(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Kabinet der Natuurlyke Historien, Wetenschappen Konsten en Handwerken"

i 7 &£.„. 
* & .' — 



//*3. 



S.W- 



NATUUR- 

E N 

KONST- 

KABINET, 

Geopent met de Maanden 

JANUARY en FEBRÜARY 
1719. 




VERK LARING 

VAN DE 

TITEL-PRENT. 

DE Hiftori* , dewelke hier met vleugels 
eitgcbeeld word (om dat zy overalielts 
tegenwoordig behoort te zyn ) beichryft de 
groote Natuur dewelke in het qpgejlagen Boek 
uitgedrukt ftaat. Om dit overeenkomlb'g met 
de zaakeri, die zy befchryft, uit te voeren, 
word zy verlicht door dett'aarbeid , terwyl de 
natuur ly ke fchepze Is ontvouwt en ontdekt wor- 
den door de proef kundige Ervarentheid, de- 
welke met haar eene voet op een proef- of 
toetfteen ftaat , en met een pafler na èe? ipis- 
konftige Methode afmeet alles , dat door -de 
beproeving van het. zuiverende vuur geloutert 
is. Waar door de onwetende IVaanwyshetd 
( met ezels oor en verbeeld ) in het duifter geraakt, 
daar dezelve zich met het blaazen van vjind- 
Ifollen ophoudt en vergenoegt. 



fyt Utf^' 



/7Ó7 



/ 



K A.B IN ET 

DER 

NATUURLYKE 

HISTOR IE N, 

WETENSCHAPPEN, 

K O N S T E N 

E N 

HANDWERKEN, 

Geopentmet de Maanden 

JAXUARY en FEBRUARY i 7 i P . 

Verciert en opgeheldert met Kopere 
Plaaten. 




Te AMSTERDAM, 

Èy HENDRIK STRIJC, 
-Boekverkoper betyden 't Stadhuys. 171 9. 



f k-T.'-. «.-■ . - *. r A Tft- 
•/i Lvh. C - - 



DenWel«Edelen Gestrengen 

HEER, 

DEN HEERE 

SUFFRIDUSvanWESTERHÜIS, 

enz. enz. 
WE N S C H T 

W. V. R ANOUW, M. D. 

Gezontheid en Welvaren. 

N de plaats van het Boek, 
handelende van het onderfcheid 
Jer aaloude en nieuwe Natuur- 
iyke Hiftoriichryvers , het 
welk ik over zes jaaren de eere had 
( half afgefchreven ) aan U Wel-Ed: Ge* 
ftrenge mede te deelen , en zedert wc^ 
derom heb ontfangen , met een beleefde 
ordre om het zelve te voltoojen , zende 
ik met U Wel-Ed: Geftr: prmïjjie het 
eerfte ftukje vanmyn Natuur- en Kon 11- 
kabinet , geopent met de maanden Ja- 
nuary en February 1719. met voor- 
nemen om het zelve van twee maanden 
tot twee maanden te vervolgen. De be- 
kende wysheid , doordringentheid van 
oordeel , beleeftheid en rechtvaardige 
goedheid van U Wel*Ed: Geftr: zynde 
* 4 • oor- 




oomaken van de vrymoedigheid , de- 
welke ik gebruike, in het toezenden van 
een Boekje, welkers geringheid recht- 
draats tegens de Grootheid van U Wel- 
Ed: Geftr: Perzoon overftaat. Het is 
my bekent, Wel-Ed: Geftrenge Heer, 
hoe zeer de hoogwichtige Staats^ bedie- 
ningen en laftige oeffening der alder- 
hoogile Lands-regering U Wel -Edele 
Geftrenge lange jaaren hebben belem- 
'mert in de luft-oeffcning- van' U Wel- 
Ed: Geftrenge genegentheden , nament- 
lyk de goede Letteren , Natuurlyke 
Hiftorien en Konften. Maar ik weet 
ook te gelyk , en de werkdaaden zyn 
luidruchtige getuigen , met welk- een 
luft U Wel-Ed: Geftr: haare fnipper- 
uurtjes befteet in deszelfs heerlyke Tui- 
nen, Plantagien , Orangeryen , in de oeffe- 
ning en voortkweeking deraldervremfte 
gewaftèn, en in 't aldernaauwkeurigfte on- 
derzoek van andere natuurlyke Wonderen, 
Doen ik het geluk hadde van dage- 
lyks U Wei-Edele Geftrenge deugd- 
zaame vriendelykheden te genieten , en 
de vruchten van een oprechte liefde zo- 
danig te ontfangen , dat ik voor de zelve , 
zo lang ik leef, U Wel-Ed: Geftr: 
dankbaare Dienaar zal blyven, heeft U 
Wel-Ed: Geftr: in het bcfchouwon r van 

myne 



myne Natuurkundige Proeven overvloe- 
dige blyken gegeven , en bewezen dat 
ik op goede bevinding de waarheid fpreek. 
Indien de tomeloze luft na myn Vader- 
land , dewelke jaaren te vooren geboet 
geweeft zoude zyn, had de de achting, 
dewelke ik voor U Wel-Ed: Geftr: altyd 
zal bewaren,, my niet een geruime tyd 
opgehouden j indien , zeg ik , deze luit 
na Holland my van U Wel-Ed: Ge- 
ftrenge niet hadde afgefcheurt , geen zaak 
op de wereld zoude ma'gtig geweeft zyn 
om my van de delicaat heid en 't geluk 
van U Wel-Ed: Geftr: aangenaame om- 
megang te berooven , en 't geen ik nu 
in dit Boekje en de volgende met de pen 
meene te verrichten , zoude ik dan noch 
dagelyks mondeling hebben konnen doen. 
Byaldien ik U Wel-Ed: aandacht met 
een geringheid , dewelke dezelve on- 
waardig is, mag ophouden, zal ik zeg- 
gen, dat ik van voornemen ben, om in 
elk tweemaandelyk Kabinet een uittrek- 
zel te geven ( gelyk U Wel-Ed: Geftr: 
hier van Cajus Plinius fecundus ziet ) 
van deze of gene aaloude Natuurlvke 
Hiftorifchryvers. Op deze wys, Wel- 
Ed: Geftr: Heer , zal uit de Fontei- 
nen der beroemde Aaloutheid zelfs van 
yder een konnen gezien wroden , hoe 

* f zeer 



zeer de Aaloude Mgyptifche , Griek fche , 
Romeinfche en andere Volkeren in de 
Natuur en defzelfs fchepzels , in de We- 
tenfchappen , Konften en Handwerken 
gevordert zyn geweelt , mitsgaders wat 
in de latere eeuwen tot huiden op 
dezen dag van de Nakomelingen daar is 
bygevoegt , en hoe ver wy hedendaags 
in dezelve gevordert zyn , wat van de 
Aaloutheid verloren is , en wat van de late- 
re Eeuwen is uitgevonden - y dewyl in elk 
tweemaandelyk Kabinet ook zal gehan- 
delt worden van eenige aanmerkelyke 
Natuurlyke Schepzels , en van dienitbaare 
Konften en middelen , waar door dezel- 
ve ontdekt moeten worden, benevens 
achter elk tweemaandelyk Kabinet een 
Konft of Handwerk , deflèlfs gewrochten, 
werktuigen , gereetlcbappen en derzel- 
ver gebruik. De vruchten , dewelke wy 
( als wy deze onderzoekingen en befchou- 
wingen tot nut en gebruik overbrengen) 
daar uit plukken , zyn de alderuitmun- 
tenfte van alle devoordeelen onzes levens. 
Want als wy begrypen, dat God onze 

toeden Vader door drie verfcheide Boe- 
en , zyne Heerfchappy, vrywillige Rege- 
ring, Groótmachtigheid , Heerlykheid, 
onbegrypelyke Natuur, 'Liefde, Goed- 
heid, en hondert andere zaaken , dewelke 

wy 



wy daar door van onze lieven Schepper 
konnen afnoemen , heeft believen te ont- 
dekken, en zover, aft nodig is om hem 
aan te bidden en te gehoorzaamen , te 
openbaaren , zouden wy niet met een 
tomeloze begeerte aangedaan worden, 
om dezelve te doorbladeren, en daaruit 
door duizend onwraakbaare getuigeniflen 
alles van ons Hoogfle Goed te achterha- 
len en te leeren , dat wy van het zelve 
te weten konnen koomen ? U Wel-Ed: 
Geftr: zal antwoorden van ja. Welaan 
dan , Wel-Ed: Geftrenge Heer , deze drie 
Boeken zyn : i . De Heilige Bladeren, 
z. De Natuur, met alle defzelfs wonder- 
baarlyke Schepzels. 3 . De Konft met al- 
le haare Konftftukken voortgebracht 
door onbegrypelyke vermogens , dewel- 
ke de menfehen daar toe van Godt heb- 
ben ontfangen. In deze drie Boeken is 
het waarachtige Charafter Divinus of 
Goddelyk merkteken ingeftempelt , en 
van yder , dewelke zoekt en in dezelve 
aandachtig leeft , over al te vinden; dat 
is een Oceaan van zaaken , dewelke voor 
het menfchelyk verftand ondoorgronde- 
lyk en onverftaanbaar zyn , en echter uit 
duizend monden haar eigen aanzyn ge- 
tuigen. Maar welk een nut , Wel-Ed: 
Geur: Heer , is uit het onderzoek en 

oefïè- 



ocfferiing der Natuur en Konft voor onze 
tydelyke welftand niet te haaien ? Daar is 
geen een eenig menfch in deze wereld , 
dewelke deze zaak niet aangaat , alle 
moeten wy dezelve betrachten en naja- 
gen. Waar word iemant gevonden , de- 
welke tot zyn tydverdryf, liefhebbery, 
Wetenfchappen , Konften en Handwer- 
ken , geen voordeel uit de befchouwing 
van Natuur en Konft zoude trekken? 
Ik heb al lang geoordeelt , dat de Na- 
tuur en de Konft door de Natuur-be- 
fchryvers te ver van m alkanderen afge- 
fcheiden worden } het is een misflag ( be- 
houdens de goede achting dezer voor- 
treffelyke Lieden ) dat zy in het befchry- 
vcn van elk Natuurlyk Gewrocht daar niet 
by voegen een naauwkeurige Befchry ving 
van allede Konften, Ambachten , Hand- 
werken,uitgevonde Konftftukken, Werk- 
tuigen en Gereetfchappen, dewelke uit 
dit Natuurlyk Gewrocht of Schepzel 
zyn voortgekomen , of het zelve tot haar 
onderwerp en ftof hebben , of betrek- 
king op het zelve hebben. Zouden wy 
de aart , hoedanigheden en betrekkelyke 
eigenfchappen van een metaal, mineraal, 
berg-erts, fteen, hout, gewas ,enz. niet on- 
eindigmaal beter weten, en naauwkeurigcr 
konnen befchryven , als wy behalven het 

uiter- 



uiterlyk natuurlyk onderzoek ons wilden 
vernederen , en intreden in de groote 
werkhuizen en winkels der Konftenaars, 
ambachtslieden , werklieden en arbeiders? 
Deze menfchen ( gelyk de groote Ro- 
bertus Boyle in zyn tyd wel aangemerkt 
heeft ) hebben menigmaal haar geheele 
leven gewerkt, en vervolgens zomtyds 
vyftig jaaren en langer proeven en 
waarnemingen gedaan in een enkeld ot 
zeer weinige natuurlyke gewrochten of 
fchepzels , daar een Natuur-befchryver 
noch tyd noch gelegentheid toe gehad 
heeft. Deze zaak aan de andere zyde 
befchouwtzynde, wat zouden de konfte- 
naars, ambachtslieden en werkmeefters 
veel licht in haare konftoeffeningen en 
werkdaaden ontfangen , als voor haar 
verklaart en opgeheldert wierden door 
een Geleert Naturalift de natuurlyke 
fchepzels of ftofFen en onderwerpen, 
daar zy haare konftftukken van moeten 
bereiden ? De onnozelheid en onkunde, 
dewelke ik dagclyks in deze lieden ont- 
dekke, is zo groot, dat zy haar eigen 
konftes onderwerp niet kennen. Van 
zommige dingen , dewelke by de Engel- 
fchen^ Italianen en andere Natten by de 
ftraat te zien zyn, maaken onze luiden 
uit louter onkunde groote geheimen. 

Als 



Als iemanthaar vraagt na het Vaderland, 
de voortkweeking , oeffening, foorten , en 
diergelyke voor haare wetenfchap noodza- 
kelyite omftandigheden van haar konft- 
onderwerp of werk-ftof,tlaan zy verzet,en 
antwoorden als of deze zaaken aan haar 
niet behoorden. Daar behoorde geen 
Konfr, of Ambacht te zyn , hoe gering 
het ook mocht wezen , of daar moeit een 
omftandig boek van gefchreven worden, 
benevens een natuurlyke befchryving en 
verklaring van de natuurlyke fchepzels, 
dewelke deze konft of dit ambacht tot haar 
onderwerp en werkftof hebben. Wanneer 
de kenniiTe der Natuurlyke Hiftorien, 
der Schepzelen , der Koniten en Ambach- 
ten in malkander verknocht , gemeender 
en meer bekent waren , welk een vrucht 
de hooge Regenten des Lands tot welftand 
van haare ingezetenen daar uit zouden 
konnen trekken , is genoeg gebleken door 
't kloek beleid van Lodeivyk de XIV , en 
noch hedendaags door de Hoo£d-regenten 
van Engeland , dewelke door deze weg 
haare ingezetenen met geluk en welvaart 
overftroomen , gelyk de uitvindinge der 
Koninglyke Maatfchappyen en Academiën 
van Konften en Wetenfchappen volmon- 
dig getuigen . Kooplieden , Fabriqueurs , 
Inventeurs , Winkeliers en duizend andere 

men- 



menfchen zouden door deze kcnniflé 
vruchten trekken , dewelke nu by haar 
ohbekent zyn. De Heilige Bladeren 
krielen alom van aldaar aangehaalde Na- 
tuurlyke zaaken, konft.cn en handwer- 
ken, maar hoe onkundig zyn de uitleg- 
gers der Goddelyke Waarheden, als wy 
haar over deze zaaken lezen of hooren 
leeraaren. Daar behoorde geen plokje 
lands of ftad te zyn , daar het onderfcheid 
der gronden, die onze fpys voortbren- 
gen , en welker uitwaafleming wy gedu- 
rig inademen , het onderfcheid derzelvcr 
verfcheide wateren, daar wy onze dran- 
ken van bereiden , onze fpys in kooken, 
en veele konftgewrochten door moeten 
bereiden, de verfcheide hoedanigheden 
des dampkringachtigen luchts', dewelke 
daar op ftaat en altyd op drukt, endaar 
wy door moeten leven , niet op het alder- 
naauwkeurigfte onderzocht en aangete- 
kent wierd. Ik ben verzekert, dat de 
Geneesheeren van zodanig een land of ftad 
veel klaarder denkbeeld van duizend by- 
zondere omftandigbeden haarer zieken 
zouden hebben, om haare genezingen 
verfcheidentlyk na te richten,voornament- 
lyk als deze lieden door geen algemeen- 
heden mifleidt, nog ook niet al te wys 
waren, om .daar uit te willen leeren. Het 

is 



is naaüwlyks uit te drukken, hoe "Zeer 
het eene Natuurlyk fchepzel als ook konft- 
gewrocht verklaart en opgeheldert word 
door de kenniflè der andere fchcpzels en 
konftftukken , en de eene-konft of ambacht 
verrykt word door de kennifle der andere 
konften of ambachten. Ik blyve enz. 



NA- 



Pag. i 

NATUUR- 

E N 

KONST-KABINET, 

Geopent met de Maanden 

JANUARY en FEBRUARY. 

171 p. 



Godt is Schepper en Onderhouder van de 
Natuur , en de Menfch van de Konft. 

I. 

Odt Onzer aller Vader , On- 
derhouder en Hoogfte Goed , 
die de geheele Natuur , of het 
gefchapen Heel -al uit niet 
heeft voortgebragt , fchynt de menfch in 
deze wereld gellelt te hebben tot een 
Onderkoning en volflagen Regent : want 
als wy aanmerken , dat de Natuur van 
Godt, en de Konft van de menfch,door be- 
hulp van de vermoogens , dewelke hyvan 
Godt ontvangen heeft , is voortgebragt , 
konncn wy licht begrypen , hoe nood- 
A zaake- 




z Natuur- en Konjl-Kabinet , 

zaakelyk de menfch (die Vice-regent der 
fchepfelen) voor de natuur , om de zelve 
te verbeteren en te verheerlyken , by een 
iegelyk , die aandachtig is, geacht moet 
worden. Wat zal dog de Natuur zyn 
zonder de konft, een verlaten wildernis, 
daar de naarheid, kommer, ongemak en 
elende haar woonplaats houden ? 
i. 
Gelyk de geheele Natuur , zonder de 
Konft aangemerkt) een enkelde woefty- 
ne , ohtoegangkelyk bofch , ongenaak- 
baare berg , en al-verflindende zee ver- 
beek , zo is ook elk natuurlyk fchepfel , 
het zy in het Koningryk der mineralen , 
het zy in het Koningryk der gewajffen , 
het zy in het Koningryk der levendige 
dieren , eenigzins woeft , ongepolyft , 
met veel ruigte behangen. en begroeit, 
en tot in zyn uiterfte volmaaktheid on- 
toegangkelyk en ongenaakbaar, als het 
zelve niet door de konft der menfehen 
word uitgemeubelt , gezuivert , geloutert, 
in gebruyk gebragt , geleert en onder- 
wezen. 

Zo ras als de arbeidzaame Konft in de 
Kabinetten der natuur intreet , ontdekt 
zy aldaar een onuitputtelyken Rykdom , 

een 






Januafy en February 171 9. 3 

een bron en geduurige veile volmildtda- 
digheid , en een overvloed van natuurly- 
ke eigenfchappen , daar zy zig zelve in 
verlieir. , en nooit ten einde kan werken. 
4. 
Als een menfeh , gelyk een goed On- 
derkoning der natuur, door behulp van 
zyn vernuft en konft , verftandig en regt- 
fchapen zal regeren, is het noodzaake- 
lyk , dat hy de zelve eerft wel leert ken- 
nen j want welke Regent of Koning zoude 
een Gemeene-beft ordentlyk konnen be- 
fïieren , deszelfs gebreken verbeteren en 
vervullen , dewelke geen kenniflê van 
zodadig een Republyk hadde , en des volks 
eigenfchappen, hoedanigheden , vermoo- 
gens , betrekkingen onder en op malkan- 
deren en ook op alle zyn gebuurige en 
andere volkeren , nooit hadde onderzogt 
nog geleert ? 

Daar zyn veel menfehen , dewelke het 
hart hebben van zig zelven Natuurkun- 
dige te noemen , om dat zy haare hars- 
fenen vervult vinden met fubtiliteiten , 
en ftrikken van de twift-kunde. Deze 
ontwerpen een regering over de natuur 
(dewelke zy niet kennen) in haare phan- 
tazy , die belachelyk is , en Hellen met 
A 2, ' Plato 



4 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

Plato een Gemeenebefis - Regering , die 
nimmermeer te vinden zal zyn. Andere 
willen uit eenen diepen grond van haare 
onkunde , zig al mede als Regenten der 
natuur aanftellen , dezelve bewerken , 
en door konll regeren , terwyl zy de 
Natuur zelfs voor haaren Godt groeten en 
eeren. Eylieve let eens hoe klugtig zy 
willen haaren Godt regeren, en zyn ge- 
breken verbeteren ! 
6. 
De eerfle algemeene kennifle , dewelke 
iemant van de groote Natuur kan ver- 
krygen, word gebooren, als hy dezelve 
befchouwt als een fchepfel , een gewrogt 
en een voortgebragt goddelyk konitftuk , 
daar hy de grootheid, magt en regering 
van deszelfs Schepper en goeden Onder- 
houder, door noodzaakelykheid van ge- 
volg uit ontdekt , en deszelfs volltrekt 
onderfcheidentlyk herlaan uit gewaar 
word , mitsgaders de noodzaakelykheid 
van deszelfs beilaan uit leert. 

7- 
De tweede kennifle , dewelke een 

menfeh van de natuur kan verkrygen , is 

door de natuurlyke Hiilorie, of door een 

naauwkeurige en net overeenkomfcige 

befchryving, zo van de gèheele Natuur, 

voor 



January en February 1719. f 

voor 20 ver zy zig laat befchouwen , als 
van elk byzonder rutuurlyk fchepfel, in 
haar uitwendig beflag , even gelyk een 
Regent of Koning het volk , dat hy zal 
regeren , kan leeren kennen , door 't 
lezen der Hillorifchryvers , die haa- 
ien aart, zeden, manieren, gevvoontens, 
eigenfcbappen en verrigtingen zelfs heb- 
ben waargenomen , en getrouwelyk en 
naauwkeuriglyk befchreven. 
8. 
Byaldien nu iemant de groote natuur 
en de natuurlyke fchepfelen , uit der zel- 
ver befchryving of hiltorie zal leeren 
kennen , moet noodzaakelyk deze be- 
fchryving geenzins uit dephantazy , maar 
van de natuur en de natuurlyke fchep- 
fels zelf afgeleid worden , dat is , de Na- 
tuur of het natuurlyk fchepfel moet het 
waaragtig voorwerp van zodanig een na- 
tuurlyk Hiftorifchryver zyn geweeft. 

9- 

Het is een conditie , zonder dewelke 
het nooit wel gefchieden kan , dat zoda- 
nig een Schryver van de natuur of van 
een natuurlyk fchepfel niets anders be* 
fchryfr , als dat hy zelfs , of de Schiy- 
vers die hy gebruikt , waargenomen , ge- 
zien , getall en beproeft hebben. Al wat 
hy ons befchryft , daar deze toetfteen 
A 3 niet 



6 Natuur- en Konfi- Kabinet , 

niet overgeftreken is , zal hem in gevaar 
Hellen, van alle zyne achting, die \vy 
anders voor hem zouden hebben , te ver- 
liezen , wanneer wy ontdekten , dat hy 
door ligtvaardighcid dwalende, ons ook 
in dwaling hadde gevoert. Daarom is 
het noodzaakelyk , dat een Hiltorüchry- 
ver van de natuur aan ons bekent maakt, 
welke zaaken hy zelfs gezien, beproeft 
en ondervonden heeft , en wat voor zaa- 
ken hy, op enkelde berigten en vertellin- 
gen fteunende , mede deelt , of uit welke 
boeken en uit welke geloofwaardige 
Schryvcrs hy deze of andere zaaken ont- 
leent heeft. 

10. 
Daar is tot nog toe niemant zo ftout- 
moedig geweeft , van een algemeene His- 
torie der groote Natuur en alle deszelfs 
medefchepfels in een werk te befchry- 
ven , als Cajus Plinius Secundus , 
een Romein. Deze heeft de geheele we- 
reld , voor zo ver dezelve van hem ge- 
kent of ingebeelt wierd , in een werk , 
't welk hy aan den Keifer Vefpafianus 
opdroeg, befchreven, en aan ons nage- 
laten. Maar dat Plinius , hoe naaritig 
en geleert hy ook was, de conditie van 
een regtfehapen Hiftorifchryver van de 

natuur 



y anti ar y en February 1719. j 

natuur niet heeft waargenomen, blykt 
onwederfprekelyk uit zyn eigen belyde- 
nis, dewyl hv zelfs in de Voorreden van 
deze zyne natuurlyke Hiftorie verhaalt, 
dat hy twintig duizent zaaleen heeft ver- 
gadert , uit het lezen van twee duizent 
Schryvers, waar van de meefte Boeken 
niet veel bekent , en zelfs by de Liefheb- 
bers raar waren. 

Fan de Natuurlyke Hiflorie van 
Cajus Plinius Secundus. 

I. 

OP dat de Lezer een ruuwe fchets 
van de natuurlyke Hirtorie zoude 
konnen vormen , zal ik , zo beknopt als 
het my doenlyk is, een kort begrip van 
Plinius zyn geheele werk mede deelen , de- 
wyl een onkundige , door een enkelde de- 
finitie of korte bepaaling van de natuur- 
lyke Hidorie, al te fchraalen denkbeeld 
van die zaak zoude verkrygen. Ik zal 
maar alleenlyk voor af zeggen , dat Ca- 
jus Plinius Cacilius Secundus , die een 
Neef van onzen natuurlyken Hiflorifchry- 
ver Cajus Plinius Secundus was , van hem 
getuigt in een brief aan Marcus, dat hy 
na den eeten , of des zomers als hy in de 
A 4 zon 



8 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

zon leide te lezen , aantekende en uitkipte' 
't geen hem beft behaagde > en uit deze 
aantekeningen , behalven cenige zaaken 
dewelke hy zelfs bevonden heeft , is deze 
Befchryving van de geheele Natuur inde 
wereld gekoomen. En ten tweeden zal ik 
aantekenen , dat Plinius de Oude , behal- 
ven deze natuur! yke Hiilorie , een groo- 
te menigte andere boeken, die verloo- 
ren zyn, heeft gefchreven, die van de 
jonge Plinius zyn Neef in de zelfde brief 
aan Marcus worden opgetelt , en aldaar 
nagezien konnen worden j en waardoor 
wy ook verzekert zyn , dat wy alle de 
Boqken over de natuur van Plinius zyn 
Oom hebben overgehouden, dewyl hy 
het getal dezer boeken op zevenendar- 
tig , gelyk wy dezelve ook bezitten , 
heeft bepaalt. En ten laatilen zal ik de 
berugte dood van die grooten Man aan 
den Lezer mede deelen. 
2. 
Tacitus verzogt aan den jongen Plinius , 
dat hy het ftcrfgeval van zyn Oom Ca- 
jjus Plinius Secundus, dewyl hy me- 
de op die reis tot Mifenum tegenwoordig 
was geweeft , aan hem wilde bekent 
maaken, om het zelve in zyne jaarboeken 
te flellen en te vereeuwigen. Het welk 

onzen 



January en February 1719. 9 

onzen Cajus Plinius Cacilius Secundus byna. 
met de volgende woorden (a) verhaalt; 
Myn Oom was tot Mifenum , daar hy in 
perzoon tegenwoordig de vloot geboodt. 
In. 't begin van de maand November 
omtrent 's morgens ten zeven uuren maakt 
myn moeder ( zyn zufter ) aan hem be- 
kent , dat zig een wolk van een onge- 
woone foort en grootte vertoonde, myn 
Oom flaat op van de grond daar hy leide te 
lezen , fchiet zyne zooien aan , en klimt op 
een hoogte , van waar hy dit wonderfluk 
zeer klaarlyk konde befchouwen , want de 
toekykers wiften van verre niet , uit welke 
berg ((die naderhand voor de Fefwuius be- 
kent wierd) deze wolk zyn oorfprong had. 
De wolk verbeelde van gedaante eenpyn- 
boom,dewelke uit esn ronde en regte ftam, 
na om hoog ryzende,zyne takken verfprei- 
de, waar van zommige takken wit, en 
andere vlekagtig , en met vuiligheid ver- 
mengt waren, na de aarde of de as de- 
welke opgeworpen wierd , en dewyl die 
uitmuntend geleerde Man oordeelde , 
dat deze zaak naderby van hem behoorde 
befchouwt te worden , flapten hy in een 
vaartuig , en voer regt toe regt aan , dat 
A j alles 

[a) Caj. Plinii Cac'üïi Secund.Lib.VI.' Efifl. XVI 
TacitofuQ. 



i o Natuur- en Konft-Kabinet , 

alles trilde en beefde wat by hem was , en 
dat zo naby , dat de as op het vaartuig 
vloog, dewelke , hoe nader hy kwam, 
hoe heeter en zwaarder wierd , dan zelfs 
eens puimileenen , dan eens uitgebrande en 
zwarte keyen j dan wierd hy eens gedreigt, 
dat het geheele gevaarte , 't welk op uitge- 
brande en verteerde oevers half en half 
fteunde, haar overilelpen zoude. Aan land 
getreden zynde, namen zy haar verblyf 
in de verlatene en half verbrande huizen , 
terwyl juift de Fefwvius wyt en breed 
met een nieuw vuur en ligt alles in ligter 
lagen brand zette , en het vertrek , daar 
myn Oom in was, zodanig met as en 
puimfteen opvulde , dat hy daar niet uit 
hadde konnen ontkoomen , byaldien hy 
niet datelyk 't zelve verlaten hadde. Hy 
beraadllaagde met die gene, dewelke by 
hem waren , of zy onder 't dak zouden 
blyven , of zig onder den blauwen He- 
mel betrouwen , want de daken en huizen 
llonden te waggelen, en fcheenen alle 
ogenblikken in te zullen Horten. Einde- 
lyk uit twee kwaden het befte nemende , 
verkooren zy de bloote lugt onder een 
regen van ligte puimfteenen , een gloed 
van blixem , dewelke by beurten van 
uitgebraakt vuur en damp , dan eens de 

alder- 



January en February 1719. n 
alderligtften dag , en in een ogenblik de 
alderduifterfte nagt veroorzaakten , zy 
hadden haare hooiden bewonden , en ee- 
nigzins overdekt. Het behaagde myn 
Oom verder, om de boorden, daar de zee 
op afftuite , nader en naauw keuriger te 
befchouwen , om te ontdekken welke 
bolwerken daar overgelaten waren, die 
de zee haaren invloet keerden, en het 
gevaarte onderfteunden, op dat het niet 
mogtinftorten en opgezwolgen wierd. 
Daar ruftende,entègens de heete lugt kout 
water geeifcht en ingedronken hebbende, 
komt een fchielyke reuk van zwavel- 
damp, een voorbode van nieuwe opko- 
mende vlammen , voor dewelke zy alle , 
behalven myn Oom , de vlugt naamen , 
dewyl hy verzogt zynde opflond , en 
lleunende op twee flaven nederzeeg , ge- 
Hikt door een dikke en heete zwaveldamp , 
na ik gifTe, dewyl zyn geheele lichaam 
ongekwetft is bevonden, enz. 

In het eerde Boek vinden wy de voor- 
reden aan den Keifèr 'Titus Vefpafianus , 
daar hy onder andere zegt , dat niemant 
onder de Grieken of Romeinen voor hem 
ondernomen heeft , de geheele natuur 
met alles wat daar in is in een werk te 

bc- 



T 2 Natuur- en Konft- Kabinet , 

befchry ven. Ook hebbe ik , vervolgt hy , 
de naamen der Schry vers, die ik gebruikt 
hebbe, voor af hiaten gaan , wantikoor- 
deele dat het vol betaamclykheit en ze- 
delyke fchaamte is, openbaarlyk te be- 
kennen , door wren \vy in onze weten- 
ichappen gevordert zyn. Na deze voor- 
reden geeft Plinius een regilter van de 
volgende zesendartig boeken, namentlyk 
wat in een iegelyk Boek , en in iegelyks 
Boeks Kapittel verhandelt word, bene- 
vens de naamen zo wel der Latynfe als 
vremde Schry vers achter elk Boek ge- 
plaatft , met welk Regilter het eerlte 
Bock gefloten word. 

4- 
Dcwyl ik in het toetakelen van dit 

tweemaandelyk Kabinet der natuurlyke 

Hiftorien, Wetenfc happen, Konftenen 

Handwerken, door geen eenige methode 

of fchool-trant van verdeeling in Boeken 

of Kapittels, of geflagten of lborten van 

materie enz. my al te naauw kan laa- 

ten bepaalen , en geenzins begeere de 

natuurlyke hoedanigheid van myn geeft , 

met alle deszelfs gebreken , door blanketfel 

van opgefmukte methode , ol uitgekipte 

woorden en gemaakte hoogdravende 

fchryfftyl, of iets, dat my niet natuur- 

lyk 



January en Febrmry 171 p. 13 
lyk eigen is , te vermommen , maar al- 
lezins een vrye enongebondefchryf-trant 
meene te gebruiken, zal ik een Aanmer- 
king mede deelen , dewelke my op het 
lezen van dit eerde Boek van Plinius 
in de gcdagten fchiet. 

Hoe pryswaardig en loffelyk moet het 
alle Lezers , die eerlyke lieden zyn , 
voorkoomen, dat Plinius achter elk Bock 
zyne Juteuren zo trouwhertiglyk aante- 
kent y en dat nog zodanige , waar van 
veele zeer raar , en uit de handen zelfs 
der Liefhebbers geraakt waren. Byal- 
dien alle, en voornamentlyk onzeheden- 
daagfe Schry vers fuitgcnomen eenige Bra- 
ve en deugdzaame geleerde mannen ) zulks 
in acht hadden genomen, wv zoudenzo 
niet verbyftert zyn in de kenniilè der 
waaragtige uitvinders van nieuwe ontdek- 
kingen, gezigten enzaakeni en wy zou- 
den veel Roeken uitfchiften , en derzel- 
ver Schryvers^ verachten , en als letter- 
dieven brandmerken. Als iemant Auteur 
van een nieuwe ontdekking of van nieu- 
we gezigten is , verdient hv tot in alle 
eeuwigheid meer lof , met' een enkeld 
blad daar van aan ons mede te deelen , en 
aan zyne nakomelingen na te laaten , als 

een 



1 4 Natuur- en Konfi- Kabinet , 
een onregt vaardig Uitfchryver, dewel- 
ke zyne Auteuren verfwygt , met twaalf 
groote folianten toe te takelen. Auteur 
te zyn , is iets te geven , dat de geleerde 
wereld nog ontbeert , en alle de Schry- 
vers , dewelke dat vermogen niet bezit- 
ten, konnen wy zeer wel milTen, ja zy 
zyn voor de Geleerden een grooten bal- 
laft , en verdrukken en begraven , door 
haar opitapeling , de regtfehapene en goe- 
de Schriften. Wat dunkt u Lezer, zou- 
de het niet een groote zotheit van my 
zyn , als ik voor Auteur wilde geacht 
worden van alles , dat door de tyd , als 
ik leve, in dit Kabinet zal bekent ge- 
maakt worden , dewyl aan een Verftan- 
dige datelyk zoude blyken , dat een 
menfeh, al leefden hy hondert jaaren, 
naauvvelyks het duizentfte deel van 't geen 
wy hoopen te melden , zoude konnen uit- 
vinden , behalven dat een man van ge- 
leertheid datelyk myne onregtvaardigheki 
en letter-dievery zoude ontdekken ? Daar- 
om kunt gy verzekert zyn , dat ik myn 
Auteur altyd getrouwelyk en opregtelyk 
zal melden , en daar geen Auteur gemelt 
wort , zal my hoe fober het ook zyn 



Mag in eigendom toekoomen. 



Het 



January en February 1719. if 
6\ 
Het tweede Boek van Plinius zyne na- 
tuurlyke Hiftorie handelt van de wereld , 
van de zaaken des Hemels, aarde, water 
en lugt , en beftaat uit hondert en negen 
Kapittels* Door de wereld verïtaat Hy 
het Geheel-al, dat alles in zig behelft. 
Hy oordeelt (als een Heiden) dat het bil- 
lyk is, dat het voor een Godt gehouden 
word, hy noemt dit geheel-al eeuwig, 
onmeetlyk, ongefchapen en onvergang- 
kelyk : en te onderzoeken wat buiten dit 
heel -al is (vervolgt hy in 't midden van 
zyne blindheid) raakt de menlchen niet, 
en kan door de giffing van de menfehe- 
lyke geeft niet bevat worden. Zommige, 
zegt hy , willende een verbeelding maaken 
van 't geen buiten dit geheel-al gevonden 
word, hebben nog meer werelden ver- 
zonnen , even al eens of de zelve zwarig- 
heid niet overbleef, dat \vy al wederom 
een alderuiterfi buiten zouden konnen Hel- 
len, daar wy in moeftenberuilen. In het 
derde Kapittel ftelt hy valt, dat de we- 
reld in vierentwintig uuren met een on- 
uitdrukkelyke fnelle beweging omdraait. 
In het vyfde Kapittel , daar hy van de 
vier Elementen handelt , gelooft hy (daar 
in de Epkuriften navolgende) datdeftar- 

ren 



1 6 Natuur- en Konfl-Kabinet *> 

ren en de geheele blauwen Hemel uit vuur 
beitaan : tutlchcn Hemel en aarde , zegt 
hy inliet VI. Kapittel, hangen in de- 
zelfde vuurgeelt de Planeten , die om haar 
beweging de dwalende Hemel-ligten ge- 
naamt worden, en in het midden van de- 
zelve de Zon , die de Regent van de tyden 
van het geheele aardryk , en zelfs van al- 
le de Hemel-ligten is , en de geeft of lie- 
ver de ziel van de geheele Wereld, en 
deszelfs Godtheid. In het VII Kapittel 
fpreekt hy van Godt, en telt een groote 
menigte van Heidenfche Afgoden, de- 
welke hy verwerpt. Tot aan het XXIII 
Kapittel handelt hy van het onderfcheid , 
de beweging enafpeclen , en coleuren enz. 
der Hemel-ligren. In het XXIII Ka- 
pittel van de hoogte der wolken, van 
de Aarde, en van de hoogte der Maan 
en der Zon , alles by fladien van hondert 
en vyfentwintig treden uitgerekent, dog 
alles zeer verwart, onkundigen volftrekt 
onzeker. Waar uit een Verftandig Le- 
zer het onmcetlyk onderfcheid der oude 
Starrekunde, en die der hedendaagfe, 
met vermaak kan nazien. Tot aan het 
XXXVIII Kapittel handelt hy van de 
hemel-ligtjes , van de (taart- ftarren, he- 
melfche vcrfchynlèlen , lampen , vlam- 
men. 



January en February 1719. 17 

men , lichten , balken , verfcheide cohuren , 
het verfchynen van 't meer-getal van zon- 
nen en maanen , van het dag-licht en de 
nagt enZi Tot aan het LX1II Kapittel 
befchryft hy de lugt, de faizoenen, van 
de kragt der lugt in de hondsdagen , van 
de oorzaaken der flag-regens , winden 
en wolken, donder, blixem, van de ver- 
fcheide winden, van flormen, orcanen, 
van het regenen van melk , bloed , 
vleefch, yzer, wol enz. (het welk hy in 
de Roomfche Jaarboeken aangctekent 
hadde gevonden ) van 't gekraak der wa- 
penen en veldflagen in de lugt gehoort , 
van de donderfleenen , van de hagel , 
fneeuw, ryp, milt en daauw, en van de 
beelden der wolken. 

Wanneer een naauwkeurig en opmer- 
kend Lezer deze dingen by Plinius na- 
ziet , zal hy aanftonds ontdekken , dat 
Plinius meer een nieusgierig man , als een 
voorzigtig en verftandig Hiftofifchryver 
der natuur is geweeft , dat hy in de mee- 
fle gevallen niet geweten heeft, waar en 
op wat wyze hy zyne verwondering 
behoorde te gebruiken ; dat hy meer be- 
hagen heeft gehad , in het by een ver- 
zamelen van ongehoorde wonderen , ver- 
B tellin- 



i8 Natuur- en Konft-Kalinet , 
tellingen en verzierde Fabulen , als in het 
onderfcheidentlyk onderzoek der waare 
gefchapenheid der natuurlyke zaaken : 
gelyk de meefte van onze Reizigers , die 
meer vermaak vinden in 't vertellen van 
wonderen, monfters , en ongelooflyke zaa- 
ken,dewelke zy nooit gezien hebben,cn die 
haar door deze of gene bygeloovige land- 
aart op de mouw gefpelt zyn,als in de naau- 
keurige waarnceming en befchryving der 
natuurlyke dingen , bergen , wateren, 
aarde, zeen, gewaffen, faizoen , land, 
dieren, vogelen, viflèn, gronden , vrug- 
ten , kruiden , wortelen , winden , gom- 
men, harflen, mineralen , enz. dewelke 
haar overal omringen , en met haare voe- 
ten vertreden word.n. 
8. 
Van het LXIII Kapittel tot aan het 
einde van dit tweede Boek, vervolgt Pli- 
nius de befchryving van de aarde, van de 
Ant'ïpodes of tegenvoetige menfehen , van 
de fchipvaart door zeen en ftroomen , 
welk gedeelte des aardryks bevaaren en 
ter zyner tyd bewoont wierd , van de 
fchaduwe der zon-en uur-wyzers , van de 
langfte en kortfte dag , van de oorfprong 
der verfcheide natiën, van de aardbevin- 
gen en opfpalkingen der aarde , van het 

ver- 



January'en February 1719- %9 

verzinken en wedcr-opborrelen van ei- 
landen, bergen, meeren en binnenkndfche 
wateren , van altyd bevende gronden, 
dryvende eilanden , van de wonderen 
zommiger landen , van vloed en ebbe der 
zee , en de wonderen der zee , fonteinen 
en rivieren , van het zee-zout, van de 
kragt der maan en zon op den aardbo- 
dem , van de zee- vetten, oliën , bitumineufe 
£n brandende ftoffen , en altyd branden- 
de plaatzen, en de wonderen des vuurs, 
van de lengte en breedte der aarde enz. 

9- 

Het derde Boek is verdeelt in XXVI 

Kapittels , van de verdeeling des aard- 
bodems in Europa, Afia en Africa, en 
eerrl van Europa en vervolgens van des- 
zelfs köningryken , landfehappen en pro- 
vintien , eilanden, wateren, zeeboezems 
en rivieren enz. na de oude aardryks be- 
fchryving gelchikt. 

10. 

Het vierde Boek is in XXIII Kapit- 
tels afgedeelt , en handelt van Grieken- 
land , de Griekfche en andere eilanden , en 
van het overige van Europa. 
11. 

Het vyfde Boek is verdeelt in XXXII 

Kapittels, en befchryft Africa., daar in 

B 2. Mau- 



10 Natuur- en Konft-Kabinet , 
Mauritania , de provintie of 't wingeweft 
Tingitania , Numidien , Cyrene , Lybien, 
iEthiopien , als ook Afia , Alexandria, 
Arabien , Syrien , Palasftina , Phoenicien , 
Idumasa , Samaria , Judcea , Galilaea , 
van de Jordaan , van 't Jodenpik ; van de 
-Efleen, haar levenswys zonder vrouwen , 
haare pwnitentie en ftrenge levensmanier , 
hoe zy vermenigvuldigen door navolgers , 
haare woningen in Judsea enz. VanTy- 
rus en Sidon , van de berg Libanon , van 
de Euphraat, van de Stad Palmyra ge- 
legen tufTchen 't gebied der Parthen en der 
Romeinen, vandelndus, vanLaodicea, 
Apamien , Jonien en Ephefen , van JEo- 
lis Troas by de Hellefpont en Pergamen , 
van de vooreilanden van Allen , van Rho- 
dus , Samus, Chius, van veel Afiatifche en 
Griekfche Eilanden , van de Hellefpont , 
My fia , Phrygien, Galatie , Bithynie en de 
Bofphorus. Hier uit zal de Lezer klaar- 
lyk bemerken , dat deze natuurlyke Hif- 
torie van Plinius beter na een bondel 
Adverfaria gelykt, als na een ordentely- 
ke befchryving van de natuur : want de 
menigvuldigheid van zaaken , dewelke in 
elk Boek , en dikwils in elk Kapittel 
worden vooigeftelt , verbeelt meer een 
tafel of regifter der natuurlyke dingen , 

als 



January en February ijig. 2.1 

als een Hiftorifche befchryving der zel- 
ver. 

12. 
Het VI Boek beftaat uit XXXIV 
Kapittels , en vervolgt de zelfde itof van 
de plaatzen , volkeren , zeen , (leden , ha- 
vens, inhammen, zeeboezems, oude en 
latere volkeren , van de Pont Euxin, 
van de Paphlagonifche en Cappadofi- 
fche volkeren, de verfcheide volkeren 
van 't landfchap Themiscyrenen , van 
de Cimmerfche Bofphorus, en het Lac 
Meotisi, en de volkeren daar om heen 
woonende , van de beide Armenién , van 
Albanien en Iberien , van de ontelbaare 
volkeren gelegen aan de Scythifche 
Oceaan , Cafpifche en Hynanifche zee, 
van de Tarters of Scythen , en haar on- 
telbaar verfcheide foort van volkeren , van 
de vloed Ganges en de volkeren van In- 
dien , van haare legers uit voet-en paarde- 
haare en olyfanten , van de verfcheide le- 
vens-manier der Indianen, hoezommige 
zig geneerden met de landbouw, ande- 
re met de kryg te volgen , andere met 
haare Koopmanfchappen na andere landen 
te vervoeren,en uillandfche waaren in haar 
vaderland te brengen : van haare rege- 
ring en regtspleging , en koninglyke 
B 3 hof- 



22 Natuur- en Konfi- Kabinet , 

hofhouding , van haarc Godsdienlten , en 
verrigtingen met Olyfanten. Hynoteert ^ 
dat in de Ganges een Eiland legt , -daar 
de Mogollen op woonen, van eengroot 
getal Koningen , welker magt van voet- 
en paarde-volk en olyfanten hy befchryft. 
Hy handelt van de groote vloed Indus, 
van de volkeren en natiën omtrent dezel- 
ve, het eiland Taprobane of 't heden- 
daags Ceilon , van Karmania hedendaags 
Kharman,van de Perfiaanlche enArabifche 
zeeboezems, van het paarl-ryk eiland 
Cnicandius. Hy befchryft hier zeer naauw- 
keurig de Ryken der oude Perfen of 
Parthen , benevens haare grenffcheidin- 
gen , als ook Medie , Mefopotamie , Ba- 
bylonie, enSeleucie, \wók Sanfon het 
hedendaags Bagdad oordeelt te zyn j van 
de rivier de Tigres , van Arabien , het 
welk hy al vry wel befchryft, van de 
boezem der roode zee enz. van de verfchei- 
de en wonderlyke gedaantens der men- 
fchen. In dit Kapittel heeft hy veele 
zaaken ingelapt, met dewelke zyne na- 
tuurlyke Hiftorifchryvers hem lelyk heb- 
ben mifleid. 

Alhoewel Plinius veele onwaarheden 
(door zyne Auteurcn mifleid zynde ) aan- 
tekent , 



January en February \J\9- 1$ 

tekent , enveele zaakenom de ontelbaare 
menigte zeer duifter voorftelt , moet ech- 
ter een iegelyk kender en Liefhebber der 
goede Letteren toeftaan , dat wy oneindig 
aan 's Mans vlyt en naarftigheid verpligc 
zyn , dewyl wy een ongelooflyk getal 
van koftelyke zsaken en waarheden des 
ouden tyds zouden verlooren hebben , in- 
dien Plinius , (by dewelke veele zaaken, 
die nergens anders te vinden zyn, ver- 
haalt worden) dezelve niet voorde vraa- 
tige eeuwe en roeft der tyden hadde inge- 
zult en bewaart. Bebalven dit , zo is Pli- 
nius zodanig een grooten leugenaar niet 
geweefr. , als zommige onkundige daar 
wel van getuigen. Hy was een opregt , 
eerlyk en deugdzaam Man, en is door 
zyne Schryversen voornamentlyk de Grie- 
ken in zommige gevallen maar mifleid. Ik 
heb in de Griekfche Bibliotheek van Pho- 
tius verfcheidene Auteuren en Griekfche 
leugenaars gelezen , dewelke Plinius ge- 
bruikt heeft : en de groote Jofeph Scali- 
ger fielt vaft , dat aan de natuurlyke Hif- 
torie van Plinius de laatfte hand nog gerf- 
fchaaf geenzins geweeft is, maar dat het 
maar verzamelingen zyn om een Boek 
uit te maaken. 

B 4 Na 



*4 Natuur- en Konft-Kabinet , 
14. 
Na dat Plinius met het zefde Boek 
een flot gedaan heeft aan zyne wereld- 
en aardryks-befchry ving , heelt hy in het 
zevende Boek, dat uit LX Kapittels be- 
ftaat , gehandelt van de menfchen des 
aardry ks, en van haare nationale en by- 
zondere eigenfchappen en wonderlyke 
hoedanigheden, haar verfcheide manier 
van fpreeken , redenkavelen , haar ver- 
fcheide taaien, haare oneindige verfchei- 
dentheid van gedaantens, en wezens of 
aangezigten, van de aanmerkelyke zaa- 
ken der Tartaren , van de monflreufe mis- 
geboortcns , van de voorttelingen der 
menfchen , en haar wonderlyke geboorte , 
aanmerkingen over 't menfchelyk lichaam 
van elk menfch , byzondere en eigene 
gewoontens of aanwenzels, der zelver 
lterk te en raffigheid , van verfcheide krag- 
tige menfchen en vlugge hartloopers , van 
voorbeelden van groote geduldigheid en 
geheugen : Hoe Koning Cyrus alle de 
Soldaten van zyn geheele leger konde 
noemen , en hoe Mïthidates , Koning 
van twee en twintig natiën , elk in haar 
taal in 't openbaar konde aanfpreeken. 
Hoe Sim on en Metrodorus de konft von- 
d:n om alles te onthouden : De lof van 



January en February 1719. 2 ƒ 

Jul. Cafar , die te gelyk fchryven en le- 
zen en een ander voor dicleren konde,. 
en daarenboven diftintl andere aanhooren : 
De lof van Pompejus de groote, de lof 
van Cato de eerfte. Onder de alderge- 
lukkigfte vernuften telt onzen Plinius 
Homerus en Alex ander de groote. Hy ver- 
haalt veel aanmerkelyke zaaken van Pla- 
to , Ennius , Virgilius , Varro en M. Tul- 
lius Cicero. Hoe in deftigheid van zee- 
den by de Romeinen uitgeblonken heb- 
ben Catus bygemamt Corculus, en by de 
Grieken Socrates. Hy handelt van de eer- 
baarheid, van de vroomheid, en hoeda- 
nig Berofus heeft uitgemunt in de Star- 
rekunde , Apoïïodorus in de Grammatica , 
Hippocrates in de Geneeskonft , Archime- 
des in de Meetkunde en werktuig-en 
bewegings-kragtkunde , Ctefphon Gnos- 
fius in de Bouwkunde om de heerlyke 
Tempel van Diana van Ephefen : Phi- 
ion over het toeftellen van een wapen- 
fchuilplaats tot Athenen voor duifend 
fchepen. Ctefebius vermaart in watertuig- 
en parf-kunde , veelderhande wonder- 
lyke Konftftukken, fchilderycn en beelden 
enz. De lof van den Keizer Auguflus , van 
de verfcheide en langfte levenstyden der 
menfehen, van de wonderlyke ziektens 

B ƒ en 



1.6 Natuur- en Konft' Kabinet , 

en fterfgevallen , van de ziel der mcn- 
fchen en de geeften der afgeitorvene , 
van de eerite uitvinders der konilen , 
handwerken , wetenfchappen , konflituk- 
ken, en nieuwe zaaken en nuttigheden. 

Het achtfte Boek beflaat uit LIX 
Kapittels , en handelt van de dieren , 
dewelke het aardryk bewandelen : van 
de olyfanten, haar leerzaamheid, voor- 
zigtigheid , veriïand, geheugen, haare 
twcegevegten j op welk een wyze zy in 
de wilder nifTen gevangen en getemt wor- 
den: van de behendigheid der dieren, 
van de ferpenten , het klein getal van die- 
ren in Tartarien, en van de eigenichap 
van elk land in het voortbrengen van by- 
zondere dieren : van de leeuwen, pan- 
thers, tygers, cameelen, cameloparden, 
van de neushorens , wolven , van de cro- 
ccdil , zee-koe , en een menigte Afri- 
caanfche en iEgyptifche dieren : van He- 
den en volkeren door klein gedierte uit- 
geroeit. Hy verhandelt in dit Boekon- 
telbaare dieren en diertjes, maar zonder 
de alderminfle nettigheid of ordre. 
16. 

Het negende Boek verhandelt in 
LXII Kapittels zeer veel merkwaardige 

zaaken 



January en Fcbruary 1719. */ 
zaaken van de viffen, groot en kleine, 
zee-en rivier-viffen, haar byzondere na- 
tuur, monfireufe grootte , van de fchulp- 
viffen , kwabben , kreeften , en ontel- 
baare foorten van kinkhorens , fchulpen, 
paarlenen water fchatten. Vandepurper- 
Vifch, en by die gelegentheid van de 
verfcheide dierbaare coleuren by de Romei- 
nen gebruikelyk. Van de zinnelyke ge- 
waarwording der viffen, van de zce-grond , 
klip- en zeewater-gewaffen , van de ziek- 
tensderviflen, en derzelver verwonde- 
renswaardige voorttceling. Van de eycr- 
leggende viffen, van het lang leven zom- 
miger viffen , van de viffen dewelke te 
gelyk op het land leven, van de vnend- 
fchap en vyandfehap der viffen. 

Met het tiende Boek befchryft Plimus 7 
in LXXV Kapittelen, de natuur en ge- 
, fchiedeniffe der vogelen, haare verfchei- 
de naamen en hoedanigheden , haar<? 
voortteelingeneyeren, broeying enver- 
eeniging, haare ziektens en genees- mid- 
delen enz., alles zodanig kort, enzoryk 
en overvloedig van zaaken, dat alleen het 
melden van elke zaak een boek zoude uit- 
leveren. 

Het 



2,5 Natuur- en Konft-Kabinet , 

18. ' 
Het elfde Boek is in LIV Kapittels 
verdeelt , en in dezelve handelt onzen 
Plinius van de infeffen, of bloedeiooze 
en kruipende dieren en diertjes. Plinius 
verdeelt dezelve in haare byzondere ge- 
llagten en foorten , en oordeelt dat 'er 
veele verwonderens-waardige en aanmer- 
kelyke zaaken in dit by uitllekentheid 
klein gedierte voor de naauwkeurige be- 
schouwers te ontdekken zyn. Welk een 
beleid en wysheid, welk een kragt , welk 
een onoploflèlyke volmaakte fabryk der 
deelen vertoonen zig in dit nietige en 
kleine gedierte, roept onzen Schryver 
met verwondering uit ! Hoe zoude dien 
voor trefFely ken Romein zig nu wel ver- 
wonderen, indien hy opzag, en ter be- 
fchouwingc kreeg een geheele nieuwe 
wereld van levendige fchepzeltjes, byzy- 
ne Naneven door behulp der vergrootgla- 
zen ontdekt? Hy fpreekt hier op ver- 
fcheide plaatzen van haar geluit en ftem , 
van haare zinnen en gevoelige deelen, 
van haar gezigt, gehoor, reuk, fmaak 
en gevoel , van haar vernuft en konft in 
het weeven van netten ,- toetakelen van 
gebouwen , woonplaatzen en magazynen 
voor haare winter-proi;//^ , van de byen 

en 



January en February 1710. lp 

en haare foorten, van haare ademhaling , 
en van haar bloed en vogten , van de ver- 
fcheide foorten van hooning en wafch , 
haare ziektens en geneesmiddelen , van de 
verfcheide foorten van zy wormen , haare 
wonderlyke fchepzel-vcrandering en zy- 
den, en vorder van veele andere infeüen. 
Ook maakt hy in dit Boek een buiten- 
treding van een vergelykingvandermen- 
fchen ledematen met die der dieren. Van 
de verfcheide foorten van bloed , van de 
melk , kaas , nagelen , klauwen , teel- 
deelen enz. 

ip. 
De voortreffelyken (a) Josephus Pit- 
ton Tournefort heeft aangemerkt, 
dat van alle de oude Romeinfche Schry- 
vers, niemant de Kruidkunde meer ter 
herte genomen heeft als onzen Plïnius' y 
en de groote Natuur kender Gesnerus 
heeft ontdekt , dat Plinius van het twaalf- 
de Boek zyner natuurlyke Hiftoiie tot 
aan het zevenentwintigfte Boek, van de 
planten en gewaflen heeft gehandelt. Het 
twaalfde Boek handelt in XXVIII Ka- 
pittels van de boomen, derzelver waar- 
neming en voortplanting , geflagten en 
foorten , van haare vrugten , gommen , 

har- 
fa) Ifagogt in Rem Herbariam> 



3 o Natuur- en Kon fl- Kabinet , 
harflen, zappen, balzem, oliën, catoc- 
nen, van de ipeceryen, zuiker, welrie- 
kende vogten, bloemen enzaaden. 
20. 
In het dertiende Boek , dat uit XXV 
Kapittels beftaat , handelt Ptinius van de 
zalven, fmeerzels., en de boom-gewafTen 
die aan de zeekanten groeien, van het 
welriekend koninglyk fmeerzel, en van 
de overdaad der ouden omtrent de wel- 
riekende zalvingen en fmeeringen des 
lichaams en der klederen. Paarlen , (zegt 
hy) edele gefteentens en pragtige klede- 
ren worden nog nagelaten aan de erfge- 
naamen 5 maar zalf, fmeerzel , ftrykzel 
verdwynt in de lugt, en die de welrie- 
kende reuken by zig dragen , ruiken die 
door de gewoonte zelfs niet. Hy verhaalt, 
dat zommige zig zodanig lieten met olie 
befmeeren , dat haare voetftappen een 
iterke reuk nalieten , en andere gcvlugt 
zynde uit haare fchuilhoeken , bcklapt 
wierden door de fterke reuk van haar 
befmeerde ledematen en kleederen. Hy 
fpreekt van de verfcheide foorten van 
gommen, en van het papier, dat in de 
poelen van iEgypten groeide j hy ver- 
haalt,dat het papier gevonden is na de ovei> 
winning van Ahxander de Groot, dat de 

blade- 



January en February 171^. $1 
bladeren der palmboomen voor die tyd 
voor fchryf bladeren verftrekten , alsook 
de bladeren van andere boome~ : dat de 
openbaarc monumenten in bladeren van ge- 
klopt lood gefchreven wierden,en zommi- 
ge in daar toe bereid wafch, dat die van 
Pergamen het parkement hebben uitge- 
vonden. Hy fpreekt van de bereiding des 
iEgyptifchen papiers tot fchryf bladeren : 
van de verfcheide foorten des fchryf-pa- 
piers, van derzelver deugden en gebre- 
ken en lymftofFen. Hy haalt 't papiers 
ouderdom veel hooger op , als Varre , 
die daar van gehandelt heeft, en toont 
dat de Boeken van Koning Numa gevon- 
den zyn in fchryfpapier befchreven. Hy 
handelt in dit Boek van verfcheide boo- 
men en heeftere van Afia en Griekenland , 
./Ethiopien , den Atlas, van de boomen 
der roode en Indiaanfche zee , maar alles 
zeer verwart en zonder ordre. 
21. 
Het veertiende Boek handelt , in XXII 
Kapittelen , van de wyngaarden , haare 
geflagten , oeffening , waarnemingen , 
onderfcheid na verfcheide gronden en 
danden , van de natuur des wyns , des- 
zelfs groot gebruik en misbruik. Hy 
vertelt, dat Andrecydes , vermaalt door 

wys- 



$ z Natuur- en Konfi-Kabinet , 

wysheid, aan Alexander de groot fchreef, 
Koning , #/.$• gy wj» z»// drinken , gedenk 
dan^ dat gy het bloed dei aardry ks in- 
Jlurpt. Hy handelt van de volgeettige 
wynen , van de ziltige wynen der Grie- 
ten , van veertien foorten van zoete wy- 
nen, van de waarneming der wyn, en 
van de wynen der ouden en derzelver 
gebruik : van de nagemaakte wynen door 
konit uit zaad , appelen , peeren , palm- 
boomen , bladeren , vrugten > van 't ho- 
ning- water en de meê , van de pikken 
en harflèn om de maften te bewaren , 
van de azyn en wynmoer, van de wyn- 
kelders. De geleerde Andreas Baccius 
heeft een natuurlyke Hiftorie gefchreven, 
van alle de verfcheide wynen en derzel- 
ver bereiding van alle de bekende land- 
fchappen des geheelen aardbodems, een 
boek in folio 't welk tegenwoordig zeer 
raar is. 

22. 

In het vyftiende Boek zyn XXX Ka- 
pittelen , dewelke handelen van de vrugt- 
dragende tamme boomen , van de oly ven , 
het maaken van de oly, van andere ge- 
parfte oliën uit amandelen , laurierbeffen , 
en van gekookte oliën uit gewaflen , 
uit myrthebefTen , uit citroenen, cupref- 

fen, 



January en February 1719. £g 

fen , nooten, cederappelen, en een me- 
nigte andere: van de appelen, perziken, 
peeren, pruimen, vygen, mifpels, kas- 
tanjen, karzen, zappen en andere ontel- 
baare zaaken. 

23. 
Het zefliende Boek , 't welk uit XLIV 
Kapittelen beftaat, befchryft ons de Boo- 
men der boffchadien , de grootte der 
Hercynfche bollenen en wouden , de ei- 
kels, pynappelen, hafel- en okkernoo- 
ten enz. Bladeren, fchorzen, houten enz. 
en derzelver gebruyk tot mifting en 
bouwkunde , maaken van korven , man- 
dens , en huiscieraden en gereedfehappen , 
de verfcheide foorten der busboomen, 
baare lappen , harllen , terpentynen , 
lymftofFen en gommen. 

24. 
In het zeventiende Boek , dat in 
XXVIII Kapittelen verdeelt is, verhaalt, 
de Hiftorifchryver veel wonderlyke en 
aanmerkenswaardige zaaken van de Boo- 
men , van de getempertheid des lugts , 
met betrekking op de boomen , van de 
hoedanigheid der landfehappen in meer- 
der of minder boomrykheid , van de ver- 
fcheide foorten van aarde tot de boo- 
men, de verfcheide kleien en mergels, 

C meft, 



34 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

meft , zout ; van de fnoeying en inenting 
derboomen, derzelverbepleiitering, van 
de gebreken en geneezing der kwynende 
boomen. 

25-. 
Het achtiende Boek handelt ryk en 
overvloedig , in XXXV Kapittelen , 
over de land- en tuin- bouwkunde. Hier 
brengt de Schryver zyn Lezer uit groote 
en wytuitgefpreide boflchadien , in de 
heerlyke en door konlt opgetooide tui- 
nen , tuflchen de rype en nederwaarts 
hangende vrugten , en perken gefchakeert 
met bloemen van alderhande liefelyke 
geuren en coleuren , van honderderley foor- 
ten en gedaante , aangenaame groene 
gewaden en planten , geoeffent tot nut , 
vermaak en gezondheid der menfchen, 
bekranffing en bewierooking der oude 
Heidenfche Afgoden enz. Van daar treet 
de Lezer met eene tred in de gratige wei- 
den by de vette offen , melkkoeien, 
fchaapen , eenden , ganzen , duiven , 
hoenders , paarden , jok-oflen en ander 
tam vee, ploeg, dorsvloer, velden, ak- 
kers beploegt , bezaaid of gekroont met 
rype koornaaren. Op een andere plaats 
heeft hy de lof van het landleven , eii 
welke Korringen , Prinfiên , Helden , 

Velt- 



January en February ijl?. $f 

Veltoverften en Burgemeeftcrs van Ro- 
men daar oeffening en vermaak in gehad 
hebben , en in de landbouw hebben uit- 
gemunt. De gewoonten der oude Land- 
bouwers , het toetakelen der landen , 
hutten, boerehuizen, fchuuren en plaat- 
zen , de bereiding der grond , en mefting 
van land en dieren, de verfcheidentheid 
van koorn-en akker-bouw en landvrugten, 
de koornmolens , de koornvrugten van 
elk byzonder Landfchap. Van het deeg , 
geil , brood , bakken , kooken van de 
tuin-keuken- en peul-vrugten. Wat in 
elke maand op 't land en in de tuinen 
moet in acht. genomen en verrigt wor- 
den , de faizoenen , de waarneming der 
maan , ftarren en winden , en voorteke- 
nen der ftormen enz. 
16. 
Het negentiende Boek heeft maar XII 
Kapittels , en fchynt een aanhangzel van 
het voorgaande , het handelt van het vlas 
en deszelfs gebruik , van de hennep , en 
van de bereiding der tuinen en waarne- 
ming der tuingewaflen. 

■ *7- 
Het twintigfte Boek handelt , in 

XXIV Kapittelen, van de geneesmidde- 
len uit tuin-en keuken- kruiden , en van 
C z de 



5 6 Natuur- en Konft-Kabinet , 
de waarneming der moeskruiden , kon- 
kommers, falaadt, toekruiden enz. alles 
met een onbefchryfelyke kortheid , ryk- 
dom en verandering , aan Plinius overal 
eigen. 

28. 
Behalvcn deze groote overvloed van 
zaaken en natuurlyke fchepzels, vint de 
Lezer , met een aangename verandering , 
't geheele werk doorzaaid met keurlyke 
Outheden en Hiftorien , als by voorbeeld. 
Het eenentwintigde Boek handelt in 
XXXIV Kapittelen van de natuur der 
bloemen, en van die kruiden, bladeren 
en bloemen, dewelke expres gezaaid en 
geplant wierden , om de bloemkranflen 
(by de aaloude in 't gebruik) te fchakee- 
ren. Welke Volkeren eerft de bloemen 
en bloemkranflen op haare feeftdagen 
en heilige fpelen , op de graffteden en 
begraafplaatzen , en by haare huisgoden 
hebben gebruikt , dat dezelve in de plaats 
van boomen met groote kroonen , die 
te voren gebruikt wierden , zyn inge- 
voert. Van de groote overdaad , de- 
welke in die kranffen , door het tufTchen 
invoegen van plat geflagen goude en zil- 
vere bladeren , en het beitryken met wel- 
riekende olie, tot Romen wierd gepleegt, 

van 



January' en February 1719. 37 

van de cierlyke opkwik der met rofen en 
viool en andere bloemen beftikte klede- 
ren , van de geneesmiddelen die uit de 
bloemen gemaakt wierden, en der bloe- 
men en welriekende kruiden medicinale 
kragten. 

Het twee-entwintigfte Boek beftaat uit 
XXV Kapittelen. Het drieentwintigfte 
Boek uit LX. Het vicrentwintigfte Boek 
uit XIX. Het vyfentwintigfte Boek uit 
XIII. Het zesentwintigfte uit XV Ka- 
pittels. Het zevenentwintigfte Boek uit 
XIII. Het achtentwintigile Boek uit 
XX . Het negenent wintigite Boek uit V I. 
Het dertigite Boek uit XVl Kapittels. 
Het eenendertigfte Boek uit XI. En het 
twee-endertigfte Boek uit XI Kapittels. 
In. deze Elf achtereenvolgende Boeken 
fchynt onzen Plinius veel eer een Ge- 
neesheer , als een natuurlyk Hiftorifchry- 
ver. Hy fpreekt van de fappen der krui- 
den, daar de Barbaar fche Volkeren, de 
Sarmaten, Britten enz. haar lichaam me- 
de beftreken ; van de medicinale kragten 
der kruiden en gewaflen elk in 't byzon- . 
der. Van de bereiding der enkelde en 
zamengemengde geneesmiddelen , van 
verfcheide ziektens en gebreken des lic- 
C 3 haams 



3 8 Natuur- en Konjl-Kabinet , 
haams en deszelfs deden, van het gebruik 
der geneesmiddelen in de in- en uitwendi- 
ge ziektens en toevallen des lichaams. 
Van de Geneeskonil der aaloude en eerfte 
Schryvers onder de Grieken en Latynen, 
over de kragten der geneesmiddelen , van 
de beeten der ferpenten en dolle honden. 
Hy verhaalt, dat in Duitlchland aan 
deze zydc des Ryns, na de zeekant een 
Bron was , daar de Soldaten van 't Leger 
van Germanicus uit drinkende , binnen 
twee a drie jaaren de tanden van uitvie- 
len, een ziekte by ons onder de naam 
van Scheurbuik maar al te wel bekent. 
Hy verhaalt,dat het zekerfte geneesmiddel 
was het Her ba Brittannica , en dat de Frie- 
fen^ die in de Romeinfche Legers waren , 
dit kruid en deszelfs gebruik aan de Ro- 
meinen leerden. Hy'fprcektvanverfchei- 
de ziekten haare naamen, en wanneer 
zommige van dezelve haar onder 't men- 
fehelyk geflagt hebben beginnen te open- 
baren , by welke volkeren eerft ontdekt , 
en op welk een wyze zy van 't eene land 
in 't andere zyn overgebragt door be- 
fmetting enz. Van de lof der eerfte en 
vermaartfte Geneesheeren , van Hippo- 
crates , Diodes , Caryfieus , Praxagoras , 
Chryfippus, Erafejlratus , Herophilus , van 

Jfcle- 



January en February 171$. $9 
Afckpiades, die ten tyde van de groote 
Pompejus een nieuwe Geneeskonft ftigte , 
dewelke in exercitie des lichaams, ftry- 
king der ledematen, en foberheid van 
leven beftond, verbiedende het gebruik 
van meeft alle inwendige geneesmiddelen. 
Hy handelt van de geneesmiddelen, de- 
welke haar oorfprong hebben van de 
dieren van alderlei foort en derzelver 
deelen. Hy toont, dat de Geneeskonft 
in de Trojaanfche oorlog , maar meeft de 
Heelkonft in gebruik is geweeft, en van 
die tyd af tot aan de Pcloponefche oorlog in 
een duiftere nagt is geweeft , en alleen be- 
kent by de Tempelpaapen van Efculapius y 
Afclepiades genaamt. Dat Hippocrates ( uit 
deze Sociëteit af komftig) haare geneesre- 
gelen, waarnemingen en geneesmiddelen 
der ziektcns heeft uitgefchreven , en tot 
Athenen en in geheel Griekenland door 
zyne Schriften dezelve heeft bekent en 
openbaar gemaakt. Hy fpreekt van de 
oorfprong der Toverkonft, dat dezelve 
uit de Geneeskonft en Wiskonft is ge- 
boien, en van derzelver uitvinders, en by 
welke volkeren dezelve mèeft is geacht 
geweeft. Hy handelt van de geneesmid- 
delen uit zeegewaflen en vifTen , van de 
kragtenvanverfcheide wateren, van veel 
C 4 wonder- 



40 Natuur- en Konft-Kabinet , 

wonderlyke en medicinale fonteinen en 
bronnen. Van verfcheide foorten van 
zouten , en hy haalt zo ontelbaar veel 
zaak en overhoop , en alles zo zeer door 
malkander geflingert , dat overal zyne 
onkunde van de waare geneeskonll door- 
fieekt. Hy befchryft alles na de opinie , 
dewelke de onkundige menfchen van de 
Geneeskonll hebben , of alle die zich zelve 
inbeelden, dat de geneeskonlt beilaat in 
de kennifle der remedien\ daar deze zo 
genaamde kennifle maar een veiachtelyk 
deel van de geneeskonll is , en by de minfte 
Apothekers jonge in een jaar geleert kan 
worden. De Geneeskonll kan niet ge- 
leert worden uit de boeken alleen 
van de Geneesheeren , dewyl een en de 
zelfde ziekten door ontelbaare omllan- 
digheden, zelfs in een en zelfde menfch 
voorvallende , alle ogenblikken dikwils 
veranderen ; en deze verandering moet 
de Geneesheer kennen en ontdekken, door 
't opfpeuren van de veranderende om- 
Handigheden, dewelke hy nimmermeer 
opfpeuren zoude, als hy niet door dienfl- 
baare wetenfehappen onderwezen , alle 
de zaaleen in de grond onderzogt hadde , 
die magtig zyn deze veranderende om- 
ilandigheden te vcroorzaaken. Als een 

Ge- 



January en February I71P. 41 

Geneesheer de veranderende omftandig- 
heid ontdekt heeft , en na de omftandig- 
heid ook zyn geneeswys verandert en 
fc hikt , is niets zo gemakkelyk voor hem, 
als het medicament of 't gereedfchap te 
vinden, want dat weet de minfte Apo- 
theker wel. Maar al word dit duizend- 
maal aan de menfchen beduidt ( die bui- 
ten dezedwaaze opinie anders dikwils zeer 
wys zyn ) vallen zy altyd weer op haar 
oude opinie , dat de geneeskonft is de ken- 
niflè der recepten en kwakzalvers reme- 
dien. 

30. 
Het dricendertigfte Boek handelt , in 
XIII Kapittels, van de natuur der Me- 
talen , en eerft van het goud. Och roept 
Plinius uit , konde doch het goud uit 
het gebruik gebragt worden ! wat leef- 
den^ vervolgt hy , de menfchen in voo- 
rige tydcn gelukkig, en doe zy tentyde 
der oude Trojanen de goederen en waa- 
ren tegens malkanderen ruilden. Hy heeft 
een vervloekt Huk begaan, die de eerde 
goudc ring aan zyn vinger Hak. Goude 
ringen te dragen , zegt hy , is van de Grie- 
ken by ons overgewaait, het is zeer lang 
geweeft, dat zelfs de Senaat van Romen 
niet gewoon was goude ringen te dragen , 

Cf niet 



42, Natuur- en Konft-Kabinet , 

niet als die in een Gezandfchap gezonden 
wierd was dit toegedaan, zodanig een 
wierd een goude ring in 't openbaar ge- 
geven. Hy verhaalt de oorfprong der gou- 
de kroonen , en wanneer het goud , zil- 
ver en kooper eerll tot gelt-fpecien ge- 
munt zyn. Hy zegt , dat in zyn tyd 
het goud gevonden wierd in de groote 
vloeden, in de Taag van Spanjen, in de 
Po van Italien , in de Hebrus van Thra- 
cien, in de Paclolus van Afien, en in de 
Ganges van Indien. Die het vergaderde , 
fchepte het zand van de gronden der vloe- 
den , en fpoelde het zelve zagtjes af, op 
een wyze dat het goud overbleef. Hy 
verhaalt , dat onder de regering van Ne- 
ro ^ een groote menigte goud na boven 
uit de grond in Dalmatien wierd uitge- 
worpen , en dagelyks gevonden , en dat 
uit de onvrugtbaare bergen van Spanje 
goud wierd gegraven. Hybefchry ft de- 
ze mynen , en het bereiden van het goud 
uit zyn minerale aarde en onreinigneid. 
Hy zegt dat het meefte goud in Aftu- 
rien , Gallicien , en Lufitanien of Portu- 
gaal gevonden wierd : en dat in de goud- 
mynen de Chryfocoïïa gevonden word, 
dewelke van een vogt , door de goud- 
aar heen vloeiende , in een fteenagtige har- 

digheid 



January en Yebruary 171 9. 4$ 
digheid ftremt. Zy word ook gevonden 
in de zilvere lootmynen, maar ilegterals 
die in de goudmynen groeit. De Chry- 
focolla word ook door konft voortgebragt ; 
zy werpen de geheele winter door water 
in de goud-ader tot de maand Juny door, 
en als dit in July en Auguflus is wegge- 
dampt, haaien zy deze Chryfocolla uit, 
die minder deugdzaam is als de natuur- 
lyke , en geel van coleur. Zy ftampen , 
ziften en maaien dezelve j zy fmelten ze 
in azyn , waffchen en droogen ze, en 
vermengen daar onder en koleuren ze met 
het kruid lutea , Alumenfchiflum en Aluin. 
Hy verhaalt de verfcheide foorten van de 
Chryfocolla ,en haar verfcheide bereiding, 
haar medicinaal gebruik , en dat de goud- 
fmeden de zelve gebruiken om het goud 
tefoudeeren. 

Het zilver , zegt onzen PUnius , word 
nergens gevonden , als in de mynen , en 
nooit zuiver, gelyk zomtyds wel het goud. 
Deszelfs mineraal-aarde is of roodagtig of 
asgrauw, en het laat zig niet uitzyn mi- 
neraal-aaxde uitfmelten , als door behulp 
van loot of \oot-mineraal-zarde. Hy ge- 
tuigt , dat het zilver in zeer veel lan- 
den wierd gevonden , maar meelt en zui- 

verft 



44 Natuur- en Konfi- Kabinet ■> 
verft in Spanje op dorre , klippige en 
bergagtige gronden. Hy verwondert 
zich , dat deze Spaanfche zilver-mynen 
zo oud zyn, dat zy al van de tyden van 
Hannibal zyn geopent gevveeft, en nog 
haar zelfde naamen vanhaare ontdekkers 
dragen j onder dewelke , zegt hy, is nog 
een berg werk hedendaags, dat Bebelo ge- 
naamt word, dewelke voor Hannibal da- 
gelyks driehonderd ponden zilver bezorg- 
de. Hy verhaalt , dat de reuk , uit die 
zilvermynen koomende, nadeelig is aan 
meelt alle dieren, en voornamentlykaan 
de honden. Hy fpreekt ook van een 
{leen, dewelke in de mynen gevonden 
word, die kwikzilver uitlevert, dit zal 
de natuurlyke cinabet of vermilioen zyn. 
Hy fpreekt van verfcheide mineralen , 
dewelke in de zilvermynen gevonden 
worden, en van derzelver gebruik. 

Plinius getuvgt ook , dat de menie in 
de zilvermynen gevonden wierd, dat de- 
zelve by de aaloude Romeinen voor zyn 
tyd in haare heilige oeffeningen en feeft- 
vieringen gebruikt wierd , dat zy op haa- 
re feeften het aangezigr. van het beeld van 
Jupiter met menie beitreeken , gelykook 
de lichamen van de zegepraalende Velt- 

hce- 



January en February 171 9. 4'f 

heeren , dat zelfs Camillus op deze wys 
hadde gezegepraalt. Hy verhaalt uit 
ïheophraftus , dat de mw'e eerft gevon- 
den is van Callia van Athenen, dewelke 
daar goud uit meende te kooken. PU- 
mus maakt tuflchen de Cinaber of menie 
geen onderfcheid als in foorten, dewyl 
hy de dingen , dewelke hy zelfs niet kent, 
dikwils befchryft. 

33- 
Als wy aanmerken , dat de meefle 

halfbakke geleerde veele dingen voor 
nieuw aanzien , of onlangs of van de 
nieuwe wereld of ten miniten over eeni- 
ge weinige eeuwen gevonden, zal het 
de moeite wel waardig zyn , dat wy baar 
aanraden om Pïinius te lezen, dewyl die 
Schryver haar beter onderrichten zal. 
In dit zelfde boek (preekt hy van de fpie- 
gels van metaal^ van de verfcheide wy- 
zen , op welke zy geilepen zvn, van de ver- 
groot- fpiegels, van de holgellepene en 
uitpuilde fpiegels, van de drinkbekers, 
die van binnen als fpiegels geilepen, aan 
de gene dewelke daar in zas verfcheide 
uitbeeldingen vertoonden. Dat 'er zelfs 
uitgevonden waren,dewelke monfters ver- 
toonden. Hy befchryft de verfcheide ge- 
daantens dezer fpiegels , en als ook de 



ipie- 



4<S Natuur- en Konfi-Kabinet , 
fpiegels uit gemengt metaal. Hy zegt 
dat ten tyden van de grooten Pompejus , 
Praxiteles de eerfte was, dewelke deze 
fpiegels van zilver maakte. Hy verhaalt 
ook de onmetelyke pragt , die door de 
fpiegels met edele gefteentens , goud , 
zilver enz. vertoont wierd; van de on- 
uitfprekelyke rykdommen der Romein- 
fche Grooten en Burgers, van de zilve- 
re vaten, en de geduurige verandering 
van de mode omtrent dezelve. Vanhaare 
verfcheide tafelen , dcrzelver pragtige toe- 
Hel, en dat zommige zelfs de vaten, daar 
zy de fpys in lieten kooken, van zuiver 
zilver hadden. Van de levensgroote 
praalbeelden van zilver. Hy fpreektvan 
verfcheide fchoone verwen, die in de 
goud- en zilver-mynen gevonden wor- 
den, als de lazuur fleen^ daar wy de «/- 
tramarin uit maaken. Het welk hy aan- 
wyit, datby de oude ook al gefchiedeen 
bekent is geweeft , als ook deszelfs ver~ 
fcheide foorten , en dat de fchilders het 
gebruikten om de fchaduwe van het licht 
teonderfcheiden. Dat het beproeft wierd 
in 't vuur, dewylhet zomtyds vervalfcht 
wierd door blauw vioolzap en kryt. 

34- 
Het vierendertiglte Boek is uit XVIII 

Ka- 



January en Fehruary 1719. 47 
Kapittels te zamengeftelt , en handelt 
van de Metale en Minerale aarde, van 
koper, yzer, loot en tin. Het koper, 
zegt Plinius, word uit de myn uitge- 
graven en gezuivert door kooking , en 
word ook van een koperagtige fleen ge- 
maakt, dewelke cadmia genaamt word. 
Het word overvloedig gevonden in Afia , 
en voor dezen in Campanien , nu by on- 
zen tyd, zegt hy, aan de uiterfte gren- 
zen van Italien, en na 't gerugt gaat, 
nu onlangs ook in Duitfchland. In geen 
zaak van de Natuur , dewelke Pïinius be- 
fchreven heeft , is hy zo gelukkig ge- 
weeft. , als in de Befchry ving der Meta- 
len en BergftofFen, en het fchynt of hy 
veele bergiloffen zelfs onderzogt heeft. 
Ik zoude myn Lezer hier veelinkonnen 
onderrichten van de foorten der cadmia , 
van de natuurlyke cadmia of cobolt , en 
van de gemaakte cadmia uit de kooking 
des koopers voortgebragt , als ook van 
ontelbaare zaaken, dewelke hier in zou- 
den te pas koomen j dog dewyl ik maar 
een uittrekzel maak , om een ruuw 
denkbeeld van een natuurlyke Hiftorie te 
geven , zal ik zulks fparen tot dien tyd , 
afë ik elk natuurlyk zamenftremzef or 
Schepzei zelfe befchryf , en een Hiftorie 

der 



4$ Natuur- en Konfi- Kabinet , 

der natuurlyke wezens zal mede deelen, 
met die omrbmdigheden en hoedanighe- 
den, als de zaaken ons van tyd tot tyd 
door naauw keurige onderzoekers , en 
volgens haar waaragtige en bekende na*- 
tuur zyn bekent geworden. 

Daar is veel aangelegen , dat een Ge- 
fchiedenisfchryver van perzonen, zaaken 
en daaden, door dewelke eigentlyk het 
Gemeen een Hiftorilchry ver verftaat, de 
perzonen en zaaken niet verkeerdelyk , 
maar zodanig befchryft,als zy ge weeft zyn; 
en de zaaken en daaden verhaalt , gelykzy 
gebeurt zyn ; op dat een iegelyk in de Re- 
geerkonft,als ook in Oorlogs-bedryf en 
Vrede, insgelyks in de verklaring zom- 
miger Wetenfchappen en Geleertheden 
enz. zig nuttiglyk van dezelve zoude kon- 
nen bedienen , en uit voorgaande uitkom- 
iten leeren, wat hem te myden of na te 
volgen ftaat enz. Maar inderdaad Lezer , 
daar is veel meer aangelegen , dat een 
Hiftorifchryver van de Natuur en natuur- 
lyke fchepzelen zeer naauwkeuriglyk y 
zeer voorzigtiglyk en zeer getrouwelyk 
de natuurlyke wezens befchryft, gelyk 
als zy waarlyk zyn , en dat met zo veel 
omftandigheden , dat onze Nakomelingen 

de- 



January en February lyip. 49 
de zelve uit dit waaragtig en omftandig 
berigt zodanig leeren kennen , dat zy niet 
het eene voor het andere neemen , gelyk 
nu meer als vier eeuwen lang gebeurt 
is, in dewelke de Schryvers gedurig in 
haare fchriften met malkander hebben 
moeten twiften , welke deze of een andere 
zaak eigentlyk was , dewelke de Oude; 
met deze of een andere naam hebben be-i 
tekent. De meelte Oude , of niet naauw- 
keurig genoeg , of op vertelling van an- 
dere geruit geweeft zynde, hebben aan 
veel zaaken naamen gegeven, dewelke 
met alle de eigenlchappen van de zaaken, 
daar wy dezelfde naamen aan geven, geen 
of weinig gemeenfchap hebben. Zy 
hebben buiten alle twyfel geoordeelt , 
dat de zaaken , die zy noemden en be- 
fchreven , al te bekent waren , en al te 
gemeen , om der zelver hoedanigheden en 
eigenfchappen naauwkeuriger te befchry- 
ven. En zulks heeft haar duifter, en haa- 
re Nakomelingen ongelukkig gemaakt ; 
want zo haaft als een Natie door opkoo- 
mende barbaarfche Volkeren verwoefl 
word, geraakt de overleveringe der Kond- 
en Natuur- kennis allenskens weg , door 
inbreuk van onkunde , vremde taal en ma- 
nieren. Als dan de Nakomelingen dik- 
D wils 



f o Natuur- en Konft-Kabinet , 

wils duizend jaaren daar na uit de barbaar- 
fche duifternifTen weer allenskens weder- 
om licht beginnen te krygen, moeten zy 
alle haar trooft in de overgeblevene boe- 
ken zoeken , en als de zaaken daar niet 
omftandig genoeg befchreven zyn , kon- 
nen zy dezelve uit die magere befchry- 
ving niet leeren , en de naam kan haar 
geen 'dien ft doen, dewyl de taal by de 
menfehen verloren en dood is. 
36. 
Dewyl de Natuur de Schatkift is, en 
de natuurlyke fchepzels de fchatten zyn , 
daar de Konften en Handwerken uit moe- 
ten voortkoomen, moet alles verloren 
gaan , als de kenniffe verloren is van de 
natuurlyke fchepzelen. Neemt tegen- 
woordig tot uw voorbeeld geheel Africa , 
dat nog zo onlangs zo vol konften en 
wetenfchappen was, geheel Griekenland 
en de landen der Oofterfche Chriften 
Heerfchappyen , dan zult gy my klaar 
genoeg verftaan. Door 't verlies van de 
kenniile van een natuurlyk fchepzel, kon- 
nen dikwils vyfentwintig en meer zo 
konften als handwerken verloren gaan , 
gelyk ik na dezen u klaarlyk zal too- 
nen. 



37. Het 



! 



January en February ïjip. fi 

37- 
Het Kooper word ook gekookt , zegt 

Plinius in het zelfde vierendertigfte 
Boek , uit een andere Heen , dewelke zy 
Chalcitis noemen in Cyprus, daar de al- 
dereerfte uitvindinge van 't kooper is ge- 
fchiet. ( Verftaat nu opmerkende Lezer 
door deze Chalcitis de koperryke kei Heen.) 
Na de ontdekking van 't kooper in Cy- 
prus verhaalt Plinius , waar zulks van tyd 
tot tyd naderhand meer ontdekt is ge- 
worden, en hy befchryft veelderhande 
foorten van kooper , en metalen door 
kooper gemengc", ook veel gebruik en 
huiscieraden van kooper. 

Hy verhaalt , dat de Aaloude voor zyn 
tyd een groote pragt in 't kooper hebben 
vertoont, dat haare drempels en andere 
zaaken van haare Tempels van louter koo- 
per , de daken met kooper gedekt , en 
de Capitelen der columnen van kooper , en 
dat zelfs by particulieren in haare huizen 
geheele koopere deuren wierden gevon- 
den. Dat de drievoudige ruihbanken of 
triclinia^ om aan de eettafel mede te leg- 
gen eeten, van kooper waren, dat de 
fchenktafeltjes en zilvere fervies-tafeltjes 
of de Abaci uit klink klaar kooper befton- 
D z den, 



fz Natuur- en Konfi-Kabinet^ 

den , en dat haare eenvoetige tafels ( ',:io- 
nopodia) van gedaante als onze heden- 
daagfe thee-tafels, van kooper waren. Dat 
haare drievoetige tafels , dewelke zy de 
tafels van Delphos noemden , uit louter 
kooper beftonden j dat zy boven dit 
alles ter zyner tyd groote hangende 
kandelaars , gelyk onze kerkkrooncn , 
in haare kerken van kooper hadden, waar 
van zommige gemaakt waren als vrugt- 
boomen , die met haare rype appelen ftcn- 
den te pronken. 

PUnius verhaalt , dat het eerde praal- 
beeld van kooper, dat tot Romen gezien 
is, een beeld van de Graangodin Ceres 
was, dat de aaloude van wafch en andere 
harftagtige ftoffen haare beelden plegen 
te maaken, en met goud te bedekken. 
Hy verhaalt om welke reden eerft beel- 
den opgerecht zyn voor menfehen , en dat 
de Overwinnaars in de Olympifche Feeft- 
fpelen eerft in praalbeelden wierden uit- 
gebootft , en de oude Aiheniers haare 
Alleenheerfchers eerft beelden hebben op- 
gerecht. Dat het eindelyk zo ver is 
verfpreit, dat zelfs de markten der fee- 
den, die maar deel aan 't Roomfche Bur- 
gerrecht hadden , met praalbeelden op- 
ge- 



January en February ijip. ei 
gepropt v/ierden, op welker voetftukken 
de lof der afgeflorvene te lezen ftond. Dat 
ceze mode voortkruipende, eindelyk ovcr- 
floeg in de huizen der particxliereeagrao- 
te Heeren , welker voorhuizen en voor- 
zaaien met praalbeelden wierden opge- 
tooit door de gene, dewelke haar hof 
by haar poogden te maaken. Hy ver- 
haalt , dat de Grieken haare beelden meelt 
naakt vertoonden, maar de Romeinen 
gekleed , dewelke zy tot onderfcheid ge- 
taobaarde beelden noemden. Hy ze<*t 
dat in zynen tyd op alle plaatzen de flS- 
aen knelden van beelden , hy fpreekt 
van verkhcideCeloJen en beelden als to- 
rens Van de veiicheide opfehik der 
beelcen, en welke verfcheide zaaken zy 
oaar mede vertoonden. Van veel praal- 
beelden, dewelke veel beroemde Man- 
nen, wier daaden en roemruchtige ver- 
richtingen hy aantekent, ter zyner tyd ver- 
beeldacn. Hy zegt , dat de konft van beel- 
den vanleemofbeilag ( dewelke de Grie- 
ken Plaftice noemden ) te boetzeeren , 
ouder als de Beeldhouwers-konfr. was. 
Hy telt op de allerroemruchtigfte Beeld- 
houwers als Lyftppus , en deszelfs leerling 
Chares Ly.sdms , dewelke de Apollo of 
Lotojffus van Modus van zeventig ellen of 
P 3 cubiti 



ƒ4 Natuur- en Konjl-Kabinet , 
cubüi hoogte had gemaakt. De duim 
van deze Colojjus , die door een aardbeving 
ter neder gevallen was , konde van een man 
naauwelyks omvademt worden. Behal- 
ven deze groote Colojfus waren in de zelve 
ftad nog hondert kleine ColoJJen. Hy 
roemt ook Bryaxis , maakervan vyf ver- 
maarde beelden der Goden . Hy roemt Sp. 
Carnilius en Decius. De Prins van zyn 
tyd, zegt hy, was Zenodotus^ beroemt 
door zyn beeld van Mercuur , daar hy 
tien jaaren aan gearbeid hadde. Hy telt 
in het achtfte Kapittel van dit Boek op 
driehondert en zesenzeitig beroemde 
Beeldhouwers , fielt elk in zyn levenstyd, 
en verhaalt haare konflftukken , dewelke 
ik mede zal deelen , als ik na dezen van 
de beeld- giet- boetzeer- en houwkonfl 
fpreek. Hy befchryft veelderley ver- 
menging der Metalen om beelden van te 
gieten. 

40. 
Dewyl Plinius op het Eiland Cyprus 
en overal de kooper- en metaal-imclüng 
zelfs heeft wezen onderzoeken en be- 
fchouwt heeft , is het de moeite wel waar- 
dig om hem daar over te hooren. Daar 
zyn veel foorten , zegt hy , van Cadmia- y 
want de fteen , daar 't kooper uit gekookt 

word , 



January en February 17 ip. ff 

word (als hy te voren gezegt hadde ) 
wierd Cadmia gemzmt. Wanneer deze, 
zegt hy , door 't vuur en de fterke wind 
geimoken word , vliegt het alderfynfte 
gedeelte van deszelfs ftof aan de binne- 
wanden en hoeken van 't fornuis } het al- 
derfynfte en lichtfte van alle vliegt tot 
in de mond van het fmelt-fornuis , en 
word Capnitis genaamt of wit niet , dat 
aan de opperfte dekking van 't fornuis 
blyft hangen ; wat laager als de Capnitis 
noemden zy Botrytis oltutia, \ en de der- 
de foort, dewelke zo hoog nietopryzen 
kan , maar aan de wanden der fornuizen 
hangen bleef , noemden zy Placitis, dat 
als een korft zig vaft bakte aan de pot- 
ten. Uit deze, zegt hy, vloeyen noch 
twee andere foorten , namentlyk 1 . Ony- 
chitis , van buiten blauwagtig en van bin- 
nen witagtig, een fteen gelyk. En 2. 
Ofiracitis , die geheel zwart is, en zeer bros 
met aarde gemengt , en de flechtfte van 
vyf foorten. Hoewel onzen Plinius de- 
ze zaaken wat verwart befchryft, gelyk 
ik , als ik van die zaaken in de koper- 
fmeltingen en bereidingen handde , na- 
der zal toonen , moet ik echter belyden, 
dat hy veel hedendaagfe Schryvers be- 
fchaamt. 

D 4 Hy 



ƒ6 Natuur- en Konft-Kabinet , 

41. 
Hy fpreekt van de bloem des koopers 
zelfs , daar onze hedendaagfe Schryvers 
ook kragtig in dwaalen. Zy noemen (in 
Cyprus ) de bloem des koopers , zegt by, 
wanneer het gefmolten kooper ( in andere 
fornuizen overgegoten zynde) door ge- 
duurig blazen daar uk fprenkelen druppels 
als gerft-korreltjes , die zeer rood zyn. 
Hy fpreekt ook van de kooper- fchubbet- 
jes , dewelke afvlogen , als het kooper aan 
malkander geflagen wierd , door dewel- 
ke , zegt hy , de bloem des koopers hier 
in Romen word vervalfcht. Daar zyn 
noch een foort van kooper-fchubbetjes , 
zegt Plinius , dewelke zy flomoma noem- 
den, anders kooper bruin genaamt. Hy 
verhaalt ook, op welk een wyze het 
fpaanfch groen of koperroeit door azyn , 
door droefem van de wynpers enz. van 
't kooper gemaakt wierd. Hy fpreekt 
van zeer veel andere bergftoffen , dewel- 
ke in de kooper-mynen gevonden worden 
in zulk een menigte , dat wy een geheel 
boek zouden moeten fchry ven, om die al- 
le byzonderlyk te melden. 

42. 
Het is zeer aanmerkelyk , dat de Griek- 
fche Diefcorides meefl alle deze zaaken op 

de 



January en Fehruary 171 9. 5*7 
de zelfde wyze befchryft, en zommige 
veel naauwkeuriger als onzen Plinius. 
Zommige geleerde lieden zyn van gedach- 
ten , dat Plinius deze meéfte zaaleen uit 
Diofcorides heeft gefchreven ; maar Sol- 
majius , een groot voorvechter van de 
oprechtheid van Plinius^ ontkent dit , om 
dat Plinius Diofcorides nergens noemt, 
en anders altyd zyne Auteur en melt. An- 
dere geleerde zyn van gedachten , dat zy 
beide een en de zelveSchry vers hebben ge- 
bruikt en uitgefchreven , ik zal de queftie 
daar laten , maar op zyn tyd klaar toonen 
uit onwederfprekelyke Hukken, hoeda- 
nig het met deze zaak gelegen is. 

43- 
Onzen Schry ver van de berguof , daar 

't yzer uit gekookt word, fprekende, 
zegt , dat byna in alle de deelen des we- 
relds yzer-aai de gevonden word. Dat in 
het yzer een groot onderfcheid gevonden 
word , zo ten opzigte van de grond als 
lugt daar het groeit. Hy haalt van het 
yzer veel overhoop , dat ik ter zyner tyd 
in eenandere ordre en klaarder zal mede 
deelen , en in dit uittrekzel zal overllaan j 
gelyk ook van het loot en deszelfs ver- 
Icheide foort, en 't tin en de bergftof- 
fen , die daar gemeenfehap mede heb- 
D f ben 



ƒ8 Natuur- en Konft- Kabinet , 
ben, dewyl Plinius door zyn ontelbaare 
overvloed van zaaleen en uhilekende 
kortheid zyn achting by myn lezer zoude 
verliezen, als 'ik alles vüde uittrekken 
in de ordre, als hy gefchreven heeft. 

44- 
Het vyfendertiglie Boek van Plinius 

handelt, in XIX Kapittels, de lof van 
de Schilderkonft , deszelfs vermaarde 
Konftftukken, en vande beroemtfte Schil- 
ders, mitsgaders van de verfftofFen. On- 
zen Schry ver verhaalt , dat de Romeinen 
zo verlekkert waren op de verfcheide 
coleuren en aderen der marmerfteenen , 
dat zy door de Schilderkonft lieten ver- 
vullen , daar de natuur in de gecoleurde 
marmers en ilecnen te kort kwam ; en 
dat dit marmeren onder de regering van 
Claudius uitgevonden wierd. Hy befchryft 
de outheid en verfcheidentheid der Schil- 
derkonft , zo der aaloude als van zyn tyd , 
en veelefoorten van uitbeeldingen. Waar 
uit de Lezer merken kan , dat hy overal 
de hiftorie der natuur en de hiftorie der 
konften tragt te paaren. 

4f- 
De iEgyptenaars, zegt onzen Schry- 

ver, geven voor, dat zesduizend jaar 

voor de Grieken , de Schilderkonft al by 

haar 



January en February 171 p. j"9 
haar gevonden zoude zyn , maar dit is 
wiltzang zegt Plinius. De Grieken roe- 
men, dat dezelve gevonden zoude zyn 
tot Sicyon ( dit is een hoofltad van een 
klein landfchap gelegen tuffchen Corin- 
then en Achajeri). Andere getuigen tot 
Corintheh zelfs , maar inderdaad de oor- 
fprong is onbekent. De oude vertellen , 
dat zy de fchaduwe van een menfch eerft 
met linien omhaalden , en dus de Schil- 
derkonft vonden , en naderhand deze li- 
nien met coleuren vulden. De uitvinding 
van de linien word toegefchreven van 
zommige aan Philocles de ./Egyptenaar, 
en van andere aan Cleantes van Corinthen. 
Maar Cleophantes van Corinthen heeft 
uitgevonden deze linien te coleuren. Hy 
fpreekt van eenige beelden , dieterzyner 
tyd van deze Schilders tot Romen gezien 
wierden. Hy melt ook , dat de Schiider- 
konft mede al vroeg tot Romen wierd 
geoeffent , dat de oude familie van de 
Fabien haar toenaam van de PiBoren door 
de Schilderkonlï hebben verkregen. Dat 
de Prins van die eernaam zelts de tempel 
des Heils heeft uitgefchildert in't CCCCL 
jaar van de bouwing van Romen, en dat 
deze fchildery by Plinius tyd nog overig 
was. Na dezen , zegt hy , was zeer ver- 
maart 



6 o Natuur- en Konjl-Kabinet , 

maart de fchildery van de Dichter Pacu- 
•vius ( dit zal de Treurfpel-Dichter P^^ »- 
vius geweefl zyn ) de Zufters zoon van 
den Dichter Eunius. Plinius verhaalt, 
dat Turpilius een Roomfch Ridder ook 
zeer beroemt was, en dat hy met de lin- 
kerhand fchilderde,'t welk nooit voor hem 
gezien was. De groot ibc Printten van Ro- 
men oeffenden de Schilderkonft , als 
A. L. Pr<eiorius , en GKPedius Neef van 
Auguftus, door bevel van den Keifer , om 
dat hy Hom geboren was. Hy verhaalt , 
dat de Roomfche Veldheeren haare over- 
winningen lieten uitfchilderen , en in 't 
Capitool ophangen. J. Cafcr , M. Agrippa 
en Auguftus hebben de Schilderkonft tot 
Romen zeerbegunftigt, als ook Tiberi,:s. 
46. 
Onzen Plinius fpreekt wyd en breed 
van de verfftoffen , en verdeelt dezelve 
in natuurlyke en door konft gemaakte 
verfftoffen : onder dezelve noemt hy de 
menie , de armenie , de cinaber of vermi- 
lioen , de chryfocolla of het berg- of fteen- 
groen , de indicum purpurijfum ( dat een 
purperlak der oude wasj de fi.iopis dat is 
menie van de Stad Sinope , roodaarde , 
faratoniu'ut , melin;:m , eretria , auripig- 
ment , oker , ceruis , fandaracha tr\/r..:d;;^ 

dat 



Jmmry en February 1719. 61 

dat beide foorten van auripigment zyn, 
Scyrifche inkt.. De plaatzen, daar deze 
verfftoffen of gegraven of gemaakt wor- 
den , benefFens haar verfcheide foorten , 
zyn mede by onzen ftofryken Schry ver te 
lezen. Hy befchryft de medicinale krag- 
ten dezer verfftoffen , en de bereiding van 
veele andere uit roet , uit gebrand elpen- 
been , van verfcheide verf-aardens , en ge- 
maakte verfftoffen. Hy telt een groote 
menigte beroemde Schilders enKonftuk- 
ken op , en de ftryd van verfcheide Schil- 
ders om het meefterfchap, de bekende 
Hiltorie van Zeuxis, dewelke de vogels 
bedroog , en van Parafius , die Zeuxis 
zelfs bedroog. Hy zegt , dat Pamphilus 
van Macedonien de eerfte was , die de 
geleerdheid by de Schilderkonft voegde, 
en voornamentlyk de Rekenkonft en 
Meetkonft , hy onderwees niemand als 
voor een talent in de tien jaar, welk leer- 
geit aan hem betaalt hebben Apelles en 
Melanthius. Ên door zyn authoriteit 
heeft de Schilderkonft in Griekenland 
zo doorgefteeken , dat dezelve onder de 
eerfte trap der vryekonften , in dewelke 
zy de kinderen onderwezen , geftelt 
wierd. 

Jpelks , 



6z Nat uur- e ;i Konfi- Kabinet , 

47- 

Apeïïes, zegt Plinius, is emdclyk op- 
gekomen, en heeft alle, dewelke voor 
hem geleeft hebben , en die hem volgen 
zullen, overtroffen. Hy leefde indehon- 
dert en twaalfde Olympiade, en heeft over 
de Schilderkonfl gefchreven. • Hy ver- 
haalt dat de Schildery , daar de /yne linien 
van Apelles en Protogenes om ftrytin ge- 
fchildert waren, van hem zelfs nog ge- 
zien was in 't Paleis van Cafar. Hy ver- 
haalt de gemeenzaamen ommegang, die 
Apeïïes met Alex ander de Groot gehad 
heeft , en hoe veel eer Apclks van die 
Vorfl genoot. En Plinius melt veel be- 
roemde konftftukken van Apelles , dewel- 
ke by zyn tyd nog bekent waren. 
48. 

AriflidesvmT'hebcn word gelykgeftelt 
met Apeïïes, om dat hy de eerfte is geweeft, 
die de neigingen en zigtbaaic werkdaa- 
den van des .menfehen geeft, de driften en 
beroertens en kalmte der ziele , met co- 
leuren en trekken wilt uit te drukken, 
maar zyn coloryt was wat weerbarltigcr 
als dat van Apeïïes. De Koning Attalus 
beeft hondert talenten betaalt voor een 
fchildery van Arifiides. Onzen Plinius 
telt verfcheide andere Schilders op, de- 
welke 



-■^I 



January en Fchruary 1719. 65 

welke elk iets byzonders hebben uitge- 
vonden , om de Schilderkonft te verheer- 
« lyken en te verry ken , en hy getuigt, dat in 
«ap Trojaanfche tyden de Schilderkonft 
niet bekent is geweeft. Hy fpreekt van 
hetfchilderen in wafch , en van de Email- 
/<?<??• -konft , en dat zelfs de alderoudfte 
Schilders de Emailker-konfl: hebben 
geoeffent, gelyk als Lyjippus, en Pam- 
philus de Leermeefter van Jlpelles enz. 
En dat Paufias van Sicyon , ook Leerling 
van Pamphilus , in de Emailleer-konü eerft 
heeft boven alle uitgeblonken. 
49. 
Plinius de Beeldgieters , Beeldhouwers 
en Schilderkonft afgehandelt hebbende, 
gaat over tot de konlï van leeme beelden 
temaaken, by de oude Plaftice genaamt. 
Gelyk zy ook een leem- of kleybeeïde- 
•maaker Plafles noemden. Deze konft 
zoude eerft uitgevonden zyn door de Pot- 
tebakker Dibutates van Sicyon tot Co- 
'rinthen. En Lyjiftratus van Sicyon , de 
Broeder van Lyjippus, zoude aldereerft 
uitgevonden hebben een deeg van gibs 
over het aangezigt der menfehen te leg- 
gen , op dat liet wezen daar in uitgedrukt 
zoude worden , en daar naderhand wafch 
ingegoten zynde , op deze wyze een 



menfeh 



64 Natuur- en Konjl-Kabinet , 

menfch in een waffche beeld vertoont en 
uitgeprent wierdc. Ook zegt hy, dut 
deze Boetzeer-konft , het zy van wafch , 
gibs of aarde, eerder uitgevonden is als de 
Beeldhouwers- of Beeldgieters-konft, de,- 
wyl deze uitboetzeering voor afging , en 
daar na de metale beelden gegoten wier» 
den, en de beelden gehouwen , zo dat de- 
ze Boetzeerkonft als de moeder der giet- 
en beeldhouwers konft is. Daraophiltis 
en Gorgafus , die te gelyk Schilders wa- 
ren , hebben in deze Boetzeerkonft zeer 
uitgeblonken. Dat Pofis zo natuurlyk 
druiven en viffen enz. in wafch uirbeel- 
de of het natuurlyk was. 

Plinius fpreekt van de fteen-en pan-en 
tegelbakkery voor daken, badftoven en 
gevels, vloeren j van de pjttebakkers, 
en het draayen van de kley door 't rad. 
Hy fpreekt van de verfcheide kley , en 
roemt de Samifche aarde of kley voor de 
huisraats-potten boven alle, en depotte- 
bakkers van Eretum in 't land der Sabi- 
nen bydc Tiber achtienduizend paden van 
Romen. Hy roemt ook zeer 't aard werk 
van Sagunten in Spanjen , en van Perga- 
men in Jfia , en die van ïallien en Mu- 
tine in Italien. Hy verhaalt ook de 

konit 



January en February 171 p. 6 f 

konft om gebroken aardwerk door kalk 
aan malkander te lymen. Onzen Schry- 
ver melt'ook verfcheide leem-en kley-aar- 
dens , die in 't zeewater gelegt zynde , 
in harde fteenen veranderden. Hy verhaalt, 
hoe in Africa en Spanjen van enkelde 
ongebakken leem onvergangkelyke muu- 
ren wierden opgerecht , en ook wachttoo- 
rens op hooge bergen , en bolwerken om 
de Steden enz. van ongebakken fteen , die 
door de Zon als in malkander gebakken 
engedroogt wierd. 

f*- ■;..... 

Plinius befchryft zeer omftandig de 

zwavel of folfer , en zegt dat zy zeer 
overvloedig groeit in de (a) JEolifche bran- 
dende Eilanden, maar dat de alderbefte 
zwavel viel in 't Eiland Melos , dat by 
Kreten in de JEgaifche of de Cretifche zee 
legt. Dat ook de zwavel gevonden word 
in Italien , en voornamentlyk in 't gebied 
van Napels , als ook in Campanien by de 
Leurogifche heuvelen , daar veel zwavel- 
Ü, my- 

(a) De ^Eolifche Eilanden worden hedendaags do 
Eilanden van Ltpari genaamt. Als i. Lipari. 2, Vol- 
cmo. 3. Stromboli. 4. Saline. 5. Panari. 6. ^Alicur. 
7. Feltcar en 8. Uftica. Zyzyn gelegen omtrent der- 
tig mylen van de Noorder boorden van Sicilien , tuf- 
fchen Sicilië en Italië. Viel. Baudrand Lexicon Geog. 
«x Strabsn, Plin.Diod.& aliis. 



66 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

mynen, en zeer veel zwavelbronnen en 
medicinale wateren gevonden worden. Hy 
befchryft vierderley foort van zwavel , en 
haar verfcheide gebruik in de kontten, 
en in de geneezing der ziektens. Daar 
is niets , zegt Plinius , dat eerder vuur vat 
en aan brand vliegt , daarom moeten wy 
vaftttellen , dat het vol vuur- voedende 
deelen is : ook geven de Blixems en de 
Donderflagen des lugts een zwavelachti- 
ge reuk van zich, en het licht des blix- 
ems en der weerlichten is zwavelachtig. 
fi. 
Plinius oordeelt , dat aldernaaft aan de 
Zwavel komt het (a) Bitumen , or het 
Afyhalt or Jodenpik - y op de eeneplaats , 
zegt hy, is dit als een leem, en op ande- 
re plaatzen als een aarde. Onder de 
hoedanigheid van leem word het in 't Joo- 
den land gevonden j en als aarde , na 't 
zeggen van Plinius , in Syrien by Sidon 
een zeeplaats. 

Plinius 

[o) Bitumen-vioxA van de Grieken ^Afphalton ge- 
naamt, miffchien van het Meir of AeVoe[Afphaltes 
in Judaa , welk Meir nu de doode 'Zee word ge- 
naamr, alwaar eettyds Sodomtt en Gomorra gelegen 
hebben ; want uir dat Meir word hedendaags de sif- 
fbali gehanlr. Beha'ven dit groeit de Afthalt zeer 
overvloedig in- Aljyrun en Chaldeen, en word daar 
voor kaik, of cement of leem gebruikt , om mede 
te metzelen. 



January en Februury TJ19. 6j 

f3- 

Pïlnius iprcekt ook van een Bitumen of 

Jodenpik, dat ; de Grieken Pijfafphalton 
noemden , als een mengzel door de natuur 
gemengt uit pik en uit Jodenpik of df- 
phalt. Dit is een vloeibaar Jodenpik zegt 
Plinius , daar 't rechte Jodenpik hart is 
als een hars; dit wierd gebragt uit Ba- 
bilonien , en uit andere plaatzen in zyne 
tyd tot Romen, Hy melt ook Van een 
vette oliachtige en vlöeibaare ftof, de- 
welke gevonden wierd in Sicilien by de 
vermaalde Stad Agrigentum^ en opgewelt 
wierd uit een bron, en dus zig inde ri- 
vier verfpreide. De ingezetenen gebruiken 
deze bitummeufe vlöeibaare ftof in de 
plaats van oly tot haare lampen j daar zyn 
Schryvers, zegt Plinius , dewelke de (a) 
Naphtha mede voor een foort van Bitu- 
men of Jodenpik aanzien. 

f4- 
Van de Aluin handelt Plinius ook zeer 

wytlopig, deze zegt hy is een zoutach- 

tigheid van de aarde. Na zyn zeggen 

zoud'er veelderhande foort van aluin ge- 

E z vonden 

(a) Naphth is de Petroleum , en werd blank en 
zwart gevonden. Van alles , wat bekent is , word 
in de natuur niets gevonden, dat zo ras vuur vat, en 
zo hartnekkig aan zich behout , als de Petroïy of de 
zwarte Naphtha, Vid, Lexicon aïchem. Mart. RulandL 



68 Natuur- en Konft-Kabinet , 
vonden worden , als in Cyprus witte en 
zwarte Aluin. Zy word gemaakt, zegt 
hy , uit leem , door behulp van water 
en de Zon, voornamentlyk in Spanjen 9 
JEgypten^ Armenien^ Macedonien^ Pon- 
lus, Afried^ in de Eilanden Sardinien^ 
MeloS) Lapara , Strongyle, en de alder- 
befle viel in JEgypten , en daar aan was 
die van Melos. De foorten van de Aluin 
zyn zeer veel , en ik zal na dezen dezelve 
op zyn tyd en plaats mede deelen. 

ff- ■•: • . 

Plinius (preekt van verfcheide pottebak- 
kers en aardbakkers aarde, en voornament- 
lyk van de aarde var\(a) Samos. De. aarde van 
Samos was , na zyn zeggen,tweederhande, 
van dewelke de eerde vvierd Syropicon ge- 
naamt, waar van de lichtile en de ver- 
fche , en die aan de tong kleeft , de befte 
was 5 en de andere wierd Aft er genaamt , 
deze was kluitachtig en wit. Die van 
Eretria is ook tweederlei , witte en as- 
grauwe aarde. Hy melt ook vandewit- 
achtige aarde van Chius , dewelke de 
vrouwtjes voor haar blanke vel gebruik- 
ten -j mitsgaders van de aarde van Selinu- 

fiey 

(a) Samos is een Eiland in de Icarifche "Zee over 
Ephez.cn, hier zegt ^ellitis in 'r zevende Boek, dat 
aldereerft het gebakken aardwerk is uitgevonden. 



January en February \j\<). tfp 

jie , dewelke zo wit als melk was , en 
zeer lichtelyk zich met water liet ver- 
mengen , en wierd gebruikt om mede te 
witten. Hy fpreekt noch van verfcheide 
fooiten van aarde, dewelke in zyn tyd 
in 't gebruik waren. 
?6. 

Plinim handelt van verfcheide foorten 
van kryt, als van Cimolie, Sardis Urn- 
bris , Zilver kryt , en 't geen zy Saxum 
noemden , als ook derzelver gebruik , in 't 
opmaaken van ftofFen tot klederen , en in 
de Geneeskonft. fj. 

Het zesendertigfte Boek van Plinim 
verhandelt,in XXVII Kapittels, de natuur 
der fteenen , en de grooten overdaad, 
dewelke gepleegt wierd in het marmer. 
Plinius onderzoekt , wie de eerfte geweeft. 
mag zyn , dewelke het marmer in open- 
baare gebouwen heeft vertoont , en wie 
aldereerft Uitlandfch marmer tot Romen 
heeft ingevoert. Hy verzekert, dat al 
vroeg met de vyftigfte Olympiade , en 
onder de heerfchappy der Meden , eer 
Cyrus noch in Perjien regeerde , in de 
marmer- houw- en graveer-konft al zeer 
beroemt zyn geweeit Dipcenus en Scyllis, 
beide geboren in 't Eiland Creta. Zy be- 
gaven zich na Sicyon , 't welk als de 
E 3 Hoo- 



yo Natuurden Konfl-Kabinet , 
Hooge fchool was,, en lang ge weeft was 
van de Arbeiders en Konftwerkers in de 
metalen en bergftoffen. Ter zelver tyd 
was de Beeldhouwer Malas ai beroemt 
in 't Eiland Chio , en naderhand zyn zoon 
Micciaaes , en na deze zyn neef Ant her- 
mus van Chio , wiens zoonen Bupalus en 
Anthermus zeer beroemde Beeldhouwers 
zyn geweelt in de LX Olympiade. Zo dat , 
indien iemant , zegt Plinius , deze Familie 
wilde opzoeken tot haar eerile oor- 
fprong , zoude lichtelyk de Beeldhouwers 
konft zo oud zyn als het begin van de 
Olympifche Spelen. Deze gebruikten alle 
wit marmer uit 't Eiland Paro , na 't ver- 
haal van Varro. Plinius belluit, dat de 
Beeldhouwers- konft veel ouder is ge- 
weeft, als de Beeldgieters- en Schilder- 
konft , dewelke hy zegt dat met de drieen- 
tachtigfte Olympiade haar begin eerft zou- 
den gekregen hebben. Hy heeft hon- 
den en zesentwintig beroemde Beeldhou- 
wers,en derzelver uitmuntende konftftuk- 
ken aangetekent 

Onzen Plinius verhaalt ook de manier 
en konft, door dewelke het marmer ge- 
zaagt , en tot tafels en platen bereid wierd, 
om met dezelve de wanden, muuren en 

gron- 



Janmry en Fehrttary 1719. 71 

gronden te dekken en te bekleden ; en 
van de verfcheide foorten van zant, de- 
welke tot dit marmer-zaagen door {laaie 
zaagen met behulp van water gebruikt 
wierden. Hy {preekt ook van de mar- 
mers van verfcheide colearen , en plekjes 
van de Alabafter-fleen en deszelfs foor- 
ten i van de beroemde Obeüfcen van The-. 
ben , Alexandrie en andere; van de Py~ 
ramiden van JEgypten^ en van de Sphinx. 
Van de vier vermaarde doolhoven , een 
in jEgypten, een in Kandie^ eentotZ<?/#- 
ftö's , en een in Italië. 

m 

Onzen Schryver lpreekt met verwon- 
dering van de Tuin , dewelke in de lugt 
hangende vertoont wierd, en dat de Stad 
(a) T'heben in jEgypten zodanig gebouvvt 
Was , dat een geheel gewapent leger on- 
der door deszelfs verwulfzels konde door- 
trekken , zonder dat de ingezetenen daar 
overlaft van hadden. Onzen PUnius , 
die altyd genegen is van wat wonders te 
E 4 hin- 

(a) Daar zyn verfcheide Steden geweeft, mer de 
naam van T'hebe , maar het Thebe, daar Plinius van 
fpreekt, was de Hooftftad vanhetThebaanfche iand 
in ^gypten , een zeer groore Stad van hondert en 
veertig ftadien in haar omtrek, zy was gelegen aan 
de Nyl , tuflehen Mempbis en Syenen , en na 't zeg- 
gen van Leo Afrïcanus hedendaags Theves genaamr. 
Zy vertellen, dat deze Stad hondert poorten hadde. 



•ji Natuur- en Konft- Kabinet , 

handelen , gaat van Theben na de beruchte 
(a) Tempel van Diana tot Ephefcn ; hoe 
dezelve twee hondert en twintig jaar ver- 
ftrekt heeft tot een wonder van geheel 
Afie , en dat dezelve gebouwt was in een 
moeras, op dat nog aardbeving nog op- 
fcheuring der aarde dit gebouw deeren 
zoude. Dat de lengte van den Tempel 
was vierhondert en vyfentwintig voeten, 
en de breedte tweehondert en twintig 
voeten , dat dezelve onderfleunt wierd 
van hondert en zevenentwintig CoJumnen 
van zeftig voeten hoog. En dat van de 
cieraden van deze Tempel geheele Boe- 
ken te fchry ven zouden zyn , welke cie- 
raden het geloof en de natuur , na zyn zeg- 
gen , te bovengingen. Van deze verhande- 
ling gaat PIinius~over tot de Bouwkunde 
der Romeinen , befchryft veel verwonde- 
rens waardige gebouwen derRomeinen,en 
de aanmerkelyke uitvindingen en zaaken 
der Bouwkunde, dewelke in de gebou- 
wen van Romen gevonden wierden. Van de 
heerlyke waterleidingen, door wie en tot 
wat dienft met ongeloofelyke koften ge- 
lucht. 

Van 

[o] Lees van dezen Tempel Valerius Maxim, Lib.Z. 
Caj>,i$- en Strabo Lib, 14. 



January en February iji9., 75 

60, 
Van het marmer en deszelfs gebruik , 
gaat onzen Schryver over op deverwon- 
derens waardige eigenfchappen des Mag- 
neet s of zeilfteens , handelt van de ver- 
fcheide foorten des zeilfteens, vandever- 
fcheide coleuren en plaatzen, daar de zel- 
ve gevonden word. Hy onderfcheidt de 
zeilfteen in mannetje enwyfje, Hellende 
onder het wyf jes geilacht alle , dewelke 
het yzer niet trekken. Hy zegt dat de 
befte zyn, dewelke na den blauwen trek- 
ken , en hoe blauwer van colcur hoe krag- 
tiger en beter , en dat de zeilfteenen van 
JEthiopen de befte van zyn tyd waren. 

61. 

Onzen Plinius befchryft ook 'de dryf- 
fteen, en verfcheide etende en bytende 
fteenen, dewelke de lichaamen, die in 
haar befloten en begraven wierden , ver- 
teerden ; en van de ftecn Chernites , de- 
welke als wit yvoor , en van natuur zo 
duurzaam was , dat zy de lichaamen voor 
de verrotting bewaarde , dat zelfs Ko- 
ning Darius in een graf en kift van dezen 
fteen begraven was. Hy verhaalt uit Theo- 
phraftus , dat in Mgyfien fteenen waren , 
E j* dewel- 



74 Natuur- en Konfl-Kabinet , 
dewelke (a) doorfchynende waren, maar 
dat dezelve in zyn tyd niet meer gevon- 
den wierden. Hy fpreektvan hetiteenig 
y voor , en van fteenen , die volftrekt been 
zyn : hy onderfcheidt dezelve in zwarte en 
fpier witte , en in veel andere foorten. 
6z. 
Plinïus handelt ook omfïandig van de 
(b) vuurfteen , van dewelke, zegt hy, 
zommige als koperig zyn , andere weder- 
om met een zilver coleur , en andere met 
een goud coleur voorzien. Eenige zyn zeer. 
vol zwavel of vuux-materie , zegt Plinius , 
gelyk blykt , als men dezelve tegens ftaal 
of tegens malkander flaat. Deze zyn zeer 
zwaar , en worden daarom levendige 
vuurfleenen genaamt. Behalven dat Pli- 
nius 

■ 

[a] Van deze doorfchynende fteenen zal ik op 
een andere fyd handelen, zy werden nog hedendaags 
in JE*ypten gevonden aan Konftftukken, 

[b) Daar zyn . zo veelderhande loorr van fteenen , 
gelyk ik na dezen ook aan de Lezer op zyn plaars 
meene re verroonen , dar het groor getal der zelve 
by de Schryvcrs eenige verwarring heeft gebasrt , 
maar alle de fteenen zyn zeer gevoeglyk onder twee 
foorten te brengen, te weten rot kalkfteenof meraal- 
fteen , en deze worden gekent aan de uirerftc kragr , 
dewelke het vuur op de lichaamen doet ; want alle 
de fteenen, dewelke door'tuitetftegewelt vari'tvuur 
in een witte kalk overgaan, verfcheelen van a:le de 
andere, dewelke in glas overgaan, gelyk veele ftee- 
nen , die daarom met recht met aal -ft e enen genaamt 
moogen worden. 



