Ook de uitzondering 
voor colli's die gebrand hebben, kan men nagenoeg 
algemeen als erkend beschouwen, en te recht, want 
worden deze nat gemaakt dan kan men ten eerste niet 
zeggen dat zij daardoor benadeeld worden, (veeleer 
toch trekken zij er voordeel uit) en daarenboven indien 
dit al geschiedt, dan heeft er toch opoflFering plaats 
van datgene wat zelf de oorzaak van het gevaar is en 
kan er dus nooit avarij -grosse bestaan '). Alleen in 
Duitschland schijnt eene jurisprudentie gevestigd te 



schip, zal Avarij Grosse zijn; met deze uitzonderiug evenwel dat geene ver- 
goeding gegeven zal worden voor waterschade aan colli's die door vaur zqn 
aangetast geweest. 

1) In Engeland is uitgemaakt dat dit avarij-grosse is. Lowndes Inl. bl. iü 
en bl. 62. 

2) De Courcy II bl. 270. Lowndes bl. 149 v. waamit blijkt dat de Engelsche 
praktik naar aanleiding van eene beslissing der Qneen's Bencb, bevestigd 
door de Coart of Excheqner Chamber, in den laatsten tgd eene verandering heeft 
ondergnan en un conform dezen regel is. 

3) Lowndes merkt, bl. 159 noot b., aan dat dit ook de Engelsche praktijk is. 



279 

zullen worden die deze uitzondering niet toelaat, ten 
minste als de goederen slechts in geringe mate door 
hèt vuur zgn aangetast, en dan in dat geval avarij- 
grosse aanneemt '). Volgens de vergelijkende tabel van 
ULBICH bestaat ook in Italië deze uitzondering niet '). 
Kenmerken zich alle York- and Antwerp-Rules door 
eene omslachtige en langdradige redaxïtie en onmoge- 
1^'ken stijl, in dit opzicht spant deze wel de kroon. 
Gevoegelijk had hij kunnen luiden : „ Damage done to 
ship or cargo in extinguishing a fire is general average, 
except the damage done by water to packages, wich 
have been on fire," of in het HoUandsch: „Blusch- 
schade aan schip en lading is avarij-grosse, uitgezon- 
derd de waterschade aan colli's toegebracht, die door 
het vuur zijn aangetast geweest." 

Rule lY. 

Loss or damage caused by cutting away 
the wreek or remains of spars, or of other 
things which have previously been carried 
away by sea-peril, shall not be made good 
as general average'). 

Deze regel laat zich zeer wel verdedigen op grond 
dat de vleet en de resten van andere afgebroken zaken 
op het oogenblik der kapping toch feitelijk geen waarde 



1) Hamburger Obergericht IB Nov. 1878. Bremer Handelsgericht 18 Nov. 
1875. Bremer Obergericht 8 Maart 1876. Anders Hamburger Handelsgericht 
6 Juni 1878. Verg. Zeitschrift f. d. g. Handelsr., XXIV, bl. 50B. 

2) Bijlage van Ulrich's Denkschrift.Evenmin in België volgens Lowndes bl.812. 

3) Off. vert. : Verlies of schade door het wegkappen van de vleet of over- 



280 

meer hebben, ten minste geen bewijsbare, en het on- 
mogelijk is om bijv. de overhangende vleet op zee in 
een storm weer binnen te krggen, zoodat men moet 
aannemen dat de schade niet door de daad van een 
mensch maar door den storm aan het schip is toege- 
gebracht. Ook zal hierdoor aan vele quasi-kapping een 
einde komen, zooals de heer rahusen in zijn verslag 
van het congres te Antwerpen terecht opmerkt (bl. 16). 
Verg. ook ulrich, Denkschrift bl. 20. Streng theore- 
tisch zou er evenwel avarij-grosse moeten zijn als er 
eene bewijsbare schade, hoe gering ook, bestaat. De 
Engelsche en Amerikaansche praktijk stemmen met dezen 
regel overeen. De Zweedsche wet (art. 150 n\ 6) en die 
van Noorwegen (art. 70 n\ 2) bepalen dit zelfs uitdrukke- 
lijk. Alle overige wetten zwijgen hierover, maar de prak- 
tijk laat bijna overal avarij-grosse toe. Zoo wordt vol- 
gens de usantie van Rotterdam en Amsterdam, na aftrek 
van Vs) ^^ ^^If* ^^^ gekapte waarde vergoed, als 
middencijfer om de moeilijkheden aan de bewijsvoering 
der werkelijke schade verbonden af te snijden. In 
België komt de waarde, die men presumeert dat de 
zaken op liet oogenblik der kapping in hun gebroken 
toestand nog bezaten, in avarij-grosse ^). Evenzoo in 
Frankrijk waar dit gebruik de sanctie heeft verkregen 
van het hof van Rennes ^). Dezelfde praktijk bestaat 



blgfsclen van rondhouten of andere zaken, die alvorens z^'n weggeslagen door 
de evenementen der zee, zal niet in avarij-grosse worden vergoed. 

1) Men beroept zich hiervoor op a. 400 n^ 3 C. d. Gom. Beige. 

2) Code de Commerce expliqné par Rogron, 1868, bl. 79». Dalloz H p. 186 
Verg. a. 400 n». 3. C. de Gom. d. Fr. 



281 

in Portugal en Brazilië, waar men haar verdedigt met een 
beroep op art. 1816 n\ 4 van de Port. Code, eninDuitsch- 
land. De bepaling van de Antwerp-Rule zal in dit laatste 
land evenwel niet veel tegenstand ontmoeten daar er 
reeds verscheidene stemmen tegen de praktijk zijn 
opgegaan^). Dr. lew^is tracht zelfs in het Zeitschri/t 
ƒ. d. g, Handelsrecht (XXIV bl. 506 v.) aan te toonen 
dat de regel volkomen in harmonie is met het A. D. 
H. Gb. (men verdedigde de praktijk gewoonlijk met 
een beroep op art. 702 of 708 n^ 1 van dit wetboek; 
de Promemoria van de Kamer van Koophandel van 
Bremen haalt zelfs eene rechterlijke beslissing in den 
geest van Rule IV aan) ^), zoowel als met het wezen 
van de avarij-grosse. In rechte is de quaestie nog 
niet voldoende beslist. Alleen de Deensche wet bevat 
eene speciale bepaling, die het kappen van de vleet 
en dergelijken onder avarij-grosse brengt '). 

Rule V. 

When a ship is intentionally run on shore 
because she is sinking or driving on shore 
or rocks, no damage caused to the ship, the 
cargo, and the freight, or any or either of 
them, by such intentional running on shore 
shall be made good as general average *). 



1) Verg. Ahlers bl. 18 v. en 58. Ulrich bl. 20. 

2) Fritsch Annalen des ges. Versicherungswesens, jg. 10 vfi. 8, bl. 92. 

3) Art- 26 V. h. Koninkl. Charter voor de Kopenh. Ass. Maats, van 1850. 

4) Off. Vert. : Wanneer een schip opzettelijk is op strand gezet, omdat het 
in zinkenden staat verkeert of naar het strand of de rotsen heendrijft zal 



282 

De vrijwiUige standing is een der onderwerpen ge- 
weest die op de verschillende congressen aanleiding 
gegeven hebben tot den meesten strijd en de langste 
debatten, welke nog, jammer genoeg, eene onjuiste 
bepaling in het leven hebben geroepen. 

Wanneer wij toch het leerstuk der vrijwilligge stran- 
ding aan de algemeene beginselen van het avarij- 
grosse recht en aan de door mij (supra bl. 96) gegeven 
algemeene bepaling toetsen, dan zie ik niet in, hoe 
het mogelijk is, om tot eene andere conclusie te komen, 
dan deze dat het vrijwillig op het strand zetten van 
een schip, om den vijand, het gevaar van zinken of 
verbranding te ontkomen, eene avarij-grosse handeling 
is, en de schade daardoor aan schip of lading veroor- 
zaakt als avarij-grosse vergoed moet worden. Alle 
daarvoor vereischte elementen bestaan hier, een emi- 
nent gevaar van totaal verlies, en eene opzettelijk 
tot gemeen behoud van schip en lading aan een 
van beiden of beiden veroorzaakte schade. Nu werpe 
men mij niet tegen dat het bijna niet te constateeren 
is, welke schade reeds voor de stranding aanwezig 
was en welke door de stranding veroorzaakt is. Reeds 
elders toch heb ik er al op gewezen dat dit nooit een 
argument mag zijn om het recht te verzaken, want hij 
die vergoeding in avarij-grosse vraagt, moet de schade 
bewijzen, kan hij dit niet niet, dan ook geen omslag. 



geene schade aan schip, lading en vracht of aan een of meer van hen ver- 
oorzaakt, door zoodanig vrijwillig op' strand zetten, als avar^-grosse worden 
vergoed. 



283 

Dat men tot een dergelijke daad slechts in uitersten 
nood overgaat, als er geen andere keuze is, gewoon- 
lijk zelfs tot lijfsberging en er dus geen opzettelijke 
daad bestaat, is evenmin een voldoend argument. Reeds 
vroeger^) heb ik aangetoond dat keuze tusschen ver- 
schillende middelen van redding geen vereischte voor 
eene avarij-grosse handeling kan zijn, terwijl vrijwil- 
lige stranding steeds eene opzettelijke daad zal blijven 
welke ook de motieven daarvoor zijn dus ook als 
daartoe lijfsberging behoort. Dit motief toch zal ge- 
woonlijk samengaan met dat van redding van sehip 
en lading voor zooverre deze redding mogelijk is en 
is dit laatste dikwijls het eenige motief). Het beste 
voorbeeld hiervan is het geval van de „Voorwaarts.'' 
Deze boot der Maatschappij Nederland kwam voor 
eenige jaren bij helder weer en kalme zee, dicht bij 
de kust van Sumatra in aanvaring met de Engelsche 
stoomboot „Khedive'', en werd tengevolge daarvan zoo- 
danig lek dat het zinken te voorzien was. De kapitein 
liet toen de boot, eenig en alleen met het doel om 
schip en lading te redden (want de passagiers en 
equipaadje hadden zich best kunnen redden in de 
booten en daarmede naar land kunnen roeien) op de 
nabij gelegen lage kust loopen. Zijn doel werd dan 
ook volkomen bereikt, en de boot kon, nadat ze afge- 
bracht was en eenige betrekkelijk geringe reparaties 



1) Supra bl. 24. 

2) Mocht echter uit alle omstandigheden blijken dat Igfsberging het abso- 
luut eenige motief was, dan kan men met recht avarij-particulier aannemen, 
omdat er dan geene opoffering tot gemeen behond bestaat. 



284 

ondergaan had, weldra weder in de vaart gebracht 
worden. Er bestond hier dan ook onloochenbaar eene 
avarij-grosse handeling, al zou de Antwerp-Rule in 
dit geval eene tegenovergestelde be3lis8ing gegeven 
hebben. 

Iets anders is het, wanneer de vrijwillige stranding 
geschiedt omdat het schip naar het strand of de rotsen 
wordt heengedreven en men nu, daar het niet mogelijk 
is het daarvan af te houden, althans eene minder ge- 
vaarlijke plek tracht uit te kiezen om te land te ko- 
men. In dit geval toch bestaat er geen opzettelgke of 
vrijwillige daad, geen opoffering tot gemeen behoud, 
en geen schade. Geen opzettelijke daad, want de 
schipper besluit niet uit vrije verkiezing tot het stranden, 
maar zoekt slechts de schadelijke gevolgen te vermin- 
deren van dat wat tegen zijnen wil door de kracht 
der elementen onvermijdelijk geschieden moet; geene 
opoffering tot gemeen behoud, want er wordt niets 
bizonders opgeofferd om het allen dreigende gevaar der 
stranding te voorkomen, integendeel men werkt mede 
dit te ver wezen tlij ken, in de hoop dat de gevolgen nu 
minder nadeelig zullen zijn dan zij anders waarschijn- 
lijk geweest zouden hebben kunnen zijn, want ook 
dit is slechts eene hypothese. Eindelijk bestaat er niet 
zulk eene schade als noodig is voor avarij-grosse, want 
ze wordt niet toegebracht om het overige van de ge- 
meenschap te behouden, maar men tracht slechts de 
schade die iedereen zal lijden, zooveel mogelijk voor 
een ieder te verminderen, terwijl eene schade om 
avarij-grosse te zijnen ten koste van enkelen tot be- 



285 

houd van allen moet zijn toegebracht. Van stranding 
om deze reden is onze regel dus volkomen juist. 

