(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Jaarboek van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen gevestigd te Amsterdam voor .."

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 




T^'ffi^T^S^ 




1^'^^ hl 



*.< &. « 



■V 



't 






• • 






JAARBOEK 



VAW Dit 



KONINKLIJKE AKADEMIE 



VAW 



WETENSCHAPPEN. 



QEVESTIQD 



Tl 



AMSTEBDAM, 



/ . . 



VOOK 



1869. 



f • 



v' \ 



X*— v^ i~' L- . u- 1 .. j j . ; 



^/^ 



i/OD 



v> • .--' 



AMSTEKDAM, 
G. G. VAN DER POST. 



OfiDRUKT BIJ DB ROBVER -KRÜ BKR - BAKBL8. 



I T^ H o XJ I>. 



-~i>3eHiJ^'>' 



Blttdz. 
Staat van dr komimklijke akademie van wetbnscuappbn, op 

DKN 24sten april des jaars 1869 III. 

Alphabetische lijst der gewone leden, correspondenten in de 
oyerzï.e8chk bezittingen yan het rijk en buitenlandscue 
ledsn, sedert de oprigtino in 1851 x. 

Lijst der binnen- en buitenlandsohe ACADEXiëN, geleerde qb- 

KOOT8CHAPPEN EN INSTELLINGEN, WAARMEDE DE ACADEMIE DOOR 
WEDE&KEERIGE RUILING DER UITGEGEVEN WERKEN IN VERBINDING IS. XVIII. 

Koninklijk Beslnit omtrent het verleenen van vrijdom van Brieiport 

aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam . . XXIX. 

Programma certaminis poetici ab Academia regia disciplinamm Neder- 

landica ex Legato Hoeüfftiano indicti A*. CIOlOCCCLXIX. . . . XXXI. 

Proces>verbaal van de vereenigde vergadering der beide AP- 

DEBLINGEN van de ACADEMIE XXXV. 

Inleiding XXXVII. 

Proces- Verbaal van de Vereenigde Vergadering der beide Afdeelingen^ 

gebonden 25 April 1869 XXXH. 

Verslag van den staat eii de werkzaamheden aan Z. M. den Koning . XXXIII, 
Bekeoing en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris 
over het jaar 1868—1869 gebonden beheer XLV. 



OKDRUKT BIJ DB ROBVER - KRÖBER - BAKBLB. 



I i^ n o XJ I>. 



^i)9ö^^©>^- 



Blttdz. 
Staat van dr komimklukb akademie van wetbnscuappbn, op 

DSN 240ten april des jaars 1869 III. 

ALPHABETI8CHE LIJST DER GEWONE LEDEN, CORRESPONDENTEN IN DE 
0V£RZEE8CHE BEZITTINGEN VAN HET RIJK EN BUITEN LAN DSC HE 
LEDEN, SEDERT DE OPRIQTINO IN 1851 X. 

Lijst der binnen- en buitenlandsche ACADEXiëN, geleerde qb- 

NOOTSCHAPPEN EN INSTELLINGEN, WAARMEDE DE ACADEMIE DOOR 
WEDERKEBRIGE ruiling der UITGEGEVEN WERKEN IN VEBBINDINO IS. XVIII. 

Koninklijk Beslnit omtrent het verleenen van vrydom van Brieiport 
aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam . . XXIX. 

Programma certaminis poetici ab Academia regia disciplinamm Neder- 
landica ex Legato Hoküfftiano indieti A*. CIOlOCCCLXIX. . . . XXXI. 

Proces >VERB AAL van de vereenigde vergadering der beide ap- 

DBEUNOBN VAN DE ACADEMIE XXXV. 

Inleiding XXXVII. 

Proces- Verbaal van de Vereenigde Vergadering der beide Afdeelingen^ 

gehouden 23 April 1869 XXXH. 

Verslag van den staat en de werkzaamheden aan Z. M. den Koning . XXXIII, 
Rekening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris 

over het jaar 1868—1869 gebonden beheer XLV, 



IV 

Bladz. 

Rekening en Verantwoording van het door deo Algemeenen Secretaris 

over het jaar 1868—1869 gehouden beheer van het Legaat Hosufft. LI. 

Memorie van Toelichting bij de Rekening en Verantwoording .... LIJ. 

Verslag over de Rekening LUI . 

Begrooting van Inkomsten en Uitgaven, gaande van 1* April 1869 tot 

P April 1870 LIV. 

Verslag over den toestand der Boekerij en het Munt- en Penning- 
kabinet LV. 

Overgang van den voorrang der Academie op de Natuurkundige Afdee- 

ling en sluiting der Vergadering LVIII. 

Verslag van de Commissie tot het opsporen, het behoud en het bekend 

maken van de overbiyfsels der Vaderlandsche knnst uit vroegere tijden. LIX . 

Levensberigt van L. J. F. Janssen, door J. C. 6. Boot 1. 



NAAMLIJST 



SKB 



GEWONE LEDEN, 
C OEKESPONDENTEN 

XN D£ OYEBZEXSCHE BEZITTINGEN VAN HET &IJK 

XN 

BUITENLANDSCÏÏE LEDEN 

TAlf DE 

KONINKLIJKE AKADBMIE VAN WETENSCHAPPEN. 



Jaarboek 1869. 



STAArT 



VAlf OK 

KONINKLIJKE AKAÜEMIE VAN WETENSCHAPPEN 

OP DJSN 24»*«n APRIL DKS JAAKS 1869. 



BESTUUR DER ACADEMIE 
gedurende het Academiejaar van April ISGD — April 1870, 

ALGEMEEN K VOOBZITTEV, 

F. C. DONDERS. 

ALGEMKENE SECRETARIS^ 

C. J. MATTHBS. 



Afdeelivg Wis- en NatuuTkundige Wetenschappen, 

VOORZITTER, 

F. C. DONDERS. 

ONDERVOORZITTER, 

C. A. J. A. OUDEMANS. 

SECRETARIS. 

C. J. MATTHES. 



Afdeelxng voor de Taal-^ Letf^-^ Geschiedkundige en 

Wijsgeerige Wetenschappen. 



VOOBZITTER, 

C. W. OPZOOMER. 

ONDERVOORZITTER, 

W. MOLL. 

SECRETARIS, 

J. C. a. BOOT. 



A^ 



IV 



Afdeeling voor de Wis- en Natuurkundige . Wetenschappen, 

Gewone Leden. 

j. VAN GEUNS, te Amsterdam, 

H. c. VAN HALL^ te Groningen. 

F. KAïSER, te Leiden. 

c. J. MATTHES, te Amsterdam. 

A. H. VAN DEE BOON MESCH, te Leiden. 

w. N. ROSÉ, te '* Gravenhage. 

F. J. STAMKART *), te Delft. 

F. w, CONRAD, te 's Gravenkage. 

F. c. DONDERS, te Utrecht. 
p. HARTING, te Utrecht. 

J. w. L. VAN OORDT, te Rotterdam. 
H. SCHLEGEL, te Leiden. 

G. E. VOORHELM SCHNEBVOOGT, te Amsterdam. 

w. c. H. STARING f), op den Huize Boekhorst bij Lochem. 

c. H. D. BUJJS BALLOT, te Utrccht. 

F. z. ERMERiNS, te Groningen. 

J. A. c. OUDKMANS, te Utrecht (tijdelijk te Batavia). 

D. BiERENS D£ HAAN, te Leiden. 

J. BOSQüET, te Maastricht. 

A, \v. M. VAN HASSELT, te Amsterdam. 

M. c. VERLOREN, te Schothorst bij Amersfoort. 

J. VAN GOGH, te '* Gravenhage (Uitlandig' . 

V. s. M. VAN DER WILLIGEN, te Haarlem. 

p. ELI AS, te ^s Gravenhage. 

c. A. j. A. OTJDEMANS, te Amsterdam. 



*) Tot aan den Heer f. j. stamkast zijn de namen alpbabetlsch gesteld 
Tan hen, die bij Koninklijk besluit van 26 October 1851, N®. 3, werden be- 
noemd tot gewone leden der Koninklijke Akademie van Wetenschappen. 

t) De alpbabetische orde is ook aangenomen voor hen, die bij Kon. bo« 
sluit van 28 Februarij 1855 tot gewone leden der Natuurkundige Afdeeling 
van de Academie werden benoemd. De rangorde der leden, volgende op den 
Heer w. c. h. staring, wordt bepaald door den tijd hunner benoeming. 



K. H. voN bavmhauër, te Haarlem, 

p- A. w. MTQUKL, té Ulrecltf. 

s. c. SNELLEN VAN VOLLENHOVKN, te Leiden. 

p. M, BEUTBL DE LA bivjèrr^ aan het Nieuwe-Diep 

p. BLEEKER, te ^s Gravenhage. 

p. J. VAN KBRCKHOFF, te Utrecht. 

J. BOSSCHA^ JR., te '* Graven hage. 

N. w. p. RAUWENHOFF, te Boiterdam. 

p. L. RiJKK, te Leiden. 

A. HEYNSius, te Leiden. 

M. HOKK, te Utrecht. 

j. A. BOOGAARD, te Leiden. 

L. COHKN STÜAHT, te J9ö^Ü. 

6. VAN DiESEN, te UUechi. 
w. KOSTER^ te Utrecht. 
G. F. W. BAEHR, te Delft. 
w. F. R. SURINGAB, te Leiden. 

T. J. STIELTJES, te j9ö^/. 
HEEM. VOGELSANG, te Delft. 

j. A. HERKL0T3, te Leiden, 

A C. OüDEMANS, JR., te J9ö//i^. 

c. H. c. GRiNvris, te Utrecht. 

c. M. VAN DEB SAKDE LACOSTE, te Amsterdam. 



Rustende Leden, 



c. PRUYS VAN DER HOEVEN, te Leiden. 

z. P. DELPRAT, te '« Gravenhage, 

R. VAN REES, te Uirccht. 

G. A. VAN KERKWIJK, te '^ Gravenhagc. 

G. J. MULDER, te Bennekom. 

j. BADON GHIJBEN, te Breda. 

D. J. STORM BUYSiNG, te '« Gravevhagc, 



VI 



Correspondenten in de Overzeescke Bezittingen van het Rijk. 

c. 8WAVING, te Buitemorg op Java, 

F. J. MAiEE, te Batavia, 

j. E. TEYSMANN, te Buiteuzorg op Java, 



Buitenlandse he Leden, 

A. c. BECQUEBEL, te Parijs, 

H. K. w. BEBGHAUS, te Potsdam, 

J, B DUMAS, te Parijs. 

j. voN LiEBiG, te Muncken. 

H. VON MOHL, te Tubingen, 

j. J. d'omalius, te Ciney, 

R. owEN, te Londen, 

A. quETELET, te Brussel, 

RAMON DE LA 8AGRA, te Parijs. 

Sir JOHN F. w. HKRSCHEL, te Londen, 

F. j. VAN BENEDEN, te Leuven, 

G. B. AiRY, te Greenwicïi, 

H. HELMHOLTZ, te Reideïberg, 
A, w. HOFMANN, te Berlijn, 
V. REGNAUiT, te Parijs. 
R. viRCHOW, te Berlijn. 
H. w. DOVE, te Berlijn, 
H. B. GÖFFERT, te Breslüu, 
H. MfLNE EDWARDS, te Paxijs. 

w. WEBER, te Göttingen. 



vn 

* 

Afdeelivg voor de Taal-, Letter-y Geschiedkundige en 

Wijsgeerige Wetenachajopen. 

Gewone Leden. 

B. p. A. DOZY, te Leiden. 

j. HOïTMANN, te Leiden. 

L. J. P. JANSSEN, te Leiden, 

c. LEEMANS, te Leiden. 

T. KOORDA, te Leiden. 

A. RrTGERS, te Leiden. 

M. DE VBIE8 *), te Leiden, 

w. o. BRILL, te Utrecht, 

L. PH. c. VAN DEN BERGH, te *s Gfavenluige. 

w, j. A. JONCKBLOKT, te 'sGravenhoge. 

w. MOLL, ie Amsterdam. 

H. J. KOENEN, te Amsterdam. 

j. DB WAL, te Leiden. 

j. DiRKS, te Leeuwarden, 

c. w. opzooMER, te Utrecht. 

j. H. SCHOLTEN, te Leiden. 

L. A. J. w, SLOET, te Leiden, 

w. j. KNOOP, te ' s llertogeniosch. 

G. DB VRIES, AZ., te ''s Gravcnhage, 
j. c. G. BOOT, te Amsterdam, 

M. H. GODEFROi, te '« Graveuhage, 

j. A. c. VAN HEüSDE, te '« Gravenliuge, 

\v, c. MEES, te Amsterdam. 

N. BEETS, te Utrecht. 

R. j. PRüiN, te Leiden. 

B. J. LiNTELO DE GEER, te Utrecht, 

j. H. HOLWERDA, te Gorinchem. 

A. KOENEN, te Leiden. 

G. MEES, AZ., te Rotterdam. 

j. KAPPEYNE VAN DK COPPELLO, tc 's Gravenhogc. 



*) Tot aan den Heer m. de vkiks zijn de namen alphabotisch gesteld van 
hen, die bij Koninklijit besluit van 23 Febr. 1855 tot gewone leden der Af- 
deeling werden benoemd. De rangorde der overige leden wordt bepaald door 
den tijd hunner benoeming. 



vin 

D. HARïiNG, te Enkhuizen. 
8 VISSERING, te Leiden. 

G ACKEii STRATiNGH, te Groningen, 
j. E. GOüDSMiT, te Leiden. 

A. REViLLE, te Rotterdam. 
J. p. six, te Amsterdam. 
p. j. vhTH, te Leiden. 

8. A. NABER, te Zwolle. 

TH BORRET, te Vogelenzang. 

c. Ml FRANCKEN, te Groningen. 

s. HOEKSTRA, BZ, te Amsterdam. 

H. KERN, te Leiden. 

j. K. j. DE JONGE, te '^ Gravenhage. 

j. T BüYS, te Leiden. 

j A. PRüiN, te Vtrecïd. 

11. T. H. p. L. A VAN BONEVAL PAURE, te Leiden. 

B. D H. TELLEGEN, te Groningen, 

B. H. c. K. VAN DER wiJCK, te Groningen. 

E. vtRWjjs, te Leiden. 

M. J. DE GOKJE, te Leiden 



Bustevde Leden. 



G. H. M. DELPRAT, te Rotterdam. 
j. BOSSCHA, te '*s Gravenhage. 



Correspondenten in de OverzeescAe Bezittingen van /iet Rijk. 

R. H. TH. FRiEDERiCH, te Batavia. 

B. F. MATTHES, te Makassar. 

J. A. Van der chys, te Batavia. 

H. NEUBRONNER VAN DER TUDK, Op Java. 

A. B. COHEN 8TUABT, te Batavia. 

K. F. HOLLE, te Garoet {Preanger Regentsch). 

H. D. LEVYSSOHN NORMAN, te Botavia. 



IX 



Buüenlandscke Leden, 

MiCHKL CHEVAUBR, te Parijs. 

H. L. FLBI8CHBR, te Leifzig, 

p. GUizoT, te PariJB. 

L. p. GACHAUD, te BrusseL 

c. E. LEP8IU8, te Berlijn, 

j. N. MADViG, te Koppenhagen. 

LEOPOLD IIA19KE, te Berlijn. 

A. R. RANGABB, te Athene, 

G. GROTE, te Londen, 

a. ROULEZ, te Gent. 

STANISLA8 JTJLIEN, te ParijS, 

c. LASSEN, te Bonn. 

TH. MOMMSEN^ te Berlijn, 

Sir H. c KAWLIN80N, te Londen, 

A. THEiNBR, te Bome. 

G. CONESTABILB, te Perugia. 

j. LOTHROP MOTLBY, te Londen, 

p. J. GHABAS, te Chdlons mr Saóne, 

H. HOPPMANN voN PALLBRSLEBEN, Slot CorveyM] Uoxter, 

V. DüRUY, te Parijs, 



ALPHABETISCHE LIJST 



Df.U 



GEWONE LEDEN, 
COREESPONDENTEN 

IN DE OVERZBESCHE BEZITTINGEN VAN HET RIJK 

EN 

BÜITENLANDSCHE LEDEN 

YAN DE 

KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN, 

SEDEBT DE OPBIGÏING IN 1851 



NB. üe Letter L. 


beteekent gewoon Lid. 


n 


n 


c. 


n 


Correspondent. 


n 


n 


B. L. 


tl 


Bnitenlandsch Lid. 


n 


n 


R. L. 


n 


Rustend Lid. 


n 


n 


a. N. 


n 


Afdeeling Natuurkunde. 


H 


n 


a. L. 


» 


Afdeeling Letterkunde. 



A 



Ackersdijck, (J.) te Utrecht^ L. a. 
L. 23 Febr. 1855, E. L 1862. 
OverL 13 Julij 1861. 



Arago, (D. F. J.) te Parijs, B. L.a.N. 

26 Oct. 1851. OvtrL 2 Oct 1853. 

Assen, (C. J. van) te Leiden^ L. 



Ary, (G. B.) te Greenwich, B. L- j a. L. 23 Febr. 1855, K. L. 1855. 
a. N. 4 Mei 1859. ' OverL 13 Sept. 1859. 

B 



Baehr, (G. F. W.) te Delft, L. a. 

N. 5 Mei 1867. 
Bake, (J.) te Leiden, L. a. L 23 

Febr. 1855. E. L. 1858. Overl. 

26 Maart 1864. 
Baumhauer, (E. H. von) te Ifaar- 

lem, L. a. N. 1 Mei 1858. 
Becquerel, (A. C.) te Parijs^ B. L. 

a. N. 26 Oct. 1861. 



Beek, (A.van) te Utrecht, R. L.a N. 

26 Oct. 1851. OverL 7 Jan. 1856. 
Beets, (N.) te Utrecht, L. a. L. 

4 Mei 1859. 
Beoeden, (P. J. van) te Leuven^ 

B. L. a N. 4 Mei 1859. 
Bergh, (L. Ph. C, van den) te 

*s Gravenhage, L. a. L. 24 Maart 

185$. 



XI 



Berghaus, (H. K. W.) te Potsdam, 
B. L. a. N. 26 Oot. 1851. 

Bleeker, (P.) te 's Gravenhage, C. 
a. N. 6 April 1855. L. a. N. 

5 Mei 1862. 

Blume, (C. L.) te Leiden, L. a. N. 

6 April 1855. Overl. 3 Febr. 
1862. 

Boogaard, (J. A ) te Leiden, L. a. 

N. 8 Mei 1865. 
Boot, (J. C. G.) to Amsterdam, 

La L. 2 Mei 1857. 
Borret, (Th ) te Vogelensang, L 

a L. 8 Mei 1865. 
Bosch, (E. B van den) te Goes, 

L. a. N. 2 Mei 1857. Overl. 

18 Jan. 1862. 
Bosquet, (J.) te Maastricht, L a. 

N. 5 Mei 1856. 
Bosscha, (J.) te *3 Gravenhage^ 

L. a. L. 23 Eebr. 1855. R. L. 

1867. 
Bosscha, Jr., (J.) te 's Gravenhage, 

L. a. N. 1 Mei 1868. 
Brants, (A ), te Joppe bij Gorsel, 

L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

27 Nov. 1862. 



Breda, (J. G. S. van) ié^HaarUm, 

L. a. N. 26 Oct. 1851. R. L. 

Oot. 1858. Overi. 2 Sept. 1867. 
Brill, (W. G.) te Utrecht, L. a. L. 

24 Maart 1856. 
Brink, (R. C. Bakhuizen van den) 

te ^s Gravenhage, L, a. L. 23 

Febr. 1855. Overi. 16 July 1865. 
Brown, (R) te Londen, B. L. a. 

N. 26 Oct. 1851. Overl. 10 

Jun^ 1858. 
Brumund, (J. F. G.) te Batavia, 

C. a. L. 29 April 1855. Overl. 

12 Maart 1863. 
Brutel de la Rivière. (P. M ) aan 

het Nieuwe-Diep, L. a. N. 8 

Mei 1860. 
Bünsen, (K. J. von) te Bonn, B. 

La L. 4 Mei 1859. Overi. 28 

Nov. 1860. 
Buys, (J. F.) te Leiden, L. a L. 

5 Mei 1867. 
Buijs Ballot, (C. H. D.) te Utrecht, 

L. a. N. 6 April 1855. 
Buysing, (D. J. Storm) te 's Gra- 
venhage, L. a. N. 26 Oct. 1851. 

R. L. 27 Maart 1869. 



C. 



Chabas (F. J ) te Chdlons sur Saóne, 
B. L. a L. 8 Mei 1865. 

Chevalier, (Michel) te Parijs, B. 
L. a. L. 19 April 1855. 



Cobet, (C. G.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. Bed 8 Sept. 1856. 
Conestabile, (G.) te Perugia, B. L. 

a. L. 7 Mei 1861. 



Chys, (J. A. van der) te Batavia, i Conrad, (F. W.) te 's Gravenhage, 
C. a L 5 Mei 1867. I L. .a. N. 23 Febr. 1855. 

D. 
David, (J. B.) te Leuven, B. L.lDelprat, {J.l\i^'sGravenhage,h. 



a. L 5 Mei 1862. Overl. 24 
Maart 1866. 
Delprat, (G. H. M ) te Rotterdam, 
L. a. L. 24 Maart 1855. R. L. 
1861. 



a. N. 26 Oct. 1851. R. L 1863. 
Diesen, (G. van) te Utrecht, L. 

a N. 7 Mei 1866. 
Dirks, (J.) te Leeuwarden, L. a 

L. 5 Mei 1856. 



XII 



Donders, (F. C.) te Utrechl, L 

a. N. 23 Febr. 1865. 
Dove, (H. W.) te Berlijn, B. L 

a. N. 7 Mei 1861. 
Dozy, (F.) te Leiden, L. a. N. 

23 Febr. 1855. Overl. 7 Oct. 

1856. 
Dozy, (R P. A ) te Leiden, L a. 

L. 28 Febr. 1855. 



Dumas. (J. B.) te Parijs, B. L. 
a. xV. 26 Oct. 1851. 

Dumontier, (F. A. C.) te Para- 
maribo, C. a. N. 5 Mei 1859. 
Bed. 8 Aug. 1860. 

Duruy, (V.) te Parijs, B. L. a. 
L. 5 Mei 1867. 

Dyk,(C.M.j van te Utrecht, L. a, N. 
23 Febr. 1855.Bed.21Mrt.1853. 



E. 



Elias, (P.), te 'sGravenhage, L. 

a. N. 2 Mei 1857. 
Ermerins, (F. Z.) te Groningen, 

L. a. N. 6 April 1855. 



Ermerins, (J. W.)te G^ronin^rénjL.a.N . 

23 Febr 1855.B.L. 19 Febr. 1868. 

Overl. 2 Maart 1869. 
d'Espine, (Baron A.) te Aix, in 

Savoye, B. L a. N. 26 Oct. 

1861. Overl. 7 April 1853. 



F. 



Faraday, (M.) te Londen, B. L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 25 

Aug. 1867. 
Faure (R. T. H. P. L. A. Boneval), te 

Leiden, L. a. L. 2 Mei 1868. 
Fleischer, (H. L.) te Leipzig, B. 

L. a. L. 19 April 1865. 
Focke, (H. C.) te Paramaribo, C. 

a. N. 23 Febr. 1855. Overl. 29 

Junij 1856. 



Francken, (C, M.) te Groningen, 

L. a. L. 8 Mei 1865. 
Fremery, (P. J. J, de), te Utrecht, 

L. a. N. 23 Febr. 1855. Overl. 

7 Sept. 1855. 
Friederich, (R. H. Th.) te Batavia, 

C. a. L. 1 Mei 1858. 
Fruin, (J. A.) te Utrecht, L. a. L. 

5 Mei 1867. 
Fruin, (R. J.) te Leiden, L. a. L. 

4 Mei 1859. 



G. 



Gachard, (L. P.) te Brussel, B. 

L. a. L. 19 April 1855. 
Gauss, (C. F.) te Göttingen, B, L. 

a. N. 26 Oct. 1861. Overl. 23 

Febr. 1855. 
Geer, (B. J. Lintelo de) te Utrecht, 

L. a. L. 4 Mei 1859. 
Geuns, (J. van) te Amsterdam, L 

a. N. 26 Oct. 1851. 
Gh^ben, (.T. Baden; te Breda, L. 

a. N. 23 Fen-. 1855. R. L. 30 

Junij 1868. 



Gilse, (J. van) te Amsterdam, L. 

a. L. 4 Mei 1869. Overl. 26 

Mei 1859. 
Glavimans, (C. J.) te Rotterdam, 

L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

11 Aug. 1857. 
Godefroi, (M.H.) ie's Gravenhage 

L. a. L. 2 Mei 1857. 
Goeje, (M. J. de) te Leiden, L.a. 

L. 3 Mei 1869. 
Göppert, (H. R.) te Breslau. B. 

L. a. N. 7 Mei 1861. 



XTTT 



Gogh, (J. van) te '« Grravenhaget 

L. a. N. 2 Mei 1857. 
Gondsmit, (J. £.) te Leiden, L. a. 

L. 6 Mei 1862. 
Greuve, (F. C. de) te Groningen, 

L. a. L. 23 Febr. 1866. £. L. 

6 Dec. 1862. Overl. 28 April 

1863. 



Grinwis. (C. H. C.) te Utrecht, 

L. a. N. 8 Mei 1869. 
Oroen van Prin8terer,(G.;te'« Gra- 

venhage, L. a. L. 28Febr. 1856. 

Bed. 27 April 1865. 
Grote, (G.) te Londen, B. L. a. L. 

2 Mei 1867. 
Gnizot, (F.) te Parijs^ B. L. a. L. 
1 19 April 1866. 



H. 



Haan, (D. Bierens de) te Leiden, 

L. a. N. 5 Mei 1856. 
Haan, (W. de) te Haarlem, L- a. 
N. 26 Oct. 1851. Overi. 16 
April 1855. 
Halbertsma, (H. J.) te Leiden, 
L. a. N. 26 Oct. 1851. Overi. 
22 Nov. 1865. 
Hall, (H. C. van) te Groningen, 

L. a. N..26 Oct. 1851. 
Hall, (J. van) te Utrecht, L. a. 
L. 24 Maart 1855. Overi. 19 
Maart 1859. 
Hartixg, (D ) te Enkhuizen, L. a. 

L. 8 Mei 1860. 
Harting, (P.) te Utrecht^ L. a. N 

23 Febr. 1855. 
Hasselt,( A. W.M.van) ieJmsterdamt 

L. a. N. 5 Mei 1856. 
Hasskarl, (J. L ) te Batavia, C. 

a. N. 6 April 1865. 
Helmboltz, (H.) te Heidelberg, 

B. L. a. N. 4 Mei 1859. 
Herklots, (J. A.) te Leiden, L. a. 

N. 2 Mei 1868. 
Herschel, (Sir John) te Londen, 

B. L. a. N. 1 Mei 1858. 
Heusde, (J. A. C. van) te ''sGra 
venhage, L. a. L. 1 Mei 1858. 



Heynsius, (A.) te Leiden, L. a. 

N. 12 Mei 1864. 
Hoek, (M.) te Utrecht, L. a. N. 

12 Mei 1864. 
Hoekstra, Bz., (S.) te Amsterdam, 

L. a. L. 8 Mei 1865. 
Hoeven, (A. des Amorie van der) 

te Amsterdam, La L. 28 Febr. 

1855. Overl. 29 July 1855. 
Hoeven, (C. Pruys van der) te Z^ei- 

den, L a. N. 26 Oct. 1851. R. 

L. 13 Aug 1862. 
Hoeven, (J. vau der) te Leiden, 

L. a. N. 26 Oct. 1861. Overi. 

10 Maart 1868. 
Hofmann von Fallersleben, (H.) 

Slot Corvey bij Höxter, B. L. 

a. L. 7 Mei 1866. 
Hoffmann (J.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. 
Hoffmann, f A. W ) te Berlijn, B. 

L. a. N. 4 Mei 1S69. 
Holle, (K. F. ) te Garoet op Java, 

C. a. L 3 Mei 1869. 
Holtius. (A. C.) te Uf recht, L. a. 

L. 28 Febr. 1856. R. L. 1867. 

Overi. 29 Maart 1861. 
Holwerda, ('J. H.) te Gorinchem, 

L. a. L. 4 Mei 1869. 



XIV 



HorsfieI(l,(Th.) te Londen.B. L.a.N. 

26 Oct.l851.07erl.24Julij 1859. 
HuUeman. (J.G.) teLeiderij L. a. L. 

5 Mei 1856. Overl. 29 Mei 1862. 



Humboldt;, (A. von) te Berlijn^ B. 
L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 
6 Mei 1859. 



J. 



Janssen, (L. J. F.) te Leiden^ L. 

a. L. 23 Febr. 1855. 
Jonckbloet, (W. J. A.;te ^sGraven- 

hagc, L. a. L. 24 Maart 1855. 
Jonge, (J. K. J. de) te 's Gra^ 

venhagc, L. a. L. 7 Mei 1866. 
Julien, (S.) te Parijffy B. L. a. L, 

2 Mei 1857. 



Junghuhn, (F. W.) te Batavia, C. 

a. N. 6 April 1855. Overl. 20 

April 1864. 
Juynboll, (T. W. J.) te Leidev, 

L. a. L. 23 Febr. 1855. Overl. 

16 Sept. 1861. 



K. 



Kaiser (F.) te Leiden, L. a. N. 

26 Oct. 1851. 
Kappeyne van de Coppello, (J.) 

te '« Gravenhage, L. a. L. 8 

Mei 1860. 
Karsten, (S.) te Utrecht, L. a. L. 

23 Febr. 1865. Overl. 7 Mei 1864, 
Kemper, (J. de Bosch) te Amster- 

dam, L. a. L. 23 Febr. 1855. 

Bed. 26 April 1856. 
Kerckhoff, (P. J. van) te Gronin- 
gen, L. a. N. 5 Mei 1862. 
Kerkwijk, (G. A. van) te 's Gra- 

venhage, L. a. N. 23 Febr. 1855. 

E. L. 25 Jan. 1868. 
Kern, (H.) te Leiden^ L. a. L. 7 

Mei 1866. 
Kinder de Camarecq, (A. W.) op 

Java, 0. a. L. 7 Mei 1866. 



Kist, (N. C.) te leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. Overl. 21 Dec. 

1859. 
Knoop, (W. J.) te ^s Hertogen» 

bosch, L. a. L, 2 Mei 1857. 
Koenen, (II. J.) te Amsterdam, 

L. a. L. 23 Maart 1855. 
Kolk, (J. L. C. Schroeder van der) 

te Utrecht, L. a. N. 26 Oct. 

1851. Overl. 2 Mei 1862. 
Koster, (W.) te Utrecht, L. a. L. 

7 Mei 1866. 
Kuenen, (A.) te Leiden, L. a. L. 

4 Mei 1859. 
Kun, (L, J. A. van der) te '5 Gra- 

venhage, L. a. N. 26 Oct. 1851. 

Overl. 26 Jan. 1864. 



L. 



Lassen, (C.) te Bonn, B. L. a. L. 

4 Mei 1859. 
Leemans, (C.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. 



Lennep,(J.van) te Amsterdam, L,sl. 
L. 23 Febr. 1855. Overl.25 Aug. 
1868. 



XV 



Lepsius, (C. B.) te Berlijn, i3. L. 
a. L. 19 April 1855. 

Levyssohn Norman, (H. D.) te Ba- 
tavia, C. a. L. 3 Mei 1869. 

Liebig, (J. von) te Munehen, B. 
L. a. N. 26 Oct. 1851. 



Macanlay, (Th. Babington) te Camp' 

denhill bij Kemnngton, B. L. a. L. 

19 April 1855. Overl. 28 Deo. 

1859. 
Madvig, (J. N.) te Koppenhagev, 

B. L. a. L. 19 April 1856. 
Maier, (P. J.) te Batavia, C. a. N. 

7 Mei 1861. 

Matthes, (B. F.) te Makaasar, C. 
a. L. 7 Mei 1861. 

Matthes, (C. J.) te Amsterdam, 

L. a. N. 26 Oct. 1861. 
Mees, Az. (6.) te Rotterdam, L. 

a. L. 4 Mei 1859. 
Mees, (W. C.) te Amsterdam, L. 

a. L. 1 Mei 1858. 
Mescb, (A. H. van der Boon) te 

Leidev, L. a. N. 26 Oct. 1851. 
Millies, H. C.) te Utrecht, L. a. 

L. 5 Mei 1856. Overl. 26 Nov. 

1868. 

N. 



Lindenau, (B, A. von) te Alten- 
burg, B. L. a. N. 26. Oct. 1861. 
Overl. 21 Mei 1855. 

Lobatto, (B.) te Delft, L. a. N. 
26 Oct. 1861. Overl. 9 Febr. 
1866. 

M. 

Milne Edwards, (H.) te Parijs, B. 

L. a. N. 5 Mei 1862. 
Miquel, (F. A. W.) Ie Utrecht, L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Bed. 26 

Jung 1857. L. a. N. 8 Mei 1860. 
Mohl, (H. von) te Tubingen, B. L, 

a. N. 26 Oct. 1851. 
Moll, (W.) te Amsterdam, L. a. L. 

24 Maart 1865. 
Mommsen, (Th.) te Berlijn, B. L. 

a. L. 4 Mei 1859. 
Motley, (J. L.) te Londen, B. L. 

a. L. 5 Mei 1862. 
Mulder (Cl.) te Groningen, L. a. N. 

23 Febr. 1855. B. L. 6 Oct. 1866. 

Overl. 4 Mei 1867. 
Mulder, (G. J.) te Bennekom, L. 

a. N. 26 Oct. 1851. B. L. 28 

Nov. 1868. 



Naber, (S. A.) te Zwolle, L. a. L. 

8 Mei 1865. 
Numan, (A.) te Utrecht, L. a.N. 26 

Oct 1851. Overl. 1 Sept. 1852. 

O. 

Omalius (J. J. d') te Ciney, B. L. 
a. N. 26 Oct. 1851. 

Gordt, (J. W. L. van) te Botter- 
dam, L. a. N. 23 Febr. 1855. 

Opzoomer, (C. W ) te Utrecht, L. 
a. L. 5 Mei 1856. 

Oudemana Jr., (A. C.) te Delft, 
L. a. N. 3 Mei 1869. 



N\jhofif, (Is. An.) i^ Arnhem, L. a. L. 
24 Maart 1856. Overl. 20 Junig 
1863. 



Oudemans, (C. A. J. A.) te Amster' 
dam, L. a. N. 1 Mei 1858. 

Oudemans, (J. A. C.) te Utrecht, 
L. a. N. 6 April 1856. 

Owen, (B.) te Londen, B. L. a. 
N. 26 Oct. 1851. 



XVI 



p. 

PInygers, (W. G.) te Leiden L. a. L. 12 Mei 1864. Bed. 9 Maart 1867 

Q. 

Quetelet, (A.) te Brussel, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. 



R. 



Eangabé, (A. K.) te Atthene, B. L, 

a. L 2 Mei 1857. 
Ranke, (L.) te Berlijn, B. L. a. 

L. 19 April 1855. 
Rauwenhoff, ^N. W. P.) te Rotter- 
dam, L. a, N. 1 Mei 1863. 
Rawlinson, (Sir. H. C.) te Londen, 

B. L. a. L. 4 Mei 1859. 
Rees, (O. van) te Utrecht, L. a, L. 

7 Mei 1866. Overl 24 Mei 1868. 
Rees» (R. van) te Utrecht, L. a. N. 

26 Oct. 1851. R.L. 24 Mei 1867. 
Regnault, (V.J te Parijs, B. L. a. 

N. 8 Mei 1860. 
Reinwardt, (C. G. O.) te Leiden, 

R. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

6 Maart 1854. 
Réville, (A.) te Rotterdam, L. a. 

L. 5 Mei 1862. 



Roorda, (T.) te Leiden, L. a. I^. 

23 Febr. 1855. 
Rosé, (W. N.) te 's Gravenhage, Li. 

a. N. 26 Oct. 1851. 
Rost van Tonningen (D. W.) te 

Cheribon (op Java), C. a. N". 

7 Mei 1861. 
Roulez, (J.) te Gent, B. L. a. L. 

2 Mei 1857. 
Rueb, (A. S.) te Utrecht, L. a. NT. 

26 Oct. 1851. Overl. 11 Maart 

1854. 
Rutgers, (A ) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. 
Rijk, (J. C.) te 's Gravenhage, R. 

L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

2 Mei 1854. 
Rijke, (P. L.) te Leiden. L. a. N. 

1 Mei 1863. 



S. 



Sande Lacoste, (O. M. van der) te 

Amsterdam, L. a. N. 8 Mei 1869. 
Sagra, (Ramon de la) te Parijs. 

B. L. a. N. 26 Oct 1851. 
Savigny, (F. von) te Berlijn, B 

L. a. L. 19 April 1855. Overl, 

25 Oct 1861. 
Schlegel, (H.) te Leiden, L. a. N. 

23 Febr. 1855. 
Schneevoogt, (G. E. Voorhelm) te 

Amsterdam, L. a. N. 23 Febr. 

1855. 
Scholten, (J. H) te Leiden, L. a. 

L. 5 Mei 1856. 



Sebastian, (A. A.) te Amsterdam, 

L. a. N. 23 Febr. 1855. Bed. 

17 Dec. 1866. 
Seelig, (H. G.) te Breda, L. a. N. 

23 Febr. 1855. R. L. 1856. Overl. 

3 Oct. 1864. 
Simons, (G.) te *3 Gravenhage. L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 17 

Nov. 1868. 
Six, (J. P.) te Amsterdam, L. a. 

L. 5. Mei 1862. 
Sloet, (L. A. J. W.) te Leide7i, 

L. a. L. 5 Mei 1856. 



xvn 



Stamkart, (F. J.) te Delft, L. a. 

N. 26 Oct. 1861. 
Staring. (W. C. H.) op Boekhorst 

bij Lochem, L. a. N. 23 Febr. 

1855. 

Siaringh, (G. Acker) te Groningen, 

L. a L. 7 Mei 1861. 
Stieltjes, (T. J.) te Delft, L. a. N. 

2 Mei 1868. 



Stnart, (A. B. Cohen) te Batavia, 

C. a. L. 2 Mei 1868. 
Stuart, (L. Cohen) te Delf/, L. a. 

N. 8 Mei 1865. 
Suringar, (W. F. K.) te Leiden, 

L. a. N. 5 Mei 1861. 
Swaving, (C.) Buitenzorg op Java, 

C. a. N. 23 Febr. 1855. 



T. 



Tellegen, (B. D. H.) te Groningen, 

L. a. L. 8 Mei 1869. 
TeminiDck, (C. J.) te' Leiden, R. 

L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

30 Jan. 1858. 



Theiner, (A.) te Rome, B. L, a. 

L. 4 Mei 1859. 
Tiedemanr, (F.) te Munchen, B. L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 23 

Jan. 1861. 



Teysmann, (J. E.) te Buitenzorg Txixik, (H. N. van der) op Jaoa, 
op Java, C. a. N. 8 Mei 1865. C. a. L. 2 Mei 1868. 



U. 



UUman, (0.) te Carlsruhe, B. L. 
a. L. 19 April 1855. Overl. 12 
Jan. 1865. 



Ursel, (de Hertog van) te Brussel. 
C. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 
27 Sept. 1860. 



V. 



Verdam, (G. J.) te Leiden, L. a. 

N. 26 Oct. 1851. Overl. 29 

Oct. 1866. 
Verloren, (M. C.) te Amersfoort, 

L. a. N. 2 Mei 1857. 
Verwijs, (E.) te Leiden, L. a. L. 

3 Mei 1869. 
Veth, (P. J.) te Leiden, L. a. L. 

8 Mei 1865. 
Virchow, (R.) te Berlijn, B, L. a. 

N. 8 Mei 1860. 
Vissering, (S.) te Leiden, L. a L. 

7 Mei 1861. 
Vogelsang, (H.; te Delft, L. a. N. 

2 Mei 1868. 

Jaahbokk 1869. 



"Vollenhoven, (S. C. Snellen van) 

te Leiden, L. a. N. 8 Mei 1860. 
VrieSjAz., (G. de) te '« Gravenhage, 

L. a. L. 2 Mei 1857. 
Vries, (M. de) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. 
Vriese, (W. H. de) te Leiden, L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 23 

Jan. 1862. 
Vrolik, (G.) te Amsterdam, R. L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 10 

Nov. 1859. 
Vrolik, (W.) te Amsterdam, L.a. N. 

26 Oct. 1851. Overl. 22Dec. 1863. 



B 



xvm 



ivr 



w. 



Wal, (J. de) te Leiden^ L. a. L. 

24 Maart 1855. 
Wassink, (G.) te Batavia^ C. a. N. 

2 Mei 1867. Overl. 17 Oct. 1864. 
Weber, (W.) te Götdngen, B. L. 

a. N. 2 Mei 1868. 



Willigen, (V. S. M. van der) te 

Haarlem, L. a. N. 2 Mei 1857. 

Winkel, (L. A. te) te Leiden, L. 
a. L. 7 Mei 1861. Overl. 24 

April 1868. 

Wijek, (B. H. C. K. van der) te 

Groningen, L. a. L. 3 Mei 1869. 



LUST 



DEB 



BinnEn- er bvitehlaitdsche 

ACADEMIËN, GELEERDE GENOOTSCHAPPEiN EN 

INSTELLINGEN, 

WAAHMEDK DB KONINKUJKR AKADKMIE VAN 
WETENSCHAPPEN DOOR KCILING DER UITGEGEVEN WEKKEN IN 

VERBINDING IS. 



NEDERLAND. 

Hoogeschool te Leiden. 
// tf Utrecht. 

n n Groningen. 
Polytechnische school te Delft. 
Atheusemn Blnstre te Amsterdam. 

// ft // Deventer. 

Maatschappij (HoUandsche) der Wetenschappen, te Haarlem. 

der Nederlandsche Letterkunde, te Leiden. 

(Nederlandsche) ter bevordering van Nijverheid, 

te Haarlem. 

tot bevordering der Bouwkunst, te Amsterdam. 

Genootschap (Teylers Tweede), te Haarlem. 

(Zeeuwsch) der Wetenschappen, te Middelburg. 

(Provinciaal Utrechtsch) van Kunsten en Weten- 

schappen, te Utrecht. 

(Historisch), gevestigd te Utrecht. 

(Bataafsch) der Proefondervindelijke Wijsbegeerte, 

te Eotterdam. 

B* 



XX 

Genootschap (Provinciaal) van kunsten en wetenschappen in 

Noord-Brabant, te 's Hertogenbosch. 

(Wiskundig) onder de zinspreuk: Een onvermoeide 

arbeid komt alles te hoven ^ te Amsterdam. 

(Koninklijk Zoölogisch) Natura Artis Magistra^ te 

Amsterdam. 

(Nederl. Onderwijzers-) ter bevordering van Volks- 
opvoeding en Onderwijs, te Amsterdam. 

ter bevordering der Genees- en Heelkunde te Am- 
sterdam. 

(Priesch) voor Geschied-, Oudheid- en Taalkimde, 

te Leeuwarden. 

Instituut (Koninklijk) van Ingenieurs, te 'sGravenhage. 

voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 

van Neêrlandsch Indië, te Delft. 

(Koninklijk Nederlandsch Meterologisch), te Utrecht. 



Nederlandsche Entomologische Vereeniging, te Leiden. 
Vereeniging (Overijsselsche) tot ontwikkeling van Provinciale 

welvaart te Zwolle. 
Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, te Amsterdam. 
Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, 

te Amsterdam. 
Vereeniging voor Volksvlijt, te Amsterdam. 
Nederlandsche Handelmaatschappij, te Amsterdam. 
Boekerij van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, te 's Gravenhage. 
Provinciale Bibliotheek van Friesland, te Leeuwarden. 
Openbare Bibliotheek, te Arnhem. 
Stadsboekerij, te Zutphen. 
Provinciale Bibliotheek, te Middelburg. 
Botterdamsch Leeskabinet. 

OOST-INDIË. 

Bataviaasch Genootschap der Kunsten en Wetenschappen,te Batavia. 
Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederl. Indië,te Batavia. 
Nederlandsch-Indische Maatschappij van Nijverheid, te Batavia. 
Vereeniging tot bevordering der Geneeskundige Wetenschappen, 
te Batavia. 



XXI 



WEST-INDIE. 

Koloniale Bibliotheek, te Suriname. 

BELGIË. 

Académie Bojale des Sciences, Lettres et Arts de Belgique, te 
Brussel. 



^ — de Médecine de Belgique, te Brussel. 



Société Royale de Sciences, te Luik. 

Willems-Ponds, te Gent. 

Université Catholique de Louvain, te Leuven. 

FRANKRIJK. 

Académie Impériale des Sciences, te Parijs. 

Ecole Impériale Polytechnique, te Parijs. 

Bibliothèque du Comité des Travaux historiques et des Socié- 

tés savantes, te Parijs. 
Bibliothèque du Ministère de FAgriculture, du Commerce et des 

Travaux Puhlics, te Parijs. 
Muséum d'Histoire Naturelle, te Parijs. 
Académie Impériale de Médecine, te Parijs. 
Société de Biologie, te Parijs, 
Het Departement van Oorlog, te Parijs. 
Bibliothèque Impériale, te Parijs. 

Académie Impériale des Sciences, Belles Lettres et ArtS; te Lyon. 
Société Impériale d'Agriculture, d'Histoire Naturelle et d'Arts 
utiles, te Lyon, ^ 

Linnéenne, te Lyon. 

de Normandie, te Caen. 

Académie des Sciences, Arts et Belles Lettres, te Caen. 

Société des Antiquaires de Normandie, te Caen. 

Académie Impériale des Sciences, Inscriptions et Belles-Lettres, 

te Toulouse. 
Académie de Législation, te Toulouse, 



xxn 

Académie Impériale des Sciences, Belles-Lettres et Arts, te 
Bordeaux. 

des Sciences, Arts et Belles-Lettres, te Dijon. 

Société d'Agricultnre et d'Indnstrie Agricole de la Cote ^^or, 

te Dijon. 
Académie des Sciences, Belles-Lettres et Arts, te Rouaan. 

des Sciences et Lettres, te Montpellier. 

Lnpériale de Savoie, te Chambéry. 

—^ de Stanislas (Société des Sciences, Lettres et Arts) 

te Nancy. 

— d'Emnlation, te Kamerrijk. 

Société Impériale des Sciences, de FAgrictdture et des Arts, te Bijssel. 

Dunkerquoise pour Tencouragement des Sciences, des 

Lettres et des Arts, te Duinkerken. 

Académique de St. Quentin (Sciences, Arts, Belles- 
Lettres, Agriculture et Industrie , te St. Quentin. 

Imp. d' Agriculture, Sciences et Arts de Tarrondissement 

de Valenciennes, te Valenciennes. 

de THistoire et des Beaux-Arts de la Mandre Maritime, 

te Bergues. 

Agricole, Scientifique et Littéraire des Pyrénées Orien- 

tales, te Perpignan. 

des Sciences Naturelles, te Cherburg. 

Naturelles, te Straasburg. 

des Antiquaires de Picardie, te Amiens. 

de k Morinie, te St. Omer. 



des Sciences Physiques et Naturelles, te Bordeaux. 

botanique de Trance, te Parijs. 

ITALIË. 
Accademia Pontifica dei Nuovi Lincei, te Eome. 

deUe Scienze deU' Istituto di Bologiia, te Bologna. 

I. R. Istituto di Scienze, Lettere ed Arti, te Venetië. 
Istituto Lombardo di Scienze, Lettere ed Arti, te Milaan. 
Accademia Reale delle Scienze, te Turijn. 

Reale delle Scienze, te Napels 

Consiglio di perfezionamento annesso al R. Istituto tecnico, te 
Palermo. 



XXTIE 

SPANJE. 

La Keal Academia de Giencias, te Madrid 
Academia Especial de Ingenieros, te Madrid. 

PORTUGAL. 

Academia Beale das Sciencias, te Lissabon. 

GROOT-BRITTANNIE rn IERLAND. 

Royal Society, te Londen. 

Astronomical Society, te Londen. 

Medical and Chirurgical Society, te Londen. 

Qeographical Society, te Londen. 

Zoological Society, te Londen. 
Linnean Society, te Londen. 
Hydrographical office (Admiralty), te Londen 
East-Lidia Company, te Londen, 
Philological Society, te Londen. 
Anthropological Society, te Londen. 

fioyal Society, te Edinburg. 

Observatory, te Edinburg. 

Observatory, te Green wich. 

Irish Academy, te Dublin, 

Dublin Society, te Dublin. 

Catholic University of Ireland, te Dublin. 

Cambridge Philosophical Society, te Cambridge. 
Literary and Philosophical Society, te Manchester 
Philosophical Society, te Glasgow. 

Geological Society, te Dublin. 
Natural History Society, te Dublin. 
Public Library, te Melboume 
Meteorological Committee, te Calcutta. 

A H E R I G A. 

American Academy of Arts and Sciences te Boston and Cam- 
bridge, Massachusetts. 
Observatory of Harvard College, te Cambridge (Mass). 



XXIV 

State Library of New- York, te Albany. 

Academy of Natural Sciences, te Phüadelphia. 

American Philosophical Society, te Phüadelphia. 

Association for the advancement of Sciences- te Phi- 

ladelphia. 

Smithsonian Institution, te Washington. 

Department of Agriculture of the U. S. of America, te Wash- 
ington. 

American Jouraal of Sciences and Arts, te Newhaven. 

Michigan -State agricultural Society, te Détroit. 

Academy of Science, te St. Louis (Missouri). 

Elliot-Society of Natural History, te Charieston (ZuidCaro- 
lina*. 

Ohio-State Board of Agriculture, te Columbus. 

State University of lowa, te Des Moines. 

Chicago Academy of Sciences, te Chicago (Dl). 

Califomia Academy of natural Sciences, te San Prandsco. 

Sociëté de Naturalistes de la Nouvelle Qrenade, te Bogota. 

Sociedad de Ciencias fisicas y naturales de Car^cas, te Cardcas 
(Venezuela). 

Boston Society of Natural History, te Boston. 

National Academy of Sciences, te Washington. 

Surgeon Generales office Library, te Washington. 

OOSTENRIJK. 

ICaiserliche Akademie der Wissenschaften, te Weenen. 
K. K. Geologische Eeichsanstalt, te Weenen. 
K. K. Geographische Qesellschaft, te Weenen 
Zoologisch-Böhmische Gesellschaft te Weenen. 
Königlich-Böhmische Gesellschaft der Wissenschaften, te Praag. 
Académie des Sciences de Hongrie, te Pesth. 
Verein fiir Vaterlandische Naturkunde, te Presburg. 
Das Tirolische Perdinandeum, te Linsbrück. 
Société historique de Styrie, te Gratz. 
Naturwissenschaftlicher Verein fiir Steiermark, te Gratz. 
Naturforschender Verein, te Brünn. 



XXV 

PRÜISSEN. 

KönigKche Akademie der Wissenschaften, te Berlijn. 
Königliche Sternwarte, te Koningsbergen. 
Physikalisch-ökonomische Gesellschaft, te Koningsbergen. 
Naturforschende Gesellschaft f. Vaterlandische Kultur, te Breslau. 
Verein von Alterthumsfreunden im Rheinlande, te Bonn. 
Naturhistorischer Verein der Preussischen Eheinlande u. West- 

phalens, te Bonn. 
Naturforschende Gesellschaft, te Halle. 
Naturwissenschaflücher Verein für Sachsen und Thiiringen, te 

Halle. 
Oberlausitzische Gesellschaft der Wissenschaften, te Görlitz. 
Gesellschaft fiir nützliche Forschungen, te Trier. 
Die Philomathie te Neisse. 
Universiteit, te Greifswald. 

HANNOVER. 

Königliche Gesellschaft der Wissenschaften, te Göttingen. 
Gesammt- Verein des Deutschen Geschichts- und Alterthums- 

vereines, te Hannover. 
Naturforschende Gesellschaft, te Emden. 

SAXEN. 

K. K. Leopoldinisch Carolinische Deutsche Akademie der Na- 

turforscher, te Dresden. 
Königlich Sachsische Gesellschaft te Leipzig. 
Fürstlich Jablonowskische Gesellschaft, te Leipzig. 
Astronomische Gesellschaft, te Leipzig. 
Verein für Erdkunde, te Dresden. 

SAXEN-GOTHA. 

Geograpische Anstalt, te Gotha. 

WÜRTTEMBERG. 

Verein für Vaterlandische Naturkonde, te Stuttgart. 



XXVI 

BEU ER EN. 

Königliche Akadeinie der Wissenschaften, te Munchen. 

K. Hof und Staatsbibliothek, te Munchen. 

Physikalisch medicinische Gesellschaft, te Wnrzburg. 

Naturhistorischer Verein, te Angsburg. 

Zoologisch-mineralogischer Verein, te Eegensburg. 

Germanisches National-Museum, te Neurenberg. 

Pollichia, Naturwissenschaftlicher Verein der Eheinpfalz, te 

Durkheim. 
Historischer Verein f. Unterfrankenu.Aschafi'enburg,teWurzburg. 

HESSEN-CASSEL. 

Verein für Naturkunde, te Cassel. 

Gesellschaft zur Bef ordening der gesammten Naturwissenschaf- 

ten, te Marburg. 
Wetterauische Gesellschaft for die gesammten Naturwissenschaf- 

ten, te Hanau 

HESSEN- DAR MSTADT. 

Oberhessische Gesellschaft für Natur- und Heilkunde, te Giessen. 
Verein für IMaturkunde, te OfFenbach a^M. 

BADEN. 

Gesellschaft zur Beförderung der Naturwissenschaften, te Prei- 
burg (in Breisgau). 
Naturhistorisch medizinischer Verein, te Heidelberg. 

MECKLENBÜRG-STRELITZ. 

Verein der Ereunde der Naturwissenschaften in Mecklenburg, 
te Neubrandenburg. 

NASSAU. 

Verein für Naturkunde, te Wiesbaden. 

LUXEMBURG. 
Institut Luxembourgeois, te Luxemburg. 



xxvn 

Société des Sciences Naturelles du Gr. Daché de Luxembou^. 
te Luxemburg. 

FRANKFORT aan den HEIN. 

Senckenbergische Stiftung, te Frankfort a M. 
Zoologische GeseUschafk, te Frankfort aM. 

HAMBURG. 

Naturwissenschaftlicher Verein, te Hambu^. 

BREHEN. 

Natiirforschender Verein, te Bremen. 

ZWITSERLAND. 

Société de Physique et d'Histoire Naturelle, te Genève. 

Vaudoise des Sciences Naturelles, te Lausanne. 

Helvétique des Sciences Naturelles, te Bern. 

RUSLAND. 

Académie Impérale des Sciences, te St. Petersburg. 
Musée Impérial de TErmitage. te St. Petersburg. 
Observatoire Physique Central, te St. Petersburg. 
Ck)mmission Impériale Archéologique, te St. Petersburg. 
Société Géographique de Eussie, te St. Petersburg. 

Impériale des Naturalistes, te Moskou. 

Musée public, te Moskou. 

Observatorium, te Pulkowa. 

Societas Scientiarum Fennica, te Helsingfors. 

Académie des Sciences, te Dorpat. 

Naturforschende Gesellschaft, te Dorpat. 

Naturforschender Verein te Biga. 

DENEMARKEN. 

Kongelige Danske Videnskabemes Selskab, te Koppenhagen. 
Société Eoyale des Antiquaires du Nord, te Koppenhagen. 
Sternwarte, te Altona. 



xxvm 

ZWEDEN EN NOORWEGEN. 

Kongelige Frederiks Universitat, te Christiana. 

Norske Videnskabs-Selskab, te ürontheim. 

Vetenskabs-Akademie, te Stockhobn. 

Societas Scientarium, te Upsal. 

Bureau de la Eecherche Géologique de la Suède, te Stockholm. 
Universitas Carolina, te Lund. 



XXIX 
KONINKLUX BESLUIT omtrbot hbt vbblrbnen van 

VKIJDOM VAN BKIBFFOBT AAN DE KONINKLIJKE AKA- 
DBMIB VAN WETENSCHAPPEN TE AUSTBRDAU. 

Wij WILLEM m, bij de gratie Gods, Koning der Ne- 
derlanden^ Prins van Oranje- Nasaati^ Groot-Hertog van 
Luxemburg, enz^ enz.^ enz. 

Gezien Art. 33 der wet van 12 April 1850 {Staatsblad^ 
No. 15) mitsgaders Ons besluit van 5 Julij 1850 (Staatsblad^ 
N**. 38). 

Gelet op het rapport van Onzen Minister van Financiën, van 
den loden dezer, N^ 139 Post. 

Hebben goedgevonden en verstaan: 

Vrijstelling van briefport onder de gewone bepalingen van 
broisband en eigenhandig contreseing te verkenen; 

V^. voor de briefwisseling welke over dienstzaken gevoerd wordt 
tusschen de Leden der Kollegiën van Gedeputeerde Staten 
in elke provincie, en den Griffier van hetzelfde Kollegie; 

2°. voor de brieven en stukken betrekking hebbende tot den 

werkkring van de Koninklijke Akademie van Wetenschap^ 

pen te Amsterdam, welke over en weder verzonden worden 

tusschen het Bestuur van die Akademie ter eene, en de 

Leden van dezelve Akademie ter andere zijde. 

Onze Minister van Pinanciën is belast met de uitvoering de- 
zes, waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister 

van Binnenlandsche Zaken, tot informatie. 

Hei LoOf den Sisten AugustuSy 1856. 

(jjet.) WILLEM. 
De Minister van 

Financien* 
(get.) Vrolik. 

Voor kopij conform. 
De Secretaris* Generaal, 

(jget.) D. VAN HOYTBMA. 
TltlJDOM VAN BRIEFPOUT. 



XXX 

Ten opzigie van dit genot van vrijdom van hriefport, is het 
noodzakelijk^ den H^H. leden der Academie te doen opmerken y 
dat de onder kruisband en eigenhandig contreseing verzonde?t 
brieven aan het bureau van het Postkantoor behooren te worden, 
afgegeven. Zoo zij in de bus worden gestoken^ vervalt de 
vrijdom^ en worden de brieven getaxeerd. De vrijdom bepaalt 
zich uitsluitend tot de dienst der Akademie. 



YBIJDOM TAK BHIEFPORT. 



XXXI 



PROGEAMMA certaminis poetici ab academia regia 

DISGIPLINARUM NKDERLANDICA EX LEGATO HOEUFFTIANO 
INDICTI ANNO CIOIOCCCLXIX. 



De tribus carminibus Latinis certamini poetico oblatis ante 
Kjal. Januarias in conventu publico Ordinis literarii die VTII 
m. Martii habito ita iudicatum est: 

Garmen^ quod inscribitur Varii iuvenum mores versatur in 
huinili descriptione quatuor iavenum et magis abundat vitiis, 
quam commendatur virtute poëtica. 

Alterum, Epicedion L. M. V. quo Firum Cl. TA. T. ceu 
cultorem fautoremque Musarum e thermis redncem casu dein 

tubito e vivis suhlatum luget in argomento et in verbis 

sententiisque adeo turget et obscnrum est, vix ut intelligi possit. 

Tertii canninis poeta £ragmentum misit longioris carminis de 
Mexicana expeditione. In sexaginta versibus depingitur regina, 
ut vocatiir, frustra opem implorans Galliae et Sancti Patris, re- 
gis Maximiliani supplicium, coniugis in castello Miramar demen- 
tia. Insunt boni versus, sed longe superantur numero versuum 
languidorum et durorum; et omnino carminis tenuitas non re- 
spondet argumenti granditati. 

Itaque indices censuerunt praemium nuUi tribui posse. 

Nunc denuo rogantur omnes, qui de praemio certare velint, 
ut carmina Latina nitide scripta suis sumptibus ante Kal. la- 
nuarias anni MDCCCLXX perferenda curent ad virum Cl. I. 
C. G. Boot, Ordini literario ab actis, lemmate instracta, addita 
schedula obsignata^ quae eodem lemmate inscripta intus nomen 
et sedem poetae declaret. 

Numus aureus CXX florenorum ei decemetur, cuius carmen 
versibus L vel pluribiis constans, quod nee ex alio sermone 



xxxn 

translatum nee argumenti privati nee iam editum sit, supra 
mediocritatem assurgere iudicabitur. 

Indices tres e sociis Academiae lecti sententiam de carminibus 
missis ferent in consessu Ordinis mense Martio proximi anni. 

Carmina praemio vel lande omata edentar sumptibus e legato 
HoKüFFTii erogandis. Schedulae ceteris additae non apertae 
combnrentnr. 

g. W. OPZOOMEE, 
Academiae Praeaes. 
Amatelodami^ d. XII m. Aprilis, 

A. MDCCCLXIX, 



PROCES-YERBAAL 



tAK PB 



VEBEENIGDE VERGADERING DER BEIDE AFDEELINGEN 



DIB 



KONINKLIJKE AKADEHIE VAN WETENSCHAPPEN. 



C 

Jaabboik 1869 



INLEIDING. 



Tot de Vereenigde Vergadering van de beide Afdeelingen 
der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, gevestigd te 
Amsterdam, waren de leden met den volgenden brief opgeroe- 
pen: 



Amsterdam, den l?^®» April 1869. 



Ik Leb de eer U te noodigen, op Saturdag den 24**®° dezer, 
des morgens te elf uren, tot eene Vereenigde Vergadering van 
de beide Afdeelingen der Academie, voorgeschreven bij Art. 12 
van het Organiek Reglement. 

C. J. MATTHES, 

Algeineene Secretaris. 

ONDERWERPEN TER BEHANDELING. 

1". Ontwerp-verslag van den staat en de werkzaamheden der 
Academie. 



XXXVI 

2<*. Rekening en Verantwoording van den Algemeenen Se- 
cretaris over het jaar 1868 — 1869, en Rapport van de 
Heeren J. T. Buijs, J. A. Puüin, C. H. D. Buijs 
Ballot en C. A. J. A. Oüdemans, door de twee Af- 
deelingen der Academie in commissie benoemd tot het 
nazien daarvan. 

S**. Raming van ontvangsten en uitgaven over 1869 — 1870. 

4". Verslag aangaande Boekerij en Munt- en Penningkabinet, 

5^. Keuze van, een Algemeenen Secretaris, 

6'. Mededeeling omtrent en uit het Verslag van de Com- 
missie: Voor het opsporen, het behoud en het bekend 
maken van overblijfsels van vaderlahdsche kunst uit 
vroegere tijden. 

7°. Verwisseling van den voorrang der Afdeelingen. 



PROCES-VERBAAL 



VAM UK 



YEREENIGDE VERGADERING DER BEIDE AFDEELINGEN 



Olft 



KONINKLIJKE AKADEMIB VAN WETENSCHAPPEN', 

GEHOUDEN DEM 26'^<^ APRIL 1869, DES MOBGENS 

TE ELF UBEN. 



Al gemeelde Foorzitler, • a w. opzoomer. 
aigemee?ie Secretaris. . c. J. matii;j9,bs. 



Tegenwoordig de Heeren : f. c. donders, m. db vries^ v. s. 

U. VAN der WirXIGEN^ E. H. VON BAUMHAUER, A* H. VAN DER 
BOON MESCH, C. LEEMANS, W. MOLL, L. COHBN STUART, J* C. G. 
BOOT, N. W. P. RAUWENHOPF, J. W. L. VAN OORDT, J. DIRKS, A. 
HEIJNSIUS, T. J. STIELTJES, G. E. YOORHELM SCHEEVOOGT, D. 
BIBRBNS DE HAAK, L. J. P. JANSSEN, J. VAN GEUNS, F. J. STAMKAllT, 
J. A. FRUIN, J. T. BUIJS, G. KEES AZ., B. F. H. P. L. A. BONEVAL 



XXXVIII 

FAURE^ S. VISSEBTN6, 6. DE VRIES AZ., H. V0GEL8AN6, J. A. BOO- 
GAARD, G. VAN DIESfiN, F. BLEEKEU^ C. A. J. A. 0UDBMA1TS, W. 
F. R. SURINGAB^ O. F. W. BAEHR, W. KOSTER^ C. U. D. BUIJS 
BALLOT, W. C. MEES en J. F. SIX. 

De H.H. A. W. M. van Hasselt, L. A. J. W. Sloet, 
G. H. M. Delpbat, W. N. Rosé en Th. Borrbt heb- 
ben om verschillende redenen hun afzijn verontschuldigd. 

De Vergadering wordt door den Voorzitter geopend. 

L 

De Algemeene Secretaris draagt vervolgens het door 
hem ontworpen Verslag van den staat en de werkzaam- 
heden der Academie voor, van dezen inhoud: 

SIRE! 

De Koninklijke Akademie van Wetenschappen heeft wederom 
de eer, Uwer Majesteit het jaarlijksche Verslag aan te bieden 
van de werkzaamheden door haar in den afgeloopen tijdkring 
volbragt, waaruit moge bhjken, hoe de Leden zich blijven be- 
ijveren, om haren rang als geleerd ligchaam waardiglijk te hand- 
haven onder haars geHjken. 

Van opdragteA waarmede Uwer Majesteits Regering de Aca- 
demie vereerde, hebben wij in de eerste plaats te vermelden die 
betreflende het ijkwezen in Neêrlandsch Oost-Indië. De liter- 
maten, waaivan de eindelijke justeering noodzakelijk wachten 
moest op de gelegenheid, dat zij bij meest uiteenloopende tem- 
peraturen konden worden getoetst, werden nu ook ter opzen- 
ding afgeleverd. De Academie zal niet in gebreke blijven, van 
het geheel der bij haar te dier zake verrigte metingen en we- 
gingen uitvoerige mededeeling te doen. Hare Commissie voor 
Standaardmeter en Kilogram konde haar daartoe nog niet in 
staat stellen, als nog te zeer bezig met de verificatie van den 



XXXIX 

?oor de triangnktie van Java bestemden basis-meettoestel van 
Bepsold en Zonen, insgelijks van Hooger hand verlangd. 

Nog werd de raad der Academie ingeroepen met opzigt tot 
een aan "s Lands Gouvernement gedaan aanbod van eene ver- 
zameling fossilen van den Bosporus, door De. Abdullah Bey 
Colonel der Turksche Garde te Constantinopel, waaromtrent zij 
meende gunstig te mogen adviseeren. 

De Commissie tot beteugeling van den Paalworm bragt haar 

7** of laatste Verslag uit (zie Verslagen en Mededeelingen, N. 

Beeks. Dl. UI. bl. 207) en legde haar mandaat neder, tot 

slotsom harer ijverige bemoeijingen verkregen hebbende, dat er 

slechts één afdoend middel is om de gevreesde vernieling te 

keeren: een behoorlijk drenken van het hout met creosootolie. 

£ene andere soort van vernielers, met geen creosootolie te 

bestrijden, die, wat zelfs de tand des tijds sints eeuwen spaarde, 

ie oude Hunebedden in Drenthe, zich niet ontziet te sloepen, 

zouder eerbied voor onze geschiedenis, trok de aandacht van de 

Afdeeling Letterkunde tot zich, op wier voorstel de Academie 

U Uwer Majesteits Minister van Binnenlandsche Zaken het 

dringend verzoek rigtte, om voor het behoud dier merkwaardige 

gedenkteekenen te willen waken. 

Wat er overigens ouds en voortreffelijks van Vaderlandsche 
kunst tegen onkunde en vandaUsmus bescherming noodig heeft, 
vindt die bij voortduring in den boezem der Commissie, welke 
die taak met onverdoofden \jver ter harte neemt. 

Het tiende of laatste stuk van het Vervolg op G. van 
LooN^s Nederlandsche HiatorUpenningen is, dank hebbe de 
Commissie aan wie daarover de zorg was opgedragen, wat text 
en platen betreft, a%edrukt. De beide registers zijn zoo ver 
nog niet gereed: daar zij over de stukken VI — X loopen en 
niet afgesloten konden worden vóór dat het tiende stuk de pers 
had verlaten, heeft dit eenige vertraging veroorzaakt. Ook de 
XIX bladzijden fijn gedrukte Bijhladen achter dit stuk hebben 
daartoe iets bijgebragt. De zorg voor de registers is toever- 
trouwd aan den Heer M. Boest: dezen zomer zullen zij ver- 
schijnen. Dit laatste stuk, loopende over de jaren 1788 — 1806, 
bevat (behalve de beide registers) den texi^ bl. 377 — 586, Bij- 



XL 

bladen (Aantt , Bijvv. en Verbett. op VI — X) XX bladzijden 
en de platen LXXIII— LXXXVII. 

De CharterCommissie heeft in het verstreken jaar het licht 
doen zien: het Derde stuk van het Ooriondenboek van Holland 
en Zeeland, bevattende de Charters van 1E47 tot 1256, waar- 
mede het P'® Deel compleet is; voorts eene lijst der Boergoen-- 
9che Charters van 1428 tot 1482, als voorlooper van het derde 
gedeelte; terwijl de druk van het tweede Deel is aangevangen, 
loopende over de regering van Moris V en Jan I. 

De bijdragen door de Leden der Afdeding Letterkunde gele- 
verd, waren minder talrijk dan ten vorigen jare, maar namen, 
door grooteren omvang, den tijd voor de Vergaderingen be- 
stemd geheel in. 

De Heer G. Mees Az. droeg in drie zittingen eene GescAie- 
denis voor van het Rotterdamsche Oproer in 1690. Deze uit- 
voerige Verhandeling heeft eene plaats gevonden in de werken 
in 4". 

De Heer Veth leverde twee bijdragen tot de kennis der Mo- 
hammedaansche geestelijkheid op Java^ en de Heer MoLii deelde 
belangrijke berigten mede over den Staat van het Kerkgezang 
in Nederland vóór en tijdens de opkomst en bloei van de Ne» 
derlandsche Muzijkschool. (Versl. en Med. Dl. XII. bl. 105). 
In de twee laatste vergaderingen bragt de Heer W. C. Mees 
een staathuishoudkundig vraagstuk ter sprake. Hij handelde 
Over den muntstandaard in verband met de pogingen ter invoe- 
ring van eenheid van munt. Zijne bijdrage zal in het Tweede 
Stuk der Verslagen en Mededeelingen DL XIT worden opgenomen. 
In het vak der Taalkunde werden bijdragen geleverd door de 
Heeren Brill en M. de Vries. De eerste deelde zijne ge- 
dachten mede Over de oorspronkelijke gedaante der taal; de 
andere 'handelde Over afleiding en beteekenis van het woord 
RUWAARD. Deze bijdrage is afgedrukt en zal in het Tweede 
Stuk der Verslagen en Mededeelingen Dl. XII verschijnen. 

Eindehjk moeten nog twee archaeologische bijdragen vermeld 
worden : de eene van den Heer Janssen Over een Romeinsehen 
tegel met cursief schrift^ de andere van den Heer Lintelo de 



XLl 

Oesb Over resten van oude Kunst hij den Dom te Utrecht ge- 
vonden. 

De Heer Boot schreef eene Latijnsche Verhandeling ien be- 
iooge von de onechtheid der Satire van Snlpieia. Zij is gedrukt 
en maakt met het stuk van den Heer Chabas, les paêteurs en 
Sgfpte^ en met boyengenoemden arbeid van den Heer G. Mexs 
Az., den inhoud uit van Deel IV der Verhandelingen in 4***. 

Wat betreft de werkzaamheden van de Leden der Afdeeling 
voor Wis- en Natuurkunde, zoo bood in het vak van zuivere 
en toegepaste Wiskunde, de Heer Biebsns de Haan eene ver- 
handeling aan Over nieuwe herleidingsformulen, en deed eene 
mededeeUng Over bijzondere integralen; terwijl de Heer Stam- 
KABT een uitvoerig rapport uitbragt van de eerste meting eener 
basis in de Haarlemmermeer, door hem zelven volbragt onder 
medewerking van den Heer Ingenieur A. N. J. van Hees, 
met den voor de Oost-Indiën bestemden toestel van Bepsold 
EN ZONEN, en de Heer Babhb sprak Over de beweging in eene 
middenatof wier tegenstand evenredig is aan de derde magt der 
snelheid. 

De Sterrekunde vond een vertegenwoordiger in den Heer 
J. A. C. OuBEMANS te Batavia, die verslag deed van de waar- 
neming der totale zoneclips van 18 Augustus II, op vier plaat- 
sen van den Oost-Indischen Archipel, als te Mantawaloe-Këké, 
te Gorontalo, ter reede Amboina en aan kaap Baram. 

Op physisch gebied hew(^n zich de Heeren Dondebs, Hoek, 
VAN DEB Willigen en J. Bosscha Jb. De eerste deelde eene 
nieuwe methode mede voor het onderzoek van inductie^vonhen ; 
de Heer Hoek bood een opstel aan in de Eransche taal geti- 
teld: Bélermination de la vitesse avec laquelle est entrainé un 
rayon lumineuxy traversant un milieu efi mouvement. De Heer 
VAN DEB Willigen sprak Over de refractie en dispersie van 
Flint' en CrownglaSy alsmede van Quartz en IJslandsci Spath. 
De Heer Bosscha eindelijk handelde Over het dynamisch aequi- 
valent der scheikundige werking en, bij eene andere gelegenheid, 
Over de schijnbare uitzetting van kwik in glas en den gang 
von den kwikthermometer tusschen O® en 100^ volgens de waar- 
nemingen van ons buitenlandsch medelid den Heer Begnault. 



XLH 

Van Chemischen aard waren de bijdragen der Heeren van 
Kerckhoff, van der Boon Mesch en von Baumhauek. 

Eerstgemelde handelde Over eene meiAode van titreeren van 
Kina-alcaloïden, De Heer van dek Buon Mesch sprak: Over 
inffewandêsteenen bij het paard en later Over den roof bouw j de 
Heer ton Baumhausb : Over aieenolie bronnen in onze Ooat^ln- 
diAche bezittingen. 

Voor de Meteorologie en Hydrographie trad de Heer Buijs 
Ballot op. Zijne mededeelingen liepen Over photographische 
registreertoeêtellen voor magnetische waarnemingen; over uit- 
komsten van onderzoek omtrent de waterstanden op de Vader- 
landsche rivieren vóór en na 1 Januarij 1856 ; over het ver- 
band tusschen windrigting en andere meteorologische verschijnselen 
in de verschillende maanden van het jaar. 

In het vak der Mineralogie leverde de Heer Vogelsang 
eene bijdrage Over vloeistoffen in mineralen en gesteenten. 

Van Botanischen aard waren de bijdragen van den Heer 
MiQUEii tot de hennis der Cycadeën 4** en 5*® Ged. {FersL en 
Med. N. Beeks Dl. III^ bl. 152 en 196 en tot de kennis der 
Flora van Japan; voorts die van den Heer Subixgar Over 
eene nieuwe soort van Argostemma en over plantaardige man' 
strositeiten. 

Het veld der Zoölogie vond vele arbeiders. De Heer van 
Hasselt deed eene mededeeling over het werkelijk bestaande 
vergiftige vermogen der beruchte spi% de Lycosa Tarantula. De 
Heer Bosquet zond in: eene Noiice sur deux espèces nouvelles 
du genre Afathildia (de O. Semper)^ gedrukt in de FersL en 
Med. N. Beeks. DL III bl. 261). De Heer Schlegel leverde 
nieuwe bijdragen tot de geschiedenis der JDodos en andere uitge- 
storven vogels van het eiland Mauritius. De Heer HsRKiiOTS 
sprak over eene parasitische Cgmothoa^ het eerste schaaldier, waar- 
van men ontdekt heeft dat het niet op, maar in het ligchaam 
van zijn gastheer^ een Javaansch vischje^ zich ophoudt^ en het 
tweede hetwelk in zoet water werd gevonden. De Heer P. 
Harting eindelijk handelde over de grondslagen van classificatie 
der wormen en, bij eene andere gelegenheid, over een constant 
waargenomen verschil in ontwikkeling der beenderen van den 



XLm 

regier- en linierartfi^ waaromtrent hij later nog nadere berigten 
mzond. 

De OfUleedkunde werd vertegenwoordigd door den Heer Kos- 
TM, die een onderzoek aanbood voor de VenL en Med. (zie N. 
Beeks Dl. ITI. bl. 141), omtrent de varminff van eijeren in lei 
ovarium der zoogdieren, na de geboorte^ en de verhouding van 
het ovarium tot het buikvlies. 

Jn het vak der Phpiologie eindelijk leverden de Heeren 
Hei/nsius en Dondees bijdragen. De eerste sprak over de 
eiwitachtige etoffen in het Hoed en^ bij eene andere gelegenheid, 
over de ph^aiologie van het bloed in 7 algemeen. De Heer 
DoNDDBs handelde over het effect van één inductieelag op de 
nervi vagi. Later deed hij nog verslag van onderzoekingen van 
den Heer Ablt in het physiologisch Laboratorium te Utrecht, 
behelzende tijdsbepalingen met opzigt tot de bewegingen van den 
oogappel. 

Tot het eigen gebied behooren een viertal mededeelingen van 
4cn Heer Dr. Th. W. Engelmann, door geen titel aan de Aca- 
demie verbonden^ over de electrische prikkeling der trilbewegingen 
eu der electromotorische werking van het trilhaar-epif helium ; voorts 
uitkomsten van onderzoek door hem zelven en den Heer Med. 
Cand. BouviN ondernomen, over den bouw en de beweging der 
uretheren; eindelijk over periodieke gasontwikkeling in het pro^ 
tcplasma van levende Arcellae^ alsmede over electrische prikkeling 
van Arcellae en Amoebae. 



Ter mededinging naar het eermetaal uit het Legaat Hoeufft 
werden drie Latijnsche gedichten ingezonden. Volgens het Ver- 
slag der Beoordeelaars waren zij verre beneden het middelmatige, 
en kon geen hunner voor bekrooning in aanmerking komen. 



Ziedaar, Sire! de beknopte zamen vatting van de verrigtingen 
der Academie gedurende het laatst verloopen jaar, waaraan wij 
alleen nog hebben toe te voegen, dat, behalve het Jaarboek 



XLIV 

over 1868, van de lictterkundige Afdeding in druk verschenen 
het IV*® Deel der Verhandelingen in 4*° benevens het !■*• stuk 
van het XIP® Deel der Verslagen en Mededeelingen ; van de 
Verslagen en Mededeelingen der Natuurkundige Afdeeling zagen 
het !■** en 2*® stuk van het IIl*« Deel der Nieuwe Aeeks 
het licht. 

Zware verliezen leed de Academie, door den dood van zes 
uitstekende mannen, de Heeren L. A. te Winkel, O. y^s Rees, 
J. VAN Lennbp, H. C. Milhbs en G. Simons, gewone lieden, 
en van den Heer J. W. Ermerins, Rustend Lid. Aan de vier 
eerstgenoemden werd bereids in het Jaarboek door de Heeren 
Brill, Vissering, Beets en Boot eene welverdiende hulde 
gebragt. 

Onder de Bustendeu namen plaats de Heeren «T. Badon Ghij- 
BEN, G. J. Mulder en D. J. Storm Buijsing. 

Te meer mogen wij ons verheugen in de bekrachtiging door 
Uwe Majesteit van de door ons geschiede keuzen tot gewone 
Leden van de Heeren R. ï. H. P. L. A. Bonbval Eaure 
te Leiden^ T. J. Stieltjes, Herm. Vogels ang, beiden te Delft, 
en J. A. Herklots te Leiden, en tot Correspondenten, van de 
Heeren H. Neubronner van der Tüuk op Java en JV.. B. 
CoHEN Stüart te Batavia. 

Uwe Majesteit veroorloove ons, zulks voor een hernieuwd blijk 
te houden van welgevallen aan onze Instelling, en daarop ons 
vertrouwen te vestigen dat ook dit ons Verslag in gunste moge 
worden opgenomen. 



Amsterdaniy 24 April 1869. 



Namens de Kon, Akademie van 
fVetenschappen, 

De Algemeene Secretaris, 

C. J. MATTHES. 



XLV 



f 



Het voorgelezen ontwerp wordt door de Vergadering 
goedgekeurd en overgenomen. Het verslag zal Z. M. 
den Koning en, in a&chrift, den Minister van Binnen- 
landsche Zaken aangeboden worden. 



n. 



De Algemeene Secretaris legt alsnu, zich gedragende 
naar Art. 12 van het organiek Reglement, de Rekening 
en Verantwoording over van zijn geldelijk beheer, loo- 
pende van 1** April 1868 tot uit* Maart 1869. 

fiEKENING en VEEINTWOORDING van het door den Al- 
geuieenen Secretaris der Koninklijke Akademie van Weten- 
schappen van primo April 1868 tot ultimo Maart 1869 
gehouden beheer, volgens art* 12, van het Organiek Reglement 
en § 30 en § 27 van het Reglement van Orde, goed te 
keuren in de Algemeene Vergadering der maand April 1869. 

Ontvangstkn. 



Saldo op nieuwe Kekening ƒ 1491.98' 

Subsidie vier quartalen, elk a ƒ 3500.— . ƒ 14000.— // 

Af zegel en leges, # 1.44 

// 18998.56 

Bestitutie van C. 6. van der Post wegens 100 
overdrukken der platen behoorende bij de Verhan- 
deling van den Heer Chabas // 9.— 

Extra-subsidie Paalworm ƒ 200. — 

Af leges. » .69 

199.81 

Van C. G. van der Post volgens Bekening-Courant. . » 108.68 



Totaal ƒ 15807.58» 



XLVI 

UlTGAVBN. 

1. Beis- en Verblijfkosten aan H.H. Leden 
buiten Amsterdam woonachtig. 

Letterkundige Afdeeling ƒ 1647. — 

Natuurkundige // // 1400. — 

ƒ 8047.- 

2. Jaarwedden. 

Jaarwedde, Algemeene Secretaris. . . ƒ 1000. — 

# Secretaris Letterk. Afdeeling, ii 500. — 

# Klerk. u 1000.— 

// Custos // 800, — 

# 8800.— 

3. Onkosten der Oommissie voor 
den Faal worm. 

Bekening van den Heer yon Baumhauer, 

reiskosten ƒ 70.85 

f » Greeve, reiskosten. . . . # 10.50 

u II Kok, onkosten // 16.50 

» it » gratificatiën . . . . // 75. — 

// 172.85 

4. Onkosten der Oommissie voor de daling 
van den bodem in Nederland. 

Bekening van Leijer en Uurbanus voor het berekenen 
van Tabellen # 90. — 

6. Onkosten der Oommissie voor de vervolgen 
op van Loon's Fenningwerk. 

Bekening van den Heer Dirks. .... ƒ 10.08 

// tf M M „ 33.72 

ƒ 43.80 



Transporteere ƒ 6653.66 



XLvn 

per transport / 6668* 5 

6. Onkosten der CommiBsie tot het opsporen, 

liet behoud en het bekend maken van Overblijfisels der 

Vaderlandflohe Kunst uit vroegere tijden. 

Eekening van den Heer Leemans. • • • / 122.12 
tt II Evers, Timmerman. • . . # 10.64 

// 182.76 



7. Onkosten voor de Commissie van het 

Charterboek. 

Kekening van F. Muller ƒ 210.— 

Af verkoop van 12 Exempl. a ƒ 4.60 . . h 64.— 

y 166.— 

8. Onkosten der Oommissie voor Standaard-meter 

en Kilogram. 

tekening van den Heer Stamkart . . . / 108.— 
u » Schokking, Instrumentmaker, u 24.40 

if » Kemekamp, lakens. . . . // 5.70 

w II Greeve, vergg., vrachten, etc. . 'k 25.88* 

,/ 168.98^ 

9. Onkosten van Vergaderingen. 

uitgaven op een Notitieboekje maandelijks met den Custos 

verrekend i . • ƒ 266.90 



10. Kleine Drukloonen. 

Rekening van de Roever Kröber . . . . ƒ 127.— 
'f » ' » 1/ . , . . II 69. — 

' "ff ' H . . . . H 71.— 

' Schot // 38.85 



300.85 



Transporteere ƒ 7674.14* 



XLVIIl 



Per transport ƒ 7674.14 



11. Bureau. 

Bekening van Weeterman | Kantoorbehoeften, f *•«" 
# » Schot ) // 65.75 

// ^ Elion // 21, — 

Uitgaven op een Notitieboekje, maandelijks met 

den Custos verrekend #42.64 

n 123.99 

12. Expeditie, Frankeeren en Vrachten. 

Rekening van v. d. Woude en Luber, Car- 
gadoors. f 81.95 

// 1/ Thorin, te Parijs , , . , » 6.95 

// // Van Gend & Loos. . . . // 12.78 

// tf Schot, Lithograaph .... ^/ 69. — 

// if Evers, Timmerman. . . . u 39.66 
Uitgaven op een Notitieboekje maandelijks 

met den Castos verrekend // 234.17^ 

ƒ 444.61* 
Af restitutie vracht Nat. Ver. in Ned. Indië. » 1Ö.4Ü 

ƒ 434.11* 

13. Huishoudelijke Uitgaven. 



Rekening van Pies en Berger, turf en hout 



// u Verdonck, Steenkolen . 

// // Osterhaus, Smid. . . 

// if Snater, Schilder. . . 

K u ïonino, Schoorsteenveger. 

„ » van der Vliet, duinwater. 

// II Eigenhuis, Tuinman. . 

// // Personeele belasting. . 

Uitgaven op een Notitieboekje, maandelijks 

met den Custos verrekend jy 398.96 

724.53« 



ƒ 158.80 



// 83.60 

// 87.55 

// 18.10 

12.— 

H 18 — 
u 7.— 

// 60.63« 



Transporteere ƒ 8956.78 « 



XLIX 

Per Transport, f 8966.78* 
14. Mobilair. 

Rekening van van Wessem, behanger. . . ƒ 60.10 
tt II Evers, Timmerman , , , , n 22.08 

// // Eichhorn, (Portretten) , , . ii 80. — 

/ 112.18 

15. Uitgave van Werken. 

Verhandelingen . 

Rekening van de Roever Kröber, 

Lelt. AfJ. . . . /• 186.90 

// n de Roever Kröber, 

Lett. Afd. , , , if 91.50 

ff » HooibersT, Lithogr. 

Lett. Afd. . . . // 69.— 

,/ // van der Post, in- . 

naaijen, enz. . . // 25. — 

// // de Bruijn, teeke- 

naar, Lett. Afd. . u 10.— 

f 382.40 

Verslagen en Meded^elingen. 

Rekening van de Roever Kröber, 

Lett. Afd. ... ƒ 209.25 
// // Hooiberg.Lett.Afd. // 48. — 

V ff van der Post, in- 

naaijen, Afd. Lett. * 23. — 
// H de Roever Kröber, 

Nat. Afd. . . . // 288.30 
ff de Roever Kröber, 

Nat. Afd. ... /Jf 345.75 
// // van der Post, Nat. 

Afd ff 43.70 

u ff van der Post, Nat. 

Afd // S7.76 



Transpovi eere ƒ 995.75 



Transporteere f 9068. ^fi-» 
Jaabboek 1860. 



// 



Per Transport f 9068.96* 
Per transport f 995.75 
Bekening van Emrik en Binger, 

Lith. Nat. Afd. . // 121.60 
» it Emrik en Binger, 

Lith. Nat. Afd. . // 70.— 
// Smrik en Bioger, 

Lith, Nat. Afd. . // 86.50 
// MiechieUen, Nat. 

Afd // 42.50 

// Wendel, Lith. Nat. 

Afd // 25.— 

// van de Weijer,Lith. 

Nat. Afd. . . . // 50.— 
// de Roever Kröber, 

Jaarboek. . . . // 497.75 
// van der Post, Jaarb. // 13. — 
// // H u // n 87.— 
Assurantie boekwerken bij van der 
Post // 



// 



u 

u 



5.75 



f 1944.85 



n 2327.25 



16. Bibliotheek en Catalogus. 



Aangekoch te Boekwerken . 



:ening van 


van der Post. . 


u 


82.05 


// // 


// // // . . 


. // 


29.20 


// 1/ 


F. Muller . . 


. // 


81.30 


ff u 


J. Muller . . 


. // 


18.80 


tt u 


Caarelsen. . . 


. // 


74.50 


It V 


Noordendorp . 


» 


15.25 


u u 


van Bakken es . 


9 


20.50 


It 


Schmidt . . . 


V 


62.88 


ff n 


Quaritch. . . 


» 


60.20 



f 489.18 



Catalogus^ Inbinden^ enz. 

Rekening van F. Muller. . . . # 130. — 
// Eichhorn. . . . /y 149.85 



Transporteere f 279.85 



Transporteere ƒ11896.216 



LI 



Per Transport f 11896 21» 
Per transport ƒ 279.85 



Rekening van Eichliorn 

m M 

»r Schot. . 

// // Evers. . 

Assurantie der boekerij 



' 124.76 

if 141.05 

// 86.80 

B 2.50 

// .85 

// ^7.50 



ƒ 673.90 



ƒ 1118.08 



17. Diverse Uitgaven. 

Rekening van Langeveld, vigilmte. ... ƒ 
Nota van den Heer Aiatthes, j C'omm. . . // 

«r y u II Hoek, ) Zon-eclips. // 
Nieuwjaars* en kermisgift aan de dienstbode 

van den Custos ....,....// 



3.75 

4.60 

22.90 

10.— 



ƒ 



41.25 
Saldo op nieuwe reVeninur. // 3256.99 

Totaal ƒ i 5807.63* 



REKENING en VERANTWOORDING van het, door den Al- 
gemeenen Secretaris der Koninklijke Akademie van Weten- 
schappen, over het jaar 1868. 69 gehouden beheer van het 

LEGAAT VAN HOEUEFT. 

Ontvangsten. 

Saldo van het jaar 1867/68 ƒ 438 68* 

e/m. Interest van ƒ 35000.— 2-J- pCt. W. S. . / 487.50 

Af 1 pCt. provisie / 4.37* 

Srildobillet . . . // .05 

ff 4.42* 

// 483.07* 

G/m. Interest van ƒ 35000.— 2| pCt. W. S. . / 437.50 

Af 1 pCt, provisie ƒ 4.37* 
Saldobillet . . . // .05 

Visa // .80 

— ƒ 4.72» 

432.77* 

Totaal ƒ 1304.4S» 
D* 



Lil 
Uitgaven. 

Rekening van Greeve voor frankeeren van Programma's. / 6.10 
Aankoop van / 2000.— 2J pCt. Inschryving W.S. 

a 67tV pCt. zegge. . ƒ 1148.75 
Interest 20 dagen . . /, 2.78 
-J pCt. provisie . . . // 2.50 

n 1149.03 

Rekening van de Roever Kröber // 49.50 

n II van der Post // 12.50 

Saldo op nieuwe rekening, n 87-85» 

Totaal f 1304.48S 

De Algeineene Secretaris leest daarop de navolgende 
Memorie van Toelichting voor: 

Memorie van Toelichting hij de Rekening van den 

Algemeenen Secretaris, 

Uit de Rekening der Academie over het jaar 1868/69, die 
ik de eer heb over te leggen, zal men zien, dat er nog voor 
twee jaren, het voorgaande en dat waarover de Rekening loopt, 
extra-subsidie ten behoeve der Paal worm- Commissie verstrekt is 
geworden, tot definitive vereffening van onkosten door den thans 
geeindigdeu arbeid dier Commissie vereischt. Overigens heeft 
geen enkele post de raming overschreden, behalve die der kleine 
drukloonen. Uit de bescheiden bUjkt, dat de Commissie voor 
de Vaderlandsche Kunst het saldo van ƒ 321.0*3, dat zij van 
het vorige jaar nog in kas had, behoorlijk heeft verantwoord, en 
over de haar voor dit jaar toegestane som van/* 500 — slechts 
tot een bedrag van ƒ 122.12 beschikt heeft, zoodat, na aftrek 
van eene timmermansrekening, daarop overgehouden is/* 367.24. 
Voor de voltooijing van het Vervolg oj) van Loon*s Penningwerh 
was uitgetrokken eene som wan f 600. — , waarop slechts /48.80 
werden uitbetaald, daar het laatste stuk nog niet heeft kunnen 
verschijnen. Een en ander heeft er toe bijgedragen, dat de 
Rekening ditmaal met een aanzienlijk batig saldo sluit, dat in- 
tusschen .grootendeels daaraan moet worden geweten, dat de 



i 



Lin 

aanbieding van Verhandelingen voor de werken in 4°, tijdelijk 
gestaakt als zuinigheids maatregel die gebiedend door den drang 
der omstandigheden gevorderd werd, haren gewonen gang van vroe- 
ger van lieverlede eerst begint te hernemen. De uitgaven door 
de Commissie voor Standaard-meter en Kilogram zijn altemaal 
verschotten, die eerlang door 's Lands Regering zullen worden 
gerembourseerd, zoo'dra dezerzijds aanvrage daartoe geschiedt. 

Wat het beheer van het fonds Hoeuftt aangaat, daaromtrent 
valt enkel aan te merken, dat geen bekrooning geschied is en 
wederom / 2000. — nominaal Ji' pCt. Inschrijving op het 
grootboek onzer Nationale Werkelijke Schuld zijn aangekocht 
geworden. 

G. J. MATÏUES. 

De Voorzitter verleent het woord aan de Commissie 
door de beide Afdeelingen der Academie, overeenkomstig 
§ 37 der Algemeene Bepalingen, benoemd tot het nazien 
van vorenstaande Rekeningen met de daarbij behoorende 
bescheiden. Haar rapport luidt als volgt: 

De ondergeteekenden, belast met het onderzoek van de Be- 
kening en Verantwoording van de gelden en fondsen der Aka- 
demie over het afgeloopen jaar, hebben de eer U te berichten, 
dat de Eekening en Verantwoording hun is voorgekomen ge- 
heel naauwkeurig en juist te zijn opgemaakt. Zij achten zich 
daarom onbezwaard U voor te stellen de Rekening, sluitende 
niet een voordeelig saldo van / 325(5.99, goed te keuren en 
den Algemeenen Secretaris voor het door hem gevoerd beheer 
dank te zeggen. 



Leiden, 19 April 1S69. 



De Commissie voornoemd, 

J. T. BUIJS, 

J. A, FRUIN, 

C. H. D. BUIJS BALLOT, 

C. A. J. A. OUDEMANS. 



LIV 

De Vergadering magtigt den Voorzitrer, om in over- 
eenstemming met de conclusie van het voorgelezen Rap- 
port de beide Rekeningen ten blijke van goedkeuring 
te onderteekenen. Een afschrift daarvan, gelijk mede van 
de Memorie van Toelichting, zal aan den Minister van 
Binnenlandsche Zaken worden medegedeeld. 

m. 

Daarna komt in overweging een ontwerp van Begroo- 
ting van Inkomsten en Uitgaven, gaande van P April 
1869 tot 1° April 1870, hetwelk in dezer voege wordt 
vastgesteld : 

Begrooiing van Inkomsten en Uitgaven gaande van 
1« April 1869 tot lo AprU 1870. 

Ontvakgsten. 

1. GewoDe Subsidiën ƒ 13998.56 

2. Vermoedelijk debiet van de werken der Aca- 

demie ,, IOC — 

3. Eestitutie door het Ministerie van Koloniën vau 

kosten ten behoeve van aan de Commissie 
voor Standaard- meter en Kilogram opgedragen 
werkzaamheden ^ 49-3.48 

4. Saldo in kas der Kekening van 1S68— -1869. . ,, 3256.99 

Totaal / 17849.08 
Uitgaven. 

1. Keis- en verblijfkosten ƒ 3200. 

2. Jaarwedden ,, 83oO.— 

WERKZAAMHEDEN VAN VERSCHILLENDE COMMISSieN. 

3. Commissie voor de daling van Neêr- 

lands bodem ƒ 180. — 

4. /, voor het vervolg op van 

Loon's Penningwerk. . „ 800. — 

Transporteere ƒ 980.— 

Transporteere / 6500.— 



LV 

Per transport f 6600. — 
Per transport ƒ 980.— 

5. Cojnmissie voor de bewaring van OTer- 

blijfsels der Vaderland- 

8che Kunst. . . , . , 500. — 

6. „ voor de Uitgaven van het 

Charterboek. . . , . ,| 300.— 

7. n voor Standaard -meter en 

Kilogram. . . , . . Pro mem. 

„ 1780.— 

8. Onkosten der i^ergaderingen « 275.— 

9. Kleine Drukloonen „ 300. — 

10. Bureaukosten. . , , . „ 150. — 

11. Expeditie, frankeeren en vrachten f, 500. — 

12. Huishoudelijke uitgaven „ 800. — 

18. Mobilair „ 150. — 

14. Uitgaven van Werken » . • # 5600. — 

15. Bibliotheek en Catalogus // 1700. — 

16. Onvoorziene Uitgaven ,, 94.03 



Totaal ƒ 17.849.03 



IV. 



De Algemeene Secretaris brengt vervolgens verslag 
uit over den staat der Boekerij en het Munt- en Pen- 
ningkabinet, aldus luidende : 

Aan het zoo noodige inbinden van losse nommers van Anna- 
len en andere periodieke uitgaven heeft dit jaar een betrekkelijk 
groot bedrag besteed kunnen worden, dat evenwel nog lang niet 
genoeg bleek om in de bestaande behoefte geheel te voorzien, 
eene behoefte die weer niet weinig is aangegroeid door de me- 
nigte van belangrijke en kostbare werken der Academie van 
vele zijden toegekomen, in ruil voor hare eigen geschriften, be- 
halve die zij door aankoop magtig werd. Bijzondere vermelding 
overwaardig mogen de navolgende geacht worden: 



LVI 

Van den 3{inisier tan Binnenland^cke Zakeu: 

Recherches sur la Faune de Madagascar et de sea dépendan- 
ces d'après les découvertes de M. M. Fran^ois P. L. Pollen 
et D. C. vaii Dam, 

Van Leden. 

Stanislas JuiJEN. Eenige Vertalingen van Chineesche Werken 
waaronder: Histoire de la vie de Hiouen-Thsang et de ses 
voyages dans Tlnde. 

DüRUY, Ministre de Tlnstruction publique en France. Expo- 
sition Universelle de 1867 ^ Paris. Rapport du Jury Inter- 
national pnblié sous la direction de M. M. Chevalier. 13 
Dln. 8°. 

C. A. J. A. OuDEMANs. Weêrlands Plantentuin. 3 Dln. gr. 8<>. 

Van de K, K. Weener Academie: 

J. Arneth. Die antiken Cameen des K. K. Münz- u. Anti- 

ken-Cabinettes in Wien 1S49, gr. Folio. 
Die Gold-u-Silber-Monumente des K. K. Münz-u- 

etc. Wien 18^0, gr. Folio, met XLI PI. in Plano. 
Die Cinqae-Cento Cameen und Arbeiten des Ben- 



venuto Cellini und seiner Zei tgenossen. Wien 185*^, gr. Folio. 
A ScHMiDL. Die Grotten und Höhlen van Adelsberg, Lueg, 
Planina und Laas, Wien 1854. Text S» PI. in Folio. 

Termjl onder anderen zijn aangekocht : 

H. N. HuMPHREYs. A. History of the Art of Printing, 2*^ Is- 
sue. London 1868. gr. 8o. 
Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden 1813 — 1869. 

Compl. exempl. Offic. Uitgave 8^. 

(leen wonder dat het gemis aan ruimte tot berging van on- 
zen rijken boekenschat zich meer en meer doet gevoelen. 
Wat daarentegen het Munt- en Penningkabinet te Amsterdam 



LVII 

betreft, het bescheiden kastje daarvoor dienende is helaas nog 
meer dan voldoende. De eenige aanwinst gedurende het laatste 
jaar bestond in eene bronzen medaille door den Minister van 
Kinnenlandsche Zaken geschonken, vervaardigd door den bekwamen 
S. P. van der Keilen ter gedachtenis aan de oprigting van een 
standbeeld voor den Vader en Vorst van Neérlands Dichteren, 
onzen Joost van den Vondel. Van de belangstelling van bij- 
zondere personen mogt genoemd kabinet geenerlei blijk onder- 
vinden. 



V. 



Ter voldoening aan Art. 20 van het Organiek Regle- 
ment wordt alsnu overgegaan tot de benoeming van een 
Algemeenen Secretaris, en als zoodanig de Heer Mat- 
THES herkozen, die, hoogst gevoelig voor dit vereerend 
blijk van vertrouwen hem geschonken, door verdubbelden 
ijver zich zulks hoopt waardig te maken. 



VI. 



Namens de Commissie tot het opsporen, het behoud 
en het bekend maken van Overblijfsels der Vaderland- 
sche Kunst uit vroegere tijden, deelt de Heer Leemans, 
haar voorzittend Lid, een en ander mede uit het aange- 
boden Verslag der werkzaamheden in het verstreken jaar 
door haar verrigt, hetwelk in dank aangenomen en voor 
het eerstvolgende Jaarboek bestemd wordt (zie het Rap- 
port hierachter). De Commissie beklaagt zich, van bij 
voortduring niet die erkenning, steun en medewerking 
van buiten te ondervinden, waarop zij meende te mogen 
rekenen; zij wenscht daaromtrent in overleg te treden 
met het Bestuur der Academie, waartoe haar gelegen- 
heid zal worden gegeven. 



LVIIl 

vn. 

Ten laatsteu heeft de verwisseling van den voorrang 
der Afdeelingen plaats, en sluit de Voorzitter de Verga- 
dering met een heilwensch voor den toenemenden bloei 
der Academie. 



Verslag van de Commissie der Koninklijke Akademie 
van Wetenschappen tot het opsporen ^ het behoud en 
het bekend maken van de overblijfsels der vader- 
landsche Kunst uit vroegere tijden^ 1868 — 69. 



Wederom is het tijdstip voor de Commissie genaderd, waarop 
zij in de vereenigde Vergadering der beide Akademieafdeelin- 
gen rekenschap zal geven, van de wijze, waarop zij gedurende 
den afgeloopen tijdkring, in de haar door de Koninklijke instel- 
ling toevertrouwde taak werkzaam geweest is en aan hare roe- 
ping getracht heeft te voldoen. Was zij ijverig in het opsporen? 
stond zij pal in de verdediging tegen de aanvallen van onkunde 
en wandalisme? trachtte zij de belangstelling te vestigen op — 
de onverschilligheid te breken omtrent — hetgeen van Vader- 
landsche kunst en beschaving uit vroegere tijden was overge- 
bleven? En, zoo zij in een en ander niet achterlijk bleef, heeft 
zij dan goede uitkomsten verkregen? Zietdaar een aantal vra- 
gen, ter wier beantwoording haar verslag de noodige bouwstoffen 
zal leveren. Zij onderwerpt het aan het oordeel en de beslis- 
sing harer lastgevers, maar doet dit, welke ook de beslissing 
zijn moge, in de vaste overtuiging, dat zij naar haar beste 
vermogen alles heeft te baat genomen, waardoor zij meende aan 
het in haar gestelde vertrouwen, aan de haar opgelegde verplig- 
tingen te beantwoorden, en dat zij daarbij dankbaar gebruik 
lieeft gemaakt van raadgevingen, wenken en opmerkingen, die 
men van onderscheidene zijden haar wel onder de aandacht 
wilde brengen. 

Be Commissie hield slechts drie vergaderingen : op % Novem- 
ber 1868, 16 Januarij en £0 April 1869, op het bureau 



LX 

van het lid, den heer Conbad te 's Gravenhage ; waar het ver- 
eischt werd traden hare leden in schriftelijk overleg, of werden 
de onderwerpen in behandeling besproken, wanneer zamenkom- 
sten voor andere belangen, ook de maandelijksehe vergaderingen 
der Akademieafdeelingen daartoe de gelegenheid aanboden. De 
ondervinding heeft tot nog toe bewezen, dat zij op deze wijze, 
zonder het aantal harer vaste vergaderingen te vermeerderen, 
aan de behoefte van gemeenschappelijk overleg naar beliooren 
kan voldoen. 



Ook in het afgeloopen jaar bragten vele mededeelingen, be* 
rigten en toezendingen de bewijzen aan van deelneming en be- 
langstelling. Van die medewerking werd, in de openbare ver- 
gaderingen der Letterkundige Afdeeling, achtervolgens opgaaf 
gedaan, met dankbare vermelding van de namen der inzenders. 
Pie opgaven, die slechts zeer kort en vlugtig konden geschieden, 
worden thans hier meer naauwkeurig en uitvoerig omschreven 
en tot een geheel bijeengebragt. 



Van den Heer J. Koning te 'sGravenhage, vroeger scheeps- 
gezagvoerder, die eenige jaren geleden eene fraaije steenen doop- 
vont aan de Commissie geschonken had, werd het aavhod ont- 
vangen, om een afgebroken steenen poortje, afkomstig van het 
onlangs gesloopte Oude- Vrouwen- en Kinderhuis te ^s Graven- 
hage, voor de Commissie ter beschikking te stellen. 

Van den Heer W. F. Leemans, Ingenieur van s' Eijks Wa- 
terstaat in het 2® arrond*. 6* district, te 's Hertogenbosch, fen^i 
omtrent eenige merkwaardige oude grafzerken van de voormalige 
Abdij van Bern, onder Erpt, en het wenschelijke van het ne- 
men van maatregelen tot haar behoud. 

Van den Heer J. G. Horsthuis, ambtenaar bij 's Rijks 
telegraphie te Zaandam, berigten omtrent vensters met ingebrand 
schilderwerk in de kerken der Hervormde en Luthersche ge- 
meenten aldaar. Later kwam nog van denzelfden heer in, eene 



LXI 

zeer fraaije teekening op vier bladen in kleuren bewerkt^ van 
het vensterraam met ingebrand schilderwerk in den oostelijken 
muor van de Luthersche kerk. De lieer Horsthuis heeft zich 
voorgenomen ook de vensterramen der Gereformeerde kerk van 
de Oostzijde en wel in de eerste plaats de meest belangrijke, 
waarvan het eene met de voorstelling van Nebukadnezar en de 
jongelingen in den oven, af te teekenen. Ook zal hij, door welwil- 
lende vergunning van het Kerkbestuur der Luthersche gemeente, 
zich de gelegenheid geopend zien tot een onderzoek van het ar- 
chief dier kerk, in eene groote kist bewaard; komen hem daarbij 
eenige wetenswaardige bijzonderheden ter kennis, dan zal hij 
die nader mededeelen. 

Yan den Heer A. E. J. Boetebink, leeraar aan de hoogere 
burgerschool te Veendam, twee bladen met fraai gewerkte tee- 
heningefi. Het eene blad, inhoudende de afbeelding van de 
grafzerk van het geslacht Sternsee, in het voorportaal van de 
groote kerk te Harlingen en negentien steenen met opschriften 
en beeldhouwwerk in gevels van gebouwen te Harlingen inge- 
metseld, en op hetzelfde geslacht betrekkelijk. Het tweede blad 
levert nog eenentachtig diergelijke steenen; op een derde blad 
zal de Heer Roeterink de nog overige van hem in dezelfde 
stad a%eteekende, in steen of hout gebeitelde beeldhouwwerken en 
opschriften laten volgen, alsmede die van de in het vorig 
Verslag reeds vermelde grafzerk van Tjoerd Oi-nema, nabij 
de groote kerk te Harlingen. 

Van den Heer G. N. Itz, Oud-Gemeentearchitekt te Dord- 
recht, berigt omtrent gevaar van slooping, waarmede de Spui- 
poort aldaar wordt bedreigd, een gebouw, niet zoozeer om bouw- 
kundige verdiensten, maar door de daarin gemetselde geschied- 
kundige opschriften merkwaardig; alsmede berigi omtrent de aan- 
staande slooping van het oude Wees- en Gasthuis, vroeger het 
8t. Mariënbom of Onze-Lieve- Vrouwe-Ponteynen- en Zusteren- 
klooster; en de overblijfsels van eene tot die stichting behoo- 
rende kapel of kerk. Later mogt de Commissie nog van den 
Heer Itz een grondplan ontvangen van het klooster en bijbe- 
hoorende gebouwen, en verwierf zij, bij aankoop door zijne vrien- 
delijke bemoeijingen. eene fraai in sepia geteekende afbeelding, 



LXII 

leverende een gezigt van het inwendige der zooeven genoemde 
kapel. Deze laatste, te onregte als eene krypte of krocht door 
sommigen beschouwd en in eenige dagbladen vermeld, is de 
kloosterkerk zelve, en schijnt naar haren bouwstijl te oordeelen, 
tot den aanvang der 14^® eeuw gebragt te moeten worden. 

Door tusschenkomst van den heer van dbn Santheuvel., 
Ingenieur van s' Rijks Waterstaat in het l® arrond* 6® district 
te 'sHertogenbosch, de bouwkanstige ieekeningen: platte grond, 
doorsneden en opstand, met bijbehoorende schriftelijke toelich- 
tingen, alles opgenomen door - en van de hand van - den pro- 
vincialen opzigter, den heer W. H. Hamit.ton te Grave, van 
de thans gesloopte oude kerk en toren te Heesch inde Meijerij. 

Yan den Burgemeester van Ravestein, den heer R. A. A. van 
CLAABKNBKkK, ccue teekening in kleuren van het kerkje te 
Dennenburg, gemeente Deurssen, welks middengedeelte van zeer 
hoogen ouderdom schijnt te getuigen, en aanbod van soortge- 
lijke teekening, evenals de vorige door hem zelven vervaardigd, 
van een onlangs gesloopt, insgelijks zeer oud kerkje te Keer- 
langel, gemeente Dieden. 

Door tusschenkomst van Z. E. den Minister van Binnen- 
landsche Zaken, van Z. E. den Minister van Finantiën, ach- 
tervolgens de bestekken van ontmantelingswerken der vestingen 
Maastricht, Venlo en Bergen op Zoom, alsmede de volgende 15, 
meerendeels zeer gelukkig geslaagde photograpkiën van thans 
gesloopte gedeelten der vestingwerken van Maastricht: de Bos- 
sche poort, buitenzijde; de Brusselsche poort buitenzijde, de- 
zelfde binnenzijde; torens regts van de Brusselsche poort; den 
hoofdwal en de Brusselsche poort uit hei werk Engeland ge- 
zien; torens links van de Brusselsche poort; de kat Nassau; de 
kat Brandenburg; Onze-Lieve- Vrouwe-poort, buitenzijde, de- 
zelfde binnenzijde; de St. Maartenspoort (te Wijk) buitenzijde; 
de Wijker- of Akerpoort, buitenzijde en dezelfde, binnenzijde; 
en den ronden toren, nabij de St. Maartenskerk, van de zuid- 
west- en hetzelfde gebouw van de noordwestzijde. 

Van Z. E; den Minister van Binnenlandsche Zaken, ter ken- 
nisneming en om na onderzoek daarover van meening te die- 
nen, eene koperen tabaksdoo» met fraai drijfwerk, uit het midden 



Lxm 

van de vorige eenw, bij de ontgravingen voor spoorw^werken 
bezuiden den noorder IJdijk gevonden. 

Yan Dr. J. Waf te 's Gravenhage, een HS. betrekkelijk het 
klooster te Uden in het land van Ravenstein, ter kennisneming 
en ten gebruike, des verlangd, van het lid der Commissie den 
heer W. Molt. beschikbaar gesteld. 

Tan den heer A. J*. Bon, opzigter van het Kapitaal Bijks 
kustlicht ter westzijde van Schouwen, eene naanwkeurige teeke- 
ning van eenen koperen vijzel, met allegorische versierselen en 
opschrift in half verheven werk; 

Van den heer J. D. Biclkkk, leeraar bij de hoogere burger- 
school te Sneek, ter bezigtiging, twee zilveren muntjes: een 
denarius van keizerin Fanstina, en een denarius van keizer 
Lodewijk. 

Yau het Commissielid den heer Con&ab, afdrukken van eenen 
gouden ring, met een op het schild ingesneden zoogenaamd 
familie- of geslachtsmerk, op 6 Mei 1H68 bij de werken tot 
verbetering van den waterweg van Rotterdam naar zee^ tegelijk 
met eenige zilveren Engelsche munten van de jaren 160:2, 1611 
en 1620, gevonden. 

Yan het Fkirsch OESKOorscuiP van geschied- oudheid- en 
TAALKUNDE te Leeuwardcu^ exemplaren van: de vrije Fries ^ 
nieuwe reeks, V« D. 3* st., van het reerfigête verslag der Han- 
de IL 1867 — 1868; en van W. Bisschop's voorlezing, de slag 
bij Hei/Jgerlee. 156S. 

Van Mr. J. Dirks, voorzitter van genoemd genootschap, een 
afcjonderlijk afdrukje van zijn opstel, onder den titel van Ia 
irouvaille de Pingjum (Frise) en Juin 1S6H, in de Revue de 
h numismafigue beige, T. I. 5« série opgenomen. 

Van den heer Arkold Schakpkens te Brussel: een afdruk 
van zijn opstel : Panden hSlel de ville de Maesirichl^ en Slavan- 
ten^ Ie convent des frères mineurs de Lichtenberg ^ prés de Maes' 
tricAt^ overgedrukt uit de Messager des sciences historiqnes de 
Belgique. 

Van den heer I*. van Beun, een afdruk van zijn: Iets over 
ket slot Honingen en zijne vroegere bezitters^ overgedrukt uit het 
Rotterdamsch weekblad. 



LXIV 

Yan Dr. EI. J. Brobrs te Utrecht, een exempLaar van de 
Nieuwe ütrechtsche Caurantj 18 Maart 1869, n^. 1221, met 
eene opmerking omtrent zoogenaamde Miisschentorens^ en het 
voorkomen van kleine, ronde openingen hier en daaraan gevels 
van kerkgekouwen in Utrecht, welligt op eene gelijke bestem- 
ming betrekking hebbende. 

Van eenen ongenoemde uit Dordrecht, n^. 22 van de gedrukte 
Handelingen van den Gemeenteraad dier stad^ op Woensdag 28 
October 1869, waarin verslag wordt gegeven van de beraadsla- 
ging over een voorstel tot slooping van de Spuipoort. 

Van den heer G. N. Itz te Dordrecht, een exemplaar van 
n°. 88 der DordrechUche Courant van den 18 Maart 1869, 
met een berigt omtrent het hierboven reeds vermelde St Ma- 
riënbomklooster en de daaraan behoorende kapel te Dordrecht. 

Van eenen ongenoemde uit Zwolle, een exemplaar van de ge- 
drukte Handelifigen van den Gemeenteraad 1869, II, van de 
vergadering van 15 Eebr. 1869, met het daarin overgelegde 
Rapport van Dr W. J. A. Hübkbts, omtrent den toestand en 
over de middelen tot betere regeling van 'het archief dezer ge- 
meente. 

Van den heer M. Berntsbn, onderwijzer te Beek, gemeente 
Bergh, berigt omtrent een zilveren muntje van Kampen uit de 
J 7*® eeuw, en omtrent eenen ouden Germaanschen steenen bei- 
tel, onder Zeddam gevonden. Een schrijven aan dien heer, om 
nadere inlichtingen en gelegenheid tot juistere kennisneming en 
beoordeeling, is onbeantwoord gebleven. 

Van den heer BüUGEMfcissTBR van Stolwijk, berigt omtrent de 
vroeger ontdekte overblijfselen van muurschildering in de afge 
brande kerk aldaar, met toezegging van kennisgeving, wanneer 
nieuwe schilderingen nog aan het licht mogten komen, of met 
het sloepen of herbouwen van kerk en toren een begin gemaakt 
zou worden. Later had genoemde Burgemeester de goedheid 
aan de Commissie een zestal kannetjes van gebakken aarde toe 
te zenden, die in den muur van het koor der kerk, met eene 
menigte andere van gelijken vorm, ingemetseld waren gevonden. 

Van den heer F. W. van Ebden te Haarlem, i^ri^e omtrent 
de om haren ouderdom merkwaardige kerk te Velsen, en een, 



LXV 

naar het schijnt^ belangrijk beeld in hoog verheven werk uit- 
gehouwen, boven den ingang van den toren. 

Door tusschenkomst van den heer Auoier, hoofdingenieur 
van s' Rijks Waterstaat in het 1 O** district "s Gravenhage, een 
herigt hem toegekomen van den provincialen opzigter, den heer 
J. H. VAN Echten, over eenen kinderstoel, die, volgens de over- 
levering, aan Erasmns als kind zou gediend hebben, en thans in 
eenen boerenhofstede, het klooster geheeten, in het land van 
Stejn tegenover Haestrecht bewaard is gebleven. 

Van Dr. J. van Dissel, stadsgeneesheer te Samarang, die, 
ofschoon zoo ver van het vaderland verwijderd, zijne bewijzen 
van belangsselling in de taak der Commissie, vroeger vóór zijn 
vertrek zoo dikwerf gebleken, ook nu nog bleef schenken, werd 
de aandacht gevestigd op eenen ouden steen in de kerk te 
Twello; de oudste klok met een opschrift in majuskels te Hat- 
tem ; snijwerk van eenen schoorsteenmantel in het Raadhuis dier 
stad en oud schilderwerk, thans waarschijnlijk met eene witsellaag 
bedekt, tegen het gewelf of plafond van de kapel der kerk aldaar. 

Van den heer Alexandeb Schaepkens te Maastricht, herigt 
over de aanstaande slooping van de oude Wijker- of Akerpoort 
te Maastricht (Wijk), 

Eindelijk, 

Van Jhr. Victor de Stüers te Maastricht, onderscheidene 
uitvoerige en belangrijke herujten omtrent een aantal overblijf- 
selen der oude kunst te Maastricht, de gevaren waardoor die 
bedreigd werden, en middelen om, zoo mogelijk, hun langer be- 
houd te verzekeren ; ook over den loop der werkzaamheden voor 
de ontmanteling der vestingwerken, en geschied- en bouwkun- 
dige bijzonderheden daarbij aan den dag gekomen. 



Eene meer uitvoerige opgaaf omtrent de meeste der onder- 
werpen in bovenstaande mededeelingen en toezendingen behan- 
deld, en van de handelingen waartoe zij aan de Commissie aan- 
leiding hebben gegeven, moge thans volgen. 

Poort van het oude vrouwen- en kinderhuis te 's Gra- 
venhage. Uit het verslag van het Commissielid Rosé, die zich 
met het onderzoek in deze wel wilde belasten, bleek dat de 

E 

Jaarboek 1869. 



hXVl 

poort geheel afgebroken zooveel geleden had, dat het weder op- 
stellen vele kosten vorderen zou. De poort, ruim 2 meters breed 
en 3,5 hoog, is gedekt met eenen rondboog, rustiek of geblokt, 
met dergelijke pilasters aan beide zijden; daarop een bloktri- 
glief, gekroond met eene deklijst en daarop weder eene plint met 
het opschrift: lijd en mijd; alles uit de zeventiende eeuw in 
zoogenaamden Palladiaanschen stijl. De Commissie meende aan 
de poort geene aesthetische of oudheidkundige waarde te moe- 
ten toekennen, en gaf hiervan, onder beleefden dank, aan den 
eigenaar kennis. 

Grafteikenen van de vooemaligë Abdy van Bern. Deze 
zerken bevinden zich in eenen boomgaard onder de gemeente 
Herpt bij Heusden. De grootste rust op vier draagplaten. Bo- 
venop is, in hoog verheven werk, het beeld van heer Arnout 
van der Sluis, broeder van Jan VIII, (den achttienden heer van 
Heusden, en eenen voornamen begunstiger der Abdy, begraven, 
volgens het Latijnsche opschrift op 26 November 1311), in voUe 
wapenrusting uitgehouwen. De drie andere zerken zijn van Con- 
radus II van Malsen, den 36®*®° abt van Bern, gestorven 3 549; 
van Otto van Boetselaar van Asperen, den 37**®** abt, in 1556 
en van Theodoricus Spiering, gestorven 1584. Deze overblijfselen 
der eenmaal zoo vermaarde Abdy, zijn, zonder eenig merkbaar 
toezigt, aan de verwoestende krachten der natuur en beschadi- 
ging door de, in den boomgaard nu en dan weidende runderen 
blootgesteld en schijnen maatregelen tot behoud te vorderen. 
De Commissie heeft besloten, dat een harer leden, bij eene 
eerste gelegenheid nader onderzoek zal doen, of en op welke 
wijze zij in deze hare tusschenkomst zal kunnen en behooren 
te leenen. Eenige jaren geleden had de heer W. van Dam van 
Brakel, in een afzonderlijk werkje : Lotgevallen van heer Fulco 
en de Ahdy van Bern^ 's Hertogenbosch 1557, de aandacht op 
deze grafsteenen gevestigd. 

Ve>STER MKT ingebrand SCHILDKTIWEKK IN DE LUTHERSCHE 

KKRK te Zaandam. Het bedoelde venster bevindt zich in den 
oostclijken muur én dagteekent van het eerste jaar der achttien- 
de eeuw, toen het kerkgebouw voltooid werd. 