January en February ijip. 7 f 
mus alle deze fteenen , mineralen of 'mar ca- 
fitaas befchryft, verhaalt h.y daarenboven 
ook derzelver gebruik tot veel zaaken , 
en voornamentlykindeGeneeskonlt. De 
Lapis Hamatites ( om zyn bloedroode co- 
leur Blocdfteen genaamt ) komt zeer veel , 
zegt ritmus^ met de Magneet of Zeil- 
fleen over een , en word gevonden in de 
mynen onder de metalen. Plinius melt 
vyf foorten van bloedfteen , dog de bloed- 
fteen verfcheelt maar in meerder of min- 
der hardigheid . Onzen Schry ver fpreekt 
ook van de Lapis JEtites of de Arentiteen , 
en telt vier foorten van dezelve. Hy 
fpreekt ook van de puimfteenen en haar 
gebruik , en hoe dezelve omtrent de bran- 
dende Eilanden en bergen gevonden 
worden. 

63. 
Onzen Schryver handelt ook van de 
verfcheide foorten van fteenen, daar de 
Geneesheeren en andere haare vyzels van 
lieten maaken , en welke fteenen daar de 
bekwaam fte toe waren. Als ook van de 
zachte fteenen , daar de oude alderhande 
potten en vaten van draaiden , en van de 
Lapis Specularis , die wy Moscovifch glas 
noemen, derzelver verfcheide fbortenen 
gebruik in de venfterraamen , in de plaats 

van 



-/6 Natuur- en Ken/i -Kabinet , 

van glas. Hy verhaalt , dat onder de Rege- 
ring van Nero , in Cappadocie een fteen ge- 
vonden was, die zo hary: was als marmer , 
en te gelyk doorfchynende , dewelke 
Phengites genaamt wierd , en van dewel- 
ke gebouwt wierd de Tempel van de 
Fortuin. Hy handelt ook van verfcheide 
foort van flypfleenen en haar verfcheiden 
aart , vaderland en gebruik , als ook van 
veelder hande keiftecnen enz. Van het 
maken en beflaan van kalk en zand , van 
de gebreken der gebouwen en columnen. 
Hy toont , dat onder de bergftoffen de 
Gibs de naaite overeenkomt heeft met de 
gebrande kalk , en befchryft de verfchei- 
de foorten van de Gibs. Hy verhaalt ver- 
fcheide outhedcn van de bevloering dei- 
aarde , en van de vloeren in de bloote 
lugt , van de oorfprong der bevloering , 
van de Griekfche en Romeinfche vloeren 
enz. 

04. 
Plinifts heeft boven alle Schry vers , de- 
welke onder de Romeinen hebben uitge- 
munt, getragt om de oorfprong en de 
cerfbe vinders der konften en konftftuk- 
ken op te zoeken, en daarindikwilszyn 
Griekfche of andere fchry vers , dewelke 
hem zomtyds lelyk hebben miileidt , wat 

ai 



January en February 171 9. 77 
al te licht gelooft. Ik hebbe my in dit 
uittrekzel zo veel gemyd als 't mogelyk 
was, om de ongeloofelyke zaaken te mel- 
den, die hy zomtyds (bedrogen zynde 
van andere ) verhaalt ; gelyk ik ook zal 
waarneemen omtrent zyne vertelling van 
de uitvinding van 't glas. De menging 
en de veifcheide ltoffen , dewelke tot de 
glasmakery van nooden waren, en- ge- 
bruikt wierden y heeft hy naarftig aange- 
tekent. Hy ftelt tot de voornaam iteitof 
de nitrum , en verfcheide foorten van kei- 
ileentjes of van marcafitaas. Door deze 
nitrum konnen wy hier verftaan de zouda 
van jEgypten , en geenzins 't geen de he- 
dendaagfe Schryvers nitrum of falpeter noe- 
men. Plinius fpreekt van de glasovens, 
verfcheide gekoleurde glazen , van de 
fpiegelglas-makery, van 't bereiden van 
wit criftallyn-glas in Italien , Spanjen en 
Vrankryk. Hy fpreekt van wonderlyke 
konftftukken van glas en Edele geiteen- 
ten , nagebootft door de Lapis Obfi- 
dianus , daar ik na dezen van zal fpre- 
ken. 

(5f. 
Het zevenendertigfte en laatlte Boek 
van de natuurlyke Hiftorie van onzen 
Plinius handelt , in XIII Kapittels , van de 

oor- 



7 8 Natuur- en Konfi-Kabinet , 
oorfprong der edele gefteentens, van de 
Fabel van 't Juweel , van de Tyran Po- 
lycrates, van de Agaat van Koning Pyr- 
rhus ( dewelke de oorlog gevoert heeft 
tegens de Romeinen ) in \veike Agaat na- 
tuurlyk en zonder konft verbeeld wier- 
den de negen zanggodinnen , benevens A- 
follo vafthoudende zynen Harp j en voor 
de geene die het belieft te geloven , zegt 
Plinius hier nog by , dat elke zanggodin 
met haar eigen teken (a) onderfcheiden 
wierd. Plinius toont, dat het graveren 
in edele gefleenrens een konft van een 
zeer ouden datum is, en dat Akxander 
de groot in zyn tyd al verboden hadde , dat 
niemant zyn beeltenis in gefteente mogt 
laten graveren, als door den vermaarden 
Graveerder Pyrgoteles. Na dezen Pyrgo- 
teles zyn in die graveerkonft zeer beroemt 
geweeft Apollonides en Cronius , dewelke 
met een uitftekende gelykheid de beelte- 
nis van Augufius hebben in edele gefteen- 
tens uitgegraveert. Hy verhaalt, dat de 
Keifer Augufius in 't begin zegelde met 
de beeltenis van een Sphinx , en nader- 
hand 

(a) Van de ingeprente beelden en gedaantens , 
door de rïaftmr in de ftcencn uitgedrukt, meen ik na 
«Jezen myne Lezers eens plaizierig te onderhouden, 
maar ik zal zorg dragen, dat ik de waarheid fchry- 
ve. 



January en February \yi9- 79 
hand met de beeltenis van Alexander de 
groot : en de grooten Pompejus had in 
zyn zignet een zwaartvoerende Leeuw. 
Scaurus de ftiefzoon van Sylla is de eerde 
geweeft tot Romen, die een Daclylio- 
thcca of doos, of kasje om juweelen en 
ringen in te leggen , heeft vertoont , na' 
hem Pompejus de groot, eneindelyky#- 
lius C<efar. Plinius verhaalt , welke een 
menigte van zeer groote en byna onge- 
loofelyke juweelen en edele gefteentens 
Pompejus in zyn derde zegenpraling tot 
Romen heeft vertoont , benevens een me- 
nigte van paarlenen kleinodiën van goud 
en zilver, een Kabinet van paarlen, in 
wiens bovenfte een uurwyzer was. Hy 
verhaalt de overdadigheid in juweelen en 
paarlen van Julius Cafar en van Keifer 
Nero. 

66. 
Plinius zegt , dat het Criftal meeft ge- 
vonden word in koude landftreeken , en 
dat het van een zeer waterig en door- 
Ichynent humeur groeit. Hy verklaart , 
dat de reden niet te vinden is, waarom 
het zeshoekig groeit j hy verhaalt , dat 
het Criftal in zeer veel landen en in de 
bergen groeit , en telt verfcheide ortrei- 
nigheden, die in 't Criftal groeien, en 

gebre- 



86 Natuur- en Konfl-Kabinef , 

gebreken van het zelve. Hy toont , dat 
geen mineraal nader aan het Glas is als 
het Criftal. 

67. 

Het naafte zegt Plinius , dat aan 't Crif- 
tal in achting isby onze vrouwtjes, zyn 
de cieraden van Brandfteen ; hy melt 
verfcheide foorten van Brandfteen , en de 
verfcheide plaatzen, daar hy meent dat 
het gevonden word. Onzen Schryver be- 
kent echter niet te weten , wat de brand- 
fteen eigentlyk is, of waar dezelve van 
groeit of voortkomt. Hy haalt een groo- 
te menigte van Schryvers aan, dewelke 
de oorfprong van de Brandfteen befchry- 
ven , maar onder alle vinde ik maar een , 
dewelke na de Baltifche zee toe wil , om 
deszelfs oorfprong op te zoeken. Plinius 
lpreekt ook van de uitftekende pragt , de- 
welke door de Brandfteen bedreven wierd, 
als ook van deszelfs medicinaal gebruik. 
68. 
Plinius telt zes foorten van Diamanten 
op, zo ten opzicht van haar verfcheide 
coleur als vaderland , en getuigt, dat de 
Diamant te kennen is aan deszelfs hardig- 
heid , daar zy alle de dingen van de ge- 
heele natuur in te boven gaat, zoin'tuit- 
ftaan van de hamer-flag ,als in de kragt des 
viers. Plinius 



January en Fehruary 171 o\ Si 

op. 
Plinius zegt , dat de Smaragdus de aan- 
genaamfte fteen is voor 't gezicht, omdat 
zy alles, wat groen is, in fchoonheid 
overwint , en telt twaalf foorten vunfma- 
ragden op. Hy verhaalt de vcrfcheide 
coleuren en vermenging van andere flofren, 
vlekken en uitbeeldingen in dezelve. Dat 
in zommige plaatzen fteenen gevonden 
worden, dewelke eenige overeenkomft 
hebben met defmaragd, maar niet in 'c 
geheel ; als ook dat in Cyprus fmaragden 
gevonden worden , die half 'fmaragden en 
ha\£ jajpis-ileen zyn. Mitsgaders dat de 
Meryllus naaft met de fmaragd overeen* 
komt, dat dezelve de coleur van groen 
zeewater vertoont , dog dat ze van veel- 
derley foort , en meerder of minder flaau w- 
heid van coleur en glas zyn , de eene na 
deze en de andere wederom na andere 
gekoleurde fteenen hellende. 

Onder de aangenaamfle juweelen is de 
opaal , dewyl in dezelve uitblinkt het fyne 
vuur van een carbunkel , het purper van een 
Amathïft , en de groene zee-coleur van een 
fmaragd, heerlykdoor malkander weme- 
lende en tintelende j maar daar worden 
ook verfcheide foorten van de opaal ge- 

F von- 



$ i Natuur- en Konjl-Kabinet , 

vonden, na dat zy meerder of minder na 
een van de voorgemelde coleurcn over- 
hellen. Het rechte vaderland van de 
opaal is Indien , zegt onzen Schryver , en 
daar worden opalen gevonden van een 
groote waarde , dewyl dezelve zelden 
recht zuiver en rein gevonden worden. 
Hy melt ook de onych-ftecn, en van de 
Cbryfolyt, en derzelver gedaante, coleur 
en foorten. 

7*< 

De Carbunkels , zegt Plinius , hebben 

haar naam uit de overeenkomftige koleur 
van het vuur , en hy telt verfcheide foor- 
ten van Carbunkels op. Hy melt ook 
zeer veel Schryvers , dewelke over de zel- 
ve aantekeningen gemaakt hebben, en 
verhaalt in welke plaats elke foort gevon- 
den word , mitsgaders andere vuurfchit- 
terende fteenen. 

72. 
De Ja/pis -{keen is ook zeer verfcheiden ; 
van foorten, maar die het naaft aan de 
fmaragd komt is de befte. Daar is een 
foort , zegt Plinius , daar een witte itreep 
midden doorloopt , en met deze ja/pis, 
die zy grammat ia s noemen , pleegt 't 
geheel Ooften een groot bygeloof, na 't 
zeggen van onzen Schryver. Hy verhaalt 

noch! 



Jamtary en February 17 ip. 85 

poch ontelbaare andere zaaken van veel 
andere fteenen , en ook van gemaakte ju- 
weelfteen door konft, als ook van de 
gedaante van verfcheide fteenen ; en de 
manier en konft om de valfche fteenen 
te ontdekken , en van de oprechte te on- 
derfcheiden. 

73- 
Ik heb my niet ingelaten , om van de 
edele gefteentens ornftandiger te fchry- 
ven 5. en Plinius na te volgen , dewyl ik 
óp een andere plaats zelfs naauwkeurig van 
deze ftof zal handelen j en dewyl Plinius 
in veel zaaken zyne Schryvers gevolgt 
heeft, konde ik myn Lezer veel dingen 
niet mede deelen , dewelke Plinius zom- 
tyds of zeer onzeker , of dikwils zep- ver- 
wart aan ons heeft nagelaten. 

74- 
Als wy nu eens nadenken , dat onzen 
Plinius voor heeft gehad, met dit werk 
aan zyne Nakomelingen na te laten een 
befchryving van de geheele Natuur j en 
dan de geheele Natuur , met alles wat daar 
in is , te vergelyken by deze natuurlyke 
Hiftorie , zullen wy bevinden , dat de ge- 
heele Natuur (het groote en algemeen 
voorwerp van een natuurlyke Hiftori- 
F z fchry- 



84 Natuur- en Konft-Kahinet , 

fchryver) in deze zevenendertig Boeken^ 
van Plinius maar als in een zeer duiftere 
fchaduwe en zeer bekrompen is verbeeld, 
en dat wy door 't lezen van zodanig een 
Boek maar een ongekookt en ruuw denk- 
beeld van de Natuur konnen ontvangen , 
en van de natuurlyke dingen by na niet 
anders, als een zeer algemeene en foberc 
kennis. 

75*- 

Zommige Hiftorifchryvers vandebur- 
gerlyke GefchiedenhTen nebben de Hifto- 
rie van haar ftad , andere van haar Land- 
fchap, andere van haar Koningryk, be- 
fchrevenj en zodanige zyn'er onder alle 
Natten veele geweeft: maar daar zyn ook 
Schryvers,die alle deze in een Boek hebben 
gebragt , en alleen daarom maar de hoofd- 
zaaken hebben konnen aanroeren in een 
algemeene Hiftorie, en zodanig is ook 
deze natuurlyke Hiftorie van Plinius , ten 
opzicht van de natuurlyke Hiftorifchry- 
vers , die voor hem gefchreven hebben. 



Van 



January en February 1719. 8 ƒ 

Van het onbepaalbaar Voorwerp eener 
algemeene Natuurlyke Hijiorie. 

ï. 

E En Algemeene Hiftorie te fchryven 
van de groote Natuur, is niet alleen 
ondoenlyk voor een menfch alleen , maar 
het is zelfs onmogelyk, dat zulks door 
duizend alderfchranderfte en alderarbeid- 
zaamfte mannen zoude konnen uitgevoert 
worden, in die omftandigheid , dat ie- 
mand met waarheid zoude moogen be- 
fluiten, in zodanig een Algemeene Hif- 
torie begrepen te zyn alles , wat in dit 
onmetelyk voorwerp ( te weten het Ge- 
heel-al) voor de menfchen te onder- 
zoeken ende te ontdekken is. De onbe- 
paalbaare en onmetelyke grootheid van het 
roemruchtig konftftuk Gods ( dat wy de 
Natuur noemen) is behalvcn zyn onuit- 
fprekelyke uitgeftrektheid zo vol ryk- 
dommen, zaaken enfchepzels, dewelke 
voor ons noch onbekent zyn , dat wy ons 
moeten vergenoegen, en een natuurly- 
ke Hiftorifchryver bedanken , als hy 
maar een kleyn gedeelte aan ons op een 
waarachtige en naauwkeurige wyzcmede 
deelt. 

F 3 Als 



86* Natuur- en Konft-Kabinet , 

z. 

Als wy acht geven op de uitgeftrekt- 
heid van 't Geheel-al, wie van ons zoude 
dan het zelve in eenige grensfcheiding 
durven bepalen , of in zyn Cirkel beklem- 
men ? Als wy letten op de menigte , en 
op het ondericheid der ichepzels en fchep- 
zeltjes, in het zelve vervat, wie kent 
haar getal ? Wie kent haar verfcheide 
gedachten en foorten , ik zwyge der zel- 
ver hoedanigheden , flellige en betrek- 
kelyke eigenfchappen ? Maar dat noch 
meer is, wie heeft aan ons tot noch toe 
konnen toonen de onbepaalbaare deel- 
baarheid van de ftoffelykheid dernatuur- 
lyke Gewrochten, de ongeloofelyke klein- 
heid en onuitdrukkelyke menigte der on- 
zichtbaare en bloedelooze diertjes. 

Een natuurlyke Hiftorifchryver kan 
zyn voorwerp (namentlyk de Natuur) 
zeer gevoeglyk in vier verfcheide hoofd- 
voorwerpen verdeelen , als i . De zicht- 
baar e Hemel met alle des zelfs vaftefierren, 
dnvaalfierren , Jlaartfterren, zon, maan, 
en alder bande verfchynzelen , veranderen- I 
gen en voorvallen , dewelke daar in gebeuren. 
1. De Dampkringachtige lucht , dewelke de 
aardkloot , die ivy bewoonen , over al om' 

ringt ^ 



January en February ijiq. 87 

ringt , op dezelve weegt , en van menfchen 
en dieren ingeademt word. 3. Het Water 
zo van de zeen als binnenlandfche rivieren , 
zeeboezems , vloeden , meiren^ bronnen , 
poelen ) boven- en onder aar dfche wateren. 
4. .Dé- Aarde met alles , w^? dezelve voort- 
brengt , zo wel op de szelfs oppervlakte ^ als 
in haar diep ft e ingewanden. 

4- 
Om nu te begrypen , dat het voorwerp 

cener algemeene Natuurlyke Hiftorie zo 
onuytdmkkelyk groot en ryk is , dat het 
zelve door geen duizend van de aldervoor- 
treffelykfte Natuur-befchouwers , veel 
min door een eenig menfch kan be- 
fchreven worden , hebben wy maar te let- 
ten op de onmetelyke uitgeftrektheid , 
op de onoptelbaare rykdommen , fchep- 
zels en voorvallen van elk voorwerp in 
't byzonder, van deze vier , dewelke wy 
opgetelt hebben. 

f- 

Als een Natuurlyke Hiftorifchryver 

de geheele zichtbaaren Hemel zoude waar- 
neemen en befchry ven , zoude hy deszelfs 
geftalte in 't algemeen , en betrekkelyk 
op deze aardkloot in het algemeen , en 
op elk deel van dezelve in het byzon- 
der , moeten vernaaien en uitbeelden. 
[F 4 En 



88 Natuur- en Konft-Kabinet , 

En ik durf u verzekeren, myn Lezer, 
dat de levens van twintig duizend zeer 
fchrandere en naarftige ftarrekundige 
Mannen niet genoeg zouden zyn, om 
alles waar te neemen ,dat gebeurt, gevon- 
den word , en te leeren is in de geheele 
zichtbaare Hemel, met betrekking op zich 
zelve en op deszelfs groote lichaamenop 
malkander in 't algemeen en byzonder, 
en met betrekking op de geheele aardbo- 
dem in 't algemeen, en op elk deel des 
aardbodems in 't byzonder. Zelfs de ver- 
anderlyke gedaante des zichtbaaren He- 
mels , met betrekking op maar een eenig 
Landfchap, zoude al een ongeloofelyk 
groot voorwerp zyn voor een natuurlyke 
Hiftorifchryver des Sterren- Hemels. 
6. 
Begryp eens , zeer opmerkende Lezer, 
welk een kennifle van verfcheide wiskon- 
ftige wetenfchappen hier vereifcht word} 
want als wy de waarnemingen omtrent 
de Sterrenhemel en deszelfs verfchynzels 
zelfs onderfcheiden. i .Ingemeene waarne- 
mingen, dewelke wy zonder ft udie met 
een enkelde oplett entheid gewaar wor- 
den. En z. in flerrekundige waarnemin- 
gen , dewelke tot onze bevatting gebracht 
Worden door onze ftvdie en flerrekundige 

ge- 



January en February 1719. 89 

geleertheid, zult gy wel haafl gewaar 
worden de noodzakelykheid van een 
naauwkeurige opmerking tot de eerfte, 
en de noodzakelykheid der kenniiïè van 
veele wetenfchappen, dewelke ons in de- 
ze laatfte waarnemingen moeten dienen en 
behulpzaam zyn. 

Als wy met ons enkeld gezicht den 
Sterrenhemel by nacht befchouwen , 
fchynen alle de fterren in een overeen- 
komftigen afitand van ons afgelegen te 
zyn, dewyl ons gezicht te zwak is om 
de bekende verfcheidentheid dezer onuit- 
drukkelyke afgelegentheden te ontdek- 
ken. Wy konnen door 't oordeel ( op de 
zin aanbrenging ruftende) niet onder- 
fcheiden, of de fterrenalleineengelyken 
afftandvanonsafzynofniet. (a) Die met 
zyn oog den Hemel befchouwt , merkt 
dezelve aan als de helft van een ronde 
bol , dewelke is uitgeholt , en waar van 
de bovenfte diepten recht boven zyn 
hooft ftaan, en de randen rontom hem 
heen de aarde fchynen te raaken, in welke 
geheele bodems oppervlakte de fterren 
zyn geplaatft , en in welker midden hy 
ftaat te befchouwen. Maar hier uit kan 
F f hy 

(<) Vidtatur Wdfius tlemtnt. djlronomi*. 



S>o Natuur- en Konft-Kabinet) 

hy niet bewyzen , of zulks inderdaad zo 
is of niet. 

8. 
Terwyl nu iemant deze Sterren-Hemel 
befchouwt , zal hy gewaar worden , dat 
de lierren , dewelke eenige tyd te voren 
recht boven zyn hooft Honden, nu weer na 
zyn rechter zyde zyn afgezakt, terwyl 
wederom andere Herren recht boven zyn 
hooft zyn gekoomen , dewelke te voren 
aan zyn linker zyde in den hemel geplaatft 
Honden ; met deze voorwaarde echter , 
dat zodanig een befchouwer met zyn aan- 
gezicht gekeert Haat, daar hy 's middags de 
zon befchouwt. De Herren, dewelke nu 
aan zyne rechter zyde meer en meer begin- 
nen af te zakken , en aan de uiteinden des 
Hemels of aan de gezicht-einder gekoomen 
zyn , verdwynen eindelyk uit zyn gezicht, 
terwyl daarentegen de Herren , dewelke 
aan zyn linkerzydfe gezicht-einder zyn , 
allenskens nader en boven zyn hooft koo- 
menj en andere wederom óp nieuw aan 
zyne linkerzydfe gezicht-einder zich ver- 
toonen, dewelke te voren voor hem ver- 
borgen waren. Dewyl nu zodanig een 
Befchouwer ombeweeglyk en Hil op zyn 
plaats blyft Haan, en geen beweging van 
de aardkloot, daar hy op Haat, gewaar 

word , 



Janmry en Febraary 171 9- 9* 
word, zal 't hem toefchynen , dat de 
Hemel om de aarde bewogen word , maar 
hoe zal hy bewyzen, of de zaak inder- 
daad zo is of niet ? Echter word deze be- 
weging de eerfte beweging, degemeene 
beweging , en de gedurige beweging 
genaamt, en worden na dezelve bepaalt 
de verfchynzelen des Hemels, dewelke 
van deze befchouwinge van deze aarde na 
den Hemel moogen afhangen. 

9- 

Byaldien wy de vafte fterrcn opmer- 
ken, daar de maan aldernaaft fchynt te 
zyn, zullen wy bevinden, dat dezelve 
des anderendaags van de maan een zekere 
difiantie afgeweken zyn na 't weften , ot 
de maan van de zelve na 't ooiten ; en 
de maan zelfs aan andere vafte lierren ge- 
nadert : en deze verandering van afftand 
gefchiet dagelyks , tot dat eindelyk on- 
trent zevenentwintig dagen verftreken 
zynde, de maan wederom gezien word 
in 't gebuurfchap der vafte fterren , daar zy 
op de eerfte dag der befchouwing in aan- 
gemerkt was. Dewyl de maan dagelyks 
met deze holle fterrekreits om de aarde 
bewogen word , fchynt daar uit , dat de 
maan in zevenentwintig dagen beneden 
om deze geheele fterrekreits, met een 

tegen- 



p 2, Natuur- en Konft-Kabinet , 

tegenbeweging , te weten van 't weften 
naar'tooften, omgaat. 
10. 

Als wy de fterren opmerken , dewelke- 
in dat gedeelte des Hemels gezien wor- 
den , daar wy ter zelver tyd de zon zien 
ondergaan , zullen wy na een waarneming 
van eenige dagen bevinden , dat de fterren, 
die in de eerfte dagen van onze waarne- 
ming naait boven ons hooft ftonden , in 
de laatfte dagen van onze waarneming 
nader aan het weften zyn gekomen , tot 
dat eindelyk binnen den tyd van omtrent 
drichondert en vyfenzeftig dagen , dezel- 
ve gedaante van de plaats , daar de Zon 
ondergaat , ten opzicht van de vafte fter- 
ren , wederom gekomen is j zo dat de Zon , 
dewelke even gelyk als de Maan met de 
Sterren-Hemel-kreits om de wereld dage- 
lyks gaat,in de tyd van eenjaar van de eene 
vafte Sterren tot de andere , met een te- 
genbeweging van 't Weften naar 't Oos- 
ten , de Sterren- Hemel doorpafteert rond- 
om de aarde. 

il. 

Indien wy dagelyks de afftand der Ster- 
ren op haar zelfs befchouwen, zullen wy 
bevinden, dat 'er behalvende Zon en de 
Maan , daar en boven nog vyf fterren zyn ,• 

dewelke 



January en February 1719. pj 

dewelke dagelyks van ftantsplaats veran- 
deren. De eerfte noemen wy Saturnus , 
zich vertonende met een zeer zwak en 
flaau licht ; deze zien wy byna om de 
dertig jaar wederom op dezelve plaats, 
enby dezelve vafte lierren aan de Sterren- 
hemel, na dat dezelve in dien tyd zynen 
omreis en loop met een eigen beweging 
om de wereld heeft afgelegt. De twee- 
de noemen wy Jüpiter , dewelke met 
een zeer fterk weerfchynend licht voor- 
zien is, en deze doet die zelfde reis in 
twaalf jaaren , wanneer wy dezelfde we- 
derom in dezelfde gebuurfchap van vafte 
lierren vinden. De derde noemen wy 
Mars, om dat dezelve met een rood- 
achtig en fchitterend licht binnen twee 
jaar door een eigen beweging zyn reis om 
de aardkloot doet. De vierde noemen 
wy V e ta u s , welkers licht alle andere 
Sterren in glans te boven gaat , de Zon 
alom in zyn jaarlykzen omloop verzei- 
lende , en nooit verder als omtrent zeven- 
enveertig graden van dezelve afwykende. 
Wanneer Venus de Zon voorgaat , word 
zy Phofphorus of Lucifer , en wanneer zy 
de Zon navolgt , He/perus genaamt. De 
vyfde noemen wy Mercuriüs, deze 
Ster is zeer klein voor ons oog , maar heeft 

echter 



$4 Natuur- en Konft-Kabinet , 

echter een zeer klaar en fcherp licht , en 
is een onaffcheidelyke metgezel van de 
Zon in zyne jaarlykzen omreis , nimmer 
boven de achtentwintig graden van de- 
zelfde afwy kende. Deze vyf Sterren wor-* 
den om de gemelde beweging, waarme- 
de zy van het Weden na het Ooften de 
wereld omgaan , in een tegenbeweging 
van de Sterrenhemel , die dagelyks met 
haar en Zon en Maan van 't Ooiten na 
'tWeften om fchynt te gaan, Dwaal- 
Jierren genaamt , in tegenflelling van de 
vafte fierren , dewelke de zelfde afftand 
van malkander altyd eenpaarigfehynente 
behouden. 

12. 

Ik heb myn Lezer dit nu in 't algemeen 
eens willen mede deelen, op dat hy aan 
zich zelf voorftelle , welk een langen tyd , 
welke naarftigheid , vlyt , naauwkeurig- 
heid, en ontelbaare waarnemingen hier 
vereifcht zouden worden , om alle deze be- 
wegingen en afpellen op malkanderen , en 
op de aardkloot , en dat gedeelte des aard- 
kloots , daar deze waarnemingen gedaan 
wierden , in een waarachtige Hiftorie te 
befchryven. 

Ik durve geenzins treeden in deze Ster- 

rekun- 



jfanuary'en Febrmry 1719. 9 f 

rekunde , noch in de wetenfchappen , 
dewelke tot dezelve vereifcht worden en 
op dezelve fleunen , in de Cirkelkunde der 
konftige Weréld-globen en in de Konft- 
giobsn des Hemelfchen aanfchynsj in de 
aanmerkingen over de gereedfchappen ter 
befchouwing en meeting nodig j in de 
wonderlyke en vernuftige uitvindingen , 
dewelke tot behulp dezer meeting en be- 
fchouwing bedacht zyn j in de befpiege- 
ling der ongeloofelyke grootheid en af- 
gelegentheid dezer Hemel-klooten j in de 
waarneeming van elks byzondere loop , 
afpeften en taningen , betrekkingen , na- 
tuurvlekken , fatellites of lyftrawanten j 
om my zelven en de aandacht van myn 
Lezer niet te verliezen in een oneindig- 
heid, dewelke op zyn tyd en plaats naauw- 
keurig zal onderzocht worden. 
14. 
Als wy onze aandacht laten gaan op 
het tweede hoofd-voorwerp der natuur- 
lyke Hiftorie , te weten de ( a ) Damp- 
kringachtige lucht , zullen wy door de 
{b)Luchtmeetkunde en naauwkeurige waar- 
nemingen , een ontelbaar getal aanmerke- 
lyke betrekkelyke eigenfchappen en hoe- 



(a) Atmoffhiera. 
(h\ Atrometria- 



danig- 



$6 Natuur- en Konft-Kabinet , 

danigheden van deze dampkringachtige 
lucht ontdekken ; en uit deze ontdekkin- 
gen leeren , dat duizenden zeer fchrande- 
re en zeer naarftige Onderzoekers van 
nooden zyn , om de ontdekkingen te 
vervolgen , en door dezelve op te fpoo- 
ren de ontelbaare betrekkelyke eigen- 
fchappen en hoedanigheden des luchts, 
dewelke noch onbckent zyn , waar 
door meerder beveftigt word de onbe- 
paalbaarheid van het voorwerp eener al- 
gemeene natuurlyke Hiftorie. 

ip- 

Ik zal op deze plaats aan myn Lezer 

niet behoeven uit te leggen , dat door de 
Dampkringachtige lucht verftaan word 
een ( a ) vloeybaar lichaam , het ivelk de 
aardkloot , daar wy op ivoonen , omringt , 
en in het aardry k alle de ruimt ens , die van 
andere lichaamen overgelaten voorden ^ da- 
telyk vervult , als zulks niet belet voord. 
Ik zal hier ook niet in het byzonder fpre- 
ken van de oneindig verfc heide lichaa- 
men , dewelke in deze lucht , uit de aarde 
en zee opgerezen , gedragen worden, of 
door dezelve dampkring van de Zon , en 
Maan en Sterren afgezonden na de aarde, 
in deze lucht vernachten , en voor een 

tyd 

(a) Vid. Wolfius de Princip. /Jeromttria Definit. 2. 



January en FebruaVy ijip. 97 
tyd haar vcrblyf houden, veel min van 
de (a) in een dringing des luchts, waar 
door haar Hof in een kleinder om kring 
geparft word, of van deszelfs verdikking 
door de kracht der koude , of verdunning 
en uitbreiding en verwydering door weg- 
neming der parffing of warmte , dewyl 
deze zaaken tot myn bewys hier niet 
eensnoodigzyn. Want voorwaar , myn 
opmerkende Lezer , als iemant maar een 
Hiftorie wilde geven , alleen van de ver- 
andering der dingen , dewelke betrekking 
met de lucht hebben , en haar verande- 
ringen ontvangen door de verfc heide 
zwaarte en verfcheide veerachtige werk- 
daaden des luchts , als ook van de zwaarte 
en veerkragt des luchts , zelfs zodanig 
een zegge ik zoude ondervinden , dat hy 
ondernomen hadde een Hiftorie te be- 
ichryven, daar duizend van de alder- 
fchranderfie en aldervaardigfte Hifto- 
rifchryvers der Natuur werk aan hadden, 
gelyk na dezen genoegzaam gemerkt zal 
konnen worden. 

I6\ 
Het uitvinden van de luchtpompdoor 
Otto de Guericke Burgermeefter van Maag- 
denburg , (dewelke van deze uitvinding 

G proeven 

(a) Comprejjto Eeris. 



j>8 Natuur- en Konft-Kabinet , 
proeven gaf in (a) 't jaar.16f4.in tegen- 
woordigheid des Keizers, der Keurvor- 
llen en Prinflên des Duitfchen Ryks ) en 
de veelvuldige proeven door dengrooten 
verbeteraar Van dit konft-gereedfchap Ro- 
bcrtus Boy Ie en andere treffelyke mannen , 
hebben aan de wereld van onze dagen veel 
licht gegeven , in de kennifTe des damp- 
kringachtigen luchts. En om het alge- 
meen denkbeeld , dat wy behooren te 
vormen van een algemeene Hiftorie , ee- 
nigzins gelykvormig te maaken met de 
onmeetbaare uitgeilrektheid van deszelfs 
voorwerp de groote Natuur, zullen wy 
de Dampkringachtige lucht eens befchou- 
wcn in verfcheide geweften verdeelt. 

Wy zyn door onfeilbaare proeven ver- 
zekert, dat de dampkringachtige lucht, 
benevens alles .wat noch boven op dezel- 
ve drukt, op onze aardkloot weegt de 
zwaarte van omtrent achtentwintig ryn- 
landze duimen kwikzilver 5 dat is, als de 
ilof van de dampkringachtige en wegende 
en op onze aardkloot drukkende lucht 
eens in een moment in kwikzilver veran- 
derde , zoude de hoogte van deze kwik- 

zil- 

[tt) J'id. Wol fins loco Citat, ex prtfatione ad expert- , 

mtnta nova Magdeburgica, 



January en February ijig. 99 

zilverachtige kring rondom de aardbodem 
maar omtrent achtentwintig rynlandze 
duimen hoog ftaan > en als wy het gemeen 
regenwater in een tegengewicht brengen 
met de lucht des dampkrings, weegen 
omtrent eenendertig rynlandze voeten 
(buiten deszclfs meer of min parflènde 
verandering ) regenwater even zwaar als 
een colom van de geheele dampkringach- 
tige lucht. Dat is , 'als de geheele lucht , 
dewelke op dea aardkloot weegt , eens 
in een moment in water veranderde , 
zoude deze waterkring rondom de geheë- 
len aardkloot maar omtrent eenendertig 
voeten hoog ftaan : maar dewyl een en het 
zelfde volumen van de lucht ongeloofelyk 
veel lichter is , en minder weegt als het 
zelfde volumen waters of kwikzilvers , 
moet de hoogte des parflènde en op de 
aarde wegende dampkrings zo veel hoo- 
ger in zyn colom boven de aarde ftaan , 
als de lucht lichter weegt als het water , 
gelyk na dezen de Lezer getoont zal wor- 
den, en van andere reets overvloedig be- 
wezen is. 

18. 
Als dan de Dampkringachtige lucht 
( als een colom aangemerkt ) om zyn licht- 
heid zo hoog boven de aarde ftaat , zouden 
G 2, wy 



iöo Natuur- en Konfl-Kabinef , 

wy dezelve in verfcheide deelen verdeelt 
konncn aanmerken , om dat wy m propor- 
tie van deszelfs meerder of minder hoog- 
te veele verfcheide hoedanigheden aan 
dezelve zouden konnen ontdekken ; en wy 
zouden elk deel van deze colom om zyn 
verfcheide hoedanigheid een byzonder ge- 
weft des dampkringachtigen luchts kon- 
nen noemen, voor zo ver als wy dit ge- 
deelte des coloms in dè breedte over en ron- 
dom de geheele aardkloot aarmerkten. 
Dat deze Helling waarachtig is , blykt 
klaar uit de volgende bevindingen en proe- 
ven. 

De geleerde Pater Louis (a) Feuillée 
verhaalt, dat hy in America met twee 
egale Barometers , welker pypen van een 
en dezelfde diameter waren , en in wel- 
ke de kwik, op een en de zelfde vlakte 
gcplaatfr. zynde, ook egaal hoog flond, 
na een berg ging , en op een en 't zelf- 
de moment door een Geneesheer de lucht 
liet weegen aan de de voet van de berg , 
terwyl hy dezelfde met de andere Baro- 
meter boven op de top des bergs woeg , 
en dat in de Barometer , de welke aan den 

voet 

(a) Journal des Obftrvutms Pfyjiqties , Mathtma- 
tinnes & BottVitijHes. 



January en February 1719. ioi- 

voet des bergs ftond , de kwikzilver hoog 
Hond 27 duimen f linien o'// en op de top 
des bergs 26 duimen 6 linien ^. Zodat 
het onderfcheid was o duim 10 linien i. 
Waar uit ons klaar blykt de mindere 
zwaarte des \\1chts-c0I0m boven op de top 
des bergs , als aan de voet van de zelfde 
berg. Het gebruik , dat hier in een an- 
der opzicht van te maakenis, zal ik hier 
voorby gaan , maar alleen uit deze proef^ 
die elk op een hoogen toren neemen kan , 
befluiten , dat deze twee luchtsgeweften 
in omrtandigheden dadelyk veel moeten 
verfcheelen. 't Welk in alle gevallen plaats 
zoude moeten hebben in alle de zaaken 
en fchepzels, daar het een of 't ander 
luchtgeweft betrekking op hadde. Als 
wy nu op deze wyze opklimmen tot bo- 
ven op de oppervlakte van de dampkring, 
zouden wy elke aanmerkelyke verande- 
ring niet onvoegly k in een byzonder lucht- 
geweft moogen verdeden. 
20. 
De Inwoonders op het Eiland Tenerif- 
fa , mitsgaders de menfchen , dewelke op 
het zelfde Eiland lang gewoont hebben , 
verklaaren eenparig , dat niemant op de 
pic de Teneriffe , of de piek van Canarie by 
ons genaamt , ( een van de hoogfte ber- 
G 2 gen 



ie 2 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

gen des aardbodems) verder durft voort- 
gaan , als op een zeekere by haar bekende 
hoogte i en dat waaghalzen of vremde- 
lingen boven dit bepaalde perk opklim- 
mende, het zelfde of met de dood beta- 
len, of met een doodelyke krankte aan- 
getafl worden : dat op de zeer hooge plaat- 
zen , daar dit gevaar zyn aanvang neemt, 
de gewaarwording door haare zin-werk- 
tuigen begint te verminderen , dat de al- 
deriterkfte brandewyn als regenwater 
fmaakt, en zy daar geen reuk meer van 
gewaar worden , het welk datelyk tot zyn 
voorigen ftant keert , zo ras als zy bene- 
den koomen. 

21. 
De zeer geleerde JcCuhJofephus de Acof- 
ta verhaalt in zyn Natuurlyke Hiftorie 
van Weftindien , in het derde Boek aan 
't IX Kapittel , een zeeraanmerkenswaar- 
dige zaak met de volgende woorden. Daar 
is in Peru een uitmuntend hoog geberg- 
te, Periacacca genaamt , en ik 
haddc hooren zeggen van een groote 
verandering, dewelke een menfeh daar 
op of over reizende overkwam. Ik voor- 
zag my zo veel als ik konde met de no- 
dige toerufting, en na de onderwyzing, 
dewelke ik hadde van de gene, dewelke 

zy 



January tn February \j\9- to^ 
zy daar V a q.u ianos of bedreven noe- 
men. In het opklimmen van de trap- 
pen des bergs, zo als zy die pkats aldaar 
noemen , en welke plaats de alderhoog- 
fte des bergs is , kwam my zeer fchielyk 
een doodelyke benaauwtheid over , en de- 
wyl myn ander gezelfchap voortreisde, 
bad ik een Indiaan , van my op myn paard, 
daar ik anders afgevallen zoude hebben, 
te willen vafthouden. Ik begon aanftonds 
te braaken en zelfs bloed over te geven 7 , 
maar de benaauwtheid duurde niet bo- 
ven drie of vier uuren, tot dat wy weder af- 
gedaalt ganfeh beneden en in een bekwa- 
mer getempertheid kwamen. Ons geheel 
gezelfchap veertien of vyftien perzoonen 
fterk zynde, was op verfcheide wyzen zeer 
ontftelt geweefr. , zommige alleenlyk maar 
bcnaauwt, andere door braaking , andere 
door ftoelgang en diergelyke. My wierd 
verhaalt , dat het menigmaal gebeurt was , 
dat zommige menfehen op deze reis dus* 
danig het leven hadden verloren. Deze 
uitwerking word niet alleen gevoelt op 
de overtocht van den berg Pariacacca, 
maar ook over deze geheeleregel van ber- 
gen, dewelke zig over de vyfhondert 
mylen in de lengte uitftrekt. Ik hebbe 
deze regel door de Lucanas en Soras, 
G 4 en 



1 04 Natuur- en Konjl-Kabinet , 
en door de Collagüas, en ook door 
de Cavanas, en vervolgens op vier 
byzondere plaatzenovergereift, enhebbc 
altoos op die hoogtens de gemelde veran- 
dering en ontroering gevoelt. 

2.2. 

Dat de oorzaak van deze ongetempert- 
heid aan de lucht moet toegefchreven 
worden (vervolgt Acofla) is volkomen bui- 
ten twyffelj want het voornaamile hulp- 
middel (dat ook zeer groot is) het welk 
daar tegen is gevonden , is de mond , neus 
en ooren , zo veel als 't mogelyk is , toe 
te floppen , en wel met klederen te bedek- 
ken. Want de lucht is aldaar zodanig 
doordringend, dat zy tot het ingewand 
toe ingaat. Deze benaauwtheid word 
niet alleen gevonden by de menfehen , 
maar zelfs ook by de dieren, dewelke 
zomtyds zodanig verftyven en verflaau- 
wen , dat wy haar met de fcherpile fpoo- 
ren dikwils geen voet konden doen ver-' 
zetten. Ik geloof, dat de gemelde Ge- 
weiten de alderhocefte des eeheelen aard- 
bodems zyn, want het is een ongeloofe- 
lyke hoogte , dewelke opgeklommen 
word. De bcinccuwdc P/r<?ww vanSpan- 
jen , en de Aipes van Italien zyn daar by te 
vergelyken , als gemeene huizen by hoo- 

S e 



January 'en February 1719. 10 ƒ 
ge torens , waarom ik oordeel e , dat de 
lucht aldaar zo fubtyl is, dat dezelve tot. 
de ademhaling der menichen gztnpropor~ 
tie heeft, om dat de menfcheiyke natuur 
de lucht dikker en getemperder vereifcht. 
De befneeuwde bergen van Europa, de- 
welke ik ook gezien hebbe , vervolgt 
Hy , verwekken geen walging nog braa- 
king , of eenig inwendig ongemak , maar 
pyn van buiten aan handen en voeten. De 
voorverhaalde regel bergen van Peru is 
doorgaans onbewoont, ja in zover, dat 
men maar weinig hutten voor de reizen- 
de lieden vint om in te vernachten. Daar 
word ook geen vee nog gedierte als Vi- 
cunnas gevonden, welker eigenfehappen 
zeer vremd zyn , gelyk op zyn plaats zal 
getoont worden. De kruiden en het gras 
zyn daar de meelle tyd zwart en verbrand 
van de lucht, en deze Berg-woeliyn is 
vyf hondert mylen lang , en doorgaans 
twintig of dertig mylcn breed. 

Alhoewel wy uit de waarneminge van 
(TJcofta , en andere Natuurlyke Hiilori- 
fchry vers,eenigeGcwciten des dampkrings 
(coloms-gewys aangemerkt zynde) onder- 
fcheidentlyk ontdekken, kan ons echter 
tot noch toe niemant eenige befchryving 
G ƒ geven 



»1 

f 06* Natuur- en Konjl-Kabinet , 
geven van de overige geweften, dewel- 
ke hooger op na boven fteigeren, noch 
der zeker aart, eigenfehappen en betrek- 
kelyke hoedanigheden mede deelen door 
een kennis , dewelke geboren is uit een 
oordeel getrokken uit denkbeelden van 
de zaaken zelfs, maar alleenlyk uit een 
kcnniflè door noodzaakelykheid van ge- 
volg geboren , en getrokken uit de denk- 
beeldige kennilTe door proeven en waar- 
nemingen. 

24. 
De bekende geweften des Dampkrings, 
colotns-gewyzc aangemerkt , konnen wy 
gevoeglyk , met betrekking op onze en 
aller dieren lichaamen en plantgewafïen, 
in twee verfcheide geweften verdeelen. 
1. Het geweft, daar menfehen en dieren 
in leven en adem haaien in de bewoon- 
baare plaatzen des aardkloots , en daar de 
plantgewafïen enz. op haar tyd en met 
haare vereifchte omftandighedenverzelt, 
wceldrig groeien en bloeien. En 2. Het 
geweft des dampkringachtigen luchts , 
dat onbekwaam gevonden word voor het 
gelukkig leven van menfehen, dieren en 
plantgewafll-n. Want wat de geweften 
da dampkrings belangt van zommige 
middelmatige hooge bergen , die altyd 

met 



January en Febrmry \Ji9' 107 
met meeuw bedekt zyn, en daarom op 
die plaatzen onbekwaam om menichen, 
en dieren en plantgewaflen te onderhou- 
den , hangt zo zeer niet af van de hoogte 
dier bergen , en des dampkrings colom , 
als wel van de gedaante dier bergtoppen 
en werkdaaden der zonnefrraalen enz. En 
: wat ook het gewcft aangaat des damp- 
I kringachtigen luchts ( cobms-gftwys aan- 
gemerkt) daar de wolken groeven en 
gezien worden, daar meeuw , hagel , ne- 
vel, donder, blixems,weerhchten, win- 
den , regens en diergciyke vernevelingen 
i worden geboren , dit is ook aan geen juni 
deel des coloms of aan een evenredige 
hoogte des coloms alom te bepaalen. De 
uitdampingen der aarde, de jaargetyden , 
' de meerder of minder afgelegentheid van 
! de poolen , en ontelbaare zaaleen doen dit 
wolkgeweft gedurig veranderen. De Heer 
(a)Frezier zegt. Ik bengeweeit op hoo- 
ge bergen, daar ik op een en dezelve tyd 
beneden my en boven myn hoofd wol- 
ken zag dry ven , dog deze zaak is al te 
bekent om hier meer van te fpreken. 

Als wy de verfcheide geweftcn des 
dampkrings ( horizontaals-gcwys aange- 
merkt) 
(/») Ziet deszelfsReisbefchryving door de zuidzee. 



io8 Natuur- en Konfi '-Kabinet , 
merkt) wilden befchouwen , zouden wy 
in een volltrektc ontelbaarheid geraaken. 
Want als wy alle de plaatzen op dezen 
aardbodem , daar een verfcheide lucht , 
dewelke wy inademen , gevonden word , 
in geweiten wilden verdeden , en de lucht, 
dewelke boven dezelve gevonden word, 
•daar aan bepaalen , als een byzonder geweit 
des dampkringachtigen luchts (gelyk die 
zaak zodanig inderdaad ook is) zouden 
wv een onuitfprekelyk getal Natuurlykc 
Hiilorifchryversvan nooden hebben, die 
deze geweilen haare hoedanigheden en 
eigenichappen waarnamen en aan ons me- 
de deelden. 

Zó". 
Dat nu tot noch toe hier weinig in ge- 
vordert is, myn opmerkende Lezer, zult 
gy zien, als gymaar acht geeft op de ge- 
ringe kenniflè , dewelke de menfehen 
hebben , ( door gebrek van zodanig een 
Hiftorifchryver) van de lucht van deze 
alom vermaarde Stad Amflerdam. Is het 
niet zeer aanmerkelyk , wy woonen in 
een Stad, dewelke opgepropt is met zo 
veel duizende van Inwoonders van groot 
vermogen , verfland , geleertheid , naauw- 
keurige opmerking, en begeerte tot we- 
tenfehappen en koniten. En de eerfte we- 

tenfehap , 



January en February 1719- I0 P 
tenfchap , daar een iegelyk van haar allen 
! na behoorde te reikhalzen en te trachten, 
en daar ook yder Inwoonder ten hoog- 
ften aangelegen legt , word door een on- 
gemerkte achteloosheid verwaarlooft , 
namentlyk de kennifle van onze verfchei- 
de grond , verfcheide water en damp- 
kringachtige lucht. Want de kennifle > 
dewelke onze Inwoonders daar tegen- 
woordig van hebben, zal ik na dezen too- 
nen , dat luttel is by de kennifle , dewel- 
ke wy daar van zouden konnen en be- 
hooren te hebben. Wat zouden wy al 
konnen waarneemen en leeren omtrent 
onze lucht , daar wy hier in leven , ten 
opzichte van deszelfs temperament , warm- 
te, droogte, vochtigheid , koude, ge- 
wigts- en veerige kragts-veranderi«g, ver- 
dikking, verdunning, helderheid, fyn- 
heid , grofheid , zuiverheid , vermen- 
ging van alderlei zouten, dampen, ne- 
vels , veranderingen van de verfcheide 
jaargetyden, winden en watervloeden , 
Zon en Maans-taningen , veranderingen 
na de verfcheide tyden zelfs van den dag 
en in de nacht. Hoedikwils en hoe lang 
verfcheide foorten van winden hier waaier, 
en ftormen en tempeejien , regens , vorlt 
en dooiweder duuren, welke foort van ver- 

heve- 



lio Natuur- en Konfi- Kabinet , 

hevelingen hier in de lucht meeft geboren 
worden , kwaadaardige eigenfchappen, 
gezondheid en ongezondheid des luchts, 
(voor welke temperamenten goed ofkwaat ) 
meiren , fonteinen , putten , wellen , rioo- 
len , heete bronnen , rietbroeken. 

Wanneer wy in acht neemen de ontel- 
baare verfcheidentheid der gronden, vin- 
den wy niet een Landfchap , hoe klein 
het zelve ook in zyn omtrek mogtezyn, 
het welke niet uit een verfcheidentheid 
van grond ," en vervolgens uitdamping en 
dampkringachtige lucht beitaat. Dit 
verfchil gaat zo ver, myn goede Lezer, 
dat niet een ftad, dorp, vlek, buurt, or 
byzondere akker , poel, meir enz. gevon- 
den word , dewelke niet haar eigen en 
byzondere aart van uitdamping en damp- 
kringachtige lucht , dewelke wy inade-- 
men, boven zich hout ftaan. 
28. 

De verfcheide uitwaaflemingen van 
vei fcheide waters,llroomen, rivieren, poe- 
len , modders , moeraden , gronden , ber- 
gen , dalen , rotfen , heuvels , bofTchen , 
wouden , heiden , vlaktens , fpelonken , 
putten, aardens. kleyen, mergels, my- 
nen , bergwerken , bergrloffen als meta- 
len 



Januaryen February 1J19. rn 

Jen en mineralen , koolputten, zwavel- 
dampen , brandende landen en bergen , 
gewaflen , boomen , bloemen ,° vruchten, 
merjfchen, dieren, fchoorfteenen , fmif- 
iên, werkhuizen, kookeryen, brande- 
ryen , brouweryen , fteen- en glasbakke- 
ryen, en ontelbaare andere zaaken. De- 
ze verfcheidentheid van uitwaafleming en 
uitdamping , vraag ik , of niet een on- 
noemelyke vericheidentheid van lucht (de- 
welke wy inademen , en daar onze gron- 
den , gewaden , dieren en voedzels weder- 
om gemeenfchap mede hebben ) moet uit 
maaken? Maar ik zal hier niet breder van 
fpreken , dewyl ik tegenwoordig maar 
tracht te bewyzen de onbepaalbaare hoe- 
veelheid en hoegrootheid van het voor- 
werp eener algemene Natuurlyke Hif- 
torie. 

29. 
Het derde hoofd- voorwerp van een Na- 
tuurlyk Hiflorifchryver , dat wy het 
Water hebben geftelt, is van zulk een 
onmetelyke uitgeftrektheid , van zulke 
ontelbaare voorwerpen en rykdommen 
voor onze befchouwingen en beproevin- 
gen, dat geen duizende alderichrander- 
fte en aldernaarftigile Natuurlyke Hiitori- 
fchiyvers ( met alle daar toe vereifchte 

weten- 



1 1 1 Natuur- en Konft-Kabinet , 

wetenfchappen en konden begaaft) dit 
voorwerp zouden kunnen afwerken. 

Doordien ik tegenwoordig geen zaak in 
't byzonder uitvoerig zal afhandelen, ge- 
lyk ik na dezen zal doen, en dewyl ik 
nu maar het algemeen denkbeeld , dat 
myn Lezer behoort te vormen, van de 
groote Natuur, tracht te verryken, zal 
ik alleenlyk maar voordellen, welk een 
vreeflyk lichaam aan onzen geeft vertoont 
word, als hy al het water , dat op en door 
en in den geheelen aardkloot gevonden 
word, mitsgaders het water, dat altyd 
gedragen word , of onder de gedaante van 
wolken of mirt, nevels of dampen, bo- 
ven en m de geheele damgkringachtige 
lucht , als ook het water, dat in alle vloey- 
baare iloffen , zelfs in de lappen van men- 
fchen , dieren en plantgewaflen gevonden 
word, eens in een algemeen denkbeeld 
befchouwt. 

3 1 - 

Wie fchrikt niet, als hy denkt aan de 

de onmetelyke plafTen des verfcheiden 
grooten Oceaans , deszelfs diepe , onpeil- 
baare en onnafpeurlyke gronden en gron- 
delooze kolken, deszelfs ontelbaare ver- 
deeling door naamen en Landfchappen af- 

ge- 



January en February 1719. 115 

gcfcheiden,buitcn-en binnenlandfche zcên» 
zeeboezems en baajen , de afgryzelyke en 
ten hemel fteigerende of na den afgrond 
dalende golven, derzelver woeftenyen, 
bewegingen , vloeden , ebben, draay kol- 
ken , en voorbyftroomingen onder en over 
malkander j het onderfcheid van derzel- 
ver zoutigheid , geur , fmaak , reuk j en 
verfcheide koleuren der zeen en zee-wa- 
ters , derzelver heldere doorfchynentheid, 
in zo verre dat op zommige plaatzen een 
kleine fchelp zeitig vadem diep op de 
grond kan gezien worden j de verfchei- 
dentheid des waters op een en de zelfde 
ftandplaats der zee , na meerder of min- 
der hoogte van de grond of uitvloeyende 
wellen of invallende vloeden of rivieren. 
Welk een verfcheidentheid van ebben en 
vloeden word op de kullen waargeno- 
men, welke fpringvloeden en hooge en 
deerlyke watervloeden? De Onderzoe- 
kers vinden in het water van een en de- 
zelfde Zee een groot onderfcheid van ge- 
wicht of zwaarte , en een aanmerkelyk 
onderfcheid in 't gewicht van 't water van 
onderfcheide zeen , ook een reuk en won- 
derlyke metaalachtige fmaak in zommige 
deelen des grooten Oceaans ; verfcheide 
geraeenfehappen door onderaardfche kol- 

H ken 



1 1 4 Natuur- en Konft-Kabinet , 

ken en onderaardfche vloeden van dece- 
ne zee met de andere, van zommigc 
meiren en binnenlandfche zeen met de 
grote Zee. Behalven het zout worden veel 
iloffen in 't zee- water opgeloft, gefmol- 
ten en gedragen , dewelke het zelve vee- 
Ie byzondere eigenfehappen en hoedanig- 
heden byzetten. 

Wat zyn alom in de verfcheide deelen 
van de Oceaan al waar te neemen grouw- 
zaame rotzen, klippen , en verfcheide 
gronden van byzondere zanden , kleyen , 
mergels, fteenen en mineralen , banken 
voor oeiters , moflelen , krabben , kreef- 
ten enz. groentens , kruiden, wierenen 
duizend zeegewaflen, koraalen, paarlen, 
ambers, horentjes , fchelpen van alder- 
hande wonderlyke koleuren, teikens en 
gcdaantens ? , 

33- 
Als een raarftig Natuur-befchouwer 

zyn aandacht laat gaan over de ontelbaa- 
re inwoonders der zee , de groote en klei- 
ne viflen , fchulpviflèn , ichildpadden , 
zee-ged roe h ten als kleine Eilanden,de loop 
der villen, haar voedzel, voortteeling , 
en gebruik tot voedzel en dienft der men- 
fchen, het onnoemelyk getal van wur- 
men 



January en February 171 9. 115* 

men en onzichtbaare diertjes , leven- 
dige fchepzeltjes en bloedelooze bees- 
jes in zommige zeen , op ftranden en 
gronden , of tuflchen klippen en rotzen , 
waar is voor dezelve ooit gedaan werk te 
vinden ? 

34- 
• Als wy uit de grooten Oceaan aan land 

reilen , en befchouwen de binnenlandfche 
wateren , vloeden, rivieren, haar oor- 
fprong en ontlaftinge , haar goudryke 
gronden, haare overftromingen en vrucht- 
baarheid voor dorre en doritige landen. 
Wat vinden wy hier wederom een ontel- 
baar getal van vilTen, haartyden , haar 
loop, vangft en aart na haar verfcheide 
gronden en aas j de meerder of minder 
bekwaamheid des waters voorbereiding 
van ftoffen , tot dienft van alderley kon- 
ften en ambachten? Welk een getal van 
zuurbronnen , kookende en lauwe fontei- 
nen en wellen, medicinale en alderhande 
minerale wateren, poelen, putten, mei- 
ren, beeken , broeken , orideraardfche 
rioolen en wellen ? Maar ik zal in al dit 
water niet langer voortroeyen, want daar 
zoude geen end aan te vinden zyn. 

Het groote Lichaam , dat wy de Aard- 
Hl z kloot 



1 1 6 Natuur- en Konfi-Kabinef , 

kloot noemen , is ( voor zo ver het uit 
vafte en geen vloeibaare declen beftaat, 
en in zo ver als \vy het zelve met de al- 
gemeene naam van Aarde kennen ) het 
vierde en laatfle hoofdvoorwerp eeneral- 
gemeene Befchryving der Natuur. De- 
ze onuitfprekelyke Klomp in deszelfs af- 
metingen en iuifte groote , omtrek of 
hoeveelheid te befchryven , is hier de 
meening niet, maar ik geloof, dat het 
een Lezer ( in die konften onbedreven ) 
vremt voor zal koomen, als ikin'tvoor- 
bygaan aan hem zegge, dat hem zoude 
konnen getoont worden , als dit lichaam 
in een fchaal ingebeeld wicrd , hoe veel 
het by waarfchynelyke onderilelling zou- 
de moeten weegen. 

30-. 
Een naauwkeurig Befchouwer van de 
groote Natuur kan dit laatfle hoofdvoor- 
werp der Natuurlyke Hiitorie op vier- 
derhande wyzen beipiegelen. Eerftelyk 
het oppervlakke des aardbodems met alle 
deszelfs verfcheide hoedanigheden en ge- 
daantens, met betrekkingen of op de zee 
of op andere naailgelegene aardfche dee- 
len , of op het geweiïe des Hemels , daar 
de aarde in bewogen word, op de he- 
Dicltekens , zon, maan, planeten enz, 

Mits- 



January en February ij\p. nj 
Mitsgaders in een algemeeneof byzondere 
afdeefinge en afmetinge , en duizend 
andere betrekkingen, te veel in getal om 
hier alle aangemerkt te worden. 

37- 
Als wy alleenlyk maar op de verfchei- 
de ftantsgelegentheden en gcdaantens des 
oppervlakkigen Aardbodems naauwkeu- 
rig acht wilden geven , zouden wy in een 
ontelbaarheid vervallen , dewelke door 
geen duizend Natuurlyke Hiliorifchry- 
vers te verrichten zoude zyn, of uitgevoert 
zoude konnen worden. Als iemant maai- 
de gelegentheid of ftant van een byzon- 
der landfchap zoude trachten te befchry- 
ven, zoude hy moeren afperken en be- 
paalen deszelfs grenflcheiding doorgebu- 
rige zeen en Landfchappen , deszelis om- 
trek, afmeting en grootheid, de inwen- 
dige verdeelingen van het landfchap na 
derzelver metingen , de ooft- weft- zuid- 
en noorder-zyden van gedachte Land- 
fchap : de vlaktens , bergen en derzelver 
gedaanten , hoogtens , voeten , toppun- 
ten en omtrek , de valeyen , heuvels , 
rotzen, duinen enz. de regels en loop der 
bergen, de byzondere landftreekenin dit 
landfchap gelegen. De hoofden , kaa- 
pen en uitfpringende punten , zee-boe- 
H 3 zems 



1 1 8 Natuur- en Konft-Kabinet , 

zems, havens enz. van 't geheele Land- 
fchap. De brandende , rookende en damp- 
uitwerpende bergen , onderaardfche kol- 
ken , hooien , de aardbevingen \ de aan- 
eenfchakeling en atfcheiding van hetLand- 
fchap in Eilanden of Byna-eilanden , de 
veiicheide foorten van grond , aardens, 
kleyen, mergels, zand, veenen , moe- 
raflen, flenige gronden. Wdke/pecifyke 
hoedanigheden dit landfehap eigen zyn, 
en derzelververfchil in deszelfs verfchee- 
lende landftreeken. De boflehen , wou- 
den , broeken, jacht, viflery, meiren, 
wateren , vruchtbaarheid en onvrucht- 
baarheid, en duizend zaaleen durf ik niet 
eens aannaaien , dewelke een Natuurlyk 
Hittorifchryver in elk byzonder Land- 
fehap heeft aan te merken, endatalleen- 
lyk maar voor zo ver hy deszelfs opper- 
vlakkige fiand-plaats befpiegelt. 
38. 
Ten tweeden kan een opmerkend Na- 
tuur-befchouwer de Aarde beipiegelcn , 
ten opzicht van deszelfs Inwoonders. Maar 
Hemel , welk een verfchcidentheid , welk 
een onnoemelyk getal doet zig hier op 
voor onze verbeelding ? Wie heeft ons 
tot noch toe alle Natiën opgetelt , of el- 
ke Natie in dien ilag van onderfcheid , 

waar 



January en February 1 7 1 o . 119 
waar in zy van alle andere Natiën ver- 
fcheelt , befchreven ? Ik zal van deze zaak 
aftreden, en om deszelfs ondoenlykheid 
maar voor oogen ftellen de befchryvinge 
des volks van een enkeld en byzonder 
Landfchap. 

In het befchryven der Inwoonders van 
een enkeld of een byzonder landfchap, 
zoude een Natuuilyke Hiitorifchryver 
acht dienen te geven. 1. Opdelngeboo- 
rene van outs. z. Op de volkplantingen uit 
andere vremde Natiën. En 3 . Op de In- 
komelingen ; op de temperamenten van 
deze drie elk in 't byzonder, en hoeda- 
nig het temperament der volkplantingen 
door den aart des lands dampkringachti- 
gen luchts en waters , gewoontens , voed- 
zels enz. wierd verandert , in hoe veel tyd 
zulks door malkander genomen gefchie- 
de , welke veranderingen de vremdelin- 
gen of inkomelingen daar onderhevig wa- 
ren. Het verfchil des volks van elke Stad 
of Landftreek in gedachte Landfchap , zo 
van temperament als alle andere toevallige 
eigenfehappen en hoedanigheden , de ge- 
daante , grootte , lengte , dikte , poftuur 
enz. door malkander genomen , de trek- 
ken van haare aangezichten tot onder- 
H 4 fcheid 



i io Natuur- en Konfi-Kabinet , 
fcheid van andere Natiën , derzelver co- 
leur , hair, oogen, ooren, neus, mond, 
lippen , vlugheid , (lerkte , behendigheid , 
gezondheid en landziektens , derzelver 
gewoontens , zeden , loosheid , fchrander- 
heid , uitvindende kragt en vernuft , haar 
oprechtigheid , bedriegelykheid , onno- 
zelheid, bygelovigheid , vryborftigheid , 
openhertigheid , haar natuurlyke neigin- 
gen , uitftekentile deugden en ondeugden , 
driften , taaien , Godsdienlten , zeeden 
en plichten onder en tegen malkander, 
gedrag tcgens vremdelingen j haar ge- 
woonelyke fpyzen, dranken , braflery en , 
foberheid , pracht , geleertheid , konften , 
oeffeningen , koopmanfehappen , nerin- 
gen en hanteringen of ambachten,haar Re- 
geerwys en burgerftaat , haar genees- en 
heelkonftige oeffeningen , haare rechts- 
gedingen , feeflen , zegepralingen , en 
cerimonicn in trouwen en begraven enz. 
Haare vrouwen , derzelver vruchtbaar- 
heid of onvruchtbaarheid , haare oeffenin- 
gen, huiswerk, huiscieraden, konden en 
handwerken. Der mannen oorlogs-be- 
dryf , kloekmoedigheid of bloohertigheid , 
haar bouwkunde omtrent woningen, 
fchepen , rytuig en andere gevaartens - y 
haar landbouw en byzondere manier daar 

om- 






January en February 171 9. i£i 
omtrent , haar tydverdry f en vermakelyk- 
heden , fpelen , danzen , zingen , haar 
verfcheide kledingen , elk in zyn trap van 
Haat, jaaren of eerampten , en duizenden 
van andere zaaken , dewelke in een naauw- 
keurige Befchryving des volks van elk 
by zonder Landfchap aangemerkt moeten 
worden. 

40. 
Ten derden zoude een natuurlyke 
Hiftonfchryver de Aarde konnen befpie- 
gelen, ten opzicht der zaaken, dewel- 
ke zich boven op de aarde vertoonen , by 
voorbeeld : de dieren in haare gedachten 
en fborten afgedeelt,de landdieren, land- en 
te gelyk water-dieren,de kruipende dieren, 
de bloedelooze dieren , de voor 't bloote 
oog onzichtbaare dieren , .de vogelen, 
elk na den aart van 't landfchap en lucht, 
daar zy in voortgeteelt zyn; mitsgaders ten 
opzicht der plantgewafTen , boomen, hees- 
ters, boomachtige heefters, plantachtige 
heefiers, kruiden, bladeren, bloemen, 
vruchten, zaaden , by-of aanwaflèn , cam- 
pernoeljes enz. Dewyl ik deze zaaken na 
dezen elk op haar plaats hoope te verhande- 
len, zal ik my tegenwoordig daar niet bre- 
der over uitlaten 3 maar merk eens op aan- 
dachtige Lezer , in welk een Oceaan van 
H ƒ me- 



122 Natuur- en Konjl- Kabinet , 

menigvuldigheid en verfcheidentheid een 
Natuurlyk Hiftorifchryver zoude omdob- 
beren , als hy zoude trachten aan ons me- 
de te deeleneen naauwkeurige befchry- 
ving van de dieren en gewaflen van elk 
Landfchap byzonder des geheelen aard- 
bodems , als hy elk zoude befchry ven , 
na zynen landaart en byzondere hoedanig- 
heden ? Indien gy gelezen moogt heb- 
ben , wat ons alleen van de dieren ont- 
dekt hebben , Plinius , Diofcoridcs , Mlia- 
nus, de groote Gefnems, de weergaloo- 
zen Aldrovandus , de vermaarde Willem 
Pi/o , Georgius Markgraaf^ Carol. Clufius , 
Francifcus Hernandez , Joannes de Laat , 
Eufebius Nieremberg , Jonfton , Bochartus , 
C harkt on , JVillughbei , Rondelet ius^ Mou- 
fetus , IVotton , Lifter , Rajus en een 
menigte andere, zult gy wel toeflaan, 
dat hier nog vry wat te onderzoeken is , 
't geen wy geheel niet of zeer fchraal 
weeten. 

De vierde manier, daar een Natuur- 
lyke Hiftorifchryver zyn mede- hoofd- 
voorwerp de Aarde byzonderlyk door kan 
befchouwen, is, wanneer hyin aanmer- 
king neemt de zaaleen, dewelke gevon- 
den 4 worden in de ingewanden der aarde , 

na- 



January en February 171 p. izg 

mmentlyk de metalen en alderhandeberg- 
ftofren en mynftofFen , iteenen, gibzen, 
aardens, mergels , en ontelbaare zaaken 
van die natuur. Laat nu de naamwyze 
en laatdunkende Schoolgeleerden , de- 
welke alles buiten de zaaken zelfs meenen 
te kennen uit haar ydele onderltellingen , 
of zo genaamde oorzaaks-of Natuur-kun- 
de, eens in deze groote klomp met ons 
intreden , en befchouwen de vrezelyke 
dieptens der onderaardfche mynen en uit- 
gegrave kuilen enz. Zy zullen zich da- 
telyk in een doolhof van onkunde ver- 
wart en verlegen vinden , en haare inge- 
beelde kennifle zelfs beftraffenen uitjou- 
wen. 

Als wy den ontzachelyken Aardkloot 
in zyn geheele dikte , in een recht neder* 
daalende lyn tot aan onze tegenvoeters, 
eens overwegen , zullen wy zeer lichtelyk 
begrypen, dat wy van het inwendige ge- 
itel des aarbodems maar zeer luttel wee- 
ten. Want als wy de Mynen van Hon- 
garyen , van Saxen , en van Per u ( die van 
alle de Bergwerken en aardgravingen de 
diepfte zyn) eens in 'acht neemen, zul- 
len wy bevinden, dat wy ten opzicht 
van de diepte der aarde , tot aan zyn mid- 
delpunt 



1 24 Natuur- en Konft-Kabinet , 

delpunt gerekent , nog naauwlyks op de 
eerfïe trap zyn na beneden geklommen. 
Ik hebbe in Boyle, Br oen of Agricola^ 
voor dezen gelezen ( dog de plaats en de 
rechte Auteur van deze drie is my ont- 
fchoten ) de lengte van de rechte neder- 
dalende lyn , tot op de grond van de al- 
derdiepfte Myn> maar ik hebbe echter zo 
veel wel onthouden ('en ik zal het ook na 
dezen uit myne Aantekeningen eens op- 
zoeken , en Ü , als ik van de bekende my n- 
werken handele , mede deelen ) dat de 
diepte van de alderdiepfte Myn ten op- 
zicht van de dikte des aardbodems, als 
een zeer dun fchilletje of fchorsje van dit 
overmatig gevaarte te achten is. 

43- 
Maar dat noch meerder de grootte des 

voorwerps van een algemeene Natuur- 
lyke Hillorie, en onze deerlyke onkun- 
de en erbermenswaardige onnozelheid met 
duizend monden uitroept , is , dat wy zelfs 
van dit dunne fchilletje en fmalbaftig 
fchorsje noch zo weinig weeten. Daar 
zyn immers na proportie van de geheele op- 
pervlakte des geheclen Aardbodems maar 
weinig plaatzen doorgegraven. En 't 
geen noch veel aanmerkelyker is , wy 
hebben maar zeer weinig geleerde Man- 
nen, 



January en Fehruary 1719. izf 
nen, dewelke de moeiten hebben gedaan 
van ons iets zonderlings mede te deelen 
van de plaatzen , dewelke gegraven zyn. 
Ik durf wel recht uit zeggen , dat wy maar 
een eenig Schryver hebben , namentlyk 
Georg. Agrkola , dewelke ons iets , dat aan- 
merkens waardig is, van de Mynwerken 
heeft medegedeelt. Het is wel waar, 
dat zommige geleerde Lieden over de me- 
talen , bergftoffen, aardens, fteenen enz. 
hebben gefchrevcn , maar van de berg- 
groeven zelfs en de werktuigen daar in 
gebruikelyk enz. zeer weinig en gebrek- 
gelyk. Zommige opmerkende Reizigers 
hebben eenige aanmerkingen nagelaten, en 
zommige Schryvers van Duit [Mand , Ita- 
lien en Vrmkryk , als ook eenige andere 
hebben van de mynen in Peru hier en daar 
wataangetekent, maar het is van weinig 
belang. Ik zal hier van alle andere zwy- 
gen , maar Jof. de Acofta is de eerfte , en 
de Heer Frezier, Ingenieur des Konings 
van Vrankryk , in zyne Reizen 171 2,. 
171 3. 171 4. in Wefiindien gedaan, de 
laatfte van die gene , dewelke iets van be- 
lang hebben aangetekent van de Mynen 
van Peru. 

'44- ' - , 

De meer gemelde Jefuit Jozephus d e 

deafia 



1 zó Natuur- en Konfi-Kabinet , 

Acofta verhaalt , in het vierde Boek van 
zyne Natuurlyke Hiftorie van Weftin- 
dien, van de Mynen van Peru veel fraaye 
en aanmerkelyke zaaken. Het Gebergte 
vanPö/oy?, zcgthy, is gelegen inde Pro- 
vincie van de Charcas in 't Ryk van Pe- 
ru zi en f graad zuiderbreedte van de 
linie op het uiterfte einde van de zona 
torrida. Zo dat dit land na de hoogte des 
pools , daar 't op legt, getempert of heet 
behoorde te wezen , maar het is om de 
fteigercnde hoogte des lands en grouw- 
zaame bergen daar zomtyds kouder als in 
Vlaanderen. Behalven de hoogte van het 
Land vvaajen daar in de Maanden Mey, 
Juny, July en Auguirus koudeen onge- 
temperde winden, dewelke zy daar toma- 
havi noemen. Deze winden zyn zeer 
verbolgen , koud , ongezond en onvrucht- 
baar, alles wegdrogende; in zo verre, 
dat nergens eenige vruchten, kruiden 
of zaadcn van belang voortkoomen , en 
het is volgens zyn eigen Natuur en on- 
vruchtbaarheid onbewoonbaar. Maar het 
zilver is 'er zo kragtig , dat het alle andere 
dingen na zich trekt , zo dat op dit ge- 
bergte een van de grootfte plaatzen van 
volkrykheid van ganfch Peru gevonden 
word. 

Potozi , 



January en February 171P. 127 

Potofi , vervolgt hy , is van alle lyf- 
tocht en lekkerny vol op. Alleplaatzen 
en markten liaan vervult met fruiten , 
conferven, banketten, keurlyke wynen , 
koftelyke zyde itoffen, en alles wat raar 
en heerlyk is. Gelyk dit van veel ande- 
re Schryvers, dewelke ria de Acofta ge- 
fchreven hebben, ook beveftigt word. 
46. 

De Acofta zegt , dat de koleur van de 
vermaarde berg Potofi wat na 't donker 
ros trekt , dat de zelve van verre zeer aan- 
genaam voor 't gezicht opryftalseenzui- 
ker-brood , en boven alle de andere ber- 
gen , dewelke daar by of omtrent ftaan , 
het hoofd uitfteekt 5 dat de zelve in de 
hoogte in een punt eindigt , en onder aan 
zyn voet een myl in 't rond is , en dat 
van het opperfte van de berg tot deszelfs 
laagfte voet een vierdedeel van eenfpaan- 
fche myl uitmaakt. De Mynen van de 
berg Potofi wierden ten tyde van de (a) 
Tncasj dewelke Heeren van Peru waren, 
voor de tyden der Spanjaarden niet bereidt 

nog 

(a) Ziet wat de geleerde Heer Ifaak Vcrhurg hier 
van geleert heeft in een aanhangzel achter de Reis- 
befcliiyviDgvandeHeerFr«s«rin 't jaar, 171S vertaalt 
en hier tot Atufterdam io 4'. gedurkr. 



128 Natuur- en Konji- Kabinet , 

nog gegraven, maar doen wierd in de 
mynen van Por co, dewelke zes mylen van 
de berg Potofi afleggen, gearbeid. Ja 
zelfs na dat de Spanjaarden twaalf jaar in 
Peru gewoont hadden, zyn de overryke 
mynen van de vermaarde berg Potofi eerft 
gevonden. 

47- 
De ontdekking van de zeer ryke zil- 

vermynen van de berg Potofi verhaalt de 
jfcofta op de volgende wys. Een Indiaan 
genaamt Gualpa , geboren in het land van 
Cu/co , klbm op een zeekeren tyd op den 
berg Potofi , en moeit zig op zommige 
plaatzen om deszelfs fteilte aan de takken 
der wilde boomen , dewelke daar quïnua 
genaamt worden, daar dezen berg in dien 
tyd byna over al mede bedekt was, hier 
en daar zomtyds vafthouden, en zelfs e- 
nigzins mede optillen. Hy greep onder 
anderen een tak , aan dewelke zich ge- 
wortelt hadde een zilvere ader , die zedert 
de naam van de ryke zilver-ader behouden 
heeft. Deze tak volgde uit de grond hem 
na , en hy ontdekte ( als kennifle van die 
Zaaken hebbende , en lang by de mynen 
xznporco verkeert hebbende ) dat de plaats 
des wortels met een ryke minerale ltof 
voorzien was, hy nam eenige Hukken 

mede, 



yanuary en February i/lp. 129 
mede , dewelke hy tot por co door het vuur 
beproefde, en uitnemend ryk van zilver 
bevond. Hy behielt dit geheim een maand 
lang voor zich alleen, en groef dagelyks 
flukken van dit ryk Mineraal , tot dat 
cindelyk een ander Indiaan , genaamt 
Guanca en geboren in de valey van Xauxa , 
dewelke binnen de greniTcheiding van de 
ftadt de los Reyes legt , en die een gebuur 
was van voorgemelde Gualpa ^ kwam te 
ontdekken, dat Gualpa in alles toenam, 
daar hy te voren armelyk leefde. Mitsga- 
ders dat de mineraal-Hof, dewelke Gual- 
pa bereide, verfcheiden was van het zil- 
xtx-mineraal of erts van Porco. Om de- 
ze reden plaagde Guanca onzen goeden 
Gualpa zo lang , tot dat hy hem eindelyk 
deelgenoot van deze heimelyke fchatkift 
maakte , echter onder dit beding , dat 
Guanca voor zyn deel zoude genieten een 
andere zilvere ader, die mede heel ryk was, 
en die hy behalven de eerfte ondertuflehen 
noch ontdekt hadde, maar wiens erts har- 
der en zwaarder te bewerken was. 
48. 
De Alderrykfte Schatkift, dewelke zo 
wel voor als na dien tyd op de geheelen 
aardbodem bekent is geweeft, was toen 
in handen van twee overwonnelin ^en en 

I ' el- 



130 Natuur- en Konjl-Kabinet , 

ellendige Indianen , maar zy twifteden wel 
haafl om het verfchil van de Erts , en Guan- 
ca ontdekte aan zyn Meefter het geheim. 
De Meefter van den ondankbaaren en on- 
trouwen Guanca was een Sp&njaart, de- 
welke Villaroel genaamt was èo in Por co 
woonde. 

49. 
De Wet des Konings van Spanjen geeft 
aan de geen , die een ryke ader ontdekt, 
een recht , dat hy eenige roeden in den 
omtrek voor zich zelven mag afteikenen 
en afperken , gelyk ook datelyk de Span- 
jaart Villaroel met behulp van zyn knegt 
Guanca verrichte , daar de rykfte Erts 
gevonden wierd , te weten in de ader van 
de eerfte ontdekker Gualpa. Hier blyft 
zodanig een ontdekker Heer en eigenaar 
van,mits dat hy de geheele Myn aan 't Ko- 
ninglyk gerecht openbaart en getrouw 
aangeeft , en aan de Koning de vyfde 
penning van alles dat hy uitkookt be- 
taalt. 

Deze eerfle aangeving en openbaring 
van de rykdommen van den berg Potoji 
is door Villaroel en Guanca gefchiet op 
den 21 April in 't jaar if4f. Zeer kort 
na deze ontdekking wierd noch eenderde 

ader 



January en February 1719. 131 
ader gevonden, dewelke uitnemend ryk 
was, dog de Erts van de zelve was zo 
hart als vuurfteen. In het zelfde jaar 1 5-45- 
wierd op den 3 1 Auguftus noch een vier- 
de zilver-ader ontdekt , mendieta genaamt. 
En deze vier aderen zyn de rykfte , die 
tot noch toe op den geheelenaardbodem 
ontdekt zyn geweeft. In de eerfte ontdekte 
en rykfte van deze vier aderen ftont het me- 
taal een fpiets lengte in de hoogte over ein- 
de, op de wys als rotzen , die boven de aar- 
de als de tanden van een kam uitfleken , en 
zulks ter lengte van driehondert voeten 
en dertien voeten in de bieedte. Het 
metaal was zo ryk, dat de helft vandes- 
zelfs Erts byna zilver was. De rykdom 
van dit metaal duurde in de diepte vyftig 
en zeftig mans lengtens , op welke diepte 
het onzuiverder wierd. Deze ontdek- 
king gefchiede , terwyl Kar el de V Kei- 
zer vmDuitfchhnd enMonarch vznSpanjen 
was. Het gerucht , dat zich overal van 
deze ontdekking verfpreid hadde, lokte 
van alle kanten de Spanjaarden na Potofi^ 
zo dat aldaar in weinig tyd een groote 
plaats vol Inwoonders zich vertoonde. 

Onder de alderrykfte Mynen , daar de 

Oude van gefchreven hebben , is die de 

I z rykfte 



i } i Natuur- en Konfi-Kabinet , 
rykfle daar Plinius van melt , dewelke in 
de Pirineefche gebergtens van Spanjen door 
Bebelo eeril is ontdekt , die aan zyn 
Eigenaar Hannibal dagelyks drie hondert 
ponden zilver uitleverde, te weten pon- 
den van twaalf oneen j maar deze hadde 
geen overeenkomft in rykdom by de ade- 
ren van Potofi. Want het blykt uit de 
Boeken des Konings van 't huis der con- 
tradictie ( daar 't zelfde opgeteikent word) 
dat in de tyd , dat de Licenciaat Polo re- 
geerde , alle Zaterdag alleen voor de vyf- 
de penning des Konings van Spanjen af- 
gedeelt wierden veertig duizend ftukken 
van achten. Zo dat dagelyks uit deze 
Myn uitgelevert wierden dertig duizend 
Ryksdaalders , daar de myn Bebelo maar 
ruim tien duizend guldens dagelyks kon- 
de uitleveren , behalven dat de fchat van 
Potofi wel verdubbelt moet worden, de- 
wyl de helft in dien tyd wel verzwegen 
en nier aan 't Boek des Konings aangege- 
ven wierd , maar onder de Indianen en 
Spanjaarden bleefj gelyk zulks by de Acofta 
zyn tyd in Peru over al zeer wel bekent 
was. 

De grootfte verhindering , dewelke 
belet, dat de fchatten niet uitdeMynen 

ee- 



January en February 1719. 133 
gehaalt konnen worden , is het water , dat 
uitgeemmert moet worden , daar Potofi vry 
van was , en de mynen van Por co , die 
anders zeer ryk zyn, overvloedig mede 
gekwelt wierden, geïyk ook in ouden 
tyd de mynen van Bebelo , na het getuige- 
nifle van Plinius. De myn van Bebelo 
'mSpanjen was vyftien honden: treden diep, 
en gedurig vol water , en die van Potoji 
by de tyd van de Acofia twee hóndcrt 
mans lengten of vademen. Alle de vier 
erts-aderen van Potoji , zegt de Acofla^ 
zyn aan de ooft zyde van de berg , daar 
de zon opkomt, en zy loopen van 't 
noorden na 't zuiden, zynde nu op haar 
breedfte zes voeten , en op haar fmalft een 
fpan breed j aan de weftzyde van de berg 
worden geen mynen gevonden. Daar 
zyn kleindere takken , die van deze groote 
voortkoomen. Elke ader heeft verfcheide 
mynen of groeven, en deze behooren aan 
verfcheide eigenaars , na welker naamen 
zy genoemt worden. De grootfte Myn 
is 80 Spaanfche ellen en de kleinfte van 
vier. Meer als tachtig ellen word aan 
niemant toegeftaan om te graven. In 
de ryke ader zyn achtenzeventig mynen, 
in de ader van Centeno Z4 mynen enz. 

I 3 Myn 



134 Natuur- en Konjl -Kabinet , 

Myn bellek verbied my , waarde Le- 
zer, om verder af te weiden, en van de 
andere Mynen van JVeflindien te fpre- 
kenj verwacht op een andere tydnaauw- 
keuriger en overvloediger befchry ving zo 
wel van de Mynen van andere landen , als 
van die der Spaanfcbe en andere Weftindien. 
Deze zyn zo verfcheiden en zo veel in 
getal , dat het uw geloof, indien gy des 
onkundig zyt , te boven zal gaan. Maar 
de tegenwoordige rykdom der ertzen is 
lang zo groot niet, en ook zo ge- 
makkelyk niet om uit te meubelen, als 
de menfchen zich hier gewoonlyk wel 
inbeelden. De berggroeven en viflerycn 
van goud , de Mynen van koper , zwa- 
vel, zout, fleenen , kwikzilver, zeil- 
fïeen, en veel andere bergftoffen , die 
daar gevonden worden , zyn zo overvloe- 
dig , dat ik aan de zelve op deze plaats 
niet durf raaken, veel minder aan de 
bergwerken van Hongarien , Meïfjen , 
geheel Duit f Mand , Vrankryk , Enge- 
land , Spanjen^ Italien, de diamant-groe- 
ven van Indien enz. 

Ï4- 
Ik heb genoeg getoont om te doen 

bcgrypen , dat een naauwkeurige be- 
fchry- 



January en February 1719. 13 f 
fchryving, door een natuurlyke Hifto- 
rifchryver van het ontzachelyke voor- 
werp ( namentlyk de Berg- en Aard-groe- 
ven, en derzelververfcheidebergftoffen, 
dewelke op de geheele aardkloot gevon- 
den worden en geopent zyn ) een onder- 
neming is, daar duizende geleerde pen- 
nen haare kragt op verilyten zouden , en 
dat wy zeer weinig weetenvan deze zeer 
dunne fchil of fchors in zyn omtrek over 
■de geheelen aardbodem aangemerkt. 

Wy moeten ons niet inbeelden , dat 
een metaal-ader, 't zy van goud, zilver, 
kooper , tin , cinaber enz. niets anders zou- 
de behelzen, als dit eenige metaal of mi- 
neraal ^ te weten of goud , of zilver, 
kooper of tin , of loot of kwikzilver j o 
neen myn verftandige Lezer, de ertzen 
van deze metalen verfcheelen in duizen- 
de van omftandigheden zo oneindig veel 
van malkander, dat zulks uwe gedachten 
voorby zoude vliegen. De Heer Frezier 
zegt. De fteenenvandemynen, de erts, 
(of om de taal van Peru te fpreken) het 
metaal, waar uit men het zilver haalt, 
zyn niet altyd van dezelve hoedanigheid , 
beftendigheid en koleur. Daar zyn 'er 
1. Blank en grauw, gemengt met roiTe 
I 4 vlek- 



1^6 Natuur- en Konfi-Kalinet , 

vlekken als uit de mynen van Lipes. z. 
Word daar gevonden zwarte aarde of erts , 
dit is de ryklte, en met loot gemengt. 3. 
De alderrykfte erts is insgelyks zwart', 
en word root als zy tegen yzer gewre- 
ven word. 4. Daar is erts die fterk glin- 
flert, maar is zeer arm. ƒ. Da*ar isgeel- 
rode. 6. Daar is groene. 7. Daariszilver- 
dradige. Dus ver de Heer Frezier. Gy 
ontmoet duizende van coleuren , duizende 
van alderhande fteenen , aardens, gibzen, 
mergels , cri Hallen , marcazitaas , anti- 
monien, cinabers , vitriolen, half- en ge- 
heel-rype metalen , zwavels , kooien, 
cobolten, arfemcaas, zandaracaas enz. in 
zo ver dat gy niet weet , waar gy u wen- 
den of keeren zult , om uw vereifchte 
metaal, daar het om te doen is, uitte 
kooken ; en de werktuigen , die daar toe 
noodig zyn, en daar op verfchcide wy- 
zen toe gebruikt worden, gaan uw ver- 
wachting te boven: ik zal nog maar iets 
zeggen. 

f6. 
De Myn-aderen loopen gemeenlykna 
de diepte , en zyn zeer zwaar te vervol- 
gen , en om daar by te koomen heb- 
ben de Spanjaarden in de berg Potojigz- 
ten gegraven aan de voet van de berg, 

die 



January en February 1 7 1 9. 1 57 
die na de ader toeleiden , dwars in dezel- 
ve. Deze wegen zyn een mans langte 
hoog en acht voet wyd , en honderde ja' 
duizende vademen lang , en hier door 
brengen zy de gegraven metaal-aarde na 
buiten , mits betalende aan den Eigenaar 
dezer wegen een vyfde part van alle de 
metaal-aarde of erts. De metaal-aarde of 
erts is fteen , en word met yzere koevoeten 
en andere brekende inftrumenten aan Huk- 
ken geflagen en uitgehakt, en word dan op 
ladders van olie-leer in een kleed ' op de 
rug na de dwars wegen opgetorft, dik- 
wils ter hoogte van tweehondert vade- 
men , eer zy aan de uitgaande dwarsweg 
koomen , gefchiedende dit alles in 't don- 
ker buiten eenige dag en met kaarslicht. 
Ziet de Acofta. 

De Heer (a) Frezier zegt, datdeMy- 
nen, die tegenwoordig het meefte zilver 
geven, zyn die van Oruro , een klein 
lteedtje 80 mylen van Arica gelegen. 
171 z. ontdekten zy tot Ollachea , niet 
verre van Cufco^ een zo ryke Myn, dat 
zy byna een vyfde zilver uitleverde, maar 
zy is nu maar gemeen. Na deze volgen 
die van Lipes^ die het zelfde lot gehad 
I f heb- 

(a) Ziet Frezier Reis door de Zuid-zee. 



ï 3 8 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

hebben. Eindelyk die van Potoft geven 
weinig , en flepen veel onkoften na zich 
door haar groote diepte. 

Gelyk ik nu lichtelyk al te overvloedig 
getoont hebbe, dat het Geheel- al of de 
groote Natuur een voorwerp is, dat in 
geen algemeene Hiftorie of Befchryving 
kan vervat worden, om deszelfs groot- 
heid en veelvuldigheid van Natuurlyke 
Schepzels , is in tegendeel de kleinheid 
en deelbaarheid der ltoffelykheid van elk 
fchepzel ook te ryk en te onbepaalbaar, 
om befchreven te worden na haare waar- 
achtige gcfteltheid , en ik zal u too- 
nen , dat al zo weinig als wy de groote 
Natuur kennen in deszelfs uitgeitrektheid, 
even zo veel voor ons verborgen is des- 
zelfs waare gefchapenheid in het zo ge- 
naamt oneindig klein. 

Het gezag van een naarftig en naauw- 
kcurig onderzoeker moet by een man, die 
recht verllandig wil handelen , meer gel- 
den als de redentjes van duizend fchool- 
geleerden , dewelke of nooit eenige proe- 
ven gedaan hebbende , of eenige weinige 
proeven van de groote Natuur-befchou- 
wers overgenomen hebbende , uit onder- 

flel- 



January en February 171 9. 139 
[ ftellingenenharflen-gedrochten, Hout en 
onbefchaamt over alle de zaaken der Na- 
tuur haar 'oordeel vellen. Dat gezag moet 
[ echter niet verder als op ons geloof wer- 
ken, dat is : \vy moeten de bevindingen 
en de proeven , dewelke een groot Na- 
tuurbefchouwer verhaalt zelfs gedaan te 
hebben, met een goed vertrouwen aan- 
neemen , maar zo ras als zodanig een Man 
(al was hy ook de grootfte van alle de 
Natuurbefchouwers) uit deze proeven be- 
gon te redeneren , en onbeproerde zaaken 
uit deze data te befluiten , en gevolgen 
'te trekken, moeten wy ons metdeszelfs 
groot gezag niet bekreunen , maar onze 
eigen toetlteen en zeef gebruiken , en het 
licht de waare Reden, die Godt ons daar 
toe gefchonken heeft , gehooi zaamen , en 
door deszelfs oordeelend vermogen ont- 
dekken de waarheid of valsheid zyner re- 
denkavelingen , gemaakte gevolgen en be- 
fluiten. 60. 

De roemruchtige Robertus Boy Ie heeft 
zo veel gezag bydegeleerde Wereld ver- 
worven, dat niemantaan de ondervindin- 
gen , waarnemingen en proeven , dewel- 
ke hy heeft nagelaten, tot noch toe heeft 
willen twyffelen. Ik zal eenige proeven 
van dezen grooten Man aanhalen , om te 

bewy- 



140 Natuur- en Konjl- Kabinet , 
bewyzen de onnafpeurlykheid van het on- 
begrypelyk klein zommiger floffelyke 
dcelen. 

61. 

Ik leide een greintje gevylt koper , zegt 
de Heer (a) Boyk, in een fchaaltje, dat 
van de uitcrfte naauwkeurigheid en rad- 
digheid was 3 en dewyl ik dit metaal had- 
de uitgekoren, om dat het zelve in de 
mcefte fmekvochten uitlevert een zeer 
kennelyke en volle blauwe koleur , heb- 
be ik het zelve laten fmelten, niet in 
itcrk-water of konings-water , maar in 
geeft van Ammoniac-zoux. , om dat deze 
uit een pis-zout beftaat , en dal: andere 
proeven my geleert hebben , dat de pis- 
zoutige fmelt-vochten veel hooger ko- 
leur uit het koper haaien , als de zuure ont- 
bind-of fmelt-vochten. Ik itorte in een 
hooge of lange ronde glazen-pyp van vier 
duim over zyn diameter , overvloedig veel 
van deze geeft van Ammoniac-zoui , op 
dat het geheele greintje koper ontbon- 
den en gefmoken zoude worden j dit ge- 
fchiet zynde, goot ik de geheele glaze 
buis vol regenwater , waar door de koleur 
een weinig bleeker wierd , doen goot ik 
dit vocht over in een afgewogen vat, en 

woeg 

.--' lid. t;;t: txaclat. de mira fubtilitate effluvionwh 



January en February 171^. 141 
Woeg het gekoleurde vocht , en bevond 
dat een grein koper zich zodanig liet ver- 
deden , dat 2.8 ƒ 34 greinen water daar 
door gekoleurt wierden. Maar dit is 
noch niet genoeg , want de Heer Boyle 
toont behalvcn dit alles , dat als wy 
op de uitgeftrektheid de» fboffclyke dee- 
len letten , zo van het water als het ko- 
per , dat het volumen van een en het zelf- 
de gewicht van water en koper zo veel is 
als negen op een > dat is , dat een grein 
water negenmaal zo veel plaats bcflaat als 
een grein koper. Als wydan de 28 f 34 
grein water , dewelke van een grein ko- 
per gekoleurt zyn , multipliceren door 
negen, zullen wy bevinden, dat een 
deeltje koper zyn koleur uitreikt aan 
2.f68o6 evengelyke deelen water, wel- 
ker uitgebreitheid van elk even groot is 
als de uitgebreitheid van het greintje ko- 
per. Maar dat noch meer is , dit geko- 
leurt water konde noch eens zo veel klaar 
water verdragen , zonder zyn blauwe ko- 
leur in 't geheel te verliezen , hoewel 
dezelve zeer flauw en bleek was. Waar 
uit volgde,dat een greintje koper de koleur 
konde uitreiken , en zich vervolgens laten 
verdeden aan zo veel even groote deelen 
waters tot een getal van f 1 3 61 2, deelen. 

Ds 



142. Natuur- en Konft- Kabinet , 

61. 
De Heer Boyle liet ook een fluk Am- 
ber de grys van hondert grein aan een 
naauwkeurig fchaaltje hangen , en fchoon 
dit fchaaltje op een klein gedeelte van 
een greintje overwicht zoude doorge- 
flagen hebben f bleef het zelfde drie da- 
gen en een half in zyn balans flaan, 
fchoon de amber het geheele vertrek met 
welriekende deelen in al dien tyd hadde 
vervult. Op een andere dag liet hy in de 
plaats van amber een ftukje ajjafoetida of 
duivels drek aan het fchaaltje hangen , en 
het zelve hadde in vyf en een halve dag 
niets zichtbaar van zyn gewicht verloren, 
niet tegenftaande het al dien tyd de om- 
gelegen lucht , daar het in hing , met 
Hinkende deelen hadde vervult. 
63. 
Indien gy vermaak fchept Lezer, om 
Zelfs een proef te neemen van de onbe- 
grypelyke deelbaarheid zommiger ftof- 
fen, neemt een grein amber de grys, an- 
derhalf grein fpicrwit civet , een half 
grein mulcus van Tunquïn , en twee drup- 
pelen gediftilleerde oly van kaneel , mengt 
en ftampt dit met dertig grein witte 
broodzuiker tot een poeyertje , neemt van 
de alderbefte Bearne-ïojfaan wyn acht 

pond, 



January en February 17 19. 143 

■pond , ftort uw poeder daar in , en laat 
dit in een zeer dichtgefloten fles een 
jaar lang in een kelder Haan, gy zult be- 
vinden , dat het eene greintje amber de 
grys niet alleen zal doorfteken door al de 
wyn, maar dat zelfs een thee-kopje van 
deze wyn een geheele boutelje friiTe wyn 
zal ambrizeren , en als al uw eerfte wyn 
is opgebruikt, en gy de fles wederom 
met acht pond verfche Tojfaan wyn op- 
vult , na verloop van eenige weeken zult 
gy wederom bevinden , dat alle uw Tof- 
faan wyn op meuw^geambrizcert is, en 
zulks tot verfcheide reizen toe. Deze 
proeven door my zelfs genomen , en aan 
andere Liefhebbers getoont, beveiligen 
de proeven van de Heer Boyle ten vollen. 
64. 
Om de ongeloofelyke kleinheid der 
uitwaaflemende lichaamen te beter aan 
te dringen , verhaalt de Heer Boyle op 
verfcheide plaatzen verfcheide bekende 
voorbeelden van honden, dewelke aan de 
prent of voetftappen van haazen en ander 
wildt , aan de plaatzen daar patryzen en 
ander gevogelte gezeten heeft, en aan 
de voetftappen van haar meefter, zelfs- 
eenige uuren na dat dezelve betreden 
zyn , reuk ontvangen , en dervelver 

rui- 



1 44 Natuur- en Konfl-Kabinet , 

ruikende deelen in haare neusgaten ont> 
moeten, 

6 T . 

Het alder verwonderens waardigfte 
voorwerp , dat een Natuurlyk Hiftori- 
fehryver in het ongeloofclyk klein voor- 
komt , zyn de ontdekkingen der onuit- 
fprekelyke kleine levendige fchepzeltjes , 
gedaan met vergroot-glazen door de ver- 
maarde Heeren A. v. Leeuwenhoek , Rob. 
Hooke , F. Redi , Malpighius , Bonanni , 
Langius en andere. Deze Heeren heb- 
ben getoont, dat in de natuur gevonden 
worden diertjes en levendige fchepzeltjes 
van zodanig een ongeloofelyke kleinheid , 
dat dezelve niet alleen het fcherpfte ge- 
zicht ontwyken , maar nooit als met het 
alderkeurlykfte en wel gefchikfte ver- 
grootglas konnen gezien worden. En 't 
geen de kleinheid van zodanig een beesje 
het alderverwonderlykir. maakt , is dat 
zelfs het alderkleinlte diertje voorzien 
moet zyn met alderhande verfcheide dee- 
len , die tot deszelfs beweging , leven , 
voedingen voorttecling noodig zyn. (a) 
Deze dieren moeten volgens de bekende 
wegen der natuur begiftigt zyn met een 
mond , maag , darmen , hart , aderen , 

{lag- 
(«) Vid. jO.Ctnrad. Ftyeri Merjologia. 



January en February lyip. 14^ 

flagaderen, harflens, fpieren , zenuwen , 
vochten, bloed, lucht, en veel andere 
deelen. 

66. 
De Heer A. van Leeuwenhoek getuigt, 
dat hy in eene druppel peper-water , 
daar drie dagen peper in uitgetrokken 
was , had waargenomen ten miniten 
8280000 levendige fchepzeltjes. Ik 
verzoek, dat myn Lezer hier de onvoor- 
zichtigheid niet begaat , van de waarne- 
ming van dezen Heer te verwerpen uit 
onkunde, gelyk dagelyks gebeurt. De 
Heer R. Hooke heeft diertjes ontdekt , 
dewelke in de omtrek van een eenige 
druppel een getal uitleveren van tienmaal 
hondertduizend milioenen, en een iege- 
lyk van deze diertjes moet voorzien zyn 
met de vereifchte deelen , van Peyerus te 
voren opgetelt. 

67. 
Op dat nu myn Lezer eenig licht mag 
ontvangen, op welk een wyze dit getal 
word opgemaakt, gelieft hy zich voor te 
ftellen, dat een lang glazen pypje (tien- 
maal fynder als een menfchen hair) met 
een honderdfte part van een eenig drup- 
peltje vervult is , en dat wederom de 
honderdfte part van 't pypje befchouwc 

K zyn- 



1 4<5 Natuur- en Konft-Kabinet , 
zynde, dit wederom in een zeer klein 
part verdeelt kan worden j en over de 
diertjes ( zich in dat deel bevindende ) een 
overflag gemaakt zynde, konnen alle de 
diertjes , dewelke in de geheele droppel 
zyn , door additie tot een zeker getal ge- 
bragt worden , in welk getal die Heeren 
dan altyd waarneemen het minfte getal. 
Uit deze en duizend andere voorbeel- 
den , dewelke ik nu voorby zal gaan , 
kan myn Lezer wel zien , dat het voor- 
werp van een algemeen Natuurlyk Hif- 
torifchryver ( zo wel ten opzicht van 
zyn onbegrypelyk klein ahzynonbepaalbaar 
groot ) ontoegangkelyk voor de geeft en 
arbeid van een Schryver is, en dat ver- 
volgens de Natuurlyke Hiftorie van Pli- 
nius niets minder is , als een Hiftorie van 
de geheele groote Natuur ' Daarom zal 
ik over twee maanden ( behalven veel an- 
dere zaaken ) handelen van de verfcheide 
foorten van Natuurlyke Hiftorifchry- 
vers, haar onderfcheid en betrekkelyk- 
heden enz. 



Kan 



Jamtary en Fehruary 171P. 147 

Van de Wetten der Natuurlyke Hiftori- 
fchryvers. 

T. 

OP dat een Natuurlyk Hiftorifchry- 
ver zyn werk tot een gelukkig en 
vruchtbaar einde zoude brengen , is het 
noodzakelyk , dat hy zich verbinde aan 
zodanige wetten en voorwaarden, de- 
welke, als hy dezelve waarneemt, zyn 
werk de vereifchte hoedanigheden van 
een Natuurlyke Hiftoiïe konnen byzet- 
ten. 

2. 
De eerfie regel of wet voor een Be- 
fchryver der Natuur moet zyn. Dat hy 
de Schepzels of zyn voorwerpen zodanig moet 
befchryven als zy inderdaad zyn , en als die 
in de Natuur gevonden worden. Als een 
Natuurlyk Hiftorifchryver ons harflen- 
gedachten, monfters en zaaleen verhaalt, 
dewelke de fabel of het bygeloof hebben 
gedroomti of wanneer hy de zaakenbe- 
fchryft, gelyk zy aan de bloote zinnen 
voorkoomen, gelyk de Maan als de bol 
van zyn hoed , de Zon wat grooter , en 
de Sterren gelyk wy die zien. Of dat 
een Natuurlyk Hiftorifchryver een zaak 
K 2 als 



ï 48 Natuur- en Konft-Kahinet , 
als buiten hem beftaande befchryft, de- 
welke nergens te vinden is als in het 
denkbeeld der menfchen , en duizend 
diergelyke zaaken 3 zondigt hy tegens 
deze Wet. 

De tweede Wet , daar een Natuur- 
befchryver zich aan moet onderwerpen , 
is. Dat hy alle ingenomenewetenfchappen, 
opinien en vooroordeelen afleidden alleen zich 
door de Natuur en hoedanigheid van zyn 
voorwerp laat als by de hand leiden. Als 
wy eens nader overweegen en herden- 
ken , hoe zeer de ingezogene vooroor- 
deelen ( verkregen in onze jonkheid door 
omgang, door vertelling, door fchool- 
lesjes, door leermeefters , door 't lezen 
van verkeerde boeken , door omgang met 
vremde natiën , geleerde lieden, byge- 
loovige leugenaars ) met ons als opgroe- 
ven j hoedanig onze begeerlykheden na 
geit, eer, welluften en neigingen ons 
verblinden, hoe wy ons verflaven aan 
manieren en gewoontens , met welk een 
ontzach wy alles aanhooren , en als Ora- 
kels aanneemen en inpotten , dat wy van 
groot-achtbaare Mannen hooren verkla- 
ren , hoe kragtig onze driften ons van 't 
rechte fpoor konnen verbyfteren , hoe de 

waan- 



January en February 17 ip. 149 
waanwysheid, laatdunkentheid en zotheid 
ons omringen , hoe licht wy aan deze of 
gene Secle vervallen en onder een vlag 
geraaken, hoe onvermogend onze Geelt 
is en hoe ryk de zaaken zyn , hoe wei- 
nig kenniffe, voorzichtigheid en gedult 
wy hebben om onze proeven en waarne- 
mingen wel aan te leggen, en hoe veel 
daar toe van noden is , dan zullen wy de 
noodzakelykheid van deze voorwaarde 
lichtelyk bevroeden. 

4* 
r De derde Wet , dewelke een Natuur- 
lykHiftorifchryver in acht moet neemen, 
is , dat hy de ftellige eigenfehappen der 
fchepzels nimmer moet verwarren met de 
betre kkelyke eigenfehappen , vermogens en 
/hoedanigheden der zelve. Alles dat vaneen 
zaak afgenomen zynde, de zaak vernie- 
tigt en aangevoegt fielt , word onder de 
ftellige eigenfehappen getelt. Alles dat 
van een zaak af en op een andere tyd aan 
kan zyn , noemen wy de toevallige hoe- 
danigheden. Alles dat tot zyn zodanig 
zyn in een zaak het tegenwoordig zyn 
van een anderezaak (daar het betrekking 
op heeft ) vereifcht , moet onder de be- 
trekkelyke hoedanigheden en vermogens 
eens zaaks geftelt worden. Als wy in 

K 5 de 



1 fo Natuur- en Konft-Kabinet , 
de befchry ving der Natuurlyke fchepzels 
in de onderfcheidentlyke kennifle dezer 
hoedanigheden en eigenfchappen verwart 
zyn, zullen wy aan de zaaken vermo- 
gens, eigenfchappen, krachten en hoe- 
danigheden toefchry ven , die niet als zo- 
danig in de zaak zyn , maar dewelke ge- 
huisveft zyn in het punt, daar de eigen- 
fchappen van twee verfcheide zaaken door 
betrekking in zamen vloeyen. Deze dwa- 
ling is zo algemeen en gevaarlyk, dat 
zy meeft alle menfehen, hoe gelecrt en 
voorzichtig zy ook zyn, onwetende en 
ongevoelig bekruipt , gelyk ik na dezen 
zal toonen. 

f- 

De vierde wet eener Natuurlyke Hif- 

torie fielt de ordre der Natuurlyke fchep- 
zels , dat is : de zaaken , dewelke befchre- 
ven worden , moeten in algemeene hoofd- 
gejlagten verdeelt worden , en elk hoofd-ge- 
(lagt wederom in zyn onderhorige ge 'flagten, 
en die wederom in haar e fmaldeelen of foor- 
ten , alles gefchikt na de ordre der Natuur 
zelfs. Als een Natuur-befchouwer de 
Natuurlyke Hiftorie van zyn land of een 
ander landfehap zoude trachten te be- 
fchryven, zoude hy zyn werk moeten 
verdeelcn in zodanige hoofd-verdeelingen, 

als 



January en February 171 9. ïfi 
als de Natuur zelfs verdeelt is. By voor- 
beeld, i . De Hemel , Sterren , Zon , 
Maan enz. met derzelver geitaltens , ver- 
mogens en betrekkingen op dat landfchap 
enz. z. De Dampkringachtige lucht met 
alle deszelfs veranderingen en betrekkin- 
gen op gemelde landfchap , deszelfs in- 
woonders, dieren , gewaffen , vrucht- 
baarheid enz. 3. De wateren des lands, 
dezcên, rivieren, ftroomen, fonteinen, 
putten , wellen , meiren, poelen enz. 
En 4. De aarde , benevens alles wat 
daar boven op gevonden word , als men- 
fchen, dieren , gewaffen , en 't geen daar in 
door ingravingen ontdekt mag zyn , als 
Metalen, bergftoffen , fleenen enz. Zo- 
danig een verdeling heeft de Hoog-Edele 
Robertus Boyle eenige tyd voor zyn reis 
na den hemel zelfs ontworpen. De ver- 
deling en ordre, dewelke een Befchryver 
van een eenig Natuurlyk fchepzel, of 
van eenige andere geringe gedeeltens der 
Natuur, moet waarneemen, zal ik me- 
dededen , als ik van de byzondere Na- 
tuur-befchryvers en derzelver onder- 
fcheid handele. En ik geloof, dat op 
dien tyd de nuttigheid van deze onze vier- 
de Wet genoeg zal blyken. 

K 4 De 



I y ï Natuur- en Konfi-Kabinet , 
6. 
De vyfde Wet voor een Natuur-ont- 
vouwer is : dat hy de Natuurlyke Hifto- 
rie in haar grensfcheiding zorgvuldig bepaalt 
en betvaart. De opmerkende Lezer be- 
grypehier, dat de eenvoudige , waarach- 
tige en zeer omftandige Belchryving van 
een Natuurlyk Schepzel of fchepzels al- 
tyd moet gefcheiden worden, en voor 
deszelfs Natuurlyke Hifloric gehouden 
worden , en alles het welk daar tot nader 
verklaring word bygevoegt uit de oor- 
zaak- en gewrochts- kunde , of uit de Phy- 
fica of zo genaamde Natuur- kunde, of 
tot dienft en gebruik uit de konftbefchry- 
ving of ambachten, of tot uitlegging van 
derzelver groote vermogens , omtrek , 
inwendig geitel uit meetkunde, werk- 
tuig- en bewegings-kragtkunde, ftofïchei- 
kunde , en de groote menigte wetenfchap- 
pen en konltcn , dewelke dienareflen der 
Natuurlyke Hiitorie zyn. In zodanige 
omstandigheden , zeg ik , moet elke dienit- 
baare wetenfchap in haar eigen betrek- 
king bygevoegt en befchou wt worden, en 
geenzins verwart met en onder de Natuur- 
lyke Hiftorie voorgedragen of misbruikt 
worden j veel minder moeten deze dienft- 
baare wetenfchappen of konften onder 

mal- 



January en February 171P. if$ 
malkander verwart', en de een in de an- 
dere ingelyft aangelegt worden, gelyk 
zulks dagelyks geichiet. '-* 

7- 
De zesde Wet is, dat een natuurïyk 

Hiftorifchryver niets befchryft , als dat hy 
zelfs gezien en bevonden heeft , of onfeil- 
baar weet zodanig bevonden te zyn. Het 
is niet mogelyk , dat een Befchouwer der 
Natuurlyke fchepzels , dewelke een Na- 
tuurlykeHiftorie van zyn eigen land,of van 
een land daar hy na toe gereift is,befchryft, 
alles zelfs zo van naby kan befchouwen , 
waarneemen en beproeven , als nodig ter 
befchryving is, maar hy moet zorg dra- 
gen , van zodanige perzoonen ( dewelke 
hy ter onderzoeking der Natuurlyke zaa- 
leen aanftelt) uitte kiezen, daar hy vol- 
komen ftaat op kan maaken, en hy moet 
de Schry vers , dewelke hem zyn voorge- 
gaan , en daar hy licht en kennis door 
ontvangen heeft, aantekenen , benevens de 
tyd in dewelke zy geleeft hebben j en 
openhertig belyden , door wie en van 
welke medehelpers hy tot deze kenniflê 
dier Natuurlyke zaaken gekomen is , op 
dat zyn Lezer met onderfcheid mag kon- 
nen oordeelen , wat hy zelfs of andere 
voor hem ontdekt hebben enz. 

K ƒ Een 



1/4 Natuur- en Konji- Kabinet , 
8. ' 
Een natuurlyk Hiftorifchryver moet 
als een zevende voorwaarde ofWetwaar- 
neemen,^?/ hyalle de Natuurlyke fcbepzels, 
dewelke hy befchryft , moet waarneemen van 
baar eerfie generatie en geboorte tot aan 
haar ondergang, met alle de veranderin- 
gen , dewelke in die tujfchentyd aan dezel- 
ve gebeuren. Hoe noodzakelyk deze Wet 
is , getuigen de Befchry vingen der Dieren, 
Infcèten, Planten, Mineralen, Metalen 
enz. 

9- 

\Vy moogen als tenachtfie Wet voor 
een Natuur-Befchryver Hellen , dat de 
fcbepzels uitgebeelt voorden door het onaf- 
fcheidelyk kenteken , waar door zy van alle 
andere fcbepzels verfcheelen , en hy moet 
aan dezelve naamen met omfchryvingen toe- 
eigenen , daar dit onaffcheidelyk kenteken 
door uitgedrukt werd. Want dewyl de 
Aaloude deze voorwaarde verwaarlooft 
hebben , zyn haare Nakomelingen in 
onzekerheid geraakt, welke zaaken het 
eigentlyk waren , die zy menigmaal met 
een enkelde en bloote en oneigen naam 
befchreven , daar haare Nakomelingen (de 
Schryvers van de zeftiende eeuw na 
Chrillus geboorte) veel onder malkander 

over 



January en February 1719. 1 f f 
over die zaaken twiftende , ons veele voor- 
beelden van hebben nagelaten. 

Van de Stoffcheikunde. 

1. 

DE Chymie of Scheikonft is een van 
de noodzakelykfte konften , daar een 
Natuurlyk Hiftorifchryver zich byna 
overal van moet bedienen, 't Is welwaar, 
dat een geleert Man wel een omftandige, 
Belchryving kan doen van eenige Na- 
tuurlyke zamenftremzels of fchepzels , 
ten opzicht van haar uitwendige ge- 
daantens, voortteeling , geboorte, on- 
dergang en verandering , zonder kennifle 
te hebben van de ftoffcheikunde , maar 
dit zoude in alle fchepzels of natuurlyke 
gewrochten geenzins doorgaan. Want 
veel Natuurlyke zaaken leggen onderen 
in andere Natuurlyke zaaken zo verwart 
en ingewortelt, dat zy nooit gekent zou- 
den worden, als zy door konft daar niet 
van afgefcheiden ofuitgehaalt wierden , 
gelyk veele mineralen , metalen en andere 
natuurlyke zamenftremzels daar van ge- 
tuigen zyn. En dewyl de Natuurlyke 
fchepzels altyd befchreven moeten worden 
met betrekking op der zelver gebruik , 

dat 



ï f6 Natuur- en Konjï l - Kabinet , 

dat is op de konden en wetenfchappen, 
is de Chymie de eerde hulpkond , dewel- 
ke daar byna overal diend in doet. 
2. 
De Chymie is niet alleen een kond, 
dewelke verfcheide wezens , die in ge- 
mengde lichaamen als ingezwachtclt leg- 
gen,daar tot verfcheide gebruiken komt uit 
te fcheiden, maar ook om verfcheide we- 
zens,dewelke gefcheiden zyn,tot verfchei- 
de gebruiken en dienden te zamen te voe- 
gen. En eindelyk om uit de wezens door 
verfcheide konitige werkdaaden nieuwe 
gewrochten en zamendremzels , dewelke 
daar te voren als zodanig niet in opgefloten 
•waren, voort te brengen, en tot verfchei- 
de gebruiken daar uit te bereiden. 

3- 
De verfcheide gedaantens van bewe- 
gingen , dewelke de Scheikond gebruikt 
om te fcheiden of te verenigen , worden 
met een badertwoord Chymijche Operatien 
of doffcheikundige werkdaaden genoemt. 
Om deze te verrichten , gebruikt deChy- 
mie verfcheide gereetfchappen. In de 
kennifle van deze doffcheikundige werk- 
daaden en in het bedier derzelver op elk 
byzonder onderwerp byzonderlyk toepaf- 
felykj en in de kennifle van 't gebruik 

der 



January en Fehuary i 7 ï p. l f J 

der gereetfchappen daar toe nodig , en in 
de kennhTe der vooraf bereiding der on- 
derwerpen , daar de Chymie in werkt , 
beflaat de geheele Stoffcheikunde. 

4" 

Wanneer wy de Scheikonfl: in alle haa- 

re betrekkelyk beden befchouwen , en alle 
de konitgewrochten , konften en hand- 
werken, dewelke haar wezen of dienft 
van de Scheikonfl ontkenen, aan de Schei- 
konft willen' toepaffen , f gelyk de na- 
tuur en de grenffcheiding van deze Konffc 
ook vereifcht) is de Scheikonfl: van een 
zeer groote uitgeftrektheid , en veel te 
heerlyk om zo deerlyk van een deel he- 
dendaagze SeüariJJen en roem-zuchtige 
menfchen geteiftert , en ten deele uit een 
poltronnery van cab aal-t ir anny (om zyn 
konft of haan overal koning te doen kraa- 
yen , en liftig blinde hulptroepen te wer- 
ven) mishandelt te worden. 

r- 

Het is immers onwederfprekelyk^ dat 
de Scheikonfl: de moeder , de voortkweek- 
fter of de dienarefle is van het uitmeu- 
belen en zuiveren der metalen en berg- 
floffen, van de verfcheide fooiten van verf- 
konften , van de brouw- bak- en kook- 
konften, zoutbrandery , zeepziedery , zui- 

ker- 



i f8 Natuur- en Konft-Kabinet , 

kerbakkery en rafineerdery , wynbereidc- 
ry , ftookery en het toetakelen van alder- 
hande foort van dranken. Uit de Schei- 
konft kan zelfs ook afgeleid worden 
het toerichten van booter , kaas en alder- 
hande zuivel , als mede de giet-konilen 
uit metaal, van kanon, oorlogs-gereet- 
fchap, huisraaden, konftftukken , beel- 
den enz. fmeltkonften, het maaken van 
bronzen , verfflofFen om mede te fchilde- 
ren , het toeftellen van amaufen of fmelt- 
glazen , de vuurwerkerskonft , bakken van 
tichelen, fteenen, huispannen, potten, 
fchootels , porceleinen , glas-blazeryen , 
fpiegel-makeryen , bereiden en vafthech- 
ten van foelien achter 't glas , het ver- 
gulden, fmeden , hechten , wellen en 
mengen van metalen en bergftoffen , van 
goud, zilver , koper en yzer door al- 
derley fmeden, het verlakken, het be- 
reiden van aluin, vitriool , zal armoniac , 
het rafincren van campher , borax enz. en 
hondert andere konden en handwerken , 
wat dunkt u Le/^r, genieten zy van de 
Scheikonfl dienft of niet? 
6. 
Degereetfchappen, dewelke de Schei- 
konfl: in alle haare waarachtige betrek- 
kingen gebruikt en van noden heeft , zyn 

byna 



Jamsry en fökuary 1719. tfp 
byna ontelbaar : de voortreffelykfte zul- 
len van my op de behoorlyke tyd en plaats 
medegedeelt worden , niet die onnutte 
en overtollige gereetlchappen , dewelke 
-de oude Stoffcheikundige Schryvers met 
geheele fcheepsladingcn in haare Boeken 
hebben uitgebeeld , maar alleen die gene , 
dewelke door voortreffelyke Mechanici en 
andere brave Mannen zyn verbetert en 
uitgevonden , en die in veelc konften en 
handwerken gebruikt worden. 

7- 
Onder het lichte gereetfehap , dat een Tab». 

Befchouwer van de Natuur tot het doen la *• 
van proeven byna overal kan met zich 
voeren en gebruiken , is Tabula 1 . Fig. 1 . 
een zeer licht Diflilleer- oventje van 
eikenhout , anderhalf voet in de hoogte , 
en 13 duim in zyn Diameter. Dit 
oventje kan als een groote vuurftoof of 
kantoorftoof overal en op de alderzinde- 
lyklle plaatzen van het huis gebruikt 
worden, a Is de deur van de vuurplaats, 
en is met dubbeld blik beflagen. b Is de 
vuurplaats, insgelyks met dubbeld blik 
beflagen \ na de grootte van deze vuur- 
plaats word een fierke aarden teil gebak- 
ken, dewelke met zo veel vuur, als tot 
elke operatie van noden is^ in deze vuur- 
plaats 



ïtfo Natuur- en Konft-KaMmt , 
plaats word geiïelt. c Is een handvatzeï , 
welkers weêrgaa aan de andere zyde even 
gelyk is. d Is de helft van 't bovenfte 
dekzel , hangende aan twee kopere 
ltnieujes, en hier opgeflagen vertoont, 
op dat het binnenile van 't oventje gezien 
zoude konnen worden, e Is de andere 
helft des bovenden dekzels , mede door 
twee kopere kniertjes op- en nederflaan- 
de. ƒ Is een halve uitfnyding in het 
dekzeil, dewelke, als het dekzel d toe- 
geflagen is, met de halve uitfnyding in 
het dekzel e een ronde opening maakt 
voor de halzen der kolven en andere va- 
ten, dewelke daar doorfteeken , als zy 
in het oventje geplaatft ftaan. g Is een 
fchuifje, dat, als beide de halve dekzels 
opgeflagen zyn, kan uitgelicht worden. 
h Is een rond gat in het fchuifje g , daar 
de hals van een retort doorfteekt, als het 
oventje toe is, de dekzels nederleggen , 
en derzelver ronde opening met een rond 
houte dekzeltje; is gefloten , om met de 
retort te dift Meren, i Is een uitgegra- 
veert putje , welker weêrgaa aan de an- 
dere zyde van het houtenfchuif je insge- 
lyks uitgegraveert is, om het fchuifje 
te gemakkelyker uit en in te fchuiven. 
k Is het binnenfte vierkante ruim van het 

ovcnt- 



January en February 171 9. 161 

oventje. /Is een lucht- of rook-gaat- 
je , en verbeek in elke hoek zodanig 
een damp- of lucht-gat in het plankje, 
dat de vuurplaats van het andere gedeel- 
te des oventjes affcheidt. m Is een 
ronde opening, gemaakt na de grootte 
van de bodem der halve retorten of gla- 
zen , die daar op ftaan, om immediaat 
het vuur, dat in de tcft is , te genie- 
ten. 