Er bestaat echter eene enkele practische maar zeer 
gewichtige reden waarom ik ook met hare bepaling 
omtrent stranding, wanneer het schip in zinkenden 
toestand verkeert, mede zou kunnen gaan, in alle ge- 
vallen haar niet absoluut veroordeel. Wanneer men 
namelijk alleen bepaald had, dat de schade averij-par- 
ticulier zal zijn, wanneer de vrijwillige stranding ge- 
schiedt omdat het schip naar het strand of de rotsen heen- 
drijft, dan zouden de schippers in het vervolg eenvoudig in 
hun journaal, protest en scheepsverklaring de vermelding 
van dat feit weglaten en zich vergenoegen met te zeggen 
dat het schip in zinkenden toestand verkeerde, waardoor 
de geheele regel feitelijk tot een doode letter gemaakt zou 
worden. De vrees voor zulk een misbruik mag zeker 
niet ongegrond genoemd worden, vooral daar het, om- 
dat bijna nooit tegenbewijs kan bestaan, (de equipaadje 
heeft gewoonlijk belang om den schipper te helpen), 
onmogelijk te bestrgden zou zijn, tenzij men den radi- 
calen weg bewandelt, dien men te York en Antwerpen 
heeft ingeslagen en waarvan deze regel de vrucht is. 
Al is het zeker zeer te betreuren dat men tot zulk 
een middel, waardoor in vele gevallen aan het recht te 
kort wordt gedaan, zijn toevlucht heeft moeten nemen, 
het kan toch niet ontkend worden dat deze regel 
hieraan een recht van bestaan ontleent ^). 



1) Verg. Ahlers, bl. 20 v. en 55. Adres aan de Ministers, bl. 11 v. Raliasen, 
Verslag Antwerpen, bl. 17 v. De Courcy, II bl.272. Zeitschf. f. d. g. Handelsr., 
XXIV bl. 609. 



286 

Opmerkelijk blijft het echter dat bijna alle schrijvers 
over avarij -grosse, zoowel oudere als nieuwe, eenstem- 
mig de vrijwillige stranding als zoodanig beschouwen >). 
Alleen lowndes ') schijnt in navolging van parsons *) 
de onderscheiding, die wij zooeven gegeven hebben, 
aan te nemen, Rule Y is dan ook in tegenspraak 
met bijna alle bestaande wetgevingen en met de 
praktijk der meeste landen. Art. 699 b9. 15 van 
ons W. K. noemt vrijwillige stranding avarij-grosse 
wanneer het geschiedt om het gevaar van neming of 
stranding te voorkomen, gelijk mede indien zulks in 
eenig ander dringend gevaar tot behoud van schip en 
lading heeft plaats gehad, waaronder echter niet begre- 
pen zijn de gevallen dat het geschiedt tot Igfsberging 
der bemanning of wanneer het schip naar rotsen of 
het strand heen drijft dus ook zonder de daad van den 
schipper op het strand geraakt zou zou zijn *). In 
Duitschland bestaat er volgens art. 708 n". 3 A. D. H. Gb. 



1) Onvoorwaardelgk in alle gevallen : Pöhls III bl. 640. Arnould, eerste 
editie, II bl. 898, met restricties hetzij voor het geval dat het schip verloren 
gaat of niet meer gerepareerd kan worden, hetz\j dat de stranding geschiedde 
bloot tot Igfsberging, in uiterste nood of terw^l het schip reeds naar het 
strand dreef. Emérigon-Boalay-Paty, I bl. 600 (cap. XII, sect. XLI $ 2). v. Kal- 
tenborn, II bl. 97. Valin-Bécane, comm. op a. 6 Tit. d. Av. Ord. 1681, II 
bl. 460 V. Nolte, II bl. 631. Phillips, n». 1318—1816 II, bl. 89v.Fngnet,I 
bl. 866 V., nO. 401—408. Levy, bl. 768 v. Benecke-Phillips, bl. 143 v. Daaren- 
tegen beschuawen slechts Stevens-Phillips, bl. 148 v. Arnould-Maclachlan 
bl. 834 V. en Baily bl. 41, 75, 82 v. vrijwillige stranding in alle gevallen 
als avarg-particalier, de laatste echter alleen om practische redenen. 

2) Lowndes bl. 60 vlgg. vooral bl. 66 noot (b). 
8) Parsons, On Insurance, II bl. 243 en 244. 
4) Zie Diephuis, II bl. 237. 



> 287 

in alle gevallen ^) avarij -grosse, wanneer ten minste het 
schip na de stranding afgebracht en hersteld kan worden. 
Deze bepaling werd echter slechts met één stem meer- 
derheid bij de eerste beraadslaging over het A. D. H. 
Gb. aangenomen. De invoering van Rule V zal hier 
dus niet veel tegenstand ontmoeten *). Volgens de 
Zweedsche wet is vrijwillige stranding avarij-grosse (art. 
143 n\ 3), eveneens volgens de Deensche (art. 7 van 
het Kon. Charter) indien er ten minste klaarblijkelijk , 
eene opoffering heeft plaats gehad, en volgens de Noor- 
weegsche (art. 69 n". 4), in welk land echter in de 
praktijk avarij-grosse niet toegelaten wordt, wanneer 
het schip op het punt van zinken is of in zulk een 
hopeloozen toestand verkeert, dat men niet kan zeggen 
dat er iets opgeofferd is of dat er nog een alternatief 
bestond '), wat gedeeltelijk met Rule V in overeen- 
stemming is. De jurisprudentie en de praktijk zijn in 
Frankrijk geheel met elkander in overeenstemming, 
en nemen altijd even als in Duitschland avarij-grosse 
aan, behalve wanneer het schip door de stranding 
wrak wordt. *). In Italië (art. 509 n". 15), Spanje 



1) In de Promemoria van de Bremer Kamer van Koophandel (Fritsch, Ann. 
d. g. Versw., jg. 10 n^. 8, bl. 92) en in het Denkschrift van Ulrich, ook door 
Levy, t. a. p. bl. 768, wordt beweerd dat het A. D. H. 6b. geen avarij-grosse 
zou toelaten ingeval men het schip op het strand zet, terwijl het daar reeds heen- 
dr^ ft, op grond van de beraadslagingen over het ontwerp dier wet. Overtui- 
gend wordt dit echter weerlegd door Dr. Lewis in het Zeitschrift f. d. g. 
Handelsr., XXIV bl. 608. 

2) Zie Fritsch, Annalen des ges. Versicheruugswesens, jg. 10 n^. 8, bl. 98. 
8) Lowndes, bl 420. 

4) Ca. het hof van Marseille 6 Sept. 1861. Verg. Lowndes bl. 297 en 800. 



288 

(üLBiCH, tabel bij zijn Denkschrift; de Spaansche code 
toch bevat hierover geen bepaling), Portugal en Bra- 
zilië (art. 1816 n'. 15 Port. Code) bestaat altijd avarij- 
grosse, evenzoo volgens de wetten van de Argentijnsche 
Republiek (art. 1476 n". 16), Uruguay en Chili (art. 
1090). Daarentegen brengt de Engelsche praktijk de 
schade door vrijwillige stranding veroorzaakt onder 
avarij-particulier *), terwijl de Amerikaansche jurispru- 
dentie, die niet zeer standvastig en dikwijls tegenstrijdig 
vrijwel het door pns boven verdedigde stelsel schijnt 
aan te nemen, hoewel de praktijk aldaar er toe overhelt 
om altijd zonder onderscheid avarij-grosse toe te laten *). 
Overeenstemming in de verschillende wetgevingen en 
in de praktijk blijkt er dus allerminst te bestaan, 
waarom de algemeene aanneming van dezen regel, 
daar er geen overwegende bezwaren tegen bestaan, 
allezins zou zijn toe te juichen. 

Rule VL 

Damage occasioned to a ship or cargo by 
carrying a press of sail shall not be made 
good as general average'). 

Deze regel bevat eene volkomen juiste beslissing, 
hetgeen wij, onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent 



1) Lowndes bl. 60 — 67. Eene rechterl^ke beslissing bestaat hieromtrent nog 
niet, behalve (zie boven bl. 278 noot 1 ) voor het geval van vrgwillige stran- 
ding om een aan boord uitgebroken brand te blusschen, wat avar^-grosse is. 

2) Lowndes bl. 278 en 279, vooral noot(a). 

3) Off. Vert. : Schade aan een schip of de lading veroorzaakt door het 
prangen met de zeilen zal niet in avar\j-grosse worden vergoed. 



289 

reeds op bl. 35 gezegd is, hier niet nader behoeven te 
betoogen. Van de bestaande wetgevingen bevatten ook 
slechts enkele eene tegenovergestelde bepaling, namen- 
lijk die van Denemarken (art. 6 Kon. Charter), Portugal 
(art. 1816 n\ 3), de Argentijnsche Republiek, Uruguay 
(art. 1476 n'. 6) en Chili (art. 1099). Ook in Italië 
en Spanje neemt (volgens de tabel van ulrich, bij zijn 
Denkschrift), de praktijk hier avarij-grosse aan. Slechts 
in uiterste gevallen van hoogen nood laat de Fransche 
jurisprudentie en praktyk avarij-grosse toe, blijkens de 
door FRIGNET (n". 390 — 394, I bl. 344 v.) aangehaalde 
arresten van het hof te Marseille van 13 Jan. 1843, 
van Rouaan van 3 Mei 1827 enz. '). Anders beslisten 
evenwel het hof van Douai, 11 Mei 1843 en dat van 
Rennes, vermeld in Dalloz II, bl. 186 en Rogron bl. 
793, waaruit dus blijkt dat er nog geen gevestigde 
jurisprudentie bestaat. 

Rule VIL 

When a ship shall have entered a port of 
refuge under such circumstances that the 
expenses of entering the port are admissi- 
ble as general average, and when she shall 
have sailed thence with her original cargo 
or a part of it, the corresponding expenses 
of leaving such port shall likewise be so 
admitted as general average; and whenever 
the cost of discharging cargo at such port 



1) Verg. Cauvet II, n». 852, bl. 120 v. 

19 



290 

is admissible as general average, the cost 
of re-loading and stowing such cargo, on 
board the said ship together with all sto- 
rage charges on such cargo, shall likewise 
be 80 admitted ^). 

Ru Ie Vm. 

When a ship shall have entered a port of 
refuge under the circumstances defined in 
Rule VII, the wages and cost of the master 
and mariners, from the time of entering 
such port until the ship shall have been 
made ready to proceed upon her voyage, 
shall be made good as general average *). 

Onze meening over de noodhavenkosten hebben wij 
reeds ') uitvoerig uiteengezet, zoodat het overbodig 
schijnt de juistheid dezer regels hier nog nader t« 



1) Oiï. Vert. : WauDeer een schip eene noodhaven zal zijn binnengekomen 
onder zulke omstandigheden, dat de kosten van het binnenloopen in avar^'- 
grosse kunnen worden opgenomen, en wanneer het schip vandaar zal vertrok- 
ken zijn met z^ne oorspronkelijke lading of een deel daarvan, dan zuUen de 
overeenkomende kosten van het verlaten der haven op gelijke w^ze in avarij- 
grosse worden opgenomen, en wanneer de kosten van ontlossing in zoodanige 
haven in avarij-grosse kunnen worden opgenomen, dan zullen de kosten van 
herlading en herstuwing van zoodanige lading aan boord van het genoemde 
schip, eveneens als alle pakhuishuren van zoodanige lading, op gel^ke wijze 
in avarij-grosse worden opgenomen. 

2) Wanneer een schip eene noodhaven zal z\jxk binnengeloopen onder de 
omstandigheden omschreven in Regel VII, dan zullen de gagies en de kosten 
van onderhoud van kapitein en bemanning van den t^d van het binnenloopen 
in zoodanige haven totdat het schip gereed gemaakt zal z\jn om de reis te 
hervatten in avarij-grosse worden vergoed. 

3) Vide supra bl. 47 v. 