De geheele schildering over zestien vakken van het raam ver- 



LXVII 

spreid, bestaat in eeiie groote draperie van roede stof met gele 
franjes, koorden en kwasten, alles door gevleugelde genietjes ge- 
dragen ; terwijl boven, in het midden, een arend eene kroon in 
de klaauwen draagt en de koorden van de draperie in den bek 
houdt. Vóór de draperie eene nabootsing van beitelwerk in 
hout met vergulde versieringen. In het midden, twee tafereelen, 
het eene een landschap waarin boomen geveld en weggevoerd 
worden, en het andere eene houtwerf voorstellende; daaronder, 
doch van die tafereelen door twee tegenover elkander zwemmende 
dolfijnen gescheiden, het versje: 

Hier is gewoel en wi... is, 
Bij Godt al ons verlangen is; 
Wij leven hier in smert en pijn 
Bij Godt sal onse Raste zijn 

Comelis Aerentsz Luijck (of Huyck?) 
(1)7(0)0 
Onder aan, in eene hoekruit links van den beschouwer: 

Catharina 
Oostfries 
fecit 
De kleuren zijn slechts zeer ondiep in het glas ingebrand, som- 
mige zelfs schijnen, tengevolge van de zeer gebrekkige wijze van 
bewerking, misschien ook wel tengevolge van het algemeene ver- 
val van dien kunsttak in ons vaderland, slechts op de opper- 
vlakte aangebragt en er niet mede vereenigd te zijn ; zij kunnen 
met een mes van het glas als afgeligt worden, en verbrokkelen 
dan als tot poeder. Het rood der draperie heeft veel geleden, 
maar het groen in de tafereelen, het geel der franjes, koorden 
en kwasten en de vleeschkleur der beeldjes zijn goed bewaard 
gebleven. Vele beschilderde ruitjes zijn verloren gegaan en door 
onbeschilderde vervangen, doch niet zóó, of zij kunnen alle met 
genoegzame zekerheid naar het overgeblevene hersteld worden. 

Gbafsteen en gevelsteenbn te Hablingen'. De Groote of 
Nieuwe kerk te Harlingen werd van 1772 — 1775 gebouwd; zij 
kwam in de plaats van de oudere, die bouwvallig geworden 
was, doch de toren bleef behouden. Thans ligt de grafzerk, die 
den kelder sloot, of missdiien nog dekt, van den Hoofdman en 



LXVTII 

Drossaard van Sternsee en diens vrouw, in het voorportaal 
van de kerk, doch de asch van zulk eenen aanzienlijken man zal 
in de oudere kerk wel eene meer eervolle plaats, bijv. in het 
koor, gehad hebben. De zerk van hardsteen heeft eene lengte 
van ongeveer 3,46 bij eene breedte van 1,85 meters. Boven- 
op zijn, in verheven werk, de beelden van man en vrouw nevens 
elkander, met de handen in biddende houding in eene haU koe- 
pelvormige nis, welker boog aan de voorzijde op twee pilasters 
rust, uitgehouwen. De man is in zijne volle rusting gekleed, 
doch helm en handschoenen liggen nevens zijne voeten, hij is 
verder gewapend met degen en dolk; de vrouw gekleed en ge- 
tooid in de dragt van dien tijd. Boven de nis in het midden, 
hunne twee geslachtswapens, met helm en verdere versiersels 
gedekt; verder, regts de 4 kwartieren van den man: Golocher (?) 
Hagen, Sternsee en Sigksdoee, en links de vier van de vrouws- 
zijde Ei(?)siNGA, Mu(?)kema, Ropia en Abinga. De ruimte on- 
der de nis, een langwerpig vierkant vormende, kan voor latere 
opschriften bestemd zijn geweest, doch schijnt thans geene spo- 
ren daarvan behouden te hebben. De M^apens zijn alle, zeker 
wel opzettelijk, weggeslagen. Daar de opschriften niet in verhe- 
ven maar uitgediept werk zijn aangebragt, zijn zij, ook boven 
de vernielde wapens, vrij goed bewaard gebleven. De vier hoe- 
ken van de zerk zijn met borstbeeldjes in medaillons versierd. 
De opschriften, voor zoover leesbaar, zijn, aan de hoofdzijde be- 
ginnende : HiE LtT. BEGROBE. DER . . . . |! ChRISTOF. V. StERNSBB. 
ROM, KA. MT. HAVBTMON. V. . , . ZU HaEUNGE. IN. WESTFRISLANT. 

15.. 

Aan het voeteneinde: Hie. let. begrobe. die eren (?) peste |j 
Frau. Kunera. V. Sternsee. en. tochter v. Ropia. is. ge- 

STORBEN. AM. 5. TAG. MaRZ. IM. 1555. lAR. 

Nog maakte de Heer Roeterink teekeningen van eenige 
beeldhouwwerken, wapens en opschriften in den gevel van een of 
meer gebouwen, die met de geschiedenis van het genoemde aan- 
zienlijke geslacht in naauwe betrekking stonden, of van die ge- 
bouwen in de latere overgebragt en bewaard werden. 

Het kasteel of blokhuis aan de westzijde der stad in 1496 
door de Groningers tot bedwinging der bevolking gesticht, werd 



LXIX 

spoedig gesloopt; maar in 150£ op last van Hertog Albrecut 
van Saksen, door een dat veel grooter en sterker was vervan- 
gen. Het strekte tot woonplaats van den Drossaard des Hertogs, 
zoo als het sedert 1516, toen Harlingen aan keizer Kakel V 
trouw gezworen had, bewoond werd door des keizers Stadhou- 
ders. Onder Christopfbl van StjjKNseb schijnt in 1551 een 
gedeelte van het kasteel aangebouwd of verbouwd te zijn. Dit 
leert ons een steen met wapen en opschrift, thans noordelijk 
van den voorgevel der Westerkerk ingemetseld. Het wapen is 
dat van het geslacht van Steknsee, daaronder : Cuistofïel |1 

VAN StERNSEE RÖ. kat. II MAT. HAUPMAN DttOS || SAEDT EN OlDEK- 
MAN II TOT HaRLINGE OBIJT || MA VA BaRKADBKL HET || DE ZVl 
MEY A^ 1551 DEN II EERSTE StÈ AN DIT WiBBCK || GELEOI. Bo- 

ven het wapen de letters : L. S. Een vijftal uitgehouwen 
wapens, in den gevel van het Weeshuis aan den oostkant, 
dagteekenen insgelijks van dat oudere tijdperk. Volgens eene 
den Heer Boeterink toegekomen mededeeling, zouden zij bij 
de omwenteling, met andere wapensteenen uit den gevel weg- 
genomen, op eenen zolder geborgen en bewaard, en later 
wederom in den gevel ingemetseld zijn. Door herhaald oververwen 
heeft het beitelwerk veel van zijne scherpte en zuiverheid ver- 
loren en zijn de verschillende bijzonderheden van de wapentee- 
kens wel eenigszins onduidelijk geworden en moeijelijk te er- 
kennen. Een dier steenen toont het schild met den dubbelen 
arend des keizers, en boven het schild de keizerskroon; het 
geheel tusschen twee kolommen, die wel wat op langwerpige 
vazen met wijde openingen gelijken, om welke zich een lint 
slingert, en op eene waarvan een wereldbol rust. Drie andere 
wapens, waarvan een een vrouwen-wapenschild, de beide andere 
met het ridderteeken van het gulden vlies versierd, dragen het 
jaartal 1549; een vierde is het wapen der van Stbbnsee's ge- 
vierendeeld, 1 en 4 eene lelie, & en 3 een man met knods op 
den regterschouder, links gezien. Boven dit schild het opschrift 
IN TB DOMiNB sPERAvi. || Christop V. Stebnsbb. De kleuren der 
wapens kunnen moeijehjk vermeld worden, dewijl van elders 
blijkt, dat bij het oververwen men wel eenigszins willekeurig is 
te werk gegaan. Tot ongeveer denzelfden tijd behoort eene poort 



aan de zuidzijde van het Weeshuis, gedekt met eenen dubbel 
gezweukten boog. De ruimte onder dien boog en boven de 
opening is versierd met een uitgehouwen wapenschild, tusschen 
twee versierselen, gevormd door twee bijlen, eenen grooten sleutel 
en eene lamp, het geheel omgeven van eenen rand van wijn- 
gaardstakken met groote druiventrossen, die als uit den mond 
van een menschenhoofd in het midden onder de sluiting van 
den boog uitgaan. Boven dit alles in eene lijst het opschrift 
in minuskels: t^ flob mlt oné wte taw ban fcgen oné ctn; nuv 

ntvint; tusschen de woorden daii en tf^en^ het jaartal 1546. 

Een gedeelte van het kasteel werd, waarschijnlijk in 1656, 
tot Stadsweeshuis ingerigt. In den eerstvermelden gevel aan de 
oostzijde bevindt zich een op die bestemming doelende steen, 
met uitgehouwen wapenschild van Harlingen, en twee weeskin- 
deren, een jongen en een meisje als schildhouders. Op het schild 
heeft men de plaatsing van de kwartierteekens met elkander 
verwisseld, en bij de oververwing de wettige kleuren uit het 
oog verloren; drie andere steenen bij elkander behoorende leve- 
ren, de grootste, in het midden het opschrift: leert ouders 

V. II KINDERS VOOGDB || V. WeSEN-VoORAL || DEN GrOTEN \\ ScH EP- 
PER Vresën ; de beide andere, kleinere ter wederzijde anno 1656. 

Eene aan het kasteel belendende kerk, zuidelijk van het zoo 
even genoemde Weeshuis, naar hare ligging thans de Wester- 
kerk geheeten, was met het midden der zeventiende eeuw voor 
de behoefte der gemeente te klein geworden en werd toen door 
aanbouwing aanmerkelijk vergroot. In den nieuwen voorgevel 
vindt men de volgende beeldhouwwerken en steenen met op- 
schriften, door den Heer Roeterink afgeteekend. 

Boven den hoofdingang in zandsteen uitgeliouwen, het beeld 
in hoog verlieven werk van St. Michael op den draak staande, 
dien liij met de speer den muil doorsteekt; van de regter- 
hand, waarmede hij de speer drilt, hangt aan eenen band de 
weegschaal, met de linkerhand rust hij op zijn langwerpig, vier- 
zijdig schild, waarop het wapen van Harlingen, maar hier in de 
behoorlijke volgorde der kwartieren, is uitgehouwen. I)e aarts- 
engel draagt eon lang, wijd gewaad, om het midden met eenen 
doek zaamgebonden, en met lange, tot aan den elleboog omge- 



LXXI 

slagen mouwen; ziju haar hangt, in het midden boven op het 
hoofd gescheiden, in lange lokken op- en over de schouders 
neder. Het geheel, zeer ruw bewerkt, is zeker wel van een 
vroeger gebouw afkomstig, en in ieder geval vrij wat ouder 
dan de drie, wat lager in denzelfden gevel ingemetselde, met 
beeldhouwwerk versierde zandsteenblokken, waarop het grootste 
in het midden de letters S* P* Q* H', de beide kleinere aan 
wederzijde anko en 1669 leveren. 

Een niet onaardig kopje versiert den sluitsteen van den boog 
boven den ingang^ waamevens men, aan de eene zijde eenen 
steen vindt, met opschrift: Van Dees Nieu Aen-Bou der Wes- 
ter il kerck lach Jan Wopkes Acker , d'Eerste Steen den 14 
JuUi Anni 1669; aan de andere zijde, een naar het scliijnt 
later ingemetselde steen met het opscJirift Wr?TKi:-KKKK. 

Eindelijk onder den hierboven vermelden steen met opschrift 
van Ceistoffel van Stbrnsee, nog een opschrift op eene plaat 
van hardsteen: dit kerkgebol'w gksticht ij A® ]553||aanok- 
BOüWD A° 1669; ij is in den jakb 1856 || okheel vernieuwd. 
De zorg waarmede men te Harlingen bij het vernieuwen van 
openbare gebouwen, voor het behoud van vroegere versieringen 
en opschriften gewaakt, en daaraan weder eene veilige en algemeen 
toegankelijke plaatsing heeft toegekend^ mag wel als een zeer 
prijzenswaardig voorbeeld aan andere gemeente-besturen of beheer- 
ders van openbare instellingen ter navolging worden aanbevolen. 
Op een tweede blad heeft de Heer Robtbrink de afbeeldin- 
gen vau 81 stuks beeldhouwwerk, opschriften enz., in steen of 
hout, in gevels van huizen te Harlingen aanwezig, bijeen ge- 
bragt. Zij zijn de volgende, in de orde, waarin zij door hem 
werden afgeteekend: 

Aan een gebouw links wanneer men door de Havenpoort bin- 
nenkomt, wijk C N. 2, gebouwd door Tjerk Hiddes db Vries, 
vroeger het zeekantoor der Admiraliteit, thans als kazerne ge- 
bezigd, een in hout gebeiteld bo vengevel versiersel, ongeveer 4 
meters breed en 2 meters hoog, met een wapenschild, waarop 
een klimmende leeuw met sabel in den regterpoot, links gezien, 
het schild rust tegen twee kruislings gelegde ankers, waarachter 
eene doekslingering met koorden en kwasten. 



Lxxn 

In den ^evel van een gebouw aan de Breede plaats, O. 14, 
een steen met twee wapenschilden, tiisschen twee andere steenen, 
met de in elkander geplaatste beginletters van de namen van 
man en vrouw. 

Een weinig verder, C. 22, in zandsteen, twee kruislings over 
elkander gelegde kolven (?) met het jaarmerk 1661 ; onder dien 
steen vier andere, kisten of pakken voorstellende, en in den 
vorm van een kruis geplaatst; 

Huis C. 27, (een pakhuis), een grootere steen met eene op- 
gestoken geopende regterhand, tusschen twee andere kleinere, 
met anno 1647. 

In de Voorstraat, in eene woning wijk C. N". 30, een in 
hout uitgebeiteld gevelversiersel, waarop een scheepstimmerman 
met zijnen bijl aan zijn werk is voorgesteld, van daar in de 
wandeling onder den naam van de Bijleman bekend; het draagt 
het jaarmerk 1793. 

Wijk C. W. 34, vijf platen of blokken in zandsteen; de 
middelste met een uitgesleten wapenschild en het daarbij be- 
hoorend lofwerk, tusschen twee andere kleinere steenen waarop 
anno 1659, en nog twee andere van grootere afmeting, waarop 
de koppen en voorpooten van twee liggende leeuwen zijn uit- 
gehouwen. 

Huis W. 45, zandsteen, waarop eene omhoog geheven lin- 
kerhand, de letters L. H. M. Y., en het opschrift : In die blauw 
handt uitgehouwen. 

N". 51, eene ster in eene zandsteenplaat uitgehouwen. 

N^. 59, insgelijks eene woning door den reeds genoemden 
Tjerk Hiddes de Vries gebouwd. In den voorgevel drie platen 
van zandsteen; de middelste met een wapenschild en daarbij 
behoorende versieringen, de twee andere, regts, met het beeld 
van Mars, links dat van Minerva. Aan den zijmuur van dit 
huis, als sluitsteenen in eiken van de bogen, boven een drietal 
in eene ste^ uitkomende ramen, een hoofd in zandsteen uitge- 
houwen, het eerste regt voor zich uitziende, het tweede de oogen 
naar beneden, het derde die naar boven slaande. Aan den achter- 
gevel van hetzelfde gebouw, op de Noorderhaven uitkomende, 
wijk C. N*". 134, boven de ramen van de verdieping geüjks- 



j 



LXXITF 

vloers, vier platen ongeveer van dezelfde grootte als die op den 
voorgevel, met beelden, die lente, zomer, herfst en winter, op 
eene eenigszins ongewone wijze voorstellen: 1) eene halfiiaakte 
vrouw met een brandend hart in de regterhand, Venus; 2) 
eene geheel gekleede vrouw met korenschoof onder den linker- 
arm, eenen sikkel in de regterhand en eenen zak, waaruit veld- 
vruchten rollen, aan hare voeten, Ceres; 3) naakten en met 
eenen krans om het midden omwonden, met wijnschaal in de 
regterhand op een vat zittenden man, Bacchus ; en 4>) eenen naak- 
len man op eene schelp staande, met een, door den wind sterk 
gezwollen razijl in de handen, Aeolus. Verder nog drie behouwen 
zandsteenen, twee met an>o 1657, nevens -, en de derde wat 
grooter, met een uitgesleten wapenschild van bladversieringen 
omgeven, en daar boven de letters S. L., boven - de deur. 

Een weinig verder dan de zooeven genoemde woning, in de 
Voorstraat wijk C. N". 62, in zandsteen, een opengeslagen 
boek op- en omringd met- lofwerk; onder het boek F. I. VD. P. 
en daaronder weder I. D. 

Nog verder, in den gevel van het zoogenaamde Stootershuis, 
is, op den hoek van het Traneker-end en het Menisten steegje, 
een zandsteen ingemetseld, waarop ingebeiteld: den drie kn 
ïwiKTiCHSTB !| Mbi dach || Theeuk Jacobs d'eehstb I| Stibn 
HIER Lach || 1657. 

In de St. Jacobstraat ook wel Katteregt geheeten, wijk C. 
N*. 120, eene zandsteenplaat, waarop een turfdrager met eene 
iQand op den rug; onder dit beeld A. I. * M. C. || 1785. 

In het belendende huis, N°. 121, een zandsteen met S. I. E. || 
1638. 

Noorderhaven: 

Wijk C. N\ 141, boven de ramen der eerste verdieping, eene 
zandsteenplaat, waarop in verheven letters O. E. 1792. H. E. 

Wijk C. N®. 163, als draagstuk van eenen tot de nok op- 
loopenden, gemetselden pilaster, een waarschijnlijk in zandsteen, 
Aoch welligt in hout, gebeiteld hoofd. In de eerste verdieping 
lusschen de ramen, in zandsteen een ovaal medaillon met ver- 
sierden rand. 

Wijk C. N^ 156, boven de vensters der eerste verdieping 



LXXIV 

als sluitsteen van eenen gemetselden boog, eeu hoofd in zand- 
steen. In het veld ouder dien boog, twee wapenschilden van 
man en vrouw, tegen een stuk doek, dat door twee zwevende 
geniën omhoog wordt gehouden en waarop een gevleugeld hoofd 
rust; regts en links onderaan bij de hoeken, de letters T. T. I. 
en B. S. P. Op de gelijksvloersche verdieping aan de uiteinden 
en boven een middenraam, vier vierkante zandsteenplaten, die op 
de hoeken met een Mercurius- en een vrouwenhoofd; de twee 
boven het raam, met een mans- en een vrouwenborstbeeld; boven 
den ingang en een raam, ter wederzijde van het zooevenge- 
noemde, op twee platen, anno 1646. 

Wijk C. W. 179, boven een raam van de gelijksvloersche ver- 
dieping, in zandsteen zeer hoog uitgehouwen, eene pot met twee 
ooren en gedekt met eene kroon, dus het uithangteeken van de 
gekroonde pot ; daaronder, insgelijks in uitkomend werk, I. R. P. 
P. S. H. waaronder anno 1744. 

In eenen gevel, een weinig verder aan denzelfden kant der 
Noorderhaven, boven de ramen van de gelijksvloersche verdieping, 
iu zandsteen, in eene sierlijk met bloemwerk en krullen be- 
werkte lijst, een zeilenmaker aan zijn werk; op de onderzijde 
van de lijst het jaartal 1756. 

Aan de Rommelhaven in de woning wijk B. W. 8, boven de 
ramen, in zandsteen, een liggende leeuw, waaronder INDEEODE 
LEEU, en een wapen met lofwerk omgeven, doch welks tee- 
kens weggesleten zijn; op twee kleinere zandsteenplaten. Che- 
rubs boven eene draperie, waarop anno 1664. 

Noordkant der Noorderhaven: 

Wijk A. 26, aan elke zijde van den gevel tegen eenen 
draagsteen, waarboven een krullend bladversiersel, in verheven 
letters, anno 1740; in het midden van den gevel boven de 
deur, een schild waarin een zeilend schip met twee masten ; 
aUes in zandsteen. 

Wijk A. N". 40, een in zandsteen uitgehouwen versiersel 
eenigszins in de gedaante van eenen bloemkelk, of eene vaas met 
deksel, waartegen of waarin een kruis is aangebragt. 

Wijk A. N". 49, aan elk der uiteinden van den gevel, eene 
langwerpig vierkante plaat, met anno 1723 in verheven werk. 



LXXV 

Wijk A, N'. 56, boven de vensters van de eerste verdieping, 
in zeer verheven werk in zandsteen, een druiventros met drie 
bladeren. 

In de Hoogstraat: 

Wijk B. 35, boven de ramen der 1® verdieping, zandsteen 
met opschrift: P. A. T. || anno || 1827. 

Wijk B. N". 604, tusschen twee ramen der eerste verdieping, 
in zandsteen, een driemast barkschip. 

Op de Zoutsloot: 

Wijk A. N^. 152, tusschen de ramen der gelijksvloersche 
verdieping, een rivierschip met ééjien mast. 

Wijk A. 154, tusschen de ramen der gelijksvloersche verdie- 
ping, wederom een zeilend binnenwaterschip met twee masten; 
en aan de uiteinden van den gevel, twee zandsteenen met anno 
1683. 

De Menistenstreek : 

Wijk D. 35, boven de vensters der gelijksvloersclie verdie- 
ping, zandsteen met een loopend hert, links gezien ; ter weder- 
zijde een zandsteen met anno 1653, alles in verheven werk. 
Het gebouw behoorde vroeger aan eene Rederijkers-kamer, de 
groote zaal met de verhevenheid voor het tooneel is nog be- 
waard gebleven. De leden droegen als onderscheidingsteeken 
een zilveren verguld hert aan een blaauw lint. 

Bij de Franekerpoort. 

Wijk D. N^ 40, boven een raam van de gelijksvloersche 
verdieping, een zandsteen met een in tweeen gedeeld wapenschild, 
de linkerhelft met in elkander verbonden letterteekens ; boven 
het andere raam een diergelijke schild ; in het midden van den 
gevel een steen, waarop eene klok ; aan de beide uiteinden stee- 
nen met anno 1635. 

De Wortelliaven : (thans eene straat.) 

Wijk E. N". 221, drie zandsteenplaten; op de eene in het 
midden een wortel, in het veld de letters T. H || T. F. op 
elke der beide andere, een gevulde zak met akkervruchten. 

Verder op een groot gebouw, waarvan een gedeelte voor de 
in 1868 opgeheven Latijnsche school in gebruik is geweest, 
in den voorgevel boven den ingang, eene groote hardsteenen 



LXXVI 

plaat, gevat in eenen rand een zandsteen, met het ingehouwen 

opschrift: ABOLITA HIJJÜS SjSCülI LuXüRIE II RESTITUTA PbISCI 

Temporis Trugalit ATB || Repectis -Sdibüs S acris !| Consültbus || 
loANNB Daniele Toussaint Uenrico Schaap I| Ageo Hogeboom 
SuppRiDO Bosscha || wibrando abitsma Henrico Wassenaar || 
Laurbntio Tabes Harmanno Siccama II MATTHiA Adolpho ab 
Idsinga II ABAcTis. Boven den ingang op zijde van het ge- 
bouw, in de Kerkstraat, op eene zandsteenplaat ingehouwen, 
het opschrift: Den VI mai MDCCLI Hebben TI ALLE Bos- 
scHa Oud III Iaeren en Meile || toussaint oud VIII Iae- 

REN ZOONEN VAN TWEE BeGEB || RENDE BuRGEMKËSTKREN |} BE 

Eerste Steen Aan Dit Gebouw Gelegd. 

Wijk E. N®. 218, tegenover het laatstgenoemde gebouw, in 
den top van den gevel, eene houten plaat, waarop in verheven 
werk uitgebeiteld een loopend hert, regts gezien; in de boven- 
hoeken J. C, beneden ]6-|-25, in uitkomend werk. 

Spekstraat : 

Wijk E. N°. 189, midden boven de twee hooge ramen, een 
zandsteen, waarop eene groote pers tusschen twee bundels garen 
of diergeHjke stof; bovenaan het jaartal 1668; beneden in de 
Klander Pars, aUes in verheven werk. 

Tegenover deze woning in eenen zijgevel van eenen manufac- 
tuurwinkel, ongeveer eene manshoogte boven den grond, eene 
steenen plaat met lijstwerk, waarbinnen eene zittende kat, links 
gezien; in het veld bij het hoofd F. || H .W ; beneden, in de 

GRAUWE cat. 

Groote Kerkstraat: 

Een pakhuis, in welks gevel een in hout uitgebeiteld topstuk, 
boven met eenen cirkelboog afgesloten ; in het veld een medail- 
lon met bladversiersels en het jaartal 1733, in verheven werk. 

Wijk E. N® 171, boven de ramen der eerste verdieping, 
eene steenen plaat, in houten lijst, met eenen haan links ge- 
zien, staande op een voorwerp dat wel wat op eenen bliksem- 
schicht gelijkt. 

Kleine Kerkstraat: 

Wijk G. N". 191, bij de nok, in hout gesneden een manskop 
met lange haren, baard en knevel, en met een kapje gedekt. 



LXXVTl 

Wijk G. N". 180, boven de ramen der eerste verdieping, eene 
zandsteenplaat met laag verheven werk en AD.A. || N. L || 1771. 

Het Kerkpad: 

Wijk G. W. 176, in eenen muur op ruim eene manshoogte, 
drie zeer uitvoerig en keurig uitgehouwen zandsteenplaten. Op 
de middelste een wapen van twee vereenigde schilden, van man 
en vrouw, omgeven van fraai bladwerk; op de beide andere in- 
gehouweu anno 1671. De wapens vernield, zooals dit met 
bijna alle in de omwenteling van het laatst der voorgaande eeuw 
het geval is geweest. 

Bij deze opgaaf dient aangemerkt, dat waar jaarmerken ver- 
meld zijn, deze óf bij het beeldhouwwerk behoorden, óf aange- 
bragt waren op steenen die met beeldhouwwerk versierd waren. 

Het St. MARiëNKLOOSTSB, T£ Dordrecht: 

Volgens Balen, Beschrijving der stad Dordrecht^ werd dit 
klooster in 1303 gesticht, en werd aan de zusteren toegestaan 
in 1469 om hare kloosterkerk te bouwen. Is dit berigt juist, 
dan zal de, thans nog slechts gedeeltelijk overgebleven, kerk 
wel tot geenen hoogeren ouderdom dan de tweede helft der 
vijftiende eeuw kunnen opklimmen. Euim eene eeuw later in 
1575 reeds, werd het klooster opgeheven en in 1576 bestemd 
tot Armen-weeshuis. In de eerste helft der 17® eeuw werd 
een gedeelte van het gesticht, het zoogenaamde Molkenhuis, tot 
kerk voor de Engelsche gemeente ingerigt Van de oude 
kloosterkerk was ongeveer 1731 een gedeelte, en wel het 
noordwestehjke, ongeveer \ van de geheele lengte, aan de Is- 
raëlitische gemeente overgegeven, die boven dit gedeelte hun be- 
dehuis hebben gehad tot 1856. Het zuidwestelijke gedeelte 
van de oude kerk was, waarschijnlijk bij de verbouwing voor 
het Israëlitische bedehuis, afgebroken. Wat thans nog van de 
voormalige kloosterkerk overgebleven is, maar weldra onder den 
moker des sloopers verdwijnen zal, bestaat in eene langwerpige 
vierkante ruimte van 8 bij 15,5 meters. Het gewelf rust op 
drie zuilen in het midden, negen muraalzuilen langs de drie 
wanden en wordt door kruisgewelven gevormd. De zuilen zijn 
laag, de schachten rond, de kapiteelen tamelijk hoog, het 
lijstwerk aan het achtzijdig dekstuk is uit verscheidene leden 



Lxxvm 

zaamgesteld, de keelband is zeer eenvoudig, zoo ook het base- 
ment, dat wederom op eene achtzijdige plint rust. Uit de tee- 
kening, waarop de bodem bij eene der zuilen een weinig weg- 
gegraven is voorgesteld en dus de sokkel verder zichtbaar komt, 
zou men moeten opmaken, dat de eerste plint met een zamen- 
gesteld, insgeUjks achtzijdig lijstwerk op eene tweede plint ge- 
plaatst is. Is deze laatste plint van eene aanmerkelijke hoogte 
geweest, dan heeft de vloer van de kerk, die thans met den 
beganen buitengrond gelijk ligt, oorspronkehjk vrij wat lager 
gelegen, en wordt het gedrukte van het geheel wat verminderd. 
Hoe het zij, aan eene krypte, krocht of benedenkerk, onder 
welke namen in de berigten de aandacht op het gebouw geves- 
tigd werd, valt hier volstrekt niet te denken. Wat nog overig 
is, is een gedeelte van de oorspronkeUjke kapel of oude kerk 
van het klooster, en niet eene kerk beneden die kapel. Bene- 
denkerk kon zij alleen genoemd worden in betrekking tot 
het daarboven ingerigte Israëlitische bedehuis; maar toen dit 
laatste als zoodanig dienst deed, was de kapel of kerk al lang 
niet meer in gebruik. 

Moge echter het gebouw, als eene der, in ons vaderland hoogst 
zeldzame, krochten geen aanspraak maken op bijzondere belang- 
stelling, het verdient die toch, als een overblijfsel van vader- 
landsche bouwkunst uit de vijftiende eeuw, en de Commissie 
heeft daarom gemeend aan den heer directeur der gemeente- 
werken haren wensch te mogen te kennen geven, dat vóór de 
slooping, de noodige bouwkunstige opmetingen en teekeningen 
zouden vervaardigd worden, zoowel van de kapel, als van de 
overige deelen van het kloostergebouw, voor zoover die van 
den tijd der stichting dagteekenen, en eenige bijzonderheden 
aanbieden. 

De kerk te Heksch in de Meijerij. De slooping van dit 
gebouw, die in het vorige Verslag als aanstaande was vermeld, 
heeft sedert plaats gehad. Ofschoon de kerk, evenmin als haar 
toren op bouwkunstige verdiensten en zeker niet op die van 
schoone vormen aanspraak mogt maken, achtte de commissie het 
toch van belang, daar het gebouw voor eene der oudste kerken 
van de Meijerij doorging, dat naauwkeurige teeteningen gemaakt 



LXXIX 

werden en aanteekeniug gehouden van alle bijzonderheden, die 
bij het afbreken zich zouden opdoen In haren toenmaligen 
toestand was de roem van hoogen ouderdom aan de kerk toe- 
gekend, niet volkomen gegrond ; waarschijnlijk had zij dien over- 
genomen van eene vroegere, waarvoor zij in de plaats was ge- 
komen, want ook de toren en het oudste gedeelte van het 
schip, welks meerdere ouderdom dan die der overige gedeelten 
bij de slooping duidelijk gebleken is, kenmerkten zich niet lüs 
uit het oudste tijdperk van den baksteenenbouw afkomstig 

Het schip bestond uit een langwerpig vierkant van 2:^,5 me- 
ters lang, 16,5 breed; het werd door twee rijen, elke rij van 
vier kolommen, in eenen grooten beuk en twee zijbeuken ver- 
deeld, metende eerstgemelde in breedte, van het hart van de 
eene zuil tot dat van de andere, 9 meters, de afstand der zuilen 
in de lengte was, uit het hart gemeten, 4,6 meters. Het koor 
in de as van de groote beuk en eenigszins smaller dan deze, 
oostwaarts uitgebouwd, had eene lengte van 10,2 meters bij 
eene breedte van 7,5 meters, en was met eenen halven zesheek 
gesloten. Op de helft van de diepte was het met eenen muur 
a%escheiden^ waarin, ter wederzijde van het altaar, deuren die 
den toegang tot de meest oostelijke helft verleenden. Aan de 
hoeken van het schip en langs de zijmuren waren in de aslijnen 
van de zuilen, beeren aangebragt van 0,7 bij 1 meter; zes 
zulke beeren steunden de muren van het koor; twee bij den 
middelmuur, de vier andere aan de hoeken van de koorsluiting. 

Het koor werd gedekt door kruisgewelven rustende op tuf- 
steenen diagonaalbogen of ribben, verlicht door zeven spitsboog- 
vensters, en had eenen toegang van buiten door eene deur aan 
het westeinde van den zuidelijken muur. Het schip ontving 
zijn licht door tien lage, langv^^erpig vierkante vensters, en had 
den ingang insgelijks aan de zuidzijde, in het tweede pand van 
de westzijde gerekend üe muren, zoowel van het scliip als van 
liet koor, waren 0,fi meter dik. Aan de binnenzijde waren 
in den westelijken wand van den grooten beuk drie, in de noor- 
delijke en zuidelijke wanden, maar slechts over twee derden van 
de geheele lengte en wel in het meest oostelijke gedeelte, twaalf 
ninsen of kasementen, zes aan eiken wand, en in het koor nog 



LXXX 

vijf (misschien wel zeven) zulke nissen uitgespaard, ongeveer 0,3 
meters diep en 2,4j hoog, van boven met een cirkelsegment 
gesloten. 

De zuilen 1,3 middeUijn en met hare achtzijdige sokkels 
5,5 meterd hoog, de sokkels 0,7, zonder eenig lijstwerk of ver- 
siering, de schachten zonder kapiteel of dekstuk, droegen de 
onmiddelijk daaruit omhoog gemetselde muren, die met spits- 
bogen tusschen de zuilen aan elkander verbonden waren; de af- 
stand tusschen den top dier bogen en den vloer bedroeg 9, f3 
meters. Langs den bovenkant der kolommen liep eene kordon- 
lijst, waarop de teen rustte van het tongewelf, dat den grooten 
beuk bedekte ; de beide zijbeuken waren ter hoogte van de zui- 
len slechts met horizontale latzolderingen gedekt. 

De toren, in het miilden aan den westelijken gevel, was vier- 
kant, iedere zijde breed 6,25 meters, de hoogte van het muur- 
werk boven den beganen grond bedroeg 13,50, zonder eenige 
versnijding; de torenkap had eene hoogte van 10,15 meters. 
De eenige versiering bestond uit vier langwerpig vierkante kase- 
menten, twee aan twee neven en boven elkander, alleen aan de 
voorzijde, op 5,7 meters boven den beganen grond uitgespaard, 
elke ter diepte van 8 centimeters, breed ongeveer 2,2 en hoog 
3,7 meters, van boven gedekt met blokjes, die gevormd wer- 
den door baksteenen op hunnen kant, tot den dag van het op- 
gaande werk uitgeschoten. Het licht weid toegelaten door twee 
met cirkelronde bogen gedekte openingen, hoog 1,6, breed 1 
meter, nevens elkander aan de voorzijde, en ééne diergelijke aan 
eiken der zijgevels, in het bovenste gedeelte van den toren; 
bovendien waren nog een paar kleine langwerpig vierkante licht - 
gaten aan den zuidelijken gevel aangebragt, voor de ruimte ge- 
lijksvloers en de eerste verdieping. De ingang in den westge- 
vel 1,5 meters wijd, 2 hoog, was met eenen cirkelboog over- 
spannen die y der spanning tot pijl had. 

Het muurwerk had evenmin eenig hoofdgestel als eenige 
gootlijst; de kap was met leijen afgedekt. De benedenruimte 
was vroeger, zooals uit de nog overgebleven hoekschenkels bleek, 
met een kruisgewelf overdekt geweest; de diagonaalbogen 
van gehouwen tufsteen. Oorspronkelijk was ook de hoofdingang 



LXXXI 

van de kerk door den toren, doch later de doorgang van den to- 
ren naar de kerk, welker ingang toen aan den zuidelijken kerk- 
muur verplaatst werd, in slecht, staand verband digtgemetseld. In 
eiken der vier wanden, behalve natuurlijk waar de ingang dit 
onnoodig maakte, waren, zoowel in de benedenruimte als op de 
twee verdiepingen, nissen of kasementen uitgespaard, 0,4 meter 
diep, in de ruimte gelijksvloers ruim 3,15 meters hoog en 2,7 
breed; op de eerste verdieping 2,5 hoog en 2,5 breed; op de 
tweede 1,7 hoog, 1,9 breed, alle met spitsbogen gedekt. 

Het fundament, ter diepte van 1,55 beneden den beganen 
grond aanvangende, was met zes lagen in zand, in plaats van 
ééne, en zonder eenige versnijding aangelegd, zoodat het met- 
selwerk van het geheel, met uitzondering van de zooeven ge- 
noemde kasementen, overal dezelfde dikte van 1,15 bleef bewaren. 
Alles van gebakken steenen, gemiddeld eene lengte van 26,0 
bij eene breedte van 12,8 en eene dikte van 6,8 centimeters 
hebbende; de kleur roodachtig paarsch of die van boerengraauw, 
de graad van hardheid gemiddeld die van rood, 2^^ qualiteit, 
waalmoppen. De vorm der steenen in hunne sorteering vrij 
regelmatig, de breuk veel overeenkomst toonende met die van 
de Noordbrabantsche maassteenen. 

Het metselverband was overal het staande, aan de buitenzijden 
goed, regelmatig en zindelijk, ofschoon vermoedelijk niet onder 
den draad bewerkt; inwendig was echter zoo weinig op het 
verband gelet, dat men op vele plaatsen zes, zeven en zelfs 
meer voegen bijna te lood op elkander aantrof; de lagen waren 
redelijk vlak en waterpas gehouden. 

De mortel was uit ^ steenkalk en J fijn duin- of heidezand 
zaamgesteld; de vermenging zoo slecht, dat op vele plaatsen nog 
kluitjes zuiveren kalk van 2 tot 3 centimeters en zelfs grooter, 
waren overgebleven. De zamenhang van het metselwerk was 
hier en daar zeer goed; maar het gebeurde niet zelden, dat op 
goed verbonden werk onmiddellijk lagen volgden, welker zamen- 
hang slecht was; dit leidt tot de onderstelling, dat vóór de 
verwerking de steenen niet nat gemaakt werden, en de gedeelten 
van het werk waarvan de zamenhang goed en stevig was, bij 
nat of regenachtig weder gemetseld waren. 

P 
Jaarboek 1869. 



LXXXII 

üe verbinduigsbalken op de verdiepingen, het klokkengi^stoelte 
en het kapwerk waren van ruw, vierkant beslagen eikenhout ver- 
vaardigd. De onderlinge verbinding van de deelen der kap waren 
met gewoon gat, pen en borsten, slecht sluitende in elkander ge- 
werkt, met eikenpennen opgesloten enmettaaije spijkers bevestigd. 

Het hout zag er, met uitzondering van het klokkengestoelte, 
waarvan een gedeelte vervuurd was, inwendig nog goed uit, 
was fijn van draad en taai, en had veel overeenkomst met in- 
landsch- of Brabantsch eikenhout. 

De verbinding met ijzeren ankers, drie duims vierkant ge- 
smeed, week niet af van de thans gebruikelijke. 

Het metselwerk van het schip der kerk was zeer slordig in 
staand verband opgetrokken. De vorm van de steenen van de 
zijbeukmuren, de kolommen en de muren boven de kolommen, 
was gelijk aan die van den toren, de kleur evenwel meer rood, 
de hoedanigheid minder hard. De mortel zamengesteld als die 
aan den toren, doch een weinig beter gemengd. Voor het 
overige was hetgeen omtrent het verband enz. van het metselwerk 
aan den toren gezegd is, ook hier van toepassing 

Het koor scheen later bijgebouwd of althans veranderd te 
zijn, het metselwerk was uit verschillende soorten van gebakken 
steenen zaamgesteld, die grootendeels den vorm en de hoeda- 
nigheid hadden van roode waalmoppen, 3® qualiteit. 

De fundamenten van de beeren, zoowel als van de muren 
van het koor, hadden twee versnijdingen, ieder ongeveer 15 
centimeters buiten waarts uitspringende, en twee tot drie lagen 
zwaar. Hetzelfde was het geval met de beeren van de zijbeuken; 
de fundamenten van de muren dezer laatsten hadden volstrekt 
geene versnijdingen, doch rustten op éënsteens gewelf bogen, die 
tusschen de beeren geslagen waren en de dikte van het op- 
gaande metselwerk, dus 0,6 meter tot breedte hadden. 

De beeren hadden ter hoogte van 0,6S meter boven den 
beganen grond nog eene versnijding. Zij waren met zandsteen 
en tufsteen afgedekt- ter hoogte van 3 meters boven den 
grond liep een tufsteenen band rondom de beeren en de muren, 
zoo van het schip als van het koor, doch niet aan den west-e- 
lijken gevel van de kerk. 



LXXXllI 

Met betrekking tot het kapwerk valt op te merken, dat boven 
het koor aan de kapbeenen geen stormbanden aangebragt waren 
en de afstanden van al de kapbinten onderling verschilden. 

De verbindingen van het kapwerk waren, als de thans ge- 
bruikelijke, met gat en pen en gewone borsten, maar slordig en 
veelal niet sluitende in elkander gewerkt. De kapspanten waren 
vrij goed te lood gesteld. 

Met uitzondering van het greenenlionten dakbeschot, was 
de geheele kap en waren de bindbalken van ruw besLagen, meest- 
al zelfs voor gelijke deelen in maat verscliillend eikenliout getim- 
merd. l)e bindbalken hadden meer hoogte dan breedte; voor 
het overige was alles nagenoeg vierkant beslagen. 

Het eikenhout was op vele plaatsen met spint en ook hier 
en daar met wankant bezet, waar dan ook meer vervnring was 
ontstaan dan op andere plaatsen; overigens had het nog een 
vrij gezond aanzien, was inwendig fijn van draad en taai en 
scheen van gelijke soort te zijn als dat van den toren. 

Over het algemeen was er weinig ijzer gebezigd, de meestal 
drieduims vierkant gesmede ankers waren op geene bijzondere 
wijze aangebragt of bewerkt. 

Bij de slooping en het uitbreken der fundamenten deden zich 
bijzonderheden voor, die op eene latere vergrooting van het 
schip der kerk schijnen te wijzen, en waarbij alle verhouding 
tusschen den grooten beuk en de zijbeuken uit het oog verloren 
was. Ue toren en het middenschip of de groote beuk behoorden 
tot den oorspronkelijken bouw, waarbij dan de twee zijmuren van 
den grooten beuk de plaats innamen waar later de zuilen wer- 
den gesteld. De westgevel leverde de duidelijkste blijken van 
den lateren bijbouw, in de afwijking van het later aangebragte 
metselwerk, dat zonder eenige vertanding, dus koud tegen het 
oorspronkelijke aangewerkt, maar niet behoorlijk daaraan ver- 
bonden was. Het oorspronkelijke schip had dus eene breedte 
van 9,7 meters; over de lengte en de wijze van afsluiting aan 
het oostelijke uiteinde kon men niet meer oordeelen. Dat tus- 
schen die latere uitbreiding met de zijbeuken, en denvroegeren 
bouw waarschijnlijk geen zeer groote tijdsruimte kan gelegen 
hebben, schijnt opgemaakt te mogen worden uit het zeer ge- 



LXXXTV 

ringe verschil, dat de daarbij gebezigde bouwstoffen aanbieden 
en uit de overeenkomst van verband en bewerking. 

Het was te wenschen dat geschreven bescheiden omtrent tijd 
van stichting van de, thans geheel gesloopte en door eene nieuwe 
vervangen, kerk en toren, eenige zekere inlichtingen aanbragten ; 
welligt mogen die nog hier of daar in eenig archief verholen 
liggen, en zullen dan de weinige gegevens, die uit het onder- 
zoek van het oude gebouw alleen maar konden worden opge- 
zameld, nadere bevestiging, wijziging en toelichting erlangen. De 
bijzonderheden hierboven vermeid zijn ontlec^nd aan dezeernaauw- 
keurige en uitvoerige opmetingen en teekeningen, met de toelich- 
tende aanmerkingen van den heer Hamilton, provincialen op- 
zigter te Grave. 

Kerk tk Dennenburg. Dennenburg met Deursen eene ge- 
meente uitmakende, in het land van Eavestein, bezit nog in 
een groot gedeelte van het tegenwoordige kerkgebouw, de over- 
blijfsels van eene vroegere kerk die tot een grijs verleden op- 
klimmen. Toren en koor zijn van baksteen opgetrokken, maar 
de muren van het schip zijn, tot eene hoogte van ongeveer vier 
meters boven den beganen grond, van zeer groote brokken ge- 
houwen tuf- of trassteen zamengesteld, verder tot aan het dak 
van baksteenen, met een viertal tusschenkomende lagen van de- 
zelfde soort van tufsteen. Een ingang aan den zuidelijken muur, 
met een gedeelte van eenen cirkelboog gesloten, en eenige kleine 
vensteropeningen van 50 bij 30 centimeters, zijn met roode 
baksteenen digtgemetseld. üe tufsteenen zijn, volgens de mede- 
gedeelde beschrijving van den heer va'n Claarenbeek, biu-ge- 
meester te Eavestein, met kalk, tras en keisteentjes op elkander 
vastgegoten. Die vermenging van kalk met keisteentjes wijst ook 
op eenen zeer hoogen ouderdom. Welligt kan het schip van de 
kerk tot een lijdperk gebragt worden, al zeer naderende aan dat 
van het verblijf der Romeinen in die streken, of werd het op- 
getrokken van de steenen, afkomstig van een ander in de na- 
bijheid vroeger aanwezig gebouw uit den Romeinschen tijd. Op 
eenen hoogen ouderdom en het gewigt der plaats wijst ook 
eene, in de onmiddellijke nabijheid van de kerk gelegen, zoo- 
genaamde woerd, van waar eene menigte urnen, een molen van 



LXXXV 

twee steenen en andere voorwerpen aan den dag gekomen zijn, 
een en ander thans in het bezit van den heer van Glaarrn- 
BEEK. Het gebouw verdient een nader opzettelijk onderzoek, dat 
echter thans bemoeijelijkt wordt door eene bemetseling of be- 
kleeding van baksteenen, die na 1850, toen het hierboven ge- 
noemde teekeningetje vervaardigd is, tegen den zuidelijken muur 
werd aangebragt, en de tufsteenen van den ouden bouw aan het 
oog onttrekt. 

Oude gebouwen, gedlnktbekens, muurschilderingen enz., 
TB Maastricht. 

In het laatstvoorgaande Verslag blz. 45 [Jaarb. 1868 blz. 
CVII) is gewaagd van uuubschildeeingen, die door de ijverige 
bemoeijingen van Jhr Victor de Siuers, in eene kapel ten 
zuiden van het koor der kerk van het voormalige Minderbroe- 
dersklooster aan het licht waren gebragt. De omstandigheden heb- 
ben tot nog toe eene voortzetting der ontdekkingen in die kapel 
niet toegelaten. De heer de Stübus verkreeg evenwel de zeker- 
heid, dat ook in beide vakken van den zuidelijken wand, schil- 
dering onder de witsellaag verscholen lag, en evenzoo tegen den 
oostelijken wand op verschillende plaatsen, goed bewaarde sporen 
van schilderwerk zich opdeden. Ook op het vak oostelijk van dat, 
waarin zich de in het vorige verslag vermelde voorstellingen 
bevinden, waren sporen zigtbaar, doch alles zoo beschadigd dat 
eene herkenning niet mogelijk was. Op last van het Departement 
van Oorlog zijn, overeenkomstig de aanbeveling van de Commissie, 
maatregelen genomen, opdat de nog niet geheel vernielde of be- 
dorven oppervlakten der wanden vooreerst onaangeroerd blijven, 
en eene lichtopening, die voor de nieuwe bestemming van het 
koor gevorderd wordt, in den muur waartegen de kapel gebouwd 
is, doorgebroken wordt in het zooeven genoemde vak, waar de 
muurschilderingen geheel of bijna geheel verdwenen zijn. Bij 
ontstentenis van eenen voor zulk werk geoefenden persoon, aan 
wien de taak kan worden toevertrouwd, heeft de heer de Stuers 
zich genegen verklaard om, zoodra hij daartoe den noodigen tijd 
kan afzonderen, zelf zijne zorgen aan de ontblooting dezer kunst- 
overblijfsels en het afteekenen en doortrekken te mjden, zooals 
dit vroeger door liem met zulk eenen uitnemenden uitslag bij 



LXXXVl 

de rnuurschilderingen in de kerk van het voormalige Domini- 
kanenklooster het geval is geweest. In de Courier de Ia Afeuse, 
Journal du Limiourg, 8 et 9 Nov. 1868, is omtrent de muur- 
schilderingen in bovengenoemde kapel een kort berigt gegeven. 

Db grafzerkkn in de kerk van hetzelfde Minderbroeders- 
klooster. Ook hiervan werd in het voorgaande verslag {Joarh, 
CV ITI) gewaagd ; de Commissie kan thans, naar aanleiding van de 
naauwkeurige mededeelingen, haar door Jhr. de Stiïers verstrekt, 
omtrent deze, in meer dan een opzigt merkwaardige grafsteenen, 
en tevens nog omtrent enkele andere bijzonderheden, die voor 
de geschiedenis van de vaderlandsche kunst niet onbelangrijk 
zijn, meer uitvoerige opgaven doen. 

Wat het kerkgebouw zelf betreft, verdienen de sleutelsteenen 
der gewelfribben in den grooten beuk, in de zijbeuken en ook in het 
koor, zeer de aandacht, en zou eene afvorming in gyps wel te 
wenschen zijn. De voorgenomen vertimmeringen in het gebouw 
bedreigen echter het behoud van deze kunststukken vooreerst niet 

Een steenen bovendorpel boven eene thans toegemetselde deur, 
die uit den zuidelijken zijbeuk naar den zoogenaamden Weezen- 
gang leidde^ en waarop verschillende wapenborden, een door 
eenen engel gedragen, zijn uitgehouwen, verdient ook eenige 
aandacht. 

Gedenktëekens en grapzerken. 

Tegen den noordelijken wand in het koor, op ongeveer 2,50 
meters boven den grond, een klein marmeren gedenkteeken, be- 
staande uit eene plaat of een schild (zoogenaamde cartouche) 
waaronder drie fantastische, zeer goed in marmer bewerkte kop- 
pen of maskers; boven het schild een draagsteen, waarop eene 
langwerpig vierkante nis met pilasters, vroeger welligt een schil- 
derij bevat hebbende. Het opschrift luidt: 

D.. o. M. 
VixiT JoANNi. GoROPio. Becano ob. iiii. Kat.. 

ANN DIVINAR. ATQ. HÜMANAR. RERUM JuL. A. 

LIÏT. BONARUMQUB, ARTIÜM. PERITISS». M.D.L. XXII. 

KaTARINA DB CORJDIS. rXOR. ET 
FILIOT.AB. DUAB. CONJÜGT. AC. PARENTI. 
DULCISS. CUM. LACRYMIf. POS. 



Lxxxvn 

PROCUKANTIB. LaKVINO. TORRENTIO 
KT. CaSFARE. Si RCHIO. qUIBUS. ILLK 
K£S. 8XTA8. MORIENS. COMHBNDAVIT. 

De overledene had zich door zijne geschriften bekend ge- 
maakt, en ook een vertoog geleverd, waarin hij meende te be- 
wijzen, dat de taal door Adam en Eva gesproken geene andere 
dan de Vlaamsche was geweest. 

Volgens de opmerking van den heer de Sïceks is de leeftijd 
van Becanus op het gedenkteeken onjuist opgegeven, daar hij 
niet 53 maar 54 jaren oud geworden is. 

De Grafoerken ten getale van elf, maar daarvan slechts zeven 
in hun geheel en vier gebroken, waren de volgende: 

1 °. in den zoogenaamden Weezengang, een geheel gave zerk, 
groot 3,83 bij 1,70 meters, met het opschrift, in Romaansche 
letters : 

ANxNO. DOKINI. M. CC. SEXAGESIMO. SKXTO. II. NONA9 MAfl. 
OBIIT. OODBFRID. DlVES. DB TrAIECTO. QUI. IACKT. Ï. HOC. 

MoiyuuKTO. sepult. anima, jeius. per miam (misericordiam) 

0£I. REQUESCAT. IN. PACE. AMEN. 

De overledene was in 1252 en in 1256 schepen der stad. 

2*^. in denzelfden gang, zerk met een levensgroot vrouwen- 
beeld in omtrekken; het belangrijkste van het opschrift om de 
randen, werd door eenen lateren muur, en twee of drie treden 
van eenen gemetselden trap aan het gezigt onttogen. Wat zigt- 
baar is gebleven, levert in Romaansche letters: Anno. dni. m. 

cc NONAS. OCTOB E . (d, i. cjus). AiNIMA. 

PER. MISElilCORDIA DNI. REQUIESCAT. IK. PACE. AMEN. 

De overige zerken, 3 — 11, lagen in het koor: 
3«. zerk groot 2,90 op 1,35 meters; met, in vrij hoogver- 
heven werk, de beelden van eenen ridder in volle wapenrusting 
en van eene vrouw. Boven hen twee wapenschilden, waarvan 
alleen nog dat van de vrouw duidehjk herkenbaar is als dat 
der Bliterswijcken. De stijl is zeer goed, en behoort tot de 
renaissance. Het opschrift in gothische letters, luidt: 

J^ljr ligt begraetjê ^onc^eer Slaeé m (iovübacf) bit éterff 
an" 1557 ben 4 bad) 3Rot>ebv/é, enbc ^of)ana \>a ^l^Uxéwi^ct 
^enamt ^aé^avt, éijn f)\xi^é\>xoii, éterjf an' 1530 De 5 Slguét* 



Lxxxvin 

4°. zerk groot 3,15 op 1,63 meters, met zes groote wapen- 
schilden van : Gronsfeld, Oupey, Gronsfeld-Ter Heyden, Merode 
Argenteau, Dammartin dit d' Oupey en Juppleu (?) ; het op- 
schrift, in Gothisehe letters: 

Jp)ler ligg^e ble f)tvi t)att ©ronéelt Jg)enricl^, ^eer tot 

©ronéelt en Sümbojec^ €6€6«3B3B3333 bi 5833 ^(^cf) 

In be mert 

5**. zerk, met een groot kruis en twee wapenschilden, van 
welke slechts één, met het wapen van Spanje bewaard is geble- 
ken. Het Latijnsche opschrift, in gewone Romeinsche letters 
luidt: NoBiijs ao strenuus Alphonsus de Gusman, pbiusq 

INSIGNI PROH DOI.OE DÜRMJVIT IX DNO DIE 14 

lUMi AN». 1568, ci3i' aÏa fkatk pepetu^ qadio, (d. i. cujus 
anima fruatur perpetuo gaudio). Een opschrift van tien regels 
in het Spaansch, volgt op het Latijnsche ; onder behoorlijk licht 
zal de lezing ook daarvan geen bezwaar hebben. De overledene 
Gusman kan zeer goed tot het geslacht van de tegenwoordige 
keizerin van Frankrijk behooren. 

6^ zerk van 2,85 bij 1,50 meters In het midden een kla- 
verblad met twee wapenschilden, die ook aan de vier hoeken 
herhaald zijn: Het randschrift, in Gothisehe letters is: 

J^ljr ligt besrat)en \)tv SBlKem i>an Spueiibercf) ribber, bie 

itaxf. .... 3aer gDï6€€ en «3838X5833 (?) op bin 

at)Dnb ®inu ^acopé t^eué apoételé. bib @ot t>ott bie 

éee(« @u t)rDu ©ertruit t)an S^^epont éijn f)m)it>tonto, bie 
itatf beé €€€ en 3e95. bib ©ot tjor be éeel. 

7®. groote zerk met een wapen; opschrift: 

D. O. M. 

SbPULTURA. INSIGNIS. VIRI. ErANOISCI. 

SaLACAR. DB. HiTA. REGNI. ToLETANI. CaPITA""' 

TUIBUNI PEDITÜ. HlSPANORÜM RëGIAB. 

Catholicab. majes"' Philippi Secundi, dno 
quibvit. precarb. queso. quisquis. pietate 

DIICERIS. 14 APKll.IS. 1577. 

8°. gebroken zerk, waaraan eredeelten ontbreken. Er waren, 
zonder relief, de beelden van eenen man en eene vrouw op uit- 
gebeiteld, elk in eene rijk versierde gothisehe nis; de helft van 



IJOiXlX 

den man i? afgebroken, doch de overgebleven brokken laten eene 
bijna volledige herstelling toe. In de hoeken ziet men het wa- 
pen der van Harens. Het randschrift luidt: . . . jacknt . . . 

DB LOENE {^) KT DOICBLLA DB HaBE KI*. UXOR. QUr. 

DOICEll/ OBIIT. ANO. DNI.M . . . XXI. DIE 

De van Harens waren heeren van het kasteel en de heerlijk- 
heid van dien naam^ op een uur afstand van Maastricht gelegen; 
het kasteel bestond reeds onder de Carlovingiërs. De heeren 
vullen, met die van Qronsveld en van Petersheim, menige blad- 
25ijde in de geschiedenis van Maastricht. 

9**. zerk «n'oot 2,32 bij 1, 20 meters, hier en daar gebro- 
ken , doch de stukken zijn bewaard gebleven. In het midden 
een wapen, alsmede op de vier hoeken. Het randschrift, in 
gothische letters: 

Jg)tc jacef ^onorabillé m bng ^of)ii b . . ♦ feologlc profe^^ 

iov. conomcué DenerabUié ecck^ie obiit anno bni mif 

kipmo pmo. ultima^ auguétL « * « « « qticat in pact. 

10<>. brokken van eenen zerk, waarop twee beelden, zonder 
relief, naast elkander in fraaije gothischen nissen uitgebeiteld 
zijn. Op de spitsbogen en langs den rand, opschriften die door 
eenen balk waarop stijlen rusten, grootendeels bedekt zijn. 

11**. zerk met wapen, het bovenste gedeelte ontbreekt. De 
zooeven genoemde balk bedekt het grootste gedeelte van hetgeen 
overbleef en ook van het opschrift, waarvan slechts leesbaar was : 

D. O. M. 

HONOBABILIS AC STIlBNüUS. . . . 

DN8 0LI8. HlSPANUS. 

LA. CaPITANüS 

TÜM 

AB MA 

UNDI 10 JüNTT 

PB TUR GA . . 

In het Verslag over het vorige jaar, blzz. 46, 47 (Jaarb, 
CVni, CIX) werd gesproken over de nieuwe bestemming die aan 
de kerk, welke nog tot kort geleden als magazijn voor artillerie- 
matwieel had gediend, zou gegeven worden, en waarbij het lokaal 
tot kaseme zou worden ingerigt. In dat geval zou de steenen be- 



xc 

vloering door eene houten vervangen, of liever bedekt zijn gewor- 
den, en zouden dus de zerken voor langen tijd geheel voor het 
oog verborgen zijn geraakt. De Commissie had, om dit verlies af 
te wenden, zich tot de Regering gerigt, met verzoek om maatre- 
gelen tot verplaatsing en bewaring der zerken in een veiliger oord, 
met name in eene der kerken, en anders tot hunne ligting en op- 
stelling tegen dcj wanden van het oude gebouw, waarin zij zich 
bevonden. Daar hiervoor eenige kosten onvermijdelijk waren, en 
bij ondervinding meermalen gebleken was, dat het Departement 
van Oorlog voor diergelijke uitgaven geene gelden beschikbaar 
kan stellen, bestond er wel eenige vrees dat aan het verlangen 
niet ligt zou worden voldaan. De kans verbeterde echter, toen het 
eerste plan gewijzigd, en het oude gebouw gedeeltelijk tot eene 
gymnastiekzaal zou worden veranderd, waarbij de steenen vloer 
geheel en al opgenomen, en door eene hooge zandlaag moest 
vervangen worden. Het ligten en verwijderen van de meeste 
der zerken werd dus voor het Departement van Oorlog eene 
noodzakelijkheid, en de onkosten van vervoer naar- en opstelling 
in- eene andere geschikte plaats, werden vrij wat verminderd. In- 
tusschen bleef een bezwaar bestaan voor de zerken 3, 10 en 11 
die onder eenen groeten balk lagen, en met dien balk een zes- 
tal stijlen droegen, waarop eene later aangebouwde zoldering der 
bovenverdieping rustte. Wanneer die zerken werden weggeno- 
men, was eene behoorlijke aanvulling van den grond onvermij- 
delijk, en zou welligt een fundeerwerk van steenen gevorderd 
worden. Dank zij de onvermoeide pogingen van Jhr. de Stuers, 
van diens broeder, lid van den gemeenteraad, toen nog wet- 
houder, ea de belangstellende medewerking van het bestuur van 
het geschied- en oudheidkundig genootschap van het Hertog- 
dom Limburg, in den persoon van zijnen geleerden voorzitter, 
den heer J. Habets, kan de Commissie thans eenen gunstigen 
afloop dezer zaak vermelden. Voor de gelden, die door het 
genootschap voor het beoogde doel konden worden afgezonderd, 
en waarbij, zoo de Commissie zich niet vergist, ook van wege 
het gemeentebestuur eene bijdrage beschikbaar werd gesteld, 
heeft de Minister van Binnenlandsche Zaken aan het voorstel 
der Commissie wel een gimstig oor willen verleenen, en aan 



xcr 

den Koning de voordragt gedaan tot aanvidling van net nog 
ontbrekende van Eijkswege. Die voordragt werd al spoedig 
door een gewenscht Koninklijk besluit achtervolgd, en thans zijn 
de, voor de geschiedenis der stad, maar ook door hoogen ouder- 
dom zoo merkwaardige gedenkteekens in eenen der kloostergan- 
gen van de St. Servaaskerk overgebragt, waar hun voortdurend 
behoud wederom verzekerd is, en zij voor het oog van bezoe- 
kers steeds toegankelijk blijven. Eene der zerken echter, die onder 
n'^. 1 vermeld en in den zoogenaamden Weezengang gelegen, 
is daar ter plaatse moeten blijven, daar bij nader onderzoek de 
steen zulk eene dikte bleek te hebben en dus ook zijn gewigt 
tot zulk eene hoogte te stijgen, dat de ligting en het vervoer, 
om zijne groote afinetingen reeds zeer bezwaarlijk, nu nog bo- 
vendien het doorbreken van muren vereischt, en te groote kosten 
zouden gevorderd hebben. De Commissie door den Minister over 
dit onderwerp geraadpleegd, heeft aangeraden, dat aan het ver- 
zoek van het oudheidkundig genootschap, om die zork ter 
plaatse te laten blijven, toestemmend beantwoord werd, maar 
onder bepaling, dat van het opschrift een goede afdruk in papier 
vervaardigd moest worden, daar eene teekening, hoe naauwkeurig 
en zorgvuldig ook gemaakt, toch bij twijfelachtige lezingen of 
afgesleten gedeelten, nimmer het oorspronkelijk met zooveel juist- 
heid en zekerheid terug geeft, als dit met een goed afdruksel 
in papier het geval is. 

Bij den voortgang der werkzaamheden voor de ontmanteling 
der vestingwerken, zoo te Maastricht als elders, heeft de Com- 
missie getracht, om de verliezen die, door de slooping van poor- 
ten, torens en diergelijke bouwwerken aan de geschiedenis der 
vaderlandsche kunst en de zoo schaars geworden bouwstoffen tot 
die geschiedenis voor de oudere tijdperken, zouden worden te- 
weeggebragt, zooveel mogelijk te verhoeden, tegen te houden of 
te verzachten. 

Zij mogt echter slechts gedeeltelijk zich in eenen gunstigen uit- 
slag op hare bemoeijingen verheugen en wel voor zoover het haar 
voorstel betrof, dat vóór en gedurende de slooping elk gebouw 
naauwkeurig opgenomen, opgemeten en behoorlijke bouwkunstige 
teekeningen (plan, opstand en doorsnede) vervaardigd zouden 



XOII 

worden, en tevens uaauwkeurig toezigt zou waken tegen het 
verloren gaan of onbekend blijven van voorwerpen, die bij de 
werken mogten gevonden worden. Het behoud van enkeJe der 
oude gebouwen zelven, hoe belangrijk en zeldzaam ook, heeft 
zij niet kunnen verwerven. Een bij uitnemendheid merkwaardig 
gebouw, voor de geschiedenis van den krijgsbouw in ons vader- 
land eene welligt eenige proeve aanbiedende, en welks slooping 
zij gedurende een viertal jaren nog had helpen verhoeden, werd 
in het afgeloopen jaar aan opzettelijke vernieling prijs gegeven. 

De Commissie moet, om vergissing of welligt onjuiste gevolg- 
trekkingen te voorkomen, eene onnaauwkeurigheid of onvolledig- 
heid herstellen, die inbaar vorig Verslag, blz. 31 {Jaarboek 1868, 
blz. XCIII) was ingeslopen. Daar sprak zij van de ontmantelrngs- 
werken, als hadden die plaats onder leiding van de Genie; maar 
de werkkring der beambten van dit wapen bepalen zich uitslui- 
tend tot de werken en gebouwen die nog tot het Departement 
van Oorlog behooren, en het was dus met dit laatste en met 
de officieren der Genie dat over die gebouwen, zoo als het Min- 
derbroedersklooster, gehandeld werd. De ontmantelingswerken be- 
hooren tot het Ministerie van Pinanciën, en hebben plaats onder 
de leiding van eenen civielen Ingenieur, daartoe bij de admi- 
nistratie der Domeinen aangewezen, en aan wien dan ook van 
het Departement de zorg voor de hierboven vermelde opmetin- 
gen, teekeningen enz. is opgedragen. 

Omtrent de Tongersche poort en hetgeen bij hare slooping 
aangaande dat gebouw en zijne geschiedenis is bekend geworden, 
heeft de Commissie, naar aanleiding van de berigten en opmer- 
kingen, haar van Jhr. de Stuers toegekomen, in haar vorig 
Verslag, blz. 31 {Jaarh, XCIII), eene mededeeling gedaan. Zij 
heeft omtrent andere gebouwen, die sedert onder den moker des 
sloopers vielen, het een en ander op te teekenen, waarbij alweder 
bijna uitsluitend de inlichtingen van Jhr. de Stoers de Com- 
missie ten dienste staan. 

Brusselsche poort. De oude toestand werd bij den voorlr- 
gang van het werk steeds duidelijker. Tn den laatsten toestand 
bestond het geheel aan dien uitgang, in een bastion met eene 
drooge gracht omgeven ; door dit bastion strekte zich het lange 



XCUI 

poortgewelf met eene sterke kromming uit. De oorspronkelijke 
aanleg van 1295 tot 1297 en die van de opvolgende herstelling 
van 1427 leverden een groot verschil. De poortopeniug in den 
hoofdvral was beschermd door twee ronde torens van verschil- 
lende grootte, en wier benedenste gedeelten nog tot eene aan- 
merkelijke diepte onder den grond te voorschijn zijn gekomen. 
Tusschen die torens had men eene poort met spitsboog en eene 
nedervallende zware deur, of herse^ tot afsluiting; het werk was 
omgeven door eene gracht en werd beschermd door een klein 
bolwerk. In den grooteren toren, regts wanneer men de stad 
uitgaat, bevond zich eene kazemat met een schietgat dat de 
hoofdgracht bestreek. Toen Parma aan deze zijde de stad bele- 
gerde en innam, moeten de poort en hare verdedigingswerken 
in dien toestand zich vertoond hebben. Later, in 16 S6 en 1687, 
blijkens ingemetselde steenen, is het op zich zelf staande ravelijn 
door flankmuren met den hoofdwal vereeiiigd, en heeft men zich 
verpligt gevoeld het poortgewelf, dat vroeger tusschen de beide 
oude torens eindigde, verder uit te strekken, tot waar het aan 
de overzijde van de drooge gracht uitkwam. 

De S". Maautenspüort te Wijk. Zij leverde op zich zelve 
geene bijzonderheden, en was van jonge dagteekening, 1787. 
Zonderling is het groote aantal uitgangen, die de stad aldaar 
afwisselend heeft gehad. Op eenen afstand van ongeveer hon- 
derd meters, zijn er sporen van zes poorten naast en vóór elkan- 
der aanwezig. 

De Onze LiEVE-VttouwKPOoiir kon in haren laatsten toe- 
stand geen aanspraak maken op belangstelling. Vroeger bestond 
zij in eenen vrij hoogen, zeer breeden boog, die den doorgang 
door den ringmuur vormde. Toen tegen dien muur aan de 
binnenzijde een wal was aangebragt, had men de oude poort 
gedeeltelijk digt gemetseld, eenen kleineren doorgang, insgelijks 
boven met eenen boog gedekt, daarin opengelaten en bovenop 
eene borstwering gesteld, tn dien staat bevond zij zich, toen 
in 1848 het kanaal tusschen Luik en Maastricht gegraven was, 
en de voortzetting van dat kanaal langs den Maasoever voorbij 
de poort, gepaard was gegaan met eene verhooging van den 
grond vóór deze laatste. Dientengevolge meende men den door- 



XClV 

gang te moeten verhoogen; de oude boog werd geheel wegge- 
broken, en in 1849 met de overblijfsels van eene andere poort, 
de Batpoort, die ook om het genoemde kanaal gesloopt was, 
eene nieuwe poort, met blokken en facetten opgebouwd, wier 
slooping ook uit een oudheid- en bouwkunstig oogpunt wensche- 
lijk mogt heeten. 

Maar wat aan die plaats een bijzonder belang bijzette, was 
de groote waarschijnlijkheid, dat de bodem aldaar nog de over- 
blijfsels kon bewaren, van de groote Romeinsche heerbaan, die 
van Tongeren komende, over de Maas en verder op Gulik en 
Keulen liep. De oudste overgang over de rivier en dus ook 
de bij Tacitus vermelde pons Mosae, moest wel hier gezocht 
worden, waar tot op het einde der dertiende eeuw eene brug de 
beide oevers verbond. 

De Lieve- Vrouwepoort had vroeger ook den naam van Ko- 
ningspoort en zij ontleende die wel vermoedelijk aan de groote 
Romeinsche heerbaan, wier rigting in Wijk als door de hooge 
brugstraat aangewezen, en door talrijke overblijfsels van Ro- 
meinschen oorsprong, in de onmiddellijke nabijheid onder den 
bodem ontdekt, met hooge waarschijnlijkheid kan worden aan- 
genomen. Aan den linkeroever of de Maastrichtsche zijde, waren 
voor eenige jaren, niet ver van de Lieve- Vrouwepoort, binnen 
de stad ook op eene vrij aanzienlijke diepte, sporen van den 
Romeiüschen weg bloot gekomen. Of men die ook bij de 
werken van het hierboven vermelde verbindingskanaal, aan den 
buitenkant tusschen de poort en de plaats van de oude brug, 
had waargenomen, is niet bekend geworden; maar onwaar- 
schijnlijk is het niet, dat eene bestrating van veldkeijen, die 
op eene diepte van *2 meters onder den beganen en sedert nog 
weder 1 meter opgehoogden bodem, in geschreven berigten van 
dien tijd vermeld wordt, hetzij bij die ontgravingen, of mis- 
schien ook vroeger, toen men aan de oude poort eenige ver- 
andering moest aanbrengen, aan den dag was gekomen. De 
gelegenheid, die zich thans bij de slooping van de in 1849 
gebouwde poort aanbood, scheen te gunstig voor een meer op- 
zettelijk onderzoek, dan dat de Commissie zich niet geroepen 
moest achten, om de tusschenkomst van den Minister van Bin- 



xcv 

nenlandache Zaken in te roepen bij diens ambtgenoot den 
Minister van Financiën, ten einde eene ontgraving van de grond- 
slagen en een opzettelijk onderzoek mogten worden bewerkstel- 
ligd, naar hetgeen ook van den tijd der Romeinen liier nog 
welligt was overgebleven. Hierop volgde spoedig eene gunstige 
beschikking van laatstgemelden Minister, waarbij eene som van 
ƒ400 tot ontgraving van de Lieve- Vrouwepoort beschikbaar werd 
gesteld, met bepaling dat die werkzaamheid zou plaats hebben 
door den aannemer van de slooping dier poort en onder leiding 
van den Ingenieur tot de ontmanteling, en met uitspreking van 
den wensch, dat een der Commissieleden, zoo mogelijk, bij dat 
onderzoek tegenwoordig zijn en van zijnen raad dienen zou. 

Aan dit laatste werd gevolg gegeven door het lid Leemans, 
die zich vroeger vele jaren geleden met opzettelijk onderzoek 
van de Eomeinsche oudheden te Maastricht, den loop der oude 
heerbaan aldaar en van het punt van overgang over de Maas 
had onledig gehouden. 

De ontgraving leverde zeer belangrijke uitkomsten. Op eene 
diepte van ruim 4 meters onder den, in de laatste jaren mer- 
kelijk opgehoogden, beganen grond, werd de oude bevloering, 
hoogst waarschijnlijk van de poort uit het Eomeinsche tijdperk, 
teruggevonden, met de beide uit groote, gehouwen steenen op- 
gemetselde regtstanden, die nog ter hoogte van ongeveer 2 me- 
ters waren bewaard gebleven. De bevloering van den doorgang 
bestond insgelijks uit gehouwen, veelzijdige steenen, die op de 
bij de Romeinen gebruikelijke wijze^ met stevige ijzeren bouten 
met groote koppen op de aansluitende hoeken, op hunne plaats 
gehouden werden. De kop van zulk eenen bout was althans 
nog op zijne oorspronkelijke plaats bewaard gebleven. In de be- 
vloering was eene ondiepe geul uitgehouwen, waarschijnlijk voor 
het afloopen van het regenwater. De doorgang was vrij smal, 
zoodat er niet veel meer ruimte gelaten wxrd, dan voor een 
gewoon voertuig vereischt werd. Aan die geringe ruimte moet 
het dan ook worden toegeschreven, dat in beide de stijlen of 
regtstanden van de poort, de sporen van het daartegen aan- 
wrijven van de uitstekende einden der wagen- of kar-assen, tot 
eene vrij aanmerkelijke diepte zigtbaar gebleven waren. Van de 



XCVl 

hierboven vermelde rivierkeijen-bestrating werden ongeveer eenen 
halven meter, boven de bevloering, de overblijfsels gevonden; zij 
dagteekende dus waarschijnlijk van eenigszins lateren tijd, en 
kwam in de plaats van de vroegere, die op gelijke diepte als 
die bevloering en insgelijks uit keijen zamengesteld, aan de bin- 
nen- en buitenzijden werd aangetroflen. 

De plans en teekeningen, die op voorstel van de Commissie 
en op last des Ministers van het gevondene zouden vervaar- 
digd worden, blijft de Commissie, evenzeer als die van de ge- 
sloopte oude poorten en andere gebouwen, nog steeds te gemoet 
zien. Die bescheiden zullen gelegenheid kunnen geven, om na- 
derhand met meerdere naauwkeurigheid en opzettelijk het on- 
derwerp op nieuw in behandeling te nemen. 

De WijKER- OF Akerpoort. Ofschoon in haar bovenste ge- 
deelte door lateren, ook vrij nieuwen bouw in hare oorspronke- 
lijke gedaante aanmerkelijk gewijzigd, bood deze poort in haar 
geheel eene merkwaardige, en in hare hoofdvormen eene vrij 
gave proeve van vroegeren middeleeuwschen bouw, van te meer 
belang, daar ons vaderland zoo weinige overblijfsels van krijgs- 
bouwkunst uit dien ouden tijd, zoo als die ook in deze poort 
vertegenwoordigd worden, meer kan aanwijzen. 

Het gebouw nog zeer hecht en sterk bewaard gebleven, mogt. 
ook, behalve om zijne zeldzaamheid, aanspraak op een langer 
bestaan doen gelden. Geheel op zich zelf en afgescheiden van 
de thans aansluitende waUen kon het een goed, schilderachtig 
geheel bieden, vooral wanneer aan de buitenzijde, de gevel en de 
beide hoektorens tot onder op den bodem der drooge gracht 
vrij gemaakt en zigtbaar gehouden werden. Tegen dit laatste 
scheen geen bezwaar te bestaan, ook zelfs niet, al ware het dat 
de poortdoorgang ten gebruike van voetgangers dienstbaar bleef, 
en eene eenvoudige brug den toegang over dit gedeelte van 
de drooge gracht bleef bieden. Had men bedenking tegen de 
kosten van onderhoud van zulk eene brug, dan kon het ge- 
deelte van de gracht vóór het midden van den doorgang aange- 
vuld worden en konden de twee torens toch tot aan hunnen voet 
zigtbaar blijven Voor den algemeenen uitweg uit de Hooge 
brugstraat naar buiten, zou liet gebouw volstrekt geen belemme- 



XCVTI 

ring teweegbrengen. Wanneer die uitweg in de aslijn van de 
straat over hare geheele lengte werd gerigt, of anders een weinig 
zuidwaarts afwijkende langs den zuidelijken poorttoren gelegd 
werd, zou hij eene breedte van ten minste 1 5 meters verkregen 
hebben. Buiten de poort kon de weg met eene zeer geringe 
buiging links af, tot de voor hem ontworpen rigting terugkee- 
ren; over Rijkseigendom, de aldaar zich bevindende voorwerken, 
loopende werd hij niet bemoeijelijkt door onteigeningskosten, en 
waar eene meer wenschelijke rigting beschikking over een, altijd 
zeer klein, gedeelte gronds van bij zonderen eigendom mogt vorde- 
ren, kon men aannemen, dat die zaak door ruiling tegen aan- 
grenzenden Rijksgrond zonder geldelijke ofiers, geschikt zou 
kunnen worden. 

Met aanvoering van deze en andere, ook op plaatselijk onder- 
zoek gegronde beschouwingen, toegeli€ht door eene schetsteeke- 
ning, trachtte de Commissie het verzoek door het bestuur van 
het geschied- en oudheidkundig genootschap te Maastricht tot 
behoud van de poort bij de Regering ingediend^ te ondersteu- 
nen. Tot haar leedwezen mogten de pogingen niet baten. Welke 
overwegende redenen er voor de Regering bestonden om het 
sloopingsvonnis over de Akerpoort niet te herroepen, is de 
Commissie niet bekend geworden. Onder de redenen die door 
sommige inwoners van Wijk heeten aangevoerd te zijn, werden 
er ook genoemd, die te belagchelijk schijnen om haar als wer- 
kelijk in het midden gebragt aan te nemen. Zoo zouden de 
winteliers, vooral de houders van kroegen, aan de eene zijde 
van de straat hunne vrees geuit hebben, dat, indien de poort 
behouden bleef en de uitweg daarlangs gerigt werd, hunne 
nering benadeeld zou worden ten bate van hunne overburen! 
Hoe het zij, er was eene partij in de stad, die zoo zeer tegen 
het langer bestaan van het oude gebouw was ingenomen, dat 
zij op de van hooger hand te nemen beslissing, toen de zaak 
in behandeling was, niet kon wachten, maar haren handlangers 
in grooten getale op eenen achtermiddag zich tot de slooping 
aangordden, een niet onaanzienlijk gedeelte der poort begonnen 
af te breken, en hun vernielingswerk eenen geruimen tijd voort- 
zetteden, zonder dat hun dit door het openbaar gezag werd belet, 

G 

Jaarboek 1869. 



XCVIII 

of op die eigenmagtige handeUng eenige vervolging of straf, zoover 
de Commissie te weten kwam, schijnt toegepast geweest te zijn. 
Db oudk vestingtorkn bij de St. Maartenskerk te Wijk. 
Met betrekking tot hetgeen de Commissie vroeger heeft verrigt, 
om dezen toren, welks bestaan bedreigd werd, maar welks be- 
houd haar en velen met haar nog meer ter harte ging dan dat 
van de zooevengenoemde poort, te redden, kan men hare vroe- 
gere Verslagen raadplegen. Reeds voordat tot ontmanteling 
van Maastricht werd besloten was deze toren, vroeger als kruid- 
magazijn gebezigd, doch sedert buiten gebruik gebleven, en voor 
de verdediging niet meer dienende, van het Departement van 
Oorlog aan dat van Pinanciën overgegaan ; men mogt wel vree- 
zen dat voor onderhoud, laat staan voor herstel van het gebouw 
voortaan geene gelden zouden beschikbaar worden gesteld, tenzij 
eene nadere bestemming aan den toren toegekend dit noodza- 
kelijk mogt maken: en daartoe bestond niet veel kans. Eene 
poging van het gemeentebestuur, om den eigendom van den 
gewezen kmidtoren te erlangen en de hoop van belangstellende 
vrienden der oudheid en geschiedenis van Maastricht, dat dan 
bij het gemeentebestuur maatregelen genomen mogten worden tot 
behoud, hadden niet tot eenen gewenschten uitslag geleid, en 
waren zonder gevolg gebleven. Later had de deken der St. 
Maartens kerk te Wijk, aan welker terrein de toren belendde, 
aanvraag gedaan, om hem voor een groot aantal jaren in huur 
te erlangen, met het doel om hem als lijkenhuis te bezigen. 
Tegen zulk eene bestemming zou op zich zelve geen overwegend 
bezwaar hebben bestaan, wanneer althans het gebouw zoodoende 
tegen beschadiging of vernietiging behoed had kunnen worden; 
maar dan zou het uitwendig, evenmin als inwendig eenige ver- 
andering mogen hebben ondergaan, waardoor op zijnen oorspron- 
kelijken toestand eenige inbreuk werd te weeg gebragt. Wat 
echter omtrent het plan, tot het inrigten van het gebouw voor 
die nieuwe bestemming aan de Commissie bekend werd. zou 
met die voorwaarden bepaald in strijd geweest lijn. Daarom 
besloot het bestuur van het geschied- en oudheidkundig ge- 
nootschap te Maastricht zich tot den Minister van Financiën te 
rigten, met het verzoek, dat bij de verhuring van den toren aan 



XCIX 

de kerk bepaald werd, dat noch het gewelf, noch eenige trap 
mogten worden weggebroken, en in het algemeen geene veran- 
deringen geschieden aan het oorspronkelijke gebouw, zooals aan 
ramen, deuren, schietgaten, enz. dan na voora^aand overleg 
met eenen oudheidkundige, daartoe door den Minister te benoe- 
men. De Commissie had van hare zijde bij den Minister van 
Binnenlandsche Zaken getracht te betoogen, dat, welke bestem- 
ming ook aan den toren mogt worden gegeven, geene verande- 
ringen of^ wijzigingen moesten aangebragt worden, waardoor de 
oorspronkelijke of nog bewaard gebleven bouw en inrigting ver- 
stoord konden worden. Zij sprak tevens haren wensch uit, dat 
door het wegnemen van de dikke bevloering van zware boom- 
stammen, vroeger zaamgesteld om de benedenverdieping bomvrij 
te maken, door het aanbrengen van nieuwe zolderingen voor de 
verschillende verdiepingen, door het wegnemen van liet dak bo- 
ven den eersten omgang, die geheel onbedekt moest en kon 
blijven, en welks kanteelen gemakkehjk en zonder kosten konden 
worden vrijgemaakt, en eindelijk door het herstel van de kap- 
bedekking, het geheel zooveel mogelijk tot zijnen oorspronkelijken 
vorm teruggebragt, ab eene merkwaardige en zeldzame proeve 
van vaderlandschen krijgsbouw uit vroegeren tijd, bewaard mogt 
blijven. 

De termen, waarin eene afwijzende beslissing, onder dagteeke- 
ning van 30 Junij 1868, aan het genootschapsbestuur werd 
bekend gemaakt, wettigden de onderstelling, dat de Minister van 
Financiën omtrent de bouwkundige bijzonderheden van den 
toren, den betrekkelijken ouderdom van zijne verschillende deelen, 
en hunne meerdere of mindere oorspronkelijklieid, niet naauw- 
keurig en dus ook waarschijnlijk niet door eenen bevoegden 
deskundige was ingelicht. De voorzitter van het genootschap 
diende daarom een nader vertoog in, waarbij hij op goede en 
naar het oordeel der Commissie, aan wie de inhoud van dit 
stuk werd medegedeeld, ook onafwijsbare gronden, op nieuw tegen 
de voorgenomen veranderingen opkwam, als zullende daarvan eene 
verminking van het karakter van het gebouw een onvermijdelijk 
gevolg wezen ; tevens werd nader aanbevolen, dat tot geene ver- 
anderingen, welke ook, magtiging mogt verleend worden, dan 



onder raadpleging met en goedkeuring van eenen bevoegden 
oudheidkundige. 

Of deze nieuwe poging van wege het genootschap eenige 
werking heeft gehad, is niet gebleken, maar de verdere loop van 
zaken heeft bewezen, dat het plan om den toren aan de kerk in 
huur te geven geheel ter zijde werd gesteld en het oorspronke- 
lijk hoofddoel, de geheele slooping van het gebouw, maar al t/C 
spoedig en volkomen is bereikt geworden. Op den 14^^^ Novem- 
ber van het vorige jaar, werd van wege het Ministerie van Fi- 
nanciën de slooping van het oude gebouw openlijk aanbesteed; 
vier dagen later deden eenige belangstellende inwoners der stad, 
die zich tot dat doel vereenigd hadden, eene laatste poging, 
door zich tot den Minister te wenden met het verzoek om den 
toren h{ ten geschenke te mogen erlangen, of tegen billijke be- 
taling in eigendom te mogen overnemen; het voorzittend hd 
der Commissie begaf zich opzettelijk tot den Minister van Bin- 
nenlandsche Zaken, om diens tusschenkomst tot afwending van 
het dreigende gevaar te winnen. Alles bleef vruchteloos ! op den 
1 2^^^ November ontving men te Maastricht per telegram het be • 
vel tot slooping; en weldra was het werk der vernieling vol- 
bragt. De afbraak werd gebezigd, om eenen dam in de rivier 
te leggen ter wijziging van den loop des strooms. Een eer- 
waardig, en misschien wel in ons vaderland eenig gedenkteeken, 
dat den loop van zes eeuwen had getrotseerd, werd in den let- 
terlijken zin in het water geworpen, en de geschiedschrijver der 
kunst in Nederland heeft eene daad te boeken, die eene zeer 
treurige bladzijde in hare gedenkrollen zal beslaan, als een be- 
schuldigende getuige optreedt tegenover gebrek van kunstzin en 
piëteitsgevoel bij het geslacht der tegenwoordige eeuw, met be- 
trekking tot de gewrochten en daden der voorouders. 

Eene naauwkeurige beschrijving van den toren zal welligt 
later geleverd worden, wanneer daarmede de zigtbare voorstelling 
in plans en teekeningen gepaard kan gaan. Hier worde nog 
slechts ter loops vermeld, welke geschiedkundige herinneringen 
er zich aan paarden. 

Gesticht in den aanvang van de dertiende eeuw, vermoedelijk 
in 1204, tot verdediging van eene brug, die toen op die plaats 



Cl 

over de Maas was gelegd, had zij, volgeus de kroniekschrij- 
vers, in 1267 eene belegering te doorstaan vanHENDKEiK van 
Gelder, den bisschop van Luik. Nu en dan diende het ge- 
bouw tot gevangenis; in 1490 werd Bobeut d'Auem beug met 
de burgtvrouw van Montfort er in opgesloten. In 1579 diende 
het waarschijnlijk als laatste toevlugtsoord aan den Ingenieur 
Basttan Tappin, die zich in de verdediging van Maastricht 
tegen den Hertog van Farma eenen beroemden naam verwierf. 
Hij trok, nadat Maastricht in de handen der Spanjaarden ge- 
vallen was, over de brug terug naar Wijk en verdedigde zich 
dair met zijne weinige dapperen tegen den van alle zijden 
aanrokkenden, overmagtigen vijand, tot dat hij zelf zwaar ge- 
wond, zich na een beleg dat vier maanden geduurd had, moest 
overgeven. 

En welke waren nu de redenen, gewigtig genoeg om, tegen 
den wensch van vele geachte ingezetenen van Maastricht, tegen 
dien van het bestuur van het Limburgsche geschil- en oud- 
heidkundige genootschap en tegen den herhaalden raad van de 
Commissie der Koninklijke Akademie, het vonnis der vernie- 
tiging, men zou schier zeggen op het laatst m#t eene koortsach- 
tige haast, ten uitvoer te leggen? Het Akademielid, Baron Sloet 
VAN DB Bkele, gaf in de zitting van de Tweede Kamer van 
Maandag den 13^«» December j.1. (zie Bijblad NdL Staals-CrL 
1868 — 1869, bladzz. 579 en 580j zijn leedwezen te kennen 
over het sloopingswerk, en verkreeg van de bij de zaak betrokken 
Ministers tot antwoord, dat //de toren werkelijk in den weg 
'/stond; dat het zeer wenschelijk was hem weg te nemen, om 
'/dat hij digt in de nabijheid stond van een modem gebouwd 
//kerkje" en dat //de ingezetenen van Maastricht op goede 
//gronden meenden dat het gebouw werkelijk in den weg stond" 
dat '/oudheden geen regt van bestaan hebben, als zij hettegen- 
//woordig geslacht hinderen. ^^ 

Het mag wel eenige bevreemding wekken, dat die bewering 
van het //in den weg staan" van den toren geene wederspraak 
heeft uitgelokt. Zeker is het dat die overtuiging bij zeer velen 
in Maastricht niet gevestigd was, en de hindernis die het 
tegenwoordig geslacht van dit oude gebouw ondervond, nog wel 



CII 

eeiiig nader onderzoek en bewijs had gevorderd, evenzeer als de 
in een vroeger Verslag aangehaalde meeuing van eenen hoog- 
geplaatsten Staatsman^ dat de toren //geene oudheidkundige 
// waarde bezat," en de uitspraak van eene andere zijde, dat 
hij //geene fraaije werking deed." Stond de toren in den weg, 
dan was dit waarschijnlijk alleen het geval, (zoo althans vernam 
een der Commissieleden bij zijn bezoek in Maastricht) voor de 
plegtige optogten, die de deken van St, Maarten rondom zijn 
kerkgebouw mogt wenschelijk achten. Dat er waren die geheel 
anders over het onderwerp dachten, kan blijken uit de, blijkbaar 
uit eene kundige en bevoegde pen gevloeide artikels in de 
Courier de la Meuse^ Journal du Limbourg^ van 4 November 
1868, n". 258, en van vier dagen later n®. 262. 

Ook op eene andere, misschien wel de oudste der Maas- 
trichtsche poorten, de Helpoort^ die echter als niet behoorende 
tot de verdedigingswerken, en ook als uitgang uit de stad niet 
meer dienende, bij de ontmanteling althans, geen gevaar loopt, 
meende de Commissie de aandacht der Eegering te moeten 
vestigen, vooral omdat de toestand van dit gebouw, wil het 
behouden blijven,, dringende behoefte aan herstel heeft. Ook 
gaf zij als wenscheUjk te kennen, dat een tweetal westelijk, het 
naast bij die poort zich bevindende waltorens, als goed bewaarde 
proeven van de reeks van soortgelijke verdedingswerken, die 
met de ringmuren en wallen der vesting zullen verdwijnen, 
gespaard mogten blijven. Met den tusschenliggenden wal, het 
water van de gracht, en het geboomte aan de overzijde zijn 
die waltorens van eene fraaije werking. 

De Commissie ontveinst zich de bezwaren niet, die voor de 
Regering bestaan in het aanwijzen van gelden voor het herstel 
en onderhoud van zulke oude overblijfsels gevorderd, maar zij 
zou van eene onderhandeling en zamenwerking tusschen de 
gemeentebesturen en de Regering, met name ook te Maastricht, 
zoo rijk in uitnemend belangrijke gebouwen en gedenkteekenen, 
blijde uitkomsten verwachten, en de kans, dat menig verlies, 
voor de geschiedenis en kunst zou kunnen voorkomen worden. 

VOORWKKPEN BIJ DB OI)TMANT£LINGSW£RKEN TB MAASTRICHT 

GEVONDEN. Enkele dezer voorwerpen, zijn in vorige Verslagen 



cm 

venneld. Over liunne bestemming door de Regering geraad- 
pleegd, heeft de Commissie aanbevolen, eenige steenen met op- 
schriften, als regtstreeks tot de geschiedenis der stad in betrek- 
king staande, aan bet geschied en oudheidkundig genootschap 
te Maastricht toe te wijzen; voor het ontworpen Museum voor 
vaderlandsche geschiedenis, beschaving enz., sedert den grafe- 
lijken tijd, alles aftezonderen, wat voor die verzameling, vooral 
met het oog op de geschiedenis der vaderlandsche nijverheid, 
kan dienen; voor de verzameling van oud krijgsmaterieel aan 
het Departement van Oorlog, de wapens; bij het Koninklijk 
J[abinet van penningen en gesneden steenen te 's Gravenhage, 
de munten en penningen ter beschikking te stellen, voor zoover 
die kunnen strekken om i&éit bestaande gapingen aan te vullen, 
maar al de overige af te staan aan het bovengenoemde Genoot- 
schap; aan het Rijks-Museum voor Natuurlijke historie te Lei- 
den eenigen versteeningen ; aan het Anatomisch Kabinet der Hoo- 
geschool te Leiden drie schedels ; en aan het Rijks-Museum van 
Oudheden aldaar, een bronzen kinderhoofdje, zoo althans dit 
voorwerp bij de Onze-Lieve- Vrouwepoort gevonden, blijken 
mogt van Romeinschen oorsprong te zijn. De Minister heeft 
aan de toewijziging zijne goedkeuring geschonken. De achter 
het Yerslag a%edrukte bijlaag levert eenen naauwkeurig om- 
schrijvende lijst der gevonden voorwerpen, met welker zamenstel- 
ling Jhr Victor de Stübrs nieuwe bewijzen van zijne werkdadige 
belangsteUing heeft gegeven. 

Koperen tabaksdoos bij den noorder IJdijk gevonden. Deze 
doos van geel koper, aan de beide einden afgerond, met open- 
slaand deksel, heeft eene lengte van 16,2, bij eene breedte van 

4.7 en eene hoogte van 3 centimeters, en is, zoowel boven op 
het deksel, als onder aan de buitenzijde van den bodem, met 
vrij goed drijftrerk versierd. Op het deksel vijf medaillons, elk 

2.8 centimeters middellijn, de tusschenruimte met bladwerk aan- 
gevtdd. Het i® medaillon, eene voorstelling en het opschrift van 
de VICTORIE BIJ LüwosiTZ, 1756; het 2®, victorie bij Rei- 
oiiENSBERG, 1757; het 3® borstbeeld regts gezien en met het 
omschrift van Eridericus Borüssorüm rex ; het 4® medaillon, 
voorstelling met het opschrift: Bombardement van Praag; en 



CIV 

5® medaillon, voorstelling met opschrift victorie bij Paaag, 
DEN 6 May 1757. 

Onder deze reeks van medaillons, in het midden, het opschrift : 

Friderigus Boruss<»r Bex. 

Den GrooTen Fredrik Haald al 

STRYDENDE DEN ZEEGEN IN PrAAO 

De Groote stad van roemen 

EN OMRINGD. lOHAN AK. 

Aan de eene zijde eene voorstelling van den slag bij Ros- 
bach, waarboven: coaiplete victorie 1757 bij rosbach; aan 
de andere zijde, de slag bij Lissa, waarboven victorie bij 
LisSA 1757. 

Op den bodem, in het midden een medaillon van 4,4 centim. 
in middellijn, met het borstbeeld van den vorst regts gezien, 
in harnas, met ridderorde en laanwerkrans ; omschrift : Frideri- 
cus :•: BoRUSSORUM :•: rex. Boven het medaillon regts: i.ak. m. 
Aan de eene zijde van dit medaillon, de beelden ten voete uit 
van : 1® den vorst in zijne wapenrusting regts van voren gezien, 
de linkeAand op den uitgetogen degen, de regter op een eirond 
schild rustende, waarop de letters F. E. ; vóór hem, 2®, de Ge- 
regtigheid, links gezien, met het zwaard in de linker ; 3®, Mars 
regts gezien, met schild aan den linkerarm, de speer in de reg- 
terhand , en voor hem, 4®, de Faam, links van voren gezien met 
de bazuin in de regterhand aan den mond, eenen palmtak in 
de linkeT. 

Aan de andere zijde van het medaillon: 5®, de Faam als vo- 
ren, de bazuin in de linker en met den palmtak in de regter- 
hand; vóór haar, 6®, Hercules met de knods in den linkerarm 
over den schouder ; 7®, Atlas regts van voren gezien, geheel naakt, 
met den wereldbol op zijnen hals, en vóór hem, 8®, de vorst in 
krijgsdosch, doch met mantel, en met den schepter in de reg- 
terhand. Eindelijk onder de vier eerste beelden het opschrift: 

YOORST DIEN BARBAS 
EN NOHRDER KRONEN V^AR 
DIE TELT BEER DIEN DE NASAT 
EENS BIJ GROOTE HELDEN 

STELT. 



cv 

Onder de vier beelden aan de andere zijde: 

van uwe heldendaad 
is bosbagh een bewys 
vor uet k0n16ryc 
de vreugd vor 
Frederig :•: 

DE PRTS. 

Bondom arabesken en andere figuren in den stijl van dien tijd. 

Het werk, alles gedreven of uitgeslagen, is niet slecht en 
doet den maker, waarschijnlijk op het deksel in de letters loiiAX. 
AK, op den bodem met de letters i. ak. m aangeduid^ geen 
oneer; vermoedelijk was hij een graveur van gedenkpenningen, 
en is het geheel een voortbrengsel van eene Duitsche fabriek, 
die voor dezen haren kunsttak in ons vaderland zeker wel eene 
gunstige markt vond. De kreupelverzen op den bodem verra- 
den den vreemdeling in onze taal en pleiten voor Duitsche 
afkomst. 

Op de Tentoonstelling van voor Nederland belangrijke oud- 
heden en merkwaarheden, te Utrecht in Junij en Julij J857 
gehouden, vond men eene doos op den CataloguH bl. \i on- 
der N\ 28 beschreven, als : // eene koperen tabaksdoos met 
//de afbeelding van een veld- en zeeslag, en een portret van 
'^den koning en den prins van Pruissen, van 1757;" dus ook 
op de krijgsdaden van Frederik II betrekkelijk, en misschien 
wel van de hand van denzelfden kunstenaar, wiens naam wij 
onder Johan Ak. M. op onze doos meenden te moeten zoeken. 
T^e Utrechtsche doos was, en is misschien nog, in het bezit 
van den heer J. W. Geel en aldaar. 

Al moge nu de bij den noorder Ydijk gevonden doos niet 
van inlandsche fabriek zijn, (ofschoon de mogelijkheid niet ont- 
kend behoeft te worden, daar een Duitscher zich ook aan dezen 
nijverheidstak in ons vaderland zou hebben kunnen wijden), 
zoo was zij toch ongetwijfeld voor gebruik hier te lande be- 
stemd en mag zij dus ook beschouwd worden als eene bijdrage 
tot de kennis van de zeden en gewoonten in Nederland, ruim 
eene eeuw geleden. De Commissie was daarom van oordeel, dat 
zij, met bestemming voor het Rijksmuseum voor vaderlandsche 



CVI 

geschiedenis, kunst en beschaving sedert den grafelijken tijd 
bewaard behoorde te blijven, en meende den Minister te moe- 
ten aanraden, om haar tegen billijke schadeloosstelling aan den 
vinder, over te nemen. 

IlANDSCHRIFr BETRBKKBLIJK ÜP HET KLOOSTER TE UdEN in 

het land van Ravenstein. Dit stuk, acht bladzijden in f vul- 
lende, levert eene, waarschijnlijk in of ongeveer 1847, in het 
Duitsch gestelde, geschiedkundige schets van het Brigittijnen 
klooster te LTden. Eerst in het klooster Mariënwater (vroeger 
Koudewater of Cauwaeter) nabij 'sHertogenbosch gevestigd, had- 
den de geestelijke broeders en zusters (het klooster was in twee 
verschillende afdeelingen, eene voor mannen en eene voor vrou- 
wen, behoorlijk van elkander afgescheiden, verdeeld) de bezit- 
tingen van dat gesticht, nadat laatstgemelde vesting in 1629 
in de magt der Staten was gekomen, ook aan de Staten moeten 
zien overgaan, en werden aan de zusters onderhoud en verblijf 
tot dat de langstlevende zou gestorven zijn, gewaarborgd. De 
laatst overgeblevene, eene non, Maria Verdonk, bereikte eenen 
meer dan honderdjarigen ouderdom en na haar overlijden werden 
gebouwen en tuinen in 1713 openbaar verkocht. Eenige uit 
Calcar naar Koudewater overgekomen zusters, die ter verpleging 
der hoogbejaarde lieden zich tijdelijk aldaar gevestigd hadden, 
moesten toen natuurlijk eene andere schuilplaats zoeken. Zij 
vonden die te Uden, waar zij een nieuw klooster stichtten om 
zich aan de opvoeding der jeugd te wijden. Na ook dddr, in den 
loop der gebeurtenissen waaraan ons land onderworpen was, vele 
bezwaren en moeijelijkheden ondervonden te hebben, kwam de 
stichting onder Koning Willem II, tot een meer gevestigd be- 
staan, en van lieverlede tot eenen bloeijenden toestand. Reeds in 
1843 stichtte het klooster eene soortgelijke inrigting te Weert, 
waar ook het onderwijs van meisjes het hoofddoel was. In Uden 
blijven de zusters zich ook de opleiding en het onderwijs van 
meisjes als hoofdzaak stellen. Eene school in het klooster werd, 
tijdens de schets geschreven werd, door een gemiddeld aantal 
van 100 kinderen bezocht, terwijl eene in 1844 geopende zon- 
dagsschool voor meisjes van middelbaren leeftijd, een 120tal 
leerlingen telde. Aan het slot van het stuk worden lijsten ge- 



cvn 

geven vau de Oversten vau het klooster van ilóü tot 1847, 
en van de Eectoren tot op 184-3. 

Wanneer het Commissielid de heer Moll^ in wiens handen het 
stuk gesteld was, daarvan vroeger kennis had erlangd, zou hij van 
den inhoud gaarne voor het 2^® stuk IP deel zijner Kerkgewhie- 
denis gebruik hebben gemaakt ; nu echter was dit gedeelte van 
zijn werk reeds afgedrukt. Op zijn voorstel werd het ilS., onder 
vriendehjken dank aan den inzender, Dr. Wap, teruggegeven 

KoPBRgN VIJZEL van de 16^ eeuw. Van rood koper gegoten, 
bekervormig, en bijna geheel als uit eene vereeniging van lijst- 
werk zaamgesteld. Hoog 11,5, middellijn boven 15,3, onder 
aan den voet 10,1 centimeters; om het midden in verheven 
werk zinnebeeldige versiering, waaronder eene vaas met vuur 
in het midden tusschen twee monstersalamanders, waarschijnlijk 
doelende op de bestemming tot chemisch en apothekersgebruik. 
Onmiddehjk onder den bovensten rand, in insgelijks verheven 
Bomaansche letters het opschrift: Petrus van dbr Gheln, me 
FBciT. M.DDDDD.LXi CU ccu vierbladcrig bloempje als scheidings- 
teeken* 

Petrus van der Ghein, was in zijnen tijd een verdienstelijk 
kunstenaar in zijn vak, en heeft menig voortbrengsel van zijne 
hand nagelaten. Op de hierboven reeds aangehaalde, te Utrecht 
in den zomer van 1857 gehouden tentoonstelling, heeft men 
een gegoten klokje kunnen zien met omschrift: O mater Dei, 
MEMENTO mei, en Petrus Gheineus me pecit 1568; het klokje 
behoorde aan den heer J. van der Pant te Utrecht, zie den 
Q/^// '^«5 der tentoonstelling, blz. 12, n". 15. Eene bronzen tafel- 
schel met den naam Martynus Wiellem Jacobs, en op den voet 
het omschrift: me fegit Petrus a Gein, mdlxui eigendom van 
Dr. H. J. Broers; Catalogus, blz. 12, n°. 19. Nog eene andere 
schel met omschriften : L(o)p Got boven al en Petrus Ghey(ne)üs 
ME PECYT, 1565, toebehoorende aan Jhr. J. P. Six van Hil- 
legom te Amsterdam; Catalogus, blz. 13, n**. 64. Op de tentoon- 
stelling van voorwerpen van kunst en nijverheid, gehouden te 
Amsterdam door de Maatschappij Arti et amicitiae van 1 Pebruarij 
tot 18 Maart 1854, waren ook twee tafelscheUen van denzelf- 
den maker, de eene eigendom van Mevr. de Wed. Drabbe, 



CVIII 

geb. ToLLius, de andere van den heer C. G. Boonzajer te Go- 
rinchem, ingezonden^ zie Catalogus blz. 4, n". 144 en 145. Van 
beide was de steel door drie amors gevormd, en beide hadden 
tot opschrift: me pecit Petrus Gheinus, de eerste met het 
jaartal 1568, de laatste dat van 15S8. Op de latere tentoon- 
stelling van dezelfde Maatschappij in April en Mei 1858 ge- 
houden, bevond zich nog eene tafelschel toebehoorende aan den 
heer A. J. Lamme, versierd met eene voorstelling van Orpheus 
tusschen de dieren op eene viool spelende, en de opschriften : 
o mater dei memento mei, en: Petrus Gheynbus me fegit, 
1568, zie Catalogus, blz. 47, n°. 1269. Op de latere te Delft 
gehouden tentoonstelling zullen enkele dezer of welligt ook an- 
dere gietwerken van onzen landgenoot van Ghein wel niet ont- 
broken hebben. 

Munten uit Snebk. Twee zilveren denarii, de eene, een 
Romeinsche, zou te Maasbree in het Hertogdom Limburg ge- 
vonden geweest zijn, had kenbaar eenen tijd lang gediend als 
sieraad van eenen horologieketting of diergelijk, en was van 
Faüstina Major ; op de voorz. het borstbeeld van de keizerin 
regts gezien, met het omschrift: diva rAüST(iNA), keerz eene 
regts omziende vrouwelijke figuur, met de regterhand op den 
langen schepter steunende, met de linker haar kleed ophou- 
dende, omschrift AuGUSTA. 

De andere munt is een zilveren denarius van keizer Lodewijk, 
te Keulen geslagen. Voorz. kruis met vier bollen tusschen de 
balken, omschrift Ludovicus Rex; keerzijde Colonia, met letters 
die van de eerste naar de laatste steeds kleiner worden; daar- 
boven eene S met dwarsbalk (■&) en onder, eene a. Volgens 
bijgevoegd berigt was het muntje in eene aarden pot, tusschen 
Swalmen en de Pruissische grenzen gevonden, op omtrent een 
uur afstand van Roermond. 

Eene poging, om beide muntjes voor het koninklijk Kabinet 
van penningen en gesneden steenen te 's Gravenhage te ver- 
werven, had geen gewenscht gevolg. 

Gouden Zegelring bij de kanaalwerken door den hoek van 
Holland gevonden. Op het ronde schild was, in eenen dubbelen 
parekand, welks binnengedeelte met krulfiguren versierd was, 



CTX 
het hier a^beelde, zoogenaamd familie- of huismerk ingesneden 







zaamgesteld uit eenen vorm van eenen regthoekigen driehoek, 
welks horizontale lijn verlengd is en dan door eene X gesloten 
wordt ; in de naar onder verlengde loodlijn, zijn boven elkander 
de letters R en T) aangebragt, eindigende die lijn in twee X 
nevens elkander. De letters R 1) zullen wel de eerste van de 
namen des eigenaars zijn. 

De vergadering meende aan dien ring wel eenige meerdere 
dan de metaalswaarde te mogen hechten, al ware het dat hij, 
in de nabijheid van en met eenige zilveren Engelsche munten 
van de jaren 1602, 1611 en 1620 gevonden, welligt tot geen 
hoogeren ouderdom opklom, en ook eenigszins tot het vermoe- 
den kon leiden dat hij van Engelschen oorsprong was. In elk 
geval leverde hij eene nuttige bijdrage tot de geschiedenis der 
geslachtswapens. Daar nu de ontdekking, bij uitvoering van 
Rijkswerken en reeds in Mei, dus ongeveer zes maanden gele- 
den had plaats gehad, en volgens de bestaande bepalingen alle 
gevonden voorwerpen van kunst, tegen waardeering aan de di- 
rectiën opgeleverd en aan het Ministerie van Binnenlandsche 
Zaken worden opgezonden, besloot de Commissie zich tot den 
Minister te rigten, met het verzoek, om aangaande het lot van 
den ring, welks bewaring in eene vaderlandsche verzameling 
zij wenschelijk achtte, eenige inlichting te mogen erlangen Uit 
het daarop verkregen antwoord bleek, dat de ring niet aan het 
Departement, maar met de genoemde munten, regtstreeks aan 
den Opzigter van het Koninklijk kabinet van penningen en 
gegraveerde steenen ter beoordeeling en waardeering aangeboden 
was, ten einde hem, des verlangd, voor die verzameling aan te 
koopen; dat genoemde Opzigter, meenende evenmin voor het 
Kabinet van penningen, als voor eenige andere verzameling 
eenig belang in den ring te kunnen erkennen, ook tot den 
aankoop niet was overgegaan ; dat de ring, volgens door hem 



ex 

ingewonnen berigt, niet in den smeltkroes geworpen maar in 
den handel gekomen was, -en dus de mogelijkheid bestond 
dat het voorwerp nog voor vernietiging bewaard was gebleven. 
De Minister meende met deze inlichtingen genoegen te kunnen 
nemen; de Commissie moest natuurlijk in den afloop berus- 
ten, maar indien haar raad was gevraagd, zou zij op goede 
gronden zeker niet met het gevoelen van den heer Opzigter 
van het Koninklijk Kabinet hebben ingestemd. Zij betreurt het 
zeer, dat men zich de gelegenheid om dien ring te behouden 
heeft laten ontgaan, en doet dat te meer, om dat zij van haren 
kant vernomen heeft, dat hij het lot van smelting niet heeft 
kunnen ontgaan. 

Het gemeentb-arghiep te Zwolle. In het Verslag van het 
vorige jaar, blzz. 39, 40 {Jaarh, Cl, CII) werd de aandacht ge- 
vestigd op den minder gewenschten toestand, waarin eene zeer 
aanzienlijke verzameling HSS. en boeken verkeerde, afkomstig van 
het vroegere, zoo beroemde klooster van Windesheim en van an- 
dere geestelijke gestichten, alsmede van onderscheidene gilden, op 
het Raadhuis te Zwolle nog aanwezig en behoorende tot het 
archief dier gemeente. Het was haar gebleken dat eene betere 
verzorging en doelmatige plaatsing dier schatten volstrekt gevor- 
derd werden, en zij mag er met eenige voldoening op wijzen, 
dat hare bemoeijingen aanvankelijk eene goede werking gehad, 
de belangstelling voor die oorkonden hebben opgewekt. Dr. W. 
J. A. HüBERTS, directeur der Rijks hoogere burgerschool, ont- 
ving in Julij 1868 van burgemeester en wethouders eene op- 
dragt, om den toestand van het stedelijk archief op te nemen, 
en een verslag dienaangaande in te dienen. Aan dat verlangen 
werd voldaan en den heer Huberts, die van zijne bevoegdheid 
voor zulke taak reeds elders de bewijzen had gegeven, diende 
in de vergadering van den gemeenteraad van maandag den 
15den Pebruarij 1869 een verslag in, (zie bladz. 19 en 20 van 
de Handelingen van den Gemeenteraad 1869. II) waarin een 
beknopt overzigt van den omvang en den aard der stukken 
van het archief werd gegeven, een voorstel gedaan van be- 
hoorlijke plaatsing in een ruim lokaal op het Raadhuis, en 
een ontwerp geleverd van indeeling en rangschikking der be- 



CXT 

scheiden, en voor de inrigting van eenen uitvoerigen Catalogus; 
wordende eindelijk een tijdsverloop van zeven of acht jaren 
geraamd, als waarschijnlijk vereischt om het archief geheel 
volgens de eischen der wetenschap te ordenen, en den Catalogus 
gedrukt, althans voor de pers in gereedheid te hebben. De 
Conunissie aarzelt niet haren wenscli uit te spreken, dat de 
voorstellen van Dr. Huberts in den gemeenteraad algemeene 
goedkeuring mogen erlangen, en hem, zoo zijne werkzaamheden 
het gedoogen, de belangrijke taak opgedragen worde om die voor- 
stellen tot verwezenlijking te brengen. 

KiNDERSTOBL, ZOO het heet, van Erasmüs. In eene boeren- 
hofstede, thans nog met den naam van // het klooster'' onder- 
scheiden, in het land van Stein tegenover Haastrecht gelegen, 
en die vroeger een gedeelte zou hebben uitgemaakt van het 
klooster Emmaus^ ook wel Tersteene geheeten, wordt sedert 
langen tijd een eikenhouten kinderstoeltje bewaard, dat, volgens 
de daaraan verbonden overlevering, in de eerste levensjaren ge- 
diend zou hebben aan den, naderhand zoo vermaarden, vader- 
landschen geleerde, die met den roem van zijnen naam Eiuropa 
heeft vervuld. Erasmus, zoo luidt het verhaal verder, zou in het 
klooster, na den dood zijner vroeg gestorven moeder een tijd lang 
verpleegd en het door hem gebezigde stoeltje aldaar bewaard ge- 
bleven zijn; uit den brand van 1549, waarbij het gesticht ten 
gronde ging, werd het stoeltje gered, kwam in bezit van den be- 
woner der boerderij, die op de plaats van het klooster was opge- 
bouwd, en bleef tot heden in die woning berusten, waar de boer 
van de nu en dan komende bezoekers voor de bezigtiging van 
het, zorgvuldig in eene kast weggesloten voorwerp, eene kleine 
geldehjke belooning ontvangt. Kon men werkelijk aan het meubel 
dien ouderdom toekennen, en met genoegzamen grond er de her- 
innering van den beroemden Erasmüs aan hechten, dan zou het 
geheel op den weg der Commissie liggen, om voor eene betere 
bewaarplaats te zorgen, en den eigendom er van voor het Rijk te 
verkrijgen. Doch zoolang voor die overlevering alle bewijs gemist 
wordt, kan er wel niet veel waarde aan gehecht worden. Toen 
Erasmüs op aandrang van zijne vrienden in 1487 zich in het 
klooster Emmaus ging vestigen, was hij den kinderstoel reeds lang 



cxn 

ontwassen. Ondertusschen meende de Provinciale opzigter van den 
Waterstaat de heer J. H. van Echten, die op het onderwerp de 
aandacht van den Hoofdingenieur van het 1 O'' district, den heer 
AuGiER te 's Gravenhage, had gevestigd , dat het stoeltje in zijnen 
vorm de blijken droeg van eenen hoogen ouderdom, in welk geval 
het als eene niet onbelangrijke bijdraag tot de zeden en gebruiken 
van onze. voorouders beschouwd zou moeten worden. De Com- 
missie stelt zich daarom voor, om bii eene eerste geschikte 
gelegenheid, door persoonlijk onderzoek van een harer leden zich 
nader in te lichten; zij gaf daarvan, onder dankbetuiging van 
de ontvangen mededeeling den heer Hoofdingenieur berigt. 

Kerk te Stoiavijk. Over dit gebouw, dat reeds gedurende 
meer dan twee jaren, sedert het door den brand vernield werd, 
als een bouwval aan zijn lot was overgelaten, heeft het Verslag 
over 1867 blz. 38 {Jaarh. blz. CXXXVIJ) en dat over 1868 
blz. 19 (Jaarh, blz. LXXXI) een en ander medegedeeld. De 
moeijelijkheden, die voor den herbouw tusschen het kerkbe- 
stuur en de Brandwaarborg -maatschappij ontstaan waren, schij- 
nen eindelijk tot een vergelijk geleid te hebben; althans werd 
de toren in het afgeloopen jaar wederom geheel en al hersteld, 
en in den aanvang van het loopende jaar de slooping van de 
bouwvallen der oude, en de bouw eener geheel nieuwe kerk 
aanbesteed. 

Bij de slooping der oude muren, waarmede zeer kortgeleden 
een aanvang is gemaakt, werd, niet zooals in enkele Dag- 
bladberigten gemeld is, in de kolommen, maar in het bovenste 
gedeelte van den koorwand eene groote menigte potjes van 
gebakken aardewerk gevonden, die, geheel ledig met de opening 
naar het inwendige van het gebouw gekeerd en ddar zigtbaar, 
waren ingemetseld. Reeds in 1882 had men bij eene herstelling 
van de kerk, eenige dier potjes ontdekt, toen ook een of meer 
hunner uitgenomen en nader onderzocht, maar hen ook wederom 
ingemetseld en aan de zaak verder geen aandacht geschonken 
Van het zestal door den Burgemeester aan de Commissie over- 
gemaakt, schijnen vijf opzettelijk tot het doel, waarmede zij in 
den bouw werden aangebragt, vervaardigd te zijn. Zij zijn niet 
verglaasd, hebben eene blaasvormige gedaante, dus geen voet, 



CXTTl 

eene hoogte van ongeveer 17,5, aan den buik eene middellijn 
van Ifi, aan de opening van 9 centimeters. Het zesde potje, 
was oorspronkelijk tot huiselijk gebruik bestemd, als zijnde een 
kannetje met zeer wijde opening, één oor en drie j)ootjes, en 
van binnen verglaasd, hoog 12,5, middellijn aan den buik 1«$ 
en aan de opening J 0,5 centimeters. Een der eerstgenoemde 
scheen in de kalk die er nog aan verbonden was, het bewijs te 
dragen dat liet, niet vlak liggende, maar regtop staande ingemet- 
seld was geweest; want de glad afgewerkte bepleistering, die den 
binnenwand van het koor bedekte, en tegen de zijde van het 
potje was overgebleven, was met iedere andere rigting dan de 
regtop staande in wederspraak. Het is echter mogelijk dat hier 
eene uitzondering plaats greep, of men bij het weder inzetten 
van de in 1832 uitgenomen potjes, zich om Inmne vroegere rig- 
ting minder bekommerd heeft. Hoe het zij, wij staan hier voor 
eene bijzon^rheid die de aandacht wel trekken mag en verder 
onderzoek verdient. Waarschijnlijk verbeelde men zich in die 
voorwerpen een middel te erlangen tot versterking van het 
geluid, eene opvatting die slechts langs den praktischen weg 
tot zekerheid zou te brengen zijn. Waren de potjes in de 
buitenzijde van den muur en met de openingen buitenwaarts 
gekeerd gevonden, dan zou de gedachte aan de musschentorens, 
waarover hierboven met een woord gerept werd, zich van zelve 
opdoen. De potten die ook nu nog in enkele gedeelten van 
ons land, vooral op de dorpen tegen de gevels der woningen 
worden opgehangen, om den rausschen tot het maken hnnner 
nesten te dienen, hebben in vorm en grootte met die uit de 
Stolwijksche kerk veel overeenkomst *). 

Grafsteen van Theodorigus of Dirk van Herken te Win- 
DESHEiM. De zaak van het overbrengen van de grafzerk van 
den, vooral voor de opvoeding van de jeugd zoo verdienstelijken, 
Windesheimschen geestelijke, en de inmetseling in den kerkmuur, 
waarop in het vorig Verslag, blzz. 38, 39 {Jaarb. blz. C, CT) 

*) Nadat dit verslag was uitgebragt zijn nog onderscheidene voorbeelc'en van 
zulke, ia de wanden van middeleeuwsche kerkgebouwen buitenslands ingemetselde 
potjes, onder de aandacht gekomen, en is hunne bestemming tot klank versterking 
genoegzaam tot zekerheid gebragt. 

H 

Jaabboex 1869. 



CXTV 

zeker uitzigt werd gegeven, heeft nog geen voortgang gehad, of- 
schoon de Commissie, rekenende op de haar van het kerkbestuur 
gedane toezegging, den heer H. W. Stork, predikant der gemeente, 
gemagtigd had, om bij den eigenaar den steen, dien deze voor 
den ingang zijner woning nis stoepsteen bezigde, tegen eenen 
nieuwen in te wisselen. Pe Commissie, op haar schrijven van 
29 Februarij 1868 over dit onderwerp volstrekt geen antwoord 
of eenig berigt ontvangen hebbende, meende zich in November 
op nieuw tot den heer Stork te moéten wenden, om zich 
omtrent den staat der zaak in te lichten. Uit het spoedig 
daarop gevolgde antwoord bleek, dat de voorgestelde verplaatsing 
van de bedoelde zerk en van het overblijfsel van eene an- 
dere, insgelijks van het oude klooster afkomstig, nog niet 
bewerkstelligd was ; dat de kerkvoogden wel niet ongezind waren, 
om aan het verlangen der Commissie te voldoen, maar in de 
meening verkeerden dat de zaak juist niet zooveel spoed vorderde. 
Daarenboven was eerlang in het personeel van kerkvoogden eene 
gedeeltelijke vernieuwing te verwachten, en scheen het raadzaam 
de behandeling van het onderwerp zoolang te laten rusten. 
De Commissie wacht nu van den predikant, overeenkomstig diens 
toezegging, nader berigt, om dan naar gelang van zaken, welligt 
zelve handelend op te treden tot behoud althans van den graf- 
steen van VAN Herken. 