8. 
Fig. z. verheelt een vierkant plank- pig.2. 
je , dat op het fcheid-plankje /. m. in 
't oventje gelegt word , als gy met 
kleine glazen, en die kleinder van bo- 
dem zyn , difiilleert. a Is een ronde 
opening , die pverde grootere opening 
van 't fcheid-plankje van binnen in 't o- 
ventje heen legt, om dezelve te ver- 
nauwen , dewyl deze opening naauw 
is. b. b. b. b. Zyn vier ronde lucht-gaat- 
jes , dewelke gefchikt zyn over de vier 
ronde lucht-gaatjes van het fcheid-plank- t 
je van binnen in 't oventje. Fig. $•&*.,, 
is een plankje als Fig. z , welkers mid- 
delfte ronde opening noch kleinder is, 
als gy met kleindere vaten wilt difiille- 
ren. Fig. 4. is een ander houte fchuif-Fg.4. 
je, dat in 't oventje word gefchoven in 

L de 



i6t Natuur- en Konft- Kabinet i 
de plaats van het fchuifje g. b. z'., om 
dat , wanneer gy met de kolf diftilkert , 
deze opening voor de hals der retort niet 
alleen onnodig is , maar o®k de hitte zoude 

Fig.^ doen vervliegen. Fig. f. is een houten dek- 
zeltje , dat zeer netjes paft in de ron- 
de opening van de halve toegeflagene 
dekzels d. e. f. van het oventje , als gy 

F',g.6. met de retort diftilleert. Fig. 6. is een 
ander houten dekzeltje voor dezelve 
opening met drie kleine lucht-gaatjes , 
wanneer het oventje boven overal is 
toegelloten , om zouten of andere zaa- 
leen in het oventje te droogen , of iets 
half uit te dampen , tot cri/iallifatie of 

wg, 7 , extratlie en diergelyke. Fig. f: zyn 
twee glaze vaten, dewelke in malkan- 
der fluiten, om vochten te doen circu- 
leren , waar door haar Crafis of wezens- 
band vaffcer aan een word gehecht. De- 
ze vaten zyn eigentlyk twee matraden, 
dewelke anders elk apart gewoonlyk 
eens zo lang van hals zyn , om tincluren , 
elixir , balzems enz. in te laten trekken, 
Fi£.o. Fig. 8. zyn drie aludelkn, a de bodem 
van deonderfte y bbb de zamenvoeging , 
daar dezelve in malkander fluiten , c is 
een glazen helm die blind is , om te fitb- 
limerens} deze aludelkn worden van aarde 

ge- 



January en February 1719. 16*$ 
gemaakt , om te beter het vuur te 
konnen verdragen. Fig. 9. is een kolf en F»^. 9. 
helm met zyn ontvanger van glas. a 
de glaze kolf, h de helm op de kolf 
geplaatft , en met een natte blaas in de 
zamenvoeging dicht gemaakt, c, een 
matrasje. Fig. 10 is een glazen retort ,Fig.xo. 
waar aan in het difiilleren gemeenlyk 
een ontvanger of kolf met een wyde 
hals geplaatlt word, om de dampen te 
meerder lueht te geven. Fig. 11. is een^.ix. 
fmeltkroes, deze worden van verfcheide 
ftoffen gemaakt , na de materie dewel- 
ke daar in gefmolten word. 

Ik hebbe voor de onbedrevene eeni- 
ge zeer gebruikelyke gereetfchappen 
mede gedeelt , om haar vcrfland allens- 
kens tot meerder kennifie der Stof- 
fcheidkunde als by de hand op te lei- 
den. De Lezers , dewelke in deze we* 
tenfc happen bedreven zyn , zullen op 
zyn tyd en plaats ook andere gereetfchap- 
pen en lief hebbery krygen , dewelke haar 
miflchien meerder zullen konnen verge- 
noegen. 

10. 

Als iemant een klaar denkbeeld van de 

Stoffcheidkundige werkdaadep of opera- 

L z tien 



ï 04 Natuur- en Konfi-Kahinet , 
tien der Chymie begeert te vormen , moet 
hy zyn aandacht op de Natuur zelfs wen- 
den , en daar bezien, welke bewegings- 
formen de Natuur gebruikt , om de na- 
tuurlyke fchepzels of zamenftremzels door 
zamenvoeging voort te doen koomen, 
en door fcheiding af te zuiveren van on- 
reinigheden , ofte doen vergaan , te doeu 
fterven, of van gedaante te doen ver- 
wijfden. Hier uit zal klaar opkoomen , 
dat de Chymie niets anders inde konftis, 
als deze twee hoo^d- operatien der Natuur 
( te weten zamenvoegen en fcheiden ) met 
alle haare onderhorige werkdaaden o£ope- 
ratien^ie in de Natuur zelfs zyn. Wie kan 
dan nu langer zo opgeblaazen , of moed- 
willig, of Homp van oordeel zyn, dat 
hy niet klaar zoude zien , dat geen eenige 
Konfb de Natuur klaarder kan uitleggen , 
en vervolgens dienftiger voor een Natuur- 
beichouwer en Beichryver kan zyn, als 
zodanig een Konlt , dewelke de Natuur 
met alle deszelfs werkdaaden volkomen 
gelyk is of navolgt. 

1 1. 

De hoofd-werkdaaden zoo wel van de 

Natuur als van de Chymie , ( te weten 

fcheiden en xamenvocgeri) hebben zeer veel 

onderhorige foorten , of verfcheidey^ eten 

van 



Janiïary en February ij\9- l< 5f 
van fcheidingen of zamenvoegingen 
onder haar, als by voorbeeld, i. De 
verdunning, z. Fynmaaling of verbree- 
king, onder dewelke wederom veel min- 
dere foorten behooren. 3. Inweeking met 
alle deszelfs verfcheide wyzen. 4. Gis- 
ting en deszelfs verfcheide formen en on- 
volmaakte giftingen, f. Verrotting met 
alle deszelfs foorten. ■ 6. Opheffing en 
deszelfs foorten. 7. Kalkbranding of ver- 
kalking en deszelfs foorten. 8. Glas-en 
Criftal-wording en deszelfs foorten. 9. 
Ontbinding. 10. Verdikking. 11. Af- 
kleinzing en deszelfs foorten. Verwacht 
op een andere tyd elke werkdaad aan 
zyn wetten verbonden en verklaart , be- 
nevens de verfcheide voorwerpen der 
StofTcheidkunde. 

Van de Glasblazery aan de Lamp. 



D 



1 



Aar is onder alle de Konftgewroch- 
ten naauwlyks iets , dat by het glas 
ophaalen kan. Van de verkiezing , van het 
toeftellen en de voorbereiding der ftof- 
fen, daar glas van alderhande fbort van 
gemaakt word , zal ik op zyn tyd hande- 
len , als ook van het bereiden der fmelt- 
L 3 glazen. 



1 65 Natuur- en Konfi-Kabinet , 
glazen, of (maken of amaufen , dat ci- 
gentlyk metaal- glazen zyn , van het maa- 
ken der edele gefteentens , en wat van 
die trant meer is, benevens de gereet- 
fchappen van dien. Maar nu zal ikalleen- 
lyk fpreken van het glasblazen door de 
lamp. Dewyl een Natuurlyk Hiftori- 
fchryver (tot het uitvoeren van zyne ont- 
dekkingen omtrent de Natuurlyke fchep- 
zelen) byna overal van noden heeft glas , 
glaze pypjes, bolletjes, lucht-en water- 
wegertjes , glaazen daar de lucht uitge- 
pomptword, proefglazen, hevels, enz. 
komt het glasblazen aan de lamp gedurig 
te pas. 

2. 
De Heer Johannes Kunckelius 
(een Man geleert door proef kunde en 
zeer vies van fchoollesjes ) heeft achter 
zyn Ars Vitrarïa Experiment alis of Proef- 
kundige Glasblazerskonft , een kort aan- 
hangzeltjegevoegt. Laat, zegthy, ee- 
nige glaze buizen of holle pypen in een 
glasblazery blazen van alderley koleur 
( rood , blauw , zwart , groen , geel , 
wit of al wat u behaagt , ) zodanig een 
glazen pyp word aan zyn eene einde in de 
aangeblaze en fc herpgefpitfte vlam des 
lamps gehouden , tot dat dezelve daar 

fmelt, 



January en February 1710. 167 
fmelt, en wanneer dan aan het ander 
einde in deze glazen pyp geblazen 
word, zet zich door de ingeblazen lucht 
het gefmolte gedeelte des glazen pyps uit 
tot een ronde bol- Die nu maai - een wei- 
nig kan tekenen, of enigzins fchrander 
is, kan of van dit gekoleurt glas , of uit 
gewoonlyk glas alles vormen wat hem 
behaagt. 

3- 

Het gebruik van het blazen aan de 

lamp is zeer groot , in het fmelten der mi- 
neralen^ metalen , in het aan een zoude- 
ren , inbranden en hechten van glas aan 
malkander, als ook in het buigen der 
glaze buizen , in het bermetift-zegelen, 
tot het maaken van alderhande gereet- 
fchap van glas , zeer fyne en tedere pyp- 
jes om vochten in te befchouwen, voor 
de vergroot-glazen , glaze oogen , en al- 
derhande kleinigheden uit glas van al- 
derhande koleuren. 

4- 
In de Stad Venetien is het glasblazen 

aan de lamp zeer gemeen. De Jezuit 
Athanas : Kircherus (Schryver van wonde- 
ren , en op wiens getuigeniffè in alle 
zaaken altyd niet even veel flaat te 
maaken is , om dat hy te licht geloo- 
id 4 vig 



1 6 8 Nat uur- en Konft-Kabinet , 

vig byna in alles zyn verwondering meer tracht 
te voldoen, als de begeerte tot de waarheid) 
geeft echter omtrent de lamp-kond der Vene- 
tianen waarheden, die van alle andere Schry- 
vers beaamt worden. Onder anderen , zegt 
hy, gaan een iegelyks verwondering te boven 
de pluimen en vederboiFen , dewelke del^eae- 
tiaunfcbe lamp- blazers zeer kondig toedellcn. 

Om dat deze liefhebbery beziens waardig is , 
vervolgt Kircherus , zal ik met weinig woor- 
den de manier van werken befchryven. Zy 
neemen een lamp, en vullen dezelve met een 
gedraait wollen hennep, dat een mans vinger 
dik is, en met zeer goede raap-oly. Deze 
Jamp dellen zy op een tafel recht voor haar , 
zy hebben eenige roedjes of dunne en lange 
ftaafjes vanfmeltglas. Zy blazen de vlam van 
de lamp tot een fpitxe punt, en houden in 
de fcherpde kragt van de vlam haar fmeltglas, 
het welk aandonts fmelt, zy grypeu met een 
tangetje zeer gezwint het gefmolten glas , en 
trekken het zelve tor zeer lange en uitnemend 
fyne draaden uit; zy leggen deze draaden op 
een groot rad ot wiel , en trekken ( het wiel 
gedurig omdraayende) zo veel draaden en van 
zodanig een koleur , als zy begeeren. Van deze 
zeer fyne en met ichoone koleuren fchitteren* 
de draaden neemen zy een zeker getal, en 
voegen de zelve in de fchachten van vogel- 
pennen of andere diergelyke pypjes; en van 
deze fchachten naad malkander gedikt en ge- 
hecht , bereiden zy pluimen en vederbodèn van 
alderhande wemelende en fchitterende koleu- 
ren. 6. Kir- 



January en February 1 7 1 p . 1 6*9 

6. 
Kircberusverteh , dat in zyn tyd , wanneer hy 
tot Venetïen deze Liethebbers bezocht , dezel- 
ve aan hem voorftelden, om een werktuig uit 
te vinden, het welk altyd aan de lamp blies, 
dewyl het blazen met de mond gedurig by ver- 
pozing van de tuüchenkomende ademhaling 
enigzins geftremtwicrd. En hy vervolgt, dat 
hy daar toe voorftelde een dubbelvoudige blaas- 
balk, dewelke onder de tafel, daar de lamp 
op geplaatft ftaat, is vaft gemaakt, en door 
een treed, dewelke door de voet van demeef- 
ter glasblazer gedurig bewogen word , aange- 
blazen, en de lucht uit de blaasbalk geleid word 
door een kopere of blikke pyp , door het op- 
perfte blad vantle tafel , en dat deze pyp (gericht 
op de v lam vande lamp ) daar gedurig de aange- 
blaze lucht voor verfchaft. 

7- 

Dusdanig een werktuig (te weten een tafel 
met een blaasbalk daar onder) befchryft de Heer 
Johannes Kunckelius. Het zelve is zodanig 
gefchikt, dat door vier blikke buizen, dewel- 
ke uit de hoofdpyp van de blaasbalks pyp 
haar wind ontvangen , en dezelve brengen op 
vier byzondere plaatzen van de tafel, daarop 
elke plaats een lamp ftaat, de wind zodanig 
is verdeelt, dat vier perzoonen te gelyk aan 
zodanig een tafel konnen zitten werken, wan- 
neer een van de vier de treed van de blaasbalk 
met zyn voet beweegt. 
8. 

Ik heb zodanig een werktuig opeengemak- 

kelyke en eenvoudige manier laten toeftellen 

L 5- voor 



170 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

,12. voor een perzoon , gelyk Fig. iz. verheelt. In 
deze prent- verbeelding kan de konft werker, de 
lamp, de tafel, en de blaasbalk met deszelfs 
treed zo klaar gezien worden , dat dezelvegeen 
verklaring vereifchen ; a Is een glazen raam, 
daar een pyp van een groote blikken trechter 
de rook van de lamp doorgeleidt na buiten in 
de lucht buiten de kamer, b Is een yzere pyp 
om door te blazen, als iemant de blaasbalk 
ontbreekt, hoewel in deszelfs plaats glaze 
pypen konnen gebruikt worden , dog dezelve 
fmeltcn datelyk aan het einde, en zyn daarom 
niet beter dienftig, als on» zelfs alles van te 
blazen. 

9- 
Een werkmeefter kan veel vr yer en naauw- 

keuriger werken, wanneer zyn lamp aangezet 
word door een blaasbalk, als dat hy door een 
yzeren pyp te gelyk met de mond moet blazen, 
en te gelyk moet werken met zyn gereetfchap. 
c. Is de blikke pyp, dewelke onder door de 
tafel (leekt en de wind aanbrengt, en daar een 
krom koper pypje op gepaltftaat, de wind ge- 
leidende op de vlam van de lamp. d Verbeek 
een papier met verfcheide ltukjes van amaus of 
fmeltglas. 

10. 
Het is niet uit te drukken, welk eendienft 
een Natuurbefchouwer in honderderley voor- 
vallen van dit kleine werktuig kan hebben, en 
den omflag van 't gereetfchap is zo gering, 
dat niemant daar doorafgefchrikt kan worden : 
want een yzertangetje, eenige glaazepypjes, 
en een (taaie vierkant plaatje, om de gloeien- 
de 



Jamary en February ijip. ijl 

de glaze bolletjes zomtyds op te rollen of plat 
op te drukken, een fchaartje eneenige weini- 
ge yzere pennetjes, daar kan alles dooruitge- 
voert worden. 

ii. 
Het is bekent, dat een Glasblazer door de 
lamp veeltyts fmeltglas gebruikt, om dat het 
zelfde zeer ras ( en rafïer als het helder door- 
fchynende glas, dat wy dagelyks tot kelken , 
drinkglazen, bokalen enz. gebruiken ) fmelt> 
maar hy is daar geenzins aan gebonden , dewyl 
het alderhartfte en wreedfte helder , groen , of 
ander glas door de lamp zeer wel tefmeltenis, 
maar het is zwaarder te bewerken , als het 
amaus of zo genaamt fmeltglas. Hier komt 
noch by, dat deze Glasblazers door de lamp 
meer gewent zyn eenige rariteitjes voor het 
gemeene volk te maaken, gelyk als kroont- 
jes , kleine beeldjes , mannetjes , engeltjes 
met glaze bulletjes om in de wyn te han- 
gen, bloemen, kraaltjes, oor-en halscieraa- 
den, ringen, glaze oogen, alderhande bees- 
jes, enz. Daar zy dan alderhande gekoleurt 
glas toe van noden hebben, als zy wel haar 
konft oeffenen , tot de eind»oogmerken , de- 
welke een Natuur* befchouwer konnen die- 
nen. 

ia. 
Wat het glas in het algemeen belangt , 
is aan te merken, dat alle rechtfchape Na- 
tuur- befchouwer s en Kenders my lichrelyk 
zullen toeflaan, dat het zelve onder de Me- 
talen behoort, niet tegenftaande het een ge- 
wrocht van de Konft en niet van de Na- 
tuur 



172. Natuur- en Konft-Kabinet , 

tuur is. De enkelde wezens , fchepzels of 
zamenvloeyzels , dewelke zich door de aJ- 
deruiterfte kragt des vuurs tot glas laten 
kooken of in glas overgaan , zyn alle van 
een metaalachtige eigenichap. Alle glas, het 
zy gekoleurt , fmelt-glas of dagelyks door- 
fchynend. glas , beftaat uit twee beginzels , 
dat is. 1. Uit een vaft zout. En 2. Uit 
een metaalachtige bergftof. Als by voorbeeld, 
de pot-asof de zoda of andere as (zy moo- 
gen van zo veelderhande lborten of meerder 
of minder rein zyn) koomen daar alle in o- 
ver een , dat zy uit een vaft zout beftaan. 
Want alles, wat in deze allen behalven het 
vafte zout gevonden word , is onnut en on- 
bekwaam om glas te worden; maar word, 
(alsby voorbeeld de aarde, zoutelooze as of 
ftof) door de groote kragt des vuurs volko- 
mentlyk onder het glas-branden en kooken 
verteert; en alleen het zout, dat door het vuur 
niet verteert kan worden , en daarom ook 
overblyft, is deeerfte ftof, daar het glas uit 
beftaat. Dit vafte zout heeft met alle me- 
talen gemeen, dat het door de groote kragt 
des vuurs zig met fmeltbaare fteenen vere- 
nigt , en in het vuur of in de glaspotren 
vloeit , en in glas overgaat. Ik zal u geen 
bewyzen meer bybrengen , dat het zout een 
metaal is, te weten het vafte zout dat voor 
het vuur ftaat, dewyl myn beftek zulks ver- 
biedt. 

n- 

Dewyl tot het maaken van het alderzui- 
verfte en fchoonfteglas, niet anders vereifcht 

word 



January en February ijip. 17 } 
word als zodanig een vaft zout (indeuiter- 
fte graad van alles , dat geen vaft zont is, 
gezuivert ) hebben de Kenders van de glas- 
kond uit de zoda , uit de pot-as, wied-as, 
wynfteen-zont , of aflèn van deze of gene 
kruiden, als by voorbeeld eiken vaaren , al- 
derhande diftels, en 't kruid kolï or andere 
kruiden, dewelke tot as gebrand zynde veel 
vaft zout uitleveren, een loog getrokken. Dat 
is , wanneer op deze of gene as van krui- 
den ot ge waflen , dewelke verbrant zyn, een 
genoegzame hoeveelheid zuiver regenwater 
word gegoten , fmelt datelyk al het zout 
dat in deze allen is , en word in 't regen- 
water opgeloft : dit regenwater , dat nu een 
loog is geworden , word afgegoten , en 
word door de tyd zeer klaar , latende alle 
de onreinigheden , die geen zout zyn , op 
de grond zakken. Als deze loog (door door- 
lekking of anders zeer zuiver geworden) 
eenige reizen uitgedampt en wederom op- 
geloit is, verkrygt gyeen vaft zout, dat van 
alles, dat geen vaft zout is, gezuivert is; en 
dit vaft zout is het alderbekwaamfte, om glas 
zo helder en fchoon als kriftal te maaken. 
Ziet hier over Antor.ius Neri , Chnjlo-phorus 
Merretti) en de voortreffelyke 'Juhannes Kukc- 
kelius. 

Om nu te begrypen, dat het glas niets an- 
ders is als een metaal , moet aangemerkt 

orden , dat het tweede beginzel van het 
glas is vuurfteen, zout of alle foorten van me- 
talen of mineralen , dewelke in het vuuc 

fmel- 




1 74 Natuur- en Konfl- Kabinet , 

fmcifen en vloeyen. Want alle Iteenen, 
Bergdoften enz. dewelke door de uiterde 
kragt des vuurs tot een doode kop of kalk 
overgaan , en in 't vuur niet fmelten nog 
vloeyen , zyn vol drek t onbekwaam , om 
ooit glas te konnen worden, dewyl zy van 
de metaalachtige eigenfchap geenzms zyn. Het 
is hier de plaats niet , om de verfcheide foor- 
ten van kalkwordingen uit te leggen, en de 
kalk-doffen en metaal-doften uitvoerig te on- 
derfcheiden ; doch ik verzoek alleenlyk maar, 
dat myn Lezer acht geeft, dat de alderhartfte 
enzwartfte en glasachtigde vuurdeen, en het 
blinkende zout enz. zelfs metalen zyn. 
Dog echter, opdat gy my wel verftaat, geen 
metalen die ryp genoeg, offmeltbaar genoeg, 
of door de natuur genoeg gekookt zyn , maar 
onrype en zeer wreede metalen i en dit is 
ook de reden , waarom het vafte zout by de- 
zelve gevoegtzynde, haar gedwee en meerder 
vloeybaar en fmeltbaar maakt: wanneer de- 
ze deene- of zout- of andere metalen te ftug, 
te onfmeltbaar ofte wreed zyn, om verfchei- 
de onreinigheden dewelke by dezelve zyn , 
worden zy door het bydoen van vaft zout 
fmeltbaarder. Daarom is altyd ook het alder- 
zuiverde , wit- doorfchynenfte , helderde en 
kridallynachtigde glas het fmeltbaarde van het 
ongekoleurt glas voor de lamp. 

Wanneer het uiterde gewelt des vuurs een 
lichaam in glas doet overgaan, krygt het lic- 
haam een Crafis or wezensband , dewelke zeer 
aaumerkelyk is , en aan een opmerkend man 

leert , 



JanmryeriFebruary 1J19. ijf 

leert, dat de vitrificatie of glasmaking een 
daad en bewegings- form van de natuur of 
het vuur op zich zelven is. Daar zyn ver- 
fcheide mineralen, dewelke zonder bydoening 
datelyk in glas overgaan , als potloot , An- 
timome en me^r andere, en her rs zeer ver- 
rnaakelyk te aanfehouwen , als het vuur op 
het tydftip is van over te gaan uit metaal , of 
dat gy zulks datelyk kont gewaarworden. 
Want uw yzer in de fineltkroes (lekende , 
zal de (tof kort zyn en weinig aanhangen , 
zo lang zy noch metaalachtig of geen glas is , 
en een oogenblik daar na uw yzer infteken- 
de , zal de gloeyende ftof zeer taay en als 
een taaye lym met een draad om uw yzer 
blyven hangen , het welk het teken is dat 
dezelve glas is. 

16. 
Alle de Metalen , dewelke zeer licht 
fmelten , als by voorbeeld loot, tin, enz. 
zyn de bekwaamde om fmelrglas van te 
maaken. En dit is ook de reden , dat het 
fmeltglas van zommige lootglas of tinglas word 
genaamt. Daar word een zogenaamde kalk 
gemaakt van tin , en ook van loot : deze loot-en 
tin-as word in een zekere proportie gemengt, 
en met de ftof, daarongekleurtof huisraads- 
glas van gemaakt word , gemengt , en in 
een aarden glaspot gekookt in glas , en dit is 
hetgeen fmelt-glas, emailleer-g\as, loot-glas, 
enz. genaamt word. Dit glas word in al- 
derhande kolcur gezonden van Venetië in 
ronde koeken , gelyk dezelve hier tot Amfler- 
dam te koop te vinden zyn; hier van wor- 
den 



ij 6 Nakmv- en Konft- Kabinet. 

den de amolieerzels op goud en zilver ge- 
maakt , de koraalen en honderde zaaken be- 
reidt. 

17. 
Wanneer by dit lmelt-glas deze of gene 
metalen of mineralen gedaan worden , ver- 
krygen zy deze of gene koleur , te weten 
melk-wit , verfchejde gtoen , zee-gtoen , he- 
mels-blauw en aldcrhande blauw , pik- 
zwart , purper, geel, doorfchynend rood, 
bloedrood, enz. rooskleur en duizenderhan- 
de trappen van koleuren , gelyk by de Lief- 
hebbers bekent is,.enby zommigeSchryvers > 
( maar zeer. weinige die goed zyn ) te vin- 
den is. 



Einde der Maanden January en February 
ijip. 



Tai.-I. 




Ta&: /. 




J. 7t' aJ.Vt>um. Jc&i 



/ 



KABINET 

DER 

NATUURLY KE 

HISTORIËN, 

WETENSCHAPPEN, 

K O N S T E N 

E N 

HANDWERKEN, 

Voor de Maanden 

MAART en APRIL 1719. 

Verciert en opgeheldert met Kopere 
Plaaten. 




Te AMSTERDAM- 
By HENDRIK STRIK > 

Boekverkoper bezyden 't Stadhuy s. 17(9. 



Pag. 177 

NATUUR- 

E N 

KONST-KABINET, 

Voor de Maanden 

MAART en APRIL 

ijl 9- 

Van de order , dewelke de Lezer zich moet 
voorftellen , omtrent de verdeeling der 
zaaken, dewelke in V Kabinet der Na- 
tuurlyke Hiflorien , Wetenfchappen , Kon- 
ft en en Handwerken,van tyd tot tyd zul- 
len verhandelt worden. 

T. 

E Wereld heeft zich zo zeer aan- 
gewent, om by de neus geleidt 
te worden door Leidslieden en 
Leermeefters , dat zybyna alles, 
wat zy leeren , wat zy lezen, 
wat zy aan anderen ophelderen , 
ja alles , wat zy denken of doen , meerder 
uitvoeren enfchikkennaeen zekere leer-order, 
dewelke haar luiheid te hulpe komt , als na 
de Natuurlyke order der zaaken zelfs. Deze 
M fchool- 




ï 78 Natuur- en Konft-Kabinet , 
fchoolfche en opgekwikte leer-order maakt 
het leeren voor haar gemakkelyk , en prent 
haar ook de zaaken kragtiger en beter indege- 
heugenifle, maar is haar aan de andere kant 
2eer fchadelyk, maakt haar tot ezels entrant- 
trappers, verkleint en vermindert de zaaken 
en ftoffen, dewelke in zodanig een leer-order 
beklemt worden. 

2. 
Wanneer wy de zaaken leeren volgens een 
ker-order, leeren wy dezelve nooit zodanig, 
als zy 10 haar wezentlyke gefteltheid , en in 
haar groote uitgeltrektheid en rykdom beftaan j 
want dewyl wy onkundig zyn, word deleer- 
order gefchikt, meer na ons zwak begrip, 
als na de ryke gefteltheid der zaak, die wy 
iullen aanleeren. Dit is de oorzaak , dat 
veel Geleerde lieden , die wel veel zaaken 
weeten, maar weinig verftand en noch min- 
der inventie van Godt ontvangen hebben , om 
ook wat uit te rechten , zich bevlytigen, om 
de zaaken onder een lichte en gemakkelyke 
leer-order te brengen; en die nu de zaaken zo 
weeten te fchikken, en by malkander te Han- 
zen, te verdeden en te bepaalen, dat zy al- 
dergemakkelykft om aan te leeren zyn , dat 
2yn onder de Geleerde van de Leer-order ook 
(ft dus placet )dan de voortreffelykfte Man- 
nen. 

3- 
Alle deze leer-orders , al dit gefneden 

broodt , en alle deze ezels-bruggen zult gy 

nergens meerder vinden , als by de domfte 

Natiën. Ik zal hier niemant noemen , maar 

het 



Maart en April ijip. 179 

het is waarachtig, dat de groc* Oude , de 
Üudvaders na Chriftus, de ys-urekers na de 
Munnike eeuwen, de treffelykfte der Natïer.^ 
en tegenwoordig noch zodanige Schryvers, 
dewelke met de kragt van haar Geel! door 
de grenspaalen der leer-orders heen breken, 
alle deze tramtrappers en geleerde van de leer- 
order voor oude fchooljongens in Iiaare 
fchriften aanmerken , en nooit hooger. 

4. 

Het is aan de Geleerde van de leer-ordcc 

naauwlyks te beduiden, hoe weinig dat zy (in 
het midden van een groote ingebeelde wys- 
heid ) van de zaaken zelfs weeten. Want de 
zaaken te kennen by naamen, by verdeelin- 
gen van gedachten en minder foorten enz., is 
meer een kennifle van de affchaduwendc leer- 
order, als een diepe kennifle van de alderafge- 
legenfte byzonderheden der zaaken , dewel- 
ke iemant in de zaaken zal ontdekken, die de 
zaaken na haare natuurlyke order en ryke ge* 
fteltheid onderzoekt. , 

Om nu eens voorbeeldelyk aan myn Lezer 
op te helderen, waar toe ik dit voorverhaalde 
heb bygebragt, zy kennelyk, dat ik voorge- 
nomen hebbe in het geheele Kabinet der Na- 
tuurlyke Hiftorien, Wetenfchappen , Konden 
en Handwerken , zes byzondere zaaken te 
verhandelen, namentlyk i. Te doen zien de 
ongelooflyke grootheid en uitgellrektheid dtr 
Natuur en Konft. 2. De outheden en eer- 
ftebeginzelen der natuurlyke kennifle, der we- 
tenfchappen, der konften en der ambachten 

M 2 by 



180 Natuur- en Konft-Kabinet , 

by de eerfte en oudfte natiën, met derzelver 
aanwas, verval en verandering, van 't begin 
tot heden op onzen tyd. 3 Het onderfcheid 
der Natuurlyke Hiftorien en der Natuurlyke 
Hiftorifchryvers , of geboren uit de verfchei- 
dentheid der voorwerpen , deweke de Na- 
tuurbefchryvers elk byzonder hebben verko- 
ren, of geboren uit de verfcheide betrekkin- 
gen der voorwerpen op plaat7enofzaaken enz. 
'4. Zal ik mededeelen een uittrekzel van de 
alderoudfte en bette Natuurlyke Hiltorifchry- 
vers, dewelke van de aaloude Hebreers, Grie- 
ken, Romeinen , Arabieren en andere natiën 
voor ons zyn overgebleven, f. Zal ik zoda- 
nige natuurlyke zaaken en fchepzels verklaaren 
en uitvoerig befchry ven , dewelkeof onderwer- 
pelyk, of gebruikelykendienltig zyn voor de 
konlten en handwerken. 6. Zal ik handelen van 
de wetenfchappen , dewelke betrekking op 
Natuur- en Konft-verklaringen ontdekkingen 
befchryving hebben , en derzelver dienftmaag- 
den zyn , mitsgaders een naauwkeurige be- 
fchryving geven der Kon (ten en Handwerken, 
die de natuurlyke fchepzels tot vermaak en ge- 
bruik der menfchen bereiden en vormen. 
6. 
Als nu een onkundige begeerde, dat ik dit 
alles in het bedek, en in de grensfcheiding 
van een nette leer-order behoorde te bepaalen , 
en dan noch wel in zodanig een leer-order , 
dewelke na zyn onkundige en onbedreveken- 
nifïe gefchikt was, en door welkers behulp 
hy als in een opflag alle deze zes voorver- 
haalde zaaken Sy(iemaas-gQV/ys als in een fpie- 

gel 



Maart en April 1719. 181 

gel konde befchouwen , zoude ik hem van deze 
groote onderneming enryke zaak en inderdaad 
een groote niet-met-al mededeelen , en hy zou- 
de (door het mager denkbeeld, dat hy op de- 
7e wyze van die Z3aken door rny ontving, 
bedrogen ) zeer lang blyven meenen , 
dat de zaaken inderdaad ook niet grooter 
noch ryker waren ; hy zoude met veel eige 
wysheid en inbeelding van wetenfchap vervult 
worden, en zich onbedacht en dikwils onbe- 
fchaamt vergelyken met groote lieden , by 
dewelke hy in die zaaken ( als het op de proe- 
ven aankwam ) noch geen leerjonge zoude 
konnen zyn , dewelke dagelyks kyven ver- 
dient. 

7- 
O neen myn goede Lezer,v er wacht zulks van 
myniet! Als gy onkundig zyt, en niet gelieft 
te werken, en met wat moeite te vorderen, 
wil ik liever in uwe ongenade vervallen, als 
uw blinde meening koeitcren, en uwe kennis 
bedriegen. Ik zal in elk tweemaandelyk Ka- 
binet beginnen van de eerfie volkeren , en 
daar ik (taan blyf, in de volgende Kabinetten 
vervolgen, en na de eeuwen en tyden koo- 
men ardaalen. Ik zal in elk tweemaandelyk 
Kabinet het onderfcheid der Natuurlyke Hif- 
torifchryvers aantoonen , met een foort of 
twee aan te haaien en te verKlaaren, en daar 
ik op houde, in de volgende wederom ver- 
volgen. Ik zal in elk tweemaandelyk Kabi- 
net een of meer natuurlyke fchepzels befchrv- 
ven , en daar ik om myn beftek moet blyven 
fteeken , wederom in de volgende Kabinetten 
M 3 ver- 



i8i Natuur- en Konft- Kabinet , 

vervolgen, en ook insgelyks met de Konden 
en handwerken, dewelke juift uit diebefchre- 
vene fchepzels voortkoomen , of betrekking 
daar op hebben: en ik zal het vooruwnaauw- 
keurig onderzoek en doordringend verfland 
en oordeel overlaten, om alles aan inalkan- 
deren te knoopen na uw eigen goeddunken, 
maar zelfs, zo veel ik kan, de natuurlyke order 
der dingen waarnemen. 

Van de verfcheide foorten der Natuurlyke 
Hiflorien, en van het onder fcheid der 
Natuurlyke Hifiorifchryvers. 

i. 

IK hebbein het Kabinet van January en Fe- 
bruary 1719. («} belooft, te zullen hande- 
len van de verfcheide foorten van Natuurlyke 
Hiflorien of Hifiorifchryvers, mitsgaders haar 
onderfchcid en verfcheide betrekkelykheden; 
want om het denkbeeld teverryken, datmyn 
Lezer behoort te vormen van de Natuurlyke 
Hiitorie, is het niet genoeg, dat aan hem be- 
kent gemaakt is het onbepaalbaar voorwerp 
cener algemeene Natuurlyke Hiflorie, want 
de rykdom van dit onmetelyk voorwerp de 
groote Natuur zal noch vry meer uitfchitte- 
ren, als myn Lezer een begrip ontvangt van 
de verfcheide betrekkelykheden der natuurly- 
ke fchepzelen. 

2. 
Alle de Natuurlyke Hifiorifchryvers koo. 

men 

(«) Ziet pag. 146. 



Maart en April \J19- I ^5 
men in dit enkeld punt overeen , dat zy be- 
fchryven de eigenfchappen , vermogens, uit- 
en inwendige gedaantens, geboorte, leven, 
veranderingen en ondergang,betrekkelykheden 
op andere fchepzels en zaaken , voor zo veel 
als aan haar btkent is geworden. Indien een 
Natuurlyk Hiftorifchryver in dit punt ge- 
brekkelyk is, moet hy in zo veelmeer of min~ 
der graad een Natuurlyk Hiftorifchryver 
geacht worden , als hy in dit ftuk meer of 
minder voldoet. 

3. 
De Natunrlyke HÜtorifchryvers verfchee- 
len meeft alle van malkander in de voorwer- 
pen , dewelke zy verkoren hebben voor haa- 
re befchouwina; en befchryving ; want al- 
hoewel Plïnius tot zyn voorwerp de gehee- 
le Matuur hadde verkoren , is hy daar van 
niemant op die wys in voorgegaan , en tot op 
dezen tegenwoordigen dag van niemant in 
na^evolgt ; behalven dat onzen Plinius maar 
voor een Natuurlyk Hiftorifchryver moet 
geacht worden, in zo ver als hy zelfs zaaken 
heeft befchouwt en befchreven, die andere 
voor hem of geheel niet, of niet zo waarach- 
tig hadden befchreven ; en dewyl deze zeer 
weinig en gering zyn by 't getal der andere 
taaken, moeten wy Plinius aanmerken als 
een Schryver, dewelke voor de Nakomelin- 
gen veel zaaken ( van de Oude gevonden en ge- 
kent) ingezult en voor ons bewaart heeft, en als 
een Natuurlyk Hiftorifchryver, in zo ver als 
hy ons van zyn eigen gegeven heeft. Me,t 
het zelve onderfcheid moeten wy ook oor- 
lel 4 deelen 



1S4 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

deelen van zodanige hedendaagze Natuurlyke 
Hiftorifchryvers, en van haar ontvangen, 't 
geen zy ons zelfs geven enverklaaren, en dat 
zy van anderen ontlenen , dienen wy aan de 
eerfte vinders en ontdekkers weder te geven. 

4- 
Alfchoon de geheele Natuur in geen een 

boek of werk door een man kan befchreven 
worden , en wy dierhalven in dien zin geen 
algemeene Natuurlyke Hiftorie in een werk 
moeten trachten ergens te konnen vinden , 
belet zulks echter niet, dat alle de Natuur- 
lyke Hiftorifchryvers in twee algemeene 
hoofdfoorten konnen verdeelt werden , na- 
mentlyk: i. in Algemeene, en 2. inl3yzon- 
dere. 

S- 
Door een algemeene Natuurlyke Hiftorie 

en Natuurlyke Hiftorifchryver verfta ik in 
dezen zin, een Hiftori-fchryver, dewelkeeen 
voorwerp verkoren heeft, dat aan geen en- 
kelde plaats of laad, of ook aan geen enkelde 
zaak of enkeld gebruik bepaalt is \ als by voor- 
beeld, wanneer iemant heeft gefchreven van 
de landdieren, diertjes, viiTen , ferpenten, 
metalen, boomen, monfters en diergelyke , 
winden, lucht, vernevelingen, flerren, wa- 
ters, oordens enz. van de geheele bekende 
Aardkloot, als Ulyfies Aldrovandus ; ofalleen 
van de dieren, villen enz., of alleen van de 
Planeten, ofalleen van de Bergftoffen , of 
alleen'van de Infeden , of van de Steenen of van 
edele gefteentens-, ofZee-gewaflen en Schel- 
pen, hoe groot of gering zulk een voorwerp 

ook 



Maart en April ijig. i8y 

ook weien mag, wanneer het maar over 't 
geheel van de Wereld of aardbodem verftaan 
word 

6. 
Door een byzondere Natuurlyke Hiflorie 
of Hiftorifchryver zal ik verdaan, alsiemant 
het natuurlyk voorwerp, dat hy befchryft, 
bepaalt aan een plaats of land , of zaak of ge- 
bruik, of zeker ander eind-oogmerk. Alsby 
voorbeeld , wanneer een Natuurbefchryver 
maar een eenig of zeer weinige Natuurly- 
ke Schepzels befchryft, of wanneer Dezelve 
de Natuurlyke Hiftorie van een zeker 
Landfchap met deszelfs byzonder climaat^ 
gronden , luchten , wateren , bergfloffen , 
menfchen, dieren, gewaflen enz. (onder deze 
behooren mede de Reis- en Land-befchry vers, 
dewelke een natuurlyke en morale Hiftorie van 
een land mededeelen ) , 'tzy van een Koning- 
ryk , vaft Land , Eiland, Stad, Dorp, Vlek, 
Berg, Valey, Rivier, Zee, Moeras, Meir, 
Poel, Spelonk, Bergwerk enz. befchryft , of 
wanneer een Natuurlyk Hiftorifchryver de 
Natuur en Konrt te zamen voegt, en deze of 
gene Konften (om deszelfs Natuurlyke on- 
derwerpen als aan die Konft bepaalt ) be- 
fchryft , ofwel, wanneer een Befchry ver der 
Natuurlyke zaaken zyn eigen te zamen verga- 
dert Kabinet befchryft, (gelykwy daar eenige 
voorbeelden van hebben ) of andere by hem 
vergaderde Rariteiten ; of wanneer een Na- 
tuurlyk Hiftorifchryver zommige Natuurly- 
ke Schepzels befchryft, dewelke by de men- 
fchen tot het een of ander eind- oogmerk ia 
M S * ge- 



1 8 6* Natuur- en Konfi-Kabinet , 

gebruik zyn gebracht ; als by voorbeeld, tot de 
Geneeskonlt , tot de Keuken, tot de Verf kond, 
tot deGlasblazerskond(7.onder befchryving dier 
konden) tot Baden of medicinale Wateren ; of 
wanneer zommigeeenïgeNatuurlyke fchepzels 
befchryvcn , tot verklaring en opheldering van 
andere zaak en, als de befchryving der dieren , 
boomen, planten enz. , daar inde Bybel of in 
't Corpus Jurts , of iets diergelyks vangemelt 
word , en meer andere verfcheidentheden der 
byzondere Natuurlyke Hidorifchryvers, hier 
niet alle aan te merken. 

Van de Algemcene Natuurlyke Hiftori- 
fchryvers, dewelke in haar e werken te 
gelyk van alle de bekende Dieren , Berg- 
/loffen } Gewaffen enz. hebben gefchreven. 

i. 

VAn de Aaloude Natuurlyke Hidorifchry- 
vers hebben wy niemant overgehouden , 
dewelke zo veel fchepzels of zaaken , en te ge- 
lyk zo uitvoerig befchreven heeft.als de 1 6 Eeuw 
na Chridus geboorte ons heeft uitgelevert, in 
de perzoon van denonnavolgbaaren Ulysses 
Ai.jdrovandus. Deze uitmuntende Natuur- 
befchryver is geboren tot Bologne in halten , 
daar hy naderhand ook Hoogleei aar in dePhilo- 
fophie en Geneeskond is geworden. Hy heeft 
gereid door de vcrde en alderafgelegende 
landen des Aardbodems, om de natuurlyke 
fchepzels op tefpeuren, en zelfs te ontdekken 
en te befchouwen. Hoewel deze Geleerde 
Man van veelderhande zaaken gefchreven 

heeft, 



Maart en Jpril 171 p. 187 

heeft , waren echter zyn hoofd-voorwerp de 
vremde vogelen ; en op dat hy alles op het 
aldernaauwkeurigft aan ons zoude nalaten , 
nam hy op zyne reize, en op zyn eigen beurs 
met zich de alderuitmuntenfte Tekenaars van 
zynen tyd, en liet alles na het leven , zelfs in 
de aldervremfte landen, aftekenen en in plas- 
ten (hyden. Hy is geftorven in 't (a) jaar 
lóoy. tot Bologne. 

2. 

In drie verfcheide Deelen verhandelt./^/Wro- 
vandus de vogelen , dewelke in twintig boeken 
afgedeeltbefchreven worden. In het eerfte Deel 
handelt hy van de Roofvogels enz. In het twee- 
de Deel van Vogels voor de tafel, enzoetzin-r 
gende vogels. In het derde Deel van de Wa- 
tervogels. Het eerfte deel , dat hy in 't licht 
gaf, beftaat uit twaalf boeken Het is ge- 
drukt tot Bologne in 't jaar ifQQ- in Folio. 
Hy droeg dit werk op aan Paus Clement de 
achtfte, en klaagde aan dezelve, dathy door 
zyn ge.durig reizen en zwaare onkoften, aan 
Tekenaars , Plaatfnyders enz. meeft alles , wat 
hy in de wereld bezeten hadde, was kwyt ge- 
raakt ; maar het w^s voor een doof mans 
deur geklopt, ( 60 ^'jchtvaardige en ondank- 
baare wereld! )wai.i' zes jaaren na deze lof- 
lyke üpdragt moeit Ulyjjes Aldrovandus zyn 
leven laaten in veel armoede tot Bologne , 
in welke Stadthy achtenveertig {b) jaaren het 
Hoogleeraars ampt hadde bekleed. 

Onder 

(a) Tn her jaar 1599. was Aldrovandus oud 
74 jaaren en ftierf ióo^.deihal ven was hy 80 jaaren oud. 

{b) Ziet de Opdtagt aan Faus Clemens VIII. Or- 
vithokgite. Tom, l. 



1 88 Natuur- en Konfi- Kabinet , 

3- 
Onder verfcheide aanmerkelyke zaaken , 

dewelke Ulyjfes Aldrovanius in de Voorrede 
van dit Boek verhandelt, klaagt hy kragtig 
over de gierigheid. Deze, zegt hy, verbant alle 
trouw, vroomheid, wetenfehappen en kon- 
den , zy fpoort de menfehen aan om in 't 
openbaar of in 't heimelyk op malkander te 
roovenmet grouwzaam gevvelt, Landengte- 
den en geheele Koningryken af te rukken, de 
menfehen te verwoeden , haar goederen te 
plunderen, en onrechtvaardig alles of aan 
zyn Staaten of andere'rykdommen te hechten. 
Zo lang, zegt hy, zyn de tyden gelukkig 
geweed , als de oude iEgyptenaaren , Grie- 
ken, Romeinen, en andere volkeren door 
Koningen en Vorflen geregeert zyn gewor- 
den, dewelke in haaren (laat vergenoegt leef- 
den, en by haare Burgers de vrede vierende, 
de uitvinders van geleertheden, wetenfehap- 
pen , konüen en kond-dukken door haare 
gunden en gaven aanfpoorden. 

Plimus heeft in zyn tyd al geklaagt, dat de 
zaaken, dewelke de Natuur overal zo ryke- 
lyk baart , en by de aaloude gemeenzaam be- 
kent waren, in zyn leefryd byna buiten het 
geheugen en Kenniilè der menfehen waren ge- 
raakt. Voorwaar Lezer , de natuurlyke Hi- 
dorie is zulk een geringe zaak niet, dealder- 
oudde en verdandigde Prinflen van de we- 
reld hebben haare kennifle in dezelve geoef- 
fent, zelfs by onzen tyd heeft Lodeivyk de 
Veertiende daar meerder lof door verkregen, 

en 



'Maart en April \ji9- t%9 

en ook verdient , als door zyne grouwzaame 
oorlogen. De meefte grootfte Prinflen van 
deze wereld vergaderen Kabinetten van Na- 
tuur en Konft, fokken in foaare diergaarden, 
vyvers en vluchten , alderhande vremde die- 
ren, vitten en vogelen, beplanten haare tui- 
nen met alderhande vremde boomen, heefters, 
kruiden, bloemen, vruchten enz. Maar wat 
de Natie» van deze onze tyden betreft, bui- 
ten eenige zeer weinige Geleerde Lieden, 
moet ik hier klaagen, dat dezelve in eendo- 
delyke onkunde leggen begraven , en 't geen 
noch het beklaaglykfte is, in 't midden van 
een groote ingebeelde wysheid. 

S- 
In dit eerde Boek van de twaalf Boeken 
dezes deels, fpreekt Ulyjfes Aldrov.mdus van 
de Arenden in 't algemeen ; in het tweede 
boek van de Arenden in 't byzonder, en alle 
deszelfs verfcheide foorten; in het derde boek 
handelt hy van de Gieren of Giervogels in 't 
algemeen en in 't byzonder; het vierde boek 
handelt van de Havikken in 't algemeen; en 
het vyfde boek van de Havikken in 't byzon- 
der, en alle deszelfs foorten, Het zesde boek 
handelt van de Valken in 't algemeen ; en het 
zevende boek van de Valken in 't byzonder; 
in het achtfte boek fpreekt hy van de rovende 
Nachtvogels ; het negende boek verklaart de 
Vogels van een tiuTchen beide natuur , na- 
mentlyk die voor een gedeelte met de viervoe- 
tige gediertens, en voor een gedeelte met de 
vogels-natuur gefchapen zyn ; het tiende boek 
fpreekt van de Fabeleuze vogels ; het elfde 

boek 



't po Natuur- en Konft-Kabinet , 
boek van de Papegaajen ; het twaalfde boek 
handelt van de Ravens en haare verfcheide 
foorten , en van eenige andere vogels met har- 
de bekken , als de verfcheide Kaauwen , ver- 
fcheide Exters , van de vogel Neushoorn, van 
de Paradys-vogels en derzel ver verfcheide foor- 
ten , van de Kaneel-vogel, van de Specht en 
de verfcheide foorten der zelver, van de wit- 
te Wal- vogel, van de Indiaanfche Glorio, 
van de Torquilla of Windhals , van de Cer- 
thia, van de Merop , van de Kratzvogel of 
Krombek. 

6. 
In het jaar 1600 woonde tot Bologne Jo- 
annesCornelius Uterwerlus , Doólor in deGe- 
neeskonit , en van geboorte een Hollander. 
Deze verhaalt ineen korte voorreden van het 
tweede deel van de Vogelen , dat onzen 
UlyJJes Aldrovandus over denatuurlyk-e fchep- 
7.els en zaaken, ( befchreven door Anftoteles , 
Theophrajlus , Diofcorides ^Galenus en al Ie an- 
dere) zo in 't openbaar in debtads-tuin, als aan 
zyn eigen huis dagelyks zulke geleerde lellen 
en verklaringen deed , dat de Geleerde we- 
reld , dewelke hem kwam hooren , daar van 
als voor het hoofd geflagen Hond. (a) 
Mitsgaders dat hy een weergaloos Kabinet 
van Natuurlyke zaaken by een hadde ver- 
gadert. 

7- 
In het jaar 1600. gat U/yffes Aldrovandus 

het 

(a) Ditgeheele Natuur-Kabinet is noch hedendaags 
te zien in de Rariteit-kamer van den Groot-Her:og 
van Tofcanen. 



"Maart en April 171P." ipï 

het tweede Stuk in Folio van zynebefchryvin- 
gen der Vogelen uit , en droeg het zelfde op 
aan Alexander Perettus , doen Cardinaal 
Montalto. Hy verhaalt, dat Sixtusde vyfde, 
dewelke Oom van deze Montalto geweelt was , 
hem zeer veel gunft bewezen en veel ver- 
ftrekt hadde , tot uitvoering van zyne groote 
ondernemingen. 

8. 
Dit Deel begint met het 1 3 Boek , en ein- 
digt met het 18 Boek, beftaande vervolgens 
uit zes Boeken. In het 13 Boek befchryft 
Aldrovandm dePaauw, de paauw van Japan t 
het kalkhoen, defaifant, het berghoen of de 
urhaan en deszelfs foorten , de groote Grygal- 
lus, de kleine grygallus van 'tZwitzers ge- 
bergt, het hazelhoen, de trapgans en deszelfs 
verlcheide foorten , het landeend, de ftarvo- 
gel , deoedicnemus , deTriellappen, depatry- 
zenin 't algemeen, en vanalderhande foorten 
van patryzen, het fteenhoen of de lagopus , 
de kwartels, de kwartelkoning, de Brachvo- 
gel,detuinvogeltjes. Het 14 Boek handelt van 
de tamme hoenderen, en van derzelver ver- 
fcheide foorten uit verfcheide landen. Het 
yyftiende Boek fpreekt van de duiven en der 
zelver onderfcheid, van de tamme duiven, 
wildeen ringelduiven, bergduiven, hout- of 
holts-duiven, tortelduiven, van de moffen, 
van dehuismoffen, van de witte moffen , gee- 
le mollen, geplekte moffen, en een groote 
menigte moffen van vremde landen. Hetzes- 
tiende Boek handelt van de iyfters en derzel- 
ver foorten, van de meerlen ofzwartelyfters 

en 



xgt Natuur- en Konfl-Kabinet , 

en derzelver foorten , van de witte mee- 
rels, van de blaauwe meerels, en andere van 
veelderley foorten uit vremde landen , van de 
fpreeuwen en derzelver onderfcheid, van de 
fteenbyters of fteenkraakers , of appelvinken en 
derzelver verfcheide foorten. Het zeventien- 
de Boek handelt van 't Koninkje, en verfchei- 
de foorten van Koninkjes, van de zwaluwen, 
van de huiszwaluwen, van de witte zwalu- 
wen, van de wilde zwaluwen, van de klip- 
zwaluwen, van de zee-zwaluwen , van de 
fteeiitzwaluwen , van de wydkoppen, van de 
meesjes en derzelver foorten en fchoone ko- 
Jeuren, van de kwikftaartjes en derzelver ver- 
fcheide koleuren en foorten, van de fpipoU 
en deszelfs verfcheide foorten , van de dwaa- 
ze moffen, van de muggevangertjes en der- 
zelver verfcheide foorten > van de braammos- 
jes, vanderootborsjes, van de root- of bloed- 
vink, van de rootfteert of wyn-vogeltjes en 
derzelver verfcheide koleuren en foorten, van 
de gras. mos ( die gezegt word de cyerendes 
koekkoeks uit te broeyen ) en deszelfs verfchei- 
de foorten , de druif-vinken en derzelver 
foorten, de Lyfciniola, de Gïarola, deVyg- 
vink. Het achtiende Boek handelt van de 
zoetzingende vogdtjes, namentlyk de nach- 
tegaal en deszelfs onderfcheid, de witte aman- 
del-nachtegaal en andere , van de puttertjes 
en derzelver onderfcheid , van de cynskens, van 
de kanary-vogels , van de vink, geelvink, goud- 
vink , bergvink , vlasvink , rode vlasvink , 
blauwe zee-vlasvink , de leeuwerik en des- 
zelfs verfcheide foorten, van de culander of 

groote 



Maart en April lyip. ip$ 

groote leeuwerik , van verfcheide byfoorten 
van leeuwerikken, AcChloris, groenvink of 
rapvink , deszelfs verfcheide koleuren en 
vremde foorten, van de fchelzingendc grillen 
met geele bordjes, van degeelvinkjes en des- 
zelfs verfcheide foorten ,van verfcheide In- 
diaanfche zoetzingende vogeltjes. 

9- 

Het derde Stuk of Deel , in hetwelk U- 
lyJJ'es Aldrovandus van de vogelen handelt, 
beftaat uit twee Boeken , teweten, het ne- 
gentiende en het twintigftè Boek , en fluit 
7,yne befchryving van de Vogelen. Hy heeft 
dit derde Deel uitgegeven tot Bologne in 't 
jaar 1603 in Folio, en befchryft in het zelve 
alle groote en kleine water-vogelen. Aldro- 
vandus heeft dit derde Deel insgelyks als het 
tweede aan den Cardinaal Montalto , Neef 
van Fans Sixtus , opgedragen , klagende, even 
jammerlyk over zyn armoede en hoogen ou- 
derdom ; en hy zegt rond uit , dat onder de hoo- 
ge Perzonagien en Prinflen een Beminnaar 
der goede Letteren even raar gevonden word, 
als een zwarte zwaan of witterave , daar hy 
Montalto echter buiten fluit , dewelke een 
groot Mecenas in zyn levcns-tyd was. In 
het negentiende Boek handelt hy van de Zwa- 
nen, van de Pellicanen of Ezelfchreyers, en 
vogelen van Etna, van de Artenna of water- 
vogel, van de {a) Diomedifche Eilanden, van 
N de 

[o] De Diomedifche Eilanden worden hedendaags 
Ifole de Tremiti genaamr , zy n vy f in petal , namenrly k 
1.5. Maria de Tremiti. 2. S. Domivo. 3. Gatizzo. 4. Ca- 
prara ^.Credazzi. Deze Eilanden leggen regens over 
yApulitn, en behoren onder 't Koningryk. van Napels. 



ï 94 Natuur- en Konft-Kabinet y 
de zee-meeuwen en derzelver verfcheide foor- 
ten, van de Starretjes, en de meeuw viffer 
genaamt, van de zwarte, asgranwe, bonte, 
fpierwitte meeuwen , van de Catbarrada , 
(Oppianus , diedeenigfte Schryveris, dewel- 
ke de Catharraéïabtfchreven heeft, zegt, dat 
zy op uitgefchilderde vifïèn op paneelen met 
zulk een hevigheid uit de lucht koomen val- 
len, dat zy door dat middel gevangen wor- 
den,) van de meeuw Ceppbus', de meerkoor, 
van de Franfche meerkoot of meerduivel , van 
de foort van meerkooten by deEngelfchen cotta 
genaamt , van de tamme ganzen en haar ver- 
fcheide foorten, van de wilde ganzen en haar 
onderfcheid. Van devos-gans der oude toont 
Aldrovandus , dat geen nader te vinden is, als 
de Engelfche berg-gans , van de Schotfche zee- 
gans bajj'anus , dewelke nergens gevonden 
word, als in en omtrent de klippen van 't 
Eiland Bajfum by de vloed Fettrt, dievoorby 
Edenburg vloeit , van de Schotfche wildegans 
Guftarda , de Schotfche gans capricalca of 
het bofpaard genaamt , van de gans Branta , 
dewelke in 't Prinsdom Wallis in Engeland 
gevonden word, en op veel andere plaatzen, 
en van verfcheide foorten onder de naam van 
rot-gans by de Hollanders genaamt , en by 
zommige boom-ganzen. Zommige Schryvers 
zyn zo dwaas, dat zy getuigen dat deze rot- 
ganzen in Schotland aan de boomen groeijen. 
Vervolgens handelt Aldrovandus van de Een- 
den, en een groote menigte van verfcheide 
foorten , van de duikers en haar onderfcheid, 
van de aersvoeten en haar foorten, de muft- 

vogel , 



Maart en April 1 7 1 p. ï 9 f 

vogel , de water-ravens en haar verfcheide 
foorten , en van een groote menigte van ys- 
en winter-duikers , en andere vremde en raare 
water- vogelen. 

10. 
In het twintigfte en laatfte Boek handelt 
Ulyffes Aldrovandns van de vogelen , dewelke 
niet zo zeer in het water, als omtrent 't zel- 
ve huishouden en gevonden worden , nament- 
lyk van de oyevaars; hy befchryft de komft 
en het vertrek derzelver , en bewylt dat zy 
des winters in JEgypten en in de waterige 
vlaktens van Afrlca vvoonen , na het getuige- 
niiTe van BeUunim en veel andere oog-getui- 
gen. Van de Egypifche vogel /^m, van de 
Flammaat en deszelfs foorten , van de kraan- 
vogel en deszelts foorten , van de reigers en 
derzelver vremde foorten in een groote me- 
nigte, van de gans lepelaar met een bek als 
een lepel, van de kemphaantjes en derzelver 
ontelbaar onderfcheid , van de vrietche fchryn , 
van de totanm of ruiter te voet , van defranfche 
barge, van de porphyrius hamatopos of plu- 
vier, van de waterUennetjes van zeer veel 
verfcheide foort, van degluttder Duitfchers, 
van de root-pootjes, lypjes en andere water- 
hoendertjes , water-fnippen , hout-fnippen , 
brakhennen of brach-vogels , van de fchmir- 
ringen en haar foorten , rotkmillis , dejjyt, 
matbern , vuynkernel , fyden-hen, enveelder- 
hande foort van fnippen , de water-meerl, 
veelderhande foort van poelvogeltjes , riet- 
broek-vogeltjes , meer- en vlier-vogeltjes, 
heggefchaartjes of haagvroetertjes , van de 
N i ys- 



\C)6 Natuur- en Konft- Kabinet ^ 

ys- of water-hoentjes , gyfyrs , van 't konïngs-- 
viffertjeofdedrappier,zyndeeen ys-vogeltjc,en 
verfcheide raare foorten van hetzelfde , van de 
kievit en deszelrs verfcheide foorten, van de 
water-vogel Tnel. Hier mede word het lant- 
fte Stuk gefloten, en achter het zelfde volgt 
een klein aanhangzel van eenige vremde vo- 
gels, n\sdeAIori»eilus van Engeland. dcEme 
van 'Java , de Numidifche haanen , de lommen 
van Groenland, deraUosforcados , querquedula, 
verfcheide vremde vogelen van de Kaap de 
Goede Hoop als elders. 
II. 
't Is my niet mogelyk geweeft,om in zulk een 
Oceaan van zaaken en ontelbaare menigte van 
vogelen , iets byzondersof aanmerkelyksaan 
te naaien, om niet te veel uit te dyen, maar 
op dat myn Lezer een ryk denkbeeld van het 
groote Werk der Vogelen van Ulyjfes Aldro- 
vandus mag verkry^eu, zal ik in 't algemeen 
aanmerken, dat Aidr ovandus handelt, i. Van 
de verfcheide rang en waardigheid der voge- 
len, en [relt naar ryp overleg de Adelaar tot 
Koning. 2. Handeit hy van de aquivocatie of 
dubbelzinnigheid der naamen, daar de vogels 
mede genaamt worden, niet zo zeer derzel- 
ver verfcheide naamen uit verfcheide taaien of 
om verfcheide hoedanigheden , die verfchei- 
de natiën daar verfcheidentlyk door uitdruk- 
ken, maar van verfcheide betekeniffen , die 
dikwils een naam heeft, daar een vogel mede 
genaamt word; want het gebeurt menigmaal, 
dat een naam, die een vogel heeft, ook ge- 
voegt is aan een plant, fteen, ziekte of dier; 

2<? 



Maart en April 171 9. \g>y 

7,0 zyn by de Oude verfcheide vermaarde Man- 
nen met de naam van 'Adelaar of Arend ge- 
noemt , daar is ook een vifch, die Adelaar 
heet, insgelyks ook een plantgewas enz. 
12. 
Wanneer Aldrovandus een vogel befchryft, 
verklaart hy alle de verfcheide naamen , daar 
2odanig een vogel door bekent is geweeft by 
de Oude, «n hedendaags ook noch mede ge- 
naamt word ; mitsgaders hoedanig een vogel 
in elke byzondere taal met een by zonder naam- 
woord word uitgedrukt; byvoorbeeld, hoe 
een Arend uitgedrukt word in 'tGrickfch, en. 
.dat noch zeer verfcheiden, insgelyks in 't-Latyn, 
in 't Arabifch, Turkfch, Perfifch , in 't He- 
breeuwfeh , in 't Franfch , Engelfch, Hoog- 
duitfeh, Spaanfch, Walfch, en vervolgens 
in veele andere Taaien. 

n- 

Op dat alle de foorten van een vogel tot 
haar gedacht zouden konnep gebragt worden, 
handel \Aldrovandus ook zeer naauwkeurig van 
de SïgnaGeneris Charafleriftica, of de onaf- 
fcheidelyke geflachts-kentekens van een vogel, 
dat is: als in een vogel die tekens en gedaan- 
tenszyn, dat dezelve dan tot zodanig een ge- 
llacht behoort, en maar in omftandigheden en 
in foort verfchilt. Zodanige tekens worden ge- 
fielt aan de gedaanten van het hoofd, de bek ,. 
oogen , voeten , eenzaamheid, roof, hardigheid 
in vleefch , klauwen , lievigheid van veeren ea 
van gebeente , voedzel , woonplaats, vlucht , 
fne!heid,kragten, enz. welke alle by malkan- 
der gevoegt een ouaffcheidelyk kenteken uit- 
N 3 maa- 



i p8 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

maaken, dat het geflacht bepaalt; en alle de 
vogels , daar dit in befpeurt word , hoe ver- 
fcheidenzy ook zyn, worden dan alsfborten 
van zodanig een geflacht aangemerkt. 
14. 
Aldroz'andas handelt ook in de Befchryving 
van elke vogel van deszelfs zinnen, als het ge- 
zicht , reuk , fmaak , gehoor , gevoel , ge- 
zwintheid, traagheid , fterkte van mannerje 
en wyfje, van haare woonplaatzen en vader- 
land , wat geweft van de dampkring zy meeft 
bevliegen, of zeer hoog , of middelmatig , 
of laag, van haar vernuft en manieren, van 
haar leerzaamheid, ftem, van haar aas en fpys, 
voortteeling, broeying en geboorte, vanhaar 
grootmoedigheid , gematigtheid , van haar roof 
en jacht op andere vogel sof gedierte, van haare 
gevechten en manier van ftryden, van haar 
natuurlyken afkeer van zommige zaaken , 
van haare ziektens, van haar genezinge; van 
de oude, nieuwe, waarachtige en fabeleuze 
Hiüorien, die by de Schryvers en in de boe- 
ken van deze of gene vogelen gevonden wor- 
den, en zeltzaame voorvallen. 

En dewyl de Grooten Schepper alles tot 
xyner Heerlykheid, en tot gebruik der men- 
ichen gefchapen heeft, handelt Aldrovandus 
van de verfcheide gebruik en, dewelke de men- 
fchen van elke vogel maaken, (hoe de menfchen 
zomtyds een bynaam verkrygen , gelyk de 
Evangelift "Johannes een Adelaar genaamt 
word enz. Julius Cafar en Arijioteles zyn 
Adelaars bygenaamt) van het gebruik zommi- 

ger 



Maart en April 17 '19. 199 

ger vogelen in de ydele Afgodendienft der 
Heidenen , welke voortekenen en voorzeg- 
gingen tot goede of kwaade uitkomften van 
zaaken zy uit zommige vogelen haar vlucht, 
ontmoeting , gevechten enz. malkander by 
outs wys maakten , alles met bygebragte 
voorbeelden uit de Aaloude Hiltorie; welke 
myftike en geheime dingen dik wils verborgen 
of uitgedrukt wierden , onder de benaming van 
ee.i vogel of deszelfs wonderlyke eigenfchap- 
pe.i inde Heilige Bladeren, by deOudvaders 
en in andere Schriften, hoedanige zeden en 
plicht-lelfen zomtyds afgeleidt wierden van 
de deugden of eigenfchappen zommigcr voge- 
len , van het gebruik der vogelen in debeeld- 
fpraak der oude Mgyptenaaren en Qofterfche 
Volkeren, van de (a) zinnebeelden en Fabe- 
len , dewelke door zommige vogelen wier- 
den uitgedrukt by de aaloude en hedendaagze 
volkeren, van het gebruik van elke vogel, 
of deszelfs deelen of uitwerpzelen in de ge- 
neeskonft, in de fpys en keuken > hoe de vo- 
gelen tot de jagt gebruikt worden, van het 
gebruik der vogelen tot tekenen, als veld- 
tekenen ,ook in rouw, begraving, feeftviering, 
krooning enz. , ook tot eer-tekenen in Ridder- 
of andere eer-orders , en by beelden gevoegt, om 
iets met dezelve uit te drukken , insgelyks in 
wapens en zegels, op fchilden, borihvapens, 
ftormhoeden, harnafTen, geweer, oorlogs- 
gereetfchap,cieraaden, fcheepen, huizen enz. 

16. 
Aldrova-fidus befchryft niet alleen de uit- 
N 4 wen- 

(a) Emhkmata, 



too Natuur- en Konft-Kabinét , 

wendige gedaante van elke vogel, maar ook 
derzelver inwendige Fabryk en gedaante, en 
gebruik der inwendige deelen door de ont- 
leed-konft vertoont , en zulks menigmaal zee: 
naauwkeurig deeltje voor deeltje , benevens 
haare geruamtens. Hy handelt ook by elke 
vogel van alle de fpreekwoorden , dewelk: 
van zodanige vogelen afgenomen zyn , op wel- 
ke konftige wyzen de vogelen gevangen wor- 
den , en wat al waar teneemen is in haar on- 
derhouding , voeding , melting , haar bereidi.ig 
van fpys en drank en zaad, dcrzelver ta-n- 
makirtg, aanleering in 't klappen, fluiten, zin- 
gen, onderwyzing tot de jagt , gelyk in de 
valken enz. haar loosheid, haar nellen, en 
opvoeding van haare jongen, van verfcheide 
misgeboorten en monlters onder de vogelen , 
de affetten en begeerlykheden , minneryen, 
fpraak en taal der vogelen, haar geilheid of 
matigheid, en oneindig veel zaaken, dat ik 
vermoeid word om dezelve hier alle aan te 
haaien. 

«7. 

Noch is dit heerlyke werk overal verciert 
en opgeheldert met zeer keurlyke plaaten , 
dewelke boven alles uitmunten, om dat de- 
zelve na 't leven zyn getekent, en gefneden 
van de aldergrootlie Konitenaars van geheel 
hallen en andere deelen van Europa. 
18. 

In het jaar 1602 gaf UlyJJ'es Aldrovandus 
zyn werk van de Infetten en bloedelooze- 
beesjes uit tot BolugKe in folio , hy droeg de- 
ze voortrertelyke vrucht van zyn Arbeid op 

aan 



Maart en April 1719. 20 1 

aan Francifcus Maria de tweede , en de zesde 
Hertog van Urbino. Ik zal van dit werk niets 
melden , om wederom in geen oceaan van 
volheid te geraaken , maar alleenlyk aan- 
merken, dat alle de beesjes zeer keurlyk na 
't leven in plaaten afgebeelt zyn , by welke 
gelegentheid de Lezer mag aanmerken, dat 
in het uitbeelden van de natuurlyke fchepzels 
zeer veel werk word gemaakt van de tekenin- 
gen , dewelke na 't leven zyn gefchiet , ge- 
lyk die van onzen grooten Aldrovandus. 

19. 
Na het uitgeven van deze vier (tukken 
kwam onzen grooten Man te fierven , en hy 
heeft het geluk niet gehad zo lang te leven, 
dat zyne overige groote werken het licht be- 
fchouwden ; maar de Beroemde, Geleerde 
en voortreffelyke Mannen , Bartholomceus 
Ambrofinus , "Johannes Cornelius Uterverius 
Hollander, HieronïmusTamburtnus , Thomas 
Dempflerus Baron van Mttresk , Marctts 
Antunïus Bernia, en veel andere hebben een 
onuitdrukkelyke lof verdient, dat zy voor 
deze Weeskinderen zodanige goede zorg 
hebben gedragen, en dezelve zo heerlyk in 
't licht gebragt, dat zy niets van haar glans 
noch achting door 's Mans dood hebben ver- 
loren. 

20. 

Zo ras als Ulyjfes Aldrovandus geftorven 

was , beval de Raad van Bologne aan Bartbolo- 

micus Ambrofinus Hoogleeraar in de,(a)Natuur- 

ly kezaaken, dewelke betrekking op de Genees- 

N s konft 

(a) Shnphckt txedita. 



20 1 Natuur- en Konjl- Kabinet , 

konft hebben, en Opperde over de Stads- 
tuin , geboren tot B-Aogm ) om de nagela- 
te werken van den grooren i/lyjfes Aldrovan- 
dus in 't licht te geven, want Aldrovandus 
had by uiterfte wil de afrekeningen en plaa- 
ten enz. aan den Raad van Bologne aanbevo- 
len en gemaakt. In het jaar 1640 gaf onzen 
Ambrojmus uit het vyfde (luk van de Werken 
van Aldrovandus , zynde een Hiftorie der 
Serpenten , in folio , en in twee Boeken of 
Hoofd-verdeelingen afgedeelr. Het Boek 
wierd opgedragen aan de Prins Franciscus 
Perettus, en is opgeheldert met fchooneplaa- 
ten , in dewelke de Serpenten ( na 't leven af- 
getekent) verbeelt worden. Ik zal niet ver- 
der van dit werk fpreken , dewyl ik te veel 
te zeggen zoude hebben , en ook na dezen 
niet meer onderfcheid , klaarheid en nettig- 
heid van die zaaken (als ik leve) meen te 
handelen. 

2t. 

In het jaar 1616 gaf Jobannes Cornelius 
Uterverius Hollander, en Hoogleeraar in de 
fimple natuurlyke en enkelde geneesmiddelen 
tot Bologne , uit in folio het zesde ftuk van 
de Werken van Aldrovandus. Het werk wierd 
opgedragen aan Julius Sacchettus, Cardinaal 
en Legaat a Latere van de Paus totBologne. 
Paus Xlrbanus de achtfte maakte een Griekfch 
en Latynfch Lofdigt op onzen Aldrovan- 
dus , die beide voor het werk gedrukt zyn. 
In dit ftuk word gehandelt van de viervoetige 
dieren {a) met vafte, heele en ongefplete o.- 

on_ 
{*) De Quadrupedibtis Solidtpedibus.] 



Maart en April 1719. 205 
ongekloofde voeten ; als by voorbeeld. 1 . Van 
de Paarden en derzelver veelvuldige foorten. 
2. Van de Ezels en derzelver groot onder- 
fcheid , als de Woud-ezel , van de Muil- 
ezel, van de gehoornde Ezels. 3. Van de 
Monoceros. 4. Van de Zebralndica. 5". Van 
de Olyfanten en der zelver onderfcheid. Van 
deze dieren worden zo veel heerlyke en we- 
tenswaardige zaaleen verhaalt, dat dezelve een 
geheel foliant beflaan , en echter is alles even 
vol rykdom en geleertheid. 

22. 

In het jaar 161 3 wierd het zevende ftuk in 
folio vzxïAldrovandus zyne werken uitgegeven, 
begonnen door Uterverius, en volbragt door de 
Schotfche Baron Dempfterus. Dit werk han- 
delt van ( a ) de viervoetige dieren , welker 
voeten gevorkt zyn , of in twee fpitzen ge- 
deelt of gefpleten zyn. Het werk wierd op- 
gedragen aan Paris Ledronius Aarts-BuTchop 
van Salisburg. Onzen Aldrovandus volgt ill 
zyne befchry vingen der dieren meeft altyd de 
order van Arifloteles \ hy verdeelt de kloof- 
voetige dieren in twee, in aardfche en wa- 
ter-kloofvoetige dieren ; onderde water-kloof- 
voetige dieren is tot noch toe, zegt hy , maar 
een enkeld ontdekt , namentlyk de Hippopo- 
tamus of het Waterpaard van de Nyl. De 
vorkvoetige landdieren worden wederom in 
twee foorten verdeelt , namentlyk de vork- 
voetige dieren met horens , en de vorkvoe- 
tige dieren zonder horens. Alle de gehoren- 
de vorkvoetige dieren herkauwen , en onder 

de 

(*) De Quadrupedibus Bifuhis. 



204 Natuur- en Konfi- Kabinet , 
de ongehorende herkauwt alleen de Ka- 
meel enz. 

23. 
Die werk bedaar trit een enkeld hoofddeel 
afboek, en uit duizend en veertig bladzydeo, 
het is verdeelt in zevenendertig kupittels , en 
handelt. 1 Van de Koebeelten en derzelver 
verfcheide foorten uit alderlei vremde landen , 
en van alle de dieren, dewelke onder het ge- 
flacht der Koebeeften konnen gebragt wor- 
den. 2 Van de Schaapen en derzelver ontel- 
baare foorten en byfoorten. 3. Van de Gei- 
ten en Bokken, en derzelver veelderhande 
foorten en byfoorten uit vremde geweiten. 
4. Van de Harten, derzelver verfcheide foor- 
ten , en verwondcrenswaardige byfoorten. 
f Van de Eland. 6 Van de Rhmoceros of 
Neus- hoorn. 7. Van de Kameel en van veel- 
derhande foorten van Kameelen. 8 Van de 
JEthiopifche Nabij oiCamehpardalis , of' t Ka- 
meel-formig paard. 9. Van de Varkens, zo 
tamme als bofch-varkens , en derzelver ver- 
fcheide foorten. Dit (lak is zeer groot en 
iwaar, en zeer doorvfrogt, en als doorfpekt 
met alderlei aangenaame Hiilorien, waarne- 
mingen en aanmerkingen. 

24. 
Het achtfte (luk van de Werken van ulyf- 
fes AldrovanJus is in 't licht gebragt tot Bo- 
logne 1637 in folio, door de vlyt en yver van 
den voortrerlelyken Burtbolajoiteus Ambrofmus . 
Dit werk handelt 1 in drie Boeken (n) van 
de viervoetige dieren met geteende voeten , 

en 

(«) De Q.uadrh$edibti$DigitatisViviparis. 



Maart en April 17 19. iof 

en dewelke levendig baaren en gebaart wor- 
den. En 2. van de (a) viervoetige dieren met 
gereende voeten, dewelke Eyeren leggen, en 
daar uit voortkoomen. Dit werk is behal- 
ven de voorredens en regiiters ent. 71 3 
bladzyden groot , en 20 ryk en overvloedig 
van itof , dat ik het zelve te kort zoude 
doen , daar iets byzonders van te melden ; 
alles is na 't leven gecekent volgens de wyze 
van Aldrovandas. 

25-. 

In 't jaar 161 3 was ook uit de nagelate 
Schriften van Uiyfics ALlrovandus vergadert, 
en -in order gebragt door 'Johannes Corne- 
lius Uterverins , het negende ftuk , het wierd 
gedrukt tot B>logne 'xnjolio, en opgedragen 
aan Franciscus Vitellius , Aartsbiiïchop van 
ThcJJalonica, en Nur.cius van den Paus byde 
Republyk van Venetien. Dit werk handelt 
in vyf boeken van de Villen, en in een by- 
zonder Boek van de WalviiTen en derzelver 
foorten, 't zelve is vandealderuiterftenaauw- 
keurigheid, (de plaaten zeer curieus en na 't 
leven getekent) en alom voorzien met een 
ongelooflyke fchat van gelceitheid en natuur- 
kunde. 

26. 

In het jaax 1606. was tot Btlogne uitgege- 
ven het deel, dat volgens myn order het tien- 
de ftuk uitmaakt van de werken van UlyJJ'es 
Aldrovandus , dit werk is mede in folio gelyk 
allede andere, en handelt van de bloedelooze 
dieren en watzi-injeólen, het is in vierhoeken 

ver- 

(a) De Qitadrupedibus digitfttis tviparis. 



Zö6 Natuur- en Konft-Kahinet) 

verdeelt, 't Eerfte Boek handelt van de {a) bene- 
loozezee-kwabben. Het tweede Boek van de 
(Jb) korftachtige fchub-viflen. Het derde Boek 
vande(f)fchulp-vüreuofkruik-viflen Het vier- 
de Boek handelt van de (d) dierachtige water- 
planten. De Oude hebben zommige dezer g«- 
wafTen enigzins gevoel toegefchreven , en ge- 
oordeelt, dat dezelve noch onderde dieren , 
noch onder de planten byzonder geftelt konnen 
worden , maar een derde geflacht uitmaaken, 
dat beider natuur deelachtig is. Alle de horent- 
jes,kruikjes, fchulpjes,gewasjes en zee-diertjes, 
plantjes, kvvabbctjes, kreeftjes , krabbetjesen 
andere zaaken op te noemen, zoude voor myn 
Lezer verdrietig zyn ; ik zal ( als Godt wil ) daar 
na dezen zelfs en op zyn plaats en tyd van 
handelen. De plaaten in dit ftuk zyn zeer 
naauwkeurigenna 't leven getekent. 
27. 
Tot een flot van alles , wat Ulyffes Aldro- 
vandus van de Dieren heeft nagelaten , moo- 
gen wy (tellen het elfde Deel van zyn Na- 
tuurlyke Hiftorie, handelende van de misge- 
boortens en monflers, dewelke van andere 
befchreven zyn, en ook die gene, dewelke 
van hem zelfs waargenomen zyn , onder 
de menfehen , dieren , levendige fchepzels en 
plantgewaflèn , alles met zeer keurlyke plaa- 
ten. Dit ftuk is uit de fchriften en afteke- 
ningen van Aldrovandus vergadert, en in or- 
der 

(a) Mollia. 

(b) Cru flat a. 

(c) Tetlacea JïvtConcbyliA, 

(d) Zoo$hyta. 



Maart en A 'pril 171 9.' 2,07 

der gebragt door Bartholomceus Ambrofinus , 
en tot Bologne 1642. in Folio gedrukt, en aan 
Ferdinandus de II. Gtoot Hertog van 'Tofca- 
nen opgedragen. Daar zyn achter bygevoegt 
voor een aanhangzel alle de aftekeningen van 
Dieren, Injeéien t Vogelen enz., dewelke in 
de ontelbaare afrekeningen van Aldrovan- 
dus gevonden wierden, en over 't hoofd ge- 
zien waren van de voorgaande Uitgever, al- 
les door de voorzorge en arbeid van onzen 
Ambrofinus. 

28. 
Het twaalfde ftuk van den grooten Aldro- 
•vandus is het Mufa-um Metallicum , uitgeko- 
men tot Bologne 1648. in Folio metplaaten. 
In dit Werk wordgehandelt van de Metalen, 
Mineralen en Bergltoffen, 't zelve word gehou- 
den voor een van de aldervoortreffelykfte Boe- 
ken, dewelke ooit in 't licht zyn gebragt, en is 
verrykt met een uitnekende Geleertheid. 
20. 
Het dertiende ftuk van Aldrovandus is uitgege- 
ven, en by malkander vergadert uit 's Mans 
Schriften door de Hoogleeraar Ovidius Mon- 
talbanus 1668. in Folio tot Bologne, met zeer 
fchoone en na 't leven getekende plaaten. Het 
is een Hiftorie van alderhande Boomen en 
Boomgewaflen , en derzelver vermaartfte 
vruchten. Mrar 't is nietmogelyk, om aan 
den Lezer een denkbeeld te geven van de 
waardy dezer Boeken en Natuurkundige Ge- 
leertheid, dewelke in deze dercien groote/v- 
lianten gevonden worden , daarom zal ik te- 
genwoordig niets meer van dezelve aanhaalen. 

ik 



zo S Natuur- en Konft- Kabinet , 

30. 

Ik heb geoordeelt, dat ik myn Lezer het 
verdriet aan moed doen , met een fchets te 
doen lezen van een Algemeen Hiftorifchryver 
van de Natuur, niet die als Plinius degehee- 
le groote Natuur (met alles wat daar in is) 
getracht heeft te befchryven , maar die gelyk 
onzen weergaloozen Atdrovaxdus een alge- 
meene Hiftorie heeft nagelaten, van devoor- 
naamfte zaaken uit het Koninkryk der Dieren, 
uit het Koningryk der aardfche Bergftoffen, 
en uit het Koningryk derGewaffen. 

3'- 

Hoe ongemeen veel zaaken onzen ALlro- 

vandus ook nagelaten mag hebben, en welk 
een menigte zyn grooten Voorganger Co>:ra- 
dus Gefnerus ( mede een onnavolgbaar alge- 
meen Hiltorifchryver van de Natuur, ) zo zal 
echter in gevolg van tyd aan de Lezer blyken, 
dat haare Nakomelingen (*totop dezen huidi- 
gen dag toe gerekent) noch ontelbaarder me- 
nigte van zaaken door onvermoeide arbeid , 
reizen door alle de deelen des werelds , en 
önfehatbaare onkorten , van de natuurlyke 
fchepzels en gewrochten hebben ontdekt. 
Maar deze Schryvers alleenlyk maar optetel- 
len , en haare enkelde naamen aan te naaien , 
zoude een geheel boekje uitmaaken, gelyk ik 
in gevolg van tyd zal doen zien. Onder de 
oude Heidenen is Plinius de grootfie Natuur- 
lyke Hiftorifchryver, onder de nieuwe Schry- 
vers en Chriftenen UlyJJ'es Aldrovandus , en 
onder alle Schryvers als ook onder de Hei- 
lige Schryvers is de oudite Mofes, gelyk zal 

blyken 



Maart en April 171 9. 109 

blyken in 't vervolg, want ik zal van deNa- 
tuurlyke Hiftorifchryvers en van de Natuur- 
lyke Hiftorien der Oude handelen na ver- 
volg , en na de order der tyd rekenkunde. 
Ey voorbeeld , als ik handele van de natuur- 
Jyke Hiftorifchryvers en Natuurlyke Hiftorie 
der Hebreërs , zal ik zulks van de eerfte oor- 
fprong dier Natie tot deszelfs ondergang ver- 
volgen van SchryvertotSchryver, of van zaak 
tot zaak, en van deze wederom overgaande op 
de JEgyptenaaren , Ajfyriers , Arabieren , Per- 
fen enGrieken, of andere Natiën, zal ik elk 
by zyne Natie vervolgen en afdoen. 

Van de Oudheid der Natuurlyke Hijlorie^ 
en eerfi van die der Hebreërs. 

1. 

MOfes is de eerfte , oudfte en waarachtig- 
ste Natuurlyke Hiftorifchryver, (zoveel 
aan ons bekent is) dewelke van de Aaloud- 
heid aan ons is nagelaten- Het is wel waar, 
dat zommige 1 ' halmudiften van andere Schry- 
vers droomen , maar de al te groote vrymoe- 
digheid van giften fteekt in dieSchryvers alle- 
zins te veel door ; zo lang als ook noch nie- 
mant bewezen heeft , dat de vyf Boeken van 
Mofes van geen Goddelyk gezag zyn , en zo 
lang als de oudheid aller volkeren en aller 
Schryvers voor de oudheid van Mofes tyd -re- 
kening zwichten moeten , heb ik groot enon- 
wraakbaar recht om vaft te ftellen, dn Mofes 
de oudfteNaruur-befchryveris, die wy overig 
hebben. 

O Schoon 



zio Natuur- en Konfi-Kahinet , 

2. 

Schoongenomen iemant bewees al eens , dat 
zommige Boeken onder de JEgyptifche , He- 
breeuwjihe, Chaldeeuwfche, Syrifche of oude A- 
rabifche gevonden waren , dewelke voor Mofes 
tyden , of doen Jacob met zyne kinderen in 
Mgyytcn kwam, of zelfs eerder gcfchreven 
waren , dat zoude myn gedachten weinig kon- 
nen hinderen; want dewyl Mofes de Schep- 
ping van de groote Natuur zelfs befchryft, is 
deszelfs Natuur-befchryving of Natuurlyke 
Hiftorie in zo ver de oudfte van alle, dewel- 
ke aan ons bekent zyn. 

3- 
Meeft alle de Geleerde, dewelke aanteke- 

v ningenen uitleggingen gemaakt hebben over 't 
Boek Jobs, koomen daar in over een, dat het 
Boek 'Jobs ouder is en eerder gefchreven, als 
de vyf Boeken van Mofes , en dewyl in dit 
Boek ook eenige natuurlyke zaaken gemeldt 
worden , zoude vervolgens deze Natuurlyke 
Hiftorie van Job ouder moeten zyn , als die 
van Mofes , maar dit krenkt ook geenzins het 
gevoelen , dat Mofes de oudfte Natuurlyke 
Hiftorie heeft gefchreven , want Mofes is by 
Jooden , by Chriftenen door aanhalingen in 
't Nieuwe Teftament , en by Turken voor een 
GoddelykSchryver aangenomen en altyd ge- 
houden : en hier uit volgt , dat de Hiftorie 
van Mofes de oudfte is , om dat hy van de 
Schepping af begint. Al hadde de Geeft Gods 
van dit jaar 1719 (daar wy nu in leven) 
voor ons door een menfch laten fchryven en 
bekentmaaken, watinde Sehepping der groo- 
te 



■ Maart en April 1 7 1 p. 21* 

te Natuur in den Hof van Eden, voor en in- 
de Zondvloedt , inde Arke, en kort daar na 
enz. onder de Natuurlyke zaaken was voor- 
gevaIlen,zoude zodanig een onfeilbare Befchry- 
ving ( wat de zaak belangt) voor dealderoudfte 
en eerlte Natuurlyke Hiltorie moéten gehou- 
den worden, en zodanig ook zyn en blyyen , 
dewyl de leeftyd noch de perzoon van Mofes 
ons niet raakt, in 't imk van de oudheid zyner 
Natuurlyke Hiftorie. 

4- 
Dat het Boek Jobs zeer oud is, zalniemant 

ontkennen, dewyl Job gectteert word in het 
/ipocryphe Boek van Tobias , en door Eze- 
chiel , en dewyl van zeer veel Heilige Schry- 
vers plaatzen worden aangehaalt, dewelke 
met zommige plaatzen van Job gelykluiden- 
de zyn, ja zelfs van Mofes. Maar degroot- 
fte kragt word aan 't gevoelen van de oud- 
heid van 't Boek Jobs bygezet, dat in 't ge- 
heele Boek Jobs nergens eenige melding word 
gemaakt van de wetten van Mofes , noch van 
de verrichtingen der kinderen Ifraëls. 

f- 

Zommige zyn van gedachten , dat Job zyn 

Boek in de Syrifche Taal gefchreven heeft , 
en dat Mofes het zelve in de Hebreeuwfche 
heeft vertaalt, en met eenige byvoegzels ver- 
meerdert j ditwasouwelingshet gevoelen van 
Or'tgenes. De Geleerde BiiTchop (a) Petrus 
Daniël Haet zegt, dat Gregorius Nazianzenus 
Salomcrn de Schryver van 't. Boek Jobs oor- 
deelde te zyn, en dat Martinus Lutherus dit 
O 2 ge- 

(a) Demonflrath EvATigelUa Propojïr. IV. 



2 1 % Natuur- en Konft-Kahiftet , 

gevoelen omhel ft heeft ; dat wederom an- 
dere het Boek Jobs aan de eene of andere 
van de Propheten toeeigenen'; dat Frede- 
rtcus Spanheim oordeelt, dat Job (of zyne 
Vrienden ) 'dit werk als dagelykze aanteke- 
ningen heeft nagelaten in de oude Arabifcheoï 
Syrifche Taal , en dat uit deze aantekeningen 
ten tyde van Salomon, door een Hebreër of 
Jood van die tyd daar de Hiftorie van Job 
(zo als wy dezelve nu hebben) is gemaakt en 
te zamen geftelt. 

6. 
Maar dat Mofes de oudfte Heilige Natuur- 
befchryver , dewelke wy hebben , zoude zyn , 
word kragtig beveiligt door den zeer Geleer- 
den Hue tiur, want na dat hy alle gevoelens 
naauvrkcvinggeexiimixeert heeft , ftelt hy vaft, 
dat 't Boek Jobs door Mofes zelfsanzyn jong- 
heid is gefchreven , terwyl hy by zyn Schoon- 
vader Jethro was , om de Ifraëliten of het 
volk van zyne Natie te trooften in haar on- 
derdrukking, door de dwingelandy van Pha- 
rao veroorzaakt. Hier toe brengt Huetius 
veel bewyzen uit overeenkomft van ftylby, en 
dat de ftaat en elende der kinderen Ijraêlswel 
met de Hiftorie van Job overeenkwam , dat 
Pbarao de Zatan was , en meer waarfchyn- 
lyke giflingen , dewelke de Lezer daar kan 
nazoeken. Dit ( zegt hy ) is ook het gevoe- 
len der Thalmudiften in BabaBathra, en van 
Rabbi David Kimebi , van Origenes , van 
Methodius by Photius , Polychronius enz. 
en ook een menigte van nieuwe Schryvers ; 
ja zommige hebben het Boek Jobs aan de 

vyf 



Maart en April 1719. 213 

vyf Boeken Mofis als een zesde Boek ge- 
voegt, en in dit geval, Lezer, zoude Mofes 
dandeoudtte Heilige Hiftorifchry ver der Na- 
tuurlykeSchepzels zyn, die wy hebben ; maar 
die gevoelen kan niet doorgaan , dewyl Job 
veel ouder is, en omtrent met Caath gelyk. 
in ouderdom, die de Grootvader van Mofes 
en een Zoon van Ltviwas. Job fchynt gebo- 
ren uit Zara Nicht van Ezau , op dien tyd , 
toen Jofeph van de vrouw van Poüphar tot 
overfpel wierd aangezocht. Maar dewyl het 
Boek Jobs zo zeer niet voor een Natuurlyke 
Hiftorie kan geacht worden , als de vyf Boe- 
ken Mofis , zullen wy ons aan dat Boek in dit 
geval zo veel niet kreunen. 

% 
Dat de Boeken van Mofes deoudfte Boeken 

zyn van de gene , dewelke wy over hebben 
behouden , blykt noch kragtig , dewyl de 
Boeken van Mofes (fat zeer aanmerkelyk is) 
de Bron en Fontein zyn, daar de Schryvers 
van alle de oude Volkeren uit gedronken 
hebben , daar by na alle de Natten van de 
geheelen aardbodem haare Afgoden, halve Go- 
den , Helden en eerfte uitvinders van nieuwe 
zaaken uit hebben verziert. Alle Natten heb- 
ben haare Godsdienften en Oudheden maar 
bezwalkt met een mi ft van verzieringen, ver- 
tellingen , fabelen en vermommingen, uit 
deze eerfte Boeken van Mofes getrokken. De 
Pboeniciers , de Mgyptenaars , de Perfianen, 
de Grieken , de Indianen , de Tbraciers , de 
oude Romeinen , de oude Duitfchers , Gal- 
O 3 /«, 



1 1 4 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

lest , Brilanners , Spanja.irdetf , en zelfs de 
Americanen hebben onder alderhande perzof 
nagien , gedaantens en vermommingen , Mofes 
goddelyke eer aangedaan, gelyk onweder- 
fprekelyk getoont word van de (a) BilTchop 
Huet. 

8. 

Wie zal ons ook weigeren, dat in de Boe- 
ken van Mujes een Natuurlyke Hidorie ge- 
vonden word , of een Hiik>rie der groote 
Natuur, daar de eerde beginzelen van alle 
gefchape zaak en in de Boeken van Mofes ge- 
vonden worden ? Wy vinden in Mofes niet 
alleen de befchryving van de fchepping der 
geheele groote Natuur en dezes Aardbodems, 
maar ook Godskunde en den Gcdsdiend, 
door dewelke de Schepper van zyn Vblk wil- 
de gedientzyn. Wy vinden in dezelve naauw- 
keurige Gefiacht-regiders en. Hidorien van 
de alderheerlykde der Natuurlyke Schepzelen, 
namentlyk de Menfchen , en van de gedach- 
ten en onderfcheid der dieren; wy vinden in 
dezelve Land-befchryvingen van zeer veele 
en verfcheide Landen , mitsgaders een uit- 
muntende Regeerkunde, naauwkeunge be- 
fchryving der Leger-tuchten en orders, de 
wetenfehap der Wetten en van het recht 
en billyk , Weeg- en Mcet-konft , Bouwkun-" 
de , Smids-konden , Smeltkonft , Schoen- 
makers-en Leerbereiders konden, Verf kond, 
Borduurkond,en meer andere Konden en Am- 
bachten ; lees (gelyk hier van boven dien een 
groote menigte andere Schry vers konnen gele- 

i zen 

(a) Demófiftrat. Evangthc* propt/ït, IV. 



Maart en Jpril iy\g. 2. ij" 

ten worden)de meergemelde Bi(ichop(a)Hurt; 
en 't zal klaarder opkoomen, wanneer wy na 
dezen en in andere twee-maandelyke Kabinet- 
ten handelen van de Natuurlyke Hillorien , 
Wetenfchappen , Koutten en Ambachten der 
oude Hcbreérs. 

9- 

Mofes wierd geboren in hetjaarnadeSchep- 

pinge der wereld 2373, en voor de Geboor- 
te Lhrifti lóu , wanneer (na hetfehryven van 
D?metrius by (b) Eufcbius ) Amram de Vader 
van Mofes 78 jaaren oud was. Dezen Am- 
ram wierd geboren in het jaar na de Schep- 
pinge der wereld 2295". en voor de Geboorte 
(Jhrilti 1689. Eufebius getuigt, dat omtrent 
dien tyd geleeft zoude hebben ( na 't fchry ven 
van veele zyner voorzaaten ) Prometheus, 
dewelke de wilde menfehentotburgerlykheid 
hadde overgebragt. 

10. 
In dezelve tyd , dat Mofes geboren wierd , 
regeerde de zestiende Koning van Ajfyrïen 
Sparth&us , den tyd van tweeenveertig jaaren, 
na de aantekening van Eafebïus , en over 
(f) Sycionien de veertiende Koning , met 
Ü 4 naame 

(/») DemonJlrat.Evangelica. 

(b) IX Pr<eparat. Evangelie. 

[e) Sycienia was een klein Landfchap , dat noch 
hedendaags als ingelyft legt in 't Hertogdom CU- 
rentte onder de Turk , en heeft nu zeer weinig in- 
woonders, het legt in 'r Koningryk Morea, dat een 
Byna-Eiland is in .Griekenland, en word hedendaags 
Bajilic& genaamt, maar is meeft vervallen ; het was 

ouwelings 



2. 1 6 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

naame Marathus , den tyd van twintig jaar, 
volgens den zelven Eufebius ; en in de le- 
venstyd van Mofes hebben noch geleeft devyf- 
tiende Koning van Sicyon , Echyreus , en heeft 
geregeert vyfenvyftig jaar volgens Eufebius , 
en de zeftiende Koning over Sicyon , Corax , 
dewelke volgens Eufebius geregeert heeft der- 
tig jaaren, gelyk ook de zeventiende Koning 
van Sicyon, dewelke volgens Eufebius vyfen- 
dertig jaar regeerde, en Epopeus genaamt was. 
Noch regeerde na Sparthxus onder het leven 
van Mofes over die van Affyrien de zeven- 
tiende Koning, Afcatades, den tyd van acht- 
endertig jaar, volgens de aantekening van 
Eufebius. Onder het leven van Mofes heeft 
ook geregeert P horbas , de zesde Koningvan 
de ia)Argiven, en deze regeerde vyfendertig 
jaar, na het getuigenis van Eufebius; alsook 
de zevende Koning der Argtven , Triopas ge- 
naamt, dewelke na 't zeggen van Eufebius 
zesenveertig jaaren geregeert heeft, mitsga- 
ders de achifte Koning der Argiven , Croto- 
pus genaamt , dewelke volgens den ineerge- 
melden Eufebius eenentwintig jaaren gere- 
geert heeft ; ook heeft noch by het leven van 

Mofes 

ouwelings zeer vermaart wegens de overvloed der 
Olyven ; de Inwoondersvan dit Land wierden byde 
Ouden doorgeltreken over haar ongemeene weelde, of 
laffe overdadigheid en gemakkelykhied. 't Is ook zeer 
geroemt om de liefhebbery der fchilderkonft , en isook 
de voornaamfte werkwinkel geween: en Ichool van de 
mairaersen albafren , van de metalen en minerale», 
en zeer vruchtbaar in laurierboomen enz. 

(a) De tsirgnen is een volkplanting in Griekenland 
geweeft. 



Maart en Apil ijip. zij 
Mofes geregeert Amyntes de achtiende Koning 
van Affyrïen , en regeerde vyfenveertig jaar. 
Ünder de leeftyd van Mofes bezat ook V hor- 
bas het Eiland Rhodtis , en 'Job is geftorven 
terwyl Mojes gekeft heeft, vyfenveertig jaar 
voor dat de Kinderen Ifraèls uit JEgypten 
vluchteden, inzyn hondert negenentachtigste 
jaar, doen Mofes vyfender tig jaar oud was. 

ii. 

In het leven van Mofes, en in het jaar na 
de Schepping der wereld 2426 , en voor de 
Geboorte omes Zaligmakers ijjS, heeft het 
Koningryk van die van Athenen een beginzel 
genomen , en de eerfte, dewelke daar gere- 
geert heeft, was Cicrops, en de tweede was 
Cranaus, die negen jaar, en de derde was 
Amphïttyon , die tien jaar regeerde, volgens 
Eufebïus. tiy het leven van Mofes ftierf ook 
(a) Amram , de vader van Mofes , in zyn 
hondert en zevenendertigfte jaar. 

12. 

Onder het leven van Mofes in het jaar na 

de Schepping der wereld 2438, en voor de 

Geboorte Chrifti iy 4 6, oorlogden de (b) 

O S Chal- 

(a) Ziet Exodus VI: 20. 
var^L?/ C . haïdtir ' W3S een v o!k in 't Koningryk 

mamr was, en in 't gemeen Yeracken Caldar , en by 
de Turken Cur distan word genaamt, na her 
getuigenis van Jobannes leunclavius; 't is her ee . 
deelre van Babilomen , dat ra 't zuiden (bekt, ra- 
kende aan het woeft Arabie en aan de Perfiaanjcbe 
Oolf, het was voor dezen onder het gebied der 

Per. 



218 Natuur- en Konfi- Kabinet , 

Chaldeers U'gens die van Phoeniöen («J volgens' 
het getuigeniffe van Eufebius. 

Ik geloof niet, dat het aan myn weet-gie- 
rigen Lezer mishagen 2al , dat ik mededeel 
alles , dat merkwaardig onder het leven van de 
Man Gods Mofes , by andere Natiën is voor- 
gevallen, en van de aaloude Schryvers uit de 
diepfte duiflemis is opgebaggert , dewyl deze 
2aaken veel licht zullen geven aan de Natuur- 
lyke Hiftorie des Bybels , en aan de Natuur- 
lyke Hiftorikunde der andere Natiën, de- 

wel- 

T er (lanen, maar is Du onder de Turken, te weten 
geheel Babilonien. In dit land worden de Rivieren de 
Tiger en de Enphraat te zamen gevoegr, en des- 
zelfs voornaamile Steden 7,yn Bagdad, Bal/era, Cu- 
fd , en Waferum. Vide Ferrarii Lexic. Geogr. litt. Ch. 
(a) Pbcenicie is een Landfchap van Syrië aan de 
zeekant, tuflehen het overige van Sjm na de noord» 
kant, en PaUJlina na dn zuidkant. In PbanicievtZ' 
ren wel eer de wydvermaarde fteden Tripolis , By' 
blus, Tyrus en Si don , en tegenwoordig noch Tripo- 
lis en Birytus. De Pbcenicitrs was een volk , dat van 
de kant van de Roode zee hier wel eer was aange- 
komen , en in verfcheide Pro* inrkn gedicht hadden de 
fteden Tyrus , Stdon , Th eb es, Ut ie*. , Hippo, Lep- 
tts , Majjilia en rele andere. Plinius , Lucanus en 
andere getuigen . dat deze V bankiers eerft de letteren 
en de konlt des fcheep /aarts zouden gevonden 
hebben. Pbanicic was ouwelings twederley. i. Her 
eigentlyk Pbcenicie , daar de fteden Tripolis , Botrys , 
Byblus ,Berytus en Sidon in waren. En 2. Pbcenicie 
van Damajcus , in het welke de fteden Damafcus, 
Heiiopolis , ^Abyla Lyjama , en Cafarea Pcineas 
gevonden wierden. Vide Lexicon Ceograpb. B zui- 
drand ex SuidcL , Stej>bano de Vrbibus , Strabone , 
Flinio &c. 



Maart en April 171 9. 219 

welke ik van tyd tot tyd ( elk by zyn eigen 
patie gefchikt) mene af te handelen. 

14- 
By het leven van Mofes heeft Deucalion op 

den Berg Pamajfus begonnen te regeren, 
in hetjaar nade Schepping der wereld 2442 , 
en voor de Geboorte Chrilti 1542.- volgens 
het getuigeniffe van Eufebius , en na de uit- 
rekening van den grooten Jezuit Petavius , in 
zyn Boek over de Geleertheid der Tyden. 
En de vermaarde Zondvloed, dewelke de 
Zondvloed van Deucalion by de Fabeleufe 
Oudheid genaamt word, moert ( na de aan- 
tekeningen van Clemens den Alexandriner) 
voorgevallen zyn in het jaar na de Schepping 
der wereld 2470 , en voor de Geboorte van 
Chriüus 15-14. en voor de brand van Troyen 
330.jaaren. 

Op dat gy de Oudheid van Mofes tydreke- 
ning, zeer waarde Lezer, zoud ontdekken, 
en hoe zeer de Fabelachtige Griekjes en an- 
dere iV^/'<?» haare Outheden ontleent hebben 
uit de fchatten der He&reeuwfcbe Wysheid en 
Schriften van Mofes , is het de moeite wel waar- 
dig, dat gy aanmerkt, dat de Oude droom- 
den, dat Deucalion was de zoon van Pro- 
metbeus , aan dewelke (doen hy volwafTen 
was) EpbimetbeuSy dewelke zyn Oom van 
Vaders kant was , zyn eigen Dochter ten 
Houwelyk gaf, met naame Pyrrba. Wan- 
neer nu deze Deucalion , die Koning van 
Tbe(/alie was , regeerde , ontftond ( na zyn 
droomen ) een algemeene watervloed over 

de 



220 Natuur- en Konfl-Kabimt , 

de geheelen Aardbodem , waar door het ge- 
heele menfchelyk geflacht wierd uitgeroeit , 
zodanig nochtans, dat de Koning Deucaïton, 
en zyn wyf deKoninginne Pyrrha, met haar 
beide alleenlyk overbleven , dewyl zy met 
haar fcheepje aan den Berg Parnas aan land 
dreven , dewyl daar het water eerft fcheen 
te vallen. Hier vroegen zy aan 't Orakel 
van Themis om raad , teweten door welke 
middelen het menfchelyk geflacht zoude te 
herftellen zyn, en kregen tot antwoord, dat 
zy de beenderen des grooten Moeders over 't 
hoofd op de grond zouden fmyten. Zy lieden 
hier door de fteenen desaardryksverflaande , 
raapten dezelve van de grond , en fmeten de- 
zelve wederom over 't hoofd , dewelke date- 
lyk in levendige menfchen (zo wel mannen 
als vrouwen ) veranderden. Byaldien nu de 
Lezer deze Hiftorie niet mochte geloven , 
kan hy zelfs dezelve lezen by Ovidius , Vir- 
gilïus , Maxilius, Juvenalis , Lucianus , Plu- 
tarcbus, Theophilus , en een menigte andere 
Schryvers. 

\6. 
By het leven van de Man Gods Mofes t 
wierd "de Stad (a) Corinthe ( dewelke te vo- 
ren 

( a ) De Corinthiers waren ouwelings zo zeer tot 
Koerery genegen , dar zy dar foort van vrouwen ia 
een groote waarde hielden, en dar zy inhaaropen- 
baare gebeden Venus baden ^-dansy doch de hoeren 
wilde vermeerderen en bewaren; de vermaarde ryke 
hoer Lais is een Corinthijche hoer geweeth Die 
SraJ is Tegenwoordig noch zeer groot en bevolkt, 
maar zonder enige Iterkre ; zy is re voren onder de 

Heer- 



'Maart en April ijlff. && 

ren Epbira genaamt wierd) gefticht , te weten in 
'tjaar na de Schepping der wereld r 24Ó3.en voor 
de Geboorte van Chriftus i ƒ21. volgens Eufe- 
b'ms. Deze Stad legt op Morea, en deelt haar 
naam mede aan't Landfchap Corinthie^ word 
( na het getuigenifle van Leunclavius ) van de 
Turken Gereme genaamt, en was voor de- 
zen een zeer vermaarde Republyk. De zee- 
boezemvan Corinthc word hedendaags Golfo 
di Lepanto genaamt. 

17- 
Petavius ( dewelke de Tyd-rekenkunde ten 

uiterfte verbetert heeft) tekent aan, dat de zond- 
vloed is voorgevallen in 't jaar na de Schep- 
ping der wereld lóff, en voor de geboorte 
van Chriftus 2329. en geeindigt met het jaar 
na de Schepping der wereld lóyó, en voor 
de Geboorte van Chriftus 2328. En dewyl 
Mofes geftorven is in het jaar na de Schepping 
der wereld 2493 , en voor de Geboorte on- 
zes Zaligmakers 1491 , zyn tuflchen de zond- 
vloed én de fterfdag van de man Gods Mofes 
verlopen acht hondert en zevenendertig jaa- 
ren. En dewyl de Kinderen Ifraëls in JEgypten- 
landgdeeft hebben (van zedert dat de Stammen 
met 'Jacoh daar in kwamen , totdat zy onder 
Mofes daar wederom uitgeleidt zyn ) een tyd 
van twee hondert en zeventien jaaren, is het 
wel bedenkelyk , dat de Ifraëliten, en ver- 

vol- 

Heerfchappy der Venetianen geweeft , maar nu on- 
der de Turken , want de Turkfche Keizer Mahomet 
de tweede heeft in 't jaar na Chriftus geboorte 1458 
dezelve de Venetianen ontweldigt. Vidt, Ltxicon 
Geograph. Fgrrarii Litt.Co. 



iiz Natuur- en Konft-Kdbinet , 

volgens ook zelfs Mofes de Wetenfchappeh , 
Konden, Handwerken en kenniffe der Na- 
tuurlyke Zaaken van de JEgyptenaaren heb- 
ben konncn leeren, behalven de zaaken, de- 
welke haare Voorvaderen aan haar hadden 
nagelaten. Op dat een onkundige Lezer hier 
niet belemmert mag worden met de tydreke- 
ning , zal ik noch iets zeggen, want Exo- 
dus Kap. xit. vers 40. en 41. Aclor.vu f,6. 
en Galaten m.f. 17. ftaat wel uitdrukkelyk, 
dat de Kinderen Ifraêls 430 jaaren onder de 
Haver ny der JEgyptenaaren geleeft hebben, 
maar deze tyd moet gerekent worden , 't 
zedert Godt de belofte aan Abraham dede. 
Ziet Genefis xv. f. 13, 14. na welke tyd 
Abraham en zyn zaad zoude vremd zyn , en 
onderdrukt worden 400 jaaren, waarby ge- 
voegt de 30 jaar van de tyd af, dat Abraham 
uit L/r der Cha/deen ging, doen hy de eerile 
belofte ontfing , zyn dus de 430 jaaren 
vervult; en daarom moeiten de 430 jaaren 
niet eigentlyk noch alleen van l&Aëls wo- 
ning in JEgypten , maar ook van hmrer Voor- 
vaderen woning in Canaan en Mejopotamie 
verltaan worden, gelyk dit van verfcheide 
geleerde Lieden getoont is. 
18. 
Wanneer wy aandachtig letten op de tyd 
van een grootezeshondert jaaren, dewelke ver- 
lopen zyn tullchen de Zondvloed en voor 
óatjacobin JEgyptenkwam , konnenwyzcer 
wel begrypen , dat de JEgyptenaaren tyd ge- 
noeg gehad hebben , om een welgeftelt en be- 
volkt Koningryk uit te maaken , en om zo 

veel 



'Maart en April , 1719. Z2^ 

Veel Wetenfchappen , Konden, Handwerken 
en Natuurlyke Hiftorikunde te verkrygen, 
als ik na dezen toonen zal, dat bydie Natie 
en haar gebuur-volkeren in die tyden bekent 
zyn gevreeft. Als wy eens in aanmerking nee- 
men , hoe kragtig wy fin veel Konften , Weten- 
fchappen en Handwerken in deze laatfte twee 
hondert jaaren gevordert zyn, zouden wy 
dan niet zeer lichtelyk konnen begrypen, dat 
de menfehen over de geheelen aardbodem , van 
de Zondvloed af tot de fterfdag van Mofes\ 
in een tyd van een gebeele acht hondert en 
zevenendertig jaaren , onuitfprekelyk veel 
in die zaaken konnen gevordert zyn ge- 
weeft? 

19. 

Maar 't geen de kennifle der Natuurlyke 
Hiüorien , Wetenfchappen , Konften en Hand- 
werken der Aaloude Hebreen noch meerder 
glans byzet, is, als wy begrypen, met welk 
een fchat en rykdom van Wetenfchappen , 
Konften en Natuurkunde, Noaeh (die zo 
veel honderde van jaaren voor de Zondvloedc 
geleeft hadde) en deszelfs zoonen en huisge- 
zin verrykt moet gweeft zyn , doen hy na 
de Zondvloedt uit de Arke wederom op 
dezen Aardbodem kwam. Waarom zouden 
zyue Nazaten, die met een ryke voortteeling 
van kinderen gezegent wierden, niet hebben 
konnen vermenigvuldigen , en dat in een tyd 
van achthondert en zevenendertig jaaren { En 
waarom zouden die Nalaten van Noach , 
dewelke onder het beftier en de leiding Gods 

wa- 



5?" «4 Natuur- en Konfi-Kahinet , 

waren , niet hebben overgehouden , en by 
overlevering van haare Voorvaderen bewaart 
de kenniiTe der zaaken en verfcheidekonften? 
Waarom , vraag ik noch eens , zouden zom- 
mige van de Goede ( hier en daar onder de 
kwaade verfpreidt ) dekennifle der natuurlyke 
zaaken , de Wetenfchappen en Konften van Va- 
der Noach niet hebben konnen voortplanten ? 
Dat wy dagelyks , wanneer eenige Verftandige, 
eenige Geleerde , of eenige Konftenaars in een 
boerfch en onbedreven land koomen , zien 
gebeuren, zoude dat alleen niet waar moe- 
ten zyn , noch hebben konnen gebeuren aan 
de oude Hebreen i 

20. 

Alle de Hiftorien der Aaloude Volkeren, 
en alle die voor Uitvinders van Wetenfchap- 
pen , Konften , Handwerken , en kenniiTe 
der Natuurlyke fchepzels by dezelve geacht 
zyn, worden zodanig opgedift, dat wydoor 
de minfte van alle haare fabelen, daar zy de- 
zelve mede trachten te bedekken of te ver- 
heerlyken, zeer lichtelyk heen konnen zien, 
dat zy dezelve ontleent hebben van de geleert- 
heid van Noacb en zyne kinderen, of dat 
zymet haarevermomde Perzonagien, Goden, 
halve Goden, Helden en uitvinders van zaa- 
ken, niemant hebben befchreven ( dog onder 
andere naamen ) als zodanige Hebreeuwfcbe 
Perzonen , als reets by de Jooden al lang 
voor haare Schry vers befchreven waren, ge- 
lyk ik middagklaar, als ik van haare natuur- 
lyke Hiftorien, Wetenfchappen, Konften en 
Handwerken handele, zal toonen. Haarlie- 

der 



Maart en April 1719. 11 f 

der Hermes Trismegiftus , of T'haut of Mercu- 
rïus , haar Iris , Ojiris , haar Zoroajler , en 
een ontelbaare menigte andere zullen uit haa- 
re fchuilhoeken voor den dag gehaalt worden, 
en door 't Hebreeuwfche licht der geleert- 
heid voor uwe oogen verzwindelen , en in 
ydele naamen veranderen; hoewel ik echter 
niet zal trachten (als een uitmuntend geleert 
Man van de voorleede eeuw ) byna alle uit- 
vindingen der Oude aan een menfch (hoe 
zeer ook onderwezen van Godt ) te weten 
aan Mofes toe te eigenen. 

Van het Leven van de eerfie Natuurly- 
ke Hifiorifchryver , de Man Gods 
Mofes. 

t. 

TK oordeele, dat het zeer nodig is, en Veel 
-*-nut aan myn Lezer zal toebrengen, dat ik 
een korte en klaare befchryving geve van het le- 
ven van de alderuitmuntenfte, alderwaarachtig- 
fte, aldereerfte van alle die ons overig zyn, 
en van de alderheiligfte Natuurlyke Hifiori- 
fchryver en Man Gods Mofes ; want , behal- 
ven dat myn toeleg is , om door het befchry- 
ven van alle deze zaaken te bewyzen, dat de 
Boeken van Mofes waarachtig en goddelyk 
zyn, en dat dezelve de Fonteinen zyn, daar 
naderhand alle wysheid en geleertheid , we- 
tenschappen , oudheden en hiftorien van an- 
dere Natten en Volkeren , door haare Schry- 
vers zyn uitgehaalt en ontleent , zal ik noch 
daar en boven ( na dezen ) aantoonen de fchat 
P en 



zi6 Natuur- en Konft-Kabinet , 

en rykdom der Natuurlyke Hiftorien, We- 
tenfchappen , Konlten en Handwerken der 
Aalouden, dewelke in deze Boeken (als in 
een onbederfelykeengoddelykefchatkiQ) voor 
de nakomelingen ingezult zyn. 

2. 

• 

De Aartsvader Jacobbxzgt'm JEgypten , zo 
v*et zyne Zoonen alsderzelver Huisgezin (a) 
*( behalven Jofeph ) vyfenzeventig zielen , van 
dewelke alle ;de Kinderen Ifraèls , die na- 
derhand in zulken groote menigte uit v£gyp- 
tenland onder het geleide van Mof es vertrok- 
ken , voortgekomen waren in de tyd van 
217 jaaren. (b)Doe nu Jofeph ge ftorven was ^ 
ende alle zyne Broeders ^ ende al dat geflachte^ 
Zo werden de Kinderen Ifrc'èls vruchtbaar , 
ende wiefen overvloediglyk, en zy vermeerder- 
denkende werden ganfcb zeermagtig , zo dat het 
Land met haar vervult werd. Daarnajlondeen 
nieuwe (c) Koning op over JEgypten , die Jofeph 
niet gekent hadde enz. Deze Koning (gelyk 
in de volgende verfen van dat Kapittel van Exo- 
dus enz. blykt ) verdrukte de Kinderen If- 
raèls door fchattingen en kwellingen ' en ge- 
bood , dat alle het mannelyke , dat van de 

Vrou- 

t(n) Ziet Handelingen, Kap. vir.y*'. 7. 
(b) Exodus\. $'.6. tot 16. 
\c) Deze Koning was nieuw ten opzicht van zyn 1 
wyze van tegeren , en (chynt eea van de vyt schrer- 
een volgende Tyrannen re zyn , deweiUe over .F. -) p- 
ten geregecrc hebben , als 1. Menophus. 2. Qrus ot' 
Btirjirid. 3. C<ecrops. 4. Thertnutis. •). Rathoris. 
Wan: de naam van Pharno was gemeen aan allel 
Koningen van Mgyptm* Dieterici >Anti<{uit.Biblic. 



Maart en April 1719. zzj 

Vrouwen gebaart wierd, in de Rivier moefte 
verdronken worden. 

3- 

Dit gebod was de oorzaak, dat Mo/es , 

die uit de Stamme Levi geboren was , door 
zyn Moeder in de Rivier tutichen de biefen 
wierd gefield in een toegepekt en gelymt kift- 
je van biefen , na dat hy drie maanden oud 
en zeer fchoon was , daar hy by geval door 
de Dochter van Pharao ontdekt wierd , en 
by zyn eigen Moeder ( dewelke by Pharao' s 
Dochter voor de Moeder niet bekent was) ter 
opvoeding bedelt. 

4- 
Zo haaft als onze Heilige Hiftorifchry- 

ver der Natuur een jongeling was gewor- 
den , wierd hy aan de Dochter Pharao' s we- 
derom opgedragen , dewelke hem voor haar 
Zoon aannam ; (a) Ende zy noemde zynen naam 
Mofe, ende zeide , want ik hebbe hem uit het 
water getogen. 

_ f- 

Te voren is verhaalt, dat Amram de Vader 

van M o s e s was , maar Mojes hadde een 
Zufter, dewelke ouder was als Hy. Deze was 
Mirjam of M aria genaamt , en wierd ge- 
boren in 't jaar na de Schepping der wereld 
2367. en voor de Geboorte van Chriftus 1617. 
na de ftelling der Hebre er s in de Chronyken. 
Behalven deze Zufter hadde Mofes ook een 
ouder Broeder, dewelke Aar on genaamt 
was : deze Aaronjs geboren in het jaar na de 
Schepping der wereld 2370, en voorde Ge- 
P a boor- 

i.a) Exodus u.tf. 10 



z 2.8 Natuur- en Konft-Kabinet , 

boorte van Chriftus 161 4. zo dat Aaron drie 
jaar oude- vas als Mofes,ge\yk gefchreven (iaat. 
(a) Ena,. Mo fes was tachtig jaaren oud, en 
Aaron drie en tachtig jaaren oud, doe zy tot 
Pharao fpraken. 

6. 
Na dat Mof es onder de JLgyptenaars ge- 
woont hadde, en als een Zoon van de Doch- 
ter Pharao' 's aan 't Hof verkeert hadde, en 
veertig jaaren oud was geworden , gelyk 
blykt uit de (b) Handelingen der Apoftelen uit 
de volgende woorden: En de Mo fes wierd on- 
derwezen in alle wysheid der JEgyptenaaren , 
ende was magtig in woorden ende in werken. 
Als hem ntt de tyd van veertig jaaren vervult 
was , kwam hem in zyn herte , zyne Broeders 
de Kinderen Ifraéls te bezoeken. 

7- 

Doen Mo fes zich op de reis begeven hadde, 
en (het Hof verlaten hebbende) delaftenon- 
drukking zyner Broederen de Kinderen Ifraéls 
met ongenoegen befchouwde , ontdekte hyby 
geval , dat een zeker Mgyptenaar een Jfraê- 
lyt of Hebreeuwfch Manfloeg. De edelmoe- 
digheid het medelydenontfteken hebbende, en 
het medelyden de toorn gaande maakende, 
floeg Mofes ( om zyn Broeder te wreeken ) 
den JEgyptenaar , dat hy ftterf, en begroef 
hem of (topte hem weg in het zand. 
8. 

Het geval, of liever de Beftiering Gods 
wilde, dat Mofes des anderen daags juift twee 

He- 

(a) Exodus VII. f, 7. 