291 

verdedigen. Alleen zij er hier nog op gewezen dat in 
Engeland de oppositie tegen de York-Antwerp Rules 
zich voornamelijk tegen regel 8 schijnt te concentreeren. 
Dit blijkt uit de brochure: Why the lork-Antwerp- 
Rules ought to be rejected by y^Common Sensey Vooral 
regel 8 wordt hierin op zeer scherpe wijze veroordeeld, 
maar hoofdzakelijk om de misbruiken, waartoe de vergoe- 
ding van de gagie en het onderhoud der bemanning aanlei- 
ding geeft, niet zoozeer om het beginsel. De een wijst 
er op dat de reeders hun scheepsvolk gaan afdanken 
of bij de reparatie van het schip gebruiken en zoo- 
doende die vergoeding in hun zak steken, een ander 
daarop dat de schipper er opzettelijk het verblijf in de 
noodhaven om verlengt, een derde op eene beslissing 
van het Tteichsober handelsgericht in Duitschland van 17 
Mei 1878, dat ook de kosten van het opzoeken van 
en verblijven in eene noodhaven, wegens ijsgang avarij- 
grosse zijn, een vierde op het bedenklijke voorval, dat 
men soms de gagie van de in de noodhaven nieuw 
aangemonsterde equipage tot aan de destinatieplaats in 
avarij -grosse brengt, altemaal onrechtvaardige uitbrei- 
dingen van het avarij-grosse recht, die, mijns inziens, 
echter niets bewijzen tegen het beginsel van Rule 8, 
maar wel dit, dat eene betere redactie zeer wenschelijk 
zou zijn, en dat de nu bestaande zeer gebrekkig is. 
De boven (bl. 111 v.) door mij voorgeslagen regels, 
zouden, indien zij aangenomen werden, naar mijne 
bescheiden meening, aan deze en dergelijke bezwaren 
grootendeels te gemoetkomen en de hier gesignaleerde 
misbruiken doen ophouden. Dat vooral het vage en 



292 

onbestemde van den aanhef deze bepalingen ontsiert en 
voor een groot deel hunne waarde doet verliezen, ook 
daarop hebben wij reeds gewezen '). Tevens geldt hier de 
aanmerking bij regel 3 gemaakt, de redactie toch is 
aller omslaehtigst, langdradig en vol herhalingen *). 

Er volge hier dus slechts een overzicht van hetgeen 
tegenwoordig als recht omtrent de noodhavenkosten in 
de voornaamste zeestaten geobserveerd wordt. 

In Duitschland (art. 708, n^ 4, A. D. H. Gb.), Zweden 
(art. 148 n^ 4), Denemarken (art. 16, Kon. Chart.)en 
Noorwegen (art. 69 n". 8) geldt het beginsel dier regels 
reeds lang, echter met deze kleine wijziging dat de 
pakhuishuur en het onderhoud en de gagie der be- 
manning slechts worden vergoed zoolang als ze bepaald 
noodig waren, niet gedurende onnoodige verlenging 
van het verblijf of van de reparatie '). Ook volgens 
Hollandsch, (art. 699 n". 9, 10, 11 en 14 W. K.) *). 
en Amerikaansch recht zijn al deze kosten avarij-grosse 
terwijl de praktijk zelfs die, welke men maakt van af 
het oogenblik dat men den steven wendt om eene nood- 



1) Vide supra bl. 244. 

2) De Hollandsche vertaling is nog erger en toI overtoUigheden. 

3) Rusland volgt de bepalingen van het Allg. Deut. Handelsgesetzb. 

4) Mr. V. d. Hoeven, Handleiding tot het opmaken der avargen, bl. 10 
constateert, onder verwijzing naar een vonnis van Rotterdam, 4 Mei 1840 
(W. no. 97) en Hof v. Holland, 3 Maart 1841 (W. n». 232), dat de gagiescn 
het onderhoud van het scheepsvolk slechts tot zoolang onder de gemeene 
avarijen gerekend worden, als de schipper genoodzaakt is geweest om in de 
noodhaven te blijven tot herstelling der schade, en niet om andere bykomende 
omstandigheden, zooals vorst, gsgang, storm enz. en dat alleen slechts de 
kosten van het iuloopen avarij-grosse zijn, als het verblijf in de noodhaven 
zijn oorzaak vindt iu ijsgang (Verg. ook W. n^. 216). 



293 

haven op te zoeken tot dat deze bereikt is, daaronder 
brengt. De Italiaansche Codice di Comercio bevat in art. 
509 n\ 10, 11, 12 en 14 dezelfde bepalingen als de 
Antwerp-Rules. Evenzoo de Portugeesche en Brazi- 
liaansche Code, art. 1816 n". 9, 10, 11 en 14, hoewel 
art. 1612 bepaalt dat de kosten van het inloopen eener 
noodhaven altijd avarij-particulier zijn. Jurisprudentie 
en praktijk toch houden zich in deze aan de duidelijke 
letter van art. 1816 n*. 10, dat de loodskosten en 
alle andere kosten van binnenloopen en uitgaan eener 
noodhaven in avarij-grosse brengt. In Buenos-Ayres 
(art. 1476 n°. 9, 10, 11 en 14), Uruguay (art. 1486 
Jï\ 9, 10, 11 en 14) en Chili (art. 1090, lowndes 
bl. 454) worden ook alle noodhavenkosten in avarij- 
grosse vergoed. De eenige landen welke dus afwijkende 
bepalingen bevatten zijn Engeland, Frankrijk, België 
en Spanje. 

De Engelsche bepalingen hebben wij reeds leeren ken- 
nen; alleen de kosten van het binnenloopen der nood- 
haven en van de lossing der lading zijn avarij-grosse. 
De overige kosten daarentegen avarij-particulier, deels 
ten laste van de lading, deels ten laste van de reeders 
of de vracht. Ook hier meen ik er echter nogmaals 
op te moeten wijzen dat deze praktijk die nog door 
geen rechterlijke uitspraak was bevestigd, onlangs in 
het geding van Atwood v. Sellar door de Queen's 
Bench vernietigd werd, welke daarbij de common 
benefit theorie huldigde. Mocht de jurisprudentie deze 
uitspraak ook verder bevestigen en tot richtsnoer nemen, 
(en uit het verslag van Mr. dutilh van de vergadering 



294 

der Vereeniging tot Hervorming en Codificatie van het 
Volkenrecht in 1879 te Londen gehouden blijkt, dat 
reeds meer dergelijke beslissingen zijn gegeven) dan zal 
eene verandering in de praktgk niet kunnen uitblijven. 

In België brengt de praktijk alleen de in- en uitgaande 
havenkosten in avarij -grosse, terwijl de kosten van 
lossing, opslag en wederinlading der lading avarij- 
particulier zijn ten laste der eigenaars en de kosten 
van onderhoud en gagie der bemanning avarij -particu- 
lier voor de reeders ^). Het is echter te voorzien dat 
deze praktijk spoedig eene gewenschte verandering zal 
ondergaan nu de wet van 4 Sept. 1879, bevattende 
het 2^* boek van den herzienen Code de Commerce, in 
art. 103 alle noodhavenkosten in avarij-grosse heeft 
gebracht. 

In Frankrijk geldt volkomen het beginsel van regel 
7 dat, als men de noodhaven aandoet onder zulke om- 
standigheden, dat het binnenloopen avarij-grosse is, de 
uitgaande kosten dat ook zijn, terwijl, als de kosten 
van ontlossing dat zijn, ook die van pakhuishuur en 
weder inlading in avarij-grosse vallen. Daarentegen 
zijn de kosten in Rule 8 vermeld, slechts avarij-grosse 
als het schip bevracht is bij de maand, wat bijna nooit 
voorkomt^). Het ontwerp van 1869 is conform Rule 7. 

De Spaansche wet is hoogst onvolledig op dit punt; 
zij bepaalt slechts dat het onderhoud en de gage der 
bemanning avarij-grosse is, gedurende de reparatie van 



1) Lowndes bl. 308. Verg. Code de Commerce. 

2) Zie C. d. C, art. 400 n". 6 en 7, j». art. 403 n». 3 en 4. 



295 

eene avarij-grosse schade aan het schip toegebracht, 
mits het schip bij de maand bevracht zij (art. 936 n\ 11), 
dat de kosten van het binnenloopen eener noodhaven 
ter reparatie of om de victualie aan te vullen avarij- 
particulier zijn (art. 935 n\ 4) en eindelijk in a. 970 
nog eens dat de ingaande noodhavenkosten in alle 
gevallen ten laste van den reeder blijven. Lowndes ') 
haalt echter een werkje aan van een dispacheur uit 
Cadix, Senor Salvador viniegra, getiteld: Ustudio 
sobre la clasdficacion de las Jverias^ waaruit blijkt 
dat èn jurisprudentie èn praktijk, niettegenstaande art. 
970 van den Code, aUe noodhavenkosten, behalve het 
onderhoud en de gagie der bemanning, in avary-grosse 
toelaten. 

Men dient er echter wel op te letten dat door de 
invoering dezer beide regels nog volstrekt geen gelijk 
recht verkregen wordt. Datgene wat er alleen door 
bereikt wordt is de afschaffing der physical-safety- 
theorie. Immers al stemmen in de meeste landen hetzij 
de wetgeving, hetzij de praktijk met het beginsel in 
deze regels neergelegd, volkomen overeen, dit neemt 
niet weg dat lang niet overal de omstandigheden 
dezelfde zijn, waaronder de havenkosten en die van 
ontlossing der lading, avarij-grosse zijn. In alle ge- 
vallen ^), welke ook de aanleidende oorzaak is, zijn de 
noodhavenkosten avarij-grosse in Duitschland, Dene- 



1) bl. 479. 

2) Het spreekt van zelf dat als het inloopeu van eene noodhaven, ten gevolge 
van de schuld of nalatigheid van een der geinteresseerden, noodzakelijk is, er 
van geene avarij-grosse sprake kan zijn. 



296 

marken, Zweden, Nederland '), Amerika, Rusland en 
Italië '). De Deensche wet sluit bepaaldelijk uit de 
kosten van aandoen eener noodhaven of van oponthoud 
aldaar wegens windstilte, tegenwind of ijsgang, wat 
waarschijnlijk ook in de overige landen wel toegepast 
zal worden, al vermelden de wetten dit niet uitdruk- 
kelijk. De Portugeesche Code noemt als de omstandig- 
heden die tot het binncnloopen der noodhaven moeten 
geleid hebben, willen de verdere kosten avarij-grosse 
zijn, in art. 1610, met name: gebrek aan proviand of 
water, redelijke vrees voor vijanden of zeeroovers, en 
schade door het schip geleden die de voortzetting der 
reis onmogelijk maakt. Eveqzoo de Code van Buenos- 
Ayres en die van Uruguay, respectievelijk in art. 1433 
en 1443, nam. : gebrek aan proviand of water, schade 
of ongelukken aan de bemanning, de lading of het 
schip overkomen, welke de voortzetting der reis ver- 
hinderen. In Noorwegen is er geen avarij-grosse als de 
noodhaven wordt aangedaan wegens vervolging door 
den vijand, tegenwind, ijsgang, gebrek aan proviand 
en dergelijke redenen (art. 69 n*. 8 Lov on Söfarten). 



1) Zie Diephuis, II bl. 2-10 v. Kist, V bl. 339 v., 341 v. Hoe daareotegen 
Mr. Levy (t. a. p. bl. 773) kan zeggen: „Onze wet daarentegen neemt iu cas 
van noodzakelijke reparaties aan een schip, de kosten van het inloopen ineen 
noodhaven niet op onder de avarij-grosse. Al de hier genoemde gevolgen 
(kosten van lossingen wederinlading, pakhnishuur etc.) dier kosten bleven dos 
ten laste van hem, wie ze aangaan mochten," kan ik m^ niet begrijpen. 

2) Het voorloopige ontwerp tot herziening van het Italiaansche Wetboek 
van Koophandel, van de in 1869 benoemde staatscommissie, en het ontwerp 
van den Minister Mancini, brengen beiden in art. 698, 10*^ de kost- en 
maandgelden ouder avarij-particniier, als het verblijf in de noodhaven dient 
tut herstelling van eeue avarij-particulier. 



297 

In Spanje geven, blijkens het boven aangehaalde werkje 
van VINIEGRA, de jurisprudentie en praktijk wat 
de Code uitdrukkelijk weigert, en zijn daardoor de 
noodhavenkosten ook dan avarij-grosse als die haven 
binnengeloopen is tot herstelling van eene avarij-parti- 
culier. De Fransche Code de Commerce, die het be- 
ginsel van Rule 7 huldigt, bepaalt in denzelfden 
geest als de Spaansche Code in art. 403 n\ 3 ipsis 
verbis, dat onkosten voortvloeiende uit het verblijf in 
eene noodhaven, hetzij wegens gebrek van proviand, 
hetzij tot herstelling eener lek altijd avarij -particulier 
zijn. Desniettemin brengen ook hier èn jurisprudentie 
èn praktijk met een beroep op art. 400 i. f. deze 
kosten in avarij-grosse. Het „Projet de Code" van 
1869 heeft dan ook begrepen deze leer te moeten 
sanctioneeren. De Belgische en Engelsche praktijk bren- 
gen de ingaande havenkosten in avarij-grosse, zoowel 
wanneer het de reparatie van eene avarij-grosse geldt, als 
van eene avarij -particulier of wanneer gebrek aan provi- 
and of aan bemanning de aanleiding is. Al werden Rule 
7 en 8 dus aangenomen dan zal de gelijkvormig- 
heid, tengevolge van het groote verschil in wetgeving, 
nog altijd niet geheel verwezenlijkt worden en illusoir 
blijven, in alle gevallen op zeer losse schroeven staan, 
daar zij grootendeels zal moeten steunen op een in 
sommige landen bestaande onwettige praktijk en met 
de wetten in openbaren strijd zijnde jurisprudentie. 
Een streven naar eenheid is echter niet te ontken- 
nen, zoodat de triomf daarvan wel niet verre meer 
zal zijn. 



