(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Kawi-Balineesch-Nederlandsch glossarium op het Oudjavaansche Râmâyana. Bewerkt door H.H. Juynboll. Uitg. door het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië"

^/ _ -Cn 



(^ 

Vf 



Kawi-Balineesch-Nederlandsch 
Glossarium 

OP HET OUDJAVAANSCHE RAMAYANA. 

bewerrt|door 

Dr. H. H. JUYNBOLL. 



UITGEGEVEN DOOR HET KONINKLIJK INSTITUUT VOOR DE TAAL-, 
LAND- EX VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH-INDIË. 



'S-GEAVENHAGE , 

MARTINÜS NIJHOFF. 
1902. 



pi 



1)6 (lEO. BOE^■ EN STEENORUKKERIJ v/h H. L. SMITS, 
WESTEINOE 13b 's-GRAVENHAGE. 



VOORREDE. 



De uitgever van het Oudjavaansche Ramayaiia , Prof. Dr. li. Kern , 
zegt iu de voorrede zijner editie , dat dit gedicht door zekere 
hoedanigheden van taal en stijl uiterst geschikt is als leesboek voor 
allen, die zich op de studie van het Oudjavaansch toeleggen. 
Hiertoe is echter eene kritische uitgave alleen niet voldoende ; vóór 
alles bestaat er behoefte aan een woordenboek , ten einde de vele 
woorden , die in het hedendaagsche Javaansch verdwenen of van be- 
teekenis veranderd zijn , te kunnen begrijpen. Wel is waar beantwoordt 
het Kawi-Balineesch woordenboek van Dr. van der Tuuk , waarvan 
thans reeds drie deelen verschenen zijn (de letters a tot 1 bevattend) , 
eenigszins aan dit doel, doch met het oog op de eigenaardige inrichting 
van dat werk is een glossarium , zooals hier gegeven wordt , toch verre 
van overbodig. Niet alleen toch worden daar de woorden , die ook in 
het Sanskrit en het Javaansch voorkomen , eenvoudig onvertaald 
gelaten, zoodat men steeds, als men Van der Tuuk's lexicon wil 
raadplegen , tevens zoowel een Sanskrit als een Javaansch woorden- 
boek hierbij gebruiken moet, doch zoodra er ernstige moeielijk- 
heden voorkomen , worden deze of onvertaald gelaten of geheel 
weggelaten. Bovendien zal men tal van zeer gewone woorden , zelfs 
voornaamwoorden, tevergeefs in dat lexicon zoeken. Hoewel ook 
wij er, niettegenstaande Prof. Kern steeds bereid was, ons bij te 
staan, niet in geslaagd zijn, alle moeielijkheden op te lossen, 
hebben wij er toch naar gestreefd, zooveel mogelijk alle gebreken , 
die Van der Tuuk's woordenboek aankleven , te vermijden. Men zij 
echter vooral op zijn hoede met die woorden van ons glossarium , 
die iu de onechte gedeelten van de 16 en de laatste sarga's 
voorkomen, die daarom dan ook door deu uitgever tusscheii vier- 
kante haken geplaatst zijn. 



IV VOORREDE. 

Wij zullen thans het een en ander over de inrichting van dit 
glossarium zeggen. De woorden, die met ^ gemerkt zijn, komen 
of in het geheel uiet, of niet op hunne juiste plaats in Van der 
Tuuk's woordenboek voor. Men houde hierbij echter in het oog, 
dat dit glossarium reeds bijna geheel voltooid was, voordat dat 
lexicon verscheen, zoodat het aan den eenen kant zeer wel mogelijk 
is , dat ook andere woorden daarin ontbreken , terwijl aan den anderen 
kant woorden, die met * gemerkt zijn, misschien in de nog te 
verschijnen deelen van dat werk kunnen voorkomen. 

De door ons gebruikte afkortingen zullen waarschijnlijk voor 
ieder, die dit glossarium gebruikt, ook zonder nadere toelichting 
wel duidelijk zijn. Met B. bedoelen wij de Balineesche interlineaire 
vertaling van het HS. 3455 f uit het legaat Van der Tuuk, dat 
ons bij het bewerken van het glossaar ten dienste stond. Verder 
beteekent S. = Sanskrit , Sund. = Sundaneesch , Mal. = Maleisch , 
Bat. = Bataksch, Day. = Dayaksch (n.1, het Ngadj u-dialect), 
Malag. = Malagasy , J. of Jav. = Javaansch , Bui. = Bulusch , 
Lamp = Lampongsch , Atj. = Atjehsch, Tag. = Tagalog, Bis. = 
Bisaya, enz. Verder noemen wij nog de afkortingen Part. = 
Participium, Praes. = Praesens, Pass. = Passivum, Dur. = 
Duratief, Ind. = Indicatief, Perf. = Perfectum , Act. = Activum, 
Aor. = Aoristus, Caus. = Causatief, Imp. = Imperatief, Abs. = 
Absolutief ^) enz. 

De veranderingen , die een woord ondergaat door voorvoeging 
van ma, a, ka, r, m, t, n, pa, etc, invoeging van um of in, 
achtervoeging van a, i, aken, an, ëu, enz. hebben wij steeds door 
gewone cijfers aangeduid , terwijl wij Romeinsche cijfers gebruikt 
hebben, om gelijkluidende woorden van verschillende stammen te 
onderscheiden. 

De woorden zijn gerangschikt naar de volgorde, die de letters 
in het Sanskrit-alphabet hebben. De ë en ö , die in dat alphabet 
ontbreken, hebben wij tusschen de a en de i geplaatst. In een 
geval zijn wij echter van de volgorde der letters in het Sanskrit 
afgeweken : terwijl daar steeds de lange vocaal op de korte volgt , 
hebben wij hiermede geen rekening gehouden met het oog op de 
dikwijls in dit opzicht heerschende onzekerheid. Alleen de ö hebben 
wij steeds op de ë doen volgen , omdat beide letters door verschil- 



1) Over de beteekenis van dezen term zie men Prof. Kern's verhandeling 
in Bij dr. T. L. Vk. 1889, p. 44 vgl. 



VüOllJlKDK. V 

lende teekens aangeduid worden. De volgorde der letters is dus : 
Vocalen: a (u) , e, ö, i (ï) , u (ü), r (r) , \, e, ai, o. 
Consonanten. J. Gutturalen: k, kh , g, gh , n. 

2. Palatalen : c, ch, j, jh, ii. 

3. Lingualen : t, t-li ^ d, dh , m. 

4. Dentalen: t, th , d, dh, n. 

5. Labialen: p, ph , b, bh, in. 

6. Semivocalen : y, r, 1, w. 

7. Sibilanten . 9 , s, s, h. 
Anuswara : in. Wisarga : h. 

Men ziet dus, dat de au, de 1 en de anunusika in het Ramayana 
ontbreken. Wat de transcriptie betreft vergelijke men Prof. Kern's 
verhandeling over het Oudjavaausche alphabet in de Bijdr. T. li. Vk. 
6« volgr. VII (1900), p. 263—271 en speciaal p. 271. 

Onze hoofdbron was de Balineesche tusschenregelige vertaling 
van cod, 3455 f. Waar deze zonder eeuigen twijfel verkeerd was, 
hebben wij dit steeds te kennen gegeven , dikwijls eenvoudig door 
een uitroepingsteeken er achter te voegen. Men raeene daarom 
echter niet , dat in alle andere gevallen deze vertaling wel goed is. 
Dikwijls is alleen het Balineesche woord vertaald , omdat de betee- 
kenis van het O -Jav. woord onzeker was, maar hiermede is niet 
bedoeld , dat de Balineesche vertolker in dit geval onbepaald te 
vertrouwen is. Als men ziet, hoe zonderling dikwijls zeer bekende 
Sanskritwoorden in het Balineesch weergegeven worden , strekt dit 
niet , om ons vertrouwen in die vertaling te vermeerderen. Men zij 
dus steeds voorzichtig hiermede. 

Bij het gebruik van dit glossarium vergete men niet , dat het 
voor en dus onafhankelijk van de tekstuitgave geschreven is. De 
mogelijkheid bestaat dus, dat men woorden, die in den tekst voor- 
komen , niet in het glossaar vindt , doch dan vindt men de lezing 
van het HS. wel in de lijst van variae lectiones achter de editie. 
Aan den anderen kant kan het ook gebeuren , dat een woord wel 
in het glossaar, doch niet in den tekst voorkomt. Ook in dat 
geval echter vindt men het onder de variae lectiones. Na het ver- 
schijnen der editie hebben wij getracht , het glossaar zooveel mogelijk 
in overeenstemming daarmede te brengen. Soms hebben wij de lezing 
van het handschrift behouden met verwijzing naar de lezing der 
uitgave. 

Met het oog op de omstandigheid , dat dit glossaar wellicht 
ook voor doeleinden van taaivergelijking zal gebruikt worden, 



VI VüüRKEDE. 

hebben wij dikwijls bij een woord zijne verwanten in andere talen 
opgegeven. 

Ten slotte wil ik niet nalaten, mijn dank te betuigen aan het 
Koninklijk Instituut voor de Taal- , Land- en Volkenkunde van 
Nederlandsch Indië wegens den steun, dien het mij geschonken 
heeft, waardoor het mij in staat gesteld heeft, dit werk uit te 
geven en aan mijnen schoonvader, den uitgever van het Eamajana, 
voor de mij steeds zoo bereidwillig verleende hulp. 

Dr. H. H. JUYNBOLL. 
Leiden, Januari 1902. 



AK AKeN. 



A. 

■^Ak, (iloc. Ibau. hetz. Mak. Bug. «, Sang. iytï), verkorte vorm 
van 't pron. 1^ pers. Vgl. prof. Kern's Bijdragen tot de 
Spraakkunst van het O. J. (11 T. L. V. 6« volgr. V, p. 
63(5). Het beteekent : //dat ik//. In 't Bal. blijft het meestal 
onvertaald, bv. VI, 170: ak kadi, B, ma sa wan (dat ik 
als het ware), XVII, 53: ak para, B. üalih (dat ik kom), 
XXIV, '211: ak hana, B. kan (dat ik ben). Soms geeft 
de Bal. vert. het weer door n, b.v. III, 11: ak parekaii 
al as, B. 11 luiigha enz. (dat ik ga). Vgl. yak, Ic en (j. 
Akampana. S. naam van eenen raksasa, XIX, 9, XXI, 192, 

194, 19Ö, 196, 197, XXII, 14, XXIII, 37, 41. 
Akampya. S. niet sidderend, onverschrokken. 
B. matëguh (onbewegelijk), XIV, 8. 
B. kowat (sterk), XX, 32 (onwrikbaar). 
B. pagëh (onveranderlijk), XX [, 140. 
B. kukuh (onbewegelijk), XXII, 74. 
B. kat ah! XXIV, 252. De vert. fout. 
Akara. S. de letter a, XXI, 140. B. onvert. 
Akara. S. vorm , gestalte , gedaante. 

B. tan sipi-sipi (niet gering)! II, 55. 
B. mateja (glanzend)! IX, 81, fout. 
Akarsaua. S. het tot zich trekken. 

1. Panakarsana. B. nolasin (medelijden met iemand 
hebben)! XIII, 51. 
Aka^a. S. luchtruim, uitspansel, hemel (Mal. ankasa. Bug. 
akasa), B. ambara, IX, 49, 69, 89, XI, 2. 
B. wiyat, XI, 6. 
B. lanit, XXIV, 95. 
■^AkJi(*aganii. S. in de lucht gaande, B. rin ambara gaücaü 
(snel in de lucht), XI, 1. De B. vertaling verkeerd. 
B. rin ak^^a gëlis, VIII, 81. De B. vertaling verkeerd. 
■^Akacjalulya. S. als de hemel, B. gagana upama, XX, 53. 
Aken. B. sa wan (gelijk, als), II, 4, XXI, 209. 
B. m a s a w a n , VIII , 2 1 5 (te beschouwen als) . 
B. sawanan, XVI, 15, XXII, 29 (als H ware). 

1 



2 AKIN AGAÏI. 

B. Iwir, XXII, 51 (evenals). 
B. upama, XXIV, 85. 
Vgl. anken en Mal. akan-akan. 
*Akin. hoe langer hoe meer. 

1. Umakin, B. sayan, VIII, 178. 

B. Suminkin; XI, 1. (Vgl. mak in en ank in). 
Aku. Mal. Bul. Sund. Daj. hetz. Bat. ahu, Tag. Bis. ako. 
Pron. lopers, sing. ik, III, 29. (B. onv.). 
B. kahi, II, 42, 69, 73, IV, 56, VI, 178, X, 32, 43. 
B. tityaü, IV, 63, V, 63, VIII, 118, 120, 121, 123, 

124, 125, 128, XII, 43, XIV, 28, XXVI, 25. 
B. mami, VI, 10, VII, 52, 82, XXV, 114. 

2. Umaku, nam op zich (Aor. Act.), B. makahyun (wilde), 
XXIII, 37. 

Akusara. Anakusara, B. iirasa wipesa, XXIV, 248, zich 
verlaten op. 

Akya (akya). S. akhja, (achter eigennamen): genaamd, 11,23, 
24, 27: Tatakakya, B. T. punika! XVIII, 5: Wibhi- 
sanakya, B. corah! XVIII, 37: Angadakja, B. ya! 

XIX, 9: Aganiprabhaky a, B. lëwih in wigesa. (De 
B. vert. totaal onzin); XIX, 12: Andakundakya, B. 
jagat, het wereldruim genaamd. 

*Akyati. S. akhyati (beroemdheid), B. kumandël (vertrouwd), 

XX, 8, XXIV, 208. B kasub (beroemd). 
^Akrandana. S. naam van een aap, XIX, 41. 

Aksa. S. naam van een zoon van Rawana, (Jav. R. p. 200 
Saksa), IX, 46, 48, 50, 51, 61, X, 46, XIII, 25, 72 
steeds voorafgegaan door si: syaksa. 
Aksama. S. ksamu (geduld), B. pamalaku! vergeef , VII, 45. 
Aksara. S. letter, B. gastra, XXI, 140. 

Agag. Inagag, B. inandël, XXIV, 26, dreigend opgeheven 
worden (Pass. Dur.). 
2. Managagi, B. maiiugug (peuteren, insteken), XXIV, 
103 (Act, lutrans. met meerderheid van subjecten), zich 
verheffen. 
Agati. S. geen weg , onmogelijkheid , enz. 
B. sansara (smart), VIII, 171, radeloos. 
B. tan olah (werkeloos) , XV , 54. 
B tanpagawe, XVIII, 46. 
B. tan pakirtti (roemloos), XXI, 103. 



aGAMA ADAD, 3 

B. tiwas (ongelukkig), XXIV, 173. 
Agaiiia. S. wetenschap, B. aks ara (schrift), Xtll, 13, 40, 

XIX, 58, XXIV, 35, 46, 48, 169. 
Agamokta. S. wat in de overleveringen gezegd is, XVII, 137, 

B. a k s a r a 1 ë p a s ! 
Againya, S, ontoegankelijk, B kewëh (tnoeielijk), VI, 136. 
Agaru. S. agallochum, Mal. gaharu, H. majagawu (aloë), 

XXIV, 29. 
Agasti. S. naam van een rsi, XXV, 2, 3. 
Agastya. S. naam van id. XXV, 3. 

Agul. Agulagul, B. tanpakerin (ongezeggelijk) ! II, 5, 
XXI, 215 (heldhaftig). 
K pragalba (moedig), XV, 65, XIX, 78, XXV, 113. Sund. 
hetz. hoovaardig. 
Agui. S. vuur , B. a p i , XVII , 43 , 1 06 , XXIII , 62 , XXIV, 26, 52. 
B. pawaka, XXIV, 190. 
B. apuy, XXIV, 191. 
*Agueyastra. S. door Agni geschonken wapen, W. Agui as tra, 
XXIV, 3. 
Agra. S. spits, top, begin, hoogste, beste. 

B. tuntun (punt), I, 24, IX, 73, XV, 32, XXII, 46, 

XXIV, 4. 
B. adi (voortreffelijk), XXIV, 1. 
B. Q ik ara (top), XXIV, 21. 
Agraha. S? onbewoonbaar? B. tëgëh (hoog), III, 34 (van een 

groot bosch gezegd). 
An, Tag. Bis. Negr. Bul. hetzelfde , Fidji a , het gewone bepalende 
lidwoord //de, het'/ (Vgl. Prof. Kern's Bijdragen tot de 
spraakkunst van het Oudjavaansch in B. T. L. Vk. 6" volgr. 
VI, pag. 104—105). 
B. onvertaald, VII , 43, XIV, 30, 35. 
B. uin (van het), II, 5. 
B. i (de), II, 9. 
B. rin (in het); III, 28. 
B. pada (de gezamenlijke), XXI, 117. 
Anan. B. ïiëbak (wijd openen, open staan). Bat nanan, Mal. 
nana, XXIII, 7. 
2. Manan, B. hetz. VIII, 5, XIX, 37, XXI, 33, VI, 162. 
B. man ë bak, XXII, 31, XLX, 37, XXIII, 77. 
4. U manan, hetz. (Aor. Act.). 



4 AriAN AÜIN (hADIN). 

B. nëbak, XXVI, 2. 
Auan. B. hampah (licht), XXVI, 25. Vgl. haüan. 
Anas. B. rësrësan (ijzeu) , XXV, 19? Jav. weifelen. 
Anën. Sund. hetz. hart. Anënanën: B. panrasa (meeaing) , 
III, 7, V, 57. 

B, knëh-knëhan (peinzen), III, 18. 

B. rasarasajan (overwegen), Til, 19. 

B. manënëhan (denken over), V, 58. 

B. nrasarasa (overwegen), IX, 60. 

B. tolihan (letten op), XI, 29. 

B. rawos (meening), XI, 93. 

B. ras aan (overweging), XIII, 15. 

2. Man anënanën, B. nrasarasa (overwegen), VIII, 191 
(Act. Dur.). 

B. manra wosa WO s, XV, 13. 

3. In anënanën, B. karadana (voor den geest geroepen) , I , 
26 (Pass-Dur.) B. rawosan (werd overwogen), ILI, 31. 

B. kara wosrawosan, VIII, 12. 

4. Manënanën, B. manrasarasa (overwegende), I, 52,56. 
B. nrawosrawos (dachten na), VI, 150. 

B. nrasarasa, VIII, 214. 

5. Manënanën, B. ras ar asayan (peinzen), XIII, 70, III, 30. 

6. Ananëuanën, B. manëtanëta, VIII, 120 (Act. Dur.) 
B. manënëhan (denke aan), X, 56. 

7. Um anën anën, B. manradana (riep voor den geest), 
X, 62 (Aor. Act.) 

8. Manen, B. najap (bad), VIII, 195. 

9. Kanënanën, B. m aninët inëtan (denken aan). VII, 29 
(Pass. Aor.) 

B. rasarasayan (verdriet), VIII, 171. 

10. Anënanënën, B. estian (peinzend) , XVII , 90 , XIV , 43. 

11. Mananën anëna, B. nrasarasa, X, 43. 

■^Aüö. Manö, B. bënon (verwonderd staan) , VIII ,171, mijmeren. 
Aüin (haüin). Mal. Sund. Mad. Bat. Daj. hetz, Maleg. anina, 
Mak. Bug. anin, wind. 
B. onvertaald, V, 32, VIII, 94, 173. 
B. pawana, II, 8, III, 5, V, 22, 25, VI, 128, VIII, 1, 

93, 96, 170, XI, 1, XVIII, 35 (hanin). 
2. Anin-Anin, B. aniu-aninan (sterke wind), VIII, 4, 
IX, 63. 



AnUY ADKUS. Ö 

R. Kaninaninan, XXIV, 96. 

3. An i u a, B. h ani nan , met den wind te vergelijken, XFII, 78. 

4. Kaüinan, B. kapawanan (bewaaid), XXIV, 74 (Aor. Pass.) 
Anuy. Manuy-anuy, B. sano-sano (met weerzin) , XXIV , 1 18 

(v. e. kiekendief) , zich in de hoogte verhefi'en. 
Aiikak. 1. U man kak, B. en kan (zich uitzetten), Vlli , 20, 
XI, 1 (Aor. Act.) 
2. Man kak, B. hetzelfde, IX, 23. 
Aiikat. vertrek. Mal. Sund. hetz. 

1. Sai'ikat, B. sa pamarggi (bij 't vertrek), XXI, 207. 

2. Man kat, B. , mamarggi (ging op weg), 11,32,61,111, 
41, IX, 46. 

B. lumaku (zich voortbewegen), XXIV, 253. 

3. Umankat, B. mamarggi, II, 66, XI, 50 (Aor. Act.) 
B. lumampah (vertrok), II, 78. 

B. lunha (ging weg), XXVI, 47. 

4. Umankata, B. mamarggi, om te vertrekken, XI, 49, 
(Aor. Act. Conj.) 

5. Mankata, B. hetzelfde, XI, 49, XV, 47. 

Ankas. Mankas-ankas, B. raagisëh (snuivende?), XIV, 59 
(van een vertoornde). 
B. magegas? XXIV, 240. 
Aiikën. I. B. n anken (ieder), III, 71. Vgl. B. T. L. Yk. 6" 
Volgr. VI, p. 238-239. 
IL B. sa wan (als), I, 13, II, 14. 
B. Sawa nan (te vergelijken metj, IX, 12, XV, ()5. 
B. masawan (gelijken), VIII, 76. 
B. upa ma (gelijk), XV, 66. 

2. Aükëna, B. Iwir (evenals), XIII, 78, zou men kunnen 
vergelijken met. 

3. Kankën, B. sawanan (te vergelijken met), XII, '-il ^ 
Vgl, aken. 

Aiikëp. 1. Maiikëp, B. üëp (gebroken?), VI, 24, XIX, 85 
(synoniem van mar?) 
2. Umankëp, B. mahankëpan, XXI, 73 (van het lichaam 
gezegd) , Aor. Act. 
Ankin. B. ika! VI, 25 (hoe langer hoe meer). Vgl. akin en 

maki n. 
Aükus. Kankus, B.kahankus (door een haak getroffen) , XXI , 
175 (Aor. Pass.) 



3 AÜGa (arga) — aAluh. 

Angü (aiiga). Tan anga, B. tan suka (wilde niet), VI, 5, 
30, X, 33, XII, 6, XV, 64. 
B. tan kahyun, XII, 14 (vgl. Prof. Kern's verklaring in 
B. T. L. Vk. 4*= volgr. I, pag. 138—142). 

2. U man ga, B. suka (was gewillig), VI, 28 (Aor. Act.) 

3. Manga, B. hëfiak (willen), XVII, 6. 
manga, B. mahyun, XXIV, 252. 

Anga. I. S. lichaam. 

1 . M a k a-ang a,B. makaraga (tot lichaam strekken), XXIV, 52. 
II. B. galuh (prinses)? XXV, 9. 

Aügaii. Mangan, B. kam ban (onzeker?), XXI, 199. 

B. üalëpit (drijven.?), XXIV, 103. 
Aiigada. S. naam van den zoon van den apenvorst Bali, VII, 
48, 49, 53, XI, 9, XIII, 88, XVIII, 16, 37, 38, 39, 
44, 50, 51, XIX, 40, XX, 35, 36, XXI, 113, 156, 
XXII, 52, 54, XXIII, 12. 
B. Baliputra, XVIII, 34, 35. 
Aiigana. S. vrouw, B. luh, XII, 28. 
Aiigëk. Kangëk, B. canëg (bleef steken?), XV, 33. 
B. kahantëp (gestooten), XIX, 76. 
B. mantëp, stootte (intr.), XXI, 189 (accidenteel). 
B. katibakaii (geworpen), XXI, 217 (Aor. Pass.) 
Angëh. B. tëgtëg, XXII, 51 (vast). 

2. Makangëh, B. mambalikan (vasthouden aan?), XXII, 52. 

3. tanpakangëh, B. norana obah (niet veranderen), 
XXII, 53 (de B. vert. verkeerd). 

4. Mangëh, B. pagëh (vast), XXI, 199. 

Angur. Anangur, B. namarani (zich vermaken?), XXVI, 

24. (De B. vertaling foutief). Jav. Sund. leegzitten. 
Angul. Kangul, B. katulud (door een tulud (schoffel?) 
getroff'en) , XXI , 239 , Aor. Pass. , afgestooten , afgeweerd 
worden. 
2. Manangul, B. nulud (schoffelen?), XXI, 239 (De B. 

vertaling onjuist), afweren, afstooten. 
B. nunkas (ontkennen?), XXII, 52. 
B. mauuükasin, XXIII, 80, vert. onjuist. 
AMuli. B. urëm (omneveld), IX, 7: tan anluh. 
B. tan surud (onafgebroken), XXI, 88. 
2. Inanluh. 
B. maüluh (wordt verontrust), VQI, 16 (Pass. Dur. Ind.) 



AIlSeG AC AL. 7 

3. U m a n 1 u 11 , B. k a g r i n a n (verontrust) , XIII . 68. Aor. A et. 

4. Manluh, H. Ie met (meegesleept?), XXI, 177. 
Aiisëg. Mansëg, B, mara, XII, 18 vooruitgaan (Sund. lietz.) 
Aiisö. vgl. asö, B. ka dek, XXI, 185. 

Ransö, B. kadësëk (ging vooruit), VI. 6(3. XXI, 197. 
Sansö, 15. sa ma ra (bij het vooruittrekken), XIX, 7.3, 

XXI, 172, VI, 77. 

2. Mansö, ]5. ma ra (ging vooruit), II, 64, 74, IV, 4,48, 
XV, 36. 

B. turaandan, IV, 69, VI, 24, II, 36 , XXI , 1 71 , IX , 61. 

B. namaranin, VI, 30. 

B. mandësëk, IV, 8, XXI, 197. 

3. U mansö, B. mara, VII, 48 (Aor. Aet.) 
B. umara, IX, 55, 85. 

B. nampëkan, VIII, 208. 
B. tumandaü, IX, 68. 

4. I n a n s ö , B. kadësëk (genaderd) , IX , 69 , Pass. J)ur. 

5. Umanswa, B. tumandan (zou genaderd zijn) , VIII , 191 , 
XIX, 64 (Aor. Act. Conj.) 

6. Amanswa, B. mara, VIII, 191 (Dur. Act. Conj.) 

7. Manswa, B. tumandan (om op te rukken), I.\ , 9. 

8. Sanswa, B. sapamara (bij het zullen oprukken), XIX , 59. 

9. Nanswakën, B. kalap, XVII, 117. 

*Aiisiii. 1 . I n a n s i n , B. g i s i (vastgehouden worden) , X XV 1 , 25. 

■^Ansn. I n a n s ü , B. ka 1) a k t a (gebracht) , XXVI , 24. Geschept 

worden ? 

Aühiii. B. smalih! slechts, II, 26, 50, 52, VIll , 8,67,80, 

84, XIX, 30. 

B. nafihin, VIII, 91, XIX, 23, XXI, 25, 46, 203, 230, 

XXII, 16. Vgl. nhin. 

Acaiuana. S. zich den mond wasschen, l^. raahainbuh (zicli 

het haar wasschen). In het O. , J. beteekent het: zich 't 

gelaat wasschen, II, 3. Jav. ar ca ma na. 
AcJira. S. gedrag, karakter, B. cara, lil, 63. 

B. Kalaksanay an ! handelwijze; XX, 21. 
AcJiryya. S. j)riester, geestelijk leeraar, B. pandita piitiis, 

III, 63. 
B. lak san a! XXI, 204. 
Acal-acalan. B. elik kaelikiu (afkeer van elkaar hebben), 

XXIV, 122 (z. o. cala). 



8 ACALA AJATl. 

Acala. S. berg, B. giri, XX, 32. 
*Acintyagamya. S. voor de gedachte oubereikbaar , ongeloofelij k , 
B. nirbana liglisan! XXI, 151. 
Acintya^akti. S. ondenkbaar machtig. B. wi^esa, VI, 195. 
Acaii, Acun-acuii, B. ne natih natih, (duidelijk)! XXV, 

100, naam van een plant. 
Ajap. Maiiajap, B. budah (verzot zijn), V, 30, 63. Act. Dur. 

2. Maiiaj ap-aj ap, B. edan (krankzinnig), X, 70. 

3. Anajap, B. ipit (in den slaap spreken), XXIII, 26. 
Ajar. (Mal. Sund. Day. hetz. Tag. adal, Bul. as ar). 

B. majaran (deel mede), VI, 37. 
B. panan dikay aii, VI, 43. Imp. 

B. Katuturin (het medegedeelde), VIII, 146 (subst.) 
ndak ajar, B. mbok tutu r in (laat ik u mededeelen) , 
VIII, 145. 

2. Ajar-ajar, B, mapawarah (mede te deelen) , XXII, 24 
(Infin.) 

ndak ajar-ajar, H. bapa nuturan (laat ik u mededeelen) , 
V, 87. 

3. Man ajar, B. nurukan (onderwees), I, 35 (Act. Dur. 
Ind.) 

4. P^jara, B. aturaii (worde medegedeeld), II, 59. (Imp. 
Pass.) 

B. tuturan, VI, 81, 140, VII, 69, VIII, 175. 
B. pajaran, VIII, 174. 

5. Majar-ajar, B. manaturaü (mededeelen), II, 60, 
XXI, 191. 

B. matuturan, VI, 82. 

6. Majar-ajar, B. n utur-n ut uran (deelde mede), XIX, 
32 (Aor. Act.), XIV, 25. 

7. Inajarakën, B. kapajarafi (medegedeeld), XV, 11. 
(Pass. Dur.) 

8. Majar, B. majaran (deelde mede), VI, 35. 
B. tuturan, VI, 70. 

B, nat uran, VI, 70. 
B. matur, XI, 35. 

9. Ajara, B. nuturan, dat (ik) mededeel, VI, 153. 

10. Umajar, B. fiucap, VII, 98. 

11. Pajarën, B. Katuturan (worde vermeld), VIII, 144. 
Imp. Pass, 



AJI — ajna. 9 

12. Majara, R. maiiuturan (deel mede), VTIl , 150. 
B. atur, dat (ik) mededeel, XVII, 80. 

13. Pajar, B. tuturan (rnededeeling) , X, 32 (subst.) 
B, pan and i ka, XIII, lö. 

14. Maj ar-aj ara, B. matur netehaü (om mede te deelen) , 
XI, 5. 

15. Inajar, B. katuran (werd bericht), XIX, 60. Pass. 
Dur. Ind. 

16. (ar) ajarakën, B. m an w rttayan, dat (hij) mededeelde , 
XX, 75. 

17. luajarakën, B. kapajaraii (werd medegedeeld), XXI, 
75. Pass. Dur. Ind. 

18. Pajarakëna, B. haturan (worde medegedeeld), XXIV, 
134. Conj. Pass. 

19. Pi n aj ar akë n, B. kahaturaü (werd medegedeeld), XXVI, 
17. Dur. Pass. Ind. 

Aji. Mal. Sund. hetz. B. gastra (heilige schrift), 1, 1, XXV, 
20, 21. 
B. aksara, III, 45, XIII, 42, XIV , 23. 
B. agama (wetboek), III, 53, 83. 
B. mantra (tooverspreuk) , VIII , 20 , 30. 
B. onvertaald , XIII , 74. 
B. tatwa, XII, 60. 

2. Aiiajya, B. malajahin, I, 35, in het reciteeren (Act. 
Dur. Conj.) 

3. Man aji, B. mlajahin (leerde), VIII, 31 (Act. Dur. Ind.) 
B. malajah, XXIV, 111. 

4. Anaji, B. magawe, XXIII, 51 (een tooverspreuk uit- 
spreken). 

5. Panajjan, B. malajah! VIII, 71, onderricht (subst.) 
Ajna. S. bevel, B. pariandika (woord), III , II, 73, VI il, 88. 

B. kinauën! XII, 49. 

2. Sajiia, B. panandika, VI, 105, I, 56, ja (/ooals . . . . 
beveelt). 

B. ingih, XI, 35. 

B. ndikayan, XI, 32, alle bevelen. 

3. I n a j n an , B. k a p a n a n d i k a i n , werd bevolen , VI\ , 1 2 
(Pass. Dur.) 

B. kantus, XXI, 165. 

4. Ü maj na, B, manutus (beval), XXI, 164 (Aor. Act. Ind.) 



10 AÜJANA AT. 

5. Manajne, B. fiandikajan (beval aan), XXI, 223 (Act. 
Dur. Ind.) 

B. paiiandika! XXIV, 229. 
Aüjana. S. zwarte oogzalf , B. marnes (zwart geverfd). VI , 98. Inkt. 
Anjali. S. de beide samengevoegde Tianden als teeken van eerbied. 

B. panastawa, XXIV, 30. 

2. Manafijali, B. manabhakti, VIII, 208, eene eerbieds- 
betuiging maken. 

B. mapamit, XIX, 56. 

3. (yan) pananjali, B. mapamit, XXI, 71, (dat) eene 
eerbiedsbetuiging maakte. 

(an) panaüjali, B. manastawa, XXI, 130. 

4. Aüanjali, B. nastuti, XXIV, 10. 
B. nabhakti, XXIV, 31. 

Ada, afkeurende uitroep, B. dahat! XIV, 57, XXIV, 41. 
Adan. (Sund. hadaü, Day. hadan, Tag. haran, Bul. ajan. Bis. 
adan, Fidji yarani enz. Kern , Fidjitaal, p. 201). Vgl. hadan. 

1. Uraadan, B. nagënan (was gereed), VIII, 198 (Aor. 
Act. Ind.) 

B. macadan, XX, 78, XXI, 193, XXVI, 29. 
^Adas. B. sor (laag)! XXIV, 117.? Vgl. Jav. Mal. ad as of 
Day. a d a s (veel , menigte) ? 
Aden. B. alus (zacht), XXIV, 101. 
B. matatwa (waar), XXIV, 109? 
B. pantës (passend), XXIV, 246? Jav. rust hebben. 
Anda. S. ei, bal, B. jagat (aardbol), XXI, 64. 
■^Audakundakya. S. het wereldruim genaamd , B. jagat, XIX , 12. 
Aiidapada. S. wereldruim , XXIV , 50. 
Andah. B. mataluh! XXIV, 121. ging naar beneden. 
Andëk. Man dek, B. pahëk (nabij), VIII, 65. 

2. Kandëk, B. lëlëb? XIX, 12, zwichten? Vgl. andëg. 
Aiidëg. Kandëg, B. kantëp (gestooten) , XXII, 44 zwichten? 

Vgl. andëk. 
Andëni. B. masabat (werpen), XXI ; 213. 

2. Umandëm, B. hebah (viel), VI, 190 (Aor. Act. Ind.) 

B. manimpug (wierpen), XXIII, 77. 
Audëh. Kandëh, B. sambëh (verspreid), IX, 54. 

2. Umandëh, B. kadahat! zakte, XXI, 163 (Aor. Act.) 

3. Mandëh, B. mandëg (zakte), XXV, 3. 

At. In 't B. meestal onvertaald. Men kan het vertalen met //dat'/. 



ATA ATAG. 1 1 

b.v. at win il ra 11, B, kapajarin, II, (30. Gevolgd door 
een subst. vorm (pa, pan enz.) komt het overeen met den 
verb. vorm (ma, man) behalve dat de nadruk op 't vorige 
valt, b.v. at pararrjan, B. mareren , VIII, 11. Hier zou 
in 't Jav. het hulpwoord (oleh, eügon) gebruikt worden. 

at warawarahën, B, ajahin, XI, 93. 

at tama, B. wruhin, XIX, 36. 

at niakaka, XXII, 17 (van u jegens uw ouderen broeder). 

at anhidëp, XXII, 26 (dat gij weet). 

at ton, XXII, 38 (dat gij ziet). 
Ata. alleen (vgl. Kern, Kawistudiën , p. 114). 

B. punika! II, 59. 

B. mankin! III, 52 (toch), V, 72, VIII , 125, XIV, 24, 
33, XXVI, 25. 

Vgl. at ah. 
Atah. vertoont alle beteekenissen van 't Mal. juga. 

B. ik a! II, 52 (toch), 66 (ook), 72 (alleen), III, 6, 8 (slechts), 63. 

B. ida! III, 22 (ook), VIII, 117. 

B. pi san! IV, 24 (slechts). 

B. ya! VIII, 90 (slechts). 

B. punika! III, 1, XVIII, 23 (toch). 

B. tuwi! XXI, 21, 43 (slechts). 

B. wjakti, XXI, 45. 

B. nora len (alleen), XX lil, 46. 
Atak. B. kacan (peulvrucht), XXVI, 25. 
Atag. B. jn'iksauin, roep op, XIX, 36. Jmj). 

1. ratag, B. inarah (werden opgeroepen), XI, -19. 
B. kaharah, XIX, 8. 

2. Atagën, B. ar ah (mogen opgeroepen worden), VII, 42. 
Imp. pass. 

B. arahin, XV, 42, 43. (Conj. pass.) 
B. orahin , XVII, 16, 17. 

3. Inatag, B. inarah (werden opgeroepen), Vlï, 43, IX, 
9. (Pass. Dur. Ind.) 

4. Anatag, B. nunduni (riep op), VIII , 93. Act. Dur. Ind. 

5. Ma II atag, B. man orahin (oproepende), XIX, 36 (Part. 
Praes. Act). 

6. Anatag aken, B. manuduhan (riep op), XXI , 213 
(Act. Dur. Ind.) 

7. Matag, aanmanen, XIV, 39. 



12 ATAT ATÏTA. 

Atat. groene papagaai (oriolus x a n tho n et us) , IX, 57, 

XXIV, 110. Ygl. Jav. betët, Mad. tatat, Sund. etet. 
Atah. I. Atahatahau, B. tan krasa (zonder uitwerking), 
XV, 53. 
B. nirdon (zonder doel), V, 14. 

tatahatahan, B. tanpapalaran (zouder reden), XVII , 81. 
II. Zie na ata. 
Atër. Bul. betz. Tag. hatid, His. hatud. 

1. Anatërakëu, B. manirinan (deed uitgeleide), 111, 14 
(Act. Dur. lud.). 

2. Anatëra, B. bunkahan! (laat aandragen), XV, 42 (Act. 
Dur. Juss.) 

3. Maüatëra, B. manalihan, XV, 47. 

4. Manatërakëu, B. manatëhan (begeleiden), XIX, 19. 

5. Inatërakën, B. karëgëpan! (werd als geleide medege- 
genomen) , XXI , 204. 

6. Inatër, B. gawa (werd gedragen), XXIV, 256. 

7. Mat era, B. m an al i h au (aan te dragen), XXIV, 188, Conj. 
Ati. S. //over// , in samenstellingen //zeer'/. 

B. dab at, VIII, 86, XV, 13, XXIII, 72. 
■^Atikatara. S. zeer bang, B. dahat in rësrësan, XVI, 25. 
Atikania. S. zeer geliefd, B. dahat in uttama, XI, 12. 
Atikaya. S. naam van een zoon van Eawaua, XXIII, 17, 18, 19. 
Atikasta. S. zeer slecht, B. manah(!) du sta, V, 32, XIV, 43. 
■^Atigambhira. S. zeer diep, B. dahat in limbak! Vil, 48. 
Atigorawa. S. atigaurawa (zeer eerbiedig), B. dahat iü 
manis, IV , 2. 
B. dahat in suka, XXIII, 72. 
■^Atighora. S. zeer vreeselijk, B. dahat in krüra, VU, 107, 
XV, 51. 
B. dahat in karësrës, XVII, 84, XX, 2. 
B. dahat galak, XIX, 7. 
B. dahat agön, XIX, 14. 
Atlta. S. voorbijgegaan , buitengewoon , B. k u ë h h i b a n e ! II , 
37 (buitengewoon). 
B. kadahatan, III, 51, YII, 92, VIII, 160 (zeer). 
B. tan ucapan (voorbijgegaan), IV, 26. 
B. liwaran (verstreken), VII, 97. 
B. tnanah ya! VIII, 167, buitengewoon. 
B, uliü nüni! XIII, 7, buitengewoon. 



ATITlKSnA ATIBHa,RA. 1 3 

B. dahat, XX, 23, XXI, 17, 150. 
B. kali wat, XXI, 49, XXII, 2 (zeer). 
"^AtitïlisiJa. S. zeer scherp, H. dab at ma pan as, IV, 44. 
H. dahat pau as (zeer brandend), W, 38. 
^^. dab at manan, XIX, 113. 
*Atitibra. S. atitiwra (zeer hevig), H. dahat in rahat,YIir, 
152, XI, 15. 
B. kadahatan, XXIII, 10. 
B. bas kaliwat, XXIII, 31. 
B. da b a t p r a p a n c a , XXIV , 31. 
^Atitiistji. IS. zeer tevreden , B. d a bat i ii s u k a , \ [ , 21. 
Atitlii. S. gast, B. tinara uy, IV , 15. 
B. tamyu, XXI, 98. 
B. tamu, XXVI, 36. 
2. K a. t i t h i , onthaald worden , IV , 1 5. 
Atidambha. S. zeer bedriegelijk , B. dahat in lo ba, XXIV, 68. 
Atidarpa. S. zeer trotsch, B. dahat ga lak, VI, '^'^ , I.\ , 67. 
B. dahat in galak, VIII, 35. 
B. dahat tan mari, VIII, 38, zeer uitgelaten. 
Atidina. S. zeer treurig, B. dahat in duhka, XXIII, 69. 
*Atidibya. S. atidiwya (zeer goddelijk), B. dahat lëwib, 
XVII, 100. 
B. dahat in parama, XXI, 79. 
B. dahat parama, XXIV, 232. 
■^Atidurgga. S. zeer ontoegankelijk ,B. dahat in sënka, XIII, 92. 
^Atidurjjaya. S. zeer moeielijk om te overwinnen, B. pinit, II, 22. 
^Atidusta. S. zeer misdadig, B. dahat corah, XVIII, 1. 
Atiduhkita. S. atiduhkhita (zeer bedroefd), B. dahat in 
lara, XXI, 48. 
■^Atidhira. S. zeer standvastig, B. dahat in pagëh, XI, 10. 
B. dahat in magëhan, XVIII, 33. 
B. dahat pagëh, XXIV, 168. 
*Atidhurtta. S. zeer sluw, B. dahat risëb, IX, 87. 
"^Atiuirmmala. S. zeer rein, B. tanpatalëtëb, III, 35. 
"^Atini(;caya. S. zeer zeker, B. dahat in inandël, XX, 31. 

Atindriya. S. bovenzinnelijk, B. riü paudita! VIII, 132. 
"^"Atibhakti. S. zeer trouw, B. dahat bhakti, III, 72, XXIV, 
165. 
B. bwat bakti, XXIV, 128. 
■^Atibhara. S. zeer zwaar, B. dahat parama, XXIV, 26. 



1 4 AÏIBHlSAn A ATI(;AY A . 

B. kadahatan, XXV, 110. 
■^Atibhlsana. S, zeer vreeselij k , B. dahat in kabinawa, IV, 3. 

B. dahat in durggama, XVI, 5. 
■^Atimiulha. S. zeer dwaas, B, dahat bëlog, II, 38. 

dahat in punkun, VII, 46. 
^Atiniilrcea. S. atimürcha (geheel buiten kennis). 

]5, dahat in en sap, VI, 48. 
■^Atimoha. S. zeer verward, B. dahat peten, III, 9. 
■^Atiyatna. S. zeer behoedzaam, B. dahat in tanar, VIII, 23. 
^Atiralihasa. S. zeer onstuimig, B. dahat in nirosa, VI, 160, 
IX, 22. 
B. dahat sahasa, XIX, 104. 

2. Atirabhasan, B. dahat iii sahasa (zullen overweldigd 
worden), XXI, 116. 
■^Atiramya. S. atiramya (zeer liefelijk), B. dahat in tusta, 
XVII, 128. 
B. dahat halëp, XVII, 132. 
B. dahat ii'i bëcik, XXVI, 24. 
■^Atirülisa. S zeer dor, B. dahat in gësit, VI, 40. 
^Atirodra S. a tiran dra (zeer vreeselij k), B. dahat in galak, 
IV. 5, XXI, 215. 
B. dahat in krüra, VIII, 30. 
B. hahen, XIX, 17. 
B. dahat galak, XXII, 72. 
Atiwahya. S. zeer, B. dahat in ww anten, VIII, 126. 
^'Atiwi^iila. S. zeer breed, B. dahat in lingah, VIII, 5. 
'Atiwrddhi. S. zeer toegenomen, B. dahat wibhüh, XX, 7. 
^Ati^akti. S. zeer krachtig, B. dahat wi^esa, XIII, 43, 

XIX, 117. 
■^Ali(^ö,nta. S. zeer kalm, B. dahat in d har ma, XXI, 93. 
Atigaya. S. buitengewoon, B. dahat, II, 73, III, 35, V, 
61, 80, XII, 57. 
B. kaliwat, III, 38, V, 12. 
B. para ma, III, 48, XXI, 205. 
B. kadahatan, V, 4, 29, 56, 66, 72, X, 68, XIII, 20, 

XIV, 19, 44, 52, XVII, 92. 
B. tan sipi, V, 15, 55. 
B. lëwih, V, 26, VI, 46. 
B. kaliwatan, VI, 39, XXIII, 9. 
B. kadnrus, XXI, 29. 



AïigiQHRA tlïMAMuTRA. 15 

■^Atieighra. S. zeer snel , B. d a h a t g ë 1 i s , VIII , 42 , XXI , 200. 
b'. dahat iü gëlis, XYII, 92. 
B. dahat wavraü, XVIII, 4. 
B. dahat gancan, XXI, 233. 
"^Atieüra. S. zeer heldhaftig, B. dahat in purusa, XVII, 86. 
*Ati('olvainaiiasa. S. zeer bekommerd van gemoed, B. dahat 

sëdih saiisara, XXI, 36. 
"^Aticoblia. S. zeer schoon, B. dahat in samah, VIIT, 161. 

B. dahat lingah, XVI, 11. 
*Atisatya. S. zeer trouw, B. dahat tiiidih, XVII, 54. 

B. dahat sadhu, XXIV, 124. 
^Atisadhu. S. zeer goed, B. manah dharmma ! VILI, 146 (door 
verwarring met hati). 
Atisaphala. S. zeer vruchtbaar, B. dahat in lëwih, V, 51, 
zeer doeltreffend. 
^Atissira. S. zeer sterk, B. dahat putus, XIX, 16. 

B. dahat iii ^akti, XIX, 65. 
■^Atisaharsa. S. zeer verheugd, B. dahat tusta, V, 68, 
■^Atisahasa. S. zeer onbezonnen, H. dahat galak. II, 27, 39. 

B. dahat kosa, XIX, 117. 
^Atisomya. S. a t i s a u m j a (zeer lief) , B. dahat i h s u k a , 

V, 67. 
■^Atiharsa. S. zeer verheugd, B. dahat tusta, XI, 37, 
XXIV, 228. 
Atus. honderd (vgl. Bis. gat os. Mal. Bat. Day. ratus enz.) 
l.Tigan atus, B. tluiiatus (drie honderd)), VIII, 138. 

2. Juatus-atus, B. satus piü satus (honderden), V, 10, 
XIX, 12. 

B. satu ssa t usan , XXI, 215. 

3. Satus, honderd, Vt, 177, VIII, 202, XXI, 220. 

4. Pa satus, B. dadi satus (in honderd stukken), XI, 1. 

5. Pasatusën, B. dadi au yata (laat het honderd worden), 
XIII, 32. 

Ator. 1. üator, B. panayah (zwoegen), XVll , 111. 115, 
XXVI, 24, 25, ronddienen? 
2. Mator, B. manayahin (zwoegen?), XXVI, 25. 
B. panayah, XXVI, 29. 
*Atol. B. tadah (eten?), XXV, 34. 
Alma. S. Titraan (ziel), B, hurip, XXI, 148. 
Atiiiaiiiatra. S. Slechts ziel, B. hurip iü mantra, XVII, 98. 



16 aTMAUaKSA ADCG. 

Atmaraksa. S. atmaraksa, zelfbescherming, B. panraksa 

j i w a , XIX , 44. 
Atyanta. S. buitengewoon, B. dahat , III, 86 , VI, 56, 61 , 135. 
B. tan sapira, VI, 16, uitermate. 

B. kadahatan, VI, 30, 62, 88 , XIX , 82, 112, zeer. 
B. puput, VI, 32, XXI, 17. 
B. putus, VI, 191. 
B. kadahat, VI, 199. 

B. kaliwat, II, 42, XII, 9, 43, XVIII, 50. 
^Atyugra. S. zeer vreeselijk, B. eeneen dahat! XIX, 12. 
"^Atyucca. S. zeer hoog, B. nawëtuhin (uitstekend?) XXI, 169. 
■^Atyujwala. S. atyujjwala, zeer glanzend, B. dumilah, XXI, 172. 
B. dahat dumilah, XXVI, 24. 
Atri. S. naam van een maharsi, IV, 2, XXIV, 213. 
Atha. S. daarop, toen, vervolgens, B. manke, III, 86, IV, 
14, V, I, 21, 36, 54, VI, 32. 
B. manko, V, 25, 85, VIII, 1. 

B. ika, VIII, 7, 97, IX, 1, 9, XI, 1, 16, 61, 79, 85, 
XII, 46, 64, XIII, 18, XV, 1, 47, XVl, 41, XVII, 
134, XIX, 88, XX, 40, 49, XXI, 161. 
Athaca. S. en verder, ook. 
B. dyastun, XIX, 99. 
Athawa. S. of anders. B. yadin, II , 69. 
B. wyakti, IV ," 40, XI, 82 (athawa). 
athawa, B. pituwi, V, 48. 
B. manawi, V, 51, VI, 37. 
athawa, B. yenna, VIII, 133. 
athawa, B. mankana, X, 48. 
B. sina, XI, 87. 
B. ika, XII, 61. 
Ad voor xo en bh hetzelfde als at (z. b.), in 't Baliu. altijd onver- 
taald , b.v. XXI, 20: Kit ad wruh, B. idewa unin, 
XXIV, 42: Hal ad wihan, B. jële tunkas: 94: nka- 
nad bhukti, B. irika amangih, XXV, 36: Pap ad 
wulat, B. naraka cinak, III, 54: ad weh, B. asuiiin. 
Adak. Inadak-adak, B. karabahrabah? XXIII , 43 (Pass. Dur.) 

getrapt , in het nauw gebracht. 
Adëg. 1. B. banun (staat op), VII, 99. Imper. 

2. t'adëg, B. maüjënën (treed op), VI, 4, VII, 104. 
B. adëgan (sta op), XVII, 90. 



ADëH ADU. 17 

3. Madëg, B. banun (stond op\ IIT, 14, VII, 39, 113, 
XIII, 18. 

B. ju men en, XA^I, 7, XI, 50. 

B. nadëg, XXV, 100. 

B. majujuk, VIII, 35, 214. 

4. (ar)adëgakëu , B. mbanunan (opzette), IL, 43, 
(r)adëgakën, B. mambanunan, III, 42, 

5. Man ad eg, B. majujuk (stond op), IX, 42, lil, 6(), 
V, 43, 44, VII, (32, VIII, 104, XIX, 15. Act. dur. 

6. Urn ad eg, B. majujuk (stond op), XXIII, 12, V, 64, 
XXVI, 23, 24. Aor. Act. Ind. 

7. Anadëg, B. majujuk (stond op), VIII, 30, XIX, 50, 

XX, 73, XXIII, 33, XXIV, 16, XIX, 117, Act. Dur. 
B. jumënën, XXIV, 240. 

8. (y ar)panadëg, B. majujuk (dat opstond), XX 11, 1. 

9. Radëg, XXVI, 25. 

Adëh. Inadëh, B. kal aha n (is in 't nauw gebracht), XI, 41, 

2. Manadëh, B, manasoran (brachten in het nauw), 
XXIII, 59, 

3. Madëh, B. kasor (in 't nauw gebracht), XXVI, 11. 
Adi. S. in samenstellingen: en zoo voorts, B. lëwih (foutief), 

I, 20, III, 24, XIII, 52, XVI, 9, XXI, 147. 
B. mr ik (welriekend), I. 29, 
B. parama, XI, 28, en zoo voorts. 

B. süksma, XVI, 28 (en zoo voorts), XX, 27, (B. onver- 
taald), voortreffelijk. 
B. lëwih, XXI, 134 (begin). 
Adi. Adyana, B. rinëgëp (laat het fraai gemaakt worden), V l, 4. 

B. esti, VIII, 120. 
Aditya. S. zon, B. süryya, VI, 55, IX, 07, XV, 38, 41, 

XXI, 208, XIII, 32. 
B. rawi, VI, 145. 

Adirajya. S. adhirajya, opperrijk, B. nagari, II, 61. Zie 

adh ir a. j y a. 
Adiwrsti, lees "srsti, S. eerste schepping, B. Asïtkula, 

XXI, 132. 
Adu. Sund. Mal. Bat. hetz. Day. ad o, Malag. ady. An ad wak en, 

B. n a 1 o k a n (tartten uit) , XX , 37. 

2. M a n a d n', B. m a n ë m u h a n (wedijverde) , XXII L , 60 , 

Act. Dur. 

•2 



18 ADrgYA — ADHIRaJA. 

2. Anadu, B. nadu (streden), XXIV, 20, Act. Dur. 

4. Adun, B. patëmuhan (moet gestreefd worden naar), 
XXIV, 36. 
Adr^ya. S. onzichtbaar. B. lëwi(h) guna, naam van een too- 
verspreuk van Indrajit, XX, 53. 

B. maguna, XXIII, 24. 
Adbhuta. S. verbazend. B. dahat, V, 40, VI, 160, XXII, 71. 

B. ga wok (verbaasd), IX, 68. 

B. kabhinawa, III, 38, VIII, 8. 

B. kagirigiri (verbazend), V, 10. 

B. kagagawok, VII, 57. 

B. kar es r es, VI, 19, verbazend. 

2. Kadbhuta, B. kabhinawa, III, 39. 

B. kagagawok, V, 51. 

B. kagawokan (verbaasd), VI, 100, 158. 

B. gawok, IV, 38, V, 76, XII, 41, XXI, 157, VII, 62, verbaasd. 

B. gawok ari, IV, 54. 

B. kasob, XVIII, 35. 

B. karësrës, VI, 53, XI, 6 (vreeselijkheid). 

B. kagawokan, X, 35 (verbaasd). 

B. kagyat, IX, 2, verbaasd. 

B. krüra, XIV, 35, XXIV, 3 (vreeselijkheid). 
Idya. B. istri (vrouw)? XVII, 103. 
Adhama. S. laagste, B. nista, V, 56, III, 59. 

B. jële, II, 41, V, 35. 

B. lëtuh, VI, 174. 

B. malëtuh, XIV, 54. 

B. dusta, XV, 44, XVII, 44. 

B. nica, XIII, 37, XV, 59. 

B. corah, XIV, 57. 

B. tan sap i ra jële, X, 54. 
Adliastha. S. ad ha hst ha, onder staande, XX, 66, B. san- 
sa ra (smart, verdriet). 
Adliah. S. onder. 1. Adhaha, B, kasoran, XXI, 152. 
Adhikara. S. opperheerschappij, B. kasinhan (hoofd)? IX, 46. 
Adhidewa. S. oppergod, B. lëwih in dewa, XX, 54. 
Adhidewata. S. hetz. , B. lëwih dewata, XXI, 10. 
Adliipati. S. heerscher, B. makanatha, XV, 38. 
■^Adhiraja. S. opperheerscher , B. lëwih natha, VIII, 88, 
XVIII, 12, II, 58. 



ADHIrAjYA — ANAK. 19 

Adliinljyji. S, machtig rijk, IT, 53. Zie udirujya. 
Adhoiiiukii. S. adhoraukha, met afgewend gelaat, \l. nora 

karëpan (uiet begeerende) , XXVI, 50. 
Adhyji. B, nadanan (gereed maken), XXVI, 24. 
Adhyatinika. S. de wetenschap van de hoogste ziel, B. süksma, 

XXI, 14.-). 
All voor een werkwoord duidt een part. praes. aan . soms een pass. 
bv. a n ton, om te zien , B. k a k s i , II , 1 4 , a n t i n o n t o n , 
IX, 88; //dat'/, B. onvertaald, in: mataiinyun (de reden 
ervan dat), X, 40: /'omdat,// B. onvertaald, in: an pin- 
anah, XII, 37, an kagöman, XIX, 14; B.eiu: wiran 
wiryyau, B. prajurite wibhüh, XX, 10. 

onvertaald in: nikan hana, II, 46; B. yen, XXIII, 1. 

//dat// of //om'/ in: Saphalan auak, VUL, 140, kitan 
winuwusan, XIV, 24, saphahln si win (waardig om), 
VIII, 142, durgrahyan (moeielijk om), XXVI, 41. 

/'toen" in: tatkA. lan (ten tijde toen), XI, 90. Vgl. 't gebruik 
van 't Bul. an in een zin als: Apamo um bëni an 
koum biya (Niemann , Bijdr. p. 87, r. 20). 

//dat// in: denyun (om reden dat), XVII, (3. 

an pamulati, B. natonan (bij het zien), XIX, 38. 

redegevend in: an uni (wegens 't geluid), XIX, 15. 

au panahi, dat hij beschoot (zijn beschieten), XXlIl, 25. 

B. yan (dat), XXI, 10. 

//dat'/, XXI, 49, kas tan kawëkas. 

B. saha (terwijl), XXVI, 21. 

An vereenigt alle beteekenissen van 't Latijnsche quod in 
zich (vgl. a k , ar, yan, y a r , enz.). 
Aiiak. Tag. Bis Bul. Day. Bal. Sund. Bug. Mak. Mad. Mal. 
Bat. hetz. Kind, B. panak, II, 30, VI, 191, IX, 55, 
III, 11, 12, 22. 

B. pyanak, VII, 37, III, 19. 

B. putra, XIII, 5, XIX, 28, VI LI, 140. 

B. tanaya, XIII, (3, III, 26. 

B. alit, XVI, 2, klein. 

B. wëka, VI, 83, kind. 

2. Manaka, B. ngawe santana (kroost te verwekken), L, 
2 1 , conj. na m a h y u n. 

3. tarpanak, B. tan pa putra (kinderloos), L, 21. 

4. MakA,nak, B. maputra (liad tot kiïid), I, 33. 



20 ANAKCBI (aNAKBI) — ANIKUMBHA. 

5. Manak, B. ma put ra, Mal. bëranak, I, 32 (kreeg 
een kind). 

B. manak, XV, 66. 

6. Anak-anak, B. netranakanakan (pupil van 't oog), 
XIX, 70. 

7. Anak-anakan, B. sahaputra, (met hunne jongen), 

XXIV, 101. 

8. Pinakanak, B. anaputra (als kind te beschouwen), 

XXV, 114. 

9. Anak, B. maputra (jegens haar kind), XXVI, 8. Vgl. 
sanak. 

Anakëbi (anakbi), vrouw, B. somah, V, 16. 

B. panak luh, VI, 8. 

B. wwan istri, IV, 42, I, 6. 

B. rabi, I, 32, XXI, 107. 

B. para istri, I, 61, V, 76. 

Anakbi, B. para rabi, III, 24. 

Anakëbi, B. anake luh, Xll, 19. 

B. anak istri, VII, 51, 65. 

B. wwan s t r i , XVI , 33. 

B. anak luh, XXIII, 52. 

B. luh, XXIV, 133. 

2. Anakëbya, B. pada istri, V, 15, conj. afhangende 
van yan. 
Anagata. S. toekomst, B. tiwas, XVII, 31. 

B. tiwasan, XXI, 133. 
Anaüga. S. Liefde (eig. lichaamloos) , B. i Sm ara, VI, 121. 

B. Kama, VI, 127, XI, 78, 86, XII, 47, VIII, 72. 
Anangadlpa. S. de glans der Liefde, B. sm ara madam ar, VII, 12. 
*Anatlia. S. hulpeloos, B. tiwas, IV, 15. 
Anantabhoga. S. de draak der onderwereld, B. Antabhoga, 

XV, 59, XXI, 138. 

Anantara. S. onmiddellijk daarna, B. tan asuwe, III, 44, 

XXIV, 14, XVI, 8, XVIII, 37. 
Anarawata. S. anawarata, onafgebroken, B. tan pëgat, 

XVI, 34, XIX, 13. 

B. tanpapëgatan, XX, 41, XXI, 128. Ontstaan door 
metathesis. 
Aiiikiimbha. S. naam van een raksasa, steeds voorafgegaan door 
si: Syanikumbha, XX, 30, 32. 



ANITYAIIETUKA ANUll. 21 

Anikumbha, XXIII, 47. 
^Anityalietuka. S. onbestendigheid veroorzakend, B. lama 
karana, XXIV, 182. De V>. vertaling is geheel verkeerd. 
Anlla. S. wind, B. pa wan a, Vlll, 162, XVII, 132. 
B. aüin, XXIV, 52. 
■^Anilatmaja. S. A n i 1 a's zoon (H a n u m a n) , B. P a w a n a s u ta , 
VI, 148. 
B. Hanüman, VIII, 92, 178. 
^Aiiilaputra. S. hetzelfde , B. A n ft m A n , XIX , 87 , 101, 

XXI, 18:-i. 
"^Anilasuta. S. Anila's zoon (Han u raA. n) , B. Ilaniiman, 
IX, 13, ÖO, XVIII, 52. 
B. Pawanaputra, XV, 8. 
Aniwaryya. 8. niet af te weren, B. wibhüh, IV, 57. 
B. k a w i r a u , VI , 1 54. 
B. mawi^esa, XXI, 166. 
Anu. Sund. Mal. Bat. Day. Mak. Bug. hetzelfde , Malag. i a n u , 
voorafgegaan door si: Syanu, N.N. , dinges. 
B. yanu (i anu), XXIII, 79, XXVI, 20 (B iyanu). 
San anu, al wie, B. iyanu, XXIV, 225. 
N.N., doch eerbiedig, XXVI, 20. 
Aiiugraha. S. gunstbewijs, B. suka, II, 46. 
B. katuduh, III, 11. 
B. manlugrahin, III, 75. 
B. w a r a w a r a h , XIV , 9 , VI , 1 54. 

2. Anugrahana-(nta) , zij (uw) gunstbewijs, VI, 87, B. 
wlasin ide wa. 

B. sweccanin, om een gunstbewijs te ontvangen (conj.), 
VI, 147. 

3. Mananugrahe, schonk hem een gunst, B. mawara- 
warah, VI, 111. 

B. paicA, VII, 46. 

4. Inanugrahan, begiftigd met (B. kanugrahau), XXIII, 
23 , Pass. dur. 

5. K a n u g r a h a , hetzelfde, B. k a i c c a n , \' X I V, 2154, Pass. Aor. 
Amin. Vgl. B. T. L. Vk. ()« volgr. VL, 243, het betrekkelijk 

voornaamwoord, B. ne, VII, 48, II, 49, XXI, 79. 
B. ikan, XV, 46. 
B. ikun, I, 22, II, 28, 51. 
B. ika, II, 48, III, 33, XIII, 41, XIV, 47, XXI, 193. 



22 ANUJA — ANEKABHaWA. 

B. ada (verkeerd), XIX, 16, XII, 53. 
B. lëwih (verkeerd), IX, 75. 
B. punika, XXI, 137. 
Anuja. S. naam van een bloem, B. ada o ja, XVI, 30, 

XXV, 9. (Jav. nu ja). 
Amimata. S, verlof, toestemming, tan anumata, B. norana 
wlas, onmeedogend. VI, 125. 

2. Mananumata, B. manasihiu, XV, 8, Act. dur. 

3. Inanumata, B. kasukanin, XV, 12, Pass. dur. 
B. kaicanin, XX, 66, XXI, 168. 

4. Ahanumata, B. manicanin, XXI, 109, Act. dur. 
B. manukauin, XXIV, 188. 

Annmana (anumana). S. anuraana, medelijden, B. wlas, 
X, 72, XVII, 99. 
B. inaüukauin, IV, 35, medelijden hebben. 
B. manukanin, IV, 41. 
B. wlasa, YII, 19, VIII, 109, XV, 52. 
B. manolasin, VIII, 159, 

2. Inanumana, wordt over 't hoofd gezien, H. inaüru- 
cakin, X, 12. 

3. Anuraanan, B. icanin, XIV, 47. Couj. Pass. 

4. (ar)panan umana, B. manukanin, XXIV, 95, dat 
tevreden was. 

5. Anumana ken, B. sadya hjalanaü, XXV, 54. 
Aniiinoda. S. goedkeuring, goedkeuren. 

B. fi ukan in, I. 56. 
B. nawlasin, XI, 68. 
B. manukanin, XI, 81, XXIV, 14. 
B. ilukanin, XVII, 121. 
B. manicanin, XXIV, 90, 
2. Anumoda, B, s ukan in, I, 55 (Conj.). 
Aiiuraga. S. toegenegenheid, B, katrsnain, XIII, 50. 
B. asih, XIII, 51, XIV, 17. 
B. trsna, XIII, 52. 
Aneka. S. verscheidene (niet één), B. katah, XV, 52, V, 19, Xi, 55. 
B. makeh, XXI, 22. 

B. tan tuügal, III, 4, 38, VII, 109, XII, 64, XVII, 3. 
B. makweh, XIX, 114. 
*Anekal)liawa. S. van verschillend gedrag, B. tan tuügal 
ulahe, XVII, 5. 



ANEKAUHOGA ANTëi'. 23 

*Anekabhoga. S. allerlei spijzen, 1^. tan tuiigal hliTikti, 

XX, 77. 

■^Anekarasa. S. allerlei genietingen , XXVI , 25. 

B. tan tungal bëcik, 
'^Anekarupa. S. van allerlei aard, 15. tan tungal tin ka h, 
VI, 164. 
B. tan tiügal goba, IX, 68. 
A nekawarima. S. van verschillenden vorm, H. katali salvvir- 
nya, VIII, 153. 
B. katah rüpanja, XI, 1. 
B, katah warnna, XVII, 101. 
*Aiiekawidhi. S. van allerlei aard, B. katah wilaug, \\Li,8. 
Anta. S, einde, B. tëmah in: anta^apa, B, nupat tëmah, 
VI, 84, eind der vloek. 
B. lukat mala, VI, 110, hetzelfde. 
2. PinakTinta, tot einde strekken, XXI, 134. 
B. dadin i dewa, door verwarring met het vSuUix nta. 
Antaka. S. eindigend , dood , B. tëiiah! XXI, 134. De li. ver- 
taling totaal verkeerd, 
B. pal at ra, XXIII, 48, 70, dood. 
2. Kilntaka, B. tëlasan, XXVI, 25. Aor. Pass. 
■^Aiitakagui. S. het vuur van den Dood, B. Kalagni, XXTIl, 38. 
Antara. S. tusschen, B. tënah (tusscheuruiinte) , XIX, 17, 

XXI, 172. 

2. P anta ra? in tan pautara, B. tan pa pëgatan (onaf- 
gebroken), XIX, 52. 
Autariksa. S. antarïksa, luchtruim, 15. gagana, XX, 22, 
Xxfv, 30. 
B. ambara, XXIV, 14. 
Aiitarlliia. S. verdwenen. B. hilan, XXIV, 202: verdween. 
Antahpura. S. vrouwenvertrek, B. jëro puri, XL, 1. 
Antëu. B. rahi, jongere broeder (eerbiedig), I, 36. 
B. cahi, III, 52, 80. 
B. ari, UI, 55, VI, 196. 
B. adi, III, 62, 83, VI, 52, 195, X, 18 , XXI , 90, \ \ 11 , 

13 (jongere broeder of zuster). 
15. üahi (jongere zuster), XXVI, 46. 

2. P i n a k a n t ë n , B. m a k a adi (tot jongere zuster of l)roeder 
strekken), XXI, 89. 
Antëp. Inantëpakën, B. autëpa ii (werd gestooten) , XIX , 75. 



24 ANTCB ANDUL. 

2. Kantëp, B. onvertaald, XIX, 84, 106. 

B. mantëp, XIX, 86. 

B. antëp, XIX, 111, XX, 14. 

B. manëmpuh, XXI, 245. 
Antël). Mantëb, B. nëbtëb (snoeien)? J. zwaar, XX, 10, 

vast, vgl. Jav. mantëp. 
Anti. Mananti, B. mareren (bleef), III, 39. (Act. Dur. Ind.) 

B. manantos (wachtende), XXVI, 22 (Act. Dur. Part.) 

2. t'ananti, B. cahi magënah (wacht), XIX, 35. Imperat. 

3. Manantya, B. mananti (om te wachten), XIX, 57. 
Conj. afhangende van kin on. 

4. In anti, B. inantos (gewacht worden), XXIV, 238. 
Dur. Pass. 

6. Inantyakën, B. pararrjanan (gewacht worden op), 
XXIV, 238. 

7. Pananty anty ana, B. panantianti (worde voortdurend 
gewacht), XXVI, 23. (Juss. Pass. Freq.). 

Antiik. 1. Mantuk, B. mulih (terugkeeren) , XIX, 20. Aor. 
Act. 
2. Umantuk, B, mulih (keerde terug) , XXVI, 22. Aor. Act. 

II. Manantuk, B. maüuntul (het hoofd laten hangen), 
XIX, 53. Dur. Act. 

III. B. pakolih (het verkregene), XXIV, 119. 

Autun. Umantuna, B. matulak (ophouden), XIII, 62. Aor. 
Act. Conj. 

2. Umantun, B. mu 1 ih (ophouden), XXVI, 22. Aor. Act. Ind. 

3. Tankantun, B. tlasan (zonder ophouden), XXIV, 3. 
Part. Pass. Aor. 

4. Mantun, B. phala? XXIV, 70. 

5. Kant una, B. kari (achter te laten) , VII , 43 (Aor. Pass. 
Conj.). 

Antya. S. op 't einde betrekking hebbende. Inantya, B. pa- 

rama (voortreffelijk), XXVI, 25. 
Andël. Tan andël, B. nora inandël (ongerust), XXI, 199. 
B. nora n ë g i r a ü , XXIV , 118. 

2. Umandël, B. jënëk (rustig), II, 7. 

3. Tanmandel, B. huyan (onrustig), XVI, 36. 

4. Mandël, B. lëga (rustig), XXV, 63. 
B. këndël, XXV, 65. 

Andul. B. manancëban (staken), XIX, 78. 



ANDIIAKHRA- — ^Al'AK. 25 

2. Inandul, B. katafic ëbai'i, XXI, 180, werd gcstokeu 

(Pass. dur,). 
Aiidliiikara. S. duisternis, B. onvertaald, VI, 154. 
B. peten, VII, 11, IX, 67. 
B. la tri (nacht), XX, 51, XXIII , 24. 
B. dalu (nacht), XX, 56. 
■^Anwam, Jav, anom, 1^. padapa! (jong), XII, 63. 
\i. nuda, XXIV, 97. 
Apa. Mal. Bul. Bent. hetz. wat? B. punapi, IV, 62, XV, 

39, I, 41, VI, 42, 53, 61, XXI, 168. 
//want// (Bal. onvertaald), VI, 166. 
B. ma pa, omdat, XI, 23. 
apa, B. denin (want) , XII , 24 , XIX , 30. 
a p a , B. k e n k e n , wat ? XVIII , 5 , XXI , ()3 (vraagwoord) , 

V, 85 (wat?), VIII, 131. 
B. p u n a p a (wat ?) , V , 55. 
//wat// (B. onvertaald), V, 77, II, 37, IV, 38, VIII, 180, 

IX, 32. 
B. non, V, 69. 
B. nuda (vraagwoord), X, 61, XIV, 33. 

2. Apa, B. onvert. wat toch? VII, 89. 

3. Ta man pan apa, B. tanpaülawana, zonder moeite, V, 18. 
B. nora nudisin (kunnen niets uitrichten), XIV, 10. 

B. nora nanini, V, 23. 

T ar pa na pa, B. tan nucjili, V, 34, zonder moeite. 
Tanpanapa, B. tanpatahën (zonder iets te doen), XV, 53. 
Tatarpanapa, B. norana nrahatin, zonder iets uit te 
richten, IX, 72. 

4. Inapa, B. bered (naar iets vragen), V, 32 (Pass. Dur). 

5. Mapa, B. punapi (wat), VIII, 146, XXVI, 25. 
B. apa, VI, 52, VII, 22. 

B. nudi, VII, 38. 
B. keuken, XXI, 5. 

6. M a p A p a , B. n k e n , XXIV , 1 78. 

7. Umapa^ B. punapi (wat), VIll , 176. 

8. All apa. B. phalana (baten), XTII, 38. 

9. Man apa, B. manken (want), XXI, 194. 
*Apak. B. a p a (wat ?) , III , 28 , vóór p h a 1 a. 

B. denin (want ik), XXIV, 32, voor para, VI, 188 (vóór 
pan ah). 



26 APACilEA APës (aI'Ös). 

Apacara. S. vergrijp. 1. Mapacara, B. corali, XXTII , 1 30 , 

zich misdragen. 
Apada. B. tarpatandin (zonder weerga), XIX, 96. 
■^Apal. B. wëtu, want gij, VI, 174. 

B. denin, XIII, 73, XXIV, 174. 
*Apacl. B. tuwi, want gij, XXIV, 34, voor wihaïi. 
Apan (apaii). Vgl. Bul. p aha paan, Sea pa ha paan, Tond. 
paapaan, Bent. pahapa; B. denin (want), I, 50, 53, 
III, 31, 49, VII, 45, 46, 47, XV, 43, III, 1, 6, 11, 
12, 13, 16, 19, 24, 58, V, 7, 30, 33 , 41 , 42, VI, 
84, VII, 37, XIX, 29, XIV, 46, XXVI, 25. 
B. wyakti, VI, 177. 
apan, B. denin, X, 34, II, 9, 31, 40, VI, 147, VIII, 

69, X, 24. 
2. Mapan, B. mapandihan (hoe), XXÏ , 49. 
^Aparan. B. apa (wat?), III, 29, VI, 43. 
B. nene nken (wat?), III, 46. 
B. punapi (wat?), IV, 64. 
B. neóken (wat?), VII, 93. 
B. kenken (wat?), XI, 34, XVII, 75. 
B. to apa (wat toch?), XI, 86. 
B. sapa, wat? XVII, 7, 9. 
B. sapunapi, VIII, 148, XIX, 91, wat? 
B. nken, XXI, 201 , wat? 
B. bahan apa, XXII, 9, wat? 
Apaliiia. B. tan kasuban, slechte naam, X, 12. 

B. tanpatutur, X, 31, vert. van Skr. apa wad a. 
Apali. S. water, B. tirtha, XXIV, 158. 
Apëk. B, maüsit (vunzig), XXV, 68. 
Apës (apös), Sund, hetz. B. lëmës (zacht), XI, 77. 
B. wëdi, zwak, III, 65. 
B. alus (zacht), VI, 122. 
B. lëmët, zwak, IX, 15. 
B. kalah, zwak, XIII, 77. 

2. Mapës (mapös), B. lëmët, zwak, IX, 53, XIX, 22, 
XXI, 238. 

B. kalah, zwak, XIII, 30. 

3. Apësa, B. nasor (toe te geven), XVIII, 22. Conj. na 

5. Apësapës, B. üatüatan (zeer week), XXVI, 25. 



API — APUS. 27 

Api. I. S. ook, H. pituwi, VI, 17. 

M. onvertaald , X , '21. 

I k A, p i , B. i n g i h y a d i u , VI , 13. 

B. cahi w uil ara! VI [, 103. 

Apituwi, zelfs, B. yadin, XV, 10, 52. 

II. Inapi, B. ra ah apen (gezuiverd), XXIII, 5(3, 
Apit. B. japit (geklemd), IX, 83. 

2. Inapi tan, '/geklemd, geknepen, in 't nauw gebracht". 

B. salimpita, X, 01. Vgl. hapit. 
Apuy. Tag, Mad. hetz. Day. apui, Lbanag af ui, Barëe apu, 
Sam. afi, Maori ahi, Malag. af o, Mal. Bul. Pak. Sea, 
Tond. api. 

B. agni (vuur), II, 4, VIII, 215. 

B. api, VI, 123, XI, 2, XIV, 51. 

B. huti, VI, 150. 

B. bahni, VII, 17, V, 51. 

B. Pawaka, XIV, 41, XVI[, 53. 

2. Pi iiaka-ap uy , B. inasawaii agni (als het vuur) , XI , 78. 

3. Apuy-apuy, B. kasapuh deiiii'i agni, X.\LII, (V2. 
De Bal. vertaling verkeerd. 

4. Apuya, B. makabahni (als 't vuur), XXIV, 60. 
B. Iwir api, VI, 126. 

B. gninya, XIII, 78. 

B. bahni, V , 59. 
Apürwwa. S. onvergelijkelijk, B, kabhiiiawa (verbazend), 
VIII, 2, XIX, 50, 113, XX, 1. 

B. magumana, VIII, 8. 

B. kagagawok, XII, 57, II, 16, XIll , 15. 

B. rambugan, XIX, 38. 

B. kabhinawa, XII, 58, XI, 1. 

B. murub, XI, 2. 

B. ga w ok, XI , 87. 

B. kagawok, XIV, 6, XVI, 17. 

B. 11 e nü.ni, XIV, 7 (nooit vroeger). 

B. katah, XVI, 42. De B. vertaling fout. 
Apiis. Bul. Sund. hetz. Bis. gapos, Negrito apuhin, Maori 
aho (string). B. panëkës (haarband) , XII, 28, lil, 24. 

2. I nap u san, B. katalinin (werd gebonden), XVIII, 6. 

B. matali (gebonden), IX, 92, XX, 63. 

B. katalinan (werd gebonden), XX, 61. 



28 APEKSA^ — APHaGYA. 

3. Kapus, B. matali (gebonden), IX, 83, van één aap 
(Part. Aor. Pass.) 

4. Kapusan, B. kabaudha (gebonden), XX, 60, van meer 
apen. 

B. matali, IX, 85, XX, 38. 
B. katalinan, XXI, 50. 

5. Apusi, B. talinin (worde gebonden), X, 70. Iinp. Pass. 
B. talinya, X, 71. 

5. Inapus, B. katalinin (gebonden), X, 72. Part. ])ur. 

Pass. 
B. kapindahan, XVII, 117. 

7. An apusi, B. an al in in (bond), XX, 60. Act. Dur. 

8. Apusapus, B. talibandha, XXI, 154. Alle banden. 
B. tatali, XXI, 157. 

9. Anapus, B. nalini, XXIV, 59. 
B. nalinin, XXV, 32. 

10. ümapusana, B. manaliniu, XXIV, 59, moet binden 
(Juss. Aor. Act.). 

Apeksa. S. apeksa, verwachting. 

B. nrënëhan (letten op, geven om), lY, 24. 
Apya. S. water-, aquosus, B. ambul apa (wat?) XXVI, 25. 
Aprakampya. S. onverschrokken, B. pagëh, XXIII, 55, 

XXI, 235. 
Apratima. S. onvergelijkelijk, B. arcca! VIII, 55, 
Apratihata. S. niet af te weren, B. katlasaü, XVII, 110. 
De B. vertaling verkeerd. 
B. dahat putus, XXI, 144. 
Aprameya. S. onmetelijk, B. tanpahinan, IX, 82, X, 66, 
XXI, 81. 
B. saphala ! XX, 1 1. 
Apsari. S. Apsaréi, B. widyadhari (hemeluimf) , III, 39, 
YII, 100, VIII, 89, XI, 2. 
B. widhadhari, IV, 38. 
B. dhadhari, VIII, 194, 70, XVI, 10. 
Abalaü. Ab al a naken, B. dagëlaii (worde geworpen), XVII, 
59. Imp. Pass. Dur. 
an-abalanakën, B. kadagëlah (werd geworpen), XXI [, 
86. Ind. Pass. Dur. Vgl. habalan. 
■^Abliagya. S. ongelukkig, B. mamarisadya, XXI, 29. 
B. tani bhagya, XXI, 65, 81, XXIV, 166. 



ABHICilRA AMaTYA. 29 

Abhicara. S. betoovering , B. ra a ii 1 e y a k , VIII , 30. 

2. Manabhicara, B. manesti, XXI, 230. 
Abhicari. S. abhicarin, betoovereud, B. desti, XXI, 230, 
Abhinawa. S. nieuw, B. lëwih, XII, 7. 

B. ga lak, XII, 58, wonder. 

B. kasub, XX, 78, vreemd. 
Abhiprfiya. S. voornemen, B. sadyayan, XI, 49. 
Abhiinata. S. gewenscht, geliefd, hooggeschat. 

1. luabhimata, B. kasukani, XXT , 1 1 7 , het gewenschte , 
verlangde. 

Abhiiiiana. S. hoogmoed, trots, B. purusa, X, 32, XIII, 92, 
II, 72, trotsch. 

B. ka pur u san, X, 33, XYIII, 43. 

B. parikosa, XIX, 98. 

B. c a p a 1 a , Y , 56 , XXIY , 42. 

B. pragalba, XIV, 23. 

B. prakopa, XVIII, 42. 

B. makosa, XIII, 74. 

B. kawirosan, XIX, 63. 
Abhhiiantra. S. abhimantrana, aanroeping , inzegening. 
Inabhi mant ra, B. kinenan iü mantra, XXI\', 17, 
waarover een tooverspreuk uitgesproken is. 
Abhirama. S. liefelijk, B. bagus, XI, 5. 
Abhiseka. S. wijding, B. onvertaald, III, 4. 

B. kabhiseka, III, 6. 

2. s abhiseka, B. sapandiri, gewijd, XXIV, 89. 
Abhyaiitara. S. binnenste, B. nagari, III, 26. 

B. jërohan, YII, 40. 
Abhyasa. S. herhaling, B. kaglaran (geoefend), XX, 7. 
B. kaglaran, XXIV, 7. 
B. glaran, XII, 20. 

2. M abhyasa, B. mangëlaran, XXIV, 125. 

3. r' abhyasa, B. paglaran, XXVI, 32. 
AbhyiKlaya. S. geluk, B. pamëpëkan, VI, 159, 
Aiiiaü. B. panamon (voogd), XXIII, 11. 

B. pamonmon, XXIII, 20. 
B. panamon, XXIII, 16. 
Ainsltya. S. minister, B. apatih, II, 67. 
B. patih, III, 2, 25, 50. 



30 AMaNUSA — AMri'ADEHA. 

Aiiiauusa. S. bovenmenschelijk , B. kagagawok (verbazend), 

Vlil, 185, XII, 62. 
Amanusakrti. S. van boven menschelijke gestalte, B. kagagawok 

ui ah,' IV, 37. 
Aiiianusagamya. S. voor menschen ontoegankelijk, B. kagiri- 

giri liügah , V, 71. 
Amarawati. S. godenstad (Indra's residentie), B. saraaraloka, 

XVI, 12. 

Amawasya. S. amawasja, nieuwe maansnacht, B. ngalaiiin 

sadinadina, VIII , 88. 
amawasya, B. apëdas, IX, 7. 
Ainah. Inamahamah, B. kasahasahin (werd bedreigd), 

XVIII, 21, XX, 48. Pass. Dur. Ind. 

2. Maiamahamah, B. sahasa (dreigend), IX, 24. Act. 
Dur. Part. 

3. Anamahamah, B. tan pan aha (dreigend), IX, 85. 
Amëü, Sund. hetz. I. A me ham en, B. ac ank ra ma (zich ver- 
makende), I, 14. 

B. malalilali, VIII, 165. 

2. Mamöhamöh, B. malalilali (vermaakte zich), II, 
21, 23. 

mamëhamëh, hetzelfde, IV, 19. 
B. macaükrama, VJII , 36. 

3. Amëha, B. palalian (vermaak), VI, 38. 

4. Amëhamëhan, B. mapalalian (zich vermakende), 
XIV, 68. 

5. Amen amëha, B. pëlalilalinan (om zich te vermaken) , 

XVII, 130. 

Amër. Amërën, B. pamohah (moeten verzorgd worden), III, 
70. Juss. Pass. 
3. Inamër, B. abih (ondersteund), XXVI, 25. Pass. Dur. 
Aiiiës. Inamës, B. kahajënah (genuttigd), I, 28. Pass. dur. 
Aiiirta. S. onsterfelijksheidsdrank , nektar, B. mrta, XI, 12, 
*XX1V, 92, 126, VIII, 46, 50. 
Bal. onvertaald, VIII, 49, 51 , XI, 47. 
B. tirtha, XII, 62, XV, 12. 

2. Amrta, B. hiramin, te beschouwen als nektar, XIII, 8. 

3. Pinak amrta, B. makararta, hetzelfde, XXIV, 158. 
"^Amrtadeha. S. wiens lichaam onsterfelijk is, B. hurip in 

9a rï r a, XVII , 43. 



AMl'TAMAYA — AMBeK (riJLBëx). 31 

■^Amrtjiiiia.va. S. uit nektar bestaande, B. tirthamaya, 

'XXIII, 81. 
■^'Amrtopama. S. op nektar gelijkende, B. tirtha upama, 
XXVI, lö. 
Ainrtosadha. S. een geneesmiddel als nektar, B. aravta hubad, 

*V,*77. 
Amogha. I. B. wastu (wezenlijk), XVIII , 43, XIV , 3') (maar), 
III, 38, V, ö4 (maar), VI, 13, voorzeker. 
B. raa wastu, VI, 44, 175 (maar), VII, 98, VIII, 140, 
XVI, 2"), op de laatste plaats; //maar op eens, plotseling'/, 
Vgl. m o g h a, 
II. S. naam van RTiwana's pijl (de onfeilbare), XXIII, 3, 
XXIV, 8 (sy amogha). 
Aniogha(;akti. S. welks kracht onfeilbaar is. I>. tuhu wiyesa, 
II, 22. 
B. mawastu wi^esaan, VI, 155. 
Ampët. tan ampët, B. tan pëgat, onstelpbaar, VI, 3(5, van 
tranen. 
B. tan pa ampët, XIX, 25. 
Ampuli. Ampuhan, B. orabak, branding, VIII, U, XVI, 7. 

Mad. Jav. ampuwan (storm). 
Ambaü. I. Ambanamban, B. raanalanin (foutief) , XXV, 75 
(een soort van boom ?) 
II. M ambaü, B. nambaii (drijven), XVI, 31. 
Ambah, Sund. hetz. Tambah, B. margginin, bestijg (Imp.), 
VII, 49. 

2. Inambah, B. mëntas (betreden worden), VI, 137. (Pass. 
Dur.) 

3. Karabah, B. kahëntasan (werd getrapt), IX, 57. 
Pass. Aor. 

4. A ü a m b a h a m b a h , B. m a m u r u g (weerstreefde), XII , 49. 
Act. Dur. 

5. M a n a m b a h , B. man d u wak, trapte , XXI , 2 1 5. (Act. 
Dur. Ind.). 

B. manjëjëk, XXI, 247. 

6. M a n a m b a h i , B. m a i'i ë n t a s a ii (trajjte op) , XXII, G. 
Act. Uur. Ind. 

7 . I n a m b a h a k ë n , B. kahëntasan (werden be.stegen) , 
XXII, () , 7. Pass. van //liet men trappen op//. 

Aiiibëli (finibëk). I. liirlëp (wil), III, 83. 



32 aMBCG — AMBUn. 

B. manah (hart), VI, 173, VII, 76. 

B. kahyun (geest), VII, 11, XV, 34. 

B. citta (hart), VIII, 85, XXIV, 98. 

B. pahrasa (meening), IX, 58. 

B. buddhi (wil), VII, 38. 

B. kënëh (hart), III, 64, XIII, 74. 

2. Mam bek, B. manah, koesterde, I, 18. 
B. makënëh (verlangt), III, 28. 

B. mabuddhi (gezind), V, 55. 
B. makahjuu (wenscht), VI, 61. 

3. Makambëk, B. mapankah (gezind), XIII, 74. 
B. raalaksana (streven naar), XXI, 27. 

4. Makambëka, B. mambudiaii (dat streeft), V,58. Conj. 
na wënana. 

5. Pambëkan, B. laksana (geest), XIV, 29, ademhaling. 

6. Maiiambëki, B. makënëh (beoogen), XXIV, 155. 

7. Ambëkan, B. padohos (ademhaling), XV, 55, XIV, 49. 
■^Aiiibëg. (yan) panambëg, B. ya nambët, XII , 57 , als tot 

stilstaan gebracht wordt. 
Ambët. 1. Marabët, B. nolet, buigzaam, IV, 31. Van 't 
middel. 
B. maros, XII, 41. 

2. Mambët ambët, B. elogelog, XXVI, 23, 
Ambo, Sund. hetz. Mal. bau, Jav. arabu, B. ëbo (geur, 
reuk), XXIV, 96. 
B. bo, XXVI, 34. 

2. Mambö, B. ambu, geurig, II, 2, Vlll , 75. 
B. mahëbo, XXIV, 260. 
mambö, B. mëbo, XVI, 17, 32. 
Ambil, Mal. hetz. B. nambilin, XIX, 29, te nemen (na 
tata n). 

2. Ambili, B. kabut (te nemen), IX, 79, na tar (zonder). 
Tambili, B. mahëmbah (worde genomen). Imp. Pass, 

XXIV, 74. 

3. Manambila, B. manalih (om te halen), XXIII, 31. 
Act. Dur. Conj. na kin on. 

4. Inambil, B. katimbal (werd gehaald), XXVI, 23. Pass. 
Dur. 

Ambuü, Sund. hetz. B. nadëkin (kussen), XII, 43. 
N ambuü, B. na ras, XI, 59. XXIV, 103, 



AMBUL — UYUDIIA. 33 

2. Manambun, B. manindaniu (kussende), XII, 46. Part. 
Praes. 

B. manaras, XXV, 75, 76. 

3. Anambuni, B. nadëk, XXV, 56. Act. Dar. Ind. 

4. Inambuh, B. iiiadëk (werd gekust), XXV, 91. Pass. 
])ur. Ind. 

Ambul. 1. Inambulan,B.kinabehan (overstelpt), VIII, 108. 
Part. Perf. P. 
B. k a k i t ë r , XVIII , 6 : overvallen. 

2. Kambulan, hetzelfde, XIX, 62. 

3. Anambul, B. anabehin (overstelpten), XXI, 170. Act. 
Dur. Ind. 

B. mr i juk in, XIII, 27. 

4. Mambuli, B. nabehin, XV, 56. Vgl. ëmbul. 
Ambyan. B. arëp (voorkant), XXIV, 242. Jav. rustbauk. 
Ayak. Ayak-ayak, B, kasakasah? XXIII, 58, het heen en 

weder bewegen. Vgl. Mal. 
Ayat. 1. Rayat, B, karëgëpan, spande, V, 44. 

2. Mayat, Aor. Act. 

B. nabëtah (spanden), II, 57. 
B. mamëntan (spande), XV, 17. 
B. men tan (spannen), IV, 45. 

3. Mayati, B. habëtan (te spannen), II, 73. 

4. Mayatya, B. hetz. II, 51. 

5. Inayat, B. mamëntan, werd gespannen, II, 24. Dur. 
Pass. Ind. 

6. Umayatya,B mamëntanan (tespannen), II, 52. Aor. Act. 

7. U mayat, B. mëntanan (spande), V, 33. 

8. Inayatan, B. k a h a ra ë n a i'i (gespannen) , V [ , 20 (Pass. 
Dur.) 

9. Anayat, B. mëntan (spande), XVI, 25. 

Ayam. Manayam-ayam, B. manajap-ajap (is verlangend), 

V, 77, XVII, 55. 
Ayay. B. hih (foei!), XIX, 87. 
Ayuta. S. tienduizendtal, B. y ut aan (millioen), XX [, 224. 

B. yuta, XXII, 56. Mal. hetz. 
lyudha. S. wapen. B. saïijata, II, 32, Xllt, 93. 

B. sikëp, VI, 19, XIII, 64, 94. 

B. (?ara, XIII, 41, XIX, 11. 

B. astra, XIV, 3, XIX, 18. 

3 



34 AYUN AEAN. 

Bal. onvertaald , XX , 25. 
B. warayan, IV, 45. 
B. pan ah, XI, 86. 

2. Pinaka judha, B. makasanjata (strekte tot wapen), 
XIX, 43, XXI, 187. 

3. Sayudha, B. sa ha sanjata (gewapend), VIII, 50, IX, 
32, 34. 

B. saha sikëp, XIX, 39. 
B. ma sanjata, XIII, 93. 
Ayun. I. 1. In ayunnay un, B. man unafi unau, werden ge- 
schommeld , XXIV, 97. 
2. Ayunan, B. hanunan (schommel) , XXI, 243. (Mal. hetz.) 
II. 1. Ayunan, B. tulakaü, voorkant? XXI, 243. 
Ayogya. S. onbruikbaar, B. yan in pat ut, ongepast, VI, 10. 
B. patutan (foutief), XIV, 65. 
B. salah, XXI, 98. 
Ayodhya. S. naam van Dagaratha's residentie, I, 11, 12,23, 
61, II, 12, 66, 78, III, 28, 52, 86, XXIV, 221, 224, 
228, 229, 237. 
^Ayodhyakanyaka. S. Ayodhya", B. Ayodhya paradaha 

(meisjes van Ayodhya), XXIV, 216. 
■^Ayodhyanagari. S. Ay odhy anagari. B. Ayodhyapura (de 

stad Ayodhya), XXIV, 223. 
^Ayodhyapura (Ayodhyapura). S. Ayodhyapura, B. Ayo- 
dhyanagara (de stad Ayodhya), III, 2, 17, 18, 45. 
B. Ayodhyanagari, III, 1. 
Ar (B. onvertaald) beteekent "dat// (maar is deftiger dan an), 
I, 20, n, 74, III, 26, 27, IV, 49, 54, VI, 157, XV, 
35, XVII, 84, 106, VI, 160; VII, 40 , XVIII , 40 , XIX , 
44, XXI, 211, XXII, 49, 50, 51, XXIV, 10, 171. 
B. dan e (dat hij), XX, 75. 
B. ida (dat hij), XXIV, 7. 
B. ya (dat hij), XXVI, 25. 
Vgl. a k , a n , h , v , r. 
Ara. B. paka, soort van ficus, XXIV, 101, 105. (Mal. hetz.) 
Araii. B. lanah (wijd), VIII, 105. 

2. Aran-aran, B. bwat riman, zeer wijd, XXV, 81. 
Aradhaua. S. arê,dhana (gunstig stemmend). 

1. Umaradhana, B. nradana, XVII, 66. 
Aran. Maran, B. mawastha (genaamd), XX, 8. Vgl. haran. 



ARAB ARI. 35 

Arab. M a r a b-m u ru b , B. ii ë ii d i h (stralend) , XXIV , 17, flik- 
kerend, fonkelend, 
Arawji. S. a ra w a , geschreeuw , B. h u m uii (daverden) , XXI , 207. 
Arjis. In ar as, B. tinërapuli (wordt gekust), VII, 27. Pass. 
Dur. Ind. 
B. kali arasan, XI, 37, werd gekust. 
Arah. I. 1. Rarah-arah, B, kapatitis (dat hij mikte), 1 1 , 34. 
B. p i n a t i t i s , V , 44. 

2. Narurah, 1>. kapatitis, IX, 05. 

3. Inaraharah, B. kabënëhin. II, 24, LV , 75. 
Inararah, B. kapatitis, XXI, 225. 

B. bënëhin, XXII, 81. 
II. uitroep, B. b hukt i! VII, 41. 
B. ika! XIV, 56, afkeurend. 

B. jani, XX, 72, XXIV, 166 (klagend), 259, XXVI, 25. 
Arëk. 1. Arëkana, B. diraanaü (gebruikt wordt om mede te 
ruiken of kussen), V, 14. Conj. na yan. 

2. Manarëki, B. mandimanin (kuste), XII, 12. Act. 
Dur. trans. 

B. kaharas, XII, 43. 

3. Anarëki, B. niman (kuste), XII, 14. 

4. Arëki, B. kaharas (kussende), XIX, 20, 28. 
B. onvertaald, XIX, 27. 

Aren. Maren, B. dajuh, VIII, 13, ophouden (Sund. örcin). 
Arëiiibha. S. arambha, aanvang, onderneming. 

1. Panarëmbha, B. tërënan, vast besloten, XIII, 61. 

2. Manarëmbha, B. misadya (was besloten), XIX, 37. 
Ari. I. 1. Karyya, B. kari, laat achtergelaten worden, XIX, 

23. Juss. Pass. Aor. 

2. Kari, B. kablasin, achtergelaten worden, XXIV, 230, 
232, Inf. Pass. Aor. 

3. Aryjakën, B. kagawe, werd achtergelaten , VIII , 90. 
B. kablasin, XXIV, 99, ophield. 

B. raryyanan, V, 12, doe ophouden. 
Taryyakën, B. cahi nëlasan, VI, 110. 
B. tingalin, VI, 3, worde verlaten. 

4. Umari, B. mandëg, XXI, 110, ophouden (Aor). 

5. Umaryya, B. wusan, VIII, 1 18 , zal ophouden (Put. Act.) 

6. Maryya, B. hilan, V, 75. 
B. mari, VI, 45, zal ophouden. 



36 Anm. 

B. suhudan, YIH, 18, Put. 

7. Maryja, B. wusan, XIII, 78. Fut. 

8. Mari, B. hilaii (hield op), II, 77. 

B. wusan, III, 44, XXJI, 52, XXV, 34. 
B. mareren, VI, 165, IX, 48, XIX, 109. 
B. suhud, Vm, 119, XXIV, 108. 

9. Amari, B. suhud, XIX, 32, hetzelfde. 

10. Mari, B. nora (niet langer), II, 28, XXI, 158. 
B. mahamëüan, II, 25, foutief. 

B. suhud, II, 27, XXV, 3. 
B. wusan, IX, 87, VIII, 93. 
B, nilanan, XI, 20. 
B. hilan, XI, 48. 

11. Inaryyakën, B. kablas (achtergelaten), VIII, 179. 
Pass. Dur. 

B. raryyanan, III, 21. 
B. manrerenan, III, 43. 

12. Anaryyakën, B. kablasin, XXV, 37. Aor. Dur. 

II. Aryyari (nageboorte). Bat. angi, Sund. ari-ari. 

1. Pinakaryyari, B. dadi ari-ari (strekte tot nageboorte) , 
II, 51. 

III. Ari (Jav. adi, Sund. Mal. adik, Bat. angi, Day. andi. 
Bug. anri, Malag. zandry). B. adi (jongere broeder of 
zuster), III, 13, 47, IV, 49, 50, 51, V, 84, VI, 183, 
192, 194, 196. 

B. anten, III, 14, 45, V, 46. 
B. rahi, VI, 116, jongere broeder. 
Bal. onvertaald, XXII, 41 (jongere broeder). 
Arin. B. malali (zich vermaken), XXIV, 107 (tam, raak), 
116, 123, XXV, 34. Jav. bedaard, rustig. 

2. Marin, hetzelfde, V, 40, XXIV, 30, XXV, 13. 

B, manlenan (veranderde?) V, 43 of //zich vermaakte//? 

B. nëkani! IX, 56, (vermaakten zich). 

B, manrinrin, XVI, 32. 

B. pal al ia n (zich vermaken), XXV, 56. 

3. Amarin-marin, B. manlunha-lun hani n (ging heen en 
weer?) XXV, 108, zich verlustigen. 

4. Arin-arinan, B. amik-amikan (peuzelen!), XXVI, 25. 

5. Manaiin-arin, B. manalih-alih (zoekende), XXV, 62 
of wzich vermakende//? 



ARIT ARCf'AriA. 37 

6. Karin, ^^. ii dal en in? XXV, 62. Vgl. ad(?n. 
Arit. 1. Inarit, B. kaharit, XVll , 14, V, 45, afgesneden 
(Pass. Dur.). 

2. Karit, hetzelfde, XXI, 219, gewond? (Pass. Aor.). 

3. Anarit, B. na rit, XXVI, 5. Act. Dur. lud, 

4. Anarita, 15. hetzelfde, XXVI, 5. Act. Dur. Conj. 
Arista. S. ongelukkig voorteeken, B. gërih, XIV, 43. 

2. Umaristakën, B. mamahayu, VII, 73, kwellen? (Aor. 

Act.) 
Aris. B. t a k u t (aarzeling) , XV , 65. Jav. zacht , langzaam. 
Arug. B. arit (mes), IX, 15, XIX, 17, XXI, 217 , XXII, 1 , 5. 

Bal. onvertaald, XIX, 109, XXI, 217. 

2. Man arug, B. m anarit (als wapen gebruikten een mes), 
IX, 14, XXI, 214. Act. Dur. 

B. narit, XXII, 5. 

3. Anarug, B. narit, XIX, 7. Act. Dur. 

4. K arug, B. kaharit, getroffen door een arug, XXI, 
175. Aor. Pass. 

5. Inarug, B. kaharit, hetzelfde (Dur. Pass.), XXI, 217. 
Aruua. S. zon, B. rawi, XII, 21, XX [II, 75. 

*Ariiii.iniii. B. aronaron, soort van zeevisch? XXVI, 25. 
Arkka. S. zon, B. rawi, II, 10, 66. 

B. süryya, XXIV, 238, VIII, 3. 

B. rawi, XXI, 161. 
Arggha. S. gastvrij onthaal, geschenk aan gasten. 

1. Inarggha, B. kapujain (eervol onthaald), II, 29. Pass. 
Dur. 

2. Anarggha, B. manarggha (onthaalden), XXVI, 23. 
Act. Dur. Ind. 

Arccaiia. S. vereering, huldebewijzing. 

1. Anarccana,B. afiastuti (hulde bewijzen), VI , 50. Act. Dur. 
B. anastawa, XXIV, 239. 

2. Manarccana, B. nastawa, Xill , 1. 
B. manastuti, XIII, 3. 

3. Umarccana, B. ra anastawa, XVII, 95. Aor. Act. 
(bewezen hulde). 

4. Inarccana, B. astawa, XXI, 207, XIII, 4. 
B. inastuti, XXIII, 40. Pass. Dur. 

5. (ar) panarccana, B. manastawa, XXIV, 171, dat hij 
vereert (vereerde). 



38 ARJJANA ALAn. 

Arjjana. vS. het streven, B. bëcik, XXIV, 64. 

1. Manarjjana, B. mandanaan, XVI, 47. Act. Dur. 
(streeft of streefde naar). 

Arjjawa. S. rechtschapenheid, B. man is, XXV, 45. 

Arjuna. S. termiualia ardjuna, B, këpël, XXVI, 2, 9. 

Naam van een plant. 
Arjjuna. S. naam van den bekenden Paudawa, XXI. 147. 
Arjjuua Saliasrabhuja. S. de duizendarmige Arjjuna, B. 

Arjjuna Sahasrabahu, V, 24, 
Artha. S. doel, nut, geld, zaak, voordeel, enz. 

B. pipis (het nuttige), II, 62, III, 54, XXI, 141, XXIV, 

81, X, 17, 21. 
B. katatwan, XXV, 115. 
Arddha. B. dahat (zeer), XIV, 16, VI, 25, 168, VIII, 78, 
IX, 81, XVIH, 6, XI, 1, XXI, 231. 
B. liwat, XIX, 106. 
B. kadahadan, XIV, 20. 
Arddhacandra. S. halve maan (naam van een pijl), II, 34, 

IX, 47; naam van eene slagorde, XXI, 212. 
Aryya. S. edele, B. ksatriya (ridder), XIII , 13, XI, 82 , XIV , 
17, XV, 4, 5, van Laksmana. 
B. s an (lidwoord voor voorname personen) , IV , 47, 52 , XVII , 83. 
Aryyaguna. S. begaafd, deugdzaam, V, 80. 

B. tanpagina! totaal verkeerd vert. 
Arwuda. S. honderd millioen, B. pawilanan, XIX, 13, 
XXI, 224. 

2. Arwuda rwuda, B. tan këna wilan, XV, 29 (honderd- 
millioenen). 

3. Sarwuda, B. ayuta, XXVI, 43. 
"^Arsabha. S. naam van een aap, XXII, 58. 

Ala. 1. Umala, B. maledled (uitsteken?). IX, 57. Aor. Act. 
(v. d. tong gezegd). 

2. Inala, B. kadologin? XIX, 45, gestoken? (Dur. Pass.). 

3. Mala, B. maledled (stak uit), XIX, 125, XXII, 50, 
IV, 70. 

Alakawati. S. naam van Kubera's residentie, B. Brahma- 

loka, XVI, 13. 
B. tan mari halëp! VII , 102. Het HS. heeft: yalanawati. 
Alan. I, tan alaü-alan, B. tan kapalan (niet gering), 

XXIV, 165 (z. halan). Vgl. Mal. 



ALADGHYA — ALAP. 39 

\\. flahat susrusa (niet ongehoorzaam), XVII, 126, XV, 7. 
tar alan-alan, B. tanpanaha (niet aarzelen?), XXI, 165. 
tar alan-alan, B. nora larighya (niet ongehoorzaam), 

III, 29. 
tatan alan-alan, B. tan sansaya (niet aarzelend), XX , 20. 
taraatakkalan-alan, B. sandehanin (ongerust) , XXI , 80. 
2. Inalan-alan, B. plihan (ontweken worden), XIV, 28. 

Dur. Pass. 

II. Alanan, B. sasampar (een wapen?), XXIV, 4. Vgl. 
halan. 

III. Umalan, B, manëlag (ligt tusschen in), XXIV, 255. 
Aor. Act. « 

Alaügliya. S. onoverkomelijk, B. tulaka (verkeerd), X, 39 
(zeer groot). 
B. parama,II,31. 
B. k ad aha tan, XI, 74. 
B. tan sipi (niet gering), XVII, 47. 
Alad. Umalad, B male d led (likte), XI, 1. Aor. Act. (van 
't vuur). Jav, vlammen. 
2. Manalad-alad, B. malombak-lombak (likte voort- 
durend). Dur. Act., XXIII , 62, van een vuurpijl. 
Alap. B. nange (te nemen), XXIV, 39. 
ar alap, B. kambilan, nam, XXIV, 10. 
nalap, B. mandëmak (greep), IX, 71. 
talap, B. ange (neem), XXIV, 55. 

2. Alapa, B. alih (zult zoeken), VI, 200. 

B. kalantaka! moet genomen worden, XXII, 64. rlu.ss. Pass. 

3. Manalap, Bal. onvertaald (plukte), It, 3, V, 69. Act. 
Dur. Ind. 

B. nalap (plukten), XVII, 119. Vgl. Mal. 

4. Manalapi, B. manilanan {weg te nemen), XXIII, 68. 
Inf. Act. 

5. Malap, B. nambil (ontnam), VI, 143. Aor. Act. 
B. njuwan (ontneemt), VIII, 128. 

6. Malap, B. nambil (schaakte), VIII, 200, XI, 69. 

7. Malapa, B. mamuddhian, VIII, 49, om te nemen 
(Conj. Aor. Act.). 

8. Mafialapa, B. maualuk, XXVI, 52 (Conj. Dur. Act.) 

9. Inalap, B. kaambil (ontnomen), VI, 88, 189, XI, 37, 
werd genomen. 



40 ALAS — ALAH. 

B. ambil, YIII, 185. Dur. Pass. 

B. ginansal, XI, 21. 

B. dudut, XV, 8 (werd gewonneu). 

10. Inalapan, B. hinëmbusan (ter zijde gelegd ?) III , 2 1 , 
van sieraden. 

11. Alapi, B. hilan (worde weggenomen), XXIV, 63 (Imp. 
Pass. Dur.). 

12. Rpanalap, B. raanambil (dat hij nam), IX, 68 of //in 
het nemen//. 

13. Kalap, B. manëpet, het verzinnen, III, 46. 

14. Alap-alap, B. malihalihan (zoekende).^ XXV, 65. 

15. Alapana, B. manilanan (dat ontnomen worde), XVII, 
51. Conj. Pass. Dur. 

16. Alapakën, Bal. onvertaald (dat gekozen wordt tot), 
XXIV, 170. 

17. Alapën, B. kaïigean (worde genomen), III, 72, Juss. 
Pass. 

B. ambil, V, 13. 

18. Alap-alapa, B. dusta mapan layah! XXIV, 109. 

19. Analap, B. iialap (plukkende), IV , 29, Part. Praes. Act. 
B. nambil, XIX, 103, nam. 

20. An alapi, B. manëjuk (ontnam), XIX, 49, Act. Dur. 

21. Umalap, B. manambil, XXVI, 25, xior. Act. 

22. Umalapi, B. nahëdan {vfeg te nemen), VI, 112. luf. 
Aor. Act. (Tag. h a n a p). 

Alas. B. onvertaald (woud) , II , 5 , 40. 
B. sukët, II, 9. 
B. kanana, II, 27, III, 10, 11, 14, 15, 34, VIII, 107, 

VI, 187. 
B. .wana, IV, 27, 47, V, 65, VIII, 77, VII, 10, 20,81, 

88, 107, XXI, 69. 
B. kayu, III, 77. 
2. Pinakalas, B. makakanana, XI, 39, als wond te 

beschouwen. Vgl. Lamp. las, Malag. ala. 
Alah. B. dahat (zeer), II, 15, III, 7, 9, 17, 34, IV, 52. 
B. bah as, zeer, XIX, 24, VIII, 40, X, 55, (omdat). 
B. tansipi (niet weinig), V, 1 1 , VI , 25 (redegevend : omdat) 
B. kari? VI, 69 (weshalve). 
B. kal ah (het overwinnen), I, 62. 
B. ka won id. , VI, 91, XIII, 38, 73, overwonnen, vgl. Mal. 



ALCK ALCM. 41 

2. Pan al ah, B. iiasoran (het overwinnen), IV, 43, 45. 

B. kange nasoran (werktuig om mede te overwinnen), II, 57. 

3. Al aha, B. kal ah (zal overwonnen worden), II, 73, VI, 
82, V, 28, IV, 66, XIV, 62. 

B. ka won (zou overwonnen worden), XXI, 64, 164. 
B. katunan (zou minder zijn), XVI, 13. 

4. Tamalah, B. katah (niet weinig), III, 83, VI, 96. 
B. makweh, VIII, 48, 95. 

tarraalah, B. katah, VII, 109. 
tan mal ah, B. katah, XIII, 66, 72. 

5. Malahakën, B. manasoran (overwonnen heeft), V , 24 , 
XIX, 68. 

B. nasoran, XXIII, 28. 
B. manalahan, XXV, 80. 

6. Umalahakën, B. iialahaii, V, 30. 
B. nasoran, XX, 27, Aor. Act. 

7. Malaha, B. kawon (zal overwonnen worden), V, 47. 

8. Tamalamalah, B. tanpahinan (niet weinig) , VI , 1 15 , 
of //schitterend?// 

B. apan katah, XIV, 41, schitterend? 

9. Tamalahalah, B. dahat katah (zeer veel), I, 15 of: 
//schitterend//? 

10. Tan al ah al ah, B. nora na kak iran an, XIX, 1, niet 
weinig. 

11. Manalahakën, B. manasoran (overwon), IX, 34, 
XXIII, 64. 

12. KSilaha, B. kawon (zullen overwonnen worden), 
XXIII, 60. 

13. I nalahalah, B. kapisalah, XXIV, 5, overwonnen 
worden (Dur. Pass.). 

14. Kalahalah, B. katunan, XXVI, 25, Aor Pass. 

15. Kalahan, B. ri sdëk! VIII, 87, Aor. Pass. 

16. An al ah al ah, B. kan ara kan! IX, 88. 

17. Analah, vermeerderen, XI, 76. 

*Alëk. 1. Umalëk, B. nëfijuh (keerden den rug toe), XII, 5. 
Aor. Act, 
2. Malëk-alök, B. map inël ëk , XXIV , 104, keerden telkens 
den rug toe. 
Alëm. 1. Inalëm, B. pinuji (geprezen), XVI, 37. Pass. Dur. 
2. Analëm, B. najum (prijzend), XXIII, 68, Act. Dur. 



42 aLCMBANA ALUP. 

Alëmbana. S. alarabana, elkauder vasthouden, B. inatëmu, 
XII, 4. 
*Alër. B. galënan (dijkje), XXV, 104? 
Alik. 1. Umalik. B. mandëlep (gluurden), XIX, 125. Aor. 
Act. Ind. 
2. Malik, B. maledru, XXIII, 29. 
Aliügana. S. omarming, B. kajënënan, I, 20. 
Alit. B. gëlës (fijn), VIII, 2, V, 41, XII, 47. 
B. halus, VIII, 90. 
B. halëp, V, 65. 
B. cërik, XII, 9. 
B. lëmbut, XII, 39. 

2. Malit, B. halus, III, 21, 23, XX, 53. 
B. gëlës, XIX, 55, VIII, 45. 
B. laluwës, XIII, 87. 
Alib. B. dahat (zeer), XVII, 80, XXI, 43. 
B. lëwih, XXIV, 173. 
B. bwat, XXI, 20. 
B. el ik, XXII, 13. De vert. verkeerd. 
Alilin. Alilinën, B. mahiïiënan (ronddraaien), XXIV, 4, 
raakten aan het draaien. 
2. Alilin an, B. mahidëran, XXIV, 1 10, ronddraaien (van 
velen). Vgl. Mal. kulilin. 
Aliwat. B. manlintah (overgestoken), VII, 50, Vlll, 185. 
2. Aliwatan, B. manlintaii (voorbijgegaan), VII , 57. Vlg. 
haliwat. Jav. liwat. 
Alih. Mal. Day. hetz. 1. Manalih , B. na li h, III , 55 , opvolgen. 

2. Maliha, B. mbalik (afvallig worden), V, 35, Conj. na 
h arëp. 

B, nruruh (zal zoeken), VI, 58. Fut. Act. 

3. Aliha, B. manenteran (ronddraaien)? XII, 56, zou 
opvolgen. 

4. Inalihakën, B. manëmbunin (afgeweerd?) , XXIII, 16. 

5. U maliha, B. malipëtan, XV, 1 Aor. Act. Conj. (otn 
terug te keeren), 

Alun. I. Sund. Mal. Bat. Tag. Bis. hetz. Malag. al una. 

I. Aluna als een golf, B. laücut, XXI, 209. 

II. Alun-alun, B. baücinah (voorplein), XXVI, 24. 
Aliip. Manalup, B. raagawun (huilende), XXI, 210. Part. 

Dur. Act. 



AUIm AWn,N. 43 

Alfini. B. layu (verwelkt), XLI, 1. 
Alocita. S. overwogen, tot klaarheid gebracht. 

1. In alocita, B. wilaniu, XilL, 57. Part. Diir, Pass. 
Alpa. S. klein, gering, B. kasor, XXI, 68. 

Alpac^'akü. S. van geringe kracht, B. tuuawic;esa, XVII, 27. 
Awa (awa). I. Awa, B. galan (glanzend), VIII, 50. 
uwa, vertoonde zich, XXV, 7. 

2. Mawa (mawa.) hetz. I, 61, VIII , 111, IX, 7, XII, 22, 
XV, 34, XVI, 11, XVII, 133. 

B. galanan, XI, 81, 87, XII, 26, XIX, 98. 
Avvak. Mal. hetz. B. garira (lichaam), I, 4, V, 13. 
Bal. onvertaald, II, 26, VII, 99, XXII, 49, 51. 
B. raga, II, 35, VII, 17. 
B. satmaka, Xllf, 24. 
B. laksana, X, 25. ■■ . 

2. Panawak, B. ra. ga (gestalte), IV, 43. 
B. awak, tX, 35. 

3. Pawakan, B. awak (lichaamsbouw), VIII, 61. 
B. 9 ar i ra, XX , 9. 

4. x\waku, B. mbok (ik), VIII, 171, mijn persoon. 

5. Tanpawak, B. nora kawakan (zonder lichaam) , XII, 9. 
B. tan pa raga (zonder lichaam), XII, 10. 

6. Tanpakawak, B. tan ana ma^arïra (zonder lichaam) , 
XXI, 29. 

7. Ma wak, B. garirane (als . . . . in persoon), XX, 9. 
B. maüragayan, XXII, 46. 

8. Pinakawak, B. maka^arira (tot lichaam strekken), 
XXI, 163. 

Awauawan. B. ambara (uitspansel), XV, 66, XXII, 62. 

B. gagana (luchtruim), XXII, 83, XXIII, 68. 
Awajüa. S. minachting, B. duraka ucapan, XVII, 32, De 
vert. verkeerd. 
B. mand ü ra, XVII, 73, verkeerd. 
Awat. Inawatakën, B. karadana (werd opgeroepen), XXI, 

205, XXIII, 71. 
Awatara. S. afdaling (vooral van goden op de aarde). 

1. Manawatara, B. tanpapëgatan! daalde neder, XVT , 
12. De vert. verkeerd. 
Awaii. B. tëgëh (hoog), VI, 131, III, 41 , XXII, 46 (hoogte). 
B. kahëntasan! hoog, II, 15. 



44 AWAN AWIT. 

2, Ma Wan, B, nëgëhan (hoog), II, 16, XI, 54. 

B. tëgëh, XI, 75, IX, 42, 82. 

B. panjan, IX, 13. 
Awan. een graatlooze zoutwatervisch , XV, 28. 
Awanimitta. S. slecht voorteeken, B. tinëmpuh in ra Arm ma! 
XVIII, 36, verkeerd. 

B. margga! XVIII, 38, verkeerd. 
Awamana. S. verachting, B. sahasa (gewelddadig), IV, 6. 

B. purusa (vermetel), VI, 56. 

B. parasangha (brutaal), X, 4, IX, 3. 

B. m o m o (verwaand) , XXIV , 40. 

B. nunkasin (tegenspreken), XIII, 46. 
Away. 1. Panawajawaj, B. salin awe (elkander wenken), 
XXIV, 96. 

2. Anawayaway, B. raanulapin (al wenkende), XXIV, 
99. Part. Praes. 

B. anulapin, XXIV, 101, id. 

3 Manawayaway, B. hetz. VIII, 171. 
Awara. S. geringer, B. sanka len! VI, 45. 

2. Ma il awara, B. manankala (hinderen), X , 63 , Act. Uur. 

3. Umawara, B. manr usakan (bemoeilijkt), XXIV, 54. 
Act. Aor. 

Awarana. S. hetgeen omhult, dek, B. kinëliran (afgescheiden 

ruimte?), VIII, 48, 53. 
Awasana. S. einde, dood, B. dadyana! V, 8. De B. vertaling 
verkeerd. 
B. phala, XIII, 82, XIV, 67. 
B. tëmahan, XIII, 83. 

2. M^wasaua ('t einde zijn), B. maphala, XXIII, 49. 
Awas. Mal. hetz. Manawas, B. maninhalin (ziende), XIX, 

Part. 128 (Part. Act. Dur.) 
Awastha. S. awastha, verschijning, toestand. 

1. Manawastha, B. mamakta (dragen , voeren) , XXIII , 46. 
Awa^.ya. S. awasya (noodzakelijk), B. pdas, XLV, 28. 
Awahana. S, oproeping, uitnoodiging, I, 26. 

Awit. 1. Inawitakën, B. kacawisan (gereed gemaakt), 
XII, 58, 60. 

2. Kawitawit, B. üadan kacadan (was gereed), XIV , 68, 
XVI, 16. 

3. Anawit, B. macadan, XVI, 18. Act. Dur. 



AWiR — a^iRWwaDA. 45 

4. U ma wit, B. manadan (wachtte op), XVII, 29. Aor, Act. 

5. Ma wit, B. raacadai'i (was gereed), III, 4. 

6. Mawitakën, B. inamënahan (uitnoodigde) , XVI, 18. 

7. Manawit, B. üadan (gereed), V, 8. Dur. Act. 
B. nandah (afwachtten), II, 67. 

8. Kuwit, B. sdëk (juist), II, 67, IV, 28, VI, 15. 
Awir. Manawirawir, B. manleber (hing neder), XXI, 221. 

Day. hawir. 
Awi^a. S. awi? (ingaan). Kuwiya, B. kawisyan (bezeten) » 

XXIII, 29. 
B. nlankara, XXIII, 76. 
Awis. B. tel as (verdelgd), XXIII, 51, 60. Mal. habis. 
Awur. Manawur, B. pagiyër? XXIII, 59. Zich vers])reiden. 
Aweci. S. Awïci (hel), B. kawah, XIX, 30. 
Awecide^a. S. Awicideya, de plaats A w i c i , B. k a w a h e 

raagënah, XVII, 36. 
Awecinaraka. S. Awicinaraka, de hel Awici, B. kawah 

kas aki tan, XV, 59. 
Awe^a (awe^a). S. awega, ingang, het ingaan. 

1. Manawe^a, B. nawatëk (beving), V, 54, A.(it. Dur. 
B. manakitin (doordringt) , VII , 24. 

2. Kawe9a, B. kasusupan (bezield), XVII, 32. Part. Perf. 
Pass. bezeten. 

3. Aiiawega, B. nawi9esa (bezitten), XXI, 63, van booze 
geesten (Act Dur.). 

4. Panawe^a, B. panwi^esa (bevangen zijn), XXIV, 231. 
A^a. B. sëdih (neerslachtig), VI, 32, XVII, 37. 

B. sunsut (bedroefd), VI, 34. 

B. hibuk, XII, 6, VIII, 80, XVII, 1. 

2. Maga, B. opëkan, VII, 81. 

B. hibuk, XXI, 162, VII, 98. 

B. 9oka (bekommerd), XXIV, 125. 

B. sëdih, VI, 30, XXIV, 230. 
A^aniprabha. S. n. v. e. raksasa, XX, 34. 
A^'aniprabhakya. S. A^aniprabhakhya, genaamd Acani- 
prabha, XIX, 9. 

B. lëwih in wiyesa! 
A(^*trwwada. S. zegenwensch. 

1. luayirwwada, B. inastawa (geluk geweuscht) , XXI, 
205. Part. Perf. P. 



46 AgüBHACIHNA — AStAGUDA. 

A^ubhacihna. S. ongunstig voorteeken, B. raahala ciri, 

XIV, 35. 
A^'Oka. S. naam van een boom (gra ndif lora Kerr). Bal. 

onvertaald, VIII, 85, 86, 87, 161, 162, XI, 2. 
B. rudhita, XI, 3, XXIV, 99. Jav. Mal. ansoka. 
A(^*okawaiia. S. eigennaam van Ea wana's tuin (Ag ok a-woud) , 

VIII, 212, XVII, 107. Ook alleen Agoka, XXI, 37, 

XXVI, 47. 
A^caryya. S. zeldzaam, wonderbaar, verbaasd , B. g a wok , VIII, 

78, 203, IX, 74. 

B. kagagawok, XV, 40, XII, 61. 
B. kagawokan, VI, 20, II, 55. 

2. Kagcaryya, B. kagawokan, XXIV, 199. 
B. kabhinawa, VI, 75. 

B. kadahatan, XIX, 76. 
B. kagagawok, XXI, 229. 

3. Kagcaryyan, B. kagagawok, XII, 10. 

Acraiïia. S. kluizenarij , B. patapan (kluis), I, 44, II, 29, 
37, III, 1, 37, IV, 2, 9, 12, 14, 15, 19, XXIV, 225. 

A^raya. S. steun, B. kanti (hulp), XIII, 60, 66, IV. 65. Vgl. 
Mal. sëraya. 

2. Agrayan, B. kan tin en (om tot helper genomen te wor- 
den), XIII, 90. 

B. sadananin (moeten te hulp geroepen worden), XIII, 49, 

VIII, 133. 
B. nunas ica, XIII, 91, XXII, 51. 

3. Agraya, B. kantin (zij .... toevlucht), XIII, Qö. 
Imper. Act. 

A^Tupata. S. het neervallen van tranen, B. was pa, XI, 33, 

XVII, 69. 
A^'wa. S. paard, B. jaran, III, 33. 

B. kuda, VI, 22, XXI, 145, 232, XXIV, 23, 27. 
Acwalalila. S. naam van een versmaat (Kern, Wrttasancaya , p. 
183 — 184): dartele paarden. 
B. kuda tanpëgat! XIX, 129. 
■^Acwaciksa. S. paardenkennis , B. kudasiksa, XII, 60. 
A^'wino. S. Agwinau, de Agwin's (goddelijke tweelingen), II, 

55 , B. onvertaald. 
Astaguua S. achtvoudig. B. asta kogala (kundig), XVII, 94. 
B. wolu kagunan, XXV, 31. 



I 



AStABRATA ASÖ. 47 

Astabrata. S. de 8 wijzen waarop een vorst handelen moet (vgl. 
Manu IX , 303 evenals Indra, Yama, Süryya, Candra, 
Anila, Kuwera, Waruna en Agni), B. walu brata, 
XXIV, .32. 
Astaini. S. de achtste van een maaiidhelft , B. a k u t u s , XXVI, 30. 
Astaimirtti. S. de 8 vormen , waarin Ciwa zich openbaart (rawi, 
9aci, ksiti, jala, parwana, hutasana, yajaniana en 
aku^a), B. akutus pariigan, XVII, 43. 
B. wolu pa wak au, XVII, 94. 
.Asta^'ata. S. acht honderd. 

J5. katëguhan, XIX, 44. 
Astasoiii. B. ^iwaboddha (Ciwaieten en Buddhisten)? I, 02, 
priester? 
B. ^iwasogata, XXI, 205 (geestelijke). 
Asaiiliya. S. asaükhya (ontelbaar), B. pagënt i! XIX , 15. De 
B. vertaling verkeerd. 
B. tanpëgat, XIX, 38, 46. 
■^Asatya. S. onwaarheid, B. kasadhun! XXI, 8. De B. vertaling 
totaal verkeerd. 
Asana. S. naam van een boom (terminalia tomen to sa), B. 
onvertaald, III, 5, VIII, 14, XXIV, 99, IX, 44, XV, 
68, XVI, 23, XVII, 110, 127. Mal. ansana. 
Asania. S. onvergelijkelijk, B. tanpatandin, XVII, 8, 
XVIII, 34. 
2. Asamasama, B. tanpatandiüan , XVII, 51, XXIII, 

52, VIII, 174, IX, 34, 86, XII, 59, XVIII, 42. 
B. tanpaiiüpama, XXI , 111. 
Asainbhawa. S. het niet bestaan , B. kaucapaii lë wi h , XVII, 32. 
B. dahat düra (zeer slecht), III, 51 , ongerijmd, XIV, 7 , 15, 
B. adoh (onmogelijk), VIII, 182. 
2. Masambhawa, B. iiobad, XIV, 50. 
Asara. S. nutteloos, B. wigesa! XVIII, 27. 

B. mawi9esa, XXIV, 133. 
Asah. Vgl. Tag. hasa. Bul. Day. Mig. asa, Mong. ata, Fidji 
yaJa (Pidjitaal, p. 198). 

1. Panasah, B. hasabaü (hetgeen waarop geslepen wordt), 
VIII, 160. 

2. In asah (werd geslepen), B. sanih, XV, 53. Pass. Dur. 

3. Kasah, B. kahodor, XIX, 79. 

Asö. B. mara (aanrukken), XIX, 107, XXII, 49. 



48 ASÖP ASl. 

B. dësëkaü (rukt aan!), IX, 64. 
Tasö, B. mriki (kom hier!) VI, 14. 
B. mahi, V, 46, VI, 16, 192. 

2. Inaswakën, B. sinikëpan (werd vooraan gezet), 
XVm, 9. Pass. Dur. Caus. 

3. Inasö,B. karëbut (werd aangevallen), XVIII, 6, XXII, 50. 

4. Manaswakën, B. manrawuhan (zette voor) , XVII, 101. 
Act. Dur. caus. 

5. Manasö (rukten aan), XIX, 64. Act. Uur. Ind. 

6. Masö, B. mara (ging naar voren), IV, 33, VIII, 7, I. 
16, in, 8, 25. 

B. marani, VII, 64. 

B. marakin. Vil, 66. 

B. ndësëkan, VU, 90, 92. 

B. t u m a n d a n , II , 36 , IV , 74. 

B. rawuh, VI, 197. 

B. mandësëkan, V, 68. 

B. nësëdan, VI, 140. 

B. nësëk, V, 40. 

B. ndësëk, XXI, 188, XXII, 50. 

B. pahëk, Vm, 178. 

7. ïasön, B. gëlisan (haast u!) V, 46. Imperat. 

8. U masö, B. umara (ging naar voren), II, 68, IV, 53, 
IX, 39. 

B. mara, VI, 13, XIX, 88. 

B. tumandan, VI, 19, IX, 88. 

B. rawuh, VII, 85. 

B. marakan, IX, 37. 

B. amaranin, III, 9. 

B. namaranin, III, 19. 

B. manësëkan, V, 85. 

B. ndësëkaü, XIV, 59, XXII, 51. 

B. nësëkan, XV, 3. 

9. Maswa, B. tumandan, XXIE, 67, om op te rukken. 
B. macumbana, VI, 89, te naderen. 

Asöp. B. dhupa (wierook), III, 5. 
Asi. B. nolas-olas! terwijl, II, 70. 

B. sayan! dat, III, 3. 

B. onvertaald, terwijl, VI, 25, V, 29. 

2. ika! XXII, 50 (dat). 



I 



Asin — AsiH. 49 

B. dahat, XXIII, 4>'A (terwijl). 
B. wy akti, XXIV, 8 (terwijl). 
B. sin, XXVI, 25. Vgl. asih I. 
Asiii. Vgl. B. T. L. Vk. 6^' volgr. Vi, p. 245. 

B. sin, al wie, al wat (prou. iudef.) , UI, 55, 68, IV, 28, 

35, V, 14, 15 (al wie), 37 (al wat), 42, VITI, 53, 152, 

IX, 68, 88 (al wie), X, 19 (al wat), XIII, 91 (al wie), 

I, 00 (waarheen ook), XIX, 115. 
B. s a n a n i n (al wie) , 1 , 25. 
Bal. onvertaald, VI, 8, XVII, 114. 
B. sahaua nifi, III, 21, 57, 78, VIII, 115, XXIV, 44, 

54 (al wat) 5(i (al wie). 
B. n e n k e , III , 74. 
B. di jaha, VII, 42. 
B. nora! VIII, 185. 
B. apa, IX, 74. 
B. sane, XXII, 47. 
B. sakari, XXVI, 24. 

2. Asin-asin, B. sahana nin, X, 71. 

3. A s i n a s i n a , B. y a d i n ban apa, VI , 59 , XVII , 53. 

4. Sasiii, B. sin, XVII, 114, XXIV, 4, al wie. 
*Asi(lhara. S. moeielijke gelofte (n.1. die van een zwaard tusschen 

man en vrouw in de slaapstede te leggen). B. ma man tra, 

XXV, 34. 
Asin. Bis. Tag. Iban. Jav. Bul. Pak. Pon. Bent. hetz. Mal. ra asi n, 

B. pakëh (zout), XXVI, 25. 
Asih. I. B. trsna! tevens, III, 14, XXIV, 1(52. 
B. katrsnain! II, 76, nog? Vgl. asi. 
II. B. sayah (genegenheid), II, 70. 
B. trsna (liefde), III, 9, 76. 
B. lulut, XII, 16, XXIV, 154. 
B. wëlas, XIII, 90, VI, 17. 
B. pan asih, III, 63, XI, 94. 
B. ica, VI, 7, 197, VIII, 144. 
2. Masih, B. wëlas (raeedoogend) , III, 28, YiL, 99,1,3, 

XII, 6 (verliefd). 
B. trsi.ia (bemint), VI, 9, 43. 
B. olas, VI, 13. 
B. ie ca, VI, 154, II, 22. 

B. sayan, VIII, 17(). 

4 



50 ASIH. 

B, raawlas, XIV, 13. 

3. Kasihan, B. kapiwlasan, VIII, 97, XXIV, 146, 
medelijdend. 

B. kawlasan, VIII, 140. 
B. kasakitan, IX, 92. 

4. Kasih. B. pitrsna (geliefde), VII, 94. 
B. sajan, II, 8, XII, 51. 

B. trsna, VI, 68, XIII, 24, XXVI, 27. 
B. rabi, VI, 189. 

5. As y as i ha, B. wlasin (heb medelijden), XXIV, 164 
(Imperat.) 

6. Kasih a (bemind te worden), B. icanin, VI, 3, Couj. 
Pass. Aor. (na sayogya). 

B. kalulutin, VIII, 123, Fut. Pass. 

7. Kasyasih, B. kawlasarsa (deerniswaardig), III, 49, 
VIII, 101, 103. 

B. manunas ica, VI, 13. 

B. kawlasasih, XV, 55. 

B. kasakitan , XI, 2. 

B. nista, IV, 56. 

Kasihasih, B. kasakitan, VII, 96. 

8. Kinasihan, B. trsnain (bemind), Lil, 73. Part. Pass. 
Dur. 

B. k a s a y a n a n , VI , 8. 
B. sayanaii, VI, 184. 
B. kaicen, XIII, 91. 

9. Masiha, B. dëmënin (te beminnen), IV, 41, Conj. 
Act. 

B. suka, IV, 51. 

B. kalulut, XIII, 77. 

B. ica, XIII, 91, IV, 42. 

10. Masiha, B. üolasin, VI, 92. 
B. pitrsna, VI, 147. 

B. olas,"viII, 173. 

B. sukanin, XVII, 10. 

B. wlasin, XVII, 99. 

B. kasih, XIII, 66. 

B. trsnain, XXIV, 153, 161. 

11. Asiha, B. dëmënin (zou beminnen), V, 77. 
B. tisna, XIII, 59. 



ASU— ASTUTI. 51 

B. wëlas, Xm, 90. 

12. Asihasih, B. trsna suka, II L, 62, XXI, 89. 
Asyasih, B. w la sin, Yl, 110. 

13. Panasih, B. sukayan (het beminnen), VI, 197. 
B. paican (geschenk), VII, 41, XXVI, 25. 

14. M a fi a s i h i , B, m a w e w e h , XV , 4. 
B, ra a n o I a s i n , XV , 9 , Act. Dur. Trans. 

1 5. P a k Tl s i h , B. wëlas (medelijdend) , XII , 51. 

16. Kasihaua, B. katrsiianin (bemind te worden), XXI, 
103 (Conj. Pass. Uur). Vgl. üaj. asi. 

Asu. I. B. cicin (hond), XVIII, 31. Vgl. Daj. Tag. aso. 
2. Asu h a s a 11 , B. cicin a 1 a s (wilde hond) , XIX , 38 , 4(5 , 

XXI, 194. 
aswasan, XXI, 210, XXIV, 124. .Tav. ansan, Sund. 

u s u n - u s u li. 
II. Maiiasu, B. man un den (bevelen), XXVI, 3, kwaad 
doen? 
■^Asuk. 1 . A s u k a n , B. ii i d ë r i , XXIV , 3 , de daarin gebrachte , 
verscholene. 
Asura. S. daemon, B. raksasa, VIII, 134. 

B. daitya, XXII, 40, II, 39, XX, 46, V, 26. 
Asura. S. naam van een pijl (daemonische pijl) , XXIV , 3. 
■^Asura^ara. S. naam van een pijl (daemonische pijl). 

B. Asurastra, XXIV, 18. 
■^Asurastra. S. hetzelfde, B. Dana was tra, XXIII, 63. 
Asula. 1 . A n a s u 1 a , B. n a 1 a 1 u (volhardde !) , XXII , 89. Act. 
Dur. klagen (Jav. rësula, Sund. garasula). 
2. Manasula, B. tinkah, XIX, 127. 
Astu. S. het zij zoo! 

1. Panastu, B. kastawa (zegening), XXV, 91. 

2. Inastwakën, B. kahadanin (werden gezegend), XXV, 
94. Pass. Dur. Ind. 

Astuti, S. stuti (lof). 

1. Inastuti, B. kahalem (werd geprezen), III, 1. Pass. 
Dur. Ind. 

B. kasub, III, 20. 

2. A n a s t u t i , B. n a 1 ë m (prezen) , IT [ , 2. 
B. nastawa, VI, 23. Act. Dur. 

B. n a j u m a n , XVI , 6. 

3. Mastuti, B. i'iastawa, XI, 62. 



ASTRA AHAS. 



4. Manastuti, B. maóastawa, XVII, 95, XXI, 153, 
Act. Dur. 

B. maiiasuban, XX, 36. 
Astra. S. pijl, B. warayaü, V, 49, 51. 

B. 5ara, IX, 49, XV, 45. 

B. kris, XVII, 53. 

B. warastra, I, 36. 

B. mapapanahan, I, 54. 

B. sanjata, XXI, 205, 227, XXIII, 23. 

B. isu, I, 61, II, 32, XXIII, 14. 
■^Astramaya. S. uit pijlen bestaande, B. warayan Iwir lawat! 
XX, 47. De vert. verkeerd. 
Aha. B. dahat! klagende uitroep: ach ! XXIV , 142, VIII, 148, 
103, XXIII, 49. De vert. onjuist. 

B. ingih! IX, 32. 

B. kadahatan, VIII, 168. Vgl. ahah. 
Aha. 1. Paiiaha, B. pacadanan (belofte), II, 76, XV, 3. 

Maha en Umahti zie onder ma ha. 
Ahfira. S. voedsel, B. hajënan, IV, 16. 

2. Pinakahara, B. raakahajënan (tot voedsel strekken) 
IV, 19. 
Ahas. 1. Umahas, B. maiiusupin (zwierf rond), IV, 27, 

Aor. Act. Ind. 

B. maiïlalana (zich vermaken), II, 55, zwerven. 

B. raanusup, IV, 9, 4, 19. 

B. lumampah, VI, 143. 

2. Mahas, B. luwas, III, 21, VI, 165. 
B. nusup, III, 33. 

B. midër, XXV, 23. 
B. nlunhanin, VII, 50. 
B. anusup, IV, 18. 

3. Inahasan, B. kasusupau (doorkruist), IV, 22. Part, 
Dur. pass. 

4. Mahasa, B. manusup (om rond te zwerven) , V, 5. Conj. 
na kinon. 

B. nusup (zwerf rond!), XVIII, 2 .Tuss. Act. 

5. Umahas-ahas, B. masusupan, XXV, 51, Aor Act. 
frequentatief. 

6. M a h a s s a h a s , m a i 1 ë h - i 1 ë h a n , XXV , 66 , vlogen telkens 
rond. 



AHfiH — cnr.AH. 53 

7. Uinahasa, B. namaigi^i ii i ?i (om rond (c zwcrvcni), VI I , 
42. Conj. Aor. Act. 
AllSlh. klagende uitroep: ach! B. onvertaald, Vll,ol.Vgl. aha. 
Aliëiikara (aliaükjira). S. ahaiiikara (zelfzucht), 1^. kopa, 
XIII, 39, Mal. aükara, Mad. hebzuchtig. 
B. pracampah, Xiil , 4(3 , hetz. 
B. dahat kopa, XV, 64, hetz. 
B. kakopau, XIX, 7. 
B. kamomoan, XIX, 63. 
B. kakërëüan, XXI, 163. 
B. dahat rënka, XXII , 30. 
Ahu. B. nah (ja), spoedig, XXIV, 136. 
*ihiiti. S. otter. B. pahoman, XIV, 42, XXII, 53. 

B. car u , XXII, 53. 
*Ahur. tar ah^rakëu, B. uora kcinutan (onopgLMncrkl !) 
VIII, 107, verkoos niet. Vgl. Jav. anur. 
Aho. B. ingih! III, 10, uitroep: ach! 
B. apaó! III, 28. 

B. dahat! III, 38, VII, 36, VI, 175, X, 41, V, 56. 
B. tuhu! VI, 72. 
B. kali wat! XXI, 229, XXII, 52. 
B. hih! VII, 87, XVIII, 45. 
B. kadahatan! VII, 98, IX, 57. 
B. bas! VII, 22. 
B. bahas! XVIII, 43. 



E. 



Êkëh. 1. Umëkëh, B. niai'iascn (stuiptrckktMi) , XL.V, 124. 
Aor. Act. lud. zuchtten. 

B. madëkësan, XXIIl, 29. 
^ 2. Mëkëh, B. papa, XX, 19. 

Enës. 1. Mënës, B tnanan, ontl)loot v. e. wapen, XIX, 82. 
Èügali. 1. Mëhgah, B. ma nah! XIX, 83. 

2. ü m ë n g a h , B. m a d o h o s a n , XXI ,171, zuchtte (Aor. Act.) 