De oüde Bürgt te Oostvoorne. Van wege de Regering wa- 
ren met de erven van den vorigen eigenaar onderhandelingen 
aangeknoopt tot wijziging van de bepalingen, die eene opdel- 
vinsr van de, onder eene hoogte verborgen, overblijfsels van den 
Burgt bemoei-ielijkten. Het vorig Verslag, blzz. 58 — 60 {Jaorh. 
blz. CXX — CXXTT) opende het uitzigt op eenen gewenschten 
loop der zaak, maar de bevestiging moest achterwege blijven. 
De ambachtsheer was volkomen bereid om tot de wijziging van 
de bedoelde bepalingen zijne toestemming te verleenen, maar on- 
der de menigt;e mede-erven waren er eenige volstrekt ongenegen 
om zijn voorbeeld te volgen. Natuurlijk kon de Regering thans 
voor de voorgestelde opgravingen geene gelden beschikbaar stel- 
len, zoolang de voorwaarde, waarop zij den eigendom van het 
perceel verkregen had, niet werd opgeheven of gewijzigd, maar de 



cxv 

verpHgting bleef bestaan dat /^alle oudheden, gelden of andere 
//zaken van waarde, welke bij het afbreken of graven in den 
//heavel mogten gevonden worden, aan den vorigen eigenaar 
'f van den grond verblijven en aan hem moeten worden ter hand 
/i'gesteld/' De hoogte, waaronder de bouwvallen bedekt lagen, 
was vroeger voor het Rijk aangekocht, met het voornemen om 
aldaar een kustlicht te plaatsen. Dit plan werd later geheel ter 
zijde gesteld^ en toen eenigen tijd geleden er gelegenheid was 
ontstaan om de hoogte weder te verkoopen, had de toenmalige 
Minister van Financiën het denkbeeld geopperd, om vooraf de 
oude overblijfselen van den Burgt te doen ontblooten. De Mi- 
nister van Binnenlandsche Zaken meende thans van het plan 
tot die ontgravingen te moeten afzien en aan zijnen ambtgenoot 
kenbaar te maken, dat tegen den voorgestelden verkoop bij hem 
geene bedenkingen bestonden. De Commissie betreurt dien afloop 
der zaak en het afspringen van een onderzoek, dat onder goede 
leiding rijke vruchten had kunnen dragen, en waarbij zich mis- 
schien vele belangrijke bijzonderheden op het leven onzer voor- 
ouders en den burgtbouw der middeleeuwen betrekkelijk, zouden 
opgedaan hebben. 

De Plompe toren onder Koüdekerke op Schouwen. Zie het 
vorig Verslag, blzz. 17-19 [Jaarb. 1868, blz.LXXTX— LXXXl). 
Be Commissie had zich aan den Minister van Binnenlandsche Za- 
ken bereid verklaard tot een plaatselijk onderzoek van het oude 
gebouw, vooral met het oog op het belang dat aan den toren 
als overblijfsel van oude vaderlandsche bouwkunst kon worden 
toegekend, omtrent het al of niet dringende van maatregelen tot 
behoud, de wijze waarop het best daarin kon worden voorzien, 
en de kosten die daaraan verbonden zouden zijn. Zij had daarop 
ie verzekering ontvangen, dat de mededeeling van de uitkom- 
sten van haar onderzoek met welgevallen werd tegemoet gezien. 
In de hoop van daardoor de verwezenlijking van haar voorstel, 
dat het Rijk den toren in eigendom en beheer mogt overnemen, 
te bevorderen, magtigde zij twee harer leden tot het begeerde 
onderzoek, dat op het einde van Mei 1868 werd volbragt, en 
waarvan de volgende uitkomsten in een verslag aan den Minis- 
^^T werden medegedeeld, 



CXVT 

Pe toren, die, even als die van de Groote kerk te Zierikzee, 
met zijne, thans geheel en al verdwenen kerk niet verbonden 
schijnt geweest te zijn, is een zeer oud gebouw, van zoogenaamde 
reuzenmoppen in staand verband opgemetseld, en dagteekent waar • 
schijnlijk van het laatst der dertiende eeuw De muren zijn zeer 
dik, tengevolge waarvan de inwendige ruimte betrekkelijk gering 
is. Eene trap aan de noordzijde van binnen toegankelijk, leidde 
naar de eeriste der verdiepingen, boven een van steenen gemet- 
seld gewelf. De treden der trap zijn verdwenen, even als het 
genoemde gewelf, en zoo ook de afscheidingen van de hoogere 
verdiepingen Op verschillende plaatsen, met name ook aan de 
lichtopeningen, is het oude, oorspronkelijke metselwerk door be- 
kleeding of herstellingen in lateren tijd vervangen of gewijzigd ; 
een groot gedeelte van den voet des torens is aan de vier zij- 
den, insgelijks in lateren tijd, verbreed en versterkt Eene borst- 
wering boven het achtzijdige bovenste gedeelte van het gebouw, 
aan den westelijken en den zuidelijken, gedeeltelijk ook door- 
loopende aan de twee andere gevels, is insgelijks van lateren 
tijd. De spits, zoo die immer aanwezig is geweest, is geheel 
verdwenen en eene kapbedekking ontbreekt evenzeer, zoodat re 
gen en sneeuw eenen onbelemmerden toegang hebben, en, bij 
gebrek aan behoorlijk onderhoud, de toren wel langzaam, maar 
toch voortdurend zijne slooping ziet naderen. Toch schijnt hij 
stevig genoeg, om vele jaren nog aan den invloed van weder 
en wind en den tand des tij ds wederstand te kunnen bieden 
en hij zal dus ook nog lang in de behoeften van zeevarenden, 
voor wie hij werkelijk als herkenningsmerk dient, voorzien. 

De vraag, of die behoefte zoo dringend is, dat d^drom alleen 
de toren in stand gehouden zou moeten worden, ligt buiten de 
beoordeeling der Commissie, die haar onderzoek beperkte tot de 
waarde en het belang, welke aan het gebouw uit een oudheid- 
of een bouwkundig oogpunt moeten worden toegekend. 

In die laatste opzigten zouden groote geldelijke offers tot 
herstel of behoud haar niet volstrekt noodzakelijk voorkomen; 
maar eene naauwkeurige opneming en opmeting, door eenen be- 
voegden bouwkundige volbragt, voldoende zijn, om voor de ge- 
schiedenis der vaderlandsche bouwkunst de noodige gegevens te 



CXVll 

bewaren. Zulk eene opneming moet de Commissie '/eer wen- 
schelijk achten; maar die zou niet behoorlijk en met de ver 
eischte naauwkeurigheid kunnen volbragt worden, tenzij door 
besteigering of andere hulpmiddelen de toren overal genoegzaam 
toegankelijk werd gemaakt. Mogt dit het geval zijn, dan zou 
zij meenen, dat met weinige kosten, door invoeging als anders- 
zins, tevens de meest beschadigde gedeelten der muren verbeterd 
konden, en daardoor het langer behoud van het gebouw verze- 
kerd zou worden. 

Als slotsom harer overwegingen meende de Commissie te mo- 
gen vaststellen: 

1**. Dat eene volledige herstelling van den toren geldelijke 
offers zou vorderen, te groot, dan dat die in de bouwkunstige 
of geschiedkundige waarde van het gebouw genoegzaam gewet- 
tigd zouden zijn; 

2**. dat eene naauwkeurige opneming en opmeting ten stel- 
ligste aanbeveling verdienen; 

3^. dat, bijaldien daartoe mogt besloten worden, het wen- 
schelijk was, die gelegenheid tevens waar te nemen, tot het aan- 
brengen van eenige der meest noodige voorzieningen. 

Op grond van het bovenstaande, meende de Commissie, over- 
eenkomstig het vroeger reeds door haar geopperde denkbeeld, 
aan den Minister in overweging te moeten geven, dat het Rijk 
den toren in eigendom en beheer nemen mogt, en nadat de 
kosten door eenen deskundige zouden berekend zijn, ondersteld 
dat die geen te groot bedrag aanwezen, de noodige gelden be- 
schikbaar stellen, om de opneming en opmeting onder N^ 2 
en de voorzieningen onder 'N^. 3 vermeld, te doen plaats hebben. 

Het antwoord was, dat de Minister wegens gebrek aan de 
noodige fondsen en de vele behoeften, waarin ook elders voor ge- 
bouwen moest voorzien worden, zich verpligt achtte, den Plom- 
pen toren aan zijn lot over te laten. Dat de Commissie zich ook 
hier weder eene nieuwe en ontmoedigende teleurstelling bereid 
zag, behoeft wel geene verzekering. Zij zal haar verslag niet 
kunnen eindigen, zonder nog van andere ervaringen van gelijken 
aard te moeten gewagen. 

Daartoe behoort de reeds zoo dikwerf en bijna in elk verslag. 



cxvin 

het laatst in dat van het vorige jaar, blz. 54 {Jaarb. blz. GXV) 
en volgg. besproken zaak van het ontworpen Buks-Museum voor 

VADERLANDSCHE GESCHIEDENIS, ZEDEN EN GEBRUIKEN SEDERT DEN 

6RAFELUKEN TIJD. Het denkbeeld van de Commissie om het 
Muiderslot tot tijdelijke verblij^laats van de, voor zulk een 
Museum reeds beschikbare en bestemde voorwerpen, thans op 
verschillende plaatsen verspreid, in te rigten, was aan den vori- 
gen Minister van Binnenlandsche Zaken niet verwerpelijk voor- 
gekomen en had eene uitnoodiging aan de Commissie ten gevolge 
gehad, om tot dit doel een plan met beerrooting der kosten te 
ontwerpen. Aan dit verlangen was beantwoord, maar een later 
geopend vooruitzigt op de mogelijkheid van in Amsterdam eene 
behoorlijke plaats voor het bedoelde Museum te kunnen erlangen, 
had de behandeling van het onderwerp vooreerst doen rusten. 

Die rust scheen echter wel wat al te ongestoord voort te du- 
ren, terwijl de Commissie al meer en meer in verlegenheid 
geraakte, zoowel met betrekking tot het aanwijzen van eene be- 
hoorlijke berging van voorwerpen, vooral van die van grooteren 
omvang, die haar voor het Museum beschikbaar gesteld wer- 
den, of tot welker aanwinst zij zich de gelegenheid geopend zag, 
ab ook tegenover de bezitters van diergelijke voorwerpen, die 
zich genegen verklaarden tot eenen afstand aan het Bijk, doch 
onder de voorwaarde, dat met het inrigten van een gebouw 
en toegankelijk steUen van het verzamelde, niet langer zou ge- 
draald worden. 

Van de vooruitzigten op een behoorlijk gebouw scheen de 
verwezenlijking nog niet zoo spoedig verwacht te kunnen wor- 
den. De Commissie achtte zich daarom verpligt om op nieuw 
op het onderwerp terug te komen. Zij deed dit in een schrij- 
ven aan den Minister van 6 Nov. 1868 vP. 943, waarbij zij, 
onder terugwijzing op de aan Zijner Excellenties ambtsvoorgan- 
ger ingediende voorstellen, op nieuw in overweging gaf, of niet 
alsnog overeenkomstig de door haar ontworpen schets, het 
Muiderslot voor eene kern van voorwerpen voor het bedoelde 
Museum bestemd of reeds afgezonderd, althans ter voorloopige 
bewaring en tentoonstelling zou kunnen worden aangewezen. 
Din toch eerst zou men met vrucht pogingen kunnen te werk 



CXIX 

stellen, oiu van verschillende zijden, ware het dan ook slechts in 
bewaring, belangrijke stukken te verwerven, door de eigenaars, 
al of niet onder voorbehoud van nadere beschikking afgestaan. 
Dan ook zou gebrek aan eene behoorlijke bergplaats niet langer 
eene reden zijn, om, vraar zeldzame en zeer belangrijke over- 
blijfsels der vroegere vaderlandsche kunst gevaar loopen van 
verloren te gaan of naar den vreemde vervoerd te worden, voor- 
stellen tot aankoop voor rekening van de llegering af te wijzen, 
zooals dit reeds meermalen, onder anderen met de kerkglazen van 
Zevenhuizen en de oude meubels te Poortugaal het geval was 
geweest. 

Het antwoord liet zich niet lang wachten, de Minister gaf 
te kennen: dat het Muiderslot voor het beoogde doel niet wel 
kon gebezigd worden, ook om de kosten voor de tijdelijke in- 
rigting, de in- en uitwendige lierstellingen, die het gebouw 
waarschijnlijk in het volgende jaar zou moeten ondergaan, en 
de bezwaren van een behoorlijk toezigt ; dat buitendien er eenig 
uitzigt bestond, dat het Koninklijk oudheidkundig genootschap 
te Amsterdam de noodige fondsen trachten zou bijeen te bren- 
gen om een Museum van voorwerpen van oude vaderlandsche 
kunst en nijverheid te stichten, in welk geval in die verzame- 
ling de door de Commissie bedoelde voorwerpen voor het ont- 
worpen Eijks Museum in bruikleen en ter bewaring zouden 
kunnen gegeven worden. 

De Commissie zou de verwezenlijking van dit plan onvoor- 
waardeUjk toejuichen ; maar, bij den twijfel dien zij meende te 
moeten koesteren aan die verwezenlijking, althans binnen een 
niet te verwijderd tijdperk, bleef ook nog het groote bezwaar 
bestaan, dat middelerwijl steeds de gelegenheid ontbrak om 
voorwerpen, althans van eenigen omvang, behoorlijk te ber- 
gen. Er bestond dringende behoefte aan onverwijlde beschik- 
king over een lokaal tot tijdelijke bewaring, en daarom, ofschoon 
zich niet geheel kunnende nederleggen bij de opgaaf der bezwa- 
ren met betrekking tot het Muiderslot, veroorloofde zich de Com- 
missie haar ander, vroeger denkbeeld nog eens bij den Minister 
onder de aandacht te brengen, en in bedenking te geven, of 
niet een gedeelte van de groote, grafelijke zaal op het Binnen- 



cxx 

hof, door een eenvoudig en weinig kostbaar ijzeren hekwerk van 
het overige afgescheiden en afgesloten, tot het begeerde doel 
met betrekkelijk weinige kosten ingerigt zou kunnen worden. 
Ook hierop luidde het antwoord afwijzend, daar de Minister, ook 
zelfs voor tijdelijke plaatsing der bedoelde voorwerpen, dit lokaal 
minder geschikt bleef achten. 

Eene andere moeijelijkheid bij het verzamelen van voorwerpen 
bestond in de ontstentenis van beschikbare gelden, wanneer on- 
verwacht opkomende doch snel voorbijgaande gelegenheden, zooals 
dit reeds meermalen het geval was geweest, zich opdeden, tot 
het aankoopen van belangrijke stukken. Wèl had de Minister, 
even als zijne ambtsvoorgangers, de Commissie gemagtigd, om 
voor buitengewone behoeften zich om geldelijke ondersteuning tot 
de Regering te rigten, en had de ondervinding geleerd, dat deze 
laatste dan aan zulk een aanzoek vaak gunstig gehoor schonk ; 
maar bij gelegenheden als de hierboven bedoelde ging met voor- 
stel, overleg en toekenning van het gevraagde te veel tijds ver- 
loren. De Commissie verkreeg daarom de bevoegdheid, om, des 
noodig, op hare aanvraag per telegram het welnemen des Mi- 
nisters in te roepen, en waar onmiddelijke beslissing gevorderd 
werd, kan het voorzittend lid zich gemagtigd houden om kleine 
aankoopen te doen, met het uitzigt van het bedrag zijner voor- 
schotten, zoo de uitgaaf later wordt goedgekeurd, terug te ont- 
vangen. 

Ofschoon nu dit laatste bezwaar in zekere mate werd opgehe- 
ven, bleef echter de grootere moeijelijkheid bestaan, het ontbreken 
van eene tijdelijke, voor het tentoonstellen der voorwerpen rede- 
lijk geschikte bergplaats. De Commissie meende, na uitvoerige 
beraadslaging fn hare vergadering, dat de ongunstige uitslag 
van al hare pogingen in deze, van zelf leiden moest tot de over- 
tuiging, dat zi] niet langer kan blijven voortgaan met de haar 
opgedragen bemoeijingen, tot het verzamelen van voorwerpen 
voor het bedoelde Museum ; zij zal zich tot haar groot leedwe- 
zen verpligt gevoelen van deze hare zienswijze den Minister 
mededeeling te doen. 

Nog zijn eenige bijzonderheden te vermelden, waarin de 
Commissie werkzaam is geweest, of die op hare handelingen in 



CXXI 

het afgeloopen jaar, en de wijze waarop zij hare taak tracht te 
volbrengen, betrekking hebben. 

Op de tentoonstelling in den laatsten zomer te Zierikzee ge- 
houden, waren onder de ingezonden, vrij talrijke kunststukken 
in zilver, ook twee zilveren naghtmaalsbekers ingezonden, af- 
komstig van de, niet lang na 1682 door het geweld der golven 
vernielde kerk der Hervormde gemeente Oud-Bommenede. Zij 
waren versierd met eene gravure van de kerk der gemeente, 
in eene soort van medaillon^ met het opschrift: Ter liefde van 
den gehvk/e de Kerk van Bommenede vereert door P. IL 1651. 
Van voren las men het opschrift : viij ter gedachi^nn. Wat er 
van de gemeente Oud-Bommenede overbleef, nadat de inwoners 
van lieverlede, ten gevolge van aanhoudende doorbraken en 
overstroomingen hunne vroegeren woningen moesten opgeven, is 
met het aangrenzende Zonnemaire vereenigd, en gaat daar te 
kerk. Men zou dus verwacht hebben, dat de hier bedoelde be- 
kers ook in eigendom of bewaring aan de Zonnemairesche kerk 
zouden zijn overgegaan. Dit is echter het geval niet, zij be- 
rusten thans, naar de Commissie veniam, hij den heer K. Hoeke 
HoooENBOOM te Zonnemaire, afstammende van t^wtw der vroegere 
schouten of schepenen van Bommenede. Het ware te wenschen, 
dat het kerkbestuur van Zonnemaire, als het eerst daartoe ge- 
roepen, pogingen te werk stelde om de bekers voor zijne kerk 
te verwerven, waar zij in ieder geval beter dan thans, aan hunne 
oorspronkelijke bestemming en tevens aan de bedoeling des schen- 
kers zouden beantwoorden. 

Toren der groote, voormalige parochiale kerk te Breda. 
Het is velen bekend, dat voor eenige jaren het gemeentebestuur 
het gedeelte van den fraaijen toren boven de hoogte van de 
nok van het kerkdak, geheel en al in den oorspronkelijken stijl 
had doen herstellen. Het benedengedeelte aan de kerkelijke 
gemeente behoorende had in die herstelling niet gedeeld. Ge- 
brek aan de noodige middelen of welke andere redenen ook 
hadden veroorzaakt, dat van wege het kerkbestuur in het on- 
derhoud op den duur niet genoegzaam was voorzien. Van lie- 
verlede hadden zich scheuren, ontzettingen en afwijkingen in het 
benedengedeelte van den toren doen kennen, en had het kwaad 



CXXTT 

eindelijk zulk eene hoogte bereikt, dat men voor het verdere 
behoud van het geheel ernstige vrees begon te koesteren, en 
krachtige en spoedige middelen dringend gevorderd schenen. 
Het kerkbestuur was buiten magte om de noodige gelden, ook 
voor het meest noodzakelijke tot herstel en behoud, bijeen te 
brengen, en het gemeentebestuur, vreezende dat weldra zonder 
spoedige voorziening de geheele toren ten val geraken, de stad 
van een harer fraaiste sieraden beroofd zou worden en de aan- 
zienlijke sommen, aan het gebouw van wege de gemeente be- 
steed, te vergeefe geoflferd zouden zijn, besloot ook tot verster- 
king en het meest noodige herstel van het benedengedeelte, zich 
de onvermijdelijke uitgaven te getroosten. Daar echter die uit- 
gaven te zwaar op de gemeentefondsen zouden drukken, had 
het zich tot den Koning gewend, met verzoek om eene onder- 
steuning van Rijkswege. Bij de over het onderwerp uitgebragte 
meeningen was ook de wensch uitgesproken, dat men verder 
gaan en het benedengedeelte van het gebouw, op de wijze zooals 
dit met het bovengedeelte was geschied, geheel en al in den 
oorspronkelijken vorm zou herstellen. De Minister zond daarom 
al de op de zaak betrekkelijke stukken ter beoordeeling en om 
raad aan de Commissie, en deze laatste magtigde twee harer le- 
den, om zich door een persoonlijk onderzoek omtrent den toestand 
des torens te vergewissen. Dit geschiedde, en stelde haar in 
staat om een verslag uit te brengen, en aan het vereerend ver- 
langen van den Minister te voldoen. 

Naar aanleiding van de haar in handen gestelde stukken, had 
de Commissie het ook noodig geacht de vraag te beantwoorden, 
of de meerdere arbeid en kosten, gevorderd voor eene geUjke 
herstelling en bijwerking van de bouwkunstige versieringen in 
den oorspronkelijken stijl, wenschelijk geacht en aanbevolen moes- 
ten worden. 

De noodzakelijkheid van versterking van het benedengedeelte, 
de wijze waarop daaraan de hoogst noodige herstellingen behoo- 
ren aangebragt te worden en de daarvoor geraamde kosten, be- 
hoefden voor de Commissie geen onderwerp van onderzoek te 
leveren; zij werden door deskundigen nagegaan en goedgekeurd. 

Na de groote uitgaven aan de herstelling van het bovenge- 



cxxin 

deelte van den toren in zijnen oorspronkelijken stijl ten koste 
gelegd en den uitnemenden uitslag, waarmede dat werk bekroond 
werd, zou het zeer te betreuren zijn, wanneer men zich bij de 
meest noodzakelijke werken tot onderhoud of behoud van liet 
benedengedeelte moest beperken. Er kon niet aan getwijfeld wor- 
den, of eene geheele herstelling en bijwerking van het beneden- 
gedeelte, in overeenstemming met het overige, moesten ten sterkste 
worden aanbevolen. Indien de daarvoor benoodigde gelden, welker 
bedrag eerst na het opmaken van een uitvoerig plan en eene 
omschrijving kon geraamd worden, niet terstond konden worden 
aangewezen, zou men zich voorshands moeten bepalen tot het 
onmiddellijk noodzakelijke; maar daarbij altijd en vooral in het 
oog honden, dat alles vermeden werd, waardoor later het bij- 
werken der versieringen, overeenkomstig den oorspronkelijken 
stijl en aanleg bemoeijeUjkt, of daarop ingegrepen zou worden. 

Onder het bovenstaande voorbehoud meende de Commissie 
eene gunstige beslissing op het door den gemeenteraad aan den 
Koning gerigte verzoekschriffc, alleszins te moeten aanraden ; maar 
zij gevoelde zich ook verpligt verder te gaan, en in bedenking 
te geven, of niet, tengevolge van een overleg met den gemeen- 
teraad en het kerkbestuur der Hervormde gemeente, onder toe- 
kenning van eenen jaarlijkschen, geldelijken onderstand van Re- 
geringswege, eene schikking zou kunnen volgen, waardoor van 
lieverlede en in een niet al te ruim genomen tijdsverloop, het 
benedengedeelte van den toren, even als het bovengedeelte, ge- 
heel en al in alle zijne versieringen werd afgewerkt. 

Later bleek dat dit denkbeeld door de Regering niet was 
afgekeurd, toen aan de Commissie nog vóór het einde des jaars 
door den Minister eene fraaije, uitgewerkte teekening van het 
plan tot volkomen, herstel, met bijbehoorende begrooting en ver- 
dere bescheiden, ter kennisneming werd toegezonden, opge- 
maakt door den Bredaschen gemeente architect, den heer J . F. 
CuYPERS, denzelfde naar wiens ontwerp en onder wiens leiding 
ook de vroegere herstellingen hadden plaats gehad. De Com- 
missie meende aan het plan en de teekening allen lof te moe- 
ten geven, en zich aan haar vroeger uitgesproken gevoelen te 
kunnen blijven houden. Daarom achtte zij zich verpligt de toe- 



CXXIV 

keiming van gelddijken onderstand van Rijkswege op nieuw aan 
te bevelen, wanneer men de zekerheid verkregen zou hebben, 
dat het ontwerp in alle opzigten naauwkeurig aan de vereischten 
van den oorspronkelijken stijl beantwoordt, en het cijfer der 
kosten van uitvoering met juistheid is geraamd geworden. 

De Commissie wenscht van harte, dat de voorgestelde onder- 
neming tot stand komt; het werk zal het vaderland tot eer 
kunnen strekken en mag als eene hulde beschouwd worden aan 
den stadhouder Willem IIT, wiens milde giften vooral het mo- 
gelijk maakten, dat de toren, die in 1694 door den bliksem 
getroflen, voor een groot gedeelte vernield was, geheel en al 
wederom op nieuw kon worden opgebouwd. 

Een ander onderwerp, waarop de voorlichting der Commissie 
door den Minister van Binnenlandsche Zaken eenige dagen ge- 
leden werd aangevraagd, betreft de beroemde glazen met inge- 
brand SGHiLDEfiv^EfiK iu de Grootc kerk te Gouda. Voor het 
behoud dier zoo zeldzame kunststukken is eene gehede vernieu- 
wing van het lood, waarin de ruitjes gevat zijn, noodig gewor- 
den. Bij een negental ramen is dit reeds geschied, maar er 
blijven nog vierendertig over, die gelijke herstelling behoeven. 
Kerkvoogden wenschen voor dat werk van de Regering gedu- 
rende eenige jaren eene geldelijke tegemoetkoming, en hebben 
zich daartoe tot den Minister van Binnenlandsche Zaken gerigt. 
De Commissie acht ook hier een persoonlijk onderzoek noodig 
en heeft aan twee harer leden opgedragen, om zich daartoe naar 
Gouda te begeven. 

Toen naar aanleiding van den Open brief door het lid van de 
Tweede Kamer, Mr. Gratama Oldhuis aan Gedeputeerde Staten 
van Drenthe, de aandacht op de bekende Hunnebedden geves- 
tigd was geworden, heeft de Commissie een schrijven tot den 
Minister gerigt, om op maatregelen tot behoud dier merkwaar- 
dige gedenkteekens van een grijs verleden aan te dringen. Zij 
achtte dat zulk een doel het best kon bereikt worden, wanneer 
de Hunnebedden, voor zoover zij niet reeds in eigendom aan 
het Gewestelijk bestuur van Drenthe zijn overgegaan, met den 
grond waarop zij zich bevinden tot eenen behoorlijken afstand 
om hen tegen beschadiging te vrijwaren, binnen een niet te 



cxxv 

zeer Ferwijderd tijdstip ter beschikking en onder het bescher- 
mend beheer van de Regering werden gebragt. 

Nog werd in eene harer vergaderingen de aandacht der Com- 
missie door een harer leden gevestigd, oj) het zeer aanzien- 
lijke aantal van merkwaardige en goed bo waarde grafzerken, de 
oudste van 147S, in de Groote kerk der Hervormde gemeente 
te Zalt-Bommel aanwezig. Eenstemmig was haar gevoelen, dat 
het verzamelen van afteekeningen en afdrukken van die, voor 
«•eschiedenis en kunst zoo nuttige bouwstoffen, geheel op haren 
weg lag, en dat zij wanneer zicli eene geschikte gelegenheid 
aanbiedt, aan dat onderwerp hare zorg behoort te wijden. Het- 
zelfde lid deelde haar mede, dat voor eenige jaren de toenma- 
lige Gouverneur van Noordbrabant, Jhr. van den Bogaerde, 
de insgelijks zeer merkwaardige grafzerken in het koor van de 
Groote 8t. Janskerk te 's Hertogenbosch had doen affceekenen, 
en dat die teekeningen waarschijnlijk in de zoo rijke verzame- 
ling op het kasteel te Heeswijk bewaard zijn gebleven. 

In het vorige Verslag, blz. 6 3 {Jcarhoeh 1868, blz. CXXV) werd 
melding gemaakt van den gedrukten brief, die, onder dagt. 
van 25 Junij 1^66, N". 850, door het Commissielid, den heer 
Hoofdinspecteur van den Waterstaat, aan alle beambten van 
dat korps was toegezonden, met een regtstreeksch beroep op 
hunne medewerking tot het doel der Commissie. Naar aanlei- 
ding van eene opmerking van den heer Ingenieur Jhr. van den 
S\^•DHEüVEL, werd besloten, ook afdrukken van dien brief aan 
de Provinciale opzigters te doen toekomen. De goede vruchten 
van dien maatregel zijn in het afgeloopen jaar niet uitgebleven. 
Aan het voornemen tot verspreiding van het werkje, waarin 
door de Commissie de bouwkunstige teekeningen van den ge- 
sloopten Ouden toren van Oüdorp bij Alkmaar, zie het vorige 
Verslag, blz. 62 (Jaarboek 1868, blz. CXXIV) bekend gemaakt 
had, is gevolg gegeven. Exemplaren zijn met begeleidende brieven 
gezonden aan de stedelijke gemeentebesturen, met verzoek van me- 
dedeeling aan hunne architecten; aan alle de beambten bij het 
korps van 'sEijks Waterstaat en aan de provinciale Ingenieurs 
en de provinciale Opzigters. Die toezending geschiedde met het 
hoofddoel, om op dat werkje te kunnen wijzen, als een voor* 



CXXVI 

beeld van de manier, waarop opmetingen en bouwkunstige tee- 
keningen van oude gebouwen, het best overeenkomstig de be- 
doeling der Commissie kunnen vervaardigd worden. 

Door tusschenkomst van den Commissaris des Koning-s in 
Noord-Holland werd het verlangen kenbaar gemaakt van het 
gemeente-bestuur te 's Gravenhage, om voorwerpen op die ge- 
meente betrekkelijk, en ter beschikking der Commissie komende, 
aan de verzameling van geschied- en oudheidkunde op het Raad- 
huis toegewezen te zien De Commissie zal gaarne bij voorko- 
mende gelegenheid aan dit billijk verlangen voldoen, voor zoover 
dit zonder krenking van de belangen van l^ijksverzamelingen 
geschieden kan. 

Eindelijk mag nog vermeld worden, dat de Commissie zich 
verpligt heeft gerekend, om ook dit jaar weder belangelooze 
medewerking die zij ondervond, waar het pas had en van gel- 
delijke belooning geen sprake kon zijn, door een geschenk te 
erkennen. Zoo deed zij, in overleg met den heer Hoofd-ingenieur 
van het l^te en 8^® district te Assen, aan den opzigter van 
den Waterstaat H. Raammaker te Groningen, een net gebonden 
exemplaar van von Lützow's Meulerwerke der KirchenhauTcunst 
toekomen, als eene erkentenis van zijne goede diensten in 1867 
voor het opmeten en in teekening brengen van het Provinciaal 
CoUectehuis te Groningen bewezen. 

Den Heer R. E. J. Roeterink, leeraar in het teekenen aan 
de hoogere burgerschool te Veendam, bood zij in een net ge- 
bonden exemplaar van Rosb^s Lfter r>nn het ornament een bewijs 
aan van de ingenomenheid, waarmede zij zijne vele belangrijke 
bijdragen ontving, en van haren dank voor de wijze waarop hij 
zijn talent en zijnen tijd aan hare belangen had dienstbaar ge- 
maakt. 

Van de bereidwilligheid der gemeentebesturen, om aan de 
jaarlijks herhaalde aanschrijvingen van de Commissarissen des 
Konings gevolg te geven, en de Commissie steeds en tijdig op 
de hoogte te brengen van ontdekkingen in hunne gemeenten 
geschiedende, van gevaren, van slooping, beschadiging, of ver- 
anderingen, waarmede oude gebouwen, openbare of bijzondere, 
gedenkteekens, verzamelingen van geschiedenis of kunst bedreigd 



cxxvri 

worden, van die bereidwilligheid, blijven de bewijzen al zeer 
schaarach. Enkele, zeer weinige uitzonderingen vermeldde en 
erkende zij met dank; maar bijna altijd kwamen de berigten, 
dat hare tasschenkomst gevorderd kon worden, langs eenen an- 
deren weg, en dan dikwerf eerst, wanneer het to laat was om 
die tusschenkomst te verleenen, tot hare kennis. Gebrek aan 
kennis leidt ook nu en dan tot verkeerde beoordeeling van het 
min of meer belangrijke der feiten of omstandigheden, en blijft 
de mededeeling achterwege, dewijl de zaak of ontdekking als 
//niets bijzonders'' leverende, of /^van geene genoegzame waarde'' 
was beschouwd. Zoo gebeurde het b. v. dat, onder aanhaling 
van de kennisgeving van den Commissaris des Konings, een 
burgemeester aan de Commissie berigt gaf van de slooping van 
een oud gebouw /rdezer dagen" ten uitvoer gelegd, en de Com- 
missie eerst in kennis gesteld werd, nadat het gebouw spoorloos 
verdwenen was ! Ware de kennisgeving tijdig geschied, zoo zou- 
den van een kerkje, welligt tot de oudst overgeblevene in ons 
vaderland behoorende, zeer zeldzame en nuttige gegevens opge- 
zameld zijn geworden. Elders werd eene kennisgeving omtrent 
aanstaande of begonnen slooping uitgesteld, dewijl men eerst de 
goedkeuring van Gredeputeerde Staten op de aanneming van het 
werk wilde inwachten; maar middelerwijl werd den aannemer 
vrijheid gegeven, en maakte deze van de gelegenheid gebruik, 
om met de slooping eenen aanvang te nemen; een berigt in 
een Dagblad bragt toen aan de Commissie de eerste tijding. 

Waarlijk de Commissie stelt hare eischen niet te hoog, uit 
geen onredelijk verlangen, wanneer zij niets vraagt dan tijdige 
kennisgeving, omtrent de punten, die in haren gedrukten brief 
van September 1860 aan alle gemeentebesturen onder de aan- 
dacht zijn gebragt; zij mogt er op rekenen, dat haar ver- 
langen, jaarlijks door de Regering bij die gemeentebesturen in 
herinnering geroepen en ondersteund, zoo al niet algemeene dan 
toch vrij wat meer behartiging dan tot nog toe het geval was, 
ontmoeten zou. 

Voor het overige erkent zij met dank* dat vele gemeentebe- 
sturen niet ongenegen zijn, om, waar hunne tusschenkomst voor 
eene bepaalde zaak wordt ingeroepen, die ook te schenken. Bij 



cxxvth 

Koninklijk besluit van 23 Maart 1861 n°. 49 heeft de Com- 
missie vrijdom van port in hare correspondentie, als zoodanig 
en onder de gewone bepalingen, met de gemeentebesturen. 
Daaraan mag zij het toeschrijven dat vele bezendingen, zooals 
teekeningen, plans, verslagen en mededeelingen voor haar bestemd, 
en die natuurlijk geene gesloten of bijzondere brieven bevatten, 
haar kosteloos, onder kruisband en conterseign van wege het 
gemeentebestuur toekomen, of van haar uitgaande de daaraan toe- 
gekende bestemming bereiken. Maar niet altijd zijn burgemees- 
ters bereid om hunne medewerking in deze te verleenen, hetzij 
ten gevolge van onbekendheid met — of van eene te naauwe 
of onoordeelkundige opvatting van — den geest en de bedoe- 
ling van het Koninklijk besluit, hetzij om andere redenen; 
eenmaal werd in het afgeloopen jaar zulk eene tusschenkomst 
bepaald geweigerd. 

Het Verslag loopt hiermede ten einde. De vragen aan den 
aanvang gesteld zullen naar aanleiding van het medegedeelde 
K moeten en ook kunnen beantwoord worden. De Commissie 
schroomt niet, om haren wensch naar eene naauwgezette over- 
weging, een streng onderzoek uit te spreken. Voor haar zelve 
heeft zij de overtuiging, dat zij naar haar beste weten en vei- 
mogen getracht heeft, om aan de op haar rustende verpligtingen 
te voldoen; dat zij misschien wel meer van haren tijd aan die 
verpligtingen heeft ten offer gebragt, zich meer moeite en in- 
spanning heeft getroost, dan in billijkheid van haar te verlan- 
gen was. Maar zij kan in haar oordeel falen, vooral met betrek- 
king tot den weg waarlangs en de middelen waarmede zij het 
haar voorgestelde doel trachtte te bereiken; en dan mag zij op 
raad en teregtwijzing van haren lastgevers rekenen; zij zal die 
in dank aannemen, en zeker trachten er voor de goede zaak 
voordeel mede te doen. 

De moeijelijkheden die de Commissie in den weg liggen, zijn 
vooral gelegen in de nog voortdurende algemeene onverschilligheid 
van hare landgenooten met betrekking tot hare zaak, in de weinige 
medewerking die aan hare bemoeijingen ten deel valt, en aan 
de willigt niet op te heffen bezwaren, die ten gevolge van om- 
standigheden aan haren oorsprong onafscheidelijk verbonden, haar 



CXXIX 

verhinderen om middelen tot het erlangen van ijverige en over 
het gansche land verspreide medearbeiders in toepassing te bren- 
gen. Zij stelt zich voor over de daarmede in verband staande 
vragen opzettelijk met het bestuur der Akademie in ernstig 
overleg te treden. Van den uitslag dier overwegingen zal zij 
afhankelijk stellen, of zij al dan niet de haar toevertrouwde 
taak zal kunnen blijven waarnemen. Gaarne zal zij zien dat 
die in meer bekwame handen overgaat, en hare opvolgers rijkere 
en betere vruchten op den arbeid inoogsten, dan die zij tot nog 
toe mogt verzamelen of aanbrengen. Een harer leden gaf, ten 
gevolge van de moedeloosheid die zich wel eens ook bij allen 
op den voorgrond dringt, zijnen weusch te kennen, om thans 
zijnen lastbrief aan de Akademie terug te geven, en het was 
niet dan met groote moeite, dat hij aan de dringende bede zij- 
ner medeleden toegaf, en besloot althans nog een jaar zijne 
medewerking, die volstrekt niet gemist kan worden, aan de Com- 
missie te blijven verleenen. Deze beschouwingen nemen niet 
^tg, dat het vertrouwen waarmede de Commissie zich van de 
zijde der Koninklijke Akademie vereerd ziet, de welwillendheid 
waarmede het bestuur dier Instelling, wdar het slechts mogelijk 
is, hare pogingen bevordert, en de onbekrompen wijze, waarop 
de Akademie, ook toen dit onder den druk van tijdelijke be- 
zwaren lang niet ligt viel, in hare geldelijke behoeften trachtte 
te voorzien en ook nog blijft voorzien, met opregten dank waar- 
deert en erkent. Zij acht het een groot voorregt met die erken- 
tenis haar tegenwoordig verslag te mogen sluiten. 

C. LEEMANS 
W. MOLL 
W. N. EOSE 
P. W. CONEAD. 



Jaarboek 1869. 



Bijlaag, zie blz. Cm. 



LIJST DER VOORWERPEN, 



OBYOHDBN BIJ DB 



SLECHTING DER OPGEHEVEN VESTING MAASTRICHT. 



BRÜSSELSCHE POORT. 

Verschil /ende Voorwerpen, 

1 Kruis van hardsteen, hoog 1.60 El, breed 0.50, waarop in 
gothische letter gebeiteld is: Jan van Oupey XV*^ en XIII, 
gevonden in de linker face van Bastion Brussel, in de na- 
bijheid van No. 11. 

2 Een blok zandsteen (mergel), waarop gegrift is in Rom. 
letter: bewar mich jesvs christvs ere i . . vcht die kraft 
DES "^ , gevonden in het metselwerk der Poort. 

3 Hardsteen, waarop de ster der stad Maastricht en 1687 
(stond in den wand van het buitenste gedeelte der Poort). 

4 Gebakken haardsteen; in 't midden de stads ster en 1560; 
links een manshoofd met helm; rechts een vrouwenhoofd. 

5 Dito; doch beschadigd. 

6 Gebakken haardsteen : in het midden een klimmende leeuw, 
aan weerszijde eenc lelie en 156 . . 

7 Twee gebakken haardsteenen van grof werk, de een met 
twee onherkenbare wapenborden, de andere met twee hoofden. 

8 Verschillende gebakken haardsteenen^ zonder eenig ornament. 

9 Pot met oor in zandsteen gehouwen, gebruik onbekend. 
10 Een aantal kogels van verschillende grootte, alle vol. 



•) Hier een monogram. 



CXXXI 

11 Twee ijzeren helmen, zonder ornament, zeer beschadigd en 

verroest. 
Iz Drie mannenschedels en eenige beenderen, gevonden bij N®. 

11 met No. 13. 

13 Eenige verroeste punten van lansen en pieken en eenige 
schanskorfhaken, schoppen en houweelen. 

Munéen. 

Zuid-Neilerlaud. — Mftasiriclit. 

14 Obsidiale munt van 1579, 

S-stuiversstok, koper .... zie Pbrreau p. 56 N^. 5 

15 NegenmannekevanALBERTUS 

en IsABELLA, 1613 .... // v 63 

16 Koperen legpenning 1608. 

Zie DE Renesse p. 97 N^. 2 en '/ /^ 59 § 1. 

Luik. 

17 1 Liard van 1566 van Ge- 

RARDUS VAN GrOEISBËEK 

1563—1580 zie DE Renesse p. 95 K^ 22. 

18 } liard, versleten // ^ 95 /^ 26. 

19 6 stuks van 1 Kard 1610, 
van Ernbst van Beijeren 

1580—1612 /sr // 115 /^ 81. 

20 1 stuk, idem idem // v 115 // 77. 

21 1 // idem idem versleten. v rr 107 ^/ 44. 

22 2 // idem idem versleten. // // 122 " 68. 

23 1 zilveren Escalin 1584 van 

Ernest van Beijeren // /•/ 104 r/ 30. 

24 2 stuk van 1 liard 1641 en 
1643 van Perdinand van 

Beijeren 1612—1650. ... // ^/ 136 ff 66. 

25 1 stuk idem, 1643 » // '^ 67. 

26 3 // idem van Eeb Dl NA ND 

van Beijeren (onleesbaar) . . /•/ // ^ 66. 

27 1 stuk idem idem (versleten). // // 188 '/ 53. 



CXXXIV 



ONZE LIEVE-VROÜWEPOORT. 



Versêeeningen» 

63 Fragmenten van Calamites (?) uit de steenkolenformatie, 
gevonden in een blok gres houiller. 

64 Beschadigde Bdemnitella, gevonden in een blok krijt (mergel). 



65 Een klein bronzen kinderhoofd (ongeveer 1.5 dm) en ronde 
bosse gewerkt. Waarschijnlijk niet Bomeinsch. 

Munten. 

66 1 stuk van 1 liard van Maas- 
tricht 1614 zie Perrkaü p. 63 K". 3. 

67 2 stuks van 1 liard van Luik 

Sede Vacante 1688 zieoERENESSEp. 153N°. 5. 

68 1 stuk van 1 liard van Luik 
1727. ÖEORG Louis de Ber- 

GHES 1724 — 43. ....... /r tt 169 /' 1. 

69 4 stuks van 1 liard van Luik 
1750, 51. Jean Theod. van 

Beijeren 1744—1763 ff ff 181, 182. 

70 Romeinsche koperen munt middelgrootte, vz. buste, Sabina 
Alcusta: kz. eene zittende vrouw: Pietas. 

71 Romeinsche koperen munt (klein) vz. buste Gordianüs Aü- 
' GUSTUS; kz. een altaar waarop eene offerschaal, (versleten). 

SINT HARTENS POORT. 

72 Sleutelsteen waarop: nieuwe sint martens poort 1783. 

Munten. 

Zuid-Nederland* — Laik. 

73 1 stuk van 1 liard van Hasselt. 

van Jan IX® Hom 1482 — 1505. zie de Renesse p. 54 No. 16. 



cxxxv 



% 



74 3 stuks van 1 en van l liard van Ferdinand van Beije- 
ren 1612 — 1650, versleten. 

75 fi stuks van 1 liard van Max. Hendrik v. Beijeren 1650 
tot 1688, versleten. 

1 stuk van 2 liard, idem idem., versleten, 
1 // // \ // idem idem., versleten. 

76 2 // // 1 // van Jozef 
Clemens van Beijeren 1694 — 

1723 zieDE Renesse p. 166 N^ 25. 

77 4 stuks van 1 liard 1726, 1727 
van Georg Louis de Berghes 

1724—43 // // 169 // 1 

78 20 stuks van 1 liard, 1744, 45, 
46, 50, 51, 52 vanJoH. Theod. 

van Beijeren // /' ISl, 182. 

70 1 stuk van 4 liard 1751, idem. // // 180 // 29. 

80 4 // // J // van Luiksche bisschoppen, geheel versleten. 

81 2 // // [ tf tf Philips IT, versleten. 

82 1 n tf ff ff ff Maria Tberesia 1745, AD üsuM Belgii 

AUSTRII. 

Noord-Nederland. 

83 3 duiten van Gelderland 1732, 1761, 1766 en een van 
Arnhem. 

84 1 duit van de heerlijkheid Batenburg, 1 Sleeuw. 

Euitschlftnd. 

85 2 stuks van J en van \ stuber van Gulich en Beeg 1794 
en 1785. 

86 3 stuks van 12 Heller en 2 van 4 Heller van de stad 
Aken, 18^ eeuw. 

87 1 stuk yan 4 Heller van Keulen, 18^ eeuw, versleten. 

88 2 duiten van Utrecht en 2 van Zeeland, 18^ eeuw. 



CXXXV[ 

* 

89 Romeinsche koperen munt (middelgrootte) ; vz. eene gekroonde 
buste Antoninüs. Aug. Pius. P.P. kz. een ofierend vrouwenbeeld. 



90 2 kleine koperen rekenpenningen, de eene onder Willem III 
van Engeland. 



91) 

? 58 koperen en 1 zilver muntstukje geheel versleten en verroest. 

Voorwerpen in aardewerk. 

NB. Geen enkel stuk is in z^'n geheel gebleven. 

93 Fragment eener kruik van grijs aardewerk, versierd met 4 
medaillons (waarvan slechts 1 gaaf) in elk een gedrapeerd 
borstbeeld, in den rand griffoenen en bokken. Tijd van 
Frans I. 

94 Fragment eener kruik van grijs aardewerk, versierd met twee 
tafereelen, gedeeltelijk in wezen : a, een Romeinsch krijger 
een brief ontvangende van een magistraat ; l, een gevecht 
tusschen ruiters in Romeinsche kleeding. Er onder 

. . B. WERBIST 

...WILTV... 

• • • VIH • . . 

begin der 16^ eeuw (?) cylindeiTormig. 

95 Uit de 17® eeuw, versierd met een wapen. 

96 Dito uit de 16® eeuw: een mannenbeeld (waarvan slechts de 
beenen in wezen zijn) houdende een schild met griffoen, daar- 
onder twee zittende wolven» (?) en een schild waarop een 
dubbele arend. 

97 Een schild waarin een H, omschrift: . . . melsior hongk . . . 

98 Dito van bruin aardewerk: medaillon met loofwerk en een 
wapenbord waarin een familieteeken of geslachtsmerk. 

99 Fragment eener kan van grijs aardewerk, met blaauw be- 
schilderd ; van voren een mannenhoofd, op zijde een leeu 
wenkop. 



CXXXVIT 

JöO Fragment eener driiikkan van bruin aardewerk; daarop de 
aanbidding van Jezus door de herders (?) ; de andere voor- 
stelling verminkt; op den rand : ... bet : cüristys ... m: 
IER. Grof werk. 

101 Fragment eener groote bruine kruik, metwapen. Jaartal 1601). 

102 Fragment eener kruik van bruine aarde; slecht werk. 

103 Dito met twee tafereelen: links eenige muzikanten; regts 
een dansend boerenpaar. Jaartal 1597; onder: ...net. 

uu. MUS. DAPER. BLAS... 

104 Fragment, grijs aardewerk: een mannenkop. Slecht werk. 

105 dito bruin // gedeelte van een wapen. 

106 /•/ // /y gevleugelde engelhoofden. 

107 // // // grijsaards hoofden. 

108 // » ft onderste gedeelte van een elegant 

vrouwenbeeld; in de verte een 
landschap. 

109 // n ff loofwerk en medaillon met een 

vrouwenhoofd. 

110 ff grijs // een wapenbord en ano 1522. 

111 » bruin // onderste gedeelte van eenen optogt 

van naakte figuurtjes; onder: 

DIT. IS. DEI. SCH 

112 Hals eener kan met medaillon, waarin de buste van een 
man met helm; in den rand een vogel en ornamenten. 

1 1 3 Hals eener kan : Leeuwenkoppen en ornamenten. 

114 Fragment eener bruine kan; twee dansende boerenparen: 

grof. 

115 // ft ff ff twee vogels. 

116 // ff ff ff ingedrukte ornamenten, grof. 

117 ff ff ff ff dansend paar, het bovenste 

verloren. 

118 ff ft ff ff benedenste gedeelte van een 

vrouwenbeeld. 

119 V ff oude glazen flesch. 

120 ff ff bruine kruik waarop verschillende medail- 
lons met Cabalistische letters; midden in, de zon. 

121 Knop van een deksel, blaauw aardewerk. 



bewezen, dan dat het zoude voegen, met de enkele kennisge- 
ving van zijn overlijden van hem af te stappen. Vergunt mij, 
dat ik de taak om zijn leven te schetsen aanvaard rekenend 
op uwe toegevendheid. Want daar ik janssen niet gekend 
heb in het middenpunt zijner werkzaamheid en met een groot 
deel zijner talrijke geschriften geen kennis heb gemaakt, zal 
mijne schets zeer onvolledig zijn. Wie meer over hem wil 
hooren, dien verwijs ik bij voorraad naar het bericht dat een 
zijner Leidsche vrienden gezegd wordt voor de Handelingen 
der Leidsche maatschappij van letterkunde te stellen, aan het- 
welk eene voUedige opgave van janssems geschriften zal toe^- 
voegd worden. 

Leonhaud johannes fbiedrich JANSSEN is den 2S^^^ Decem- 
ber 1806 te Herwen, waar zijn vader toen predikant bij de her- 
vormde gemeente was, geboren. Zijn laatste voornaam verraadt 
zijne Duitsche afkomst, evenals de gemakkelijkheid, waarmede hij 
Hoogduitsch sprak en schreef, deed vermoeden dat er Daitsch 
bloed in zijne aderen stroomde. En zoo was het. Zijn groot- 
vader J. w. JANSSEN, die in het midden der vorige eeuw 
predikant ergens in de Paltz was, verliet met een dertigtal le- 
den zijner gemeente zijn vaderland, om de geloofsvervolgingen 
van den keurvorst kabel theodoob te ontwijken en begaf 
zich met hen op weg om in Amerika de godsdienstvrijheid te 
zoeken, waarvoor het grootste deel van Duitschland toen nog 
niet -rijp was. Een Engelsch schip zou hen overvoeren, maar 
de arme Paltzers te Lobith gekomen kregen daar bericht uit 
Rotterdam, dat de kapitein hen opgelicht had en vertrokken 
was. Zonder middelen van bestaan werden zij als eene bende 
heidenen aan de grenzen van Gelderland afgewezen, en hun 
toestand was deernis waardig , toen de koning van Pruissen fb£- 
DBiK lï een gedeelte der Gbcherheide hun tot woonplaaats aan- 
wees, waar zij onder aanvoering van janssen Pfalzdorf stich- 
ten, dat langzamerhand een welvarend dorp en de moeder- 
staat van verscheidene nieuwe volkplantingen is geworden. Die 
voortreffelijke en, volgens het getuigenis van zijn kleinzoon, 
doorkundige man heeft later met den landschrijver vekmeer 
te Zevenaar, zijn grootvader van moedersz^de, veel bijgedra- 



(3 ) 

gen om den aanleg van den knaap te ontwikkelen en bij hem 
Iie£ie voor de studie op te wekken. Herwen gaf den knaap 
volop gelegenheid om zijn krachtig lichaam door allerlei oefe- 
ningen te harden ; hij werd daar een onvermoeid wandelaar , 
een goed ruiter en een sterk schaatsenrrjder; maar de dorps- 
school bood weinig gelegenheid aan om veel kennis op te doen. 
Daarom werd hij op jeugdigen leeftijd naar Zevenaar gebraclit 
om onder de leiding van zijn oom, den predikant o. o. hel- 
DRiNG en van den Rector tikmann voor het hooger onder- 
wijs voorbereid te worden. Die voorbereiding was echter gebrek- 
kig, en het heeft hem te Utrecht, waar hij zich in 1824 als 
student voor de theologie liet inschrijven , veel inspanning ge- 
kost om het verzuimde in te halen en bij zijne tijdgenooten 
niet achter te staan in letterkundige kennis. Dat zijne pogin- 
gen niet zonder gevolg zijn gebleven, kan eene Latijnsche ver- 
handeling bewijzen , die in 1828 met goud bekroond is en in 
de Jaarboeken der Utrechtsche hoogeschool gedrukt staat. Zij 
bevat eene grammatische en aesthetische verklaring van den 
negen-en-twintigsten psalm. 

Twee jaren later werd hij proponent en kreeg spoedig een 
beroep te Nederlangbroek, waar hij den tweeden Januari 1881 
zijn intreêpreek hield. Slechts weinige weken was hij in die 
betrekking werkzaam , toen hij door een zware melancholie over- 
vallen en in een toestand verkeerend, die aan zijne naaste be- 
trekkingen grooten angst baarde, zijn dienst nederlegde en 
tot zijne ouders, toen te Zevenaar wonende, terugkeerde. In 
den familiekring, en bij den jongsten zoon en opvolger van zijn 
grootvader janssen te Pfalzdorf , week de treurige kwaal. Hij 
vond afleiding en bezigheid in de studie der oude talen, waar- 
toe de waarneming van het rectoraat hem bracht, en in oud- 
heidkundige nasporingen , die hij in vereeniging met zijn neef 
HELDBING ondcmam. Er werd moeite gedaan om hem tot 
Rector te doen aanstellen, maar janssen bezat evenmin den 
vereischten Akademischen graad, als hij lust gevoelde zich aan 
het onderwijs van een paar leerlingen toe te wijden. Hij wist 
misschien bij ondervinding , hoe treurig het lot is van de do- 
centen aan kleine liatijnsche scholen^ die veroordeeld zijn om 

1^ 



(4) 

zeer enkelen , misschien weinig begaafde of onwillige knapen, 
van de eerste beginselen tot een tamelijk voldoende kennis van 
Latijn en Grieksch, en van een aantal bijvakken, te brengen. 
Wanneer zal het tijdstip aanbreken, dat door eene dringend 
noodige regeling van het hooger onderwijs zulke onvoldoende 
kweekscholen voor goed zullen worden opgeruimd? 

Hoewel jakssen de theologie niet aan den kapstok had 
gehangen, zooals verschillende bijdragen van zijne hand over 
historisch-godsdienstige onderwerpen, die van 1831 tot 1883 in 
de Godgeleerde Bijdragen geplaatst zijn, bewijzen kunnen, en 
hoewel hij altijd voor de rechten en belangen van het protes- 
tantisme geijverd heeft, wenschte hij echter na zijn herstel 
niet weer als herder eener gemeente op te treden. Hij besloot 
zijne tenten op een ander gebied op te slaan, en vatte de pen 
op om zijne bevoegdheid daartoe te toonen. Zijn eerste ge- 
schrift over een onderwerp van oudheidkundigen aard, de graf- 
heuvelen der oude Germanen, was de voorlooper van een lange 
reeks geschriften over archaeologie^ die door hem van 1833 
tot 1869 in zijne moedertaal, in het Hoogduitsch, inhetEransch 
en in het Latijn zijn bewerkt en uitgegeven. 

Door &miliebetrekking viel het hem gemakkelijk, met den 
hoogleeraar keuvens in kennis te komen. Maar zijne nauw- 
keurigheid in het opsporen en beschrijven van allerlei uit 
den bodem gehaalde oude voorwerpen , was de beste aanbe- 
veling bij den geleerde, die sedert 1818 de archaeologie aan 
de Leidsche hoogeschool vertegenwoordigde en wiens dood in 
1835 eene plaats heeft opengelaten, die helaas! nog niet we- 
der is bezet geworden. Janssïin heeft beuveks genoeg ge- 
kend, om achting te krijgen voor zijn karakter en zijne ge- 
leerdheid, maar te kort om veel van hem te leeren, en zijn 
wensch om door den invloed van reuvens bij het Museum 
van oudheden geplaatst te worden is eerst na diens overlijden 
vervuld. Immers bij Koninklijk besluit van 20 November 1835 
werd de meest geliefde leerling van reuvens, de uitgever vaii 
HorapoUo's werk over de hieroglyphen. Dr. c. leemans, die al 
voorloopig door de Curatoren met het beheer van het Museum 
belast was, tot eersten en janssen tot tweeden Conservator 



(6) 

aangesteld. Eerst onder dien titel, later, toen de onderscheiding 
van eersten en tweeden Conservator door de benoeming van den 
heer leemans tot Direkteor vervallen was, als Conservator heeft 
JANSSEN ruim drie-en-dertig jaren bijna onafgebroken zijne 
diensten aan het Museum bewezen. Met den aanvang van dit 
jaar verwisselde hij zijne betrekking met die van Direltteur van 
het munt- en penningkabinet te Leiden, welke betrekking hem 
na het overlijden van zijn voorganger, den bnitengewonen hoog- 
leeraar VAN DER OHijs, reeds voorloopig was o^edragen. Hier- 
door verkreeg hij eenige verhooging van jaarwedde, een beter 
klinkenden titel en grootere onafhankelijkheid. Hij is echter 
te kort in dien nieuwen werkkring bezig geweest om ie kunnen 
toonen, of hij daarbij op de rechte plaats gesteld was. 

De bezigheden van den Conservator bij het Museum van oud- 
heden bestonden in het ordenen van hetgeen voorhanden is, het 
opsporen van oude voorwerpen, die de vaderlandsche bodem 
oplevert, het uitbreiden der verzameling, het beschrijven van 
den voorraad en van de aanwinsten. Gij vordert niet van mij, 
dat ik in bijzonderheden zal aanwijzen wat Janssen in elk 
opzicht verricht heeft. Het is voldoende u te verwijzen op eene 
menigte mededeelingen van zijne hand, die nu eens als rappor- 
ten aan de Begeering in de Staatscourant zgn opgenomen, dan 
in de Letterbode of in andere wetenschappelijke bladen en tijd- 
schriften zijn geplaatst, dan weder in afzonderlijke geschrifteen 
van grooteren en kleineren omvang ter kennis van het algemeen 
zijn gebracht. Deze zijn de onwraakbare getuigen, dat hij even 
ijverig in het opsporen en onderzoeken, als in het ordenen en 
beschrijven der schatten van het Museum geweest is. Nu en 
dan heeft hij uitstappen gedaan op verderaf gelegen streken van 
het wijd uitgestrekt gebied der oudheid; maar vooral hebben 
de Etnirische, Grieksche, Eomeinsche, Germaansche en vader- 
landsche oudheden hem stof tot onderzoek en beschrijving ge- 
leverd. De inacriptiones Mruscae in 1840, de inscriptiones 
Qraecae et Latmae in 1842, de Oriekêche en BomeinscAe beel- 
den en beeldwerken in 1849, de Grieksche en Bomeinscke graf- 
reliëfs in 1851, de Terra-^otid's in 1862, de Nederlandsch- 
Romeinscie dactyliotheek met drie supplementen van 1844 tot 



( 6 ) 

1866 door hem uitgegeven, zijn zoovele bewijzen van de vlijt 
en van de geleerdheid van den schrijver. Door die werken is 
aan de studie der archaeologie een groote dienst bewezen^ al 
blijkt het dat de schrijver in de palaeographie der opschriften 
somtijds gedwaald heeft en al vindt men hier niet die uitge- 
breide philologische kennis, die aan de werken van k. o. muller, 
F. o. WBLOKEK, O. JAHN, £D. GEAHARD CU anderen Kiilk een 
hooge waarde bijzet. 

In het bijzonder verdient Janssen gewaardeerd te worden 
als verzamelaar en beschrijver van Germaansche en vaderlandsche 
oudheden. Onder de verdienstelijke beoefenaars van dat ge- 
deelte der archaeologie zal zijn naam naast die van hendbik 

CANNEGIETEB, J. IN DE BETOUW, N. WESTENDOBP CU C. J. C. 

BEUVBNS in eere blijven. Niet licht werd in ons land of in 
het Klee&che eenig voorwerp van ouden oorsprong ontdekt, of 
hij was bij de hand om het te onderzoeken en daarvan verslag 
te doen in binnen- of buitenlandsche tijdschriften, of ook in 
zijne beide verzamelingen van oudheidkundige mededeeUngen, 
die te Leiden (1848—46) en te Arnhem (1853—59) zijn 
uitgegeven. Zeeland en Drenthe, Friesland en Limburg trokken 
in dat opzicht even goed zijne aandacht en belangstelling, als 
Gtelderland en Holland, Nieuwe ontdekkingen van oude voor- 
werpen bracht hij gaarne in de vergaderingen van deze afdee- 
ling der Akademie ter sprake, en als geene andere leden zich 
aanboden tot het doen van eenige mededeeling, dan klopte uw 
secretaris zelden te vergeefs bij janssen aan. 

Het heeft den wakkeren man niet aan erkenning zijn^ ver- 
diensten ontbroken, al heeft het Nederlandsche ridderkruis zijne 
borst niet versierd. Boven vde onderscheidingen zal de titel 
hem wdk<nn geweest zijn van Doctor in de letteren, die hem 
door de letterkundige &culteit te Utrecht op den 14^^ Maart 
1836 honoris causa verieend werd, terwijl de uitreiking der 
bul met eene vleijende toespraak van zijn vroegeren leermeester 
PH. w. VAN HEUSDE gepaard ging, en de ridderorde 3^e klasse van 
St. Anne, hem in 1866 door den keizer van Busland gezonden, 
als dankbetuiging voor de diensten, die hij aan den bekenden 
oudheidkundige köhleb te Petersburg bewezen had door zijne 



( 7 ) 

mededeeUngen over gesneden steenen met kunstenaarsnamen uit 
het Koninklijk kabinet te 's Gravenhage. Het Kon. Instituut 
nam hem reeds in L837 onder de Correspondenten der derde 
klasse op^ en in 1849 nam hij zitting onder de gewone leden 
van de tweede klasse. Dientengevolge was hij een dergenen , die 
na de nieuwe organisatie van de Kon. Akademie van wetenschap- 
pen bij besluit van 28 Februari 1855 tot lid van de letter- 
kundige afdeeling benoemd werden. 

Meermalen ontving hij van regeeringswege onderstand tot het 
doen van oudheidkundige nasporingen op onzen bodem, en in 
1859 werd hem een vrij aanzienlijke som toegestaan tot het 
ondernemen eener wetenschappelijke reis. Hij bezocht in April, 
Mei en Juni van dat jaar verschillende streken van Duitsch- 
land, Zwitserland en Hongarijen, en gaf verslag van zijne be- 
vindingen aan de regeering en in vier afzonderlijke stukken aan 
het groote publiek, waarop nog een vijfde had moeten volgen, 
dat wel onder zijne papieren gevonden, maar niet gedrukt is. 
Be reis door Hongarijen had tevens ten doel om op uitnoodi* 
ging van de godgeleerde faculteit te Utrecht een onderzoek in 
te stellen naar de behoeften der protestantsche kerken daar te 
lande, een onderwerp, dat janssbn, die zooveel gedaan heeft 
voor de vestiging en uitbreiding der Nederlandsche Gustaaf-Adolf- 
vereeniging, zeer na aan het hart lag. Evenals janssen op 
zijne binnenlandsche reizen vele vriendschappelijke betrekkingen 
aanknoopte, deed hij dit in andere landen. Welk een aange- 
name herinnering hij in Hongarijen achterliet, is mij gebleken 
uit een brief, dien de Direkteur van het evangelisch seminarium 
voor onderwijzers te Oedenburg of Sopron mij eenige weken na 
het overlijden van jtanssen toezond, omdat hij behoefte gevoelde 
aan iemand in Holland te betuigen, wat hij en zijne kweek- 
school in hem verloren had. //Er war," zoo schrijft hij, //cin 
Mann im besten Sinne des Wortes. Er hat Segen gestreuet 
nah und feme; sein Andenken ist durch ein Stipendium an 
unserer Anstalt verewigt worden. Wenn es möglich ware ihn 
durch heisse Thranen zu erwecken, so würde ich keinen Augen- 
blick anstehn meinen Thranenquell bis zur Neige fliessen zu 
lassen.^' 



(8 ) 

Te Leiden en elders, ook in onzen kring, telde hij vrien- 
den, in wier vertrouwelijken omgang hij verpoozing vond van 
zijn ingespannen kamerleven. Hij was zeer gevoelig voor elk 
bewijs van vriendschap. Zuinig op zijn tijd was hij evenwel 
altijd bereid om aan ieder, zelfs aan onbekenden, dienst te be- 
wijzen, en waar het noodig was met raad en daad te helpen. 
Als zijn prikkelbaar gestel hem tot een hard woord of een ge- 
streng oordeel vervoerd had, dan was hij steeds bereid om dwa- 
ling te erkennen. Zoo was Janssen bij zijn leven, zoo bleef 
hij in zijn laatste nur. Toen hij te Botterdam in het zieken- 
huis, waarheen hij zich had laten brengen, zijn einde na zwaar 
lijden voelde naderen, nam hij in gedachte afscheid van zijne 
vrienden, en na in stille overdenking een bete brood en een 
teug wijn genuttigd te hebben, blies hij den laatsten adem uit 
met den naam Jesus op de lippen. 

Aan het einde van mijn taak gekomen neem ik een woord 
over van zijn opvolger bij het Museum van oudheden, dat de 
Koninklijke Akademie van wetenschappen gaarne zal onderschrij- 
ven: Wij verliezen in janssbn den vriend der wetenschap, den 
ijverigen oudheidkundige. 



( 9) 

LIJST DER BIJDRAGEN 

VAH 

Or. L. J. F. J A N 8 S E N, 

61FLAAT8T IN DE WEBKSV BEK KONINKLIJKE AKADEMIB 

VAN WETENSCHAPPEN. 



1856. Bedenkingen tegen het betoog van den heer a. rutoers 
over de onechtheid der Eugabinische tafelen. Yersl. 
D. n bl. 24—52. Verder ald. 163 en 275—307. 

// Advies over eene mededeeling van den heer j. a. nij- 
HOFF, betreffende een handschrift afkomstig van het kloos- 
ter Bethlehèm bij Doetinchem. Yersl. II, 175 — 182. 

1857. Voorstel tot het bekendmaken van overblijfselen van oud- 
vaderlandsche kunst. Versl. Il, 325. 

n Advies over eene mededeeling van den heer sloet. 

Versl. III, 97. 
9 Over de echtheid van het koopcontract der Eugubinische 

tafelen. Versl. Hl, 136—144. 

1858. Over de nagelaten handschriften van Hendrik canneoie- 
TER. Versl. III, 325—353. 

if De muurschilderijen der St. Janskerk te Gorinchem. Met 

21 platen. Verhandelingen D. I. 
1/ Over Etruskische opschriften. Versl. IV, 94 — 114 en 147. 
» Over muurschilderingen te Emmen ontdekt. VersL IV, 

158—162. 

1859. Over oude meerwoningen in Zwitserland. Versl. IV, 
169-188 en V, 86—62. 

1860. Voorstel tot uitgaaf van eenige vaderlandsche monumen- 
ten. Versl. VI, 137, en 191 vg. 

1861. Advies over eene missieve van den heer c. g. boon- 
ZAYER. Versl. VI, 195 vg. 



( 10 ) 

1862. Rapport over th. reinesii eponymologicon. Versl. VIT, 
141—159. 

1864. Oudheidkundige ontdekkingen in Nederland. Versl. IX, 
1—22. 

1865. Over den amethist met het opschrijft AAAUIN. Versl. IX, 
126—140 

1866. Oudheidkundige ontdekkingen in Nederland. VersL X. 
179—202. 

1868. Bedenkingen op de piilaeographische kritiek in de Ber- 
lijnsche Akad. van Wetensch. uitgebracht tegen de echt- 
heid der Romeinsche opschriften van Nennig. Versl. 
XII, 58—80. 
// Over een nieuw ontdekten Romeinschen tegel met cur- 
siefschrift. Versl. XII, 158 — 155. 



JAARBOEK 



▼AM Dl 



KONINKLIJKE AKADEMIE 



▼▲V 



WETENSCHAPPEN. 



GEVESTIGD 



TK 



AMSTEBDAM, 



▼OOK 



1870. 



AMSTERDAM, 
C. G. VAN DEE POST. 



OBDBi^KT BIJ DB BOBYBR- KBÖBBR - KAKBLS. 



I I^ BC o TJ !>• 



Bltds. 
Staat yam db koninklijke akadexie tan wetenschappen, op 

DEN SOSten APB1L DES JAAR8 1870 UI. 

ALPHABETISCHJE lijst DEB GEWONE LEDEN, 00EBE8P0NDENTEN IN DE 
OYEKZEESCHB BEZITTINGEN TAN HET BUK EN BUTTENLAND8CHE 
LEDEN, 8EDEBT DE OPEIOTINO IN 1861 X. 

Lijst dkb binnen- en buitenlandsohe ACADEXiëN, geleek de ob> 

NOOTSCHATPEN EN INSTELLINGEN, WAARXEDE DE ACAOEXIE DOOB 
WEDEBKEEBIGE RUILING DER UITGEGEVEN WERKEN IN VERBINDING IS. XIX . 

Koninklijk Besluit omtrent het verleenen van vrijdom van Briefport 
aan de Koainki^ke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. . XXIX. 

Frograinina c^rtaminis poetici ab Academia regia disciplinarnm Neder- 
landica ex Legato Hoeupftiano indicti A**. CIOIOCCGLXX. . . . XXXI. 

PbOCES-VEBBAAL van D£ VEREENIGDE VERGADERING DER BEIDE AP* 

DEELINGEN XXXIII. 

Inleiding XXXV, 

Proces-Verbaal van de Vereenigde Vergadering der beide Afdeelingen 

gehouden 80 April 1870 XXXVII. 

Verslag van den staat en de werkzaamheden aan Z. M. den Koning . XXXVIII. 
Bckening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris 
over het jaar 1869—1870 gehouden beheer • XLY. 



lY 



Bladx 



Rekening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris 
over het jaar 1869—1870 gehouden beheer ?an het Legaat Hoeufft. UXI. 

Memorie van Toelichting b^* de Rekening en Verantwoording • • . . I<III. 

Verslag over de Rekening lilV. 

Begrooting van Inkomsten en Uitgaven, gaande van 1° April 1870 tot 

1» April 1871 LX. 

Verslag over den toestand der Boeker^ en het Munt- en Penning- 
kabinet . liXI. 

Overgang van den voorrang der Academie op de Letterkundige Afdee- 
ling ett slnitiDg der Vergadering , liXII. 

Verslag van de Commissie tot het opsporen, het behoad en het bekend 
maken van de overblgfsels der Vaderlandsche knnst ait vroegere t^den. 1 . 

Levensberigt van Frederik Willem Conrad, door J. W. L. van Oorot. 67 . 

Levensberigt van Jam Willem üiRMEeins, door C. J. Matthes. . . 79. 



NAAMLIJST 



DSR 



GEWONE LEDEN, 
CORRESPONDENTEN 

IN DE OYEAZEESGHE BEZITTINGEN VAN HET RIJK 



SN 



BÜITENLANDSCHE LEDEN 



vau os 



KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN. 



Jaarboek 1870. -A- 



STAAT 

▼AN DE 

KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN 

OP DEN 30»t«» APEIL DBS JAAK8 1870. 



BESTUUR DER ACADEMIE 
gedurende het Academiejaar van April 1870— April 1871 

ALOBMEENE VOOBZITTfiB, 

C. W. OPZOOMEE. 

ALOEHEENE VOORZITTEK, 

C. J. MATTHES. 



Af deeling voor de Taal, Letter-, Oeaehiedknndige en 

Wijsgeerige Wetenschappen . 



VOOEZTTTER,' 

C. W. OPZOOMEB. 

ONBEBTOOBZITTEB, 

W. MOLL. 

SECRETABIS, 

J. C, G. BOOT. 



Ajfdeeling Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, 

VOOBZITTEB, 

E. C. DONDERS. 

ONDEEVOOEZTTTEB, 

C. A. J. A. OUDEMANS. 

SECBETABIS, 

C. J. MATTHES. 



A* 



IV 

Af deeling voor de Taal-, Letter-^ Geschiedkundige en 

Wijsgeerige Wetenschappen. 

Oewone Leden. 

B. p. A. DOZY, te Leiden. 
j. HOFFMANN, te Leiden, 
c. LBfiMANSy te Leiden, 
T. BOOBBA, te Leiden. 

A. BÜT6BBS, te Leiden. 

M. BE VBIBS '^), te Leiden. 

w. G. BBiLL, te Utrecht. 

L. PH. c. VAN DEN BBBGH, te ^8 Ofavcnhage. 

w. J. A. jroNCKBLOET, te ^s Gravcnhage. 

* 

w. MOLL, te Amsterdam. 

H. jr. KOENEN^ te Amsterdam. 

3. DE WAL, te Leiden. 

j. DiBKS, te Leeuwarden 

c. w. opzooMEB, te Utrecht. 

j. H. SCHOLTEN, te Leiden. 

L. A. J. w. siOET, te Leiden. 

w. j. KNOOP, te 's Gravenhage. 

G. DE VBiES, Az., te ^s Gravenhagc. 

j. c. o. BOOT, te Amsterdam. 

M, H. GODBPBOi, te '« Gravcnhogc. 

j, A. c. VAN HEüSDE, te "'s Graveuhoge. 

w. c. HEES, te Amsterdam. 

N. BEETS, te Utrecht. 

B. J. FBUiN, te Leiden. 

B. J. LiNTELO DE GEBB, te Utrecht. 

j. H. HOLWEBDA, te Gorinchcm. 

A. KUENEN, te Leiden. 

G. MEES, AZ., te Rotterdam. 

J. KAPPEYNE VAN DE COPPELLO, te 's Gravcnhagc, 

D. HABTiNG, te Enkhuizcn. 



*) Tot aan den Heer m. de vries zijn de namen alphabetisch gesteld van 
hen, die bij Koninklijk besluit van 23 Febr 1855 tot gewone leden der Af- 
deeling werden benoemd. De rangorde der overige leden wordt bepaald door 
den tijd hunner benoeming. 



s. VISSER JNOy te Leiden, 

G. ACKBR STBATiNOH, te Groningen, 

jr. B. GOUDSMiT, te Leiden. 

A. R^viLLE, te Rotterdam. 
j. p. six, te Amsterdam, 
p. j VETH, te Leiden. 

s. A. NABEB, te Zwolle, 

TH. BOERET, te Vogelensang. 

c. M. FBANCKEH, te Groningen» 

s HOEKSTRA, BZ., te Amsterdam. 

H. KERN, te Leiden. 

j. K, J, DE JOKGE^ te *sGravenhage. 

j. T. BIJY8, te Leiden. 

j. A. FBUIN, te Utrecht. 

R. T. H. p. L. A. VAN BONEVAL PAURE, te Leiden. 

B. D. H. TELLEGEN, te Groningen, 

B. H. c. K. VAN DER wiJCK, te Groningen. 
B. VERWIJS, te Leiden. 
M. J. DE GOEJTE, te Leiden. 

H. VAN HERWERDEN, te Vtrecki. 



Rustende Leden. 

G. H. M. DELPRAT, te Rotterdam, 
j. BOSSCHA^ te 's Gravenhage. 



Correspondenten in de Overzeesche Bezittingen van het Rijk. 

R. H. THe PRiEDBRiCH, te Batavia. 
B. F. MATTHBS, te Makassur. 
j. A. VAN DER CHY8, te Batavia. 

H. NEUBRONNER VAN DER TUÜK, Op Bali. 

A. B. COHBN STUART, te Batavia. 

K. F. HOLLE, te Garoet {Preanger Regentsch.). 

H. D. LEVYSSOHN NORMAN, te Batavia. 



VI 



Buitenlandsche Leden. 

MiCHfiL CHEYALiEB, te Parijs. 
H. L. FL£iscH£B, te Lcipzig. 

F. GUIZOT, te Parijs. 

L. F. OACHAAD^ te BfiMSel. 

c. B. LfiFSius, te Berlijn, 
i. N. HADVio, te Koppenhagen. 
LBOFOLD BANKB^ te Berlijn. 
A. B. BANGABÉ^ te Athene. 
o. GROTE, te Londen, 
j. BOULEZ^ te OenL 
8TANI8LA8 JULiEN, te Parijs. 
c. LASSEN, te Bonn. 
TH. H0HM8BN, te Berlijn. 
H. c. BAWLiNSON, te Landen, 
A. THEiNEB, te Bome. 

G. CONESTABILE, te Perugia. 

J. LOTHROF MOTLEY, te ... . 

F. j. CHABAS, te Chdlons sur Saóne, 

H. HOFFMANN VON FALLEB8LEBEN, Slot CofVe^j hij Hoxier. 

V. DüRüY, te Parijs. 



Afdeeling voor de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen. 

Gewone Leden. 

j. VAN GEUNS, te Amsterdam. 
H. c. VAN UALL, te Groningen. 
F. KAïSEB, te Leiden. 
c. J. MATTHES, te Amsterdam. 

A. H. VAN DER BOON MESCH, te 

w. N. BOSE, te *s Gravenhage. 

F. i. STAMKART *', te Bel/t. 



*) Tot aan den Heer f. j. stamkabt zijn de namen alphabetisch gesteld 
yan hen, die bg Eoninkl\jk besluit yan 26 October 1851, N». 8, werden be- 
noemd tot gewone leden der Koninl^ijke Akademie yan Wetenschappen. 



vn 

F. O. DONDERS^ te Utrecht. 

p. HARTiNG, te Utrecht. 

j. w. L. VAN OOHDT, te Sotterdom, 

H. scHLBGBLi te Leiden. 

o. B. vooBHBLM 8CHNBBV006T, te Anuterdom, 

w. c. H. STARING *)^ op den Huize Boekhorst bij Loc hem, 

c. H. D. BUiJS BALLOT, te Utrecht, 

F. z. BRMBRiNSy te Oroningcn. 

j. A. c. OUDBMANS, te Utrecht (tijdeü)k te liutaria). 

D. Bi£BBNS DB HAAN^ te Leiden. 
j. BOsquBTi te Maastricht, 

A. w. M. VAN HAS8BLT, te Amsterdaf/t. 

M. c. VBRLORBN^ te Schothorst bij Amersfoort, 

j. VAN GOGH, te 's Oravenhage (Uitlandig). 

V. s. M. VAN DBB wiLUGBN, te Haarlem. 

F. BLL^S; te 's Gravenhage. 

c. A. J. A. 0UDBMAN8, te Amstordom. 

E. H. voN BAUMHAUBB^ te Haarlem. 

F. A. w. HiquBL, te Utrecht. 

8. c. SNBLLBN VAN VOLLENHOVBN, te Leiden» 
F. if. BRUTBL DB LA bivière, te Leiden. 
F. BLBBKBR, te ^s Oravcnhagc. 
F. J. van kbrckhoff, te Utrecht. 
j. BOSSCHA, JR., te 's Gravenhage. 
N. w. f. rauwbnhopf, te Leiden. 

F. L. rijkb, te Leiden. 
A. HBYNSius^ te Leiden. 
H. HOBE, te Utrecht. 

j. A. BOOGAARD, te Leiden. 

L. COHBN STUART, te Delft. 

G. VAN DiBSBN, te Utrccht. 
w. K08TBR, te Utrecht. 



*^ De alphabetische orde is ook aangenomen voor hen, die by Kon. be- 
slnit yan 23 Febmarij 1866 tot gewone leden der Natuurkundige Afdeeling 
van de Academie werden benoemd. De rangorde der leden, volgende op den 
Heer w. c. u. stabiko, wordt bepaald door den tgd liunner benoeming. 



VIII 

6. F. W. BABHB, te Delft. 

w. p. B. SUEINOAB, te Leiden. 

T. J. STIELTJBS^ te Delft, 
HEBlf. YOOELSANG, te Delft. 

j. A. HEBKLOTS, te Leiden. 

A. C. OÜDEMANSy Hl., te Delft. 

c. H. c. OBiNwis, te Utrecht. 

C. M. VAN DBB SANDB LACOSTB, te 

TH. w. BNGBLMANN, te Utrecht. 
J. B. T. OBTT, te Haarlem. 



Rustende Leden. 



c. PBüYS VAN DEE HOlEVEN, te Leiden. 

j. p. OELPBAT, te '^sGravenhage. 

B. VAN BEES, te Utrecht. 

G. A. VAN KEEKwiJK, te '« Oravcnhage. 

G. J. MiiLDEB^ te Bennekom. 

D. J. STOBH BTJYSING, te '« Gravcnhoge. 



Correspondenten in de Overzeesche Bezittingen van het Rijk, 

c. SWAVING, te Buitenzorg op Java* 

p. j. MAiEB, te Batavia. 

j. E. TBYSMANN, te Buitcnzorg op Java. 



IX 

BnUenlandêche Leden» 

jL. c. fiiscQUERELi te Parij t. 

H. K. w. BKRGHAUS^ te PoUdam, 

j. B. DUMAS, te Parijs. 

j. voN LiEBio, te Munchen, 

H. ?0N HOHLy te Tubingen, 

j. j. d'omalius, te Ciney. 

B. OWBN, te Londen. 

A. QÜETBLET, te BruêseL 

RAMON DB LA 8A6RA, te ParijS, 

JOHN p. w. HERSCHEL; te Londen, 
p. J. ^AN BBNBDBNi te Leuten, 
G. B. AiRY, te Oreenwich, 
H. HBLKHOLTZ; te Heidelbetg. 
A. w. HOPMANNi te Berlijn. 
V. REGNAüLT, te Parijs. 
R. viRCHOw, te Berlijn, 
H. w. DOVE, te Berlijn. 
H. R. GÖPPERT, te Breelau, 

H. MILNE EDWARDS, te ParijS, 

w. WEBER, te GöUingen. 



ALPHABETISCHE LIJST 



DSB 



GEWONE LEDEN, 
CORRESPONDENTEN 

IN DE OVEEZEESCHE BEZITTINGEN VAN HET KIJK 

EN 

BUITENLANDSCHE LEDEN 

VAN DE 

KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN, 

SEDERT DE OPRIGTING IN 1851. 



NB. De Letter L. 

it » C. 

u il B. L. 

» u R. L. 

V II a. N. 

;/ V a. L. 



beteekent gewoon Lid. 
Il Correspondent. 

Buitenlandsch Lid. 
Rasiend Lid. 
Afdeeling Natanrkunde. 
V Afdeeling Letterkunde. 



// 



u 



A. 



Ackersdyck, (J.) te Utrechiy L. a. 

L. 23 Febr. 1855. R. L. 1862. 

Overl. 13 Julij 1861. 
Airy, (G. B.) te Greenwich^ B.L. 

a. N. 4. Mei 1859. 



Arago, (D. F. J.) te Parijs, B. L. a. N. 

26 Oct. 1851. Overl. 2 Oct. 1853. 
Assen, (C, J. van) te Leiden, L. 

a. L. 23 Febr. 1856. R. L. 1855. 

Overl. 13 Sept. 1859. 



B. 



Baehr, (G. F. W.) te Delft, L. a. 

N. 5 Mei 1867. 
Bake, (J.) te Leiden, L. a. L. 23 

Febr. 1856. R. L. 1858. Overl. 

26 Maart 1864. 
Baamhauer, (E. H. von) te //aar- 

lem, L. a. N. 1 Mei 1858. 
Becquerel, (A. C.) te PariJ8,B.h, 

a. N. 26 Oct. 1851. 



Beek, (A. van) te Utrecht, R, L. a. N» 

26 Oct. 1851. Overl. 7 Jan. 1856. 
Beets, (N.) te Utrecht, L. a. L. 

4i Mei 1859. 
Beneden, (P. J. van) te Leuven, 

B. L. a. N. 4t Mei 1859. 
Bergh, (L. Ph. G. van den) te 

^8 Gravenhage, L. a. L. 24 Maart 

1855. 



XI 



fierghaus, (H. K. W.) te Potsdam, 
B. L. a. N. 26 Oct. 1851. 

Bleeker, (P.) te 's Gh-avenhage, C. 
a. N. 6 April 1856. L. a. N. 

5 Mei 1862. 

Blome, (C. L.) te Leiden, L. a. N. 

6 April 1855. Overl. 3 Febr. 
1862. 

Boogaard, (J. A.) te Leiden, L. a. 

N. 8 Mei 1865. 
Boot. (J. C. G.) te Amsterdam, 

L. a. L. 2 Mei 1857. 
Borret, (Th.) te Vogelensang^ L. 

a. L. 8 Mei 1865. 
Boschy (B. B. van den) te Goes^ 

L. a. N. 2 Mei 1857. Overi. 

18 Jan. 1862. 
Bosquet, (J.) te Maastricht, L. a. 

N. 5 Mei 1856. 
Bosscha, (J.) te ^sGravenhage, 

L. a. L. 23 Febr. 1855. B. L. 

1867. 
Bosscha, Jr., (J.) te *8 Oravenhage, 

L. a. N. 1 Mei 1868. 
Brants, (A.) te Joppe bij Qorsel, 

L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

27 Nov. 1862. 



Breda, (J. G. S. van) te Haarlem, 

L. a. N. 26 Oct. 1851. B. L. 

Oct. 1858. Overl. 2 Sept.1867. 
Brill, (W. G.) te Utrecht, L. a. L. 

24 Maart 1855. 
Brink (B. G. Bakhuizen van den) 

te ^s Oravenhage, L. a. L. 23 

Febr. 1855. Overi. 15 Ju^j 1865. 
Brown, (B.) te Londen^ B. L. a. 

N. 26 Oct. 1851. Overl. 10 

Jun^ 1858. 
Brumund, (J. F. G.) te Batavia, 

C. a. L. 29 April 1865. Overi. 

12 Maart 1863. 
Brutel de la Bivière, (P. M.) te 

Leiden, L. a. N. 8 Mei 1860. 
Bünsen, (K. J. von) te Bonn, B. 

L. a. L. 4 Mei 1859. Overl. 28 

Nov. 1860. 
Buys, (J. F.) te Leiden, L. a. L. 

5 Mei 1867. 
Bu^s Ballot, (C. H. D.) te Utrecht, 

L. a. N. 6 April 1855. 
Buysing, (D. J. Storm) te ^sGra- 

venhage, L. a. N. 26 Oct. 1851. 

B. L. 27 Maart 1869. 



C. 



Chabas, (F. J.) te Chdlons sur Saóne, 

B. L, a. L. 8 Mei 1865. 
Chevalier, (Michel) te Parijs, B. 

L. a L. 19 ApriM856. 
Chys, (J. A. van der) te Batavia, 

C. a. L. 5 Mei 1867. 



Cobet, (C. G.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. Bed.8Sept. 1856. 
Conestabile, (G.) te Perugia,'B,h. 

a. L. 7 Mei 1861. 
Gonrad, (F, W.) te 'sGravenhage, 

L. a. N. 23 Febr. 1855. Overi. 

1 Febr. 1870. 



D. 



David, (J. B.) te Leuven, B. L. 

a. L. 5 Mei 1862. Overl. 24 

Maart 1866. 
Delprat, (G. H. M ) te Rotterdam, 

L. a L. 24 Maart 1855. B. L. 

1861. 



Delprat, (J.P.) te 's Gravenhage, L. 

a. N. 26 Oct. 1851. B.L. 1863. 
Diesen, (G. van) te Utrecht, L. 

a. N. 7 Mei 1866. 
Dirks, (J.) te Leeuwarden, L. a. 

L. 5 Mei 1856. 



xn 



Donders, (F. C.) te utrecht^ L. 

a. N. 28 Febr. 185B. 
Dove, (H. W.) te Berlijn, B. L. 

a. N. 7 Mei 1861. 
Dozy, (F.) te Leiden^ L. a. N. 

28 Febr. 1855. Overl. 7 Oct. 

1856. 
Dozy, (R. P. A.) te Leiden, L. a. 

L. 23 Febr. L855. 



Dnmas, (J. B.) te Parijs, B. L. 
a. N. 26 Oct. 1851. 

Dumontier, (F. A. C.) te Para- 
maribo, C. a. N. 5 Mei 1859. 
Bed. 8 Aug. 1860. 

Duruy, (V.) te Parijs, B. L. a. 
L. 5 Mei 1867. 

D\jk, (C. M. van) te Utrecht, L. a. N. 
88 Febr. 1855. Bed. 21 Mrt. 1853. 



E. 



Elias^ (P.) te ^s Gravenhage, L. 

a. N. 2 Mei 1857. 
Engelmann, (Th. W.) te Utrecht, 

L. a. N. 12 Mei 1870. 
Ermerins, (F. Z.) te Groningen, 

L. a. N. 6 April 1855. 



Ermerin8,(J.W.)te6r»*owt7ï^tw,L.a.N. 

23Febr.l855.R.L. 19Febr.l868. 

Overl. 2 Maart 1869. 
d'Espine, (Baron A.) te Aix, in 

Savoye, B, L. a. N. 26 Oct. 

1851. Overl. 7 April 1853. 



F. 



Faraday, (M.) te Londen, B. L. 

a. N. 26 Oct. 1851, Overl. 25 

Aug. 1867. 
Faure, (E T. H. P. L. A. Boneval) te 

Leiden, L. a. L. 2 Mei 1868. 
Fleischer, (H. L.) te Leipzig, B. 

L. a. L. 19 April 1855.' 
Focke, (H. C.) te Paramaribo, C. 

a. N. 28 Febr. 1855. Overl. 29 

Jany 1856. 



Francken, (C. M.) te Groningen, 

L. a. L. 8 Mei 1865. 
Fremery, (P. J. J. de) te Utrecht, 

L. a. N. 23 Febr. 1855. Overl. 

7 Sept. 1 855. 
Friederich, fR. H. Th.) te Batavia, 

C. a. L. 1 Mei 1858. 
Fruin, (J. A.) te Utrecht, L. a. L. 

5 Mei 1867. 
Fruin, (R. J.) te Leiden, L. a. L. 

4 Mei 1859. 



G. 



Oachard, (L. P.) te Brussel, B. 

L. a. L. 19 April 1855. 
GausB, (C. F.) te Göttingen, B. L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 23 

Febr. 1855. 
Geer, (B. J. Lintelo de) te Utrecht, 

L. a. L. 4 Mei 1859. 
Geuns, (J. van) te Amsterdam, L. 

a. N. 26 Oct. 1851. 
Gh^jben, (J. Badon) te Breda, L. 

a. N. 23 Febr. 1855. R. L. 30 

Junq 1868. Overl. 31 Jan. 1870. 



Gilse, (J. van) te Amsterdam, L. 

a. L. 4 Mei 1859. Overl. 26 

Mei 1859. 
Glavimans, (C. J.) te Rotterdam, 

L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

11 Aug. 1857. 
Godefroi, (M. H.) te 's Gravenhage, 

L. a. L 2 Mei 1857. 
Goeje, (M. J. de) te Leiden, L. a. 

L. 3 Mei 1869. 
Göppert, (H. R.) te Breslau, B. 

L. a. N. 7 Mei 1861. 



xm 



Grogh, (J. ran) te ^s Oravenhage, 

L B. N. 2 Mei 1867. 
Gondsmit, (J. E.) te Leiden^ L. a. 

L 5 Mei 1862. 
GreuFc, (F. C. de) te Groningen^ 

L. a. L. 23 Febr. 1865. B. L. 

6 Dec. 1862. Overl. 28 April 

1863. 



Grinwis, (O. H. C.) te Utrecht, 

L. a N. 3 Mei 1869. 
Groen van Prinsterer, (G.) te 'aGra' 

venhage, L. a. L. 28 Febr. 1866. 

Bed. 27 April 1865. 
Grote, (G.) te Londen, B, L. a. L. 

2 Mei 1867. 
Guizot, (F.) te Parijs, B. L. a. L. 

19 April 1865. 



H. 



Haan, (D. Bierens de) te Leiden, 

L. a. N. 6 Mei 1866. 
Haan, (W. de) te Haarlem, L. a. 
N. 260ct. 1861. Overi. 16 April 
1865. 
Halbertsma, (H. J.) te Leiden, L. 
a. N. 26 Oct. 1861. Overi. 22 
Nov. 1866. 
Hall, (H. C. van) te Groningen, 

L. a. N. 26 Oct. 1861. 
Hall, (J. van) te Utrecht, L. a. 
L. 24 Maart 1865. Overi. 19 
Maart 1869. 
Harting, (D.) te Enkkuizen, L. a. 

L. 8 Mei 1860. 
Harting, (P.) te Utrecht, L. a. N. 

23 Febr. 1855. 
Hasselt, (A. W. M. van) te Amster- 

dam, L. a. N. 5 Mei 1856. 
Hasskari, (J. L.) te Batavia, C. 

a. N. 6 April 1856. 
Helmholtz, (H.) te Heideïberg, 

B. L. a. N. 4 Mei 1859. 
Herklots, (J. A.) te Leiden, L. a. 

N. 2 Mei 1868. 
Heraohel, (John F. W.) te Londen, 

B. L. a. N. 1 Mei 1868. 
Herwerden, (H. van) te Utrecht, 

L. a. L. 12 Mei 1870. 
Heusde, (J. A. C. van) te '« Gra^ 
venhage, L. a. L. 1 Mei 1868. 



Heynsius, (A.) te Leiden, L. a. 

N. 12 Mei 1864. 
Hoek, (M.) te Utrecht, L. a. N. 

12 Mei 1864. 
Hoekstra, Bz., (S.) te Amsterdam, 

L. a. L. 8 Mei 1865. 
Hoeven, (A. des Amorie van der) 

te Amsterdam, L. a. L. 23 Febr. 

1866. Overl. 29 Jul^' 1856. 
Hoeven, f C. Pruys van der) te Lei' 

den, L. a. N. 26 Oct. 1851. B. 

L. 13 Aug. 1862. 
Hoeven, (J. van der) te Leiden, 

L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

10 Maart 1868. 
Hofmann von Fallersleben, (H.) 

Slot Corvey bij Höxter, B. L. 

a. L. 7 Mei 1866. 
Hoffmann, (J.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. 
Hofmann, (A. W.) te Berlijn, B. 

L. a. N. 4 Mei 1859. 
Holle, (K. F.) te Garoet op Java, 

C. a. L. 3 Mei 1869. 
Holtius, (A. C.) te Utrecht, L. a. 

L. 23 Febr. 1856. E. L. 1857. 

Overi. 29 Maart 1861. 
Holwerda, (J. H.) te Gorinchem, 

L. a. L. 4 Mei 1859. 
Horsfield, (Th.) te Londen^ B.L.a.N. 

26 Oct. 185 1. Overl. 24 Jul]g 1859. 



XIV 



Hulleman, (J. G.) te Leiden, L. 
•a. L. 5 Mei 1856. Overl. 29 
Mei 1862. 



Humboldt, (A. tod) te Berlijn, B. 
L. a. N. 26 Oct. 18B1. Overl. 
6 Mei 1859. 



J. 



Janssen, (L. J. F.) te Leiden, L. 

a. L. 23 Febr. 1855. Overl. 22 

Julij 1869. 
Jonckbloet, (W. J. A.) te *sGra- 

venhage, L. a. L. 24 Maart 

1855. 
Jonge, (J. K. J. de) te 'sGrU' 

venhage, L. a. L. 7 Mei 1866. 



Julien, (S.) te Parijs, B. L. a. L. 

2 Mei 1857. 
Junghuhn, (F. W.) te Batavta,C. 

a. N. 6 April 1855. Overl. 20 

April 1864. 
Juynboll, (T. W. J.) te Leiden, 

L. a. L. 23 Febr. 1855 . Overl. 

16 Sept. 1861. 



K. 



Kaiser, (F.) te Leiden, L. a. N. 

26 Oct. 1851. 
Kappeyne van de Goppello, (J.) 

te 's Gravenhage, L. a. L. 8 

Mei 1860. 
Karsten, (S.) te Utrecht, L. a. L. 

23 Febr. 1855. Overl. 7 Mei 1864. 
Kemper, (J. de Bosch) te Amster- 
dam, L. a. L. 23 Febr. 1855. 

Bed. 26 Aprü 1856. 
Kerckhoff, (P. J. van) te Utrecht, 

L. a. N. 6 Mei 1862. 
Kerkwijk, (G. A. van) te '5 Gra^ 

venhage, L. a. N. 23 Febr. 1855* 

B. L. 25 Jan. 1868. 
Kern, (H,) te Leiden, L. a. L. 7 

Mei 1866. 
Kinder de Camarecq, (A. W.) op 

Java, G. a. L. 7 Mei 1866. 



Kist, (N. C.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. Overl. 21 Dec. 

1859. 
Knoop, (W. J.) te *s Gravenhage, 

L. a. L. 2 Mei 1857. 
Koenen, (H. J.) te Amsterdam, 

L. a. L. 28 Maart 1855. 
Kolk, CJ. L. C. Schroeder van der) 

te Utrecht, L. a. N. 26 Oct. 

1851, Overl. 2 Mei 1862. 
Koster, (W.) te Utrecht, L. a. N. 

7 Mei 1866. 
Kuenen, (A.) te Leiden, L. a. L. 

4 Mei 1859. 
Kun, (L. J, A. van der) te 's Gra- 
venhage, L. a. N. 26 Oct. 1851. 

Overl. 26 Jan. 1864. 



L. 



Lassen, (C.) te Bonn, B. L. a. L. 

4 Mei 1859. 
Leemans, (C.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. 
Lennep, (J. van) te Amsterdam, L. 

a. L. 23 Febr. 1855. OverL 

25 Aug. 1868. 



Lepsius, (C. B.) te Berlijn, B. L. 
a. L. 19 Aprü 1855. 

Levyssohn Norman, (H. D.) te Ba- 
tavia, C. a. L. 3 Mei 1869. 

Liebig, (J. von) te Munchen, B. 
L. a. N. 26 Oct. 1851. 



XV 



Lindenao, (B. A. von) te AJien^ 
burg, B. L. a. N. 26 Oct.1851. 
Overl. 21 Mei 1866. 



LobaJto, (B.) te Delft, L. a. N. 
26 Oct. 1861. Overl. 9 Febr. 
1866. 



M. 



Macanlay,(Th. Babington) te Camp- 

denhill bij Kensington, B. L. a. L. 

19 April 1855. Overl. 28 Dec. 

1869. 
Madrig, (J. N.) te Koppenhagen, 

B. L. a. L. 19 April 1866. 
Maier, (P. J.) te Batavia, C. a. N. 

7 Mei 1861. 
Matthes, (B. F.) te Makassar, C. 

a. L. 7 Mei 1861. 
Matthes, (C. J.) te Amsterdam, 

L. a. N. 26 Oct. 1861. 
Mees, Az,. (G.) te Rotterdam, L. 

a. L. 4 Mei 1859. 
Mees, (W. C.) te Amsterdam, L. 

a. L. 1 Mei 1858. 
Mesch, (A. H. van der Boon) te 

Leiden, L. a. N. 26 Oct. 1851. 
Millies, (H, C.) te Utrecht, L. a. 

L. 5 Mei 1856. Overl. 26 Nov. 

1868. 



Milne Edwards, (H.) te Parys, B. 

L. a. N. 5 Mei 1862. 
Miquel, (F. A. W.) te Utrecht, h. 

a. N. 26 Oct. 1851. Bed. 26 

Juny 1857. L. a. N. 8 Mei 1860. 
Mohl, (H. von) te Tuhingen, B. L. 

a. N. 26 Oct. 1851. 
MolJ, (W.) te Amsterdam, h.d^.h. 

24 Maart 1865. 
Mommsen, (Th.) te Berlyn, B. L. 

a. L. 4 Mei 1869. 
Motley, (J. L.) te B. L. 

a. L. 6 Mei 1862. 
Mulder, (Cl.) te Groningen, L. a. N. 

23 Febr. 1856. R.L. 6 Oct. 1866. 

Overl. 4 Mei 1867. 
Mulder, (G. J.) te Bennekom, L, 

a. N. 26 Oct. 1861. R. L. 28 

Nov. 1868. 



N. 



Naber, (S. A.) te Zwolle, L. a. L. 

8 Mei 1865. 
Numan, (A.) te Utrecht, L.a. N.26 

Oct. 1861. Overl. 1 Sept. 1852- 



Nijhoff, (Is. An.) te Arnhem, L. a. L. 
24 Maart 1855. Overl. 20 Junij 
1863. 



O. 



Omalius, (J. J. d') te Ciney, B.L. 

a. N 26 Oct. 1851. 
Oordt, (J. W. L. van) te Rotter- 

dam, L. a. N. 23 Febr. 1856. 
Opzoomer, (C. W.) te Utrecht, L. 

a. L. 5 Mei 1856. 
Ortt, (J. R. T.) te Haarlem, L. 

a. N. 12 Mei 1870. 



Oudemans, Jr., (A. C.) te Delft, 
L. a. N. 3 Mei 1869. 

Oudemans, (C. A. J. A.) te Amster- 
dam, L. a. N. 1 Mei 1858. 

Oudemans, (J. A. C.) te Utrecht, 
L. a. N. 6 April 1855. 

Owen, (R.) te Londen, B. L. a. 
N. 26 Oct. 1851. 



XVI 



p. 

Pluygers, (W. G.) te Leiden, L. a. L. 12 Mei 1864. Bed. 9 Maart 1867. 

Q. 

Quetelet, (A.) te Brussel, B. L. a. N, 26 Oct. 1861. 

E. 



Rangabé, (A. B.) te Athene, B. L. 

a. L. 2 Mei 1857. 
Banke, (L.) te Berlijn, B. L. a. 

L. 19 April 1865. 
Bauwenhoff, (N. W. P.) te Leiden, 

L. a. N. 1 Mei 1868. 
Bawlinson, (H. G.) te Londen, B. 

L. a. L. 4 Mei 1859. 
Bees, (O. van) te Utrecht, L. a. L. 

7 Mei 1866. Overl. 24 Mei 1868. 
Hees, (B. van) te Utrecht, L. a.N. 

26 Oct. 1851. B.L. 24Mei 1867. 
Begnault, (V.) te Parijs, B. L. a. 

N. 8 Mei 1860. 
Beinwardt, (C. G. C.) te Leiden, 

B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

6 Maart 1854. 
Béville, (A.) te Rotterdam, L. a. 

L. 5 Mei 1862. 



Boorda, (T.) te Leiden, L, a. L. 

28 Febr. 1856. 
Bose, (W, N.) te 's Gravenhage, 

L. a. N. 26 Oct 1851. 
Bost van Tonningen, (D. W.) te 

Cheribon (op Java), C. a. N. 

7 Mei 1861. 
Boulez, (J.) te Gent, B* L. a. L. 

2 Mei 1857. 
Bueb, (A. 8.) te Utrecht, L. a.N. 

26 Oct. 1851. Overl. 11 Maart 

1854. 
Butgers, (A.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. 
Bijk, (J, C,) te 's Gravenhage, B. 

L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

2 Mei 1854. 
Byke, (P. L.) te Leiden, L. a. N. 

1 Mei 1863. 



S. 



Sande Lacoste, (C. M. van der) te 

Amsterdam, L. a.N. 8 Mei 1869. 
Sagra, (Bamon de la) te Parjjs, 

B. L. a. N. 26 Oct. 1851. 
Savigny, (F. von) te Berlijn, B. 

L. a. L. 19 April 1855. Overl. 

25 Oct. 1861. 
Schlegel, (H ) te Leiden, L. a. N. 

23 Febr. 18J55. 
Schneevoogt, (G. E. Yoorhelm) te 

Amsterdam, L. a. N. 28 Febr. 

1855. 
Scholten, (J. H.) te Leiden, L. a. 

L. 5 Mei 1856. 



Sebastian, (A. A.) te Amsterdam, 

L. a. N. 23 Febr. 1855. Bed. 

17 Deo. 1856. 
Seelig, (H. G.) te Breda, L. a.N. 

23 Febr. 1855. B.L. 1856. Overl. 

3 Oct. 1864. 
Simons, (G.) te *s Gravenhage, L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 17 

Nov. 1868. 
Six, (J. P.) te Amsterdam, L. a. 

L. 5 Mei 1862. 
Sloet, (L. A. J. W.) te Leiden, 

L. a. L. 5 Mei 1856. 



XVII 



Stamkart, (F. J.) te Delft, L. a. 

N. 26 Oct. 1851. 
Staring, (W. C. H.) op Boekhorst 

b^ Lochem, L. a. N. 28 Febr. 

1855. 
Stratingh, (G. Acker) te Oroningen, 

L. a. L. 7 Mei 1861. 
Stieltjes, (T. J.) te Del/t, L. a. N. 

2 Mei 1868. 



Stuart, (A. B. Cohen) te Batavia, 

C. a. L. 2 Mei 1868. 
Staart, (L. Cohen) te Delft, L. a. 

N. 8 Mei 1865. 
Suringar, (W. F. B.) te Leiden, 

L. a. N. 5 Mei 1861. 
Swaving, (C.) Buitenzorg op Java, 

C. a. N. 28 Febr. 1855. 



T. 



Tellegen, (B. D. H.) te Groningen, 

L. a. L. 3 Mei 1869. 
Temminck, (G. J.) te Leiden, B. 

L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

30 Jan. 1858. 
Teysmann, (J. E.) te Buitenzorg 

(op Java), C. a. N. 8 Mei 1865. 



Theiner, (A.) te Rome, B. L. a. 

L. 4 Mei 1859. 
Tiedemann, (F.) te Munchen, B« L. 

a. N. 26 Oct 1851. Overl. 23 

Jan. 1861. 
Tuuk, (H. N. van der) op Bali, 

C. a. L. 2 Mei 1868. 



U. 



Üllman, (C.) te Cavlsruhe, B. L. 
a. L. 19 April 1866. Overl. 12 
Jan. 1865. 



XJrsel, (de Hertog van) te Brussel, 
C. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 
27 Sept. 1860. 



V. 



Verdam, (G. J.) te Leiden, L. a. 

N. 26 Oct. 1851. Overl. 29 

Oct. 1866. 
Verloren, (M. C.) te Amersfoort, 

L. a. N. 2 Mei 1857. 
Verwys, (E.) te Leiden, L. a. L. 

8 Mei 1869. 
Veth, (P. J.) te Leiden, L. a. L. 

8 Mei 1865. 
Virchow, (B.) te Berlijn, B. L. a. 

N. 8 Mei 1860. 
Vissering, (S.) te Leiden, L. a. L. 

7 Mei 1861. 
Vogelsang, (H.) te Delft, L.a. N. 

2 Mei 1868. 

Jaasbobk. 1870. 



Vollenhoven, (S. C. Snellen van) 

te Leiden, L. a. N. 8 Mei 1860. 
Vries, Az., (G. de) te 's Graven- 

hage, L. a. L. 2 Mei 1857. 
Vries, (M. de) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. 
Vriese, (W. H. de) te Leiden, L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overi. 23 

Jan. 1862. 
Vrolik, (G.) te Amsterdam, B. L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 10 

Nov. 1859. 
Vrolik, (W.) te Amsterdam, L. a. 

N. 26 Oct. 1851. Overi. 22 

Deo. 1868. 

B 



xvni 



w. 



Wal, (J. de) te Leiden^ L. a. L. 

24 Maart 1855. 
Wassiak, (G.) te Batavia, C. a. 

N. 2 Mei 1857. Overl. 17 Oct. 

1864. 
Weber, (W.) te Göüingen, B. L. 

a. N. 2 Mei 1868. 



Willigen, (V. S. M. van der) te 

Haarlem^ L. a. N. 2 Mei 1857. 
Winkel, (L. A. te) te Leiden, Lt» 

a. L. 7 Mei 1861. Ovêrl. 24 

April 1868. 
Wyok, (B. H. C. K. van der) te 

Groningen y L. a. L. 8 Mei 1869. 



LIJST 



DER 



BiniVGn- EN BÜITERLANDSCHE 

ACADEMIËN, GELEERDE GENOOTSCHAPPEN EN 

INSTELLINGEN, 

WAARMEDE DB KONINKLIJKE AKADEMIB VAN 
^'ETENaCHAPPEN DOOK KUILING DEK UITGEGEVEN WEKKEN IN 

VERBINDING IS. 



NEDERLAND. 

Hoogeschool te Leiden. 

„ ff Utrecht. 

ff ff Groningen. 

Polytechnische school te Delft. 
Atlienseiim te Amsterdam. 

,/ ff Deventer. 
Maatschappij (Hollandsche) der Wetenschappen, te Haarlem. 
der Nederlandsche Letterkunde, te Leiden. 

(Nederlandsche) ter bevordering van Nijverheid, 

te Haarlem. 

tot bevordering der Bouwkunst, te Amsterdam. 

Genootschap (Teylers tweede), te Haarlem. 

(Zeeuwsch) der Wetenschappen, te Middelburg. 

(Provinciaal Ütrechtsch) van Kunsten en Weten- 
schappen, te Utrecht. 

— (Historisch), gevestigd te Utrecht. 

(Bataafsch) der Proefondervindelijke Wijsbegeerte, 

te Aotterdam. 

B* 



XX 

Genootschap (Provinciaal) van Kunsten en Wetenschappen in 

Noord-Brabant, te 's Hertogenbosch. 

(Wiskundig) onder de zinspreuk : Een onvermoeide 

arbeid komt alles te hoven, te Amsterdam. 

— (Koninklijk Zoölogisch) Natura Artis Magistra^ te 

Amsterdam. 

(Nederl. Onderwijzers-) ter bevordering van Volks- 
opvoeding en Onderwijs, te Amsterdam. 

ter bevordering der Genees- en Heelkunde te Am- 
sterdam. 

(Priesch) voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, 

te Leeuwarden. 

Instituut (Koninklijk) van Ingenieurs, te 's Gravenhage. 

— voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 

van Neêrlandsch Indië, te Delft. 

(Koninklijk Nederlandsch Meterologisch), te Utrecht. 



Nederlandsche Entomologische Vereeniging, te Leiden. ^ 

Vereeniging (Overijsselsche) tot ontwikkeling van Provinciale 

welvaart te Zwolle. 
Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, te Amsterdam. 
Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, 

te Amsterdam. 
Vereeniging voor Volksvlijt, te Amsterdam. 
Nederlandsche Handelmaatschappij, te Amsterdam. 
Boekerij van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,te'sGravenhage. 
Provinciale Bibliotheek van Friesland, te Leeuwarden. 
Openbare Bibliotheek, te Arnhem. 
Stadsboekerij, te Zutpheu. 
Provinciale Bibliotheek, te Middelburg, 
Botterdamsch Leeskabinet. 

OOST- INDIË. 

Bat aviaasch Genootschap der Kunsten en Wetenschappen, te Batavia. 
Koninklijke Natuurkundige ^ ereenigingin Nederl. Indië,te Batavia. 
Nederlandsch-Indische Maatschappij van Nijverheid, te Batavia. 
Vereeniging tot bevordering der Geneeskundige WetenschappeD, 
te Batavia. 



XXI 

W E S T . I N D lË. 

Koloniale Bibliotheek, te SuriDame. 

BELGIË 

Académie Royale des Sciences, Lettres et Arts de Belgiquo, te 
Brussel. 

de Médecine de Belgique, te Brussel. 

Sociéte Koyale de Sciences, te Luik. 

Willems-Fonds, te Gent. 

üniversité Catliolique de Louvain, te Leuven. 

F R A N K R IJ K. 

Académie Impériale des Sciences, te Parijs. 

Ecole Impériale Polytechnique, te Parijs. 

Bibliothèque du Comité des Travaux historiques et des Socié- 

tés savantes, te Parijs. 
Bibliothèque du Ministère de l'Agriculture, du Commerce et des 

Travaux Publics, te Parijs. 
Muséum d^Histoire Naturelle, te Parijs. 
Académie Impériale de Médecine, te Parijs. 
Société de Biologie, te Parijs. 
Het Departement van Oorlog, te Parijs. 
Bibliothèque Impériale, te Parijs. 

Académie Impériale des Sciences, Belles -Lettres et Arts, teLyon. 
Société Impériale d'Agriculture, d'Histoire Naturelle et d'Arts 
utiles, te Lyon. 

Linnéenne, te Lyon. 

de Normandie, te Caen. 

Académie des Sciences, Arts et Belles -Lettres, te Caen. 
Société des Antiquaires de Normandie, te Caen. 
Académie Impériale des Sciences, Inscriptions et Belles-Lettres, 
te Toulouse. 

— de Législation, te Toulouse. 

Impériale des Sciences, Belles-Lettres et Arts, te 

Bordeaux. 



xxn 

Académie des Sciences^ Arts et Belles-Lettres^ te Dij on. 
Sociétë d'Agriculture et d'Industrie Agricole de la Cóte d'or, 

te Dyon. 
Académie des Sciences, Belles-Lettres et Arts^ te Bouaan. 

des Sciences et Lettres^ te Montpellier. 

Impériale de Savoie, te Chambéry. 

de Stanislas (Société des Sciences, Lettres et Arts) 

te Nancy. 

d'Emulation, te Kamerrijk. 

Société Lnpériale des Sciences, de l^Agriculture et des Arts, te 
Bijssel. 

Dankerquoise pour Tencouragement des Sciences, des 

Lettres et des Arts, te Duinkerken. 

Académique de St. Quentin (Sciences, Arts, Belles- 
Lettres, Agriculture et Lidustrie), te St. Quentin. 

Imp. d'Agriculture, Sciences et Arts de l'arrondissemeut 

de Valenciennes, te Valenciennes. 

de THistoire et des Beaux-Arts de la Plaudre Maritime, 

te Bergues. 

Agricole, Scientifique et Littéraire des Pyrénées Orien - 

tales, te Perpignan. 

des Sciences Naturelles, te Cherburg. 

Naturelles, te Straasburg. 

des Antiquaires de Picardie, te Amiens. 

de la Morinie, te St. Omer. 



des Sciences Physiques et Naturelles, te Bordeaux. 

botanique de Trance, te Parijs. 

ITALIË. 

Accademia Pontifizia dei Nuovi Lincei, te Eome. 

delle Scienze delP Istituto di Bologna, te Bologna. 

R. Istituto di Scienze, Lettere ed Arti, te Venetië. 
Istituto Lombardo di Scienze, Lettere ed Arti, te Milaan. 
Accademia Eeale delle Scienze, te Turijn. 

Eeale delle Scienze, te Napels. 

Consiglio di perfezionamento annesso al £. Istituto tecnico, te 
Palermo. 



XXIII 

SPANJE. 

Lst Eeal Academia dü Ciencias, te Madrid. 
Academia Especial de Ingenieros, te Madrid. 

PORTUGAL. 

Academia Aeale das Sciencias, te Lissabon. 

GROOT-BRITTANNIÉ en IERLAND. 

fioyal Society, te Londen. 

Astronomical Society, te Londen. 

Medical and Chirurgical Society, te Londen. 

Geographical Society, te Londen. 

Observatory, te Greenwich. 

Zoological Society, te Londen. 
Linnean Society, te Londen. 
Hydrographical office (Admiralty), te Londen. 
East'India Company, te Londen. 
Philological Society, te Londen. 
Anthropological Society, te Londen. 
Cambridge Philosophical Society, te Gambridge. 
Literary and Philosopbical Society, te Manchester. 
Royal Society, te Edinburg. 

Observatory, te Edinburg. 

Irisb Academy, te Dublin, 

Dublin Society, te Dublin. 

Catholic üniversitv of Ireland, te Dublin. 

Philosophical Society, te Glasgow. 

Geological Society, te Dublin. 
Natural History Society, te Dublin. 
Public Library, te Melboume. 
Meteorological Commitiee, te Calcutta. 

AMERICA. 

American Academy of Arts and Sciences te Boston and Cam- 
bridge, Massachusetts. 
Observatory of Harvard College, te Cambridge (Mass). 



XXIV 

state Library of New-York, te Albany, 

Academy of Natural Sciences^ te Philadelphia. 

American Philosophical Society, te Philadelphia. 

Associatiou for the advancement of Sciences, te Phi- 
ladelphia. 

Smithsonian Institution, te Washington. 

Department of Agriculture of the ü. S. of America, te Wash- 
ington. 

American Journal of Sciences and Arts, te Newhaven. 

Michigan-State agricultural Society, te Détroit. 

Academy of Science, te St. Louis (Missouri). 

EUiot-Society of Natural History, te Charleston (Zuid-Carolina). 

Ohio-State Board of Agriculture, te Columbus. 

State üniversity of lowa, te Des Moines. 

Chicago Academy of Sciences, te Chicago (Dl). 

California Academy of natural Sciences, te San Francisco. 

Société de Naturalistes de la Nouvelle Grenade, te Bogota. 

Sociedad de Ciencias fisicas y naturales de Caracas, t'C Caracas 
(Venezuela). 

Boston Society of Natural History, te Boston. 

National Academy of Sciences, te Washington. 

Surgeon Generai's office Library, te Washington. 

OOSTENRIJK. 

Kaiserliche Akademie der Wissenschaften, te Weenen. 
K. K. Geologische Beichsanstalt, te Weenen. 
K. K. Geographische Gesellschaft, te Weenen. 
Zoologisch-böhmische Gesellschaft, te Weenen. 
Anthropologische Gesellschaft, te Weenen. 
Königlich-böhmische Gesellschaft der Wissenschaften, te Praag. 
Académie des Sciences de Hongrie, te Pesth. 
Verein für Vaterlandische Naturkunde, te Presburg. 
Das Tirolische Ferdinandeum, te Innsbrück. 
Société historique de Styrie, te Gratz. 
Naturwissenschaftlicher Verein für Steiermark, te Grat::. 
Naturforschender Verein, te Brünn. 



XXV 



P R U I S S E N. 

Königliche Akademie der Wissenschaften, te Berlijn. 
Königliche Sternwarte, te Koningsbergen. 
Phjsikalisch-ökonomische Gesellschaft^ te Koningsbergen. 
Naturforschende Gesellschaft, te Dantzig. 
Naturforschcnde Gesellschaft f. Vaterlandische Kultur, teBreslau. 
Yerein von Alterthumsfreunden im Bheiulande, te Bonn. 
Naturhistorischer Verein der preussischen Bheinlande u. West- 

phalens^ te Bonn. 
Naturforschende Gesellschaft, te Halle. 
Naturwissenschaftlicher Verein fiir Sachsen und Thüringen, te 

Halle. 
Oherlausitzische Gesellschaft der Wissenschaften, te Görlitz. 
Gesellschaft fiir nützliche Forschungen, te Trier, 
Die Philomathie, te Neisse. 
Universiteit, te Greifswald, 
Verein fiir Naturkunde, te Fulda. 

Königliche Gesellschaft der Wissenschaften, te Göttingen. 
Gesammt- Verein des deutschen Geschichts- und Alterthums- 

vereines, te Hannover. 
Naturforschende Gesellschaft, te Emden. 
Verein fiir Naturkunde, te Cassel. 
Gesellschaft zur Beförderung der gesammten Naturwissenschaf- 

ten, te Marburg. 
Wetterauische Gesellschaft für die gesammten Naturwissenschaf- 

ten, te Hanau. 
Verein für Naturkunde, te Wiesbaden. 
Senckenbergische Stiftung, te Frankfort a/M. 
Zoologische Gesellschaft, te Frankfort a/M, 

SAXEN. 

K. K. Leopoldinisch Carolinische Deutsche Akademie der Na- 

turforscher, te Dresden. 
Köïiiglich sachsische Gesellschaft, te Leipzig. 
Fürstlich Jablonowskische Gesellschaft, te Leipzig. 



XXV r 

Astronomische Gesellscliaft, te Leipzig. 
Verein für Erdkunde, te Dresden. 

SAXEN-GOTHA. 

Geographische Anstalt, te Gotha. 

WÜRTTEMBERG. 

Verein für Vaterlandische Naturknnde, te Stuttgart. 
Bibliothèqne Royale, te Stuttgart. 

BEHEREN. 

Königliche Akademie der Wissenschaften, te Munchen. 

K. Hof- und Staatsbibliothek, te Munchen. 

Physikalisch-medicinische Gesellschaft, te Wurzburg. 

Naturhistorischer Verein, te Aagsburg. 

Zoologisch-mineralogischer Verein, te Regensburg. 

Germanisches National-Museum, te Neurenberg, 

PoUichia, Naturwissenschaftlicher Verein der Rheinpfalz, te 

Durkheim. 
Historischer Verein f. Unterfran ken u. Aschaffenburg, te Wurzburg. 

HESSEN-DARMSTADT. 

Oberhessische Gesellschaft für Natur- und Heilkunde, te Giessen- 
Verein für Naturkunde, te OflFenbach a/M. 

BADEN. 

Gesellschaft zur Beförderung der Naturwissenschaften, te Prei- 
burg (in Breisgau). 
Naturhistorisch medizinischer Verein, te Heidelberg. 