298 



Rule IX. 

Damage done to cargo by discharging it 
at a port of refuge shall not be admissible 
as general average in case such cargo shall 
have been discharged at the place and in the 
manner customary at that port with ships 
not in distress '). 

't Ware zeker beter geweest, nu men toch voor dit 
speciale geval eene bepaling wilde maken, indien men 
haar op deze wijze had gesteld: slechts de noodzake- 
lijke en onvermijdelijke schade door de lading bij de 
lossing of wederinlading in de noodhaven geleden 
is avarij -grosse. Hierdoor toch zou duidelijk aange- 
geven zijn dat slechts de voorziene en onvermijdelijke 
gevolgen van een avarij-grosse handeling avarij-grosse 
zijn. Zeer juist merkt dan ook de courcy (t. a. p. 
bl. 276) op dezen regel aan: „cette solution de détail 
et en quelque sorte d'espèce ne méritait peut-être pas 
la solennité d'une règle spéciale. EUe est renfermée 
dans la règle bien autrement générale sur laquelle j'ai 
plusieurs fois insisté, dans la distinction des consé- 
quences nécessaires d'un acte et des conséquences qui 
demeurent fortuites . . . . H eüt été plus utile de for- 
muler la règle générale de la distinction que de faire 
rhonneur d'un texte numéroté k Tune de ses très-nom- 



1) Off. Vert: Schade veroorzaakt aan eene lading door hare ontlossing in 
eene noodhaven, zal niet in avarij-grosse kunnen vergoed worden, in geval 
zoodanige lading ontlost zal zijn ter plaatse en op de wijze in die haven 
gehruikelijk voor schepen, welke niet in nood verkeeren. 



299 

breuses applications." Daarom den regel af te keuren is 
echter ook niet noodig, daar de schade eerst dan on- 
vermijdelijk zal zijn als er een wezentlijke noodlossing 
bestaat, zooals dat hier geëischt wordt. Het is evenwel 
niet te verwonderen, dat geen eene wet hieromtrent 
eene speciale bepaling bevat, terwijl de praktijk niet 
zeer standvastig schijnt te zijn, ten minste de tabel, die 
ULRICH aan zijn Denkschrift heeft toegevoegd en die, 
welke LOWNDES geeft, stemmen lang niet overeen. Zoo- 
veel is zeker dat de Duitsche praktijk ^), evenals de 
Engelsche '), in overeenstemming is met dezen regel. In 
ons land heeft men ex analogia van art. 609 n°. 14, W. K. 
een onderscheid gemaakt tusschen lossing in lichters, en 
die zonder de tusschenkomst daarvan, en laat men slechts 
in het eerste geval de schade aan de goederen over- 
komen in avarij -grosse toe. In de Vereenigde Staten 
en Frankrijk wordt de schade bij de lossing aan goe- 
deren overkomen, altijd als avarij-grosse vergoed indien 
dit ook geschiedt met de kosten der lossing zelve. 

Rule X. 

The contribution to a general average 
shall be made upon the actual values of 
the property at the termination of the ad- 
venture, to which shall be added the 



1) Zie Ahlers bl. 5. Promemoria van de Bremer Kam. v. Kooph. iaFritscli, 
AnDalen der gesammt. Versichw., n''. 9 jg. 1879bl. 106. Zeitschrift f. d. Han- 
delsr., XXIV bl. 515, waar de schrijver ook tracht aan te toonen, dat dit ge« 
heel volgt nit de bepalingen van het A. D. H. Gb. 

2) Lowndes, bl. 147. v. 



3()0 

amount made good as g^neral average for 
property sacrificed; deduction being made 
from the ship-owners freight and passage- 
money at risk, of such post-charges and 
crew's wages as would not have been incur- 
red had the ship and cargo been totally 
lost at the date of the general average act 
or sacrifice; deduction being also made, 
from the value of the property, of all char- 
ges iucurred in respect thereof subse- 
quently to the arising of the claim to gene- 
ral average '). 

Ik ben geneigd hier mot de courcy ') uit te roepen : 
„Il n'y a rien de plus juste, et c'est tout simplement 
la règle proportionnelle.'' Een zakelijk verschil met 
dezen regel bestaat dan ook slechts in die landen, 
waar de reeders het zeer ongemotiveerde en onrecht- 
vaardige privilegie genieten, van slechts met de helft 
van de waarde van hun schip bij te hoeven dragen. 
Dit zijn Frankrijk, Italië en Portugal (niet Brazihë 



1) Off. Vert.: De omslag in avarij-grosse zal geschieden over de werkelijke 
waarden van schip, lading en vracht, hij het einde der reis, waarh|j gevoegd 
zal worden het hedrag, dat wegens opoffering (van lading of zaken aan het 
schip toehehoorende) in avarij-grosse zal vergoed worden, met dien verstande 
dat van de vrachtpenningen en passagegelden, die in risico zijn, zoodanige 
binnenkomende onkosten en gagies der bemanning znllen worden afgetrokken, 
als niet zonden zijn uitbetaald geworden, indien schip en lading totaal ver- 
loren waren gegaan op het oogeublik dat de handeling of opoffering, die tot 
den omslag in avarij-grosse aanleiding gaf, plaats had, terwijl van de dragende 
waarden evenzeer worden afgetrokken, alle onkosten daarop klevende na bet 
ontstaan van de vordering in avarij-grosse beloopen. 

'2) t. a. p. bl. 277. 



301 

dat overigens hetzelfde wetboek heeft als Portugal) in 
welke landen zelf echter de overtuiging begint te 
rijpen dat wij hier met een verouderd gebruik te doen 
hebben, dat dan ook door het Projet de Code van 
1869 niet meer gehuldigd wordt '). Overigens bestaan 
er slechts kleinere verschillen die eigenlijk meer detail- 
kwesties zijn. Zoo draagt bijna overal de vracht slechts 
voor een bepaald bedrag bij, in Duitschland voor ^/j 
(7o 66 73, art. 723 n". 1, A. D. H. Gb.) met voor- 
behoud voor de verschillende staten om dit te reduceeren 
tot de helft, in Denemarken voor 7 5 (7o 80, art. 3 Kon. 
Chart.), in Zweden (art. 161), Noorwegen (art. 75 n^ 3), 
Italië (art. 511), Portugal en Brazilië (art. 1841), België 
en Frankrijk (art. 401 j^. 417) voor de helft (o/^ 50), 
in de Yereenigde Staten hetzij voor twee derde (Mas- 
sachusetts en Maryland), hetzij voor de helft (New-York). 
Het eenige doel van deze bepalingen is het vaststellen 
van een middencijfer, waarnaar de vracht altijd moet 
bijdragen, om den dispacheur van de moeite te ontheffen 
om in elk geval alle kosten na te gaan en te onder- 
zoeken, die den reedcr uitgespaard zouden zijn, indien 
het echip geheel vergaan ware op het oogenblik der 
avarij -grosse handeling, en dus van de vracht afge- 
trokken moeten worden. Theoretisch is de bepaling van 
dezen regel dus zeker de juiste; de tijd zal echter moeten 
leeren of hij stand zal kunnen houden tegenover de vele 
practische bezwaren. De Promemoria van de „Bremer 



]) In België is deze bepaling door art. 110. der wet van 4 Sept. 1879 
(herziene Code de Commerce) afgeschaft, hetwelk bepaalt ; „Le navire contribue 
pour sa valeur au liea da déchargement.' 



302 

Handelskamraer" (Fritsch Ann. f. d. g. Yersichw., t. a. p. 
bl. 106) en Dr. lewis (Z. f. d. g. Handelsr., t. a. p. 
bl. 519) meenen nu reeds te kunnen voorspellen dat 
men weer spoedig in de praktijk tot het vaststellen 
van een vast bedrag zal overgaan, wat echter niet te 
hopen is, daar een middeneijfer dikwijls tot groote 
onrechtvaardigheid aanleiding geeft, zooals zeer duidelijk 
wordt aangetoond door Mr. rahusen in zijn verslag 
van het Congres te Antwerpen (bl. 28) ^). In een 
ander opzicht wijkt art. 719 A. D. H. Gb. van regel 10 
af, in zooverre deze bepaalt dat alle, na de avarij -grosse 
handeling gemaakte, reparatiekosten van de waarde van 
het schip afgetrokken moeten worden, terwijl het A. 
D. H. Gb. slechts de, bij het einde der reis nog voor- 
handen waarde dier reparaties in mindering brengt, en 
niet ten onrechte, want hierdoor wordt eene gelgke 
basis verkregen voor het taxeeren van de waarde van 
het schip zoowel als van de reparaties, nam. de waarde 
die beiden ter bestemmingsplaatse bezitten, terwijl vol- 
gens het systeem van de Y. A. R. voor het schip de 
waarde ter bestemmingsplaats, voor de reparaties, die 
welke zij in de noodhaven bezaten, wordt genomen, 
hoewel beiden in de noodhaven allicht eene andere 
waarde zullen bezitten dan ter bestemmingsplaatse *). 
Een amendement in den geest van de bepaling van 



1) In Amsterdam bestaat de usantie om 10% voor ingaande havenkosten 
af te trekken. 

2) Verg. Prom. v. d. Bremer Handelsk. in Fritscli Ann. f. d. g. Versichsir., 
t.a.p., bl. 106. Z. f. d. Handelsr. t. a. p. bl. 517?. Ahlers bl. 27 v. 



303 



het A. D. H. Gb. werd echter op het congres te Ant- 
werpen verworpen ^). 

Ook in ons recht bestaan enkele afwijkingen van 
de T. A. R. Er bestaat immers een gebruik om het 
schip te doen dragen voor de waarde, waarop het in de 
noodhaven is getaxeerd, een verkeerde interpretatie van 
art. 727 W. K., waar men leest: „De gemeene avarijen 
worden gedragen door de waarde van het schip in den 
staat waarin hetzelve aangekomen is etc," en derhalve 
eene usantie die eiken redelijken grondslag mist. Verder 
worden de kosten van het onderhoud van het scheeps- 
volk van de dragende waarde van de vracht afgetrok- 
ken (art. 727^ W. K.), wat min juist is, daar deze 
kosten tot de uitrusting van het schip behooren en 
door totaal verlies niet uitgespaard zouden worden. 
Eindelijk heeft de schipper nooit bij te dragen voor 
de passagegelden, daar deze in genoemd artikel niet 
vermeld worden, eene lacune die geen nader betoog 
behoeft, hoewel het opmerking verdient dat van alle 
wetboeken slechts het A. D. H. Gb. (art. 723) uitdruk- 
kelijk bepaalt dat ook de passagegelden moeten bijdra- 
gen, een gevolg daarvan dat de meeste handelswetboe- 
ken anterieur zijn aan het uitgebreide personenvervoer 
per stoomboot, zooals dit tegenwoordig plaats heeft. 
In Denemarken worden volgens art. 43 van het 
Koninklijk Charter de goederen berekend naar hunne 
waarde in de ladingsplaats op het oogenblik der inlading 
met alle kosten tot aan boord, eene vroeger meer ge- 



2) Vide snpra bl. 200. 



304 

bruikelijke, thans geheel verouderde maatstaf. In de 
noodhaven verkochte goederen dragen natuurlijk bg 
volgens de netto waarde waarvoor zij verkocht zgn 
(art. 44 K. Ch.). Ook lezen wij bij lowndes bl. 397, 
dat als de dragende waarde van het schip in Dene- 
marken aangenomen wordt: zijn volle waarde bij het 
begin der reis, onder korting van het geleden avarg- 
particulier; wanneer het in Denemarken verzekerd is, 
dan wordt de verzekerde waarde als basis aangenomen ; 
zoo het dat niet is, dan neemt men gewoonlijk de 
taxatie in de noodhaven als grondslag; maar in beide 
gevallen kan desgevorderd eene taxatie ter destinatie- 
plaats geschieden (Verg. art. 40 en 41 K. Ch.). 