54 ënaëp — cntas. 

Eügëp. 1. Mëngëp, B. pantës (den schiju liel)ben) , VI , 185 , 
VII, 45, XI, 94, XII, 19. 

B. m a b i k a s , IX , 88. 

B. wëruh, X, 10. 

B. mapinda, XII, 27, XVIII, 5, VIII, 69. 

B. mantësan, VI, 42. 

B. p ante san, VIII, 180. 

B. mambisayan, X, 28, zich voordoen als. 

B. mabët, X, 51. 

B. ma sawa II, XII, 5, deed alsof. 

2. Umëngëp, B. pantës, XIII, 96. 

B. ma pi, XXIII, 22. Aor. Act. 

B. halëp, XXVI, 22. De vert. onjuist. 
Èudëk. 1. Umëndëk, B. këdked (bukten), XIX, 20, Aor. 
Act. Ind. 

2. Mëudëk, B. maiiëhëk, XXV, 3, bukte zich (van een 
berg). 

3. Mamëndëk, B. manabuu, XXVI, 24. Mad. n en dak. 
Eiicluü. 1. Umëndun, B. katëmbun, IX, 54 (den vollen 

wasdom bereikt hebben). Aor. Act. Ind. 
Èmluh. 1. Umënduh, B. mënpën, II, 28. 
B. manëdëü, IX, 54 (rijp). 
B. lusuh, IX, 30, dicht begroeid. 
2. Mënduh, B. nëdën, XI, 55, dicht. 
B. bjuh (weelderig), XVI, 36. 
Ënah. 1. Inënah, B. kajënënan (werd neergezet), I, 27. 

Pass Dur. Ind. 
B. kaunguhan (werd gelegd), XXI, 205. 
B. sin gënah (werd geplaatst), XXV, 82. 

2. Nënahakën (toen neergezet werd), XV, 57. 

3. Nënah, B. kalingihan, XXI, 37. 

Enëb. 1. Inënëb, B. dahat tis (ingehouden), XIX, 59. Part. 
Perf. Pass. 

Enö. 1. Inënö, B. tiuibau (besproeid), XI, 47, Part. P. 
Pass. 
B. kakëtisan, XXIV, 92. Vgl. hënö. 

Entak. 1. Manëntak-ëntak, B. henkak-hënkak (voort- 
durend kermen), XIX, 83. Act. Dur. freq. 

Entas. 1. U men tas, B. maüliwat (staken over), VI, 97, 
Aor. Act. Ind. 



ëiMAS — ëiiuH. 55 

B. mamurggi, VI, 138, XVI, 7. 
B. liwat, XXI, 23. 

2. Mëntasa, B. namarggini, XIII, 26, conj. na uiiicli. 
B. n a m a r g g i II i n , XV , 40 , couj . 

3. Umëntasa, hetzelfde, XIII, 22. 

4. Men tas, B, nliwat, XXI, 22. Vgl. Sund. pont as. 
Eiiiiis. 1. Inëmasan, B. mahëmas (verguld), XXI, 246. 
Kiiiëh. I. Panëmëh, B. c ampur (onrein), XXV, 20. 

■^Èinbaü. 1. Mem ban, B. masëkar (ontluiken), XXV, 73. 
Eiiibih. 1. Anëmbih, B. nëlin (weenden), XXVI, 10. Aot. 

Dur. Ind, (Mad. i'iembi, pruilen). 
Ënibul. 1. Man ëm 1) u 1 i , B. manrëbut (overvielen), IX, 2ü , 
VIII, 139. 
B. manabehiu (over&telpteu) , IX, 38. Act. Uur. Trans. 
B. manabehi, IV, 71. 
B. manitër, XIX, 60. 
2. Anembuli, B. manrëbut, IX, 22. Act. Dur. Trans. 
B. 11 a b e h i u , IX, 67 , X , 72 , overstelpten. 
B. nabehi, XXII, 49. 

3. (an) pa liëmb ui i , B. manrëbut, XXIII, 13, dal overvielen. 

4. Inëmbulan, B. kakitër, XXIII, 55. Vgl. ambul. 
Em bus. 1 . xi n ë m b u s , B. p a d i h i s (hijgen) , XXi , 1 75. A(;l. 

Dur. Ind. snuiven (Jav. ambus). 
Èlëd. Zie hëlëd. 
Èlö. Vgl. hëlö. 

1. Umëlö. B. manuluh (slikte in), XXIV, 15. 
Esës (ësös). 1. Mësös, B. mij il (suisde), VI, 133. 

Mësës, B. nu ca, XIX, 70. 

2. Manësësan, B. m aha i'i sëgan "(zuchten), VI, 163. Act. 
Dur. (van velen). 

3. M a n ë s ë s - ë s ë s , B. m a n ë n ë k fi ë k , IX , 85 , Act. Dur. 
Freq. 

1. U mësës, B. nlinus, XXII, 47. Aor. Act. Iiid. 
Ëkiih. Zie hah. 



56 IKA — IK All. 



I. 



I. praepositie, die in 't algemeen een betrekking aanduidt, ver- 
schillend te vertalen, b. v. : //in'/, B. onvertaald, 1,55, IV, 
47 (bij). 

B. r i n (voor) , II , 64 , III , 26 (aan) , IV , 42 (ter aanduiding 
van den accusatief), 62 (jegens), 64, V, 75 (Ace.) 82 (met). 

B. olih (van), I, 32. 

B. di (op), II, 4, 12, 76, III, 36 (aan) IV, 5 (op), VI, 
20 (in), XIX, 72. 

B. ri (ten), IV, 17, XII, 65 (aan). 

B. n i fi (door) , II , 59. 

B. in (van), V, 45, XVII, 47. 

B. ne (in), XI, 2, XXI, 194 (aan). 

B. ka (aan), XVIII, 13, XXIV, 152 (tot). 

B. de (van), XII, 48 enz. Vgl. ii. 
Ika (ika). dit, dat (B. T. L. Vk. 6« volgr. VI pag. 97), pro- 
nomen op een meer verwijderd object doelende , vaak vóór 
bepaalde substantiva. 

B. onvertaald, III, 12 (die, rel.) 52 (hij), VII, 12. 

B. punika (die, dat, demonstr.) , III, 45, 50, 75, V, o, 
14, 15, 16, 23, XI, 22. 

B. ingih (die), VI, 13. 

B. nane (van hem), X, 29, 38. 

B. iya (die), XIII, 53. 

B. ja (die), III, 72. 

B. ikan (de), XIII, 51, X, 69, XIX, 69. 

B. ipun (hij), VI, 92. 
Ikail. hetzelfde verbonden met het lidwoord (bijvoegelijk). 

B. onvertaald, III, 22 (zijn), XV, 65. 

B. punika (de), XI, 2, 88, VII, 14, 32, III, 57, 78, 
VI, 198, 203. 

B. di (in de), VII, 31. 

B. saü, IV, 6 (voor een eigennaam). 

B. de nikun (door de), I, 14. 

B. n ika 11 (van de), II, 3. 

B. salwir ikan (alle), III, 76. 

B. deniü (door het), III, 80. 

B. ikan e (degene die), XIX, 52. Vgl. Jav. kan, Mal. jaii. 



IKAN IK.eL. 57 

B. rin (voor de), IV, 63, Hl, 11. 

B. haua rin (in de), VII, 72 enz. 
Ikan. B. punika! XXVI, 25, viscli. Vgl. Mal. 
Ikana. Vgl. B. T. L. Vk. ()•= volgr. VI, p. <)7. aanwijzend vour- 
naamwoord : die daar. Versterkte vorm van ika. 

B. punika (die), III, 2, I, 43, V, 10 (de), 14. 

B. onvertaald, III, 52 (de), XVI, 46. 

B. de nikun (het), V, 11. 

B. man ka na (dit nu), V, 17, 47, 60. 

B. ir ika (die), III, 45, 26 (bijv.). 

B. sap un ika (het), IV, 33. 

B. ikan (de), XXV, 44, enz. 
Ikiinaü. hetzelfde met het lidwoord verbonden (bij voege lijk). 

B. punika (de), I, 8, 10, II, 6, XIX, 67. 

B. ikai'i, III, 25, V, 12, VIII, 93, 105. 

B. ik uil, IV, 68, VI, 199. 

H. irikA,, IV, 29 (voor een eigennaam), VII, 92 (do). 

B. nin (van de), III, 34. 

B. de nikun (door de), III, 63. 

B. p u u i k u II , IV , 65 (voor een eigennaam) , V , 10. 

B. ika (die), X, 53, XX, 51 (de), VIII, 109, 202. 

B. de nikan (door de), III, 71, XV, 67. 

B. ha na rin (op de), XXIII, 61, XI, 89 (in de). 

B. denin (door de) IX, 50. 

B. i (de), IX, 72 enz. 
^Ikahën. Vgl. B. T. L. Vk. 6'= volgr. VI, p. 98. H. yen 
rëfienaii! III, 68, die (dem). Versterkte vorm. 
Ikët. 1. Inikët, B. kagëmpol (werd samengebonden), XVII, 
117. Pass. Dur. Ind. 

2. Mikët, B. napus (bond samen) , XVII , 1 18. Act. Aor. Ind. 

3. Man ikët, B. mangëmpol (bonden samen), XVII, 119. 
Act. Dur. Ind. 

4. Kekët, B. karëkët (werd geboeid), XXIV, 117, Pass. 
Aor. Ind. 

5. Ikët- ikët, B. wi lan -wilanan? XXV, 25. 

6. Ikëtakën, B. ujaran? XXV. 25. 

7. Pan ikët, B. maüapus (middel oui te boeien) , \X\^ , \\. 
Ikël. 1. Mekël, B. h in gel (gekruld), Vlil, 62, 77, XIX, 69, 

XXII, 55. 
2. Ekël, hetzelfde, \'I, 1. 



58 IKI IKE. 

rki. B. T. L. Vk. 6^ volgr. Vi p. 96. pron. demoustr.: dit, deze. 

B. ika, V, 47, XIX, 22, XXIV, 157. 

B. onvertaald, III, 52, VI, 200, IX, 88, X, 62. 

B. ne, VIII, 99, I, 53, III, 29. 

B. jani, X, 7, VIII, 84. 

B. punika, VIII, 112, IX, 57, VII, 74. 

B. keto, XI, 9. 

B. mankin, XVII, 80 enz. 
Ikin. hetzelfde verbonden met 't lidwoord (bij voege lijk). 

B. ne (deze), XVIII, 45. 

B. puniki, XI, 22, XV, 43. 

B. ikan, XXI, 211, XVII, 105 enz. 
Ikihën. hetzelfde, versterkt, zie B. T. L. Vk. 6« v. VI, 98. 

B. punika (hier), VII, 95, V, 62, III, 50. 

B. puniki (hier), I, 42, XVIII, 13. 

B. mankin (deze), XXIV, 128, 177, 183, XIX, 94. Vgl. 
tekihën. 
Iku. pron. demonstr. : die, dat, gindsch. 15. T. L. Vk. 6*= volgr. 
VI p. 96 (Lat. is te). 

B. ika, XXVI, 25. 

B. ya, XXVI, 25. 
Ikn. staart. Mal. ekor, Baree iku. Bug. iko, Mak. inkoi'i. 

Bal. onvertaald, IX, 23, 30. 

B. wügat, VI, 164, X, 71, XXI, 238, X, 70. 

B. wuntut, X, 72, XI, 1. 

B. ugat, XXIV, 97. 
Ike. pron. demonstr.: deze hier, uu, hier =r i k i , zelfstandig. 

B. ika, I, 50. 

B. punika, XIX, 23, XV, 37, III, 81. 

B. maAkin (die), XXI, 22, XXII, 65. 

B nenenan (nu), II, 75, IV, 54, VI, 91, VII, 91. 

B. mriki (deze hier), XI, 22. 

B. u e, XI, 34, V, 17, 73. 

B. iba (gij hier), XVIII, 5. 

B. rin (hier), IV, 35. 

Bal. onvertaald, XI, 30 (dit). 

B. puniki (hier), VIII, 188, XVII, 57. 

B. ipun (deze), XVIII, 8. 

B. iriki (hier), VI, 135. 

B. kene (dit), XIV, 67. 



iKEn — in. 59 

B. ma fik e (uu), XXIV, 45, 153, euz. 
Ikeu. hetzelfde met H lidwoord verboudeu (bijvocgclijk). 

B. ikaii (dit), VIII, 155, XXIV, 184, XII, 62, XV, 34. 

B. iki, XVII, 7 (hier) euz. 
Iko. dat daar, B. puuiki, XI, '22. Vgl. B. T. L. Vk. 6'^ volgr. 

VI p. 96. 
Ikoü. hetzelfde met 't lidwoord verbonden (bijvoegelijk). 

B. punika, XI, 222, die daar. 
Iga. B. onvertaald //rib//, IX, 17, XIX, 84, 117, 12U, 

XXI, 2. 

B gigir, XXIII, 15. De vert. foutief. Vgl. higA,. 
Igar. 1. Igar-igar, B. këbur-këbur (lustig, opgeruimd), 

XXIV , 1 20. Jav. e n g a r. 
Igël. 1. Manigël. B. onvertaald, //dausten//, XIV , 40, Il , 14, 

XXII, 79.^ 

B. nigël (dansend), VI, 128. 

B. nigëlin, XIX, 5(d. Act. Uur. Ind. 

B. mahilo, XXIV, 105. 

B. nart aki, XX, 3. 

2. Anigël, hetzelfde, III, 39. 

B. üigël, VII, 25. 

B. nigelan, XIX, 15. 

B. anigëlin, XVII, 111. 

B. manilo, XXV, 24. 

B. masolah, XXVI, 23, de vert. verkeerd. Vgl. ■\Tal. igal. 

Bat. egol, Daj. big al. 
Igit. 1. Inigit-igit, B. kasisil, werden telkens gebeten, 

XXII, 63. Pass. Dur. Ind. 
B. sakakikit, XXIII, 3. Vgl. Mal. gigit. 
Igfi. 1. Kegü, B. kahogar (werden geschud), IX, 52. Pass. 

Aor. Ind. 
B. kakocok, IX, 63. 
2. Inigü, B. kahogar, IX, 57. 
lil. de praepositie i met 't lidwoord. Soms drukt 't eenvoudig den 

Accusat. uit. 
B. rih, I, 3 (Ace), XIX, 42 (in de), III, 12, 40, 46,47. 
B. onvertaald, //in de//, VI, 197, XIX , 47 , XXI , 202 (naar) , 

I, 4 (van), II, 76, 39. 
B. ri (van den), XXIV, 62. 
B. ue (van de), III, 81, XXIV, 158. 



60 ina — iriëT. 

B. deuifi (met), III, 23, IX, 47, XIX, 71. 

B. ikan (van de), XVI, 38, XLX, 80, IV, 26, IX, 16, 
XI, 90, XV, 31. 

^. ika (van de), XXV, 38, enz. 
lüa. 1. Mena, B. raakipëkau (heen cii weer ^ichudtleu), 
VI, 163. 

B. nëlokin, VIII, 73. 

B. men o, X, 34, schudden. 

B. ren as (bedeesd), XII, 19. 

B. anlenan, XXIV, 118. 

2. Ena, B. min en (ronddraaien), XXV, 75. 
lüas. B. jagar, XII, 19, van een geluid, vreeselijkh 

2. Meüas, B. rënas (bevreesd), X, 38, 59, XXI, 247, 
B. nunadah, VI, 163, zich omkeeren. 

B. melogan (zich omkeeren), XXI, 232. 
lüët (inöt). Mal. inat. Mak. inaq, Bug. enëq, Sund. inöt. 

1. Menët, B. mei in (indachtig zijn), III, 82. 

2. M aninötinötakën , B. manënëh-nëuëli aii (telkens 
overdenkende) , IV , 54 , xict. Dur. freq. 

maninëtinëtakën, B. nelinin-melifi (zich telkens her- 
innerende), XV, 3. 

3. Ininët-inöt, B. pëdasan (werd telkens herinnerd), 11, 
5, Pass. Dur. Ind. 

ininët-inët, B. kaeliiielinan, XIV, 21. 

4. Inöt-inët, B. nelinan (herinnert zich), VII, 36. 
inët-inöt, B. rasarasayan (overwogen), V, 74. 
tinët-inët, B. tënër-tënërin, VII, 50. 

ndak inët-iiiët, B. pedas-pëdasan (laat ik u herinneren) , 
VI, 52. 

5. Uminëtakëua, B. mamriksanin (om te letten op) , VI , 
29. Aor. Act. Conj. 

6. Inötakëna, B. susupan (worde gelet ü[)) , lil. 74. 
Juss. Pass. 

7. Minëtinëtakën, B. helihin (zich herinneren), VI, 166. 
Act. Aor. Ind. 

8. Mahinët, B. manalëktëkah (oplettend), VII, 62. Act. 
Dur. Part. 

9. Maninötinët, B. melin manëhërin, VIII, 104. 

10. Ininëtinëtakën, B, rasarasayan (te beschouwen als), 
IX, 88, Pass. Dur. 



inëL lÓGAT. 61 

11. Au i net, B. kata hënan (letteiule op), Xi , 10. Act. 
Dur. Part. 

12. Uminëtinët, B. kata, h At ah a (keek oplettend naar), 
XI, 85. Act. Aor. Ind. 

13. In in ö taken, B, pëdasan (herinnerde hij zich), XIII, 
61. Pass. Dur. Ind. 

14. Inëtinëtakën, B. elinelinan, XXIV, 158. Imp. Pass. 
(moet opgelet worden). 

Inël. 1. Kenël, B. tam pil eg (werd verdraaid), XXI, 232. 

Pass. Aor. Ind. neergedrukt? 
lüin. 1 . K e n i n - i n i n , B. d a d i r i m r i m (begeerlijk ?) IX , 56. 
B. nrënani (begeerlijk?), XXV, 71. 

2. Menin, B. mabalih (begeerig) , XXIV, 106. 
B. tumben, XXV, 83. 

3. Kapen in, B. katern behan, XXIV, 121. Vgl. Nieuwjav. 

4. U m i n i n - i n i n , B. m a n w e w e k , XXV , 80 , was verlangend. 
Aor. Act. Ind. 

Inis. B. smita (glimlachen), XXVI, 24. 

2. Minis, B. najëiiit (liet de tanden zien), VI, 163, 
IX, 82. 

B. mesëm (glimlachte), XVII, 54, grijnzend. 
B. k ë n ë m (glimlachte) , XX , 36 , 54 , XXIII , 30 , XXIV, 1 , 
XXVI, 25. 

3. Uminis, B. najënit (liet de tanden zien), XXV, 72, 
Aor. Act. Ind, 

Infi. 1. Maninü, B. matëpëtin (droeg zorg voor), III, 12. 
Pass. Dur Ind. 

2. Ininü, B. kurun (verzorgd), VIII, 105. Pass. Dur. Part, 
B. kadhananin (begiftigd met), XXI, 168, 

3, Inün, B. iniwö (te verzorgen), XIX, 28, Gerundivum. 
limn in pisaninun zie bij pisan. 

liikus. 1. Minkus, B. ndalëkëp (bevreesd?), XXII, 43, 

ineenkrimpen. 
Tiigat. 1. Mingat, B. rarud (is gevlucht), VI, 146, XI, 42. 
B. tingala. XVI, 35. 
B. raat in gal, III, 15, verwijderde zich. 
B. nënkëbiu, VI, 42. 
B. hilan, XIII, 81, XXV, 37. 

2. Umingat, B. matingal (verwijderde zich), III, 16. Aor. 
Act. Ind. 



62 lÜGAL — insëR. 

B. hilan (vluchten), VI, 42, X, 5. 

3. Mingata, B. makawon (om zich te verwijderen) , III , 9. 
Conj. na kinon. 

4. U mingata, B. mak ah ad, VI, 176. 

ö. Afiiügati, B, mauingalin, XXIV, 32. Act. Dur. 
trans. 

6. (yau) paningati, B. (yan) patingale, XXIV, 33. 
Hetzelfde met nadruk op het vorige. 

7. Mingatingat, B. raanalahin, XXV, 76, verwijderden 
zich telkens. 

lügal. 1. Mengal, B. gagaten (snel), II, 60. 
B. gatian, II, 59, haastig. 
B. saksana (oogenblikkelijk) , VII, 75. 
B. glis, XII, 24. 

2. Meng al a, B. apan glis (moge snel voorbijgaan). VU. 
29, conj. na prarthana. 

B. ngëlisan (zal mij haasten), XXI, 53. 

3. Ingalakën, B. glisan, XXVI, 25. 

Ingëk. 1. Umingëk, B. matanjëk? XXV, 51, bewogen zich 

heen en weer. 
lügita. S. gebaar. 

B. si pi! II, 55. De vertaling foutief. 
B. cëtta, XI, 49. 
B. kalinan, XII, 55. 
2. Sengita, B. wihikan, XXIII, 44. 
luguü. 1. Mengun-mangun, B. songen hengin, schudde 
heen en weer, XV, 33. 

2. Menguii, B. songen (beefde), XIX, 13, XXII, 44,60. 
B. magen jonan (trilde), XX, 20. 

B. moyagan (schudden), XXII, 51. 

3. Mengunan, B. maogahan, XXII, 51. 
lügut. B. makawon (te vluchten), XV, 54, Inf. Act. 

2. Mihgut-ingut, B. engok-engok (heen en weer schud- 
den) , IX, 57. 

Ingus. 1. Mingus, B. ndalëkep (bevreesd), XXIV, 122. 

lüguh. 1. Miüguh, B. melogan (bewegen) , IX , 57 , van de 
hals //draaien//. (Edit. umanguh.) 

Tüsër. 1. Minsër-insër , B. miüëii- iüënan (ronddraaien), 
XXIV, 251, heen en weer schuiven, Mad. eiisër, Sund. 
isëd. 



insiL — IDCK. 63 

^Insil. 1. Minsil, H. p 1 i li , XIX, 77 (vau de oogen) weg- 
vliegen. Aor. Act. Vgl. s i n s a 1. 
Iccha. S. wensch , B. s u k a (welbeliageu) , III , (56. 
B. nauugraha, XV, 42. 

2. Seccha, B. pahicca (alle wenschen) , XXI, 168. 
B. sakënëh, XXII, 35. 

3. Aniccha, B. pahicca (wenschen), XXIV, 1 19. Act. Dur. 
Tnjiili. 1. Ehjuh, B. suka (verheugd), XII, 32, XXIV, 103. 

2. Meüjuh, hetzelfde, XII, 45, verliefd. 
B. tusta, XXIV, 108, vreugdedronken. 

3. Amefijuha, B. nukani, XXV, 85. 

1(1.11)1. 1. Anidara, R. hirlam, (hadden de lusten), XIX, 22 
V. e. vrouw. 
2. Manidam, B. onvertaald, XIX, 26. Vgl. Mal. menidam, 
Sund. hiram. Bug. idaii, Mak. iran, Day. kidam. 
*l(lëh. B. miücanan, XXVI, 22, ronddraaien? 
Turtarat. 1. Anindarat, B. ma wak (neerdalen), XIX, 69. 

Act. Dur. 
Indit. 1. Nindit, B. nadtad, XIX, 80 op de heup dragen? 

2. In indit, B. kasabit, XII, (51. Pass. Dur. Ind. 

3. Inditën, B. masankil, XVII, 14. 

Ttëk. 1. Itëk-itëk, H. dihëndute, slijk, XXIV, 117, Bat. 

litok. 
Iti. S. zóó, B. deniü! IV, 13,36, VII[, 127, 136, 187, X, 1 , 
XVIII, 11, XXIV, 220, 237, XXV, 31. Steeds iti nl 
B. sapunika, XVII, 21, ook iti na. 
^Itü. B. raaiiwilanan (tellen), XXVI, 24, maat? Vgl. Mal. 
itufi, of in itü =in riku (daarop) ? 
Id.an. 1. Medan,B. buduh (krankzinnig), V[, 61, 62, XI, 
88, XXI, 64. 
B. mbuduh, XXII, 89. 
B. ulanün, XXIV, 101. 
B. najap, XXIV, 115. 
2. Manidan, B. mambuduh, XXV, 33. 
Idëk. 1. Inidëk, B. kajëkjëk (werd getrapt), XIX, 126. 
Pass. Dur. Indic. 

2. Kedëk, hetzelfde, XXI, 175, 179. Aor. Pass. Indic. 

3. Kedëkan, hetzelfde, XXII, 52,61, XXIII, 17, van 
velen. 

4. Ninidëkan, hetzelfde, XXIII, 77. Pass. Dur. vau velen. 



64 IDCM — INAK. 

Idem. half gesloten (van de oogen). 

1. Midëm, B. nidëm, XXV, 72. 

2. Amidëm, B. dëmën, XXV, 54. 

Idcr. 1. Kedër, B. minënan (werd rondgedraaid) XIX, 105. 
Aor. Pass. Indic. 
2. M i d ë r , B. m i n ë n (draaide rond) , XXIV . 21. Aor. Act. 
Indic. 
Idi. 1. Medi, B. üankala (plaagt), XVII, 108. 
B. ngulgul, IV, 39, VIII, 67, XI, 67. 
B. ngoda (beproeft), VI, 117, VIII, 108, 155, 170, VII, 
13, 16 , 19 , bespotten. 

2. Medi B. ngulgul (plaagt), II, 5, XXIV, 122. 

3. Manididi, B. maügulgul (plaagde), V, 44 , VIII , 108. 
Act. Dur. freq. 

4. Anididi, B. ngulgulin, VII, 21, telkens te be- 
spotten. 

Inak. B. suka (geluk), III, 28, V, 12. 
B. kasukan, VIII, 119, XI, 43. 
B. dadëmënan, VII, 46 (gemak), XIV, 22. 
B. wirya, XIV, 47. 
B. lëga, Xn, 11, 
B. dëmën, V, 28, XXIV, 158. 

2. Inaka, B. mambëcikan (dat gelukkig zou zijn), I, 2, 
Conj. na don (streven). 

B. rahayu, XIII, 1, conj. 

B. lëga, III, 49, zou 't geluk zijn. 

3. Menak, B. suka (gelukkig), I, 12. 
B. sëgër (tevreden), IX, 49. 

B. tusta, [I, 21, VI, 199, XV, 46. 

B. lëga, IV, 22, rustig. 

B. patüt, VI, 30, aangenaam. 

4. Menaka, B. bëcik (wees gelukkig), III, 50, VII, 89. 
B. patüt, XI, 35 (laat gerust zijn). 

5. Samenaka, B. sane bëcik (met vreugde), III, 38, 
VIII, 115, naar verkiezing. 

B. lëwih bëcik, Vni, 150. 

B. san ahayu, VI, 2, XXIV, 151, 152. 

B. bëcik ika, VIII, 121, naar believen. 

6. Uminaki, B. manlëgani (had opgebeurd), V, 21. Plus- 
quamperf. Act. Indic. 



INAQ^ — INUM. 65 

7. Umiiiakaua, B. hetzelfde, XII, 48 , om tevreden te stellen. 
(Aor. Act. Conj.) 

8. Maninak-inak, B, nuhukin demën, VII, 36, 41, 
XXII, 2, zeer tevreden. 

9. Aninaki, B. naaülëgani, VII, 39, te verheugen. (Dur. 
Act. Inünit.) 

10. Aiiinak-inak, B. masukan-sukan, VII, 45, zich 
verlustigende (Dur. Act.) 

11. Saminakana, B. sin ne kasënënin, XII , 50 , dat 
tevreden zou zijn. 

12. Pahenakën, B. alilajan, XVII, 88, worde gerust 
gesteld (Imp. Pass.). 

13. Aninak, B. kas ukan, XXIII, 40, gelukkig. 

14. Pahenaka, B. palila, XXI, 52, stelle zich gerust 
(Juss. Act.). 

15. Mahenak, B, jënëk, XXII, 52, gerust, 

16. Maniuakakën, B. manrënani, XXIV, 29, stelden te- 
vreden. 

17. M aninaki, B. swargga! XXIV. 114, verheugende. 

18. Enak, B. nlëgani, XXV, 92, 117, lekker. 
B. katuwukan, XXV, 117, rustig. 

B, kawapa! XXVI, 24, aangenaam. 

19. Minaki, B. Èrënaui, XXVI, 21, verheugende (Part. 
Aor. Act,), 

20. Enak-inak, B. sin kasënën, XXVI, 25. 

Inau. B. ibu (moeder), IX, 55, Bis. Pak. hetz. Baree iné. 

Bul. Tag, Iban, Bug, Bim. ina. 
Inëh. 1. Menëh, B. gëdëg (vertoornd), VI, 172. De beteekenis 
is "Onrustig//, 
B, os ah (gejaagd), VIII, 91. 

2. Enëh, B. sah (bevreesd?), XXIV, 6, iu tar enëh, on- 
vervaard ? 
B. osah, XXIV, 40. 
Iniiiu. Sund. Tag. hetz. Mal. Bat. minum, Mak. ninun,Bug. 
minun. Bul. maninum, Mad. enom, Bareë inu. 
B, inuman, drinken (subst,), VI, 4, verbonden met panau: 

//eten en drinken//. 
B. inëm, XIV, 29, XXIV, 58, 235. Op de laatste plaats 

luf, //te drinken//. 
2. Maninum, B, maninëm, II, 14, V, 27, VIII, 33. Act. Dur. 

5 



66 INTëR INDRA. 

B. mainëman, V, 8, VII, 38, VIII, 35. 

3. Ininum, B. inëm, VIII, 32, XXV, 107. 
B. siyup, VIII, 34. 

B. kainum, XXII, 11. 

B. haj ënau, II, 20. 

B. inëman, V, 28. 

B. këcot, IX, 87 (worde gedronken). Pass. Dur. Ind. 

4. Aninum, B. mainëman, III, 67. 
B. maninëm, VIH, 28, XIX, 2. 

B. ninëm, VIII, 35, 40, XVI, 19, XXIV, 93. Act. Dur. Ind. 

5. Minuni, B. ninëm, VI, 21. 
B. maninëm, VIII, 66. Act. Aor. 

6. tamarpaninum, B. tanpa inëm, VIII, 38, zonder te 
drinken. 

(an) paninum, B. manisëp, XXV, 23 , als gedronken wordt , 
bij 't drinken. 

7. Inuman, B. suka! XVI, 20. 

B. inëman, XXVI, 25, drinken (subst.) 

8. Inumi, B. inëmin, XXVI, 25, drink uit. 

9. Aninum-inum, B. lolohe, XXVI, 35. Act. Dur. 
Frequent. 

Intër. 1. M enter, B. nuyanan (draaiden rond), XVII, 85. 

B. polah! XX, 10. 
Inte (intay). Mal. hintai, Tag. hintaj, Mak. inti. 

1. Aniutay, B. nmtip (gluurden), XX, 12. 

2. Maninte, B. manintip, XXI, 216. Act. Dur. Infin. 

3 (yat) paninte, B. manintip, XXIV, 57, bij 't gluren, 
als gij gluurt. 
Indër. B. pidër (het ronddraaien), XXI, 241. Infinit. Act. Vgl. 
idër. 

2. Minder, B. minënan, XVII, 85. 
B. midër, XXI, 236. 

B. minën, XXI, 241, 242. 
B. mahilëhan, XXII, 75. 

3. Mindër-indër, B. midër-idëran, XXVI, 23, draaiden 
voortdurend rond. 

Indël. 1. Manindëlakën, B. maniragan, XXVI, 26, doen 

stollen (Act. Dur.). 
Indra. S. naam van een god, B. Qakra, I, 7, 9, II, 62, V, 

18, 88. 



INDRAK ULigA IPU. 67 

B. onvertaald, V, 4, VIII, 126. 

2. Keiidran, B. swarggan (Indra^s hemel), I, 11, De B. 

vertaling onjuist. 
B. swargga, XI, 57. 
B. ludrabhawana, XII, 62. 
■^Indrakuli^a. S. naam van een tooverspreuk , XXIV, 17. 
Indracapa. S. regenboog , B. k a 1 i h a 1 a h , VII , 5. 
Indrajanu. S. naam van een aap, XVIIl, 17, XIX, 40, XX [I, 

58, XXIV, 250. Jav. Endrajanu. 
Indrajala. S. list, B. panupaja, XXI, 157. 
Indrajit. S. naam van een zoon van Rawana. 

B. Meghanada, IX, 60, 63, 72, 81, XIX, 64, XX, 35, 
37, 38, 40, 58, 73, 74, 77, XXIII, 10, 20, 23, 24, 
25, 35, 51, 52, 61, 63, 64, 65, 68, 69. 
Indrani. S. Indrani, ludra's gemalin. 

B. pidëran! XI, 28 (de B. vertaling onzin). 
Indranila. S. saphier, B. onvertaald, XVI, 3. 
Indranl^astra. S. leerboek van Indrani. B. sandi niü patë- 

m*u, VIII, 71. 
Indrabajra. S. Indra's bliksemflits, B. kilap, naam van een 
versmaat (Kern, Wrttas, p. 110—111), XIX, 11, XXI, 35. 
Indrabrata. S. Indra's gelofte, B. Qakrabrata, XXIV, 53, 

naam van eene gelofte. 
Indraloka. S. Indra's wereld, B. indrabhawana, III, 39. 

B. surabhawana, XXIII, 53, onjuist. 
Indra^ara. S. Indra's pijl, B. Indrastra, XXIII, 66, naam 

van een pijl. 
Indriya. S. zintuig, B. wisaya, XXIV, 182. Hier beteekent 't 

"hartstocht//. 
Ipi. Bul. Pak. Sea, Dano , Bent. Sang. Bat. ipi, Jav. Sund. 
impi, Bug. nipi. Day. nu pi. Mal. m i mpi , Malag. n ufi. 

1. Afiipya, B. nipiaii (zou droomen) , V, 15. Act. Dur. 

2. Panipyan, B. panupëuan (droom), XXI, 8. 

3. Anipi, B. nupenS,, XXIV, 93. Act. Dur. 

Ipik. 1. Anipik-ipik, B. ii rampak-rampak, in hinderlaag 
zijn , op den loer liggen , V , 9. Act. Dur. Ind. 
2. Aüipik-ipiki. B. mungël rarucihan, XXIV, 109, 
beloeren , Dur. Act. 
Ipu. 1. Mepu, B. salëgsëgan (bezorgd), V, 61. 
B. dahat, XII, 32. 



68 IBAB IBCR. 

B. ibuk (bedroefd), XVII, 5, XV, 13. Op de laatste plaats 
//bezorgd." 

2. Kepwau, B. kewëh, VI, 22. 
B. kemënan (verward), VIII, 85. 
B. iiewëhan, XI, 36. 

B. nora tawaü (verlegen), XII, 9. 

B. kewëhaa, XXII, 37. 

B. ibuk, VIII, 15. Part. Perf. Pass. 

3. Epu, B. opëk, XV, 17. 

B. gupuh (gejaagd), XVII, 69. 
Ibab. 1. Anibab-ibab , B. manleb er , XIX, 83, verscheurden? 

Act. Dur. Prequentat. 
Ibëk. vol. Vgl. hibëk. 

1. Ibëkan, B. onvertaald (gevuld), VIII , 34. Part. Perf, Pass. 
B. katah, VIII, 215. 

B. kebëkan, IX, 40, XV, 55. 

B. kasëlëksëk, VIII, 110, vervuld. 

2. Umibëk, B. nliput (vervulde), XIV, 35. Aor. Act. Ind. 

3. Inibëkan, B. kapëpëkan (gevuld), XIX, 4. Part. Dur. 
Pass. 

4. Anibëki, B. üap u tin (vervulde), XXV, 7, Act. Dur. Indic. 
Ibër. B. pakëbër (het vliegen), VI, 25. 

(ar)ibër, B. raakëbër, (dat) vloog, XI, 1. 

2. Mibër, B. makëbër (vlogen), VII, 26, VIII, 21, 36, 
56, IX, 56, IV, 55, XVII, 78, XV, 48. 

B. pakëbër, XV, 1. 

B. midëran, XV, 66. De vert. onjuist. 

B. këbëranya, VII, 12. 

3. ümibër, B. makëbër (vloog), VI, 22, 95, VIII, 17, 
IX, 1, XVI, 42, XXV, 64, Aor. Act. Indic. 

B. manlajan, XXI, 137, 't vliegen. 

4. Inibërakën, B. këbëran (pass. van //deed vliegen//), 
XV, 57. Pass. Dur. Caus. 

5. Anibë raken, B. manëbëran (deden vliegen), XV, 62, 
Act. Dur. Causat. 

6. Mibërakën, hetzelfde (Aor.), XV, 62. 

7. Nibërakën, B. kakëbëran, XXIII, 33, terwijl liet 
vliegen (zie n). 

8. Umibër-ibör, B. makëbër, XXV, 66, Aor. Act. Fre- 
quentat. Vgl. hibër. 



IBU IRA. 69 

Ibu. Mal. hetz. B. biyan (moeder), III, 26, 27, 31, XIII, 
3, 14. 
B. meme, XIV, 1, XXI, 10, XXVI, 8, VI, 38. 
B. nahi, XXI, 66, meisje. 

2. Pinakebu, B. maka i meme, XXIV, 157, tot moeder 
strekken. 
Iinan. 1. Me man, het is jammer, B. uttama! XIIL, 82, 
foutief. 
B. sayaü, XIX, 26, XXV, 41. 
B. pa ra ma! XXII, 53, foutief. 
Iiinir. 1. fn)pafiimur-i mur, B. mani,Milgu], XXIV, 125, 

met kwellen? (Inf. Act.). 
Inipën. Mal. Day. himpun, Tag. Bis, ipun, Sund. impun. 

B. kabëcikan (werd verzameld), XVII, 121. 
Iiupöii. 1. Rimpönakën, B. manrusakan, XXII, 51 , toen 

verwoest werd ? 
Iinba. tan imba, B. tan pasah (onafscheidelijk), XXI, 125. 
tan imba, B. nora giiisiran (onwankelbaar), XXI, 202. 
tan imba, B. tan adoh (onafscheidelijk), XXIV, 243. 
nimbSi, B. makawon, XXV, 76. 
Iiiiban. 1. Animbani, B. nrowani (stond bij) , XXIV, 1 , Act. 

Dur. Trans. (N. Jav. volgen , om te beschermen). 
Imbuh. 1. Mimbuhi, B. m u n d u n i n , vermeerdert , VIII , 1 70. 
Aor. Act. Ind, Trans. 
B. manwuwuhin, XXIV, 260, doende toenemen. 
2. Manimbuh, B. narënin, XXVI , 10, Act. Dur. Intransit. 
(kwamen bij). Vgl. Sund. emboh. 
Ir. 1. Umir, B. man eden (trokken), IX, 75, Aor, Act. Indic. 

2. Inirakën, B. kahodoran (werd voortgesleurd) , XXI, 
189, Dur. Pass. Ind. 

3. Mir, B. panëdën (trokken), IX, 62. Vgl. hir. 

Ira. Pronom. Posses, 3^ pers. (eerbiedig) , B. i da , I, 2 , 36 , 63 , Il , 
11, 12, 21, IV, 44, VII, 95, 96, XXI, 74, III, 43. 
B. daue, XI, 11, XIII, 2, V, 22, 66, XIV, 34, XV, 1, 

XXII, 19, XXIII, 46, enz. 
2, Iran, hetzelfde met 't lidwoord verbonden, 
B. ida san, VII, 104, XVII, 86, VI, 82. 
B. de san, X, 57, 
B. onvertaald, VI, 127. 
H. dane san, XVIIl, 2, 4, XXII, 89, XXIII, 73 (hij met). 



70 IRAn IRIKAQ. 

Iran. Bul. hetz. Bat. ira, Maori mi ra -mi ra, enz. (Vgl. Kern , 
Pidj i-taal, p. 238). 
B. jen ah (schaamte), IV, 62, VI, 183, VII, 97, XXIV, 141. 
B. dalem! XI, 42, IV, 53. 
B. meran, XVIII, 25. 
B. nora jenahan, XX, 39. 

2. tan-erafi, B. nora wirah (onbeschaamd), VI, 17. 
B. nora jen ah, VI, 30, X, 37. 

B. pon ah (onbeschaamd), VII, 21. 
tutan-eian, B. nora wiran, XII, 27. 

3. Meran, B. jënah (beschaamd), II, 76, 77, VI, 24, 190. 
B. conah, VI, 167. 

4. Keranau, B. jënah (beschaamd), IV, 29, XVII, 54, 
VIII, 143, 138, XX, 37, Part. Perf. Pass. 

5. Keraii-iran, B. masawan conah (zeer beschaamd), 
IV, 53. 

B. jënah, XXI, 28. 
B. jenahan, V, 20. 

6. Aniran, B. ne dalem (beschamend), VIII , 146. Part. Act. 
Durat. 

7. Aniran-iran, B. tan wrin jënah (zeer beschamend), 
XIV, 56. Part. Act. Int. 

8. Kairan-iran , B. bwat in meran (zeer beschaamd), 
XXI, 112, Part. Perf. Pass. 

9. Merah-eran, B. jënah (zich te schamen), XXII, 52. Act. 
Dur. Frequent. 

10. Iniran-iran, B. ne jenahan -jënah (werd beschaamd), 
XXIV, 145. Pass. Dur. 

11. Merana, B. jënah (beschaamd te zijn), XXIV, 163, 
Conj. na maryya. 

■^Iri. bestaande uit de praeposities i -\- ri. 

B. rifi (door), V, 13, 69 (met), 75, VI, 7 (jegens), VII, 

22 (van), VIII, 120 (aan), 123 (naar), 186. 
Bal. onvertaald, VIII, 182 (naar), XII, 37 (van). 
Irika. Jav. iürika, B. sapunika (dan), III, 71, XXIII, 49 
(daaraan). 
B. punika (daarover), XI, 36, VII, 97 (nu). 
B. rin iya (daarover), VIII, 183. Eigenlijk de Dat. ofLocat. 
van rika (z. d.). 
Irikan. hetzelfde met ^t lidwoord verbonden (bijvoegelijk). 



IttlU IRIR. 71 

B. ha na rifi (in de), VIII, 149. 
B. punika (de), XI, 62, V, 23, XXVI, 23, 25. 
B. rifi (aan de), VI, 104, XIII, 96, I, 58, XVI, 8 (naar de). 
B. puniki (de), VII, 49. 
B. olih in (de), X, 1. 
B. rin ikan (de), XXIV, 48, XXV, 104. 
Irin. Suud. Mal. Bat. hetz. Mad. eren. 

1 . M a n i r i II , B. li ë n ë m i n , te leiden , IV , 42 , Inf. Act. Praes. 

2. Anirin, hetzelfde, Inf. Praes. Act, B. and u lur, XXIII , 
57, 72. 

3. Mi rin, B. nul au in, VI, 8, hetzelfde (Inf. Aor. Act.). 

4. M e r i n , B. tn a n a m p i n (op zijde gaan) , VI , 1 99 , verge- 
zelde. 

5. Irinën, B. dulurau (om te vergezellen), XVII, 16. 

6. Erin, B. tak ut (ontzag hebben), XXV, 69. 

7. Erin-irin, B. kairin, vergezellende, XXVI, 25. 
Iriya. B. punika, daar, XVII, 107, XVI, 19 (hen), XXI , 21 1 

(dit), XXIV, 97 (er op), 131 (er naar). 
2. B. irika (daarheen), XXIV, 216, XVI, 13 (daar). 
B. iya (dit), III, 73. 
B. ipun (over hen), VIII, 126. 
B. rin ipun, XIII, 87, voor hem. 
B. rin iya (hem), V, 85, XIII, 58. 
B. mrika (daarheen), VII, 93. 
B. ika, hetzelfde, XVI, 37. 
B. rin ya (voor hem), XXIV, 101. Eigenlijk de Dat. ofLoc. 

van riya (z. d.). 
Irir. 1. Inirir, B. ah as (werden weggeblazen), IX, 56. 

2. Mirir, B. nasirsir (blaast), VIII, 168, XI, 78, VI, 123, 
VII, 2, Aor. Act. 

B. masyok (blies), XI, 1. 
B. nërapuh, II, 2. 

3. Maniriri, B. magawe juti, VI, 123, bekoelend? Act. 
Dur. Trans. 

4. ümirir, B. nasirsir, VII, 27, 110, XVI, 32, VIII, 
93, 170. 

B. nalibir, VIII, 162. 

B. ah as, XXIV, 100, Aor. Act., waaide af. 

5. Kerir, B. hetzelfde (Aor. Pass.), XXIV, 105 (werd afgeblazen). 

6. Anirira, XXIV, 246. Act. üur. Conj. 



72 iRun — iLiK. 

Irun. Sund. hetz. Mad. el on, Mal. hidun. Bat. igun, Day. 
uron, Tag. Bis. ilon, Bim. ilu. 
B. cunuh (neus). VI, 121, VII, 27, VIII, 168, XII, 43, 

XIX, 81, XVII, 114, XXII, 89. 
B. nasika, XXII, 89, VI, 164. 
Irsya. S. irsya (nijd), B. cënil, I, 18. 
*B. iri (afgunst), VII, 76, XIX, 6. 
B. upaya, XXII, 31 , foutief. 
Ilag. 1. Selag, B. sapakahëd (bij 't weggaan), XXI, 186. 

2. Inilagakën, B. kaëdohan (werden verwijderd), I, 25. 
Pass. üur. Trans. 

3. Ilagakën, B. tingalan (worde vermeden), III, 64. Im- 
perat. Pass. Dur. 

4. Milag, B. matingal (achterlaten), III, 64. Aor. 
B. magëdi (ga weg), XVIII, 27. Imperat. Aor. 

B. makahëd (ga weg), XIV, 50, XXIV, 123 (ging weg). 
B. nahëdan, III, 84, zich verwijderen (Aor. Act.) 

5. U milag. B. nëdohin (verwijderde zich), VI, 20. 
B. manadëhin, XXI, 185. 

6. Manilagakën, B, nëjoh (ontwijkend), XII, 19. Part. 
Praes. Act. 

7. tanpelagan, B. tanpalagan! niet te vermijden , XIX, 63. 

8. Ilagan, B. na won in (te wijken), XXIII, 70, te ver- 
mijden. 

Hat. B. layah (tong), XI, 1, IX, 57, XIX, 125. 

2. Ilata, B. sak? at layah (als de tong), XXII, 70. 
llab. 1. Manilabi, B. manahkabin (vrees aanjagend), 

XXIV, 119. 
111. B. mëmbah (stroomen), VII, 8. 

B. onvertaald (stroom), XXVI, 24. Vgl. hili(Bug. il e, Mal. 
Sund. hilir. Sang. elehe, Baree ili). 
Hik. B. gëdëg (toorn), XIV, 30, afkeer. 
B. purik (haat), XV, 15. 

2. Melik, B. tonak (afkeerig) , II, 8. 
B. gëdëg (vertoornd), VII, 77. 

B. nak (afkeerig), XII, 5. 
B. mabalik, XIII, 58. 
B. tan dëmën, IV, 46. 
B. e lik, XII, 19. 

3. Melika, B. mamalik, XIII, 58 (Conj.) 



ILU — iwëR. 73 

4. Elik, B. bangi (stuursch) , X, 13. 
B. gedég (vertoornd), XXV, 69. 
Hu. B. sar en (mede), XVII, 125, XXIII, 47, XXIV, 121. 
B. tëlas! VI, 182. 
B. milu, IX, 57. 

2. Ilwa, B. narëüaa (laat mede), VI, 191, Optat. 

3. Milwa, B. sarën (dat medegaat) , II, 52, VIIl, 51 , XVII, 
19, XXIV, 228 (om mede). 

B. ninötiii, VI, 147. 

B. nirin, XIX, 23, XVII, 80. 

B. maturah, VII, 36. 

B. sar ënari , X, 18. 

4. Amilu, B. nirin (ging mede). III, 16. Act. Indicat. 

5. Urailu, B. sarën, V, 27, XI, 79. Aor. Act. Ind. 
B. narënin, XV, 28. 

B. mawëtu! XXIII, 29. 

6. Milu, B. sarën (mede), VII, 83, VIII, 101 ,IX.57,XI, 
9, XV, 53, 58, III, 17, XIX, 101, XXI, 22, 128, XIV, 
53, VI, 37, 165, XII, 41, XVII, 46, XVIII , 52. 

7. Umilwa, B. man ir in (zullen mede), III, 28, XXI, 
61, Fut. 

B. narënin, VII, 83. 

8. Manilu, B. makiluiian, XV, 30. Act. Dur. Indic. 

9. Kelu, B. sarën, XVII, 87, werden mede (Aor. Ind. 
Pass.). 

10. Selwana, B. selo, XXIV, 229. 
■^Ilug. 1. Milug, B. melogan, XXV, 115, bewoog, draaide 
(Aor. Act.). 
Ilo. 1. Manilo, B. masuluh (zich spiegelen), II, 5, Act. 

Dur. Indic. 
Iwa. 1. Mewa, B. elik (af keerig) , II, 8. 

Iwak. B. mina (visch) , VII, 112, 113, VIII, 18 , XV, 19 , 21 , 
24, 28, 29, 35, 41, 47, XVII, 15, XXI, 132, 209. 
B. be, XXI, 137, XXVI, 22. 

2. Pewakan, B. paikanan, XXV, 107, plaats waar visch is. 
ïwën. 1. Iwën-iwön, B. mananidan, XV, 77, gelijkenis 

(volgens V. d. Tuuk). 
Iwër. 1. Kewëran, B. kolug (onbedreveu), VIII, 72. De betee- 
kenis is //moeielijk'/. 
B. kewëh (moeielijk) , XXIV, 2. N. Jav. verlegen. 



74 iwëH — isti. 

Iwëh. B. kewëh (moeielijkheid) , YIII, 191. 

B. sënka (moeite), XVII, 55. XXI, 18, XXIII, 69. 

2. Mewëh, B. hetzelfde (moeielijk) , XIX, 97, XIV, 65. 
B. kewëh, XV, 38, VI, 46. 

B. pakewëh, III, 62, XIV, 6. 

3. Mewëha, B. sënkasan (zou moeielijk zijn), XIV, 44. 
Iwö. vgl. Tag. ibig. Bul. iwë. 

B. abot (gewichtig), XIII, 30. 

2. Iniwö, B. kaitiu (welgedaan worden) , VII , 45. Pass. Dur. 
Infin. 

B. kakewëhan, XIII, 31, foutief. 

B. paüinu (gekoesterd worden), VII, 38. 

3. Aniwö, B. paninu (weldoen), VII, 45. Act. Dur. Ind. 

4. Iwön, B. rahat (ter harte te nemen), XIII, 34, Gerund. 
B. patëpëkin, XXIV, 201. 

5. Ewö, B. senka! streven naar, XXIV, 41. 
Iwu. Mal. Hoc. ribu, Jav. ewu. 

B. siwuan (duizend), XV, 29. 

B. siwu, XXI, 101, XXn, 76, IX, 10. 

2. Pasewu, B. dadisiwu (brak in duizend stukken), VI, 
126, XXI, 154. 

3. Pasewun, B. paro siwu (worde in duizend stukken ge- 
broken), VI, 177. Juss. Pass. 

4. Sewu, B. siwu (een duizend), VII, 31, IX, 69, 75. 

B. sahasra, XV, 59, VIII , 74, XXI, 228, XXIII, 17, 
XXVI, 43, XII, 56. 

5. Mewwiwu, B. Iwir kelëwun! bij duizenden , XXI, 219. 

6. Iwu-iwu, B. siwu pin siwu (duizenden), XXII, 10. 

7. Saka sewu, B. sarën siwu (bij duizenden tegelijk), 
XXIII, 81. 

Icwara. S. naam van Qiwa, B. onvertaald, III, 36, XI, 2, 

VI, 101. 
B. bhatara Guru, XIII, 10, 91. Vgl. kapi^wara enTri- 

bhuwane^wara. 
Isti. S. wensch, B. estiyan, XI, 23. 

2. In isti, kestian (werd gewenscht) , III, 2. Pass. Dur. Indic. 
B. nestian, XXIV, 52. 

3. Mariisti, B sadyajan (wenschte) , XIII, 61. Act. Dur. 
Indic. 

B. nadyayan, XIII, 81. 



is — IHATRA. 75 

4. Ariisti, B. nahyuiian. XIII, 83, wenscht. 

5. Sake.sli, B. sin kahjunaü (alle wenschen) , V, 39. 

6. Sesti, B. sin këiiëtan, X, 21. 
B. sin cittaafi, XIV, 32. 

B. sin sadyayaii, XIV, 64. 
B. sakahyun, V, 38. 

7.Sestisli,B. sin kënëtaii, XX , 78, hetzelfde meer intensief. 
8. (tar) panistya, B. (nora) mamri h an, XXV, 45, zonder 
te wenschen.' 
Is. 1. Mis, B. matilësan (zich schuilhouden), IX, 57. 
Isèk. 1. Maiiisëk-isëk, B. sëni-sëni (snikkende), VIII, 
110, XII, 6. 
B. sëgu-sëgu, XI, 4, Act. Dar. Freq. 
2. Anisëk-isëk, B. sigsi gan , XX , 67. Vgl. Sund insrök , 
Mal. isak, Jav. minsëg-minsëg. 
Isêp. 1. ar isëp, B. kakecot (terwijl opslurpte), VI, 21. 

2. Inisëp, B. sëpsëpa (uitgezogen), V, 74. Pass. Dur. Partic. 

3. Kesëp, B. kaisëp, XI, 2. Aor. Pass. 

kesöp, B. katëlëd, XXII, 62. Vgl. hisep. Jav. insëp. 
Mal. isap. 
Isi. Mal. Bat. Day. Bim. hetz. Sund. ösi. Mak. asi. 
B. dagiii (inhoud), XII, 62, III, 4, V, 19. 

2. Mesi, B. maisi (gevuld), II, 19. 
B. madagin, VIII, 49. 

B. m b o b o t , XIX , 26 , zwanger. 

3. Sesi, B. sadagin (al wat is in), IX , 90, XVII, 16, 17, 
21 , XI, 7. 

4. Panisi, B. sadagin (inhoud), XVII, 112. 

5. Kesyau, B. kadaginan (gevuld), XXIV, 102. 
B. ka u rug, XXIV, 258. 

6. Isyan, B. raaisian, XXVI, 25. 

Isis. 1. Kesisan, B. kapëlah i b an (alleen gelaten) , XXII, 52. 
Aor. Pass. 
B. katunahan, XXIII, 48. 
Isuk. 1. Mes uk, B. sëmën ('s morgens) , XXI, 161, 

2. Es uk, hetzelfde, XXIV, 238. 

3. I nisukan, B. marie nakiu (tot morgen geworden), 
XXVI, 36. 

Ihatra. S. het ondermaausche , B. niskala, XXIV, 35. 



76 UKAKCM — unuR. 



u. 



*[Jkakëm. 1. Mainukakëm, B. sëmug ('t gelaat bedekken?), 
XVII, 115. Act. Dur. 
2. Mukakëm, B. buiiut ëiiëp, XXY, 72. Aor. Act. Indic. 
ükët. 1. Mokët, B. sulit, XX, 9. 

2. Kokëttukët, B. sulit ko wat (hard , onbreekbaar). XXI, 
235. Bij V. d. Tuuk onvertaald. 
ükir. 1. Inukir, B. mawukir (ingelegd), VIII, 48. Pass. 

Durat, (Mal. Daj. hetz. Bug. uki). 
Ukur. B. patuduh (bestemming), VI, 194 , het toegemeten lot ? 
B. sasikutan (maat), XVI, 4. 
B. panjari, XXII, 68. (Mal. Daj. hetz.). 
Ugah. 1. Inugah-ugah, B. ka temp uh (geschud) , VIII, 1 16. 

Pass. Durat. Mal. ogah. 
Ugëm. 1. Mugëm, B. narëragëm, XXI, 41. Jav. vast ver- 
trouwen, enz. 
Ugiin. 1. Inugunan, B. kanlahan, VI, 8, bedorven, ver- 
troeteld. 
2. Ugunan, B. ulati, XXV, 66. 

2. Anugufi-ugun, B nungulungulaü, XIV, 44, naar 
den mond praten, in zijne verkeerdheid stijven. 
ügra. S. geweldig, groot, streng, vreeselijk. 
B. turitun, VII, 86, puntig. 
B. këbus, XIV, 24, stekend. 
B. marëp, XXIII, 71 , streng. 
■^Ugradanda. S. geweldige knots, XXIII , 4. B. gë de palupalu. 
Ugratapa. S. strenge asceet, B. lëwih tapa, XXV, 9. 
Ügratara. S. heviger, enz. B. marëp galak, VI, 162. In het 
Skt. de compar. van ugra. 
B. kabhinawa, XI, 6. 
^Ugrarasa. S. zeer smakelijk, enz. B. rasa lëwih, XXVI, 25. 
Tnan. 1. Inunan, B. tinhalin, XV , 59 , naar beneden gezien 

worden. (Pass. üurat.). 
Unup. 1. Umufiupa, B. karëiiëhati! XXVI, 52, gluren 
(Conj. Aor. Act.). 
*ünur. 1. M unur-m uTi ur, B. enol-e nol, weelderig, maar week 
(v. d. Tuuk), XIII, 30, Jav. //gloeien, schuimbekken//. 
B. klimun-klimun, XXIII, 78. 



UaKAB Ul'lGU. 77 

Unkab. 1. Inuükaban, B. k aga ga h (werd geopend) , XI, 21 . 
Pass. üurat. Indic. 
2. Mufikab, B. raëiia, XX, 20, zich openen. (Bat. uk kap, 
Day. uap). 
Ungah. 1. Ru liga h, B. me nek, XXVI, 29, besteeg. 
2. Muiigah, B. raanjiii, II, 65. 

B. me nek, XXIV, 13, XII, 27, XXI, 208, besteeg. (Aor. 
Act. Indic.) 
Ungu. 1. Ruïigu, B. magënah (dat zich bevond) , IV , 1 , 23, 
IX, 69. 
B. g ë n a h a ïi d i t u , VIII , 87. 
B. muïigwiii, XXI, 181. 
B. niiigar, VIII, 42. 

2. Nuïigu, B. magënah, hetzelfde, IV, 5, XIX, 34, 
XI, 84. 

B. nitigar, VIII, 42. 
B. matiëmit, XI, 51. 

3. Tutigu, B. toTios, VIII, 121 , dat gij u bevindt (bevondt). 
B. malingih, VIII, 122. 

4. Uiigwau, B. gënah (plaats), II, 21, VI, 37, VIII, 70. 
B. pagënah, I, 4. 

B. kagënahin, VI, 22, 124. 

5. Muïigu, B, malingih (bevond zich), II, 29. 
B. magënah, II, 17, VI, 35. 

B. noiios, II, 26, VIII, 137. 

6. Umuiigu, B. inënah, hetzelfde (Aor. Act.), I, 26. 
B. rawuh, XVI, 10. 

B. magënah, XIX, 33, V, 78. 
B. marëp, XIX, 34. 

7. MuTigwiii, B. hana riïi (bevond zich in de), III, 47, 

VI, 136, VIII, 66, XV, 46. 
B. rin, I, 15 (in). 

8. Umuiigwi, B. jujukin riii, hetzelfde (zonder lidwoord) , 

VII, 100. 

B. nu mahin , XI, 66. 

B. sinimpën riü, IX, 62. 

B. maliïigih ri, XIII, 35. 

9. Nuiigwi, B. tonosin (dat zich bevond in), VII, 102. 
B. magënah, XI, 52. 

10. Nungwin, B. magënah rin (in den), IX, 57. 



78 unsï — uccA. 

11. ar ungwa, B. gënahe (dat zich zou bevinden), YIII , 
80, Conj. 

12. Muiigwi, B. magen ah di (bevond zich), IX, 76. 
B. h a u a r i n , XVI , 30. 

B. magënah ri, XI, 72. 

13. Mungwa, B. iigënahan, XIII, 36. 
B. gënahah, III, 8, dat zou zijn. 

14. Umungwin, B. hana rin (bevonden zich in), VI, 163, 
XVI, 4K XXII, 23. 

15. Umungwa, B. mawadah, XVII, 18 (Fut. Act), 
zullen zijn. 

B. magënah, XIX, 65, Conj. Aor. 

16. üngwana, zij de plaats, XVII, 18. 

17. Umungwa na, worde geplaatst, XVII, 18. 

18. B,ungwakën,B. kagen ah an, XIX , 29 (terwijl plaatsten). 
TJilsl. 1. Umunsi, B. mamrihan (ging naar hem toe), VI, 19, 

Aor. Act. Vgl. unsir en usi. 
Unsir. B. nalih (zich te begeven naar), XXIV, 97, vgl. unsi 

en usi. 
ünsil. 1. Monsil, B. molah (bewoog zich), VIII, 81, Grond- 
begrip //draaien//. 
B. ruüam (guitig)! VI, 151, wankelmoedig, 
B. jamjain.? XVI, 43. weifelend. 

2, Onsil, B. tan jënëk (ongerust)! VI, 33, onrustig. 

3. Mon sil-m ehsël, B. mahiüënan sin sëlaiiin (beurte- 
lings ronddraaiende), VIII, 61. 

Ilcap. Mal. hetz. 1. Tucapa, B. caritayan (laat er gesproken 
worden over) , Vil , 55. 

2. Inucap, B. ucapan (werd gezegd), VIII, 32. Pass. Dur. 
Indic. 

B. caritayan, VIII. 179. 

3. Manucap-ucap, B. nra wos-r awosan, XVII, 60. Act, 
Dur. freq. 

B, manrawos-rawos, XVII, 125, 

4. Ucapan, B. swara (het gesprokene), XVII, 125. 
B. muiii, XXIV, 120. 

B. katatwan, XXV, 17, 98, 

5. Anucap, B. na n dika, XXV, 94, 98, spreken (Act. Dur,). 
Ucca. S. hoog, B. tan peg at! VIII, 76. 

B, tan mari! XVII. 60. 



UCCANÏCA UJAII. 79 

Uccanica. S. hoog en laag, B. pahica! XXI, H8. 
Uccai^rawa. S. Uccaih^rawas , naam van een mythisch paard , 

XXI, 145. 
TIjar. B. pahaudika (woord), III, 45. 

B. onvertaald, VI, 95, III, 85. 

B. ucap, III, 7. 

B. ucapan, VI, 177. 

B. muüi, III, 47, IV, 67. 

B. atur, V, 29, VI, 148. 

B. tuturan, V, 33, 39. 

B. satwa, VI, 13. 

B. wuwus, XVI, 15. 

2. Mojar, B. n ucapan (sprak), II, 54. 
B. nuturan, I, 52. 

B. nandika, I. 45, XVII, 61, XVIII, 7, XXI, 200. 

B. matur, II, 29, 61, III, 48. 

B. mawuwus, II, 70, 76. 

B. namuninin, VI, 31. 

B. mahatur, IX, 2. 

B. mamuni, IV, 37, VII, 52, 72, II, 36. 

B. m a k r u 11 a , IV , 39. 

B. nucap, III, 27, XVIII, 49. 

B. maiiucap, VI, 134, IX, 63. 

B. r i 11 w a c a n a , 1 , 6. 

B. panaudika, VII, 48. 

B. onvertaald, III, 45. 

3. Sojar, B. sin kaucapan (alle woorden), I, 6. 
B. saujar, I, 57, XI, 32, XIII, 30. 

B. panaudika, IX, 3. 

B. sin ujaraii. II, 31, XXI, 9. 

B. atur, XIV, 64. 

B. samuni, XIV, 18. 

B. orahan, II , 75. 

B. panucap, XIV, 67. 

B. uj ar , III , 53. 

B. lin, IX, 93. 

B. tatwa, XIII, 42. 

4. Ujara, B. ucapan (worde gesproken), IV, 76. Juss. Pass. 

5. Rujari, B. kandikain (sprekende tot), VI, 31. 
B. nucap in, VII, 33. 



80 UjiÏA UJWALA. 

B. nandikaiii, XI, 85. 

6. Tujari, B. m u n i n i n (zeg hem) , VII , 38 , Iraperat. Transit. 

7. Mojar-ujar, B. makruna, aau 't praten zijn, VII, 51. 
B. makakrünayan, VIII, 27, XXVI, 26. 

8. Ojar-ujar, B. ma ii ra sa jan (overleggende), VIII, 109. 

9. Ujarëu, B. tuturad (worde gesproken over), Xllt, 36. 
Juss. Pass. 

B. aturaii, XXI, 66. 

B. ucapan, IX, 4, XVIII, 33. 

B. wilahan, XII, 58. 

B. ucapan, XX, 43. 

10. Mujari, B. hajahin (zeg tot), X, 55. Act. Trans. 

B. nandika (hadden gezegd), XIX, 88. Plusquamperf. Act. 

11. Ojar, B. matur (sprak), XI, 90, XXIV, 37. 

12. Inujar, B. ucapan (te spreken), XIII, 36. (Pass. Dur.). 

13. (an)panu j ari, B. hrunain (te spreken), XVIII, 47. 

14. Pojar, B. muüi (woord), XVIII, 49. 

15. Pojara, B. sin ucapan (worde gezegd), XXI, 98. 
B. kaucapaü, XXVI, 25. 

16. Panujar, B. atur (woord), XXI, 150. 

17. Aiiujar, B. üaturaü, XXI, 151 (Act. Dur.). 

18. Mujarakën, B. nucapaü (te uiten), XXII, 41. 

19. An uj ar-uj ar , B. mufii (te spreken), XXII, 42. Act. 
Dur. Infin. 

20. Tujara, B. caritayan (worde gesproken), XXIV, 127. 
Imper. Pass. 

21. Inujaran, B. kandikain (gezegd worden), XXIV, 
200. Pass. Durat. 

22. Inujarakën, B. ne ucapan, XXV, 20 , (werd gezegdy , 
Pass. Durat. 

Ujna. S. awajna (minachting), B. ajna (bevel), XXIV, 109. 

Volgens V. d. Tuuk ujèan = widagda 
TJjwala. S. ujjwala (glanzend), B. matej a, IV, 31 , XXII, 45. 

B. dumilah, VI, 1, VII, 101, VIII, 2, 47, 59,73, 
XII, 21 , stralend. 

B. mahëndih, XV, 30, XI, 1. 

B. m a b h r a , XI , 56 , schitterend. 

B. nëndih, XVI, 9. 

B. muntab, XXII, 77. 

B. suteja, XXIII, 75, XXIV, 17, 92. 



UJWALIÏA UÏUTUn. 81 

nTjwalita. S. ujjwalita, hetzelfde (Part. Perf. Pass.), J3. 
flumilah, IX, 42, XXIII, a."). 
Uücar. 1. Muüear, B. in u fier at (spoot uit), IV, 75, VI, 
21, IX, 50, XXIII, 8. 
B. sambëh, XX, 14, XIX, 76, XXI, 197. 
B. heiiceh, XXI, 246, XXII, 51. 
B. makëcor, XXII, 50. 
lldli. uitroep van smart, B, daliat, XXIV, 140, 
Ildul. B. wuwuk (hingen uit), XIX, 120. 

2. Uflula, B. huwug, XXIV, 23. Conj. na su gy an (van 
de aarde gezegd). 
Unda. 1 . M u n d o n d a , B. m a in b a d i n a n (draaide om), X V, 43. 
Aet. Intrans. 

2. Manu n d a , B. ra a t a d t a d a n , XV , 63. Act. üur. Transit. 
B. n u y e n (zwaaide) , XXI , 234. 

B. manu yen, XXII, 59. optillen. 

3. In uncja-unda, B. kau yen- u yen (werd voortdurend ge- 
draaid), XVII, 85. Pass. Dur. Frequent. 

4. Rundonda, B. dinawut (zwaaiende), XX, 11. Fre((. 
Partic. 

B. kau yen, XXI, 182, XXII, 70. 

5. Aüunda, B. nuyëfi (zwaaide), XXI, 181, XXIII, 42. 

6. N u n d a , B. n u y ë n (zwaaiende) , XXIII , 4, 
Undahagi. B. bandagina, bouwmeester, XVI, 1. Tag. anlo- 

wagi. Hoc. alawagi, Pamp. aluagi. 
ITnduii. 1. Undun-uiidun, B. tëgëh (hoogte), XXI', 194, 
stapel , brandstapel ? 
2. ü n d u n , B. n are n d e n (helden over) , IX , 54 , opgestapeld. 
Uiidiili. 1. Konduh, B. kas as (werden afgeschud), IX, 5i, 
Utah. 1. Manutahakën, B. man ut ah aü (spuwde), IX, 17, 

vgl. Mal. m u n t a h , Mak. n o t a q , Day . u t a. 
Utëk. B. polo (hersenen), IX, 17, 28, XV, 22, XiX , 106, 

XX, 2, XXI, 245, XXII, 51, 53. Mal. utak. 
Utit. 1. In ut i taken, B. kauyënan (werd omgedraaid), XX, 
19. Dur. Pass. Ind. 
2. Anuti taken, B. mahilchan (draaiden om), VI, 164. 

Act. Dur. Ind. 
B. ninëyan (draaide rond), XIX, 110. 
■'^UtutiiiV? 1. Umututuü, B. bënor, IX, ÖG , trokken een 
scheven mond. Aor. Act. Ind. 

6 



82 U'i'US UTPALA. 

2. Mututun, B. maraujuhan, XI, 10, hetzelfde (van apen 

gezegd). 
B, bujuh, XI, 1. van raksasa's. 
Utus. B. k apanandikain (bevel), VI, 19S. 

B. inutus, B. utus (bevolen), XXIil , 20. Mal. hetz. Tag. 

o t o s. 
Utkata. I. S. de aromatische bast van laurus cassia. B. hi- 

nukup (berookt), III, 5, XVII, 116. 
B. wukupan, XVII, 110. 
B. hukup-hukupan, VIII, 154. 
B. hukupan, VIII, 164. 
B. hasëp, XXI, 153. 
B. mahukup, XXVI, 25. 
IL S. opgewonden, dronken, dol, razend, B. krodha, 

XXV, 59. 
Uttaina. S. hoogste, beste, enz. B. vvi^esa (voortreffelijk), 

IV, 57. 
B. pa ra ma, XVII, 94, XVI, 29. 
B. lëwih, II, 32, XI, 91, V, 13, IV, 24, XVII, 18, 

51, 57, IX, 60. 
B. wruh! XI, 27 (de vert. foutief). 
B. aguh, XIII, 94. 
B. onvertaald, XIX, 57, VI, 9. 
B. patüt, X, 21. 
B. halëp, XVI, 20. 

2. Kottama, B. ne pinit (hetzelfde), VII, 92. 

3. üttamottama, B. dahat iii parama (allerbeste), 
XXI, 146. 

Uttunga. S. hoog, B. lëwih (beste), XII, 60, XXIV, 94. 
B. utama, XXVI, 24. 
B. parama, XXII , 53. 

2. Uttuügottunga, B. ngëgwanin lëwih (allerbeste), 
XXI, 213. 
Utpata. I. S. sprong, B. tatit upama (als de bliksem)! 
XX, 12, (sprong op). 
II. S. voorteeken , B. tënëran (teeken), XXII, 35. 
B. durmangala, XXII, 48, 49, slecht voorteeken. 
TJtpatti. S. het ontstaan, B. kawijilan, VI, 106. 
*Utpala. S. blauwe lotus (nymphaea), B. pusuh (pisangbloem) ! 
XVII, 131. 



UTPCNA UDHAHANI. 83 

B. tunjuü, XXVI, 26. 
ITtpëna. S. utpaiina (ontstaan), B. pikënayan, XXIV, 36. 
Utpliullil. S. wijd geopend, B. kucup, [| , 4. 
Utsaha. S. kracht, ijver, lust, enz. B. upaya, III, 59 

B. m a n i w i , XIX , 98 , adj . 

B. tan surud (moedig), XX, 7, vgl. Mal. Sund. Day. 
u s a h a. 
rdadhi. S. zee, B. pasi(h), XXII, 54. 
Udauwaii. S. zee, B. warsa bhagya, XI, 71. 
Udaya. S. naam van den berg, waar de zon opkomt , B. ^ikara! 
VIII, 42. De Bal. vertaling is totaal verkeerd. 

B. tuntuA! XI, 81, XII, 21 (de B. vert. foutief). 

B. gunuü! XXI, 208. 
tldara. S. verheven, edel, uitstekend, B. anwam! XVII, 42. 
IJdahaui. 1. B. inët (tot bezinning komen), XXIII, 48. Vgl. 
u d h a n i en u d h a h a n i . 

2. Tud ahan i, B. men et (breng in herinnering), XXV, 4(5. Imp. 
Uddhata. S. heftig, sterk, luid, hoog, trotsch. 

B. raksasa! VIII, 133, XXII, 61. 

B. krodha, IX, 33, XXI, 183. 

B. ankara, XIII, 91, XXI, 194, overmoedig. 

B. galak, XXI, 214, woest. 

B. karaksasan! XXI, 233. 
Udyana. S. tuin , B. t a ra a n , II , 1 , VIII , 86 , 88 , IX , 1 , 6 , 1 1 . 

B. onvertaald, IX, 3, 7, 13, 42. 
Udhani. S. bodhanï? B. melin (kwam tot zich zelf), VI, 64, 
XVII, 23, (tar udh., B. nora meliii, bewusteloos), 
XX, 70. 

B. men et, XX, 19. 

B. ninëtaü, XXII, 88. 

2. Maü udhani, B. mamuiiü, vermanende, XI, 95. Part. 
Praes. 

3. Tudhanidhani, B. eliü-elinan, breng voortdurend in 
herinnering, XXI, 39. Imperat. Intens. 

4. Mudhanyana, B. ajahin (breng tot inkeer), XXIV, 46. 
rTuss, Vgl. udahani en udhahani. 

Udhahani. 1. Ninudhahanya, B. paiiietin (dat tot bezinning 
komen), Conj. Pass. Dur. XIX, 101. 
2. Um udhahani, B. mababada (vermaande), XXIV, 240, 
Aor. Act. Ind. Vgl. udahani en udhani. 



84 UNeN — UNi. 

ünëii. I. B. pal in! verlangen, III, 23, VI, 41, 116. 
B. de men, VIII, 179, XI, 33, VI, 88, 128, VII, 18. 
B. riman, VII, 7, VIII, 108. 

2. Mouën, B. hetzelfde (adject.), VI, 41, XI, 90. 

B. (jëmën (verlangend), VI, 42, 89, VIII, 79, I, 61, 

VII, 49. 
B. palin, VI, 45, III, 22. 
B. sajaü. VIII, 96. 
B. ulaiiün, VII, 10. 
B. murccita (bedroefd). IX, 55. 
B. naran , XI, 76. 

3. Anunën, B. dëmen, VIII, 150. 

4. Konën-unëü, B. ndëraënaii (verlangen inboezemende), 
V, 13. 

B. dëmëni, V, 72. 

B. kahyunhyun (bekoorlijk), VI, 193. 

B. nahyunhyunin, VI£, 34, XVI, 8. 

5. Onën, B. dëraën (verlangend), VII, 8. 
B. naran, XI, 77, 89. 

B. ulanun, XXVI, 22. 

6. Unën-u nëü. B. sënën dëraën (verlangen), XVII, 88. 

7. Monëna, B. riman, XVII, 107, als verlangend. 
B. dëiuën, VIII, 154 (couj. na wineh). 

8. Monën-uuëii, B. dëmëu pada dëmën, XXIV, 235. 
II. Maiiuuën, B. onvertaald, naam van een bloem, XVI, 34, 

XVII, 117, XXV, 76. 
Uni. Vgl. Mal. buni. Bug. uni, geluid. 
B. swara (geluid), VIII, 99, VI, 117. 
B. ujar (geluid), V, 53. 
B. wirasa, XI, 34 (inhoud). 
B. muhi (geluid), VIII, 183. 
B. manupin (speelde), XXIII, 72. 

an uni, B. swaranya (als zij zongen), VIII, 97, 98. 
B. maswara (als zij zingen), VII, 16, XIX, 15. 

2. Moni, B. maswara (maakten geluid), II, 6, VII, 21, 
XII, 65. 

B. muiii, II, 9, VI, 172. 

B. mamuüi (brulde), II, 17, 26. 

B. swarane (maakte geluid), IX, 11. 

3. Muui, B. muüi (maakte geluid). II, 19, XXV, 61. 



UNUS — UNDUR. 85 

B. in as war il (maakte geluid), VU, '21, 34, XVI, 38. 
B. svraranya, (zougen), XV, 66. 
B. ucapane, II, 25, praatteu. 
B. UI a m u n i (zongen) , VI , 119. 

4. Manunyakën, B. manuccaran (prevelde), V, 67. 
B. mail u e ara na (riepen), XXI, 153. 

5. Umuni, B. raas war a (zongen), VI, 32. Aor. Act ludic. 
B. ujara (zougen), VI, 117. 

6. Inunyakën, B. inucarana (werd geuit) , XIX , 44. Pass. 
Dur. Indic. 

7. P a ni u n i , 1^. ]) a ii a n d i k a (woord) , XXI , 164. 

Unus. 1. Manunus, B, raaiiëmbus (trok uit), V, 36 , VIII , 
136. Act. Dur. Indic. 

2. Runus, B. hetzelfde (terwijl uittrok), VI, 20, 76. 

3. In unus, B, maëmbus (werd uitgetrokken), VIII, 35. 
Pass. Dur. lud. 

4. Anunus, B. nëuibus (trok uit), VIII, 190. Act. Dur. 
Indic, 

5. Unusi, B. ëmbusin (worde uitgetrokkken) , XXVI, 25. 
Iinperat. Pass. Vgl. Sund. hunus, Tag. honos. 

Uutab. 1. Muntab, B. balini! ontvlamde, VI, 54. Aor. Act. 
Indic. (v. toorn). 
B. dumilah, XXIV, 8. 
U ntal. 1, Kontal, B. këtës (weggeslingerd) , II , 43 , XI , 
8, XXI, 196. 
B. uambelen, XIX, 111, XX, 14, 26, XXI, 184. 
B. mlakëtik, XVI, 46. 
B. paglautës, XXI, 224. Aor. Pass. 
ündur. Mal. hetzelfde. B. lilih (terugtocht), XXII, 64. 

2. Muudur, B. iiilësin (week terug), VI, 20. 
B. ma kal ah, XII, 15. 

B. makawon, XII, 43. 

B. nahëdin, XIX, 78. 

B. makilës, XX, 5, 11, 24, VI, 21. 

B. nginsiran, XII. 19. 

B. lilih, XXI, 121, 185. 

3. Koudur, B. malipëtan (werd teruggedreven) , XIX, 105. 
B. lilih, XXI, 179. Aor. Pass. 

4. U muudur, B. malahib (week terug), VI, 85. Aor. Act. 
B. lilih, XXI, 181. 



8 6 UP AK^R A upa Y A . 

B. nahëdiü, XXI, 236. 
Upakara. S. dienstvaardigheid, weldaad, liul|). 
B. kapahayu, XLI, 31. 
B. kaprateka, VII, 45. 

2. Anupakara, B. kadhanai n , VII , 88, weldoen (Act. Dur.) 

3. P a ii u p a k a, T a , B. p a m r a t e k a (weldaad) , TTI , 12, XX , 67 . 
B. pagawe, XVI, 6, werk? 

4. Umupakara, B. mararateka (weldoen), XXI, 90. 
Aor. Act. 

Upaliaraiia. S. dienstvaardigheid, werktuig, middel. 

B. saprateka, XXIII, 73. 
■^Upat-apit. B. kahumpag-hampig, XIX, 75, heen en weer 
slaan ? 
L'pade^'a. S. aanwijzing, onderricht, voorschrift, les. 

B. bwat d har ma (raad), XI, 43. 

B. magawe ha vu, XXII, 20. 
Tpadrawa. S. ongeval, leed, B. ma^apa, XXIV, 32. 
Vpabhoga. 8. genot, gebruik, B. mas, II, 50 , hetgeen genoten 
wordt. 

B. upakara, XI, 47, genieting. 

B. onvertaald , XXI, 168. 

B. bhukti, XXIV, 58. 

B. ginawe bhukti, XXIV, 58. 

2. Panupabhoga, B. panuntun bhukti, XXIV, 69, 
hetzelfde. 
Upaiïia. S. aan 't einde van een compositum bet. '/gelijk'/. 

B. onvertaald, VI, 19. 

B. Iwir(nya), VII, 41, XVI, 31, 40, III, 73. 

B. (yen) sawaüan, V, 18, 66, VI, 154, III, 76. 

B. sawan, VIII, 74, XII, 38. 

B. sawanan, XI, 1. 

2. Upa man, B. Iwir(nya) te vergelijken, III, 66, XI, 2. 
B. sawaüan, XXV, 82. 

B. handehan, XXIV, 233. 

3. Upama, B. sawanan (zou men kunnen vergelijken met), 
VII, 85, XXI, 108. 

4. Panupama, B. sa sawaüan (vergelijking), XX, 43, 
XXIV, 25. 

Upaya. S. bijkomst, middel, list, B. indrajala, V, 12, 38, 
VI, 150. 



UPAWïlDA UPëT. 87 

B. daya, XTII, 57, 26. 
B. day.itiü Xin, 13. 
B. rawos, Xlll, '21. 

2. Upayan, B. dayaan (te bedriei^c») , lil, 81. 

3. Upaya, B. dayaan, gebruik eeu list, \ l , 170. Iinpcr 
B. daya, IX, 84. 

4. M o p ïl y a , B. b w a t u p a y a ! bedriegen , X , 43. 
B. iudrajala, XXV, 2. 

0. luupaya, B. pinrilian (werd bedrogen), Xlll, 60. 
Pass. Dur. Ind. 

B. dayaan, XIII, 67. 
B. kadayaaii, XVI, 5. 
Upjiwüda. S. berisping. 

1. Mupawa. da, B. manacad (over iemand spreken), X,43. 
Upa<^*«iina. S. tot rust komen , rust. 

B. ampura, XXIV, 132. 

Upacama, B. pamalaku, XIII, 78, gemoedsrust. 

2. Upa?amA, B. palapau, VI, 149, XIII, 8. 

3. Panupagama, B. panastawa, XIV, 43. 

4. P a n u p a 9 a ra a , B. p a n a k s a m a , XIV , 45. 

5. Upa^aman, B, palakuan, XIV, 43. 
Upas. B. onvertaald , XII , 38 , vergif. 

2. Inupasan, B. raaupas (vergiftigd), XIX, 108. Part, 
Dur. Pass. 
Upahata. S. geslagen, gestooten, getroffen, gedood. 

1. Üpahata, B. ma])inda sapunika! XXI, 65, gedood 
(conj. na yar). 

Upahasa, het uitlachen, B. fialah kahyun, VIII, 145. 
Upëk. B. hibuk (moeite, verdriet), VI, 63, XI, 29. 
B. sëksëk, VII, 82. 

2. Mopëk, B. hibuk, (bedroefd), VII, 11, XI, 81. 
B. bëlbëlan, X, 65. 

B. söksëk, XI, 80. 

3. Opëk, B. hibuk, VIII, 159. 
B. söksök, XVII, 54. 

B. bëlbëlan, XXII, 50, XXV, 58. 
Upët. 1. Umupët, B. manacad (kwaad spreken), X,61,Aor. 
Act. Indic. 
2. In upët, B. kacacad, III, 68. 
B. kaceda, XIV, 29, Pass. Dur. 



18 UPIL ÜMBATl. 

Upil. B. ben til (verdroogde snot), XXII, 62. 

Upiik. 1. Manupuk-u puk, B. man ëh en ëhët (tegenhouden), 

XXII, 6. Act. Dur. Ereq. 
Upeksa. S. minachting, verwaarloozing. 

1. Anupeksa, B. nawruhin, XXIV, 109. Act. Dur. 
rpeksaka. S. niet lettend op. B. pradata, XXIV, 65. 

B. matakon, XIII, 25. 
Ubar-.abir. B. rarontek (vlaggetje of wimpel), XXIII, 76. 
Ubub. 1. Inububan, B. sempronin (aangeblazen worden), 

XI, 1. 
Ibhaya. S. beiden, B. nukaan! belofte, III, 58. 

2. Inubhaya, hetzelfde (Pass. Dur.), III, 78, beloofd. 

3. Kobhaya'n, B. hetzelfde (Pass. Aor.) , XIX, 62, beloofd. 
Umau. 1. Ruman-uman, B. mambatbat (terwijl beknorde), 

VI, 173. 

2. Anu man- umau, B. hetzelfde, III, 30, beknorrende 
(Act. Dur.) 

3. Aüuman, B. mamatbat, V, 36. 

4. Muman-uman, B. mambatbat, XVIII, 49. Aor. Act. 

5. Manuman-uman, hetzelfde Dur. Act. ,) V , 60, XIV, 59. 
L^iiiab. Mal. rumah, Sund. imah, Jav. omah. B. onvertaald, 

huis, woning, VII, 64, XI, 1, XXIV, 113. 
B. grha, VII, 69, XI, 2. 
B. bale, VIII, 70, 107, I, 14. 
B. pak uw wan, XIV, 36. 
B. jëro, III, 70. 

2. Pomahan, B, p r a g r h a n (woonplaats), VI, 127, 
XIX , 99. 

3. Momahi, B. magënah (wonen in) XXI, 105. 

4. T a n p o m a h , B. n o r a m a u m a h (zonder huis) , XXIV, 111. 
B. twara umah, XXIV, 112. 

Uiiiik. 1. Mumik, B. mapëta, XVII, 64, mompelen, prevelen 

(Aor. Act.) 
Tmbak. 1. Mombak, B. mombakan, XI, 8, golvend. 
2. Kombak, B. kagulunan, XV, 32, XIX ,74, 86 , XXI , 
175, overstelpt. (Aor. Pass.) Mal. Jav. om bak. 
Uiiiban. 1 . M a n u m b a n , B. m a n a m b a ü (zwem men) , II , 18, 
Act. Dur. (van ganzen). 
B. üalani, XXIV, 104. 
2. (yan) panumban, B. kambaü, XXII, 52. 



UMBAN TIUUB. 89 

Uiiiban. B. sas am par (slinger?), IX, 10, vgl. Hat. Men. 
u in ban tali (slinger). 
2. Inuinbau, B. kacaiigah, XXill, 55, door een slinger 

getroften. (Pass. Dur.) 
B. katimpugin, XXV, 64. 
UmbJirali. Tarpaüumbarah , B. nora inolah (onbewegelijk), 
XYII, 03. 
tan p a n u m b a r a b , B. u o r a u a m o 1 a li , XXI, 3 , van een 
bewustelooze. 
l^iubilh. 1. Aiiumbab, B. Iwir go da, XXVI, 25, Jav. was- 

scben , B. beproeving? 
Uyiit. 1. Inuyut-uyü taken , B. nrusakan, XI, 02, werd 

vernield. Pass. Dur. 
Uyüyu, B. nankriman, XXII, 7, zacht gekweel. 

2. Manuyiiju, B. magaga mël an , VIII, 167. Act. Dur. 
Uragapati. S. slaugenvorst , B. nagaratu, VI, 57. 
Urat. B. uw at (ader, spier), XIX, 85. (Mal. Bat. betz. Day. 

ohat. Mak. uraq, Bug. uraq, Tag. ogat.) 
Uray. Z. ure. 
Urëm. 1. Orëm, B. limuh (kwijnend), XII, 27. 

2. Morëm, B. kagërinan, XVII, 114, ziek. Mad. hetz. 
Men. hurara, Mal. muram. 
Uriili. B. gësit (vuil), VI, 34, 167, gescheurd? 

2. O ruk, B. sutsut, VI, 180, ziek. 

3. Mor uk, B. bib uk (bedroefd). Vil, 18. 
B. gësit, IX, 48. 

B. rënu (gramstorig), XXII, 52. 
Urilg. 1. Manu rug i, B. manimbuhin (verhoogen) , IX, 7. 

Act. Trans. 
Urud. 1. Umurud, B. makilës (M'eek terug), XXII, 87. Aor. 

Act. Indic. 
Urub. 1. Umurub, B. raaüëndih (vlamde), XI, 1. Aor. Act. 
Indic. 
B. uj w ala, XV , 36. 

B. i\ëdih, VI, 123. XVI, 24, XXII, 77. 
2. Murub, B. hetzelfde, VI, 126, XVII, 92, XI, 1, 2. 
B. ëndih, XVII, 106, X, 72. 
B. durailah, XIX, 37, XX, 16. 
B. madilah, XIII, 78. 
B. niuntab, XIV, 48. 



90 URUR ÜLAH. 

B. manëndih, XXIV, 2. 
B. ndilah, XXIV, 25. 
*Urur. 1. Nururakëu, B. sainbëhin (strooieu ?) , XXV, 85. 
■^Urüru. 1. Nurur waken, B. manahasan, XVI, 29, Bis. 
o 1 o - o 1 o (bedriegen) ? 
2. M u r u r w a k ë n , B. mande 1 a 1 i , in slaap sussen ? XXIV , 
24. Aor. Act. 
Ure (uray). 1 . U m u r e , B. m a g a m b a h a n (ging los) , III, 
24. Aor. Act. Indic. 
Umuray, B. pasrawe, XXV, 71. 

2. More, B. pasrawe, XI, 4. 

B. inagambahan, XV, 68, XXV, 76. Med. (sich lösen). 

3. Mure, B. pasrawe, XXIII, 75. 
luuray, hetzelfde, XXV, 89. 

Dia. Slang, B. n^ga, IV, 74, XV, 30, XXI, 50, XXIV, 3, 
IX, 82, enz. 

B. nanipi, V,71, VI,57, 139, XII, 61 , XIII , 1 7 , XXIV, 83. 

B. sarppa, XI, 66 XX, 58. Mal. ui ar, Bug. ulaq. 
Ulad-alid. Tan ulad-alid, B. ta n pa talëtëh , XII, 48, 

oprecht ? 
riap. B. ndisi, bevreesd? XXI, 188. 
Vlam. B. mëbe (vleesch , visch), XXV, 40, 43. Mal. hetz., 

Tag. olam (toespijs). 
l'lah. B. ^ila (handelwijze), III, 57. 

B. laksana, III, 75, 77. 

B. solah, VIII, 118, 119. 

B. lampah, XXIV, 49. 

B. bhawa, V, 51. 

B. polah, VI, 151, XXI, 234, IV, 53, XII, 16. 

Bal. onvertaald, XXIH, 39, XXIV, 157. 

B. bik as, IV, 53. 

2. Molah, B. melogan (zich bewegen), II, 4, 8, meestal: 
//schudden". 

B. magelohan, XI, 12, XX, 11. 

B. makitukan, IX, 57, XI, 1. 

B. nigël, II, 14. 

B. mulincak, X, 26. 

B. laksana (handelen), X, 27. 

B. makipëtan, XXI, 15, 

B. ulah (handeling), X, 45. 



ÜLëK ULI. 91 

3. Pinakolali, B. agud lak sa na (tot doel hebben), IV, 53. 

4. Makolaha, 15. nlaksanavan (te handelen), XVli, 50. 

_ (Couj.). 

5. P o 1 a h , B. b i k a s (handelwijze) , VI , 1 5 1 . 
H. paelog, XVI, 35. 

6. Ulaha, B. polah, VIII, 17(5. Put. 

7. Umulahakën, B. nalak.sai'i aj afi (bewerkt), XIX, 25. 
(Aor. x\ct. Ind.). 

8. Maiiulahaken , B. ma lu ri h afi , XXI, 135, selieppende. 
(Part. Dur.). 

9. Ta u polah, H. nora ui o la h (onbewegelijk), XIX, 106, 
XXII, 52. 

10. Tar olah, H. sahasa, onverschrokken, XXIV. o, 

11. Olah, 11 manlah (handelende), XXIV, 54. (Part. Praes. 
Act.). 

B. mol ah (zich bewegen), XLl, 63. 
B. mogaran, XVI, 15, zich bewegen. 

12. Aó ulaha, B. laksana (bewerk), XXIV, 65 (Juss. x\ct.). 

13. Mo la hul ah, H. laksana lampah, XXV, 55 (Freq. 
Aor.). Vgl. sol ah. 

Ulëk. B. tibu, XXV, 51, 61. Jav. dwarling, wieling, rond- 
woeling. 

2. Mulëk, B. nëlebut, IV, 73, IX, 41, uitkomen? 

3. Molëk, B. maulëkan, VI, 138, dwarlen. 

4. Kolëk, B. raatibuan, VI, 138, rondgedraaid. 
Ulëg (iilög), afkeer, XXIV, 148. 

2. 01ëg,B. mëlëd, XXIV, 
117, een afschuw hebben. 
Ulëm. B. bal ut, kwijnend, Vlll, 71. 

2. Molëm, B. hetzelfde, IV, 31. 
B. ü ë 1 ë m , XII , 3. 

molöra, B. wil is, XVI, 32. 
B. balut, XIX, 22. 

3. Olëm, B. arfim, XXIV, 251. 
IJlës. B. kambën (kleed), XXVI, 3. 

2. P i n a k o 1 ë s , B. m a k a t a 1 ë d (strekte tot k ussen ?) , X I , 95. 

3. Molës, B. kambënan (gekleed), XXIV, 114. 
B. halus (zacht)! XX, 79, kussen. 

Uli. 1. Moli, B. nawonan (onderdoen), V, 87. 
B. n a s o r a n , XIV , 9. 



92 ULIK — DLIH. 

2. Molya, B. tan uniiia (niet weten), V, 83. 

3. Koli, B. kolugaii, V, 83. 

Ulik. 1. Mulik, B. ruruh (opsporen), XXIV, 86. Intin. 
Ulin. 1. Tamolin, B. nora len (geen ander), VIII, 16, 9 
zonder twijfel. 
2. Molin. B. nasoraii, XXIV, 229, anders? 
Ulisak. 1. Umulisak, B. man ruruh, III, 33, zoeken naar 

(Aor. Act.). 
riih. I. B. autuk, VIII, 53 (verkregen). 
B. de (doel), XVIII, 34. 

2. Uliha, B. pëjahiu (moeten verslagen worden), IV, 65. 
B. haban (zal krijgen), IX, 59, 

B. matiaii, IX, 61 (te zullen vangen). 

B. makolih, IV, 57, zult verslagen worden (fut.). 

3. P a k o 1 i h , B. pëjahiu (nederlaag) , XIX , 97. 

4. Makoliha, B. amejahi (zullen verslaan), IV, 68, 
VIII, 198. 

B. iiamahan, XIII, 28. 

B. nalahan, XIII, 29. 

B. mambakatan (om te vangen), V, 41, Conj. 

5. Molih, B. polih (overwinnen), XV, 69, XIX, 72. 
B. mëjahin, XXI, 214. 

B. üjaja, VIII, 72. 

6. Oliha, B. a mëjahin, XIX, 115. 

7. Moliha, B. nasoran (om te verslaan), XIX, 109. Conj. 
B. wruh, XXV, 42, verkrijgen. 

8. P i n a k o 1 i h , B, k a s o r a li (verslagen; , XIX , 112, 

9. Olih, B. polih (verslagen), XXIIl, 37, 
B. nahinaü (verkrijgen), XXII, 52. 

10. Polih, B, awanan, XXIV, 12. 
B. mabahan, XXIV, 12, slagen. 

11. Makolih, verslaan, V, 52. 

12. Ulihën, B. pëjahin, zullen verslagen worden , VIII, 17. 
(Fut. Ind. Pass.). 

II. Ulih-ulih, B. lirawos-rawo san, beraadslagen, XXV, 98. 

2. Ulih-uliha, B. polih (beraadslaag), XXV, 5. 

3. Ulih-ulihan, B. habahabahan, beraadslagen, XV tl, 59. 

4. Anulih-ulih, B. iirasa-rasa, beraadslagen, VIII, 180. 
B. nrawos-raw os, XVIII, 44. 

5. Maüulih-ulih, B, man ras a-ra sa, beraadslagen, VIII, 178, 



ULlI UWAH. 93 

6. lüulih-ulih, B. karawosan, XIV, 21. 

II[. Ulih, B. raantuk (terugkeeren), VI, 27, löo (terugkeer). 

B. mulili (keer terug), XVII, 82. 

2. Uliha, B. laksana (te zullen terugkeeren) , VL, 166. 

3. Umulih, B. fiaraantukan (terugkeeren), VII, 6. 
B. mautuk, VIII, 138, IX, 29, XVlll, 11, XX, 40. 
B. u ra au tuk, XVIII, 15 (Aor.). 

4. Urauliha, B. man tuk (om terug te keeren) , II, 66, 
XV, 59 (Conj.). 

5. Mulih, B. inantuk, II, 43, IX, 21, VI, 43, 203, 
XII, 62, VIII, 143, XI, 6, 14. XX, 37, 74. 

6. M uliha, B. mantuk (ora terug te keeren), I, 58, III, 
50 (Imp.), 48 (conj.), 52 (Imp.) , V, 52 (Fut.). 

B. ra ulih, m, 47. 

7. Tulih, B. mulih (keert terug) , Hl, 13, 45, XVIII, 48. 
XXI , 1 1 3 , Imperat. 

8. Rulih, B. mantuk, XXIV, 40. 

9. Inulihakën, B. kantukan, teruggebracht worden , XXI, 6. 

10. Ara ulih, B. mantuk (terugkeeren), XXIV, 12, XXVI, 43. 

11. T u 1 i h a , B. mulih (keer terug) , XXV , 5. 

12. R ulih aken, B. sant ukan (beantwoorden), XXV, 37. 
riü. 1 . U m u 1 ü , B. ra a 1 o d 1 o d (puilden uit) , VIII , 20. Aor. 

Act. Indic. 

2. Mulü, B. pëlud, IX, 28. 

B. bad bad (hingen uit), XIX, 125, van de darraen gezegd. 

B. pësu, V, 45. 

B. hërabud, XXI, 203, vgl. Mal. ulur. 
Ulur. 1. Mulur, B. nuntun, XXV, 84, binden. (Aor. Act.). 
IJltali. 1. Multak. B. makacërot, XXI, 245, spatten uit 
(v. d. hersenen). 

B. raëlëkëtuk, XXIV, 4. 
XJwali. Sund. Mal. o bah. Bat. oba, Malag. o va. 

B. laksana (weder), XXI, 30. 

2. I n u w a h a n , B. k a p i n d o n i n (weder gedaan) , XIX ,81, 
XXI, 199. 

B. karaalihin, XXIII, 5, werd wederom. 
B. malih, XIX, 111. 

3. Uw aha, B. raalih (weder), XXII, 52. Conj. na kadi. 

4. Umuwaha, B. iiaraalihin (om weder), XXII, 54. Aor. 
Conj. 



94 uwiL — usi. 

5. Mowah, B. miwah (weder), XXIV, 4. 

6. Owah-uwah, B. katah tanpasah, XXVI, 25, telkens 
weder. 

7. M u w a h a, B. u w u h , XXVI, 25. Vgl, m u w a h en 
s o w a h. 

II wil. ]. Maiiuwil, B. man o bes, VI, 164, verscheuren? 

(Act. Dut.) 
Uwuli. 1. üwuh-uwuh, B. mahi m buhimb uh, VI, 73, ver- 
meerderen. 
U^ana. S. awasana (einde), titel van een boek, XVII, 70. 

B. SU ba (oud), XXVI, 34. 
Ucwasa. S. ucchwasa (aanzwelling, zucht, adem). 

B. hankihan (adem), Vil, 110, VIII, 77, XII, 8, XV, 67, 

XIX, 70, XXII, 47, 57. 
B. mankihan. XXII, 71. 
Usap. 1. Nusap, B. kausap (afwisschende) , XXI, 38. 

2. Nusapi, B. nadsadin, XXV, 115. Trans. 
Ru sap i, hetzelfde, doch beleefder, XXVI, 9. 
Tusapi, B. sadsadin, VI. 110, Imp. 

3. In usap, B. kausap in, VI, 111. Pass. Dur. 

4. Ü m u s a p , B. nadsadin, VII , 40. 
B. nu sap, XXIIl, 34. Aor. Act. Ind. 

5. Musap, B. man usap, XX, 73, wischte af (de oogen). 
Ilsah. B. huyan (ongerust), XI, 2. 

2. Mosah, B. hetzelfde, VI, 23. 26. 
B. gësah, IX, 21. 

B. ge war, XIX , 85. 

B. os ah, XXI, 175, bezorgd, bekommerd. 

B. re nas, XV , 55. 

3. Os ah, B. onvertaald, XI, 89. 
Fsön (usën). B. gatiyah (snel), VII, 37. 

usën, B. gëlisan, XVII, 90, XVIII, 10. 

B. engalan (spoedig), XVIII, 48. 

B. gëlisan, XX, 50. 

usön, B. matëlasan, XXI, 120. 

2. Üsën-usën, B. pragat-pragatan (zeer snel) , XXVI , 25. 
Usör. B. huntën (boommerg), VIII, 160, III, 23, smeersel? 
II Sl. Mal. u s i r. 1 . S i 1 i h u s i , B. s a 1 i n b u r u (elkander achter- 
volgen) , XXI, 213. 

B. salin prihan, XXI, 242, XXIV, 19. 



usiK — usui'i. 95 

2. Urausi, B. raanepuM (achtervolgde), V, 42, Aor. Act. 
Indic. 

3. Inusi, Pass. Dar. Indic. B. buruii, V, 84. 
B. kauüsi, VIII, 19. 

B. kaparanin, VIII, 112, XX, 18. 

4. Anusï, mburu, VI, 24, achtervolgende (Part. Act. Dur.), 
B. mamrih, XXI, 240 (achtervolgden). 

5. Mosyau, B. miiicanau (vervolgende), VI, 2(). (Part. 
Praes. Act.) 

B. midëhan, VIII, 64, XX, 13. 

6. Musï, B. maüëpuü (achtervolgde), IX, 21. 

7. Manusi, B. ma mburu, XIX, 86. Act. Dur. 

8. Kosï, B. kakëpun (achtervolgd), XXI, 179, 191. Aor. 
Pass. 

9. Posjan, B. pahilëh (vervolging), XXI, 241 , vgl. usir. 
Usik. 1. Mosik, B. kasëlëk (iu beweging), XIX, 85. 

B. repot, XX, 21. 
2. Osik, B. kësël, XXII, 52. 
B. kasëlëk, XXIII, 38. 
Usir. l. An usir, B. nalih (zochten), XXIV, 104, gingen 
achterna, 

2. Nusir, trachtende, B. kaprihan, XXIV, 103. 
B. mamrih, XXV , 26 , strevende naar. 

3. Rusir, B. prihan, XXVI, 25. 

4. Manusir, B. mamrihan, XXIII, 16, XXV, 30, 
Dur. Act. 

5. Anusira, B. hetzelfde (Conj.), XXIII, 51, om te streven 
naar. 

B. mamriha, XXIV, 248. 

6. Aüusir, B. nadyayan, XXIV, 251, Act. Dur. (achter- 
nagaande). 

7. Nusira, B. mamrihan, XXV, 31, om te streven naar. 

8. Usira, B. sadhyayan, XXVI, 25. Vgl. usï. 

Ilsun. Bat. Mal. Sund. hetzelfde. 1. I n usuü-usun, B. karojoü 
(werd vervoerd), IX, 87, XV, 62. Pass. Dur. Indic. 

2. M a il u s u ü - u s u n , B. m a s u 1 u n - s u 1 u h (vervoerende) , 
XI, 50. 

3. Inusun, B. katatakin (werd gedragen), XIX, 83. Pass, 
Dur. Ind. 

B. kasankol, XXI, 1. 



96 TJSUP rSIGAÜA 

Usup. 1. Usup-usup, Ti. kabau-kabaii, XXV, 102, spinn(>n- 

web , spinrag. 
üsus. B. ba san (ingewanden), V, 45, IX, 19, XIX, 125, 

131, XXI, 217, XXII, 48, 50, 51. 
Uha. 1. An pa nu ha, E. inangërak (brullende), VI, 54. 
Uhut. 1. Muhutakën, B. manie mekan (beletten), VI, 60. 

2. Mohutën, B. mamunsuh (worde belet), XVII, 88. 
Juss. Pass. 

3. Uhuti, B. andëgai'i (worde belet), XXI, 67. Imp. 
Transit. Pass. 

4. Kohut, B. gal e ra e kin (te beletten), XXII, 38. Gerund. 

5. Inuhutan, B. matëiiëran (belet worden), XXIV, 119. 
Pass. Dur. 

6. Manuhutana, B. mahlemekin, XXV, 44. Act. Dur. 
Trans. Conj. 

Uhuh. 1. Inuhuh, B. ka huk in (geroepen worden), V, 46. 
Pass. Dur. 

2. Anuhuh, B pawulun (riepen), XI, 2. Act. Dur. Indic. 

3. In uhuh uhuh, B. kasuhsuhan (telkens geroepen wor- 
den), XXV, 64. Pass. Dur. Freq. 



R. 



Rk. S. , naara van een der wed a's, I, 19. 
Rtu. S. jaargetijde, XXI, 139, VII, 2, B. ^a^ih (maan)! 
Rsi. S. zanger, wijzer, heilige, kluizenaar. B. manditahin, 
I, 38. 
B. pandita, II, 22, 33. 
B. yati, II, 29, V, 25. 
B. uiuni, XIV, 5, XXIII, 9. 

B. onvertaald, XIV, 11, 12, XX, 28, XXI, 143, 153,111, 
71, XXIV, 212. 
Rsigaua. S. zienersschaar , B. rsi ambara! XX, 22, XXI, 130 
(door verwarring met gagana de vertaling fout.) 
B. rsi wiyat! XX, 27. 



rSIOATR U — AI lU 'a,NTI . 97 

B. rsi kabeh, XXIV, 30, 90. 
^Rsi^atru. S. vijand der kluizenaars, IV, 46. 
Rsyamüka. S. naam van een berg, VI, 80. 129, 130, 133, 

134, 135, Vin, 189, XXV, 4 (Jav. H. lleksamuka). 
Rsya^'i'ilga. S. naam van een wijze , 1 , 22. 



E. 

Ekalii. S. alleen, B. pararagan, VIII, 91. 
B. udii, X, 11. 

B. batis! X, 37. De vertaling onzin. 
Ekacatra. S. ekacehatra, onder één zonnescherm, allecMihecr- 

schappij, B. makapaj «in, XVII, 31, alleenheerseher. 
Ekanta. S. geheele toewijding, B. asiki, XIV, 1(3. 
Ekapattaka. S. "^ekapataka = ekapati (alleen gaande), IJ, 

ndewek kasakitan, XXIII, 66, 
Ekapada. S. één voet, éénvoetig. 

1. Manekapada, B. masuku tungal (op één been staan) , 
II, 34, XXII, 75. 
^Eka^'araiia. S. eenige toeverlaat, B. makasahaya, XX, 66. 



Ai. 

Ai. B. hih! (foei), uitroep, II, 38 (afkeurend). XI, 34 (smee- 
kend), II, ö9 (uitroep). 
B. ingih (goedkeurend), II, 44, 46, VI, 191. 
Airawana. S. naam van Indra's olifant, XXL, 146. 
Airc^'finti. B. tïrtha pin ft ja (wijwater), II, 20, XXVI, 23. 



98 o KAKA. 



O. 



o. B. hih! (ach), uitroep, Vil, 40. 

On, als, I, 53. 

Opwan. B. karaua (redeu)! XXII, 37, als echter. 

Om. S. de heilige syllabe, XXI, 140. 

2. Om -o ra, B. ingih sapunika (ja, zoo zij het!), I, 56. 

3. Umom, B. manke ida! zeide //oiii'/, VI, 201. De B. 
vertaling verkeerd. 

Osadha. S. ausadha, geneesmiddel, B. hubad, V, 77, VII, 
17, XI, 48. 
B. tamba, VI, 28, XIV, 66. 
osadha, B. hubadin, VI, 180. 

2. Osadha, B. angon hubad (zij een geneesmiddel), VIII, 
125, Optat. 

B. makatamba, XVII, 63, VIII, 160. Couj. 
B. tambana, XXI, 47, optat. 
B. uambanin, XXIV, 173, conj. 

3. Panosadha, B. polih hubad (middel om te genezen), 
III, 22. 

4. Osadhana, B. ubada, XXVI, 30. Optat. Trans. 
Osadhi. S. kruid, plant, B. mrtta, I, 29. 

B. sarwwa tumavruh. II, 28. 
B. tamba, XXIV, 10, 11. 

2. pinakosadhi, B. makatamba (tot geneesmiddel strekken), 
XXV, 92. 
■^Os. 1. Osakëna, B. gawena (op te volgen) , XXII , 9. Vgl. hos. 



K. 

K. B. onvertaald, dat ik'/, XXI, 76, XXII, 17, 89, III, 11. 

Vgl. ak, g, n. 
Eaka. I. B. raka (oudere broeder of zuster), IV, 63, XIII, 
10, 13. 

B. bëli, VI, 87, IV, 58, 34. 



KAKAn — KAflJAU. 99 

B. onvertaald, III, 43, 48. 
B. na ma, IV, 41 , enz. 

2. Akaka, B. rin bëli (jegens uw omlevoii broeder) , lil , 47. 

3. M akaka, hetzelfde, V, ()2. 

B. m a n a m a , XXII , 17, Mal. k a k a i'i. Tag. k a k a , ]iat. 

haha, enz. 
II. B. gagak (kraai), XIII, 16. 
Kakaü. 1. Makakan. B. firapapaü? XIX, 121. (Mal. kankai'i, 

wijdbeens loopen). 
Kakap. B. badënan, soort van visch (Lat es calcarif er), XI, 07. 

B. yuyu! XV, 25, de vert. onjuist. 
Kakar. 1. Anakar, B. manakak (krijschen) XXIII, 77. Act. 

Dur. Ind. 
Kakah. B. kukuh (stevig), XXIV, 110. .Tav, staande tusschen 

de beenen, onder den voet hebben. 
Kaki. B. wawayah (oud man), III, 7. 
B. wayah (grootvader), XIV, 1, 20. 
Kaga. S.khaga, vogel, B. këdis, VI, 72, XXIV, 233 (kAga). 
Kagendra. S. kha gendra, koning der vogels, B. naruiln, 
VII, 90, XXIV, 26. 
B. paksi gëde, VII, 106. 
Kaüës. B. manan (bijtend?), XXII, 88, scherp. 
Kaïikuii. B onvertaald, een kruipgewas (Iporaaea reptans 

Po ir.) XXIV, 116 (Mal. Sund. hetz.). 
Kaü^a. S. Kan sa, naam van een d ai tya- vorst, XXI, 147. 
Kaiïsi. 1. Makansi, B. magamël (het instrument kan si be- 
spelen), XIX, 13. 
B. makëmon, XXVI, 23. 
Kacak. 1. Anacak-acak, B. kreyakreyak, XXIV, 120, 

schreeuwen (van cakrawaka's gezegd). 
Kacapi. B. kalihasëm (naam van een vrucht), VIII, 10, 
B. pinanan, XVI, 45. (Jav. Sund. hetz. vgl. Ind. Gids, 
1889, p. 488). 
Kacah. 1. Kumac ah, B. ma canda (stoeien), XXIV, 120. Aor. Act. 
Eaüiri. B. kaneri, oleander, XXV, 9. 

Eaücanamaya. S. van goud gemaakt, B. sateja, XXIII, 74. 
Kaiïcil. B. kidan! dwerghert, IX, 57. 

B. seügah, XXIV, 108. 
Kaujar. 1 . M a k a ü j a r , B. m a t a n k i s , XXI , 1 82 , met een 
dolk strijden? 



100 KAtAK KATaRA. 

Eatak. B, onvertaald, XXV, 21, een soort van kikvorsch (Mal. 

Sund. hetz. Daj. ba ka tak). 
Katuiika. B. cëkëp (vermetel), VI, 174. 
B. iri (afgunstig), XXI, 45, XII, 52. 
Katunkabuddhi. B. afikara ambëke (overmoedig van inborst), 

XXI, 181. 
Katubrata. S. van scherpe gelofte , B. kayu mauis! XXV, 47. 
Kadawa. B. si dawa (s. v. duif, columba aenea), IX, 56. 
Kauta. S. kant ha (hals), B. tëngëk, VII, 9. 
Kanti. 1. Sakanti, B. kakaronan, XXV, 84, vereenigd. 
Kanda. S. khanda (fragment), B. satwa! VIII, 149, verhaal. 

B. tiiikah! XVII, 70. 
Kanda. 1. Kakanda, B. makanda, XIX, 51, getroffen door 
een kanda (stok?) Aor. Pass. 

2. Kinauda, B. masoroh, ingedeeld, XIX, 64. Pass. Dur. 

3. Kinand a- kan da, B. tinërapan (ingelegd), XXII, 78. 

4. Sakauda, B. asoroh (op een rij), XXV, 8. 
B. m a n i n k a h a n , XXVI , 13. 

*Kandaparwwa. S. khanda p ar wwa, afdeeling (van "'t R a m a - 

y a n a ?) en boek (van 't M a h a b h u r a t a ?) XVII , 137. 
*Kaiidah. 1. Makandah, B. asoroh (op een rij), XXV, 91, 
vgl. kanda. 
Kanduü. Sund. Tag. kan don. 1. Maüandun, B. bëlin 

(zwanger), IX, 57. (Mal. hetz.). 
Kandut. 1. Kinandut,B. bonk os, gedragen worden (heimelijk), 

XXV, 78, Pass. Dur. 
Kanduyuhan. B. onvertaald, naam van een plant, XXV, 8. 
B. jarigar syap (hanekam) , XXV, 92. 
■^Kataiika. B. onvertaald, naam van een boom, XXV, 88. 
Eatauga. B. kama (liefde)! XVI, 25, naam van een plant. 

B. asana (een plant), XXV, 99. 
Katap. 1. Makatap-katap, B. pakalaplap? IV, 70, in rijen 
geschaard ? 
B. angarayaü atap, X[X, 52. 
Eatapaii. B. onvertaald, terminalia catappa L. XXV, 68 

(soort v. plant). 
Eatara. S. schuchter, laf, moedeloos, bang. 

B. magalak! VIII, 24. De vertaling verkeerd. 
B. rësrësan, X, 38. 
B. haheü, XI, 1. 



KATl KADI. 101 

11 k a r ë s r ë s , XIX , 1 3. 
B. katënër! XXII, 51. 
2. Kiltaratara, S. laffer, moedeloozer. 
B. kabhïna-bhiaa (zeer bevreesd), XV, 53, 
Kali. B. katihau, XXIII, 4, ruw, onbewerkt, 
■^KiitibJi. B. onvertaald, XXV, 102. naam van een plant? 
Katiniaü. B. katimaha, IX, 13, 23, naam van een boom. 
Katupaü. B. onvertaald , XXVI , 25 , zeker stuk uit den hals van 

een varken. 
Katkat. B. katkan, XXIV, 109, naam van een dier. (Mad. 

vliegende hagedis). 
Kaiha. S. gesprek, vertelling, sage, woord. 
B. satwa, VIII, 149, XVII, 70, 
B. caritayan, XXIV, 234. 
B. carita, XXVI, 49. 
Katliaücaua. S, hoe ook , op deze of gene wijze , B. k a t h a n c i t 
(toevallig), III, 40. 
B. katah! XV, 23. 
Kathaniapi. S. hetzelfde, B. pradene (bovendien) , V , 4, XXII, 
50, XXIII, 4. 
B. parad en e, IX, 8, XI, 77. 
B. sagetan, X, 63. 
B, parade, XI, 87. 
Kadau. B. kala! bloedverwant, IV, 20. 
B. warggi, VIII, 171, XXI, 107. 
2. Kadan-kadan, B, sa b raya-b raya, alle bloedverwanten, 

VI, 197. 
B. sabraya, XXVI, 19. 
Kadainba. S. naam van een boom (Nauclea Cadamba Roxb.) , B. 

mowa, VII, 10. 
Kadi. B. Iwir (alsof, evenals, gelijk, zooals), I, 19, II, 4,5, 
6, 7, 10, 33, IV, 76, VI, 54. 
B. raasawan, VI, 36, 61, 65, 78, 162, 170, VII, 60, X, 
70, XI, 62, 63,64, 65,66, 67,68,69, 75, XII, 47, XIV, 
21, 66, XVII, 73, II, 16, V, 1, 63, 89, VIII, 41, 44, IX, 35. 
B. kadena, X, 64. 
B. onvertaald, I, 48, XVII, 71. 

B. sawan, XII, 22, 46, 64, XVIII, 49, 50, XX, 1, 2. 
B. sawai'ian, XII, 61, V, 74, XX, 3. 
B. wyakti, XIV, 36. 



102 KADGA KaNTUN. 

B. luirib, VI, 169, V, 67. 
B. buka, VIII, 107, V, 45. 
B. kasawanan, VII, 31, XIX, 122, 131. 
B. upa ma, XXI, 69, XXIV, 20, enz. Vgl. k ad van ga. 
Kadga. S. khacjga, zwaard, B. kris, IV, 44, XX , 24 , V , 1. 
B. onvertaald, IX, 10. 
■^Kadyanga. B. yen handehan, III , 66 , XX , 8 , men zou "'t 
kunnen vergelijken. 
B. sawanan, XIV, 66, XXI, 171. 
B. Iwir upama, XIII, 25, 5(1409), XVI, 33, XXI, 181, 

XXII, 49. 

Eanaka. 1. S. goud, B. hm as, I, 13, 14, IX, 43. 

B. kaücana, VIII, 49, IX, 44, XIX, 2, III, 50, X, 67. 
B. mas, XIII, 16, 18, XVII, 92, XIX, 1, 17, XXI, 208, 

XXIII, 76, XXIV, 101, III, 4, V, 41. 
B. rukma, III, 24, XI, 12. 

2. B. kayu mas, XXV, 77. 
■^Kanakamaya. S. van goud gemaakt, B. mas sutej a, XII , 64. 
Kauan. B. tenen (rechter-), XXII, 76. Mal. hetz. Bat. h auan. 
Kanaua. S. woud, B. wana, IV, 27, XXIV, 209, 211, in 

Dandakakanana. 
Kanigara. Prakrit, S. karnikara, zonnebloem (Nymphaea 

stellata Wild), XXV, 77. Vgl. karnikara. 
Kanin. B. matatu (gewond), XIX, 57. 

B. tatu, VI, 69, 70, XI, 11, XXI, 175, XXIV, 10. 
B. kataton, XIX, 85. 

2. Kauïna, B. tatu, XXI, 185, gewond te zullen worden. 
B. matatu, XXI, 225 (conj.), XXII, 52. 
Kanista. S. kanistha, kleinste, laagste, jongste, B. tuna, 
X, 38 (laag), XVIII, 46, VI, 180. 
B. nica, XVIII, 31, XVU, 8. 
B. nista, V, 85, X, 17. 
B. malëtuh, XVII, 72. 
B. dusta, XXIV, 112. 
Kantar. B. bandranan, een korte lans, XIX, 15. 

B. papan. XIX, 17, XXI, 172, 206. 
Kanti. S. straal, schijn, B. pasansargga! VI, 1, glans, 

schoonheid. 
Kantim. z. antun. B. pasah (achterblijven), IV, 28. 
kan tuil, B. pasah an, I, 60. (Aor. pass. van antun). 



KANDCL KAPIRflJA. 103 

tan kant Uil, B, tëlasan, VI, 165, niet achterblijven. 

2 Kantuna, B. kari, XIV, 31, XXI, 18 (kuntuna), 

IV, 38 (conj.). 
B. pasah, III, 10, Conj. (Fut.) 

kantuna, B. pasahaii, XVII, 3(5, zou achterblijven. 
Kaudël. B. tëbël (dik), XX, 9. 

2. A kan del, B. hetzelfde, II, 16, dicht. 

3. Makandël, hetzelfde, XXIV, 207. 

Kanya. S. meisje, dochter. B. daha (maagd), VII, 71, 74. 
B. putrika, II, 64 (dochter), IV, 51. 
B. istri, XII, 13 (meisje), 18, XI, 54. 
B. de ha, IV, 38, VIII, 146. 
B. luh, XII, 15. 
Kanyaka. S. verkleinwoord van het vorige, B, putrika, IV, 40. 
B. istri daha, XXI, 204, meisje. 
B. hayu, XII, 23. De vert. onjuist. 
*Kapak. 1. Kumapak, B. pragalbha, XXV, 18 , moedig zijn 
(Aor. Act.) 
Kapaii. B. bin pi dan (wanneer?) VI, 125. 

2. Kapana, B. hetzelfde, VIII, 155, XXIV, 25 (hoe?). 
Kapal. 1. Kapakapalëu, B. katëtëh jarane, gedrukt door 

zijn paard? XXV, 116? 
Kapö. B. kop in (oor), XXII, 89, XXVI, 24. 
Kapi. S. aap, B. wanara, VI, 91, 198, VII, 40, 59, 61, 
82, XI, 29. 
B. wre, VII, 64, XV, 52, XVI, 7. 
Kaplndra. S. apenvorst, B. onvertaald, XI, 49. 

B. wanaranatha, XXII, 81, VI, 152, VII, 40. 
B. kapiraja, XIII, 71. 

B. Sugriwa, XIX, 81, 107. 115, XXII, 73, 75. 
^Kapipatih. apenheer, B. ka pi nd ra, VII, 48. 
■^Kapibala. S. apenleger, B. wauarabala, XX, 60, XIX, 85, 
XXVI, 24, VII, 48. 
B. wanarawadwa, XX, 63, 67, XXI, 154, 161, 221, 
XXIII, 25, 35, XXIV, 28, VII, 60, 62, XV, 53, 69, 
XVI, 47, XIX, 1. 
B. wre w a d w a , VII , 56. 
^Kapiraja. 8. apenvorst, B. wanarapati , XXIV , 237 , VI, 144. 
B. Wanaranatha, VI, 146. 
B. Sugriwa, XXII, 72. 



1 04 KAPlRaT KABEH. 

liapirat. S. apenvorst, XXIV, 152. 

Kapila. S, naam van een wijze, B. Brahtna! XXI, 143. (De 

B. vert, onzin.) 
Kapilawariina. S. roodkleurig, rossig. B. bahak rüpa, VIII, 2. 
B. rakta rüpa, XIX, 39, 55. Tav. kapila, wit. Men. 
kupila, witachtig, rood, 
■^Kapicwara. S. apen vorst, B. Sugriwa, VII, 44. 
Kapuk. B. onvertaald, II, 43, XV, 57, boom wol. 
Kapuiidun. B. onvertaald, VIII, 10, IX, 54, XVI, 44, naam 

van een vruchtboom (Pierardia racemos a). 
Kapur. I. B. onvertaald, naam van den kamferboom, XVI, 17. 
n. B. onvert. kalk, XVII, 116. Mal. lietz. 
2. K inapür-kap u ran, B. ma pa mor kapamorin, XXVI, 
25, met kalk bestreken. 
Kapwa. B. pa da (allen gelijkelijk), I, 8, II, 11, XI, 62, 69. 
B. kabeh, I, 18, VI, 23, 115, II, 1, VIII, 7. 
B. ika, VI, 166, VIII, 48. 
B. para, XIII, 19. 

B. punika, I, 37, II, 3, V, 9, VI, 51, VIII, 25, 49, 
50, 64, 79, 139, 185, XVII, 79, XIX, 45, XVIII, 52. 
B. salin, VI, 162. 
B. sami, II, 19, XX, 5, 6. 
B. rikana, XIX, 26. 
B. makabehan, VI, 64. 

B. iya, VIII, 37, enz. Vgl. Tag. kapowa (beiden). 
Kabaktiba. B. ankara rusak (overmoedige), XIV, 44. 
B. gagawan (scherts?), XV, 63 (Jav. R. 319). 
B. gapgapan? XVII, 102, afleiding? 
*Kabiri. B. kaberi, XVII, 121, naam van een bloem. 
Kjibeh. B. sami (alles, allen, geheel), I, 36, 47, II, 20,33, 
67, 77, III, 2, 3, 5, 9, 17, 23, 25, 41, IV, 45. 
B. narënin, III, 28, VIII, 7. 
B. onvertaald, I, 2, XV, 47, XX, 4, 5. 
B. samian, I, 13, XV, 69. 
B. sahana, VI, 199, IV, 76, VIII, 151. 
B. saada, XVII, 130, XtX, 130, XXI, 135. 
B. sakatah, X, 4, 23. 
B. sak we h, XI, 9, 60, allen. 

2. Kinabehan, B. kinëmbulan, 1 , 3 1 , overstelpt worden , 
door velen gedaan , enz. Pass. Dur. 



KUBllA KAMI. 105 

3. Mafiahehi, li. manëmbuliii (overstelpeude) , V, 82. 
Act. Dur. 

4. Kabehi, B. barëniu (worde overstelpt), IX, 86 , XVIII, 
13. Imper. Pass. 

B. këmbulin, XIX, 35. 
B. sami, XIX, 100. De vert. onjuist. 
llJiiii (kam), vgl. prof. Kern's Bijdragen tot de spraakkunst van 
't O. J. (B. T. L. V. 1898) p. (339, wij (verkorte vorm van 
ka mi). 
B. ika (hier), VIII, 119. 

B. onvertaald, XIII, 32, XIV, 66, XVIII, 27, XX, 64, 
Mak. ka 11, Bug. ken. Lamp. si kam. 
Kama. S. wensch, begeerte, lust, liefde, B. smara, II, 62, 

X, 17, III, 54, in tegenstelling van dliarraa en artha, 
de minste der 3 lub ha. IV, 30 (liefde), 36 (Araor). 

B. d ë m ë n , IV , 34 , liefde , enz. 

2. Sakamakama, B. sakah junkahy un, VI, 134, geheel 
naar verkiezing. 
Kaniakara. S. kamakara, B. ankara (liehtvaardig) , XXI, 222. 
Kamatura. S. ziek van liefde, B. smaratura, VI, 28, 62, 

XI, 67. 

■^Kamadrsti. S. naam van een aap, XXIV, 251. 
*Kama(lewa. S. de god van de liefde, B. smara, II, 55, 
XXVI, 30. 
Kamabana. S. liefdespijl, B. smara^ara, IV, 52. 
*Kamaiiiohita. S. door liefde verblind, B. smara naputin, 
VIII, 115. 
Kaïnalaka. B. kamaloko, XVI, 44 (naam van een boom). 
Kaïnalagi. B. calagi (tamarinde), XVI, 44, XVII, 89. 
Kaïualajastra. S. Brahma's pijl (naam van Laksraana's pijl), 

XXIII, 19. 
Kama^'ara. S. liefdespijl, B. smarastra. V, 77, XI, 88. 
*Kamacastra. S. ars amandi, B, s maratantra, XI, 27 , hand- 
boek der liefde. 
Kanièsa. B. këm, XVI, 45, naam van een vrucht (flacourtia 

jangomas Gjmel). 
Kami. B. bapa! wij, I, 42, IV, 11. 
B. tityan, II, 31 , 62. 
B. insun, I, 55, VI, 142. 
B. aku, III, 28. 



106 KaMÏ — KaYA? 

B. kahi, XVII, 48. 
B. marai, VII, 95, 97. 
B. bëli, VIII, 119 enz. Mal. Bat. hetz. 
Kami. S. minnaar, B. ka kun, VIII, 64, 65, 66, 67, XII, 
4, 6, 16. 
B. jajaka, XV, 65. 
Kamini. S. minnares, meisje, vrouw, B. wanita, VIII, 38. 

B. istrï, VIII, 64, XII, 31, 46. 
Kamiris. B. tinkih! XXV, 71 rat, muis. 
Kaïim. B. iba, gij (minachtend), VIII, 129. Mal. hetz. Bat. 

hamu. 
Kaïnuka. S. verliefd, wellusteling , B. saputan, V, 75 (begeerig). 

B. smara, XX, 80, XXIV, 73. 
Kaïniuli. 1 Makakamudi, B. makapaücër, XXIV, 107, tot 
roer strekken (Mal. kemudi, Mig. hamuri, Dav. kamburi). 
Kampana. S. naam van een rak sa sa, XXIII, 37. 
Kaïnpita. Jav. Mal. gëmpita. S. sidderend, sidderen, B. 
manëjër, XI, 7, beven, trillen, schudden. 
B. magenjonan, XIV, 39. 
B. nëtor, XIV, 48. 
B. raolah, XV, 52. 
B. nëjër, XVI, 5, XVII, 74, 75. 
B. raanëtor, XXII, 1. 
Kanipid. B. dam pin, XXIV, 122, zijde, rand, kant? 
Kampil. l.Makampil, B. maiiabih (achter staan of zitten) , 
XXIV, 243, 252, //vooruit- of nadragen//. 
2. n'pakampil, hetzelfde (met nadruk), XXVI, 23. 
Kambaii. 1. Kumamban, B. kamban (drijvend), XI, 65, 92. 
Aor. Act. 
B. mambahan, XIX, 131. 

2. Kumambana, B. kambana (zou drijven), XIV, 51. 
Kambiü. B. mesa! geit, XXVI, 22 (de vert. fout). 

B. onvertaald, XXVI, 25. (Mal. hetz. Tag. Bis. kandin. 
Hoc. kaldin). 
Kaya. 1. Sakayakaya, B. sakatah, allen! XVII, 121, met 

alle macht. Vgl. kaya. 
Kaya. I. B. gawenan (werk), XVII, 136. 

II. S. eigennaam, XXIII, 18. 

III. 1. Makaya, B. makolih, sterk? XXIII, 13. 
B. raapakolih, XXIII, 19. Vgl. kaya. 



KAYAli KARAH. 107 

Kayan. 1. Kakayan, B. makayakan, XIX, 126, werd ge- 
bogen (Aor. Pass.) 
2. Kumayan kayan, B. raakaskaya, XXVI, 25, Aor, 
Freq. Act. 
Kayu. Mal. Day. hetz. Sund. kai. Bug. aj \i , Bikol kahoy. 
B. wrksa (boom), II, (3, 7. 
B. onvertaald, III, 38, 66, XX, 35. 
B. tahën, VI, 128, XVII, 87. 
B. taru, IV, 17, enz. 

2. Kayu-kayu, B. kakayouan (geboomte), VII, 61. 
B. sahawrksa, IX, 46. 

B. wrksa, IX, 47, XVI, 47. 
B. wrksa tahën, XIX, 42. 

3. Makayu-kayu, B. mëpëk sahadaii wrksa (met hout 
begroeid), XVI, 39. 

Kayuh. B. kajujuh (gegrepen worden), VIII, 267 (gevat 
worden) , Absol. 

2. Kinayuhakën, B. hetzelfde, XII , 15, omhelsd. Pass. Dur. 

3. Maiiayuhakën, B. mafijujuh (omhelzen), XII, 16, 
Act. Dur, 

4. Kinayuh, B. kajujuh (werd gegrepen), XIX, 118. 
(Pass, Dur. Ind.). 

Kara. I. S. Khara, naam van een broeder van Rawana, IV, 
57, 58, 67, V, 1, 3, 6, 10, 26, 34, XXIII, 3. 
II. ndatan kara, B. kasuuaran? XXIV, 55, zonder on- 
ophouden ? 
2. :\Iakara, B. kaudayan? XXVI, 25. 
Karji-kara. I. B. kak ara (een soort van witte peulvrucht), 
XXV , 47 , Jav. iet of wat , het een of ander. 
IL 1. A kar a-ka ra, B. kawilan-wil afi , XXIII, 48, lang- 
zamerhand ? 
B, tan kenen wilan (ontelbaar), XXIII, 81. 
Karakal. 1. Pinakakarakal, B. makagitgit, XV , 41 , tot 

steen strekken ? 
Karan, I. Mal. Sund. Mad. Bug. Mak. hetzelfde, B. paranan 
(rots, klip), VII, 112, XI, 64, 68. 
B. onvertaald, VIII, 48, XV, 22, XII, 57. 
II. 1. Manaran, B. rimaü (verliefd), VI, 116 (kwijnend). 
B. sëdih, VIII, 206 (bedroefd). 
B. sunsut, III, 9. 



108 > KARAÜ-KARAn — ^KARI. 

B. manliyanan, XI, 23. 
2. Anaran, B, sunsut, III, 16, 19. 
B. maname, VII, 30. 
B. sëdih, XXIV, 31, VII, 85. 
B. riman, VIII, 101. 

III. B. onvertaald, naam van een bloem: karaü bali,VIII, 
37, XVII, 117. 
Karaü-karaü. B. kakaranan, XVII, 108, van bloemen 

(krans?). 
Karaüraü. B. ansaua, XXV, 44, naam van eeu plant, ptero- 
c a r p u s i u d i c u s ? 
*Karacapala. S. handjegauw, B. krodha lankab, XIV, 59. 
Karaiia. S. oorzaak, reden. B. dalan (reden), IV, 63, XIV, 35. 
B. awanan, VII, 99. 
B. mande, XIX, 30. 

B. murgga, XXI, 134, XXVI, 52, XIV, 5. 
B. bambahin, XIV, 7. 
Karatala. I. S. handpalm, B. talapakan, XV, 57, XIX, 81, 
XXI, 206, XXIII, 40. 
II. B. manage m! een wapen, V, 1, XIX, 15. 
B. raagamël, XXI, 206. 
Karatalatala. S. handgeklap, B. kagamëlan! XXII, 4. 
Karat-karat. B. papatran, XXIII, 76 (afschijnsel). 
Karanian. 1. Manaraman, B. wurëm, XXIV, 25, flauw 

branden? of = J. mraman (zich uitbreiden). 
Karamkam. 1. Akaramkam, B. makakaran, Vil, 112? 

(Jav. krankam. Bul. duizendpoot). 
Kararas. B. danuh (verdord blad), XXV, 71. Sund. hetz. Mal. 

këraras. 
Kararas. B. sambuhuk (mislukt ei)! XXVI, 25, arrowroot. 
Karalawaktra. S. naam van een aap, XIX, 41. 
^Karasak. 1. Makakarasak, B. pakarosok (ritselen), VII, 
58, XV, 55, XVI, 42, XXII, 52. 
B. kumarosok, XIX, 103. 
Kari. B. sira! toeh (tandem), V, 49. 
B. nu, immers, VI, 46. De vertaling juist. 
B. onvertaald, X, 30, 36. 
B. kantun! toch, XVII, 56, VI, 41. 
B. punika, XXIV, 229. 
B. rih, VI, 176. 



KARlKa — KAUnnASUKA. l09 

Vgl. Wrttasancaya, p. 123 en mijn proefschrift: Drie boeken 
van het Oudjavaansche Mahabharata, p. 168 — 169. 
Karika. B. ipun! derhalve, III, 50, 
B. si ra, toch, V, 18, 52. 
B. ke, V, 48. 

B. punika, XI, 25, 13, XXV, 108, VII, 26. 
karika, B. yanto, toch, XIX, 91. Vgl. Wrttasaiicaya , 
p. 121 en mijn proefschrift, p. 156. 
*Kari-kari. B. punika! soms, XVII, 136. 

Kariki. B. ka ra na! toch, soms (tan de m), VI, 56. Vgl. karika. 
*Kariii. B. ke! immers, XVII, 56. Vgl. kari. 
Karili. I. B. ika! immers (S. khalu), V, 56, XXII, 13. 
B. yen olih, toch, VII, 88. 
B. olih, VI, 7, 11, VIII, 150, XVI, 27. 
B. tinkah! XIV, 52. 
B. karana! VI, 182. 

11 kancana! XXVI, 20. Vgl. kari, kari-kari en karin. 
Karuna. S. medelijdend, treurig, B. kawelasan, III, 85, 
IX, 92, medelijdend. 
B. kapiwëlasan, XXI, 109, XXIII, 31, XIII, 6, IV, 2. 
B. onvertaald, XVII, 96, medelijdend. 

karuna, B. kawelasan, IV, 15, VlJI, 40, XXIII, 18, 
XXV, 47. 
'^Karuiiatniaka. S. medelijdend gestemd, B. kawelasan kawa- 
k'aii, XVII, 42. 
Karunika. S. medelijdend, B. karuna, XVII, 97. 
B. onvertaald , XX , ()6. 
B. kasambegan, XXIV, 33. 
B. kawelasan, XXIV, 65. 
Kariiuya. S. medelijden , VI , 68 , B. bwat wel as, medelijdend. 

B. kawelasan, XXV, 2. 
Karkkata. S. kreeft, B. yuyu, XXV, 59. 
Karkka^a. S. ruw, hard, B. tan mari! XXII, 71. 
Karkolaka. S. karkotaka, B. kalimoko, naam van een 

boom, XVI, 18. 
Karuna^üla. S. oorverscheurend , B. m i r ë n a n k a s a k i t a n , 
VI, 119 (ongenaam om te hooren). 
B. yen dihëh n aki tin, VIII, 152. 
B. tuli, XIV, {^5. 
■^Kanmasuka. S. karuasukha, "'t oor streelend, II, 19. 



110 K AftnniK aBA — k ALa . 

Karunikara. S. pterospermum aceum folium, B. cani- 
gara, zonnebloem (nymphaea stellata), IX, 56. 

B. kanigara, XVI, 23. Ygl. kauigara. 
Karnima. S. handeling, daad, werk, offer, verdienste, eoz. 

B. panupakara, III, 71, offer. 

B. solah, XXI, 141, verdienste. 

B. ui ah, XXIV, 54, daad. 

2. Swakarmma, B. pagawene (zijn eigen werk) , XXI , 32. 
Karyya. (Mal. kërja. Bat. kar ja) S. plan, doel, daad, zaak, 
werk , enz. 

B. pawanun, III, 27. 

B. gawenan, III, 59, X, 19. 

B. gawe, V, 22, VI, 45, 92, IV, 24. 

B. kagawenan, VIII, 12. 

2. Kinaryja, B. ginawe (werd gemaakt), III, 6. Pass. 
Dur. Ind. 

3. Makaryja, B. nwanun (te maken), XIII, 83. 

4. Makakaryya, B. mangawen aii (verrichten) , XXIV, 33. 
Kala. I. S. tijd, B. sëdëk, III, 37, IV, 20, VI, 107, Vil, 

28, XI, 42, XIII, 53, XXI, 130, 152. 

B. dina, VII, 97, XI, 4. 

B. sëdën, VIII, 87, XV, 23. 

B. onvertaald, VIII, 215. 

B. la was, XIII, 56. 

B. ri sëdëk, XIV, 20. 

B. dawëg, XIV, 58, enz. 

2. Makala, B. satata, XXI, 148, tot tijd hebben? 

II. de Doodsgod, X[X, 17, 82, XXI, 202, XXII, 43, VI, 58. 
Kala. I. S. khala (booswicht), B. pi^aca, IV, 54. 

B. mürkka, VIII, 6, 108. 

B. kalana, XXIII, 80, XXV, 59. 

B. raksasa, IV, 67, V, 2, XIX, 79, XXI, 24, VIII, 141. 

B. dusta, Vm, 128, VI, 12, 17, 41, V, 58. 

B. corah, V, 53, 62. 

B. dhama, X, 31. 

II. S. kahala, s. v. muziekinstrument, B. bende (bekken), 
XVII, 27, XXII, 4, XXIfl, 72. 

B. mankin! XXII, 3. Jav. trom. 
Kala. S. kalaya? B. langala, IX, 34, een wapen? 

B. dolog (lans), XIX, 109, 111. 



KALAKA KALëflKA. 1 1 1 

2. Man al u, B. raanlangala, IX, 38, een ka la als wa})en 
gebruiken. 

B. ndologin (met een lans steken), XIX, 71, Act. Dur. 

3. Anala, B. nimbalaü, XIX, 73, hetzelfde (Act. Dur.). 

4. Kinala, B. latih, VI, 187 (Pass. Dur.), Jav. R. ri<). 
Kalaka. B. tïrtha (water), XXV, 33. 

B. toya, XXV. 53, 104. 
Kala-kala. B. bende (bekken), XIX, 13. 
Kala-kala. S. B. blaganjur? XXI, 203 (verward geluid). 
Kalaküta. S. naam van een vergift, VIII, 52, XIII, 10. 
Kalagni. S. het vuur van den Doodsgod , B. api saii hyan, 
XI, 1. 