MECKLENBÜRGSTRELITZ. 

Verein der Treunde der Naturwissenschaften in Mecklenburg, 
te Neubrandenburg. 



XXVIT 

LUXEMBURG. 

Institut Luxembourgeois^ te Luxemburg. 
Société des Sciences Naturelles du Gr. Duché de Luxembourg, 
te Luxemburg. 

HAMBURG. 

Naturwissenschaftlicher Verein^ te Hamburg. 

B R £ M E N. 
Naturforschender Verein, te Bremen. 

ZWITSERLAND. 

Sociétë de Physique et d'Histoire Naturelle, te Qenève. 

Helvétique des Sciences Naturelles, te Bern. 

Bernoise pour les Sciences Naturelles, te Bern. 

Vaudoise des Sciences Naturelles, te Lausanne. 

RUSLAND. 

Académie Impériale des Sciences, te St. Petersburg. 
Musée Impérial de TErmitage, te St. Petersburg. 
Observatoire Pbysique Central, te St. Petersburg. 
Commission Impériale Archéologique, te St. Petersburg. 
Société Géographique de Eussie, te St. Petersburg. 
Jardin Impérial Botanique, te St. Petersburg, 
Société Impériale des Naturalistes, te Moskou. 
Musée public, te Moskou. 
Observatorium, te Pulkowa. 
Societas Scientiarum Pennica, te Helsingfors. 
Académie des Sciences, te Dorpat. 
Naturforscher-Gesellschaft, te Dorpat. 
Naturforschender Verein, te Riga. 

DENEMARKEN. 

Kongelige Danske Videnskabernes Selskab, te Koppenhagen. 
Société Royale des Antiquaires du Nord, te Koppenhagen. 
Stemwarte, te Altona, 



XXVIII 

ZWEDEN EN NOORWEGEN. 

Kongelige Frederiks Universitat, te Christiana. 

Norske Videnskabs-Selskab, te Drontheim. 

Vetenskabs-Akademie, te Stockholm. 

Societas Scientarium, te üpsal. % 

Bureau de la Eeclierche Géologique de la Suède, te Stockholm. 
üniversitas Caroliiia, te Lund, 



XXIX 
KONINKLIJK BESLUIT omtrtot hrt vbelbbnén van 

VRIJDOM VAN BRIKPPORT AAN BB KONINKLIJKE AKA- 
DBlflB VAN WBTBNSCHAFPBN TB AMSTBROAU. 

Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Ne- 
derlanden^ Prins van Oranje^Nassau^ Oroot-Hertog van 
Luxemburg, enz,, enz,, enz. 

Gezien Art. 33 der wet van 12 April 1850 [Staatsblad, 
N^. 15) mitsgaders Ons besluit van 5 Julij 1860 {Staatsblad, 
N\ 88). 

Gelet op het rapport van Onzen Minister van Financiën, van 
den 15den dezer, N^. 189 Post. 

Hebben goedgevonden en verstaan: 

Vrijstelling van briefport onder de gewone bepalingen van 
kruisband en eigenhandig contreseing te verleenen; 

1*. voor de briefwisseling welke over dienstzaken gevoerd wordt 
tusschen de Leden der KoUegiën van Gedeputeerde Staten 
in elke provincie en den Griffier van hetzelfde KoUegie ; 
2'. voor de brieven en stukken betrekking hebbende tot den 
werkkring van de Koninklijke Akademie van WetenscAap- 
pen te Amsterdam, welke over en weder verzonden worden 
tusschen het Bestuur van die Akademie ter eene en de 
Leden van dezelve Akademie ter andere zijde. 
Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering de- 
zes, waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister 
van Sinnenlandsche Zaken, tot informatie. 

Hel Loo, den 2l8ten Angnstus, 1856. 

[get.) WILLEM. 
De Minister van 
Financiën, 
(get.) Vrolik. 

Voor kopie conform, 
De Secretaris- Oeneraal, 

{get.) D. VAN HOYTEMA. 
TRIJDOlf VAN BRIBFPORT. 



XXX 

Ten opzigte van het genot van vrijdom van bri^fport, is het 
noodzakelijk^ den EB. leden der Akademie te doen opfnerken, 
dat de onder kruisband en eigenhandig contreseing verzonden 
brieven aan het bureau van het Postkantoor behoorcn te tvordeu 
afgegeven. Zoo zij in de bus worden gestoken^ vervalt de 
vrijdom^ en worden de brieven getaxeerd. Be vrijdom hepaaló 
zich uitsluitend tot de dienst der Academie. 



VRUDOU VAN BUIEFPÜKT, ' 



XXXI 



PROGRAMMA cebtaminis poetici ab academia beoia 

DISCIPLINABÜll NEDEBLAKDICA EX LEGATO HOEUFFTIANO 

iNDicn ANKo CIOIOCCCLXX. 

Ante Kal. lanuarias huius anni novein carmina Latina cer- 
tamini oblata sunt iudicibusque e sociis Academiae cooptatis 
tradita. Horum sententia, in proximo fasciculo Eelationum or- 
dinis literarii promulganda, pridie ld. Martias in conventu pub- 
lico ordinis recitata est. Summa haec fuit. 

Carmina, quae inscribuntur I de rerum cancordia atque in^ 
crementis cum lemmate miserisque viatica canis, II Vivitur in- 
^enioy cetera mortis erunt, III Concilium oecumenicuniy cui ad- 
scriptum parturient montes^ IV Carmen Sapphicum Aonoribus 
exc, domini Stephani Fankovica eet. dicatum, haec igitar quatuor 
carmina tam paucis commendantur virtutibus, tot vitiis labo« 
rant, ut nuUa eorum ratio haberi possit. 

Paulo melioris notae sunt V Carmen seculare memoriae lo- 
sepM II Austriae Imp, sacrum eet. munitum verbis Hoki) av 
iniSotri Tj YBCOQYca xré et VI de cholera morloy cui adscripta 
sunt verba quaesitaeque nocent artes^ nee tarnen satis expolita 
sunt, ut ad praemii honorem adspirare possint, Magis puro 
sermone se commendat VII ad Salutem^ sed nimis tenue et 
omatu poetico destitutum est, ut legentibus voluptatem afferre 
possit. 

Vm inscribitur Parus et pro tessera in fronte habet ima- 
ginem illius aviculae pulcre depictam. In longo carmine pul- 
crae sententiae et plures boni versus inveniuntur, nee garru- 
litas pari iudicibus molesta fuit. Sed virtutes plurimis obscu- 
rantur vitiis sermonis et metricis, quae unus iudicum poetae, 
si forte ea cognoscere volet, indicare non recusabit. 



xxxn 

At cannen IX Urania quo continetur rerum coelestium de- 
scriptio, in qua ne ea quidem desiderantur, quae nostra aetate 
in re astrouomica ei meteorologica reperta sunt, ab omni parte 
ita excellit, ut sine uUa dubitatione praemio aureo dignum ha- 
bitum sit. 

Aperta schedula Uraniae addita auctorem se professus est 
Fetb. Esseiya Helvetius, exercitus pontificii centurio. 

Denuo rogantur, qui de praemio Hoeüpftiano certare velint, 
ut carmina Latina nitide scripta suis sumptibus ante Kal. la- 
nuarias anni MDCCCLXXI perferenda curent ad virum CL 
I. C. G. Boot, Ordini literario ab actis, lemmate instructa, 
quod idem ioscribendum est schedulae obsignatae, quae nomen 
poetae et sedis indicium contineat. 

Indices de carminibus missis sententiam ferent in conventu 
publico Ordinis mense Martio proximi anni, et numum aureum 
CXX florenorum decernent, si quod carmen versibus minimum 
L constans, non ex alio sermone translatum nee argumenti 
privati nee editum, ceteris praestare et supra mediocritatem as- 
surgere censebitur= 

Carmen praemio ornatum et si forte aliud praecipua lande 
dignum videbitur edetur sumptibus e legato erogandis. Sche- 
dulae ceteris additae non apertae comburentur. 

C. W. OPZOOMER, 
Amslelodamiy Idibus Martiis, Ord. Praeses. 

A. cioiocccLxs:. 



PROCES-YERBAAL 



▼Air DS 



VEREENIGDE YERGADERING DER BEIDE AFDEELINGEN 



DBE 



KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN 



Jaarboek 1870. 



INLEIDING. 



Tot de Tereenigde Vergadering van de beide Afdeelingen 
der Koninklijke Academie van Wetenschappen, gevestigd te 
Amsterdam, waren de leden met den volgenden brief opge- 
roepen : 



Amsterdam, den 23»teii April 1870. 

Ik heb de eer ü te noodigen op Saturdag den SOsten April 
e. k. des morgens te Elf uren en Dertig minuten, tot eene 
Ybreeniqdk Yergadering van de beide Afdeelingen der Aca- 
demie^ voorgeschreven bij Art. 12 van het Organiek Reglement, 

C. J. MATTHES, 
Algemeene Secretaris. 



ONDERWERPEN TER BEHANDELING. 

1®. Ontwerp- Verslag van den staat en de werkzaamheden der 
Academie. 

2°. Rekening en Verantwoording van den Algemeenen Secre- 
taris over het jaar 1869 — 1870, en Rapport van deHee- 



XXXVI 

ren P. J. van Kerckhoff, G. E. Voorhelm Schnekvoogt, 
H. J. Koenen en E. T. H. P. L. A. Boneval Pa ure, 

door de twee Afdeelingen der Academie in Commissie be- 
noemd tot het nazien daarvan. 

3°. Mededeeling omtrent en uit het Verslag der Commissie 
Voor het opsporen, het behoud en het hekend maken van 
overblijfsels van Vaderlandsche Kunst uit vroegere tijden — 
en Voorstel daaruit voortvloeijende. 

4°, Eaming van Ontvangsten en Uitgaven over 1870 — 1871. 

5*. Verslag aangaande Boekerij en Munt- en Penningkabiaet. 

6^. Verwisseling van den Voorrang der Afdeelingen. 



PEOCES-VERBAAl 



VAir DS 



VEREENIGDE YERG4DERING DER BEIDE AFDEELINGEN 



DIS 



KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN, 

GEUOUD£N DEK SQsten APBIL 1870, DES MORGENS 
TE HALF TWAALF UKEN. 



Algemeene Voorzitter • . c. a. j. a. oudemans. 
Algemeene Secretaris . . c. J. matthbs. 

Tegenwoordig de Heeren: s. a. nabbr, b. j. l. de gbbk, 

W. N. KOSE, A. H. VAN DER BOON MBSCH, D. BIEliENS DB HAAN, 

N BEETS, 6. F. W. BAEHR, J. A. HERKLOTS, G. VAN DIESEN, 

\V. MOLL, 6. MBE8, AZ., C. LEEMANS, N. W. P. RAUWENHOFF, 

J. H. HOLWERDA, L. COHEN SVUART, TH. BORRET, F. J. VBTH, 

V. 8. M. VAN DER WILLIGEN, H. J. KOENEN, F. J. STAMKART, 

K. H. VON BAUMHAUEB, J. C. G. BOOT, A. HEIJNSIUS, E. VERWIJS, 

G. DE VRIES, AZ., G. B. VOORHBLM SCHNEEVOOGT, H. VOGELSANG, 

J. VAN GEUN8. 



xxxvm 

De H.H. F. C. Donders, C. W. Opzoomer, A. W. 
M. VAN Hasselt, J. de Wal, C. H. C. Grinwis, W. P. 
R. SüRiNGAR en R. T. H. P. L. A. Boneval Paure 
hebben om verschillende redenen hun afeijn veront- 
schuldigd. 

De Vergadering wordt bij afwezigheid van den Heer 
F. C. Donders door den Vice- Voorzitter geopend. 

I. 

Daarop draagt de Secretaris het door hem ontworpen 
Verslag voor van den staat en de werkzaamheden der 
Academie, hetwelk aldus luidt: 

SIRE! 

De Koninklijke Akademie van Wetenschappen heeft de eer, 
Uwer Majesteit het Verslag aan te bieden van hare verrigtin- 
gen gedurende het afgeloopen jaar 1869/70. Moge daaruit 
blijken, hoe zij hare beste pogingen bleef aanwenden, om waar- 
diglijk aan het doel harer instelling te beantwoorden. 

Daartoe strekten in de eerste plaats de Opdragten van Re- 
geringswege haar gedaan, waarvan zij niet in gebreke bleef zich 
naar behooren te kwijten. 

Hare voorlichting werd verlangd nopens een voorstel van 
Dr. OüDEMANS, Chef der geographische dienst in Neêrlandsch 
Oost-Indië, betreffende de vergelijking der normaalstaaf van 
Repsold*s basis-meettoestel, koorts werd zij geraadpleegd daar- 
over, of de bij Kon. Besluit van 1^ April 1889 (Staatsblad, 
N". 18) aangenomen standaarden van maat en gewigt als zoo- 
danig behoorden bestendigd te worden. Nog werd aan haar 
oordeel onderworpen : de wenschelijkheid eener vertegenwoordi- 
ging van Nederland bij de speciale Commissie waaraan het 
Fransche Gouvernement voornemens was de vervaardiging eener 
wettige kopie op te dragen van den mètre h, bouts in de Ar- 
chiven van het Keizerrijk voorhanden. 



XXXIX 

De paalworm-quaestie gaf wederom aanleiding tot het vra- 
gen van adviezen omtrent de doeltreffendheid van middelen tot 
wering van den paalworm aangeboden^ één door den Heer 
C. Mak te Rotterdam^ een ander door den Heer J. van Bbkk 
te Helder ; terwijl der Academie werden medegedeeld de door 
den Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Noord-Holland in- 
gediende Eesultaten van een op 17 Maart 1869 hernieuwd 
onderzoek, ingesteld op de in 's Rijks zeehaven het Nieuwe- 
Diep ter proeve geplaatste balken van te Ostende gecreosoteerd 
hout — benevens een nader Rapport van de Hoofd-Ingenieurs 
van den Waterstaat in Friesland, Noord- Holland en Zeeland, 
aangaande de eigenschap die sommige Surinaamsche houtsoor- 
ten zouden bezitten, van door den paal worm niet aangetast te 
worden. Beide deze stukken werden, daar de Commissie ad 
hoc bereids ontbonden was, voorloopig weggelegd, om later daar- 
over, gezamenlijk met nog meer dergelijke te verwachten be- 
rigten, verslag uit te brengen. 

Eindelijk werd het gevoelen der Academie gevraagd over een 
schrijven van den Heer O. Wobstijn te Parijs, betreffende diens 
methode van luchtzuivering in ziekenhuizen. 

Een vertoog van den Correspondent Mr. J. A. van deu 
Chys te Batavia, waarbij op een wetenschappelijk onderzoek 
van sommige inheemsche talen van de Nederlandsche Oost- 
Indische bezittingen werd aangedrongen, gaf aanleiding tot eea 
voorstel aan Z. E. den Minister van Koloniën, waarop de vol- 
ledige beslissing nog verwacht wordt. 

De Commissie aan welke de zorg voor het opsporen en be- 
waren van de overblijfselen der Oude Vaderlandsche Kunst is 
opgedragen, heeft ook dit jaar met ijver zich van haren veel- 
omvattenden arbeid gekweten. Zij vond intusschen bij voort- 
during te weinig ondersteuning, om de instandhouding van ha- 
ren werkkring in het belang der zaak raadzaam te achten. 

De Commissie belast met de bewerking der Vervolgen op 
VAN Loon's Penningioerky heeft hare taak ten einde gebragt 
met de uitgave van het X^® Stuk. Wii gelooven dat het ge- 
leverde ruimschoots regt geeft op den dank van de beoefenaars 
der vaderlandsche geschiedenis. 



XL 

De Charter-Commissie gaat voort met het verzamelen en 
rangschikken van stukken^ waarvan een aantal voor de pers 
gereed ligt. Van het Oorkondenhoek is de eerste Aflevering 
van het tweede Deel juist uitgegeven, bevattende 279 oorkon- 
den, meest allen in het Latijn, van het jaar 1256 tot 1274. 
De maandelijksche Vergaderingen der Leden werden opge- 
luisterd door vele belangrijke bijdragen. 

In de Afdeeling voor Wis- en Natuurkundige Wetenschap- 
pen^ gaf het herhaaldelijk ter sprake komen van standaard-maat 
en gewigt aanleiding aan den Heer van dbb Willigen, om te 
handelen over verschillende Natuurmaten, als hoedanig hij wenscht 
voor te slaan de golfslengte van het Natriumlicht; zijn opstel 
daarover bood hij voor de werken in 4<). aan. 

Van zuiver wiskundigen aard waren de bijdragen van den 
Heer Bieheks de Haak betreffende de Theorie der bepaalde In- 
tegralen^ en van den Heer Baehr Over een merkwaardig ver» 
land tusscken de Wortels en Coëfficiënten der algemeene tweede 
magtsvergelijking» Laatstgenoemde deelde voorts nog Nieuwe 
uitkomsten van onderzoek mede over de Beweging van het Oog, 
Li het vak der sterrekunde gaf de Heer J. A. C. Oudemans 
een Naschrift tot zijn Verslag van de waarneming der totale 
Zoneclips van 18 Atig. 1868, en opperde eene nieuwe hypo- 
these omtrent den aard der Lichtkroon en derzelver stralen bij 
totale Zoneclipsen, die hij betoogde denzelfden oorsprong te 
hebben als het zodiacaallicht. 

Op hydrographisch gebied bewogen zich de Heeren van 
Diesën en Stieltjes. Eerstgemelde leverde eene Berekening 
van het afvoerend vermogen van Neder-Rijn en Lek bij hoogen 
rivierstand (zie VersL en Meded, N. R., Dl. IV, blz. 121); 
laatstgenoemde: Beschouwingen over reeds genomen en nog te 
nemen proeven ter bepaling van de Snelheid van water in rivic' 
reny kanalen en plassen (zie FersL en Meded. N. R. Dl. IV, 
blz. 228). 

De Heer Staring vestigde de aandacht op zijne onlangs 
verschenen Nieuwe landbouwkundige Kaart van Nederland, als 
die op een geheel anderen, wetenschappelijken grondslag be- 
rust als de gewone agronomische kaarten. 



XLI 

In het vak der algemeene natuurkunde kwam de Heer J. 
Bosscha, Jb. terug op de door hem noodig gekeurde Correctie 
der kmk'thernumeterstanden tusscAen 0^ en 100^, die hij staande 
hield dat door den Heer Bron au lt verwaarloosd was gewor- 
den. Later gaf hij eene bijdrage over de Orondvergelijking 
van de leer der CapillarileiL De Heer Huus Ballot bepleitte 
de wenschelijkheid van gedeeltelijk het voorstel der Qebr. 
S&izzo weer op te vatten met opzigt tot de Formule voor de 
Uitzetting der gassen. De Heer van der Williokn deelde een 
paar opmerkingen mede de Electriseermachine van Holtz letref- 
fende (zie VetsL en Meded. N. E. Dl. IV, blz. 848). De 
Heer P. A. Berosma eindelijk, door geen titel aan de Aca- 
demie verbonden, bood waarnemingen aan van de dagelijksche 
Variatie der magnetiscie inclinatie te Batavia (zie VersL en 
Meded, N. E. Dl. IV, blz. 284); later, een opstel over Ebbe 
en Vloed in den Dampkring^ veroorzaakt door de Maan. 

Als vertegenwoordigers der scheikunde traden vier sprekers 
op. De Heer von Baumhauer handelde over de Digtheid der 
Mengsels van alcohol en water^ naar aanleiding der onderzoe- 
kingen van D. Mkndelejeïf (zie VersL en Meded. N. E. Dl. 
IV, blz. 292); de Heer van Kerckhoff: over de Constitutie 
van sommige Koolwaterstof en (zie Versl. en Meded. K. E. DL 
IV, blz. 330); de Heer A. C. Oüdemans, Jr. : over de Zo- 
mensielling van het Palmpittenvet^ alsmede over de volumetrische 
Bepaling van Tzeroxyd (zie VersL en Meded. N. E. Dl. IV, 
blz. 309 en 820); de Heer van der Boon Mbsch: over 
Bèta hybrida en het suikergehalte van onderscheiden variëtei- 
ten dier plant. 

Van physiologischen aard was het door de Heeren Donders 
en Hejjnsius voorgedragene. De Heer Donders sprak: over 
de Wetten van den Electrotonus, getoetst aan den invloed van 
den constanten stroom op den nervus vagus. Voorts deelde 
hij de resultaten mede van een onderzoek door Dr. Th. W. 
Engelmann in het w-erk gesteld: over periodieke Zamenwerking 
bij blijvende prikkeling met zwakke inductiestroomen, alsmede 
die van proeven door Dr. E. Adamük uit Kasan in het phy- 
siologisch Laboratorium der TJtrechtsche Hoogeschool genomen 



XLII 

op de Innervatie der Oogbewegingen. Eindelijk toonde en be- 
schreef hij een werktuig door hem bedacht GnT/KBnopUhalmo- 
troop geheeten, dienende tot opheldering der bewegingen van 
den oogbol. De Heer Hëijnsius deelde resultaten van on- 
derzoek mede door hem en den Med. Doctorandus Nolet ver- 
kregen omtrent den Oorsprong der Geruiachen in het Vaatstelsel, 
alsmede den uitslag van onderzoekingen door Dr. Place in 
het werk gesteld aangaande de Geleidingssnelheid in de Beweeg- 
zenuwen van den mensch. Nog deed hij verslag van proeven 
met paardenbloed^ die hem het regtstreeksche bewijs oplever- 
den, dat, zoo niet alle vezelstof in het bloed, althans het groot- 
ste gedeelte daarvan van de bloedligchaampjes afkomstig is. 

De Heer van Hasselt gaf eene toxicologische bijdrage over 
de Africaansche Pijlvergifien. 

Wat nu de Natuur-historische Wetenschappen aangaat, le- 
verde de Heer Vogelsang een vertoog: over de Benaming en 
Sorteering der kristallij ne gesteenten (zie Fersl, en Meded. N. R. 
Dl. rV", blz. 199), hetwelk den Heer Stanislas Meuniëb te 
Parijs aanleiding gaf, zijn Nouvel arrangement méthodique des 
roches voor onze VersL en Meded. aan te bieden (N. E». Dl. 
IV, blz. 269). 

In het vak der botanie gaf de Heer Miquel Vervolgen op 
zijne Bijdrage tot de Flora van Japan^ alsmede Nieuwe Bij- 
dragen tot de kennis der Cycadeeèn^ ö^e Qed. De Heer Sü- 
KiNGAB vestigde de aandacht op de grooie zorgviddigheid waar- 
mede in Japan van alle natuur-voortbrengselen partij wordt 
getrokken, en vertoonde eene belangrijke collectie Wieren, met 
verschillende producten daaruit vervaardigd, waarvan daar te 
lande als eetwaar of anderszins gebruik wordt gemaakt; later 
hield hij eene voordragt over het JFierg es lacht Gloeopeltis J Ag, 
De Heer P. Harting sprak over een merkwaardigen Lindeboom 
op het eiland Tholen bij het dorp Maartensdijk, door eene af- 
beelding toegelicht. De Heer Eauwbnhoff handelde over het 
voorkomen van Looistof in de Planten. 

Op zoölogisch gebied zijn te vermelden de Heeren Heeklots, 
P, Harting en Blebkbr. De Heer Herklots gaf eene Be- 
schrijving van twee nieuwe Geslacht svormen van parasitische Cy- 



XLTII 

mothoadae^ Epichtkys en IchtAyoxenos (zie Verêl. en Meded» N. 
R. Dl. IV, blz. 156), en deed verslag van door den Heer C. 
KiTSEMA, Cz. in het werk gestelde onderzoekingen op Peri- 
phyllus Tesiudo v. d. H., waarover deze later een opstel voor 
de FersL en Meded, aanbood^ dat geplaatst is geworden (N. B. 
DL rV, blz. 263). De Heer P. Haeting sprak: over het 
Maaksel der Sponsen en derzelver rangschikking, en deelde na- 
dere bijzonderbeden mede omtrent den zoogenoemden Neptunus- 
beker, eene bij Sumatra en Singapore voorkomende soort. De 
Heer Bleeker handelde over Afbeeldingen van Nederlandsche 
VisscAen ; gdit eenige bijdragen voor de Fersl. en Meded, <, als: 
Bescription et figure d^une espèce inédite de Rhynchohdella de 
Chine ; Over eenige nieuwe Vischsoorien van China ; Descripiion 
£une espèce inédite de Botia de Chine et Figures du Botia 
élongata et du Botia modesta ; Bescription et figure d*une es- 
pèce inédite de Hemibagrus de Chine (N. E. Dl. IV, blzz. 249, 
251, 254 en 257), en bood voor de werken in 4°. eene Ver- 
handeling aan, getiteld : Mémoire sur les Ci/prinoïdes de Chine, 
die daarin zal worden opgenomen. 

Van palaeontologiscben aard was eene bijdrage van den Heer 
P. Hartikg, die den Schedel van een voorwereldlijk Rund van 
groote afmetingen, Bison, vertoonde en besprek, gevonden in 
de Maas tusschen Maasbommel en Megen. 

De Heer Koster leverde drie ontleedkundige bijdragen, als : 
over de embryonale Afkomst der Arferiae bronchiales ; over een 
Muscnlus omohyoïdeus, die zich na zijn oorsprong in tweeën 
splitst^ en over een ongewonen loop van den Nervus phrenicus 
der regter-zfjde (zie Fersl, en Meded. N. E. Dl. IV, blzz. 
172, 190 en 198). 

Beide laatstgenoemden eindelijk bragten nog Eapport uit van 
een door hen ingesteld anthropologisch onderzoek op een Sche- 
del en eenige B eenderen ^ onder bijzondere omstandigheden te 
Stelwijk opgedolven, waarover het oordeel der Afdeeling ge- 
vraagd was (zie Fersl. en Meded, N. E. Dl. IV, blz. 212). 

De Leden der Afdeeling voor de Taal-, Letter-, Geschied' 
kundige en IVijsgeerige Wetenschappen, die dit jaar door mede- 
deelingen de aandacht der Vergaderingen hebben bezig gehou- 



XLIV 

den, bewogen zich allen op het gebied der Taal-, Letter- en 
Geschiedkunde. 

Onderwerpen uit de Oostersche taal- en letterkunde wer- 
den ter sprake gebragt door de Heeren Brill en de Goeje. 
De eerste heeft in twee zittingen gesproken over de plaats die 
de Semitische taaistam te midden van de andere taaistammen 
inneemt^ de ander handelde over de namen Phoenicië en Ka* 
naan (zie Versl, en Meded. N. E. Dl. I, blz. 76). 

De Grieksche letterkunde vond in den Heer Nabee een 
woordvoerder, die eene bijdrage leverde tot Verklaring en Ver- 
betering van verscheiden Dichters en Schrijvers (zie Versl. en 
Meded. N. K Dl. L blz. 12). 

De Heer Francren deelde iets mede over Handschriften van 
Nonius; de Heer Leemans betoogde de Onechtheid van een 
JRomeinsch opschrift^ dat gezegd werd te Katwijk gevonden te 
zijn, en verklaarde bij eene andere gelegenheid drie echte Ro- 
meinsche opschriften te Vechten gevonden (zie VersL en Meded, 
Dl. XII, blz. 299), en de Heer Boot sprak over de Bezoldi- 
ging der Romeinscke ambtenaren (zie VersL en Meded, Dl. 
Xn, blz. 817). 

Eene uitvoerige geschied- en penningkundige bijdrage van 
den Heer Dibks over de Angelsaksers en hunne kleine munt 
Scealtas genaamd, opgehelderd door vele munten en teekenin- 
gen, hield de Afdeeling tweemalen bezi^. Zij is echter niet 
door haar uitgegeven, daar de Schrijver haar voor de Belgische 
Revue Numismatique meer geschikt achtte. Op hetzelfde ge- 
bied van penningkunde leverde de Heer Leemans twee bijdra- 
gen (zie Versl. en Meded. N. E. DL I, blzz. 45 en 98). De 
eene handelt over gewijde Draagpenningen^ waarbij de echtheid 
van twee door den Eomeinschen geleerde J, B. de Bossi be- 
schreven draagpenningen bestreden wordt; de andere over Pen- 
ningplaten met een Latijnsch opschrift en de initialen H. O. 

De Heer Moll bragt, naar aanleiding van een oud hand- 
schrift in zijn bezit, het middeneeuwsche Bijgeloof ter sprake; 
dat der oude Egyptenaren, met opzigt tot gelukkige en onge- 
lukkige dagen maakte het onderwerp uit eener latere bijdrage 
van den Heer Leemans ; de lieer Sloet van de Beele deelde 



XLV 

de Legende van den Zwanenridder volgens een handschrift te 
Nijmegen mede (zie Verel. en Meded, Dl. XII, blz. 2öö). 

Aan het Germaansche regt ontleende de Heer J. A. Pruin 
de stoffe eener bijdrage over het Verechü tusêcAen de anfang 
en de dichte hlage urn varende have volgens de Saksische regts- 
bronnen (zie FersL en Meded. Dl. XII, blz. 269); terwijl de 
Heer O. de Vbies, Az. de kennis der Waterschappen in Hol- 
land verrijkte door eene nieuwe bijdrage tot de geschiedenis van 
het Hoogheemraadschap van den Hondsbossche en Duinen tot 
Petten (zie Versl. en Meded. Dl. XII, blz. 337). 

Eindelijk hebbeu wij nog te vermelden: dat de Heer du 
JoNGB ons de resultaten van zijn Onderzoek in het Bijks-archief 
aangaande Albrecht BsïLiNC mededeelde, en dat de Heer 
Bekts eene Nalezing gaf op de mededeeling van den Heer M. 
DE Yries over het woord Ruwaard. 

Slechts één Lid, de Heer Tbancken, bood eene Verhande- 
ling voor de werken in 4^. aan. Zij is in het Latijn geschre- 
ven, bevat critische gissingen op de fragmenten der eerste tien 
boeken van de Satiren van Lucilius^ en maakt het eerste ge- 
deelte van het 5^® Deel uit. Een jong geleerde, Dr. P. L. 
MuiL£R, aan wien door bemiddeling der Afdeeling de toegang 
tot de Archiveu te Weenen gemakkelijk is gemaakt, toonde 
zich dankbaar voor die hulp door de inzending ven eene uit- 
voerige Verhandeling Over Nederlands eerste Betrekkingen met 
Oostenrijk ; zij werd waardig geacht om in de Verhandelingen 
der Afdeeling eene plaats te vinden, en is mede in het 5^® 
Deel opgenomen. 



Voor den wedstrijd der Latijnsche dichtkunst werden negen 
gedichten ingezonden. Naar het oordeel der drie kampregters 
niuntte één daarvan, den Sterrenhemel ten onderwerp heb- 
bende en onder den naam ürania ingezonden, door belang- 
rijkheid van inhoud en schoonheid van taal en vorm bijzon- 
der uit. Daaraan werd de gouden eereprijs van het Legaat 
HoEüFïT toegekend. Vervaardiger bleek te zijn de Heer P. 



XLVI 

EssfiivA, een Zwitser, Kapitein bij de Karabiniers te Eomé. 
Geen der overige gedichten werd de eer waardig gekeurd, om 
met het bekroonde uitgegeven te worden. 



Ziedaar, Sire! de beknopte zamen vatting van de werkzaam- 
heden der Academie gedurende het verstreken tijdvak, waaraan 
wij dit alleen nog hebben toe te voegen : dat, behalve het 
Jaarboek^ van de Afdeeling Natuurkunde het licht zagen het 
derde Stuk van het 3^® Deel, en het eerste en tweede Stuk 
van het 4^® Deel der Verslagen en Mededeelingen Nieuwe Eeeks ; 
van de Afdeeling Letterkunde, het 5^6 Peel der FerhandeHn- 
gen in 4°., het tweede en derde Stuk van het 12<i® Deel en 
het eerste Stuk van het l^te Deel der Nieuwe Reeks van de 
Verslagen en , Mededeelingen. 

De Academie had den dood te betreuren van drie uitste- 
kende mannen, de Heeren L. J. F. Janssen en P. W. Conrad, 
gewone Leden, en Jb. Badon Ghyben, rustend Lid. Aan eerst- 
genoemden werd bereids in het Jaarboek door den Heer Boot 
eene welverdiende hulde toegebragt. 

Te meer mogen wij ons verheugen in de bekrachtiging door 
Uwe Majesteit van de door ons geschiede keuzen tot gewone 
Leden van de Heeren A. O. Ocdemans, Jr. te Delft, C. H. 
C. Grinwis te Utrecht, C. M. van der Sandb Lacostb te 
Amsterdam, B. D. H. Tellegen en B. H. G. K. van der 
WiJCK te Groningen, E. Verwios en M. J. de Goeje te Lei- 
den, alsmede tot Correspondenten van de Heeren K. F. Hollb 
en H. D. Lbvyssohn Norman op Java. 

De Academie blijft zich in de bescherming Uwer Majesteit 
aanbevelen. 

Uit haren imam: 
C. J. MATTHES, 

dlgemeene Secretaris, 



xLvn 

Het voorgelezen ontwerp wordt door de Vergadering 
goedgekeurd en overgenomen. Het Verslag zal Z. M. 
den Koning en, in afschrift, den Minister van Binnen- 
landsche Zaken aangeboden worden. 

n. 

Alsnn legt de Algemeene Secretaris, in overeenstem- 
ming met Art. 12 van het Organiek Reglement, de Re- 
kening en Verantwoording over van zijn geldelijk beheer, 
loopende van !<> April 1869 tot ult^ Maart 1870. 

HEKENING en VERANTWOOEDING van het door den Al- 
gemeenen Secretaris dor Koninklijke Akademie van Weten- 
schappen van primo April 1869 tot ultimo Maart 1870 
gehouden beheer, volgens art. 12 van het Organiek Beglement 
en § 80 en f 87 van het Reglement van Orde, goedge- 
keurd in de Algemeene Vergadering der maand April 1870. 

Ontvangsten. 

Saldo op nieuwe Rekening ƒ 8256.99 

Subsidie vier quartalen elk a ƒ 8500.— ƒ 14000.— 

Af zegel en leges // 1.86 

— I, 18998.14 

Geleverd aan Teyler's Museum te Haarlem, een meter 

en kilogram n 150. — 

^an den Heer C. G. van der Post volgens Rekening- 
Courant // 207.25 

Totaal ƒ 17612.38 

Uitgaven. 

1. Beis- en Verblijfkosten aan H.n. Leden 
buiten Amsterdam woonachtig. 

Natuurkundige Afdeeling ƒ1521. — 

Letterkundige u « 1730. — 

/ 8261.-. 

^^^^^■^— ^^.^^^M^— ^^^M^^».— ^M^1^—l^ »^1^1 ^W^^— ^i^—— ^^■^—at 

Transporteere ƒ 826 1 • — ; 



XLvni 

per Transport / - 825 1 .• 

2. Jaarwedden. 

Jaarwedde, Algemeene Secretaris. . . . / 1000. — 

II Secretaris Letterk. Afdeeling. . // 500. — 

Klerk .•..// 1000.— 

Custos 9 800.— 



// 
// 



// 3300. — 



8. Onkosten der Commissie voor de daling 
van den bodem in Nederland. 

Rekening van Leijer en XJurbanus voor 't berekenen, van 

Tabellen // 135. — 

4. Onkosten der Commissie voor de vervolgen 
op van Loon's Fenningwerk. 

Rekening van den Heer Dirks / 15.24 

u II II II Muller. , . . ti 1011.60 

// II II u Roest ....// 140. — 

// 1166.84 



6. Onkosten der Commissie tot het opsporen, 
het behoud en het bekend maken van Overblijfsels der 
Vaderlandsohe Kunst uit vroegere tijden. 

Rekening van den Heer Leemans // 126.88 

6. Onkosten der Commissie voor Standaard-meter 

en Kilogram. 



Rekening van den Heer Stamkart . 

// 
Schokking. 

II 
Kool. . . 
Luchtenberg 
Harri . . 



// 


H 


II 


II 


// 


II 


II 


II 


// 


II 


II 


a 


II 


M 


II 


II 


II 


II 


II 


II 


II 


II 


M 


II 



. f 47.04 

. n 10.60 

. // 8.40 

. n 9.— 

. II 1.10 

. II 4.82 

. // '15.— 



ff van Greeve, Vergg. Vrachten, enz. . ii 44.05 



// 170.01 



Transporteere / 8149.73 



XLIX 

per Transport / 8149.78 
7. Onkosten vftn Vergaderingen 

Uitgaven op een Notitieboekje maandelijks met den 

Custos verrekend ^ 269.— 

8. Kleine Drukloonen. 

Kekening van de Roever-Kröber-Bakels . . / 113. — 

u II Vissers u 72.— 

// ff ff // 10.— 

// // ff // 26.60 

// // Heimeringer // 22.86 

// 244.86 

0. Bureau. 

Bekening van Westerman ƒ 11.70 

II II Reimeringer // 63.— 

Uitgaven op een Notitieboekje maandelijks 

met den Custos verrekend // 48.21 

'— I, 122.91 

10 Expeditie, Frankeeren en Vrachten. 
Eekening van v. d. Wouden en Luber, 

Cargadoors , ƒ 96.85 

Rekening van vracht naar Parijs. . . . // 13. — 
// ff Reimeringer, Lith. . . . // 44. — 
// if Luchtenberg, timmerman . . // 51.48 
Uitgaven op een Notitieboekje maandelijks 

met den Custos verrekend // i 49.39* 

II 464.67 « 

11. Huishoudemke Uitgaven. 

Eekening van Pies un Berger, turf en hout. ƒ 145.80 
u II Yerdonck, steenkolen . . . // 33.15 

// // Osterhaus, smid // 42.60 

n II Snater, schilder // 12.50 

// // Tonino, schoorsteenveger. . u 12. — 
II II V. d. Vliet, duinwater. . . // 13.— 
// // Kernekamp, naaister . . . // 21. — 
II II Personeele belasting. . . . // 58.94 

Uitgaven op een Notitieboekje maandelijks 

met den Custos verrekend // 404.80 

' / / 743.79 

Transporteere ƒ 9984.45* 
Jaabbobk 1870. D 



per Transport / 9984.45 «^ 

12. MobUair. 

Rekening van v. Wessem, behanger. . . ƒ 69.65 
// // V. Vorstenberg, spiegelm. . // 5.96 
// // Cloetingh, schoonm. schil- 
derijen . , . . ♦ . // 12. — 
// II Grisanti, schoonm. busten. // 20.— 
// u Santbergeu, lijsten. . . . // 11.15 
// // Luohtenberg, timmerman. . // 9.05 



H 127.70 



18. Uitgave van Werken. 

Verhandelingen^ 

Bekening v. de Roever-Kröber- 

Bakels, Lett. Afd. / 411.50 
// // de Roever-Kröber- 

Bak els, Lett. Afd. // 160.50 
// // de Roever-Kröber- 

Bakels, Lett. Afd. // 464. — 
H II Emrik en Binger, 

Lith., Lett. Afd. . u 66. — 
// // V. d. Post, innaai- 

jen, etc. Lett. Afd. // 122.— 

n II V. d. Post, innaai- 

jen,etc. Lett. Afd. ii lil.— 

f 1384.00 

Verslagen en Mededeelingen, 

Rekening v. de Roever-Kröber- 

Bakels, Nat. Afd. ƒ 283.60 
// II de Roever- Kröber- 

Bakels, Nat. Afd. // 271.60 
// // de Roever-Kröber- 

Bakels, Nat. Afd. // 258.— 
u II de Roever-Kröber- 

Bakels, Lett. Afd. // 257.— 
// // de Roever-Kröber- 

B akels« Lett. Afd. // 189.— 
Transporteere / 1254. — 



Transporteere ƒ 1384.00 



Transporteere/ 10112.16* 



LI 

per Transport f 1 011 2.16 • 
per Transport / 1334.00 
per Transport / 1254. — 
Hekening v. de Roever-Kröber- 

Bakels, Lett. Afd. // 46.— 
// // Hooiberg, Lithog. 

Lett. Afd. . . . // 19.— 
n // Emrik en Binger, 

Lith., Nat. Afd. . // 158.60 
// it V. d. Weijer, Lith., 

Nat. Afd. , , . u 60. — 
H ƒ/ Wendel, Liihogr. 

Nat. Afd. ... «f 55. — 
// // Emrik en Binger, 

Lith., Nat. Afd. . // 2.60 
// // Emrik en Binger, 

Lith., Nat. Afd. . // 17.60 
// u v.d. Post, innaai- 

jen, etc. Nat. Afd. u 128.62' 
V // V. d. Post, innaai- 

jen, etc. Nat. Afd. // 52.60 
n u V. d. Post, innaai- 

jen, etc. Lett. Afd. // 119.25 
// // de Roever-Kröber- 

Bakels, Jaarboek. // 290.75 
u II V. d. Post, innaai- 

jen, Jaarboek. . // 60. — 
// // V. d. Post, innaai- 

jen, Jaarboek . . // 4. — 
II II den Heer Laurent, 

Corrector . . . ii 100. — 
Assurantie boekwerken bij v. 

d. Post II 4.50 

ƒ 2352.12» 

/ 8686.12» 
14. Bibliotheek en Catalogus. 

Aangekochte Boekwerken. 
Rekening van van der Post . / 189.45 
II II II II /. // 200. — 



Transporteere f 339.45 



Transporteere ƒ 13798. 2b 

D* 



LH 



Kekening van Caarelsen. 

/, Noordendorp. 
J. Muller 
van Bakkenes 
Seijffardt . . 
Baer . . . 
Schmidt . . 
Quaritch . . 
F. MuUer. . 



Per Transport / 13798.28 
Per Transport f 839.46 



n 
II 
II 
II 
II 
II 
II 
II 



II 

II 
if 

II 
II 
II 
II 



II 

II 
n 
II 
n 
II 
II 
II 
n 



72,60 
16.25 
29.15 
20.50 
67.20 
19.44 
70.08 
281.10 
10.10 









f 


925.87 


Af van den 


Heer Oudemans 






voor Botan, 


. Zeitung van 


de 






rekening Scl 


imidt . . . 


• 
Inbi\ 


II 


7.20 




nden enz. 


Rekening van 


Eichhürn , , 


t . 


f 


109.50 


// // 


ƒƒ * 


t . 


II 


87.05 


// // 


// • i 


1 • 


II 


118.70 


// // 


// * ' 


» » 


II 


108.25 


// II 


Reimeringer. 




II 


2.— 


Assurantie der 


Boekerij . . 


• 


II 


37.50 



f 918.67 



ƒ 463.— 



15. Diverse Uitgaven. 

Rekening van Langeveld, vigilante ... ƒ 6.25 
Nieuwjaars- en kermisgift aan de dienstbode 
van den Custos 



/ 1381.67 





• 

op 


nieuwe 


U ^^' — 


ƒ 

// 


15.25 
2417.18 


Saldo 


rekening 






Totaal 


/ 


17612.38 




> 









Lin 

EEKENING en VEEANÏWOOBDING van het, door den Al- 
gemeenen Secretaris der Koninklijke Akademie van Weten- 
schappen^ over het jaar IS 69/ 7 O gehouden beheer van het 

LEGAAT VAN HOEUrFT. 

OiNTVANGSTEN. 

Saldo van het jaar 1868/69 ƒ 87.85* 

e/m. Interest van ƒ 37000.— 2} pCt. W. S. / 462.50 

Af 1 pCt. provisie ƒ 4.62* 

Billet . . . . „ .05 

^ 4.67» 

I, 457.82* 

6/m. Interest van ƒ 37000.— t\ pCt. W. S. / 462.60 

Af 1 pCt. provisie ƒ 4.62» 
Billet . . . . „ .06 
Visa „ .30 

,/ 4.97» 

f, 457.52* 

Vereffening met C. G. van der Post volgens Rek. Cour. i, 0.46 



Totaal ƒ 1003.15 



s 



Uitgaven. 



Bekening van Greeve voor frankeeren van programma's^ ƒ 6.10 
„ if de Roever - KrÖber - Bakels, drakken pro- 
gramma's ff 7.50 

„ ,/ Greeve Telegram Rome ,, 8. — 

ff ff ff voor frankeeren der nieuwe pro- 
gramma's if 5.95 

Saldo op nieuwe rekening. / 980.60» 

Totaal ƒ 1003.15» 

De Algemeene Secretaris leest vervolgens eene Memorie 
van Toelichting voor, van dezen inhoud: 

Memorie van Toelichting hij de Rekening van 
den Algemeenen Secretaris, 

Aan de Bekening der Academie over het jaar 1869/70, 
welke ik de eer heb over te leggen, valt slechts zeer weiing 



LIV 

toe te voegen. Men zal ontwaren^ dat aan verkochte werken 
der Academie ditmaal ƒ 107.25 meer is ingekomen dan ge- 
raamd was — in de Eekening-Courant van den Heer v. d. Post 
komt voor ƒ 107.70, met een klein verschil van — .45, dat bij 
de Eekening van het Legaat Hoeuïtt t'huis behoort — terwijl 
eene geheel onverwachte bate is toegevloeid in den verkoop, 
aan Teylbr's Museum te Haarlem, van een Meter- en Kilo- 
gramstel, door de Commissie der Afd. Natuurkunde in der 
tijd vervaardigd en nog beschikbaar. De post, groot ƒ 493.48, 
van het vorige jaar is met ƒ 170.01 vermeerderd; zoodat de 
Academie van de Eegering aan verschotten, te haren behoeve 
door de Commissie voor Standaard-meter en Kilogram gedaan, 
thans een bedrag heeft te vorderen van ƒ 663.49. Wat de 
uitgaven betreft, zijn alle posten beneden de begrooting ge- 
bleven, behalve twee; de praesentiegelden der Leden hebben 
die met ƒ 51. — overtroffen, en de uitgaven voor van Loon's 
Penningwerk met het aanzienlijk bedrag van ƒ366.84, niet- 
tegenstaande de daarvoor uitgetrokken som reeds zeer hoog 
was, namelijk f 800. — . Het contract met den Heer Pk. 
Muller nood;;aakte tot afbetaling der verschuldigde 60 ex- 
emplaren, die de Academie verpligt was te nemen. 

Ter zake van de Eekening van het Legaat Hoeüfft diene: 
dat er dezer dagen weer eene bekrooning is geschied. Nadat 
de kosten, daarop loopende, vereffend zijn, zal er toch nog 
genoeg overblijven om wederom eenige gelden te beleggen en 

het Kapitaal te vergrooten. 

De Algemeene Secretaris, 

C. J. MATTHES. 

De Coni missie door de beide Afdeelingen der Academie, 
naar luid van ^ 37 der Algemeene Bepalingen, benoemd 
tot het nazien van vorenstaande Rekeningen met de daarbij 
behoorende bescheiden, brengt daarover het navolgend 
Rapport uit: 

De Commissie, door de beide Afdeelingen der Akadeioie 
benoemd tot het onderzoeken der Eekening en Verantwoording 



over het dienstjaar 1869 — 70^ heeft de eer het volgende 
verslag nit te brengen. 

Al de posten der rekening zijn met de overgelegde be- 
scheiden en kwitantiën vergeleken en in orde bevonden. 
Slechts van één post van reis- en verblijfkosten was door het 
daarbij betrokken lid geene . kwitantie ingezonden. 

Bij vergelijking van de Begrooting van het genoemde dienst- 
jaar met de werkelijke ontvangsten en uitgaven dient het 
volgende te worden opgemerkt. 

De ontvangsten hebben niet meer dan ƒ 17612.88 bedragen, 
terwijl zij op f 17849.03 waren geraamd. Dit ongunstig 
verschil is echter in zoo verre schijnbaar, dat het ontstaat uit 
het niet opvragen door de Akademie van de restitutie der 
door het Ministerie van Koloniën, bij den aanvang des dienst- 
jaars, verschuldigde kosten ten behoeve van de Commissie voor 
Standaard-meter en Kilogram, ten bedrage van / 493.48« 
Deze op een nieuw dienstjaar over te brengen som van de 
begrooting afgetrokken zijnde, zoo blijkt bet dat de ontvangsten 
in werkelijkheid de raming met ruim ƒ 250. — hebben over- 
üroflFen, hetgeen ten deele voortspruit uit de ongewone bate 
van f 150. — , wegens een aan Tëyler's Museum geleverd 
Meter- en Kilogramstel, ten deele uit de meerdere opbrengst 
van het debiet der werken van de Akademie ad ƒ 107.25. 

Ten aanzien der uitgaven bemerken wij eene vermeerdering 
1°. van de reis- en verblijfkosten, die de raming met ruim 
f 50. — zijn te boven gegaan; waaruit blijkt dat onze ver- 
gaderingen getrouwer werden bezocht dan men meende te 
mogen verwachten, 2^. van de onkosten der Commissie voor 
de vervolgen van van Loon's Penningwerk ; deze hebben het 
geraamde bedrag met niet minder dan f 366.84 overschreden. 

Onder dé uitgaven komt voor eene som van ƒ 170.01 voor 
onkosten der Commissie voor Standaard-meter en Kilogram *, 
dit is slechts een voorschot, door de Akademie ten behoeve 
van het Ministerie van Koloniën gedaan. Op de begrooting 
was deze post voor memorie uitgetrokken. 

Daarentegen zijn beneden de raming gebleven: lo. de on- 
kosten der Commissie voor de daling van den bodem in 



LYI 

Nederland^ 2°. die der Commissie tot het opsporen, enz. van 
overblijfsels der vaderlandsche kunst uit vroegere tijden, 3^. de 
onkosten der vergaderingen, 4o. de kleine drukloonen, 5o. de 
bureaukosten, 60. de expeditie, 7o. de huishoudelijke uitgaven, 
8°. het mobilair en 9°. de onvoorziene uitgaven; terwijl van 
de uitgetrokken som van / 300. — voor de uitgave van het 
Gharterboek geen gebruik is gemaakt. 

Verder ontmoeten wij een belangrijk verschil tusschen het 
geraamde en het werkelijk uitgegeven bedrag voor de uitgave 
van werken en voor de bibliotheek. Voor het eerste doel is 
ruim f 1900. — , voor het tweede ruim / 800. — minder 
besteed dan in de begrooting was opgenomen. Ofschoon eene 
besparing van uitgaven zekerlijk het minst wenschelijk is op 
hetgeen onze Akademie in het licht zendt of aan hare boekerij 
besteedt, mag toch bij de beoordeeling dezer cijfers eene ver- 
gelijking met vroegere dienstjaren niet achterwege blijven. 
De begrootingen en werkelijke uitgaven voor deze beide posten 
bedragen in ronde cijfers : 

Begroeting. Uitgaven. 

in 1866—67, Drukloonen / 3000.— ƒ 2300.— 

V // Biblotheek // 1100. — // 660.— 

// 3867 — 68, Drukloonen // 4100.— // 2940.— 

// // Bibliotheek // 1300.— // 1100.— 

// 1868 — 69, Drukloonen n 5000.— // 2330.— 

// u Bibliotheek // 1200.— // 1110.— 

// 1869—70, Drukloonen // 5600.— n 3700.— 

// // Bibliotheek // 1700.— // 1400,— 

Uit dit overzicht blijkt voldoende, dat de geldelijke uit- 
gaven voor deze beide belangrijke posten, hoewel beneden de 
raming gebleven, toch inderdaad die van de vorige jaren hebben 
overtroffen, en deze posten dus, althans in dit opzicht, van geen 
achteruitgang getuigen. 

Ook de Eekening en Verantwoording van het Legaat 
HoBüFFT is door ons nagezien en in orde bevonden. 

Na dit korte overzicht van de Eekening en Verantwoording 
stelt uwe Commissie voor, deze goed te keuren, den Alge- 



LVTI 

meenen Secretaris dank te zeggen voor zijn beleid^ den Voor- 
zitter te machtigen die rekeningen te onderteekenen en een 
afschrift te zenden aan den Minister van Binnenlandsche 
Zaken. 

P. J. VAN KEECKHOPP. 

Gt. V. SCHNBBVOOGT. 

H. J. KOENEN. 

VAN BONEVAL FAUBE. 

De Vergadering magtigt den Voorzitter, om, in over- 
eenstemming met de conclusie van het voorgelezen Rap- 
port, de beide Rekeningen ten blijke van goedkeuring 
te onderteekenen. Een afschrift daarvan, gelijk mede van 
de Memorie van Toelichting, zal aan den Minister van 
Binnenlandsche Zaken worden medegedeeld. 

m. 

De Commissie voor het opsporen^ het behoud en het 
hekend maken van overblijfselen van Vaderlandsche kunst 
uit vroegere tijden doet, bij monde van haar Voorzittend 
Lid den Heer Leemans, mededeeling omtrent en uit het 
Verslag harer verrigtingen gedurende het afgeloopen jaar, 
als Bijlage hierachter gedrukt; waaruit blijkt, dat zij, 
ofschoon steeds onvermoeid werkzaam, niet die vruchten 
op haren arbeid inoogst, waarmede zij met grond zich 
mogt vleijen. 

Bij voortduring had zij te klagen over de geringe 
medewerking en hulp vooral van gemeentebesturen, ook 
van zoodanige genootschappen in den lande waarvan on- 
dersteuning te wachten was; terwijl het haar aan de 
noodige magt ontbrak, om de uitvoering van hetgene zij 
belangrijk en noodig achtte met genoegzame klem aan 
te dringen en te verzekeren. De stoflFelijke middelen voorts 
ter harer beschikking, hoè mild en onbekrompen de 
Academie zich in dezen ook betoond had, waren verre 



Lvm 

van voldoende. Hierbij kwam het betreurde overlijden van 
een harer invloedrijkste Leden den Heer F. W. Conraj), die, 
door zijne betrekking aan het hoofd van den Waterstaat, 
het personeel van deszelfs kundige en ijverige ambtenaren 
aan het doel der Commissie dienstbaar wist te maken. 

Om alle welke redenen, breeder ontvouwd in het slot 
van genoemd verslag, het overgebleven drietal Leden, de 
Heeren C. Leemans, W. Moll en H. N. Rose, in het 
belang der zaak zelve, om eene meer krachtdadige be- 
vordering daarvan niet in den weg te staan, daar het 
hun bovendien aan tijd en gelegenheid ontbrak zich ge- 
heel alleen aan die taak te wijden, huns ondanks zich 
genoopt vonden, hun mandaat neder te leggen, na breed- 
voerige ruggespraak daaromtrent met het Bestuur der 
Academie, hetwelk hunne overwegingen billijkte. 

Wijders waren zij van oordeel, dat alleen dan het voor- 
gestelde doel bereikt konde worden, zoo de Staat de 
zaak in handen nam, voor welk geval zij de eischen 
schetste aan de instelling van zulk eene Rijkscommissie 
te doen, om aan de 'behoeften naar behooren te kunnen 
beantwoorden. 

Eindelijk verklaarden zij zich bereid aan te blijven tot tijd 
en wijle hierop eene beslissing zou genomen zijn, welk tijd- 
stip zij echter wenschten niet te zeer verschoven te zien. 

Nadat de Voorzitter, uit naam der Vergadering, der 
Commissie den opregten en warmen dank der Academie 
had toegebragt voor haren onverpoosden ijver in dezen, 
en de goede en vele diensten door haar bewezen, onder 
betuiging van haair leedwezen dat zij die in het vervolg 
zou moeten ontberen, rees de vraag: of men de Com- 
missie door benoeming van nieuwe Leden zou bestendi- 
gen, dan wel, overeenkomstig het gedane voorstel, der 
Regering de wenschelijkheid zou blootleggen van de 
instelling eener Rijkscommissie op den voet als in het 
Rapport is aangegeven. 



Zeer uiteenloopend waren de meeningen daaromtrent. 
Sommige leden oordeelden: dat met de ophefl^g der 
Commissie de eer der Academie gemoeid was; dat de 
behartiging van de belangen der kunst in verband mef 
de geschiedenis des vaderlands geen Regeringszaak was; 
dat, zoo er geen uitzigt was uit den boezem der Acade- 
mie de Commissie wederom voltallig te kunnen maken, 
men zich tot personen daarbuiten had te wenden, waar- 
tegen volgens hen geen bezwaar bestond; dat, bijaldien 
de beschikbare gelden niet toereikende waren, de Aca- 
demie eene extra-subsidie ad hoc konde aanvragen, of 
een appel doen op het publiek. 

Anderen daarentegen meenden : dat niet enkel de door 
de Academie geheel uit eigen beweging gedurende tien 
jaren aangewende^ pogingen, om vandalismus te keeren 
en te behouden wat verdiende behouden te worden, haar 
tot eere verstrekten, maar niet minder, dat zij, na de 
verkregen overtuiging van daartoe, bij gebrek aan ge- 
hoopte medewerking, niet bij mag te te zijn wegens ge- 
mis aan stoffelijke en zedelijke middelen, geen belemme- 
ring wilde aanbrengen aan eene afdoende regeling, door 
zich met een schijn daarvan te vergenoegen, eene regeling 
die alleen van de Regering kan uitgaan, en waartoe hare 
roeping niet wel kan worden ontkend, gelijk men ook 
in andere landen, Oostenrijk en Pruissen bijv. ten vollen 
daarvan doordrongen is. 

Op voorstel van den Heer G. Mees, Az., wordt bij 
meerderheid van stemmen goedgevonden eene Commissie 
te benoemen, ten einde de Academie in dezen van raad 
en voorlichting te dienen, en het eindbesluit aan eene 
expresselijk daartoe te beleggen vereenigde Vergadering 
over te laten. De Voorzitter benoemt daartoe de Heeren 
G. Mees, Az., P. J. Veth, L. Cohen Stüart, Th. 
BoRRET en C. J. Matthes. 



LX 

IV. 

Daarna komt in behandeling een ontwerp van Be- 
grooting van Inkomsten en Uitgaven, voor het nieuwe 
dienstjaar loopende van 1^. April 1870 tot l**. April 
1871. Daarbij wordt door den Heer von Baümhauer 
het denkbeeld geopperd, of het niet doenlijk ware een 
algemeen Bureau van verzending naar het buitenland, 
voor de verschillende geleerde maatschappijen en genoot- 
schappen, in het leven te roepen, hetzij dat de Academie 
zelve of eenig ander ligchaam zich daarmede wilde 
belasten. Het Bestuur verklaart zich bereid zulks in 
overweging te nemen; voor als nog wordt de raming in 
dezer voege vastgesteld : — 

Begrooting van Inkomsten en Uitgaven gaande van 
10 April 1870 tot lo April 1871. 

Ontvangsten. 

1. Gewone Subsidiën ƒ 13998.14 

2. Vermoedelijk debiet van werken „ 200.— 

8. Restitutie van Regeringswege ten behoeve van 

aan de Commissie voor Standaard-meter en 
Kilogram opgedragen werkzaamheden . . . y 663.49 
4. Saldo in kas der Eekening van 1869/70. . . „ 2417.18 



Totaal f 17278.81 

Uitgaven, 

1, Reis- en verblijfkosten ƒ 3300.— 

2. Jaarwedden „ 3300, — 

WERKZAAMHEDEN VAN VEBSCHILLENDE COMMISSIÖN. 

8. Commissie voor de daling van Neêr- 

lands bodem .... ƒ 180. — 

4. f, voorde Vaderlandsche Kunst, ff 800. — 

6. /, voor de Uitgaven van het 

Charterboek „ 300. - 

6. ff voor Standaard-meter en 

Kilogram Pro mem, 

— // 780.— 

Transporteere ƒ 7380.— 



LXl 

Per Transport / 7880.— 

7. Onkosten der Yergadmngen i^ 276. — 

8. Kleine Drukloonen ^ 300. — 

9. Bureaukosten ^ 160. — 

10. Expeditie, frankeeren en vrachten „ 500.— 

11. Huisboadelijke uitgaven „ 800. — 

12. Mobilair „ 150.— 

13. Uitgave van werken ^ 6700. — 

14. Bibliotheek en Catalogus ,; 2000. — 

15. Diverse uitgaven ^ 23.81 

/ 17278.81 

V. 

De Algemeene Secretaris brengt vervolgens verslag uit 
over den staat der Boekerij en het Munt- en Penning- 
kabinet, aldus luidende: — 

I Een niet onaanzienlijk bedrag is in het a%eloopen jaar 

wederom besteed geworden aan inbinden, dat echter nog verre 
af was van in de bestaande behoefte te voorzien. De ruil 
met buitenlandsche academiën en genootschappen verminderde 
niet, maar wakkerde veeleer nog aan ; terwijl van meer dan één 
kant onze Academie de ondubbelzinnigste bewijzen mogt 
ontvangen, dat er elders groote prijs op het volledig bezit 
harer werken gesteld wordt. Onder de menigte geschenken 
der Boekerij toegevallen, verdienen eene bijzondere vermelding : 
De Komedie van Dante Alighieri, 11^® Deel. fol. van Dr. 
Hackb van Mijnden, 

Geschiedenis van de Gemeenten der Provincie Oost- Vlaanderen, 1 
deelen in 8<>. (door den Minister van Binnenlandsche Zaken), 
Württembergisches Urkundenbuch, 2 deelen. Eoy, 4°, 
Württembergische Jahrbücher far Statistik und Landeskunde, 

5 deelen in 8 o, 
Sertum Petropolitanum, seu icones et descriptiones plantarum 

quae in horto Botanico Imperiali Petropolitano floruerunt, 

met platen in plano. 

Yoorts is onder anderen aangekocht geworden: 
Real Museo Borbonico, 16 deelen in 4», 



LXII 

Corpus Inscriptionum Latinarum^ Gonsilio et Auctoritate Aca- 

demiae litterarum regiae Borussicae editum, 2 deelen. fol., 
LondoD, EdinbuTgh and Dublin Philosophical Magazine and 

Journal of Science^ 4^ Serie, 1850 tot 1868. 

Laatsgemeld Journaal is nu in zijn geheel^ wat al de Serieën 
aangaat^ voorhanden, hetwelk van des te meer gewigt is, omdat 
de Boekerij ook al de periodieke geschriften bezit, waarvan 
dit het vervolg en de zamenvatting is. 

De klagt, dat de localen der Academie haren boekenschat 
geen behoorlijke plaats meer kunnen bezorgen^ wordt van 
jaar tot jaar al meer en luider gehoord^ en brengt het Bestuur 
daaromtrent in niet geringe verlegenheid. Des te aangenamer 
was het uit 's Konings eigen mond het bemoedigende woord 
te vernemen, dat er ernstig gedacht wordt aan, en gegrond 
uitzigt bestaat op een verplaatsen der kunststukken van 's Eijks 
Museum, waardoor geheel het Trippenhuis voor de Academie 
beschikbaar zou komen. 

Wat het Munt- en Penningkabinet aangaat^ zoo werd hetzelve 
dit jaar, behalve met een bronzen gedenkpenning op het 
honderdjarig bestaan der Bataafsche Maatschappij voor proef- 
ondervindelijke wijsbegeerte te B.otterdam, verrijkt met eene 
kostbare Collectie gouden, zilveren en bronzen Medailles in 
een keurig bewerkt kastjen, vroeger den eigendom van ons 
betreurd medelid wijlen Jacob van Lennbp, en wel overeen- 
komstig de uitgedrukte begeerte van den begaafden dichter. 
Het spreekt van zelf, dat daarvoor eene eigen plaats is a%e- 
zonderd geworden. Mogt dit en dergelijke zoo zeldzame 
voorbeelden navolging vinden, en daardoor ook ons penning- 
kabinet in omvang en waarde toenemen, waardoor het meer 
en meer aanspraak kreeg op belangstelling, die het tot dus 
verre al in zeer geringe mate mag ondervinden. 

VI. 

Ten laatsten heeft de verwisseling van den voorrang 
der Afdeelingen plaats, en sluit de Voorzitter de Ver- 
gadering. 



Verslap van de Commissie der Éoninklijke Jiademte 
van Wetenschappen tot het opsporen^ het befioud en 
het hekend maken van de overblijfsels der vaderland^ 
sche kunst uit vroegere tijden ^ over 1869 — 1870. 



De Commissie, heden voor de negende maal optredende, om 
in de vereenigde Vergadering der beide Akademieafdeolingen, 
aan hare lastgevers rekenschap afteleggen van hare handelingen 
in de haar opgedragen belangrijke taak, gedurende het ten einde 
loopende Akademiejaar, kan nu vooral den toon van diepen 
weemoed niet terugdringen, die uit het gemoed harer leden 
opwelt, bij de gedachte aan het onherstelbaar verlies dat haar 
trof. Twee malen gedurende den betrekkelijk korten tijd van 
haar bestaan, werd een harer leden van haar weggerukt. Moest 
zij voor zes jaren het verlies betreuren van haar medelid den 
teer L. J. A. van der Kun, weinige maanden geleden werd 
^e droevige mare tot haar gebragt, dat haar lid, de heer F. W. 
CoNKAD, die, even als in zijne ambtsbetrekking zoo ook bij 
de Commissie, de plaats van eerstgenoemde had ingenomen, op 
2ijne terugreis van Egypte naar het vaderland, te Munchen 
overleden was. 

Wèl had zij met ^org den ijverigen en aoo algemeen geach- 
ten man, die om zijüe uitgebreide kennis, zijne voorkomende 
welwillendheid, zijnen aangenamen omgang zoo hoog ook bij 
zijne medeleden stond aangeschreven, de reis zien aanvaarden; 
^èl had zij vrees gekoesterd, dat zijn gestel, in de laatste jaren 
door herhaalde aanvallen van, ziekte zoo zeer geschokt, tegen 
de vermoeijenissen der reis en de afvósselingen van luchtgestel 
in ongunstig jaargetijde, niet genoegzaam bestand zou zijn; maar 

Jaarboek 1870. 1 



(^ ) 

tegenover die vrees mogt zich ook de bemoedigende hoop doen 
gelden, dat het oponthoud in eene zachtere luchtstreek, het 
wederzien van het land, dat bij hem zulke aangename en le- 
vendige indrukken had achtergelaten, het bijwonen van de pleg- 
tigheden, waarmede de goede uitslag gevierd werd van eene 
wereldonderneming, zoo na met zijnen naam verbonden, eene 
gunstige werking voor zijnen toestand te weeg brengen, zijne 
herstelling bevorderen konden. Die hoop werd niet bevestigd 
en ook de Commissie betreurt het gemis van den vriend, dien 
zij des te meer had leeren waardeeren, naarmate het haar 
langer vergund was met hem werkzaam te zijn, en van zijne 
uitmuntende hoedanigheden in den naauweren omgang de on- 
dervinding te erlangen. Zij aarzelt niet in de verklaring, dat 
het verlies door Conrad's afsterven voor haar te weeg gebragt 
haar niet kan worden vergoed; dat de zooveel vermogende in- 
vloed van zijnen naam en de daaruit voor haar voortvloeijende 
onmisbare medewerking van zeer velen, zoo al niet geheel of 
terstond opgeheven, dan toch merkelijk en van lieverlede meer 
en meer verzwakt zullen worden ; en dat, ook al waren de om- 
standigheden waaronder zij werkt veel gunstiger dan in wer- 
kelijkheid het 'geval is, zij zich toch ernstig zou afvragen, of 
zij zich nu nog langer met de haar opgedragen taak zou dur- 
ven of kunnen belasten. 

4 

Het is niet alleen de dood van haar medelid, die op de 
Commissie eenen hoogst ontmoedigenden indruk heeft te weeg 
gebragt. De ondervinding van het laatste jaar geeft aanleiding, 
niet alleen om van min gunstige, maar van bepaald ongunstige 
omstandigheden te spreken, die op de pogingen der Commissie 
eenen nadeeligen en verlammenden invloed oefenen. Het Verslag 
zal bevestigen, dat de blik op het verledene geene gunstige 
verwachting op de toekomst kan wettigen, al is het dat de 
Commissie nu en dan eenige gunstige gevolgen mogt verwerveD> 
hier en daar hare pogingen met eenen goeden uitslag bekroond 
werden, en daardoor dan ook de teleurstellingen eenigermate 
werden vergoed, die zy zoo vaak op haren weg moest onder- 
vinden. 



( 8) 

De Commissie hield slechts drie Vergaderingen : ééne op 
den 7 Febiuarij 1870 te Leiden^ bij het voorzittend lid, eene 
op den £9 April to Amsterdam^ in het lokaal der Akademie, 
en eene op den 12 Maart ter zelfde plaata, om hare belangen 
met het Akademiebestuur te bespreken. Waar onderling overleg 
tosschen de Commissieleden vereischt werd, geschiedde dit 
schriftelijk, of bij gelegenheid der Afdeelingszittingeo. 



Van de ingekomen mededeelingen^ teekeningen en andere be« 
scheiden, werd in de openbare vergaderingen der Letterkundige 
Afdeeling geregeld en met dank aan de inzenders, melding gedaan, 
of eene opgaaf ten bureele overgelegd, die naderhand met de Ver^ 
slagen der vergaderingen in de Staats-Cot^rant werd bekend ge- 
maakt. Die toezendingen worden als gewoonlijk hier meer naauw- 
keurig omschreven en tot een geheel bij elkander gebragt. 

Door tusschenkomst van het Ministerie van BiNNENiiAND- 
scHE ZAKEN, van het Ministerie van Financiën, exemplaren 
van Bestekken voor ontmantelingswerken : van Maastricht en 
Wijk, Bergen op-Zoom, Breda, Venlo, Fort Bath en Koevorden. 

Photogrammen \ van de St. Pieterspoort te Maastricht, ge- 
zien van de stadszijde en van de buitenzijde; van den hoofd- 
wal bij de Zwanengracht, en van de ontgraven poort en den 
stadsmuur in het bastion St. Maarten te Wijk; van de Eoer- 
mondsche poort te Venlo; van de Bavelijnsbrug van de Ant- 
werpsche poort te Bergen^op-Zoom; van de Waterpoort en 
van de Hoofdbrug aan de Boschpoort aldaar; van de Bosch- 
poort te Bredaj van de stadszijde en van de buitenzijde ge- 
zien en van het Bastion Mansfeld aldaar. 

Plans en Teekeningen van de Brusselsche poort te Maas- 
tricht, van de Wijkerpoort en den ronden toren bij de St. 
Maartenspoort te Wijk. 

Van het Ministerie van Binnenlandsche zaken ter be* 
oordeeling, eenen looden afslag van eene penningplaat, bij de 
a%raving van een bastion van Middelburg voor de uitvoering 
van Bijksspoorwegwerken aan den dag gekomen. 

1* 



(4) 

Van den Büboemeestee van Stolwijk, herigt omtrent spoten 
van ouderen bouw dan die der afgebrande kerk aldaar, bij bet 
sloopen van de overblijfselen dezer laatste aan den dag geko- 
men; omtrent kisten van boomstammen op eene aanmerkelijke 
diepte in de nabijheid der oude kerk ontdekt; en een schedel 
en verdere beenderen van een lijk uit eene dier kisten. 

Van Dr. J. A. Snellebkand^ predikant te Twisk in Noord- 
holland^ eenige glazen met ingebrand schilderwerk uit de kerk 
dier gemeente afkomstig en berigt omtrent steenen doodkisten, 
bij de ontgravingen van de grondslagen der kerk te Oud- 
Karspel gevonden. 

Van den heer E. E. J. Boetebink^ leeraar bij de hoogere 
burgerschool, laatst te Veendam, thans te 's Gravenhage, me^ 
dedeeling omtrent eenen grafsteen met opschrift van eene zuster 
van Bembrandt, volgens opgaaf van een Vlaamsch tijdschrift 
in een dorp in de nabijheid van Amsterdam nog aanwezig; 
en omtrent eenen Nederlandschen gedenkpenning onder Schoon- 
oord gevonden. 

Van den heer G* N. de Stoppelaab, Secretaris der ge* 
meente Middelburg, berigt omtrent hetgeen daar ter plaatse 
in den laatsten tijd tot behoud van overblijfselen van gescb'e- 
denis en kunst geschiedt; omtrent aanwinsten voor de verza- 
meling op de Oudheidkamer op het Raadhuis, van welke ver- 
zameling weldra een inventaris zal worden uitgegeven, en om- 
trent werkzaamheden tot verder herstel van het Raadhuis. 

Van den heer J. P. N* Ekmekins, Secretaris der gemeente 
Zierikzee, berigt omtrent plannen tot verandering en gedeelte- 
lijke slooping van een oud huis uit de 17^® eeuw, aan de 
noordzijde van de Oude haven aldaar, onder den naam van 
,/de mossel" bekend. 

Van den heer Ai C. Bon, opzigter van het Bijks kustlicht 
1® klé ter westzijde van SchouweUj berigt omtrent hetzelfde 
gebouw; phoiogram van een fraai bewerkt poortje in genoemde 
woning; berigt omtrent een op glas geschilderd portret naar 
een oorspronkelijk van Georg Keppel Earl of Albemarie, door 
J. Beynolds geschilderd, en schetsjes van allegorische voorstel- 
lingen op twee, aan den eenen kant verzilverde koperen plaatjes* 



( 8 ) 

Door tusschenkomst van den heer W, F. Leemans^ Inge- 
nieur van 'sEijks Waterstaat te 's Hertogenbosch, hmgl en scheU 
van eene steenen doopvont^ onder den bodem van de kerk der 
Hervormde gemeente te Sprang opgegraven, opgemaakt door den 
opzigter van den Waterstaat, den heer J. J. Lugten Bz., te 
Heusden ; en een zilveren muntje, eene dubbele groot van Hen- 
drik T of VI van Engeland, door denzelfden opzigter onder 
Besoijen, bij het verwerken van grint aan den dag gekomen. 

Yan den Buh0em£Est£H van Sprang, inlichtwgen betrekkelijk 
de zooeven genoemde doopvont. 

Van Bn. van Hbeckeben van Wassenabb te Twickel, 
berigt dat de oude tapijt behangsels op den huize Nettelhorst 
bij Lochem, door hem voor de Commissie ter beschikking wer- 
den gesteld. 

Van het bestuur van het Fbiesch genootschap voob ge- 
schied-, oudheid- bn taalkunde, een exemplaar van het tijd- 
schriffe: De vrije Fries, N. E. DL VI, st. 1, en van het 31e 
Verslag van de Handelingen 1868 — 1869. 

Van het Akademielid Mr. J. Dibks te Leeuwarden, een 
exemplaar van een opstel over de Romeinsche oudheden ie Ilil^ 
desieim, naar aanleiding van een stuk over dit onderwerp, in 
het Duitsche tijdschrift die Oartenlaube afgedrukt. 

Van den heer J. G. Horsthuis, Rijkstelegraphist, toen te 
Zaandam, thans te Amsterdam, berigten omtrent en teekeningen 
van een der vensterramen met ingebrand schilderwerk, eene 
allegorische verheerlijking van Kennemerland voorstellende, in 
de kerk der hervormde gemeente te Zaandam, Oostzijde; van 
eenen fraaijen waaijer met teeken werk uit de 17^® eeuw en 
van een snijwerk in hout, vroeger boven den ingang eener 
duigenwerf te Zaandam geplaatst; eindelijk nog berigten be- 
trekkelijk de teruggevonden en wederom gereinigde schilderij, 
bekend onder den naam van De Stiersvreeiheyt, in de zooge- 
naamde Bullekerk te Zaandam. Eene naauwkeurige afteekening 
door den heer Hobsthuis naar het oorspronkelijke vervaardigd, 
werd tevens door hem aan de Commissie ter kennisneming 
toegezonden. 

Van Jhr. Mr. V. de Stüebs te Maastricht, berigten omtrent 



(6) 

eene nieuwe ontdekking eener muurschildering in de oude kerk 
van het voormalige Minderbroedersklooster aldaar; omtrent 
maatregelen tot behoud van de bouwvaUen van het oude kas- 
teel Valkenburg genomen ; omtrent het plan tot benoeming van 
eene Commissie tot behoud der oude gedenkteekens in Maas- 
tricht; omtrent de aanstaande slooping der bastions St. Maarten, 
Parma en het Galgenbastion te Wijk, en bijzonderheden die 
op die werken betrekkelijk, onder de aandacht verdienen ge- 
nomen te worden. 

Van den heer J. D. Belmeb, leeraar aan de hoogere bur- 
gerschool te Sneek, teekening van koperen lofwerk van eenen 
kroonluchter, opgegraven ter plaatse, waar vroeger het omstreeks 
1462 te Sneek gestichte klooster der kruisbroeders stond. 

Van Mr. A. J. Enschedé, Archivaris der gemeente Haarlem, 
berigt van de ontdekking van fraai geschilderde en belangrijke 
geslachtswapens, tegen de binnenzijde van het achterschot der 
oude koorbanken in de Groote Kerk te Haarlem, en omtrent 
het plan tot herstel, zoowel van het schilder- als het snijwerk 
dier banken. 

Van den Bubgemeester te Heerde, berigt betrekkelijk de 
kerk en den toren der Hervormde gemeente aldaar, en hare 
aanstaande slooping. 

Van den Burgemeester te Bergschehoek, gelijk berigt no- 
pens de kerk aldaar en de vroeger daarin aanwezige glas- 
schilderingen. 

Van den Bürgemeksïer te Ravestein, den heer P. A. A. 
VAN Claabenbeek, teekening en plan ^an een onlangs gesloopt 
oud kerkje te Nederlangel in het land van Ravestein. 

Van eenen Ongenoemde uit Dordrecht, een afdruk van de 
Handelingen van den gemeenteraad, vergadering van 26 Oct. 
1869, waarin het besluit genomen werd tot slooping van de 
oude Spuipoort aldaar. 

Van den heer H. Linsb, civiel Ingenieur en Directeur der 
gemeentewerken te Dordrecht, berigten omtrent : overblijfselen 
van geschiedkundige waarde aldaar, de genoemde Spuipoort, 
en teekeningen van de gesloopte overblijfselen van het oude 
Mariënbornklooster. 



f 7 ) 

Van den Buboemeesteb van Kessel in het hertogdom Lim 
buig, berigt betrekkelijk de gesloopte kerk in die gemeente, 
en een Bomeinsch altaar (P) met beeldwerk, bij die gelegenheid 
ontdekt. 

Van Mr. J. Qandebheyden, kantonregter te Zuidhom in 
Groningen^ berigten omtrent de aanstaande slooping der oude 
kerk te Eexta in Groningen. 

Van den Hoofdingenieub van ^s Rijks Waterstaat in het 
1« en 3® district, den heer J. Stbooïman te Assen, berigten 
met toelichtende schetsen omtrent de zoo even genoemde, voor 
de geschiedenis der bouwkunst in ons vaderland zeer belang- 
rijke kerk, door de goede zorgen van den heer Ingenieur Ph. 
W. VAW DEB Sleyde, Verkregen. 

Van eenen ONaEKOEMBB, een afdruk van de Handelingen 
van den Oemeenteraad te Zwolle, van 10 Januarij 1870, met 
daarin opgenomen verslag van Dr. W. J. A. Hüberts, aan 
den Baad nopens het Gemeente-archief ingediend. 

Door tusschenkomsfc van den heer Anemaet te 's Graven- 
hage, eene portefeuille met zeer fraai bewerkte bouwkundige 
teekeningen en toelichtende beschrijving, van de onlangs ge- 
deeltelijk gesloopte overblijfselen van het oude kasteel Vre- 
deburg te utrecht, opgemeten en vervaardigd door den heer 
U. VAN DEB Webf, opzigter van 's Eijks waterstaat te Utrecht, 
en door dezen aan het Commissielid wijlen den heer Hoofd- 
inspecteur CoNBAD ingezonden. 

Van den heer C. P. Bkuinvis te Alkmaar, een photogram 
van twee gebouwen, behoord hebbende tot het in 1867 ge- 
sloopte Burgerweeshuis aldaar, vroeger een kloostergebouw, met 
geschreven toelichting ; alsmede een exemplaar van de door hem 
in het licht gegeven. Beschrijving der Schilderijen enz. in het 
Burgerweeshuis te Alkmaar, met eene gegraveerde afbeelding 
van het in 1869 nieuw gebouwde gesticht. 

Van den Hoofdingenieur van 's Eijks waterstaat in het 
2« district te Leeuwarden, den heer P. J. H. Haywabd, be- 
rigt omtrent de oude kerk der Hervormden te Oldetrijne, Ge- 
meente WeststeUingwerf. 
Van het Bestuur der Ovebijssklsche vebeeniging tot 



(8) 

ONTWIKKELING VAN PROVINCIALE WBLVAAET te Zwolle, twee 

photogrammen van een beenen hecht van een mes of ander 
werktnig, met snijwerk en Bünen versierd, en te Zwolle op 
eene aanmerkelijke diepte gevonden. 

Van Mr. C. H. B. Boot, Griffier bij het Kantongeregt 
te Oud Beijerland, berigt omtrent eenen schoorsteenmantel 
van de 176 eeuw, in eene hofstede onder genoemde gemeente 
aanwezig. 

Van den heer B, J. Stbgeman Jr., te Deventer, ter be- 
zigtiging een oude koperen vijzel met stamper. 

Eene nadere omschrijving van de bij deze toezendingen en 
mededeelingen behandelde onderwerpen, zal wel niet overtollig 
worden geacht, en de opgaaf van hetgeen naar aanleiding van 
een en ander door de Commissie is verrigt, maakt een zeer 
voornaam gedeelte uit van de gegevens, ter beoordeeling van 
de wijze waarop zij de haar opgelegde taak volbragt heeft. 

Slooping van oude Gebouwen en Vestingwerken te Maas- 
tricht. De werken tot ontmanteling der vestingwerken werden 
vooral aan den regteroever der Maas te Wijk voortgezet, en wa- 
ren, nadat de Aker- of Wijkerpoort gevallen was (men vergelijke 
over deze poort het vorige verslag blz. 38 — 40 (Jaarb. XCVT — 
XCVIII,) gerigt tegen de drie bastions Parma, het Galgenbas- 
tion en het bastion St. Maarten, verdedigingswerken, die door 
eenen Italiaanschen Ingenieur, Francisco de Marchi in 1559 in 
dienst der Landvoogdes Margaretba van Parma aangelegd, ook 
daarom de aandacht verdienen, dewijl zij onder de eerste be- 
hoorden die hier te lande volgens het toen nieuwe, Italiaansche 
stelsel gemaakt werden. 

Het bastion Parma bewaarde nog drie steenen met uitge- 
houwen wapenschilden, en had, even als het middelste- of zoo- 
genaamde Galgenbastion, casematten met schietgaten in de 
flanken. Maar het belangrijkste van allen was het derde, dat 
van St. Maarten, waarin eene zeer oude buitenpoort, op den in- 
gang na van de stadszijde, geheel en al bedolven en sedert meer 
dan drie eeuwen in den staat waarin zij zich toen bevond, is 
bewaard gebleven. Hoogstwaarschijnlijk was het oude poort- 



( 9) 

gebouw ooTsproiikelijk een groote ronde toren met doorgang^ 
even aJs bijv. de Porte de Halle te Brussel, en werd bij den 
aanleg van het bastion, de toren grootendeels of geheel gesloopt 
doch de doorgang met zijne muren behouden, als magazijn of 
be^laats; thans nog heeft die ruimte de bestemming van 
bierkelder. Onder den bodem van den doorgang waren nog 
gangen en kelders aanwezig, die waarschijnlijk met schietgaten 
voorzien waren, om de grachten te bestrijken. Yan de stads* 
zijde de poort inkomende, vindt men, omtrent ter halver lengte 
van den geheelen doorgang, eenen trap leidende naar zulk 
eenen kelder, waaruit wederom een trap nog dieper voerde tot 
eenen gang onder den vloer van den doorgang, waarmede men 
kwam in eenen grooten kelder, aan de andere zijde van de 
poort gelegen. Boven elke der poortopeningen was een steen 
met opschriften aangebragt. Aan de stadszijde was het op- 
schrift door een later aangebragt muurtje srrootendeels bedekt, 
zoodat slechts de laatste woorden der tien regels zigtbaar ble* 
ven. Aan de buitenzijde is de steen geheel en al onbedekt, 
daar het dak van de poort en het bovengedeelte van den gevel 
zich boven den beganen grond van het bastion verheffen. Vol- 
gens de opgaaf van Jhr. Yictob de Stueks, aan wiens wel- 
willendheid de Commissie de mededeeling van al deze bijzon- 
derheden dank mag weten, luidt het opschrift, in Gothische 
letters uitgehouwen, als volgt: 

Nempt Got voer oghen ende sijt 
Voersjnnich eïi voerdechtich, en laet er 
Neit meer jn, ghij en sijt dier machtich 
Bemijnt bejde we lanssheeren. Soe 
blijft ghij altijt in eeren. Gescreven 
Anno MIV ende XLVI. Paul Bouten 

Paymeester. 

De raad, om //ueit meer jn te laeten ghij en sijt dier mach* 
tóch*', geen grooter aantal mannen binnen te laten, dan de vei- 



( 10 ) 

ligheid gedoogt, of die men behoorlijk ouder bedwang kon hou* 
den, moest de stad tegen overrompeKng behoeden; de „beyde 
lanssheeren'^ zijn de Hertog van Braband en de Bisschop van 
Luik. 

Naar aanleiding van de bij haar ontvangen mededeelingen 
en opmerkingen, achtte de Commissie het van hare roeping, om 
zich over het onderwerp tot de Eegeering te rigten, in een 
opzettelijk schrijven, waarbij zij in het algemeen wees, in her- 
haling van vroegere opmerkingen, op het belang van naauw. 
keurige opteekeningen, bij het sloopen der genoemde bastions, 
van alle bijzonderheden nopens de wijze van bouw, dikte der 
muren, verband van metselwerk, afinetingen en soort der stee- 
nen, kalksoort en hare bereiding. Meer bepaald gaf zij als 
haren wensch te kennen, dat, met betrekking tot het bastion 
St. Maarten, eerst de rondom het oude poortgebouw aange- 
bragte aarde weggevoerd mogt worden, v<5<5rdat men overging 
tot het afbreken van het oude metselwerk, dewijl daardoor al- 
leen de mogelijkheid bestond, om van het oude gebouw, voor- 
zoover het nog overgebleven was een deugdelijk photogram te 
maken. Verder wees zij op het belang van naauwkeurige plans 
en doorsneden over verschillende lijnen, en van het behoud 
der opschriften van de beide gevels boven de ingangen. Dit laatste 
maakte zij ook van toepassing op de steenen met wapenschil- 
den in het bastion Parma. Deze opmerkingen en wenschen 
door Zijne Excellentie den Minisier van Binnenlandsche Zaken 
tot zijnen ambtgenoot van Financiën gebragt, hadden, volgens 
een schrijven van eerstgenoemden Minister van 7 Sept. 1869, 
N". 208, 5® Afd., eene aanschrijving ten gevolge gehad aan den 
Ingenieur voor de ontmanteling der vestingwerken te Maas- 
tricht, om zorg te dragen dat aan het verlangen der Commissie 
werd voldaan. De Commissie zal zich verheugen, wanneer die 
aanschrijving de gewenschte voldoende uitwerking moge hebben. 

Volkomen gerust is zij echter in dit opzigt niet. Misschien 
moet het aan haar onbekende, ongunstige omstandigheden wor- 
den toegeschreven, dat zij tot nog toe geen voorspoed onder- 
vond op hare pogingen, om van de uitnemend belangrijke oude 
gebouwen van Maastricht, die zoo zeldzame bijdragen leveren 



( «1 ) 

kunnen tot de geschiedenis van de vaderlandsche krijgs-bouw- 
kunst^ althans een enkel dat boven alle de aandacht verdiende, 
te redden. Evenmin mogt zij op gelnk kunnen roemen, waar 
zij zich had voorgesteld, dat goede, deugdelijke en aan de door 
haar gestelde vereischten beantwoordende plans, teekeningen en 
beschrijvingen, althans eenige vergoeding voor het verlies der 
oorspronkelijke bouwwerken zouden aanbrengen. Door den Mi* 
nister van Financiën was, naar aanleiding van een voorstel 
der Commissie, waarbij de vereischten waren omschreven voor 
zulke plans en teekeningen onmisbaar, aan den Minister van 
Binnenlandsche Zaken, bij schrijven van 6 December 1869, 
Afd. Begistratie en Domeinen N\ 18, medegedeeld, dat aan 
de beambten, met de ontmantelingswerken belast, van wege 
het Departement de noodige voorschriften waren gegeven, om 
niet alleen voor het opleveren en de bewaring van voorwerpen 
van vroegeren tijd, maar ook voor opnemingen, opmetingen, 
teekeningen en toelichtende beschrijvingen, het noodige te 
verrigten. Later werd ook, op voorstel van den Ingenieur 
voor de ontmantelingswerken, onder de voorwaarden der be- 
stekken aan de aannemers de verpligting opgelegd, tot het 
doen vervaardigen van photographische afbeeldingen der ge- 
gebouwen, en toen de Commissie hare vrees had te kennen 
gegeven, dat welligt die afbeeldingen geheel of gedeeltelijk de 
boawkunstige teekeningen, zoo als zij die had bedoeld, zouden 
vervangen, werd zij op dit punt volkomen gerust gesteld door 
de verzekering des Ministers, in schrijven aan zijnen ambtge- 
noot, van 5 Mei 1868, Afd. Eeg. en Domeinen, No. 15, dat 
de photographische afbeeldingen niet in de plaats zouden tre- 
den van de vroeger toegezegde opgaven en teekeningen^ maar 
dat de vervaardiging dezer laatste aan den Ingenieur met de 
ontmantelingswerken belast, bij zijne instructie was voorgeschre- 
ven en het maken van de photogrammen door dezen nog bo- 
vendien was aanbevolen. 

Er bestond dus alle grond voor de Commissie om in de ge- 
nomen maatregelen en de van Regeeringswege gegeven >roor- 
schriften te berusten, te meer daar er voor haar geene redenen 
bestonden, om aan de bevoegdheid van de bij de werkzaamhe* 



( 12 ) 

den aangestelde beambten, tot het doen van de bedoelde op- 
nemingen, opmetingen, enz. te twijfelen. Intusschen kon haar 
dienaangaande de overtuiging slechts geschonken worden, wan- 
neer zij in de gelegenheid werd gesteld om over de deugde- 
lijkheid van de gewenschte teekeningen door eigen onderzoek 
een oordeel te vellen; en die gelegenheid bleef haar ontbre- 
ken tot in October van het laatst verloopen jaar^ toen zij 
de drie hierboven vermelde teekeningen van de Brusselsche-, 
de Wijker- of Akerpoort en van den ronden toren bij de 
St. Maartenspoort^ door tasschenkomst van het Departement 
van Binnenlandsche Zaken ontving. Eene omschrijving, waar- 
schijnlijk wel van de bijzonderheden op de gebouwen betrek- 
kelijk^ voor zoo ver die uit de plans en teekeningen niet 
genoegzaam gekend konden worden, werd in den begelei- 
denden brief wèl vermeld, mnar ontbrak bij de bezending, 
en was ook niet bij het Ministerie ontvangen. De teekenin- 
gen en verdere bescheiden op de Onze-Lieve-Vrouwepoort be- 
trekkelijk, zouden volgens eene opgaaf van het Ministerie van 
Financiën, reeds in December 1868 aan dat van Binnen- 
landsche Zaken zijn overgemaakt, maar van ontvangst was bij 
dit laatste, ook na opzettelijk onderzoek, niets gebleken. Het 
behoeft hier niet gezegd te worden, dat het verlies dier 
stukken zeer te bejammeren zou zijn, daar zij de werkelijk 
zeer belangrijke uitkomsten behelsden van de ontgraving bij 
die poort ondernomen, en van de overblij&elen van de oude 
poort uit het Bomeinsche tijdperk, daarbij op eene aanzienlijke 
diepte aan den dag gebragt, eene naauwkeurige voorstelling 
moesten leveren. Het Commissielid dat zich tot een per- 
soonlijk onderzoek naar Maastricht had begeven, en een kort 
verslag van de ontdekking had medegedeeld, zie het Verslag 
van het vorige jaar blz. 87, {Jaarb. XCV,) had gemeend te 
mogen rekenen op de teekeningen, die door den opzigter bij 
de ontmahtelingswerken, ook naar zijne persoonlijke aanwijzingen 
zouden vervaardigd worden, en daarom onnoodig geoordeeld 
zelf eenige opmetingen te verrigten. Het zou dus te meer 
te betreuren zijn, wanneer de tusschen de beide Ministeriën 
verdwaalde stukken niet terug gevonden werden, of aan een 



( 13 ) 

verzoek van den Minister van Binnenlandsche Zaken, om zoo 
mogelijk door den opzigter die de opmetingen deed, uit de 
door hem gehouden aanteekeningen en schetsen^ nieuwe teeke- 
ningen te doen leveren^ geen gevolg kon worden gegeven. Tot 
nog toe is omtrent dit onderwerp niets naders gebleken, en 
kan de Commissie alleen hare uitzigten vestigen op Jhr. Mr. 
V. DE Stubbs, die van de overblijfselen der oude, vermoe- 
delijk Bomeinsche poort^ naauwkeurige opmetingen gedaan en 
aanteekeningen bewaard heeft. 

De drie teekeningen in October van het laatste jaar bij de 
Commissie ingekomen, waren zeer net en zuiver geteekend^ 
maar de daarbij onmisbare^ toelichtende beschrijving ontbrak, 
en liet onderzoek waaraan zij onderworpen werden, leidde tot 
opmerkingen, die de waarde van het geleverde in groote mate 
verminderden en den indruk achterlieten, dat het beoogde 
doel in geenen deele bereikt was. Ware de Commissie van 
den beginne en in tijds in de gelegenheid gesteld geweest, om 
nategaan, of bij de vervulling van die taak, de door haar om* 
schrevene vereischten genoegzaam in het oog gehouden, hare 
aanwijzingen behoorlijk begrepen waren^ dan zou zij in tijds 
op dwalingen of leemten de aandaclit hebben gevestigd , die 
nu niet meer hersteld of aangevuld kunnen worden, nadat de 
gebouwen zelven geheel verdwenen ziin. 

In het algemeen ontbrak> wat aan dergelijke stukken vooral 
vaarde moet bijzetten^ de opgaaf der bouwstoffeUj van hare 
bewerking, het verband, de zamenstelling der verbindings-^ 
middelen, en andere bijzonderheden, waaruit wij ons moeten 
inlichten omtrent de kenmerken voor den oorsprong en den 
stichtingstijd van gebouwen, waaromtrent de geschiedenis of 
geloofwaardige overlevering ons geene gegevens bewaard hebben, 
Ëene tweede algemeene aanmerking paarde zich aan de klagt, 
dat bij het opmeten en in teekening brengen, men zich had 
bepaald tot hetgeen vóór de slooping reeds zigtbaar was, maar 
zich volstrekt geene moeite gegeven had, om hetgeen onder 
den grond verborgen was en bij het slechten bloot kwam, op 
te meten, op te teekenen of te beschrijven. 

Behalve de algemeene aanmerkingen maakten zich ook ge- 



( 14) 

wigtige bedenkingen geldig tegen elke der drie teekeningen 
van de onderscheidene gebouwen afzonderlijk. 

Bij de Brasselsche poort was in de lengtedoorsnede in het 
midden eene opening in het gewelf aangeduid, van welker aard 
thans niets blijkt; eene dwarsdoorsnede was hier vereischt ge- 
weest tot behoorlijke toelichting. Een weinig digter naar de 
stadszijde wordt, zoowel op de plattegrondteekening als in de 
doorsnede^ eene opening met deur aangeduid, doch zonder 
eenige aanwijzing van de bestemming van die opening noch 
ook van het verband^ waarin zij tot het geheel staat. Op 
eene kleine situatieschets van het bastion Brussel komt muur- 
werk voor, dat op de grootere grondteekening en doorsneden 
niet te vinden is, en toch daarbij niet achterwege had mogen 
blijven^ wilde het werk eenigszins op volledigheid aanspraak 
maken. Waarschijnlijk is dat muurwerk niet behoorlijk opge- 
meten en dientengevolge ook op de teekening weggelaten. 

Bij de Wijker- of Akerpoort ontbreken de lengte- en dwars- 
doorsneden^ die voor eene eenigszins naauwkeurige voorstelling 
niet gemist kunnen worden. Aan den buitengevel van de 
poorttorens of rondeelen waren stellig vier, in lateren tijd 
digtgemetselde, schietgaten aanwezig en duidelijk zigtbaar ge* 
bleven; zij zijn echter op de teekeningen geheel vergeten en 
hunne juiste plaatsing dus niet meer aan te wijzen. In den 
poortdoorgang was in den zijwand, wanneer men zich naat 
buiten begaf linke, eene deur of een poortje, dat op de tee- 
kening ontbreekt, evenzeer als de aanwijzing waartoe het 
diende. Een tweetal stippellijnen in den regtermuur van den 
poortdoorgang, digter bij den ingang aan de stadszijde, schijnt 
aan te duiden, dat daar de sporen gevonden werden van eenen 
grooten ronden toren^ die zooals de Porte de Halle te Brussel 
in vroegeren tijd het poortgebouw vormde, en later door uit- 
bouwing aan de buitenzijde zijnen oorspronkelijken vorm ver- 
loren had. Eene naauwkeurige beschrijving van bouwstoffen, 
bindingsmiddelen, verband enz. was hier voor de kennis van 
het gebouw in zijne onderscheiden tijdperken volstrekt onmis- 
baar. Aan den binnen- of stadsgevel van het poortgebouw 
moet eene aansluiting aan den ouden wal bestaan hebben; 



( 15 ) 

intusschen blijkt daarvan in de teekening niets. Het gedeelte 
7an het gebouw aan de stadszijde was van veel ouderen tijd, 
en ouder zamenstel dan het overige, het toonde daarvan in 
zijne bouwwijze de stelligste blijken; maar ook dienaangaande 
is in de teekeningen niets te bespeuren. De frontmuren van 
de rondeelen aan de buitenzijde van het poortgebouw moeten, 
naar het midden steeds in dikte en sterkte toenemende, veel 
dikker zijn geweest dan aan de zijden. Eene behoorlijke op- 
meting heeft hier hoogst waarschijnlijk niet plaats gehad, daar 
de muren in de teekening aan de voorzijde juist dunner, maar 
naar de zijden dikker wordende, zijn voorgesteld. 

Ds &ONDE TOBBN bij de St. Maartenspoort. De sporen van 
de oorspronkelijke vloeren der verschillende verdiepingen zijn 
niet aangewezen. De wanden als geheel glad onder ééne lijn 
zonder eenige versnijding geteekend, terwijl het stellig zeker 
is, dat zij voor elke verdieping insprongen. Omtrent den aard 
van het metselwerk, de plaats waar de wenteltrap begon, het 
zamenstel van het gewelf, alles van zooveel belang voor de 
bepaling van den ouderdom, ontbreekt zelfs de geriugste op* 
gaaf. Eene opstandsteekening van den geheelen toren aan de 
binnen- of stadszijde, die thans gemist wordt, had volstrekt niet 
mogen ontbreken, om van eene der meest belangrijke bijzon* 
derheden, den aldaar nog overgebleven, zoogenaamden machu 
cottli (een bedekt uitstek buiten den muur, van onderen open^ 
om den vijand door het nederwerpen van steenen, brandende 
voorwerpen, kokende olie enz. af te weren), aanwijzing te geven, 
en daarvan vorm en afmetingen te doen kennen. Horizontale 
doorsneden van het gebouw op zijne verschillende verdiepingen 
mogten niet achterwege zijn gebleven, ook om van het vroeger 
bestaan der kanteelen, van welker aanwezigheid thans uit de 
teekening niets vernomen wordt, eene juiste voorstelling té 
geven. In het verslag van het vorige jaar werd blz. 40 — 44 
{Jaar 6. XCVIII — CII) over de mislukte pogingen tot behoud 
van dit merkwaardige gebouw, zijne geschiedenis en zijne ver* 
nieling, het een en ander medegedeeld en daarbij gesproken 
van de koortsachtige haast$ waarmede het vonnis ter vernie- 
tiging werd ten uitvoer gelegd, als verkeerde men in vrees, 



{ 16 ) 

dat de stemmen, die zich van verschillende zijden tegen de sloo- 
ping verhieven en de bedenkingen daarbij in het midden gebragt 
van te veel klem en gewigt zouden zijn, om eene behoorlijke 
wederlegging of oplossing toe te laten ; het scheen toen, als 
wilde men de slooping een voldongen feit, en daardoor alle betoog 
vruchteloos maken. Deze uitkomst is in ieder geval verkregen, 
maar zij is te meer te bejammeren, om dat die overhaasiing 
zeker wel eenige aanleiding gegeven heeffc tot mindere naauwkeu- 
r^heid bij de opmetingen, en de gelegenheid voor immer werd 
weggenomen, om de onnaauwkeurigheden en gapingen in de 
teekeningen te verbeteren. 

Welligt heeft de Commissie wel wat te veel gerekend op de 
stipte en getrouwe opvolging van de hierboven vermelde voor- 
schriften, door het Departement van Financiën aan de be- 
ambten belast met de ontmantelingswerken gegeven, maar zij 
kon toch bezwaarlijk, na de haar gegeven verzekeringen, zelve 
de taak ter hand nemen ^ die aan andere daartoe bevoegde 
personen opdragen, of langs eenen anderen weg in de door 
haar aangeduide behoefte voorzien. Bovendien is het haar ook 
te laat gebleken en kon het haar ook niet vroeg genoeg iet 
kennis komen, dat aan hare verwachting niet beantwoord en 
aan de door haar gestelde vereischten niet voldaan zou worden. 
Eerst bij de toezending der teekeningen in October vernam zij 
dat de Minister van Financiën zelf de opmerking niet had 
teruggehouden /,dat het niet zou bevreemden, wanneer de aan- 
//teekeningen te wenschen overlaten, daar de opzigters, met 
^dit werk belast uit den aard der zaak niet de geschiktste per- 
//sonen zijn^ om naar de eischen der wetenschap oudheidkundige 
//beschrijvingen te vervaardigen". Jammer maar dat zulk een 
voorbehoud niet vroeger gemaakt werd en de opmerking te 
laat aan de Commissie ter kennis kwam, om tijdige voorziening 
in de bestaande behoefte mogelijk te maken. 

Eene opmerking van de Commissie, met betrekking tot de 
voorwaarden waarop vestinggronden aan bijzondere personen in 
gebruik a%estaan öf verkocht werden, gaf aanleiding tot de 
bepaling, dat voortaan bij eiken verkoop of afstand uitdrukke- 
lijk bedongen zou worden, dat alle voorwerpen van geschied- 



( 17 ) 

of oudheidkundigen aard^ die in die terreinen gevonden mogten 
worden, aan den Staat, tegen schatting door eenen deskundige, 
moesten iForden afgestaan, en dat de nieuwe eigenaars of ge- 
bruikers van gronden verpligt waren, om, zoolang daarop slech* 
tingswerken worden uitgevoerd, aan de door den Staat aan te 
wijzen personen^ toegang te verleenen, tot het bewerkstelligen 
yan opnemingen en verdere onderzoekingen. Of aan die be- 
palingen beantwoord zal worden, of op hare naleving ge- 
noeg te rekenen ?alt, zal de ondervinding moeten leeren. Zeer 
veel zal afhangen van den goeden wil der nieuwe eigenaars en 
van belangstellend toezigt; maar vele gunstige gevolgen durft 
de Commissie zich niet voorspiegelen, daar zelfs bij de werk- 
zaamheden, die voor het Bijk en onder regtstreeksch toezigt van 
de daarbij aangestelde beambten werden uitgeroerd, de gevon- 
den voorwerpen op verre na niet werden opgeleverd. Vooral 
was dit het geval met munten. In de eerste helft van Septem* 
ber des vorigen jaars, was^ zoo als de Commissie van zeer 
vertrouwde zijde vernam, een aanzienlijk aantal munten (men 
sprak zelfs van eenen zak vol) aan eenen liefhebber te koop 
geboden, doch door dezen geweigerd, met verwijzing van den 
aanbieder tot Jhr. V. db Stüers; welke aanwijzing echter 
niet is opgevolgd, waarschijnlijk wegens de overtuiging, dat 
deze heer voor de regten van den Staat op zou treden, en 
de zaak voor de vinders die hunnen pligt niet hadden betracht, 
onaangename gevolgen hebben kon. 

MuusscHiLDEBiNGEN te Maastricht. Jhr. de Stuehs heeft 
zijne vroegere belangrijke ontdekkingen op dit kunstgebied, zie 
Verslag over het vorige jaar, blz. 27 [Jaarb. 1869, blz. LXXXV) 
en dat van 1867—1868, blz. 45, {Jaarb. 1868 blz. C VII) met 
goed gevolg voortgezet. Van het beeld van den martelaar tegen 
den noordelijken wand, in de kapel ten zuiden van het koor 
der kerk van het voormalige Minderbroedersklooster, werd door 
hem een doortrek vervaardigd. De oudere voorstelling vroeger 
op dien wand aangebragt, maar met eene nieuwere laag over- 
dekt, om daarop het zooeven genoemde beeld te schilderen, was 
voor het grootste gedeelte verdwenen, en slechts hier en daar 
in enkele brokken te herkennen. Zij bevatte den boon) van 

Jaabboek 1^70. 2 



( 18 ) 

Jesse, waarvan echter slechts enkele groepen bloemen genoeg- 
zaam zigtbaar gemaakt zullen kunnen worden. De heer db 
Stüees heeft ook daarvan het meerendeel reeds afgeteekend^ 
en stelt zich voor daaraan zoo spoedig mogelijk het overige 
toe te voegen. 

Maar van meer belang is nog eene andere muurschildering, 
door hem ontdekt in hetzelfde oude kerkgebouw, op den muur 
van het jubé naar de koorzijde, boven en ter wederzijde van 
den doorgang, aangebragt en de aankondiging aan Maria voor- 
stellende. Links van den beschouwer een engel met wit onder- 
en rood bovenkleed, in de Hnkerhand eenen palmtak houdende, 
op een uitwaaijend lint de woorden: ave guatia plena no- 
MiNUs TECUM. Eegts de Maagd in purperen onderkleed met 
witten mantel, geknield voor eenen bidstoel in renaissance-stijl, 
met een open boek, waarop haar linkerhand rust; de r(\gter- 
hand houdt zij op de borst. Iets hooger ziet men de duif. 
Het hoofd der Maagd is, volgens het oordeel van den heer 
DE Stuebs, allerliefst, vol gevoel en uitdrukking uitgevoerd; 
doch ook het overige maakt door teekening, uitvoerige bewer- 
king, zoowel als door de frischheid van kleuren aanspraak op 
den meesten lof; de plooijen zijn zeer los en fraai, de handen 
misschien nog wel wat middeleeuwsch. Het beeld van den 
Engel is hier en daar nog al beschadigd, maar de gelieele voor- 
stelling, die uit de eerste helft der 16*^® eeuw schijnt te dag- 
teekenen, zal met juistheid in teekening gebragt en het ont- 
brekende met zekerheid kunnen worden aangevuld. Door de 
goede zorgen van den heer de Stuebs, zijn maatregelen ge- 
nomen, om het tafereel voorloopig tegen beschadiging te behoeden ; 
hij heeft het voornemen, zoodra mogelijk ook van dit, door zijne 
onvermoeide pogingen teruggevonden kunststuk eene afteekening 
te vervaardigen. Daardoor zal hij eene nieuwe aanspraak ver- 
werven, bij de vele die hij reeds met regt kan doen gelden, 
op de dankbaarheid van allen, wien de belangen der kunst en 
de roem des vaderlands ter harte gaan. 

Kasteel Valkenbehg, of Fauquemont. Bij een vroeger 
Verslag 1864—1865, blz. 9 [Jaarb. 1865 bk. 75) werden de 
fraaije schetsen vermeld, die door den heer db Stuebs van de 



( 19 ) 

merkwaardige overblijfselen van dit onde kasteel vervaardigd 
en ter kennisneming waren medegedeeld. Die heer bleef 
zijne aandacht aan het gebouw wijden en zette zijn onderzoek 
voort naar den vroegeren vorm en inrigting^ voor zoo ver die 
nit de nog bestaande overblijfselen konden worden nagegaan. 
Aan zijne tusschenkomst en die van den kundigen enijverigen 
voorzitter van het geschied- en oudheidkundig Genootschap 
van JAmhuTg, den heer J. Habets, mag het worden toege- 
schreven, dat de eigenaar, Mr. de Yili.ers-Masboübo^ de bouw- 
vallen met eene omheining heeft doen afsluiten, al de muren 
met ijzeren banden en ankers omklemd en aan elkander ver- 
bonden zijn, en dat er uitzigt bestaat op eene geheelo reiniging 
en herstelling van de kapel. Dit berigt van de aanvankelijk reeds 
toegepaste maatregelen en de daaraan verbonden uitzigten 
werd bij de commissie met ingenomenheid begroet; de onbe- 
perkte toegang, waarbij aan de overblijfselen van het eerwaardige 
gebouw voortdurend vrij wat beschadiging werd toegebragt, en 
de staat van verwaarloozing en gebrek aan toezigt en onder- 
houd^ hadden maar al te zeer de vrees gewettigd^ dat weldra 
slechts een vormlooze hoop steenen de plaats zou aanwijzen, 
waar eenmaal het trotsche gebouw met zijne spitsen zich ver 
boven den omtrek verhief. 

Kasteel Ybedebubg te Utbecht. 

Als een verblijdend gevolg van de noodiging tot medewerking, 
door wijlen ons medelid, den heer hoofdinspecteur Conbad in 
Junij 1866 tot de beambten bij 's Bijks Waterstaat gerigt, mogt 
de Commissie eene net ingebonden portefeuille, met acht naauw- 
keurig opgemeten en keurig uitgevoerde teekeningen en toelich- 
tende beschrijving ontvangen, van de overblijfselen van het 
kasteel Yredeburg, in 1869, bij het sloopen van het noord- 
westelijke bastion van die sterkte, door den heer opzigter van 
's rijks waterstaat, D. van deb Webf te Utrecht vervaardigd, 
en aan den heer Conbad ingezonden. Die stukken, tijdens 
diens afwezigheid buitenslands te 's Qravenhage ontvangen, wer- 
den door den heer Anemaet, toen de treurige doodstijding van 
ons medelid bekend geworden was, aan de Commissie overgemaakt. 

Zij bevatten: no. 1 platten grond van de kerk ;n^ 2. platten 

2* 



( 20 ) 

grond van den kelder onder de kerk; n^. 8 doorsnede over 
de breedte van kerk en kelder; n®* 4 uitvoerige afbeeldingen 
van eene der muurkolommen met de onderste gedeelten der 
vier daaruit verrijzende gewelfribben, met horizontaal-door- 
snede, en profielen van de gewelfribben in de kerk en in den 
kelder; n°. 5 profiel van zulk eene rib in de kerk, op de 
ware grootte; n^. 6 een gezigt over de geheele lengte der 
kerk van binnen; n°. 7 gezigt als voren van den kelder, en 
no, 8 gezigt op de bouwvallen van buiten tijdens de slooping 

Eene zeer naauwkeurige afzonderlijke beschrijving door den 
heer van dek Weuf bij de teekeningen gevoegd, levert alles 
wat strekken kan, om de gedeelten die van de bouwvallen over- 
gebleven waren, tot in de kleinste bijzonderheden aan het 
licht te stellen, en ook uit een technisch oogpunt aan al de 
vereischten te voldoen. Uit de toelichtende aanmerkingen acht 
de Commissie het van belang eenige der voornaamste bijzon- 
derheden hier over te nemen. 

Het metselwerk was nog in zeer goeden staat, even als het 
steenhouwerswerk ; de gewelven 0,80 M. dik, bijzonder sterk. 
De steensoort was de zoogenaamde poepsteen, lang 29, breed 
14 en dik 6,5 cM., niet zeer hard, rood van kleur, overeen- 
komende met het tegenwoordige rood- of boerengraauw. Alles 
zeer dik bewerkt in steenkalk, die vrij goed bereid en harder 
dan de steen zelf was. , 

De gewelven van gelen steen, lang 20, breed 9 en dik 
5 cM., overeenkomende met IJselsteen. Het verband in strek- 
sche en koplagen; staand- of kruisverband was hier niet te 
onderkennen, het scheen alsof men zich bij het bouwen niet 
om eenig verband bekommerd had. 

Voor het steenhouwerswerk was gele zandsteen gebezigd, 
met zorg uitgevoerd, de profielen zuiver bewerkt. Ankers waren 
niet aanwezig. 

De overwelfde ruimte, met den naam van Kerk onderschei- 
den, doch waaraan de Commissie, wegens de geringe hoogte 
en gebrekkige verlichting zulk eene besteraming niet kan toe- 
kennen, vormde een langwerpig achtkant, dus aan de beide 
uiteinden met drie zijden gesloten, met den vloer 3,80 M, 



( 21 ) 

hoven den waterstand van de Stads-singelgracht, lang 29,5 
M., breed 9,70 M., hoog vïin den vloer tot onder het gewelf 
4,85. Langs de lange zijden waren zes, op de aansluitingshoe- 
ken aan de uiteinden acht, dus te zamen veertien muurzuilen. 
Deze Zuilen, in het geheel hoog 1,06 M., in doorsnede 0,96 
M.^ bestonden uit een voetstuk van 84 cM., eene schacht 
van 6 lagen metselsteenen, van 42 cM., en een eenvoudig 
kapiteel hoog 30 cM, op 2 cM. van boven schuins afgewerkt 
tegen de ribben van het gewelf. 

Boven deze kolommen gingen de gewelfribben opwaarts tot 
in den top van het gewelf; sommige sloten tegen de twee cir- 
kelvormige openingen in het gewelf nabij de beide uiteinden. 
Deze openingen van onder wijd 2,16 M., de eenige die aan 
het licht toegang gaven, waren van eenen zandsteenen rand 
omgeven. Waar de overige ribben elkander ontmoetten, vond 
men knoopen van 52 cM. middellijn, met ronde proppen dik 
20, en 5 cM., onder den knoop doorhangende en aan de 
benedenzijde vlak afgewerkt. Oelijke knoopen, van 56 cM* 
middelHjn waren in den top van het gewelf aangebragt, doch 
zonder doorhangende proppen. 

De gewelflijnen liepen niet overal in regte lijnen door ; rond- 
om de zooeven genoemde lichtopeningen vormden zij eene 
regelmatige figuur. 

Langs de wanden, nissen diep 35,5 cM., met schildbogen. 

De muren hadden eene dikte van 5 M., het gewelf met de 
aaunrazeering was in den top 1,30 M. dik en daarboven met 
grind gedekt. Op twee plaatsen waren in de muren ruimten 
uitgespaard, eene in het middenvlak van het Z. O. uiteinde, 
en eene andere in het laatste vlak aan de lange N. O. zijde 
bij het N. W. uiteinde. Bij verdere slooping zal kunnen blij- 
ken, of zij welligt tot uitgangen dienden, maar later digtgemet- 
seld werden. *) 

Een gang leidde aan de Z. W. lange zijde, in het tweede 
vak, te rekenen van het Z. O. uiteinde, naar buiten op het 



*) De laatste der twee hier beschreven uitgangen leidde welligt tot ecnc 
^rag, die uit den wal over de gracht naar buiten voerde. 



( 82 ) 

Vredeburg; in dien gang bevond zich de trap, waarlangs men 
afdaalde tot den kelder onder het reeds beschreven lokaal. 

Deze kelder had denzelfden grondvorm, lengte en breedte, 
maar eene hoogte van 2,92 M. onder het gewelf; de gemet- 
selde afscheiding tusschen beide, in den top dik 44 cM., de 
vloer 44 cM. boven den waterstand. Door eenen dwarsmuur, 
dik 65 cM., en met twee pilasters, breed 84 en dik 27 
cM. aan beide zijden, was de geheele ruimte in twee gelijke 
deelen gescheiden, die met eenen doorgang aan het Z. W. ge- 
deelte met elkander in gemeenschap stonden. In elke dier 
beide helften, waren, in het vak het naast tegen den scheids- 
muur, drie pilaren aangebragt, een in het midden te halver 
breedte van het vak, van 61 cM. in het vierkant, en twee 
andere metende 66 cM. tegenover de zooeven genoemde pi- 
lasters van den scheidsmuur; op deze pilasters rustten de ge- 
welfsbogen, die over de geheele uitgestrektheid van het gewelf 
regelmatige figuren vormden. 

In het midden van het N. "W. uiteinde of het hart van het 
achtkant, waren vier pilaren van metselsteenen opgetrokken, dik 
67 bij 81 cM., op 78 cM. onder het gewelf aan elkander 
verbonden met eenen boog van 47 cM. pijl, tusschen de tegen- 
over elkander staande pilaren eenen afstand latende van 1,67 
M. Zij stonden noch in de as van het gebouw, noch ook over- 
hoeks op de as, maar kruisgewijs tegenover elkander; het ge- 
heel droeg den naam van Monnikskap. 

De ribben van het gewelf waren van metselsteenen zamen- 
gesteld en bijgehakt of geslepen, op khüne afstanden afgewis- 
seld met zandsteen naar hetzelfde profiel behouwen. 

Het daglicht kon in geene der beide helften van dezen kel- 
der doordringen. 

De overeenkomst van de zooeven beschreven, zoogenoemde 
Monnikskap, met de beschrijving van soortgelijke inrigtingen 
in oude onderaardsche kerkers in Engeland, die de stellige blij- 
ken dragen van hunne bestemming tot martelingen en straf- 
oefeningen, bragt den heer "W. H. Hubrecht, ingenieur van 
's Bijks Waterstaat te Utrecht, bij de bezigtiging der teekenin- 
gen, tot de, niet onwaarschijnlijke gissing, dat ook hier in den 



( 28 ) 

Vredeborgschen kelder zulk eene pijnigingsplaats bewaard was 
geblereo, waarin de armen en beenen van den lijder^ metket- 
tzngen, die aan de \rier pilaren gehecht waren, uitgerekt en 
bevefitigd werden. 

Sloopino van Kikken. 

Van de gesloopte kerk der Hervormde gemeente te Voor- 
schoten, die thans door een nieuw kerkgebouw vervangen is, 
werd in het Venlag over 1867 — 1868, bladz. 21 en volgende 
{Jaarboek 1868 blz. LXXXIII) eene korte beschrijving mede- 
gedeeld. De Commissie heeft van de bouwkunstige teekeningen^ 
die door den kundigen architekt, den heer I. A. van der Kloes 
vervaardigd waren, voor hare verzameling dubbelen doen teekenen. 
Kerk beb Boomsch-Katholieken te Dokkum. Naar aan- 
leiding van eene mededeeling, omtrent de aanstaande slooping 
van die kerk bij een der Commissieleden ingekomen, werd 
een opzettelijk onderzoek noodig geacht, te meer omdat Dok- 
kum tot de oudste steden in ons vaderland behoort, en dus 
de mogelijkheid bestond, dat hier het verlies van een oud ge- 
bouw betreurd zou moeten worden. Het nader onderzoek leidde 
echter tot de uitkomst, dat de bedoelde kerk in de Hoogstraat 
aan den H. Martinus gewijd, slechts het bovengedeelte was 
van een gewoon huis. De oude Bonifaciuskerk die aan de 
Abdij behoorde, was reeds vdör het einde der 16^® eeuw af- 
gebroken, en de parochiekerk, ook aan den H. Martinus ge- 
wijd, kwam Wj de Hervorming aan de Hervormden in gebruik, 
werd in 1589 aanmerkelijk veranderd eu erlangde daarbij eenen 
geheel nieuwen, westelijken gevel en toren. 

Keek te Oldetbijne, Gemeente Weststellingwerf in Fries- 
land. Omtrent de stichting schijnt niets bekend te zijn. Het 
geheel vormde in grondplan een vierkant wat de eerste helft 
betrof, waaraan een smaller langwerpig vierkant verbonden was 
van eenige meerdere diepte, en van achter met drie zijden, 
de middelste veel breeder dan de twee andere, gesloten. Het 
geheel lang van buiten 19,50 M; het vierkant binnen breed, 
9,31 M.; hoog slechts 2,35; het achterste lang 9,50, breed 
6,08 en hoog 5,50 M. De muren waren van eene soort van 
IJselsteen opgetrokken, lang 23, breed 11,5 en dik 5,6 cM., 



( ^4, ) 

bleekrood van kleur en goed gesorteerd, regelmatig gevormd 
en iets harder dan boerengraauw; alles in kruisverband, onder 
den draad en behoorlijk in de specie bewerkt. Deze laatste 
bestond uit kalk met zand en was niet sterk. Het achterste^ 
smallere gedeelte werd door acht, het voorste door een gelijk 
getal beeren gesteund, 1|. en 2 steenen metende. Eene hou- 
ten schutting vormde een portaal, waartoe twee ingangen aan 
de beide zijden aangebragt, den toegang boden. Zeven licht- 
ramen, zijnde een achtste digt gemetseld, hoog 2,40, breed 1 
M. in den dag, en 2,50 M. boven den beganen grond, waren 
in het hoogere achtergedeelte aangebragt; zes andere, aan elke 
zijde drie, hoog 1,20 en breed 0,70 M., 1 M. boven den 
grond, alle halfrond afgesloten/ verlichtten de voorste, lagere 
helft. In het hoogere gedeelte waren twee vierkante binten 
van geschaafd eikenhout geplaatst met gebogen karbeelen, 35 
bij 35 cM. De kapspanten onregelmatig op onderlinge af- 
standen van 0,75 tot 1 M. gesteld, van gewoon eikenhout 
15 bij 15 cM., goed bewerkt doch zonder ijzerwerk. Het 
dak met riet gedekt, de nok met blaaawe vorsten, lang 76, 
breed 22 en dik 2,6 cM. Op het dak een klein torentje. 