Zal Rule 10, behalve in de landen, waar het schip 
slechts voor de helft van zijne waarde behoeft bij te 
dragen, dus weinig tegenstand ontmoeten, des te meer is 
het te betreuren dat gelijkvormigheid daardoor toch niet 
bereikt kan worden, zoolang het vrachtrecht niet op 
eene uniforme wijze geregeld is, en het is te hopen 
dat dit een spoorslag zal zijn om ook de zoo onont- 
beerlijke internationale regeling daarvan weder met 
ernst ter hand te nemen; zonder haar toch zal eene 
regeling van het avarij-grosse recht steeds in vele 
opzichten gebrekkig blijven. Nog meer geldt deze op- 
merking bij 

Rule XL 

In every case in which a sacrifice of cargo 
is made good as general average, the loss 
of freight (if any) which is caused by such 



305 

loss of cargo shall likewise be so made 
good '). 

Deze regel spreekt duidelijk genoeg voor zich zei ven 
en is overal geldend. In Frankrijk (art. 301 C. d. C), 
Italië, (art. 408 C. d. C), België (art. 301 C. d. C.) 
en Nederland (art. 481 W. K.), bestaat slechts dit 
onwezenlijke verschil, dat de vracht hier niet dadelijk 
aan den reeder vergoed wordt, maar aan de eigenaars 
der lading, die voor de geworpen goederen den reeder 
de vracht schuldig blijven. Dit komt dus volkomen op 
hetzelfde neer, maar is alleen een weinig omslachtiger. 

Rule XII. 

The value to be allowed for goods sacri- 
ficed shall be that value wich the owner 
would have received if such goods had not 
be sacrificed ^). 

Door dezen regel wordt het beginsel gehuldigd, dat 
nooit meer vergoed mag worden dan de werkelijk ge- 
leden schade, en hij is dan ook allezins toe te juichen. 
Indien toch blijkt dat de geheele lading of een groot 
gedeelte daarvan beschadigd aankomt, dan kan de eige- 
naar der geworpen goederen ook niet meer reclameeren 
dan de waarde die zijne goederen zouden gehad hebben. 



1) Oflf. Vert. : In ieder geval waarin eene opoffering van lading in avarij- 
grosse wordt vergoed en daaruit een verlies op de vracht ontstaat, zal zoodanig 
verlies op vracht op gelijke wijze in avarij-grosse worden vergoed. 

2) Off. Vert.: De waarde wegens opgeofferde lading in avarij-grosse te ver- 
goeden, zal zijn de waarde, die de eigenaar zou hebben ontvangen, indien 
zoodanige goederen niet waren opgeofferd geworden. 

20 



306 

indien zij gelijkelijk beschadigd waren geworden. Natuur- 
lijk moet dit alleen geschieden indien redelijker wijze kan 
worden aangenomen dat de geworpen lading, ware zij aan 
boord gebleven, evenzoo beschadigd zoude zijn gewor- 
den als de rest der lading '). Blijkt uit het op de ver- 
gadering te Antwerpen verhandelde dat dit de bedoeling 
was van de voorstellers van dezen regel '), de algemeene 
bewoordingen waarin hij vervat is, hebben reeds tot 
misverstand aanleiding gegeven. Immers de Promemoria 
der „ Bremer Handelskammer '),'* en Dr. lewis *) 
meenen dat men in dezen regel niet anders wilde be- 
palen, dan dat den eigenaar slechts vergoed moet 
worden de marktwaarde, die goederen van dezelfde 
soort en aard als welke geworpen werden, op het 
oogenblik der lossing ter bestemmingshaven hebben, 
en niet de eventueel door hen beoogde verkoopprijs ^). 
Rule XII correspondeert echter niet alleen met art. 715, 
hetwelk ipsis verbis datgene bepaalt, wat men in de 
Y. A. R. wilde uitdrukken. Behalve de Duitsche wet 
geeft alleen nog de Zweedsche in art. 156 eene uit- 
drukkelijk voorschrift in dezen geest, terwijl hetzelfde 
ook zonder veel moeite is af te leiden uit art. 32, 
j^. 38 en 39 van het in Denemarken vigeerende Kon. 
Charter *'). Lowndes leert ons dat de praktijk in Enge- 



1) Vide supra bl. 96. Vers:, ook de Courcy, I, bl. 261 v. 

2) Zie Verslag van Mr. Rahusen, bl. 32 v. 

3) Frilsch, Ann. d. g. Versichw., t. a. p., bl. 106 v. 

4) Z. f. d. g. Handelsr., t. a. p., bl. 520. 

5) ülrich verkeert blijkens de door hem gegeven tabel in dezelfde ver- 
warring. 

6) Zie Lowndes, bl. 397. 



307 

land, Frankrijk, Nederland, Portugal en Noorwegen 
eveneens, wanneer beschadiging met zekerheid vermoed 
mag worden, slechts voor de beschadigde waarde ver- 
goeding toelaat ^). Was dit de reden waaraan rule XII 
zijn aanzijn te danken heeft, door eene algemeene be- 
paling te geven wilde men tevens aantoonen dat ook 
dezelfde regels, die in art. 713 en 714 A. D. H. Gb. 
gegeven worden omtrent de berekening van de te ver- 
goeden waarde voor geworpen en beschadigde goederen, 
in 't algemeen moeten gelden. 

Uit dit overzicht der regels blijkt ten duidelijkste, 
dat door deze slechts drie ingrijpende veranderingen in 
het in sommige landen bestaande recht gemaakt wor- 
den, wat namelijk betreft de vrijwillige stranding, de 
noodhavenkosten en het bedrag waarvoor het schip in 
den omslag moet bijdragen. Het laatste zal de aan- 
sluiting van Frankrijk, Italië en Portugal aan de be- 
weging zeer waarschijnlijk tegenhouden; daaraan te 
wanhopen hoeven wij echter nog niet, daar o. a. in 
Frankrijk de algemeene rechtse vertuiging reeds tegen 
deze bevoordeeling der reeders gekant is, aan welke 
gezindheid uitdrukking gegeven is in het „Projet de 
Code" van 1869. De bepaling omtrent de noodhaven- 
kosten zal daarentegen juist de voornaamste reden zijn 
ze aan te nemen, daar deze voornamelijk de reden 



1) Zie zijn Law of Gen. Av., 1)1. 19 v., 182 v.. 804, 323, 351 en 422. Hij 
verzekert het ons in zijn tabel, ook wat België, Brazilië, Italië, Rusland, 
Buenos-Ayres en Monte-Video betreft, zonder echter deugdelijke bewijzen voor 
dit beweren bg te brengen. 



308 

van hun bestaan uitmaakt, en in Engeland, naast 
con' groeten en geduchten tegenstand, bij zeer velen 
sympathie heeft weten te vinden en door de juris- 
prudentie aangenomen schijnt te zullen worden. Re- 
gel V zal wel evenmin ergens op een' overwegenden 
tegenstand stuiten. Over het geheel genomen kan dan 
ook de juistheid der York-Antwerp-Rules niet in twijfel 
getrokken .worden en verdienen zij onze volle sym- 
pathie. „ Zij behoeven geen verdediger want zij spreken 
voor zich zelf' zeide Mr. rahusen niet ten onrechte 
op het laatste congres te Londen. 

Dit echter alleen voor zooverre men ieder der regels 
afzonderlijk en hunnen inhoud op zich zelven beschouwt, 
want tegen hare toepassing door middel van clausules 
als wet regelende de avarij-grosse bestaan, naar mijne be- 
scheiden meening, vooralsnog twee overwegende bezwa- 
ren, die echter met eenigen goeden wil, door de belang- 
hebbenden zelve, niet moeilijk uit den weg te ruimen 
zullen zijn. Ik heb hierbij ten eerste het oog op de 
onvolledigheid en de slordige redactie der Rules, waarop 
reeds vroeger met een enkel woord gewezen is. De 
Rules zijn onvolledig, daar zij slechts enkele, waarvan 
sommigen nog weinig voorkomende, gevallen regelen, 
zoodat men toch steeds bij de dispache van de lands- 
wetten afhankelijk zal zijn voor alle niet in de Rules 
begrepen gevallen. Hunne redactie is daarbij omslachtig 
en slordig, zoodat nu reeds geklaagd wordt over de 
misbruiken waartoe Rule 8 aanleiding geeft. Wil 
men dus eenigzins vruchten van eene praktische toe- 
passing zien, dan zal men eerst tot de zoo noodige 



309 

uitbreiding en systematische verbetering der Rules 
moeten overgaan, waartoe de vergadering, in het loo- 
pende jaar, door de Vereeniging tot Hervorming en 
Codificatie van het Volkenrecht te houden, eene ge- 
reede aanleiding zal zijn. Dat men in de richting der 
Tork-Antwerp-Rules moet blijven voort werken spreekt 
van zelf. 

Het tweede bezwaar bestaat, mijns inziens, daarin dat 
niet tevens op internationale wijze geregeld is het 
vrachtrecht, dat toch onafscheidelijk aan de avarij- 
grosse verbonden, ja eigenlijk haar meerdere is. „Nous 
ne pouvons pas nous dispenser de répéter, que pour 
arriver k des bases uniformes concemant Ie reglement 
des avaries, il est indispensable de poser égalementdes 
bases uniformes pour Ie reglement du fret dans ses 
rapports avec les avaries. H est impossible de mettre 
en pratique un système uniforme pour Ie reglement 
des avaries si Ton n'arrête en même temps des bases 
fixes au sujet du fret a payer en cas de condamnation 
d'un navire, de réexpédition de la cargaison par un 
autre navire, de vente de manchandises en cour de 
voyage, etc. etc.,'' schreven de heeren th. c. engels 
en ED. VAN PEBORGH in 1864, toen zij een ontwerp 
van internationaal vrachtrecht aan de leden van het 
congres te York aanboden. En ook nu hebben deze 
woorden nog niets van hun kracht verloren, terwijl men 
tevens in het oog moet houden, dat bij het vrachtrecht 
oneindig grootere geldelijke belangen betrokken zijn 
dan bij de avarij-grosse, waarom men met recht kan be- 
weren dat het ook veel meer aanspraak op eene inter- 



310 

nationale regeling heeft, waaraan zich de behoefte in 
hooge mate doet gevoelen. Eene dergelijke modus pro- 
cedendi zou zeker ook veel logischer zijn ^). Het is 
dan ook allezins toe te juichen, ook als een waarborg 
voor de toekomst der York- and Antwerp-Rules, dat 
de in 1865 te Sheffield aangenomen vrachtregels, dit 
jaar weder in discussie zullen komen. Wanneer de 
aanneming van deze Rules mocht samengaan met de 
uitbreiding der York- Antwerp-Rules zou zeer veel ge- 
wonnen en het succes der beweging verzekerd zijn. 
Om aan te toonen wat mijns inziens de Y. A. R. 
moeten zijn, willen zij eene voldoende en goede inter- 
nationale wet vormen, heb ik aan dit proefschrift als 
bijlage (G) een ontwerp van eene internationale avarij- 
grosse regeling toegevoegd. Zonder daarin in allerlei 
bizonderheden af te dalen, heb ik er toch naar ge- 
streefd zoo volledig mogelijk te zijn en eene solutie te 
geven voor de meest betwiste punten, zooals bijv. voor 
de aansprakelijkheid voor avarij-grosse ook boven het 
„fortune de mer," een der punten die zeker nog tot 
groote moeilijkheden aanleiding zullen geven, voordat 
daaromtrent overeenstemming is verkregen. 

Practische toepassing der regels komt mij dus voor- 
eerst nog minder wenschelijk voor, al wil ik daarom 
de bemoeiingen daartoe in den laatsten tijd gedaan nog 
niet onvoorwaardelijk afkeuren. Dat men daardoor het 
gewenschte resultaat zal bereiken, meen ik echter sterk 



1) Verg. het belangrijke stuk van Prof. Asser: Broii international privé et 
droit uniforme t in de Revue de droit International^ 1880, n**. 1. 