(l>) HandtU YH. #S 32. en 23 , enz. 



Maart en d$ril 1719. ZI9 

Hebreeuwfche Mannen zag twiften : datelyk 
deed zich wederom een uitwerking van de 
rechtvaardigheid en edelmoedigheid op in de 
Geeft van Mofes. (a) Ende hy zeide tot den 
ongerechtigen , waarom flaatgy uwen naaften ? 
Maar deze van het ongeluk van Mofes met 
de JEgyptenaar kennis hebbende , verweet de 
manflag, dewelke daags te vooren gebeurt 
was, aan Mofes, die deze zaak ter herten 
nam, en wetende, hoekwalykditaan't Hof 
en by Pharao luiden zoude, de vlucht nam, 
na het Landfchap Midian, of Madian by de 
Madianiten. 



De Geleerde Samuel Bochartus (b) toont , 
dat Mid'ian in het ü.enig Arabie wiegt, dat het 
Land van Chus en Madia een en het zelfde 
was, dat deze Volkeren met verfcheide naa- 
men, die een en het zelfde betekenden, wier- 
den genoemt, als de Chufiten , Madianiten , 
Ifmaïliten , Sceniten , en in latere tyden de 
Saracenen. Dit Landfchap Chus ( daar Madi- 
an in is) daar Mofes de vlucht na toe nam, 
legt aan de Arabifche zyde na de boven 
kant van 't rode Meer , aan 't gelukkig Arabien; 
dit Volk is van een bruine koleur, en word 
•van veel hedendaagze Schryvers de Saracenen 
of Mooren genaamt , en ftrekt zich uit tot Me- 
dina en Mecha. Zy zyn atkomftig van Cus, 
daar Mofes van fpreekt : (c) Ende Chams zoo- 
P 3 nen 

(a) Ziet Exodus Kap. II. ^.13. 

(b) Vid. Phaleg. Lib. 4. Cap.x. 

(c) GeneJisKzp. X. 'f'. 6. 



2 2o Natuur- en Konft-Kabimt , 

nen zy» ; Cm ende Mtfraim , ende Put , en* 
de Canaan. 

m IO - 

Dat de Stacf^ a D i a n » daar Mo/es na 
toe gevlucht was, in Arabien aan de oever 
van de rode Zee gelegen was, blykt uit {a) 
Jofephus , uit (/>) Hieronymus , uit (c) Fto- 
iomaus , uit Bjcbartus op de plaats van my 
aangehaalt, en ( als het nodig hadde) uit veel 
bewyzen. Dit Volk woonde meelt onder 
tenten , en waren halve roofvogels. Het is 
uit de oudfte Schryvers wel klaar te bemer- 
ken , dat deze Chufiten , Madianiten en If- 
maeliten enigzins vericheide Volkeren wa- 
ren , om vericheide betrekkingen , maar zy 
woonden als vermengt onder malkander, en 
zyn eindelyk in eene Natie tezamen gefmol- 
ten , dewelke lang daar na de Saracencn ge- 
naamt wierden. Dit Landlchap van Arabie 
wnid hedendaags Hegias genaamt , en fcheidt 
het fteenachtig Arabie van het gelukkig Ara- 
bic , en hoort (eigentlyk genomen) aan geen 
van beiden ; dit Hegias word verdeelt in 't 
'Hegias van Medina , en in 't Hegias van 
'Mecba : dit Volk was by oude tyden zeer tal- 
'ryk en machtig , maar zeer veracht. De 
naam van Chus , dat ouwelings het geheele 
l^andfchap betekende, is nu by de Arabieren 
gehtel onbekent, maar zy hebben de naam 
Van Chus verandert , en noemen 't hedendaags 
Chafchafa. 

De 

[a) Jofepbi jfmiqq.Lib.z. Cap.<;. 

(b ) Hwronymus de Loc. hebr. 
\c) PteloTfkeus Lib. 6. Caf. 7. 



Maart en April 171 9. 231 

f 1. 

De naam van dit Volk ( te weten deze Sa- 
racenen of Sarazynen ) was voor dezen die van 
ieScENirEN , dat een en 't zelve Volk is. 
Dewyl dit foort van Arabieren uit eenzamen- 
loop van alle de naad-gelegene Landfchappen 
beftaat, en in haar zelven zeer veel is onder- 
fcieiden, en een groot Land bewoont, heeft 
zuks veel belemmering veroorzaakt aan de 
Geleerde , door de verfcheide naamen , daar zy 
mede geuaamt zy 11 : maar door derzelver over- 
oude algemeene naam van Sceniten , en in 
latere tyd en noch hedendaags van Saracenen 
worden zy alle in een begrip door betekent. 
12. 

Dat de Man Gods Mofes gevlucht was in 
dit gedeelte van Arabie , daar deze Saracenen, 
of ' Chufiten of Madianiten woonden, blykt 
zelfs uit Zippora, de Vrouw, die Mofes daar 
trouwde , te weten de Dochter van de 
Prieïter van Madian , met naame Jethro\ 
want Mirjam deZufter, en Aaron de Broe- 
der van Mofes (a) verweeten aznMofes, dat 
hy een Chufitifche Vrouw getrouwt hadde, 
waar door Mirjam van Godt met (b) me- 
laatsheid geftraft en zeven dagen buiten het 
Leger (c) geplaatft wierd , dog door de voor- 
bidding van Aiofes wederom genezen wierd. 
Ook kwam (d) Jethro de Priefter van Mi* 
dian of Madian ( de Schoonvader van Mofes ) 
P 4 bv 

\a) Ziet Numer. Kap. XII. ~#r. I. 
\h) Ziet Numer.Kap. XII.^.io. 
(c) Numer. Kap. XII. *#r. i^. 
(<0 Exodus Kap.XYill. f .i.caz. 



2. 1, z Natuur- en Konft-Kabinet , 
by Mofes , doen hy by Horeb gelegert was in 
de Woeftyne, en dit was het zelfde Land. 
Ook vinden wy, (a) dat Mofes zyn Vrouws 
Broeder Hobab , die een Zoon van Jethro of 
Reguel was, nodigde om mede op te trek- 
ken na 't Beloofde Land, en als Hobab zulk; 
weigerde , zei de Mofes ,en verlaat ons dog niet: 
want dewyl gy weet , dat wy ons legeren •'# 
de IFoeftyne , zo zult gy ons tot oogen z\n. 
Een blyk , dat Hobab in dat land bekent wis. 
Ook weide Mofes de kudde zyns Schoon- 
vaders aan deze Berg Horeb , doen Godt in 
een Braambofch verfcheen , en aan Mofes 
2elfs zeide, dat hy Godt wederom aan dezen 
Berg dienen zoude, alshyde Kinderen Ifra'iU 
uitgeleidt hadde. 

'3- 

Dit Mtdian of Madian was een Stad of 

Plaats van de zelfde naam. als hetLandfchap 
zelfs, en hier mag wel aangemerkt worden, 
dat wy twederhande plaatzen vinden , de- 
welke Midia. ^Madian genaamt worden, 
gelyk als i. I '^t Land der Moabiten aan 
(b) dees zyde der "Jordane van Jericbo , en ten 
2. Madian aan de rode Zee, of dat gedeelte 
van Arabie na 't ooften , gelyk (c) Bonfre- 
rius en an iere Geleerde Mannen aanwyzen. 
En dit laatfte Madian was de plaats, daar 
Mofes gevlugt was, en twee Zoonen ge wan 
byzyne Huisvrouw Zipporaof Zephora, van 

de- 

(a) Numer. Kap.X. #. 29,30,31, 32. 

lb\ Numer. Kap. XXU. -tfr, 1. en 4. 

\c) Onomajlic. Urbium & Loc. Sac. Scr, Ut M, 



Maart en April 1 7 1 9. 233 

dewelke de oudde Zoon genaamt wierd 
Gersom, en de jongde Eliezer. 

Hïeronymus zegt by den zelven Bonfrerius , 
dat Madian legt in een woedyne van de Sa- 
racenen of Sarazynen , aan 't ooden van de 
rode Zee , van welke de Madianïten en 
het Landfchap Madianie genaamt word; en 
Eufebius zegt, nu word die Stad Madiane ge- 
naamt. Het is naauwlyks te vermoeden , 
hoe zeer verfcheide voortreff'elyke Geleerde 
Lieden dwaalen, in deze twee Landfchap- 
pen niet wel te onderfcheiden , de Hidorie 
van de eene gedurig voor de andere nemen- 
de, en daarenboven dikwils alle beide voor 
een Landfchap alleen. 

14. 
Myn bellek laat niet toe, om naauwkeu- 
riger en omdandiger het Leven van den groot- 
den en aldereerden , en uitmuntenden Na- 
tuurlyke Hidorifchryver en Man Gods Mofes 
mede te deelen, ook zal ik gelegentheid ge- 
noeg krygen in de volgende verhandelingen 
van de Natuurlyke Hidorien, Wetenfchap- 
pen , Konden en Handwerken der aaloude 
Hebreers , om het geheele leven van Mofes 
naauwkeurig en omdandig af te handelen. 
Hier zal ik maar alles in 't kort laten vol- 
gen. 

Als Mofes nu («) veertig jaaren lang in dit 
P ƒ woede 

\a\ Het is aanmerkelyk , dat Mofes op zyn veer- 
tig jaar elke reis een zeergroore verandering onder- 
ging ; in het laatfte ran zyn eerfte veertigfte jaar vluch- 



te 



2 3 <*• Natuur- en Konjl-Kabinet , 

vvoelle land of Woeftyne gewoont hadde, 
of in of omtrent Madiau , ca in zyn tachtigfte 
jaar oud was, weide Mo fes aan de Berg Z/ö- 
reb dicht by de Berg Z'mai (of na 't fchryven 
van zommige 7,'tna zelfs , hoewel dezelve by 
de meefte Schryvers en Kaarten als twee ver- 
fcheide Bergen genomen worden ) zyn 
Schoonvaders kudde , ende de Engel des 
Heeren verfcheen hem in etsfi vlamme des 
viers uit het midden eenes Braambofchs ; 
dit gefchiede in 't jaar na de Scneppingz4J2, 
en voor de Geboortevan Chrlftus 15-32, en 
was de eerfte maal , dat Godt zelfs met Mo- 
fes fprak by den Berg Zwei, welke plaatze 
God heiiig noemde, en Mofes gebood niec 
te naderen als met ongefchocide voeten, 
ló. 
Godt vermaande hier aan Mofes , dat hy 
zoude wederkeeren na zyne Landslieden de 
Kinderen Ifra'èls ,om dezelve te verloflèn,maar 
Mofes, dewelke zyn klein ve: mogen altyd er- 
kende , beriep zich op zyne geringheid , waar op 
Godt met twee tekenen zyn geloof verfterk- 
te, veranderende zynen ftaf in een levendige 
flange, en zyne hand melaatfch makende, 
en dezelve wederom datelyk herltellende. 
Dog Mofes , aan dewelke geboden wierd 

voor 

te hy na de Woeftyne , na dat h^ in Mgyftenland 
'veertig jaar gewoont hadde ; het laatfte van zyn 
tweede veertigfte jaar komt hy wederom in &gyp- 
ten , en doet de wonderen voor Pharao , en verloft 
de Kinderen Ifraêls uit haare verdrukkingen ; en 
op het iaatfte van zyn derde veertigfie jaar fterit 
Mofes , ond zynde hondert twintig jaaren. 



Maart en April 1719. 2, 35* 

voor Pharao te moeten fpreken , maakte 
een uitvlucht op zyn belemmertheid tan 
fpraak, tot dat eindelyk Godt aan hem be- 
loofde, dat Aar on ( zyn Broeder ) door zyne 
welfprekentheid hem te hulpe zoude koo- 
men. 

*7- 
Na dat Mofes met zyn Huisvrouw en beide 

fcoonen zich op reis begeven hadde , wierd hy 
aan den Heiligen Berg door Aaroniya Broe- 
der ontmoet , dewelke volgens bevel Gods 
uit JEgyptenland optrok , en Mofes tegemoet 
reisde ; van waar zy gezamentlyk in JEgyp- 
tenland kwamen, en het volk tot de uittogt 
aanmaanden , en van haar groot vermogen 
overtuigden door wonderen en tekenen. 
18. 
Na dat nu alle de plaagen Gods, en de 
wonderen van Mofes { JEgyptenland overgeko- 
men ) aan Pharao bekent waren , ging Mojes 
met alle de Kinderen Ifraêls, en veele dewel- 
ke het Leger volgden, uit de flaverny der 
uEgyptenaarett , zyffdejuift 217 jaaren , nadat 
'Jacob met de ftammen in JEgyptenland geko- 
men was. De eerfte dag kwam het Leger 
van Rameses totSuccoTH. De twee- 
de dag legerden zy in Etham, daardewolk- 
colom des daags en de vier-colom des nachts 
zich voor haar aangezicht voor de eerftemaal 
opdeeden ; hier van daan reisde het Leger tot 
Piachiroth, haar derde leger-plaats, daar 
zy zich ter nederplaatften aan de Rode Zee. 
Maar dewyl Pharao haar met zyne krygs- 
magt najoeg en achterhaalde, gingen zy door 

de 



a 36 Natuur- en Konfi-Kabinêt , 

de Zee, daar de Koning van JEgypten met zyn 
geheele Krygsmagt in verfmoorde, terwyl het 
Leger der Ifraèüten aan den Over-Oever 
der Zee zich nederfloegin haar vierde leger- 
plaats: van daar kwamen zy tot Mara, 
daar zy haar vyfde verblyf-plaats hielden : van 
daar kwamen zy tot Elim, de zesde leger- 
plaats, daar zy (na groote dorft en ongemak 
doorgeftaan te hebben) twaalf waterfonteinen 
en zeventig palmboomen vonden. Dezevende 
Legerplaats was wederom dicht by de Rode 
Zee, byeen inham van dezelve: en de acht- 
fte legerplaats namen zy in de Woestvne 
Zin, dietuflchen Elim en de Berg Zitiai in 
legt. 

19. 
Doe Mof es de Kinderen Ifraèls in deze 
Woeftyne geleidt hadde, en dat haar fpyze 
ontbrak , genoten zy hier voor de eerfte maal 
het Manna , dat tot haar liedcr fpys als 
eenen dauw uit den Hemel nederviel, en haar 
geheele legerplaats wierd met kwakkelen be- 
dekt. De negende legerplaats was in Doph- 
ca : de tiende in AlüS: de elfde in Ra- 
phidin: hier ontftont een murmurering on- 
der de Kinderen Ifraèls, uit gebrek van wa- 
ter en grooten dorft , maar Mof es floeg met 
zyne ftaf of roede op een Rotsfteen , ende 
daar ontfprong een fontein van goed water. 
Terwyl het leger in Raphidin gelegert was, 
wierden zy aangevallen en beftreden van 
Amalek , dog Amalek en zyne Krygsknech- 
ten wierden onder 't beleid van de Veldheer 
Jozua geflagen. 

Na 



Maart en April 171P. 2-37 

20. 
Na de overwinning tegens Amalek, kwam 
in 't Leger tot Raphidw, om Mofes te verwei* 
koomen en te bezoeken , Jethro de Prie- 
fter van Midian of Madian (de Schoonvader 
van Mof es ,) met Zephora de Huisvrouw 
van Mof es , en zyn beide Zoonen G e k- 
soMenELiEZER, (want Mof es hadde naar- 
lieden te voren na Vader en Grootvaders huis 
gezonden, waar uit zeer klaar opkomt, dat 
Jethro niet ver van dienBerg Zinai moet ge» 
woont hebben, 

21. 
Doen deze P -.ter Jetbro de gerichts-be- 
handeling en regering van Mofes over het volk 
Ifraè'ls zag , zeide hy tot Mofes. (a) Gy zult 
geheel vervallen , zo wel gy, als dit volk, 't 
welk by H is : want deze zaak is te zwaar 

voor u ,gy alleen en kont ze niet doen. IVeeft 

gy voor het volk by Godt, ende brengt gy de 
zaaken voor Godt. Ende verklaart hen de in- 
fiellingen ende de Wetten : Ende maaktze be- 
kent den -weg, daar zy in wandelen zullen r, 
ende het werk, dat zy doen zullen. Doch ziet 
gy omme onder alle den volke, na kloeke Man- 
nen, Godt vrezende, waarachtige Mannen, de 
gierigheid hatende : Jieltze over ben , Overfte 
der duizenden , Overfte der honderden, Overfte 
der tienen. Dat zy dit volk tot aller tyd rich- 
ten. Deze Mannen zouden de magt hebben , 
om alle kleine zaaken af te doen, maar de 
groote zaaken moeften voor Mofes zelfs 

koomen. _ 

De 

(«) Exodus XVIH. f. 18 , 19 i 20 » 2I « 



z$8 Natuur- en Konft-Kabinet , 

21. 

De Man Gods Mof es 'volgde in alle die 
Maken den raad van zyn Schoonvader Jethro y 
en leide vervolgens de etrfte Fundamenten van 
iyne Republyk in dezelfde legerplaats Ra- 
phidin. Van Rapbtd'm vertrok het Le- 
ger, en kwam by de Berg Zinai, daar zy ne- 
derfloegen in haar twaalfde verblyf- of' le- 
gerplaats , in de Woeftyne van Zina of 
Zinai.. Hier maakte Godteen nader verbond 
met zyn volk het zaad Jacobs , heiligde den 
Berg, envcrboodtniemantop te koomen,als 
Mojes , om hem tegenaaken, en gaf aan den 
volke de tien Geboden, en een groote me- 
nigte Wetten van Scaats-beltier , en Gods- 
dienftige plichten , onder het geluit van grouw- 
zaame donders en het gezicht van vier. Mo- 
fes bouwde aan de voet van den Heiligen 
Berg Zinai een Altaar,, en rechte twaalf Co- 
lommen op, na de twaalf Itammen ïfraëls % 
na dat hy alle de Wetten en Geboden Gods 
in een Boek hadde opgefchreven , het welke 
hy den volke voorlas. 

Dewyl myn oogmerk is , de Natuurlyke 
Schepzels , Natuurlyke Hiftorikunde, We- 
tenfchappen, Konften en Handwerken, de- 
welke zo in de Boeken van Mofes , als in die der 
oude Hebreen gemeld worden, na dezen van ty d 
tot tyd, doch alles beknoptelyk, zo wel alsook 
van de andere alderoudfte volkeren tebefchry- 
ven, hebbe ik nodig geacht, elkeverblyf-plaats 
- der Kinderen ïfraëls , benevens een klein 
Kaartje (a) , daar alle de plaatzen in uitgedrukt 

ft aan, 



Maart en Apïl iji9- ^39 
(laan, mede te deelen, en haar tydrekening 
aan ce tekenen : want het is noodzakelyk , 
als wy deze dingen in de grond trachten te 
verdaan , dat wy haare oudheid > en de landen, 
daar zy of eerd gevonden , of ten minden door 
de Schryvers eerft bekent zyn gemaakt , be- 
hooren na te vorfchen. 
24. 

Uit deze en diergelyke aantekeningen zal 
de Lezer konnen gewaarworden, waar en 
uit welke landen, en van wat volkeren eigent- 
lyk de kennifle der Natuurlyke Schepzelen , 
NatuurlykeHidorien, Wetenfchappen, Kon- 
den en Handwerken haar oorfprong nebben 
gekregen , van wie en in welke landen dezel- 
ve gevonden zyn. De Landen, Wateren, 
Rivieren, Bergen, Saizoenen , Gewaden, 
Dieren , Metalen , Mineralen , Edele Ge- 
fteentens , Konftftukken , Wetenfchappen , 
Landbefchryvingen , Konden en Handwer- 
ken, dewelke in deze zeer aaloude Boeken 
van Mofes , en noch verdej in de aaloude 
Boeken der Heilige Schryvers voorkoomen , 
en gemelde en befchreven worden, zyn zo 
menigvuldig en verfcheide, dat ik hier (om myn 
kleyn bedek) dezelve niet by de naam kan op- 
tellen. 24. 

In het jaar na de Schepping der wereld 
24^4, en voor de geboorte van Chriftus 1530, 
en na de uitgang uit JEgypten 2, heeft Mo- 
fes den Tabernakel opgerecht , en op dezel- 
ve tyd Aaron en zyne Zoonen geheiligt, ge- 
zalft, en de GeedelykeofPriederlykegewaa- 
den aangetrokken ; na welke tyd het Leger is 

ver- 



24 Natuur- en Konji- Kabinet , 
vertrokken uit de Woeftyne van Z'maï , en 
gekomen in haar dertiende Legerplaats, inde 
Woeftyne van Paran: en van daar in de 
veertiende Legerplaats tot Asseroth: en 
van daar in de vyftiende Legerplaats tot Rith- 
ma: in de zediende Legerplaats tot Rimmos- 
P e r e z : in de zeventiende Legerplaats tot 
Libna: in de achtiende Legerplaats tot 
Kissa: in de negentiende Legerplaats tot 
Kehelatha: in de twintigfte Legerplaats 
in 't gebergte Saphêr: in de eenentwintig- 
fte Legerplaats tot Arada: in de twee-en- 
twintiglte Legerplaats tot Makeloth: in 
de drie-entwintigfte Legerplaats tot Tha- 
chath: in de vier-entwintigfte Legerplaats 
tot Th ar ah: in de vyfentwintigfte Leger- 
plaats tot M i t h k a : in de zesentwintigfte 
Legerplaats tot Ha sm o na: indezevenen- 
twintigfte Legerplaats tot Moseroth: in 
de achtentwintigste Legerplaats tot Bene- 
jaakan : in de negenentwintigfte Leger- 
plaats tot Hor-gidgad: in de dertigtte 
Legerplaats tot "J o t b a t h a : in de de een- 
endertigde Legerplaats tot Abrona: inde 
twee-endertigfte Legerplaats tot Ezeonge- 
ber: indedrie-endertigfte Legerplaats kwa- 
men zy wederom inde Woeüyne Zin of Zi- 
nai. Inde vierendertigfte Legerplaats aan de 
Berg Hor of Hor eb. Doen ftierf Aaron 
op dezen Berg inzyn honderten drie-entwin- 
tigfte jaar, en het Leger kwam in zyn vyf- 
endertigfte Legerplaats tot Zalm o na: en 
in de zesendertigfte Legerplaats tot PHUNON:en 
in dezevenendertigfte Legerplaats tot Qbqth : 

En 



Maart en April 17 ip. 241 

en in de achtendertigfte Legerplaats aan de 
heuvel kens Abarin, inde laudpaalen van 
Moab : en in de uegenendertigfte Legerplaats 
tot D 1 B o n g a u : en in de veertiglte Leger- 
plaats tot A LM ON- DlBL ATHA I M , na 

dat zy by de veertig jaaren in de Woeftyne 
omgezworven hadden. In dit veertiglte jaar 
ftierf Mirjam de Zufter van Mofts, te weten 
na de Schepping 2492. voor Ghriftus Geboor- 
te 1492, na deuitgang uit Mgypten 40 jaaren. 

26. 

Op het laatfte van dit veertig fte jaar, en na 
de Schepping der Wereld 2493 , en voor de 
Geboorte Chrifti 1491 gebood Godt aan Ma- 
fes, dat hy de Berg Abarin zoude opklimmen, 
en van daar befpiegelen het Land , dat aan de 
Kinderen. Ifraels belooft was, en heeft zyn 
voorige Dienftknegt Joz.ua tot zyn Navolger 
in de Regering aangeftelt En doen fprak 
Mofes voor 't volk alles , wat in zyn vyfdeBoek 
(Deuteronomium) te lezen is, en klom 
op den Berg Nebo in de landpaalen Moabs % 
alwaar hy ftierf in zyn hondert en twintigfte 
jaar, en van Godt in een onbekende graffU- 
de begraven wierd. 

27. 

Uit deze zeer korte Befchryvinge van het 
leven van Mofes blykt klaarlyk aan den Le- 
zer , dat Mofes maar veertig jaaren in Mgyp m 
tenland gewoont heeft , en tachtig jaaren in 
deze Woeftyne, endein en omtrent de Lan- 
den der Chuziten of Madiantten , of die zelf- 
de Arabieren, dewelke namaals en heden- 
daags Sarazynen of Saracenen genaamt wor- 

Q den; 



2.4^ NatuuY' en Konft-Kabimt , 
den ; het welk ik den Lezer aanmane om op 
te merken, dewyl ons zulks na dezen in de 
opheldering der oude Natuurlyke Hiftorien , 
Zaakén, Konften , Handwerken enz. veel 
licht zal geven. 

23. 

Ik zal in deze twee maanden van het leven 
van Mofcs niet meer fpreken ; maar als ik in 
't vervolg van de Natuurlyke Hiltorien, 
Wetenfchappen , Konften en Handwerken 
der oude ticbrcers handele , zal den Lezer 
allenskens een volflagen denkbeeld des Le- 
vensbefchryvings van den eerlten en Heiligen 
Natuurlyke Hittorifchryver Mofes zien aan- 
groeyen en geboren worden ; mitsgaders 
de levens van alle de oude Hebre'èrs , dewel- 
ke inde kenniffe der Natuurlyke Hiftorie heb- 
ben uitgemunt. 

Van de Gedaante en van de Uitbeel- 
dingen van Mofès. 

BY sommige van de aaloude Schryvers 
worden eenige omftandigheden van Mo/es 
Gedaante gemeldt en gevonden, dewelke veel 
gel egen'theid hebben gegeven ,dat in de latere ty- 
den ,zo in penningen als uirgehouwe of gefchil- 
derde uitbeeldingen ,verfcheidegedaantens van 
Mofes, uitgedrukt zyn , als by voorbeeld: Pto- 
'lomaus Cbennns fchryft, óatMofes Alpha 
genaamt wierd, om dat zyn lichaam met 
fchürft en fchilferachtigheid bezet was: het 

zelf- 






Maart en April ijlQ. 245 

ïelfde getuigt ook (a) Helladius 'Bizantinous^ 
en Artapanus , dewelke een verhaal van de 
Jooden heeft nagelaten , waar uit Alexander 
by Eafebius eenige zaaken heeft uitgefchre- 
ven. 

Van deze Befchryving van Artapanus wor- 
den eenige dingen gevonden by Clemens , en 
in de Alexandrynfche Kronyk , gelyk te vinden 
is by {b) Huetius, namentlyk , dat Mof es was 
lang van perfoon, ros van hair , blank van 
vel , met lang hair en een achtbaar wezen. 
2. 

De Oudvaders en veele andere Geleerde 
Mannen hebben getracht te bewyzen, dat de 
oudde Volkeren haar eerde Koningen, Go- 
den, Helden, Grondleggers en Uitvinders 
van groote Zaaken , zodanige Eigenfchap- 
pen , Hoedanigheden , Wetenfchappen , Uit- 
vindingen, Konden, Regeerkunde, Verrich- 
tingen hebben toegefchreven , dewelke zy alle 
meenden te konnen bewyzen , dat met de 
eigenfchappen , hoedanigheden , gevallen , we- 
tenfchappen , konden , uitvindingen en daaden 
van de Man Gods Moses over een kwa- 
men , en dat zy derhalven op een fchaduw- 
achtige en fabel euze wyze de waarachtige 
Oudheden der oude Jooden hebden ontleent, 
en dus haar eigen zo genaamde Oudheden , 
Volks-oorfprong, Helden, Koningen, Uit- 
vinders, door dezelve verbeeldt. Want het 
kan aan geen Man van Letteren onbekent 
Q 2 zyn, 

[a) FideEjus Chrejlomath. apudPhotium, Cod.itf, 

& 179- 

(b) Demonjlratio Evangelie a. Propof.lV. 



144 Natuur- en Konft-Kablnet , 
zyn , dat ouwel ings de Schryvers byna van 
elke Natie om ftryd bezig waren te bewyzen, 
dat de eere van hetoudfte Volk te zynalleen- 
lyk aan haar Natie , en aan geen andere toe- 
kwam. 

3- 
De uitmuntende en Hooggeleerde BifTchop 

Huetius tracht uit; zeer veel aaloude Schry- 
vers te bewyzen , dat de oude Heidenen , de 
■fögyptenaaren , Grieken , en een groote me- 
nigte andere niemant anders hebben uitge- 
drukt (fchoon zy door de fabeleusheid en tyd 
zelfs verblind wierden ) als de Man Gods 
Moses, door alle de volgende Naamen, 
te weten : i. Theuth ofTHOTH, die 
in latere eeuwen ook Hennes Trismegiftus is 
genaamt. 2. A pj s. 3.ÜRUS. 4. Osiris. 
S. Sera pis. 6. Anubis. 7. Apollo. 
8. iEscuL apiu s. 9. Faunus. 10. 
cecrops. ii. evander. 12. 13 ac- 
chus. 13. Adonis. 14. Amphion. 15-. 
mercurius. l6. ürpheus. i j. p a n. 

18. SlLVANUS. 19. PRIAPUS. 20. 
VuLCANUS. 21. TYPHON. 22- VER- 

'tumnus. 13. Thammus. 24. Persius. 
25*. Prometheus. 26. Proteus. 27. 
7\ rist eu s. 28. eu mol pus. 29. j a- 
nus. 3o.l1 n us. 31. ma r na s. 32.r.o- 
mulus. 33. Muskus. 34. Mnevis. 
35-. Ti re si as. 36 Minos. 37- Kha- 
damahius. 38. E a c u s , en noch veele 
andere. 

4- 
Ik durf wel toeftaan, dat deze uitmuntende 

Ge, 



Maart en April 1719. 24^ 

Geleerde Biiïchop zeer kragcig bewezen heeft , 
dat de Oude zeer veele van de bovengemelde 
( met haare fabelverzieringen omzwachtelt en 
verduiftert) zodanig hebben uitgedrukt , dat de- 
zelve met zommige hoedanigheden van Mofes 
overeenkoomen , en door overlevering hier 
door Mofes hebben uitgebeeldt, en deszelfs 
zaaken , eigenfchappen , verrichtingen , uit- 
vindingen aan haar eerite Koningen , Hel- 
den, uitvinders, of verzierde Goden hebben 
toegepaft; maar in alle die bovengemelde 
zoude zulks ( om veel redenen, dewelke ik 
na dezen, als ik van die Volkeren fpreek , zal 
toonen)geen plaats konnen hebben. Wy 
moeten onze bewys-redenen, om de Schrif- 
tuur op te helderen en te bewaarheden , niet al 
te ver zoeken. Wy hebben genoeg onwe- 
derfprekelyke bewyzen , voor de waarheid en 
oudheid van Mofes , en van de zaaken , de-, 
welke in Mofis Boeken gevonden worden. 
Ik meen , dat ik na dezen , onder de verhande- 
lingen van de Natuurlyke Hiltorien , We- 
tenfchappen , Konften en Handwerken der 
Boeken Mofis , en alle andere Heilige Boe- 
ken (als de vrywillig regerende Godt my in 
het leven fpaart ) de Goddelykheid en Aal- 
outheid van deze Boeken zo klaar zal too- 
nen, dat geen Man , dewelke niet brutaal 
is, daar aan zal durven of konnen twyfe- 
len. 

S- 

Onze Heilige Natuur-befchryver de Man 

Gods M o s E s vinden wy op verfcheide 
ïiukken uitgebeeldt in Statuen , in Schilderyen, 

Q 3 , op 



i\6 Natuur- en Konji-Kabinet , 

op Penningen , Beeldwerken , en zelfs gegra- 

vsert in kottelyke edele Gefteentens. Zom- 

mige van de oude en latere Volkeren hebben 

Mofes uitgebeeld: met twee hoornen, andere 

hebben de hoorens verwiiïèlt in twee licht- 

itraalen, dewelke op de plaats, daar andere 

de hoorens doen uitlteken, de dikke lichtttraa- 

t len doen uitgaan. Ziet de eerfte verbeelding 

' in de (*) Figuren i , x , 3. en de tweede uit- 

. beelding in de Figur. 4 , ƒ. van de Tabula 1 1 . 

6. 
Als wy een uitbeelding zouden geven, de- 
welke overeenkomiüg was met de Befchry- 
ving uit de H. Schrift, zoude het geheele aan- 
gezicht van Mofes met fterk licht glinfteren- 
de moeten uitgebeeldt worden , als in Figur. 
6. uitgedrukt ltaat. 

Wanneer wy onze gedachten veftigen op 
de tyd, in dewelke Mofes geleeft heelt, en 
de eeuwen, dewelke die uitmaakt voor de Ge- 
boorte onzes Zaligmakers, en de Gewoon- 
te der JEgyptenaaren en andere oude Volke- 
ren, vanbyna alles inbeelden uitte drukken, 
zoude het niet onmogelyk fchynen, dat wy 
noch wel uitbeeldingen onder deze of gene 
verkeerde naam zouden konnen hebben , door 
overlevering van de eene op de andere, de- 
welke met de gedaante van Mofes over een 
kwamen; maar het zoude ons zwaar vallen, 

om 

(a) Aan de andere zyde van de Penning van Mo- 
fes , Ftg. 6. ftaat met Hebreeuwfche leners in 'r He- 
breeuwfeh : Ik ben de Heere 7tue Godt , die « uit 
ALgyftenland geleidt hebbt. 



Maart en April 171 9- «47 

om dezelve met zekerheid te kennen. Voor- 
waar Lezer , wy hebben van andere zeer ou- 
de en groote Perzonagien wel uitbeeldin- 
gen, dewelke voor zeer autentique worden 
gehouden. 

8. 
Ik zal over de zaak van de uitbeelding van 
Mofes myn eigen oordeel alleenlyk niet be- 
t-ouwen, maar raad vragen aan dealdervoor- 
zv:htigite en grootlte Ketiders van diezaaken, 
enderzelver advis getrouwelyk aan u mede 
deckn. De Hoog-edele en Hoog-geleerde 
Baton en Koninglyke Ambaffadeur Eze- 
chiel Spanheim {a) zegt ronduit, dat 
het uitbeelden van Mofes, zo in fchilderyen, 
gravering, fteenen en ftatuen , a!s pennin- 
gen, met twee hoorens, van veel later tyd en 
jabryc^ is , als de outheid van de Man Gods 
M-jfes. 

9. 
Deze uitftekende geleerde Man en Oudheid- 
kender fielt van, dat deze verkeerde uitbeel- 
ding van Mofes met twee hoornen , veroor- 
zaakt is uit een kwade overzetting van Exo- 
dus Kapittel 34. ir. 29 en 30. Daa'r f. 29. ge- 
zegt word : Ende het gefchiede , doe Mof e van 
den BergZinai afging , ( die twee tafelen. der 
retuigeniffe nu waren in de hand Mofe , als 
b/ van den Berg afging )Zo en wifte Mofe niet 
dit het vel zynes aangezicht es glinfterde , doe 
Hjmet hem fprak. En f}%% Ah »*f Aar on 
endi alle de- Kinderen Ifraèls Mofe aanzagen , 

Q 4 ziet 

(«) De Praftantia <fyfUfu Nttm'tfrnittum autia:ttr 
rum, Differtation. Septima, 



248 Natuur- en Konft-Kabinet , 

ziet zo giin(lerdehtt vel zynes aangezichtes t 
daarom vreesden zy tot hem toe te treden. 
Deze plaats word ook aangehaaltby (a) Pau- 
lus . Alzo dat de Kinderen Ifraèls het 

aangezicht M'Jis niet en konden fterk aan- 
zien om de heer iykheid zyns aangezichts. enz. 
10. 
De Gfootacbtbaare Ezechiel Spanheim be- 
wyit, dat zommige hebben overgezet, als cf 
Mojis aangezicht (dat is hier zyn voorhooft) 
met hoornen voorzien was, hoewel andere 
deze plaats uitleggen, het fchitterende en hin- 
kende aangezicht van Mofes 

II. 

Maar als ik myn oordeel mag geven ever 
deze zaak , van de verkeerde uitbeelding, kan ik 
(boven en behalven deze verkeerde uitleggng 
van Exodus 34 f. 29 en 30. )veel reden vinden, 
waarom i'vhjes in latere tyden met hoornen 
is verbeeldt, is het niet zeer wel te geloven , 
dat de latere Schryvers en Uiibeelders, dege- 
woonte der /Egyptenaar s , Macedoniër s en 
andere Aaloude Volkeren hebben nagevolgt, 
dewyl die Volkeren haare Koningen, Hel- 
den, Goden of grooteen roemruchtige Man- 
nen zeer dikwils met hoorens hebben uitge- 
beeldt, willende daar mede te kennen geven 
haare krakten, haar onverzaagtheid , afkomt 
van de Goden, als van Juptter Mammon ent.. 
haar dapperheid, fterkte , groot vermogen, 
rykdom, overvloed, groot gezag. enz. 

Daar 

(d) Tweede Brief aan die van C'rtnthen in rat 3. 
Kapittel en 7. ^. 



Maart en April 1719. 249 

12. 
Daar wierden in de Uitbeeldingen verfchei- 
de foort van hoornen by de Oude toegepaft , 
na het getuigen iife van (a) Porphyrius , na- 
mentlyk aan Jupiter de hoorens van een Ram, 
aan Pan die van een Bok , aan Bacchus van 
een Stier. Ziet Fig.-;. Jupiter Ammon , mede^-7' 
gedeelt door Achdïes Statius , in 't jaar ifóo. 
Het was een marmere uitbeelding van een 
xeer oude datum , zegt de Heer Spanheïm : 
en ziet in Figuur 8. een Jupiter Ammon by.F;g.8. 
JMicha'èl Angelus Caufeus de la Chaujje , ge- 
graveert op een edel gefteente. Deze 'jupt- 
ter Ammon is zeer geviert by de JEgyptenaaren 
en Aaloude Africanen , en byzonder ook by 
de Grieken van verfcheide foort, maar is van 
de JEgyptifche verziering of uitvinding eigent- 
lyk ar'komftig, dewelke door 't woord Am- 
mon Jupiter betekenden. Ziet Diodorus Si- 
culus en andere. 

De oude en zelfs latere JEgyptenaaren heb- 
ben veeltyds de gewoonte gehad, doorgehee- 
le dieren , of door derzelver hoorens , of vellen 
van dieren, inhaareBeeldfpraakenuit te druk- 
ken Koningen, Vorften, en groote Man- 
nen, gelyk de oude overblyfzels overvloedig 
getuigen , en hedendaags noch gevonden 
word zelfs by de Chinezen, Japonezen en 
andere Oojündifcbe Volkeren. Gelyk de Ou- 
de en zelfs hedendaagze Arabieren gewoon 
zyn in haar taal onder gelykeniiTenen zinfpe- 
lingen iets kragtigs uit te drukken , zyn de 
Q s zel- 

{*) Vide Lib,deAhJlinentia. 



ij" o Natuur- en Konfl- Kabinet , 
zelve daar in gevoigt door de Hebre'èrs % daar 
de Bybel overvloedige getuigenifïen van mede 
deelt; zo wierden zy daar. in gevoigt vandeJS- 
gyptinaars door uitbeelding. Wantgelyk zom- 
mige dieren of fchepzels menigmaal uitmun- 
ten in groote fterkte, kragt , verwoetheid, 
grootheid, voorzichtigheid, edelmoedigheid, 
vlugheid, verfchrikkelykheid van aanzien, 
vruchtbaarheid, nuttigheid en andere hoeda- 
nigheden , hebben de JEgyptenaaren die hoeda- 
nigheden willen uitdrukken , en aan groote 
Mannen toeeigenen , en daar door haar Beeld- 
fpraak aandeKenders dier heilige taal (zoals 
zy die noemden ) betekent. 

'4- 

De Grieken, dewelke meer de Letter als 

Beeldfpraak hebben gebruikt, en van veeljon- 
ger datumxyn , als de JEgyptenaaren , hebben 
echter veel van de JEgyptrfche uitbeeldingen 
overgenomen, enderzelver oude Helden eu 
roemruchtige Mannen van haar ontleent , en 
tot haar eerlte Koningen, Vorlten of Goden 
gemaakt, om kwanfuis mede geheel oud te 
fchynen ; gelyk inderdaad ook zommige Grie- 
ken zeer oud zyn, hoewel zy in die aaloude 
ryden juilt noch niet heel roemruchtig, noch 
groote volkeren waren. DeTyd-rekenkundige 
Petavius (telt Alexander de Groot de twaalt- 
de Koning in rang van Macedonië» , en heeft 
dit uitgevorfcht uit de Vader van de Aaloude 
Hiltorilchryvers Herodotus , en ook uit c thu- 
cydides , en is daar in nagevolgt van de wakkere 
JLzechiel Spanheim. Op de volgende wyzedan 
zyn de Koningen van Macedonien. i . P e r- 

dic- 



Maart en April ijip. iyt 

diccas deeerfte. 2. ArjEus. Philippus 
de ■eerfte. 4. Ar o pus. y. Aiceias. 
6. Amïntas deeerfte. 7. Alexander 
deeerfte. 8. Perdiccas de tweede. 9. Ar- 
chelaus. 10. Amyntas detweede. 
11. Philippus detweede. 12. Alexan- 
der de Groot e. • 

Van deze vyf eerfte Koningen van Mace- 
donië» zyn geen penningen meer overig , maar 
de zesde Koning en de volgende zyn noch in 
penningen te zien. Alexander de Groote wilde 
gehouden worden voor de Broeder van Her- 
cules en de Zoon van Jupiter Ammon. Cle- 
mens Alexandrinus zegt : Alexander wilde niet 
anders als gehoorent gegraveerc of uitgehou- 
wen worden, gelyk dagelyks noch gezien 
kan worden; als ook zyn navolger Antigo- 
nus Tutor,. op twee na de laatfte Koning 
van Macedonien : ja zelfs is Alexander de 
Groote daar in nagevolgt van de Ptolomai , Ly- 
fimacbus en andere. 

16. 

De Schryvers hebben aangetekent, hoe dat 
zomtydsmenfchen gevonden zyn, aan dewelke 
waarlyk twee hoorens uit de twee uitpuilingen 
van't voorhoofds-been uitgroeiden, {a) Iho- 
mas Bartholinus citeert uit Valerius Maximus , 
óat'Genitius Preetor zeer kleine hoorens uit dit 
voorhoofd-been hadde fteken, dewelke al- 
daar uitgegroeit waren : en ózijohannes Rho- 
dius aan hem voor de waarheid had mede ge- 
deelt, dat hy zelfs gekentende gezien hadde tot 

Padua 

U) yidt ejusobfervationes de Unieernu Cap. 2. 



if i Natuur- en Konft-Kabintt , 

Padtta een Benedittiner Monnik , die twee 
hoorentjes hadde. Ik weet meer Schryvers, 
dewelke van deze Monnik gewag maaken, 
maar ik durf over de waarheid geen oordeel 
vellen; hoewel het waarachtig is, dat de uit- 
puilingen van 't voorhoofd-been in zommige 
menfchen zo groot en puntig gevonden wor- 
den, dat een Man, diezomtyds wat Fabelach- 
tig is , daar lichtelyk de naam van hoorens 
aan zoude durven geven. 

17- 
Behalven veel Oude Koningen, dewelke 

met hoornen vebeeldt zyn geworden, vinden 
wy zelfs penningen van den Ryks-vloek At- 
tila, daar dien alverwoeftende Tyran met 
hoorens verbeeldt word , waar uit over- 
vloedig blykt , dat het uitbeelden met 
hoornen by de Oude, en zelfs in latere tyden 
zeer gemeen is geweeft. Wat al Bofoh-Go* 
den, Satyrs en Vloed-Goden vinden wy niet 

_ verbeeldt met hoornen? Ziet zelfs de Zee of 

' s ' 9 ' Neptuxus in dit oude orerblyfzel van Fig. 9. 

Hg- I0 .verbeeldt, ja zelfs den Ryn onder Fig. 10. 
Het geheel e Werelds-deel van Africa is met 
hoornen als een Syvnbalum uitgebeeldt , en een 

Fig. n.Olifants-fnuit. Ziet Fig. 1 1 . en uit de la Cbaufje 

Fig. zz. Fi S- «■ 

Io. 

Als ik alles wilde bybrengen van Pan , Pria- 

fus, en zelfs Luna oïjuno , en andere, dewelke 

de Oude met hoornen hebben verbeeldt , zoude 

ik vee! te overvloedig worden , dewyl ik al- 

leenlyk maar voor heb, om aan myn Lezer 

overtuigelyk te doen zien, dat deChriftenen, 

of 



Maart en Aml 171 9. zf$ 

of latere Heidenen en andere Mofes met hoo- 
rens hebben uitgebeeldt, om deszelfs groot- 
heid en Majefleit daar door uit te drukken, 
en tot deszelfs eer en lof, en niet , gelyk Tho- 
masBartholy» (a) uit Steuchm oordeelt, dat 
zulks van de Jooden kwalyk zoude zyn geno- 
men geweeft : want hoornen waren als van een 
Koninglyke betekenifTe by de Oude Hebreërs, 
gelyk in Daniël de Koningen en de Koningry- 
ken dikwils hoornen worden genaamt, en 
C volgens de Uitleggers) ook zelfs onder het 
Nieuwe Tellament in de Openbaring van Jo- 
hannes. 19. 

Ik hebbe zo veel bewys , dat de Heilige Wet- 
gever en Man Gods Mofes noch met hoor- 
nen , noch met twee opgaande ftraalen moet 
uitgebeeldt worden, en dat deze dwaling uit 
een navolging der Heidenen is voortgekomen, 
dat ik myn beftekal te veel zoude overtreden, 
wanneer ik alles wilde bybrengen ; maar alleen 
is genoeg, als wy op de onfeilbaare woorden 
der Goddelyke Boeken maar willen acht ge- 
ven, die zullen ons bewyzen, dat het aange- 
zichte van Mofes glinfterde, ja in zo verre, 
dat hy een dekzel voor zyn aangezicht moeft 
doen , dewyl de Kinderen Ifraëls , die hem aan- 
zagen , het licht zynesaangezichtes niet konden 
verdragen. Ik zal hier van afbreken , maar 
ik verzoek vergiffenis, Lezer, dat ik uw ge- 
dult te lang gerekt hebbe , met zoveelOuthe- 
den C tot opheldering van Mofes ) by te bren- 
gen , hoewel ik gelove , dat gy het niet kwalyk 
zult neemen , als gy uw aandacht laat gaan , 

hoe 

(<*) DeUnhmiuCap.3, 



2 f 4 Natuur- en Konfi- Kabinet , 

hoe veel ons aan de kenniffe van Mofes gele- 
gen is, en dat hy is de Bron van alleWysheid, 
Waarheid , Wetenfchnppen en Goddelyke Ge- 
boden , Initellingen , Verboden, Regeringen 
enz. en te gelyk de Prins van alle de Natuur- 
lykeHiftorifchryvers, daar alles, wat ik voor- 
taan u zal mede deelen, zyn licht en glans 
van zal verkrygen. 

Verhandeling van het Goud. 

I. 

TK heb belooft, dat ik in elk tweemaande^ 
•Myk Natuur- en Konlt-Kabinet zoude han- 
delen van het eene of het andere Natuurlyk 
Schepzel of Gewrocht, het welke by de men- 
fchen in gebruik was en te gelyk een onder- 
werp van Konften en Ambachten enz. ; en dit 
alles vinden wy in het Goud. Wat het gebruik 
van 't Goud belangt, en de begeerte, dewelke 
de menfchenna het zelve hebben; endegroo- 
te gevallen, dewelke uit deze begeerte onder 
de (tervelingen dagelyks gebeuren, ik geloof, 
dat de Lezer die alle zo aanmerkelyk en groot 
zal oordeelen, dat hy lichtelyk aan Plinius 
zal toeftaan, dat hy het Wonderlyk noemt. 
Hoe is bet mogelyk , ( zegt die groote Romein ) 
dat een ding alle dingen kan zyn , en dit , ver- 
volgt hy, is evenwel het goud ! De menfchen 
roepen en roemen altyd zo veel van de goude 
Eeuw , en van de aaloude goude "Ty den \ maar 
beleven wy hedendaags niet recht de goude 
Eeuw , want aan welke zaak worden tegen- 
woordig meer offerhanden en eer aangedaan , 

als 






Maart en April 171 p. 2 f f 

als aan het Goud, is dit niet de Bruid, daarelk 
om danfl ? 

2. 
Als wy onze aandacht laten gaan , op des- 
zelfs vafte ineendringing, band, vaftigheid , 
duurzaamheid en onvergangkelykheid , zwaar- 
te , ftorTelykheidenuitrekkelykheidjkoleur ,en 
overdekkende eigenfehappen , moeten wy dan 
niet bekennen, dat het Goud een weergaloos 
en verwonderens waardig natuurlyk gewrocht 
is r 

3- 
Het Goud is onder de natuurlyke fchepzels 

mede aldereerft gemeldt geweefl; van Mofes , in 
zyn Hiftorie van de Schepping des grooten.Na- 
tuurs. Deze Koning der Aard- en Berg-ftof- 
fen, of der Mineralen en Metalen, word van 
Mofes kort na het Verhaal der Schepping ge- 
meldt , want daar hy (a) fpreekt van het Paradys, 
Zegt hy : Ende een Rivier was voortgaande uit 
Eden , om dezen Hof ( te weten het Paradys ) 
te bewateren , ende werd van daar verdeelt, 
ende werd tot vier hoofden. De naam der 
eerfte Rivier is P i S O N , deze is 't die bet 
ganfche land van Havila omloopt, daar bet 
goud is : Ende het Goud dezes lands is goed 
enz. 

4- 
Van zodanig een vroegen tyd, daar geen 

Schryver noch Volk, als alleen Mofes, met 
waarheid van heeft gemeldt, word reeds al 
met onderfcheid van 't Goud gefproken , te 
weten dat hst goed was. Die nu het onder- 
fcheid 



[a) Genejts II. -f. i o 



1 1, 1: 



1 ƒ 6 Natuur- en Konfi- Kabinet , 
fcheid weet van net goud, zal hier in datelyk 
de heilige Wysheid konnen opmerken , dat 
de Prins der Natuurlyke Hiltorifchryvers en 
Heilige Man Mofcs het goud van Havila goed 
noemt , en dat Hy hier klaar mede te ken- 
nen geeft, dat de kennilTe van 't onderfcheid 
des verfcheiden Goud-metaals by hem bekent 
was. Het Goud, dat uit de goudrykeRivie- 
ren gevifcht word, is goed, zuiver en fyn, 
dewyl het zelve door het golvend water , en 
door langen tyd afgefchaaft , en door voort- 
rolling en wryving, door deze beweging zeer 
gezuivert word. Mofes fchreef deze zaak in 
de vyftiende eeuw voor Chritlus Geboorte» 
wanneer hy melde dien tyd , dat de wereld noch 
maar eenige dagen oud was, fprekende van 
het Paradys. Wy moogen nu wel veilig ge- 
loven , dat Mofes in de tyd , doen hy dit fchreef, 
deze goudryke Rivier Ptfon of dit goudryke 
Land Havila niet alleen kende, maar datdezelve 
ook by de Hebreen , daar hy voor fchreef en 
by omging , in 't gemeen belcent waren ; als 
ook , dat de aldereerfte Volkeren hetgevifchte 
en door zand opgeworpf guud eerder in 't ge- 
bruik hebben gehad , als dat door zo veel 
moeite uit de ïvlynen moet gewerkt worden. 
Maar dat Mofes in zyn tyd ook noch ander 
goud gekent heeft, als het goud van Havila, 
is wel te geloven, dewyl hy tot onderfcheid 
zegt dat het goed was , en nok , dat in de tyd 
van Mofes in JEgypen veel in de Bergwerken en 
Metalen tot 'Th'e'jen als andct;> gewerkt wierd. 
En noch daarenboven, dat hy tachtig jaaren ver- 
keert hebbende ia 't land der Arabieren , daar 

door 



Maart en Jpil 171P. 2,^7 
door kennifle van de bekentfte Landen van 
zyn tyd gekregen heeft, door de ommegang 
met de Arabieren , dewelke door dit Land 
xeizende met haare Koopmanfchappen , over- 
al na toe trokken en te rug kwamen, gelykik 
na dezen zal toonen. 

S- 

Ik zal nu niet verder melden , hoe ver de 

Aaloude Hebreen in de kennifle des Gouds , 
en in deszelfs bereiding, konft-ftukken en 
gebruik ( daar de Heilige Bladeren van krie- 
len ) gevordert waren , dewyl ik zulks zal 
afhandelen in de vervolgen van de Geleert- 
heidder Aaloude He breen, omtrent de Natuur- 
lyke Hiftorien, Weteufchappen , Konftenen 
Handwerken , by haarlieden bekent en ge- 
oeffènt. Dog ik zal nu maar eens kortelyk 
aantoonen de outheïd van de kennifle van het 
Goud by andere Aaloude volkeren. 
6. 
Herodoot van HaücamaJJen ( de aldereerfte 
en de Vader derWereldlyke Hiftorifchryvers) 
verhaalt in Euterpe, of liever in zyn tweede 
Boek, dat hy zelfs in perzoon tot Tyrus is 
geweeit , een Stad in Phoenicie , alwaar hy 
in de Tempel van Hercules een zuil heeft 
gezien van majjif goud , dewelke tot een ge« 
fchenk aan die Afgodt of liever Tempel- 
paapen vereert was. Hy verhaalt in Clio of 
in zyn eerfte Boek , dat Croefus zo magtig 
was van Goud , dat hy goude en zilvere Le- 
dekanten of Legerplaatzen aan de Tempel 
van 't Orakel tot Delf hos fchonk ; en dat hy 
veel konflïge goude drinkfchaalen en andere 
R konft- 



2 f8 Natuur- en Konfl-Kabinet , 

konft-fmkken van goud, als ook een Beelte- 
nis van een goude Leeuw, en goude en zil- 
vere fchotelen liet maaken, en aan 't Orakel 
vereerde. 

Van Lydie ( zegt Herodoot in Clio) is niet veel 
te vinden,d;u de moeite waardig is om te verhaa- 
len,als datzy goude affchaafzels en korlen beza- 
ten , en dat zy de eerlte Volkeren zyn geweeft , 
dewelke (zo veel als wyweeten ) goude pen- 
ningen hebben gemunt of gemaakt. Herodoot 
fpreekt noch van veel andere groote fchatten 
van Goud; maar omtrent de manier, op de- 
welke het uit de grond wierd gehaalt, is hy 
volgens de Griekjche mode zo fabeleus en on- 
kundig , dat ik my zoude fchaamen, zulks 
aan den Lezer mede te deelen. Ik heb in He- 
rodoot het algemeen gebrek gevonden , om- 
trent de kennifle der Natuurlyke Hiitorien, 
daar meed alle oude Schryvers ( behalven 
Mofes ende andere Heilige Boeken )mede ge- 
plaagt zyn; dat is: dat zy veel van' de Na-, 
tuurlyke Hiftorie fchryven van hooren ver- 
tellen, behalven 't geen zyzomtyds eens zelfs, 
dog gewoonlyk niet naauwkeurig genoeg 
bevonden hebben ; hoewel onzen ouden He- 
rodoot dit echter overal zelfs belydt , gelyk ik 
zulks in Pllnius over twee maanden ook aan- 
gemerkt heb. Herodoot heeft gefchreven in 't 
444de jaar voor de Geboorte van Chriitus 
onzen Zaligmaker , by gevolg een groote 
duizend jaar na de Man Gods Mofes, en al 
't geen wat deze Griek (daar anders zo zeer op 
geroemt word ) van de Natuur en de Natuur- 
lyke 



Maart en April ij\g. 2, ƒ 9 

lyke Hilrorie fchynt geweten te hebben , is zeer 
onnozel en erbermelyk , in vergelyking van 
de Goddel yke Wetgever Mofes , de. Prins 
van alle oude Geleertbeid en Natuurkunde. 

8. 
Wy vinden verfcheide plaatzen van het 
Goud in Homerus, 't welk een bewys is, dat 
't zelve by de aaloud i\e Grieken niet alleen zeer 
wel is bekent geweelt ; maar zelfs Homerus 
fpreekt van een geheele goude Keten , die 
aun de toppen van de Olympus geklonken 
was , en daar 't geheele We^ldklootje aan 
valt hing : hy fpreekt van geheele goude 
trompetten, konltiguit Goud gemaakte fchil- 
den , klederen van geheele goude ftoften. 
Hy fpreekt zelfs van de Goud-fmit Laercins, 
en van de Goud-gietery , van 't vergulden 
van goude drink-bekers, fchaalen, en ande- 
re goude kleinodiën, van zilvere drinkfehaa- 
Jcn en bekers met vergulde randen ; en zulks 
op zo veel plaatzen , dat aan een Lezer , die 
immermeer Homerus gelezen heeft , zulks 
niet onbekent kan zyn. 

9- 
De leeftyd van Homerus is zeer onzeker, 

maar dit weten wy zeker , dat Homerus de 
oudlte Schryver is , dewelke wy van de Griek- 
fche Schry vers overig hebben, en dat thfiodus, 
daar wel van zommige voor gepleit is, voor hem 
in ouderdom de vlag moet itryken. Eenige Ge- 
leerde (tellen de leeftyd van Homerus vaft na de 
23 Olympiade , andere (tellen Homerus zelfs 
voor de inftelling der Olympifche Spelen; dog 
het zy daar mede zo als het wil, de Oudheid 
R 2 der 



z6ö Natuur- en Konft- Kabinet , 

derGriekfche Natuurkunde, Natuurlyke Hi- 
ftorien,Wetenfchappen , Konden en Handwer- 
ken , daar Homerus alom van krielt , zal ons na 
dezen wel zonneklaar blyken, en dat dezelve 
voor de outheid van de Prins der Natuurlyke 
Hiüorifchryvers,deMan Gods Mofes y de vlag 
moet ftryken , en dat de outheid van Mofes die 
der Grieken en van onzen Homerus eeuwen 
voorby vliegt. 10. 

Gelyk Mofes onderde Hebreen de eerfte en 
de oudfte Natuurlyke Hiftorifchryver is , en bo- 
ven dat noch onfeilbaar , ai een Schry ver door 
de leiding van Gods Geeft, en te gelyk is 
geweeft de Bron, niet alleen van alle Hebreeuw- 
yir/;^Wysheid,Kcnniile enGeleertheid,maar ook 
de fchatkift , daar alle latere Volkeren haar ken- 
niffe en zaaken uit gehaalt hebben , moogen wy 
dit zelfde getuigen van Homerus, maar alleen- 
lyk ten opzichte van de Grieken en haare navol- 
gers ; want niet tegenftaande meer als zeventig 
Griekfche (a) Schry vers konnen opgetelt wor- 
den , dewelke voor Homerus ("na 't oordeel 
veeier Aaloude Schry vers ) hebben geleeft , heb- 
ben wy echter niets overig.dat als een Boek aan- 
gemerkt zynde, onder de Griekfche Boeken bo- 
ven de outheid van Homerus gaat. 1 1 . 
In deze eenige en onder de Grieken alderoudfle 
Homerus legt bynadegeheeleGriekfcheWys- 
heid (als in een kleine juweelkaft en fchatkift) 
opgefloten. En daar is , behalvende heilige en 
oudfte Hebreeuvjfcbe Schry vers niet een Schry- 
ver bekent, dewelke van alletyden af zo veel 
aanzien heeft gehad , en zo veel eer is aange- 
daan 

(a) Vid. Fabricii Bibliothec. Grxc. Tom. i. 



Maart en April 1719. 261 

daan als aan Homerus, hy is geëert, geviert, 
'm flat nen gebragt, in penningen en op edele 
fteenen gegraveert, en op allewyzen gefchil- 
dert enuitgebeeldt, ja zelfs als een wonder der 
menfchen aangemerkt geworden,en als eenGod 
geëert. En voorwaar Lezer , het is niet te ver- 
wonderen,dewyl mHomerus(ecn Schryver van 
zulk een onbedenkelyke tyd zynde ) te gelyk zo 
veel heerlykezaaken worden vervat, dat byna 
van alderhande Wetenfchappen , Zedekunde , 
HeidenfcheGodtkunde,Regeerkunde,Genees- 
kunde, Wiskonft ,Starrekunde, Landfchap-en 
Wereldkunde, Natuurlyke Hiftorien.Konften, 
Handwerken , Oorlogen , Zangkonft ,Speel- 
konft,Dichtkonft, en duizend andere zaaken, 
zeer ver(tandiglyk(hoewel na de wyze der Grie- 
ken met fabelen en verzieringen befmet)inzyn 
werken word gefproken;in zo ver, dat Homerus 
voordealdereerfteen grootfte Natuurlyke Hi- 
ftorifchryver onder de Grieken zal opkoomen 
en doorfteeken, wanneer ik van de Wetenfchap- 
pen, Natuurlyke Hiftorien , Konften en Hand- 
werken der Grieken zal handelen. 
12. 
Wy hebben nu wel gezien uit de alder- 
-oudfte Schryvers der Hebreen, als Mof es en 
de andere Heilige Schryvers ; uit de alder- 
oudlte Schryvers der Grieken, als Homerus en 
Herodotus , dat het gebruik en de kennifledes 
Gouds van een zeer oude datum is , maar wy 
hebben noch geenzins ontdekt , in welke be- 
kende landftreeken der aaloude Volkeren het 
Goud overvloediglyk uit de grond uitgemeu- 
belt , of uit de bekende goudryke Rivieren 
R 3 uit- 



l6i Natuur- en Konfl-Kabinet^ 
uitgevifcht wierd , en in welke landen hetzel- 
ve overvloediglyk te vinden was. 

13- 
Uit gebrek van deze kenniüe zyn veele 

Uitleggers van den Bybel geweldig in alarm , 
waar Ophir eigentlyk was, of waar hetgoud- 
ryke Land geltelt moeite worden, daar-de 
Koning Salomo» zyne fchepen na toe zond, 
om Goud van daan te haaien. Ik zal die 
zaak hier geenzins ophelderen, als behoo- 
rende tot de Natuurlyke Hiltorikunde der 
JooJen ; maar echter zo veel wel doen zien , 
'dat de Koning Salomo» na zodanige plaat- 
zea zyne fchepen niet heeft behoeven te zen- 
den , als Zommige Uitleggers wel gedroomt 
hebben. 

14. 
Alhoewel de Gnekfche Wereld-befchryver 
Strabo op veel tyd na niet zo oud is, als de 
voorgaande Schry vers, zal echter een iegelyk, 
die Strabo Amafenttsleell, moeten bekennen, 
dat niemant van de Oude zo veel zelfs onder- 
vonden , zelfs doorzien, en zelfs Coorrcilf 
heeft, als deze UitmuntenfteWerekl-befchry- 
ver Strabo Amafènus , dewelke geleett fifeeft 
ten tyde van de Keizers Augiiftusen 'Tiberius. 
Strabo was van een voortrcffelyke Familie, 
en in meelt alle wetenfebappen en vrye kon- 
ften georfent. . Behalven dat Strabo veel ge- 
leerde lieden heeft wezen hooren, heeft hy 
ook gereift door /Egypte» , door Afie , door 
Griekenland, door Italië» , in verfcheide Ei- 
landen, als Sardinië enz. als ook door Ar- 
menië , door de Tont Euxin , en zelfs tot de 

uit- 



Maart en Jpril 1719. Z65 

uiterfte grenzen van JEthiopien; hy is ook 
gereift door gelukkig Ar abten, insgelyksdoor 
alle de Landen van Africa , dewelke in zyn 
tyd onder de wyd-uirgeftrek're Heerfchappy 
tan de Roomfche Wereld-Monarchen wa- 
ren. Zo dat wy ( wat de zaaken van eigen 
bevinding betreft) Strabo wel moogen hou- 
den en achten voor een Schatkift .vol heer- 
lyVe zaaken der Aaloude Nacuurlyke Hi- 
ftorien , Wetenfchappen , Konlten, Hand- 
weiken enz. 

(a) Strabo verhaalt, dat geheel Spanjen\SLn 
Metalen overvloeide , en zeer ryk was van 
Bergltoffen. Hy merkt aan , dar de Landen , 
daar veel Metalen gevonden wierden, zeer 
onvruchtbaar waren van andere vruchten 
voor het leven der menfehen , en dat in te- 
gendeel de vruchthaarfte landsdouwen de 
armfte gevonden worden van ryke Metalen. 
Inde Wereld, zegt hy, isaau my geen Land 
bekent, daar het Goud, het Zilver, het Ko- 
per en het Yzer zo overvloedig gevonden 
worden, als in Spanjen. Het Goud , vervolgt 
hy, word daar niet alleen uit de Mynen ge- 
graven, maar ook uit de Rivieren gevifcht, 
omdat de vloeden aan haar boorden een zand 
opwerpen , dat met goud doormengt is. Hy 
getuigt , dat- in zyn jeeftyd onder Auguftus en 
Tiberius op veel meer plaatzen in Spanjen, 
Goudvifïcheryen waren, als wel Myn-wer- 
ken of Goud-graveryen ; en dat de Spanjaarden 
daar zekere putten maakten, en datzy wiften 
R 4 door 

(<*) Fid. Strabo ae Sim Orbii Lib. 3. 



264 Natuur- en Konft- Kabinet , 
door konft en groote behendigheid het zand 
zodanig uit te waflehen, dat het Goud in die 
putten op de grond leggen bleef. 
16. 

Strabo verhaalt , dat zomtyds onder het 
Goudftof in dit opgeworpen zand flukjes ge- 
vonden wierden , die zy ia die tyden Pala 
noemden , van dewelke eenige een half- 
pond zwaar wierden bevonden ; en dat zo?n- 
mige van die goudftukjes zo zuiver dikvtils 
gevonden wierden , dat zy weinig zuivering 
( door fmelting ) meer van noden hadden. 
Dat ook zomtyds kluitjes en brokjes ge- 
vonden wierden , daar veel zilver onder 
was; en hy verhaalt,door welke konftige midde- 
len de Spanjaarden deze twee Metalen in die 
oude tyden al zeer zuiver van malkander willen 
af te fcheidem 17. 

Onder de Heerfchappy van Keizer Augujius^ 
waren de Heerfchappyen der verfcheide vve- 
relds-deelen vry wat meer bekent aan malkan- 
dertn geworden als te vooren, door alle die 
grouwraame en Avyduitgeftrekte oorlogen der 
Romeinen: en dewyl alles na de roemruchtige 
Stad Romen vloeide, is ook de reden, dat 
Strabo veel Landen kende en melt daar 
Goud gevonden wierd. In het dertiende Boek 
van zyn Wereld-befchryving verhaalt hy , 
dat in 't Land van Phrygie by Trojen een Stad 
hadde gelegen, daar ook een Goud-mynwas 
geweeft, dewelke in zyn tyd meert uitgeput 
wss , en zeer weinig gaf. Daar Strabo van 
Armenië fpreekt , zegt hy , dat by CambaU 
Goud-mineraal gevonden-wierd. 

i8.Wy 



Maart en April 17 ip. 16 f 

18. 
Wy konnen zeer lichtelyk bemerken, dat 
zedert het ontdekken der Goud-kuften en de 
rykdommen van America, de menfchen de 
Goud-mynen van Europa en elders hebben 
beginnen teverwaarloozen, want Strabo ver- 
haalt in zyn vierde Boek , dat zelfs in de Al- 
pifcbe gebergten Goud-mynen waren, die zeer. 
rykvan Mineraal waren. Hy verhaalt, dat deze 
Bergliedenin een gedurige oorlog waren, om 
dat die by Salajle het water in haare Bergwerken 
leidende , de andere , die in de daalen woonden, 
het water onthielden , en dus haare landen 
onvruchtbaar maakten, waar uit gedurig oor- 
log en twilt onder dit volk ontftond. Noch 
melt Strabo , dat by Aquilea by de Sauri- 
fcen , dat noch hedendaags onder 't Huis van 
Ooftenfyk behoort, zo veel goud-aarde ge- 
vonden wierd, dat dezelve zeer ondiep uit- 
gegraven wierd, en dat in zyn tyd de Ro- 
meinen die Mynen bezaten in eigendom ; en 
dat in deze gedeeltens der Alpes zelfs rivie- 
ren gevonden wierden, dewelke goudry k wa- 
ren, het welke noch hedendaags blykt aan de 
Goud-mynen, dewelke in Hongaryen zyn. 

i'o. 
De Rykdommen, dewelke van Goud en 
Zilver door de Romeinen in Touloufe in 
Vrankryk gevonden wierden, waren na 't ver- 
haal van Strabo zo groot, datdeRomeinfche 
Burgermeeiter Capio uit die Stad roofde 
1 10000 ponden Goud, en vyftienmaal hon- 
dert duizend ponden Zilver ; datdelnwoon- 
ders het zelve in haare Tempelen hadden ver- 

R s bor- 



166 Natuur- en Konft-Kahinet , 

borgen, en zelfs in de moeraflèn hadden laa- 
ten wegzinken, dog dat de Romeinen deze 
moeraden aan de meeftbiedende verkochten , 
dewelke daar noch groote fchatten uithaalden. 

20. 
In Afut wierd in die tyd op veele en ver- 
fcheide p'aatzen ook Goud in overvloed ge- 
vonden. Strabo zegt in 't 16. Boek, datby 
de vloed de Ganges volkeren woonden, de- 
welke groote rykdommcn van Goud beza- 
ten, zodanig, dat zy zelfs haare Olyfanten 
en Huiscieraaden met heilagen en majfif Goud 
vercierden. Dat by de Roode Zee volkeren 
woonden, die Deine genaamt wierden, van 
dewelke zommige herders en andere -land- 
bouwers waren, dat zy een zeer Goud-ry- 
ke rivier hadden, dewelke door haar land 
liep , dog dat zy de konft niet ve'rllonden 
van het Goud tefmelten. Infgelyks dat niet 
ver van deze Debce een ander Natie was , 
dewelke goud groeven, en zomtyds brokjes 
goud vonden , van de welke zommige wa- 
ren als een kleine noot, en andere als een 
halve of kleine mifpel of okkernoot, datzy 
door deze brokjes gaten drilden, en dezelve 
als braceletten om haare armen droegen v en 
ïomtyds aan andere Natten voor een gerin- 
ge prys verkochten , te weten voor driemaal 
zo veel koper of voor tweemaal zo veel zil- 
ver, en dat deze naait aan de Sabcci of die 
van gelukkig Arabie grenfden. 

il . 
Uit alle dezegetuigeniiTen blyktklaar, dat 
over zeventienhondci :t jaaren ,• doeStrabo leef- 
de 



Maart en dpril 1719. 2.67 

de en fchreef, de wereld alum zo wel met 
goud voorzien is geweefr , als na dien tyd, 
dat de Spanjaarden kwanfuis Europa met het 
goud van Amcric.a verrykten. Ja onzen Strabo 
verhaalt in zyn 1 1 Bock, dat zelfs de ihajjageten 
otSarmaten,ó\e. aan de Pont Euxïn en het Meo- 
t'is Meir woonden , overryk van Gouj waren; 
dat zy goude gordels droegen, endatzellsde 
toornen van haare paarden met goudbtüagen 
en verguit, en haarefchouder-riemen met goud 
overdekt waren : en dat wel voornarnertlyk 
het goud en koper by fexzMajj'ageten zeer over- 
vloedig gevonden wierd , als ook dat in Hyrca- 
n'te byde Cafp ifche Zee zeer goud- ryk e met aal- 
taarde gevonden wierd. Hy verhaalt in 't achtfle 
. Boek , dat in de Stad van Connthen zulke on- 
-noemelyke lchatten en rykc 1 ommen van goud 
waren, dat Cyfelus aan Olympïa eengefchenk 
dede van een levensgroote Statue van majjij 
goud. 22. 

VVy hebben in het begin van deze verhan- 
deling gezien , dat Mofes in zyn tyd al zeer on- 
derfcheidéntlyk van 't Goud heek gelchreven ; 
dog als 'Wy wilden nagaan alles, dat van 't 
Goud verhaalt word in die vy f aaloude Boe- 
• ken van Mofes , en in andere Boeken van de 
Bybel , als van de goude Vaten, van de over - 
dekkinge' met goud, van veel andere konft- 
'ftukken en werken van 't goud, 2ouden wy 
wel zeer klaar hier uft konnen afleiden, dat 
/Egypten , en de' Woeftyne , en fteenig Arabien^ 
en alle die omgélëgè landen, daar dejooden 
'verkeerden, zeer overvloediglyk van goud 
'moeten voorzien, geweêlt zyn. Als ik nu uit 

de 



2,68 Natuur- en Konjl-Kahinet , 

de oude Heidenen kan toonen , en uit Schry* 
vers, die geen kenniffevan Mojes (z\s vanhoo- 
ren zeggen) fchynen gehad te hebben, dat 
zulks waarachtig is, fchynt rny toe, dat daar 
ui: voor de opmerkende Lezer een zeervoor- 
treffelyke waarheid te ontdekken is ; te we- 
ten , dat de groote Natuurlyke Hiftorifchry- 
ver en Man Gods Mo/es , van de Natuur en 
Konft-gewrochten dier landen in zyn aalou- 
de tyden zodanig gefchreven heeft , als de 
Heidenfche Schryvers, die lang na hem ge- 
leeft hebben, uit andere Heidenfche Schryvers 
of overleveringen beveiligen. 
23. 
Wie zal , die maar een weinig in de oude 
Heidenfche Schryvers ervaren is, durven ont- 
kennen, dat in dealderoudfte tyden, de Lan- 
den , daar de Kinderen Ifraèlsof gewoont of 
verkeert hebben , de Moeders en Voortkweek- 
iters of fonteinen zyn , daar de kennifle der 
Natuurlyke Hiftorien , Werenfchappen , Kon- 
ften en Handwerken eerft gebloeit, en van 
haar by de latere en naaltgrenzende volkeren 
over en afgevloeit zyn. (a) Diodorus Siculus 
ïegt , als uit de mond der JEgyptenaaren zelfs, 

daar 

(a) Vid.Lib.l Cap.15. 

Diodorus Siculus was geboren in 't Eiland Sicilië , 
in de Stad Hegyrie, en heeft geleeft onder Julïtrs 
Ctefar , en ook noch onder Augufius. Hy heeft de 
Hiltorie van de doenmaal meelt-bekende wereld- 
deelen van haare beginzels tot aan de i8u Olympia- 
de befchreven , en wel meelt de zaaken der Mpyp- 
te-naaren , ^Afyritrs , Meden , Per/tanen , Grieken , 
Carthagwenfers , Sicilianen , d/e van Rhodus , Ma- 
-cedoniers , Cretenfers enz. 



Maart en April 171 9. 260. 

daar hy veel mede omgegaan heett , dat zelfs 
by de regering van Ofiris en I/is , in de roem- 
ruchtige en wyd vermaarde Hoofdftad [a) 
Ibebe (met hondert poorten ) in 't T'hebaan- 
fche Land al Goudflagers en Koperflagers win- 
kels w-aren opgerecht. 24. 

Dat de wydvermaarde Stad T'hebe zeer 
oud is geweeft, en van een groote roemruch- . 
tigheid , getuigen alle oude Schryvers der 
JEgyptifche Hiftorien,degeheele Outheid roemt 
de Aaloutheid der Ibebanen. Diodorus 
Siculus zegt zelfs , dat in zyn tyd de Wyze 
of Sacerdotes ( Pricfters ) van JEgypten onder 
malkander over deszelfs outheid en eerfte 
oorfprongtwifteden. Het Goud was ia dezel- 
ve zeer overvloedig, want dewyl dezelve in 
't hoog JEgypten ftrekt , waszy het algemeen 
Magazift der Bergwerken, Metaal- en Mine- 
raal- winkels,enSteen-flyperyen;en 't Land van 
T'hebe was vol Marmer- en Steen-groeven , als 
ook de moeder en voedfter van veeleKonften en 
Ambachten,uit de Mineralen, Metalen, Steen en 
en andere natuurlykeSchepfels afkomende. ü/e- 
dorus (b) verhaalt , dat die van Thebe zichroem- 
den 't alderoudfte en eerfte Volk van alleVolke- 
rentezyi), en dat by haar de Wysbegeerte of 

Na. 

(a) Thebe was een Stad in Mgyften , dewelke hon- 
dert veertig Stadiën in haar omtrek was, en was de 
Hoofdllad van 't Landfchap Theben in jEgypten ge- 
legen, niet veri£ van de Nyl, tiüTchen Metnphis en 
Siene , en noch hedendaags Z&eiwgenaamt, volgens 
het getuigenilïe van Reizigers en \}rd. Afr'tcams, hoe- 
wel by Sanfon dezelve hedendaags Mini» genaanit 
Word , dog is nu van weinig belang, 

(b) Lib-I. Cap.jo. 



zjo Natuur- en Konft-Kabimt , 

Natuur-k^nnifle, en de Sterrekunde cerfl: in 
haar bchoorlyke Ordre was gevonden en ge- 

fchikt. 

Dezelfde Schryver (a) verhaalt, dat aan 
de gr'enspaaleu van JEgypten na de zyden van 
Arabïe en JEthiopie een groot Geweft gevon- 
den wierd , daar uitÜekend veel Goud-groe- 
ven en Bergwerken waren. De grond van 
dit geweft was lteenig, en overal doorloopen 
met aderen van wit marmer , en veel blinken- 
de fteen of marcazyt-ftoften en metaal-ertfen , 
uit dewelke door behulp van geketende flaven 
de üverften dezer Bergwerken met zeer groo- 
ten arbeid veel goud lieten graven en berei- 
den. De Koningen van Mgypten ( vervolgt 
hy ) hadden degewoonte, de in oorlog gevange- 
ne of de misdadigers van haar eige landaard 
in deze Mynwerken te bannen. 

ló. 

De wyze van dit goud-graavenby deze oude 
JEgyptcnaaren , zal wel de moeite waardig zyn, 
om nagevorfcht te worden. D'todorusSiculus 
2egt op de zelfde plaats, dat deze aan de bee- 
nen geketende Slaven en andere Myn-wer- 
kers, de goudryke grond , dewelke al te hart 
en te fteenig was , door veel vier gloejend 
maakten , en op die wyze braaken en deden 
vermurwen en barften. Zulke een Hoofd- 
bergwerker liet op zyn poft met tiendui- 
zend menfehen daat aan arbeiden met 
alderhande breekyzets , en zodanig een 
Berg-meefter wift de erts uit te kiezen en te 

ont- 

U) Lib. lII.Cap.z2. 



Maart en April 1719. zji. 

ontdekken, en aan de arbeiders de weg te 
wyzen , en gebood de alderlterkfte karels, 
met fcherpe breek-yzers het marmer en de 
fteenige ertzen met gewelt aan ftukken te 
breektn. Zy maakten haare Mynen en on- 
deraardfche loopgraaven juiÜ niet na een rech- 
te lyn , maar na de ryke ader, en zo als de 
Bergen beit opfpleeten. 
27. 

De oude JEgyptenaars fchynen dierhah'en 
(uit het getuigeniile van onzen Diodorus Sicu- 
ius) al zeer groote kennifièvan de kond der 
Bergwerken gehad te hebben. Het is waar , 
iemant zoude kounen tegenwerpen , dat 
Diodorus Sicuius deze zaak befchryft , 
zodanig als hy die zelfs gezien en gevonden 
heeft , doen hy ten tyde van omtrent de Geboor- 
te onzes Zaligmakers over zeventien hondert 
jaar geleden in Mgyften was, maar hy (a) 
getuigt, dat de uitvinding en ontdekking van 
deze Mineralen of Ertzen toen in lEgypten al 
over-oud was, en van haare aaloude Konin- 
gen van een onbedenkelyke tyd voorleden al 
uitgevonden was. Waar uit my dunkt, dat 
het klaar genoeg opkomt, dat deze 'wyze van 
in de Mynen te werken , al ten miniten by ja 
zelfs voor het leven van Mofes ^in JEgyptenin 
't gebruik ge wedt is. 

28. 

Op dat de Lezer zoude zien, op welk een 
Wyze de Oude JEgyfienaare» het Goud 
Willen te bereiden en te zuiveren , is 
aanmerkelyk , alles dat onzen Diodorus Si- 
cuius 

(a) Lib.III.Cap.i+. 






i.yr Natuur- en Konft- Kabinet , 

culus met de uiterlte naauwkeurigheid en om- 
frandigheid («) verhaalt. De Myn-werkers, 
zegt hy , waren ( om de wonderlyke diepe 
en zeer kromme omwegen der loopgraven ) 
genootzaakt/ kleine lampjes aan haare voor- 
hoofden vaft gemaakt als voor zich te dragen , 
om door derzelver lichtte konnenzien. Ter- 
wyl nu deze elendige fiaven nacht en dag by 
verpozing bezig waren met hakken en bree- 
ken, wierden de afgehakte fteenbrokkendoor 
Jongelingen, die in de mynen kroopen, op- 
geraapt en uitgedragen. 

De Mynwerkers or Slaven , dewelke bo- 
ven de dertig jaar en daar omtrent oud wa- 
ren, wierden gebruikt, om deze uitgekapte 
en afgefcheurde Erts en fteenftukken in daar 
toe gemaakte- fleene mortieren met yzere 
bollen fyn te dampen , en grovelyk aan ftuk 
tewryven. Behalven dit gereetfchap hadden zy 
noch Breekmolens in een groot getal, daar 
zy duor fterke menfchen ( zo wel vrouwen als 
mannen) deze gekneusde en gebroke klomp- 
jes in fyn maalden. Diodorus verhaalt, dat 
deze elendige menfchen daar allo naakt in de 
Mynen en daar omtrent ftonden te werken , 
en niets tot haar dekzel hadden , en dat de 
enkelde aanfchouwing dezer elendige lieden 
een iegelyk tot deernis verwekte. De wreed- 
heid tegens deze menfchen ging zo ver, dat 
(onaangezien haar Sexe , zwakheid, ziekte, 
tederheid of ouderdom) zy , tot dat zy door 

de 

(«) LibJII. C<*/>, n.13.14. 



Maart en April 1 7 1 p . 2.7% 

de moeilykheid van den arbeid bezweeken en 
ftierven , wierden aangedreven. 

Dit fyn-geftampte marmer, of liever deze 
fyn-gebroke erts wierd op uitgeholde marme- 
re tafels geftrooit, en door water gewaflchen, 
en gedurig noch fynder en fynder gewreven j 
en alles, dat aardachtig en fteenachtig was, 
zachtelyk uitgefpoelt, tot dat eindelyk het 
Goud door zyn overgroote zwaarte op de 
grond gezonken bleef leggen. Hier over 
wierd gedurig wederom water gegoten , en 
met de handen zachtelyk gewreven en omge- 
roert, en het troebel water gedurig zachte- 
lyk afgegoten , en met zeer lichte fponzen 
de lichte en onreine (tof zeer voorzichtiglyk 
afgeveegt , tot dat eindelyk het goud-ftof en 
goud-fchaafzel zeer gezuivert op de grond ge- 
vonden wierd. 

3 T * 

Dit gezuivert Goud-metaal wierd van an- 
dere Konft-arbeiders of Smelters uit de holle 
fchotels, of bakken of tafels genomen, ver- 
gadert, en in van aarde gebakke fmelt- 
kroezen overgebragt ; en na de hoedanigheid 
van dit gezuiver ' Metaal , dat is, na dat 
het zelfde meerdei of minder rein was, wierd 
te gelyk in deze kroezen geworpen een ge- 
deelte loodt, eenige greinen zout, een wei* 
nig tin, en een gedeelte zemelen van garft, 
en datelyk op deze kroezen een dekzel gedaan, 
dat zeer wel op dezelve lloot , en met leem 
toegeftreken wierd ; dit alles Avel bezorgt 
2ynde, wierden deze kroezen in ftook-ovens 
S ge» 



2 74 Natuur' en Konft-Kabinet , 

geplaatft, en de tyd van vyf nachten en dagen ge» 
duriglyk gekookt. Na verloop van welke tyd de 
kroezen wederom uit het vuur wierden gehaalt, 
en koud geworden zyndegeopent, enwierdin 
dezelve niets gevonden, als alleenlyk het gezui- 
verde Goud ; zynde al het loodt, tin, zout, en de 
onreinigheden,die noch by het goud-metaal wa- 
ren, door de groote kragt des vuurs verteert 
en als vernietigt. Dit is eindelyk , zegt Dio- 
dorus Siculus , de bereiding van het Goud in 
de Mynen , dewelke op de uiterfte grenzen van 
JEgypten gevonden wierden. 

De Patriarch van Conftantinopolen P H O- 
TIUS heeftin zyn Bibliotheecq eenuittrekzel 
van de Befchryving der Roode Zee en des- 
ïelfs naaftgelegene Landen, door de Hiftori- 
fchry ver Agatarchides Cnidius, 
daar alles , in het vyfde Boek aan het xide 
Kapittel , van deze Goud-metaal en Bergwer- 
ken van hoog JEgypten word beveftigt , het 
geen ik uit onzen ouden Diodorus Siculus neb- 
be aangehaalt, en word hier met dezelve naauw- 
keurigheid befchreven ; en door welke Vol- 
keren JEgypten naderhand overvallen , en de- 
ze werken geftaakt zyn , met veele omftan- 
digheden , dewelke de naauwkeurige Lezer (a) 
daar zal konnen vinden. 

33- 

Het is aan de kinderen bekent, dat Jazoa 

verziert word het gulde Vlies van Colchos door 

behulp van de toveryen van Medea gehaalt te 

hebben ; maar Strabo , daar ik te vooren van 

ge- 
fa) Vid.PhotHBiblittbXod, 25-0. 



Maart en April 1719- ïyf 
gefproken hebbe , ( a ) oordeelt , dat deze 
Fabel verziert is , om dat de Oude Scythen , 
dewelke omtrent Colchos woonden , te weten 
tuflchen de Pont Enxin en de Cafpifche "Zee, 
overvloeiden inrykdom van goud , het welke 
zy in doorgeboorde en met gaten gewerkte 
tafels, en daar overgefpanne vellenjuit de Goud» 
ryke Rivieren , die door haare Landen vloei- 
den, vifchten, en dat Jazon met zyn vloot 
het goud daar van daan heeft gehaalt. Het 
welk ook getuigt en beveftigt word. van Ap- 
pi 'anus , daar hy van de Oorlog van Mithri- 
dates fpreekt, en verhaalt , dat Pompejus in 
zyn tyd die Goudryke Rivieren zelfs gezien 
hadde, in dewelke de Inwoonders deze hairi- 
ge vellen als onderwater ftaken, aan dewel- 
ke het Goud-ftof en affchaafzels hangen ble- 
ven , en hy oordeelt , dat dit het zelfde gul- 
de vlies is, dat Jazon roofde. Enwatdeout- 
heid van deze Hiftorie belangt, zulks kan 
zeer wel met de Scythen over een koomen , 
want de Scythen zyn na alle waarfchynlyk- 
heid noch ouder Volk als de Egyptenaar s 
zelfs , het welk ik op zyn plaats genoegzaam 
hoope te zullen konnen toonen. Wanneer 
ook Noach met zyn Familie uit de Arketrad, 
was hy veel nader aan Colchos of deze Scythen^ 
(omeen Volkplantinge te verwekken) als aan 
het ver afgelegen JEgypten , daar Abraham na- 
derhand eerft de Volkplanting ontmoete ; en 
dat deze zeer oude en mede eerfte Volkeren, 
te weten de Scythen van Colchos , zeer ryk 
van goud geweeft zyn , zullen wy datelyk 
S a lee- 

(b) Kd.Strahe Lib.X, 



2j6 Natuur- en Konft-Kabinet , 

leeren uit Plinius, die altyd geweldig naauw- 

keurig geweeft is , in het opftooven der Aal- 

oudheden en afkomft der Natuurlyke Zaa» 

ken. 

34- 
Plmtus fpreekt van de zeer groote ryk- 

dom in Goud van de Scythen in zodanig 
een overmaat , dat ik met fchroom mede dee- 
le, 't geen hy in zyn drieendertigfte Boek 
aan 't derde Kapittel verhaalt , dat de Ko- 
ning van Colchos geheele Kamers en trappen 
van goud en zilver hadde , maar dit zal bui- 
ten twyfel van met goud bekleede wanden: 
verdaan moeten worden. 

Alhoewel ik nu genoegzaam bewezen heb- 
be , dat de Aaloude Volkeren , en voorna- 
mentlyk de Aaloude Hebreen , Scythen , Ara- 
bieren , JEgyptenaaren , Lybiers , en andere 
Volkeren zeer ouwelings groote kenniiïe 
van 't Goud gehad hebben , is tot noch toe 
niet genoeg getoont , op welk een wyze by 
ouds in Europa het Goud uit de Mynen ver* 
gadert wierd; want dewyl de Aaloude Fran- 
fchen , Spanjaarden , Hongaar en , of Volke- 
ren dewelke die Landen bewoonden , de 
Volkeren aan de Zwarte Zee , en zelfs de 
Volkeren , die de Alpifche Gebergtens be- 
woonden, overvloedig ryk in Goud waren, 
fpanden echter onder de Europianen by ouds 
de Spanjaarden de kroon van alle de andere 
Europtjche Natiën ; en in Spanjen wierden 
zo wel als in Mgypten groote en grouwzaa- 

me 



Maart en April 171 9. 2,77 
me Bergwerkea gevonden , daar by ouds 
Goud uit gemeubelt wierd.' 

35 1 - 
(a) ?limustegv. het Goud , dat uit de Bergen 
word gehaalt, noemen zy Myn-erts , ofmyn- 
of ader-metaal , en dit goud-metaal (vervolgt 
hy ) groeit in de zelfftandigheid van het mar- 
mer in Spanje* , en loopt met aderen door 
de Marmere Bergen. Deze Myn-aderen 
worden ingegraven , gehakt en gewerkt , en 
dan met houte zolderingen enpylaaren onder- 
fteunt, op dat zy niet zouden invallen. De 
Erts, die uitgehakt is, word gedampt, ge- 
brandt, gemaalenen gewalTchen; zy dry ven 
door gewelt van vuur in haar brand-en imelt- 
ovens het zilver , dat daar onder vermengt 
is , uit ; en de fprankels , die onder het koo- 
ken daar uitfpringen , worden naderhand we- 
derom geftooten en tot Goud gekookt. 

36- 
Plimus zegt , dat de fmelt-ketels of fornui- 
zen , of liever fmelt-kroezen , daar zy het 
goud in kookten, gemaakt wierden van een 
witte aarde, die van een vafte en kleyachtige, 
en voor 't vuur een beftendige materie was ; 
dit werk in de Bergen gaat ( na zyn zeggen ) 
hec werk der oude Reuzen te boven , want 
zy hakten en klopten met zwaare hamers en 
ander brekend gereetfchap zo lang in deze 
rotsachtige Bergen , tot in haar diepfte inge- 
wanden , in zo ver , dat zy zelfs het daglicht ver- 
loren; zo dat deze Bergwerkers zomtydsgeen 
daglicht zagen in eenige maanden, en by 

S 3 het 

{a) Lib. 33.0^.4. 



2.78 Natuur- en Konft-Kabinet , 

hec licht der lantarens gedwongen waren te 
arbeiden. Zomtyds fpleten ( zegt hy ) de Ber- 
gen onder het werken zo onverwacht en 
grouwzaam van malkanderen , dat de Ar- 
beiders wierden overltolpt en levendig be- 
graven. 

37. 
Zomtyds ontmoeten zy( vervolgt Pllmus ) 

onder het ingraven en inhakken, groote kei- 
of vuur- fteenen, deze maaken zy door kragt 
van vuur gloejende , en doen dezelve fprin- 
gen, en vermurwen zommige met fcherpe 
azyn. Dag en nacht droegen deze Bergwer- 
kers groote brokken fteenen en erts op de rug, 
die zy aan malkanderen over reikten , om 
na buiten te brengen , de wanden en zy-fteen 
fplyten zy op met groote yzere wiggen en 
zwaare hamers. Als zy zomtyds de Bergwer- 
ken onder hebben uitgewerkt , ftont altyd 
boven op de Berg iemant op de wacht, en 
als die gewaar wierd, dat de Berg begon te 
bewegen, en dreigde in te ftorten, wierd het 
volk door een teken fchielyk na buiten ge- 
roepen , en elk nam de vlucht , terwyl on- 
dertuflehen zodanig een ftuk van de onder- 
gegrave rots begon in te ftorten, hetwelk een 
gedruis en een wind maakte , die niet uit te 
drukken is. En deze groote moeite en ar- 
beid deden zy menigmaal, zonder dat zyeens 
verzekert waren, ofzy Gouderts- aderen zou- 
den vinden ; hy befchryft de gevaartens van 
haar waterleidingen en uitemmering , en veel 
zaaken , die by Plinins gelezen konnen wor- 
den. Deze waterleidingen worden zodanig 

g e - 



Maart tn April ijip. 179 

gemaakt, dat zy met een vreeslyk gewelt 
koomen afvliegen, en groove ftukken van 
rotzen door haar kragt mede voeren en weg- 
fchuuren. Hy verhaalt, dat in deLandfchap- 
pen van AJlurie , Gallicie en Lufitanie wel 
het meefte goud viel. 

38. 
Plinius verhaalt , dat in zyn tyd uit vee- 
Ie Goud-ryke vloeden ook goud wierd opge- 
vifcht, als uit de Taag in Spanjen, uit de Po 
in halten, uit de Hebrus in Thracien, uit de 
Paélolus in AJia , en uit de Ganges in In- 
dien. Plinius heeft ook verfcheide plaatzen 
aangetekent, daar 't Goud niet zeer diep uit 
( de oppefvlaktens der aarde in zeer ryk me- 
taal zomtyds gevonden wierd By het le- 
ven van onzen Plinius was Romen over- 
vloedig van Goud , en voorwaar geen won- 
der, dewyl de Romeinen by na alle de Na- 
tien van de bekenden aardbodem haare ryk- 
dommen beroofden , en in haar Wereld-ftad 
opftapelden. Hy getuigt, dat in zyn tyd de 
treffelyklte Lieden de wanden en zy-muuren 
van haare huizen met goud lieten vergulden, 
even gelyk of het Kleinodiën en goude vaten 
waren ; dat binnen Romen alderhande konft- 
werken van goud gemaakt wierden, en dat 
de konft van in 't goud te werken zo ver 
gebragt was, dat hy zelfs gezien hadde, dat 
Agrippina een kleed aan hadde, dat van maf- 
fif goud geweven was, als zy naaft Claudius 
zat op een tyd, dat hy eenSpiegelgevecht te 
water liet vertoonen. Hy merkt aan, dat 
in al het Goud min of meer Zilver gevonden 
S 4 wierd, 



z8o Natuur- en Konft- Kabinet , 
wierd, zomtyds een tiende, zomtyds een 
negende, en zomtyds een achtfte part, em, 

39- 
Uit alles, dat tot noch toe van de aal- 
outheid van het Goud verhaalt is, kan de 
Lezer zeer wel merken , dat ten tyde van 
Mo/es, en zelfs voor Mofes tyd , behalven 
het opgevifcht of anderzins gevonden Goud, 
ook al Goud door zwaar werk uit de 
onderaardfche mynen is gehaalt, enxiat ver- 
volgens de konft van Bergwerken en Me- 
taal-gravery al zeer lang voor het leven van 
Mofes in de wereld is geweeft. De Aalou- 
de JEgyptenaaren , ja zelfs haar eerfte Ko- 
ningen, waren by uitftekentheid groote Lief- 
hebbers van de Myn-werken, Ertzen, Me- 
talen, Steenen en Mineralen, gelyk uit de 
getuigeniflen der aaloude Hiftorien , en Schry- 
vers van onbedenkelyke tyden zeer klaar 
blykt. Voornamentlyk waren onder de 7E- 
gypttfche Prinflèn die van de Stad Thebe-a 
of het Thebaanfcbe Land beroemt in deze 
voortrefFelyke natuurlyke Hiftorikunde , en 
Metaal-en Mineraal-konden. Het overoude 
'Theben was ouwelings de fchatkift en het 
magazin van Goud, Zilver, Koper, alder- 
hande Metalen , Mineralen , Steenen, en 
van alle de Konften, Konft-ftukken , We- 
tenfchappen en Handwerken , in alle deze 
natuurlyke gewrochten en fchepzels. 
40. 
Theophrastus Eresius, geboren op't 
Eiland Lesbos, dewelke de Prins van alle de 
Leerlingen van Arijïoteles was, en hem daarom 

ook 



Maart en April 171 9. 281 

óok in het recht van Leermeefterfchap is op- 
gevolgt tot Athenen , heeft onder andere Boer 
ken aan ons nagelaten een zeer klein Boek-? 
je, handelende van de Edele Gefteentens; 
maar dewyl Theuphrajius in dit Boek reets al 
van de Koningen van JEgypten van een zeer 
ouden Oatummelt, konnen wy veel licht in 
dezeOutheden fcheppen, als wy zelfs aan- 
merken, dat 'Theophrajius Erefeus zelfs drie 
hondert en vier en twintig jaaren voor de 
Geboorte van onzen Zaligmaker, dat is in 
de hondert en veertiende Olympiade, (a)en zelfs 
al een weinig voor dien tyd geleeft heeft; 
dat is, detuflehentydvan hetlaatfte van Mo- 
fes leeftyd, tot het begin van de leeftyd van 
onzen Tjheophraftus Erefius , kan maar ruim 
elf hondert jaar uitmaaken. 
41. 
Als wy nu eens aandachtig letten op alles, 
dat Theophrajius van de Gefteentens lchryft, 
en op alles, dat hy van de konften aanhaalt, 
door dewelke dezelve wierden of gepolyft,af 
gegraveert , of gefpleten , konnen wy lich- 
telyk begrypen , dat al veel tyden verlopen 
moeten zyn geweeft , eer deze zaaken zoo 
omftandiglyk konnen uitgevonden zyn ge- 
weeft ; te meer als wy daar by voegen alles, 
dat van de Metalen, Goud, Zilver, Berg- 
ftoften en edele Gefteentens, als in deBorlt- 
lap des Hoogenpriefters enz. in de Boeken 
vanMofes gemelt word, konnen wy hieruit 
zeer lichtelyk afleiden , en als een waarfchyn- 

s s Jyk- 

(a) Want in die tyd wierd Theophrajius al in ds 
plaat» van ^/iriftoteles als zyn Opvolger geftelt. 



2,8 2 Natuur- en Konft- Kabinet , 

lykheïd vaft ftellen , dat die van Theben al 
lang voor de leeftyd van de Man Gods Mo- 
fes hebben geleert geweefl in de Bergwerken 
en bereidingen der Metalen, Mineralen, 
Goud, Zilver, Koper, Steeuen, Albaften, 
Edele Gefteentens ; mitsgaders in de kennifle 
der natuurlyke Hiftorien, Konden en Hand- 
werken, dewelke omtrent deze zaakentepas 
kwamen. 

41. 
Daar Theophraftus gewag maakt van het 
Marmer , ondérfcheit hy wel duidelyk vier 
foorten, dewelke alle byzonderlyk genaamt 
wierden na debyzondere Landfchappen , daar 
dezelve Steen-groeven of Steen-breeken ge- 
vonden wierden, als de vermaartfte zynde, 
daar hy kennifle van hadde , namentlyk. iDe 
Steengroeven van het Eiland Paros , dat zeer 
vermaart om zyn Marmer was. 2ÜeSteen- 
groeven van 't Griekfche Gebergte van Pen- 
tolïcum. 3Üe Steen-groeven van 't bergach- 
tige Eiland Chios , in de Egefche zee gele- 
gen. En 4. van de aaloude vermaarde Steen- 
groeven en Mynwerken van Thebe in Mgyp- 
ten. Hy verhaalt ook uit de aantekeningen 
der levens der oude Koningen van JEgypten y 
dat de Koning van Babylomen groote ge- 
fchenken liet doen aan die van JEgypten , van 
zeer uitnemende groote Smaragden, daar de 
groote Liefhebbery van de JEgypttfche Prinf- 
fen van dit flag van zaaken klaar uit opkomt. 
Daar hy van de Cbryfocolla of Borax fpreekt, 
melt hy, dat de zelve zeer overvloedig in de 
Goui-mynen ot Bergwerken gevonden wierd, 

ipre- 



Maart en April ijip. 2S5 

fprekende vervolgens van de Goud-mynen , 
als van een zeer algemeen bekende en over- 
oude zaak. Daar hy van de Agaat fpreekt, 
zegt hy , dat in de goud-mynen en bergwer- 
ken van Lampfacus zeer heerlyke Steenen 
gevonden wierden. Dit Lampfacus was een 
vermaarde Stad in klein Afien, die nu noch 
onder de Turken van aanzien is, en daar 
getuigt (by deze handeling van de Agaat') 
onzen Theophraftus , dat by zyn tyd al een 
Goud-myn gevonden wierd. 

43- \ 

Wy konnen by deze overlezing van 27^0- 

phrajius ook aanmerken , ter opheldering van 
de Outheid van de kenniiïè des Gouds , dat in 
zyn tyd en al lange tyden voor hem de 
Toetfteen ( om door dezelve het Goud te 
beproeven ) in 't gebruik en zeer gemeen- 
zaam bekent was ; dat de zelve gevifcht 
wierden uit de Vloed 'Tmolos, maar Plinius 
getuigt, dat de Toetfteenen in zyn tyd op 
veel plaatzen in verfcheide rivieren overal 
gevonden wierden. 

44. 
Maar om wederom te koomen tot de Out- 
heid der Metaal-en Mineraal-kunde der M» 
gyptenaaren, en van de Berg werk en van het 
beruchte Theben, is de plaats van Theophra- 
jius zeer kragtig, daar hy verhaalt, dat de 
Schryvers, dewelke de verrichtingen der eer- 
He JEgyptifche Koningen hebben nagelaten, 
getuigen, dat de eerfte van die Prinflen de 
uitvinder is geweeft , om de Lazuur-fteen of 
Lapis Lazuli door konft te maaken, alzo 

fchoon . 



2.S4 Natuur- en Konjl-Kabinet^ 
fchoon , als de Lapis Lazuli, dewelke de 
Natuur in JEgypten voort bragt : hy zegt 
zelfs , dat van alle de foort van Lazuur- 
fteen de JEgyptrfche de fchoonfte was. 

45*- 

Als dit nu tegens de mogelykheid aanliep, 
(gelyk wy ftaaltjes omtrent de zwetzers inde 
Alchymie dagelyks bevinden) zouden wy 
'Theophraflus niet konnen geloven , maar aan 
wie is dog onbekent, dat wy door kond, 
van 't zilver enz. het Ultramarin of de La- 
pis Lazuli konnen bereiden ? Hedendaags 
werd immers noch als voor een geheim ge- 
houden , de edele gekoleurde Gelteentens door 
konft na te maaken; enwy hebben maareen 
eenig Schryver, dewelke daar met eenige ver- 
klaring over gefchreven heeft , namentlyk 
KunkeliUS; want Kircherus, Joan. Bapt. 
Porta , de Boot , Neri en andere zyn of 
veel te laborieus , of zelfs zeer onkundig , 
gelyk ik na dezen zalbewyzen met de proe- 
ven ; en hier komt een overoud en eerfte 
Koning van JEgypten, dewelke dat kunsje 
al in de grond verftaan heeft, en aan ons 
voor een goede getufgenifle verftrekt, dat by 
die van Theben in JEgypten alle de weten- 
fchappen en Mineraalwerken , en Konden en 
Goud-bereideryen zeer bekent en gemeen ge- 
weeft moeten zyn. En wie ziet nu ook niet, 
dat hier door zeer word beveiligt en opge- 
heldert, 't geen in de Boeken van Mofes, 
van de goude en zilvere vaten , van de ryk- 
dommenenjuweelen onder de JEgsptenaaren 
en kinderen Ifraels , zo dikmaal gemelt word, 

de- 



Maart en April 1719. 28^ 

dewyl de leeftyd van Mofes maar elfhon- 
dert jaar voor Theopbrajlus geweeft is. 
46. 

Wie zoude ook durven twyfelen , dat het 
Goud, deszelfs bereiding uit de bergen, de 
konften van goud- fmedery, goudgietery, en 
zelfs bladgoud-k loppery, onder de JEgyptenaa- 
ren ten tyde van Mofes , en lang voor dezel- 
ve bekent en geoefent geweeft zyn , als zo 
veel oude Heidenfche Schryvers met Mofes 
in die zaak overeenftemmen $ Wat zet dit 
alles aan de Schriften van Mofes een heerly- 
ke glans van waarheid by ! De goude vaten r 
dewelke de kinderen Ifraels [o) de Mgypte- 
naaren ontleenden , de goude oorcieradien 
der Ifraelitifche Wyven, Zoonen en Doch- 
teren , daar Aaron het goude kalf van goot , 
en duizend andere bewyzen, zyn die niet alle 
tot overtuiging, dat de Goud-fmeed- Goud- 
giet -en Goud-fmelt-konften , en zelfs 't Goud 
zeer gemeen, zeer overvloedig en zeer be- 
kent zyn geweeft by de oude Mgyptenaaren ? 
De verbreking van 't goude kalf door Mofes 
tot drinkbaar (tof, wat is het anders, als 
een bewys, dat de Man Gods Mofes deze 
Metaal-fmeltkonft enz. zelfs grondig gekent 
heeft? Als wy ook alle de overdekkingen 
des Tabernakels als anders met goud en 
diergelyke werken , Püaaren, lyften, tafel,-, 
kranzen, ringen, wilden examineren y daar 
Exodus kap. 36. en 37. van gemelt word, 
Wie zoude durven ontkennen, dat de blad- 
' goud-flagers konft alzo wel als de andere 

hand» 

(«) zitt Exodus 32, vers 2.3. 



2.8 6 Natuur- en Konfi- Kabinet , 

handwerken en konden in 't goud , by de ou- 
de yEgyptenaaren en kinderen Ifraels zeer 1 
gemeenzaam bekent zyn geweeft , dog dit en 
oneindige bewyzen uit de oude Heilige Schry- 
vers zal ik fpaaren voor een ander tyd. Daar- 
om zal ik nu (a) van Bezaleel den zone 
Uri - : des zoons //ar, van de üzmme Juda, 
nie» feeken, noch van zyne wetenfchappen 
en rnuft in alle handwerken , als de vjct- 
ken in Goud, ende in Zilver, ende in Ko- 
per , ende in konftige Steenfnydingen om in te 
Zetten, ende inkonjlige Houtfny 'dingen ; noch 
ook van zyn Leerling Aholiab, de zone 
Ahifamach , van de üamme Dan , en dierge- 
lyke aaloude zaaken. 

47- 
Ik geloof, dat ik bewys genoeg aan myn 
Lezers gegeven zal hebben, om de zelve te 
doen begrypen, dat alles, dat ik uit de aalou- 
de Heidenfche Schryvers gemelt hebbe, van 
de aaloutheid des gouds, van de bergwerken 
en goud-ertzen in Mgypten enz. en dekonft 
van 't goud, en de goud-en zilver-fmits win- 
kels der oude Thebanen en JEgyptenaarex, 
overeenkomt met de befchryving dier zaa- 
ken, door Mofes en andere Heilige Mannen 
nagelaten , voornamentlyk als dezelve dit koo- 
men tevergelykenby 'tgene, datdeoude Boe- 
ken van Mofes en die der Heilige Schriftuur ons 
alom zo wyd en breed van deze natuurlyke Stof- 
fen, Konften en Handwerken mededeelen. 
My dunkt in der daad , dat de waarheid van . 
de Boeken Mofis zeer word beveiligt en op- 

gehel- 

(«) Ziet Exodus^, vers 30. 31. 32. 33, 



Maart en April 17IP. 287 
geheldert , wanneer de oude Heidenen en de 
geflage vyanden van Gods volk , uit de al- 
deroudtte overblyfzels en bewysftukken, de- 
welke zy hebben , gedwongen worden, de na- 
tuurlyké zaaken , konften en handwerken, 
en zulks inde zelve landfchappen, zodanig te 
befchryven, dat derzelver befchryving met de 
omitandigheden en hoedanigheden der zaa- 
ken en tyden van Mofes overeen koomen. 
48. 
Hoewel ik maar alleenlyk melding gedaan " 
hebbe van twee vermaarde Goud-Metaal-cn 
Bergwerken der aaloude, te weten van die 
der JEgyptenaaren en die van Spanje», en 
de andere maar ter loops hebbe aangeroert, 
zoude ik myn Lezer noch wel andere Me- 
taal - en Goud - erts groeven , Goudmynen 
en Bergwerken der aaloude Volkeren kon- 
nen befchryven, als myn beftek my zulks 
niet verbood ; als by voorbeeld (volgens het 
getuigenis van Scepfius by Strabo) van de 
Metaal-groeven in Phrygie, en van Tbracie 
by de Berg Pangous, en van 't Goud, dat 
Priamus by Abydum uit liet graaven ; maar 
Strabo getuigt, dat in zyn tyd daar niet als 
de tekens der uitgegrave kuilen van overge- 
bleven waren , ter plaatze daar hy te gelyk 
melt, dat degoud-rykdommenvan Mydasmt 
de Metaal-bergwerken van de Berg Vermius 
voortkwamen , en dat Gyges, Alyattes en 
Croefus haare grouwzaame Rykdommen van 
goud uit de mynen van een verlaten plaats- 
je tuiTchen Pergamen en Atorne haalden, 

daar 

{*) Vd. Strabo defm orbis Lib. XIF. 



&S 8 Natuur- en Konft-Kabinet , 

daar noch veel uit. egrave plaatzen waren , 
na debelydenisvan Strabo, die door de goud* 
gravers waren uitgewerkt , maar ik zal de 
Outheid verlaten , en tot de kenniffe des 
Gouds , en de Bergwerken , Mynen en Goud- 
crtzen overgaan van de latere eeuwen en 
onze tyden. 

Tweede Verhandeling van het GOUD,ivaar 
in deKennïJfe enW etenfchappen desGouds, 
en der Goudmynen , en Landen en Plaat- 
zen van AMERICA vertoont voorden* 



i. 

PLwius verhaalt , dat in de -grouwzaame 
Bergen , dewelke wy de Pyrineen noe* 
men , en die de twee groote Monarchie» van 
Vrank ryk en Spanjen van malkander fchei- 
den, al gewerkt en gegraven wierd ten tyde 
van den Carthaagfchen Hannibal , en zelfs 
lang te vooren, en dat geen Natie in deze 
Goudmynen en Bergwerken by ouds beter 
bedreven was, als de aaloude Spanjaarden, 
daarom zal ik ook van dezelve in de ver- 
handeling van de Goud-kenniilè der heden- 
daagze wereld eerft beginnen, en met haarc 
Vlooten overfteeken na het Goudryke A- 
merica. 

z. 
De ontdekking van America door Chri- 
STOffel Kolumbus in het jaar «491. is 
een van de Aanmerkelykfte gefchiedeniflèn, 
daar eenige latere Hiltorifchry vers van pel- 
den 



Maart en April 1719. 2,89 

den. En 't geen de zaak aanmerkelyker 
maakt, is, dat Kolumbus van niemant eenig 
licht tot zyner ontdekking van eenig 200 oud 
als nieuw Schryver heeft konnen ontvangen ; 
want te willen valt (lellen, gelyk zommigeiii 
Spanjen toen ter tyd deden , dat America by 
de Aalouden bekent is geweeft, en datzom- 
inige Schryvers daar zelfs van gemelt hebben, 
is een laftering, dewelke de vyanden van de 
glorie en welverdiende lof van Kolumbus by 
de tuiten uit eenen duiüeren afgrond vanmül 
cnfchaduwevoorden dag haalden, om niets 
als haar eigen nydigheid en kwaat gedrag me- 
de te bewyzen. Dat veel bedorve zielen te- 
gens Kolumbus opftonden, bleek alleenlyk 
genoegzaam daar uit, dat hy eerft aan de Se- 
naat van Genua, naderhand aan de Koning 
van Portugaal zyn'dienft geprafenteert had- 
de , maar wierd of mishandelt , of befpot of 
bedrogen. Hy zond zyn Broeder na de Ko- 
ning van Engeland, dog ook al te vergeefs ; 
Eindelyk begeeft hy zich na Spanjen by de 
Koning Ferdinand en de Koningin IfabelJa, 
die hém zeer toegenegen was, en voor de- 
welke Kolumbus zyn geheele leven lang ook 
veel eerbiedigheid gehad heeft; waijt na dat 
Kolumbus vyf jaaren lang aan dit Hof met 
de afgunllige geworftelt hadde , wierd hy 
door beleid van de Koningin eigentlyk gehol- 
pen, tot dat hy eindelyk met drie Schepen on- 
der zeil geraakte. 

3- 
' Zoekt , bidde ik U , alle oude Wereld-be- 

lchryvers, die over de geheele of ten deel 

T be- 



2 oo Natuur- en Konft- Kabinet , 

bekende Aardkloot gefchreven hebben , aU 
Ptolomaus , Strabo , Pomponius Mela , PU- 
mus Secundus , Polybius , Stephanus , Sot't- 
nus , Plutarchus , Julius C<efar, Anton'mi I- 
tinerariuiK , Paufanias , Ravennates , Dioni- 
fius , Dicxarchus , Martianus Heracleota , de 
overoude Hanno van Carthago , de aaloude 
Scylax , Agatbarchides , Artemidorus van £- 
pbefe» , Scymnus van C£/o , IJidorus Chara- 
cenusy Agathemerus , en veele, dewelke ik o- 
verfla, eneenige onbekendeen zonder naa- 
m'en , van dewelke wy zommige geheel , en 
andere by ftukken en brokken overig hebben. 
Onderzoekt verder alle aaloude Hiltorifchry- 
vers, Pbilofophen, en andere oude Schry vers, 
niemant van haar zal u eenige melding doen 
van dat onmeetlyk groot gedeelte des Aard- 
bodems , het welke wy America of de nieu- 
we wereld noemen , en door de Spanjaarden 
eerft ontdekt is. 

4- 
Ik weet wel, dat zommige bybrengeneen 

voorzegging uit de Medea van Seneca, en 
de woorden van Gregorius over de Brief van 
Clemens , dat 'er over den Oceaan een andere 
Wereld zoude zyn ; als ook uit de limaus 
van PIato y van een groot magtig Eiland , dat 
grooter was , als alle de in die tyd bekende 
wereld-deelen , mitsgaders van Reizen der ou- 
de Carthaginenfers y als mede vanden Car- 
tbaagfchen Hanno , die de kuiten van Africa 
bevaren heeft, en het getuigenifle van Eudo- 
xius. Maar geen van alle deze getuigeniflën, 
raadzels, voorzeggingen, ot duiftere over» 

blyf- 



Maart en April jytp. ipf 

blyfzels gevente kennen, dat ooit iemant den 
woef ten en ruimen Oceaan heelt derven o- 
verfteeken , gelyk naderhand de groote Ko- 
lumbus , en zyne Navolgers gelukkigjyk heb- 
ben uitgevoert. De Oude geloofden , dat 
het aardryk bepaalt wierd door de Canarifche 
Eilanden, en dat alle het overige ten wellen 
(trekkende, niet als den Oceaan en louter zee 
was; en dewyl het Curavas eerft is uitgevon- 
den door F/aviit een Napolttaan , in 't jaar 1300 
na de geboorte Chrifti, was het voor deüude 
niet wel mogelyk of raadzaam , haar zo ver 
van eenig Land opdenontzachelyken Oceaan 
te betrouwen. 

S- 

Het eerde Land van hetryke America wierd 

ontdekt by nacht, door een man op de vlooc 
vanKolumbus, Rodrigues de Tiuana ,zyn- 
dein 't jaar i4Q2tulïchen Donderdag en Vrydag 
twee uuren na de middernacht , en gevolgelyic 
met het beginzel van den dag van den 1 1. Octo- 
ber. Zy waren met haare Schepen twee mylen 
van land, doen het eerft wierd ontdekt , door 
het zien van aangeftoke lichten , daar de 
Indianen by nacht van de eene wooning me- 
de na de andere liepen. Deze ontdekking 
gefchiede , na dat zy den 6. van Septem- 
ber 1491. van de Canarijcbe Eilanden zich 
inde volle Oceaan (altyd Welt aanvarende) 
hadden begeven. 

6. 
Het Land, dat ïy ontdekten , was een 
Eiland, dat de Admiraal Kolumbus de naam 
Tan St. Salvador heeft gegeven, leggende 

T i van 



igZ Natuur- en Konft- Kabinet , 

van de Canariiche Eilanden negenhondert en 
vyftig mylen, het welke de vloot in drie-en- 
dertig dagen hadde afgezeilt. Dit Eiland be- 
hoorde onderde Luc ayfche Eilanden, en is 
omtrent twintig mylen in delengte, en was 
in dien tyd zeer bevolkt en vruchtbaar. 
Nu kan maar gerekent worden , dat van het by 
ouds bekende deel des aardkloots , te weten 
de Canarifche Eilanden, tot aan het onbe- 
kende eerde Eiland dezer nieuwe wereld, 33 
dagen ter ontdekking zyn doorgebragt. Wat 
dunkt u Lezer, daar al hondert en twee en 
't negentig jaar 't gebruik des Compas-naalts 
bekent was geweed , wierd deze onderneming 
omvanlandzeewaartin tedevenen , nu eerd 
ondernomen en uitgevoert? Het volk van dit 
Eiland en de Kadilianen zagen malkander met 
evenveel verwondering aan, maar bejegen- 
den malkander vriendclyk en goedaardig, 
en dreven datelyk handel. Zy vonden hier 
Katoen of Boomwol , Papegaayen, en ee- 
nige blaadjes Goud , dewelke de Indianen 
aan haar neus droegen, en dit was het eerde 
Goud van deze nieuwe Wereld , welker 
fchatten toen ter tyd, of kortelyk, en noch 
zomtyds hedendaags zo vee! geruchts hebben 
gemaakt. Zy ontdekten hier overal een 
groote menigte diergelyke Eilanden, maar op 
den 2oO£tober het groote en noch vermaar- 
de Eiland Ktiba. 

7- 
Aan het zeer groot Eiland Kuba, op het 
welke zy de eerfie Goud fmelteryen ontdek- 
ten , vonden zy Mats , KaJJavi en brood- 

vruch- 



Maart en April .1719. 293 

vruchten,fteenen die als goud glinfterden,en zeer 
groote rykdom en overvloed. Van Kuba ver- 
trok Kolumbus na 't Eiland Hifpaniola , en 
het Eiland 'Tortua. Hier begonden de Span- 
jaarden eerft de rechte luciu van 't Goud te 
krygen , en ontvingen voor alderhande fnui- 
fteryen goude Ketenen en Cieraaden van Goud, 
goude korlen , en gearbeidt en enigzins kon- 
Üig gefmeedt en gewerkt goud. 
8. 
Op het Eiland Hifpaniola vonden de Kafti- 
lianen een weinig beter regering en gedrag 
der Indianen , en veel Rykdommen van Goud , 
en verfcheide Koningjes , onder dewelke dit 
Eiland in Landfchappen verdeeltwas; deKa- 
Itilianen bouwden hier eenFortres. Van deze 
Koningen wierden xy befchonken met goude 
plaaten, en geheele Momaangezichten of Mas- 
kers, welker neus en oogen van majfif Goud 
waren ; maarniet tegenftaandehier veel goud 
gevonden wierd, en van het zelve verfchei- 
de konftftukken, fcheenen de Indianen echter 
de rechte konfl: van gieten of wel te bewer- 
ken niet te verftaan , dewyl zy de grootfte 
goud-korlen, zo als zy die uit de aarde haal- 
den, met harde fteenen kneusden, en dan zo- 
danig bewerkten , als haar goed dacht. Dit 
was dan het eerfte Eiland, daar de Spanjaar- 
den zich op veftigden , en na dat Kolumbus 
negenendertig man in deze Sterkte onder be- 
hoorlyke Bevelhebbers geftelt hadde, vertrok 
hy wederom na Spanjen, om verflag van zyne 
verrichtingen aan haar Catholyke Majeftei- 

T 3 ten 






294 Natuur- en Konjl-Kabinet , 

ten te doen , vertrekkende op woensdag den 
4. January 1493. 