B. onvertaald , XXII , 50. 
Kalaiï. 1 . K al an a n , B. onvertaald , kring , strijdperk , XXIV , 20. 

2. Makalanan, B. ma kali hal ah (van een kring voorzien), 
XIV, 37. 

B. onvertaald, XXIV, 20. 

3. Akalanan, B. mahilëhan (ronddraaien), XXIII, rtc). 
Kalaiikyau. B. k ë 1 i k 6 1 i k , een soort van kiekeudief , XXIV , 118. 
Kalajaua. S. khalajana (booswicht), XIX, 38. 

Kalaua. B, onvertaald, reus, titan, VIK, 173. 
B. jële, VIII, 176, slecht. 
B. raksasa, II, 42, XXIV, 41. 
B, karaksasan, XVIII, 49, reus. 
B. a n k a r a , V , 62 , trouweloos. 
B. daitya, XXIII, 81, reus. 
Ealantaka. S. de Doodsgod, B. Kalamrtyu, XV, 44, XIX, 

69, XXVI, 2. 
Kalamrtyu. S. hetzelfde, B. Kalantaka, XI, 1, XV, 44, 

XIV, 37, VI, 125. 
Kalayu. B. sumaga (een soort van jëruk), XVI, 45, erio- 
glossum edule. 
^Kalawaktra. S. naam van een aap, XVIII, 18. 
Kalasa. B. matalëd! mat. IV, 17. 
B. matikëh, XI, 4 (kalasa). 

2. Kumalasa (watu°), B. bulitan (batu*>), XV, 64, een 
groote, zwarte, tijne, vrij gladde steensoort. 
Kalahansa. S. kalahansa (een soort gans of eend), II, 9. 
Kalëüka. S. kalanka, vlek, smet, B. nalëtëhin, VI, 179, 
XI, 63, 91. 



112 KALI — KA.LUSA. 

B. wunkut, XI, 45. 

B. talëtëh, XIII, 2. 

B. lëtuh, XXIV, 174, XVII, 80. 

B. dusta, XVII, 31. 

B. manlëtëhiu, XVII, 98. 

B. papa, XX, 20. 

B. lëtëh, XXVI, 22. 
Kali. B. jeh, rivier, III, 34, VII, 24. 

B. toya, XV, 43, XIX, 78. 

B. wanke! XIX, 74. 

B. we, XX , 1 , 4 (k ^ 1 i) , stroom. 
Kalis. 1. Akalis, B. cëlih, XXIV, 18, onkwetsbaar. 
Kalili. B. këmbulin! beiden, IV, 57. 

B. onvertaald, VIII, 177, XI, 27. 

B. karo, XXI, 234, II, 53. 

B. makaron, I, 61, II, 7. 

B. adadwanan, VI, 135. 

B. kanti, IV, 68. 

B. dadwa, XI, 72 (kalih), XXI, 217 (iikulih). 

B. makadadwa, II, 14. 

B. inakakalih, IV, 6. 

B. padadwaan, VI, 142. 

B. miwah, XI, 30. 
Kalibasèni. B. onvertaald, naam van een vrucht, XVI, 45. 
Kaluii. 1. Makalun, B. matankalun, XXIV, 243, om den 
hals dragen. 

2. Kumaluü, B. nemu gëlan, VIII, 24, zich kronkelen 
(Aor.). 

3. Manaluii, B. makiluiian, XV, 47. 
Kalula. B. kahula, XXIII, 47, dienaar. 

B. mamarëkan, XXIV, 200. 

2. Analulalula, B. newakayan, XXIV, 111, dienen 
(Act. Dur.). 

3. K a 1 u 1 a-k alula, B. kawula pan jak, XV , 44 , dienaren , 
vgl. Tag. kalola (vazal). 

Kallisa. S. bevuild, troebel, onrein, B. lëteh, III, 82. 
B. lëtuh, XXIII, 21. 
B. kalesa, XVII, 46. 
B. raala, XVII, 90. 
B. kaliliran, XA^III, 46. 



KALPATAUU KAWAH. 113 

B. kleQa, XXIV, 141, oureiuheid. 
K.ilpataru. S. de Wenscliboora, B. Kalpawrksa, VIII, 54. 

B . p a r i j a t a , IX , 90, 
Kalpapadapji. S. hetzelfde , B. j) a v i j A, t a m a s i u w a ra , 

XXI, 10. 
Kalpawrksa. S. hetzelfde, B. kayu parijata., VI, 14S,VilI, 

53, 57, XI, 57. 
Kalwaii. B. buk al, vleermuis (pt er opus e du lis), XXIV, 
119, XXV, 23, 08. (Mal. Mad. këluwan. Lamp. kalu- 
wan , Jav. kaloó). 
Kawa. 1. Kawa-kawa, B. kawawa, XVII, 79, vuurgloed? 
Kawaca. S. pantser, harnas, B. kalambi, III, 42, VI, 51, 
B. këre, XIX, 119. 

2. Kinawacan, B. mak ere, gepantserd, XIX, 4, 113. 
Part. Perf. Pass, 

3. Akawaca, B. makalambi, XIX, 18, XXI , 208 , gewa- 
pend met een pantser. 

B. m akawaca, XIX, 74. 

4. M a k a w a e a , B. m ak ë r e , XIX , 65 , hetzelfde. 
B. makalambi, XXIII, 3. 

Kawaiidha. S. romp, B. lawean, XIX, 78. 

2. Manawaudha, B. pajënku, als een romp (zouder hoofd) , 
II, 35. 
Kawali. B. panoronan, XXVI, 25, aarden pot of pan. 
Kawaf^a. B. nodagan, machtig, XVII, 23. 

2. Kawaga, B kakodag, XXIV, 78. Conj. na awas. 

3. K u m a w a 5 a k ë n a , B. nodagan, te beheerscheu , III , 50. 
Aor. Act. Conj. 

4. Kawa^akëna, B. kodagan, VI, 2, (waarover) beschikt 
zal worden (Fut. Pass.). 

5. Kinawa^fikën, B. maudadian, VII', 19, beheerscht 
(Part. Pass. Dur.). 

6. Anawacakën, B. raanwicesa (het besturen), XII, 60. 

7. K akawaca, B. kak o dag au, XV, 38, beheerscht (Pass. 
Aor.). 

B. manwi^esa, XVIi, 94. 
B. hinanan, XVIII, 40. 

8. Manawa9a, B. man al ah au, XXIII, 49, Act. Dur. 
Kanali. B. jambanau, hel, XIX, 31. Vgl. kawa-kawa. 

1. Sakawah, B. ajambarian, zoo groot als de hel, VItl , 



114 KAWës KAS. 

34. (Mal. hetz. , Tag. Bik. kawa, Sund. Day. kawah (groote 
ijzeren pan). 

Kawës. B. kasor (laag), V, 32, bang. 
B. takut, vrees, XXV, 60. 

Kawi. S. dichter, B. onvertaald, XXI, 146. 

Ka wil. 1. Kina wil, B. kasahasain, XV, 58, werd uitge- 
rukt? Pass. Dur, Ind. 
■^Kawiwara. S. voortreffelijke dichter, B. kayogi9waran, 
XXI, 143. 

Kawista, naam van een vruchtboom (feronia elephantuin 
Corr.), B. juhuk manis, XVI, 45. 

Kawih. Daj kawah (kunnen), B. bisa (kundig), XXIV, 76. 

2. Kinawih, B. wij na (bedreven), XXIII, 60, Pass. dur. 
B. wruh, XXIV, 10, bekwaam. 

3. Kakawihan, B. kabisanan, XXIV, 1, kunde, be- 
kwaamheid. 

4. Akawih-kawihan, B. makawi kawruhane, XXV, 24. 
Kaweni. B. poheni, XVI, 24, een groote soort van manga 

(zie Jav. Wdb.) 
Ka^mala. S. vuil, onrein, B. dusta, IV, 53. 

B. jële, VI, 11. 

B. malëtuh, VIII, 128. 

B. dahat naraka, XIV, 56. 

B. bwat in hala, XIX, 7. 

B. naraka, XX, 70 

B. dahat klcQa, XXI, 32, onreinheid, 

B. kle^a, XXV, 6. 

B. bwat dusta, XXIV, 83, 141. 

B. bwat co ra, XXIV, 112, onrein. 

B. kajantaka, XXV, 113. 
Kasta. S. erg, boos, ruw, Mad. kast ah (spijt, berouw). B. 
rahat, III, 22 (erg, zeer), XII, 52. 

B. dahat, VIII, 111, XVU, 62. 

B. mala, VIII, 156 (geteisterd), 

B. kwat, XVII, 2, slecht. 
Kas. Mal. këras, Day. karas, B. tëguh (hardheid), XIV, 14. 

2. Akas, B. kwat (hard), VIII, 20, XXII, 88, XIV, 19. 

B. kukuh, XX, 8, II, 52. 

B. kowat, XXIV, 65. 

B. onvertaald, XX, 29. 



KASAY— Këcëx . 115 

3. Mak as, B. kukuli, VI, 19, 1(54, XV, 57, XIX, 
110, 126. 

B, muka! XIX, 43. üe vert. verkeerd. 
B. kowat, XXI, 237, XI, 2. 
B. këkëh, XII, 8. 

4. Akaskas, B. kukuh, XXIV, 119. 

Kasay. B. nas e, XVII, 85, smeersel. Suüd. Mal. Bis. J)ay. 
Lamp. hetz. (nm. v. e. boom, waarvan de bast als zeep gebe- 
zigd wordt). 

Kasut. 1. Kakasut, B. panitër, XIX , 51 , werd geschud (Aor. 
Pass. Ind.). 
2. Anasut, B. midëran, XI, 2, schudden (Act. Dur.). 

Kasturi. S. muskus, B. mrganabi, VIII, 75. (Mal. hetz. Tag. 
ka stol i). 

Knhala. S. groote trom, B. bende, XII, 65. Vgl. ka la. 

Kahi (kahl). B. kal in (hoeveel te meer of te minder), XV, 
43, XXIV, 124, 179, enz. 
2. Kahinyan-nyan, B. wyakti, XXV, 98. 

Keker. 1 . M a k ë k ë r , B. m a k u k u h i n , XXIII , 55 , inge- 
sloten. 

Këkël. Mal. këkal, üay. kak al (bestendig), B. h ënk ël, aan- 
houdend lachen, VII, 112, XVII, 115, XXV, 19. 
2. Akëkël, hetzelfde, XXV, 53. 

Kékès. 1. Këkësën, B. pinitan (worde bewaard), III, 54, 
Opt. Pass. 

2. Kinëkës, B. inasëpël (bewaard), V , 33 , Part. Dur. Pass. 

3. Kinëkësau, B. kapinitaü. XIV, 62. Pass. Dur. van 
meer zaken. 

4. Anëkës, B. niliban, XXIV, 102, Act. Dur. 

5. Kumëkës, B. maminit, XXV, 29, Aor. Act. 

KëkÖ. 1. Panëkö, B. man rëb u tin (ontweldigen) , XXV, 108 , 

middel om te vangen. 
Këcap. Mal. hetz. 

1. Ma këcap, B. madëkësau, XXIV , 1 39 , openen en 
sluiten der lippen , smakken. 

3. Kumëcap, B. anorahan, XXV. 108, Aor. Act. 
Këcëk. B. agama, XXV, 16, steeds? 

2. A këcëk, B. naracak, XXIV, 105, aanhoudend? 
B. korttayan, XXIV, 122. 

3. Këcëk-këcëk, B. mak ecek-ke eek , XXV, 52. 



116 Këjëp — Kë'rëE. 

Këjëp. B. pulës (slapen), VIII, 166, VII, 31, de oogen 

sluiten. 
Këüar. 1. Kumëhar, B. ngalaniu, XI, 36, XXI , 208 , 

stralend. 
Këtul. B. kosa, XII, 52, stomp, bot (figuurlijk). 
Këdap. B. makijapan, XI, 12, schitteren. 

2. Këdap-këdap, B. këlap, VII, 12, hetzelfde (frequent). 
Këdëpëk. 1. Manëdëpëk, B. nadëbëg, XXIII, 4 (een stom- 
pend geluid maken.) Jav. R. 456. 
Këdik. 1. Makëdik, B. peset, XIV, 41, klein. 

2. Makëdika, B. akikit, XV, 4, al ware klein. (üay. 
korik. Baree kodi, Mig. kely.) 
Këndaii. Mal. Sas. ge n d an, Daj. ga n dan. B. onvertaald, pauk, 
XIX, 13, 15, XXII, 3, XXVI, 7. 
2. Këndana, B. këndanan, VII, 3, in eene vergelijking: 
als de trom. 
Këndëii. 1. Kumëndën, B. üalëbat, XXIV, 255, zich uit- 
strekkende in de lengte. 
B. kasëlëbatin, XXV, 73. Aor. Act. 
Keudit. Mal. Sund. hetz. , Day. kandit, B. hampok-ham- 
pok, XI, 54, een strook gevlochten buikband of band , dien 
de vrouwen om 't lijf dragen. 
B. pamatëh, XV. 68. 
Këuduü. 1. Kumëndun, B. nëdën, XXII, 69 , zich uitstrekken 
(Aor. Act.). 
B. manëdëh, XXV, 73. Vgl. kenden. 
Eëta. B. ik au! toch, immers, XIII, 47. 
B. ika! XXIV, 157, toch. 

këta, B. kantënana, XXIV, 200, zooals bekend is. 
Këtëg. Sund. këkëtëg, Bat. taroktok). 1. Këtëkëtëg, B. 
kakëtëg (pols, hartklopping), XVII, 82. 
B. runtag, XXIV, 23. 

2. Këtëkëtëgën, kumarëtëg, XII, 14, lijden aan hart- 
kloppingen. 
B. runtag, XXI, 163, XXII, 12. 
Këtër. Mal. këtar, Tag. katal, B. nëjër, XXI, 229, sid- 
dering , trilling. 
2. Kumëtër, B. mahëtor, XIV, 39, XV, 18, 31, XIX, 

125, II, 70, IV, 73, sidderen, trillen. 
B. manëjër, XVII, 23, 82, XX, 62, XXII, 51. 



KCTUG — KCNA. 117 

B. nëtor, V, 36, Aor, Act. 

3. K u ni ëtërkëtër , B. këj i r-kej ir, VIII , 102 (frequent. 
Aor. Act.) , trilden voortdurend. 

4. Akëtër, B. anëtor, XXII, 51. 

5. Akëtëran, B. magëjëran, XXII , 57 , hetzelfde (van 
velen gezegd). 

Këtiig. B. ngarudug (dreunen, bulderen, rollen), XIV, 39, 
XVIII, 36. ^ 

B. maglëdug, XIX, 46, gedreun, gebulder. 

2. Kumëtug, B. kumëtëg, XXII, 60 (Act. Aor.) dreunde. 
Këdal. 1. Kuinëdal, B. manëjat (trilde), XIX, 125, Aor. 

Act. spartelen. 
Këclö. Jav. kudu. B. pasërën, gedwongen zijn, XVII, 105. 

B. sërën, XXIII, 39, volhouden. 

B. misërën, XXIV, 20. 
Këdut. 1. Kumëdut, B. makëjutau (trilde), XIV, 48, I, 

62, XIX, 125, Aor. Act. 
Këna. Mal. hetz. , Sund. köna, Baree kónó. Bug. kënna, 
Bat. hona. Sang. hino, Bis. himo. 

B. onvertaald, VI, 107, XIX, 84 (getroffen). 

B. kan in, XIX, 85 (geraakt). 

B. n i b a n i , XIX , 1 05. 

B. sela, II, 10. 

B. këni, VI, 17i. 

B. kataman, VIII, 158, IV, 30. 

B. dadi, VIII, 95, 125 (getroffen). 

B. dëkët, VIII, 106 (getroffen). 

B. katiban, IV, 35. 

B. bisa, IV, 40, 53. 

B. patüt, 't goede, V , 38 , XXIV, 155, 173. 

B. ika, III, 42, wat veroorloofd it;, enz. 

2. Këna, B. kakënen (getroffen), IX, 78, (Jonj. in eene 
onderstelling, 

B. n ë n e n , IX , 47 , Conj . 

3. Kumëne, B. manënen, V, 2, XXI, 230, trof (Aor. 
Act. Dur,), 

4. Kinënakën, B. kap arakan, XXII, 8, Pass. Dur. 

5. Kinënan, B. kapasanin, VII, 79 (getroffen). 
B. kakënen, XXIII, 7, Pass. Dur. 

6. Anëne, B, nibani, XV, 22 (treffen). 



118 KëNAS KCBO. 

B, onvertaald , XIX , 72. 

B. üënani, XX, 41. Act. Dur. 

7. Manëne, B. katëmpuh, XV, 30 (Mal. mëi'iënai). 

8. Manënakëna, B. nibakan, XXI, 140, het opleggen 
(Act. Dur. Inf.). 

9. taman panëne, B. nora natonin, zonder te treflFen, V, 18. 
Kënas. B. buron (wild), II, 27, VI, 187. 

B. mrga, VI, 114, XV, 52, 56, 60, XVI, 42, XVII, 17, 

XIX, 14, XXI, 137. 
B. sëngah, X, 38, XXI, 247, XXVI, 22, enz. 
Kënoh. B. pat ut, XXIV, 39, recht, juist, billijk. 
Këpëk. 1. Makëpëk, B. natepek, XXV, 58, spartelen? 

2. Kinëpëkan, B. ubag-abig, VI, 22 (geslagen?) 
Këpër. 1. Manëpër, B. niiiënan, V[,20, draaide ? (Act. Dur.)- 
Këpël. Bat. hapol. l.Këpël-këpël,B. nasi makëpël, (samen- 
gebalde rijst), Xm, 34. 

2. Këpëkëpël, B. sopsop, XXII, 10, ontbijt. 

3. Akëpël, B. madahar (ontbijten), XXII, 12. 

Këpuh. B. onvertaald , naam van een boom (sterculia foetida 

L.) VIII, 76, XXV, 72. 
B. kutuh, XXII, 51. 
Këbak. 1. Anëbak, B, mamabar, XV, 55, groote sprongen 

maken (Act. Dur. Ind.). 
Këbëk. Lamp. këbok, B. sösök (volj, XV, 55. 

2. Këbëka, B. kaliyaban (zou overstroomen) , XI, 51. 
Conj. na tak ut. 

3. K a k ë b ëk , B. hetzelfde (werd overstelpt) , XI , 68 , Pass. Aor. 
B. maluwah, XV, 32. 

Këbës. B. bëtëg, XVII, 114, nat. 

2. Këbësa, B. namarihan, XXVI, 25. 
Këbu. 1. Kumëbukëbu, B. mapupuhau (afbrokkelen) , IX, 

30, Aor. Act. freq. ? 
Këbur. 1. Kinëbur, B. pacëburan (pass. van //inspringen//), 
XXIV, 216. Pass. Dur. 
B. macëburan, XXV, 50. 
'Këbus? n'panëbusan, B. manëmbur, VI, 139, dat besproeid 

wordt. 
Këbo. Mal. karbau, Mad. kërbuj, Bat horbo, Lamp. 
kibaw, Tag. kobaw. B. onvertaald, buffel, VI, 159. 
B. krëwag, IX, 24, XXII, 2. 



KCM (kÖm) KëMBAK. 119 

B. mahisa, XVII, 14, enz. 
Këni (köni). Sund. kööm, .Tav. kum. 1. Makëm, H. luëmë- 
man, XXV, 24, lang in 't water zitten. 

2. (yau)paköm, B. masiratn, XXV, 34, dat lang- in het 
water waren (met nadruk op het vorige woord). 

3. Aköm, B. hetzelfde, XXV, 35. 

Këiuit. B. raksa (wees waakzaam), XXIV, 8, Irap. 

2. Manëmit, B. manraksa (bewaken), III, 70. 
B. mangamël, XV, 37, Act. Dur. 

3. Makëmit, B. rumaksa, II, 13. 

B. magëbagan, VIII, 194, XXI, 201. 
B. manraksa, V, 42, VIII, 26. 
B. gëbagan, VIII, 201, IX, 9. 

4. Anëmit, B. manraksa, VI, 142, Act. Dur. 

5. Akëmit, B. matatuiigu, VIII, 81. 
B. agëbagan, IX, 2. 

6. Këmita, B. manraksa (te bewaken), III, 84. Conj. 

7. Kinëmit, B. katungu (werd bewaakt), IV, 22. 
B. ginamël, XXIV, 67, Pass. Dur. 

8. Këmitën, B. yatnain (worde gezorgd voor), V, 12. 
B. priksaniu, XVII, 88, Juss. Pass. 

9. Kumëmit, B. manungu (bewaakte), V, 81. 
B. angënahin, VII, 65. 

B. nëbagin, XI, 66. 

B. manraksa, XXIV, 227, Aor. Act. 

10. Maüëmita, B. m_aiigëmël (om te bewaken), XV, 39, 
Conj. Act. Dur. 

Këmiil. 1. Këmul-kë m u ] a, B. angen saiikuwub, V, 41, 
tot dekking gebruiken (conj.). 

2. Akëmul, B. masankuwu, XXV, 23, geliuhl in. 
Këinban, bloem, B. sëkar, VIII, 85, IX, 44, XII, 64. 

B. puspa, I, 29, XII, 22, XVI, 30, 34. 

B. buna, VI, 165, enz. 

2, Makëmban, B. raasëkar (met bloemen versierd), XII, 
34, XVI, 18, XXV, 73. 

B. raabuna, XXIV, 258 (bloemen hebben), enz. Het Mal. 
b ërbuna. 

3. Akëmbah, B. masëkar, XXVI, 25. 

Këiubar. Mal. Sund. hetz. , Bat. hom bar, Mak. kambaraq, 
Tag. k a m b a 1. 



120 KeBën — KëRëïëG (KëRïëö). 

1. Makëmbar. B. padadwanan, XXY, 50, samen. 
Këmbëü. 1. Kumëmbën, B. manëmbën (uauwelijks bedwon- 
gen) , VI, 196, XIX, 30, XXII, 52, Aor. Act. 

Këmbut ? 1 . A n ë m b u t-ë m b u t , B. d o h o s-d o h o s , voortdurend 

hijgen, XKVI, 23. (Act. Dar. Freq.). 
Këmbiir. 1. Akëmburan, B. raalalamesan, XXV, 50, 
spatten ? 
B. muïicrat, XXV, 53. 
Këra. Mal. hetz. B. celen! aap, VIII, 215. De vert. foutief. 
Kërak (krak). 1. Makrak, B. manërik (geraas maken), 
VI, 161. 
B. pagërak, XVII, 85, XV, 51, schreeuwen. 
B. nhërak, XIII, 28, brullen. 
B. manhërak, XIX, 70, XX, 55, XXII, 43. 

2. Akrak, B. maüjërit, XXI, 38. 

3. Kinrakan, B. kagërakin, XXIII, 59. Pass. Dur. van 
meerderen. 

Kërap (krap). 1. Manrap, B. nijik, XII, 60, II, 78 , rennen 

(Act. Dur.). 
Këral (kral). 1. Akralakral, B. kiyën-kijën? VIII, 61, 
zeer sterk? 
2. Akral, B. kwat, XXII, 71. 
Këras (kras). Mal. hetz. 1. Mak ras, B. kakah (hard), 

XXII, 71. 
Kërah (krali). tankrah, B, keh, VIII, 60, 75, veel. 
B. akeh, IX, 62, X, 28. 

2. Akrah, B. katah, VI, 29. 

3. M akrah, B. hetzelfde, XII, 58. 

Kërëkët. 1. Kumërëkët, B. karëtëh, XIX, 74, knarsen. 
(Aor. Act.). 

Kërëcëk. 1. Akërëcëk, B. pakalecek (snorden), XIX, 74, 
van pijlen gezegd 
2. Makakërëcëk, B. hetzelfde , XXIII , 80 , kletteren , sna- 
teren. 

Kërëcik (krëcik). 1. Kakrëcik, B. hetzelfde, XXIII, 59, 
kletteren. 

Kërët (krët). B. cakcak, IX, 87, worde afgesneden (Imp. 
Pass.). 

Kërëtëg (kërtëg). Makakërëtëg, B. pagalëdëg, IX, 24, 
stampen, trappelen. 



KëRei' (krcp) — KëfiAB (klab). 121 

2. Kakërtëg, B. magrëdëg, XXI, 23^). 
Kërëp (krep). 1. Makrëp, B. ma de pit (dicht), IX, 49,57, 
B. saraah (dik), VIII, (32, 77, XI, 11. 
B. tëbël, XXI, 220, dicht. 
B. m a p u p u 1 , XXI , 171. 
Kërëpëk. 1. Makakërëpëk, B. pakarëpët, IX, 17, 

kraakten. 
Kërëm (krëin). 1 . A k r ë m-k r ë m , B. d u m i 1 a h ! X XI , 171, 

donker? De vert. fout. 
liëri (kri). 1. Akri, B. kajijitan, XXV , 72 , een kittelachtig 

gevoel hebben (Mal. gëri). 
Kërüt (krüt). 1. Kumrüt, B. cikup (rimpelde zich) , III, 42. 
Aor. Med. 
kumrut, B. kucup, XXII, 75. 
Kël (köl). 1. Tatar köl, B. tan pan aha, XXI, 183, on- 
wrikbaar. 

2. Kumöl, B. nrasa! (bevreesd), VIII, 22, Aor. Act. 
B. manah! VIII, 26, zich koes houden. 

B. awëdya, X, 8. 

tara kumël, B. nora n la wan, XIV, 61 (onwrikbaar). 

3. Kol aken, B. nahanan (bukken onder), XI, 4, XXI, 
198. (Abs.) 

4. Kumölakën, B. hetzelfde, III, 20. Act. Aor. 

5. Kinölakën, B, tahanan, XXI, 27, Pass. Dur. 

6. Kola, B. nahanan, VII, 20. 

B. tahëniu (het zullen verduren), XXI, 202. 
Këla. 1. Kinëla, B. ma lab lab (gekookt), VIII, 34. Pass. 
Dur. 

2. Kël a u , B. kal ab 1 a b (zal gekookt worden) , XIX , 31. 
Fut. Pass. 

3. Këla-këla, B. këkëlan, XXII, 11, gekookte spijzen. 

4. Pan elan, B. lablaban, XXVI, 25, gekookte spijzen. 
Këlat. 1 . M a k ë 1 a t a , B. m a t a h ë n , XIX ,31, om tegen te 

houden? 
Këlab (klal)). B. kakenkaban (gewapper) , III, 5. 
2. Kumlab, B. kenkab, VI, 19 (klapwiekten). 
B. nlombak, XI, 1 (trilden), 
kumëlab, B. makeber, VII, 53. 
B. olëra, VIII, 8, beven. 
B. makësyab, VIII, 170. 



122 KëLCG KÖL. 

B. m enk a ban, XIV, 38, (trillen). 

B. maiikaban, XXII, 55, enz. 
Këlëg. Lamp. këlok, Batav. këlëkin. 1. Kiuëlëgan, B. 

kakëlëgin, XXII, 54, aangevuurd worden (Pass. Dur.). 
Këlëpu. B. bënkël (naam van een, boom), XXV, 47. 
Këlëm. 1. Akëlëm, B. dalem, zinken, VI, 138. 

2. Kumëlëm, B. manëlëman, VI, 138, zonk (Aor. Act.). 

3. Kumëlëma, B. makëlëma (zou zinken), XIV, 51 , in 
eene vergelijking. 

B. maiiëburin, XIX, 99, Fut. Act. 
Këlëwim (klëwuü). Vgl, Sund. nalëwon (Rigg). B. nluwan, 
XV, 59, afgrond? 
klëwun, B. hawunan, XXII, 51. 
Këli. 1. Këli-këlin, B. nlawan-lawanin , weerstand te bie- 
den? XXI, 231 , in het nauw gebracht. 
Këliii. B. onvertaald, X, 71, half zijde, of naam van een 

land? 
Këln. B. lësu, vermoeid? XXIII, 27, of slapen? 

B. huyan (onrustig), III, 23, VIII, 153, liggen slapen .i^ 
Këlut. 1. Akëlut, B. lunsur, (afgenomen, verminderd), V, 

30, stokoud. 
Kële (kle). 1. Akële, B. kwat (groot), V, 34, zorgeloos, 
tar akële, B. tanpanaha (onwrikbaar), XXI, 231, onver- 
stoorbaar. 
2. Taranle, B. nora surud, XXI, 231. 
Këwak (kwak). B. krëkwak (eend?) XXIV, 109. 
B. kokokan, reiger, XXV, 70, soort van vogel. 
KëwSü (kwSü). Akwin, B. kaku (stijf), XXI, 4, XXV, 81. 
Kësah. Mal. hetz. , Bat. hols o. 1. Anësah, B. hujan (onge- 
rust), III, 9, '/steunen, kermen, zuchten'/? 
B. osah, XXIV, 9, 186, IX, 70. 
B. hibuk, bedroefd, XV, 55. 
2. Manësah, B. huyan, VIII, 166. 
B. mulisah, XVII, 23. 
B. osah, XXI, 162, XXIV, 40, XXVI, 6. 
Kësël. 1. Makësël, B. b ëlb elan , IX, 31 , vermoeid , afgemat 
Kög. 1. Makög, B. sirëp (slapen)! XXII, 5, XXIII, 25 
(snurken). 
2. Pakög, B. pasare! XXII, 7 (gesnurk). 
Köl. z. kël. 



KIK — KinKin. 123 

Kik. l. x'^.kik, B. makëwit, XIX, 86, kermen. 

13. pakëwit, XX, 60, 63, XXI, 175, XXII , 61 , XXlil , 17. 

2. Mak ik, B. mak e wit, XXII, 52. 

B. pakëwit, XXIII, 80. 
Kikik. 1. AnikikaD, B. manakak (schateren), VUT, 30, 
XXII t, 6, XIX, 37, (Act. Dur. van velen). 

2. Manikikan, hetzelfde, XX, 29 
Kikis. 1. Manikis, B. üalisih, YIII , 92 , tot 't uiterste gaan 
(Act. Dur.). 

2. Anikis, B. ndalëkëp, plat liggen, IX, 57. 

B. nalisih, XXIV, 102. 

B. malës, XXV, 37. 
Kiü. 1. Akin, B. tuh (droog), X, 71, XI, 2. 

B. ëtuh, XV, 26. 

2. Makin, B. suminkin! XI, 48. 
B. ëtuh, XIV, 51 

3. Kakinan, hetzelfde (opgedroogd), XI, 68. Part. Pass Aor. 
B. kasatan, XXI, 33. Vgl. Mal. kërin. 

Kiükiii. B. sëdih (verdriet), III, 31, VI, 36, 41, XIX, 30. 
B. suüsut, III, 18. 

2. Makinkin, B. sëdih, II, 6, 77, XI, 20, III, 44, XX, 
63, XXI, 22. 

B. sunsut, VII, 86, VIII, 80. 
B. hibuk, VI, 29. 
B. kasakitan, XI, 2. 
B. manaran, VI, 49. 

3. Akin kin, B. riman, VI, 130. 

B. sëdih, XXI, 113, 167, VIII, 195. 

4. Kinkinën, B. sëdihaii (te betreuren) , VIII, 123, XXIV, 
45, XIII, 43. 

5. Kininkin, B. sëdihan (wordt verlangd), XIII, 38. Pass. Dur. 

6. Kakinkinau, B. dahat sëdih (bedroefd), XIV, 19, 
Part. Pass. Aor. 

B. kasunsutan, XXII, 12. 

7. Kakinkina, B. asunsut, XIV, 46. Aor. Pass. Conj. 

8. Makinkina, B. sëdih, XXI, 52 (Juss.). 

9. Akinkina, B. nedihan, XXI, 61. Juss. 

10. (an)pak ink in, B. d uhkita (dat bedroefd was), XKI, 164. 

11. Kak in kin, B. sëdilian (te bedroeven) , XXI. 201 , 21 1 
of //droefheid'/. 



124 KICIPIR KIDUn. 

12. Kuminkin, B. manirin! XXV, 37 (Aor. Act.)- De B. 
vertaling is verkeerd. 
Kicipir. 1. Anicipir, B. nankabin? XXI, 213. 

2. M anicipir, B. manëjëran, doeu trillen, schudden, 

XXI, 215, (Act. Dur.) slingeren, zwaaien. 
B. najirjir, XXV, 108. 
B. mahankaban, XXIV, 105. 
Kidampèl. 1. Akidampëlan, B. ndalëkëp, XXIV, 22, met 

moeite voorscharrelen. Vgl. kud ampel en Jav. R. 499. 
Kidupuh. (a n) p a k i d u p u h , B. m a ü ë n t u d ? XXIV , 1 1 1 , het 
op de knieën zitten , neerhurken. 

2. Akidupuh, B. matimpuh, XXIV, 140. 

3. M akidupuh, B. mategtog, XV , 36 , van apen 
gezegd. 

B. matimpuh, XIX, 20, 
Kita. Vgl. Prof. Kern's Bijdragen tot de spraakkunst van het 

Oudjav. in B. T. L. V. 6« volgr. V, p. 640. 
B. ida, gij, I, 41, II, 71. 
B. hiba, II, 75, IV, 56. 

B. cahi, II, 30, 46, 47, 52, III, 45, 47, 52. 
B. idewa, II, 62, IV, 11. 
B. kamun, III, 27, 28. 
B. bëli, III, 49, 50. 
B. onvertaald, XVI, 22, enz. Mal. I5ul hctz., Bis. kitu (gij 

en ik). 
Kidaii. B. onvertaald, reebok (cervulus muntjak), V, 39, 

II, 9, 15. 
B. harina, X, 59, 60, XIX, 45, XXIV, 107, V,38,64, 

84, vil, 24, IX, 21, XIV, 36, enz. 
2. Makid ankidanan , B. malali danan, zich verlustigen 

(Act. Dur.) , II , 15, huppelen. 
Kidat. 1. Akidat, B. anulejat? XXII, 50, kwispelen? (van de 

staart gezegd). 
B. fiurejat? XXIII, 17, trappelen v. paarden. 
2. Makidat-kidatan, B. krëj ön-krëjön, XXV, 111, van 

paarden gezegd. 
Kidun. Mad. kejun. Mak. kelon. Bug. el on. 
B. tëraban (gezang), XII, 23. 
B. onvertaald, VIII, 40. 
B. gita, XVII, 103, 104, XXIV, 202. 



KIDUL KIPU (kIPu). 125 

2. Kinidunan, B. cankrimaii, [I, 9, gesust (Part. Perf. 
Pass.). 

3. Man i tl uil, B. in at au dak (zingen), III, 39. A.ct. Dur. 
B. mangita, XII, 23. 

B. makidun, XVI, 10. 

4. Maniduni, B. manandakin, VI, 128, zingen bij (Act. 
Dur. Trans.). 

5. Kinidun, B. tand aki n, VIII, 107. Pass. Dur. 

6. Maniduni dun, B. magagitaan, XVII, 127. Act. 
Dur. freq. 

Kidul. B. lod (zuiden), VIII, 189. 

B. këlod, III, 12, VII, 49, 51, 87, 107, XV, 29, XIX, 
34, 50, X, 72, XI, 1 , 50. 

2. Manidul, B. inanëlodan (naar het zuiden gaan), VII, 
49, Act. Dur. 

3. Anidul, hetzelfde, VII, 55, 99, Act. Dur. 

4. Panidul, B. üidul (zuidkant), XVI, 4. 

n panidul, B. ma nel o dan (dat naar het zuiden ging), 
XXV, 5. 
Kiukiii. 1 . K i n k i n ë n , B. w a ü u n a h , XIII , 20 , te streven naar 
(gerund.). 
2. Kininkin, B. luaügawenan, XXI, 23, Pass, Dur. 
(gestreefd worden). 
Kiiitu. S. echter, B. wjakti, XXI, 148. 
Kinuara. S. een mythisch wezen, B. onvertaald, XVI, 10. 
B. rëbad, VIII, 152, XXIV, 101 
B. gan dh ar WW a, XI, 8. 
M a n u k k i n n a r a , B. k ë d i s m a 1 a 1 i ! XI , 27. (De vert. 

fout) , zangvogel ? 
2 Mak in n ara, B. man rëbad (spelen), IK, 39. 
B. mararëbadan, XVI, 10. 
B. rëbad, XVII, 111. 
■^"Kinnaragaua. S. schaar van k i n n a r a's , B. k i n n a r a sa m i , 
XX, 21. 
Kiiinari. S. vrouwelijke kinnara, B. onvertaald, XVI, 10, 

XX, 21 
Kipiii. B adukin, XXVI, 25, zeker gebak van kacan, 
Kipu (kipii). 1. Akipü, B. makakepu, XXIV, 111, op den 
grond woelen en klappen. 
2. Makipu, hetzelfde, XXV, 20. 



126 KIMAPI KIRUDA. 

Kimapi. S. hoeveel te meer, B. pradene, IX, 4. 
Kimuta. S, hoeveel te meer, laat staan, B. minkin, VIII, 134* 
B. kalinke (hoeveel te meer), IX, 4, XV, 24, XIX, 100, 

XXI, 191, XVIII, 47. 
B. y a d i n , XXI , 225 , laat staan dat. 
Kiiuulu. 1. Manimulu, B. manumbuk, XXIII, 59, aan- 
houdend slaan (Act. Dur ). 
Kiniburu. B. hirihati (afgunstig), III, 7. 
B. iri, III, ö5 (afgunst). 

B. sënit, XXVI, 11 (jaloersch) , vgl. Jav. Mal. cëmburu- 
wan, Tag. gimbolo. Bis. aboghó, Day. kabehu,Bat. 
mangiburu, Bug. empuru. 
Kira. 1. Kira-kira, B. bwat upaya (waarschijnlijk), V, 53. 
B. panrasa, III, 10. 

B. pan upaya (middel), VI, 164, III, 81. 
B. daya upaya (listen), XXII, 5. 

2. Kira-kiran, B. karyyanan daya, V, 7, moet getracht 
worden (Juss. Pass.). 

3. Akira-kira, B. daya, X, 43, zich voordoen als. 
B. mandayaan (zonnen op middelen om), IX, 38. 

4. Kinira-kira, B. gawenan daya, XIV, 53, belaagd 
worden (Pass. Dur.). 

5. K u m i r a-k i r a , B. upaya (bedriegen), XXIV, 116, 
Aor. Act. 

6. Kirakën, B. wilanin, XXVI, 25. 

Kirini. l.Kirimën, B. wcM-ehën (worde gezonden), XIII, 88, 
Opt. Pass. 

2. Pakirim, B. pat i tip, XI, 22 , het gezondene (hetgeen 
gezonden wordt), 
Kiriwili. B. mamoncon! XXI, 202, voetring? 

B. alit-alit, XXV, 108, hoofddoek, gordel? 
Kiris. 1. Akiris, B. makëdep (glanzend), VII, 25. 

B. iiëlëp, II, 11. 

B. wilis, V, 13, XVI, 14. 

2. Makiris, B. makëdep, IK, 36, XVI, 20, VIII, 54. 

B. sakri, V, 40. 
Kirnua. S. gestrooid , verstrooid. 

B. masahsah, VI, 120. 

B. pagëlar, XIX, 62, het verspreid zijn. 

B. magëlaran, XXV, 36 (adj.). 



KlllTTl KISAPU. 127 

Kirtti. S. (verdienste, roem), B. ya9a, I, 8, XXI, 145, 

XXIV, 201, X, 32. 

B. mangawenan, XXI, 142, verdienstelijk. 
Kila. 1. Kinila-kila, B. mande hala, III, 57, verafschuwd 
worden. 
^Kilii (kilïi). 1. Aki la,, B. makëdep (glanzend , blinkend)) , V , 
13, XXV, 79. 
B. na hak, VIII, 106. 
B. nëlëp, VII, 25. 

2. Makila, B. makëdep, XXIV, 137, glanzig. 
Ki'lat. Mal. Day. Bis. hetz. Malag. helatra, Mak. kilaq. 
B. tatit (bliksemstraal), XV, 32. 
B. kilap, II, 33, V, 1. 
B. ma tatit, XXII, 75, enz. 

2. Akilat, B. maklelat (bliksemend), VI, 20. 
B. Iwir tatit, VI, 26 (van een wapen). 

B. ka ta titan, XII, 64 (bliksemzwanger). 

3. K umilat-kilat, B. Iwir kilap makel e p, XXIII, 76 
(straalde). Aor. freq. 

Kilat bahu. B. onvertaald , armband , IX , 43. 

Kilan. 1. Saki la n, B alankat, XV, 43, een span. 

Kilip. Sahana ning kumilip, B. salwiranin kimitij), 

XXV, 26, alle levende schepselen, 

Kilil. 1. Anililan, B. mandewek (alleen overblijven) , 

XXIII, 48. 

2. Anilil, B. man inga r, XXIII, 66, alleen staan (Act. 

Dur.). 

Kiwa. B. keri (links), X, 69, XIX, 45, XIII, 35, XXIII, 5. 

2. KiwTin, B, hetzelfde (linkerkant), XVII, 75, XX, 26, 

XXI, 182 (linker), 194, XIX, 72 (linkerkant). 
B. kebot, VI, 30 (linkerkant). 
Kiwik. B. buüut, XX, 59, bek. 
Kiskindhïï, S. Kiskindha, naam van een grot, VI, 158, 

203, XXIV, 208. 
Kiskiudhaka. S. Kiskindh aku, hetzelfde, VII, 39. 
Kiskindhawiwara. S. Kiskindhawi wara, de grot Kiskindha , 

B Kiskindaguha, VI, 160, 
Kisat. B. nungalan, XXVI, 22, slingeren? 
Kisapii. B. mamanku, XXIV, 248, op schoot hebben. 
2. Kuraisapu, B. manabin, XXIV, 157, Aor. Act. 



1 28 KisiK — Kun. 

4. Anisapu, B. hetz., XXIV, 242, Act. Dur. 
Kisik. B. kosokan, XXVI, 25, rand? 

2. Kumisik, B. nrodok? XV, 19, sissen? 
B. masyok (ruischen) , XIX, 70, donderend? 
B. masiyok, XXI, 226 (suizen), XXIII, 18, Aor. Act. 
(van pijlen gezegd). 
Ku. B. kahi (mijn), suffix 1*^ pers. sing. na consonanten, II, 
40 (door mij), 69 (mijn), VI, 186 (door mij). 
B. mami, XIII, 24 (mijn), 25, IV, 61. 
B. tityan, IV, 34, 35, V, 13, 16, enz. Vgl. nku. 
Eukan. B. tatenkek, soort van vogel, XXV, 69, luiaard 

(lemur) , Mal. Sas. hetz., Jav. tukan. 
Kukap B, tëhëp (een soort van broodboom), XVI, 44, XXII, 

51, XXV, 69, XXVI, 25, Mad. kokap. 
Kukii. Sund. Mal. hetz., Tag. Bis. koko, Bul. Bug. Mak. 
kanuku, Form. kalonkon, B. naka (nagel) , IV , 7 , VI , 
164, XV, 56, XIX, 76, 110, 126, XIII, 94, XIX, 49, 
XXI, 179, XXII, 5, 88. 
Kukup. B. gamël, vatten, XXVI, 25. 

2. Kumukup, B. kahaiikëb (bedekken)? XXV, 26, Aor. 
Act. 

B. inangugwanin (vasthouden), XXV, 29. 

3. Kakukup, B. karaksa (opgeborgen?), XXV, 20. Aor. 
Pass. 

Kukur. 1. Kumukur, B. makëcor, uitstroomeu (Aor. Act.), 

XXVI, 23. 
Kukiis. Mal. hetz. Mad. okos. B. d u m u, (rook), III, 5. 

B. handus, XI, 1, II, 4, VIII, 215, IX, 36, XVI, 16, 
17, XIV, 42. 

2. Kumukus, B. makëdus (rookend) , III, 5 (Aor.). 
B. mahandus, XXIV, 29. 

B. mak u dus, XX, 16. 

3. Kukusan, B. kuskusan, XXII, 10, van bamboe ge- 
vlochten mand , waarin rijst gestoomd wordt. 

4. Akukus, B. andus (rookend), XXV, 12. 
Kukuh. B. akëkëh, XXII, 5, hard. 

Küü. B. riman (minnepijn), VII, 16. 
B. kasmaran, XI, 19. 
2. Akün, B. naran (verlangend), XI, 80. 
B. kasmaran (verliefd), VIII, 103. 



KUÜKun — KuriiT. 129 

B. kahhranten, XXIV, 118. 

B. sedih, m, 21, Vlll, 206 (bedroefd). 

B. riman, XYÜ, 104. 

B. sunsut, Vlll, 196. 

B. de.mëu, Vlll, 164. 

3. M a k ü n , B. s ra a r a (verliefd) , Vil, 30. 
B. bhranti, XXIV, 147. 

B. rimaii, lil, 22, Vil, 28. 

B. sedih. Vil, 51 (bedroefd). 

B. kasmaran, Vlll, ir)3, XI, 23 (verliefd). 

B. k a bh r anten, VIII, 105. 

B. suiisut, Vm, 197. 

4. Maküna, B. anrënani! (wees bedroefd), IV, 12, -Tuss. 
B. riman, XXIV, 222, zou bedroefd zijn, Cond. 

5. Makunkfina, B. sediha, XXIV, 63, laat bedroefd 
zijn. (Juss.) 

Klink UU. B. bunkuii (ring), IX, 43. 

2. Kinunkun, B. kapiiiit (opgesloten), Vlll, 91, 105. 
B. Iwir kurun, lil, 21 (dichtgesnoerdP). 
Kucalt. Jav. Mal. kocak. 1. Knmucak, B. ocak, XXIV, 
21 , klotste (Aor. Act.), v. d. zee. (Jav. R. 498 k urn ocak). 
Kucëiii. B. gësit (huiveren), XX, 37 (verbleeken). 
B. nisteja (verbleekt), XXllI , G5 , XXll, 45. 
2. Makucëm, B. hetzelfde , VIII , 101, XXIll, 35, XXIV, 
21, 139. (Mal. Day. kusara, Bat. husóra). 
Kiicup. B. pusuh (knop)! XVI, 19, XYll, 121, XXV, 75, 
V, 70, Xll, 1, gesloten. (De Bal. vert. verkeerd.) 
B. kusuh, XVI, 25. 

2. Akucup, B. apusuh (gesloten), Vlll, 93. 
■^Kucupsik. 1. Kakucupak, B. pakarobok (plassen) , XXVI, 5. 
2. M a k a k u c u p a k . B. m ak a p a g a h a k ? XXV , 1 08. 
Kucur. Sund. kocor. B. kecoran, XVI. 26, uitstroomeu. 
2. Kumucur, B. makëcor, XVll, 128, stroomde uit (Aor. 
Act.). 
Kujiwat. Mad. noiijiwat. 1. Maüujiwat, B. raakëjit (do 
wenkbrauwen optrekken), Vlll, 104, XXIV , 250. Act. Dur. 
B. manëjihin, YIII, 108 
2. Anujiwat, B. makëjit, XI, 10. 
Kuüit. B. onvertaald, XXV, 10, naam van een gele tal) wan- 
soort. 

9 



130 KuncAii — KundALA. 

2. Kiuunit, B. makuiiit, XXVI, 25, bestreken met kufiit 
(Pass. Dur.) 
Kiificaü. 1 . K i n u ü c a n , B. t i n ë m p u h , gebeukt , XXII , 52 
(Pass. Dur.). 

2. Kakuncaii, B. goyan, XXIV, 21, gescbud (Aor. Pass.). 

3. K u m u ü e a n , B. n a 1 i fi o a i'i , IX , 57 , zicli verwijdereu 
(Aor, Act.). 

Kuncir. B. maciri! iiekhaarvlok , V, 65. 

2. Makuficir, B. iküli, XXV, 24, met een uekhaarvink 
(haarstaart) , vgl. Sund. ku kuncir. 
Kuta. S. vesting, burcht, kasteel, Mal. kota. Bat. huta (ver- 
sterkt dorp). Bik. kut:1 (muur). B. gëlar, XIII, 64. 
B. de 9a, XX, 49. 

2. Akuta, B. madera. XXIV, 112. 
Kutaja. S. naam van een plant tegen dysenterie, wrightia 

antidysenterica, B. kayu teja, XXV, 10. 
Kutaramanawa. S. naam van een wetboek, B, kufa miwali 

mauawa! XXIV, 167. 
Kutawara. S. voortreffelijke vesting , B. p o ii d o k u t a m a , 

XIX, 4. 
Kiitila. S. gebogen , krom , valsch , arglistig, oneerlijk , B. 1 ë ni t , 
*III, 68, XIV, 52. 
B. maliii, XVII , 45, III, 74, enz. 
Kiituli. 1. Kinutuk, B. kagëtok, XXIII, 15, geslagen met 
de knokkels (Pass. Dur.). Jav. R. p. 460 kinut uk-k u tuk. 
Kiidainpël. 1. Anudampël, B. n al ëpek, VIII, 94, schudden. 
^Kudiik. B. huduhan, XXIV, 117, naam van een kleine rivier- 
visch. 
Iluuda. S. kruik, pot, waterbassin, B. pabo man (offerplaats) , 
I, 26, 28. 
2. K unda-kuuda, B. pas ë pan p ah o man, te beschouwen 
als een wierooktekst (in een vergelijking) , XXII , 53, 
Kuiulau. volgeling, B. mak anti (een helper hebben) , XXIV, 
113. 

2. Makundaü, B. manajak (uitnoodigen) , IX, 57 , volgen. 

3. Kiuundan, B. kin anti, te hulp geroepen (Pass. Dur.), 
XXIV, 69, gevolgd worden. 

B. kasarërian, XXIV, 249. (Mal. kundaüan, Bat. h u n- 
d a n a n , Atj . k u n a n a n). 
Kun^ala. S. ring, oorring, B. goudala, XXI, 206. 



kuiuIah — KUNen. 131 

Kllinlah. 1 . M .a k u n d a h , B. in u £>-u y a i'i (zidi iii 't stof wentelen) , 
* Vill , 30 , XXi L , 50 , XXI , 33. 
2. Akuudah, B. guyan, XX, 68. 
B. m a g u y a n , XXIII , 17. 
KiiiHli. B. jiiii (pot), XXIV, ion. 

V). keudi, XXIV, 240, Skr. kuiule (pot, waterkruik), Suiul. 
këiid i. 
Kut. B. carmma (huid), XXII, 50. 
■^Kutëk. 1. Sakutëk, B. kahadëp! XXV, 110, een ziertje, 
een weinig. Vgl. Bul. rintëk (fijn, tenger, klein). 
Kiitnk. 1. Kumutuk, B. gëtok (met de knokkels slaan), 

XXVI, 3, Aor. Act. (Vgl. kutuk). 
Kutiig. B. nrëdëg, XI, 1, vlammen. 
Kutupnk. B. tukt uk (bek, top)! XXV, 68, naam van een 

vogel (Jnv, katupuk, Sund. kiitukbluk). 
Kuda. Mal. Sund. hetzelfde. B. jaran (paard), XX, 3'). 
B. a?wa, XXI, 180, 186, XXIII, 74, 17. 
B. onvertaald, VI, 22, enz. 

2. M a k u d a , B. n u n g a n jaran (te paard) , IX , 26. 
B. maaQwa, XIX, 67. 
B. jaran, XIX, 68. De B. vert. verkeerd. 
Kudau. 1. Kin ud an, B. kapapasihin (met lof vermeld)? XI, 38. 

B. kinanti! XXIV, 202. Pass. Dur. De B. vert. onzin. 
Kudiü. 1. Kudin-kudin, B. palalian, XVII, 102, spel, 

vermaak. 
Kiidyat. 1. Makudyat, B. mulisah (ontroerd?), XX, 60, 
spartelen. 
B. narëjët? XXII, 50. 
Kuiiaü. B. smalih (echter), I, 43, 44, 48, II, 5ö. 
B. manawi (of), V, 48. 
B. punika (toch), VI, 103. 
B. m i w a h (maar) , VI , 85. 
B. keto (toch), VIII, 52. 
B. mwah (doch), III, 28. 

B. ipun (echter), XVII, 68, enz. vgl. kuucn. 
Kuiiaü-kuiiaii. B. s o d d h a m a (vuurvlieg) , Vil , 1 2. 

Ij. k uk u man, XI, 3'.). 
Kiinëii. B. miwah (of)! IX, 32 (toch). 

B. smalih (doch), III, 47, 49 (toch), 09 (namelijk), VI, 
73, 170, 181, IV, 34, 64. 



132 KUNin KUMRUJIA. 

B. mivvah (soms), IV, 38, 40, XVIII, 32. 
15. liane (echter), IV, 51, V, 72, 78. 

B. malih toch), XI, 32, XXIV, 134, XVII, 4(3, XXV, 
50 (of) , enz. 
Kuuiii. Mal. hetzelfde. B. onvertaald , geel, XVI, 23 , XXIV , 55. 

2. Makunin, B. jënar, XIV, 37, XXV, 50. 
B. onvertaald, XVII, 118. 

3. Akunin, B. jënar, XXIV, 216, XXV, 88. 

Kimtiil. B. balëkok (reiger), VII, 6, XXIV, 116, XXV, 60. 
"^Kuute. 1. npai'iunte, B. marabutin, XXVI , 22, dat plukte. 
Küpa. S. gracht, holte, bron, enz. 

1. Paküpan, B. pamandusan, badplaats, XXV, 47. 
Kupak. 1. Kumupak, B. mak re bek (ratelde)! V, 2, Aor. 

Act. knapte (van een boog). 
B. mabruwak (knapte), XV, 60, XXI, 210. 
B. pan u wak, XXII, 59. 
■^Kupatay. B. katipat, XXVI, 25, rijstraandje. 
Kupik. 1. Makupik, B. mapëkwak, VIII, 30, in de handen 
klappen. 

2. Akupik, hetzelfde, XXIV, 28, XXVI, 24. 

Kupu. 1. Kupu-kupu, B onvertaald, vlinder, XXIV, 109. 
Kiibhauda. S. naam van een bhüta, B. kumandan! XXIII, 

6. De B. vert. verkeerd. 
Kuinara. S. kind, knaap, jongeling, zoon, prins, de oorlogs- 
god, de Indische Ar es (Mars), B. onvertaald, XXI, 145. 
B. rare, XXV, 24, naam van een aji. 
B. prarare, XXV, 108 (knaap). 
Kuiiiöd. B. hasin! dicht opeen, XXV, 83. Vgl. Mad. komët 

(hardnekkig). 
Kumis. Mal. hetzelfde. B. onvertaald, knevel, II, 68, XII, 63. 
B. rawis, V, 36, VIII, 62, 77, XXVI, 24, IX, 35, 
XIV, 48. 
Kuinuda. I. S. witte nachtlotus, B. tunjuii, II, 4, 6, 8, 
XII, 1. 
II. naam van een aap, XIX, 41, XXIV, 251. 
KumkuDia. Mal. kunkuma. Mak. Bug. kuma, Day. kaü- 
kuma. S. kunkuma (saffraan), B. onvertaald , een soort van 
welriekend hout (curcuraa) , VI, 163, XXV , 51 , XXVI, 25. 
2. Makumkuma, B. kumkuman (zich met curcuma ver- 
wen), xvn, 3. 



KUMBA -KURAD. 133 

*Klimba. 1. Kinumba, B. gëlanan, met een armband ver- 
sierd worden, XXV, 79 (Pass. Dur.). 
Kumbaü. B. bh ra ma ra (hommel), XII, 46, II, 8. 
B. t a m b u 1 i 1 i n a n , Il , 'i , 7 . 
B. sadpada, II , 4 , 1<), VIU, 14, enz. 
Kiiiiihii. I. 1. Kumumbu, B. kam o mbo, XVI, \\) , op het 
punt van zich te ontluiken (Aor. Act.). 
II. 1. K umn mb u-k umbu , B. mu m 1) uka t u m 1) u k , XV, 
24, tegen elkaar stooteu (Aor. Act.). 
Klinibhn. I. S. pot, kruik, knobbels op het voorhoofd van oli- 
fanten, B. jun (pot), I, 24, III, 4. 
B. dyun, XX [II, 3(3, pot. 

B. girah! IX, 28, bult op 't voorlioofd van olifanten. 
II. S. naam van een zoon van Kumbhakarna, XIX, 10, 
XXII, 14, XXIII, 36, 37. 
Kniiibhakiiruna, S. naam van een broeder van Rawana, XIV, 
20 , 34 , XIX , 10 , XXII , 2 , 41 , 44 , 50 , 51 , 57 , (! 1 , 6{] , 
72, 73, 85, 86, 87, 88, 89, Xmi , 1, 10, 3(5. 
Sliya. I. B. toko (zelfstandig pron. demonstr.) , XXV, 12, die 
daar, gene. 
B. to ya, XXV, 62, 75, 92. Vgl. kuyan. 
Kuyaka. B. syah (specht), XXIV, 112, 114, 115. 
Kuyaü. I. bijvoegelijk pron. demonstr., B. neko, VII, V)0. 
B. to ya, XXV, 57, 78, 84, 99, 101, 102, 106, 108, 
XXVI, 5, 6. 

II. n. V. e. Avilden boom, B kayen, XXV, 10. Vgl. I'ilet. 

III. 1. Kuyanen, B. to ya! XXV, 34, onruï^tig. 

2. Kuyan-kuyan, B. osah mulisah, XXlIl, 58, onrus- 
tig, zich bewegen, enz.? 
Kiiyap. B. tabih, XXV, 72, wortel. 
*Kuya^*a. S. eerloos, B. to kirttiyan, XXVL, 2. 

Kura. I. B. hëbun (slingerplant), Xll, 61, XXIV, 211. 
■^Küra ? 1. K i n ü r a , B. w a t r a h a n (meeneu ?) ! XXVI , 23 , 
Pass. Dur. , bemorst worden. 
Kuraü. B. mari (te weinig, niet genoeg, ontbreken), II, 45. 
B. kwan, VI, 181. 

B. tuna, XXI, 84, XXII, 68, XXV, 99. 
B. uora, VII, 98. 
B. tunaan, XI, 27, XVII, 16. 
B. kiran, XXI, 222. 



134 KURAnn — kurutug. 

2. Kakuran, B. katuuau, XT, 93, XIV, 32. 
B. tuuaau, XXVi , 25. 

3. Kakuraiian, B. tuua (te kort schieten), XXII, 53. 

4. Kurana, B. tunahau, XXIV, 150. 

Kiiraiiji. B. jëro! XXV, 99, naam van een hoogen boom 

(dialum indum L.). 
^Kiiraiijya. B. ko w au j i , naam van een boom (cyuoraetra 

cauliflora), XXV, 99. 
Klirailta. B. asana, naam van een boom (p te ro car pns 

indicus), XVII, 123. 
B. onvertaald, XXV, 99. 
Kurapas. B. madagin (gevuld)! XXVI, 25. Vgl. kropos 

(uitgevreten, ledig, ijl). 
Kurawa. B. tunjun ban (roode lotus), IX, 44. 
Kurawaka. S. kurabaka, roode amaranth , B. asana (ptero- 

carpus indicus), XVI, 23, naam van een boom. 
"^Kurawiiü. B. jaiian (groente)! XXVI, 275, verdroogd (vgl. 

k aw u i'i). 
Kiirah. 1. Kurahan, B. hay am! XXVI, 26 , dor. Vgl. krahan. 
Kuren. B. mapumahan (echtgenoot), IV, 50. 

2. Kurëna, B mapaumahan, IV, 51, Juss. , wees echt- 
genoot. 

3. Mak uren, B. hetzelfde (gehuwd zijn), I, 18. 
B. mapumahan, XXIV, 149. 

4. Makurën-k u r en , B. mapamitra (bevriend zijn?), 
III, 39, verwelkomen? 

5. Pakurën, B. mapumahan (echtgenoot), XVII, 68, 
XXIV, 185. 

^Kuriüjëm. B. jawum-jawum, XXV, 99, naald? 
Kurü. 1. Makurü, B. bërag (mager) , VIII , 105, XVII ,114. 

2. Akurü, B. hetzelfde, VIII, 195, XI, 45, XXIV, 211. 
Kurug. B. h au ten, XXIV, 248, harnas? of halsketen? 
Kurugëm. 1. an panurugëm, B. maurëntëbin, regelde, 

ordende! XXV, 11, dat kirde? 
Kurun. 1. Kurunau, B. guwunan (opgesloten), VII, 105. 
B. maguwunan, XVII, 18, kooi. 

2. Kinurun, B. katëkëpin, VIII, 105, Pass. Dur. 

3. Akurun, B. herët, XXIV, 150, gesloten. 

4. Kiuurufian, B. kapatëh, XXV, 38, Pass. Dur. (Sund. 
Mal. Day. hetz. , Tag. kolon, Bat. hurun.). 



KUUUTUG KULIT. 135 

Kurutug. 1 . Iv ;i k u V u t u g , H. p ;i g r c d ë g ((Ireiiueiidc) , VII , 
43, XVI, 7. 
B. magrudug, XIX, 3(5. 

2. Makakurutug, B. i)aga red ah, VII, (53. 
B. pagarëdëg, XII, ö(i. 
B. pakarobok, XXV, 108. 
Kurupak. 1. Kakurupak, B. pakarëpwak, XXV, ")3 , ver- 
ward roudvliegeu ? 
Kiirupuk. B. karupuk, XXVI, 25, het hinneiiste gedeelte 

eener buffelhuid als toespijs gebruikt. 
Kurcyat. 1. Kakurcyat, B. pacruwit, XIX, 74, gillen? 
B. pakareyat, XXI, 175, hetzelfde. 
B. p a c a r u w i t , XXII , 50 (gillen). 
2 . M a k ü r c y a t , B. pakareyat, XXII , 50. 
Kririiniia. S. schildpad, B. ërapas, XXI, 132. 
Kul. B. kak ui, XII, 63, slak, Mad. kool (alikruik), Suiid. 

kuul (oester), Tag. kohol (kleine zwarte slak). 
lïlila. S. kudde, geslacht, woning, een — van, B. wa. nya, 
XXIV, 149, XXVI, 19 (geslacht). 
1. Mak u la-k u la, B. iiiaiilëwihan wan(;a, XXiV , 111. 
Kiilagiri. S. hoofdljerg, B. kalëwihan gunun! XI, 71. De 
l>al. vertaling verkeerd. 
*Kulagotra. S maagscluip en bloedverwanten. 

1. Sakulagotra, B. sakanca, (met zijn geheele geslacht), 
XIX, 38. 
Kulamitra. S. familievriend, stamvriend. 

1. Makulami t ra. B. lëwih waiica, XXIII, 21, totstam- 
vriend hebben. 
Kulaiiipwak. B. k a 1 a m ]> wak, XXV , 105 , naam van een groene 

j a m b u-soort (j a ni b o s a a 1 b a). 
Kiilèm. B. pëtëii, nacht, II, (]6 , VII, 21. 
H. wëfii, LV, 25, 2(i, VlU, 3(3, XX, 78. 
B. ratri, XI, 89 , enz. 
Küli. 1. Makuli, B. maiiunklik, XXV, 11, familiaar 

zijn? 
Kulit. (Bul. Sund. Mal. hctz. Mak. kuliq. Bug. uliq, Form. 
kurit), huid. 
B. c arm ma (huid), XVL, 17, schors. 
B. bulu! XVI, 20, huid. 
B. balulan, V, 41, XXIV, 114, enz. 



136 KULINA KULWAN. 

kulit kayu, B. daluwan (boomschors), IV. 20, VI, 98, 
XXIV, 114. 

2. Makulit-kavu , B. nanrlan daluwan (boomschors dra- 
gende), XI, 17. 

3. Kulikulit, B. nelahin awak, XXIV, 114? 
Kaltna. S. edel, B. kuhlwanca! II, 59. 

^Kulinajaniiia. S. edel van geboorte, B. kulawanga, II, 50. 
■^Kuliraüan. B safisit, een soort van gevleugelden sprinkhaan, 

XXIV, 122. 
Kulilin. Mal. hetz. , Bug. gulilin, .Tav. kulinlih, Sund. 

kurilin. 

1. K in ulilinan, B. k ah id er an (omgeven) , I, 14 Pass. Dur. 

2. Makulilihan, B. mapidërin (ging rondom), I, 28. 
B. mahilëhau, XVII, 130; 

B mahilëhin, XIV, 38. 

3. Anulilini, B. nideriu (ging rond), II, 32. Act. Dur. 
Trans. 

B. manidërin, XXI, 210. 

4. Ak ulilinan, B. hetzelfde (rondom), VIII, 24. 
B. lënëd, XXIV, 20. 

5. Kumulilin, B. manidërin, VIII, 48, XIX, 50. (Aor. 
Act.). 

B. midëran, VIII, 57. 

6. x\ r k u 1 i 1 i ii i , B. ra a ii i 1 ë h i u , XXI , 1 99. 
Kuliea. S. bijl, B. panilanau jïwita! XIX, 3. V, 18. 

*Kulu. B. hu dan (garnaal), XXV, 108, zekere riviervisch. 
Kulub. 1. K ui u b-k uluban, B. matatimbunan, VJII, 33 , 
Jav. kort afkoken en stoven. 
B. mahurub-hur uban, XXVI, 25^ bladgroente. 
■^Kulumur. B. tëhgëk, XXIV, 123, besmeerd, vgl. lumud. 
Kulurak. Mal. këlorak. B. kad uk d uk, XXV , 75,uaameener 

bloem (Amomum aculcatum). 
Kuluwim. 1. Manuluwun, B. manaroügon, XXV, 78, 

suizen. Act. Dur. (Sund. hetz., Tag. kolowóh.). 
Kille. B. pamërëm, XXIV, 73, slapen. 

Kiilyat. 1. Manulyat, B. manliyud, VIII, 94? Act. Dur. 
Kulwau. B. kawuh (westen), IX, 58, XIX, 34, 50, XX, 50, 
XXII, 56, XXV, 64. 
2. Anulwan, B. rin pacima (naar het westen gaan), XII, 
2, Act. Dur. 



KUWAÓ — KUgALApaLa. 137 

B, nawuhan, XXV, 69. 

3. Man ui wan, B. manawuhan, XV, 50, gingen naar 't 
westen (Act. Dur. Ind.). 
Kiiwaii. B. onvertaald, XXV, 71, naam van een boom (urostigma?) 
Ku wal. 1 . M a k u w a 1 , B. b u w ë 1 , IX , .30 , sterk. 
Kuwu. 1. Pakuwwan,B. umah (verblijfplaats), VII, 51 , XI, 2. 

B. pomahan, VIII, 25. 

2. Kuwwan, B. umah, XXIV, 113. 

3. Makuwu, B. magawe umah, XXIV, 111, 112, verblijf 
houden in. 

3. Makuwu-kuwu, B, magawe umah, XXIV, 113, een 

kuwu maken (intensief). 
Kuwuk. B. meson, XXV, 32, de tijgerkat (felis javanen- 

sis Hors f.). 
Kiiwiiu. I. B. clëpuk, een soort van uil (Mal. kukublok), 

XXIV, 111. 

II. Suud. këwun, Tag. kol o won (hol, holte), B. gook, 
XXIV, UI , 112. 

2. Makuwun, B. mangowok, XXV, 22, een holtemaken. 

3. Sakuwun, B. nungalan go wok, XXV, 32, holte- 
genoot. 

III. Kuwu n-k u w u n , B. k a k u w u i'i (regenboog) , \ XIII , 76. 
Kuwera. S. Kubera, de god van den rijkdom, li. onvertaald, 

XXIV, 52. 
Kuwoii. B. tuhu-tuhu (een soort van kraai), IX, 56 , XXIV , 

111, 112, XXV, 22, 36, 71. 
Kuwwan. B. hetzelfde, XXIV, 111, naam van een vogel. 
Kuca (kusiï). 1. Makuwu, B. raulisah (ongerust), 111, 24. 
makusa, B. maguyan, XXI, 14, bedroefd. 
2. Aku(?a (akusa), B. hetzelfde, XIX, 20, XXI, 58. 
Ku^*a. S. een soort van gras (poa cy n osuroides) , B. h a ni- 

bëiian, XXV, 101. 
Ku^agra. S. grashalm, B. hetzelfde, I, 24. 
Kii^ala. S. normaal , gezond , ervaren , welvaart , geschikt. 
B. wawanuuan! III , 71, fo ut. 
B. jëron-dewa! XVII, 52, fout. 
B. k a h y a h a u ! XXVI , 1 , XXIV ,157, foutief. 
B. guna, III, 83, geschiktheid. 
B mag una, XXVI, 52, flink. 
*Ku^ala^5ila. S. heiligdom? B, waiiunan, III, 54. 



138 KÜSA KITAWIWEKA. 

Elisa. I. 1. Kaküsa, B. k ah ambaniu (verscheurd), XIX , 51 , 
Skr. k u s. 
II. 1, Kinüsa, B. tinërapan (ingelegd), XXIII , 74. 
Kusyara. B. sutra (zijde), X, 71. 

Eusut. Mal. hetz. 1. Makusut, B. mahocakan? IL, 5, heen 
en weer gaan. 
B. sutsut (verward), VIII, 106. 
B. sëmput (in de war), IX, 36. 
B. pujut? XIX, 69, in de war. 
B. brënos? XXIII, 54, in de war. 
2. Akusut, B. jengot? XIX, 70, verward. 
B. la ju! IX, 56, in verwarring. 
Kiisuma. S. bloem, B. se kar, V, 70, VI, 40, 115, VIII, 93. 
B. buna, VI, 41, 120. 
B. puspa, VI, 121, VIII, 157, 168, enz. 
liusuniacapa. S. de god der Liefde, B. Kusu iiiA y u d li.t , 

XVII, 109. 
Kusuniawicitra. S. bonte bloemen , naam van een versmaat (Wrtta- 
saücaya str. 59, Weber, Metrik 380 , Kedara , Wi-ttaratufi- 
kara. 3, 68), B. sëkar rusak! IX, 3, XVII, 133, 
XIX, 103. 
Krta. ïS. gemaakt, gedaan, uitgevoerd, klaar , doelmatig , enz. , B. 

onvertaald, XXVI, 25, rust en welvaart genietend. 
Krtaglina. S. ondankbaar, B. tanpatutur! VII, 89. De vert. 
fout. 
B. p u p u t in k 1 e v a , XXI ,91. 
Krtajüa. S. daukbaar , B. tanpatutur! VII , 45. 
Krtajüata. S. dankbaarheid , B. onvertaald , III , 57. 
Krtayaca. S. roem verworven hebbende, B. molili kirtti, 

XIV, 46. 
Krtartha. S. tevreden, B. putus in kirtti! VIT, 88, VIII, 

37, XIV, 46. 
Krtala (krlala). B. onvertaald, naam van een wapen, VIII, 
35, xix, 3. 
B. pëdah (zwaard), IX, 26, XIX, 71, 109, XX, 24, XXI, 

172, 209, XXIII, 16, XXIV, 4. 
2. Makrtala, B. onvertaald, gewapend met een krtala, 

XXI, 173. 
Makrtala, B. mapëdan, XXIII, 59. 
^Krtawiweka. S. verstandig, B. putus in wijüa, XVII, 96. 



KrïYA KO. 139 

Krtya. S. kvtja (daad, enz.), R. yaca, III, 82. 

Krpaiiii. S. beklagenswaardig, ellendig , erbarmelijk , B. kasyasih, 

' I, 5. 
Krsna. I. S. naam van een aap, XIX, 41. 

II. S. zwart, B. apisan! VIII, 41, XI, 45, donkere maand- 
helft. 

III. S. naiuii van de bekende incarnatie van W i sn u , XXI , 147. 
Ki'snatila. S. zwarte sesamum , B. lënis, I, 24, 27. 
Kekayi. S. Kaikeyï, gemalin van Daf;aratha, 1, 17, 33, 

III, 6, 7, 8, 10, 30, XXVI, 10. 
Kekaylputra. S. Kaikeyï putra, de zoon van Kaikeyï, B. 
Bharata, III, 52, 86, XXVI, 24. 
^Kedak. B. hana rin wai (in het water zijn), XXIV, 105. 
Ken. Mal. ka in. B. tapih, onderkleed van vrouwen, XI , 2 , 
XXVI, 31. 
B. siüjan, XVII, 65, XXI, 2, XXV, 78, 79. 

2. Ken-keu, B. hetzelfde, VIII, 90, XV, 67, XVII, 125. 
B. tapih, XII, 15. 

3. Maken, B. masinjan (in een keu gekleed), XVII, 
113, XXIV, 138. 

4. Aken, hetzelfde, XIX, 32. 

Keri. Mal. kiri. B. kiwa (links), XXII, 76. 
Kewala. S. alleen , slechts , B. beken, II , 52 , 72 , IV , 24 , 
VIII, 130, XIV, 28. 
B. kewantën, II, 57, V, 28, XIV, 44, 64, XVII, 9. 
B. twah, VI, 180. 
B. satata, XVIII, 20, XXIV, 182. 
B. tan mari, VIII, 113. 
B. dewek, XI, 23. 
2. Kewala, B. tuwi, XIII, 55. 
Ke^'ara (ke^*ara). S. k e sa ra (haar, manen, raeeldraad) , B. 
lawö, XI, 46, XVII, 130 (meeldraad). 
B. makabulu, XIV, 38, XXIV, 248, manen. 
Kesari. S. naam van een aap, XVIII, 17. 
Iiaila<^'a. S. Kailusa, naam van een berg, VIII, 76, XIII, 

35, XXV, 3. 
Ko. Bul. kou, Fidji iko, Day. Sang. ikao, Tag. Bis. ikao, 
Mal. ankau, enz. (zie Prof. Keru's verhandeling in B. T. 
L. V. , 6'= volg. , V , p. 640). B. onvertaald , pron. 2'' pers. 
sing. '/jij'/, II, 37, 69, V, 30. 



140 KOKILA KON, 

B. hiba, II, 42, V, 59. 

B. cahi, XXIV, 113, V, 32. 

B. keto, XVIII, 47 (foutief), enz. 
Kokila. S. koekkoek, B. tuhu-tuhu, VI, 117, XXIV, 114. 

B. kalaAkya, XXIV, 260. 
*Kon, B. hiba, vocat. van ko (z. d.), V, 35 , VIII , 141, XXV, 
70, XXIV, 117. 
Koti. S. tien millioen, B. këti (honderdduizend), Vil, 53, 

* XIX. 129. 

B. këtian, XV, 29, XXI, 224. 

B. pin këti, XXII, 10. 

2. Sakoti, een honderdduizendtal, VII, 53, B. akëti. 

3. Kinoti-koti, B. këti-ketian, bij honderdduizendtallen. 
XI, 41. 

4. Koti-koti, B. hetzelfde, XIX, 11, 13. 
B. akëti piü këti, XXII, 78. 

5. Koti-kotyan, B. hetzelfde, XIX, 129. 

Kotipiiirta. S. sora , menigte van k o t i's, B. akëti pi n da , XII, 56. 
Kon. B. tunden, XXI, 199 (Abs.) , XVIII, 48 (Imper.) , beveel. 

2. ar kou, B. kahutus (bevelende), VI, 31 , Part. Praes. Act. 

3. Kinon, B. kapan an d ika jan (werd bevolen), III, 9, 
Pass. Dur. Ind. 

B. p a u a n d i k a y a n , V , 5. 

B. kautus (gezonden), VI, 132, 144, VII, 1 13, VIII , 182. 

B. katuran (werd bevolen), III, 48. 

B. katunden, XV, 6. 

B. tunden, III, 29, 32, V, 86, VIII, 11. 

B. kak on, XIII, 14, gelast wordende (Part Praes Act.). 

4. Kinoukon, B. kautus (gezonden), VII, 52, XXI, 
200, XI, 5. 

B. kinon, II, 60 (gezant). 

B. tuudenan (werd bevolen), III, 79. 

B. inutus, VI, 29, enz. 

5. Pakon, B. pauuduh (bevel), III, H, V, 20, 55. 
B. tunden, IV, 35, VI, 7, 11. 

B. panutus, V, 80, VII, 104. 
B. onvertaald, V, 84. 
B. tuduhan, V, 42. 

6. Sapakoua, B. paüand ikay au , V, 37, X, 19, al wat 
bevolen zal wordeu. 



KÜNTA — KOL. 141 

7. Akon, B. uuuden (beval), V, 29 (bevelende), X, 40, 
XXIV, 114. 

B. kautus, VIII, 195 (zenden). 
B. onvertaald , VIII , 60 (gelasten). 

8. Mak on, B. nunden (beval). Vil, 113, V, 41, 46, XI, 
49, VI, 144, XVIII, 39. 

B. nandikayan, XIII, 14, enz. 

9. Akoua, B. tunden, VI, 176 (Conj. na dunieli). 
B. nutus, VII, 42, XVII, 13, zal bevelen. 

10. Makona, B. nunden, XIV, 15, conj. na diiineh. 

11. nkon, B. kautus (bevelende), XXI, 192, XXIII, 83. 

12. Kumon, B. nunden, VIII, 192, heeft gezonden. 
B. ra a ko n , XI , 35 , Aor. Act. 

13. Kinonakëu, B. tunden (bevolen worden), XVII, 80, 
Pass. Dur. Ind, 

B. kahutus, XXIII, 32 (werd gelast). 

14. Kumona, B. nunden, XVIII, 40, Aor. Act. Conj., 
afhangende van don. 

B. kak on, XVIII, 47, in eene vergelijking. 

15. Konen, B. tunden, XXI, 199, worde bevolen (Juss. 
Pass.). 

Kontii. S. kunta (speer, lans, werpspies), B. onvertaald, IX, 
34, 77, XIX, 72, 109, 111. 
B. lipuü, XXIV, 10. 

2. Manonta, B. onvertaald, wierpen met werpspiesen, IX, 
38, Act. Dur. Ind. 

3. jar panonta, B. nujahan, XXII, 81, dat met werj)- 
spiesen wierpen. 

Koin.ila. S. zacht, teeder, week, B. halus, II, 18, XXI, 238. 

B. onvertaald, III, 5 (zacht). 

B, halëp, IV, 49, XXIV, 208. 

B. maühyu nhyunin, IV, 51, V, 13, Xi , 8 (zacht). 

B. tuiijuh! VI, 118 (teederheid) , VIII, 164. 

B. nuüjun! VIII, 71 (tee.der). 

B. nahy u n hyuni n , XI. 77, 

B. lëmbut, XII, 28, IX, 6 (zacht). 

B. rahayu, XXIV, i)ö. 
Kol. B. magëlut (omhelsde), XXI, 155, Absol. 

Sakol, B. apëluk (een vadem), XIX, 1 U) , XX, 
31 , 35. 



142 KOLltHALA — KYaTI. 

2. Kolakën, B. gëlut, YI , 43 (Abs.). 
B. kagëlut, XIX, 20. 

3. Mahol, B. mangel ut (omhelsde), VIII, 38, XII, 14. 
maohol, XVI, 33 (Act. Dur.). 

4. Aiiol, B. angel ut, XII, 5. 
B. magëlut, XII, 6. 

B. kagëlut! XII, 15. De B. vert. onjuist. 
B. iigëlut, XII, 25, XIX, 53, Act. Dur. 

5. Kinol, B. kagëlut (werd omhelsd) , XII, 6 , 25, Pass. Dur. 

6. Akolkolan, B. ngëlutkapëluk (elkaar omhelzende), 
XII, 12 (Part. Praes. Act.). 

7. Kolen, B. gëlutaü (omhelsd te worden), XII, 44 (Oonj. 
Pass.). 

B. kagëlut, XIX, 28. 

8. Maüolakën, B. mangel ut (omhelsde), XX, 76 , XXIV , 
1 1 , Act. Dur. 

9. Kolin, B. magëlut, XXIV, 260. 

Kolaiiala. S. verward geschreeuw, geraas, B. kakocok (ge- 
schud worden), VIII, 77. 
B. kas aki tan, XI, 2 (in opschudding), 7, XIX, 17, 54. 
B. kahogaran (geschud worden), XIII, 35, 
B. kewëhan, XV, 32 (in opschudding), 
Koca. S. vat , kuip , wateremmer , kast , schatkamer , woordenboek , 
knop, enz., B. dr we (schat), XIII, 51. 
B. bëkël (leeftocht), XIII, 63, 64. 
B. sa hu, Xm, 93. 
2. Ko^a, B. magëlah, XIII, 53. 
Ko^'ala. S. kaugala (welvaart, gezondheid), B, kagunan 

(deugdzaamheid), XIX, 44, XXVI, 52, 
Ko^alya. S. Kausalya, gemalin van Da^aratha, I, 17, 

32 (Ra ma's moeder, Jav. R. 3 Sukocalya). 
Koh. 1, Manohan, B. manulun (kreunde), VIII, 6 , IX, 40, 
Act. Dur. 
B, magawun, XIX, 120. 

2. Anohan, B. hgawun, XIX, 106, Act. Dur. 
Kya. B. pinëkan? XXIV, 20. 
Kya-kya. B. makira-kira! XXVI, 24, zekere zoutwatervisch 

(Mal. kiya-kija). 
Kyati. S. khjati (opvatting, roep, roem). 
B. kastawa (genaamd), XI, 1. 



KKAT^DANA KRl^KAK ARMMA. 143 

B. kasub (beroemd), I, 33, VI, 141, VII, 106, IX, 60, 
X, 18, XIV, 14, XXI, 166, XXIV, 126, 241, XXVI, 24. 

2. KakyTiti, B. hetzelfde, VII[ , 73, XXI, 80. 

3. Akyati, B. hetzelfde, XII, 54. 

Krandana. S. naam van een aap, XXII, 58, XXIV, 244. Jav. 

K r ë d a n a. 
Krama. S. schrede, gang, loop, verloop, manier, orde (Instr. 
in volgorde , Abl. langzamerhand , eindelijk) , enz. 
B. tinkah (eindelijk), X, 72, XXIV, 206 (gang), 254 (loop). 
B. raris (daarop), XI, 6. 
B. tumuli, VI, 49, XII, 54, VII, 53, 56, XV, 48, VIII, 

177, XXI, 210, XXII, 10. 
2. Mak ra ma, B. mangëlaran (in volgorde), XXILL, 59. 
B. kagëlaraü (ordelijk), XXIV, 27. 

B. ma tinkah (naar behooren) , XXVI, 24, Skr. kramena 
(kram at). 
Kraniakala. S. avond, B. tumuli ri sëdëk! VIII, 41. De B. 
vertaling verkeerd. 
B. tinkah 1 ë m a h ! XXIV , 204 , geheel verkeerd. 
B. ri kala! XI, 14, fout. 
B. tinkah ri sëdëk! XXIV, 239, fout. 
B. tinkah d i w a s a ! IV , 25. 
Krida (krida). S. krida, spel, scherts, B. s mara (minnespel), 
' VIII, 67, 75, XII, 4. 
B. sasmara, XI, 27, XV, 42. 
B. m as mara, VIII, 71 , enz. 

2. Makrida, B. hetzelfde (minnekozende), XII, 3, 7, 9. 

3. Makakrida, B. matëmuan! als speelbal gebruiken, 
XV, 42. 

Krüra. S. gewond, bloedig, ruw, hard, wreed, vreeselijk, B. 
karësrës, II, 39, XIX, 37, VI, 137, XII, 59. 
B. ga lak, XIV, 49, VIII, 62. 
B. magalak, VI, 76, 161, IX, 48. 
B. hahen, VIII, 74, XI, 6. 
B. kala na, XXIV, 2. 
Krürakara. S. wreed van uiterlijk, B. karësrës, XXI, 1<1. 
■^KrArakarinnia. S. wrceil van handel wijz»;, .B. galak laksana, 
I, 39. 
B. karësrës u 1 a h n y a , VI , 43 , van r u ks a s a's gezegd . 
B. momo laksana, IX, 45. 



144 KRODUA (KRODHa) KWEH. 

Krodha (krodha). S. krodha, toorn, gramschap, B. kas enen , 
vertoornd , 1 , 55. 
B. branti (toorn), III, 64, VI, 178. 
B. onvertaald, VI, 54. 

B. brahmantja (vertoornd), IX, 48, I\ , 67. 
B. magëlën, XIV, 48. 
B. gëlëü (toorn), XIX, 37. 
B. sahasa, VI, 145. 
B. sëühit, XX, 66, enz. 
Krodhabahni. S. het vuur van den toorn, B. api rodra, VI, 55. 
Krora. S. krüra (q. v.) , B. kabhinawa (ruw), XIX, 78. 
B. sahasa (hardvochtig), XIX, 80. 
B. karësrës (wreed), XIX, 110. 
B. ga lak (vreeselijkj, XX, 55. 
*Krorakara. S. krürakara (vreeselijk van uiterlijk), XIX, 17. 
Kro^a. S. schreeuw, B, karësrës, XIV, 40. 
Kle^'a. S. plaag, kwaal, pijn, verdriet, B. papa, VL, 110. 
B. mala, VI, 112, XXI, 112. 
B. jële, XVn, 98. 
B. sankala, XXI, 22. 
B. naraka, XXI, 90. 
Kwak. B. kokokan, zekere vogel (klanknabootsend), XXV , 70 

(Mak. kuwëk, Sund. buwük, kleine uil). 
Kwau. B. lampah (plaats), I, 60. 

B. kaprihan (het doel van streven), VIII, 82. 
B. sakatah! XXII, 53, doel. 

2, sakwana, B. sin laku (waarheen ook zal gegaan worden 
door), XXI, 117. 
Kweh. Jav. keh. B. saada! menigte, II, 71. 
B. kat ah, VIII, 70, 91. 
B. akërah, XXVI, 7, II, 1. 
B. sakatah, II, 48. 
B. masasah, VI, 40, 186 enz. 

2. Sakweh, B. sakatah (de geheele menigte van , alle), A^I, 186, 
187, XIII, 90, XV, 37, 44, XI, 3, 29, 96,1, 13, XX, 21. 
B. saada, XII, 2, II, 41. 
B. kanca, XIII, 40. 
B. kat ah! VIII, 79, X, 68. 
B. sahana, IX, 72. 
B. salwir, XI, 25, XIV, 8. 



KSAllA — KSA.VIA. 145 

B. sa mi, XITI, 20, enz. 

;i Makweh, B. katah (veel), VlII, 70, 81, 194, XI, 

f), 10, 34, XIII, 06, 7ö, 83, XV, 41, XIX, 74, III, 

43, 79, IV, ()3, VI, 93, 139,. 

4. Akweh, B. hetzelfde, III, ()4 , 85, VI, 1,29,131,141, 
ir>l, VIII, 64, IX, 68, Vil, 50, X. 63, XI, 57. 

B. liju, X, 24, enz. 

5. Sak akweh, B. saada (alleu) ,IX , 64. 
B. sakatah, IX, 67, YI, 165. 

B. katah! XIII, 69, De B. vert. foutief. 

6. Sakwehkweh, B. sak at a h-k at ah (alle), XXIY, 92. 
B. saada, XXVI, 38. 

7. Kakwehan, B. kakatahan (menigte), I, 11. 
Ksaua. S. oogenblik, B. hajahau, V, 34, XXII, 50, XV , 40. 

*B.'gëlis, XIV, 31, XV, 57. 

B. saksana, XIX, 128. 

2. Saksana, B. akëjëp (in een oogenblik), IV, 66. 

B. aglis, XIII, 56. 

B. aselid, VII, 31. 

B. hajahan, VIII, 169, XX, 43, XXI, 13 , XII, 24, XIII, 

20, 45. 
B. gagëlisan, XXY^ , 15. 
*Ksaiiamatra. S. slechts een oogenblik, B. tan])awaii matra, 
V, 12, VII, 80, XXI, 25. 
B. asaksana sadidik, VIII, 116. 
Esauika. S. oogenblikkelijk , B. asaksana, XVII, 57, 85. 

B. hajahan, XXI, 190, XXII, 11. 
Ksatriya. S. heerscher, vorst, ridder, B. bhApati, VI, 180 
*Ksatriyawina.va. S. de opvoeding van een ridder, B. ksatriya 
m a Q w i 9 e s a , III , 53. 
Ksata. S. XXI, 207, verbastering van S. kust hak a (a g al- 
lo ch u m). 
Ksama. S. ksama (geduld, toegevendheid), B. ampiira (ver- 
geven), XXVI, 52. 
B. hetzelfde, I, 46. 

2. Ksamakëna (moge vergeven worden), B. hetzelfde, \I, 
10, VII, 41. - - . 

B. sampura, XXIV, 32. 

3. A ksama, B. pamalaku! VII, 45 (Imp.), 47 (Ind.). 

4. Ksam^kën, B. santosa, XXVI, 35. 

10 



146 KSAYA GAGAP. 

Ksaya. S. ondergang, einde. 
B. layu (afneming), XI, 45. 
B. kanti! (verlies), XIII, 83. De B. vert. fout. 
B. mari (verminderde), XIX, 123, VI, 58, XIII, 80. 
B. rusak (vervallen), XIII, 71. 

2. Ksaya, B. pasahan (ondergang), XXIY , 82, Conj. na 
pra y o ja n a. 
Ksirodasagara. S. Melkzee, B. ida hyan sagara! II, 47. De 
B. vert. foutief door verwarring van ksira met sira. 



G. 

Gr. vorm, dien k aanneemt vóór iv , l en /*. 

B. onvertaald. Te vertalen door '/als ik'/ of //bij het . . . van 
mij//, XII, 44: g wulati, XIV, 39, II, 42: glawana, 
//dat ik//, XXII, 9: g winuüu. Vgl. k, n, r. 
Gra. B. këndël (verheugd, vroolijk) , XXVI, 16. 
Gaga. B. onvertaald , hooggelegen rijstveld , II , 11. 
Gaga. B. onvertaald, naam van een vogel, XXV, 67. 
Gagak (gagak). Mal, Sund. hetz. B. waya^a (kraai), XIX, 38. 

B. gowak, XXII, 48, XXIII, 82, XXIV, 118, enz. 
Gagana. S. lucht, hemel, B. ambara, VIII, 1, 19, 36, XIX, 
98, XXI, 190, II, 16, XV, 61, 63, V, 21. 
B. aka^a, XX, 41, XII, 22. 
B. wiyat, XII, 47. 
B. lanit, XXIII, 9, XI, 87. 
Gagauatala. S. luchtruim, B. ambara madya, VI, 59, 124, 
161, IX, 40. 
B. lanit, XI, 6. 
B. ambaratala, XV, 1. 
Gaganantarala. S. hetzelfde, B. ambara madya, VI, 132, 
XIV, 4. 
B. ambara, VII, 53. 
B. tënah in ambara, XXI, 153. 
Gagap. B. kahusud (onderzoekeu), XXI, 38, van het hart (eig. 
betasten). 



GADAN GAniTRIKUncJALA. 147 

2. Gagapi, B. tatakin, III, 81. 

3, Pati gagagagapi, B. parag-paragin , XXII, 61 , overal 
tastbare duisternis. 

4. Pangagap, B. pabyanane (onderzoek), XXV, 42. 

5, Angagapa, B. manjujuhan (om te grijpen), XXV, 
42 , Act. Dur. Conj. 

Gaüail. B. ju kut (groen, groente, onkruid), IV, 66, 

B. janan, XVII, 14. 
Ganga. S. naam van de bekende rivier (Gauges) , I, 15, 17, 

III, 35, 36, XXV, 35. 
Gaiigopama. S. evenals de Ganges, B. tirtha upama! III, 

51 , de B, vert. foutief. 
Gan^a, B. onvertaald, XXVI, 13, een mengsel van koper en tin. 
Gansal. I. B. liman (vijf), XXI, 193. 

II. B. kat im bal (overgaan), XXVI, 22? 
Gaja. I. S. olifant, B. liman, VIII, 44, 55, III, 33 , IX , 22, 
32, 37, XX, 1, XIX, 120, 123, 129. 
II. naam van een aap , XIX , 40. 
Gajah. B, liman (olifant), XIX, 14. 

Gajendra. S. een baas onder de olifanten, B. liman agën, 
VI, 156. 
B. liman, XV, 56. De B. vert. onnauwkeurig. 
B. gajah gëde, XIX, 123. 
Gaüjiran. B. taji (kunsthanespoor) , IV, 7. 

Gadin. Mal. 8und. Mak. Bug. hetz. 1. B. danta (slagtand), 
XiX, 113, XXV, 103, XXVI, 24. 
B. onvertaald, XIX, 122. 

II. B. pucaii danta, XVI, 40, kleine gele kokos. 
Gaduii. B. ^ikari, een wilde aard vrucht (d i os c ore a hirsuta), 

IX, 54, XVI, 33, XVII, 117, XXV, 75, XXVI, 25. 
Gana. S. halfgod, daemon , B. onvertaald, XX, 3. Vgl. guna- 

gana, grahagana, suragana en dewagana. 
Ganapati. S. de god Ga u e 9a, XXVI, 41. 
Ganita. S. geteld, gerekend, het rekenen. 
B. kawilanan, XXIV, 125. 

2. Gauitan, B. tan pat and inan (in tel), III, 46. 

3. tan ginanita, B. tan pa wi lahan (ontelbaar) , XIX , 1 14. 
Ganitrikundala. S. rozenkrans. 

1. Maganitrikundala, B. maginitri magonda! was 
voorzien van een rozenkrans, V, 66. 



148 GAOdl GANTI. 

(jaydi. 1. Magan(]i, B. naba gandu, een gandi (soort van 
wapen) dragen , XIX , 6ö. 
2. Gin and i, B. kagaiidi (door een gandi getroffen wor- 
den), XIX, 110. 
Oaiiclewa. S. gandi wa (gaiidïwa), boog, B. la ras, II, 24, 
* 51, 52, XIX, 82, XXI, 193. 
B. capa, II, 57. 
B. laakap, IX, 46, 77. 
Gatagata. S. gaande eu komende, B. tiwas sugih! XXIII, 

51 , heen en weer, afwisselend. 
Gatël. B. gënit (jeuk), XXV, 69 (Mal. ga tal). 
Gati. S. gang , komst , toestand , middel , wezen. 

B. tinkah (komst), XXVI, 25, IX, 6, XV, 10, 12, 

XXI, 194 (gang), XXII, 87. 
B. hunduka, XVIII, 9, middel. 
B. eng al (snelheid), XXI, 138. 
B. laksana, XXIII, 51, wezen. 

2. Sagati, B. satiiikah, XXVI , 26 , //alle omstandigheden//. 
Gatra. S. lichaam. 

1. tarpagatra, B. tanparüpa (lichaaraloos) , XXIV, 30. 
Gada. S. knots, B. onvertaald, VIII, 35, XIX, 71, XX, 25, 

35, XXI, 181, XXII, 50, XXIII, 63. 
B. raagegas! XIX, 3. 

2. Magadagadan a, B. magagada (telkens met een knots 
slaan), V, 83. 

3. Magada, B. naba gada (een knots dragen), VIII, 50. 

4. Gin ad a, B. kagada (met een knots geslagen worden), 
XXI, 185. 

B. dinanda, XXIII, 16, Pass. Dur. 

5. Pinakagada, B makagada (als knots gebruikt worden) , 
XXIII, 5, Pass. Dur. Indic. 

6. Agada, B. ngawa gada (met een knots gewapend), 
XXIII, 59. 

Gadgada. S. stamelend, B. kagyat, IV, 36, XXIV, 144, 
VI, 61. De B. vert. onjuist. 
B. liiiun, VII, 9. 

B. gel is! XXII, 44. De B. vert. verkeerd. 
Gadhisuta. S. Gadhi's zoon, B. putran san Gadhi, I, 38. 
Ganti. 1. Gumanti, B. magënti, op (haar) beurt, VI, 111, 
XXVI, 23, volgen. 



GANTEn gandhotkaU. 149 

B. k a g ë tl ii , IK , 75 (volgden) , Aor. Act. 

2. G II inati ty a, H. silih (zult vervangeti) , iii , 1.), Fut. 
Act. 

B. naliur, VII, 45, op zijn beurt. 

3. Maganti, B. pagcnti (beurtelings), XXIII, 51, XXVI, 14. 

4. Aganti, B. magen ti (op haar beurt), VIII, 7'2,XXII, 
50, XXVI, 23. 

B. tanpëgat! XXV, 7 De B. vert. verkeerd. 

5. an p aganti, B, raagënti (beurtelings), XXII, 7(ï. 

6. Gantyau, B. pangëntin, XXV, 5. 

7. Pina gan t y ak en , B. pangënti, XXV [, 25, afgewis- 
seld (Pass. Dur.). 

8. Magantya, B. magënti (wisselt elkaar af), VIT, 50 
(Juss.). Mal. Sund. Day. hetz. 

Gantin. B. a n t i n-a n t in (oorbel , oorhanger) , IX , 43 , XXIV, 1 06. 

2. Gantinau, B. hetzelfde. XXIV, 62. 
Gantuu. Mal. Bat. Sund. Day. hetz., Bug. Iban. gat uu, Mak. 
gentun. 1. Gumantun, B. macantel (hangende), II, 
33, VIII, 113. 
2. Agantun, B, fi galant in, XXV, 68. 
Gandha. S. geur, reukwerk, B. ambo, VI, 121, XV, 29, 
XVII, 110. 
B. mërik, I, 29, reukwerk. 
B. makapagandhan , VIII, 89, reukwerk. 
B. wani, VIII, 89. 
B. ambu, VII, 27, geur. 
B. m a m b ö , 1 , 31. 

2. Magandha, B. ma wa wani (geurig), VIII, 89. 

3. Gin and ha, B. tin ra pan! XVII, 3. 
Oandhakusiinia. S. welriekende bloera , naam van een versmaat , 

XXIV, 14, B. candana sëkar! De B. vert. foutief. 
Gandliaksata. S. gand liak astha (reukwerk en agallo- 

chum)? B. puspa bras, III, 4. 
Gandhamadana. S. naam van een aap, XVIII, 17, XI.X, 41, 

XXII, 58, XXIV, 251. 
Gandharwwa. S. n. v. halfgoden, zangers in Indra's hemel, 

B. onvertaald, VI, 24, XVI, 10, XX, 27, XXI, 145. 
Gandharwwastra. S. naam van Ra ma's wapen, XXIV, 4. 
Gandhotkata. S. vol geur, geurig, B. wani (welriekend), 

III, 5.' 



150 GAPIT GAKIT. 

Gapit. 1. Ga pi tan, B. manankil (tegen het lichaam klem- 
men)! XV, 63, handig. 

B. talësan (bekneld)! XXI, 213. 

B. kahapit, XXIII, 13, handig? 
Gabhlra. S. diep, B. këras, luid, hevig? XI, 62. 

B. dalem, XV, 59, diep. 

B. liógah, XXI, 193. 

B. kasub, XI, 74. Vgl. gambhira. 
Oania. S. vertrek, gang, loop. 

1. Gama, B. tinkah (handelwijze), VIII, 184, na ndya. 
Gaiiiana. S. gang, beweging, B. krama (handelwijze), V, 28. 

B. tinkah, XIII, 95, middel. 
B. tifikahan, XIV, 24. 

2. Gamana, B. ulah, XIV, 12. 
Ganiara. B. gamelan, XXVI, 23. 

B. gagamëlan, XXVI, 24. 
Gamël. 1. yan gamël, B. mand i si (bij de aanraking), 
XVII, 86. 

2. tarpagamëlau, B. nora madisian (zonder aan te 
raken), VII, 11. 

3. Ginamëlgamël, B. kagisi (werd telkens gevat) , XV , 16. 
Gaiiibir. B. tabih (boomwortel) , XXII, 68. 

Gambhira. S. diep, B. këras (luid), II, 14, XI, 90. 

B. gambren, XI, 6, holklinkeud. 

B. ïingah, III, 34 (diep), XXIT , 47. 

B. dalem, XIII, 92, diep. 

B. majëro, XV, 33 (holklinkeud), XXII, 68. 

B. karësrës, XXI, 207, XIX, 13. 

B. gambura, XX, 55, holklinkeud, enz. 
Ganibhirabhara. S. zeer zwaar, B. ma dalem, XXI, 150. 
Gaya. S naam van aap , XXIV , 244. 

Gayatri. S. naam van een versmaat, XXI, 146, B. onvertaald. 
Gar. 1. Ginar, B. kaparanin? XXV, 77, werden geschud? 

Vgl. geger. 
Garaway. 1. Agarawayan, B. pasalambëh (uiteenstuiven) , 

XXIII, 58.^ 
Garëgët. 1. Garëgëtën, B. urin-urinau (zich verbijten), 

XXI, 214, vol vuur. 
Garëiii. B. uyah (zout), XXV, 40, Mal. garam. 
Garit. B. cucunduk (hoofdsieraad), XXIV, 62. 



GARUnGAn GALAK. 151 

2. Angarit, B. matatu (krabben), XXVI, 3, Act. Dur. 
Vgl. g a r u t. 
Garungaii. 1. Aiigarungan, B. aiigari y un? XXVI, 3. een 

klanknabootsend woord. (Act. Dur.) 
(jlsiriula. S. naam van een mythischeu vogel, B. kagai)ali, 
iV, 74- 

B. paksïndra, VII, 85. 

B. onvertaald, VIII, 186, XVII, 18, XXI, 154, 158. 

B. Wainateya, VIII, 1. 

B. kagendra. XV. 62. 
Oarinlailli waja. S naam van W i s n u , B. h y a n 11 a r i , XXI, 1 59. 
Garut. I . M a g a r u t , B. m a c; o g r o h (krabben) , VI, 162. 

2. Gum ar ut, B. kagawuk (krabben), XII, 35. 
Garjjita. S. pralend, B. eg er, XIII, 39, overmoedig. 

B. këndël (verheugd), XIX, 42. 

B. giran, XIX, 56. 

B. angel, XXI, 160. 

B. egel, XXII, 54. 
Garddabha. S. ezel, B. onvertaald, XVII, 14. 
Garbblia. S. buik. schoot, binnenste, vrucht. 

B. sajëro wetëii, VIII, 110. 
Gsrbbhinl. S. zwanger, B. bëlin, XIX, 25. 
Garmus. 1. Angarmus, B. ngawuk (krabden) , XII , 12, Act. 

Dur. Indic. 
Galak. B. mëtta (wildheid, woestheid), VI, 139, XV, 55. 

B. onvertaald, VIII, 68, XII, 59, XIII, 29, XXI, 178. 
XXIII, 77. 

2. Magalak, B. hetzelfde, wild, woest, vurig, fel, VI, 19, 
XXI, 146, XXII, 61. 

B. raangëlur, VI, 162. 

B. mu rik rak, XIX, 113. 

B. s aha sa, IV, 70. 

B. pragalba, XIV, 49. 

B. sarosa, XV, öiL 

B. mabutën, IV, 74. 

B. krodha, X, 69, XXII, 37. XXV, 18, enz. 

3. Agalaka, B. sahasa, V, 34. Conj. na van. 

4. Agalak, B. magalak, VI, 77, 145. 
B. onvertaald, IX, 37. 

B. galak, XXIII, 6, XVI, 41. 



152 GALAGAH GAWE (gaWAY). 

B. krodha, XXm, 57, XX, 68. 
B. sënhit, XIX, 108, enz. 

4. Gu malagalak , B. man go da sahasa, XXV, 80, wild 
maken ? 
Galagah. B. hetz. , een soort van riet (saccharum spon- 

taneum), XVII, 86. 
Ualah. B. tumbak (lans), III, 43. 

2. Magalah, B. naba tumbak (een lans dragen), IV, 70. 

3. Ginalali, B, katumbak (door een lans getroffen worden) , 
XIX, 110, XXIIE, 57, Pass. Dur. 

4. Agalah, B. matumbak (met een lans gewapend) , 
XXIII ,57. 

5. Aiigalah, B. manumbak (staken), XXV, 60, Act. Dur. 
Oalëii. 1. tanpangalën, B. tanpanaha, XIX, 74, onver- 
schrokken. 

B. tanpalapan, XXII, 41. 
Galiü. 1. Agalin, B. ngalilin (draaien), VI, 137. 
(Talintim. B. tajëp (scherp), VI, 137, rolrond? 

B. mëntig, XXIV, 258. vlakte? 
Ciahmgau. 1. Gumalufigan, B. matancëb (stak), IV, 73, 
XXIII, 8, Aor. Act. 

2. Angalungaii, B. matato, XIX, 84, Act. Dur. 
Oawa. I. S. naam van een aap, XVIII, 17, XXIÏ, 58. 

II. 1. Ginawa, B. samihan (zonnescherm) ! XXIV , 245 , ge- 
dragen worden. De B. vert. foutief. 
Oawaksa. S. naam van een aap, XVIII, 17, XIX, 40, XXII, 

58, XXIV, 245. 
Ga wan. 1. Gumawan, B. ngalanin (helder), VII, 65. 

B. galan, XVII, 106. 

B. gawe galaó, XXVI, 27. 
Gawaya. S. naam van een aap , XVIII ,17, XXII , 58 , XXIV , 

244, 245. 
Gawe (gaway). B. karyya (werk), IX, 7, IV, 18. 

B. onvertaald, XII, 27. 

B. karyyanan, XVIII, 14. 

B. wanunan, III, 70, verrichten. 

B. kirttiyaó, XIV, 17. 

B. gawenan, III, 82. 

B. wanun (daad), XX, 70, enz. 

2. Ginawe, B. magawe (verricht worden) , 1 , 26. Pass. Dur. 



GA WE (gaway). 153 

B. kawanunan, XIV, 5, 

B. kakirttiyaii, I, 7. 

B. kakaryyauan, XIV, 30, I, 10. 

B. gawenan , V , 9. 

B. wanuuafi, XVII, 38, 39, gedaan worden, 

B. dadian, VIII, 181. 

B. kagawenan, XI, 37 (teu uitvoer gebracht worden), enz. 

3. Guraawe, B. kawanunan (bewerkte), I, 9, Aor. Act. 
Ind. 

B. m a k a r y y a , XIII ,81. 

B. fiaryyanan, VII, 101, heeft geschapen. 

gumaway, B. makaryya, VII, 69, heeft gemaakt. 

4. Agawe, B. nwanunan (verrichten), I, 21. 
B. ngaweuan, VII, 2, veroorzaken. 

B. makaryya, XV , 39. 

B. naryyanan, XV, 63. 

B. mag a we, XXI, 104, 135 (agaway). 

agaway, B. mak ara na, XIX, 22. 

5. M agawe, B. nwanun (maakte), I, 60. 
B. makarana, III, 76, veroorzaken. 

B. manwanuu, XVII, 30, verrichten. 
B. makaryya, X, 50, IV, 13. 
B. masanan, VII, 77, maken. 
B. n a w a n u n , VI , 105 , bedrijven. 
B. mawanun, XIV, 13, maken. 

6. Gawayën, worde gehouden , B. k a w a n u u a t'i , IL, 49. 
B. wanunan, XVIII, 30, worde aangewend. 

B. karyyanan, XIX, 94, 96 (worde ten uitvoer gebracht), 

XXVI, 45. 
B. winanun, II, 62, enz. -Fuss. Pass. 

7. Gumawaya, B. maiigaweuan (ten uitvoer te brengen), 
III, 11. Conj. Aor. Act. 

B. onvertaald, XIII, 9, om te bewerken. 

B. Gawaya, B. karyyanan (zij 't werk), LLL, 70, V, 12. • 

B. gen ah, VIII, 132. 

9. Gawayakëna, B. n ang o an (worde gepleegd), III, 59 , 69. 
B. fiango, III, 61. Juss. Pass. 

10. K agaway, B. kajujuh, XXVI, 25, Aor. Pass. , gedaau 
(gemaakt) worden. 

11. Pagawe, X, 50, B. wanunan, XXI, 29, daad. 



154 GAHAN GëGÖ. 

12. Agawaya, B. ngawe, II, 49, te verrichten (CoDJ. na 
m ahy u n). 

13. Pinakagawe,B. wanunafi (tot werk strekken) , XIV , 33. 

14. Ginawajakën, B. kakaryvanan, XIX, 31, Pass. 
Dur. Ind. (werd gedaan). 

15. Gawajau, B. karyyanaii, XIV, 32, te verrichten 
(Gerund.). 

B. upakara (werk), VIII, 54. 
Gahan. B. kasub, III, 35, II, 71, VI, 1, XXIV, 95, 
beroemd. 

B. galak, VIII, 18, berucht. 

B. limbak, XXIV, 44, vermaard. 

B. gasa, XX, 24. 
Gahana. S. diep, dicht; diepte, afgrond, duisternis. 

B. magen (dicht), III, 34. 

B. gön, XIX, 14, dicht. 
Gahwara. S. hetzelfde, B. raagöü, XX, 1, afgrond. 

B. guha! XV, 52, diep. 

B. giri! III, 34, diep. 

2. gahwara, B. gohwa, VIII, 132, afgrond. 
Gëgër. B. girigira? XXV, 74, rug. 
Gëgës. 1. Angëgës, B. mangilgil, VII, 20, verkwijjien 

(Act. Dur.). 
Gëgö. B. gugu (gelooven , vertrouwen), XIV, 16, //vasthou- 
den, zich houden aan". 

B. gongon, XXVI, 22. 

2. Gëgön, B. gëgwanin (worde geloofd), XI, 31, worde 
gehoorzaamd. Juss. Pass. 

B. gamël, XIV, 16, vastgehouden te worden. 

B. gugwanin, III, 55. 

Gëgën, B. kagugwanin, III, 53. worde gehoorzaamd. 

3. Ginëgö, B. hetzelfde, III, 63, //vastgehouden worden//. 
Pass. Dur. 

B. kagamël, XIV, 16, 62. 
B. k a t ë g ë g a n , XIV , 53 . 
B. karëgëp, XXV, 17. 

4. Gumëgö, B. man gamël, IV, 60, hauteereu (Aor. 
Act.). 

5. Ginëgwan, B. kabutin, IX, 26, geloofd, vertrouwd 
(Pass, Dur.). 



GCGÖR GëNïüR. 155 

6. Angëfi^ö, B. magamëlan (hielden vast), XXIII , 34, 
Act. Dur. indic. 

B. mandisi, XXIV, '23. 

7. Ag eg wan, B. magonin, XXIV, 245, gehoorzaam. 
Gëgör. 1. Gumëgör, B. manëjër, uitsteken, XXIV, 21. 
Gënjiit. 1. Agënjutan, B. marengohan, XXV, 85, op en 

neergaan. 
Gëdah. B. onvertaald, glas, XXVI, 24. 

B. luraur, XXVI, 25, 
(Tëiiclin. Mag end in, B. tiuahuh (weerklonken), XXVI, 7. 

B. magamël, XXVI, 24. 
Gëtëni. I. B. kapitin (zeekreeft, zeekrab) , XV , 2H , XXVI , 25. 
II. 1. Mangëtëm, B. sahasa (beet op de tanden) , IV , 67 , 

Act. üiir. Ind. 
B. manërëgëm, XV, 26. 
2. AÈgëtëm, B. grëgëtan, XIX, 37, 55. 
B. nagrëgëtën, XX, 68. 
Oëtër. 1, Gumëtër, B. manëtor (een geweldig geraas maken) , 
XIX, 54. 
B. manëjër, XXII, 7, 44, trilde (Aor. Act.), vgl. gëntër, 
Gëtës. 1. Giuëtës, B. gëtas, XIX, 29, XXIV, 192, werd 

gebroken (Pass. I)ur ) , Mal. gëtas, Bis. go tas. 
tfëtih. B. enk et, XVI, 17, gom, sap. 
Oënëü. 1. Gëuënan, B. kagënahan (plaats), XXIV, 22. 

2. (au) pagënënan, B. pagënahan (dat zich ophielden), 
XXIV, 22, dat vasthielden? 

3. Angënëni, B. nugwauin (hield vast), XXIV, 242 , Act. 
Dur. Trans. 

4. Ginënën, B. k ar ëgë pan (vastgehouden worden), XXV, 1 7. 
Oëiiët. 1. Pinahagënët, B. kapinëhankapagoni? XXIV , 

125, onthouden worden? Pass. Dur. 
Gënëp. Sund. hetz. , Mal. gënap, Day. genep, Bug. Mak, 

ganaq. B. mëpëk, VII, 48, allen. 
Gëntër. B. garëdëg (donderend geraas), XVIII, 36, XI, 6. 
2. Gumëntër, B. magrëdëg (donderend), II, 35, XXIII, 

8 (trilde). 
B. manëjër, IX, 45 (donderend). 
B. manëtor (trilde), XIX, 13, enz. Vgl. gëtër. 
Gëntur. 1. Magënturan, B. manëcëhan (voortdurend), VII, 3. 
B. tan mari (onophoudelijk), XVIII, 36, of daverend? 



156 GëNTUS — GCLaNA. 

Gëntus. 1. Kagëntus, B. rnahautëp, XXII, 62 , werden ge- 

stooten (Aor. Pass.). 
Gèmën. 1. Gëmëgëmën, B. dahat dëraën, XXIV, 1 1 , zeer 

verheugd. 
Cfëmëi'. 1. Mangëtnër, B. matakut (bevreesd) , IV , 58, 

VIII, 139. 

2. Kagëmër, B. jëjëh, V, 48. 
B. kasob, IX, 37, enz. 

3. Angëraërgëmër, B. matakut, VIII, 136, vrees aan- 
jagen (Act. Dur.). 

4. Angëmër, B. hetzelfde, VIII, 138 (bevreesd). 
trëyuh. B. kasob (neerslachtig), XI, 2. 

B. gëpu, XX, 48, bedrukt. 
Gërah (grah). I. B. këbus (warm), XVII, 23, 63. 
B. marapah, XIX, 29, XXI, 72. 
II. Agrah, B. magërëh (donderend), XV, 32. 
Gërëmë. B. suka (lust hebben), III, 30. 
B. dëmën, XXVI, 16. 

B. mahyuu, XX, 76 (verlangend), XXIV, 90. 
Gërèmus. 1. Giuërëmus, B. ngarëmon, VI, 163, te berge 

rijzen. 
Gërëli. Jav. Sund. Mal. guruh, Day. guroh. B. guruh 
(donder), VllI, 170, XVII, 108, IX, 11, VII, 3, XI, 
6, XIV, 21. 
B. garëdëgan, XXIV, 21. 
B. onvertaald, XXII, 4, XV, 51. 
B. maguruh, XX, 55, bulderend. 
B. manguruhin, XXIV, 60, euz. 
Gëri. B. baju (buis), XXVI, 25. 

(jèrit (grit). 1. Gumrit, B. raagreyot (knarste), IX, 49, 
XXI, 180, 218. 
B. raasërit, IX, 72, euz. 
(iërut (grut). 1. Gumrut, B. rarirautan (nijdig , verstoord) , 

XIX, 74, knarstanden. 
Gëlan. B. onvertaald, armring, XXI, 206. 
B. raag elan, XXIV, 63. 

2. Makagëlan, B. raakalënker (tot armband hebben), 
XXV, 84. 
(jëlana. S. glana, vermoeid, afgemat, verzwakt (z. d.), 11,70 
76, XI, 45, 82, XV, 60, XIX, 105, 119. 



GÊLAP — GëLÖM (fiëLCM). 157 

Gëlap. B. kilap (bliksem), XV, 60, VII, 14, XVITI, 19, 
IX, 34, XIX, 70, 73, XXII, 05. 
2. Gëlapa, 13. kilapa (als de bliksem), V, 2, iii eene ver- 
gelijking. 
Gëlar. B. m a ti n k a li (geregeld) , XXI , 205. 

2. Ag el ara, B. magëlar (zich te scharen in slagorde), 
XVIII, 48, Conj. na kon. 

3. an pagëlar, B. mabyüha (in slagorde geschaard) , XIX , 
33, met nadruk op de vorige woorden. 

4. Agëlar, B. hetzelfde, XIX, 34, zich opstellen. 
B. madabdab, XX, 3, in rijen. 

Oëlëli. B. onvertaald, snel, spoedig, VII, 75. 

B. tëlasah, XVIII, 23, 30. 

B. tel as, XXI, 44. De B. vert. verkeerd. 
Gëiën. B. bhranti (toorn), VI, 46, XXIV, 145. 

B. duhka, VI, 84. 

B. krodha, XXIV, 131, VI, 44, 62. 

B. sënit, X, 11 , VI, 176. 

2. Gëlënana. B. bhranti (dat boos op haar zou worden), 
XII, 35. Conj. na san^aya. 

3. Magëlën, B. krodha (vertoornd), III, 27, V, 60. 
B. brantian, VI, 46. 

4. Agëlën, B. krodha, VI, 10. 

B. branti, XIV, 60, XV, 15, VIII, 38, XVIII, 28. 

5. Gëlëna, B. branti, VI, 176. 

6. Agëlëna, B. sënhit, X, 45. 

(lëlëh (gëlöh). B. lëtuh (uitvaagsel), III, 10, laagheid. 

2. Pinahagëlëh, B. apa karana lëtëhin (bezoedeld wor- 
den), XIX, 89. 

3. Agëlëh, B. lëtuh (onrein), III, 27, XXII, 35. 

4. Magëlüh, B. daki (vuil), VIII, 106. 
B. lëtëh, XIV, 63, onrein. 

5. Gëlëgëlëh, B. s ë puk an (verontreinigd worden) , XIV , 61. 

6. Agëlëha, B. camah (zou verontreinigd worden), XVII, 
53, Conj. na y ad i n. 

Gëlöiii (gëlëin). B. kahyun (wensch), VIII, 187. 

2. M a g ë 1 ö ra , B. k a li y u n (wenschen) , V , 8. 
Magëlëra, B. dëmën, XXVI, 20. 

3. Agëlëra, B. makahyun, XXIV, 106. 
B. mahyuu, XXV, 24. 



158 GCLis — Gön. 

Gëlis. B. gancan (snelheid), V, 25, XXIV, 207. 

2. Magëlis, B. nengalan (snel), II, 5. 

3. Agëlis, B. bëcad, V, 42. 

B. gëlis, VIII, 67, X, 69, XIX, 110. 

4. Ginëlis, B, cëpcëpaii, XXIII, 15. Pass. Dur. 

5. Gëlisa, B. gisu, XXIV, 81 (Imp.) 

6. Saglis, B. dahat gancaü (snel), XIX, 71. 
B. engal, XXI, 187, XXVI, 25. 

Gëlun. B. p u s u h (haarwrong) , III , 24. 
B. w e n i , XI , 4. 

2. Gëlunan, B. pusun, XII, 28, 39, VII, 25, VIII, 106. 
B. roma, XXIV, 138. 
Gëlo. B. nankëjutan, vrees aanjagend, XXV, 116 (Jav. n, v. 

e. aardvrucht). 
Gëwal (gwal). 1. Ginwal, B. ginëbug (geslagen worden), 
XIX, 13, XXI, 207. 
B. tinabuh, I, 62, Pass. Dur. 
Gësën (gësÖn). B. puwun (branden), XI, 2, 3, XXI, 35, 
227, XVI, 24, intrans. 
B. katunwan (verbrand worden), III, 81, XI, 40. 
B. puhun, XIII, 25, verbranden. 
Gësön, B. dhipa, XVII, 90. 

2. Agësën, B. puwun, VIII, 156, branden. 
B. borbor, VII, 17, XXIV, 118, 192. 

3. Magësön, B. mam u w unan (verbranden) , IV, 13, intrans. 
B. puwun, XX, 15, 16. 

4. Angësëni, B. ngësëü (verbranden), XXIV , 86. Act. Dur. 
Trans. 

5. Kagësënan, B. puhun (verbrand), XXIV, 118. Part. 
Aor, Pass. 

Gön. B. gahan (groot), IV, 14. 

B. gëde, IV, 37, VI, 53 (grootte), 177, IX, 41 grootte. 

B. bwat, XI, 32 (grootte), III, 61, IX, 82. 

B. aguh, VI, 40 (groot), 50, 187, XXI, 20. 

2. Göna, B. bwat (zou de grootte zijn), III, 28. 

B. Ginön, B. inisti, Pass. van zich toeleggen, I, 7. Pass. 

Dur. Indic. 
4. Agön, B. gëde (groot), II, 16, hevig. 
B. magöii, III, 67 (groot), V, 12. 
B. nat ha! VI, 145, groot. (De B. vert. foutief.) 



GÖM GITeL. 159 

B. aguii, Vn, 4 (hevig), X, 26. 

B. bwat, II[, 84 (groot), VIII, 175. 

B. iiawibhiian! I, 8, groot. (De B. vert. foutief). 

B. ngëdean, IIL, 18. 

B. li ntan, IV, 65. 

B. dahat, VI, 178, IX, 16. 

5. Magön, B. gëcje (groot), II, 1, ill, 36, 41, VI, 65, 
B. wëruh! III, 46, groot. De B. vert. foutief, 

B. dahat, III, 79, VIII, 4. 
B. agun, VI, 174, VII, 88. 
B. bwat, XI, 26, XIII, 54. 
B. lumbaii, IV, 32. 
B. parama, XVII, 96. 
B, agön, XVII, 87. 
B. lëwih, XV, 11, XXI, 158. 
B. onvertaald, XV, 41, enz. 

6. Gönën, B. dulurin! (zij groot), III, 63. De B. vert. 
verkeerd. 

B. bwatan, III, 81, worde hoog gehouden, 
gënën, B. bwat, III, 71. 

7. Pinahagöü, B. gëcleaü (werd grooter gemaakt) , VIII , 3. 
Pass. Dur. Ind. 

8. Pahagöii, B. i'iëdeah, VIII, 20, hetzelfde (Absol). 

9. Agön a, B. gëde (zal grooter worden), XXI, 30, (na 
a wÉls). 

Göm. I. 1 Kagöman, B. kasob (verschrikt) , V , 89 , VI , 6 , 
XIX, 14, IX, 25, XI, 1. 
B. kemëian, XXI, 233, 247, XXII, 69, XXIV, 22 , bang. 
II. Agöma, B. gawa (dragen), XXVI, 22, vatten. 

2. Magoma, B. mangamëlah (houd u aan), XXIV, 48. 
Juss. 

3. M a g ë m a n , B. m a c a (1 a h (gereed zijn) , XXVI , 22. 
Gigir. I. B. tundun (rug), V, 40. 

II. Gigir en, B. kagyat (bevreesd), XII, 41. 

B. tundun! XXIV, 103. De B. vert. verkeerd. 

B. jëjëhan, XXV, 72. 
(lilta. S. gezang , lied. 

1. Angita, B. makiduii (zongen), XXVI, 23, Act. Dur. 
Indic. 
(Jitël. B. nimpëk, XXVt, 22, knijpen. 



160 QINTUn GlRlPaR^WA 

Gintun. 1. Gintunan, B. onvertaald, naam van een boom 

(Schleichera trijuga), IX, 56, XXV, 68, XVI, 44. 
(jiran. B. egel (vroolijkheid) , II, 65. 

B. gel (vreugde), VIII, 12. 

B. ken del (blijdschap), XIX, 38. 

2. Magiraü, B. egel (verheugd), III, 2, XIX, 19,11,15. 
B. gel, VI, 151. 

B. egar, XIII, 15, XIX, 38. 

3. Ag i ra Li, B. gel, II, 58. 
B. këndël, XI, 13. 

B. egel, XVII, 82, VIII, 98. 
B. tusta, XVII, 91. 
B. egar, XXIV, 105. 
B. lëga, XV, 3. 
B. suka, XIX, 48. 

4. Ginirai'i-giran , B. gag i ras egel, V, 40. Pass. Dur. 
o. Mangiran-giran, B. hgawe gel, VIII, 115, vreugde 

veroorzaken. Act. Dur. 
6. Giran-giran, B. hyasën, XXV, 74, zeer verheugd. 
Giri. I. S. berg, B. gunun, XI, 14, IV, 1, V, 6. 
B. adri, VI, 135, VII, 61, 63, enz. 
II. 1. Kagiri-giri, B. katatakut (vervaarlijk), IX, 35, 

XX, 3. 
B. kabhinawa (verschrikkelijk), X, 72, XIV, 40, XV, 41, 

64, XX, 23. 
B. karësrës, XVIII, 19, ontzettend. 
B. kagagawok, XXI, 210, XXII, 51 , XXIII, 6, 57. 
2. Giri-girin, B. rësrësan, XXII, 64, ontzet. 
Girigahana. S, bergen en afgronden, B. adri kanana, VI, 44. 
Giriguha. S. berggrot, B. gunun giha, VI, 161. 
Giritulya. S. als een berg, B. gunun raasawan, XI, 62. 
Girlndra. S. de vorst der bergen, B. gunuii Meru , XXII , 72. 
Girindratulya. S. als de vorst der bergen, B. giri Meru 

upama, XXII, 51. 
Giripar^wa. S. berghelling, B. gunun anak, II, 17. De B. 
vertaling verkeerd. 
B. gunun, VII, 49. De B. vert. foutief. 

B. gun uil madhya! XV, 51, XVI, 19. De B. vert. ver- 
keerd. 
B. gunun k a m a d h v a ! XI , 61. 



GIHIVVARA GUCI. 161 

Cririwara. S. voortreffelijkste der bergen, 15. gunun magöii, 

Vil, 56. 
Giriwaraii:iiha. S. voortreffelijke berggrot , li. giri magiia 

giha, VI, 160. De H. vert. verkeerd. 
(T(irhvaraoata. S. honderd voortrelVelijke bergen, B. gnnuu 

Mem satus, VI, 57. 
Oiriwiwara. 8. berggrot, B. g u h a ni n gtiiiiin, Vil, (32, 

B. g i r i g u h a , IX , 41. 
(xiri^ikara. S. g i r i 9 i k h a r a (bergtop) , B. t u \\ t u n g u n u n , 

XXIII, 8. 
Girisadr^'a. S. als een berg, B. adri upaiua, XXI, 112, 

XV ,* ö. 
(iirisuta. S. Girisuta, de Bergdochter, B. Giriputri, V, 

16, XXI, 79. 
Gilig. 1. Gili-gilig, B. seksekan, V, 33, door insecten 

aangetast, vermolmd. 
Giliü-giliü. B. gulin-gulinP (een soort van viseh)? XV, 28. 

B. mayüra (pauw), XVI, 20. 
(lilut. 1. Gilutën, B. jam bal (gekauwd worden), XIII , 33, 
conj. pass. na yadin, of '/verslonden worden ""r^ 
B. jambalin, XXVI, 25. 

2. Gin il ut, B. ka pak pak (gebeten worden), XXII, 63. 
Pass. Dur. of //verslonden worden//? 
(iiwan. 1. Gumiwan, B. raageüjonan (trilde), XV, 32. 
Aor. Act. Indic. 
B. songen, XXII, 44, v. d. aarde. 

2. Magiwanan, B. maelogau, XVI, 40, van meerdere 
subjecten. 

B. mageüjorian, XXIV, 21, trillen. 

3. tar kagiwan, B. nora obah, XXV, 41, onwankelbaar. 
(iugah. B. kakocok (wakker geschud), XXI, 38. 

B. kocok, XXII, 2, schudt wakker (Imp.). 

2, Aiig ugah , B. no c ok (wakker schudden) , VIII, 93. Act. Dur. 

3. Ginugah, B. kocok (werd wakker geschud), XI, 7, 
XV, 33. 

B. kakocok, XXI, 6, XXIIl, 29. 

B. kadundun, XXIII , 30. Pass. Dur. 

(iugula. S. guggula (bdellion), B. asep, III, 5, XXIV, 29. 

Guci. B. onvertaald , verglaasde pot , kruik , XXII ,11, Mal. 

hetzelfde. Suud. goei, Mad. g u c e h. 

11 



162 GUCCHAKA— GUDAMaN. 

OuccliJika. S. bosje, paarlsuoer, en naam van een ])lant, B. 

mamragatin! XXVI, 25. De B. vert. foutief. 
(iiula. S. güclha, verborgen, geheim. 

l.GiuCida, B. sahasa, VIII , 117. werd verborgen (Pass. 
Dur. Ind.). 
(xuna. S. verdienste, eigenschap, deugd, enz. 

B*. kocala, III, 10, XV, 8, voortreffelijkheid. 

B. ?ila, XV, 10, III, 78, deugd. 

B. kawijnan, XVI, 28, III, 29. 

B. kawikan, XVII, 72. 

B. ga we, XIV, 22, IV, 64, verdienste. 

B. phala, XVII, 40, XIII, 49. 

B. onvertaald, III, 46, 57. 

B. liga we, XIV, 17. 

B. kawijna, III, 46, 73. 

B. kabisan, lil, 72, XXV, 93. 

B. kagunau, XI, 28, III, 51, XXI, 96, 98. 

B. utama, XXV, 94, deugd. 

B. kalëwihan, V, 29, VIII, 4 (eigenschap). 

B. kawigesan, V, 35 (voortreffelijkheid). 

B. wi?esa, V, 31, 85, VIII, 118, 125 (nut) , VII, 89, 
XII, 31, XVIII, 32 (deugd). 

B. ulah, XVII, 72, enz. 

2. Maguna, B. raagawe (tot eigenschap hebbende), XVII, 72. 

3. Tanpaguiia, B. nora ^akti (nutteloos), V, 18. 

4. Guna, B. wi^esa (uitmuntende hoedanigheid), VIII, 123. 
Gunagana. S. schaar van deugden, B. maguna mande! 

* III,* 83. De B. vert. foutief. 

B. guna nawilanan! III, 58. De B. vert. verkeerd. 
B. guna magön, XV, 8. De B. vert. onjuist. 

2. Gunagana, B. gawena wilanin! VI, 63. 

3. Gunaganan, B. kaginane wilaiiin! III, 81. 
Gunajna. S. oog hebbend voor een anders deugden , B. kagunau 

'hidëp, XIV, 27, XVII, 73. 
B. lëwih guna, XV, 9. 

B. wruh in hidëp, XXI, 92. De B. vert. onjuist. 
GrUliabliOga. S. voortreffelijke spijzen, B. guna nin nasi, 

* XXVI , 25. 

(riinamaii. S. deugdzaam, voortreffelijk, B. krtajüa, I, 3,37, 
II, 50, 63, III, 49, 51. 



GUIIAWAn GÜPIT. . 163 

B. guna lëwih, IV, 42. De B. vert. verkeerd. 

B. gila lëwih, XVII, 73, steeds gevolgd door ta. 
(JuiuiWiin. S. hetzelfde, B. guna lewili, XV, 7, XXI, 103, 
XXIV, 1 , 98. De B. vert. verkeerd. 

B. lewih guna, XXVI, 44. 
(iluilitii. S. g unit Tl, deugdzaanilund. 

1. Giuunita, B. kawilanin! (door verwarring met ga n i ta), 
XXIV," 125. 

2. Gunitan, B. ra w o san (te prijzen), III, 56. 
Giinottaina. S. voortretFelijkste deugd, B. guna parara a, 

XXVI, 25 (zeer deugdzaam). 
Gunda. S. een grassoort (Sphenoclea Zeylani ca) , B. gond a, 

* XXVI ,5. 
Gunya. S, deugdzaam, B. gugwanin, XXIV, 112. 
(ilutult. 1. Ginutuk, B. katimpug, XVII, 115, geworpen 

worden (Pass. Dur.). 
(Jutgüt. 1. Gutgutën, B. grëgëtan (zich verbijten), VI, 

162, XIX, 86, XXI, 179. 
(iunëm. 1 . K a g u u b m a n , B. k a t a w e n a n , XVII , 1 06 , beraad- 
slaagd worden (Aor. Pass.). 
Gimuii. Mal, hetz. B. giri (berg), III. 41, 77, IV, 22, VII, 
106, 107, XIII, 92, XVII, 84, 85, XVIIl , 2, 13. 
B. acala, XVIII, 15, enz. 

B. onvertaald, II, 13, 16, VII, 1,8, 22, 84, 92, 100, 106, 

VIII, 8, 42, 185, 189, IV, 76, VI, 44, 65, 86, 149, 

156, 193. 

2. G unui'i-gun u il , B. gunun di bukit (gebergte), 11,12. 

Giintin. Sund. Mal. Bat. Day. Tag. Bis. hetz. l.Ginuntiii, B. 

maguntiii, V, 65, geknipt (Part. Perf. Pass.). 
Ountur. B. gëntuh, XVIII, 36, XX, 1, uitbarsting. 

2. Guntura, B. hetzelfde (na kadi), XIX, 54 (zou barsten). 
(iupi. 1. Magupyau, B. magamël (speelden), XI, 11, van 
vele subjecten. 

2. Agupyan, B. magagamëlau, VIII, 109 , muziekinstru- 
menten bespelen. 

3. Angupi, B. Iwir! XXIV, 250, Act. Dur. Trans, (sloeg). 
B. nëpwakin (sloeg) , X XIV , 250. 

Gupit. 1. Mangupit, B. maiirawos (speelden?), VIII, 28. 
Act. Dur. Indic. of: dichtten? 
B. nrawos, XVI, 12. 



164 GUPUY — GUKU. 

2, A-Ugupit, B. ngaraëlin (speelden?), XXVI, 24, Act. 
Dur. Indic. of: dichtten? 
Gupuy. B. rëmpuh (snel), XI, 33. 

B. pablësat, V, 25, vliegend snel. 

2. Agupuj, B, agisu, XI, 2, zich reppen. 
Gupur. 1. G upu-gupuTën , B. gisu rëmpuh, XXII, 1, 

zeer verschrikt , bevreesd. 
Gupura. S. gopura (poort), B. kori. XXII, 1. 

B. gëlun kori, XII, 57. Zie gopura. 
Gupuh. B. rëmpuh, XVII, 63, gebroken, 
Gupe. B. hetzelfde, III. 20, vermoeid. 
Guyo, B. sraita (lach), XI, 9, IV, 33, XXVI, 21 , XI, 65. 

2. Gumuju, B. sahasraita (lachend), VII, 66, XIX, 19, 
XV, 3. 

B. këdek (lachte), VII, 112, XVIII, 13 (Aor. Act.). 

3. Gumuyu-guyu, B, Iwir smita (lachende), I, 13, 

4. Guywaguywan, B, kahyun macanda (om te schert- 
sen), VI, 42. 

B. maguyon-guy on, XXVI, 22. 

5. Kaguyu-guyu, B. kakëdek, XVII, 58 (uitgelachen 
worden) , Aor. Pass, Ind, 

6. Aguywaguywana, B, makakëdekan, XVII, 102 
(om uit te lachen). 

Guragada. B. sahasain, III, 65, brutaal. 

B. dahat momo (zeer onnoozel), V, 30. De Bal, vertaling 

onjuist: //brutaal'/. 
B. sahasê., X, 51, 64, brutaal. 

B. pragalba (brutaliteit), XI, 93, XVIII, 43, XIX, 37, 
B. kakosa (gedwongen)! XII, 5, brutaal. 
B. tanpakeriü (brutaal), XII, 52, XX, 75, XXI, 125 
(brutaliteit). 
Gurapay. 1, Mangurapay, B, mangaradab, XXVI, 25? 

Act, Dur. 
Gurilap, 1. K agurilap, B, pa kar ede p, XXIII, 76, flikkeren. 
Gum. S, zwaar; eerwaardig persoon, leeraar, 
B, b a p a , XVII ,41, leeraar. 

2. Gurwa, B. adi (zult leeraar zijn), VI. 92. 

3. Aguru, B. ma^iwa! VI, 103, jegens den leeraar. 

4. Agurwa, B, palajahiii, VI, 180, te leeren (conj. na 
dh ar ra raa). 



QURUn GÜLIMPAN. 165 

5. Pinakaguru, B, makagiwa! XXVI, 52, tot leeraar 
strekken. 
Ourun. 1 . Gum n-g u r u n a ii , B. k a k o 1 o n a ii , VIII ,21, strot. 
(iurudrolia. S. beleediging vau deu leeraar, B. talpaka guru, 

XVIII, 4(ï. 

(iiiriin. B. waras. vet, dik, XVII, 89. 

Ouruiiiuu. 1. Ginuruinun, B. karëbut (vau alle kanteu aan- 
gevalleu), XIX, 119. 

B. kagaruüun, XXII, 60, Pass. Dur. 
Guriih. l.Guinuruh, B. hu m un (gouzeud) , VI, 151 , XV, 32. 

B. magërëh (bulderend), IX, 12, XIV, 36, XIX, 13. 

B. mager oh (ruischeud), XI, 7. 

B. gumërëh, XI, 62, XXIV, 21 (loeiend)'. 

B. magrëdëg (dreunend), XX, 2. 

B. ëndëhah, XIX, 36. 

B. magrudug, XV, 51, XXV, 23, 35, enz. 
Gulaü. I. Gulafi-gulana, B. al in al in (bezorgd), XXIV, 152? 

II. A g u 1 a n-g u 1 a 11 , B. p a g u 1 a y a h (plat liggen) , 
XXV, 103. 
Gulacak. 1. Makagulacak, B. pacaronkak (vol gaten), 

XIX, 126. 

Oulay. 1. G ulay-g ula yan, B. gulagulahin, XXVI, 25, 

specerijen, kruiderijen. Mal. gul ai (kerrie). 
Ouliii. Mal. hetz. 1. Magulinan, B. pagulayah (platliggen), 
IX, 41. 
B. mangulayah, II, 24. 
B. maguyan f zich om wentelen) , III, 24, VIII, 106, 

2. Agulinan, B. angulayah, V, 10, plat liggen. 

3. Magulin-gulinan , B. masare-sarean (lageu) , VII , 61 , 
van meerdere subjecten. 

4. A npagu liiian, B. maguyan, VIII, 96 , zich wentelende. 

5. Gumulin, B. masare, VIII, 107 , XVII , 100, Aor. Act. 

6. Kagulin, B. ngulintih, VIII, 232, XXIII, 57, 
Aor. Pass. 

B. mauëmpaü, XIX, 110, neergezegen. 

B. pagulin, XV, 60. 

B. iigulayah, XXIII, 58. 

7. Magulin, B. mërëra, XI, 8, zich nederleggeu. 
(iliiliiHpau. 1. Kagulimpan, B. pajulimpan, IX, 17, om- 

verrollen (Aor. Pass.). 



166 GULU GUHïaLITIGA. 

Gulu. B. bahoi\ (hals), II, 48, Vil, 9. 

B. ten f) as, II, 75, IX, 17. De B. vert. onjuist. 

B. tëngëk, IV, 73, 75, IX, 57, XII, 44, XVII, 51, 

VIII, 137, XXI, 245, XXIII, 15. 
B. gëlëkari, VIII, 153. 
B. kanta, XI, 25, XXIII, 80. 
B. harëpan! XVIII, 43. De B. vert. foutief. 
B. cirah, XIX, 121, XXI, 4. De B. vert. onjuist. 
B. kulunan, XXI, 33 (keel), XXIV, 27, 143, 210, XXV, 
58 , enz. 
Oulu. 1. Agulu, B. nan galatan, XXV, 109? 
Guluu. Mal. Sund. Bat. hetz. Tag. Bis. go Ion. 

Gumulun, B. mangulun, VI, 137, XIX, 128, rollen 
(Aor. Act.). 

2. Kagulun, B. n gal il in (werden opgerold), XVII, 84, 
Aor. Pass. 

3. Gulun-gul unan, B. g lil in-g lil ina n , XXII, 7, rol, 
kluwen. 

4. Agulunan, B. maluku (ploegen?)! XXV, 109, 116. 
B. di nangalane! XXV, 110, rollen. 

Gulum. 1. Ginulumi, B. kacangah, XXIII, 57, door een 

gulum (soort van wapen?) getroffen, Dur. Pass. Trans. 
Giilunipun. 1. Gumulumpun, B. pagalilin, rolden, XX, 

1 (Aor. Act.). 
Giilina. S. struik, legerafdeeling , bestaande uit 9 olifanten, 9 
strijdwagens, enz. 
1. Sagulma, B. sa nan daya (negentig), VIII, 32. 
Gusti. B. onvertaald, heer, XXVI, 22. 

Guha. S. grot, hol, spelonk, B. 1 ing ah! VII, 63. De B. vert. 
foutief. 
B. giha, VII, 72, 79. 
B. gohok, VII, 80, VI, 160. 

B. wiwara, XI, 66, XIX, 109, XXII, 51, 52 , XXIV , 83. 
B. onvertaald, XXII, 47, VII, 39, XI, 11, VI, 161, XVI, 
11, III , 34 , enz. 
Guhastra. S. verborgen pijl, B. onvertaald, XXIV, 18, naam 

van een pijl. 
Guhyaka. S. soort van halfgoden in K uwera's gevolg, 

XXIV, 18. 
Guhyalinga. S. geheim teeken, B. nguli rahasya, XXVI, 32. 