311 

te moeten betwijfelen. Eerst wanneerj zij, bijv. op den 
door mij voorgeslagen wijze, verbeterd en uitgebreid 
zijn geworden, mag met hunne invoering ook in de 
praktijk niet langer gewacht worden, ook omdat de 
belanghebbenden daardoor kunnen openbaren in welken 
geest zij eene eventueele internationale overeenkomst 
tusschen de verschillende staten over het avarij-grosse 
recht tot stand zouden willen zien komen, eene over- 
eenkomst waarvan de York-Antwerp-Rules alsdan de 
basis uit moeten maken. Wat in het algemeen de 
practische toepassing van deze of dergelijke regels 
aangaat, ik geloof dat dit middel om gelijkvormigheid 
van . recht te verkrijgen allezins aanbeveling verdiend. 
Internationale regeling van het recht door de staten 
onderling moet altijd het einddoel blijven, maar hoeveel 
tijd zal er niet verloopen eer dat dit doel bereikt is? 
Al neemt men bijv. met Dr. franck aan dat het oogen- 
blik, om door middel van diplomatieke onderhandelingen 
het tot stand brengen van eene internationale regeling 
te beproeven, reeds gekomen is, en al werd daartoe 
nog dit jaar overgegaan ook dan nog zal zulk eene 
regeling tot de verre toekomst blijven behooren. Dr. 
FRANCK toch wenscht dat men hiertoe dezelfde dege- 
lijke en beproefde methode volge, die in Duitschland 
bij gelegenheid van het ontwerpen van het handels- 
wetboek in praktijk is gebracht, en indien we nu 
nagaan, dat terwijl in 1836 deze aangelegenheid het 
eerst ter sprake kwam, en in 1846 de eerste stap 
daartoe werd gedaan, eerst in 1861 het ontwerp ge- 
arresteerd on 1865 door alle staten van het Duitsche 



312 

Rijk aangenomen was ^), onder den drang van een 
ontwakend nationaliteitsgevoel en van een streven 
naar politieke eenheid, indien wij verder zien op 
w^elk een tal van bezwaren en moeilijkheden in Zwit- 
serland het tot stand komen van eene gelykvor- 
mige wetgeving voor de verschillende kantons blijft 
afstuiten, dan zal men ons zeker niet van pessimisme 
beschuldigen, zoo wij voor de tot standkoming en invoe- 
ring van eene officieele internationale avarij-grosse 
regeling, nog minstens een 15tal jaren, zoo niet meer 
noodig achten. Welke goede vruchten kunnen in dien 
tijd de York-Antwerp-Rules, indien zij ten minste uit- 
gebreid en volledig gemaakt zijn, in de praktijk voor 
den handel en scheepvaart niet afwerpen? Moge ieder 
in zijnen kring en naar zijn vermogen tot de uitbreiding 
en toepassing der York-Antwerp-Rules met kracht en 
volharding medewerken. 

Ten slotte kunnen wij onze meening in het kort 
in de volgende conclusies resumeeren : 

Het einddoel en het streven der beweging moet steeds 
blijven, eene internationale avarij-grosse wet door tus- 
schenkomst de regeeringen tot stand te brengen. 

De bepalingen dezer wet moeten in den geest der 
York-Antwerp-Rules gesteld worden. 



1) Levy, geeft in de inleiding van zijn bekend en doorwrocht werk: Het 
algemeene Duitsche handelswetboek vergeleken met het Nederlandtche wetboek 
van Koophandel^ eene uitvoerige geschiedenis van de tot standkoming van het 
eerstgenoemde wetboek. 



313 

De York-Antwerp-Rules eischen dringend uitbreiding 
en verbetering. 

Eerst wanneer dit geschied is, kan toepassing dier 
Rules in de praktijk door middel van clausules van 
zeer veel nut zijn en aanbevolen worden. 

De internationale regeling van het vrachtrecht is on- 
misbaar, ter verkrijging van uniformiteit ook voor het 
avarij-grosse recht en moet derhalve zoo spoedig moge- 
lijk ter hand genomen worden. 



».1 






t . 



BIJLAGE A. 



National Association for the Promotion of Social Science, 
3. Waterloo Place, London Srd May, 1860. 

Gentlemen. 

The system of General Average is one which, to prevent 
confusion and injustice, pre-eminently requires that the saine 
principles should be acknowledged amongst the chief mari- 
time nations. So far is this from being the case, however, 
that some of the most important rules vary not only in the 
same country, but in the same port. Uncertainty in law is 
always an evil, and, in regard to General Average, the evil 
is peculiarly feit. The ship may be owned in one country, 
insured in another, her cargo owned and insured in several, 
and the port of destination, where the General Average is 
made up, may be in a country which has different rules to 
any of the others. What is considered to be Particular Average 
on ship in one port is held to be General Average in another, 
so that the owner of an outward-bouud ship may find him- 
self unable to recover his loss either from his Underwriters 



316 

at home^ or as General Average abroad; or, on the other 
hand^ he may be in a position to indemnify himself fraudn- 
lently twice over. A similar remark would apply to special 
charges on freight and on cargo. A very large proportion of 
the most important questions rests in England nominally upon 
the decision of that extreraely vague authority „the cnstom 
of Lloyd's/' but really depends upon the idiosyncrasy of the 
particular adjuster who may be intrusted with the papers. 
Hence arise many cases where apparently injustice must be 
done to Assurer or Assured. Either the Assured finds himself 
saddled with a loss against which he believed himself insured, 
or the Underwriter pays one which was not considered in 
the premium. 

Much loss is occasioned to the mercantile commnnity and 
to the country at large, and such valuable time is worse 
than wasted through business being iropeded by misunder- 
standings and irritated feelings. 

A still more crying evil resulting from the present uncer- 
tainty of law and custora is the opening which it leaves for 
every sort of abuse. Attempts are daily being made to intro- 
ducé charges of the most outrageous description, which do 
not even go into the pocket of the Shipowner, but which he 
feels himself helpless to resist from want of a law to appeal 
to; and he naturally considers himself hardly used should 
charges which he himself has paid be refused by his Under- 
writers, though these last are obliged to refuse in justice 
to themselves and to prevent the innovation becoming a 
precedent. 

The evils of such a state of things are notorious and un- 
questioned, though is may be doubted whether many which 
are distinctly traceable to it, and are therefore removable, are 
clearly realized as proceeding from this source. Probably the 



317 

chief reason which has hitherto prevented any general move- 
ment in favour of this reform, is an exaggerated estimate of 
the difiBculties in the way of carrying it out. The difiBculties 
are no doubt considerable, hut they are far from being un- 
superable, and the importance of the end amply justifies an 
atterapt to grapple with them. Both the Assured and the 
ünderwriter are iiiterested in placing their mutual relations 
upon a footing which would effect a saving of time and 
temper, and would secure them against the aunoying precu- 
niary loss, to which they are at present exposed. 

It is not of so much importance how the disputed points 
of General Average are settled as that they should be settled. 
Most of the questions are in the end merely matters of 
account between one set of Underwriters and another, and 
it wonld make little difference to any Ünderwriter upon which 
interest it might be determined the charge should fall. It 
is true that there are points, such as the allowance of wages 
and provisions in a port of refuge, which would raise questions 
between Shipowner and Ünderwriter, but for the sake of both 
it is to the last degree desirable, that these should not be 
left as a bone of contention between Assurer and Assured, 
as they are at present, e. g., when goods to America are 
insured in England. 

The evils of the present system have already caused much 
dissatisfaction in America as well as in this country, and 
will become more and more intolerable as the commerce of 
the world increases, which it seems likely to do with a 
rapidity hitherto unexampled. The time then would seem to 
have come, when an attempt should be made to remove this 
most unnecessary element of irritation between Assured and 
Ünderwriter. 

In the hope of coming to an understanding upon this 



318 

question, the Council of the National Association for the 
Promotion of Social Science have determined that it shall be 
brought forward for discussion at their next Meeting at 
Glasgow, on Monday, September 24^** next, and foUowing 
days; and we earnestly trust that you will find it in your 
power to send representatives of your body to that Meeting, 
as it is verj desirable that Delegates from the Commercial 
bodies in different parts of the world which are chiefly inte- 
rested should be present. 

We are etc. 

Volgen de onderteekeningen. 



BIJLAGE B. 



International General Average rules framed at Glasgotv. 

§ 1. As a general rule, in case of the voluntary stranding 
of a vessel, the loss or damage to ship, cargo, or freight, 
consequent on such stranding, ought not to be the subject of 
general average; but without prejudice to such a claim in 
exceptional cases, upon clear proof of special facts. 

§ 2. The damage done to ship, cargo, and freight in 
extinguishing a fire, ought to be general average. 

§ 8. The damage done to cargo by chafing and breakage, 
resulting from a jettison of part of the remainder of the 
cargo, ought not to be allowed in general average. 

§ 4. The damage done to cargo, and the loss of it and 
of the freight on it, resulting from discharging it a at port 
of refuge in the way usual in that port with ships not in 
distress, ought not to be allowed in general average. 

§ 5. The loss sustained by cutting away the wreek of 
masts accidentally broken, ought not to be allowed in gene- 
ral average. 



320 

§ 6. The expense of warehouse-rent at a port of refoge 
on cargo necessarily landed there^ the expense of reshipping 
it^ and the ontward port-charges at that port^ oaght to be 
allowed in general average. 

§ 7. The damage done to ship^ cargo and freight by car- 
rying a press of sail^ ought not to be allowed in general 
average. 

§ 8. The wages and provisions for the ship's crew ought 
to be allowed to the shipowners in general average, from 
the date the ship reaches a port of refuge until the date on 
which she leaves it. 

§ 9. When the amount of expenses is less than the valne 
of the property finally saved, the contributing values of the 
ship, freight, and cargo ought to be their values to the ow- 
ners of them respectively at the termination of the adventure. 

§ 10. When the amount of the expenses is greater than 
the value of the property saved, the proceeds of the proper- 
ty so saved ought to be applied towards those expenses ; and 
the excess of the expenses over the proceeds ought tobeap- 
portioned as if the whole property had finally reached its 
destination. 

§ 11. In fixing the value of freight, the wages and port- 
charges up to the date of the general average act ought not 
to be deducted, and the wages and portcharges after that date 
ought to be deducted, from the gross freight at the risk of 
the shipowner. 



BIJLAGE C. 



International General Average rules framed at York. 

E ui e I. — A jettison of timber or deals, or any other 
description of wood cargo, carried on the deck of a ship in 
in pursuance of a general custom of the trade in which the 
ship is then engaged, shall be made good as general average 
in like manner as if such cargo had been jettisoned from be- 
low deck. 

No jettison of deck cargo other than timber or deals, or 
other wood cargo, so carried as aforessaid, shall be made good 
as general average. 

Every structure not built in with the frame of the ves- 
sel shall be considered to be a part of the deck of the vessel. 

Eu Ie II. — Damage done to goods or merchandise by 
water which unavoidably goes down a ship's hatches opened, 
or other opening made, for the purpose of making a jettison, 
shall be made good as general average, in case the loss by 
jettison is so made good. 

Damage done by breakage and chafing, or ortherwise from 

21 



322 

(lerangement of stowage consequent npon a jettison^ shall be 
made good as general average. 

Hu Ie III. — Damage done to a ship or cargo, andeilher 
of them, by water or otherwise, in extinguishing a fire on 
board the ship, shall be general average. 

Rul e IV. — Loss or damage caused by cutting ïiway the 
wreek or remains of spars, or of other things which have pre- 
viously been carried away by sea-peril, shall not be made good 
as general average. 

Rul e V. — When a ship is intentionally run on shore 
because she is sinking or driving on shore or rocks, no da- 
mage caused to the ship, the cargo, and the freight, or any 
or eitlier of them, by such intentional running on shore, shall 
bc made good as general average. 

Ru Ie YI. — Damage occasioned to a ship or cargo by 
carrying a press of sail shall not be made good as general 
average. 

Rul e VIL — When a ship shall have entered a port of 
refuge under such circurastances that the expenses of entering 
the port are admissible as general average, and when she 
shall have sailed thence with her original cargo or a part of 
it, the corresponding expenses of leaving such port shall 
likewise be so admitted as general average; and whenever the 
cost of discharging cargo at such port is admissible as gene- 
ral average, the cost of re-loading and stowing such cargo on 
board the said ship, together with all storage-charges on such 
cargo, shall likewise be so admitted. Except that any portion 
of the cargo left at such port of refuge, on account of its 
being unfit to be carried forward, or on account oftheunfit- 
ness or inability of the ship to carry it, shall not be called 
on to contribute to such general average. * 



323 

Rul e VIII. — When a ship shall have entèred a port 
of refuge under the circumstances defined in Eule VII, the 
\ieages and cost of maintenance of the master and mariners, 
from the time of entering sach port until the ship shall have 
been made ready to proceed upon her voyage, shall be made 
good as general average. Except that any portion of the cargo 
left at sach port of refuge on account of lts being unfit to 
be carried forward, or on account of the unfitness or inability 
of the ship to carry it^ shall not be called on to contribute 
to such general average. 