9- 
Na dat Kolumbus wederom voor de twee- 

demaal op Hifpaniula uit Spanjen was aange- 
komen met een aaiuienlyke vloot, beveih'g- 
de hy aldaar de Manarchy des Konings van 
Spanje, en wierd voor de eerftemaal dooreen 
Koningje van ditaanzienlyk en doenmaalsryk 
Eiland met verfcheide kalabailen Itofgoud be- 
fchonkcn, en andere (lukken ryn goud, we- 
gende met malkander over de tweehondert 
ponden. Kolumbus bouwde een Stad in 't 
Land fchap Cibao , ontdekte het land , en vond 
verfcheide Rivieren , welker zanden zeer 
goudryk waren , te weten in 't Landfchap 
Cibao , dat uit zich zelve zeer rouw en (teenig 
land is ; maar zeer Goudryk in Mynen en 
Goud-erts, en van een zeer groote uitge- 
strektheid. 

ia 
De Admiraal Kulumbus , dewelke van 
de Koning van Spanjen tot Onderkoning 
van alle deze nieuwe ontdekte Landen was 
aangefrelt, geraakte op 't groot Eiland Hijpa- 
nio/a als in een valie regering, door dewel- 
ke hy de Indianen na verfcheide overwinnin- 
gen eindelyk onder een fchatting (relde, be- 
üaande in de volgende omstandigheden. Dat 
de inwoonders van het Landfchap Cibao op 
Hifpaniola, en die van het Koninghke veU, 
(daar nu tegenwoordig de Stad St. J 'go ge- 
vonden word ) nevens de Nagebuuren der My- 
nen, van veertien jaar en en daar boven j)'rfe>' ec » 

kleine 



Maart en Jpril IJ19* i9f 

kleine maat vol goud va» drie maanden tot 
fa-ie maanden betalen zouden , en alle de ande' 
re zonder onderfebeid vyf en twintig fanden 
Katoen. Op dat de Spanjaarden nu zouden 
weeten onder deze groote menigte Indianen , 
ofzy haar goud hadden opgebragt, wierdeen 
kokere penning geflagen , dewelke de India- 
««als een teken, en tot een prafent voor 
haar goud , om haar hals droegen , en deze 
wierd van twee maanden tot twee maan- 
den verandert in een munt-teken. Maar de- 
wyl de Indianen deze zwaare fchattingen niet 
konden vergaderen, vluchtten veele na het 
gebergte ; en deze en diergelyke goudgierig- 
heid der Kaftilianen is oorzaak geweeit 
van duizende Muiteryen, Opftanden, Oor- 
logen, Moorden en Wreedheden, die na- 
derhand door alle de Indien zyn voorge- 
vallen , en is ook de oorzaak , dat de 
Spanjaarden hedendaags noch niet weeten, 
waar veele van de oude ryke goud-mynen 
Zyn gebleven. lïi 

De plaats , die op Hifpaniola het Koning- 
lyke veld genaamt wierd, en een zeer groo- 
te omtrek hadde, en daar tegenwoordig St. 
Jago legt, wierd zo lang doorgezocht, tot 
zy eindelyk de Goudmynen, dewelke daar 
waren, ontdekten na zeer veel moeite en zoe- 
kens, dewyl de Indianen dezelve verborgen 
hielden. Deze goudmynen liet Kolumbus 
de mynen van St. Cbriftoffel noemen , dog 
zyn daarna de oude Mynen genaamt , en 
zyn de eerlte geweeft , daar de Spanjaar- 
den in hebben doen arbeiden. 

T 4 Na 



zg6 Natuur- en Konfi-Kabinet^ 

12. 
Na dat Kolumbus de regering aan zyn 
Broeder Bartbolomaus Kolumbus hadde toe- 
vertrouwt, en op alles ordre hadde geftelt, 
vertrok hy voor de tweedemaal wederom na 
Spanjen, en kwam aan 't Koninglyke Hof, 
dat in dien tyd tot Burgos gehouden wieid. 
Hier dede Kolumbus wederom verflag van al- 
le zyne verrichtingen , en vereerde aan haire 
Majelteiten (tot een proefvan de vruchten van 
zyne ontdekkingen jeen ryk gefchenk vanGoxd, 
zo als het in de Mynen op Hifpaniola ge\on- 
den wierd; waar onder zuivere greinen wa- 
ren, zo groot alserreten, boonen, enmus- 
caat-nooten , benevens een groot getal mom- 
aangezichten of maskers , waar van de co- 
gen en neus van goud , en by de Indianen in 
gebruik waren. Deze en andere zaaken deden 
de Koning refoheren , om menfchen van al- 
derhande konften en ambachten , en voorna- 
mentlyk lieden , dewelke in goud konden wer- 
ken, na Hifpaniola over te zenden, benevens 
eenige Geeftelyke, Dofioren , Chyrurgyns , en 
alderhande foort van andere menfchen , de- 
welke verlof kreegen om in de Mynen te laa- 
ten werken , mits dat zy twee derde deelen 
aan haare Majefteiten moeiten uitkeeren, ter- 
wyl aan elk een gedeelte lands in eigendom 
wierd gefchonken, om op te woonen en te 
leven. Deze Mynen van Hifpaniola zyn ta- 
melyk ryk , maar de Spanjaarden konnen door 
gebrek van volk daar weinig aan laten wer- 
ken. 

Be. 



Maart en April 171 9. igf 

l 3- 
Behalven dit groote Eiland Hifpaniola, en 

het overgroote Eiland Kuba y hadde tot dus 
verre Kolumbus (benevens een ontelbaar ge- 
tal kleine Eilandjes) ook het Eiland Jamaica 
ontdekt, zo dat deze drie groote en een me- 
nigte kleine Eilanden in 't jaar 1498. onder 
de Heerfchappy van de Koning van Span- 
jen waren gebragt, zyndezes jaar na de eerde 
ontdekking. 

14. 
In dit jaar 1498. op woensdag den 30. 
May vertrok de groot Admiraal (die nu ook 
tot Markgraaf verheven was ) Chriftoffei Ko- 
lumltus wederom uit Spanjen met zes fche- 
pen na A werica , om verdere ontdekkingen te 
doen , na dat hy al eenige fchepen na deze nieu- 
we Koloniën vooruit hadde gezonden , en 
ook de meefte van deze zes na Hifpaniola enz. 
zond, terwyl hy verder na de vafte kult, de- 
welke hy toen noch niet kende noch ontdekt 
hadde, ftevende ; hy vond wederom verfcheide 
nieuwe Eilanden, als 'Trinidad enz. die ik zal 
overflaan , als tot myn oogmerk niet dienende. 
Hy kwam aan zommige plaatzen, daar hy 
Indianen ontmoete , dewelke veel goud , maar 
van zeer flecht aloy om haar hals droegen; 
hier kreegenen ruilden zy voor koper, kora- 
len en fnuifteryen veel van dat Hechte goud , 
als halve hoefyzers van paarden, en zommige 
klompen als een appel , dit was by de Kaap 
Lapa tuflehen de hoek van Paria en 't valte 
Land. Hy ging aan 't vafte Land by Paria aan 
land, en handelde met de Indianen , dogwift 
T s wet 



igS Natuur- en Konjl-Kabinet^ 

niet beter, of hy was maar aan een Eiland, 
maar hy wierd verzekert , dat het valt land was, 
in het langs zeilen van dekuft, het welke ik 
hier heb aangemerkt, om te toonen , dat de 
ontdekkingen van 't vafte land , door Veffu- 
titti Amencus en andere na die tyd gedaan , 
niet nieuw waren, gelyk andere valfchelyk 
voorgegeven hebben , om de Eere van Ko- 
lumbus te bezwalken , daar de liftige handel 
van Ifefputius Amerïcus niet weinig onder 
fpeelde, gelyk ook de lillen der Hovelingen, 
dewelke door duizend valfche befchuldigin- 
gen eindelyk ook te weeg bragten , dat de Ad- 
miraal Chrijioffel Kolumbus , en zyn Broeder 
de Weftindiaanfche Landvoogd Bartholomceus 
Kolumbus , en de andere Broeder Don Diego 
Kolumbus de (taf der Indien en allegezach ont- 
rukt , en in vergelding van haar getrouwe dien- 
ften, gevangen en van alles berooft naar Span- 
jen wierden gezonden. Dus heb ik goed- 
gevonden kortelyk. aan te toonen , op welk 
een wyze en in welke tyd dit Goud-ryke 
Land in handen van de kroon Spanjen is 
geraakt. 

De Lezer moet niet oordeelen, dat de 
Schatten, door de Ontdekkers dezer eerfre 
Welündifche Eilanden gevonden , zo onmeet- 
lyk waren, dat de Kroon van Spanjen daar 
veel gevoel van konde krygen ; o neen, de 
onkoften waren in den beginne veel grooter 
als de voordeden ! Ook moet niemant oor- 
deelen, dat het Goud zo overvloedig is, dat 
het zelve mee fchoppen uit de Goudrykc Ri- 

vie- 



Maart en April 1719. *99 
vieren op karren gefmeten en geladen word, 
of ook , dat de korlen zuiver goud gedurig 
gevonden worden, of dat deGoudmynen zo 
ryk zyn , dat het goud door middelmatigen 
arbeid daar zo maar uit tegraaven is. O neen, 
alles gedraagt zich geheel anders toe ! Het 
goud blyft altyd goud , en zeer zwaar en 
moeyelyk om te vergaderen, waar 't zelve ook 
gevonden word, behalven dat ook het goud 
dezer Indianen niet zuiver was, zynde zom- 
tyds van een (tuk goud , in dertig deelen aan- 
gemerkt , acht deelen Goud, acht deelen Zil- 
ver, zes deelen Koper, en acht deelen onnutte 
flof- zelfs de goudfteenen, zo als die daar ge- 
naamt worden , wierden al mede voor goud 
bewaart, niet tegenftaande deze maar zeer 
ryke (tukjes erts of metaalachtige fteenen na 
proportie van het overige waren , en dat wel in 
zodanig een waardy, dat dezelve onder de 
fchatten , dewelke Kolumbus afgenomen 
wierden , mede gerekent en als gewaardeert 

wierden. 

16. 
De tweede reden , door dewelke de Kroon 
van Spanjen niet genoeg voordeel van dit 
Goudryke Land trok, was, dat de Spaanfche 
Bevelhebbers, gedurig oneenig zynde tegens 
malkander te veld trokken, elk met Legers 
van Indianen, die malkander dood floegen; 
behalven dat de geweldenaryen der wreede 
Spanjaarden de Indianen tot wanhoop bragten , 
waar door het leïfs-moorden daar onder die 
onnozele menfehen de algemeene mode be- 
gon te worden , 't geen wel eigentlyk de 
o oor- 



5 oo Natuur- en Konft-Kabimt , 
oorzaak was, dat het Land , datkragdgvolk- 
ryk was, byna o -^1 ontvolkt wierd. Hier 
kan voor een d ie reden noch bygevoegt 
worden, dat de n aurlyke Indianen te zwak 
bevonden worden , om in de Goudmynen te 
werken, en de Spanjaarden te luy; hetwelk 
ook de oorzaak is geweeft, dat zy uit recht 
van opene Brieven van 't Spaanfche Hof op 
Guinea gingen rooven , om Negers te van- 
gen , dewelke zy bevonden , dat fterk en hart 
genoeg waren , om in de Goudmynen te kon- 
nen werken, als het getal maar groot genoeg 
geweeft hadde , en hier is naderhand de he- 
dendaagze beruchte Neger-handel uit voort- 
gefproten. 

17- 
Ik heb hier boven van de Goudfteenen ge- 

melt, maar de Lezer dient te weeten, dat zo- 
danige fteenen als enkelde keyen of keytjes, 
zomtyds hier of daar en meeft buiten de my- 
nen worden gevonden. Van zodanig een 
Steen fpreekt Antonïus de Herrera, Koninglyke 
Hiftorifchryver van de Spaanfche IVeJIindieny 
als van een wonder, om deszelfs grootte en 
rykdom. Deze goud-key leide aan de oever 
van de zee niet ver van de nieuwe Mynen op 
Hifpaniola , en wierd van een Indiaan by ge- 
val ontdekt; deze fteen was overal met goud- 
korlen zeer doorfprenkelt, en zo doormengt, 
dat de Steen-Sub/ianlie en de Goud-Subftantie 
als vereenigt in malkander ingegroeit en in- 
gelyft fcheen , in diervoegen , dat zy in die 
landen oordeelen, dat de Goud-Subflantic 
van deze key of fteen - fnbftantie groeit , en 

dat 



Maart en April 171 9. 501 

dat het zuiver fte en metaalachtigfte van zo- 
danige goudkeyen door langen tyd in zyn 
grond in goud verandert en vergroeit. Dier- 
gelyke goudfteentjes worden in de Kabinet- 
ten der Liefhebbers ook hier en daar als Ra- 
riteiten bewaart. De key , hier boven gemelt, 
wierd zeer groot en zo ryk bevonden, dat 
hetmeefte gedeelte goud was, en wierd ten 
voordeele des Konings van Spanjen, van de 
Eigenaars, welker arbeider dezelve gevonden 
hadde, voor geld gekogt, en zy hebben het 
zelve 360c Pefos waardig bevonden, hoewel 
het zelve , met noch tweemaal hondert duizend 
Pefos in goud, dewelke met een Vloot in 't 
jaar 1 ƒ02. van Hifpaxiola na Cadix zouden 
over (keken, door een ongehoort onweer 
in de reis is gebleven. De Goud-mynen op 
Hifpaniola wierden Oude en Nieuwe genaamt. 
De Oude, en daar de Indianen van onbeden- 
kelyke tyden te voren goud hadden uitgehaalt, 
leiden in het zo genaamde Koninglyke Veld, 
onder de naam' van de Mynen van Cibao ; en 
de Nieuwe Mynen, die na deze ontdekt wa- 
ren , leiden by St. Chrifloffel ; dog de Erts 
was ryker, en bet goud was ook fynder in 
de Oude Mynen van Cibao , als. in de Nieu- 
we Mynen van St. Chrifloffel. 
18. 
Wanneer de Lezer hier van deMynenvan 
Cibao , of van St. Chrifloffel hoort fpreeken, 
moet hy zich zelven niet verbeelden, als of 
dit zodanige grouwzaame werken waren, als 
de Mynen in Meifjen, of als.de Goud-myn 
tot Chremnits in de Bergen van Hwgaryen , 

daar 



50a Natuuf- en Konfl-Kabinet , 

daarby de duizend jaaren ingewerkt is;ofals 
de Mynen , dewelke ouwelings in Spanjen , en 
zelfs al ten tyde v&nHannibal gegraven wier- 
den, veel minder, als de Mynwerken der 
iEgyptenaaren , daar Diodorus Sïculus van 
verhaalt, daar ten minften ten tyde van Mo- 
fes al in gewerkt is. O neen, deOudeWeft- 
indianen of Amerikanen , en alle deze Eilan- 
ders hadden zo veel trek niet tot het Goud , 
als de andere Natie» of volkeren van de ove- 
rige drie Wereld-deelen, A/ia, Europa en A- 
fnca, dewylzyKakao-nooten voor geld ge- 
bruikten. 

19. 

Op welk een wys zouden de aaloude A- 
fnerikancn ook eenige voortgang van belang 
in haare Mynwerken hebben konnen verrich- 
ten , dewyl haar het yzer en de zwaare ge- 
reetfchappen , en diergelykebreek-inltrumen- 
ten ontbraken, en zy alles door harde en 
gefcherpte fteenen ( aan hout , fchoppen en 
Üeelen enz. vaft gehecht) of door koper ge- 
reetlchap moeften verrichten : daar in tegen- 
deel uit de Bergwerken met voordeel niet te 
haaien is, als door behulp van grouwzaame 
werktuigen , waterleidingen , molens , ge- 
makkelyke doorgravingen, tot uiten ingang 
van de Metaal- aderen, en oneindige gereet- 
fchappen, gelyk ik na dezen op zyn tyd zal 
toonen. 

20. 

De Indianen hadden niet alleen groot ge- 
brek aan diergelykegereetfchappen en werk- 
tuigen , maar zelfs de Spanjaarden ; geldende 

een 



Maart en April ijt$. 303 

eenyzer ftaafje van twee of drie ponden zwaar 
vyf ryksdaalders , en een fchop twaalf en 
zomtyds vyftien ryksdaalders, en zo vervol- 
gens in die tyden alles wat zy tor dezeMyn- 
werken van nooden hadden. Hier door wier- 
den veel luye of gierige Spanjaarden, dewel- 
ke uit Cajïilie met haar Huisgezin overtrok- 
ken, om goud (zo zy dachten) te gaan haaien 
uit de Mynen, meenende dat het goud daar 
loo maar opgefchept wierd, bedrogen. Maar 
als zy het werk ondervonden, droopen de 
meelteweer na devleefchpotten van Spanjen. 
21. 
De meefte voordeden dan van 't goud enz. 
dewelke de Spanjaarden verkreegen, eer zy 
noch meefter van 't vafte Land van Amerika 
waren, wierden voortgebragt uithetinruylen 
van goud voor alderhande Europifche fnui- 
fteryen en Galanteritjes y dog dit goud bragt 
altyd niet evenveel aan, en was altyd niet even 
zuiver of fyn. Tot deze ruylebuit wierden 
evenwel veel fchepen uitgereft van particu- 
lieren zo tot Kadiv als elders. Zelfs dede de 
Groot- Admiraal Kolumbus met zyn beide 
Broeders noch een tocht voor de vierde maal 
in den jaare 15-03. om nieuwe Landen te ont- 
dekken, gelyk zy ookveele landen enkuften 
aan de vatte kult ontdekten , en veel goud 
verkreegen, als by voorbeeld; tot Burizatt 
dat by Porto bello legt, k reegen zy door inruy- 
ling voor drie dozynfchellen negentig marken 
Gouds. 

22. 
Na dat de zaaken op Hifpaniola een weinig 

in 



3 04 Natuur- en Konft-Kabinet , 

in beter ftaat waren gebragt, en in den jaare' 
ifoó RoJngues cf Alcazar door de Koning 
van Spanjtn tot Opziender der Goud-win- 
ning was aangeftelt , wierden aldaar vièp 
Goudfmelteryen opgerecht , teweten twee 
Goudfmelteryen in de Stad B»na Avontura , 
ki de welke het goud gefmol ten wierd, dat 
daar naaft aangelegen uit nieuwe Mynen ge- 
trokken wierd, en twee goudfmelteryen in 
de Stad de la Vega of Conception , in dewelke 
het goud gefmolten wierd, dat uit de ryke 
Mynen van Ctbao wierd uitgemeubelt. Deze 
fmelteryen van la Vega bragten het meefle 
goud op, dog alle deze vier fmelteryen brag- 
ten jaarlyks op aan goud in dit Eiland 
Hifpaniola vierhondert en zeftig duizend Pe- 
fos. 

Behalven het goudryke Eiland Hifpaniola, 
wierd ook noch een volkplanting der Span- 
jaarden gedaan in 't jaar ijoS. op het Eiland 
Si. Jan, dit legt van de weflelykfte hoek 
van Hifpaniola twaalf mylen ver, het heeft 
zeer grouwzaame hooge bergen en hooge heu- 
vels, maar weinig vlakten, en verfcheide 
goudryke rivieren. Hier legt tegenwoordig 
Portorico , een fchoone Haven-ftad , en Bif- 
fchoppelyke Zetel. Het Eiland is ten minften 
veertig mylen in de lengte, envyftienazeftien 
in de breedte, de geheele omtrek omtrent 
bondert en twintig mylen ; de ganfche kuft 
ten zuiden daar was zeer veel goud te vinden, 
dog echter niet zo veel, als op Hifpaniola, 
noch van zo goeden waarde , hoewel na 

ver- 



Maart en April iji0. ^oy 

verloop van een jaar a twee de goudmynen 
van. St. Jan zeer wel begonden op te neemen, 
en veel goud opbragten. 
24. 
Na de Dood van den Heldhaftigen en teer 
wyzen Chrijloffel Kolumbus , wierd zyn Zoon 
Diego Kolumbus Groot Admiraal en Onder- 
koning van de Weftindien , na veel pleiten 
en martelen tegen zyns Vaders en zyn eigen 
vyanden, en wel voornamentlyk door een 
houwelyk meteen van de eerfte Familienwan 
't Ryk: hy veftigde zich in 't jaar 15-10 op 
Hifpaniola,, in welk jaar het eerde goud op 
Hifpaniola geflagen wierd. De Herrera tekent 
op dit jaar aan, datz? eenige onbepaalde (tuk- 
ken, zo als het hun goed dacht, inverfcheide 
foorten van waarde van goud, en ook andere 
zeer dun, en die gemunt met de wapens van 
de Koning lloegen. 

2 f. 

De Admiraal Diego Kolumbus liet in 't 
jaar 15-10. het Eiland. Jamaica bevolken door 
Juan d' Ezquebel; in dit Eiland word weinig 
goud gevonden, maar het Katoen valt hier 
zeer overvloedig, en fchoonder als elders. 
26. 

TufTchen het jaar 15-10 en ifii. dogwei 
meeft in 't jaar ifii veftigde Vafco Nunes, 
benevens andere Kaftilianen , de zetel des Ko- 
nings van Spanjen op de vafte kuft van Ame- 
rica, by en op de Land- engte van Darten, 
daar zy met verfcheide kleine Koningjes of 
Cafiques vriendfchap maakten , en prafenten 
kreegen van veele goude Vaten, dewelke alle 

V zegr 



%ö6 Natuur' en Konft-Kabinet , 

ieer kondig gemaakt waren, enkreegen hier 
aldereerlt kennifle van de Zuidzee, aan de 
andere zyde van de Land-engte van Darten 
gelegen , als ook van het grouwzaame groo- 
te zilverryk Land en Keizerryk van Peru, 
en van de welgemaniertheid der magtige Vol- 
keren van 't valte Land , en dat deszelfs ryk- 
dommen zo groot waren , dat zelfs de ge- 
meene lieden uit goude en zilvere vaten en 
tafel-huisraad aten en dronken. 
27. 

Zo ras nu in denjaare 15-11. deze Span- 
jaarden wat meerder onderzoek gedaan had- 
den op devafte Kuft , omtrent en in de land- 
engte van Darten , zond V afco Nunes aan de 
Groot Admiraal Koiumbus op Hifpaniola voor 
't aandeel van de Koning (zynde een vyfde 
part van haare Conqueften) drie hondert mar- 
ken gouds (dat vyftien duizend Pefos waren) 
tot een proefje van de Rykdcm dezer India- 
nen ; zodat door 't ontdekken vandezeLand- 
engte van Darten op de vafte kufl van /ime- 
r'tca ,de deure geopent wierd , waar door na- 
derhand zulke onnoemelykefchatten van goud 
en zilver in Europa overgebragt zyn. 
28. 

In dit zelfde jaar 15*11. liet de Groot Ad- 
miraal Diego Kolumbus ook het overgroot 
Eiland Kuba bevolken door Diego Pelasquez, 
volgens de Aantekeningen van onzen meer- 
maal aangehaalden Anton'tus Je Herrera, de- 
welke ik in alles hebbe gevolgt, dewyl aan 
een iegelyk genoeg bekent is de groote op- 
rechtigheid van deze Spaanfchen Hiftori- 

fchryver, 



Maart en April 171P. 307 

fchryver , die het vermogen en de wysheid heeft 
gehad, en devrymoedigheid om de misflageo 
van zyn eigen Natie welernftiglyk aan te te- 
kenen en te beftrarfen. 

29. 
De lengte van dit groot Eiland Kuba is 
tweehondert en dertig mylen te lande gereift, 
het is her overvloediglte in leeftocht van alle 
de andere Eilanden , en heeft goud-ryke Ri- 
vieren, en Goud-erts in de bergen, dog goud 
met wat koper gemengt , is voorzien met 
heerlyke Vlaktens, Valleyen, Dalen, Bof- 
fchen , Binnen - Eilanden , Meeren , is 
ongemeen Vifchryk , en heeft grouwzaame 
hooge Bergen en Rotzen. 

3°- 
Ik zal de ontdekking van kleine Eilanden, 

of geringe Landen en voorvallen niet aan- 
merken, maar in deze Verhandeling van de 
ontdek kinge des Gouds en Goudmynen van 
Amerika, te gelyk aantekenen de voornaamfte 
eerfte ontdekkingen en volkplantingen. Ik ge- 
loof niet , dat het myn Lezer onaangenaam 
zal zyn, dat ik zulke aanmerkelyke zaaken 
in myne verhandeling infchikke, dewyl de- 
zelve byna voor een iegelyk Liefhebber 
waardig zyn gekent en geweten te worden s 
als by voot beeld : dat de dapperen Juan Ponzo 
de Leon , dewelke de volkplanting van 't 
goudryk Eiland St. Jan hadde ondernomen, 
en in ordre gebragt, in 't jaar iyi2. de 
vermaarde Kult van 't vafte Land Ftorida 
ontdekte, en hoe Vafco Nunes in *t jaar 
1 ƒ13. ondernomen heeft, de Land-engte van 
V z Da- 



308 Natuur- en Konft-Kdbinet , 
Darten dwars door te reizen, en de Zuidzee 
van Amerika te ontdekken , het welke hy 
gelukkiglyk uitvoerde, trekkende door ver- 
fcheide Dijiriólen en Koningrykjes van ver- 
fcheide Caciquesmzt hondert en tachtig Ka- 
ftilianen, en duizend Indianen, dewelke de 
lalt droegen. Hier (relde Nunes , na dat hy 
verfcheide Koningjes, die hem wederftand 
booden, overwonnen hadde, en onnoeme- 
lyk veel goud door hem en andere tot buyt 
gemaakt wierd, een teken van de bezitnee- 
ming van deze geheele Zuidzee, met alle zyn 
aangrenzende Koningryken en Landen , in de 
naam van de Kroon van Spanje. Doe Nunes 
deze Zee ontdekte, ging hy zeer veel wegen 
om, maar in 't jaar i ƒ14. bevond Francijcus 
Bezerra, dat de Zuidzee maar 26 mylenvan 
de Noordzee aflegt, en dat America hier zo 
fmal is. 

3'- 
In het jaar 1 5- [4. ontdekte Diégo Vclasquez, 
by de haven en bergen van Xagua op het Ei- 
]a.nd Kui>a, eenige zeer ryke goudmynen, en 
deze goudmynen wierden veel ryker geacht, 
als die van Cibao op Hifpaniola , alhoewel die 
tot dezen tyd toe noch de rykfle en de befte 
waren geweeft; waar noch by kwam, dat 
deze mynen van Xagua op het Eiland Kuba 
veel fynder en zachter goud uitleverden, als 
die van Cibao. 

3 1 - 
In den jaare 15-18. ontdekte Juan de Gryal- 

va nieuw Spanje, en de Keizer Motezuma 

kreeg kenniffe van de Spanjaarden ; maar on- 

/ der 






Maart en April 1719. 3 op 

der alle de Kaftiliaanfche Helden is (buiten 
Chrtfloffel Kolumbus ) niemant gevonden , de- 
welke grootere verrichtingen heeft uitgevoert, 
en betere Landen aan de Spaanfche Kroon 
gehecht, als Ferdinandus Cortes, een Man, 
door wiens weergaloos beleid en doortrapt 
verftand geheel Noorder Spaanfch Amerika, 
als de Republicq van Tlafcala , het overgroot 
en magtig Keizerryk van Mexico, en ontel- 
baare Landen en Staaten , onder de magt 
en Heerfchappy van de Kroon van Spanjen, 
met weinig volk en onkoften zyn gebragt. 

33- 
Ferdinandus Cortes vertrok in 't jaar \f 19. 

met een vloot van twaalf lichte fcheepjes , door 
D'tego Velasquez Opperbevelhebber op J\uba 
uitgeruft voor 20000 dukaten, medenemen- 
de 5-08 Soldaten, 110 zo Kapiteinen als 
fcheeps- bediende en Matroozen , 1 6 paarden, 
4 f Schutters , 10 rnetale ftukken Kanon, 4 
Valkonetten, en voorraad van Kruid, Kogels, 
geweer en Vtftnalie enz. om daar mede over 
te fteeken na de vafte kuft ; en alfchoon de- 
ze tocht al tweemaal ongelukkiglyk onder- 
nomen was geweeft door Francifcus Hernan- 
dez de Cordova en Juan de Gryalva, (leun- 
de Cortes op zyn godvruchtigheid , deugd en 
beleid. 

34- 
De Golf, dewelke Cortes moed overftee- 

ken, om van 't Eiland Kuba op 't vafte land 

en de uitfpringende hoek van Jucaian over te 

zeilen, legt in de Mexicaanjche zee, en is 

voor aan de Golf van Mexico, Ferdinandus 

; . V 3 Cortes 



3 1 o Natuur - en Konfi - Kabinet , 

Cortes was hier naauwlyks aan land geflapt, 
of wierd gewaar, dat hier vry wat meer 
was op te doen, als in alle andere Landen 
tot noch toe bekent, wanthy ontving tot een 
prafent in alderhande goude vaten en konft- 
ftukken over de vierhondert ponden gouds 
van een klein Koningje; en kort daar na (die- 
per met zyn Legertje in 't Land indringende) 
van een Bevelhebber van Motezuma . dewel- 
ke toen Keizer was over het groot en magtig 
Keizerryk van Mexico, grootegefchenken van 
goud, konftiglyk gewerkt, KatoeneLywaa- 
ten, geeftig gewerkte plumadien, en andere 
Stoffen, dewelke haar tot bewys verftrekten, 
dat zy hier veel gereguleerder en verftandiger 
menfchen,en Koningryken of Gemeene -beften 
ftonden te ontmoeten. 

3S- 
De plaats, daar de vermaarde Ferdinandus 

Cortes toen met zyn Legertje zich neder had- 
de geflagen , en daar hy met de Landvoogd 
van Motezuma , die aldaar gebood , fprak , 
was zeven dagen reizens van de Keizerlyke 
Hoofdftad Mexico , in dewelke Motezuma zyn 
Hof en verblyf hadde; hier van daan zond 
Cortes een gefchenk aan den Keizer Motezu- 
ma, dewelke hem na verloop van den be- 
hoorlyken tyd een gefchenk wederom zond 
van alderhande konft-gewrochten en onge- 
woone Rariteiten, benevens zo aan bewerkt 
als onbewerkt goud over de vyf en twintig 
duizend Pefos waardig , het welk Cortes we- 
derom met een gefchenk van Europifche Ra- 
riteiten beantwoorde. Maar dewy lde Keizer 

niet 



Maart en April 1719- gn 
niet anders beoogde , als dat deze vremde ga- 
tten uit zyn land zouden vertrekken , liet hy 
zulks zeer ernftig aan Cortes bidden en ver- 
zoeken, terwyl hy zyne Gefchenken verdub- 
belde; maar Ferdinandus Cortes had geheel 
andere voornemens in zyn eerzuchtig ge- 
moed , en ftichte de Volkplanting , dewelke hy 
Vera Cruz noemde. Hier van daan ver- 
trok hy voort in de Landen van de Cacique 
van Zempoala, en wierd van den zelven be- 
fchonken met goud enz." ter waarde van 2000 
Dukaten , en Cortes verftont van deze Cacique, 
dat door de groote Magt van Motezuma alle 
deze omleggende Koningjes en Republiquen 
eerft onlangs in zyn gewelt waren gebragt,gelyk 
de groote Landftreek Totonacap; en dat' 
Motezuma een Tyran was , en in een gedu- 
rigen oorlog met de Gemeene - beften van 
Tlascala, Guaxocingo enCoLULA, en 
dat hy dertig Vafalen onder hem hadde, de- 
welke elk hondertduizend gewapende Man- 
nen konden te velde brengen. 
36- 
Ferdinandus Cortes wift zich ZO behendig 
van deze gefteltheid der zaaken te bedienen, 
en yder een tegens Motezuma op te hitzen , 
en een Verbond met de groot - magtige Re- 
publicq van 'Tlascala, en met de Zempolanén 
en andere ( na verfcheide gelukkige flagen ) 
op te rechten, en zodanig, dat hy Veldheer 
over de magtige Legers van alle deze India- 
nen werd , en Mexico gaat belegeren. En 
dat deze Republiquen van geen klein belang 
waren, blvkt, om dat alleenig in de Stad 
V 4 Tlaf- 



%iz Natuur- en Konft- Kabinet , 

Tlafcala hondert en vyftig duizend Huisge- 
zinnen woonden , en in de Stad Coluia 20000 
Huizen waren enz. De gefchenken , deryk- 
dommen, en het goud, dat van alle kanten 
aan Cortes op deze tocht wierden gebragt, zp 
onbefchryflyk en ongelooflyk. 

37- 
FerdinanA Cortes wilt door lift; in Mexuo 

te koonien , daar hy kwanzuis van Motezn- 
ma vriendelyk ontvangen wierdop den SNa- 
vember 15-19. Deze Stad was vol grooie 
Huizen, Paleizen, en onuitfprekelyke ryk- 
dommen, begrypende in zich zefHg duizend 
Huizen; en behalven deze Stad hadde Mote- 
zuma onder zyn gebied hondert groote Hoofd- 
reden, behalven ontelbaare kleine Steden en 
Vlekken , Dorpen , Gehuchten enz. Zyn 
Gebied ftrekte zich uit in de breedte van de 
Noordzee tot aan de Zuidzee van America^ 
en tweehondert mylen in de lengte lande- 
waart in. Elk Huis wierd in Mexico door 2. 
4. a 6. Huisgezinnen bewoont , waar uit 
te befluiten is, welk een ontelbaare menigte 
menfchen in Mexico moeten geleeft hebben, 
doen Cortes het zelfde veroverde. Ik zal niet 
verhaalen, welke Waaren en Koftelykheden 
tot Mexico waren, en van alle kanten toe 
vloeiden en te markt kwamen , omdat ik 
alleenlyk maar myn oogmerk hebbe, om van 
het Goud te handelen , en aan te wyzen , 
door welk een weg Europa zo overvloedig 
van goud voorzien is geworden , als wy 
het zelve tegenswoordig beleven. Onder 
de voornaamfte koftelykheden , dewelke te 

Me- 



'Maart . en April 1 7 1 9. 313 

Mexico op de markt openbaar te koop kwa- 
men, was dan mede het goud in eengroo- 
ten overvloed , zoingoude werkdukken , zaa- 
ken met goud doorwerkt, als ook goud in 
baaren en planten, benevens zeer konftige ge- 
maakte werkdukken van Goud met edele ge- 
fteentens ingelegt en bezet ; in de Stad van 
Mexico waren de kondigde Goudfmeden des 
werelds. Antonïus de Herrera zegt : de Werk- 
meeders in deze konft brengen achthoekige 
Schotels te markt , een vierde goud , en 'c 
ander zilver, niet gefoudeert, maar gefmol- 
ten , en in 't fmeken aangehecht , 't welk 
zeer moeyelyk te doen is ; zy gooten ook 
Viflchen, waar van de eene fchubbe van zilver 
en de ander van goud was; zy gooten ver- 
geheide dieren zeer levendig uit in majjif 
goud , en werkten zo veel verwonderens waar- 
dige konddukken, dat ik alles niet verhaa- 
len kan. 

38. 
Beha! ven alle deze groote Rykdommen, 
waren de Schatkamers van den Keizer Mote- 
zuma zo vol fchatten, dat Alonso d' Oje- 
da in zyn gedenkfchriften zegt, dat dezelve 
niet te waardeeren waren , alhoewel hy dezel- 
ve met zyn oogen gezien hadde, en deze 
wierden alle onder de Spanjaarden verdeelt, 
zelfs de Schellen en andere Cieraaden in de 
Tempels waren van goud. Al dit goud wierd 
vergadert, en was gevonden en door lange 
tyden uit de mynen en rivieren gehaalt, wel 
meed op drie byzondere plaatzen , eerdelyk 
in 't Landfchap Zacatula, tien, of twaalf 

V s dag 



3 1 4 'Natuur- en Konfi- Kabinet , 

dag reizens na 't zuiden van Mexico afgele- 
gen , en ook in verfcheide Rivieren ; en ook 
in een ander Landfchap Chinanthla ge- 
naamt, niet ver van 't Landfchap Zacatula; 
en ten derden, by de Zapotf.cas, het welk 
alles door de behendigheid van Cortes ont- 
dekt wierd. In Zacatula wierden de Ri- 
vieren zeer goudryk , en de Mynen zeer goed 
bevonden. Het goud in de Mynen van Chi- 
nantla wierd ook zeer goed en ryk bevonden. 
Op de grensfcheiding van de Stad Yzucan 
wierden ook goudmynen gevonden. Deryk- 
dommen waren zo groot, dat Cortes onder 
de Soldaaten enz. een uitdeeling deed van zes 
hondert duizend Pefos aan goud, behalvenhet 
zilver en andere koftelykheden. 

39- 
Het is zeker, dat de Spanjaarden zelfs oor- 
Taak zyn geweeft, dat veeleRykdommen ver- 
loren zyn geworden , dewelke zy anders door 
lift en zachtigheid van de Mexicanen zouden 
gekregen hebben, maar de Groot Gezach- 
hebber van Kuba Diego Velasquez (die 
Cortes vloot eerft zelfs hadde uitgeruft) 
nutegens Cortes opgeruyt zynde, trachtezyn 
gelukkigevoortgang in Nieuw Spaxjeteürem- 
men, en zond dierhalven een vloot van elf 
Schepen en zeven Brigantyns van Kuba , onder 
hetgezachvan Panfilio de NervaaS, be- 
nevens achthondert voetknechten , vyf en tach- 
tig Ruiters, twaalf (tukken Kanon en alder- 
hande oorlogs gereetfchap Zo ras Cortes 
hoorde, dat deze troepen aangeland waren, 
trok hy met zyn befte Manfchap uit Mexico, 

en 



Maart en April 1 7 1 9 . 3 1 f 
en overviel het Legertje \anZcrvaas onver- 
wacht, nam hem zelrs door een krygslift 
gevangen , en lokte het geheele Legertje van 
Zervaas in zyn dierrft over ; waar door 
Cortes een Magt van duizend voetknech- 
ten en hondert Ruiters gebood, maar hadde 
het ongeluk , dat de Mexicanen in zyn afzyn 
opüonden , veel verwarring tegen diegene, 
dewelke Cortes in Mexico gelaten hadde, aan- 
Techten, en hier door raakte alles het onder- 
fte boven in de Stad Mexico, en daar ge- 
fchiedden verfcheide bloedige flachtingen , veel 
huizen wierden verbrandt , veel koftelykheden 
en goederen geraakten weg, en wierden van 
de Indianen begraven. Motezuma % dewelke 
door Cortes gevangen wierd gehouden , wil- 
de de Mexicanen door een aanfpraak , van 
een balcon gedaan, bevredigen, maar wierd 
met een fteen in de flaap van zyn hoofd zo- 
danig gekwetft , dat die ontzachelyke en groot- 
magtige Monarch vy£ dagen daar na zyn le- 
ven verloor. 

40. 
De Spanjaarden hier door in benauwtheid 
geraakt, trachtten by nacht MexicoAe verlaa- 
ten en te ontvluchten , maar wierden zodanig 
gehavent, dat zy tweehondert man, zes en 
veertig paarden, al haar bagage en gefchut 
enz. verloren , en ontkwamen ter naauwer 
nood met haar goud uit die Keizerlyke Hof- 
ftad Mexico \ dog Cortes wilt na veel weder- 
waardigheden en ongemakken dit alles te bo- 
ven te koomen, en door zyneBondgenooten 
van de magtige Repnblicq van Ttascala en 

Te- 



3 1 6 Natuur- en Konfl- Kabinet , 

Tepeaca, en veele andere gefterkt , Mexico 
wederom door gewelt van wapenen te be- 
magtïgen , dog echter niet als na een hart- 
nekkige en bloedige wederftand en langdurige 
belegering ; want de belegering van Mexico 
duurde tachtig dagen, dewyl zy gedurig te 
rug en uit de Stad wierden geflagen in zelïig 
verfcheide bloedige Hagen. Het Leger van 
Cortes beftond uit tweehondert duizend In- 
diaanfche Bontgenooten, negen hondert Spaan- 
fche Voetknechten , tachtig Ruiters, zeven- 
tien (lukken gefchut , dertien Brigantins om 
op het Meer van Mexico te dienen, en zes 
duizend Cano'is. In alle deze Hagen wierden 
van tyd tot tydover de hondert duizend Me- 
xicanen gedood, en de Stad ging over opeen 
Dingsdagden 13-Augultus ifii, welke dag 
hedendaags noch jaarlyks in Mexico word ge- 
viert : en dus kwam die onrzachelyke Mo- 
narchy en het goudryke Noorder America in. 
handen der Spanjaarden. 
41. 
De Koning van Spanje verklaarde Feraa- 
nand Cortes (in weerwil van alle zyne vyan- 
den)tot Opperbevelhebber van geheel Nieuw 
Spanje , door welke eer Cortes aangezet, 
niet rufte met het ontdekken van nieuwe lan- 
den, en het vergaderen vanfehatten, waar 
van hy het vyfde deel, als des Konings aan- 
deel, aan zyn Majefteit zond; behalven dat 
noch yder een geloofde , dat Cortes meer 
lchatten overhield en bezat, als in dien tyd 
eenig Vorft in geheel Europa. En om een 
(taaltje te geven van deRykdommen, dewel- 
ke 



Maart en April 17 ip. 317 

ke de Spanjaarden toen al uit de Indien 
trokken, zy aan den Lezer kennelyk, dat in 
't jaar 1 5-26. met een vloot van 7 Schepen, 
alleen als een vyfdedeel voor de Koning o- 
verkwam (behalven de Conchenilje, Gaffia, 
Huiden) 5-1082 Pefos in goud, 35-0 mark 
gemeene Paarlen , 183 uitgezochte Paarlen, 
j natuurlyke goude lteenen , nevens een 
Paarl van een onfchatbaare waarde, dit al- 
les overgebragtalleenlyk uit het eene Eiland 
Hifpaxiola, onder de Bevelhebber Juan Or- 
tiz de Matienzo. 

41. 
Op deze wyze en in dien tyd (gelyk ik 
getoont hebbe) zyn die onuitputtelykeGoud- 
magazynen voor Europa in de landen en on- 
der de heerfchappy van de Koning van Spanje 
geraakt. Hoewel echter in vergelyking van 
dit alles de grootfte Goud -en Zilver- fchuu- 
ren van America toen noch onbekent wa- 
ren , hebben de Spanjaarden van dat on- 
meetlyk groot uitgeftrekt Werelds-deel , niet 
anders als de Eilanden in de Noordzee van 
America , het valt e Land van Noorder Ame- 
rica , zo meeft aan de kant van de Noordzee 
gelegen en een weinig aan de zyde der Zuid- 
zee, ontdekt; maar op dat de Lezer naauw- 
keuriger kennifïè van de oorzaak des over- 
vloeds ende der rykdommen van Europa 
zoude verkrygen , zal ik kortelyk mede dee- 
len, door wie en in welke tyden de ryke 
Mynen en Landen van Per», en van'tZui- 
delyk gedeelte van America , aan de zyde der 
Zuidzee of Mare del Sur gelegen , zyn ontdekt. 

In 



3 1 8 Natuur- en Konft-Kabinet , 

43- 
In het jaar 15-26. hadden de Spanjaarden 
Panama, gelegen aan de Zuidzee aan 't va- 
fte land dicht by het Paarel-eiland, fchuins 
over Porto Bello, \1at aan de Noordzee legt, 
beide op de Land -engte van Darien , reets 
in de hoedanigheid van een Stad gebragt. 
In deze Stad woonden toen drie ryke Man- 
nen , namentlyk Fkanciscus Pizarrus, 
Didacus Almagkus , en Ferdinandus 
Luques een Priefter ; deze ruitten met ma!- 
kanderen twee Schepen uit, bemanden de- 
telve met tweehondert en twintig Spaan- 
fche Krygsknechren , en (levenden op de 
Zuidzee , onder 't gebied van Pizarrus en 
Almagrus , ter ontdekkinge van 't Goud-en 
Zilver-ryke Keizerryk van Peru en de ku- 
iten van Chili , van welkers onmeetlyke ryk- 
dommen zy van alle ïyden verftendigt wier- 
den. Het Schip van Pizarrus kwam afge- 
mat , en vol gekwetften en bloedige koppen 
wederom, maar Almagrus op een andere kuft 
geweeft hebbende , hadde een pr^fent van 
3000 Dukaten gekregen, dat hy medebragt, 
en veel vriendfenap ontvangen, maar mede 
ter plaatze koomende, daar Pizarrus te gaft. 
geweeft hadde, verloor hy zyn eene oog, en 
zyn volk wierd lelyk toegetakelt. Zy ver- 
vatten de reis voor de tweedemaal , terwyl 
de Priefter Ferdinandus Luques re Panama al 
vaft met veel fmerr na de Ichatten zat te wach- 
ten , maar zy kwamen wederom van een on- 
gelukkige reistocht t' huis. 

Fran' 



Maart en April 171 9, ^ig 

44' 
Franchcus Pizarrus fnuift'er eindelykmet 

ïyn Schip met maar zeer weinig krygslieden 
alleen op uit, dewylyderdoor de voorfte ge- 
vallen afgefchrikt was, en arriveert geluk- 
kiglyk tot Tumbez, tegenswoordig Cabo 
Blanco genaamt. De Indianen van Tumbez 
ontvingen de Spanjaarden met groote vriend- 
fchap , bragten dezelve in haare Tempelen , 
daar zy groote Rykdommen en vercierzels za- 
gen, waarop Pizarrus na Spanjen vertrekt, 
en verkrygt door Keizer Karel de vyfde (toen 
ter tyd Spaanfch Koning)hetOppergezachheb- 
berfchap van geheel Peru, 

4f- 

Met deze Commijfie voorzien, land Pizar- 
rus voor eerft op het Eiland Puna, dat dicht 
aan de kuit van 'Tumbez gevonden word , 
daar hy alles rooft en fteelt wat los en vaft 
was ; daar na tot Tumbez koomende te landen, 
vind hy wederfland, dog flaat de Tumbezia- 
nen , neemt haar Stad in , en berooft haar Tem- 
pel, en verkrygt onnoemelyke fchatten van 
Goud en Zilver. De Keizer van geheel Pe- 
ru Attabaliba hield op dien tyd zyn Hof 
tot Cassiamalca, niet heel ver van de 
plaats, daar tegenwoordig Lima gevonden 
word. Deze, zo ras hy gehoort hadde, dat 
een vremde Natie in zyne Heerfchappyen ge- 
vallen was , gebood , dat dezelve datelyk moed 
vertrekken. Dog de volkeren van hetLand- 
fchap Chiara , dicht gelegen daar nu in Peru 
failadolid legt , die zeer verbolgen op Atta- 
baliba waren , begunftigden de Spanjaarden , 

die 



gi'o Natuur * en Konft • Kabimt ^ 

die recht op Cassiamalca aantrokken, 'm 
haaren tocht. 

46. 
Attabaliba kwam met een magtig Heir 
de Spanjaarden te gemoet, dog wierd gefla- 
gen en gevangen genomen , in welke vero- 
vering de Spanjaarden aan goude en zilvere 
vaten hondert duizend dukaten, en eenkonft- 
ftuk van twee hondert ponden gouds waardig 
tot buyt verkreegen. Maar dit alles was zeer 
gering by het Rantzoen of losgeld voor de 
Perzoon van den Keizer Attabaliba , daar 
Pizarrus voor bedong een zaal ter lengte en 
breedte van drie vademen vol goud en zilvere 
vaten en konftwerken , en die opgeftapelt ter 
hoogte van anderhalve vadem ; het welke 
door ordre van Attabaliba van allegeweften, 
namentlyk van Quito, van Pachacama 
en van Cusco , dat wel twee hondert my- 
]en van Cafjiamalca afleide, als elders door 
ïyne Onderdaanen aangebragt wierd. Dit 
goud en zilver wierd gewogen, en men be- 
vond tien duizend ponden gouds , en zes en 
twintig duizend ponden zilver aangebragt te 
z.yn. Het vyfde deel van alles op 600000. 
Kroonen gefchat , wierd aan de Keizer toe- 
gedeelt, elke Ruiter ontving in goud 1 305-0 
kroonen, nevens 360 ponden zilvers; yder 
Soldaat in goud 607 f kroonen, nevens 180 
ponden zilvers;en onder de Hopmannen en Be- 
velhebbers viel voor yder van 45-000 tot 60000 
kroonen ten deel. Maar Franciscus Pizar- 
rus , die een bloedgierige Tyran was, brak 
zyn woord , en liet den Keizer Attibaliba 

tegens 



Maart en April 1719. 311 

tegens gegeven trouw doodwurgen. Datelyk 
hier na neemen de Spanjaarden de Stad Cu/co 
in, en verkrygen noch grooter buyt, als te 
vooren gemelt is. Maar de Tyran Pizarrtts 
wierd tot zyn welverdiende ftraf in een op- 
roer gedood , en zyn beide Broeders als ver- 
raders geftraft, om dat zy tegens de Keizer 
of Koning van Spanje opgedaan waren ; en 
dus wierd het magtig Keizerryk Peru aan de 
Kroon van Spanjen gehecht, onder de Rege- 
ring van Keizer Karel de vyfde. De nette 
optelling der rykdommen , dewelke de Span- 
jaarden uit dit Keizerryk Peru haalden, de 
moorden, doodllagen en burgerlyke oorlo- 
gen onder malkander, enhaare wreedheden 
tegens de Peruanen zal ik niet byzonder 
melden, om dat zulks geheel buiten mynbe- 
ftek is. 

47- 
De berichten , dewelke de Spanjaarden van 
de Peruanen hebben konnen krygen, om- 
trent haare konften van in het Goud te wer- 
ken, luiden, dat deze Handwerken van Goud- 
en Zilverfmeeden wel meeft zyn begonnen 
te bloeycn onder dcTncas of eerfte Koningen 
van Peru; deze begerig na konft- (tukken, 
lieten voor de Goudfmeden overal werk- 
plaatzen oprechten. De Spanjaarts getuigen, 
dat zy zulke konftig - gewerkte ftukken by 
deze Peruanen hebben gevonden , dat dezel- 
ve ten hoogfcen verwonderlyk waren , be- 
traande in fchoone vaten , kandelaaren , fon- 
teinen, beelden, en andere konftltiikken na 
Menfchen , VifTchen , Dieren, Bloemen, 

X Krui- 



3 ia Natuur- en Konjl- Kabinet, 
Kruiden, GewaiFen en Vruchten, en Kerk- 
cieraaden enz. Zy gebruikten zeer weinig 
gereetfchap, haar fmeltovens waren van leem 
opgebouwt,en haar fmeltkroezen van zekere 
aarde, en haar blaasbalken van hol en zeer 
dik ried. 

48. 
Het is zeer aanmerkelyk , dat op de mee- 
Ite plaatzen in America goud word gevonden, 
zo wel ten Noorden de Middaglyn in Ame- 
rica ,alsinZuider America ; en op de Eilanden 
zelfs, getuigen de Franfchen, dut zy in de 
eerfte ontdekkinge van de kult van Florida 
Goud-erts in de bergen vonden , en Goud on- 
der het zand van de Rivieren, dewelke van 
deze bergen afvloeyen , dog echter niet zeer 
ryk , maar de mynen en vloeden van Porto 
Rico waren ongemeen Goudryk , toen de 
Spanjaarden daar eerltiu begonnen te werken. 
Ja wy hooren dagelyks, dat de Portugeefche 
Vlooten , die uit Brazil t'hui's koomen , 
veel Goud, dat uit de bergen en rivieren van 
hoog Br<w7gemeubeltword, rykelyk begin- 
nen t' huis te brengen : en zeer verre na het 
Zuiden in het Landfchap van Aranco , en in 
het Eiland Mucha in de Zuidzee worden veel 
ryke Goudmynen en ertzen gevonden, en 
overal tuflchen Chili en het Land van Ma- 
gellanes. Ik zal alle de plaatzen , ': düar 
het Goud gevonden word in America, noch 
haar meerder of minder rykdom van Goud- 
erts nu niet aantekenen, maar ik laat dit over, 
tot dat ik van het Zilver koome te handelen. 
Ook zal ik niet meerder vervolgen , op welk 

een 



Maart en April 1719. 32.5 

een wyze de andere plaatzen van America 
zyn ontdekt , zo door de Spanjaarden , Por- 
tugezen , Franfchen , Engelfchen , als Ne- 
derlanders enz. maar dit heeft de Lezer na 
dezen dog ook zeer kort en beknopt in de 
verhandeling van 't Zilver te verwachten. Ik 
zal noch maar eenige zaaken van 't Amerikaan- 
fche goud aanmerken, en dan deze tweede 
Verhandeling fluiten. 

49. 
Daar is dikwils onderzocht, of de Myn- 
ftoflèn , Ertzen of Metaalen groeven , maar 
de Lieden van ondervinding zyn niet onder 
dezen twift, dewyl de bevinding onweder- 
fprekelyk leert , dat de ertzen en metaalen 
groeyen op de manier als de boomen en de 
planten , verfpreidende haare takken overal 
door de Steenrotzen , van dewelke zy haar 
voedzel ontvangen , gelyk een boom van de 
aarde, in dewelke dezelve ftaat te groeyen. 

SO. 
In geheel America worden alderhandefoort 
van Metaalen gevonden, als van Koper, Y- 
zer, Loodt, Tin, Kwikzilver, Zilveren 
Goud, maar in het groot Koningryk Peru, 
en op de kufl; van Chili worden eigent! yk de 
meefte ertzen van goud, zilver, en kwikzil- 
ver gevonden , en in Chili wel het mee- 
fte goud , gelyk de oog-getuige (a) Jo- 
feph de Acofta van die zaaken overal beveftigt 
en verklaart, dat door' geheel Feru deze Me- 
taalen als verfpreit leggen, en het geheele 

X a aard* 

(a) Ziet Deszelfs Natuurlyke Hiftorie vanWeftin» 
dien, iy. Boek. 2 Kapittel. 



324 Natuur- en Konfi- Kabinet , 
aardryk als met dezelve doorzaait is, en dat 
veel meer, als men ouwelings of hedendaags 
by eenigSchryver van andere Landen te lezen 
vim. 

Gelyk Ik voor dezen getoont hebbe, dat 
Metaalryke , Goud - of Zilverryke Geweften 
overal zeer onvruchtbaar zyn , word zulks 
ook in de Weftindien waar bevonden , want 
de Goud - en Zilverryke Geweften van Ameri- 
ca zyn alle zeer onvruchtbaar, woelt, droog, 
hoo. , en--vol ontoegangkelyke bergen, on- 
gefchikte fteenroizen , en zeer ongetemperde 
en ongezonde luchten. 

n- 

De Acojla verhaalt , dat in zyn tyd het 
Goud in America op driederhande manieren 
wierd uitgemeubelt. Het eerlte is't Korrelgoud, 
dat in korlen of groote greinen gevonden 
word , alleen en zuiver; deze Goud-korlen, 
zegt de Aco/ta, zyn door malkander zomtyds 
als een zaad van een Meloen, of wel van 
een Kawoerde, en zomtyds grooter. Hy ge- 
tuigt zelfs (dog dit gebeurt zelden) goudkor- 
len gezien te hebben vaneenige ponden zwaar; 
deze goudkorlen worden in vergelyking van 
het andere goud zelden gevonden , maar zyn 
zo zuiver , dat zy geen nader zuivering van 
het vuur van noden hebben. 

f3- 

Het tweede foort van Goud , dat in de 

Weftindien' gevonden word , isindeSteenen 
of Rotzen, daar de aderen van dit Goud-erts 
doorloopen; dit goud-erts word eigentlyk de 

Goud- 



Maart en April 1719. $Lf 

Goud- fteen genaamt , maar is ongelooflyk 
zwaar en taai te bewerken , en wanneer het 
al met ongelooflyk' veel moeite, kofien , en 
grooten arbeid uit de zwaare Steenrotzen en 
Bergen is uitgehakt , is het noch een zwaare 
zaak het goud van zyn erts of fteen te fchei- 
den en te zuiveren. 

S4- 
Deze goud-fteen of liever goud-erts, de- 
welke tuflchen het fteen-rotzig en metaal-hart 
gebergte aders-gewys en taks-gewys door- 
loopt , en onbegrypelyk vaft daar mede verenigt 
ende verknocht is, word van een ongeloof- 
lyk onderfcheid gevonden, maar het eerfte on- 
derfcheid is in meerder of minder rykdom van 
goud , dewyl ( gelyk ik te voren gemelt neb- 
be) zomtyds van deze goud-erts of goud- 
iteenen gevonden zyn boven op de grond, 
en ouk wel aan de myn-aderen , dewelke 
een vyfde , vierde, derde, ja zelfs de helft 
zuiver goud uitleverden, üe Acofla getuigt 
ook dit zelfde , zeggende : ik hebbe aan de 
Mynen van C ar una in 't Gouvernement van 
Saïtnos Goud-fteenen gezien, die zeer groot 
en ganfch met goud doortoogen waren , 
ja zelfs zomtyds , dewelke wel de helft 
goud , en de andere helft fteen uitlever- 
den. 

SS- 

Het derde foort van goud , dat in America ge- 
vonden word,is het Stof-goud, en word gevon- 
den in het zand, dat,in de rivieren ofplaatzen, 
daar veel water over gelopen heeft, gevonden 
word, en dit is ook het geen in de Indien wel het 

X 3 mee- 



3 2,6" Natuur- en Konfl-Kabinet , 
jneefte van alleuitgehaalten opgezocht word. 
Uit dit alles kan de Lezer zien, dat deze drie 
verfcheide foorten van goud, even gelyk by 
de aaloude bekent en gevonden zyn geweeft, 
gelyk ik te voren getoont hebbe, en dat 
zelfs in de oude tyden van het goud, dat 
gevonden , gezocht en uitgemeubelt wierd , het 
Stof of Rivier-zand- goud het gemeenzaam- 
fte enovervloedigfte van deandere tweefoor- 
ten was. 

S 6. 
De Acojla verhaalt, dat in de tyd, toen 
hy in Weftindien woonde, en ook toen de 
Kaftilianen daar eerft verfcheenen , zeer veel 
goud in de Mynen en Rivieren van de Eilan- 
den Hifpaniola , Cuba , Porto Rico , gevonden 
wierd, maar dat echter in zyn tyd om de moe- 
yelykheid van het opvifTchen, en uitzoeken 
en uitwerken , en door gebrek der Inwoon- 
deren, daar niet op gearbeid wierd , maar dat 
in het Koningryk van Chili, in het Koning- 
ryk van Quito , en in 't nieuw Koningryk of 
Landfchap van Granade, groote menigte gouds 
uitgevifcht en gezocht wierd, en dat hetver- 
maartfte was het Goud van Caravaya. 
in Peru, en dat van Valdivia in Chili, 
dewyl het is van het hoogde aloy , te weten 
23^ Caraat , en zomtyds nog hooger , en dat 
ook het goud van Veragua voor zeer fyn ge- 
houden wierd. 

Si- 
De Acofta verhaalt , dat het goud gezm- 

vert wierd met water en door lange fpoelin- 

gen, als ook door kwikzilver , en mede door 

fterk- 



Maart en Awil 1 7 1 9 . 317 

fterk water, maar dewyl hy van die zaak geen 
naauwkeurige kennifte genoeg fchynt gehad 
te hebben, zal ik daar niet van melden. Wan- 
neer het goud nu gezuivert was , wierden 
daar plaatjes, baartjes, of tichelen, ofbroo- 
den van gegooten , om naarSpanjen gevoert 
te worden; want goud, dat noch in ftofof 
zant is, maggeenzins uit de Spaanfche Wed- 
indien worden uitgevoert. Want het kan 
niet eerder gequinteert worden, of een vyfde 
voor de Koning van Spanje afgedeelt , voor dat 
het wel gezuivert en gefmolten is. De Som- 
men van goud, dewelke uit Indien na Span- 
jenjaarlyksgebragt wierden, zegt de Acofla^ 
zyn niet wel te fchatten, maar hy verhaalt, 
dat de Spaanfche Vloot , daar hy in 't jaar 
15-87 mede overkwam , in hadde twaalf 
kaften goud , yder kaft van hondert pond 
aan goud, behalven noch duizend een hon- 
dert zes en vyftig marken gouds van nieuw 
Spanje, het welk alles alleen maar het deel 
voor de Koning was , buiten de overgroo- 
te quantïteit voor de particuliere Kooplie- 
den. 

*8. 
In Peru zyn verfcheide ryke Goud-waf- 
fchingen , maar zeer weinig Mynen van 
Goud-erts, daar nu in deze tegenwoordige 
tyd in gewerkt word; die nu bewerkt wor- 
den in dat geheel groote Koningryk, zyn in 
de Provintie van Guanuco na de kant van 
Lima, in de Provintie Chicasby de StadTtf- 
rya , en te Chuquiaguillo omtrent twee uu- 
ren van la Pas , en andere plaatzen daar ora- 

X 4 trent 



318 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

trent, volgens het getuigenilTe van de Heer 
{a) Fr e zier. 

De zelfde Heer Frezier getuigt, dat ech- 
ter in Peru zeer ryke wafch-plaatzen zyn , 
daar 't Stof-goud , en zomtyds wel groote 
Korlen , die de Spanjaarden Pepitas noemen, 
uit het rivierzand en flyk vergadert en uitge- 
waffchen worden; hy verhaalt, dat onder 
deze Pepitas, of goud-brokjes of korlen zom- 
tyds (dog zeer zelden) zeer groote gevon- 
den worden, als onder andere twee, welker 
eene een brok goud was van 64 mark en 
eenige oneen zwaar, dewelke toen ter tyd 
gekocht wierd van de Grave van Moncloa 
Onderkoning van Peru , om het zelve te 
fchenken aan den Koning van Spanjen. Het 
andere ftuk goud geraakte in handen van Don 
Juau de Mur in het jaar 1710, terwyl hy 
Corregidor van Arica was, en weegde 4 f 
mark, dog van 3 byzondere Aioyen , als 
van 11, van 18, en van 21 caraaten, het 
geen in een en dezelfde klomp aanmerk e- 
lyk (na het zeggen van de Heer Frezier) 
word geachr. 

60. 

In het Koningryk van Peru valt veelmeer 
Zilver, als elders in geheel America, maar 
wederom in het groote Koningryk van Chili, 
dat meerder naar het Zuiden toe legt, veel 
meer Goud, Ik zal van dit Koningryk van 
Chili nu niet fpreeken, noch ook van de ande- 
re 

(a) Ziet zyne Reishefchryviog door de Zuid-zee 
pag. i^q. 



Maart en April 1719. 3Z9 
re landen; als ook, op welk een wyze de 
Spanjaarden zyn ingedrongen , noch van de 
groote bedryven van Pieter Baldivia in het 
zelve, dewyl ik alle deze zaaken voor de 
verhandelinge van het Zilver bewaar : ik zal 
alleenlyk maar aantekenen, dat in het Ko- 
ningryk Chili dichten omtrent de Stad Bal- 
divia zeer veel Goud-mynen gevonden wor- 
den, gelyk ook tot la Conception, insgelyks 
aan de Zuidzee gelegen in 't zelfde Koning- 
ryk, daar zelfs rondom de Stad (a) Goud- 
mynen worden gevonden, dog voornament- 
lyk twaalf mylen van de Stad la Conception, 
aan de Ooftzyde, op een plaats la Eftancia 
del Rei genaamt, daar door waflching zeer 
veel fyn goud word gevonden , en voorna- 
mentlyk dikwils en veel van die (tukjes, de- 
welke de Spanjaarden Pepitas noemen, de- 
welke gevonden worden van 8 ja 10 mark, 
en alle van zeer ïynAloy. Vieren twintig myl 
van deze plaats legt Angol , daar ook ongeloof- 
lykveel Goudmynenzyn , maar aan de Span- 
jaarden ontbreekt overal het behoorlyk getal 
van Arbeiders , om de Goudmynen in Chi- 
li, daar by na overal ryke Goudmynen te ont- 
dekken zouden zyn, te bewerken, indien de 
woeftheid en ontoegangkelykheid der grouw- 
zaame bergen, en befraan voor genoegzaam 
getal menfchen, en geen genoegzaame volk- 
rykheid geen groote hinderpaalen verftrekten. 
61. 
Behalven dit alles, zyn de Mynen, daar 
het Goud in 't Koningryk Chili uitgehaalt 
X f word , 

. (<i) Ziet Frezitrs Reistocht. 



330 Natuur ~ en Konji-Kabinet , 
word , zeer hart van metaal-fteen , en onge- 
looflyk zwaar te bewerken; anderzins war- 
den zeer veel goudmynen gevonden , daar 
de Spanjaarden aan werken , maar met wei- 
nig menfchen, tot Tiltil, dat een dorp is, 
leggende tufTchen St. 'Jago de Hoofd ftad van 
Peru en de Stad Valparaiffo. Om te wee- 
ten, hoemagtigaan eenige mynen gewerkt 
word,- kan iemant afmeeten aan 't getal 
der molens, dewelke het Erts of Goud-mi- 
neraal of Steen fyn maaien. In 't jaar 1712 
waren tot Uittil (na het getuigenis van de 
Heer Frez'ier) maar vyf van die Erts-mo- 
lens, omdat toen elders rykere Goudmynen, 
en welker erts meer Goud gaf, ontdekt wa- 
ren. 

62. 
De Molens, daar de Spanjaarden de goud- 
erts fyn mede maaien , worden Trapickes ge- 
naamt. De Heer Frezier getuigt , dat zy 
van maakzel overeen koomen met de pletter- 
molens in Vrankryk , daar de Appelen tot de 
Citer mede geplettert worden , te weten een., 
groote ronde bak van een platleggende fteen, 
die ruim zes voet diameter heett ; hier is in 
uitgehakt een goot in de rondte omtrent 18 
duim diep, en in deze ronde goot loopt een 
molenfteen, op zyn kant lopende, welke in 
zyn diameter gemeenlyk is 3 voet en 4 duim, 
en 12, 13, 14 a 15- duim dik. Op deze wy- 
ze word de (teen verbryzelt, dewelke uit de 
Mynen gehaalt word. Behalven deze Rol- 
molens zyn ook andere molens uitgevonden, 
dewelke de Spanjaarden ingenios rcalesuoe- 

men, 



Maart en April 1 7 1 9 . 331 

men, dewelke ftampers hebben, op de wys 
als de franfche Pleifter- molens, na 't zeggen 
van de Heer Frezier. De Stampers 2yn van 
yzer, en elke (tampet weegt xoo ponden, en 
valt met zodanig een gewelt gedurig neder, 
dat de flag de alderhartfte fteen kan verbry- 
zelen. 

Deze 'Erts , of Goud-mineraal aarde, of 
liever metaal-fteen is zo verfcheiden in har- 
digheid en koleur, en andere duizende hoe- 
danigheden, dat de Lezer zich na dezen met 
recht zal verwonderen , als ik over die ma- 
terie koome te handelen ; zommigezynfpier- 
wit als marmer, andere wederom heel zwart 
of zwartachtig , en wederom andere rood 
van koleur. Maar in deze alle kan met het 
bloote oog geen goud of giinfteriug ontdekt 
worden. De metaalfteen , dewelke fterk 
blinkt , en uit veel koper en een weinig 
goud beftaat , is in 't gemeen de armfte van 
goud. 

64. 

Als de Goudmetaal-fteen wel gekneuflen 
gebroken is, gieten de Erts- werkers een ze- 
kere ïwaarte (a) Kwikzilver by dit poeder, 
het welk zo haaft niet gefchiet is , of de 
kwik grypt datelyk de goud-ftof, dewelke 
onzichtbaar onder 't poeder legt, zeer vinnig 
en vaft aan , en na deze tyd word een draal 
water door deze bak , daar het geftote erts 
en kwikzilver in legt , gegoten , dewelke daar 

door 

( a ) Ziet de Heer Frezier op de aangehaalde 
plaatzen. 



.231 Natuur- en Konfl- Kabinet , 
door heen vloejcnde, alle de aarde met zich 
fleept, en het goud benevens dekwikzwaar- 
tens - halven op de grond laat leggen ; in zo- 
danig een molen word dagelyks een halve 
Caxon gemalen , een halve Caxon is vyf en 
twintig quintalen , en elke quïntaal is hon- 
dert ponden , zo dat een halve Caxon is ifoo 
ponden Erts , en een geheele Caxon jooo pon- 
den erts of goudileen. 

Wanneer nu alle de fteenachtige of aard- 
achtige ftof is weggefpoelt, en in de diepfte 
plaats van de bak een brok word gevonden 
van het goud en kwikzilver, dat een A- 
Malgama byde Kenders genaamt word , 
word deze Amalgama in een linden pop of 
zak gedaan, en de kwikzilver, zoo veel als 
het mogelyk is, daar uitgewrongen, en na- 
derhand word de kwik door de hitte daar uit 
gedampt, en het goud door het vuur gefmol- 
ten en gezuivert , tot de fynheid van goud 
van 20 tot 21 caraaten, dat op die plaatzen 
het Aloy van het Myn-goud is , in verge- 
lyking van het fynfte korrel-goud , of an- 
der ftor-goud, wiens hoogde aloy byna 24 
Caraaten is. 

66. 

Op dat nu de Lezer een goed begrip ver- 
kryge van deze Goudwinnery , gelieft hy 
aan te merken , dat yder Caxon of vyf dui- 
zend ponden Goud-erts opleveren aan goud 
van 20 a 2r Caraaten, niet meer als vier, 
vyf of zes oneen goud, (hoewel zommige 
mynen twaalf oneen geven, en zommige an- 
dere, 



Maart en April 1719. 3 3 $ 

dere, maar zelden heel lange tyd, ongelooflyk 
veel) dat is door malkander genomen, de 
vyftien duizentüe part van de goudmetaal-erts 
is maar goud, en als wy eens overweegen, 
welke onkolten , welk een zorg, gereetfchap, 
werktuigen, gedult, konft, en menfchen al 
aangelegt moeten worden, eereenMynmee- 
fter een Caxort goudmetaal - erts vergadert 
heeft, hoe veel geilamp, gemaal, gewafcb , 
wat al kwikzilver, fmelt-ovens, zuiveringen 
moeite hier noch wel toe van noden is, be- 
hoeven wy ons niet te verwonderen , dat 
zommige myn werkers zich zei ven arm heb- 
ben gearbcidt, temeer dewyl het zeer dikwils 
gebeurt , dat een Caxon maar twee oneen goud 
levert, dat is de veertig duizentfte part goud 
van de goudmetaal-erts, in welk geval de 
Bergwerker of Mynwerker zyn onkolten maar 
allèenlyk kan goed (a) maaken. 

67 " 
De Aderen van de goud-metaal- fteen ver- 

fcheelen veel van de zilvermetaal -erts, ten 
opzicht van haar onegaalheid, dewyl de 
goud erts-aders zich gedurig ongelyk zyn, in 
vermindering, fmalte, breedte, rykdom, ar- 
moede enz. daar het zilver veel egaalder in 
word bevonden ; dit is dereden , datdeBerg- 
werkers in het goud altyd op groote hoop 
voortwerken ; voor eerft is de ader in het 
middel fte ten opzicht van zyn begin en einde 
altyd ryklr, en, daar twee aderen goud-erts 
by geluk malkander fnyden , altyd zeer ryk , 
welke ryke plaats des aders by de lieden van 

deze 
(a) Ziet de Heer Frezier ia zyn Reis, 



334 Natuur-en: Konft-Kabinet , 
deze verrichting de beurs wordgenaamt;zom- 
tyds is het laatiïe einde van de ader deze al- 
derryklte beurs, het welk de oorzaak is, dat 
de Mynmeefter nergens (taat op kanmaaken, 
en veel grooter getal zich verrykt hebben, in 'c 
werken van de zilvermynen of andere metaa- 
len , als die van het goud. 
68. 
De wafchplaatzen , daar men het goud uit 
de aarde der rivieren en dcszelfs zand haalt, 
zyn overvloedig in deWeftindien, maar ook 
met 'veel moeite verzelt., gemecnlyk worden 
deze plaatzen uitgekoren by het afloopen van 
hooge bergen , rotzen en fteenige heuvels, 
dewelke goudryk worden geoordeelt ; na de 
hoeken van zodanige plaatzen word door 
zwaaren arbeid, als zulks mogelyk is, een 
loopend water na toe geleid , dat door zyn 
gedurige vloed alle de aarde en loflè bergltof 
met zich fieept; het overige, dat zwaarlt is, 
word op muilezels gebragt in een daartoe ge- 
maakte kom, door dewelke wederom een 
fnelle waterbeek word geleidt, terwyl deze 
ingebragte aarde gedurig met een yzere haak 
wordgeroert , en de fteenen , die de loop van't 
water en uitwalTching zouden beletten., uit- 
geworpen ; als dus dit ftofgoud vergadert 
word , fchynt alles zwart , en het goud kan 
door 't oog niet in de aarde ontdekt worden, 
ten zy Pepitas of groote goud-korlen onder 
dezelve gevonden worden, dat zomtyd< ge- 
beurt , gelyk boven gemelc is, en ook getuigt 
word van de Eerwaardige Vader Louis Feuil- 
lée (in zyn 'Journal des Obfervations Pbyfi- 

ques % 



Maart en April 1719. 3 3 ƒ 

ques ^Mathematiques & Botaniques) hoe dat 
hy in het Kabinet van Don Antonio Portoca- 
rero een Pepta gezien heeft, dewelke 33 
ponden en eenige oneen zwaar was, endoor 
een Indiaan was gevonden. Dat ikverwon- 
derenswaardig aanmerkte omtrent dit (tuk 
goud , ( zegt de Heer Feuillée) is , dat het bo- 
ventte gedeelte veel volmaakter aloy van goud 
was alszynonderfte, en dat deze zuiverheid, 
na mate dat het na zyn onderde gedeelte 
voortging , ook evenredig volgde. Op deze 
wyze in het oppervlak van zyn bovenftedeel 
was het aloy 22 Caraat en 2 grein, een wei- 
nig lager 2 1 Caraat a grein , twee duim van 
boven na beneden gerekent maar 21 Ca- 
raat, en alderonderft niet meer als 17 en • 
Caraat. 

69. 
Als nu de zwaarfte zwarte of andere geko- 
leurde aarde in deze groote wafchkom isbly- 
ven leggen , dan vinden de werklieden noch 
buiten de korlen geen goud , maar doen die 
aarde in groote houte fchotels, en wallenen 
met waier dat met de aarde en vuiligheid over 
de rand heen vloeit, zo lang tot dat zy goud 
op de grond van de houte fchotel vinden leg- 
gen. Deze goud-aarde van de nedergaande 
Iteiltens der grouwzaame bergen van Chili is 
boven op zyn oppervlak fyn , meeft roodver- 
wig van kuleur; op een mans diepte neder- 
komende, is zy met (a) groote xandkorlen 
gemergt , en daar begint eerft de aarde, 

daar 

(a) Ziet breeder de Heer Frezitr R«is door de 
Zuidzee. ' 



5 3 6 Natuur- en Konft-Kabinet , 

daar 't goud onder gevonden word, (leu- 
nende op bedden van een f teenachtige grond, 
daar het üorgoud niet heeft konnen door- 
linken. 

70. 
Daar zoude byna geen einde aan zyn , als 
de Spanjaarden vlytig ontdekten alle de ryke 
goudmynen en wafchplaatzen van goud, de- 
welke in Chili te vinden zyn. In het jaar 
1700 (verhaalt de Heer Frezier) dat tot in 
het gebergte van St. Chrifloffel van Lanpan- 
guy omtrent 8 mylen van l/alparaifjb , en der- 
tig graden zuider breedte, alderhaude metale 
mynen, van goud, zilver, loodt koper, tin, 
ontdekt wierden, waar uit blykt, dat deze 
landen van Chili en Peru (gelyk ik op zyn 
plaats klaarder toonen zal ) van Metalen als 
aan malkander hangen. Dit goud van Lan- 
fanguy is van 21 tot 21 caraaten bevonden, 
maar de erts byna onhandelbaar hart, hoewel 
een weinig daar van daan de erts handelbaar- 
der bevonden word, gelyk ook in de vlakte 
van Qiiillota, die maar negen mylen van Val- 
paratjjo afgelegen is , en voor dezen zeer goud- 
ryk bevonden wierd. De traagheid en achte- 
loosheid van de Spanjaarden gaat zelfs zo ver 
in deze landen , dat zy op zommige plaat- 
zen, die zeer goud-ryk zyn, zeer armelyk 
leven. Gelyk na 't verhaal van de Heer Fre- 
zier de Inwoonders van de Stad la Serena 
(dewelke zeer -plaifant aan zee legt, een vier- 
de deel van eenmyl van de Baay van Coquim- 
bo , daar zy ook wel Coquimbo na genaamt 
word) alleenlyk uit luyheid zoo arm zyn, 

dat 



Maart en April 171P. 317 
dat zulks naauwlyks te geloven is , en deze 
Landitreek is een der alderryktie van 't ge- 
heele Koningryk Chili; want in de winter, 
wanneer de regen een weinig overvloedig is, 
vinden zy hier en daar meelt in alle hoekjes, 
dewelke van de bergen vlieten, ftofgoud of 
kleine (tukjes: negen of tien myl van deze 
Stad ten Ooften zyn de goud - wafchplaat- 
zen van Andacol, en daar omtrent zyn zo 
veel ryke Goud-mynen , dat daar wel 40000 
menfehen aan te werk geftelt zouden kon- 
nen worden. 

V- 
Deze Luyheid heeft echter niet overal 

plaats, want in den jaare 1707 wierden van 
de haven vznCaldera omtrent vyf mylen Zui- 
delyker by de kleine Stad Capiapo, eenige ry- 
ke goudmynen ontdekt , waar door het vlek 
Capiapo zo toenam, dat 1713. doen de Heer 
Frezier daar was , al zes Rolmolens opge- 
recht waren , en daar wierd eene molen met 
fiampers, daar ik van gefproken hebbe, op- 
gerecht; deze molens met ftampers konnen 
twaalfmaal zo veel erts maaien, als de oude 
Rolmolens , dat is , zes Caxons op een dag ; het 
Ons goud gegoten zynde word tot Capiapo 
verkocht voor twaalf a dertien, a dertien en een 
halve Piajier. Dus verre van de kenniffe, de- 
welke in de latere eeuwen onze voorouders 
hadden, en dewelke wy hedendaags hebben ver- 
kregen ,vau het Goud endeszelfs groote over- 
vloed in de Myn-en Wafchplaatzen van Ameri- 
ca. Verwacht de Natuurlyke Gefteltheid van 
elk byzonder Landfchap van Amerika , in de 

Y ver- 



3 3 8 Natuur - en Konfl - Kabiüet , 
verhandelinge van hét Zilver,op een andere tyd 

Derde Verhandeling van het GOUD , waar 
in het BLADGOUD -SLAGERS 
HANDWERK naauivkeurig befchre* 
ven 'word. 

DE Lezers zullen niet kwalyk gelieven te 
neemen, dat ik de Geheimen van elk 
Handwerk niet mededeele, in zo ver als der- 
zelver publicatie nadeelig aan de Konftenaars 
zoude konnen zyn. 

i. 
Het eerde Werk van een goed Meefter 
Goudflager is, dat hy zich voorziet van het 
epMe en zuiverfte Goud van vier en twin- 
tig Caraat , want hoe zuiverder goud, hoe 
beter en duurzaamer in het dekken. Dit 
Tabuhi goud wordineengemeene^e7/A7w.rgefmol- 
///. Fig. ten, ziet in Tabu/a III. Fig. i. deze fmelt- 
i.Fig.2. kroes word geplaatft in de Kooien , ziet Fig. 
2. letter a, om deze kroes word een yzere 
Ring geplaatft, om de kooien bymalkanderen 
F 'é' 3' te houden, ziet Fig, 3. de geheele kroes mag 
wel met kooien om alle de zyden en boven 
gedekt worden, om des te grooter vuur te 
maaken, dit vuur word aangeblaazen door de 
Blaasbalk b. in Fig. 2. achter de muur van de 
oven geplaatft, en met een pyp door de muur 
gaande tot aan 't vuur ; het goud gefmolten 
Fig. 4, zynde, word overgegoten in het Sme/tyzer, 
ziet Fig. 4. welk fmeltyzer ook in de af- 
getekende winkel ( aan de zymuur hangende) 
gezien word. Dit 



Maart en April 1719. 339 

1. 
T>\t Staafje goud, dat uit het fmeltyzer ge- 
homen word, word verheelt door Fig. S-Fie.<. 
en heeft de lengte van elf a twaalftehalf duim; 
en de breedte en dikte van een dunne mans 
pink; het werk, dat nu aan dit ftaafje gedaan 
word , is met de Smeedhamer , te zien in Fig. 6. F i„ $ 
dog met de pen of de verkeerde kant van de . * 
fmeedhamer by letter c , dit ftaafje word al- 
leenlyk maar uitgeklopt in de lengte , en 
geenzins in de breedte, te weten tot de leng- 
te van twee Rynlandze voeten of daarom- 
trent. 

3- 

Wanneer nu dit goudftaafje dus ver is 

verlengt, en vervolgens verdunt, word het 
gebragt in een werktuig, dat de Goudflagers het 
Plet noemen , ziet dit plet eerftelyk verbeelt 
in de Winkel onder Fig. 7 , vaft ingelyft op Jf& 7. 
een dwarsbalk , die met het eene einde in de 
muur gemetzelt is , en met het andere einde 
onderfteunt word door een ftaande balk of 
paal, die recht onder het plet ftaat, maar de 
tweedemaal word dit werktuig, te weten het 
plet , vertoont in Fig. 8. het ftaafje goud word jr ; v g # 
in dit plet geftoken tuflchen twee ftaale fchy- 
ven , getekent met letter d en e\ deze twee 
ftaale fchyven worden op malkanderen ge- 
fchroeft door twee fchroeven , dewelke de 
bovenfte fchyf op de onderfte vaft drukken , 
om het ftaafje wel te beklemmen, ziet de- 
ze Schroeven vertoont in Hg. 7. by de let- 
ters^/, enby Fig. 9. met dezelfde letters. &£.$• 

Y z Wan» 



34-0 Natuur- en Konfl-Kahinet > 

4- 
Wanneer nu het ftaafje tuflchen de beid e 
•ftaale rollen of zwaare fchyven wel beknelt 
is , dan worden deze itaale rollen omgedraait 
door twee fterke mans- perzoonen , draajende 
roet de handvatzeis g, g, g, g, tegens mal- 
kanderen aan; dat is, als de eene knecht de 
ftaale rol omdraait van 't zuiden naar 't 
noorden, moet de andere knecht de andere 
ftaale rol omdraajen van 't noorden naar 
het zuiden, by welke gelegentheid het iiaaf- 
je goud zeer dun geplet word in de lengte ; 
dog niet breeder, als het zelve hier vertoont 
word in Fig 8. en in Fig. 9. met de let- 
ters A, h. Moet ondertuflchen wel aange- 
merkt worden, dat het goud gedurig uit en 
in de pletmolen in 't vuur moet gegloeit 
worden, om het goud te verzachten, dat an- 
ders aan (luk geplet zoude worden. Nu is 
het zeer aanmerkelyk , dat onder dit pletten 
het goud nooit in de breedte uitzet , alhoe- 
wel zulks ten opzicht van de piet-rollen wel 
zoude konnen zyn , dewyl dezelve lang ge- 
noeg zyn, maar het goud zet zich alleenlyk 
maar uit in de lengte; op deze wyze word 
het geklopte ftaafje van twee voeten languit» 
geplet tot de lengte van zes vademen or daar 
omtrent, en word dan tot een Bosje gebon- 
fi£,%9. den, gelyk vertoont word by Fig. 10. 

S- 

Als nu dit goud zodanig is uitgeplet in de 

lengte, word het zelve wederom met des 
fmeedhamers verkeerde kant (ziet Fig. 6. let- 
ter c) in 't breede uitgeklopt, tot de breedte 

van 



Maart en April 1719. 341 

van anderhalf duim, dog gedurig in 't vuur 
gegloeir; na dezen word het zelve door 
een Schaar (ziet Fig. 1 O geknipt in vierkante J^'*** 
P/^if/Vx, als 'er een vertoont word in Fig. 12. 
Nu ftaat aan te merken , dat tweehondert en 
vyftig of daar omtrent van deze kleine vier- 
kante goude plaatjes worden gelegt perpendi- 
culair op malkander, met die waarneemin- 
ge, dat tuiïchen elk plaatje goud een blad 
van zeer dun en alderfynft kalfs parlement 
gelegt word, en dit in het verband, als of 
alle deze plaatjes en alle deze parkemente bla- 
deren een vierkant blokje uitmaakten , gelyk 
te zien is in Fig. 13. Dit blokje heeft inzyn F^.13. 
vierkant elke linie 3 en | duim , dat is in 
ïyn geheele omtrek 14 rynlandze duimen, 
en in zyn dikte anderhalf duim , en word de 
kwets-vormgenaamt; dog eer het goud in of 
tuflehen dit parkementvande kwets-vorm ge- 
legt word , moet deze kwetsvorm eerft ge- 
ftelt worden in eert heet gemaakte yzere pars, 
die zo heet is, dat hy fi(t, op dat het parke- 
ment beendroog mag worden , anders zoude 
het goud zich ontzetten, fchiften, en als van 
malkander vallen in 't kloppen, deze yzere Fig. 14. 
Pars is te zien in Fig. 14. Alle de twee- 
hondert en vyftig goude [plaatjes weegen vyf 
oneen goud ; dit pakje of blokje of deze kwets- 
vorm , beftaande nu uit alle deze tedere parke- 
mente blaadjes en goudplaatjes, word in een 
omtrekje beiloten van wat grover park ement, 
dat zy de Banden noemen. 

6. 
' Dewyl nu de goude plaatjes indezekwets- 

Y 3 vorm 



34"i Natuur- en Konft-Kabinet, 
vorm maar anderhalf duim zyn, en dekwets- 
vorm vierdehalf duim , teweten in zyn Diame- 
ter, geeft dit groot onderfcheid in de grootte 
van beide, daarom word deze vorm gelegt op de 
s * vierkante Steen , die door Tig. i $". betekent 
word, en ook in de winkel te zien is; tegens 
deze fteen gaat de Goudflager aanzitten , als 
insgelyks in de winkel vertoont word, leggen- 
de op zyn fchoot een rood fchaapen vel , let- 
ter /, "fean deze fteen wel vaft gehecht, opdat 
niets van het goud verloren mag gaan , tot 
welk inzicht ook om deze zelfde fteen ge- 
maakt is een hoog opgaande eike houten lyft, 
als een rand, by de Goudflagers de Kasge- 
naamt, en word zeer dicht aan deze fteen ge- 
werkt , en de randen beplakt met parke- 
ment,en een vierkant op de fteen overgela- 
ten, lettere , zynde het overige van de fteen 
met het roode leer bekleed, als letter /. te 
zien is. 

7- 
Zodanig een goudflagers fteen is ongelyk 
van zwaarte , na het werk , dat op dezelve 
gedaan word, want deze fteen, diedegroot- 
fte is in de winkel , weegt over de 700 a 800 
ponden, zynde gemaakt van blaauw zark- 
fteen, en word op deze fteen gemeenlyk de 
kwetsvorm alleenlyk dun geflagen , als de 
Winkel voorzien is met verfcheide fteenen, 
elk gefchikt na de meerder of minder lich- 
te vormen, dewelke daar op dun geflagen 
worden ; dog als in een winkel maar een 
fteen is , gefchiet alles op deze zwaare 
fteen , dat echter niet gefchieden kan , daar 
veel knegts in 't werk zyn. Als 



Maan en Af ril 171P. 345, 

8. 
Als nu deze kwetsvorm gelegt is op de 
fteen in het vierkant letter k. dan komt de 
Goudflager met de Hamer Fig. 1 6. en flaat op Fig. iö. 
deze kwetsvorm met de zwaarfte van zyney- 
zere hamers (deKwetshamer genzamt) omtrent 
een uur lang, in welke tyd degoude plaatjes 
niet alleen worden uitgeflagen ter grootte van 
de parkemente bladeren van de kwetsvorm, 
maar zelfs daar overal zo veel buiten , dat een. 
ons goud omtrent word uitgeklopt, 't welk met 
een yzer mesje word afgekrabt van de zyden en 
randen Y a n de kwetsvorm. 

9- 

De goude plaatjes nu in de kwetsvorm uit- 
geflagen zyndetot eendiameter van vierdehalf 
rynlandze duimen , worden deze blaadjes goud 
dan gelicht blaadje voor blaadje met het houte 
Tangetje Fig. 17. uit de kwetsvorm, en tot Fig.xj. 
vyf en twintig in 't getal traps gewys op mal- 
kander gelegt, en met een dun mesje midden 
door gemeden , dan wederom met het zelfde 
houte tangetje traps wyze op malkander gelegt, 
en noch eens doorgefneden , zynde elk plaatje 
goud van 3 en ± nu in vier gelykedeelen ver- 
deelt, en van de vyf en twintig blaadjes goud 
hondert voortgebragt, en komen van deze twee 
hondert en vyftig (tukken of plaatjes uit de 
kwetsvorm op deze wyze duizend vierkante 
blaadjes. 

10. 

Deze duizend goude blaaden worden met 
het zelfde houte tangetje gelegt blad voor blad 
tufTchen de bladeren van de Leuvorm , ziet Hg. Fit. 18. 

y 4 18. 



244 Natuur' en Konft-Kabinet , 
18. Deze Leuvorm is byna gelyk dekwets- 
vorm , als iemant dezelve van buiten beziet, 
en beltaat uit duizend zeer dunne velletjes, 
dewelke als een vierkant boekje op malkan- 
der leggen; deze blaadjes of velletjes wor- 
pen by de goudflagers Liezen genaamt, en 
worden toebereidt van het zak-einds- van 
eenKoebeeft, welk zak-einde van de pen- 
'zak afgefchilt zynde , is als een fyn darm- 
vlies in het aanzien, dit Vlies word gefpan- 
nen - op houte Raamen , dewelke in haar 
lengte hebben <;\ voet, en in de breedte 6 
a 6] duim; twee zulke vliezen op tweever- 
fcheide raampjes gefpannen zynde, zyn van 
die onbedenkelyke dunheid en kleverigheid, 
dat zy aan malkanderen geplakt wordende, 
ivfeparabel aan malkander blyven, wanneer 
het eene raampje voorzichtiglyk word afge- 
scheiden van zyn vlies, zittende dus die bei- 
de vliezen nu egaal en zeer glad aan malkan- 
der als vaft gegroeit op het eene raampje ; dit nu 
droog geworden zynde, word dit vlies met 
een zeer fcherp fchoenmakers mes geheel ge- 
lykgemaakt en gemeden ; alle vellen, onge- 
lykheden, uirftec-kzels, bultjes, of wat daar 
meeropmogtezyn , onbedenkelykglad alsaf- 
gefchaaft ; dus gefchaaft en gedroogt, word 
dit vliesje, dat hoe wel dubbelt, echter van 
een onbedenkelyke dunheid, fynheid en door- 
fchynentheid is, in vierkante blaadjes van 't 
raampje met de punt van een fyn pennemesje 
gefneden ; deze blaadjes afgefneden zynde, 
worden in vloeypapier (Brtmers grer.s ge- 
naamt) gclegt, blaadje voor blaadje, en wor- 
den 






Maart en April ijip. 34^ 
den ïo lang geklopt, dat al het natuurlykvet 
der liezen in bet vloeypapier is ingedrongen. 

11. 

Nu weeten de Goudflagers een pap te be- 
reiden , die zy de grond noemen , (deze pap 
maaken de Engelfche beter als wy, en maakt 
dat de vorm beter is en het goud dunder uitflaat) 
deze pap word gekookt van wyn en brande- 
wyn , en een poeder van nootemuscaat, ca- 
neel, nagels, foelie, peper, msftix, wie- 
rook, gengber , vifchlym en campher enz. 
deze pap dan word door een doek gefpoelt en 
zeer gezuivertj met deze pap nu worden de- 
ie lieze blaadjes driemaal met een fpons ge- 
ftreeken, en gedroogt, tot dat zy onbedenke- 
lyk fmeudig en glad zyn, dan worden deze 
dusdanig bereide liezen op een nette winkel- 
haak afgefneden tot haar behoorlyke grootte 
in het nette vierkant. Ik zal na dezen, als ik 
van de Lymen handele, ten dienfte van onze 
Bladgoud -flagers een Lym-pap mede deelen , 
dewelke zo goed zal zyn als die derEngelfchen. 
12. 

De grootte nu van deze Leuvorm is vier 
duim over elke linie, dat is 16 duim in zyn 
omtrek , en deze duizend blaadjes maaken 
maar een dikte van 1 \ duim , waar uit de 
dunheid van elk lies-blaadje kan afgemeten 
worden ; wanneer nu de duizend goude blaad- 
jes tuffchen de lies-bladen van deze Leuvorm 
jngelegt zullen worden , moet wel in acht 
genomen worden, dat deze geheele Leuvorm 
eerft geftelt word in de zeer heet' gemaakte 
yzere Pars Fig. 14, opdewyze, al sik van de 
kwetsvorm gezegt hebbe. Y ƒ Het 



2 45 Natuur- en Konfi- Kabinet , 

Het goud nu in deze Leuvorm geplaatft 
zynde , word wederom geflagen met de 
zwaarlte hamer, de kwets-hamer genaamt, 
en met Fig. 16. uitgebeelt, tot zo lang dat 
het uitgeflagen is op de fteen , dat het goud 
aan alle zyden uit komt fpruiten en zich ver- 
toont, wordende wederom het goud van de 
randen afgefchrabt , dat wel een ons bedraagt 
in gewicht. 

*4- 

Het Goud nu geleut zynde, word weder- 
om blaadje voor blaadje uit deze Leuvorm 
met het houte tangetje Fig. 17. trapsgewys 
tot twintig blaadjes te gelyk op malkander ge- 
legt, en door het tangetje als omgevouden 
endoorgefneden inviergelyke deelen. Hier 
is aan te merken , dat by na voor 't men- 
fchelyk verftand niet te begrypen is, hoe de 
duizend bladen, uitgeflagen zynde ter zelver 
diameter van de Leuvorm, echter deze Leu- 
vorm niet zichtbaarlyks verdikken, dewyl 
de Leuvorm in zyn parkemente banden zo 
wel fluit met als zonder de goude bladen 
daar in ; als ook , dat dit goud nu tot zo- 
danig een dunte geflagen zynde, noch we- 
derom in vier deelen word verdeelt, en dat 
van deze duizend bladen wederom vierdui- 
zend bladen worden gefl3gen , diegrooterzyn 
als de andere. 

H' 

Deze vierdepartjes van 't geleute goud of 

geleute goud- blaadjes worden nu overge- 
bragt in een andere vorm , dewelke de goudfla- 

gers 



Maart en April 1719- 347 

gers noemen de Dunjlag-vorm , ziet Fig. 19. #£•*?• 
dit is eindelyk de laatfte vorm , daar het goud 
zyn behoorlyke dunnigheid in ontvangt , de- 
ze vorm beftaat uit zes hondert vierkante lies- 
bladen, daar wy te voren van gefproken heb- 
ben, dezelve heeft de dikte van drie quarte» 
van een duim, en is over elke linie vyf duim, 
derhalven twintig duim in zyn omtrek ; eer 
deze zes hondert blaadjes goud in de dunflag- 
vorm gelegt worden, word deze vorm eerit 
wel gezuivert , want een korreltje zand of 
flof zoude dezelve bederven , en al het goud 
en de vorm vol.gaatjes maaken ; dan word 
dezelve gebruint\ zo als de goudflagers dat 
noemen , te weten gewreven met gebrande 
onbedenkelyk fyne witte gibs, blaadje voor 
blaadje, met een achterfte haaze-poot, om 
de vettigheid van de liezen te temperen , en 
een zekere fmedigheid by te zetten , dat het 
goud niet aan dezelve liezen zoude vaft ver- 
gulden en aankleeven,)'t welk zonder deze gibs 
anders datelyk gefchiet. Na dat deze vorm 
gebruint is , word dezelve tuflchen twee bor- 
tjes van gedroogt bortpapier in deheetepars 
gezet, uitgebeelt met lig. 14. de vorm nu ge- 
parft zynde, worden de vierkante vierde partjes 
van 't geleute goud or de leublaadjes, zo 
als deze lieden dat noemen, in dezelve ge- 
vult blad voor blad met het houte tangetje , ver- 
toont Fig. 17. 

16. 
Deze Dunflag-vorm met zes hondert blaad- 
jes goud word wederom uitgeflagen omtrent 
in de tyd van vyf a zes uuren op de groote 

(teen 



3 48 Natuur- en Konjl-Kabinet , 

fteen by letter k. met een hamer van acht 
pond , die ( de zetter genaamt) op een na de 
kleinfte, die in de winkel by de drinkkan let- 
ter m. nitgebeelt ftaat. Deze hamer of zet- 
ter flaat de goude blaadjes omtrent eens zo 
groot, als dezelve in deze dunflagvorm ge- 
legt wierden, maar dan gebruikt de goudfla- 
ger de kleinfte hamer ,te zien in de winkel 
met de letter n. onder de drinkkan. Deze 
hamer is klein enrandigfcherp omzotefpree- 
ken, en flaat op de vorm als met zyn randen 
van 't midden, in dier voegen, ofzydevorm 
in vieren wilde fplyten , om het goud op de- 
ze wyze als in vier deelen te breeken , dat 
ook zo gezien word; elk blaadje is in 't mid- 
den vaft, maar anderzins aan vier deelen ge- 
fcheiden door 't flaan , dat na de buiten ran- 
den uitwerkende gefchiet , het welke dan weer 
tot malkander als toe geflagen word, op dat 
het goud zich zo veel te beter zoude uitbrei- 
den en verdunnen laten, en als uitfpatten en 
uitgroeyen , welke uitwelling en uitdryving 
en uitgroeying de eigentlyke konften fynheid 
van het goudflaan is, om het net egaal en 
wel altyd in die dryving en uitwelling te be- 
waaren onder't flaan ; dit dryven duurt omtrent 
een klein half uurtje öf een quartier van een 
uur. 17. 

Wanneer nu het goud gedreven is door dit 
dryf hamertje, heeft elk blaadje wederom wat 
gewonnen, dog niet veel in zyn diameter , 
maar is overal als van malk anderen gekneuft, 
en als in vier kloofjes gekwetft of gedreven, 
dat zeer geeftig in dit konftig handwerk is ; 

dit 



Maart en April 1719^ 349 
dit gefchiet, op datdegouddager, die nu we- 
derom met de hamer van acht pond, die de 
Zetter genaamt word , begint te (laan , de kan- 
ten van de goude blaadjes zo veel te beter 
uit zoude doen fchieten na buiten ; met deze 
word het blad - goud omtrent eens zo groot 
in zyn diameter gedagen , als doen het eerft 
in de dundag-vorm gelegt wierd, opdezetyd 
nu word een hamer genomen van 1 1 a ia 
pond , en het goud tot zyn volkomen dunte ge- 
dagen, deze dunte word zo lang voort ge- 
dagen , als het goud zich uitzetten wil of 
groeyen, en om zulks te weeten , daan de 
gouddagers altemets acht, tien a twaalf da- 
gen achter malkander op het midden van 't 
goud of van de vorm, en bezien by 't openen 
van de vorm of een blaadje van dezelve , of 
het goud noch van het midden des vorms 
na buiten wil golven, het wel-k een teeken is, 
dat het zelve noch meer uitdaan kanlyden. 
18. ' 
Nu moet niemant gelooven , dat hy deze 
kond van gouddaan zeer licht of gemakkelyk 
kan keren, zynde tot dezelve een groote^- 
teriteit en handeling, en wel een naauwkeurige 
observatie van noden, en zelfs in zo verre, 
dat verfcheide meeders goudflagers haar zel- 
ven (alleenlyk door onkunde) hebben g*r«/- 
neert, dewyl deze Kond (even ongelukkig 
als veele andere) n&proportie niet wel betaalt 
Word. Wanneer nu deze zes hondert bla- 
den goud tot haar genoegzaame dunte in de 
dundag-vorm gedagen zyn, word het goud 
door het wryven van de vorm met beide de 

haa- 






gfo Natuur- en Konfi- Kabinet , 

handen afgezet, op dat het niet vergulden zou- 
de aan de Hezen, wordende dir onder het flaan 
elke poos ook waargenomen, waardoor alle 
rimpels , kreuken en|vaftklevingen uit het goud 
als worden uitgewreven door een geeftige be- 
handeling, die elke meefter niet even geluk- 
kig eigen is; ook worden onder het flaan op 
dedunflag-vorm onder en boven 3lparkemen- 
ten gelegt,op dat de liezen niet breek en zouden. 
f o'. 
Het bladgoud afgellagen zynde word ge- 
boekt inde boekjes, daar men het zelve da- 
gelyks in koopt, Lier toe worden alle debla- 
den van de vorm, daar de goudblaadjes tuflehen 
in leggen , op dat y,y wel by malkander zouden 
konnen gehouden worden, vaflgehouden in 
... de Span-tangFig. 20. 20. Deze fpan-tang heeft 
3( j°' ' een voetje, gelyk te zien is aan beide uit- 
beeldingen met de letter o, 0, en heeft achter 
aan zyn einden een klein Span-yzer , te zien by 
letter p,p. vol gaatjes zynde, om de fpan-tang 
naauwer en wyder te konnen fpannen; hier 
mede de dunflags -vorm geklemt en gevat 
zynde, word op het IVerkkuflen gelegt, 't welke 
Fig. ix.Fig.zi. en ook in de winkel byde Meefter, 
die aan 't boeken zit, verheelt word. 
20. 
Dit Werkkufïen is gemaakt van een plank, 
daar op gefpykert is zacht wit Kalfsvel, en 
gevult met Kerneis- haar, en opdat het goud 
te gemakkelyker zich daar af en op laat Iich- 
ten,en fnyden tot zyn behoorlykegrootte,word 
dit werkkufïen dü'wils met gebrande gibsge- 
ftreken en gewreven, dit werkkufïen is lang 

twee 



Maart en April 17 1 9. $ f f 
twee timmermans voeten en 3 en een* duim, 
en breed 8-j duim. 

2T. 

De Boekjes , daar het goud in overgelegt 
word, zyn genaait van zeer flecht Over-Y- 
zels dun vloey-papier, dit papier is met een 
droog Roobolisje geftreken, op dat het goud 
niet zoude kleeven, en worden van verfchei- 
den grootte gehouden , dewyl de goud- 
blaadjes uit de vorm koomende niet egaal 
groot zyn , of in het overleggen wel 
eens een weinig verongelukken ; in het uit- 
lichten en boeken neemt de meefter dezelve 
wederom uit met het houte tangetje Fig. 17. 
De goudboeker , het blaadje van de vorm 
oplichtende met zyn linkerhand, (ziet letter 
q in de winkel) heeft in de zelfde een mesje 
gemaakt van fpaans ried, dat door zyn fcher- 
pe erf bekwaamd is om elk goudblaadje, dat 
hy met zyn rechterhand op't werkkuflèn legt, 
de kanten aftefnyden, als hy het blaadje van 
de vorm laat vallen, en met de linkerhand 
het goud-blaadje fnydt, en tot 25- blaadjes 
in 't getal in elk boekje legt; dit gefchiet op 
een werk-bankje, daar het goud-boekje op 
legt , dat zy een paartje noemen , en voor 't 
kullen ftaat , twee in getal , voor twee of meer 
boekjes van verfcheidegroote,ziet/ïf.22eu 23. Fig. 22. 

22. en Fig. 

Als het goud geboekt is, worden alle deze 2 i- 
boekjes op malkander gelegt , en het goud , dat 
buiten de randen is , met het ried mesje afge- 
fchrabt. Ziet nu voort Fig. 24. is een bouten Fig. 24, 
Pars, daar kwets- en leu-vormin ftaan, om 

dun- 



3 f z Nat uur ' en Konjl-Kabinet , 

Fig. i<. dezelve droog en wel te bewaaren. Fig. 2f. 
Fig. 26. is een corred gottdfchaaltje. Fig. 26. is het 

Boekmes , daar de boekjes mede op haar maat 
&S' 2 7- gefneden worden. Fig. 27. is de Smelttang, 

om de fmelt- kroes aan te vatten , en de koo- 
f/g. 28. len te regeren. Fig. 28 is een Blaas bulk, om 

de kooltjes mede van 't gefmolte goud uit de 
Fig. 29/fiTieltkroes te blaazen. Fig. 29. is de boekjes- 
Fig. 30. pars, om de boekjes wel in af te fnyden. Fig. 

30. is het Aambeeld , dat ophet fiiielt-blok in 
&&• 3 1 ' de winkel fïaat letter r. Fig. 31. is het bor- 

Jieltje , om het goud in 't leujen aan te veegen. 
Fig. 32. fig, ^2. is het gewicht bakje. 

Alle deze Waarnemingen en Befchryvin- 
gen dezer Werktuigen zyngefchikt nadekon- 
lh'gfte Bladgoud-flagery , dewelke ik hebbe 
konnen vinden, zynde ook re gelyk deoud- 
fte Winkel in Amfterdam, ten huize van Monfr. 
Izaak Bronkhorft , woonende in de St. Lucy- 
Jleeg , daar de Goudflagers winkel uithangt; 
aan welke Meelter Bronkhorji het ook behaagt 
heeft, het volgende versje op het in 't licht 
brengen zyns Ambachis te ontwerpen. 

Hoe , t GOUD , daar elk op a aft , doorKonJI, 

Gewelf en hagen , 
Met Schyven word geplet , met Hamers dun 
gejlagen, 
Tot Bladgoud, daar de Pracht zo trots 

haar rol meê [peelt , 
Word hier voor d'eerjle maal de Lezers 
mêe gedeelt. 

IZAAK BRONKHORST. 
AAN- 



I 

Maart en April 171 9. gfj 

AANHANGZEL 

VAN 

BRIEVEN enz. 

EERSTE BRIEF, 

Van de Heer Henry Schaink aan den Au- 
teur, over het GROOTE LICHT, dat 
zich den 30 Maart 1719. 's avonds ten half 
negen aan den Hemel vertoont heeft. 

M y n Heer! 

Nademaal zig den 30 Maart 1719 omtrent 
half negen eenig licht aan den Hemel ver- 
toont heeft , welkers ttitfchietende flr aaien , en 
uitgebreide klaarheid wel van veel menfchen 
gezien is , maar die nochtans niets weetente 
fpreeken van de oorfproug , en hoedanigheid , en 
figuur van deze Verlichtinge , zo heeft het my 
goed gedagt aan myn Heer , die niet alleen een 
Minnaar van Konflen en IVetenfc happen , maar 
ook meeflerlyk in de zelve ervaren is , van dit 
LiUgtvertoog kenntffe te geven , nademaal het 
geluk ons hier in zodanig begunfligt heeft, dat 
Zo wel het begin als het einde by ons konde 
waargenomen worden. De Planeet V r enus gaf 
hier aanleiding toe , nademaal dezelve op de 
voornoemde tyd voor de eerfte maal van dit 
Voorjaar van ons gezien wierd^ en de heldere 

Z LugP 



3 f4 Natuur- en Konft- Kabinet , 

Lugt begunfligde ons ook in V befchouwen der 
Starrebeelden , nadien het gezigte van de zelf- 
de alzo wel als dat van kruiden en bloemen in 
het geheugen de form en figuur vernieuwt en 
vaflhegt. Venus was niet lang verdweenen, 
ef dit wonderlyk vertoog vertoonde zig in de 
Lugt by het beeld van Onon , even op de zelf' 
de wyze , als hier afgebeelt ftaat , welke afte- 
kening wy ook met de bygevoegde verklaringe 
aan eenige Vrienden vertoont hebben, welke 
niet weinig daar over verwondert waren ; 
daarom twyffelenwy niet, of het gezigte daar 
van zal myn Heer aangenaam zyn , alzo de 
Natuurkundige daar dikwils ittsitt vinden , dat 
Jlof verfchaft tot overweginge van veel voor' 
treffelyker zaaken. 



Myn Heer 

UE D. Ond. D. 

HENRY SCHAINK, 



Per'. 



Maart en April IJ19. $ƒƒ 

Verklaring van de Vierde T'abula 
of Printverbeelding. 

A. De plaatfe, daar 't vertoog eerft zyn aan- 
vang genomen heeft. 

B. De gordel van Orion. 

C. Het lugtvertoog in grootheid vermeerdert, 
het welke gefchiedis, terwyl het zeer fnel 
bewogen wierdvan A naar C. Wantin 
A is het verfcheenen geweeft als een klei- 
ne vuurpyl , met een hooft en ftaart-vuu- 
rig rood, welkers bolletje onder het be~ 
wegen tot zodanige grootheid aangegroeit 
is, dat het by C gekomen tynde, byna 
met de Volle Maan vergeleken konde 
worden , met een langer ftaart in langte 
en breedte toegenomen , in welke plaatfe 
het dille ftond, en raakte in de brand met 
een heldere vlam, welkers coleur helder 
wit met groen vermengt was, en verlig- 
tede alzo den heelen Hemel : dog kort daar 
aan, nadat de vlam gebluft was, fcheen 
het weer vuurig rood, en vloog meteen 
fnelle loop in dezelfde grootte in 't ZW 
na den zigteinder, alwaar het onderge- 
gaan is , de Maan ende andere Sterren, 
welke eerft klaar fcheenen, met een don- 
kerheid en nevel bezwalkende, zodanig, 
dat eenige menfehen op de ftraat in 't hooft 
duyzelig wierden , en fchemer-oogden. 
Detyd, diehetgeduurt heeft, is omtrent 
een half vierendeel van een uur ge- 
weeft. 

Z 2 Aan- 



3 ƒ 6 Natuur- en Konfl- Kabinet , 

Aanmerkingen van den AVÏEXJR 

over het voor -gemelde Licht. 

i. 

DAar zyn veel waken, dewelke, alszy in 
haar enkelde verdunning door de warm- 
te worden opgeheven, onze zinnen niet aan- 
doen , gelyk de uitdampingen van het water, 
die door de warmte van de Zon in een on- 
zichtbaare waafïem na boven gaan , maar als 
deze dampen in het opperfte gedeelte van de 
dampkringachtige lucht koomen, en van de 
wederomltuitende (haaien der zon niet lan- 
ger konnen gedragen worden, moeten wy 
ons niet verwonderen , dat zy wederom te 
zamen ftremmen , en een zwaarte verkregen 
hebbende , onder de gedaante van regen , 
hagel, fneeuw, ryp, mirt, nevel, honing- 
dauw, en diergelyke nedervallen. 

i' 
Als wy eens aanmerken de geheele damp- 
kringachtige lucht,gerekent van't oppervlak der 
aarde tot het bovenite oppervlak der wolken, 
zouden wy geen recht hebben om valt te Hel- 
len , dat in dezelve andere zaaken gevon- 
den worden, als wy door de bevinding en 
de proef gewaar worden , dat de zelve uit- 
levert? 

3- 
Ik heb de dampkringachtige Lucht, dewel- 
ke wy inademen , altyd aangemerkt in drie 
verfcheide hoedanigheden. I. De zeer fyne 

Lucht- 



Maart en April 171 9. 3f7 

Lacht-materie , dewelke van de vafte Sterren 
tot op ons aardryk geplaatft is , en gemeen- 
fchap met het zelfde heeft; dit gedeelte van de 
lucht of deze fyne lucht - materie , wil ik wel 
gaarn bekennen, dat bymyonbekent is, maar 
de ondervinding heeft my geleert, dat' deze 
bscht-materie , als ik dezelve van deszelfs dam- 
pen koome te zuiveren door de luchtpomp 
of andere werktuigen , zeerfyn en doordrin- 
gend is, ja zelfs zo ver, datzy een licht en een 
volflagen vuurige glans van zich geeft; ik zeg- 
ge, een luchtig vuur, dat alles, daar het zelve 
onbelemmert en ongetempert op aanvalt, met 
gewelt verteert en verbryzelt, gelyk oneindige 
proeven , dewelke ik niet zal aanhaalen , zulks 
beveiligen; het is wel waar,datdezefyneLucht- 
materie , op haar zelfs aangemerkt , I ^danige 
verfchynzelen van vuur en licht nimmermeer 
voortbrengt , maar wryvende op een ftof, 
dewelke zy door haar vloed tracht te verdun- 
nen , te verbreeken , en in haar Crafis over 
te brengen , worden wy na derzelver meer- 
der of minder Refiftentie of inwikkeling dage- 
lyks vuur of licht gewaar. 

4- 
Het tweede gedeelte van onze dampkring- 
achtige lucht, zyn de IVaterdeelen^ of allede 
lymige en taaye ftorTen , dewelke uit onze 
aard-kloot opryzen, en door de warmte wel 
verdunt worden tot een onzichtbaare damp, 
en opgeheven worden tot boven het opper- 
vlak der wolken, maar die echter zo hart- 
nekkig in haar verband zyn, dat zy nimmer- 
meer uit haar Wezens-band overgaan tot de 

Z 3 hoe- 



3 f 8 Natuur- en Konjl-Kabinet , 
hoedanigheid van de onbegrypelyk fynelucht- 
materie , daar ik lo even te voren van ge- 
fproken nebbe, ten minften voor zo veel als 
aanmyis bekent geworden. 

Ik wil hier wel openhartig bekennen , dat 
ik het hart niet hebbe, om volftrektelyk te 
bepaalen , waar in het Wezen van dit opge- 
heven water beftaat, ook durt ik niet verze- 
keren , dat dit loome en traage opgeheven 
lichaam juift alleenlyk maar Water is; de 
dampen , dewelke door de warmte van de Zon 
uit het aardryk opgeheven worden , zyn niet 
20 zuiver en enkeld, dat wy dezelve onder 
de enkelvoudige betrekkelykheid van enkeld 
zuiveren nat water moogen ftellen. Het Aard- 
ryk is 'J'-jdanig vervult met vluggezouten, en 
uitvloeizels, en uitdampingen uit Kruiden, 
Dieren , Mineralen , Gewaflen , Verrottingen, 
en duizende van uitwaaiTemingen , dat het 
een volftrekte dwaasheid zoudezyn, dit alles 
onder de gedaante van Water te willen be- 
grypen. Dit alleenlyk zouden wy konnen 
geloven , dat het Water het vioeibaare Vehi- 
culum is, door welks behulp duizende van 
zaaken onder de gedaante van een onzicht- 
baare damp na boven worden gedragen, en 
dat wel voornamentlyk om die reden, dat 
wy de natte en met water bevochtigde zaa- 
ken zo ras zien droogen, ja zelfs in zo ver^ 
dat by langdurige hitte het Aardryk, van al 
zyn water ontbloot zynde , byna verfmacht , en 
tot opzyn navel alsopenfpiyt van droogte , be- 
halven het gedurig wederom nederftorten van 

ten 



Maart en April 1719. 5^9 

de water-deelen onder de gedaante van regen 
enz. 6. 

Als wy nu begrypen , dat de vloed van die fy- 
ne Liücht-materie dewelke zich in de damp- 
kringachtige lucht bevint, altydverzelt is met 
water, het welke tot boven aan het oppervlak 
van onze Dampkring is opgeheven, en onze 
dampkringachtige lucht helpt uitmaaken , zou- 
den wy daar uit geen ftof konnen vinden, die 
bekwaam was , om in de Geweften des Damp- 
kringachtigen Luchtsvuur of licht te verwek- 
ken , ten zy wy dwaaslyk maar een algemee- 
ne Materie wilden vaft ftellen, dewelke van 
water uit zyn wezensband overgaat tot al- 
les, daar zommige Geleerde, die buiten de 
ondervinding fpreeken , het zelfde maar toe 
believen ( tot voldoening van haar zoete 
droomen) te ordineeren of te gebieden. 

7- 
Wat my belangt, ik ben noch zo ver in de 
Natuurkunde niet gevordert, en de Onder- 
vinding heeft my ook noch niet geleert , dat 
ik door dezelve zoude konnen begrypen, dat 
de zuivere Lucht oïhw.c\\\.-materie door wa- 
ter aan brand kan vliegen, alzo weinig als 
ik kan begrypen , dat water in vuur kan ver- 
andert worden; dit is ook de reden, waar- 
om ik akyd hebbe vallgeftelt, dat het Recep- 
taculum, te weten de fyne lucht, dewelke 
de uitdamping van onze aardkloot ontvangt, 
en in zyn boezem tot een zekere hoeveelheid 
draagr, en als het boven de maat is wederom 
uitfchopt, en ons als wederom toewerpt, dat 
dit ReccptaculuM , zegge ik, andere zaaken 

Z 4 uit 



3<So Natuur - en Konft - Kabinet , 

uit de aarde ontvangt, die geen water zyn, 
en dewelke ten miniten, na dat wy van dezel- 
ve ondervinden, veel bekwaamer zyn, om 
vuur te vatten en licht te verwekken, als de 
deelen des waters. 8. 

Maar waar mag ik my dog mede ophou- 
den, my dunkt, het is maar een enkelde tal- 
mery, als ik veel bewysflukken zoude willen 
bybrengen , om teloonen, dat in de dampkring- 
achtige lucht noch een derde weezen gehuis- 
velt word, behalven de twee, die ik gemelt 
hebbe. Als wy onze aandacht laaten gaan 
op de brandende Bergen, op geheele Eilanden, 
dewelke van Zwavelmynen als aan malkan- 
der hangen , op onderaardfche Kolken , de- 
welke in de.Wem'ndien , en in Europa in 't Ko- 
ningryk van Napels door uitbranding veroor- 
zaakt worden, vinden wy dan geen ftof ge- 
noeg op den aardbodem, om in de lucht uit- 
dampingen op te heffen, dewelke geen water 
zyn, en die zeer bekwaam zyn om vuur te vat- 
ten , en licht en brand te verwekken ? 

9- 

Ik wil hier niet twiften, of de Mineralen en 
Metaalen, en brandende en rookende bergen, 
en heete wateren en bronnen gekookt worden , 
en ontffeeken door een onderaardfch vuur , of 
door de zonneftraalen, noch ook, of devuur- 
ffeen overal een zwavel geeft en na boven zend; 
het is my genoeg, dat ik overal , daar Mineraal- 
bergen, Steengroeven, Vuurfteen- aderen en 
Yzer-ertzen in overvloed zyn,te gelyk ook ont- 
dekke een kragtige uitdamping en rook , en een 
uitftooking van het gebergte, daar iemant, de- 
wel- 



Maart en Af ril ijip. 361 

welke aamborftig is, byna door de zwavel- 
damp in zoude verftikken, gelyk veeledroe- 
vige voorbeelden zulks beveiligen. 
10. 
Als ik deze zaak omftandiglyk wilde na- 
gaan, zoude ik zoo veel bewyzen konnenby 
brengen , dat myn Lezer als overftelpt zoude 
worden door de menigte; maar wie zoude 
durven twyfelen, dat uit dezen aardkloot een 
gedurige brandende en drooge zwavelvloed 
na boven word geftookt, dewelke, als dezel- 
ve niet bygeleidt en vermengt wierd door an- 
dere water - of traagere deelen , ineen geduri- 
ge vlam en vuur zoude Üaan? De zwavel- 
damp en reuk, dewelke de laage nederval- 
lende donderflagen en blixemen nalaaten,het 
gedurig flikkeren In de zomer van weer- 
licht en vuurftraalen aan de lucht na lan- 
ge droogte , en in zeer heete zomers, dunkt 
my , dat zulks genoegzaam bewyzen. 
11. 
Wy moeten het Aardryk aanmerken als 
een Dijlilleer - kolf, daar de Zon door zyn 
warmte eerft het water , en alle lichte en 
vlugge deelen gedurig uit ophaalt , maar wan- 
neer door het gedurig aanfteeken der Zon en 
deszelfs hitte het aardryk droog" en water- 
loos is geworden , gaan de olyachtigfte en zwa- 
velachtigfte deelen na boven, gelyk dehairi- 
ge luchten in de langdurige zomer droog- 
tens genoegzaam uitwyzen. Wanneer nu de- 
ze zwavel - of oly - deelen zyn opgeheven , en 
in de Atmofphara hangen, zouden die al- 
daar zo wel geen vuur konnen vatten en 
Z y licht 



%6z Natuur- en Konjl- Kabinet , 
uitwerpen, als wy dagelykszien, dat dezel- 
ve hier op het aardryk onderworpen zyn* 
12. 
Wanneer de zwaveldamp in de lucht op- 
vliegt, en van geen genoegzaam water getem- 
pert is , maar door een gedurige wryvende 
beweging in een gedurige weerlicht en flik- 
kering ltaat , of vuur uit den Hemel fmyt , 
verwonderen wy ons geenzins over dezelve, 
om dat wy zulks by zomerfche avonden , als 
de nachtkoude op de warmte kan nederfchie- 
ten , gedurig gewaar worden , en nu alreets 
als gewoon zyn 



13- 



Maar wanneer in flappe winters en onge- 
woone warme en drooge wintermaanden, een 
redelyke vloed van zwavel door de koude , de- 
welke boven in de Atmospbcera ontmoet 
word, als by malkander ge concentreert word, 
en dat de Circumferentic van zodanig een zwa- 
vel-or vuurvattende materie- wolkje als ge- 
ftremt word, terwyl deszelfs inwendige dee- 
len noch in haar fnelheid voortvaarende,door 
ftremming van de oppervlakkige Circumfe- 
rentie gedwongen worden uit haar progrejji- 
ve beweging over te gaan in eenkrings-gewy- 
ze beweging, tot zo lang, dat zy malkande- 
ren en haar zelven tot deuiterfte verbreeking 
en uitbarfting van vuur of licht ajs aan ftuk 
wryven, en daar door een ongewoon licht 
aan den Hemel, meeft inde winterfche avon- 
den of nachten, ofiadeNoordfche of andere 
koude landen koomentevertoonen, zyn wyop 
elk verfchynzel meerder aandachtig om des- 
zelfs 



Maart en April 1719. 363 

ïelfs ongewoonheid, als op denblixem, het 
weerlicht, het vallen van vuur uit de lucht, 
of het zo genaamde verfchieten der Ster- 
ren. 

14. 
Ik geloof, dat ik myn Lezer reets veelte 
lang met deze guTende Natuurkunde en Dwe- 
pery hebbe opgehouden , of dat ik müTchien 
te veel reden heb gegeven van een zaak , de- 
welke wy noch niet grondig genoeg weeten , 
alfchoon deze Lichten zeer gemeen zyn, en 
dikwils in een meerder of minder graad van 
licht, of werking, of duuring, ofvoortfchie- 
tende beweging, of verfcheidenheid van ge- 
daante of grootte gezien worden. 