GUHYAWIJAYA GOStl. 167 

(Truhyawijayji. S. geheimzinnig overwiunend. B. ouvertaalcl , XXIV, 
13, -6, naam van een pijl, 

Grha. S. huis, B. umah, XVII, 124, XXIK, 71. 

Grhastlia. S. huisvader, XXI, 140. 

Grhita. S. genomen, gevat, begrepen, gemeend, bedoeld heb- 
bende. 
B. umahiua, XXIV, 175. 

(ieinpor. B. gëmpor, XXVI, 24, luidruchtigheid. 

Ooii. 1 . G o n g o ii a n , B. g a n g a n a n , XXV , 6(3 , op de gong 
slaan. 

(rOt. B. godëm, XXV, 40, vischsoort. 

Gotaiiia. S. naam van een zanger, XX, 22. 

iTOpangana. S. koeherdersmeisje, B. pananwane anak istri, 
II, 13, De B, vert. verkeerd. 

Gopala. S. koeherder, B. pananon, II, 12. 

Uopita. S, verborgen , bewaard ; gesproken , gezegd. 

1. Gopitan, B. karawosan (moet gezegd worden), III. 
74, Gerund. 

2. Ginopita, B. kakënëhan (verborgen), XIX, 60, 
Pass. Dur. 

Gopiira. S stadspoort, B. gëlun kori, VIII, 58. 

B. kori, XII . 58. Vgl g u p u r a. 
Gomaya. S. uit runderen bestaande , vol koemest. 

1. Ginomaya, B. ])i riuja (vereerd worden), III , 4, Pass, Dur. 
Gorawa. S gaurawa (zwaarte, eerbied), B. som ya (eerbiedig), 

I, 40. 
B. rahayu, II, 21. 

B. rumya! III, 37, De B. vert, foutief. 
B. SU ka! XVII, 117. 

B. ma nis! XVI, 19, XII, öö. De B, vert, verkeerd. 
B. halus! XVII, 79. 
B. nrënani, XXIV, (52. 

2. Ginorawa, B. rënanin. XXIV, 61 (met eerbied behan- 
deld worden) , Pass. Dur. 

Gori. S. Gauri, naam van (/iwa's gemalin, B. Go ra pat i- 

d e w i , 1 , 17 
Gosti. S. gosthï vergadering, gesprek). 

1. Magosti, B. maiirawos (beraadslagen), II, 14, V, 8, 
B. magagohjakan, VII, 38, enz. 

2. Affosti, B. hrawos, XIX, 2, XX, 78. 



168 GYa^ — GLaNA (GCLaNA). 

3. Ginosti, B. rawosai'i (geraadpleegd worden), XXIV, 61. 
Oya. B. gati (spoed, haast), VII, 54. 

B. nobah! VIII, 198. De B. vert. foutief. 
B. gëlis, XIII, 28, VIII, 15. 

2. Angyakëu, B. ngelisan (verliaasteu) , VI, 5, Act. 
Uur. 

3. Agya, B. inajalau (snel), VIII, 10, [mp. 
B. gëlis, VI, 161 , XXI, 170. 

B. nagën, XIX, 37, Ind. enz. 

4. Magya, B. gëlis, VI, 200, IX, 11, Xll, 14, VII, 79. 
B. gati, XII, 15, VIII, 11. 

B. nagëu, VIII, 16, 197. 
B. gaglisan, VIII, 15, snel. 
B. age, XIX, 15. 

5. Gum y aken, B. manengalan (versnelde), XXI, 200, 
Aor. Act. 

6. Magyagya, B. mengal-engalan (zeer snel), XXVL, 3. 
Gyat. 1. Silih gyat, B. salin tankëj u tan, elkaar vrees aan- 

jagen, XXI, 239. 

2. Kagyat, B. tankëj ut (schrikte), II, 60, VII, 13, 
VItl, 68. 

B. takëjut, XX, 56, XV, 33, 35, XVI, 42, XIX, 14, 

110, XII, 24. 
B. pablësat, XI, 7. 
B. kewëh, XXI, 183, enz. Jav. kaget. 

3. Ginyat, B, katankajutan, XXI, 217. werd verschrikt 
(Pass. üur.). 

4. Gumyatakën, B. nahkëjutan (verschrikken), XXVI, 
26 (Aor. Act.). 

Graniyabhoga. S. lage genietingen, B. suka mukti, XIV, 29. 
Graha. S. planeet, krokodil (de grijper). 

B. k a p a n a n ! XV ,61, planeet. 

B. gen ah! XXIV, 22, planeet. 
Grahagana. S. schaar van planeten, B. teja! VIII, 3. 

B. süiyya! XV, 62. De B. vert. foutief. 

B. rahugaua! XXI, 63. De B. vert. onjuist. 
Grahita. S. gi-hïta (genomen), B. magiran (verheugd), 

XXV, 55.^' 
Glana (gëlana). S. glana, verdrietig, uitgeput, afgemat. 

B. kasakitan, XI, 2, VIII, 112, XVI[, 87, VII, 13, 



GHAiODARA GHORA. 169 

XII, 5, 63, XV, 19, V, 3, 45, 61, VI, 6, 14, 25,61, 

IX, 55, lil, 6, 8, O, 16, 22, 24, 30. 
B. kepwau, IV, 48, VI, 88. 
B. ka la rail, XXI, 15. 

B. hibuk, XII, 16, 26, VI, 33, XXIV, 40. 
B. kabhrantaii, VI, 35. 
B. sakit, VI, 37, 116. 
B. saiisara, VI, 87, VIII, 85, 195, 272, 283, XII, 13, 

15, enz. Vgl. gel a na. 



Gh. 

Ghatodara. S. naam van een i-aksasa, XIX, 34. 
Ohatodarakya. S. Ghatodarakhya, genaamd Ghatodara, 

'XIX, 8. 
Ghiiuagaina. S. komst der wolken , regentijd , B. a m b a r a 

k r a m a , VII , 32. De B. vert. verkeerd. 
Gliara. S. grha, vrouw, B. rabi, I, 17, II, 8, V, 13, 48, 

XXIII, 67. 
Uliarini. S. grhiui, huisvrouw, gade, B. patni, XXIV, 195. 

B. r'abi, XXIII , 52. 
Ohasa. 1. Skr. g har sa. 1. Ghinasa, B. kauyëg, XXVI, 13, 

gewreven worden. 
Ohürnnita. S. rollend, schuddend, B. gumuruh (daverend), 
lii 54, XIX, 62. 
B. humun (gonzend), II, 2, IX, 1, VII, 3, VIII, 4. 
B. karugaü, IX, 45, XI, 7. 
B. n g ë r a k (schuddend) , X , 2(). 
B. ëudeh, XIV, 36, XIX, 14, XX, 58, XXI, 194, VlII, 

77, IX, 11, 63, XVII, 84. 
2. Aghürnnita, B. humun. XI, 1 ,XV, 33, XXIV, 29. 
Ghrta. S. gesmolten boter, B. ëmpëhan, I, 24, V, 11. 
Ghrtapura ("püra). S. ghrtapilra, boterkoek, B. juampö- 
" han, XXIV, 98. 

B. ëmpëhan, XXV I , 25 (g h r t a p ü r a) . 
Ghora. S. vreeselijk, verschrikkelijk, hevig, sterk. 



170 GHORATARA D. 

B. tarik (hevig), XI, 1. 
B. krüra (vreeselijkheid) , XX, 23. 
B. magön (hevig), XX, 55, 56, VIII, 4. 
B. gumuruh (vreeselijk) , VII, 3. 
B. aguü (hevig), IX, 12, Xt, 15. 
B. gëde , XI, 6. 
B. lingah, II , 54. 
B. karësrës (vreeselijk), VI, 160. 
B. agön, VIII, 68. 
Ohoratara. S. comparatief van 't vorige , B. krura galak, II, 
35, zeer vreeselijk. 
B. krura tanpëgat, V, 34. 
B. gëde karësrës, VIII, 22. 



n. 

het bep, lidwoord: n jiwa, de ziel, B. e: VI, 36, n 

a n a n g a , de Liefdegod , VI , 1 2 1 , n m a u a h , B k a h y u n e 

(het gemoed;, VIII, 159, ii hati (het hart), X, 15. 
B. ?'; n Rawana, B. i Ra wan a, VIII, 197, n ka mi, B. ?' 

kakun (de minnaar), VIII, 65. 
\\. ikaue: \\ kanya, B. ikane luh (het meisje), XII, 15. 
B. san: h ka, mi, B. san kakun (de minnaar), XII, 16. 
n t ar una, B. heizelfde (de jongeling), XII, 18, n Bajra- 

musti, B. san Bajramusti, XX, 29. 
B. ikan: n wira, B. ikan wira (de helden), XIX, 73, 

n rajya, B. ikan nagara, X, 4 (het rijk), n ra k- 

sasa, B. ikan kalana (de reuzen), IX, 45, n rat, B. 

ikan jagat (de wereld), X, 6, n rahina, B. ikan d i- 

wasa (de dagj, XII, 4. 
B. punika: n düta, B. punika tëlik (de bode), X, 43. 
B. onvertaald: n rat, B. jagat (de wereld), X, 53, n naga- 

pa^a, XI, 1, 3, n (jastra, B. aksara (leerboek), III, 

62 , enz. 
B. rin: n awak, B. riü sarira ('t lichaam), VIII, 105, 

n rat, B. rin ja^at, XIV, 12, 



riARAN — riEL (tihkl). 171 

B. ika: n pararsa, XVII, 42. 

B. deuin: n musuh, B. den in ^atru (de vijand), IV, 

44, n rtiksasa, B denin kalaua, XIX, 45. 
B. ne: fi man ah, B. cittane (de geest), VU, 1 , ii sinaii- 

caya, B. sandehane, VIII, 184, n amawa, B. u e 

iiaba (die droegen), X , 72 , pron. relat. 
B. in: n asih, B. in kar una, XXIV, 154. 
B. s a 1 w i r i n . n u p a b h o g a , B. s a 1 w i r i ii b h u k t i 

(de genietingen), XXIV, 58. 
B. nin: ri hurip, B. uin hidiip (het leven), XXIV , 70. 
B. yen: n anjahit, degene die ([)ron. relat.), XXIV, 25. 
B. iiikaii: n la ra, B. nikai'i duhka (het verdriet) , XXIV , 

142, enz. 
naran. Bul. Sund. hetz. Jav. aran, Iban. iiagan, Tag. Bis, 

nalan. B. adan (naam), VII, 72, 74. 85, 94, V, 85, 

VIII, 5, 8, 18, 86, 87, 140, I, 38, II, 69,XXII1,37. 
B. wasta, II, 68.', III, 56. 

B. adanin, VII, '87, XIV, 1. 

B. asta, VI, 80, 145. 

B. madan, XXIV, 126, enz. 

2. Panaran, B. adan (naam), VU, 70. 

3. Mafiaran, mapanënëran (genaamd), XXIIl, 26. 
iiana. B. onvertaald, naam van eeu vogel, XXV, 19. 

lumi. B. smalih (vroeger), II, 8, XVII, 33, XXI, 58, 76. 

B. ituni, X, 32, 49, VI, 11, 5!, IX, 61. 

B. onvertaald, II, 26, 57, VI, 186, XXIV, 196. 

B. suba, VI, 176, VII, 102, X, 39, XI, 71. 

B. ne malu, XI, 24, XXI, 132, V, 22, XIII, 25. 

B. hulin, XI, 27, XII, 35, XXI, 157, 178, XXIV, 193. 

B. ne sampun, XXII, 22, XXIV, 235. 

B. inuni, VIII, 199. 

B. raiwah, XLl , 43, enz. 

2. nuni-nuni, B. ka link e (vroeger), V, 76, VI, 58. 

B. makamiwah, I, 5, 6. 

B. minkin ke, III, 72, XV, 52. 
iiel (nhel). B. tuyuh (vermoeienis), VII, 79, VIII, 82, 99, 

IX, 71, XXI, 20. 
B. lepeh, VI, 100. 

2. M a n e 1 (m a n h e 1) , B. tuyuh (vermoeid) , Vit , 59 , 
VIII, 20. 



172 iiKa— riKU. 

B. kalëson, XXIV, 187, IX, 51, 77, VI, 26. 

B. surud! III, 35, VII, 15 (de B, vertaling verkeerd). 

B. raari! III, 76 (de B. vertaliug verkeerd). 

3. Anhel (anel), B. lësu, VI, 36, XXIII, 44, XXIV, 97. 
B. kalëson, VII, 61, VIII, 57, 65, XVI, 43, XIX , 53. 
B. kënël, XV, 63. 

B. tuy uh , IX , 57. 

4. Tarpaüel, B. nora suwe, zonder moeite, XIII, 70. 

5. nel-nel en, B. dahat in sënka (bemoeielijkt) , XV, 39. 
B. newëhin, XXIV, 113. 

5. Anela, B. kewëh, XXIV, 249. 
nka. B. irika (daar), II, 18, VIII, 66, 89, 90. 

B. ditu, IV, 3, XI, 13. 

B. dini, VIII, 60. De B. vert. onjuist. 

B. ika, VIII, 85, XV, 41. 

B. punika, II, 46. 

B. onvertaald, III, 52. 

B. këma, VI, 39, II, 76. 

B. ha na! VI, 47, XI, 1. De B. vert. foutief. 

B. ke, VIII, 63. 

B. mrika, XXIV, 230. 

B. mankana, XXI, 121, XXII, 16, XXVI, 35, 50, enz. 
ükana. B, ditu (daar), I, 13, VI, 86. 

B. ikaua, I, 23. 

B. hana, II, 33, XVI, 33 , XVII, 1 , XII , 3, 21 , XVIII, 45. 

B. irika, VII, 102, VIII, 75, XVIII, 2, XXIV, 94,99. 

B. marika, VII, 26, XI, 40. 

B. ne, VII, 54. 

B. yan! VIII, 89. De B. vert. foutief. 

B. sapunika, XVII, 77. 

B. bwin, XXI, 125. 

B. dadi! XXI, 245. De B. vert. foutief. 

B. punika, XXII, 81, enz. 
iiku. pronom. poss. 1^ pers. sing. na vocalen, mijn, B. bëli, 

III, 47, 52, V, 18, VII, 14. 

B. kahi, II, 41, 69 (mij), 75, VI, 175, 176, XIV, 53, 

IV, 56. 

B. ma mi, XVII, 81 (mijn), IV, 50, VI, 57. 
B. ëmbok, VJII, 204, 205. 
B. bapa, IV, 11 , XXI, 70. 



IIKE IlLIH. 173 

B. ninsun, VI, 141 , 143. 

B. tityaa, XI, '23, VII, 74, IV, .VJ , (12, ()3 . (34, VIK, 
83 (mij), XIX, 24. Vgl. k u. 
iike. B. jani (hier), I. .")■"), [1, 37. 

B. mahi, LI, 38, 55. 

n. mariki, VI, 135, 137, 140. 

B. diiii (hier), VI, 13('), II, 42. 

B. ne, VII, 93, VIII, 82. 

B. ra ank i Tl (nu), XIX, 92, XXII, 17. 

B. onvertaald, IV, 11. 

B. iriki, VIII, 13, XXI, 68, 202, XVI, 20. 

B. irika, XV, 41. 

B. ika, XV, 40, enz. 
ükeliën. B. mankin (nu) , XXV , 5. 

nkwa. Conj. of Eut. van het pron. poss. l*^ pers. sing. na vocalen , 
//mijn'/, B. kahi (door mij), II, 41. 

B. mami, V, 39 (door mij), VI, 140. 

B. bëli, VI, 38 (door mij), XVII, 10. 

B. me men e, VI, 110, mijn. 
iigaii. B. upama, XXV, 35. Hulp woord, vgl. Jav. ëngeu. 

B. Iwir XXVI, 1. 
ilgwan. B. gen ah (plaats), VIII, 82. Jav. eng on. 

2. ngwilna, B. malingih, zij de plaats, XVI, 20 (Juss,). 
niali. 1. Manlah, B. mangulayah, XXII, 50, zuchten. 
iilës. 1. Kanlës , B. n i j i b , XIX, 24, diep getroffen, aange- 
daan. 

ülih. 1. Manelih, B. lësu, VI, 129, vermoeid, 
manlih, B. lumeh, XIX, 26, XII, 9, VII, 33. 
B. lelo, XII, 41, uitgeput. 
B. rnanlumeh, VI, 23. 
manelih, B. kaleson, XX, 48. 
manlih, B. lepeh, VI, 26, 33. 
B. manlu, XI, 35, vermoeid. 

3. Anlih, B. lësu, VI, 49, 167, 190, XI, 2. 
B. kaleson, VII, 91, XXI, 16. 

anëlih, B. howon, IX, 57, XXI, 248. 

anlih, B. tuyuh, IX, 71, XXIV, 19. 

B. manlu me, XI, 8, XIX, 22, 29, Adj. vermoeid. 

4. Kanëlihan, B. kaleson, XX, 61. Part. Perf. Pass. 
vermoeid. 



174 ÓLUH (riLU) — CAKRA. 

nluh (nlu). 1. Anlu, B. gërah (vermoeid), XXIV. 19, of: 

//ziek zijn", 
anluh, B. urëm, verflauwd, IX, 7. 
2. Manluh, B. sakit, XI, 2. 
nwaii. I. pronom. person. 1*^ pers. sing. , ik, B. t i t y a ii , 

XVII, 80. 
B. ma mi, XVII, 137, XXI, 168 (mij). 
B. bëli, VI, 43, VII, 18. 
B. kahi, XVIII, 47, XXII, 11, XIX, 23, 26, 30, XVII, 

38, 40, 67. Jav. nor;. 
II. pron. indef. //iemaud , men//, XIV, Q5, 66, 68, 69. Vgl. 

B. T. L. Vk. 6« volgr. VI, p. 235. 
iiwab. 1 . n w a b a k ë n , B. m a h u h a b (gapen) , XXII , 42 (vgl. 

Mak. 110 wa, Mal. uwap). Vgl. liwab. 
iihiü. Vgl. aiihin. B. nanhin (maar, slechts), XI, 30. 
B. miwah, XIII, 87. De B. vert. foutief. 
B. smalih, XIV, 45, 52, XXII, 52. Ue B. vert. foutief. 
uhuluu. nederig voornaamwoord l*' pers. siug. ,ik,B. aku, III, 

29, XXI, 113. 
B. titjan, III, 49, 50, 51, IV, 35, V, 38. 
B. mamanjak, IV, 39. De B. vert. onjuist. 
B. bëli, IV, 40, Vill, 125. 
B. ma mi, VI, 141, XI, 31. 
B. meme, VIII, 10. 
B. mbok, VIII, 206. 
B. ninwaii, XXI, 42, XXIV, 33, 159, 218, 221, 222, 

XXVI, 51, 52. 



c. 

Cakra. S. rad, schijf, werpschijf, discus. Mal. Sund. hetz. , Bat. 
sorha (spinnewiel), Tag , saklti (ring ter bevestiging van 
't heft van een mes). Bis. sak la (radje aan de penis). 

B. onvertaald, V, 1 (werpschijf), XII, 39, XXI, 240 (rad), 
242, XXV, 57. 

B. kipiu (rad), XXIII, 17, XXIV, 19. 



CAKUAWaKA CACAL. 175 

2. Cinakra, B. kacakra (werd geschoten met een werp- 
schijf), II. 48, XV, 57. Pass. Dur. 

3. Maeakra, B. nabacakra (gewapend luet een \verj)sclujf) . 

VIII, 50. 

4. Maüakra, B. onvertaald (schieten met eeu werpscliijf), 

IX, 38, XIX, 71, XXI, 214, XXII, 50 (Act. Dur.). " 

5. A ü a k r a . B. ii a k r a , XXIII , d\) , hetzelfde. 

0. Acakra, B. cakra! XXIII, 59, met een werpschijf ge- 
wapende. 

7. Cakra, B. Iwir cakra, als eeu werjjschijf, XII, 39. 
(vakrawjika. S. een soort van eend (anas ca sa re a, the Brah- 
many duck), B. kedis sak en toya (watervogel), 
XI, 2. 
B. krëkwak, XXIV, 120. 
B. karëkwak, XXIV. 233, 
Cakrawartti. S. cakrawartin (wereld heerscher), B. niutër 
jagad, XVII, 10, 50. 
B. m u t ë r 1 o k a , XXIV , 44. 
Caksu. S. oog, B. netra, VIII, 72. 

Caiikak. B. ank ara (overmoedig, eigenzinnig), XVII, 60. 
B. capala (lichtzinnig), VIII, 69. 
B. kakosa, XII, 53^ XXIV, 122. 

2. Cankacankak, B. pragalbha (moedig), XXI, 198. 
Caükag. 1. Cankacankag, B. aiikag-ankag, springende 

loopeu (v. d. ï.), VIII, 61. 
Caukrama. S. cankrama. wandeling, wandelplaats, het rond- 
kuieren. 

1. Ma cankrama, B, makalanën (vermaakten zich), XVI, 
12, V, 67. Sund. op de jacht gaan (van voornamen). 

2. A cankrama, B. malali, VI, 83, zich verlustigen. 

3. y a n p a c a ü k r a m a , B. m a m ë n-a m ë ii , VIII , 1 8 , 36 , het- 
zelfde met nadruk op 't voorafgaande woord. 

Cangigyar. B. keker, XXIV, 120, boschhaan (vgl. Sund. 

cah e hgar). 
Canciü. 1. Cancinan, B. macincinan ('t kletteren van 
wapens), VIII, 61, XXIV, 122 (of naam van een wapen?). 
Cacal. B. pap al (knakken), IX, ö~\ 
B. hal, XV, 23, knappen? 
B. calcal, XIX, 126. 
B. ëhal, XXII, 50 (afgeschaafd?), ()3. 



176 CAÏiCALA — CANDTiAWILASlTA. 

Cancala. S, bewegelijk , onstandvastig , wankelend , schuddend , 
trillend, onvast, onbestendig. 
B. o bah (veranderlijk), V, 12, onbestendig. 
B. mol ah (bewegelijk). Vil, 25, X, 34, XXII, 48. 
B. magilehan. XIII, 10, vonkelend. 
B. robah, XII, 39, onstandvastig. 
B. mak ara na hala! XVIII, 42, onbestendigheid. 
B. elog-elog, XIX, 70, trillend. 
B. ocak, XXIII, 9, dartelend. 
B. molih, XXIV, 19, bewegelijk. 
Candala. S. naam van eene zeer verachte kaste, B. papaka 
"(laag), II, 9. 

B. corah (slecht), VI, 175, IX, 38. 
B. dusta (gemeen), XXIV, 117. 
CMaka. S. een soort van koekoek (cuculus melanoleucus), 

B. kliklik, VII, 16. 
Catura^rama. S. de 4 stadiën van een brahmaan , B. onvertaald , 

XXI, 140. 
Calurclwara. S vier poorten, B. kori put pat, VIII, 61. 
Caturthi. S. de 4*' dag der maandhelft, B. pin pat, XXVI, 27. 
Catussamudra. S. vier zeeën, B. Iwir pasih! Vil, 48. De B. 

vertaling is verkeerd. 
Cati'a. S. chattra (zonnescherm), B. pajön, XXVI, 23. 
Canda. S. chandas (lied, strophe, metrum), B. tan mari! 

XXI, 146. De B. vert. geheel fout. 
Candana. S. sandelboom, sandelhout, B. onvertaald, III, 23, 
IX, 16. 
B. dewandaru, IX, 55, XXIV, 231, 260, XXI, 99, 
VIII, 160. 
Candra. S. maan, B. wulan, VII. 33, XII, 3, XX, 62, XXIV , 
52, XII, 1. 
B. bulan, VIII, 106, XI, 70, XII, 25. 
B. ^a^aüka, XII, 2. 
Candrakanta. S. een fabelachtige steen , die in de maneschijn 
glanst en smelt, B. onvertaald, lil, 35, VIII, 51. 
B. cacikanta, VIII, 45 , 95 , XI , 2 , 12 , XII , 25 , 
XVI, 11. 
Caudrainsi. S. eau dram as (maan), B. wulan, VIII, 66. 

B. 9aQanka, VIII, 88. 
Candrawilasita. S. het verschijnen van de maan , naam van een 



CANDRAHaSA CailAKA, 177 

versmaat : uuu . u , — • uu , ov — , B. wulan raapra- 

rasan , XVII , 127. 
Caudrahasa. S. naam vau Eawaua's zwaard, B. ouvertaald , V, 
21, 23. 
B. tëwëk (kris), VI, 20, 26. Jav. candrasa. 
Caparu. beteldoos, B. onvertaald , XXIV, 244. Vgl. Jav. e ëp uri. 
('apala. S. bewegelijk, vluchtig, lichtzinnig, onbezonnen, B. 
phalana! VI, 43 (overhaastig , ongerust?). De B. vert. 
foutief. 
B. wamana (minachtend), XIV, 69. 
B. langah, XVI, 43 (vluchtig), XIX, 58. 
B. tan pan aha, XXI, 215. 
Camara. S. een lange borstel of vliegenwaaier van yakhaaren , B. 
kambawon, VIII, 2. 
B. makambawon. XXIII, 75, XXVI, 24, vliegenwaaier. 
B. këpët (waaier), XXIV, 242. 
B. makëpët, XXVI, 25. 
B. onvertaald, casuarine, XXV, 10. 

2. Anamare, B. manëpëkin (voor iemand met een waaier 
wuiven), XXVI, 23. 
Camara. S. jak (bos grunnieus), B. cicin al as! IX, 57, 

XXIV, 108. Vgl. Bug. canara, zwarte buffel? 
Campaka. S. campaka, naam van een bloem (michelia 
tjampaka), B. wargiki, III, 5, XVII, 117. 
B. onvertaald, IX, 44, XXV, 84, XXVI, 25, XVI, 23. 
Cainpagi. B. campaka, XXV, 38, naam vau een plant. 
('ainpiir. B. lëtuh (onrein), XXIII, 39. 

Caya. Jav. cahya, Mal. cahaya. Mak. caya. S. chaya 
(schaduw, afschijnsel, glans), B. lawat, II, 5, afschijnsel. 
B. te ja (glans), VIII, 66. 

2. Cayacaya, B. mateja warnua (glans), XXIV, 126. 
Cara. S. gang, loop; spion, B. parëkan (lijfwacht), III, 74, 
XVIII, 2, spion. 
. B. utus (bode), IV, 27, verspiedster. 
B. wadwa, VI, 30, XVIII, 8, 27, XXI, 162. spion. 
2. Pinakacara, B. punikane dadi tëlik (tot spion strek- 
kende) , VIII, 182. 
Caraka. S. spion, B. parëkan (bediende), V, 5. 
B. mandüta (bode), VII, 99. 
B . m a n a t a s , VII , 113. 

12 



178 CAEaCARA CALa (caLA). 

2. Caraka (zou gezant zijn), B. kautus, VIII, 182. Conj. 
na asambhawa. 

3. Makacaraka, B. punikanutus (tot gezant hebben), 
Vm, 188. 

Caracara. S. dieren en planten, B. loka mamarëkan!V,88, 
De B. vert. foutief. 
B. sane malaksana! XXI, 148. 
■^Carana. B. macreret, XVII, 112, zeker gebak in bladeren 
gewikkeld. 
Carana. S. hemelsche zanger, B. pare pat, XXI, 153 , XVII, 95. 
Carita. Mal. hetz. Tag. salita. S. gang , weg , gedrag , B. panu- 
cap! VIII, 181, gedrag. (De B. vertaling foutief). 
B. katatwan (levenswijze), VI, 102. 
B. kocapan (verhaal), VIII, 149. 
B. katuturan (verhaal), XVII, 70. 

2. Macarita, B. manucapan (verhalen), VIII, 178. Conj. 

3, Ndak acarita, B. tityan nuturan, laat ik vertellen, 
X, 62. 

3. Pinacaritakën, B. makatuturan, XIX, 90 , verhaald 

worden voor (Pass, Dur.). 
5. Panarita, B. panaudika (beloop van een verhaal), 

xxin, 71. 

Caru. S. ketel, pot, offerande, B. ban ten, XVII, 91, l, 28. 
2. Carwa, B. makabantën, XXII, 53, üpt. Vgl. Mak. 
carucaru. 
Carcca. S. inwrijving, B. kalënka, XXIV, 122. 
Carmmin. B. mëka! spiegel, VIII, 66, XXIV, 46, Mal. cër- 
min, Tag. salamen. Bik. sa 1 ra in (spiegel, bril). Mak, 
ca ra men. 
*Caryya. 1. Pacaryyan, B. pacirinan (latrine), XVII, 59. 
Cala. I. S. zich bewegend, B. jënisan (trillen), VII, 25. 
tanc°. , B. nora obah, XIII, 2, XVII, 66 , onwankelbaar. 
II. S. chala (bedrog, arglist, schijn), B. mala, XXV, 97. 
Cala. S. het wankelen, B. molah, XV, 18. 
B. melogan, II, 4 (zich bewegen), VIII, 94. 
B. hibuk, V, 17, VIII, 120. 
Cala (cala). 1. tancala, B. nora tlëtëh (zonder gebrek , 
smet), VI, 99, enz. Vgl. Mal. cëla. 

2, PacaU, B. jelë, XXIV, 149. 

3. tanpacala, B. iiloncok, XII, 42. 



CALAKCT CIKIL. 179 

4. tarpacalan, B. dawadana, XXVI, 25, niet afkeerig. 

5. Acalacalau, B elik kaelilikin (afkeer van elkaar 
hebben), XXIV, 122. 

Calakèt. B. nalëkët, XVI, 44 (soort van vrucht). 
Calana. B. jaler (broek), XXI, 206. 

Calita. S. sidderend , wankelend , het heen en weer gaan , B. 
m a h o g a r , IX , 1 . 

B. ledap (rollen), XII, 46. 

B. kaolah, XXI, 238, bewogen. 
Cawuh. 1. Acawuh, B. jruweh, XXV, 97, gelijk, hetzelfde 
(of: telkens)? 
^Cëkël. 1. Kaeëkël, l>. kacëkuk (gegrepen worden), XXI, 
232 (Aor. Pass.). 
Cëkëli. 1. Cumëkëh, B, katotok, beschutten? XXI, 235. 
("ënël. hoofd. B. bah on (hals)! V, 26, XX, 29, XXI, 232. 

B. p u n g a 1 a n (afgehouwen hoofd) , XVII ,4,7,37, XIX ,131. 

B. tëiigëk (hoofd), XIX, 83. 

B. 9irsa, XIX, 128. 

B. muhgal, XXI, 216. 
• Cëüil. 1. Macënil, B. raiyëgan (twisten), VIII, 31. 

B. maprakara, XXV, 19, het oneens zijn. 

2. Acënil, B. rnawyara (disputeeren), XXI, 142. 
Cëcëp. B. cicipin (inzuigen, proeven), XXVI, 25. 
Cëtta. B. pinit (verborgen), XVII, 60. 

B. wëruh (ervaren), VIII, 75, XII, 50, XXIV, 243. 

B. narkka (gissen), XII, 20. 

B. sasmita (lachend), VIII, 89. 

B. panarkka, XXI, 225. 

2. C ë 1 1 a-C ë 1 1 a , B. n r a w o s-r a w o s a n (beraadslagen) , 
XXV, 17. 
Cëniër. B. lëtuh (onrein), V, 30, XIV, 58. Mal. cëmar. 
Cërëcëb. 1. Ka cë r ë cëb, B. pak ar ëcëb (prikkelen), XXI, 220. 
Cëlëk. B. ciri, zwartsel, collyrium , XII, 30. 

B. trangana, XII, 38. 

2. Cinëlëkan, B. katranganain (ingesmeerd met colly- 
rium) , XII ,31. 

3. Acëlëk, B. matrangana (zich insmeren met collyrium), 
XII, 37. Lamp. Mad. celak. 

Cikil. 1. Acikicikil, B. raaga ncan-gan canan, XXI, 198, 
oiu het hardst. 



1 80 CIKEU CINTaMAÜI. 

Cikru. B. ceku, XXIV, 120, XXVI, 5, naam van een plant. 
Citta. Mal. cita. S. verstand, geest, gevoel, hart, enz. 

B. manah, IV, 24, XIX, 5, 22, 27, I, 52, 59, II, 65, 
VI, 31. 

B. hidëp, XXI, 74, 212, II, 56. 

B. panrasa, IV, 60, XVIII, 26. 

B. kaprihaii, XI, 43, X, 66, VI, 34. 

B. kahyun, VII, 39, X, 58, III, 82, V, 21. 

B. kënëh, III, 67, V, 35. 

B. katahën, VI, 36, 62. 

B. rasayan, VI, 123, VIII, 60, 85, 117, XV, 34. 

2. Cinitta, B. kahyunan (gedacht worden), XVII, 134. 

B. kestian, VI, 31, XI, 80. 

B. katahënaii, VIII, 79. 

B. rin kahyun, XI, 89. 
Cittagaml. S. zoo snel als de gedachte, B. sak ënë tan, VIII, 74. 
"^Cittajfia. S. de gedachten kennende, B. rin manah kinanën, 
XII, 48. 
Citra. S. helder , glanzend , bont , menigvuldig , heerlijk ; glans , 

beeld, wonder, B. tinkah, XXIV, 120. 
Citraküta. S. naam van een berg, IV , 1 , XXIV , 213, XXV, 10. 
Citrakütagiri. S. de berg Citraküta, III, 41. 
Citradanda. S. citradanda 

1. Macitradanda, B. manankisan palu-paln (slagen 
afweren), XXI, 225. 

Citrapancayudha. S. de glanzende vijf wapenen, B. ei dra 

malaga, XXII , 53. 
Citraratha. S. naam van een gandharwa, XXI, 145. 
Cidra. S. c h i d r a (gescheurd , gat , opening , gebrek) , B, k a s i h s e , 

XX, 12, onverdedigde plaats. 
B. nasinsean! XX, 13, 26, XXI, 213, 243. 

2. Kacidra, B. katara (betrapt), XVIII, 21. 
B. hine (opgemerkt), XX, 12. 

B. kasinse (verschalkt), XX, 13, 25, XXI, 245, XXIV, 18. 

3. Cumidra, B. iiandan cidra, XXIV, 117, Aor. Act. 
(verschalken). 

Cinta. Mal. hetz. S. cinta (gedachte, zorg). 

1. Cininta, B. hinidëp (voor den geest geroepen worden), 
IV, 23, XXIV, 62. 
Cintamaui. S. een edelsteen, die alles geeft wat men bedenkt. 



CILU CUMBANAKASA. 181 

B. raaiiik astagina, XI, 20, XVI, 13, XXI, 10, 

XXIV, 62. Mal ciiitamaui. Men. eintamanih. 

Cilu. 1. Kapacilu, B. maüilu (meegesleept worden) , 

XXIII, 80. 

Cilia. B. giran (prijzende uitroep), XX, 3(5, bravo. 

2. Ciha-ciha, B. dahat egar, zeer verheugd, XXiV , 194. 

B. dahat enak, XXIV, 91. 

B. kaegar-egaran, XXIII, 70. 
Cilma. S. teeken, B. ciri, IX, 45, XII, 33, VI, 86, 89, 
VIII, 205, XIV, 58. 

2. Acihna, B. inaciri, VI, 170, voorzien van een teeken. 

3. Cihna, B. üirian (tot teeken), VIII, 196, 210, IX, 
80, XXI, 125. 

B. cirian, XXIV, 95. 
B. tënërana, XXIV, 201. 
Ciicud. B. me lid (dringend), XXII, 42, XXIV, 121, of: 
//aardig?" 
2. Cucucucud, B. ra sa du, tnëlid,XXIV, 122 , het vorige 
versterkt. 
('uciir. Sund. cuheur. B. tadahasih (een soort van zwaluw), 

XXV, 33, XXIV, 121. 

2. Cu c u r-cii CU r , B. këdis tadahasih, XXIV, 121. 
Ciitul. B. wrddhah (oud), XXV, 17. 

Cncljimani. S. schedeljuweel, voorhoofdjuweel , B. cuudun 
manik, VIII, 204. 

B. urn na ratna, XI, 22. 

B. onvertaald, tX , 43, XI, 18. Jav. cundamani. 
("uni. B. ma^oca (juweel), XVII, 3. Zie cuni. 
Cuncluk. B. ra a p a n g i h (ontmoeten) , VI , 1 99 , XV , 36 , of 
//tegemoet//. 

B. kapangih, VII, 44. 

2. Kacunduk, B. kapapag, XV, 62, getroffen (Aor. Pass.). 
Cuni. B. pap lik, XII, 40, zie cuni. 
Cuinbana. S. kus, B. matëmu (den coitus bedrijven), Xil,20. 

B. makrida, I, 20. 

2. A c u m b a n a , B. matëmu, XI , 8. 

3. Maiiumbana, B. maninal, XI, 73 (Act. Dur.). 

4. Macumbana, B. masmara, XVI, 12. 
('unibauarasa. S. het genot van het kussen , B. s ra a r a , 

XXIV, 103. 



182 CUMBU — JAGA. 

Cumbu. B. jumbuh, XXVI, 22, vriendelijk, grappig? 
Curi. B. corah (verraderlijk), XXIII , 25, 28, 30. 

B. hiri, XXIV, 121. 
Curiga. S. churikS, (mes), B. këris, XIX, 3, 16. 

B. kadga, XIX, 71. 

B. kadutan, XXIV, 244. 

2. Mafiuriga, B. manëbëk, IX, 38, stakeu met eeu dolk 
(Act. Dur.). 

3. Anuriga, hetzelfde, XXI, 214. 

Curnna. S. fijngewreven, verpletterd, B. rusak, XIX, 105, 
XX, 26, XXI, 35. 
B. dëkdëk, XIX, 119, XXI, 186, XXII, 50. 
2. Cüruna B. rusak, VI, 58. 
Cüla. S. CU da (schedelhaarbos, kuif), B. wuntut! VIII, 58, 
XII, 40, XV, 59, XX, 59. 
■^Culamik. 1. Kaculamik, B. maürusit, XXIV, 108, guit- 
achtig, plaagziek. 
Culig. 1. Aculig, B. nlidir, XXV, 100, naam van een plant. 
Cetl. S. dienares, slavin, B. parëkan, VIII, 75, XI, 2. 

B. panayah, XVII, 4. 
Cetana. S. cetana (bewustzijn, verstand), cetanam (geest), 

B. katuturan, XXI, 149. 
Cesta. S. beweging, gebaar, B. cëtta, XII, 55. 
Cod. B. ja lak (een soort van lijster), XXIV, 122. 
Codya. S. aan te manen. 

1. Cumodya, B. maAwada, XXV, 18. 
Crën. 1. Acrën, B. üurëó (vast, onbewegelijk), X, 69. 
Crol. B. carub (slecht), VI, 178. 



J. 

Jaga. Prakrtvorm van S. jagr (waken, wakker zijn), B. 
prayahin, IV, 56, wees op uw hoede. 
B. satata! XXIII, 27, behoedzaam. 
2. Jaga-jaga, B. yatnain, V, 35, pas goed op. 
B. dahat yatna (was zeer behoedzaam), XXIII, 82. 



JA6AT jataDHuRA. 1 83 

3. Jaga-jagfi, B. priksaiu, VII, 50, weest zeer behoedzaam. 
B. p a d a y a t n a , XXII , 44. 

4. Majaga, B. macadan, XV, 2, zijn op Imime hoede. 

5. x\jaga, B. ayatna, XXIV, 22, op zijue hoede te zijn. 
(Mal. Suüd. hetz.) Vgl. jagra. 

Jagat. S. aarde, wereld , B. loka, VII, 15, VIII, 11 i), 161. 

B. rat, VII, 94, 1U3. 

B. bhürai, VII, 101 , XVII, 31. 

B. bhüwana, III, 49, XI, 91, XX, 51. 

B. onvertaald, VIII, 120, XVI , 25 , VII , 14, Vi , (M , IV , 41 . 
Jagattraya. S. de 3 werelden (hemel, aarde en hel) , B. tribhü- 
wan a, V , 87. 

B. triloka, XXVI, 49, XI, 53, XVII, 70, VIII, 157, 
XX, 65. 
Jagaddhita. S. het heil der wereld, B. rahayu hjagate, 

XVII, 96, XXI, 107. 

B m a h a y u rat, XXI , 141. 
Jagra. S. jagr (waken, wakker zijn). B. mataiihi (ontwaken), 
XII, 24^' 29, XX, 80, XXIII, 27, VIII, 93, XI, 96, 
XIV, 20. 
B. banun, VIII, 97, ontwaakten. 
Jaghana. S. bil, B. dada! IV, 32. De B. vert. foutief. 
Jaüau. B. n d a w a n a n , verlengen ! naam van een vogel ? 
XXV, 20. 
2. Majanan, B. majukut, voorzien van groente, XXV , 107. 
Janël. 1. Ajanël, B. mande ja nel, XXIV, 103, wippen. 
Jankiin. B. canak (soort van reiger), XXIV, 116, XXV, 58. 
Jaugit. B. kalihapuh, XXV, 85, soort van bloera. 
Jaïigut. I. B. jagut (kin), VI, 164, XXI, 219. (Mal. hetz , 
Jav. jengot, B. jarigo, Bug. jank o). 
II. .langu tan, B. salin ankodin, XXV, 10? 
Jajar. 1. Majajar, B. masoroh (op een rij), IV, 70. 
B. maderek, XXV, 20. 

2. Ajajar, hetzelfde, XXV, 9 , 99 , XXVI, 22. 
Jaüjau. B. mëlid? XII, 45, V, 30, X, 70, XVII, 50, 

XVIII, 45, XXV, 98, driftig, hartochtelijk. 

B. mabalik (verkeerd), XXII, 42, slecht, dom, onbetrouw- 
baar ? 
Jata. S. haarvlecht, B. këtu! II, 68. 
Jatadhara. S. jatudhara (vlechten dragend, boeteling). 



184 jAtaYÜ JANAKAKaJAPUTRIKÖ,. 

1. Majat§,dhara, B. makëtu liale p! XI, 17. 

Jatayu. S. naam van den mvthischen gier, die tevergeefs tracht 

Sita aan Rawana te ontnemen, VI, 15, 18, 19, 20,23, 

24, 25, 26, 40 ,"65, 66, 67, 68, 71, VII , 88 , XVII , 33. 

Jada. S. koud, stijf, stomp, dom, onbezield, B. onvertaald, 

" VIII, 7, dom. 

B. danawa! VIII, 128. 
Jati. S. geboorte , rang , geslacht , aard , aanleg , B. t i n k a h 
(aard), I, 46, 49, VI, 188. 

B. patüt, VI, 187 (gebruik), X, 35. 

B. tuhu, II, 29 (geslacht), 41, aard. 

B. kanten, II, 30 (wezen), VII, 45. 

B. mimitan, VI, 81 (geslacht), 98. 

B. tuwi, XIII, 60 (aard). 

B. wyakti, VII, 46, 77, X, 12. 

B. ulah, X, 33, IX, 8 (aard). 

B. kawanun, IV, 55 (ware gedaante), VI, 177. 

B. kamimitan, VI, 78, oorsprong, IlI, 31. 

B. kawan^a, IV, 38 (geslacht). 

2. Pajatyan, B. tinkah (geaardheid), VI, 49, IX, 80. 
B. kanten an , V[, 184, aard. 

Jana. S. geslacht, mensch, B. jagat, XVII, 98, mensch. 
Janaka. S. naam van Si t a's vader, VIII, 175, II, 49, 58, 

61, V, 27. 48, XVII, 13. 
Janakatanaya. S, Janakatanaya, Janaka's dochter, B. 

san Sita, VI, 33. 
Jauakatmaja. S. hetzelfde, B. Sita, VI, O, 15, VLI, 50, 
VIII, 114, 116, 118, 127, 139, 180, XI, 39, 59, XXI, 
5, 40, 48. 
B. Janakaputri, XVII, 20, IV, 28. 

B. Janakasuta, XXIV, 137, 147, VII, 104, VIH, 98, 
140, 1.37, XI, 44. 
Janakaputri. S. hetzelfde, B. Janakatmaja, VIII, 211. 
Janakaraja. S, koning Janaka, B. Janaka natha, II, 56, 60. 
Ja nakar ajaputrl. S. de dochter van koning Janaka, B. Jana- 
kanathasuta , VII, 33. 
B. san Sita, VII, 42. 
Janakarajaputrika. S. koning Janaka's dochtertje, B. het- 
zelfde, VIII, 117. 
B. Janakanathasuta, VIII, 143. 



JANAKAlUtjASUTa JAPA. 185 

B. n r p a p u t r i J a n ak i , XXI ,75. - 

B. Jan ak at an ay a , XXI, 77. 
Jaiiakarajiisuta. S. koniug Jauaka's dochter, B. san Sita, 
II, 51, V, 40, 46, 47, 57, 60, 64, 68, 85, XVII, 
5, 63. 
Janakasut^. S. Janaka's dochter, B. hetzelfde, V, 45, 54, 
63, 79, VI, 27, 37, XI, 80, XXI, 62, XXIV, 188, 
X, 67. 
B. Jan ak apu tri, VII, 68. 
Janakl. S. hetzelfde, B. san Sita, IV, 1, VI, 28, 30, 31, 
32, 36, 50, 52, 53, 56, 67, 113, VII, 22, 96, VIII, 
83, 95, 96, 99, 113, 136, 178, XI, 5, XVII, 7 , 61 , 
65, 92, 134, XXI, 70, XXIV, 127, 186. 
Jaiiauur^ga. S. menschlievendheid , B. asih jagat (menschlie- 
vend), III, 71. 
B. trsnain, III, 76. 

B. jagate trsna, XIII, 50, menschlievendheid. 
B. jagate asih, XIII, 67. 
B. jagat asih, XIII, 68. 

2. Kaj anan u ragan , B. asih jagat (menschlievendheid), 
XXVI, 51. 
Janaiiuragadi. S. menschlievendheid enz., B. jagate asih 

lëwih! XXIV, 82. De B. vert. foutief. 
Jauapriya. S. geliefd bij de menschen, B. kasub riii loka, 

XXVI, 51. 
Jaiiarddana. S. bijnaam van W i s nu , B. K e 9 a w a , XXIV , 20 1 . 

B. Wisnu, XXIV, 240. 
Janma. S. jan man, geboorte, oorsprong, schepsel. 
B. maniisa, III, 82, mensch. 
B. dadi, I, 2 (geboorte), XXIV, 182. 
B. k a d a d e n , X , 54 , geboorte. 

B. pan dadi, III, 61 (geboorte), VI, 192, XI, 43. 
2. Maiijanma, B. numitis (als mensch geboren worden), 

1, 2 (Act. Dur.) 
B. mandadi, XXI, 30. 
Janiuaiitara. S. een ander leven, B. apan dadin! XXI, 12.), 

XXIV, 35. De B. vert. foutief. 
Jaiiiiiüttama. S. hooge geboorte, B. kadadin lë\vih,XV,37. 
Japa. S. geprevel, gebed. 

1. Majapa, B. onvertaald (prevelde gebeden), V, 67, X,62. 



1 86 japayS,ga — jaya. 

2. Ajapa, B. mamantra, YI, 50. 

B. majapa, XXIII, 28. 

B. majoga, X, 63, XVII, 39. 

B. mabrata, TV, 26, 
Japayaga. S. gebedoffer, preveloffer, B. onvertaald, XXI, 140. 
Japyahoiiia. S. gebeden en offers, B. mantra püja, XVII, 91. 
Jaman. B. anten! diadeem , IX , 43 , X , 71. 
Jamanilia. S, j a w a n i k a (gordijn) , B. hetzelfde , XX , 79 , 

XXVI, 29? 
Jamadagni. S. zoon van Jamadagni, B. RamaParagUjII, 
71, 74, XXI, 132, 

B. Rama Bharggawa, V, 24. 
Jamba. 1. Jambakën, B. kapantigan (geworpen worden 

met), XIX, 77. Abs. 
Jambal. B. dawa (langdradig), XVII, 50, of //verkeerd'/? 

B. panjan, XXII, 42, langdradig. 

B. awakru, XXV, 98. leugenachtig. 
Jambawan. S. naam van een aap, VII, 48, 49, 53, 82, 83, 
XI, 9, XVIII, 17, XIX, 40, XXIV, 144, 205, 243, 
XXVI, 24. 
Jambët. 1. Majambët, B. leglog (slaphangen) , XII, 41. 

B. nolet, XII, 44. 
Jambii. S. rozenappelboom (Ja mbo sa Rmph.), B. hambu, 

VIII, 10, XI, 3, XXIV, 105, XXV, 77. 
Jambumall. S. naam van een rak sas a, XIX, 9, XX, 24. 
Jaya. S. overwinning , overwinnend ,B, kalah! V, 17 , VIII , 1 30. 

B. maiialahaii, XX, 38, V, 88. 

B. molih, I, 41, XXI, 142, XIII, 49, 59, VIII, 120. 

B. mënan, XV, 59 (overwinning, XIII, 57. 

B. nasoran, VII, 103. 

B. halahah, V, 4, 24, X, 6, 14, 22. 

B. ingih (heil!), VIII, 188, XVIII, 8. 

2. Jaya, B. n al ah ah (zullen overwinnen), II, 31, XIX, 47. 
B. molih, XIII, 63, 81, XVII, 92, XI, 26. 

3. A-jaya, B. molih (had overwonnen), XX, 78. 

4. Ajaya, B. kamolihan, XXIV, 14, zou overwinnen. 

5. Jay a-j ay a, B. lë wih moli h (groote overwinning), XV , 44. 
B. molih halahah (groote overwinnaar), VIII, 157. 

6. Majay a-jaya, B. maüj ay a-jaya (roepen: zege, zege!), 
XXIII, 72. 



JAYa J^.HNAwi. 187 

JayA. S. overwinnende , II , 22 , naam van een tooverspreuk. 
Jayjliiti. S. overwinnende, II, 22, naam van een tooverspreuk. 
Jaya^'jitru. S. de vijanden overwinnende , B. n al ah an musuh, 

IX, 34. 
Jar. 1. Ajarajaran, B. made rek (in rijen), XI, 2. 
Jariji. Sund. hetz. B. onvertaald, vinger, lY , 31, XIX, 126. 
Jariiiüh. B. w a r n n a ! XX VI , 24 , zuiver , belder (Mal. j ë r n i h). 
Jala. I. S. water, B. tirtha, XVII, 43, XXV, 2. 

2. Jalakën , B. kapulan i n (worden beregend met), XIX, 107. 

II. S. jala, net. 

1. Manjala, B. mëücar (met een net visscben) , XXV, 100. 
Jalak. B. curik, soort van vogel (Martijntje), XI, 2. 

B. onvertaald, XXIV, Ui, XXV, 18. 
B. cod, XXIV, 113. 
Jalada. S. wolk, B. gulëm , VII, 32, IX , 1 1. 

B. a m b u d a , XVI , 31. 
Jaladawruda, S. wolkenmassa, B. gulëm mapupul, VII, 7. 
Jalarthi. S. oceaan, zee, B. sagara, VII, 50, 111, VIII, 
18, 55. 
B. pasih, Vlli, 4, 22, 47, 57, XV ,2 , 11, 25, 37, XVII, 
92, IX, 12, XI, 61, 64, 65, 69, 70, XXII, 29. 
Jalanidhi. S. hetzelfde, B. sagara, XV, 32, XIX, 98. 
Jalandliaka. S. vischkuit, B. toya (water), XXVI, 25. 
Jaloddhatagati. S. in 't hoogstaande water afdalen , naam van 
een versmaat (cf. Wrttasancaya, vers 60, Kedara , Wrttarat- 
nakara, 3, 70, Colebrooke , Miscell. Ess II, 158, Weber, 
Metrik, 379), B. toya tiiikahnya! XIX, 123. 
Jawa. S. yawa (gerst), B. onvertaald, XXV, 13 (gierst), 45. 
Jawat. I. Anjawat, B. mande mak (aanraken), XXIV, 101, 
Act. Dur. 

2. Manjawat, B. ma nam pi (aannemen), XXVI, 22, 
Act. Dur. Mal. jabat. 

Jawëh. B. war sa (regen), VIII, 172. Jav. jawuh. 

Jawil. 1. Manjawil, B. raarababol, XXIV, 250, aanstooten 

(Act. Dur.). 
Jaliit. 1. Anjahit, B. il aki tin, XXIV, 25, kwellen , teisteren 

(Act. Dur.). 
Jahe. B. ei pa kan, XXV, 45, gember (Mal. hetz.). 
Jahnawi. S. Jahnu's dochter, B. (yeh) Ganga, XXI, 138, 

XXIV, 214, de rivier de Ganges. 



188 JAHNl JITENDRIYA 

Jahni. S. hetzelfde, B. tirtha, XVI, 31. 

Jahli (jahëli). B. onvertaald , naam van een soort van gierst 
(Eleusine coracana), XXV, 13. 
jahëli, B. jali, XXV, 45. 
Jënat. 1. Jumënat, B. grëgëtan! IX, 23, stond overeind 

(Act. Aor.), V. e. staart. 
Jënok. 1. Anjënok, B. mandëlok, VIII, 104, uitzien , uit- 
kijken (Act. Dur.). 
Jënëk. B. suka (lekker), II, 3, VII, 111 (verheugd). 
B. katunkul (rustig), III, 39. 
B. nuhukin, III, 67 (houden), V, 28. 
B. d ë m ë n (behagen scheppen) , XXVI , 24 , V , 40 , XIV , 

29, VII, 37. 
B. pagëh (rustig), XXIV, 125, XI, 58. VII, 41, 45. 
2. Kajënëkan, B. nuhukan, XVI, 36, verheugd gestemd. 
B. suka, XVII, 117. 

B. matëkëhan, XXIV, 99, zich verlustigen. 
Jënu. B. wëdak (blanketsel) , XIX, 2, XX, 27, 79, VUI, 
154, XXIII, 67, XXVI, 25. 
B. baboreh, XII, 43, V, 28. 

2. Majënu. B. mawëdak (geblauket) , VIII . 37 , XVII , 113. 

3. Ajënu, B. maboreh, XII, 34. 
B. mawëdak, XXI, 206. 

4. Jënwa, B. wëdak, XXIV, 105, als blanketsel (in eene 
vergelijking). 

Jëmah. 1. Rin jëmah, B. numitis, XXI, 47, in de toe- 
komst, later. 

Jëmur. 1. Majëmur, B. awor (vermengd), XXI, 212. 
B. maduk, XXIII, 78, handgemeen. 
2. Ajëmür, hetzelfde, XXII, 52. 

Jërih (jrih). B. wëdi (bevreesd), XXI, 188, 214, 236 , XXIV, 
5, XIX, 109. 

Jöii. B. onvertaald, voet, XIX, 31. 

Jinjan. 1. anpanjinjan, B. hulejatah, XXIV, 103, dat 
wankelde. 

Jltasabha. S. overwinnende in de vergadering, B. w r u li rin 
te gal (krijgskundig), XXtll , 52. 

Jitendriya. S. wie zijne zinnelijke neigingen bedwingt, zichzelf 
beheerscht, B. pandita, VII, 10. 
B. tahën mamari indriya, XVII , 40. 



JiRin^ — JURU. 189 

B. t a li'n p a n c a w i s a y a , XXIV , 73. 
Jiriii. 1. A j i r i n i , B. njërinan, overeind doen staan, 

XXIV, 105. 
Jlrnua. S. gebrekkig, opgelost, verteerd, B. kudü, XXIV, 108. 
Jlvva. S. levensbeginsel, ziel, B. hnrip, VI, 3() , 44, IX, 7.3, 
XI, 19, XV, 45, XXI, 44. 

B. at ma, XX, 14, XIX, 49, XXI, 149. 

B. pramana, XXI, 4. 

B. makahurip, XXIV, 160. 
Jiwa-jiwa. S. een soort vogel, B. balibis (eend), IX, 56, XI, 

57, XXIV, 101, XXV, 11. 
Jlwamatra. S. alleen de ziel, B. at ma magatra, XXI, 74. 
Jiwita. S. leven, B. hidup, IV, 62. 

B. hidupaü, V, 88. 

B. hurip, VII, 83, XI, 24, XV, 9, XVII, 51, XX, 72, 

XXI, 17, 23, 46, 89, 126, 149, 158, 198. 
fhikiit. B. janan, XXVI, 25, groente. 

Juga. Mal. hetz. B. onvertaald, slechts, I, 42, XIV, 3. 
B. ika! (evenals), II, 9, III, 47. De B. vert. foutief. 
B. kewala (slechts), II, 38, VI, 9. 

B. wyakti (toch), III, 19, 21, V, 13, VI, 49, VII, 13. 
B. ra a s a w a n (evenals) , VII , 8 , IV , 70. 
B. beken (slechts), XXIV, 93, XXVI, 4, VI, 63, III, 

3, 7. 
B. ngi (toch), XVII, 77, V, 15. 
B upama (evenals), VIII, 105, V, 43. 
B. k e wan ten (slechts), V, 49, XVII, 100. 
B. tuwi (toch), V, 32, 42, 53, 62, XXIII, 26, XXIV, 

230, XVII, 55, VIII, 156, III, 43, VII, 16. 
B. satata, steeds maar, XVIII, 48, XIX, 23. 
B. sawaóan (evenals), VI, 124, VII, 6. 
B. saksat, XIX, 13, 69, 73, 107, 126, XXI, 5, 157, 

XXII, 4, 64, XXIV, 19, 24, XXV, 100, enz. 

Jlidi. 1. Pajudyan, B. tatajen, XXIV, 125, dobbelspel. 

(Mal. hetz.). 
Jimti. B. joged (danseres), XVII, 112, zangeres? 
Juraü. B. pankun (ravijn), III, 34, XIII, 65, XIX, 65, 74, 

VI, 33, VIII, 184, VII, 57, XIX, 62. 
Juran kali, B. padëm! ravijnen en rivieren, XXIV, 83. 
Juni. Mal. üay. hetz. B. prabëkël (hoofd), XXIIl, 17. 



190 JULAY ^tUDKA. 

2. Makajuru, B. makaprabëkël (tot hoofd strekken), 
Yll, 55. 

B. makapanamon, XXIV, 198. 
Julay. 1. Ajulay, B. liih, XXIV, 101, schreeuwen, roepen, 

krijten ? Vgl. j u 1 e. 
Julig. B. baribin, XXIII, 47, slim, geslepen, loos. 
Juluü. B. agama (godsdienst), XXVI, 50, ongelukskind. 
Julun-juluii. B. iiundul kasundul, zioh aansluiten, XV, 28. 
Jule. 1. Majule, B. manroba, XXV, 24, schreeuwen, 

krijten? 
Jon. 1. Ajon, B. akarëp, XXIV, 122, uitspannen. 
Joh. B. mamari, XXIV, 116, boud op! 
Juana. S. kennis, wetenschap, bewustzijn. 

B. kahjun, I, 9. 

B. hidëp, I, 42, XXII, 32, XXIV, 84, XI, 28. 

B. rinëgëp! XXII, 52. De B. vert. foutief. 
Jruk, B. masëm, XXVI, 25, citroen, limoen. (Mal. hetz.) 
Jwala (jwala). S. glans, licht, vlam, B. dilah, XXI, 208. 

jwala, B. teja (glans), XXII, 45, 80. 

B. dumilah, XXI, 226. 
Jwalana. S. vuur, B. Gëni, XXIV, 191, de Vuurgod. 
Jwalita. S. schitterend, flikkerend, B. manëndih, XXII, 87, 
XV, 34. 

B. damilah, VI, 54, X, 42, XXIII, 62. 

B. n end ih , XI, 65. 

B. murirak, XIV, 48. 



T. 



Tunka. 1. Katunka, B. 1 ë t u h (onrein) ? XXIV , 63 , afgunstig. 
B. iri hati (jaloersch) , V, 56. 
B. iri, XII, 52. Vgl. katunka. 



(laKiNÏ CJAIKJA. 191 



D. 



Bakiiii. S, naam van een raksasï, VIII, 5, 7. Jav. Tatakini 

(R. 157 en 160). 
Pau acaryya. Over clan vgl. men B. T. L. V. 1899, p. 107. 
B. as t as en i (priester), I, 5, 34, XXVI, 24, geestelijke 
leeraar. 
paiihan. 1. Madanhan, B, manga mpari an , gemakkelijk, 

XXV, 19. 
paüstra. S. daiiistra (slagtand), B. calin, XXII , 46, 75. 
Dan hyan. Vgl. B. T. L. V. 1899, p. 107. B. pandita (hoog- 
eerwaarde), 1,5, XXI, 205. 
B. ëmpu, I. 34. Jav. danyan, Mal. sidan. 
Pada. B. taiikah (borst), V, 18, VI, 163, XIV, 14, XIX, 
79, 121, 125, 129, XX, 26, VIII, 62, 121, XI, 11, 
IX, 24, 29, XXVI, 22, 23, 25. 
B. wijan, XXI, 118, XII, 35, XIX, 2, XX, 42. (Sund. 
hetz. , Mal. dada, Mig. tratra.) 
Padan. B. papangaü? XVII, 15, vischsoort? 
JDadaüau. B. haüëtiu, XXVI, 25, rooktoestel? (Bat. Bik. 

daran, Mak. Bul. raran, Tag. dan dan). 
Dadap. B. ranin, XVI, 24, schaduwboom. 
Padal. B. pedel (ingedrukt), XIX, 125, van de borst gezegd, 
B. pësok, XXI, 197, 219. 
^Padut. 1. Ad ad ut, B. dadu (rood), XXVI, 24, dik. 
Panda. S. dan da (stok), B. onvertaald, VIII, 35, XIX, 72, 
* XXVI , 23.' 
B. pamalu , IX, 25. 

B. palu-palu, XX, 13, XXI, 175, 223, XIX, 116, 
XXI, 236. 

2. Danda-danda, B. mamalu uekapalu (elkaar slaan), 
XVII, 87. 

3. Bumanda, B. man en da (straffen), XXIV, 54, Aor. Act. 

4. Mandanda, B. manigtig (sloegen), XIX, 71, 104. 
Dur. Act. 

5. Mandanda, B. in a m al u (zou geslagen hebben) , XXI, 174, 

6. JJinanda, B. kadanda (geslagen worden), XIX, 125. 
B. kapal u , XX, 14. 

B. pinalu, XXI, 183, 188, 235. Pass. üur. 



192 (JAudAKA — dëPA (dëpa). 

7. Madanda-dand an , B. ngitik kagitik (elkaar slaan), 
XXI, 239. 

8. Andand a, B. mamalu, XXII, 50, Act. Dur. (Vgl. 
dënda en dënda.). 

Daiidaka S. Dandaka, naam van een woud, IV, 3, 27, V, 

'e, VIII, 184*, XXIV, 209, 21 r, XXV, 4. 
Daten. Mal. datan. B. rawuli (komen), II, 60, III, 42, V, 
87, VII, 39. 
B. tëka, VI, 132, IV, 71. 

B. prapta, XI, 16, XXIV, 139, VIII, 22, 178, IX, 89, 
XVI, 8, II, 62, III, 1, 15, 18, 25, 40, VI, 155, 
XIII, 1. 
Datu. 1. Kadatwan, B. pura (residentie), I, 11, III, 25, 
VI, 197. 
B. umah, VI, 160, III, 19. 
B. jëro, XVII, 60, XXIII, 35. 
B. puri, II, 50, VII, 104. 
B. nagara, III, 47, IV, 1, XIX, 50. 

B. de^a, XIX, 19, 61, XIII, 25, XI, 3, 4, XXIV, 124, 
III, 49, VI, 1, VIII, 70, 80, 193, XXI, 248, XXVI, 
28, XVIII, 40. 
2. Kadatwana, B. Iwir puri (als de residentie), XVI, 13. 
Dam. 1. Madam, B. mënkël, XI , 55 , onrijp. 

B. matah (onrijp), IX, 54, XVI, 14, XXV, 77. 
Dawa. 1. Kadawa, B. kadahatan, XV, 25, getroffen. 
Dasar. B. sor (bodem), XXI. 3. 

Dasih. 1. Kadasih, B. mapasah (gescheiden)! XXIV, 203, 
geliefd, geëerd? 
B. s i n i w i (geëerd) , V , 48. 
B. kawëlasin (betreurd), XIX, 28. 
2. Adasih, B. kasjasih (geliefd), IV, 20. 
Dasdas. 1. Adasdas, B. nintip maca dan, gluren, XXV, 65. 
■^Daharjja. B. halëp, welvarend, XXV, 34. 
Dëdët. B. ëmpët, XIX, 50, volgepropt. 

Dëpa (dëpa). I. B. onvertaald (vadem), XV, 61, XIX, 18, 
82, XXI, 193. 
2. pumëpa, B. nasoran! omvatten, XI, 53, Aor. Act. Conj. 

Day. dëpa, Tag. dipa. Bis. dupa, Bul. rëpa. 
II. 1. Adëpa, B. nalepat, XXIV, 117, voorover. Vgl. Jav. 
r ë p a , Tag. d a p a. 



dëMPCL — dEncJEiu 193 

T)ëinit. B. alit, XIII, 36, verborgeoheid. 

1. Maciëmit, B. alit (klein), VIII, 102 (verborgen) , XI , 75. 
B. rarapin (dun), XII, 41, IV, 31. 

2. Adëmit, B. alit (klein), XV, 23, XIX, 86, XXI, 137. 
Dein pel. 1. M adem pel, B. maraüce (in trossen), IX, 54, 

dicht aan elkander. 
2. Adëmpel, B. nëd, XXV, 77. 
*l)ëli. B. ih! ach! foei! XXIII, 79. 
B. dahak, XXIV, 117. z. döh. 
*pöh. B. bwat, XXIV, 121, hetz. 
B. kadahatan, IX, 57. Vgl. dëh. 
Diri. in silih diri. B. onvertaald, XVII, 90, plaatsvervanger. 
Piwas. 1. Kadiwas, B. dadi capuh! XV, 25 , zekere zeevisch. 
B. SU wat, XI, 67. Mal. hetz., Jav. diwas (Jav. R. 292), 
Mak. Bug. manriwasaq? 
Uü. B. ingih! ach, VIII, 176. 
B. hih! XI, 34, XXIV, 166. 
B. dahat, XIX, 21, XVII, 108. 
B. wëtu! XVII, 73. 
I)uk. 1. Panduk, B. map a gut (stoot), V, 49, 59; vgl. duk 

en du d uk II. 
Duduk. I. B. suteja, schitterend? XXVI, 29. 

II. 1. xinduduk, B. maüuman, VIII, 6 (Act. Dur.), steken. 
2. Dinuduk, B. katusuk (gestoken worden), XIX. 125 

Pass. Dur. Vgl. duk. 

III. Mal. hetz. B. hens ut, XXIV, 117, zitten. (Vgl. duk 
(dük). 

püry yau. B. duren, een soort van vrucht (d u r i o z i b e t h i n u s 
L.), VIII, 10, XXIV, 98 (Mal. durijan, Jav. duren, 
Uay. dahian. Lamp. darian). 
Duhak. B. huwuk, VIII, 21, afgescheurd. 
B. si bak, XIX, 125, verscheurd. 
^Dendeü. 1. Padenden, B. papa gut (aanval), XXVI, 7, het 
geluid van de padahi (z. d.). 



dS 



1 94 T — Ta. 



T. 



T. B. onvertaald, voor een Imper. b. v. t ad eg (sta!), XVII, 

90, t inët-inët, XVII, 75, let op! 
t ulih (keer terug), XVIII, 48, III, 13 , XIX, 26 , XXI, 66. 
t ujar (worde gesproken), XVIII, 51, 
t hëmban (verzorg), XIX, 28. 
t w a w a (breng) , XIX , 35. 

t haruhara (dat gij opschudding veroorzaakt), XV, 3. 
t pada, Xin, 77, dat gij beiden. 
B. cahi (gij) in: t ananti (wacht), XIX, 35. 
Vgl. h en g. 
Ta. I. B. ika, l, 7 (toch), 30 (en), 56 (daarop). 
B. i d a ! vervolgens , 1 , 58 , II , 64. 
B. onvertaald (nu. Lat. autem), I, 2, 3 (en) 14, (nu), 15 

(en), 37, 59, II, 33, 43, 45 (ook), III, 36 (nu), 78 

(toch), VIII, 118 (toch), VI, 42, IV, 52 (nu), XVII, 113. 
B. sira (toch), VI, 38. 
B. to, IV, 7, III, 81, V, 35, VIII, 153. 
B. ya (toen), II, 24, IV, 33. 
B. ikan, II, 54, enz. 

IL Pron. suff. 2« pers. B. cahi (uw), II, 47, III, 71. 
B. idewa, IV, 11, V, 4. 
B. dewa, V, 7. 
B. onvertaald, V, 12, III, 54. 
B. idawane, VI, 44, 154, XIII, 20, 21. 
B. kamun, III, 28, 29, door u. 
B. bëline, III, 51 (uw), VIII, 121, 146. 
B. cabine, III , 55 , 56 , door u. 
B. ibane, IV, 56 (uw), VI, 183. 
B. iba, VI, 175, 181, 183, VIII, 132, XVII, 59, XVIII, 

25, XXIV, 155, enz. 
Ta. niet, B. onvertaald, II, 57, VIII, 147. 
B. ya! II, 72, XVIII, 15. 
B. nora, III, 34, 43, XI, 5, XIV, 22, 32 , XX, 56, XXI, 

34, 211 , V, 69, XIX, 26. 
B. tanpa, XVn, 81, XIX, 21. 
B. tan, XX, 58. 
B. sampunan, XVII, 77. 



TAK TAK UT. 195 

B. twara, XX, 24. 

B. iiorana, XXI, 84. 

B. hiwan, XXI, 109. 
Tak. B. norana (ik niet), V, 50. 

B. nora, V, 58, XVII, 36. 

B. taiipa, XIX, 24. 

B. tau, XXlIl, 79, IV, 62. 

B. hëda, XXVI, 25. 
Tak.iri, immers, XXVI, 25. 

Takarin. B. i don-i don, immers, IV, 68. De li. vertalingen 
deugen niet. 

B. nu bli! V, 17. 

B. tan mari! VI, 9. 

B. jen polih! VI, 62. 

B. twara sakiii! VIII, 131. 

B. nora ipun, is het niet? XVII, 7. 

B. yenun! XVII, 57, immers. 

B. sin ke! XIX, 91. 

B. nora len! XXIII, 46. 

B. nora sakiü! XXIV, 169. Vgl. takari, takarih, kari 
en karih. 
Takarih (takarih). B. olih in, wezenlijk, toch, IX, 86. 

B. yan keto, X, 49. De B. vert. foutief. 

B. tan hiwan! XXI, 159. 

takarih, B. twah sakin! XIV, 53, immers niet. 
Takëlëkai). B. tagël sikune, XXIII, 51 , den elleboog buigen. 

(Jav. R. , p. 456 cacan k lakan.) 
Takih. 1. Takihtakihau, B. matankih-tankihau (drie- 
hoekig gevouwen klapperblad als bakje , schoteltje) , XXVI , 25. 
Takut. Mal. hetz., Malag. tahutra. B. jërih (vrees), V, 32. 

B. kajërihin (bevreesdheid), V, 78. 

B. mawëdi, XXIV, 22, 155, vrees, VI, 23. 

B. wëdi, V, 54, VI, 146, 157, X, 39. 

2. Katakut, B. wëdi (gevreesd), IV, 4. 
B. kajërihin, V, 9, 89. 

B, krura, II, 27. 

B. nasoran, I, 16. 

B. mawëdi, XIV, 29. Aor. Pass. 

3. Matakut, B. mawëdi (bevreesd), IV, 37, 63, VII, 56, 
X, 5, V, 22, VIII, 94. 



196 TAKUUAn TAKWAÏJ. 

B. jërih, V, 19, bang, 29, 51. 
B. wëdi, XI, 84, n, 35. 
B. amëdi. II, 25, enz. 

4. Atakut, B. jërih, XI, 1. 
B. wëdi, V, 11, VII, 86. 

B. mawëdi (bevreesd), VII, 66, IV, 5, VIII , 26. 
B. rësrës, XVIII, 28, enz. 

5. Katatakut, B. karësrës (geducht), III, 60, VIII, 6, 
XV, 40. 

B. kagagawok (verbazend), XXU, 66, XIV, 43. 

B. dëdët, XVIII, 36. 

B. kabhinawa (geducht), VII, 63. 

B. hahen, XIII, 17. 

6. Kinatakutan, B. krura (gevreesd worden), III, 65. 
B. kinajrihan, XIV, 30. Pass. Dur. 

7. Takutakutën, B. rësrësan (angstig), V, 26. 

8. Matakuta, B. mawëdi (zou vreezen), XVIII, 48. 

9. Katatakuta, B. karësrës (geducht), XX, 2. Conj. 
na dumeh. 

10. Katakuta, B. krura (gevreesd), I, 47, Conj. 

11. Katakutana, B. kakukuhin (zou gevreesd worden), 
XXI, 168. 

12. Um atakut, B. ne wëdinin, XXVI, 25. A.or. Act. 
Takuraii. 1. Satakuran, B. nora kiran! XIX, 82, zoo 

groot als een takuran (el). 

2. Takurana, B. nora kirana! XVII, 87, el. 

3. Patakuranan, B. bahu (arm) XII, 53, elleboog. 
B. sor in madhya, XVI, 33. 

B. sa sor in madhya (middel?), XIX, 29. 
Takul. 1. Katakulan, B. kaglantinin, XXV, 58, omhan- 
gen door. 
Takoli. B. n a 1 a p , VIII , 89 , middel om te verkrijgen. Stam u 1 i ? 
Takolya. B. i bëlog, dom, XXIV, 177. 
Takwan. Jav. takon, B. patana (vraag), VI, 82. 

2. Matakwan, B. nakenan (vroegen), III, 26. 
B. matakon, VI, 35 (vroeg), 140. 

B. man aken ah, XIII, 41. 

3. Takwana, B. takenin, VI, 38, Fut. Pass. (zal gevraagd 
worden), 

B. tak en ah, VI, 44. 



TAKSAKA TATlAN. 197 

4. A tak wan, B. nakonin (vroeg), VI, 80. 

5. Tinakwanakëu, B. katakonafi (werd gevraagd naar), 
VI, 79, Pass. Dur. 

6. Tak wan i, B. takonin, VII, öl , worde ondervraagd 
(Imp. Pass.). 

7. Tumakwani, B. ma tak on (vroeg aan), VII, 67, Aor. 
Act. Trans. 

9. Tu mak wan ak ë n , B. nakenan (vragen naar), VII, 69. 
Aor. Act. 

10. Takwatakwana, B. takeu-takenan, VIII, 147, 
worde voortdurend gevraagd. 

11. an patakwan, B. nakeni, XVIII, (3, terwijl (hij) vroeg 
(met nadruk op het voorgaande). 

12. Tinakwanan, B. kaujaran, XXIV, 221, ondervraagd 
worden. Pass. Dur. 

13. Tinakwan, B. katakon, XXIV, 237, gevraagd worden. 
Taksaka. S. naam van een slangenvorst , XXII, 70,XXin,42, 
Tag. B. tan (ik niet), XI, 30. 

B. twara, XXIV, 211. 

B. nora, XI, 30, XXII, 19, III, 12. enz. voor woorden, 
die met een ir of / beginnen. 
Tagili. 1. Panagih, B. watëk, XIX, 59, herinnering. 
Tan. I. het bepalend lidwoord, B. ika, I, 61 , IV, 26. 

B. ikan, II, 1 , 4, 24. 

B. rin, II, 46. 

B. onvertaald, VI, 62, VIII, 63, XXI, 182. 

B. — e, VIII, 11. 

B. sa kin, VI, 160, enz. Vgl. an en li. 

II. Bal. onvertaald, vaatje (Chin. than), XXII, 11. Jav. Mal. 
ta hall. 
Tan^. 1. Tan a -tan a, B. elin-elinan, denken aan, V, 19. 

B. tarkka-tarkka, XXIV, 255, te beschouwen als. 

B. tatasan, V, 82, duidelijk opletten. 

B. lihatin, VIII, 137, opletten. 
Tanaii. Mal. Bat. Day. hetz. Malag. tanana, Mad, tanan. 
B. lima (hand), VIII, 137, XII, 25, IV, 5, VI, 77. 

B. hasta, XVII, 84, XIX, 81, XXI, 221, XV, 63, XVI, 
40, V, 43. 

B. bahu, XIX, 55. 

B. onvertaald , XXI , 182 , IV , 72 , XIII , 35 , X , 43 , XIX , 72. 



198 TAÓIS — TAÓKIL. 

2. Tiiianan, B. kadisi, XIX, 75, met de hand geslagen worden. 

3. M an ananana n , B. mapulisahan , XIX, 124. 

4. Ma nan-mananan, B. tëptëp (afgehouwen) m ba lig o, 
IV, 72. 

Tanis. B. onvertaald (geween), V, 45, YI, 15, 129. 
B. panëlin, V, 53, II, 6, VII, 9. 
B. el in, XIX, 29. 
B. pananis, VII. 31. 

2. Mananis, B. nanis (weende), V, 46, III, 17, VI, 116. 
B. manëlin, III, 44, V, 3, VI, 45, 60, 71, 74, IV , 52. 
B. ëlin, V, 48. 

B. onvertaald, XXI, 48, XXIV, 186. Act. Dur. 

3. Ananis, B. mananis (weenden), III, 24 , 26 , VIII , 144. 
B. anëlin, IV, 58, VI, 6. 

B. manëlin, VIÏ, 31, VIII, 103. 

B. nëlin, VII, 51, XI, 2, 44, XXIII, 48, IX, 57. 

B. nanis, V, 48, XX, 60, XXIV, 170, enz. 

4. Ar panaüis, B. nanis (weenende), V, 47. 
Pananis, B. panëlin (geween), VIII, 179. 

5. Tanisana, B. nora kari! (moet beweend worden), 
VL 38. (Juss. Pass.). 

6. Tanisi, B. panëlihin (worde beweend), VIII, 171. 
(Imp. Pass.) 

7. Tinanisan, B. kapanëlinan (beweend), XIX, 28, Pass. 
Dur. (Mal. Form. Tag. Bis. Day. Sund. hetz. Mad. tan es, 
Malag. tauy). 

Tane (tanai). B. j a m b a t (breed) ? XXIV ,161. 

B. banunin, XXV, 50, breed? 
Taneh. 1. Tane ha, B. panjan (liet zou verre zijn), XXI, 42. 

Vgl. tanneh en tanneh. 
Tankëp. 1. Matankëp, B. matëmu, XIX, 124, raakten 

slaags. (Mal. bërtankap). 
Taiikil. I. B. kalot, naam van een klimgewas (Gnetum 
Gnemon), XXII, 69. 
II. Mal. hetz. 1. Manankil, B. umëdëk (verschijnen voor 

een vorst), XII, 48. 
B. mamëdëk, XII, 54, 55, Act. Dur. 

2. Anankil, hetzelfde, XII, 57, Act. Dur. 

3. Manankila, B. nankil, XIII, 5. Conj. na umeh. 
B. m a s e w a , XIII , 1 5. 



TAriKULAK^ TATKiUH. 199 

Tankulak. B. patalanan (pijlkoker), XX, 44, XXIV, 247. 
Tankwak. B. krek wak (zekere watervogel), XXIV, 109. Of: 

tan (de) kwak, z. d. 
Tanga. B. Iwir (als) XXV, 99? 
Tangap. B. n a m p i (nam) , II , 74. Al)s. 

'2. Tinan_gap, B. tinampi (werd geiioineii) , Viil, 208, 

XXVI, 22. 
B. katampi (aangenomen), XVII, 60, Pass. J)ur. 

3. Manangap, B. ma nam pi, XXV, 78. x\ct. Uur. 
B. madaya, XXVI, 25. 

4. Auangap, B. nangapiu, XXV, 81, Act. Dur. 

5. Katangapa, B. katam})i (aangenomen), IV, 49, Pass. 
Aor. Conj. 

Tangaiiia. 1. Katangama, B manrërënani, XXVI, 18, 
XXIII, 30, aangenomen. Aor. Pas. 

Tangël. 1. Tu mangel, B. nalanin, verhinderen. (Act. Aor.), 
XXII, 50. 

Tango. 1 . T u m a n g ö , B. m a t a ii c ë b (insteken) , IX , 79 , 80 , 
XI, 10, XXI, 220, Aor. Act. 

Taügiil. Sund. Mad. hetz. "dijk, dam//, Tag. tangal, bescher- 
men , begunstigen. B. katunkas (afgeweerd) , XXI , 216 , Abs. 
2. M a n a n g u 1 , B. m a n u n k a s , XXII , 77 , afweren , Act. Üur. 

Tangulun , B. onvertaald, naam van een vrucht (protium 
Javanicum Burra.), XVI, 45, Jav. trëngulun. 

Tangiih. B. panajah (vermaning), XIII, 97, of //afrading'/. 
B. pamunfl, VI, 64, XVIII, 22. 

2. Matanguh, B. sa m bad a (afraden) , V , 22 , 29 , XXIV, 43. 
B. manajahin, XXII, 24. 

3. Matanguha, B. mamunü, V, 37, af te raden. (Conj. 
na d on.) 

4. Katanguhan B. kaglemekan (afgeraden), III, 30. 
Aor. Pass. 

B. kapuni\, VII, 33. 

5. Tumanguh, B. majaliin (ried at), VII, 106, Aor. Act. 

6. Atanguha, B. sambada (afraad), V, 37. Conj. na 
d u m e h . 

B. marauhuhafi (af te raden), XIII, 39, Conj. na don. 

7. Tumanguhana, B. araangihiu! afraden, VIII, 97, 
Conj. Aor. Act. 

B. manlemekan, XVIII, 34. 



200 TAQGVVAN TAÓHI. 

8. Tanguha, B. panajab (aan te mauen) , XIII, 9, Cooj. 
na yogya. 

9. Tanguhi, B. glemekin (worde afgeraden), VIII, 206, 
Imper. Pass. Trans. 

B. najahin, XIII, 8, worde vermaand. 
B. punü , XIII, 13, 

10. Tinanguhan.B. kapuüü (hem werd afgeraden), XVIII, 24. 

11. Tar patanguh, B. najahin (dat vermaande), XIV, 1. 

12. Tanguhana, B. punü (worde afgeraden), III, 13, 
Juss. Pass. 

13. Ananguhi, B. anlemek (afradende), XVIII, 44. Act, 
Dur. Trans. 

B. najahin (maant aan) , XXII , 42. 

14. Atanguh, B. mafiajahin (vermanende), XXII, 22, 
XVI, 64. 

15. tan patanguha, B. nora patüt pahlemek (niet af 
te raden), XXII, 41. 

16. Tanguh-tanguh, B. panlemek (herhaalde aanmaning) , 
XXII, 42. 

17. Mananguhi, B. mamunühan (afradende), XXIII, 1. 
Act. Dur. 

B. ngalemekin, XXIII, 50. 

B. manajahin (vermanen), XXV, 55. 

B. najahin, XIII, 96. 

B. manlemek, XIII, 96. 

18. Tatanpatangwa, B. norana plapan (aan te manen), 
II, 41, voor tanguha. 

Tangwan. B. hrü (pijl), XI, 10, 11. 
B, warayan, VI, 166, XIX, 82. 
2. Tatangwan, B. isu, II, 74. 
Taiineh. B. panjan, XXIV, 120, het is er ver van af, vgl. 

tan eh en tann eh. 
Tantan. B. nantanin (uitdagende), VI, 171. Part. Praes. Act. 
2. Manantan, B. tantanin (uitdagend) , XXV , 19. Act. Dur. 
■^Tanlaha. B. luput, los, XXVI, 24? 
Tanhi. 1. n patanhya, B. matanhi (dat zal wakker zijn), 
VIII, 79. 

2. Atanhi, B. tanhi, XII, 4, ontwaken. 

3. Ok atanhi voor yak atanhi, als ik ontwaak, B. sm a lih ! 
VII, 30. 



TAJCM (tAJÖm) TA(]aH. 201 

4. Matanhya, B. matanbi, XII, 29, Conj. na rlumeh. 

5. Matanhi, ontwaken, B. margga! XXII, 8 , XI , 89. 
B. manen cl usiu, XXIV, 238. 

6. Atanhja, B. matanhi, XXVI, 34. Conj. na makon. 
Tajëm (tajöni). Mal. tajam, Bug. tarëii, üay. tajim. Bat. 

tajom. Mak. taran, Bul. tarëra, Pamp. taram, Tag. 
taliDQ, Bik. taróm. Bis. tal o ra. B. tajëp (scherp), 
VI, 122, VIII, 157, XII, 36, XIX, 84. 
B. tawos, XXV, 99. 
Taji. Mal. Day. hetz. , Tag. tari. Bis. tadi, B. onvertaald 
(kunsthanespoor , VI, 122, XII, 38, VIII, 157. 
B. gaiijira, XIX, 84. 
B. warayan (pijl)! XX, 43, XXI, 221. 
B. isu! XXIII,' 43. 
Tajug. Tag. taryók (pluim). l.Pakatajug, B makatajug, 

XXV, 85, hoofdring. 
Tafia. Mal. hetz.Bis. kotana, Bug. utana, Mak. kutanan. 
1. Tinaiian, B takeuiu (gevraagd worden), XIV, 26. 
Pass. Dur. 
Tanjak. 1. Tumaüjak, B. mamahjak, sprong, XXIV, 111 

(Aor. Act.). 
Tanjun. B. onvertaald, naam van een bloem (Mirausops 
elengi), IX, 44, XI, 3, XVII, 119. 
B. bakula, XVI, 23, XXIV, 99. Mal. hetz. 
Tataka. S. naam van een raksasa, II, 26, V, 31, X, 23,31. 
Tataka. S. meer, vijver, B. hano nëpil, XV, 54, 
Tatakakya. Jav. R. 16 Tatakahya. S. Tatakakhya, ge- 
naamd Tataka, B. Tataka punika, II, 23, 24, 27. 
De B. vertaling verkeerd. 
Tatakakya, B. Tataka ipun, V, 25. De B. vert. foutief. 
Tadah. B. dab ar (eten), XXVI, 24. 

2. Tin a dab, B. hetzelfde (opgegeten worden), VI, 109, 
Pass. Dur. 

3, A nadab, B. betzelfde (eten). Act. Dur., VIII, Gö. 

4. yar pan a dab, B. amanan, XXVI, 25, eten. 

5. Tumadaba, B. manunasan, IX, 3, om te ontvangen 
(Aor. Act. Conj.). Vgl. de Mal. beteekenis. 

6, Manadab, B. m an un as , XVI, 35, ontvangen (Act. Dur.). 

7, Tadabën, B. katunasan (te ontvangen), XVIII , 9, 
Gerund, 



202 TAndA— TATAN. 

B. tunas, XVIII, 40. 

8. Tumada haken, B. tatakin, XXV, 78, Aor. Act. (out- 
vingen). 
Tanda. I. B. ketu (banier), XXI, 210. 

2. Ta n da-t and a, B. tungul, vaandels, XXI, 209. 
B. ciri tungul, XXV, 101. 

II. B. si ra patih (minister?) XXVI, 22, Jav. marktmeester. 
Tandan. 1. Matandaüan, B. umara (vooruitgaan), XXI , 242. 
B. m a t a n k i s a n (elkaar afweren) , XXIV , 1 9. 
B. tatankisan, XXIV, 24. 
2. Atandanan, B. tankis, XXIV, 23. 
Tandem. 1. Turaandëm, B. tumandaii, IX, 14, vielen aan? 

(Aor. Act.) 
Tandin. Mal. tandin. 1. Tandinan, B. mamagutan (zich 
te meten), XXI, 242. 
B. mapagut, XXIV, 19, zich met elkaar meten. 
Tat. B. nora (gij niet), IV, 64, XXI, 49, 61, XXII, 38. 
B. hëda, XIV, 2. 
B. tan, XVII, 20, 46, XXI, 88, 100, IV, 76, XXV, 21, 

VIII, 147, XI, 29, 32. 
B. twara, VI, 43, X, 55, XXIV, 34, 41, XVIII, 47,48, 
XVII, 34, 50, enz. Vgl. tak, tatat, tag en tatan. 
Tata. B. dab dab (geregeld), XXVI, 23. 
B. matata, XXVI, 24. 

2. Atata, B. raagëlar, IX, 56, in geregelde volgorde. 

3. Atata-tata, B. n eteh-ne teha h , XXIV, 110, ieder op 
zijn plaats. 

4. Tumata, B. netehan (duidelijk), XXV, 31. 

5. Tinata, B. dabdaban, XXV, 38, in geregelde orde 
geplaatst. 

B. kadabdab, XVI, 2. Pass. Dur. 

6. Matata, B. majajar (op een rij), XXV, 88, VIII, 53. 
B. makanda, VIII, 56, XIX, 66. 

B. maderek, VI, 199. 
B. madabdab, XXIV, 253. 
Tatat. versterkte vorm van tat. B. nora na (gij geenszins), 

VI, 200. 
Tatan. versterkte vorm van tan. B. nora (niet), III, 17, VII, 
78, 87, 100, IX, 61, VI, 166, 168. 
B. nora na, XVI, 13, XXIV, 47, XIII, 42, XXII, 52. 



TaTAN — TA'riiaPi. 203 

B. twara, XIII, 91, VI, 48. 
B. tan, IX, 4, XIII, 95. 
ïataii, hetzelfde, doch vetatief, 
B. ton, XIV, 4. 

B. hëda, VI, 57, III, 73, Vil, 51. 
B. noran a, XX , 12. 
*ïatanpa (tsitaupa). B. n o ra na (zonder), I, 62. 
B. twara, VI, 10, VII, 99. 
B. hëda, VI, 57, 60. 

B. tan ana, XIX, 52, 62. Versterkte vornj van tan pa. 
Tatar (tatar). eerbiediger vorm van tatan (tatan). B. nora 
(niet), II, 60, III, 13. 
B. üorana, VIII, 81 , V, 54. 
B. ndatan, III, 27, VI, 148. 
B. twara, VI, 197. 
tatar, B. hëda, XIII, 61. 

B. tanpa, XIII, 97, XXI, 183, 228 (tatar) , XXII, 72 , enz. 
Tatarpa. B. twara (zonder eenige) , VI, 46. Versterkte vorm 

van t a r p a. 
Tatal. 1. Tatal-tatallan , B. tëbih-tëbih an , XV, 61, 

brok , stuk , Mal. Tag. hetz. 
Tatas. I. B. tastas (doorgesneden), XI, 1 , XXI, 154, XIII, 45. 

IL 1. Tumatas, B. wëruh, XXIV, 154, duidelijk. 
Taliii. B. ngalantin, XXIV, 119, los aan iets neerhangen. 

2. Tatinan, B. tintinan, XXVI, 25? 
Tatkala. S. deze tijd, toen, B. ri sëdëk (toen), II, 6,20,29, 
33, 54, 61, VI, 65, 130, 150, VII, 48, IX, 46,85,91, 
XI, 9. Mal. hetz. 
Tatwa. S. tattwa, het ware wezen, waarheid, B. katuturan, 
I, 41, XXI, 152 (wezen). 
B. onvertaald, XXVI, 32. 
B. tuturan, XXII, 27. 

2. Atatwa, B. tutur (verhalen), XXV, 18. 
■^Tatwajüa. S. tattwajna, het ware wezen kennend. 
1 . A t a t w a j n a , B. u n i n r i n a j n a , III , 83 . 
Tathapi. S. maar, doch, evenwel. Mal. tëtapi, B. ])rade, 
VI, 69, XIII, 70, 88, 91. 
B. parade, VI, 188, XVI, 5, XIX, 46, XXI, 19, 45, 

50, XXIV, 47, 178. 
B. p rad ene, XIX, 58, 59, XXIV, 174. 



204 TAD TANORA. 

Tad. B. twara (gij niet), XXVI, 25. 
B. hëda, XVII, 67, XXIV, 197. 

B. tan, IV, 59, XXI, 39 (vorra dien tat aanneemt voor 
woorden die met een w of k beginnen) Vgl. tat, tan, 
tak en tar. 
Tan. B. nora (niet), I, 16, 42, 53, II, 37. 

B. norana, I, 18, II, 19, 39, 45, 50, V, 10. 
B. onvertaald, II, 63, V, 35, VIII, 146, 147, 148. 
B. hëda, III, 58, 64. 

B. twara, XIV, 43, IV, 53, VI, 42 , XXIII, 78, XXVI, 2. 
B. tanpa, IV, 44, VIII, 157, XXI, 17, 148, 206, XI, 92. 
B. sin, IX, 86, 93. 

B. sampun, III, 13, enz. (Vgl. tad, tak, tag en tat). 
*Tanaga. 1. Atanaga, B. ton nak, XXV, 111, onwillig, 
koppig. 
Tanaya. S. zoon , B. w ë k a , XXVI , 9. 

Tanëk. Mal. Daj. Tag. tanak, Mak. Bug. tanaq. Lamp. 
tanoq, Malag. tonaka. 1. Tinanëk, B. alablab, XV, 
25, goed gaar gekookt worden (Pass. Dur.). 
2. Mananëk, B. malëbënan (goed gaar koken), XXVI, 

25, Act. Dur. 
B. manlëbënan, XXVI, 25. 
Tanëm. Bul. hetz. , Mak. tanan, Mal. Day. tanam, Mad, 
tamën, Tag. tanim. Bis. Bat. tanom. 1. Tinanëm, 
B. tinandur (geplant worden), II, 28, Pass. Dur. 

2. Tanëman, B. pamulahan (aanplanting), X, 2. 
B. tatanduran, X, 7. 

3. Tumanëm, B. matancëb, XXIII, 7, bleef steken 
(Aor. Act.). 

4. Tinanëm-tanëman , B. katandur-tandur, XXV, 8, 
Dur. Pass. Intens. 

5. Tanëm-tanëm au, B. satatanduran, XXV, 38, aan- 
plantingen. 

Tanëh. 1. Katanëhan, B. kar aha tan (gewond), VI, 190. 
Tani. 1. Patani, B. bale (huis), III, 70. 
Tauu. 1. Tauwan, B. juwanin, XXVI, 22, hetgeen gevuld is. 
Tauumadhya. S. dun van middel, B. ma wak h aj en, VII, 71. 

Naam van een versmaat (Vgl. Wr ttasancaya). 
Tanora. B. nora (er niet zijn), V , 73 , VIII, 155. 
B. norana, XXIV, 33, 38, 41. 



TANOLI TAPA. 205 

*Tanoli. B. tan raari (onophoudelijk) ! XVI [1 , 46 , onvermijdelijk. 
Vgl. ui in. 
Taniieh. 13. norana (het is er ver van af), VII, 45. Vgl. 

taneh en tanneh. 
Tantra. S. tooverformulier, B. katuturan, XXIII, 24. 
Tandan. Mal. hetz. B. tihkah (houding), IX, 50. 
B. mansö (vooruitgaan), XXI, 216. 

2. Tumandan, B. mara (ging naar voren) , VII , 90 , II , 
36, IV, 6. 

B. u mansö (gingen vooruit), IX, 26. 

B. nandiüin, IX, 48, stelde zich in beweging. 

B. umara, TX, 70 (traden vooruit). 

B. mansö, VI, 171. Aor. Act. 

3. Tandani, B. kat i ban in (viel aan), VI, 26. 
B katankisin, VI, 66, gaande naar. Absol. 

4. Tinandanan, B. pagut, XXIII, 12, aangevallen wor- 
den. Pass. Dur. 

Taiipa. B. onvertaald, zonder, I, 16, XIII, 93. 

B. nora, I, 37, VII, 19, IX, 66, II, 43, III, 23. 

B. twara, XXIV, 112, VIII, 141. 

B. tan, I, 49, XXI, 52, XXIII, 84. 

B. tani, 11, 19, XVIII, 25. 

B. tan ana, XXI, 34, enz. Vgl. tatanpa. 
Tap (tap). 1. Matap, B. majajar (op een rij), VIII, 25. 

B. atap (in menigte), V, 10. 

B. titip, VI, 115, XXV, 82. 

3. Atap, B. madëpit (opgestapeld), V, 82, XIX, 123. 
B. matumpuk, XI, 8, XXI, 193. 

B. tëbël, IX, 30. 

4. Tumap, B. atrap (waren op een rij), VIII, 47. 

5. Mat a p-a tap, B. manarampa (in lagen), XV, 28. 

6. Tinap, B. atap (geschikt worden), XVI, 2. Dur. Pass. 
B. kahatapan, XIX, 64. 

7. Pa tap, B. patambun, XXIV, 74, laag (subst.). Vgl. 
Mal. Suud. tërap. 

Tapa. S. tapas, ascese. Mal. Bug. Mak. Bim. Sund. hetz. , Mad. 
tapah. B. onvertaald (asceet), V, 9, II, 21, 26 (tapa), 
31 (ascese), 35 (asceet), III, 38 (ascese), IV, 76 (asceet), 
VI, 103 (ascese), 105 (ascese), XIV, 32 (ascese), XXV, 
1 7 , 39 (asceet). 



206 TAPAK TAPU. 

B. brata, XXIII, 22, XXV, 33, ascese. 

2. Patapan, B. pahapraman (kluis), I, 39 , V, 42, 64, 78. 
B. pa?raman, I, 53, 58, 59, II, 20, 32, 42, V, 9. 

B. a?rania, II, 21, 25, V, 80, 86, VI, 142, III, 37, 
IV, 9, 22, 46. 

3. Matapa, B. pa^raman (ascese bedrijvend), 1, 42, 
B. tapa, V , 5, 6. 

B. p ra tapa, VI, 165. 

4. Atapa, B. tapa, hetzelfde, X, 53 (asceet). 
B. pandita, X, 58. 

B. matapa (ascese bedrijven), XXIII, 22, XXIV, 179, 
XVII, 96. 

5. Pakatapa, B. Iwir napayan, als 't ware ascese verrich- 
tende., XXIV, 150. 

Tapak. 1. Manapak, B. manënjëk (trappen) , XXI , 238. 
(Act. Dur.). 
2. Panapak, B. anënjëkin, XXII, 6, het trappen. 
Tapasa. S. asceet, B. tapa putus, IV, 60, XXIV, 84. 

B. tape lëwih, VI, 16. 
Tapasawesa. S. een ascetengewaad dragende, B. rsi laksana, 

IV, 21. 
Tapaswi (tapaswi). S. tapaswin (asceet), B. tapa putus, 
I, 38, n, 20, 37, VI, 97. 
B. tapa, I, 47, VI, 101. 
tapaswi, B. rsi putus, IV, 13. 
tapawri, B. rsi, V, 80. 
Tapël. B. papindan (beeld), XXI, 34. 

2. Tumapël, B. matemplok (plakte zich aan), XIX, 81. 
Aor. Act. 

3. Manapël, B. manëpil, zich vasthouden aan (Dur. Act.), 
XXIV, 198. Vgl. de Sund. beteekenis. 

Tapis. 1. Manapis, B. mande tipis, verkleinen, III, 69 

(Act. Dur.). 
Tapih. Mal. hetz. B. kambën (rok), VI, 98. 

2. Tinapihan, B. saputin, (in een rok gekleed), XXV, 
79, Pass. Dur. 

3. Ma tapih, B. makambën, XXVI, 3, zich een rok aan- 
trekken. 

Tapn. 1. Tapu-tapu, B. malatu-latu, XXI, 204, zeker 
hoofdsieraad, (vgl. 't Bat.). 



TAPOWANA TAMA. 207 

Tapowana. S. ascetenwoud , B. patapaii, lY, 16. 

B. paQramau, VIII, 151, 165. 
Tapwa. B. deren (uog niet), XIII, 1. Vgl. tap wan. 
Tapwaii. B. dereii (nog niet), I, 57, V, 14, XI, 9, 48. 

B. nora (doch niet), VIII, 81, 83, 84, XXI, 111, 112, 

XXII, 24, 34, 74, XIII, 90, XIV, 12. 
B. tan, XVII, 100. 

B. norana, XXII. 28. Vgl. tapwa. 
Tabèh. Sund. taböh, Jav. iMal. tabuli, B. panalikan 
(klokslag), VIII, 93, of //uur//. 

2. T a b ë h a , B. n a, 1 i k a (zou slaan) , XII , 21, na m e h (bijna). 
B. panalikan, VIII, 41 , 97. 

3. Tinabëh, B. tinabuh (bespeeld worden) , VIII , 47 , 100. 
B. katabuh, XXII, 3. Pass. Dur. (v. instrumenten). 

4. Manabëh, B. rnauabuh (bespeelden), XXII, 3, XXVI, 
25. Act. Dur. (v. instrumenten). 

5. Anabëh, B. mangamëlan (bespeleuden), XXII, 4. Act. 
Dur. (v. instrumenten). 

B. magamël, XXV, 11. Ind. 

6. Tabëtabëhan, B. gagamëlau (muziekinstrumenten), 

XXIII, 76. 

Tama. I. B. wëruh (volleerd), I, 37, XI, 28. 
B. tatas (welbegrepen), II, 23. 
B. prajna, XXIV, 125, volleerd. 

II. Mak. antama. Bug. utama, B. raasusupan (binnen- 
gaan) , V, 67. 
B. d:atën! XIII, 15. De B. vert. onjuist. 
B. umaiijin, VII, 63. 

B. matinkah! XIX, 36. De B. vert, foutief. 
B. manj in , XIII, 15. 
B. mapangih! XV, 11, het binnentreden. 

2. Tumama, B. maüjin (trad binnen) , XII. 65, XXI, 162, 
XXII, 10, binnen te treden. 

B. umanjin (kwam binnen), XV, 67, XVII, 6. Aor. 
Act. Ind. 

3. Tumama, B. maiijiü (binnen te komen), VII, 40, 
(Conj.) XXIV, 217. Juss. Aor. Act. 

4. Katamana, B. katimpuh (moge doordrongen worden 
door), XXIV, 195, Juss. Aor. Pass. 

5. yantame, B nraiijinin (als invaart), VIII, 156. 



208 TAMAK TAMaR. 

Tainak. B. uora (ik niet), XXI, 25, 53, 69, 71, XVII, 105 

(versterkte vorm van tak). Vgl. tamag. 
Tamag. B. twara, voor een lo , V, 59 (ik niet). Vgl. tamak. 
Taiuat (tamat). versterkte vorm van tat (tat). B. sampunah 
(gij niet), IV, 68, V, 17. 
B. norana, VI, 45, X, 56, XIII, 31. 
B. nora, XXI, 9, XVIII, 43, XXIV, 45. 
Taniatak. versterkte vorm van tak, ik niet. B. nora, IV , 50, 
XVII. 36. 
■^Tauiatad, versterkte vorm van tad. B. norana (gij niet), 
XXi, 9, XXIV, 152. 
Tamatan. B. norana, IV, 37, V, 83, XVII, m. 

B. nora, XVII. 84, XXIII, 62, III, 10, IV, 23, 59, 
V, 70, VIII, 146, 165, XVIII, 10, niet, versterkte vorm 
van tatan. 
*Tauiatanpa. B. norana (zonder), V, 8, VII, 11, XIII, 25, 
III, 43, versterkte vorm van tatanpa. 
Tamatar. B. hetzelfde (niet), V, 68, VIII, 1, IV, 25, 26. 
B. nora, V, 44, VIII, 157, XIII, 14, XXIV, 170 enz., 
versterkte vorm van tatar (eerbiedige ontkenning). 
^Tamatarpa. B. norana (zonder te), VIII, 120, IX, 33, ver- 
sterkte vorm van tarpa. 
Taman. I. B. udyélna (tuin), III, 21, 22, VIII, 95, XI, 
25, XIII, 72, XXI, 61. 
B. onvertaald, VIII, 100, 140, 190, 212, 214, IX, 5, 8, 
52, 63, X, 8, XXIV, 212, 1, 14, XII, 62. Sund. Mal. hetz. 
II. versterkte vorm van tan. B. norana (niet), VII, 89, 

105, V, 16. 
B. nora, IH, 35, V, 37, 39, 53, VI, 136, XVI, 30, 

XVII, 6. 
B. deren, I, 57. 
B. hëda, XXI, 47, enz. 
Tamanpa. B. nora (zonder), XIV, 11, V, 10, 52, XI, 70. 
B. norana, VI, 186, V, 6, 18, XIV, 4, XIX, 127, 
XXI , 1 54 , enz. (versterkte vorm van t a n p a). 
Taniar. B. nora (niet), VII, 15, 31, VIÜ , 38, 95, XVII, 
33, 82, XXI, 197, XXIII, 27. 
B. tan, XXI, 81, XXIV, 27. 

B. norana, VII, 93, VIII, 151, (versterkte vorm van tar, 
dus eerbiedig). 



TUMAllA — TAMOLAll. 209 

■^^Tamara. B. gamëlau, XXVI, 24. 

■^Tamarpa. B. nora (zonder), V, (39, 80 (versterkte vorm van 

tarpa). 
■^TaiuJila. B. makweh (veel), XVI, 29, niet weinig. 
*Taiii.ilah. B. tan raari (onophoudelijk), XVI, 21. 
B. katah, niet weinig, XVII, 15, XIX, 131. 
B. tan kalah (niet onderdoen) , XVI , 29. Van een berg gezegd. 
2. Tamala-m alah, B. sakatah-katah , (niet weinig), 
XVII, 131. Vgl. alah. 
Tainasa. S. naam van eene rivier, III, 15, 34, XXV, 36. 
Taiiiasa. S. duister, B. ibuk (vervaard), XXII, 51. 

2. Katamasan, B. taraasau (duisternis), XXIV, 215. 
Tamasakya. S. Tamasakhya, genaamd Tam as a, B. tin- 
kahne rusê,k! XXIV, 215, De B. vertaling totaal fout. 
Taniah. S. tam as (duisternis, enz.), B. kulakuta! VII,5,iig. 
B. peten, VIII , 156, XIX, 6 (duisternis), XXII, 2, wan- 
trouwen ? 
B. camah, XIII, 2, fig. 
B. lëtuh, XIV, 29, fig. 
B. man ah mi der, XXI, \',>\ , tig. 
B. lëtëh, XXIV, 195, lig. 
ïaniuy. Jav. Sund. tamu. Mal. jamu, Mad. taraoy, 15. titi 
(gast), IV, 19, III, 39, XXVI, 47. 
B. tamu, XXVI, 25, 37. 
B. tamyu, XXV, 14, XXVI, 24. 

2. Panamuj, B. pasëgëh (onthaal), II, 20, 21, 61, 
III, 38, VIII, 10. 

B. panamyu, XX, 21, VII, 66. 

3. Tinamuy, B. katarauy (onthaald worden), IV, 16, 19, 
VU, 67. Pass. Dur. 

B. tinamyu, XXVI, 36. 

B. katarau, XXVI, 25. 

san tinamuy, B. tamu (de onthaalde), XXV'I, 25. 

4. T a m u y a n , B. m a n a m p a h m a t a m u , XXVI , 25. 
Tauioniaya. S. uit duisternis bestaande, B. 1 wir pët eii lawat ! 

VI, 18. 

Tamolah. B. magen ah (zich bevinden), VIII, 91, IV, 1, 

VI, 142, XI, 13, gevestigd zijn, wonen. 

B. gënahin, III, 52. 

B. mbisekayari, III, 86. 

14 



210 ïaMOLI — TAMBa. 

B. taiipatingal, VIII, 166. 
B. p a g ë n a h a n , VI , 47. 
B. pagëh, blijven, IX, 79. 

2, Ta mol aha, B. mamagëhan (vertoeven), VI, 146,Conj. 
B. wanunah, XIII, 64, conj. 
■5^-Tamoli. B. nora len (geen aud&r) , VI, 131, VII , 72. z. 

tamolin. 
^Taniolin. B. nora len (geen ander), VIII, 9, 16 (zonder 
twijfel?), z. tam oli. 
Tamtam. 1. Manamtami, B. nulurin, XIV, 29, toegeven 

aan? Act. Dur. 
Tampa. 1. Tumampana, B. kagamël (ontvang) , XXIV , 2o , 

Juss. Act. 
Tampëk. 1. Tinampëkan, B. kalames (gesprenkeld worden) , 

XIV, 8, Pass. Dur. 
Tampil. 1. Manampil, B. manampel (staken), XIX, 16, 
Act. Dur, (v. e. dolk). 
2. Turn am pil, B. ü galant in (bleven hangen), XXII, 51. 
Aor. Act. 
Tampur. 1. Manampur, B. nungalan (ontsteld)? XVII , 25. 
Tampull. 1. Tumampuh, B, maügëbug (beukte) , VII, 108, 
Aor. Act. (van de zee). 
2. Anampuhi, B, mulanin (wierpen met), XIX, 104, Act. 
Dur. Trans. 
Tampyal. yak tampjal, B. yenakutampel (als ik sla), 
VIII, 84. 

2. n panampyal, B. manampig (dat sloeg), VI, 20, met 
nadruk op 't vorige woord. 

3. Manampyal, B. mangampokin (sloegen) , VI , 1 62 , 
Act. Dur. 

4. Tinampyal, B. kat ampel (geslagen worden), IX, 26, 
XXII, 50, XXm, 83, Pass. Dur. 

5. Tumampyal, B. manampel (sloegen), XXI, 176, 
Aor. Act. 

Tamba. Mal. Bat. tambar. Mak. tambaraq, Bug. tampaq. 
Bik, tambal, Tag. tambal. 
B. ubad (geneesmiddel), VI, 48, XIV, 66, Vm, 171. 
B, usadha, XXIV, 231. 
2, B. yen ubad, VI, 180, Conj. 
tamba, B. usadha, XI, 25, 35. 



TAMBAK TaMBëH (TAMBeH.) 211 

3. tanpataiub an , 13, tanpa usadha (ongeneeselijk) , 
XVII, 1. 
Taiiibak. Mal. hetz. B. hempëlan (dam), Lil, 70, 

B. tem bok, VIII, 47, 57, 63, XV, 42, 43, XXI, 115. 
B. p a s e b 11 u n ! XVIII , 3)7 , enz. 

2 . T a m b a k a k ë n , B. n i nd i ü a n (bescli utten) , XI, 51, tot 
dam strekken. 

3. Tambaka, B. tembokan (tot een dam), XV, 47, die- 
nende tot dam. 

4. Tumambak aken a , B. mauembokan, XVI, 1, om tot 
dam te gebruiken (Aor. Act. Conj.). 

5. Tumambak, B. m a n e m b o k , XVI, 4 , afdam men. (Aor. 
Act. Inf.). 

(). Tinambak, B. kate mbokan , XVI, 5, afgedamd worden. 

(Dur. Pass.). 
7. Katambak, B. hetz, (Pass, Aor.), XII, 57, werd tot 
dam gebruikt. 
Tambaga. Mal. Day. hetz. S. t a ra r a k a , Pkr. t a m b a g a (koper) , 
B. onvertaald , XXIII , 36. 
B. tambra, XVI, 38. 

2. Tumambaga, B. barak (als rood koper), XXV, 54. 
Taiuban. 1. Man am ban, B. nalahin (onderdoen) P XI, 83, 

B. ma me gat in (breken)? XXV, 76. 
Tambjiy (tambe). B. m bes uk (later), XXV, 5. 

2. Sakatambay, B. ituni sëmënan ('s morgens vroeg), 
VIII, 183. 

saka tambe, B. di sëmëne, I, 61, IV, 26. 

3. Tambayan, B. hanar-hanaran (vroeger). V, 33. 
B, panëmben (begin), VI, 150. 

B. ulin malu (begin), VIII, 149. 

4. Panambe, B. panembe, XXIV, 96. 
Tambiira. B. n o r a n a n 1 ë w i h i n , 1 , 50 , hoe zou ? 
Tambën. B. tambuku, dijk, XXV, 62. 

Tambëh (tambëh). Sund. Mal. Day. tambah, Bat. Mak. tam ba, 
B. malih (toenemen), XXI, 115. 
B. phala! XI, 31, vermeerderen. 

2. Atambëh, B, maimbuh (nam toe), VI, 55, XI, 79, 
atambëh, XIX, 102. 

3, Manambëhi, B. man i nib ii li i n (verhoogde), XXIII, 
57. Act. Dur. Trans. 



2 1 2 TallBI T AKA . 

4. M a t u ra b ë h , B. ra a i m b u h (nam toe) , XXV , 1 , intraus. 

5. Anambëhi, B. raanirabuhiu (verboogde) , XXVI, 19. 
Act. Dur. Trans. 

6. Tambëha, B. imbubiu, XXVI, 25. 

Taiubi. B. tabih, XXII, 70, bultige of zware wortel. 
Tambiü. B. tëpi (rand, oever), VI, 138, XXII, 52. 

2. Tam b in a, B. parcwa (zijde), XI, 11, in eene ver- 
gelijking: ais de zijde. 
■^Taiiibirin. 1. Manambiriüakën, B. mamindoin (werpen 
met)? XIX, 116. 
Taiiibil. B. kaam bil, XVII, 129, geplukt worden? of naam 

van een bloem ? 
Tambis. Day. lalambis, Suud. bis. B. das (bijna), VI, 167. 

tambis, B. natihan! XIX, 83. 
Tarabul. Mal. Bat. hetz. , toespijs, B. sajön (palmwijn) ! XXVI, 
25. De B. vert. foutief. 
2. Tamb u-t amb ui , B. masaj ën-saj ënan , XVII, 111, 
plur. (allerlei toespijzen). De B. vert. foutief. 
Tamyan. I. B. tam en (schild), XXI, 189. 

II. Day. tamian, Mal. tëmiyan, soort van bamboe. B. 
ga lag ah (riet), XXV, 67. 
Taya. B. nora (niet), III, 43, XI, 32. 
B. nora hana (niet zijn), IV, 45. 
B. twara ada (niet zijn), VIII, 129. 
B. tel as (niet meer zijn), V, 9. 
B. twara (niet), VIII, 196, IX, 15. 
B. o ra, XIII, 50, IX, 32. 
B. tan, XXIII, 20, 61, enz. 
Tayuii. 1. Tumayuh, B. matayunan, VI, 124, slingerden 

heen en weer (Aor. Act.). 
Tar = tan, maar voornamer. B. t o n (niet) , VII , 36 , 1 , 52. 
B. nora, I, 3, 56, II, 36, V, 20, XIV, 61. 
B. tan, IV, 28, V, 34, III, 35, 84, I, 60. 
B. norana, VII, 78, XIV, 61, XXI, 14. 
B. twara, VI, 25, VIII, 130. 
B. onvertaald, XVII, 131, XXII, 89, enz. 
Tara. I. B. tan pëgat (onafgebroken), XI , 7 , skr. compa- 
ratiefuitgang. 
B. nora (niet)! XXIII, 69. 
Tara. S. naam van een aap, XVIII, 18, XXII, 58, XXIV, 248. 



Tailfi T AKP A . 213 

Tara. S. naam vaii Bul i's en later Sugriwa's vrouw, VI, 88 , 

159, 189. 
Taraka. S. ster, oogappel, 1\. utëran, II, 7, oogappel. 

Tara ka, B, twara! ster, VII, 35. De B. vert. foutief. 
Taragya. B. yatna, XVII, 131 (gereed, klaar). 
Taraiigul. 1. Katarangul, B, ka gy at, verschrikte, Vlll , 

100 (Pass. Aor.). 
Taraju. Perz. tarazu (weegschaal), Tag. talaro, liik. 

tarajo, Bis. talayo, Iloco taradio. Mal. tëraju, Day. 

taraj o. 

1. Tarajwana, B. timban (vergeleken worden), XXI, 79. 
Conj. na yan. 

^Taraprabha. S. naam van een aap, XIX, 41. 
Tariiiia. 1. Tinarima, B. bahanin (aangenomen worden), 
XXV, 111. 
B. katunas, XXVI, 37. Pass Dur. (i:)ay. hetz. , Mal. 
tërima.) 
Taru. S. boom, B. wrksa, XXIV, 126. 
Tarim. 1. Matarun, B. raapagut (saraenstooten) , VI, 166. 

2. Atarun, hetzelfde, XVII, 82. 

3. Matar uii-tar uü , B. matandin-tandinan (vechten), 
XXV, 50. 

Taruna. S. jongeling, jong, B. kakun (jongeling), XII, 6, 
14, 18, 25, 26, 33, 36, 45, VIII, 38. 
B. onvertaald, IV, 52, XI, 49. 

B. cahi! (jong), VI, 51, XI, 90. De B. vert. onjuist. 
B. bajan, V, 30, jongeling. 
B. jajaka, V , 76 , XXV, 54, 87, enz. 
Tarunl. S. meisje, B. wanita, XI, 83. 
B. 'daha, XVII, 119, XXV, oö. 
B. istri, XII, 18, 29, 30, 45. 
taruui, B. kamini, XX, 79. 
B. kanyaka, XXV, 50. 
B. taruna! XXV, 87. De B. vert. onjuist. 
B. kaharonin, XXVI, 25. 
Tarkka. S. vermoeden, meening, overweging, B. caritayan, 
XXV, 18. 
2. Anarkka, B. udayanin, VIII, (iO (vermoeden). 
*Tarpa. deftiger vorm van tani)a. B. tan pa (zonder), V, 26, 
VIII, 135, 142, 166, XXIV, 30. 



*14 TAL — TALinA. 

B. nora, X, 22, XXI, 33, XXII, 60, 89, III, 19, VI, 

145, VII, 21, VIII, 91. 
B. sin ada, X, 29. 
B. tan, XX, 32, VII, 89. 
B. tatanpa, II, 37. 
Tal. B. ëntal (lontarpalm) , II, 67, VI, 157, 158, IX, 39, 
82, XVI, 21, XIX, 82, 104, XXI, 196. 
B. onvertaald, XXVI, 23. 
Talaga. Day. hetz. , Mal. tëlaga, Mak. talaka, S. tadaga 
(vijver, meer), B. taman! II, 1, 4, 7, 10, 18, 19, V, 
70, VI, 115, 117, VII, 26, 34, III, 70, XI, 2. De B. 
vert. foutief. 
B. udyana! III , 40, XI, 58. De B. vert. foutief. 
B. beji, XXVI, 40, XVII, 130, XIX, 130, 131, XXIV, 
104, XXV, 25. 
Talankup. 1. Matalankup, B. makëpwak, in de handen 

klappen , XX , 36. 
Talad. B. tan mari (onophoudelijk), XXIV, 174, lang- 
zamerhand? 
Talandan. 1. Manalaudani, B. mamalësaü (vergelden), 
IX, 39, op zijne beurt. 
B. lawut! XX, 31. Act. Dur. De B. vert. foutief. 
2. Tinalandanan, B. nabëtan (vergolden worden), V, 
43. Pass. Dur. 
Taiës. Sam. tal o, Fidji ndalo. B. k ë 1 a d i (aardvrucht) , XXV , 

9, 46, Colocacia antiq. 
Tali. Sund. Mal. Bat. Day. Mak. Bug. Bul. Tag. hetz. Malag. taly. 

1. B. onvertaald (touw, koord, band), V, 2, XXIV, 27. 
B. pa?a, XXI, 44, 193 (koord), XXIV, 23, XXV, 102. 

2. Katalyan, B. katalinan (gebonden), XII, 44. Aor. 
Pass. 

3. Atali-tali, B. naudan kadandan (elkaar geleiden?) 
XXIV, 108, zich telkens slingeren om. 

II. B, ikü lutun (soort van bloera), XXV, 75. 
Talina. Bul. Bis. hetz. Malag. tadin, Jav, Mad. talinan. 
Mal. tëlina, Bug. talina, Tag. tayina, B. kopin 
(oor), VI, 121, XV, 60, XXII, 88, 89. 
B. karnna, V, 14, XII, 40, XXII, 23, XXIII, 8. 
2. Pa n al in a, B. paiiabih (steun), XIX, 66. 
B. sam pin (zijde), XXI, 212. 



TALindAn — TAS. 215 

*Talindan. 1. Matalincjaii, B. nlilit, XXV , 75 , omsliugeren , 
omwindeu. 
Talibiikim. 1. A uali b ukuni , B. ma nalik ur, XXIll , 55, 

achteruitdringen ? of vau : salibukun? 
Talu. Sas. Lamp. ]^at. hetz. Mad. taloq. B. kal ah (verslagen), 
II, 48. 
B. ka wou, XXIV, 79 (overwouuea). 

Silih talu, B. salin kawonai'i (elkaar verslaan), XXVI, 14. 
■^Taluk. 1. Tal ukan, B. tul ukan, aanstoken, opstoken, 
XXVI , 25. 
Talutuh B. nalëtëhiu, XIV, 55, vuil (subst.). 
Talun. Bat. Iban. Bul. hetz. Mad. talon (plein), B. samah, 

veel, XXV, 89. 
Ta wan. 1. Ta wan- ta wan, B. yen a mb ara-amb araan , 

XXIV, 19, de lucht ingaan? 
Ta wat. S. zoo groot, zoo lang, zoo veel, B. kagamël! XXI, 
151. De B. vert. foutief. 
B. yena! XXII, 40. De B. vert. verkeerd. 
Tawan. Mal. Bat. Day. hetz. Malag. t a v a n a , B. j a r a h a n 
(gevangene), VIII, 130, XVII, 135. 

2. Tiuawa naken, B. kabakta (werd medegevoerd), III, 
86, Pass. Dur. 

3. Ta wanen, B. j ar aha (moge gevangen genomen wor- 
den) , V , 63. Juss. Pass. 

4. Tinawan, B. kajarah, VIII, 175. Pass. Dur. 
B. maüjarah! VIII, 176. De B. vert. onjuist. 

B. wehin, VIII, 38. 

B. karorodaü, VII, 68, gevangen. 

5. Man a wan, B. manjarah (buit maken), VIII, 37, 
Act. Dur. 

6. Kat a wan, B. nandan (bevangen), XXV, 60 , Pass. Aor. 
Tawiirag. 1. Katawurag, B. ge war, XXII, 43, uiteen- 
stuiven. 

Tawwan. I. B ambara (luchtruim)! XXIV, 106, bekken. 

II. M a n a w w a n , B. n u n a d a h (naar boven zien) , XVII , 1 25. 

B. nalulon, XXIV, 260. 
Tawwan. B. mangisi (vasthouden)! XXIV, 107, bij, wesp. 

2. Ta WW a-t aw wan , B. magagawau! XXVI, 22, bijen, 
wespen. De B. vert. verkeerd. 
Tas. 1. Matasa, B. tiühalin, XXVI, 25, zien. (Conj. Fut.) 



2 1 6 ÏASAK TAHCN. 

Tjisak. Lamp. tasaq, Mal. masak, Sund. asak, B. na sak 
(rijp), XI, 55. 
B. ratëü, VIII, 33. 

2. Matasak, B. tasak. Vil, 66. 
B. raten, XVI, 14. 

B. gëbuh (gaar), XV, 24. 

3. Atasak, B. ratëk (gaar), XV, 25, XVI, 47 (rijp). 
B. nasak (rijp), XXIV, 98. 

^Tasön. B. gëlisan (snel), V, 46. 
Tasi. 1. Manasya, B. manidih (om te bedelen), V , 66 , Act. 

Dur. Couj. 
Tasik. Mal. Bis. Tag. hetz. Sumb. tesi, Sawu d a h i (zeestraud) , 
B. sagara (zee), V, 89, XXIII, 61. 
B. pasih, VI, 1, VII, 49, 60, 107, 108, VIII, 46, 132, 
184, 185, X, 16, XI, 7, 13, 24, 52, 74, XIII, 22, XIV, 
51, XV, 14, 15, 17, 19, 24, 39, XVI, 4, XVII, 16, 
XIX, 55, 62, XXI, 80, 114, 209, 226. 
2. Tasik anak, B. lolohau (meer), XXV, 56. 
Tali. Toch, IV, 42. 
Taha (taha). B. rasayafi (meeniug) , VII, 14, 101 , XXIV, 42. 

2. Tumaha, B. dayauin (vermoedde), [V, 6, Aor. Act. 
B. and ay au in (vermoedde), VII, 78. 

B. dayani (dacht), VIII, 94. 

3. taupan ahanaha, B. nora nrasayan (onbevreesd), II, 72. 

4. Tiuaha, B. kapagutan, IV, 44, XIV, 28, Pass. Dur. 
tinaha, B. kadayanin (geloofd worden), XV, 34. 
Tiuaha, B. karasa (gehouden voor), V, 60. 

5. Tahan, B. rawosan (moet gedacht worden), V, 5. 

6. Panaha, B. tarkkaau (vermoeden), XXIV, 195. 
B. kat aha, V, 47. 

ïahën. I. Fidji. tauu (hout), B. kayu (boom), XIII, 94, XVI, 
14, XXIV, 164, brandhout. 

2. Tinahënan, B. sahanin (aangestoken), XIV, 41. 

3. Atahëu, B. tukan kayu (houthakker), XXIII, 69. 

II. Tahën, Mal. üay. tahan, B. amagut (standhouden), 
XXIII, 62. 

2. Tumahëna, B. taiikëkin (om te bedwingen), VII, 9, 
Couj. Aor. Act. 

3. T u m a h ë n , B. n a n k ë k i n (verdragen) , XVII , 35. Aor. Act . 

4. Matahën, B. mamagutan (standhouden), XIX, 36. 



TAHIT, TeKA. 217 

5. tam at il 11 patahëu, B. u o ra na raamagutiu (zonder 

stand te houden) , XXIII , (32. 
0. Atahën, B. mahl avvan i n (stand te houden) , XXIV , 16. 
7. tanpatahën, B. uora mankihin (ondragelijk), XXI, 4. 
Tahil. l. Tinahilau, B. ti inbaii-timb an, XiV, 65, over- 
wogen worden. 
Talm. B. tahen (gewoon zijn), I, 54. Vgl. de Jav. bet. 
B. bisa (kundig), XXV, 52. Vgl. de Mal. bet. 
B. wikan (ervaren), IX, 34, XXIII, 56, XXIV, 42, 

XIX, 123. 
B. nuiiiii (bedreven), X, 51. 

B. wëruh (weten), XIII, 67, XXI, 225, XXIII, 54. 
B. uniii, XII, 16, XX, 40, XIV, 33, 54, XIX, 14. 
2. Ta hu-t ah u, B. pada widagda (beiden even ervaren), 

XXIV, 19. 
Tahiin. Sund. Mad. Mal. hetz. Malag. tau n a. Mak. Bug. taun , 

Bat. taon, B, salawas (jaar), V, 19. 
B. tëmwan, VIII, 202, XXI, 101. 
B. padin, XXV, 48. 

2. Satahun, B. tibauan (een jaar), XXIV, 196. 
Tahiilan. Bat. Bis. Bul. tulau, Malag. taulanii. Mal. Day. 

tulan, Lamp. tuhlan, B. tulan (been), IV, 72. 
Tëka. B. tiba (komen), III, 78. 
B. rawuh, VIII, 2, XI, 53, 54. 
B. ti bay an , X , 11. 
B. tëkëd (tot), XV, 58. 
B. daten (komen), II, 33, XV, 62. 
B. kadawuh, III, 11. 
B. wastu, V, 40. 
B. prapta, II, 20, 23, 54, 60, 61, 78, III, 33, 37, 

44, IV, 37, 48, 49, 69, V, 21, 22, 39, 82, VI, 70, 

130, 167. 

2. Katëkau, B. natiyan, I, 62, toen (hij) op 't punt was. 

3. Tëkakën, B. rawuhaü, VIII, 174, doe komen. (Imp. 
Pass. Caus.) 

4. Tëka, B. karawuhan, IV, 44 (Conj.). 
B. prapta, III, 42 (na umeh). 

5. Tëka k e na, B. hetzelfde, VIII, 175 (Juss. Pass. Caus.). 

6. Tëkana, B. wëtu, XXIV, 130 (Conj. Pass.). 

7. Tumëka, B. maraaraniu, XXV, 28. Aor, Act, 



218 TeKAP — Ten AH. 

8. Katëka, B. karawuhafi, XXVI, 25 (Aor. Pass.). 

9. Katëka, B. di liatian (alvorens te gaan), XIII, 3. 
Tëkap. B. olih (door), V, 25, IX, 50, XV, 49, XXIII, 

15, 25, XXIV, 191. 
2. Katëkapan, B. wastu, XX, 37, getroffen. (Aor. Pass.) 
Tëkëk. 1. Tinëkëk, B. macekuk, XXIV, 143, IX, 30, toe- 
geknepen worden (Pass. üur.). 
Tëkët. 1. Manëkët, B. maniëdës, III, 57, aansporen. (Act. 
Dur.) 
2. Manëkëti, B. mambesënin (aansporen), III, 85. Act. 
üur. Trans. Op 't hart drukken ? 
Tëkëii. Malag. tehina. Mal. tëkan, Daj. teken. B. siyan? 
XXV, 108, stok. 
*Tëkun. 1. Tumëkun, B. kaidëran, XXIV, 221, gebogen. 
Tëkwan. B. smalih (tevens), VI, 181. 

B. Iwir! XXIV, 113, bovendien. 
Tëgal. B. onvertaald (veld), IV, 71, XIX, 61, XXIII, 61. 
2. Tëgal-tëgal, B. tëgal jan ga la (velden), II, 15. 
B. onvertaald, XVI, 39, XXV, 88. 
Tëgël. 1. Matëgël, B. magëgwanan, XIX, 114, stand- 
houden. 
Tëgö. 1. Atëgö, B. lëplëp, XXII, 7, sterk, luid. 
Tëguli. Mal. hetz. Daj. tugoh. B. pagëh (standvastig), VI, 
152, XIX, 112 (onwankelbaarheid). 

2. Pahatëguh, B apan këkëh (maak stevig), X, 70, 
Imp. Pass. 

B. pakukuhin (versterk), XIV, 64. 

3. Matëguh, B. pagëh (sterk), X, 42, XXIII , 53. 
B. kukuhin, XIV, 22. 

4. Atëguh, B. kwat (stevig), XV, 58, XXII, 73. 
B. katos (vast), XIX, 84. 

B. kapagëhan, XXI, 85 (standvastig). 
B. pagëh, XXIII, 60. 
Tëüa. 1. Tëna-tëna, B. nëlok-nëloki n, naar boven zien, 
VII, 35. 
2. Tumëna-tëna, B. nunadah nlinlin (keken naar boven), 
XVII, 127, Aor. Act. Zie tënha. 
Tëüali. Mal: Sund. hetz., Day. tan ah, Tag. tina. Bis. Bat. 
tona. B. madhya (middel), IV, 31, XI, 66 (midden), 
XIX, 66, 



TëtiëT — TedAs. 219 

B. onvertaald (midden), VIII, 8, IX, 5, XXI, 212, V , 27 , 

XV, 33, XIX, 67, 68, 126. 
2. Patënah, B. abagi (de helft), XIX, 52. 
Tënët. 1. Atënëta, B. mihalan, XXI, 117, zal niet op- 
volgen (fut.). Men. tafieq, Day. tan at (weigeren), Mal. 
V. Bandj m. ra a u a ii a t i (verbieden). 
Tëüën. I. B. kanan (rechter), XIX, 72, XXI, 182 , XXIII, 5. 
B. kënawan, XXIV, 74. 

2. Tënënau, B. kanan (rechterkant), I, 62, 
II. Tënëtënën, B. tënër-tenëri n , XXIV, 196, ge- 
steldheid? 
Tënër (tënör). 1. Katënër, B. kaciryyan (liet merken) , V, 
66 , Pass. Aor. 

2. Panënör, B. ciri (teeken), V, 74, XXII, 12. 

3. Tënërana, B. cirinin (worde gemerkt)), VI, 170. Juss. 
Pass. 

4. Tënëran, B. ciri, XIX, 4, XXV, 12, VIII, 129, 130 
(teeken). 

5. Katënëra, B. katonan, XV, 54, Coiij. Aor. Pass. na 
h i d ë p. 

Tënu. B. tunu, XXV, 27, roode kipluis. Mal. Ibaii, tunaii, 

Bat. t u n o , Sund. t o n o , Tag. t o n a u. 
Tëngëk. B. tëndas! hals, II, 24, IX, 87. 

B. giilü, XIX, 77, XXII, 50. 
Tëiigö. 1. Atëngö, B. ban tan, VIII, 75, stijf als eeu staak. 

2. Manëngö, B. raanëpëk, XX, 9, stijf staan? 
Tëilha. Iloco tanad, Tag. taiia (de hals uitstrekken). H. nu na- 
dab (keek naar boven), VI, 20. 
2. Tumënha, B. rin aka^a (keek naar boveu), 11,17,34, 

Aor. Act. 
B. nunadah, IX, 14, 24, 70, XI, 1, XXVI, 4, 6 (vgl. 
t ën a). 
Tënuh. Jav. trënyuh (verbrijzeld). Lamp. tënur (gesmolten). 
B. rëmpuh (smolt), II, 10, III, 19 (brak), XI, 2, 77. 
B. rëmük (breekt), VI, 124, XI, 28, VII, 4, XIX, 119. 
B. rëüuh, Vil, 8, XXI, 32, XV, 26. 
B. dëkdëk (verbrijzeld), XXI, 186. 
ïëdas. B. hëmbud (uitpuilen), IX, 19, glad afgeschoren. 
B. këles, XXIII, 80, gekwetst. 
B. si bak, XXIV, 16, opengereten. 



220 TëduN — Tëpi. 

Tëdun. Tag. talou, Bik. talon, Mal. tërjuu (naar beneden 
springen). B. tuhun (afdalen), IX, 70. 
B. katuil unin, IX, 25. 

2. Tumëdun, B. macëbur (steeg af), IX, 27, XV, 55. 
B. tuhun, XXI, 243. 
B. nuhunan, XXI, 245, Aor. Act. 
Tëduh. Mal. tëduh, Mad. jëdoh, Tag. taro (liggen). B. 
' dayuh (bedaard), XIX, 59, XXIV, 29, VII, 60, XV, 11. 
2. Atëduh, B lilayan (getroost), XVII, 9. 
B. nora urëm (rustig), XXIV, 74. 
Tëndas. B. sirsa (hoofd), II, 35. 
B. tëras, IX, 87, XX, 29. 
B. cirah, XI, 1, VI, 167. 
B. tëngëk! XIX, 78. De B. vert. onjuist. 
B. puügalan, IX, 59. 

2. Panëndas, B. panëngëk (voorste), IX, 76. 
B. panarëp, IX, 62, XII, 56, XIX, 18, XX, 22. 
Tëtëk. Mal. tëtak. Bat. toktok, Day. Tag. Bis. t atak. Mak. 
tataq, Bug. tattaq, Sund. tëktëk. B, arit (mes), 
XIX , 85 , houwer. 
2. Manëtëk-n ëtëk , B. nëktëk-nëktëki n , XXVI, 25, 
houwen (Act. Dur. Preq.). 
Tëiiun. 1. Tinënun, B. manangit (geregen worden), XVII, 
118, Pass. Dur. 
2. Manënun,B, nangit (regen), XVil , 11'.), Act. Dur. 
Tëpak. B. mamantëg (slaan), XIX, 81. 

2. Man ë pak, B. manusud (sloegen), IV, 67, Act. Dur. 

3. Tinëpak, B. ti na bëh (geslagen worden) , V , 36 , XIV, 49. 
satiuëpak, B. sakapantëg, al wat geslagen werd, VI, 

156, Pass. Dur. 

4. Anëpak, B. pukulan, XIX, 81, Act. Dur. 

Tëpëu (tëpön). tanpanëpön, B. tanpanaha (onver- 
schrokken), XXI, 178. 

2. tamanpatëpënan,B. nora taiidiiiari (onvergelijkelijk), 
XXV, 38. 

3. tamanpauëpëna , B. nora na nankahan, XXIV, 58. 
Tëpët. Mal. tëpat, Tag. tapat. B. pagëhan (standvastig), 

III , 84 , rechtvaardig. 
B. bënën (juist), XVI, 4. 
Tëpi, B. tirah (rand), V, 67, 82, XV, 2. 



'rCBA TCMU. 221 

B. bitih, XV, 22. 

B. si si, VÏII, 48, XI, 02, XXV, rA , VU, 111. 

B. onvertaald (oever), XVI, 8. 

B. tanga, XIX, 51, 62, XXIV, 142, 170, V1,1P)Ö,VH1, 
27, 57, XI, 52, XVI, 21, XXV, 87. 

2. Tëpi-tepi, B. sisi-sisi (oevers), XXIV, 104, XXV, 7. 

'.'). Manëpi-uëpi„ B. in anisi-sisi , XXV, 62, telkens naar 
deu rand gaan. Mal. hetz. , Malag. difv, Bat. topi. 
Tëba. 1. Anëba, B. man a bas, tegen aan loopen, XIX, 128, 

(Act. Dur.). 
Tëbëii. B. tekës (afgesloten), VI, 138. 

B. katah (veel), XV, 23. 

B. hëntëg (krachtig?), VIX, 15. 

B. tan mari (onophoudelijk), XIX, 120, XXI, 238. 

B. tan pëgat (onafgebroken), XXII, 76. 

B. tëhër (vervolgens), XXI, 41. 

2. Tëbën-tëbëh, B. amunpuh, middelmatig, VIII, 119. 
Tëbii (tëbü). Mal. tëbu, Tag. Bis. tabó, Sund. t i w u. B. 

se pan (suikerriet), XXV, 9, XXVI, 23. 
Tëmah. 1. Tëmahan, B. dadi (geworden), IX, 3. 

B. inda, XIX, 126, gevolg, uitwerking. 

B. pan dadi (incarnatie), II, 48, XX, 60. 

B. malinse (zich veranderen in), XVIII, 4. 

2. Tëmahana, B. hetzelfde (Fut.), V, 38, zal worden tot. 

3. Matëmahan, B. mand ad i (worden), XIV, 42. 
B. malinse (veranderde zich in), V, 39. 

B. dadi (werd), XXI, 56, 186, XXIV, 40. 
B. phalana (ten gevolge hebbeu), VIII, 31. 

4. Atëmahan, B. mandadi (worden), VI, 107. 
Tëiuëu. B. dahat (zeer), I, 7, 45 (oprecht), III, 20 (waarlijk). 

B. pi san (zeer), I, 42, II, 62 (waarlijk), X, 25. 

B. wyakti (waarlijk), IV, 11, VI, 195, XVI, 29, V, 73, 

75, VII, 41, XIII, 70. 
B. tatuwijan (waarlijk), XVII, 107, VI, 91. 
B. satya (waarlijk), VI, 73, XIII, 40. 
B. sadhu (waarlijk), XVII, 100, XXIV, 71. 
B. pat ut (waar), XXIV, 81, enz. 
2. Tëmën-tëmën, B. tatuwinan (oprecht), VI, 9. 
Tëniu. Mal. hetz. B. kapahgih (ontmoeten), IV, 14 (Abs.) , 
29, III, 35, VI, 86. 



222 TëMU. 

B. pangihin, X, 21, XIII, 83, V, 84. 
B. mangih, XIII, 56. 
B. apanggih, Y, 62, 63. 
B. molih (verkrijgen), VII, 81. 
B. amaügih (bereiken), VII, 97. 
B. katëpuk (komen bij), VIII, 185. 
B. b hukt in (ondervinden), VI, 174. 

B. onvertaald, XXV, 100, VI , 96, 97 , VII, 51 , IV , 9, 
XVII, 78, VIII, 25, XI, 16. 

2. Katëmu, B. kapangih (aangetroffen worden), II , 1 , 
VI, 40, 50. 

B. pangihin, XXIV, 163. Pass. Aor. , enz. 

3. Tinëmu, B. kapaügihin, IV, 28, VII, 64. 
B. bhukti (genoten werden), XI, 43. 

B. pangihin (aangetroffen worden), V, 68. Pass. Dur, 

4. Manëmu, B. mamangihin (ontmoeten), VIII, 26, 
XXIV, 98. 

B. mangih, XIV, 32. 

B. amahgih, XVII, 97. 

B. manemokan (verwerven), XIX, 63. Act. Dur. 

5. Manëmwa, B. amahgih V, 87, XIV, 56. 

B. mamangihah, VIII, 124, VI, 154, 186. Act. Dur. 
Conj. 

6. Katëmwa, B. kapangih, VI, '33, 113, VII, 99, VIII, 
99, Pass. Aor. Conj. 

B. mapahgih, XVII, 56, enz. 

7. Atëmwa, B. kapangih (moogt ontmoeten), VI, 94, 
optat. 

8. Anëmu, B. mamangihin, Vil, 65. 
B. amangih, X, 66. Act. Dur. Indic. 

9. Patëmu, B. mapangih (ontmoeting), VI, 150, XXIV, 226. 
B. papaügih, XVII, 99, XII, 7, XXII, 4 (weerkaatsing?). 

10. Panëmwa, B. molih (zal verkrijgen), VIII, 133, XV, 1 1. 

11. an panëmu, B. matëmu (bij het vinden), XXI, 181. 