Eule IX. — Damage done to cargo by discharging it at 
a port of refuge shall not be admissible as general average 
in case such cargo shall have been discharged at the place 
and in the manner customary at that port with ships not in 
distress. 

Eule X. — The contribution to a general average shall 
be made upon the actual values of the property at the termi- 
nation of the adventure, to which shall be added the amount 
made good as general average for property sacrificed; deduc- 
tion being made from the shipowner's freight and passage- 
money at risk, of ^/g ths of such freight, in lieu of creVs 
wages, portcharges, and all other deductions ; deduction being 
also made, from the value of the property, of all charges in- 
curred in respect thereof subsequently to the arising of the 
claim to general average. 

Eule XI. — In every case in which a sacrifice of cargo 
ia made good as general average, the loss of freight (if any) 
which is caused by such loss of cargo shall likewise be so 
made good. 



BIJLAGE D. 



Lloyd's letter on the Congress at Antwerp. 

Lloyd's, August 1S77. 

To the chairman of the Meeting of The x\ssociation for 
TUE Reform and Codification of the Law of Nations. 
Average Law Department. 

Sir, — The Association for the Reform and Codification of 
the Law of Nations having invited the Committee of Lloyd's 
to send representatives to the meeting at Antwerp, where the 
question of General average is to be the subject of discussion, 
Messrs. F. B. B. Natusch and Joseph Hillman have been ap- 
pointed by the committee as a deputation to represent them 
on that occasion, with Captain Henry Montague Hozier, the 
Secretary of Lloyd's. ' 

At the same time the Committee think it right to place 
before the Association their views upon the subject, and the 
views which those who represent them will support. 

There is a strong feeling in this Committee that thediffe- 
rences which exist in various countries upon this subject 



325 

would be best met by abolishing General Average altogether. 
Possibly this caunot now de done; and, if so, de Committee 
consider that, so far as English practice is concerned, any 
difference should be met by curtailing, not by enlarging, the 
English Bules. 

The sacrifice of a part to avoid an impending peril was the 
foundation of General Average, and was the very essence of 
any claim. This ingrediënt should still form the basis of any 
claim, and without this basis the new element of common 
benefit should not be allowed to have any place. 

From the fact thact the York Kules are to be adopted as a 
basis for discussion, it is clear that no return to first principles 
can be expected frora the Antwerp meeting, for in the opinion of 
the Committee those rules extend considerably, both in principle 
and amount, the area in which General Average may be re» 
covered, aud the attempt to establish uniformity is carried 
out solely by introducing into the law of England cases of 
General Average which are allowed abroad, but not in England, 
and which the Committee consider most objectionable. 

The Committee think it right to bring these views to the 
attention of the Association, that it may be understood they 
are averse to any proposal for assimilating General Average 
which is based upon extending in any manner the English 
law, instead of reducing, both in principle and amount, the 
cases in which it can be claimed. 

I have the honour to be, Sir, 

Your obedient servant, 

(signed) GEORGE J. GOSCHEN, 

Chairman of Lloyd's, 



BIJLAGE E. 



The York and AtUwerp Rules, 

R u 1 e I. — No jettison of deck cargo shall be made good 
as general average. 

Every structure not built in with the frame of the vessel 
shall be considered to be a part of the deck of the vessel. 

B u 1 e II. — Damage done to goods or merchandise bj 
water which unavoidably goes down a ship's hatches opened, 
or other opening made^ for the pnrpose of making a jettison, 
shall be made good as general average^ in case the loss bj 
jettison is so made good. 

Damage done by breakage and chafing^ or otherwise from 
derangement of stowage consequent upon a jettison^ shall be 
made good as general average in case the loss by jettison is 
so made good. 

Ru Ie III. — Damage done to a ship or c^rgo, andeither 
of them, by water or otherwise, in extinguishing a fire on 
board the ship, shall be general average ; except that no com- 



327 

I 
I , 

pensation be made for damage done by water to packages 
which have been on fire. 

R u 1 e IV. — Loss or damage caused by cutting away the 
wreek or remains of spars, or of other things which have 
previously been carried away by sea-peril, shall not be made 
good as general average. 

E ui e V. — When a ship is intentionally run on shore 
because she is sinking or driving on shore or rocks, no da- 
mage caused to the ship, the cargo, and the freight, or any 
or either of them, by such intentional running on shore, shall 
be made good as general average. 

Ru Ie VI. — Damage occasioned to a ship or cargo by 
carrying a press of sail shall not be made good as general 
average. 

Ru Ie VII. — When a ship shall have entered a port of 
refuge under such circumstances that the expenses of entering 
the port are admissible as general average, and when she 
shall have sailed thence with her original cargo or a part of 
it, the corresponding expenses of leaving such port shall like- 
wise be so admitted as general average; and whenever the 
oost of discharging cargo at such port is admissible as gene- 
ral average, the cost of re-loading and stowing such cargo on 
board the said ship, together with all storage -charges on such 
cargo, shall likewise be so admitted. 

Ru Ie VIII. — When a ship shall have entered a port 
of refuge under the circumstances defined in Rule VII, the 
wages and cost of maintenance of the master and mariners, 
from the time of entering such port until the ship shall have 
been made ready to proceed upon her voyage, shall be made 
good as general average. 



328 

K ui 6 ]X. Damage doDe to cargo by discharging it at a 
port of refuge shall not be admissible as general average in 
case such cargo shall have been discharged at the place and in 
the manner customary at that port with ships not in distress. 

R n 1 e X. The contribution to a general average shall be 
made upon the actnal values of the property at thetermina- 
tiou of the adventure^ to which shall be added the amount 
made good as general average for property sacrificed; dednc- 
tion being made from the shipowner's freight and passage- 
money at risk, of such portcharges and crew's wages as would 
not have been incurred had the ship and cargo been totally 
lost at the date of the general average act or sacrifice; de- 
duction being also made, from the value of the property, of 
all charges incurred in respect thereof subsequently to the 
arising of the claim to general average. 

R u 1 e XT. In every case in which a sacrifice of cargo is 
made good as general average, the loss of freight (if any) 
which is caused by such loss of cargo shall likewise be so 
made good. 

Eu Ie XII. The value to be allowed for goods sacrificed 
shall be that value which the owner would have received if 
such goods had not be sacrificed. 



REGELEN VAN YORK EN ANTWERPEN. 
Nederduitsche Vertaling» 

1. 

Werping van deklast zal niet in Avarij-Grosse worden 
vergoed. 

Elke constructie geen geheel uitmakende met het geraamte 
van het schip zal beschouwd worden als een deel van het dek 
van het schip. 



329 



II. 



Schade aan de lading veroorzaakt door water^ dat bij het 
openen van de luiken of het maken van eene andere opening 
om eene werping te doen, zonder dat het te keeren was, 
naar beneden dringt, zal in Avarij-Grosse worden vergoed, 
indien het verlies door de werping ontstaan in Avarij-Grosse 
wordt vergoed. 

Schade (aan de lading veroorzaakt) door breken en bescha- 
digen of op eene andere wijze ten gevolge van het verstoren 
der stuwage ten gevolge eener werping, zal in Avarij-Grosse 
worden vergoed. 

III. 

Schade aan schip of lading of aan beide toegebragt door 
water of op andere wijze bij het blusschen van eenen brand 
aan boord van het schip, zal Averij-Grosse zijn; met deze 
uitzondering evenwel, dat geene vergoeding gegeven zal worden 
voor waterschade aan collies, die door vuur zijn aangetast 
geweest. 

IV. 

Verlies of schade veroorzaakt door het wegkappen van de 
vleet of overblijfselen van rondhouten of andere zaken, die 
alvorens zijn weggeslagen door de evenementen der zee, zal 
niet in Avarij-Grosse worden vergoed. 

V. 

Wanneer een schip opzettelijk is op strand gezet, omdat 
het in zinkenden staat verkeert of naar het strand of de 
rotsen heendrijft, zal geene schade aan schip, lading en vracht 
of aan een of meer van hen veroorzaakt door zoodanig vrij- 
willig op strand zetten, als Avarij-Grosse worden vergoed. 



330 



VI. 

Schade aan een schip of de lading veroorzaakt door het 
prangen met de zeilen zal niet in Avarij-Grosse worden vergoed. 

VII. 

Wanneer een schip eene noodhaven zal zijn binnengekomen 
onder zulke omstandigheden, dat de kosten van het binnen- 
loopen in Avarij-Grosse kunnen worden opgenomen, en 
wanneer het schip van daar zal vertrokken zijn met zijne 
oorspronkelijke lading of een deel daarvan, dan zullen de 
overeenkomende kosten van het verlaten der haven op gelijke 
wijze in Avarij-Grosse worden opgenomen en wanneer de 
kosten van ontlossing in zoodanige haven in Avarij-Grosse 
kunnen worden opgenomen, dan zullen de kosten van her 
lading en herstuwing van zoodanige lading aan boord van 
het genoemde schip, evenzeer als alle pakhuishuren van 
zoodanige lading, op gelijke wijze in Avarij-Grosse worden 
opgenomen. 

VIII. 

Wanneer een schip eene noodhaven zal zijn binnengeloopen 
onder de omstandigheden omschreven in Regel VII, dan 
zullen de gagies en de kosten van onderhoud van den kapitein 
en de bemanning van den tijd van het binnenloopen in zoo- 
danige haven totdat het schip gereed gemaakt zal zijn om 
de reis te hervatten in Avarij-Grosse worden vergoed. 

IX. 

Schade veroorzaakt aan eene lading door hare ontlossing 
in eene noodhaven zal niet in Avarij Grosse kunnen vergoed 
worden, ingeval zoodanige lading ontlost zal zijn ter plaatse 
en op de wijze in die haven gebruikelijk voor schepen, welke 
niet in nood verkeeren. 



331 



X. 



De omslag in Avarij-Grosse zal geschieden over de wer- 
kelijke waarden van schip, lading en vracht, bij het einde der 
reis, waarbij gevoegd zal worden het bedrag, dat wegens 
opoffering (van lading of zaken aan het schip toebehoo rende) 
in Avarij-Grosse zal vergoed worden, met dien verstande dat van 
de vrachtpenningen en passage-gelden, die in risico zijn, 
zoodanige binnenkomende onkosten en gagies der bemanning 
zullen worden afgetrokken, als niet zouden zijn uitbetaald 
geworden, indien schip en lading totaal verloren waren gegaan 
op het oogenblik dat de handeling of opoffering, die tot den 
omslag in Avarij-Grosse aanleiding gaf, plaats had, terwijl 
van de dragende waarden evenzeer worden afgetrokken, alle 
onkosten daarop klevende na het ontstaan van de vordering 
in Avarij-Grosse beloopen. 

XI. 

In ieder geval waarin eene opoffering van lading in Avarij- 
Grosse wordt vergoed en daaruit een verlies op de vracht 
ontstaat, zal zoodanig verlies op vracht op gelijke wijze in 
Avarij-Grosse worden vergoed. 

xn. 

De waarde wegens opgeofferde lading in Avarij-Grosse te 
vergoeden, zal zijn de waarde, die de eigenaar zou hebben 
ontvangen, indien zoodanige goederen niet waren opgeofferd 
geworden. 



BIJLAGE F. 



International Rules of the Law of AffreightmetU framed 
at Sheffield, the 15 June 1865. 

§ 1 . To establish as a general rule that freight should not 
be due until the voyage be accomplisbed, i. e. until delivery 
of the cargo at the port of destination^ unless where a special 
agreement is made to the contrary. 

§ 2. If in the course of the voyage the ship, in consequence 
of the perils of the sea, and not through any defaalt on the 
part of the Captain or owner, has become unseaworthy and 
not in a state to accomplish her voyage^ the Captain shall 
act as the agent for all corcerned, and if prudent and prac- 
ticable^ shall forward the cargo to its destination by other 
vessel or vessels, and in this case he shall^ upon delivery 
have a claim for the whole of the freight due under the 
original charterparty (or bill of lading) although in consequence 
of the cargo having been forwarded the goods have been 
transported at a lower freight. But the Captain of the origi- 
nal vessel is liable for the forwarding freight. 



333 

If, on the contrary, the forWarding freight is equal to or 
greater than the original freight^ the Captain can claim no 
freight, but the owner of the cargo will be liable for the 
whole of the forwarding freight. 

If the Captain does not forward the cargo he has not any 
claim for freight. 

The system of pro rata freight is entirely abolished. 