De Schippers, Reizigers en Zeelieden ont- 
moeten op haare nacht -tochten veelderhan- 
de foorten van Lichten , meerder of minder 
van het aardryk verheven. Zo verhaalt onder 
anderen de Heer Frezier in zyn Reisbefchry- 
ving door de Zuidzee, dat hy in het omzei- 
len van het uiterfte van Zuider Amerika bo- 
ven de Kaap Hoorn of Straat van LeMaire, op 
5*7* graad breedte een diergelyk licht-verfchyn- 
zel ontmoette , anderhalfuur na middernacht, 
met een betrokken lucht ; het was , zegt hy, 
een licht, hetwelk omtrent een halfminuit 
duurde, en enigzins warmte van zich gaf, 
de meefte op het fchip wierden zo verfchrikt, 
dat zy haare oogen flooten , hoewel zy ech- 
ter deszelfs kragtige verlichtinge (zelfs door 
de oog-leeden als heen dringende) gewaar 
wierden ; die haare oogen hadden open gehou- 
den, 



3 64 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

den , verzekerden , dat zy een ronde bol van 
een zeer heldere en blaauwachtige klaarheid 
gezien hadden. 

16. 
Als deze lichten zich langwerpig en leg- 
gende vertoonen, worden zy een Balk ge- 
naamt, indien de Bafis breed is, en het top- 
punt finalen fpitzertoeloopende, een Pvra- 
Mide. Indien zodanig een Licht-verfchynzel 
rond is, gelyk dit Lucht-vertoog, het welke 
de voortreftelyke Wiskonftenaar de Heer ƒƒ<*»- 
ry Schaink zo naauwkeurig heeft waargeno- 
men, en aan ons mede gedeelt heeft, heeft 
zulks by de Kenders dier zaaken de naam van 
een Schild enz. Behalven noch alle denaa- 
men van Dwaal- lichtjes , IVtlde Lantaarens t 
Ster-fchot, Cajior, Pollux, Helena, Draa- 
ken enz. dewelke ik nu niet zal befchryven. 



TWEEDE BRIEF 

Geschreven tot antwoord aan den Hoog-e del-ge- 
boren Heer D. I. BüTHNId V A N. 
BUR MAN IA. 

IKbebbe met U HoogEd: Geb: aarigenaame van den 
x x Maart 171 9. ontvangen bet uittrekze/met de by- 
lagen van bet zesde Kapittel van bet merk , dat door U 
HoogEd: Geb: over de Yoorwikking van bet Weer 
gefcbreven is , mitsgaders dé Kaarten van bet Weer in 
groot Plano, voor dewelke ik U HoogEd: bertelykbf' 
danke. Ikbebmetvetlvermaaken aandacht V 'HoogEd: 
fraaje onder/lellingen van de Noordelyken en Zuidelyken 
Vloed desLucbts, door de Tcerkdaaddes Zonsvei oorzaakt \ 
in derzelver apparence jlremmingen , en tuffebenpoo- 

zige 



Maart én April 1719. %6f 

zige belemmeringen overwogen , en te gelyk veel pJai* 
fir ontvangen uit U HoogEd: Geb. naauukeurige aan- 
merkingen in 't point der Voortekens , genomen uit de 
twyfelacht'tge dwar Zingen des boog- gezeten wecr-baans , 
vit de roodverwigen dageraad , betjleeken der Zon , de 
draaikolken der wolken , de kraakende donders , de vloed 
der Zee Jlroomen , en een menigte diergelyke zeer 
naauwkeurige en nuttige waarnemingen. Ik wil 
voel bekennen (als bet met uw permiflie is) hoog- 
edelgeboren Heer j dat deze uwe onderneming eengroot' 
beid en te gelyk eene nuttigheid in zich bebelft , dewelke de 
aldergeleertfte door vrees zoude konnen affcbrikken , en 
door hoop in een brandende y ver gedurig aanfpooren , 
om tiet werk door te zetten , Ik weet uit Vw Brief, dat U 
HoogEd: Geb. baare gedachten aan de toet/leen van ver- 
fcheide Geleerde oordeelen heeft laaien beproeven , en 
dat zommige der zelver zeer fcrupukus in bet geven van 
baare toe/lemmingen zyn geweefi , maar dat de God- 
vruchtige en Hooggeleerde Heer B. Nieuwentydt Zal. 
Ged-.een weinig na UHoog-Ede/geborenes Raifonnemen- 
ten fcheen te lui/leren, gelyk my ook gebleken is uit de 
Brief, dewelke dezelve HeerB. Nieuwencydc op den 5 
May 1718. aan U HoogEd. Geb. over dat Subject 
heep gefchreven , en dewelke U HoogEd. Geb my de eer e 
gedaan heep te communiceren. Op dit alles heb ik 
niet anders konnen oordeelen, als dut V 'HoogEd. Geb: 
meer aangenoopt als afgeraden word , om zyn beginnen 
Werk te vervolgen , en de verzameling der waarnemin- 
gen nit duizende voortekens ( van dewelke de naurflige 
Mizaldus een grovte menigte in zyn tyd by een verga- 
dert heeft ) meercnmeervpteflapelen, behalven dat ik 
de vrymoedigheidza/gebtuiken van te oordeelen, dat 
V Hoog Ed. Geb. zich niet tot oneere zoude konnen re' 
kenen, alwierd de zaak niet juift tot een volflrekt einde 
gebragt , en al konde U HoogEd. geen vafle regels of 
wetten bepaakn , dour dewelke bet Weer van dag tot 

dag* 



3 66 Natuur- en Konft- Kabinet. 

dag , of zelfs van week tot week voorgedi&eert en 
voorgewikt wierd. Het zal genoeg zyn , om voor U 
HoogEd- Geb. totem eeuwige roem te verftrckken , wan- 
neer va/f e en zekere regels van maand tot maand konden 
gevonden worden, $m de tot noch toe onzekere loop der 
Weers-faizoenen voor tewikken , endoor zekere tekenen 
teweeten. Daar is tot noch toe niemant geweefl , de- 
welke bet roemruchtig omzeilen van de Kjiap de Bon- 
Efperance door Valco da Gamma minder heeft 
geacht , alhadde hyjuifi in zyn leven niet alles in 't Oo- 
ften ontdekt ; en ook niemant, We de ontdekking der nieu- 
we wereld door de groote Kolumbus alseen kleine zaak 
aanziet-, al zyn in Amerika duizend Landen en zaa- 
ken na de dood van dien grooten Admiraal door andere 
ontdekt geworden. Ik hebeenige weinig woorden en zelfs 
zeer kortelyk wegens U HoogEd. gedachten meteen zeer 
groot Sterrekundige gewifjelt , en dien Heer was van 
gedachten , dat in de Voorwikhingen der verander jnge of 
Jlant van 't Weer en der Saizoenen groot regard gege- 
ven moet worden op de Afpe&en > Conjundien , 
Bewegingen enVlekken der gr ooteHemel- lichten en Plane- 
ten ,• behalven dat ik ook oordeele , dat wy omtrent de 
oorzaaken van winden, flor men, kalmte , koude , warm- 
te , vochtigheid , droogte enz. op duizend dir,gen bedacht 
moeten zyn , die uit onzen aardbodem opwaaffemcn , 
dewelke in de Atmofphaera^te/rra , dewelke door elke 
byzondere wolk worden aangebrap , deivelke voortkoo- 
men van de Stantplaats e/fituaue van onsLandop andere 
Landen , Zeen , Bergen , laage Landen , Moerafjen , 
en ontelbaar e dingen , dewelke by U HoogEd. Geb . in een 
volle maate bekent Zyn , en in acht zullen genomen 
worden , terwylikmet het diep/te RcfyeCLverb/yve enz. 



Amjierdamdem 9 W. V. RANOUW. 

April 17 ij. M. D. 



'Tabu. 





'Tal, n. 






I.L,".., ...i 




j u, ... _& .,:'i, 
























,^#££* j^ X~J- ""•- AM**»- 












r< ^' ^^ AZhvn f ƒ<"' 






.AWft»,./7T.<Ï 




f fTrï £ 

1 (f ftifhem 


■5L Si.™ vut il^ ~ir**U J i ^P-^^J 

pi . "■""4 ti^it/w &J' i^*-*'* LuiJc M,,abs 

„ , o, , J<? <r ' «t -*v»«« 


" 
















'-- 


U> tt*« m 




'" 


. «.-,„, 


Ui | 


J0 H.tJnfJ<rjr / '03 

iSï iA, .>'„. .v<*S 


" 










aE t ham. ' ^ aa«ï ! . a«««» 


# 


E G 


Y, 


'P^ T E N. f 

lof HüutüvtA o 

r j 


- 




V 


Jkt&ej-fo 


DE ^fc *//«* °" "ö 

«f Eoode Zee. y— ».«"'*«- ' 






• 






«?■ 



10. 



3Ï, 



f' 






Jat. m. 




RSCHYNZEL in de 
Amfterdam zich op den 
19. 's avonds ten half 
en vertoont heeft. 



'Tab. IV. 




Eennieuw VERSCHYNZEL in de 
Lucht, dat te Amfterdam zich op den 
30 Maart 1719. 's avonds ten half 
negen uuren vertoont heeft. 





w 



* 



KABINET 

DER 

NATUURLYKE 

HISTORIËN, 

WETENSCHAPPEN, 

KONSTEN 

E N 

HANDWERKEN, 

Voor de Maanden 
MEY enJUNY 1719. 

Verciert en opgeheldert met Kopert 
Plaaten. 




Te AMSTERDAM, 

By HENDRIK STRIK } 

Boekverkoper bezyden 't Stadhuys. 1719» 



Pag. $<*£ 

NATUUR- 

EN 

KONST-KABINET, 

Voor de Maanden 
MEY en JUNY 

171 p. 

. r 

Tweede Verhandeling van de ALGE- 
ME E NE Natuurlyke Hiftorifchry- 
vers , dewelke in haar e Werken te ge- 
lyk van alle bekende Dieren , Bergftof- 
fen 9 GewaJJen enz. hebben gefchreven. 

1. 

|N het Kabinet der Natuurlyke 
Hiftorien , Wetenfchappen , Kon- 
Iften en Handwerken voor de 
(Maanden Maart en April 1719. 
heb ik aangetoont ( a ) het On- 
derfcheid tuflchen een Algemeen Natuurlyk 
Hiftorifchryver, en een Byzonder Natuurlyk 
Hiftorifchryver; en dewyl ik oordeele, dat 
de Algemeene Natuurlyke Hiftorifchryver de 
Aa 2, voor- 

fa) Ziet Natuur- en Konfr- Kabinet van Maart en 
April 1719. van pag. iSj. tof fag. 186, 




57° Natuur- en Konft-Kab'met , 

voorrang uit de natuur van de zaak toe- 
komt , heb ik in het zelfde Kabinet ge- 
handelt van zodanige Algemeene Natuurlyke 
Hiftorifchryvers , dewelke in haare Werken 
te gelyk van alle de bekende Dieren , Berg- 
ftoffen, Gewalfen enz. hebben (a) gefchreven. 

2. 

Ik zal deze ordre vervolgen, 'tot zo lang 
ik aan zodanige Algemeene Natuurlyke Hi- 
ftorifchryvers zal gekomen zyn , dewelke 
wel in 't algemeen , dog evenwel maar van 
zaaken hebben gefchreven , die onder een Ko- 
ningryk (der Dieren, Planten, of Minera- 
len ) of Clajfis of ordre alleenlyk behooren , 
als by voorbeeld, alleenlyk van de Dieren, 
het zy Water- of Land-dieren , of Vitïchen, 
of Vogelen, of Serpenten , of bloedeloze 
Diertjes, of onzichtbaare Diertjes, of Mon-. 
fters, of Metalen', of Gewaifen, Winden, 
Lucht, Verhevelingen , Sterren, Waters, 
Oordens over de geheele Aardkloot als ver- 
fpreit, en zonder in 't byzonder aan eenïg 
Land , of Plaats of zaak bepaalt te zyn. Ook 
moet de Lezer zich niet voordellen , dat het 
getal der algemeene Natuurlyke Hiftorifchry- 
vers , deweike van alles gefchreven hebben, 
zo groot is, als deze laatfte. Onder de eer- 
fte heb ik geftelt Caj.us (b) Plinius Secundus, 

en 

{a) Ziet Natuur -en K.onft-K.abinet van Maart en 
April 1719. van png. i8ó. tot pa*. 2C9. 

(b) Ziet Natuur- en Ivonft- Kabinet van Januaryen 
February 1719. van pag. 7 . wtp.ig. 84 Merkt ook aan, 
dat ik Mo fes Wel voor de eerfteNamurlykeHiftori- 
fchryver teboek gefreltheb, maar niet als een Schry. 
ver, diemerdat oogmerk als ëenenkeld Natuur-be- 
fchryver gefchreven heeft. 



Mey en Juny 1719. $71 

en Ulyfjes Aldrovandus , maar in deze Ver- 
handeling zal ik een derde Algemeene Na- 
tuurlyke Hiftorifchryver by de twee zo even- 
gemelde voegen, dewelke de andere in groote 
Geleertheid , Taalkunde, en in getal van 
Wetenfchappen voorby , en by na alle andere 
Schryvers als uit het gezicht vliegt, nament- 
lyk Conrauus Gesnerus. 

3- 

Conradus Gefnerus was een Z witter, ge- 
boren (a) tot Zurig, genoegzaam de voor- 
naamfte Stad van geheel Zwitzerland, in het 
jaar na de Geboorte van Chriftus ijió. en 
fchielyk op zyn Studeer-kamer tot Zurig 
geftorven , terwyl in die Stad de Peft fterk 
graffeerde , in het jaar i^ój - . in zyn 49. jaar» 
4; 

Conradus Gefnerm is een Man geweeft van 
een onnavolgbaare Vlyt, Geleertheid, Wys- 
heid en Wetenfchappen ; een Man , die in de 
kragt van zyn Levenstyd , en (als ik het 
zeggen mag) noch jong geftorven is, en 
die echter in alderhande taaien ervaren en 
volleert.was , en gefchreven heeft, en eeu groot 
getal Boeken over alderhande fbort van Zaa- 
ken , en dat meer is ,- zeer wel , ja zeer 
fchranderjen wyilelyk in 't licht gegeven 
heeft.- 

f. 

Behalven de uitftekende Geleertheid, en 

groote kennifle, dewelke ik in onze weer- 
galozen Conradus Gefnerus ontdekke, moo- 
gen wy hem met Conringius met recht denaam 

Aa 3 ge- 

fa) Ziet Milchior, Adam; Vit* Erudittmm. 



yji. Natuur- en Konfi-Kabinet^ 

geven van de Vader , en zyne Boeken de 
Provifie- kamer van de gchee/e Natuurlyke 
Hiflorie. Deze Man is eigentlyk de Grond- 
legger, dewelke de Natuurlyke zaaken in 
haare natuurlyke ordre zodanig heeft weeten 
te verdeelen, dat door de verdeelinge van 
zyne Clajfen, gedachten, foorten en onder- 
foorten, de zaaken als half bekent gemaakt, 
en elk door zyn kennelyke en onaffcheidely- 
ke merkteeken by zyn gelyk gebragt zynde, 
eerft uit een put van onkunde , en uit een 
veld van afdwaling in het helder licht geftelt 
en te recht gebragt zyn. 
6. 
Niet tegenftaande wy van de nooit volpre- 
ien Conradus Gefnerus zeer veele Boeken 
overig hebben , zyn wy zo ongelukkig ge- 
weeft , dat zyn Oceaan van de Plantgewaf- 
fen, daar hy langer als dertig jaar onvermoeit 
aan gearbeidt hadde, meeft verloren en weg 
geraakt is,niet tegenftaande hy dit heerlyke ftuk 
by uiterfte wille aan den beroemden Genees- 
heer Ca/parus Woljius gemaakt en bevolen 
hadde , dat die voor des zelfs uitgave zorg 
dragen zoude. 

■ . 7- 

Melchior Adamui getuigt , dat Gefnerus zo 

veel hert en inclinatie voor de Plantgewas- 
kunde hadde, dat hy op geen zaak van de 
geheele Natuurlyke Hiftorie zich vlytiger heeft 
uitgelegt, als op het onderzoeken en ontdek- 
ken der Planten. Zelfs in de bloem van zy- 
ne jeugd, en wanneer hy noch maar een 
aankomend jongeling was , of liever een kind, 

is 



Mey en Juny 1719. 575 

is hy als gewent aan die Studie , en on- 
derwezen door zyn Oom Joannes Fric- 
cius, een uitmuntend Botanifi van die 
tyd. 

8. 
Conradus Gefnerus was altyd ineenbran- 
denden yver, om de Natuurlyke Hiftorien 
te verryken , en te verheerlyken met nieuwe 
ontdekkingen ; hy wandelde en reisde ge- 
durig van de eene plaats in Zwitserland <yp te 
andere , bezocht en doorzocht alle de Bergen 
en Dalen van geheel Zwitzerland, hy dwaal- 
de onvermoeit door de onmetelyke Bof- 
fchen, en beklom de zeer hooge en ontoe- 
gangkelyke Bergen van de Alpes , van Piemont , 
Savoyen , Italië» , en onderzocht met veel ge- 
duld, yver, moeite en onkoften, alle de ver - 
wonderenswaardige Geheimenifïèn van de 
Alfifihe Gebergtens, plukte en vergaderde 
aldaar de onbekentfte en merkwaardigste Plant- 
gewaflèn , bragt dezelve over in zynen Tuin 
tot Zurig , daar hy de zelve met veel konft 
en zorg voortkweekte , en of tam maakte, 
of de zelve in alle haare veranderingen be- 
zag. 

9- 
Gefnerus begaf zich na Baz,el y en aan de 
Eoorden van de Rhyn ; daar bewandelde hy 
de vlakke Velden, en beklom de naaftgele- 
ge Bergen , en befchou wde de Steenrotzen , 
alles ter omdekkinge derPlantgewafTen. Al- 
le jaar in de zomer deed Gefnerus een reis, 
als by voorbeeld : na Italien en yenetien , 
daar hy de aanmerkenswaardige zaakeu der 
Aa 4 Mid- 



274 Ndtuur- en Konft-Kabinet , 

Middelandfche Zee befchouwde ; en de Vif- 
fchen en Planten, dewelke Gefnerus op zo- 
danig een tocht ontdekte , liet hy met veel 
zorg en naauwkeurigheid na het leven uitte- 
kenen j hy dede ook verfcheide reistochten 
door geheel Vrankryk inet het zelfde oog- 
merk , en liet alles in Prent en uitteke- 
ning brengen , wat hy nieuwlyks ont- 
dekte. 

10. 

Hy onderzocht niet alleenlyk de Planten, 
dewelke reeds befchreven en nagelaten wa- 
ren van de Oude, namentlyk Tbeophraftus^ 
Diofcorides , Pliuius; of onder de Nieu- 
we van zyn tyd , van Ruellius, Fuchfius^ 
"Tragus ; maar die onnavolgbaare Onder- 
zoeker en Befchouwer der groote Natuur, 
de voortreffelyke Gefnerus, bevlytigde zich 
kragtiglyk, ter ontdekkinge van nieuwe fchep- 
zels, Plantgewaffen en Mineralen, of ande- 
re zamenftremzels der Natuur. Hy verza- 
melde veel Plantgewaffen , dewelke niemand 
voor hem ontdekt of waargenomen hadde, 
en bragt dezelve over in zyn eigen Tuinen , 
behalven dat hy veel proeven omtrent de- 
zelve dede, om derzel ver betrekkelyke Hoe- 
danigheden, Kragten, Gebruiken en Vermo- 
gens te ontdekken. 

il. 

Het gerucht van de groote Geleertheid en 
natuurlyke Hiftorikunde van onzen voortref- 
felykeii Gesnerus vloog als een blixem- 
ftraal door alle Landen en Koningryken, in 
zo ver, dat de Beroemtfte Geleerden van £*- 

ropa 



Mey en Juny 171 o. 375* 

'ropa om ftryd in een gemeenzaamé Brief- 
wifTelingmet Gefnerus trachtten te geraaken, 
gelyk uit zyne Brieven, die wy van hem 
overig hebben, gezien kan worden. De eene 
zond hem alderhande vreemde zaaden, andere 
Planten , zommige wederom andere vreem- 
de natuurlyke fchepzels, uit Italië» , Vrank- 
ryk, Engeland, Duitfchland , en van veele 
andere Geweften. Door alle deze middelen 
verzamelde Conradus Gesnf. ruso- 
ver de vyfhondert nieuwe Planrgewaflèn, 
welker Befchryving van niemand voor hem 
was medegedeelt , noch (zo als het fcheen) 
bekent geweeft. Hier uit maakte hy een groot 
werk van alle voor hem bekende, envanande» 
ren voor hem ontdekte, benevens zyne nieuw- 
ontdekte Plantgewaflèn , en dit had Gefnerus in 
dertig jaaren zo vergebragt, dat hy het zelfde 
meende in het licht te brengen , maar , o groot 
ongeluk ! Hy wierd in dit voorneemen fchielyk 
dooreen onverwachte dood belet. Het ver- 
lies van dit Werk is noch te grooter , dewyl 
Gefnerus (het welk van niemant was waarge- 
nomen) niet alleen de Planten hadde laa- 
ten uittekenen , maar ook de byzondere dee- 
len der Planten , dewelke op verfcheide ty- 
den aan de zelve zich koomen te vertoo- 
nen , als by voorbeeld : de knopjes , de bloemp- 
jes , de fpruitjes , de vruchten , het zaad, 
de bladeren, de (lam, de takken, de wors- 
tel , de bollen , en veele diergelyke dee- 
len. 

iz. 
Onder alle de ontdekkingen , dewelke 
Aa s Ges- 



J7<5 Natuur- en Konjï- Kabinet , 
Gesnerus van de natuurlyke Zaaken 
heeft nagelaten , is niets van zodanig een 
groot gebruik geweeft , als de ordre, de- 
welke hy uitgevonden heeft, na de welke de 
Plantgewaflèn van eenderbande gedacht ver- 
deelt en gefchikt konnen worden , en elke 
Specie onder zyn Genus of Hoofd-geflacht of 
Hoofdftam gebragt en geordent word. De 
Kond om de Speciën of foorten van een Ge- 
flacht te kennen, en te weeten, dat een Plant 
beitendiglyk onder een zeker gedacht behoort, 
daar de zelve een foort van is , heeft altyd 
veel moejelykheid , veel twilt en vcrwerring 
onder de Herbariften veroorzaakt; om dit 
nu weg te neemen, en alle de lierbariften'xw 
de Kennidfeen Verdeelingen der Gewaden on- 
der malkander te bevredigen , en te doen 
over een koomen, heeft Conradus Gefnerus 
een Methode gezocht en ook uitgevonden, door 
dewelke zy alle geholpen , en de Plantkun- 
de ongeloof lyk in weinig jaaren gevor- 
dert is. 

*3- 
Op dat myn Lezer de Voortieffelykheid 

van deze zaak te beter en klaarder begrypeu 

zoude, zal ik eensvaft dellen, dat hy eenige 

kennifïe van de Kruid-kund.e hebbende, met 

my in een Bofch of vreemd Land gaat reizen 

en dwaalen, ter opfboringe van njenwe en 

tot noch toe onbekende Plantgewaflèn ; als 

wy nu het geluk hebben, van Gewaden te 

ontmoeten , dewelke met alle Plantgewaflèn, 

die wy tot noch toekennen, in alle haar dee- 

lenverfcheelen, zyn ipdanigePiantgewaflen 

vol- 



Mey en Juny ijip. 377 

volftrekt voor ons onbekent. Als wy nu echter 
dezelve naauwkeurig befchouwende en on- 
derzoekende , eene benaaming geven , oin door 
behulp van die benaaming dezelve naderhand 
te leeren onthouden, en derzelver kennifle 
aan anderemede tedeelen; en als wy nu deze 
benaaming zodanig fchikken, dat de Gedaante 
of Struduur der deelen van zodanig een 
Plantgewas geenzins door dezelve uitgedrukt 
word, maar dat wy maareen naam als byge- 
yal verzinnen, en de Plant met dezelve doo- 
pen , kan zodanig een naam geenzins ver- 
ftrekken tot het eind-oogmerk , daar wy de- 
zelve toe hebben gefchikt, te weten op dat 
ook andere door dezelye (de2e Plantzoekende) 
zouden leeren kennen. 
14. 
Dewyl deze zaak van de Aaloude Grieken, 
als Hippocrates , "Theophrafitis , Diofcorides , 
ülinius , Galenus , en veel latere , tot op de 
tyden van Gesnerus niet is waargeno- 
men, is 't niet mogelyk geweeft , dat deze lie- 
den in de opftapeling en ontdekkingder nieu- 
we Plantgewafleii veel hebben konnen vor- 
deren, want in de plaats van aan dePlantge- 
waflèn naamen. te geven , dewelke de Struc- 
tuur (a) en gedaante van haare deelen op een 
kennelyke wys uitdrukten , noemden zy de- 
zelve dikwils na de hoedanigheid en betrek- 
kelyke kragten, die zy daar in vonden, of 
zomtyds na eenige dingen , daar zy enigzins 
naar geleeken; zomtyds na de eerfte Vinders, 

of 

(a) Ziet Tournefort Infiitutionts Rei Her^aria. 



278 Natuur- en Konft-Kab'wet , 

of wel na haar eigen Vaderland of Grond, 
-daar dezelve groeiden ; zomtyds na haar by- 
zondere reuk, flank of geur ; zomtyds na het 
getal van haare bladeren ; zomtyds na de 
dieren, dewelke daar op aafden, zomtyds na 
de koleur van derzelver bloemen ; of na de 
tyd van het jaar , in dewelke zodanig een 
Plant gewoordyk uitfpruit , of bloeit of ver- 
gaat; en hondert diergelyke verkeerde en on- 
nutte Benaammgen. En om voorbeelden te 
geven : op deze wys is het Kruid Malva en 
de ArïJloUch'ta na haar kragten (de eene 
week, fmedig en zacht maakende, en de an- 
dere de kraamvrouwen te hulp koomende) 
elk een naamgegeven: de Buglojfum en de 
Iris of Ir i as , de eene na de gelykheid van 
een ofTe- tong , en de andere na de overeen- 
komft van koleur met de Regenboog. De 
Artemifia , AtGentiana, en de Lyftmachiano, 
haare eeriïe Vinders en Ontdekkers; deSioc 
chas na de Stoecbadifche Eilanden ; de Colchi- 
cum en Carui na Colchos en C 'aria: óeMyr- 
rbis en de Libanotis na de reuk van de gom- 
men Myrra en Wierook. De Trifoiium, 
Pextaphyllon , Chiliophyllon , en Myriopbyl- 
lon , na het getal der bladeren ; Chryfanthemum 
na deszelfs bloemen. Cbryfocomeen Paiium 
na de koleurender bol: teChelidonium , He- 
Uotropium, Erigeron nndegetyden desjaars: 
de Elaphobofcum , Meliflophyltov en Ranuncu- 
tus zyn genaamt na de harten, honlngbyen 
en kikvorflen. Gelyk de Lezer zal konnen 
aangetekent vinden by Tournefort , en wel 

voor- 



Mey en Juny 1719. $79 

voornamentlykby de vermaarde (*) Claudius. 
Salmafitts % 

Dewyl door zodanige naamen het onaf- 
fcheidelyke kenteken van een Plant niet 
word uitgedrukt, konnen wy door de naa- 
men , dewelke de .Oude aan de Gewaden 
gegeven hebben , nietweeten, welke Plant- 
gewaffen zy eigentlyk daar mede hebben ge- 
meent, te meer, wanneer zy verfchdde naa- 
men aan een en dezelve Plant gaven; dog 
zommige der Oude hebben enigzins een Be- 
Cchryving nagelaten van de Aard , Vaderland, 
Kragten , en uitwendige Figuur van elke 
Plant, ofelkePlants deelen , deszelfs zaad, 
bloemen, vruchten, houten enz. en hier door 
hebben de latere Uitleggers van de Ouden 
haar fchriften zomtyds eenig licht gekregen. 
Het is wel waar, dat de Aaloude de Planten 
hebben uitgetekent, en in Figuur verbeeldt, 
maar behalven dat wy de oude figuren door 
de tyd zyn kwyt geraakt, hebben wy zulke 
monftreufe Copien en flegteuitprentingen van 
de onbedrcve en luye Monniken en andere ge- 
kregen , dat zomtyds hoofd noch üaart aan de- 
zelve in de Membranen te vinden is. 
16. 

De Aaloude waren ook van gevoelen, 
dat de Plantkunde niet als door onderwys 
van Meefters , en. in de tegenwoordigheid 
der Plantgewaflen konde achterhaalt worden; 
dat de Naamen , de Hiftorifche liefchryving, 

noch 

( a ) Ziet Claudii Salmajii Prokgem, in Libr, dt 
Homonym. Hyl, Iatric. 



2$o Natuur- en Konft-Kabinet , 

noch de Prentverbeelding niet bekwaam' ge- 
noeg waren, om iemand een levendig denk- 
beeld te geven, waar door hy zodanig een 
gewas kondeleeren kennen, dewyl een en de- 
zelve Plant, van de tyd van haar geboorte 
tot aan haar volkomen ondergang, veel te 
veel veranderingen onderging , nademaal een 
Plantgewas ten opzicht van zyrizaad-uitfprui- 
ting, bladeren, knoppen, zaadhuisjes, bloei- 
zels, koleuren, vruchten, (lammen , tak- 
ken, fchorzen, houten, wortels, kroonen, 
byna dagelyks te veel kennelyke veranderin- 
gen ondergaat, welker kennifle niet als door 
een waare bevinding en naarftige waarneming 
te achterhaalen is. Niet tegenltaande dit alles 
door dePrentverbeeldingen gcenzins kan ver- 
toont worden , zal echter niemand ontken- 
nen , dat de bedendaagze heerlyke Prentver- 
beeldingen der Koopere Plaaten van groot 
nut zyn, niet alleen tot ververffing en nader 
kenniiïè der Planten, maar ook van alle an- 
dere natuurlyke fchepzels , voornamentlyk 
wanneer benevens een Plant, dewelke in zyn 
kragt ftaat te groeyen , eenige kentekens 
door het een of het ander bygevoegt dejfew y 
deszelfs Vaderland en gewoonlyke grond 
worden vertoont, en wanneer alle deszelfs 
deelen , als wortels , fpruiten , knoppen, 
bloemen, zaadhuisjes, zaad , vruchten , enz. 
alle na 't leven te gelyk worden verbeeldt ; 
en wel voornamentlyk , als het onaffchei- 
delyke geflachts-kenteken uitdrukkelyk ver- 
beeldt en uitgedrukt ftaat, gelyk de onver- 
moeide Gesnerus voornemens is ge- 
weeft, 



Mey en Jutty Ï719. ^St 

weeft , de Plantgewas kunde aan de geleerde 

wereld mede te deelen. 

! 7- 
In de plaats, dat Cafparus Wolfius degroo 

te Oceaan of Vergadering der Plantgewaf- 
fen (door de uiterfte wille van Gefnetus 
hem aanbevolen) in het licht zoude geven» 
verkocht hy dezelve aan Joachimus 
Camerarius, beroemt Geneesheer der 
Stad Neurenberg , en zeer uitmuntend Ken- 
der der natuur lykeSchepzels. Van deze Ca- 
merarius is veel gerucht geweeft , maar de 
meefte van zyne Werken zyn in zyn Bi- 
bliotbeecq en na zyn dood verfmoort, en 
met dezelve de heerlyke Hiftorie en Oceaan 
der Planten van onzen uitmuntenden Conra- 
dits Gefnerus. 

18. 
Cafparus Wolfius heeft echter de goetheid 
gehad, eenige Brieven, dewelke Gefnerus aan 
de gèleertfte Mannen van zyn tyd gefchre- 
ven hadde, by malkander te vergaderen , en 
tot Zurig in den jaare itf-j.in qto in het licht 
te geven. Door dezelve, als ook dooreeni- 
ge Brieven van Gefnerus , dewelke door 
Casp. Bauhinos uitgegeven zyn,blykt 
Ons klaar, dat Gefnerus , in de ontdekking 
der NFatuurlykè fchepzels, zich geheel anders 
gedragen heeft, als zyne Voorzaaten enTyd- 
genooten , dewelke haar geheele levenstyd 
meeft doorbragten , om de oude Schryvers o- 
ver te zetten en uit te leggen; en alle haar 
kenniflè , dewelke zy van de Natuürlyke 
Schepzels overal verkregen badden, te toet- 
ien 



381 Natuur' en Konft-Kabinet , 

zen aan de Befchryving der Ouden, waar 
door zy in oneindige Difpuiten en Quejlien 
vervielen, elk om 't zeerft dryvende, datzyn 
Plant of natuurlyk fchepzel eigentlyk dezel- 
ve was , dewelke deze of gene Oude onder 
dezelve naam befchreef, daar zy dan dezelve 
mede of zelfs doopten , of door overlevering, 
en in de ander naaftvolgende Boeken der la- 
tere Grieken , weinige Latynen , en veel 
Arabieren mede genaamt ofte betekent von- 
den. 

19. 
Maar onze weergalozen Conradus 
Gesnerus floeg een geheel andere weg 
ïn, doorvloog met de uiterfte vlyd des We- 
relds alle oude üriekfche, Latynfche, Ara- 
bifche Boeken, en ook alle Boeken in ande- 
re taaien, en alle Werken vanzyne Voorzaa- 
ten en Tydgenooten ; dog merkte dezelve 
geenzins aan, dat de Kennifleder geheelena- 
tuurlyke Hiltorie in dezelve bevat wierd, 
veel min, door dezelve bepaalt wierd. Gef- 
ner verkoor zich zelven een ander overheer- 
lyk en ryk tfoek, vol Geleertheid en Wys- 
heid , en in het welke meer te leeren, meer 
op te merken , meer war.r te neemen en te 
lezen was, als in alle de Boeken van allede 
Schryvers van alle Natiën en van alle eeu- 
wen, en dit overtreffelyk Boek was de Na- 
tuur zelfs, met alles wat daar in van Godt 
gefchapen is. 

20.' 

Op dat nu de ontdekkingen van onbeken- 
de Plantgewatlen , of andere onbekende 

Na- 



Mey en Juny 17IP. 383 

Natuurlyke zaaken voor de Nakomelingen 
van vrucht zouden zyn , was onze Conradus 
Gefnerus bedacht op zodanig een manier van 
geuachts^rdeeling , dat een iegelyk Nakome- 
ling aan zekere onveranderlyke en onfeilbaa- 
re Geflachts-kentekens altyd zoude konrlen 
weeten , onder wat geflacht elke nieuwe fpecie 
van eenPlant,dewelke hy mogt koomen te ont- 
dekken , behoorde en geltelt moefte worden. 
21. 
Om nu zodanig een geflachts-verdeelinge 
te vinden , vergaderde onze groote Man 
alle Planten, dewelke in een zeker (<r) on- 
affcheidelyk geflachts-merkteken met malkan- 
der overeen kwamen , by malkander , als in een 
afgefchaartöata/V/e» of Regimenten dede zulks 
met alle de by hem bekende Plantgewairen, 
krygende zo veel verfcheide afgedeelde Re- 
gimenten of Geflachten , met alle haare on- 
derhorige fpecie» , als hy onder alle de Plan- 
ten verfcheide geflachts-merktekens ontdek- 
te ; want door het woord van Geflacht, 
moet in deze Gesneriaansche Plant- 
gewaskunde niet anders verltaan worden, 
als een vergadering van Plantgewaflen , de- 
welke, hoe verfcheide zy in andere van haar 
Heilige deelen ook mogten van malkander 
zyn, echter in een zeker merkteken , dat wel 
beft haar aard, natuur en overeenkomft uitdrukt, 
alle met malkander overeen komen, en dat wel 
in zodanig een merkteken , 't welk van allede 
andere Planten en Plantgeflachten verfcheelt, 
even gelyk een Regiment Soldaaten , het welk 

B b door 

U) Nota, Generica Charafteriftica. 



284 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

door de Monteering of Kleding, dewelke 
het onderfcheiden van alle de andere Regi- 
menten draagt, niet alleen daar door onder - 
fcheidentlyk bekent is, maar ook elke Sol- 
daat, hoe zeer hy anders van wezen , gedaan- 
te of poltuur van alle de andere Ibldaaten 
van zyn Regiment mogt koomen te ver- 
fcheelen, alleen door deze monteering ge- 
kent word , tot zodanig een gemonteert Re- 
giment te behooren. 

22. 
De opmerkende Lezer kan nu wel begry- 
pen, dat deze Metbode veel beter is, als die 
der aaloude Plantgewas-fchryvers, dewelke 
de Plantgewafïèn in gedachten fchaarden en 
afdeelden , niet door tekens , dewelke onaf- 
fcheidentlyk aan de gedaanten of Strucluur 
der Planten waren , maar door afgelege 
tekens; als by voorbeeld: Planten van een- 
derley medicinale of andere kragten fchikten 
zy tot een geflacht ; ot Planten, dewelke op 
eenderley grond of plaats groeiden, fchikten 
zy tot een byzonder gedacht ; of Planten , 
dewelke in een en de zelve tyd van 't jaar of 
opkwamen of bloeiden, of vrucht droegen, 
fchikten zy tot een byzonder geflacht; en an- 
dere diergelyke afgelege en onbeitencHge 
Merktekens, dewelke de gedaante des Plant- 
gewas niet raakten. 

2 3- 

Conradus Gefnerus oordeelde , dat het ge- 

flachts-merkteken niet alleen moert geftelt 
worden in Ae. Strucluur of gedaante der Plant, 
maar dat naatiwkeurig acht gegeven moeit 

wor« 



Mey en Juny 171 9. 58 f 

worden , welk deel van een Plantgewas het 
bekwaamde was, om dit geflachts-merkte- 
ken in te vinden ; by voorbeeld: ofdeBloem, 
of de Vrucht, of het Zaad, of de Stam , of Steel, 
of Rank , of de Bladeren , of de Wortel , enz. 
want hy oordeelde, dat het deel , daar de natuur 
en verwantfchap des plants met andere ge- 
lyke Planten van dezelve natuur meeft in ge- 
legen was, en meeft in doorftak, ook het 
bekwaamfte deel was , om dit onaffcheidelyk 
geflachts-merkteken in op te fpooren , envaft 
te (lellen. De vermaarde Plantgewaskender 

(a) JOSEPHUS PlTTON TOURNE- 

F o a t bewyft uit een Brief, door Gefnerus 
gefchreven aan de vermaarde Zuingerus, 
dat Gesnerus wel voornamentlyk dit 
geflachts-kenteken (telde in des Plants bloem, 
en in des Plants vrucht , maar (b) Gefnerus 
voegt in deze Brief des Plants wortel daar 
by, en zegt, dat hy gewoon is uit een van 
deze drie, of twee, of wel uit alle drie des 
Plants natuur en geflachts-kenteiken teleeren, 
veel beter, zegt hy, als uit de bladeren (of 
des plants andere deelen ) dezelve te kennen 
zyn. 

24. 

By deze driederhande foort van deelerr des 
Plants , te weten de Bloem, de Vrucht en de 
Wortel, voegt Conradus Gesnerus 
noch een vierde, namentlyk het Zaai, niet 
alleen in de zelfde Brief, maar ook ( gelyk 
Bb 2 Tour- 

(a) Ziet Inftitutiones Rei Herbaria. 

(£) Ziet Gefneri Epifiol. pag. 113. Edit. Tigur. 
*p. Srofchcv. 1577. 



}85 Natuur- en Konft~Kabinet , 
Tournefort wel aangemerkt heeft) in een 
Brief aan de geleerde {a) Adolf Occo, 
daar hy bekent, dat hy uit het zaad, en te 
gelyk uit deszelfs {maak , overeenkomltig met 
defmaakvan meeftalle desPlants andere dee- 
len, het geflachts -merkteken van è des Plants 
natuur en verwantfchap met lynfpeeien mede 
gewoon is te noemen en op te fpooren. 
if. 
Het is wel waar , dat Fabius Columtta , een 
Italiaan , eenige jaaren na de dood van onzen 
Gefnerus mede van de zelfde gedachten ( b ) 
was, in het vaft (tellen van de geflachts-ken- 
teikens uit de bloem en het zaadhuisje, maar 
behalven dat deze Schryver eerft in het jaar 
i ƒ92. dat is 27 jaar na de dood van Conra- 
dus Gefnerus, in het licht kwam, heeft hy 
ook weinig dog zeer keurlyk gefchreven , en 
van de zaak zelfs geenzins het rechte gebruik 
gemaakt, zo dat aan niemand die eere, van 
de Kennelykfte Geflachts- Charaiiers gevon- 
den te hebben , toekomt , als aan onzen lof- 
waardigen Conradus Geincrus. 
16. 
Dewyl de Boeken over de Kruidkunde en 
Plantgewaflèn van Conradus Gefnerus in de 
Bibliotbeecq van Camerarius verfmoort, en 
geenzins in 't licht gebragt wierden, bleef 
ook de heerlyke en nieuwe Methode , om de 
Planten in haare onderfcheidentlyke gedach- 
ten te verdeden, zeer lang verborgen, totdat 

ein- 

(a) Ziet Epiji. Conradi Cefneri Lib. i-p*i- 65- 

(b) Ziet Tournefort Inftitut. Rei Herbaria ; & 
Fnb. Ctfamn* Stirgts Rariortt. 



Mey en Juny 1719. $87 

eindclyk Robertus Morison, een 
Schotsman en vermaart Kruidkender, eerft 
in het jaar 1669, dat is honden en vier jaa- 
ren na de dood van Geftterus , het werk by de 
hand vatte, en zyn Preludium Botatticum uit- 
gaf , gedrukt tot Londen 1669. het welk 
kort daar na van verfcheide heerlyke werken 
gevolgt wierd, in de welke de Methode van 
de Planten na de overeenkomft der Bloemen, 
Zaadhuisjes, Bollen enz. in gedachten te 
verdeden , volgens het voorfchrift van Gef- 
nerus , in een vollen dag geftelt wierde. Op 
welk een wyze deze nieuwe Metbode van de 
geflachts-verdeeling der Planten , uitonarfchei- 
dentlyke geflachts-kenteikens , genomen van 
de Fabryk derzelver deelen, naderhand van 
veele andere, als Johannes Ra jus 
Engelsman, Josephu» PittonTour- 
nefort Fransman , en noch onlangs van 
Julius Pontedeka Italiaan, en ver- 
fcheide andere braave Mannen noch is ver- 
betert en verandert , zal ik op zyn tyd mede 
deelen, dewyl zulks hier de plaats niet is. 
27. 
Behalven de ontelbaare Boeken, dewelke 
Geftterus over de Griekfche en andere taaien, 
( behalven het in 't licht geven van zyn weerga- 
loze Biblittheecq van alle voortreffelyke ge- 
leerde Mannen en Schryvers ) van het begin 
tot op zynen tyd, mitsgaders veele Boeken 
over de Geneeskonft, heeft Geftterus zo 
ongelooflyk veel Werken en Werkjes in 
de natuurlyke Hiftorie , en over de na- 
tuurlyke Schepzels , in het licht ge- 
Bb 3 bragt, 



3 8 8 Natuur- en Konft-Kahinet , 

bragt, dat een iegelyk als verftomt en voor*t 
hoofd geflagen moet ftaan , die zulks naauw- 
keurig weet. 

28. 

In het jaar 15*61. hadde Gefnerus de over- 
treffelyke werken van de vermaarde Valerius 
Cordus by een vergadert, en dezelve in de 
volgende goede ordre gefchikt. 1. Deszelfs 
aanmerkingen over de Griekfche Diofcorides. 
2. Vier Boeken van Valerius Cordus over de 
PlantgewaiTen. 3. Een fchoone Verhande» 
ling over de aanmerkelykfte uitgegrave Stof- 
fen, Metalen, Mineralen, Steenbreeken of 
Groeven enz. van Duitfchland. 4. Een Boek 
over de zeer koniligeUittrekzels. En f. de 
vermaartfte Medicinale Mengzels door Vale- 
rius Cordus. Hier zyn noch meer andere 
zaaken, de Natuurlyke Hiftorie betreffende, 
bygevoegt, maar van Conradus Gefnerus zelfs 
een Boek , handelende over de Tuinen van 
Duitfchland. 

29. 

In dit treffelyke Boek over de Tuinen van 
Duitfchland, toont Gefnerus onder andere, 
welke Planten ouwelings by de oudere Duit- 
fchen bekent , en in de Planthoven van 
Duitfchland gecultiveert wierden , en ook 
uit haar zelve zonder Cultuur in deDuitfche 
Lucht voortkoomen en duuren konnen. Gef- 
nerus handelt eigentlyk in dit Boek van de 
Planten, dewelke in de gemeene Tuinen, 
en in de Tuinen der Liefhebbers gezaait of 
geplant worden, x. De zogenaamde Tuin- 
planten zelfs. 2. De vreemde Planten , de- 
welke 



Mey en Juny 171P. 589 

welke uit verre en afgelege Landen om haar 
raarheid in de Tuinen worden onderhouden 
en opgekweekt. En 3. van de wilde Plant- 
gewaüen , dewelke in de Tuinen konnen 
voortgekweekt worden, en van die gene, 
dewelke zulks niet konnen verdragen, maar 
het getal is zo menigvuldig , dat hy alles 
niet afhandelt. Toen ik noch een jongeling 
was, (zegt Gesnerus) oordeelde ik, dat 
ik kennijfe van alle de GewaJJen hadde, de- 
welke in de wereld bekent waren ; maar nu ik 
een oud Man begin te worden, en van mytt 
jongetingfchap tot nu toe veele Landen hebbe 
doorgekru'tfl , in alderhande Tuinen , zo van my- 
ne Rekenden , als in myn eigen , een ontelbaar 
getal Plantgewajfen heb leer en kennen , nu ik 
doorlezen hebbe alderhande Boeken in alder- 
ley Taaien , als in 't Griekfch , Latyn , 
Franfch , Hoogduitfch , Engelsch , Spaanfch enz. 
zie ik klaar , dat het getal der Plantgewajfen, 
dewelke ik weet, zeer klein en gering is, by 
het getal der Planten , dewelke ik noch niet 
kenne. 

3°- 
Gefnerus getuigt, dat behalven veele klein- 

dere hy twee groote oogmerken heeft gehad, 
om dewelke hy dit Boek gefchreven heeft. 
I. Opdat het zelve zoude dienen als een 
voorlooper van het overgroote Werk , dat 
hy over de Plantgewafïen onder handen had- 
de, en dat wy (o ongeluk!) verloren heb- 
ben. En 2. opdat hy de Liethebbers onder 
de andere Natiën zoude aanfpooren , insge- 
l»yks een hiftorifche Befchryving in het licht 
Bb 4 te 



300 Natuur- en Konft- Kabinet , 
te geven van de vermaartfte Tuinen vanhaar 
Vaderland , op dat dus het Werk , dat hy op 
het getouw gezet hadde , zoude afgeweven en 
voltooit worden. 

3 1 - 
Op dat nu de Lezer niet zoude oordeelen 

dat een Befchryving van de Tuinen , en oe- 
fening der Plantgewaflèn in dezelve nieuw is, 
bewylt Conradus Gefncrus , dat zulks al lang 
voor hem by de oude Grieken en Romeinen 
is verricht , of ten minden ondernomen : dat 
de uitmuntende Griekfche Theophras- 
tus (Difcipel en Opvolger van Aristo- 
feles) in zyne Boeken over de Plantge- 
waflèn al zeer veel heeft verhandelt van da 
oefening der Tuinen, en der Plantgewaflèn 
in dezelve : dat P l i n i u s op veel plaatzen 
zo uit Theophr astus als uit andere 
veel over die ftof heeft aangetekent : dat de 
oude Schryvers, dewelke gefchreven hebben 
over de Laudbouwkunde, namentlyk Co- 

LUMELLA, PALLADIUS, VaRRO, 

C at o, en andere, die veel van deoefenin- 
ge der Planten in de Tuinen hebben nagela- 
ten : dat onder de Nieuwe Schryvers Petrus 
Crefcenttenfis veel zaaken heeft mede gedeelt, 
dewelke de oefening en voortkweeking der 
Planten, Boomen en Tuingewaflen betref- 
fen. Het boek van Arijleteles over de Plan- 
ten (daar Scaliger Noten over gemaakt heeft) 
is al te zeer bedorven na zyn oordeel, om 
onder deze rang geftelt te worden, niet te- 
gengaande daar ook noch al iets van die floftèn 
in gevonden word, voornamentlyk van eeni- 

g e 



! Mey en Juny 1719." !£pï 

ge echte werken van Ariftoteles zelve. Het 
boekje, dat bekent is onder de naam van het 
Boere (a) Landhuis, door Ca r o lus 
Step H;A n u s , of op deszelfs naam in 't 
licht gebragt , pryft Gesnerus kragtig ; 
de deelen van dit Boekje zyn tien. 1. De 
Tuin. 2. De Boom-entery of kweekery. 3. 
De Wyngaard. 4. De Bouw-akker. f. De 
Melk en Vetweidery of de Beemd. 6. De 
Vyver of 't Poelmeertje. 7. De Rietbroek. 
8. Het groot Hout of het Bofch. 9. Het 
Kreupelbofch. 10. De Heuvel. Gesne- 
rus melt ook met zeer veel lof van Bar- 
tholomceus Maranta , en het geen de zelve ge- 
fchreven heeft over de oefening en voort- 
kwekery der Planten ; mitsgaders het Boek 
van Petrus Bellonius over de oefening der 
Bofch-enWoud-boomen;als ook van Hierony- 
nuis Car&anus , voor 20 ver dezelve hier en 
daar van de voortkweeking der Gewaflen ee- 
nïge fraaye zaaken aangetekent heeft. Ik zal 
hier nu niet by voegen eenige, dewelke Gef- 
tterus heeft overgeflagen,noch geenfins een zeer 
groot getal uit alderhande Natiën, dieinver- 
fcheide taaien over de oefening en Cultuur 
der Tuinen en der Plantgewaifen , en der- 
zelver geheele Voortkwekery gefchreven heb- 
ben, i, Omdat het getal voor myn tegen- 
woordig beftek te groot is. 2. Om dat ik van 
die ftof (als ik leef) byzonder hoope te Ipreeken. 

3 2 ' 
Gefnerus verdeelt de Tuinen in verfcheide 

foorten. i. Gemeene Tuinen, dewelke tot 

Bb s voed- 

(«) Pradium Ruflicum. 



$9* Natuur- en Konft-Kabinet ~ 9 
voedzel en dienft worden gebruikt', als moes* 
tuinen voor moes en Keukenvruchten en peul- 
Vruchten , of kool- en worteltuinen , en daar 
te gelyk boom-vruchten, wyngaarden, enal- 
derhande ftekvruchten om te eeten worden 
in geplant. 2. Medicinale Tuinen van Ge- 
neesheeren, Apothekers, in dewelke niet al- 
leen alle Tuinvruchten en Planten gevonden 
worden , maar ook alderley Plantgewaifen 
uit de bolTchen, wilderniflen , en overal uit 
vreemde landen opgezocht, dewelke in de 
Geneeskonft gebruikt worden . 3. Tuinen, 
daar alle de voorgaande zaaken in gevonden 
worden , en boven dien noch alderhande 
Exotica , en uitlandfche Rariteiten , en vreem- 
de Plantgewaflèn, voor verkwikking van 't 
gezicht, en tot voldoening der verwonde- 
ring, van Oranjes, Citroenen, Laurieren, 
Mirtus , Akesy Jucaas y en honderderley an- 
dere foorten; en daar gevonden worden al- 
derhande Trekkaflen, Broeykaflen, Stoof- 
ovens, Oranjehuizen enz. 4. Tuinen, daar 
niets in gevonden word tot dienft der keuken 
of fpys , of genezing der ziekten , dog die 
alleenlyk maar tot Cieraad verftrekken, daar 
de fchoonheid en verciering alleenlyk maar 
meer of minder uitmunt, gelyk als die der 
ryke Matronen en magtige Perzonagien , en 
van zommigerykeKloofters , overal voorzien 
met fchoone Wandelplaatzen , geeftige Bloem- 
perken , Fonteinwerken , Watervallen , Kom- 
men, ronde Vyvers , Beekjes , Wellingen , 
Grotten , Beelden , en alderhande geeflige 
Waterwerken, Doolhoven, hoog opgefcho- 

re 



Mey en Juny 1719. }p$ 

re Haagen van alderhande gedaante, en 
boomwerk , doolhoven , opgeworpe heu- 
vels verbeeldende de Zangberg, de Olym- 
pus, enz. konftige groene Prieelen, groote 
Triomfboogen , Poorten en Efpillees van 
latwerk. 

33- 
Alle de Tuinen, dewelke op dien tyd by 

Conradus Gefnerus door geheel Duitfchland 

bekent waren , worden "vervolgens in dit 

Boek opgenoemt, en beknoptelyk befchre- 

ven, met alle deszelfs aanmerkenswaardige 

veranderingen , alles in die order , dat hy de 

voornaame Tuinen van Landfchap tot Land- 

fchap , en Stad voor Stad zeer aangenaam 

mededeelt. 

34. 
Behalven alle deze Tuinen van Duitfch- 
land, noemt Gejnerus ook eenige Tuinen 
van Vrankryk en Italien , by welke gelegent- 
heid hy ook fpreekt van de Tuinen vermaart 
by de aaloude Volkeren, gelyk de Hefperi- 
des, de Tuinen van Adonis, van Alcinous , 
van Epi c urus , van de hoogverheve Tuinen 
der oude Stad Babel, van de beide Paradyfen 
in Syrië» , in dewelke alleenlyk maar de 
waarachtige en oprechte Balzem-boomtjes 
gecuhiveert wierden ; van het gomachtige en 
bewierookt en welruikend Arabien, van de 
Tuin van Theopbraflus van Athenen, van 
de Tuin van Ant. Caftor tot Romen , dewel- 
ke zeer geroemt was ten tyde van den ou- 
den Plinius enz. Hy handelt ook van de 
outheid der Tuinen en Plantagien , van der- 

zelver 



'^94 Natuur- en Konft-Kabinet , 
ielver Lof, Nut en Gebruik , by welke Vol- 
keren en Natten der Aalouden de oefening 
der Tuinen veel eerder of boven andere Na- 
tien in het gebruik is geweeft , en door 
welke oude Natten zulks meerder is verwaar- 
looft. 

Na dit alles geeft hy generale Regels , tot 
de oefening en oprechting der Tuinen , voor, 
in en na de inplanting en inzaaying der Ge- 
waflen. Hy fpreekt van de verfcheide gron- 
den, heuvelen, klippige, fteenachtige, zan- 
dige, moerasachtige of natte, laageen hooge 
gronden, en derzelver verfcheide bereidingen; 
van de verfcheide plaatzen in een Tuin voor 
de verfcheide Plantgewaflen ; van de fchadu- 
we, deZomerhof; van de Heiningen , Stek- 
ken , Mantels , opene en beflote luchten ; 
van de verfcheide Stof voor de paden ; van 
de vaten, bakken, en ontelbaare zaaken en 
gereedfchappen en waarnemingen. 

3 6 - 
Hy fpreekt van het onderfcheid der zaadcn, 

van de verfcheide inentingen, de manier van 
potingen , en de verfcheide bereidingen van 
de poot- en plant- en zaay-aarde , gefchikt 
na de Eigenfchappen en Natuur van elk by- 
zonder gewas. Hy handelt zeer naauwkeu- 
rigvandebedauwing, waterleidingen , en be- 
gieting der Tuinen ; hy fpreekt van verfchei- 
de befprengingen tegens de wurmen, vlie- 
gen, verrotting, en het ongediert, daar de 
Plantgewaflen mede gekwelt worden. Hy 
belluit eindelyk zyn Boek over de Tuinen 

van 



Mey en Juny 171 9. $9 f 

Van Duitfchland met een geheele Bibliotheecq 
van Plantgewaflen , alle geftelt volgens de 
ordre vanhet A. B. C. Byde befchryving 
van elke Plant ( die zeer veel in getal zyn ) 
heeft hy zeer ongewoone en nuttige aanmer- 
kingen, dewelke by andere Kruidbefchryvers 
niet gevonden worden , en dewelke alle op 
eigen ondervinding fteunen. Achter het werk 
zyn gevoegt eenige Aanhangzels en Regifters 
van de Plantgewaflen zommiger Tuinen van 
Italië», IVirtenberg enz. mitsgaders Brieven 
gefcbreven aan de Beroemde Kruidkender 
Francifcus Calceolarius, een bekent Liethebber 
yan die tyd. 

37- 
Het is niet wel mogelyk, dat iemand in 

een Faculteit, in een Wetenfchap of Konft 
volkomen onderricht kan zyn , aan dewel- 
ke noch onbekent is de waarachtige Hifto- 
rie , Outheid , en verfcheide Gefteltheid , daar 
zodanig een Faculteit , Wetenfchap.of Konft 
van het begin tot aan zyn leeftyd in geweeft 
is. Ik oordeele , dat het noodzakelyk is , 
dat aan iemand niet alleen het begin, den 
aanwas, ftaat, en verfcheide op- en onder- 
gangen van de Wetenfchap, Konft, enz. 
daar hy een Beminnaar of Kender van 
tracht te zyn, klaar en onderfcheidentlyk be- 
kent moeten zyn , maar hy moet behalven 
dit ook doorloopen hebben alle de Schry- 
vers , dewelke van Eeuw tot Eeuw voor 
hem van zodanig een Fac ulteit , Wetenfchap 
of Konft, tot deszelfs aldergeringfte deelen 
incluis gefchreven hebben. Hoe zal iemand 

an- 



3 $6 Natuur- en Konft-Kabinet , 

anders konnen weeten, tot welk een trap 
van grootheid of volmaaktheid zodanig een 
Faculteit , Wetenfchap of Konft gebragt is , 
of wat noch aan dezelve ontbreekt, zolang 
hy niet alles onderzocht heeft, wat over 
dezelve van zyne Voorzaaten is verhandelt, 
en van andere is uitgevonden ? De nalatig- 
heid van dit noodzakelyk en nuttig onder- 
zoek is duizendmaal de oorzaak geweeÜ , dat 
jonge ProfeJJ'oren^ Do3oren y of andere jon- 
gelingen, en zomtyds wel Bejaarde, Boe- 
ken over eenige zaaken haarer Weten- 
fchap of Konft in 't licht hebben gegeven, 
dewelke zy door gebrek van Leéiuur enken,- 
nifTe zich hebben ingebeeldt, dat noch aan 
haar Wetenfchap of Konft ontbraken, daar 
ondertuffchen dikwils Eeuwen voor haar leef- 
tyd veel heerlyker , veel uitvoeriger , en 
naauwkeuriger over die zelfde zaaken alreets 
van andere gefchreven is geweeft. Het is 
geen zaak van klein belang, de rechte De- 
Siderata, of zaaken dewelke noch ont- 
breeken aan een Wetenfchap of Konft, te 
zien. De blindheid en verwaarloozing, van 
't geen ik hier zeggen wil, heeft duizende 
onnutte Boeken in de wereld gebragt, en 
doet zulks noch dagelyks ; maar opdat on- 
zen Conradus Gefuerus aan de wereld zoude 
doen zien, dat hy in de Plantkunde in de 
hoogfte graad ervaren en te gelyk geleert was, 
gaf hy in het jaar ifs 1 - een Boek uk, in het 
welke hy zeer beknoptelyk handelde van alle 
de Schry vers der PlantgewafTen , dewelke van 
het begin dezer Wetenfchap tot op zyn tyd 

by 



Mey > en Juny 1719. %9J 

by alle zo vroegere als latere Natten in al- 
derhande taaien over de Kruiden of Plantge- 
waffen gefchreven hadden. Dit geleerde en 
teet doorwrocht werk dede hy met de Be- 
fchryvingder Planten van HieronimusTragus^ 
daar het voor gedrukt ftaat, te gelyk in het 
licht koomen. 

38. 
In dit werk handelt onzen Gefnerus. 1. 
Van de Griekfche Botanijlen en Schryvers der 
Plantgewaffen. 2. Van de aaloude Romein" 
Jche of Latynfche Kruidkundige Schryvers. 
3. Van de Arabieren , dewelke in de Plant- 
gewaskunde hebben uitgeblonken. £n 4. van 
alle de nieuwe, dewelke het 2y in 't latynof 
in eenige andere taaien Boeken in 't geheel 
of ten deele over de Gewaffen hebben in het 
licht gebragt. 

39- 
Conradus Gesnerus, fprekende 
van het onderfcheid der Plantbefchry vers , 
zegt: zommige Kruid-befchryvers hebben al- 
leenlyk maar Grammaticè of taalkundiglyk 
over de Planten gefchreven, gelyk by voor- 
beeld alle, dewelke de Planten Catalogus- of 
Regifters-gewys en volgens de ordre van het 
A. B. aangeteikent hebben. Andere weder* 
om Hijiorifch-gewss , gelyk Oribajius, Diof* 
corides en andere, alleenlyk maar uitdruk- 
kende de naauwkeurige Befchryving van de 
Gewaffen , haar geboorte , vöortk weeking, le- 
venstyden ondergang,haar verfcheide deelen,en 
derzelver figuur en verfcheide gedaanten enz. 
Zomtyds wel overflaande derzelver medicina- 
le 



j 98 Natuur- en Köhft-Kahinet , 

Ie kragten , of andere gebruiken of hoedanfg- 
heden, haar verfcheidegeflachtenen gellachts 
foorten , na haare byzondere ClaJJ'es of ander- 
zins. Zommige Plantbefchryvers hebben al- 
leenlyk maar Geneeskundiglyk van de Plant- 
gewaflèn gefchreven , als by voorbeeld G A- 
lenus, en ( dewelke hem daar in gevolgt 
zyn) iEnus en ^gineta, en andere, 
dewelke alleenlyk maar gefchreven hebben 
van de medicinale kragten en faculteiten der 
Kruiden of Gewaflèn. Zommige Plantge- 
was-befchryvers hebben Phyftcè of natuur- 
kundiglyk , dat is , tot uitlegginge van derzelver 
oorzaaken,zo wel van haur geboorte, haar zyn , 
haar beftaan, als alle veranderingen en ver- 
fchynzels, en inwendige gefteltheid vanftof- 
felykheid , voeding , groeying , vezelen , vaat- 
jesenz. over de Gewaflèn gefchreven. Zom- 
mige Schryvers hebben Ruflicè of landbouw- 
kundiglyk over de Gewaden gefchreven, han- 
delende van denelver zaaying , voortplanting, 
grondbereiding, en verfcheide oefening. An- 
dere hebben van de optooyingen der Planten 
gefchreven, het maaken van bloemkranfen , 
Oeraadentot Altaaren, Tempels, Afgoden, 
Offerhanden , Feeften enz. en van de Krui- 
den, Planten, het lof en de bloemen, de- 
welke daar de bekwaamde toe waren , en de 
meefte pracht byzetten , en de manier om de- 
zelve voort te kweeken. Zommige Schryvers 
hebben Verfkundiglyk van de Gewaflèn ge- 
fchreven, dat is, welke zappen, gommen, 
bloemen, wortels, fchorzen , vruchten enz. 
dienftig zyn tot de verwery en en koleuren voor 

de 



Mey en Juny 1719. 399 

de Schilders , benevens derzelver bereidingen en 
oefeningen enz. Zommige hebben gefchreven 
van de Planten en Gewaffen, dewelke dien- 
ftig zyn tot inlegging, inzulting en keuken- 
fpyzen. Andere wederom hebben Sterrekun- 
dig, en Magicè of toverkundigvan de Plan- 
ten gefchreven , als Orpheus en Democrstus % 
dewelke daar over vanPlwius dikwilsvoor 
den boer gehouden worden. Zommige Schry- 
vers hebben van de bovengemelde verfcheide 
manieren twee a driedikwilsby malkanderen 
gevoegt ' t andere wederom eene manier al leen- 
iyk. 

40. 

Zeer weinige zyn van de oude Griekfche, 
Latynfche en andere Schry vers , dewelke ik nu 
optellen zal , overgebleven ; maar wy zyn ech- 
ter zo gelukkig, dat diegene, dewelke over- 
gebleven zyn , genoegzaam alles vergadert heb- 
ben, wat in een groot getal Boeken van haare 
VoorzaatenenTydgenooten verfpreit was. 
41. 

De oude en latere Grieken , dewelke van 
de Planten gefchreven hebben, en die van 
Gefnerus zyn geftelt op de letter A , zyn 
de volgende. 1. JEtius , dewelke meeft al- 
les uit Galenus ontleent heeft. 2. Alexander 
de Groot, of een Boek, dat by de Grieken op zyn 
naam gaat, maar niet echt is, over de zeven 
Kruiden, dewelke overeenkomft zouden heb- 
ben met de zeven Planeten. 3. Alexias Rhizoto- 
mus was een Leerling van Thrafyas , en een 
zeer vernuftig en ervaren Kruidkender. 4. A- 
naxagoras Pbyficus. f. Andreas word als een 
C c ver- 



400 Natuur- en Konft-Kabinet , 

vermetel Schryver der Planten van Diofcori- 
des aangehaalt. 6. Androcides heeft de na- 
tuur en eigenfchappen van de Kool eerft ont- 
dekt en geleert,en dat dezelve deDronkenfchap 
verdreef; deze fchreef aan Alexander de Groot, 
als hy VVyn zoude drinken: Koning! ge- 
denk, dat gy bet bloed der aarde drinkt. -j.An- 
droüon word van Varro , Columella en 
Plinius, onder de Schryvers van de Landbouw 
en Kweekkmidegetelt. 8. Antigonus heeft o- 
ver de Laurierboom en het Kroontjeskruid 
gefchreven. 9. Apollodorus heeft over de 
welriekende gewalfen gefchreven. 10. Ap- 
follonius heeft over deGewaffen, dietot licht 
bereidende Geneesmiddelen bekwaam zy n , ge- 
fchreven. 1 1 . Archigenes heeft over 't ge- 
bruik der genezende Kruiden en middelen 
gefchreven. 1 2. Archüochus word van Ni- 
cander onder deKruidbefchryvers aangehaalt; 
gelyk ook 13. Ariftenas, en 14. Arijhgiton 
vanPlinius. ij. Arijlophilus , een Apotheker, 
heeft eenige verwonderenswaardige kragten 
van verfcheide Planten ontdekt. 1 6. Anjlo- 
teles heeft mede over de Planten gefchre- 
ven ; wy hebben tegenwoordig noch een Boek 
over de Planten op zynnaam, met de aan- 
tekeningen van Scaltger , maar het zelve is 
2eer verbaftert , hoewel wy in de Problemata 
van Anftoteles eenige aantekeningen vinden 
over de gedachten der Plantgewailen enz. 17. 
Afclepiades , een vermaart Geneesheer , word 
in de Plantkunde menigmaal van P/inius ge- 
roemt. 18. Afclepiodotus van Alexandrten 
word zeer getoemt in de kennifle van 

de 



Mey en Juny 171P. 4 Ö * 

deVerfftofkunde, en het onderfcheid van al- 
derhande houten , en het naauwkeurig onder- 
zoek van de loop en de gefteltheid vander- 
zelver vezelen, maar boven alles in de Plant- 
kunde, en word medegedeeltvan Suïdas. 
42. 
De PlantgeWas-befchryvers onder de Grie- 
ken, en dewelke van Conradus Gefnerus op 
de letter B. gefrelt worden, zyn de volgen- 
de. 19. Bajj'us Tylceus heeft van de krag- 
tender Planten gefchreven, niet na de onder- 
vinding , maar volgens redeneerkundige onder- 
ftellingen. 20. Julius BaJJus, een Romein, 
heeft in't griekfch van de Gewaflen gefchreven. 
2 1 . Bion heeft gefchreven van de Boomen en 
Plantgewaffen enz. 

2; 43- 

De Griekfche Plantbefchryvers by Gefne- 

rus op de letter C. zyn. 21. Callïmachus ± 
deze heeft in 't byzonder gefchreven van de 
Kroonen en Krans-gewafTen, en Bloemen, 
dewelke fchadelyk voor het hoofd en de 
harffens zyn, als ook over het Drieblad. 23, 
Caflritius. 24. Cefennius , en 2 f '• Firmus C 'e- 
fttrica hebben gefchreven over de Tuinberei- 
dery en Aankweekery. 26. Chcereas van 
Athene» heeft ook iets van de Planten ge- 
fchreven, en voornamentlyk was hy zeerer- 
varen in de Kenniffe der Diftelen en Doorn- 
gewaflèn. 27. Cbryfippus heeft mede ver- 
icheide Boeken over de Planten uitgegeven, 
en zeer omftandig over de Kool en haar 
gebruik , als geneesmiddel , en toegepaft aan elk 
lidt van 's menfchen lichaam. 28. Claudius 
Cc 2 Ga- 



'4-oz Natuur- en Konfi-Kahinet^ 

Calenus heeft elf Boeken over de enkelde 
Medicinale Planten en Geneesmiddelen aan 
ons nagelaten , dewelke wy noch overig 
hebben ; wy hebben ook noch een onecht Boek, 
wegens 46 Planten , op de naam van Galenus , 
met de aanmerkingen van Humain Gentilis. 
29. Cleodemus heeft over de Generatie en 
Voortteeling der Planten gefchreven. 30. Cra- 
tevas heeft met een zeer cierlyke Griekfche 
ftyl over de Plantgewaflen gefchreven , en 
heeft de gedaantens der Planten tegelyk uit- 
getckent of uitgeprent in zyne Boeken. 31. 
Cratevas Rbizotomus heeft zeer naarftig ge- 
fchreven van de Wortelen en van de Plant- 
gewaflen. 

44. 
De Griekfche Plantbefchryvers , door Gef. 
nerus op de letter £>.geplaatlt , zyn. 32. Da- 
lion , by ouds een vermaart Herbarift. 33. 
Damocrates , dewelke in Vaarzen over de 
Gewaflen gefchreven heeft. 34. Democritus^ 
dewelke, na dat hy gereid hadde door Per- 
fien , Arabien , JEthiopien , JEgypten , enz. 
een groot Boek over de Planten by een 
vergadert en gefchreven heeft , dog heeft 
veel van de Kruiden toverkundig-gewys 
vertelt. 35". Diagoras heeft buiten an- 
dere Plantgewaflen by die aaloude tyden 
reets al gefchreven over de Opium , of 
de bereidingen van het Sap der flaapbollen. 
36. Dieuches heeft veel zaaken gefchreven, 
over het gebruik der Planten in de Genees- 
konft. 37. Diodes Cary/lius is in de ken- 
nifle der Planten 20 beroemt geweeft, en 

20- 



Mey en Juny 1719. 405 

zodanig een goed Schryver , dat hy me- 
nigmaal geciteert word van Galenus , Plu- 
tarchus , van een oud Schryver van aanmerkin- 
gen over Nicander, Atbenaus , enz. 38. Diodo- 
tus heeft over de Planten gefchreven, de- 
welke in de Geneeskonft dienftig zyn. 39. 
Diogenes Phyficus heeft gefchreven over de 
Voortteeling der Gewaiïen. 40. Dionyfius 
heeft insgelyks over de Plantgewaffen ge- 
fchreven, dewelke in de Geneeskonft dien- 
ftig zyn, en dezelve ook uitgetekent en in 
Prentverbeeldingen uitgegeven, 't geen maar 
by zeer weinig oude Schry vers in 't gebruik 
was. 41. Diphilzts Siphnius heeft ouwelings 
een Boek gefchreven over de Moeskruiden 
en Tuingewaffen , dewelke in de keuken ge- 
bruikelyk zyn. 

42. Epcenetus heeft over de Moeskruiden 
gefchreven. 43. Epishamns word als een 
vermaart en oud Plantgewas-befchryver me- 
de aangehaalt van Plinius. 44. Erafijiratus 
heeft in zyne werken overvloedig van de 
Plantgewaffen gehandelt. .4$-. Evax , een Ko- 
ning van Arabien, heeft een Boek gefchre- 
ven, het welke hy aan de Keizer Nero heeft 
opgedragen, over de Kragten en uitwerkin- 
gen der Plantgewaffen. 46. Eudemus is een 
Kruidmenger of een Apotheker geweeft, en 
onder de oude genoegzaam een Prins inde- 
ze Konft , en volgens Athenaus zoude hy 
ook van de Moeskruiden gefchreven heb- 
ben. 47. Euryphon heeft in zyne Medicinale 

Cc 3 Boe, 



404 Natuur- en Konfi-Kabinet , 
Boeken zeer veel van de Planten in'tbyzon-» 
der gehandelt. 

46. 
48. Glaucias is een Geneesheer geweeft, 
en beeft zeer naauwkeurig over de Diftelcn 
gefchreven. 49. Glaucus heeft mede over de 
Moeskruiden gefchreven, volgens het getui- 
genifle van Plinius. 

47- 
5-0. Heraclides Tarentinus heeft over de 

Planten in betrekking als enkelde Genees- 
middelen gefchreven , maar eigentlyk wel 
meeft over de Wortelen en de uitgeperfte 
fappen , na 't gevoelen van Diofcorides , en 
in deze zaak zoude hy zeer ervaren geweeft 
Zyn. fi. Hermes 'Trifmegiftus van JEgypten 
word bynainalderhande wetenfehappen aan- 
gehaalt ; onze Gefnerus citeert verfcheidc 
Schryvers , dewelke melding doen van zyn 
Boek, daar hy van zesendertig Plantgewaf- 
fen , overeenkoomep.de met de Dierenk reits 
des Hemels , fchryft ; benevens noch een Boek , 
handelende van de verhittende en de verkoelen- 
de GewaiTen ; behalven noch een ander Boek 
over de twaalf GewafTen, dewelke overeen- 
komft hebben met de twaalf Hemeltekens ; 
maar hoe veel geloof de Lezer aan de Boe- 
ken van dezen Hermes 'Trifmegiftus kan ge- 
yen , zal ik toonen , als ik handele van de 
natuurlykeHiftorien, Wetenfehappen, Kon- 
den en Handwerken der oude /Egyptenaar en. 
5-2. Heroyhilus is een uitmuntend vermaart 
Geneesheer geweeft, en in de Wetenfchap 
der Plantgewaffen , als ook in derzelver ge- 
bruik 



Mey en Juny 1719. 405* 

bruik en uitwerkingen zeer ervaren , hoewel 
van hem genoegzaam bekent is , als een 
Stichter van een Seéle , dat hy meer een Praa- 
ter'als Ondervinder is geweeft. 5-3. Hicefius 
heeft gefchreven over deWyn, en heeft meer 
andere zaaken van de Plantkunde verhandelt. 
j4. Hippocrates , de Prins van alle Genees- 
kundige Schryvers , heeft veel Kruiden en 
Planten verhandelt in zyne Werken, van de- 
welke de letterkundige Lezer een Regifteren 
verzameling kan vinden in het voortreffelyke 
Boek van D- Ie Clerc Hiftoire de la Medt- 
cine, ■$<;. H'tppon heeft ouwelings ook iets 
van de Planten gefchreven, gelyk blykt by 
Theophraftus. 

48. 

■f6. Jolas van Bithynien heeft van de en- 
kelde Geneesmiddelen , mitsgaders van de 
Planten gefchreven, maarniet Plantbefchry- 
vers-gewys, en zeer gebrekkelyk, nahetge- 
tuigeniffe van Diofcorides. fj. Jitba , een 
Groot Koning in Africa, heeftin zyneReis- 
befchry ving , en in't verhaal en de Aanmerkin- 
gen van zyne Tochten, veel zaaken van de 
vreemde en Afrïcaanfche Plantgewaffen ge- 
fchreven, hy is zeer vermaart wegens de be- 
kentmaaking van het roemruchtige Kruid 
Euphorbia. 

49. 

j-8. Lycus van Napels word van Plmms 
op verfcheide plaatzen als een Plambefchry- 
ver aangehaalt, zonder dat wy weeten, welke 
zaaken hy van de Planten heeft verhandelt. 

• 
Cc 4 yi. 



<\o6 Natuur- en Konft-Kabinet , 

5-0. 
ƒ9. Manteas heeft gefchreven over de pur- 
gerende GewafTen , en de Kruiden dienftig voor 
de klifteringen, en van alle genezende Krui- 
den, dewelke met haar uitwerking betrekke- 
lyk zyn op elk deel of ingewand des menfche- 
lyken Lichaams. 60. Medius was een Ge- 
neesheer, en word van Plinius onder de Her- 
bariften geftelt , gelykook 61 . Menander : 62. 
Meneftor word als een Plantbefchryver van 
'ïheophraftus aangehaalt. 63. Menctheus heeft 
over de benamingen der Plantgewafïen ge- 
fchreven. 64. Menodorus Erafiftratus heeft ins- 
gelyks over de PlantgewafTen gefchreven , en 
word ook aangehaalt van Atbemeus. 65-. Me- 
trodorus heeft niet alleen van de Planten ge- 
fchreven, maar heeft dezelve ook uitgetekenr, 
en in prentverbeeldingen in 't licht gegeven. 66. 
Mido word mede onder de Oude Plantbe- 
fchryvers geftelt. 67. Mnefides heeft over de 
Opium gefchreven. 68. Mneftheus van Aihenen 
heeft over de Keukenkruiden gefchreven , en 
van de Kranflen en Kroonkruiden , dewelke 
het hoofd ontftellen. 69. Mufceus heeft ge- 
handelt over 't Kruid Polion. 

fl. 

68. Nicander heeft van de tegengiftige Ge- 
neesmiddelen, en van de Theriaca op vaarzen 
gefchreven , gelyk ook van verfcheide Gewaf- 
fen , wy nebben deze Schryver noch over 
gehouden. 69. Niceratus heeft veel zaaken 
gefchreven over de medicinale GewafTen enz. 
Hy was een zeer beroemt Geneesheer. 70. 
Sextius Niger was een Romein , maar heeft 

in 



Mey en Juny 1719. 407 

in het griekfch gefchreven over de Planten, 
hy was een zeer beroemt Herbariji. 
Si.' 
71, Olympia van Theben was een zeerge- 
leerde en beruchte Vrouw, dewelke in de 
kenniflè der Gewaflen en Geneesmiddelen zeer 
beroemt is geweeft. 7%. Ophion word van 
Pïtnius dikwils aangehaalt , en heeft gefchre- 
ven over de Gewaflen , en der zei ver medicina- 
le Kragten, gelyk ook 73. Opbilius. 74. Ori- 
bafius heeft de belchryvinge der Planten ver- 
gadert, by een gebragt s en na de ordre van 
't A. B. gefchikt, dewelke van Diofcorides 
befchrevenzyn , daar Oribafius dezelve uit ont- 
leent heeft. 75". Orphéns word geftelt de eer- 
de te zyn, dewelke by de Grieken over de 
Plantgcwaflèn zakelyk gefchreven heeft ; wy 
hebben noch tegenwoordig een Boek, Or- 
pheus Lofzangen genaamt, en voor elke Lof- 
zang ftaan uitgedrukt die zaaken, door de- 
welke elke Godheid byzonder moet bewie- 
rookt worden: of dit van de aaloude Orpheus 
is of van een ander , zal ik hier niet onder- 
zoeken. 

S3- 

76. Pamphilus heeft een Boek gemaakt van 

de Plantgewaflèn , maar Galenus fpreekt van 
hem, alsvaneenBygeloovige, dewelke ook 
genoegzaam dede blyken, dat ;hy gene Er- 
varentheid van de Planten hadde, en dewelke 
fterrekundiglyk , toverkundiglyk , en vol ydel- 
heid van de Gewaflen heeft gefchreven, ver- 
vullende zyn Werk vol oudwyfze fabelen en 
leugenachtige vertellingen. 77. Paulus M.gi- 
Cc y neta 



408 Natuur- en Konfi-Kabimt , 

neta heeft het Boek van Galenus over de en- 
kelde Geneesmiddelen en medicinale Planten 
in een kort begrip gebragt. 78. Pedacius Di- 
ofcorides heeft geleeft en gedient onder Anto- 
nius en Cleopatra , en is de Prins , in de Be- 
fchryving der Natuurlyke Schepzels en der 
PlantgewafTen , vande aaloude Schryvers, de 
welke wy hebben overgehouden. 79. Petri- 
chus heeft van de Planten en derzelver krag- 
ten gefchreven. 80. Petronius was mede van 
dat foort van Plantbefchryvers , dewelke 
meer haare redeneringtjes volgen, als de 
waare bevinding. 81. P harnas Phyficus heeft 
mede van de Planten gefchreven , volgens 
het getuigenis van Pliaius en Athenteus. 82. 
PhilippHs, over de Bereiding der Genees- 
middelen handelende, heeft veel over 't gebruik 
en de deugd van verfcheideGewaflen gefchre- 
ven. 83. Pbtliftion heeft zeer veel Genees- 
middelen uit de Planten voortgebragt en me- 
de gedeelt. %^.Philotirnus heeft' over de Voed- 
zels, en de GewafTen , dewelke tot voedzel die- 
nen , gefchreven. 8f. Phyllinus word van 
Pliaius mede onder de Plantbefchryvers ge- 
naamt. 86. Pliftonicus heeft ook veel fchoo- 
ne zaaken vande gewaiTen nagelaten, in zyne 
Boeken over het gebruik der enkelde Genees- 
middelen. 87. Plutarchus, wordgemelt, inde 
ophelderingen over Nicandcr , onder de Plant- 
gewas-befchryvers , dog zulks zal weinig van 
belang zyn. 88. Praxagoras heeft , na het ge- 
tuigenis van P //»/»/, veel heerl yke zaaken o- 
ver de Kruiden, PlantgewafTen en Kruidkun- 
de nagelaten. 89. Pythagoras heeft eenige 

won- 



Mey en Juny 1719. 409 

wonderlyke Kragten zommiger Plantgewaflèn 
ontdekt. En Plmhts getuigt, dat alfchoon 
Orpheus onder de Grieken wel eerft over de 
Planten gefchreven hadde, echter Pythagoras 
de eerfte geweeft is, dewelke een Boek ge- 
maakt heeft over de kragten en uitwerkingen 
der Gewaflen. Onzen Pythagoras heeft in zyn 
levenstyd mede op dezelfde wyze, als ik van 
Democritus verhaalt hebbe, zyne Geleertheid 
en kenniflè uit iEgypten gehaalt, en in Grie- 
kenland overgebragt, gereid hebbende door 
Perfien , Ar abten , JEthtopien en Mgypten ; 
maar dewyJ de Geleertheid dier Volkeren, 
en voornamentlyk der iEgyptenaars en Mthio-> 
pers zeer omzwachtelt , en als bedekt was 
door de Beeldfpraak of zo genaamde Heilige 
Taal , of Taal der geleerde , kwamen deze 
oude en eerfte Griekjes zeer zelden achter 't 
Geheim, en achter de proefkundigeen werk- 
daadige Kenniflè der dingen. Onder de Ge- 
waflen heeft Pythagoras zeer ornftandig over 
de aard , natuur en eigenfehappen der Kool 
gefchreven. 

90. Rufus Ephefius heeft vier Boeken ge- 
fchreven over de Gewaflen in dichtmaat, en 
heeft in zyne Boeken over de kragten en 
bereidingen der Geneesmiddelen, van zeer 
veel Planten, fraaje zaaken nagelaten. 

or. Satyrus is een zeeker oud Griekfch 
Schryver , dewelke over de Planten iets na- 
gelatenheeft , na het getuigenis van Theophra- 
fius. 92,. S'tmus was een Geneesheer, en 

heeft 



410 Natuur- en Konft-Kabinet , 

heeft eenige zaaken nagelaten over dekragten 
en uitwerkingen der Plantgewaflen. 93. So- 
lon Smyrnicus word van Plinius gernelt , we- 
gens de Befchryving der Atriplex of de Melde , 
en dat dezelve zeer bezwaarlyk in hallen 
voort te kweeken is. g^.Soranus Ephefius , de- 
welke onder de Keizer Trajanus en ten tyde 
van Galctius geleeft heeft , word van Ccelius 
Aurelianus onder de Herbariftex geüdt , gelyk 
ook 95-, Sofimenus een Geneesheer, door de 
aantekening van Plinius. 96. Symeon Sethi 
heeft een Boek gefchreven over de Spyzen , 
Toefpyzen, Inzultingen en Kruiden, dewel- 
ke daar toe behooren , het welk wy noch overig 
hebben. 

f6. 

97. "Tanitrus word zo zeer geroemt van 

GaUnus , in zyrie aaloude Befchryvinge der 

Enkelde (Simplicia) en der Plantgewaflen , 

dat hy hem byna vergelykt by Diofcorides. 

98. Tbemifon heeft een geheel Boek gemaakt 
over hei eene Kruid Plantago of Weegblad. 

99. Tbeophrajlus , die beroemde Opvolger 
van Arijloteles , heeft boven alle de oude be- 
roemde Schryvers het naauwkeurigfteenheer- 
lykfte over de Plantgewaflen , by zyn tyd be- 
kent , gefchreven , gelyk zyn uitmuntend 
Werk, het welke wy van hem overig hebben, 
overvloediglykbewyft. 100. Thrafyas Monti- 
nenfis is gehouden geweeft voor de ervarende 
ia de Kenniffe der Wortelen van de Plantge- 
waflen. 101. "Timariflus word mede dikwils 
gemelt onder de oude Her bariften van P li»ius % 
gelyk ook 102. Tlepolemus , en 103. Trypbo 

van 



Mey en Juny iyi$. 411 

van Alexandr'ten , dewelke na het getuigenifle 
van Theophrajius drie Boeken over de Plant- 
kunde en GewafTen heeft gefchreven. 104. 7y- 
rannlo Mefienius heeft , volgens Sutdas en an- 
dere > mede eenige nutte zaaken van de Ge- 
wafTen nagelaten. 

f7- 
1 05". Xenocrates heeft een Tegenzegwys 

of Antiphrafis gegeven , over verfcheide Bar- 
baarfche en vreemde naamen eeniger Gawaf- 
fen, na het getuigenifTe van Galenus , en is 
de laatfte van de hondert en vyf oude Grick- 
fche Plantgewas-befchryvers , daar Conradus 
Gefnerm van gefchreven heeft. Alfchoon 
nu de meefte van deze Schryvers verloren 
zyn , heb ik dezelve aan den Lezer medege- 
deelt, om kortelyk te zien, uit welke Fon^ 
teinen de hedendaagze Plantkunde (een werk 
van een ongemeene omflag, gelyk na dezen 
zal opkoomen ) haar oorfprong heeft geno- 
men. Ik zal noch de oude Latenen , die 
weinig zyn, en na dezelve de Arabieren laaten 
volgen. 

f8. 
Onder de aaloude Latynfche Plant-befchry- 
vers telt onzen Gefnerus 1. J&milius Macer 
van ferona, deze heeft van de Plantgewaflen 
en Dieren in vaarzen gefchreven ; maar het 
Boekje, dat wy hedendaags op zyn naam 
hebben , is onecht. 2. Anton'ms Ca flor was 
by het leven v&wPünius tot Romen zeer ver- 
maart in de Kruidkunde ; Plinius getuigt, 
dat deze Romein meeft alle de GewafTen , 
( zeer weinige uitgezondert) dewelke by de 

aal- 



4 1 £ Natuur- en Konji- Kabinet ^ 

aaloude Grieken en andere Volkeren bekent 
waren geweeft, in zyne Tuinen tot Romen 
koefierde en voortk weekte , en dat hy in de le- 
venstyd van PJittius over de hondert jaaren 
oud was , en na die jaaren noch zeer fterk en 
gezond. ^.AntoniusMufa, Geneesheer van 
Keizer Auguftus , heelt een Boekje over het 
Kruid Veron'tca of Erenpnys gefchreven. 
4. Cajus Plinius Secundus heeft in zyn Be- 
fchryving of Natuurlyke Hiftorie van de ge- 
heele Wereld, dewelke uit 37. Boeken be- 
ftaat, ió. Boeken over de Plantgewaffen on- 
der dezelve gefchreven. 5. Cotumella heeft 
13. Boeken over de Landbouwkunde nage- 
laten, dewelke wy noch zeer welgeftelt heb- 
ben over behouden. Ik heb dezelve hier 
bygevoegt, dewylhyveel GewafTen en Tuin- 
planten en derzelver oefening befchryft; ik 
weet niet , om welke reden Gefnerus deze 
voornaamen Schry ver heeft overgeflagen , een 
Man, dewelke de Prins is van alle Schry- 
vers, dewelke wy over deze Stof overig heb- 
ben, zo wel in cierlykheid en zuiverheid van 
taal, als Geleertheid en Landbouwkunde. 6. 
L. Apuleus heeft een Boek over de kragten 
der Plantge wallen nagelaten. j.MarcusCa- 
to is zeer lang de eerlteen cigentlykbyde Ro- 
meinen de Oudlle geweeit, dewelke over de 
Kemedien van de Kruiden heeft gefchreven. In 
zyn Werk, het welke wy hedendaags van de 
Landbouwkunde overig hebben , en dat Gefne- 
rus mede niet gemelt heeft, fpreekt hy van de 
Wyngaard, van deOlyfboom, van de Kool, 
en eenige andere Plantgewaffen. 8. Marcus 

Tt- 



Mey en Juny 1719. 413 

Terentim Varro , insgelyks van Gesnerus 
over 't hoofd gezien , heeft ons een zeer 
fraay Boek over de Land-bouwkunde nage- 
laten , hy fchreef het zelfde in zyn tachtigfte 
jaar, en is in drie Boeken verdeelt. 9. Pom- 
pejus Lenaus was een vrygemaakte van de 
groote Pompejus , en wierd van den zelven 
bevolen, alle de nagelate aantekeningen over 
de Gewaden, Natuurlyke Hiftorie , en Reme- 
dien, dewelke onder de Schriften van de over- 
wonnen Mitbridates Koning van Pontus ge- 
vonden wierden, in de Latynfche Taal o- 
ver te brengen ; en deze werken zyn wel ei- 
gentlyk de eerftelingen (van de Kruidkun- 
de) der Romeinen, zegt Plinius. 10. Palla- 
dius , mede van Gefnerus over 't hoofd ge- 
fcien, heeft leden en leerregels aan cns nage- 
laten, wegens de Landbouwkunde , en heeft 
te gelyk eenige Gewaden en Kruiden verhan- 
delt; maar dat wel het voornaamiie is, hy 
tekent van maand tot maand zeer zorgvuldig 
aan, wat een Bouwheer en Plant-aankweeker 
behoort waar te neemen. 

19- 

De Arabifche Herbarïjlen , dewelke Gefnerus 

aantekent , ( hoewel onder deze eenige gevon- 
den worden , dat eigentlyk Grieken zy n ) zyn i . 
Averroes. i.Avïcenna. 3. Abenbitor. 4. Atccwzi, 
5-. Arahib. 6. Alchuim. 7. Ebene/is. 8. Eben- 
giefhen, 9. Elluchafem Elimithar. 10. Huls' 
Filius Abba. n. Humain, in 't gemeen Joan- 
nitius genaamt. n.Johannes Damafcenus. 13. 
*Johann:s Filius Seraftonis. 14. Ifaacus. tf. 
Rafis, ió. Serafim. 

De- 



414 Natuur- en Konjl- Kabinet , 

Deze aaloude Griekjche , Latynfche en Ara- 
bifche Schryvers, dewelke te zamen een ge^ 
tal uitmaaken van hondert een en dertig Schry- 
vers , zyn nu alle, dewelke moeten aange- 
merkt worden als de eerfte bronnen en Fon- 
teinen , daar de gehecle Plantgewaskunde uit 
voortgekomen en van begonnen is ; het welk 
de reden is , waarom ik de Lezer en My zel- 
ven het verdriet heb aangedaan , een zaak 
mede te deelen, dewelke zonder deze zeer 
nodige aanmerking en Letier-hiftorie-kennif- 
fe van zich zelfs zeer fchraal en onaangenaam 
is. De Plantbcfchryvers , dewelke wy de 
Nieuwe noemen, en dewelke zo in als na de 
Monnike-eeuwengeleeft hebben tot op dezen 
dag , zal ik na dezen van eeuw tót eeuw korte- 
lyk mede deelen. 

60. 

Behalven de naauwkeurige kennifle in de 
Plantgewaskunde van Conradus Gefnerus , 
heeft zyne uitmuntende Ervarentheid in 
de algemeene Natuurlyke Hiftorikunde zeer 
uitgeblonken , door de in het licht £egeve Wer- 
ken over de Dieren in vier Folianten, van de- 
welke het 1. Stuk uitkwam in den jaare r 5-5^1 . 
tot Zurig by Chriflianus Fhrofcboverus , zynde 
1 1 04 Bladzyden (behalven de Regifters , Voor- 
redens, Aanhangzels enz. ) dik, handelende 
van de levendig-baarende viervoetige Dieren , 
opgeheldert met zeer fraaye Plaaten na het 
leven gefneden. Dit Boek is als opge- 
zwollen van Geleertheid en Leduur, en be- 
halven dat hy zeer naauwkeurig de Dieren 
befchryft, geeft hy overal uitleggingen en ver- 

be- 



Mey en Juny IJ19* 41/ 

beteringen van de aaloude Griekfche en La- 
tynfche Schryvers, dewelke over de Dieren 
öu wel ings gefch reven hebben, als Arifioteles^ 
Plinius, Ailianus , pp i anus , Albertus Mag- 
nus , en eenige andere. 
6r. 

Het Tweede [luk van de Hiftorie der Die- 
ren van ConracïUs Gefnerus is uitgekomen na 
zyn dood , en uit zyne Schriften by eert verga- 
dert , en in het licht gebragt door Jacohus Car- 
ronas van Francfort inden jaare if'06. in Fo- 
lio , groot 119 bladzyden , handelende van 
de Eyerbaarende viervoetige Dieren ; hier word 
gevvoonlyk by gevoegt het Boek van Conra» 
dus Gefnerus, handelende van de Natuur der 
Serpenten, door dezelve Carronus in 't licht 
gebragt tot Zurig in 't jaar 1587. groot 170 
bladzyden; hier achter is noch by gevoegt 
een Tr aflaat , over de Bloedelooze Diertjes, 
én byzonder over dtScor pioenen, gefchreven 
door Gefnerus , maar vergadett en uitgegeven 
door Ca/parus IVoIphius, gedrukt 1587. tot 
Zurig , groot 2i bladzyden , maakende dit 
tweede ftuk , behalven Voorreden , Aan- 
hangzels, Regifters, enz. tezamen 311. Blad- 
zyden, alles opgeheldert met fchoone Plaa- 
ten. 

61. 

Het derde deel van de Hiftorie der Dieren 
vart Conradus Gefnerus handelt van de Vo- 
gelen, gedrukt tot Francfort 'm het jaar If8y 
ia folio, groot 806 Bladzyden, behalven de 
Opdragt en Voorreden, en negen verfchei- 
de Regifters. Dit Boek hadde Gefnerus te 
D d voo- 



4i 6 Natuur- en Konft-Kabinet , 

vooren tot Zurig noch al eens uitgegeven 
in'tjaar ISSS- alles opgcheldert met fchoone 
Plaaten, na 't leven gefneden. 
63. 

Het vierde (luk der Natuurlyke Hiftorie 
vxwConradusGefnerus , over de Dieren , han- 
delt van de Villen, en vorder van alderhande 
foort van Waterdieren enWater-gewaffen. Dit 
Boek heeft Gefnerus zelve uitgegeven tot Zurig 
in'tjaar ifjB. in Folio ,met keurlyke Plaaten, 
en opgedragen aan Keizer Ferdinandus. Bydit 
Heerlyk Boek is noch bygevoegt , alles wat 
de vermaarde Wilhelmus Kondeletius over de 
Villen, en Petrus Bellonius over de zelfde 
ftof hebben gefchreven , alles met keurlyke 
Plaaten verciert ; het Werk is groot 1197. 
Bladzydcn. 

64. 

De grondige kennifle der natuurlyke Hifto- 
rie, dewelke Gefnerus hadde , gelyk geble- 
ken is uit zyne weêrgadelooze Kruidkunde 
en Hiftorie der Dieren, blinkt byzonder uit 
in zyne Brieven, aan deberoemtfleen geleert- 
Üe Mannen van zyn tyd gefchreven , en in 
drie Boeken in 't licht gebragt na zyn dood 
door Ca/parus Wolf hius , gedrukt tot Zurig in 
quurto in 't jaar 1577. Ik kan den Lezer 
geen uittrekzel van dezelve mede deelen , om 
de groenen overvloed en rykdom van Zaaken, 
dewelke dezelve behelzen. 
6 S . 

Boven alles, wat die groote Man ons na- 
gelatenheeft, inde Geneeskunde, Stoffchci- 
kunde , Hiftorikunde , Godgeleertheid , Wys- 

be- 



Meyenjuny 1719. 417 

begeerte , Phyfica, Taaien , Outheden , weêr- 
galooze Kenniffe van alle voorgaande Schry- 
vers en Boeken, en een menigte dingen, de- 
welke de Natuurlyke Hiftorie zo zeer niet 
betreffen, heeft hy een onvergelykelyk teken 
gegeven van zyn doortrokken Kenniflè in de 
natuurlyke Hiftorie, in het Boekje, het wel- 
ke hy uitgaf in oclavo in den jaare ifóf. tot 
Zurig, handelende van de Bergftoffen , opge- 
grave onderaardfche Stoffen , Mineralen , 
Steenen, Aardens, Zamenftremzels , edele 
Gelteentens, en alderfynfteGefteentens,van 
derzelver wonderlyke Eigenfchappen , Hoe- 
danigheden , Gedaanten, Vermenging, Ko- 
leuren, en overeenkomft met verfcheide an- 
dere zaaken enz. alles opgeheldert metkeur- 
lyke Prentverbeeldingen na 't leven , en by 
Conradus Gefnerus zelfs waargenomen en on- 
dervonden. 

Tweede Verhandeling van de Outheid der 
Natuurlyke Hiftorie , en van de Natuur- 
lyke Hifiorikunde der HEBRE ERS. 

1. 

IK heb in het Kabinet van de Maanden 
Maart en April 1719. getoont, dat het Al- 
gemeeneen groote Voorwerp van een natuur- 
lyke Hiftorifchryver , te weten de groote ge- 
fchape Natuur, in vierderhande Hoofd-voor- 
werpen moefte verdeelt worden , namentlyk 
I . De Sterren-Hemel. 1 . De Dampkringacb- 
tlge Lucht , daar wy door leeven. 3. Het 
Dd 2, Wa- 



4 1 8 Natuur- m Konft-Kabinet , 

Water. En 4. het Aardrsk, dat wy bewoonen» 
met alles wat daar in en op is ; en deze Ver- 
deeling zal ik waarneemen en onderhouden, 
in de Befchryving der Hebrecuwfche Natuur- 
lykeHiftorikunde, en vervolgens eerft fpree- 
ken van het Water, en vandeKenniffe, 
dewelke de eerfte en daaropvolgende Hebreërs 
van. het Water gehad hebben. 
2. 
Dat de Hebreërs of haareVoorouders de eer- 
fte volkeren zyn, en de Kennifle der natuur- 
lykeHiftoric der aaloude Hebreërs de eerfte en 
outfte natuurlyke Hiftorikunde is, kan nie- 
mand ontkennen, dewy 1 dezelve met de Schep- 
ping der Groote Natuur zyn oorfprong neemt, 
gelyk uit Genefis of het eerfte Boek van Mofes 
blykt. 

3- 
Het Water fchynt wel mede het aldereer- 

fte van alle de Schepselen in de algemeene 
Schepping van Godt gefchapen te zyn. Het is 
wel waar , dat Mofes zegt. (a) In den begin- 
ne fchiep Godt den Hemel ende de Aarde. 
Maar door dezen Hemel en door deze Aar- 
de , dewelke in 't begin gefchapen wierd, 
moogen wy geenzins verftaan de Sterren- 
Hemel , voorzien met deszelfs Hemellichten, 
Zon, Maan, Dwaal- en Vafte Sterren, de- 
wyl dezelve eerft van het algemeene Licht, 
het welk op de eerfte dag gefchapen was , 
naderhand op den vierden dag wierden ge- 
fchapen, en tot Zon, Man en Sterren ge. 
formeert. Insgelyks moogen wy ook niet 

door 
(a) Ziet Genejïs Kap. 1. vers» x. 



Mey en Juny 171P. 41 P 

door de Aarde , dewelke op de eerfte dag 
^ gefehapen wierd , alleenlyk maar de Aarde 
als Aarde verftaan, maar wel voomamentlyk 
mede het Water,gelyk/¥o/w zelfs getuigt in het 
tweede vers , dat zo even op het eerfte tyd- 
punt van de aldereerfte Scheppinge (a) de 
Geeft Gods op de wateren ïiveejde. Waaruit 
klaar blykt, dat het Water te gelyk met de 
groote Aardklomp , dewelke wy het Aard- 
ryk noemen, en te gelyk in eene en dezelve 
fchep-daad ( om zo tefpreeken ) na ons men- 
fchelyk begrip , van Godt gefehapen is ; ja 
zelfs op de eerfte dag van de fchepping.wierd 
na de Hemel, en na de Aarde en 't Water, 
cerft als in een tweede fchep-daad het alge- 
meene Licht van Godt gefehapen, gelyk .in 
het 1. Kapittel vers 3. van Genefis by Mo- 
fes te lezen ftaat. (b) Ende Godt zetde : daar 
zy licht: ende daarwert licht. Nergens word 
gemelt, dat Godt zulks van het Water heerc 
gezegt , of het Water naderhand heeft ge- 
fehapen, waar uit voimaaktelyk blykt, dat 
het Water mede eerft gefehapen is van alle 
de natuurlyke Schepzelen , of liever aan ons 
word vertoont als het eerfte gewrocht van de 
fchepdaad Gods. 

4* 
Ik wil wel toeftaan, dat in de eerfte fchep- 
daad Gods , na de befchryving van Mofet, 
Hemel en Aarde gefehapen is, en dat in zo- 
danig een zin, dat alles, wat inde eerfte en 
de andere vyf volgende dagen van Godt ge- 
Dd 3 maakt 

(a) Ziet Genejïs i. v. 2. 

(b) Ziet Gentjis i, v. 3. 



410 Natuur- en Konfi-Kabinet , 

maakt wierd , meerder na eene Vorming als 
na een Schepping uit niet gelykt , dat is te 
zeggen ; dat Godt in de eerfte fchepdaad alle 
de Stof of Beginzelen der Hemelfche Lichaa- 
men, en alle de Stof en materie der Aard- 
fche Lichaamen gefchapen heeft, en in de 
volgende tyd van de eerlte dag en volgende 
vyf dagen uit deze ftofFen heeft voortgebragt 
het algemeene Licht; de Zee en Rivieren elk 
by malkanderen gebragt ; fcheidinge gemaakt ; 
en de Aarde boven doen koomen, dezelve 
doen uitfpruiten ; de Plantgewaffen doen 
voortkoomen; Zon, Maan en Sterren voort- 
gebragt ; de Dieren en fchepzelen enViffen 
voortgebragt, dewelke in de Wateren leven ; 
mitsgaders de levendige zielen, dewelke op 
her Aardryk wandelen , en op het Aardryk 
leven, tot de Menfchen incluis. Maar ik 
zoude niet lichtelyk toeflaan, dat .Mo/w zulks 
van het Water gezegt heeft, neen ; maar hy 
ftelt het Water daar ia de eerrte fchepdaad , 
en zeggende van het zelve op de eerfte dag 
niets anders , als dat de Geefl Gods zweefde 
op de Wateren, en dat Godt op de tweede 
dag een uitfpanzel maakte in het midden der 
Wateren, welk Uitfpanzel fcheiding zoude 
maaken tuffcheri wateren en wateren ; als ook 
dat Godt op de derde dag de Wateren , de- 
welke als op en rondom het Aardryk waren, 
in plaatzen vergaderde, dewelke hy Zeen 
noemde, door welk middel eerll het Aard- 
ryk als droog wierd en boven kwam. 

S- 

Zommige van d^ Chymijiett , zommige Fa- 
na» 



Mey en Juny 1719. 421 

nauque , en zommige Navolgers van Tha- 
les Melefius, dewelke gelooven, dat alles uit 
Water voortkoomt: dat alles in Water ver- 
andert: en die vaft ftellen, dat het Water het 
eenigfte en algemeene Beginsel aller andere ge- 
fchape dingen is, meenen uit deze Befchryving 
der Schepping van Mofes groote Geheimen 
uit te puuren , en wonderlyke zaaken tot beve- 
iliging haarer ftellingen in dezelve te vinden : 
ja zommige zyn door haar Dvvepery zo ver 
vervallen, dat zy voor onfeilbaar vaft (lel- 
len, dat Godt in de eerfte fchepdaad niets 
als Water heeft gefchapen : dat uit deze 
grouwzaame groote klomp Water , die zy 
den Afgrond noemen , daar Mofes van fpreekt, 
dat de duifternifle op was , naderhand alles 
uit is voortgebragt : dat de Geeft of fchep- 
pende Kragt Gods ( na haar zeggen) zweefde 
op deze grouwzaame klomp Water, en de- 
zelve zodanig fcheide , dat door de fchei- 
dinge dezer onmetelyke groote Wateren tuf- 
fchen beide een uitfpanzel geboren wierd ; 
en dewyl Godt dit Uitfpanzel den Hemel 
noemde , ftellen zy vaft , dat weder boven 
het Uitfpanzel een oneindiglyk uitgedrukt 
Water gevonden wierd; en dat de Hemel 
tuflehen beiden koomende met alle de He- 
melfche Lichaamen, dit afgefcheide Water 
alleenlyk maar affcheidt van alle de Wateren, 
dewelke hier op de Aarde, in de Zeen, Ri» 
vieren en Dampkringachtige Lucht gevonden 
worden, 

6. 
Ik zal deze Menfchen na haar onmete- 
Dd 4 lyke 



41 2. Natuur- en Konji- Kabinet , 
lyke, onbepaalbaare, en zelfs aan haar on- 
bekende Watereu, buiten de Zee, Rivieren, 
Wolken , die aan ons bekent zyn , niet 
vraagen , noch waar dezelve zyn ofgcvonden 
worden ; dewyl zy my niets zakelyks zou- 
den konnen antwoorden , ten zy ik my 
wilde laaten voldoen met haar Phantazyen 
en Droomen ; maar alleenlyk dit zeer be- 
reidwillig aan haar toeltaau, dat onder alle 
de Schepzels my geen Schepje] bekent is, 
van wonderbaarlyker Eigenfchappen , groo- 
ter Beftendigheid, en meerder gebruik tot on- 
derhoud van alles, wat leeft en is op deze we- 
reld , als het Water. 

7- 

Na dat Godt op den derden Dag van de 
Schepping de Wateren tot Zeen, Rivieren, 
Meiren, Plalièn, Poelen enzovoorts had- 
de doen vergaderen, dat is, zodanige hollig- 
heden, hoogtens, laagtens, en grouwzaame 
dieptens hadde gevormt, als hem behaagde, 
daar de Wateren om haar vloeibaarheid in 
vloeiden , op dat de Aarde zoude boven hoo- 
rnen , droog worden , en vruchten voortbren- 
gen, fchiepGodtop de vyfde dagdelnwoon- 
ders des Waters, (a) want Godt zeide\ dat de 
wateren overvloediglyk voortbrengen een gewe- 
mel van levendige zielen.] 
8. 

Als wy hier eens aanmerken, hoeverflan- 
diglyk Mofes hier te kennen geeft een ze- 
kere ordre , dewelke Godt toen reets al be- 
haagde in de Natuur te (lellen, en dat zelfs 

zeer 

(a) Gtnejis Kap. i, verg 20. 



Mey en Juny \jiq. 413 

zeer wel gefchiktna dezelfde ordre, dewelke 
wy hedendaags in de Natuur gewaarworden, 
zullen wy overtuigt worden, dat Mofes niets 
gefchreven heeft, dat tegetueggelykheid zelfs 
van onze hedendaagze bekende natuurlyke 
ordre influit; want Mofes verhaalt, dat de- 
Aarde alom eerfl: overtogen was met Water, 
door hetzelve bevochtigt en doorweekt: en 
na dat het Water van de Aarde in de Zee- 
dieptens en Rivier- kreeken, holligheden en 
boezems was vertrokken, die zelve Aarde 
zoude uitfchieten (a) gras-fcheutkens , huid 
zaadz,ayende , vruchtbaar geboomte enz. Wan- 
neer nu Mofes verhaalt hadde, dat het Wa- 
ter in de Zeen en Rivieren was gefchapen ge- 
worden , en de Aarde droog en noch nooit 
van water bevochtigt was, zoude het onbevatte- 
lyker zyn geweeft, hoe dezelve Aardezonder 
Regen of bevochting Plantgewaflèn hadde kon- 
nen voortbrengen. Op dezelfde wyze zul- 
len wy alle de natuurlyke Befchry vingen van 
Mofes vinden, als wy dezelve naauwkeurig- 
lyk onderzoeken enoverdenken ; wy zullen al- 
tyd ontdekken, dat Mofes de zaaleen gefchre- 
ven heeft na een ordre, dewelke wy noch 
hedendaags in de voortteeling, voortk wee- 
king en veranderingen der fchepzelen zien 
gebeuren ; alles geheel anders, als wy by de 
Natuurlyke en Fabeleufe Hiftorifchryversder 
andere aaloude Volkeren op zyn tyd zullen 
ontdekken. 

9- 

Na dat Mofes de geheele Schepping befchre- 

Dd f ven 

(■») Gene/ïs Kap. 1. 11. 



424 Natuur- en Konfl-Kabinet , 
ven heeft, en daar in getoont hadde , dat de 
Wateren tot Zeen, Rivieren enz. by mal- 
kanderen gevloeit waren, vervolgt hy, na de 
gewoonlyke en hedendaagze regels der Na- 
tuur, omtrent het groeyen en voortkoomcn 
der Plantgewaflèn, de voortgang derzelver 
ook door behulp des Waters te befchryven. 
De Heer e Godt (zegt onze hoogverlichte na- 
tuurlyke Hiftorifchryver de Man Gods Mo- 
fes) hadde (a) niet doen Regenen op der aarde, 
maar een damp was opgegaan uit der aarde : 
ende bevochtigde denganjehen aardbodem. 
10. 
Dewyl de Wateren rondom op den aard- 
bodem gedaan hadden, eer dezelve noch tot 
Zeen by malkanderen waren gevloeit , is 
het wel klaarlyk te begrypen, dat zy voor 
eerft de opperite korft der aarde genoegzaam 
bevochtigt en doorweekt hadden ; maar deze 
vocht, door de warmte der Zon aan 't be- 
wegen geraakt zynde, moert noodzakelyk in 
een opgaande damp verdunt worden, gelyk 
wy zulks dagelyks bevinden. Maar dat wel 
het aanmerkdykfte in deze zaak voorkoomr, 
ïs, dat Mofes hier klaar te kennen geeft, 
dat hy zeer diepe kenniflè der natuurlyke uit- 
werkingen van hetWater , omtrent het groeyen 
en opwaften der Planten , gehad heeft, dewyl 
hy aanmerkt, dat Godt niet hadde doen Re- 
genen, en dat de Plantgewaflèn niet nalie- 
ten te groeyen, door behulp van een opge- 
waafTemde damp , dewelke de geheele aard- 
bodem in een getemperde vochtigheid be- 

waar- 

(a) Genejis II. vers 5, 6. 



Mey en Juny 1719. 42. f 

waarde. Dat zodanig een damp uit dezenieu- 
welyk gefchape en doorweekte aarde konde 
opgaan , en door de warmte der Zon uit- 
waaflemen , leert de dagelykze Ondervin- 
ding: maar op welk een wyze nu zodanig 
eenopgewaaflemde damp hetgeheele aardryk 
konde bevochtigen , fchynt een zaak van meer- 
der onderzoek. 

IT. 

In eenige Landen van America , in zommige 
iadfia, cnvecle in Africa, en voornamentlyk 
in JEgypten, ftaan op zommige plaatzenzeer 
weelderige en ryke vruchten en Plantgewaf- 
fen te groeyen en te bloeyen, en dat zelfs 
in een tyd , in dewelke het zeer zelden 
en zeer weinig regent ; en wel vooma- 
mentlyk ïn die Landen , dewelke door het 
overvloeyen der Rivieren eenige tyd onder 
water hebben geftaan, glibberig, doordron- 
ken, beflikt en beflymt zyn geworden; want 
het water , dat op deze landen geftaan heeft , 
fmelt alles uit de grond, dat enigzins fmelt- 
baar is , gelyk als de Zouten , Slymen , 
gomachtigheden , en melkachrige en zaa- 
pige Stoffen, dewelke in het water fmeltbaar 
zyn. 

12. 

Wy moeten het Water aanmerken , als 
een algemeene Laftdrager, daar byna alles in 
fmelt, en in gedragen word en als opgeflurpt. 
Zelfs door eenige zouten , dewelke te 
vooren in het water gemengt worden, het 
«y door vier, door diftitlatie , door fmelting, 
of door gifting , konnen wy het Water zo 

fcher- 



42.6 Natuur- en Konjl- Kabinet , 

fcherpen en aanzetten , dat het zelve bekwaam 
is, om alle de alderhartfte Lichaamen, als 
goud, zilver, metalen, mineralen, fteenen 
enz. te verbyten, te fmelten, en in zich on- 
der de gedaante van water in fchyn. mede te 
draagen. Hier van zyn getuigen ds gediftil- 
leerde waters van Vitriool, van Salpeter , 
van Zwavel, van gemeen zout, van Sterk- 
water, het Konings water, verfcheide foor- 
ten van loogen, van Pot-as, vin Sal Armo- 
tiiac. Het Water dan met verfcheide gefmol- 
te zouten bevrucht, word bekwaam gemaakt, 
om door behulp van zyn vloeibaarheid en de 
lievigheid der zoutpunten , dewelke het in 
zich draagt, alles aan te grypen, te verbyten 
en te fmelten, en zodanig in zich te draa- 
gen , dat het de alderzwaarfte Metalen op die 
wyze verfmelt, en in zich draagt; behou- 
dende nochtans dikwilszyn doorfchynentheid 
en klaarheid , als of het maar ydel water 
was. 

'3- 
Wanneer nu het Water zeer lang over goe- 
de , vette en vruchtbaare kleüanden.ftaat , daar 
alderhande foort van deelen en zouten in ge- 
vonden word , en dat het noch door de 
lucht dagelyks als bezwangert word met al- 
derlci werkelyke deelen , en door de dage- 
lykze warmte van de Zon enigzins in een in- 
wendige wemeling, en wryving en broeying 
word gehouden, is zeer lichtelyk tebegrypen, 
dat het in die gelegentheid geftelt zynde, uit 
die pypjes der aarde alderhande zaaken ont- 
bint, verdunt en fmelt , die door het water 

in 



Mey en Juny 1713?. 427 

in de pypjes van de Plant opgedragen wor- 
den, terwyl het ledige water ondertufichen 
doordedampgaatjes des Plants uitdampt, en 
dus de Plant voedzel aangebragt zynde, 
de Plant zeer weeldrig doet groeyen en op- 
wafTen. 

! 4- 

De ondervinding leert ons. 1. Dat de uit- 
dampinge des Aardryks overvloedigrt is pp 
de Plaatzen en in die Landen, daardegroot- 
fte hitte en ftekinge der zonne is. 2.. Dat 
ook deze dampen en dampftoffen op de hee- 
te plaatzen meer zyn bevrucht met Aromati. 
que, Speceryachtige , olyachtige en werkzaa- 
me deelen , als op de plaatzen , daar minder 
warmte gevonden word. 3. Dat de dampen 
veel meerder verdunt , doorlchynender, fyn- 
der van deelen en onzichtbaarder voor 't oog 
zyn in de heete landen, als. in de koude, ne- 
velige en miftige deelen des aardbodems. 4. 
Dat des nachts in de warmfte Landen , de 
zwaarfte en vetfte daauwing uit de lucht neder - 
valt , tot bevochting des Aardryks; want 
het water, dat over dag uitwaaffemt en uit- 
gediftilleertword uit de aarde door degroote 
hitte, en in zyn pypjes en deelen bezwangert 
en bevrucht word , en met alderley zouten, 
flymen, melkachtige, harsachtige, gomacti- 
tige, fpeceryachtige , olyachtige enzulferach- 
tige deelen enz.; dit water, zegge ik, des 
nachts van zyne warmte ontbloot zynde, 
laat lichtelyk de zwaarfte en melkachtigfte 

eelen onder de gedaante van een dauw we- 
derom nederzakken , waar door dan het aard- 
ryks 



428 Natuur- en Konft-Kabinet , 

ryk, dat des daags uitdroogde, overvloedig - 
lyk des nachts wederom bevochtigt word : 
en zulks wel zodanig, dat in zeer veelheete 
Landen, deze Circulatie van het water by dag 
uit de aarde in de lucht, eivby nacht weder- 
om uit de lucht in de aarde, in de plaats van 
een vruchtbaaren regen dient, beftaande in 
deze Circulatie de groeying en grootwor- 
ding der PlantgewafTen, want het water dient 
tot de algemeene laftdrager en aanvoerder, 
dewelke de voedende deelen in de aarde als 
een Elixir fmelt en uittrekt, dezelve draagt, 
en aanvoert in de pypjes der PlantgewafTen, 
om dezelve te voeden, gelyk ook wederom 
dit zelfde uitgerookte en in de lucht opge- 
dampte water de deelen des luchts in zyne 
nederzakking en alderhande deelen, dewelke 
haar in de lucht onthouden, in zyne pypjes 
ontvangt en mede voert, om de aarde, daar 
7y uit gewaafTemt zyn, wederom mede te be- 
vruchten ; welke bevruchting der uitgemer- 
gelde Aarde, doormiddel van de Lucht, zon- 
neklaar blykt, uithetbraakender uitgebouw- 
de Landen, wordende dezelve zeven anegeu- 
maal, terwyl zy braak leggen, omgeploegt, 
op dat alle de aarddeelen van het land, elk 
op haar beurt , vyf a zes weeken een aanraa- 
kende gemeenfehap met de lucht zouden heb- 
ben, en in haare pypjes uit de lucht ontvan- 
gen zodanige vruchtbaare deelen, als met 
haar natuur overeenkoomen, wordende al- 
les aangebragt of gedragen door het won- 
derlyk fchepzel Gods , het welke wy Water 
noemen. 



Mey en Juny \ji9> 4*9 

De aldervoortreftelykfte en de alderoutfte 
Natuurlyke Hiftorifchry ver , dewelke wy ove- 
rig hebben, de Man Go&sMofes(a) verhaalt, dat 
GO DT een Hof geplant hadde in EDE N, 
tegen 't oo/ïen; ende hy ftelde aldaar den Men- 
fche , dien hy geformeert hadde. Ende een ri- 
•viere was voortgaande uit EDE N y om dezen 
Hof te be wateren , ende ivert van daar ver- 
deelt, en de wert tot vier HO FD E N (te 
weten Hoofd Rivieren of Vloeden.) Denaam 
der eerjle Rivier e is P ISO N : deze is het , 
die het ganfche land van HAV IL A omloopt , 
daar het goud is ; Ende het goud dezes lands is 
goed', daar is ook B E D L A , en de Steen 
SARDONIX. Ende de naam der tweede Rivier 
is GIHO N : deze is het die het ganfche land 
CUS omloopt. Ende de naam der derde Ri- 
isiere is Hl D D EK E L , deze is gaande na 
het oojlen van AS SU R. Ende de vierde Ri- 
vier is P HR A 7 H. ï6. 

Als iemand dit verhaal van Mof es met aan- 
dacht leeft, zal hy klaarlyk ontdekken de on- 
verbeterlyke waarnemingen , daar de Man 
Gods Mofes , in de belchryvinge van deftant- 
piaatsvan het Paradys, acht opgegeven hteft, 
te weten dat Mofes waargenomen heeft de 
ftantplaats van het Paradys af te beelden, door 
de loop van deszelfs Water of desïelfs Rivie- 
ren; een manier gebruikelyk by de alderafge- 
rechtfte en alderwyfteLandfchaps-Befchryvers, 
en een onwederfprekelyk bewys (buiten dui- 
iend andere) van de Geleertheid en de Erva- 
ren t- 

(a) Ctnejis Kap. ii.rers 8. en io. tl. 13.14. 



430 Natuur- en Konjl- Kabinet , 
rentheid van Mofes in de Geograpbie ofLand- 
befcbryvingshinde . 

Deze melding van deze vier Vloeden , die 
Mofes Hoorden of Hoofdvloeden noemt, na- 
mentlyk. i PISON. 2 GIHON.3 HID- 
D E K E L. en 4 P H R A T H is de eertte en 
alderoudfte Geographifcbe Land- en Water- be- 
fchryving, dewelke van eenige Schryvers ons 
is nagelaten, maardewyl de oudfte Land-be- 
ichryvers of zeer lang na de leeftyd van Mo- 
fes gefchreven hebben , of weinig aandacht 
hebben gehadopdeLandbefchryvingeder joo- 
den of Hebrcërs , is de nader Landbefchry- 
vinge van het Landfchap EDEN, daar het 
Paradys in geplant was , by haar nergens te 1 
vinden ; het eenigfte , dat wy daar omtrent 
konnen ontdekken, is uit deBefchryviug van 
de loop der bovengemelde vier Vloeden van 
Mofes , en uit een zekere overeenkom It der 
oude en hedendaagze Naamen van zommige 
der zelver. 