12. Anëmwa, B. maiigih (zal ondervinden), VI, 185, Act. 
Dur. Fut. 

B. mamahgih, X, 14. 

B. amaügih (verkrijgen), XXIV, 227. 

13. Tumëmu, B. hetzelfde, VII, 46. Aor. Act. Ind. 
B. kapangih, VIII, 209. 



TeMPUii— tGlas. 223 

14. Tu iiiemwiikc 11 , B. ni aman i^i li i ii (oiitnuxiteii) , VII, 91. 
Aor. Act. Iiul. 

1 5. A n ë m w a k e ii , B. hetzelfde , XXI , 19, ontraoeteude. Part. 
Dur. Act. 

16. M a t ë m u , B. ma p a n g i li (ontmoeten) , XXV , 07, Intrans. 

17. Atëinu, B. ma pap as, XXlil, 18, XiiL, 77, sainen- 
treflen (sicli begegnen). 

B. mapagut, XXIII, 19. 

18. Patëmwau, B. pa pa iigih (hetgeen men ontmoet), XX lil , 
79, het lot. 

19. Tumëmwa, B. nëmuhaü, XXIII , 84, Aor. Act. Conj. 
(na mahyun). 

20. Tem uu, B. kapangih (worde oudervouden) , XXIV, 226. 
Tëinpuh. Suud. hetz., Mal. tëmpoh. Bug. tumpuq. B. 

kagëbug (gestooten worden), XI, 8. 
B. nëmpuh, neerslaan, XXI, 128. 

2. Manëmpuh, B. mangëbug (klotsten) , VII ,111, Act. Dur. 

3. Tumëmpuh, B. hetzelfde, XI, 68, 73, Act. Aor. 

4. Tinëmpuh, B. parag (geworpen worden), XV, 64. 
Pass. Dur. 

5. M a n ë ra p u h i , B. m a m u 1 a ii i n (wierp met) , XIX , 1(5, 
Act. Dur. 

6. Matëmpuh, B. mapagut (stormend), XXIII, 77. 
Tëiubiu. B. tëpi (oever), XV, 36, XXV, 83. 

B. tirah, XVI, 30. 
B. si si, XXV, 36, 38 (rand), 75. 
Tërag. 1. Katërag, B. ka parag, gestooten worden, XXIV, 

23 (Aor. Pass.). 
Tërës (tres). 1. Katrësan, B. j ëj ë h (bang), XX, 57, XXI, 

162, 233, XXII, 43, 51. 
Tërëh. 1. Matërëh, B. tatas, duidelijk, XIV, 21. 
Tërik (trik). B. keker (boschhaan) , XXIV, 121, XXV, 29. 
Tërus (trus). Mal. Sund. Bul. hetz.. Mak. tarusuq. Bug. 
taruq. B. betel (door en door), VI, 157, 173, IX, 79, 
X, 40, XXI, 217. 
B. tumus, XIX, 13. 
2. Trusan, B. betelan, XIX, 76. 
Tëlil B. sëlagan (barst), VI, 139. 

2. Atëla, B. ren at (gebarsten), XXIV, 88. 
Tëlas. B. puput (afgedaan, af, beslist), IV, 75, XI, 37. 



224 ïëLëN TënëR. 

B. sampun (nadat), VI, 50. 
B. SU ba, X[II, 1, 30, 48, 61, 63, XXI, 206. 
B. putus, XIII, 85 (volkomen). 
B. tëlah (afgedaan), XIII, 59. 
B. hona (ten einde), XXII, 8. 
B. ^irnna, XIV, 11, enz. 
2. Atëlasana, B. manëlasaii, XXV, 46. 
Tëlëii. Mal. tëlaü, Mak. talan. B. onvertaald, naam van 
een klimplant (ciitoria ternatea L.), XVII, 129, 
XXV, 89. 
Tëlu. Bul. hetz. Mak. talu, Sund. tilu, Bug. talu, Bat. Tsidji 
t o 1 u , Day. Malg. t e 1 o , Tag. Bis. t a t ë 1 u. B. t a t i g a 
(drie), XXIV, 223. 
2, Sakatëlu, B. sarëii tatë lu (bij drie tegelijk) , XXIII, 58. 
Tëlun. 1. Tumëlun, B. memped (neerhangen), XI, 55, 
Aor. Act. 
B. anolet, XVI, 40, buigen, neigen. 
2. Anluii, B. lungah, XVI, 34, Act. Dur. 
Tëwas. Jav. tuwas, B. maphala (ten gevolge hebben), XIII, 30. 
B. polih (vrucht dragen), XXI, 69. 
2. Tëwasa, B. yen kënëh, XXIV, 150. 
Tëwër (tëwör). 1. Manëwër, B. ra aiiihis (snijden) , VIII, 33, 
Act. Dur. 

2. Tinëwör, B. kahëhëb (werd afgesneden), IV, 55, Pass. 
Dur. Ind. 

3. Tumëwor, B. maiiëhëb (sneed af), IV, 61, Aor. Act. 
Tëhak. 1. Tinëhak, B. tinwëk (gestoken worden) , XIX , 1 2 1 , 

Pass. Dur. 
Tëhër. B. nraris (vervolgens), [II, 39. 
B. sambilan (terwijl). V, 67. 

2. Manëhër, B. maülasaii (voortgaan), VI, 172, Act. 
Dur. 

B. ma nraris, II, 3, XX, 62, XXI, 207 (vervolgens). 
B. lawut, VIII, 31, vervolgens. 

3. Nëhër, B. raris (vervolgens), II, 77. 

4. Anëhër, B. nëgën, XV, 63. 

5. Atëhëra, B. rarisaü, XIV, 62, voortgaan (Fut. Conj.). 

6. Tëhëra, B. nëhëran, XXIV, 151. 

7. Atëhër, B. talër (vervolgens), XXV, 32. 
B. raris, XXVI, 22. 



TÖB TÏKSllA. 225 

Tob. 1. Atöb, B. samah (dicht bij elkaar), II, 28, XVI, 21 , 
37, XXIV, 108. 
B. nëd, XXV, 96. 
2. Matöb, hetzelfde, VI, 96, XI, 90, XVI, 24, XVII 

123, XXIV, 98. 
B. ënöd, VII, 107, XVI, 47. 
Tika (tika). Vgl. B. T. L. V. 1899, p. 100. Hetzelfde als ika, 
maar met nadruk, zelfst. prou. dem. B. ikai'i (deze), 11,23, 
VII, 76, (het). 
B. punika (het), VIII, 104 (tik tl), X, 53 (nu) , XXIII , 54 

(deze), XI, 1 (het). 
B. ika (de), VIII, 102, XXI, 38 (het). 
*ïikaü (tikaü). hetzelfde met 't lidwoord verbonden (bijvoei^elijk). 
B. ika (zijn), II, 74. 
B. ikan (de), III, 25, VII, 86. 

B. punika (de), VII, 55, 97, VIII, 170, XVII, 82, II, 
7, XX, 63 (het), XXI, 154 (de), XVIII, 36 (de), XIX, 
74, enz. 
*Tikanan. versterkte vorm van 't vorige. Bal. hetzelfde (deze) , 
XXVI, 25, VII, 65. 
Tikël. Sund. hetz. B. ëlun (gebogen), II, 58. 

B. tagël (gebogen), V, 27, XX, 26, XVIII, 36, XIX, 
77, 122, 126, XXII, 32, XXIV, 8, enz. 

2. Tikëla, B. ëlun (zal gebogen worden), II, 52. 

3. T u m i k ë 1 1 a k ë n , B. m a n ë 1 u n a n (boog) , II , 57 , Aor. Act. 

4. Anikëlakën, B. hetzelfde (Act. Dur.), V, 33. 

5. Manikël, B. manëmpak (knakte), XXI, 196 (Act. 
Dur.). 

6. Anikël, B. nëmpak (knakten), XXII, 59 (Act,. Dur.). 

7. ar t i k ë 11 a k ë n , B. k a ë 1 u n a n , XXII , 82 (terwijl hij 
boog) , Part. Praes, 

8. Tinikël, B. kaëluii (gebogen worden), XXIII, 4 
(Pass. Dur.). 

Tike. B. sap un ika (dit), VIII, 148. 

Tlksna. S. scherp, B. tajëp, VI, 76, VII, 86, XIV, 13. 

B. raalandëp, IX, 46, 72. 

B. mapanas, IX, 62, XX, 54. 

B. maüa n , XV , 56. 

B. manësi n , VII , 7. 

B. nulapin, VII, 53. 

1.5 



226 TiGA — TiiiTin, 

B. panës, VII, 59, IX, 5. 
B. dahat, XXI, 35, 227, XXIII, 76. 
B. nëbu si n, IX, 5. 
B. pan as, IX, 78. 

B. landëp, XX, 24, XXII, 78, XYIII, 43, XX, 73. 
B. këbus, XVI, 27, XXI, 183, 195, 218. 
B. inanëbusin, XVII, 109, 110. 
B. api! XX, 40. 
Tiga. Mal. Sund. hetz. I. B. katriui (drie), III, 28. 
B. tatëlu, X, 21, XXIV, 2. 

2. Tigaii, B. tiga (drietal van), IV, 2. 
B. tatëlu, XXTII, 85. 

3. Ka tiga, B. makatatëlu (met haar drieën), I, 18. 

4. Sakatiga, B. këmbul tiga (bij drie tegelijk), XV, 62. 

5. Tigai'i atus, B. tëluii atus (drie honderd), VIII, 138. 
IL Patiga, B. babataran, VIII, 54, XXV, 13? 

B. mabataran, XXV, 8? 
Tiiikah. B. kagëlaran (regeling), XII, 54. 

2. an patinkah, B. magëlar (dat regelde), XXVI, 35, 
met nadruk op 't voorafgaande woord nka (daar). 
Tinkik-tinkik. B. tatenkek, XXIV, 110, soort van water- 
vogel. (Jav. ten kek). 
Tingar. B. sin panarëp? XII, 53, schild, pijl? 
Tiügal. Mal, Sund. hetz., Mad. diiigöl. 

1. Matingal, B. mafilesanin (achterblijven), XXI, 28. 

2. Tiningal, B. kaplahiban (achtergelaten worden), 
XXU, 52. 

B. kablasin, XXV, 76, XXVI, 8, Pass. Dur. 

3. Maningalakën , B. manalahin (achterlaten), XXV, 22, 
Act. Dur. 

Tingaluü. B. ras e (soort van civetkat), IX, 57, Mad. tënga- 
lun, Jav. trëngaluh. Bik. singalon. 

Tingil. 1. Tingilakën, omhoog heffen, XXVI, 25. 

Tingilin. Mal. tëiigilin, Jav. trëngilin. B. kulësih (mie- 
reneter), IX, 57, XXIV, 123, XXV, 101, XXVI, 25. 

Tingilis. 1. Aningilis, B. n ing ar (alleen staan), XXII, 53, 
Act. Dur. 
B. manuügal (alleen achterblijven), XXIII, 20. 

Tintin. I. 1. Anintin, B. ninëtan (herinneren) , XXIV, 109, 
Act. Dur. 



TiriHAt TlTAtt. 227 

2. Maiiintiti, B. inanerëtiii (inhouden)? XXIV, 109, Act, 

Dur. , kiezen. 
II. M a u i n t i n , B. t i h i ii-t i h i n (soort van vogel ?) , XXV , 

19, 55. 
Tiiihal. B. was was (inspecteer), III, 80, Imp. Pass. 
B. ei aak (blik), XIX, 76. 
yan tiiihal, B. maciiiak (terwijl keek), XI, 36. 

2. Ti il h al i, B. cinakin (neem in acht), III, 72, Imp. 
Trans. Pass. 

B. cióak (zie), XXIV, 32, 157, XXV, 1. 

3. T umi il hal, B. macinhak, III, 84, Aor. Act. 
Tiiilias. 1. Tinirihas, B. kasëmpal, XXI, 169, gespleten 

worden , Pass. Dur. 
Tiüjo. Bat. au in do, Bug. tiro, Mad. teiigu. Lamp. tiiigau. 
Mal. tinjau. B. anwaspada (bezoeken), XXIV, 111. 

2. Paniüjowau, B. panuiiahan (belvédère), I, 15. 
B. paton tonan, XXVI, 23. 

3. Maniujo, B. manëlokin (bekijken), VI, 47, Act. Dur. 
B. niutip, VIII, 193 (kijken). 

4. Tininjo, B. kaintip (bekeken worden), VIII, (38, 
Pass. Dur. 

6. n paninjo, B. manintip (dat keek), VIII, 69, met 
nadruk op het voorafgaande woord Hanüman. 

7. Tinjon, B. tinhalin (worde gekeken), VII, 51, Juss. 
Pass. 

8. Aniüjo, B. na was (keek), XXI, 172 (Act. Dur.). 
Tida. 1. Tinida, B. kadahatan, XXVI, 5 (Pass. Dur.) , hard 

getrokken worden? 
Tidëm. B. man idem! VIII, 30, stil (naam van een toover- 

spreuk). 
Tindih. Mal. tindih. 1. Matindih , B. katind ih, XXII, 52, 

liggen op, drukken op. 
Titah. Mal. hetz. B. tinkah, XXIII, 54, slagorde. 
B. k a t i ii k a h a il , IX , 61. 

2. Tinitah, B. tininkah (bevolen worden), XIX, 34, 
XXI, 202, Pass. Dur. 

B. tin u d u h , XIX , 64 , in slagorde gesteld. 

3. Atitah, B. madabdab, XXI, 202. 

4. T umi t aha, B. nandaaii (in slagorde te scharen), XXI, 
199, Aor. Act. Conj. 



228 TITIK TIPIS. 

5. Tumitah, B. nasoraü! (het bevel voeren over), XV , 38. 
Titik. B. pariksa, XXIII, 54, zindelijk, nauwgezet. 
Titip. 1. Atitip, B. tëbël (dicht), VII, 51. 

B. kat ah (dicht bij elkaar), VIII, 25. 

B. madëpit (opeengestapeld), XIX, 129, XXI, 193. 

2. Matitip, B. atap, XV, 28. 

B. tnadëpit (dicht opeen), XIX, 51. Vgl. tip. 
Titir. Mal. hetz. 1. Atitira, B. tan mari (telkens slaan), 
XXIV, 110. 

2. Auitir, B. nëeëhaii, VIII, 100, Act. Dur. Ind. 
Titis. Mal. hetz. Sand. tetes. B. tiba (het neerdruppelen) , 
XXIII, 34. 

2. Tinitisakën, B. katibanin (werd besprenkeld met), 
I, 27, Dur. Pass. 

3. Tinitisan, B. siniratau (besprenkeld worden met) , XV, 
12, Dur. Pass. 

4. Tumitis, B. paslehet (druppelde), XVI, 17, Aor. Act. 

5. Katitisan, B. kakëtisan (besprenkeld met), XXIV, 
126, Aor. Pass. 

6. Titisi, B. tiniban (besprenkel), XXVI, 21. 
Titih. B. patankëp (overwinning), XIV, 15, 16. 

2. Matitih, B. masusun (opgestapeld), IX, 30. 

3. Titihi, B. tëtëhin (drukken op), XII, 18. Abs. 

4. Atitih, B. salin tëtëh (elkaar bedekken), XV, 28. 
B. matumpuk (opgestapeld), XIX, 123. 

5. Tumitih, Aor. Act. B. tumuli, XXI, 230, aandringend 
(Edit. tuwi weh). 

6. Katitihan, B. katindihin (bedekt worden), XXII, 63, 
Aor. Pass. 

B. katëtëhan (opgestapeld), XXIII, 8. 
Tindak. B. nankisaü (afweren)? XIX, 15. 

B. mamarakan (schrijden), XX, 11. 

2. Turaindak, B. m at ind a kan, (ging), XIX, 56, 104. 

B. lumaku (gingen), XXI, 172, XXIII, 77, XXVI, 23. 

B. matankis (weerde af).? XXI, 231. 

B. mamarggi (ging), XXI, 238, Aor. Act. 
Tip. 1. Atip, B. atëp (in dichte drommen), IX, 77, 

2. Ma tip, B. madëpit (opgestapeld), XV, 28, Vgl. titip. 
Tipis. Mal. Bat. nip is. Mak. nipisiq. Bug. nipiq, Malag. 
tifj. 1. Au i pis, B. ampis (dun), V, 7. 



TIBS, — TIBRA. 229 

B. tipis, VIII, 105. 
B. halu s , X, 71. 
Tiba. Tag. giba, Bis. goba, Bul. rcwa, Sund. rëbah. B. 
labuh (vallen), VIII, 7. 
B. ma nepen, XI, 33, het vallen. 
B. nibani, VI, 163, XI, 33. 

B. onvertaald, IX, 66 (het neervallen), 281, XIX, 30. 
B. katiban, XI, 2. 

B. hëbah, II, 24, XXIII, 69, IX, 83 (viel). 
B. pulanin, VIII, 137. 
B. patitah, XX, 41 , II, 35. 
B. tiban, VI, 22, enz. 

2. Ti b a-t i ba, B. ma sa saudhja (het vallen van den avond), 
III, 37. 

3. Tibakëna, B. pulan (laat vallen), XVII, 51, 90, .luss. 
Pass. 

4. Tumiba, B. pao re eet (viel), VI, 51, Aor. Act. 
B. katëpen, VIII, 96, XX, 43. 

B. tiba, VIII, 215. 
B. patitah, XIV, 39. 
B. rawuh, VIII, 170. 

5. Ka t iba, B. hëbah (komen te vallen), XVII, 23, XIX, 
111, XX, 24, XXI, 3, XXII, 33. 

6. T i b a k ë n , B. k a p a r a k a n (doen vallen) , XVI , 2 , 
Caus. Abs. 

7. Katiban, B. labuh (bevallen), XVI, 17, Part. Aor. 
Pass. 

8. Tiniban, B. katrapaii, XVI, 2, Part. Dm. Pass. 

9. Man iba, B. nibani (vallen), XVI, 16, Act. Dur. 

10. Tinibakën, B. ka pulan (geworpen worden), XX, 19. 

11. Aniba, B. raulanin (vallen), XXII, 50. Act. Dur. 
Tlbia. S. tiwra (streng, scherp, erg. hevig), B. rahat (hevig- 
heid), III, 23, VI, 69. 

B. dahat, XVII, 5, 22, 104, VI, 27. 

B. kadahatan, XVII, 88. 

B. anraücapin (hevig), V, 41. 

B. n rahat, VI, 28. 

B. nëflën, VI, 62. 

B. palin, VII, 31, XVIII, 25. 

B. 9irnna, VIII, 156, enz. 



230 TIMAH — TIRU. 

Tiiiiah. Mal. Sund. lietz. B. onvertaald, lood, IX, 85, adj. 
Timingila. S. vischversliuder, roofvisch , B. g u 1 i n-g u 1 i n , 
VIII, 7. 

B. mina agën, XVII, 15. 

B. manleglog! XV, 19. 
Timtiin. 1. Timtimën, B. pasalehet, vloeien, XI, 30. 
Tinipan. Mal. hetz. Mak. tem pan, B. akëjok (kreupel), 
X, 30. 

B. kipa, IV, 72, kreupel. 
Tinipal. B. këtës (opengespleten) , IV, 72, XXI, 219. 

2. Tini inpalakën, B. matandiuan (gewond worden), V, 
18, Pass. Dur. 

3. Katimpal, B. këcag (gebroken worden), VI, 51, 53. 
B. ngalantës (gespleten worden), XX, 14. 

B. kapagutan (gebroken), XXI, 225. 

B. a m b e 1 e ó (afgesneden), XXII, 50, van de tong (Aor. 
Pass.). 
Tiinpuh. Sund. hetz. Mal. bërtimpuh, Tag. timp oh o. 

1. Matimpuha, B. maiiajap (zal dienen), XVII, 12, Fut. 

2. Matimpuh, B. malingih (zat), XXIV, 194, van het 
zitten van vrouwen gezegd , met een been onder zich gebogen. 

Tiiiiprut. 1. Manimprut, B. mamëcik, knijpen, VI, 164 

(Act. Dur.), Jav. E. 121. 
Thiibaü. Tag. Bis. Bul. Day. Sund. Bug. Mak. Mal. Bat. hetz. 

1. Turn im bah, B. matandinan (wedijverde), XVI, 10, 
Aor. Act. 

2. Manimbani, B. manaiidihin (tegenover stellen), 
XXIII, 57. Act. Dur. 

3. Animban, B. kasarëhin, XXVI, 23, x\ct. Dur., 
evenaren. 

Timbun. B. kapunduh (opgestapeld), XV, 69. 

B. nambunah, XXIV, 189. 

2. Patimbunan, B. patambunan (stapel), XXIV, 74. 
Tiritis. 1. Makatiritis, B. pakatistis, VI, 124, drup- 
pelen. 

B. pakaritis (droop), XX, 48. 
Tiris. B. kalapa, XXV, 71, soort van kokosnoot. 
Tim. 1. Tirün, B. mukatulad (als voorbeeld), XIII, 4. 

tiruu, B. matulad (navolgenswaardig) , III, 32. 

B. tulad, XXIV, 58, XXV, 104. 



TIRTHA TIS (tis). 231 

2. Tiru-tirnn, B. makaj)a t u 1 ad an (tot voorbeeld strek- 
ken), Xll, 51. 

B. sëdëi'i tulad (iiavolgenswaardig) , XXIII, 52. 
B. tulad-tuladan, XXIV, 113. 

3. Sat iru-tirun, B. sëcjën tulad, III, 60, zeer navolgens- 
waardig (Intens.). 

B. sëdën makatulad, XXI, 126. 

4. Satirun, B. sedën tulad, XX, 67, XXI, 87, XXIV, 
1 1 , navolgenswaardig. 

B. sëdën tilad, XXIV, 202. 

5. Tiru-tiru, B. maturah-t u rah , XXV, 55, navolgen. 

6. Tuin ir wa, B. niru, XXVI, 51 (Conj. Aor. Act, na 
mahy u n). 

Tlrtha. S. heilige badplaats, B. toja! II, 1, III, 4, XXIV, 
214, XXV, 107, De B. vert. fout. 
B. mrta! XXIV, 225, De B. vert. fout. 
Tiryyak. S. dier, B. ubuhan, IX, 4, XXI, 122. 

B. buwan, X, 9, XIV, 10. 
ïila. S. sesamplant, B. lënis (olie) , l, 27 , XVII , 101 , XXVI , 25. 
Tilanjan. 1. Matilanjan, B. matinkah madum, IV, 70, 
met een schild. 
^Tilandaga. B. lënis ëkuman, XXVI, 25, soort van vrucht. 
Tilam (tilam). Mal. Day. Sund. hetz. B. kasur (matras), III, 
23, XX, 79, XXVI, 28, 29, 31, XI, 8. 
2. Pinakatilam, B. makatalëd! XVLI, 127, tot matras 
strekken. 
Tilëm. B. patirthan (lijfoffer) , III, 32. 
B. panlon (het afnemen), III, 32. 
B. onvertaald , VIII , 88 , hetz. 
Tiligir. l.Tiligiran, B. gënit, XXV, 63, soort van vogel. 
Tilil. I. B. bun (soort van slingerplant) , XXII, 69, XXV , 73. 

II. B. tilin (soort van watersnip), XXIV, 121, XXV, 33. 
Tiwas. Mal. hetz. B. nibakah, XV, 27, omkomen. 
Tis (tis). B. asërëp (koelte), VI, 48, XVII, 107. 
B. onvertaald (koude), XXI, 88, 202. 
B. manëtisan, VII, 17. 

2. Matis, B. tis (koud), lïl, 23, VIII, 121, XI, 78. 
B. ëtis, VIII, 45, XVI, 11. 

3. Atis, B. wilis (koel), XVI, 14. 
B. ëtis (koud), XXVI, 25. 



232 TISTIS TUKAR. 

B. dinin, VI, 200, VIIl , 170. 

atis, B. dayuh, IX, 5, XXI, 231 (atïs), VII, 66, XV, 

20, XXIV, 231. 
4. taiipanisi, B. nora nëtisin (niet verkoelend), 111,23, 

XXIV, 231. 
Tistis. B. samun (eenzaam), III, 25. 
Tihari. I. Suud. helz. , Mal. tiyaü. B. onvertaald (])aal , raast). 

XXII, 32. 
n. 1. Tumihan, B. pinatitisan (richtte, legde op), II, 

24, XXI, 218 (Aor. Act.). 
B. kapatitisan, II, 74. 
B. kap en tan au, VI, 166. 

2. Tihanakën, B. kapëntarian (mikte), VI, 60, Absol. 
B. matitisan, XV, 16, richtende. 

ar tihanakën, B. ma ra ëntanan (mikkende met), XXIV, 27. 

3. Anihanakën, B. matitisan (mikte met), XV, 18, 
anihanakën, XVI, 25 (Act. Dur.). 

anihanakën, B. mamëntanan, XXIII, 2. 
Tihiili. 1. Tumihuk, B. piyuk (splijten) , XIX, 125, Aor. Act. 

B. cipak, XXI, 219. 
Tfi. B. tuwi! XXIV, 61, XXI, 45, collier. (Mak. toloroq, 
Mad. noor, Bug. toloq.) 

2. Tinü, B. kaikët (samengevlochten wordeu), XVII, 119, 
Pass. Dur. 

3. Manil, B. nalih! XVII, 120, bonden samen (Act. Dur.). 
De B. vert. foutief. 

4. Panü, B. panuntunan, XXI, 44, raiddel waardoor 
gebonden wordt. 

5. Anü, B. nalap (bond), XXV, 84, Act. Dur. 

Tukan. B, bwat! XXIV, 122, soort aap (lemur) , Mal. k ukan. 
Tukar. B. laga (strijd), XVIII, 23. 

B. map ra n, VI, 194. 

B. raayudha, XIII, 23. 

3. Matukara, B. magocoh, VI, 177, conj. na jati, om 
te twisten. 

4. Matukar, B. majaljal (twisten), VI, 180, VIII, 31. 

5. At uk ar, B. magocoh (twisten), VI, 184. 
B. mayudha (strijden), VIII, 135. 

6. Patukar-tukar, B. nunkas masyat, VIII, 32, 't voort- 
durend twisten. 



TUKëR — TunGAn. 233 

7. Atukara, B. malaga (strijd), X, 66, Juss. 
15. alapa (strijd), V, 20. Couj. na yak (als ik). 

8. anpatukar, B. masyat (terwijl strijdt), XUI, 60. 

9. Tinukar, B. malaga, XXII, 37, Pass. Dur. 

Tukër. 1. Anukër, B. nuludaü, wierpeu omver, XXIII, 80 , 

(Act. Dur.). 
Tukël. 1. Tinukël, B. kawilah, XXIV, 141 , verdubbeld 

worden (Pass. Dur,). 
Tukup. 1 . n d a k t u k u p i , B. t i t y a n t ë k ë p i n (laat ik 

bedekken), VII, 75. 

2. Mat uk u p-tuk up , B. uakëp-uakëp (bedekten) , Vil , 78. 

3. Tinukup, B. tëkëj) (gesloten worden), IX, 31, Pass. 
Dur. 

B. pëtën-pëtën, XXV, 81, bedekt worden. 

4. A tukup, B. nëkëp (bedekten), XVII, 114. 

Tukul. 1. Anuküla, B. nasor, XX, 66, zal onderdoen (Fut. 

Act.). Vgl. tunkul. 
Tugur. 1. Atugur, B, tanmari (onophoudelijk), XIX, 54. 
B. luagëgwanan (stand houden), XIX, 124, XXIII, 60. 
B. tanpëgat (onafgebroken), XXII, 52, XXIV, 21. 
2. M atugur, hetzelfde, XXI, 239. 
Tiinkak. Mal. tonkak. 1. Anunkak, B. nalëjëk, XIX, 

117, op de hielen volgen (Act. Dur.). 
Tuükiil. 1. Tumunkul, B. üëhëb (bukten zich), XII, 65, 
Aor. Act. 
B. iiinak tuhun, XXIV, 254, boog zich. 
B. nu n tuk, I, 45, VIÏ , 44. 

B. manuntuk, II, 5, VIII, 104, XII, 35, XIX, 20. 
tunkuli, B. kakëbkëb, XVII, 37 (Abs.). 

2. ar tunkuli, B. duhuriu (zich buigende over), VI, 21. 

3. Katunkulan, B. kaunkulan, VIII, 3, onder zich 
hebben. 

4. Manunkul, B. naruhan, XXIV, 116 (zich buigen). 
Timgak, B. tusuka, doorboor, XXI, 189. 

Tungan. B. ka te gak in (klommen op), XIX, 79 (Abs.). 

2. Manungan, B. nëgakiu (besteeg), XI, 2 (Act. Dur.). 
B. mahawan kuda (stegen te paard), II, 67. 

B. maa^wa, XIX, 73. 

3. Tunganan, B. wahaua (voertuig), II, 78, III, 71. 
B. a^wa (paard), VI, 51 , IX, 73, XII, 60, XIX, 65. 



234 TUilGATAP — TÜDQÜ. 

B. turaga (paard), XIX, 14, XXV, 96. 

B. jaran (paard), XIX, 66, XX, 52, IX, 75. 

B. palingihan (voertuig), Vltl, 55, XXVI, 7. 

B. kuda (paard), IX, 62. 

B. undakan, (paard), XI, 2. 

4. Anungan, B. nëgakin (bestijgen), XIX, 16, Act. Dur. 

5. Anungani, B. manëgakin, XIX, 117, klommen op 
(Act. Dur.). 

6. np anungan, B. malii'igih (dat besteeg), XXIII, 83. 

7. Tungan-t ungaii , B. uungah nëgakin, XXIV, 103. 

8. Tinunganan, B. katëgakin (bestegen worden), XXV, 
96. Pass. Dur. 

Tungayap. 1. Atungayapan, B. mangawenan, XXVI , 

25 , hangen. 
Tungal. B. dewek (alleen), V, 58. 

B. pasikian (alleen), IV, 50. 

B. patuh (eensgezind), VII, 77. 

B. akatih (één enkel), IX, 71. 

B. abësik (één enkele), X, 22. 

2. Tunga-tungal, B. mandewek, IV, 38, IX, 56, 
(geheel alleen). 

B. pararagan (geheel alleen), V, 68. 
B. dewek (geheel alleen), IV, 66. 

3. Matungalan, B. pada masiki (ieder met één), IV, 8. 

4. Tungal a, B. masikian (zij één), VI, 193. 

5. xVnunga-nungal, B. mandihi (geheel alleen zijn), 
IX, 69. 

6. Atungalan, B. asiki (één hebben), IX, 77. 

7. Anungali, B. manowoüin, XIX, 1 17 , isoleeren. (Sund. 
Day. Bat. hetz. Mak tungala, Tag. tongali). 

ïungën. 1. Manungëna. B. maiij ëlëgan (onvervaard te zijn), 

XXIII, 50. Conj. Act. Dur. 
Tungu. Sund. Mal. hetz. 1. Matungwa, B. makërait (om te 

bewaken), V, 6, Conj. Act. 

2. Tiuungu, B. kinëmit (bewaakt wordende), VIII, 91, 
Part. Pass. Dur. 

3. A tungu, B. manërait (bewaakten), XI, 96, Act. Ind. 
B, mangëbag (bewaken), VIII, 61. 

4. Atungwa, B. ligënahin (om te bewaken), XIX, 35. 
(Conj.). 



TuriGUL — TuiKJës. 235 

5. T u n g w a , B. k ë m i t , XIX , 35 , ^ uss. 

6. Matungu, B. manraksa, XX, 33, op wacht zijn. 
B. makërait, XXI, 202, bewakende. 

Timgul. 1. Manungul, B. ra au inga r, XXII, 52 , uitstekende , 

(Act. Dur.). 
Tuntun. Sund. Bat. hetz. Lamp. tuutun, Bik. tarontoh. B. 
muncuk (top, kruin, punt), IX, 56. 
B. pan are p (toppunt), XIII, 45. 
B. agra (toppunt), XV, 41. 
B. p u c u k (punt) , XV , 17. 
B. sari, XXII, 27. 

2. Matuntun, B. pararagatan (tot einde hebben), III , 31 . 

3. Katuntunan, B. nare pan (het toppunt bereikt hebben) , 
XXIV, 42. 

4. Manuntun, B. di duhur (boven zijn), IX, 56. 

5. P a n u ii t u n , B. p a n a r ë p (toppunt) , XXII , 53. 
Tucca. S. tuccha (ledig, nietig), B. rusak, XII, 41. 

B. nisla, XXIV, 119. 
Tujah. Mal. hetz. B. katujahan (uitgestoken worden), XIX, 
118, Absol. (van de oogen). 

an tujah, B. numbuk, XXII , 50 , uitstekende , uitstootende. 

2. Tin uj ah, B ka tujah (gestoken worden), Pass. Dur. 
XIX, 111. 
Tuju. Sund. Mal. Mak. Bug. hetz. B. raatitis (treilen) , VI , 122. 

ar tuju, B. matitisan (mikken), VI, 171. 

tuju, B. kapatitis, XIX, 118, getroffen worden. 

B. pan ah (zal gemikt worden), II, 75. 

2. Tujun, B. kapatitis (om te mikken op), IX, 47. 

3. Tujwa, B, patitisan (al waarop gemikt werd) , XIX , 84. 

4. Tinuju, B. patitis (gemikt worden), XIX, 105. Pass. 
Dur. 

B. katujah (getroffen), XIX, 111. 
Tuiijun. Sund. Mal. hetz. Mak. tofijon. Bug. toncon, B. 
onvertaald, lotus, II, 18. 
B. kumuda, II, 8, 19, XI, 58, XII, 1, 46. 
B. padma, XVT , 19, 21, XXIV, 193, IX, 44. 
Tundsighata. S. met den snavel aanvallende, B. Iwir tumpu- 

kau j u n , VI , 19. 
Tundës. B. katuju (platgedrukt worden), XXI, 218, Absol. 
(van het hoofd). 



236 Tundun — tut. 

2. Tinuudës, B. hetzelfde (Pass. Dur.) , XXI, 197, 228. 
B. katalënan, VI, 167. 
Tanduü. Suud, hetz. Mal. tuudun (wegjagen), B. tuhuk 
(stoot), XIX, 18. Imp. 

2. Katundui'i, B. katuludan (werd omver gestooten) , IX, 
54, XIX, 86, (Pass. Aor.). 

3. AtuTidun, B. matuhuk, XII, 56, dringen. 

4. Matuiidun, B. matulud (omver stooten) , XIX, 54, 
XXII, 52. 

5. Atundunan,B. salin tuludan (elkaar stooten), XXV, 53. 

6. Tinundun, B. nuludan (gestooten worden), XXVI, 22. 
Pass. Dur. 

Tut. Sund. Mal. Bat. turut. Mak. Bug. turuq, Mad. toroq, 
Form. tugot, Tag. Bis. togot, B. rawuli (langs) , III , 5, 
B. salantan (langs), III, 18, XII, 56. 
B. onvertaald (langs), XXV, 38. 
B. sar en (volg), VII, 49, Imper. 
Tantut, B. nora suka (onwillig), XXIV, 102. 

2. Satüt, B. tinüt (bij 't volgen), VII, 84. 

3. ntuta, B. nutug (om te volgen), VI, 42. 

4. Tdta, B. sarën (zal volgen) , XII, 44, conj. na byaktan. 

5. Matüt, B. patuh (eensgezind), I, 18. 

6. Matüta, B. masihan (wees volgzaam), XVIII, 23, 
(Juss,). 

7. Tumüt, B. sarën (volgde), I, 59. 
B. k a i r i n (volgde op) , 1 , 60. 

B. nirin (volgde), II, 66, II[, 10, 14, 17, 29, 33, VII, 

53, 84. 
B. man ir in (mede), II, 6. 
B, tinüt, VIII, 159, Aor. Act. enz. 

8. Tütana, B. tulad (wordt nagevolgd), II, 4 1 , Conj . Pass. 
Trans, na jan. 

B. ulurin, VI, 63. 

B. laksaiiain, VI, 180, Conj. Pass. 

B. kapatütan, V, 38, worde gevolg gegeven (Juss. Pass.) 

B. irin, XVII, 36 (zal gevolgd worden). Fat. Pass. 

9. Tuten, B. marggiyan (worde opgevolgd), III, 53, 
Juss. Pass. 

B. tulad (zal worden nagevolgd), VI, 186. Fut. Pass. 
10. Patüt, B. kakikisan (het opvolgen), III, 77. 



TÖT. 237 

11. Tinut,B j a la naü (opgevolgd worden), IIT, 84, VlIT, lis. 
B. kakëpun (achtervolgd worden), VI, 26. 

B. lak sa na (opgevolgd worden), V. 37. 
B. tirun (nagevolgd worden), VI, 186. 
B. laksauayan (opgevolgd worden), X, 28, Pass. Dur. Ind. 

1 2. T i n 11 1 a , B. j a 1 a n a n (worde gevolgd) , X , 50 , Pass, 
üur. Opt. 

13. Manuti, B. manutug (achtervolgde), V. 44, Act. Uur. 
Trans. 

B. iijalanan (op te volgen), XXI, 141, XXV, 32. 

1 4. T i u ü t a n , B. k a i r i n a a (gevolgd worden) , XVII , 45 , 
Pass. Dur, 

15. Tütüta, B. nirin (wees volgzaam), VI, 147. .luss. 

16. Tumüta, B. üarënin (zal mede), VII, 82, V , 64 , Fut. 
B. ninütin (zal volgen), VI, 188. 

B. nirinan (zou mede), XVII, 62. 
B. raaüirin, XXIV, 237. 

17. Tilti, B. lampahin (worde gevolgd), VI, 195, Imp. 
Pass. Trans. 

18. At ut, B. puput (eensgezind), VI, 202. 
B. patuh, VII, 77. 

B. bwat! XVIII, 3. De B, vert. foutief. 
B. asih, VI, 184. 

19. Tütakën, B. nutug (volgende), IX , 70, Part. Praes. Act. 

20. Anüt, B. niriii (vofgde) , XIX, 32, XXIV, 87. 
B. ninütin, XXIV, 49. 

21. T u m ü t a k ë n , B. ra a n i r i n a n (volgen) , XXI , 54 , Aor. xVct. 

22. Anüti, B. laksanayan (volgen), XXI, 141, Act. Uur. 
Trans. 

B. kasarënin, XXVI, 24. 

23. Tinütakëu, B. katutug (gevolgd worden), XXI, 242, 
Pass. Uur. 

24. Anü taken, B. manutug (volgen), XXI, 242, Act. Dur. 
B. üarënin, XXIV, 70. 

B. manarënin, XXV, 55. 

25. Manüta, B. nütutin (te volgen), XXIV, 46, V, 64, 
Act. Uur. Conj. 

26. yan panüt, B. maiiirin, dat (wij) volgen, XXIV, 29. 

27. Kapitüt, B. ban buntüt! (meegesleept worden), XXV, 
20, Pass. Aor. Ue B. vert. verkeerd. 



238 TUTU TUTUR. 

28. Mauütakën, B. laksanain (volgen), XXV , 61 , Act. Dur. 

29. Matütan, B. nabdabaii (eendrachtig zijn), XXVI, 24. 
Tutu. I. 1. Matutwan, B. meuak (rustig), XXVI, 24. 

II. 1. Tutwan, B. nutug (bereiken)! XXVI, 24, stanipsel, 

of de plant polytoca bracteata? 
2. Katutu, B. katëhën (gestampt worden), XIX, 107, 
Aor. Pass. 
Tutuk. B. buil ut (mond), IV, 7, VIII, 5, XX, 44. 

B. cankëm, XV, 22, XIX, 76, XI, 1 , XX, 59, XXI, 189, 

XXII, 51. 
B. muka, XII, 32. Malag. totuka. Bat. tukt uk (sneb). 
Tutug. Sund. hetz. (einde), B. pa në las (volmaakt) , XXIII, 85. 
B. tel as (einde), XXIV, 18. 
B. manutug, XXV, 108. 

2. Tutugakën, ten einde brengen, XXV, 108. 
ïütüt. 1. Katütüt, B. karakët (meegesleept), XII, 41. 
Tutup. 1. Katutupan, B. kasaputan, XXI, 133, VIII, 156 

(bedekt). 
Tutur. Sund, hetz. (volgen), Mad. totor (zeggen), Mal. tutur 
(spreken). 

1. B. mei in (denken), VII, 46, 80 (herinnering), 82. 

2. Katutur, B. makelinan (komen te denken), VII, 24. 
B. mei in, VIII, 165. 

B. elinin, U, 47. 
B. kelinan, VI, 169. 

3. Katuturakën, B. katatwan ika! Imp. Pass. van: 
denkeu aan , III , 53. 

4. Matutur, B. melin (denken aan), VIII, 39, IV, 26. 
B. niüëtan, XV, 3. 

B. maninëtan, XV, 4. 
B. manelinan, XII, 49. 

5. Atutur, B melin (tot bewustzijn komen), VII, 106, 
VIII, 156. 

6. Kinatuturan, B. kaelinan (pass. van '/zich herinneren //), 
XV, 3. 

7. Mamitutur, B. manelinan (denken aan), XXV, 115. 

8. Matutura, B. hetzelfde, XXVI, 50, denk aan (Juss.). 
II. 1. Tumutur, B. nutug (volgde), V, 84, Aor. Act. 

2. Tumutura, B, manirin (zal volgen), V , 59 , Fut. Act. 

3. Tumutüri, B, raanalih (volg), V, 64, Imper. Aor. 



TUTUH TUNU. 239 

4. Anuturakëna, B. nutugaii (zal volgen), XXI. 124, 
Fut. Act. 
Tiituh. Sund. Mal. hetz. 1. Tinutuhan, B. b in hor, XXIII, 

69, getopt, gesnoeid worden (Pass. Dur.). 
Tiidin. Sund. hetz. (betichten). 1. Tudini, H. tinudin 
(bedreigend), V, 36, Abs. 
B. katudin, Vlll , 141, X, 69, XVIII, 44. 
B. manudin, VIII, 136. 

2. Tinudinan, B. katudin (bedreigd worden), VI, 30, 
Pass. Dur. 

3. Manudini, B. manudin (dreigende), XIV, 59, Part. 
Dur. Act. 

Tlidllh. Sund. hetz. 1. Tumudühakën, B. matujuhaü, 

XI, 60, toonde, wees aan (Aor. Act.). 
Tniia. Sund. hetz. Mad. tunah. S. t u n n a (gestooten , gestoken , 
beschadigd). 
B. katunan (tekortkoming) , XXVI , 35. 
2. Katunan, B. nora hana (er niet zijn), XV, 41, ge- 
ëclipseerd (de zou). 
Tunabuddhi. S. tunnabuddhi (weinig verstandig), B. kahi- 

nan manah, XXVI, 51. 
Tunah. 1. Matunah, B. magëlar (verspreid), XIX, 129. 

2. Patunahan, B. panësikan? XV, 55, kot, hok? 
Tunu. Mal. Mak. Bug. hetz. Mad. tono, B. gësën (verbran- 
den), VI, 74. 
B. kagësën (verbrand worden), XXIV, 89. 

2. Tumunwa, B. mahgësën (te verbranden), III, 32 , Conj. 
Aor. Act. 

3. Tiuunwan, B. gësön (verbrand worden), VI, 48, Pass. 
Dur. 

B. mangësëii, VI, 54. 
B. ginësëü, XI, 1 , 2. 

4. Matunu, B. gësëü (brandend), VI, 126 , XI , 4, Intrans. 
]i. magësën, XI, 3, XIV, 58. 

5. Tunwi, B. gësëü (worde in brand gestoken) , X , 70. Pass. 
Imp. Trans. 

6. an panunwi, B. amorbor (dat in brand staken) , X , 72. 
B. mangësëii, XIII, 37, 43, toen in brand staken. 

7. Katunwan, B. kagësëüan (verbrand worden), XI , 1 , 2 
B. gësën, XI, 3. Aor. Pass. 



240 TUNTIIN — TUMPAfl. 

8. Manunwi, B. onvertaald (verbranden), XI, 78. Act. Dur. 
Trans, 

9. Atuuu, B. gësën (verbranden), XIII, 11, lutrans. Act. 
B. puwun, Xlil, 72, XXll , 45. 

10. M a n u n w a n a , B. m a n g e s ë n a i'i (zou verbranden) , XIV , 
51 , Act. Dar. Trans. Cond. 

11. Tumunwana, B. man gësën (om te verbranden), XIX, 
55 (Aor. Act. Trans.). 

12. Panunwan, B. pa n gësën , XXIV, 188, om te verbranden. 
Tuutuu. Mal. hetz. Sund. tuntun, Mad. ton ton , B. n andan 

(geleidende), XIX, 20, Part. Praes. Act. 
B. panandan (geleider), XXI, 44, draad. 
B. pagantunan, (waaraan hangt), XXI, 149. 
2. Tumuntun, B. manandan (geleidde), XXVI, 22, Aor. 

Act. Ind. 
Tunduk. Sund. hetz. Mad. tonduq, B. m b et elan (doorboord) , 

XIX, 76. Abs. 
2. Katunduk, B. tusuk (doorboord worden), XXII, 51, 

Aor. Pass. 
Tüb. 1. Tinüb, B. tinëmpuh (bewogen worden), II, 8, VI, 

128, XIX, 112, Pass. üur. 

2. Katüb, B. hetzelfde, II, 43, 44, V, 22, VI, 133, 158, 
XI , 7 , Pass. Aor. 

B. katëmpuh, XI, 1, XXII, 64. 

3. Turaüb, B. anëmpuh (bewoog), XVI, 15 (Aor. Act.). 

4. M an ü b , B. m u b u b a n (aandringen) , XIX , 73 (Act. Dur.) 
van apen. 

B. hububan, XIX, 74. 

B. gutilan, nazetten, XXV, 101. 

5. Anüb, B. katub, XIX, 112. Act. Dur. 
B. mamburu, XXIIII , 56, hetzelfde. 

6. Panüb, B. panëpun (het aandringen), XXIII, 38. 

7. Tfiban, B. saga ra (zee)! XXIV, 38, waterval. 
Tul)abin. 1. Katubabin, B. kapan tig (geworpen), XIX, 120. 
Tuiiia. Mal. Bat. Lamp. Bug. hetz. Mak. ganturaa, Tag. 

toma. Sas. këturaa, B. onvertaald, luis, XXV, 63. 
Tumpak. Sund. hetz. Mad. tumpah. 1. Anumpak, B. nalin- 

kap, IX, 23, opklimmen? 
2. Manumpak, B. kat ingah i n (zich neerzetten) , XXIV , 97. 
Tumpan. B. matingah (zitten), XXV, 68. 



TUMPAL TURU. 241 

2. T i n u m p a n , B, k a t ë r a p a ii (op elkaar gelegd worden) , 
XVI, 2. Pass. Dur. 

3. Turn u ra pan, B. nalinkap (van tak verwisselen), XXII, 
51 , Aor. Act. 

Tumpal. Sund. Mal. hetz. 1. Panumpala, 15. pamuj)utan 

(zal het einde zijn), XXIV, 24. 
Tuinpën. B. onvertaald, pyraraidaal gevormd hoopje gekookte rijst, 

XXIII, 8. 
Tumbas. 1. Turabascn, B. anak blina! XXV, 109, gekocht 

te worden, Conj. Pass. 
Tiimbiiru. S. naam van een gandharwa, XX, 22. 
Tur. 1. Tumura, B. ra ati ru ! geregeld verhaal, XXVI, öl , 

Aor. Conj. 
Tür. B. ntnd (knie), IX, 83. 
B. ëntud, XIX, 22, XXIII, 4. 
B. tud, XIX, 84, 126, XXII, 50, 82, XXV, 81. 
Vgl. Lamp. tuwot, Sund. tuur. Tob. tot, Dair. teun, 
Mak. kulantü, Bug. utuq, Tag. tohor, Pamp. tud, 
Mad. toqot, Magind. tuhad. 
Tursiga. S. paard, B. jaran, VIII, 36, XVII, 14, XXVI, 37. 

B. kuda, XX, 1. 
Turagagati. S. als een paard gaande, B. a^wa tihkahe,XXI, 
108. Versraaat : 

— o — I UUU OU uu — 

Turali. 1. Aturah, B. Iwir gëtih! XXVI, 24, overschieten. 
Turida. B. s ra ara (liefde), XVII, 49. 

2. Turidan, B. sëdihan (te betreuren), XVII, 76. 
Turü. Mal. tidur. Bis. Tag. tolog, Day. tiroh. Bug. Mak. 
tin r O, Mad. tedun. 

B. pamërëman (slaap), XII, 26. Subst. 

B. ma sa re (slapen), VIII, 95 (Infin.). 

2. Ta turü, B. mërëm (slaap), VIII, 121 (Imper.). 

3. Pat urü , B. paraërë ra (slapen), II , 65. Nom. act. het slapen, 
at paturü, B. sirëp (dat gij slaapt), XXII, 13. 

4. Aturü, B. mëdëm (slapen), VII, 36, XXIII, 24, 25. 
B. amëdëm, XXIII, 34, 35. 

B. sirëp, III, 15. De vert. foutief, 
B. ma sar e, VII, 50, sliepen. 

5. Maturu, B. mëdëm (slapen), VI, 151, XXII, 2, 
XXIV , 93. 

16 



242 TUEUn TULAK. 

B. m as are (sliep), XIY, 34. 

B. mërëm, IV, 17, XVII, 115, VIII, 159. 

6. Paturwan, B. pamërëmaii (slaapplaats), VI, 39. 

7. Sapaturwan,B. matungalan paraërëman (bedgenoot), 
XII, 29. 

8. Aturwa, B. masare (slaap), VIII, 206, Juss. 
B. mërëm (te slapen), XXVI, 18, Conj. 

9. Aturuturü, B. masare-sareyan (slaapt), VIII, 11. 
B. mërëmërëman (sliep), XVII, 116. 

10. Maturu-turü, hetzelfde, XVII, 127. 

11. Katurvvan, B. mërëm (door slaap overvallen), XVII, 2, 
Aor. Pass. 

12. Anuru-nurü, B. fiatunkul-tunkulan, XXIV , 24 , 
Act. Dur. in slaap trachten te krijgen. 

Turun. Jav. durun, B. deren (nog niet), V, 25, XXIII, 56, 

XII, 26. 
Turut. B. mawaruna! langs, II, 3. De B. vert. foutief. 
Turun. Mal. Bat. Sund. hetz. Bul. tuhun, l)ay. t oh on, Mak. 
Bug. turun. 
turun, B. malabuh (zou (ik mij) storten in) , V , 59 , XV , 2 1 

(zich storten), 
turun, B. tuhun (afdalen), XII, 30, XXII, 52. 

2. Manurun, B. turun (afdalen), III, 38. Act. Dur. 
B. tumëdun, III, 39, XXIV, 198. 

B. marawuh, XV, 34. 

3. Maturun, B. malabuh (zich storten in), V, 51, XXI, 
61, XXIV, 164. 

4. Tumurun, B. nuhunan (daalden af) , VII ,111, Aor. Act. 
B. tuhun, VIII, 159, XI, 61. 

B. tumëdun (daalde af), VIII, 178, XIV, 59, XVII, 111, 
XXVI, 25. 

5. A turun (zich storten in). B. malabuh, XVII, 61, 80, 
XIX, 21, XXII, 51. 

6. Anurun, B. tumëdun (afdalen), XVI, 29, Act. Dur. 

7. yan panurun, B, hetzelfde (als nederdaalt), XIX, 130. 
an panurun, dat afdaalde. XXIV, 197. 

8. Aturunan, B. mahundagan, XXV, 99. bij hoopen. 
Tulak. 1. Tinulak, B. manutah! VI, 182, Pass. Dur. 

verboden zijn. 
B. k at ui u dan, XII, 16. afgeweerd worden. 



ÏULAJeG — TOtl. 243 

2. Manulak, B. nuludan (afweren), XII, 15, XXIII, 42, 
Act. Dur. 

3. Pa nu lak, B. onvertaald (afweermiddel), XXIII, 45. 
B. panwalës, XXIV, 4. 

4. Tumulak, B. tam ba (afweren), XXV, 43, Aor. Act. 

5. Anulak, B. nuludan (afweerden), II, 8, Act. Dur. 
Tuhljëg. 1. Makatulajëg, B. patat oj e r (bleven vaststekeu) , 

XX, 47. 
B. pacacongër, XXI, 221. 
Tulaü. 1. Atulaü, B. nahënan (weerstand bieden), XX, 20, 
vastbesloten. 

2. an patuia n, B. pup ut (volkomen), XI, 24, dat vast- 
bestoten is. 

3. Matulan, B. matei asan (eindigen) , XVII , 25 , besloten P 
Tulad. B. nu nk ui in, XXIV, 161, voorbeeld. 

2. Manulad, B. matiru (navolgen), XXV, 55, Act. Dur. 

3. Tuladana, B. katiru (moge nagevolgd worden) , XVII , 70. 

4. Tuladan, B. hetzelfde (nabootsing), I, 60. 
B. wimba (voorbeeld), XXIV, 50. 

5. Tu laden, B. tirun (worde nagevolgd), XXIV, 53, 59. 
^Tulaiii. B. bene, XXVI, 25, vischP 

Tular. B. tiru (navolgen), XVII, 125. 

Ta mat a ut ui ar , B. tanmari (zonder ophouden), VIII, 

165 , zonder wedergade, 
tan tular, B. t a n k n e n t i r u (zonder wederga) , XXIV , 1 65. 

2. T u m u 1 a r -t u lar , B. m a t i r u - 1 ir u (navolgen) ! VIII , 1 02 , 
Aor. Act. achtereenvolgens. 

t um u la-tul ar , B. hetzelfde, achtereenvolgens, XVII, 124. 

3. tumular, 1^. katiru, XXIII, 30, vervolgens. 

4. Man ui ar i, B. maniru (verspreidden), XXVI, 52, Act. 
Dur. 

Tiilalay. I. B. mahencar (tiikkeren), XVII, 113. 

II. tambul el e (snuit), XIX, 118. Jav. tëlale. Mal. 
bulalai. Bug. Mak. bulale. 
Tuli. I. B. onvertaald (soort van visch) , XV, 21, XVII, 15. 
II. Mal. hetz. Tag. a n t u t u 1 i , Bikol t u 1 f , B. b o n o 1 (doof) , 

XV, 21. 
B. tilu (oorvuil)? XXII, 23. 

2. Tuli-tuli, B. mon ol-m on ol an (zich doof houden), 
XXIV, 102. 



244 TULIRING — TULUS. 

3. Kapatuli, B. wtu bonol (verdoofd), VII, 58. 
III. 1. Manuli-nuli, B. maliyat, XXV, 64, spoedig na 
elkaar. 
^Tuliriiig B. taniri, XXVI, 25, zekere zeevisch zonder schubben, 
Tulis. B. SU rat (brief), XI, 21, 33, 34, 37. Mal. hetz. 
Tulun. Mal. Sund. Mak. Bug. hetz. Tag. Mad. tolon, B. onver- 
taald, help! IV, 59, V, 46, XI, 34, Imp. 
B. tulun an (hulp), V, 45. 
B. tulunin (hulp), V, 50, VI, 14, (help!), 15, (hulp). 

2. Tulunën, B. rowafiin (worde geholpen), III, 78, XVII, 
20, Opt. Pass. 

3. A tul una, B. manulunin (te helpen), V, 46,Conj.Act. 

4. Anulun, B. matulun, VI, 13, helpen (Act. üur. Ind.) 

5. Manuluha, B. nolasin (om te helpen), VI, 126, Act. 
Dur. Conj. 

6. Matulun, B. nulunin, VIII, 172, hielp. 

7. Tumulun, B. ra anulun (hielp), X , 37 , XX, 71. 
B. nuluh, XVII, 33. 

B. nrowanin (helpen), XVII, 38, 40, Aor. Act. 

8. M anulun, B. nulunin, XIV, 66, Act. Dur. 
B. matulun, XXV, 60. 

9. Tulunana, B. rowahin, XV, 64, Pass. Conj. (geholpen 
worden). 

10. Tuluhi, B. onvertaald (stond bij), 122, Abs. Trans. 

11. ïinulunan, B. kawadahin, XVII, 121. Pass. Dur. 
Tillup. Mal. Sund. hetz. B. onvertaald, blaasroer, XVIII, 31. 

2. Tinulup, B. tinem puh (geblazen) , VIII, 162 , Pass. Dur. 

3. Anulup, B. manupin (blazen), XXII, 3, Act. Dur. 
Tuluy. Sund. hetz. Jav. Bat. tuli, Tag. toloy, B. tibanin 

(doordringen), XV, 21. 

2. Tumuluj, B. manlaris (drong door) , VI , 158, Aor. Act. 
B. mahraris, XV, 30. 

B. manlantas, XX, 45. 

B. kar ar is ah (ging over op), VI, 72. 

3. Katuluyan, B. kabetelah (doorboord worden) , XX , 42, 
XXI, 219. 

4. Katuluy, B. kadurus, XXIV, 234, Aor. Pass. 
Tulus. Mal. Sund. hetz. Mak. tulusü, B. tuhu (werkelijk), 

XV, 21." 
2. Anulus, B. hetzelfde, XV, 21, (in waarheid). 



TULYA TUWUH. 245 

3. Manulu8, B. ui r in in al a (helder), VI, 115. 
B. n o ra k o 1 u g (volmaakt) , VII , (]5. 

B, tanpatalëtëh (rein), XVII, 4(3, 

4. Tulusa, B. payuan (worde volmaakt) , XVII, 52 (Ojjt.). 
B. nrahayu (moge voortdurend), XXV, 4G. 

5. T ui u sake 11 , B, durusan (Avorde bestendigd), XXIV, 
201 , Imp. Pass. Caus. 

B. tutugan, XXVI, 42. 

0. t a m a t p a 11 u 1 u s , B. n o r a n ë r u s (onoprecht) , V , 1. 
Tulya. S. gelijk, evenals, B. ma sa wan, I, 11, II, 8, XXI, 
209, 2 30, XXII, 4. 

B. sawanan (te vergelijken met), V, t , III, 77. 

B. sa wan (evenals), XIX, 71), V, 81). 

B. wyakti! VI, 99. De B. vert. foutief. 

B. upa maya i'i (te vergelijken met), X, (>7 , XI, 22. 

B. Iwir, evenals, VIII, 77. 

B. saksat, VII, 90, XVIII, 15. 

B. yen upaman (te vergelijken met), VIII, 74, XXII, 79. 

B. kadi (alsof), VIII, 75, XI, 15. 

B. tuwi! XXV, 111, XXIV, 38. De B. vert. onjuist. 

B. tulen! XXIV, 105, enz. 
Tuwi. B. wyakti (waarlijk), I, 7, UI, 78, VIII, 133 (toch) 
247, II, 71. 

B. Iwir! zelfs, I, 12. De B. vert. foutief. 

B. tuhu (zelfs), II, 50. 

B. yadin! (immers), XVIII, 42, VIII, 151. De B. vert. 
verkeerd. 

B. onvertaald (zelfs), XXII, 8. 

B. ka link e (immers), V, 20, VII, 59, enz. 

2. Tuwi-tuwi, B. tuwi satya (gehoorzaam), XXI, 165. 
ïuwiii. B. wyakti (zelfs), IV, 68, V, 76, 77, VIII, 2 (en), 
VI, 135 (zelfs). 

B. yadin (waarlijk), XVIII, 42. De B. vert. foutief. 
Tiiwim. B. eeneen (bekkens), XXII, 3, komvormig muziek- 
instrument. 
Tiiwuh. Mal. t u b u h (lichaam) , Malag. t u m b u , Tag. Bis. t u b o. 

B. hurip (leven), IV, 34, XIX, 24, liehaara. 

B. yusa, XXIV, 148. 

2. Tumuwuha, B. nëntikan (zal toenemen), XIX, 92, 
Fut. Act. 



246 TUstA TUHAN. 

3. Tuwuhan, B. ëntikan (groeiplaats), XXIII, 32. 

4. Tumuwuh, B. tumbuh (nam toe), XXV, 1. 
B. ment ik (groeiden), XXV, 93, Aor. Act. 

Tusta. S. tevreden, bevredigd, B. enak, I, 58, II, 2. 

B.' suka (verheugd), III, 2, VI, 64, XV, 54, XXIV, 236. 

B. lëga (bevredigd), VIII, 204, XI, 95. 

B. egel, VI, 199, II, 58. 

B. rena, XV, 45, VII, 47. 

2. Tusta, B. enak (zal tevreden zijn), VII, 100, Put. 

B. kenak, VIII, 83, dat tevreden zij (Conj.) , IX, 59. 
Tusti. S. tevredenheid, B. suka, XIV, 32, XV, 54 (adj.). 

B. sakahyun, XX, 22 (adj.). 

B. rena, XI, 12, subst. 
Tüs. I. B. katitisan (afstammeling) , XXIV , 1 24. 

2. Tustus, B kanca, XXVI, 51, incarnatie. 

II. 1 . Tustus, B. kanca! druipen , XX , 9. 

2. Anus, I. B. kënus, XXVI, 25, druipen. 
Tuha (tuha). Mal. Mad. t u w a , Bug. Mak. t o w a , Bat. m a- 
tuwa. 

B. wrdah (ouderdom), XVI, 16. 

2. Matuha, B. piniklih (oudste), I, 32, III, 49. 
B. këlih, I, 35 (ouder geworden zijnde). 

B. këlihan (oudste), XXI, 90, V, 86. 

3. Mat uha, B. këlihan (moge de oudste zijn), XXI, 102, Opt. 

4. At uha, B. yusa (oud), V, 30. 
atuha, B. wrdah, XII, 54. 

5. Mat uh at uha, B. tindih (vergrijsd), XIX, 33, 

6. Tinuha, B. pambëkël (hoofden), XIX, 40. 

7. Tuwaha, B. salawase (zou oud worden), XXIV, 149, 
Conj. (Ed. kuwaha, slechte vrouw). 

Tuhagana. B. tan mari (onophoudelijk), X, 54, steeds, 

2. Tuhaganan, B. hëda namarian, III, 65, worde be- 
oefend, Juss. Pass. 

3. Tinuhagana, B. kapagonin (stipt gedaan worden), 
XIV, 30. Pass, Dur. 

Tuhan. Mal, tuwan, B. gusti (hoofd), II, 36, VI, 145, 
IX, 25, XIII, 29, XVIII, 10, XXII, 87, aanvoerder, heer. 
B, menak, XIX, 42 (aanzienlijkste), 

2, Matuhan, B, patutan? (jegens hun heer), III, 72. 
B. magusti, XXIV, 16, jegens zijn heer. 



TUHABURU— TUHU. 247 

3. Atuhan, hetzelfde (jegens hare meesteres), XVll, 102. 
Tuhabiirii. B. mrgewuh, XVIII, 48. jager. 
Tubii. B. tuwi (wel is waar), I, 54, XIX, 57. 

B. p a t ü t (waar) , III , 51. 

B. twara! werkelijk, X, 64. De B. vert. foutief. 

B. wjakti, XXI, 27. 

B. onvertaald, waar, X. 34, II, 69. 

B. tindih, VII, 34, waar. 

B. tatuwiyan,XV,31,XVII, 14 , XXII, 52 , XXIV , 14, enz. 

2. Tuhun, B. kewala (alleen), I, 9, III, 43. 
B. wastu (doch), VI, 181. 

B. wy akti (wel is waar), VI, 182, X, öfJ. 
B. tuwi (wel is waar) , IX , 79. 
B. jogya (ofschoon), VII, 87. 
B. sasajan (waar), VI, 14, enz. 

3. Pi tuhun, B. pat vit! (worde gehoorzaamd), T, 146, 
Juss. Pass. 

B. pisingih, XVII, 88, XIV, 44. 

B. hidëpan, XIV, 18, 23. 

B. marggiyan, IX, 83, XI, 32, V, 38, enz. 

3. Pinituhun, B. pisingih (worde gevolgd) , III , 62 , .luss. 
Pass. Dur. 

4. T u h u - 1 u h u , B. t u h u p at u t (werkelijk) , X , 53. 
B. tuhu sasajan, X, 55, inderdaad, 

B. tuwi saja, XI, 5, XVII, 52. 

B. wyakti satya, XV, 9, V, 37. 

B. wyakti, XXIV, 98. 

B. wyakti tindih, XX, 20. 

B. tatuwiyan, XXI, 122 (in waarheid), XXIII, 53. 

B. wëtu katëlëkan, X, 52. 

B. tuwi sadhu, XVII, 126. 

B. wyakti sadhu, XVII, 134. 

5. P i t u h w a , B. k a p i s i n g i h (geloofd worden) , V , 38 , 
XVII, 12. Conj. na yat. 

6. Tatarpamituhu, B. uorana misingih (geloofde niet) , 
V, 54. 

7. Pamituhu, B. matanguh, XXIV, 35, gehoorzaamheid. 

8. Umituhu, B. misingi h (gehoorzaamde) , V , 80, Aor. Act. 

9. Mituhwa, B. misingih (zal gehoorzamen), VI, 147, 
Fut. Act. 



248 TUHUK TrSDA (iTSlia). 

B. nidëpan (te gehoorzamen), XIV, 2, Conj. na se den. 

10. Katuhwan, B. kawyaktina (overtuigd), VI, 190, Part. 
Aor. Pass. 

B. katëmbehau, VII, 41. 

11. Apituhu, B. kidëpan (gehoorzaam zijn) , X , 55 , Act. Dur. 

12. N p i t u h u , B. h i d ë p a n (te gehoorzamen) , XIV , 2, XXII, 28. 
B. kapisingih, XXII, 24, XXIV, 41. 

13. Tatpituhu, B. nora kahidëpan, XXIV, 34, niet door 
u geloofd. 

14. Pamituhwa, B. pisingihah, XIV, 64, Conj. na yan, 
gehoorzamen. 

15. Tuhwa, B. wjakti, XXI, 128, XII , 19. 

B. twas, VIII, 19 (in eene vergelijking), cong na kadi. 

16. Tuhu-tuhun, B. tatuwiyan, XXII, 42, werkelijk. 

17. Tuhu-tuhwa, B. sasajau tërus, XXIII, 56, Conj. in 
eene vergelijking, na kadi. 

t u h u-t uhwa, B. manajan, XXV , 64. 

18. Tuh waken a, B. tahur, XXVI, 42, worde gehoorzaamd. 
Tuhuli. B. kacërëk (opengereten worden), IX, 73, Abs, 

B. twëk (kris), XXV, 100. Mal. tohok (soort van werpspies). 

2. Tinuhuk, B. cërëk (werd opengereten), VIII, 21, 
Pass. Dur. 

B. katëwëk, XIX, 125. 

3. Manuhuk, B. man'ëwëk (steken). Act. I)ur., IX, 38, 
XXI, 214. 

4. Anuhuk, B. numbak, XIX, 71, steken (Act. Dur.). 
B. manërëk (openrijten), XIX, 110. 

B. iiërëk, XXII, 50. 

5. Silih tuhuk, B. salin twëk (elkaar steken), XXIV, 19. 
■^Trnanta. S. punt van een grashalm, B. padan jagat, XXI, 149. 
*Trnatulya. S. als een onkruid, grashalm, B. padan saksat, 

' * II, 42. 

B. padan sawanan, XXI, 147. 
Trpta. S. voldaan, B wanëh, XII, 18. 
Trpti. S. tevredenheid ,B. kahjun-hyun (vergenoegd) , VI , 115. 

B. suka (verheugd), VII, 47. 

B. kenak (tevredenheid), VIII, 83, IX, 52 (tevreden). 

2. Tumrpti, B. maiiëtisin (verkwikt) , XXIV , 53 , Aor. Act. 

B. manëtis, XXIV, 236. 
Trsna (trsna). S. trsna (dorst, begeerte, verlangen). 



TRKA (tEKH,)- TFC.TA. 249 

B. sayan (had lief), l, 45, II, 7(5. 

B. onvertaald, genegenheid, VI, 177, XI, 50, XXI, 211. 

B. de men (gehecht zijn), X, 9. 

B. lul ut, XIII, 96, verslaafd zijn. 

B. asih (liefhebben), XIX, 26. 

B. suka (verheugd), XIX, 21. 

2. Katrsn-an, B. asih (liefde), VI, 61. 
B. trsnain, XXIV, 112. 

3. Katrsua, B. katolih (bemind), XXI, 134. (Part. Aor. 
Pass.). 

Teka (teka). bestaat uit ta (z. d.) en ika (pron. dem.). Vt. ika 
(daarop de), IV, 14. 

B. punika, IV, 61, VIII, 143. 

B. ya, VIII, 84, XX, 13. 

B. ipun (hij), XIII, 84, enz. 
■^Tekan. hetzelfde, met het lidwoord verbonden. 

B. punika, VI, 166, XIX, 16. 

B. ikan, VII, 43, XIX, 14, 32, XI, 1, XXII, 50, 70. 

B. irikan, VII, 47, enz. 
"^Tekaua. versterkte vorm van teka. B. punika (die nu, zij uu) , 
III, 75, 83, X, 72 (nu de), XIV, 23, 49 (nu het), V, 61 
(nu de), VII, 23, VIII, 2 (hij nu), 160 (nu het), 181. 
*Tekauan. hetzelfde , met het lidwoord verbonden. 

B. olih ikun (nu door het), III, 15. 

B. punika (nu de), XVII, 136. 

B. ikan, III, 36, IX, 55, XXI, 65, 200. 
^Tekahën. B. punika (die), XIX, 57. 
ïeki. B. mankin (dit hier), VII, 17, VIII, 147. 

B. puniki (deze hier), XVIII, 8, XI, 23. 

B. punika, VIII, 56, 57, 101, XXIV, 34. 

B. ika, XVI, 28, XVIII, 10. 

B. nenenan, VIII, 79, enz. 
*Tekiü. hetzelfde, met het lidwoord verbonden. 

B. ikan, XV, 39. 

B. punika, XVII, 137. 
■^Tekin. B. puniki, VII. 41, dit hier. 
Teja. S. tejas (hitte, glans, gloed, kracht). 

B. prabha, II, 10, VII, 53. 

B. maprabha (glanzend), IX, 42. 

B. sënö (glans). VI, 78. . - 



250 TEJAMAYA — TON. 

B. uunarin, XII, 13. 

teja, B. onvertaald, VIII, 74, IX, 7 (t ej a) enz. 

2. Katejanan, B. kasunaran bestraald worden), II, 10, 
Aor. Pass. 

3. Katejan, B. kasënwau, XXII, 80. 
Tejamaya. S. tejomaya (blinkend , glanzend). 

B. maprabha, VIII, 2. 
Taila. S. sesamolie, B. Ie nis, X, 72, XVII, 101. 
Ton. 1. yar ton, B. ya natonaii (ziende), II, 13. 

yan ton, XII, 13. 

an ton, B. kaksi (om te zien), II, 14. 

B. nifihalin (ziende), XXIV, 96, VI, 50, 96, 127. 

ar ton, B. katon (ziende), VI, 15, II, 11, 23, VII, 44. 

tan ton, B. uora kaksi (niet ziende), VI, 47, VII, 79. 

ton, B. kawas (zie) , VII , 49 , Imperat. 

B. unin, XX, 12, 13. 

2. Katon, B. kacinak (om te zien), II, 4, XX VI, 22 (zich 
vertoonen). 

B. kawas, II, 28, V, 65. 

B. kaksi, II, 10, III, 17, 77. 

B. kahawas, V, 1, zich vertoonen. 

B. katihhalan, V, 40, VI, 65. 

B. katinhal, V, 41, zich vertoonen. 

B. maawak! I, 9. De B. vert. onjuist. 

B. kaaksi, I, 15, zich vertoonen. 

B. pradatayan, III, 68, 74. 

B. kanten, IV, 21, enz. 

3. Taman panon, B. deren taheunatonan (zouder te 
hebben gezien), I, 57. 

panon, B. tolihan (gezicht), XI, 42. 

4. Ni on, B. kaciüak (ziende), XX, 73, VI, 115, XXIV, 11. 
B. kawas, VI, 134. 

B. kacinakan, VI, 65, zich vertoonen. 

B. ïiawas, VI, 52, ziende. 

B. katinhalin, II, 1, VII, 6, 47. 

5. Tinon, B. katon (gezien worden), II, 47, Pass. Uur. 
B. kacinak, II, 11. 

B. kaksi, XIX, 46. 

B. tiühalin, III, 43, VI, 13. 

B. cinhak, VI, 96, II, 17. 



TON. 251 

B. lihatin, VII, 28. 
B. kawTis, VI, 175, XIII , 77. 

B. katonaii, II, 12, III, 25, VIII, 43, V, 18, VII, 5, 
80, XIV, 34. 

6. T u m o n , B. i'i a t o u a n (zagen) , II , 11, 1 5 , 35 , VI , 1 o 1 , 
158, VIII, 139. 

B. kacinak (zag), II, 29. 

B. u 11 i Tl , III , 58. 

B. macinak, XXIV, 254. 

B. kat on, IV, 29, VIII, 160. 

B. nifihalin, VII, 12 (ziende), 82. 

B. ra at a na h, IX, 27 (ziende). 

7. Yan panonton, B. mabalili (ziende), YIL, 113. 

8. Manonton, B. mabalili (kijken), VI, 165, VII, 112, 
XXVI, 23 (Part. Act. Dur.) , II, 54. 

9. Tonton, B. pabalili (liet kijken), VI, 168, Infin. 
B. tinhalin, VIII, 11 , Imp. 

B. n a t o n a n , II , 54 (keken naar) , Absol, 

B, cinhakin, VIII, 14, Imp. 

B. talëktëkan, XI, 34, Imp. 

B. cinak, XXV, 35, Abs. 

B. ka pë da sari, VIII, 73. 

ar tonton, B. pëdasan, VIII, 75. 

10. Manon, B. natonan (ziende), II, 70, III, 57, VIII, 
101, XXI, 210 (zag). 

B. amangih! zie, XIII, 89, XXV, 54, enz. 

11. Tumona, B. mananali (om te zien), II, 77, Aor. Act. 
Conj. na meran. 

B. ninhalin (zien), VIII, 42. 

12. Tonen, B. kawas (worde gezien), III, 71, Juss. Pass. 

13. Tontonen, B. tinhalin (worde aansciiouwd), VIII, 14, 
Juss. Pass. 

B. a p a n kacinak, IX , 86. 

14. Anon, B. niiilialin (zien), V, 14, XVI, 14, VII, 11, 
Act. Dur. 

B. natonan, VI, 6, IX, 68. 
B. katon, VII, 51 , VIII, 103. 
B. m a II g i 11 i n (zie) , V , 73. 
B. k a p a 11 g i h (zie) , V , 50. 
B. mangih (zie), IV, 37. 



252 TOMTOM TüLIH. 

15. Tin OU ton, B. pabalili (aanschouwd worden), XX, 23, 
Pass. Dur. 

B. kapagutiu! XVIII, 6. De B. vert. verkeerd. 
B. kawaswas, XX, 11. 

16. Tanpatonan, B. nora kahawiis (onzichtbaar), XX, 51. 

17. Anona, B. mangihin, zou zien, XXI, 92, Coudit. 
B. natonan (te zien), XI, 82, Conj, na wehën. 

18. Katona, B. katënër (gezien zou worden), XXI, 164, 
Aor. Pass. Conj. 

B, notnot (te zien), Vil, 9. 

B. macihna (worde getoond), XXII, 17. 

19. Tona, B. kantënan (Iaat zien), XXII, 17, qual. voluut. 
B. cinak, XXV, 41. Conj. 

20. Tumontona, B. ninhalin (aanschouwen), XXVI, 22, 
Aor. Act. Conj. 

Tomtom. 1. Tomtoman, B. matuptupan (bijeenkomen), 
XXV , 66 , van zingende vogels. 
B. tuptupan, XXV, 66. 
2. Atomtoman, B. nuptupan, XXV, 66. 
Tor. B. tatakin (opvangen), XXIV, 110. 

2. Ator, B. panjak, XVII, 114, 115, rondgaande, be- 
dienende. 
Torana. S. poortboog, B. babataran, XXIV, 123. 
Torasi. B. tatuwine (waarheid), IV, 40. 

2. Satorasi, B. tatuwian (naar waarheid), V, 22,111,26, 
XXIV, 146. 

3. Satorasya, B. hetzelfde, V[, 38, Juss. 
Tolih. B. hanti! let op, XIX, 23 (Imp.). 

2. tanpanolih, B. norana pitrsna (niet letten op), III, 
10, IV, 5 (roekeloos). 

taman panolih, B. nora asiha (roekeloos) , XIV , 11. 
B. sahasa, II , 42. 

3. Katolih, B. panolih (opgemerkt), VI, 45, Aor. Pass. 
B. katrsna (berücksichtigt) , XI, 2. 

4. Mauolih, B. matolihan (keek om), IX, 21, XXVI, 
22. Act. Dur. 

5. Tumoliha, B. wëlas (om te letten op), XIV, 12, Aor. 
Act. Conj. 

6. Tolihën, B. tinhal in (worde opgemerkt), XXI, 6, 
Opt. Pass. 



TüWI TRIKAflCU, 253 

7. Tantolih, B. iiora mamëlasin, XXVI, 4, zonder te 
letten op. 

8. t at t o 1 i 11 a 1 1 o 1 i h a , B. t a n p a n a h a (let niet op) , XXI ,21. 
Towi. B. tuhu (waarlijk), I, 6. 

B. papatutan (immers), VI, 177. 

B. yadin (of wel), I, 12. 

B. (ladi (inderdaad), IV, 38. 

B. wy akti (zelfs), VII, 93, XIII, 89 (waarlijk), XIV, 15, 

62, XX, 71, XXI, 149 (zelfs), 235 (hoewel), I, 37 

(hoewel). 
B. tuwina (zelfs), XXI, 68. Vgl. tuwi eu towin. 
^Towin. B. wyakti (hoewel), XXI, 228. Vgl. towi en tuwi. 
Tüh. 1. B. nah (vooruit!), VII, 49. 

B. ika! welaan! III, 81, XII, 31. De B. vert. foutief. 
B. ingih, V, 7, VIII, 171, XVII, 70, XIX, 18. 
B. ne, XI, 34, enz. 
II. Mal. taruh, Day. taroh. Bug. taro. Bis. tago. 

1. Tumohi, B. net oh in (stond in voor), XXIV, 18(),Aor. 
Act. Abs. 

2. Atoh, B. mat oh (wedden), XXV, 19, Act. Dur. 
Tyag.a. S. verlaten, verstooten ; mildheid, B. pagëh (betrouw- 
baar) , III , 56. 

Tyup. Mal. tiyup, 1. Tinyup, B. kahupin (geblazen worden) , 

XIX, 12, 19, Pass. Dur. 
Trëbis. Mal. ter bis, Tag. talabis, Sund. tëbis. 

B, becek (slikkerig), III, 34, VII, 57 , moeielijk genaakbaar. 

B. sëraput, VIII, 184. 
Tri. 1. Matri, B. pabiyayu (geraas maken), XIV, 40. 

B. page rak, XIX, 71. 

B. humun, XXII, 85 (luid), XXIII, 11. 

B. ghürnnita, XIX, 70. 

2. Atri, B. humun, XVII, 85. 

B. pajërit (schreeuwen), XX, 36, 55. 
B. mu wug . II , 77. 

3. Pinatryakën, B. kasüryyakin, XX, 48 (werden toe- 
geschreeuwd), Pass. Dur. 

B. kahëndëhaii, XVII, 115. 

4. Patri, B. humuii (geraas), XXII, 53. 

Trikaficu. B. tiga kaücu, XXV, 89, naam van een boom 
en van de bloem daarvan (Bauhinia tomentosa). 



254 TRIKaYA TRAILOKYARUJYA. 

Trikaya. I. S. naam van een zoon van Eawana, XIX, 10, 
XXIII, 10, 13. 
II. S. de drie krachten (n.1. kaya, wak en raanah), B. 
bwat wibhüli (zeer sterk), XXV, 30. De B. vert. onjuist. 

Trigandha. S. drie geuren, B. tiga ambo, XXVI, 24. Ed. 
t rigaud an. 

Triguna. S. de drie grondeigenschappen ,B. triko9ala, XVII , 94. 

Trijata. S, Sujata, naam van Wibhisana's dochter, VIII, 
140, 143, 145, 159, XVII, 61, 62, 69, 78, 79, 101, 
102, 116, 117, XXI, 5, 14, 36, 38, 41, 47, 48, 55, 
57, XXIV, 165, 187 (Mal. Sërijati, R. sas. Srijata). 

Tridhatu. S. naam van een driekleurig snoer , B. tiga waru na, 

XVI, 13. 

Tripura. S. naam van een daitya, II, 57, XVII, 34. 
^"Tripurapura. S. Tripura's burcht , B. 1 w i r daitya T r i p u r a 
jëro, XI, 2. 
Tripurusa. S. de drie helden (Brahma, Wis nu en Qiwa). 

B. onvertaald, XXIV, 2. 
TribUuwana. S. de drie werelden, B. triloka, VIII, 125, VI, 
54, XV, 42, XXI, 64, 134, 159, XXII, 66, XIX, 27. 
B. rat, XXIV, 25. 
^Tribhuwanarajya. S. de heerschappij over de drie werelden, B. 

trilokanagari, V, 15. De B. vert. onjuist. 
■^Tribhuwaneewara. S. de heer der drie werelden, XVII, 99. 
Triloka. S. de drie werelden, B. tribhuwana, VI, 152, 

XVII, 30, 52, 57, XXI, 148, XXIV, 90. 
^ïrilokya. S. trilaukya, abstractum van 't vorige. 

B. hetzelfde, XXI, 92. z. trailokya. 
Triwikrama. S. de Drieschredige , B. Wisnu, II, 55. 
Triwikramapita. S. Triwikrama's vader, B. Eama bapa, 1,2. 
Trii^'ika. S. tri 9 ik ha (drietand) , B. onvertaald, XIX, 3. 
Tri^irah (Tri^ira). I. S. Tri^irah , naam van Qürp anakha's 
broeder, IV , 58 , 59 , 67 , 74 , V , 1 , 3 , 6 , 26 , 34 , XXIII , 3. 
II. S. naam van een zoon van Rawana, XIX, 10, XXIII, 
10, 13, 14, 16. 
Trieüla. S. drietand, B. onvertaald, XXIII, 25, XXIV, 4,17. 
Trailokya. S. de drie werelden, B. tribhuwana, XII, 10, 
XXII, 18, XXIV, 96. z. trilokya. 
^Trailokyarajya. S. de heerschappij over de drie werelden , B. 
tribhuwananagara, II, 50. De B. vert. onjuist. 



TRYAGNI TWAS. 255 

Tryagni. S. de drie vuren, B. Trinira, XXIV, 2. 

Tlëguk. 1 . K a 1 1 eg u k, B. g ë 1 ë k - g ë 1 ë k , XXIV, 1 26, doorgeslikt 

worden (Aor. P.). 
Tlësik. 1. Tinëlësik, B. pabalësat, XXII , 62, verbrijzeld 

worden? (Pass. Dur.) 
Twak. Mal. tuwak, Day. tuak, B. saj ö n , Vlil , 67 , palmwijn. 
Twan. Sund. t u w a ü , Bul. ra a t u a i'i (dienen) , B. a t ü t (ontzag) , 
II, 68. 
B. bhakti (eerbied), III, 65. 
B, wëdi (schroom), IX, 5. 
B. jërih (ontzag), X, 39, XXIV, 62, 189. 

2. Mat wan, B. nasor (eerbiedig), I, 8. 
B. wëdi (beschroomd), IX, 4, VIII, 62. 

B. nabhakti (eerbiedig), VI, 199, VII, 44. 

3. At wan, B. bhakti, III, 66 (beschroomd), VI, 103. 
B. ma wëdi (beschroomd), XII, 49. 

B. raararem, XII, ijö , eerbiedig, 

tan at wan, B. prasanga (brutaal), VII, 37, IX, 4, 8, 
oneerbiedig. 

4. Kat wan, B. menak (geëerbiedigd), VII, 48, Aor. Pass. 
Part. , gezag hebbende. 

B. mararëm, VIII, 68 (geëerbiedigd). 

5. Kinatwanan, B. kinajrihan (ontzien zijn), XIIÏ, 12, 
Part. Dur. Pass. 

6. K a t w a n a , B. w c d i (geëerbiedigd worden) , XXII , 26 
(Aor. Pass. Conj.). 

B. wëdinin, XXIV, 38, ontzien te worden , Conj. na y uk ti. 

B. kinajrihan, XXIV, 51. 

Twab. Jav. atob, Sund. törab, Tag. higab, Iban. pauèg- 

g a b , Mad . a d e r ë p , Bat. t o r a p , Mig. r e z a t r a , Mak. 

tèraq. Bug. tinkaroq. Bis. tigap, enz. 1. Matwab, 

B. mahuwab, XXIV, 98, oprispen. 

ïwaritagJiti. S. snel gaande, B. wy akti pakewëh! VII, 56, 

naam van een versmaat (vgl. ^V^ttasancaya 40). 
Twas. I. B. kahyuu, VI, 51, hart. 
B. citta, VIII, 69. 
B. manah, XV, 34. 

II. -Fav. tos, Mal. tëras, Tag. tigas. Bis. togas. Bul. 
tahas, Day. te ras, Bug. tara, Bat. toras, Sund. toas. 
Lamp. tiyas. 



256 TwëK (TeweK) — d. 

B. kukuh (hard), IX, 13. 

B. kwat, XXII, 68, hart (van een boom). 

B. kowat, XXII, 74. 

2. Atwas, B. maëlës (hard), IX, 16, XVI, 16. 

3. Twastwas, B. lëslës (hardheid), XXII, 78. 

Twëk (tëwëk). Jav. Sund. tuwëk, Tag. t abuk. Mak. tob oq , 
B. kris (dolk), XYII, 51, VIII, 190, V, 21, 23, 36. 
B. kadga, IV, 44, VIII, 35, 136, XXIII, 78. 
B. Manëwëk, B. manëbëk (staken), IX, 30, Act. Uur. lud. 
B. manërëk, XIX, 76. 
B. nëbëkan, XIX, 108. 

3. Matëwëk, B. naba kadga (gewapend raet een dolk), 
VIII, 50. 

4. Tinëwëk, B. kacërëk (gestoken worden), XIV, 14, 
XXIII, 41, Pass. Dur. 

5. Panëwëk, B. cërëkan (steekwerktuig) , XV, 56, 57. 
an panëwëk, B. manëbëk (dat stak) , XIX ,71, met nadruk 

op 't voorafgaande woord. 

6. Anëwëk, B. nërëk (staken), XIX, 76, Act. Dur. Ind. 
B. nëbëk, XXni, 56. 

B. manërëk, XXII , 5. 



Th. 

Thani. B. pora (burger), III, 78. 



D. 

D. B. onvertaald , is de vorm , dien t (z. d.) aanneemt voor woorden , 
die met een tv of l of cl beginnen, b.v. d win ar ah, B. 
katuturan (gij onderricht werdt) , XXII, 22, 59. 

d laku, B. lampah, XXIV, 113, dat gij gaat. 

d wulati, B. tinhalin (zie!), XXIV, 162, 198, III, 53. 

d wuwus, voor u om te zeggen, B. suba! XXVI, 24. De 
B. vert. foutief. 

d don, dat gij beoorloogt, B. gbug, III, 81. 



DAKSA ÜAÜl. 257 

Daksa. S. bekwaam, handig, ervaren, B. w r u li , XX, 15. 

B. kapanditan, XXI, 92. 
Daksina. I. S. zuiden, B. railëhan! XVII, 43. 

II. S. priesterloon , B. sasantun, XXVI, 44. 

2. Dinaksiiifiu, B. sasan t u n (met een priesterloon begiftigd 
worden) , 1 , 30. Pass. Dur. 
Dagaii. Mal. Day. hetz. Sund. dagan. Bug. dankan. l.Pada- 

ganan, B. onvertaald, handelsmarkt, XXV, 107. 
Dagin. Mal. hetz. B. isi (vleesch), VI, 177, VIII, 7, 33. 
Dagdlia. S. verbrand, geplaagd, verteerd. 

1. Dinagdha, B. gësën (verteerd), VIII, 145, Part. 
Dur. Pass. 

B. kagësën, XXI, 36, fig. 
D^gha. Tam. dhaghara, begeerig, verlangend, 1>. masërah, 

XII, 18 (Mal. dahaga, Jav. dahga). 
Danü. B. suba (vroeger), IX, 4, 34, XI, 25. 

B. nüni, IX, 78, XIII, 12, 21, 38, XIV, 37, til, 20, 

XI, 2. 
B. dumun, XXIII, 3, VI, 39. 
B. malu, XXm, 14, 36, XXIV, 72, enz. 

2. Danu-danü, hetz. versterkt, B. man e suba, V, 8. 
B. raalu-maluan, V, 55. 

B. suba-suba, VII, 20, XXI, 212. 

B. ne suba, VII, 22, XIV, 33, XIX, 18, XXI, 198, 
XVIII, 50. 
Daiidanan. B. dan dan g end is, XXV, 90, naam van een 
boom. 
^Danstrakarala. S. met uitstekende slagtanden , II , 33. 
Dadak. 1. Dumadak, B. dadi (onverwachts, onvoorziens), 
IX, 5, XXIII, 43, XXV, 29. 
B. tujuhan, XXV, 28, verrassend. 

2. Dinadak, B. ka wëtuan (plotseling geuit worden), XXIII , 
50, Pass. Dur. 

3. Dinadak-dadak, B. kaglisaü dada kan, XXVI, 25, 
Dadali. B. sasapi (zwaluw), IV, 75, XXV, 28. 

Dadi. Mal. jadi, Day. jari. B. wëtu (dientengevolge), I, 58. 
B. mawastu, I, 59, IV, 29, XI, 4. 
B. wastu, III, 23, 52, V, 41. 
B. w ë n a n (kunnen) , 1 , 60. 
B. onvertaald (worden), II, 10. 

17 



258 DADHI. 

B, tumuli (dientengevolge), Y, 1 , 54 , XXI, 197 (er toe 

komen), 217. 
B. wwaü (schepsel), III, 31. 
B. 'manüsa (schepsel), XX, 66. 
B. ra ris (dientengevolge), VI, 82, 132, VII, 44, 63, 67, 

VIII, 117, XXIII, 48. 
'2, Dadja, B. dadi (worde), tl, 40, III, 80 (kome tot), 

VI, 84 (om te worden). 
B. bisa, VI, 59 (moge worden), V, 83. 
B. p rag at ah (slage) , VI, 92. 
B. hiüan, XIII, 54, XXI. 130, enz. 

3. K a d a d y a , B. k a t ë k a n (zal volbracht worden) , IV , 35 , 
Fut. Pass. 

4. Dadyakëu, B. gawenan (worde volbracht), VII, 104, 
Imp. Pass. Caus. 

B. siddhayan, XXIV, 201. 

5. Dadyakëna, B. siddha, V, 38. 

B. sidayan, XXIV, 134, Juss. Pass. Caus. 

6. Dumadi, B. nadakan (heeft verwekt), VII, 70, 
Aor. Act. 

7. Dinadyakën, B. siddhayan (volbracht worden), VI, 8, 
Pass. Dur. Caus. 

8. Dumadyakën, B. ndadosaii (maken), XXV, 48, 
Aor, Act. Caus. 

9. Man dadi, B. manumitis (geboren worden), VIII, 148, 
Act. Dur. 

B. numitis, XVII, 26, Inf. Act. 

10. Andadi, B. tëmahan (worden tot), XXI, 159, Act. Dur, 
B. mawëtu, VI, 178. 

B. numitis (wordt geboren), XXI, 102. 

11. Mandadya, B. matëmahan (zult worden), XVII, 31. 
(Fut. Act.). 

12. Andadyakën, B. matëmah (veroorzaken), VI, 109, 
Act, Dur, Caus. 

13. Kadadi, B, hihan (werd volbracht), XVII, 86, Aor. 
Pass. Ind. 

14. Kadadin. B. numitis (geboorte), XXIV, 141. 

15. Madadyan, B. matëmahan (veranderden in), XX, 58. 
Badhi. S. zure, gestremde melk, B. onvertaald, I, 24. 

B. tirthal I, 28, V, 11 (Mal, dadi, Lamp. dadih). 



üaN (dan) — BaNi, 259 

Ban (dan). 1. DTmi, B. dabdabun (iii slagorde scharende), 
XXI, 166 (Abs.), '200 (liuj).) , worde gereed gemaakt. 
B. ninkahai'i (maakte gereed), XXI, 204 (Abs.). 

2. Madaii, H. makire (zich gereed maken), XI, ön , XIX, 
09, XXI, 185, XXIV, 27, XXVI, 22, 24, 25. 

B. n a b cl a b , XIX , 50 , zich opstellen. 
B. Il i r e a n , XIX , 66. 
B. muntab, XXIII, 75. 

3. A n d a n i , B. hetzelfde (het regelen) , XXIV, 48 (Iiif. Act. Dur.) 
B. gawenan (maken), XXVI, 24 (Ind. Act. Dur.). 

4. Adan, B. makire (zich uitrusten), XXIV, 240, 253. . 

5. Pa dan, B. tin in ka h (slagorde), XXVI, 22. 

6. Kadan, B. kawastan (was geregeld), XXVL, 22 (Aor. 
Pass.). 

7. M a d au d a n , B. ii i r e y a n (maakte zich gereed) , 1 , 58. 

8. A d a n d a n , H . n a b d a b a n (maakten zich gereed) , XIX , 1 6. 

9. Dinanan, B, ginëlaraii (gereed gemaakt), IX, 75 
Pass. Dur. 

B. kacadanan, IX, 76. 

B. kadan en (in slagorde geschaard), XIX, ()7. 
B. d i n ë m a k a n (gereed) . XXI , 203. 
B. kagëlaran, XXIV, 244. 

10. Danana, B. gelaran (worde gereed gehouden), XXIV, 
36 , Juss. Pass. 
Dana. S. gave, schenking. Mal. dan a (weldadig). B. m ad adan a , 
XVII, 39. Subst. 
B. onvertaald, XXI, 204. 
B. mas mani, XXIII, 72. 
Danawa. S. booze daemon, Mal. danawa B. onvertaald, 1,51 , 
VIII, 49, XIV, 10, 31. 
B. danuja, VII, 77, XVII, 95. 
^Danawakanya. S. reuzendochter, VII, 74. 

■^Danawaraja. S. daemonenvorst , B. d a n a w a u a t h a , VII , 72 , 74. 
■^Danawarajakanya. S. dochter van den daemonenvorst, B. dana- 
wap u tri, VII, 76. 
Dani. B. kaelinan (kwam tot bewustzijn), XXIII, 70, vgl. 
udhan i. 
B. nëgtëgan (bewustzijn). XXII, 88. 

2. Man dani, B. nirttjan, VI, 62, Act. Üur. (tot bewust- 
zijn brengen). 



260 DilNTA — ÜALeM. 

l^aiita. S. zacht, B. Quci, XXI, 92. 

Daina. S. naam van een aap, XVIIl, 18. 

Daiiiar. l>. parij ut, XXIV. 2ö, lamp. 

Damu. 1. Durnarawani, B. manupinan (blazen oj)) , XI , 40. 

Vgl. d ë m u. 
Paiiipatt. S, daihpati (man en vrouw), B. makaron, XIII, 

35, XXIV, 200, 240, XXVI, 9, 23. 
B. kaïih, XXVI, 24. 
Dainbha. S. bedrog, list, huichelarij, B. kopa, XVIlt, 4(5, 

XII, 52, Mal. daraba (begeerig). 
Daya. S. medelijdan, B. onvertaald, XI, 36, Conj. 
Daya. Mal. hetz. (list, kunstgreep), Sund. hetz. (kracht, sterkte). 

1. Dinaya, B. kasakitan (bedrogen worden), XXIV, 122, 
Pass. Dur. 

Dayita. S. geliefde, gemalin, B. dewï! XI, 39. 

B. rabi, XXVI, 29, XII, 36. 
Daraway. 1. Madarawayan, B. pasar.awe, XIX, 131, uit- 

stroomen. Jav. drawaya. 
Daridra. S. bedelend, arm, B. tiwas, V, 77. 
Darlwadana. S. naam van een aap, XIX, 41 (vgl. Dharï- 

muka). 
Darpa (darppa). S. uitgelatenheid, overmoed, trots, B. tan 
pëgat! XII, 59, VI, 128, adj. 
B. SU ka (uitgelaten), II, 15. 
B. sahasa, XIX, 16, XII, 17. 
B. tan mari! XXII, 20, (subst.), VIII, 14. 
B. galak (subst.), II, 72, VI, 21, 164, IX, 68 (adj.), 

XXI, 174, 176 (woest). 
B. lëga, XI, 43 (uitgelaten), XXI, 116. 
B. tëlëb, XII, 24. 
B. mawërö, XXVI, 24. 
B. p u n a h , XXVI , 24 , enz. 

2. Kadarppan, B. kowak (uitgelatenheid), XXVI, 34. 
Baryyas. B. r a s e ! soort van uil (s t r i x .T a v a n i c a II o r s f. ) , 

XXIV, 122, XXV, 65. Jav. dares. 
Dalan. B. tunganan (rijdier), IX, 22, voertuig. 
Dalèiii. Mal. Day. d a 1 a m , Sund. dalem (regent) , Mad. d ö 1 e m , 
Mak. Bug. lalan. 
B. jëro (binnen), VII, 64. 
B. puri, burcht, VIII, 26. 



DALIMA DA9AGRIWA. 261 

B. tënah! XI, 64, in. 

B. ka dato u, burcht, XIII, 15. 

B. onvertaald, XIX, 129 (binnenste), XX, 33 (binnen), enz. 

2. Madalëm, B. rnajëvo (diep), VI, 160, XV, 40, 
XX, 1. 

B. dalem, XIII, 65, XX, 4, XXI, 132. 

3. Adalëin, B. majëro (diep), VII, 25, XVI, 30. 
B. dalem.. Vil, 57, VIII, 185, XIX, 123, XVI, 5. 
B. ajëro, XIX, 65. 

Dalinia. S. dadima (granaatappel), B. onvertaald, IX, 44, 
XVI, 24, XVII, 118, XXV, 8, 14, 77 (Mal. Day. hetz. 
Sas. j ëli man). 
Dalih. Mal. hetz. (uitvlucht, voorwendsel), Pamp. Tag. dah ila n. 
Bat. si daliyan. 1. Dalihan, B. panaru (oogmerk), 
V, 66. 
B. sëngguh, XIII, 44. 

Tamaupadalihan, B. nora manahënin (zonder te weer- 
staan), XIX, 127. 
2. Madalihan, B. maiiaruan (den schijn aannemen), 
XXV, 59. 
Dalupiik. B. pakrowek, XXV, 61? klanknabootseud geluid? 
Daluwan. Sund. hetz. (inlandsch papier). Mal, dëluwan. Sas. 
jëluwan, Lamp. andaluwan, B. wal ka la (boomschors), 
IV, 66. 
B. kadancan (monnikskleed van boomschors), V, G6. 
B. onvertaald (boomschors), X, 71. * 

Dawa. B. paiijan (lengte), IX, 82, XVI, 4, 
B. mapanjan, XXII, 68. 

2. Adawa, B. panjan (lang), XXVI, 36. 

3. Madawa, hetzelfde, VI, 75, VIII, 2, IX, 23, XXI , 223. 
B. dawa, IX , 16. 

B. mapanjan, XIX, 55, XXIV, 234. 
Dawiit. Day. jawut, B. nabut (uittrekken), XXII, (iS , Abs. 
B. habut (uitgetrokken), XXII, 69, Part. Perf. Pass. 

2. Dinawut, B. kahabut (uitgetrokken worden), IX, 16, 
XV, 58, XIX, 42, 103. 

B. habut, XVII, 86, Pass. Dur. 

3. Kadawut, B. hetzelfde (Aor. Pass.), XV, 58, raakte uit- 
getrokken. 

l)a«j*agriwa. S. bijnaam van Riiwana (de tienhalzige) , B. I)a(;a,- 



262 DA9ADI9I — DACAWADANA. 

nana, XVIII, öO. Vgl, Dac^auana, üa9amuka,Üaga- 
waktra, Da^awadana, enz. 
Dacacli^i. S. in de tien hemelstreken, B. m ahi lëlian (roudoin) , 
" XXI , 207. 

B. dikde?a, XXI, 220. 
B. laku! XXIV, 143. De B. vert. foutief. 
Da^'adeca. S. de tien hemelstreken, B. mahilëhan (rondom), 
VIII, 25, 43, 111, XI, 79, 81, 83. 
B. sade^ade^a, XXIII , 24. 
*Da^adecadewata. S. da^adegadewatah (goden der tien hemel- 
streken , B. dewa in ambara, VI, 23. 
Dacanana. S. bijnaam van Uawana (de tienmondige), B. Rawana, 
IV, 27, V, 3, 17, 29, 65, VI, 16. 
B. Dagasya, V, 23, VIII, 128. 
B. Da?amuka, VI, 15, XVIII, 39. 

B. onvertaald, VI, 26, VII, 104, VIII, 112,115,117,127, 
136, 180, 190, XIII, 19, 97, XIV, 22, 59, XVII, 80, 
84, XVIII, 34, 37, 44, XIX, 60, XX, 75, XXI, 106, 
XXIII, 12, 20, 35, enz. Vgl. Dacagriwa, enz, 
Uacaiiii. S. da^amï (tiende), B. sapuluh, XXVI, 36. 
Da^'amuka. S. Da^amukha (de tienmondige) , bijnaam van 
Rawana, B. Dapasya, V, 29, XVII, 60, XVIII, 38. 
B.. Rawana, V, 68, 79, 85, VI, 30, 85, 147, IX, 9, 
33, 86, X, 66, 69, XIII, 7, 11, XV, 2, XVI, 5, 
XVII, 50. 
B. Da(;anana, XIV, 48, XVIII, 33, 51, XX, 74, XXI, 
124, 162, XXII, 1,3, XXIII, 10, 48, XXIV, 12, 16. 
"^Uacaratha. S. naam van Ra ma 's vader, I, 1, 3, 19, 32,40, 
46, II, 59, 60, 66, 70, 78, III, 1, 3, 8, 19, VI, 141. 
*Da^*arathatmaja. S. zoon van Da^aratha, B. Dagaratha- 
p u t r a , II , 44. 
B. Raghawa, VI, 148. 
■^Da^arathaputra. S. hetzelfde, B. Dagarat hatanay a, V, 61. 
■^Da^-arathasnta. S. hetzelfde, B. Raghawa, VI, 33. 
Uaearathi. S. hetzelfde, B. Rama, V, 7, 23, 33. 

B. Dagaratha, V, 20, 80, XXII, 18. 

Dac^'awaktra. S. de tienmondige (bijnaam van Rawana), VI, 22. 

Da^awadaua. S. hetzelfde, B. Dag^sya, VI, 27, XXIII, 73. 

B. Rawana, VI, 29, IX, 93, X, 42, 71, XIV, 34, 

XVII, 54, XX, 76, XXI, 200, XXIII, -69, XXIV, 28. 



DA9AWADANASUÏA üëKUIl. 263 

■'^Da^awadanasuta. S. zoon van Rawana, B. Meghauada, 
XX, 60, Indrajit. 
B. Rawanaputra, XXIII, 66. 
Da^a^irsa. S. de tienhoofdige , bijnaam van Ra wana, XVII , 61. 
B. D a 9 il n a n a , XVIII , 28. Vgl. D a q u u a n a , D a 5 a ra u k a , 
DaQawaktra, Da^awadana, enz. 
Da^a^llil. S. de tien deugden, B. onvertaald, XVII, 40. Vgl. 

Kern, Buddhisrae, I, 424, 
Da^asya. S. de tienmondige (bijnaam van Rawana), II, 23, 
VI, 5, 26, 31, VIII, 27, 75, 88, IX, 46, 58, 60, XII, 
48, 64, XIII, 27, XVIII, 2, XIV, 1. 
B. Da(?anana, XIV, 35, XVII, 81, XVIII, 8, XIX, 10, 

39, XXI, 198. 
B. Dagamuka, XXI, 200, XXIII, 72, 83, 85, enz. Vgl. Da- 
9anana, Da^amuka, Dacawadana, Da^a^irsa, enz. 
Dasadasi. S. slaveu en slavinnen, B. parëkan, XXVI, 37. 
Dasyu. S. vijand , barbaar , roover. 1. Madasyu, B. midëran, 

II, 27 , rooven. 
üaha. 1. üadaha, B. caruan (brandoffer) , XIII , 86 , XIV ,31. 
B. caru, XX, 72. 
B. makacaru, XXI, 165. 
Dahat. B. t a n s i p i (zeer) , II , 38. 

B. onvertaald, V, 32, 85, XIX, 119, IX, 28. 

B. pisan, XV, 58, XX, 45, 70, V, 56, VII, 97, XIV, 

50, XIII, 31, XVII, 79, 80. 
B. tëlah, XX, 4. 
B. nlëgani, III, 69. 
B. Qakti, XIX, 51. 
B. pranin, XI, 26. 

B. ginësën! XVII, 105. De B. vert. foutief. 
B. nuhukin, XXII, 2. 
B. tanpanaha, XXII, 52, enz. 
2. Dahatën, B. kadurus, V, 20, zeer. 
B. kali wat, XV, 55, XX, 68, zeer, uitermate. 
B. tanpah i na 11 , XXV, 5. 
Dahaiia. S. brandend, vuur, B. pawaka, XVII, 99, vuur. 
Dèkun. 1. Mandëkun, B. manëutud (met de knie stooteu) , 
XXII, 50. 
2. .Dinëkuïi, P>. kasëntud, XXIII, 42, Pass. Dur. gestooten 
worden. 



264 DëüëL — DëRës (oRës). 

I)ëdël. 1. Diuëdël, B. nlanjak (geduwd worden), IX, 30, 
Pass. Dur. 
B. kajëkjëk, XIX, 119, 121. 
B. kalanjak, XIX, 126. 

2. Maüdëdël, B. mai'ilanjak (duwen), XIV, 59, XV, 60, 
XXII, 50, Act. Dur. 

3. Andëdël, B. anlanjak, XIX, 117, Act. Dur. 
B. njëkjëk, XXIV, 40. 

Dëmak. I. B. dhana (geschenk), VI, 198, XX, 77. 

2. Dëmakana, B. dan e! (wordt geschonken), III, 75, 
Conj. Pass. 

3. P and ë mak, B. padanan (geschenk), XXVI, 37. 

4. Dëmakan, B. dane! (geschenk), XX, 77. De B. vert. 
foutief. 

II. 1. Maiidëmak, B. nulahan (grijpen), VI, 22, Act. 
Dur. Ind. 

2. Mandëmaka, B. manahuj), II, 17, Act. Dur. Conj. 
na lin. 

3. Andëmak, B. aüahup, IX, 73, Act. Dur. ludic. 

4. Dinëmak, B. sahup (gegrepen worden), XXI, 180, 
Pass. Dur. 

Dëimi. 1. Dinëmwan, B. upin (omgeblazen worden), XVII, 

84, Pass. Dur. Vgl. damu. 
Dërës (rtrës). B. gancan (snelheid), VIII, 74. 

B. bëcat, XII, 60. 

B. gëlis, XIX, 108. 

B. linus , IX, 6. 

B. bal es (dichtheid), XI, 33. 

2. Madrës, B. bëcat (snel), XI, 7. 
B. gaücah, II, 15, VII, 110. 

B. tarik, Vm, 77, IX, 6. 

B. tanpëgat, II, 17 (snel opvolgend), 49. 

B. gagaten, VI, 133, snel. 

madrës, B. suluk, VI, 97, enz. 

3. Adres, B. tarik (snel), V, 32, X, 8, XXI, 244. 
B. balës, VI, 36 (dicht opeen), XVII, 23. 

B. gëlis, VI, 164 (snel), IX, 20. 

B. bëcat, VI, 25, XIX, 107, XXI, 243. 

B. gancan, XX, 12. 

B. ledap, VIII, 72. 



üëLëG DINA. 265 

B. tanpëgat, VIII, 77, XII, 8. 
B. nlinus, XI, 1. 
B. cëcëh (aanhoudend), XIX, 13. 
B. araëtu tnili. XXI, 16. 
B. bulus, XXIII, 17. 
Dëlëg. I. B. onvertaald, naam van een rivierviseh , II, 5, XXIV , 
117, XXV, 61. Ophicephalus striatus. 
II. 1. Dumëlëg, B. mahelogau, XXV, 83, draaien 
(Aor. Act.). 
Dëlö. 1. Dinëlö, B. kahawas (gezien worden), XX, 16, 
Pass. Dur. 
B. kadëlën, XX, 15. 

2. Dëlön, B. p ë da san (moet gezien worden) , III, 80, Gerund. 

3. Dumëlö, B. dumilah (schitterden), VIII, 51, Aor. Act. 

4. Andëlö, B. nalëktëkan, VIII, 109, XXV, 54, Act. Dur. 

5. Padëlwan, B. sili dëlën, zich spiegelen, II, 7. 
Dëlin. B. këdat (de oogen openen), XXI, 16, Infin. Act. 

2. üumëlin, B. mandëlik, XXIII, 30, staren (Aor. Act.). 
Vëlia. 1. Mande ha, B. manëhëk (draaide om?), XIX, 107, 

Act. Üur. 
DÖll. ,1. Madöh, B. nalahah (overwinnen), XXVI, 16. 
Diksa. S. dik sa (wijding). 

1. Uumiksa, B. rusak! (wijden), XXIV, 201. 
Diggaja. S. Zonenolifant , B. d a h a t liman! XI , 71. 

■^üiggajeucira. S. Zonenolifantenvorst , B. gajah Erawana, 
XIX, 113. 
Digdeca. S. plaats, streek, B. mahideran, VI, 161 , VIII , 85. 
B. tëpi nin wiyat, XV, 32, luchtruim. 
*Digcle<^'aiitara. S. andere hemelstreek, B. ambara , XXI, 1 14, lucht. 
Digwideca. S. verte, plaats, streek, B. wiyat, XX, 23. 
J)iüaryyau. Jav. dinaren, B. manëmbenin, XXIV, 98, 

bevreemdend , het is vreemd. 
Dina. S. ellendig, treurig, beklagenswaardig, zwak, gering, B. 
panas! XVII, 105, XX, 66. 
B. kapanasan! XXIV, 139. De B. vert. foutief. 
B. sansara, XXIII, 50. 
B. sakit, XXIII, 70, 78, XXIV, 146, XXI, 207. 

2. Duraina, B. manësin (kwellen), XXIV, 130, Aor. Act. 

3. Diniua, B. panësin (gekweld worden), XXiV, 140, 
Pass. Dur. 



266 DINAKARA — -DIRGHABaHU. 

B. s a k i t i n , XXIII , 1 5. 
Dinakara. S. zon (dagmaker) , B. saté ja! VI, 57. 
B. raditya, XV, 61. 

B. sürryya, Vit, 59, IX, 5, XI, 68, Vgl. di wakara. 
Dipa. S. lamp, B. da mar, XVII, 91, XXI, 2U7 , XXIII, 28. 
2. Pinakadipa, B. makalëwih! tot lamp strekken, 
XXV, 112. De B. vert. foutief. 
Dibya. S. diwya, hemelsch, goddelijk, wonderbaar, heerlijk, 
prachtig, voortreffelijk , B. lëwih, II, 24, 57, 1, 1 , VI, 72. 
B. magön, II, 51, 73, 76. 
B. uttama, I, 16, 22, II, 56. 
B. wi^esa, II, 32, XX, 75, 
B. patüt, V, 61, VI, 135. 
B. sayan, IV, 49, VI, 178. 
B. puput, I, 31, III, 62, 86. 
B. p a r a m a , III , 35 , 40. 
B. onvertaald, III, 56, IV, 9. 
B. kalëwihan, III, 58, VI, 41. 
B. nirmmala, II, 1, 22, 48. 
B. biyuh, II, 11, XV, 34. 
B. dahat, II, 28, 44, 46. 
B. halëp, XVII, 118 enz. (vgl. diwya). 
2. Kadibyan, B. kalëwihan (voortreffelijkheid), IV, 47. 
B. kaatmyan, VI, 100. 
*l)ibyaguna. S. diwyaguna (met voortreffelijke eigenschappen), 

B. wruh in kaguna, I, 17, 33. 
*Dibyajati. S. diwyajati (van goddelijke geboorte), B. lëwih 

tuhu, II, 29. 
*Dibyarasa. S. diwyarasa (voortreffelijk van smaak), B. lëwih 

rasa, V, 11. 
"^Dibyarüpa. S. diwyarupa (van hemelsche gestalte), B. hayu 
warnnane, XXIII, 52. 
B. hayu rüpane, V, 69, IV, 37. 
^Dibya^'akti. S. diwya^akti (met goddelijke macht), B. lëwih 

wigesa, II, 47, VI, 140. 
ülrghabahu. S. naam van een raksasa, VI, 76 (Jav. R. p. 99). 
Dirgghayusa. Mal. dirgahayu, S. dirgh^yus (lang levende). 
1. Kadirgghayusan, B. lantan tuwuh (een lang leven), 
XIX, 44. 
Dilat. B. layah (tong), IV, 70. 



DILAH — DUK '(diIk). 267 

1. Adilat, B. atpada, XXIV, 124 (likken). 

2. Dinilat, H. kasilapin, XXIII, 34. Pass. Dur. (Mal. 
j ilat, Mad. ei 1 at). 

Dilah. B. teja (glaus) , li, 4, X, 71. 

B. ëndihan (vlam), X, 72, XI, 1, XVII, 64, VIII, 215. 

B. hurub, XV, 30. 

B. fiëndih (te vlammen), XIV, 41 , XI, 1 , vlam. 

2. Dumilah, B. suprabha (schitterend), I, 10, 
B. A.gui (de schitterende), I, 29. 

B. nëndih (vlamde), XI, 40, Aor. Act. 

B. ujwala (schitterend), VI, 26. 

B. manëndih (vlamde), IX, 36, X, 69, XV , 17 (Aor. Act.). 

B. ëudih, XXIII, 73. 

3. Dilahi, B. ëndihan (worde aangestoken), XXIV, 164, 
Imp. Pass. Trans. 

Dilëm. B. dëmun, n. v. e. plant, XVI, 30. 

Diwakara. S. zon, B. süryya, III, 51, VI, 149, XV, 16. 

B. rawi, VI, 39, VIII, 2. Vgl. dinakara. 
Biwasa. S. tijdperk, stonde, dag, B. lëraah (dag), III, 15. 

B. diua. III, 37. 

B. rahina, XX, 49, XXV, 52. 

B. raasa (tijd), VII, 20. 
l)i wa^'anta. S. diwas^nta, avond , XXV , 52. 
Üiwahara. S. dewahara (aanroeping der goden). 

1. Padiwaharan, B. p amant r aan, XXIII, 71, waar de 
goden aangeroepen worden. 

Divvya. S. goddelijk, enz. B. cakti (machtig), LI, 22, vgl. 

d i b y a. 
l)ü. B. tangu (kant), VIII, 63. (Vgl. Bat. duru, Mal. Sund. 
jaru, Mad. ju, Malag. zurii, Lamp. juyu (erf). Bik. 
dugo, Tag. dolo, Bis. dog o). 
Duk ((luk). 1. Mar» d uk, B. manujah (met een lans werpen) , 
IX, 14, XIX, 71, 104, Act. Dur. stooten. 
B. nujah, IX, 22, XXI, 179. 
yar duk, B. manujah, stootende , IX, 50. 

2. Dinuk, B. katujah (door een lans getroffen worden), 
XIX, 105. 

B. katumbuk (gestooten worden), XIX, 121, Pass. Dur. 
B. tumbuk, XX, 24. 

3. And uk, B. numbuk (stootten), XIX, 108, Act. Dur. 



268 DUKUÏ DUDÜ. 

4. MandAka, B. numbukan (zou stooteu) , XX, 14 (Act, 
Dur. Conj. na meh). 

5, Pand uk, B. jujuhan (wapen om te stooten) , IV, 7. 
B. katujahan, IX, 68. 

an panduk, B. nrëbahin (dat stootte), XXI, 172. 
7. Kaduk, B. kadurus (gestooten worden), XXV, 1 13 , Aor. 
Pass. (Vgl. d u k en d u d u k). 
Dukut. Sund. jukut, Mak. rukuq. Bat. d u h ut, Pamp. diku t 
(kruid), Sam. juu, Bul. rukut. 
B. onvertaald, gras, II, 42. 
B. padan, III, 77, V, 18, XXV, 35. 
Duküla. B. sutra papëkëk (zijden buikband), XVII, 113. 
Duga. 1. üuga-duga, B. tatuwiyan (inderdaad), II, 13, 
XIV, 4 (waar). 

2. Du ga -duga, B. tatuwiyan (naar waarheid) , XXI, 104, 
XVII, 126. 

B. ambul saja, VII, 67, ronduit. 
B. sasajan, XIX, 56, waar. 

3. Saduga, B. tatuwiyan (oprecht), XXIV, 137. 
Dugan. 1. Dinugan, B. kampëgan (geschopt worden) , VIII , 

21 , Pass. Dur. 

B. kampigan, XIX, 121. 

2. Mandugan, B. maüampigan (schoppen), XXII, 50, 
Act. Dur. 
*Dunhil. B. linduü, aal, XXIV, 116, Day. dunil (weer- 
spannig). 
Düta. S. bode, gezant. B. katunden, VI, 132, XVIII, 49. 

B. matëlik. VIII, 196, 204, XI, 5. 

B. utusan, VIII, 83, XIII, 43, XVilI, 34. 

B. cihna, VII, 2. 

B. tel ik, VIII, 100, 210, IX, 64, 88, 93. 

B. natas, VIII, 11, X, 11, 44, enz. 

2. Düta, B. matëlik (als bode), VIII, 192, 195, Conj. 
B. tatas, VII, 49, Juss. 

3. Makadüta, B. manutus (heeft gezonden). Vil, (38, 
Perf. Act. Ind. 

4. Pinakadüta, B. dadi utusan (als bode gezondene), 
VIII, 187. 

Uiidü. Vgl. B. T. L. Vk. 6-= volgr. VI, p. 241. B. hiwan 
(verkeerd), VIII, 27. 



üiJDiJG — nuM (dAm) 269 

B, 1 y a Tl (in.aar) , XI, 57, als. 

^^. II (1 II |)(1 u |)an ! afkeerii^ , XII, 20. 

B. hidon (niet), XIV, rA , verkcenl. 

B. II o ra! XVII, 105, verkeerd. 

B. Ie 11 (anders), XVII, 116. 

B. dn sta (verkeerd), XVIII, 3. 

B. mari! (verkeerd), XVIII, !(> , ^6. 
IMuliig. B. te rus (doordringen), XVII, 66, /ieli verhetren tot. 

B. betel, XI, 53 (verhief zich). 

2, Dnmuducr, B. hëtiteg, XI, 54. Aor. A(;t. 
Ihuhxi. B. rieden (trok), VI, 167, Abs. 

ar dndut, B. raariëdëri (trekkende), IV, 8. 

2. Dinudutakën, B. kahoros (getrokken worden) , VI , 4 1 , 
Pass. Dur. 

B. kakëdëri, XII, 15. 
B. k a ra p ë g a ri , XXI , 217. 

3. Mand u dut, B. makëdëri (trekken), VI, 161. Aet. Dur, 
B. raaüwatëk, XIX, 22, aantrekken. 

B. manahup, XIX, 79, trekken. 
B. mariumad, XXII, 50. 

4. Ari dndut, B. akëdëri (trokken), XXII, 50, Act. Pur. 

5. Kadudut, B. kakëdëri (getrokken worden), XXII, 69, 
Aor. Pass. 

6. Dinudut, B. mariëdëri! XXIII, 15, hetzelfde (Dur. Pass.). 
B. kaumad, XXIII, 78. 

7. Adudut, B. riëdëri (te trekken), XXIII, 17, Inf. Act. 

8. Du du taken, B. kakëdëri (werd tot zicli getrokken), 
XXVI, 18, Abs. 

niiiinii. B. pari u ris i, XIII, 3, richting. 
B. prihari, XIII, 60, richting. 

2. Dunuriën, B. ojog (zij het doel), VI, 13.'^,. 

3. Ar dunuri, B. kojogari (wendde zich tot), XI, 1. 
A n dunuri, B. w i n ë g i 1 (zich richten) , XXIV , 94. 

4. D u m u n n ri i , B. ri u s i , XII , 49. Aor. Act. 

5. Dinunuri, B. ojog, XV, 50. Pass. Dur. 

6. Ma ri d ii n u ri a k ë ri , B. ra a ri o j o g a ri , XXIV , 71, Aet. 
Dur. 

Dum (düni). Sund. dun ra, B. k a d u ra i n (taak) , XXIV , 247. 
2. Madüma, B. raaparah (te verdeelen) , XIX, 33 (Conj. 
Act. na k in on). 



270 DUMEH DURGGAMa. 

3. Madüm (de?a), B. hetzelfde (verschillende kanten uitgaan) , 
XIX, 50, Ind. Act. 

4. Dinüradüra, B. raabagi-bagi (verdeeld worden), 
XIX, 64. Pass. Dur. 

5. Dnrnüni, B. k acacar i n (toedeelen), XXVI, 22 , Aor. Act. 
Duuieh. B. mande (veroorzaken), II, 4, 8, III, 77, VI, 

131 , 153. 

B. margga (oorzaak), II, 31. 

B. k ara na (reden), VIII, 207, XX, 2, III, 45. 

B. agawe (veroorzaken), XIII, 44, 84. 

B. makrana, XXV, 107, II, 15, VII, 77, 101, VIII, 183, 
XVII, 81, XIV, 25, 58. 

B. ga we (oorzaak), III, 84. 

B. marmma (reden), VI, 151, XXI, 70. 

B. kraha, VI, 154, VIII, 90. 

B. magawe (veroorzaken), VII, 37, X, 39, XII, 29. 

B. karanin, XVII, 107, enz. 
Duracara. S. booswicht, boosdoener, B, parasangha, VI, 83, 

B. dusta, VI, 175. 

B. rak sa sa! IX, 64, boosdoener. 

B. tanpatüt IX, 91. Jav. do ra ca ra. 
Duratmaka. S. een slechte inborst hebbende, B. raksasa! 

XVII, 44. 
Duray, B. dure? XXVI, 24? soort van vrucht? 
Durus. 1. Kadurus, B. kaliwat (zeer), VII, 30, VIII, 158. 

B. kadahat, VIQ, 152. 

B. kadahatan, XVII, 114. 

B. t a n m a r i (doorgaand) , XVIII , 45 , uitermate. 

B. tansipi (niet weinig), XXV, 113. 
Durgga. S. naam van Q i w a ' s gemalin , B. b h a t a ri ü ra a , 1 , 1 7. 

B. pakewëh! XXVI, 41.' 
Durgga. S. moeielijk begaanbaar, raoeielijkheid, B. pakewëh, 
VIII, 24, XV, 40. 

B. wayah, VIII, 132. 

B. sëiika, XIII, 63, 92, XVIII, 15. 

2. Pinakadurgga, B. makapakewëh (tot last strekken), 
VIII, 24. 
Durggama. S. moeielijk te begaan , ontoegankelijk , B. p a k e w ë h , 
III, 28, 34. 

B. bhïsana, III, 41, VI, 135, ontoegankelijkheid. 



DUUaK:1HYA DUKYYAgA. 271 

B. sënka, Vi , 131 (adj.) , VlU , S. 
K pakewuh, VII, 92, XXIV, 71, XXVI, 41 , enz. 
Üurgrahya. S. moeielijk te begrijpen of te grijpen, enz., B. 
newëhin, XII, 11. Subst. 
B. sënka, XXVI, 41. 
üurjjaiia. S. slecht raenscli , booswicht , B, t a n p a t ü t , 
III, 74. 
B. dusta, m, 76, V, 56, VIII, 109, 129, 141, XIII, 13, 

XIX, 48, XXIV, 33, 46, 59. 
B. corah, XXI, 152. 
Diirjjaya, S. moeielijk te overwinnen, B. ma w i^esa, XIX, 67. 

B. dahat manwi^esa, XXI, 72. 
Durnaya. S. slecht gedrag, onzedelijkheid, B. tuna daya! 
(adj.), VII, 89, XIII, 30, onervaren. 
2. Kadurnayan, B. tan wrih rawos (radeloosheid)! V, 5 
slechtheid. 
Durnimitta. S. slecht voorteeken, B. durmaïigala, VI, 32, 
XXI, 167, 194. 
B. ciri hala, XIV, 34. 

B. pariwe^a, XIV, 50 (Jav. durniminta). 
Durniwaryya. S. moeielijk af te weren, B. tuna wigesa! 

XXI, 247. 
Durbbala. S. krachteloos , zwak ,B. pakewëh, III , 64 , VI , 200. 
B. kasahkala, V, 55, VI, 201. 
B. newëhin, VII, 23, XXII, 78. 
B. kasakitan, VII, 60, IX, 21, X, 30, XXIII, 61. 
B. kewëhan, XV, 19, XXI, 74. 
B. sënka, XXIV, 23, XXV, 1, XIII, 95. 
2. Durbbala, B. pakewëh, XIII, 64 (Conj.), 95, XV, 37 
(Futur.). 
Durbhaga. S. durbhaga (ongelukkig, ellendig), B. dusta, 

III, 68. 
Duryya^a. Jav. duryasa, S, durjagas (oneer) , B. ta n patü t, 
VI, 63, XIX, 7. 
B. tanpakirtti, VII, 87, schandelijk. 
B. tunakirtti, VII, 94, 99, XXII, 52, XXIII, 22. 
B. dan da, XIV, 66, schande. 
B. nora kirttian, XVIII, 27, schandelijk. 
B. tanpayaca, XXI, 141 (schande), 211, XXIV. 42. 
B. pakewëh, XXIV, 153, enz. 



272 DUKYYOÜHANA DULUR. 

Diiryyodhaiia. S. naara van den vorst der Kaurawa's, B, 

Suyodhaua, XXI, 147. 
Diirlaksana. S. van een slecht voorteeken , B. tan patüt, 

XXI,* 29. 
Durllabha. S. raoeielijk te verkrijgen, B. tanpolih, XIII, 83. 

B. sënka, XXI, 52. 
Durwyasana. S. slechte neiging, verspilling, ondeugd, B. t a n- 

patüt, III, 69. 
üulaii. 1. A.ndulan, B. kaduii, XXV, 61, eten in den mond 

steken (Act. Dur.). 
Dulög. B. rëgëd (vuil)! XXIV, 162, wantrouwend. 
Dulur. Mad. dunor (bediende). Bat. udur, B. inasarënan 

(het vergezellende), XI, 19, II, 51. 
B. sarën (medgezel) , II, 32, VI, 143. 
B. nirin (geleide), XXVI, 7 , IV , 28. 

2. Duluran, B. panuluh, VI, 62. 

3. Adulu-dulur, B. maderek-derek (vergezellen), lil, 
43, XXIV, 124. 

B. sarën -sarën, VII, 6. 

4. Madulu-dulur, B. maderek-derek, VII, 62. 

5. an padulur, B. saroron (vereenigd) , I, 49. 

6. Dinulur, B, i rin (vergezeld worden), XII, 2 (Pass. Dur.). 

7. Maduiur, B. sarën (gezamenlijk), II, 13, XXI, 241 
(vergezeld van). 

B. masarërian (met), II, 74. 

B, raajajar (gezamenlijk), XVIII, 52, enz. 

8. ü ui uren, B. ir in (worde mede), XIII, 9. 

B. kairinan (worde vergezeld), XVII, 17, Gerund. 

9. A dulur, B. sarën (gezamenlijk), II, 53, 65, XV, 23. 
B. masarënan, XXIII, 63, vergezeld van. 

B. salunlun, IX, 56. 

B. saroron, IV, 29 (gezamenlijk), VI, 165. 

B. makaron, VI, 97, XXIII, 36. 

B. man ir in (vergezellen), XII, 55, IV, 28 (vergezeld). 

10. Dumulur, B. nirih (vergezelde), III, 33 (Aor. Act.). 

11. ar paka dulur, B. masarënan (vergezellende) , VI, 158. 

12. Andulurakën, B. manirin (vergezelde), VII, 43, Act. 
Dur. Indic. 

13. Madulura, B. nirinan (moge vergezellen), XVIII, 40 
(Opt.). 



DÜWA DUl.lKA. 273 

14. Diilura, B. iviii (zal vergezeld worden), XXI, (31 (1'ut.). 

15. Makad Liliir, B. in as are fi au (verüfezeld vau) , XX LH, 82. 
10. Dum ui u raken, B. kairiii (gepaard gaan met), XXIV, 

124 (Aor. Act.). 
Dilwa. \^. kalih! XXV, 83, soort van bloem. 
Duwëg. [. B. nëdën, XVI, 21, ontluiken. 

II. B. bisa (bekwaam), XXIV, 247. 
Duwël. 1. Dinuwël, B. kali o bes? XIX, 122, opengescheurd 

worden (Pass. Dur.). 
Du^^lla. S. duh^ila (van slecht karakter), VL, 187. 
Diisa, verbastering van Skr. do sa (schuld) om 't metrum. 

1. tan padusa, B. pat ut, XXII, 35. 

2. Midusa, B. mirara (kwaad doen), XXII, 35. 
Düsana. S. naam van een rTiksasa, IV, 57, 58, 67, V, 1,3, 

6, 10, 26, X, 23, X[I[, 23, XXII, 3. 
Duskrta. S. euveldaad, zonde, B. hala (boosdoener), VI, 191. 

B. tanpatüt, XXI, 103. 
Dusta. S. boosdoener, booswicht, B. corah, II, 41 (boosaardig), 
XII, 52, XXI, 24, 45, 82, 147, XXIV, 1(5. 
B. nista, III, 10, 79. 
B. tanpatüt, VI, 143, Vil, 37. 
2. Kadustan, B. corah (slechtheid), VI, 176. 
I)uli. Vgl. Jav. duduh, Sund. juuh en ciduh, Malag. ru 
(vleeschnat) , Bat. duruh (gom), Day. joho. Bug. duro, 
Tag. dugo, Magind. rugu. Bik. dugó (bloed), Lamp. 
jujuh, B. yeh (water), IX, 57, XXVI, 23, melk. 
B. minak (olie), XXIV, 25. 
Duhèt. B. ju wet, naam van een boom met kleine ronde 
vruchten (jarabolana), VIII, 10, XVI, 45, XXIV, 108, 
XXV, 43, Tag. duhat, Barap. du at. 
T)uhi. B. duku, soort van vrucht, XXV, 88. 
Duhuil. 1. Mand uh uil aken, B. ma mat ui ad, I [1 , 51. 

ophemelend 'f Act. Uur. Bart. 
Dulika. S. duhkha (ongemak, bezwaar, plaag, leed, verdriet) , 
B. sakiti n, I, 47. 
B. sansara, XII, 53, V, 63, VIII, 73. 
B. sa kit, Xin, 6, XXII, 52, XXIV, 185. 
B. al ara (bedroefd), IX, 57. 
B. du sla! II, 37, VI, 90. De B. vert. onjuist. 
B. mala, VI, 109. 

18 



274 üuhKAKHLA DE. 

B. kasakitan, VI, 13, 94. 

B. lara, VI, 125, VIII, 107, XX, 65, XXI, 17, 27,31, 
32, 34, 36, enz. 

2. üuhka, B. sansara, VI, 58, Fut. 

3. Kaduhkan, B. dustanin! verdriet, X, 14. 

4. Kaduhka, B. kasakitan, XIX, 60. 

■^Dulikakalfl. S. duhkhakala, tijd van verdriet, B. braiita 
dinadina! XI, 4. De B. vert. verkeerd. 
Dulikita. S. duhkhita (bedroefd, gekweld, ellendig), B. kasa- 
'kitan, V, 77, VII, 18, VIII, 175, VI, 87. 
B. sansara, VIII, 159, VI, 14. 
B. sëdih. VIII, 145, 163. 
B. malara, VIII, 103, VII, 86. 
B. lara, VIII, 111, 147. 

B. kasëdihan, VII, 84, 93, 96, XXIV, 165. 
Drdha. S. sterk, hevig, zeer, zeker, bepaald , B. te Ie b , 111,80, 
VI, 69 (innigheid). 
B. satata, XXIII, 13. 
B. pagëh, XXIII, 42, adj. 
B. suka, XXIII, 53. 
B. dahat, XH, 48, XXIV, 87, 124. 
B. tilin, XXIV, 165, 181. 
Drdhabhakti. S. vast in zijn trouw, B. da hat l)h ak ti , lEl, 29. 
B. tëlëb in bhakti, XVII, 62. 
*I)rbya. S. draw ja (ding, have, goed, bezit), H. maduwe, 
II, 37. 
Drstanta. S. voorbeeld, B. pëdasan, XXII, 25. 
Drstiwisa. S. 't booze oog hebbende, B. netra mawi^ya, 

*"*XX*, 15. 
De. B. olih (door), II, 5, V, 6, 40, 41, 44, 57, IX, 51. 
B. Tin (wegens), V, 52, VI, 47. 
B. onvertaald, door, VI, 48, 111, II, 29. 
B. deniïi (door), VI, 173, 189. 
B. bahan (door), X, 35, XII, 59, II, 69, XVII, 59, 

XXI, 89. 
B. daya (overleg), III, 82. 
B. antuk (door), V, 75, VI, 116, 119, 120, Vil, 112, 

VIII, 12. 
B. den (door), IV, 68. 
2. Sadenya, B. kasadyajan (opdat), V, 57. 



DENI DEVVaKlTl. 275 

3. Rideiiyau, I?. stiutukaii (wei^eiis), VI, 1, 29, XI, 57. 
B. olih, IX, 51. 

4. Mande, B. iiiagavve (veroorzaken), I, 10, XXII, 48, 
XVI, 36. 

B. raagagawe, VI, 48, 191, Act. Dur. 

5. Pan de, B. pagawe (beschikking), VI, 195. 

6. And e, M. magawe (veroorzakeu) , XIX, 7, XXII, 53, 
XXIV, 76. 

B. margga uin, XIX, 45. 

B. gawenan, XXI, 86 (Act. Dur.). 

7. D i n e , li. 1 ë vv i h ! (bestemd zijn) , XX [V , 20 1 , 249 
(Pass. Dur.). 

8. Makade, B. dadi ma wak! IX, 5, veroorzakeu. 
^Deni. B. olih (om), III, 13. VI, 88. 

B. deniii (door), XIII, 73, 

B. au tuk (door), VI, 153, Vil, 7. 

B. bahan (door), X, 31, XIII , 23, XV, 49, XVII, 104, 
XXI, 88, 161, XXII, 52, XXIV, 12. 
Deniii. hetz. met 't lidwoord verbonden . 15. olih (door de) ,111,1, 
5, VII, 109, I, 12, II, 25. 

B. bahan (door), X, 30, VII, 36. 

B. onvertaald (vanwege), VII, 31. 

B. sant ukan (wegens de), XIX, 80. 

B. antuk (wegeus), VI, 63. 

B. saki II (wegens de), VI, 65, XVI, 32, XIX, 14, 106. 
Denyat. B. sant ukan (opdat gij), VI, 153. Zie deni en at. 
*l)eiiyrni. bestaande uit denya (reden ervan) en au (dat), B. 
s a n t u k a n (wegens) , VI , 200 , IX , 86. 
Deya. B. rawosaü (te doen), XI, 35. 

B. daya (te doen), XIII, 22, XX, 57, VI, 41. 

B. panrasa (te doen), XXII, 19. 

B. naya (te doen), XVII, 108, XXIV, 87. Conj. van de? 

2. Makad ey a-dey a, B. raakahawak cinitta, VI, 194? 
Dewa. S. god, B. bhatara, I, 3, XXIV, 175. 

B. hyan, VI, 195, XVII, 94, XXII, 40. 

B. onvertaald, II, 44, III, 54, XVII, 99, VIII, 131. 

B. dewata, VI, 95, VIII, 49, XVII, 93, 95, XVlll,26, 

XVI, 10, XX, 70, XXI, 81, 190, XXIV, 156, 158, enz. 

Dewakrti. S. van goddelijke gestalte, B. dewa manl ah ! IV, 39. 

B. n a m a r a 1 a k s a n a , VI, 81. 



276 DEWAGAllA DEQA. 

^Dewasaiia. S. godenschaar, B. onvertaald, XX, 22. 

B. dewa rin ambara! XXIIT, 9. 

B. dewa kabeh, XXIV, 199. 
DewagrlLi. S. tempel, B. jëron dewa, VIII, 56. 
Dewaiiga. S. roodzijden kleedingstof, B. sutra barak, IX, 43. 

B. sutra rakta, XXI, 204, roode zijde (vgl. Mal. Jav.). 
Dewata (dewata). S. de wat Ti (godheid), B. dewa. II, 47, 
VI, 23, XVI, 11, XVII, 17. 

B. amara, XI, 6, XIII, 90, VI, 24. 

B. hyan, XIII, 10. 

B. onvertaald , XXII , 40 , V , 11 , IX , 4. 

B. bhatara, XVII. 134, XVIII, 20, XX, 64, XX[, 109, 

XXIV, 2, 90, 201. 

2. Kadewatan, B. swarggan (godenverblijf) , XVII, 19. 
*Dewatatulya. S. dewatatulya (als een godheid), II, 62. 
Dewatantaka. S. naam van een zoon van Ra w an a, XXIII . 11 , 

13, 15. Vgl. Pewantaka. 
Dewatarüpa. S. van goddelijke gestalte, B. namara goba, 

VI, 78. 
Dewatl. S. godin, B. onvertaald, XXI, 79. 
üewadaru. S. naam van een pinus-soort, B. candana, VII, 

27, XVI, 16. Pinus üeodara. 
Bewantaka. S. naam van een zoon van Rawatia, XIX, 10. 

Vgl. Dewantaka. 
Dewapüja. S. god en vereering , B. ii a r c e a n a dewa, VI , 49. 
B. dewa nastawa! XVII, 134, De B. vert. verkeerd. 
■^DewaAvaktra. S. mond der goden, B. dewa paharëp, XVII. 93. 
Dewahara. S. de w aha ra (aanroeping der goden). 

1. Padew^^haran, B. pamantraan (tempel), XX, 52, 

XXV, 12. 

Dewi. Mal. hetz., S. godin, koningin, B. rabi (gemalin), I, 18. 

B. gharini, VIII, 203 (vrouwe), XI, 13. 

B. dewa (godin), VI, 41, XIX, 28, 30. 

B. ratu (vorstin), VI, 43, VIII, 188, 192, 193, 195,197, 
198, 200, 202, XI, 5, XVII, 83, 88, XIX, 26, XXI, 7. 

B. bh at ar i (godin), VI, 107, XVII, 21. 

B. san (vrouwe), VIII, 91, 95, 96, 113. 

B. onvertaald (vrouwe), VIII, 99, 136, 140, 180. 

B. dewati, XVII, 126, XVIII, 40, enz. 
De^a. Sund. desa (dorp), Mad. dis ah. Mak. Mal. Daj. desa. 



UKCALaBHA DON. 277 

S. plaats, streek, land, B. luigara, I, 61, XVII, 134, 
XXV, 98. 

B. jalan! VI, 37, 39. 

B. ge II ah (plaats), VII, 54, XIX, 50, XXI, 1. 

B. onvertaald, VII, 87, XIII, 56. 

B. bh umi (land), XIX, 49, XXIV, 88. 
■^i)e^.alabha. S. landverkrijging, B. oleh si ma, XXIV, 224. 
Daitya. S. daemon , Mal. datiya, B. onvertaald, II, 48. 