§ 3. If the owner of the cargo, or any part of it, wish to 
withdraw it before the termination of the voyage, in spite of 
the offer of the Captain to forward it to its destination, such 
owner, upon taking delivery at an interraediate port or place, 
shall be liable for freight for the whole voyage and shall 
give good and suflScient bail for any general average, salvage 
or other expenses which may attach to the same. 

§ 4. No freight is due upon goods jetisoned or sacrificed 
for the common benefit, and for those sold to raise the neces- 
sary funds for defraying expenses incurred for the common 
benefit; but the owner has a claim on general average for 
all loss of freight caused by such sacrifice. 

§ 5. No freight is due upon goods Jost by perils of the sea, 
nor for those taken by public eneray or by pirates. 

Nor upon any goods sold or destroyed in consequence of 
perils of the sea, in any port or place other than the port 
of destination. 

§ 6. If the Captain save the goods from shipwreck, or if he 
recapture them from the enemy or from pirates, and if, being 
in a state to be transported to their destination, he delivers 
them, then he shall be entitled to the whole freight; ifnothe 
shall be entitled to none, but without prejudice to his claim for 
wages and expenses while engaged in recovering the goods. 

§ 7. The total freight is due upon delivery of the cargo at 
the port of destination, although dirainished or deteriorated 



334 

by perils of the sea^ if the consignee takes delivery^ and in 
this case the consignee is bound to take delivery of all con- 
signed to him by the same bill of lading, or^ when goods 
are in bulk, by the same ship. If the consignee will not 
take delivery, the Captain^ after due authorisation, may sell 
such goods to pay his freight, and for any deficiency has 
recourse against the consignee or shipper^ except there be 
an express stipulation to the contrary. But in no case shall 
the Captain be entitled to receive on a cargo deteriorated during 
the voyage^ a larger amount of freight than he would have 
received if the cargo had been delivered in the same state 
in which it was shipped. 

§ S. Advance on account of freight is always liable to be 
refunded in all cases in volving non-payment of freight, except 
where it is stipulated to the contrary. 

§ 9. The owner shall have an absolute lien on the cargo 
for the freight and dead freight. 

§ 10. The contribution of the freight to general average shall 
be regulated recording to the first paragraph of Article 10 
of the York Ëules. 



BIJLAGE G. 



Ontwerp eener Internationale Avarij Grosse regeling. 

Art. 1. 

Elke^ hierna niet in het bizonder behandelde, schade ói 
uitgave, die het onvermijdelijke en voorziene gevolg is van 
eene buitengewone, niet tot de gewone verplichtingen van den 
schipper behoorende, handeling, door deze opzettelijk verricht 
tot afwending van een alles dreigend gevaar van geheel ver- 
lies, is Avarij Grosse, en wordt over schip, vracht en lading 
omgeslagen. 

Abt. 2. 

Werping van goederen, zonder toestemming van den inlader 
op het dek geplaatst, is geen Averij Grosse; de schipper is 
daarvoor aansprakelijk. Werping van goederen met toestemming 
van den inlader aldaar geplaatst, is alleen Averij Grosse tus- 
schen het schip, de vracht en de goederen van hen, die in 
het voeren van deklading toegestemd hebben bij de cherte- 
partij of het cognossement. 



336 



Art. 8. 

De schade aan schip en lading toegebracht^ bij de verdedi- 
ging van het schip tegen zeeroovers^ alsmede de kosten van ge- 
nezing en verpleging der daarbij gewonde matrozen is Avarij- 
Grosse. 

Abt. 4. 

Zoo dikwijls de schipper gedwongen wordt eene noodhaven 
binnen te loopen omdat de toestand^ waarin het schip^ de la- 
ding of de bemanning verkeert ^), het gevaarlijk maakt onder 
de bestaande omstandigheden de reis voort te zetten^ zijn de 
volgende kosten^ maar ook alleen deze, Avarij Grosse^ te weten : 
de kosten verbonden aan het binnenloopen en weder verlaten 
der noodhaven^ de kosten van lossing en wederinneming der 
lading, de schade door de lading bij die lossing en wederin- 
neming onvermijdelijk te lijden, de pakhuishaur der lading en 
de, tot den dag dat het schip weder zeilree ligt, werkelijk 
betaalde kost- en maandgelden der bemanning. 

Voor zooverre eenige dezer kosten zonder noodzaak gemaakt 
zijn, blijven zij ten laste van den schipper. 

Art. 5. 

Alle kosten welke verbonden zijn aan de herstelling van 
eene avarij particulier, of aan het huren eener nieuwe beman- 
ning, wanneer dit, in de noodhaven of elders, noodig mocht 
zijn, zijn avarij particulier. 

Art. 6. 

Vrijwillige stranding is geen Averij -Grosse, wanneer het ge- 



') Hierdoor wordt van zelf het binnenloopen der noodhaven wegens tegen 
wind, ijsgaog en dergelijke gewone omstandigheden van weer of wind, bui- 
tengesloten. 



337 

schiedt omdat het schip naar de kust of de rotsen heendrljft 
of wel omdat het in zinken den toestand verkeert. 

Art. 7. 

Kappen van de vleet of andere reeds door den storm ge- 
broken scheepstoebehooren is geen Avarij Grosse. 

Art. 8. 

Prangen met de zeilen en het forceeren der stoommachines 
is geen Avarij Grosse. 

Art. 9. 

Hij, wiens opgeofferd goed in Avarij Grosse vergoed wordt, 
moet door die vergoeding in die positie gebracht worden, 
waarin hij geweest zou zijn, indien niet zijn goed, maar dat 
van een ander opgeofferd was geworden. 

Art. 10. 

Avarij Grosse wegens opofferingen wordt omgeslagen over de 
netto waarde van het schip, de vracht en de lading ter des- 
tinatieplaats, met bijvoeging van de som die in Avarij Grosse 
vergoed wordt. 

Art. 11 1). 

Kosten ten gemeenen bate gemaakt, die als Avarij Grosse ver- 
goed moeten worden, worden omgeslagen over de netto waarde, 
die schip, vracht en lading bezitten op het oogenblik dat het 
met het maken dier kosten beoogde doel bereikt is; dus bij 
noodhaven kosten, wanneer het schip de noodiiaven verlaat. 



*) Indien men in het oog houdt dat Internationale Uniformiteit dikwgls niet 
anders verkregen kan worden dan door transactie, geloof ik dat de door mij 
voorgestelde solatie van de quaestie der aansprakelijkheid voor Avarij Grosse 
Grosse uitgaven, weinig bezwaar kan ontmoeten bij de voorstanders van het 
continentale stelsel. 

22 



338 



Art. 12. 

De schi))per of de reeder is verplicht de noodhavenkosten die 
A var ij Grosse zijn met de premie te verzekeren. 

Art. 13. 

Avarij (J rosse omslag voor gemaakte kosten heeft, indien 
s<chip en lading naderhand totaal vergaan, slechts plaats in 
geval van faillissement of insolvabiliteit van den verzekeraar. 

Art. 14. 

Indien de waarde van het geredde minder bedraagt dan de 
eigenaar daarvan in Avary Grosse moet betalen, heeft de ree- 
der voor dit verschil aanspraak op den verzekeraar en kan 
hij den eigenaar van het geredde daarvoor eerst aanspre- 
ken in geval van faillissement of insolvabiliteit van den verze- 
keraar. 

Art. 15. 

Zij, aan wier schuld of nalatigheid de Avarij Grosse hande- 
ling te wijten is, kunnen geen vergoeding in Averij Grosse 
voor geleden schade of gedane uitgaven vorderen ; evenmin 
de inlader van goederen wier vice propre of zelfontbranding 
de oorzaak der schade of onkosten was. 

Art. 16. 

In het geval van het vorige artikel, bestaat er wel Avarij 
Grosse ten behoeve der overige geïnteresseerden. Zij, die daar- 
door iets in Avarij Grosse betaald hebben, hebben verhaal op 
de in dat artikel genoemde personen. 



339 



Aet. 17. 

Voor het bestaan van Avarij Grosse is redding uit het ge- 
vaar geen vereischte. 

Art. 18. 

De schipper heeft voorrecht op de lading of op hare op- 
brengst, voor het aandeel door de eigenaars daarvan als 
Avarij Grosse verschuldigd. 



I 

I 






i' 



V ° 






• ^ . 



-■ t I 



V 

t. - 



STELLINGEN. 



/ 



Li ' 

i 

4 



Y i 



STELLINGEN, 



I. 



In lege 2, § 1, Dig. XIV, 2 : ,,8ed si voluntate vec- 
torum vel propter aliquem metum etc./' is de beteekenis 
van „vel" demonstratief en staat het in plaats van 
„veluti" of „puta." 



II. 



De afschaffing der pro rata vracht is zeer wenschelijk. 



m. 



Art. 497» W. v. K. past niet in het stelsel onzer wet. 

IV. 

Art. 474 W. v. K. geeft voorrecht. 



344 



V. 

Staat het cognosHcment een' langeren tijd voor de 
lossing toe dan de oherteparty, dan kan de schipper 
van art. 485 W. v. K. geen gebruik maken, voordat 
de in het cognossement bepaalde tijd verstreken is. 

VI. 

Ten onrechte zegt Prof. diephuis, (Handelsrecht IL 
bl. 97): ,,Maar zoo zal men nu ook aan andere han- 
delingen, zonder de door de wet vereischte toestemming 
of machtiging verricht, en waartoe dus de schipper als 
zoodanig volgens de wet zelve de macht niet bezat, 
eveneens alle kracht tegenover eigenaar en reeders 
mogen ontzeggen, ook waar de wet zich daarover niet 
uitdrukkelijk heeft uitgelaten." 

VII. 

Het Koninklijke Charter voor de Kopenhaagschc Zee- 
verzekerings-maatschappij van 1850 is van alle bestaande 
wetten de beste codificatie van het avarij-grosse recht. 

VUL 

Onderhandsche akten door den gefailleerde geteekend 
bezitten tegenover de curators eene zekere dagteekening. 

IX. 

Art. 3* B. "W. is noch toepasselijk bij art. 5, P. 
noch bij art.. 5, 3^ B. W. 



345 



X. 



De erfgenaam, over wiens goederen een bewindvoer- 
der is aangesteld volgens art. 1066 B. W., mag die 
goederen vervreemden en met hypotheek bezwaren. 



XI. 



Titel. 11. Aid. 2. B. W. moet vervallen, en schei- 
ding van tafel en bed, na vijf volle jaren geduurd te 
hebben, van rechtswege echtscheiding medebrengen. 



XII. 



De bepaling van art. 6 Sv. is af te keuren. De straf- 
rechter moet competent zijn om over alle praejudicieele 
geschillen, welke in den loop van het strafproces op- 
komen, te oordeelen. 



xm. 



Art. 353 W. V. K. houdt eene presumptio juris et 
de jure in, maar bedreigt geen straf tegen den schipper. 



XIY. 



Levenslange tuchthuisstraf is verwerpelijk. 



XV. 



De strafbaarstelling van het afleggen eener valsche 
scheeps verklaring is dringend noodzakelijk. 



:]4() 



XVI. 



De eed van tirt. 183'^ Sv. moet de ondervraging in 
het dorde lid van dat art. vermeld voorafgaan. 



XVll. 



De jurisprudentie van d(Mi lloogen Raad, dat be- 
sluiten van de 1^-ovinciale Staten, indruischende tegen 
art. 13r" Gw., door den rechter toegepast moeten wor- 
den, is niet juist. 



XVIII. 



De niinderjarig;(ï kan slo(»lits in de gemeente, waar 
zijn vader, voogd of voogdes woont, in eene directe 
gemeentebelasting aangeslagen worden. 



XIX. 



Het Pruisische stelsel van vereeniging van kleine 
gemeenten is beter dan dat van art. 130 van onze 
Gemeentewet. Wat in de tweede alinea van dat artikel 
als regel is vastgesteld, moet de uitzondering zijn. 



XX. 



De dag- en weekloonen moeten vervangen worden 
door loon evenredig aan het gepraesteerde werk (taak- 
of stukloon). 



ERRATA. 



BI. 72, regel 3 y. o. staat : arnould, lees : maclachlan. 

BI. 80, ^ 8 Y. b. „ admitti non placuit, „ admitti placnit. 



9 



\' ■ 



r I 

I * 



■f ■ . ' 



■ 



X . - 



l ' . 



È ' 



■^■J 



•* 




r* 


y . ■ ' 


* • 

■V. - 


'^r 


.1- '. . 





*\' *-^ 



^ 



THB NEW YORK PUBLIC LIBRARY 

REPERENCB DEPARTMENT 
taken fram the Buildinl 




























































































!,.>„, u.