18'. 

Veele proote Mannen van de nieuwe en 
zelfs hedendaagze Geleertheid hebben met een 
brandende y ver gewerkt , om uit de (laat, de- 
welke Mofes befchryft , té ontdekken, welke 
hedendaags die eigentlyke plaats of dat Land 
zoude zyn* daaruit eene Hoofd-vloed als uit 
een Bron vier zulkeandere Hoofd-vloeden ge- 
boren worden , en dat zodanig , dat zy met 
eenige grond zouden moogen vaft Hellen de 
zelfde plaats noch hedendaags te zyn , daar Mo- 
fes ouwelings het Paradys heeft geftelt. 

De 



Mey en Juny 1719. 4 3 j 

_ '9- 

De gevoelens der Geleerde over de Stant- 
plaats van het Paradys zyn verfcheide, maar de 
onderftellingen , in dewelke haar de minfte 
zwaarigheden opdoen , koomen meeft alle daar 
op uit , dat detwee groote Rivieren de Tigris en 
de Euphraat moeten geftelt worden , van het 
getal te zyn van de vier Hoord-rivieren , dewel- 
ke Mofeszegt , dat haar begin hadden uit de ee- 
ne Rivier , dewelke het Paradys befproeide. De 
grootfte zwaarigheid zoude maar daar in be- 
ltaan , om de twee andere groote Rivieren te 
vinden in zodanig een Stant-plaats, dat zy alle 
vier haar oorfprong namen uit eene Hoofd-ri- 
vier, Hoofd-bron of Moer- vloed. 
20. 

Onder de Geleerde, dewelke over deze vier 
Rivieren, en het Land dat dezelve zouden door- 
of omloopen, als ook over de waare Stant-plaats 
van het Paradys gefchreven hebben , munten by 
uitftekentheiduit, i.(«JSamuel Bochar- 
tus. 2. (£) Petrus Daniel Hue- 

TIUS. 3. (<:) STEPHANUS MORINUS. 
En 4. (d) H^DRIANUS Re LAND us. 
21. 

Alle de Geleerde belyden hedendaags, zegt 
de Heer Bocbartus , dat de twee Vloeden de 
Tigris en de Euphrates onderde vier Vloeden 
moeten getelt worden , dewelke uitgingen uit 

Ee de 

(a) Vid. EjusPhahg& Canaart. 
.{b) Vid. Ejus TraBat.de Sitit Paradijt. 

(c) Vid. Ejus Difenatto de Paradijo terre/lri. 

(d) Vid. Ejus Ditfmaüonum mifctlUnearum pars 
prima* 



43 z Natuur- en Konfi-Kabinet , 

de Vloed van Eden. Voor Bochartus haddc 
de hooggeleerde Calvinus deze vier Vloeden 
ïodanig geftelt en uitgevonden , dat zy na de 
toeftemming van Scaliger zo volkomen met de 
Befchryving van Mof es over een kwamen, dat 
zulks na dezen nooit te verbeteren zoude zyn; 
gelyk ook de zeer uitmuntende Bochartus inS' 
gelyks zyn zegel aan deze zelfde uitvinding van 
Calvinus geltreken heeft : namentlyk dat (vol- 
gens de aaloude Ptolom<eus) de Vloed Tigris de 
Vloed Euphrates ontvangt by de Stad of de 
Provintie Apamea; dat op deze wyze die 
twee Vloeden in malkander gefmokenvoort- 
vloeyen als eene Vloed tot aan de Stad A s i a , 
daar zy wederom in twee takken gefcheiden 
worden , dewelke elk by zonder in de Perjiaan- 
ƒ<:£<? Go/fof Zee uitltorten, vloeyende de eene 
tak ooftwaarts tot in de P er fiaanfche Zee, en de 
andere weltwaarts tot in de zelfde Golf, gelyk 
de Lezer in de Tabulce van Ptolomxus zien kan. 

22. 

Calvinus en Bochartus , en meed alle oordee- 
len , dat de Tigris en de Euphrates de twee Ri- 
vieren zyn , dewelke Mofes Hiddekel of T/- 
gris , en Phrath of Euphrates noemt; dat de 
Vloed, daar dezelve als tezamenjoopen, de 
eigentlyke Hoofd-vloeden van Eden zoude 
zyn; en dat wederom de twee takken, daar 
deze Vloed zich in verfpreit , en mede na de 
Perliaanfche Zee loopt, zouden zyn de twee 
Vloeden de pifon en Gihon ,. daar Mofes van 
fpreekt. Uit Avelk alles zoude blyken, dat het 
Paradys of den Hof van Eden zoude gelegen 
hebben in dat gedeelte van Babylonien, daar 

de 



Meyenjuny 171 9. 433 

de Tigris en de Euphrates in malkander loopen, 
en eene Vloed uitmaaken, een weinigje bo- 
ven de Stad 13 abel. 

23. 

Na deze uitlegging zouden dan de vier 
Hoofd-vloeden , daar Mofes van fpreekt , ech- 
ter maar de beide Vloeden in 't geheel zyn, de- 
welke wy de Tigris en de Euphrates noemen ; 
narnentlyk daar zy elk van haareoorfprongen 
en gebergtens koomen afvloeyeu tot in een ge- 
deelte van Babylonien, daar zy in eene boezem 
te zamen loopen, en eenigetyd als eene Vloed 
voortgegaan hebbende door Babylonien, zich 
eindelyk wederom in twee verfpreiden , en dus 
de eene ooftelyk en de andere weltelyk na de 
Perfiaanfche Golf voortvioeyen , om haare 
wateren in de zelve te ontladen. 
24. 

(a) Bonfrenus getuigt , dat in Afia een 
Landfchap is geweeft, hetwelk Eden ge- 
naamt was , omtrent Mefopotamia , en dat het 
zeer waarfchynlyk is uit veel omftandigheden , 
dat dit het zelfde Landfchap Eden is, daar 
Mofes verhaalt, dat Godthet Faradys voor^f- 
dam en Eva in geplant heeft, het welk zeer 
wel over een koomt met het gevoelen van 
Calvinus en Bochartus i dewyl Babylonien te- 
gens Mejopütamien aanlegt , een Landsdouw zo 
vruchtbaar, dat deszelfs weergaanaauwelykste 
vindenis, na het getuigeniiTe van (b) Strabo , 
en dewelke voor eene graankorrel driehondert 
vout wederom uitleverde. 

E e 2 Zelfs 

(a) Vid. Ejus AnimadTjerJtonesinOnomafl.EufehU, 
(i>) Vid. Strabo Lib. x6. 



454 Natuur- en Konft-Kabinet , 

Zelfs vinden wy een Eiland in de Rivier de 
Tigris leggen , het welk omtrent tien Engel fche 
mylen groot is, en Eden genaamt word, 
volgens het getuigenifTe van Johan Cartwigt 
Engelsman, in zyn Reisbefchryving. Ik zal 
niet aantekenen de verfcheide Auteuren en 
Reisbefchry vingen , en ook eenige oude , noch 
zelfs de verfcheide Schriftuurplaatzen , daar 
van het Landfchap Eden gemeltword, de- 
wyl ik hier van het/f^^rhandele, en het oog 
zo zeer op de Stantplaas van het Paradysniet 
hebbe. 

16. 

Stephanus Morinus heeft mede zeer uitge- 
breid en overvloedig van de Stantplaats van 
't Paradys gehandelt, de vier Rivieren of 
Hoofd vloeden befchreven , en de Land- 
fchappen, door dewelke dezelve vloeiden, 
onderzocht , veele en verfcheide gevoelens 
daar omtrent aangehaalt enwederlegt, en be- 
fluit eindelyk met Calvinus, Scaliger en Bo- 
cbartus, dat de Euphrates endeTtgris in Ba- 
bylonien omtrent Babel in eene boezem te za- 
men zyn gevloeit, en aldaar doorloopen het 
Landfchap Eden , en daar in het Paradys; uit 
het welke voortgaande de Tigris en de Euphra- 
tes zich wederom in twee armen verfpreit heb- 
ben , en dus haare wateren eindelyk uit- 
geftortin de PeriiaanfcheZee of Golf . de ee- 
ne ooftwaart en de andere wellwaart heen 
fchietendc, waar uit hy dan eindelyk de vier 
Hoofd-vloeden, daar Mofes van fpreekt, ge- 
noegzaam oordeelt aangetoont te hebben. 

De 



Meyenjuny \J\9- 43 j" 

2 7- 
De voortrefFelyke Man Petrus Daniel (a) 

Huetius verklaart zich tegensdit gevoelen van 
Calvinus, B/chartus en Moriaus , en vraagt, 
waar die gene, dewelkedeStantplaats van het 
Paradys (tellen in 't gedeelte van B ibylonien of 
Cbald<ea, en in de zamenvloeying zelfs van de 
Enphrates en Tigrïs , dan de Landfehappen 
Cavilab en Cus vandaan zullen haaien ? Hy 
fielt de Stantplaats van het Paradys mede wel 
omtrent de boezem, dewelke gemaakt word 
door de zamenvloeying en vereniging van de 
Eupbrates en de Tigris ^ maar tuilchen de 
plaats , daarzy verenigt worden , en de plaats, 
in dewelke haar vloeden voortfchieten, eerzy 
noch in de Perfiaanfche Zee- Golf haar ontlaf- 
ten , en in dewelke zy wederom van malkande- 
ren gefcheiden worden , dat is verder van Ba- 
bel en nader aan de Perfiaanfche Golf, als het 
eerde gevoelen deze Stantplaats fielt, en hier 
oordeelt Huetius het Landfchap Eden te 
zyn. 

28. 

De Boezem of verenigdeVloed,zegt Huetius, 
dewelke door de zamenvloeying van de Eu- 
pbrates en Tigris geboren word , loopt met 
verfcheide bogten en omgedraaide kromtens 
voort; en ik ltellevaft, ( vervolgt by) dat het 
Paradys in eene van deze gedraaide kromtens 
geplaatft is geween" ; en deze Plaats kan de Le- 
zervinden in de vierde Qeograpbifebe Tafel van 
AJïa van Ptolomaus, in dewelke vertoont wor- 
den Mefopotamia , Syria, 't ltenig en verlaten 
E e 3 Ara' 

(a) Vid. Ejus TraBat. de Sttu Paradifterrejlris. 



43 <5 Natuur- en Konji- Kabinet , 
Arabien, tulTchen de Plaatsjes Aracca en Ta- 
LATHA, niet ver van Batrachorta, 
veel nader aan de Perfiaanfche Golf als aan 
B a b i l o n , op twec-endertig graaden en drie- 
endertig minuiten noorder breedte, en op tach- 
tig graaden en tien minuiten lengte. En het 
koomt my voor , dat de Heer Huetius de Kaart, 
dewelke hy heeft geplaatlt voor rynTraólaat , 
het welk hy over de Stantplaats van 't Paradys 
gemaakt heeft, uit dezeKaart (daar ik datelyk 
van fprak,) van Ptolomceus ontleent heeft. 
29. 
Nu wil de Heer Huetius , dat de Euphrates 
en de Tigris, en dan ook de twee Takken , 
daar dezelve zich wederom in verdeelen , en 
mede in de Perfiaanfche Zee-boezem uitfiorten, 
moeten aangemerkt worden als de vier Hoofd- 
rivieren , daar Mofes van fpreekt, en dat 
de verenigde Vloed van deze Euphrates en 
Tigris zoude zyn de Vloed , dewelke het 
Hof in Eden of het Paradys befproeide, 
en als een Hoofd-bron, daar deze vier Vloe- 
den als uit voortkoomen ■■, zo dat eigentlyk on- 
zen Heer Huetius ons niet anders zegr, als te 
voren Calvinus, en na dezen Scaliger, Bo- 
chartus en Morivus geoovdedt hebben, te we- 
ten dat de plaats van 't Paradys was , daar de 
Ttgris en Euphrates zamen vloeiden tot eene 
Vloed; dat deze Vloed zich wederom in twee 
verdeelende met de Tigris en Euphrates , 
eer zy noch te zamen gevloeit zyn , de vier 
Vloeden uitmaak en, daar Mofes van fpreekt, 
alleenlyk maar verfcheelende van deze Man- 
nen, dat zy het Landfchap Eden nader aan 

Ba- 



Mey en Juny 1719. 437 

Babel aan die zelve verenigde Vloed (lellen ; en 
de Heer Huetius verder van Babel, en aan een 
bogt van deze verenigde Vloed, dewelke na- 
der aan de Perfiaanfche Zee-boezem legt. 
30. 

Deze twee Vloeden, dewelke van de ver- 
enigde vloed, als hy wederom in twee fcheidt, 
en door dewelke hy zich ontlaftindeGolfvan 
Perfien , zyn by de Heer Huetius de PiSON 
en Gihon; de Vloed, dewelke weftelykft 
afloopt, noemt hyde P 1 s o n , en het Land, 
daar hy doorvloeit, om te florten in de Perfi- 
aanfche Golf, het Landfchap Havilah, 
het welk hy een gedeelte oordeelt te zys van ge. 
lukkig Arabien , en een gedeelte van verlaten 
of woeft Arabien , dog zeer tegens de getuige- 
niflen der oude Landbefchryvers, en ook te- 
gens de waarheid; dewyl de ontlading van de 
T/gris , of van de Euphrates, niets ter wereld 
met gelukkig A rabien te doen heeft, en de aal- 
oude Arabieren zelr Waterleidingen hebben 
moeten maaken uit de Euphrates, tot bevoch- 
tiging vanhaar Landen , en de ontlading meer 
als een graad van gelukkig Arabien afgelegen 
gefchiet. 31. 

De andere Tak of Stroom, dewelke van de 
verenigde Vloed afloeyende , en ooftwaart aan- 
lopende, zich in de zelfde Perlïaanfche Golf 
ontlalt , is by de Heer Huetius de Gihon van 
Mofes, en het Land, daar dezelve door vloeit, 
om na de Golf voort te gaan, is by hem hec 
Land van Chus of Susiana; waar uit 
blykt, dat omtrent de Landfchappen van Ha- 
vilah, Chus, en de Stantplaatzen van de 
E e 4 Vloe- 



4$ 8 Natuur- en Konft- Kabinet , 
Vloeden, echter een genoegzaam verfchil is te 
vinden tuilchen het gevoelen van Huetius en 

Calvinus. 

3*- 
De Heer Huet oordeelt, dathetLandfchap 

Eden, daar M<>fes van fpreekt , voor een 
groot gedeelte zich ttrekt na de kant van de Per- 
fiaanfche Golf, en voor een ander gedeelte na 
de kant van Mefopotamia ; dat zelfs het Land 
van Babylonien , en vervolgens Chald<ea een ge- 
deelte te voren van het Landfchap Eden is 
geweelt ; dat het Landfchap Eden zich heeft 
uitgeftrekt tot aan Sufiana , en dat in het oofte- 
lykite gedeelte van dit Landfchap het Paradys is 
geweeft. 

33- 
De Vloed, door de vereniging der twee 

Vloeden Euphrateseu Tigris geboren , en aan 
welkers kromme bogt (na 't gevoelen van Hue- 
tius) Godt het Paradys zoude geplant hebben, 
word hedendaags Schat el Areb ge- 
naamt, het welke zo veel is als Vloed van 
Arabie , buiten twyfel om dat dezelve na de 
Arabifche of wellelyke kant toehelt. En dit 
ïoude eigentlyk de Bron of Hoofd- vloed moe- 
ten zyn , daar de vier Hoofd-rivieren , daar 
Mofes van fpreekt , uit voortvloeiden, na het ge- 
tuigenifTe van Huetius. 

. 34- 

De geleerde Hadrianus Reland heeft niet lang 

geleden , te weten in 't jaar 1 706 , een nieuwe 

uitlegging (a) gegeven over de Befchryving van 

Mofes, of de Stantplaats van het Paradys, en 

de 
(*) Fid. Ejus Difertatio de Paradifo. 



Meyenjuny 1719. 439 

de Rivieren of V loeden , uit de Hoofd bron van 
Eden voortkomende, maar dit gevoelen is niet 
nieuw, gelyk ik zal aan wy zen in deze Verhan- 
deling, -tf. 

De beroemde Reland is van gedachten , dat 
de plaats van het Paradys isgeweeft in 't mid- 
den van deoorfprongen enbeginzels van de vier 
groote Rivieren , de Phasis , de Araxes, 
de Euphrates, en de Tig ris, dewelke 
alle vier haar oorfprong neemen in Groot 
Armenië; en deze vier groote vloeden oor- 
deelt de Heer Reland dezelve te zyn, de- 
welke Maf es noemt Pison, Gihon, 
Hiddekel, en Phrath , en dat de- 
ze vier groote Hoofd-vloeden zyn voortgefpro- 
ten uit eene Hoofd-bron, dewelke met het 
geheele Paradys , en met alles wat daar in is, 
wederom is vernietigt , en daarom nu niet ge- 
vonden word. 

_ 37- 

De Heer Reland kan het gevoelen van Cal- 
vinusy Bocbartus , Scaliger, Morïnus , en de 
Biflchop Huet (van de al te dwaaze gevoe- 
lens wil ik nu niet eens reppen) ganfch niet toe- 
ftemmen , dewyl dezelve na zyn oordeel met 
de woorden van Mo fes geen genoegzaame 
overeenkomft hebben, nademaal Mofes van 
vier diflinéle en onderfcheide Hoofd-vloeden 
fpreekt , die uit de Vloeden van den Hof in 
Eden zouden voort gek oomen zyn , en dit ge- 
voelen van Calvinus enz. ftelt maar alleen de 
Euphrates en de Tigris , en derzelver 
twee Takken , dewelke in de Golf van Per- 
fien vallen. 

Ee ƒ Daar 



440 Natuur- en Konfi-KaUnet^ 

37- 
Daar Mofes van vier geheele en natuurlykc 
Vloeden fpreekt,zegt de Heer Reland , dat hy 
niet weet , om welke reden wy zouden afgaan 
van de bekende en klaare betekenifle, en tot 
zekere kleine takken, van dewelke eenige door 
menfchen handen gemaakt , en van de Euphra- 
tesen Tigris af en inmalkanderengeleidtzyn; 
en dan noch zodanige takken , dewelke uit 
de Tigris en Euphrates haar oorfprong heb- 
ben , en niet haar oorfprong op de zelfde plaats 
en uit de zelfde bron , daar de Tigris en Eu- 
phrates uit geboren worden , 't geen echter 
noodzakelyk was, om aan de woorden van 
Mofes te voldoen. 

33. 
Dat de Vloed Hiddekel, daar Mofes 
van fpreekt, de Tigrïs is, en de Vloed 
Phrath de Euphrates, word byna 
van een iegelyk Uitlegger dezer Text aange- 
nomen; maar dat de Vloed Pis on en Gi- 
H o n maar twee takken van de Euphrates en 
Tigr is zouden zyn, is niet waarfchynlyk, de- 
wyl uit de Hoofd-bron of Hoofd-vloed van 
Eden vier verfcheide groote Vloeden voort- 
kwamen , dewelke zelfs tot vier verfcheide 
Hoofd- vloeden wierden, en geenzins takken 
of uitgaande armen der Tigris en Euphrates , 
want de Vloeden Pison en Gihon zyn 
20 wel twee verfcheide Hoofd-vloeden , vol- 
gens de woorden van Mofes, als de Euphrates 
en Tigris , en geenzins Takken van de Euphra- 
tes of Tigris. 

Als 



Mey en Juny 1719. 441 

39- 
Als wy zouden willen voldoen aan de woor- 
den van Mofes , zegt de Heer Re land, zouden 
wy de Pison en Gihon geenzins moe- 
ten zoeken in de Boezems, veel minder in de 
Takken van de Euphrates of Tigris, 
maar wy zouden moeten opklimmen na de 
Hoofdbronnen en deeerfte Uitfpruitzels dezer 
beide groote en zeer beruchte Vloeden, en 
wy zouden aldaar moeten nafpooren, ofwy 
niet noch twee andere Uitfpruitzels of Bronnen 
konden optdekken, dewelke uit deze zelfde 
Plaats, of in dit zelfde Landfchap ook twee 
andere groote Hoofd-vloeden verwekten en 
voortbragten , om dus eindelyk vier Hoofd- 
vloeden aan tewyzen, dewelke alle haar oor- 
fprong hadden in een en zelfde Landfchap, te 
weten het Landfchap of de Provmtie Eden, 
daar het Paradys in geplant was, uit welkers 
Vloed als uit eene Moerbron deze vier Hoofd» 
vloeden geboren worden. 
40. 
De Vloed Phasis en de Vloed Araxes 
worden, zo wel als de Euphrates en de 
Tigris, geboren en voortgebragt in groot 
Armenïen\&\ byaldien wy letten op de naam van 
de Vloed Phasis, dezelve verfcheeltjuift niet 
zeer veel van de naam van de Vloed Phison, 
alzo weinig als de naam van deVloed Phr ath, 
van de naam van de V loed Euphrates. 
Hier komt noch by, dat het naaftgelege Land 
van Colchis , het welke de P h a s i s befpoelt, 
zeer wel over een koomt met het Landfchap 
HavilaoïChavilah, daar Mofes van verhaalt, 

dat 



44^ Natuur- en Konfi-Kabinet , 

dat de Pifon om heen loopt, zo wel ten op- 
zichtvan het Goud van Colchis , als ten opzicht 
der Bedola en de neen Üardonmx. 
41. 
Dat ook de naam van de Rivier Phasis, 
dewelke noch hedendaags Colchis befpoelt, 
en uit groot Armenien geboren word, zeer 
oud is, blykt, om dat dezelve met die naam 
overal gemelt word van de aaloudfte We- 
reld en Landfchap-befchryvers , dewelke wy 
overig hebben ; als Artemidorus Ephe- 

SIUS, ERATOSTHENEb, StRABO, 

Ptolomius, Plinius, Scylax, 
Plutarchus de Flum'tnibus , en een 
groote menigte andere; maar noch een an- 
dere aanmerkinge van de Heer lieland pleit 
geweldig tot bewys , dat de Rivier Phasis 
de P j s o n van Mofes is , teweten de over- 
eenkomfl: van naam tullchen het Landfchap, 
het welke zy beide befpoelen, namentlyk 
Colchis en Chavila, te meer om- 
dat in de Oriënt aalfche Schryf-wyzetufTchen 
Colchis en Chavila zeer weinig Cbaraéier-or\- 
derfcheid is. 

De vierde Vloed, dewelke uit de Hoofd- 
Bron van Eden geboren wierd , en die 
de Man Gods Mojes G i h o n heeft ge- 
noemt, en dewelke ( na de Befchry ving van 
die Goddelyke Hiftorifchryver ) het ganfche 
Land van Cus omloopt, oordeelt de Heer 
Hadrianus Relandte zyn de Vloed A R A X E S, 
hedendaags by die Volkeren van Scythie en 
Armenië Arras; deze ontlaft zich in de 

Caf. 



Mey en Juny 17 ip. 445 

Cafpifcbe Zee, na dat dezelve zich verenigt heeft 
met de Vloed Cyrus , op veertig graaden 
breedte en 8 s graaden lengte. Door net Land 
van CuS verltaat de Heer Reland het ge- 
weftderGoSSiEi of CüSSii, hetwelk 
niet verre van de Araxes aflegt. DezeCuJfcet 
worden van de oude Schryvers geplaató 
zomtyds in de Velden van Meden, or 
de Araxes ftroomt langs dat Meden, hetwelk 
hedendaags Adherbeïjan genaamt 
word. Deze Araxes fcheidt Armenten 
van Meden , na het getuigenis van Appianus 
Alexandrinus ; en deze Cojfai of Cufet 
zegt Strabo , zyn de naafte Volkeren aan t 
Landfchap Meden: zo dat het fchynt, als 
of de Cnffai geplaatft zyn geweeft in de Ber- 
gen , die in de Provintie DeiLEM dicht 
by d'e Cafpifcbe Zee gelegen zyn , dewelke 
als een toevlucht voor deze Roofvogels zyn 
geweeft. («0 Diodorus Sicu Lusge- 
tuigt insgelyks, dat deze Natie, te. weten de 
Cuss^i of C o s s iE 1 , gewoont hebben in 
de bergachtige Landen van Meden; alsmede 
Arrianus , dat deie CujJ'ai gewoont hebben 
naaft aan Meden , zo dat dan eindelyk het 
gevoelen van de Heer Reland zoude zyn, 
dat de Rivier P H a 5 1 s de P 1 S o N van Mofes 
is ; het Land van Colchis zoude zyn het 
Landfchap Chavila van Mofes : De Ri- 
vier Araxes zoude zyn de Gihon van 
Mojes, en het Land van Cus zoude zyn het 
Land van de Cofftei of CuJJ'ai, wonende aan 
Meden by Armenien. 

13e- 

(«) Lib. xvn. Cap.III. 



444 Natuur- en Konft-Kabineti 

43- 
Behalven deze vier Vloeden beCchry ft Mof ei 

noch een Vloed in Eden, befproeyende het 
nieuw van Godt geplante Hof of het Aardfche 
Paradys, en uit dewelke deze vier Vloeden 
haar oorfprongkreegen. Deze Vloed bekent 
de Heer llclandtot noch toe niet te wecten , ja 
zelfs gelooft hy, dat dezelve tentydevan Mo- 
fes niet meer is geweeft , en met het geheele Pa- 
radys verdweenen, en door Godt als verandert 
is, om dat (zegt hy) Mufes zelfs die Vloed 
geen naam geeft, gelykhyaan de vier andere 
Vloedcnde Pison, de GiHON,de HiD- 
BF.KEL en de Phrath gedaan heeft ; 
maar dewyl de Heer iü^/^Wdeltantplaatsvan 
het Paradys in het middel-land van deze vier 
Hoofd-bronnen dezer vier Vloeden (telt , 
zoude noodzakelyk deze Vloed in deze groo- 
te Valeyen moeten zyn , dewelke in groot 
Armenlen gevonden worden tufTchen die re- 
gels grouwzaame Bergen , van dewelke de 
vier Vloeden de Euphrates, de Tigris, 
de P h a s i S en de Araxes geboren 
worden. 

44- 
Ik wil gaaren bekennen , dnt de uitvindin- 
gen van de Heer lieland aanmerkens waardig 
zyn, en veel fchoone zaaken , benevens een 
fchat van Geleertheid behelzen; maar ik zoude 
nooit aan de Lezer durven raaden , om op dier- 
gel yke waarfchynlykheden, omtrent deftant- 
plaats van het aardfche Paradys, de Vloeden uit 
het zelve, en de Landfchappen , dewelke de 
zelve beitroomen , tevertrouwen, endezelve 

voor 



Mey en Juny IJ19. 44 f 

voor onfeilbaare waarheden aan te neemen: 
zelfs de Heer Reland wil zyue gedachten ook 
niet hooger als voor waarfchynlyke giffitigen 
aangenomen hebben. 

Ik zal geentegenwerpingentegensalle deze 
gevoelens, van de ftantplaats van het Paradys, 
en de vier Rivieren, uit deszelfs Vloed voort- 
koomende, mitsgaders de Landfchappen , de- 
welke dezelve befproeyen, inbrengen, maar 
alleen eens in bedenking geven, of niet een 
groote zwaarigheid opkoomt in de oorfprong 
zelfs, dewelke wy van deze Vloeden heden- 
daags weeten , namentlyk de grouwzaame 
hooge Bergen van groot Armenien , uit welker 
afwateringen deze vier Vloeden , en ook noch 
veel andere V loeden in Armenië» geboren wor- 
den, waar van zommige haar water ontl aften 
in de Pont Euxin; andereinde Cafpifche 'Zee', 
andere na veel Landen doorgeftroomt te heb- 
ben in de Golf van Per/ten; andere wederom 
elders. Deze oorfprong van het hooge gebergte 
werpt geheel onderde voet de Moer-vloeddes 
Paradys, hoewel om dit te beantwoorden 
zoude een Geleert Man, dewelke veel werk 
van onderftellingen en waarfchynlykheden 
maakte, wel lichtelyk een uitvlucht vinden, 
en konnen antwoorden , dat van de zeer 
hooge Bergen het water afvloeyende in het 
midden haarer Valeyen , ouwelings een V loed 
hadde gemaakt ; dat deze Vloed de Valeyen, 
daar het Paradys in konde gelegen hebben, 
befproeit hebbende, naderhand door vierver- 
fcheide plaatzen in vier Hoofdvloeden zich had- 
de 



446 Natuur- en Konft- Kabinet, 
deverfpreit; maar de zwaarigheden, dewel- 
ke ik zoude konnen tegenwerpen, in de uit- 
legging van de Heer Reland omtrent de A- 
raxes, dat de zelve de Vloed Gihon is, en 
dat het Land van Cus de Cufjai zyn , en 
dat deze Cujj<ei moeten geftelt worden van 
de Vloed befpoelt te worden, deze zwaarig- 
heden , zegge ik, zoude ik niet teboven konnen 
koomen , noch met goede uitvluchten konnen 
beantwoorden , alzo weinig als die van Culchts, 
hoewel ik dezelve hier niet ophaale. 
46. 
Alfchoon wy geen vafte verzekering heb- 
ben van de waarachtige Stantplaats van het 
Paradys, en deszelfs Water vloeden, hebben 
wy ook geen recht, om alle de gevoelens 
der Geleerde, omtrent deze zaaken , roeke- 
looslyk te verwerpen; daarom zal ik aan 
den Lezer mededeelen de watervloeden , de- 
welke de Geleerde Lieden in de plaats van 
de vier Hoofdvloeden des Paradys hebben 
geftelt : als by voorbeeld de Euphrates en 
eenige andere, en zulks met te meerder re- 
den, omdatdegroote Rivier Euphrates byde 
aaloude. Hebreeuvjfche of Joodfche Volkeren 
zeer wel bekent is geweeft. 

47- 
Dat de Euphrates bekent is geweeft by 

Mofes, enookby deeerfte Gedachten, blykt 
uit dtszelfs belchryving van de Vloeden des 
Paradys met deze woorden : (a) Ende de 
vierde Riviere is Phrath. Als ook uit de 
volgende woorden: (£)Te dien zehen dage 

maakte 

(/*) Cetiejis. II. 14. [b) Genefis. XV. 18. 



Mey en Juny 171 9. 447 

maakte de HEERE een verbond met Abram y 
Zeggende : uwen zaade heb ik dit Land gege- 
ven, van de rivier Egypti , tot aan die groote 
Rivier Pbrath. Dat nu de Rivier Phrath 
de Eüphraies is , zal ik niet behoeven 
te bewyzen, dewyl zulks van andere reets al 
gedaan is, en deszelfs naam ouweling?, ja 
noch hedendaags by de Natiën dier Landen 
Phrath is, want het voorzetzeltje eu is in 't 
Perfiaanfch niet anders als Water ; en de Heer 
Reland bewyft, dat de Perfen dit voorzet- 
zeltje by meeft alle Vloeden gebruikten, zyn- 
de vervolgens Euphrates niet anders als Water 
van Phrath. Maar deze zaak blykt noch 
meerder, omdat de Rivier de Euphrates ook 
het heilige Land, met influiting van Syrien, 
afperkt , en van Mefopotamien affcheidt , door- 
lopende als een grensscheiding van deze beide 
Landen , te weten Syrië en Mefopotamie ; waar 
uit de Lezer de voortreifelyke Aardrykskun- 
de van de Heilige natuurlyke Hiftorifchryver 
de Man Gods Mofes wederom klaar en on- 
derfcheidentlyk kan ontdekken, mitsgaders 
een koftelyke voorzegde waarheidinde belof- 
te van Godt aan Abraham gedaan , en dewel- 
ke hier van Mofes ftaat aangetekent, eer de- 
zelve noch volbragt was, te weten de be- 
zitting van 't beloofde Land, en deszelfs 
Grenspaalen. 

48. 
Wy vinden de Rivier Euphrates zeer dik- 
wils gemeltin de heilige Bladeren, als (a) 
Alle plaatze , daar uwe voetzoole optreet zal 

Ff uwe 

(«) DvtttrommiHtn XL 24, 



448 Natuur- en Konft-Kabinet , 

uwe zyn: van de IVO ESTTN E ende den 
LIBANON , van de Rivier e , de Rivier e 
PHRATH, tot aan de achter Jie zee, zal uwe 
Landpale zyn. Deze achterfte Zee is de 
Middelandfche Zee , dewelke het beloofde 
Land befpoelt, en van Mofes zeer wel gekent 
is. De Rivier de Euphrates was zo algemeen 
bekent by de Aaloude Hebre'èrs , dat, alszy 
maar enkeld de Riviere noemden , zy 
met nadruk de Riviere F. uphrates daar 
door verftonden , als by voorbeeld : (a) En- 
de hy heerfchede over alle Koningen van de Ri- 
viere, tot aan het land der PhiUJlynen , ende 
tot aan de Landpaalen van Egypten ; door de- 
Ze Schriftuur-text , dewelke van de Heerfchap- 
py van Salomon fpreekt , .zien wy ook de be- 
lofte , aan de Patriarch Abraham gedaan , 
volbragt. 

49. 
Daar de Euphrates Synen befpoelt, 
en naait aan 't Heilige Land is, zyn deszelfs 
Boorden met Steenrotzen bezet, waar van 
wy zelfs ook eenig bewys konnen vinden in 
de Heilige Bladeren, {b) Doe gefchiede des 
HEEREN woord ten tweedenmaal tot my , 
Zeggende: Neemt den gordel, dien gy gekocht 
hebt, die aan uwe lendenen is, ende maakt 
ft op, ende gaat henen na den PHRA'TH , 
ende verfieekt dien aldaar in de kloven eener 
STEENROTZE. Zo ging ik henen, ende 
ver [lak dten by den PHRATti: gelyk als de 
HE ER E my geboden hadde. Het gefchiede 

nu 

[a) 1 Chronicor. IX. 16. 

\b) Jermia XIII. 3. 4. 5. 6. 7. 



Mey en Juny 1719. 449 

vu ten einde van vee Ie dagen , dat de HEE- 
RE tot my zeide; maakt nop, gaat henen na 
den PHRATH, ende neemt den Gordel van 
daar , dien ik u geboden bebbe aldaar te ver- 
Jleken. Zo ging ik na den PHRATH, ende 
groef ', ende nam de gordel van de plaat ze , al- 
waar ik die ver/leken hadde : ende ziet degor» 
del was verdorven , en dochte nergens toe. 

f o. 
Het ïs geen wonder, dat de Rivier Eu- 
phrates zo algemeen bekent was by de 
aaloude Jooden. 1. Omdat dezelve al haar 
Land in tegenftelling van de Zee als befloot. 
En 2. om de onmetelyke grootheid van de- 
ie Rivier, voor dewelke dezelve niet alleen 
by de Joodfche Volkeren , maar by veel an- 
dere aaloude Natiën roemruchtig is gewor- 
den. De Euphrates word zelfs op veel 
plaatzen in de Heilige Bladeren de groote 
Euphrates, of de groote Rivier Eu- 
phrates genaamt, als by|voorbeeld. (a) 
Zeggende tot den Zesden Engel, die de ha- 
zuine hadde , ontbindt de vier Engelen, die 
gebonden zyn by de GROOTE RIVIERE 
EUPHRATES. Ziet ook Genefis XV. vers 
18. van my te voren aangehaalt ; en de aan- 
fpraak van Mofes aan de Kinderen Ifraüls e- 
ven voor zyn fterfdag, en even voor den in- 
tocht in het beloofde Land. De (y) HLE- 
RE onze Godt [prak tot ons aan hOREB, 
Zeggende: gy zyt lang genoeg by deze berg 

Ff 2 ge- 

ia) Openbaringe Johanttis. Kap. IX. vers 14. Ziet 
•ok Kap. XVI. vers 12. 
(b) Deuterontmium I. 6. 7. 



Afo Natuur- en Konfi- Kabinet , 

gebleven. Keert u , ende vertrekt , ende gaat 
in het gebergte der Amoriten , ende tot alle 
haar e ge buur en , in "'t vlakke veld, op het ge- 
bergte , ende in de leegte , ende in H zuiden , 
ende aan de haven der zee ; (a) taf land der 
CANAANITEN , eW<? <&•» Libanon, tot 
aan die G ROUTE RIVIER , 4? AwVrr 
PHRATH. Waar uit te gelyk blykt, dat 
Godt aan de Kinderen Ifra'èls 2elfs de Rivier 
Euphrates als een Scheid-paal of grens- 
fcheiding van het beloofde Land geftelt heeft, 
gelyk ook beveftigt word door het volgende. 
( b ) Alle plaatze , daar u lieder voetzole 
op treeden zal , hebbe ik u gegeven \ gelyk 
als ik tot Mofe gefproken hebbe. Van dewoe- 
ftyne ende dezen Libanon af, tot aan de 
GROOTE RWIERE , de Riviere PHRATH, 
het ganjche land der Hethiten , ende tot aan 
de groote zee , tegen den ondergang der zon» 
ne zal ulieder landpale zyn. 

In veelderhande Oorlogen, daar in de hei- 
lige Bladeren van gemelt word , zien wy de 
Rivier £«/>£r^craangetekent als een perk der 
overwonne of beltrede Landen , gelyk in 
de oorlog van Pharao Necho Koning van 
Egypten : (c) In zyne dagen toog Pharao 
Necho de Koning van Egypten op tegen den 
Koning van AJJ'yrien , na ae riviere PHRATH. 
Ende op eenander plaats, (d) De Koning nu 

va» 

(a) Te weten de Middelandlche Zee. 
(*) Je fit* I. 3. 4. 
Ie) ^.Koningen kap. XXIII. vers 29. 
(d) zlifiningen kap. XXIV. rei» 7. 



Meyenjuny 1719. 45*1 

van Egypte» en toog voortaan niet meer uit 
zyn land : want de Koning van Bubel bad- 
de van de Riviere van Egypte» af, tot aa» 
de Riviere PHRATH, ingenomen al dat dés 
Konings van Egypten was. De EuPHRA- 
T e s word in de benamingen en verdeelingen 
der Landfchappen der Stammen ook zeer 
dikwils aangemerkt , en genoemt in de Hei- 
lige Bladeren , mitsgaders in de oorlogen en 
veldflagen van de Koning Z)az<7^,gevoert te- 
gens de Philiftynen, deMoabiten , de Koning 
van Zaba, de Syriers en de Ehmiten. 

S2. 

De Euphrates is zulk een beroemde 
Vloed in de H. Schrift, dat by devoornaam- 
fte gevallen, die zelfs gebeurt zyn onder de 
Koningen, dewelke meerder of minder Na- 
buuren waren van de Jooden, dezelve ge- 
noemt of gemelt word, als ook de Rivier 
de Tig ris. Getuige hier van is de ver- 
maarde flag , in dewelke Nebuchodo- 
SOR Koning van AJJyrien ARPHAXAD 
Koning van Meden overwon, gelvk gefchre- 
ven ftaat. (a) NEBUCHODONÖSOR Ko- 
ning van AJJyrien, en dewelke regeerde in 
HINIVE een zeer groot e Stad, heeft gejla- 
gen tegen ARPHAXAD : en heeft hem ge- 
vangen in het groote veld, het welke Ragan 
genaamt wierd, omtrent den EUPHRAA'1 
en de TlGRlS. Op dezelve wyze verhaalt 
Jeremias de groote Veldflag aan de Euphra- 
tes , door Nebucadnezar tegen de Koning 

Ff 3 van 

ia) Vtd. int er Apocryph. Ub. Judith cap I, vers 5. 



4f i Natuur- en Konft-Kabinet , 

van Egwpten. ( a ) Het ivoord des HEE- 
REN, 'dat tot de Propheet Jeremia gefchtet 
is , tegens de Heidenen. Tegen Egypten : te- 
gen 't Heir van Pharao Necho Koning van 
Egypten ; dat aan de Riviere PHRATH by 
Carchemis was: dat Nebucadnezar , de Ko- 
ning van Babel , Jlocg. De fnelle en ontviiede 
niet , ende de Held ontkome niet : tegen het 
noorden aan den oever der Riviere PHRATH 
zyn ze geftrmkelt ende gevallen. En de Pro- 
feet, dewelke deze zaak een werk des Hee- 
ren noemt, om de Hoogmoed des Konings 
van Egypten te dempen, en dezelve voor 
zyn ondaaden te kaftyden, vervolgt: want de 
Heer e HEERE derlieirfcharen heeft een Jlacht- 
offer in den lande van "'t Noorden aan de Ri- 
viere PHRATH. 

In veelderhande byzondere gevallen is de 
groote Vloed Euphrates in aanmerkinge ge^ 
komen by de Heilige Schryvers, gelyk by 
voorbeeld: (a) JEREMIA fchreef nu al het 
kwaad, dat over BABEL hoornen zoude , in 
een boek. Ende JEREMIA zeide tot Sera- 
ja: als sy te Babel koomt , zo zult gy zien, 
ende lezen alle deze woorden. _ Ende zult zeg- 
gen > o HEEKE \ gy hebt over deze plaatze 
gefproken ,• dat gyze zult uitroeyen , Zo datter 
geen inwoonder in en zy , van den menfche tot 
op het beeft, maar datzy worden zal tot eeu- 
wige woejlheden: Ende het zal gefchieden , 
als gy geeindtgt zult hebben dit boek te le- 
zen ; 

(a) Jeremia kap. XLVI. vers i. i. 6. icr. 
[B) Jeremia kap. LI. vers 60. 61. 62. 6$. 



Mey en Juny 1719- 4f 3 

Z en ; dan zult gy eenen fteen daar aan bin- 
den , ende werpen het in 't midden des 

PHKATHS. 

J4- 

De Beruchte en groote Vloed E u p h r a- 
t e s is niet alleen zeer bekent geweelt by 
de aaloude Hebreêrs; maar zelrs ook veel 
aaloude Griekfche en andere Wereld-en L,and- 
befchryvers hebben van dezelve gefchreven. 
Alle koomen zy over een, dat de oorlprong 
van de Euphrates is van die Bergen in groot 
Armemen , omtrent de welke de Araxts , tha- 
fis, en -Tijrrïs geboren worden. P l i n i u S 
\a) zegt met ronde woorden, dat de Araxts 
uit dezelve berg in Armemen geboren word , 
daar de Euphrates van word voortgebragt , 
en dat de beginzelen van deze beide Vloeden 
omtrent zes duizend paffen van malkander 
leggen Strabo noemt deze Berg, daar 
de Euphrates en Ar axes vanvoort- 
koomen, met naam en toenaam, te weten 
de Berg Abus. Ziet ook Plutar- 
chus, Arrianus, de Tafelen van Pto- 
lomms, dewelke in deze zaak de netlte 
Tafelen zyn. Ziet ook Diodorus bicu- 
L u S , en noch eenige andere. 

Opdat de Lezer een recht begrip van de vier 
Rivieren van Mofis zoude konnen krygen, 
zal ik de Euphrates, Tigris,Pha- 
sis, en de Ar axes befchryven, zo als 
dezelve in Armenien geboren worden , bene- 
F f 4 vens 

{a) Lïb . VI. Cap. 9. 



4f4 Natuur- en Konfi-Kabinet , 
vens haar loop, en de Landen, door dewel- 
ke zy vloeyen, of dewelke zy befproeyen of 
befpoelen ; op dat de Lezer zelfs mag oordee- 
len , of w,y met eenige waarfchynlykheid 
groot Armenien voor de Stantplaats van 't 
Paradys moogen houden , en deze vier Vloe- 
denvoorde vier Hoofd- vloeden, daar Mofes 
vgn fpreekt. 

S 6. 
Niemand kan van Armenien , noch ook 
van deze vier Hoofd-vloeden een recht denk- 
beeld verkrygen, dewelke niet eenige kennif- 
fe van dat gedeelte der Wereld , dat wy A- 
Sia noemen, verkregen heeft. Zelfs is de 
zeer naauwkeurige kennifïe van Asia zo 
noodzakelyk , dat wy zonder dezelve de na- 
tuurlyke Hiftorien, en de zaaken der Natuur, 
dewelke in de Bybel gemelt worden , niet kon- 
nen verltaan. 

Asia (zegt (a) een trefFelyk Wereld-be-? 
fchryver ) is boven alle andere Wereldsdee- 
len van Godt zelfs uitverkoren geweeft, om 
zyn voornaamfte Wonderdaaden , Werken 
en zichtbaare Tekens onder de Mentenen uit te 
voeren. Godt heeft zyne Godfpraaken al- 
daar door de mond zyner Propheten doen 
verkondigen , zyne Wetten voor zyn volk 
uitgereikt aan Mofes. Asia is de gelukki- 
ge Moeder en Voedfter der Patriarchen en 
Heilige Oudvaders, en der Heilige Apofte- 
len, ja zelfs van Jefus Chriftus.^ Asia is 

de 

(a) Ziet de la. Croix Eelation univerfeüe de l'A~ 
/ie. en Phïlippi Cluvtrii Summa Ajia Defcripüo. 



Mey en Juny 17 19. 45 'f 

de plaats , daar Godt zyn eerfte volkplantin- 
gen heeft gelieven te ftellen , om van de- 
zelve voort te doen koomeft alle Volkeren 
van de ganfehen aardbodem. In Asia zyn 
gegrontveft de oudüe en grootfte Monarchien 
en Alleenheerfchappyen van de geheelen 
Aardbodem. Ouwelings hebben (zo veel als 
aan ons bekent is ) alle Tucht-oefeningen , 
Wetten, Zeden, Wetenfchappen , alleKon- 
ften , alle Handwerken , en overheerlykc 
Konft-ftukken in Asia haar oorlprong ge- 
nomen , want Egypten is voor dezen mede 
onder Asia gerekent. De waare Gods- 
dienft, en alderhande Hoofd-Godsdienften, 
en meeft verfchillende Religiën zyn meeft al- 
le in Asia eerft begonnen. Wei Heidendom, 
het 'Jodendom , het waarachtig Chriftendom , 
het Mahumetaanfch Geloof, waar anders als 
uit Asia? Waar heeft het Godt zelfs be- 
haagt op deze Wereld te verfchynen, als in 
Asia? Het is waar, dat zommige der Hei- 
lige Apoftelen de Gaaven des Geeltes wel heb- 
ben uitgedeelt aan eenige randen van Europa 
en eenige Eilanden , maar immers meed alles 
in of omtrent Asie, of naaft gelege Landen 
van Europa , naby Afia ,- als Griekenland , 
enz. 

*8. 
De voortreffelykfte Aardryks-befchryvers 
bepaalen Asia op de volgende wyze: De 
bekende Einden van Afia zyn aan '2 noorden 
de Scythifche Oceaan (anders genaamt de 
Ys-zee of Tartarifche Zee, ot by anderede 
Noordzee , van dewelke wy zeer weinig 

Ff j- ken- 



4f<5 Natuur- en Konfi- Kabinet , 
kenniiïe hebben , ) aan V Oojlen de Ooftelyke 
Zee, (dewelke ook genaamt word deSinee- 
fche en JaponeefcheZee, omdat zy de Boor- 
den dezer Landen befpoelt, ) aan 't Zuiden 
de Indiaanfche Zee\ aan V I4^efien de Zee- 
boezem , dewelke tuffchen A[ia en Africa ïn- 
fchiet , geivoonlyk het Roode Meir , of ook 
wel de Arabifche Zeeboezem genaamt , 
benevens de Landengte, of IJlhmus , die tuf- 
fchen dit Zo genaamde Roode Meir en Mid- 
delandfche Zee inlegt , benevens deze zelfde 
Zee , daar zy de Syrifche ofPhcenicifche Zee 
genaamt word , en noch vorder de zelfde Zee y 
daar zy de JEg^fche Zee of de Archipel ge- 
naamt -word , vloeyende tufjehen het eigent- 
lyke Afia , en Macedonien en Griekenland. 
Voegt hier aan 't Weiten noch by de Prz- 
pontis , zynde een Zeeboezem, dewelke uit 
de Middelandfche Zeefchiet, anderzins Mar 
ai Marmora genaamt, zynde een Boezem 
tuffchen Europa en Afia infehietende, of tuf- 
fchen klein Afia en Thracien by Conftanti- 
nopolen , daar hy door de Thracifche Bospho- 
rus 'm Pont Euxin fchiet , als ook mede aan 
dezelfde Weder-Eindpaalen van Afia , de Pon- 
tus zelfs of de Pont Euxin , daar cxcPrapon- 
tis invalt, anderzins de Zwarte Zee genaamt, 
daar ik datelykvan fprak; mitsgaders noch het 
Moeotis Meir, benevens de Vloed of Rivier Ta- 
nais , anders de Do» genaamt, een zeer groote 
Rivier , dewelke het Europifche Sarmatten van 
het Afiatifche arTcheidt, zyn oorfprong nee- 
mende uit de Grenspaalen der Mofcoviten, en 
voortvloeyende, tot dat hy met een grooten 

over- 



Mey en Juny 171 9. 4^7 

qvervloed zyn Water in het Moeotis Meir 
ontlail, zyndeouwelings aldaar de fcheiding- 
flroom tuiïchen Europa en Afia. 

Het Gedeelte van de Wereld , het welke 
wy Asia noemen, is .van een ongeiooflyke 
grootte. De Schryverskoomenover een , dat 
As ie over de dertien honden Duitfche My- 
len lang is , en twaalfhondert en twintig 
Duitfche Mylen breedt. Als wy onze aan- 
dacht laaten gaan op deze grouwzame groote 
brok Lands , is het niet te verwonderen , dat in 
dit gedeelte van de Wereld een groote menig- 
te grooteKoningryken, enonbedenkelyk veel 
en verfcheide Landfchappen gevonden wor- 
den. Ik zal dezelve hier niet beichryven , 
maar van 't eene en 't andere maar een korte 
en klaare Schets geven, opdat myn Lezer 
te beter zal konnen begrypen, alles dat ik na 
dezen van de gehcele Hebree uwfebe natuurlyke 
HiTtorikunde , en nu en hier na in 't byzon- 
der van de KenniiTe des. Waters by de 
aaloude Hebreèrs , en haare Voorzaaten en 
Schryvers gemelt en geweten , zal mededee- 
len. 

60. 

Voor dezen wierd Egypten mede onder 
Afia gerekent, en daar nu Afia van Africa 
door 't Roode Meir word afgefcheiden , wierd 
door Plinius en andere Afia van Africa gefchei- 
den door de Nyl, en dus dat gedeelte vanE- 
gypten, dat over de Aty/legt, te weten na 
de Arabifche zyde , onder Afia geftelt , hoewel 
echter ouwelings Ptolomiens de Arabifcbe'Zee- 

boe- 



4f 8 Natuur- en Konft- Kabinet , 

boezem of 't Rode Meir aan die zydealreets 
tot een fcheiding tuflchen Afia en Afriea geftelt 
heeft. 

ót. 

Alle de groote of mindere Vloeden enRi' 
vieren, dewelke haar aan alle kanten in de 
verfcheide Zeen, dewelke Afia overal om- 
ringen, ontladen, onderftellen meed altyd 
groote Bergen, door welker afwateringen in 
deze Landen, en overal meeft alle Vloeden 
op deze Wereld geboren worden ; daarom 
oordeel ik het zeer noodzakelyk vooriemant, 
die de Vloeden, Rivieren, M eiren en Wa- 
teren , benevens haar verfcheidenheid , ver- 
fcheiden aard en hoedanigheden begeert te 
kennen , dat hy eerft kennifle heeft van de 
Bergen , Rotzen , en grouwzaame hooge 
Landen, daar de Vloeden uit geboren wor- 
den. 

62. 

De Bergen , dewelke in Asia gevon- 
den worden, zyn van een ongelooflykeuit- 
geürektheid, hoogte, grootte, en ontelbaa- 
re menigte ; dog zy worden alle, omdat zy 
regels-gewys leggen en voortfehieten , tot 
7,eer weinige Naamen gebragt. Als wy de- 
zelve in het algemeen aanmerken, konnen 
wy ons een denkbeeld vormen, in het wel- 
ke wy als in eene opflag en met eene naam 
het meette gedeelte der dergen van Asia 
begrypen. Als by voorbeeld : DeBergTAU- 
rus is de grouwzaamfte endegrootfteBerg 
van geheel Afie , en ( als ik het zeggen mag) 
de aldergrootÜe berg van de geheelen Aardbo- 
dem. 



Mef en Juny 17 19. 4fp 

dem. Ik wil nu juift niet ftaan op deszelfs 
Hoogte, hoewel die op veele plaatzen onge- 
looflyk is , maar op deszelfs vreeflyke uit- 
gestrektheid door geheel Afie. Het i's een be- 
kende zaak , dat de Atlas in Africa 
een ongelooflyke groote regel Bergen uit- 
maakt ; dat de Bergen van Peru en Chili 
in America grouwzaam hoog, wyd uit- 
geftrekt , en lang zyn van regels ; dat deregelen 
van den Haarts-of Erts- Berg in Duitfchland, de 
Alpes in Italië» , de Bergen in Zwitzerlaad, 
de P'tr'trx'èn tufïchen Vrankryk en Spanjen % 
veel uitftekende groote en lange regels Ber- 
gen zyn, maar geen van alle dezelve kan 
haaien tegens de grouwzaame regels Bergen, 
met al haar uitfpringendezytakken , dewelke 
in As ie onder een algemeene naam de Berg 
Taurus genaamt worden. 

63. 

De Berg Taurus heeft zyn begin in het 
Weften van Lycia, aan deMiddelandfche 
Zee, een Landfchap , dat nu over de drie hon- 
dert jaaren onder 't Gebiedt van den Groo- 
ten Heer heeft gedaan , en hedendaags Ai- 
Pinel li word genaamt ; van daar gaat 
de berg Taurus voort door geheel Afia , van hec 
Weften tot aan het Ooften , en tot deuiterfte 
grenspaalen van hetKeyzerrykCATAY, zelfs 
boven Si na, het welk een ongelooflyke 
lengte is. Dus van het Weften naar/t Oo- 
ften voortgaande, werpt de Berg 'taurus een 
zeer groot getal wederzydze zytakken of zy- 
regels Bergen uit, zo wel na het Noorden 

door 



4<So Natuur- en Konfi-Kahinet , 

door geheel Tgrtarien, als na de zuidelyke 
Landen van Afin. 

64. 
De Berg Taurus hetft op verfcheide plaat- 
zen, en in verfcheide Landen, ook verfchei- 
denaamen, na de plaauen, dewelke hy of 
doorpafTeert , ot aan dewelke hy zyne zy- 
takken en wederzydze armen, en uitfpringen- 
de regels en bogten uitreikt, als by voor- 
beeld in Lycia (volgens de aantekeningen van 
verfcheide Aardryks-befchryvers ) word de 
Berg Taurus de Berg CragüS genaamt ; 
in Pamphylia is deszelfs naam Co race- 
si us en Sarpedon; in Cilicia behoudt hy 
de naam van 'Taurus ; in klein Armenten word 
hy den Tegen-taurus genaamt ; in groot Ar- 
menien word de Berg 'Taurus genaamt op de 
eene plaats Pariedrus, op de andere 
plaats Gordiius, en wederom op een 
andereplaats in groot Armenien Moschks; 
in Syrië draagt hy de naam van de Berg A- 
MANUS; \x\ Mefopotamie de Berg Chabo- 
r a s ; en op de grenspaalen tufTchen Mefo- 
potamie en groot Armeme de Berg Nipha- 
t e S ; in Colcbis draagt de berg Taurus de 
naam van de Berg Coraxicus; in Ibena 
en in Alba»ia heeft die zelfde Berg de naam 
van deCAUCASus; in Meden Zagxus; 
in de grenspaalen van het uiterfte AJJyrie 
word hy de ürOntes , de Jasonius, 
de Coaonus en de Choaïras ge- 
naamt; inPartbenaan't zuiden Parachoa- 
tras, aan 't ooften Masdoranus; 
in Carmanie hiet de Berg Taurus de S I R o n- 

c, ï- 



Mey en Juny 1710. 4^ r 

GYLOS; in Hyrcanie de CoRONUS, als 
op de grenzen van AJ/yrien ; in Margiana 
heeft de Taurus de naam van de Berg S A- 
R I P H u S ; in Baéirien word hy P A R O P A- 
Misus genaamt ; in het onmeetbaar groote 
Land Scythie of groot Tartarie de Berg 
Imaus; tuflchen Scythien en Indien word 
de Berg Taurus de Emodus genaamt, 
gelyk de Lezer by de Schryvers kan na- 
zien. 

6f. 
De voortreffelyke Aardryks-befchryver (a) 
Philippus Cluverius zegt van de Taurus , dat 
dezelve de aldergrootfte Berg van den gehee- 
len Aardbodem is; dat dezelve zynoorfprong 
neemt van de boorden der Pampbylifche'Z.ee, 
by of over de Chelidonifche Eilanden begin- 
nende, en van het Wetten voortgaande tot in 
het uiterfte ooften van Tartarie, en de uiter- 
fte Einden der Indien eindigt, zynde byna de 
geheele lengte van A/ia. De Taurus verdeelt 
Afia in twee deele'n; het gedeelte van Afia 
van den Taurus naar het Noorden word A" 
fia binnen den Taurus genaamt , en het an- 
dere gedeelte van Afia naar het Zuiden aan 
de andere zyde van den Taurus word Afia 
buiten den Taurus genaamt. 
66. 
Daar de kortfte en de rechte lyn der Tau- 
rus gemeten is , is dezelve volgens Ptolo- 
maus een duizend achthondert en acht en 

tach- 

(a) Vid. Philipp Cluverii introduBio in univer- 
fam Geographiam tam Vtttrem quam Novam, Lik. 
V. Cat>. xix. 



462- Natuur- en Konft-Kahinet , 
tachtig Franfche mylenlang, het welke wei- 
nig verfcheelt van de lengte, (a) dewelke 
Strabo aan de Taurus toe-eigent, namentlyk 
vyr en veertig duizend Stadiën, dewelke uit- 
maaken 1875-. Franfche mylen, elke myl 
beftaande uit vier en twintig Stadiën , of uit 
drie duizend Geometrifche treden of pallen. 
Als wy nö in aanmerkinge neemen, dat de 
Berg T'aurus nooit !yn-recht door Afia loopt, 
maar met zeergroote bogtenen halve maans- 
gewyzelinien , (noch onaangemerkt zyne ter 
wederzyden breede uitfpringende takken) zou- 
den wy op die wyze (de bogtige Lyn van 
den T'aurus tot een rechte gebragt) de lengte 
van den laurus bevinden, meer als drie dui- 
ïend Franfche mylen, elke myl van drie dui- 
2end treden. 

67. 
De breedte van den T'aurus is zeer onge- 
lyk, maar opzommige plaatzen drie duizend 
Stadiën of 125- Franfche mylen, maar op an- 
dere plaatzen wederom minder breedt. De 
Bergtoppen en hoogtens van den Taurus 
zyn ook zeer ongelyk , wantdat gedeeltevan 
den Taurus , het welke wy de Caucafus noe- 
men , is op zommige plaatzen zeer hoog. 
De zyde van den Taukus , dewelke na 
't Zuiden legt, is zeer warm en verhit door 
de Zon , maar de kant van den Taurus, 

na 

(rt) Vide*ntur Tahula Ptohmai Ajta. Stra- 
lo deSitu Orbis. Pomponius Mela , & plures alii. 
Prafertim Afia Defcriptio Anonymi , cditaPariJiis 
x<Jj<5. in Folio. 



Mey en Juny 171 p. 40*3 

na 't noorden is zeer guur , en word ge- 
weldig gebeukt van de winden, dikwilskoud 
en omgort met Sneeuw , op veel plaarzen 
onvruchtbaar, onbewoont ,eneenfchuilhoek 
en teelnefl voor alderhande wilde bofch-bee- 
ften ; behalven dat de noordzyde van den 
Taurus zeer overvloedig is in 't voortbrengen 
van Herten , daar de Taurus ook by de Schry- 
vers vermaart door is. 

68. 
De Plaatzen , (a) daar de Berg "Taurus is 
gefcheurt door opgefplete rotzen en toppen, 
worden by de aaloude Wereld-befchry- 
vers de Poorten of Doorgangen van den Tau- 
rus genaamt ; deze engtens worden by de 
aaloude Schryvers menigmaal befchreven. 
De eerfte Poort van den Taurus, 
zegt Strabo , is , door dewelke men kan 
doortrekken uit Lycia tot in Pamphilia. By 
Phafelides aan de zeekant (zegt Strabo) zyn 
deze engtens of poorten van den Taurus , door 
dewelke Alexander deGroore zyn Leger ge- 
leide. De tweede Poort van den Taurus is 
in dat gedeelte van Pamphilia of 't hedendaag- 
ze Turkfche Caramanie , door de welke een 
doorgang is van Mylias , een Landfchap en 
ook een vermaarde Stad van Pamphilia, zelfs 
aan de Middelandfche Zee. De derde Poort 
of enge doorgang van den Taurus word 
genaamt de Poort van Cilicia , omdat door 
deze engte alles gevoert word , wat uit 
Cappadocie , Galatie , Lydie en Phrygie 
in Cilicie gebragt word. Dit Cilicie is nu 

G g het 

U) Vid. Liber citatus , fivt ^AjtaDefcripio, 



464 Natuur- en Konft-Kabinet , 
het eïgehtlyke Caramanie der Turken, hoe- 
wel anderzins Caramanie in een brede bete- 
kenis hl zich bevat Cilicie , Pampbilie % Pijl. 
die , en het zuider deel vanCappadocie. Stra- 
bo , Diodorus Siculus en andere befchryven 
deze poort naauwkeurig , derzelver lengte, 
breedte en diepte ; hier is de beroemde muur 
van Semiramis , en de doortocht van Cyrus 
en Alexander de Groot. De derde Poort van 
den Taurus opent en baant de weg door den 
Taurus uit Ctlicie na Syrië en na Armenië , 
en word in 't gemeen de Poorten van Sy- 
rien genaamt. Deze doortocht is zeer bezet 
met Rotzen , en door een zeer kleine magt 
te bezetten , en de aanvallen te beletten. De 
vierde Poort van den 'Taurus is de Poort , door 
dewelkegereifl worduit/f//\r/?in Meden^deie 
Poort is in de Ber£ Zngrius^'a word van Strabo 
de Poort van Meden, en van Ptolomaus de 
Poort van Z^r/genaamt. De vyfde Poort is 
de Cafpifche Poort, deze baant de weg tuf- 
fchen Meden en Parthen , en is zeven duizend 
treden in de lengte, dat is byna derdehalf 
Franfche myl, daar zy zeer eng is, en door 
menfchen handen gemaakt. Aan weêrzyden 
zyn de rotzen doorzaait met zoutmynen of 
Sal Gernmce , het welk gedurig nederdruipt, 
en naderhand wederom als Ys te zamen ftrernt. 
(a) Dionyfius noemt dezelve de Sleutel van A- 
Jie. De zesde Poort van den Taurus legt 
door de Lbenfcbe Gebergtens , en word me- 
de 

(a) Vid. A/laDefcriptio. Straho , Ptohmaus, Solt' 
mts , Plinius , Dtoayjius , Procopius &c. 



Mey en Juny 1719. 46 f 

de de Cafpifche Poort genaamt van Procopius 
69. 

Behalven deze Doortochten of Poorten van 
den Taurus , zy n in den Berg Taurus noch zeer 
veel andere Doortochten en Poorten , als by 
voorbeeld : daar de Berg 'Taurus de Caucafus 
genaamt word, by Albanien, Colchis , Ibe- 
rien of Georgien enz. als ook de Poorten en 
Doortochten , dewelke gevonden worden , 
daar de Berg Taurus de Imaus genaamt 
word, aan de uiterfte Einden van Afie , en 
veele andere, daar ik tegenwoordig niet van 
zal melden. 

70. 

Op dat nu de Lezer een klaar Denk- 
beeld zoude konnen krygen van deviergroo- Tabula 
te Water-vloeden , dewelke haar oorfprong V. 
krygen uit de Vloed van den Hof in Eden 
of het Paradys , daar Mofes van fpreekt , heb- 
be ik uit de Tafelen van Ptolom<eus , en 
onder dezelve uit de derde en vierde Tafel 
xanAfia, een nieuw Land-kaartje gemaakt en 
laten fnyden ;zietT^a/a V,in het welke klaar 
uitgebeeldt worden de vier groote Rivieren. 
I. De Pbafis. %. De Araxes. 3. De Eu- 
pbrates. En 4. de Tigris ; daar zy haar oor- 
fprong neemen in groot Armenien uit de Berg 
Taurus , en daar zy eindigen in de Pont Eu- 
xin, in de Cafpifche Zee, en in de Golf van 
Perjien, benevens de loop , voortgang, 
bogten en kronkels van elke Rivier. 

In deze Kaart zien wy de Rivier P H A- 

s 1 s zyn oorfprong neemen , uit dat gedeel- 

Gg 2 te 



466 Natuur- en Konji-Kabinet, 

te van den grooten Berg Taurus , wel- 
ke Ptolom<eus den berg Paryardes noemt, 
en wy zien deze Rivier Phafis voortgaan 
door een gedeelte van groot Atmemen, tuf- 
fchen Cappadocie en Iberie , en door 
een gedeelte van Colchis , tot hy zich ont- 
laft in de Pont JL'ix'm of Zwarte Zee , by een 
plaats ouwelings Phafis genaamt. 
72. 
Insgelyks zien wy in dezelve Tafel de Ri- 
vier Araxes zyn oorfprong neemen op 
drie verfcheide plaatzen uit de zelfde Bergen 
Paryardes , daar wy deze drie takken zien ver- 
enigen by Artaxata, van waar hy een bogt 
maakt, tot daar hy een meertje uitwerpt, 
en voortgaande een tak ontvangt van de 
vermaarde Rivier Cyrus , tot dat hy eindelyk 
zich ontlaft in de Cafpifche Zee, loopende 
door dat gedeelte van groot Armenien, 
het welke tuflehen Albanië en Meden in* 
fchiet. 

73- 
Ten derden zien wy in de zelfde Tafel of 

Kaart, dewelke hier achter bygevoegt is, de 
grooten en ontzachelyken Vloed Euphra- 
tes of Phrath , zyn oorfprong neemende 
uit de zelfde Bergen Paryardes, met drie tak- 
ken of beginzeh , dewelkezich verenigen om- 
trent Chasir A, van waar de Eupbrates 
loopt tot aan Sinibra, daar hy met een 
bogt affchiet tot aan Ximara, alwaar hy 
van de Berg Abos een groote zytak ontvangt, 
('t welk de reden is , dat zommige de oorfprong 
vandmEuphraat aan de Berg Abosgeftdt heb- 
ben) 



Mey en Juny \-j19. 46 '7 

ben)en weder voortloopt tot aanMefopotamiea, 
fcheidende dus groot en klein Armenië van 
malkanderen, tot aan Siavana, endoor- 
loopende tufTchen de groote Bergen Nipha- 
tes en Ama.nus, Takken van den grouw- 
zaamen Berg Taurus, gaat hymet veel kron- 
kelende bogten voort tuiichen Syrië en Me- 
fopotamie tot aan Thapsacus, daar hy 
zo vlak van grond is , dat hy te paard zom- 
tyds doorwaadbaar is. Van "Thapzacus , daar 
hy Syrië verlaat, gaat hy wederom met zeer 
veel groote bogten en kronkels tufTchen Me- 
fopotamie en woelt Arabie voort , tot aan de 
groote Bergen , dewelke Chaldaa , of dat ge- 
deelte van Babylonien\ het welk Chal- 
DiïA genaamt is , affcheiden van woed A- 
rabien , beooften Belgin<ea\ deze regel Chal- 
deeuwfche Bergen gevoegt by het overige van 
den Ëuphrates , daar hy weder voortvloeit 
tufTchen Babylonien en Mefopotamien , fchei- 
den Babylomen van woeft Arabien en Mefo- 
potamien af, tot dat eindelyk de Ëuphrates 
by Seleucia inde groote Rivierof Vloed 
de Ttgris valt , de welke hier , tufTchen AJJy- 
rien en Mefopotamien doorvloeyende,koomt 
nederfchieten. De Tig ris en Ëuphra- 
tes by Seleucia in malkander gefmol- 
ten zynde, vloeyen te zamen, dog onder de 
naam van Tigris , tot aan de oude] Stad 
A S 1 A , ( zommige noemen dit gedeelte de 
Pa/itigris) daar zy haar wederom in tweevloe- 
den verfpreiden , gaande deeeneooftelykende 
andere weftelyk , om haare wateren in de Zee- 
boezem of Golf van Perfien te ontlalten, 

Gg 3 uit- 



468 Natuur- en Konji-Kabimt , 
uitmakende het Eiland, daar de oude Stad 
Teredon geplaatft word , terwyl door deze 
ooftelyke arm en de verenigde Vloed, van&> 
leucia af tot aan de Perfiaanfcbe golf, Baby- 
lonien word afgefcheiden van Sufiana, waar 
door het Landlchap Baby lonten een zeerna- 
tuurlyke flerkte voor de aanvallen van de A- 
rabieren en andere Volkeren hadde; worden- 
de omringt van de Arabïfche liergen , van de 
Eupbrates, van de Tigris , en van de Golf 
van Perfien, in een groote rykdom van goed, 
vet en vruchtbaar Land , veel Rivieren , en een 
Zee of Golf van de Zee. 

Wat de kronkelingen belangt, dewelke de 
Euphrates maakt by de Stad Babel , als ook 
de Moeraflen en Waterleidingen , en Meiren 
by Volgesia en Barsita, als ook de 
Koninglyke Vloed , loopende uit de Euphrates 
door de Stad Babel, tot dat dezelve by Apam<ea 
in de verenigde Tigris valt j deze alle zyn meeft 
door menfchen arbeid en het vermogen der 
aaloude Koningen gemaakt. 

IS- 
Ten vierden zien wy , dat Ptolomceus de 

oorfprong van de Tigris mede in groot Ar* 
menien (telt, by het meir Thofpitis , gelegen 
aan de Gordifche Bergen , by de Stad Thofpia, 
en uit de afwateringen van de grouwzaame 
bergen van den grooten Taurus , hier byzon- 
derlyk Niphates genaamt. De Tigris hier van 
daan voortvloeyende door een wyde valey 
van de Btrgen Niphates , verfpreidt zyn 
voortgang en loop tuflchen A/Jyrie en Mej'o- 

po- 



• Mey en Juny 171.0. 4<Sp 

potamie , terwyl hy uit Afjyrie de Vloed Ly~ 
cus , de Vloed Caprus, en de Vloed Gorgus 
ontvangt, eu metovervloed van water van de 
zelfde Bergen Niphates afitroomende , ver- 
ry kt word, en by Seleucia deEuphratesont' 
vangende , loopt hy met deze verenigden 
boezem, en ontlalt zich in de Golf vaüPerfieu. 

76. 
Alhoewel ik noch niemant anders in de We- 
reld kan weeten , of deze vier Rivieren de vier 
Vloeden zyn , daar Mofes van fpreekt; als 
mede of de Stantplaats van het Patadys ge- 
weeil is in groot {a) Armenië ^niJ't gevoelen van 
de onbekendeSchry ver derBefchry ving vanAJïe, 
een Boek het welk tot Parys dooreen geleert 
Man zonder naam is uitgegeven in Folio in 't 
jaar 1656. , en opgedragen aznC hriftinaKon'm- 
gin van Zweden , en het welk by de voor- 
treffelyke Keiand zeer naauwkeurig gelezen 
moet zyn; ten minden heeft die groote Man 
deze onbekenden Auteur in veel gedachten 
verftandiglyk gevolgt. Of de Stantplaats van Tab. V. 
't Paradys geweed is in (b) Babylonien , na 't ge- 
voelen van Calvinur \ of nader aan de Per/i- 
fche Golf in Babylonien , na de gedachten van 
(c)Huetius: Alhoewel, zegge ik, zulks voor 
ons altyd onbekent zal zyn, is ons echter aan 
de kennifle dezer Landen, Bergen en Vloe- 
den ten hooglten gelegen , in het onderzoek 
van deKenniffe , dewelke de aaloude Hebreërs 
en haare Voorzaaten gehad hebben van de 
Natuurlyke Hiftorien , Wetenfchappen , Kon- 
ften, Handwerken, en van de Natuurlyke 
Gg 4 Zaa- 

(4) Ziet Tabula V. [b) Zier Tabula V. [e) Ziet Tabula V. 



470 Natuur- en Konft-Kabinet , 
Zaaken , en byzonder van het Water, 
daar ik nu van fpreeke. 

77- 
Ik hebbe voor dezen getoont, hoe algemeen 
de Rivier de Euphratf.S by de aaloude 
Hebreërs bekent was , en gelooft ook dit 
zelfde , aandachtige Lezer , van de groote Ri- 
vier de Tigris , gelyk veele Schriftuur- 
plaatzen bewyzen, behalven dat ook deLan- 
den, daar zy haar oorfprong hebben endoor- 
fpoelen, by na overal in de Schriftuur ge- 
melt worden. Dit is dereden, datiktotop- 
heldering van de natuurlyke Hiftorikundevan 
het Water, by de aaloude Hebre'érs en 
haar eerfte Voorzaaten,by deze Vloeden in haar 
oorfprong zal opklimmen, en een klaarder 
.ontwerp van Armgnïe enz. geven. 

78. 

Wy hebben al zeer veel reden, om Ar- 
menien boven alle de Landen des Aardryks 
te achten. 1. Omdat het zeer waarfchyn- 
lyk is , dat Godt Adam en Eva daar eerft 
gefchapen heeft , en in het Paradys geftelt ; 
want het Paradys was aan de oorfprong der 
vier Rivieren. Als.wy nu maar eene Rivier 
van de vier onfeilbaar en zekerlyk weeten , heb- 
ben wyeenklaare kenniffè, dat aan deszelfs 
oorfprong het Paradys is geweeft;maar wyzyn 
overtuigt (en niemam in de wereld durft zulks 
ontkennen ) in de kennifle van eene Rivier, 
te weten de Phrath, zyndeouwelingsen 

zelfs 



Mey en Juny 1719. 471 

zelfs noch hedendaags de naam van de Eu- 
phrates; op welke plaats volgens dit bewysftuk 
het Paradys dan ten minften mede moet ge- 
weeft zy n , laat ik aan het oordeel van de recht- 
zinnige Lezer. 

79- 
De tweede Reden, waarom de kennilTe 

van Armenië by ons hooglyk getracht moet 
worden,' is, dat het aan Godt na de zond- 
vloed behaagde, dit Land boven alle te ver- 
kiezen, om de Wereld wederom te bevol- 
ken. Als ook, dat de eerfte Godsdienft door 
Noach in dit Land is verricht, (a) Ende de 
Arke rujlede in de zevende maand, op den ze- 
ventienden dag der maand , op de bergen van 
Ar ar at. - . 'linde Noacb bouwde den HEERE 
eenen Altaar , en de offerde brandofferen opdien 
altaar. Ik zal my niet ophouden met te be- 
wyzen , dat het woord Ararat Arme- 
nien is , en de Bergen van Ararat de Taurus 
is, dewelke Armenien verfcheidentlyk door- 
kruift, dewyl zulks van andere genoeg bewe- 
zen is, en getoont, dat de Arke heeft moe- 
ten ruften op de hoogfte Berg, dewelke on- 
der die grouwzaame hooge takken van den 
Taurits , die de Cafpifche Bergen genaamt 
worden, boven alle andere uitftak, zynde de- 
ze Cafpifche Bergen een fcheiding tuflehen Ar- 
menien en Meden. 

80. 

Geheel Armenië word gedeelt in groot en 
klein Armenië, en word door de beruchte 
Vloed Euphrates gefcheiden. 

Gg s Groot 

(a) Genejii VIII. 4. en vers 20. 



472. Natuur- en Konfl- Kabinet , 

Groot Armenië is tegenswoordig ( volgens 
{a) Pbilippus Cluverius ) in drie deelen 
verdeelt ; namentlyk in Turcomania, 
in P o p u l , en in Curdistan. Aan 
de noordzyde word Groot Armenien ge- 
fcheiden door de Mofchifcbe Bergen van Col- 
chis en van Iberien, en door de Rivier Cyrus 
van Albanië ; in 't Ooflen daar heeft groot Ar- 
menië de Cafpifche Zee en de Cafpifche Ber- 
gen ; in 't Zuiden vertoont xich een groote 
regel Bergen , die aldaar de naam van de 
Taurus behouden , door de welke Armenien 
van Mefopotam\en word afgefcheiden ; en 
noch een andere Regel van de Taurus on- 
der de naam van de Niphates , door dewel- 
ke Armenien mede in 't Zuiden van Affyrien 
gefcheiden word ; in 't Weften word groot 
Armenien van klein Armenien afgefcheiden, 
en groot Armenien word als midden doorge- 
kloofc van een Tak van de Taurus, dewelke 
de Tegentaurus word genaamt. Klein Ar- 
menië , 't welk nu Pegian en Bosoch 
genaamt word, is aan de ooftzyde, daar de 
Vloed Euphrates , van groot Armenien ge- 
fcheiden , in 't Zuiden word befloten van den 
Berg Amanus. In 't Wellen en in 't Noor- 
den word klein Armenien ingefloten van de 
Bergen Sordifcus , en word klein Armenien 
insgelyks doorklooft door de Tegentaurus. 
81. 
Om nu wederom tot de Vloeden te koo- 
men , dewelke zommige Geleerde meenen 

voort 

[a) Vid. Introduit", in univerfam Geographiam &e. 



Mey en Juny 171 p. 473 

voort te koomen uit de Stantplaats van het 
Paradys, is onder andere de Vloed Araxes, 
dewelke een oud Schryver zonder naam in 
zyn Befchryving van Afia oordeelt de Gi« 
ho n van Mofes te zyn , en is in dit gevoe- 
len nagevolgt, door devoortreffelyke//Wr/<»- 
nus Reland; de voortgangen van deze Vloed 
heb ik befchreven. Deze Vloed Araxes gaat 
zeer zacht en langzaam door de breede Vel- 
den, en vlakke en zommige ondiepe gron- 
den van Armemen ; deszelfs Wateren be- 
weegen zich op die Plaatzen enwydeBoor* 
den zo zacht , dat de Befchouwer dikwils 
niet kan ontdekken, waar henen de zelve 
worden bewogen , maar daar ze fteenachtige 
klippen en gronden overftroomen, en door 
de rotzen vernaauwt worden in naaren loop , 
maaken ze meer fnelheid , en menigmaal veel 
gedruis en geraas, gelyk in PtolomxHs , Pom- 
■ponius Mela, Pl'mius , en een Befchryving 
van Afia door een onbekend Schryver , te 
zien is. Hedendaags word de Araxes in Ar- 
menië» en by de Turken Arr'as genaamt; 
en de Schryvers roemen elk om 't zeerfl 
deze vermaarde Vloed Araxes , zo om de 
helderheid en zuiverheid van deszelfs water , 
als om de vruchtbaarheid , dewelke hy me- 
de deelt aan de, landen in dat gedeelte van 
Armenien, dewelke hy tot aan dzCafpifche 
Zee bevochtigt, terwyl deszelfs Boorden al- 
lezins bekroont zyn met klaareenlommerry- 
ke Boomen en Boifchen , zomtyds met zeer 
vruchtbaarc en met bollenen bekranfte ber- 
gen. 

Stra- 



474 Natuur- en Konfl-Kabinet , 

82. 
Strabo (a) heeft zeer naauwkeurig van Ar- 
menien gefchreven , en beveiligt , dat de Vel- 
den en Landeryen , en Boorden van den A- 
raxes de vruchtbaarfte en aangenaamfte 
van geheel Armenien zyn. Ik zal nu noch 
niet eens melden van de fchoone Steden en 
Plaatzen , dewelke ouwelings aan deszelfs 
Randen gevonden wierden. De Landen door 
Armenien , en voornamentlyk langs deAraxes, 
worden hedendaags gereift met Caravanen ; 
want dewyl Armenien een gedurig Theater 
van den Oorlog is gcweeft tuïlchen de Tur- 
ken en Perlianen , legt Armenien deerlyk ver- 
woeft , wordende de Steden en Plaatzen meeft 
bewoont van Turken, onder wiens geweld 
Armenien meeft geheel is ; als ook van eeni- 
ge Oude Armenische Familien , en Armcni- 
fche Kooplieden en Geeftelyke, dat alle Ar- 
menische Chriftenen zyn ; maar het Land en 
het grouwzaame Gebergte word bewoont 
van Kurden , die Herders zyn onder ten- 
ten, dewelke van geitehair gemaakt worden, 
daar deze lieden onder leven, en met haar 
vee van de eene plaats op de andere gaan wei- 
den. 

Het geheele Land van Armenien word zeer 
gekwelt door de rovende Arabieren, dewelke 
gewoon zyn door te dringen in alle verwoe- 
fte of verlate Landen, om de Inwoonderste 
kwellen , de Reizigers te berooven , haar eigen 
vee te hoeden, en haar zelvenmet de jacht te 

ver- 
fa) Vid. Strab» Geogr. de Armtnia.. 



Meyenjuny 1719- 47f 

vermaaken ; deze lieden moogen tegenwoor- 
dig mede wel voor Inwoonders van Arme- 
nten gehouden worden , daar ontelbaare fchuil- 
hoeken in de [groote wildernnTen, en onuit- 
fprekelyke groote en veelvuldige bergen haar 
gelegentheid toegeven. 

84. 
Ik heb in TabulaV. (hier achter bygevoegt) zj et ra- 
niet uitgedrukt alle deregels Bergen, dewelke bula F. 
mArmenien gevonden worden , noch ook alle 
deRivieren , dewelke van deze Bergen afftroo- 
men, als niet zeer tot myn oogmerk dienen- 
de; maar anderzins mag de Lezer wel ver- 
ftendigt worden , dat een groot getal Rivie- 
ren en Riviertjes zich hier en daar ter zyden 
in de Vloed Araxes ontladen. 

Jan Bapti/i van Tavernier , dewelke deze 
Landen boven alle andere Reizigers doorkruift 
heeft, verhaalt, dat de Bergen, daar heden- 
daags de Araxes uit voortkoomt, by de In- 
woonders de Berg Mingol genaamt word. 
Dit is een Berg, zegt hy, daar een groote 
menigte Bronnen uit voort koomen, en daar 
de Euphrates aan de andere zyde uit voort 
koomt ; de Ar ras, vervolgt hy, die van de 
Ouden Araxes genaamt wierd , heeft zyn 
oorïprong uit de Bergen aan de ooftzydevan 
die van Mingol, en ftroomt, na dat hy in 
veel bogten in Opper- Armenien omgeloopen 
heeft, daar hy van veel andere Rivieren ver- 
groot word , in de Cafpifche Zee. 

Dit 



476 Natuur- en Konft-Kabinet , 
86. ' 
Dit {a) geheele Land, het welk van de ri- 
vier Araxes , en van veele andere, die daar 
in ("hoornen, doorgefneden is, word byna 
van geen andere dan van Chriftenen bewoont. 
De Mahometanen , die daar in klein getal ge- 
vonden worden, zyn zo waangelovig , dat 
zy niet van 't water van eenige dezer Rivie- 
ren drinken, noch zich daar in wallenen, de- 
wyl zy dezelve onrein achten , omdat zydoor 
de Chriitenen gebruikt worden ; zy hebben 
putten en waterbakken voor hen in 't byzon- 
der. 

87- 
Tavemier verhaalt, dat deze Landen zelfs 

in het voorjaar, als in Maart en April, veel 
doordefneeuw bedekt worden, dat de Men- 
ichen, die hier doorreizen met de karavanen, ge- 
noodzaakt zyn haar aangezicht met rloerfe of 
2yde neusdoeken te bedekken, dewelke al- 
daar byzonderlyk toe gemaakt worden, om 
voor te koomen, dat haar oogen door de 
Iaftige fchemeringen van de alomlcggende 
fneeuw niet bedorven worden , dat ander- 
ïins dikwils gebturt. Uit deze aanmerking 
kan belloten worden, dat de Wateren van de 
Araxes veel voortgebragt worden van gefmol- 
ten fneeuw, het welk veel verfchilt van het 
Water, dat uit enkelde regens voortgebragt 
word, dewyl het fneeuw -water veel fcherper 
is, voornamentlyk in het voorjaar. 

De 



(a) Ziet TaverniersReizen door Perjien, eerde Boek 

tweede Hoofddeel. 



Mey en Juny 1719. 477 

88. 
De Bogten en Kromtens van de Araxes 
koomen op sommige plaatzenzokortopmal- 
kanderen , dat in de tweede dagreis van Ha/i- 
karkara, de Araxes , na de waarneming van Ta- 
vermer, driemaal doorgewaad word, en inde 
volgende dag , zegt hy , noch een maal ; be- 
halven dat de Reizigers zo menigmaal den 
Araxes moeten doorwaaden , vervolgt 
de karavane zeer lang haar weg langs de boor- 
den van de Araxes, wiens bergen zo wel als 
vlakke boorden- alom van veel arme Armeni- 
sche Chriftenen bewoont worden , hoewel 
door geheel Armenien noch een zeer groot ge- 
tal Chriftenen verfpreidt woonen, dewyl de 
Aartsvader of Patriarch van Armenië}} noch 
ïevenenveertig Aartsbiflchoppen onder zich 
heeft. Om een denkbeeld van groot Arme- 
nien mede te deelen, zo ten opzicht vandes- 
ielfs veelvuldige en zeer hooge Eergen, 
als deszelfs Vlaktens , Valeyen, Rotzen, Ri- 
vieren, Watervallen, Beeken en Kreeken, 
zegt de Heer Tavernier , dat Armenien zeer 
wel overeen koomt met het befte en vrucht- 
baarfte gedeelte van 't Land van Vaux in 
Zwitzerland. 

89. 
Plutarchus verhaalt, miynTrafiaat over 
de Vloeden, veel wonderen en oude vertel- 
lingen van dezen Araxes, als onder andere 
van het Kruid Araxes, het welk verflensen- 
de veel bloedt uitlaat, dat buiten twyfel de 
Mecrap of Rubia Tinélorum zal zyn, dewyl 
dezelve aan de Cafpifche Zee groeit: als ook van 

de 



478 Natuur- en Konjl-Kabinet , 
de zwarte fteen Shyomis , dewelke daar groeit, 
en daar zy ouwelings in die landen veel by- 
geloovigheid onder haar Offerhanden mede 
pleegden: alsook van een Boom, dewelke 
overvloedig aan de Boorden van de Araxes 
groeit, zeer gelyk met de Granaat-appel, en 
dewelke overvloediglyk van die Appelen voort- 
brengen. Dat nu dezen Araxes de Vloed 
Gihon van Mofes zoude zyn, oordeelt de 
Heer Reland. 1 . Omdat dezelve zyn oorfprong 
dicht by de oorfprong van dcEupbrates heeft. 
En 2. om dat aan deszelfs boorden óeCofjtei 
of Cu/pet gewoont hebben; en Mujes ver- 
haalt , dat de Vloed Gihon het geheele 
]and van Cus befproeide. Deze Cu(f<ei waren 
roofvogels, dewelke woonden en zich ont- 
hielden inde CuJJifche Bergen van Armenien , 
by de boorden van de Araxes , aan de kant 
van Meden, by de Cafpifche Zee, gelyk de 
Heer Reland aantoont uit Appianus. 
90. 
De tweede Rivier, dewelke eenige geleer- 
de Lieden oordeelen een van de vier Rivie- 
ren des Paradys te zyn , van Mofes befchre- 
ven , is de Pbafis, daar ik te voren van ge- 
fproken hebbe, en dewelke t.y oordeelen de 
Pbijon te zyn van Mofes; en Colcbis, daar 
de Pbafis, uit A rmenien vloeiende, doorftrykt 
tot in de zwarte Zee, het LaudfchapCbavila 
van Mofes. (a) Arrianus verhaalt van deze 
Rivier, uit eigen ondervinding, veelaanmer- 
kenswaardige zaaken. Van alle de Rivie- 
ren, zegt hy , dewelke my bekent zyn, is 

het 

{a) V\d- Arrianï Periplus Ponti Euxini. 



Mey en Juny 171 9. 479 

het -water van de Rivier Pbafis hetalderlicht- 
ite , en daarenboven zeer onderfcheiden en 
veranderlyk van koleur ; deszelfs lichtigheid 
(vervolgt hy) kan iemant door de weegfchaal 
(tegens ander water) beproeven , en zelfs 
ook daar in, dat hy het zelve (in de Zwarte 
Zee vloeyende) altyd zal zien boven dryven. 
Als iemant het water van de Rivier Phafis 
uit het oppervlak van de Vloed fchept, zal 
hy het zelve zeer zoet en verfch bevinden, 
maar byaldien hy door een water-emmer, het 
zelve van de grond des riviers weet uit te 
putten , zal hy het zelfde zout of ziltig be- 
vinden. Maar hier moet de Lezer aanmer- 
ken, dat Arrianus maar fpreekt van dat ge- 
deelte van de Vloed, het welke gemeenfchap 
met het water van de zwarte Zee heeft, en 
niet daar deze Vloed van de bergen 
valt , en door Armenïen en Colchls heen 
fchiet , dewyl deszelfs wateren aldaar zeer 
zoet zyn , en meelt van de gefmolte fneeuw 
geboren worden ; behalven dat zelfs het wa- 
ter van de zwarte Zee maar zeer middelma- 
tig zout is , en niet te vergelyken by de groo- 
te Zee, daar dezelve zyn wateren in ontlaft; 
alzo de zwarte Zee gedurig verzoet en als 
ververfcht word door de ontelbaare Rivie- 
ren, dewelke zich van de grouwzaame hoo- 
ge bergen van de naaftgelege Landfchappen 
in dezelve koomen te ontlaften. Tot een 
getuige van de zachtigheid, gezondheid en 
zoetigheid van het water van de Pont Êuxiu 
of zwarte Zee , verltrekt de dagelykze ge- 

H h woon- 



480 Natuur- en Konjl-Kabinet , 

woonte der gener , dewelke deszelfs boor- 
den bewoonen, dewyl dezelve dagelyks haar 
Vee uit deszelfs water met voordeel laten 
drinken, in 20 verre, dat zy deszelfs wate- 
ren veel gezonder voor 't vee bevinden , als 
zelfs het volkomen verfch en zoet rivier- 
water. 

91. 

De koleur van het water van de Phafis is, 
als of het over loodt of tin gcftaan hadde , 
hoewel echter het zelve door de tyd zyn 
droezem laat vallen , wanneer het ftil ftaat 
en klaar word. Het water van de Pbafis 
is zeer beftendig tegens de bederving, en kan 
zeer lange jaaren duuren, zonder te ftinken 
of te verrotten , het welk een kragtig bewys 
is, dat het water van de Phafis fneeuw- wa- 
ter is, van het welke een iegelyk kan on- 
dervinden, dat het zelve zeer Ihantvaih'g te- 
gens de verrotting ftaat. 
92 

De waarfchynlykheden , door dewelke de 
zeer geleerde Heer Reland,en noch een («) 
Schryver voor hem , bewogen zyn om te 
oordeelen , dat deze Rivier Pbafis de Ph'tfon 
van Mofesis, zyn. r. Deovereenkomftvan dz 
naam Phafis en Ph'tfon. 2. Deszelfs oor- 
fprong koomende uit groot Armênicn , en 
aldernaaft by de oorfprong van de Eu^hrates, 
aan welkers oorfprong niemant twyfelt, dat 
Mof es het Paradysgeftelt heeft. 3. De over- 
een - 

(a) Vtd. Af* nova defcriptio Anonymi. Tarifïis 
1656, in Folio Lib. 4. Cap. 16. 



Mey en Juny 1719. 481 

ecnkomft van de naam Colchis en Chavila. 
4 De melding der drie natuurlyke zamen- 
ftremzels of zaaken , dewelke Mofes gedaan 
heeft, namentlyk het Goud en deszelfs aard, 
dat het goed was: endede Bedola: endefteen 
Sardonix , volgens de meermaal aangehaalde 
woorden van Mo/es. (a) De naam der eerfte 
Riviere is PIS ON (of Phifon : ) deze is 
het die het ganfche land van H AVIL A om- 
loopt, daar het GOUD is: En de het GOUD 
dezes lands is goed: daar is ook B EDO L A t 
e» defteen SARDO NIX, 

93- 
Ik heb in het Natuur- en Konft-Kabinet 

van de Maanden Maart en April 1719. pag. 
267. uit het elfde Boek van Strabo ( behalven 
dat ik noch van de Goudrykheid van Colchis 
uit Plinius en andere elders gezegt hebbe ) al 
aangetoont, dat deMaJJageten en Sarmaten, 
dewelke aan de zwarte Zee en aan het Maeo- 
tis meir woonden , overryk van goud waren : 
als ook pag. 274 en 275-. in het zelfde Kabi- 
net uit de zelve oude Strabo, dat de Fabel 
van Jafon , dewelke het gulde vlies van Colchis 
haalde!, verziert is , omdat de oude Scythen 
of nu Tarters, dewelke omtrent het Land- 
ïchap van Colchis , teweten tuffchen de 
Zwarte Zee en de Cafpifche Zee woonden, 
overvloeiden in rykdommen van goud, het 
welke zy in doorgeboorde en met gaten ge- 
werkte tafels, en daar overgefpanne vellen 7* 
uit de gpudryke Rivieren , dewelke door haa.-: 
re Landen vloeiden , vifchten; welk goud Ja* 
Hh 2 feu 

[a) Ziet Genefis II: vers 11. en 13. 



481 Natuur- en Konfl- Kabinet , 

fon met zyn vloot als een roof van daar heeft 
weggehaalt. Die. nu ervaren is in de aaloude 
Schryvers , zal wel weeten , dat deze Rivier 
Phasis ouwelings wegens de reistogt van 
Jafon vermaart is geweeft, het welk niet wei- 
nig geloof zoude byzetten aan de onderftel- 
ling van de Heer Reland , voornamentlyk als 
wy aan, de Heer Reland toeftaan, dat ten ty- 
de van JMofes de noorderlyker gewcfren van 
Afia, boven Colchis en deP£.-7/u,ennochveel 
minder de Europifche Landen , dewelke daar 
aan volgen , zeer weinig bekent waren : dat 
wy dierhalven voor 't Land Chavila van Mo- 
fes niet gehouden zyn, om daar alleen voor te 
neemen Colchis als Colchis, maar zelfs wel 
eenige deelcn van oud Scythie of Tartarie 
daar aan grenzende; en andere Landen, als 
in dien tyd onder haar verfcheide verdeeling 
van Landfchappen , en byzondere Volkeren en 
Koningryken noch niet bekent , behalven dat 
de aaloude Scythen zelfs eerft haar oorfprong 
hebben genomen i n die Land-engtens en Ber- 
gen tuffchen de Cafpifche en Zwarte Zee , of 
liever tuflchen de Rivieren Akaxes en Pha- 
SIS ; dus fpreekt {a) Diodorus Siculus. De- 
ze SCTTIJEN bezaten in V begin maar een 
gering Landfchap , maar naderhand vermeer- 
dert door heldhaftigheid en vermogen, hehbeu zy 
véele Landfchappen in haar geweld gekregen , 
en zyn tot groot vermogen en roemruchtigheid 
opgeklommen. Want ouwelings weinig in ge- 
tal zynde- , en om haar geringheid veracht , 

woon- 

fa) Vid.DiodoriSiculiLib.il. 43. &Hadr.ReIandi 
DiJJertatio de Paradifo. 



Mey en Juny 1719. 485 

woonde» zy aan de B oor den van de Vloed 
Araxes. 

94. 
Als nu de Bedola of Bedolach , daar Mofes 
van melt, dat in het Landfchap Chavila valt, 
het Kriftalis, gelykdeHeer./?<?/d»^cordeelt ; 
en de Schoham, die in onze Bybel Sardonïx 
vertaalt word, de fteen Smaragdus is, zoude 
de Heer Reland zeer fraaie bewysftukken hier 
uit verkrygen , dat Chavila Colchis is, ende 
de Phajisde Phifon van Mofes: want wat het 
Kriftal belangt, het is bekent, dat het zelfde 
nergens beter gevonden word , als in de zeer 
koude en met fneeuw omgorde Bergen van 
den 'Taurxs , te weten de Caucafus , naafte buur- 
man van Colchis , de Zwarte Zee, en de 
Cafpifche Zee; ja zelfs de Rivier Thermo- 
don, die zich in de Zwarte Zee niet ver 
van de Phafis ontlalt, is door zyn overvloed 
van Kriftal vermaart. 

Qf- 
Al s nu de fteen Schoham van Mofe's de 

groene en edele fteen Smaragdus is, na de 
gedachten van de Heer Reland, zoude niets zo 
licht en gemakkelyk zyn, alstebewyzen , dat 
deze in 't Land van Colchis of Scythie gevon- 
den word, dusfpreekt Plinius by de Heer Re- 
land. De befte en fchoonfte Smaragden zyn 
die van Scythie, daarom ook de Scythifche ge- 
naamt , en zo veel als de Smaragden van de 
andere gefteentens verfcheelen , gaat de Scy- 
thifche Smaragd de andere Smaragden te bo- 
ven. Solinus zegt op de volgende wys by dezelve 
Heer Reland: Dit (Afiatifcü Scythie) is het 
Hh 3 Vader- 



4.84 Natuur- en Konfi-Kabinet , 
f/aderland van de Smaragden : want niet te- 
genftaunde de Smaragden van Egypten, Chal- 
cedonie, Meden enz. is de groot ft e eer aan de 
Scythifche Smaragden. Ik zal hier van afgaan , 
dewyl die by een iegelyk bekent is. 
96. 
De Rivier Pbafis, het Land van Co'cbis , 
en de Zwarte Zee, ja zelfs geheel opper Ar- 
menie a is aan de hcdendaagze Europifche 
Wereld zeer weinig bekent, dewyl dezelve 
bewoont worden van zeer ongecivilifeerde of 
ongeleerde, en onkundige menfehen, als Tur- 
ken , Tartaren, Mofcoviters , Cofakken , Cir- 
cajjiers , hooge Polakken , arme Armeniers , 
Mingreliers , en ook alderhande Arabifche en 
andere roovers enz. het welk de gemeen- 
fchap zeer belet, en zeer weinig Reizigers de- 
ze landen naauwkeuiïg durven gaanbefchou- 
wen ; anderzins ( zegt de Ridder Chardin in 
zyne Reizen door de Zwarte Zee, Colchis 
of Mtngrelie ) dat nergens korter weg te vin- 
den is van Conftantinopolen op Perfien, als 
over de Zwarte Zee op Colchis door Arme- 
nien op Perfien , in welk geval gevaren word 
in drie a vier dagen van Conftantinopolen met 
eenzaike op de vermaarde Stad Qaffa over de 
Zwarte Zee, dewelke legt op het byna-Eiland 
de Krim t het welk van de Krimfche Tarta- 
ren bewoont word; en wederom van de Stad 
Caffa de Zwarte Zee over tot op Colchis of 
Mingrelie , daar de Phafis in de Zwarte Zee 
valt. Deze vaart gefchiet langs de boorden 
van de Zee , daar gedurig geankert word , en 
wederzyds met de wapens in de hand met 

deze 



Mey en Juny 171 9. 485* 

deze woede menfchen gehandelt, dewyl dit 
Volk nooit betrouwr kan worden, als onder 
Oftagiers zo van de Schepen als van 't Land. 
Deze menfchen zyn eerft Chriftenen geweeft , 
maar hebben nu geen andere Godsdienïi, als ee-» 
nige Ceremoniën van de Chriftenen en Tur- 
ken haareBuuren. De eerfte Haven , daar de 
Turkfche Koopfchepen aankoomen van Con- 
Jlantinopolen op Colchis of Mingrelien , word 
Isgaour (a) genaamt : de Rivier de Phasis 
in Mingrelien word van de Turken heden- 
daags de Fachs genaamt , en van de Min- 
gr citers Rione. 

97- 
Het Land van Colchis, daar de Rivier Pha- 
fis is, word zeer Water- en Rivier-ryk gevon- 
den, vol heuvelen, bergen en valeyen, en 
geheel byna bedekt met bofchadien , teer nat , 
waterachtig en ongezond ; daar worden wei- 
nig menfchen boven de 6cjaar gevonden ; en 
in geheel Mingrelien of Colchis Stad noch 
Dorp, als twee Flaatzen aan de Zwarte Zee, 
en dat in een Land, het welk over de hon- 
dert mylen lang, en over de zeftig breed is» 
maar de huyzen en hutten ftaan in Mlngreüe 
verfpreidt, zo dat iemant naauwlyks duizend 
voetftappen kan gaan , zonder twee of drie 
huizen te ontmoeten. Colchis is hedendaags 
weinig bevolkt, en heeft niet boven de twin- 
tig duizend inwoonders, dewyl zeer veel door 
den oorlog van haare Nabuuren omgebragt 
2yn. 

Hh 4 Na 

(<*) Ziet Voyage de Menfr. U Chevalitr Chardi» , 
de Paris a Ifpahan , Terne f rentier. 



48 6 Natuur- en Konft- Kabinet , 

98. 

Na dat wy een weinig van de Eigenfchap- 
pen en Hoedanigheden onderzocht hebben van 
de twee beroemde Rivieren (na 't gevoelen 
eeniger zeer geleerde Mannen ) de P h i s o n 
of Phasis, en de Gihon of de Araxes; 
en nadatikeen • ;uwe fchetsvandeoorfprong 
en voortvloeying van de Euphkates of 
Rivier Phrath, endeTiGRis of Hiddekel 
van Mo fes heb mede gedeelt , zal ik noch eenige 
Eigenfchappen van de groote Watervloeden, de 
Euphrates en 7igrh, aanmerken. 
99. 

Plutarchus verhaalt in zyn Boekje van de 
Vloeden, dat in de Eupbrates een lteen groeit, 
by de oude As Ti ges genaamt , dewelke de 
vroedvrouwen de moeyelyk'baarende Vrou- 
wen ouwelings op de navel leiden : dat in de 
Euphrates een Kruid groeit , het welke Exal- 
la genaamt wierd, het welk de menfchen, 
die aan de vierdendaagze koorts waren , 
op de borft gelegt wierd : dat by de Euphra- 
tes de Berg ürimyllus geplaatft ftaat, in wel- 
ke Berg de edele Heen Sardonix groeit , 
dewelke de Koningen onder haare Koningly- 
ke Cieraaden gebruikten , en dewelke in warm 
water gelegt zynde, veel dienft voor zwakke 
oogen dede. 

100. 

De Rivier Tigris, dewelke van meeft alle 
Schry vers gehouden word om veel redenen, 
( dewelke ik om myn kort beftek niet zal by 
brengen) voor de Hiddekel van Mofes , heeft 
ïyn naamomdefnelheidvanzynloop; dezel- 
ve 



Mey en Juny 171 9. 487 

ve is niet zo groot als de Eziphrates , maar 
heeft echter een grooten roem, en dezelve 
zal na dezen zo wel als de Euphrates ons (tof 
genoeg geven , om van dezelve breeder te 
fpreeken. 

Vierde verhandeling van het GOUD, 
waar in de hedendaagse Kennijffe en 
Wetenfchappen des Gouds , en der Goud' 
wijnen van Europa , Afia en Africa ver- 
toont worden , benevens een beginzel en 
inleiding tot het Bergwerkers Ambacht. 

1. 

IN de (a) eerde Verhandeling van het Goud, 
heb ik dcKennifle, dewelke de aaloude van 
het Goud hebben gehad, aangetoont. In de 
tweede Verhandeling van het Goud , heb i k ge- 
handelt van de (b) Goudmynen van America. 
In de (V) derde Verhandeling van het Goud 
word hetBladgoud-flagersAmbacht naauwkeu- 
rig befchreven. Maar opdat myn Natuur- en 
Konft-onderzoekendeLezereenryk denkbeeld 
en uitgeftrekte Kennilfe van het Goud mag ver- 
krygen, zal ik in deze vierde Verhandeling 
van her Goud zaaken verhaalen, dewelke de 
Lezer hooger en nader tot de kenniiïe des 
Hh 5- Gouds 

(a) Ziet Natuur- en Konft-Kabiner , Maart en A- 
pril 1719. van pag. 2^4 tot pag. 288. 

b) Ziet Natuur- en Konft. Kabinet , Maart en A- 
pril 1719. van pag. 288 tot 338. 

(fj Ziet Natuur- en Kond-Kabinet, Maart en A- 
pril 1719. van pag. 338 tot 352. 



488 Natuur- en Konft- Kabinet , 

Gouds lullen opleiden, als devoorige Ver- 
handelingen. 

2.. 
Ik heb voor dezen aan den Lezer getoont, 
dat de Erts of de Goudfteen , daar het Goud 
meed altyd meer of min als onzichtbaar door 
en door vermengt in groeit, gemeenlyk in de 
Goudmy nen der aaloude Egyptenaaren , Span- 
jaarden , en zelfs hedendaagze Amerïkaanen , 
zeer hard en onbewerkzaam was, behalven 
dat noch de rotzen en bergen , daar deze 
Goud-erts aders- en taks-gewys doorloopt , 
dikwils enkeld vuurfteen , of van het alder- 
hardlte marmer is; en dat zulks de reden is, 
waarom met zo weinig voordeel zelfs in de 
ryke Goudbergen gewerkt word, en waarom 
het meefte Goud door Goud-viïTcheryen en 
Goud-waiTchery en uitgemeubelt word. 

3- 
Behalven deze zaaken mag de Lezer wel 

gelooven, dat de grond, daar het Goud-erts 
in groeit, echter zeer ongelyk in zachtigheid 
of hardigheid gevonden word , en dat de 
Goud-erts of Goud-neen zelfs .veel van zelf- 
ftandigheid en byftofren ve'rlcheelt ; als by 
voorbeeld : wanneer het Goud gevonden word 
in de Orientaalfche Lapis Lazuli of Oofter- 
fche Lazuurfleen, dewelke in de Goudmy- 
nen in Indien, en zelt's op veel plaatzen van 
hoog Egypten gevonden word. Deze La- 
zuurneen is een Heen van een fchoone hemels- 
blauwe koleur , door dewelke zeer veel punt- 
jes, ftipjes en adertjes goud heen zwieren. 
De Lezer kan wel begrypen, dat de Goud- 
fteen 



Mey en Juny 171 o. 48.9 

iïeen van die natuur dubbeld voordeeligmoet 
zyn ; want behalven dat dezelve goud uitle- 
vert , dient het geheele overlchot van de Steen , 
dat geen goud is , om van het zelve te berei- 
den de zeer koftelyke blauwe verforfchilders 
koleur, dewelke Ultramarin genaamt word, 
en van dewelke ik naauwkeuriger zal hande- 
len, als ik van de natuur en eigenfehappen van 
deLazuurfteenfchryve. Het (a) gebeurt zelfs 
menigmaal, dat het Goud zuiver indeMynen 
gevonden word, het welk ook zomtyds plaats 
heeft in het zilver , dog zeer zelden , en zeer dik- 
vvils in het Koper, en noch meermaal in het 
Kwikzilver,maar zeer raar omtrept het Yzer,en 
byna nooit omtrent het Tin en Loodt. Buiten 
het zuivere Goud word ookdeBerg-ertsvoor 
de rykfte gehouden van Goud , die een groe- 
ne koleur in een geele grond heeft, ofdewel- 
ke geel is, of purper, en zwart onder geel; 
of ook wel de Goud-erts, dewelke van bui- 
ten een roode, en van binnen een goudglan- 
zige koleur vertoont : zodanige goud-fteenen 
zyn dikwilszoryk, dat zy meer gewicht Goud 
als (teen uitleveren; zelfs mag de Goud-erts 
voor zeer ryk geacht worden, als in hondert 
ponden goud-erts noch maar drie oneen zui- 
ver goud gevonden worden, om dat het Goud 
in waarde zo ongemeen by de andere Metalen 
overhaalt. 

4- 
Zelfs word het Goud dikwils gevonden in 

een zeer mollige en zachte aarde, en zulks 

70 wel op plaatzen , de welke natuurlyk altyd 

nat 

(tf) Fid. Georg. Jgrictla de Re Metallica, Lib. V. 



49° Natuur- en Konjl- Kabinet , 

nat en flikkerig zyn , als in drooge aarde op 
drooge plaatzen , voornamentlyk in graauwe 
aarde , die zich als uitgebrande Cup ut mortuum 
vertoont. Nu dient de Lezer in dit geval 
aan te merken , dat het Goud in deze aar- 
de niet gevonden word op de wys als in de 
gronden en zanden der Rivier , daar het 
zand- en korrel- en erts-gewys ingewikkelt 
legt, onder de kley- modder- of zand-gron- 
den, maar deze aarde is als het Goud-mineraal 
zelfs, daar het Goud uitgekookt moet wor- 
den, en het goud is als wezens-gewys met 
dezelve verenigt. 

f- 

Gelyk ik verhaalt hebbe, dat het Goud in 

de Lazuurfteen gevonden word , gebeurt het 
ook dik wils, dat de Chryfocolla of de rau- 
we Borax met goud is bevrucht, als ook de 
Aurip'igment of het Konings geel en de San- 
derac , zeer menigmaal meerder of minder 
zuiver , word ook het Goud gevonden in de 
key-fteen van verfcheidefoort , indeley-fteen 
of blaauwe leyen, en eindelyk Fn de vuur- 
fteen van alderhande koleur; hoewel in de 
vuur-fteen zeer zelden en ook zeer weinig 
goud gevonden word. Zomtyds word zelfs 
in de Iteenige of zand!ïeenige5a£/?a»//> van het 
marmer- (teen een weinig goud gevonden, maar 
deze (kenen zyn gewoonlyk in da rotzen of 
bergen, daar het goud in zyn eigen goud-erts 
aders-gewys in groeit. 

6. 
Wanneer het Goud- of Zilver-erts in het 

ope- 



Meyenjuny 1719. 401 

openen van een Myn eerft ontdekt word, 
is het eerlte werk om te beproeven het rechte 
gehalte der nieuwelyks ontdekte Erts, dat is. 
1. Deszelfs waardy in goud of zilver, of an- 
der metaal. 2. De hoeveelheid van deszelfs 
goud, zilver of ander metaal, ten opzicht van 
de hoeveelheid van het onnutte en verwerpe- 
lyke. 3. De Aloy van het metaal, het zy 
goud, zilver enz., dewyl na de verfcheide 
Landen en Plaatzen , en Mynen , daar het 
goud uit gehaalt word, deszelfs waardy en 
aloy ongeloofiyk verfcheelt, te weten, als het 
al ten uiterften gezuivert is. 4. Met welke 
andere Metalen de Goud-erts gemengt en ver- 
enigt is , namentlyk of met zilver , of met koper, 
dat meelt altyd gebeurt, of met andere Metalen. 

5. De Waardy van de andere Metalen , dewel- 
ke te gelyk in dezelve Erts gevonden worden. 

6. Welke foorten van Steen of Stof buitenen 
behalven deze Metalen in de Erts gevonden 

- worden, en waar dezelve dienftig toezyn, als 
by voorbeeld tot VerfftofFen,totpotte-of fteenj- 
jesbakkeryen , tot verfcheide Ambachten en 
Handwerken enz. benevens veel heerlyke en 
vruchtbaare waarnemingen, dewelke alle met 
de uiterfle naauwkeurigheid en oplettentheid 
befchreven zyn in verfcheide Boeken , uitgege- 
ven van verfcheide geleerde Duitfchers, onder 
andere van de beroemde Georgius Agricola y 
en wel voornamentlyk van Lazarus va»Erker t 
dewelke boven alle andere, die voor hem zyn, 
naauwkeurigover deze Proef konft derErtzen 
gefchreven heeft i mitsgaders de naauwkeuri- 



49 2, Natuur- en Konji-Kabinet , 

ge en zeer voortreffelyke (a) 'Job. Rudolpb. 

Glauberus. 

7- 
Ik moet , terwyl ik hier van deze Probeer- 

konft fpreek, een overweging en Opinie van 
veel Geleerde Metaalk'undige aan den L.zer 
mede deelen. Veele van deze Mannen zyn van 
gevoelen, dat de Metalen alleenlyk maar in 
meerder of minder rypheid van malkanderen 
verfcheelen , en dat het Goud het rypfle en 
volkomenft gekookte Metaal van alle de 
Metalen is ; dat ook het onderfcheid van meer- 
der of minder Aloy tuflehen Goud en Goud 
alleenlyk in meerder volmaaktheid en rypheid 
beftaat ; mitsgaders dat in allede andere on- 
volkome Metalen, (als Loodt, Tin, Yzer, 
Koper, Kwikzilver) Gouden Zilver als in 
opgefloten legt, dat is: dat het rypfte, zui- 
verde en volkomenfte wezen dezer onvolko- 
me Metalen enigzins nader aan 't goud of zilver 
helt , als aan het groove en onvolkomen wezen 
des metaals , waar van't zelve (na haar mening) 
als de ziel zoude zyn. Ik zal nu niet verder 
toonen, waar dit gevoelen heen wil leiden, 
noch ook , dat het zelve geboren is uit een 
afgetrokke denkbeeld en de redenering van 
overgang tot gelyk, dog ik zal hier maar in 
bedenking geven , of dit niet noch een gebrek- 
kelykheid aan de proefkünde der Metaal-crt- 
zen en Metalen influit ? Waar noch by koomt , 

dat 

(a\ Ziet zyn <p()i(öfopt)ifc()Ct: Ocfal Wtttiï 

tïjcü (Sap. 1 1. 



Mey en Juny 1719. 493 

dat de Proef door de Capel dan ook niet door 
zoude gaan. 

o. 

Het afdryven der onreine Metalen , door 
behulp van het loodt, het welk door de Capel 
gefchiet , is wel by deBergwerkers het alder- 
gemeenfte, om het zilver en goud te doen 
ftaan en te zuiveren , maar behal ven dezen om- 
dag kan iemant in zeer korten tyd ontdekken, 
welke foort van Metaal in zyn Erts gevon- 
den word. Neemt (a) by voorbeeld van uw 
ruuwe Berg-aarde of Erts 1 of 2 greintjes zeer 
fyn gel'loten en gewreven, mitsgaders van het 
zuiverife doorfchynenfte Venetiaanfch of En- 
gelfch glas een loodt insgelyks klein gewre- 
ven ; mengt deze beide poeders zeer wel on- 
der malkander, en fmelt het zelve in een toe- 
gefloten fmelt-kroesje in de fmelt-oven ; als 
gy de gefmolteftofuitde*fmeltkroesgiet, zult 
gy ontdekken, dat het glas alle de Berg-aar- 
de of Berg-ertsna zich heeft genomen , en als 
verzwojgen en ontbonden heeft. 

9- 
Het glas op deze wys met Berg- erts vere- 
nigt, zal koud geworden zynde een geheel an- 
dere koleur hebben aangenomen, en uit deze 
koleur kan een kender van deze zaaken date- 
lykweèten, welke foort van Metaal in deze 
Erts of Berg-aarde opgefloteu legt , dewyl 
elk byzonder Metaal met glas ingefmolten en 
verenigt zynde, ook aan het zelve zyn byzr an- 
dere 

00 Ziet J. R. Gltmber ^tfofty$t$# £>C< 



494 Natuur- en Konft-Kabinet , 

dere koleur uitreikt, het welk overvloedig be- 
kent is by de Toebereiders van het Am.ius of 
het Amolieer-glas, of loth-of fmelt-glas, dat 
van glas , en van tin- en loodt-afch gemaakt 
word, en na zulks de werkmeefler behaagt, 
door 't byvoegen van eenige greintjes van het 
eene of 't andere Metaal , hetzyyzer, zilver, 
koper, enz. ook gekoleurt word. 

Door deze Proef kan iemantdatelyk te voo- 
ren ontdekken, welk Metaal in de Erts be- 
flotcn is, en of hy het de moeite waardig oor- 
deelt, r>m de proef door de Capel aan te leg- 
gen, of met loodt, zoals zulks genaamt word» 
en na dezen befchrevcn zal worden, de onrei- 
ne Metalen van het goud en zilver af te dry- 
ven. Voorwaar deze voorproef word dikwils 
zeer nodig by de Bergmeelters geoordee't, om- 
trent het beproeven ön het onderzoeken der 
afgelegenfte Mineralen of wilde Berg-ertzen, 
zo als dezelve by de Liefhebbers genaamt wor- 
den : gelyk by voorbeeld deBloed-fteen of La- 
pis Hxmatitis , de rouwe Granaat , de 
Schmirgel , de zwarte of rode talk enz. die 
zomtyas (na't fchryven vanzommige) goud 
of zilver ïn houden konnen, en dikwils ver- 
worpen worden , om haar onmengbaarheid 
met liet ioodt, en cerhalven niet door de Ca- 
pel konnen geprobeert worden. Deze en vee- 
]e andere Berg-ertzen, zeggeik, dewelkean- 
ders als onnutte zaaken dikwils weggewor- 
pen worden, konnen beproeft en getoetlt 
worden met de vereniging, en infmelting, 
en verwing van het glas. 

Als 



Mey en Juny IJ19. 49? 

1 1. 
A Is nu het glas met een weinigje Erts of Berg- 
narde, of Berg- of Metaal fteen gefmolten en 
vermengt is, zal het een meer-groene koleur 
aanneemen van de Berg-erts, wanneer dezel- 
ve koper in zich behelït ; maar byaldien het 
glas een gras-groene koleur aanneemt , zulks 
is een teken , dat deze Erts beftaat uit koper 
en yzer. Byaldien het glas door de vermeng- 
de erts roeflig-geel van koleur word , is de 
Myn meeft van yzer ; verkrygt het een zeer 
bleek-geele koleur, is de erts meelt beladen 
met tin ; als het glas hoog goud-geel of ro- 
byn-rood gekoleurt word door de ingefmolte 
greintjes Erts, is zulks een teken van zilver: 
verkrygt het glas een fchoone blauwe of fap- 
phir koleur, is zulks een teken van goud: 
wanneer het glas een koleur van eenfmaragd 
verkrygt, is zulks een teken, dat beide goud 
en zilver in de Berg-erts huisveft : maar wan- 
neer het glas door de ingefmolte erts de ko- 
leur aanneemt van een Amatïfl, is zulks een 
bewys, dat goud, zilver, koper en yzer te ge- 
lyk in zodanig een Erts opgefloten leggen; 
het welk alles een Lezer, die immermeer met 
het glas te koleuren , en amolieer-glazen van al- 
derhande fchoone koleuren te maaken , bezig 
is geweeft, wel dikwils ondervonden zal heb- 
ben , hoewel in het verenigen der Erts met glas 
nog wel meer by-koleuren en veranderingen 
voorvallen , als in de infmelting en vereni- 
ging van glas met zuiver metaal. 
12. 
Behalven de gemelde Voorproef met glas, 
Ii kon- 



4p6 Natuur- en Konjl-Kabinet , 

konnen ook de Ertzen en Metaal-ftoffen voor- 
beproeft worden door Salpeter: zelfs levert 
deze proef met falpeter , na het getuigenis van 
de Heer Glauberus , meer zuiver goud of zil- 
ver uit de aarde of erts , als naderhand met 
het loodt uitgelevert word, voornamentlyk uit 
demetaal-aardens, daar or tin, ofyzerofkoo- 
per in gevonden word. Hier uit maakt de 
Heer Glauberus een befluit , dat het loodt de 
rechte en onfeilbaare proefmeefter der Meta- 
len noch niet is ; anders (vervolgt die Schry- 
ver ) zoude het loodt in het groot daar kon- 
nen uitleveren , het geen in 't klein door de 
falpeter daar uitgehaalt word. 

13- 

De proef der Metaal-ertzen door de falpe- 
ter gefchiet op de volgende wys : daar word 
eenmengzeltoebereidtvaneen deel goede zwa- 
vel , twee deelen zuivere wyn-fleen , en vier 
deelen wel gereinigde falpeter ; dit mengzel 
word zeer fyn geftooten , en by twee loodt van 
het zelve word gevoegt een vierde deel van 
een loodt van de fyngeftooten Erts of Metaal- 
aarde, dat is een deel berg-erts , en acht dee- 
len van dit mengzel;. doet alles in een fmelt- 
kroes, en werpt in dezelve gloeyende kooien, 
gy zult datelyk een grouwzaame brand en vier 
verwekt zien : als de metaal-aarde of erts in 
de eerfte maal noch niet genoegzaam, noch 
alles van dezelve verbryzelt is, kan door het 
bydoen van een weimgje des mengzels en in 
brand fteekingdeszelfs, zulks vervordert wor- 
den; deze ftof, dewelke dan overblyft in de 

kroes , 



Mey en Juny 1719. 4P7 

kroes, is als een zout , daar de Ontbonden 
erts of liever het metaal in opgefloten legt. 
14. 
Dit zout, of liever deze ontbonden Metaal- 
erts, word in een andere kroes , dewelke fter- 
ker is , overgedaan , en in een heete gloed 
zo lang gezet en gekookt, dat dezelve in glas 
overgaat, het welk uitgegoten zynde een klein 
korreltje goud of zilver by zich heeft , het 
welk deze metaal-aarde of erts heeft uitgele- 
vert: nu moet niemantoordeelen,dat dit een 
zelfftandigheids verwifleling of transmutatie 
is, teweten dat of het koper, ofhetyzer, of 
het tin in een weinig goud was overgegaan , 
ó neen ! zulks is maar een fcheiding van het 
weinige goud en zilver, dat in die metalen 
verhoolen legt , en door de proefmeefter , tewe- 
ten het loodt, daar niet uit te haaien is; waar 
door de Heer Glauberus tracht te bewyzen. 