B. raksasa, VIII, 41, XIV, 14, 31, XVII, 31. 
Daityawan. S. daemouisch, B. daitya lêwih, XXI, 145. 
Dok. B. clëpnk (een soort van uil), XXIV, 122, XXV, r)7. 
Dodot. B. kambën (bovenkleed), VIII, 90. 

B. wast ra (kleed), XXI, 204, 206. Vgl. Jav. 
Don. Sund. don (handeling, streven), B. dwan (aanleiding), 
I, 2, Vi 53. 

B. sadya (doel), I, 41 , II, 23, VII, 98. 

B. gawenaü, VIII, 188, XIII, 91. 

B. gawe, XVII, 34, V, 22, IV, 4, 44, VI, 140. 

B. phala (bedoeling), V, 29, VIII, 206. 

B. k a p 1' i h a n (oogmerk) , V , 56 , XV , 39. 

B. karana (reden), VI, 79, 80, X, 45. 

B. kagawenan, IV, 21 (streven), V, 51, VI, 53. 

B. sadyayan, XVII, 81, VII, 97, X, 32. 

B. magawe, V, 37, VII, 78. 

B. karyya (doel), VI, 61, XVIII, 40. 

B. krana, VI, 42, XIII, 42. 

B. guna, VII, 89, XIV, 26. 

B. kasadyayan, X, 32, XVLL, 130, XXIV, 81, enz. 

D don, B. ge bug (dat gij aanvalt), lil, 81. 

2. Do na, B. sadyayan (zou het doel zijn), XVI LI, 42, I, 
43, Conj. Fut. 

B. phala (zij het doel), XXII, 21, VLi, 52 (opdat). 
B. gawe, IV, 62 (zou het doel zijn), VI, 182. 

3. P i u a k a d o n , B. p r i h a n (beoogd worden) , IL, 38. 

4. Maiidon, B. magëbng (uittrekken), VI, 158, Act. 
])ur. Ind. 

B. mama r u n i , VIII , 64. 

5. Dumona, B. ligebug (aanvallen), XLIL, 65 (Aor. Act. 
Conj. na yapwau). 

6. üumon, B. hetzelfde (Aor. Act. Ind.), XlIL , 61. 



278 DOYAN — DÜH. 

7. Don don, B. kaprihai'i (doel), XXI, 106. 
Doyan. Mad. tujan, (geneigd), B. de men (houden van), 
XXIV, 117, XXV, 63. 

B. dadëmënan, XXIV, 118. 
Dola. S. schommelen , wankelen , Mal. hetz. B. n o bah , VIII, 85 , 

ongerust. 
Dolayaiuanacitta. S. wankelend van geest , 1 , 52 , ongerust. 
Dosa. Sund. do sa, Mad. dusah. Mal. do sa, S. gebrek , zonde , 

' schuld, B. salah, XIII, 48, IV, 68, VI, 175 (gebrek). 

B. sisip (vergrijp), VI, 43, XIV, 66. 

B. dudu (zonde), III, 64, 77, gebrek. 

B. dan da (zonde), III, 67, VIII, 200. 

B. hiwan (schuld), VI, 186, XIX, 14, XXIV, 36, enz. 

2. Tatanpadosa, B. twara nëlah salah (onschuldig), 
VI, 60. 

3. Tanpadosa, B. hetz., Vtll , 141. 
B. patut, II, 39. 

Doli. Bug. lau, Sang. Sea dau, Bul. Dano , Bent. rau , Mong. 
raru. Pon. yayu. Mal. jauh, Baree lawa, B. adoh 
(verre afstand) , VI , 65. 

2. Doha, B. hetzelfde (zou de afstand zijn), VI, 93. 

3. Madoha, B. niwaniu (zal ver zijn), IV, 35, Fut. Act. 

4. M a d o h , B. ad o h (ver) , V , 44 , VIII , 67. 

B. joh, VIII, 184, XIII, 52, 73, XIX, 68, XXI, 8, XXIII, 

25, 30, IV, 12, VII, 16. 
B. belas, IV, 50, enz. 

5. Adoh, B. joh (ver), III, 64, VIII, 174, VI, 38, 64, 
XXIV, 159, XXV, 28, XXVI, 38. 

B. onvertaald, VIII, 35, 143. 

B. papasah, IV, 44. 

B. ëjoh, VI, 138, 176, enz. 

6. Dohakëna, B. pasahah (zal verwijderd worden) , V , 39 , 
Put. Pass. 

7. And oh, B. iiëjoh (zich verwijderen), VIII, 63, XII, 14 
(Act. Dur.). 

B. doh. XXIV, 122. 

8. M a p a d o h a n , B. a m b u 1 a p a j o h e (veinzen zich te ver- 
wijderen) , XII, 29. 

9. Dinohakën, B. pasahan (verwijderd worden), XIII, 52 
(Pass. Dur.). 



DYAH ÜROHAKA. 279 

10. Do haken, B. anjohan, XXiV , 77. 

11. Aiidodülii, 15. i'iëjohjohiü (verwijderen), XXIV, 1U4 
(Act. Dur. Trans.). 

11. Apadohan, B. pasah, XXIV, 200. 

12. All do ha na, B. manëjohan (te verwijderen), XXV, 43 
(Act. Uur. Conj.). 

Dyah. B. ratu (vrouwe), XVII, 70, 75, 77, 8\), XXI, 11. 

B. dewa, XXI, 39, 53. 

B. hayu, XXI, 6, 49. 
Dyüta. S. dobbelspel, B. suluhin, lil, 69. 

li. namariu, XXI, 142. 
Dyiin. Jav. Iban. jun. Bis. dihiun, 15. k u lu b h a (pot), 

XXVI, 3. 
Dy US. Mal. d i r u s , Bat. d u r u s , ]5is. d i g u s , J av. d u s. 1 . 
Madyus, B. mandus (zich baden), VI, 49, 138 , IX , 52. 

B. masiram, III, 44, II, 3. 

B. kasiraman! XXIV, 105. 

2. Dinjüs, B. k as i ram in (gebaad worden) , II , 29. Pass. Dur. 

3. Adyus, B. mandus (zich baden), IX, 51, XV, 53, 
XVI, 21 (Act. Dur.). 

4. Madyusa, B. masiram, XIV, 8, Act. Dur. Conj. 
Draksa. S. draksa (wijnstok, wij nd ruif) , B. bërëra, XXVI, 

24, VIII , 65 , een soort van sterken drank , uit rijst getrokken. 
Drawa. S. vloeibaar, overstroomend , B. n ag (smelten) , VI, 124. 
B. mëmbah (vloeien), VI, 163, VIII, 95, XII, 8, 
XIX, 92. 
B. nug (vloeibaar), XII, 25, XXI, 16. 
B. luluh (smelten), XIX, 25, XXIV, 31 , enz. 
2. Adrawa, B. aluluh (smolt), XXI, 118. 
Drawida. S. naam van een aap, XIX, 41, XX, 34 (Jav. i)ru- 

w enda). 
Druhaka. Sund. doraka, Mak. doraka, Mal. durhaka,Day. 
darhaka, S. drohaka, arglist, beleediging, krenking, 
B. prasangha, V, 35, 56, 62. 
B. ca pal a, arglistig, V, 37, XIV, 53, 58. 
2. üruhaka, B. prasangha, V, 62, Conj. Vgl. drohaka. 
Drohaka. S. zie druhaka, B. ankara, XVIII, 22, III, 79, 
XXIV, 33. 
B. corah, III, 81. 
B. c a p a 1 a , XIV , 52 , arglistig. 



280 DLaHA (üëLaHA) — dwija. 

Dlaha («lëlalia). B. m bes uk (later), VI, 193, 200 , XVII, 31 , 
XIX, 31, XXI, 86, 147, VI, 192, XXIV, 35. 

B. besuk, XXI, 30, VI, 94. 

B. tëmbe, XXI, 47. 
Dwa (dwa). I. B. linok (leugen), XXI, 6, 104. VII, 34. 

2. Adwa, B. bod o (dom), III, 80, leugenachtig. 
B. madwa, XXI, 8. 

3. Madwa, B. linok (leugenachtig), VI, 91, 168, VII, 37. 
madwa, IX, 61 . 

B. hëlonin, VII, 45. 
B, iwaii (onjuist), I, 42. 
IJ. mawedan, IX, 47. 

4. Ad w adwa, B. liiiok, III, (58, wees leugenachtig (Act. 
Üur. Juss.). 

5. Pan adwa, B. matërauaü, XXIV, 64. 

II. Tan dwa (dwa) , B. tumuli (onmiddellijk daarop), II , 33 , 

VI, 26, XXI, 213, XXII, 50, 72. 
B. raris, XIX, 15, 69, XX, 29. 
tatandwa, hetzelfde, versterkt, IX, 50. 
*l)wada(;a«^'ata. S. honderd twaalf, J3. satus rora, XXII, 80. 
Dwandwa. S. ])aar , tegenstelling , strijd , tweegevecht , B. m a bi n a- 
binaan, XXI, 146, soort van samenstelling (nevenstelling). 

2. Madwandwa, B. madadagan (zich tegenover elkaar 
stellen), VI, 162. 

B. manunkas, XIX, 69. 
B. madagan, XX, 25. 

3. Adwandwa, B. nireyan, XXVI, 23. 
Dway. 1. Adwaj, B. hina, XXIII, 62. 

B. tëlas, XXIII, 62, op zijn. 
Dwadwal. B. dodol (een meelgebak) , XXIV, 98, Mak. do- 
doröq, Bug. didoro. 

B. dagan! VIII, 64, 65, XVII, 112. 
Dwara. S. deur, poort, B. kori, VIU , 61. 
Dwal. i. Jav. dol, Mal. ju wal. 

I. And wal, B. dagan (koopman), III, 25. 

II. rusak (bedorven), XXV. 106. 
üwi. S. twee, B. kalih, XIX, 125. 

Dwija. S, lid der drie hoogste kasten. Brahmaan, B. rsi, 
III, 63, Brahmaan. 
B. panclita, XXill , 72. 



DWIJAWAKA DHANECWARA. 281 

Dwijawara. S. voortreffelijkste der Brahiuanen, B. d wijendra, 

XXlll, 71. 
Üwivvidha. S. Dw iwida, naam van een aap, XVlli, 18, 

XXIII, 42, XXiV, 24(3. 
Dwesa. S. haat, afkeer, vijandschap, B. wisaya, III, 55. 
B. onvertaald, XIII, 49. 



Dh. 

Dhata. S. Dhatar, de Schepper, B. Brahiua, VII, 101. Zie 

Dhatr. 
Dhatu. S. element, mineraal, B. anakan! IX, 41. 

B. galuga, XXI, 246, XXII, 51. 
Dhatutiilya. S. als de mineralen, B. Iwir tirtha! XI, 11. 
Dhatr. 8. Dhatar (Schepper), B. Brahma, XXI, 139. Zie 

Dhata. 
Dhanada. S. bijnaam vau Kubera, B. Dhan es w ara , XXIII , 

9 (de god van den rijkdom). 
Dhauadabrata. S. Kubera's gelofte, B. Dhanendra, 

XXIV, 58. 
Phanapa. S. bijnaam van Kubera, B. danawa, XXI, 136. 
Dhauapati. S. bijnaam van Kubera, B. danawa! VI, 58. 

De B. vertaling verkeerd. 
Dhamirdhara. 1. S. boogschutter, B. wruh in sara, I, 8. 
B. m a p a n a h a 11 , V , 2(3 . 
B. mapapanahan, V, 83. 
B. wruh r i n a s t r a , VIII , 131. 
II. naam van een aap, XVIII, 18, XIX, 41, XXII, 58, 

XXIV, 249. 
Dhanurweda. S. boogschietkunst , B. warastra, I, 35, Jav. 

j au urwin d a. 
Dlianiirwedacastra. S. leerboek der boogschietkunst, B. lek as 

i ü m a p a }) a n a h a n , XIX , 16. 
Dliauecwara. S. bijgenaam van Kubera, B. Dhanendra, 

VII, 102, de god van den rijkdom. 



282 üHaRAKA DHIK. 

Dharaka. Jav. draka, S. dragend, houdeud , B. man re t 
(redden), VI, 71. 

B. magëhan, XV, 31 (reddend). 

B. na tak in, XV, 31 (standvastig). 

B. ma magëhan (drager), XVII, 93, XXII, 53. 

B. pagëh, XXV, 48 (reddend), XXVI, 5. 
Dharana. S. het houden , dragen , bezitten , enz. 

1. Dhinaraua, B. pagehan (gered worden), II, 30, 
Pass. Dur. 

B. pahayu, II, 48, werd gedragen. 

B. kawëlasan, XI, 71, gedragen worden. 

2. Dhumarana, B. gawena pagëh, XXIV, 81 (Aor. 
Act.) , redden. 

B. mamagëhan, XXIV, 174 (beschermen), XXV, 40. 

3. Man dharana, B. mangugwanin (dragen), XXVI, 23 
(Act. Dur.). 

Dharana. S. geduld, lijdzaamheid, B. pagëh, XXIV, 180. 

Dhari. B. dadari, XXIV, 250, vrouw. 

Dhariinuka. S. Darimukha, naam van een aap, XVIII , 17, 

XXII, 58, XXIV, 250 (vgl. Dariwadana). 
Dliarniiiia. I. S. wet , recht , plicht , deugd , verdienste , Bat. 
dorraa, Mal. dërma (aalmoes), B. krama (plicht) , 1 , 47 , 
48, II, 38, 39, X, 51, XII, 52. 
B. onvertaald, II, 62, X, 25. 

B. k ad h arm man, X, 21, 35, XVII , 38 , XXI , 141,111,54. 
B. kaganta, X, 56, XXIV, 86. 
B. ulah, XIV, 26, XXIV, 175. 
B. pa tut, XXIV, 81 , enz. 
2. Dharmma, B. pagawe, VI, 192. 
B ya^a, III, 54 (klooster), VI, 191. 
"^Dharmmaiiila. S. weegschaal van 't recht , B. kraman taraju, 

XIV, 65. 
^Dhariiinia^'astra. S. wetboek, B. kraman agaraa, VI, 37. 
B. indik in aksara, XIX, 32. 
Dhariinuesta. S. d h a r m i s t h a (zeer rechtvaardig , enz.) , B. 

kadharmraa kaesti, VI, 99. 
Dhala. S. da la (blad), B. lawë, XXIV, 193. 
Dhawala. S. wit, B. putih, VII, 64. 

Dhik. S. foei! B. dahat, VI, 17, 38, VIII, 128, 151, IX, 
88, X, 30, 70, XVII, 45. 



DHIRA DHAIHYYA. 283 

B. hih, XIV, 56, XXI, 18. 
B. kadahatan, XXI, 91 , 122. 
B. kali wat, XXII, 41 , euz. 
Dhira. S. dapper, moedig, vast, standvastig, enz., B. pagëh, 
III, 20, VI, 135, XVII, 86. 
B. tan rërëd (onverschrokken), X, 42, XVIII, 5, XIX, 

88, enz. 
B. tëpët (trouw), XXV, 39. 
2. Kadhiran, B. pagëh (standvastigheid), III, 20, XI, 

1 , 52. 
B. kawanin (dapperheid), XIX, 112. 
B. kapagëhan, VI, 44, IX, 81. 
B. kawiran, (moed), VI, 54. 
*Dhiratara. S. comparat. van het vorige woord, B. pagëh 
ga lak, IX, 37. 
B. pagëh k a b h i n a w a (zeer dapper) , XIX , 89. 
Dhlh. S. gedachte, verstand, vroomheid, enz,, B. bhiksu, 

'XXI, 145. 

Dhüpa. Mal. dupa. Bat. da upa, Lamp. d ah upa, S. wierook , 

B. asëp,I, 29, II, 20, III, 5, XVII, 91 , XX, 27 , XVI , 

17, XXIV, 29. 

2, Dhinü pa , B. i u uk up (bewierookt) , XXIV, 138 , Pass. Dur. 

Dluimra. S. naam van een aap, XVIII , 18, XIX, 41, XXII, 

58, XXIV, 247. 
Dhüniriiksa. S. naam vau een raksasa, XIX, 9, XXI, KU, 
165, 169, 171, 180, 181, 183, 184, 185, 187, 190, 
191, 192, XXII, 14, XXIII, 84, 85. 
Dhürta. S. sluw, schelm, bedrieger, B. corah, VI, 174, VII, 
35, VIII, 69, 128, 141, 156, XXIV, 118. 
B. dusfa, IX, 81, X, 37, XXI, 191. 
B. tan patut, XVII, 108. 
Bliuli. S. stof, B. gësëü (tot stof worden), XXI, 191. 

2. Dhülya, B. hetzelfde, zult tot stof worden, XVIII, 41 
(Fut.), Mal. duli. Bat. da hol i. 
Dlirti. S. vastberadenheid, rust, B. yen tan gastra! VI, 62. 

B. pagëh, XXI, 145. 
Dliairyya. S. wijsheid, vastheid, moed, B. wirasa, VII, 8, 
standvastigheid. 
B. mawak! VIII, 4. De B. vert. foutief. 
B. raga! VIII, 4. 



284 DHYaYl N. 

B. raauah! XXI, 162. 
B 9arira! XXI, 212. 
Dhyayi. S. d h y a y i n (in gedachten verzonken) , B, m a j a p a , 

XXVI, 31. 
Dlirnwa. S. naam van een aap, XVIII, 18, XIX, 41. 
Dliwaja. S. vaandel, vlag, banier, B. tungul, III, 5, XIX, 
4, 130. 
B. ketu. XVIII, 36, XXI, 167, XXIII, 42. 
Dhwajaksa. S. naam van een raksasa, XXIII, 37, 42. Jav. 

Dy aj aksa. 
ühwasta. S. vernietigd, B. rusak, XXi, 191. 

2. Dhwasta, B. nëlasan (vernietiging), XXI, 123, na 
punagi (gelofte). 



N. 

N. Meestal te vertalen door: terwijl (hij), in 't Bal. door "'t Pass. 

uitgedrukt, b.v. uararah, B. kapatitis(z. ar ah), XI, 

65 (terwijl hij aanlegde), XXI, 37 (uënah). 
B. onvertaald, '/om", XIV, 2, san^ayau pituhu, B. m a- 

mëlanin liidëpaü (aarzelen om te gelooveu) , Part. Praes. 

Act, XIX, 34, nuhgu (zijnde), 
'/omdat'/, XVII, 58: kaguyuguyun mahire, H. katë- 

(lekane sakitan (uitgelachen worden omdat kwelt), 
"dat", XVIII, 49: n cirnna, B. rusak (dat vernietigd zal 

worden), XIX, 28: n hëmban (dat omarmde), 75: n 

walës (dat vergold), 
"dat": n uiigwi, B. hana (dat was), XIX, 22. 
"met", XIX, 32: raarin kamarau, B. wusau (ophouden 

met) p rap ah ca. 
B. sa, XIX, 35: n tëka, B. satëka (bij de komst), 38 

(B. (la tan, dat kwamen), 
"toen", XIX, 39: n win u la tan, B. tin in hal au (toen 

gezien werd). Vgl. an, ak, ar, k, g, r en de artikels 

arah, ënah, ibër, alah, enz. 



NA — NAl'lKA. 285 

*Na. B. dan e, pron. rel. of bijv. lidvv. XII , 22, XV, 6. 
Na. B. mankana (zou), I, f/J, VI, 103, 143, 201, VII, 47, 
XIII, 27, II, 31, 32, 40, 43, 44, 53, 56, 60, 64, 70, 

VIII, 187, 203, X, 10, XIX, 29, XXI, 201, 223. 

B. keto (aldus), II, 39, III, 3, IV, 48, V, 79 VI, 190. 

B. onvertaald (die), VI, 186, 196 (zoo). 

B. to (dat), VI, 129 (zoo), XIII, 56. 

B. ya, XXV, 43, XXVI, 23. 

B. ikan (zoo) XII, 39. 

B. ika, XII, 40, XXII, 54. 

B. ne, XXIV, 258, enz. 
Naka. S. nakha (nagel), B. kuku, VIII, 21. Jav. kanaka. 
Nakagra. S. uakhagra (punt van de nagel) , B. tuiitun naka, 

IX, 73, XIV, 14. 

B. t u 11 1 u 11 k u k ü , XXII , 50. 
Naksatra. S. ster, B. bintaii, XXI, 145. 

Naga. S. slang, draak, olifant, B. onvertaald, VUL, 57 (slang) , 
XI, 7, XV, 30, 31. 
B. pagëh! XI, 71, olifant, XV, 33 (slang), 34, XVn,18, 

XX, 54, XXI, 138, XXII, 44, 72. 
2. Ma naga, B. maisi ula (vol slangen), XI, 69. 
Nagata. S. anagata, toekomstig, B. raararëin (ontzag) ,111, 56. 

B. raawëdi (beducht), XXII, 44. 
Nsigapa^.a. S. slangenstrik (naam van Indrajit's i)ijl) , H. 
Wyaia tamban, IX, 81, XXI, 59. 
B. onvertaald, IX, 83, XI, 1, XIII, 44, XIX, 15. 
B. bhujaga tarabah, XII, 40, XXIV, 59, enz. 
■^Nagapuspa. S. naam van een bloem (slangenbloem) , 15. naga- 
sari, VIII, 163, IX, 53, XI, 3, XVII, 118. Jav. naga- 
sari. 
Nïigabhümi. S. slangenrijk, B. nagaraja! XV, 46. De H. ver- 
taling is verkeerd. 
Nagara. S. stad, B. de?a, VIII, 24, 25, 28, 42, 43, 138, 
XIX, 49, XXIII, 35, IX, 2, XIV, 36. 
B. puri, XIII, 11, XIV, 58, XIX, 33. 
Nagarjija. S. slangenvorst , B. naga nat ha, XXII, 70. 
Nagendra. S. hetzelfde, B. na. ga ge de, XXI, 215, 
Nagiia. Jav. lëgena, Sund. nalagëna, S. naakt, bedelmonnik, 

B. bhiksuka, III, 40. 
Nailka. B. onvertaald, naam van een vrucht (artocarpus 



286 NatAKA NANa. 

integrifolia), IX, 55, XXV, 49, XXVI, 25 (Mal. 
Tag. hetz.). 
Nataka. S. tooneelspeler , B. onvertaald, XXV, 21. 
Natar. B. natah (erf), VIII , 45, 46, 163, XXVI, 25, XI, 3, 
XII, 47. 
B. bhümi, XXIV, 100. 

2. Anatar, B. anatah (gerangschikt), XXVI, 24. 
Natha. S. toevlucht, beschermer, gebieder, B. ratu (vorst), 
I, 46, II, 62, XVII, 26. 
B. ksatriya (lid der 2^ kaste), I, 49. 
B. gusti (heer), IV, 63, XIX, 27. 
B. onvertaald, vorst, VI, 200, V, 39. 
B. dewa, VII, 45, XV, 37. 
B. prabhu, XXI, 159, 201. 
B. bhüpati, XVII, 36, III, 84, X, 67, IX, 5, XX, 64, 

XXi, 18. 
B. mrabhuni, XVIU, 39, XXI, 24, enz. 
2. Natha, B. piabhu (vorst te zijn), X, 22. Conj. na 

yogya. 
B. mrabhuni (wees de toeverlaat), XXII, 16, Opt. 
Nadl. S. rivier, B. tukad, III, 34. 
■^Nadhorana. S. ? B. maswara (geraas maken), XXI, 207. 
Nana. B. rusak (versleten), V, 33, II, 28 (vernield), IX, 
1, 3. 
B. kan in (gewond), VI, 24. 
B. kasakitan (verslagen), V, 23. 

2. Numanakën, B. manrusakai'i (verwoesten), XII, 51, 
X, 47, Aor. Act. 

B. manrusak, XXII, 34. 
B. manrucakin, X. 2, 7. 

3. Manana, B. rusak (verwoest), I, 39, XI, 3. 

B. kasakitan, VI, 133, IX, 45, 47 (vernield), XX, 41, 

XX, 222 (verdelgd), XXII, 65. 
B. rusakaü, XVI, 21 (vernield), XXIII, 82. 
B. san sa ra (bedroefd), VIII, 155, IX, 31 (manana). 
3. Anana, B. sakit (pijn doen), XIX, 79. 
B. rusak (verdelgd), XIX, 85, XXI, 219, 220. 
B. kasakitan, XIX, 109, XXI, 195. 
B. onvertaald, XXII, 51. 
Nan^. S. verschillend, veelvuldig, B. tan wilan, XXVI, 24. 



NriNrU'RAKriRA — NllltAÜA. 287 

^NriiiJiprsikar.'i. S. zakon van alhu-lei aard, B. katali upakura, 
|[, 01. 
NriiiuwnlIiJi. S. vin'schillerul , tiieiiii(vul(li<^, 15. tan kenen vv i 1 a ü , 
XI., 1, 55. 
H. tan winilaii, XXT, 220, XXIV, 94. 
Naiidiiiiawiiiia. S. naam van Indra's lusthof, B. U dya nawa n a , 

XXIV, 12t). 
Nabhastala. S. luMncdgewelf, B. aka<;a, XI, 54, XXIV, 5. 
B. anil)ara, XII, 22, XX, 73. 

B. ga-ana, XV, (12, XIX, 80, XX, 19, 37, XXIV, 
15, 101. 
Nabhaslalaiiiaya. S. uit nevel bestaande, XXIV, 20. 
Naiiia. Mal. hetz. Mad. üaraa, S. nrunau (naam), B. wasta, 
I, 1. 
B. a da n , VI , 1 , IX , 76 , XXI , 1 66 , XXIII , 8.3 , XXV , 

28, XXVI, 25, Vm, 73, XIV, 7, XVIII, 4. 
B. madau, VIII, 189, XX, 10, enz. 
Namostu. S. hulde zij gebracht aan, B. inastuti, XXI, 159. 

B. maiiast unkara , XXIV, 128. 
Naya. S. gedrag, handelwijze, beleid, B. da va, V, 61, XIV, 
33, III, 46. 
B. rawos, III, 80, XII, 47. 
B. upaya, VIII, 102, XIII, 41. 
B. indrajala, V, 38, X, 51. 

2. Manaya-naya, B. ni o m o madaya (overleggen), 
III, 83. 
Nayawit. S. ervaren, B. wit nin daya! VIII, 102. De B. 
vertaling verkeerd. 
B. kawit in daya, XXI, 144. 
Nayeiigita. S. gedrag en gebaren, B. wruh in cetta, VI, 9. 
Naraka. Mal. hetz. S. onderwereld, hel, B. papa, V, 62. 
B. kawah (hel), XXII, 34. 
B. kasakitan (gekweld), VIII, 113. 
B. jële (slecht), X, 70. 
B. mawak papa (helsch) , XIV, 53. 
2. Kanaraka, B. papa (slechtheid), XVIII, 46. 
B. kasakitan (verdriet), XIV, 56. 
Naraca. Mal. Bug. ranaca, S. een soort van ])ijl , B. onvertaald , 

IX, 65, XIX, 84. 
Narada. S. naam van een rsi, XX, 22, XXI, 139. 



288 NARilDHIPA NARENDRAPUTRl. 

Narjidhipa. S. vorst, koning, B. onvertaald, II, 72, 111, 8, 
VI, 201. 
B. bhüpati, XVII, 39, 90. 
^Naranatha. S. hetzelfde, B. hetzelfde, I, 23, 35, 40, 50, XI, 
18, 35. 
B. natha, II, 62, 64, III. 19, 27, VII, 46. 
B. prabhu, XI, 39, XVII, 34, 73. 

B. ratu, XXIV, 229, XXVI, 25, XVIII, 7, XXI, 28,43, 
65, XXII, 67, enz. 
Narantaka. S. naam van een zoon van Rawana, XIX, 10, 
XXIII, 10, 12. 
^Narapati. S. vorst, B. natha, III, 79. 
B. n a r a n a t h a , XXIII , 1 . 

B. bhüpati, XXI, 120, XVII, 81, XXVI, 24, enz. 
NarabhaliSaka. S. menscheneter, B. rak sa sa, IV, 68. 
Naramansa. S. nara maiiisa (raenscheuvleesch), B. be jan ma, 

VIII, 32. 
Narayana. Jav. Yajarana, S. bijnaam van W i s n u , B. 
Wisnu, IV, 11. 
B. onvertaald, XV, 44. 
Naray anansa. S. incarnatie van Wisnu, B. K e 9 a w a , II , 30 , 
XI , 17 (N a r a y a n a ii 9 a). 
B. Wisnu, XV, 39 (Narayauanga). 
Nararrya. S. vorst, B. natha, XXIII, 33, XXIV, 24. 

B. arrya, XXIII, 61. 
Narasiüha. S. bijnaam van Wisnu, XIV, 13, XIX, 126, 

XXI, 132. 
Narendra. Jav. nalendra. Mal, nalaïndra, S. vorst, koning , 
B. natha, III, 8, 10, 13, 22, 24, 26, 27, VII, 46, X, 
67, XI, 22, I, 17, 18. 
B. bhupati, I, 16, 51 , II, 58. 
B. onvertaald, VIII, 165, XVII, 25, 42, 88, XXI, 

19, 50. 
B. naranatha, XVII, 40, XXI, 61, 67, 168, XXIV, 23, 
139, 171 , enz. 
*Narondragharinl. S. vorstin, B. onvertaald, VII, 49. 

B. u a t h a p a t n i , III , 6. 
•^Nareudratmaja. S. koningszoon, B. onvertaald, XVI, 41. 
^Narendraputra. S. hetzelfde, B. nrpasuta, IV, 6, 74. 
^Nareudraputii. S. koningsdochter, B. onvertaald, XVIII, 1. 



NAHENÜRASUTA NCM. 289 

^Nareiidrasiita. S. koningszoon , B. onvertaald , III ,1,2, 45. 
B. nrpaputra, XIX, 47, XXI, 155. 
B. nathat maj a, III, 8. 
Nare^wara. S. vorst, B. bhüpati, XXIV, 137, 138. 

B. natha, XXIV, 177, 178, 195, 220, 254. 
Nartakl. S. danseres, B. raanigël, VI, 128. 

B. m a n r ëj a n , XXVI , 23. 
Nala. I. S. naam van een aap , XVI , 1,4,6, XVIII , 1 7 , 52 , 
XIX, 40, 87, 88, 101, XX, 17, XXIV, 205, 243, 
XXVI, 23. 
II. S. anala (vuur), B. api, XX, 17. 
NMiM. S. half uur van 24 minuten. 

1. San al ik il, B. adawuh (een uur), XXI, 15, een oogenblik. 
Nawami. S. uawami (negende), B. asiya, XXVI, 30. 
Nasta. S. verloren, bedorven, B. papan! XXII, 32. De B. ver- 
taling totaal verkeerd. 
B. rin tanan! XXIII , 12. De B. vert. foutief. 
B. denin tanan! XXIII, 15. De B. vert. onzin. 
Nasi. Mal. hetz. Sas. nasiq. Lamp. nasuy, B. hare pin, 

XXVI , 25 , gekookte rijst. 
Nasika. S. neus, B. cuüuh , IV, 55. 

Nahaii (ualian). B. man kan a, zoo (als voorafgaat), II, 11 , 63, 

VI, 19, 64, 148, VIII, 59, 80, 207, IX, 60 (nahan), 

XII, 45 (nahan), VII, 49. 

B. nanhin! XI, 24, 26, 35, XIV, 66. De B. vert. foutief. 

B. sapunika, III, 52, (nahan), 79, VII, 77, XI, 30, 

32, 33. 
B. to, XIII, 4 (nahan), 11, 23, 48, 62. 
B. smalih! XIII, 29 (nahan), X, 67. De B. vert. foutief, 
nahan, B. ra i w a h ! XIII , 42 , enz. 
Nëliët. 1. Kanëkë taken, B. katuturaii, III, 62,Pass, Aor. 

van //denken aan//. Bij v. d. Tuuk staat het onder de A;! 
Nëuëli. 1. Sanënëh, B. sahana, VIII, 31 , zooveel als er zijn , 

allen. Bij v. d. Tuuk staat het onder de *■ ! 
Nëp. B. gënëp (voltallig), IX, 44, dicht opeen? 

B. mëndëp (zwijgen)! XVI, 23, XXIV, 105. Naam van 
een plant of: dicht opeen? 
Nëm. Mal. ënam. Bug. anan. Mak. anan, Mad. ënëm , Sang. 
ënnun, Bar. aonó, enz. B. onvertaald, zes, XXI, 139. 

B. sad, XXIV, 223. 

19 



290 NI — NiKaN. 

2, Mafianuëmi, B. maiianëmin (met de zessen iets doen), 
XV, 62, Act. Dur. 

3. Kê,nëin, B. nrawos! de zesde , XIX , 8. De B. vert. foutief. 
Ni. I. B. i (lidwoord voor vrouwennamen) , XXV , 54. 

II. Bat. hetz. B. rin (van), III, 49, XVII, 11. 
B. in (van), UI, 80, XV, 58. 
B. na (van), X, 47, V, 33. (Gen. van si). 
B. onvertaald, XVII, 8, XV, 23, IV, 58, XI, 1. 
B. ika (van), IV, 72, XI, 73, XIV, 66. 
B. nin (van), XXI, 54, XXIV, 48, VI, 91, VIII, 185. 
B. n (van), V, 2, 35, 89. 
B. olih (door), V, 31, 32. Instr. van si. 
B. nya (van), V, 40, XIX, 129. 
B. den in (door), V, 34 (van), 48. 
B. t (van), VIII, 186 (Gen. van si), XI, 25. 
B. ne, XXVI, 25, XVII, 59. 
B. ik au (van), XXII, 47, V, 62, VI, 39. 
B. de (door), VII, 102 (Instr. van si), XIII, 26, enz. 
Nika (iiika). zelfstandig. Gen. van ika (ika), B. T. L. Vk, 

6« v. VI, 97, B. ipune (van hem), III, 73 , XIV , 55 , 65. 
B. nya (van hem), IV, 72. 
B. punika, VII, 85, IX, 79, XXI, 236. 
B. ija (hem), VII, 90, VIII, 123. 
B. d an e (van hem) , VII , 95. 
B. ipun, VI, 86, 93 (hem), VIII, 96, XXI, 122, 

192, enz. 
■^Nikan (nikan). bijvoegelijk , Gen. van ik ah, hetzelfde met het 

lidwoord verbonden , B. d e n i n (door de) , III , 9 , VIII , 1 1 6, 
B. nikuh, V, 15, X, 58. 
B. onvertaald (de), VI, 189, VII, 7. 
B. ikan (van de), VI, 195, I, 13. 
B. punika (van), V, 1, VIII, 31. 
B. ne (van de), IX, 29, II, 41. 
B. ikun, V, 3, II, 78. 
B. de uikah, III, 32, 70. 
B. ipune, IV, 65, VIII, 172. 
B. nya (van de), VII, 110, XI, 7. 
B. ika, XIV, 17, 54 (van een), 64 (van de), 65, III, 86, 

XI, 29, 61, XIX, 42, 69, enz. 
■^Nikaii. versterkte vorm van nika, B. punika (van hem), VII, 



NIKANA NICCA (nÏCa). 291 

5,XIII,92,XIV,4,XVII,35,XVI,41.Soms:nika4-an. 
■^Nikana. zelfstandig. Gen. van ikana, hetzelfde , B. mankana! 

(van hen), VI, 30. 
B. punika, X, 48, XIV, 42, XV, 5, 40, XIX, 44, 97, 
■^^Nikaiifin (nikaiian). bijvoegelijk , hetzelfde met het lidwoord 

verbonden, B. T. L. Vk. (3« volgr, VI, p. 97 , B. rin (van), 

III, 2. 

B. punika (van de), III, 23, VIII, 7, XIV, 66. 

B. nikun (van), VII, 87, III, 58. 

B. ik ah (van de), VIII, 168, IX, 89, V, 27, XVIIl, 42, 

IV, 17. 

B. nih, VII, 113, VIII, 94, XVII, 106. 
B. nikah, XXI, 159, XXIV, 18, enz. 
■^Niki. Gen. v. i k i , zelfstandig , B. ha (van deze), VI, 187, X, 35. 
■^Nikiü. hetzelfde met het lidwoord verbonden. Gen. van ik in, 
bijvoegelijk, B. onvertaald (van mij hier die), VI, 123. 
B. ne (deze), XXIV, 8, XI, 24 (van dit). 
B. iriki (van deze), VI, 135. 
B. den in (van deze), VI, 180. 
Nikuiiibha. S. naam van een zoon van Kurabhakarna, XIX, 
10, XXIII, 36, 37, 43, 44, 46, J. Aswanikumba. 
^Nike. Gen. van ik e, zelfstandig, B. haue (van haar), IV, 55. 
B. ipun (hiervan), XI, 26. 
B. punika, XXI, 66, XXIV, 148. 
"^"Niken. hetzelfde met het lidwoord verbonden. Gen. van ikeii, 
bijvoegelijk, B. ikan (van deze), XVll, 2(5, rh~). 
B. olih (van het), Ili , 11. 
*Niko't. er van, dat gij, VIII, 118. 
^Nin. B. onvertaald (van de), I, 2, X, 25. 

B. in, I, 46, VII, 28, 92, 109, XXI, 127, lil, 31, 33, 

XV, 65, V, 15, 19, 38, 67. 
B. rih, III, 7, IV, 20, VI, 187, Vil, 20, II, 41. 
B. ne, I, 47, 48, XXI, 142, 1()3. 
B. ikan, XIV, 49, 58, XV, 38. 
B. nikah, XXI, 77, 133. 
B. ika, III, 32, VIII, 89, IX, 49. 
B. z, III, 77, VI, 140, 179. 
B. na, V , 16 , enz. 
Nicca (ülca). S. nica (laag, gemeen), B. iii.sta, IV, 53, V, 
32, VI, 56. 



292 ÏJITA NITYASABI. 

B. corah, YI, 196 (nicca), XIV, 53. 
B. lënit, XIV, 58. 
B. jële, XXI, 24, 29. 
B. lëtuh, VI, 11, 184, XXn, 51. 
Nita. S. panita (weddenschap, inzet bij 't spel) , B. c uk i (spel), 

XXIV, 125. 
Nitala. S. naam van een hel, XV, 35 (B. uapakan!) Be B. 
vertaling totaal verkeerd. 
B. kadasar! XIX, 99, De B. vert. foutief. 
Nlti. S. gedrag , levenswijsheid , politiek beleid , B. n a y a , 1 , 4 , 
XXIV, 49, Xin, 46. 
B. rawos, XVIII, 31, XII, 50. 
B. daja, XIII, 21, XXI, 21. 
B. panrasa, XIII, 57. 

2. Maniti, B. madaya, XIV, 33 (beraadslagen). 

3. an paniti, B. amëtu upaya, XXI, 244. 
Nitijna. S. rijk aan levenswijsheid, B. wirasa, III, 63. 
Nitimau. S. beleidvol, B, wruh in rawos, XXI, 98, 

XXIV, 41. 
Nitya. S. voortdurend, bestendig, steeds, B. hëda üamarian, 

III, 65. 
B. hëda mari, III, 70. 
B. tan mari, VI, 43, X, 13. 
B. pagëh, VI, 102. 

B. satata, VIII, 122, XVII, 39, 41, 106. 
B. kasaben, XVI, 18. 
B. hëda lupa, XIX, 31. 
B. tan pëgat, XXI, 118, XXV, 31, XIV, 63, XVTI, 38, 

97, 111, XX, 27, enz. 
2. Kinanityakën, B. dumun gawenan (steeds gedaan 

worden), XIII, 55. Pass. Dur. 
Nityakala. S. ten allen tijde, B. hetzelfde, VIII, 67, XVII, 

1 , 36 , XXIV , 236. 
B. sadina-dina, I, 12, VIII, 87. 
B. d in a-d in a, IV, 18. 
B. satuhuk, VII, 29. 
B. tan mari, XI, 33. 
B. tan pëgat, Xn, 40, XXI, 16. 
"^Nityasari. S. nityasariu (altijd ijlend) , B. tan mari, 

XVII, 94. 



NIDllfl- — NIYUTA. 293 

Nidra. S. slaap , J. n e u d r a , M. m a s a r c (.slapen) , li , V» , Vlll , 
75 (ui dra), XXII, 13. 

B. maturü, VIII, 79, 81, XVli , 04. 

B. mëdëm, VIII, 84, 194. 

B. si rep, XI, 89. 

li. inërëra, XI, 95. 
Niudfi (uiudji). S. uiudA,, bcrispiiiii:, B. panacad, XVli, 44. 

B. pari w a d a , III ,(51. 

B. iiacad, III, 69. 

2. Niuiuda, B. kacacad (berispt worden), Vi, 189. 
Nipuiia. S, bekwaam , B. u n i fi , 1 , 35 (Jav. n i m p u u a , Jav. R. 2). 

B. putus, XI, 94. 

B. wruh, XV, 7, XXIII, 60. 

2. Kanipunan, B. ka wik an au (bekwaamheid), XVII, 79. 

B. kawikan, XXIV, 15. 
Nimittsi (nimita). Jav. uimita (uimiu ta) , S. uimi tta, redeu , 
aanleiding, teeken, B. mande, I, 2. 

B. karana, VI, 142, XIX, 47. 

B. m arm ma, XIX, 45 (teekeu), XVIII, 36. 

B. margga (redeu), VII, 109, VIII, 183, XIX, 48. 

B. mak ar au a, XXI, 141. 

.2. Piuakanimitta, B. makacihua (tot teeken strekken), 
XXni, 82. 

B. makahawanan (tot reden strekken), XXVI, 50. 
Niniiia. S. diep, B. nrëgëpan! XXIV, 2, diepzinnig. 

B. pur una, XXV, 40, diepzinnig. 
Niyata. S. vast , zeker , ontwijfelbaar , Mal. Sas. ü a t a , B. w y a k t i , 
VIII, 131, X, 4, 5. 

B. kautëu, VIII, 134, 142, V, 34, 76, VI, 34, XV , 43. 

B. ika! XIII, 55. De B. vert. foutief. 

B. iya, VIII, 99, XI, 9. 

B. ikan! XIV, 35. 

B. sapunika! XXIV, 78. 

B, pituwin, XXIV, 153, enz. 

2. Niyata, B. sapunika! XXII, 40. De B. vert. foutief. 
Niyuta. S. millioeu, B. yutayan, XV, 29. 

B. yutaan, XIX, 13. 

B. yuta, XIX, 53. 

B. ayuta, XIX, 129. 

B. pin yuta, XIX, 129. 



294 NIRA NIRa9RAYA. 

Nira. B. dan e (van hem), deftige vorm. Gen. van sira. 1, 50. 
B. ida, III, 1, 8, 14, 27, XIY, 60, 63. 
B. idane, III, 6, 7, 31, 44, I, 5, 8, 18, X, 16, 

V, 36. 
B. nya, I, 17, III, 30, 32, 34. 
Ni rakuia. S. helder, rustig, B. nora maturü! XXIV, 180. 
■^Niran. hetzelfde als nira met het lidwoord verbonden, B. 
idane, III, 8, 10, IX, 2. 
B. ida, IV, 76, I, 40, II, 32. 
B. dan e, VI, 25, VII, 84. 
B. danene, VIII, 4, IX, 45. 
B. dane san, IX, 81, XII, 57. 
B. san, I, 39, VI, 26, III, 10, 40. 

B. ida san, II, 70, 77, IV, 2, 13, VII, 42, 95, I, 47, 
III, 7, 35, 38, V, 27, enz. 
Nirati^'ayfi. S. hoogste, B. manëlasan, XXIII, 70. 
^Niran (niran). versterkte vorm van nira = nira -f- (a) n , B. 
ida, VIII, 108, 184. 
B. dan en e, V, 78. 
B. dane, XVIH, 6, XVII, 5. 
B. idane, III, 16, 21. 
Nirautara. S. onophoudelijk, B. tan pëgat, lil, 30, VII,. 4. 
B. manëcëhah, Vil, 8, 19, VIII, 40. XI, 63. 
B. tan mari, XXII, 48. 
B. tan papëgatan, XVII, 114. 
B. nora pëgat, XXII, 1. 
B. ndatan mari, XXIII, 25, 35. 
B. satata, XXIII, 28, XXIV, 17, enz. 
■^NirapeliSa. S. onbekommerd, onbezorgd, onverschillig , H, n ora, 
nahënan, XXIII , 20. 
B. nora kewëh, XXV, 15, 41, 49, VI, 169. 
■^Nirar. van hem dat (terwijl) = nira -J- ar, B. idaue, 1, 60, 
II, 1,IV,18, VII, 39, XVII, 107. 
B. ida, IV, 16, 20, VIII, 196. 
B. danene, V, 22, 31, 81. 

B. dane, IX, 84, XIII, 63, VIII, 104, 113, 180, XXIII, 
65 , enz. 
Nlrawa^osa. S. zonder overschot, B. nora kasi, XXIII, 65. 
Mra^raya. S. zonder bescherming, hulpeloos, B. pararagan, 
XIX, 60. 



NIRITT NIRWISMAYA. 295 

K padidihan, XXI, 42. 
B. tan pakauti, XXI, 49, XXIV, \62. 
Mrupeksa. S. hetz. als n i r a p e k s a , B. u o r a n r e i'i ö a n , 

XXI, 167. 
Niriti. S. Nirti (de doodsgod) , XXIII, 9, Bat. nariti. 
^"Nirosadha. S. nirausadlia (ongeueeselijk) , B. tanpataiu ha, 

VII, 30, VIII, 152, XVI, 27. 

Nirguna. S. onbeduidend, ongewichtig, nutteloos, B. tan pa 
guna, VII, 83, III, 51. 
B. tanpa gawe, VIII, 154, V, 14, XI, 25, XVII, 72. 
B. nirdon^, XIII, 50, XVI, 28, XXI, 83, XVIL, 34. 
Nirghrna. S. wreed, B. tanpatutur! III, 27 , XIII, 7 , XXi, 
24,* V, 31, IV, 61, VIII, 141, XVII, 105 (wreedheid), 

VIII, 157, X, 30. De B. vert. foutief. 
B. nora meliii! (wreedheid), VI, 7. 

Nirjhara. S. waterval, B. tïrtha! II, 1. De B. vert. 

foutief. 
Nirdosa. S. onschuldig, B. nora salah, IX , 88. 
Nirbbaya. S. onbevreesd, B. tan kewëh, l, 1(5, XXIV, 168, 
XI, 1, XV, 52. 

B. nora kewëh, IV, 9, 47. 

B. nora üewëhan, VII, 1 , IX , 39. 

B. tanpakerin, XX, 35, XVIII, 37, 50. 

B. nora obah, VIII, 139, X, 68, XVII, 25. 

B. nr usakan, XIX, 56, XX, 26. 

M. tanpakewëh, XIX, 124, XIV, 1. 
Nirmmala. S. vlekkeloos, rein, B. tan patalë t ch, il, 45, 
III, 31, XXI, 37, XXIV, 84, 137, XI, 46. 

B. galan (helder), VII, 33, XIII, 3. 
Nirlajja. S. schaamteloos, B. nora wiran, XVIll. , 45. 
Nirwikara. S. onveranderd, B. nora san kal a, II, 45. 

B. nora kewëh, XIV, 61. 

B. nora sakit, XXI, 155, XXIV, 10. 

B. nora rahat, XXI, 184. 

B. nora kanin (onverlet), XXII, 73. 
Nirwighiia. S. ongehinderd, 15. nora ra i ra ra, II, 45. 
Nirwuveka. S. zonder overleg, B. tan panrasa, VI, 10. 

B. nora pawilanan, XIV, 16. 

B. nora nrawosan, XIV, 69. 
■^Nirwismaya. S. zonder verbazing, B. tan jënëk, XIX, 79. 



296 NILA NISÏEJA. 

Nila. S. naam vau een aap, VII, 48, 49, 53, XI, 9, XVIII, 
17, 52, XIX, 40, 87, 88, 101, XX, 31, 32, XXI, 156, 
221, 222, 223, 224, 225, 226, 227, 231, 234, 235, 
238, 239, 241, 243, 244, 247, XXII, 58, XXIII, 14, 
16, 30, XXIV, 144, 215, 243. 
^Nllawarnna. S. blauwkleurig , B. inarüpa sëlëm, VI, 109. 
Nilotpala. S, blauwe lotus, B. tuiijun, XVII, 119. 
Niwedya. S. naiwedya (soort vau offerande aan een afgodsbeeld) 
B. upakara, I, 28, 29. 
2. Niniwedya,kën,B. kabantëuan (werden geofferd) , 1 , 29. 
Ni^akara. S, de maau , B. cacaüka, XVII, 43. 
Ni^'caya. S. zekerheid, overtuiging, Mal. niscaya, B. kuinaii- 
dël (zeker), XI, 36, VI, 155. 
B. tan unin! VI, 66, IX, 57. 
B. tan o bah, VIII, 127, XIX, 59. 
B. mapinda wëruh! overtuigd, XIII, 11, enz. 
2. Niscaya, B. ngugu, VIII, 207, Conj. na dumeh. 
Ni^^cala. S. onbewegelijk, onveranderlijk, B. tan o bah, IV, 

26 , XIV , 60 (onwankelbaar). 
Ni^^abda. S. nihcabda (zonder geluid , stil) , B. s i y ë p , 

XXI, 127. 
Ni^'Carana. S. nih^arana (zonder bescherming), B. tan pa- 
kan ti, IV, 65. 
B. tanpasahaya, XX, 47. 
Ni^^esa. S. nih^esa (zonder overschot, geheel) , B. tanpak ar i, 
XIX, 42. 
B. tëlas, XXII, 53. 
B. nora kari, XXI, 124. 
Nistura. S. nisthura (streng, wreed, ruw), B. pragalbha, 
Vin, 143. 
B. tanpatutur, XXI, 63, wreedheid. 
Niskalënka (niskaiënka). S. niskalanka (zonder smet), B. 
tanpa talëtëh, IV, 10. 
B. nora lëtuh, XXIV, 149. 
Niskaryya. S. niskarya (zonder doel) , B. nora gawe,XI, 24. 

B. tanpa ga we, XI, 26. 
Nistrsna. S. onmeedoogend , XI, 24, B. nëlasan! 

nistrsna, B. nora trsna, XXIV, 190. 
Nisteja. S. nistejas (glansloos), B. nora maprabha, 
XXI, 163. 



isrisPR-aYA — NKK. 297 

'^'Nispruya. S. zonder Ie sterven, I). (wura nanarin, V] , 181. 
Nispliïila. S. nisphala (vruchieloos, nutteloo.s) , I?. iiora 
matwas, II, 75. 
B, taupatwas, VIII, lol. 
B. tanpaguna, XVII, 34. 
B. 11 o r a m a k o 1 i h , XV 11. , 42. 
*Nissaha. S. uibsalia, krachteloos. 
B. bis a m a m u 1 ë s , X XII , 51. 
Nihaii. B. ne, zóó (als volgt), XIII, 54. 
B. kene, XVII, 48, VI, 16'J. 
B. lualih! XVII, 75, V, 57. De B. vert. rouiieC. 
B. sapuniki, XVIIl, 22, XXIV, 48. 
B. naiihiu! XVIII, 30, 39. Ue B. vert. foutief. 
B. smalih! VI, 14, VII, 42, III, 70, XXI, 40, 57. 
B. miwali! VI, 81, 8(5. Ue B. vert. foutief. 
B. deuiu! VII, 42, XVII, 82. De B. vert. foutief. 
B. keto, XVII, 77. 
B. keu, Xm, 11 , 32, 48. 
B. to, XXI, 192. 

B. raankana, XIII, 85, XX LV, 219, \.\Vi, 10, eiiz. 
NugTaha. S. au ug ra ha (gunstbewijs), B. ica, .XIV, 10. 
Nrpa. S. vorst, koning, B. onvertaald, VII, 53. 
B. bhüpati, XVIII, 8. 
B. ratu, VIII, 133. 
Nrpati. S. hetzelfde , B. n a t h a , 1 , 1 1 , XI , ;-.5 , 3(5 , \ V LI , 
8(3, 92, XVIII, 33, XIX, 94, II, 57, 02, XX, 04,71, 
XXI, 67, XXIII, 29, XXIV, 135, 130, 1 Ki, 154, 240. 
'^'Nrpati putra. S. koningszoon, prins, B. ii i-pat luaj a, LI, (54. 

B. nathatanaya, XXI, 70. 
"^"Nrpjitrnaja. S. koningszoon, prins, III, 11. 
"^'Nrpaputra. S. hetzelfde, B. onvertaald, VIII, 187, Li, 40, 
58 , 73 , XIV , 4. 
B, nrpasuta, II, 53, IV, 6. 
B. nrpatmaja, II, 54, 77, XIV, 18. 
"'^■Nrpaputri. S. koningsdochter, B. onvertaald, XVII, 37. (i2 , 7-1. 
"'^Nrpasuta. S. koningszoon, B. nrpaputra, II, 32, XXIII, 00. 
B. prabhuputra, XXIV. 195. 
Nek. 1. Ma nek, B. mufigah (klimmen), III, 41. Mal. uaïk, 
Ibau. u nek, Magind. m a n i k. 
B. mënekin, XIX, 117, XXII, 49. 



298 NEKA — NDAK. 

B. mënek, XXII, 51, XXIV, 16, VIII, 92, XIX, 79. 

2. Umanek, B. hetzelfde (Aor. Act.), III, 66, IX, !3, 23. 
B. m u 11 g a h , XXIII , 74. 

B. umungah, XXIV, 253. 

3. an panek, B. kapënek (dat besteeg), VIII, 63, 
XXII, 51. 

jan panek, B. muuggah (klimmende), XVI, 14. 
ar panek, B. hetz. , dat besteeg, XXIV, 12 (met nadruk op 
't voorafgaande). 

4. Mama Q ek , B. manlaucat (klommen) , XIX , 16, Act. Dur. 

5. ADianek, B. mamënek, XXV, 78. 

Neka. S. naika (vele, verschillende), B. tan tungal, XXVI, 

7, XIV, 39. 
Nekaprakara. S. naika p rakara (van verschillenden aard), B. 
katah nimpalin, IX, 43. 
■^Nekawarnna. S. naikawarnna (van verschillende kleuren), IJ. 
tan tungal rüpa, XXVI , 24. 
Netra. S. oog, B. mata, XI, 12. 

Nairrtastra. S. Daemonenpijl, B. danawastra, XXIV, 18. 
Nopura. S. n ü p u r a (voetring) , B. t u t u p g ë 1 u n ! IX , 43. 
Nohan. B. sadja! gelukkig, XXII, 51, VII, 91. 
*Nta. I. suff. 2« pers. B. cahi (door u) , II, 30, 59. 

B. ibane (uw), VI, 181, 183, 189, XXII, 2 (van u). 
B. onvertaald, XVII, 105, II, 52, XIV, 64, 65. 
B. ida (u), II, 71, III, 46. 
B. nyu, XVII, 105. 
B, me me (uw), III, 27, 47. 
B. kamun (u) , III, 28, V, 5. 
B. bëline (uw), III, 51 , V, 7. 
B. i d e w a (van u) , III , 11, 13. 
B. cabine (uw), III, 75, V, 48. 
B. dewa (door u) , IV, 12, enz Zie la 
^Ntoh. B. ingih (toch), VI, 43. Zie toh. 
Ma (nda). B. naAhin (echter), VI. 30, VIII, 16, Xin,32, 
XIV, 27, (maar), XVII, 48 (zie). 
B. sraalih, XVII, 68 (ziedaar), XX, 77, XXI, 7, XXII, 
74 (doch), XXV, 90, enz. 
Ndak. B. nanin! (iaat ik), VII, 75. De B. vert. foutief. 
B. mbok, VIII, 145. 
B. indayan, XVII, 76, XXVI, 25. 



NDaTAK NDYA. 299 

B. wëtu! XVII, 109. De B. vert. fouiief. 
B. apan, XIV, 67. 

B. yen! XXIV, 129. De B. vert. foutief. 
B. nanhin! X, 62, euz. Jav. dak. 
*Ndatak, B. n o ra na (maar ik niet), XIV, 31. 
*N(ljitag. B. nanhin nora, hetzelfde, voor een iv ^ Xlll , 6. 
Nda tatita. B. tan ucapan (er worde nu gezwegen over), IV, 
1 , I, 32, Vil, 1. 
nda tatita, B. tan caritan, VII, 32, XVII, 61. 
nda t atïta, B. tan warnnanën, XVIII, 1, XXI, 1. 
B. nanhin tan uca])an, XXIV, 127, enz. Jav. datatita. 
Ndatan (ndataii). B. norana, VI, 174, VII, 38, XIH , 23. 
B. nanhiü nora (maar niet), VIII, 158, 193, 211, 

IX, 66. 
B. tan hana, XIX, 51, 60, (51. 
B. nanhin tan (doch niet), XIX, (kS, XII, 12. 
B. n a n h i n nora n a , III , 7 , XIV , 1 4. 
B. sampuu, XIII, 85, enz. .Tav. da tan. 
Ndatar (ndatar). hetzelfde, doch beleefder dan 't vorige. H. 

uanhiii nora (maar niet), VIII, 69, LX, 79, I, 45. 
Nda tlta. B. tan ucapan (er worde uu gezwegen over) , XVIII , 
33, XX, 51. 
B. tan warnnaua, XVIII, 51. Zie ndatatita. • 
Ndau (ndaii). B. nanhin (maar), XIII, 25, I, 43, VI, 34, 
83, 87, 143, 156, VII, 4, 15, 17, 46, XIV, 28, 52, 
62, II, 52, IV, 21, VIII, 53, 59, 117, 182, 183, X, 
41, 44, 71, XI, 2, 9, 29, III, 53, XVII, 106, 137, 
XXI, 102, 198, XXIV, 136, XXV, 90. Mal. dan. 
Ndah. B. ingih (o), XVII, 67, 99. 
H. nanhin (wehian) , XVII, 67, 90. 

B. manke, XXI, 200, XXIt, 28, XXIV, 259, XXVL, 7. 
B. nah, IX, 87, XI, 5, 34, XII, 32, XVII, 75, 

XXI, 113. 
B. smalih, XXI, 70, XXVI, 25. 
Ndi. Jav. ëndi. Vgl. B. T. L. Vk. (V' volgr. VI, p. 233. B. di 
j a h a (waar) , VI , 37 , 44 , XXIV , 118, 1 43. 
B. nken (hoe), X, 28. 
B. onvertaald (waar), VIII, 82. 

B. këjaha (waar), XIII, 90, XXI, 8, XXV F, 16. 
Ndya. Bat. diya, B. ndi ka pan (ziedaar), III, 50. 



300 NYA — NYari (nyaii). 

B. di jaha (waar), V, '28, Vill , löl , 171, IX, 88, 

ziedaar. 
B, aken (ziedaar), X, 2, 35. 
B. uenke (hoe), X, 6, XV, 37. 
B. kenken (wat) XX, 71. 
B. sapunapi (wat), XI, 36, XVli, 19. 
B. n enken (waarom), V, 35, 49, VII, 99. 
B. apa (wat), VI, 168, 182. 
B. p u n a p i , VI , 1 35. 
B. këjaha (waarheen), XXI, 6,7, 39. 
B. sapa! (wat), VIII, 150, XVII, 26, 27 (ziedaar) , XVIIl , 

42, XXI, 42, 43 (wat), enz. 
Nya. Bat. niya, Mal. üa, Suud. na, Jav. ne, enz., suffix 

3« pers., B. onvertaald, III, 80, 1 , 4, 21 , II , 5, 26 , 

19, 35. 
B. ika, I, 49, II, 16, III, 80. 
B. ipun, II, 12, IV, 75, V, 2. 
B. punika, II, 19, 75, III, 72. 
B. nane, II, 54, III, 77, XIV, 66. 
B. ya, V, 1, II, 27, VIII, 181. 
B. a , III , 36 , IV , 3 , 5 , 60. 
B. na, IV, 4, III, 10, IX, 61. 
B. e, XII, 27, XIX, 26, XXI, 28. 
B. danene, XXI, 14, IV, 53, II, 33. 
B. ida, VIII, 128, XVIII, 13, XIX, 60. 
Nya (nya). B. ken e (aldus, zoo), I, 47, VI, 195. 
B. ne, XVII, 67, II, 49, VIII, 114. 
B. smalih, IV, 51, XVII, 29. 
B. punika, IV, 50, VIII, 174, 196. 
B. ika, XVII, 11, 28. 
B. nenken, VI, 154, A^I, 6. 
B. nanhin, XVIII, 29, VIII, 148. 
B. malih, XIII, 12, XVII, 30, 33. 
B. ya, XXI, 202. 
B. to, X, 3, XII, 11. 
B. mwah, XIII, 25, 33, XXI, 120. 
B. ada, XIV, 3, XVII, 46. 
B. ingih, XLV, 31, enz. 
Nyan (nyan). hetzelfde met 't lidwoord verbonden , B. ika, 

VIII, 84, XVII, 42, 89. 



NYAÏ — NYÜ. 301 

B. ikan, II, 40, VII, 21, VIII, 14. 
B. punika, VII, 12, 17, 19, VIII, 121, 147, 153. 
B. ya, III, 55, VII, 14, X, 21. 
B. ada, III, 62. 
B. ne, XVII, 90, XXI, 108. 
B. i b a ! maar , XIV , 55. Zie u y a t a. 
B. e, XXII, 53. 
■^Nyat. B. nin (ervan dat gij), XXI, 13 (suffix 3« pers. metpron. 

2*^ pers.). Zie nya en t. 
■^Nyad. B. nin (ervan dat gij), XXI, 109 (suffix 3" pers. 

met a d). 
*Nyan. B. n y a (suffix 3« pers. met a u) , III , 75 , IX , 1 , 
19, 45. 
B. üa, XI, 24. 
B. onvertaald, VI, 40, 62. 
B. na, VI, 53, IX, 46, 47, 48, 49, 50. 
^yaya. S. regel, methode, logica enz. B. niiwali ya! 
XXI, 141.^ 
"^Nyar. B. ya (suffix 3*^ pers. met ar), VI, 41. 

B. nya, XX, 29, XI, 1 , 51 , XXI, 174, XXII, 50, 52. 
Nyu. B. ibane (uw), VIII, 130, 137, XIV, 52, 54 (min- 
achtend). 
B. iba, XXI, 17, 31 (Vgl. Bis. inyo, Tag. iuyo, Mak. 
nu, Bat. ndu, Lamp. du). 
Nyü. Mal. hiur, Tag. niyóg. Bis. niog, Jav. hu, Uay. 
enoh. Bug. niyo, Sam. Fidji niu, Malag. nihu enz. 
(Codrington, p. 41.). B. kalapa (kokos), IX, 55, XI, 3, 
XXVI, 23. 
B. waragah, XIX, 104. 
B. huh, XXVI, 24. 



302 PAKAN — PAGCH. 



P. 



Pakan. Vgl. Sund. hak au, Mad. ka kan, Mal, makan (eten). 
1. Makaua, B. mangëlaran, XXIII, 54, te eten 
(Conj.). 
Pakëna. B. kakna (nut), III, 78. 

B. phala, XX, 69, XXYI , 26, XIII, 49. 
B. gawenan, III, 81. 
B. pakolih, XII, 17. 

2. Pakëna, B. gawe (zou het nut zijn), XXII, 49, 

3. tanpapakëna, B, nora magawe (nutteloos), XVI, 28. 

4. Mapakëna, B. mapakolih (nuttig), XIV, 33. 
B. gawe, XIX, 65. Sund. pikön, 

Paku. B. onvertaald (varen), XXV, 47, 61. 
Paksa. S. meening, gevoelen, partij, B. mabuddlii (willen), 
XXIV, 109. 

B, laksana (doel), VI, 179. 

B. kawruhan (kennis), VI, 181. 

2. Mapaksa, B. makahyun (wenschen), XVII, 100. 
B. man ah (van meening zijn), XX, 33. 

3. Apaksa, B. prik sa! XIX, 35. 

Palisapata. S. partijdigheid, B. adwa! XX, 66. De B. vertaling 

foutief. 
Paksi. S. pak sin (vogel), B. kaga, VI, 66. 

B. këcjis, XXIV, 114, XXV, 18. Jav. pëksi. 
Pagër. B. pagëh (omheining, heg, wand), V, 7. 

2. Apagër, B. masërun (omheind), XXV, 38 , tot omheining 
hebben. 

3. P a m a g ë r , B. m a n u k u h a n (omheining) , XXV , 40 , 
middel ter omheining. 

Pagëh. B. kukuh (vast), III, 3, 

2. Apagëh, B.tëkëk (vast, stevig, stijf), X , 71 , VIII , 1 16. 
B. jënëk, XV, 12. 

B. kukuh, XXIV, 62, 65, 
B. këkëh, XVI, 3. 
B. pagëh, XXIII, 85. 

3. Pa h apagëh, B. mande kukuli (maak sterk), III, 56, 

4. Pahapagëhën, B, makaraiia lama (worde duurzaam 
gemaakt), III, 59, Juss, Pass. 



PAGUT PADAN. 303 

5. Mapagëh, B. kukuh (duurzaam), III , 73, XXI, 125, 

XXIII, 41, XXIV, 48, 124. 

6. Mapagëha, B. ma mag ëh au (om standvastig te zijn), 
III , 85 , Conj. 

7. Pagëhpagëha, B, ue pagëli pa kukuh in (vastheid), 

XXIV, 47, Conj. 

Pagut. 1. Apagut, B. raatëmpuh (aanvallen), XIX, 128. 
Pan. B. caran (tak), VI, 122, 128, 151, IX, 1, 42, 71, 
VIII, 92, 94. 

B. pahan, XXVI, 48. 
Pauan. B. ajënan (spijs), VI, 4. 

B. dahar, XXVI, 25, VIII, 153. 

B. amah (eet op), VII, 97, Imper. 

B. tadah (eten), XIV, 29, Infin. 

B. n a m a h , XXII , 50 , Absol. 

B. man amah, XXII, 51, Part, Praes. 

2. Pinanan, B. maksana (gegeten worden), II, 27, 
Pass. Dur. 

B. kahamah, V, 33, XVII, 112. 
B. tinadah, I, 31, V, 11. 

3. M a m a II a n - m a n a n , B. m a n a m a h n e a m a h (aten) , 
II, 15, Act. Dur. Preq. 

4. U m a n a n , B. m a n a d a h (gegeten) , II , 21, 

B. m a n a m a h (at) , XVI , 47, XXII , 89 , XXIII , 64 (Aor. Act.). 

5. Mahan, B, nam ah, VII, 107, 

6. Mamanan, B. maüamah, XI, 14. 
B. mahadah (eet), V, 8, 28, Act. Dur. 

7. tanpai'iani, B, nora matatu, XI, 77, zonder te ver- 
wonden, 

8. A ra a n a n , B. a m a li (eten) , VI , 1 08. 
B. man amah (aten), VIII, 37. 

B. anamah, VIII, 153. 

B. namah, IV, (50, 68, Act. Dur. 

9. Amaüani, B. natonin (beten), VI, 164. Act. Dur. Trans. 

10. Maüani, verwonden, B. hetzelfde, VIII , 172 , XVII , 1 10, 
XXIII, 19, 80. 

11. M a n a n a , B. h a j e h a n (eet) , VIII , 206 , Juss. 

12. U m a h a n a , B. ra a n a ra a h , XV , 44 , Conj . na a n keu. 
umanana, B. maksana, XIII, 33 (Aor. Act. (Jonj.). 

13. Bananen, B. dahar, XXV, 92. 



304 PADI PADGUH. 

B. daharan, XXV, 92 (Geruud.). 
Pani. B. onvertaald , naam van een boom , XXV , 44. 
Pankaja. S. lotus, B. onvertaald (soort van edelgesteente), XVII, 19. 

B. tuiijun (lotus), XVII, 130. Jav. pakaja. 
Pankat. 1. A pan kat, B. paraar ggi! (in afdeelingen), XII, 56. 

2. Mapankat, B. mapamarggi! XII, 49, 
Panku. 1. Pinankwakëu, B. k a s a n k o 1 (op den schoot gehou- 
den worden) , XXII , 82 , Pass. Uur. 
Pankuk. 1. Mamankuk, B. manjonkok (hurken) , XIX, 53 , 
Act. Dur. 

2. mpamankuk, B. njonkok, XXIV, 11(3, hetzelfde, doch 
met nadruk op 't vorige woord. 

3. Mank uk, B. hetzelfde, XXV, 62. 

Paiikti. S. vijftal, rij, groep, schaar, B. ja^a! XXVI, 24. De 

B. vert. fout. 
Pangan. I. B. bun ut (vijgenboom), XXV, 65. 

n. n pinangan, B. mapangan (geroosterd worden) , XXIV, 

118, Pass. Dur. 
2. Pinanganakën, B. panganin, XXVI, 25. 
Paiigën. 1. Mangën, B. micagër (vast , vertrouwd) , XXV , 65. 
Paiigil. B. katëmu (ontmoet worden), XXV, 74. 
Pangih. 1. Tatanpangih , B. nora kapangih (niet te vinden) , 
VIII, 82. 

2. Mamangih, B. molih (verkrijgen), XI, 48, Act. Dur. 

3. Kapangih, B. katëpuk (aangetroffen worden) , XVI, 22. 
Pangnh. B. kapangih (aantreffen), VII, 52, VIII, 63, 193, 

X, 30, XXI, 111 (verkrijgen), XXII, 53, III, 40. 

2. Panguha, B. matëmu (ontmoeten), XI, 31 (Conj. na 
yap wan. 

3. ar papanguh, B. makurënan (gehuwd zijn), I, 20 
(met nadruk op 't vorige). 

4. Kapanguh, B. kapangih (aangetroffen worden), VII, 
88, III, 26, Vin, 83, 194, XI, 13. 

B, mapangih, XVII, 56, XIX, 91. 

B. katëmu (verkregen worden), XIX, 95, VIII, 68, 84, 
VI, 39, Aor. Pass. Ind. 

5. Pinanguh, B. pangihin (bereikt worden), III, 37. 
B. katëmu (aangetroffen worden), VI, 75, Pass. Dur. 

6. an pamanguh, B. tënguh (dat zal treffen), XIV, 68 
(met nadruk op 't vorige). 



PAiiPAn — PAUJAÓ. 305 

7. Kapanguha, B. kapaógih (wordt aangetroffen), VI, 
82 , 85 , worde gevonden. 

B. pangihin, XIII, 54, XV, 13, XXIV, 164 (Aor. 
Pass. Conj.). 

8. Mangu haken, B. manëmuan (heb ondervonden), 
VI, 195, Aor. Act. Ind. 

9. Manguhakëna, B. mangih, XXI, 152 (raoge onder- 
vinden). 

10. Mapanguh, B. kapangih (ontmoeten), VIII, 149, 
XIX, 30. 

B. matëmu, XXVI, 33. 

11. Mapanguh a, B. mapangih (zou ontmoeten), XXI, 81 
(Conj. na m eh). 

12. Manguh, B. masahketa (kwamen samen), XXV, 51 
(Aor. Act.). 

13. U manguh, B. mamangihin (ontmoet), VIII, 211 
(Aor. Act.). 

B. mamangih, (ondervond), XI, 2. 

14. Pahguhën, B. kapangihin, XI, 30 (Fut. Pass.). 
B. katëmu, XXIV, 55 (Gerund.). 

15. xApanguha, B. matëmu (ontmoet), VIII, 150 (Irap.). 
Paiipan. 1. Manpan, B. kalawanan (weerstand bieden), 

XIII, 73. 
Pacar. naam van een boom (balsemien), B. onvertaald, XVII, 

129, XXV, 9. 
Panc.aku^ika. S. de vijf Ku^ika's, B. Pahcako^ika, 
XXIV, 95. 
B. onvertaald, XXIV, 155. 
Paücanaka. S. pancanakha (vijf nagels of klauwen hebbende), 

B. onvertaald, VI, 209. 
Pancami. S. pan ca mi (vijfde), B. lalima, XXVI, 36. 
Paücayudliajna. S. bedreven in de vijf wapenen, B. lalima 

gara kawruhan, XIX, 15. 
PaücJirankan. B. bal e (huis, tent, paviljoen), XI, 2. 

B. paficayaga! VIII, 78. 
Paiicur. l.Pancuran,B, pancoran 'badplaats), III, 70, VI, 47. 

B. mak ara! XVII, 128, waterval. 
Pancopacara. S. vijf genietingen, B. saupacara, XX, 21. 

paiicopacara, B. saprateka, XXII, 53. 
Panjan. Mal., Day. en Sund. hetz. B. tëgëh (lengte), II, 67. 

20 



306 PAÜJAKA PAdA. 

2. Apanjan, B. dawa (lang), II, 73. 

3. M apanjan, B, sali rabakin(?) IV, 70, lang. 

B. dawa, IX, 82, XI, 11 , XX , 59 , XXI, 172 (lang). 
Paüjara. S. kooi, vogelkooi. Mal. hetz. (gevangenis) , B. ka ran- 
ken (hok), YII, 11, XI, 2 (kooi), VIII, 153, XII, (31. 

2. Pinanjara, B, ma ka rank en (opgesloten worden), XI, 
80. Pass. Dm. 

3. Panjaran, B. hetzelfde (opgesloten), XVII, 14, Part. 
Perf. Pass. 

Paüji. 1. Mapaüji, B. ma par as, met een opgemaakte haarlok? 

XXV, 85. 

Panjut. B. damar (toorts, lamp), XII, 13, XXIV, 74, 

XXVI, 29. 

Pataha. S. trommel, pauk, B. kern uk, XIX, 13. 
Patiea. S. patti^a (speer), B. onvertaald, XIX, 3. 
Pattarana. Prakrt, platfond, B. lunka-lunka (verheraelte van 

een bal e), XXIV, 66 (S. prastarana, zetel). 
Pada. B. saksat (gelijkenis), I, 5. 

B. tandinan (gelijke), I, 16, V, 26. 

B. nandinin, ^XX, 24, XXI, 84, 92, II, 63, V, 69, 
VI, *145. 

B. upa ma (gelijkenis), I, 17, XVI, 9 (gelijk). 

B. sami (gezamenlijk), II, 4, 19, 21, 56, IV , 69 , VI, 1 18. 

B. onvertaald (allen), II, 65, 77, VIII, 28, 150. 

B. kabeh! V, 89, VII, 98, XI, 62, 65, 69, 72. 

B. as ah (gelijk), VI, 90, IV, 57. 

B. üaminin (gelijke), VI, 152, XI, 28. 

B. nasahin, I, 50, V, 19, 69. 

B. sa wan, (alle), IX, 42, X, 26. 

B. sawanan (geijkenis) , II, 33, III, 77. 

B. tandin, VIII, 135. 

B. sa ma (gelijke), X, 22, 58. 

B. sawaüa, III, 35, gelijkenis. 

B. sar en, VII, 111, alle even, 

B. Iwir (gelijkenis), X, 22, XI, 2, 11, enz. 

2. taraanpamadana, B. nora naudi ni u (zou niet evenaren), 
V, 16. 

3. tamarpapade, B. nora ada asah, V, 80, onver- 
gelijkelijk. 

4. tatarpade, B. nora na asah. VIII, 4, onvergelijkelijk. 



PAdaNTeN — PAdEn. 307 

o. tainanparaade, B. norana magut, V, 16, hetzelfde. 

6. taman pamada, B. riora matindinan,V,52,ö9,75, 
ongeëvenaard. 

7. Umada-mada, B. inatuhin (trachtte na te bootsen), 
V . 53 , Aor. Act. 

8. Pad a-p ad a, B. sawawa (zeer gelijk), VI, 166. 
B. papatuhan (nagenoeg?), VIII, 138. 

B. u and in in (gelijk), XVII, 87. 

B. sa mi atüt (gelijkelijk), XVII, 118. 

B. asah-asah (allen even), XX, 23, VII, 12. 

9. Pada-padS,, B, sami (zou evenaren), V, 73. 

10. Padana, B. sawawa (ware opgewassen tegen) , VIII, 128 , 
Conj. na y ad iy an. 

11. Umadana, B. mananilinin (vergelijk met), VIII, 147, 
Aor. Act. Conj. 

12. Mamada, B. matandiüau (evenaarden), XXIV, 98, 
Act. Dur. Ind. 

13. Ta pada, B. tarpatandin (weergaloos), XXV, 39. 

14. Pada, B. onvertaald, XI, 45, zou te vergelijken zijn. 
PadantcD. B. manunën! naam van een bloem, IX, 56. 
Padali. B. nyii (kokos), XVI, 33, 34? of '/ranken//? 

B. panapus (ranken)? XVII, 118. 
Fadalii. B. gag ara elan (muziekinstrument), 1 , 62 , Vril,47, 
* XIX, 19, XXII, 7, XXIII, 72, XXVI, 7. 
B. gamelan, XXII , 3 , 4. 

2. Padahya (als een padahi), B. magamël, II, 14. Conj. 
in eene vergelijking. 
Padëm (padöm). Mal. p a d a m , Mak. p a r a ü , Bug. p a d d e , 
B. mati (sterven), III, 78. 
B. udëp (uitdooven), VII, 12, XXIV, 2, 193. 

2. Mamadëmana, B. mamëjahan (zou kunnen blusschen) , 
XIV, 51 (Act. Dur. Cond.). 

3. Madömana, B. manilanan (uit te dooven) , XVI, 27, 
Conj. na kawënan. 

4. Pamadëm, B. namëjahin (bluschmiddel) , XXI, 227. 

5. Madëmi, B. ma mede man (afwisschen) , XXI, 78. 

6. Pin adem, B. mati (uitgedoofd worden), XXIV, 25, 
Pass. Dur. 

Paden. B. dab dab (gerangschikt), XXV, 84? 
2. A pad en, B. tëtëp (gereed), XXIV, 64, 



308 PADCJAK PaTAKA. 

Pandak. B. madësëk (laag), XXV, 83. 

2. Mamandak, B. matandak (dringen?), XXIV, 106. 
Pandakaki. B. sidawayah (naam van een plant), XVI, 37, 

* XXV , 8. 
Pandan. Mal. pan dan, Sund. panda n, Malag. fandrana, 

Sid. pandal, B. pudak (pandanus), XXV, 83. 
Pandawa. S. zoon van Pandu, XXI, 147. 
Pandëui, B. timpug (werptuig), IX, 24. Vgl. aiidëm. 

2. Pinandëm, B. katimpug (geworpen worden), XXI, 
177, 186, XXV, 117 (Pass. Dur.). 

3. Mamandëm, B, manimpug (wierpen), XVI, 21 , XIX, 
104, XXI, 178, 185, Act. Dur. 

B. mamantëg, XXI, 114. 

3. Amandëm, B. nimpug, XXII, 50. Act. Dur. 
Pandita. S. geleerd, wijs, Mal. pandita, Sund. pandita, 

B. rin kapanditan, I, 1. 
B. putus (bedreven), XII, 59, XIX, 16, XXIV, 56, 

Vn, 32. 
B. yati (wijze), XV, 15. 
B. rsi (geleerde), III, 38. 
B. onvertaald, IV, 19. 

2. Pinandita, B. putus (bedreven), XVII, 34. 
B. wëruh, XXI, 65. 
Pandya. hetzelfde, B. pandita, III, 63. 
Pat (pat). Mal. ëmpat, Sund. opat, Bar. aópó. Bul. Pak. 

ëpat, Tag. Bis. Iban. appat. Mak. apaq. Bug. apaq. 

B. pa pat (vier), XXIV, 223. 
B. onvertaald, XXVI, 23. 

2. Kapat, B. kapin pat (ten vierde), III, 79. 
B. pat pat, XXV, 61. 

B. makapatpat, XIX, 121 (alle vier), XXVI, 24. 

3. Sakapat, B. këmbul ëpat (bij vier tegelijk), XV, 62. 
B. sarën patpat, XX, 60, XXII, 61, XV, 25. 

4. Patan koti,B. pëtan këti (vierhonderd duizend), VII, 53. 

5. Patan puluh, B. pëtan da^a (viertig) , XVII, 87. 
PMa. S. val, overval, B. nlinus, vlaag, XI, 1. 

Pataka. Mal. hetz. S. misdaad, zonde, schuld, B. naraka (mis- 
dadig), VI, 11. 
B. kna tëmah (vervloekt), X, 30. 
B. papa, XXIV, 42, subst. 



pAïaKA — PATi (paTi). 309 

Pataka. S. pataka (vlag, vaandel), B. onvertaald, III, 5. 
Patatri. S. patatriu (vogel), B. tuturan! VII, 95. De 1^. 

vertaling totaal verkeerd. 
Patala. S. onderwereld, hel, Mal. pa tal a, B. onvertaald, VI, 
57, 10(), XIX, 99. 
B. bhürai! VI, 107. De B. vert. fout. 
B. rasatala, XV, 34. 
B. sapta patala, XV, 35. 
Pati (pati). I. Jav. patin, B. onvertaald, overal, XXII, 61, 
IX, 57. 
2. K a p a t i , B. san t a p a ! zeer , V , 25. 

II. Mal. mati, Bug. Mak. mate. Bar. pat e, Mad. pateli, 
B. apëjah (dood), III, 31, XIV, 15, XXIII, 78, 
XXIV, 133. 
B. mati, V, 3, IX, 25. 
B. padëm, VI, 34, enz. 

2. Mati, B. pëjah (stierven), II, 34, V, 10, 26, VI, 167. 
B. onvertaald, IV, 8, V, 50, VIII, 158. 

B. pati, XII, 11, XX, 29, XXIV, 8. 

B. padëm, XIX, 95 (sterft), XVIII, 21. 

B. madera, V, 6, VIII, 166. 

B. seddha, V, 57, XXI, 25 (sterven), XXIV, 34, enz. 

3. Umatjana, B. mamëjahin (oin te dooden) , 1 , 44 (Aor. 
Act. Conj.). 

B. namatian, VI, 18. 

B. amëjahi, VI, 58. 

B. namëjahin, XVII, 53. 

4. Mamatyana, B. amëjahi (om te dooden), II, 23, Act. 
Dur. Conj. • 

B, mëjahin, XVII, 53. 

B. amëjahin, VIII , 139, XVII, 85. 

5. Matjana, B. amëjahi, IV, 4, VIII, 197, XXIV, 12, 
om te dooden. 

B. manëmbarin! VII, 21, De B. vert. foutief. 
B. kapëjahin, X, 24 (te dooden). 

6. Umati, B. apëjah (gestorven), VI, 109, Aor. Act. Part. 
Intrans. 

7. Umatï, B. amëjahin (dooden), II, 39, VI, 147, Aor. 
Act. Ind. Trans. (J. mat en i). 

B. amëjah, VI, 43. 



310 PATI (paTi). 

B. naraat ian, X, 3. 

B. pëjah, XIV, 7 , De B. vert. foutief. 

mati, XIV, 15, De B. vert. verkeerd. 

8. Am ati-mati, B. namëjah -m ëj ahin (telkens doodeu) , 
XXIII, 22, Act. Dur. Trans. Freq. 

9. Kapati, B. kantaka (in zwijm vallen), XVII, 87, Pass. 
Intrans. 

10. Patjana, B. matian (zullen gedood worden), II, 41 
(Fut. Pass.), VIII, 141, XIII, 32. 

B. nam ëj ahin (wordt gedood), X, 3. Conj. na yadi. 

B. pëjahin, XIII, 54,^ XVIII, 10. 

B. pad|ëman (moet gedood worden), XVII, 31, XXIV, 129 

(Juss. Pass.) , XVIII, 9 (wordt gedood). 
B. mati (zal gedood worden), XIX, 6 (Fut. Pass.). 

11. Matya, B. mati (zult sterven), II, 69, 75, V, 35, 
50, te zullen sterven. 

B. pëjahi (zullen sterven), VI, 58, XI, 2, 24. 

B. pëjahin, VIU, 142 (Fut. Act.), X, 31 (Conj.), Vi, 60, 
XVII, 67 (Fut. Act.), 105. 

B. pëjah, XIX, 107 (Conj.), VII, 98, 99. 

B. matian (zult sterven), V, 7, VIII, 149, 174, XIV, 
32 (te zullen omkomen), XVII, 61, 62, 64, 110, XVIII, 
41, 49, XIX 27, 28 (zal sneuvelen), 38 (zouden omkomen), 
73, XX, 20 (Conj.), 28, 72, XXI, 46, 77. 

B. padëm (zal sterven), VII, 103. 

B. para tra, XIV, 9 (Fut. Act.), XVII, 100. 

B. seddha, XVII, 22 (Fut. Act.), 63, 81. 

B. onvertaald (sterft), IV, 56, 64 (te sterven). 

matya, B. mëjahin (laat sterven), VI, 191. 

matya, B. a mëjahin, XXI, 203 (te zullen sneuve- 
len) , enz. 

12. upamati, B. namatiyan (het dooden) , VI, 186, Inf. 
Act. Trans. 

13. an pamati-mati, B. pacah matiyan (te dooden), 
lil, 60. 

14. Piuatyakën, B. misadya mati (pass. van //trachten te 
dooden//), VII, 84. 

B. h a m a t i a ü , VII , 99 , Pass. Dur. 

15. Patin, B. kapëjahin, te dooden, VI, 125. 
patin, B. padëman, XVII, 67, Gerund. 



PATIK PATIJI . .511 

IB. Mamati, B. amëjahi (doodeu), IV, 18, Act. Dur. Trans. 
(Jav, mateni). 
B. amëjahin (doodde), VI, 156. 
B. namatijan, VI, 178. 

17. Mamat i-ma ti , B. amëjahi (steeds doodeu) , V , 86 , Act. 
Dur. Freq. Trans. 

B. n a ra a t i - m a t i a n , IX , 88. 

18. Pinatyaii, B. pëjaliin (gedood worden), IV, 46, VI, 
187, Pass. Dur. 

B. matiyan, VI, 182, V, 81. 

19. Mati, B. amëjahi (dooden), V, 21, VI, 179 (Jav. 
mateni). 

m a, t i , B. m amëjahin, VI , 66. 
mati, B. na mati an, VI, 149. 
B. amëjahin, VI, 191. 
B. mëjahiu, XXI, 21. 

20. Atpati, B. namatian (als gij doodt), VI, 90. 

21. Patya, dood. Couj. na yukti. 

22. Umatya, B. padëm (zou sterven), XVII, 79 (Aor. Act. 
Cond.). 

H. mëjahin (te dooden), XVIII, 3 (Aor. Act. CJonj.). 

23. Patyaui, P). seddhayaii, VI, 87, worde gedood (linp. 
Pass. Trans.). 

Patik. Mal. hetz. , B. k a h u 1 a (onderdaan , dienaar , slaaf), X Vlll , 
21, 30, V, 37, VII, 41. 

2. Patik-patik, B. kahula bhakti (onderdanige dienaar), 
VI, 18. 

3. Pinaka patik, B. dadi paiijak (tot dienaar strekken), 
XIX, 31. 

Patita. S. gevallen, B. labuh, XX, 62. 

Patibrata. S. patiwrata (huwelijkstrouw), B. satyahrata, 
VIII, 142, XVII, 56, 72, XXI, 59 (Adj.), 86 (suhst.) , 
XXIII, 53, 67. 
B. ko^ala kasadhun, XXI, 83. 
Patibratadliarmiiia. S. pa t i w r a t a d h a r m a (de plicht van huwe- 
lijkstrouw) , B. dharmma niü patibrata, XVII, 48. 
Patili. B. onvertaald (rijksbestierder) , XII, 65, XIII, I, 27. 
B. pungawa, XII, 54, XIX, 8. 
B. man tri, XIII, 19. 
B. iuandël (vertrouwde), XIX, 34. 



312 PATUK PATRAYUDDHA. 

2. Mapatih, B. i patih (de rijksbestierder), III, 14, XIX, 33. 
B. apatih, XXII, 15. 

3. Apatih, B. onvertaald, III, 18. 

4. Pinatih, B. kapatëhan (geschikt worden), XIV, 19, 
Pass. Dur. Ind. 

5. Mamatiha, B. ma mat ü tan (in orde brengen), XIV, 24, 
Act. Dur. Conj. 

6. an pamatiha, B. najatnain (zorgen voor), XVIII , 48, 
met nadruk op 't vorige woord. 

7. Mamatih, B. maninkahan (bestieren), XIX, 33, Act. 
Dur. Ind. 

8. Matiha, B. atüt (op te volgen), XIX, 58 (Conj.). 
Patuk. Mal. hetz. (pikken), Daj. patok, B. cucuk (bek, 

snavel), VI, 21. 
B. suksuk (snavel), VI, 19, VII, 86, 90. 
B. pacok (pik!) VII, 97, Imp. 

2. ar paraatuk, B. mamacok (pikte), VI, 21, met nadruk 
op 't vorige woord. 

tan pamatuk. B. t an pa nëda (zonder te pikken) , XXIV, 84. 

3. Mamatuk, B. mamacok (pikken) , XVII, 33 , XXIV, 1 18. 
B. ngotol, XXV, 58, Act. Dur. 

4. Apatuk, B. suksuk, XXIV, 119. 

5. Matuk, B. kapacok (pikken), XXV, 60. 

6. Amatuk, B. mangotol, XXV, 63, pikken (Act. Dur. 
Ind.). 

B. macok, XXV, 63. 
Patat (patüt). Mal. Sund. Bat. Day. Tag. hetz. 

taraan patüt, B. tunkas (onpassend), XIII, 60. 
patüt, het opvolgen, B. onvertaald, XXIV, 86. Vgl. tüt. 
Patra. S. vat, waardige persoon, partij , blad , B. wrk sa, XX , 11. 

De B. vertaling verkeerd. 
Patra. S. pattra (mes, lemmet), B. tulis! XXI, 172, De B. 
vert. foutief. 

2. Patra, B. tankis, XXI, 237. 

3. Mapatra, B. malaga (strijden), XXI, 239. 
Patrayuddha. S. pattrayuddha (strijd met 't mes). 

1. Mapatray uddha, B. rana! (met het mes vechten) , II, 68. 
B. n and in ia mapran (handgemeen zijn), II, 70. 
B. palaga (een tweekamp aangaan), XXI, 238. (Zie B. T. 
L. V. 3« v. Vni, p. 178). 



PATHYA PANAS. 313 

Patlija. S. geschikt, gunstig, bevorderlijk , heilzaam, B. p u p ut, 
XIV, 66. 
B. bëcik, XXVI, 25. 
B. halëp, I, 31 , XII, (52. 
Pada. Mal. hetz. S. voet, B. batis, XX, 12. 

B. suku, XXIV, 242. 
Pada. S. gebied, B. bhümi, XXV, 1. 

Padati. S. te voet gaande, B. inandël! IX, 29. De B. 
vertaling totaal verkeerd. 
B. onvertaald, XIX, 6ö, 6(3, voetvolk. 
B. sakata! XIX, (37, 68, 129, XXI, 166. 
Padadwaya. S. voetentweetal, B. cokor, XI, 22. 
Padapa. S. plant, boom, B. masinwam, VIII, 92. De B. 
vertaling verkeerd. 
B. këdapan, VIII, 162, De B. vert. foutief. 
Padayuddha. S. strijd te voet, B. batis sikëp, XX, 7. De 

B. vertaling onjuist. 
Paduka. S. schoen, pantoffel. Mal. hetz., B. uparaayan! III, 
52. De B. vertaling onzin. 
B. urnna, III, 86. De B. vert. foutief. 
Padina. Mal padëma. S. pa dma (lotus) , B. tunj un, VI, 1 15, 

118, XII, 1, XIX, 131, XI, 46. Vgl. muka. 
Pan. B. den in (want), XXIV, 50, XXV, 106. Vgl. apan. 
Paiia. S. drank, B. bhükti, VIII, 65, XVII, 101. 

B. mambhukti, VIII, 66. De B. vert. foutief. 
Panay. B. j a m b a n a n (aarden pot) , XVII ,18. Jav. Mak. p a n e , 

Mad. pëuaj, Bik. panay. (Vgl. pane). 
Panas. Mal. Sund. Mad. hetz., Bim. pa na, Malag. fana, B. 
këbus (warmte), IV, 20. 
B. k a p a n ë s a u (hitte) , VI , 40. 
B. saki tin (pijn), III, 81. 
B. onvertaald (warmte), XI, 2, XV, 19, 25, 26. 

2. M apan as, B. katiksnan (werd warm), VI, 149. 
B. nëbusin (warm), III, 79. 

B. kapanasan (werd warm), XI, 48. 
B. p a n ë s (warm) , III , 23. 

B. këbus (heet), VI, 126, VII , 53, VIII. 170, IX, 36, XIV, 
49, XV, 16, XVII, 106. 

3. Ma nasi, B. nik.snanin (verwarmen), III, 76, Aor. 
Act. Trans. 



314 PANA.SA — PANAH. 

4. Apanas, B. këbus (warm) , YI , 55. 
B. panas, XI, 48, VI, 123, IX, 5. 

5. Mamanasi, B. manëbusin (verwarmeu) , VII, 59, Act. 
Dur. Trans. 

6. Kapanasan, B. kakëbusan (verschroeid), VIII, 162, 
XI, 3, XV, 19, 24, 30, 35. 

7. Amanasi, B. nëbusin (verwarmen), IX, 5, Act. Dur. 
Trans. 

B. manëbusin, XV, 38. 

8. Mapanasa, B. nëbus (zou warm worden), XIV, 24 , Cond. 
Pass. Intrans. 

Panasa. I. S. brood vruchtboom , B. nanka, XVI, 45. 

II. S. naam van een aap, XVIII, 18. 
Pauah. Mal. Daj. hetz. (boog), B. ^ara (pijl), IV, 36, V,51. 

B. onvertaald, VII, 15, V, 2, XI, 77. 

B. sanjata, V, 2, 10, VII, 14. 

B. capa (boog), VII, 4, IX, 72. 

B. warayan, IX, 46, 62, VI, 186. 

B. isu, VI, 149, 153, pijl. 

B. kapanah (werd geschoten), IX, 72, Abs. 

panah (het boogschieten), B. hetzelfde, XXIII, 60, Itiiiii. 

at panah, B. pauah (als gij schiet), II, 76. 

n panah (dat geschoten heb), B. ma man ah, Vi , 185. 

yar panah (als geschoten wordt), B. hetzelfde, VII, 5. 

2. Pamanah, B. kapanahafi (schietwerktuig), II, 43. 
B. onvertaald (schietwerktuig), XIX, 82. 

B. panahan, XXIII, 61, 64. 

yan pamanah, B. yen mama n ah (dat schoot), V, 25, met 

nadruk op 't vorige, 
ar pamanah, B. m a m a n a h , dat schoot , VI , 1 57. 

3. Panahën, B. pan ah in (zal geschoten worden), II, 75, 
Put. Pass. 

B. kapanah (worde geschoten), VIII, 134. Juss. Pass, 

4. Pinanah, B. panah (geschoten worden), V, 25, Xll, 
37, IV, 71. 

B. kapanah, IV, 72, V, 22, 26, 31, 32, 53, 82, VIII, 
158, Pass. Dur. 

5. yar pamanahi, B. mamauah (dat beschoot) , XXI , 228. 

6. Mamanah, B. onvertaald (schoten), V, 2 , VI, 121 (schiet) , 
XIX, 84 (schoten), XXI, 231, XXIII, 14, 18, XXIV, 4. 



PANE— PüPA. 



315 



B. miiuapa (schoot), XXIV, 15, VIII, 155. Act.. Dur. 

7. Umaiiah, B. mamanah , VII, 14 (schiet) , IX , (35 (sclioot) , 
XV, 37, X, 60. 

B. salin pan ah (schiet), VIII, 72. 

B. mahapa (schieten), XI, 76, Aor. Act. 

8. Amanah, B. mamanah, Vil, 15, IX, 77, XXI, 224, 
XXIV, 2, Act. Dur. (schieten). 

\). Amanahi, B. hetzelfde (beschoot), IX, 50, XIX, 105, 
Act. Dur. Trans. 

10. Amanaha, B. hetzelfde (zou kuuueu schieten), X, 60, Act. 
Dur. Conj. 

11. Manah, B. hetzelfde (schoot), IX, 40, Aor. Act. Ind. 

12. P i n a u a h a n , B. p a n a h i n (beschoten worden) , XIX , 35 , 
Pass. Dur. Trans. 

B. kapauahin, XXIII, 65. 

B. kapanah, XXI, 220, XXIII, 5, 43. 

B. mapanahan, XXV, 4. 

13. Mapanah, B. na ba panah (met een Ijoog gewapend), 
XIX, Qo. 

14. Panahi, B. kapanah (werd besclioteu), XX, 40, Abs. 
Trans. 

an panahi, B. kapanaliin (dat beschoot), XXIII, 25, 

met nadruk op 't vorige. 
B. kapanah, XXI, 105. 

15. Mamanahi. B. amanah (beschieten), XXL, 196, Act. 
Dur. Trans. 

B. mamanah (beschoot), XXIII, 61. 
Pane. B. onvertaald (aarden schotel), XXVI, 24. Vgl. panay. 
Paiitës. B. onvertaald (gepast, belioorlijk) , VI, 180. 
Paiitu. deur, vgl. Mal. Tag. pintu, Sund. panto. 

1. Mapantu, B. ma kan da! (in troepen), VIII, öS , deur- 
wachter. (De B. vert. foutief). 
Papa. S. slecht, Mal. Day. hetz. (arm), B. corah (slechtheid), 
X, 29. 
B. brata! ondeugd, I, 48. De B. vert. foutief. 
B. onvertaald (slecht) , XVIII , 45. 
B. k a w a h , VI , 63 , X , 54. 
B. uaraka, X, öö (slechtheid), XVIII, 26, VI, 174, XXI, 

30, 46 (ellende). 
B. sansara, XXI, 29, 91 , 1 1 1 , XXIII, 22 , XXIV, 1 19 enz. 



316 PaPAKARMMA PAYA. 

2. Papa- papa, B. raala-raala, XXV, 5. 
Papakarmiiia. S. papa kar man (misdadiger) , B. asta caiiflala, 

VTII, 148, euveldaad. 
Papag. B. pagutin (gaat tegemoet , IX, 64 (Imp\ 

2. Papagakëu, B. pagut (ontmoeten), VIII, 120 (Inf.), 
II, 69 (Imp.). 

B, ne pagutin, VIII, 214 (trede tegemoet). Imp. 
ar papag aken, B. mamagutin (tegemoet gaande) , VI, 21, 
Part. Praes. 

3. Papagën, B. pagut (zal weerstaan worden), VIII, 16. 

4. Pinapag, B. mapapas (ontmoet worden), VIII, 22, 
Pass. Dur. 

B. kapagut, XXIII, 12. 

5. Mapaga, B. magut (weerstaan), VIII, 133, XXIII, 
36, Conj. 

6. Mapag, B. magutin, IX, 78, 79, XXIII, 83, weer- 
staan. 

7. Umapag, B. magut, VIII, 134 (hetzelfde). Aor. Act. 

8. Mapagakën, B. mamagut (ging tegemoet), XX, 29 
(Aor. Act.). 

9. Pinapagakën, B. kapagut (werd tegemoet gegaan). 
XXI, 195 (Pass. Dur.). 

10. Mapagakëna, B. mamagutin (om tegemoet te gaan), 
XXI, 212 (Conj.). 

11. Kapapag, B. mapapas (ontmoet worden), XXIV, 219, 
(Aor. Pass.). 

Papan. Mal. Sund. Bat. Daj. Tag. Bis. hetz. (plank, bord), 
Malag. fafana, Bug. papan, B. kantar (naam van een 
wapen), III, 43, XXI, 229 (plank), XXIII, 75. 

2. Mapapan, B. makantar (gewapend met een papan), 
IV, 70, XXIII, 59. 

3. Apapan, B. hetzelfde, XXIII, 56, 57, 58. 
B. kantar, XXIII, 57, De B. vert. foutief. 

Papal. B. ëüal (afgebroken worden), VI, 133, IX, 53. 
Papas. 1. Kapapas, B. kasayanan (bemind worden), XXI, 26, 
Aor. Pass. 
2. Pinapasan, B. kasakitan (gekweld worden), XXIII, 6. 
Papahara. S. kwaad wegnemend, VIII, 52. 
Paman. B. mama (oom), XXIII, 44. 
Paya. B. onvertaald, naam van een struikgewas, XXV, 73. 



PAMPa PARA. 317 

Pampa. S. naam van een rivier, B. yan suba, XXV, 5. De B. 

vert. foutief. 
Payangu. B. priyaka (naam van een plant), XVI, 39, 

XXV, 73. 

Payun. Mal. Bul. Pak. Mak. hetz. Sea, Dano, Saw. Day. Bis. 

Tag. payoïi, Mad. Bug. pajun. Bent. Mong. paun,Sang. 

paluh, Bareë payii. 13. pajön (zonnescherm), VIII, öö, 

XXIV, 245, XXVI, 22. 
2. Amayuni, B. mand un in (hield een zonnescherm boven 

hem), XXIV, 243, Act. Dur. Trans. 
Para. I. B. mara (op zijn tocht), III, 14. 
B. laku (ging), IX, 42, XXIV, 127. 
B. tëka (komen), VI, 143. 
B. onvertaald (ga), XXIV, 134, Imp. 
yan para, B. mahi (dat ik kom), II, 38. 
ar para, B. tundun (dat gaan), III, 28, II, 1 (toen kwam), 
t para, B. luw as (dat gij gaat), XXI, 39, IV, 41 , 47 (als 

gij gaat). 
an para, B. luwas (dat ging), IX, 51. 
B. tibakah (als komt), VIII, 123, XXIV, 141 (dat kwam), 
taman para, B. nora obah (zonder te gaan), VIII, 123. 
n para, B. unsi (dat gingen), VII, 26 , XIII, 68 (te komen), 
at para, B. hetzelfde (dat gij komt), IV, 51, VII, 37, 38, 

XXVI, 41 (toen gij gingt). 

ak para, B. nalih (da( ik kom), XVII, 53, III, 11 (omdat 

ik ga) (vgl. ak). 
B. kaunsi (dat ik ging), VI, 39. 

2. Mara, B. nlunhanin (om te gaan), I, 23, II, 55. 
(Aor. Act. Conj.). 

B. rawuh, XVII, 16, VIII, 98. 

B. lunha, VI, 142, VII, 95. 

B. mriki (kom!), XXIV, 135 (Juss.), II, 63, VI, 135, 144. 

B. mariki, VIII, 188, IX, 59, te komen (Conj.). 

B. laku, IV, 11. 

B. man unsi, XIII, 62. 

3. Mara, B. mahi (komt), VI, 136, XXIV, 127 (kwam), 138. 
B. onvertaald (gingen) , II , 53. 

B. marifi (naar), I, 59, VI, 160. 
mara, B. namarani (ga), V, 23. 
mara, B. rawuh (gingen), IX, 56, VII, 76. 



118 PAEA. 

B. lunha (giug), Y, 81, II, 12. 

B. namaranin (gingen), II, 8, 55. 

B. këma (ga), VI, 39, 137. 

B. nalih (naar), YII, 39, VIII, 116 (streven naar). 

B. mriki (kwamen), V, 86. 

B. mrika (komen). VI, 138. 

B. makrana (opdat), XVII, 53, VIII, 122. 

B. nusup (komt), VI, 121. 

B. tiba (ben gegaan), III, 45, enz. 

4. Pinaran, B. karawuhin (pass, van //gaan tot), I, 40, 
Pass. Dur. Ind, 

B. inunsi, IV, 2. 

B. kamargginin, VII, 54. 

5. n para, B. alih (gaat), VII, 42. 

6. paran (waarheen ging), B. laku, VI, 26, VIII, 122. 
B. bjapara (uitweg), VII, 28. 

B. unsi (toevlucht), IX, 2, VI, 129, 131, VII, 1, 54, 111. 

B. rawuhin (doel), VIII, 29. 

B. winëgil, VIII, 92, XI, 67, 76. 

saparan, B. unsi (waarheen ook gaat), XXIV, 225. 

B. lampah, I, 60 (waarheen ook ging), IV, 35, XI, 67. 

7. Urn ara, B. mrika (ben gekomen), VI, 47 , Aor. Act. Ind. 
B. rawuh (ging), VI, 146. 

8. Dm ara, B. hetzelfde (om te gaan), XVII, 13 (Aor. Act, 
Conj.). 

B. halih, I, 58 (naar), VI, 132. 

B. mahi, VIII, 186, dat gekomen is. 

9. Aparaparan, B. nuju lunha! III, 7, wie dan ook, 

10. Kaparaparan, B. kawoniu luwas, XVII, 77, hoe 
dan ook? 

11. Mare, B. rin, naar, III, 7. 

B. marin, XXIV, 252, V, 86, III, 21, zie mara en i. 

12. Umaren, B. mara (naar het), III, 10, 79 (om te gaan 
naar het), VII, 27. Zie umara en in. 

B. marin, IV, 10, om te bereiken. 

13. Maren, B. marin (naar den), IV, 55. 

B. mara rin (ging naar den), XVII, 110, VIII, 138, 

XXIV, 228, XXV, 24, naar. 
14. Paran a, B. unsin (moet gegaan worden) , VT , 86 , Gerund. 
parana, B. palaku, VI, 158, 



PARaKRAMA PARAPAL 319 

15. Maran, B. mande (opdat), V, 12. Vgl. ma ra. 

Mar at, B. makarana, opdat gij, X, 66. 

IE. S. anderen, B. jagat, XXIV, 86. 

B. macampuh! anders, XV, 53. De B. vert. foutief. 

B. onvertaald, anders, XXIV, 32. 
Parakraina. S. moed, kracht, B. purusa, V, 87. 

B. kasinhan, VIII, 135. 

B. kapurusan, XVIII, 41. 
Parag. 1 . K a p a r a g , B. k a t e k a n (overvallen worden) , XV , 23 , 
Aor. Pass. Iiid. 

2. Kaparaga, B. kababaran (zouden overvallen worden), 
XV, 55. Aor. Pass. Conj. na wen. 

3. Paraga, B. katiban, XXIV, 100. 

Paragul. B. makosa (volhouden), XXIII, 39, afweren. 
Paraninuka. S. p a r a, n m u k h a (af keerig) , B. m a 5 a t r u , XIII , 74. 
Paracakra. S. de discus der vijanden, B. mahinënau! XX, 

46 De B. vert. fout. 
Paracal. 1. Kap ara cal, B. rem uk (werd verbrijzeld), XIX, 

126, Aor. Pass. 
Paracidra. S. het afbreuk doen aan den vijand. B. laksana 
malin! I, 54 (adj.). De B. vert. fout. 
B. lialih kasinse! XXIV, 24 (adj.). De B. vert. foutief. 
Parajaua. S. andere lieden, vreemden, B. wwan kabeh, I, 
6. De B. vert. onjuist. 
B. rat, XIII, 4. 
Paraüjaiian. B. parënjak, XXV, 20, naam van een vogel. 
Paratra. S. het hiernamaals, Jav. pal as tra, B. seddha, 
XIX, 30. 
B. padëm, XXI, 86. 
B. pëjah, XXIII, 34. 
Paradara. S. een anders vrouw, echtbreuk. 

B. raahan loba! VIII, 130 (adj.). De B. vert. fout. 
B. raanuhukan! XVIII, 43, X, 35. De B. vertaling verkeerd. 
Paradarabuddhi. S. de gezindheid van een echtbreker hebbende , 

B. tan harëp kuran! VI, 188. De B. vert. foutief. 
Parade^'a. S. vreemd land, B. inamarani bhümi, V, 73. De 

B. vert. foutief. 
Parapal. 1. Makaparapal, B. këmpak (afgebroken raken), 
IX, 1 , Pass. Intrans. 
2. Kaparapal, B. em])ak, geknakt, VI, 133. 



320 PARAMA PARaRDHA. 

B. katibanan, XIX, 83. 

B. pakacegeeg (verspreid liggen), XXI, 218. 
B. pabaruwak (afgebroken), XVII, 84. Aor. Pass. 
Parama. S. hoogste, beste, voortreffelijkste, B. putus, XXI, 
228, XXIV, 94, XII, 11. 
B. lëwih (zeer), XXIII, 32. 
B. paripürnna, XXV, 5. 
Paramaguru. S. voortreffelijkste leeraar , B. a d i g u r u , XXIII ,71. 
Paramatatwa. S. paramatattwa (de hoogste waarheid), B. 

utama nin tatwa, XXV, 27. 
Paraniatucclia. S. zeer nietig, B. putus in nista, XV, 53. 
Paraniadharma. S. grootste verdienste , B. lëwihan ka dh arm- 
man, X, 52. 
Paramanirta. S. voortreffelijkste nektar, B. uttama nih mrta, 

XXIV, 92. 
Paramaraniya. S. zeer bekoorlijk, B. uttama bëcik, XVI, 8. 
Paramartha. S. de hoogste waarheid, B. kale pasan, XXIV, 66. 
B. kaputusan, X, 35. 
B. putus kalëpasan, XXIV, 32. 
B. puput, XXIV, 153. 
Paramarthatatwa. S. paramartha tattwa (keunis der hoogste 

waarheid), B. kalëpasan tutur! IV, 10. 
Parama^aktinian. S. zeer krachtig, B. lëwih wi^esa, 

XV, 58. 
Paramasatya. S. zeer trouw, B. putus masatya, XXIV, 192. 
ParameQwara. I. S. , hoogste Heer (bijnaam van Qiwa), B. on- 
vertaald, I, 26, VIII, 134. 
B. Rudra, II, 57. 
B. san hyan Guru, XIV, 10. 
B. giwa, XXIV, 202. 
II. S. vorst, B. bhüpati, XXVI, 49. 
B. natha, XVII, 27. 
Parampara. S. parampara (op elkaar volgend), B. kawrtta- 

yan! III, 3, De B. vert. foutief. 
Parartha. S. het welzijn van anderen, B. kasadhun,!, 9 
(adj.), XXIV, 86. 
B. puput, III, 84. 

B. kaputusan, IV, 24, op het welzijn van anderen gericht. 
B. putus, XI, 82 (bis), XXIV, 32, 66, XVII, 42. ^ 
B. putusan, XXIV, 71. (Ed. parahwa). 



PAR^RDHYA PAUeK. 32 1 

B. duclukuu! XIV, 66, eeu anders belang behartigend. 
Parardhya. S. voortreffelijkst, B. samiyan! XIX, 12. 
Parfirsa. S. parahar sa, hoogste vreugde. XVII, 42. 
Parawan. B. kanya (maagd), XVII, 128. Jav. prawan. 
Parawa^a. S. afhankelijk. 1. Umarawa^a, B. manrusakan, 

XJ , 86 , laat ten onder brengen. 
Parawidhi. S. hoogste macht , B. ^akti mauuduh, XVII, 102. 
Para(^Hi. S. bijl, B. balakas, XXIII, 53, IX, 10, XIX, 
3, 18, 109. 
2. Mapara^u, B. mawa blak as (met eeu bijl gewapend), 
XIX, 128. 
Para^urama. S. naam van een heilige, II, 70, 72, 76, 77, 

III, 1 , V, 30, 81. 
Paras. B. atak (peulvrucht), XXVI, 23. Jav. steengrond. 
Paraspa ropasarpana. S. elkander helpende, B. patemon 

bhükti, I, 49. Subst. Abstr. 
Parah. B. prana (breken), XIX, 72. 
B. tiba! XIX, 84, breken (Intr.). 
B. bënënan, XIX, 85. 
B. këni! XX, 34, brak. 
B. palas, XXI, 217. 
B. kapatitis, XXIV, 16, doorboord. 
B. tiniban, XXIV, 27, werd doorboord, 
2. Kaparah, B. pasalambëh, XXV, 106, Aor. Pass. 
Parahita. S. het welzijn van anderen, B. kadharman, 
VIII, 151, het welzijn van anderen behartigend. 
B. ja gat rahayu, XVI, 47, subst. 
B. mahaju rat, XX, 65. 
B. kaparamurthan, XXI, 106 (adj.). 
B. jagat hayu, XXI, 109 (subst.), 133 (subst.). 
Paraliu. Sund. Men. hetz., Mal. përahu, B. bahita (vaar- 
tuig), XXV, 106. 
Parëk. 1. Aparëk, B. manësëk (dicht bij), III, 64. 
B. nësëk (naderde), VI, 19. 

2. Ar parëk, B. mamarëk (naderde), VII, 40, Act. Dur. 
Ind. (met nadruk op H vorige). 

3. Umarëk, B. parëk, VII, 44, XVI, 19, naderde (Aor. 
Act. Ind.). 

4. K aparëk, B. pahëk (werd genaderd), XV, 23, Aor. 
Pass. Ind. 

21 



322 PARën PAEIGRAHA. 

5. Mapavëk, B. raadësëk (naderde), XIX, 74. 

6. Marëk, B. mandësëk, XXIII, 75. 
B. parëk, XXVI, 23, naderde (Aor.). 

7. sapinarëk, B. kahusud, XXY, 117, Pass. üur. Vgl. 
parö. 

Paren. B. sarën (tegelijk), XI, 1, XIl, 65, XVII, 83. 

B. pada (gelijkelijk), II, 22, 28, IV, 69, XV, 55, XVI, 

18, XIX, 49. 
B. baren (tegelijk), XIX, 42, IX, 65. 
B. sa mi (alle tegelijk), XXIV, 27. 
B. masarënan (tegelijk), XXIII, 2. 
B. s a ra a (allen tegelijk) , II , 33. 
B. sibarënan (tegelijk), XXIII, 50, enz. 
Parö. 1. Aparö, B. pahëk (nabij), XIII, 73, XXI, 231, 
XXIV, 208, V, 68. 
B. tam pek, VIII, 189. 

2. Ma parö, B. pahëk (naderen), XXIII, 26, III, 43. 
B. madësëk, XXIV, 19. 

B. tampëk, IV, 12 (nabij), V, 43. Vgl. parëk. 
Pari. Mal. padi, Atj. pad e, Malag. vary. Bat. pagai.Sund. 

pare, B. padi (rijst) , II , 11. 
Parik. B. rusak (vernield)? XV, 23, Jav. rij. 
Parikariuma. S. par ik ar man (bezigheid, voorbereiding 
enz.). 
1. Maparikarmma, B. matatinkahan, XV, 01, zich 
gereed maken. 
Pariksa. S. beproeving. Jav. parik sa. Mal. përiksa. 

1. Mariksa, B. natasan (beproeven), II, 36. 

2. Pariksanën, B. cobain (worde beproefd), III, 73, 
Juss. Pass. 

3. Mamariksa, B. manalihin (te beproeven), VI, 42, 
Act. Dur. Conj. 

4. Mamariksa, B. manobanin (beproeven), II, 73, VIII, 
38, XXV, 80. 

5. Pinariksa. B. kacobanin (beproefd worden), II, 56. 
Parigl. B. onvertaald (steenen opgang, stoep)? XVII, 128, 

Jav. Mal. put. 
B. te pi nin babataran, XXIV, 100. 
Parigraba. S. het omvatten , huwen , B. raanwi^esa, 
Vn, 38. 



PAUICriRA PARIBHAWA. 323 

Paric^ra. S. bediende, B. pa re kan, IV , 38 , X , 19, XXIV, 49, 
XXV, Ö2. 
B. m a m a r ë k a n , XVII , 11. 
Paricarili'a. S. dienares, B. parëkan, XVII, 103. 
Parijata. S. koraalboom, B. kalpadruma, III, 38, X Vil , 18. 
B. onvertaald, VIII , 53, IX, 42, 44, 52, 58, 71, XII, 

63, XXIV, 106. 
parijata, B. kalpawrksa, XVII , 1 28. 
B. paratapa, XXV, 86, HS. : parajita. 
Paritusta. S. tevreden , B. dahatsuka, XVIII . 35 , XXIV , 

203, verheugd, 
Paritosa. S. vreugde, tevredenheid. 

1. Sapinaritosa, B. tem aha deniü priksa! XXV, 115. 
Pass. Dur. 

2. Maritosa, B. twara masanke, VI, 8. 
Paritrana. S. paritraiia (redding, hoede, bescherming). 

1. Pi naritran an , B. kaolasin (moeten bescliermd worden) , 
X , 58 , Juss. Pass. Dur. 
Parintusa. S. paritosa (vreugde), B. bas raulus, VI, 11, 

tevreden. 
Paripakwa. S. doorgekookt , rijp , B. k a b e h p a g e h , IV , 10, 
volleerd (figuurlijk). 

B. sadya kukuh, XIII, 47, fig. 
Paripünma. S. gevuld, vol, volledig, volkomen, B. dahat 
tusta! I, 30, ten volle. 

B. rahaju, I, 34, IV, 30. 

B. tanpatalëtëh (zuiver), V, 14, VI, 111. 

B. dahat in lilan, VII, 67. 

B. putus (volmaakt), VIII, 163, XVII, 91, XVIII, 14. 

B. dahat putus (geheel), XV, 17, XVII, 52. 

B. pup ut (geheel), XXV, 68. 

B. dahat iii putus (geheel vol), XI, 18. 

B. dahat in halëp (volmaakt), XII, 57. 

B. manwibhüan, XIV, 46. 

B. dahat (volkomen), XVI, 3. 

B. kapëpëkan, XVI, 13, XXIV, 205. 

B, dahat in tusta (voldaan). XIX, 1. 

B. kalëwihan, XXIV, 229, enz. 
Paribhawa. B. benadeeling, vernedering, verachting, minachting. 

B. p a m ü j i ! VI , 1 53 , minachting. 



324 PARIBHÜTA PALAÓKA. 

2. Pinaribhawa, B. kasahasain (geringschat worden), 
XIV, 61. 

3. Paribhawa, B. parikosa (zou minacliten) , XYIII, 48 

(Cond.). 

4. Kaparibhawan, B. kawi^esa, XXIII, 65, Aor. Pass. 

(mishandeld). 
Paribhuta. S. geminacht, gekrenkt, B. maurusak, IV, 61, 
geweld plegen. 
B. dahat sahasa (geminacht), V, 8. 
B. manrëjëk (gekrenkt), VI, 145. 
B. m a ü r ë m ë k , VIII , 1 56. 
B. rarëjëkan (geringschatting), X, 5. 
B. manrampasin, VI, 16, Aor. Act. Inf. (minachtend). 
Pariblioga. S. genot, genieting, B. lëwih bhoga, II, 61, 

genotmiddel. 
Paribhramanta. S. ronddolend, B. maidëran, V, 73. 
Parimana. S. maat, omvang, grootte, aantal, bedrag, B. ciri, 

xxi, 10. 

PariQuddha. S. rein, B. matëlasan, XVII, 24. 

Parihara. S. voorbijgaan , verbergen , tegenhouding, voorzichtigheid. 

1. Marihara, B. sarusaruan (storen), XII, 27. 
Parusya. S. ruwheid, beleediging, B. calucuh, III, 67. 
Pargat. 1. Kapargatan, B. kamëmëgan (bewegingloos), XV, 

54 , 61 , verbaasd. 
Parwwa. S. par wan (afdeeling, stuk van een boek), B. onver- 

•taald, VIII, 149. 
Parwwata. S. berg, B. giri, IX, 35, 40, XI, 11, 16, 75. 
B. gunun, VI, 126, 131, 165, VIII, 3, 8, 44, XI, 81, 
XXI, 177, XXII, 45, 51, 60, 85, XXIII, 17, XXIV, 253. 
Parwwatopama. S. als een berg, B. giri sawanan, XXI, 99. 

B. giri upama, XXII , 7 . 
Parcwa. S. zijde, nabijheid, B. madhya (helling), II, 18, 
\v, 76, VII, 107, VIII, 11, XI, 58, XV, 18, 35, 64. 
B. lambun (helling), XI, 12, XVI, 17. 
B. acala! XV, 69, XVIII, 13, XXII, 52. De B. vert. foutief. 

2. Pinakapurgwa, B. makamadhya (tot zijde strekken), 
XVI, 9. 

Palaiika. S. paryanka (rustbed, sofa), B. hetzelfde, II, 29, 
XXIV, 65. 
B. bal e, VIII, 153, XUI, 16. 



PALAR, - PALU. ■ 325 

B. pa 1 ank a 11, XIII, 18, XXVI, 28. 
B. grha, XIX, 29. 

B. onvertaald, XXI, 37, XIV, 59, XVII , 78, l()U. 
B. patarana, XXI, 199. 
Palar. B. p i 1 i h (misschien), XXIII, 51, XXIV, 1H4, 
opdat. 
B. phala, XXV, 47, XXVI, 51 , opdat. 

2. Pal aren, B. pu])un (zal voordcel i^ctrokkcn worden), 
XXI, 86, Pass. Put. 

3. Pa la palar, B. pilih polili (voorsjjoed) , XXVI, 'AC). 

4. Amalaraalar, B. ma i)i 1 ili p i 1 i lia n , kiezen? XXIV , 24 , 
of: voorspoedig zijnr* 

Pala^a. S. naam van een boom, B. onvertaald, VIII, 215, IX, 

53, XVI, 23, XXV, 82, bntea frondosa. 
Palön (palen). 1 . M a j) a 1 ö fi , B. k a 1 ë p a s a n , XXIV, 1 07 ? 

schitterend, glanzend. (Vgl. lön). 
Palëyö. 1. Makapalëyö, B. maüaleser (afglijden), IX, 15, 
van een pijl. 
2. Kapalëyö, B. mahawuh (uitglijden), XV, 41. Vgl. 
lëyö. 
Palëh. 1. Palepalëh, B. hampura! III, 65, zich aan j)licht- 
verzuim schuldig maken. 
B. j a n k a - j a n k a , XXIV , 24 , onachtzaam . 
Palis. I. Kapalisa, B. makolih (afgeweerd worden) , \ XIII , 
51 , Aor. Pass. Conj. na palar. 
B. maphala, XXV, 44. 
II. Palisa, B. bilane, XXV, 44. 
Pjilii. Mal. Sund. Bug. hetz. , Tag. Bis. pal o. 1. ar palu, B. 
ngëbug (terwijl sloeg), XXI, 232. 

2. Mamalwa, B. ma net eg (zou slaan), XX lil, 4, Act. 
Dur. Cond. 

3. Palu-palu, B. gagitik (roede, stok, hamer?) IX, 10, 
werktuig om te slaan. 

B. danda (stok), IX, 39. 

3. Pamalu, B. pa net eg (wapen waarmede sloeg), IX, 
16, 48. 

4. Pin al u, B. kagëi)ug (geslagen worden), IX, 17, 18, 
20, XXV, 110. 

B. kagitik, IX, 19, 48, XXI, 184. 
B. gëbug, IX, 25, Pass. Uur. Ind. 



326 ' PALUPUY — PAWANASUÏA. 

5. Amalu, B. ngitik (sloeg), XXI, 184, XXIII, 15, Act. 
Dur. Ind. 

6. Malu, B. hetzelfde, XXIV, 54. 

7. Kapalu, B. gëbug (geslagen worden), IX, 19, XXI, 
196, Aor. Pass. Ind. 

8. Apalu, B. mangëbugan (het slaan), XX, 25, Inf. na 
wid agd ha. 

9. Mamalu, B. mangëpluk (sloegen), IX, 38, 85, XIX, 
1 1 1 (slaan). 

B. mangitik, XXI, 188, 214, XXII, 59, IX, 39. 
B. kagitik! XIX, 116 (sloegen), Act. Dur. Ind. 
Palupuy. 1. Kapalupuy, B. kagënturin (getroffen worden) , 
IX, 50, Aor. Pass. Ind. 
B, pupuh (geslagen worden), III, 20. 
B. tigtig, Y, 25. 
B. rëmpuh (verslagen), XIV, 3. 
B. nëmpuh! XXI, 196. De B. vert. foutief. 
B. kapalu, XXI, 230, XXIII, 14. 
B. katigtig, XXII, 64. 
B. kasakitan (geteisterd), II, 44. 
Paluh. 1. Kapaluh, B. tujuh (afgemat), VI, 163. 

B. kasakitan (gepijnigd), XXV, 116. 
Pawaka. S. de Vuurgod, B. Agni, XXI, 146. 
Pawaka^ara. S. vuurpijl (naam van een pijl), B. Agni astra, 

XXIII, 19. 
Pawana. S. wind, B. anin, VI, 48, XI, 78, XXI, 138. 

B. Bayu (de Windgod) , VIII, 13. 
Pawana. S. reinigend, zuiver, heilig, B. makarana! XXVI, 

51. De Bal. vert. foutief. 
Pawanatmaja. S. de zoon van den Windgod, B. Hanuman, 
Vni, 1, 4, 99, 188, 204, IX, 37, X, 69, XVIII, 16, 
XI, 15, 47. 
Pawanaputra. S. hetzelfde, B. hetzelfde, VIII, 19,23,27,39, 
VI, 132. 
B. Bayusuta, VIII, 94, VI, 140. 

B. Pawanatmaja, VI, 134, VII, 113, XXIII, 14, VIII, 
6, 43. 
Pawanasaka. S. Pawanasakha (vriend van den Windgod), VIII, 9. 
Pawanasuta. S. zoon van den Windgod, B. Hanuman, VII, 
55, IX, 11, 12, 20, 23, VIII, 17, X, 42, 68. 



PAWAI, — l'ASAH. 327 

1*51 wal. B. onvertaald, VIII, 85, grint. 

Pawitra. S, reinigend, louterend, B. pa ra ma, ILI, 41, XIX, 
44, XXIV, 213, 214, 224 (reinheid). De B. vert. onjuist. 

B. 9uci, XXIV, 225, XXV, 5, 90, 91. 
ra(--a. S. strik, B. tali, IX, 84, 86, XXI, 2 , 154. 

B. talinin, III, 81, XIII, 45. 

B. in a t a 1 i , X , 1 1 . 

B. pane, XIX, 72. 

B. nagapa^a, XXI, 178. 

B. onvertaald, XX, 52. 

2. Kapa(;a, B. ma tali (gebonden worden), 1X,84, XX,74. 

B. m a b a n d h a , XXI , 58 , Aor. Pass. 
Pa^'abrata. S. gelofte van de strik (naam van eene gelofte) , B. 

onvertaald , XXIV , 59. 
Pa^'ii. S. vee, B. sato, dier, XXIII, 41. 

2. Kapa^un, B. kasatoan, XXV, 32. 
Pa^nijfiti. S. rundergeslacht , B. patik \r y a k t i ! XX [ , 137. 
Pa^upatïi. S. naam van eene gelofte XXV, 25. 
Pa^upatapa^'a. S. naam van Ra ma's werptuig, XXIV, 15. 
Pa^'cimade^'a. S. het Westelijke land, B. kawuh gen ah, 

VII, 54. 
Pas. I. B. kacapa (schildpad), XVI, 31. 

B. onvertaald, XXVI, 25. 
Pasan. Mal. Sund. hetz. , B. kagëlaran (aangewend worden), 
XX, 53 (Abs.) , gezegd van yoga. 

B. tinkah, XXIV, 85 (het voorkomen). 

2. Pin a san, B. kagëlaran (aangewend worden), 11, 36, 
gezegd van m a. y a. 

B. gëlaran, VIII, 30, Pass. Dur. 

3. Mamasafi-masan, B. mangëlar -gëlaran (telkens 
aanwenden), VIII, 29, Act. Dur. Preq. (van een aj i gezegd). 

4. Amasan, B. man u n an (aansteken) , XXIII , 29 (Act. Dnr.), 
van een fakkel gezegd. 

5. M a p a s a n , B. g a g ë 1 a r a n , XXV , 1 4. 

Pasar. 1. Pamasaran, B. nat 1 uu, XXV, 33, inarktplaats ? 

2. Pin as ar, B. nankën pëkënan, XXV, 33. 
Pasah. B. ad oh (gescheiden), XI, 67. 

2. Apasah, B. telas (verdelgd), II, 34. 

B. dëkdëk (vernield), VI, 44, IX, 66. 

B. mat in gal (gebroken), ILI, 19. 



328 PASOK PASUK. 

B. papasah (gescheiden), VIII, 173. 
B. ïïapyan (gescheiden), VI, 117, 
B. këles (brak), XI, 1. 
B. muksah, IV, 13. 

3. Papasah a, B. bëlasaii (zij gescheiden), XIII, 60, Conj. 
na an. 

4. Papasah, B. tiningal (gescheiden zijn) , III , 20 , VIII , 
179, luf. 

ar papasah, B. nora mari! (dat gescheiden was) , VIII , 39. 

5. Kapasah, B. adoh (gescheiden), V, 21, Part. Aor. Pass. 

6. Pinasahakën, B. belas, VI, 189. Pass. Dar. 

7. Mapasah, B. papasah (gescheiden), VIII, 141, 174, 
XXIV, 233, 234. 

B. mabëlasan, VIII, 148, XI, 31. 

B. wiyoga, VIII, 149, XX, 49. 

B. belas, XX, 5. 

B. matingal, XI, 84, XXI, 102. 

B. patladtad, XV, 67. 

B. adoh, XIX, 30, XXIV, 153. 

8. Amasahakën, B. raambëlasan, XXI, 83, Act. Dur. 
(scheiden). 

9. Apasaha, B. mambëlasin, XXI, 107. Put. 

10. Kapasaha, B. mabëlasan, XXIV, 33, Aor. Pass. Conj. 
na ma tan. 
Pasok. 1. n pamasök, B. maraëpëk, XXII, 45, stijf ineen- 
gedrukt. 
Pasi. B. saga ra, XV, 58, zand. Mal. Jav. pas ir. 
Pasuk. B. manjin (ingaan), XI, 25. 
B. kapanjinan, VIII, 111. 
B. mara, VIII, 153. 
B. sa manjin, XIII, 16, Abs. 

2. Mas uk, B. manjin (ging in), III, 19, 26, XX, 52, 
XXI, 200, XXII, 12, VIII, 29, 190, XIV, 36. 

B. nusup, VI, 40, Aor. Act. Ind. 

B. mulihan! VII, 40. De B. vert. foutief. 

3. Urn as uk, B. nusup, VI, 134, ging in. 
B. macëlëp (ging in), IX, 57. 

4. Pasuki, B. manraris (worde binnengegaan), VIII, 25, 
Imp. Pass. Trans. 

5. Pinasuk, B. saluk (bedekt met), III, 42, Pass. Dur. 



PAHAT — PëüAT. 329 

6. Masuka, B. mafijin, XIX, 35, binnen te j^aan. (Couj.). 
B. nëlëpin, XIX, 99 (Fut. Act. Ind.). 

7. Umasuka, B. kajëro, XXI, 199 (hinnen te gaan) , 200 , 
Aor. Act. Conj. 

8. Kapasukan, B. kapanjinan (bezeten), XXIII, 29, 
48, XXIV, 31, Aor. Pass. 

Pahat. B. wukiran (gegraveerd worden), VIII , 44. 

2. Pin ah at, B. hetzelfde, YIII, 44. 
B. inukir, VIII, 51, Pass. Dur. 

3. Mahat, B. raakaryya, XXV, 109? 
Pahi (pahi). B. Ie na (anders), VII, 17, 100. 

B. bhina (verschillend), XIII, 17. 
B. len (anders), XXII, 72, XIII, 30. ' 

B. lenan, VII, 26, XXI, 100, 246 , XXII, 40, XX VI , 24 , 
XII, 29, XVI, 13. Jav. pahe. 
Pahit. Sund. Mal. Day. hetz. , Bug. paiq. 1. A pah i t , B. t ikta 

(bitter), XIV, 66. 
Pahido. 1. Pi nahi d wake u , B. nora kagnru (gewantrouwd 

worden), XXIV, 162. 
Pëkëii. B. pasar (markt), III, 70. 

1. Mapëkën, B. mamëkën (zich verzamelen), VIII, 32. 
Pëkul. 1 . U ra ë k u 1 , B. g i n ë 1 u t (omvatte) , VI , 27 , Aor. 

Act, Ind. 

2. Pinëkul, B. gëlut (werd omhelsd), VI, 25, Pass. 
Dur. Ind. 

B. kagëlut, XII, 16, XV, 67, werd omvat. 

3. Mamëkul, B. mangel ut (omvatten), IX, 30, XIX, 
81 , Act.' Dur. Ind. 

B. ngëlut, XIX, 29. 

4. Amëkul, B. hetzelfde, XIX, 107. 

5. Mëkul, B. anëlut, XXI, 5, omvatte. 

5. Pëku laken, B. kagëlut (werd omarmd) , XXVI, 9 , Abs. 
Pëga. 1. Apëga, B. salëgsëgan (benauwd), VIII, 159. 

2. Kapëgan, B. kamëraëgan (in 't nauw gebracht), 
XXIII ,43. 

B. salëgsëgan (benauwd), XXIV, 9. 
Pëgat. Mal. Suud. hetz. B. ëtas (gebroken), IV, 55. 

B. katatas, XV, 68. 

B. pasah (afgebroken), VI, 177, XXI, 44, 45, XV, 30. 

B. apëgat, V, 26. 



330 pëGeG — pëjAH. 

B. palas (gebroken), VI, 77. 
B. cam, VIII, 21. 
B. onvertaald , XI , 1 . 

2. Mëgatakën, B. tnëgatah (brak), IV, 75, Act. Ind. 
Trans. 

B. m a n u g ë 1 a n , XXIII , 66. 

3. Pinëgat, B. tugël (werd afgesneden), XXIII, 42, Pass. 
Dur. Ind. 

4. Pëgatakën, B. maülasan, XXIV, 182, Abs. 

5. Pëgatakëna, B. pëgat, V, 59, Put. Pass. 

Pëgëg. 1. sapëgëg, B. acëkël (een span), IV, 31, inet de 

haud te omvatten. 
Pënët. 1. Pëhët-pënëtan, B. mapënët? XXVI, 25, naam van 

een gerecht, Men, panè. Zie v. d. Toorn , p. 246 s.v. pa hg at. 
Pënun. B. mamëtën (donker), XV, 59. 

B. dalem (diep), XXII, 47. 
Pënkëk. 1. Mamëhkëk, B. kataiikëk? XXIV, 117, Act. 

Dur. Ind., zich bukken, ineen duiken. 
Pënpön (pëpön). B. p u p u (maak gebruik ervan) , XI , 29 , XXV , 

5 (pönpön)? 

2. Mamënpön, B. ri kala (gebruik maken van den tijd dat) , 
VI, 89. 

B. manëdën (waren ontloken), XVI, 22, Act. Dur. Ind. 

3. Pëpöüën, B. rauhpuh (maak gebruik ervan dat), VIII, 
201 , Juss. Pass. 

4. Amënpöii, B. anuhukan (maakten gebruik ervan dat), 
XII, 4, Act. Dur. 

Pënhël. 1. Kapëhhël, B. mapeholan (gebogeu) , XXI , 177. 
B. ilut (omgedraaid), XXI, 232. 
B. tekol (geknakt), XXII, 50. Jav. pënël. 
Pëcël. 1. Pëcëlpëcëlau, B. masambël-sarabëlin, naam 
van een gerecht, XXVI, 25. Zie het Jav. Woordenb. 
2. A mëcël- mëcël, B. raapëcël (pëcël bereiden), VIII, 33. 
Pëjat. 1. Pëjatpëj atan, B. naii crët - aücrët , XXV, 61, 

van een geluid gezegd. 
Pëjah. B. mati (sterven), VII, 36, IX, 88, I, 53, II, 25, 
27, 71, IV, 9, 68, V, 1 (dood), 2, 3, 5, 6, 26, 34, 
51, 82, VI, 70, 71, dood. 
B. lina, III, 26, 27, 30, 44. 
B. seddha, VI, 25, 41, VIII, 150, X, 29 (het dooden). 



pënu — përiës. 331 

2. Umëjahi, B. mateni, V, 24, heeft gedood (Aor. Act. 
lud.). 

3. Pëjaha, B. padëm (zal sterven), VI, 156, XIX, 27, 
XI, 43. 

B. raati, VI, 170, VIII, 131, XIX, 127. 
B. kaseddhaan (te zullen sterven), XIV, 46. 
B. matian, X, 2, 4, 7 (zal sterven), XIX, 7, XXI, 87, 
VII, 89, XIV, 31. 

4. Mëjahana, B. a ma ten in (te dooden), IX, 9, XXIV, 
130, Aor. Act. Conj. 

5. P i n ë j a h a n , B. k a m a t i a n (gedood worden) , X , 57 , 
Pass. Dur. 

B. matian , IX , 93. 

6. Pëjahi, B. matian (worde gedood), XXIV, 25, Imp. 
Pass. 

ndak pëjahi, B. padëman (ik zal dooden), XXIV, 
129, Prop. 

7. Mëjahi, B. mati (het dooden), X, 38, luf. Aor. Act. 
B. namatiyan, X, 46, 48, 49. 

B. namati, XXIII, 25. 

8. Pëjaha na, B. matiyan, X, 47, zullen gedood worden, 
(Fut. Pass.). 

9. Pëja haken, B. seddha (worde gedood), XVII, 88, 
Imp. Pass. 

10. Amëjahana, B. hamateuin (om te dooden), XIX, 37, 
Act. Dur. Conj. 

11. an pamëjahi, B. ma mati- mati (te dooden), XXIV, 
112, met nadruk op het vorige. 

12. Amëjamëjah, B. hetzelfde, XXIV, 115, te dooden (Act. 
Dur. Inf.). 

Pënu. Mal. hetz. , Sund. pcnyu. Mak. paiiu. Bug. panu, 
Atj. pifie, Bat. po nu, Malag. f an u , B. bok o (schildpad) , 
XI, 67, XV, 26. 

Pëtak. 1. Mapëtak, B. putih (wit), XXV, 83. 

Pëciak. 1. Mapëdak, B. mul uk (nabij), XXVI, 25. 

Pëday. i. Mapëday, B. pëcjih (gezwollen), XXIV, 97. 

Pëdëk. 1. Apëdëk, B. tampëk (dicht bij), XXV, 83. 

Petjes. Mal. pëdas. 1. Apëdës, B. s ëp ët (scher})) , VIII, 127 , 
van woorden gezegd. 
2. Mapëdës, B. teteh (duidelijk), X, 68. 



332 pëTCK — pëpën (përöR). 

Pëtëk. I. Kapëtëk, B. hel eb (werd gedrukt), V[, 21 , XXI , 
245 , Aor. Pass. 
n? B. këlëm (verdrinken), XIX, 120, onderduiken? of: 

bedrukt ? 
2, Amëtëk, B. ndalëkëp, XV, 20, Act. Dur. Ind. , onder- 
duiken? of: zich drukken? 
Pelen. Mal. pëtan, Sund. pötin. Bug. pa tan, B. onvertaald 
(donker), XI, 15. 
B. pënun, VI, 160, VIII, 41. 

B. latri, VII, 11 (duisternis), VIII, 25, XI, 79, 82. 
B. ratri (duisternis), XI, 84. 
Pëtët. 1. Pëtëtan, B. pagamëlan (soort van heester?) 

XXVI, 25. 
Pëtik. Sapëtik, B. sapungël (een weinig), VI, 13. 
Pëuin. 1. Pinënin, B. karëgëp (werd gegrepen), XIX, 15, 
XXIV, 17. 
2. Mamënin, B. manunus (grijpen), XIX, 109, Act. 

Dur. Ind. 
B. manrëgë]), XXII, 76. 
Pënub. Mal. hetz. Sund. pinuh. Bug. jiiino, Tag. Bis. pon 6, 
Malag. feno. B. këbëk (vol), XXI, 115. 
B. nëbëkin (vervult), XXI, 148. 
B. kapëpëkan (vol), XXVI, 25. 

2. Amënuhi, B. nibëkin (vervullen), XXVI, 50, Act. 
Dur. Ind. 
Pëpëk. B. hëmpët (beklemd), VIII, 159. 
B. srëgëp (volledig), XXIII, 38. 

2. Kapëpëkan, B. katëkëpan (bedekt) , XXIII , 7 , Aor. 
Pass. 
Pëpët. B. dëdët (pikdonker), VII, 11. 
B. hëmpët (vol), IX, 40. 