Uit deze opgaven, ontleend uit het verslag van den opzigter 
van 's Eijks Waterstaat A. A. Kat, te Akkrum, blijkt dat de 
slooping van de Oldetrijnesche kerk voor de geschiedenis van de 
vaderlandsche bouwkunst geen groot verlies heeft teweeggebragt. 

Kerk te Eexta, Prov. Groningen. Van de reeds aange- 
vangen slooping van dit oude kerkgebouw kan geheel het 
tegenovergestelde worden getuigd; het is een der belangrijkste 
die, voor zoover de Commissie weet, in ons vaderland nog aan- 
wezig zijn. Door Mr. J. GANDEfiHEYDBN, kantonregter te 
Zuidhorn en door berigten in enkele dagbladen was de aandacht 
der Commissie op het lot dat de kerk dreigde gevestigd, maar 
ook op den hoogen ouderdom en de merkwaardige bijzonder- 
heden, die aan het gebouw eene groote waarde moesten doen 
hechten. De Commissie meende daarom de welwillende tus- 
schenkomst van den heer J. Strootman, hoofd-ingenieur van 
's Eijks Waterstaat in het 1^ en 3® district te Assen, te mogen 
inroepen, en zij had daaraan een verslag, toegelicht met een 



( »5 ) 

tweetal schetsen te daukeii, die de uitkomsten behelsden yan 
het ooderzoek^ door den ingenieur van 's Rijks Waterstaat 
den heer Ph. W. van deb Slstdbn, met deu opzigter bij 
het korps, den heer J. H. Baüeb te Wiuscboten, nog in tijds 
ondernomen. Aan den laatstgemelde droeg zij de taak op, om 
van het gebouw in ai zijne deelen de uoodige opmetingen, plans 
en teekeningen, met toelichtende beschrij?ing en aanmerkingen 
te leveren, met inachtneming van de vereischten die door de 
Commissie voor het door haar beoogde doel aangewezen zijn. 
Uit de voorloopige beschrijving door genoemden ingenieur over- 
gemaakt, kunnen hier reeds de volgende bijzonderheiden wor- 
den overgenomen. 

Het gebouw heeft den vorm van een kruis, welks dwars- 
armen slechts zeer weinig korter zijn dan de beide andere, die 
het schip en koor bevatten, zoodat het grondplan al zeer 
na komt aan den vorm van het Orieksche kruis; de koorsluiting 
is, even als die der overige drie armen, vierkant. De toren 
staat, gelijk in dat gedeelte van ons land meermalen het geval 
is, geheel a%escheideu op zich zelf, en kan, daar hij in lateren 
tijd grootendeels afgebroken en vernieuwd werd, geene bijzondere 
waarde doen gelden. Het kerkgebouw op vele plaatsen ontzet, 
biedt hier en daar zeer groote, yan onder tot boven loopende 
scheuren. De muren schijnen op aardbogen gevestigd, wier 
gewelven boven den grond en aan de dagzijde alle, op eenige 
brokstukken na, vernieuwd zijn. Hetzelfde is het geval van 
de plint, voor welke, even als voor de vernieuwde aardboog- 
gewelven, steenen gebezigd zijn van 27 bij 13,5 en 5 cM., 
dus van grootere afmetingen dan die tegenwoordig gebruikt 
worden. De genoemde gewelven schijnen zonder sluitsteen 
gemetseld, doch dit zal eerst later met zekerheid kunnen uitge- 
maakt worden. De nieuw ingezette bogen waren gevormd 
door regte lijnen, die elkander onder eenen hoek van 100 — 110** 
sneden. De oorspronkelijke bogen schenen uit zeer flaauw 
gebogen lijnen bestaan te hebben, die elkander ongeveer onder 
gelijken hoek sneden. Zij waren met nieuwen steen aange- 
vuld, doch de aanvulling is geheel verzwakt, waarschijnlijk ten 
gevolge van de mindere deugdelijkheid der fundeering. Het 



( 28 ) 

metselwerk van de muren is zeer gaaf^ geheele muurvlakken 
zijn van alle latere bijmetseliug of beschadiging bevrijd ge- 
bleven. De steenen zijn lang van 28 tot 32, breed lé tot 16 
en hoog 9 tot 10 cM., de middelmaat tusschen beide afme- 
tingen komt het meest voor. Het verband is met zorg in 
acht genomen en is over het algemeen staand verband; doch 
door de ongelijke afmetingen der steenen konden de stootvoegen 
niet alle loodregt onder elkander komen, en werd eenige onre- 
gelmatigheid onvermijdelijk; intusschen deed men zijn best 
om de verdeelingen zoo in te rigten dat steenbrokken vermeden 
werden. De pilasters zijn regelmatig opgezet van, om en om, 
eenen kopschen- en eenen strekschen steen. Het pannendak was 
van lateren tijd. 

De bij het berigt gevoegde schetsen deden de waarde van 
het gebouw voor de geschiedenis onzer vaderlandsche bouwkunst 
nog nader uitkomen ; zij kenschetsen geheel en al den stijl van 
de groote Hofzaal met hare torens op het Binnenhof te 'sQra- 
wenhage. Metselwerk, bogen, nissen, boogtafels, gereiten, 
tweedeelige bogen, traseeringen, alles levert in geest en vorm 
de treffendste overeenkomst, voert ons terug tot in de 13^® 
eeuw, en brengt ons tevens het bewijs, dat dezelfde stijl toen 
gelijktijdig, zoowel in het Noorden als in het zuidelijke ge- 
deelte van ons vaderland, gevolgd werd. 

Keekjb tb Nederlangel, Prov. Noord-Brabant, in het land 
van Ravenstein. Dit kerkje in 1869 gesloopt, zonder dat het 
daartoe opgevatte voornemen aan de Commissie ter kennis was 
gebragt, bevatte, even als dit nog het geval is met dat van 
Dennenburg, insgelijks in het land van Eavenstein (zie vorig Ter- 
slag blz. 26 (Jaarb. 1869 LXXXIV) aanmerkelijke overblijfsels 
van zijnen oorspronkelijken bouw, die tot een grijs verleden 
opklimt. Oorspronkelijk vormde het grondplan een langwerpig 
vierkant, buitenwerks ongeveer 11,5 bij 10 M., waaraan oost- 
waarts een smaller vierkant van 5 M. lengte bij 6 M. breedte, 
insgelijks buitenswerks, als koor aansloot. De muren 1 M. 
breed, zoowel aan de kerk, als haren aan den westgevel aan- 
duitenden vierkanten toren, waren, even als die der Dennen- 
burgsche kerk, van grijs-bruine tufsteenen opgemetseld, doch 



(87) 

van binnen met gegoten werk, kalk, sterk met grof grint yer« 
mengd^ aangevuld; dit is het geval ook met de bovenmuren. 
Drie lichtveusters waren aan de noordzijde^ aangebragt; het 
middelste hoog 1^ breed 0^75 M. en 1,75 boven den beganen 
grond^ de beide andere 2,75 M. boven den beganen grond, 
even hoog als het middelste, doch slechts 0,6 M. breed; aan 
de zuidzijde bevonden zich waarschijnlijk een gelijk aantal 
vensters, doch heeft een portaal van lateren aanbouw de plaats 
van hei middelste doen verloren gaan. In het koor waren 
slechts van een venstertje hoog 50, breed 20 cM. de sporen 
bewaard gebleven. Al die vensters schijnen met rondbogen ge- 
sloten geweest te zijn. Aan elk der beide lange zijden, was, op 
f een derde van de geheele lengte van den westelijken gevel, een 
\ ingang aangebragt, evenzeer met eenen ronden boog gedekt, en 
j hoog 1,75, bij eene breedte van 1 M. De oude tu&teenmuren 
waren aan het schip nog ter hoogte van ongeveer 5, aan het 
koor van 3, en aan den toren van 10 M. overgebleven. De 
oude muur van de vierkante koorsluiting was weggebroken en 
werd slechts door zijne, diep onder den grond aanwezige grond- 
slagen aangewezen. Bij lateren bouw had men het koor met 
eene driezijdige koorsluiting uitgebouwd en aan de zuidzijde van 
het koor, digt tegen het schip een vierkant vertrek aangebragt, 
buitenswerks 4,50 bij 3,75 M. metende, en door eene in den 
koormuur doorgebroken opening met bijgemetselden boog met 
het koor in gemeenschap. Op gelijke wijze was ook aan het 
oostelijke uiteinde van het schip een gemetselde boog opge- 
trokken, waardoor het schip met het koor vereenigd werd. Al 
dit metselwerk, even als dat van het bovengedeelte der muren 
en van den toren, ook van de beeren bij de koorsluiting, bestond 
uit roodc baksteenen van groote afmetingen, en was, ofschoon van 
lateren tijd dan het overige, toch ook van hoogen ouderdom. 
Bij ontstentenis echter van behoorlijke omschrijving der steenen, 
hunne afmetingen, den kalk en zijne zamenstelling, het met- 
sel verband en verdere bijzonderheden, kan omtrent den tijd 
van ten bijbouw niets zekers gezegd worden. 

De Commissie betreurt het zeer, dat hier wederom een der 
oudste kerkgebouwen van ons vaderland aan vernietiging was 



( 28 ) 

prijsgegeven^ zonder dat zij door tijdige kennisgeving tot eigen 
onderzoek in staat werd gesteld. 

Eene afbeelding van het oude kerkje is, in eene nette 
houtsnede, met bijgevoegde korte beschrijving van wijlen Dr. 
C. R. H(KaMANs) in de Oude Tijd, (Haarl. bij Kruseman) van 
1869 blzz. 161, 162 bekend gemaakt. 

Kehk tb Heeede, Gelderland. Door een berigt in een 
der dagbladen was gebleken, dat de gedeeltelijke afbraak en 
herbouwing van den toren van het kerkgebouw der Hervormden 
in die Gemeente zouden worden aanbesteed. De kerk zelve 
dagteekent van onzen tijd, maar de toren kon eenige aandacht 
verdienen,' vooral omdat de spits die in de afbraak begrepen 
was, gezegd werd van een bijzonder maaksel te zijn. 

De Commissie wendde zich daarom tot den Burgemeester van 
de plaats om nadere inlichting. Zij verkreeg die en erlangde 
daaruit de zekerheid, dat de muren van den toren zouden 
blijven staan en alleen de spits weggenomen en vernieuwd 
zou worden, terwijl deze laatste volstrekt geene boüwkunstige 
waarde had, en het geheel overbodig was daarvan eene tee- 
kening te bewaren. 

Kehk tb Bergsche-Hoek:, Zuid-Holland. De kerk dag- 
teekende van het einde der 17® eeuw, toen zij, na den brand 
waarbij het vroegere kerkgebouw vernield wrs geworden, uit 
vrijwillig bijeengebragte gelden wederom was opgebouwd. 
Thans niet meer aan de behoefte voldoende, zou zij in den 
aanvang van het loopende jaar afgebroken en wederom door 
eene nieuwe vervangen worden. Ofschoon zij wegens haren 
ouderdom geene waarde had, kon zij toch, hetzij in haren bouw 
uit een technisch oogpunt, hetzij in overblijfselen van de 
vroegere kerk, hetzij ook in hare versieringen eenig eigen- 
aardig belang bezitten ; dit laatste vooral was w^aarschijnlijk met 
betrekking tot hare lichtvensters, waarvan enkele volgens 
gedrukte bescheiden, eenige jaren geleden nog glazen met 
ingebrand schilderwerk, van de hand van Willem van Cleeff 
en PiETEE LoovEE bewaard hadden. Uit de inlichtingen aan 
de Commissie op hare aanvraag toegekomen bleek echter, dat 
al de glazen met schilderwerk in 1835 reeds aan eenen Israëliet 



( «9 ) 

verkocht en door gewoon glas vervangen waren. Pietir 
LooYEB was in de 17^^ eeuw als schilder van op glas inge- 
brande wapenschilden ie Rotterdam bekend. Waarschijnlijk 
was hij dezelfde die, met Wii.lem van Glbkff hunne wapens 
en namen op een der, thans ook verdwenen^ glasramen der 
kerk te Zevenhuizen lieten aanbrengen of zelven schilderden 
en inbrandden^ en dan ook broeder of ander bloedverwant van 
Joris Loov£B, wiens naam, met toevoeging van j^schilder^^ in 
hetzelfde raam, onmiddellijk onder de twee eerstvermelde wapens, 
zich bevond. Zoo hebben wij dan drie kunstenaars, die zich 
in het midden der 17^^ eenw gelijktijdig aan dezen kunsttak 
wijdden : Willem van Clïepp, Jobis en Pietbr Looysb. Of 
zij nog leefden en werkten toen de kerk te Bergsche-Hoek op 
het einde dier eeuw werd herbouwd, is niet zeker, zelfs niet 
zeer waarschijnlijk; maar zoo niet, dan kunnen de ruiten ge- 
deeltelijk uit den brand van het oude gebouw gered en in het 
nieuwe wederom geplaatst zijn geworden. Over de Zevenhuizen- 
sche glasschilderingen werd uitvoerig in een vroeger Verslag 
over 1866/67 blzz. 69 en volgg. {Jaarb. 1867 blzz. CLXXVII,) 
volgg. gehandeld. 

Këbk te Kessel, in Limburg. De Commissie moet ook 
hier weder met leedwezen vermelden, dat de slooping van dit 
oude gebouw, welks stichting tot het midden der 15^® eeuw 
opklimt; haar eerst ter kennis kwam, toen de dagbladberigten 
de ontdekking van eenen steen met beeldwerk uit den Bo- 
meinschen tijd, denkelijk een Romeinsch-Gallisch altaar, bij het 
afbreken van de kerk te voorschijn gekomen, vermeld hadden. 
Het gebouw was reeds vóór den laatsten winter aan den moker 
der vernieling overgegeven, slechts de fundeeringen van het 
koor, van een der zijmuren en van den toren moesten nog 
worden weggeruimd. 

Het zooeven genoemde gedenkteeken van den Romeinschen 
tijd was waarschijnlijk een gelofte-altaar, van kalk(?)steen, hoog 
90, breed 57 cM. ; op elke der drie zijden met een beeld in 
uitkomend werk voorzien, volgens opgaaf, van Minerva, Juno en 
Hercules, wier hoofden zeer beschadigd en bijna geheel ver- 
dwenen zijn. Welke bestemming dit gedenkteeken zal erlan- 



(80 ) 

gen is nog niet bepaald^ maar de Commissie meent dat daar- 
voor in de eerste plaats of uitsluitend het Eijks Museum van 
Oudheden in aanmerking dient te komen. 

Eebic tb Bovenkarspel, Prov. Noord-Holland. Ook hier 
was wederom door den burgemeester der Gemeente aan de 
Commissie geen berigt gegeven^ omtrent het plan tot slooping 
van dit kerkgebouw en waarschijnlijk ook van zijnen toren^ 
maar was de aandacht der Commissie, alleen door eene aankon- 
diging van de aanbesteding voor den bouw eener nieuwe kerk 
en pastorie, op het onderwerp toevalligerwijze gevestigd gewor- 
den. O&choon de kerk in 1828 aanmerkelijke veranderingen 
ondergaan en daarbij een groot gedeelte van haren vroegeren 
omvang had moeten verliezen, is het toch zeer denkbaar, dat 
van haren oorspronkelijken bouw, die in ieder geval v6<5r de 
Hervorming dagteekent, nog min of meer belangrijke gedeelten 
bewaard gebleven zijn, in welk geval opzettelijk onderzoek en 
opnemij)g nuttig geacht konden worden. De Commissie heeft 
dus gemeend zich tot den heer hoofd-ingenieur van s' Eijks 
Waterstaat in het 9^^ district, te Haarlem te moeten rigten, 
met vriendelijk verzoek, om door tusschenkomst van eenen der 
in de nabijheid van Bovenkarspel gevestigde opzigters van den 
Waterstaat, nadere inlichtingen te laten inwinnen. 

Doopvont in de kerk te Spbang. De Doopvont, (eigenlijk 
slechts de kom, want schacht en voetstuk waren niet aanwe- 
zig) werd in het westelijke gedeelte van de kerk der Hervormde 
Gemeente, nabij den toren, even ouder de oppervlakte van den 
bodem gevonden. Uit hartsteen gehouwen heeft zij binnen aan 
de opening eene middellijn van 70 cM, bij eene diepte van 
83, en is de wand aan den bovenrand 9, langzaam tot aan 
den platten bodem vermeerderende tot 13 cM., dik. Van bin- 
nen rond uitgehouwen heeft zij van buiten den vorm van eenen 
achthoek, welks zijden alle aan elkander gelijk zijn ; in het mid* 
den van vier dezer zijden is, om en om, boven aan den bo- 
venrand een ruw bewerkt menschenmasker uitgehouwen, ter 
dikte van 5 cM. De kom was in twee stukken gebroken die 
echter volkomen aan elkander sloten, verder zeer vuil en met 
kalk bezet. Waarschijnlijk werd zij, nadat de kerk aan de 



(31 ) 

HeiTormden overgegaan was, tot kalkbak gebezigd, eene be- 
stenuning waartoe ook in andere plaatsen diergelijke vonten 
vaak werden dienstbaar gemaakt. 

Uit de overgezonden schets was de tijd waartoe het stnk ge- 
bragt moet worden, niet met genoegzame zekerheid op te maken. 
Doopvonten van gelijken vorm komen in ons land op meer 
plaateen voor. De heer de Caumont noemt als een kenmerk 
waardoor zich de doopvonten nit de 13^* en de l^^^y van die 
der volgende eeuwen onderscheiden, dat zij inwendig bolvor- 
mig, van buiten achtzijdig waren, terwijl zij in de 15^« eeuw, 
zoowel voor de inwendige ruimte als van buiten, den achtzij- 
digen vorm hadden. Yoor Frankrijk moge deze regel gelden, 
maar het is te betwijfelen, of de Sprangsche vont wel tot een 
onder verleden dan de 16^* of 16^« eeuw opklimt. 
Steenën doodkisten. 

Kist tb Heilo. In het Verslag over 1866/67 blz. 16 
(Jaarb. 1867 blz. CXXV) is eene steenen kist beschreven, die 
op het kerkhof ten noorden van de kerk der Hervormde Ge- 
meente opgegraven, en door het gemeentebestuur van Heilo 
aan de Commissie afgestaan, voorloopig aldaar in een portaal 
onder den toren in bewariug was gebleven. De Commissie 
geen uitzigt voedende dat haar, ook slechts eene tijdelijke be- 
waarplaats voor grootere voorwerpen, bestemd voor het ont- 
worpen Eijks Museum voor vaderlandsche geschiedenis en be- 
schaving, door de Begering zou worden aangewezen, meende 
niet langer te moeten dralen met haar besluit, om aan de kist 
eene bestemming aan te wijzen. Zij deed dus aan het bestuur 
van het Koninklijk oudheidkundig genootschap te Amsterdam 
het voorstel, om de kist, onder voorbehoud van eigendomsregt 
aan de zijde der Regering, bij zijne verzameling in bewaring 
te nemen. Die schikking kreeg haar beslag en het genoot- 
schapsbestuur nam, onder goedkeuring van het Heilosche ge- 
meentebestuur, van de Commissie de verpligting waartoe deze 
zich verbonden had over, om van het voorwerp voor het ge- 
meente-archief te gelegener tijde eene naanwkeurige beschrij- 
ving en teekening te doen vervaardigen. 
Kisten tb Oud-EjIRspel. Bij het ontgraven van den toren- 



( 32 ) 

muur werd, op 3 September 1868, eene steenen doodkist ont- 
dekt, en den volgenden dag op last van den architekt, den 
heer Hana, uit eene diepte van 1,2 M. beneden den beganen grond 
opgegraven. De kist, lang binnenswerks aan den bovenrand, 2 
op den bodem 1,85 M., is diep aan het hoofdeinde 34, aan 
voeteneinde 31 cM. ; wijd aan het hoofdeinde 62, aan het 
voeteneinde 52 cM.; de vernaauwing der wijdte naar den 
bodem is in verhouding gelijk aan die der lengte. Wanden 
en bodem, hoewel eeuigszins ongelijk in dikte, kunnen gemid- 
deld op 10 cM. berekend worden; het deksel, gelijk mei 
de buitenkanten, op 12 cM. In eiken der vier hoeken van 
de kist was eene verdikking tot versterking overgelaten. Het 
afwerken scheen met eenen steeuhouwers-puntbeitel geschied 
te zijn. De kist was uit Bentheimer-zandsteen, het deksel 
uit Nassauer-steen vervaardig. Het deksel was in twee stuk- 
ken gebroken, de kist nog in haar geheel, doch zij brak bij het 
uitligten; alle stukken bleven echter bewaard. In de kist 
waren drie schedels, twee van volwassenen, een van een kind 
aanwezig, de hoeveelheid beenderen scheen echter slechts voor 
éénen volwassen persoon genoeg te zijn; zij was verder met 
aarde gevuld, en naar het oosten gerigt. 

Op 18 Augustus van hetzelfde jaar was in het oosteinde 
van het koor der Hervormde kerk eene gelijksoortige kist, ook 
met het voeteneinde naar het oosten gerigt, gevonden. Zij 
was geheel uit Nassauer-steen gehouwen, doch zoozeer vergaan, 
dat eene ligting ondoenlijk was. 

De aannemer, de heer I. Prbybb, verklaarde zich bereid, om 
de eerstgenoemde dezer twee kisten kosteloos af te staan, wes- 
halve de Commissie meende, ook dit voorvrerp aan het bestuur 
van het straks genoemde genootschap voor zijn museum be- 
schikbaar te moeten stellen. 

Oude BooMSTAMKisTEN TE Stolwijk. Ovcr eenige bijzon- 
derheden bij de slooping der nog overgebleven maren van de 
oude afgebrande kerk aan den dag gekomen, is in het laatste 
Verëlag, blzz. 54, 55 {Jaarboek blzz. CXII, CXIH) het een en 
ander medegedeeld. Sedert werd nog eene andere ontdekking 
gedaan die in hooge mate de aandacht tot zich trok. 



(83) 

6g de ontgraving van den noordelijken maar der kerk 
werden op eene diepte van 2^80 M., en zelfs dieper, naast en 
ouder de oade grondslagen, eenige uitgeholde boomstammen 
gevonden die als doodkisten gediend hadden, en waarin nog 
de geraamten kennelijk aanwezig gebleven waren ; alles evenwel 
zoozeer vergaan, dat het onmogelijk bleek eene dier kisten of 
haren inhoud, ook slechts maar gedeeltelijk, uit de diepte naar 
boven te brengen en tot verder onderzoek te bewaren. Het 
voorzittend lid, door den Burgemeester van Stolwijk omtrent 
die, in ons land tot nog toe zoo zeldzame ontdekking onder- 
rigt, had onmiddellijk zijn verlangen te kennen gegeven, om, zoo 
welligt nog wederom diergelijke kisten mogten aangetroffen 
worden, onverwijld berigt te ontvangen, ten einde hij persoon- 
lijk nader onderzoek, en onder zijne leiding pogingen mogt 
kannen laten doen, om eene of meer van die kisten in haar 
geheel te ligten. Het had evenwel veel bezwaar in om aan 
dat verlangen gevolg te geven, daar de verpligting den aanne- 
mer opgelegd, om binnen eenen bepaalden tijd zijne werkzaam- 
heden ten uitvoer te brengen, zich verzette tegen alles wat in 
den voortgang van het werk eenige vertraging kon aanbrengen, 
en dus ook het schorsen van de opgravingen, waar deze we- 
derom op oude kisten stoeten mogten, van hem niet gevergd 
kon worden. Voor een persoonlijk onderzoek door een der Com- 
missie-leden is dus tot haar groot leedwezen geene gelegenheid 
gegeven ; maar des te meer mogt zij het op prijs stellen, dat, toen 
de loop der werkzaamheden weder tot eene nieuwe ontdekking 
voerde, de burgemeester, de heer I. C. Kroon, onmiddellijk in 
persoon al het uoodige verordende om die voor de wetenschap 
niet verloren te laten gaan. Op den 12den Junij desvorigen 
jaars stieten de werklieden, op eene diepte van 3 M., weder- 
om naar zij meenden op eene diergelijke ruwe kist. De heer 
Kroon deed, nadat de voortzetting der werkzaamheden aldaar 
voor een poos gestaakt was, onder zijn opzigt door een paar 
bekwame ambachtslieden die plek geheel en al ontgraven, en 
verkreeg daarbij de zekerheid, dat hier wederom eene geheel 
afwijkende, ofschoon toch ook zeer ruwe wijze van begraven 
gevolgd was geweest. Het lijk, welks schedel en verdere been- 

Jaabboek 1870.* 8 



( 84 ) 

deren vrij wel bewaard gebleven waren, bleek nedergelegd te 
zijn op dwars over elkander gelegde boomtakken, die hoewel 
bijna geheel en al vergaan, toch nog kennelijk te onderscheiden 
waren. Kuw behouwen stukken eikenhout dienden tot zij- 
stukken ; hoofd- en voeteneinden waren ruwe stukken hout daar- 
tusschen geplaatst, terwijl een paar zware, even ruwe stukken 
boomstam tot dekking dienden. Al deze stukken waren los 
tegen of op elkander geplaatst, althans waren geene sporen 
van eenige opsluiting of verbinding te bemerken. T)e been- 
deren, immers de grootere, werden zorgvuldig verzameld, ge- 
reinigd en met den schedel, welks benedenkaak verloren ging, 
bewaard, en zoodra zij tegen de gevaren van de reis bestand 
schenen, zorgvuldig ingepakt, door de goede zorgen van den 
heer Kroon aan de Commissie overgezonden. 

Deze achtte het van belang een en ander aan de Natuur- 
kundige Af deeling der Koninklijke Akademie, tot opzettelijk 
onderzoek toe te zenden, vooral ook omdat de vorm van den 
schedel zich scheen te kenmerken door eene zeer naauwkeurige 
overeenkomst met eenen in Schotland gevonden, die in een 
Engelsch werk T^pes of mankind (bij Trübneb & C^. te 
Londen) afgebeeld, tot een i^protoceltic race*' gebragt werd. 
In ieder geval bestond de mogelijkheid, dat de ontdekking eene 
bijdrage kon leveren tot de geschiedenis der rassen in ons 
vaderland. 

De Afdeeling voldeed aan het verzoek en gaf in hare bijeen- 
komst van 25 Sept. de zaak in handen van hare leden de 
hóogleeraren Koster en Hartinq te Utrecht, die in de daarop 
volgende vergadering van October hun verslag hebben uitge- 
bragt. Dit verslag werd in afschrift aan de Commissie mede- 
gedeeld en is later in het 2® stuk van het IV« dl. der Ver- 
slagen en Mededeelingen van de Afdeeling blz. 212 en volgg. 
afgedrukt. 

De overblijfselen, alle behoorende tot hetzelfde schelet, en 
omtrent de kunne geene zekere bepaling toelatende, behoorden 
aan eenen persoon van nog al redelijke lengte, en waarschijn- 
lijk van reeds gevorderden leeftijd. Zij waren : een schedel, 
waaraan de aangezigtsbeenderen ontbraken en die verder aan 



( 85 ) 

de basis eenigszins beschadigd was; een regter en een linker 
opperarmbeen ; eene regter en eene linker ulna en radius; 
twee dijbeenderen, twee scheen- en twee koitbeenderen, insge- 
lijks der beide zijden; eenige wervels, voetwortelbeenderen en 
brokken, van allerlei grootte en vorm, van bekkenbeenderen, 
ribben, schouderblad enz., alles in vrij ongeschonden toestand. 
De schedel behoort tot de dolichocephalen. 

Voor de geschiedenis der rassen in ons vaderland heeft het 
onderzoek geene bijdrage geleverd; de persoon aan wien de 
schedel behoorde was van Kaukasisch ras met eene weinig 
ontwikkelde voorhoofdsstreek. 

De vergelijking met eenen, uit eene der begraafplaatsen op 
het Walchersche strand bij Domburg opgegraven schedel, waar- 
van eene beschrijving en afbeelding in de Feralagen en Mede- 
deelingen der Natuurkundige Afdeeling gegeven zijn, en die, naar 
gissing van den heer de Fremeky, een duizendtal jaren oud, 
aan eenen Noorman zou behoord hebben, leverde geene merk- 
bare punten van overeenkomst. Even weinig wns dit het ge- 
val met eenen schedel in 1857 te Pompeji opgedolven, be- 
schreven en afgebeeld in de Verslagen en Mededeelingen der- 
zelfde Afdeeling, 1859 en door wijlen de hoogleeraren J. van 
DE» Hoeven en W. Vkolik onderzocht. 

De vorm van den Stolwijkschen schedel behoort niet tot de 
gewone. De vergelijking met schedels, uitgegeven in de 
Tgpes of mankind van Nott en Gliddon, leverde geene uit- 
komsten, daar de afbeeldingen in te zeer verkleinde afmetingen 
gegeven zijn. Bij vergelijking met schedels in de Crania 
Brittannica van Davis en Thurnam, vindt men den zonder- 
Ibgen vorm van het achterhoofdsbeen van den Stolwijkschen 
schedel het meest bij de in Engeland opgedolven Eomeinsche *) 



*) Men hechte hier niet te veel aan de Romeinsche afkomst. Er waren zoo 
Tele vreemde stammen als hulptroepen bij het Romeinsche leger opgenomen, 
dat het meestal, althans zonder bepaalde aanwijzingen door opschriften als 
anderszins, niet wel mogelijk is, te bepalen, of men, waar graven van den 
tijd der Romeinen in de Wingewesten en vooral in de zoo ver afgelegen 
streken gevonden worden, met overblijfsels van Romeinen, of van in het Ro- 
meinsche leger dienende vreemdelingen te doen heeft. 

8* 



( 86 ) 

schedels, waarmede ook over het geheel de Stolwijksche de 
meeste overeenkomst aanbiedt; eenigszins minder, doch ook 
niet te ontkennen, is de overeenkomst met eenige oud-Saxieche 
schedels. 

Het is echter niet mogelijk om met eenige zekerheid uit 
te maken, of de Stolwijksche schedel aan eenen ouden Bomein, 
of aan eenen persoon van eeuigen anderen volksstam heeft 
toebehoord. 

De schedel met bijbehoorende beenderen is, na afgeloopen 
onderzoek, aan den hoogleeraar directeur van het Anatomisch 
Cabinet der Leidsche Hoogeschool, ter plaatsing in die ver- 
zameling, overgegeven. 

Gbapzerken. 

Geafzerk van Derk van Herken te Windesheim. In vroe- 
gere verslagen 1866/67 blz. 38 {Jaarb. 1867, blz. CXLVI), 
1167/68 blz. 38, {Jaarb, 1868, blz. Gj en 1868/69 blz. 55 
[Jaarb, 1869, blz. CXIII), werd berigt, dat deze zerk, die, 
afkomstig van de kerk van het beroemde klooster Windesheim, 
thans als stoepsteen eener boerenhoeve voortdurend aan afslij- 
ting en andere gevaren blootgesteld was, alsmede een gedeelte 
van eene andere zerk van gelijke afkomst, en op het erf 
bij die zelfde hoeve liggende, door het Windesheimsche kerk- 
bestuur opgenomen en in de kerk tegen den wand opgesteld 
en ingemetseld, tegen verdere gevaren behoed zouden worden. 
De Commissie had zich bereid verklaard, aan den eigenaar der 
hoeve eenen anderen stoepsteen ter vervanging van de zerk 
des beroemden geestelijke te verstrekken. Aan de toezegging 
van het kerkbestuur is echter tot op heden, zoover de Com- 
missie weet, geen gevolg gegeven. Volgens den inhoud van 
een schrijven van den predikant, den heer H. W. Stork, ont- 
vangen, waren kerkvoogden wèl genegen om voor de verplaat- 
sing het noodige te verordenen, doch wilden zij nu, niet slechts 
de levering van eenen nieuwen stoepsteen, maar al de kosten 
van vervoer, inmetseling enz. voor rekening van de Commissie 
doen komen. De Commissie meende hierin evenmin te kunnen 
treden, als in een soortgelijk voorstel, haar vroeger (zie Verslag 
1867/1868, blz. 34, {Jaarb. 1868, blz. XCVI) door het 



( 87 ) 

kerkbestuur van Lochem gedaan. Zij heeft gemeend zich nog- 
maaifi aan den predikant van Windesheim te moeten rigten^ 
om^ door diens tusschenkomst^ aan het Windesheimsche kerk- 
bestanr de gemaakte afspraak en stellige belofte te herinneren 
en op de voldoening daarvan nader aan te dringen. 

Zebken van de voormaliob Abdij van Bkan. Hier- 
over handelde het laatste Verslag 1868/69, bk. 8 [Jaarb. 1869, 
biz. LXVI). Een onderzoek naar deze merkwaardige over- 
blijfsels van een der aanzienlijkste kloosters van het vaderland, 
op de plaats zelve door twee leden der Commissie in Septem- 
ber IS 69 ondernomen, leidde tot de overtuiging, dat voor- 
ziening in het behoud dier zerken, vooral van het graf van 
heer Arkout van der SiiUis, dringend gevorderd wordt. Het 
wenschelijkst scheen dat een middel kon gevonden worden, om 
al de zerken naar Heusden over te voeren, en in het koor 
van de groote kerk aldaar eene meer waardige en veilige plaats 
te bezorgen. 

Zk&s: met opschrift van Ludovica Gebbits, naar beweerd 
werd, een zuster van Eembbandt. 

Het onderzoek van de bron, waaruit het aan de Commissie 
toegezonden berigt omtrent het bestaan van dien grafsteen, 
met vermelding van eene geheel onbekende zuster van den 
beroemden schilder, was voortgekomen, had tot uitkomst dat 
de geheele zaak tot het rijk der verdichting behoorde. In 
de l^te aflevering van een nieuw te Antwerpen uiigegeven 
tijdschrift, de Vlaamsche schooly is een verhaal opgenomen uit 
de levensgeschiedenis van Bbmbbandt van Bun, dat voor 
karakterschildering en als romantisch verhaal eenige waarde 
hebben mag, maar op geschiedkundige verdiensten volstrekt 
geen aanspraak kan maken. De schrijver is klaarblijkelijk niet 
bekend geweest met de echte bronnen waaruit do bijzonder- 
heden omtrent Eembbandt en zijne familie geput moeten 
worden, en die hij in Mr. Vosmaer's over den schilder uit- 
gegeven werk had kunnen raadplegen. Dit is ook van toe- 
passing op hetgeen, op het eind van het verhaal in het Vlaamsch 
tijdschrift, omtrent den bedoelden grafsteen wordt medegedeeld. 
Eene Ludovica of Louise Gebbits was geene zuster van den 



( 88) 

schilder, en de zerk zal wel nergens te vinden zijn of be- 
staan hebben, dan in de verbeelding van den schrijver van het 
verdichte verhaal. 

Glazen met ingebband sohildebwerk, uit de kerk te 
TwisK, in Noord-Holland. Deze glazen afkomstig uit ven- 
sterramen van de kerk, en na hunne vervanging door wit 
glas, aldaar bewaard gebleven, waren door den predikant, met 
goedvinden van* kerkvoogden, voor de Commissie aan baar 
lid, den heer Moll, beschikbaar gesteld, en zijn door laatst- 
gemelde namens haar aan het Museum van het Koninklijk 
oudheidkundig genootschap toegewezen. De verzameling be- 
stond uit zes glasraampjes, of tot een geheel vereenigde vier- 
kanten van in lood gezette ruitjes, en eenige brokstukken; 
alles uit de 17^® eeuw. Omtrent de voorstellingen, den aard 
en de hoedanigheid van bewerking heeft de Commissie nog 
geene inlichting ontvangen. 

Glasraam met ingebrand schilderwebk in de keri der 
Hervormde Gemeente te Zaandam, oostzijde. De door den 
heer Horsthuis vervaardigde en aan de Commissie voor hare 
verzameling geschonken, zeer naauwkeurige affceekening doet 
ons in de voorstelling op dit glasraam eene allegorische ver- 
heerlijking van Kennemerland kennen, naar een ontwerp van den 
beroemden plaatsnijder Romein de Hooghe, door eene 64- 
jarige en in de geschiedenis der kunst met lof bekende vrouw, 
Catharina Oostfribs geboren van der Meulen, op glas ge- 
schilderd en ingebrand. Men kan over dit raam en de overige 
die de kerk versieren, het werk van van Geuns, Beschrijving 
van Zaandam blz. 116 — \%Q naslaan; de schrijver heeft zich 
daarbij van de schriftelijke mededeelingen bediend van den 
bekenden penningkundige, wijlen den burgemeester van Orden. 

Schilderij van //de Stiersvreetheydt" in de Kerk der Her- 
vormde gemeente te Zaandam, westzijde. Het geval van den 
woedenden stier, die in 1647 zijnen meester doodde, diens vrouw 
in hoog zwangeren toestand in de lucht slingerde, waarbij 
laatstgemelde van een kind beviel, dat nog een jaar lang in het 
leven bleef, is algemeen bekend; de kerk had daaraan haren 
naam van de Bullekerk te danken. In 1884 werd de schilderij, 



( 39) 

welker voorstelling toen door bet kerkbestaur als onstichtelijk 
werd beschouwd^ door oververwing aan het gezigt onttogen^ 
en^ sedert dien tijd, de herinnering van het stuk in eene tee* 
kening in de kerkekamer bewaard. 

Het kerkbestuur besloot het tafereel, dat zich boven den 
oostelijken ingang bevindt, van de verwlaag die het verborg 
zoo mogelijk te doen bevrijden, en droeg die taak op aan den 
koster^ tevens huisschilder van ambacht, die zich met uitmun- 
tend gevolg van de opdragt gekweten, en het geheel, dat niet 
zooals men meende op den muur, maar op doek geschilderd 
was, in vrij goeden staat wederom aan het licht heeft gebragt. 
Het bleek toen dat de maker van de teekening in de kerkekamer 
zich eenige vrijheden of zoogenaamde verbeteringen had ver- 
oorloofd, die zijn werk de aanspraak van getrouwe overeen- 
komst met het oorspronkelijk hadden doen verliezen. De heer 
Horsthuis heeft van de schilderij in haren tegenwoordigen 
staat eene naauwkeurige teekening vervaardigd, en in dit op- 
zigt gesteund door de hem medegedeelde zienswijze der Com- 
missie, maatregelen aanbevolen tegen onoordeelkundige bij- 
schilderingen of zoogenaamde herstellingen. Bestaat er uitzigt 
op genoegzame belangstelling, dan zal zijne teekening misschien 
in het licht gegeven en algemeen verkrijgbaar worden gesteld. 
Men kan over het een en ander betrekkelijk dit onderwerp 
de Navorscker J869, aflev. van Maart, raadplegen. 

Gevel van eene oude woning te Zierikzee. Deze woning 

aan de noordzijde der oude haven gelegen en onder den naam 

van /r/de Mossel" onderscheiden, zou, naar men beweerde, reeds 

van het einde der 15^® eeuw dagteekenen; de tegenwoordige 

gevel werd echter gebouwd in de tweede helft der 17<^ö eeuw, 

volgens een opschrift waarschijnlijk in 1661. Yolgens de 

kronijken werd het oorspronkelijke gebouw gesticht door een 

der leden van de familie Huybert, en genoot het de eer, dat 

keizer Karel V. bij den toenmaligen eigenaar en bewoner, 

den burgemeester en opperdijkgraaf Lieven Jacobsz Huyberï 

of DE Huybert er zijnen intrek nam. Later ging het pand 

in eigendom over aan het geslacht van de Witte. Jacob db 

Witte, later heer van Haamstede, bewoonde het als rentmees- 



( 40 ) 

ter generaal van Zeeland beoosten Schelde in 1661. Waar- 
schijnlijk was hij het, die den gevel, eigenlijk niet van het 
hoofdgebouw zelf maar van het daamevenstaande, deed ver- 
nieuwen. Een fraai bewerkte en met sierlijk snijwerk en 
twee bijna levensgroote beelden versierde, doch afzigtelijk 
overgeverwde, houten schoorsteenmantel, in eene groote bene- 
denvoorkamer, toont de vereenigde wapenschilden van ge- 
noemden Jacob de Witte en zijne huisvrouw Jacoba van 
Oeliens, of Orleans. De tegenwoordige eigenaar, de heer 
VAN Veen, die de woning tot hotel heeft ingerigt, en den hoofd- 
gevel naar den tegenwoordigen smaak (?) heeft doen verande- 
ren, wilde ook aan den nevengevel eene vernieuwde gedaante 
geven. Daarbij zal dan tevens eene fraai bewerkte poort van gehou- 
wen zand(?)steen verdwijnen. De opening gesloten met eenen 
cirkelboog, de deurstijlen in den vorm van pilasters met blad- 
kapiteelen en voetstukken; op deze pilasters rust een hoofdge» 
stel, welks kroonlijst zijwaarts zeer ver buiten de deurstijlen 
zich uitstrekt en een dekstuk in den vorm van een met eene 
archivolte omzet klokojief draagt, welks schild met eene 
schelpversiering gevuld is. De schachten der beide pilasters 
met fraaije vrucht,- bloem- en bladversiersels in opkomend 
werk, (eene jagtvoorstelling ?), versierd. De deurvleugel, in 
den oorspronkelijken stijl van het geheel, met hoog opklimmende, 
liggende en staande vierkante vakken of zoogenaamde bossin- 
gen bewerkt. Ecdc poging om dit poortje voor de verzame- 
ling van het Koninklijk oudheidkundig genootschap te Amster- 
dam aan te koopen, stuitte af op den veel te hoogen eisch van 
den eigenaar der woning. Een vrij goed gelukt photogram 
berust bij de bescheiden van de Commissie. 

Houtsnijwerk:;, boven den ingang van eene hout-(duigen) 
werf te Zaandam, vroeger aanwezig, en op eenen zolder van 
de eigenaars der werf, de heeren gebroeders de Lange, be- 
waard gebleven. De houten plaat, ongeveer 95 cM. breed en 
25 hoog, is aan beide einden geschonden, waar de voorstelling 
met blad-krulwerk was afgesloten. Op den voorgrond zijn een 
vijftal werklieden bezig om boomen om te kappen; twee zagen 
eenen omgehouwen boom aan stukken ; vier andere zagen eenen 



(41 ) 

op Bcliragen liggenden stam tot planken; op den achtergrond 
links Tan den beschonwer eene hontschunr; regts een wagen 
met planken beladen en met vier paarden bespannen. 

Eikenhouten Schoobst&enhantel in eene hofstede onder 
OuD-£iJESLAND. Deze eikenhouten mantel bevindt zich in 
een vertrek van de hofstede ffhei Paradijs"^ genaamd, toe- 
behoorende aan den landbouwer Klaas Schelling, lid van 
den gemeenteraad aldaar. Het geheel is als in twee deelen 
boven elkander gescheiden; het benedengedeelte voor den 
haard ingerigt, bestaat uit twee stijlen^ versierd mei pilasters 
en bedekt met een hoofdgestel van Bomeinsch lonischen stijl; 
het bovenste gedeelte, waarvan het veld door eene schilderij 
gevuld was^ heeft de pilasters van Bomeinsch Corinthische orde 
en wordt gedekt door een hoofdgestel of lijstwerk, waarop een 
boogvormig frontaal met archivolte van dezelfde orde. Pilas- 
ters en de friezen zijn met zwaar vergulde, smaakvol ont- 
worpen bloem-, vruchten- en bladfestoenen in opkomend werk 
versierd; in den trommel zijn, tusschentwee bloemslingers, twee 
geslachtswapens, van man en vrouw, aangebragt. Het eerste 
in vier kwartieren gedeeld, waarvan ^ wederom gevierendeeld 
is en toont: 1 eenen witten reiger op blaauw veld, 2 en 3 
een wit en 4 een blaauw veld. 2: drie witte sterren, waaron- 
der eene hand van dezelfde kleur, op een rood veld. 3: eene 
witte keper, daarboven twee witte ossenkoppen, onder de keper 
een witte ossenkop op blaauw veld ; en 4 •* eene blaauwe keper 
met drie witte leUën op een wit veld. Het vrouwenwapen 
draagt op een blaauw veld eene witte keper met een rood 
bloempje in den top; boven de keper twee springende leeu- 
wen, wit, en onder, eenen gelijken leeuw. 

Waarschijnlijk de wapens van den heer Bichabd en diens 
echtgenoot Suzanna Bressy, die, volgens twee steenen met 
opschriften in de hofstede aanwezig, op den !**«" Mei 1665 
den eersten steen van het gebouw gelegd hadden. 

De schildering in. het bovenste gedeelte, van veel jongere 
dagteekening en een Zeeuwsch landschap voorstellende, is, zoo- 
wel in opvatting als uitvoering, beneden het middelmatige. 

De geheele mantel heeft eene hoogte van 3,96, eene breedte 



( 42 ) 

langs de deklijst van 2,4*2 en eene diepte van den rand dier 
lijst tot aan den muur, van 1 M. De eigenaar was in onder- 
handeling tot den verkoop met eenen eigenaar van een oud 
kasteel in Frankrijk. 

Tapijt-behangsels op den huize Neïtblhobst bij Lochëji. 
Gelijk in vroegere verslagen 1864/65 blz. 25 [Jaarb, 1865, 
blz. XC, 1867/68 blz. 27 {Jaarh. blz. LXXXIX) werd ver- 
meld, had de Commissie aan den eigenaar van het oude gebouw, 
den heer I. D. G. Baron van Wassenaar Twickel, haren 
wensch te kennen gegeven , om de in twee vertrekken nog 
aanwezige, doch aan bederf en vernietiging meer en meer 
blootgestelde, in den smaak der zoogenaamde Gobelins geweven 
behangsels, voor eene Rijksverzameling beschikbaar te mogen 
erlangen. Zij mogt daarop in den loop van het laatste Aka- 
demiejaar een gunstig antwoord ontvangen, en meende in het 
belang der zaak te handelen, door die werkelijk belangrijke 
kunststukken, in bruikleen en onder voorbehoud van eigendoms- 
regten aan de zijde der Eegeering, bij het Museum van het 
Koninklijk oudheidkundig genootschap te Amsterdam in be- 
waring te stellen. De behangsels zijn daarop door eenen ge- 
magtigde van het Genootschap in ontvang genomen en naar 
Amsterdam overgebragt, en zullen, door doelmatige herstel- 
lingen in beteren toestand gebragt, eene belangrijke bijdrage 
tot de geschiedenis van dezen kunsttak, aanbrengen. 

Schilderijen in het Burgerweeshuis te Alkmaar. In 
1867 werd het Burgerweeshuis te Alkmaar gesloopt, en in 
,1869 door een geheel nieuw gebouw vervangen. Het was 
een gedeelte van het Midden-Bagijnen hof, Maria-Convent of 
dat van St. Salvator, in liet begin der 14<l® eeuw door den 
Graaf van Egmond gesticht. Dit klooster werd sedert zijne 
opheffing tot verschillende bestemmingen dienstbaar gesteld, 
en was, nog tot in het begin der loopeiide eeuw als kaserne, 
vervolgens, na verandering van een gedeelte van den gevel, 
voor korten tijd als vleeschhal gebezigd; totdat eindelijk, in 
1818, het nieuw gevestigde Burgerweeshuis er het gebruik vau 
erlangde. Ook de kerk werd na verschillende lotwisseüngen 
tezelfder tijd aan dit weeshuis verbonden, en bevatte sedert 



(48 ) 

dien tijd de woning van den vader en de kamer van regen- 
ten en regentessen. Deze kerk en het daaraan belendende 
huis zijn thans geheel verdwenen. 

De heer C. P. Bbuinvis; in 1858 tot regent van het ge- 
sticht^ toen nog onder den naam van Bnrgerwees- en Huis- 
armenhuis onderscheiden, had in eene in hnnr gegeven, maar 
aan het Huis toebehoorende woning, eene vrij groote schilde- 
derij met de afbeeldingen van Eegenten gezien^ die zijne 
opmerking en belangstelling trok. (>uderzoek naar den oor- 
sprong van dit stuk had al spoedig de ontdekking ten gevolg 
van een aantal andere schilderijen, waaronder vele van aan- 
zienlijken omvang, maar, door zorgelooze bewaring in eene 
vochtige plaats, tot eenen zeer beschadigden toestand afgedaald, 
alle behoorende aan het weeshuis. Het mogt aan zijne ijve- 
rige pogingen gelukken, om tot herstel dier stukken de noo- 
dige middelen door zijne mede-regenten aangewezen te zien, 
en hij smaakt thans de voldoening, dat de kamer van Begenten 
van het nieuw gestichte gebouw met eene reeks van schilde- 
rijen prijkt, waaronder vele door bevoegde beoordeelaars ver- 
dienstelijk worden geacht. De heer Bbuinvis bewerkte en 
deed in het loopende jaar, ten voordeele van het gesticht, in 
het licht zien, eene Beschrijving der schilderijen enz. in hei 
Burgerweeshuis ie Alkmaar ^ met toegevoegde geschiedkundige 
bijzonderheden, en zorgde dat eene door hem teruggevonden 
koperen geldbus, die weleer in de kamer van Begenten 
van het Burgerweeshuis aan de Doelenstraat gediend had, 
nu in het nieuwe lokaal geplaatst werd, om van hen, die de 
schilderijen wenschten te bezigtigen, offers der liefdadigheid 
ten behoeve van het gesticht in te zamelen. 

Oude Waaijeb met geteekende tafereelen, te Zaandam. 
Deze fraaije waaijer, berustende bij de femilie Kerbeet-Keijser 
te Zaandam, bestaat uit twee-en-twintig sierlijk ingesneden, ge- 
deeltelijk doorzigtig bewerkte parelmoeren stoeltjes, aan eene spil 
met gouden beugel vereenigd; het blad van leder draagt eene 
teekening met waterverw in kleuren, voorstellende eene zamen- 
komst van Adonis en Venus in een landschap. Op de parel- 
moeren steelen is, in gedeeltelijk verguld snijwerk, een eenigs- 



( 44 ) 

adns allegorisch tafereel vau de voorstelling van prins Wil.i.bw[ 
m, door zijnen toekomstigen schoonvader, den Hertog van York, 
later Jacobus II, aan het Hof en aan prinses Maria, zijne toekom- 
stige gemalin, afgebeeld. In de Zaanlandsche Courant yajx 1869 
n*. 70, 75 en 77 werden belangrijke opmerkingen omtrent dit merk- 
waardig kunststuk door den heer I. G. H. (orsthuis) medegedeeld. 

DiTBBELLE ZILVKEEN GBOOT TB BesOIJKN GEVONDEN. Dit 

muntstukje van Hendrik V. (of VI?) van Engeland, is aan 
het Koninklijk kabinet van penningen en gesneden steenen te 
s^ Gravenhage overgegeven. 

Nederlandschb gedenkpenning te Schoonoord gevondcD. 
Denkelijk in België, daar het berigt uit het Antwerpsche tijd- 
schrift de Vlaamsche School ontleend was. Het is een geel 
koperen penning op de, te Nijmegen in 1678 gesloten vrede. 
VZ. Een lelietak en de bundel met zeven pijlen, door eenen 
olijfkrans verbonden; opschrift: conjunoünt sua te la, leo, 
suA LILIA GALLUS, KZ. het opschrift; gedachtenis van 
't veeêbbsluit, zoolang gesocht, tb lang gkstuit : In 't 
bind noch rustig doorgedreven. Godt laet de vrede- 
MAEKERs LEVEN. MDCLXXVIIT. Zie VAN Loon, Historiepen' 
ningen Hl. 248,249. 

Beenen hecht (?) MET RUNEN, TB ZwoLLE, in de kamper- 
straat, bij het graven van een fundament, nagenoeg ],5 M. 
onder den grond, gevonden. Het heeft eene lengte van 15, 
bij eene breedte aan de vierkante uiteinden van 2,5, in het 
midden van 2 cM. ; aan het eene uiteinde is eene holte, 
waarin hoogst waarschijnlijk het ijzeren lemmet besloten was. 
Maar wat dat voorwerp bijzonder belangrijk maakt, zijn de, 
op de eene platte zijde ingesneden dierenfiguren, van eenen 
haas, eenen hond, en een derde dier, achter elkander loopende, 
en de aan het eene uiteinde ingesneden teekens, waaronder eene 
zamengestelde rune met vrij groote zekerheid te herkennen is. 
Op de andere breede zijde zijn ruw gevormde letters ingekrast, 
die óf toevallig op A's gelijken, óf waarmede die letter be- 
doeld is. Eene der zaamgestelde ru^en schijnt nö of ör ge- 
lezen te kunnen worden. Eunen opschriften zijn tot nog toe, 
behalve één enkel op oenen vloertegel in den Dom te Utrecht, 



( *6) 

(afkomstig en derwaarts overgebragt uit een ouder gebouw) 
in ons vaderland, zoover men weet^ niet vootgekoinen. Het 
Zwolsche voorwerp zou zich dus ook door zijne zeldzaamheid 
kenmerken ; maar het maakt aanspraak op te hoogere belang- 
stellingy wegens de daarop ingesneden dierenfiguren, en met het 
oog op diergelijke voorstellingen^ die men in de laatste jaren 
beweert uit vó6rgeschiedkundige tijden op rendierhorens en 
bewerkte dierenbeenderen ontdekt te hebben. 

KopKRBN Vijzel en stamper te Devekter. Deze vijzel 
van geel koper, in den gewonen vorm^ van het midden naar 
den bodem, en vooral naar de opening wijder uitloopende, 
heeft eene hoogte van 17, in doorsnede boven van 19,5, onder 
aan den bodem van 15,5 cM., is om het midden en bene- 
dengedeelte met fraai, opkomend, beeld- en lofwerk, waaronder 
de bekende meerminnen in den smaak der 16® eeuw, versierd, 
heeft twee, insgelijks met lofwerk versierde handvatten, en draagt 
om den bovenrand het omschrift: Marten-Stegeman» Anna 
Gi^AUWE- ANNO' 1505. De stamper glad bewerkt, naar de uit- 
einden breeder uitloopende en bijgerond, heeft eene lengte van 
8Si cM. Vermoedelijk was het huisraad ter gedachtenis bestemd 
van een voltrokken huwelijk of eenige andere gedenkwaardige 
gebeurtenis in het leven van de voorouders van den tegen- 
woordigen eigenaar. 

Uitgaaf van teekeningen van gesloopte gebouwen te 
Dordrecht. Bij de mededeeling die de Commissie van den 
directeur der Gemeentewerken mogt ontvangen, was ook een 
voorstel gevoegd, dat zij jaarlijks eene som beschikbaar zou 
stellen, teneinde daaruit aan opzigters en teekenaars bij de 
Gemeentewerken in dienst, eene tegemoetkoming te verstrekken 
eu hen aan te moedigen, om ook hunnen vrijen tijd dienstbaar 
te maken voor opmeting en het in teekening brengen van oude 
gebouwen en kunstwerken. Een ander voorstel strekte, om, 
onder toezigt van genoemden Directeur en in Dordrecht zelf, 
de teekeningen van de overblijfselen van de kerk van het voor- 
malige Mariënborn-klooster (zie het laatst voorgaand Verslag, blz, 
19 Jaa/rb. 1869, blz. LXXVII) en bestaande uit eene teekening 
met doorsneden, platten grond enz. en twee teekeningen van 



( 46 ) 

metöelverbanden in gehouwen steen, oud krui^erband, profielen 
van houtwerken enz., met bijvoeging van eene korte toelich- 
tende beschrijving, op kosten van de Commissie te doen uit- 
geven. 

Aan geen deze voorstellen meende de Commissie te kunnen 
voldoen. De gelden, haar, hetzij op de jaarlijksche begrooting van 
de Akademie toegestaan, hetzij ook buitengewoon op hare be- 
paalde aanvraag voor dringende belangen van Eegeeringswege 
beschikbaar gesteld, gedoogen slechts uitgaven tot bestrijding 
van kosten voor werkzaamheden, door hare leden of op haren 
last en te haren behoeve ondernomen, en waarvan de vruchten 
haar geheel beschikbaar komen, als: plaatselijke onderzoekingen, 
maatregelen tot behoud, opnemingen, opmetingen, teekeningen 
en andere bouwstoffen tot de geschiedenis der vaderlandsche 
kunst, die zij op de Boekerij der Akademie verzamelt en ten 
algemeenen nutte voor belangstellenden openstelt. Aankoopen 
van voorwerpen van kunst of beschaving liggen niet op haren 
weg, maar zij bevordert die gaarne, waar het pas heeft, door 
aanwijzing van- en aanbeveling bij- openlijke of bijzondere ver- 
zamelingen, waar zulke voorwerpen de meest eigenaardige plaat- 
sing erlangen kunnen. En wat de uitgaaf der in het voorstel 
genoemde teekeningen betreffc, de fondsen waarover de Commissie 
te beschikken heeft, konden tot dat doel niet bestemd worden. 
Er was bij het voorstel gewezen op de door de Commissie vroe- 
ger bezorgde uitgaaf van den gesloopten toren van Ondorp *) ; 
doch daartoe waren door het Ministerie van Binnenlandsche 
Zaken de noodige gelden buitengewoon toegestaan, dewijl die 
teekeningen en de daarbij gevoegde toelichtingen, algemeen 
verspreid, door kostelooze toezending aan de beambten bij den 
Eijks- en Provincialen waterstaat, alsmede aan de Gemeente- 
architekten, tot leidsdraad moesten dienen voor de wijze 
waarop diergelijk werk het meest overeenkomstig de door de 
Commissie gestelde vereischten kon volbragt worden. Het 
toekennen van geldelijken onderstand tot het uitgeven van 



♦) De gesloopte toren van de kerh der hervormde gemeente te Ondorp, by 
Alkmaar. (Met) 2 platen in lithographie en toelichtende beschrijving. Leiden, 
HooiBBEG KN Zn. 1868, in 40. Prijs ƒ 1.— 



( 47 ) 

druk- of plaatwerken zou haar verder voeren, dan hare mid- 
delen toelaten, haar onder verpligtingen brengen, waaraan zij 
al zeer spoedig niet meer zou kunnen voldoen. Zij kan slechts 
bouwstoffen verzamelen en anderen de gelegenheid aanbieden 
om die tot eigen oefening te raadplegen of ook in druk be- 
kend te maken. 

Maatregelen tot behoud dek Hunnebedden. Dat de 
Commissie aan dit hoogst belangrijk onderwerp hare aandacht 
niet onttrok, bleek uit haar vorig Verslag, blz. 66, {Jaarh, 
1869, blz. CXXIV). De maatregelen door de Eegeering ge- 
nomen hebben goede vrucliten gedragen, en den overgang van 
enkele dier hoogst merkwaardige overblijfsels der vroegste tijden 
aan de Begeering, ten gevolge gehad; terwijl meerdere waar- 
borgen verkregen werden voor betere waardeering en meer 
zorgvuldig toezigt. Desniettegenstaande verkondigden de Dag- 
bladen in den aanvang van het loopende jaar het droevige 
feit, dat een Hunnebed te Emmen opzettelijk en wel met toe- 
stemming van den eigenaar vernield was geworden, niet lang 
nadat een gelijksoortig geval had plaats gehad met betrekking 
tot een ander Hunnebed te Valthe, waar onbekende personen, 
buiten toestemming of voorkennis van regthebbenden, het werk 
der vernieling onverwacht in stilte hadden volbragt 

De Commissie achtte zich geroepen om, naar aanleiding van 
deze zorgwekkende feiten, nog weder opzettelijk zich tot Zijne 
Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken te rigten, 
en mogt spoedig daarop de overtuiging erlangen, dat de £e- 
geering voortdurend hare aandacht en zorgen aan het onder- 
werp bleef wijden. De beschadiging van het Hunnebed te 
Emmen, toebehoorende aan E. Essink aldaar, was gelukkig 
nog in den aanvang gestuit en had zich bepaald tot de ver- 
plaatsing der vroeger rondom liggende kleinere steenen. Toch 
was het gebeurde zeer te bejammeren, want diergelijke steenen 
omzettingen behooren tot het hoofdgedenkteeken, als de ring- 
muren tot een heiligdom met zijnen geheiligden grond. Boven- 
dien zijn zij onmisbaar voor de vergelijking met diergelijke 
overblijfselen in vaak ver verwijderde streken aanwezig, en 
voor de nasporingcD naar de afkomst van het volk, waaraan zij 



( 48 ) 

hun ontstaan te danken hebben. De Commissie acht het een 
groot voorregt, dat de zaak der Hunnebedden niet alleen bij 
de hooge Eegeering, maar ook bij 's Konings Commissaris 
in "Drenthe en Gedeputeerde Staten van dit gewest, met be- 
langstellende zorg behartigd wordt. 

Het slot te Muiden. Sedert door den Minister van Bin- 
nenlandsche Zaken was bepaald, dat het Muiderslot, ook zelfs 
niet maar tijdelijk, als eene verzamelplaats van voorwerpen op 
vaderlandsche geschiedenis, zeden en gebruiken sedert den 
Grafelijken tijd betrekkelijk, in aanmerking kon komen, heeft de 
Commissie, die het oude gebouw tot dat doel op last van de 
Begeering opgenomen, en een onkostbaar plan om het voor die 
bestemming dienstbaar te maken, met raming der daartoe be- 
noodigde gelden, had ingediend, slechts eenmaal aanleiding 
gehad, om zich opzettelijk met het Slot bezig te houden. Be- 
last met het wetenschappelijk toezigt over onderhoud en her- 
stellingen, werd zij door de beambten van s' Eijks Water- 
staat geraadpleegd over de kleur, die voor het verwen van 
deuren, ramen, kozijnen en luiken in de buitenmuren, zou be- 
hooren gekozen te worden, om in den stijl van het gebouw te 
blijven. De Commissie meende daartoe de kleur van donker 
eikenhout te moeten aanbevelen en voor het ijzerwerk, als beslag, 
hengsels, sloten bouten, grendels enz. eene zwarte verw, daar in 
het afwisselend en zoo vochtige luchtgestel van die streken, 
ongeverwd ijzerwerk te spoedig door roesfc aangetast en over- 
dekt wordt. Eenen gelijken maatregel zou de Commissie, ware 
hare voorlichting ook met betrekking tot het hout- en ijzer- 
werk binnenshuis gevraagd geworden, hebben aangeraden. Over 
het Muiderslot handelde het laatste Verslag, blz, 60 en volg. 
[Jaarb. 1869, blz. CXVm). 

TOBEN DEB GROOTE VOOrmaligC PABOCHIAIiE KERK TE BREDA. 

In het laatste verslag, blz. 63 — 66, {Jaarh. 1369, blz. CXXI 
tot CXXIV is vermeld, dat de Commissie, door de Regeering 
over de herstelling van dit zeer merkwaardige gebouw geraad- 
pleegd, het daartoe ontworpen plan alleszins doelmatig en de 
toekenning van eenen geldelijken onderstand van Eijkswege, on • 
der de noodige bepalingen zeer wenschelijk achtte. Hei was 



. ( 49 ) 

haar aangenaam, dat haar onderzoek en voorstel tot den goe- 
den loop dezer zaak medegewerkt hebben en de toezegging 
van ondersteuning gevolgd is. 

Glazen het inobbbano scHiiiDEBWEBZ in de okootb 
KEKK TE GOUDA. Kerkvoogden hadden zich tot de Begeering 
gerigt met hun verzoek, om voor de kosten, gevorderd tot be- 
houd dier zoo zeldzame als beroemde kunstwerken, geldelijke 
hulp te mogen erlangen; op die aanvraag werd door den 
Minister onderzoek en raad van de Commissie gevraagd, zie 
het vorig Verslag, bl. 66, {Jaarb. 1869, blz. CXXIV). Om- 
trent den uitslag van het onderzoek, dat eerst na het einde 
van het voorgaande akademiejaar kon ondernomen worden, en 
waarvoor zich de leden Rosé en Leemans naar Gouda hebben 
begeven, kan het volgende worden medegedeeld. 

Wat het schilderwerk betreft, zijn de meeste ramen wel 
niet in ongerepten toestand, maar toch in hun geheel overge- 
bleven, slechts van één raam is ongeveer de bovenhelft verlo- 
ren gegaan. Op vele plaatsen hebben in latere tijden herstel- 
lingen plaats gegrepen, die bf van gebrek aan technische ken- 
nis, 5f van slordig werk getuigen, vooral van volstrekt onvol- 
doende inbranding de bewijzen leveren, of ook door eenvoudige 
bijschildering met doorschijnende kleuren zonder eenige in- 
branding, bijgewerkt zijn. Maar in het overgeblevene zijn vol- 
komen genoegzame gegevens voorhanden, en men is ook in 
ons land weder genoegzaam op de hoogte gekomen van de 
beoefening van dezen kunsttak, om die slordige en ondeugde- 
lijke aanvullingen van lateren tijd naar behooren te vervan- 
gen. Zelfs mag dit verzekerd worden voor ontbrekende ge- 
deelten, en bepaald ook voor de geheel vernielde voorstellingen 
op de zoo even vermelde bovenhelft van een der vensters, 
daar, behalve zeer goed vervaardigde afteekeningen op verkleinde 
schaal, de onwaardeerbare oude teekeningen op papier, in oor- 
spronkelijke grootte, nog in goeden toestand bewaard [gebleven 
en in het kerkarchief aanwezig zijn. 

Voor het meest en eerst noodige, om te bewaren wat nog 
overgebleven was, en bij de daartoe gevorderde werkzaamheden 
tevens zooveel mogelijk kleinere gapingen in het geschilderde 

JAABBOBK 1870. 4 



( 50 ) 

glas aan te vullen, hadden kerk voeden reeds eenige jaren 
geleden het noodige verordend; zij gingen daarmede onafge- 
broken voort^ zooveel als^ ja zelfs meer dan de hun beschik- 
bare geldelijke middelen gedoogden. 

Die werkzaamheden bestaan in het uitnemen der vensters, 
het losweeken van het vuil, dat zich op de glazen had vast- 
gehecht, het voorzigtig reinigen der glazen, het geheel en al 
vervangen van de oude strooken lood, waarin de glazen gevat 
en met elkander vereenigd zijn, door nieuwe strooken, het ver- 
nieuwen van de ijzeren invattingeii van de verschillende vak- 
ken« het vernieuwen van de ijzeren traliebedeksels, die aan de 
buitenzijde de vensters tegen schade van weder of baldadig- 
heid moeten beschermen, en de aanvulling met ingebrande ge- 
lijke kleuren^ van ontbrekende stukjes, die daartoe slechts 
zulk glas, geen daarop aangebragte figuren vereischten» 

Het was kerkvoogden gelukt, daarvoor in Gouda zelf eenen 
eenvoudigen werkman te vinden, die zich met liefde, ijver en, 
naar den Commissieleden voorkwam^ ook met het beste gevolg 
aan die taak wijdt, en reeds aan negen van de drieënveertig 
vensters, in wier behoud in de eerste plaats moet worden 
voorzien, op eene uitnemende wijze de hierboven omschreven 
vernieuwingen heeft aangebragt. Er blijven dus nog vieren- 
dertig vensters over, die allen even dringend voorzieningen 
vorderen, en wel zonder schorsing van de werkzaamheden, om- 
dat hier en daar de minste bijkomende oorzaak groote schade 
zou kunnen teweegbrengen. De wrakke en meer dan half 
vergane ijzeren invattingen en looden strooken houden maar 
te naauwernood de stukken glas nog bij elkander; wordt die 
zamenhouding nog meer verbroken, dan is het uitvallen en 
breken van de glazen onvermijdelijk. 

Ongelukkig is het kerkvoogden . niet mogelijk om de kos- 
ten, ook maar aan deze meest dringende maatregelen verbon- 
den, uit de voor hun beheer beschikbare fondsen te blijven 
bestrijden, en tevens het hoogstnoodige te doen tot onderhoud 
van de kerk en andere daaraan verbonden of behoorende 
gebouwen. Beeds hadden zij, om hun werk aan de venster- 
glazen niet plotseling te moeten staken, zich verpligt gevoeld 



( 51 ) 

tot eene niet onaanzienlijke leening, wier aflossing hun onder 
de bestaande omstandigheden nog een nieuw bezwaar in den 
weg stelde. 

De Commissie meende dat voldoende gronden bestonden, om 
het Goudasche kerkbestuur billijke aanspraak op geldelijke hulp 
van de Begeeriug toe te kennen, en het tot het erlangen van 
ondersteuning met vrijmoedigheid bij den Minister aan te be- 
velen. Naar zij verneemt, zal de uitkomst hare verwachting 
niet teleurstellen. Is eenmaal het behoud van het nog be- 
staande genoegzaam verzekerd^ dan zal de Begeering zich ze- 
ker niet onttrekken aan de zedelijke verpligting, om ook voor 
deze zaak de algemeene, werkdadige belangstelling in den roem 
van het vaderland op te wekken. Dit zal zij kunnen door me- 
dewerking tot het bijeenbrengen van de vereischte fondsen, 
waaroit de geheel en al ontbrekende gedeelten van enkele 
vensters en van voorstellingen op vele andere, naar de bestaande 
oorspronkelijke modellen, door eenen bevoegden kunstenaar in 
ingebrand schilderwerk op nieuw vervaardigd en alle ven- 
sters in hunnen oorspronkelijken toestand hersteld kunnen 
worden. 

Op nog een ander verzoek om hulp van wege het Eijk, 
werd door den Minister van Binnenlandsche Zaken de voor- 
lichting der Commissie verlangd. Het gold de om haren ouder- 
dom, stijl en versieringen beroemde st. ni colaas of bovenkebk 
te Kampen, in wier dagelijksch onderhoud door het kerkbe- 
stuur steeds het hoog noodige was verrigt, zooveel dit uit de 
beschikbare middelen geschieden kon. Yan lieverlede waren 
echter meer doortastende maatregelen en uitgaven, ver boven 
het vermogen der gemeente gevorderd, om het gebouw als 
kunstwerk in stand te houden, en thans was een plan ont- 
worpen met berekening der kosten, om tot eene geheele her- 
stelling der oude kerk den weg te banen. Tot onderzoek en 
beoordeeling zullen twee der Commissieleden zich eerlang naar 
Kampen begeven. 

MuüBSCHiLDERiNGEK in de kerken te uijswijk, Gelderland, 
en te bathmek, Overijssel. Berigten omtrent deze muurschil- 
deringen ingekomen, zullen der Commissie aanleiding geven tot 

4* 



( 82 ) 

nader onderzoek^ waartoe nu nog vóór het sluiten van het 
Verslag de gelegenheid ontbrak. 

Eindelijk heeft de Commissie nog te vermelden, dat zij den 
heer j. g. hoüthuis^ Bijkstelegraphist te Amsterdam, die haar 
sedert eenige jaren zoovele en zoo belangrijke bijdragen, in 
beschrijvingen en berigten, maar ook in talrijke schetsen en 
teekeningen van oude gebouwen en kunstwerken had doen 
toekomen, en zijne medewerking op de meest belangelooze wijze 
verleend had, een blijk van hare erkentelijkheid heeft aange- 
boden in een exemplaar van het plaatwerk : Les Arts au 
moj/ert'dge et h Vépoque de la Renaissance, par P. Lacroix, 
Par., 1869 ; een geschenk, dat door dien heer met ingeno- 
menheid en dank is aanvaard. 

De Commissie zou hier haar Yerslag als geëindigd kunnen 
beschouwen, en gemeend hebben aan hare verpligting in deze 
te hebben voldaan, indien haar niet een allergewigtigst punt 
ter behandeling ware overgebleven, waarvoor zij nog eenige 
oogenblikken de aandacht van de Vergadering moet inroepen. 
Het werd aan het slot van haar laatste Verslag, blz. 70, 71 
{Jaarb. blz. CXXYIIT, CXXIX) in enkele woorden aange- 
roerd, en heeft tot nadere opzettelijke overwegingen en be- 
raadslagingen aanleiding gegeven, waarvan zij de uitkomsten 
hier nog aan hare lastgevers wil mededeelen. 

De Commissie kan het voor zich zelve, evenmin als voor 
anderen verhelen, dat de moeijelijkheden en bezwaren, waar- 
mede zij te worstelen heeft, en die eerder klimmen dan ver- 
minderen, haar tot eene moedeloosheid hebben gebragt, die 
van lieverlede al hare leden bevangt, en tot de overtuiging 
heeft geleid, dat zij de haar opgedragen taak, niet naar be- 
hooren, zeker niet overeenkomstig de vereischten, die zij zich 
daarbij stelt, kan vervullen. In haar laatste Verslag vermeldde 
zij, hoe slechts met groote moeite een harer leden, welks me- 
dewerking volstrekt niet gemist kon worden, zich door de 
dringende bede zijner medeleden liet overhalen om nog één 
jaar zich het lidmaatschap te laten welgevallen. Dat jaar is 
verstreken en er bestaat geen vooruitzigt om dat lid op zijn 
besluit te doen terugkomen. Een ander lid, welks medewer- 



( 53 ) 

king in een ander opzigt even onmisbaar was^ is door den 
dood weggerukt, en een derde is tot de overtuiging gekomen, 
op ervaring gegrond, dat zijne ambtspligten, zijne gezondheid 
en krachten niet gedoogen, om de werkzaamheden te blijven 
vervulIeD, die tot nog toe op zijne schouders ruftten, en niet 
dan ten koste van al te zware offers, door hem zooveel het 
hena mogelijk was volbragt werden. Werkzaamheden en ver- 
pligtingen, tot welker vervulling ook het overblijvend lid, on- 
dersteld, dat liij gemeend had, in eene op nieuw aangevulde 
Commissie zitting te kunnen blijven nemen, zich niet bereid 
verklaarde. 

Traagt men naar de redenen der zooeven genoemde moede- 
loosheid? Zoo een antwoord al noodig was bij het geleden en 
dreigend verlies van twee harer leden, dan wijst de Commissie : 
op hare ondervinding gedurende al de jaren van haar bestaan, 
op de ongenoegzame uitkomsten van den strijd, waartoe zij zich 
had aangegord, op de weinige vruchten, die zij, bij al haar 
streven en al de offers door haar aan hare zaak gebragt, heeft 
ingeoogst. 

Die verklaring neemt niet weg, dat zij met welgevallen mag 
terugzien op menig blijk, dat hare pogingen niet altijd vruch- 
teloos bleven; dat zij nu en dan wel eens 'de voldoening mogt 
smaken van tot goede uitkomsten medegewerkt te hebben. Het 
zou haar leed zijn, wanneer men mogt meenen, dat zij niet 
met dankbaarheid erkent, dat de Akademie, door beschikbaar- 
stelling van gelden op de jaarlijksche begrooting zooveel dit 
slechts eenigszius mogelijk was, getracht heeft, om haar de 
middelen te verschaffen, om in hare behoeften te voorzien, de 
noodzakelijke uitgaven, onafscheidbaar aan de vervulling harer 
verpligtingen verbonden, te bestrijden. Zij getuigt met ingeno- 
menheid van de tegemoetkoming en medewerking, die zij, in bui- 
tengewone omstandigheden, ook door stoffelijke hulp van wege 
het Ministerie van Binnenlandsche Zaken, en van de welwillend- 
heid die zij nu en dan bij andere Ministeriën, met name dat 
van Rnantiën en dat van Oorlog mogt ontmoeten. Zij ver- 
geet niet, dat zij van enkele Akademie-leden nu en dan blijken 
van werkzame belangstelling, pok wel daden van regtstreeksche 



(54) 

medewerking heeft mogen ondervinden. Maar de vraagt of bij dat 
alles aan hare, naar zij meent billijke verwachting beantwoord 
wordt, of er uitzigt voor haar bestaat op eene gunstiger en 
meer voldoening belovende toekomst? Zij zou haar niet, of 
slechts ontkennend kunnen beantwoorden. Of kan men aanne- 
men, dat de belangstelling in het doel waarmede de Commissie 
gevestigd werd, sedert haar ontstaan in het leven geroepen^ 
aangewakkerd, vermeerderd, meer algemeen geworden is? dat 
onze landgenooten uit de onverschilligheid waarmede zij van 
het optreden en werken der Commissie getuigen waren, wakker 
geschud zijn? Men doorloope de Jaarlijksche Verslagen, om 
de overtuiging te erlangen, hoe klein en hoe weinig afwisselend 
het aantal was van hen, die door hunne mededeelingen, berig- 
ten en andere inzendingen de Commissie op haren weg onder- 
steunden, hare aandacht vestigden op feiten, ontdekkingen, om- 
standigheden, waar haar invloed, raad, hulp of andere tus- 
schenkomst noodig waren en ten goede konden werken. Slechts 
enkelen die de Commissie getrouw ter zijde bleven staan, en wier 
namen in elk nieuw verslag met dank vermeld konden worden ; 
en als van die enkelen door den drang der omstandigheden 
haar ontvielen, dan werden hunne opengelaten plaatsen niet 
aangevuld. 

Toen het plan gevormd en bij de fiegeering het besluit ge- 
vestigd was tot stichting van een Riiks-Müseüm voor vadeh- 

LANDSCHE GESCHIEDENIS, ZEDEN EN GEBKUIKEN SEDEK.T DEN 

GRAFELIJKEN TIJD, heeft de Commissie zich beijverd, om tot 
dit doel voorwerpen op te sporen en te verzamelen. Aanvanke- 
lijk geschiedde dit met niet ongunstigen uitslag; zelfs werden 
bij enkele gelegenheden haar van Rijkswege tot aankoop gel- 
den beschikbaar gesteld. Maar hoe vaak moest zij ondervin- 
den dat hare daartoe strekkende voorstellen, nu eens om gebrek 
aan fondsen, dan weder om gebrek aan berg- of bewaarplaats, 
geen gunstig gehoor konden erlangen. Het plan door eenen 
vroegeren Minister van Binnenlandsche Zaken goedgekeurd, om 
de groote Hofzaal op het Binnenhof te ^s Gravenhage voor het 
bedoelde Museum te bestemmen en in te rigten, ontmoette 
op gronden die der Commissie nimmer zijn medegedeeld, later 



(65) 

tegenspraak, en bij eenen der volgende hoofden van het De- 
partement afkeuring. Een tweede voorstel der Commissie, waarbij 
het Slot te Muiden, althans tot tijdelijke be^- en bewaarplaats 
zon worden aangewezen, werd daarop niet zonder welgevallen 
ontvangen; in ernstige overweging genomen, en scheen zich aan- 
vankelijk genoegzaam aan te bevelen, zoodat de Commissie de 
opdragt ontving, om een plan tot inrigting van een gedeelte van 
het gebouw tot zulk eene voorloopige bestemming, met raming der 
kosten en aanwijzing van de noodige maatregelen voor toezigt 
en goede bewaring, te ontwerpen. Aan die opdragt werd door 
haar voldaan, en ten overvloede in algemeene trekken eene 
schets geleverd voor een ontwerp, om aan bet Slot ook zoo 
noodig eeue meer blijvende bestemming voor het bedoelde 
Museum toe te kennen. Yolgens dat ontwerp zouden eenige 
der lokalen zooveel mogelijk elk aan een bepaald vroeger tijd- 
perk gewijd, aan de groote en zware voorwerpen van steen 
eene plaatsing op het binnenplein aangewezen worden. Wèl 
leverde de a^elegenheid van het Slot een groot bezwaar; maar 
de tallooze naamteekeningen, waarmede elk beschikbaar plekje 
op de witte wanden, bij een eerste bezoek van een der Com- 
missie-leden, bedekt werd gevonden, bragten het onwederspre- 
lijk bewijs, dat het tot dusverre aan bezoekers niet ontbroken 
had, en de a^elegenheid juist niet zoo afschrikkend had ge- 
werkt. Het lag dus voor de hand, dat de pelgrimstogten naar 
het eerwaardige en, om de daaraan verbonden herinneringen, zoo 
merkwaardige gebouw nog vrij wat talrijker zouden worden, wan- 
neer het in de schatten die het zou bewaren, zijne belangrijk- 
heid zoo uitnemend zag verhoogen. In ieder geval ware het 
mogelijk geworden, om in bewaring en tentoonstelling te voor- 
zien van voorwerpen, waarvan het Bijk vroeger reeds den 
eigendom of het bezit had verkregen, en van andere, die de 
Commissie van lieverlede had bijeengebragt, of op welker bezit, 
zoodra zij maar eene behoorlijke plaats tot bewaring en ten- 
toonstelling zou aangewezen hebben, haar door de regthebbenden 
uitzigt geopend was. Zoodoende ware althans een kern ge- 
vormd, die op haar zelve reeds belangstelling had kunnen wek- 
ken, en werd het niet slechts mogelijk, maar kon men wel met 



( se ) 

eenige zekerheid verwachten, dat do pogingen, om nuttige en 
zeldzame bijdragen^ hetzij in eigendom hetzij tot wederopzeg- 
geuS; in bewaring te erlangen, met blijden nitslag bekroond 
zouden zijn geworden. Nu ontbrak tot het een zoowel als 
tot het ander de gelegenheid. Voorwerpen, die de Commissie 
van lieverlede voor het Bijk had aangewonnen, werden op 
verschillende plaatsen in bewaring gesteld, waar zij uit hun- 
nen aard niet tehuis behoorden en door belangstellenden ook 
niet zoo ligt gezocht werden; andere voorwerpen, wier aard 
omvang of zwaarte zulk eene voorloopige berging niet ge* 
doogden, bleven in afwachting van betere gelegenheid, nog 
op de plaats waar zij zich bevonden. Ware zulk eene tijde- 
lijke schikking aan te groote bezwaren onderhevig geweest, dan 
zou de Commissie menig geschenk niet hebben kunnen aan- 
vaarden. Gelegenheden, zooals bijvb. tot redding van de ven- 
sterramen met ingebrand schilderwerk uit de Kerk der Her- 
vormde Gemeente te Zevenhuizen (zie Verslag 1865 — 67, blz. 
30--33j 67— 77i {Jaarb. 1867, blz. CXXXVIII— CXLI; 
CLXXV — CLXXXV), of tot behoud van de twee zeldzame eiken- 
houten bedsteden met bijbehoorend beschotwerk, uit het oude 
Jagtslot der Graven van EaiiOND in eene woning te Portugal, 
(zie alsvoren, blz. 39, en CXLVII), moesten ongebruikt voor- 
bijgaan. Die glazen en meubelstukken gingen voor het vader- 
land verloren, daar de voorstellen der Commissie tot aankoop 
schipbreuk leden, onder anderen ook, omdat tot nog toe geen 
lokaal was aangewezen, om voorwerpen van dien omvang te 
plaatsen en te bewaren. 

De krachtige pogingen door het Koninklijk oudheidkundig 
Genootschap te Amsterdam te werk gesteld, om de vereischte 
fondsen tot stichting van een Museumgebouw bijeen te bren- 
gen, verlevendigden de hoop, dat binnen een niet al te ver- 
wijderd tijdstip zulk eene iurigting tot stand komen, en daar- 
door eene uitmuntende gelegenheid aangeboden worden zou, 
om dadr de aan het Rijk behoorende voorwerpen voor zulk een 
Museum geschikt, in bruikleen en ter bewaring te geven. De 
Commissie achtte de verwezenlijking van dat plan in alle op- 
zigten wenschelijk; maar zij betreurde het, dat ook hieruit 



( 57) 

wederom door den Minister een grond werd ontleend, om eene 
aanwijzing van een voor tijdelijk gebruik ingerigt lokaal, on- 
Doodig te achten. 

Beeds in het vorige Yerslag, blz. 62 (Jaarb., blz. CXX) werd 
er op gewezen, dat de Commissie na uitvoerige beraadslaging tot 
de overtuiging gekomen was, dat zij niet langer kon blijven 
voortgaan met hare bemoeijingen, tot het verzamelen van voor- 
werpen voor het ontworpen Rijksmuseum, althans niet van 
zoodanige, die niet in een zeer klein bestek geborgen of ge- 
makkelijk vervoerd konden worden. De Commissie heeft dus 
ook in het a^eloopen jaar, overeenkomstig hare zienswijze, 
geene pogingen meer gedaan om diergelijke voorwerpen aan 
te werven; wat elders nog voor haar beschikbaar was gehou- 
den of gesteld werd, heeft zij aan het Koninklijk oudheid- 
kundig genootschap, onder voorbehoud van de regten der 
fiegeering, in bruikleen afgestaan, of ook voor goed toegewezen. 

Welke ontmoedigende teleurstellingen de Commissie verder 
nog heeft moeten ondervinden, waar zij gemeend had op krach- 
tige ondersteuning van de zijde der Begeering te mogen reke- 
nen, is uit hare vorige verslagen, maar vooral uit dat van het 
vorige jaar gebleken, en werd ook door hare ondervinding ge- 
durende dit laatste jaar nader bevestigd. In Maastricht is zij 
er niet in kunnen slagen, om ook maar een enkel der zoo 
uitstekend zeldzame, oude gebouwen, wier behoud met zoo 
luttele opoffering en zonder eenig noemenswaardig ongerief 
zeer gemakkelijk was geweest, tegen den moker des sloopers 
te verdedigen. Een toren, in ons vaderland een éénig gedenk- 
teeken in zijne soort, en voor de geschiedenis der krijgsbouw- 
kunst van eene onschatbare waarde, werd in letterlijken zin 
in het water geworpen, de slooping voltooid met eene koorts- 
achtige haast, die van de vrees getuigde, dat het eenmaal 
uitgestelde vernielingswerk, door opwakkerende belangstelling en 
pogingen tot behoud, weUigt belemmerd zou kunnen worden. 
Het Verslag wees aan (Zie blz. 40—44, Jaarb. 1869, blz. 
XGVni — Cn) hoe geene enkele der redenen voor hare in 
deze gevolgde handelwijze van de zijde der Begeering, ook bij 
eene bespreking van het onderwerp in de Tweede Kamer aan- 



( 58 ) 

gebragi;, tot wettiging van het gepleegde wandalisme, ook maar 
in geringe mate afdoende kan geacht worden. De kunstgeschie- 
denis leed' een onherstelbaar verlies, waartegen de thans voor 
den Deken der St. Maartenskerk geopende gelegenheid., om 
onbelemmerd plegtige optogten te houden, althans naar veler 
oordeel, geene genoegzame vergoeding in de schaal legt. De 
Commissie kan het zich niet verbergen, maar zij moet ook als 
hare overtuiging uitspreken, dat, wanneer er meer juiste waar- 
deering van de door haar verdedigde zaak, en ook meer goede 
wil bij de beambten van het Domein en die voor de ontman- 
telingswerken te Maastricht hadden bestaan, hare pogingen met 
betere uitkomsten bekroond, de betreurenswaardige gevolgen van 
vele, voor de kunstgeschiedenis heillooze handelingen gewijzigd 
of verzacht zouden zijn geworden. 

En nu de GsiiEENTSBESTUfiEK ? Had de jaarlijks tot hen, 
op verlangen der hooge Begeering door de Commissarissen des 
Konings in de onderscheidene Provinciën gerigte aanschrijving, 
in het afgeloopen jaar betere gevolgen dan vroeger? Helaas 
neen. De Commissie werd nimmer in tijds in kennis gesteld 
van ontworpen sloopingen en verbouwingsplannen. Kwamen 
die bij toeval langs andere wegen tot hare kennis, en rigtte 
zij zich dan tot het verkrijgen van nadere inlichtingen tot 
de hoofden der Gemeentebesturen, dan mogt zij meestal op 
haar verzoek welwillend antwoord erlangen, hier en daar zich 
zelfs verheugen in ijverige medewerking, waarbij tijd en moeite 
niet gespaard werden; gaarne getuigt zij, dat in dit opzigt 
vooral de heer J. C. Khoon, burgemeester van Stolwijk, aan- 
spraak op hare meeste dankbaarheid verworven heeft. Maar soms 
bleek het, dat de aanschrijvingen van het gewestelijk Bestuur 
wel ontvaneen waren, doch de burgemeesters verzuimd hadden, 
om den inhoud van den daarbij aangehaalden gedrukten brief 
der Commissie nog eens oplettend na te lezen. Zoo gebeurde 
het, dat een burgemeester, onder terugwijzing op de aanschrij- 
ving, waarbij hem verzocht werd der Commissie tijdig kennis 
te geven van voorgenomen sloopingen, zich beijverde om der 
Commissie te berigten, dat //Onlangs'^ een oud kerkgebouw in 
zijne gemeente /^afgebroken was !^' Het ergste was de onder- 



( 69) 

vinding^ wannneer het hoofd van een Gemeentebestaur zich 
zelfs gekienkt ge^oelde^ wanneer de Commissie^ onder terug* 
wijzing op de bovenbedoelde aanschrijvingi hare bevreemding 
betuigde^ dat zij volstrekt geene^ laat staan eene tijdige kennis- 
geving, ontvangen had. Zoo ontving de Commissie ten antwoord 
van den burgemeester van Hillegersberg^ dat het /^hem niet 
^bekend was^ dat Zijne Excellontie de Minister van Binnenland* 
j^sche Zaken verlangt^ dat van iedere slooping'' (het gold hier 
de slooping van eene kerk I) /^mededeeling zou worden gedaan^ 
/^hetwelk' ook niet wel van de gemeentebesturen zou kunnen 
gevorderd worden;^' dat zijns inziens //echter Zijne Excellentie 
^die besturen wel eenigermate in staat oordeelt^ om te be- 
//oordeelen in hoeverre de wetenschap bij af te breken gebou- 
j/wen kan betrokken zijn^ ten einde naar aanleiding dMrvan 
fful of nieó aan de Akademie kennis te geven/' Had de Com- 
missie het noodig geoordeeld om op dit^ juist niet bijzonder 
heuscli schrijven^ nader te antwoorden, zij zou alleen hebben 
kunnen onder de aandacht brengen^ dat haar van zulk een voor- 
behoud in de aanschrijvingen van Minister en Commissarissen 
des Koniugs nimmer iets gebleken was^ en dat zij de bevoegd- 
heid van burgemeesters, hoe verdienstelijk ook in andere op- 
zigten^ en hoe uitmuntend voor de waarneming van hunne 
ambtspligten, niet kan uitstrekken tot beoordeeling van^ en be- 
slissing omtrent hetgeen voor het door de Commissie beoogde 
doel, al of niet van meer of minder belang geacht moet wor- 
den. Aan de gemeentebesturen was van Eegeeringswege de ver- 
pligting opgelegd tot tijdige kennisgeving; aan de Commissie 
bleef alleen de bevoegdheid om te oordeelen^ of het belang der 
zaak vorderde, dat zij handelend optrad. 

En welke was de ondervinding die de Commissie gedurende 
al de jaren van haar bestaan met betrekking tofc medewerking 
en belangstelling van bestaande Vadeblandsche Wetenschap- 
pelijke Maatschappijen en Genootschappen heeft opgedaan ? 
Zij mag slechts eene droevige heeten. Slaat men het Verslag 
1865/66, blz. 32 en volgg. (/oö^rS. 1866, XC II) op, dan wordt 
ons herinnerd, hoe de Commissie zich met gedrukten brief tot 
een twintigtal Genootschappen had gerigt, met noodiging, dat 



(60) 

zij door een of meer leden zich zonden doen vertegenwoordigen, 
op eene zamenkomst te Utrecht^ om dadr met de Commissie 
in overleg te treden, omtrent nog onbeproefd gebleven hulp- 
middelen tot opwekking der algemeene belangstelling, en om- 
trent de beste wijze waarop eene krachtige, goed geregelde 
en zicli over het gansche vaderland uitbreidende medewerking 
voor haar in het leven geroepen zou kunnen worden. Van 
zeven genootschappen werd een toestemmend, van drie een af- 
wijzend, van de overige tien in het geheel geen antwoord ont- 
vangen ! Dat onder zulke omstandigheden de Commissie aan 
haar voornemen geen gevolg gaf, zal wel door niemand ge- 
wraakt worden. Een tweetal genootschappen gaven later berigt, 
dat zij een of twee leden benoemd hadden, om zich meer bepaald 
met de Commissie in voortdurende betrekking te stellen; van 
één genootschap ontving zij een exemplaar van zijne jaarlijksche 
Verslagen en zijn Tijdschrift; van een ander berigfc en afbeel- 
ding van een, naar het scheen belangrijk voorwerp, in de stad 
waar het gevestigd was, uit den bodem aan het licht gebragt ; 
nog van een ander nu en dan afbeeldingen van zeldzame, 
oude kunstwerken uit zijne verzameling. Maar het zooeven 
genoemde berigt was het éénige dat in al de jaren van haar 
bestaan, omtrent gedane ontdekkingen aan de Commissie, van 
wege of door een der talrijke vaderlandsche, hetzij geweste- 
lijke hetzij plaatselijke, hetzij andere wetenschapelijke of kunst- 
vereenigingen ter kennis werd gebragt. En toch, wat hadden 
die berigten talrijk kunnen zijn; hoevele nuttige wenken en 
waarschuwingen, hoevele belangrijke bijzonderheden zouden aan 
de aandacht der Commissie aanbevolen zijn geweest, indien 
vooral de gewestelijke genootschappen de zaak bij hunne le- 
den aangedrongen hadden, en deze, als correspondenten of 
zaakgelastigden der Commissie, in den omtrek hunner woon- 
plaatsen hunne goede diensten hadden geschonken ! Is het niet 
eenigszins bevreemdend, dat de Commissie in het genot van zulk 
eene medewerking niet heeft mogen deelen, en dat, in plaats 
van de zoo gewenschte berigten en mededeelingen te ontvan- 
gen, de Commissie vaak van hare zijde die taak bij enkele 
genootschappen vervulde, wanneer in het gebied waarop deze 



(61 ) 

han vaandel hadden geplant, ontdekkingen gedaan weiden, of 

maatr^elen van behoud genomen moeaten worden? 

Enkele Tijdschriften schonken aan de werkzaamheden der 
Commissie hnnne aandacht, en gaven een kort overzigt, ook 

wel eene beoordeeling harer verslagen. Eenmaal was dit het 
geval in de Tijdspiegel) eenige malen ook in de Neder land- 
êcie Spectator) maar vooral en voortdurend in de Gids. In 
dit laatste maandwerk werden door eenen beoordeelaar, die 
zich E. teekende, in meer uitgebreide opstellen, aanmerkingen 
en beschouwingen medegedeeld, die van levendige belangstel- 
ling getuigden, en bij de Commissie vaak het verlangen deden 
ontstaan^ om met hem in regtstreeksche betrekking en persoon- 
lijk overleg te treden. Het was haar leed dat hij aan dat 
verlangen meende niet te moeten voldoen. Onbeschoftheden 
en grofheden, waarin een, vooral ook aan de kunst gewijd 
tijdschrift, de Lietsche Warande, jegens de Commissie, of ook 
wel tegen een harer leden persoonlijk zich vermeidde, waren 
van lieverlede te ver beneden peil gedaald, dan dat zij het over- 
eenkomstig hare waardigheid kon achten, om daarop te ant* 
woorden of in eenige wederlegging te treden. Wil men een 
proefje onder vele, men leze bij vb. in de Warande, Dl. Vul, 
blz. 520. 

De meer uitvoerige beschouwing van al deze bijzonderheden 
zal wel een verder betoog onnoodig maken, zal de overtuiging 
geven dat de leden der Commissie, na veel strijd en lang 
aarzelen, tot het onwankelbare besluit moesten komen, om zich 
niet langer met de haar opgedragen taak te blijven belasten. 
Nadat zij het onderwerp in eene vergadering met het Bestuur 
der Koninklijke Instelling ernstig en bedaard besproken hadden, 
bleven zij bij hunne overtuiging volharden, dat zij, dankbaar 
voor het genoten vertrouwen, met onvoorwaardelijke erkenning 
van de onbekrompen wijze, waarop de Akademie, ook in de 
jaren van haren geldelijken nood, voor haar betrekkelijk aan- 
zienlijke sommen op hare begrooting uittrok en beschikbaar 
stelde, hunnen lastbrief moesten teruggeven. 

Bij de beschouwingen die tegen het voortdurend bestaan 
der Commissie, als een uitsluitend van de Koninklijke Akade- 



(62 ) 

mie uitgaand ligchaaai; pleiten, kwam ook vooral deze nog in 
aanmerking, dat zij in de keuze harer leden beperkt is tot de 
leden dier Koninklijke Instelling zelve, die aUen en elk voor 
zich op het gebied der wetenschap in de beoefening van een 
of meer bijzondere vakken uitmunten, maar^ hetzij door rig- 
ting hunner studiën, hetzij door maatschappelijke of ambtsbe- 
trekkingen, hetzij ten gevolge van andere omstandigheden, vaak 
aan de verpUgtingen en vereischten van eene Commissie als de 
bedoelde niet zoo volledig kunnen voldoen, als andere perso- 
nen, maar aan wie de eer der zitting in eene der Akademie- 
Afdeelingen nog niet kon worden toegekend. Indien het voor- 
stel, dat eenige jaren geleden door een der Akademie-leden 
bij de Letterkundige Afdeeling werd ingediend, tot uitbreiding 
van het doel en de bemoeijingen der Akademie, door toevoe- 
ging eener derde Afdeeling aan de dichtkunst, de welspreken- 
heid, de toonkunst en de beeldende kunsten gewijd *), de 
goedkeuring had kunnen erlangen en verwezenlijkt ware ge- 
worden, dan zou de kunst in hare verschillende vakken ook 
door hare meest uitstekende beoefenaars, in de Akademie ver- 
tegenwoord^d zijn geworden, en de keus voor het lidmaat- 
schap der Commissie niet binnen zulke enge grenzen beperkt 
zijn gebleven ; dan zou het mogelijk geworden zijn, om, zoowel 
met het oog op de beoefening van de geschiedenis der kunst, 
als in een technisch opzigt, en voor praktische kennis op het 
kunstgebied, aan de Commissie de voor haar onmisbare bestand- 
deelen toetevoegen. 

Om een voorbeeld te noemen, ontleend uit het droevige nog 
zoo kort geleden verlies, dat de Commissie door het sterven 
van haar medelid, den heer Conbad, moest ondervinden; hoe 
zal het haar mogelijk zijn om uit den boezem der Akademie dit 
verlies te herstellen? Tot nog toe mogt zij het groote voor- 
regt smaken, dat steeds het hoofd van 'sKijks Waterstaat als 
lid in haren kring zitting had, en in die dubbele betrekking 



*) Voorstel van het Lid Leemans, ingebra!^ in de Vergadering van de Taal-, 
Letter-, Geschiedkundige en W^jsgeerige Wetenschappen, op 16 Februarg 
1857. Zie Vtrêlagen en Mededeelingen dier Afd., Dl. III, blz. 296—812. 



( 88 ) 

aan desen laatsten hei onwaardeerbare genot verschafte van de 
welwillende en ijverige medewerking van al de talrijke en kun- 
dige beambten, tot dit ligchaam regtatreeks of zijdelings be- 
hooiende, en over het gansche Vaderland tot in de meest af- 
gelegene gedeelten verspreid. Hoe zou het na mogelijk zijn 
de ledig staande plaats uit de leden der Akademie wederom 
aan te vullen met iemand, die op dezelfde wijze aan de 
Commissie ook verder het genot dier onmisbare medewerking 
verzekert? 

De bezwaren die voortdurend op de Commissie drukken, 
hare krachten verlammen, zijn wel voor een groot gedeelte ge- 
lden in de zoo schaars haar beschikbaar gestelde stoffelijke 
middelen, maar ook grootendeels, zoo als aangewezen werd, 
onafscheidelijk van den oorsprong der Commissie en den aard 
haier instelling. Uitgaande van en aangesteld door de Konink- 
lijke Akademie, mist zij de gelegenheid om zich van de hulp 
en tusschenkomst van het onontbeerlijk aantal medearbeiders 
iu de verschillende gedeelten van het land te verzekeren, en 
wel door benoeming van een zeer groot aantal Correspondenten, 
die in het erlangen en het bezit van dien titel eene aanspo- 
ring zouden erkennen, om hunnen tijd en hunne krachten aan 
de taak der Commissie te wijden. Om die medewerking op 
eene eenigszins voldoende wijze door bezoldiging te erlangen, 
zoi> de Commissie geldmiddelen beschikbaar moeten hebben, 
wier bedrag zij nimmer zou durven aanvragen, en die haar 
ook niet zouden kunnen worden toegestaan. En tegen het eerste 
middel, toekenning van eenen titel aan personen, die zich tot 
geregelde en voortdurende medewerking aan haar aansluiten, 
bestsftat een onoverkomelijk bezwaar, dewijl dan zijdelings aan 
personen, die niet tot het wetenschappelijke staatsligchaam be- 
hooren, eene betrekking daarop zou worden toegeschreven, die, 
volgens den aard en het reglement dier instelling, niet verleend 
zou kunnen worden, die den schijn zou hebben eener weten- 
schappelijke onderscheiding, door de Akademie zelve, doch bui- 
ten de bepalingen van haar reglement, toegekend. 

Maar er is meer. Al ware de uitslag harer pogingen ge- 
heel en al overeenkomstig den wensch der Commissie; almogt 



( 64 ) 

zij zich in eenen rijken oogst verblijden op den akker dien zij 
bebouwt^ en al kon zij zich nog rijkere vruchten in de toe- 
komst voorspiegelen^ dan zou het haar toch niet mogelijk zijn^ 
langer op de wijze, waarop het tot nu toe geschiedde, hare 
taak te vervuUen^ al de daaraan verbonden werkzaamheden^ 
die zij tot nu toe volbragt^ ook maar gedeeltelijk te blijven 
waarnemen. Zij kan dit niet, zonder dat hare leden te kort 
doen aan andere verpligtingen, die in hunne ambts- of andere 
betrekkingen op hen rusten en geen verzuim gedoogen, of zon- 
der dat zij de hun onontbeerlijke uren van rust en ontspan- 
ning moeten missen, waarvan zij geen a&tand mogen doen. 

Dan alleen zou zij uitzigten durven voeden op eene be- 
hoorlijke beantwoording aan het voorgestelde doel, wanneer 
aan de volgende vereischten werd voldaan : 

1). Instelling eener Bijks-Gommissie uit een niet al te uit- 
gebreid, maar toch voldoend aantal leden bestaande, toegerust 
met de noodige wetenschappelijke kennis, ook op het gebied 
der kunst in den meest uitgebreiden zin, en die Commissie 
werkende onder de bescherming of het eere-voorzitterschap 
van eenen der meest aanzienlijken in den lande, liefet vaneen 
lid van het Koninklijk huis; 

2). Toekenning aan die Commissie van reis- en verblijf- 
kosten, zoo voor hare vergaderingen, als voor de persoonlijke 
onderzoekingen, waarvoor hare leden zich buiten hunne woon- 
plaatsen zouden moeten begeven ; 

3). Toekenning van het regt, om, onder den titel van Cor- 
respondenten of anderszins, overal waar het noodig of nuttig 
was, geschikte personen als medewerkers of gemagtigden aan 
zich te verbinden, onbezoldigd, doch met schadeloosstelling 
voor onvermijdelijke reis- en verblijfkosten ; 

4). Een goed bezoldigde Secretaris, die aan de Commissie 
als ondergeschikt beambte toegevoegd, al de schrijfwerkzaam- 
heden overnam, welke tot nog toe in de Akademiecommissie 
ten laste zijn gekomen en ook alleen konden komen van haar 
voorzittend lid, als met de uitvoering der genomen besluiten 
en de behandeling der loopende zaken belast; 

5). Aanstelling van twee jonge bouwkundigen, bevoegd en 



( 65 ) • 

geschikt^ om overal heengezondeD te worden, waar onderzoe- 
kingen, opnemingen, opmetingen enz. noodig geoordeeld wer- 
den, en die, onder behoorlijke, aanwijzende voorschriften, zoo 
lang hunne tegenwoordigheid op eene bepaalde plaats niet ver- 
eischt werd, door het geheele land eene statistieke lijst zouden 
maken, van alle nog bestaande overblijfsels der oude vader- 
landsche kunst, vooral van gebouwen, zoowel openbare als 
bijzondere, gedenkteekens enz., met opteekening van alles wat 
op de plaatsen zelven tot toelichting en opheldering kan strek- 
ken. Die bouwkundigen in dienst der Commissie, konden 
tegen eene vaste jaarlijksche bezoldiging, al ware het slechts 
tijdelijk^ worden benoemd, of, als opzigters of buitengewone 
opzigters aan 's Bijks Waterstaat verbonden, met onbepaald 
verlof bij de Commissie in dienst worden gesteld, met toeken- 
ning van eene billijke vergoeding van reis- en verblijfkosten, 
wanneer zij buiten hunne vaste woonplaats voor de Commissie 
werkzaam waren. 

De Commissie, daarlatende de meerdere of mindere waar- 
schijnlijkheid, dat een plan als hier aangewezen, verwezenlijkt 
zal kiuinen worden, acht het van haren pligt, hare overtuiging 
uit te spreken omtrent de wijze, waarop zij meent, dat voor 
den roem des lands, in het belang van beschaving, smaak, 
kunstzin en wetenschap, eene Commissie met beter gevolg zou 
kunnen werken dan waarop zij voor haarzelve eenige uitzigten 
kan bouwen. 

6). Bevoegdheid voor de Commissie, om tot het bekend 
maken van de opbrengsten van hare onderzoekingen, de uit- 
gaaf van afbeeldingen van oude gebouwen en andere kunst- 
werken, zich, met uitzigt op gunstigen uitslag, om de beschik- 
king over de noodige gelden tot de Eegeering te wenden. 

Aan de Akademie blijft de beslissing, of zij de Commissie 
zal opheffen, en al of niet aan de Eegeering, onder kennisge- 
ving van de toedragt der geheele zaak, een voorstel zal doen^ 
om haar door eene Commissie van Bijkswege, overeenkomstig 
de hierboven omschreven schets, of naar eenig ander ontwerp 
ingerigt, te doen vervangen ; dan wel, of zij de Commissie als 
eene van de Akademie uitgaande instelling op den tegenwoor- 

JaA&boek. 1870. 5 



(66 ) 

digen of ge wijzigden voet meent langer te moeten bestendigen, 
en dus ook de openkomende plaatsen, door benoeming van 
nieuwe leden, wederom bezetten. Het spreekt van zelf, dat, 
welke ook de beslissing der Akademie zijn moge, de tegen- 
woordige leden der Commissie volkomen bereid blijven, om 
inmiddels de loopende belangen en de, onder hare leiding of 
op haren last begonnen, maar nog niet voltooide opdragten en 
werkzaamheden te behartigen en tot een behoorlijk einde te 
brengen, indien althans ook die verpligting niet in andere 
handen kan overgaan. Zij zal dan niet verder in hare vroegere 
hoedanigheid blijven handelen, maar uitsluitend tot eenen ge- 
regelden afloop der zaak hare diensten nog voor een kort 
tijdperk beschikbaar kunnen stellen. Zij moet echter de vrijheid 
nemen om er op aan te dringen, dat de Akademie dat tijdperk 
door eene niet vertraagde beslissing zoo veel mogelijk bekorte. 

Het is der Commissie leed, dat zij zich verpligt gevoelde 
deze uitkomsten van hare ernstige beraadslagingen en overwe- 
gingen aan de Akademie ter kennis ie brengen; zij handelde 
daarbij onder den indruk, dat zij den staat van zaken, zonder 
eenige terughouding, onbewimpeld open en bloot moest leggen. 
Daardoor alleen kunnen hare lastgevers in de gelegenheid ge- 
steld worden tot beoordeeling der gronden, waarop de Commissie 
hare overtuiging gevestigd heeft, dat zij niet aan het beoogde 
doel kan beantwoorden, dat de Akademie haar niet in hel 
bezit dier middelen en vereischten kan stellen, die voor hare 
behoorlijke werking onmisbaar zijn, en dat hare leden daarom 
ook tot het besluit moesten komen, om hun ontslag te verlangen, 
onder dankbare erkentenis van het vertrouwen door de Aka- 
demie hun gedurende al de jaren van het bestaan hunner 
Commissie geschonken. 

{get.) C. LEEMANS. 

Amsterdam, [get,) W. MOLL. 

29 April 1870. (ffet:) W. N. EOSE. 



LEVENSBERIGT 



YAW 



FREDËRIK WILLEM GONRAD 



DOOR 



J. W. L. VAV OOBDT, 

Lid der Natuurktmdife Afdeeling, 
Voorgedragen in de Gewone Vergad. der Afd. Natuurk. van 26 Sept. 1870 



Ik heb gemeend aan de nitnoodiging van onzen geachten 
Secretaris om een levensberigt van ons overleden medelid F. 
W. CoNKAD te geven, te moeten voldoen. Die nitnoodiging 
toch herinnerde mijj bij vernieuwing hoe vele vertegenwoordi- 
gers van toegepaste wetenschap, leden der Akademie, uit ons 
midden zijn weggerukt; ik beschouwde het als eene vriend- 
schapsdienst die van mij gevraagd werd en, ofschoon ik wist 
dat door de bekwame hand van den Hoofd-Ingenieur J. G. 
W. Ftnjb, Voorzitter van den Baad van toezigt op de Spoor- 
wegdiensten, een uitvoerig levensberigt van Conbad, voor de 
werken van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, werd ge- 
reed gemaakt ^), zoo heeft mij dit niet teruggehouden, maar 
kwamen mij de woorden van Conbad voor den geest voorko- 
mende in het levensberigt van v. d. Kun: //Vele waren zijne 
//Verdiensten en de Koninklijke Akademie heeft niet willen 
//Zwijgen, bij het verhes dat ook haar door zijn verscheiden 
//getroffen heeft." 



•) Levensberigt van Frbdbrik Willem Conrad, Voorzitter en een der op- 
rigters van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, en eene Bjjdrage tot de 
geschiedenis van den Waterstaat van zijn' tijd, door J. G. W. Ftmjb. Met toe- 
stemming van den schr|jver heb ik gebruik gemaakt van dit uitmuntend werk. 

6* 



( «8 ) 

Fkederik Willem Conkad werd den lö^en Februarq 1800 
te Spaarndam geboren. Zijn vader was de beroemde Inspecteur- 
Generaal F. W. CoNRAD, zijne moeder Wilhelmina Broes- 
TERSHTJYZEN. Op achtjarigen leeftijd verloor Conrad zijn voor- 
treflfelijken vader, die eene weduwe en drie zonen naliet waar- 
van F. W. Conrad de jongste was. Het groote verlies door 
den dood van den Inspecteur-Generaal Conrad geleden, werd 
door ons vaderland diep gevoeld. De groote Brunings over- 
leed in 1805, en in dat verlies meende men met regt dat 
slechts door de benoeming van Conrad in zijne plaats kon 
tegemoetgekomen worden, toen deze op slechts 39-jarigen leef- 
tijd door den dood werd weggerukt. Ue groote verdiensten 
van den overledene werden door Koning Lodewijk gehuldigd 
en bij besluit van 5 Maart 1808 bepaald, dat de Directeur- 
Generaal van den Waterstaat zou trachten de drie nagelaten 
zonen voor het vak van den Waterstaat op te leiden, waartoe 
aan elk een jaargeld zou worden toegekend. Door deze bepa- 
ling werd Conrad met zijne beide broeders geplaatst onder de 
leiding van den Directeur- Generaal A. Twent, in wien zij een 
warm vriend en beschermer vonden. De gunstige bepaling, 
ten opzigte van de drie nagelaten zonen van den Inspecteur- 
Generaal Conrad, werd na de inlijving van ons vaderland bij 
Frankrijk j door Keizer Napoleon gehandhaafd, en alleen in 
zooverre gewijzigd, dat zij na plaatsing op de Ecole Polytech- 
nique, op die der Ponts et Chaussées zouden overgaan. Door 
de staatkundige gebeurtenissen van 183 3 verviel de voorge- 
stelde opleiding, en werd Conrad na de oprigting der Artillerie- 
en Ingenieurs-School te Delft bij besluit van den Souvereinen 
Vorst van den Q^en j^üj 1814 benoemd tot Kadet van den 
Waterstaat. Met het einde van het jaar 1816 door den Ge- 
neraal-Majoor Voet, Directeur der Artillerie- en Ingenieurs- 
School, voorgedragen om tot Adspirant-Ingenieur van den 
Waterstaat te worden benoemd, werd aan deze voordragt eerst 
bij besluit van 8 September 1817 gevolg gegeven. 

In de groote oefenschool van den Inspecteur-Generaal J. 
Blanken Jz. begon Conrad zijne practisehe loopbaan. De 
groote werken van dien tijd gaven ruimschoots gelegenheid tot 



( «9 ) 

ontwikkeling en onderscheiding, en al spoedig zag zich Conbad 
met het vertrouwen van zijn beroemden Chef vereerd, die hem 
belastte met de directie over de uitvoering van een gedeelte der 
werken van het Nieuwe Diep en aan het groot Noord-HoUandsch 
Kanaal, en later de voortzetting van den bouw van het achter- 
dok te Hellevoetssluis aan hem opdroeg. Tn 1S24 en 1823 
vinden wij Conbad, ofschoon nog slechts den rang van Adspirant- 
Ingenieur bekleedende, belast met de directie over de werken 
van het Zederik-Kanaal ; de uitvoering van deze werken deden 
CoNEAD als een kundig en ervaren Ingenieur kennen. In het 
laatst van 1825, nadat Conbad tot Ingenieur van de 2^© Klasse 
was bevorderd, werd hij in Noord-Brabant geplaatst. Behalve 
zijne werkzaamheden als Provinciaal Ingenieur bleef hij belast 
met de voortzetting van den bouw van de stoomwatermolens 
aan den Arkelschen dam. Niettegenstaande zoo vele werk- 
zaamheden vond Conbad tijd ter beantwoording van de vraag : 
//Welke zijn de beste en meest geschikte middelen, om, wan- 
(/Ueer zich verzakkingen of gevaarlijke doorkwellingen aan de 
//dijken onzer Hoofdrivieren vertoonen, derzelver voortgang te 
//Stuiten en derzelver gevolgen voor te komen,'' aan welk ant- 
woord door de HoUandsche Maatschappij der Wetenschappen 
te Haarlem den IT^^t^ Mei 1828 de uitgeloofde gouden eere- 
prijs en de premie van 150 gulden werden toegekend. Van 
1829 tot 1840 was Conbad werkzaam als Provinciaal Inge- 
nieur in Zuid-Holland. De zeewerken van Goedereede, de plan- 
nen door hem ontworpen van een Kanaal door Goedereede en 
van een Kanaal naar Scheveningen, getuigen van zijne kunde 
en werkzaamheid; verschillende geschriften op den Waterstaat 
betrekking hebbende, werden door hem achtervolgens in het 
licht gegeven, die later vereenigd onder den titel van Fer- 
spreide Bijdragen gedrukt en uitgegeven zijn. In 1834 was 
Conbad tot Ingenieur l^te Klasse bevorderd; hij bleef belast 
met de dienst in Zuid-Holland, en werkte mede aan de eerste 
ontwerpen voor de droogmaking van het Haarlemmer meer, bij 
welk grootsch werk Conbad als Ingenieur werd aangesteld. 
Reeds in 1839 had Conbad de vergunning verkregen den Raad 
van administratie der HoUandsche IJzeren-Spoorweg-Maatschappij 



( 70 ) 

als adviseur bij te staan en voor te Uchten^ totdat hem in 
1840 een onbepaald verlof uit 's Rijks dienst werd verleend, 
om als Ingenieur-Directeur zijne diensten uitsluitend aan de 
belangen dier Maatschappij te wijden. Deze betrekking opende 
voor CoNEAD een ruim veld, om zich als technisch en prac- 
tisch Ingenieur te onderscheiden. De aanleg van spoorwegen 
was nieuw in ons vaderland; het terrein voor den spoorweg 
was op vele plaatsen allerongunstigst; de vele kanalen vorder- 
den kunstwerken van allerlei aard^ en, zoo men al technische 
bezwaren was tebovengekomen, had men met de overdreven 
eischen van grondeigenaars te worstelen : tegen het aangename 
gevoel van vrij als Ingenieur te kunnen handelen, stond het 
gevoel van groote verantwoordelijkheid over. Met onverdroten 
ijver werden door Conead de plannen ontworpen en uitge- 
voerd: de kraanbruggen, die door hare eigenaardige construc- 
tie en voordeden ruime toepassing gevonden hebben bij den 
aanleg der spoorwegen door den Staat, zijn geheel van zijne 
vinding — en dat hij voor geene bezwaren terugdeinsde, 
toonde de aanleg van het bekende Krommelijntje bij Delft. 
Zijne benoeming tot Bidder der orde van den Nederlandschen 
Leeuw in 1842 was eene hulde gebragt aan Conbad als 
Spoorweg-Ingenieur. 

Nog eene onderscheiding viel Conbad in datzelfde jaar ten 
deel. The Institution of Civil Engineers te Londen bekroonde 
hem met de zilveren Telford-medaille voor zijne beschrijving 
van het Katwijksche Kanaal, het groote werk door zijn vader 
uitgevoerd en dat nog steeds de bewondering van deskundigen 
opwekt. In 1 843 tot lid van het Engelsche Instituut van In- 
genieurs benoemd, droeg hij aan die Vereeniging zijne beschrij- 
ving van den Spoorweg van Amsterdam naar Rotterdam op, 
welke beschrijving door den Secretaris Charles Manby in het 
Engelsch vertaald, de eer van eene bekrooning met de Walker- 
premie tebeurtviel. 

Het kon wel niet anders, of eene inrigting als The Institu- 
tion of Civil Engineers moest op Conbad een diepen indruk 
maken. Hij betreurde het, dat aan de Nederlandsche Ingenieurs 
zoo weinig gelegenheid tot onderlinge samenwerking aangebo- 



( 71 ) 

den werd, waardoor zoo vele rijke verzamelingen van belangr^ke 
bescheiden over waterstaatswerken, in het bezit van enkele In- 
genieurs, aan de algemeene bekendheid onttrokken bleven. 

Een Nederlandsch Instituut van Ingenieurs in het leven te 
roepen was volgens zijne overtuiging het middel, om de Neder- 
landsche Ingenieurs naauwer aan elkander te verbinden. Om 
*«ot dat doel te geraken, verzekerde hij zich van de medewer- 
nng van L. J. A. van deb Kun en G. Simons, die door 
hunne betrekking een grooten invloed op de Nederlandsche In- 
genieurs uitoefenden. Eene oproeping, geteekend door Conbad, 
V. D. Kun en Simons, en gerigt tot allen die in het vak van 
den Ingenieur belang stelden, bleef niet onbeantwoord : niet min- 
der dan 82 was het getal dergenen die zich als leden van de 
op te rigten instelling aanmeldden. Den liA^ Maart 1848 werd 
de eerste vergadering van de onder den naam van Koninklijk 
Instituut van Ingenieurs gevestigde instelling gehouden. Z K. H. 
de Prins van Oranje, thans onze geëerbiedigde Koning, stond 
als beschermheer aan het hoofd van eene Vereeniging, die in 
uitbreiding en werkzaamheid de stoutste verwachting der op- 
rigters overtroffen heeffe. Tot aan zijn dood toe bleef Conbad 
een werkzaam deel nemen aan al hetgeen strekken kon tot be- 
vordering van den bloei eener inrigting waarvan hij de oprigter 
was, en die zich tot een getal van 664 leden heeft uitgebreid. 
Alleen overgebleven van de drie oprigters, genoot hij als 
Voorzitter de onverdeelde liefde en achting van zijne medele- 
den, en mogt daarvan bij herhaling de blijken ontvangen. 

Tot de invoering der Telegrafie in Nederland heeft Conbad 
belangrijk medegewerkt. Ileeds in 1845 was er tusschen Am- 
sterdam en Haarlem een telegraafdienst geopend, en in 1850 
vinden wij Conbad aan het hoofd van de eerste Telegraaf- 
Maatschappij in ons vaderland tot stand gekomen, ten doel 
hebbende de verbinding van Amsterdam met het Nieuwe Diep, 
welke lijn in 1851 onder de leiding van den Ingenieur Wen- 
CREBACH voor het publiek geopend werd. Met v. d. Kun, den 
Referendaris Stabing en Wenckebach uitgenoodigd tot het on- 
derzoek naar het al of niet raadzame van den aanleg van Eijks- 
telegrafen in Nederland, kwam op grond van het verslag dier 



( 1i ) 

Commissie de Bijkstelegraaf tot stand^ waardoor thans de meeste 
plaatsen in ons vaderland onderling en met het telegraafnet 
van Europa verbonden zijn. 