1. Dat het loodt de onfeilbaare proefmeefter 
der Metalen niet moet geacht worden. En 

2. dat in het tin , yzer en koper een weinigje 
goud is , alfchoon het door 't uitdry ven met 
de Capel niet getoont kan worden. 

Daar zyn veelderhaude wegen, om de Me- 
talen van malkanderen te fcheiden, behalven 
de proeven , dewelke ik aangehaalt hebbe; 
maar ik zal dezelve by een andere gelegent- 
heid mede deelen , en na dezen toonen , op wel- 
ke wyzedefcheidingen , hetzy door fterk water, 
door kwikzilver, door konings water, door 
Antïmonie , door zwavel en loodt, door de 

Ii 1 klok, 



498 Natuur- en Konji-Kabinct , 

klok, door geeft van zout , door uitbranding, 

en door andere wegen gefchieden. 

ió. 

Alhoewel ik te voren getoont hebbe, dat 

hedendaags het meefte Goud uit America by 

ons overgebragt word, zal echter aan myn 

Lezer zeer wel bekent zyn, dat uit verfchei- 

de Koningryken van AJia, en byzonderlykuit 

Africa , en zelfs uit verfcheide plaatzen van 

Europa hedendaags Goud tot ons overgebragt 

word. 

«7- 
Wat het Goud van Africa belangt , het 

zelve word door verfcheide Naden van Euro- 
pa meell van de zo genaamde Guineefche Goud- 
kuil enz, gehandelt en overgebragt. In het 
jaar 1703. gaf de fctirandere Heer Willem 
Hofman , voor dezen Raad en Opper-koopman 
tot tPElmina , mitsgaders tweede Perzoon 
van de Kuft , een naauwkeurige bcfchryving van 
de Guineefcbe Goud- Tand- en Slavekuft enz. 
in't Iicht,en geeft onder andere fchoone aanmer- 
kingen een zeer naauwkeurig bericht van het 
Goud dier Landfchappen. 
18. 
De Heer Bofman fchynt veel moeite gedaan 
te hebben, om van deverafgelege Landen en 
Koningryken , daar het Goud van daan koomt, 
kenniilè te verkrygen, maar klaagt. 1. over 
de onkunde dier Menfchen, by dewelke hy 
zulks moeite onderzoeken , en 2. over de 
ontoegangkelykheid der afgelege Plaatzen en 
Volkeren, dewelke gedurig in twift en oor- 
log met malkander zynde, veel geweldena- 

ryen 



Mey en Juny 1719. 499 

ryen pleegen ; echter heeft die naauwkeurige 
Nederlander ons meer licht gegeven, als ooit ie- 
mand te vooren, en getoont, van hoe veel 
verfcheide Volkeren en Landfchappen diep 
uit het land de Kooplieden dezer Natie» haar 
Goud aan de plaatzen enfterkcensvandeKuft 
koomen verhandelen. 

19- 

Het eerfte Landfchap , zegt de Heer Bof- 
man , daar wy ons Goud van daan krygen, 
is genaamt Dinkira, en legt zo diep land- 
waarts in, dat onze dienaars , wanneer zy van 
d'Elnma daar na toe trekken , gemeenlyk 
vyf dagen onderweeg zyn, hoewel de wegen 
juift aityd niet heel recht leggen, maar zeer 
krom omloopen. Wanneer de Ingezetenen 
van Dinkira noch in haar grootfte vermogen 
zaten , hadden zy noch drie andere Land- 
fchappen onder haar geweld, in dewelke ook 
eem'g dog zeer weinig Goud wierd gevonden; 
het eerfte Landfchap is W assa, het twee- 
de E m c a s s e , en het derde J u f f e x. 
20. 

Het Goud, vervolgt de Heer Bofman , dat 
ons door de Ingezetenen van Dinkira word 
aangebragt , is zuiver en goed , uitgezondert 
dat zy het te veel met Fetiches vermengen ; 
deze Fetiches is alderhande flag van gemaakt 
Goud , en daar onder eenige dingen van een 
geheel aardig fatzoen. Deze Fetiches weeten 
zy in vormen van zwarte en geheel z waare aarde 
te gieten, en daar zodanige gedaante, als haar 
goeddunkt,aan te geven. Dit gemaakte Goud is 
zomtyds met een vierde, en ook wel de helft 
Ii 3 • zilver 



f oo Natuur- en Konfi-Kabinet , 
zilver en kooper vermengt; echter getuigt de 
Heer Bofman, dat deze Zwarten haar dezelve 
onder het goud-handelen voor goed Goud op- 
dringen, ja zodanig, dat als de Europianen 
dezelve niet willen aanneemen, zy te gelyk 
ook het zuivere Goud wederom na zich nee- 
men. Zomtyds hebben zy wel Fetiches van 
goed gegoten berg-goud, maar deze willen zy 
zelden verhandelen , om dat zy zich met de- 
zelve opcieren : zomtyds verhandelen zy deze 
Fetiches van goed berg-goud wel,maar zodanig, 
dat zy zeer verborgen vol zwarte aarde fteeken, 
waar door menig Handelaar door haajlieden 
bedrogen word. 

22. 
Na het Landfchap van Dinkira volgt een 
tweede Landfchap, daar de Heer Bofman heeft 
aangemerkt dat Goud valt en van daan se- 
bragt word , namentlyk het Landfchap A- 
canny. De Inwoonders van dit Landfchap 
zyn langen tyd voor die van Dinkira omtrent de 
Goudhandel berucht geweeft ;zy kwamen niet 
alleen ter markt met het Goud van Afian en 
Akim, maar ook met het Goud, het weikin 
haar eigen land viel : ook was het Goud , het 
welk zy bragten , zo zuiver en zo goed , dat 
noch hedendaags de Negers het belle Goud 
in 't algemeen met de naam van /ff #»#y.r Goud 
doopen. Het Goud van deze Lieden was 
niet alleen zuiver , maar ook geenzins met 
gemaakt Goud of 'Fetiches gemengt, gelyk van 
die van Dinkirageiegt is. 

21. 

Het derde Landfchap , daar de Heer Bof- 
man 



Mey en Juny 1719. yoi 

man getuigt , dat Goud gevonden word , is 
het Landfchap Akim ; dit levert ( zegt dezel- 
ve) zo menigvuldig veel Goud uit, als eenig 
Land, waar van wy tot noch toe kenniffe 
hebben; het is ook het deugdelykfte, dat van 
de Kuft word vervoert. Het kan door zyn 
donkerheid lichtelyk van ander Goud onder- 
fcheiden worden , zonder Fetiches of Kake- 
raas, welke laatfte gekapte (rukjes Goud zyn 
van aan ftuk gekapte Fetiches zeer klein, en de- 
welke voor geld inde dagelykze marktgangen 
inkoop van behoeftigheden gebruikt worden. 

Behalven deze drie Landfchappen telt de 
Heer Bofman onder de goudryke Landfchap- 
pen. 4 Het Landfchap Asiante, enfchoon 
dit maar zedert weinig jaaren als goudry k be- 
kent is geweeft, word het zelve echter ryker 
in Goudgeoordeeltte zyn als Dinkira. Het 
ƒ. goudryke Landfchap is Anansé , het 
welk tuflchen Afiante en Dinkira inlegt. Het 
6. Landfchap, daar Goud valt, en daar voor 
dezen op de Kuft veel Goud uit overgebragt 
wierd , is het Awinefche Landfchap. De 
Heer Bofman verklaart, dat het Goud, het 
welk uit Awine gebragt wierd, van zeer goed 
aioy was, maar dewyl deze menfchen zoon- 
gelukkig zyn , van onder geen goede Regeer- 
kunde en difcipline te leven, ruineert dlkwils 
de eene Natie ( door onbezuisde en roekeloo- 
ze Oorlogen) zo zeer de andere, datzommige 
Natiën voor eenigen tyd als verdelgt en uitge- 
roeit fchynen, of ten minden onder de fla- 
verny van haar Overwinnaar elendiglyk moe- 
Ii 4 ten 



f o z Nat mr- en Konfl-Kabinet , 
ten leven. Waar van verfcheide voorheelden 
by de Heer Bofman te vinden zyn. 
24. 
Niet tegenftaande op de Kuft van Guinea 
uit alle devoorverhaalde Landfchappen Goud 
word aangebragt, bekent echter de Heer Bof- 
man zeer oprechtelyk, dat hy gelooft, dat 
noch niemant van onze Natie de rechte Goud- 
mynen van de Guineefche en licht verder afge- 
]ege Koningryken heeft gezien , want de Zwar- 
ten , zegt hy, (die deze zaak als een heilig- 
dom aanmerken) zullen alle middelen aan- 
wenden om daar andere uit te houden. 

Het Goud, zegt de Heer Bofman, word 
op driederley plaatzen in de Koningryken en 
Landfchappen van China gevonden. 1. In 
en tuffchen het gebergte, daar de Negers, als 
zy gewaar worden dat daar goud is , diepe 
kuylen graaven. 2. Aan, in en omtrent ee- 
nige goudryke Rivierenen Watervallen, daar 
zeer groote en fterke affpoelingen van aarde 
gevonden worden, welke aardedoor 't water 
van de Bergen ot andere hooge Plaatzen afge- 
dreven word, en op deze wy ze het goud mede 
fleept. 3. Aan de Zeekant, daar op verfcheide 
plaatzen , gelyk aan d'Elmina en Axim kleine 
fpruitjes gevonden worden, daar het Goud even 
gelyk als aan de Rivieren na toe zakt. 
16. 

By deze fpruïten aan de zeekant koomen 
eenige honderde Zwartinnen , wanneer het 
's nachts fterk geregent heeft ; een yder van 
deze Zwartinnen is voorzien met een groote en 

kleine 



Mey en Juny 171 9. ƒ03 

kleine bak: de groote bak fcheppen zy vol 
aarde en zand , en roeren het zelve zo lang 
telkens met water, dat zy daar op nieuw over- 
gieten en overfpoelen, tot dat alle de aarde 
uit de bak is gefpoelt ; want byaldien daar 
eenig goud is onder geweeft, blyft hetzelve 
door zyn zwaarte op de grond van de bak leg- 
gen , waar uit zy het in 't gemelde kleine bak- 
je overgieten : dit gedurig hervattende , bly- 
ven zy gemeenlyk van de morgenftond tot 
de middag daar mede bezig, in welke tyd 
zommige van deze Vrouwlieden voor vyf 
a zes ftuivers , ook wel meer of minder , aan 
goud hebben gevonden ; dog het gebeurt 
zomtyds wel, dat zy ïtukjes goud van twee, 
drie a vier guldens vinden, dog het is wat 
zeldzaams ; maar niet, dat zy een geheele 
dag geheel voor niet hebben gefpoelt. De aarde, 
dewelke zy uit de boven gemelde kuilen tuf- 
fchen of in 't gebergte hebben uitgegraven , 
als ook de aarde en het zand, het welke zy 
uit de Rivieren fcheppen , handelen de Zwar- 
ten op de zelve voorverhaalde wyze, tewe- 
ten met het affpoelen en uitwafTchen door 
water , zonder dat zy zulks op een ander 
wyzeweeten te verrichten. 
27. 
Het Goud , dat dezemenfchen op de boven 
gemelde wyze uitfpoelen en vinden, is twee- 
derley ten opzicht van deszelfs geftalte 1. 
Het Stofgoud, dit is byna zo fyn als meel, 
en is ook het alderbefte en in Europa hetmeefte 
waardig. 2. Stukjes goud van verfcheide 
grootte, eenige kwalyk een oortje en zom- 
Iï s tyds 



504 Natuur- en Konji-Kahinet , 

tyds andere twee of drie hondert guldens waar- 
dig of 2waar ; hoewel van deze groote (tuk- 
ken, vervolgt denaauwkeurïgeHeerBö/wd», 
zien wy zeer weinig, alhoewel ons de Ne- 
gers willen verzekeren, dat dieper in het 
land zodanige (tukken van een a twee dui« 
zend guldens gevonden worden. 
28. 
Deze (tukjes worden op de kuft Berg-goud 
genaamt, en is, als hetzelve gefmolten is, 
van veel vetter en beter toets als het Stof-goud : 
dog de menigvuldige (teentjes , dewelke altoos 
aan dit goud vaft blyven, veroorzaaken groot 
verlies in 't fmelten , en daarom word het 
Stof-goud meerder geacht; dit is nu, zegt de 
Heer Bojma» , voor zo ver het zuivere en 
goede Goud betreft. 

29. 

Het Goud , dat zy het gemengde noemen, 
is met zilver en kooper doormengt, en zyn 
de Fetiches , daar wy hier boven van gemelt 
hebben. Deze Fetiches kappen de Zwarte 
tot zeer kleine (tukjes, dewelke elk twee a 
drie duiten waardig, zyn , om voor klein 
geld gebruikt te worden, en deze (tukjes zyn 
de Kakeraas , dus by de Zwarten genaamt , 
daar wy van gefproken hebben. Dit Goud, 
het welk van de Feüches gekapt word ; of 
de Fetiches of liever dit gemengde goud is 
dikwils niet meerder als twintig guldens de 
Once in Holland waardig, en nochtans gaat 
dit gemengde Goud over de geheele Kuft 
meelt in zwang. 

De 



Mey en Juny 1719. f of 

De begeerlykheid des menfchen openbaart 
zich in die Landen al zo hevig als elders: zy 
heeft de Zwarten geleert , op alderhande wy- 
zen het Goud te vervalfchen ; zy gieten zom- 
mige ftukjes zodanig, dat zy rondom de dik- 
te van een mes geheel goed Goud hebben, en 
van binnen zyn dezelve niet anders als lou- 
ter koper, ja zommige maar yzer ; ook is 
het gemeene valfche berg-goud zilver, koo- 
per en zeer weinig goud : dit mengzel is zeer 
hoog gekoleurt , en fchynt goed Goud voor 
de onkundige. 

3t- 
De Zwarten hebben noch een andere ver- 

valfching van Stof, dewelke zeer wel na het 
berg-goud gelykt; dit is , zegt de Heer Bof- 
man , niets anders als ftof van Coraal , de- 
welke zy zo geeftig weeten te kooken, en te 
gieten en te koleuren , dat tuflchen deze ftof 
en 't berg-goud geen ander enderfcheidt te 
zien is ofte ontdekken, als door de zwaar- 
te ; van deze maaken zy ook valfch ltof-goud , 
dog anderzins maaken zy het meefte valfche 
ftof-goud van gevylt kooper, aan het welke 
de Zwarten mede een fchoone koleur weeten 
te geven. 

Behalven veel fraaye aanmerkingen , de- 
welke de Heer Bofman maakt, over deproe- 
yen en de kentekens van het valfche en zui- 
vere Goud, fpreekt hy ook van 't gewigt, 
waar mede het Goud verkogt word aan de 
Goud-kuft, beftaande in Pondtn, Marken, 

On- 



f 06 Natuur- en Konft-Kabinet , 
Oneen , en Engels. In Europa zyn in een On- 
ce twintig Engels , maar tot Gu'mea maar 
zeftien Engels in een Ons ; noch daarenboven 
rekenen de menfehen tot Guinen door Pefos, 
maakende vier Engels - en door Bendos , be- 
dragende twee oneen ; en vier bendos bedragen 
eenmark ,entweemarken eenpond. Een pond 
Goud beloopt na de gemeene waarde aldaar 
ruim zes hondert en zeftig guldens; hoewel 
hier omtrent is dat onderfcheidt, dat zom- 
tyds het eene goud meerder waardig is als het 
andere , of dat het goud op en afllaat ,• maar goed 
goud,zegt de Heer Bofman,re\\cnen wy tot Gui- 
««•«altyddrie mark duizend guldens waardig, 
en zo vervolgens het ander gewigt na evenre- 
digheid. Boven het voornoemde gewigt ge- 
bruiken zy tot Guinee noch een ander ge- 
wigt, om alderhande kleinigheden mede af 
te leggen ; dit beftaat in zeker flag van boon- 
tjes , waar van de kleinfte rood zyn met zwarte 
llippeltjes, genaamt Dambas: van deze doen 
de vierentwintig een Engels goud, en is al- 
20 elk boontje twee ftuivers. Behalven de- 
ïe zyn daar noch andere boontjes, dewelke 
eens zo zwaar weegen als de eerfte, en doet 
haar gewigt goud vier duivers of iets meer- 
der; zy worden Tacoes genaamt, en zyn 
van koleur of geheel zwart , of wit met 
zwarte (tippels. Wat de Negers belangt , deze 
hebben haar eigen gewigt , het welk zy 
zelfs gegoten hebben , van kooper of tin ; dit 
gewigt is wel anders verdeelt als dat der 
Europianen aan de kuit , maar koomt echter 
op een uit 

De 



Meyenjuny 171 9. ƒ07 

33- 
De Heer Bofman, die zyne bedenkingen 

over verfcheide fraaye zaaken laat gaan , 
geeft in overweging , of in die Landen niet 
wel zeer veel Goud verloren gaat, met de 
fleen en aarde , dewelke weg geworpen 
worden ; en of door de ftoffcheikonft niet 
wel met voordeel goud uit dezelve zoude 
konnen getrokken worden , voornamentlyk 
door lieden , dewelke kennifle van Bergwer- 
ken hebben. Hy oordeelt, dat niet alleen de 
Mineraal-aarde, die weggewaflehen en weg- 
geworpen word , noch met goud bevrucht 
is , maar dat zelfs de Zwarten veel zuiver 
goud en goude {tukjes verwaarloozen , de- 
wyl dezelve maar dommelyk toegraaven , 
zonder eenige kennis van de zaak te hebben, 
of naauwkeurig acht te geven, om de ade- 
ren der Goud-mynen na te fpooren; en dat 
om die redenen uit deze Landen en Koning- 
ryken veel meer voordeel en goud te haaien 
zoude zyn , als dezelve onder het Gebiedt 
van de Staaten Generaal waren gebragt , en 
door derzelver hoog-wyze Regering wierden 
beftiert , en tot nut en voordeel alles met 
naauwkeurig onderzoek wierd aangelegt. 

34- 
Ik heb in myn voorgaande Verhandeling 

over het Goud van America , zomtyds een 

overflag gemaakr, wegens de geheele Ryk- 

dommen , dewelke de Mynen aldaar jaar- 

lyks opbragten; ik zal uit de naauwkeurige 

Heer Bofman mede deelen , hoeveel na zyn 

oordeel de geheele Goud-kuil van Africa jaar - 

lyks 



foS Natuur- en Konft-Kabinet^ 

lyks aan Goud koomt uit te leveren. Ik 
durf wel voor vaft fiellen, zegt die Heer, 
dat deze Landen (in de tyd van Vrede on- 
der dit Volk ) jaarlyks aan de Europianen uit- 
reiken een fomme van zeven duizend Mar- 
ken Goud , dat is drie duizend en vyf hon- 
dert Ponde$ Goud. 

DJ' 

Het is wel een aanzienlyke fom, dewelke 
jaarlyks aan Goud op de kutten van Guinee 
verhandelt word; maar, zegt de Heer BjJ- 
man , dezelve word onder te veel Natten 
verdeelt: want dcNederlandfche IVeftindifcbe 
Maatfchappy moet in haar aandeel van deze 
zevenduizend Marken Goud maar gefchut 
worden op vyfiien hondert Marken Goud ; 
en de Engelfche Weftindifche Maatfchappy op 
twaalf hondert marken goud, en zulks noch 
in een bloeyende tyd : De Zceuwfcbe Enterloo- 
pers of Lorrendrayers fleepen jaarlyks niet 
minder weg als de Nederlandfche Maatfchap- 
py, dat is ook vyftien hondert Marken; de 
Engelfche Enterloopers of ? Lorrendrayers flee- 
pen mede wel over de duizend Marken weg: 
de Brandenburgers en Deenen lleepten 
mede in de tyden van de Heer Bofman wel 
duizend Marken Goud van de Kufl. De 
Poruigeezen en Franfcben te zamen haar in- 
koop fchat de Heer Bofman op acht hondert 
Mark Goud, hetwelk alles met malkander 
zeven duizend Marken Goud uitmaakt. 

De Zwarten, dewelke aan de Zeekufl, en 
aan de Forten uit de afgelege Koningryken en 

Land- 



Mey en Juny 171?. f 09 

Landfchappen koomen reizen , om haar Goud 
aan de Europanen te verhandelen, zyn ge- 
meenlyk de Heeren of de Meefters zelver 
niet maar derzelver befte en getrouwfte flaa- 
ven ! deze worden van de Meefters afgezon- 
den omteruylen alle zodanige zaaken, als 
haar' zwarte Meefters uit Europa verlangen r, 
en dewelke meeft onder haar Natte gewilt 
zyn. Zodanig een by ons koomende, verhaalt de 
heer Bofman , word van ons niet als een 
flaaf , maar als een groot Koopman aangemerkt, 
dewelke wy op alderhande wyze t'onswaarts 
trachten te verplichten, vermits wyweeten, 
dat zulk een , dewelke wel by zyn Meel- 
ter ftaat, kan gaan handelen op wat plaat- 
een het hem gevalt, hetzyby deEngelfchen, 
Deenen, Brandenburgers, of by de Hollan- 
ders. 

37- 
Behalven dit gedeelte van Afr'tca , het wel- 
ke wy Guinee noemen , zyn in Afried veele 
andere plaatzen,daar Goud gevonden word: 
want als wy Egypten na de hedendaagze wyze 
mede onder Afr'tca ftellen, konnen wy wel 
begrypen , dat in dezelve Bergen , daar Dto- 
dorus Siculus en andere van vernaaien, dat 
de oude Egyptifche Koningen Gouduit lieten 
graaven, nu noch overvloedig genoeg goud 
te vinden zoude zyn ; en wanneer wy in aan- 
merking neemen , welk een grouwzaamen 
Berg de groote Atlas is, dewelke door ge- 
heel Africa heen loopt, kan de Lezer zich 
genoegzaam verbeelden , welk een onnoeme- 



5 1 o Natuur- en Konft-Kabimt , 

lyke menigte Berglïo'ften , en onder die Goud- 
eruen ,in dezelvegevonden zouden wordtn. 

38. 

Op dat wy een kort begrip krygen vnn de 

overige Rykdommen van goud, dewelke in 
Afrlca gevonden worden, zal het niet kwa- 
lyk zyn, dat wy een algemeen denkbeeld van 
Afrlca vormen. Geheel Africa word , om zo 
te fpreeken , byna rondom met Zee of Zee- 
boezems omvangen, maar aan de ooflzyde 
heeft Afr'tca het Land der oude Jooden of 't 
Heilige Land , het llenig en woed Arabic» , 
als ook het roode Meer of de Arabifche7.ee- 
boezem, waar door het van gelukkig Arabie 
en Afie word afgefcheiden ; ten zuiden , ea 
daar het zich ftrekt met een uitfpringende hoek. 
na de Kaap de Goede Hoop, word het door 
de htbiophifche Zee van het onbekende Zuid- 
land afgefcheiden ; ten wetten heeft het de 
grooten Oceaan, door dewelke Afr'tca van 
America afgefcheiden word ; aan de noordzy- 
de word Africa door de Straat van Gibralter 
of 't Naauw van de Straat, en door de Mid- 
delandfche Zee, ftrekkende tot aan de ljlb- 
mus , of Land-engte die tuffchen 't roode 
Meer en de Middelandfche Zee legt, afge- 
fcheiden van Europa. Deze overgroote brok 
Aarde, dewelke wy Africa noemen, is in 
zyn grootfte lyn twaalf hondert mylen lang, 
dat is, van het Naauw van de Straat tot aan 
de Kaap de Goede Hoop. De grootfte breed- 
te van Africa zouden wy moogen trekken 
van Cabo Ver de , daar de ontzachelyke Vloed 
de Niger zyn uitwatering heeft, tot aan de 

mond 



Mey enjüny iji9- f 1 * 

mond van de /tfr^'/c^ Golf of'troode Meer, 
daar Caap de Guardafuy na het Eiland Zo- 
cotora uitfteekt, zynde een breedte van dui- 
zend en vyftig mylen. 

39- 
Het grootfte gedeelte van Africa is onder 

de verzengde luchtftreek gelegen, en dewyl 
de oude Geleerden oordeelden , dat op die 
plaatzengeen menfchen konden woonen om 
de hitte en de droogte , zyn deze Landen 
by haar nooit onderzocht geworden , en, voor 
Zo veelwy uit haare Schriften weeten, on- 
bekent gebleven. Zy kenden Africa i. Aan 
de kant en zyde van Egypten , en bezyden 
het roode Meer tot aan de Stad Rapta. z. 
Van Egypten af van de Stad Alexandrie 
langs de geheele Middelandfche Zee tot aan 
Ttngus , dat op de hoek van 't Naauw van 
de Straat leide , over Europa , of over de 
Plaats, daar nu Gibralter legt. 3. Van de 
hoek van 't Naauw van de Straat tot aart 
of een weinig boven de Cananfcbe Eilanden , 
aan de zeekant langs gerekent, enbynalan- 
dewaart in gerekent omtrent op de hoogte 
van de Cabo-verdifcbe Eilanden, dog maar 
opzommigePlaatzen, dewelke by hazxEtbio- 
pien genaamt wierden , als by voorbeeld: het 
Africa der Aalouden beftond 1. \x\Mauritama 
Tingitana, en Mauritania C<efarienfis of bet 
Keizer lyk Mauritanien , dat nu door de Keizer 
van Marokko, Fez, Tafilet enz. beheerfcht word. 
2. In 't eigentlyk Africa, ouwelings zo genaamt, 
het welk aan de Middelandfche Zee legt , zynde 
nu een deel van Barbarien , en de Republiquen 
van Algiers , Tunis , en een gedeelte van Tripoli. 
K k 3. In 



f 1 1 Natuur- en Konft-Kahinet^ 

3. In de Landfchappen van Cyrenaica, dat 
tllfïchen 'tripoli en Marmorica in legt ; in 
Marmorica nu Bar ka geheten , en Lybia 
exterior. 4. In Opper en Neder- Egypten. 
ƒ. In de beide Lybien en de beide Ethiopië??, 
maar niet de geheele Etbiopien van ome heden- 
daagze tyd. Hier uit blykt, dat de Ouden het 
grouwzaamegroote Land der Negersteen groot 
gedeelte van Abyjjinie , het voomaamfte van 
Etbiopie,de Kutten en grouwzame Landen van 
Meiinde , Zanguebar , 't Land der Catfers , het 
Binne-land van Cabo de bona Efperance , Cim- 
lera , Monomotapa , Mataman , Angola , Con- 
ga , Damut , Loango , Biafara , Zanfara , 
Guangara, de kuflen van Benin, de Goud- 
kuft , Greinkuften, Tandkuften , of geheel 
Guinea, benevens een ongelooflyk getal van 
Koningryken en Landfchappen , enhetgroot- 
fte gedeelte van de Woellyne van Lybie niet 
gekent hebben ; welke alle na dezen door 
de fcheepvaarten der Portugeezen, Hollan- 
ders en andere Natiën ontdekt zyn geworden. 
40. 
De latere ontdekkingen hebben getoont, 
dat het onbekende gedeelte van Ajrica , dat 
de Oude oordeelden onbewoonbaar te zyn , 
meeft overal door alderhande foort van Natiën 
word bewoont, hoewel het echter ook waar- 
achtig is , dat in Africa veel Woeflynen , naare 
Zanden en Wilderniffen worden gevonden. 
Ik zal nu niet fpreeken van de zaaken, de- 
welke wy overig hebben van de Reistogt van 
den Cartbddgfcben Manna', dewelke langs de 
Kult van Ajrica ver opgeftevent heeft ; noch 
van de Reizen der Phoeaiciers , dewelke ten 

tyde 



Meyenjtiny 1719. f15 

tyde van Neho Koning van Egypte» uit het 
Roode Meer geheel 4/r/V« zouden hebben om- 
gezeüt, endoor 'tNaauw van de Straat wede- 
rom in Phoemcien zouden aangekomen zyn ; 
veel minder van het geen Herodoot vertelt in 
zyn vierde Boek van de Reistogt vanSataspes 
en eenige andere, gelyk de Reizen te Land , 
daar Herodoot van melt in zyn Enterpe , ge- 
daan door de Nafamonen , een Volk, dat het 
Ryk 'Tunis bewoonde; dewyl alle deze Reis- 
togten noch aan de aaloude Griekfche noch 
andere Wereld-befchryvers eenig ander licht 
van Africa hebben gegeven , als Plinius, Strabo, 
Ptolomceus en PomponiusMela daar van hebben 
nagelaten, behalven dat wy van de zekerheid de- 
zer togten zeer onvoldaan zyn. 41. 

De ontdekkingen , daar wy zeker op konnen 
g'an, van de onbekende Deelen van Africa, 
zyn aan de zeekant ondernomen door de Por- 
tugeezen. De Portugeezen ontdekten eerft 
het Eiland Madera in het jaar t4ioen 1420, 
en in 't jaar 1 428 het Eiland de Heilige Haven ; 
en in 't jaar 1440 de Eilanden ovzx Cabo Ver- 
de , en in 't jaar \^z de Zeekuften van Gui- 
nee. In 't jaar 1486 ontdekten de Portugee- 
zen de Koningryken van Angola en van Con- 
go. In 't jaar 1487 ontdekte de Portugeeze Be- 
velhebber Bartholomxus Dias de alderuitfte- 
kentfte Hoek van Africa of deKaapdegoede 
Hoop; maar durfde de zelfde niet omvaaren : 
gelyk de B arros , Raadsheer en HUrorifchryver 
van de Koning van Portugaal , alle deze Reis- 
togten kortelyk heeft befchreven; en Manuelde 
E aria y Sou/a in zyn A/ia Portuguefa, ge- 
drukt tot Liflebon 1666. in Folio, een Werk 
Kk 2 be- 



ƒ14 Natuur- en Konji- Kabinet , 

benevens andere in zes Folianten, een verhaal 
doet van alle deze zaaken der Portugeezen , en 
begint van het jaar 1412, , alles naauwkeurig 
aanmerkende van ontdekking tot ontdekking. 

4*- 
De derde Zoon van Don Jan de eerde van 

die naam, Koning van Portugaal, genaamt 
Don Henrique , hadde in den Oorlog tegen 
de Mooren in Ajrica zo veel bericht gekre- 
gen van de Landen , dewelke gevonden 
wierden achter de Koningryken van Fez en 
Marokko , tot aan de Negers , en zelfs de 
Guinéefcbe Kuft, dat hy van yverbrandeom 
de zelve aan de zeekant te ontdekken. De 
eerfte ontdekking , dewelke Don Henrique 
liet doen voor by Caap Non, was door drie 
Scheepen, iets meerder als 35- mylen verder 
als Caap Guillo; deeze Caap Non was de 
uiterfte Plaats, dewelke toen nochbevaaren 
wierd;maar in een twede togt kwamen de Sche- 
pen , dewelke Don Henrique uitzond , aan 
de Caap Bojador, dewelke hondert en tach- 
tig mylen verder leide, als de bekende Caap 
Non. Na deze togt zond Don Henrique 
weder ter ontdekking uit Don "Juan Gonfahaz 
en "Trijlano Vaz , dewelke het Eiland Porto 
Santo ontdekten, en van daar in een overtogt het 
Eiland Madera. Na dien tyd ondernam eene 
Gileanes op ordre van de Infant Don Hen- 
rique de Caap Bojador voor by te ftevenen ; 
wederom t'huis gekomen zyride, werd de 
togt hervat door Alfonfo Gonfalvez Batdaya 
en GUeanes, dewelke aan de vafte Kuft ge- 
raakten , negentien mylen voor by de Caap 
Bojador, het welk wederom door een togt 

her- 



Mey en Juny i/ip. fiy 

hervat wierd , en geraakten 40 mylen verder, 
als zy te vooren aan Land geweeft hadden, 
en van daar noch 40 mylen verder. Eenige 
jaaren daar na wierd Cabo Blanco ontdekt 
door Nuno Triftano , en na dezen de Goud- 
rivier, daar zy voor deeerlte maal Stof-goud 
inruilden. Na dien tyd ontdekten de Portu- 
geezen Cabo Verde , en daar op Guinee , daar 
zy met de Negers de Goud handel oprichtten 
in 't jaar "1466. en in 't jaar 1471 wierd door 
yuan de Santaren en Pedro Ejcovar de Goud- 
handelplaats Elmina eerftdyk gevonden,en na- 
derhand de Eilanden Si. 'Thomas znAnnobon. 
In het jaar 1481 zond Don Jan Koning van 
Portugaal een Vloot Scheepen, en zes hon- 
dert koppen na Guinee; en liet in 't jaar 1482 
het Kafteel S. George bouwen. 14S8 voer 
Diego Cam na Congo, en noch óoomylen verder 
als Congo. In hetjaar 1485* ontdekte Bartholo- 
mceus Dias de Caap de Goede Hoop. 

43- 
Na de dood van Don 3^» Koning van Por- 
tugaal wierd tot Koning verkoren Don Ma- 
nuel; deze zond Vajco da Gamma om de In- 
dien te ontdekken , en die hadde het geluk , 
om 1497 op den 20 November de Caap de 
Goede Hoop om te zeilen, aan Land komende 
aan Caap de St.Braz> 1 80 mylen voorby Cabo de 
bona Efperance, en kwam van daar tot Sofala, en 
van daar tot Mombaza,en lande 1 498 op paafch- 
dag tot Meiinde, en eindelyk na lang zeilen te 
Calikut , alwaar geacht wierd , dat zy de Indien 
voor de eerfte maal hadden ontdekt , en by 
veel fchikkeiyker en beter lieden , en in gere- 
guleerder Landen en Steden kwamen ; van 
Kk 3 waar 



5" 1 6 Natuur- en Konft- Kabinet , 
waar Vajco da Gamma weder in 't jaar 1499 
opden 29 Auguflusvandezegelukkigeontdek- 
kinge der Indien tot Liflebon t'huis kwam, 
en wierd als een tweede Kulumbus van de Ko- 
ning tot Graaf van Vtdtgueira gemaakt. Waar 
mede ik de vordere ontdekkingen enHeldendaa- 
den der Portugeezen niet verder zal vervol- 
gen , dewyl ik maar getracht heb te toonen , 
wanneer en door wie Africa voor de eerfle 
maal isomgezeilt, endoor welkeen wanneer 
de Goudkuilen van Guine'c eeriliyn gevonden. 
44. 

(<j) Marmot een Spanjaard , geboren ia de 
Stad Grenade, is de voornaamlte Schryvervan 
de Binnenlanden vanJ/r/Vd,op dewelke wy van 
de nieuwe Schry vers Haat moogen maakenihy 
vertrok noch jong zynde uit zyn geboorte-Stad, 
op de beruchte togtenonderneming met Keizer 
Kareldevyfde, naTunis in Africa in denljaare 
1 y 36., hy vervolgde deOvetwinningen van deze 
groote K eizer doordie deelen van Africa den tyd 
van twintig jaaren lang;hy wierd nadien tyd ge- 
vangen, en diende voor flaaf in 't Koningryk 
of Keizerryk van Marokko , in de Landen Taru- 
dent , Tremeffen , Fez en 'Tunis. In dezen 
tyd, fcegt hy, heb ik gereiit onder de Suite van 
Ekerit Mahomet , ter ontdekkinge van de 
grouwzaame groote woeftynen van Lybie, tot 
aan een plaats, dewelke genaamt word Ace~ 
quia El-hamara, leggende aan de grenspaalen 
van Guinee. Behalven dit alles, vervolgt hy, 
heb ik een menigte andere Reizen zo te land 
als te water gedaan; ik doorliep geheel Bar- 

barien 

(<») Ziet /' Afrïc±ue dt Marmot dans la Preface. 



Mey en Juny ijiq. fij 

barien en geheel Egypte»; hier toe heb ik alles 
gelezen , wat de ürieken , de oude Romei- 
nen, de Spanjaarden mync Natie, en alle my- 
ne geburige Europifche Natie», over Africa ge- 
fchreven hebben : endewyl ik de Arabifcbeen 
Africaanfche taal prompt kende , heb ik te gel y k 
haarlieder Schry vers over Africa vlytiglyk door- 
gekruiil, en doorzocht , wat zy van haar Vader- 
land mede deelden. 

4f- 

Behalven deze beruchte Schryver hebben 
wy ook Joanyjes L eo de Africancr , die zelfs 
in 4/r/Vtf geboren was. Deze is ir.sgelyks een zeer 
voortreffeiyk Schryver, ennaauwkeurig ont- 
dekker van Africa geweelt, en bloeide om- 
trent in de jaaren eenduizend vyfhondert en 
tufïchen de tien en dertig ; hy verhaalt zelfs 
in zyn tweede Boek van zyn Befchryving van 
Africa, dat hy 15*13. uit zyn geboorte-land is 
getrokken , om andere Landen te gaan be- 
fchouwen en door te reizen , zo dat hy in de 
voorige jaaren door Africa reeds haddegereift. 
Deze twee voortrefFelyke Mannen geven, als 
ooggetuigen, aan ons de waare gefteltheid van 
het binneniie van Africa,en deszelfs groote Ko- 
ningryken , Landfchappen , Landsdouwen , 
Bergen, Rivieren .Vruchten, Dieren, alder- 
hande Natie», Woefrynen , WildernuTen; 
even gelyk de ontdekkingen der Zeevarende 
aan ons hebben geopenbaart de Hoedanighe- 
den der Kuiten, rondom aan verfcheide Zeen 
gelegen. 

46. 

Ik 2al alle Bergen en vermaarde Rivieren 
Kk $ hier 



f 1 8 Natuur- en Konfi- Kabinet , 
hier niet melden, daar in Africa alderhande 
Mineralen in gevonden worden, i. Omdat 
zulks by andere gelegentlieid van denatuurly- 
ke Hiftorien der Bergen en Vloeden te pas 
zal koomen. 2. Omdat Marmot , en wel 
voornamentlyk Jobannes Leo de Afrikaner, 
berg voor berg met alle deszelfs bewoonde 
fteden en vloeden zeer naauwkeurig hebben be- 
fchreven. En 3. Omdat de Lezer veel van 
deze zaaken by Olfert Dapper, in zyn Befchry- 
vïngvzn Africa, dewelkeuit deze twee Schry- 
vers, eneenige andere, &\sP.Dan Defcrijtiott 
de Barbarie, Gramay , Sanut, P. Davity Ro- 
jaume d'Alger, Qlivarius , Pigafetus , Diego 
Torres, Aug. Kurio , T'zetzes, Alpinus ,JonJlvM, 
Ifaacus Vojfius , en zommige, die niet auten- 
ticq zyn, als Kircherus enz. is opgemaakt, 
zal konnen nazien. Hoewel de Lezer daar 
niet in zal vinden, dat ik van het Goud der 
Egyptenaaren in 't Kabinet van Maart zn April 
1719. en in dit tegenwoordige van de Goud- 
kuilen heb medegedeelt, maar wel veel zaaken, 
dewelke niet al te naauwkeurig onderzogt zyn. 

T . 47- 

Ik wil alleenlyk maar in bedenking geven, 
of de kleine en grooteregel Bergen, degroo- 
te en kleine Atlas genaamt, die door geheel 
Africa , gelyk de Tattrus door Afia, itreeven , 
de Bergen van 't Koningryk Conga, de Salpe- 
ter-Bergen , en de Berg der Zonne van Con- 
ga , de grouwzaame Bergen van 't groote Land- 
fchapAmara,de Maan-bergeu '\üEthiopien,t\\ de 
Bergen der Zeekuften , zo wel aan de Oceaan, 
Middelandfche Zee, als aan Opper- Egypten , 

als 



Mey en Juny 1719. ƒ19 

als ook langs deEtb/opifche Zee,en langs de punt 
van Goede Hoop aan wederzyden, benevens een 
ontelbaare menigte andere Bergen; of deze alle, 
vraag ik, niet een groote menigte Metalen, en 
daaronder goud-erts belooven in haare boe- 
zems en ingewanden te voeden ? 
48. 

'Johannes Leo , en Pieter Davitv inzynBe- 
fchryving van Barbarien, vernaaien, dat de 
Republiquen , de Landfchappen en Koningry- 
ken der Barbaren zeer inrykdommenengoud 
overvloeyen, dat zelfs het vaatwerk der Ko- 
ningen en Vorften van louter Goudis. Het 
Landfchap Hea, dat zeer omltandig van Joh. 
Leo de Africaner, en Kurio in zynBefchryving 
van Marokko , befchreven word , en nu onder 
't Keizerryk Marokko behoort, heeft zeer ryke 
Goud-erts-bergen, voornamentlyk op 't Ei- 
land, Mongador genzamt , dat onder dit Land- 
fchap behoort. Uit deze Bergen laat de Kei- 
zer van Marokko veel Goud haaien , maarniet 
zodanig als zulks zoude konnen gefchieden: 
ja zelfs verbiedt die Monarch dik wils ,dat daar in 
eenigejaaren niet aan gewerkt mag worden. 
46. 

De Landfchappen, dewelke wy Barbarien 
noemen, zyn de volgende, namentlyk. 1. 
Marokko en zyn Landfchappen, als Hea, 
Sus , Dukkaie , Efkure , Fidle , Gezule. 
2. Het Koningryk Fez, en zyn Landfchap- 
pen, 'Temecene, Azgar , Elhabat, Errij\Ga- 
ret, Chanus. 3. Het Koningryk van Algiers 
en deszelfs Landfchappen, zhTelen/ïn, An- 
gad, Beni-razid, Miliane , Ananie , Labcz, 
Kk j Tenez, 



f zo Natuur- en Konjl-Kabinet , 

T'enez, 'Teheca, Humanbar , Haresgol, Ho- 
ra» , Sargel , Bugïe , Gigel , Konfta-atine , 
Bone , Ba/liou de France. 4. Het Koning- 
ryk Tunis, daar oud Carthago eertyds was; 
hedendaags zyn deszelfs Landfchappen, als 
Go/ette, daar Carthago noch in legt; Bezer- 
te , Begg'te , iSW/tf , Africa , Kayraoam , en het 
Eiland Taborka. f. Het Koninkryk Tripo- 
li en deszelfs Landfchappen, als het Eiland 
van Ze-r^v , het Landfchap Ezzab , Mecellata, 
Me/rata, Tour ka, Bar ka , in wiens Woefty- 
ne, die regens hoog Egypten aanftoot, de 
Tempel van 'Jupiter Mammon van zommige 
Oude geftelt word. Het Goud en de Ryk- 
dommen , dewelke in deze Landfchappen en 
Roofneften hedendaags gevonden worden , 
koomen meerder van de roof op de herders van 
den Atlas, en op de Scheepen der Chriftenen, 
als ook door de Koopmanfchappen, dewelke 
deze Landen uitleveren , als uit de Mynen ; be- 
halven dat zy door de Karavaan-handel van Fez 
verkrygen door Commercie : hoewel 'Joannes 
Leo de Africaner verhaalt, dat de Inwoonders 
van Treyextum,een Had van't Landfchap Soufa^ 
geen ander geld gebruiken , als zuiver goud, het 
welke zy uit haar eige gronden en myn- werken 
uitmeubelen, en dat de vrouwen haar hoofden 
met goud vercieren. Het is aanmerkelyk, dat de 
Lauden, daar wy goud inverneemen, zeer 
onvruchtbaar zyn, gelyk dit geheele Land- 
fchap insgelyks uitwyft. Tedzi is een andere 
Stad van Sou/a , en deze heeft veel gemeen- 
fchap met de Kooplieden, dewelke uit de 
Landen der Zwarten koomen om daartehan- 

delen. 



Mey en Juny 1719. f 21 

delen. Joh. Leo verhaalt, dat in deze Stad zeer 
veel konftige Goudfmeden gevonden worden, 
tot bewys dat in dezelve veel goud moet zyn. 
jo. 
Niet tegenftaande geheel Afrlca onder Ko- 
nitigryken, Heerfchappyen en Landfchappen 
verdeelt word, moet echter een Lezer aan- 
merken, dat byna elke Berg in Afrïca byzon- 
dere Mentenen en Volkeren voedt, dewelke. 
als byzondere Katten zyn , en wel onder de 
Heerfchappy van 't eene of andere Koningryk 
of Gemeenebeft behooren , maar alleenlyk 
door 't opbrengen van fchattingen gemeenfehap 
mee dezelve hebben; behalven dat zommige 
en /.eer veele Bergen bewoont worden van 
Volkeren, dewelke ftrydbaar zyn, en zich 
z;!ven befchermen of door de wapenen , of 
door de ontoegangkelykheid van de bergen, 
die zy bewoonen, de welke meelt deelen van 
den zWtf.f zyn. Onder deze Bergen die zeer groot 
zyn, en onder deze Natten, dewelke mngtig 
zyn, worden zomtyds eenige Bergen gevonden, 
dewelke ryk van Metalen zyn, en zommige van 
dezelve hebben ook goud. Onder haareKon- 
ftenaars, worden ook Alchymijlen of Goud- 
zoekers gevonden; Joh. Leo de Africaner ver- 
haalt in zyne zeer naauwkeurige Befchryving 
van de Stad Fez, dat in dezelve een groote 
menigte A Ie hymiften gevonden worden; het 
zyn groote ydeltuiten, zegt hy, windbuilen, 
deweike zich met zwavel en alderhande ftank 
bemorffen; zy koomen in een vergaderplaats 
by malkander, endifputerenovethaare valfche 
vpirtten ; zy hebben veel werkjes van zeer ge- 
leerde 



51 2. Natuur- en Konft-Kabinet , 

leerde L ieden over deze Konft gefchreven. 
Zelfs verhaalt 'Joannes Leo de Afr'tcaner, 
dathy gehuisveft heeft inde Stad Delgumuha, 
die op zodanig een Berg gelegen was niet ver 
van de grenzen van Marokko, by een Alcbymifl ; 
en voorwaar dit is geen wonder , want de 
krul van Goudmakery hebben demenfchen van 
Europa , op 't laatite van de Regering van Con- 
jiantyn, eerft uit deze hoek van Africa gekregen. 
Voegt hier by de Goud-zoekers de gedurige 
Graavers na begraaven oude Schatten , dewelke 
daar in menigte zyn. 

fi- 

Onder de groote Schatten en Rykdommen 
in Goud, de welke zommige dezer Barbaren 
bezitten, telt Joh. Leo de Africaner de majjif 
goude halve Maan, dewelke tot Marokko geiïeït 
is dooreen Koningin, de Vrouw van Atman- 
/or,ophetfpits van een tooren , diealseenPy- 
ramïde gemaakt is,van vyrentwintig ellen hoog; 
benevens de drie majjif goude klooten , de- 
welke daar boven op ttaan, en met malkander 
aan waardy uitmaaken hondert en dertig dui- 
zend goude rozenobels. Verfcheide Konin- 
gen hebben al getracht om dezelve te lichten, 
maar zyn of door haar Raaden of Vrienden daar 
altyd in belet geworden , te meer om dat het 
gemeen gepeupel een groote bygeloovigheid 
omtrent deze goude Globen, van dewelke zy 
vafHtelden , dat dezelve door geen menfchelyke 
magt te verplaatzen waren, hadde;om dat zy-vaa 
eenige lucht-geeften door invloeyinge der lier- 
ren befchermt wierden na haar lieder oordeel. 
Maar de Heer van St. Olon, in zynBefchry- 

ving 



Mey en Juny 1719. ƒ23 

ving van de tegenwoordige (iaat van het 
Keizerryk van Marokko , zegt , dat de Keizer 
Mouley Ifmael , dewelke in 7,yn tyd regeerde, 
teweten 1693 en veel volgende jaaren, deyde- 
le voorzegging van vermaledydingin den wind 
floeg, en deze vermaarde goude appels of 
bollen heeft weggenomen, en in zyne Schat- 
kamers opgefloten. 

Si. 
Dit Keizerryk van Marokko is tegenwoor- 
dig zeer groot, dewyl daar onder begrepen 
zyn Marokko , lafilet , Fez, , Sus , Tarudent 
en meer andere ; zelfs zouden wy niet kon- 
nen bepaalen , hoe ver het gebied van dezen 
Monarch zich uitftrekt in de Woeftyne van 
Numidien. Als de Lezer aan de weftkant 
van Africa over de Canarifche Eilanden be- 
gint, zal hy in ordre zien volgen de Land- 
schappen van T e s s e t, Sus, Dar ha, 
Tafilet, Marokko, en Fez, gren- 
zende aan 't Naauwvande Straat, rechtover 
Gibraher : en de Lezer met zyn gedachten uit 
# de groote Zee de Middelandfche Zee vor- 
der ingaande , zal over de Eilanden Tviea en 
Major ca op 3 3 , 34 , 3 f. graaden breedte, en van 
20. tot 29. graaden lengte , het tegenwoordige 
Koningryk Algiers vinden, en van daar noch 
vorder Ooftwaart over 't Eiland Sardaigne, 
op de lengte van 30. tot 35-. graaden, en de 
breedte van 30. tot 3$-. graaden, het Koning- 
ryk Tunis: en vorder ooftwaarts over 't 
Eiland Sicilië, het Koningryk Tripoli; 
en over Candia en Rhodes het Koningryk 
Bar ka, beginnende ia 't weftenmct de 35* 

graad 



ƒ2.4 Natuur- en Konfi- Kabinet ^ 
graad, en eindigende op de 60 graad lengte 
by Alexandrie in Egypte» , en leggende door 
malkander het Koningryk Barka op 29, 30, 
en 31. graaden breedte; maar Tripoli op 27, 
28,29, en 30. graaden breedte. Als nu de mi- 
kundigeLezer landwaart in zich inbeeldr,dat de 
kleine en groote bergen /lilas, dewelke door 
geheel Africa loopen, aldaar in 't land de grens- 
paalen zyn , zal hy in 't rouw een denkbeeld 
hebben, van 't geen Barbariegemamt word; 
en om de natuur van Barbarien wel te ver- 
ftaan, moet de Lezer begrypen, dat alle de- 
ze Landen zo aan den Oceaan als de hoek 
om door 't Naauw van de Straat, en langs 
de boorden van de Middelandfche Zee rot 
aan de Nyl, met groene en vtuchtbaare heu- 
vels , en middelmatig hooge en bergachtige 
Landen bezet zyn, en overal bewoont: dat 
tulTchen deze Heuvels en den Atlas veel groo- 
te vlaktens zyn, daar de Bergüeden van den 
Atlas koomen weidenen geerfr planten, daar 
de Janitfers van de gemelde Koningrvken 
jaarlykze fchattingen van haaien, hoewel het 
Gebiedt aan den Oceaan van de Keizer van 
Marokko achter den Atlas zich verder iritftrekt 
indezandigeDadel-en Kameel-rykeWildernif- 
fen van Numidie , of het zogcnaaamde Da- 
del-land. 

Si. 
Wat de Rykdommen en Schatten van 
Goud belangt, dewelke bezeten wordendoor 
ileze Barbare», dezelve zyn om haar groote 
gierigheid ongeloofjyk groot. Tot een (taalt- 
je van derzelver infcheurende gretigheid, laat 

de 



Mey en Juny 1719. fif 

de Keizer van Marokko , zegt de Heer van 
Se. Oio» , a! het Goud , het welke hy in 
een groote menigte inzamelt, fmelten en in 
een heimelyke fchatplaats verbergen, en ge- 
noegzaam als begraaven : en het is wel te 
denken, dat deze 1'chatten veel zyn, dewylde 
Marokkyns en andere Barbaren gedurïgen han- 
del dryven met de Zwarten of Negers van 
de Inlandze Koningryken en de Landenvan 
Guinee, trekkende en heen en weder reizende 
met Karavanen door deWoeftyne van iV«#«- 
die en een gedeelte van Lybie, inruilende Goud 
voor yzerwerken, fpiegeltjes en voor alderhan- 
de Europifche fnuifteryen , en dat zowel ftof- 
goud als ander goud,mitsgaders Olyfantstanden 
en zwarte Slaaven. Dit Goud koomt op de vol- 
gende wys in Europa: de Schepen van Vrankryk, 
als van Rouaan , van Se. Malo en Marfeille koo- 
mentot Salée en 'ïeeuan , brengen aldaar fran- 
fchelywaaten en andere waaren , en ruylen daar 
voor moorfche dukaaten , wafch , turkfeh 
leer, wolle, vogelftruis-veders , koper, da- 
dels , amandelen , toetfteenen enz. Ónze 
Landslieden brengen aldaar lakenen , Iywaa- 
ten, fpeceryen enz. Italien brengt aluyn, 
glas, en Veneeiaanj'che fnuifteryen. Uit de 
Levane krygen zyZyden, Katoen, Auripig- 
mene , kwikzilver, vooie Arfenicum en opium ; 
van welk alles de Stad Fez het eigentlyke 
Magazin is , daar alles eerft koomt en van 
daan gaat: waaruit de Lezer genoegzaam kan 
bemerken, dat door dit Kanaal een groote 
menigte moorfch Goud in Europa moet over- 
gevoert worden , en dat zulks geen kleine 

oor- 



fi6 Natuur- en Konfi- Kabinet , 

oorzaak zal zyn, dat de Handel van AtlFefi* 
indifche Compagnie op de Goudkuil niet beter 
bloeit. 

Si- 

Achter dat gedeelte van Barbarie , het welk 

door de Keizer van Marokko beheerfchtword, 
en aan de andere zyde van de grooten Atlas , 
volgt het Landfchap Numidie , by die van 
Africa Biledulgerid of Dadelland genaamt: 
Dit Landfchap brengt een groote menigte 
Dadels , dewelke zeer goed zyn , voort : 
het is een zeer heet en te gelyk zeer droog 
Landfchap, daar geen koren groeit, in het 
zelve leggen zeer veel Steden dewelke Jo- 
annes Leo de Afrikaner befchryft. Dit Da- 
delland begint in 't weften aan den Oceaan 
over de Canarifche Eilanden , en eindigt 
achter 't Koningryk Tripoli , tegens de 
Woeftyne van Barka , van de $■ graad tot aan de 
45- graad lengte, en tuffchende zjendertigfte 
graad breedte. Deze zandige en woefte Wil- 
derniffen worden bewoont door Arabieren en 
Afrikaanfche Herders en Rovers, wordende 
van verfcheide Vorften geregeert, dewelke 
by MarmolenLeo de Afrikaner wel het alder- 
naauwkeurigft van alle de Schryvers befchre- 
ven worden. Het is ook op alle plaatzen niet 
even onvruchtbaar, dcwyl het zeer veel Ri- 
vieren heeft. By deze Lieden behoeven wy 
juilt niet veel na het Goud te zoeken, behal- 
ven in de Heerfchappyen , dewelke de Keizer 
van Marokko hier en daar bezit. 

SS- 

Achter Numidie volgt de gr ouwzaame groo- 
te 



Mey en Juny 1719. f27 

te Wildernis Lybie. Het geen de Aaloude Lybie 
noemden , koomt met het hedendaagze Lybie 
niet over een, wy verdaan nu door Lybie de 
geheele Woeityne, allede Wilderniflen en Ko- 
ningryken, die tulrchen 't Land der' Negers en 
Numïdie inleggen , en aan 't wetten van den 
Oceaan beginnende, en in 't ooften tegen hoog 
Egypten aanftootende, achteren gepaart met de 
Woellyne van't Landfchap Baria, byna van het 
eene einde van Africa tot aan het andere door- 
gaan. Zommige plaatzen zyn gronwzaame zan- 
dige woertenyen, andere zyn faverigen rteen- 
achtig , en zommige zyn moerafïïg, vochtig , en 
enigzins vruchtbaar: het legt meert onder de 
TropicusCancri , op de 23, 24 en 2yfte graad 
breedte, en word in Buiten- en Binnen-Ly- 
bie verdeelt. 

S 6. 
Dit groote Landfchap Lybie is in tien Land- 
fchappen en Woeftynen verdeelt , en word van 
zwervende Arabieren en zommige Africanen 
bewoont , dewelke elk haar eigen 'Territoir be- 
weiden, en zy hebben haar Steden en Dorpen 
meert aan de vruchtbaare Rivieren ; zommige 
plaatzen zyn zo dor en droog , en heet, dat de 
Reizigers en Karavanen, die van Fez en Tombut, 
en Agades in 't Land der Negers reizen, om 
Goud, Olifantstanden enz. te haaien, om de 
vyfde of zesde dag zich moeten behelpen met 
putten van flecht zout put- water ,óewy\ Lybie 
vol zout-kuilen is: onder veele andere, zegt 
yuhannes Leo de Afrikaner , is in Lybie een 
Woeftyn, in dewelke om de hondertfte myl 
noch water, noch eenige woonplaats van 

L 1 men- 



fi$ Natuur- en Konfl-Kabinet , 

menfchen te vinden is, waarom dikwils de 
Menfchen en Dieren, dewelke hier doorrei- 
zen , door de hitte en de dorft verfmachten 
en fterven. Uit welk alles blykt , dat het 
Goud, daar de moorfcheDukaaten naderhand 
van koomen, door de Kooplieden \an Ma- 
rokko en Fez ook zo geheel gemakkelyk niet 
te krygcn is. 

fa . 
Achter Lybie volgt eindelyk Nigritia of 

het Negers-land. Olfert Dapper zegt , dat 
het zelve grenft tot aan de Nyl, beginnende 
van den Oceaan ; maar de Heer Jaillot be- 
paalt het met de oorfprong van de grouwzaa- 
me groote Vloed Niger , met uitfluiting van 
het Landfchap Amazen , en het groot Land- 
fchap van Nubie , het welk Dapper mede in- 
fluit. Dit Land der Zwarten is aan de groo- 
ten Oceaan op zyn breedft, en begint by Rio 
dWr, recht onder de Troyicus Cancri , en 
legt met zyn uiterfte uitfpringende hoek op 
de vierde graad noorder breedte; het heeft in 
de grooten Oceaan , daar de Niger zich met 
veel takken in de Zee ontlaft by Cabo-ver- 
de , de Cabo-verdifche Eilanden recht over zich 
leggen op de 4de graad , en eindigt op de 
44fte graad, daar de Niger zyn oorfprong uit 
en van het gebergte krygt, en is dus 20 graa- 
den breed, en. 40 graaden lang. Aan weer- 
kanten van d& Vloed de Niger leggen vyftien 
Koningryken, behalven noch de Koningry- 
ken aan den Oceaan , dewelke het befpoelt 
van Rio d'Or tot aan het Land der Caffers , 
zynde het uiterfte van Angola \ en byaldien 

wy, 



Mey en Juny 17 lp. 529 

wy, gèlyk Dapper, het Landfchap en Ko- 
fiingryk Nttbie in het zelve befluiten , fpringt 
het zelve noch twintig graaden verder, ja zelfs 
over de Nyl, tot aan de 64 graad lengte, 
na de verdeeling van de Heer Jaillot. Ik zal 
alle de Koningryken en Landfchappenvandit 
onmetelyk groot Land niet optellen , maar 
de Lezer eens in bedenking geven, welk een 
grouwzaame Reis de Menfchen doen, de- 
welke met haar karavanen reizen van hetKo- 
ningryk Guala , dat in 't weden aan den 0- 
cear<n by Caap Branco legt, om Koopman- 
fchap te dryven met de Kooplieden van groot 
Cairo : deze Lieden reizen door de geheel e 
lengte van Africa langs de boorden van de 
Niger, door alle de Koningryken en Natie» der 
Negers , dewelke aan deze Vloed gelegen 
zyn : en door den Handel,dewe]ke£«re/>« we- 
derom heeft metEgyptenjs dit het derde Canaal, 
waar door het Goud van de Goudmynen uit 
Africa in Europa gebragt word , van 't welke de 
grooten Heer Dukaaten in Cairo laat munten. 

f8. 

Ik zal , omdat myn bedek zulks niet toe- 
laat , van de andere deelen van Africa, tewe- 
ten Opper- Etbiopien of 't Land van AbyJJi- 
nien , en alle deszelfs Koningryken , noch 
Neder- Etbiopien, benevens het groote Koning- 
ryk van Monomotapa en alle deszelfs Koning- 
ryken, voor deze reis niets meer konnenaan- 
haalen,veel min van de Landen der Zee-Kuften, 
beginnende van Angola om de Kaap de bon Ef- 
perance, tot geheel binnewaarts in de Arabi- 
fche Golf of 't roode Meer; behalven dat uit 
Abyjjime noch wel eenig Goud verhandelt 
Li x word 



5 3 o Natuur- en Konjl-Kabinet , 

word met de Turken, in welk Land, vol- 
gens de aantekening van de Heer Jobus Ludol- 
fus , in zyn Befchry ving van AbyJJinie , ook veel 
Goud gevonden word. 

_ S9- 

Dat in veel verfcheide Landfchappen en 

Koningryken van Afie Goud gevonden word, 
het welk door verfcheide wegen enKanaalen 
in .Earo/^gebragtword, zal niemant, dewel- 
ke maareenige kenniife van die zaak en heeft, 
onbewuft zyn. Zelfs heeft onze Ed. Ooftin- 
difche Maatfchappy Goud-mynen op Sumatra. 
Dit Sumatra is een zeer groot Eiland, en legt 
recht onder de Middag«lyn, en dewyl het Ei- 
land van zyn eene uiterfte einde noordweft, 
en met zyn andere uiterfte einde zuid-ooft 
aanlegt, en zyn rechte lyn over de tweehon- 
dert franfche mylen bedraagt, legt het zelve 
vyf graaden ten noorden , en vyf graaden ten 
zuiden de middaglyn, beflaande ook omtrent 
een breedte van vyftig Franfche mylen. 
óo. 
In de Rivieren en Beekjes op Sumatra 
worden zomtyds goude ftukjes en kor- 
rels gevonden , dewelke door het water , 
dat van het gebergte koomt afbruyzen , 
afgefpoelt en mede gefleept worden. Dit 
Goud word aldaar opgezocht en vergadert, 
en door de Nederlanders ingekocht ; deze 
vervoeren dan het zelve na de Kuft van Coro- 
mandely alwaar het zelve van de Mooren ge- 
munt word ; behalven noch de Benzot» , de 
Campber, en het Goud, het welke van Su- 
matra na Batavia word vervoert. 

De 






Meyenjuny 1719. ƒ31 

61. 

De Ooftindifche Compagnie heeft op Suma- 
tra een Bergwerk , omtrent twee uuren gele- 
gen vanhaar Comptoir Paulo Cbinco, niet ver 
van Sillida een Stad of Plaats op Sumatra, 
de Sillidaifche Goud-rnyn T A M B A N G ge- 
naamt : van dit Bergwerk is al zeer veel werk 
gemaakt sedert den jaare 1669, en de Heer 
Petrus Hartzing , in zyn leven Hof- en Berg - 
raad van de Vorlt van Brunswyk-Lunenburg, 
heeft een byzonder Traélaat van dit Bergwerk 
gefchreven , en het zelve opgedraagen aan de 
Heeren Bewinthebbers van de Nederlandfche 
Ooftindifche Maatfchappy in het jaar 1678; 
maar het is by de ftukken gebleeken , dat de 
Goud-erts van de Goudmyn Tambang op Su- 
matra niet zo ryk was van Metaal , als de 
Heer Pttr. Hartzing voorgaf. 
62. 

Om van deze zaak naauwkeuriger bericht 
te hebben , bezorgde de loffelyke Maatfchap- 
py een ander zeer wakker en ervaren Heer, 
te weten de Heer Benjamin Olitzfch, Raad en 
Berg-Commijfaris van deKeurvorftvaniSW.*-e». 
Deze trad in het jaar 1681. op den 25- Decem- 
ber tot Sumatra voor de eerfte maal aan land. 
Na dat deze Heer de Bergen van Sumatra, 
en te gelyk de Goud-myn, deszelfs Berg> en 
de Hoedanigheden van dien, mitsgaders de 
Goud-ertzen of Metaal aardens wel doorzocht 
hadde , berichte Hy aan de hooge Rege- 
ring op Batavia, dat de Bergen van deze 
ontdekte Oorden niet lichtelyk voordeelig 
zouden konnen zyn , om haare onbeltendig- 
Ll 3 heid 



ƒ 3 £ Natuur- en Konfl-Kabinet , 
heid en gebrokene on-aard; dat is te zeggen, 
dat zy lang achter malkander niet veel zou- 
den konnen uitleveren , maar zomtyds eeus 
zeer kortelyk een ryke erts , en zomtyds we- 
derom zeer lang een zeer arme en magere 
erts , behalven dat om de verftikte lucht in 
de Myn zelfs , en de ongetempertheid van de 
Dampkring boven dit Land, gedurig de Myn- 
werkers zouden wegfierveti , gelyk de Erva- 
rentheid reeds al genoegzaam hadde beveiligt 
aan de oude Myn , daar reeds lang aan ge- 
werkt was. 

De Heer Ohtzfch raade als een eerlyk Man 
de Compagnie van deze Bergwerken geheel 
af te zien, omdat derzelverErtzen ongemeen 
weinig metaal bezaten, zynde dikwils geheel 
ontbloot van Goud, en maar een weinig zil- 
ver inhoudende; alwaar noch by kwam, dat 
de Erts zeer zwaar te bewerken was , gelyk 
uit een Dag-regilter en Aantekening bleek, het 
welk aan deze Myn dagelyks gehouden was, 
en van de Heer Olitzjch aan de Ed: Compag- 
nie overgelevert wierd ; uit het welk onder 
andere bleek , dat uit een Ader , dewelke 
noch een van de rykfte was , van den 4 
tot den 10 January niet meer als 1 35- ponden 
Metaal-erts was uitgewerkt, in dewelke vol- 
gens de proef der EJfayeurs bevonden wierd 
aan zilver te bezitten een Mark , zes loodt en 
zejlien quintjens. 

64. 
Het Mineraal of de Metaal-aarde ver- 
volgde in deze Berg-groeven geenzins, gelyk 

zulks 



Mey en Juny 1719. f35 

zulks in andere Landen gewoonlyk gefchiet, 
maar beide miernefts-gewys , zodat na het 
getuigeniiTe der graavers zomiyds in een zeer 
korte Spatie een zeer ryke Erts gevonden 
wierd , en weer datelyk daar aan ganfche- 
lyk geen Erts. In ditBergwerk hebben deMa- 
leyers al voor lange jaaren gewerkt; en in de 
aders, dewelke zy uitgegraaven hadden, en 
benefrens dewelke zommige aders van de 
Nederlandfche Myn voortliepen , wierd zom- 
tyds wel eenige ryke erts gevonden , dewelke 
zo van ter zyden als anderzins de Maleyers 
hadden laaten leggen , maar deze was ook al 
van geen duur of gelyke voortgang. 
6f. 

(a) EUas Heffe verhaalt,dat, terwyl hy aan de 
Goudmynopiaw^ra was, vanden 1 January 
1682 tot den 20 Juny.zynde omtrent zes maan- 
den , aan Erts uitgegraven was 1 8087 ponden, 
en dit noemde hy noch al een tamelyke en 
ryke quantiteit na den aard des Bergwerks, 
dewyl uit deze 18687 ponden Erts van ver- 
fcheide foorten, zoaan Zilver als Goud is ge- 
levert 297 'mark j- loodt en 17 quint'jens , be- 
dragende aan geld 14226 Hollandfche gul- 
dens , waar mede de onkoften in zes maan- 
den gedaan op geenderley wyze konden goed 
gemaakt worden. 

66. 

Dat de lucht omtrent dit Bergwerk zeer 
ongezond is , gefchiet , omdat het' zelve 
maar twee graaden bezuiden de middaglyn 

LI 4 legt, 

[a) Tiet deszelfs Reisbefchryririg na en in Ooftin- 
dien , zesde Hoofdftuk. 



^34 Natuur- en Konfi- Kabinet , 
legt , want de Menlchen , dewelke midden 
op dit Eiland woonen, hebben de Zon recht 
boven haar hoofd, en dit Bergwerk legt op 
twee graaden na in het midden van dit groote 
Eiland Sumatra. Voegt hier noch eens by, 
dat deze plaatzen , daar de Mynwerken om- 
trent leggen, overal met groote moerafïen 
omringt zyn , en dat omtrent de regentyd al- 
daar meelt dagelyks en alle avonden vrees- 
lyke donders, blixemen , en fterke ïtormwin- 
den koomen uit te barlten en te woeden ; 
waar op datelyk weer groote ftilte volgt, en 
groote broeying en hitte, door dewelke deze 
moeraden opeen ongelooflyke manier alom de 
lucht met (tank vervullen , en als befmetten. 
Hier by koomen zeer kwaade dampen en Hin- 
kende nevelen, dewelke uit de dalen en va- 
leyen gedurig tegen het gebergte opryzen , en 
dewelke zulk een dikke milt veroorzaaken, 
dat de menfehen op een zeer korte afltand 
malkander niet konnen zien. 

67. 
Niet tegenftaande het Nederlandfche Berg- 
werk op Sumatra nier zeer ryk is, Itaat ech- 
ter aan te merken ,, dat op het Eiland andere 
Bergwerken en Goudmynen gevonden wor- 
den , hoewel dezelve niet in het bezit der 
Hollanders maar van de Natie zyn, dewelke 
haar Goud aan de Comptoiren der Ed. Maat- 
fchappy op Padang, Coitlo, Chinco en Paros 
verhandelen. De Kooplieden, dewelke dit 
Goud aan de Compagnie verhandelen , krygen 
het zelve over de derde of vierde hand van de 
Natiën diep Landewaart in gelegen. Dit 

Goud 



Meyenjuny 171 9. ƒ35* 

Goud beftaat in korlen, en de inkoop van de 
zelve is aan de Particulieren verboden, hoe- 
wel echter zommigeop een heimelyke wyze 
wel zomtyds eenige groote goudkorlen en 
ftukjes inruylen. 

68. • 
William Dampier, een van de naauwkeu- 
rigfte Natuur- befchouwers onder alle Reis- 
befchryvers, fpreekt op de volgende wyze van 
de Bergen van Sumatra, „ Het aardryk van 
dit Land verfcheelt naar de natuurlyke 
(tand, de Bergen zyn rotsachtig, voorna- 
mentlyk die aan de weftkuft ; echter fchynen 
demeefte, die ik gezien hcbbe, een zekere 
aarden-korft te hebben , die van zelfs eenig 
klein geboomte, kreupelbofch of vry goed 
gras voortbrengt: de kleine Bergen zyn meeft 
bofchachtig, en fchynen de lioomen door 
hunne hoogte en wasdom uit een vrucht- 
baare grondt voort te koomen. Het veld- 
land, dat ik gezien hebbe* heeft eenzwar- 
te, grauwe, roode en diepe aard- grond. 
Het Ryk van Achin ( op Sumatra ) is te- 
genwoordig overvloedigft van Goud voor- 
zien , en in Ooftindie is my geen plaats be- 
kent , dewelke zo veel Goud uitlevert als 
Achin, want op Japan ben ik nooit ge- 
weeft. Zy hebben hier ook gemunt Goud, 
zynde ftukjes van vyftien ftuivers, dewel- 
ke zy een mefs noemen , en eenige anderej 
zy munten maar een klein gedeelte van 
hun goud , en zo veel als noodig is om haar 
onderlingen handel mede te verrichten ; 
maar wanneer een Koopman groote fom- 
Ll ƒ ,, men 



5" 3 6 Natuur- en Konft-Kabinet , 

„ men ontfangt, betaalen zy gemeenlyk by 't 
„ gewigt, en doorgaans met ongemunt of 
„ onbewerkt goud, waarde voor waarde. 
69. 
In de Stad van Aehin woonen zeer veel 
Kooplieden, dewelke met de Berglieden, die het 
goud graaven , handelen , aan dezelve over- 
brengende diep in het land op, enbydeonge- 
7onde Bergwerken, alderhande waaren, als 
Zyde , Chitzen , Neteldoeken , Katoenen, 
Opium , Rys , en andere zaaken , dewelke 
aldaar door de Engelfchen, Hollanders, Dee- 
nen , Chinezen en andere gebragt worden , 
en brengen wederom Goud van daar, met zeer 
groote winften. 

William Dampier doet in zyn Reistogt om 
den Aardkloot ook een naauwkeurigeBefchry» 
ving van het Eiland Mindanao , zynde een 
van de Philippynfche Eilanden ; dewelke meeft 
onder de Spanjaarden ftaan, behalven Min- 
danao, dat onder zyn eigen Vorft ftaat, en 
onder 't Mahometaanfch" Geloof is gebragt. 
Het is het grootfte van de Philippynfche Ei- 
landen, ( uitgenomen het Eiland Lukonia t 
dat in her geweld der Spanjaarden is, en van 
waar haar Akapulko's- vaarders allerlei Ooft-In- 
difche Waaren haaien ) leggende op de ze- 
vende graad breedte. Dit Eiland is omtrent 
zedig franlche mylen lang, en veertig of vyf- 
tig mylen breedt ; op dit Eiland legt de 
Hoofdllad , insgelyks Mindanao genaamt. 
Doen Dampier in de Stad Mindanao was, 
wierden daar twee Goud-fmedcn gevonden : 

deze, 



Mey en Juny 1719. f$j 

deze , zegt hy , maakten alles, wat begeert 
konde worden. Dit Goud ruilen en koo- 
pen zy van de Lieden , dewelke diep uit het 
land koomen, en in 't gebergte woonen, 
daar zy het Goud uit haaien, en voor het 
zelfde inkoopen van de Hollanders en ande- 
re, dewelke aldaar van Temate en Tydore 
koomen, Katoenen, Neteldoeken, en Chi- 
neeze zyden ; gelyk ook van Manïia^ daar 
zy zulks met de Spanjaarden gaan verhan- 
delen. 

Twintig mylen van Mindanao leggen drie 
kleine Eilanden, Meangis genaamr. Op deze 
Eilanden vallen eenige nagelen, en zeer veel 
Goud, na het zeggen van D amper , hoewel 
ik op het bewys , het welk hy daar van by- 
brengt, niet veel ftaat zoude durven maaken ; 
gelyk ook het geen die Schryver melt van het 
geel Metaal , het welk hy voor Goud aanzag, 
op de vyf Eilanden omtrent Formofa gelegen , 
op 20 graaden 20 minuiten noorder breedte, 
de Basje Eilanden genaamt : aan de zyden der 
Bergen, zegt hy, groeit kort gras; de Ber- 
gen zyn zeer rotsachtig, en in zommige van 
de Bergen zyn Mynen : want de Inboorlin- 
gen toonden ons zeker geel Metaal, waar 
van de Mannen en de Vrouwen kleine oor- 
ringen droegen: of het Goud was of niet, 
durft hy niet verzekeren, maar hy hielde het 
daarvoor, om dat het zeer zwaar van gewicht 
was, en van koleur gelyk ons bleekfteGoud, 
Veel meerzekerheid weeten wy , vanhetgeen 
D amper verhaalt van het bekende Koningryk 

T««- 



f 3 8 Natuur- en Konji-Kabinet , 

"Tunquin, het welk tuflchen China en Co«- 
chinchina geplaatft legt. De verkoopbaare 
waaren van dit Ryk (Tunquin), zegt hy , 
„ zyn Goud, Muskus, gewerkte en ruuwe 
„ Zyde, als ook Katoenen, Drogerycn van 
„ veelderhande foort, Verfhout, Lakwerk, 
„ Porceleinen, Zout, enz. en daar is veel 
„ Goud in dit Land , en het gelykt wel na 
„ het Goud van China , het is zo zuiver 
„ als dat van Japan , en veel fynder ( van 
aloy. ) 

In het magtig Koningryk Tunquin word 
wel veel Goud gevonden, en ook verkogt by 
de Kooplieden , maar zy hebben zelver geen 
Goud- noch Zilver-mynen. Het Goud , het 
welk overvloediglyk by de Tunquinfthe 
Kooplieden gevonden word, verkrygen zy 
door haar overvloedt en handel in de Zyde, 
en het Aloë-hout, Lakwerk en Muskus, 
gelyk daar van getuigt word door de Broeder 
van de vermaarde 3^ Baptift Tavermcr , in 
zyn nieuwe Befchryving van 't Koningryk 
'lunquin. 

73- 
Diergelyke Koningryken worden in Afi* 

meer gevonden, als by voorbeeld Perfien; 
hoe magtig en aanzienlyk dit Koningryk in 
rykdommen van Goud ouwelings onder 
Xerxes en Darius is geweeft , heb ik echter 
tot noch toe niet konnen opfpooren , dat ee- 
nige Goud-mynen in Perfien gevonden wor- 
den: en wat de ftaat van het tegenwoordig 
Perfien belangt, de Heerd* Thevenot, die de 

naauw- 



Meyenjuny 1719. fgp 

naauwkeurigfte van alle nieuwe Schryvers is, 
en wien zy meeft allefchynengevolgt te heb- 
btn, verhaalt, dat in dit Koningryk eengroo- 
te fchaarsheid van geld is. Inderdaad , zegt 
hy „ de kragten , dewelke daar onderhouden 
„ worden v of liever de Legers , die in onze 
„ dagen tegens den Turk en andere Magten 
,, op de been gebragt waren, zyn ten aan- 
„ zien van zulk een groot Land zo gering 
„ geweeft, dat de Perfianen onder 't getal der 
„ ontzachelyke Magten niet geftelt worden, 
„ en de oorzaak dezer zwakheid is de fchaars- 
„ heid van geld. Dit gebrek van geld fpruit 
„ uit de kleine handel , welke de Perfianen 
„ dry ven, als hebbende zeer weinig waaren, 
„ dewelke in andere Landen getrokken wor- 
„ den, namentlyk eenige zyden , tapyten, en 
„ Brokaaden , en by na niets anders van be- 
„ lang. Invoegen men van Perfien zeggen 
„ kan, dat hetflegts ge\yk een karyanjerai is, 
„ dewelke tot een doortogt dient voor het 
„ geld, 't geen uit Europa en Turkyen na /«- 
„ dien gaat , voor de ly waaten , fpeceryen , 
„ (en andere koflelykheden, ja zelfs ju wee- 
„ len) dewelke uit Indiën'xw Europa en 7ar- 
„ kyen koomen. Daar het Landfchap van 
Perfien een weinig voordeel af geniet. 

■ 74- 

De ryke Perfianen borduuren haare Tul- 
banden en klederen wel rykelyk met Goud, 
en draagen veel koftelyke juweelen in haare 
ringen als anderzins, dewyl zy zeer groote 
Liefhebbers van edele Gefteentens zyn; ook 
hebben de Perfiaanfche Koningen een ver- 
maar» 



f 40 Natuur- en Konft-Kahinet , 

maarde Schatkamer van Goude Vaten, Ju- 
weelen en andere koftelykheden; maar be- 
halven dat zulks door lange tyden vergadert 
is, word het zelve van buiten verkregen, 
daar Perfien teer gelegen toe legt. De Ko- 
ningen van Per/ten 7.yn zulke overmatige Lief- 
hebbers van Goud- Vaatwerk en Gefteente, 
daar 7.y een groote menigte van hebben, dat 
v.y door verfcheide Goudfmeden, dewelke zy 
in haar dien!! hebben, geftadig aan nieuwó 
Konllftukken van goud laaten arbeiden. 

Tuflchen het groote Koningryk Perfien etl 
Arahien fchiet de Perfiaanfche Zee-boezem, 
gewoonlyk de Golf van Perfien genaamt , 
daar hy uit de groote Arabifche Zee koomt 
vallen , en een engte by Ormus of de Straat 
van Maffhuda maakt , en voortfchiet tot daar hy' 
eindigt by Babylonien voorby deplaats, daar de 
Euphrates en Tigris zich in deze boezem ont- 
laden. Noch meerder aan de uoordzyde word 
Arabie gefcheiden door Bdbylonie en Mefopota- 
mie. Aan denoordweft enweftkantwordz/ra- 
bie gefcheiden door Syr ie en Palaftina; aan de 
welt en zuidweft kant door Egypte» en het 
roode Meer; aan de zuid en zuidooll zyde 
door de Gaap de Guardafny en de Arabifche 
Zee. Het midden van Arabien legt onderde 
Trupicus Caxcri; het znidelykfte deel van A-, 
yabie is, daar het roode Meer uit de Arabi- 
fche Zee koomt fchieten by de Straat van A/o» 
cba , op de twaalfde graad noorder breedte , 
en het noordelykiïe deel van Arabie, dattuf- 
'chen Syne infehiet , op de vierendertigite 

graad 



Mey en Juny 1719. ƒ41 

graad noorder breedte: het weftelykfte deel 
van Arabie fchiet bove Trade meer tegen £-/ 
gypten , en het ooftelykfte deel van Arabie is 
by Caap Razalgate , van de vyfenzeftigfte graad 
lengte tot de zesennegentiglle graad lengte, 
waar uit de Lezer kan bemerken, welk een 
grouwzaame brok lands Arabien moet zyn. 
76. 
Ik zal niet behoeven te verklaaren , dat dit 
grouwzaame groote Land onder drie verfchei- 
debynaamen bekent is; als 1. Het Steenig 
Arabie, dat in vergelyking van de andere 
zeer klein is, en tegen Pal<eftina en nedet-Egyp- 
ten aanftoot. 2. Het Woest Arabie, 
dat tegen Syrië , Mefopotamie en oud Chaldaa 
aanlegt, en omtrent tweemaal zo groot is als 
het Steenig Arabie. En 3. Het Gelukkig Ara- 
bie, dat alleen byna vier maal zo groot is , 
als de beide andere te zamengerek ent. Want 
dewyl mynvoorneemen maaralleenlykis, om 
te handelen van de Rykdommen des Gouds 
van de Landfchappen van Afia , zal ik kor- 
telyk de Goudrykheid der hedendaagze Ara- 
bieren doorloopen. 

', 11- . 

Dewyl de Turken van verfcheidegedeeltens 
van Arabie aan de Perfiaanfche Golf meefter 
zyn,en deArabifcheVorüt-n meeftalle Mahome- 
taanfcb of woeft zyn , en de goede Letteren 
by alle Mahometanen buyten gebruik zyn , 
hebben wy geen andere kennifTe van Arabie, 
als door de Koopmanfchap in de Oceaan tot 
Fa rtach,Masca.te, en voor aan op het 
rgode Meer tot Aden, Moe ha, endoor 

de 



54 2 ' Natuur- en Konfi- Kabinet , 
de Reizigers van A4ECCA,MEr>iNA,deE 
graafplaatslvan Mahomet , en in de Perfiaanfc 
Golr tot Basso ra, behalven de oude J 
fchryvir.gen eneenige vertellingen van nieu 
Franfche Reizigers. 

78. 
De oude Griekfche Schryvers, als Pi 
Wceus , Diodorus , Strabo , Stepbanus , Aga, 
cbidcs , Marti anus y en meer andere, g( 
ikgetoor- (a) hebbe voor dezen, getuigen e 
parig , dat de Arabifcbe Volkeren aan 't r 
de Meer gelegen, dewelke zy Deri, 
weer andere, dewelkezy Kassanjten noe 
den , veel Goud hadden , het welk zy grc 
ven uit haare Goudmynen, en uit haare J 
vieren uitzochten, maar tegen woordigkoo 
de meefle rykdom van Goud in Arabie d< 
Bedevaart na Mecca en Medina , door 
Paarde-handel en Dadel- handel op Bajfo 
en door de ongelooflyke grooten handel 
de Koffy-boonen ; behalven dat tot Mocht 
Aden , benevens andere koftelykezaaken, < 
veel Dukaaten uitgelevert en verkogt worde 

79- 
Baffbra, in de Perjiaanfcbe Golf geleg 

is ook een zeer groote Koopftadvan/?r.-/£/ 

hiervan daan, zegt de Heer deTbevenot , g 

ettelyke Milioenen geld jaarlyks in de ma 

Oitober met de Schepen , dewelke daar p; 

den, dadelen enz. koomen inkoopen, n: 

Indien ; dit Baflora is een Hoofdlïad van 

Baiïaadfchap van die zelve naam , en legt o] 

uiterüe grenzen van woelt Arabie. 

(a) Ziet Natuur- en Kond-Kabinet , Maart en 
pril 1719. fag. 266. 



Mey en Juny 171 p. ƒ43 

80. 

Voor aan in 'c Roode Meer legt in geluk- 
kig Arabic de Stad Mocha : deze Stadt is binnen 
de tyd van hondert en vyftig jaaren van een 
(legt vifïèrs dorp aangegroeit tot een medege- 
zel lin van de vermaartfteKoopfteden van geheel 
Afie. Na Mocha zyngevloeitalderhandeiV<*- 
tien , dewelke dezelve Stadt bewooncn,als Ara-» 
bieren, Bénjanen ,'Jooden , Turken , Indianen, 
Perfianen , Armeniërs , enz. Op Mocha is 
tegenwoordig een groote vaart uit A/ia, Afri- 
ca en Europa. Behalven dezefcheepsvaarten 
koomen jaarlyks tot Mocha van Aleppo als el- 
ders verfcheide Karavanen te lande, dewelke 
twee a drie duizend Kameelen fterk zyn j daar 
brengende Fluweelen , Satynen , Damaften , 
Armozynen, Turkfche goude Lakenen, Ka- 
melotten , Saffraan , Kwikzilver , Vermiiioen , 
maar wel in 't byzonder (dat ook deze onze 
Verhandeling raakt) zeer veel Venetiaanfche eri 
Moorfche Dukaaten , en een groote menigte 
van alderhande waaren uit alle gewefterr des 
Werelds. Mocha levert wederom uit aan an- 
dere overvloedig veel G o u D , Ambergrys, 
Paarlen, Aloé's, Bezoar-fteen, Koraal, Myr- 
rha^ en wel («) voornamentlyk Kotfy. 
81. 

Als wy Arabie verlaaten , en uit de Golf 
van Ormus de Perfiaanfche Kuft langs fteve- 
neiij koomen wy in de Golf vanCambaye, 
dewelke ons leidt tot aan Suratte , de ver- 
maande Koop-ftadt van geheel Indien , onder 
de Hterfchappy en het groot Keizerryk van 
M m den 

(a) Ziet Voyage de Arabie heureuje , avec la Relat ion 
particuliere d'un Voyage du fort de Moka &c. 



5*44 Natuur- en Konft-Kabinet , 
den grooten Mogol. Als wy ook te lande 
reizen door Perfien ooftwaart aan tot aan Can- 
dohar , koomen wy insgelyks in de ongeloof- 
lyke groote Heerfchappy van de grooten 
Movol. . 

* S2. 

Zommige Schryvers noemen dit groot mag- 
tig Keizerryk van de grooten Mogol égenüyk 
Indien , om dat na haar zeggen het zelve 
befloten legt tuffchen de twee grouwzaame 
groote Rivieren, de Indus en deGANGES, 
hier legt ons niet aan gelegen ; maar het is mis- 
getaft, dat het gebiedt van de Mogol tuffchen 
deze twee Rivieren zoude bepaalt zyn , de- 
wyl het zelve aan weerzyden zeer ver over 
die Rivieren uitfpat , zo buiten de Ga-ages als 
aan deze zyde van den Indus. Het groot 
Keizerryk van de Mogol word in 't noor- 
den bepaalt door de bergen Caucafus of de 
Taurus , die het zelve van 'Tartarie affcheiden , 
ten zuiden door de groote IndiaanfcheZee, 
dewelke om Kaap Komorï y deKuft vanKo- 
romandel en Malabar aan wederzyden heen 
fpoelt; in 'tweftendoor Perfien en de Golf, 
en in 't ooften door de Koningryken, de- 
welke leggen tuffchen China en het Keizer- 
ryk van de grooten Mogol. Uit de Bergen 
Caucafus koomt de Rivier de Indus, en loopt 
zuidwaart aan door 't Keizerryk, zicfyont- 
laftende in de Indiaanfche Zee by Toure- 
BANDER en Soret, en uit de zelve Bergen 
na 't ooften de Rivier de Ganges zuide- 
lyk aanloopende, en ontlafi zich by Bfngale 
in de golf van Bengale of IndiaanfcheZee. 
De naauwkeurige Heer de Tfoevenoticgtvan 

des- 



Mey en Juny 1719. f4f 

deszelfs Landen het volgende. „ Ikhebmy 
„ van een Indiaan , die de Kaart van 7,yn 
„ Land pretendeerde te verdaan , laaten zeg- 
„ gen , dat in 't Gebiedt van de grooten 
„ Mogol twintig Landfchappen zyn, maar 
„ ik zoude haar liever Gouvernementen noe- 
„ men, en zeggen, dat yder Gouvernement 
,, verfcheidc Provintien begrypt. 

In geheel Indien zyn geene Plaatzen, de- 
welke meer van rykdom overvloeyen, als 
Suratte en Bengale, beide Steden onder 
de Heerfchappy van de grooten Mogol. 
Suratte word bewoont door Indianen, Per- 
fianen, Arabieren, Turken, Benjanen, Ar- 
meniers, Engelfchen, Hollanders en andere 
Chriftenen. DeEngelfche hebben het algemeen 
Comptoir van hun Koophandel geveftigt tot 
Suratte. In Suratte zyn uitftekende ryke 
Lieden ; een Benjaan , die van myn Vrien- 
den'was , zegt de Heer de Thevenot , wierd ge- 
fchat op acht Milioen. 
84. 

In de Stad Suratte is een onnoemelyke 
Koopmanfchap van alderhande Stoffen , Ka- 
toenen, Lywaaten, dewelke in Indien ge- 
maakt worden : als ook alle Waaren van 
Europa , mitsgaders alle Waaren van China , 
als Porceleinen, Kabinetten, Koffers ver- 
ciert met Turkooizen, Agaaten, Koralynen, 
Yvoor: daar worden verkogt Diamanten, 
Robynen , Paarlen, en alderhande koftelyke 
en edele Gefteentens, ook Muskus, Amber, 
Myrrha , Wierook , Manna , Salarmoniac, 
Kwikzilver, Lakmoes, Indigo, Speceryen, 
Mm z Dro- 



ƒ 4-6 Natuur- en Konfl-Kabinet , 
Drogeryen; daar word oök veelgehandeltin 
Goud: ook laaten de grooteHeeren voor zich 
üukken liaan van ma/Jif goud * ter waarde van 
zeventien hollandfcheguldens, dewelke Rou- 
pien genaamc worden. 

Van al het Goud, datiniVrf«<?ingebragt 
word van Sumatra, geheel Indien , Perjiex, 
Arabien , Africa en Europa. , moet twee ten 
hondert betaalt worden aan de tol , en dit is 
de oorzaak, dat het meefte Goud ter Huik in- 
gebragt word; ook is het voordeeliger, het 
Goud in Suratte te brengen aan [haven of 
klompen ,alsaangemuntey/>m<r, dewylalder- 
hzndefpecienïn de Landen van de Mogol wor- 
den aangetaft , en| in de gangbaare Mmu-fpecien 
van 't Land door daar toe gefielde Muntmee- 
fters vermunt.Deze Indianen zyn zo naauwkeu- 
rig in het ontvangen van 't gemunt Goud , dat 
zy 't zelve door 't vuur beproeven en weegen, en 
ook op defpecien,die maar twee a driejaaren ge- 
munt zyn geweeft , willen zydatelyk een half 
ten hondert korten. Van al dit Goud , dat 
zy verfmeken , maak en zy goude Roupien , 
behalven de Dukaaten , want deze verhande- 
len de indianen aan de Kooplieden uit Tar- 
tarien , die van de noordkant koomenom te 
handelen; hoewel het meefte Goud, hetwelk 
in deze Landen gebrast word , aan de Goud- 
draad- trekkers , Goudlmeden en aiderhande 
Goud-verwerkers word verivogr. Maar de» 
wyl myn bellek niet toelaat, verder van de Ryk- 
dommen desGouds van de Mogofc&ls ook van de 
Rykdommen van Bengale , en van de vermaarde 
maffif goude Rykstroon des MogUi , en dier- 
gel y- 



Mey en Juny \-j19. ƒ47 

gélyke zaaken te fpreeken , zullen wy na de 
overige anderen plaatzen overgaan , daar he- 
dendaags in Afia Goud gegraaven en gevon- 
den word. Ik zal alleenlyk eerft noch maar 
een weinig aanmerken van de Hoofddeden 
des Ryks, Dehli en Agra, en hetoverry- 
ke Bengale. 

86. 
Dehli is de HoofdÜad van hetgeheeleKeï- 
7erryk des grooten Mogols. In Agra, daar 
voor dezen de Mogols hun Hof hielden', is 
een Konin^lyk PaleisenHof, wiens weêrgaa 
van koftelykheid en rykdom in geheel Afia 
niet gevonden word. In dit Hof is onder 
een groot getal andere pragtige Gebouwen 
te zien des Konings of des Mogols fchathuis, 
in wiens gewelfde kelders alledeonnoemelyke 
fchatten des grooten Mogols bewaart worden". 
De Schryvers vernaaien , dat onder deze kel- 
ders twee kelders gevonden worden, dewelke 
met maj/if Goud opgeftapelt zyn , volgens aan- 
tekening van Dapper i behalven het Zilver, 
de Juweelen, Rariteitenen Gefchenken, de* 
welke noch in 2es andere kelders opgefloten 
zyn ; En noch andere Pragt en Rykdommen 
in Goudt en Juweelen , dewelke de Mogol 
op andere Plaatzen vertoont, en dewelke 
ik niet derve bybrengen volgens het fchry- 
ven der Auteure». De Heer Bernier, de- 
welke zelfs tot Dehli gewoont heeft in dienft 
van de Mogol , fpreekt ook van deszelfs 
Hof tot Dehli op de volgende wys. Chah 
Jehan liet omtrent over veertig jaar een 
nieuwe Stadt bouwen, en begeerde, dat de- 
zelve de Hoofdftadt des Ryks zoude zyn, in 
Mm 3 de 



f 48 Natuur- en Konfi-Kabinet , 
de plaats van Agra; ik zal, zegt de Heer 
Bernier, het Hof befchryven , gelyk ik het 
zelfde op zommige feeftdagen gezien heb. 
De Koning zat op zyn Throon zeerheerlyk 
bekleedt; de Throon wierd onderiteunt door 
zes voeten van majfif Goud, bezet metRo- 
bynen,S mar agden en Diamanten ; deze Throon 
word op zem'g Milioenen hollandfche gul- 
dens gefchat , behalven de goude en andere 
cieraaden vandeKoninglyke zaal : deze Stadt 
vloeit ook over van goude ftoften , en Goud by 
de Goudfmeden en Goudwerkers. 

87. 
Zem'g Franfche mylen van Dehli na het 
zuiden legt de Vorltelyke Stadt Agra, de- 
zelve is veel grooter als Dehli, en met veel 
trotzer gebouwen en ook met groote ryk- 
dommen verrykt. Het Landfchap van Ben- 
gale , dat door geweld van wapenen on- 
der 't gebiedt van de grooten Mogol ge- 
bragt is, geeft tegenwoordig aan dien Prins 
en deszelfs ingezetenen, om de goede gele- 
gentheidvan deszelfs Steden aan de Ganges y 
of dicht aan de Zee gelegen, en om de door- 
ftroomingen van de vermaarde Rivier de Gan- 
ges door 't geheele Landfchap zelfs, een on- 
uitfprekelykerykdom ; dewyl deze Oord door 
duizende van Vremdelingen , als Nederlan- 
ders, Engelfchen, Franfchen,Deenen, Por- 
tugeezen, Arabieren, Perfianen , Suratters en 
alderhande Indianen gedurig bezogt word, om 
daar in te koopen Katoene Lywaaten , Chit- 
zen , alderhande Stoffen , Salpeter , Indigo , 
Borax enz., voor welke Koopmanfchappen 
deze Vremdelingen daar zeer veel Goud en 

an- 



Mey en Juny 17 ip. f49 

andere Rykdommen brengen; al het welke de 
reden is, dat het Ryk van de/W^o/vanGoud 
overvloedig voorzien is, hoewel in de Eergen 
en Gronden van dit land zelfs weinig Goud 
gevonden word : maar dat aanmerkelyk is , 
de Landen van de Mogol vloeyen over van 
edele Getteentens, gelyk in 't Landfchap Su- 
ratte worden in de Mynwerken en Bergen ge- 
vonden Hiacinthen , Diamanten , Granade» , 
Topazen, Safiren , Chryfoliten, Efmarauten , 
Kornalynen, Spinellen, Amathijlen , Albaft, 
rood Marmer, Bloedlleen , enjafpis(v&n 
dewelke de Ingezetenen fchotelen en Pateelen 
maaken,) ook zeer fchoone Agaaten , van de- 
welke de Konltenaars in de Stad Cambaye raa- 
re koppen, hegten van meffen, Signetten, 
en andere fraaye werken maaken, behalven 
dat noch in de Koningryken van Visapour 
en Golkonda, nagebuuren en dikwils on- 
derdaanen vanden Mogol, de ftapel van Dia- 

mant-mynen is. 

88. 

Onder de Landen van Afia , daar zelfs Goud- 
mynen , en Goudryke Bergen , en ryke Me- 
taal-ertzen zyn , munt het magtig Keizerryk 
C h 1 n a by uitftekentheid uit. In deProvin- 
tien van China , namentlyk ChenSi , Hon an , 
Canton en Fokien , worden zeer ryke Bergen 
en Ertzen gevonden van Goud , Zilver , Kwik- 
zilver. Kooper, TinenYzer; hoewel in Chi- 
na, volgens de aantekeningen van de zeer 
naauwkeurige/e (a)Comte, hetmeefte Goud uit 
de Rivieren , en Sleuven en Goud- waflchingen 
Mm 4 word 

[a) Ziet Nouveaux Memoires furl'Etatprefent del* 
Qhme. 



ƒ j-o Natuur- en Konft-Kabinet , 

word vergadert. De Rivieren en Vloeden , 
dewelke in China van hethooge gebergte koo- 
men afrollen, fleepen zeer veel Goud mede, 
en verfpreiden het zelve over de groote vlak- 
tens , dewelke zy by groote regentyden over? 
flroomen , daar het zich in het zand inwelt, 
en door duizende Chmeezen wederom word 
uitgezogt,opeen wyze, dewelke deze Lieden 
meerder eigen is als andere , dewyl zy door 
dezelve hun koft moeten winnen. Daar is 
geen Land in de wereld, daar door malkan- 
der fynder Goud gevonden word, als in Chi- 
na, zynde het Chineeze Goud gemeenlyk van 
het belte Aloy. De Goudmynen in China 
moogen niet geopent worden, omdefchade- 
lykheid , dewelke na haar oordeel de dampen 
dezer Bergen veroorzaaken aan de Bergwer- 
kers ; zy oordeelen het leven van haar armfte 
Ingezetenen meer als het Goud, maar het 
Goud te zoeken ftaat ydereenvry, anderzins 
vind men in het Landfchap Kiangfi zeer ryke 
Goud-ertzen in de Bergen: inTwgcheufulegt 
de Berg Kin, dewelke een uitllekend ryke 
Goud-erts befiuit. In de Bergen van Queicheu 
word ook zeer veel Goud gevonden , maar 
deze Berglieden zyn niet onder de gehoorzaam- 
heid der Chineezen te brengen, hoewel zy met 
dezelve handelen, en haar Goud voor Eet- 
waaten inruilen. 

89. 
Even gelyk in China , word ook in het 
magtig Keizerryk Japan, behalven het Zilver 
en het Kooper enz., een groote rykdom van 
Goudmynen gevonden, maar deze Natie is zó 
jalours omtrent haar Goud, dat het zelve niet 

als 



Mey en Juny 1719. ƒ ƒ 1 

als ter fluik daar uitgebragt kan worden; maar 
als wy de werken, dewelke uit dit Land koo- 
men, befchouwen , konnen wy haar Konden 
Overvloedt in Goud genoeg befpeuren. In 
het Keizerryk van Japan is een groote over- 
vloedt van Goud en van Goud-erts, en ande- 
re Metalen, maar »myn bellek laat niet toe, 
alles naauwkeuriger vandeGoud-fchatten van 
Afia te melden, anders zoude ik veel zaaken 
konnen aanmerken, en onder andere de groo- 
te Goud-ftukken , dewelke gemunt uit Ja- 
pan gevoert worden , en van zeer fyn aloy zyn , 
waar van zommigederdehalf loodt , een loodt , 
of van minder gewigt zyn. 
"90. 
In Afia word het Uoud zeer veel gebruikt 
totdegoude ftoften en Kon(t(tukken,en word 
ook veelverkogt in ftaaven en klompen by 't 
gewigt ; en in zommige Koningryken word 
geen goude munt geflagen; als by voorbeeld in 
Perfien is geen goude Munt, als deDukaaten, 
dewelke uit Europa koomen , en de (tukken 
uit de Indien. Jn de Landen van de Koning 
van Golkonda gaan ftukken Goud , dewelke 
Pagoden genaamt worden ; dit Goud is van 
een (legt aloy, en word in de Diamantmynen 
verkogt. De Koningen van Achin op Suma- 
tra munten goude (tukjes van tien grein ; en 
de Koningen van MacaJJer of Celebes munten 
ftukken Goud van twaalf grein, bedragende 
een gulden hollands. De Koning van Stam 
heeft een goude Munt, die zeer fyn is, en 
omtrent zeftehalve gulden in waardy bedraagt. 
De Koning van Pegn heeft ook een Munt van 
kleine (tukjes, wegende zeven grein , hoewel 
Mmf het 



ffz Natuur- en Konjl -Kabinet , 
het Goud vau zeer (legt aloy is , dat in Pegu 
valt. De Koning van Arakan heeft geen 
Munt van Goud , maar heeft Goud in (laafjes 
of klompen , dog het Goud van Arakan is 
zo (legt van aloy , dat het zelve niet boven de 
14 karaaten kan haaien. De Volkeren van 
China en Tunquin handelen meelt met brok- 
ken Goud , de welk e ƒ<:£»;>/>ƒ genaamt worden, 
zy hebben groote brokken Goud of fchuit- 
jes, dewelke twaalf hondert guldens hollands 
bedraagen , en de kleine brokken juift net half 
zo veel. A Is de vreemde Kooplieden deze goude 
ftaaven of brooden vau deChineezen koopen, 
fnyden zy dezelve in 't middendoor, dewyl 
zy dikmaal door de Chineezen bedrogen zyn , 
dewelke deze brooden van binnen met kooper 
of Zilver hebben gevult. In Goadoen ook de 
Portugeezen munt (laan , of goude (lukken 
van byna vyf guldens; de bekentfte naamen 
der groote goude (tukken zyn de Roupien, de 
Pagoden , de Coepans en de Sequins. Ziet 
y. B. Tavcmier en de T'hevenot , by aldien 
gy over de munten van Afie breeder berigt 
belieft te hebben. 

oz. 
Ik hadde noch voorgenoomen , van de 
Goudmynen van Europa te handelen, als 
ook een Ambagt in het Goud onder deze 
twee Maanden Mey en Juny mede te dee- 
len, maar myn bedek zulks niet toelaaten- 
de, heeft de Lezer in de volgende Maanden 
vanjuly en Auguftus 1719. twee Ambagten 
van het Goud met haar behoorlyke ophelde- 
ring en Plaaten te verwachten. 

Einde van het ecrjie Deel. 






KORTEN INHOUD 

Van 't Eerfte Deel , of van 't Halfjaar , be- 
ginnende met de Maanden January en 
Februavy 1719. en eindigende met de 
MaandenMey enjuny 1 7 1 p.incluis. 

I . T Nïeiding tot het Natuur- en Kon ft- Ka^ 

X. binet , waar in getoont word. 1 . Dat Godt 
Schepper en Onderhouder van de Natuur, en de 
Menfch van de Konft is. 1. Dat de Natuur door de 
Konft word verbetert engepolyft. 3. Dat door de 
Konft onuitputtelyke Rykdommen in de Natuur 
ontdekt worden. 4. Dat een Menfch zyn Konft in 
de Natuur niet kan oefenen, of hy moetdeNatuur 
eerft onderzoeken en Ieeren kennen 5. Datde Na- 
tuur door de ftrikkenenfynhedender redenkundi- 
ge Wysgeeren niet ontdekt kan worden. 6. Dat de 
eerfteWeteofchapder Natuur is, dezelve te begrypen 
als een Schepzel , 't welke een Schepper onderftelt. 
7. Dat de tweede Kennifle der Natuur verkregen 
word door de natuutlyke Hiftorie , of naauwkeu- 
rige Befchry ving der natuurlyke Dingen. Ziet Na- 
tuur- en Konft Kabinet January en Februavy 171 9. 
van pag. 1 . tot pag. 7. 

I I. Een kort JJittrekzel van Cajus Pli- 
nius Secundus , waar in het vermaart fterf-ge- 
val van dien Schryver verhaalt word , en getoont 
dit^Plinius meer een nieuwsgierig geleert Man , 
als een voorzichtig en verftandig Hiftorifchryvcr 
der Natuur is geweeft. Ziet 't zelfde Natuur- en 
Konji-Kabinet , van pag. 7. totpag. 84. 

III. Verhandeling van het onbepaalbaar 
Voorwerp eener algemeene natuurlyke Hifto- 
rie. In deze Verhandeling word aangetoont. 

i.Dat 



KORTEN INHOUD. 

I. Dat het niec mogelyk is voor de Menfchen, ccn 
volftrekte algemeene Hillorie te fchryven van de 
groote Natuur. 1. Welkedevier Hoofd voorwer- 
pen van een algemeen natuurlyke Hiftorifchry- 
ver moeten zyn. 3. Van wie de Lucht-pomp is 
uitgevonden, en wanneer, en door wie verbetert. 
4. De verfcheide Geweften des dampkringachtigen 
Luchts , bewezen door de Bergen van Peru , en de 
Piek van Canarie- 5. War een natuurlyke Hiftori- 
fchryver heeft aan te merken in de Sterren-hemel , 
in de Dampkring , in den Oceaan , en op het Aard- 
ry k. Ziet 'tzelfie Natuur- en Konjl -Kabinet , vanpag 
S5 tvtpag. 146. 

I V. Verhandeling van de Wetten der 
natuurlyke Hiftorifchryvers. Ziet bet zelfde 

Kabinet, vanpag. 147 tot 15^. 

V. Verhandeling van de Steffcheidkunde. 
Waar in aangedrongen word. 1 . Dat de Stoffcheid- 
kundc een zeer noodzakelyke Hulp-wetenfchap 
vooreen Natuur-ontdekker is.z. Dat dezelve heden- 
daags mishandel: word van SeéJarijJen en Cabaal- 
poltrons. 3 . Dat dezelve de Moeder en Voortkweek- 
fl-er van veel Konften en Handwerken is. 4. Dac 
de Werkdaaden der Stoffcheidkunde van de Werk- 
daaden der Natuur ontleent zyn. Ziet't zelfde Kjt- 
binet , vanpag. 155 tot 165. 

V I. Verhandeling van de Glasblazer y 

aan de Lamp. Hier in word getoont. 1. Dat 
deze Konft zeer dienftig is voor een Onderzoeker 
en Befchouwer der Natuur, i. Dat deze Konft by 
de Ver.etiamn zeer lang in 't gebruik is geweeft. 

3. Dat de Beginzels , daar 't Glas uit geboren word, 
metalyn van natuur zyn , dog dit is maar aange- 
merkt voor de Kenders , die recht verdaan , wat 
metalyn in de natuurlyke Hiftorie te zeggen is. 

4. Dat de Glas-maaking eeu byzondere daad van 

de 



KORTEN INHOUD. 

de uiterfle kragt des Vaurs is. 5. Waarin hec 
Smelt-glasbeftaat. 6. Op welk een wyze he:Glas 
gekoleurt word. Zht ' t zelf de Kabinet , van pag, 
165 tot pag. 176. 

VIL Van de order , dewelke de 
Lezer zich moet voor f ellen , omtrent de 
verdeeling der zaaken , dewelke in V Na- 
tuur- en Konft Kabinet verhandelt zullen 

worden. Waar in aangewezen word. 1. Dat 
de meefte Menfchen in 'c leeren zich onbedacht- 
zaam by de neus laaten leiden. 1. Dat de Geleer- 
de van de Leer-order dikwils zelfs zeer onkundig 
2yn in de Kennifle der natuurlyke Gefteltheid en 
Hoedanigheid der zaaken. 3. Dat geheele Natiën 
door de Leer order van de naauwkeurige Kennifle 
der zaaken ontbloot , en dikwils zeer dom wor- 
den. 4. Zes byzondere zaaken , dewelke de Schiy- 
ver belooft te zullen mede deelen. Ziet Natuur -en 
YLonft-Kabinet,Maart enApril \"]\<),vanp.\l7 tot 182. 

VIII. Verhandeling van de verfcheide 
foorten der natuurlyke Hijlorien , en van het 
onderfcheidt der natuurlykeHiftorifchryvers. 
Hier word getoonr. 1. Waar in alle natuurlyke 
Hiftorifchryvers overeenkoomen. 1. Waar in 
alle natuurlyke Hiftorilchryvers verfcheelen. 3. 
Hoedanig een algemeen natuurlyke Hiftorifchry- 
ver moet begreepen worden. 4. Welke byzondere 
natuurlyke Hiftorifchryvers zyn. Ziet 't zelfde 
Kabinet vim pag. \%xtotpog. 186. 

IX. Eer ft e Verhandeling van de algemeene 
natuurlyke Hiftorifchryvers. Waar in mede 

gedeelt word een uittrekzel van de Werken van 
UlyJJes Aldrovandus. Ziet 't zelfde Kabinet) van pag. 
186. totpag. 209. 

X. Eer (Ie Verhandeling van de Oud- 

heid 



KORTEN INHOUD. 

beid der mtuurlyke Hiftorie. Waar in aan- 
gewezen word. i. Dat Mofes de oudftenatuurlyke 
Hiftorifcbryver is. r. Waar , wanneer en door 
wie her Boek 'Jobs gefchreven fchynt te zyn. j. 
Dat alle oude Geleerde of Schryvers, dewelke wy 
overig hebben, jonger zyn als deBoekenvan Mo- 
fes, en al haar Geleertheid en Wetenfchappen uic 
de Boeken van Mofes ontleent hebben. 4. Wan- 
neer Nlofes geboren is. 5. Welke Volkeren ten 
tyde van Mojes hebben beginnen te bloejen. 6. 
Wat merkwaardig by andere Natiën is voorge- 
vallen by 't leven van Mofes. 7. Hoe lang de Kin- 
deren lfraéls in Egypten ge woont hebben. 8. Van 
het leven \an Mofes. 9. Hoelang Aiofes in Egyp- 
ten gewoont heeft, en hoe lang in Arabien. 10. 
Welke Mifs Vrouw , Zoonen , Bloedverwanten 
en aangehuwde Vrienden geweeft zyn. 11. De 
geheele togt en alle de vetblyfplaatzen der Kin- 
deren lfra'els in de Woeftyne. ii. Mofis dood. 
13. Van de gedaante en van de uitbeelding van 
Mofes. 14. Dat Mofes geenzins met hoorens of op- 
gaande lichtftraalen moet verbeeldt worden. 15. 
Waar de uitbeelding met hoorens 'haar oorfprong 
van gekregen heeft. Ziet Natuur-en Ko-fl-Kabinet 
Maart en April 1719. vanpag.roy.tot aanpag.z^. 

X I. Eerfle Verhandeling r can het Goud. 
Waar in getoont word. 1. Dat het Goud eetft van Mo- 
Jes is befchteven. z.Welk eenKennifle de Aalouden 
van 't Goud hebben gehad. 3 . Uit welke Landen ou- 
welings het Goud is gehaalt en gevonden geweeft. 
4. Van de Goud-mynenen Erts-bereidingen der aal- 
oude Egyptenaars,en aaloude Spanjaarden, en ande- 
re zeer oude Volkeren. Ziet het bovengemelde Kabinet 
van pag. 154. tot peg.1%%. 

XII. Tweede Verhandeling van het Goud. 
Waar in geleerr word. i . Het Goud van America, 
x. Wie America eerii ontdekt heeft, op wat dag en 

op 



KORTEN INHOUD. 

Op wat plaats. 3. Door wie het groot Keizerryk 
van Mexico eerft ontdekt en ingenomen is , bene- 
vens de groote Schatten , die daar gevonden zyn. 
4. De doorluchtige Daaden van Ferdinandus Cortes. 
5. De ontdekkingc van 't zilverryke Peru en goudry- 
ke Chili. é.De daaden van FrancifcusPizarrus. 7. Van 
de verfcheideMetalen dezerLanden,en de waflching, 
berg- graav ing, en bereiding van het Goud in A- 
tnerica. Ziet 't boven gemelde Kabinet , van pag. 
288 totpag. 338- 

XIII. Derde Verhandeling van het Goud. 
Waar in het Bladgoud-dagers Handwerk naauw- 
keurig befchreven word . Ziet van pag. 3 3 8 fef 3 5 1. 

XIV. Aanhangzel van Brieven ^ in het 
gemelde Kabinet , van pag. 353 tot $66. 

XV. Tweede Verhandeling van de alge - 
meene natuurlyke Hiftorifchryvers. in de- 
welke word befchreven. 1. Het Leven en Dood van 
Conradus Gejnerus , benevens deszelfs groote Ge- 
leertheid en fraaye Hoedanigheden, z. Dat Hy is de 
Vader der ordentelyke natuurlyke Hiftorikunde. 
3.De'rechte Uitvinder der onaffcheidelykeGeflacht • 
merkteekens der Plantgewaflen. 4. VerfcheideUic- 
trekzels van verfcheide geleerde Werken over de na- 
tuurlyke Hiftorien van Conradus Gejnerus. Ziet Na- 
tuur- en Kjjnft-Kab'met , Méy en jfutty 1719. van pag. 
$69 tot pag. 417. 

XVI. Tweede Verhandeling van de Oud- 
heid der natuurlyke Hiftorien. Waarin gehan- 
delt word. z. Van de natuurlyke Hiftorikunde der 
Hebreérstn derzelver Voorzaaten. i. VandeKen- 
nifle, dewelke Mo fes van 't Water heeft gehad, en 
byzonder van de Rivieren en haaren loop. 3. Wan- 
neer het Water gefchapenis, en wanneer tot Zeen 
en Rivieren geworden. 4. Dat het Water de al- 
gemeene Laltdraager isvanalderhande Liehaamen, 



KORTEN INHOUD. 

chook de aanbrenger der Voedzelen. 5. Vanden 
Hof in Eden of het Paradys 6. Van de vier Hoofd- 
vloeden , dewelke voortkwamen uit de algemeene 
Hoofd-bron, dewelke het Paradys befproeide. 7. De 
waarfchynlykfte gevoelens der geleerde Lieden , we- 
gens de (land des Paradys , en dezer vier Hoofd- 
Vloeden. 8 Datde twee beroemde Vloeden de Eu- 
pbrates en Hiddekel buiten alle twyfel twee Vloeden 
vande vier Hoofd- Rivieren van Mofes zyn geweeft. 
9. NaauwkeurigeBefchryving van de Vloed Pbafts, 
ïo.Naauwkeurige Befchryving van de Vloed Araxes. 
ir. Naauwkeurige Befchryving van de Vloed Eu- 
pbrates. 11. Naauwkeurige BefchryvingvandeVloed 
lig» is. ij. Dat het wel meeft waarfchynlyk geoor- 
dcelt word van de Heer Rcland , dat deze vier boven- 
gemelde Vloeden zouden zyn geweeft de vier 
Hoofdvloeden, daar Mofes van fpreekt. 14. Des 
Schryveiszwaarigheidtorr. dit voor onfeilbaar waar 
aan re neemen , en antwoord op die zwaarigheid. 
15. Korte Befchryving van Afia. 16. Naauwkeu- 
rige Befchryving, en veel byzonderheden van de 
grooce Bergen de Taurus , derzelver lengte , breed- 
te, verfcheide bcnaamingen, en uitfpringende tak- 
ken , als ook van de beroemde Poorten en Door- 
togten van de Berg Taurus. 17. Van Armenië. 
18. Van de ArkeNoé' en de Cafpifcbe Bergen. 19, 
Van hetLandfchap Colcbis. Ziet Natuur-en YLonft. 
Kabinet Mey en Juny 1719. van Pag 417. tot Pag. 487. 

• XVII. Fier de Verhandeling van het 

Goild. "Waar in gehandelt word. 1. Vande he- 
dendaagze Kenuiile en Werenfchappen des Gouds , 
en der Goudmynen van Africazasljta. 1. Inleiding 
tot het Betgwerkers Ambacht. 3. Het onder fcheidt 
der Goud-ertzen of Goud-metaal-aardens. 4. Waar 
de Ultramar in van gemaak: word. 5. Welke de ryk- 
fte Goud-ertzen zyn. 6. Verfcheide manieren om 
de gehalte der nieuwelyksontdekte Erts te beproe- 
ven. 



KORTEN INHOUD 

ven. 7. Waar in alle Metalen van malkander ver- 
fc heden. 8. Het onderfcheidt tufTchen Goud cu 
Goud. 9. Van het afdryven der onreine Metalen. 10. 
Van de voorproeven om het Goud-erts door middel 
van glas voor te beproeven, u. Dat deze Proef 
naauwkeuriger is als die van deCapel, en zelfs het 
Goud in de wilde Mineralen ofErtzen kan aanwy- 
zen. ii, Van dcverfcheideKoleuren , dewelke de 
verfcheide Metalen aan het glas mede deelen. 1 3 . Van 
de voorproef der Metaal-ertzen door Salpeter. 14. 
Dat door de SalpeterGoud gehaalt word uit de Meta- 
len, 'c welk door het Loodc ondoenlykis.15. Dat het 
Loodt de onfeilbaare Proefmec Herder Metalen niet 
moet geacht worden. 16. Dat in alle Tin, Kooper, 
en zelfs Yzereen weinigjcGoud is. 17. Van de ver- 
fcheide wegen om de Metalen te fcheiden. 18. Van 
dcGoudwalTcheryen van Guinea.19.Vin de verfchei- 
de Landfchappcn , daar het Goud valt, het welk 
aan dtComptoir en van de We (linrlifcb e Compagnie vcr- 
kogt word. 20. Van de verscheidenheid des Gouds, 
na de verfcheide Landfchappen , daar het zelve van 
daan koomr. 21. Van de Bedriegeryen der Negert 
ia 't vermengen en vervalfchen van het Goud. ii« 
Het Goud wordopdriederhande plaatzen in Guinea 
gevonden. 23. Het Stofgouden het Berg-goud. 24. 
Van de Feiicbes en Kakeraas. 2 5 . Daar gaat in Guinea; 
door de onkunde der Zwarten veel Goud verlooren. 
x6. Hoeveel rykdom aan Goud Guinie jaarlyks uit- 
levert , en het aandeel van elkeMïfie in 't zelve. 27. 
Korte Bcfchryving van geheel Africa. 28. Door 
welke de Zee-kuften van Africa eerft omge- 
zeilt en ontdekt zyn geworden , en op welke tyden. 
29. Marmol en Leo de Africaner y detweenaauwkeu- 
rigfte en befte Schryvers over Africa. 30. Van de 
groote en kleine Atlas. 31. Van de Goud-bergen des 
Keizers van Marokko. 32, Van alle de byzondere 
Landfchappen , dewelke Batbarien uitmaaken , eu 
haar Goud-rykdommen .33. Yan de Alcbjmtfie» van 

N ' Fw. 



KORTEN INHOUD. 

Ttz- ;4. Van alle deLandfcbappen des Keizers van 
Marokko, en derzelver Goud-handel met de Plegers 
en Europianen. 35. Van de Landfchappen , Ko- 
ningrykei) , WildernifTen en Woeftynen van Numi- 
die en Lybie. 36. Van Nigritia of het Land der 
Zwarten. 37. Van het Goud van Etbiopien. 38. Van 
de Rykdommen des Gouds van /■J/ia. 39. Van de 
Goudmyn van Sumatra , en 't Goud van Achin. 40. 
Befchryving van de Ertzen uit deBergwerken van 
Sumatra. 41. Van de natuurlykegefteltheid der aar- 
de en des luchts van Sumatra. 41. Van het groot 
Eiland Mindanao en deszelfs Goud. 43. Van het 
Koningryk Tunquin , en wat Goud daaringekogc 
word. 44. Van deGoud-rykdommcn der Per/iaan- 
febe Koningen. 45. VandeGoudrykheidder Ara- 
bieren, 46. Befchryving van de Stad Mocba. 47. 
Suratte de verrnaartÜe Koopftad van geheel Indien. 
48. Befchryvingvan hetmagtig Keizerryk van den 
grooten Mogol. 4?. Dcbli Hoofdftad van het Ryk 
des Mogols. 50. Rykdommen des Nlogols. 51. De 
groote Goudrykheid, en Goudwaiïchery , en Goud- 
bergen vao't groote Ryk van China fi. De Over- 
vloedigheid van'tGoud van Japan. 54. De verfchei- 
degoude Munt-fpecien van A/ie. Ziet 'tzeljde Kabi~ 
net v«» ƒ»</£. 487. tvt bet einde. 




Ut4iM^,f.kH, 



'dou&&c~ xS-to-si-fsJL 



■ 



_*.-.- Ml 



Bf?E£ 



wm 



I 



m 



K» 



1 







«SP