B. kasaputan (bedekt), XI, 6, XV, 49, XX, 41. 
B. bonol (doof), XV, 60. 

B. hëmpën (bedekt), XXII, 43, XXIV, 15, XXIII, 78. 
2. Ampëti, B. nawënin (bedekken), XXIV, 74, Aor. 
Act. Ind. 
Pëpër (pëpör). 1. Amëpër, B. nësëdan (aandringende) , III, 
26, Act. Dur. Part. 
amëpör, B. njujutan (uitpluizen), V, 83. 
2. Mamëpör, B. manatasau (vragen naar), VI, 79. 



pëpës — pëEcM. 333 

Pëpës. 1. Pinëpës, B. uligaii (fijn gewreven worden), VIII, 
160, Pass. Dur. Ind. 

2. A.pëpës, B. leglog (waren geknakt), IX, 53. 

3. Mapëpës, B. lëmët (geknakt), XXIII, 14. 
Pëpöii. Zie p ëii pön. 

röyëh (pëyëli). 1. Kapüyëh, B. pësuh paüuh P XI, 2, 
geschokt, 
kapöjöh, XIX, 20? Pass. Aor. , bevangen. 
2. Mapëyëh, B. huwus, XXI, 33 P aangedaan. Vgl. ,Tav. 
pyoh. 
Përëli. 1. Mam rek, H. raamëcik (klemmen), XII, 8, Act. 
Uur. 
B. nempen (steunen), XII, 12, drukken? 
2. Pinrëk, B. kaem])eri (gesteund worden), XII, 12, 

vastgeklemd? (Pass. Dur.). 
8. Umrëk, B. masare! XII, 8, klemmen. 
Përëp. B. puk ui (geslagen worden), XX, 29. 

2. Aprëp, B. matigtig (slaan), VI, 162, 169. 

3. an pap rep, B. hetzelfde, met nadruk op het vorige, 

VI, 164. 

4. n pamrëp, B. mamukul, VI, 164. 

n pamrëp, B. ngitik, IX, 87, te slaan. 

5. P i n ë r ë p , B. mamukul (geslagen worden) , IX , 30 , 
Pass, Dur. 

pinrëp, B. kap uk ui, XIX, 81. 

6. M a m r ë p , B. mamukul (slaan) , IX , 85 , XIX , 75 , 81, 
Përëiii. 1. Umrëm, B. mani^ëm (sloot de oogen) , VI, 23, 

VII, 79. 

B. afiidëm, XIX, 17, XXI, 4, XXII, 45, Aor. 
Act. Ind. 

2. P remaken, B. pëdëmaii (worde gesloten), VII, 30, 
Imp. Pass, 

3. Mrëm, B. nidëm (sloten de oogen), VII, 78, XXII, 
88, Aor. Act. 

B, man idem, XX, 62, 

4. Amrëra, B. anidëm (sloot de oogen), XVII, 63, Act. 
Dur. Ind. 

B. di pëdëman, XXIV, 252. 

5. Kaprëm. li. nidëm (gesloten worden), XXIV, 248, 
Aor, Pass. 



334 pëLCK — pön. 

Pëlëk. 1. Kapëlëk, B. kabëlët (werden ingesloten), XXIII, 

61 , Aor. Pass. Ind. 
Pelen. 1. Kapëlënën, B. plënpënau? VII, 58, verschrikt, 
verbijsterd, verontrust, ontsteld. 
B. hëmpën (verward), XV, 60. 

Kapleiiën, B. hetzelfde, XXII, 43, XXIII, 59, ontsteld. 
Pëlëtuk. 1. Mëlëtuk, B. makacrot (spatten), XV, 22, 

2. Umëlëtuk, B. malëcat (wegstuiveu) , VIII , 3. Aor. Act. 
Pëluk. Mal. Sund. hetz. Malag. feluka, Day. pal uk, B. 
pahilëh (omvang), VI, 138. 

2. Apëluk, B. ngëlut (omvatte), VI, 171. 

3. Kapëluk, B. kagëlut (werd omvat), XIX, 122, Aor. 
Pass. Ind. 

B. mailutan, XXI, 225. 
B. milutan, XXII, 5. 

4. Mëluk, B. ngëlut (omvatte), XIX, 107, XXV, 84, 
Pëlun. B. tilin (snip), XI, 2, XXIV, 120, XXV, 57, 

Porphyris. 
Pëluli. 1. Apëluh, B. apëlih (missen), XXI, 225, van een pijl 

gezegd. 
PësJit. B. pakëcos (het wegspringen), XV, 23, Inf. Act. 
yar pësat, B. ya makëcos (springende in), VIII, 70, 

Part. Praes. 

2. Umësat, B. mlëktik (vloog weg), IV, 55, VI, 20, 
XI, 1, Aor. Ind. Act. 

B. m ë s a t (vloog weg) , XXI , 37 , XX , 59. 
B. amësat, XXII, 51 (vloog weg). 

3. Mësat, B. makëcos (sprong weg), V, 43, XV, 35,48, 
XXI, 55. 

B. m a b u r (vloog weg) , VI , 1 5. 

B. mibër, VI, 21, 95. 

B. onvertaald, IX, 52, 70, XI, 2, 6. 

B. mlëktik, IX, 57, XX, 18, 33, enz. 
Pësut. B. pasuh (soort van visch), XV, 22, 23, XVII, 15. 
Pök. 1. Amöki, B. amungal (sneden), XIX, 74, Act. Dur. 
Ind. Intens. 

2. Kapok, B. kapungal (afgesneden), XIX, 74, Aor. Pass. 

3. Kapökan, B. mamungal! XXI, 173, hetzelfde van 
meerdere personen gezegd. 

Pöii. 1. Amönakën, B. ra anr ar i san (voortzetten) , XXVI, 22, 



PÖLA — PIOIL. 335 

2. Pö naken, B. niutipan (maakte gebruik ervan dat) , IX , 
71 , Abs. 
PÖIa. B. nëkëtan (zal waarschuvYen , aanmamen), XII, 43? 
l*öli. 1. Pühi, B. kapëresin (uitgeperst worden), XXIV, 
10, Abs. 

2. Paraöh, B. panrawuhana! VIII, 124? 

3. Pöhan, B. te pi (rand), XII, 65. 

4. Mamöh, B. araëspes (melken), II, 12, Act. Dur. Ind, 

5. Pinöh, B. pëspes (gemelkt worden), XIV, 41 (Pass. 
Dur. Ind.). Bat. por o, Bik. po ga. Mal. përah, Tag. 
pi ga, Sund. pöyöh, Lamp. pi joh. 

IM. B. wyakti (waarlijk), X, 57, XXI, 184 (zelfs). 

B. parad ene, XXIV, 156 (toch). 

B. sëlan, XXI, 89, XXIV, 81 (ook). Vgl. pih. 
Pik. B. pëcik (klemmen), XIX, 75. 

B. makëpwak (knijpen), XIX, 81. 

2. Ka pik, B. këtus (geknepen), XXIII, 80, Aor. Pass. 

3. Pinik, B. sisin, XXV, 32. 

Pikat. 1. Pikatan,B.paksi(lokvogel),XXIV, 115,XXV, 13. 

2. Ma pikat (verlokken), XXVI, 20. 
Pikiil. Mal. Sund. hetz. 1, Ma mik ui, B. man ik ui (op den 
schouder dragen), II, 67. 

2. Pinikul, B. katikul (gedragen worden), VII, 39. 
Piü. B. onvertaald (maal), XXI, 228. 

Pingir. Mal. hetz., B. tëpi (oever), III, 34, XIV, 65, rand. 
Piii rwa. B. mindoin (voor de tweede maal), XXI, 232 (vgl. 
pih en rwa en pin do). 

2. ta upapihrwan , B. kapisanan (in eens), II, 24. 

B. sap is au, XXI, 245 (geen twee maal). 
Pinsor. B. satuhun (bij het nedergaan), XXI, 244, Abs. 

2. Mihsor, B. nuhunan (ging naar beneden), VI, 23. 
B. r i n a d a h , XI , 53. 

B. bëtenan, XXI, 242. 
B. d i bëtenan, XXI , 243. 

3. Uminsor, B. di beten, IX, 69, Aor. Act. Ind. 
B. rin adah, XXI, 245. 

Picil. 1. Kapicil, B. pedel (platgedrukt), XV, 23, of: fijn- 
gehakt (vgl. Jav. p e c e 1). 
B. apedel, XXIII, 41. 
B. makacërot, XXII, 60. 



336 PijER — PiTi-puja. 

B. kapipis, XXIII, 17, Aor. Pass. 
Pijër. B. katunkul (rustig), VIII, 92.. II, 9, V, 8, 75^ 
VI, 37, 166, VII, 35. 
B. tunkulan (zich bekommeren), VII, 30, 36, rustig. 
B. jënëk, X, 62, III, 15, VII, 41, 113, XXIIl, 25,31, 

60, XIII, 1 , gerust. 
2. Kap ij ë ra n, B. katunkulan (ongestoord), VII, 36. 
Piüjaii. l.Mapinjana, B. mat enaten, XXV, 85, bedekt met 

een tapih? 
Pinda. I. S. levensonderhoud , meelkoek , B. onvertaald , III ,71. 
B. kalunah, VI, 74. 
2. Apinda, B. kambin, XXVI, 25? 
II. Sapinda, B. sahana (geheel), XXIV, 157. 

2. an pa pinda, B. Iwir (alsof), XXVI, 23, Vgl. pinda h. II. 

3. Pinda, B. nasoran (overwonnen worden), XI, 92. 
Pindan. B. onvertaald (in zout water gekookte visch) , XXVI , 25. 
Pindali. Sund. Mal. hetz. , Bug. pinra, Malag. fin dra, I. 

B. hilan (verdwijnen), XXI, 163. 

B. nëjohin (zich verwijderen), XXIV, 121. 

2. Pin d aha, B. ambadinan (zou omgekeerd worden), XIII, 

36, Cond. 
B. n o b a h a n (veranderen) , XIV , 64. 
II. Mamindah, B. masawan (evenals), XXV, 34, Vgl. 

pinda II. 
Pindo. 1 . ta n pa p i n d wa n , B. u o r a m i n d o i n (geen twee maal), 

XXI, 197. Vgl. pin rwa. 
2. an pinindwan, B. kapindoin (voor de tweede maal), 

XXI, 220.' 
Pitarali. S. pitaras (de voorvaderen, manes), B. at ma, 

XXI, 140. 
Pitu. Bul. Bug. Bat. hetz. Form, Tag. Bis. pito, Mad. petoh, 

B. onvertaald (zeven), XXIV, 74, 77, XXIII, 38. 
B. papitu, VI, 158. 

2. Pitun, B. onvertaald (hetzelfde), VIII, 93. Eigenlijk: 
zevental van. 

B. sapta, XXIV, 223. 

3. Sakapitu, B. baren sapta (bij zeven tegelijk) , XX , 60. 
B. sarën papitu, XXII, 61. 

Pitrpüja. S. veveenigiug der manes, S. pitrtarpana, I, 3, 
*VI, 102. 



piTrwARA — pipiï. 337 

Pitrwara. S. voortrefTelijkste der pitaras, B. dewa pitrIXXI, 

140 (De B. vertaling foutief.). 
Pul. l. Pinid, B. mëlid? XXII, 22, bespot worden. 

2. Mamid, B. mambenorin (een scheeven mond trekken?) 
VIII, 108, bespotten. Act. Dur. 

B. manilidan, XVII, 105. 

3. Amid, B, purik, XXI, 12, bespotten. 

4. A m i d i , B. n g o d a (beproeven) , XXI , 83 , bespottend. 
Pinik. B. man ik, VIII, 47, versierd. Vgl. Jav. apik. 
Piuta. 1. Pininta, B. tunas (gevraagd worden) , II L , 8 , Pass. 

Dur. Ind. 
B. idih, VIII, 126. 
B. katuuas, I, 23, XXV, 109. 

2. Mapinta, B. mandih, XIV, 19, vragen. 

3. yar paminta, B. paüdih, I, 55 (vroeg). 

4. Maminta, B. nagih (vroeg), V, 88. Act. Dur. Ind. 
B. nunas, II, 72, I, 46. 

B. managi h , V, 45. 

5. A m i n t a , B. nunas (vroeg) , V , 30 , VI , 1 90 , Act. 
Dur. Ind. 

B. a n u n a s , XV , 45. 

0. A p i n t a , B. nagih, VI , 15. 

7. Minta, B. nunas, VI, 201. Mal. lietz. 

8. Pintan, B. kahedihin, XXV, 3. 

Pintu. Mal. hetz. , 1. Pintwan, B. kori (deur)! VIII, 66, 

voorportaal ? 
Pinton. 1 . M i n t o n a k ë n , B. m a n e n d i h a d (toonende) , XIII , 

28, Part. Praes. Act. 

2. Mintonakëna, B. nantënaïi, XV, 42, te toooen 
(Aor. Act. Conj.). 

3. Paminton, B. patëüërana! XXII, 25, bewijs. 

Pipi. Mal. Bat. Sund. Day. Men. hetz. , Malag. fify, B. kapeyan 
(wang), XI, 37 (pipi). 
B. kapeya, XX, 68, VI, 36. 

B. rauka, VI, 163, XIX, 77. De B. vert. onjuist. 
B. onvertaald, VII, 27, XII, 36, XIX, 22. 
B. rahi, XIX, 125. De B. vert. onjuist. 
B. bun ut, Vril, 84. 
Pipit. Pinipitan, B. katëpës (gedrukt worden), VI, 167, 
Pass Dur. Ind. 

22 



338 PIPIRUSA PILIH. 

2. K a p i p i t a n , B. k a s o r a n (in 't nauw gebracht) , XIX , 
75, Aor. Pass. 
Pipirusa. B. manulin (fluiten), XXIV, 106. 
Pipll. 1. Kapipil-pipil, B. kaduduk (werd langzamerhand 
opgenomen) , XXV , 26. 
2. Kapipil, B. pedel (platgedrukt worden), XXII, 61. 
Vgl. pil. 
Pipis. 1. Umipis, B. manulig (fijnwrijven), XXIIl, 16. Aor. 
Act. Ind. 
2. K a p i p i s a , B. k a u 1 i g (fij ogestampt worden) , XXIV , 20 , 
Aor. Pass. Conj. 
Pipuk. 1. Kapipuk, B. bunkah (gebroken), XXV, 105. 
Pira. Fidji viJa, Bat. piga, Bal. pi da, Mota visa (talrijk), 
vgl. B. T. L. Vk. 6« volgr. VI, p. 239—240, B. arnbul 
apa (hoe), III, 28, VI, 93, V , 76 , XIV, 57. 
B. enken (hoe groot), XXI, 46. 
B. kudan, XXII, 11 (hoeveel). 

2. Pira, B. akuda (hoe groot toch), III, 49, XIII, 53. 

3. Piran, B. kudan (hoeveel), XXII, 50, 56, bijvoegelijk. 
B. akudan (hoe groot), VII, 42. 

Pirak. Mal. Sund. perak, Tag. pi lak, B. slaka, zilver, XVI, 9. 

B. salaka, XXVI, 24. 
Pirin. B. onvertaald (bord), XXVI, 25. 
Pire. 1. Amire, B. mareren (op zijde gaan) , XIX , 53 , Act. 

Dur. Ind. 
Pil. B. pedel (platgedrukt), XXIII, 8. 

2. Apil, B. hetzelfde, XXII, 50. 

3. Apila, B. obes (zou platgedrukt worden) , VIII , 84. Vgl. 
pipil. 

Pilapilü. B. jëro pëlut, XXIII, 22, slijmerig vocht enz. (Jav. 

pelapelu. Zie Wdb.). 
Pilih. I. B. manawi (indien), XXIV, 24. Jav. bilih. 
B. m a m i 1 i h (kies) , XXIV , 151, Imper. 

2. Apiliha, B. mapilih (zal kiezen) , XVII , 53 , Tut. 
Act. Ind. 

3. Amilihi, B. manalih (zoeken), XVII, 122, Act. Dur. 
Trans. , uitkiezen. 

4. A pilih, B. kena eliniii (kiezen), XXI, 212, Inf. Act. 
B. këna inëtin, XXIII, 78. 

B. mapilih, XXIV, 12. 



pigAÜGA — PU. 339 

Pi^anga. S. roodachtig, roodbruiu , II, 68. 
Piyaca. S. daeraon, B. onvertaald, I, 25. 

B. bhüta, VIII, 128, XXI, 64, XXIII, 29, VI, 136, XIV , 
10, 40, XX, 3. 
Pisan. Mal. lietz. , B. biyu (banaan), XXV, 9, XXVI, 25. 
Pisaii. B. sapisan (in eens), VI, 171, VIII, 34 , 134, IX, 31 . 
B. apisan, VIII, 41 ((-én), XXII, 1 1 , IX , 18 (in eens , 
XVII, 63, XXIII, 51, geheel en al. 

2. Kapisan, B. iëlas (geheel), V, 6. 

B. kapëjahin (verdelgd), V, 83, Aor. Pass. 
B. sapisan (in eens), IX, 26. 

3. Misan-misan, B. pisan pragat (geheel), III, 12. 
B. pisan wusan (geheel en al), IV, 64. 

B. sapisan (in eens), VIII, 122, geheel. 

4. Mamisan, B. namatiyan (verdelgen) , VI , 1 .39 , Act. Dur. 

5. M a p i s a n , B. m a t u n g a 1 a n (in eens) , VI , 1 63. 
B. ma ra ëj ah in (verdelgen), IX, 47, in eens. 

6. Sakapisan, B. nimbal katimbal (beurtelings), XIV, 
24, ten eerste. 

7. Pisan-pisana, B. sada^rin apisan (geheel), XIV, 
53, of //in eens// ? 

8. Amisauana, B. naraatiyan (om te verdelgen), XIX, 
37 (Act. Dur. Conj.). 

9. Pisani, B. pëjahin (worde verdelgd), XIX, 100, III, 
81 , Imp. Pass. 

10. Pinisana, B. kapuputan (verdelgd worden), XXIII , 7, 
Juss. Pass. Dur. 

11. Misani, B. kapëjahin, (te verdelgen), XXI, 216. 
Pisan inim. B. tundun (hoeveel te meer)? XXVI, 14. 
Pisit. B. üëmak (bedekken), XII, 53. 

2. Apisit, B, matëpan (bedekt), IX, 83. 
Pisil. l.Mamisili, B. ma mëcik, klemmen (zachtjes drukken) , 
XXII, 7, cf. Tag. pisil (met de hand streelen) , Bis. hetz. 
Pisuh. 1. Mamisuh, B. onvertaald (schelden), VIII, 31, Act. 

Dur. Ind. 
Pista. B. mari (ophouden), XVIII, 47. 
Pih. B. wyakti (waarlijk), XXV, 114, 115. 

B. tuwi (inderdaad), XXIV, 157. 

B. lip, XXIV, 233. 
Pu. I. B. san (heer), XXIII, 44. 



340 PUK— PÜJa. 

Puk. 1. Kap uk, B. kaliput (in blokken gehakt?) XXV, 73 

(Aor. Pass.) 
Pukah. B. gitik (afgebroken), YI, 133. 

B. bunkaU, XV, 64, TX, 53, XXI, 40, XXII, 76. 
Pukpuk. B. ëfikuk-ënkuk (naam van een vogel) , XXIV, 109. 
Pugut. l.Pinugut, B. k a p u n g a 1 (afgesneden worden) , XIX , 

76, 128, 131 , Pass. Dur. 

2. Pinugutan, B. hetzelfde, XXI, 218, van meerdere per- 
sonen gezegd. 

3. Mamuguti, B. mamungal, XXIII , 58 , Act. Dur. Trans. 
Puüka. B. pukuh? XXI, 230, XXIV, 26? 

Punkttr. l.Umunkur,B. nënjuh punkur (achteruit deinzen) , 
XII, 5, Aor, Act. Ind. 
B. nor in in, XII, 15. den rug toekeeren. 
B. kaorinin, XII, 6, zich terugtrekken. 

2. Punkuran, B. munkurin (rug), XIX, 66 , achterhoede. 
B. mbonkolin, XXIII, 55, 

3. Munkur, B. kapunkur (achteruitgaan), XX, 11, Aor. 
Act. Ind, 

B. anürini, XXIV, 104. 

4. Kapunkur, B. di punkur (achteraan), XXIV, 242, in 
de achterhoede. 

Pungël. B. ëlun (gebroken), XXII, 47. 

B. pëgat, XXIV, 7. 

B. tugël, XXIV, 5. Daj. pungel (stuk). Mal. pëngal 
(afgesneden stuk). 

2, Pungëlakën, B. pëgat (brekende), XXII, 82, Abs. 
Pungun. 1. Mapungun, B. muda (onnoozel), VI, 181. 

B. pënkun (dom), I, 57, II, 38, XVII, 58, X, 27, 36. 

2. Apungun, B. kukuhin! V, 16. De B. vert. foutief. 
Pucaii. 1. Pamucanan (sirihdoos) , XVII, 116, 
Puccha. S. staart, B, pucut! XXVI, 5. De B. vert. foutief. 
Püja. S. vereering, hulde, aanbidding, B. pan are ca, VI, 101. 

B. onvertaald, XVI [, 30, XXVI, 31. 

B, mamüja, XXVI, 1. 

2. Pinüja, B. kaalëm (geëerd worden), II, 31 , Pass. Dur. 
B. kapvija, I, 28, 30. 

B, map ü ja, I, 34, 

pinüja, B, kastawa, XX, 28. 

3. M a ni ü j a , B. m a w e d a (baden) , 1 , 31. 



pftja — ruji. 341 

B, anastawayan, XVII, 133. 
B. mapuja, VI, 50, Act. Dur. 

4. Pamüja, B. raapftja (eer), II, 83, 45. 
B. panastutian (eerbewijzing) , III, 71. 

B. raakah aturan , IV, 18. 
B. ban te 11, VI, 159. 

r p a m ü j a , B. m a n a r c c a n a (dat vereerden) , VI II , 177, 
met nadruk op "'t vorige. 

5. Apüja, B. narccana (vereereu) , X, 63, Act. Dur. 

6. Amüja, B. nastawa, XVII, 01, 134, prijzen. 

7. Kapüja, H. kasiib (geprezen geworden), XXII, 53, 
Aor. Pass. 

8. Pinüjapüja,, B. lëwili panarabrama (zeer geprezen 
worden), XXVI, 27. 

9. Muja, B. nastawa, XXVI, 45. 
10. Pamiija (vereering), XXII, 53. 

Puji. B. najum, III, 83; kompuji (prijst gij), V, :]r). 

2. Pinuji, B. kaalëin (geprezen worden), V, 79, lil, 20, 
Pass. Dur. 

B. kasub, XV, 31. 

B. a j u m , II , 56 , III , 51. 

B. ajumaó, VII, 94, VIII, 27. 

B. alëm, VI, 153. 

1^, kaaj u m, III, 2. 

B. kastuti, XI, 92. 

3. Sapujin, B. sajanan (prijzenswaardig), IlI, 83. 
B. s ë d ë ü alëm, X , 38 , V , 31. 

4. Muji, B. nalëra (prijzen), XI, 20, XX, 76, V, 29, 
XXV, 48, Aor. Act. 

5. Muji, B. najum, X, 29. Aor. Act. Trans. 

6. Pujin, B. ajum (te prijzen), V, 31, Gerund. 
B. alëm, V, 34. 

7. Umuji, B. najuman (prijzen), V, 33, Aor. Act. 
B. ma najuman, XXIII, (58. 

8. Amuji, B. anale m (prezen), VI, 24, Act. Dur. Ind. 
B. nalëm, XXIV, 11. 

B. hetz., XVI, 6. 

9. Amuji- muji, B. mafiajumaii (al prijzende), XI, 11, 
Act. Dur. Part. 

10. Pa muji, B. pan alëm (eerbewijzing), XIX, 48. 



342 püjYA — puiiduT. 

11. Mamuji, B. manalëin (prees), XX, 75, XXI, 190, 
XXIII, 67, Act. Dur. 

12. Puji-puji, B. manlëkasan, XXIII, 24, Intens. 
B. maj um-aj u man , XXIV, 28. 

13. an pujyana, B. najuman, XXVI, 24. 

Püjya. S. vereerenswaardig) , B. panastawa (lof) , XXIV , llu. 
Funcak. Mal. Sund. hetz. , Tag. p o n t o k (cosa alta) , B. 9 i k a r a 
(top), VII, 100. 
B. tuntun, XIII, 35, XXI, 208, XXV, 1, XI, 11, 53, 

VIII, 76, XVI, 9. 
B. mahëncak, XXVI, 25. 
Punjiin. 1 . M a m u 11 j u n , B. m u j u n (uitsteken ?) , XVI , 19, 

eerbied betoonen. 
Putaksi. S. naam van een aap, XIX, 41. 
Putu. I. Mutu, B. kagitik (verbrijzeld worden), XIX, 84. 

II. B. mawëtu (uitsteken), XXV, 100. 
Plidak. B. onvertaald (pandan-bloem) , IX, 44, XXIV, 117. 
B. ketaki, XVII, 117,"xVI, 30. 

B. ketaka, IX, 57, XVII, 122, XXV, 83, Pandanus 
mos ch atu s. 
Pudanau. B. si lalonan (naam van een vogel), XXIV, 109, 

XXV, 19. 
Puday (pude). 1. Apuday, B. raasi ram (zich baden) , XXV, 83. 
B. siramin, XXV, 5. Ed. tasibü. 
3. Mapude-pude, B. masirara, XXV, 6. 
Pimdak. 1, Mapundak,B. Iwir punuk (met hooge schouders) , 
* XXV , 79. 

2. Umundak, B. rin undag (op de schouders dragen?) 
XXVI,' 23. 
Pundat. 1. Mapundat, B. ga nt ut? XXV, 79, van een kleedje 

gezegd (zuiver, schoon), 
Piindin. 1. Mal. hetz. (krinkel in touw e. d.) , Apundinau, B. 
pandita! XXIV, 109, ronddraaien. De B. vert. onzin, 
2. Mapundinan, B. mahinëhan, XXV, 57. 
Pundun. I, B. kagawun? XXI, 194, witte mier, 

II. an p a m u n d u n (toornig zijn) , B. n d a r u r u n ? 

XVII, 58. 
2. Mamuudun, B. hetzelfde, XXII, 89. Sund. hetz. 
Pundat. B. tikul (neem hem gevangen), IX, 86 (Imp.). 
B. katikul (nam op), XXIV, 10 (Abs.). 



PUUYA PUTÖR. 343 

2. Piniindut, Ti. hetzelfde (werd opgenomen) , VF , 5, Pass. Dur. 
B. kasankol, XXI, 37. 

3. x\raunduta, B. nalihari (op te nemen), XV, 42, Aet. 
Dur. Conj. 

4. Mamundut, B. mambakta (namen op), XV, 63, Act. 
Dur. Ind. 

B. makta, XXVI, 24. 
Punya. S. deugd, verdienste, B. maya 9a, XVIi , 39. 

B. ajüa (goed), I, 48. 

B. onvertaald (deugd) , XIV , 32. 

2. Mapunya, B. majajna (deugdzaam), III, 56. 
Piiiiyaiiiaii. S. deugdzaam, B. gunamau, XVII, 46. 

B. d a n a 1 ë vv i h , XVII , 73. 
Punyawau. S. deugdzaam, B. putus in tcgëli, XXIV, 

47, 245. 
Füta. S. rein, B. gësën! VI, 171), XXV, 43. 
Piitat. B. kutat, naam van een l)oom (Planclionia sun- 

daica), XXV, 75. 
Pütaiia. S. een soort van spoken, XXIII, 6. 
Putëk. B. puhëk (gedrukt), VIII, 125. 

B. hibuk (droefheid), XI, 30. 

2. Aputëk, B. opëk (bedrukt), XV, 14. 

3. Maputëk, B. puhëk, XXV, 43. 

Putër. Sund. hetz. Mal. putar, Mak. putaraq, Bug. uta. 

1 . ar putër, B. n u y ë n (draaiende) , XX , 35 , XXIII , 83. 

2. Mamutër, B. onvertaald (draaien) , VIII, 53 , 56 , Act. Dur. 
B. maüatëhafi, II, 14. 

3. Amutër, B. hetzelfde, II, 14. Act. Dur. 
B. manuyën, VIII, 35. 

B. anuyën, XVII, 87. 

B. nuyën, XIX, 118, XX, 35, XXIII, 43. 

4. Pinutër, B. putër (gedraaid worden), II, 47 , Pass. Dur. 
B. kaputër. VIII, 55, 57. 

B. manuyën! IX, 39. De B. vert. onjuist. 

5. Maputëran, B. mauyënan (draaiende), XVI, 40 (van 
meerdere zaken gezegd). 

B. mainënan, XXI, 240, XXIV, 19. 

6. Putërakën, B. panuyën (gedraaid worden), XVII, 87. 

7. Kaputër, B. kauyën, XVII, 87 (Aor. Pass.), werd 
gedraaid. 



344 PUTIT — ruïRA. 

8. Amutërakën, B. manu yen (draaien), XXI, 236 (Act. 
Dur. Caus.). 

B. manrëgëpan! XXIII, 16. De B. vert. onjuist. 

9. Umutër, B. midër, XXI, 240 (Aor. Act.), draaide. 

10. an paputëran, B. mainënan (draaien), XXIV, 20 (met 
nadruk op 't vorige). 

B. lënëd, XXI, 241. 

11. Pinutërakën, B. kaujën (gedraaid worden), XXII, 79 
(Pass. Dur. Caus.). 

Putit. 1. Mutit, B. goyan (draaien), XXVI, 3. 
Putih. Mal. hetz., Tag. Bis. Bul. Day. Bat. puti, Form. pule, 
B. pëtak (wit), II, 2. 

B. onvertaald, II, 18, XIX, 130. 

B. tëdas, VII, 64. 

2. Maputih, B. putih (wit), XVI, 17, V, 66, 70. 
B. pëtak, XIV, 38, II, 7. 

B. apëtak, XVI, 37, IV, 32. 
B. m apëtak, IV, 75, VI, 115. 
B. Quddha, XIV, 55, XI, 86. 
B. atëdas, XVI, 39. 

3. Aputih, B. pëtak (wit), II, 16. 

B. putih, VI, 124, VII, 6, XV, 54, VIII, 106, UI, 36. 

B. apëtak, VIII, 57, XXV, 35. 

B. tëdas, III, 35, XI, 63. 

B. putus (rein), VII, 32, XVII, 118. 

B. mapëtak (wit), XIX, 122. 

B. dhawala, XXV, 89. 

4. Kaputihan, B. kapungut (werden wit), XXII, 63. 
Putus. Mal. Sund. hetz. (gebroken , afgedaan) , B, sari (volmaakt), 

V, 16, XVII, 126. 
B. puput, XXI, 233. 

2. Mutusana, B. muputan (zou volbrengen), VIII, 184, 
Cond. 

3. Amutusana, B. kalëpasan, XXIV, 114, Act. Dur. 
Trans. Conj. 

4. Pinutus, B. utus! XXIII, 54. De B. vert. onzin. 
Putra. S. zoon, B. onvertaald, II, 78, VIII, 12. 

B. wëka, I, 33, VI, 84. 
B. tanaya, I, 34. 
B. santana, VI, 72. 



i'UTiii (piJTiii)— i'Ui'iJTëR. 345 

2. M;i])uti-a, H. rin taiiaya (jegens zijn kind), II, 7(.), 

3. Makaputra, B. maka we ka (tot zoon hehhen), XXIII , 3(5. 

4. Maputra, B. maoka (een kind ie krijgen), 1,21 (Conj.). 
Plltri (piitii). S. putri (dochter), B. pu tra (prinses) , XXI, 62. 

putri, B. wëka, XXI, 64. 

B. nahi, XXI, 66. 
Puil. Punpunan, B. patambunan (bezitting), III, 76. 
ruiiag-i. B. sasaniafi (gelofte), XIX, 63, XXI, 123. 

B. sasani, XXI, 203. 

2. Mapunagi, B. inasasani (eene gelofte doen) , VIII , 1 77. 
Punarapi. S. evenwel, bovendien, B. pradene, V, 1(). 

B. paradene, V, 55, XXII, 4, XV, 53. 

B. parade, X, 60. 
Puntarafi'? 1. Muntaran, B. katëlasan (op), XXIII, 34. 

2. A muntaran, B. nilanan (doen verdwijnen), XXIII, 70. 
Pliuuaga. S. puihnaga (naam van een boom). Mal. pënaga, 
B. nS.gasari, IX, 44. 

B. camplun, XI, 3, XVI, 23. XXIV, 99. 
Piipak. B. bunkah (afgebroken), XV, 57. 

B. kabunkah, XIX, 81, 118 (gebroken), XXIII, 33. 

2. Mam u pak, B. mambunkah (afbreken), XVIII, 14, 
XIX, 42, Act. Dur. 

B. mamunkah, XIX, 103. 

B. m a n d a w u t (uittrekken) , XVII ,84. 

B. nabut, XVII, 130. 

3. Pi nu pak, B. bunkah (afgebroken worden), XIX, 62, IX, 
28 (gebroken worden) , Pass. Dur. lud. 

Pupil. Mal. pupu (graad in de zijlinie), B. palia (dij), IV, 31, 
VIII, 33, IX, 18, 72, 80, 83, XI, 10, XII, 18, XIX, 
84, Ed. puren, XXII, 50. 
Pupu. 1. Amupu, B. na lap (plukken), ^,65, XVII, 117, 
Act. Dur. 
B. n a m b u n a n , VI , 37 . 
2. Maraupu, B. manalap, plukken, XVII, 121, (Act. 

Dur. Ind.). 
B. raanambil (plukken), XVII, 128. 
Pupug. B. pëpëh (gebroken), XXI, 196. 

B. pëpëd, IX, 72. 
Pupiitër. B. putëh (wilde tortelduif), XXV, 11, Col urn ba 
risoria. 



346 piipUK — ruRi. 

Piipiir. I. Piuupurau, B. pinii])uli (gebroken), XX, 61. 
Pass. Dur. 
B. ginitik, XXIV, 140. 

II. Mal. hetz. , Mad. popor, 1. Piuakapupur, B. kasak- 
satan wida (te beschouwen als blanketsel), XXV, 83. 
Pupiil. B. mapunduh (zich verzamelen), XVII, 112. 

2. Mapupul, B. mapunduh (zich verzamelen), VII, 3. 
B. matambun, VIII, 168. 

3. Apupul, B. hetzelfde, VI, 55. 
B. magoplok, XIV, 42. 

B. mapunduh, XXI, 210. 
B. masamuha, XXIV, 51. 

4. Papujjulan, B. kasaputan (verzameling), XXIL, 49. 
Pupuh. Mal. hetz. (plukharen), B. kagitik (geslagen worden), 

IX, 71, 87. 
B. kapalu, XIX, 118. 

2. Kapupuh, B. hëmpak (gebroken), VI, 133, Aor. Pass. Act. 

3. Pinupuh, B. katigtig, geslagen worden, IX, 28. 
B. pinalu, IX, 85, geslagen. 

B. kagitik, XX, 32, Pass. Dur. 

4. Amupuh, B. mamalu (slaan), XIX, 71, Ad. Dur. lud. 
B. mangitik, XXI, 213. 

5. Mapupuh, B. magitik, XX, 23, XXIIl, 15, 77. Med. 

6. M amupuh. Act. Dur. Ind. B. mangitik, XXIII, 59. 
Puya. B. Iwir api (als vuur)! VIII, 163, naam van een plant. 
Piiyuh. I. Mal. Sund. hetz.. Bug. uro, Tag. pogo, B. ])uh 

(kwartel), XI, 2, XXV, 20, XXVI, 20, 25. 
B. ëpuh, XXIV, 111. 

II. Puyu-puyuhën, B. nansur-ansur (sterk hijgen), 
XX, 48. 
Pura. S. burcht, B. puri, XIX, 35, XX, 33, XXIV, 217, 
XIV, 35. 
B. jëro, XI, 61. 
B. nagara, I, 12, XXIV, 225. 
Puraka. S. vervullende, B. ka k as u ban, XVII, 52. 

B. kapëpëkan, XX, 23. 
Plirana. S. naam van een boek over de oude sagen, VIII, 14U, 

XVII, 71. 
Puranakawya. S. oud gedicht, XXIV, 232. 
Puri. S. burcht, B. jëro, XI, 39, XVII, 21. 



puuiri — puRnuAMAKai,A. 347 

l*nriii. B. onvertaald, naam vau een heester, XXV, 75, 
Puriüis. 1, Murinis, B. marenan (lieten de tanden zien), 
XIX, 127, Act. Aor. 
B. maiiajënit (grijnzen), XX, 60. 
Piirit. 1. Kapuritën, B. ka pure tan? XXIIl, 6ö, vermoeid, 

afgemat , neerslachtig. 
rurugiil. 1 . M a m u r u g u 1 , B. u d a r u r n n ? XIX , 78 , XXI , 2 1 5, 
niets ontziende; vgl. .Tav. mragol. 
B. makosa (overweldigen), XIX, 124, Act. Dur. 
PuruSJi. S. raensch , man, held , B ksatri jan , XXIV , 98, held. 
2. Kapurusan, B. kawanian (heldhaftigheid), XXIII, öl. 
Plirusakrti. S. in menschelijke gedaante, 15. ma wak bhawa, 

XXIV, 11)4. 
Purusottaiiia. S. hoogste geest, B, Wisnu atcmah, XV, 1» , 
bijnaam vau Wi.snu. 
B. Upendra, XV, 62. 
B. Wisnu, XXI, 151. 
Purusottanianca. S. P u r u s o t ta ra aiii 9 a (incarnatie vau W i .s n u) , 
B. san hyan Wisnu kadadiu, VIII, 131, XVII, 26. 
B. Wisnu ndadi wanga, XXI, 65. 
Purusottamottaiiia. S. allerhoogste geest, B. hjaii Wisnu 

parama, XXI, 131. 
Piirohita. S. huispriester, B. makapagur uan , I, 23. 
Pürnna. S. vol, volledig, B. sampat (volmaakt), V, 6U. 
B. galan, IX, 81 (volkomen). 
B. tëlah, XIX, 61 (geheel), XX, 191. 
B. puput, XV, 49. 
B. humun (vol), VI, 161. 
B. mari, XII, 12 (volledig). 
B. mëpët, XVI, 4. 
B. tëlas, XX, 4. 

B. kapëpëkan (vol), XX, 55, XXVI, 24. 
B. putus, XXII, 53 (volledig). 
B. tusta, XXVI, 25 (voldaan). 
Piininacaiidra. S. volle maan, B. purnnama, XI, 13, 18. 
Pürnnaiiia (purnnama). S. pürnaraas, hetzelfde, B. kap 11 r 11- 
naman, V, 19, VIII, 106, IX, 7. 
B. onvertaald, VII, 33, VIII, 88, XVII, 106. 
Pftrnnaniakala. S. purnamakala (tijd van volle maan), B. 
kapürnnama mëpëk, IV, 30. 



348 puRnnAwrüüiii — tulih, 

Pfirnnawrrtflhi. S. volkomeu welstand, H. pup ut luokoh, 

li, 29 (adj.). 
Purnnahuti. S. volledig offer, B. lëwili hantëu, 1, 31. 
Pürwwa. S. vroeger, B. óilni, VI, 186. 

B. dumunan, XXIV, 15. 
Purwwaka. S. vroeger, B. mimittaua, VII, 102. 

B. map una (aanleiding), XI, 93. 

B. bwakanin (eerst), XIII, 57. 

B. mucukan, XIX, 64, het voorste. 

B. nrihinan, XXIII, 2, het eerste. 
Pnrwwakala. S. vroeger tijd, B. nüni nin anüni, 11,47,57, 

B. suba ri sëdëk! VÜI, 149. Ue B. vert. foutief. 
Pulan. 1. Apulan, B. uoret (bemorst), XXII, 51. 

2. Mapulan, B. manëjan, XXV, 25. 
Pulay? 1. Amulay, B. mapëlëh? XXIV, 116, Act. Dur. 

B. mëlëleh? XXIV, 117. 
Puli. B, tinërap! (soort van rijst), XVII, 101. Zie het Jav. W. 
Pulin. 1. Pulinan, B. raider (draaien), XXI, 243. 
Pulina. 1. Mulina, B. raarenan? XXI, 247 (verbijsterd). 
Pulir. B. m a i 1 u t a n (omdraaien) , XXVI , 3. 

2. Mamulir, B. manilut, XIX, 78. Act. Dur. 

3. Pin ui ir, B. kailut (omgedraaid worden), XIX, 121 , 
Pass. Dur. 

4. Ka pul ir, B. hetzelfde, XIX, 125. Aor. Pass. 

5. ar pulirakën, B. hetzelfde, XX, 29. 

yar pulirakën, B. hetz. , XXIII, 42, als omgedraaid werd. 
Piilih. Mal. Sund. hetz., tar papulih, B. tan pahudili 

V , 26 (zonder zich te herstellen), 
tamatan papulih, B. norana nwalës (zonder stand te 

houden), II, 43. 
tan pa pulih, B. nora nwalës, XXI, 248. 
yat pulih, B. mënan (als gij terugkeert), XIII, 79. 
taman papulih, B. nora nwalësan (zonder tegen weer), 

XX, 49. 

2. Mapulih, B. nwalësan (terugkeereu) , IX, 26, 29. 

B. nawalësan (zich herstellen), IV, 74, IX, 22 (terug- 
keereu). 

3. Mapuliha, B. nwalësan (ora terug te keeren), VI , 171 , 
Conj. na tantan. 

4. Mapulihana, B. manwalësan (terug te doen), IX, 33. 



PULUK — Püwiii. 349 

5. Puliha, B. inënana (dat zal terugkeeren) , XIV, 50 
(Conj. ua asambhawa). 

6. Pulihi, B. manwalësan (worde lierhaald) , XIX, 97 
(Imp. Pass.). 

7. Apulih, B. wal es (terugkeeren). XIX, 112, XXIII, 84. 
B. mapulih, XX, 34 (wederom). 

8. Mamulihi, B. manwalesaü (tegenstand bieden), XIX, 
109, XX, 24 (Act. Dur.). 

9. Mapulihan, B. nawalësan (boden tegenstand), XXI, 
214 (van meerderen gezegd). 

B. salin walësan, XXIII, 18. 

10. yan pamulih, B. mbëeikan (herstellen), XXIV, 207. 

11. Amuliha, B. hetzelfde, XXV, 5. 

12. Pinulihan, B. k a walësan (worden vergolden) , XIX, 127. 
Pass. Dur. 

Puluk. Mal. ])olok (opslokken), B. asopan (in één greep), 

XXII, 11. 
Pulun. Tag. hetz. (vergadering) , Sund. hetz. (oprapen). 1 . Ap u 1 iin , 

B. matambun (zich opeenstapelen) , XIII, 81. 

B. jajamu! VIII, 154. De B. vert. foutief. 

2. Pinulun, B. kapah uraan (verzameld worden), I, 34 
(Pass. Dur.). 

3. Mapulun, B. mapunduh (zich verzamelen), XV, 28. 
Pulut. Mal. Day, hetz. (kleefrijst) , Iban. f ui ut (klevende honig). 

Bul. tana pulut (klei), B. ëükët (vogellijm), XXVI, 34. 
2. Am ui ut, B. nlilit (omslingeren), XXIV, 77. 
Pulull. Mul. Sund. hetz.. Bul. mapulu, Bis. napulo, Tag. 
polo, 1. Sapuluh, B. adaga (tien), VIII, 47. 

2. Sapulu-pul uha, B. ada^a pin da^a (zouden bij tien- 
tallen), XVII, 57. 

3. Saka sapuluh, B. sarën adaga (bij tientallen tegelijk), 
XIX, 128, XII, 61. 

B. baren adaga, XXII, 11. 

4. Kasapuluh, B. makadaga (alle tien), XXIV, 27. 
Pule. Mal. pul ai, B. luwëd agun, XXV, 73, naam van een 

boom (vgl. Jav. Wdb.), alstonia sp. 
Puwi. B. pagëh (vast), XXI, 133. Vgl. puwih. 
Pliwih. B. wyakti (zeker), II, 71. 

B. pagëh (waarlijk), VIII, 199. 

B. nora (niet)? XIV, 25, toch. Vgl. puwi. 



350 PUQATa PUHARA. 

Pu§ata. B. lutun, soort v. aap, XXV, 32. 
Puspa. S. bloem, B. sëkar, XI, 63, I, 24. 

B. buna, II, 20, VIII, 89 , 215, VI, 41 , XIÏ, 47 , XXIV, 30. 
B. këmban, XVII, 91, XII, 63. 
Puspaka. S. naam van Kubera's wagen, XXIV, 241, B. on- 
vertaald. 
B. wimana! XXIV, 253. De B. vert. onjuist. 
Puspaka. S. naam van eene apsaras, VIII, 73. 
Puspawarsa. S. bloemenregen , B. sëkar s u m a r ! II , 44. De 
B. vertaling foutief. 
B. këmban sambëh! XX, 27. 
B. kamban majawuh, XXI, 153. 
B. sëkar sambëh! XXIII, 67. 
Puspitagra. S. naam van een versmaat (bloemenpunteii hebbende) : 
uuuuuu — u — u — — Il ouuu — uu — u — u — — . B. masëkar 
rusak! XXI, 69 (de B. vertaling foutief). 
Pasus. Npusus, B. manuca (ronddraaien), VI, 58. 

B. k u c a (worde rondgedraaid) , XIX , 1 00 , XXII ,16, Imp. Pass. 

2. Pinusus, B. kuca (rondgedraaid worden) , V, 83, XIX, 55. 
B. ogar (geschud worden), XI, 3. 

3. Musus, B. manuyakan (draaide), XI, 1, IX, 67, Aor. 
Act. Ind. 

4. Pususën, B. manucea (zou rondgedraaid worden), XVII , 85. 

5. Amususa,B. manuca (verdelgen), XIX, 1 , Act. Dur. Conj. 
Puh (püh). B. pëpëh, IX, 18 (gebroken), XV, XV, 64. 

B. r ë m p u h (verbrijzeld) , IX , 45. 

B. rëmëk, III, 22, fig. 

B. këpuh (gebroken) , VI , 133. 

B. onvertaald, XXI, 225. 

B. katëmpuh, XXI, 196. 

B. rëmuk, XXI, 189 (fig.). 

B. rëmrëh, XXI, 16 (fig.). 

2. Kapühan, B. salëgsëgan (verbaasd), II, 74, XI, 1. 

B. kemëi\an (verbijsterd) , V , 76, VI, 47, IX, 68, XX, 56, 

XXI, 163, XXIII, 35. 
B. kamëmëgan (verbaasd), XIX, 29, XX, 56, 71, XXI, 
34, 162. 
Puhara. B. phala (oorzaak), XXV, 42. 

2. Puhara, B. gawenan, XXtl, 53. 

3. Mamuhara, B. magawe (veroorzaken), XIX, 93. 



puHiji — PF/r. 351 

B. mangawe, XXVI, 52. 

4. Mamuhara, B. hetzelfde, XXIV, 162, Act. Dur. 

5. yan pamuhara, B. maphala (dat zal veroorzaken), 
XIV, 30. 

yadiu pamuhara, B. inanheretan (als zal veroorzaken), 

III, 29. 
G. Aruuhara, 11 maphala (veroorzaken), III, 08,Act. Üiir. 
B. raagawe, III, 01, VI, ()3, VII, 16, XII, 20,53, 

XIII, 17. 
7. K a p u h a r a , 15. k a g a w e n a n (veroorzaakt worden) , III , 63 , 

Aor. Pass. 
B. phalana, XVII, 75. 
Piiliiji. B. puh, XXIV, 113, naam van een vogel (S. sücï- 

m u k h a) . 
Pilliun. 1. Mamuhun, B. mapamit (afscheid vragen) , III , 85 , 

Mal. B er ra u hun. 
Prthiwl. S. aarde, B. bh umi, II, 46, V, 5, XI, 72, VI, 178. 
B. bhütala, VII, 73, XI, 71 , XXII, 44 , XXIII, 9, XXIV, 
80 (prthiwi), 157, VI, 179, IX, 40, XIII, 32, XV, 18. 
Prthwltala. S. aardbodem en naam van een versmaat. 

1 . S a p r t h w i t a 1 a , B. s a p r t h i w ï ra a ii d a 1 a (de geheele aarde), 

XIX, 68. 
B. sabhümimandala, XX, 38. 
Pr^ua. S. pra^na (vraag). 

1. Maprgna, B. matuturau (vragen), VI, 79. 
B. natwayan, VI, 104. 

mapr^na, B. nakonan, VII , 71, 

2. Prgnan, B. nucapan (te ondervragen), XIV, 6)9 (Gerund.). 
Pet. B. panalih (het zoeken), VII, 46. 

t pet, B. mindrihan, XXII, 41. 

2. Pin et, B. onvertaald (gezocht wordende), III, 35. 
B. kaalih, XXI, 115, XXV, 110, VI, 67, VII, 104. 
B. manalih! XXI, 23, gezocht worden. 

B. prihan, XIII, 56. 

B. kaaturan (ontboden worden), I, 23. 

B. katurin, (ontboden wordende), II 60. 

B. alih (gezocht worden), VI, 143. 

B. katuran (ontboden worden), II, 63. Pass. Dur. 

3. Pametana, B. aliha (te zoeken), III, 17, Conj. na 
wruh. 



352 PER POLOT. 

4. Meta, B. nalih (zoekeu) , III, 32, Conj. na maharëp, 
XIII, 42. 

5. Umet, B. hetzelfde (zocht), III, 34, 40, VIII, 179,193, 
XXI, 20, VII, 105, VI, 39, 50, 52. 

6. Mam et, B. onvertaald (zoekende), III, 35. 
B. angawe, VI, 150, XXI, 20 (zoeken). 

B. nalih, V, 64, VI, 165. 

B. mamrihan (beproeven), VII, 34. 

B. mamrih (zoeken), XIII, 57, XV, 20 (Act. Dur.). 

7. Mameti, B, m a ra r i h (zoeken) , XXI , 243 , Act. Dur. Trans. 

8. Amet, B. nalap (zoeken), IV, 28. 
B. nalih, VIII, 82, 210, XVII, 124. 
B. manalih, VI, 39, Act. Dur. 

9. Pameta, B. pahalih, VI, 40. 
an pameta, B. alihan, XIII, 66. 

10. Met, B. ruruhi, VI, 52. 
B. nruruh, VIII, 63, zoeken. 

11. Peten, B. undan (worde ontboden), VT, 1 32 , Juss. Pass. 
B. alih (worde gezocht), VII, 96. 

B. ajak (worde uitgenoodigd) . XIII, 88. 

12. Ameta, B, nundan (te ontbieden) , VI, 144, Act. Dur. Conj. 
B. nalih (zult zoeken), XIII, 90. 

13. Ameti, B. mararihan (zochten) , XX, 13, Act. Dur. Trans. 

14. Ar pamet, B. raamrihah (bij zijn zoeken), VIII, 92. 
Peni. 1. Apeni, B. ratna (kostbaarheden), XVII, 4. 

B. kanaka, XVIII, 40. 
Per. B. na ds ad in (afwisschen) , VI, 49. Abs. 

2. Peri, B. hetzelfde (afwisschende) , XIX, 20, XXT, 127, 

van tranen gezegd. 

3. Maperper, B. hetzelfde (afwisschen), XX, 6, Act. (van 
zweet gezegd). 

4. Perperi, B. sadsadin, XXV, 5, Trans. 

5. Ameri, B. nadsadin (afwisschen), XXVI, 10, Act. Dur. 
Trans, (van meerderen). 

6. Umeri, B. hetzelfde, XX, 72. Aor. Act. Trans. 
Pora. S. pau ra (burger), B. wwan tani, III, 78. 
Porawargga. S. paurawarga (burgerschaar), B. tani warggi, 

III, 77. 
Polot. 1. Pinolot, B. kinaput (omstrengeld worden), XVII, 
122, Pass. Dur. 



tOH tUAKVTI. 353 

Poll. Sas, paoq, Biin. foo, Mal. pauh, Hoc. Mad. pao, Bug. 

pa WO, Tag. paho, B. onvertaald (eeu soort van manga), 

II, 28, XVI, 40, VIII, 10. 

B. gëtas, IX, 44, 53, XV, 68, XXII, 51, 56, XXV, 70, 

XVI, 23, Vin, 76, XI, 3. 

Pyak. 1 . M a p y a k , B. m a k e m p y a ii , XIX , 12, van 't geluid 

van ganka's. 
Pyas. 1. Pyaspyas, B. buyun karupe, XXV, 63, naam 

van een insect: runderhorzel? 
Pyah. B. lam hun (zijde), VI, 173, IX, 47, 73, X, 60, 

XIX, 72, 76, 111, XXI, 217, XXII, 81, XXIV, 13. 
Prakata. S. blijkbaar, luid, B. magalak! III , 67 , luidruchtig. 
B. rame, IX, 34 (luid), XIX, 1^2. 
B. humun, XIV, 40, XV, 54. 
B. maswara, XV, 35, luidruchtig. 
B. swara, XVI, 42, XV, 51, luid. 
B. we ra, XIX, 60, laten merkeTi. 
B. kabhinawa, XXIV, 202, bekend. 
B. ghilrnnita, XXII, 55, luid. 
B. kasub," XXV, 21. 
Prakrataklrtti. S. naam van een vorst, XXI, 136. 
Prakatak. 1. Amrakatak, B. manërasin (hard behandelen) , 

XXIV, 130. 
Prakampa. S. het beven, B. kadahat! beefde, XXII, 44, van 

de aarde gezegd. (De B. vert. foutief.). 
Prakampita. S. sidderend , B. u m o 1 a h (trillen) , Il , 8 , vau 
bladeren door den wind. 
B. magenjonan (beven), XV, 18. 
B. manëtor (beefde), XVIII, 44 (van toorn). 
Prakara. Mal. përkara (zaak, wijze), Sund. prakara, S. 
manier, B. prateka, VI, 103 (gedragswijze), XXI, 148 
(verschijningsvorm). 
B. gawenan, XIV, 30, wijze. 
Prakara. S. duidelijk, B. këras, XVIII, 38. 
Praka^ita. S. praka^ita (beroemd), B. kasub, V, 6, XXIII, 
63, IX, 46, XXI, 138. 
B. kastawa, XIX, 33. 
Prakirnna. S. uitgestrooid, allerlei, B. magëlar, XVI, 37. 

B. kat ah (zich verstrooien), XVI, 14. 
Prakrti. S. natuur, B. pagawe (aard), III, 31. 

23 



354 PRAKrrrDwstA — FRAn. 

B. tiiikah (gewoonte), V, 37. 

B. kirtti (aard), VI, 49, X, 50. 

B. laksana, VIII , 118, XI, 82. 

B. makirtti, XIV, 55. 

B. kraina, XV, 4. 

B. ulah, XV, 9, XIX, 79. 

B. yaya, X, 48, XIX, 93, 101. 

B. pakirtti, X, 52. 

B. kagaweuan, XIV, 26. 
Prakrtidiista. S. van slechten inborst, B. nianlah hala, XXI, 147. 
Prakkalpa. S. vroeger wereldtijdperk , 11 , 48. 
Pragagah. 1. Mragagah, B. enkan (groot), XXV , 58 , sterk , 

moedig. 
Pragalblia. S. stoutmoedig, B. s aha sa, XVIII, 37. 
Pragrhyapada. S. afzonderlijk verblijf , B. w w a n s u r a 1 o k a , 

VI, 99. 
Praghasa. S. naam van een rak sas a, XIX, 9, XX, 26, 

XXII, 14. 
Praü. Mal. Sund. peraü, B. palagan (gevecht), VI, 50. 

B. laga, XIX, 91, IX, 80 (strijd). 

B. sa ra ara (oorlog), XX, 10, 20, 28, VI, 147. 

B. malaga, X, 49, IX, 46 (strijd). 

B. onvertaald, XVII, 33. 

B. rana (strijd), X, 12, XXI, 199, XXVI, 42, XIX, 12. 

2. yanpapran, B. yanpalaga (in den strijd), I, 54. 
pap ra II, B. malaga (strijden), I, 57, XIII, 29, 

3. Mapraüa, B. hetzelfde, II, 71, Conj. 
B. mayudha, XIII, 31, XIV, 62. 

B. laga, XIII, 60, 81, 83. 

4. Aprana, B. malaga, V, 20, VI, 19 , XIII , 61 , XIX, 56. 

5. Pinran, B. kasëpeg (afgehouwen worden), V[, 26 , Pass. 
Dur. Ind. 

B. kasëpëgin, XXI, 174, 
B. se peg, VI, 77. 

6. Mapraii, B. malaga (strijden), VI, 51, 52, 174, XIII, 
54, XIX, 26, 82, 123, 

7. Apran. B. masyat (vechten), VI, 53, XI, 10, 
B, malaga, IX, 51 (strijden), X, 14, 32. 

B. m apran, X, 41. 
B. s j a t , XIII , 55. 



PRACAndA — PRAJAnOHA. 355 

B. pasyat, XIII, 56. 

8. Mamrana, B. nëpëg (zou afbouwen), IX, 26 (Conj. 
na ra e h). 

9. Papranan, B. laga (slagveld), XI, 29. 
B. samara, XIX, 63. 

B. palagan, XX, 38. 

10. yan paprai>a, B. mande malaga (als wil strijden), 
XVIII, 29. 

11. Amran, B. man erapal (houwen), XIX, 18 (Act. Dur. 
Ind.). 

B. man wek, XIX. 57. 

12. M amran, B. manëmpal (houwen), XIX, 71. 

13. a n p a m r a 11 , B. hetzelfde (hieuwen) , XXI , 1 73 (met nadruk 
op 't vorige woord). 

14. Pinrani, B. kapagutin (gehouwen worden), XXIII, 16 
(Pass. Dur. Trans.). 

15. Pinraïian, B. masibak, XXVI, 23. 

16. P a t i p r a II p r a n i , B. m a 1 a g a t a h e n a n , XXII , 35 , aan- 
houdend bestrijden. 

Pracanda. S. zeer hevig, vreeselijk, B. tarik, VIII, 77. 

B. sahasa, XIX, 74, XXI, 215. 

B. kabhïnawa (geducht), XXI, 205. 

B. dahat, XXII, 46, 87. 

B. tanpanaha, XXII, 77. 
Pracaya. Mal. Sund. përcaya, S. pratyaya (vertrouwen) , B. 
kandëlan , III , 7. 

B. kaandëlaii, V, 47. 

2. Pracay^, B. gugun, VII, 52, Conj. 

3. Kapracayana, B. nu mand elan (vertrouwd), XXI, 26. 
Pracalita. S. schuddend, B. maelogan (schudden), VIII, 

93, 215. 

B. umolah, IX, 43, XV, 67. 

B. maocakan (trillen), XI, 8. 

B. naliiicak, XXI, 215. 

B. mailëhan, XXIII, 8. 
Pracura. S. veel, B. tutur! XXIII, 25. 
Praja. S. schepselen, B. jagat, III, 58, 70. 

B. nagara (menschen) , VI, 183, III, 77. 
Prajaüglia. S. naam van een raksasa, XIX, 9, XX, 7,8, 
12, 13, 14, XXIII, 37, 41. 



356 PRAJUDHIPA PRATÏTA. 

Prajadlüpa. S. vorst der volken, B. bhüpati, XVTTT , 39 
Pr.ajadhipati. S. vorst der volken , B, prabhu nut h a, XV1[ , 48. 
Pt'ajainaudala. S. schaar der onderdanen, B. uagara patapan! 

III, 70. De B. vert. foutief. 
Prajna (prajna). S. prajua, kundig, B. wihikan, I, 36, 
XI, 5. 

B. onvertaald, III, 56. 

prajna, B. kawikanau (verstand), III, 80. 

prajna, B. wruh, III, 83, XXI, 92 (praj na), XXIV, 1 11. 

B. wicaksana, VI, 157 (adj.), XXIV, 14. 
Prana. S. adem, levensgeest, leven, B, jiwa, VIII, 200. 
Pranata. S. gebogen , onderdanig , B. n a s o r , 1 , 1 , XIII , 83 , 
'XXIV, 128, V, 4. 

B. manëmbah, I, 8, VII, 44, V, 88. 

B. nabhakti, V, 4, X, 21, I, 16. 

B. üalap sor, XII, 49, VIII, 187, XI, 5. 

B. bhakti, XXI, 119, XIII, 5, XV, 11. 

B. matwan, I, 40, XXI, 71, 204. 

B. manasor, V, 79, VI, 199. 

B. raararëm, Vil, 40, XXII, 9. 

B. mapamit, XXI, 193, XXIV, 134. 

B. naturan sembah, XXIV, 79, XXVI, 49. 

B. naksama, XXVI, 9, XVII, 79. 

B. n a 1 a p k a s o r , XXI , 101. 

2. Pranata, B. uasor, XIII, 85 (Conj. na duraeh). 
Pranatulya. S. als de adem, het leven, XXI, 165. 
Pranidhana. S. inspanning, dienstvaardigheid, berusting, B. 

hurip kasukayan, XVII , 66 , adj . 
Pratapa. S. gloed , glans , macht , B. k a d h a r m m a n , 1 , 10. 

B. kasu^ilan, XXV, 29. 

B. ya9a, XIII, 72. 
Pratapanaksi. S. naam van een raksasa, XX, 15, 18. 
Pratijua. S. belofte, B. sasani, IX, 61. 

Pratita. S. vertrouwend, vroolijk, begrepen en S, prathita 
(beroemd), B. kasub, III, 36 (bekend), V, 21 , VIII, 5. 

B. dahat (zeer), IV, 3. 

pratita, B. putus (beroemd), XIII, 29, XVI, 1, XIX, 
66, XXI, 144, XXIV, 4. 

pratita, B. pagëh (vertrouwd), VIII, 9. 

B. kumandël, XVIII , 27 (vertrouwd). 



PRATITAK AMI'A PRADHaNA. 357 

B. onvertaald, XVIJI, 39 (genaamd), 
pratita, H. apa, nei'iëran (genaamd), XXI, 87. 
Pratitaksiiiiiwi. S, naam van een bosch , VI, 114. 
Pralicliiisi. S. dagelijks, H. sali i -sa h i , V, 9, VI, 31, IX, 12. 
Pratipa. S. naam van een wapen, XXI II, 45. 
Pratipjula. S. begin van een maandhelft , B. pan Ion (afnemende 

maan), VI LI, 41. 
Praiihiiaya. S. vreeselijk , gevaarlijk, B. daliat in newëliin, 

VI, lOO 
Pratiiiia. S. beeld, B. areca, Vlü, 49, 50, XXI, 34. 

B. togog, Vm, 51. 
Fratiwamlha. vS. verbinding, belegering, tegenstand, B. dahat 

wanï! XV, 14, tegenstand bieden. 
Prati^'abda. S. weerkaatsing. 

1. Mapr at i(;ab d a , B. dahat in swara! zich weerkaatsen, 
II, 17. De Bal. vert. verkeerd. 
Pratista. S. pratisjliH (standplaats), B. gen ah, t, 26, naam 
van een ofl'er. 
B, n m ung uh , XXII l , 40, koker, doos, bewaarplaats , XXVI , 

31 (basis, ondergrond). 
B. malihgih, XXIV, 230. 
Pratyaksa. S. duidelijk , B. k a n te u a n , X XIV , 2. 

1. Bratyak.san, B. j)a medasana (worde voor oogen gehou- 
den) , III, 80. 
Pratyaweksa. S bezichtiging, beschouwing. 

1. A mraty a w ek.sa (onderzoeken), VI, 40, B. mamrada- 
t a y a n , Act. Dur. 
Praiyupakara. S. wederdienst, B. saprateka, XIII, 85. 
Pratyeka. S. ieder voor zich, afzonderlijk, bijzonder, B. upa- 

kara, XI, 28. 
Prathama. S. eerste, Mal. përtama, B. kawanon, VI, 150. 
B. tatinkahan, X, 62. 
B. pratinkah, XXIII, 61. 
B. tiiikah, XXIV, 75. 
B. tyaksa, XXIV, 107. 
Prade^a. S. plaats, streek, B. naga ra, II, 1, XIX, 61. 
B. pagënahan, III, 40. 
B. de^a, VI, 146, Vil, 108. 
Pradhana. S. hoofdpersoon, B. inandël (aanvoerder), XX, 7 
(Mal. përdana). 



358 PRAPAnCA PRAMaDA. 

Prapanca. S. menigvuldiglieid , uitvoerigheid, B. bjapara (be- 
sluiteloos), VIII, 154 (subst.), Xvil, 2, 103. 
Prapta. S. bereikt, gekomen, B. rawuh, VI, 134, 149, VII, 
44, 50. 

B. (jatën, VI, 203, VII, 2, XI, 30, XVIII, 51 , XXI, 195. 

B. datan, XXI, 170, XI, 4, 29, XXVI, 36 (kwam). 

2. Prapta, B. datëii (zou komen), VI, 26, XI, 8, Conj. 
na meh. 

B. man en en, XXIV, 7. 
Prabha. S. glans, licht, B. dipta, II, 10. 

B. teja, XXIV, 84. 

B. ga la n in, VIII, 59. 

2. A prabha, B. kawibhawa (glanzend), XXIV, 83. 
PrabhJiwa. S. macht , kracht , B. kawi^esan, I, 51. 

B. ka^aktin, II, 58, XIII, 84. 

B. ngalanin, VI, 57 (glans), VIII, 133. 

B. ka^aktian, II, 31 (kracht), V, 19. 

B. teja, VI, 145 (glans), V, 89, XXII, 53. 

B. 9akti, XVII, 51 (macht), XIX, 58. 

B. cihna, XXIV, 45, 72. XIX, 119, XXI, 158. 

2. Maprabhawa, B. mawi^esa (machtig), XXI, 151. 
Prabhu. S, vorst. Mal. përabu, Sund. prabu, B. natha, 
I, 40, III, 3. 

B. onvertaald, II, 23, V, 38. 

B. mrabhonin, III, 50. 

B. kabhüpatian, III, 55. 

B. bhilpati, III, 30, 44, 58, 74, 76, IV, 63, VII, 102, 

XIX, 94, XX, 65, XXI, 137, 165, V, 4, 23, 25, 37, 
XI, 22, 26, 36, XIII, 35, 36, 40, 41, 50, XIV, 64, 
65 , 67 , XV , 7 , enz. 

2. Maprabhu, B. manatha (jegens den vorst), VI, 131, 

XX, 63. 

B. magusti, XVIII, 24, XXIV, 169. 
Pramada. S. uitgelatenheid, onachtzaamheid, B. momo (onacht- 
zaam), YLl, 36, 41. 

B. ewer (uitgelaten), XIII, 44, 45 (onachtzaamheid). 

B. pracampah, XXI, 104 (achteloos), V, 34, VI , 62 , 127 , 
VIII, 69, XIV, 16. 

B. nampah (nalatig), XIII , 37. 

B. sahasa, XXIII, 79 (niet denkend aan), XI, 91. 



PRAVIUKA pralayakA-la. 359 

Praiimk.a. S. pramukha (voorste, eerste, hoofdj, B. pana- 
rëp, 111, 33, XIX, 40. 

B. n a r ë p i n , XIX , 65. 

2. Priimuka, H. arc|)aM, VI, 147. Iinp. 
PniiiilKiita. S. verlieiii,'(| , \\. dahat dharintna! XXI, 159. 
PrayA-. B. sin |)rilian fpogiiiu;), XlJl, 56. 

pra ya, B. kasadyayan, streven, XXI, 1H5. 
Prayatna. S. streven, moeite, B. nayatnain (omzichtig), II, 
32, VI, 142. 

B. nanarin, VIII, 119 (behoedzaam). 

B. yatna (bedachtzaam), XIII, 53, XIV, 68. 

B. dahat yatua, III, 82, XX, 13, XVIIl , 33. 

B. pariksa (voorzichtig), XXVI, 22. 

B. kapriksani, XXVI, 23. 

2. Prayatna, B. nanarin (voorzichtig te zijn), XIV, 15, 
Conj. na makona. 

B. tanarin, XXIV, 8. 
Prayuta. S. millioen , B. pin yuta, XÏX, 129. 
Prayojana. S. reden, bedoeling, B. sadya, II, 63. 

B. sadyayan, VI, 135, XVII, 66, III, 11, XXIII, 49, 
XXIV, 82 (doel). 

B. kasadyayan, VII, 93, XXII, 9. 

B. kahyun (aanleiding), XVII, 100, VII, 105, XXIV, 
171, 226. 
Prarudita. S. weenende, B. dahat sunsut, VI, 60. 
Prarthana. S. weusch , B. p u n a g i a h , XI , 32 , XXVI, 44 (gelofte). 

prarthana, B. punagi, XVII, 66. 

2. Prarthanakën , B. raananian (beloven), VIII, 177. 

3. Maprarthana, B. munagian, XXIV, 115. 
Pralambodara. S. naam van een aap, XIX, 41. 

Pralaya (pralaya). S. pralaya (ondergang), B. rusak, X,66, 
pralaya, XIV, 5, XXII, 40. 
B. mati, XIV, 39, XXI, 227 (snbst.). 
B. layan! XV, 28. De B. vert. foutief. 
B. san h ara, XXII, 46 (ondergang). 

2. Pralayakën, B. namejahin (verderven), X, 22. 
B. m a n ë 1 a s a n , X , 25. 

3. Pralaya, B. rusak (zal ten onder gaan), XIV, 2, Fut. 
Pralayak^la. S. tijd van den ondergang der wereld, B. sana- 

rakala, VIII, 215, XVII, 84, XV, 18. 



360 PRALAYaGNI PRA^RAYA. 

Pralayagni. S. het vuur bij den ondergang der wereld , B. 

sanharabahni, XV, 48. 
Pralayabayu. S. pralayawayu (de wind bij den ondergang der 

wereld), B. sanharabayu, VIII, 4. 
Pralayawaraha. S. everzwijn bij den ondergang der wereld , XI, 71. 
Pralëmba. S. pralamba (afhangend) , B. 1 a 1 u w ë s , IX , 43 , 

XXVI, 24 (subst.). 
Prawaga. S. plawaga (aap), B. wan ara, VIII, 182, XVII, 

83. Vgl. plawaga. 
Prawagadhiraja. S. pla wagadhiraj a (opperkoniug der apen). 

B, kapiraja, VII, 52. 
Prawagabala. S. plawagabala (apenleger), B. wanarawadwa, 
VII, 57, XXII, 58. 
B. wrc wadwa, VII, 63. 
Prawandha. S. prabandha (verbinding, band), B. ngawe 

santana, VIII, 89. 
Prawara. S. voortreffelijkste, B. prajurit, III, 77, XXI, 237. 
B. prawira, VI, 152, XVI, 7. 

B. wira, VII, 2, 113, XV, 56, 59, XVI, 6, XIX, 48. 
B. onvertaald, V, 45, VII, 40. 
B. parama, XV, 27, XXI, 241. 
B. lëwih, XXI, 157, 244, XV, 1, 7, 15. 
B. Qakti, XV, 52. 
Prawira. S. groote held, Mal. përwira, B. prajurit, I, 4, 
II, 69, VIII, 129, III, 46, XIII, 12, 29, XVII, 4, 
XVIII, 8. 
B. wani, XVIII, 3, IX, 76. 

B. wanen, VIII, 16, 35, XVIII , 26, 34, XI, 29, XVII, 
33, XIII, 81, XX, 7, 20, 26, 35, XXIII, 31, 48, XV, 
21, XIX, 11, 33, 34, 42, 57, 64, 131. 
B. wanenan, XXIV, 120. 
Prawlralalita. S. naam van een versmaat, B. prajuritan 

surud, XX. 75. 
Pra^*asta. S. pracasta, geroemd , geprezen , B. k a s u b (beroemd) , 
I, 22, III, 3, VII, 94, 102, IX, 60. 
B. adan, VII, 74. 

B. kastawajan, XX, 55, XII, 54, XIII, 20, 29, XIX, 
10, 68, XXI, 143, XXIV, 44, 202. 
Pra^raya. S. eerbied, bescheidenheid, B. tiwas (ongelukkige), 
III, 61. 



PRASaDA PRIGIGIH. 361 

Prasada. S. prasada (toren), B. Meru! VIIl, 43, 44, 46, 
47, 48, 49, 52, 177, XVII, 116, XXI, 40, XXVI, 44. 
Prasaiiia. H. samian, allen, XXLV, 107. 
Prasiddha. S. gelukt, volmaakt, B. da d i , XXI, 143 (volmaakt) , 
XIV, 65. 
B. iiëgëran, XXV, 92. 
Prasupta. S. ingeslapen , slapende , B. p u 1 ë s , VIII , 75. 
Prastawa. S. loflied, gelegenheid , vermelding , B. kak as u ban, 
(geprezen), VI, 103. 
B. kan ten an, VI, 169 (aanleiding), 170, VII, 73. 
B. kakasuban (geprezen), VL, 145, XV, 37. 
B. kasub, XI, 91 (aanleiding), XX, 8. 
B. kastawa, VIII, 87 (aanleiding). Vgl. Mal. përistiwa. 
Praharana. S. wapen, B. panilanau jiwita, XIX, 3. 

B. nrusakan! XXIII, 45. 
Praharauakalika. S. prah araiiakalita, naam van een vers- 
maat , B. p a n i 1 a n a n p ra ii a , XIX , 4. Vgl. Colebr. Misc. 
Ess. II, 161. 
Praliarsa. S. groote vreugde, B. tusta, XI, 21. 

B. dahat tusta, XXI, 182 (verheugd), XXII, 84. 
Praharsini, S. (verheugend), naam van een metrum: 

I uvioo — u — u — o, B. manodyani, XXI , 1 90. 

Vgl. Wrttasaiicaya, 67. 
Prahasana. S. gelach, gespot, B. pan rum rum, VI, 42. 
B. pa da asih, XVII, j03. 
B. paüariharih, XVII, 113. 
Prahasta. S. naam van een raksasa (Rawana's minister), 
XII, 54, XIX, 8, 33, XXI, 199, 200, 201, 204, 207, 
210, 211, 212, 218, 222,224,226,227,228, 230, 231, 
232, 235, 237, 239, 241, 243, 244, 245, 247 , XXIV , 34. 
Prahlada. S. naam van een daitya, XXI, 145. 
Prëkësët ? 1. Mamrëkësët,B. maürëgëm (bespringen) , XIX , 

75, Act. Dur. Ind. 
Prëgya. B. gagaten (dringend), VIlI , 15. 
Prëüjak. B. onvertaald, naam van een vlug vogeltje, XXV, 

67, XXIV, 111, verdubbeld. 
Prikitik. 1. Mrikitik, B. nri tik (knetteren), XX, 16 , van ver- 
brandende haren. 
Prigigih? 1. Mararigigih, B. m agëroh? XXI, 187 , van het 
hart gezegd. 



362 PRItlGA PRIH. 

2. Mrigigih, B. mangregeh (hinneken) , VIll , 30. 
Pringa. B. kewëh (gevaar), XIX, 26. 
Prit. B. onvertaald, rijstvogeltje (tringilla strick Hors f.), 

XXIV, 109, 110, XXV, 67, 69,\xVI, 25. 
Prlti. S. vreugde, bevrediging, vriendschap, B. mitra, 111,78. 

2. Mapritya, B. suraitra (te bevredigen), VI, 146, Conj. 

B. raasihan, XXIV, 110. 
Priya. S. geliefde, vrouw, B. onvertaald, IV, 4, VI, 94 , V, 75. 

B. sënëfi, VII, 16, 31. 

B. patui, VII, 33, VIII, 67, XXI, 78. 

B. rabi, VIII, 179, XIII, 9, VI, 143. 

B. somah, VI, 88, IX, 57, VII, 96, 105. 
Priya. S. vriend, geliefde, man, B. kakun, VIII, 144, 166, 
XII, 34. 

B. swami, VIII, 103, XVII, 109. 
Priyarana. S. strijdlustig, B. uadjayan papraii, XX, 22. 

B. onvertaald, XXI, 143 (die zich verlustigt in strijd). 
Priyawiyoga. S. scheiding van den geliefde, B. as ih papasah, 
XVII, 106 (van de geliefde gescheiden;, VIII, 103, 104, 167. 

B. kakun katingal, VII, 5. 

B. kakuü papasah, VII, 18. 

B. wwane papasah, VIII, 159. 

B. hapyan, VI, 118. 
Priyawiraha. S. hetzelfde, B. asih papasah (van de geliefde 
gescheiden), VI, 119, VIII, 174, 176. 

B. asih katingal, VI, 123. 

B. s ë n ë n katingal, VI , 1 25 

B. asih katifigalan, XI, 76. 

B. sënën papasah, XVI, 25, 29. 

B. papasah (scheiding van de geliefde), XVI, 26. 
Priyawirahatura. S. bedroefd over de scheiding van de geliefde, 

B. asih patingalan, XI, 86. 
Priyasamagama. S. samenkomst met den geliefde, B. asih 

uuiigalan sraara, VI, 119. 
Priyahita. S. aangenaam en nuttig, B. rahayu, I, 6. 
Priye. S. vocat. van priya (geliefde), XXI, 86, B. dewa. 
Priyottania. S. voortreffelijke geliefde, B. ida san lëwih! 

VIII, 165. 
Prih. B. sadyayan (tracht), IlI, 81. Imper. 

pri, B. dayaaü, X, 70, IX, 86 (prih). 



PRIHAWAK PLAWAGA. 363 

B. niddhayan, IV, 24, XXIV, 110. 

2. Prihën, B. upayaan (worde onderzocht), IV, 65, Juss. 
Pass. 

B. gawenaii (worde gestreefd). XIII, 13. 
B. alih, XIII, 88. 

3. Amriha, B. raapi u d rib (tracht) , V, 12 (Act. Dur. Conj.), 
VII, 42, 43, Juss. Act. 

B. nadyajan, XXIII, 40, 83, XXI, 192. 

4. Mamrih, B. nul aha n (tracht), V, 32. 
B. nruruh, VIII, 193, VI, 185. 

B. raatahën, VI, 190 (trachtte), XIX, 107. 

B. misadya, XX, 13, 68. 

B. raabuddhi, XII, 15, 43. 

B. ulahan, VI, 25, zich inspannende. 

B. malali! VI, 39. De B. vert. foutief. 

B. ngawenan, XXI, 114. 

B. man alih, VIII, 63. Act. Dur. Ind. 

5. Amrih, B. sadyayan (Imp. Act.), VII, 99, XXI, 196 
(trachtte). 

B. nulahan, VI, 171, VII, 101. 
B. nalih, XI, 84 (Act. Dur. Ind.). 

6. Pinrih, B. buru, VI, 187, Pass. Dur. 

B. kaprihafi, X, 33 (wordt gestreefd naar), XIX, 81. 
B. sadyayan, XIII, 82, XXI, 184. 

7. Pamrih, B. ga we (moeite), VII, 105. 

8. Mri, B. ngawe (veroorzaken), VIII, 109. 
mrih, B. nadyayan, XI, 2, IX, 56 (trachten). 

9. Mam rib a, B. nadyayan, XIX, 87 (Act. Dur. Conj.), 
zich in te spannen. 

10. Amrih mr iba, B. gaweuan daya (doe moeite), VII, 52 , 
Act Dur. Imper. 
B. üesayan (ijverig zoeken), X, 39. Conj. 
Prihawali. B. nulahan a wak! alleen, IX, 18. 
Priikutiit. Mal. përkutut, Sund. purukutut, B. ti tiran, 

tortelduif (turtur Malaccensis), XXIV, 110. 
Pretadi. S. spoken , enz. , B. onvertaald , 1 , 25. 
Protsahana. S. aansporing, B. gilikan (aansporen), XIX, 87. 
Plawaga. S. aap, B. wre, VII, 37. 

B. wanara, XVIII, 45, XIX, 126. Vgl. prawaga en pla- 
wanga. 



364 PLAWAGABALA — PHALA. 

Plawagabala. S. apenleger, B. waua rapanj ak, XXI, 115, 

V<j:1. prawagabala. 
Plawagaraja. S. apeu vorst, B. wanaraiiatha, XKI, 223. 
Plawailga. S. aap, B. wan ara, XLX, 50. Vgl. prawaga en 

p la waga. 
Plëkah. 1. Umël ëk ah, B. man rit is (druppelde), XVI, 26 , Aor. 

Act. Ind. (barstte uit?) 
Pwa. B. onvertaald, uu (Lat. autem), 11, 44. 

B. puuika (uu), II, 6, 7 (even, ua kadi), 16, 58, 67, 
III, 9, 22, 33. 

B. i k a , III , 1 9 (nu , Lat. a u t e m) , 25 (even , ua k a d i) . 36 , 37. 

B. keto (echter), II, 9, XVII, 44. 

B. prade, XVIII, 27, 45, XXI, 26. 

B. iya (echter), XXII, 67, XXIII, 45. 

B. sapunika (toch), III, 6, XIV, 51. 

B. to (uu), X, 29, 33 (echter), XI, 19. 

B. i k a n (echter) , III, 20, XI, 40, 92, XXI, 39 (toch), 205 (nu). 

B. hana (en toch), V, 61, VII, 30. 

B. kantënau (toch), X, 20, XI, 48. 

B. dane (nu), XXIII, 29. 

B. ya, VIII, 213, XXI, 19 (even, na saks^t), XXITl , 
45, XXIV, 233, XXVI, 25, XVJ , 20, XVII, 24. 73. 

B. pradene (echter), XXI, 45. 

B. tëmahan, XXII, 21. 

B. bin, XXIV, 145, euz. Vgl. pwan en Mal. pon. 
Pwanknlun. B. titjan (ik), I, 56, 

B. onvertaald, XV, 42, 
Pwan. het Mal. pon (ook, toch, Lat autem), XIX, 52, 53. 
Pwe (pway). 1. Mapwe, B. raasare (slapen), XXIV, 233? 

Mapway, B. nlenan (veranderen), XXVI, 25? 

2. Mapway-pway, B. man leglog (op zij hangeu) , XIX, 22. 



Ph. 

Phala. S. vrucht, vergelding, B. woh, II, 28 (vrucht), XVI, 
14, 47, VI, 193, XXIV, 34, 1, 24, XVIII, 52, XVII, 19. 
B. pakolih, VI, 159, fig. 



phalamAla — Ban. 365 

B. Ifvbha, XTIT, 50, SO, XXIV, '230. 

B. ma])akolih, V, 11, vrnclit. 

U. raka, VI, 104, vrucht. 

B. malabha, XIII, 54, fig, 

B. pakolihan, III, 28, fig. 

B. wowohan, VII, 66 (vrucht). 

B. wwawwahan, XXIV, 98. 

B. polih, XIV, 30, fig. 

2. Makaphala, B. makapakolih aii (tot vrucht hebben), 

I, 22. 

3. Aphala, B. raaphala (vruchten dragen), XIII, 55. 

4. Maphala, B. mapakolih (zal vruchten dragen), XIV, 28. 

5. Phala, B. panahur (vergelding), XVIII, 29, Fut. 

B. pakolih (zou het voordeel zijn), XXII, 42, XXVI, 49 
(moge de belooning zijn). 

6. Phalaphala (zal de vrucht zijn), B. lëwih twasin! 
XVII, 68. 

Fhalaiiiüla. S. vruchten en wortels, B. babunkilan, I, 29, 

II, 20, IV, 16, 66. 

Phalahara. S. zich van vruchten voedende, B. raka kajënau, 
VI, 99. 



B. 

Baka. S. reiger, B. bano, XXIII, 22, XXIV, 117, XXV, 21. 
Bakasëm. B. bukasëm (gezouten visch), XXVI, 25. B. ge- 
zouten ei. 
Baklkul. 1. Bakikulën, B. tnabulënan? XXIII, 54, van de 

voeten gezegd: scharrelen? Vgl. Jav. ka kal. 
Bakufi. B. tarawar.sa, naam van een plant (crinum asia- 

ticum), XIX, 122, XXV, 87. 
Bakula. S. naam van een plant, B. taüjui'i (rniinusops 
eleugi), XVII, 104, 122. 
B. babunkilan, XVI , 45. 
Ban. B. barak (rood), XVI, 37. 

2. Aban, B. rakta (rood), X, 69, XXIII, 73, II, 2, 4, 
VllI, 58, XII, 42. 



366 BAnUN BAJRA. 

B. onvertaald, XXII, 48, V, 40. 

B. barak, IE, 18, VJ , 45. XIX, 69, XXII, 51, IV, 31. 

B. ëndih! VUL, 85 De B. vert. onjuist. 

3. MabÉtn, B. barak (rood), II, 10, V, 70, VI, 163, 
VIII, 215, IX, 41, XIV, 38, XX, 16, 30, 50. 

B. ëiidih! IX, 43. De B. vert. onjuist. 

B. rakta, XIX, 130, IV, 73. XXIII, 36, XXI, 16, 

XI, 65. 
B. bahak, XIV, 49, XVIII, 44. 
B. dumilah! V, 66. De B. vert. onjuist. 

4. Kabanan, B. barak (rood geworden), VI, 54. 

B. bahak, IX. 9, X, 26, XVII, 54, XVIII, 24, V, 36. 

Baimn. Sund. Mal. hetz. , Mak. banuii, Bug. wanuü, Tag. 

b a il o u , B. onvertaald , stonden op , XXIV . 93 , Abs. 

2. Mabaiiun, B. bafiun (opstaan), XVII, 24. 
B. matani. XXIV, 10. 

3. A b a li u n , B. t a h i n i n (verhief zich) , XXII , 54. 

4 Amanuu, B. hjëlëgaii (richtte op), XXIII, 51, Act. 

Dur. Ind. 
B. magawe, XXV, 76. 

5. Ma manu n, B. gawenati, XXIV, .03, Act. Dur. Ind. 
Baniis. B. buïiut (halster), XXI, 232, Jav. brai'ius. 

Bano. B. baka, reiger (Ciconia Jav.), XXV, 62 , Sund. hetz. 

Mal. Daj. ban au. 
Baiikak. B. këras (hardvochtig), XII, 52. 
B. sëlëm, XXIV, 110. 

2. Ban kak -ban kak, B. kabobadan? XXIV, 117. 
Baiilus. B sarindit? XI, 67, dartel? 

B. sahasa, XV, 21, van visschen. 
Baiisi. B. gagamëlan (fluit), VIII, 152. 

2. Mabansi, B. magaraël (fluiten), III, 39, XVI, 10, 

VIII, 28. 
B. magagamël, XVII, 111. 
Bajra. S. wajra, donderbeitel, bliksemflits, B. onvertaald, V, 
2, 18, VIII, 50, XIV, 13. 
B. kras! XIV, 36. De B. vert. verkeerd. 
B. dahat! X, 26. De B. vert. foutief. 
B. ma kas! XI, 65, diamant. 

2. Binajra, B. kabajra (door den bliksem getroffen), VII, 
73, XIV, 8, XV, 60, Pass. Dur. 



nAJRAKriYA BANANTeN. 367 

Bajrakaya. S. Wajrakuya (naam van een tnoverformulier) , 

VIII, 80, eisf. (lianianttMi licliaain. 
Bajrapanjara. S. Waj ra ])aii j ara (naam van een slatfonle) , 

XIX, ()7 , eig. diamanten kooi. 
Bajramiisti. S. W a j r a ra u st i (naani van een r u k s a s a) , XTX , 

9, XX, 29. 
Bajrasadr^-a. S, wajrasadr^a (als een donderbeitel of diamant) , 

B. hajra U])a. ma, XV, 57. 
Bajropaina. S. wajro])ania, als een donderbeitel o(" diamant, 
B. bajrasaksat, XIX, 77. 
B. bajra upama, VI, 19. 
B. bajra Iwirnya, IX, 82, XI, 2, XX, 29. 
Baficaiia. S. wancana (bedrog, teleurstelling) , Mal. bëneana, 
B. kacorahan, III , 84. 
B. namusuhin, II, 89, ramp. 
B. onvertaald, XVIII, 8, misleiding. 
B. panankalau, VII, 78, VIII, 18(3. 
B. pambeda, V, 53, bedrog. 
B. manankala, VIII, 181, bedriegelijk. 

2. Binaücaua, B. kasankala (bedrogen worden), VIII, 
187, Pass. Dur. 

3. M a m a ü c a n a , B. ra a ra b e d a (bedriegen) , II , 89 , Act. Dur. 

4. Araancana, B. mande pambeda, V, 45, Act. Dur. 
B. mambeda, VIII, 180. 

B. nankala, XII, 52. 

5. Umaücaua, B. mambeda, VII, 70, XI, 41 (Aor. Act.). 

6. Kabancana, B kasankalan, XXI, 8 (Aor. Pass.). 
Badawügni. S. Watlawugni (hellevuur), B. cm]) as api, 

' XIX , 99. 
Bana. S. pijl, B. sanjata, XXIV, 5. 
Baiiijakarinina. S. w a u i j a k a r m m a (koophandel). 

1 . B a n i j a k a r m ra a , B. b a n y a g a k r a m a n e (laat handel 
drijven) , XIX , 96. 
Bandun. B. matandin (wedijveren), XXVI, 23, of: tegelijk? 
Batëk. l.Sabatëk, B. sakaucan (gezamenlijk), VI, 165, VIII, 35. 
Baddha. S. gebonden, geketend, gevangen. 

1. Kabaddha (gebonden), B. nrsnanin! XXIV, 179, 
Aor. Pass. 
Banantèn. 1. Bana n te na, B. saksat m ani k (als een juweel) , 
XIV, 55. 



368 BANASPATI B^MANA. 

Banaspati. S. wanaspati (boom), B. onvertaald, XVII, 32, 

87, XXVI, 41. 
B. tona, XXII, 69. 
Banin. Mal. hetz. , B. pënu (schildpad), XXVI, 25. 
Bantin. Mal, Sund. hetz. , 1 . M a n t ï ii a k ë n , B. ra a n t i g an (neer- 

sraakken), XXII, 50, 72. 
Bandlia. S. het binden, band, samenvoeging, enz. 

1. Binandha, B. tinalinan (gebonden worden) , XVIII , 7 , 
XXI, 50 (Pass. Dur.). 

B. kahëjuk, XX, 34. 
B. katalinan, XXI, 34. 

2. Kabandha, B. matali, XX, 70. Aor. Pass. 
Bandhana. S. band. keten, B. tali, XVIII, 10, XXI, 44. 
Bap. B. katah (veel), V, 2, 10, 24, IX, 52, XV, 25, XX, 

21, XI, 25. 
B. opëk, VIII, 152, geheel. 
B. ënëd, XXIV, 98, veel. 
B. akrah (veel), XXIV, 141, (geheel), XVII, 107, 118, 

XVIII, 38, XXII, 56 (alle), XXIII, 80, XXV , 7 , 64, 75. 
B. sakatah, XXIV, 144, zeer. 
Bapa. Sund. Mak. Bug. hetz., Mad. bupah, Bar. papa, B. 

nanan (vader), VII, 74, VI, 176. 
B. guru, VIII, 176, V, 48, XVII, 76. 
B. onvertaald , III , 11, 12, V , 80. 
B. pita, III, 48, VI, 17, 68, XVII, 78, 79, 80, 83, 

XXI, 25, 55, XXIII, 21, 27, 39. 

2. Pinakabapa, B. makadirama (tot vader hebben), I, 2, 

3. Mabapa, B. raaguru (jegens zijn vader), V, 81. 
Babak. Sund. hetz. (ontveld), Mal. hetz. (stuk), B. si bak (afbre- 
ken), XV, 60. 

2. Binabak, B. bonk es (afgebroken worden), XIX, 43, 
Pass. Dur. 

3. Babak-babak,B. këset-kësetan (gekneusd), XXII, 71. 
Babad. Sund. hetz. (wegsnijden), Mal. hetz. (vellen), 1. Binabad, 

B. abas (oragehouwen worden), XX, 42, Pass. Dur. 
Babah. 1. Babahan, B. margga! poort, IX, 13. De B. vert. 

foutief. 
B. hawanan! XX, 20. 
Bamana. S. wainaua (dwerg), B. bhagawan! XXI, 132. De 

B. vert. verkeerd. 



BaMI BAR.ABAS. 369 

Bami. S. wam in (uitspuweud). 1. Mabumi, li. ma ga ga wan 

(uitspuwen), XXIV, 252. 
Bayau. Mal. Mak. hetz. (schaduw), Bug. bajan, Mad. bajëh, 
1 . M a b a y a n a n , 13. man 1 a 1 a n a (zwerven) ! lil ,21, weifelen. 
B. prapaiica (wankelraoedig) , Y, 77. 
B. maincanan (heen en weer fladderen), VI, 24. 
2. Abayanan, B. pasarawe, XV, (37. 
B. m a i n ë n a n (weifelen) , XVI , 40. 
Bayaii. Mal. hetz. (klein soort parkiet) , B. onvertaald , papegaai , 
XI, 2, XXIV, 101, XVI, 51. 
B. sjun, XXV, 64. 
Bayawya. S. Wayawya (van den wind), B. bayubajra, II, 

43 , naam van een pijl. 
Bayu. S. wayu (wind), Sund. hetz. (krachten). Mal. hetz., B. 
aniu, II, 43, XV, 38. 
B. p a w a n a , XI , 7 , VIII , 9. 
Bayutanaya. S. Wayutanaya (Wayu's zoon), B. Bayusuta, 
VIII, 9. 
B. Hanumau, XVII, 83. 
Bayuputra. S. Wayuputra, hetzelfde, B. Bayusuta, VIII, 
14, IX, 61, 74, 81, XI, 10. 
B. H a n u m a n , XI , 1 , 6 , IX , 45. 
B. M^ruti, XI, 5, IX, 83. 
B. Pawanasuta, VIII, 80. 
Bayubajra. S. wayuwajra (wind en bliksem) , B. anin këras, 
XI, 1, VI, 133. 
B. anin tarik, XI, 6, V, 2, XI, 40, XIV, 36. 
Bayubajrasadr^a. S. wayuwajrasadr^a (als wind en bliksem), 

B. pawana tarik mëtu! XIX, 70. De B. vert. onjuist. 
Bayubrata. S. wayuwrata (de gelofte van den wind), B. pa- 

wanabrata, XXIV, 57. 
Bayubhalvsa. S. wayubhaksa (zich van de lucht voedende), 

B. bayuhara, XXV, 30 (naam van een gelofte). 
Bayumitra. S. Way umitra (Wuyu's vriend), VIII, 9. 
Bayusuta. S. Wayusuta (Wayu's zoon), B. Maruti, IX, 

89 (van Hanuman gezegd). 
Baywatniaja. S. Waywatmaja, hetzelfde, B. Hanuman, 
VIII, 20, 85, X, 10. 
B. Maruti, IX, 87. 
Barabas. l.Kabarabas,B. pasalehet (vloeiden),VII,8, XX,67. 

24 



370 BARASAT BaLAKA. 

B. patarebes (stroomden), VIII, 96. 

2. Makabarabas, B. pasalehet, XXI, 127, vgl. 
ra bas. 
Barasat. 1. Kabarasat, B. pabalësat (wegvliegen), XI , 7 , 

XXII, 47, XV, 22 (Sund. ambarasat). 
Barëbèl. 1. Makabarëbël, B. pacalëbug (neerploffen), 

XVI, 46. 
Bari. 1. Sabariuya, B. katëmbean (later), VIII, 137. 

2. Babarjyau, B. katarunin (getroffen worden), IX, 57 
(alle tegelijk). 

3. Bari -bari (ieder), B. mabalik-balik, XVII, 55. 
B. busan-busan, XXI, 212 (alle tegelijk). 

Baribiii. Sund. hetz. (gehinderd), B. ibuk (bedroefd), III, 22, 
VI, 128, VII, 12, VIII, 108, 154, XXII, 42. 
B. bahas mëlid, XXII, 78, XXIII, 15. 
Baruna. S. War una (naam van den Zeegod), XV, 33, 36, 

45, XVII, 22, XXI, 137, XXII, 66, XXIV, 52, 59. 
Barunastra. S. Wa run ast ra (Waruna's pijl), XXIII, 61, 

XXIV, 18 (naam van een pijl). 
Bar ubuh. l.Makabarubuh,B. salin tëpenin (overal vallen) , 
IV, 76. 
B. pagarubug, IX, 45 (stortten neder). 
2. Kabarubuh, B. ketëpenan (omgevallen), XV, 64. 
B. nepen katëpen, XIX, 128. 
B. katetëhan, XXI, 232 (omvervallen). 
B. katëtëh, XXII, 47. 
B. pagalëgug, XXIV, 27. 
Barkakan. B. mangis, XVI, 45 (naam van een vrucht). 
Bartiti. B. wadwa (onderdanen), XXVI, 21. 
Barpulun. B. sari (bloem), XXVI, 25 (zich vereenigeu ?) 
Barwan. Mak. Sund. Mal. Bug. baruwan, B. baron (beer), 

XII, 61, XXIV, 124. 
Barwun. B. rawasëmug? XVII, 114. 

Bala. Mal. hetz., S. sterkte, leger, B. wadwa (leger), II, 77, 
IV, 69, 75, 76, VII, 56, 60, 85, IX, 85, UI, 3, 15, 
16, 31, 33, 40, 41, 44, 54, VIII, 126, 198, XI, 96. 
B. onvertaald, VI, 131, 151, VII, 48, 92, 95, 112, IX, 9, 

X, 3, XI, 61, XIX, 11. 
2. Mabala, B. manwige.sa (sterk), XXIV, 252. 
Balaka. S. jong, kind, B. walaka, I, 57. 



BALA-il BULIPUTllA. 37 1 

Balaii. 1. Mabalanan, B. madadagëlën (elkaar werpen), 

XXm, 55. 
Balatkara. S. gewelddadigheid, B, parikosa (adj.), XIX, 37. 
Baliulliika. S. legeraanvoerder, B, wadwa lëwih, XIII , 12. 

B. wadwa wigesa, XIX, 64, 69. 
Balanak. B. jarëtjët (naam van een eetbare zoutwatervisch) , 

XV, 25 (xMal. bëlauak, Suud. hetz.). 
Balapradliana. S. legeraanvoerder. B. wadwa k ad hanen, 

XIX, 9. 
Balawan. S. sterk, machtig, B. wi9esa, XVII, 95. 
B. kulawan^a! XVIII, 34. De B. vert. foutief. 
B. lëwih, XVIII, 45, XX, 20. 
Balasah. 1. Makabalasah,B. pasalambëh (wegvliegen) , VII , 
56, IX, 21, 25. 
B. pabalësai, IV, 74, XX, 47, zich verspreiden, 
2. Kabalasah, B. pasalambëh, VII, 39, XX, 17. 
Balëni. 1. Abalëm, B. alus (fijn, mooi, deftig), IX, 57. 
B. pantës (gepast), XXIV, 110. 
2. M abalëm, B. makel o (langzaam), XXIII, 73. 
Balës. B. hawanan [weg, middel), XX, 64. 
Bali. S. Walin (naam van Sugriwa's broeder), VI, 88, 145, 
146, 149, 152, 153, 156, 159, 160, 161,166,169,170, 
171, 172, 185, 190, VII, 36, X, 23, 40, 41, XIII, 
70 , enz. 
Bali. I. S. bal in (krachtig, sterk), B. wigesa, V, 25 , XXII , 
18, XXIII, 45, VIII, 166. 
B. lëwih, XIV, 52, XXIV, 252. 

II. B. mabalik (wederom), XXII, 53, XIX, 90 (weder). 
2. Kabali, teruggedreven worden, XXI, 221. Aor. Pass, 
Balik. B. mapëlit (verkeerd), XIII, 31. 
B. manwi^esa, wederom, XXIII, 65. 
2. Kabalik, B. kawi^esa (werd teruggedreven), XXI, 221. 

Aor. Pass. Ind. 
B. kasoran, XXIII, 46. 
Balitanaya. S. Walitanaja (zoon van Waiin), B. Bali 
üantanayan, XVIII, 45. 
B. Arigada, XVIII, 49. 
Baliputra. S. Waliputra, hetzelfde, B. Bali nawëkayan, 
XVIII, 39. 
B. Balisuta, XXIII, 46. 



372 BALlRaJA — BaHÜ. 

Ealiraja. S. naam vaii een daitya, B. Balinatha, II, 47. 
Balisah. B. mulisah (onrustig), VIII, 166. 

B. balansah, XI, 89, XVII , 2, XV, 19. 
Baluii. l.Ahalun, B. inangawanin, XXIV, 252? 
Ba^'a. S. wa^a (wil, weiisch , hevel , heerschappij), B. nodagaii, 
VII, 103, heerschappij. 

B. nawi^esa, XII, 10, heerschen. 

B. kalah! XIII, 53, beheerschen. 

B. nwi^esa, XV, 37, adjectief. 

B. k a w i 9 e s a , XVII , 55 , adj ectief . 

2. Ba^a, B. wi^esa (zult heerschen), VIII, 126. 
B. manwi^esa (zult heerschen), XVII, 30, V, 57. 
B. kawigesa, XXIII, 85. 

3. B a 9 a - b a 5 a , B. li a ra a t i m a t i , XXIII , 25 , zeer 
machtig. 

B. 9akti-(?akti (zeer krachtig), XTX , 128. 
Basauta. S. Wasanta (Leute), B. kadaca, II, 55. 
Basaiitatilaka. S. Wasan tat i lak a (ti la ka -bloem in de lente), 
naam van een versmaat (vgl. Kern , W rttas. , 76) , B. r i n 
kada?a et is! XVI, 23. De B. vert. foutief. 
B. wi^esan idewa! XXI, 152. 
Basii. S. Wasu (naam van een klasse van goden), B. asta 

Basu, XXI, 146. 
Basuki. S. Was uk i (naam van een slangen vorst) , VIII, 57, 

XXI, 138, XV, 31. 
Basundhara. S. Wasuindharu (Aarde), B. Prthiwi, XVII, 

. 43, 93. 
Bahan. Mal. hetz. (gloed), B. tuudun, XII, 53, warm? 

B. manasin, XXIV, 39. 
Bahi. B. pahi (rog), XV, 26. 
Baliiri. S. bheri (pauk), B. bhairi, VIII, 100. 
Baliii. S. arm. Mal. hetz. (schouder), Mad. hetz. (bovenarm), 
B. tanan (arm), I, 62. 
B. lenen, II, 14, VI, 21. 

B. bhüja, IV, 43, 67, VI, 24, VIII, 75, XXI, 182. 
B. pala, XXII, 48, IX, 50. 

B. onvertaald, VI, 51, 75, 77, 163, IX, 48, 83, XII, 44, 
XVII, 33, XIX, 43, 105, XX, 61, XXI, 177 , 194, 197 , 
219, XXVI, 25. 
2. Mabahu, B. ma pala (armen hebben), XXIV, 246. 



BAHUMANTRA^ — -BeBeD. 373 

Bah 11 111 il II tra. S, vele tooverformulieren hebbende, B. kakënan 

p a u o 1 i h , XXI , 230. 
Bahulya. S. rijkelijkheid, veelheid, menigte, B. kalinke, 

XXI, 24. 
Baliuwidha. S. veelvuldig, menigvuldig, B. katah (allerlei), 

XI. 64. 
Bahiii. S. wahni (vuur), H. agui, VI, 48,1, 10, XXIV, 1U4. 
B. api, IX, 36, XXL, 226, XV, 45, XVII, 67, XX, 17, 
VI, 55, 62. 
Bahiiidliaraiia. S. \v a h n i d li a ra i\ a . hraudslapcl , B. a |) i ui a p a- 

geh, IV, 13. 
Bahuibrata. S. wahniwrata (vuurgelol'te), H. api b rata, 

XXIV, 60. 
Baliiiiniaya. S. wahiiimaya (uit vuur bestaande), 1^. api 
SU tej a, 1 , 26. 
B, m a r ü pa api, V , 5 1 . 
Bëliail. Mal. hetz. (gapend), H. iicbak (gapen), XXI, 34. 
Bëtali. Mal. hetz. (sterk zijn), Men. b atah , 15. k w at (kraelilig) , 
VI, 166, XII, 4, kunnen uithouden. 
B. kowat (stand houden), XXIII, 60, XXIV, 233, VIII, 

33, XXV, 114. 
B. bantat, XXI, 17, taaiheid. 
B. akwat (standhoudend), XXIII, 11, XXV, 115. 
Bëiièiii. Mal. benam (ouder de oppervlakte van iets steken). 
Men. b a n a m , 1 . B ë n ë m - b ë n ë m a u , B. ui a t a ui b u s - 
t a m b u s i n (het in gloeiende asch gaar gemaakte) , XX V t , 25. 
Bëuër. Sund. hetz., Mal. bënar (waar), Mad. bëndër, Men. 
ban ar (ba na), Tag. banal, M. jiatut (recht), fll , 74. 

2. Mabcnër, B. bënën, XVI, 3, recht. 
B. tuhu (zeker), XX Lil, 70. 

3. Pa uien ër, H. matujuhan (rechtvaardiging), XIX, 91. 

4. Abënër, B. tuhu, XXI, 237. 
Bëntar. B. buyar (gescheurd), XV, 64. 

B. bel ah (gespleten), XXI, 245, XXI L, 60. 
Bëntis. B. hendol, LX, 10, verscheurd? 

Bëbëd. Mal. bëbat (windsel), Day. ba bat, I. B. bëdbëd 
(band), X, 71. 
2. Kabëbëd, B. ma bëdbëd (gebonden worden), XX, 61, 

Aor. Pass. Ind. 
II. B. kakya (haai), XVII, 15. 



374 BCRAS BISA. 

Bëras. Mal. hetz. , Mad. bërös, Mak. berasaq, Sund.beyas, 
Men, baras (barèh), Day. behas, Atj. bëres, B. 
bah as (ontbolsterde rijst), XXV, 111. 
Bërëm. Mal. bëram, B. onvertaald, soort van sterken drank, 

uit rijst getrokken , VIII , 65. 
Bëlah. Mal. Day. Atj. hetz. Mak. bela, Sund. bölah, Men. 
balah, B. sibak (splijten), XV, 60. 
B. sigar, XV, 64. 
B. ënkag (barsten), XXIV, 88. 

2. Binëlah, B. sibak (gespleten worden), XIV, 14, Pass. 
Dur. Ind. 

3. Bëlaha, B. Dënkagan (zou barsten) , XIX , 54 (na kadi). 
Bcsi. B. onvertaald , naam van een vogel) , XXIV , 116, soort 

van reiger. 
B. kandikandik (soort van reiger), XXV, 59. 
Bëhali. B. mabwak, XXI, 197, gewond? 
Böbël. 1. Kaböbël, B. raabolbol, IX, 52 , werden geschud? 

(Aor. Pass. Ind.). 
Böh. 1. Aböh, B. benul (gezwollen), XXI, 16. Jav. abuh. 
Bi. Mal. bini. Sang. bawine, Mak. Bug. bain e, Tag. Bis. 
babaye, Bareë wea enz. Vgl. Kern, Fidjit. p. 208. 
B. istri (vrouw), XXV, 34, 56, VI, 117. 
Bikal. Abikal, B. mabulihan? IX, 35. 
Biiicaluka. 1. Mabiiical uka, B. nulincak? XXIV, 28, van 

een kind gezegd. 
Biddliauaga. S. witanaga = nagawita (huwelijksstichter)? B. 
raasansanan (hangen), XX, 79, hemel. 
B. dindin sansanan, XXIV, 66. 

B. maluluhur masansaüan, XXVI, 29, hemel van een 
bal e. 
Binturuu. B. k u 1 ë s i h (miereneter) , XXIV , 1 23 , soort van vogel. 
BiMt. Sund. mibit (fokken). 1. Amibiti, B. naraulanin 

(beginnen), XXV, 106, legden aan (Act. Dur.). 
Bisa. S. wisa (vergif), B. onvertaald, VI, 48. 

B. Qakti (kracht), V, 50, IX, 86, XIII, 20, XIV, 73. 
B. galak! XIII, 17, XIV, 68 (vergiftig), V, 2, IX, 32. 

2. Mi.sani, B. manwisani (vergiftig), VI, 48. 

3. tan bisa, B. dahat tuma (zwak), XXV, 59. 

4. Amisa, B. mawisa, III, 80, XXIV, 76. 

5. Mamisa, B. kaindriyan! XXIV, 252. 



BISAMA BUDDHI. 375 

Eisaiiia. S. wisama (moeielijk, uood, ellende), B. kewëhan 
(moeielijk), VI, 42, XI, 29. 

B. iiewëhin, I, 53 (moeielijkheid) , IV, 56, V, 5, 

B. magalak, III, 34, moeielijk. 

B. karësrës (geducht), VII, 57, XV, 41. 

B. pakewëh, XXI, 67 (moeielijk), V, 7. 

B. wigesa, I, 54, moeielijk te overwiiineu. 

B. agun, V, 5, moeielijkheid. 

B. galak, V, 71, gevaarlijk. 

B. kewëh, VIll, 101 (moeielijk), XXIl, 65. 

B. katatakut (geducht), XIV, 36, 43. 

B. kabhiuawa, XVIII, 41, moeielijk. 

B. dahat, XXIV, 25. 
Bisa. Sund. hetz. (kunnen), Mak. hetz. , B. kewëh (kundig), 
Vlll, 199. 

t a n p a b i s a , B. n o r a bisa, IX, 26 , krachteloos. 

tatanpabisa, B. nora nudili (krachteloos), IV, 8, V, 6. 
Bisu. B. bhiksu! stom, XXIV, 116. Ue B. veri. foutief. 

B. mail ë hall! naam van een vogel, XXV, 59. JJe B. vert. 
foutief. 
Buka. 1. Sabuka, B. satungal (bij 'l begin), XXV, 52. 
Bukët. 1. Mabukët, FJ. kak ah, IX, 35, verschrompeld. 
Bukuh. l.AbukuhjB. matimpuh (eerbiedig voorover gebogen) , 

VII, 44. 
Bun. B. mok oh (jonge pas uitgebotte bambu) , XXI, 173. 
Bimah. Sund. hetz. 1. Abuhah, B. sutcja (blijde), IV, 43, 

VIL, 24, van 't gelaat. 
Buncan. 1. Kabuncan, B. dagclan (weggeslingerd worden), 
IV , 74 , Aor. Pass. 

B. ngalantës, XXL, 167. 

2. Amuücan, B. mahcut, XIX, 77. Act. Dur. 
Buücit. B. cuta (staart?) XIX, 76, achterste? 
Buten. 1. Mabutën, B. raasënhit (driftig), IX, 33. 

2. Abutën, B. krodha (vertoornd), VI, 162. 

B. branti, XX, 68, XXI, 191, XXIII, 13. 
Buti. B. pamëjahan (het dooden) , XX, 24. 
Butir. 1. Butirën, B. bikët (gewond?) XXIII, 54. 
Buddhi. S. inzicht, geest, verstand, wijsheid, meening, Sund. 
budi, Mad. budih, B. kënëh, V, 35, 56. 

B. man ah, VI, 147, VII, 32. 



376 BUDDHIPÜKWWA BURU. 

B. cita, VI, 62, XIV, 64. 
B. kahyun, VII, 7, 81. 
B. hidëp (inborst), XXIV, 180. 
B. budian, VI, 188. 

2. Mabuddhya, B. kahyun (verstandig te zijn). V. 12, 
Conj, na amriha. 

3. Buddhya, B. hetzelfde (wensch) , XVIII, 29 (Conj. na 
yan). 

Buddhipiirwwa. S, waarvan men zich bewust is, XIV, 21. 
Buddhimau. S. verstandig, wijs. Mal. budiman, B. bwat 
pinit, XIII, 21. 
B. manah parama, XIII, 88. 
B. manah dharmma, XIV, 1. 
Bun. Mal. ëmbun, B. damuh (dauw), VI, 124, XXI, 

128 (ëbun), 241. 
Buuëk. 1. Abunëk, B. söksök (radeloos), XXIV, 139. 

2. M abunëk, B. hetzelfde, XXIV, 146. 
Buntëk. B. onvertaald, kogelvisch , XV, 20. Jav. bun tak. 
Buntër. Mal. buntar, B. fiankih? XI, 72, IV, 32, bolrond 

(van de borsten). 
Bubat. 1. Kabubat, B. k al ambët (geslagen worden), IX, 19, 
XIX, 120, Aor. Pass. 

2. Araubat, B. hlambët (slaan), XIX, 75, XXI, 239, 
Act. Dur. 

B. mamantëg, XXII, 50. 

3. Binubat, B. kalambët (geslagen worden), XXI, 235, 
IX, 30, Pass. Dur. 

Bubnk. Sund. hetz. (klander). Mak. bubuq, B. onvertaald, 

houtworm, V, 33. 
Bubur. Sund. Mal. hetz., B. bubuh (pap, brij), XVII, 8, 112. 

2. Pabubur, B. mabubuh, XXVI, 25. 
Bubul. 1. Mal. hetz. (verstellen). 1. Bub ui a, B. nuwagan (zou 

scheuren), XXIII, 77, conj. na kadi. 
Burënan. 1. Makaburënan, B. pabareyak? XV , 2 , grijnzen 
(yan apen). 
2. Murënan, B. mar enan (links en rechts kijken), XXIII , 34. 
Buru. Mal. Sund. hetz. , Mad. buruh, Bat. buro, Day. bohau, 
Tag. bugau. 1. Kaburu, B. mal ah i b (vervolgd worden) , 
XI, 7, XV, 19. 
B. lilih, XX, 17, Pass. Aor. 



BÜRUnjA BYAKTA. 377 

2. Binuru, B. kakëpun (omsingeld worden)! XXI, 198, 
Pass. Dur. , achtervolgd worden. 

3. Amuru, B. anëpuii (vervolgen), XXI, 247, Act. Dur, 

4. Aburu, B. amburu, XXIII, 39. 
B. raaboros (jagen), IV, 18. 

5. Umuru, B. ma nep un (achtervolgde) , XXIII, 62, Aor. Act. 
Buruiija'? 1 . B in u r u n j a k e n , B. k a k ë p u n g e w ar (luidruchtig 

vervolgd worden) , XXIII , 47 , Pass. Dur. 
Burwak. 1 . Burwak-burwak , B. bru wak-b ru wak? XKV, 65. 
Bulu. R. eter, XIX, 3, soort van werpspies. 
Bulus. 1 . B i n u 1 u s , H. t u j a h (gestoken worden) , IX , 27 , Pass. 

Uur. lud. 

2. Pabulus-bulus, B. panujah gël is (middel om snel te 
steken), XVII, 86. 

3. Mamulus, B. manuju (steken), XIX , 71 , j.\ct. Uur. Ind. 
Buhak. B. wuwuk (kapot), XIX, 125. 

Bomli. 1. Mondi, B. goja? XXVI, 25. 

Botoh. Sund. hetz. , Mad. butoh, B. babotoh (spelen) , 

XXIV, 125. 
Bodhi. S. de boom der kennis, B. ancak, XXI, 136, XXVI, 48. 
Bolu. B. g a n d o k , XXVI , 25 , s. v. bloem. Vgl. het Jav. Wdb. s. v. 
Bos. 1. Ma bos, B. nambul (geraakt), XXIV, 146. 
Byakta. S. wyakta (openlijk, duidelijk), B. jati (zeker), 
I, ö5, XXIV, 179, 254, XXV, 97, VII, 10, 15, X, 44. 
B. wyakti (duidelijk), II, 4, VI, 25, VIII, 62, 79, X, 

21 (zeker), XIV, 30. 
B. pëdas (blijkbaar), VI, 153, VII, 47. 
B. mirib, VII, 25, duidelijk. 

B. mawëtu, XI, 92 (duidelijk), VIII, 60, X, 15. 
B. kanten, VI, 156 (zeker), XXI, 50, 53, 159. 164 

(duidelijk). 
B. mangalanin (helder), VIII, 66. 
B. tuwi (blijkbaar), XIII, 63, 81, X, 16. 
B. 1 w i r , VIII , 76 , evenals. 

B. kapituwiyan (blijkbaar), XX, 71, XX t, 76 (zeker). 
B. katuwiyah (waarlijk), XXI, 159, XI, 36 (zeker). 
B. ika! XXII, 53, XXI, 210 (duidelijk), XXIII, 1. 
B. onvertaald, XXII, 18, 65, XXIV, 8, XIV , 57 , XXI, 164 

(blijkbaar), 
tan byakta, B. saru (onduidelijk), VI, 65. 



378 BYAYA BRaHMan^A. 

2. Byakta, B. karwao (werkelijk), Vil, 49 (Conj. na yan), 
XXIV, 8, zeker. 
Byaya. S. wjaya (ondergang, verlies, opoffering) , Mal. biyaya 
(uitgaven), Sund. beya, B. caru, XIII, 82, III, 54. 
B. kacaruan, XX, 72. 

2. Byaya, B. caruan, XVIII, 29, ondergang. 

3. Makabyaya, B. makacaru (opofferen), XIII, 40. 
B. manaruan, XXI, 23, 80. 

4. Pinakabyaya,B. makacaru (opgeofferd worden), XXI, 89. 
Byayatmè.. S. wyayatman (offervaardig gezind), B. ma caru, 

XXI, 160. 

Byawastha. S. wyawastha (toestand), B. wastu, XX, 21. 
Byasana. S. wyasana (hartstocht, ondeugd), Ji. kagëlaran! 
X , 56. De B. vert. foutief. 
B. kagëlaran! streven, XI, 41. 
Bjün. 1. Mabyilnan, B. ])atalamby ün , uiteenstuiven , 

XXII, 43. 

Byüha. S. w y ü h a (slagorde) , B. p a g ë 1 a r , XIX , 66. 
B. gëlar, XXI, 212, XIX, 69. 
B. kagëlaran (regeling), XV, 38, XXI, 212 (slagorde). 

2. A byüha, B. raagëlar (in slagorde geschaard), IX, 77. 

3. Mabyüha, B. magagëlaran (hetzelfde), XIX, 66. 
Branitasandliini. S. wranitasandhi ni (gewonden genezend), 

XXIII, 32. 

Brata. S. w r a t a (gelofte) , B. onvertaald , II , 27 , 1 V , 26 , VI , 1 00. 
B. krama (gelofte), IV, 21. 
B. mabrata (gelotte) , VI. 103, XXIII, 67. 
B. kaya^ain, XIV, 62. 

2. Mabrata, B. onvertaald, eene gelofte afleggen, XXIV, 
180, XXV, 34, II, 27, VI, 101, 106, IV, 17. 

3. A brata, B. mabrata, XXV, 86. 

Bratajapa. S. geloften en gebeden , B. mabrata m a m a n t r a , 

IV, 25. 
Brati. S. wrat in (boeteling), B. mabrata, VI, 104, 111. 
Brahah. B. ilëhiu (ronddraaien), XXIV, 120. 
Brahnia. S. B r a h m a n (de godheid) , XX E . 1 49. 
Brahmarsi. S. priesterlijke wijze, B. onv. XXI, 143. 
Bralimaksatra. S. Brahmanen en K.satriya's, [, 49. 
Brahmani^'a. S. partij der Brahmanen, B. Brahmawanca, 

III, 56. 



BRaHMAriA BW AT. 379 

Brahiiiaua. S. Brahmaan, B. onvertaald, XXI, 204. 

B. bhujanga, XXVI, 44. 
ürahniasutra. S. Brahmauensnoer, B. sutra rakta, IX, 43. 
Brahiiiasütropaniïi. S. Brahmasütropama (als een Brahma- 

nensnoer), B. Iwir sutra barak, XXII, 51. 
Brahinastra. S. Brahraa's pijl, XXIV, 13. 
Brëkëkë. 1. Kabrëkëkë, B, jankëh? XXIV, 247. 
Brëbët. 1. Abrëbët, B. ógrëdëg (dreunen), XXVI, 23 , van 

voetstappen. 
Bris. B. mabulii (ruig), XXIV, 123. 
B. onvertaald (behaard), II, 68. 

2. Bris-bris, B. bris samah (ruig en dik), VIII. 62. 
Blëbëli (bëlëbëk). 1. Mëlëbëk, B. nëlëbut (vloeien), XIX, 
120, 125, XXI, 219. 

2. Makabëlëbëk, B, patambwas (opborrelen), XXI, 189. 

B. nëlëbut (vloeien), XXIII. 8. 
Bwan. 1 . B i n w an , B. p i n a r a u (opgejaagd) , XXVI , 1 , Pass. Dur. 
Bwat. I. B. dahat (zeer), VIII, 67, X, 34. 

B. lëwih (gewicht), IX, 79. 

B. tinkah! XXVI, 36. 

2. Kabwatakën, B. kadahatan (sterk gemaakt worden), 
X, 23, Aor. Pass. 

3. Kabwat, B. na n dan (gewichtig), VI, 153. 
B. lëwih (gewicht), XI, 94. 

4. Kabwatan, B. abot (het te kwaad krijgen), VI, 25. 
B. kewëh (moeielijk) , XIX, 79. 

B. kapatut, XIII, 30, overwogen. 

5. Mabwat, B. abot (zwaar), IX, 57. 

6. Abwat, B. lëwih (zwaar), XXIV, 248. 

7. Bwata, B. kalëwihan (zou zijn gewicht zijn) , XXÏV, 26. 

8. taman painbwati, B. norana lëwihan (niet bezwa- 
rend), XXIV, 67. Vgl. Jav. bot. Mal. bërat, Day. behat, 
Tag. bigfit, Bis. bogat. 

II. B. wij il (product, maaksel , stof) , X, 71. Vgl. Mal. b u wat. 
B. ktvat (werk makende), X, 29. 
B. brata (werk), XII, 23. 

2. Kabwatakën, B. kal ë wih a n! XXI, 133 (geschapen worden). 

3. Kabwat, B. tinkah (gesteldheid), XIIl, '.^2 , XVlIl , 15. 
B. kalëwihan! (schepping), II, 46. 



380 BHAKTA BHAGNA. 



Bh. 



Bhakta. S. deel, spijs, B. gamël, XXIV, 114, spijs. De B. 

vertaling verkeerd. 
B. prabot! XXIV, 249, spijs. 
Bhaktawatsala. S. verzot op eten, B. bhakta taii inari, 

XVII, 93. 
Bliakti. S. deemoed, trouw, liefde, Sund. bakti (hulde), B. 

pranata (eerbiedig), V, 4, XVII, 81, 134. 
B. mat wan, I, 3, III, 86. 
B. onvertaald, I, 7, III, 29, 32, 35, 48, 82, 83, V, 37 

(trouw), 55, 80, 81 , XI, 23, VI, 17, 35. 
B. pitrsna (eerbied), VI, 131, XXII, 32. 
B. trsna, XIII, 62, X, 19. 
B, nunkul (eerbiedig), I, 8. 
B. uëmbah , X , 6. 
15. panëmbah, XIII, 75, XXI, 158, 165. 

2. Bhaktya, B. manëmbah (zal trouw zijn) , II, 63 , XXTV , 
259 (om hulde te bewijzen). 

B. kasor (zal nederig zijn), II, 73. 

B. pitrsna (wees eerbiedig), III, 47. 

B. bhakti (fut.), VI, 92, IX, 64 (Conj.). 

B. nabhakti, X, 33 (conj.), XIV, 47. 

H. uëmbah, XIV, 18, 56 (conj.). 

H. numbah, II, 75, V, 35 (conj.). 

3. Kinabhaktyau, B, kasumbah (vereerd worden) , V , 18 , 
Pass. Dur. 

4. Kabhaktin, B. pitrsna (liefde), XIII, 71. 

5. Mabhakti, B. nastuti (prijzen), XXV, 86. 
Bhaksa. S. spijs, genot, drank. 

1. Bhaksa n, B. namah (eetbaar), VI, 182 (Gerund.). 
Bhaksaiia. S. etende, II, 37. 
Bhaga. S. deel, B. onvertaald, XV, 32. 

Bhagawaii. S. titel van voorname of heilige personen (heer) , B. 
rsi, I, 35, XXV, 32. 

B. san hyan, XV. 44. 

B. onvertaald, XXI, 144. 
Bliagna. S. gebroken, B. lëtuh (bezoedeld), VI, 183. 

B san kal (gebroken), XXII, 32. 



BHaGYA BHaRA. 381 

Bhagya. Sund. bagja (geluk), S, gelukkig, B. sadya, tV , 

11, XXIV, 126, VI, 33, Vm, 14. 
2. Bhagjan, B. hetzelfde (gelukkig te noemen), II, 62, 

IV, 47, Gerund. 
lihaüga. S. brekend, buiging, verwoesting, nederlaag, enz. B. 

in om o (verwaand), XVitl, 46, XXVI, 25, XXIII, 49. 

Jav. bonga (weerspannig). 
Bliangi. S. breking, buiging, schijn, manier, B. pënëd, 

XXIV, 212, XXVI, 2.5. 

Bhata. S. soldaat, dienaar, B. pungawa, II, 58, 67, III, 
2, 25. 
B. soroh, XII, 58, III, 50. 
Bhatara. S. b h at t ara (godheid), Sund. bat ara, B. saii hyan, 

1, 27, IV, 36, V, 75, VI, 106, XX, 49. 

B. onvertaald, II, 57, VI, 192, XXI, 155, 159. 
B. dewata, V , 62 , XIV, 6. 
B. san, XI, 21, 79, XIII, 35. 
B. dewa, III, 70, VIII, 44, XVII, 67, 98. 
B. hyan, VIII, 41, 52, X, 66, XI, 15, II, 6, 46, III, 
76, V, 59, 75, VI, 194, XV, 39, XVII, 92, 97 , XVIII , 
9, XXIV, 51, enz. 
Bhatar!. S. bhattarï (godin), B. onvertaald, VI, 83, 179. 
Bhanda. I. S. waren, B. jjanaücan, XXII, 33. 

2. Ab h and a-b h anda, B. maiubwatin ababhanda, 

XXV , 1 0(5 , gezagvoerder. 
Blian(lira. eigennaam, XXVI, 25, 26. 

Bhadrawada. S. gelukvoorspellend , B. dab at wyildi! XXVI 

50. De B. vertaling foutief. 
Bhadre^.wara. S. bijnaam van (Ji wa , B. dewa n a t h a , 

XXII, 53. 
Bliaya. S. vrees, gevaar, H. pakewchan, II, 25, XXI, 163. 
198, XXII, 12, vrees. 
B. nakitin, III, 79, gevaar. 
B. durggama, XV, 42. 
B. s a k i t , III , 12, gevaar. 
B. kewëh, IV, 22, VI, 136. 
B. pakewëh, VI, 139. 
B. sëfika, XIX, 62. 
Bhara. S. last, gewicht, B. kalëwihan, XXI, 79, subst. 
B. lëwih (adj.), XXI, 89, 150, XXIII, 75, XXVI, 25. 



382 BHARATA — BHINNA. 

2. Kabharan, B, kabhranten (bezwaard), VI, 128, XVI, 

3(3, XXIII, 44, XXIV, 31, 40. 
kabaran, B. pakaraiiab, XXIV, 105. 
B. kalëwihan, XXIV, 227. 
Bharata. S. naam van een van Ra ma 's broeders, I, 33, III, 
3, 6, 7, 10, 13, 25, 32, 33, 34, 35, 41, 44, 45, 48, 
85, 86, XXIV, 152, 217, 226, XXVI, 7, 10, 17, 22, 
23, 25, 26. 
Bharadhwaja. S. naam van een rsi, III, 37, XXV, 12, 
Bharadliwaja^rama. S. Bharadhwajél^rama (kluis van Bh.), 

B. patapau Bharadhwaja, XXIV, 213, 
Bharggawa. S. afstammeling van Bhrgu, B. Rama Paragu, 

II, 78. 
Bhalla. S. soort van pijl, B, onvertaald, IX, 65. 
Bhawa. geboorte , wereld , toestand , gevoel , hart , enz. 
B. rupa, IV, 30, 
B. sol ah, gedrag, XXIV, 105. 
B. ui ah, XXVI, 25, 
Bhawisya. S, toekomst, B. solahasih, XXIV, 223. 
Bhasita. S. het spreken, B. tatwa! XXIV, 125. De B. vert. 

verkeerd. 
Bhaskara. S. zon, B. rawi, VI, 18, VII, 7, VIII, 101. 

B. süryja, XIV, 24, XV, 34. 
Bhasma^ayana. S. het op asch liggen, B, kawikun ^ilane, 

XXV, 32. De B. vert. onnauwkeurig. 
Bhasmikrta. S. tot asch gemaakt, kagësën tëlas, XXII, 50. 
Bhasniibhüta. S. tot asch geworden, B. gësën tëlas, XXI, 

186, XXII, 60. 
Bhaswjira. S. schitterend, glanzend, B. galan, VII, 64. 
B. mangalanin, VIII, 2. 
B. ngalaiiin, VIII, 45. 
B. suteja, XI, 64, XII, 33. 
B. agalan, XVI, 9. 
B. masinan, XI, 81. 
Bhiksiika. S. bedelaar, B. onvertaald, XXV, 23. 
Bhita. S. bevreesd, B. wëdi, III, 66. 

Bhinna. S. gespleten, B. karësrës! IV, 7, 72, XXI, 247, 
XXII, 71, XX, 59, De B. vert, foutief. 
B, kanës! XXI, 172. 
B. kagagawok! XXIII, 83. De B. vert. verkeerd. 



BHIMANUKA — BHUKÏI. 383 

B. raagöfi! XXVI, 24, XIX, 17. De B. vert. foutief. 
Bhimamukii. S. Bh imam uk ha, naam van een aap, XIX, 40, 

XXII, 58. Vgl. Bhimawaktra. 
Bhlmawaktra. S. dezelfde, XVIII, 18, XXIV, 249. Vgl. Bhi- 

in a ra u k a. 
Bhisana. S. verschrikkelijk , B. k arësrës, III, 15, 34, VII, 85, 90. 
B. magalak, VIII, 5, IX, 40. 
B. pakewëh, VIII, 185, V, 71. 
B. kabhinawa, V, 36, XIV, 38, XV, 2, XX, 23, 

VI, 129, 139. 
B. durggama, XV, 34, 41. 
B. aen, XXII, 51, VIII, 137. 
B. wikan, XXIV, 126. 
B. magön, XXIV, 215. 
Bhukti. S. het eten, spijs , genot , B. a man gili (smaken), I, 16 
(Abs.). 
B. nërauan (Abs.), VII, 1 , XVII, 68. 
B. bhoga (subst.) , [II, 54. 

2. Marauktya, B. tërauan (zult genieten), VI, 2, Fut. 
Act. Ind. 

B. amaiigih, XVII, 10, Fut. 
B. mamangih, XVIII, 22, Conj. 

3. B h u k t i n ë n , B. p a ü g u h a n (zal worden genoten) , VI , 4 , 
Fut. Pass. Ind. 

4. Mukti, B. nëmuan, VIII, 87 (Trans.). 

5. Mukti, B. raangih (ondervinden), VI, 125. 
B. amangih, XXIV, 84. 

6. Bhuktin, B. katëmuan (te genieten), VI, 159. 

7. Bhuktya, B. ha ra (zult genieten), VI, 193, Fut. 

8. a n p a m u k t y a , B. m a m u k t i , VI , 1 95. Oonj. na w e h , 
met nadruk op het voorafgaande paren a). 

9. Amukti, B. mamukti (genieten), VT , 203, Vil, 41, 
Act. Dur. 

B. raapangih, Vil, 35. 
B. raatërau, VIII, 70. 
B. m a m a n g i h a n , VIII , 119. 
B. mbhukti, XXV, 14. 

10. Amuktï, B. nëmuan, XII, 7 (Act. Trans.). 

11. Muktya, B. man ad ah (te eten), XVIII, 52 (Conj. na 
ki non). 



384 BHüjAGAPagA — bhuwana. 

12. Bhinukti, B. kabh uktiy an , XX, 80. Pass. Dur. 

13. an pamukti, B. manadah (dat at), XXI, 1 (met nadruk 
op 't voorafgaande b a 1 a). 

14. an pakabhukti, B. makabhoga, XXV, 40. 
Bhujagapa^a. S. slangenstrik , B. nagapa^a, XX, 68, 71, 

XXIV, 15. 
B. wyala-tamban, XXI, 72, 157. 
Bhiijagastra. S. slangenpijl, B. naga 9 ara, XXI, 59. 
Bhujaügaprayata. S. voortslaipende slangen, naam van een vers- 
maat (Wrttas. , 62), B. naga pagëh, IX, 84. 
B. naga mamëpëk, XX, 59. 
Bhüta. S. wezen, geest, spook, Suud. buta (demon). Mak. 
bota, B. onvertaald, I, 25 (daemon , reus) XXI, 63, 149 
(wezen) , XXIII , 6. 
B. kala, VIII, 156, XX, 3, (daemon). 
B. mahabhüta (opperwezen), XXIV, 95. 
Bhütala. S, aardbodem, aarde, B. b h 4 m i , Xi, 8, XVI, 1 4, XX, 26. 
Bhüpati. S. vorst, koning, Sund. bupati (regent), B. nat ha 
(vorst), III, 19, 32, 73, 77, 78, IX, 85, 86, XI, 23, 
26, 35, 36, XVIII, 1, XXI, 136, XXIV, 52,154,220, 
XXVI, 22, 38. 
B. ratu, XXIV, 218, XXVI, 9. 
Bhüpalaka. S. beschermer der aarde, B. b hu pa ti, III, 50. Vgl. 

bhiimipala en bhülokapala. 
Bhüml. S. aarde, Mal. Sund. bumi, B. prti wi, XIV, 39 , XV, 
40,43, XIX, 13, XXIil, 8, XXIV, 253, I, 9, VI, 58, 
XIII, 36. 
B. bhuwana, III, 84. 
B. gurai, XIII, 50. 
Bhnmiuatha. S, vorst, B. dewa prabhu, IX, 93. 

B. bhüpati, XXI, 201. 
Bhiimiprilaka. S. beschermer der aarde, B. ratu , XVII, 52. Vgl. 

bhüpalaka en bhülokapala. 
Bhür bhuwah swah. S. aarde, luchtruim en hemel, B, onver- 
taald, XIX, 12. 
Bhülokapala. S. beschermer der aarde, B. ratu nin jagat, 

II, 46. Vgl. bhüpaloka en bhumipalaka. 
Bhuwana. Suud. Mal. buwana, S. wereld, B. rat, I, 2, 9, 
XXI, 152. 
B. jagat, II, 30, 40, V, 4, 17, 73, VI, 58. 



BHUWANalKJA BHOGA. 385 

B. triloka, V, 49. 

B. loka, V, 52, VIII, 17, 147, 157, XII, 47, XIII, 
5, 6. 
BhuwaiiJinda. S, wereklei , wereldbol, B. triloka, V, 83. 

B. bha'li loka, XIV, 11. 
Bhuwanatala. S. aardbodem, aarde, B. bh ft mi ambara, 

XXI, 115. 
Bhuwanatraya. S. de 3 werelden. B. triloka, XXIV, 201. 
Bhuwaiiaiitarala. S. aarde en luchtruim, B. bhümimandala, 

VIII, UI. 
Bhuwalipada. S. aardbodem, B. bhuwah loka, XI, 53. 
Bhüsana. S. sieraad, B. rëiiganin,VI, 117, VIII, 115, 
xil, 40. 
B. barana, III, 21 , 24. 
bhüsana, B. panango, XX, 77, XXIII, 50, XII, 04, 

XI, io. 

bhftsanu, B. panange, XXIV, 100. 

2. Bhiuüsanan, B. pahyasin (versierd), V, 72, Part. 
Dur. Pass. 

3. MabhAsana, B. sa panango (zich tooien), XVII, 3, 
B. mabarana, XIX, 2. 

4. Mabhiisana, B. man raus uk barana (zich te zullen 
tooien), XXIV, 58, Conj. Put. na brata. 

5. P i n a k a b 11 u s a n a , B. mak a p a n a n g o (tot sieraad strekken), 
XXTV, 08. 

Bhühbhaga. S. deel van de aarde, B. pythiwi, XV, 32. 

Bhrgu. S. naam van een f si, XXI, 143. 

Bhrtya. S. dienaar, B. pa rek an, III, 85, XVIII, 25, XXVI, 26. 

B. wadwa, IV, 69, XII, 51, XVIII, 16. 

B. mamanjak, XIV, 69. 

B. kahula, XIX, 31, XVIII, 38. 

B. bala, XII, 55, X, 3. 
Bheda. S. onderscheid, Sund. beda, B. paëlenan, I, 9. 

2. Bhi n eda-l)h eda , B. inalen-lenan (zeer verschillend), 
XXI, 148. 
Bheri. S. pauk, B. onvertaald, XXI, 207. 

Blioga. S. genot, het eten, gebruik, B. bhukti, VI, 159, 
III, 78,' VII, 46. 

B. mukti, XX, 77, 78, genieting. 

B. nasi! XX, 21, spijs. 

25 



386 BHOGABHUÜGA — BHRAMlïaKSARA. 

B. kawibhawaii (genieting), I, 16, XXVI, 25. 
B. stri, VII, 41, VIII, 70. De B. vert. onjuist. 
B. bhilktiyan, III, 83. 
Bhogabhuiiga. S.? allerlei genot, B. nam ah egar, XIV, 54. 
Bhojaua. S. het genieten, eten, inaxaltijd , spijs, B. pasëgëh, 
III, 71 , spijs. 
B. nasi! XXIV, 205. De B. vert. onjuist. 
2. B h i n o j a n a n , B. s i n a m b h r a m a (onthaald worden) , I , 

30, 34 (Part. Dur. Act.). 
2. Bhojanana, B. saiubhrama (worde onthaald), XXVI, 
44 (Juss. Pass.). 
Bhra. 1. Abhra, B. galaü (helder), VIII, 73. 
B. galahin, VIII, 59. 
B. dumilah, VIII, 85. 
B. barak, VIII, 90. 
2. Ma bh ra, B. galan, VIII, 73. 
B. ë n d i h (schitterend) , X , 72. 
B. dumilah, XV, 49, 68, XXII, 79. 
B. nëndih, XII, 42, XXI, 208, 246, XXII, 45. 
Bliranta. S. verward, B. ibuk, XI, 23. 

Bhriliitacitta. S. verward van geest , B. k e p w a n m a n a h , VI , 34. 
Bhrainaiita. S. bh ram (ronddolen), B. manurabanin (rond- 
vliegen) , II , 4. 
B. midëran (ronddolen), VI, 134, XI, 59, XXIV, 19. 
B. midër, XXI, 240. 
B. maidëran, VI, 143. 
Bhraniara. S. bij, B. kumban, XXV, 76. 

B. sadpada, II, 9, VI, 117, 119, 126, 128, IX, 56, 
XVI, 15, 37, V, 74, XXIV, 30, XXV, 23, XI, 59. 
Bhramarawilasita. S. de klaagtonen eener bij, naam van een 
versmaat (vgl. Kern, Wrttasaücaya , 47, Colebrooke, 160, 
Weber, 375, Kedara, 3, 50), B. sadpada solah Iwir 
smita, XVI, 36. 
B, sadpada solahnya, XXI, 129. 
Bhramita. S. het ronddolen, B. mideran (rondvliegen), 

XV, 66. 
Bhraiiiitakssira. S. pramitaksara, met spelende oogen,naam 
van een versmaat (vgl. Wrttasaücaya, 65, Kedara, 3, 77, 
V^eber , 380) , B. kaidëran kawi^esalXX, 19. De B. vert. 
fout. Ed. pramitaksara. 



BHllAStA MADKa. 387 

Bhrasta. S. gevallen, verdwenen, B. tel as (vernietigd), IX, 
07, XIII, 72. 
B. rusak (vernield), XI, 4, XIV, 11. 

2. Bhrasta, B. te las (zou vernietigd worden), IX, 45, 
XIX, 38 (Conj.), XXI, 192 (Fut.). ^ 

3. Mrastakën, B. manrusak (vernielen), IX, 90. 

4. Mrastakcna, B. manëlasaii (verdelg), XXII, 10. 
Bhrukuti. S. het optrekken der wenkbrauwen, B. halis! XIV, 

49. De B. vertaling verkeerd. 
Bhriikuti kutila. S. de wenkbrauwen boogvormig opgetrokken , 
B. halis renu saphala, VI, 101. 
B. halis makilit, X, 09. 



M. 

Makah-akah ? B. rawuh kapukuh? kakelen, XXIV, 110. 
Makara. S. zeemonster, dolphijn, B. pak un, XV, 23, XXII, 31. 