In 1852 werd Conbad bevorderd tot Hoofd-Ingenieur der 
%^^ Klasse en benoemd tot lid der Commissie van beheer en 
toezigt over de droogmaking van het Haarlemmer meer. 

De betrekking van Ingenieur-Directeur der HoUandsche IJze- 
ren Spoorweg-Maatschappij had voor Conbad, nu de werk- 
zaamheden als Ingenieur vervangen werden door al de zorgen 
en moeiten aan de Exploitatie van een Spoorweg verbonden, 
weinig aantrekkelijks meer. Al wat nieuw was trok veeleer zijne 
aandacht. Zoo ontwierp hij een plan van een tentoonstellings- 
gebouw voor de eerste wereldtentoonstelling te Londen, welk 
ontwerp eene eervolle vermelding werd waardig gekeurd; ook 
nam hij een ijverig deel aan die tentoonstelling en ontving als 
inzender, als Lid van de Jury en voor bewezen diensten bij 
de verplaatsing van het tentoonstellingsgebouw naar Sydenham, 
drie medailles. Zijn verlangen om tot het Corps van den Wa- 
terstaat terug te keeren, deed hem besluiten zijn ontslag uit de 
betrekking van Ingenieur-Directeur te vragen, en zich voor de 
dienst bij den Waterstaat weer beschikbaar te stellen. De jaren 
1853 en 1854 waren voor Conbad jaren van rouw, hij ver- 
loor door den dood zijne beide oudere broeders. Treffend was 
voor hem het gevoel, alleen overgebleven te zijn van de drie 
zonen, wier streven het steeds geweest was, in hetzelfde vak 
zich den naam dien zij droegen waardig te maken. In 1854 
tot Hoofd- Ingenieur van de 1^*® Klasse bevorderd, wenschte 
hij tot herstel van zijne geschokte gezondheid eenigen tijd 
buiten betrekking te blijven, weinig vermoedende hoe spoedig 
voor hem een nieuwe werkkring zou geopend worden. 

Het grootsche ontwerp van de doorgraving der Landengte van 
Suez wekte de belangstelling van geheel Europa op; de meest 
tegenstrijdige gevoelens omtrent de mogelijkheid van uitvoerii^ 
werden vernomen, en niet zonder grond was het vermoeden, 
dat de voor- en tegenstanders in hunne beschouwingen geens- 
zins vrii waren van den invloed dien het Kanaal van Suez op 
de handelsbelangen der verschillende Natiën moest uitoefenen. 



{ 78 ) 

De Onderkoning van Egypte besloot het onderzoek van het 
ontwerp op te dragen aan eene Internationale Commissie, waarin 
ook Nederland, bekend door zijne voortreflfelijke waterbouw- 
kundigen, zou vertegenwoordigd worden. Met ^sKonings goed- 
kenring werd Conka.d aangewezen, om Nederland bij het on- 
derzoek van een der belangrijkste ontwerpen op het gebied der 
Waterbouwkunde te vertes^enwoordigeu. Was die benoeming 
voor CoNKAD vleijend, nog grooter was de onderscheiding, dat 
aan hem het Voorzitterschap der Internationale Commissie werd 
opgedragen. Wat aanleiding gegeven heeft tot de benoeming 
van CoNRAD tot Voorzitter van eene Vereeniging der be- 
roemdste Waterbouwkundigen in Europa, is moeijelijk met 
zekerheid te bepalen, doch wij mogen aannemen dat de be- 
kendheid die CoNRAD zich in Engeland en Frankrijk verwor- 
ven had, gevoegd bij de gemakkelijkheid waarin hij zich in 
vreemde talen kon uitdrukken, daartoe veel heeft bijgedragen. 
Mei ijver en bekwaamheid behartigde Conbad de belangen hem 
toevertrouwd. Bij eene tweede reis naar Egypte, vergezeld van 
den Ingenieur Schneittek, die zich reeds vroeg door buiten- 
gewone bekwaamheid onderscheiden had, doorkruiste hij de 
woestijn in verschillende rigtingen en trad met volle overtui- 
ging als voorstander van het Suez-Eanaal op. Die overtuiging 
sprak hij uit in verschillende geschriften, waarvan onderschei- 
dene in het Engelsch, Duitsch en Italiaansch vertaald zijn ; ook 
in onze Akademie toonde Consad de mogelijkheid der uitvoe- 
ring van het groot ontwerp aan, terwijl hij in het Koninklijk 
Instituut van Ingenieurs de ongunstige opinie van den Engel- 
schen Ingenieur Stephenson, omtrent het welslagen van de 
onderneming, bestreed. 

Was het gevoel van geroepen fce zijn om zulk eene belang- 
rijke plaats te bekleeden in de uitvoering van een werk dat 
tot de grootste van onze eeuw behoort, voor Conrad streelend, 
zijne bevordering tot Kommandeur der orde van den Neder- 
landschen Leeuw en zijne benoeming tot vertegenwoordiger van 
den Onderkoning van Egypte bij de Maatschappij die de door- 
graving ondernemen zou, waren bewijzen van de hooge vereering 
zijner verdiensten. 



( 74 ) 

CoNBAD was ook lid van de Staats Commissie^ benoemd bij 
Koninklijk besluit van 10 Julij 1856, tot onderzoek van de 
vermoedelijke gevolgen der doorgraving van de Landengte van 
Suez voor den handel en de reederijen van Nederland, en heeft 
daardoor medegewerkt aan het belangrijk verslag door die Com- 
missie in 1859 uitgebragt. 

Den 1^*®° Februarij 1858 werd Conrad bevorderd tot In- 
specteur van den Waterstaat in de 2^® Inspectie. Het is eene 
merkwaardige bijzonderheid, dat toen aan liet hoofd van den 
Waterstaat geplaatst waren L. J. A. v. d. Kun als Hoofd- 
Inspecteur en H. 1\ FiNJE en P. W. Conead als Inspecteurs, 
de drie oudste élèves voor den Waterstaat van de Artillerie- en 
Genie-School te Delft, en dat aan ons geacht medelid 
J. P. Delprat de eer toekomt, veel tot de vorming van deze 
uitstekende mannen te hebben bijgedragen. 

Conead nam met v. d. Kun en Fynje een ijverig deel aan 
de verbetering der Nederlandsche rivieren : de weg om daartoe 
te geraken, door Fereand en v. d. Kun aangewezen en met 
vrucht gevolgd, moest volgens de verkregen resultaten verder 
afgebakend worden. De belangrijke rapporten door de Inspec- 
teurs van den Waterstaat in 1861 en 1868 uitgebragt, kun- 
nen strekken tot voorlichting van degenen die geroepen zijn om 
het groote plan te vervolgen, waarvan de grondtrekken reeds 
door den bekwamen Beunings waren aangegeven. Hetzij als lid, 
hetzij als Voorzitter, vinden wij Conrad benoemd in Commis- 
siën die allen in verband stonden tot de groote werken en ont- 
werpen van dien tijd, waartoe behooren het Drooge Dok te 
Nieuwe Diep, het Kanaal van Holland op zijn smalst, de ver- 
betering van den Eotterdamschen waterweg, de Zeehaven van 
Scheveningen, de droogmaking van de Plassen beoosten de 
Vecht en de oeververdediging van Zeeland. 

De naam dien Conrad zich als waterbouwkundige in het 
buitenland verworven had, bleek ook tot in het Noorden te 
zijn doorgedrongen. Het onderzoek van een ontworpen Kanaal 
door Holstein, tot verbinding van de Noord- met de Oostzee, 
werd aan hem opgedragen. Het rapport daarover in de Fran- 
sche taal geschreven, genoot de eer van eene vertaling in het 



( 76 ) 

Duitsch en Engelsch. Ook de Senaat der Stad Hamburg riep 
zijne hulp en voorlichting met die van den Hoofd-Ingenieur 
J. A, Beijbkinck in, tot het opmaken van een ontwerp voor 
betere uitwatering van de voorstad Hammerbrock. 

Id 1864, toen Conead zich bij het dijkleger te Gorinchem 
bevond, en aan den Hoofd-Inspecteur v. d. Kun den eersten 
triomf van de verbetering onzer rivieren kon mededeelen, werd 
hij diep geschokt door het plotseling overlijden van dien merk- 
waardigen man, wiens groote verdiensten als waterbouwkundige 
en beminnelijke eigenschappen als mensch hij schetste in een 
levensberigt, opgenomen in de Jaarboeken onzer Akademie. 

De algemeene dienst van den Waterstaat werd na het over- 
lijden van V D. Kun aan Conrad opgedragen ; twee jaren 
later volgde zijne benoeming tot Hoofd-Inspecteur van den 
Waterstaat. Na meer dan vijftigjarigen diensttijd smaakte 
CoNEAD de voldoening, geroepen te worden ter vervulling van 
de hooge betrekking die zijn vader met zoo veel roem bekleed 
had. 

Conead deinsde niet terug voor de uitgebreidheid van den 
werkkring waartoe zijne nieuwe betrekking hem riep. Ontbrak 
hem de locale kennis van sommige -Provinciën, hij vulde die 
aan door persoonlijk onderzoek en stelde zich door onvermoeide 
werkzaamheid op de hoogte van de kwestiën die aan zijn oor- 
deel onderworpen werden. 

De voorgenomen afdamming der Ooster-Schelde en van het 
Sloe en de daaruit voortgevloeide bedenkingen van het Bel- 
gische Gouvernement, als zouden die werken een nadeeligen 
invloed uitoefenen op den toestand der Wester-Schelde, gaven, 
toen de gevoelens der Belgische en Nederlandsche deskundigen 
niet tot eenheid te brengen waren, aanleiding tot een beroep 
van de zijde van België op de groote Mogendheden, die mede- 
gewerkt hadden tot het tractaat van 1839. Het onderzoek over 
het gerezen verschil werd alsnu opgedragen aan een Engelsch, 
Pransch en Duitsch Ingenieur, die ieder in een afzonderlijk 
verslag hun gevoelen deden kennen, over welke verslagen, na 
eene naauwkeurige en onpartijdige critiek, Conead zijn gevoe- 
len uitsprak in zijne // Considérations sur les rapports des In- 



( 76 ) 

ff génieurs étrangers chargés d'exaininer les queations qui se rat- 
,/tachent au barrage de FEscaut oriental/' 

Met zorg zagen de vrienden van Conrad, dat zijne krachten 
niet geëvenredigd waren aan zooveel inspanning vorderende 
werkzaamheden. Hij zelf gevoelde, aan het einde zijner loop- 
baan gekomen te zijn, en toch, het was alsof bij een nieuw 
beroep op zijne kunde en ervaring de werkzame geest over het 
verzwakte ligchaam zegevierde. De uitnoodiging der Deensche 
Eegering, om als beoordeelaar op te treden van de verschillende 
ontwerpen voor eene haven op de kust van Jutland en de 
voorgestelde Kanalen tusschen de Lümfjord en de zee, werd 
door hem aangenomen — en het was voor hem, die zoo veel 
prijs stelde op den naam dien hij droeg, een streelend gevoel, in 
dat onderzoek bijgestaan te worden door den Ingenieur (thans 
Hoofd-Ingenieurj J. F. W. Conrad, den begaafden zoon van 
zijn oudsten broeder. Boven verwachting wederstond Ck)NRAD 
de vermoeijenissen aan dat onderzoek verbonden. 

Zijne benoeming tot Koramandeur van de Danebrog-orde 
getuigde van de waarde die aan zijn rapport over die belang- 
rijke werken gehecht werd. 

Niettegenstaande zijne zwakke gezondheid openbaarde zich 
bij Conrad het verlangen, om bij de plegtige opening van het 
Kanaal van Suez tegenwoordig te zijn. Dit verlangen werd zoo 
krachtig door hem uitgesproken, dat zijne bezorgde echtgenoote 
en kinderen meenden, dat eene terughouding ernstige gevolgen 
voor den geliefden echtgenoot en vader kon na zich slepen — 
en zoo aanvaardde hij de reis in het laatst van October, verge- 
zeld door zijne vrouw en ongehuwde dochter. Hij heeffc dan ook 
de plegtige opening, en de feesten daarmede verbonden, bijge- 
woond en zelfs aan den togt naar Opper-Egypte deelgenomen. 
Opgetogen door het aanschouwen van de uitgevoerde werken, 
waarvan de plannen hem zoo bekend waren, dankbaar dat hij 
door de zorg van de Lesseps in de gelegenheid gesteld werd 
het groote werk in alle bijzonderheden te onderzoeken, onder 
den aangenamen indruk van ook het zijne daartoe te hebben bij- 
gedragen, werd de terugreis aangenomen. Tot tegemoetkoming 
i^ zijne zwakke gezondheid verpoosde men eenige weken in 



( Tl ) 

Italië; over Weenen werd de reis naar het vaderland voortge- 
zet ; te Munchen aangekomen lieten zijne krachten niet toe 
verder te reizen, en bezweek hij aldaar op den 1*^° Februarij 
van dit jaar^ 14 dagen v66r dat hij zijn zeventigsten verjaardag 
zou bereikt hebben. 

GoNBAB heeft eene langdurige, eervolle en gelukkige loop- 
baan gehad. 

Zeldzaam toch is het, op bijna zeventigjarigen keftijd nog de 
hoc^ste betrekking in een moeijelijk vak te bekleeden. Eervol 
is zijn naam verbonden aan bijkans al de groote werken die in 
ons vaderland sedert zijne indiensttreding zijn uitgevoerd. Als 
waterbouwkundige heeft hij zich in Europa een grooten naam 
verworven. Heeft hij ook een ruim aandeel gehad in de zor- 
gen en moeijelijkheden verbonden aan de verschillende betrek- 
kingen waarin hij optrad, gelukkig kwam hij die te boven. 
Aan onderscheidingen van allerlei aard heeft het hem niet 
ontbroken — die onderscheidingen hier alle op te sommen zou 
voor ons de waarde van Conkad niet verhoogen — vele ge- 
leerde genootschappen in en buiten ons vaderland telden hem 
onder hunne leden. 

Zonder aan de waarde van Conkad als Ingenieur iets te 
willen ontnemen, mag men zeggen dat de persoonlijkheid van 
CoNBAD veel bijgedragen heeft tot de groote onderscheiding 
die hij genoot. In welke Commissie hij ook optrad, gevoelde 
men zich door hem aangetrokken: gezellig en luimig wist hij 
aan arbeid eene aangename verpoozing te geven. Velen met mij 
zullen zich de geestige gelegenheids-gedichten herinneren, waarin 
hij zoo gaarne botvierde aan luim, scherts en satjre. Zijne 
geschriften bepaalden zich niet enkel tot zijn vak, gevoel voor 
Natuur en Kunst spoorde hem aan tot reizen en onderzoeken. 
Zoo bezocht hij bij zijne reis naar Egypte het Heilige Land, 
en deelde de verkregen indrukken mede in een werk getiteld : 
if Reizen naar de Landengte van Suez, Egypte en het Heilige 
„Land^'. Zijne werkzaamheid, waarop ik reeds meermalen ge- 
wezen heb, straalde in aUes door. Werd hem een onderzoek 
aanbevolen of een advies over een antwoord op eene uitgeschre- 
ven prijsvraag van hem gevraagd, de rapporten en adviezen 



( 78 ) 

getuigden van een naauwgezet onderzoek en van eene breede 
behandeling van zaken, die menigmaal strekten tot aanvulling 
en verbetering van hetgeen door anderen geleverd was. 

Als vriend heeft Conead de aangenaamste herinneringen 
achtergelaten; als Chef onderscheidde hij ^ch door humane be- 
handeling; gaarne huldigde hij de verdiensten van anderen, en 
zijne opwekking tot rusteloos voorwaarts streven, opdat de roem 
van het vak dat zoo naauw in verband staat met den bloei 
van het vaderland, en waaraan zijn naam zoo eervol verbonden 
is, gehandhaafd blijve, zal zeker bij de Nederlandsche Inge- 
nieurs vruchten dragen. 

Is het verlies door den dood van Conrad geleden groot, 
diep wordt het gevoeld door de nagelaten weduwe en kinderen. 
In 1825 in den echt getreden met Jacqüeline Mabie Bbabeb^ 
uit welk huwelijk negen kinderen zijn geboren, gevoelde Con- 
rad zich gelukkig in den huiselijken kring. Was zijne ambte- 
lijke loopbaan gekenmerkt door veel voorspoed en onderschei- 
ding, in zijn gezin werd zijn vaderhart dikwijls diep gewond : 
vooral de dood zijner dochter, gelukkig gehuwd met den Heer 
Rauws in Oost-Indië, werkte nadeelig op zijn aantrekkelijk 
gestel. 

In verdubbelde werkzaamheid zocht hij afleiding, en heeft 
hij ons een voorbeeld nagelaten, hoe met een vasten wil, zelfs 
onder de invloeden van een verzwakt gestel, nog veel gedaan 
kan worden. 



LEVENSBERICT 






▼AN 



JAN WILLEM ERMERINS, 



DOOk 



C. J. M A T T H B 8, 

Secretarie der Natuurkundige Afdeeling, 
Voorgedragen 'm de Vergadering van 29 October 1870. 



Jan Willem Ermieins, geboren te Zierikzee den 19^8" 
Februarij 1798^ had tot vader EoBbET Cakbl Ebmbbins, Med. 
Br. aldaar, die, eoo wegens deugd en goede trouw als bekwaam- 
heid en kunde, bij zijn medeburgers in hoog aanzien stond ; 
zijne moeder was Hblena Maria vak Adrichem. 

Yan kindsbeen af een gelukkigen aanleg voor studie open- 
barende, genoot hij zijne eerste wetenschappelijke opleiding in 
zijne vaderstad, die daarvoor toen uitnemende gelegenheid aan- 
bood, in de classieke letterkunde ingewijd door Mahne, die 
Ister aan de Universiteit te Oend het Hoogleeraarsambt be- 
kleedde^ en in de Wiskunde door den Predikant Dompeling, 
later Professor aan het Atheuaeum te Deventer. 

In 1816 werd hij in het album der Leidsche Hoogeschool 
ingeschreven, en genoot aldaar het onderrigt van Bake en 
Beuomans. Laatstgenoemde trok hem door den rijkdom zijner 
kennis en zijne uitmuntende gave van mededeeling bij voor- 
keur aan, gelijk hij ook op lateren leeftijd zijne nagedachtenis 
steeds bijzonder in eere hield. Behalve op Wis- en Natuur- 
kundige wetenschappen, legde hij zich ook op de Medicijnen 
toe, met zoodanigen ijver en goed gevolg, dat zijn leermeesters 
GiBARo Sandifort, Bernard, Krauss en dü Fut hem onder 



( 80 ) 

hunne beste en meest geliefde discipelen telden. De vakken 
zijner voorliefde van jongs af verwaarloosde hij daarom geens- 
zins, waarvan eene dnbbele zege in het studentenstrijdperk te 
Leiden kan getuigen. 

In 1819 werd zijn antwoord op de aldaar uitgeschreven 
prijsvraag Over de geschiedenis der uitvinding van den Compen- 
satieslinger en de theorie daarvan bekroond; in het volgende 
jaar dat op eene vraag naar de Wet der scheikundige verwant- 
schap. Den ^^^ April 1824 werd hij tot Doctor Philosopliiae 
bevorderd op eene Dissertatie Over de astronomische refractie, 
en den eigen dag tot Doctor in de Medicijnen na verdediging 
van een Proefschrift Over de verhotiding tusschen den vorm der 
heenderen en dien van andere deelen van het menschelijk lig- 
chaam ; waarna hij zich als practiseerend Geneesheer te 's Hage 
vestigde. Al zeer spoedig echter gaf hij dien werkkring op, 
als door 'sKonings keuze geroepen, om aan het Athenaeum te 
Franeker den overleden Hoogleeraar J. Pibrson Tholbn op te 
volgen, en het onderrigt in Mathesis, Physica, Logica en Meta- 
physica op zich te nemen; in het jaar daaraan, 1825, trad hij 
in den echt met Anna Maria Kien, en verzekerde daardoor 
een huisselijk geluk, dat ook met kroost, der ouderen waardig, 
gezegend werd. 

Ermerins was der meening toegedaan, dat, op zeer weinige 
uitzonderingen na, een ieder voor eene zekere mate van wis- 
kundige studie vatbaarheid bezit ; dat de ontwikkeling dier 
vatbaarheid voor allen zonder onderscheid nuttig en heilzaam 
is, en dat, bijaldien daartegen vooroordeel bestaat, de fout 
meestal ligt aan eene min gelukkige opleiding. In dien geest 
had hij zijn gewigtigen werkkring aanvaard met het houden 
eener Oratie de studio matheseos ad plurimorum hominum inge- 
nia accommodato. En niet enkel dat hij den juisten weg wist 
aan te wijzen om lust in wiskunde op te wekken en daarvoor 
smaak in te boezemen, hij bewees door zijn onderwijs ook zijne 
bedrevenheid om het aangeprezen pad te bewandelen — zoo 
dat de Curatoren der Doorluchte School zijn onderrigt op hoo- 
gen prijs stelden, en het voor de Inrigting aan hunne zorgen 
toebetrouwd zeer betreurden, toen Ermerins in 18»35 aan de 



(81 ) 

Hoogeechool te Qroningen in de plaats van den aftiedenden 
Sjièrp BftouwsB benoemd weid, welk Professoraat den 16^^ 
September door hem aanvaard werd met eene Oratie de ma^ 
tieseoê vi ad acuendum veri iemum. Van dien tijd af wijdde 
Eembbiks met onverpoosden ijver zich aan de belangen der 
GroubgBche Hoogeschool, welke hij ssoozeer ter harte bleef ne- 
men^ dat hij het niet van zich konde verkrijgen, het beroep 
naar Leiden in de vacature door het overlijden van Utlin- 
BROEK ontstaan aan te nemen. Het physisch kabinet was het 
Yoorverp van zijn bijzonderen toeleg, en de uitbreiding en vol- 
making daarvan getuigen van zijne onvermoeide en oordeelkun- 
dige pogingen in dat opzigt. Ook het natuurkundig genoot- 
scliap in de stad zijner inwoning gesticht, was hem zeer veel 
verschuldigd, en mogt zich menigwerf aan de vruchten zijner 
kennis vergasten. Muntte zijne voordragt door helderheid en 
degelijkheid uit, hij wist zich te gelijk de toegenegenheid zij- 
ner toehoorders in hooge mate te verwerven. Algemeen en on- 
geveinsd was de hoogschatting hem door leerüngen, stad- en 
Isndgeuooten toegedragen. Aan welverdiende onderscheiding 
ontbrak het hem dan ook geenszins, en het lidderkrois van 
den Nederlandschen Leeuw versierde ook zijne borst. Meer 
Qvenwel vereerden hem zijne regtschapenheid en eenvoud, zyne 
viiendschapppelijkheid en kunde. Ook wij mogten in deze 
Teq;adering daarvan de blijken ontwaren. Van den jare 1855 
af was Eemebins Lid der Koninklijke Akademie van Weten- 
schappen. Hij leverde in onze Verslagen en Mededeelingen 
een critisch overzigt der gronden aangevoerd voor de identi- 
teit van licht en warmte, en deelde eigen onderzoekingen mede 
ondernomen met het doel om die identiteit nog meer boven 
allen twijfel te verheffen. Een ander opstel bevat een uit- 
voerig en beredeneerd verslag van tienjarige barometer-waarne- 
mingen met registreertoestel, waaruit hij naar den eisch bijzon- 
derheden afleidde de dagelijksche bewegingen der luchtdmk- 
king betreffende voor Oroningen : de juiste tifden van periodi- 
citeit, de grootte der oscillatiën en meer. 

Niet lang mogt Ermeeins, na den 7 O-jarigen leeftijd be- 
reikt te hebben, zijne plaats onder de Rustende Leden inne- 

Jaabbobk. 1870. ^ 



( 82 ) 

men. De laatste maal dat bij zijne stem onder ons deed hoo— 
ren was, om zijn ouden raend Claas Muldbe eene gepaste en 
hartelijke hulde toe te brengen. En thans is ook hij evenals 
zijn vriend ten grave gedaald en staren wij den waardigen 
man na. Den 2^en Maart 1869 ontviel hij aan zijne betrek- 
kingen en vrienden^ maar voorzeker zijne nagedachtenis en 
voorbeeld, zij sterven niet. 



UITGEGEVEN GESCHRIFTEN 

VAN 

J. W. EBMEBIirS. 

Descriptie historiae inventionis Penduli compensatorii, ut et 
expositie eiuedem Penduli theoriae in universum spectatae. — 
Responsie ad quaestionem ab Ordine Disc. Math. et Phjs. 
Acad. Lugd. Batavae ipropositam, quae praemium reportavit 
d. 8 m. Februarii 1819. 

Responsie ad quaestionem ab Ord. Disc. Math. et Phys. 
Acad. Lugd. Batavae propositam: //qua lege vis affinitatis che- 
micae regitur, habita ratione quantitatis corporum coniuncto- 
rum," — quae praemium reportavit d. 8 m. Februarii 18 £0, 

Dissertatie De refractione astronomica. Lugd. Bat. 1824. 

Dissertatie medica inauguralis De ratione inter formam os- 
sium aliarumque partium corporis humani. Lugd. Bat. 1824. 

Oratio De studio matheseos ad plurimorum hominum inge- 
nia accommodato^ habita Pranequerae d. 8 m. Junii 1825^ 
quum professionem in Athenaeo Pranequerano auspicaretur. 

Oratio De physiconum 'methode vere philosopha, habita d. 
25 m. Junii 1882^ quum Athenaei, quod Pranequerae est, 
legundi munus deponeret. 

Oratio De matheseos vi ad acuendum veri sensum, habita 



(88) 

Groniiigae d. 16 m. Septembris 1885^ quum professionem in 
Qrd. Diflc. Math. et Phjrs. auspicaietur. 

Oratio qua coUegarnm, proximo anno defanctonuDy L. G. 
Pauatj^ N. Muldeb^ J. Baa&t ds la Faillb, memoriam re- 
colnit^ habita d. 10 m. Octobris 1867^ quum magistratom 
academicum deponeret. 

BeschriJTing van den electro-dynamischen toestel van Am- 
fArs. (Bijdragen tot de natuurk. wetenachappen^ verz. door 
H. C. VAN Hall, W. Vrolik en G. J. Müldeb. 8de jji. 1828). 

Over 's mensclien natuurlijk waarheidsgevoel. Voorlezing, 
gehouden den 16d«n Maart 1882 te Franeker (Bec. d. Bec. 
Dl. 25, 2de stuk, bl. 850). 

Handleiding bij de beoefening der sterrekunde van Sir John 
F, W. HxBSCHBi, uit het Engelsch vertaald door J. W. Ee- 
MXRIN8. Groningen, 1888 — 1840. 2 Dln. 

Bedenkingen tegen de pogingen door de Synode der Herv. 
Kerk aangewend, om de studenten in de Godgeleerdheid aan 
onze HoogeEcholen te ontslaan van alle veipligte studie in de 
mathesis. Groningen, 1848. 

De Akad emie Minerva, aangeprezen in twee voorlezingen, 
door H. T. BosKSS en J. W. Ermekins. Groningen, 1845. 

Is er verband tusschen materialistiBche rigting en natuurk. 
wetenschappen? (Blikken in het leven der natuur. 1856). 

Over de identiteit van licht en stralende warmte (VersL en 
Meded. d. Kon. Akad. v. Wetensch. Dl. 7. 

Over de dagelijksche beweging van den Barometer te Gro- 
ningen, opgemaakt uit de aanwijzingen van den barograaph 
van Deo. 1851 tot Nov. 1861 (Versl. en Meded. d. Kon. 
Akad. V. Wetensch. 2de Reeks. Dl. 2). 



6* 



JAARBOEK 



▼4N OK 



KONINKLIJKE AK ADEM IE 



¥Air 



WETENSCHAPPEN. 



QKVESTIGD 



TR 



AMSTEBDAM, 



YOOK 



1871. 



AM8TEEDAM. 
C. Q. VAN DER POST. 



OKDBÜKT BIJ DB ROEVER - RBÖBBB - BAILBL8. 



I 3ir H o xj r>. 



BladK. 
Staat van de koninklijk» axademik van wktën schappen, op 

DEN 89tteil APRIL DES JAAK8 1871 III. 

AXFHABETISCUE LIJST DEK GEIVONI:: LEDEN, CORRESPONÜENTKN IN DE 
OYERZBE8CHB BEKITTINOEN VAN HET KUK EN BUITENLAND8CHE 
LEDEN, SEDERT DE OPRIOTING IN 1861 X. 

Lijst dkk binnen- en buitenlandsche ACADEMiëN, orleekde oe- 

NOOT8CHATPEN EN INSTELLINGEN, WAARMEDE DE ACADEMIE DOOR 
WEDERKEBRIOE RUILING DER UITGEGEVEN WERKEN IN VERBINDING IS. XIX . 

Koninkl^k Besluit omtrent het verleenen van vr^dom vau Briefport 
aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam» . XXIX. 

Programma certaminis poetici ab Academia regia disciplinarurn Neder- 

landica ex Legato Hobufftiano indicti A^. MDCCCLXXI .... XXX. 

Proces- VERBAAL van de vekeenigdk vergadering dek beidk af- 

DEELINQEN XXXI. 

Inleiding XXXIII. 

Proces- Ver baal van de Vereenigde Vergadering der beide Afdeelingen 

gehouden den 298len April 1871 XXXV. 

Verslag van den staat en de werkzaamheden aan Z. M. den Koning . XLI. 

Rekening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris 

over het jaar 1870—1871 gehouden beheer • XLIII. 



/ 



XV 



Bladz . 

Rekening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris 
over het jaar 1870—1871 gehouden beheer van het Legaat Hoeufft. XLIX. 

Memorie van Toelichting bij de Rekening en Verantwoording .... 

Verslag over de Rekening I^I - 

Begrooting van Inkomsten en Uitgaven, gaande van l'* April 1871 tot 

P April 1872 1 . . . LH. 

Rapport van de voormalige Commissie tot het opsporen, het behoud 
en het hekend maken van overblijfselen van Vaderlandsche kunst 
uit vroegere tijden LIII. 

Verslag van de Commissie voor het Oorkondenboek LIV. 

Verslag over den toestand der Boeker^ en het Munt- en Penning- 
kabinet LV. 

Overgang van den voorrang der Academie op de Natuurkundige Afdee- 
ling en sluiting der Vergadering LVI. 

Rapport uitgebragt in de Buitengewone Vereenigde Zitting van beide 
Afdeeliujgen der KoninklQke Akademie van Wetenschappen, op 
Saturdag 5 November 1870 . 

Verslag van de Commissie tot het opsporen, het behoud en het bekend 
maken van de overbiyfsels der Vaderlandsche kunst uit vroegere t^'den . 1 . 

Levensberigt van D. J. Stobm Buysing, door I. P. Delpbat .... 57 . 

Levensberigt van G. H. M. Delprat, door W. Moll 79. 



NAAMLIJST 



DXB 



GEWONE LEDEN, 
CORRESPONDENTEN 

m DE OVEBZEESCHE BEZUTINGEN VAN HET BUK 



SN 



BUITENLANDSCHE LEDEN 



▼AN DS 



XONINKLIJKB AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN. 



\ 

l Jaarboek 1871. A 



STAAT 

TAN Dl 

KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN 

OP DBN 29*ten APBIL BS8 JAABS 1871. 



BESTUUR DER ACADEMIE 
gedurende het Academiejaar van April 1871— April 1872. 

ALQEMSENB YOOBZITTBB, 

F. C. DONDERS. 

ALGEMEENS SECBETAEIS) 

O. J. MATTHES. 



Afdeeling Ww- en Natuurkundige Wetenschappen* 

VOOBZTTTEB, 

P. C. DONDERS. 

ONDEBYOOKZITTEE, 

e. A. J. A. OUDEMANS. 

SECSETABIS, 

C. J. MATTHES. 



Afdeeling voor de Taal-, Letter-^ Geschiedkundige en 

Wijsgeerige Wetenschappen. 

VOOBZITTEB, 

C. W. OPZOOMER. 

ONDEBVOOBZITTEB, 

W. MOLL. 

SECOELETABIS, 

J* C. G. BOOT. 



A* 



IV 



Afdeeling voor de Wis-^ en Natuurkundige Wetenschappen. 

Gewone Leden, 

j. VAN GETJNS, te Amsterdam. 

H. c. VAN HALL, te Groningen. 

F. KAïSEB, te Leiden. 

c. j. MATTHES^ te Amsterdam. 

A. H. VAN DEB BOON MESCH, te Leiden. 

w. N. BOSE, te 's Gravenhage. 

F. J. STAMKAET *), te Delft. 

F. c. DONDEBS, te Utrecht. 
p. HAETiNG, te Utrecht. 

3. w. L. VAN ooBDT, te Rotterdam. 
H. SGHLEGEL, te Leiden. 

G. E. vooBïïELM SCHNEEVOOGT, te Amsterdam. 

w. c. H. STABiNG f), op den Huize Boekhorst bg Lochem. 

c. H. D. BüiJS BALLOT, te Utrecht. 

F. z. EBMEBiNs, te Groningen. 

3. A. c. OUDEMANS, te Utrecht (tgdelgk te Batavia). 

D. BiEBENs DE HAAN, te Leiden. 
j. BOsquET, te Maastricht. 

A. w. M. VAN HASSELT, te Amsterdam. 

M. o. VEBLOBEN, te Schothorst bij Amsrsfoort 

3. VAN GOGH, te 's Gravenhagc (üitlandig). 

V. s. M. VAN DEB WILLIGEN, te Haarlem. 

p. ELiAS, te 's (xvavenhage. 

c. A. J. A. OUDEMANS, te Amsterdam. 

E. H. VON BAUMHAUBB, te Haarlem. 



*) Tot aan den Heer f. j. stajckart zgn de namen alphabetisch gesteld 
van hen, die bij Koninklijk besluit yan 26 October 1851, N^. 8, werden be- 
noemd tot gewone leden der Koninklijke Akademie van Wetenschappen. 

f) De alphabetische orde is ook aangenomen voor hen, die by Kon. be- 
sluit van 28 Februarij 1855 tot gewone leden der Natuurkundige Afdeeling 
van de Academie werden benoemd. De rangorde der leden volgende op den 
Ueer w c. h. staring wordt bepaald door den tjjd hunner benoeming. 



s. c. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN, te Leiden. 

p. M. BBUTEL DE LA BiviÈAE, te Leiden, 

p. BLEEKEB, te ^8 Gvavenhoge. 

p. J. VAN KEECKHOPP, te Utrecht. 

j. BOSGHA, TSL, te *8 Chravenhoge. 

N. w. p. EAUWBNHOPP, te ütrecht. 

p. L. BUKE, te Leidetii 

A. HEYNSius^ te Leiden. 

H. HOEK, te ütrecht. 

j. A. BOOGAABD; te Leiden. - 

L. coHEN arrüABT, te Delft. 

Q. VAN DiESEN, te Utrecht. 

w. K08TEB, te Utrecht. 

o. P. W. BAEHB^ te Delft. 

w. F. B. ST7BIN6AB, te Leiden. 

T. 3. STIELTXBS, te Delft. 
HEBK. V06ELSANG, te Delft. 

3. A. HBBKLOTS, te Leiden. 

A. C. OÜDBMANS, JB., te Delft. 

c. H. c. GBiNWis, te Utrecht. 

c. M. VAN DEB 8ANDE LACOSTE, te Amsterdam. 

TH. w. ENGELMANN, te Utrecht. 

3. B. T. OBTT, te Haarlem. 



Rustende Leden. 

c. PBUYS VAN DEB HOEVEN, te Leiden. 
3. p. DELPBAT, te 's Gravcnhage. 
B. VAN BEES, te Utrecht. 
G. J. MULDER, te Bennekom. 



VI 

Correspondenten in de Overzeesche Bezittingen van het Rifk, 

c. SWAVING, te Buitenzorg op Java. 

p. j. MAiEB, te Batavia. 

j. E. TEYSMANN, te Buitenzorg op Java. ' 



Buitenlandsche Leden. 

A. G. BEGQÜEBEL, te Partjs. 

H. K. w. BEBGHAüs, te Potsdam. 

j. B. DUMAS, te Parijs. 

j. VON LiEBiG, te Munchen. 

H. VON MOHL, te Tuhingen. 

j. J. d'omalius, te Ciney. 

E. OWBN, te LonSen. 

A. QUETELBT, te BrusseL 

RAMON DE LA SAGBA, te Parys. 

JOHN p. w. HEKSCHEL, te Londen. 

p. j. VAN BENEDEN, te Leuven. 

G. B. AiRY, te Greenwich. 

H. HELMHOLTZ, te Berlijn. 

A. w. HOFMANN, te Berlijn. 

V. BEGNAULT, te Parijs. 

R. viRCHOW, te Berlijn. 

H. w. DOVE, te Berlijn. 

H. R. GÖPPEET, te Breslau. 

H. MiLNE EDWAEDS, te Parijs. 

w. WEBER, te Göttingen. 



vn 

Afdeeling voor de Taal^^ Letter-^ Geschiedkundige en 

Wijsgeerige Wetenschappen, 

Gewone Leden. 

R. p. A. DOZY, te Leiden. 

J. HOTFKAi^, te Leiden. 

c. TiTTKMAys, te Leiden. 

T. B<X)BJ)A, te Leiden. 

A. KTiTGEBS, te Leiden. 

M. BB YBiES *), te Leiden. 

w. G. BBILL, te Utrecht. 

li. PH. c. VAN DEN BEBGH, te 's Gravenhogc. 

w. j. A. JONCKBLOET, te * 8 Gravcnhoge. 

w. MOLL, te Amsterdam. 

H. J. KOENEN, te Amsterdam. 

j. DE WAL, te Leiden. 

j. DntKS, te Leeuwarden. 

c. w. opzooMEB, te Utrecht. 

j. H. scHOLTEN, te Leiden. 
I*. A. J. w. SLOBT, te Leiden. 
w. J. KNOOP, te 's Gravenhage. 

G. DE YBIES, AZ., te 'sGravenhogc. 

j. c. o. BOOT, te ilmsterdam. 

M. H. GODEFBOi, te ^sGravcnhogc. 

j. A. c. VAN HEUSDB, te 's Gravenhoge. 

w. c. MEES, te Amsterdam,. 

N. BEETS, te Utrecht. 

E. J. FEUiN, te Leiden. 

B. J. MNTELO DE GEER, te Utrecht. 

j. H. HOLWEEDA, te Gorinchcm. 

A. KUENBN, te Leiden. 

Q. MEES, AZ., te Rotterdam. 

j. KAPFEYNE VAN DE COPPELLO, te ^ s Gravcnhoge. 

D. HARTING, te Enkhuizcn. 



*) Tot aan den Heer m. db ybibs zijn de namen alphabetisch gesteld yan 
hen, die by Koninklijk besluit yan 28 Febr. 1856 tot gewone leden der Af* 
deeling werden benoemd. De rangorde der oyerige leden wordt bepaald door 
den tijd hnnner benoeming. 



vm 

s. vissEBiNG, te Leiden. 

G. ACKEB, STRATINGH, te Gronifige^n. 

j. E. GOUDSMIT, te Leiden. 

A. EÉviLLE, te Rotterdam, 
j. p. six, te Amsterdam. 
P. j. VETH, te Leiden. 

s. A. NABER, te Amsterdam. 

TH. BOREET, te Vogelensang. 

c. M. PBANCKEN, te Groningen. 

s. HOEKSTRA, BZ., te Amsterdam. 

H. KERN, te Leiden. 

j. K. J. DE JONGE, te 'sGravenhage. 

j. T. BTTYS, te Leiden. 

j. A. FRUiN, te Utrecht. 

R. T. H. P. L. A. VAN BONEVAL FAURE, te Ldden. 

B. D. H. TELLEGEN, te Groningen. 

B. H. c. K. VAN DER WNCK, te Groningen. 

E. VERWIJS, te Leiden. 

M. J. DE GOEJE, te Leiden. 

H. VAN HERWERDEN, te Utrecht. 



Ritstende Leden. 
j. BOSSCHA, te 'sGravenhage. 



Correspondenten in de Overzeesche Bezittingen van het ügfc. 

R. H. TH. PRiEDERiGH, te Batavia. 
B. F. MATTHES, te Makossar. 
j. A. VAN DER CHYS, te Batavia. 

H. NEUBRONNER VAN DER TUUK, Op Boli. 

A. B. COHEN STUART, te Batavia. 

K. F. HOLLE, te Garoet {Preanger Regentsch.). 

H. D. LEVYSSOHN NORMAN, te Botavia. 



IX 

Buüenlandsche Leden. 

mcaaEL chevaueb, te Parijs, 

H. L. FLEiscHEB, te Letpzig. 

p. GUizoT, te Parijs. 

li. F. OAGHAKD, te BrusseL 

c. B. LEPSiüs, te Berlijn, 

j. N. HADVio, te Koppenhagen, 

LEOFOLD BAiTKE; te Berlijn. 

A. B. BANOABÉ, te Athene. 

o. GBOTE, te Londen. 

3. BOULEZ, te Gent. 

OTANisLAS JXJLiBN, te Partjs. 

c. LASSEN, te Bonn, 

TH. MOHMSEN, te Berlijn, 

H. c. EAWLiNSON, te Londen, 

A. THEINEB, te Rorne, 

G. CONESTABILE, te Perugia, 

j. LOTHBOP MOTLEY, (tgdel^k) te 's Gravenhage. 

V. J. GHABAS, te Chdlons sur Sa^ne. 

H. HOFFMANN voN FALLEBSLEBEN, Slot Corvey^ bg Höxter. 

V. DUBUY, te Parijs. 



xn 



Donders, (F. C.) te Utrecht, L. 

a. N. 23 Febr. 1855. 
Dove, (H. W.) te Berlijn, B. L. 

a. N. 7 Mei 1861. 
Dozy, (F.) te Leiden, L. a. N. 

28 Febr. 1855. Overl. 7 Oct. 

1856. 
Dozy, (B, P. A.) te Leiden, L. a. 

L. 23 Febr. 1855. 



Dumas, (J. B.) te Parjjs, B. L. 
a. N. 26 Oct. 1851. 

Dumontier, (F. A. C.) te Para- 
maribo, C. a. N. 5 Mei 1859. 
Bed. 8 Aug. 1860. 

Duruy, (V.) te Parys, B, L. a. 
L. 5 Mei 1867. 

Dijk, (C. M. van) te Utrecht, L. a. N. 
23 Febr. 1855. Bed. 21 Mrt. 1855. 



E. 



Elias, (P.) te 's Ghravenhage, L. 

. a. N. 2 Mei 1867. 
Engelmann, (Th. W.) te Utrecht, 

L. a. N. 12 Mei 1870. 
Ermerins, (F. Z.) te Groningen, 

. L. a. N. 6 Aprü 1855. 



Ermerins, ( J. W.) te Groningen, L 
a. N. 28 Febr. 1855. R. L. 19 
Febr. 1868. Overl. 2 Maart 1869. 

d'Espine, (Baron A.) te Aix, in 
Savoye, B. L. a. N. 26 Oct. 
1851. Overl. 7 April 1868. 



F. 



Faraday, (M.) te Londen, B. L. 

a. N, 26 Oct. 1851. Overl. 25 

Aog. 1867. 
Faure, (R. T. H. P. L. A. Boneval) te 

Leiden, L. a. L. 2 Mei 1868. 
Pleischer, (H. L.) te Leipzig, B. 

L. a. L. 19 AprU 1855. 
Focke, (H. C.) te Paramaribo, C. 

a. N. 23 Febr. 1865. Overl. 29 

Juniy 1856. 



Francken, (C. M.) te Groningen, 

L. a. L. 8 Mei 1865. 
Fremery, (P. J. J. de) te ütrechty 

L. a. N. 23 Fehr. 1855. Overl. 

7 Sept. 1855. 
Friederich, (E. H. Th.) te i5atowa, 

G. a. L. 1 Mei 1858. 
Fruin, (J. A.) te UtrechttlM&,h 

5 Mei 1867. 
Froin, (B. J.) te Leiden, L. a. L. 

4 Mei 1869. 



G. 



Gaehard, (L. P.) te Brussel^ . B. 

L. a. L. 19 AprU 1865. 
Gauss, (C. F.) te Oöttingen, B. L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 23 

Febr. 1856. 
Geer, (B. J. Lintelo de) te Utrecht^ 

L. a. L. 4 Mei 1859. 
Geuns, (J. van) te Am8terdam,Jj, 

a. N. 26 Oct. 1851. 
Ghijben, (J. Badon) te Breda, L. 

a. N. 23 Febr. 1855. B. L. 30 

Jan\i 1868. Overl. 31Jan. 1870.1 L. a. N. 7 Mei 1861 



Gilse, (J. van) te Amsterdam^ L. 

a. L. 4 Mei 1869. Overl 26 

Mei 1869. 
Glavimans, (C. J.) te Rotterdam, 

L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

11 Aug. 1857. 
Godefroi, (M. H.) te '* Gravenhage^ 

L. a. L. 2 Mei 1857. 
Gocje, (M. J. de) te Leiden, L. a. 

L. 8 Mei 1869. 
Göppert, (H. B.) te Breslau^ B. 



xm 



Oogh, (J. van) te *8 Oravenkage^ 

h. a. N. 2 Mei 1867. 
Gondsmit» (J. E.) te Leiden, L. a. 

L. 5 Mei 1862. 
Greuve, (F. C. de) te Groningen, 

L. a. L. 23 Febr. 1865. B. L. 

6 Dec. 1862. Overl. 28 April 

1868. 



Grinwifl, (G. H. C.) te Utrecht, 

L. a. N. 8 Mei 1869. 
Oroen van Prinsterer, (G.) te 'e Gra' 

venhage, L. a. L. 23 Febr. 1866. 

Bed. 27 April 1865. 
Qrote, (G.) te Londen, B. L. a. L. 

2 Mei 1857. 
Guizot, (F.) te Parijs, B. L. a. L. 

19 April 1866. 



H. 



Haan, (D. Bierens de) te Leiden, 

L, a. N. 5 Mei 1866. 
Haan, (W. de) te Haarlem, L. a. 

N. 26 Oct. 1851. Overi. 15 April 

1855. 
Halbertsma, (H. J.) te Leiden, L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overi. 22 

Nov. 1865. 
Hall, (H. C. van) te Groningen, 

L. a. N. 26 Oct. 1851. 
Hall, (J. van) te Utrecht, In a. 

L. 24 Maart 1855. Overl. 19 

Maart 1859. 
Harting, (D.) te Enkhuizen^ L. a. 
L. 8 Mei 1860. 



Heynsius, (A.) te Leiden, L. a. 

N. 12 Mei 1864. 
Hoek, (M.) te Utrecht, L. a. N. 

12 Mei 1864. 
Hoekstra, Bz., (S.) te Amsterdam, 

L. a. L. 8 Mei 1865. 
Hoeven, (A. des Amorie van der) 

te Amsterdam, L. a. L. 23 Febr. 

1855. Overi. 29 Jnl^j 1856. 
Hoeven, (C. Pruys van der) te Lei" 

den, L. a. N. 26 Oct. 1851. B. 

L. 13 Aug. 1862. 
Hoeven, (J. van der) te Leiden^ 

L. a. N. 26 Oct. 1861. Overl. 

10 Maart 1868. 



Harting, (P.) te Utrecht, L. a. N. Hofl&nann von FaUersleben, (H.) 
23 Febr. 1855. Slot Corvey bij Höxter, B. L. 



Hasselt, (A. W. M. van) te Amster- 
dam, L. a. N. 5 Mei 1856. 
Hasskarl, (J. L.) te Batavia, C. 

a. N. 6 April 1855. 
Helmholtz, (H.) te Berlyn^ B. L. 

a. N. 4 Mei 1859. 
Herklots, (J. A.) te Leiden, L. a. 

N. 2 Mei 1868. 
Herschel, (John F. W.) te Londen^ 

B. L. a. N. 1 Mei 1858. 
Herwerden, (H. van) te Utrecht, 

L. a. L. \2 Mei 1870. 
Heusde, (J. A. C. van) te 'sGra- 



a. L. 7 Mei 1866. 
Hoffmann, (J.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1865. 
Hofmann, (A. W.) te Berl^n, B. 

L. a. N. 4 Mei 1869. 
HoUe, (K. F.) te Oaroet o^Java, 

C. a. L. 3 Mei 1869. 
Holtius, (A. C.) te Utrecht, L. a. 

L* 23 Febr. 1866. B. L. 1867. 

O^eri. 29 Maart 1861. 
Holwerda, (J. H.) te Gorinchem^ 

L. a. L. 4 Mei 1859. 
Horsfield, (Th.) te Londen, B. L a N. 



venhage, L a. L. 1 Mei 1858. 260ct. 1851. Overl. 24 Jal]yi869« 



XIV 



Hnlleman^ (J. G.) te Leiden^ L. 
a. L. 6 Mei 1856. Overl. 29 
Mei 1868. 



Homboldt, (A. von) te Berlpn^B, 
L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 
6 Mei 1859. 



J. 



Janssen^ (L. J. F.) te Leiden, L. 

a. L. 23 Febr. 1855. Overl. 22 

Julig 1869. 
Jonckbloet, (W. J. A.) te 's Gra- 

venkage, L. a. L. 24 Maart 

1855. 
Jonge, (J. K. J. de) te 'sGra- 

venhage, L. a. L. 7 Mei 1866. 



Julien, (8.) te Far^s^ B. L. a. L. 

2 Mei 1857. 
Junghuhn, (F. W.) te Batavia,C, 

a. N. 6 April 1855, Overl. 20 

April 1864. 
JuynboU, (T. W. J.) te Leiden, 

L. a. L. 28 Febr. 1855. Overl 

16 Sept 1861. 



K. 



Kaiser, (F.) te Leiden, L. a. N. 

26 Oct. 1851. 
Eappeyne van de Coppello, (J.) 

te 'sGravenhage^ L. a. L. 8 

Mei 1860. 
Karaten, (S.) te Utrecht^ L. a. L. 

23 Febr. 1855. Overl. 7 Mei 1864. 
Kemper, (J. de Bosch) te Amster- 
dam, L. a. L. 23 Febr. 1855. 

Bed. 26 April 1856. 
Kerokhoff, (P. J. van) te Utrecht^ 

L. a. N. 5 Mei 1862. 
Kerkw^'k, (G. A. van) te 'sGra- 

venhage, L. a. N. 23 Febr. 1855. 

B. L. 25 Jan. 1868. Overl. 27 

Febr. 1871. 
Kern, (H.) te Leiden, L. a. L. 7 

Mei 1866. 



Kinder de Camarecq, (A. W.) op 

Java, C. a. L. 7 Mei 1866. 
Kist, (N. C.) te Leiden, L. a. L. 28 

Febr. 1855. Overl. 21 Dec. 1859. 
Knoop, (W. J.) te 's Oravenhage, 

L. a. L. 2 Mei 1857. 
Koenen, (H. J.) te Amsterdam^ 

L. a. L. 23 Maart 1855. 
Kolk, (J. L. C. Schroeder van der) 

te Utrecht, L. a. N. 26 Oct. 

1851. Overl. 2 Mei 1862. 
Koster, (W.) te Utrecht^ L. a. N. 

7 Mei 1866. 
Knenen, (A.) te Leiden, L. a. L. 

4 Mei 1859. 
Kun, (L. J. A. van der) te 's Gra- 

venhage^ L. a. N. 26 Oct. 1851. 

Overl. 26 Jan. 1864. 



L. 



Lassen, (C.) te Bonn, B. L. a, L. 

4 Mei 1859. 
Leemans, (C.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. 
Lennep, (J. van) te Amsterdam, L. 

a. L. 23 Febr. 1855. Overl. 

25 Aug. 1868. 



Lepsius, (C. B.) te Berl^n, B. L. 
a. L. 19 April 1856. 

Levyssohn Norman, (H. D.) te Ba- 
tavia, O. a. L. 8 Mei 1869. 

Liebigy (J. von) te Munchen, B. 
L. a. N. 26 Oct. 1851. 



XV 



Lindenaa* (B. Jl Yon) te Alten'» 
burg^ B. L. a. N. 26 Oot. 1861. 
Orerl. 81 Mei 1866. 



Lobatto, (B.) te Delft, L. a. N. 
S6 Oct. 1861. Overi. 9 Febr. 
1866. 



M. 



Macaulay ,(Th.Babington) te Camp- 

denhiU b^' Kensington, B. L. a.L. 

19 April 1866. 0?erL 28 Dec. 

1859. 
Madvig, (J. N.) te Koppenhagen, 

B. Li. a. L. 19 April 1866. 
Maier, (P. J.) te Batavia, C. a. N. 

7 Mei 1861. 
Matthes, (B. F.) te Makassar, C. 

a. L. 7 Mei 1861. 
Matthes, (C. J.) te Amsterdam, 

L. a. N. 26 Oct. 1861. 
Mees, Az., (G.) te Rotterdam, L. 

a. L. 4 Mei 1869. 
Mees, (W. C.) te Amsterdam, L. 

a. L. 1 Mei 1868. 
Meschy (A. H. van der Boon) te 

Leiden, L. a. N. 26 Oct. 1861. 
Millies, (H. C.) te Utrecht, L. a. 

L. 5 Mei 1866. Overi. 26 Nov. 

1868. 



Milne Edwards, (H.) te Parijs, B. 

L. a. N. 6 Mei 1862. 
Miquel, (F. A. W.) te ütreckt, L. 

a. N. 26 Oet. 1861. Bed. 26 

Jan^ 1867, L. a. N. 8 Mei 1860. 

Overl. 28 Jan. 1871. 
Mohl, (H. Yon) ijtTubingen, B.L. 

a. N. 26 Oct 1861. 
Moll, (W.) te Amsterdam, L. a. L. 

24 Maart 1866. 
Mommsen, (Th.) te Berlijn, B. L. 

a. L. 4 Mei 1869. 
Motiey, (J. L.) te *« Oraoenkage, 

B. L. a. L. 6 Mei 1862. 
Mulder, (Cl.) te Groningen, L.a.N. 

23 Febr. 1866. B. L. 6 Oct. 1866. 

Overi. 4 Mei 1867. 
Mulder, (O. J.) te Bennehom^ L. 

a. N. 26 Oct. 1861. B. L. 28 

Nov. 1868. 



N. 



Kaber, (S. A .) te J msterdam, L. a. L. 

8 Mei 1866. 
Numan, (A.) te Utrecht, L. a. N. 26 

Oct. 1861. Overl. 1 Sept. 1862. 



Nijhoff, (Is. An.) te Arnhem, L.a. L. 
24 Maart 1866. Overl. 20 Jun^' 
1868. 



O. 



OmaliuB, (J. J. d*) te öine^, B. L. 

a. N, 26 Oct. 1861. 
Oordt, (J. W. L. van) te Rotter- 

dam, L. a. N. 23 Febr. 1866. 
Opzoomer, (C. W.) te Utrecht, L. 

a. L. 6 Mei 1866. 
Ortt, (J. B. T.) te Haarlem, L. 

a. N. 12 Mei 1870. 



Oudemans, Jr., (A. G.) te Delfti 
L. a. N. 3 Mei 1869. 

Oudemans, (CA. J. A.)te Amster- 
dam, L. a. N. 1 Mei 1868. 

Ottdemans, (J. A. C.) te Utrecht^ 
L. a. N. 6 April 1866. 

Owen, (B.) te Londen, B. L. a. 
N. 26 Oct. 1861. 



XVI 



p. 

Pluygers, (W. G.) te Leiden, L. a. L. 12 Mei 1864. Bed. 9 Maart 1867. 
Quetelet, (A.) te Brussel, B. L. a. N. 26 Oot. 1851. 



Bangabé, (A. B.) te Athene, B. L. 

a. L. 2 Mei 1857. 
Banke, (L.) te Berlijn, B. L. a. 

L. 19 April 1865. 
Eauwenhoff, (N. W. P.) te Utrecht, 

L. a. N. 1 Mei 1863. 
Bawlinson, (H. G.) te Londen, B. 

L. a. L. 4 Mei 1859. 
Bees, (O. van) te Utrecht, h, sl^L, 

7 Mei 1866. 0?eri. 24 Mei 1868. 
Beesy (E. van) te Utrecht, L^a.N, 

26 Oct. 1851. E. L. 24 Mei 1867. 
Begnault, (V.) te Farys, B. L.a. 

N. 8 Mei 1860. 
Beinwardt, (C. G. C.) te Leiden, 

E. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 

6 Maart 1854. 
Eéville, (A.) te Rotterdam, L. a. 

L. 5 Mei 1862. 



Eoorda, (T.) te Leiden, L. a. L. 

28 Febr. 1865. 
Bose, (W. N.) te ^s Oravenhage, 

L. a. N. 26 Oct. 1851. 
Bost van Tonningen, (D. W.) te 

Cheribon (op Java), C. a. N. 

7 Mei 1801. 
Boulez, (J.) te Gent, B. L. a. L. 

2 Mei 1867. 
Bueb, (A. S.) te Utrecht, L. a. N. 

26 Oot. 1851. Overl. 11 Maart 

1854. 
Eutgers, (A.) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1855. 
Eijk, (J. C.) te 's Gravenhage, B. 

L. a. N. 26 Oct. 1861. Overl. 

2 Mei 1854.. 
E\jke, (P. L.) te Leiden, L. a.N. 

1 Mei 1863. 



S. 



Sande Lacoste, (C. M. van der) te 

Amsterdam, L. a.N. 3 Mei 1869. 
Sagra, (Bamon de la) te Parys, 

B. L. a. N. 26 Oct. 1851. 
Savigny, (F. von) te Berlijn, B. 

L. a. L. 19 April 1865. Overi. 

25 Oct. 1861. 
Schlegel, (H.) te Leiden, L. a. N. 

23 Febr. 1855. 
Schneevoogty (G. E. Yoorhelm)te 

Amsterdam, L. a. N. 23 Febr^ 

1855« 
Scholten, (J. H.) te Leiden^ L. a. 

L. 5 Mei 1856. 



Sebastian, (A. A.) te Amsterdam, 

L. a. N. 23 Febr. 1855. Bed. 

17 Dec. 1856. 
Seelig, (H. G.) te Breda, L.a.N. 

23 Febr. 1865. E. L. 1856. Overl. 

3 Oct. 1864. 
Simonsy (G.) te 'sGravenhage, L. 

a. N. 26 Oct. 1861. Overl 17 

Nov. 1868. 
SiXy (J. P.) te Amsterdam, L. a. 

L. 5 Mei 1862. 
Sloet, (L. A. J. W.) te. Leiden, 

L. a. L. 5 Mei 1856. 



xvn 



Stamkart, (F. J.)i te DelfU L. a. 

N. 26 Oct. 1861. 
Staring, (W. C. H.) op Boekhorst 

by Lochem^ L. a. N. 23 Febr. 

1855. 
Stratingb, (6. Aoker) te Groningen^ 

L. a. L. 7 Mei 1861. 
Stieltjes, (T. J.) te Delft, L. a. N. 

2 Mei 1868. 



Stnart, (A. B. Cohen) te Bataviaf 

C. a. L. 2 Mei 1868. 
Stuart, (L. Cohen) te Delft, L. a. 

N. 8 Mei 1865. 
Suringar, (W. F. E.), te Leiden, 

L. a. N. 5 Mei 1861. 
SwaWng, (C.) Buitenzorg op Java, 

C. a. N. 23 Febr. 1865. 



T. 



Tellegen, (B. D. H.) te Groningen^ 

L. a. L. 8 Mei 1869. 
Temminck, (C. J.) te Leiden, B. 

L. a. N. 26 Oct. 1861. Overl 

30 Jan. 1858. 
Teysmann, CJ. E.) te Buitenzorg 

(op Java), C. a. N. 8 Mei 1866. 



Theiner, (A.) te Rome, B. L. a. 

L. 4 Mei 1859. 
Tiedemann, (F.) te Munchen, B. L. 

a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 23 

Jan. 1861. 
Taak, (H. N. van der) op Bali, 

C. a. L. 2 Mei 1868. 



U. 



üllman, (C.) te CarUruhe, B. L. 
a. L. 19 April 1855. Overl. 12 
Jan. 1865. 



Ursel, (de Hertog van) idBruaael, 
C. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 
27 Sept. 1860. 



V. 



Verdam, (G. J.) te Leiden, L. a. 

N. 26 Oct. 1851. Overl. 29 

Oot. 1866. 
Verloren, (M. C.) te Amersfoort, 

L. a. N. 2 Mei 1857. 
Verwijs, (E.) te Leiden, L. a. L. 

3 Mei 1869. 
Veth, (P. J.) te Leiden, L. a. L. 

8 Mei 1865. 
Virchow, (R.) te Berlijn, B. L. a. 

N. 8 Mei 1860. 
Vissering, (S.) te Leiden, L. a. L. 

7 Mei 1861. 
Vogelsang, (H.) te Delft, L. a. N. 

2 Mei 1868. 

Jaasbobk 1871. 



Yollenhoven, (S. C. Snellen van) 

te Leiden, L. a. N. 8 Mei 1860. 
Vries, Az., (G. de) ie ^sGraven» 

'hage, L. a. L. 2 Mei 1857. 
Vries, (M. de) te Leiden, L. a. L. 

23 Febr. 1865. 
Vriese, (W. H. de) te Leiden, L. 

a. N. 26 Oct. 1851, Overl. 23 

Jan. 1862. 
Vrolik, (G.) te Amsterdam, B. L. 

a. N. 25 Oct, 1861. Overl. 10 

Nov. 1859. 
Vrolik, (W.) te Amsterdam, L. a. 

N. 26 Oct. 1851. Overl. 22 

Dec. 1863. 

B 



XVIU 



w. 



Wal, (J. de), te Leiden^ L. a. L, 

24 Maart 1855. 
Wassink, (G.) te Batavia, C. a. 

N. 2 Mei 1857. Overl. 17 Oct. 

1864. 
Weber, (W.) te Götiingen, B. L. 

a. N. 2 Mei 1868. 



WiUigen, (V. 8. M. van der) te 

Haartem, L. a. N. 2 Mei 1857. 
Winkel, (L. A. te) te Leiden^ L. 

a. L. 7 Mei 1861. Overl. 24 

Aprü 1868. 
Wyck, (B. H. C. K. van der) te 

Groningen, L. a. L. 3 Mei 1869. 



LIJST 



DEB 



BIIHTBN- BH BOITEnLANDSCHE 

ACADEMIËN, GELEERDE GENOOTSCHAPPEN EN 

INSTELLINGEN, 

WAABMEDE DE KONINKLIJKE AKABEMIE VAN 
WXTBNSOHAFPBN DOOB BOILING DEB T7ITQEGBYEN WBBKBN IN 

VEBBINDINQ 18. 



NEDERLAND. 

Hoogeschool te Leiden. 
Utrecht. 

Groniagen. 

Polytechnische school te Delft. 
AthenaBom te Amsterdam. 

Deventer. 

Maatschappij (Hollandsche) der Wetenschappen, te Haarlem. 

der Nederlandsche letterkunde^ te Leiden. 

(Nederlandsche) ter bevordering van Nijverheid, 

te Haarlem. 

tot bevordering der Bouwkunst, te Amsterdam. 

Genootschap (Teylers tweede), te Haarlem. 

(Zeeuwech) der Wetenschappen, te Middelbui^. 

(Provinciaal XJtrechtsch) van Kunsten en Weten- 
schappen, te Utrecht. 

(Historisch), gevestigd te Utrecht. 

— (Bataafsch) der Proefondervindelijke Wijsbegeerte, 

te Eotterdam. 

B* 



XX 

Genootschap (Provinciaal) van Kunsten en Wetenschappen in 

Noord-Brabant, te 's Hertogenbosch. 

* (Wiskundig) onder de zinspreuk : Een ofivermoeide 

arbeid komt alles te boven, te Amsterdam* 

(Koninklijk Zoölogisch) Natura Artis Magistra, te 

Amsterdam. 

(Nederl. Onderwijzers-) ter bevordering van Volks- 
opvoeding en Onderwijs, te Amsterdam. 

ter bevordering van Natuur-, Genees- en Heel- 
kunde^ te Amsterdam. 

— • (Friesch) voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, 

te Leeuwarden. 

Instituut (Koninklijk) van Ingenieurs, te 'sGravenhage. 

. — voor de Taal-, Land» en Volkenkunde 

van Neêrlandsch Indië, te Delft. 



(Koninklijk Nederlandsch Meterologisch), te Utrecht. 

Nederlandsche Entomologische Vereeniging, te Leiden. 
Vereeniging (Overijeselsche) tot ontwikkeling van Provinciale 

welvaart te Zwolle. 
Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, te Amsterdam. 
Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, 

te Amsterdam. 
Vereeniging voor Volksvlijt, te Amsterdam. 
Nederlandsche Handelmaatschappij, te Amsterdam. 
Boekerij van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, te 'sGravenhage. 
Provinciale Bibliotheek van Friesland, te Leeuwarden. 
Openbare Bibliotheek, te Arnhem. 
Stadsboekerij, te Zutphen. 
Provinciale Bibliotheek^ te Middelburg. 
Rotterdamsch Leeskabinet. 

OOST-INDIË. 

Bataviaasch Genootschap der Kunsten en Wetenschappen, teBatavia. 
Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederl. Indië, te Batavia. 
Nederlandsch-Indische Maatschappij van Nijverheid, te Batavia. 
Vereeniging tot bevordering der Geneeskundige Wetenschappen; 
te Batavia. 



XXI 

W E S T - I N D I È. 
Koloniale Bibliotheek, te Suriname. 

BELGIË. 

Académie Bojale des Sciences, Lettres et Arts de Belgique, 
te Brussel. 

de Médecine de Belgique, te Brussel. 

Société Eoyale de Sciences, te Luik. 

WiLems-Fonds, te Gent. 

Université Catholique de Louvain, te Leuven. 

F A A N K A IJ K. 

Académie Impériale des Sciences, te Parijs. 

Ecole Lnpériale Polytechnique, te Parijs. 

Bibliothèque du Comité des Travaux historiques et des Socié- 

tés savantes, te Parijs. 
Bibliothèque du Ministère de l'Agriculture, du Commerce et 

des Travaux Publics, te Parijs. 
Muséum d'Histoire Naturelle, te Parijs. 
Académie Impériale de Médecine, te Parijs. 
Société de Biologie, te Parijs. 
Het Departement van Oorlog, te Parijs. 
Bibliothèque Impériale, te Parijs. 

Académie Impériale des Sciences^ Belles-Lettres et Arts, te Lyon. 
Société Impériale d'Agriculture, d'Histoire Naturelle et d'Arts 
utiles, te Lyon. 

Linnéenne, te Lyon. 

de Normandie, te Caen. 

Académie des Sciences, Arts et Belles-Lettres, te Caen. 
Société des Antiquaires de Normandie, te Caen. 
Académie Impériale des Sciences, Inscriptions et Belles-Lettres, 
te Toulouse. 

de Législation, te Toulouse 

Impériale des Sciences, Belles-Lettres et Arts, te 

Bordeaux. 

des . Sciences, Arts et Belles-Lettres, te Dijon. 



XX 

Genootschap (Provinciaal) van Kunsten en Wetenschappen in 

Noord-Brabant, te 's Hertogenbosch. 

» (Wiskundig) onder de zinspreuk : Een ofwermoeufe 

arbeid komt alles te boven, te Amsterdam* 

(Koninklijk Zoölogisch) Natura Artis Magiêtra, te 

Amsterdam. 

(Nederl. Onderwijzers-) ter bevordering van Volks- 
opvoeding en Onderwijs, te Amsterdam. 

ter bevordering van Natuur-, Genees- en Heel- 
kunde^ te Amsterdam. 

— • (Priesch) voor Geschied-, Oudheid- enTaalkunde, 

te Leeuwarden. 

Instituut (Koninklijk) van Ingenieurs, te 's Gravenhage. 

. — voor de Taal-, Land* en Volkenkunde 

van Neêrlandsch Indië, te Delft. 

(Koninklijk Nederlandsch Meterologisch), te Utrecht. 



Nederlandsche Entomologische Vereeniging, te Leiden. 
Vereeniging (Overijeselsche) tot ontwikkeling van Provinciale 

welvaart te Zwolle. 
Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, te Amsterdam. 
Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, 

te Amsterdam. 
Vereeniging voor Volksvlijt, te Amsterdam. 
Nederlandsche Handelmaatschappij, te Amsterdam. 
Boekerij van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, te 'sGravenhage. 
Provinciale Bibliotheek van Eriesland, te Leeuwarden. 
Openbare Bibliotheek, te Arnhem. 
Stadsboekerij, te Zutphen. 
Provinciale Bibliotheek^ te Middelburg. 
Rotterdamsch Leeskabinet. 

OOST-INDIË. 

Bataviaasch Genootschap der Kunsten en Wetenschappen, teBatavia. 
Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederl. Indië, te Batavia. 
Nederlandsch-Indische Maatschappij van Nijverheid, te Batavia. 
Vereeniging tot bevordering der Geneeskundige Wetenschappen; 
te Batavia. 



XXI 

WESTINDIË. 

Koloniale Bibliotheek, te Suriname. 

BELGIË. 

Académie Bojale des Sciences^ Lettres et Arts de Belgique, 
te Brussel. 

de Médecine de Belgique, te Brussel. 

Société Bojale de Sciences, te Luik. 
WiLems-Ponds, te Gent. 

XJniversitë Catholique de Louvain, te Leuven. 

F R A N K R IJ K. 

Académie Impériale des Sciences, te Parijs. 

Ecole Impériale Polytechnique, te Parijs. 

Bibliothèque du Comité des Travaux historiques et des Socié- 

tés savantes, te Parijs. 
Bibliothèque du Ministère de TAgriculture, du Gommerce et 

des Travaux Publics, te Parijs. 
Muséum d'Histoire Naturelle, te Parijs. 
Académie Impériale de Médecine, te Parijs. 
Société de Biologie, te Parijs. 
Het Departement van Oorlog, te Parijs. 
Bibliothèque Impériale, te Parijs. 

Académie Impériale des Sciences^ Belles-Lettres et Arts, te Lyon. 
Société Impériale d'Agriculture, d'Histoire Naturelle et d'Arts 
utiles, te Lyon. 

Linnéenne, te Lyon. 

-— de Normandie, te Caen. 

Académie des Sciences, Arts et Belles-Lettres, te Gaen. 

Société des Antiquaires de Normandie, te Gaen. 

Académie Impériale des Sciences, Inscriptions et Belles-Lettres, 

te Toulouse. 

de Législation, te Toulouse 

— Impériale des Sciences, BeUes-Lettres et Arts, te 

Bordeaux. 

des Sciences, Arts et Belles-Lettres, te Dijon. 



XXII 

Société d'Agricolture et d'Industrie agricole de la Cote d*or, 

te Dijon. 
Académie des Sciences, Belles-Lettres et Arts, te Bonaan. 

des Sciences et Lettres, te Montpellier. 

Impériale de Savoie, te Chambéry. 

— de Stanislas (Société des Sciences, Lettres et Arts), 

te Nancy. 

d'Emulation, te Kamerrijk, 

Société Impériale des Sciences, de rAgriculture et des Arts^ 
te Bijssel. 

Dunkerquoise pour Fencouragement des Sciences, des 

Lettres et des Arts, te Duinkerken. 

Académique de St. Quentin (Sciences, Arts, Belles- 
Lettres, Agriculture et Industrie), te St. Qaentin. 

Imp. d^ Agriculture, Sciences et Arts de l'arrondissement 

de Valenciennes, te Valenciennes. 

de l'Histoire et des Beaux-Arts de la Flandre Maritime, 

te Bergues. 

Agricole, Scientifique et Littéraire des Pyrénées Orien- 

tales, te Perpignan. 
• des Sciences Naturelles, te Cherburg. 

Naturelles, te Straasburg. 



des Antiquaires de Picardie, te Amiens. 

— de la Morinie, te St. Omer. 

des Sciences Physiques et Naturelles, te Bordeaux. 

• botanique de France, te Parijs. 

ITALIË. 

Accademia Eeale dei Nuovi Lincei, te Bome. 

. delle Scienze delF Istituto di Bologna, te Bologna. 

B. Istituto di Scienze, Lettere ed Arti, te Venetië. 
Istituto Lombardo di Scienze, Lettere ed Arti, te Milaan. 
Accademia Beale delle Scienze, te Turijn. 

Beale delle Scienze, te Napels. 

Consiglio di perfezzionamento annesso al B. Istituto tecnico, te 

Palermo. 
Archivio per l^Antropologia e la Etnologia, te Florence. 



xxm 

SPANJE. 

La Heal Academia de Ciencias^ te Madrid. 
Academia Especiai de Ingenieros, te Madrid. 

PORTUGAL. 
Academia Beale das Sciencias, te Liasabon. 

GROOT*BRITTANNI£ em IERLAND. 

Bojal Society, te Londen. 

Astronomical Society, te Londen, 

Medical and Ghirurgical Society, te Londen. 

Oeographical Society, te Londen. 

• Observatory, te Greenwich. 

Zoological Society^ te Londen. 
Linnean Society, te Londen. 
Hydrographical office (Admiralty), te Londen. 
Ïj&&t-India Gompany, te Londen. 
Philological Society, te Londen. 
Anthropological Society, te Londen. 
Cambridge Philosophical Society, te Cambridge. 
Literary and Philosophical Society, te Manchester. 
Bioyal Society, te Edinburg. 

Observatory, te Edinburg. 

Lish Academy, te Dublin. 

Dablin Society, te Dublin. 

Catholic üniversity of Lreland, te Dublin. 

Philosophical Society, te Glasgow. 
Geological Society, te Dublin. 

Natural History Society, te Dublin. 
Pablic Library, te Melbourne. 
Meteorological Oommittee, te Calcutta. 

AMERICA. 

American Academy of Arts and Sciences te Boston and Cam- 
bridge, Massachusetts. 
Observatory of Harvard College, te Cambridge (Mass). 



XXTV 

State-Library of New- York, te Albany. 

Academy of Natural Sciences, te Pliiladelphia. 

American Philosophical Society, te Philadelphia. 

— ■ Association for the advancement of Sciences, te Phi- 
ladelphia. 

Smithsonian Institution, te Washington. 

Department of Agriculture of the ü. S. of America, te Wash- 
ington. 

American Journal of Sciences and Arts, te Newhaven. 

Michigan-State agricultural Society, te Détroit. 

Academy of Science, te St. Louis (Misaouri), 

Elliot-Society of Natural History, te Charleston (Zuid-Carolina). 

Ohio-State Board of Agriculture, te Columbus. 

State üniversity of lowa, te Des Moines. 

Chicago Academy of Sciences, te Chicago (Hl). 

Galifornia Academy of natural Sciences, te San Erancisco. 

Société de Naturalistes de la Nouvelle Grenade, te Bogota. 

Sociedad de Ciencias fisicas y naturales de Uaracas, te Caracas 
(Venezuela). 

Boston Society of Natural History, te Boston. 

National Academy of Sciences, te Washington. 

Surgeon-General's office Library, te Washington. 

OOSTENRIJK. 

Kaiserliche Akademie der Wissenschaften, te Weenen. 
K. K. Geologische B/cichsanstalt, te Weenen. 
K. K. Geographische Gesellschaft, te Weenen. 
Zoologisch böhmische Gesellschaft, te Weenen. 
Anthropologische Gesellschaft, te Weenen. 
Königlich-böhmische Gesellschaft der Wissenschaften, te Praag. 
Académie des Sciences de Hongrie, te Pesth. 
Verein für Vaterlandische Natui'kunde, te Presburg. 
Das Tirolische Ferdinandeum, te Innsbrück. 
Société historique de Styrie, te Gratz. 
Naturwissenschaftlicher Verein für Steiermark, te Gratz. 
Naturforschender Verein, te Brünn, 



XXV 



P R U I S S E N. 

Königliche Akademie der Wissenschaften, te Berlijn. 
Königliche Sternwarte^ te Koningsbergen. 
Physikalisch-ökonomische Oesellschaft, te Koningsbergen. 
Naturforschende Oesellschaft, te Dantzi^. 
Naturforschende Gesellschaft f. Vaterlaudische Kultur, te Breslau. 
Yereiu von Alterthumsfreunden im Bheinlande, te Bonn. 
Naturhistorischer Yerein der preussischen Eheinlande u. West- 

phalens, te Bonn, 
Naturforschende Gesellschaft^ te Halle. 
Naturwissenschaftlicher Verein für Sachsen und Thüringenj te 

HaUe. 
Oberlausitzische Gesellschaft der Wissenschaften, te Görlitz. 
Gesellschaft fiir nützliche Porschungen, te Trier. 
Die Philomathie, te Neisse. 

Universiteit, te Greifswald. 

Verein fiir Naturkunde, te Pulda. 

Königliche Gesellschaft der Wissenschaften, te Göttingen. 

Gesammt- Verein des deutschen Geschichts- und Alterthums- 
vereines, te Hannover. 

Naturforschende Gesellschaft, te Emden. 

Verein für Naturkunde, te Cassel. 

Gesellschaft zur Beförderung der gesammten Naturwissenschaf- 
t«n, te Marburg. 

Wetterauische Gesellschaft fiir die gesammten Naiurwrissenschaf- 
ten, te Hanau. 

Verein für Naturkunde, te Wiesbaden. 

Senckenbergische Stiftung, te Frankfort a/M. 

Zoologische Gesellschaft, te Frankfort a/M. 

SAXEN. 

K. K. Leopoldinisch Carolinische Deutsche Akademie der Na- 
turf orscher, te Dresden. 
Königlich sachsische Gesellschaft, te Leipzig. 
FürstUch Jablonowskische Gesellschaft, te Leipzig. 



XXVI 

Astronomische Gesellschafi;, te Leipzig. 
Verein für Erdkunda, te Dresden. 

SAXEN-GOTHA. 

Geographische Anstalt^ te Gotha. 

WÜRTTEMBERG. 

Verein filr YaterlUndische Natarkonde^ te Stattgart. 
Bibliothèque Bojale^ te Stuttgart. 

B E IJ E R E N. 

Königliche Akademie der Wissenschaften^ te Munchen. 
K. Hof- und Staatsbibliothek, te Munchen. 
Physikalisch-medicinische Gesellschaft, te Würzburg. 
Naturhistorischer Verein, te Augsbnrg. 
Zoologisch-mineralogischer Verein, te Begensburg. 
Germanisches National-Museum, te Neurenberg. 
PoUichia, Naturwissenschaftlicher Verein der Bheinpfalz, te 
Durkheim. 

HESSEN-DARMSTADT. 

Oberhessische Gesellschaffc für Natur- und Heilkunde, te Giessen. 
Verein für Naturkunde, te Offenbach a/M. 

BADEN. 

Gesellschaft zur Beförderung der Naturwissenschaften, te Frei- 

burg (in Breisgau). 
Naturhistorisch medizinischer Verein, te Heidelberg. 

MECKLENBURG-STRELITZ. 

Verein der Freunde der Naturwissenschaften in Mecklenburg, 
te Neubrandenburg. 



xxvn 

LUXEMBURG. 

Institut Liaxemboargeoia, te Luxembiug. 

HAMBURG. 

Naturwissenschaflblicher Yerein, te Hambui^. 

B R E M £ N. 

Naturforschender Verein, te Bremen. 

ZWITSERLAND. 

Société de Physique et d'Histoire Naturelle, te Genève. 
Helvétique des ScieDces Naturelles, te Bern. 

Bemoise pour les Sciences Naturelles, te Bern. 

Yaudoise des Sciences Naturelles, te Lausanne. 

RUSLAND. 

Académie Impériale des Sciences, te St. Petersburg. 
Musée Impérial de F£rmitage, te St Petersburg. 
Observatoire Physique Central, te St. Petersburg. 
Commission Impériale Archëologique, te St. Petersburg. 
Société Géographique de Russie, te St. Petersburg. 
Jardin Impérial Botanique, te St. Petersburg. 
Société Impériale des Naturalistes, te Moskou. 
Musée public, te Moskou. 
Observatorium, te Pulkowa. 
Societas Scientiarum Pennica, te Helsingfors. 
Académie des Sciences, te Dorpat. 
Naturforscher-Gesellschaft, te Dorpat. 
Naturforschender Verein, te Biga. 

DENEMARKEN. 

Kongelige Danske Yidenskabernes Selskab, te Koppenhagen. 
Société Bojale des Antiquaires du Nord, te Koppenhagen. 
Sternwarte, te Altona. 



XX vin 

ZWEDEN EN NOORWEGEN. 

Kongelige Prederiks Universitat, te Ghristiana. 

Norske Videnskaba-Selskab, te Drontheim. 

Vetenskabs-Akademie, te Stockholm. 

Societas Scientiarum^ te Upsal. 

Bareau de la Becherche Géologique de la Suède, te Stockholm. 

Universitas Carolina, te Lund. 



XXIX 



VRIJDOM VAN BRIEFPORT, 



Ten opzigte van het genot van vrijdom van brief port, is het 
noodzakelyk, den H.H. leden der Academie te doen opmerken, 
dat de brieven, onder kruisband en eigenhandig contreseing 
verzonden, aan het bureau van het Postkantoor behooren te 
worden afgegeven. Zoo zij in de bus worden gestoken, ver^ 
vaU de vrijdom, en worden de brieven getaxeerd. De vrijdom 
bepaalt zich uitsluitend tot de dienst der Academie. 



TBUDOM TAN BBIBFFOBT. 



XXX 

PROGRAMMA cebtaminis Foirnci ab academia begia 
disciplinajBUM nederlandica ex legato hoeupftiano 
indicti in annum mdccclxxi. 

Duo tantum carmina^ quae de praemio certarent^ ante Kal. 
lan. huius anni Academiae missa sunt, de quibus in conventu 
publico ordinis literarii die XIII m. Martii ita iudicatum est: 

Primum, quod inscribitur Carmen aeculare memoriae Serenis- 
simae Dominae, Mariae Theresiae — sacrnm eet. quo celebratur 
illa princeps quod Universitatem Tjim^^^ Budam transtulit et 
collegio medico auxit, nee argumento nee forma commendatur 
iisque vitiis laborat, ut nulla eius ratio haberi possit* 

Longe ei praestat alterum, carmen heroicum, Sïbtflla inscrip- 
tum et lemmate Yergiliano ifHis ego nee metasrerum nee tempora 
pono^^ munitum. Poeta pulcris versibus fecit Sibyllam Cumanam 
praedicentem fata urbis Bomae cum antiquo tempore futura, turn 
postquam novus rerum ordo per puriorem Dei cultum natus erit. 
Ita carmen sponte in duas partes dividitur, quarum prior LXTTT 
versibus con stans egregie omata est. Sed pulchro exordio minime 
respondet exitus^ intra XXII versus inclusus, qui iustam lectorum 
exspectatiouem destituit. Itaque neutri carmini praemiom decer- 
nendum censuerunt indices^ schedulaeque obsignatae in ignem 
coniectae sunt. 

Ex legibus legati Hoeufptiani iam novum certamen iisdem 
conditionibus atque superiora indicitur^ roganturque poetae ut car- 
mina Latina nitide scripta suis sumptibus ante Kal. lan. anni 
MDCCCXXn mittere velint ad virum Cl. I. C. G. Boot, Ord. 
Ut. acta curantem. 

Singula carmina versibus minimum L elaborata, non alinnde 
translata, nee prius edita aut argumenti privati munienda sunt 
aliquo lemmate, quod idem inscribendum est schedulae obsigna- 
tae, quae nomen patriamque poetae contineat. 

Mense Martio anni proximi de carminibus Academiae oblatis 
iudicium promulgabitur. Praemium victoris erit numus aurens 
GXX florenorum, eiusque carmen et si quae praeterea satis pla- 
cebunt sumptibus e legato Hoeüfftiano erogandis edentur. 

Amtelodami, C. W. OPZOOMER, 

Kal. April, mbccclxxi. Ord. Praeses. 



INLEIDING. 



Tot de Yeteenigde Vergadering van de beide Afdeelingen 
der Xoninklijke Akademie van Wetenschappen^ gevestigd te 
Amsterdam, waren de leden met den volgenden brief opge- 
roepen : 



Amsterdam, den 2i^^ April 1871. 

Ik heb de eer ü te noodigen op Saturdag den 29^^^ April 
e. k. des morgens te Elf nren en Dertig minuten, tot eene 
Vb&bbniodb Ybrgadebino van de beide Afdeelingen der Aca- 
demie, voorgeschreven bij Art. 1 2 van het Organiek Beglement. 

C. J. MATTHES, 
Algemeene Secretaris» 



ONDEEWEEPEN TEE BEHANDELING. 

1". Ontwerp- Verslag van den staat en de werkzaamheden der 
Academie. 

&**. Eekening en Verantwoording van den Algemeenen Secreta- 
ris over het jaar ]870 — 1871, en Eapport van de Heeren 

Jaabbobk 1871. ^ 



XXXIV 

H. J. Koenen, W. C. Mees, P. J. van Kbeckhopp en 
J. VAN Gbuns, door de twee Afdeelingen der Academie in 
Commissie benoemd tot het nazien daarvan. 

3°. Eaming van Ontvangsten en Uitgaven over 1871 — 1872. 

4°. Mededeeling omtrent en uit het Verslag der waarnemende 
Commissie: Voor het opsporen^ het behoud en het bekend 
maken van overhUjfaeh van Vaderlandsche Kunst uit vroe- 
gere tijden. 
Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken. 

5°. Verslag van de Charter-Commissie. 

6**. Verslag aangaande Boekerij en Munt- en Penningkabinet. 

7**. Verwisseling van den voorrang der Afdeelingen. 



PROCES-VERBAAL 



VAN DB 



VERKENIfiDE VERGADERINfi DER REIDE AFDEELINGEN 



DER 



KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN SQ***»^ APRIL 1871, DES MOKGENS 
TE HALr TWAALF UREN. 



Algemeene Voorzitter . . c. w. opzoomer. 
Algemeene Secretaris. . . c. j. matthes. 

Tegenwoordig de Heer en: w. moll, d. bierens de haan^ 

A. H. VAN DER BOON MESCH, A. HEYNSIUS, G. DE VRIES, AZ., 

TH. BORRET, G. MEES, AZ., L. COHEN STUART, H, VOGELSANG, 

J. A. BOOGAARD, C. LEEMANS, E. VERWIJS, G. F. W. BAEHR, 

W. N. ROSÉ, E. H. VON BAUMHAUER^ S. A. NABER. J. P. SIXj 

J. R. T. ORTT, F. J. STAMKART, P. M. BRÜTEL DE LA RIVIÈRE, 

H. J. KOENEN, J. C. G. BOOT, V. S. M. VAN DER WILLIGEN, 

G. VAN DIESEN, TH. W. ENGELMANN, F. C. DONDERS, N. BEETS, 

C. A. J. A. OUDEMANS, J. VAN GEUNS. 

C* 



XXXVI 



I. 



De Secretaris draagt het door hem ontworpen Verslag 
voor van den staat en de werkzaamheden der Academie, 
aldus luidende: 

SIRE! 

Wederom heeft de Koninklijke Akademie van Wetenschap- 
pen de eer, Uwer Majesteit het Verslag aan te bieden van 
hare verrigtingen gedurende een a%éloopen jaar, 1870/71. Zij 
vleii ;2ich, daarin het bewijs te leveren, dat hare instelling aan 
het doel blijft beantwoorden. 

Ditmaal had zij geen andere opdragt van Begeringswege te 
vervullen dan de voortzetting en voltooijing van de vergelijking 
der normaalstaaf van Ekpsold^s basis*meettoestel voor de geogra- 
phische dienst in Neêrlandsch-Indië bestemd, en waarvan thans 
de verzending wordt voorbereid. 

De Commissie voor de daling van Neêrlands bodem wijdt 
voortdurend hare aandacht aan de geregeld gedane en naar een 
vast plan berekende waarnemingen van waterhoogten, die op 
dat gewigtig vraagpunt, zoo zij vertrouwt, eenmaal licht zullen 
werpen. 

De Charter-Commissie zal eerstdaags eene nieuwe aflevering 
van het oorkondenboek de pers doen verlaten, bevattende de 
Charters van 1274 tot in 1285; met nog twee volgende ale- 
veringen is dan de eerste afdeeling van het werk voltooid. 

De Commissie belast met het opsporen en bewaren van cle 
overblijfsels der Oude Vaderlandsche Kunst, ofschoon bij haar 
besluit volhardend om haar mandaat neder te leggen, ging 
voort met de aanhangige zaken tot een eind te brengen. Zij 
betreurt het zeer, dat haar voorstel, door het Bestuur der Aca- 
demie aan den Minister van Binnenlandsche Zaken onderwor- 
pen, tot benoeming eener Eijkscommissie, die haar verving, 
niet tot den gehoopten maatregel heeft mogen leiden. 

In de maandelijksche vergaderingen der Afdeeling aan de 
Taal"^ Letter-y Geschiedkundige en Wijsgeerige Wefrensckapp^n 



XXX vn 

gewijd^ ontbrak het niet aan belangrijke mededeelingen. De 
bijdragen betroffen de Grieksche en Latijnsche taal- en letter- 
kunde, de geschiedenis met hare hulpwetenschappen en de wijs- 
begeerte. 

Het jongst benoemde lid der Afdeeling, de Heer van Her- 
werden, leverde twee bijdragen tot verklarii% en critiek der 
Karakterschetsen van TheophrasiuB ( VersL en Med. N. E. Dl. I, 
blz. 242) en de Heer Boot insgelijks twee bijdragen tot ver- 
klaring en critiek van Cicero's brieven en van een hoofdstuk 
van GbUjIUS (blz. 173). Dezelfde toonde bij eene andere gele- 
genheid de mogelijkheid en wenschelijkheid aan^ om van de 
gedichten van Nic. Heinsivs eene verbeterde uitgave te le- 
veren (blz. 327). 

De Heer Kern sprak over Indische theorieën omtrent de stan* 
denverdeeling, welk stuk voor het IT^« Deel der VersL en Med. 
bestemd is; de Heer Yeth^ over de Zalah {djakat)^ eene be- 
lasting in Mohammedaansche landen; de Heer Lintblo de 
Geer over het door de Bomeinsche regtsgeleerden gegeven onder^ 
mJ8 (Dl. I, blz. 147). Aan vroegere bijdragen van de Heeren 
MoLL en LeeiüiNS sloot zich de bijdrage van den Heer Yer-* 
wus aan tot de kennis van het bijgeloof in de Nederlanden. 

Op het gebied der vaderlandsche geschiedenis bewoog zich 
de beschouwing van den Heer Brill van den grond der ach' 
terdochi tegen den Hertog van BrunsmjA-Wolfenlmttel {hh. 'Z06) 
en een door den Heer O. Mees Az. medegedeeld vertoog van 
wijlen Mr. W. C. Ackersbijck over het billijie of onbillijke 
der klagten van de voormalige generaliteitslanden. 

De numismatiek vond een woordvoerder in den Heer Six, 
die over de Munten van steden in het Syrische rijk handelde^ 
de archaeologie in den Heer Lebhans, die de aandacht ves- 
tigde op de Merkwaardige muurschilderingen in de kerk der 
Hervormde gemeente te Bathmen, waarvan de teekeningen door 
den Heer Kleun vervaardigd, met eene toelichting van den 
Heer Leemans, weldra door de Academie uitgegeven zullen 
worden. £ij eene andere gelegenheid sprak hetzelfde lid over 
eene oude Kano in Drewthe ontdekt (blz. 336) en over een in 
dit jaar aan het strand bij Walcheren gevonden Nehalennia- 



xxxvm 

steen. De Heer van dee Wijck deelde eene verhandeling mede 
Over het verband tussc/ien ziel en ligchaam^ welke echter niet 
voor de werken der Academie werd aangeboden. 

Een brief eindelijk van de Directie van 't Bataviaasch Ge- 
nootschap van Kunsten en Wetenschappen met bijgevoegde af- 
drukken van Kawi'Oor konden gaf aanleiding tot onderzoek en 
briefwisseUng met dat Genootschap, waaraan de AfdeeKng de 
uitgave dier merkwaardige stukken besloot over te laten. 

Van de Leden der Afdeeling voor de JTiê- en Natuurkun- 
dige Wetenschappen leverden, op zuiver en toegepast wiskund^ 
gebied, de Heer Bierens de Haan eene W^ Bijdrage tot de 
Theorie der bepaalde Integralen [Ver si. en Meded.^ Dl. V, blz. 
65); de Heer Baehr eene uitvoerige beschouwing der Beweging 
van het oog (blz. 273); de Heer Grinwis eene bijdrage tot de 
Theorie der electrO'dynamische potentiaal (blz. 208); voorts de 
Heer P. van Geer^ door geen titel aan de Academie verbon- 
den^ een opstel over de Beweging van een zwaar ligckaam om 
een vast punt (blz. 143). 

Van algemeen natuurkundigen aard was de bespreking door 
den Heer van der Willigen van de Constitutie van staven^ 
die aan langdurige trillingen hebben blootgestaan^ van den i«- 
vloed van beweging op de deviatie van diffractielicht en van de 
gepastheid van 't Gebruik der golfslengte van het natriumlichi 
tot maat tegen mogelijke bedenkingen verdedigd; evenzoo het 
Voorstel van den Heer Stamkart ter digtheidsbepaling eenêr 
vloeistof in eene besloten ruimte met behulp van- magneten (blz. 
175), gelijk mede het Onderzoek, waarmede de Heer J. Bosscha Jb. 
zich bezig hield, naar den gang der door den Heer Ebgnaült 
gebezigde Thermometers, bij het vaststellen der betrekking tiw- 
schen temperatuur en spanning van verzadigden waterdamp (blz. 
832). 

Hieraan sluiten zich geleidelijk aan een verslag van den Heer 
VoGELSANG van de Intermitterende strooming van eenen put bij 
Bel/t, die water en brandbaar gas opgaf (blz. 239) en twee 
mededeelingen van den Heer van Diesen, waarvan de eene 
den Toestand van het ijs bij de brug over de Waal bij Zait- 
Bommel betrof (zie Proces- Verbaal der zitting van 28 Januari) 



XXXIX 

187 1), de andere resultaten van proefnemingen bevatte op den 
Wederstand van ijs tegen verbrijzeling^ door den Heer Ziegbn- 
HiBT VON BosEKTHAL in het werk gesteld (Fersl. en Meded., 
Dl. V, blz. 825). 

De Heer Büys Ballot trad op als vertegenwoordiger der 
meteorologie, en beredeneerde: in hoe verre de waarnemingen 
reeds een overzigt veroorloven van de Temperatuurwisseling der 
geheéle aarde in den loop van het jaar. De Meteoriten werden 
ter sprake gebragt door den Heer von BAUMHAUEa, die be- 
toogde^ dat de algemeen gevolgde methode van chemische ana- 
lyse dezer cosmische stoffen tot geen bevredigend resultaat 
konde voeren, eu een anderen weg daartoe aanwees, waarin 
de Heer Yogelsaiïo aanleiding vond te spreken over de Moeije- 
lijkkeid ook van eene mineralogische analyse dier ligchamen. 
Tot hetzelfde onderwerp had betrekking een opstel van den 
Heer ton Baumhaujse over de Olivin uit de Pallas-ijzermaasa 
(blz. 362) en eene mededeeling de resultaten betreffende zijner 
dnalyee van eenen in de Dessa Tjabé^ Residentie Rembang^ ge- 
vallen meteoorsteen. Dit doet ons gereedelijk denken aan den 
groeten hemelbol, tot wiens gebied ook die raadselachtige massa^s 
schijnen te behooren, onze zon. De Heer J. A. Q. Oudbhans 
te Batavia gaf den wensch te kennen» om met behoorlijke mid- 
delen te worden toegerust ter doelmatige waarneming van de 
aanstaande totale zoneclips van 12 December 1871, en Uwer 
Majesteits Begering stelde daartoe goedgunstiglijk een voldoend 
bedrag beschikbaar, ^t Is te hopen, dat de tijdsomstandigheden 
de leyering der noodige en terstond bestelde instrumenten niet 
zullen vertragen, opdat zij vroeg genoeg de plaats hunner be- 
stemming bereiken. 

Om op de scheikunde terug te komen, de Heer van Kbhck- 
HOïï' leverde twee bijdragen, te weten eene Analyse van eenige 
glassoorten voor optisch gebruih (blz. 181), en eene tweede 0«;^ 
langzame verbranding ; dé Heer von Baumhaubr eene Over de 
scheiding van ijzer van nicAel en kobalt (blz. '266); de. Heer 
VAN DER Boon Mesch sprak over de Vorming en zamenstelling 
van hoogst zeldzame niersteenen ; later : Over de verschillende mid* 
delen ter bepaling van de physiologische waarde der voeder- 



XL 

stoffen; terwijl van den Heer Dr. F. W. Keegke, door geen 
titel aan de Academie verbonden, een arbeid werd aangeno- 
men over de Dmociaüe van oploêsingen van CMoridum Perri 
(blz. 188). 

In het vak der toxicologie leverde de Heer van Hasselt 
schriftelijk zijne vroegere Bijdrage in tot de kennis der Afri" 
caansche pijlvergiften. 

De physiologie vond drie vertegenwoordigers in de Heeren 
Enoelmann, Heynsius en Donders. De eerste sprak over de 
Peristaltische beweging van het darmkanaal en de analoog ge- 
bouwde organen (Proces- Verbaal, Verg. 25 Junij 1870), bijeene 
andere gelegenheid over Contractiën van het kUerepithelium of^ 
der den invloed van het zenuwstelsel, en zeer onlangs Over 
merkwaardige bewegingsverschijnselen in de zenuwvezels bij prik- 
keling met electrische inductieslagen. De Heer Hetksixjs han- 
delde over de Kleurstoffen^ die in de gal voorkomen (Proces- 
Verbaal, Verg. 26 Nov. 1870) en in eene latere bijeenkomst 
over Bilieyanine en Choleteline als oxydatieproducten dier kleur- 
stof en. De Heer DaNDERS sprak over de Raddraaijing van het 
oog bij zijdelingsche overhelling van het hoofd (Proces- Verbaal, 
28 Januarij en 28 April 1871) en bood bijdragen aanvoerde 
TersL en Meded. Over de werking van den cofistanten stram 
op den nervus vagus (Dl. V, blz. 80) en over de Projectie der 
gezigtsverschijnselen naar de rigtingslijnen van het oog. 

Op het gebied der natuurhistorische wetenschappen zijn te 
vermelden, in het vak der botanie, eene mededeeling van den 
Heer O. A. J. A. Oudehans, bevattende uitkomsten van on- 
derzoek naar de Veranderingen^ welke de bladeren der roode 
aalbes in hun weefsel ondergaan, als zij door bladluizen bezocht 
worden (Proces- Verbaal, 25 Junij 1870); voorts een later aan- 
geboden opstel over de kennis van den Microscopischen bouw 
der kinabasten (DL V, blz. 345). Van de hand van den Heer 
MiQXJBL kwam nog in eene Bnumeratio Piperacearum in Bra- 
silia a DocV>. Kegnell detectarum (blz. 230). De Heer Sü- 
RjNOAR deed verslag der aanvankelijke resultaten van een on- 
derzoek omtrent het Ontstaan der harsen in de planten, door 
den Heer PRANCHtMONT ondernomen (Proces- Verbaal, 26 Nof» 



XLI 

1870). De Heer van deb Sandb Lacostb eindelijk bood eene 
verhandeling voor de werken in 4P aan, die daarin zal worden 
opgenomen^ getiteld: Species novae vel inediiae muacorum Ar- 
ehvpelagi fndiei. 

De zoölogie had woordvoerders in de Heeren Hbbklots en 
P. Habtikg. Eerstgenoemde besprak de Oroep der commensa- 
len^ door den Heer van Bbnbbbn van de parasiten afgeschei- 
den (Proces- Verbaal, 24 Deo. 1870); laatstgemelde handelde 
over Kunstmatige coecolüAen (Proces- Yerbaal, 26 Maart 1871) 
en leverde voor de FersL en Meded, eene Beschouwing van de 
uitbreiding der zoölogische kennis, gegrond op vergelijking van 
vroegere of latere stelsels (blz. 252), voorts een ontwerp van 
een nieuw Stelsel van zoölogische nomenclatuur (blz. 311) en 
een opstel Over de geschiedenis en de vorderingen van de op- 
lossing van ^t vraagstuk naar '^smenschen oorsprong j met uit- 
weiding in de verdiensten van wijlen Dr. J. E. Doobnik en 
diens aandeel in de ontwikkelingshypothese (blz. 367). 

Hieraan slnit zich gevoegelijk de mededeeling van den Heer 
BooGAABD op anthropologisch terrein aan : over de Asymmetrie 
van den menschelijken schedel (Proces -Verbaal, 26 Junij 1870). 
Tot de geschiedenis eindelijk der wetenschap behoort eene 
van buiten de Academie door den Heer P. A. Lbdfb, tijde- 
lijk ambtenaar bij het Bijks-archief^ aangeboden en voor de 
werken in 4^ bestemde verhandeling Over Rumphius. 



De Commissie ter beoordeeling van ingezonden Latijnsche 
prijsverzen heeft geen der twee gedichten, die ditmaal ingeko- 
men waren, der bekrooning met het eermetaal van Hobufft, 
noch der uitgave waardig gekeurd. De ten vorige jare be- 
kroonde Urania van den Heer P. Esseiva zag sedert het licht. 



Hiermede, Sire! zijn in het kort zamengevat de werkzaam- 
heden der Academie gedurende het verstreken jaar, waaraan 
dit nog alleen valt toe te voegen: dat, behalve het Jaarboek, 
waarin aan de nagedachtenis van Conrad en J. W. Ebmbbins 



XLIT 

door de Heeren , van Oordt en Matthes eene welverdiende 
hulde werd gebragt, van de AfdeeUng Letterkunde zijn ver- 
schenen de verhandeling van den Heer Eranckbn: Conieetanea 
critica in C, Lucilii Satirarum decadem secundam et tertiam, 
alsmede het tweede en derde stuk van het pt« Deel der VersL 
en Meded.y Nieuwe Eeeks ; van de Afdeeling Natuurkunde : de 
verhandeling van den Heer Bleekeb, Sur les C^prinoïdes de 
Ckine, alsmede het derde Stuk van het IV^® Deel en het ge- 
heele V^® Deel van de Feral. en Meded.^ Nieuwe Beeks. 

De Academie had den dood te betreuren van drie rustende 
Leden, de Heeren G. H. M. Delprat, in weerwil van zijn 
hoogen leeftijd nog vol ijver om zijne rijke gaven aan de let- 
terkunde en geschiedenis dienstbaar te maken, D. J. Storm 
BuYSiNG en G. A. van Kerkwijk, die, bij gezondheid en ver- 
mogens, Neêrlands roem in wetenschappen met eere handhaaf- 
den, en van één gewoon lid, den Heer P. A. W. Miqüel, te 
midden van zijne alom erkende, onvermoeide en uitnemende 
werkzaamheid in de studie der natuur aan ^t Vaderland ont- 
vallen. 

Te meer welkom is ons de bekrachtiging door Uwe Majes- 
teit van de door ons geschiede keuzen tot gewone leden van 
de Heeren H. van Herwerden, Th. W. Engelhann, beiden 
te Utrecht, en J. E. T. Ortt te Haarlem. 

De Academie blijft zich in de bescherming Uwer Majesteit 
aanbevelen. 

UU harm naam: 
De Algemeene Secretaris 

C. J. MATTHES. 



Het voorgelezen ontwerp wordt door de Vergadering 
goedgekeurd en overgenomen. Het Verslag zaJ Z. M. 
den Koning en, i"n afschrift, den Minister van Binnen- 
landsche Zaken aangeboden worden. 



XLTU 



n. 



AJsnu legt de Algemeene Secretaris, in overeenstem- 
ming met Art. 12 van het Organiek Reglement, de Re- 
kening en Verantwoording over van zijn geldelijk beheer, 
loopende van l^ April 1870 tot ulf Maart 1871. 

REKENING en VEEANTWOOEDING van het, door den Al- 
gemeenen Secretaris der Koninklijke Akademie van Weten- 
schappen, van primo April 1870 tot ultimo Maart 1871 
gehouden beheer, Ivolgens Art. 12 van het Organiek Re- 
glement en § 30 en § 37 van het Reglement van Orde, 
goedgekeurd in de Algemeene Vergadering der maand 
AprU 1871. 

Ontvangsten. 

Saldo op nieuwe rekening ƒ 2417.18 

Subsidie vier quartalen elk a ƒ 8500,— f 14000.— 

Af zegel en leges it 1.52 

n 18998.48 

Van den Heer C. G. van der Post* volgens Eekening- 

Courant *....// 181.6B 



Totaal / 16597.81 



Uitgaven. 

* 

1. Bei8- en Verblijfkosten aan H.H. Leden 
buiten Amsterdam woonaohtig. 

Letterkundige Afdeeling ƒ 1586. — 

Natuurkundige // . 'Z 1451. — 

ƒ 3037.- 



Transporteere ƒ 3037.— 



LXIV 

per Transport ƒ 3037. — 
2. Jaarwedden. 

Jaarwedde, Algemeene Secretaris, . . . / 1000. — 

g Secretaris Letterk. Afdeeling, // 500. — 

/, Klerk 9/m // 750.— 

n Custos // 800. — 

Gratificatie Kinderen van vaD der Haas. // 50*— - 

// Greeve // 150. — 

ƒ 3250.— 

3. Onkosten der Commissie voor de daling van den 

bodem in Nederland. 

Eekening van Leijer en ünrbanus voor berekenen 

van Tabellen f 90. — 

4. Onkosten der Commissie tot het opsporen, 

het behoud en het bekend maken van overblijfsels der 

vaderlandsohe kimst uit vroegere tijden. 

Rekening van den Heer Leemans ... ƒ 150. — 
// // // ƒ/ // , . . // 200. — 

// u n II II . , , if 93.56* 

ƒ 443.55« 

6. Onkosten der Commissie voor de uitgave van 

het Charterboek. 

Rekening van F. Muller ƒ 135.— 

// fi den Heer L, Ph. C. van 

den Bergh // 7.45* 

ƒ 142.45* 
Af verkoop van 12 Exempl. Oorkondenboek. 

1 Afd. Dl. II, 1 a ƒ 2.70 — ƒ 32.40 

1 Exempl. voor zoo ver compleet. // 10.70 

ƒ 43.10 

ƒ 99.35* 

6. Onkosten der Commissie voor Standaardmeter 

en Kilogram. 

Rekening van Snater, Schilder .....ƒ 2.10 

// n Greeve, Vergg. Vrachten, enz. „ 43.30 

ƒ 45.40 



Transporteere ƒ 6965.81 



LXT 

per Transport ƒ 6965.31 

7. Onkosten van Vergaderingen. 

Uitgaven op een Notitieboekje maandelijks met den 

CuBtos verrekend ƒ 284.40 

8. Kleine Drokloonen. 

Bekening van Vissers ƒ 207.50 

// // Reimeringer // 86. — 

/ 298.60 



9. Bureau. 

B^ekening van Westerman. f 20.45 

// // Beimeringer // 78.26 

// // Eichhom , // 7.20 

Uitgaven op een Notitieboekje maandelijks 

met den Castos verrekend // 52.10 



10. Expeditie, Vrachten ens. 

« 

Bekeuing van v. d. Wonden en Lnber, 

Cargadoors ƒ 188.45 

Bekening van Luchtenberg, timmerman. // 86.29 
Uitgaven op een Notitieboekje maandelijks 

met den Cnstos verrekend //221.61« 



Bekening van Pies en Berger, turf en hout. 

u ƒ/ Verdonck, steenkolen. . 

// // Osterhaus, smid. . . . 

// // Beltrami, schoorsteenveger. 

// // V. d. Vliet, duinwater. . 

// // Eigenhuis, tuinman . . 

// // Personeele belasting . . 
Uitgaven op een Notitieboekje maandelyks 

met den Custos verrekend, .,..// 418.30 



rr-ifo*! 




Ulbgl 


SI ven. 


ƒ 165.80 


// 


48.36 


// 


66.80 


// 


12.— 


H 


16.26 


If 


20.— 


, U 


59.11» 



ƒ 153.- 



ƒ 896.356 



/ 780.116 



Transporteere f 8872,68 



LXVI 

per Transport ƒ 8872.68 
12. MobUair. 



Kekening van v. d. Pek en Bauschultze, 

behangers ƒ 37.46 

Bekening van Luchtenberg, timmerman . '. // 5.95 

// // // V , , // 4j.06 

// den Ouden, kastenmaker . . // 22.90 

u Snater, schilder // 12.60 

// Kemekamp, naaister. . . , // 31.30 



n 



18. Uitgave van Werken. 

TerlicmdeUngen, 

Bekening v. de Boever-fcröber- * * 

Bakels, Lett. Afd. ƒ 344.60 
// // V. d. Post, innaai- 

jen, Lett. Afd. . . // 28.— 
// // de Boever-Kröber- 

Bakels, Nat. Afd. if 296.75 
// // de Boever-Kröber- 

Bakels, Nat. Afd. // 298.50 
» II V. d. Post, innaai- 

jen, Nat. Afd. ,. // 41.; — 

V II Emrik en Binger, 

litL, Nat. Afd. . u 770.— 

ƒ1778.76 

Verslagen en Mededeelingen. 

Bekening v. de Boever-Kröber- 

Bakels, Lett. Afd. ƒ 189.— 
II II deBoever^Kröber- 

Bakels, Lett. Afd. // 176.— 
// // de Boever-Kröber- 

BakelSf Lettj Afd. // 238.— 
// u V. d. Tost, innaai- 

jen, Lett. Afd.. . n 125.37» 
// // Hooiberg, Lithog. 

Let t. Afd. . . . II 62.60 

Transporteere ƒ 785.87» 



/ 114.26 



Transporteere ƒ 1778. 76 



Transporteere ƒ 8986.94 



LXVII 

per Transport ƒ 8986.94 

per Transport ƒ 1778.7B 
per Transport / 785.87* 

Hekening v. de Roever-KrÖber- 

Bakels, Nat. Afd. // 250.— 
// // de Eoever-Kröber- 

Bakelfl, Nat. Afd. // 393.— 
tl 11 deRoever-Kröbei>« 

Bakels, Nat. Aid. // 895.50 
// // v.d. Post, innaai* 

♦ 

jen, Nat. Afd. . . tf 61.26 
// // V. d. Post, innaai* 

jen, Nat. Afd. . . n 108.50 
u II Emrik en Binger, 

Lith., Nat. Afd. . // 77.50 
// // Emrik en Binger, 

lith., Nat. Afd. . // 25. — 
// // V. d. Weijer, Lith., 

Nat. Afd. . . . // 66. — 
.„ // v.d. Weijer, Lith., 

Nat. Afd. . . . // 12.— 
II tl Zurcher, Lithogr., 

Nat. Afd. . . . // 19.— 
// // de Roever-Kröber- 

Bakels, Jaarboek. // 280.— 

tl II Vissers, Jaarboek, u 10.50 
Il II V. d. Post, innaai- 

jen, Jaarboek. . ii 56.25 
// // de Roever- Kröber- 

Bakels, Nat. Aid. # 52.— 
,( // de Roever-Kröber- 

Bakels, Nat. Afd. it 78.— 

// // den Heer Laurent. ii 100. — 
Assurantie boekwerken bij v. 

d. Post .......// 7. — 

/ 2677.37* 

ƒ 4466.12* 



Transporteere /' 13443.06* 



Lxvni 



per Transport ƒ 18443.06» 
14. Bibliotbeek en Oatalogiui. 

Aangekochte Boekwerken. 



Bekening van van der Post 

Caarelsen. • 
Noordendorp . 
F. Muller. . 
▼an Kampen, 
van Bakkenes 
Schouten • . 
Quaritch • • 
Schmidt • . 
Baer . . . 



// 
// 
n 

H 

II 
u 

n 
n 
n 



if 

n 

n 
if 

II 
ff 

if 
n 
II 



. ƒ 

• n 

• n 
. // 

• n 

• // 

• n 



79.12» 
72.60 

8.70 
10.10 
68.70 
21.15 
17.40 
62.79 
81.85 

9.40 



ƒ 421.81» 



Rekening van Eiehliom 



II 
tt 

H 



II 
II 
II 
II 
II 



Assurantie 



// 

II 
tl 



Luchtenberg 



Inbinden enz- 

. ƒ 188.65 
. ,; 142.20 
.. ff 158.— 
. // 165.55 

28.— 
1.42 

87.50 



// 
II 
II 



f 666.82 



ƒ 1088.13* 



16. Diverse Uitgaven. 



Rekening van Langeveld, vigilante . . . 
ff n den Heer Matthes . . . . 
Fooi bediende van Mr. W. v, Lennep . . 
Reiskosten van de Vries (Alkmaar) ... . 
Nieuiivjaars- en kennisgift aan de dienstbode 
van den Custos 



f 8.75 

n 10.60 
// 2.50 
11 5. — 



u 



10.— 



Saldo op nieuwe rekening fi 



86.75 
2029.86 



Totaal f 16597.81 



XLIX 

BpEKENING en VEEANTWOORDDTG van het, door den 
Algemeenen Secretaris der Koninklijke Akademie van We- 
tenschappen, over het jaar 1870/71, gebonden beheer van het 
LEGAAT VAN HOBUPFT. 

Ontvangsten. 

Saldo van het jaar 1869/70 ƒ 980.60* 

6/m. Interest van / 37000.— 2} ptt, W. S / 462.60 
Af 1 pCt. provisie en Saldobillet. . . . „ 4.72* 

„ 467.77» 

6/in. Interest van ƒ 37000.— 2^ pa. \V. S. ƒ 462.60 

Af 1 pCt. provisie, Billet en Visa. . . u 4.97^ 

„ 467.52» 



Totaal ƒ 1895.90» 



Uitgaven. 



Hekening van S. C. Elion, graveur ƒ 81.60 

H Mont-Collegie, gouden medaille // 122.27 

Frankeeren van medaille, drukwerken, enz; ....// 4.96 

Bekening van Vissers ........... «r 73.30 

n ^ C. G. van der Post. ......// 68.46 

Aankoop van / 2000. — Inschr. 2^ pGt. 

I^at. W. S. i 62^ ƒ 1046.— 

Interest 8/2 d // 12.78 

ƒ 1067.78 

Provisie // 2.50 

H 1060.28 

Saldo op nieuwe rekening n 495.13» 

Totaal ƒ 1895.90» 

De Algemeene Secretaris leest vervolgens eene Memorie 
van Toelichting voor, van dezen inhoud: 

Memorie van Toelichting bij de Rekening van 
den Algemeenen Secretaris, 

Aan de Eekening en Verantwoording, welke ik de eer heb 
over te leggen, wensch ik een enkel woord- ter opheldering 

Jaarboek 1871* > D 



toe te yoegen. Zij sluit met een batig saldo van ƒ 2029«S6, 
of weU als men de som die de Academie van het Ministerie 
van Koloniën thans te goed heeft, zegge / 708.89, daarbij 
optelt, van f 2738.25. Dit finantiëel bevredigend resultaat 
valt toe te schrijven vooreerst hieraan : dat slechts drie posten. 
Onkosten van vergaderingen^ Bureauiosten en Diverse uitpaven^ 
de raming met een naauw noemenswaard bedrag, te zamen 
f 25.34, hebben overschreden, en het debiet der werken wei- 
nig, niet meer dan / 18.35, daaronder is gebleven; terwijl vrij 
aanzienlijke sommen op onderscheiden posten minder in uitgaaf 
zijn geleden. Enkele van deze willen wij van wat nader hj 
beschouwen. De ontstentenis van den klerk gedurende een vie- 
rendeel jaars, door den dood van den Heer J. van der 13.AA8, 
heeft gemaakt, niettegenstaande de milde vereffening met de 
achtergebleven kinderen van den overledene en eene billijke ver- 
goeding aan den custos voor buitengewone diensten en schrijf- 
werk, dat de jaarwedden eene besparing opleveren vany 50. — 
De Commissie voor de daling van Neêrlands bodem heeft slechts 
de helft vereischt van hetgeen daarvoor uitgetrokken was, door 
mindere voortvarendheid van de berekenaars der waadnemings- 
tabellen. Over hetgene de rekening der voormalige Commissie 
voor de Vaderlandsche Kunst overliet, had deze verlangd nog 
te beschikken ter belooning van een teekenaar; liet zulks ech- 
ter aan het Bestuur over, dat daarin geen bezwaar zag, maar 
niet bij tijds daarvan kennis droeg; dit zal dus op het vol- 
gende jaar moeten worden overgebragt. De Charter-commissie 
heeft op verre na niet over het haar toegestane beschikt. D^ 
de expeditiekosten riiim ƒ 100 hebben overgelaten, kan geen 
bevreemding wekken van wege de gestremde communicatie met 
Parijs. Dat er eindelijk op den post van Bibliotheek en Cata- 
logus ruim / 900 overschoot, laat zich gereedelijk hieruit ver- 
klaren, dat de voltooijing en verdere uitgave van den Catalogus, 
ook door het tijdelijk verminderde personeel van de beambten 
der Academie, vertraging ondervond, waardoor geen onkosten 
van eenig belang tot dat doeleinde gevorderd werden; in een 
nieuwen jaarkring zal daarmede, zoo ik hoop, met kracht wor* 
den voortgegaan. 



LI 

Wat de Rekeiiing 7an het Legaat Hoslttt aangaat^ daaruit 
blijkt: dat, in weerwil van de plaats gehad hebbende bekroo- 
ning, toch eene som van ƒ 2000 nominaal Inschriijving op het 
Grootboek der Nationale '2^ pCt. Werkelijke Schuld bel^d 
beeft kunnen i^^orden. 

De Algemeene Secretaris. 
C. J. MATTHE8. 

De Commisaie door de beide Afdeelingen der Acade- 
mie, naar luid van ^ 37 der Algemeene Bepalingen be- 
noemd tot het nazien van vorenstaande Rekeningen met 
de daarbij behoorende bescheiden, brengt daarover het 
navolgend Rapport uit: 

De ondergeteekende leden der Commissie door de beide af- 
deelingen onzer Akademie belast met het nazien der Bekening 
en Vetantwoording van den Algemeenen Secretaris, hebben zich 
van dien last gekweten door de vergelijking van gemelde fieke- 
ning met de justificatoire stukken en bescheiden^ bij welk on- 
derzoek hun is gebleken, dat zij door die stukken en bescheiden 
naar behoor en 'is gedekt. Het is uwe Commissie vporgekomen, 
dat er in de overschrijding van de raming op de posten voor 
onkosten der vergaderingen, voor bureaukosten en diverse uit- 
gBkven geen bezwaar van gewicht tegen de goedkeuring door 
ïïWQ vergadering aanwezig is, aangezien in andere opzichten 
door besparing van uitgaven aanmerkelijk mindere behoeften 
zich hebben doen gevoelen. 

Ten aanzien der Eekening van het Legaat van Hoeuppt, 
blijkt het : dat, niettegenstaande de uitgaven door de bekrooning 
van een verdienstelijk latijnsch gedicht, eene som van tweedui- 
zend gulden heeft kunten worden belegd. Daar er in den loop 
van het tegenwoordige jaar' geene bekrooning heeft kunnen 
plaats hebben, zal de vermeerdering van het kapitaal ditmaal 
nog veel aanzienlijker zijn. 

Daar de verantwoording van het geldelijk beheer des Alge- 
meenen Bestuurs tot geene bijzondere aanmerkingen heeft aan- 
leiding gegeven^ en de uitkomst uit een finantiëel oogpunt be- 
BcKouwd als alleszins voldoende voorkomt, heeft uwe Commissie 

D* 



LH 

de eer het voorstel te doen, van die verantwoording goed te 
keuren, den Algemeenen Secretaris voor zijn beleid dank te 
zeggen, en den Voorzitter te machtigen de Eekening te onder- 
teekenen en een afechrifl te zenden aan den Minister van Bin- 
nenlandsche Zaken. 

De leden der Commune: 

(Get.) H. J. KOENEN. 
W. C. MEES. 
P. J. VAN KEECKHOFr. 

J. VAN GEUNS. 

m. 

Vervolgens komt in behandeling een ontwerp van Be- 
grooting van Inkomsten en Uitgaven, voor het nieuwe 
dienstjaar, loopende van 1". April 1871 tot uit' Maart 
1872; welke raming in dezer voege wordt vastgesteld: 

Begrooting van Inkomsten en Uitgaven gaande van 
10 April 1871 tot lo April 1872. 

Ontvangsten, 

1. Gewone Subsidiën / 13998.48 

2. Vermoedelijk debiet van werken „ 200.— 

3. Eestitutie van Eegeringswege etc ^ 708.89 

4. Saldo in kas der vorige Bekening „ 202VS 

Totaal ƒ 16986.18 

Uitgaven. 

1. Reis- en verblijfkosten ƒ 3400.— 

2. Jaarwedden n S300,— 

WBBKZAAIIHBBEN YAN VEKSCHILLBNDE OOHMISSiëN. 

8. Commissie voor de daliog van Neêr- 

lands bodem . . . . ƒ 180. — 
4, „ voor de Vaderlandsche Kunst. ^ 500. — 

Trapsporteer e ƒ 680.— 

Transporteere ƒ 6700.- 



5. 



6. 



7. 
8. 
9. 
10. 
11. 
12. 
13. 
14. 
15. 



Lin 

Per Transport ƒ 
Per Transport ƒ 680,— 
Commissie voor de Uitgave van het 

Charterboek „ 800.— 

jr voor Standaard-meter en 

Kilogram . . • . • Fro mem. 

«r 

Onkosten der Vergaderingen /f 

Kleine Drukloonen ,, 

Bureaukosten i. 

Expeditie „ 

Huishoudelyke uitgaven f. 

Mobilair zr 

Uitgave van werken ;/ 

Bibliotheek en Catalogus i. 

Diverse uitgaven ^ 

7 



6700.— 



980.— 

27B.— 

300.— 

IBO.— 

BOO.— 

800.— 

200.— 

5000.- 

2000.— 

31.78 



16936.78 



IV. 



De vootmalige Commissie tot het opsporen^ het be- 
houd en het bekend maken van overblijfselen van Vader- 
landsche kunst uit vroegere tijden doet, bij monde van 
den Heer Leemans, mededeeling omtrent en uit het Ver- 
slag liarer verrigtingen gedurende het verstreken jaar tot 
afdoening van loopende zaken. Bij vernieuwing blijkt hier- 
uit hoezeer het te bejammeren is, dat de Commissie zich 
genoopt zag hare taak op te geven — te meer, daar het 
uitzigt op de instelling eener Rijkscommissie tot hare 
vervanging voor het oogenblik althans niet bestaat. Na- 
dat toch in eene opzettelijk daartoe belegde Buitenge- 
wone Vereenigde Vergadering Rapport (zie Bijlage A) 
was uitgebragt door het vijftal leden wier voorlichting 
en raad was ingeroepen en, overeenkomstig hun advies, 
aan de Regering de wenschelijkheid was blootgelegd van 
het tot stand komen eener Rijkscommissie op den voet 
als m een vroeger Verslag aangegeven, werd daarop door 
den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken af- 



LIV 

wijzend beschikt (zie Bijlage B). Later meende het Be- 
stuur der Academie op de zaak nog eens nader te mo- 
gen en te moeten aandringen; hetwelk echter met geen 
gunstiger gevolg geschiedde, blijkens een schrijven van 
het tegenwoordige Hoofd des Departements (zie Bijlage 
C). De Vergadering nam met leedwezen van een en 
ander kennis. 

De Algemeene Secretaris draagt alsnu het navolgend 
Verslag voor van de Commissie voor het Oorkondenboek. 

• 

Als naar gewoonte heeft uwe Commissie weder het genoegen 
een kort berigt over den voortgang der werkzaamheden tot vol- 
tooijing der eerste afdeeling van het Oorkondenboek, aan de 
A.cademie mede te deelen. 

Bij het vorige verslag was de uitgave der stukken tot het 
jaar 1274 gevorderd. Sedert is de druk wel langzaam en on- 
geregeld, maar echter gestadig voortgegaan, en de Commissie 
heeft het genoegen te berigten, dat eerdaags eene nieuwe afle- 
vering van dit werk het licht zal kunnen zien, bevattende de 
charters van 1274 tot in 1285; met nog twee volgende afle- 
veringen zal deze afdeeling van het werk voltooid zijn- 
Van gemeentebesturen en bijzondere personen ondervonden 
wij gereedelijk hulp en inlichting, waar die gevraagd verf; 
vooral heeft het gemeentebestuur van Dordrecht en dat van 
Schoonhoven aanspraak op onze dankbaarheid door de mede- 
deeling van onuitgegeven oorkonden uit hunne archieven, die 
thans in onze verzameling zijn opgenomen; ook van deheeren 
provinciale archivarissen ontvingen wij bij voortdurend blijken 
van wel'willende belangstelling. 

Wat den meer of min belangrijken inhoud der opgenomen 
stukken aangaat, zal het niet noodig zijn daarover uit te wei- 
den ; toch meent uwe Oommissie te mogen wijzen op een char- 
ter van 1283, hier voor het eerst uitgegeven, en waarin het 
oudste schriftelijke bewijs gevonden wordt voor het bestaan eener 
grafelijke maat te Dordrecht, ten tijde van graaf Fuoris V. 



LV 

Voor de eerstvolgende aflevering is reeds een goed deel der 
kopij gereed gemaakt^ hoewel sommige stukken nog uit ver- 
scliilleiide aichieven verwacht worden. Wij koesteren dus de 
hoop, dat ook het drukken van het vervolg geregeld zal kun- 
nen voortgaan. 

TTwe Commissie heeft in het afgeloopen jaar een gevoelig 

verlies geleden door het overlijden van een harer leden, den 

Heer Dbi^bat. Ondanks zijne hooge jares had hij steeds met 

den meesten ijver de belangen onzer onderneming trachten te 

bevorderen, daartoe persoonlijk onderscheidene archieven onder- 

zoclit, de moeite van het nazien der proeven gedeeld en zich 

zelfs met de zware taak belast om de noodige registers op het 

werk te vervaardigen. Door zijhen dood is die taak onvoltooid 

gebleven, en valt op de schouders der Commissie terug. Hoe 

lastig en veelomvattend die taak zij, uwe Commissie, in de volle 

overtuiging van het noodzakelijke daarvan, zal trachten ook 

daarin te voorzien, opdat het Oorkondenboek al dat nut moge 

stichten dat van zoodanig werk te verwachten is. 

^sHage^ Maart 1871. 

Namens de Commissie: 

L. Ph. C. van den BEEGH. 
VI. 

Daarop wordt door den Algemeenen Secretaris Ver- 
slag uitgebragt over den staat van de Boekerij en het 
Munt- en Penningkabinet. 

Hiervan valt ditmaal weinig te berigten. Wederom werd eene 
vrij aanzienlijke som besteed voor het zoo hoogst noodige in- 
binden van losse nommers van journalen, die anders ligt ver- 
loren konden gaan; de ruiling van wetenschappelijke geschriften 
met binnen- en buitenlandsche genootschappen eu Academiën 
vermeerderde steeds, met uitzondering van het zoo vreesselijk 
geteisterde Frankrijk. 

Het Munt- en Penningkabinet werd slechts met één medaille 
verrijkt, geslagen op het 250jarig bestaan der Bemonstrantsche 



LVI 

Broederschap. De Heer W. J. de Yooot^ wien de Academie 
grooten dank schuldig is voor de gedoreDde negen jaren aan 
hare collectie gewijde zorgen en moeite, zag zich door drukke 
bezigheden genoopt van het hem toebetrouwde beheer afstand 
te doen^ hetwelk op uitnoodiging van het Bestuur voor het 
vervolg de Secretaris der Letterkundige Afdeeling, de Heer 
J. C. G. BooT^ welwillend op zich heeft genomen. Mogt hij 
zijne bemoeijing belbond zien door eene toenemende belang- 
stelling in die verzameling, waaraan het tot dus ver maar al 
te zeer ontbrak. 

VIL 

Eindelijk heeft de verwisseling van den voorrang der Af- 
deelingen plaats, en sluit de Voorzitter de Vergadering. 



Bijlage A. 



Rapport uitgebragt in de Buitengewone Vereenigde 
Zitting van beide Af deelingen der Koninklijke 
Akademie van Wetemckappen, op Saturdag 5 
November 1870. 

In de laatst gehouden Vereenigde Zitting der Academie gaf 
de Commissie voor het opsporen^ het behoud en het bekendmaken 
van Overblijfsels van Vaderlandsche Kunst uit vroegere tijden 
kennis: dat zij zich — om redenen in 't breede ontvouwd 
aan het slot van haar jongste verslag, dat a&onderlijk gedrukt 
en aan de leden rondgezonden is — genoopj; zag, in het be- 
lang der haar toebetrouwde taak, haar mandaat neder te leggen, 
het aan de Academie overlatende, of men door het benoemen 
van nieuwe leden de Commissie wilde bestendigen, hetwelk zij 



Lvn 

echter ontried, dan wel zou volstaan met de eischen te om- 
schrijven en der Segering eerbiediglijk onder de aandacht te 
brengen^ waaraan eene Bijks-Gommissie had te beantwoorden, 
van welker instelling zij oordeelde dat eeniglijk en alleen in 
dezen heil was te verwachten. 

Het groote verschil van meening dat zich daaromtrent in 
den boezem uwer vergadering openbaarde, leidde tot het be- 
noemen eener Commissie, om hier van raad en voorlichting te 
dienen^ welke Commissie thans de eer heeft Verslag uit te 
brengen van hare overleggingen en bemoeijingen. 

1^. Stelde zij zich de vraag voor: mag men in bülijkheid 
van de Heeren Lbsmans, Moix en Boss vergen, dat zij op 
hun genomen besluit, konde het zqn» nog terugkwamen? Als 
men de redenen nagaat die hen daartoe gebragt hebben, ware 
zulks onbescheiden te achten. Van den aanvang af, nu 9 & 10 
jaren geleden, met onverpoosden ijver werkzaam, getroostten zij 
zich tallooze opofferingen van tijd en moeite, waarvoor zij niet 
dan schaars de voldoening mogten smaken, van eene laakbare 
verwaarloozing van hetgene kunstgevoel of vaderlandsche zin 
in eere behoorde te houden, te hebben voorkomen, verstoken 
als zij waren van genoegzame stoffelijke middelen, van de noo- 
dige magt, van den gehoopten steun en medewerking hunner 
landgenooten. In dat opzigt blijft der Academie niet anders 
overig, dan hun nogmaals hartelijk en opregtelijk dank te zeg- 
gen voor de door hen aangewende pogingen^ waardoor naar 
eigen schatting wel is waar weinig, maar toch nog betrekkelijk 
veel is tot stand gebragt, de menigvuldige belemmeringen en 
bezwaren in aanmerking genomen waarmede zij te worstelen 
hadden. 

2<'. Kwam ter sprake het al of niet wenschelijke van de be- 
stendiging der Commissie door benoeming van nieuwe leden. 
Onder het personeel der Academie is men het algemeen eens 
dat geen voldoend aantal leden te vinden is, dat met dezelfde 
oudheidkundige en technische kennis toegerust als de aftreden- 
den, tijd en wijle genoeg heeft, om zich beschikbaar te stellen 
tot het opvatten der nedergelegde taak. En om buiten haren 
kring zich personen te annexeeren, daartoe mist de Academie 



Lvm 

ten eenenmale de bevoegdheid, behalve dat het geen houding 
hebben zou, eene verpligting op zich te blijven nemen voor 
welker behoorlijke vervulling zij erkennen moest dat hare eigen 
krachten te kort schoten. Maar ook al konde zij onverhoopt 
slagen in het naar eisch voltallig maken der haar geheel ont- 
vallen Commissie, de leemte bleef bestaan van gebrek aan 
stoffelijke middelen, gebrek aan mas^. Wat het eerste toch 
aangaat: het afzonderen eener toelage als hier volstrekt ge- 
vorderd wordt, is der Academie bij haar bekrompen subsidie 
onmogeiijk — en hoe wanhopig het is, van ^sLands Bestuur 
voor de zoo weinig begunstigde Kon. Akademie extra-subsidién 
aan te vragen, ook ten behoeve van werkzaamheden die "Neet- 
lands roem op wetenschappelijk gebied het naast raken^ daarvan 
getuigt hare geschiedenis, ^oor het tweede is geen redmiddel 
hoegenaamd. Waar bede en aandrang vruchteloos blijken en 
een gebiedend woord noodzakelijk is, daar heeft de stem der 
Academie, of van eenig ligchaam dat van haar uitgaat, geen 
genoegzame klem. 

Wat wil de Academie hier dan verder uitrigten, zonder per- 
soneel, zonder middelen, zonder magtp Men zegge niet, het 
strekt haar tot schande, eene schoone taak, die zij eens op 
zich nam, te laten varen. Heeft zij zich aanspraak verworven 
op grooten lof, van uit eigen beitreging de volvoering dier taak 
te hebben beproefd, even loffelijk is het, ja pligtmatig, nu zij 
door eene rijpe ondervinding geleerd heeft dat de aanvaarde 
werkkring bij haar niet tehuis behoort, om zich door geen 
kleingeestig vastklampen aan eene vermeende eer te laten weer- 
houden, van dien werkkring op te geven, ten einde eene be- 
hoorlijke behartiging daarvan niet te belemmeren, eene behar- 
tiging die, ook naar ónze bescheiden meening, op den weg 
ligt der Begering. Wij wenschen daarom 

30. het voorstel der Commissie te ondersteunen. Op ^s Lands 
Begering alleen berust de verpligting, ^s Lands Begering alleen 
bezit, behalve de middelen, ook de magt, om hier te doen wat 
gedaan behoort te worden. Mogt de Begering die verpligtis? 
ontkennen of van zich afwerpen, niet op de Academie, die 
gedaan heeft wat zij konde, maar op haar kwame de schande 



LIX 

neer, van in het verhoeden en beteugelen van yandalismus 
achterlijk te blijven bij andere beschaafde natiën. 

Wil zij zich echter van deze hare dure verpligting kwijten, 
dan mag zij geen halve maatregelen nemen, dan moet asij eene 
Siijks- Commissie in het leven roepen uit een voldoend aantal 
leden bestaande, toegerust met de noodige kennis ook op het 
gebied der kunst in meest uitgebreiden zin. De Secretaris be- 
hoorde goed bezoldigd te worden, als belast met de uitvoering 
der genomen besluiten en de behandeling der loopende zaken. 
Allen leden zouden reis- en verblijfkosten toegekend moeten 
worden, zoo voor hunne vergaderingen als voor persoonlijke 
onderzoekingen buiten hunne respective woonplaatsen. De Com- 
missie moest het regt hebben, om onder den eenen of anderen 
titel, overal waar zulks noodig of nuttig bleek, medewerkers aan 
zich te verbinden, onbezoldigd ook, doch met schadeloosstelling 
voor onvermijdelijke onkosten. Zij zou voorts moeten kunnen 
beschikken over de goede diensten van een paar bekwame 
jonge bouwkundigen, door wie zij zich in loco kon laten ver- 
vangen, en aan wie men onder anderen konde opdragen het 
vervaardigen eener statistische lijst van alle nog bestaande over- 
blijfsels van oude Yaderlandsche Kunst, vooral van gebouwen, 
gedenkteekens enz. Zij moest eindelijk gehouden zijn, de vruch- 
ten harer onderzoekingen in de uitgaaf van afbeeldingen van 
oude gebouwen en andere kunstwerken het licht te doen zien, 
waartoe zij over de noodige middelen behoorde te kunnen be- 
schikken. 

In dier voege is uwe Commissie het met de voorstellers eens, 
dat eeniglijk het doel dat men voor oogen heeft, bereikt zal 
kunnen worden, en in dien geest wenscht zij derhalve u te 
adviseeren dat de Academie zich tot de Eegering zal wenden. 

Vogelenzang y 11 Julij 1870. 

a. MEES Az. 

P. J. VETH. 

L. CO HEN STUAET. 

Th. boeeet. 

C. J. MATTHBS, 



LX 



Bijlage B. 



BaNISTEBIE 
van 
BINNENLANDSGUE ZAKEN. 

N^ Litt. A. 



5e AFDEELING. 

ONBEBWIJS, KUNSTEN EN 
WETENSCHAPPEN. 



NOTA. Menffêlieve hij het antwoord 
dendatum^ deletter hei nom- 
mmr en de a/deeUng van de- 
een Iritf naawokeurig aan 
te halen. 



's Oravenhage^ 31 December 1870. 



Naar aanleiding van het schrijven der Akademie, dd. 11 
December jl., N». 12, heb ik de eer ter harer kennis te bren- 
gen, dat tegen het //in het leven roepen eener Bijkscommissie 
^tot het opsporen, het behoud en het bekendmaken van over- 
yblijfeels der Vaderlandsche kunst uit vroegere tijden," over- 
wegende bedenkingen bestaan, zoodat ik tot liet verwezenlijken 
van dit denkbeeld althans op dit oogenblik niet zou kunnen 
medewerken. 

Te meer zou ik er dus prijs opstellen, dat de Commissie 
der Akademie, die gedurende een tal van jaren met den mees- 
ten ijver en niet zonder goeden uitslag op dit gebied is werk- 
zaam geweest en met de grootste bereidvaardigheid, zoo als 
gaarne door mij wordt verklaard, de Begering op haar verzoek 
heefi; voorgelicht, kon goed vinden het haar door de Akademie 
gegeven mandaat niet neder te leggen. 

Mogt zij evenwel daartoe niet kunnen besluiten, dan zal er 
voor de Regering niets anders overblijven dan er in te berus- 
ten en bij voorkomende gelegenheden de voorlichting van des- 
kundigen uit of buiten de Akademie te verzoeken. 

Be Minister van Binnenlandsche Zaken 
{Gei.) EOCK. 



l:J 



Bm.AOB C. 



LXI 



van 
BINNlBNIiAKDSCHS ZAKXN. 

N«. 188. 
5e APDEELINO. 

Oin>E]lWU8, KUN8TSN XN 
W JfiTENBGHAFPXM . 

VOTK. MtngêlwMlükêt auiwoari 
és» dalum,dêUU€rJM nom- 

aem iriêf tuumwitwig «m 



'9 Qravenhagey 28 Maart 1871. 



Naar aanleiding van het schrijven der Akademie^d^^ 6 dezer, 
heb ik kennis genomen van haren brief van 11 December jL, 
N®. 12. Tegen het instellen der verlangde Bijkscommissie is 
bedenking. De Commissie uit de Akademie, welke zich gedu- 
rende eenige jaren heeft belast met het opsporen van overblijf- 
sels van oude Nederlandsche kunst enz. en met het doen van 
voorsteUen dienaangaande, was inderdaad eene Aijkscommissie. 
Hebben, niettegenstaande haren grooten ijver en werkzame be- 
langstelling, hare pogingen den gewenschten uitslag niet gehad, 
het is niet te verwachten, dat eene andere Aijkscommissie ge- 
lukkiger zal slagen. 

Baadzaam schijnt het alzoo de taak voortaan aan de belang- 
stelling van genootschappen en particulieren over te laten. 

Yoor zooveel dan bij onderzoek of aankoop hulp van de Se- 
gering noodig mogt worden bevonden, zal ik gaarne nagaan in 
boeverre daaraan zij te voldoen. 



Le Minièier van Staai en 
van Bmnenlandache Zaken 

iOet.) THORBECKE. 



Verslag van de Commissie der Koninklijke Akademie 
van Wetenschappen tol het opsporen, hel behoud en 
het bekendmaken van de overblijfsels der vaderland- 
ëche kunst uit vroegere tij den y over 1870 lot 1871. 

Toen de Commissie in de jaarlijksche vereenigde Yergadering 
der beide Afdeelingen op 80 April des vorigen jaars, derede- 
nen ontwikkeld had^ die haar tot het besluit voerden, om^ na- 
dat zij gedurende een tiental jaren de haar opgedragen taak 
naar haar beste vermogen getracht had te volbrengen, haren 
lastbrief neder te leggen, meende zij aan het verlangen der 
Vergadering in zooverre te moeten toegeven, dat zij, in af- 
wachting van de uitkomst van nadere overwegingen, en eene 
daaruit volgende beslissing der Akademie, zich met de afdoe^ 
ning der aanhangige en loopende of gedurende dien tijd nog 
inkomende zaken, bleef belasten. Ook na die beslissing in eene 
buitengewone vereenigde Vergadering, die op 5 November van 
het vorige jaar plaats had, en waarin bij het daar genomen 
besluit aan het verlangen der Commissie tot het erlangen van 
een eervol ontslag werd voldaan, en tevens vastgesteld, dat 
geene nieuwe Commissie benoemd, maar tot de voortzetting 
van de taak door eene Rijkscommissie aan de Hooge Begeering 
een voorstel zou geschieden, verklaarden hare leden zich nog 
bereid, om, met uitzigten op eene mogelijk gunstige beschik- 
king, de tot dusver haar opgedragen belaugen te behartigen; 
en zij ging daarmede voort, ook nadat die uitzigten geheel en 
al werden opgeheven. 

Thans, gereed om rekenschap van haren arbeid aan hare last- 
gevers af te leggen, zou de Commissie eenigermate onder den 
schijn kunnen komen, dat zij welligt na hare opheffing op 5 No- 
vember jl., stemmen uit het Doodenrijk deed spreken, en zouden 
hare handelingen gedurende haar leven, wilde men het bekende 
i^de mortuis nil nisi bene^^ laten gelden, al op eene zeer toe- 
gevende beoordeeling aanspraak mogen maken. Maar haar over- 

Jaarboek 1871. 1 



( 2 ) 

gebleven drietal leden handelde en handelt nog in zekeren zin 
ook als bevindvoerders eener nalatenschap, om den boedel op 
eenen effen voet te brengen^ en zij moesten dus ook de zorg 
voor de op de nalatenschap nog rustende verpligtingen op zich 
nemen. 

In die betrekking is de Commissie aan de vereenigde Ver- 
gadering rekenschap verschuldigd van hare handelingen gedu- 
rende het eindigend Akademiejaar^ en zij is bereid die af 
te leggen^ hopende, dat de goedkeuring op haar beheer haar 
evenmin door de Akademie zal onthouden worden, als vroe- 
ger, toen zij nog als eene werkelijk bestaande Commissie 
jaarlijks optrad tot verslag en verantwoording wegens hare be- 
moeijingen. 

De Commissie hield slechts twee vergaderingen, op 5 Novem- 
ber des vorigen jaars, vdör en na de op dienzelfden dag gehouden 
buitengewone vereenigde Vergadering, in het gebouw der Aka- 
demie, en op 24 April jl. insgelijks te Amsterdam, ten huize 
van haar medelid, den heer Moll. 

Van de ingekomen mededeelingen, teekeningen en andere 
scukken, werd in de vergaderingen der Letterkundige Afdeeling, 
geregeld eene schriftelijke opgaaf ten bureele overgelegd, die 
naderhand met de verslagen der vergaderingen in de Staats- 
courant ter algemeene kennis werd gebragt. Met hulde aan 
de welwülende inzenders worden die verschillende bijdragen 
hier meer naauwkeurig omschreven. 

Door tusschenkomst van het Ministeeib van Binnenland- 
scHE Zaken, werden van het Ministeeib van Financiën, ont- 
vangen : Exemplaren van Bestekken voor ontmantelingswerkeii 
van Breda, Bergen- op-Zoom en Venlo ; 

Photogrammen van het gesloopte bastion Duifhuis en Val- 
kenberg te Breda, de Waterpoort, de Haagpoort van de bui- 
tenzijde gezien, twee van dezelfde poort, met de wachthuizen 
en een van dezelfde poort en de Courtine Prins Holland, alle 
te Breda; van het groote bomvrije arsenaal der voormalige 
Marinewerf van uitrusting, van de takelmagazijnen der voor- 
malige Marinewerf, de groote kappen der voormalige Marine- 
werf van Scheepsbouw en van de kleine kappen dier werfvte 



(8) 

Vlissingen; twee bouwkundige teekeningen van de gesloopte 
Bosch poort en de St. Pieterspoort te Maastricht; en 

een koperen messenhecht, benevens eenige koperen munten, bij 
de slooping der vestingwerkeu te Breda gevonden. 

Van den heer G. J. Bink, predikant bij de Hervormde 
Gemeente te Bathmen bij Deventer^ een koperen gedenkpen» 
ning op de opdragt van de orde van den kousenband aan 
Prins Maurits, in 1613 (van Loon, Historipenn,, Dl. Il, 
blz. 87). 

Van denzelfden heer Bink, berigten omtrent muurschilde- 
ringen^ bij de verbouwing van de oude kerk te Bathmen ont- 
dekt. 

Van den heer van Alphen te Zalt-Bommel, opgaaf van een 
zestiental zilveren, Engelsche, Hessische, Beiersche, Spaansch- 
Brabantsche en andere Zuid-Nederlandsche, Noord-Nederland- 
sche, Nederlandsch-Indische munten en gedenkpenningen in 
zijn bezit. 

Van den heer J, A. van Krieken, predikant bij de Her- 
vormde Gemeente te Eijswijk, Gelderland, berigten omtrent 
muurschilderingen, bij de verbouwing der oude kerk aldaar, na 
de vroeger aan den dag gekomene, nog ontdekt. 

Yan de Directie der Begistratie en domeinen in Lim- 
burg, berigt omtrent de aanstaande slooping van het fort Sint 
Pieter bij Maastricht. 

Van den Burgemeester van Bovenkarspel, Noord-Holland, 
berigt omtrent de slooping van de kerk en pastorij der Boomsch- 
Katholieke Gemeente aldaar. 

Van den Burgemeester van Wonseradeel, berigt omtrent de 
slooping van de kerk der Hervormde Gemeente te Idsegahuizen. 
Van den heer J. C. Prfderiks, te Oostkapelle, berigt om- 
trent oude Delftsche tegeltjes, uit de afbraak eener woning 
aldaar beschikbaar. 

Van den heer A. Aldbnhuysen te Volkel, onder Uden, 

Noord-Brabant, berigt en êcheta van eene oude gouden munt, 

eenen Spaanschen dubbelen pistolet, aldaar gevonden, en door 

eenen der geestelijken van het Udensche klooster aangekocht. 

Van den heer J. J. Smits te Nijkerk op de Velu we, berigt 



(4) 

omtrent muurschilderingen in het koor van de kerk der Her- 
vormde Gemeente aldaar. 

Van den heer F. C. Hopman te Amsterdam, beripl omtrent 
muurschilderingen in de Hervormde Kerk te Weesp. 

Van den heer van der Vben, predikant bij de Hervonnde 
Gemeente te Waalwijk, berifft omtrent de doopvont, in de kerk 
der Hervormde Gemeente te Sprang. Over deze doopvont werd 
reeds in het Commissie-versrag van het vorige jaar, blzz. 30, 
31 gehandeld. 

Van den Bukoemeesteb van Appeltern, beriffó omtrent zil- 
veren zegelstempels van Heer Wolferd van Borssblbn, bij 
heb baggeren van zand uit de Maas onder Alphen gevonden; 
en omtrent eene koperen tabaksdoos, op dezelfde wijze aan den 
dag gekomen* 

Van den heer B. Hoooeboom, Ingenieur van 's Bijks Water- 
staat in het 1'^ Arrondissement, zesde distrikt te 'sHertogen- 
bosch, een zwaard bij het uitbaggeren van de Dieze nabij die 
vesting gevonden. 

Van den heer N. van Buuren te Gouda, de afteeleningen 
van de beide zijden van een gouden muntstuk, te Vollenhoven, 
bij het rooijen van aardappelen door een meisje gevonden. 

Van den heer L- A. Lauret, boekhandelaar te Nieuwe- 
diep, ter bezigtiging een koperen gedenkpenning, hem bij toe- 
val onder oud koper in handen gekomen. 

Van den Burgemeester van Heerde, Gelderland, phoiogram 
van de kerk en haren vernieuwden toren, van de Hervormde 
Gemeente aldaar. 

Van Jhr. Mr. Victor de Stuers, Advokaat te 'sGravenhage, 
berigten omtrent de slooping van eenen ouden toren van het 
oude kasteel of blokhuis te Leeuwarden; van eene middel- 
eeuwsche buitenpoort en verdedigingsmuur te Zutphen; van de 
Veldpoort te Wijk bij Duurstede, en van een gedeelte van het 
Ewouds en Elisabeths-Gasthuis aldaar; omtrent plan van ver- 
bouwing van de Onze-Lieve- Vrouwe kerk te Zwolle, en omtrent 
oud Bomaansch schilderwerk op den wand der St. Servaaskerk 
te Maastricht te voorschijn gekomen. 

Van BuRQEMBESTER CU WETHOUDERS vau Locu Warden, een 



(8) 

photogram van het vroegere front van het gedeeltelijk a%ebro« 
ken en hersteld tuchthuis^ het zoo even genoemde kasteel, te 
Leeuwarden. 

Van BuRG£Mn8TB& en Wxthoüdkrs van Wijk bij Duurstede, 
twee photogrammen van de Veldpoort dier stad, van de binnen- 
en van de buitenzijde gezien. 

Van den heer A. J. H. Baijbb, opzigter van ^sBijks Wa- 
terstaat te Winschoten, omscArijvende lijst van een aantal zil- 
veren en een paar koperen munten en gedenkpenningen^ in 
zijn bezit. 

Van den heer W. MoLKSKfiOBB, leeraar in het teekenen 
aan de hoogere burgerschool te Leeuwarden, twee teekeningen 
op de helft der ware grootte door hem vervaardigd van eenen 
in steen gehouwen beer, op den bodem van de Swaardenterp 
te Stiens, Friesland, in den loop van het vorige jaar gevonden. 
Van den heer S. Faibncombb Matthbs te Breda, een exem- 
plaar van een der photogrammen, op zijnen last van het zoo- 
genaamde kasteel van Badbout te Medemblik vervaardigd, nog 
vóór de eenige jaren geleden volbragte slooping van twee der 
oude torens van het gebouw. 

Van den heer F. W. van Ebdbn te Haarlem, het photo- 
gram van eenen zoogenaamden schouwsteen van het jaar 156(7), 
in de grondslagen van een oud gebouw in den Aardenhout^ bij 
Haarlem voor den dag gekomen. 

Yan het Fbibsch gbnootschap voob gbschibd-, oudheid- 
£N TAALKUNDE, ccn exemplaar van het tijdschrift De vrije Fries y 
N. E., Dl. VI, St. 2, en van het 328te Verslag van de Han- 
delingen, 1866—1870. 

Yan den Bubgbmbestbb van Beverwijk, berigt omtrent de 
aanstaande vernieuwing van eenige vensterramen in de kerk 
der Hervormde Gemeente aldaar, tengevolge waarvan een aantal 
oude glazen met ingebrand schilderwerk opgeruimd zouden wor- 
den. Later kwam van denzelfden Burgemeester eene nadere 
mededeeling in, dat hij den Gemeente- Architekt, den Heer A. de 
Gkoot, uitgenoodigd had eene naauwkeurige beschrijving dier 
glazen op te inaken en zoo mogelijk daaraan eene teekening 
toe te voegen, om een en ander, na inkomen, aan de Commissie 



( 6 ) 

over te zenden. Nog werd door hem de aandacht gevestigd op 
andere voor de vaderlandsche kunst belangrijke bijdragen in 
dezelfde kerk aanwezig. 

Yan den Bubgemebsteb van Weststellingwerf in Friesland^ 
herigt omtrent een kistje te Finkega^ een jaar geleden met 
eenige kerkelijke voorwerpen, in het veen gevonden en thans 
nog ten huize van den vinder, Bients Piktebs Koopmans, al- 
daar aanwezig. 

Yoor al deze toezendingen herhaalt de Commissie hier haren 
dank, dien zij bij de maandelij ksche vermelding der bij haar 
ingekomen stukken, in de afdeelingsvergaderingen, reeds voor- 
loopig aan de regthebbenden had gebragt. 



Eene nadere en meer uitvoerige behandeling en omschrijving 
van de meeste deze opgaven en toezendingen, zal niet over- 
bodig geoordeeld worden, zij gaat, voor zooveel noodig, gepaard 
met de mededeeling van de handelingen en maatregelen, waar- 
toe zij aanleiding hebben gegeven. 

sloopino van oude oeb0uwen. 

De Bosschepoobt te Maastbicht. 

De net bewerkte, opgemeten teekeningen dezer poort, leveren 
gezigten op het gebouw van de stadszijde en van de buiten- 
zijde genomen, eene doorsnede over de lengte, eene doorsnede 
over een gedeelte van de breedte, regts wanneer men van de 
stad naar buiten ging, en een gezigt op een gedeelte links. 

Yolgens de aanteekeningen van den opzigter bij de ontman- 
telingswerken, den heer P. Jonkbbqouw, was de tweede of 
buitenste helft van het gebouw het oudste gedeelte, en behoorde 
daartoe ook eene bij de slooping ontdekte, nog goed bewaard 
gebleven hardsteenen, overwelfde trap, waarmede men, aan den 
regterwand, naar het bovengedeelte van de poort opklom. 
Yoor het overige bleek, dat het geheel menige verandering en 
verbouwing had ondergaan, totdat het in zijnen laatsten toe- 
stand was gekomen. 



(7 ) 

Db St. Vietbrspoort te Maastricht. 
Deze poort maakte door haren vorm meerdere aanspraak op 
belangstelling geldig. De teekening geeft;: platten grond^ een 
gesdgt op den ingang en het regts daaraan verbonden gedeelte^ 
benevens een gedeelte van den walmnur, eene lengte- en eene 
dwarsdoorsnede. Voordat met de slooping van den wal ter 
wederzijde eenen aanvang was gemaakt^ toonde het geheele 
poortgebouw aan de buitenzijde slechts twee ronde, naakte to- 
rens^ aan beide zijden met de muren van den hoofdwal ver- 
bonden; aan den ingang van de stadszij de werd het oude werk 
bedekt door twee groote hardsteenen pilasters, eene toevoeging 
van den laatsten tijd. Bij het ontblooten van het muurwerk, 
vooral van het westelijke gedeelte aan de binnen- of stadszijde, 
kwamen de eigenlijke vormen van het geheel te voorschijn. 
De poortdoorgang voerde van den ingang aan de stadszijde 
eerst met eene kleine kromming links of oostwaarts, en verder 
in eene regte lijn naar buiten, tusschen de twee zware torens, 
wier muren van mergelsteenen opgebouwd, met eene even dikke 
of nog dikkere bekleeding van baksteenen ommetseld waren; 
ditzelfde was het geval met den geheelen oostelijken en het 
grootste gedeelte van den westelijken muur van den geheelen 
doorgang. De oostelijke toren was geheel rond, de westelijke 
had dien vorm slechts aan de noordelijke of buitenzijde, aan 
de andere of naar de stad gekeerde zijde was hij met eenen 
regten muur afgesloten. De binnenruimte werd door eenen 
dikken muur van het noorden naar het zuiden, en door eenen 
anderen, veel dunneren binnenmuur van het oosten naar het 
westen in vier ruimten a%edeeld, en bestond uit twee verdie- 
pingen. Tot de benedenste gaven twee openingen aan de noord- 
zijde toegang; hoe men tot de bovenste verdieping opklom, 
blijkt, althaiis uit de teekeningen, niet. Juist in den hoek, 
waar aan de buitenzijde de hoofdwalmuur aan den toren aan- 
sloot, waren, op 7 meters boven den beganen grond, overblijf- 
sels van een torentje, of welligt van eene trap, zigtbaar, doch 
te zeer beschadigd om de bestemming met eenige zekerheid te 
bepalen. Al dit metselwerk bestond uit gebakken steen. Aan 
de zuidzijde bevond zich, op 1,50 meter boven den beganen 



( 8 ) 

grond, een digt gemetseld schietgat. Vóór het stadwaarts, of naar 
het noorden gekeerde gedeelte van denzelfden toren 'waien 
eene menigte hokjes en muurtjes gedeeltelijk nog aaikwezigf 
wier bestemming niet bleek, en die bij het wegruimen van 
den grond, voor zoover zij niet met den hoofdwalmuur in ver- 
band stonden, meerendeels instortten en dus niet meer konden 
opgemeten worden. 

Tot de onverdeeld gebleven binnenruimte van den oostelijken 
toren leidde eenmaal een later digt gemetselde doorgang, uit 
het overdekte gedeelte van het poortgebouw; het licht ontving 
men door een op de hoofdgracht uitziend venster. 

Noch de teekeningen, noch de geschreven toelichtingen le- 
veren bijzonderheden nopens het metselverband dor met bak- 
steenen opgebouwde gedeelten, evenmin omtrent de afmetingen 
en de gehalte dier steenen, of van den kalk en den aard zijner 
zamenstelling en menging. Dit is te bejammeren, dewijl daar- 
door ook de gegevens buiten beschikking zijn gebleven, om 
overal over den betrekkelijken ouderdom van de verschillende 
gedeelten van het poortgebouw te oordeelen. 

Kebk der Boomsch-Katholiekkn tb Bovënkarspel, Noord- 
Holland, en KERK DER Hervormob Oemrente tb IdsegahcizbKj 
Friesland. Over de voorgenomen slooping van de eerstgenoemde 
kerk werd in het vorig verslag, blz. 30 {Jaarboek 1871, zelfde 
bladz.) gehandeld. Uit een sedert van den heer Hoofd-ingenieur 
van 's Rijks Waterstaat ontvangen berigt, is gebleken, dat de 
kerk sedert hare verbouwing in 1828 geene overblijfselen van 
haren oorspronkelijken bouw had bewaard, en dus bij de sloo- 
ping geene schade voor de geschiedenis der vaderlandsche kunst 
te duchten was. Ook de kerk te Idsegahuizen dagteekende, 
volgens ontvangen berigt van den Burgemeester van Wonsera- 
deel (de burgerlijke gemeente waartoe eerstgemelde plaats be- 
hoort) eerst uit de loopende eeuw, en had dus voor geschied- 
of oudheidkunde volstrekt geene waarde. 

Kerk der Hervormde oemebntb te Maasdam. Door eene 
aankondiging in de Nieuwsbladen was het plan tot slooping 
van dit kerkgebouw nog tijdig genoeg ter kennis van de Com- 
missie gekomen, om nader onderzoek en, naar gelang daarvan, 



( 8 ) 

aet nemen van noodige maatregelen mogelijk te maken. De 
kerk dagteekent van een ver verleden^ en bewaart nog aan de 
noordwestzijde de overblijfisels van eene insgelijks zeer oude 
kapel. De toren werd een zestigtal jaren geleden herbouwd, en 
had dus voor het doel dat de Commissie zich voorstelt, geene 
waarde. Door de welwillende beschikking van den Hoofd-in- 
genieur van 'sEijks Waterstaat in het 10® district, den heer 
AuGiBE te 's Gravenhage, tot wien de Commissie zich in deze 
had gerigt^ werd aan den Opzigter van den Waterstaat, den 
heer C. Lugtbn te Putt^ershoek; de taak opgedragen^ om 
bij de slooping de noodige opnemingeu en opmetingen te 
doen, naauwkeurige bouwkunstige teekeningen te vervaardi- 
gen^ en aanteekening te houden van alle bijzonderheden die 
van eenig belang geacht konden worden. Die bescheiden 
kunnen^ zoodra het werk afgeloopen zal zijn^ nog worden te 
gemoet gezien. 

Kerk tb Eexta, Groniugen. In het vorig Jaarverslag^ blzz. 
2é— 26 werden reeds eenige bijzonderheden omtrent dit hoogst 
belangrijke gebouw medegedeeld^ naar aanleiding van eene voor- 
loopige beschrijving en een paar schetsen^ die door den Inge- 
nieur van 's Rijks Waterstaat, den heer Ph. W. van der Sley- 
BEN te Groningen; aan de Commissie overgemaakt waren. De 
heer A. J. H. Bauer, Opzigter bij het korps te Winschoten, 
werd belast meb de zorg voor de noodige opmetingen, teeke- 
ningen enz., en leverde, in de vruchten van zijnen arbeid, die 
bij de Commissie met het begin van het loopende jaar ont- 
vangen werden, de bewijzen, dat de taak bij hem iu kundige 
handen was toevertrouwd. Die stukken bestaan in: platten 
grond, gezigten op den zuidelijken zijgevel en op den ooste- 
lijken eindgevel, eene dwarsdoorsnede over het midden geno- 
men, afteekeningen van bijzonderheden (détails), en eene toe- 
lichtende beschrijving. Uit deze laatste worden de hiervolgende 
opmerkingen overgenomen, tot verbetering en aanvulling van 
de voorloopige vroegere opgaven. 

Bij de stormen van 16 en 17 December 1869 had de oude 
kerk zooveel schade geleden, dat zij voor hare bestemming ge- 
heel onbruikbaar geworden, en eene herstelling, naar het scheen, 



( 10 ) 

aan te groote bezwaren onderhevig was. De groote kosten die 
eene noodig geoordeelde^ geheele herbouwing zou vorderen, de 
bedenking dat slechts de helft der ruimte voor de behoeften 
der gemeente vereischt werd, en tengevolge van het zich al- 
lengskens meer noordwaarts verplaatsende dorp, eene ligging 
van het kerkgebouw meer in het midden der woningen wen- 
schelijk was, leidden tot het besluit, om de oude kerk, alsmede 
den, op eenigen afstand van het gebouw staanden toren, voor 
afbraak te verkoopen, en eene geheel nieuwe kerk op eene 
beter gelegen plaats op te bouwen. 

Op het einde van Pebruarij van het volgende jaar werd de 
slooping openlijk aanbesteed, het werk in de volgende maand 
begonnen, eerst tamelijk vlug, later echter met minder vaart 
voortgezet, wegens moeijelijkheden voor het wegvoeren van het 
puin, zoodat eerst op het einde van 1870 het laatst overge- 
bleven gedeelte der grondslagen werd weggeruimd. 

De kerk heeft den grondvorm, niet zoo als uit de voorloopige 
opgaven, in het vorige Jaarverslag werd gezegd van het Griek- 
sche, maar dien van het Latijnsche kruis, welks oostelijk ge- 
deelte of koor, even als de beide dwarsbeuken en het westelijke 
uiteinde, vierkant afgesloten waren. De geheele lengte van het 
oosten naar het westen, buitenzijds 35,5, binr^en 32,5 me- 
ters, de dwarsbeuk 22,8 en 19,8 meters; de breedte van schip 
en koor binnenzijds 8,6 ; van de dwarsbeuken 7,7. Oorspron- 
kelijk gaven vier deuren toegang tot de kerk, twee in het 
midden van de noordelijke en zuidelijke zijmuren van het schip, 
twee andere in de gevels der beide dwarsbeuken. Volgens de 
overlevering droegen die ingangen verschillende namen, waar- 
schijnlijk in overeenstemming met vier onderscheiden gemeenten, 
die er meer bepaald gebruik van maakten. De deur in den 
noordelijken beukgevel heette de Scheerderdeur, die in den 
noordelijken muur van het schip, de Noordbroeksterdeur; in 
den zuidelijken de Meedemerdeur en in den zuidelijken beuk- 
gevel de Eexterdeur. De twee noordelijke deuren waren digt 
gemetseld, die van den koormuur met dezelfde steensoort als 
die van het gebouw zelf, doch de ingang van den noordelijken 
dwarsbeuk met steenen van kleinere afmetingen, 27 bij 13,5 



. (11 ) 

en 6 cM. De toegemetaelde ingangen waren echter langen tijd 
gebruikt geweest, zoo als bleek uit de uitslijting van de nog 
aanwezige steenen onderdorpels van brninen Bremersteen; ook 
uit de zware ijzeren duimen, waaraan de deurvleugels eenmaal 
aangehangen waren. Deze duimen waren met eene lange veer 
in het metselwerk bevestigd en rustten op een blokje hardsteen. 
De sluiting scheen alleen aan de binnenzijde plaats gehad te 
hebben met eenen houten boom van ongeveer 12 cM., die 
door eenen in het metselwerk uitgespaarden vierkanten koker 
heen en weer bewogen werd. Op dezelfde wijze was de in den 
zuidelijken muur van het schip nog aanwezige MeedemerdeuT; 
doch die ook al sedert lang niet meer gebruikt werd, gesloten. 
De eenige nog gebezigde ingang, aan den zuidelijken beukge- 
vel, had eenen dcurvleugel, voorzien van een zwaar ijzeren slot, 
en op de duimen met twee ijzeren hengen draaijend. Deze hen- 
gen van ongeveer eenen meter lengte waren eenvoudig maar 
sierlijk bewerkt, met naar boven en onder zes, drie aan elke 
zijde uitspruitende, golvende takken. De deurvleugel van dubbel 
opgeklampt, ongeveer 6 cM. dik eikenhout, met gesmede ijzeren 
kopboutjes aaneen verbonden. De onderdorpel was waarschijnlijk 
in latere jaren verlaagd, daar de hardsteenendorpel weggenomen 
eii door eene gemetselde rollaag van baksteenen (25 bij 12 en 
5 cM.) vervangen was. 

De ramen van kleine afmetingen waren boven den eersten 
omloopenden band aangebragt. Met spitsbogen afgesloten had- 
den zij tot aan de buitenzijden der eggen eene hoogte van 4,2 
bij eene breedte van 1,3; de lichtopeningen eene hoogte van 
3,4 M. en eene breedte van 5 cM.; de vensters in de zijmuren 
der dwarsbeuken waren kleiner, hebbende slechts tot aan de 
buitenzijden der eggen, eene hoogte van 3,6 bij eene breedte 
van 1,2; de lichtopeningen 3 bij 0,5 M. Een groot aantal der 
vensters was digtgemetseld en mogt dus meer den naam van 
nissen dragen. In den zuidelijken muur van het schip had 
men zeven vensters van het westen oostwaarts tellende: een 
blind, of digtgemetseld, twee open, twee digt, en wederom 
twee open ; in den westelijken muur van den zuiderbeuk een 
open; aan den beukgevel vier, waarvan een digt, twee open 



( 12 ) 

en een digt; in den oosteiijken muur van dien beuk wederom 
een open^ en in den zuidelijken muur van den oosteUjken of 
koorbeuk^ drie vensters^ waarvan de twee eerste open^ bet derde 
digt. De oostelijke gevel had wederom^ even als die van den 
laatstgenoemden dwarsbeuk^ vier vensters^ bet eerste en laatste 
digtgemetseld, de beide middelste open. Dezelfde verdeeling 
van vensters had ook plaats aan den noordelijken muur van 
den koorbeok^ de muren van den noordelijken dwarsbeuk^ van 
het schip en den westelijken gevel. 

In het gedeelte van de muren onder den hierboven genoem- 
den omloopeuden band^ dat van den beganen grond eene hoogte 
van ongeveer 7,b meters had; terwijl het bovengedeelte, te re- 
kenen van dien band tot aan het dak, 5,7 meters hoog was, 
waren nissen uitgespaard, met zeer flaauwe punt« enkele met 
rondbogen gesloten. In de zuidelijke en noordelijke zijmuren 
van het schip, van het westen afbellende eerst drie nissen tot 
aan den top der boogsluiting hoog 5,8 breed 2,2 M.^ op 
eenigen afstand boven den begane n grond; vervolgens twee 
nissen met rondbogen en rakende tot aan den beganen grond, 
hoog 7 en breed 2,7 M. In eiken zijmuur der dwarsbeuken 
twee nissen met puntbogen, hoog 5,8 breed 1,9. In de gevels 
der dwarsbeuken drie nissen, hoog 6, breed 2,2 M. In de zij- 
gevels van het koor drie nissen, hoog 6, breed 2,1 M. Eindelijk 
in eiken der oostelijke en westelijke gevels vier nissen, hoog 6' 
en breed 1,9 M. In het bovengedeelte of de bogen dier nis- 
seU; maar bij enkele vrij wat buiten het midden, waren aan 
de zijmuren der dwarsbeuken en de drie muren van den koor- 
beuk, rondlichten aangebragt^ waarvan de twee buitenste in 
den oosteiijken muur van den koorbeuk wederom digtgemetseld 
waren. Enkele dier lichten hadden de traseeringen nog behou- 
den. De westelijke sluitmuur van het schip, stemde in het 
aantal dier rondlichten overeen met den oosteiijken van den 
koorbeuk. Waar de nissen en rondlichten digtgemetseld waren^ 
had men hiertoe baksteenen van dezelfde afmetingen alp die 
van het gebouw zelf^ («^0 bij 15 en 9 cM.) gebezigd en wel 
in keperwerk. 

De vier gevels hadden driehoekige gevelfrontalen, welker top 



( 18) 

gelijk van hoogte was met de nok van het dak. In den ooste- 
lijken en den westelijken gevel waren de trommels met zes 
dunne muraalzuilen of schalken^ in zeven vakken verdeeld^ in 
elk der 3 middelste vakken eene nis met eenen dubbelen 
pnnt-hangboog gedekt ; in de twee naast daaraan sluitende vak- 
ken heefb de nis den vorm van een trapezium, de beide eind- 
vakken zijn ledig gebleven. Onder de zijlijsten zijn punt-haug- 
hogen aangebragt, wier uiteinden waar zij boven de zoo even 
genoemde schalken zich bevinden^ op deze laatste rusten. Bij 
de twee dwarsbeukgevels bestond die verdeeling door muraal- 
zuilen niet, maar toonde de trommel in het midden drie nissen 
van gelijke afmetingen^ met flaauwe puntbogen gesloten^ en aan 
beide zijden naast die nissen, drie andere die, naarmate zij de 
zijlijsten van den trommel naderden, kleiner werden en slechts 
door tv?ee muraalzuiltjes gescheiden waren. In het bovenge- 
deelte van den trommel een rondlicht, met cirkeHraseeringen ; 
geheel aan den top, even als in de middelste der nissen, nog 
een klein rondlicht. In een dier toplichten bevond zich een 
grootendeels beschadigd, in glas ingebrand wapen, daaronder 
het jaartal 1720. 

Langs al de zijmuren was onder de wendellijsten eene ver- 
siering van punt-hangboogjes aangebragt. 

De fundeering was diep onder het maaiveld aangelegd en 
bestond uit blokken van ongelijke grootte, doch die onder de 
hoeken voor de beren en de binnenpüasters waren breeder 
dan de ovferige. Er waren slechts weinige en dan ongelijke ver- 
snijdingen; het verband was tamelijk wel in acht genomen en 
overigens, met enkele uitzonderingen, waar zich gegoten werk 
opdeed, alles van heele steenen, ter hoogte van 2,50 M., in 
zeer slappen mortel opgetrokken. 

Aldaar namen de aardbogen eenen aanvang, die, onderling 
van ongelijke spanning, echter allo even hoog in de punt lagen. 
Zij hadden eene diepte van 1,20 M., doch slechts eene dikte 
van eenen geheelen, somtijds ook van twee halve steenen over 
elkander geslagen ; nergens was een sluitsteen aangebragt, maar 
de top met brokjes of, zoo als dit maar uitkwam, met eenen 
halven steen of nog grooter stuk gesloten. Meest alle werden 



( 14 ) 

door regte lijnen gevormd, enkele in flaauwe bogen. Blijkbaar 
zijn zij zonder hulp van formeelen vervaardigd^ daar ook de 
onderkant^ zonder dat daarom de steenen los zaten^ ongelijk 
was gebleven. Enkele waren aan de dagzijde zigtbaar^ en later^ 
o&choon ook zeker zeer lang geleden, vernieuwd. Over bet 
algemeen verkeerden zij^ even als de gebeele fandeering^ nog 
in vrij goeden staat. Aan de noord westzijde evenwel waren de 
aardbogen eenigszius uitgezet. Het terrein lag daar in eene 
vrij sterke helling, en de grond was nog al los geraakt, waar- 
schijnlijk dewijl men zoowel vroeger binnen in de kerk, als 
later nog daar buiten, nabij de grondslagen lijken had begra- 
ven. Hierdoor was de oppervlakte zeer golvend en verzakt, 
en waren enkele aardbogen nagenoeg voor de helfb in het 
gezigt gekomen. Men had in latcren tijd die boogopeningen 
met een halfsteensmuurtje gesloten, doch zonder fundeering, 
zoodat die sluiting grootendeels wederom losgeraakt of uiteen- 
gezakt was. 

De opgaande muren waren ook zonder versnijdingen opge- 
trokken, alleen de spitse gevelfroutalen minder zwaar. De uit* 
metseling van nissen en boogjes dezer gevels bood hier en 
daar eenig verschil aan. 

Het verband was, zoo aan de buiten- als aan de binnenzijden, 
welke laatste blijkbaar oorspronkelijk niet bepleisterd geweest 
waren, met zorg in acht genomen; in het vlakke muurwerk, 
zooveel mogelijk twee streksche en een kop, voor de pilasters 
en beren, om en om een streksche en een kop. Tusschen de 
in goed verband opgezette buiten- en binnenmuren, ter zwaarte 
van een tot twee steen, op sommige plaatsen ook wel eens 
over de geheele breedte tot een zamenhangend geheel vereenigd, 
bestond toch de vulling meest uit gegoten werk, gevormd uit 
een mengsel van gebroken steen, en vele steenen van vorm als 
die voor de pilasters, gewelfsbanden en lijsten gebezigd waren, 
voorts voor een aanzienlijk deel van metselspecie. Ook het 
keperwerk was zeer net bewerkt. De steenen hadden over het 
algemeen de afmetingen van 80 bij 15 en 9 cM. 

Al de ronde banden in de nissen, gewelven en pilasters 
waren van opzettelijk daarvoor gevormde en gebakken steenen 



( 16 ) 

zamengesteld ; hetzelfde was het geval met de wendellijsten en 
boogtafeltjes. Laatstgemelde waren meest oyeral nog in goeden 
staat; behalve aan beide zijden van het schip^ waar zij tenge- 
volge van bet doorkappen van ijzeren ankers in latere jaren^ 
nog al beschadigd waren. Zij waren tegen de muren aange- 
plakt en rustten op een uitgemetseld^ aan beide zijden afgebil- 
joend blok of klos. De vorm en afmetingen der hoekpilasters, 
schalken, muurzuilen, gewelven enz.^ even ab andere bouwkun- 
stige bijzonderheden kunnen slechts uit de teekeningen be- 
hoorlijk gekend worden. Yan sommige pilasters was het meest 
uitspringende ondergedeelte weggekapt^ waarschijnlijk voor het 
plaatsen van beschotwerk^ banken, predikstoel enz. Ook de 
muurzuilen waren, even als de hierboven vermelde banden en 
lijsten, van opzettelijk daartoe gebakken steenen vervaardigd, 
de kapiteelen in ruw bewerkte Bentheimersteen uitgehouwen. 

Het geheele gebouw was met zes gewelven, of gewelfsvelden 
gedekt, waarvan een boven den koor- en eiken der beide 
dwarsbeuken, een boven het kruis, en twee boven den grooten 
beuk of het schip. De gewelven van de dwarsbeuken onp^e- 
veer 1,5 M. lager dan de overige. Zij bestonden uit acht vak- 
ken, gevormd door twee diagonaal- of graatribben en twee 
dwarsribben, en hadden eene ronde krooti der ribbenregeling; 
die kroon was boven het kerkkruis omtrent tweemaal zoo groot 
als bij de vijf overige gewelfsvelden en met traseeringen ver- 
sierd. De kluizen of gewelfskappen alle van keperwerk in ge- 
regeld verband zamengesteld. Oorspronkelijk waren hunne op- 
pervlakten, evenmin als die der wanden van de kerk, be- 
pleisterd, maar met eene roode verwstof, de banden met eene 
licht-blaauwe, gekleurd geweest. Het gewelf in den grooten 
beuk, onmiddellijk aan dat van het kerkkruis aansluitende, was 
waarschijnlijk reeds ruim een paar eeuwen geleden, ingestort, 
zoodat slechts de onderste gedeelten meer aanwezig waren. Men 
had het vervangen door eenen dennenhouten zolder op beslagen 
eiken balken. In den noordelijken dwarsbeuk had men eenen, 
met laatstgenoemde balken geheel in zwaarte, afmeting en be- 
werking overeenkomstigen balk met een daaraan in den ooste- 
lijken muur bevestigd A7-anker aangebragt^ en in het hout het 



(16) 

opsclirift: AvNO 1656 den 6 Fbbbdabt. Hxbman Mudtinoh 
PASTOR. Ebbo Ebbls Ksbckvoogt, uitgebeiteld. 

Ook het westelijk daaropvolgend gewelf was gescheurd. De 
westelijke eindgevelmuur toonde over de geheele hoogte door 
het midden eene tamelijk breede scheur, waarmede een bni- 
tenwaarts hellende stand van den noordwestelijken hoek ge- 
paard ging. BeideU; zoo de muur als die hoek^ waren in zeer 
slechten staat^ zoo als dit bij het afbreken bleek. Toen de kap 
reeds we^enomen, en een> later over het gewelf aangebragt 
ijzeren anker losgemaakt was^ stortte plotseling de geheele ge^el 
naar buiten neder. 

Overigens verkeerde het metselwerk van het geheele oude 
gebouw over het algemeen nog in zeer goeden toestand; en 
bestond er geenszins in eene gevaar dreigende bouwvalligheid, 
die vroeger beweerde of vermeende, dringende noodzaak voor 
de slooping. Daarom is het zeer te bejammeren^ dat een zoo 
merkwaardig en voor de oude geschiedenis van onze vaderland- 
sche bouwkunst; zeldzaam belangrijk gebouw onherroepeUjk ver- 
dwenen is, dat het kerkbestuur na naauwkeurig onderzoek^ niet 
liever een besluit nam tot versterking en herstel van het be- 
staande. 

Tegen de koorwanden vond men, onder de herhaaldelijk aan- 
gebragte witsellagen, overblijfsels van gebrekkig schilderwerk 
met eene roode stof aangebragt. De aard der voorstelling was 
niet meer te herkeunen^ maar scheen tot eene gaanderij of een 
altaar gebragt te kunnen worden; daarnevens een manshoofd 
en het naauwlijks leesbaar opschrift: Anno 1167 is diksk 
KERCK 6BBAI3T DOOE J. Jans. Het is zeor te bejammeren dat 
van dit opschrift geen doortrek of naauwkeurige teekenfng is 
vervaardigd. Het was reeds vernietigd voor dat de Heer Bader 
zijne opneming begon. 

De afioaetingen der steenen zijn hierboven reeds opgegeven. 
Hunne kleur was over het algemeen hoog geel. Zij waren 
slecht gesorteerd. Hoewel alle van geringen graad van hard- 
heid, daar het leem te veel met zand vermengd was, werden 
echter enkele aangetroffen met geheel verbrande koppen. De 
steenen aan de grondslagen gebezigd waren vooral zeer verwa^ 



( 17 ) 

terd. Voor het overige waren alle behoorlijk zuiver gevormd, 
en buiten, maar vooral ook aan de binnenzijde, waterpas en 
zniver als onder den draad gemetseld. De voegen niet buitenge- 
woon dik; de zamenhang vaa het metselwerk zeer voldoende, 
zoodat het afbreken nog al eenige moeite kostte. De mortel 
bestond uit vrij goed gebluschte schelpkalk en fijn zand; schelp- 
jes werden er echter zeer weinig in aangetroffen. De vermenging 
was niet gelijkmatig; somtijds was veel en dan weder minder 
zand gebezigd. Onderaan scheen nog eene soort van trasraam 
bestaan te hebben; althans was de metselspecie aldaar, even als 
die waarmede de aardbogen gemetseld waren, bijzonder hard en 
van blaauwachtige kleur, naar het scheen met zeer weinig zand, 
maar meer met grof gestooten tras. De verschillende witlagen 
over de biDuenbepleistering aangebragt, hadden te zamen eene 
dikte van 1,5 mM.; de dikte der pleisterlaag zelve was van 
1,5 cM., zij bestond uit zeer goed gebluschte schelpkalk met 
weinig zand. 

Gehouwen steen was weinig gebezigd. Slechts de kapiteelen 
der muarzuüen en schalken, waren van Bentheimersteen gehou- 
wen; de drempels der ingangen waren platen 14 cM. dik, van 
bruinen, fijnen steen, waarschijnlijk Bremersteen. 

In eene der vier hoofdzuilen van het kruiS; de noordweste- 
lijke, was een hoogst gebrekkig wenteltrapje aangebragt, van 
opzettelijk daarvoor gebakken steenen opgetrokken, met optrede 
van 26 en aantrede van gemiddeld 14 cM. Het voerde tot aan 
het begin van het gewelf, tot waar een aan het kapbeen han- 
gende ladder boven op het gewelf en in de kap den toegang 
verschafte. 

De kap was voor een groot gedeelte bij blijkbaar herhaalde 
herstellingen vernieuwd. Boven het koor alleen scheen nog een 
ongeschonden gedeelte van den oorspronkelijken bouw overge- 
bleven te zijn, alles van tamelijk zuiver beslagen eikenhout. 
De kapbeenen uit ééne lengte, zonder wankanten, zwaar 22 bij 
22 cM., stonden ieder op eene afzonderlijke voetzool, waren in 
den top half en half op elkander gekeept en déAv met eene 
houten pen en met een paar spijkers met groote platte knoppen 
verbonden; op de voetzool of nraurplaat waren zij ingelaten en 

Jaarboek 1871. " 



{ 18 ) 

met gelijksoortige spijkers bevestigd. Een loodregt schoor was 
langs den regtstaud van den muur verder door de miitirplaat 
aangebragt tot aan de kapbeenen en daarop met inkeping en 
spijkers vastgehecht. De kapspanten stonden op onderling ge- 
lijken afstand van 1,15 M., midden op midden ; kespen en borsten 
waren oorspronkelijk zeker goed passende geweest, maar door 
ouderdom nog al uitgesleten. De panlatten, grootendeels ook 
nog van eikenhout, waren zeker door het gedurig vernieuwen 
van pannen nog al eens verspijkerd, en bestonden dientenge- 
volge meestal uit korte gedeelten, van zeer verschillende afioie* 
tingen als van 2 bij 6,5 tot 3,5 bij 9 cM.; de schuinsche 
zaagsnede toonde dat zij uit de hand gezaagd waren. 

De bedekking bestond uit roode pannen, meest van de te- 
genwoordig nog gebruikelijke afmetingen; enkele blijkbaar van 
oudere dagteekening en van zuiveren vorm, hadden eene lengte 
van 50 cM. 

De vier hoekkepers waren met lood belegd, dat, bij de eerste 
opneming van het gebouw door den Heer Baubr, reeds weg- 
genomen en verkocht, maar volgens opgaaf behoorlijk zwaar was. 

Eene zeer merkwaardige bijzonderheid, die wel niet in de 
toelichtende beschrijving door den Heer Baukb opzettelijk ver- 
meld wordt, maar uit zijne teekeningen voldoende blijkt, is, dat 
in het oudste, waarschijnlijk oorspronkelijke gedeelte van het 
dak, de kapspanten, de zoogenaamde Hollandsche kap vormen; 
en wel volgens het. beginsel dat ons in de gesloopte kap van 
de Groote Hofzaal in het Binnenhof te 'sGravenhage was be- 
waard gebleven. Bintbalk, kromme stijlen en karbeelen, mei 
weglating van den hoofdbint- of zolderbalk. De blokkeelen wer- 
den echter vervangen door de hierboven genoemde schoren. 
Merkwaardig is de overeenkomst van de kerk in haar geheel, 
maar ook in het zamenstel van de kap, met de thans reeds vele 
jaren geleden gesloopte kerk te Mariënhafe in Oost- Friesland; 
een alleraanmerkenswaardigst gebouw, dat waarschijnlijk in het 
einde der 12^® of het begin der IS*^® eeuw gesticht en op het 
einde der lé^® eeuw, van vroegere beschadigingen hersteld, 
misschien wel uitgebreid werd. Men vergelijke Die alie Kuck 
f^U Mariënhafe in Os t- Friesland, herausgegeben von der QmU- 



( 1») 

sckaft' fur lildende Kunst und raterldndUcAe Alterthümer in 
Emden, Emd. 18 1*5 kl. 4<*. De titelplaat levert een gezigt op 
de kerk, PI. I den platten grond^ PI. TI opstand en dakstoel. 
Met betrekking tot het timmerwerk vermeldt de Heer Bauek 
nog het volgende : 

Het oudste gedeelte van de kap was geheel van beslagen 
eikenhout zaamgesteld, bijzonder regtdradig, netjes bekapt en 
zonder noemenswaardig spint of waan. In de overige gedeelten 
van de kap vond men meerdere houtsoorten, nu eens een kor- 
beel van iepen-, dan weder een schoor van greenen, zelfs van 
vuren, alles bezaagd hout^ en in lateren tijd tot versterking 
aangebragt. De ankerbalken over de bogen tusschen de geweifis- 
kappen met hunne karbeelen, zeker nog wel van den oudsten 
tijd dagteekenende, waren van boschkant eikenhout bewerkt, 
ongeveer 80 cM. in doorsnede. De karbeelen waren met zwa- 
luwstaarten in den ankerbalk verbonden, en met hunne uitein- 
den, even als die balk zelf, in den muur door ruwe, haaks 
omgebogen^ ijzeren staven, ongeveer 5 cM dik, met krammen 
en spijkers bevestigd. Op een der kapbeenen in het oudste ge- 
deelte was, met Romeinsche letters (ter lengte van 4,6, de 
hoofdletter van 7,2 cM., de cijfers van ^fi tot 9 cM.) het 
opschrift ingebeiteld: Anno dni 1570, waarschijnlijk doelende 
op eene herstelling in dat jaar. 

Het oüdb Blokhuis tb Leeuwarden. Door Jhr. Mr. V. de 
SruERS opmerkzaam gemaakt, op de slooping van hetgeen van 
dit oude gebouw, na den aanbouw van het daaraan verbonden 
Huis van opsluiting en tuchtiging, was overgebleven, had de 
Commissie zich tot Burgemeester en Wethouders dier stad ge- 
rigt, met den wensch dat het noodige in tijds verordend mogt 
worden voor opmetingen en bouwkunstige teekeningen. In een, 
ruim drie weken later ontvangen antwoord, waarbij tevens van 
wege Burgemeester en Wethouders ten geschenke voor de Com- 
missie het hierboven reeds vermelde photogram was gevoegd, 
werd gemeld, dat de slooping en herbouwing reeds geschied 
waren voor dat het schrijven der Commissie was ontvangen; 
dat // intusschen, naar het oordeel van den gemeentebouwmees- 
// ter, de afgebroken gedeelten voor de geschiedenis van onzen 

2^ 



( 20 ) 

// Ouden vaderlandschen ve8tingboaw geeue waarde hadden, even- 
//min als dit met de fondamenten het geval was/^ In deze 
verklaring moest wel worden berust; doch zij was niet voldoende 
om bij de Commissie allen twijfel af te weren. Het oude Blok- 
huis dagteekende van 1499, hefc werd aanzienlijk vergroot en 
versterkt in 1571, gedeeltelijk gesloopt in 1580. Aan het over- 
gebleven oostelijke gedeelte werd in 1661 het Huis van opslui- 
ting en tuchtiging aangebouwd, dat in 1756, grootendeels door 
brand verwoest en wederom hersteld, in 1824 door aanbouw 
zeer aanzienlijk werd uitgebreid. Het hoofdgebouw van het oude 
Blokhuis diende, althans voor weinige jaren nog, tot woning 
van den kommandant van het tuchthuis. Heeft zich nu de sloo- 
ping van het afgeloopen jaar bepaald tot dien laatsten bouw, 
dan kan de verzekering van den gemeente- bouwmeester onvoor- 
waardelijk aangenomen worden, en evenzeer wanneer hier slechts 
van slooping sprake mogt zijn van de verbouwing uit de tweede 
helft der vorige eeuw. Geldt zij echter het gebouw van 1661, 
maar vooral indien daarbij nog iets van het Blokhuis zelf in 
zijnen oorspronkelijken toestand van het einde der 15^®, ofden 
gewijzigden van het einde der 16^« eeuw was overgebleven, 
dan zou de Commissie het zeer moeten bejammeren, dat de 
gelegenheid tot tijdig onderzoek en het opzamelen van de noo- 
dige gegevens haar hier ontsnapt ware. 

Oude poort ten zuiden van de Nieuwstadspoort te Zütphen. 
Ook voor dit gebouw bestond, volgens eene mededeeling van 
denzelfden Heer db Stüers, gevaar van slooping. Het behoud 
van dit overblijfsel uit de middeneeuwen en van de insgelijks nog 
aanwezige, daaraan verbonden beide gordijnmuren, mogt wen- 
schelijk genoemd worden, niet alleen om de schilderachtige wer- 
king van de poort, maar vooral ook omdat de gordijnmuren 
door hunne eigenaardige zamenstelling de aandacht verdienen. 
Aan beide zijden zijn in die muren ontlastingsbogen uitgespaard, 
doch om en om, zoodat de regtstand van den muur tusschen 
eiken buitenboog, aansluit tegen de holte van eiken binken- 
boog, waardoor de sterkte van het geheel uitmuntend vermeer- 
derd wordt. 

Uit het antwoord, op het schrijven dat de Commissie over 



(21 ) 

dit onderwerp aan Burgemeester en Wethouders had gerigt, 
bleek dat het plan tot afbraak uitsluitend betrekking had op 
de Nieuwstads-binnenpoort, die in het verlengde van de tegen- 
woordige kaseme, en daarmede onder één dak vereenigd, slechts 
als doorgang naar de Nieuwstads- buitenpoort beschouwd kan 
worden en, blijkens het jaartal boven den doorgang, van het 
jaar 1616 dagteekent, toen die poort in het aldaar aanwezige 
klooster IJzendoom doorgeslagen werd. De bedoelde bouwval 
en de gordijnmuren blijven dus vooralsnog gespaard. Intusschen 
was door den kunstschilder; den heer van der Wobp, van de 
gesloopte poort eene teekening voor het stedelijk archief vervaar- 
digd, en had de gemeentebouwmeester voor de noodige opme- 
tingen en schetsen gezorgd^ om te gelegener tijd bouwkunstige 
teekeningen zamenstellen. De Commissie, door vroegere ervaring 
bekend met de belangstelling die bedoelde bouwmeester, de 
Heer D. J. Itz, koestert voor alles wat onze vaderlandsche 
kunstgeschiedenis betreft, kan zich geruststellen met de ge- 
dachte dat, vooreerst althans, hier geene schade of verlies te 
duchten zijn. 

Hbt 8t. Ewoud en Elisabbth's Gasthuis tb Wijk bij 
DuuRSTEDifi. Op een bij de Commissie ingekomen berigt omtrent 
eene aanstaande verbouwing van dit gasthuis, achtte zij zich 
verpligt, tot het gemeente-bestuur dier stad haren wenscb te 
rigten, dat in tijds maatregelen tot het verzamelen en bewaren 
van nuttige gegevens mogten genomen worden. In 1400 door 
eenen Heer van Gaesbeëk gesticht, mogt het gebouw, ook om 
zijnen ouderdom, onder de belangrijke geteld worden, maar bo- 
vendien ook door het beeldwerk van den buitengevel de aan- 
dacht tot zich trekken. Het gemeentebestuur over deze instelling 
geen beheer, maar slechts het toezigt hebbende, maakte de zaak 
tot een punt van overleg met meesteren Regenten, waarbij bleek 
dat het gedeelte, waaraan de voorgenomen verbouwing zou plaats 
hebben, niet tot den oorspronkelijken aanleg behoort, maar van 
lateren tijd, waarschijnlijk van de vorige eeuw, dagteekende. 

Bij gelegenheid van de hierover gevoerde briefwisseling, ga- 
ven Burgemeester en Wethouders de Commissie kennis van 
de aanstaande sloopinq der Veldpoort in dezelfde stad ; tevens 



( 22 ) 

hadden zij de vriendelijkheid voor hare verzameling twee pho- 
ograminen ten geschenke aan te bieden, met gezigten op de 
poort van de stads- en van de buitenzijde genomen. Ofschoon 
aan de stadszijde door latere verbouwing geheel van zijnen oor- 
spronkelijken aanleg veranderd en ook op andere plaatsen de 
sporen van latere wijzigingen dragende, mag dit poortgebouw, 
om zijnen ouderdom en vorm op belangstelling alle aanspraak 
maken ; vooral de twee torens aan de buitenzijde ter wederzijde 
van den doorgang getuigen van een vroeg verleden. Het ge- 
meentebestuur deed de toezegging van tijdige kennisgeving, 
wanneer, bij de opruiming, die in het begin van het thans loo- 
pende jaar zou geschieden, merkwaardige voorwerpen mogten 
gevonden worden, en verklaarde zich bereid, om ook aan het 
verlangen der Commissie betrekkelijk goede opmeting en bouw- 
kunstige teekeningen, gevolg te geven, voor zoover dit bij het 
gemis van eenen, voor zulk een werk bevoegden bouwkundige 
mogelijk zou wezen. De Commissie vond ook in dit geval we- 
der eene nieuwe aanleiding om het te bejammeren, dat de voor 
haar beschikbare middelen haar niet toelieten, om in diergeUjke 
omstandigheden, waarbij vaak een onmiddelijk handelen gevor- 
derd wordt^ steeds de diensten in te roepen van eenen deskun- 
dige, die in den geest der Commissie weet te werken. Zij had 
zich daarom, in de vrees dat op de toezegging van het genoemde 
gemeentebestuur niet veel te rekenen zou vallen, tot den Inge- 
nieur van 's Rijks Waterstaat, in het 8^^ district, den heer 
W. C. lIüBRECHT te Utrecht, van wiens welwillende bemoeijin- 
gen zij meermalen de goede vruchten ondervonden had, ge- 
rigt, met het verzoek dat in de behoefte aan de bedoelde tee- 
keningen door eenen der opzigters van de Waterstaat mogt 
worden voorzien. Ongelukkig was het sloopingswerk, toen reeds 
niet alleen begonnen maar geheel en al voltooid. Uit inlich- 
tingen door den heer Hubrecht ingewonnen bleek, dat van 
wege het gemeentebestuur geene opmetingen verordend of tee- 
keningen vervaardigd en bewaard waren gebleven. De vrees 
der Commissie was dus niet ijdel geweest; en de geschiede- 
nis der vaderlandsche kunst heeft wederom het verlies te be- 
jammeren van een zeer merkwaardig gebouw, zonder dat de 



(28 ) 

herinnering daarvan in eene juiste voorstelling bewaard is ge- 
bleven. 

MUUBSCHI LDBKINGBN. 

McuuscHiLDKRiNOBN IK DK KBRK TB Wbbsp. In de groote, 
vroeger aan den H. Laurentius gewijde, thans aan de Hervormde 
Gemeente behoorende kerk, wier stichtingstijd niet met zekerheid 
bekend is, maar in ieder geval althans tot het eerste gedeelte der 
vijftiende eeuw gebragt moet worden, had de heer F. C. W. Hop- 
man, tijdens zijne inwoning in die stad, een twintigtal jaren 
geleden op eene der achttien zuilen, sporen van schildering 
ontdekt. Bij nader onderzoek en voorzigtige ontblooting, gelakte 
het hem, op die plek het beeld van eenen bisschop met mijter 
en staf aan het licht te brengen. Door deze aanvankelijke uit- 
komst aangemoedigd, zette hij zijn onderzoek ook op andere 
zuilen voort, en ontdekte, op de twee belendende aan de reg- 
terzijde, insgelijks een beeld, op de zuil links het beeld van 
Johannes; op andere zuilen, opschriften met goud op zwarten 
grond in eene lijst van arabesken. Naar men hem toen mede- 
deelde waren ook de zolderingen vroeger beschilderd geweest, 
doch in lateren tijd met eene effen Berlijnsch blaauwe verw, en 
deze wederom met eene witsellaag bedekt gevonden. De heer 
Hopman meende met eenige waarschijnlijkheid te mogen ver- 
moeden^ dat ook tegen de overige zuilen en de oppervlakten 
der wanden van het gebouw, wel menig overblijfsel van oud 
schilderwerk nog aanwezig zou bevonden worden ; maar hij moest 
zijne nasporingen staken, daar de kerkmeesters, toen de te voor- 
schijn gebragte heiligenbeelden onder het minder verlichte ge- 
deelte der bevolking opspraak wekten, hem gelastten, alles wederom 
aan het oog te onttrekken en op nieuw te doen overwitten. Hij 
gebruikte echter de voorzorg om de beschilderde gedeelten vooraf 
met lijnolie te bedekken, om zooveel mogehjk den schadenden 
invloed van den natten kalk tegen te gaan. Na zijn vertrek 
hadden kerkmeesters al de kolommen met menie doen bedekken, 
vervolgens zanden en overwitten, om de werking van het tot 
op eene zekere hoogte boven den grond doorslaande vocht te 



( 2* ) 

bestrijden. De heer Hopman gelooft echter, dat ook deze be- 
dekking wel met eenige voorzigtigheid zou kannen worden ver- 
wijderd. Vooral zouden, naar zijne meening, de zuilen, wier 
oppervlakten in de daarom heen getimmerde banken, eene be- 
veiligende beschutting genoten hadden, nog merkwaardige voor- 
stellingen kannen bevatten. Voor een nader plaatselijk onderzoek 
kon de Commissie, zoolang althans eenige verbouwing of her- 
stelling van de kerk daartoe geene gunstige gelegenheid aanbood, 
niet handelend optreden; zij moet zich er toe bepalen om de 
aandacht op de maurschilderingen der Weseperkerk te vestigen. 

Muurschilderingen in de kerk der Hervormdb Gemeente 
TB NiJKERK, op de Neder- Veluwe. De heer J. J. Smits aldaar, 
door wiens vriendelijke tusscbenkomst het onderwerp aan de 
aandacht der Commissie werd aanbevolen, had in het begin van 
Julij des vorigen jaars vernomen, dat in het koor der kerk, 
bij onderhanden zijnde herstellingen, sporen van oud schilderwerk 
onder de witselbedekking aan den dag gekomen waren. Ofschoon 
hij onmiddelijk zich tot eigen onderzoek (hij had het berigt 
eerst den dag na de ontdekking ontvangen), naar de kerk begaf, 
kwam hij te laat ; de bepleistering, het schilderwerk en de wit- 
sellaag waren weggebikt en verbrijzeld. Slechts uit de, uit den 
aard der zaak geheel onvoldoende mededeelingen van eenen der 
werklieden, die meer dan de andere de voorstellingen met eenige 
oplettendheid scheen opgenomen te hebben, vernam de Heer 
Smits, dat nog kenbaar gebleven waren: twee paarden op een 
zesde , twee vrouwen op een derde of een vierde der natuurlijke 
grootte met uitgestrekte armen vóór de paarden staande en twee 
mansbeelden van gelijke afmetingen, staande beneden de paar- 
den. Van kleeding, haartooi enz. herinnerde de werkman zich 
alleen, dat de mannen een rood en een geel lint aan den hals 
hadden. Eindelijk nog beneden de paarden een paar geslachts- 
wapens. 

Op eene mededeeling, dat voor ongeveer vijftig jaren op eenen 
der thans nog nagenoeg ongeschonden gebleven wanden van de 
kerk, letters zich vertoond hadden, die op last van den toen- 
maligen onderwijzer, (koster?) weggewit zouden zijn, ondernam 
de Heer Smits persoonlijk op de hem aangeduide plaats een 



(25) 

opzettelijk onderzoek. Hij ontdekte echter geen letters, maar 
wel sporen van beschildering; hij zette intnsschen zijne naspo- 
ringen thans niet verder voort, omdat tot eene verdere ont- 
blooting de noodige toestemming ontbrak, en kerkmeesters be- 
paald hadden^ dat eerst in het volgende (thans loopende) jaar 
de wanden zouden gereinigd worden. Hij erlangde evenwel van 
den Burgemeester der gemeente, als voorzittend kerkvoogd, de 
toezegging, dat hij alsdan zijn onderzoek onbelemmerd zou kunnen 
voortzetten en het noodige tot afteekenen of doortrekken der 
schilderingen verordenen. 

Op eene andere plaats in het koor, waar de heer Smits nog 
aanleiding en gelegenheid tot onderzoek erlangde^ kwam een 
weinig beteekenend gedeelte van een bloemversiersel te voor- 
schijn, van eene lijst in grijs schilderwerk langs de bogen loo- 
pende, en die zich over het geheele gewelf scheen te hebben 
uitgestrekt. Van het weinige dat hier ontbloot en genoegzaam 
bewaard was^ werden door den heer Smits doortrekken ge- 
nomen. 

Ook bij deze ontdekking had de Commissie al weder de 
nienwe en zich telkens hernieuwende ondervinding opgedaan, 
hoe weinig de gemeentebesturen, met name hunne hoofden, 
zich bekommeren om de jaarlijks tot hen gerigte aanschrijving, 
waarbij zij indachtig gemaakt worden aan het verlangen van de 
Regeering, dat zij van alle ontdekkingen, ook als de hier be- 
doelde, onmiddelijk de Akademiecommissie in kennis zouden 
stellen. Ware de heer Smits niet toevallig met de ontdekking 
bekend geworden, zij zou, als zoovele andere elders, wel geheel 
verzwegen zijn gebleven, en het vemielingswerk later vrij spel 
hebben gehad 

De heer Smits gaf een kort berigt omtrent een en ander in 
de Nijkerksche Courant van 2 Augustus 1870, No. 31, blz. 3. 
MuuRSCHiLDBRiNG IN DE KBRK TB BiJswiJK, in Gelderland. 
In het laatste verslag, blz. 51, werd een later onderzoek naar 
de in de Bijswijksche kerk ontdekte overblijfsels van muurschil- 
deringen aangekondigd. Aan de vriendelijke oplettendheid van 
den predikant der Hervormde Gemeente, den heer J. A. van 
Krieken, had de Commissie het berigt te danken omtrent de 



(5J6 ) 

ontdekking, die in den beginne de aandacht niet zeer had ge- 
wekt, doch, toen van lieverlede meer sporen van gelijksoortig 
werk te voorschijn kwamen, toch wel van eenig belang schenen 
te zijn. Omtrent de kerk zelve is uit gedrukte of geschreven 
oorkonden, naar het schijnt, niet veel bekend. Het dorp wordt 
als Biswich, tegelijk met Ecke, beide in de Nederbetuwe, in 
eene oode thijnslijst der abdij van Lauresham uit de 11<^® of 
l£de eeuw genoemd '^), en de kerk zou, althans in haren oor- 
spronkelijken bouw^ zeer goed uit zulk een verwijderd tijdperk 
kunnen dagteekenen. £uim eene eeuw geleden had zij eene 
aanzienlijke herstelling ondergaan, en thans werd wederom eene 
aanmerkelijke verbouwing noodzakelijk geacht. Het Commissie- 
lid Lkbmans, vond bij zijne komst ter plaatse slechts de muren 
en de zuilen, alsmede een gedeelte van het dak overgebleven, 
het gewelf was bijna geheel ingevallen of afgebroken. Het ge- 
bouw vormde met zijn schip en twee zijschepen een langwerpig 
vierkant, aan de oostzijde van het schip door een vijMjdig koor 
gesloten ; aan de westzijde tegen den gevel staat de toren, welks 
plan een vierkant vormde, elke zijde binnenswerks gemeten van 
ongeveer 8,90 M. De geheele lengte van de kerk^ van den wes- 
telijken gevel tot aan den oostelijken koormuur, bedroeg 19,40 
M., de breedte 14,90 M., waarvan voor elk der beide zijschepen 
eene breedte kwam van 3,60 14^. Het middelschip werd gedra- 
gen door twee rijen, élke van drie vrij staande zuilen en eene 
muraalzuil tegen den westelijken muur. Tot in het hoogste 
gedeelte van het gewelf had het, uit den grond gemeten eene 
hoogte van 9,90, de zijsehepeu slechts van 5,80 M. De zuUen 
op een achtzijdig voetstuk en met zeer eenvoudige bovenlijst, 
hadden, bij eene middellijn van 1,03 M. slechts eene geringe 
hoogte. Uit haar bovenvlak ontsprongen de bogen van de bo- 
veumuren van het middenschip, terwijl uit datzeKde bovenvlak 
de smallere muraalzuilen omhoog stegen, waarop de gewelfsbo- 
gen van dat schip rustten. Men had alzoo in het middenschip, 
behalve de muraalzuilen tegen den westelijken gevel, ten noorden 
en ten zuiden, aan wederzijde drie benedenzuUen en daarboven 



*; Zi^ TAN DBN fiiBBOH, Handhoek der méddel-Nederl, GgograpHe, bis. 800. 



(27 ) 

drie muraalzuilen, en tasschen en nevens de laatstgenoemde, 
aan elke zijde vier tnsschenvakken boven de acht lagere bogen 
van de zijschepen. Voor de aanwijzing van de geschilderde voor- 
stellingen worden hier gemakshalve de zuilen met hare daaruit 
oprijzende muraalzuilen, aan de zuidzijde van het oosten naar 
het westen met de cijfers 1, £ en 3, en de tegenovergestelde 
aan de noordzijde, van het westen naar het oosten met 4, 5 
en 6 onderscheiden, de zooeven bedoelde muurvakken tusschen 
de bovenste, muraalzuilen met de letters A, B, C, D, aan de 
ziüd-, en met de letters E, F, Q, H aan de noordzijde van 
het middeischip. 

De gewelven waren, even als de muren en de zuilen, van 
zoogenaamde reuzenmoppen, metende door elkander 82 bij 15 
en 8 cM. gemetseld; wat de muren betreft, voor zoover dit 
kon worden nagegaan, in staand verband. 

Wat nu de muurschilderingen betreft, deze waren, zoowel op 
enkele der bovenste muraalzuilen als der tnsschenvakken in de 
bovenmuren van het schip aangebragt, en bestonden in een 
zestal beelden. Het werk mogt vrij goed heeten, en droeg blij- 
ken van geoefende handen en goede voorbeelden ; de omtrekken 
in grove zwarte lijnen, met enkele schaduwlijnen bewerkt, ver- 
der met gelijke tinten gekleurd. De grond, waarop geschilderd 
was, getuigde niet van zorgvuldige zamenstelling en bewerking ; 
misscbien moest het daaraan worden geweten, dat met de wit- 
selbedekking, ook meerendeels de schilderingen weggevallen en 
verloren waren gegaan. De voorstellingen waren als volgt: aan 
de zuidzijde, op muraalzuil N^. 1, Petrus met den enkelen sleutel 
in de regterhand; tegen N°. 3 Andreas met zijn kruis en on- 
deraan, in Gothisch schrift, 0(anc)te 2lnï>rfa ora pro n'o)bt9 ; 
, noordzijde muraalzuil N^. 4, tegenover Petrus, de apostel Paulus, 
kenbaar door zijn zwaard, en voor hem knielende een man in 
Teisgewaad, welligt de verschijning waarin, volgens Handelin- 
gen XVI : 9, een Macedoniër tot Paulus kwam, met de bede 
ff kom over in Macedonië en help ons." Deze voorstelling draagt, 
hoeveel zij ook geleden mogt hebben, nog de blijken van eene 
lofwaardige bewerking; alle beelden van ongeveer '/, der le- 
vensgrootte. Tegen de zuil N^. 5, dus in het benedengedeelte 



( 28 ) 

van het schip, en niet tegen de daarboven zich bevindende 
muraalziül, was een versierd medaillon met een kruis geschil- 
derd, welligt vertegenwoordigende een van de kruisen der kerk- 
wijding. 

Verder tegen het muurvak, noordzijde, het naast aan het 
koor, een gekroonde vrouw, met eene kleinere, aan hare regter- 
zijde staande (mannelijke of vrouwelijke) figuur, als onder hare 
bescherming gesteld. Daartegenover tegen het muurvak A een 
geestelijk persoon met bisschopsmijter en in de regterhand een 
kruis; eindehjk in het vak G, westelijk nevens het eerstge- 
noemde^ het bijna geheel onkenbaar geworden beeld, vermoede- 
lijk van eene vrouw Deze drie beelden, in meer dan levens- 
grootte^ en voor zoover een oordeel in hunnen beschadigden 
toestand nog mogelijk was, van veel minder werk dan die der 
muurzuilen. Overigens waren alle beelden tegen eenen achter- 
grond aangebragt, die eene nabootsing was van tapijtwerk, met 
bladfestoenen doorweven en met franjes versierd. Over het schil- 
derwerk werd, voor zoover het toen aan den dag was gekomen, 
een voorloopig berigt gegeven in de Nieuwe BoUerdamscAe Cou- 
rant van 5 Julij 1870, waarin door eene onwillekeurige ver- 
gissing het dorp Rijswijk met den naam van Wijk aangeduid 
en in het Gezigt van Paulus, de Macedoniër als de dienaar van 
den Bomeinschen hoofdman uit het gebeurde met Petrus ver- 
klaard wordt. 

Van al deze beelden en ook van het kruis zijn, voor zoover 
de beschadigde toestand van de bepleistering der zuilen en wan- 
den het toeliet, naauwkeurige doortrekken vervaardigd. 

MuuRSCBiLDERiNGBN IN Dfi KERK TB Baïhmbn, bij Deventer. 
Ook van een ingekomen berigt omtrent deze ontdekking werd 
in het vorige Jaarverslag, ter aangehaalde plaatse, voorloopig 
melding gemaakt. Nadere berigten en het daaruit voortgevloeide 
onderzoek behooren tot de geschiedenis van het tegenwoordige 
Akademiejaar. 

De heer G. J. Rink, predikant bij de Hervormde Gtemeente 
te Bathmen, had aan het Commissielid, Dr. Moll, bij eenen 
brief van 25 April kennis gegeven van sporen van muurschil- 
deiring^ die bij de werkzaamheden voor eene verbouwing der 



( a» ) 

kerk zich hadden opgedaan. Een nader, opzettelijk onderzoek, 
waarbij de predikant zijne gastvrije woning en persoonlijke 
tnsschenkomst niet de meeste voorkomenheid beschikbaar stelde, 
scheen wenschelijk^ en het Commissielid Leemans begaf zich in 
de tweede helft van Mei naar de plaats der ontdekking. De 
kerk is een eenvoudig gebouw van den gewonen vorm, van 
groote baksteenen, zoogenaamde reuzenmoppen, in staand ver- 
band opgemetseld. Zij bestond slechts uit een enkel schip, waar* 
aan oostelijk een^ nog al lang, doch eenigszins minder breed 
koor met eenen halven zeshoek gesloten. De vorm en afmetin- 
gen van dit koor, vergeleken met die van het schip, geven 
wel eenige aanleiding tot de onderstelling^ dat dit laatste het 
oudste en oorspronkelijke gedeelte van den bouw was, en het 
koor eenigen tijd later, misschien wel ter vervanging van een 
kleiner koor, aan het hoofdgebouw is toegevoegd geworden. 

Het schip had, binnen, cene lengte van 15,5, bij eene breedte 
van 8,4 meters ; de muren eene dikte van 7 tot 8 dM. ; met 
uitzondering van den westelijken gevelmuur, die eene dikte 
heeft van 1,7 M. Het koor is, binnenswerks, lang 12,8 M., 
breed 8,1 M. ; de muren worden aan de buitenzijden gesteund 
door tien beren of schraagpijlers, waarvan aan beide zijden, een 
bij de aansluiting aan het schip, twee aan de noordelijke en 
zuidelijke muren en een aan eiken der hoeken. 

De niet zeer hooge vierkante toren, welks oostelijke en wes - 
telijke muren aan de buitenzijde 5,7, de beide andere 6 M. 
meten, bij eene dikte der muren van 9 dM., was aangelegd 
voor drie verdiepingen, en is gedekt met een zadeldak tusschen 
twee puntgevels. Hij is in den westelijken gevel van het schip 
tot op de helft van diens dikte ingebouwd. De ingang bevindt 
zich aan de westzijde en heeft eene wijdte van 1,3 M., een 
tweede doorgang in den Oostdijken torenmuur, ter wijdte van 
1 M, geeft den toegang tot het schip; die doorgang is aan 
de binnenzijde van den toren in eene met puntboog gedekte 
nis geplaatst. 

Langs den bovenrand van den toren loopt, onmiddelijk onder 
de zeer eenvoudige lijst, een randje van blokken door haaks 
voorspringende, lager, insgelijks onder eene diergelijke lijst, een 



( 80 ) 

randje van overhoeks voorspringende baksteenen gemetseld. In 
de oostelijke koorslniting was insgelijks een ingang ; in elk der 
twee noordelijk en zuidelijk daarop volgende muurvakken was 
een venster aangebragt^ met spitsboog gedekt. 

Bij het eerste bezoek, dat genoemd lid aan de Bathmensche 
kerk bragt, was de verwachting niet bevredigd. De beide zij- 
muren van het schip waren reeds geheel afgebroken, zi] zouden, 
volgens het verbouwingsplan, door eene dubbele rij zuilen ver- 
vangen, en door het aanbrengen van eenen nevenbeuk aan elke 
der beide zijden, de geheele ruimte aanmerkelijk vergroot wor- 
den; waarbij men trachtte zich zoo na mogelijk aan den stijl 
van het oorspronkelijk te houden 

De sporen van schilderingen waren aan den westelijken wand, 
waariegen de predikstoel het laatst geplaatst was geweest, te 
voorschijn gekomen, maar zoo flaauw en zoo beschadigd, dat 
de voorstelling schier niet te herkennen was. Witsel en een 
gedeelte van de wandbepleistering waren weggevallen, en met 
moeite kon men de telkens afgebroken en grootendeels uitge- 
wischte omtrekken volgen. Toch was er nog zooveel overgeble- 
ven, dat men de overeenkomst met eene gewone voorstelling 
van het laatste oordeel kon herkennen, alles ruw van bewerking, 
in zwarte en roode omtrekken, en met gele, zwarte en roode, 
meest gladde kleuren. 

In het midden Christus met de lichtschijf, in rood overkleed; 
de armen naakt, de regterhand opgeheven, van den mond naar 
de regterzijde een palmtak, aan de linkerzijde een zwaard uit- 
gaande. Beneden, op de aarde verrijzen de dooden uit hunne 
graven, regts de gezaligden, waaronder een met eene kroon op 
het hoofd; links de veroordeelden, waaronder eenige duivels 
met horens, de verrezenen naar den vuurpoel drijvende. Nog 
zag men aan de regterzijde eenen ku ielenden persoon met de 
lichtschijf, de handen tot Christus ophefiende. 

Ook toonden zich nog over, of welligt liever onder, dit schil- 
derwerk (met zekerheid was dit niet uit te maken) twee roset- 
ten met dubbelen omtrek, in het midden een cirkel, waarin 
vijf aan elkander sluitende toten, tusschen den cirkel en den 
buitenrand der roset, spiraallijnen. 



( 81 ) 

Ofschoon eene persoonlijke beschouwing van kerk en toren, 
om den stellig hoogen ouderdom van beiden, hare zeer nuttige 
zijde had, baarde toch de weinige waarde van het ontdekte 
schilderwerk eenige teleurstelling. Deze laatste zou echter weldra 
in volle mate vergoed worden door eene alleraan merkelijkste 
ontdekking, die spoedig daarop in het koor plaats greep, en 
alles overtreft wat binnen ons vaderland, of ook in aangren- 
zende gedeelten van naburige rijken, aan muurschilderingen be- 
kend treworden is. 

Bij een schrijven van 17 Junij werd aan de Commissie door 
den heer predikant Eink berigt, dat een zijner vrienden, de 
heex Tj. L. Kleun (een bekend kunstschilder die eenige maan- 
den geleden op eene tentoonstelling te Stuttgart een zijner ta- 
fereelen met het eermetaal had zien bekronen en toen te Gorssel 
zijn verblijf hield) in het koor het onderzoek der wanden had 
ondernomen, en overblijfselen van muurschilderingen ontdekt, 
die in omvang, uitmuntende bewerking, goede bewaring en be- 
langrijkheid van voorstelling, het vroeger ontdekte verreweg over- 
troffen. Tegelijkertijd werd, op verzoek van den heer Kleun, 
door den heer Dr. du Kieu te Leiden, aan het Commissielid 
Lrkmans van deze nieuwe ontdekking mededeeling gedaan, met 
den wensch naar een herhaald bezoek en overleg voor verdere 
maatregelen. Aan dit verlangen werd door genoemd lid, bij ge- 
legenheid van eene hem in zijne ambtsbetrekking opgedragen 
onderzoek naar eene onder Nijeveen bij Meppel ontdekte oude 
kano, eenige dagen later voldaan. 

Bij zijne komst op den ES^ten Junij was reeds een groot 
gedeelte van een drietal muurvakken van het koor van de wit- 
selbedekking bevrijd, in ieder geval genoeg, om reeds op het 
eerste gezigt in een der tafereelen de voorstelling te herkennen 
van de geschiedenis der 10,000 martelaren, wier lijden en dood 
toevallig juist op dien dag, volgens een vroeger gebruikelijk 
brevier, herdacht werden. Een vijftal uren van gemeenschappe- 
lijken arbeid bevrijdde het tafereel en een ander in het aan- 
grenzende muurvak bijna geheel van het lijkkleed, waarachter 
het een vijftal eeuwen verborgen, maar ook tegen volkomen 
vernietiging behoed was gebleven, en de heer Kleun, die bij 



(32) 

een veeljarig verblijf in Italië diergelijke overblijfselen van oude 
schilderingen had leeren kennen en waardeeren, verklaarde zich 
terstond bereid, om zich tegen billijke vergoeding der onvermij- 
delijke kosten, tijd en moeite voor het vervaardigen van naauw- 
keurige doortrekken, later ook het bijklearen der teekeningen, 
nadat die op verkleinde schaal zouden gebragt zijn, beschikbaar 
te stellen; en de nasporingen ook op de overige gedeelten van 
het koor voort te zetten. 

Die pogingen werden met eenen uitnemenden uitslag be- 
kroond en leidden tot de aanwinst van nog een tweetal tafe- 
reelen, die in waarde, ofschoon niet door hunne volledige be- 
waring, met de eerstgenoemde wedijverden. 

Het eerste tafereel, dat der 10,000 martelaren, was aange- 
bragt tegen den zuidelijken koorwand, in het vak dat onmid- 
dellijk aan het schip zich aansloot, en had eene hoogte van 
6,87, bij eene breedte van 3,50 M., zoodat het eene opper- 
vlakte besloeg van ruim 24 D M. Op den top van eenen 
berg, den Ararath in Syrië, zien wij eene aanzienliike, versterkte 
stad, met hare kerken, verdedigingstorens, muren en poorten. 
Uit eene dezer poorten worden een aantal mannen naar den 
ringmuur geleid, van welks rand zij op de scherpe doornen- 
struiken van de helling des bergs naar beneden worden gewor- 
pen. Die helling is dan ook geheel bedekt met de bijna geheel 
naakte martelaars, wier ligchaamsdeelen op vele plaatsen door 
de puntige takken door en door gestoken zijn; hier en daar 
voltooijen hunne beulen de marteling, door met groote houten 
hamers de ligchamen dieper in de doornen in te slaan. %egts 
van den beschouwer zijn of worden vier kruisen opgerigt, met 
daaraan gekruisigde lijders, aan een dier kruisen zelfs twee ge- 
martelden met de ruggen tegen elkander; links van den be- 
schouwer een bisschop in zijn ambtsgewaad, wien door eenen 
der beulen het oog met eene drilboor wordt uitgeboord. Nevens 
de stad en een weinig lager, op de berghelling eene groep van 
zeven beelden, op ongeveer -/, der natuurlijke grootte, den 
Romeinschen keizer met de zes met hem verbonden vorsten voor- 
stellende. Een weinig lager, regts van den beschouwer, een ridder 
op een laag bankje, en links eene aanzienlijke dame in geestelijk 



(S8) 

gewaad, beide knielende en de handen als in gebed zamenvou- 
wende. Geheel in den top van het tafereel aanschouwen wij, 
tusschen de wolken waaruit lichtstralen nederschieten, God den 
Yader en Maria, in een groot laken de zielen der ten hemd 
gevaren martelaren dragende, terwijl regts en links een engel 
met bazuingeschal hunnen lof verkondigt. 

Tegen het oostelijk aansluitende vak, doch gedeeltelijk nog 

onder den draagsteen van de gewelfsrib, en een eind ver ook 

op het eerst beschreven vak inspringende, eene groep van twee 

Heilige vrouwen, de H. Catharina en de H. Gteertruid, in ongeveer 

levensgrootte. Eerstgenoemde op de regterzijde van het tafereel 

staat in biddende houding, aan hare voeten^ ligt voorover op den 

bodem een krijgsman (of een harer beulen P) wiens hoofd en armen 

echter met het regtergedeelte der voorstelling verdwenen zijn; 

links van de maagd het wiel. De H. Geertruid, op de linkerzijde 

van de voorstelling, heeft hare oogen op een opengeslagen boek, 

m hare linkerhand gevestigd^ en draagt op haren regierarm een 

kerkgebouw. Op den achtergrond verheffen zich de muren en 

daken van een gebouw met rondboogvensters, en links^ hoogst- 

waarschijidijk vroeger ook aan de regterzijde^ door eene ranke 

zuil gedragen; de vloer met groote tegels belegd. Het geheel 

heeft wel wat van eenen troonhemel of baldakijn. Het is te 

bejammeren dat dit tafereel, dat blijkbaar van nog oudere dag- 

teekening is dan het eerst beschrevene, zooveel geleden heeft. 

Het werk verdient in ieder opzigt uitnemend te heeten. Een 

gedeelte van het in Gothische letters aan den benedenrand aan* 

gebragte opschrift^ was nog leesbaar gebleven (Sancta C;atl)arilta 

(Sancta Gertr)uï^i0 ora(te) p(ro) nab(is). Het geheel is hoog 

3,35, breed nog 1,63 M.^ en beslaat dus eene oppervlakte van 

ongeveer 5,5 D M. 

In het bovengedeelte van het tegenoverstaande vak van den 
noordelijken wand ziet men, links van den beschouwer, eenen 
engel boven in de wolken verschijnende met eenen ontrolden per- 
kamentband^ waarop in Gothische letters een opschrift^ dat door 
beschadiging schier geheel onkenbaar is geworden, maar volgens 
een paar nog leesbare woorden, eene vermaning bevatte, ont- 
leend uit een der versen, die in Exodus aan de tien Geboden 

Jaarboek 1871. ^ 



( 84 ) 

voorafgaan. Beneden den engel drie mansbeelden in meer dan 
levensgrootte te halven lijve voorgesteld, rijk gekleed, met ge- 
dekte hoofden, en allen met de handen in betoogende Ronding. 
Ook van hen fladderen ontrolde perkamentbandeu uit, met drie 

der tien Geboden : Iloti aï^orabt9 }no$ ali^nos ; Hon a$0uin<6 
nomen iti tut in uanutn; en Memento ut dum sabbati 
sanctxfxceB. Dit tafereel is hoog 2,70, breed 2,85 M. en be- 
sloeg dus eene oppervlakte van ongeveer 7,7 D M. 

Eindelijk in het westwaarts volgende, en tegen het schip 
aansluitende vak, dns tegenover de 10^000 martelaars, eene, 
ongelukkig zeer beschadigde, slechts voor een derde ove^ble 
ven of min of meer herkenbare^ zeer uitvoerige voorsteUing van 
het Laatste Oordeel, met de zoogenaamde psychostasie, of zie- 
lenweging. Oorspronkelijk besloeg deze voorstelling eene gelijke 
ruimte als die der martelaren, dus ruim £4 D M. 

Thans was slechts de linkerzijde en in het midden een ge- 
deelte van de schildering overgebleven; het onderste bijna ge- 
heel verdwenen. Geheel boven, de Heilige Geest in de gedaante 
van eene duif met lichtschijf ; links, doch voor den beschouwer 
regts, in bijna levensgrootte, een aantal heiligen, met lichtschij- 
ven om of achter hunne hoofden, in aanbidding het tooneel 
aanschouwende. In het midden van het g^eel de aarts^gel 
Michaël met de weegschaal in de hand, waarin de zielen der 
beneden op de aarde uit hunne graven verrijzende dooden ge- 
wogen, en overeenkomstig den uitslag dier proeve opwaarts ten 
hemel gevoerd, of naar beneden in den vuurpoel gedreven wo^ 
den. Ook dit vak getuigt, evenzeer als het voorgaande, van de 
hand eens meesters. 

In het derde vak van den noordelijken koorwand, oostwaarts 
van het schip gerekend, waren ter wederzijde van een aldaar 
zich bevindend venster, ook sporen van beschildering zigtbaar 
gekomen, waarbij het hoofd van eenen Heilige nog te herken- 
nen was. Dat ook de overige muurvakken van het koor vroeger 
met schilderwerk versierd geweest zullen zijn, is, ofschoon dit 
niet gebleken is, toch niet onwaarschijnlijk, met uitzondering 
weUigt van het oostelijke vak, dat grootendeels wegens hst 
boo^-altaar buiten het gezigt bleef. Ook aan het gewelf, zoowel 



( 86) 

de ribben als de schilden^ zal vermoedelijk de aldaar zoo gewone 
versiering met schilderwerk niet ontbroken hebben. De gewelven 
van het koor bestonden, en bestaan nog uit drie gewelfsvelden ; 
het eerste aansluitende aan het schip, is even als het tweede 
daaraan oostwaarts volgende, door twee graatribben in vier ge- 
wd&vakken verdeeld; het derde bestaat nit zes gewelfsvakken^ 
die door even zoovele tersteekribben worden gescheiden. 

Het dorp Bathmen wordt reeds in 1355 vermeld ^); maar 
daarait volgt niet, dat het niet tot een veel verder verleden 
mag teru^evoerd worden. Omtrent den stichtingstijd der kerk, 
die zeer goed in haren oorspronkelijken aanleg een gebouw der 
14^0 of ook wel der 13^® eeuw kan geweest zijn, wordt zoover 
bekend is, niets vermeld. Zij was v66r de hervorming aan Onze- 
Lieve-Vrouw gewijd, en werd door eenen der Utrechtsche bis- 
schoppen aan het kapittel van St. Lebuinus te Deventer ge- 
schonken. Zij had twee vikarijen, eene van St. Catharina, met 
welke het tweede der hierboven vermelde muurschilderingen in 
het koor wel in verband zal hebben gestaan, en eene van St. 
Antonius. Het kapittel der Lebuinuskerk had de aanstelling 
van den pastoor der kerk; de priester van de laatstgemelde 
vikarij werd gekozen door den pastoor en de Heeren van Dorth; 
die ook na de hervorming, voor de helft de coUatieregten van 
predikanta- en kosterabetrekking bleven bezitten. Het schilder- 
werk in het koor schijnt tot de tweede helft der XIV^® of de 
eerste helft der XY^^ eeuw gebragt te kunnen worden. Het 
tafereel met de twee heilige maagden is in ieder geval ouder 
dan dat der 10,000 martelaren. Belangrijk ter vergelijking met 
dit laatste, is eene insgelijks zeer uitvoerige voorstelling van 
dezelfde geschiedenis, waarvan de Commissie in haar Jaarverslag 
over 1867/68, blz. 42—44 {Jaarboel 1868, blz. CIV-. CVI) 
gewaagd heeft, en die, door Jhr. Mr. VicToa de Stuers te 
Maastricht in de gewezen kerk van het voormalige Dominika- 
nenklooster ontdekt en afgeteekend, volgens een daaraan ver- 
bonden opschrift, waarschijnlijk reeds in het jaar 1337 geschil- 
derd was. 



♦) Zie KerkeU en wereldl, Deventer, l, 420, 

3* 



(36 ) 

De doortrekken van al de schilderingen in het koor der 
Bathmensche kerk zijn door den Heer L. L. Kleun met de 
meeste naauwkeurigheid en trouw vervaardigd. Het Commissie- 
lid Leemans maakte een paar der tafereelen tot een onderwerp 
eener korte mededeeling in de vergadering van de Letterkundige 
Afdeeling op den 14^®" November 1870, en deze Afdeeling 
besloot tot eene uitgaaf van de teekeningen, in hare Yerbande- 
lingen. Aan dit besluit is reeds een begin van uitvoering ge- 
geven. 

Omtrent de ontdekking dezer kunstschatten werd door ge- 
noemd lid in de Nieuwe RoUerdam^che Courant van 5 Julij 
1870 (Bijvoegsel) een voorloopig berigt bekend gemaakt, en 
verscheen, van de hand van Jhr. Mr. Victor db Stubus, een 
opstel in de Nederlandsche Spectator 1870, N®. 10 met eene 
schets van de tafereelen van de 10,000 martelaren en de twee 
heilige maagden. Exemplaren hiervan uit de Spectator overge- 
drukt en door den schrijver ook te Bathmen aan den predikant^ 
leden van het kerkbestuur en andere mannen van invloed toe- 
gezonden, hebben hunne nuttige werking tot het opwekken van 
belangstelling niet gemist, en in vereeniging met de pogingen 
van Ds Bink en den Heer Kleun, althans deze goede uit- 
komst teweeggebragt, dat, terwijl al de overige schilderingen 
weggebikt of met eene nieuwe witsellaag bedekt zijn geworden, 
het tafereel der 10,000 martelaren tot heden bewaard en ge- 
spaard is gebleven. 

Kbrkvbnsters met ingebrand schilbbrwbrk in de kerk der 
Hervormde Gemeente te Beverwijk. Uit het verslag door den 
gemeente-architekt, den Heer A, de Groot, aan den Burge- 
meester overgelegd en door dezen aan de Commissie toegezon- 
den, kan het volgende omtrent de twee bedoelde vensters worden 
medegedeeld. In het eene raam bestond het met schilderwerk 
versierde gedeelte, toen het nog volledig was^ uit een vak van 
54 ruiten, 6 hoog en 9 breed, alle in lood gevate en gemid- 
deld 15 cM. hoog en 1,2 breed. Slechts 27 dier ruiten waren 
nog overgebleven. Het geheel scheen een, in vier vakken ver- 
deeld wapenschild voorgesteld te hebben, met eenige door elkan- 
der gevlochten takken met bladeren omgeven. Tan het schild 



(87) 

waren alleen de twee onderste vakken overgebleven, waarvan op 
het eene drie witte Pransche leliën, op het andere drie zwarte * 
hanen geschilderd waren. Onder het schild met zwarte letters: 

^^wit-eé t^x^f^ fSfïef* ^ . Mêt*a 1645. 

Het andere raam heeft een beschilderd vak van gelijke grootte 
als het vorige, doch waarvan een grooter aantal der oorspron- 
kelijke raiten bewaard zijn gebleven. Van het wapenschild, dat 
ook hier werd voorgesteld en op gelijke wijze als het vo- 
rige met bladversierselen omgeven was, toont een der vakken 
eene zeemeeuw of eenen sperwer. Onderaan in zwarte letters: 

Si^retr/ da^ut^n S^oué S^e^n 1645. De kleuren wa- 
ren zeer verflaauwd, zoodat men hier en daar zou vermoeden 
dat de verwen of hoogst gebrekkig of in het geheel niet in 
het glas waren ingebrand geworden; iets dat van werk uit de 
eerste helft der 17<^^ eeuw wel eenigszins vreemd mag heeten. 

KUNTSN KN G£D£NKF£NNIlïGEN. 
MUNT£N GSVO»DEN BIJ DB WSBKEN VOOB DS ONTMANTSLINO 

VAN Breda. Meerendeels oude duiten van de verschillende Ne«- 
derlandsche gewesten, en enkele buitenlandsche koperen munten. 
Zij zijn aan den Directeur van het Koninkliik kabinet van Pen- 
ningen en gegraveerde steenen te 'sGravenhage overgegeven. 

Qedenkp£mning bij den Heer Laurey te Nieuwediep. 

Een schimppenning op den nood van Antwerpen en Nijme- 
gen in 1585 geslagen, uitgegeven en beschreven bij van Loon, 
Nederl, Bisioripenn,, Dl. I, blz. 361. 

GhDBNKFENNING OP BE OFDBAGT VAN DE ORDE VAN DEN KOU- 
SENBAND AAN Pbins Maurits. Eigenlijk een draagpenning ; na- 
mens den gever, Ds. Bink te Bathmen, aan het Idunt- en 
Penningkabinet der Hoogeschool te Leiden geschonken. 

Gouden munt te Vollen hoven gevonden. Dit muntstuk 
wegende 8 tot 9 grammen^ in middellijn 3 cM., was een zoo- 
genaamde Angelot; navolging der Engelsche Angelotten, van 
Graaf Willem IV, van 'sHeerenberg (1546 — 1586), vermoe- 
delijk te Genderingen en omstreeks 1560 geslagen; zie de af^ 
beelding bij van dee Chijs, De munten der voormalige Aeeren 



(88) 

en steden van Gelderland^ PI. XVII, N^. 2. Deze munt was 
in het Koninklijk kabinet te 'sGravenhage reeds voorhanden; 
eën voorstel om haar aan het Akademisch Penningkabinet te 
Leiden, tegen 50 pCt. of iets meer boven de goudswaarde, af 
te staan, had geen gevolg. Naar luid van eene latere mededee- 
ling, was het stuk inmiddels reeds in handen van eenen beken- 
den verzamelaar van Geldersche munten te Amsterdam over- 
gegaan. 

ZiLVEBEIC MÜITTBN IN BEZIT VAN DEN HEKB VAN AlFHEN TI 

Zalt-BomhrI/. Zij waren ten getale van zestien : een Utnechtsche 
dukaton van 1790; een Zeeuwsche rijksdaalder van 1757; een 
HoUandsche V4 gulden van 1759; een Hollandsche scheepjes- 
schelling, en twee Westfriesche scheepjesschellingen, de een van 
1677, de ander van 1678; een Indische gulden van 1802. 

Een Engelscbe kroon van Gborgb III, 1804; 

Een Brabantsche kroon van Philips IT van Spanje, 1581; 
een van Lkopold II van Oostenrijk, 1791; een van van dke 
Noodt (zilveren leeuw), 1790; en een Belgisch vijffranksstuk, 
tevens gedenkpenning, van Leopold I ; op de keerzijde de borst- 
beelden van den Hertog en de Hertogin van Brabant, 1853. 

Yijffranksstuk van Lucca en PioifsiNO, met de borstbeelden 
van Eelice Bacciochi en Elise Buonapabtb, van 1805; 

*/, Daalder van Hessen, 1760, en 

een Beijersche kroondaalder, van Max.ihiliaan Joseph, 1814; 

een halve dollar van de Yereenigde Staten van Amerika, 1806. 

Al deze stukken, met uitzondering van den Hessischen Driir 
tel, uitmuntend bewaard en ik fleur de ooin. 

Na ingewonnen oordeel van den Directeur van het Ko- 
ninklijke kabinet van Penningen en gesneden steenen ie 'sGra- 
venhage en dien van het Akademisch Munt- en Penningkabinet 
te Leiden^ bleek het, dat deze onderscheiden munten reeds in die 
verzamelingen aanwezig of aldaar tot aanvulling of uitbreiding 
niet noodzakelijk waren. 

Munten in bkzit van den hbbe A. J. H. Bauer te Win- 
schoten. Zilveren gedenkpenning op den vrede tusschen Neder- 
land en Engeland in 1654, zie YATSfltOOVy Neder l Hisloripenn.^ 
Dl. II, f>. 388, N°. 1. 



(89 ) 

Zilveren gedenkpenning op den kardinaal dk Biciielibu> van 
langwerpig ronden vorm^ middellijnen 5,5 en 4,5 cM. Op de 
voorzijde het borstbeeld van den kardinaal, met het omschrii't 
Arhakus Joun. gard. ob Eichslikü; op de keerzijde: een 
obelisk, aan welks top een bazuin blazende engel; aan den voet 
eenige ridders die de handen omhoog uitstrekken. Zonder jaar- 
tal, maar met de letters s. d. gemerkt. 

Zilveren kroon, écu, van Lodewijk XIY, te Bourges gesla- 
gen; baiten om: dohinb. salvuk. fac. begek. 

Zilveren munt van Straatsburg, met borstbeeld en omschrift 

CAROL. o. GR. GARD. LOTH. EP. AROBNT BT ME . . ., jaartal 3 604; 

Zilveren Engelsche halve kroon van Willem en Maria, 1689. 

Eenige zilveren, geheele en halve tienstui verstukken, van 1740 — 
1770 en van verschillende Nederlandsche provinciën en steden. 

Een koperen Engelsche penny van Oeorgb ITI, 1799. 

Een koperen Fransche halve sou, van Lodewijk XIV, 1791. 

Een zilveren huwelijkspenning, waarschijnlijk van Duitsche 
fabriek. Middell. 7 cM., dikte 2,5 mM. Aan de eene zijde een 
man en eene vrouw aan linker- en regtervoet met elkander ver- 
bonden door eenen ketting, waarop een naakt kind staat, dat 
met zijne handen zich aan de kleederen van het paar vasthoudt ; 
de man houdt in zijne regterhand eene schop, de vrouw in hare 
linker een spinrokken; op hunne andere handen dragen zij een 
tafeltje waarop twee vlammende harten; beide die handen zijn 
nog verbonden met eenen ketting en hangslot. Om het geheel 
een toepasselijk Latijnsch randschrift. Op de keerzijde: twee in 
elkander geslagen handen, die eene bloem vasthouden, twee 
boomen die hunne takken over de handen uitspreiden. Boven, 
eene zon, waarin een vogel ; op den achtergrond, bergen en een 
paar steden; onder op den voorgrond, een rond, waarin twee 
tegenover elkander geplaatste eenden. Ook om deze voorstelling 
een toepasselijk Latijnsch omschrift. Zonder jaartal, doch met 
de beginletters s. d. 

Ook van deze munten is mededeeling gedaan aan den Direc- 
teur van het Penningkabinet der Leidsche Hoogeschool, die 
daarop door tusschenkomst van de Commissie aan den eigenaar 
heeft doen kennen, in hoever eenige der stukken voor de ver- 



(40 ) 

zameling van eenig belang geacht kunnen worden. Tjater heefk 
eene daartoe geopende onderhandeling den aankoop van twee 
gedenkpenningen en van eene der munten ten behoeve van 
genoemde verzameling ten gevolge gehad. 

ZiLVERBK ZEGELSTEMPSLS VAN W0LF£BT VAN BoRSSSLB. Door 

eenen arbeider waren deze stempels met het zilveren kettiugje, 
dat hen aan elkander verbond, bij het baggeren van zand nit 
de Maas onder Alphen, opgehaald. De Burgemeester van Appel- 
tem had de vriendelijkheid, bij schrijven van 6 Augustus 1870, 
N^. 648, de Commissie van de ontdekking in kennis te stel- 
len, onder bijvoeging van twee afdruksels in lak ; later verschafte 
hij de gelegenheid om de oorspronkelijke stukken te onderzoe- 
ken. Dit onderzoek had een schrijven ten gevolge aan den Minis- 
ter van Binnenlandsche Zaken^ die het voorstel der Commissie, 
om de stempels voor het Bijk aan te koopen^ alleszins aanne- 
melijk achtte en magtiging gaf, om daartoe onder biUijke voor- 
waarden bet noodige te doen. De Commissie mogt ook bij de 
verdere behandeling der zaak de welwillende tusschenkomst van 
denzelfden Burgemeester ondervinden, doch slaagde er niet in, 
om tegen den door haar billijk geoordeelden prijs den koop te 
sluiten, daar de eisch van de eigenaars zich te ver van de 
werkelijke waarde verwijderde. Uit een zeer onlangs van den 
Burgemeester toegekomen berigt is gebleken, dat de vinders de 
stempels aan den Heer Hoogenduk van Domsslaar ie Tiel 
hebben verkocht. 

De grootste der twee stempels, wier zilvergehalte even als die 
van het kettingje niet van de beste was, had eene middellijn 
van 7,5 cM. Het toont, zeer zuiver en goed ingesneden, eenen 
gehamasten ridder op een galoppeerend paard, regts gezien, het 
gelaat regts gewend ; op den linkerbovenarm een schild met va- 
pen, in de regterhand een uitgetogen zwaard. Op den helmkain; 
boven het schild en op den kam boven het hoofd van het paard 
het geslachtswapen der van Borsself/s. Het omschrift in Bo- 
maansche letters : ]£ istud : sigilluh : bst : dni : wlfrdi : di : 

BARSALIA : MILJTIS. 

De kleinere stempel, in middelHjn 3,5 cM. metende, dfaagt 
.iyi h^t midden bet wapenschild als voren, en beeft het om- 



( *1 ) 

schrift: )£ skckkt : wlfardi : db : barsalia : milit: d. i. secre* 
turn (sigillum) W(o)lfardi de Barsalia miliiis, geheimgegel van 
Ridder Wolfard van Borasele. 

In het beroemde geslacht van de van Borssblk's, zijn drie 
WoLFKRTS vooral vermaard geweest: een, die zich in den eer- 
sten kruistogt door zijne dapperheid onderscheidde; een Wol- 
F£RT, die, eerst in twist met Graaf Floris V, in 1297 het 
toppunt zijner magt bereikte, en Wolfert van Borssels, Heer 
vau Vere, geboren in 1451, stadhouder van Holland en Zee- 
land, die een prachtig hof te 'sGravenhage had onder Gravin 
Maria, en in 148^ overleed. Hoogstwaarschijnlijk zullen de 
stempels wel aan den laatstgemelde behoord hebben. 

KoPBRSN TABAKSDOOS, insgelijks onder Appeltem uit de Maas 
opgeba^^rd. De doos is van langwerpig ronden vorm met open- 
slaand deksel. De staande zijde rondom met lijstwerk versierd. 
Boven op het deksel, gegraveerd: een gewapende en geharnaste 
krijger met opgeheven zwaard in de regterhand, een schild aan 
den linkerarm. Boven hem eene uit de wolken nederdalende 
duif, uit welker bek lichtstralen uitschieten. Begts uit de hoogte 
een hond (of wolf?) te halven lijve zigtbaar, op den krijger 
toeloopende; links, ter hoogte van zijnen linkerschouder, een 
gevleugelde leeuw. De krijgsman zelf staat op eenen zich kron- 
kelenden draak. 

Onder het geheel het opschrift;: Ben kriestelijke kriegsman; 
langs het zwaard, sweert des gestes; bij het schild (waarop een 
menschelijk aangezigt). Schilt des geloofs. Begts van den krijger 
naast zijn regterbeen : Sterf gode in het geloof. Om het hoofd : 
Heil des heils ; alles in schrijfletters. 

Op den bodem: in het midden een altaar^ waarop de twee 
tafelen der wet, met op de eene, regts, de getallen, i, ir, iii, iv, v, 
onder elkander, op de andere vi, vii, viii, ix, x; daarachter, 
regts op het altaar, eene vrouw, die een hart in de linkerhand 
omhoog heft^ de regter vö6r hare borst houdt; links van haar 
eene knielende vrouw. Op de voorzijde van het altaar : Gij snit 
liefhebben || den heer uwen Godt || en u naasten ^ als u selven. 
Geheel onderaan, een wereldbol, gedeeltelijk zigtbaar, waarop eene 
gemantelde figuur (Christus), van voren gezien, met opgeheven 



I 



(42 ) 

linkerhand, het hoofd reikende tot aan de bovenzijde vau het 
altaar. Geheel boven, eene opgenomen gordijn of draperie. Om 
den rand van de doos krulwerk. Afmetingen 18,2 en 7, hoogte 
2,2 cM. 

Oud zwaard uit de Dieze bij 's Hertogenbosch opgebaggerd. 
Het gevest naar boven als een bloemkelk zich verbreedende, de 
pareerstang als een dik, gedraaid tonw bewerkt in den vorm 
eener S; van het tweesnijdige lemmet, met drie groeven in het 
midden over de geheele lengte aan beide zijden, is het onderste 
gedeelte verloren gegaan; de geheele lengte is thans nog 75, 
waarvan voor het overgebleven gedeelte van het lemmet 60 cM. 
Waarschijnlijk afkomstig nit de 16^® eeuw, heeft het ved ge- 
lijkenis met een zwaard in Augsburg vervaardigd, in het Museum 
te Sigmaringen bewaard, en bij A. Dehmii), Die Knegstpaffen^ 
Leipz. 1869, blz. 405, onder N®. 57 afgebeeld. Het zwaard 
uit de Dieze is voorloopig en tot nadere bestemming bij het 
Eijks Museum van Oudheden in bewaring gesteld. 

Kalkstbenen beer uit Stiens in Friesland. Ofschoon niet 
uitvoerig en wel wat ruw, is dit stuk, voor zoover het uit de 
afteekefting beoordeeld kan worden, van niet onverdienstelijken 
arbeid. Het stelt eenen beer voor, op een rond en van boven 
bol bewerkt voetstuk, in eene eenigszins moeijelijke en zamen- 
gedrongen houding staande; het benedengedeelte van neus en 
mond zijn verloren geraakt. De geheele hoogte is 24,6 cM. 
met, en 18 cM. zonder het voetstuk, dat, van onder plat, eene 
middellijn heeft van 14 cM. Welligt uit het vroeg middeleeuwsche 
tijdperk afkomstig. Volgens opgaaf zou het stuk op den bodem 
van de Swaarderterp te Stiens gevonden zijn. Die diepte be- 
hoeft juist niet van eenen zeer hoogen ouderdom te getuigen, 
daar vroeger op die plaats eene put geschoten en naderhand 
wederom verlaten, ingestort of volgeworpen kan zijn. Het oor- 
spronkelijk bevindt zich thans in de verzameling van het Priesch 
Genootschap te Leeuwarden. 

OüDB BAKSTEEN met uitkomcud werk. Een zoogenaamde ka- 
miensteen in de grondslagen van een oud gebouw in den Aar- 
denhout (Nuijsenburg) gevonden. Op de voorzijde de borstbeelden 
van twee keizers met diademen met punten gekroond en in 



( 48 ) 

medaillons gevat, die in ruiten geplaatst zijn. In de zes open- 
gebleven ruimten, tusschen en rondom de ruiteU; zijn medaillons 
met rosetten aangebragt. Van het jaartal 1567, is het laatste 
getalmerk zeer onzeker. 

Mbssenhecht te Breda gevonden. Het hecht van koper; met 
opkomend blad- of arabeskwerk versierd, waartusschen, hier en 
daar ingelegd, in blaauw en wit email (gcïncrusteerde) bloemen ; 
het uiteinde in eenen monsterkop eindigende. Het ijzeren lemmet 
is verloren gegaan. Vermoedelijk uit de 17^^ eeuw. Het voor- 
werp is bij het Eijks Museum van Oudheden, in afwachting 
van nadere bestemming, in bewaring gesteld. 

KisTJB MET KBBKBLiJKB vooRWERPBN TB FiNKEGi in Fries- 
land gevonden. Een berigt omtrent deze vondst, reeds in de 
Provinciale DrenlêcAe en Aêser Courant van II April 1870, 
N<^. 85, opgenomen, doch eerst ruim een jaar later aan de 
Commissie onder de aandacht gebragt, gaf haar aanleiding, om 
zich tot den Burgemeester der gemeente^ waaronder Finkega 
behoort, te wenden tot het erlangen van inlichtingen, die haar 
onverwijld en met de meeste bereidwilligheid door dien Heer 
werden verstrekt. £en veehouder te Finkef^a, Bienks Pietbes 
KoopMANS, had bij het rooijen van een bosch op zijn erf^ on- 
geveer eenen meter in den veengrond, een houten kistje gevonden, 
bevattende: een mis- of koorkleed met toebehooren, twee kan- 
delaars met waskaarsen^ die reeds gediend hadden, een schel- 
letje, eene lei, een kruikje en een Latijnsch gebedeboek; alles 
in zeer beschadigden toestand. Al deze voorwerpen waren toen 
nog bij genoemden Koofhans aanwezig. De Commissie heeft 
van een en ander aan het Bestuur van het Friesch Genoot- 
schap van Geschied-^ Oudheid- en Taalkunde te Leeuwarden, 
mededeeling gedaan. 



De Commissie heeft nog te gewagen van hare bemoeijingen, 
tot voortzetting of beëindiging van enkele belangen, waarin zij 
vroeger reeds was opgetreden, of waartoe van Begeeringswege 
hare tusschenkomst werd ingeroepen. 

Gkafzbrk van Dbrk van Hsekbn tb Windbsheim. In het 



( 44 ) 

vorige Jaarverslag werd blz. 36, 37 medegedeeld, dat de sedert 
lang aanhangige pogingen tot behoud van hetgeen van de zerk 
des beroemden Windesheimer kloosterbroeders was overgeble- 
ven, toen, tengevolge van verschillende omstandigheden^ nog 
niet tot voldoenden uitslag hadden geleid. Die belemmeringen 
werden gedurende het thans loopende jaar opgeheven; de zerk 
en een gedeelte van eene andere, insgelijks van het voorma- 
lige klooster van Windesheim afkomstig, werden door den eigenaar, 
den landbouwer van Tongkren, op de vroeger gestelde voor- 
waarden aan de Commissie beschikbaar gesteld, door deze aan 
het kerkbestuur van Windesheim afgestaan, en door de zorgen 
van dit laatste in den waiid van de aan de kerk aangebouwde 
catechisatiekamer ingemetseld. Het voorzittend lid heeft zich in 
den afgeloopen zomer toevallig eenige oogenblikken bij het voorbij 
reizen aldaar vertoevende, persoonlijk vergewist, dat aan de 
bedoeling der Commissie en de toezegging door het kerkbestuur 
gegeven, was voldaan, al zij het ook dat de plaatsing en in- 
metseiing uit een oogpunt van welstand wel wat te wenschen 
overlieten. 

Glazen met ingebrand schiIiDSRWerk in de groote kerk 
TB Gk>üDA. Omtrent de lofwaardige maatregelen door kerkvoog- 
den genomen, om de wereldberoemde kerkglazen, tegen meer 
en meer dreigende beschadiging, misschien voor vele tegen vol- 
slagen vernietiging, te behoeden, en omtrent de alleszins doel- 
matige wijze waarop zij dat oogmerk trachten te bereiken, werd 
in het Verslag van het vorige jaar, blz. 49 — 51, berigt gegeven. 
Aan het voorstel, dat de Commissie, op grond van het per- 
soonlijk onderzoek van twee harer leden, de vrijheid nam tot 
den Minister van Binnenlandsche Zaken te rigten, ten einde 
de kerkvoogden in de voor hun beheer te zeer drukkende kosten 
eenige ondersteuning van Eegeeringswege mogten erlangen, werd 
een gunstig gehoor verleend. Ook voor de vensters, die in het 
thans loopende jaar in orde zijn gebragt, heeft de Begeering, 
nadat de wijze van uitvoering op haar verlangen van wege de 
Commissie onderzocht, en daarbij gebleken was^ dat het werk 
met even deugdelijken uitslag als vroeger was voortgezet, eene 
gelijke geldelijke ondersteuning, waarbij wederom de helft van 



(46 ) 

het benoodigde bedrag gedekt werd, beschikbaar geateld. In het 
geheel moesten 44 vensters, op de wijze zoo als die in het 
vorige Verslag werd opgegeven, gezuiverd en hersteld worden; 
van deze 44 bevinden er zich 13 boven in den lichtbeuk van 
het koor, de overige in den dwarsbeuk en de zijbeuken. Een 
negental was reeds in orde gebragt, voor dat de ondersteuning 
der Begeering ingeroepen en verleend werd; sedert zijn nog 
vier vensters afgewerkt en was in de vorige maand een vijfde 
voor de helft gereed gekomen. Langzaam, doch onverpoosd, met 
zorg, liefde en geduld wordt de taak voortgezet; onder het be- 
langstellend beheer van een verlicht kerkbestuur, dat in de be- 
hartiging dezer zaak de billijkste aanspraak heeft op den dank, 
niet alleen van de Goudasche Hervormde Gemeente, maar van 
ieder landgenoot, die een warm hart heeft voor den roem van 
het vaderland op het gebied der kunst. 

Ook omtrent een ander belangrijk oud gebouw, de Sr. Ni co- 
la as OP BOVKNKERK te Kampen, tot welks herstelling het kerk- 
bestaur de hulp der Regeering had ingeroepen, was door deze 
de voorlichting der Commissie gevraagd, zie het vorige Verslag, 
blz. 51. Hare leden Leemans en Kose hebben, om aan dezo 
opdragt te kunnen voldoen, zich in de maand Mei van het 
vorige jaar naar Kampen begeven, om het gebouw, zijnen toe- 
stand en de herstellingen, die gewenscht of noodig geacht wer- 
den, op te nemen. 

De Bovenkerk is een zeer aanzienlijk gebouw, met welks 
bouw, volgens bestaande bescheiden in 1369, onder den bouw- 
meester JoHAK VAN Keulen, een aanvang werd gemaakt. Uit 
een bouwkunstig oogpunt mag het alleszins op hooge waardee- 
ring aanspraak maken, zoowel om zijnen ouderdom, als om zijnen 
aanleg, vorm en zijne grootte (het schip heeft aan elke zijde 
twee zijbeuken), en vooral ook om het groote, hoog gewelfde 
koor en de volledige gegevens, die het nog bewaard heeft, zoo 
onmisbaar, om met zekerheid uit de overgebleven bouwkunstige 
versieringen, de ontbrekende in den stijl van het oorspronkelijk 
geheel te herstellen en bij te werken. Daarom meenden de Com- 
missieleden, dat pogingen, om het gebouw, niet alleen tegen 
verder verval te behoeden en in stand te houden, maar ook 



(46) 

om het zoo mogelijk tot zijnen oorspronkelijken toestand terug 
te brengen, zeer wenschelijk waren en alle ondersteuning ver- 
dienden, zoodat de toekenning van stoffelijke hnlp van fiegee- 
ringswege in alle opzigten aanbevelingswaardig scheen. 

Bij het onderzoek bleek^ dat hier en daar werkelijke afwij- 
kingen en ontzettingen van miiren en zuilen uit den oorspron* 
keiijk loodregten stand plaats gegrepen hadden. Naar luid echter 
der gegeven inlichtingen zou dit kwaad reeds van veel vroegere 
tijden dagteekenen en in den laatsten tijd, zoover men wist, 
niet toegenomen zijn; 

dat met den grooten watervloed van 1825^ de zerken van 
de bevloering door het geheele gebouw uit hunne waterpas 
gelijke ligging, gedeeltelijk omhoog geheven, gedeeltelijk ver- 
zakt, en sedert niet meer behoorlijk onder ééne lijn gelegd, 
volstrekt eene algemeene voorziening eischten, die, ware zij 
jaarlijks bij gedeelten geschied, geen zware offers zou gevor- 
derd hebben, maar nu, op eene niet onaanzienlijke som zou 
te staan komen, vooral wanneer dan (hetgeen zeer wensche- 
lijk werd geacht) eenige der meest belangrijke zerken tegen 
de wanden opgesteld en ingemetseld, en de openingen in den 
vloer met tegels, gladde zerksteenen, portland-cement of op an- 
dere wijze werden aangevuld. Onder de zerken zijn er zeer vele 
die de aandacht tot zich mogen trekken ; in of bij het kerk- 
kruis was het deksel van eene kist van rooden zandsteen, tus- 
schen de zerken in den vloer gelegd; 

dat de vensterramen en hun traseerwerk in de zijbeuken van 
den grooten beuk eenige jaren geleden geheel en al, en naar 
het scheen, getrouw in den vorm der oorsprojikelijke hersteld 
waren geworden; 

dat de muren voor het grootste gedeelte met gebakken steenen, 
insgelijks in den laatsten tijd bemanteld waren; 

dat echter de pinakels, die op den bovenkant dier muren, 
waar het dak begint, zich vroeger bevonden hadden of bevinden 
moesten, bij gelegenheid van het aanbrengen dier bemanteüng 
niet bijgebouwd werden, en die bij bouwing toch wenschelijk 
was te achten; 

dat de vensters in de lichtbeuken van het hooge koor, ten 



(47 ) 

getale vaD vijftien gebeele vernieuwing eiachten, en wel eene 
spoedige, daar zij op vele plaatsen aan eene plotselinge en he« 
vige windvlaag, niettegenstaande menigte van aaneenhechtingen, 
geen wederstand meer kunnen bieden en met gevaar dreigen 
ook voor de veiligheid van de kerkbezoekers ; 

dat de vemieawing dier vensters ook onvermijdelijk moet 
gepaard gaan met eene herstelling der traseriugen, e^gen en 
verdere versieringen in hare oorspronkelijke vormen; 

dat hetzelfde het geval is met het lijstwerk rondom de bo- 
venzijde van den wand van bet koor, waar de ontbrekende 
steenen gedeelten hier en daar met houten stukken thans op 
ZG&c gebrekkige wijze aangevuld zijn; 

dat het steenen gewelf, hetwelk ook om den aard en de wijze 
van zijne zamenstelling opmerking verdient, in voldoenden staat 
schijnt te verkeeren; 

dat het bintwerk en over het algemeen de verschillende deelen 
van de bekapping zich nog in vrij goeden staat vertoonen, doch 
de planken der dakbeschieting eene bijna geheele vernieuwing 
behoeven; 

dat in het archief van kerkmeesters bouwkunstige teekeningen 
aanwezig zijn^ door eenen onlangs overledenen bouwkundige op- 
gemeten en vervaardigd, die blijken dragen van naauwkeurigheid 
en volledigheid, en voor het opmaken van nadere ontwerpen tot 
herstel enz. alleszins dienen kunnen; 

dat in de eerste plaats, bijaldien pogingen te werk gesteld 
zullen worden^ om het gebouw voor het vaderland te behouden, 
(pogingen die, in het belang der kunstgeschiedenis en van den 
roem des lands door de Commissie ten sterkste gewenscht en 
aanbevolen worden) kerkmeesters door eenen bevoegden deskun- 
dige een uitvoerig plan behooren te doen ontwerpen tot herstel 
van de kerk, met de noodige teekeningen, omschrijvingen, toe- 
lichtingen, raming van kosten enz.; 

dat de buitengewone kosten tot herstel vereischt^ zooveel de 
krachten het gedoogen, door buitengewone bijdragen der Ge- 
meenteleden, verder door bijstand uit de rijke middelen der 
burgerlijke Gemeente en welligt ook door ondersteuning van 
de Provincie zooveel mogelijk gedekt; en voor het ontbrekende 



(48 ) 

met onderstand van Rijkswege zoaden moeten bestreden worden^ 
hetzij dat die onderstand in eens werd verleend, hetzij, wat 
welligt verkieslijk is^ naar gelang van den vooruitgang van het 
werk en over eenige jaren verdeeld; 

dat op bijstand ait de stedelijke middelen misschien wel eenig 
uitzigt mogt gevestigd worden, wanneer men bedenkt, dat, in- 
dien althans eene aan de Commissieleden gedane mededeeling, 
naauwkeurig is, door het Gemeentebestuur vele duizenden gid- 
dens — men spreekt van ƒ40,000 — zijn beschikbaar gesteld 
tot herstel van den toren der zoogenaamde Buitenkerk van de 
Boomsch-Katholieke Gemeente. 

De Commissie heeft bovenstaande beschouwingen aan de Ee- 
geering ter kennis gebragt, en mag zeker wel verwachten, dat 
het onderwerp in ernstige overweging is genomen. Intnsschen 
kwam haar zijdelings ter kennis, dat kerkmeesters zich reeds 
met den bekwamen gemeente-bouwmeester te Zutphen, den Heer 
D. J. Itz, wien de genoemde Commissieleden voor de taak, op 
grond van hunne vroegere ervaring, ten sterkste hadden aanbe- 
volen, in overleg hebben gesteld. 



Het Huis Basberode. De Commissie bleef het lot van dat 
eerwaardig overblijfsel uit lang vervlogen eeuwen, waaraan de 
geschiedenis van een onzer oudste en meest beroemde vader- 
landsche geslachten verbonden is, met levendige belangstelling 
gadeslaan. Het gaf haar eene groote voldoening, dat, onder de 
voortdurende zorgvuldige leiding van Mr. A. J. Enschede, 
gemeente-archivaris te Haarlem, van Rijkswege de noodige gel- 
delijke middelen beschikbaar worden gesteld, zoowel, om de ge- 
vaar dreigende gedeelten door bijmetseKng en andere verster- 
kingen te steunen en te bevestigen, als om, door het ontgraven 
der grondslagen, het plan en den aanleg van de verschillende 
gebouwen na te gaan en te leeren kennen. In de nu en dau 
nog al dringende behoeften aan oude steeneu, zoogenaamde 
reuzenmoppen, van de afinetingen en soort, zoo als die bij den 
bouw van Brederode gebezigd werden, werd door den Heer 
Dnschsde de tusschenkomst der Commissie ingeroepen; zij had 



( 49 ) 

gehoopt in de afbraak van enkele der te Maastricht en Wijk 
gesloopte torens en andere versterkingen het begeerde te kunnen 
aanwijzen, maar vond zich in die verwachting teleurgesteld. 
Eene latere opgaaf van plaatsen waar welligt het noodige zou 
te vinden zijn, heeft zij aan den Heer Enschede medegedeeld. 
In het vorige Jaarverslag werd, blzz. 19 — 23, naar aanleiding 
van de plans, teekeningen en toelichtende aanmerkingen van - 
en betrekkelijk op - de onlangs gesloopte overblijfsels van het 
KASTEEL Yredbbueö TB Utebcht, door dcu opzigter van 'sRijks 
Waterstaat, den heer D. van der Werf te Utrecht, opgemaakt 
en aan wijlen het lid der Commissie, den heer Hoofdinspecteur 
CoNRAD, ten geschenke toegezonden, eene beschrijving gegeven 
van de gedeelten van het gebouw, die bij de slooping van het 
noordwestelijke bastion van de sterkte aan den dag gekomen 
en sedert geheel of grootendeels voor goed verdwenen zijn. In 
haar Verslag, blz. 20, meende de Commissie niet te kunnen 
berusten in den naam en de bestemming van kerk, die men 
aan de langwerpige, aan beiden uiteinden driezijdig gesloten, over- 
welfde ruimte had toegekend ; beter kon zij zich vereenigen met 
de meening, dat de daaronder aanwezige kelder van gelijken 
vorm, tot gevangenis, en een gedeelte van dien kelder, met den 
naam van Monnikskap onderscheiden, tot pijnigingsplaats ge- 
diend zou hebben. 

Met "betrekking tot de eerstgenoemde overwelfde ruimte heeft 
eene vergelijking van het plan van Vredeburg *), zoo als dit 
door den bouwmeester ontworpen was, de gewenschte zekerheid 
aangebragt. Daaruit blijkt dat het noordwestehjke bastion, even 
als het zuidwestelijke, twee boven elkander gelegen gewelven 
bevatte, in vorm en grondvlak geheel met elkander overeen- 
komende. De beide vakken of openingen in de muren van de 
bovenste overwelfde ruimte uitgespaard, waaromtrent op blz. 21 
van het aangehaalde Verslag de mogelijkheid ondersteld werd. 



*) Dit plan getiteld : Grooten gront 7 Utrecht ende principael patroen aen- 
gaende het easteel ghemaect bij Mr. Romboüt tan Meohblen, is uit het Archief 
der proyincie Utrecht, door van dbb Monde in z^n Geschied- en Oudheidkun- 
dige heschrijtnng van de pleinen^ straten enz, der stad Utrecht, Dl. II, PI. N°. 5, 
blz. 320 oitgegeyen. 

Jaarboek. 1871. a 



( 50 ) 

dat zij welligt tot aitgangen gediend hadden, zijn in het oor- 
spronkelijke plan niet aangewezen en dos waarschijnlijk van 
lateren tijd, toen het lokaal tot andere bestemming dienstbaar 
werd gemaakt. De ruimten in het zuidwestelijke bastion, sedert 
lange jaren door het verwijderen van den vloer der bovenste 
en het gewelf der benedenste, tot een geheel vereenigd, werden 
in het vorige jaar met goed gevolg tot bierkelder of liever bier- 
huis ingerigt en gebezigd. Omtrent de oorspronkelijke bestemming 
der langwerpige lokalen in de genoemde bastions, behoeven wij, 
evenmin als omtrent die van de acbtzijdige, overwelfde ruimten, 
in de twee naar de stadszijde gelegen noord- en zuidoostelijke 
bastions, gissitigen te maken ; ongetwijfeld moesten zij in tijd 
van nood, bij belegering als kasematten tot veilige verblijf- 
plaatsen der bezetting dienen. Sovendien leverden zij uitmun- 
tende gelegenheid tot het bewaren van gevangenen. Daar de 
geheele bouw van het kasteel in 1528 begonnen, in het vol- 
gende jaar grootendeels voltooid werd, in 1532 de grachten 
verwijd werden, kan aan de besproken overwelfde lokalen geen 
hoogere ouderdom, dan van ruim drie eeuwen worden toege- 
kend. Mogten de afmetingen der gebezigde steenen in sommige 
gedeelten op eenen ouderen tijd schijnen te wijzen, dan vindt 
die bijzonderheid hare verklaring in : de afkomst der bouwstoffen 
van het daar ter plaatse in de 13^® eeuw door de ridders van 
St. Jan gestichte klooster en gasthuis; van een afgebroken ge- 
deelte van het reeds in het begin der lé^® eeuw aldaar aan- 
wezige St. Gatharinaklooster, en ook vermoedelijk van de afge- 
broken sloten Vreeland en Ter Horst, alsmede van het klooster 
Vredendaal *). 

De Commissie, ten hoogste ingenomen met den verdienste- 
lijken arbeid, door den heer van deh Weef, aan het opmeten 
der overblijfsels, het vervaardigen der teekeningen en beschrij- 
ving besteed, meende hem in een boekgeschenk een blijk harer 
erkentelijkheid te mogen aanbieden, en vestigde daartoe hare 
keus op het prachtwerk van Lacboix, Les arts au-moyen-dge 



*) Men vergeiyke jydschr, voor geseh^oudhh» merkwaardige bijgonder heden en 
statiitiei van Ufreehf. Jaarg I, 1835, blzz. 20—23. 



( 51 ) 

et h r époque de la renaissance^ bij Dijdot te Parijs^ in 1869 in het 
licht gegeven; het was haar aangenaam, dat dit geschenk door 
den heer yan der Webf met dank en welgevallen werd aanvaard. 
Ditzelfde was het geval met een geschenk, waarin de Com- 
missie aan den heer A. J. H. Baxjer, opzigter van ^sBijks 
Waterstaat te Winschoten, een geUjk bewijs van hare tevreden- 
heid wegens zijne ijverige en doeltreffende bemoeijingen voor de 
opneming, opmeting, de bouwkunstige teekeningen en beschrij- 
ving van de gesloopte kerk te Eexta, heeft doen toekomen ; zij 
koos daartoe een exemplaar van L. Aunoe^s Beitrage zur Kennt^ 
niss der Bachsieinarchitectur Italiens Berl. 1846. P. 

Aan den heer Timmermans^ kweekeling voor de bouwkunst 
bij den heer G. G. van Eijsbergek, architekt te Leiden, schonk 
de Commissie een exemplaar van Lübkb^s Grundriss der Kunst' 
gesckicAlej Stuttg. 1868. 8®., als een blijk van erkentenis zijner 
diensten bij het verkleinen der doortrekken van de muurschil- 
deringen in het Bathmensche kerkgebouw. 



De Commissie zou hier het verslag harer handelingen en oe- 
moeijingen in het afgeloopen Akademiejaar als geëindigd kunnen 
beschouwen, daar de geschiedenis harer lotgevallen in den laat- 
sten tijA van haar bestaan van zeK een onderwerp van behan- 
deling uitmaakt in het Verslag van den Algemeenen Secretaris, 
omtrent den staat en de werkzaamheden der Akademie. In^ar 
echter de Jaarboeken, waarin deze verslagen worden opgenomen, 
uit den aard der zaak niet altijd binnen het bereik liggen van- 
of geraadpleegd worden door- een groot aantal van hen. aan 
wie a&sonderlijke afdrukken van het Verslag der Commissie toe- 
gezonden worden, zal het niet overbodig zijn wanneer hier nog 
met een enkel woord de bijzonderheden van den laatsten tijd 
van haar bestaan vermeld worden. 

In de vereenigde jaarlijksche Vergadering der afdeelingen op 

30 April des vorigen jaars, hadden de drie, na het overlijden 

van den Heer Conrad overgebleven leden der Commissie zich, 

onder aanvoering van de redenen die in haar toen ingediend 

verslag waren uiteengezet, genoopt verklaard om hunnen last- 

4* 



( 52 ) 

brief neder te leggen. De redenen, die hen tot dit besluit had- 
den gebragt, waren vroeger reeds in eene vergadering van het 
Akademiebestuiir besproken, overwogen en gebillijkt. Ook was 
toen, evenzeer in overeenstemming met hare meening, wensche- 
lijk geacht, dat de Eegeering aan eene Eijkscommissie de voort- 
zetting van de taak mogt opdragen, en wel op den voet zoo 
als die door de Commissie in haar verslag in groote omtrekken 
omschreven was. 

De vereenigde Vergadering besloot, nadat het onderwerp onder 
vrij wat uiteenloopende meeningen besproken was, tot het be- 
noemen eener Commissie, waartoe de Voorzitter de heeren 
G. Mees Az., P. J. Vbth, L. Cohen Stüakt, Th. Bobeet 
en C. J. Matthes aanwees, om de Akademie in deze zaak van 
raad en voorlichting te dienen in eene latere buitengewone 
vereenigde Vergadering, in welke dan het eindbesluit zou wor- 
den opgemaakt. Inmiddels werden de leden van de Commissie 
voor de overblijfselen der oude vaderlandsche kunst aangezocht 
en verklaarden zij zich ook bereid, om tot op eene nadere be- 
slissing, de haar tot dusverre opgedragen belangen te behartigen, 
en voor de afdoening der loopende zaken te zorgen; altijd in 
de onderstelling en met den wensch, dat die beslissing tot een 
niet al te ver verwijderd tijdstip zou verschoven worden. 

De zomerrust, volgens het reglement aan de Akademie toe- 
gekend, kwam tusschen beide, en het was e^rst op 5 November 
dat de buitengewone vereenigde Vergadering plaats greep, nadat 
de Commissie van voorlichting tot het bijwonen van eene harer 
zamenkomsten op 11 Junij, ten huize van den heer Borret 
te Vogelenzang gehouden, ook het voorzittend lid der Monu- 
menten-Commissie, genoodigd, en het onderwerp met ernst en 
naauwgezetheid besproken en overwogen had. 

De uitkomst harer overleggingen was, dat de Commissie van 
voorlichting in de buitengewone vereenigde Vergadering, ook als 
hare overtuiging uitsprak, dat de taak, wilde die eenigszins naar 
eisch worden volbragt, niet alleen niet langer op de leden die 
tot dusverre in de Monumenten Commissie werkzaam waren 
geweest, kon blijven berusten, maar dat evenmin aan eene 
vervanging van die leden, binnen den kring der Akademie ge- 



( 68 ) 

dacht kon worden ; en dat de menigvuldige belemmeringen en be- 
zwaren, waaraan de zaak tot nog toe onderworpen was geweest, 
zoo lang zij van de Akademie bleef uitgaan, niet uit den weg 
te ruimen waren. 

Het voorstel luidde dus, dat de C!ommissie voor de over« 
blijfselen der oude vaderlandsche kunst opgeheven zou worden^ 
onder den dank aan hare leden voor de gedurende tien jaren 
in die betrekking bewezen diensten, en dat het Akademiebestuur 
aan de fiegeering in overweging geven zou, om tot voortzetting 
van de taak op het voorbeeld van andere landen eene £i]ks- 
commissie in het leven te roepen, in den geest en op den voet 
zoo als die in het laatste Commissieverslag, blzz. 64 en 6b, 
omschreven waren. 

Dit voorstel werd in de vereenigde Vergadering goedgekeurd, 

en daarmede overeenkomstig door het Akademiebestuur, onder 

dagteekening van 11 December jl., W. 12, een schrijven ge- 

rigt tot den Minister van Binnenlandsche Zaken. De beslissing 

volgde spoedig, en wel op 81 December, den laatsten dag, waarop 

de Minister nog als hoofd van het Departement werkzaam was. 

Bij een schrijven van die dagteekening, Litt. A, b^^ Afd., 

werd aan het Akademiebestuur kenbaar gemaakt //dat tegen 

//het in het leven roepen eener Bijksoommissie tot het opspo- 

ff ren, bet behoud en het bekendmaken van overblijfsels der va- 

ff derlandsche kunst uit vroegere tijden, overwegende bedenkingen 

//bestaaoi, zoodat tot het verwezenlijken van dat denkbeeld (de 

// Minisiier), althans voor het tegenwoordige niet zou kunnen 

//medewerken." De Minister verklaarde er dus te meer prijs op 

te stellen ffAskt de Commissie, die gedurende een tal van jaren 

ürmet den meesten ijver en niet zonder goeden uitslag op dit 

>y gebied werkzaam was geweest en met de grootste bereidvaar- 

//digheid de Begeering op haar verzoek had voorgelicht, kon 

//goedvinden het haar door de Akademie gegeven mandaat niet 

'j' neder te leggen. Mogt zij evenwel daartoe niet kunnen be- 

^ sluiten, dan zou voor de Begeering niets anders overblijven dan er 

//in te berusten en bij voorkomende gelegenheden de voorlich- 

// ting van deskundigen uit of buiten de Akademie te verzoeken/' 

Toen dit schrijven bij het Akademie-bestuur ontvangen werd, 



( 54 ) 

was een nieuw Ministerie opgetreden, en het beleid der Bin- 
nenlandsche Zaken in handen van den tegenwoordigen Ministei 
overgegaan, die vroeger zelf wel eens het denkbeeld geopperd 
had, dat eene Rijkscommissie, welligt met beter gevolg dan 
eene van de Akademie uitgaande, tot het beoogde doel werk- 
zaam zou kunnen zijn. 

Het Akademiebestuur trad andermaal in overleg met de 
Commissieleden, en meende eene nieuwe poging te moeten doen 
om de zaak tot eene meer gunstige oplossing te brengen. Daar- 
toe rigtte het zich in een nieuw vertoog tot den Minister, 
waarop, onder dagteekening van £3 Maart jl. een afwijzend ant- 
woord volgde: ii' Tegen het instellen der verlangde Eijksoom- 
//missie,'' dus luidt het Ministerieel schrijven, //bestaat beden- 
jf king De Commissie uit de Akademie, welke zich gedurende 
// eenige jaren heeft belast met het opsporen van overblijfsels van 
//oude Nederlandsche kunst enz. en met het doen van voorstel- 
// len dienaangaande, was inderdaad eene Rijkscommissie. Hebben 
//niettegenstaande haren grooten ijver en werkzame belangstelling 
//hare pogingen den gewenschten uitslag niet gehad, het is niet 
¥ te verwachten, dat eene andere Commissie gelukkiger zal zijn." 

//Raadzaam schijnt het alzoo de taak voortaan aan de be- 
// langstelling van genootschappen en particulieren over te laten." 
Overigens wordt de verzekering gegeven, dat de Minister // voor 
//zooveel dan bij onderzoek of aankoop hulp van de Regeering 
//noodig mogt worden bevonden, gaarne zal nagaan in hoeverre 
//daaraan te voldoen zij," 

De Commissie kan slechts onderstellen, dat de redenen die 
zij heeft aangevoerd voor haar besluit om haren lastbrief neder 
te leggen, en de gronden die zij uiteen heeft gezet, om eene 
voortzetting van hare taak door eene Rijkscommissie en over- 
eenkomstig de daarvoor in algemeene trekken door haar voor- 
gestelde inrigting aan te bevelen, óf niet gelezen, 6f niet met 
voldoende aandacht in overweging genomen zijn. Het is haar 
anders onbegrijpelijk, hoe de mogelijkheid kon gedacht worden, 
dat zij nog langer zich met de waarneming der verpligtingen 
aan haren werkkring verbonden zou kunnen blijven belasten; 
en evenmin, hoe er eenig uitzigt kon gevestigd worden op de 



( 66 ) 

belaugstellmg iran bijzondere personen of genootschappen, daar 
eene van de hoofdredenen waarom de Commissie haren arbeid 
staken moest, juist op het ontbreken dier belangstelling ge- 
grond was. 

De Commissie, en met haar de Koninklijke Akademie, die 
haar met een voortreffelijk doel en tot een nuttig en noodig 
werk in het leven riep, kunnen de overtuiging wegdragen dat 
zij, elk van hare zijde geheel buiten verantwoordelijkheid blij- 
ven, wanneer van lieverlede meer en meer gebouwen, waaraan 
zich in ons vaderland de herinnering van belangrijke gebeurte- 
nissen en personen vastknoopt, aan opzettelijk slooping overge- 
geven worden of door achteloosheid te gronde gaan; wanneer 
bijdragen tot de geschiedenis der voorouderlijke kunst en be- 
schaving, zeden, gebruiken en gewoonten nutteloos of onge- 
waardeerd in het duister verborgen blijven^ en, mogen zij al 
door een gelukkig toeval de opmerkzaamheid van eenen verzame- 
laar of liefhebber wekken, dan toch niet die rijke en goede 
vruchten afwerpen, die onder eene goede leiding er van ver- 
wacht hadden kunnen worden. 

Zoolang de Commissie de zekerheid nog niet verkregen had, 
of hare taak door eene Rijkscommissie opgevat en voortgezet 
zou worden, is zij, op het verlangen der Akademie, zich blijven 
belasten met de zorg voor de nog bij haar aanhangige bemoei- 
jingen en de afdoening der inkomende en loopende zaken. On- 
der de aanhangige^ wier afloop binnen een niet al te verwijderd 
tijdstip' kan tegemoet gezien worden, behooren de opmetingen 
en teekeningen van de oude kerk te Maasdam, waarvan de ver- 
vaardiging, zoo als boven gezegd is^ aan de zorg van eenen 
opzigter van ^s Rijks Waterstaat is opgedragen. Ook het be- 
ramen van maatregelen tot behoud der in vorige Versla- 
gen, 1868/69, blz. 8 {Jaarh. 1869, blz. LXVI) enl869/70, 
blz. 37, vermelde zerken van de voormalige Abdij van Bern, 
zou nog in eene eerste plaats zich aan de aandacht hebben 
aanbevolen, wanneer die zaak niet aan bezwaren onderhevig 
scheen, tot wier opruiming de gelegenheid hoogstwaarschijnlijk 
ontbreekt. Hetzelfde is het geval met een aantal onderzoekingen 
en opnemingen, die de Commissie wenschelijk geacht^ en zich 



( 66 ) 

voorgenomen had te gelegener tijde ie volbrengen, maar die zij 
thans moet laten varen. 

Het archief der Commissie, dat zij aan de Akademie zal over- 
geven, kan nadere rekenschap afleggen van den omvang dien 
hare taak van lieverlede verkregen had, en van de wijze waarop 
hare leden zich gedurende haar tienjarig bestaan van hunne ver- 
pligtingen getracht hebben te kwijten. Gedeeltelijk kunnen 
dienaangaande ook hare jaarlijksche verslagen getuigen. De ver- 
zameling van bouwstoflen voor eene geschiedenis der oude va- 
derlandsche kunst, die zij van lieverlede bijeen heeft gehragt, 
mag in vele opzigten belangrijk heeten, en bevat eenen schat 
van naauwkeurige bescheiden, beschrijvingen, plans en teeke- 
ningen van oude, merkwaardige gebouwen en van voorwerpen, 
wier aandenken en voorstellingen in die stukken alleen zijn 
bewaard gebleven. Het is eene werkelijke behoefte, dat van be- 
voegde hand eene goed geordende, beschrijvende naamlijst dier 
verzameling, die wel hare eigenaardige bewaarplaats in de boe- 
kerij der Akademie zal blijven behouden, en een naauwkeurig 
register op de elf jaarverslagen der Commissie vervaardigd wor- 
den; daardoor zal de bruikbaarheid der vergaderde bouwstoffen 
en overzigten in ruime mate toenemen. 

De Commissie eindigt haar verslag met herhaalde betuiging 
van haren dank voor het vertrouwen dat de Akademie in haar 
heeft gesteld, voor de ondersteuning haar tot het volbrengen van 
hare taak voortdurend geschonken, en voor de welwillendheid, 
waarmede de Akademie, niet slechts naar de verkregen uitkom- 
sten, maar ook naar de goede bedoelingen en den ijver daarbij be- 
toond, haar gunstig oordeel over de Commissie opgemaakt en bij 
velschillende gelegenheden, waar het pas had, uitgesproken heeft 

Amsterdam, 29 April 1871. 

De Commissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 

tot het opsporen, het behoud en het bekendmaken van 

de overblijfsels der onde vaderlandsche kunst. 

C. LEEMANS. 
W. MOLL. 
W. N. EOSE. 



LEVENSBERIGT 



VAN 



D. J. STORM BUYSIIVG, 



DOOR 



L P. DELPBAT, 

Rustend Lid der Natuurkundige Afdeeling, 
Voorgelezen in de Gewone Vergad. der Afd. Natnnrk. ysn 30 Sept. 1871 . 



Duco JoHANNES Stobm Buysing, geboren te Leeuwarden den 
308ten September 1802, deed zich, reeds bij zijne komst als 
kadet aan de Artillerie- en Genieschool te Delft in November 
1818, kennen als een jongeling, begaafd met een helder ver- 
stand gepaard aan zulk een volhardenden ijver, als zeldzaam op 
zestienjarigen leeftijd gevonden wordt; zijne vorderingen en 
voorbeeldig gedrag waren dan ook zoodanig, dat de vierjarige 
leercursus door hem in minder dan drie jaren werd volbragt. 
Eleeds in het voorjaar van 1821 werd hij onder de bevelen 
van den Inspecteur-Generaal van den Waterstaat J. Blanken Jz. 
gesteld. Zijne ijver en geschiktheid voldeden den Inspecteur- 
Generaal, die gewoon was veel van de onder hem werkzaam 
zijnde jongelieden te vergen, zóó wel, dat de jonge kadet in 
het volgende jaar (Mei 1822) benoemd werd tot ólève aspirant 
van den Waterstaat en als zoodanig meer zelfstandig overge- 
plaatst in de provincie Overijssel, alwaar hij in het volgende jaar 
(Sept. 1823) benoemd werd tot aspirant Ingenieur, blijvende 
hij in dezelfde provintie werkzaam ; en ook daar gaf hij blijken 
van meer dan gewone bekwaamheid, want ofschoon nog slechts 



( 58 ) 

aspirant Ingenieur, werd hij in 1831^ bij eene tijdelijke onge- 
steldheid van zijnen Hoofdingenieur^ met diens werkzaamheden 
belast. Eerst in 1834 werd hij volgens het gewone dienstver- 
loop bevorderd tot Ingenieur der tweede klasse. 

De gebeurtenissen van 1830 hadden het opleiden van jonge- 
lieden voor het vak van den Waterstaat aan de, in 1828 op- 
gerigte, Militaire Akademie te Breda doen ophouden, In 188E 
deed zich het nadeel van dien stilstand zoo sterk gevoelen^ 
dat de Begering besloot voorloopig, in afwachting eener ge- 
heele reorganisatie van het militaire onderwijs, de opleiding van 
jongelieden voor het korps militaire Ingenieurs en voor den 
Waterstaat te verbinden aan het Instituut voor de Marine te 
Medemblik, en bepaaldelijk aan steller dezes, toen Kapitein 
Ingenieur, op te dragen. Toen bij die instelling, door de ver- 
plaatsing van den Ingenieur Eijstbbbosoh in 1835, moest 
voorzien worden in de lessen in de Waterbouwkunde aan de 
kadets der Genie en van den Waterstaat, viel de aandacht al 
spoedig op den Ingenieur Storm Büysjng, wiens meer dan 
gewone bekwaamheid, ook in het theoretische gedeelte der Wa- 
terbouwkunde, meer en meer begon uit te komen; hij werd 
dan ook in September 1835 benoemd tot Leeraar in de Water- 
bouwkunde te Medemblik. Die benoeming was hem even on- 
verwacht als ongewenscht. Zijn werkkring in Overijssel was 
hem lief geworden. Aldaar gehuwd, ofschoon spoedig weduw- 
naar, stond hem de verplaatsing naar een weinig aanlokkelijk 
oord, in een werkkring die hem weinig begeerlijk scheen, zeer 
tegen; geringe gedachte van zijne geschiktheid tot het geven 
van onderwijs, versterkte niet weinig zijnen tegenstand. Doch 
teregt oordeelde men bij het algemeen bestuur hieromtrent gun- 
stiger, en na eene vruchtelooze poging tot intrekking zijner be- 
noeming, aanvaardde hij in November 1835 zijne nieuwe be- 
trekking, en wel met denzelfden ijver en naauwgezetheid die 
hem steeds bleven onderscheiden, ook bij werkzaamheden die 
hem soms in velerlei opzigten minder aangenaam waren. Zijne 
lessen onderscheidden zich door eene hooge mate van helderheid 
en degelijkheid; hoewel streng in zijne eischen, wist hij de 
genegenheid zijner leerlingen te winnen, door die eischen tot 



( 89 ) 

het volstrekt noodige te beperken en door daarbij de stiptste 
regtvaardigheid in acht te nemen. 

In 1836 volgde hij de verplaatsing der kadets uit Medemblik 
naar Breda, alwaar toen de Militaire Akademie op nieuw in 
werking kwam; hij bleef aldaar met de opleiding der jonge- 
lieden voor den dienst van den Waterstaat belasfc; het aantal 
zijner leerlingen nam toe, terwijl zijn onderwijs ook over de 
kadets der Militaire Genie werd uitgestrekt. De gunstige uit- 
komsten van zijn onderwijs werden in 1842 door eene benoe- 
ming tot Eidder der orde van den Nederlandschen Leeuw er- 
kend. 

Het ontbreken van een geschikt leerboek bij het onderwijs 
in de Waterbouwkunde werd, even als dat voor zoo vele vakken 
van onderwijs aan de Militaire Akademie, beschouwd als een 
der meest hinderlijke bezwaren, en steeds werden er aanhou- 
dende pogingen door het bestuur dier instelling gerigt op het 
wegruimen van dat bezwaar. Aan den Ingenieur Stobm Büysing 
werd dientengevolge het bewerken van zulk een leerboek voor- 
gesteld. Aanvankelijk deinsde hij voor die, voorwaar niet ge- 
makkelijke, taak terug, doch het pligtbesef, om zooveel hem 
mogelijk was zijn onderwijs vruchtbaar te maken, deed hem 
eindelijk besluiten, de van hem verlangde bewerking te onder- 
nemen. Na eene grondige voorbereiding kwam in 1844 het 
eerste deel en in 1845 het tweede deel van zijn leerboek in 
het licht; waarbij het gereedmaken van een uitvoerigen atlas 
geen der geringste moeijelijkheden uitmaakte. Voor het onder- 
wijs aan de Akademie was dit werk van onberekenbaar nut, 
maar ook in meer uitgebreiden kring voldeed het aan eene lang 
en algemeen gevoelde behoefte. Het mogt bijna onverklaarbaar 
schijnen hoe in een land, waarvan de welstand, ja het bestaan 
zoo naauw verbonden is aan de kennis van al wat tot beteuge- 
ling en leiding der wateren betreft, er geen gelegenheid be- 
stond, om uit een in de Nederlandsche taal vervat geschrift 
zich de algemeene beginselen der Waterbouwkunde, zoo als die 
in ons vaderland beoefend moet worden, eigen te maken. Al- 
leen was eenige jaren te voren door den te vroeg overleden 
Ingenieur F. Baud daartoe eene poging gewaagd in de be- 



( 60 ) 

werking eener niet ongelukkig uitgevallen Proeve van Water- 
botiickunde. Deze arbeid, behalve eenige zeer verdienstelijke mo- 
nographieën betrekkelijk sommige deelen der wetenschap, was 
het eenige dat den aankomenden waterbouwkundige ten dienste 
stond. Slechts in geschriften van vreemden was de verlangde 
kennis der hoofdbeginselen op te doen, en dan nog belemmerd door 
voorstellingen die de toepassing op de bijzondere toestanden in 
ons vaderland moeijelijk maakten. Het leerboek van Storh But- 
sing voldeed voor het eerst aan die dringende behoefte, en de 
verdienstelijke schrijver mogt de voldoening ondervinden^ zijn 
werk spoedig als classiek te zien aangenomen en tot vraagbaak 
te zien strekken in elke moeijelijkheid, die zich zoo vaak bij 
de regeling en uitvoering van waterstaatswerken voordoet. Thans 
bestaat daarvan, niettegenstaande de kostbaarheid, reeds een 
derde druk, omgewerkt naar de behoefte van den tijd; die 
omwerking, welke hij niet geheel mogt ten einde brengen^ was 
zijn laatste wetenschappelijke arbeid. 

Gbdurende de zamenstelling van zijn leerboek werden de 
dienstbetrekkingen van Storm Buysjng nog vermeerderd door 
de tijdelijke opdragt der werkzaamheden van den gewonen dienst 
van Ingenieur van den Waterstaat in het Arrondissement van 
Breda, opengevallen door het onverwacht overlijden van den 
Ingenieur Sautijn Schovel in het voorjaar van 1844 — welke 
vermeerdering van werkzaamheden aanhield tot het einde van 
dat jaar. Op nieuw deed hij daarbij blijken, hoe de grondige 
studie van het theoretische deel der Waterbouwkunde, waartoe 
zijne lessen aan de Militaire Akademie hem bepaalden^ wel 
verre van te schaden aan de geschiktheid voor den dage- 
lijkschen dienst, integendeel in staat stelde onnutten omslag te 
vermijden en de aandacht op het werkelijk noodige bij uit- 
sluiting te bepalen. 

Bij de oprigting der Kon. Akademie voor technische weten- 
schappen te Delft, werd de opleiding van jongelieden tot den 
dienst bij den Waterstaat van de Militaire Akademie naar de 
Dolftsche overgebragtj dientengevolge werd Büysing ontslagen 
van zijne dienstbetrekking bij de Militaire Akademie in No- 
vember 1845^ toen de laatste promotie van kadets van den 



(61 ) 

Waterstaat aan die Akademie was a^eloopen. Storm Butsidg 
ging daarbij tot den gewonen dienst bij den Waterstaat terug, 
en wel bij die in de provintie Limbm^. Die overplaatsing was 
echter slechts tijdelijk, men had te goed de uitstekende ge- 
schiktheid voor het onderwijs van den Ingenieur Storm Butsino 
leeren kennen, om daarvan niet zooveel mogelijk partij te trek- 
ken. Seeds in 1846 werd hij benoemd als lid der speciale 
Commissie tot het afnemen der eindexamens aan de Delfteche 
Akademie en bij den aanvang van 1847 aanvaardde hij aldaar, 
na het overlijden van den Ingenieur F. Beijerinok, het leeraar- 
ambt in de Waterbouwkunde. De gewone opklimming in rang 
bij het korps van den Waterstaat, gaf Buysing welverdiende 
aanspraak op den rang van Hoofdingenieur, welke betrekking 
hem in Februarij 1849 werd verleend, met bestemming naar 
Drenthe. Zijne diensten werden echter aan de Delftsche Aka- 
demie zoo onontbeerlijk geacht, dat hem onmiddellijk onbepaald 
verlof werd verleend tot voortzetting zijner lessen aan die in- 
stelling; zijne benoeming naar Drenthe werd daarop spoedig 
ingetrokken, en hij als Hoogleeraar aan de Delffcsche Akademie 
meer blijvend verbonden. Zijn onderwijs bleef hij daarop met 
zeldzame naauwgezetheid voortzetten tot in 1862, toen hij in 
den Baad van State werd geroepen. 

Alzoo was dan Storm Butsing gedurende meer dan vijf-en- 
twintig jaren werkzaam bij het onderwijs in de Waterbouw- 
kunde en de opleiding der Ingenieurs voor dien zoo aangelegen 
tak van den algemeenen dienst. In dit tijdsverloop vormde hij velen 
onder de uitstekende Ingenieurs van den Waterstaat, die thans 
de roem zijn van Nederland en waarvan velen ook in hcL bui- 
tenland worden geëerd. Zij herdenken voorzeker dankbaar de 
zorgen en moeiten, door hunnen overleden leermeester aan 
hunne opleiding besteed. 

De meer en meer algemeen wordende bekendheid der uit- 
nemende waterbouwkundige kennis van den Hoogleeraar Storm 
Butsino, deed zijne hulp en voorlichting in moeijeligke gevallen 
bil toeneming inroepen. Van regeringswege werden hem be- 
langrijke adviezen gevraagd, onder anderen werd door de Minis- 
ters van Binnenlandsche Zaken en van Koloniën een onderzoek 



( 62 ) 

van hem verlangd^ omtrent een ontwerp voor een spoorweg tns- 
schen Batavia en Bnitenzoi^ van den 1**® Lnitenant-Ingenienr 
Maabsohalk; beide Ministers betuigden hunnen bijzonderen 
dank voor het uitgebragte advies. Beeds vroeger scheen reeds 
de aandacht van den Minister van Koloniën op Stokm Buysino 
te zijn gevestigd: hij werd in 1852 vertrouwelijk geraadpleegd 
omtrent zijne genegenheid om op te treden als Hoofd eener op 
te rigten Directie van openbare werken in Neêrlands Indië. 
Waarschijnlijk heeft Storm Buysing, die reeds in 1836 een 
tweede huwelijk had aangegaan^ met de weduwe van den Inge- 
nieur F. Bavd^ geboren Clement, uit welk huwelijk reeds drie 
zoons waren verwekt, die bij een zoon uit zijn vroeger huwelijk 
de zorgen voor hunne opvoeding zeer vermeerderden en zijne 
tegenwoordigheid daartoe in het vaderland noodzakelijk maak- 
ten, tegen eene zoo gewigtige lotsverwisseling opgezien, eene 
wisseling, die op vijftdgjarigen leeftijd nooit zonder bezwaar 
is. Hij bleef althans aan de Delftsche Akademie verbonden, 
voortdurend geraadpleegd omtrent belangrijke waterstaats-ont- 
werpen, zoo als dat voor de droogmaking der veenplassen on- 
der Hilligersberg en Kjalingen, welke Commissie in 1857 afliep; 
verder nam hij deel als lid van den Eaad van den Waterstaat; 
die bij ontwerpen van eenigen omvang wordt bijeengeroepen, aan de 
beraadslagingen over het ontwerp tot verbinding van Amsterdam 
met de Noordzee, en aan die voor het ontwerp ter verbetering 
van den waterweg van Botterdam naar zee; bij al welke onder- 
zoekingen zijne heldere inzigten en grondige kennis meer en 
meer uitblonken. Zijne algemeen gewaardeerde verdiensten deden 
hem achtervolgens verwerven het lidmaatschap van het Bataafsch 
Genootschap te Botterdam, in 1848, van de Koninklijke Aka- 
demie van Wetenschappen te Amsterdam in 1851 en van de 
Haarlemsche Maatschappij van Wetenschappen. 

Aan de oprigting van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 
in 1848 door de HH. Conrad, van der Kun en Simons, nam 
hij een werkzaam aandeel, en was lid van H Bestuur dier in- 
stelling van de oprigting af tot in 1862, toen eene zware 
ziekte hem dwong zich uit het maatschappelijke leven terug te 
trekken. Tot aan zijne vestiging te 'sGravenhage was hij lid van 



( 63 ) 

den Delftschen Gemeenteraad, en nam hij een werkzaam aandeel 
in vele philanthropische instellingen daar ter stede. 

De vele verdiensten van Stoem Buysing en zijne geschikt-- 
heid om ook in mimeren kring werkzaun te zijn^ ontgingen het 
scherpziend oog van den staatsman Thokbëcke niet; deze begreep 
Stobm BuYsiNO in de eerste voordragt tot het in werking bren- 
gen der vernieuwde zamenstelliug van den Baad van State; bij 
Koninklijk besluit van 27 Junij 1862 werd h^ dan ook tot 
lid van dit hooge staatsligchaam benoemd ; doch slechts weinige 
maanden mogt hij aan de werkzaamheden daarvan deel nemen. 
Eene hersenontsteking overviel, hem in eene vergadering van. 
den Baad in October 1862, waaraan zijn overigens sterk lig- 
chaamsgestel geen weerstand vermogt te bieden; hij overleed na 
langdurig lijden op den 16^en Augustus 1870, nalatende zijne 
weduwe met een zoon uit elk zijner beide huwelijken. Voor 
zijnen aanbehuwden zoon, den tegenwoordigen Kapitein Ingenieur 
A. Baud, was hij een tweede zorgvoUe vader. Deze verdien- 
stelijke officier heeft aan de Militaire Akademie te Breda ge- 
deeltelijk het onderwijs vroeger door zijnen pleegvader gegeven, 
op eene waardige wijze voortgezet, en mogt den derden druk 
van het Waterbouwkundig leerboek zijns vaders onder diens 
oog voor de pers gereed maken, tot een voortdurend aandenken 
zijner kinderlijke genegenheid. Dit leerboek, met eenige opstel- 
len in de Verslagen en Mededeelingen dezer Akademie en in de 
werken van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, vormt de 
letterkundige nalatenschap van een man, die meer door daden 
dan door woorden zijne verdiensten en degelijk karakter deed 
uitkomen. Het aantal dier geschriften moge niet groot zijn, 
het leerboek der Waterbouwkunde van zijne hand zal zijnen 
naam met eere doen noemen, zoo lang ons vaderland den strijd 
mag voortzetten tegen de wateren, en dien vijand dienstbaar 
maken aan het welzijn en den bloei van het land, zoo vaak 
aan hunnen aanval blootgesteld. 



LEVENSBERIGT 



VAK 



G. H. M. DELPRAT, 



DOOB 



W. M O L L, 

Ud der Afdeeling Letterkunde, *) 



Mijne Heeren ! 

Toen wij in Januarij des voorgaanden jaars de gewone Ver- 
gadering onzer Afdeeling hielden, ontvingen wij de tijding, 
dat de dood onze corporatie van een edel lid had beroofd, een 
man van het beminnelijkst karakter, een grijsaard vol jeugdige 
belangstelling in alle verschijnselen van onzen tijd, die van 
een ernstig streven naar wetenschap en waarheid getuigen, 
een geleerde van wiens roem luister afstraalde op onze Aka- 
demie, ja ons gansche Vaderland. Onze Voorzitter bragt den 
ontslapene met welsprekende woorden hulde toe, en als hij het 
deed in ons aUer naam, zijne woorden vonden ook weerklank 
in ons aller hart, want zij waren eene lofspraak op hem, dien 
wij allen eerden; zij herinnerden ons zijne verdiensten jegens 
de -Akademie, en wekten ons op, het voorbeeld van ijver en 
werkzaamheid, in zoo vele Vergaderingen door hem gegeven, 
na te volgen, opdat de leegte, door zijn afsterven in onzen 
kring ontstaan, niet al te zeer zou gevoeld worden. En toch, 
des Voorzitters rede, hoezeer met volle instemming gehoord, 
heeft; niet al uwe wenschen, ook niet zijne eigene voldaan. 



*1 Voorgedragen in de gewone Vergadering der Afdeel. Letterk. van 8 Jan. 1872. 



( 65 ) 

Met hem begeert gij een meer of min volledig levensberigt, 
waardoor het beeld van den overledene, vooral van de zijde 
zijner wetenschappelijke vorming en verdiensten, u en anderen 
nader zal voorgesteld worden. Die begeerte behoort vervuld 
te worden^ want Delp&at waS; ook als geleerde, een edel 
uxensch^ en de biografie eens edelen kan^ evenzeer als zijne 
werken^ het middel zijn, waardoor hij ook na zijn afsterven 
voortleeft, om de nablijvenden te beweldadigen. Evenwel, ik 
kan het niet ontveinzen, ware het beter geweest, zoo men de 
vervulling van dien regtmatigen wensch van eene andere hand 
dan van de mijne had verlangd. Onze Afdeeling bezit een ^ 
geëerd medelid, dat vele jaren langer dan ik het voorregthad 
met Delpaat ten naauwste verbonden te wezen, zijn vertrou- 
welijken omgang te genieten, zijne werkzaamheden en geestes- 
vruchten in hare wording en ontwikkeling gade te slaan. Zou 
het talent van dien bevoorregte niet meer dan het mijne in 
staat geweest zijn, den schoonen pligt dezer ure te vervullen ? 
Ik twijfel er niet aan; maar desniettegenstaande vermogt ik 
niet te weigeren, wat men van mij begeerde : ik zou daardoor 
mijn eigen gevoel van verpligting jegens den a^estorvene ge- 
kwetst hebben, wiens warme toegenegenheid mij tot eer en 
vreugde is geweest, wiens schriften mij almede den toegang 
baanden tot de studiën, waaraan ik het beste deel mijns le- 
vens wijdde, en wiens raadgevingen en aanmoediging mij en — 
ik mag het niet vergeten — velen mijner leerlingen gedu« 
rende eene reeks van jaren ten bate kwamen. 



GuiLLAUMB Henri Marib Dklprat zag op den 2*^®° Nov. 
1791 het levenslicht te 's Gravenhage. Daniël Delpaat, zijn 
vader, was afetammeling eener emigranten-familie uit Montau- 
ban. Predikant bij de Waalsche gemeente der hofstad, later 
ook Hofyrediker des Eonings ; zijne moeder was FAAN901SE 
May, dochter van een Engelsch geslacht. Ouders, wier echt 
gezegend was met kinderen, die, ofschoon uit vreemden bloede 
gesproten, de bestemming hadden om ons Taderland tot na- 
tionale sieraden te zijn, waren beiden de kroon van hun 

Jaarboek 1872. 5 



(66 j 

gezin. Beiden lieten aan hon nakroost eene schoone nage- 
dachtenis^ de vader als een man van edelaardig karakter en 
hoogstbeschaafde levensvormen, uitnemend geschikt voor de 
dienst van Kerk en Staat; de moeder als eene blijmoedige, 
liefderijke huisvrouw, wier zin voor orde en regelmaat zich 
ten bate der talrijke familie steeds wakker betoonde. 

In het vooijaar van 1799 werd de zevenjarige knaap uit 
zijn ouderlijk huis in den vreemde gevoerd. Zijne grootmoe- 
der. Mevrouw Delpbat, geboren Humbbrt, van Berlijn afkom- 
stig, geleidde haren kleinzoon derwaarts, ten einde hem op 
eene school te plaatsen, wier oude roem bij de leden der 
Fransche Kerk nog steeds belangstelling trok, o&choon zij 
destijds, naar het schijnt, niet het bloeijendste tijdvak van 
haar bestaan beleefde. Die school was het GoUège Francais, 
gesticht ten behoeve der Fransche vlugtelingen in het Bran- 
denburgsche in de dagen van Lodswuk XIV, en vooral be- 
stemd om èn Fransche èn Duitsche knapen voor de dienst 
der Fransche gemeenten voor te bereiden. De inrigting stond 
te dien tijde onder de leiding van den Inspecteur Jea.n Bkr- 
NA&B MÉEiAN en den Bector Jsan Fibbbb Erman, beiden 
welbekende mannen, de eerstgenoemde als een speculatief filo- 
soof van naam, een geleerde van bij uitnemendheid fijnen 
smaak; de laatstvermelde als schrijver der Mémoireê pom sef" 
vir a rUstoire des refuffiés Frangais dans les états du roi de 
Prusse. Hier werd Delprat in de laagste der zes school- 
klassen geplaatst en, wat hij later eenigermate betreurde, al 
aanstonds aan de Latijnsche grammatica gezet, waarbij het 
volgende jaar ook de Grieksche werd gevoegd. 

Delprat^s tweejarig verblijf in het College Francais liet 
niet in alle opzigten aangename indrukken bij hem na. B^ 
docenten, allen kandidaten der Theologie, die zuchtende uit- 
zagen naar predikantsplaatsen in de gemeenten, vervulden 
hunne pligten meerendeels met kleine lust als een Ad^wexk, 
waarvan zij zoo spoedig mogelijk verlost hoopten te worden. 
Hunne tucht was overmatig streng, doorgaans van corporélen 
aard, soms onbarmhartig, en ofschoon Erman een goedaardig 
man bleek te wezen, zijn verschijnen voor de leerlingen, als 



( «7 ) 

hij eiken zaturdag-avond de ronde maakte, boezemde hun nog 
iets anders in dan eerbied en liefde, daar de portier van het 
gesticht, steeds met een bullepees gewapend, aan zijne zijde 
stond. Toch bewaarde Delpbat nog in hoogen ouderdom her- 
inneringen aan zijn Berlijnsch schoolbezoek, die hem eeniger- 
mate lief waren. Hiertoe behoorde de gedachtenis aan de 
persoonlijkheid van Mekian, wiens barsche stem den discipe- 
len der school bij ieder examen schrik inboezemde, terwijl 
zijne vriendelijkheid straks den schrik verdreef en de harten 
won. /r/Je lui récitai une fable de Morian," zoo schreef Dbl- 
FKAT in 1863, „et il me semble encore voir sa tête branlante 
et sa mine rebarbative ï" Van een anderen aard was zijne 
herinnering aan een der al te vele gedwongen kerkgangen, 
waartoe hij mei zijne medeleerlingen verpligt werd. Toen de 
beroemde Ancillon op 1 Januarij 1801 in de Fransche Kerk 
te Berlijn, ter wijding van den ingang der nieuwe eeuw, eene 
predikatie hield en zijn tweede hoofddeel besloot met een 
gebed, waarvan het woord „amen'' het slot uitmaakte, ont- 
stond er, vermoedelijk tot niet gering vermaak der school- 
jeugd, eene groote verwarring in de vergaderiüg. Vele 
hoorders toch, die het woord //amen^' in den zin van het 
overoude //ite, missa est" plagtèn op te vatten, en dan vrij- 
heid meenden te hebben om de godsdienstoefening te verla- 
ten, volgden ook nu hunne oneerbiedige zede, zoodat de wel- 
sprekende redenaar zich ter helfte zijner rede ook van de helft 
zijns gehoors verlaten zag. 

In 1802 was de jonge Delfrat in het Vaderland weerge- 
keerd. De liefde zijner grootmoeder wenschte hem ook na 
de terugkomst uit Berlijn in hare nabijheid te houden, en 
in hare woning te Rotterdam opgenomen, zag hij zich weldra 
in de Erasmiaansche school in de gelegenheid gesteld, zijne 
oefeningen in de oude talen en andere deelen van het toen- 
malig gymnasiaal onderwijs voort te zetten. Beeds in het 
eerste jaar viel hem een eereprijs te beurt, waarvan hij in 
zijn ouderdom wel verhaalde, dat hij geen loon, maar een waar 
kruis voor hem geweest was. Men schonk hem, den aanstaanden 
student der Theologie, als moest het ons een bewijs zijn, dat 

5* 



( «8 ) 

de schoolbesturen ook destijds in hunne keuze van j^piaemia 
honoris'^ voor vlijtige leerlingen den weg des toevals konden 
volgen^ — men schonk hem Fboktinus^ Stratagemata, hei Boek 
der krijgsliêten I De knaap staarde het aan met leergierigen 
blik. Gewapend met grammatica en woordenboek nam hij het 
vaak bij avondstond mede naar zijn legerstede,, in de hoop 
van bij het aanbreken van den morgen zich een halve blad- 
zijde verstaanbaar te maken. Vier jaren daarna verliet hij de 
Erasmiaansche school, om zich met zijn tijdgenoot Bbuerhan, 
later Hoogleeraar te Amsterdam, door de privaatlessen van 
haren Bector Nodell, wien hij om zijne geleerdheid en vrien- 
delij ken aard steeds in liefdevol aandenken hield, verder voor 
zijne akademie-stadiën voor te bereiden. Intusschen had hij 
aan zijne schooloefeningen reeds andere verbonden, waaraan 
wij voor een oogenblik aandacht hebben te schenken* 

Menschen, die aanleg hebben om in eenig vak van kunst 
of wetenschap het voortreffelijke voort te brengen, worden niet 
zelden als instinktmatig heengetrokken naar de baan, die naar 
hunne bestemming voert. Zoo ging het ook onzen Delpbat. 
Zijn oom J. J. Delpaat was vóór het jaar 1795 klerk en 
chartermeester der Admiraliteit van der ifaze te Sotterdam, 
en bleef ook daarna belast met het opzigt over het rijke 
archief dier inrigting. De oom had zijn verstandelijk vroeg 
ontwikkelden neef gaarne om zich en gebruikte niet zelden 
diens vlugge pen tot het a&chrijven van stukken of het op- 
maken van inventarissen. De geest van orde, den man later 
steeds eigen, leefde reeds in den aankomenden jongeling en 
boezemde den chartermeester vertrouwen in; hij gaf hem de 
vrije beschikking over den sleutel der charterkamer, en sinds 
was Delpbat een trouw bezoeker van dit eenzaam vertrek. Uor 
aan uur verdiepte hij zich vaak in de lectuur van brieven 
van Prins Willem I en latere Stadhouders; vakantie-dagen 
werden besteed aan het doorloopen der Handelingen van de 
Slaten-generaal der Vereenigde Nederlanden, waarvan het archief 
een zeer volled^ stel bezat ; tal van documenten^ die naar 
het tijdperk van den hoogsten bloei onzes Vaderlands heen- 
wezen, viel hem in handen. Dblpbat moge zich in later 



( «9 ) 

leeftijd beklaagd hebben, dat hij zoo vele uren aan die soms 
moeijelijke lectuur ten offer had gebragt^ naardien hij las zon- 
der bepaald doel en leidende beginselen en zonder de hulp- 
middelen^ waardoor zulk lezen eerst regt vruchtbaar kan zijn, — « 
wij twijfelen er niet aan — in die charterkamer werd aan 
zijn jongen geest een vonk meegedeeld, die later een vlam 
van weldadige warmte is geworden. Hier leerde hij meer dan 
oud letterschrift ontcijferen, en die, blijkens zijne eigen ver- 
klaring, reeds vroeg diepe indrukken ontving van de stormen^ 
waardoor Nederland te dien tijde zoozeer geslagen en verne- 
derd werd^ — het was tusschen de jaren 1804 en 1807, dat 
hij de charterkamer het meest bezocht — gevoelde hier het 
eerst zijne liefde ontwaken voor de glorierijke geschiedenis 
der vaderen, waaraan hij in volgende levensjaren zulke uit- 
nemende diensten bewees. Hier ook deed hij het eerst de 
ervaring op, die tot kweeking van den echten geschiedvor- 
scher volstrekt noodzakelijk is^ de ervaring dat het gebruik 
van oorspronkelijke bescheiden^ al komen zij ook in den kou- 
den vorm van den kanselarij -stijl tot ons, den onderzoeker 
voorregten verleent, die latere schrijvers, hoe voortreffelijk ook, 
nimmer kunnen aanbieden. 

In Decpmber 1807 werd Dblprat als student der Theologie 
te Leiden ingeschreven, en na de winter-vakantie aanvaarde 
hij aldaar zijne studiën. Wijttenbach, destijds nog in het 
tijdperk van zijn hoogsten roem, verklaarde Cicebo De fini- 
bus en hield zijne voordragten over de oude geschiedenis. 
Het majestueuse Latijn van den koning der filologen bekoorde 
het oor van den jongen student, die nimmer ongevoelig was 
voor schoone vormen, maar de inhoud liet hem koud; hij 
noemde dien later, voor hem zelven althans, onvruchtbaar. 
Het elegante onderwijs van van der Palm in het Hebreeuwsch 
en de Hebreen wsche Antiquiteiten trok hem meer aan; zoo 
ook BoBSER^s lessen over de Hermeneutiek der Nieuwtesta- 
mentlijke exegese. Maar meer nog — hoe vreemd het zijnen 
medediscipelen waarschijnlijk voorkwam — was hij ingenomen 
met J. W. Te Water en diens collegie over de algemeeiie 
Kerkhistorie, waarin, naar de gewoonte dier tijden, in een 



( 70 ) 

paar akademie^jaren de geschiedenis der Israëlieten en dei 
Christenheid van Adam tot den aanvang der negentiende eeuw 
a^ehandeld werd. Wat mag H wel geweest zijn, dat Dblprat 
voorliefde inboezemde voor dezen Hoogleeraar, die ja met ko- 
lossale geleerdheid eene kinderlijke naïveteit paarde, maar meer 
door kennis dan door kunst en diepte van verstand uitmuntte?.... 
In de aanteekeningen, waarin DeIjPBAT voor zijne kinderen 
eenige bijzonderheden zijns levens beschreef, en die mij wel- 
willend ten gebruike verleend werden, geeft hij zelf het ant- 
woord op de vraag. 

Toen de student zijne universiteits-studiën aanving, zond 
zijn vader hem een brief vol wijsheid en liefderijken ernst, 
een brief, die tot heden bewaard werd en den schrijver even- 
zeer tot eer strekt, als hij den zoon voormaals nuttig was. 
Hier werd laatstgenoemde een wenk gegeven, om betrekkelijk 
de regeling zijner studiën met Tb Water te rade te gaan. 
De zoon deed zulks, en sedert in 's Hoogleeraars vriendschap 
opgenomen, volgde hij niet alleen zijne lessen over de Kerk- 
historie, maar ook die over de besluiten der Dordsche Synode 
en de kerkelijke dogmatiek. Dat Tb Watbe ook in zijne 
historische opvattingen door de wetten der overgeleverde regt- 
zinnigheid maar al te zeer gebonden was, ontging hem niet, 
i^mais son érudition n'etait pas de seconde main V^ Verre van 
daar : Ts Watbr leerde hem geschiedkundige bronnen kennen; 
die door de eerste mannen van het vak tot nog toe maar al 
te zeer verwaarloosd werden, en daarenboven en vooral: //Ti 
Watbr était Ie plus grand amateur de Thistoire de la patrie^' ; 
hij wist zijne liefde voor de geschiedenis des Vaderlands in 
zijn getrouwen hoorder over te storten en bleef gedurende 
langen tijd in de beoefening van dit vak zijn voorbeeld. De 
vonk, die in de oharterkamer te Rotterdam in het gemoed 
van den knaap was geworpen, werd door den Leidschen Hoog- 
leeraar tot eene vlam aangeblazen! 

Na en nevens de coUegiën van Tb Water volgde Dblpeat 
ook de lessen van van Voorst over de dogmatiek. Dat deze 
in vele opzigten zijnen hoorders een wegbereider tot nieuwe 
inzigten was, moest ook door hem opgemerkt worden. Toch 



( n ) 

was hij geenszins een bewonderaar van 's mans lessen. De 
koude verstandsrigting» die bij den scherpzinnigen theoloog 
op den voorgrond stond, en zijn gemis van alle aesthetische 
ontwikkeling mogen hem wel eenigermate afgeschrikt hebben. 
Zeker is het, dat hij hier te veel ^parade d'éradition^' meende 
te vinden en te weinig toeleg op de vorming der leerlingen. 
Gansch anders oordeelde hij over twee coUegiën, die destijds 
door studenten der Theologie niet zelden bezocht werden, of- 
schoon zij gewijd waren aan vakken, die met de Godgeleerd- 
heid niet in betrekking stonden. Brughans' lessen over de 
Scheikunde verschaften hem een waar genot; die van Kbmpbb 
over het Jus naturae werden met enthousiasme door hem ge- 
volgd, want wat hij bij J. S. van db Wuvpxbsse zocht maar 
niet vond, werd hem hier aangeboden : eene begrijpelijke inlei- 
ding tot de beginselen der Kantiaansche wijsbegeerte, die hem 
veel meer waard was dan de vermoeijende uitwijdingen van 
VAN BE WiJNPSBSSE ovcr de categoriën en zijne breede defini- 
tien der begrippen van sub- en objectief. 

Terwijl onze student zich met allen ijver voor zijne aan- 
staande bestemming bereidde, en vrees voor de conscriptie, 
gepaard met andere drijfveren, hem aanspoorde zijne uni- 
versiteits-studiën zooveel mogelijk te bekorten, werden hem 
uit het ouderlijk huis pligten opgelegd, wier vervulling hem 
om geen andere reden aangenaam kon zijn, dan wegens zijne 
overtuiging, dat zij hem in staat stelde, zijn vereerden vader 
welkome diensten te bewijzen. Daniël Delprat had sedert 
1799, op aanzoek van 's lands regering, van tijd tot tijd be- 
langrijke, doorgaans geheime staatsstukken in het Fransch 
overgezet. De vaardigheid en naauwkeurigheid, waarmede hij 
dit werk volbragt en niet minder 's mans onkreukbare eer- 
lijkheid boezemden Koning Lodewijk z66 groot vertrouwen in, 
dat hij den Predikant uitnoodigde, zijn ambt met dat van 
Secretaris-generaal bij het Ministerie van Buitenlandsche Zaken 
te verwisselen. De liefde voor de Evangelie-dienst deed Del- 
PBAT den Koning een weigerend antwoord geven, en het voor- 
uitzigt op de meer en meer gevreesde inlijving des Vaderlands 
in het Keizerrijk noopte hem bij die weigering te volharden. 



( 7«) 

Toch trad hij na den dood van Bosscha ad interim in ge- 
noemde betrekking op, en ook na de inlijving voelde hij zich 
verpligt het Goevemement op vermelde urijze te dienen. Nu 
zag zich de met arbeid overladen leeraar gedrongen hulp te 
zoeken, en de student te Leiden bood haar zijn vader gaarne 
aan. Van week tot week werden hem groote en kleine pak- 
ketten papieren overgemaakt, die in het Fransch moesten ver- 
tolkt worden, en daaronder maar al te dikwerf stukken over 
den Waterstaat, die, in Blavksn's hoekig Hollandsch gesteld 
en vol technieke termen, den vertaler een hoofdbrekend werk 
verschaften. De laatste arbeid van dien aard werd hem opge- 
legd in November 1818, toen hij eenige paspoorten had te 
redigeren voor onze a%evaardigden bij het hoofdkwartier der 
geallieerde Mogendheden. Tot zijne verwondering werd de 
Prins van Oranje in die stukken reeds //Souverein Vorst'' 
genoemd, ofschoon hij zijne intrede in 's lands hoofdstad nog 
niet gemaakt had, eene bijzonderheid die Delpbat later de 
meening deed uiten, dat de eer der vinding van dezen titel 
en waardigheid voor den Prins geenszins aan onze eigen staats- 
lieden, maar aan die der vreemde Mogendheden moet toege- 
schreven worden. 

Op den 238*«n September 1812 werd DELPBikT tot propo- 
nent bevorderd en terstond daarop in de stad> waar men hem 
reeds als knaap en jongeling had leeren waarderen, tot een 
nuttigen werkkring beroepen. Hij werd hulpprediker bij de 
Waalsche gemeente te Botterdam en belast met het kateche- 
tiesch onderwijs van de kinderen harer diakonie. Ofschoon de 
vervulling der laatstvermelde taak hem aanvankelijk moeijelijk 
viel, wat gewoonlijk het geval is bij allen arbeid, die niet 
alleen gaven des geestes maar ook geoefendheid vordert, voelde 
hij zich in deze betrekking alras zoo wèl geplaatst, dat hij 
niet dan schoorvoetend afstand van haar deed, nadat hij in 
November 1813 tot predikant der Fransche gemeente te 
Leeuwarden was beroepen. 

Op den 15^®^ Mei 1814 werd onze jeugdige leeraar in 
Frieslands hoofdstad tot zijne ambtsbediening ingeleid, en hier- 
mee opende zich een levenstij dperk voor hem, waaraan hij 



( 78 ) 

steeds met dankbaarheid terugdacht. Zijne gemeenteleden en 
de beschaafdste inwoners der stad traden hem vriendelijk 
te gemoet en bewezen hem voortdurend de warmste belang- 
stelling. Zijne ambtsbezigheden schonken hem gelegenheid 
tot zelfontwikkeling en lieten hem tijd over tot voortzetting 
zijner theologische en historische studiën. Mannen van weten- 
schap wisten zijne gaven te onderscheiden en namen hem 
gaarne in hunne vriendschap op. Hiertpe behoorden de ge- 
leerde Gabinus de Wal^ later Hoogleeraar in de Eegten te 
Groningen^ Daniel Herman Beuckbr Andreae, wien Delprat 
//un véritable bibliomane^' noemde, die zijne liefde voor //Oude 
boekskens^' op hem overplantte^ een polyhistor, bij wien bijna 
onbegrensde kennis met groote scherpzinnigheid gepaard ging, 
en de predikant Nikolaas Lobrt, wiens achtings waardige per- 
soonlijkheid door Delprat met levendige trekken geteekend 
werd, toen hij ons zijn levensberigt *) van Nijhoff, Lobry's 
leerling, voordroeg. 

Naauwelijks was Delprat twee jaren te Leeuwarden geves- 
tigd, of het bleek, dat de leeraar, wiens fijne vormen en 
geestrijk gesprek hem in het dagelijksch verkeer vrienden de- 
den verwerven, en wiens gaven voor den kansel algemeen 
gewaardeerd werden, talenten bezat, die, in de stille studeer- 
kamer aangewend, meersoortige vruchten konden leveren. Beeds 
in 1817 verscheen van zijne hand, in een destijds veel gele- 
zen tijdschrift t), eene verhandeling over /^Het dierlijk magne- 
tismus, toegepast op de wonderen en voorspellingen in de 
H. Schrift voorkomende'\ Het stuk is eene vrucht van het 
nadenken des schrijvers over eene stof, die in de dagen van 
het veel besproken Mesmerisme algemeen de aandacht trok. 
Uitgaande van het standpunt der toenmalige supranaturalisten, 
rigtte hij zich tegen hen, die het geloof aan de goddelijke 
afkomst en het verheven karakter des Christendoms in gevaar 
schenen te brengen door de poging om de mirakelen en pro- 
feciën, inzonderheid die van Jezus eu de Apostelen, binnen 



*) Opgenomen in het Jaarboek der Akademie voor 1864. 

f) Bijdragen tot de beoefening der godgel, wetensch. V, bl. 823. 



( 74 ) 

de sfeer van het begrijpelijke te brengen. De apologetische 
inhoud der scriptie werd gebouwd op praemissen, die de auteur 
zelf in later tijd liet vallen^ en heeft thans geen waarde meer, 
tenzij* voor hen die nog heden dezelfde beginselen huldigen, 
welke in 1817 die van Delprat waren. Toch heeft het op- 
stel eene belangrijke zijde voor de kennis van des schrijvers 
persoon. Ofschoon hij nog slechts een zes-en-twiutigjarigen 
leeftijd had bereikt^ openbaarde hij hier reeds die scherpzin- 
nigheid en klaarheid des geestes, dien rijkdom van kennis en 
belezenheid^ waardoor zijne latere schriften zich onderscheiden, 
en tevens een mannelijken ernst en warme ingenomenheid met 
de godsdienst, tot wier prediking hij geroepen was, die den 
lezer achting inboezemen. Hetzelfde geldt van eene leerrede 
in de Fransche taal, op het derde eeuwfeest der Kerkhervor- 
ming in 1817 gehouden*). De auteur leverde hier een vertoog, 
dat de Beformatie der zestiende eeuw een schitterend bewijs 
is van de vervulling van Jezus' belofte volgens Matth. 
XXVin : 20. Ofschoon deze rede een uitvloeisel is van zeer 
positief protestantsche geloofsbeginselen, getuigt zij van den 
aanvang tot het einde van eene bezadigdheid, bij zulk een 
jeugdigen redenaar opmerkingswaardig, en van eene verdraag- 
zaamheid die ten dage, waarop zij uitgesproken werd, niet 
op alle kansels in beoefening werd gebragt. 

Terwijl Delpeat vermelde opstellen liet drukken, strekte hij 
reeds de hand uit tot een arbeid van grooter omvang. In 
1816 schreef het Provinciaal Utrechtsch Genootschap eene 
prijsvraag uit, waarbij ,/een geschiedkundig overzigt van den 
voortgang en de uitbreiding der boekdrukkunst in de vijf- 
tiende en zestiende eeuw^' werd verlangd, en eene aanwijzing 
van /r/den invloed, welken die kunst gehad heeft en nog kan 
hebben op de verlichting van het menschdom". Delpeat 
stelde eene uitvoerige verhandeling in het Fransch, die op 
26 Junij 1819 met goud bekroond en door het Genootschap 
in het volgend jaar uitgegeven werd t). Ofschoon de auteur 



*) Zij werd opgenomen in een bundel van dergelgke predikatiën van de geza- 
menlijke predikanten van Leenwarden, die aldaar in 1818 uitgegeven werd. 
f) Nieuwe Verhand, I. 



( n ) 

op het beschouwende deel der verhandeling in later jaren niet 
zonder reden met eenige voldoening terugzag, was zijn oordeel 
over het historische deel van het opstel niet gunstig. Hij 
beklaagde zich, dat hij zijne onderneming te ligt geacht en 
zonder de noodige voorbereiding aanvaard had. En inderdaad, 
het moet erkend worden, dat hij van sommige hulpmiddelen, 
destijds reeds voor de bearbeiding zijner stof aanwezig, te 
weinig gebruik heeft gemaakt Yan de andere zijde echter 
mag men opmerken, dat de geschiedenis der pers en de bibli- 
ografie, die in onze dagen bij mannen als Holtbop, Campbell, 
VAN DER Linde enz. takken van wetenschap van grooten om- 
vang werden, destijds nog in het eerste stadium van ontwik- 
keling verkeerden, waarin het naauwelijks mogelijk was aan die 
eischen te voldoen, waaraan Delprat gedachtig was, toen hij 
in rijper leeftijd zijn eigen werk klein achtte. Dat hij zich 
door zijne studiën, voor de beantwoording dezer prijsvraag 
ondernomen, in allen gevalle voor gewigtiger arbeid van latere 
dagen, misschien onbewust maar zeer zeker voorireflfelijk heeft 
voorbereid, valt niet te betwijfelen, Eeeds toen verdiepte zich 
zijn geest in de letterkundige monumenten van een tijdvak der 
gescliiedenis, waarover hij later een aanmerkelijk licht zou 
doen opgaan. 

In de laatste jaren van zijn verblijf te Leeuwarden schreef 
Delprat, behalve eene vertaling van Oelsner^s VerhandeUng 
over Mahomkd en den invloed zijner godsdienstleer op de vol- 
ken der middeleeuwen^ die in 1820 te Franeker uitkwam, en 
eene overzetting van von Aspereii^s Tafereelen uit de tijden 
der krMiêtogte% iü 1822 mede te Franeker uitgegeven, nog 
twee kleine opstellen van ongelijksoortigen inhoud. Het eene, 
in den Konst- en Letterbode voor 1822 geplaatst, is eene levens- 
beschrijving van Valbntinüs Slothouwer, fiector der Latijn- 
sche school te Leeuwarden, wier Curator Delprat was ; het 
schildert ons een edelen mensch, door den steller op edele 
wijze begrepen. Het andere bevat //Eenige bedenkingen om- 
trent het bestaan der pauzin Johanna'\ opgenomen in de 
Vadert, Letteroef, voor J826. Hier komt de auteur tot het- 
zelfde resultaat, dat later, niet zonder opzien te baren, door 



( 76 ) 

Kist in het breede uitgewerkt werd, dat namelijk „het ouder- 
zoek in dezen nog niet voor gesloten mag gehouden worden^'. 
Vermoedelijk hield zich de schrijver reeds gedurende dezelfde 
jaren nu en dan ook bezig met het doorloopen der te Leeuwarden 
bewaarde schriftelijke nalatenschap van Gabbbua, waarin hij 
tal van historische documenten vond, die hem later aanleiding 
gaven tot het stellen van kleinere en grootere scriptiën, welke 
in de Bijdragen van Nijhoff en in verschillende seriën 
van het Archief voor Kerkgeachiedeniê geplaatst, voor den aan- 
bouw onzer algemeene en kerkelijke historie bf reeds gebruikt 
zijn bf bruikbaar zullen bevonden worden. 

In 1818 werd Dslprat naar de Waalsche gemeente te 
Amsterdam beroepen. Hij bedankte en verblijdde zich later, 
daardoor aanleiding gegeven te hebben tot het optreden van 
Ath. Goquebbl in de hoofdstad, wiens welsprekendheid zijn 
kerkgenootschap zoozeer tot luister strekte. De gemeente te 
Leeuwarden beantwoordde het teeken van gehechtheid, door 
haren leeraar gegeven, met eene aanzienlijke traktementsver- 
hooging. Beroepen, in 1821 naar Groningen en later naar 
Botterdam ontvangen, werden almede a%eslagen, maar toen 
de gemeente in laatstgenoemde stad haar aanzoek in 1825 
vernieuwde, begreep hij daaraan gehoor te moeten geven. Met 
gemengde aandoeningen verliet hij zijne eerste standplaats. Twaalf 
schoone levensjaren lagen achter hem, jaren van voorspoèdi- 
gen arbeid, inwendige krachtsontwikkeling en veelvoudige le- 
vensvreugde, maar ook jaren van groot leed. Te Leeuwarden 
liet hij het stof achter van Louisb Egbbrtine Adbma, met 
wie hij op den ^7,^^^ November 1819 in den echt was ge- 
treden. De huwelijksband was ras verbroken. Op den 11*^®° 
December des volgenden jaars stierf de beminde gade, nadat 
de echtgenoot weinige dagen te voren zijn eerstgeborene ten 
grave had gedragen. 

Op den IS^®*^ Maart 1826 werd Dblprat door zijn neef 
P. MouNiBB als leeraar der Waalsche gemeente te Rotterdam 
bevestigd. In eenigzins gedrukte stemming aanvaardde hij 
zijne nieuwe betrekking. Hij voelde zich vreemd in de woe- 
lige koopstad, waar de geesten hoofdzakelijk op merkantiele 



(77) 

onderneiningen geiigt waren en vele oude en nieuwe kennissen 
hem het gemis van den hartelijken vriendenkring in Friesland 
kwalijk vergoeden konden. Maar weldra bleek het^ dat ook 
de bewoners der Maasstad een open oog hadden voor zijne 
beminnelijke hoedanigheden en rijke geestesgaven, en naau- 
welijks had hij een jaar in hun midden doorgebragt, of men 
schonk hem een teeken van vertrouwen, dat hij met \Teugde 
aannam, naardien het hem een werkkring opende, welks 
pligten hij reeds te Leeuwarden door ervaring had leeren ken- 
nen en die hij niet minder lief had dan de pligten zijner 
Evangeliedienst : hij werd tot lid van de plaatselijke School- 
kommissie verkozen, waardoor hem de weg gebaand werd tot 
het nog gewigtiger ambt van Schoolopziener van het achtste 
schooldistrikt van Zuid-Holland, eene betrekking die hij in 
186d op zich nam en eerst in 1857 neerlegde. 

Wat Delprat voor de zaak van ons lager onderwijs geweest 
is en gedaan heeft, zal, voor zoover het niet reeds geschiedde, 
naar ik vermoed elders en door meer bevoegde hand behoor- 
lijk in het licht gesteld worden. Toch wil ik niet tot de 
beschouwing van zijn wetenschappelijken arbeid en verderen 
levensloop terugkeeren, voordat ik met bet oog op eenige 
toespraken, bij verschillende gelegenheden ambtshalve door 
hem gehouden *), eenige trekken in herinnering heb gebragt^ 
die hem niet slechts als Schoolopziener^ maar ook als mensch 
en staatsburger van eene achtingswaardige zijde doen kennen. 



Dblpeat was, reeds voordat hij in de plaatselijke School- 
kommissie te Leeuwarden optrad, een warm voorstander der 
schoolwet van 1806. De bezwaren, destijds en later met 
woord en schrift tegen haar uitgesproken, schenen hem voor 
een groot deel gevolg van gebrek aan inzigt en van bekrom- 
pen zin te wezen, waarom hij ze met ijver, maar ook met 
bezadigdheid plagt te weerleggen. De deugden, waarom hij 
haar lief had, waren in zijn oog vele, en deze achtte hij wel 



*) Men vindt ze in de Bijdragen voor het aehoolwegen» 



( 78 ) 

de voornaamste : de wet huldigde het drievoudig beginsel van 
nationaliteit, van vrijheid en broederzin. Zij wilde de ge- 
mengde school als kweekplaats van godsdienstige en burger- 
lijke verdraagzaamheid, waarom hij haar echt christelijk heette. 
Zij wilde, evenzeer als de later ingevoerde schoolwet, opleiding 
tot christelijke deugden, maar geen inprenting of wering van 
zekere kerkelijke of staatkundige beginselen, bij de regering 
uitverkoren of verbannen. Zij schreef geen gedwongen school- 
pligtigheid voor, die hij, raadplegende met de in Duitschland 
opgedane ervaring, afkeurde, naardien zij de onderwijzers, die 
de vrienden der ouders moeten zijn, te dikwerf als aanklagers 
der ouders doet optreden. Zij beval de oprigting van onder- 
wijzers-vereenigingen aan, waarin de leeraren door een vasten 
en vruchtbaren gemeenschapsband met elkander verbonden wer- 
den, en waarin hij een waarborg zag voor de ontwikkeling 
van het onderwijzend personeel en het schoolwezen. Toen de 
wet van 1806 door de nieuwe vervangen werd, begroette hij 
deze niet met tegenzin, maar ook niet met hooggestemde ver- 
wachtingen : hij meende, dat de vrucht der oude aan de 
eischen der behoefte voldaan zou hebben, zoo men haar ge- 
trouwer en in alle deelen ten uitvoer had gelegd. 

Delpeat was diep doordrongen van de overtuiging, dat hij 
als Schoolopziener verpligt was, de leeraren behulpzaam te 
wezen tot het vormen van gezonde begrippen betrefiFende volks- 
onderwijs en schoolwezen. Vandaar dat hij zoo gaarne en 
zoo wèl voorbereid plagt op te treden in de vergaderingen 
der algemeene onderwijzers-vereeniging te Rotterdam. Bij eene 
openingsrede, in een dier vergaderingen door hem gehouden, 
onderhield hij zijne hoorders //Over de grenzen van het ver- 
mogen der opvoeding op den menschelijken geest", en hij 
deed het op eene wijze, den redenaar zelven tot eer en den 
toehoorders ongetwijfeld tot nut. Hier vermaande hij den 
onderwijzer, steeds een open oog te hebben voor de zelfetan- 
dige eigenheid van aanleg der kinderen, opdat hij, zooals 
spreker het uitdrukte, van Eeasmussen niet te vergeefs mon- 
niken poogde te maken ; hij zou de natuurlijke individualiteit 
der jongeren eerbiedigen, waar zij eerbied verdiende ; den wil, 



( 78 ) 

vaak weêrepannig^ niet breken, maar met verstandigen ernst 
bingen en leiden ; altijd de wet der geleidelijke ontwikkeling 
in acht nemen ; overhaasting en reglementaire afrigting ver- 
mijden, en steeds op den zamenhang of ondeelbaarheid der 
krachten van de ziel letten, opdat de vorming geen eenzij- 
dige maar eene harmonische ontwikkeling bedoelde. De gan- 
sche rede was volkomen geschikt, om den onderwijzer met 
edele geestdrift voor zijn werkkring te vervollen, en rijk aan 
waarschuwingen tegen dwalingen, waartoe hij te ligt verballen 
kan. Merkwaardig is in eene andere rede, bij dergelijke ge- 
legenheid uitgesproken, eene uitwijding met het oog op hen, 
die onzen tijd wegens vermeende /,materiële rigting" verklagen. 
De redenaar beweerde, dat die rigting onder den invloed van 
goed onderwijs eene weldadige zou zijn, en vond in haar aan- 
leiding ter aanmoediging van de schoolleeraren, om het opko- 
mend geslacht te vlijtiger bekend te maken met de gronden 
dier wetenschappen, die, tot ontdekkingen en schoone vindin- 
gen op materieel gebied leidende, inderdaad de ontwikkeling 
van het hoogere leven des geestes niet alleen veronderstellen, 
maar ook krachtig bevorderen. 

Dat Delpbat als Schoolopziener van zijn distrikt, zoo lang 
het bestond, bij het onderwijzend personeel een voorwerp van 
hoogachting en liefde was, is bij verschillende gelegenheden 
gebleken, en wie zal er zich over verwonderen?.... Dezelfde 
mannelijke ernst en edele vrijheidszin, waarmede hij de school- 
wet beoordeelde en de eigenschappen van goed volksonderwijs 
aanwees, bleven ten rigtsnoer zijner gedragingen in den om- 
gang met de volksonderwijzers. Hij schatte hen hoog om 
hunne verheven bestemming voor vaderland en menschheid. 
Ofschoon hij bij de zeven-en-tachtig vergelijkende examens, 
waarvan hij de leider was, steeds eene gepaste strengheid 
poogde te handhaven, beschouwde hij ^t geenszins als zijne 
roeping, den schoolmeester onder strenge schoolmeesterlijke 
tucht te houden. Hij trachtte hem te beschermen, aan te 
moedigen, te ondersteuoen, zijne inzigten in zijn werk te ver- 
ruimen, de daartoe strekkende middelen aan te brengen. Maar 
overigens liet hij de methode van onderwijs, de vormen van 



( 80 ) 

belooDing en straf aan eigen nadenken, geweten en keuze 
over. Daarom ook onthield hij zich van noodelooze herhaling van 
schoolbezoeken, die ligt een inquisitioraal, een voor een welge- 
stemd gemoed stuitend karakter aannemen. ^Begtgeaarde school- 
mannen/^ zei hij, ^hebben geen gestadige bespieding noodig !^^ 

Ongeveer ten zelfden tijde, waarop Dblprat zijn schoolopzie- 
nerschap aanvaardde, ondernam hij een arbeid, waardoor hij 
meer dan te voren den naam verwierf, dien landgenoot en 
vreemdeling hem sedert toekenden, den naam van een oorspron- 
kelijk geleerde en invloedrijk geschiedvorscher. Gij herinnert 
u reeds, M. HH. I aan welken arbeid ik hier gedachtig ben. 

In Junij 1827 schreef het TJtrechtsch Genootschap eene 
prijsvraag uit over /r/de Broederschap van G. Gbgote en over 
den invloed der fraterhuizen op den wetenschappelijken en 
godsdienstigen toestand, voornamelijk van de Nederlanden, na 
de veertiende eeuw''. Het aanmoedigend woord van zijn vriend 
Mr. W. C. AcKEBSDUK, om naar den uitgeloofden eerepenning 
te dingen, vond bij Dslpkat gereedelijk gehoor, want aan 
belangstelling voor de vraag en voorbereidende studiën voor 
de beantwoording ontbrak ^t hem niet. Had hij reeds in 
1823 in den Recensent der recenaetUen (D. XYI, bl. 433) 
eenige bijzonderheden betrekkelijk Meester Geekt medege- 
deeld, zijne vroegere onderzoekingen naar de geschiedenis 
der drukpers, waarvan ik gewag maakte, hadden hem bekend 
gemaakt met tal van bronnen en hulpmiddelen, die hier die- 
nen konden. Zoo toog hij dan moedig aan het werk, en ten 
bestemden tijde werd de verhandeling ingezonden, maar door 
de beoordeelende kommissie des Genootschaps niet bekroond. 
Toch was de kritiek zoo zeer gunstig, dat de schrijver zijn 
arbeid vernieuwde, waarna hem op den i9^^^ Junij 1829 
door de eenparige stemmen der algemeene vergadering de 
prijs werd toegekend. Een jaar later werd de verhandeling 
in het licht gegeven ; in 1840 verscheen eij, door Mohnike 
in het Hoogduitsch vertolkt, te Leipzig. 

Wetenschappelijke werken, die voortreflPehjk mogen genoemd 
worden, kunnen in twee klassen verdeeld worden. Tot de 



( 81 ) 

eene behooren die boekeu, wier auteurs hunne onderwerpen 
den vollen eisch gaven, zoodat de resultaten, welke zij lever- 
den, als volkomen rijpe vruchten des onderzoeks onverwijld 
en zonder nadere behandeling binnen het kader der weten- 
schap kunnen geplaatst worden. Zulke boeken zijn zeldzaam 
en worden teregt in eere gehouden. Tot de andere klasse 
behooren die werken, wier schrijvers, als ontdekkers optre- 
dende, de volheid hunner stoffen geenszins uitputten, maar 
door den rijkdom hunner kennis in staat gesteld zijn, een aan- 
tal nieuwe inzigten te openen en vele aanduidingen te doen, 
die straks een^ stoot tot veelzijdige beweging blijken te zijn, 
waardoor de geesten van vakgenooten wakker worden^ om de 
sporen van onderzoek, hun aangewezen, in verscheidenheid 
van rigtingen te volgen. Ook zulke boeken zijn zeldzaam en 
vooral niet minder dan die der eerstvermelde klasse hoog te 
achten, en zulk een boek was de verhandeling van Delpaat 
over de Broederschap van G. Grootb. 

Het werk verscheen in een tijd, waarin de beoefening onzer 
cultuur-geschiedenis en niet minder die der Nederlandsche 
Kerkhistorie nog in uiterst kwijnenden staat verkeerden, en 
zulks vooral ten gevolge van heerschende vooroordeelen, waar- 
door de blik der geschiedvorschers steeds afgewend bleef van 
een tijdvak, waarvan de kennis onontbeerlijk is^ zal hij kun- 
nen doordringen tot regt begrip onzer latere volkstoestanden. 
Dblpkat's boek opende de oogen. Het bewees klaar en dui- 
delijk wat weinigen vóór hem in ons Vaderland nog slechts 
flaauw gevoeld hadden, dat de wortel van den boom onzer 
nationale ontwikkeling, die in en na de zestiende eeuw zijne 
takken breed uitbreidde en rijke vruchten droeg, aan gindsche 
zijde dier zestiende eeuw, vooral in de veertiende en vijftiende 
moet gezocht worden. Boemde men vroeger een Thomas a 
Eehpis als eene éénige ster in den donkeren nacht van het 
voor- reformatorische tijdvak, een licht welks oorsprong men 
niet wist te verklaren, naardien men het een geïsoleerd ver- 
schijnsel achtte, nu werd men tot de erkentenis gevoerd, dat 
vóór en nevens Thomas in ons Vaderland ook andere sterren 
glans hadden verspreid, een G. Grootë, Flobbns Kadewijns, 

Jaarboek. 1871. ^ 



( 82 ) 

Gbkard Zbbbolt^ Dirk van Herxbn en tal van andere man- 
nen, wier namen en verdiensten zelfs aan een Wagbnaar on- 
bekend gebleven of althans door hem niet genoemd waren. 
Koesterden landgenooten en vreemdelingen de overtuiging, dat 
onze natie in de drie laatste eeuwen van haar bestaan eene 
waardige plaats innam in de huishouding der Europésche 
menschheid, daar zij aan de wetenschappen en het schoolwe- 
zen, het hoogere en lagere, gewigtige diensten bewees, nu 
werd het openbaar, dat de' aanspraak onzer vaderen op dien 
lof zich ook tot vroeger tijdperk uitstrekt, daar Dblprat de 
verdiensten der Fraters jegens het volksonderwijs in het licht 
had gesteld en bewijs geleverd, dat de herleving der klassieke 
litteratuur in Midden- en Noordelijk-Europa onder den invloed 
van een Albxandeh Hegius en zijne geestverwanten van ons Va- 
derland was uitgegaan. Waren deze en andere algemeene 
resultaten van Dblfrat^s onderzoek al aanstonds bruikbaar, zoo- 
dat een Giesbler, Hase, Crambr, Eoijaards en velen meer, 
die als beoefenaars der geschiedenis van kerk en onderwijs en 
van aangrenzende vakken roem verwierven, ze met vrucht tot 
volmaking hunner schriften konden aanwenden, zijne verhande- 
ling bevatte daarenboven een schat van vingerwijzingen naar 
gewigtige zaken, aanduidingen van nog te bewerken stoffen 
die als zoo vele zaden voor van de toekomst te wachten vruch- 
ten mogten aangemerkt worden. Dat dit inderdaad het geval 
was, blijkt niet alleen uit de in ]856 verschenen tweede druk 
der verhandeling, waarin de auteur zelf de vroeger verzamelde 
stoffen, nu rijkelijk vermeerderd, op hoogstbelangrijke wijze 
uitgewerkt heeft, maar ook uit vele schriften van andere auteurs, 
die geenszins toevallig met het zijne zameuhangen. Ullmann's 
Reformatoren vor der Reformation^ Böhringbr's Beutschen Mysti- 
ker en andere veelzins voortreffelijke schriften van vreemden bo- 
dem zijn, in hunne belangrijkste gedeelten, geenszins onafhanke- 
lijk van üelprat's werk ontstaan, en hetzelfde geldt van eene 
gansche reeks van schriften van grooteren en kleineren omvang, 
die, door landgenooten gesteld, hier niet behoeven genoemd 
te worden. Delprat maakte zich door dit werk den naam 
van een wetenschappelijk ontdekker volkomen waardig, en hoe 



( S3 ) 

vele van de door hem aangewezen sporen des onderzoeks reeds 
met goede vrucht gevolgd zijn, — ik twijfel er niet aan — 
nog lang na onzen tijd zal de lectuur van zijn zaakrijk boek 
de geschiedvorschers wegen doen vinden, waar langs zij tot 
nieuwen en vruchtbaren arbeid worden gevoerd. 

Mannen van wetenschap, die ongebaande of zelden betreden 
paden van onderzoek bewandelen, zien zich gedurig voor stof- 
fen geplaatst, wier bestaan vroeger naauwelijks vermoed werd, 
maar die zij met te meer vreugde opzamelen, naarmate zij 
te meer van hare belangrijkheid overtuigd zjin. Dëlpbat was 
een van die gelukkigen. Kenner en bezitter van tal van 
zelden voorkomende boeken en boekskens van allerlei aard, 
ijverig onderzoeker van onuitgegeven handschriften en diplo- 
men, voor wien al onze bibliotheken en archieven, ook som- 
mige in den vreemde open stonden, trof hij gedurig aan, 
wat hem bruikbaar scheen tot aanbouw der wetenschappen, 
waaraan hij vooral na het jaar 1860, toen hij op zijn verlan- 
gen ,/salvo honore'^ van zijn kerkelijk ambt ontslagen werd, 
zijne beste krachten besteedde. Dan werden de noodige, dik- 
werf breede voorbereidende studiën gemaakt, wier vruchten 
vervolgens, in kleinere of grootere opstellen neergelegd, door 
de redactiën van onze tijdschriften en dergelijke werken met 
ingenomenheid ontvangen werden. In de Letteroefeningen, den 
Recensent der recensenten^ den Kunst- en letterbode^ den Spec- 
tatoi' en den Oids werden van tijd tot tijd stukken van zijne 
hand opgenomen. Een ijverig medearbeider was hij bovenal 
voor den Navorscher^ Nijhofp^s Bijdragen en }\Qi Archief voor 
Kerkgeschiedenis. 

Tn de jaargangen 1858 — 1859 van den Navorscher ont- 
moet men een groot aantal artikelen van Dëlpbat, antwoorden 
op voorgestelde vragen , meestal betrekkelijk biografische on- 
derwerpen, die, ofschoon zij met het woord „Quiescendo" on- 
derteekend zijn, leeren dat des auteurs tijdperk van rust een 
waar ,/Otium litteratum" nvogt heeten. Alleen in latere jaar- 
gangen, die voor een tijd bewijs in zich droegen, dat menig- 
een, die zich een /yuavorscher" heette, veeleer een /yvraagal'' 

6* 



( 84) 

verdiende genoemd te worden, vindt men weinige of geene 
aanteekeningen zijner pen. 

Belangrijker opstellen, meestal Van grooter omvangt plaatste 
DfiLPRAT in de beide reeksen der Bijdragen van Nijhofp. 
Eeeds voor het tweede Deel schreef hij eene verhandeling 
„Over den voorgenomen doop van Koning Radboud'^ waar- 
door, naar mijn inzien, het opstel eens jongeren schrijvers over 
dezelfde stof tamelijk overbodig werd gemaakt. In het vijfde 
Deel bragt hij „Jghanües Aegidius van Zierikzee" in ver- 
nieuwd aandenken, een Nederlandschen kruisvaarder, wiens te 
zeer vergeten bedrijf hier geteekend wordt met eene groote 
zaakkennis^ door de lectuur van vele, ook zelden gebruikte 
bronnen verkregen. Het negende Deel verrijkte hij met eene 
uitvoerige aankondiging van het Arehiv der Oeaelhchaft für 
aUere deutscAe Gesckichte van Pbrtz, waarin hij aanwijzing 
doet van die berigten in de eerste tien Deelen van genoemd 
werk, welke den Nederlandschen geleerde bij het behandelen 
der geschiedenis van ons Yaderland nuttig kunnen zijn. Het 
gansche opstel leerf ons^ dat de schrijver zich ook minder 
aangenamen arbeid gaarne getroostte, zoo hij slechts hopen 
mogt, dat die arbeid voor de wetenschap, die hem zoo zeer 
lief was, vruchtbaar zou wezen. Aankondigingen van histori- 
sche werken van anderen aard plaatste hij meermalen in de 
Bijdragen en somtijds ook elders. Zij zijn gewoonlijk zeer ob- 
jectieve verslagen, waarin de schrijver zelden in het karakter 
des recensente optreedt en alleen din, wanneer hij — ik denk 
hier b. v. aan zijne scriptie in den Oids van 1865 — wanneer 
hij te doen heeft met hetgeen in zijn oog openbare sofisterij is. 
Overigens bepaalde hij zich hoofdzakelijk tot het aanwijzen 
van de bruikbare bestanddeelen der schriften, die hij bekend 
maakte, ofschoon hij daarbij de gelegenheid om nuttige wen- 
ken en leerzame aanduidingen te geven, geenszins verzuimde. 
Tijdgenooten, wier pennevruchten de onderscheiding genoten 
van door Delpeat bij de beoefenaars der wetenschap inge- 
leid te worden, hebben nimmer reden gehad, zich over de 
lessen van den meester te beklagen, maar veeleer oorzaak om 



( 85 ) 

hem wegens welwill^de opmerkingen en vruchtbare mededee- 
lingen met dankbaarheid te vereeren. 

Minder tabijk, maar vooral niet minder gewigtig zijn de 
stakken van Dblpbat's hand, die men in verschillende seriën 
van hel Archief mor KerkgeBchiedeim ontmoet, fn het zesde 
Deel der eerste reeks plaatste hij een uitvoerig verslag van 
een HS. der Kon. bibliotheek te 's Gravenhage, dat de ge- 
schiedenis van het zoogenaamde Bijke Fraterhuis te Zwol 
bevat. Dit opstel, waarin de belangrijkste inhoud van het HS. 
woordehjk opgenomen is, had de bestemming om door meer 
dergelijke verslagen gevolgd te worden. Ik heb het steeds 
betreurd, dat de auteur zijn voornemen niet uitgevoerd, en dat 
het door hem gegeven voorbeeld geen navolging gevonden 
heeft. Tn onze en in vreemde boekerijen toch liggen vele HSS. 
verscholen, wier volledige uitgave bf naauwelijks mogelijk bf 
onnoodig is, maar die evenwel bestanddeelen inhouden, wier 
bekendmaking in hooge ^mate wenscheUjk is. In de twee 
laatste Deden der vierde reeks van het Archief treft men nog 
drie verhandelingen aan, die een merkwaardig bewijs zijn, dat 
de auteur, die tijdens de bewerking reeds zijn zeventigste le- 
vensjaar achter zich had, nog over al die geestesgaven had te 
beschikken, waardoor hij veertig jaren vroeger een beroemd 
geschiedvorscher werd. //Dordrecht onder kerkelijk interdict 
van 135& — 1356/' en //het Bisdom van Utrecht en het Graaf- 
schap Holland onder kerkdijken ban ten jare 1280 — 1283,^^ 
zijn evenzeer als //De geschiedenis van St. Aagte-klooster te 
Delft'' vruchten van archief-studiën, die te allen tijde gewaar- 
deerd zullen worden als gewigtige bijdragen tot de kennis van 
het staatkundig en kerkelijk leven onzer vaderen in eeuwen, 
waarop het licht der historie nog slechts spaarzaam stralen 
deed vaUen. Zij openbaren evenzeer als vroegere werken van 
den schrijver eene bewonderenswaardig rijke kennis, meerendeels 
geput uit zelden of nooit geraadpleegde bronnen, eene scherpt-e 
van blik, doordringende in de volle diepte der stoften, en eene 
gelukkige combinatie -gave, doorgaans onder strenge tucht ge- 
houden. Zij dragen geenerlei spoor van vermindering van 
zielskrachten, den ouderdom te dikwerf eigen. De vele bijla- 



( 86 ) 

gen alleen, afdruk bevattende van de voornaamste diplomen, 
welke hem bij de bewerking ten dienste stonden, doen ver- 
moeden, dat des grijsaards oog bij het afschrijven der docu- 
menten meermalen faalde, waarom het voor een ieder, die deze 
stukken wil gebruiken, raadzaam zal zijn, eene collatie met de 
oorspronkelijke niet te verzuimen. 

Een geleerde, zoo uitstekend als onze Delprat, moest bij 
onze wetenschappelijke Genootschappen wel gedurig met on- 
derscheiding genoemd worden, zoo dikwerf zij de rij hunner 
leden wenschten te versterken of aan te vullen. Van de meeste 
is hij dan ook vroeger of later lid geworden, en sommige 
heeft hij aan zich verpligt door de vruchten zijner pen voor 
hare uitgaven te bestemmen. In de Nieuwe reeks der werken 
van de MaatscA. van Letterkunde te Leiden^ VTI^ Deel, 1*^^ 
Stuk, vindt men een berigt zijner hand aangaande //De aller- 
eerste series lectionum der Jjeidsche Hoogeschool,^' waaraan 
Kist zijne aanteekeningen verbond. Achter de //Handelingen" 
des Genootschaps over het jaar 1862 ontmoet men een uit- 
voerig //Levensberigt van Paulus Koknraad Görlitz,'' Del- 
peat's veeljarigen vriend en geestverwant, wiens verdiensten 
jegens ons lager onderwijs hier met liefde in het licht zijn 
gesteld. Op aanzoek van het Priesch Genootschap voor ge- 
schied-, oudheid- en taalkunde bewerkte hij in vereeniging met 
den Heer U. A. Evertsz de Mémoires relatifs h la guerre de 
succession de 1706 — 1709" van Sicco van Goslinga, aan welken 
arbeid hij een vleijenden brief van Macauiay te danken had. 

In 1834 werd Delprat correspondent van het voormalig 
Koninglijk Instituut. Ofschoon hij in die betrekking zich nut- 
tig betoonde door de inzending van een uitvoerig verslag van 
in naburige landen verschenen geschriften, die den beoefenaars 
der geschiedenis van ons Vaderland dienen kunnen, werd hij 
eerst in 1850 tot gewoon lid benoemd, nadat de Hoogleeraar 
LuLOFS door den dood aan het Instituut ontvallen was. Toen 
vijf jaren later onze Akademie hare Letterkundige Afdeeling 
zag geboren worden, behoorde Delprat tot de eerst benoemde 
leden. Wat de voortrefiTelijke man sinds voor ons geweest is, 
weten wij allen. 



( 87 ) 

Delprat was in spijt van zijn gevorderden leeftijd, ook 
nadat hij naar de wet reeds rustend lid onzer corporatie ge- 
noemd werd, een der ijverigste bezoekers van onze vergaderin- 
gen. Het was hem goed in ons midden te zijn, want, gelijk 
hiy het in zijne meervermelde aanteekeningen uitdrukte^ hier 
had hij gelegenheid, banden van vriendschap aan te knoopen 
met mannen, wier schriften hem reeds belangstelling voor hunne 
personen hadden ingeboezemd, als hij hen nog slechts bij 
name kende; hier werd eene gedachtenwisseling gehouden, die 
hij voor zijne eigen voortdurende ontwikkeling op prijs meende 
te moeten stellen. Wie onzer herinnert zich niet gaarne, hoe 
hij, wanneer hij aan onze discussiën deel nam, — en zijne veel- 
zijdige kennis gaf hem de bevoegdheid om het dikwerf te 
doen — hoe hij daarbij gedurig bewijs gaf, niet alleen van 
groote klaarheid des geestes en van rijke wetenschap, maar ook 
van die ongeveinsde bescheidenheid, waardoor zelfs zijne posi- 
tieve tegenspraak voor andersdenkenden aangenaam werd. Aan 
hem danken wij niet alleen de uitgave der Lettres inédites de 
Juste Lipaey die hij met inleiding en aanteekeningen voorzag, 
maai ook onze Verslagen en Mededeelingen getuigen op vele 
bladzijden, dat hij geenszins werkeloos in onzen kring verkeer- 
de. Bij de behandeling van gewigtige zaken, die betrekking 
hadden op onderwijs of historische wetenschap en kommissori 
aal gemaakt werden, gaf hij adviesen, die men doorgaans en 
met regt hoog waardeerde. Van onze Kommissie voor het 
Charterboek was hij een ijverig en geoefend lid, en de dood 
alleen verhinderde hem, door het opmaken van het gewenschte 
register, een moeitevollen maar hoogst nuttigen arbeid, zijne 
medeleden, ja alle beoefenaars der historie aan zich te ver- 
pligten. Sedert 1856 was hij voortdurend verbonden aan onze 
Kommissie ter beoordeeling van de Latijnsche prijsversen, die het 
lastige legaat van Hoeüfft aan de pen van zoo vele poëten 
en poëtasters ontlokte. Hoewel hij noch van de eigenaardigheden 
van het klassieke Latijn, noch van de metriek een voorwerp 
van hoofdstudie gemaakt -had, leerden zijne beoordeelingen, 
dat het hem eveimiin aan kritische scherpzinnigheid als aan 
sezond gevoel voor het schoone ontbrak. Vele malen deelde 



( 88 ) 

hij juiste opmerkingen mede^ zooals de verslagen van 1858, 
1861, 1864 en 1868, door zijne hand gesteld, bewijzen kun- 
nen. Als hij zelf die verslagen in onze vergadering voordroeg, 
bleek het, dat hij waarlijk poëtische voortbrengselen, b. v. die 
van VAV LiseüWBK, in eere wist te houden, maar daar zulke 
voortbrengselen zelden inkwamen, hadden wij vaak aanleiding, 
hem en zijne medegekommitteerden te beklagen, dat zij 
geroepen waren geworden, uren, soms dagen te besteden aan 
de kritiek van zoogenaamd kunstwerk, dat geen kritiek waar- 
dig was. Toch heeft men geen grond, om te vermoeden dat 
deze arbeid daarom den grijsaard geheel onlief was. Zoo ooit 
iemand een zeer prikkelbaar gevoel voor het belagchelijke had, 
Delprat had dat gevoel in hooge mate. Als het ongerijmde 
maar niet in het onreine ontaardde, kon hij er een spel mee 
spelen, dat hem zelven en anderen een geestig vermaak werd. 
Hoe vaak bleek dit, wanneer hij in zijne verslagen te dikwerf 
voorkomende proeven van dichterlijken onzin ontleedde! Dan 
glinsterde zijn levendig oog van de vonk der satyre; zijne 
dunne lippen plooiden zich met kleine beweging, en wij Iioorden 
dien eigenaardigen kort gehouden lach, die bewees — hoe zal 
ik 't beter uitdrukken? — dat de spreker inwendig pret had. 



Terwijl Delprat de pligten zijner maatschappelijke betrek- 
kingen en de belangen der wetenschap met onbezweken trouw 
behartigde, genoot hij een persoonlijk en huisselijk leven, dat 
zelden door de bezwaren en rampen, die het deel der meeste 
stervelingen zijn, gedrukt werd. Naar stand en behoeften ruim 
met aardsche goederen bedeeld, bezat hij in Anna Cats, dochter 
eener aanzienlijke Priesche femilie, aan wie hij in 1829 door 
den echt was verbonden, eene gade zijner volkomen waardig, 
met wie hij in den vollen zin des woords een innig gemeen- 
schapsleven voerde, welks heil verhoogd werd door het bezit 
van twee liefhebbende kinderen, een zoon en eene dochter, 
wier bloeijend kroost zijn huis dagelijks met onschuldige 
vreugde vervulde. Delprat droeg een hart in zich, dat de 
hem geschonken voorregten met ootmoedige dankbaarheid waar- 



( 89 ) 

deerde. Toen hij op twee-ën-zeventigjarigen leeftijd zijne auto- 
biografische aanteekeningen stelde, schreef hij met roerende 
eenvoudigheid: //mijne jaren zijn vele, maar geen gebreken des 
ouderdoms zijn mijn deel; mijn huisselijk geluk wordt door 
niets verstoord; mijne kinderen zijn gelukkig gehuwd, mijne 
kleinkinderen voorbeelden van gezondheid en de blijdschap 
hunner grootouders. Ik moet de woorden van Lukas ü: 29 
tot de mijne maken: nu laat gij, o Heer, uwen dienstknecht 
naar uw woord in vrede heengaan, want mijne oogen hebben 
uw heil gezien.'' Toch wachtte den grijsaard nog een zware 
slag. Op den l^^^ April 1869 schreef hij zijne laatste aan- 
teekening. Zij luidt aldus: //mon bonheur domestique est 
cruellement détruit par la mort de ma chère et digne épouse/' 
Sinds dien dag — wie onzer merkte 't niet met leedwezen op, 
wanneer wij hem nog nu en dan in onze vergadering zitting 
zagen nemen — sinds dien dag was niet zijne geestelijke maar 
zijne ligchamelijke kracht gebroken, en het was voor niemand 
zijner vrienden en betrekkingen verborgen^ dat de tijd van zijn 
/rheengaan" naderde. Hij zelf gevoelde het en sprak er onver- 
holen over en op eene wijze, waaruit bleek dat de /j'vrede", 
dien hij zich toebad, woonstede had genomen in zijn christelijk 
gemoed. 

Dblprat ontsliep zonder, naar H schijnt, de smarten van 
den doodstrijd ondervonden te hebben, op den 4^®'* Januarij 1871. 
Zijn laatste uitgang was een kerkgang geweest op oudejaars- 
avond te voren. Sij zijne groeve op de begraa^laats aan den 
Berg bij Rotterdam vereenigden zich zijne vrienden. Protestan- 
ten en Bioomschgezinden, en aan uitdrukking van vereering en 
liefde voor den voortreffelijken burger, den uitstekenden geleerde 
en den edelen mensch heeft het niet ontbroken. 

Des stervelings werken zijn de openbaringsvormen zijns 
levens. Waar zij vruchtdragend voortbestaan, leeft de gestor- 
vene voort met de levenden. Met deze vertroostende gedachte, 
in de inleiding mijner rede aangeduid, wil ik ook eindigen. 
Hij is ^heengegaan", de dienstknecht tot zijn Heer, en hij is 
met ons gebleven! 



\ 



t 



* k 



. ^ f . 



% 



^- ^ 



• » 






*•■ 









■ ■¥! 



■ «t' .- 



t %. 



4. • ~ 



'•V 



► *-. 



V' ,•