B. udan (garnaal), XXI, 137. 
Makaraiiana. S. naam van een slagorde, B. inakaramuka, 

XIX, 00. 
Makin. Mal. hetz. , Sund. mink in, B. su mink in (hoe langer 
hoe meer), II, 10, VI, 34, 104 (hoe langer hoe), VIII, 
105, 100, IX, 23, 33, 37, 08, XIII, 80, XI, 40. 
B. SU mank in, XI, 13, XX, 57. 
B. n a ü s a h , III , 43. 

B. jani, XIX 71, VI, 53, IX, 71, XX, 50. 
B. onvertaald, XI, 43, 59, 70, XV, 30, II, 10, XXI, 231, 
IV, 33, V, 3, 08, 85, VIII, 100, IX, 03, XIX, 50, 
VII, 80, enz. Vgl mankin. 
Makuta. S. kroon, Sund. makuta. Mal. Mak. makota, B. 
panëkëp gëiuii, XXIII, 2. De B. vertaling onjuist. 
B. tutup gëlun, XXIV, 03. 
Maga. 1. Kamaga, B. gagan (verijdeld worden), V, 43, 

Aor. Pass. 
Maiika. B. keto (zoo), XXI, 110, XIX, 31. 

2 . S a m a ü k a , B. s a w a w a (zoo) , XI , 70. Vgl . m a n k a n a. 



388 MAÏIKANA MAl'lGALASÏ&WA. 

Maükana. B. sapunika, zoo, I, 19, III, 76, VIII, 100, XI, 

31 , XIV, 33, VI, 109. 
B. sraalih, X, 19, 41 (evenzoo), XIII, 92, IX, 57. XI, 

1, XIV, 37, XVII, 106. 
B. m a k a 10 i w a h , XII , 28 , 36. 
mankana, B. keto, I, 45, XIII, 63, XII, 33, XVII, 87, 

XI, 2. 

2. MaMkanu, B. sapunika, XVII, 71 , XVI , 20 (na kadi). 
B. kento, XIX, 31 (na yapwan). 

3. Saraafikana, B. smalih (evenzoo), Itl , 3. 
B. punika, III, 48, 74. 

B. sapunika, V, 63, VI, 6, 9, 198, VII, 78. 
B. raakamiwah, XVI, 6, III, 75, XIX, 53, 113, VII, 
82, VI, 192. 

4. M i n a n k a n a , B. k a sa }) u u i k a y a ii (zóó behandeld), XIV, 60. 
B. keto (zóó toegesproken), XXII, 67. 

13. yan sapunika, XXVI, 21. Pass. üur. 
Maukiii. Mal. mak in, Sund. mink in, B. s u m i n k i n (hoe 

langer hoe meer), XVII, 104, VI, 21, 166, IX , 50 , 

X ,^ 26. 
B. sayan, VIII, 42, 59, VI, 190. 
B. s u lu a n kin, VI , 55 , 1 54. 
B. jani, VI, 169, 203, VIII, 73, 114, XII, 12, 45, 

XXI, 128, XX, 4 
B. onvertaald, VI, 199, XV, 35. 
B. minkin, XXII, 37, XVII, 110, XX, 63, XXI, 197, 

209, 231, VI, 164, VII, 8, VIII, 59, enz. Vgl. makin." 

Manke. Sund. mënke (straks), B. jani (nu), II, 47 , VI, 44. 

B. mankin, II, 49, 62, VI, 155, VIII, 70, XIII, 31, 

XXI, 13, IX, 8. 
B. onvertaald, XXI, 30, 201, XXIV, 34, VIII, 16 , VI, 73. 
2. Saraanke, B. buka jani (nii) , XXI, 47 (met nadruk). 
Maiigala. S. geluk, zegen, heilwensch , B. matur karëj)an. 

XXIV, 128. 
B. tënëran (gelukkig voorteeken) , IV, 11. 
2. Man gala, B. ten era (als een gelukkig voorteeken) , 1 , 62. 
Mangalagtta. S. gelukvoorspellend lied. B. karëj)an kiduii. 

XII, 23 

Mangalastfnva. S. gelukvoorspellende loftuiting, B. iii papra- 
jian nastuti, XIX, 41, 



MADGIS — MAncll. 389 

Manvis. B. onvertaald, naam van een vrucht (garcinia raan- 

irostaiia), VIII, 10 (Mak. Bug. maugisi). 
Mangusta. S. naam van dezelfde vrucht, Mal. mangistan, 

Bim. mangusta, B. man gis, XI, 3. 
Mansa. S. m a m s a (vleesch) , B. i s i , VI , 1 82 , II , 38 , V , 1 1 , 28. 

2. Mansa, B. hetz. VI, 75, te eten (Conj.). 
Marisahhaksa. S. maiiisabhaksa (vleescheten) , B. isi ama- 

ha, VI, 139. 
.^lausahliaksaiia. S. tn A. insabhaksana (vleeschetend) , II, 37. 
Mansi. S. ma si (inkt), Sund. hetz. Bim. maiici. 

1. Pamansyana, B. Iwir mansinin (worde met inkt be- 
smeerd), XXVI, 13. 
Maja. Sund. hetz , B. bila (naam van een vrucht), XI, 3, 

XVI, 45. 
Madake. B. toya (water)! XXV, 108, ondiepte. Vgl. Mad. 

d aka j. 
Mani. S. paarl, edelgesteente, juweel, B. rat na, III, 4, X, 
* 67, VIII, 51. 
B. manik, VI, 1, VIII, 45. 

B. onvertaald, VII, 109, XI, 65, 66, VIII, 55, 95, 115, 
XVI, 9, 16, XXI, 85, XVIII, 40. 
Manik. Sund. manik, B. onvertaald, hetzelfde, l, 13, VIII, 58. 
B. 9 o ca, IV, 32, X, 32, XI, 2. 
B. rat na, I, 14, 15, III, 24, Vlll, 121. 
B. mani, VIII. 48, XI, 12, 37, 38. 
B. cundan, Vlll, 208, XI, 54, 57, 92. 
B. hira, XI, 64, 93, III, 35 
B. (;a(;ocan, Xtll, 87, 88, VIII ö4. 
B. mirah, XV, 68, XII, 64. 
B. sphatika, XXIII, 40. 

2. P i n a k a lu a tl i k , B. k a h i d ë p a h manik (als een juweel 
te beschouwen), XIV, 62. 
Maiiiniaya. S. uit juwcelcn of kristallen gevormd, B. manik 
matcja! XV, 52, XXIV, 100. De R. vertaling verkeerd. 
Mandaga. R. p u p u r (blankclsel) , XV II, 101. 

B. ma wad all, XXVI, 25. 
Mandapa. S. hal, tempel, jiricei , Jav. pendapa, B. bale, 
'VIU, 54. 
B. onvertaald, XI. 1, XXVI, 28, XII, 38. 
Mandi. Mal. mandi, zich baden, IX, 51. 



390 MATA MaTKA. 

Mata. Sund. Bira. Form. Tag. Bis. Bul. Bug. Mak. Mal. Bat. 
hetz. , Daj. mata, B. netra (oog), VI, 54, VII, 75. 
B. lirin, VII, 8, V, 14. 
B. onvertaald, XIX, 118, VI, 45. 
B. tinhal, XX, 62, XXIII, 27, VII, 13, 23, 78, VIII, 

20, 113, 159, 166, 172, XVII, 75, 109. 
2. Pamata, B. lirin (blik), IV, 31. 
B. mata, IX, 36, IV, 43. 
B. netra, XII, 31. 
Mataii. B. marmma (reden), XXIV, 37. 
B. onvertaald (oorzaak), III, 12. 
B. mande, III, 77, XI, 53. 
B. karana, V, 35, 84, I, 51. 

B. margga, VII, 102, XIII, 44, VI, 56, XVII, 50. 
B. pakrana, VI, 94, VIII, 195. 
B. makrana, VII, 38, XXIV, 52. 
B. gawenan, VII, 89, IV, 65. 

B. makarana, VII, 93, 96, 97, 104, III. 50, XXII, 50. 

B. krana, VI, 14, 63, 90, 112, IX, 51 , 80, 84, XI, 43, 

XX, 55, XXI, 19, 44, 46, IV, 47, V, 23, 52, 60, VIII, 

107, 146, 186, X, 17, 35, 40, XVII, 9, 81, 89, enz. 

Mataii. S. naam van Indra's wagenmenner, XXIV, 13, 

23, 27. 
Malta. I. S. opgewonden, uitgelaten, B. suka, Il , 9 , XVI , 15. 
B. galak (bronstig). II, 27, IV, 67, XIX, 16, III, 83. 
B. darppa (dronken), V, 76, XIX, 113. Vgl. metta. 
11. S. naam van een raksasa, XXIII, 16. 
Mattaka. S. naam van een raksasa, XXIII , 11. 
Mattamayüra. S. uitgelaten pauwen , naam van een versmaat 
(Wrttasaiicaya , 70, Kedara, 3, 90, Weber, 385, Cole- 
brooke, 161), B. tinhal i mërak! XXI, 181. 
B. sin ara manamëra! VI, 203. 
Mattahasti. S. naam van een aap, XVIII, 18, XIX, 40. 
Matra. S. maat, kleinigheid; slechts, B. mawak panas! 
slechts, VI, 178. 
B. kewala (slechts), II, 18. 
B. sadidik (weinig), V , 74. 
B. ar is, XVII, 108. 
B. magatra, XXIII, 34. 
B. ii a m a r , XXI , 1 50. 



MaTSAHA MANA-MANA. 391 

B. süksma, XXI, 150. 
Matsara. S. mat sa ra (zelfzuchtig; uijd, ijverzucht), B. kopa, 

XIX, 6. 
Matsaryya. S. nijd, B. iri hati, XXII, 31. 
Malsya. S. visch , B. be, V, 11. 

B. miDa, XXII, 31. 
Mada. S. overmoed, B. pracarapah, III, 82, XXII, 29, 40, 
XXIV, 83. 

B. morao, XXII, 20, VI, 107 (Amor). 
Madaua. S. Liefde, B. sraara, Vtll, 155, 172 , XI, 76 , XVF , 
24, 29, XVII, 108, 110. 
B. Kama, XVI, 25. 
Madaiiawilasabhyasa. S. luada nawilasabhy i\(;a (dicht hij 
het raiiiDespel), B. m as in ara sol ah gëlarana, XIL, 20. 
Madanawcdanatura. S. door miunepijn gekweld, B. wwan 

kas in ara II hgawc sin ara turon! VII, 16. 
Madaiia«;ara. S. Madaua's pijl, B. Smarasira, XI, V)0. 
Madaiiac^'aragni. S. het vuur van Madana\s pijl, B. smara 

astra hahni, XVI, 27. 
Madaiiodaya. S. het verschijnen der liefde (naam van een aji), 

B. s m a r a in a n a h , XXVI , 35. 
Madya. S. sterke drank, B. tuwak, VI, 193. 

B. sajön, XXVI, 24, 25. 
Madhu. S. honig, Sund. Mal. inadii, B. sarkkara, l , 24, 27. 
B. onvertaald , VII , 38 , XXV , 23 , VI , 1 93 , XXVI , 24 , 25. 
Madlmkara. S. bij, B. sadpada, XXIV, 100. 
JHadhiiparkka. S. hoiiigolTer, B. sarkkara inapasti , VI , 104. 
Madhuiiiasa. S lentemaand, B. kasana, XXI, 139. 
Madhusiidana. S. Madhudooder, XXI, 131 (Krsna). 
Madhya. S midden, B. ten ah. XLV, 8, XVF, 1, XVII, 64, 

XXIV, 194. 
Madhyaina. S. middelste, B. Iwir kasajenan! VIII, 119. 

B. madhya, X, 17, XIX, 57. 
Mana. S. meening, trots, achting, toorn, B. purusa (hoog- 
moedig), X, 48, XXI, 215. 
B. ank ara (overmoedig), XIV, 19, 22. 
mana. B. mom o, XIX, 7, XXIII, 36, VI, 172. 
B. sahasa, XXIV, 2. 
Manan. B. paliii (verkeerd), VIII, 155. 
Maiia-iuana. B. nahcu-uahcnan (aanhoudend), XXV, 54, 



392 MÉlNAWA MANIS. 

2. Mamana-maua, B. lawan-lawanin (moeite doen), 
VI, 36. 

B. nlawan-lawanin! XV, 52, alle moeite doen. 

3. Mamana-mana, B. mangawe daya (op een middel 
zinnen) , XX , 46. 

3. Amana-mana, B. nahën-uahënan (zich inspannen), 
XXII, 65. 
Manawa. S. eigennaam, XVII, 126. 

Manawakakridita. S. Manawakakriditaka (Pingala) , Ma- 
na wak akrid au aka (Weber, 367), Manawa k a (Kedara) , 
Manawakakrïda (Colebrooke) , spelende knapen, naam 
van een versmaat (Wrttasaiicaya, 31, Weber, 367), B. 
wyaktina papagutuya norana! XX, 6. De B. verta- 
ling totaal onzin, 
Maiiawagama. S. Manu's wetboek, XVII, 45. 
Manasa. I. S. naam van eeu meer, VII, 26. 

il. S. geestelijk, psjchisch ; geest, hart , B. sa nsara (bedroefd) , 

VIII, 146. 
B. manrusak! gezind, XIII, 92. De B. vert. foutief. 
2. Manasa, B. poka (bedroefd), XXIV, 168. 
Mauaiiianasa. S. overmoedig gezind, B. ankara sënhit, 

XXI, 233. 
Manah. Sund. hetz. , B. hidëp (geest), I, 61, II, 54,111,73, 
VIII, 164, XVII, 67, 74. 
B. kënëh (wil), V, 15, VIII, 154. 
B. tahën (oordeel), V, 58, XXIV, 88. 
B. kahyun, V, 61 , II, 45. 
B. citta (hart), V, 79, VII, 28. 
B. tinahën, VII, 12, VIII, 108. 
B. onvert,aald, VIII, 72, 166, XI, 26, V, 61, XVII, 

102, 111. 
B. tahënan, XIX, 59, XXIII, 34. 
B. katahënan, XXI, 85, 158. 
B. ista, XXI, 160, VIII, 155. 

B. katahën, XXIV, 2, 64, 139, 192, IV, 54, XXI, 

135, 155, 163, VI, 8, 172, 175, VIII, 40, 98, 130, 

139, 142, 159, 160, 209, V, 32, 56, 60, 76, VII, 

1, 2, 6, 12, 82, XI, 24, enz. 

Manëh. B. tityan (dienares), XVII, 83. 

Mauis. Mad, Mal. Tiay. hetz., Malag. mamy, Sund. amis. 



MANUK MANOJAWANA. 393 

Lamp. mis, Bat. marais, Tag. Bis. ta m is , B. kah a y on , 
(liefelijkheid), XII, 34. 
B. rasa (zoetheid), IX, 57. 

2. Mamauis, B. ha lus (vriendelijk), XI, 9. 
B. madhura, XIII, 2. 

B. nedauiu (bevallig), IV, 31. 

B. bal ut, IV, 33, XIV, GO, XII, 31. 

B. ma nis, V, 13, XVI, 44. 

3. Amanis, B. bal ut (lief), IV, 43. 
B. bëcik (zoet), Vm, 10. 

Manuk. B. këdis (vogel), II, (3, 25. 

B. paksi, VI, 6, 32, 65, 74, 120, 121, VII, 21 , 62,85, 

90, 91, 92, IX, 1, 55, VIII, 1 1 , 92 , 94, 97 , 98, 105, 

183, XI, 2, 57, XIV, 36 (Bul Mal. Bat. hetz. Tag. Bis. 

Daj. Mad. mauok). 

Manüpade^a. S. Manu's voorschrift, B. man ga we rahayu! 

XXIV, 82. De B. vert. onjuist 
Mauiisa. S. meusch , Sund. manusa, Mal. manu si ja, B. 
jan ma, VI, 188, XIV, 3. 
B. nin jagat, VIII, 131, 158, XIII, 31. 
B. onvertaald , XXV , G , IX , 4. 
B. wwan, XXV, 116. 
B. nara, XXI, 136. 
2. Kamanu.sau, B. bwat kad ad i n ! aangedaan , verteederd , 

XXIV, 31. 
B. kalobhan! XXIV, 222. De B. vert. foutief. (Vgl. m a n u- 
sy a en man usy a). 
ManusJilirti. S. in menschelijke gedaante, B. ndadi laksana! 

XXI, 159. De B. vert. foutief. 
Manusya. S. mensch , Mal. Bim. manusiya, B. jalema, 
VIII, 134. 
B. jan ma, XIV, 10, XXIII, 21. 
B. nara, V, 20. 

B. manusa, V, 88. Vgl. manusa en raanusya. 
Manusya. S. hetzelfde, B. wwaii, XVII, 136. Vgl. manusa 

en ma n u sy a. 
Manogaiiii. S. zoo snel als de gedachte gaande , B. 1 w i r s a k e - 

hëtan, VI, 22. 
Manojawa. S. hetzelfde, B. sakënëtan, VIII, 1. 
M.anojawaiia. S. hetzelfde, B. hetzelfde, V, 21. 



394 MANOJnA MANTRI. 

Manojna. S aangenaam , bekoorlijk , sclioon . B. n ü 1 a n ö n i 
(bekoorlijk), IV, 32. 

B. manlëganin, VIII, 14. 

B. mëlah (schoon), III, 38. 

B. nunur, VIII, 98. 

B. mafihyunhyun, XXIV , 30. 

B. manrënani, XXIV, 90. 

B. kahyunhyun, XXIV, 241. 

B. nrënanin, XXIV, 241. 

B. agri, XXV, 1. 

B. anhyunhyunin, XXV, 35. 

B. halëp, XXV, 88. 

B. manhyuuhyunin, XXVI , 24. 

B. nrënih-rënih (mooi), II, 19. 

B. iiayan-ayan, VIII, 194. 
Manobhawa. S. Liefde, B. Asmara, VII, 3, 5, de god der 
liefde. 

B. Smara, VII, 15, VIII, 156. 

B. Kama, XII, 34 
Maiiohara. S. bekoorlijk, schoon, B manh y un hy uni n , III, 
37, 41. 

B. ma n rërëiian i , VIII, 1(32. 

B. ïilëgaiii, XI, 25. 

B. manrësëj)in (bekoorlijk), VI, 1 H». 

B. üasih-asih, VIII, 97. 

B. namanisaii, XIV, 67. 

B. bagiis (schoon), XXV, 39. 
Manti. 1 . K a m a u t y a n , B. t a n p e g a t (onafgebroken) , 

XXIV, 189. 
Mantu. Sund. Mak. Mad. hetz , Mal. m ë n ant u, Bug. m an i t u. 

1. Mamantu, B. onvertaald (jegens zijne schoondochter), 
II, 70. 

Mantra. S. spreuk, gebed, lied. tooverspreuk , B. ja pa, I, 41. 
B. püja, V, 67 (gebed), XXII, 53. 

2. Minantran, B. mantranin (door tooverspreuken be- 
zworen worden), I, 25. 

Mantraniatra. S. slechts een spreuk (lied), B. japa kewala, 

XXI, 150. 
Mantri. S. mantrin (raadgever, minister), Sund. helz. Mad. 

mant re, Bim. mautari. Mal. mëutëri, B. onvertaald, 



MANDA MAMI. 395 

II, 58, ()7, ITT, 2, 25, 50, VIII, 26, IX, 33, X, 3 
(man tri), (38. 
B. patih, XIII, 12, XIX, 8, XXI, 201, 2 15. 
B. sukale, XIX, II. 
man tri, 15. ra a patih, XXI, 199. 
Maiida. S. langzaam , zwak , zacht , B. a r i s (zacht) , X , 8 , XVI , 1 5. 
B. gigis, V, 32. 

B. manere t! VI, 62. De B. vert. foutief. 
2. M a n d a - m a n d a , B d a y u h d a d i (zwakker) , XX , 50. 
B. dayuh hilau, XXIV, 21, langzamerhand. 
Maudakiui. S. naam van een meer, III, 40. 
Maiidabhagya. S. ongelukkig, B. tan sadya, VI, 141, VIII, 
148, XX, 76. 
B. tani bhagya, XXI, 23, 57. 
Maudaiiiaruta. S. zachte wind, B. ar is anin, II, 2, VI, 23, 

VIII, 168, 172. 
Mandara. I. S. naam van een berg, VIII, 46. 

II. S. mand ara, naam van een boom, B. bek ui (de Indische 

appelboom), IX, 44, XI, 3, XVI , 15. Erythrina indica. 

Maudaradri. S. de berg Mandara, B. giri Qaükadwipa, 

VIII, 74. 
Maiidalpacakti. S. zwak en krachteloos , B. t u n a wi 9 e s a , VI , 59. 
Maiida^-arana. S. hulpeloos, B. uora inanulun, XXIII, 44. 
Mandra. S. aangenaam, welluidend, B. tan pëgat! II, 14. 
B. al on (zacht, langzaam), II , 9. 
B. aden, XXI, 33. 
Manmatha. S. Liefde, B. As ma ra, VII, 4, de god der liefde. 
B. Madana, VIII, 158. 
B. Smara, VII, 11 , 15. 
B. Kama, XVII, 105, 110. 
2. Manmatha, VII, 6, evenals Manmatha. 
Maiimathasaka. S. Man mat hasakha (vriend v. Manmatha), 

B. kasmaran satata! XXI, 139. De B. vert foutief. 
Mapacara. S. apacara (gebrek), B. dahat rusuh,X,9, 

feilbaar , zondig. 
Mamagha. B. maudaga, XXVI, 7? 

Maiiii. pron. poss. 1"^ pers. jdur. met uitsluiting, vgl. Fidji kei- 
ma mi, wij (exclusief) enz. (Zie B. T L Vk. 6* volgr. V, 
p. 650), B. kahi (mijn, ons), II, 38, 39, 40, VI, 188, 
VII, 96. 



396 MAYA — MaRADA. 

B. insun, VI, 140, 142. 

B. in wan, VI, 143, IX, 32 (van ons) 

B. bapa, I, 43, 44, 48 (wij). 

B. onvertaald, VI, 180, VII, 97. 

B. titjan, VI, 81, 168. 

B. meme, VI, 108. 
Maya. 1. tan maya, B. sakala (onrein) , XI, 46 , XXIV, 241 . 

2. Amaya-maya, B. Iwir lawat (zonneklaar), XXIV, 14. 
Maya. S. bedrog, zinsbegoocheling, illusie, B. iiunlap, I, 54, 
II, 36. 

B. paüunlap, VII, 77, 79 (maya), 87. 

B. kasunlap, VII, 80. 

maya, B. malinse, X, 59. bedriegelijk. 

B. lalinsen, X, 60. 

maya, B. masiluraan, VIII, 90. 

B. ma tra, XIV, 4. De B. vert. foutief. 

B. raateja! XXIV, 241. De B. vert. verkeerd. 

2. Maya-maya, B. si l u man (gedaanteverwisseling) , XV, 38. 
Mayan. 1. Mamayah, B. mabansah (voorzien van bloesem), 

XVI, 39. 
Mayarüpa. S. van bedriegelijke gestalte, B. lawat magoba, 
XII, 10. 

B. lawat go ban e, VIII, 69. 
Mayüra. S. pauw, B. mërak, VII, 18, IX, 56, XXV, 95. 
Mar. B. cëcëh (trillen?) I, 62. 

B. rahat (verslappen), VI, 21. 

B. lumah, VI, 24. 

B. den in! VII, 16. De Bal. vert. verkeerd. 

B. dahat, XVII, 109, XXV, 77. 

B. lësu (vermoeid), XXI, 151. 

2. Kamaran, B. prapanca, XIX, 32. Part. Aor. Pass. 
Mara. B. apan (opdat), VIII, 122. 

B. margga, XVIII, 10. 

B. mailde, XVIII, 23, II, 76. Vgl. m ara p wan. 
Mara. S. doodend, verderfelijk; dood, B. katëkan! XXt, 210. 
Marakata. S. smaragd, B. man red ep, V. 40, smaragdkleurig. 

B. pakaraiiab, XV, 68, smaragd. 

B. dumilah, XVI, 9. 

B. pakadepdep, XXI, 204, XVI, 20, smaragd. 
Marana. S. het doodeu , vermoorden, B. mati, XXIV, 11. 



MABAPWAN MaRDDAWA. 397 

Marapwan. B. mande, opdat, VI, 94. Vgl. ra ara. 
Marika. H. punika (toch?) V, 46, XVII, 2 (hij), Lat. ille. 
Marlea. S, uaam van een raksasa, II, 36, 37, 42, 43, X, 
23, 38. 59. 

Marica, V, 22, 29, 30, 36, 39. 
Maruta. S. de Windgod , B. Bayu, VIII, 9. 

H. pa wan a (wind). IX, 56. 
Marutaimtra. S. de zoon van den Windgod, H. tianurnun, 

X, 26. 
Marutasuta. S. zoon van den Windgod, B. llanuinan, 

IX, 9. 

Mariiti. S. hetzelfde , B. A ti n m Ci n , VII , 40 , 84 , XIX , 88 , 
VIII, 187. 
B. Hanuman, VII, 48, 49, 52, 53, 113, IX, 24. 
B. onvertaald, VIII, 81, IX, 47, 49, 65. 
B. Pawanutmaja. XVIII, 33, IX, 68, VIII, 14, 15, 

X, 10, 68, 71, XI, 5, 20, 34, 35, 36, 47, 48, XIX, 
40, XXI, 156. 

Marutputra. S. zoon van den Windgod , B. M a r u t i , IX , 79. 

B. Hanuman, XI, 13. 
Mariitprasüta. S. hetzelfde, B. Maruti, XI, 18. 

B. Hanumdn, VIII, 9. 
Marutsuta. S. hetzelfde, B. Hanuman, XI, 48, 

H. Maruti, VIII, 100, 102, XXIV, 130. 

B. Hanuman, VIII, 179, 203, 208, IX, 92. 
Markata. S. marakata (smaragd), B. pakredep, VII [, 54. 

B. mahredep, XXIII, 74. 
Margga. S. weg, B. marggi, II, 3. 

B. ha wan, XIX, 18. 

B. a wan , XXV, 1 7. 

B. karana, XXV, 22. 

B. m a m a r g i , XXVI , 45. 

2 . P i n a k a m a r g g a , B. m a k a h a w a n a n (tot weg strekken) , 
XIX, 57. 

3. M ak a m ar gga. B. hetzelfde, XXV, 22. 

4. M a r g g a , H. a w a n a n , .XI, 24. 

Mart?ga^irsa. S. naam van een maand, 15. .M arggac; i ra, 

XXI, *139. 
Mardala. S. soort van trommel, B. manëjeran! XIX, 13. 
Marddawa. S. weekheid, zachtmoedigheid, B. h al ëp, XXV, 1 1. 



398 MARMMA MaLYAWaN. 

Marmiiia. I. B. raargga (oorzaak), XVII, 104. 

II. S. inarinan (zwakke plaats), B. sëlan, XX, 43. 
Maryyjida. B. ulanun (bedeesdheid), II, 13. 
Mar.vy«i<la. S m a ry ad a, keuteekeu, B. manl u üs iiran, XIV, 17. 
Mala. S. vuil, B. tam ah (duisternis), XVII, 98. 

B. nlëtëhin, XXI, 105 (onreinheid). 

B. lëtuh, XXIV, 78. 

B. lëtëh, XXIV, 182. 

2. Mala, B. dusta, XXIV, 84, 85, 174. 
Malaüghya. S. alanghja (ontoegankelijk), B. makewëh, VI, 

142. Vgl. alanghya. 
Malaya. S. naam van een berg, VI, 149, XXI , 99 , XXIV, 260. 
Malayakya. S. Malayakhya, genaamd Malaya, B. Malaya 

kasub, XXIV, 208. 
Malayaparwwata. S. het M a 1 a y a gebergte , B. Malayagiri, 

VI, 131. 
Malayaprade^a. S. het land Malaya, B. Malayade^a 

VI, 146. 

Malayaiiiaruta. S. wind van den Malaya, B. giri anin, 

VII, 27. 

Malëiii. 1. Samalëm, B. onvertaald, den geheelen nacht, 

XXV, 87. 
Malin. B. pandun (dief), III, 79, XXIV, 54. 

B. onvertaald, XXIV, 67. 

B. mam al in, XXIV, 109. 

2. Malinan, B. pandun, XXIII, 27. 

3. M i nal in- malin, B. kasilib tan meliii, ongemerkt 
gedood worden, XXIII, 31. 

Maliui. S. kransvlechtster , B. kinari, VIII, 70. 

B. wanita, naam van een versmaat (Kern, Wrttasancaya, 78 , 
Kedara, 3, 144, Weber, 391), XXI, 168. 
Malih. B. mabalik (wederom), XIII, 59 

B. sëmalih, XXI, 184. 

B. matingal, Xtll , 75. 

2. Maliha, B. matulak (zich verzetten), XIII, 86. 

B. balikai'i (anders), XIV, 51. 
Malyakarniiiia. S. kransenvlechtend , B. matëmu karmma! 

VIII, 89 üe B. vertaling onzin. 

Malyawan. S. naam van een berg, VII, 1, 31, 44, 47, 49, 
VIII, 189, 202, XI, 16, XXIV, 209, XXV, 4. 



MAVVWAU MAHaDBHUTA. 399 

Mawwafl. B. salin kirimaii! soort vau aap, XXIV, 118. 
Mas. B. k au ca na (goud), III, 54, X, 14. 

ëmas, H. ouvertaald, VII, 15, VIII, 70. 

raas, B. kauaka, XXI, 204, 20(3, IX 42, XI, 2, 41, 
XXIII, 74, XXIV, 100, XXVI, 25, 29, Xlll, 87, 88, 

XVI, 9. 

Mastawa. verbastering vau S. usawa (gedistilleerde drank, rum) , 
B. arak, Vlll, 38, XXVI, 24, XXIV, 221, XVII, 101. 
Maha. B. suka (behagen scheppen), II, 5, 7, VI, 117, 
XXV, 38. 

B. onvertaald, 11, 8, XV, 63, XVll , 58, 75, XXi , 51, 
XXV, 97. 

B. buddhine (verlangend), Vlll, 38, XXV, 25. 

B. mahyuu (willen), XXIV, 32, XXV, 17. 

2. Uraaha, B. mabuddhi, XXIV, 36. 

B. mahyuu, XXV, 80. 

B. kahyune, IV, 17. 

B. suka, IX , 57. 

B, kaprihaii, XI, 10, Aor. Act. 
Maliakala. S. de groote Tiwa, B. Bhatara Kala, XXII, 51. 
Maliakalana. B. dahat raksasa (de groote reus), XXUI, 28. 
Maliaka^inala. S. zeer vuil, \l. puput iü na rak a. Vil, 87, 
liguurlijk (zeer onrein). 

B. mabuddhi papa, XVIII, 25. 
Mahagaja. S. groote olifant, B, ge den liman, VI, 138. 
Mabaghora. S. zeer vreeselijk, B. dahat aen, IX, 67. 
Mahajaiia. S. eeu groot man, B. siijana, XXIV, 136. 
Malultiiia. S. maha traan (de wereldziel, edel, enz.), B. para- 
ma (edel), VI, 134. 

mahatma, B. lëwih mahurip, XXI, 150 (Voc). 

B. lëwih, XXV, 94. 
Mahatyanta. S. zeer buitengewoon, B. kadahatan, XXV, 90. 
iMaliadibya. S. mahadiwya (zeer goddelijk), B. lëwih para- 
ma, VI, 71, XXIV, 182. 

B. lëwih in para ma, VI, 112. 
Mahfuiewi. S. eerste gemalin van een vorst, I, 19. 

B. onvertaald, 1, 20, VII, 51 , Vlll, 63. 

B. ratu, Vlll, 201. 
Mahadbhuta. S. zeer verwonderlijk, B. lëwih kagagawok, 

XVII, 19. 



400 MAHANTeN MAHaBaJA. 

B. kagagawok, XXIV, 215. 
Mahantèu. B. pat au i (gaanderij), XXVI, 22. 
Mahapaksi. S. mahapaksin (groote vogel), B. paksindra, 

VI, 68. 

Mahapaiia. S. lekkere drank, B lëwih bhukti, XXVI, 24. 
Mahaparewa. S. naam van een raksasa, XIX, 8, 34. 
Mahapa^a. S. groote strik, B. wigesa nin paga, XXI, 51. 
Mahaprajna. S. zeer verstandig, B. lëvrih wi kan, VI, 9, 

XIII, 42. 
Mahaprabhawa. S. zeer machtig. B. lëwih wi^esa, II, 62. 

B. lëwih suteja, XXIV, 51. 
Mahaprawira. S. zeer dapper, B, daliat praj urit, XXIII , 11. 

B. lëwih wani, XXIV, 45 
Mahabala. S. zeer sterk, machtig, B. akweh wadwa,VI, 147. 
De B. vertaling onjuist. 
B. byuh wadwa. Vil, 103. De B. vert. foutief. 
B. wi^esa wadwa, XVIIl, 32. De B. vert. verkeerd. 
B. lëwih in wadwa, XXI , 151. 
n. lëwih tëguh, XXI, 234. 
31ahabhairawa; S. bijnaam van Qiwa, de zeer vreeselijke, B. 

Kaïa, XXII, 46." 
Mahamansa. S. mahamaihsa (lekker vleesch) , B. lëwih in 

dag in, XXVI, 24. 
Mahamandapa. S. . groote zaal , B, lëwih m a n d a p a , 

XXVI, 24. 
Mahamantri. S. mahamantrin (eerste minister), B. lëwih 

patih, XII, 54. 
Maliamargga. S. groote weg, B. lëwih wrat! XXVI, 23. De 

B. vertaling onzin. 
iMahiimuni. S, groote heilige, B. maharsi, IV, 24, 46, 

VII, 20. 

B. paudita, II, 25, 45. 

B. rsi, VI, 83, IV, 16. 

B. jati, VI, 114, IV, 23. 
Mahamnrkka. S. mahamurkha (zeer dom) , B. dahat momo, 

XIX. 37. 
.Mahamegha. S. een groote wolk, B. lëwih gu lëm , XXII , 30. 
Mahamolia. S. groote verblinding, B. lëwih momo, XXI, 163. 
Maharaja. S. vorst, B. uatha, I, 31 , 34, 43. 

B. onvertaald, III, 1, IX, 64, XVII, 80, XI, 5, 44. 



MAHaRAÏNA — MAHfl^AKTI. 401 

luaharuja, B, prabhu, XVII, 78, XXI, 202 (ma ha, ra, j a) , 

XVm, 13, XIII, 30, 31, 32. 
B. bhüpati, XIII, 41, XVIII, 22, XXI, 201, 203, 
XXVI, 22, 23, 24, 37. 
Maharatna. S. kostbaar juweel, B. lewih rat na, XXVI, 24. 
Mahfirainya. S. mahuramya (zeer aaugenaam), B. lëwih 

ha lep, III, 15. 
Maharddlilka. S, maharddhika (zeer rijk, machtig), B, pan - 
dita, I, 11, V, 65, VI, 12, XVII, 38. 
B. putus, VIII, 146, XXI, 91. 
B. manditain, IV, 60. 
B. rsi, VI, 17, XV, 7. 
B. kadharmman, VI, 140, 191. 
B. lëwih dharmma, VI, 87. 
B. lëwih sadhu, VI, 113. 
B. mawi^esa, VI, 147. 
B. lëwih in putus, XXI, 151. 
B. san wruh, XXIV, 32. 
B. mëlah pan ij ik, XXV, 96. 
Mah3,rsi. S. m a h a r s i (groote ziener) , B. m a h a m u n i n d r a , 
I, 19, II, 28, V, 81. 

B. jatiwara, I, 41, XX, 22, XXI, 151. 
B. pandita, II, 21, 29, I, 30, 37, 42, 53, 58, III, 38, 

XXI, 150. 
B. y at i, I, 45, 52, 56, II, 42. 
B. rsi, I, 57, II, 25, 31 , 45. 
B. mahamuni, II, 20, XVII, 32. 
B. mahapandita, I, 31, XXV, 7. 

B. bhagawau, II, 53, VIII, 151, XVII, 30, IV, 2, 14, 
15, 21 , enz. 
Mahiirsiwara. S. maharsiwara (voortrefïelijkste der groote 

zieners), B. yati, I, 40. 
Mahawanara. S. groote aap, B. magön plawaga, IX, 3. 
Mahawira. S. groote held, B. ma ha purusa, XXII, 53. 
Mahawisa. S. groot vergif, B. lëwih ma upas, XXIV, 83. 
Mahawisaya. S. naam van een pijl, XXIV, 59. 
Mahawrksa. S. groote boom, B. kayu gëde, XXII, 51. 
Maha^akti. S. zeer krachtig , machtig , B. lëwih w i 9 e s a , XIII , 
66, 79, XIX, 9, VII, 47. 
B. dahat wi^esa, I, 50, VI, 87, VII, 103. 

26 



402 MAHagAKTIMaN — MAHO. 

2. Mahagaktja, B. lëwih wipesa, X, 64 (Conj. na 
kadi). 
Maha^aktiniaii. S. hetzelfde , B. raawipesa lëwih, IX, 46. 
Malia^üra. S. groote held , B. mahapurusa, IX , 80. 

B. lëwih w a n i , XIX , 11. 

B. dahat wani, XX , 24. 

B. lëwih in prajurit, XXII, 53. 
Mahasagara. S. groote oceaan, B. lëwih jaladhi, XVI, 8. 
Mahasatya. S. zeer trouw, B. lëwih satya, VI, 31. 
Maliasatwa. S. mahasattwa (edel, groothartig) , B. lëwih in 

pandita, VI, 49. 
Maliïisadliu. S. zeer goed , B. lëwih d h a r ra m a , VI , 101. 

B. lëwih patut, XIII, 88. 
Maliasaphala. S. zeer vruchtbaar, B. lëwih phalana, 

XXIV, 194. 

Mahasara. naam van een muziekinstrument, B. këmpul (soort 

van gong), XIX, 13, XXII, 3, XXVI, 23. 
Mahasinhaiiada. S. groot krijgsgeschreeuw , B. lëwih pabda 

ga lak, XXII, 53. 
Mahiiiian. S. grootheid , heerlijkheid , macht , B. 1 i m u n , 

XXV, 27. 

B. gaücan, XXV, 27. 
Maliiraudhra. S. mahïrandhra (aardspleet), B. rii'i alas! 

VIII, 132. De B. vert. foutief. 
Mahisa. S. buffel, B. krëwag, XXV, 63, XXVI, 43. 
Maliisasura. S. naam van een daeraon , VI, 156. 
Mahendra. S. naam van een berg, XI, 7, 50, 57, 60, XIII, 

22, XV, 1 , XIX, 53, XXII, 52. 
Maliendraparwwata. S. de berg Ma hendra, B. Mahendra- 

giri, VII, 106, XXIV, 207. 
Mahendrasayalia. S. pijl van den grooten In dra, XXIII, 19. 
Mahe^wara. S. bijnaam van Ciwa, VI, 135. 
B. Maipwara, XXI, 134. 
B. Ciwa, XXVI, 25. 
Mahe^-wara. S. Ciwaiet, B. bhüpati! I, 7. 
Mahe^wara^ara. S. pijl van (^iwa, B. Mahecwarastra, 

XXIII, 64. 
Maho. B. dahat! (helder), II, 10, XVI, 26. 

B lëwih! (helder), VI, 117, VIII, 45. De B. vertaling 
verkeerd. 



.MAIIOCCA MITilA. 403 

Mahocca. S. zeer hoog, B, sa wat, XL, 53, 

Mahojvvala. 8. raahojjwala, zeer stralend, B. lewih duini- 

lah, VIII, 5G. 
Maliodadhi. S. groote zee, oceaan, B. saga ra, XV, 29, 

XXIV, 207. 
Mahodara. S. eigennaam, XXIII, 84, 85, naam van een rak- 
sas a. 
Maliosadlia. S, m a h a u s a d h a (voornaam geneesmiddel) , B, t a m- 

b*a, XXIII, 31. 
Mahosadhi. S. mahausadhi, hetzelfde, B. hetzelfde, XXIII, 
31 , 33. 
B. m a h o s a d h a , XXII [ , 33. 
Mëgëgëh. B. magëjëran, XXIV, 22, kreunen. 

B. madëkësan (kermen), XXIV, 144. 
Mëndur. B. mënuh (de mëlatibloem) , IX, 44, XVI, 36, 

' XXV, 86, XVII, 120. 
Mëtah. Jav. Sund. Mal. mëntah, B. mat ah (rauw), VIII, 33. 
Mëtta. S. m a 1 1 a (opgewonden , uitgelaten , dronken) , Mal. m ë t a , 

B. galak, XXV, 23, V, 38. Vgl. matta. 
Mëna. 1. Samëna, B. sin nuju (alle?) V, 26. 

2. Kamëna, B. ri kula (hoe.?) XIII, 31. 
Mëne. B. jani (nu), II, 25, VII, 75, XIII, 22, XIV, 52, 
XVIII, 27. 
B. mankin, XIII, 12, XIX, 30. 
B. ne jani, XXI, 9, III, 20. 

B. ne mankin, V, 8, 55, 63, XX, 39, VIII, 100, IX, 4, 
87, XI, 2, XIII, 31, XIV, 27, 40, 41, 68, XVII, 49, 
XVI, 22. Vgl. mënya. 
Mënya. B, ne, VI, 73, nu (vgl. mëne). 

Mëinbaii. B. intaran! ontluiken, XXV, 75. De B. vert. foutief. 
Mërënët. B. binah-binuh? XXVI, 25, scherp? 
Minak. Mal. Men. Day. hetz.. Mak. Bug. miüu, B. lënis 
(olie), I, 27, XXV, 12. 
B. ëmpëhan, X, ,2, XXI, 207. 
2. Minak susu, B. hetzelfde (melk), II, 12. 
Mitra. S. vriend, B. masihan, XII, 22. 
B. masampriti, I, 7, VII, 38. 
B. kanti, XIII, 75, VI, 152. 
B. kasih, XIII, 24. 
B. sampriti, XIII, 66, II, 62, VIII, 192, VI, 94. 



404 MITRAGHNA — MUKA. 

B. sumitra, VI, 68, VIII, 13. 

B. masumitra, VIII, 16. 

B. pamitra, VII, 88, XIII, 71, 83. 

B. kasihan, XIII, 68. 

B. sahaja. III, 64, VI, 91, 170. 

2. Mitra, B. kan tin in, zij (uw) vriend, VI, 113. 
B. mapamitra, VI, 90. Conj. na yan. 

3. npakamitra, B. maka pa m itran, dat (ik) tot vriend heb, 

VI, 18. 

4. t pakaraitnl, B. mapamitra (gij hebt tot vriend), X, 
15. Conj. na yat. 

5. Ma mitra, B. mapamitra, jegens (uw) vriend, VI, 72. 

6. Pamitra, B. makanti, VI, 150, vriendschap. 
B. makasihan (vriendschap), VI, 152. 

7. Pamitran, B. hetz., XIII, 55. 

8. Minitra, B. masumitra (als vriend behandeld worden), 

VII, 45. Pass Dur. 

9. Pinakamitra, B. makadinya masihan, XXV, 63, 
als vriend beschouwd. 

10. Makamitra, B. ika sumitra, VIII, 9, een vriend zijn. 

11. Amitra, B. ma pami tra, X , 16, 20 (een vriend hebbende). 
B. kakasihan, X, 36, XIII, 56. 

12. Amitra, B. masampriti (als vriend), X, 55. 

13. M itran, B. mam i tra (te vriend te houden), X, 36. 
Mitraghna. S. naam van een raksasa, XIX, 9, XX, 25, 

XXII, 14. 

Mithila. S. naam van een stad, II, 53, 61, XXIV, 151. 

Mithya. S. tevergeefs, B. liüok (leugenachtig), VI, 61. 
B. el on (onbetrouwbaar), VI, 168. 

Mina. S. visch , B. iwak, XV, 20, 21. 

Mirah. Mal. Men. merah, B. rakta (rood), XXIII, 75. 

Mi^ra. S. gemengd, B. mawor, XX, 2, vermengd. 
B. manigël! XXII, 59. De B. vert. foutief. 
2. Mami^ra, B marok, XXV, 77, hetzelfde. 

Mn. Mal. hetz., B. iba (u) , II , 37 , 69 , 73, V, 30 (uw), 32, 
33, 35, 56, 57, 58, IX, 64 (minachtend), XIV, 50, 57, 
58, VIII, 42, 51, 129, 130 (uw), 141, X, 28, 32, 35 
(u), 36 (uw), 40, XVIII, 5, 25, 26. Vgl. mwa en nyu. 

Muka. S. mukha (mond, gezicht). Mal. Men. Atj. hetzelfde, 
B. wadana (gelaat), XIV, 59, II, 77, X, 69. 



MUKAPADMA mAiJHA. 405 

B. prarahi (gelaat), IV, 43. 
B. go ba, VllI, 16, IV, 73. 
B. uaiia, VIII, 62, XIV, 13. 
B. mwa, VI, 110, XIX, 2. 
B. bunut, VIII, 74, IX, 41. 
B. rahi, XIV, 40, XX, 62. 
B. cankëm, XIX, 125. XXI, 16. 

B. raowa, XXIII, 1, V, 36, XII, 13, 46, VII, 24 , VIII , 
106, XI, 58, XXI, 4, XX, 3, 18, 37. 
Mukapadiiiii. S. m uk hap ad ma (lolusgezieht), B. wadana, 
XII, 42. 
B. lu o \v a b u u t e r , X , 26. 
Mukawasa. S. inukhawasa, parfum voor dcu mond, om den 
adem welriekend te maken , B. pau u pa waya (odeur) , XVI , 18. 
B. sadsad muka (zalf), XVII, 116. 

2. Mamukaw^sa, B. maii upa waga (zich den mond zalven) , 
XII, 32. 
Mliktiliiin. B, m a n u ii g i n (overhangen) , XIX , 1 22 , buigen , 

bukken. 
Mukta. S. paarl, B. naranab! XXI, 204. De B. vertaling 

verkeerd. 
Mukti. S. verlossing, B. nilanan, XXV, 35. De B. vert. foui. 

2. Muktya, B. pëjah (te zullen sterven), XIX, 63. 
Mukya. S. raukhya (eerste, vooruaamstc, beste), B. panarëp, 
n, 58, XXI, 201 (eerste). 
B. uttama, III, 4, VIII, 84. 
B. adi, VII, 113, XVm, 19. 
B. parama, III, 62, XXV, 5. 
B. lëwih, XIX, 8, 66, XXIV, 239, XII, 54. 
Muk8a. S. mok sa (verlossing), B. mat inga 1 (verdwijnen), 

XXII, 53. 
Muiisuh. Vgl. musuh, B. catru (vijand), 1, 53. Mal. Sund, 

musuh, Bim. musu. 
Miulha. S. dom, dwaas, B. bëlog, X, 36, 55, XIII, 96, 
XXI, 104, IV, 56, XXIV, UI, XVIII, 47. 
B. tan wrin panrasa, XllI, 7, XVIII, 43. 
B. kolok, II, 17, XIX, dS. 
B. jële, II, 37, X, 27. 
B. puüguü, II, 42, VIII, 69. 
B. ibüg, Vil, 45, 46, XIII, 34. 



406 MUtUTUn MÜ RCC A . 

Mututun. Z. ututun. 

Mutya. S. paarl, B. m ut e h ara, XI, 64, XXIV, 63, XXVI, 

24, enz. 
Mutyahara. S, mütyahara, hetzelfde, B. hetzelfde, VI, 124, 

YIII, 55, IX, 43, XV, 27, XVI, 9, XXI, 204. 
Muda. S. vreugde, 1. Amuda, B. malalu(n), verheugd, 

XXV, 54. 

Mudita. S. mudita (vroolijk, zich verheugende in), B. asih, 

X, 58, XXV, 29. 
Mudgara. S. hamer, B. palu, IX, 85. 
Muna. B. nalahan (overwinnen), XXV, 21, zwijgen? 

B. mamëgën, VI, 165. 
Muni. S. wijze, ziener, asceet, monnik, B. rsi, VI, 154. 

B. san putus, VI, 172. 

B. pandita, XXV, 40. 
Miinindra. S. voortreffelijke wijze, B. onvertaald, XXI, 143. 
Mimiwara. S. beste der wijzen, B hetzelfde, III, 56. 
Murawa. S. muraja (tambourijn) B. këndari, XXI, 207, 

XXVI, 25 (bekkens). 
B. reyon, XXII, 3, 4. 
B. tarompon, XXV, 11. 

Murëgaii. B. iijërinan (overeind staan), XX, 47, van haren 
van een stekelvarken. 
2.Umurgan, B. raanjërinaii, IX,23, hetzelfde (Aor. Act. lud.). 
Muriinut. B. manas, VI, 137, bevreesd? 

2. Umurunut, B. gambren (behaard, ruig?) XXIV, 123, 
of : bevreesd ? 

3. Mamurunut, B. rënas (schichtig), VI, 167. 
Mtirkka. S. mürkha (dom, dwaas, domkop), B. mom o, VI, 

30, 175. 
B. lobha, XXI, 194, VIII, 199, II, 39. 
B. raksasa! VI, 18, X, 56, IV, 6, 9, IX, 71. 
B. ankara, XI, 29, VI, 16. 
B. kalana, XXIV, 125, X, 13. 
B. karaksasan, XVIII, 43, X, 25. 
B. onvertaald, X, 1 , 41 , 47 , 48, 49 , 54, XXII, 28, IV, 

45, 54, XIX, 81, 105, 107, 108, VIII, 69, 197, IX, 

89, XI, 46, XV, 44, XIII, 7, XIV, 14, 68. 
Mürcca. S. mürccha (onmacht, bewusteloosheid), B. palin 

(bewusteloos) , II , 24. 



MÜRCCITA ^MUSUH. 407 

B. ënsap, XXI, 197, VI, 27. 

B. lali, XII, 9, 11 , IV, 34. 

B. tan melin, X, 61, VI, 23, 71, 196, XIX, 14, 76, 

85, 108, XX, 25, XXI, 15, 175, 177. 
Mürccita. S. rnArcchita, bcwusicloos, B. palin, lil, 1'», 

IX, 48, VII, 5, VllI, 166. 
B. ënsap, III, 22, XV, t30. 
B. m a lu a li n a n , IV, 41, XI , 76. 
B. lali, XII, 7, XI, 86, XXII, 86, XX, 62, XXI, 2, 

3, 5, 77, XVII, 22. 
Müla. S. wortel, oorsprong, begin, H. kamuiau, XXTl, 39. 

B. pan T' ni b c n i n , XXV, l . 
Miilysi. 8. i)rij.s, waarde, loon, verdienste , B. ut ta ma (kostbaar), 

I, 13, XXV, 93. 
B. patftt, X, 25, XXV, 80. 
B. lëwih, XQI, 87, XXin, 33. 
B. iuuttama, I, 41, XXIV, 67, 68. 
B. kauttamayan, I, 42, XXVI, 37. 
B. halus, XXI, 206, XXV, 23, 31. 
B. para ma, XXIV, 239, XXV, 38. 
Muwali. B. malih (wederom), VI, 74, 95. 
B. n a m a 1 i 11 i u , 1 , 45. 

B. onvertaald, III, 36, 37, 40, V, 43, 85, VII, 13. 
2. Urauwah, B. malih, II, 45, IV, 14 , VII, 98 , XI , 31. 
B. malihiu, VII, 99. 
B. namalihin, VIII, 117. 
B. onvertaald, XV, 46, XXI, 36, IV, 26. 
Mu^ala. S. m u s a 1 a (knots) , B. onvertaald , XIX , 3 , XXI , 233 , 

234, 235, 236, XXIII, 63, XXIV, 4. 
Musti. S. vuist, B. tanau, XX, 29, XXI, 216. De B. vertaling 

onjuist. 
B. nrëgëp (greep), XXIV, 27, Absol. 
2. Minusli, B. kap uk ui (met de vuist geslagen worden), 

XX, 26, XXIII, 12, 15, Pass. Dur. Ind. 
B. pukul, XXIII, 46. 
Musuli. Mal. Suud. hetz. , Bim. musu, Jav. munsuh, B. 

,;atru (vijand), III, 1, 42, 64, 81, IV , 44, 45, 62 , 1 , 4 , 

54, II, 17, 31, V, 63, 81, VI, 14, 16, 70,76,82,90, 

137, 154, XIII, 20, 22, 28. 
B. ripu, XXIV, 60, XI, 30. 



408 MUHA MEGHANaDA. 

B. onvertaald, VIII, 129, IX, 76, XIII, 90, XIX, 75, 

XXIY, 78. 
2. Mamusuh, B. rin ^atru (strijden), XIX, 14, Vgl. 
m u nsuh. 
Muha. S. moha (verblinding). l.Muha-muha,B. liubat-abit! 

verblind, XII, 52. 
Mrga. S. hert, antilope, gazelle, B. buron , IV, 18 , V, 41 , 57. 

B. sënggah, VIII, 44. 
Mrgapati. S. heer van 't wild, B. macan, VII, 56. De Bal. 

vertaling hier verkeerd. 
Mrtajlwaiii. S. doeden opwekkend , B. mrta paüurip , XXIII, 32. 
Mrtyu. S. dood, B. kalantaka, IV, 5, V, 10, VII, 90, 
XXII, 46. 
B. onvertaald, VIII, 62. 
B. pati, VI, 178. 
Mrdu. S. week, zacht, zwak, langzaam, B. man is, II, 18 
(zacht), VI, 119. 
B. nunur, VIII, 97, XXIV, 56, 126. 
B. halus, XVII, 108, XIX, 45, XIII, 2. 
B. iiënër, V, 67, XXV, 11. 
B. halëp, XVI, 39, XI, 8, V, 13. 
B. balut, XX, 79, V, 72. 
B. lëwih, XXV, 24, XII, 23, XXI, 92. 
Mrdupallawa. S teedere twijg, B. Iwir pasëpan! VIII, 164. 
Mrsawada. S. onwaarheid sprekend, B. madwa rih ujar, 
I, 6. 
B. madwa (onwaar), VII, 105. 
mrsawada, B. liüok, XVII, 32. 
Mrsodita. S. hetzelfde, B. tanpa unduk, V, 54. De B. ver- 
taling verkeerd. 
2. Mrsodita, B. tan kasambrama, VIII, 113, Conj. na 
y a d i y a n. 
Megha. S. wolk, B. gulëm, I, 5, II, 33. 
B. ima, II, 16, VII, 3. 

B. onvertaald, V, 1, XI, 87, Xli, 64, VI, 149, IX, 35, 
XV, 32, XIX, 13, 70, XXI, 171,227,241, XXII, 
48, 49. 
Meghanada. S. bijnaam van Indrajit, IX, 60, 65, 67, 74, 
XX, 52, 55, 57, XIX, 34. 
B. Indrajit. IX, 85, 86, 87. 



MEJINI MOGIIA. 409 

Mejini. verbastering van S. .Ta i mini, naam van een ouden 

leeraar, B. boda, XXV, 20. 
Medha. S. eigennaam, XXI, 145. 
Menakagiri. S. Mainakagiri (naam van een berg), B. Me- 

n a k a g u n u n , VIII , 8 , 15. 
Menda (Maiiida). S. Mainda, naam van een aap, XVIII, 18, 
XIX , 40 , XX , 29 , XXII , 58 , XXIII , 43 , 44 , XXIV , 243 , 
XXVI, 23. 
Mem. S. naam van een berg, B. girindra, I, 14, XI, l, 
XIX, 98, XX, 70. 
B. onvertaald, VI, 177, IX, 42. 
B. Mahameru, VIII, 77, XI, 12, 51, XXII, 46. 
Merutulya, S. gelijk de Meru, B. girindra upama, XI, 1, 
XV, 69. 
B. Meru upama, XVIII, 14. 
B. Mahameru upama, XXI, 101. 
B. Meru Iwirnya, XXII, 73. 
Merusawarnni. S. naam van een danawa- vorst, VII, 74. 
Melëm. B. Iele (naam van een riviervisch) , XXIV, 126. 
Maitri. S. ma itr in (vriend), B. suka atuluii hurip, XXIV, 

107, adj. 
Maithila. S. vorst van Mithila, XVII, 13, 16. 
Maithili. S. bijnaam van Sita. II, 77, III, 14, 16, VI, 22, 
23, 28, 34, 116, 200, VII, 9, 31, 51, 52, VIII, 63, 
80, 82, 113, XI, 4, XIV, 45, XVIII, 41, XXI, 76, 
XXIV, 255. 
Mo. B. mawëtu! nu eens — dan weer , XX, 9 , XXIV , 12 (of). 

B. yadin (of), XIII, 86, XXII, 75, om. Vgl. mon. 
Moksa. S. verlossing, B. svvargga, XXIV, 85. 
B. mokta (gestorven), IV, 14. 
B. mulih in swargga, VI, 113. 
2. Kamoksan, B. swargga (verlossing), IV, 10. 
B. swarggan, IV, 11. 
B. kaswarggan, XXIV, 71. 
Mok^atmaka. S. wiens ziel verlost wordt, B. lëpas phalana, 

XXIV, 44. 
Moksapada. S. plaats van verlossing, B. swarggaloka, XVII, 97. 
Mogiia. B. wasu (immers), VI, 127, VII, 3, 18, 76, VIII, 
174, XXI, 201 (en toch). 
B. wyakti (ook), VII, 78. 



410 MOh MOHANÉlSTRA. 

B. dadi (toch), XI, 77, 88. 
B. wëtu (steeds), XI, 67. 
B. mawastu (toch), XII, 41. 

B. mawëtu, XXI, 5, XXIY , 40, XV, 16, XI, 2, 85, 
XII, 17, XIII, 6. 
Mon. I. B. macan (tijger), II, 26, 27, V, 71, VI, 33, 137, 
139, XII, 61, XIV, 68, XVII, 14. 
B. puwun, XIII, 29, X, 47. 

B. onvertaald, XIX, 86, 107, XXI , 198, VIII, 44, XIX, 99. 
II. 1 . P a m o n i , B. p u n p u n a n , zorg voor , let op , XXI , 
47. Imp. Pass. 
Moila. S. parfumerie, B. tanusan, XXVI, 25. 
Modakamla. B. baboreh (zalf), XVII, 101. 
Mou. B. lam uu (indien), XVII, 68. Vgl. mo. 
Moua. S. mauua (het zwijgen), B. mamëgën, VIII, 30, 91, 
XVII, 107, XXV, 40. 
B. sirëp, II, 26. 
B. ma mon a, VI, 165, XXV, 39. 
B. sijëp, VI, 172. 
B. rëgëp, XXI, 142. 
B. mëuën, XXI, 198. 
Moni. S. maunin (stilzwijgend), B. maswara! II, 26. 
Momo. B. brëgah (onnoozel) , VI, 61. 
B. obah, VI, 165. 
B. palii\, XI, 2. 

B. onvertaald, XVIII, 43, XXI, 194. 
B. ankara, VIII, 61, XIII, 29. 
Molya. S. maulya (aan den wortel zijnde), B. mabahan, V, 

83, luisterrijk? 
Moha. S. verwarring , verbijstering , verblinding , B. p a 1 i n (ver- 
ward) , III, 67, VII, 37. 
B. momo (dwaling), VI, 103, VII, 7, 9, 15, XV, 14. 
B. loba (dwaas), VIII, 128. 

B. bunön (verbijsterd), XIX, 106, XVIII, 43, dom. 
Mohacitta. S. verbijsterd van geest, B. paliii man ah e, 

XIX, 5. 
Mohana(^ara. S. verblindende pijl, B. W imoha na ya ra , XXIII , 

26 , eigennaam v. e. pijl. 
Moliauastra. S. hetzelfde, B. m oh a na 9a ra, XXIII, 27, het- 
zelfde. 



MOHITA — MWIT (mWIt). 411 

Mohita. S, verward, verbijsterd, B. palin , XI, 2 , IV , 59 , 
VI, 48, 127, VII, 18, 20, 78, 98, XII, 52. 
B. mambuduh, VIII, 169. 
B. palifian, XV , 37. 
Mpu. Bat. ompu, Day. tempu, Mak. Bug. opu. Bis. ampu, 
Malag. toinpu, B. gamël (heer), XIX, 89. 
B. brahmana, XXVI, 23. 
Mrak (mrak). B. onvertaald , pauw , VTl , 25. 

mrak, B. mayura, XXIV, 105, 106 (mrak), 260, XXV, 
24, XXVI, 25. Vgl. Mal Sund. mërak, Bug. maraq. 
Mak. ma ra. 
Mrik. B. mihik (welriekend), IX, 44, XI, 8, XII, 32, 36. 
Mwa. B. iba (door u) , Conj. vau mu , II , 41 , VIII, 141 (Imp.), 
X, 29 (Gerund.), XIV, 54 (Conj.), minachtend. Vgl. mu. 
Mwak. 1. Am wak, B. nareyak (schreeuwen), XXV, 70. 
Mwan. B. miwah (en), I, 6, 24, 29, II, 48, 73, III, 54, 
55, 56, 64, 68, 80, 81, 83, 85, VI, 33, 140, 193, IV, 
58, VIII, 76, 174, IX, 43, 46, X, 71, XI, 11, XX, 

52, XXI, 121, 134, V, 20. 

B. rin (met), I, 59, XXI, 215 (en), XXII, 46 (met), 72 
(met), XXV, 75 (en), VII, 100 (met), XVIII, 48 (met). 
B. tëka nin (met), III, 79. 
B. n la wan (met), VI, 50. 
B. onvertaald (en), VI, 114, 120, 121, 122, VII, 48, 50, 

53, VIII, 10, 72, XII, 34, XIV, 54,60, XVI, 16, 
XVII, 112, 116, 118, XIX, 10, 24, 30, XX, 21. 

Mwas. I. B. mem bah (stroomen), XXVI, 25. 

2. Mamwas, B. hetzelfde, VI, 163, XXII, 63, XXVI, 23. 

II. tan pamwas, B. tan lak sa na (niet getroffen)? XXIV, 5. 
Mwit (mwit). l.MamwitjB. mapamit (afscheid nemen), IV, 10. 

B. amit, II, 66, III, 85, VI, 202, 203. Act. Dur. 

2. Amwit, B. hetzelfde, I, 61, XIV, 70, XVII, 26, XIX, 
31 (amwi t), VI, 45. 

B. unin! XIX, 24. De B. vert. foutief. 
B. mapamit, XXI, 60, XIX, 27. 

3. Mamwita, B. papamit (zal afscheid nemen), XXI, 113. 
B. mapamit, IV, 11, VI, 192, XXI, 203. 

3. Amwita, B. hetzelfde, XXI, 54 (om afscheid te nemen). 
Zie wwit. 



412 YA YAjnA. 



Y- 



Ya. B. onvertaald, die, II, 5, 9, 14, 15, 24, 26, 43. 

B. ika (pron. 3" pers.), Iban. Pamp, hetz. , Mak. a, Day. 

ia(?) Mal. Dair. Bug. ija, II, 33 , III, S , 15, YI, 44, 153. 

B. yen (pron. demonstr.) , V, 38, 84, XXIII, 45, 51.DeB. 

vert. foutief. 
B. punika, V, 51, II, 25. 
B. yan, V, 14, VI, 178, 187, VIII, 115, XX, 70, XXI, 

63 (die), 78, XVII, 77, XIX, 94. 
B. wyakti (waarlijk), VI, 200. 
B. to (pron. demonstr.), II, 54. 
B. iya, III, 78, 79, V, 11. 

B. këma! dat, IV, 3, enz. Vgl. yata, yatika, enz. 
Yak. B. y a (als, verbonden met 't pron. 1^ pers.), XI, 23, 

VI, 127. 

B. yan (als ik), XXI, 79, XXVI, 42, VI, 126, X, 15, 

VII, 27. 

B. yen, XXIV, 159, 226. 

B. yadin, VIII, 84. 

B. lëwih! VIII, 173. 

B. uu, IV, 64. Vgl. ak, k. 
Yaksa. S. soort van halfgod, B. onvertaald, XIV, 10, XXI, 

63, 136, XXII, 40. 
Yajurweda. S. naam van een der We da 's, 1, 19. 
Yajiia. S. offer, B. mayajna, V, 9. 

B. onvertaald, VI, 159, I, 21. 

B. punya, I, 22, 25, II, 49. 

B. papuuya, I, 24, IV, 46. 

B. payajnan, II, 30, 45, V, 27, XIV, 32, XVII, 30, 
XXI, 140, XXII, 53. 

2. Mayajüa, B. mapunya (offeren), I, 43. 
B. mahoma, V, 25, VI, 159. 

B. onvertaald, V, 81. 

3. Mayajna, B. mahoma, VI, 159 (te offeren), Conj. 

4. Ayajiia, B. mapunya, II, 30. 

B. payajnan (offerende), II, 39. De B. vert. foutief. 

5. yan payajna, B. mayajna (dat offerden), II, 45, met 
nadruk op 't vorige. 



YAT YATEKI. 413 

6. Ayajüu, B. ma h o ma (om te offeren), I, 23, Coiij. 
Yat. B. ya (dat gij), III, 7(5. 

B. yen (als gij), VI, 101, 102, X, 21, V, 23, VII, 29, 
52, XQI, 79, XXIV, 223. Vgl. yad. 
Ya ta. B. maükana (dit nu), I, 2. 
B. punika, I, 31, II, 2, 16. 
B. kantënaüa, III, 54, 74. 
B. ne, III, 55, V, 12. 
B. onvertaald, III, 61, 69. 
B. wyakti, III, 77, V, 87. 
B. kene, II, 41, deze nu. 
B. to, XI, 11. 
B. ya, XI, 39. 
B. ya to, XIII, 60, 65. 

yata, B. ika, VII, 45, enz. Vgl, ya, ta, yatika, yati- 
kana, yateka en yatekana. 
Yatanyaii. B. mande (opdat), XIII, 8, 13, XXI, 164. 

yathauyan, B. kantënana, XXI, 47. 
Yatika (yatika). B. punika (deze nu), I, 41, IV, 2, 16, 
yatika, XVII, 4. 
yatika, B. sapunika, V, 12, dit nu. 

yatika, B. marika, VItl, 29, enz. Vgl. ya, ya ta, yati- 
ka n a en yateka. 
Yatikana. B. punika, hetzelfde (versterkt) , VII , 69 , XVII ,131, 

XII, 63. Vgl. ya, yatika enz. 
Yateka. bestaat uit yata en ika, B. k e t o , hetzelfde als yatika, 
I, 10, II, 36. 
B. punika, IV, 18. 

B. sapunika, III , 31, enz. Vgl. yatika, yatikana en 
yatekana. 
Yatekana. bestaat uit yata en ikana, B. ya punika, het- 
zelfde (versterkt), III, 75, XIX, 65, XXIII, 50, XXIV, 
60, VIII, 143. 
B. wyakti ika, VI, 2, enz. Vgl. yatika, yatikana 
yateka en yateka hen. 
Yatekaliëu. B. ya punika, hetzelfde, XIX, 57, deze nu. 
Yateki. B. dan e punika (hij nu), V, 87. 
B. ya neuenan (dit hier), VlII, 212. 
yateki, B. ya ene, XXII, 38. 
yateki, B. ya puuiki (deze hier) , IX , 90. 



414 YATNA YATHaSUKA. 

Tatna. S. moeite, zorg, inspanning, B. wikan (zorgvuldig), I, 

18, VI, 20, 27. 

B. pëdas (ijverig), I, 46, XI, 96. 

B. wihikan, IX, 92 (behoedzaam), XV, 63. 

B. onvertaald, II, 24, VIII, 61. 

B. tanar, III, 60, VIII, 26. 

B. priksa, VI, 39, III, 58. 

B. prayatna, VIII, 63, XIX, 16, 28. 

B. pariksa, III, 80, XIX, 73. 

B. priksayah, III, 84, IV, 56. 

B. tan mari, XX, 12. 

2. Kayatnakëna, B. taiiarin pisan (pass. van //wacht u 
voor//), VII, 50. 

B, tanar in, XVIII, 32, Juss. Pass. 

3. Yatna-yatna, B. priksain apaii tanar (let goed op) , 
VII, 52. 

4. Kayatna, B. p riks ai (worde gestreefd), XIII, 52, 54. 
Imp. Aor. Pass. 

5. Yatna, B. tanarin (zou op zijne hoede zijn), XVIII , 
30, XXII, 65. 

B. apan tanar (wees op uwe hoede), VIII, 50, 51, Juss. 

6. Yatna-yatna, B. taüar-taharin (let goed op), XIX, 

19, Juss. 

Tatra. S. gang, tocht, marsch, enz. 1. ar payatra, B. maca- 

d a n (dat op weg zal gaan) , XXIV , 238. 
Yathakrama. S. yathakramam (volgens de rij , successivelijk) , 
B. sapunika tinkah! VI, 198. De B. vertaling 
foutief. 
Yathalalana. S. naar hartelust, B. ika palila, XXVI, 22. 
ïathiUila. S. als scherts, B. mande lewih! XV, 42, 
Yathasanibhawa. S. zooals mogelijk is, B. kantënana lëwih 

(naar behooren ?) XII , 49. 
Yathasuka. S. yathasukham (naar hartelust, behagelijk) , 
B. nrënani, VI, 151. 
B. sapunika suka, XVIII, 3. 
yathasuka, B. ika lilayan, VIII, 11, 
B. nustani, VIII, 121. 
yathasuka, B. wyakti kawiryyan! VIII, 130. De B. 

vert. foutief. 
B. enak (gerust), XVI, 12. 



YATHEStA YADIYAPIN. 415 

Yathesta. S. naar wensch , B. ika lëtuh! XXI, 83. De B. ver- 
taling onzin. 
Yad. B. ya (dat gij), III, 70, voor (7, VI, 193 (vóór b h.). Vgl. y at. 
Yadi. S. wanneer. B. dyastuu, III, 46, 72. 

B. yen, X , 53, 

B. yan, VIII, 135. Vgl. yadi ya, yadi yat, enz. 
Yadi ya. B, yeüaue (als hij), XIX, 107. 

B. yena, XXllI, 44. Vgl. yadi, ya, yadi yat, enz. 
Yadi yat. B. yeüa (als gij), XVII, 12, XXI, 149. 

B. yan, IV, 47, 62, 64. Vgl. yadi, yadi ya, yadi yan. 
Yadi yan. B. yen iya (bijaldien), V, 76. 

B. yen twah, II, 69, VIII, 142. 

B. yan ipun , V , 7 , 71. 

B. yena, XXI, 13 (wanneer), XVIII, 9. 

B. yena, XXII, 65. 

B. yen, II, 75, XVII, 16. 

B. yen wantah, VIII, 150. 

B. yen in, V, 38. 

B. yan twah, VIII, 129, XVII, 36. 

B. dyastun, VIII, 132, XVII, 13. 

B. d a d i , V , 31. Vgl. y a d y a n , yadi, yadi y a , enz. 
Yadiil. B. dyastun (als), III, 29, 52, XIII, 51, 55. 

B. yadyastun, XVIII, 41, XXI, 67. 

B. yen, XXI, 11, 203. 

B. yan in, XXI, 67. 

B. yena, III, 74, V, 62. 

B. yena, III, 75, VII, 51, Vill, 133, XIII, 26, 34. 

B. lamun, XXIV, 163. 

B. ya, XXVI, 25. 

B. onvertaald, IV, 65, VI, 188, IX, 59, XIII, 32,38,55. 
77, 88, XV, 43, XIX, 93, XVII, 53. 
Yadiyapi. S. yadyapi (ofschoon, wanneer ook), B. yadyas- 
tun y a , V , 38. Vgl. yadyapi. 
Yadyaii. B. dyastun (wanneer) , XI , 30. Vgl. yadyapi en 

y ady api n. 
Yadyapi. S. ofschoon, hoewel, B. yena, IV, 44. Vgl. yadi- 
yapi en yad y apin. 
Yadyapin. B. yad in (ofschoon), II, 52. 

B. dyastun, VII, 103, IX, 93, XIV, 15, XXI, 78, 85, 
100, X, 24, XXIV, 132. Vgl. yadyapi en yadiyapi. 



416 YADYA.N YA MA BR ATA. 

Tan. Jav. Sund. yen, B. yen (als), II, 69, VII, 3, IV, 38. 
B. onvertaald, III, 73, V, 81, VI, 178, XXI, 63. 
B. yane, III, 75, V, 34, 38. 
B. ne, VI, 63, XXII, 53. 
B. ya, XIV, 66, XVII, 53, XIX, 30, I, 54. 
B. ika, XVII, 95, IV, 48, II, 45. 
B. yan in, I, 44, II, 41, V, 50. 
B. ida, IV, 21, 47, 65, V, 14. 
B. dan e! IV, 57, VII, 49. De B. vert. foutief. 
B. ipun! VI, 156, 179, 182. De B. vert. verkeerd, 
y^n, B. iya, IX, 56, VIII, 11, 13, 79, X, 14, 40, XI, 5, 

XIV, 51, XVII, 77, XX, 12. 
B. yapwan, V, 61, 76, IV, 30, 33, VI, 45, 122, VII 
91, 113, VIII, 18, 36, IX, 57, II, 69. 
T9,na. S. wagen, B. sana, XIII, 49. 
Yapwa. B. prade (als echter), X, 31. 

B. yadin, XXIV, 148. Vgl. yapwat en yapwan. 
Tapwat. B. punika iba (als gij echter), X, 16 , VII , 75. Vgl. 

yapwa en yapwan. 
Yapwan. B. yen (als echter), I, 55, XIV, 2, 6. 
B. lamun, II, 51, XIII, 50. 
B. yan rin, XXI, 137, VII, 75. 
B. yena, XXI, 211, I, 57, III, 66. 
B. yen in, VIII, 74, II, 37, 73. 
B. den in! XI, 32, II, 75. De B. vert. foutief. 
B. apan! XIII, 65, VII, 50. De B. vert. verkeerd. 
B. ndi kapan! XIII, 81, X, 14. De B. vert. foutief. 
B. yadin, XIII, 88, 91 , XI, 31, XIX, 31, II, 75,, VII, 
51 , 100, XIII, 54, 56. Vgl. yar, yapwa, yadi, yadiyan, 
yadin. 
Yama. S. de Doodsgod, V, 88, XXI, 144, XXII, 66, XXIII, 

9, XXIV, 20, XIX, 130. 
Yamakinkara. S. Yama's dienaar, B. onvertaald, XIX, 49. 
Yamabrata. S. Yamawrata (gelofte van Yama), B. bratan 

hyan Yama, XXIV, 54. 
Yani^stra. S. pijl van Yama, XXIV, 18. 

Yanmiia. S. naam van een rivier, III, 36, XXIV, 214, XXV , 35. 
Yaya. B. wyakti (totdat), XVI, 47, XXVI, 14 (toch). 
Yar. voornamer dan yan, B. yen (als) , VII, 80 , 96 , VIII , 83 , 
XXI, 64, 65. 



YA Wa YUKTI . 417 

B. dan e (toen), XIV, 1, XXII, 1, XXIV, 221. 
B. ya, II, 26, VI, 27, VIII, 99. 
B. den in (dat), III, 44, VIII, 03. 
B. puuika (als), XXIV, 17. 
B. idane (toen), VI, 116, XXV, 44. 
B. ida (als), VII, 5, XXIV, 30. 
B. onvertaald, VIII, 40, 64. 
B. antuk (dat), VIII , 175, XXI, 70 (als). 
B. ika (toen), Vlil, 41, 138, 178, VII, 40. 
B. pacan (dat), XVII, 79. 

B. yan, VIII, 20, 62, 93, 95, IX, 81, XXI, 71, 191, 
209, XI, 2, 13, XVIII, 24, XIX, 92, XX, 39. 
Yawa. B. jaba (buitenkant), VIII, 48, 49, 53, 57, XXIV, 

78, 161. 
Yawat. S. hoe groot , hoe lang , hoe zeer , B. d y a s t u n (hoe — 
ook) , III , 62 , IX , 78 (hoeveel — ook) , XXIV , 78 (hoe groot). 
B. tuwi (hoezeer), XIII, 58. 
B. yadin (wanneer), XIX, 18, XXII, 40. 
B. wyakti, XXI, 151. 
Ya^.a. S. ya^as (aanzien, eer, roem), B. raakirtti, I, 8. 
B. kirtti, XIV, 63, VI, 183, VIII, 111, 113, X, 49, 

XIX, 19, 89, 91, 95, XX, 10, 38, XXI, 184. 
B. pagëh! X, 32 (roera). De B. vert. foutief. 
B. bal e! XVII, 52 (roem), üe B. vert. verkeerd. 
2. MayaQa, B. makirtti (roem verwerven) , XXII, 67 (Conj. 
na mahyun). 
Yasa (ya^.a). B. ga we (werk), VIII, 210, 211. 
B. ginawe, XVI, 5, XXI, 115. 

2. Ayasa, 15. on vert. , VIII, 210, 211 (zou kunnen doen). 
Yah. B. ne (kom!), XXIV, 206. Vgl. yuh. 
Yukti. S. verbinding, middel, gepastheid, B. wyakti (gepast, 
passend), VIII, 199, XIIl, 90. 
B. patut (waar), I, 42, X, 25. 
B. bënëh (rechtvaardig), V, 61, 
B. kap at ut (waar), VIII, 123, XIV, 23. 
B. k a p a t u t a n (gepastheid) , X , 11. 
B. yogya (gepast), XI, 91, XIII, 40. 
B. tuwi, XVII, 113, XXIV, 133. 
B. lëwih, VIII, 89, X, 1. 
B. misingih (waar), XIV, 27, 47, XVIII, 24. 



418 YUKTIKITYA YEKIIl. 

B. rahaju, XXII, 20, XXIV, 38. 

B. manüt, Vil, 45, I, 48. 

B. onvertaald, VI, 12, XIV, 17. 

2. Sayukti, B. dahat patut (naar behooren) , XXIV, 87. 

3. Y u k t y a , B. patut (zou passen) , III , 50. 
Yuktikrtya. S. met list te verrichten, B. tuwi puputaü, 

XVII, 136. 
Yuganta. S. einde van een wereldtijdperk, B. sanhara, XXtl , 

51 , 80. 
Y'uddha. S. strijd, slag. 

1. Ayuddha, B. malaga (strijden), XX, 20. 
Y^upaksa. S. naam van een raksasa, XIX, 8. 
Y^uwati. S. jong, jonkvrouw, B. rahayu, IV, 40, VI, 3. 
Yawaraja. S. kroonprins, mederegent, B. rajasuta, VI, 198. 
Yuwarajarajya. S. gezag van den kroonprins, B. kawibuan 

rajasuta, XXIII, 40. 
Yuh. B. luwas (welaan!) XVIII, 27. 

B. ya (toch?), XXVI, 20. Vgl. yah. 
Y'^eka (yeka). bestaat uit ya en ika, B. punika (dat), II, 43, 

I, 4, IV, 4, V, 15, 66. VI, 4, 29 (die), 151 (ddt), 
189 (die), 198, VII, 29, 104 (dat), VIII, 1, 32. 

B. sapunika (dat), VII, 7, 79. 
B. ika (dat), III, 69, XI, 18. 
B, sawa Aan (die), XIV, 62. 
B. onvertaald , XI , 11, XVII ,115. 
B. irika, XI, 57, I, 11 , II, 4. 
B. keto, X, 36, XVI, 18. 
B. ta ya, IV, 21, VIII, 67, 76. 
yekfi, B. iya, XIII, 44, UI, 53. 
B. nto, III, 60, IX, 45, enz. 
Yekan, hetzelfde met an verbonden (versterkt) , B. punika (dat), 

II, 31, XI, 25, XXI, 193, XXII, 16, 53, XXVI, 42, 
VI, 20, VIII, 60, VII, 50, met nadruk. 

Yekana. bestaat uit ya en ikana, B. hetzelfde (die), II, 9, 12. 

B. irika, VIII, 29, 100, III, 74. 

B. ika, XVI, 9, VIII, 126, XIX, 117, II, 36, 48, V, 
45, 84, VI, 158. 
Y^eki. bestaat uit ya en iki (die), B. yane (die), VI, 66. 

yeki, B. ika, VI, 18, XXI, 82. 
Tekiii. hetzelfde, met 't lidwoord verbonden, B, ipun i,XI,29. 



YEKIN YOGYA. . 419 

B. ne, XX, 69 (dit). 

B. punika, XXII, 29 (deze). 
Yekin. versterkte vorm van yeki, B. punika (dit), II, 22. 

B. ne mankin (nu?), VII, 34. 

B. mankin, VII, 46. 
Yeko. bestaat uit y a en i k o , B. y a punika (die daar) , XXI , 222. 

B. ya to, XXII, 66. 
Toga. S. inspanning, nadenken, concentratie, B. patemu! I, 
42. De B. vertaling foutief. 

B. s a m Tl d h i , XII ,11. 

B. payogan, III, 38. 

2. Ayoga, B. mayoga (verrichtte yoga), IV, 13. 
Yogainaya. S. betoovering, B. Syamogha! XX, 53 (naam 

van een tooverspreuk). 
Yogasiddhi. S. volmaakt in yoga, B. siddhi mayoga, IV, 9. 
Yogi. S. yogin (aanhanger van den yoga),B. iii yoga, IV, 10. 

B. rsi, IV, 12, 14. 

B. munindra, IV, 12. 

B. tapi, VI, 111. 

B. pandita, VI, 165. 

B. mayoga, XVII, 39. 
Yogl^wara. S. meester in den yoga, B. munindra, I, 38, 

XXVI, 50. 
Togya. S. bruikbaar, passend, gepast, B. pat ut (passend). 
XIII, 9, XIV, 2, XXI, 77, 103. 

B. nandan, X, 29, XI, 93. 

B. bënëh, X, 36, XXI, 121. 

B. wen au, II, 59, III, 46, 49, 50, V , 86. 

B. kapatut, IV, 51 , XXI, 141, II, 52 , XX, 72 , XIV, 15, 
16, XXIV, 167. 

B. onvertaald, V, 71, VI, 131, II, 61, 65, 71, XI, 27, 
IV, 41, XIV, 7. 

tan yogya, B. hiwan (ongepast), I, 46. 

2. Yogya, B. kapatut, I, 44 (Conj.). 
B. kapatutan, I, 56. 

3. Kayogya(n), B. pantës, X, 47. 

4. Sayogya, B. sëdënan, III, 72. 
B. lëwih nandan, VI, 3. 

B. nandan, VI, 184. 

B. sëdëii, XXI, 84, IV, 47. 



420 YOJANA U. 

B. tam pi, IV, 41. 
5. Sayogya, B. nandan, XIII, 89. 
Yojaiia. S. een maat, B. pan delen, XVI, 4. De Bal. vertaling 
verkeerd. 
2. Sayojana, een yojana, B. a])an delen, XV, 60. De 
B. vert. foutief. 
Yojauabalui. S. naam van een raksasa, B. Dirghabahu, 

X, 23, 30. 
Towana. S. yauwana (jeugd), B. bajan (jong), II, 59, VI, 
3, VIII, 64, XXIV, 76, IV, 42. 
2. Kayowanan, B. kabajanan (jeugd), XVIII, 42. 



R. 

R. hetzelfde als n, doch deftiger, B. onvertaald in: rad eg aken, 

B. mambanunan (hij richtte op), III, 42. Vgl. ad eg. 
r ar ah ar ah, B. kapatitis (dat hij aanlegde), II, 34, met 

nadruk op het voorafgaande tatan salah, vgl. ar ah. 
r a n ë n - a n ë n , B. n e k ë n ë h - k ë n ë h a i'i a (al peinzende) , III , 

18, XIX, 7. 
B. karasa-rasayan (bedenkende), III, 19. Vgl. anën. 
r pawëdihan, B. mawastra (met gekleed te zijn) , III, 21 , 

met nadruk op 't voorafgaande m a r i. Vgl. w ë H i h. 
r makinkin, B. sëdihe (met bedroefd te zijn), III, 44, 

II, 77, hetzelfde. 
r ayat, B. karëgëpan (hij spande), V, 44. Vgl. ayat. 
r atag, B. kaharah (hij riep op), XIX, 8. Vgl. atag. 
B. inarah, XI, 49. 
B. nandikain, XIX, 39. 
r ungwakëu, B. kagënahan (terwijl hij plaatste), XIX, 

29. Vgl. ungu. 
r undonda, B, raris dinawut (terwijl hij zwaaide) , XX ,11, 

XXI,* 182. 
B. manuyën, XXI, 234, XXII, 70. 

r uman-uman, B. mambatbat (terwijl beknorde), XX, 69. 
r ungu, B. mungwin (dat hij zich bevond), XXI, 181, 

IV, 1, 23. 



RaKA — rS-ksa. 42 1 

r irapönakën, B. manrusakan (toen verwoest werd) , 

XXI[, 51. 
r ajüa, B, naudikayan (bevelende), XXII, 67. 
Rjika. B. onvertaald, oudere broeder, VlII, 192, 202. Vgl. 

Sund. aka, Bat. anka. Mak. kaka, enz. 
Raket. Sund. hetz. , Mal. rakat, Bat. rahat. 1. Uu makë t , B. 
at ut (verkleefd), I, 59, gehecht, 
sarumakët, li. san e rumakët (alles waaraan hij gehecht 
was), III, 21. 

2. Manrakët, B. sar en (zich aansluiten), VII, 43, Act. 
Dur. Ind. 

B. nampëkin, XII, 56. 
B. tan adoh, XXIV, 242. 

3. Rinakët, B. male pa, XVI, 3 (Pass. Dur.). 

4. Rumakët, B. magatra, kleefde, XII, 30. Aor. Act. 
Bakryau. Jav. rëkyana patih, B. patih, XXVI, 7 , 22 , 

epitheton van den rijksbestierder. 
Rakw<a. B. punika (moet ge weten), XVII, 31, 88, I, 50, 
XXi, 147. 
B. jan (namelijk), XIX, 45. 
B. smalih (immers), XIV, 68, XXI, 21. 
B. ika (daarom), XVII, 64. 
B. rëko (zegt men), VIII, 182. 
B. ya (immers), XIX, 57, 92. 
B. marërëkon (zegt men), II, 49. 
B. kapan (zegt men), VIII, 183. 
B. nortta (zegt men), XI, 5. 
B. onvertaald (daarom) , V , 50. 

2. Man rak wa, B. marërëkon (op praatjes af te gaan), 
X, 44. 
Raksa. S. rak sa (bewaking, bescherming), B. onvert. III, 56. 

B. manëmit, III, 53. 
Raksa. S. raksa (bewakend, beschermer), B. këmit, IV, 56, 
*X, 53. 

2. Rak san, B. gëg wan in (te beschermen) , III, 53. Gerund. 
B. gugwanin, III, 55. 

B. këmit, II, 30. 

3. Rinaksa, B. kagamël (behoed worden), IV, 22, XX, 
65 , Pass. Dur. Ind. 

B. kakëmit (beschermd worden), I, 43, X, 25. 



42 2 K^KSAK A UaKSASA . 

B. tinungu (bewaakt worden), III, 15. 
B. onvertaald (bewaard worden) , XXIII , 40. 

3. Manraksa, B. manëmit (beschermen), III, 86, XXIV, 
107, Act. Dur. Ind. 

4. Auraksa, B. manëmit (bewaar), I, 47 (Jussief). 

o. Rumaksa, B. manëmpu (droeg zorg), III, 12, Aor. 

Act. Ind. 
B. ngamël, III, 48. 

B. manëmit (bewaakte), VIII, 140, X, 13, 52, IV, 21. 
B. mangisi (beschermen), XIV, 12, XXIII, 11, 37. 

6. Karaksa, B. man ëmit (om te beschermen) , IV , 44, Conj. 

7. Karaksa, B. kagamël, XXV, 47, Aor. Pass. Ind. 
(werd beschermd). 

8. Raksa raksan, B. këmitën pariksa (goed te bewaken) , 
VI, 31. Gerund. Int. 

9. Anraksa, B. magëbagau (bewakende), VIII, 60, Part. 
Dur. Act. 

B. nëmpu, XIX, 66, ter bescherming. 
10. Einaksa, B. kin ëmit (dat beschermd zou worden), I, 
39 (Pass. Dur. Conj.). 
Baksaka. S. raksaka (wachter, hoeder), B. mangamël (be- 
schermer), I, 7. 
B. manëmit (bewakend), III, 77. 
B. magamëlan, XIX, 34, XXIV, 71. 
B. manëmpu (beschermend), VIII, 90, XIX, 68. 
B. kagamël, VI, 183, V, 80. 
B. raksa, XXIV, 227. 
B. rumaksa (als beschermer), III, 46. 

2. Raksaka, B. hetz. , VIII, 124, XXIV, 81. 
B. këmit (wees beschermer), III, 47. 

B. ngamël, III, 49, XXI, 202. 

B. mangamël, XVII, 26. 

B. menake (ter bescherming), XIX, 67. 

B. kagamël (als beschermer), XXIV, 33. 

B. gugwanin (bescherming), XIII, 65. 

3. Karaksakan; B. mafiëmit (bewaking), XXIV, 13. 
Baksasa. S. monster, reus, daemon, B onvertaald, I, 25, 44, 

51, 54, II, 41 , IV, 63. 
B. kalana, I, 39, 43, II, 43. 
B. karaksasau, II, 38, 40, VIII, 118. 



RS,KSASANaTHA RAGAllAGATULYA. 423 

B. durjjaoa, XIX, 49, 78. 

VIII, 29, 60, 173. 
B. wil, VllI, 17, 22, 26, 29, 33, 60, 73, 126, 134, 

XIX, 76, Vli, 50, 77, IV, 4, 45, 76, V, 9, 11, X, 24. 
2. KarTiksasun , B. ouvertüald ((leniüiiische aard), V, 67, 

ka rilks asaii , XllI, 2. Vgl. ra k sasap rak rt i. 
'^RiiksasanaUiii. S, vorst der reuzen, H. k fila ua pa t i , X, 11, 

Vgl. raksasendra 
"^Kiiksasapfirwwaka. S. eerste der reuzen, B. kalana kami- 

m i 1 1 a n a , VI , 95. 
■'^Raksasaprakrti. S. aard der reuzen, demouische aard, B. rak- 
sa sa laksaiia, il, 41, (Judj. karaksasau (z. d.). 
■^Raksasabala. S. leger der reuzen, B. kala u a wad wa, IX, 85. 
Raksasabhrtya. S. dienaar der reuzen, B. r a k s a s a w a d w a , I V, 69. 
Raksasi. S. reuzin, B. raksasa luli, IL, 23, VIII, 108, 
IV, 54, 55. 
B. raksasa istri, VIII, 5, 138, 140, 141. 
B. raksasa éluli, IV, 27, VIII, 90. 

B. onvertaald, IV, 56, VIII, 6, 18 , XI, 2, XXI , 12 , XXIV, 
129, XVII, 114. 
Raksasendra. S. vorst der reuzen , B. r a k .s a s a u :1 1 h a , XXIV , 
237. Vgl. rak.fasauatha. 
'^Raksasottama. S. beste der reuzen, B. kalana wiye.sa, IV, 57. 
Raksasya. l. S. raksasya (vijandig jegens de reuzen). 

1. Rak sa sy au, B. këmit olasiu, X, 32, 53 (vijandigheid 
jegens de reuzen). 

n. K a r a k s a s y a n , B. k a r a k s a s a n (demonische aard) , X , 50. 
Raga. I. S. hartstocht, B. smara, XII, 4. 
B. onvertaald, III, 55, IV, 41. 
B. dëraën, XXV, 7, XXIV, 100, 101, VI, 28. 

2. Rinagan, B. rësëp (verliefd), XXV, 81. Vgl. saraga, 
II. B. garira (lichaam), XII, 21. 

■^Ragacitta. S. verliefd in zijn hart, B. kasmaran manahe, 
XVII, 1. 
B. maürësëpi man ah, XVII, 113. 
Bagadi. S. hartstocht enz., B. i smara dahat! I, 4. 

B. i smara! Xill, 73 (de B. vert. foutief.). 
Bagaraga. B. rugah-ragih, Vill , 105, uitsteken? 
Bagaragatulya. B. kadi guwunan (als een mand, korf), 

XX, 45. 



424 RAGÖT RA.il K AD. 

Bagöt. 1. Karagöt, B. matatu (gewond), XIX, 126 , Aor. Pass. 
Bagi. S. rag in (hartstochtelijk), XIX, 22. 
Baghawa. S. afstammeling van Raghu, B. Ra ma, II, 66, 
III, 7, 9, 10, 15, 16, 17, 18,29,32,33,40,41, 
43, IV, 42, 47, 65, 71, V, 11, 31, 32, 34, 35, 49, 
52, 85, 86, VI, 17, 34, 60, 152, 159, 190, 191, 198, 
199 (Raghawa), VII, 2, 39, 44, 52, 53, 68, 96, 104, 
VIII, 79, 98, 124, 135, 184, IX, 88, X, 13, 15, 22, 
37, XI, 50, 56, XIII, 37, 93, 95, XIV, 50, XV, 36, 
XVI, 32, XVII, 8, XVIII, 16, 35, XIX, 27 , 43, XX, 74, 
XXI, 43, 51, 70, 75, XXHI, 2, 39, XXIV, 205, 240. 
B. Ramadewa, VIII, 165. 
^Baghatanaya. S. R a g h u ' s zoon , B. R a m a , VII , 55 , XI , 
5, 88, VI, 32. 
B. Raghawa, VI, 31, 35, XIV, 33, 45, 47, XV, 1. 
Vgl. Raghu putra en Raghusuta. 
Baghüttaina. S. voortreÖelijkste der afstammelingen van Raghu, 
B. R^ma, IV, 48, V, 10, 26, 27, 29, 56, VI, 68, Vil, 
4, 95, XIII, 9, XX, 67, 75. 
B. putrau san Raghu lëwih, V, 50. 
B. Raghu lëwih, IV, 24. 
■^Baglmputra. 8. zoon van Raghu, B. onvertaald, IV, 3, 14, 
VII, 88. 
B. Rama, IV, 52, X, 14, V, 57, 58. 

B. Raghawa, V, 52. Vgl. Raghutanaya en Raghusuta. 
"^Baghuwain^a. S. Raghuwarpga (Raghu's stam), B. san 

Raghu nërëhan, V, 56. 
*Baghuwiraghara. S. vrouw van den heldhaftigen afstammeling 

van Raghu, B. istrine Raghawa dhira, V, 48. 
"^Baghuwyaghra. S. beste van (tijger onder) Raghu's afstamme- 
lingen), B. Rama galak, VI, 185. 
■^Baghusinha. S. Raghusimha, leeuw onder Raghu's afstam- 
melingen, B. Raghawa, V, 53. 
■^Baghusuta. S. zoon van Raghu, B. Rama, V, 2, 10, 13, 
24, 42, XX, 71. 
B. Raghuputra, V, 9, VI, 67, 129, 140, 144, 157. 
B. Raghawa, VI, 115, 134. Vgl. Raghutanaya en Ra- 
ghuputra. 
Bankak. 1. A.rirankak, B. jankrak (vastbinden?) VIII, 61. 
Baiikan. I. B. bal e (prieel?), XX, 79. 



RAtlKëP RaJANlïI. 425 

II. 1. Ru man kan, B. magah aü (kropen) , VIII, 78 , XXII , 
52, Aor. Act. 

2. Karankan, B. mëgahaii (bekropen), IX, 20, Aor. 
Pass. (van den rug). 

B. kaj ankrak in, XIX, 126 (van den rug). 

3. Arankanan, B. manjrankak, XXV, 58, vgl. Mad. 
nrankah. Mak. dan kan. Mal. mërankak. 

Uaükëp. B. srëgëp (voorzien van), XXIV, 1. 
B. mëpëkan, XXIV, 252. 

2. Anrankëpi, B. nrawëgin (gereed te maken), XIX, 
34, Act. Dur. Trans. 

3. Marankëp, B. mapagut (handgemeen worden), XIX, 
71, XXI, 213, 239. 

4. il ranke p, B. matëmu (zich opmaken om), XX, 12. 

5. an parankëp, B. macëpuk, XX, 26, met nadruk op 
't vorige woord. 

Raükuii. 1 . M a r a n k u n , B. j a n k ë h ? XXIV , 1 26 , slank ? (van 
de j ank u ii). 
2. Arankunau, B. riman bhranta, XXV, 58, slank? of: 
kruipen ? 
Baukul. 1. Manrankul, B. mamëkul (omarmen) , XXII , 49 , 

Act. Dur. 
Ranke. 1. Ranke-raiike, B. pasalenkat (dooreen), 

XXI, 221. 
Baüga. B. bakun (lelie), XVII, 129. Jav. woiia raka. 

B. lutun! XVI, 23, XXV, 9. De B. vert. onzin. 
Rangah. B. crangah (tak), XXII, 70. 
■^Ranrwan. 1. Karanrwan, B. kewala! weedom, XXV, 37. 
B. kawirahronan (ontsteltenis, bezorgdheid, verlegenheid), 
XXV, 44. 
Racana. S. racaua, werk, stijl, B. raaiiawi, XXV, 9. 
^Racuk. 1. Karacuk, B. ma had uk, XXV, 89, vermengd? 
Aor. Pass. 
Raja. S. rajan (vorst, koning), B. nat ha, II, 61. 
raja, B. prabhu, XXIII, 83. 
B. ratu, XXVI, 22. 
^Rajakauya. S. koningsdochter, B. putrika, II, 64. 
Rajata. S. zilver, B. sa lak a, I, 13, VIII, 57. 
Rajaiiiti. S. staatkunde, politiek, B. nrawosin nagara, 
XII, 54. 



426 RajAPüTRA — EAnatiQA. 

^RSjaputra. S. koningszoon, prins, B, oka natha, IV, 11. 

B. ratu oka, IX, 60. 
■^Rajain^rgga. S. koningsweg, hoofdweg, B, nagaramarggi, 
XXVI, 22. 
Bajayogya. S. een koning waardig, B. di nagara kapantë- 

s a n , XII , 55. 
Bajarsi. S. rajarsi (koninklijke wijze), B. prab hu manditain, 

I, 38. 
Bajalaksini. S. vorstelijke heerlijkheid , B. k a g u n a n , XXIV, 96. 
Bajalila. S. koningsspel, B. ratu lëwih, XVll , 3, naam van 

een smeersel? 
Bajah. I. S. rajas (nevel, duisternis, hartstocht), B. wisa, 
VII, 5. De B. vert. verkeerd. 
B. manah, VIII, 156. De B. vert. foutief. 
B. bjapara, XIX, 6. 

II. 1. Rajarajahan, B. rarajahan, XVII, 91 , strepen op 
een talisman. Mal. hetz. 
Bajya. S. koninkrijk, residentie, B. puri, I, 11, VII, 100. 
B. nagara, III , 86 , X , 4. 
B. de5a, XXI, 161, 199, XXIV, 224, XXVI, 1, III, 78, 

XI, 3. 
B. jëro, VII, 50, XXIV, 92, 115. 

B. pura, XXVI, 23, XXIV, 126, 204, VIII, 86, 193, 
XII, 46, 47, XIX, 63, XI, 68, IX, 2, XIII, 
64, 72. 
2. Sarajya, B. sade^a (het geheele koninkrijk), XI, 36. 
Bana. S. strijd, slagveld, B. palagan, VII, 103, VIII, 129, 
IV, 57, XXIV, 76, 78, 93. 
B. përan, VIII, 131. 

B. samara, XIX, 47, XXI, 116, 142, III, 49, V, 28. 
B. papranan, IV, 44, XIII, 51. 
B. laga, IX, 34, XIII, 63, IV, 43, VIII, 191. 
B. palaga, V, 47, XIII, 57. 
B. onvertaald, XIII, 67. 

B. alagani, XIII, 11, 54, 94, XIV, 3, 31, XIX, 72. 
B. juddha, VI, 16, XIII, 20, 53, 62, XVIII, 31. 
Bananga. S. slagveld, B. papranan, VI, 156. 
B. palagan, VI, 159. 
B. samara, XIX, 7, XX, 29, IX, 81. 
B. përan, XX, 20. 



RAUanGAllA RATU. 427 

Banangana. S. slagveld, ^^. papranau, VTII, 130, XIII, 
' 69 , XXI , 1 . 

B. samara, XIII, 86, XX, 46, XVIli , 29. 
B. palagan, XIV, 46, XXI, 55, 76, 226, XXII, 48,61, 
XXIII, 23, 36, XXIV, 94. 
■^Ranabhumi. S. slagveld, B. palagan, XX, 3, XXI, 64. 
B. samara tëgal, XXI, 53. 
Raiiaiuuka. S. ranamukha (voorhoede van 't gevecht), B. 

palagan n a na u k ! III , öiy. De B. vert. foutief. 
Baiiayajna. S. ofi'er op het slagveld, B. caru in laga, 

* XXIII , 53. 
Bandö. Sund. dahdör, B. këpuh (katoenboom), IV, 7 , XXI , 
"223, XXII, 51. 

B. kutuh, VIII, 76, Lat. Eriodendron anfractuo- 
sum Dec. 
Rat. B. j i w a (wereld) , VI , 35 , XXIV , 80 , 82 , 96. 

B. jagat, VI, 179, 191, X, 6, 15, 22, XI, 82, XII, 11, 

XIV, 6, I, 7, 10. 
B. bhuwana, I, 1, 1 1 . 37 , II, 38 , 39 , 40 , 41 , 63 , 69 , 

71, III, 18, 29, 32, VI, 183, enz. 
2. Sa rat, B. jagat (de geheele wereld), III, 1, 28, 76, 

IV, 50, XIII, 90. 
B. bhuwana, III, 71, XIX, 58, XXIV, 81. 
B. loka, VI, 141, XIV, 14, XXVI, 12, 50, XXI, 30, 
65, 77, XXIV, 33, 50, 54, 169, 201, 202. 
Rata. Bis. datag, Tag. latag. Mal. Day. datar, 1. Arata, 
B asah (vlak, effen, gelijk), XVI, 3, 11, XXVI, 24. 
B. atap, V, 65, overal gelijk. 

2. M arata, B. hetzelfde ," VI , 39, XXIV, 80 (zich gelijk- 
matig uitstrekken), VII, 61, XVI, 2. 
B. dampar, XVI, 39. 
B. karatayan, XXIV, 258. 
Rati. S. de godin der liefde, V, 16. 

B. Puspitan^a, XXIV, 240. 
Ratih. S. Ratih, hetzelfde, V, 75, XII, 34, XXI, 79. 
Ratu. B. prabhu (vorst, koning), II, 49. 
B. natha, V, 24, 27, I, 49. 
B. onvertaald, VIII, 192, VI, 179. 

B. bhüpati, I, 1, VIII, 133, XIX, 96, V, 18, X, 60, 
XVII, 11, III, 13, 29, XXIV, 90, 95, 



428 RATODDHATA RATHA. 

2. Rinatwakën, B, manawita (als kouing gehuldigd wor- 
den), XIII, 71, XXIV, 89, Pass. Dur. 

3. Karatun, B. kaprabhun, XIX, 63 (koninklijk). 
B. in ratu, II, 41. 

4. Eatwa, B. natha (koning te zijn), III, 2 , 6, 45 , 47 , 52 , 
VIII, 125. 

B. makabhüpati, III, 3, moet koning zijn. 
B. ratu, III, 8. 

B. mrabhonin, III, 14, 30, 48. 
B. bhdpati, III, 13, 46, V, 86. 
B. mrabhunin, III, 29, vorst te zijn. 
B. prabhu, III, 49. 
Batoddhata. S. rathoddhata (door een wagen omhoog gejaagd, 
trotsch op zijn karossen), B. prabhu raksasa! uitgelaten 
van vreugde, XXI, 85, naam van een versmaat (vgl. Kern , 
Wrttasahcaja , str. 52, Kedara, 3, 52, Weber, 375). 
Batiia. S. edelgesteente, juweel, paarl , B. sasoca, X, 14, 
32, XI, 19. 
B. sasocan, III, 50, VI, 1, VIII, 45, 115, XI, 66. 
B. mirah, XI, 64, X, 16. 

B. onvertaald, VII, 109, XVII, 19, XXI, 1, XII, 64. 
B. manik, XXI, 3, XI, 74, VIII, 55, XVIII, 40, XXIV, 
240, 246, XXVI, 23. 
'^Batnajampaua. B. onvertaald, juweelen draagstoel, XXIV, 241. 

Batnaparayaua. S. bijnaam van Lanka, VI, 1. 
*Batnapeni. B. mas manik (edelgesteenten en kostbaarheden), 
VIII, 70. 
Batnainaya. S. uit edelgesteenten bestaande ,B. mirah sateja! 
VIII, 54. De B. vert. foutief. 
B. mani maya, V, 41. 

B. sasocan mateja! VIII, 43. De B. vert. fout. 
B. mirah suteja! VIII, 56, XVII, 78. De B. vertaling 
verkeerd. 
^Batnopaiiia. S. als een juweel, B. sasocan Iwirny a, III, 73. 

Batri. S. nacht, B. dalu, XVII, 64. 

^Batritulya. S. als de nacht, B. peten wyakti, VI, 59. 

Batha. S. wagen, strijdkar, B. sjandana, III, 33, 43, 71, 

XIX, 66, 68, 129, VI, 22, 27, 51, IX, 22,32,48,76. 

B. onvertaald, VIII, 36, 55, XIX, 67, XXI, 166, 181, 183,207. 

2. Maratha, B. onvertaald (op een wagen te staan) , XXI, 187. 



HADIN RABHASA. 429 

Radiii. 1 . M a r a (1 i D a , B. m a te 1 a h (zich zuiveren) ? XXIV , 1 36 , 
zuivere zich (Juss.). 

2. Aradin, B. tel ah (gereed), XXIV, 138. 
B. raarësik (rondom), XXIV, 244. 

B. rësik (schoon), XXV, 38. 

3. Maradin, B. bëcik, XXV, 23. 

B. m a h r ë s i h (zich zuiveren) , XXV , 24. 
Raiiak. B. wëka (kind), I, 50 (eerbiedige vorm van anak). 

B. ])utra, II, 63. 
Kantiiii. B. ])atrebes (uitrukken), XXII, 50. 

2. K ara n tan, B. pasrawe, XXII, 69. Aor. Pass. 
Rantëii (rantëii). B. ari (jongere zuster), VIII, 197. 

B. rahi, XI, 44, eerbiedige vorm van anten. 
Ranti. I. Paranti, B. magënah (zich bevinden), XVII, 128. 
B. kalingihan (zitplaats), XXV, 44. 
B. katekanan, XXVI, 25. 
II. B. kajihanti (naam van een vrucht), XXV, 9, vigna 

sinensissawi. 
B. kacan ranti, XXV, 44. 
Raiito (rantay). B. paüikët (band), XXV, 83. 

2. Riuantay, B. i n aj) us (gebonden worden), X Vil , 119, 124. 
Rapiih. B. gëpuh (vermoeid), XX, 61. 
B. rërapuh, XXIV, 140. 
■^Rapwa. B. mande (opdat), XVII, 90. Vgl. rap wan, mara- 
pwa en marapwan. 
Rapwan. B. hetzelfde, XVII, 3, vgl. rapwa, marapwa en 

marapwan, 
Rabas. 1. Marabas, B. patrebes (vloeien), XXIV , 143, vgl. 

barabas. 
Rabi. B. som ah (vrouw), VII, 37. 

Rabliasa. S. heftig, onstuimig, wild, B. manr usakan (ver- 
nielen) , X , 43. 
B. ërug (vernield), XI, 3. 
B. nrusak (vernielen), VIII, 214. 

2. Anrabhasa, B. nrusak an, II, 38. Conj. Dur. Act. 

3. Ruraabhasa, B. manrëbutin (deed geweld aan), VI, 
56 , Aor. Act. Ind. 

B. manr usakan (vernielde), IX, 3, 42. 
B. manrëbut (bemachtigde), XVI, 43. 

4. Hinabhasa, B. karugan (vernield), IX ^ 45. 



430 RaMA RaMAWIJAYA. 

B. kablagandan (verkracht), XV, 65. 
B. kak o sa, XV, 66, Pass. Dur. Ind. 

5. Maürabhasa, B. manamuk, (geweld plegen) , Act. Dur. , 
VIII, 129. 

6. Rabhasana, B. rusak (zal verwoest worden), Fat. Pass, , 
VIII, 212. 

7. Rabhasa, B. rusakah (zal vernield worden), II, 40. 
B. rusak, VIII, 17. 

B. huwugaü, X, 4. 
Barna. I. S. naam van den held van het gedicht, B. onvert.,I, 
32, 36, 50, 59, 60, II, 30, 40, 44, 53, 58, 59, 69, 
71, 73, 77, 78, III, 1, 3, 8, 45, 85, IV, 1, VI, 168. 

B. Raghawa, I, 38, 44, 45, 51, 53, 58, II, 2, 11, 15, 
22, 24, 29, 36, 57, XXIII, 21 , XXIV, 87. 

B. Raghuttama, I, 39, enz. 

II. B. bapa (vader), XIX, 24, XXI, 10, eerbiedig. 
B. guru, XXIV, 198. 

2. Pinakar^ma, B*. saksat bapa (tot vader strekken), 
XXV, 114. 

III. Ra ma- ram a, B. sabëu de^a (de overheid) , XXVI , 22, 
vroedschap. 

Bamaniya. S. bekoorlijk, schoon, B. manrësëpin, VI, 119. 
B. udyaua! XVI, 29. De B. vert. foutief. 
B. bhaswara, XXIV, 246. 
B. maswara! XXVI, 25. De B, vert. foutief. 
*Raraadewa. S. bijnaam van Rama, B, on vert. , II, 56, 69, 
III, 2, IV, 3, 14, XI, 16. 
B. Rama, II, 59, 63, IX, 64. 
B. Ramabhadra, II, 74. 
B. R^ghawa, VI, 148, 151. 
'^Ramabhadra. S. bijnaam van Rama, B. Ramadewa, I, 62, 
II, 3, 32, 46, VI, 29, 48, 54, 130, XI, 33, XVII, 22. 
B. Rama, U, 38, III, 52. 
B. Raghawa, XI, 5. 
^Ramabharggawa. S. naam van een wijze , II , 68 , 75 , XVII , 29, 
B. Ram ap ara? u. 
Ramayana. S. naam van het gedicht, XXVI, 50. 
Raniawijaya. S. bijnaam van Rama, B. Rama molih, III, 
85, VI, 168, XIX, 37. 
B. Raghawa molih, XV, 36, XVIII, 51, XXI, 118. 



RAMeS R^MYA. 431 

Raiiiës. 1. Ramësën, B. rumbah (zou verslonden, vernietigd 

worden), XXIII, 21. 
Bainëh. 1. Araraëh, B. dahar ampah, XXIV, 1 1 1 , onrein. 
Raiiipak. Lamp. hetz. (naast elkaar loopen) , Mal. rem pak. 

1. Arampak, B. masrambahan (opeengehoopt) , XX, 22. 
Bampal. B. paglenten (gebroken), XXI, 177. 

B. patladtad, XXI, 195, gewond? Vgl. sëmpal. 
Rampuü. B, paglantës (afgemaakt), XI, 1. 
Raiiibat. Atj. Mal. Sund. hetz., B. malilit (omslingeren), 

XVI, 33. 
Bainbay. Sund. hetz. 1. Ruraambay, B. nrampayak , XXV, 

71, 76, zijne takken in de breedte uitschieten, 
Rambah? B. k aha bas, XXI, 181, vertrapt? 

B. kajëkjëk, XXIi, 61. Vgl. r en ambah. 
Ranibut. Sund. Mal hetz., Malag. rambu, Day. rambo, B. 
roma (haar op 't lichaam), V, 41 , VI , 163, XI , 1 1 , XII, 7. 
B. bulu (vederen), VII, 25, 53 (haren), XI , 1 , XIV, 42. 

2. Arambuta, B. mabulu (zal haren hebben), V, 38. 

3. Rinambutan,B. kakambawonin (voorzien van vederen), 

VII, 15. 

4. nda tanparambut, B. naühin nora mabulu (maar 
onbehaard), VII, 86. 

Rainya. S. ramya (aangenaam, liefelijk), Jav. ram e, B. ra9mi , 
I, 14, VIII, 214, VI, 40. 
B. halëp (schoon), III, 41, VI, 115. 
B. kalanön (bekoorlijk), VI, 96, XXIV, 212. 
B. lanü, VI, 97, XXIV, 91, 92, 100. 
B. bëeik (aangenaam), VII, 10, III, 22. 
B. sambëh! XI, 8. De B. vert. foutief. 
B. manis (liefelijk), IV, 31, XXIV, 207. 
B. halus, V, 40, XXVI, 23. 
B. rin kopin! IV, 32. De B. vert. verkeerd. 
B. kara?min, II, 5, XXVI, 25. 
B. ra(?min (bekoorlijk), IV, 9, XXVI, 29. 
B. a(?ri (schoon), XVI, 8, XVU, 134, XII, 28, 43. 
B. mande asin! XII, 19. De B. vert. foutief. 
B. onvertaald, I, 61, II, 1, 11, 18, 23, 61, V, m, 67, 

VIII, 53, XII, 33, XVI, 22, 33, XVII, 103, 107. 

2. Rfimyaramya, B. mamëlah-mëlahan, XXV , 7 , 
zeer liefelijk. 



432 B.huh (uARa) — RAReM. 

Rara (rar^). Tag. dalaga, Bug. Mal. dara, Jav. lava, B. 
daha (maagd), II, 13, 49, VII, 65, 70, VIII, 65, 90, 
194, XIX, 56, XXIV, 101, XVII, 113. 
Rarak. 1. Mararakan, B. pasalambëh! IX, 57, op rijen. 
De B. vert. verkeerd. 
B. majajar (op een rij), XV, 23, XXVI, 19. 
B. maderekderek, XXV, 108. 

2. yar pararakan, B. ya maderek, XXV , 39 , met nadruk 
op het voorafgaande n i t y a. 
Rarab. 1. Rumarab, B. pat r eb es (biggelden) , YIII, 167 , Aor. 
Act. Ind. (van tranen). 
2. Kararaban, B. kawarsanan (beregend), XXIV, 105, 
Aor. Pass. Trans. 
Raray. B. alit (knaap), II, 71, XVII, 113. 
B. anwam, I, 37, 57, XXIV, 195, II, 25. 
2. Raraya, B. alitan (de jongste), XXI, 102. Vgl. rare. 
Raras. B. dëmën (genoegen), VIII, 164. 
B. rësëp (rainnepijn) , XVII, 108. 

2. Rumaras, B. manërës (ontroerd), V, 32, XII, 35, 
Aor. Act. 

B. nërës, V, 79. 

B. jëjëh (bang), XXII, 12, XII, 13. 
B. muririh (aangedaan), VII, 2, 3. 
B, manrësrësan (ontroerd), XXV, 4. 

3. Manraras-rarasakën, B. nulanüni (diep ontroeren), 
VII, 12, Act. Dur. Intens. 

Rarèm. 1. Mararëm, B. manasor (nederig), X, 8. 
B. mawëdi (bevreesd), IX, 37. 
B. masikian (nederig), XXII, 37. 
2. Ararëm, B. nuntuk (de oogen neerslaan), XXII, 45, 

XXIV, 199. 
B. tumunkul (zich onderwerpen) , XXIV , 79. 
Rari (rari). B. adi (jongere zuster), V, 20, XXIV, 164 (jongere 

broeder), eerbiedige vorm van ari. 
Rare. B. alit (knaap), I, 53, XXV, 15. 
B. cërik, YIII, 110. 

2. ndaray, B. bajan (van kindsbeen), XI, 27. Vgl. 
raray. 
Raryyan, Jav. leren, Sund. liren, B. mareren (rust), 
YIII, 10. Imp. 



RUWADA IIASA. 433 

2. an pararyyan, B, hetzelfde (om te rusten), II, 3, IX, 
48 (dat rustte). 

tan parTiry y an , B. nora renan (rusteloos), VII, 19. 

t pararyyan, B ma re ren (te rusten), VIII, 11, met 

nadruk op 't vorige, 
yau pararyyan, B ya manantos (dat stilhielden) , XII, 57. 

3. Mararyyan, B. ma re ren (rustten), VII, 1 12 , VIII, 57, 
IX, 58 (rustte), XI, 60, 74, XV, 69, XX, 6. 

Rawaiia. S. naam van den vorst der raksasa's, B. onvert. 

IV, 63, V, 4, 19, 87, VI, 26, 91, 143, VII, 102, 

VIII, 16. 70, 128, 137, 181, 185, 186, 197, 200, IX, 

2, 84, 91, X, 1, 26, XI, 60, XII, 65, XIII, 8, 9, 

XIV, 50, XVII, 21 , 44, 48. 
B. Da(?asya, VI, 5, 21, VII, 47, 103, IX, 59, X, 10, 

XIV, 2, 19, XVII, 19, 20, XVIII, 1, XXI, 200. 
B. Dapamuka, V, 89. 
B. Dag-anana, VI, 50, XI, 29, XVIII, 12, 24, 43, XIX, 

5. XXI. 162. 
Raway. 1. Marawayan, B. masrambahan (neerhangen), 

XXIII, 75, XXIV, 21. 

2. Arawa raway, B. mabrarak (verstrooid), XXIV, 99. 

3. M arawa raway, B. pasarawe (neerhangen) , XXV , 1 03. 
Rawi. S. zon, B. süryya, III, 76, XI, 65 , XIV, 37 , XXIII, 

24, XXIV, 21, XX, 49. 
*Rawikoti. S. tien millioen zonnen , B. s ft ryya akëti (honderd- 
duizend zonnen), XVII, 95. 
Rawit. 1. Karawit, B. sawit (omgedraaid?), XXIV, 210, 

Aor. Pass. 
Ra^Jiii. S. straal, glans, B. nu nar in, XI, 65, 68. 

këna ra^mi, B. kasëlëhan, VIII, 95, door glans getroffen. 
Rasa. S sap, essence, smaak, genot, toon, Suud. Mal. hetz. , 
B. katahën (begrip), V, 51. 
B. bëcik (smakelijk), I, 31, V, 15. 
B. suksma (essence), XI, 28. 
B. onvertaald, sappig, V, 11. 
B. hidëp (genot). XII, 7, 9. 
B. këcap (smaak), XII, 62. 
2. Rinasan, B. maiirësëpi (genoten worden), I, 20, 

XI, 25. Pass. Dur 
B. kënëhaii (begrepen worden), VIII, 27. 

28 



434 KASaTALA RAH (r^h). 

3. Marasa, B. ne jahën (smakelijk), I, 28. 
B. bëcik, XI, 25. 

4. Ara sa (smakelijk), XVII, 111, XXIV, 170. 

5. üda tanparasa, B. nanhin nora karasa (maar on- 
smakelijk), III, 23. 

6. Anrasa, B. hiilëp (begrijpen), VII, 30, Act. Dur. 

7. Rumasa, B. karasa, XXIII, 22, Aor. Act. 

8. Ri n asa-rasan , B. karasa- ras aj an (overwogen), XII, 9. 

9. Easana, B. cicipin (worde geproefd), XXVI, 25. 
10. Anrase, B. ii re se pin (proeven), XI, 25. 

Rasatala. S. onderwereld, B. sapta patala, XI, 53, XV, 
18, 58. 
B. patala, XV, 30. 
Rasika (rasika). B. dan e (hem), V, 28, VI, 189 (zij). 
B. punika (hij), II, 59, XXV, 37. 
B. ida (die), IV, 19, XVII, 29. 
B. ika (zij), VI, 143, IV, 50. 
B. rin dane (hem), XV, 8, XXI, 106. 
B. dane ida (van hem), XVIII, 33, 
B. dan en e (van hem), XXII, 24, V, 72. 
rasika, B. ipun (hij), V, 10, 16 (haar), 
rasika, B. rin ipun (daarvan), V, 14. 

rasika, B. ipune (van hen), XXIV, 25, enz. (pron. 3^ pers. 
beleefder dan ya, maar niet zoo hoffelijk als si ra). 
Rasika. S. genotzuchtig, B. sapunika! XXVI, 35. 
^Rasike. B. dane (die), V, 80. 
Rasuk. B. bhüsana (geharnast), XXIC , 45, XXIII, 73 (oorlogs- 
kleeding), XXIV, 248. 
B. nusup, IX, 57. 

2. Marasuk, B. mabhüsana (gepantserd), XV, 27. 

3. Rinasukan, B. bhinüsanan, XIX, 4. 

4. Arasuk, B. nandan (gepantserd), XXIII, 75. 
B. makëre, XXIV, 123. 

B. hetzelfde, XXV, 101. 
Rase. B. rasa (civetkat) , XXIV, 98. 

B. onvertaald, XXVI, 25. 
Rasras. B. sol ah (genoegen.?) XXVI, 34. 
Rail (rah). Mal. darah, Tag. dugó, Bis. dogo. Bul. raha, 

Day. daha, Bug. dara, Mad. dörö, enz. (Vgl. Kern,Fidji- 
taal, p. 135, i. v. dra). 



RAHAT UAHU. 435 

B. gëtih (bloed), IV, 73, 75, VIII, 32, 172, XVII, 98, 

XX, 48, VI, 21. 
B. rudhira, V, 45, VI, 24, 45, 52, 163, IX, 17,41,50, 

73, 87, XI, 11, XV, 22. 
Bahat. B. sënka! (zich verdienstelijk maken), III, 75. 

2. llahata, B. mëjahin (trefl'en), XXIII, 58, Conj. na 

maharëp. Vgl. Sund. rahöt. 
Rahayu. B. ramya (bekoorlijk), II, 29. 
B. bëcik (schoon), V , 70 , XXIV, 96. 
B. pat ut (passend), III, 55, 64, 74, 80, 82. 
B. mëlah (schoon), V, 16. 
B. kahayon (schoonheid), V, 13. 
B. lëwih hayu (al het welzijn), V, 38. 
B. hayu (het schoone) , XXII, 22. 
B. jëgeg (schoon), VII, 65, XXV, 79. 
B. rahajön (het schoone), XIV, 27, XVII, 124. 
B. surüpa (schoon), XVII, 113, XXV, 96, XXII, 36, 

XVI, 17, XXIV, 151 (alle welvaart). 
2. dahayu (na woorden die eindigen op een ?^) , B. pat ut 

(gepast) , V , 35 , 56 , 63. 
B. lëwih jëgeg (het schoone), V, 14, 
B. rahayu (waar), V, 54. 
B. bëcik (schoon), V, 70. 
Raliasya. S, rahasya, geheim. Mal, rahasiya, B. pinit, 

III, 67, XXVI, 24. 
rahasya, B. sAksma, XXI, 142. 
B. bhaga, XXVI, 32. 
2, Rumahasya, B, masangama, XII , 33 , raingenot smaken 

(Aor. Act.). 
Rahi. B. muka (voorhoofd), XIV, 49, XXVI, 18 (gelaat), vgl. 

Mal. dahi, Sund. raray, Mad. daè of d a i h. 
Rahina. B. lëmah (dag), IV, 18, V, 69, VII, 28, 29, 36, 
B. diwasa, II, 66, XVII. 134, IV, 26, VIII, 23, 93, XI, 

44, XIV, 39. 
2. K a r a h i n a n , B, 1 ë m a h a n (door den dag overvallen), XX, 62. 
R^hu. S. naam van een daemou , Tag. laho. Lamp. rahuq, 

B. Kalarahu, II, 35, 48, VIII , 51 , 66, 74, XV, 61. 
Raliu. I. B. kalabwagan, soort van vruchtboom (Dracon- 

tomelon mangiferum), XVI, 45, Mal. hetz. , Sund. 

dahu. Vsrl. Jav. lex. 



436 RAHUP — Rënö. 

II. Rahu-rahu, B. kulit (?irah! keel, VIII, 21. 
B. kulit! XXI, 189. 
Bahup. B. ma^uci (reiuig u), XVII, 89 (Imp.). 

2. Marahup, B. hetzelfde (reinigde zich), XVII, 134. 

B. mabrësih (zich het gelaat wasschen), III, 18, XII, 32. 

3. Arahup, B. ma?uci, III, 44, 45, XII, 46. 

4. Marahupa,B. hetzelfde (zich te reinigen) , XXIII, 29 , Conj. 
Règan. B. gansa (soort van muziekinstrument), XXII, 3. 
Rëgëp. Sund. hetz. , Jav. ren ge p. B. nagëm (grepen), XIX, 36. 

2. Anrëgëp, B. mangamël, XXII, 57, Act. Dur. 
Bënö. Mal. dënar, Bis. dongog, Form. linig, Tag. dinfg, 

Jav. runu, Atj. dëiior, Men. daha(r), enz. 
B. mirëhan (hooren) , VI, 12, Abs. 
B. pirënan, VII, 3, VI, 126, 140. 
B. kortta, XIII, 26. 
B. kapiragi, VIII, 147, Imp. 
dëhü (na woorden, die op n eindjgen), B. miragijan, 

VII, 76. 
ndënö, B. ndiüëh (hoerende), XI 13. 
B. miragi, XI, 47. 

2. Rënwakën, B. padinëhan (worde geluisterd naar), 

VII, 51 , Imp. Pass. 

3. Manrënö, B. miragiyan (hooren), VIII, 40. 
B. miragi, XX, 33, VI, 15, Act. Dur. Ind. 

4. Rënörëüön, B. pirën-pirënan (worde geluisterd naar), 

VIII, 14, Juss. Pass. 

5. Rënön, B. pirënan (beroemd), 1 , 1 , 46 (worde gehoord) , 
II, 30, 49, V, 84, Juss. Pass. 

B. padinëhan, XVII, 48. 

B. runun, VI, 10, VIII, 150. 

B. madinëhan, X, 62. 

6. Karënö, B. kapiragi (beroemd), I, 22 , II, 18 (gehoord), 
IV , 3 (beroemd). 

B. pirënan (gehoord worden), V, 13, 24, 61. 

B. kastawa (beroemd), VII, 68. 

B. ka sub (vermaard), I, 37, IV, 50, V, 83, VI, 6, III, 

3, XI, 24. 
B. këtah, VII, 70, XI, 25. 
B. kadinëh, VI, 189, XIV, 29, XVII, 100, 103 (gehoord) 

(Aor. Pass.). 



aëüös — RëÜKen. 437 

7. Ramëuö, B. tniragi (hoorde), 1, 38. 
B. in a d i II ë h a n , II , 9 , V , 45. 

B. inii-ënan, V, 48, XIV, 20, IV , 48, Vili, 167, 170. 
H, ma in irënaii , VIII 98, III, 85, Aor. Act. Ind. 

8. PanrëiMÏ, B. karunuan (gehoord), II, 72, vooralgcgaan 
door tan. 

n. miragi (te hooren) , VIII, 75. 

B. dinëh (gehoor), VIII, 131, 182. 

an panrënö, B. rairënan (bij 't hooren), VI, 35. 

n }) a n r ë n o , XIV, 65, 

9. R um ë II waken , A. j)irënan (luister naar) , Ui, 58 , Aor. 
Act. Iinj). 

10. Riuënö, B. pirënan (gehoord worden), V, 50, Bass. 
üur. Ind. 

B. ne dinëh, VIII, 130, 152. 

11. Anrënwakën, B. miragian (luisteren naar), VI, 37, 
Act. Dur. Ind. 

12. Paren wan, B. kaortta (beroemd), VI, 183. 

13. Ahrëftö, B. miragi (hooren), VII, 47, XVI, 5, Act. 
Dur. Ind. 

B. mirënan, VIII, 99, hoorende. 
Rënös. 1 . A n ë r ë n ö s , B. k a d a h a t a n (zeer) , XXV , 72 , 

vloeien ? 
Rëiïll. 1. Maren u, B. jëhis (barsch , vinnig), III , 42 , van het 
voorhoofd: gerimpeld, 
ma ren tl, B. maruiius (nijdig, boos), XIV, 49 , van 't voor- 
hoofd van een toornigen gezegd. 
2. Arëüü, B. jëhis (gerimpeld), XVIII, 44. 
Kënkën. 1. Rumëhkëh, B. jai'ikëh (kruipende), IX, 20. 

2. xi reuken, B. alimid (aanhoudend), XXV, 81. 
Bënga. S. ranga (kleur), B. onvertaald (versierd), XVII, 129, 
gekleurd ? 
2. Rinënga, B. pahyasin (gekleurd), XV, 22. 
B. bhüsana, XVII, 129. Pass. Dur. 
Rëiigut. 1. Mahrëhgut, B. inagujëh (rukken, trekken), VI, 
162, Act. Dur. Ind. 
B. iiarogoh (grijpen), XXII, 88. 
2. Anrëngut, B. üërogoh, XIX, 81. 
Rënrën. Jav. rëiidëü, B. ma san gulëm (regentijd), I, 12. 
B. dayuh, VI, 149, VIII, 87. 



438 RëCAH RëBUT. 

B. masan war sa, VI, 200, 202. 

B. warsa, VI, 203. 

B. sabëh, VII, 20. 

B. gulëm, XXIV, 92. 

2. Arënrën, B. hetzelfde (donker), XXI, 171, XIX, 70. 
Bècah. l.Eëcahan,B. rem ukan (verbrijzelen)! XXVI, 25, stuk. 
Rëiicëm. B. rusak (verbrijzeld), VI, 167, IX, 48, XXI, 177. 

B. sitsit (gescheurd)! XIX, 105, verpletterd. 

B. rëmëk, XXII, 86. 
Rena. B. tusta (opgeruimd), VI, 18. 

B. suka (bewijs van genegenheid), XV, 3, 5, XXI, 101 
(vreugde), 116, XI, 32. 

2. Karënan, B dahat tusta (voldaan), XXI, 88. 
Rënök. Bat. bornók, B. hëbët (diep), XIII, 65, kloof? 

rënëk, B. benëg (ravijn), XIX, 65. 

B. buhug (slijk)! XIX, 114, ravijn. 
Rënöb (renëb). 1. Marnëb, B. samah (dicht), XI, 84, XV, 
69 (dicht). 

marënëb, B. atub (dicht), VII, 61. 

marënöb, B. matëb (dicht opeen), VIII, 53. 

2. Arënëb, B. samah, IX, 57, XVI, 14, XXV, 71. 
Rënik. 1. Marënik, B. anrawit (tijn) , VIII, 48. Vgl. Mal. 

Bug. Lamp. rëuiq. 
Rëpa. Tag. dapii. Sund. na de pa. 1. Aiirëpa, B. mega ha ii 
(kruipen), VI, 162. 

B. mamantëg (slaan), XXIII, 77, kruipen. 

2. Anrëpa, B. magahan (kruipen), IX, 57, Conj. 

3. Manrëpa, B. magahan (kruipen), IX, 57, VII, 44, 
Act. Dur. Ind. 

4. Rumëpe, B. manlëpe (uitspuwen)! XXV, 53, kropen op. 

5. Karëpa, B. mepëpan, XXI, 189. 
B. manunkruk, XIX, 106. 

Rëbah. Bug. rëba, B. ëbah (vallen), IX, 6. 

B. nëbahan, IX, 90. 

B. bah, XXII, 76, XXV, 105. 

B. bunkah, IX, 47, XIX, 128, XXIII, 12, XXIV, 256. 

B. nëtëh, XXII, 47. 
Rëbuk. 1. Marbuk, B. Iwir srëbuk (stuiven), XXV, 83. 
Rëbut. 1. Pinarëbutan, B. parëbutin (het doel van den 
strijd), VI, 53. 



Reu- — RëMPAK. 439 

B. karëbut (overweldigd worden), IX, 39. 

B. karëbutiu (om strijd gezocht wordeu), XVI, 46. 

B. kagaranin, XVII, 120. 

B. k i n a b e 11 a n (overstelpt) , XXII , 50. 

2. Mare b ut, B. manrëncëin (strijden om), VIII, 7. 
B. manalih, VIII, 51. 

B. üjuragiu, XVII, 120. 

3. Ar eb II ta, B. raahrëbutin, V[II, 50. Conj. na kadi. 

4. Arëbut, B. manruncuh, XVI, 43, trachtten te krijgen. 
B. mar eb ut, XIX, 79. 

5. Kumëbuta, B. raanëmbulin (te overstelpen), XIX, 55, 
Aor. Act. Conj. 

6. an parëbuti, B. raam ut in (outweldigde) , XIX, 108, 
met nadruk op 't vorige. 

7. Rinëbut, B. karëbut (overstelpt worden), XIX, 119, 
Pass. Dur. Ind. 

B. kinabehan, XXIII, 12. 

8. Arëbut-rëbut, B. marëbut-rëbutan (om 't hardst 
trachten te verkrijgen) , XXVI , 23. 

Rëni. Mal. karam, Jav. kerëm, Sund. kal ëm, Day. kah ë m. 
Lamp. kar om. 

1. Ka rem, B. kalëbu (gezouken) , V, 89. 
Këinék. B. sitsit! (verpletterd), VIII, 21. 

B. dëkdëk (verbrijzeld), IX, 17, 57, XV, 23, XIX, 105, 

125, XXII, 52. 
B. rusak, XVI, 46, XXII, 62. 

2. Rinëmëk, B. katëhëk (werd verbrijzeld), VI, 22, Pass. 
Dur. Ind. Vgl. rëmuk. 

Bëinuk. Mal. hetz. Mak. remó, U. dëkdëk (verbrijzeld), VI, 
156, XI, 1, XXII, 60, XXIII, 42. 
B. rusak, XIX, 75, XXIII, 84. 
B. a d ë k d ë k , XIII , 32 , vernielen. 
B. onvertaald, XIX, 125. 

2. Are m uk, B. dëkdëk, IV, 72, XXI, 189, XVI, 46. 
B. rusak, IX , 57. 

3. Marëmuk, B. dëkdëk, IX, 39. 

4. Rëmukëu, li dëkdëkan (worde verbrijzeld), IX, 87, 
Imp, Pass. 

Kèinpak. B. hëmpak (gebroken). VI, 22. 
B. hëmpëk, VI, 156, XXI, 176. 



440 RCMPAH RI. 

B. tagël (gebroken), XIX, 75. 
B. m a b w a k , XIX ,81, uitgeslagen. 
B. onvertaald, XXIV, 6 (verbrijzeld), XI, 1, XIX, 84. 
Bënipah. 1. Rëmparëmpah, B. marëcarëcah, in stukkeu 

gesneden, XXVI, 22. 
Bëmpü. Bat. ropuk, B. rëmuk (gekneusd), XIX, 77, 
XXI, 176. 
B. buyar, XXIII, 84. 
Këmba. S. arambha (begin). 

1. sakarëmba, B. sin dëmënin (naar hartelust)? XXVI, 25. 
Rërëp. Jav. lërëb. 1. Tan karerë p , B. m u rirak (rusteloos) , 

XXIII, 6, ongeloken. 

2. Karërëp, B. lëplëp (in slaap gevallen) , XXIII, 24,26. 
B, kiyap (te slapen), XXIII, 29. 

l{ës. 1. Arës, B. ajëjëh (bang), IV, 76. 
Kësëp. B. SU ka (behagen scheppen in;, XIV, 27. 

2. E-umësëp, B. manusup (doordringen), XXIV, 88, 
XXVI, 50. 

B. ëtis (aangenaam), XXV, 107. 

B. maüëpsëp! (aangenaam), XXVI, 25. 
Bësik. B. halëp (schoon), XVI, 3. 

2. Marësik, B. tëlah, XXV, 88. 
Rëhak. 1. Are hak, B. makahak (kwalsteren), XXV,70,vgl. 

Suiid. röhak. Lamp. hëraq. Mak. teraq. 
Këhëli. 1. Karëhënan, B. dadëmënan (behagen scheppen)? 

XXIV, 117. 

RÖp. 1 Karöpau, B. ngulayah(iu slaap gemaakt) XXIII , 26. 
Ri. Mak. Bug. id. Mal. Bat. Sund. di. B. rin (in), I, 4, II, 
26, III, 85. 

B. onvertaald (op), I, 29, III, 34 (aan). 

B. marih (naar), III, 52, XXIV, 206. 

B. ka (tegen), V, 18, I, 23 (naar). 

B. di (te), VI, 28, IV, 58 (na). 

B. sa (bij), VI, 32, IV, 9, 42. 

B. olih (in), I, 4, III, 3 (met), XIX, 97. 

B. denin (wegens), II, 37, III, 17, 23, 32, IV, 47. 

B. pada (wegens), I, 18. 

B. antuk (wegens), VI, 200. 

B. ik au (in), XIX, 99. 

B. ida (naar), III, 19, 30 (op), 33. 



RIKa 'RIKa) — RtKANA. 441 

B. bahan (van), IV, 33. 
B. Il in (met), III, 27. 
B. dadi (voor), III, 28. 

B. i (ter aanduiding van den Accusatief) , VIII , 200. 
B ue (in), XVII, 33. XVIII, 46 (bij). 
B. e (naar), XXI, 12. 
B. santukan (van), VI, 29. 
B. in (in), XXII, 19. 
B. Iwir (wegens), VIII, 163, enz. 
Rika (rika). Loc Dat. v. ika, B. T. L. Vk. 1899, p. 97. B. 

irika (dit), III, 36, 73, XXI, 244 (daar). 
B. ditu (daar), XXV, 35, 37, VIII, 171, XIII, 61. 
B. punika (dien), V, 85. 
rika, B. sapunika (die), VI, 152. 
B. ika (daarover), VIII, 148. 
rika, B. mrika (daar), VIII, 175. 
B. rin (daarin), XI, 27, VII, 80 (in). 
B. keto (die), XIII, 66. 
B. den in (omdat), XIII, 77. 
B. ne (die), XXI, 174, XIII, 93, enz. 
Bikan (rikaü). hetzelfde , doch bijvoegelijk , B. h aua rin (in de) , 

III, 19, 49. 
B. punika (met de), IV, 20, XXVI, 30 (van de). 
B. ikan (in), II, 11. 
B. rin ikun (naar de), III, 57, 78. 
B. antuk in (voor de), XIV, 46. 
B. rin (in), XVII, 27, II, 5 (in het). 
B. mande (tot het), III, 57. 
B. punika saü (deze hier), VI, 169. 
B. irika (in), II, 2. 
B. irikun (in de), II, 20, 21. - 
B. irikan (in de), II, 25, 54, III, 15. 
B. onvertaald (naar de), XIII, 62, XI, 45 (in de). 
B. ditu (naar de), VIII, 43. 
B. deniri (met de), IX, 81. 
B. ma rin (naar de), VII, 33. 
B. de nikaii (in de), VI, 9. 
rikan, B. ika rin (naar het), III, 28, enz. 
^Rikana. zelfstandige versterkte vorm van hetzelfde woord , B. y a n 

keto (die), XVII, 52. 



442 RlKANATl RID. 

B. sap u nik a (in), XVIII, 20. 

B. deuin punika (in), XXI, 63. 

B. rin ika (dit), XXVI, 35. 
■^Bikanan. hetzelfde, doch bijvoegelijk, B. punikane (degenen 
die), III, 72. 

B. de nikan (naar), XI, 52. 

B. jan to (in), IV, 57, VII, 88. 

B. irikun (op), II, 17, VIII, 42. 

B. ha na rin, IV, 1 (op de), 15 (in de), 25 (in de), V, 6, 
9 (in het), VIII, 22, XI, 16 (op de). 

B. ikan (de), V, 52, VIII, 143. 

rikanan, B. jen! (zijn), III, 12, XXI, 148 (de). 

B. denin (in), V, 69, VIII, 36. 

B. punika (aan de), XI, 85, XXI, 104 (jegens de). 

B. ri (in de), V, 70, VII, 58. 

B. punika i (de), VI, 154. 

B. olih (in), XI, 28, VIII, 151. 

B. ri ikan (op de), XI, 56, 88. 

B. jan rin (onder de), XXI, 145. 

B. rin punika (in), XXI, 84. 

B. i (met de), XIX, 73. 

B. irika (op de), VIII, 45, 189, XVI, 12 enz. (rik ana + het 
lidwoord.). 
■^Rikin. bijvoegelijke vorm, B. mahi (met dezen), X, 9. 
*Rike. Loc. Dat. van ik e, B. irika (daar), XVI, 29. 

B. mahi (hierheen), XVII, 107. 
■^Riken. hetzelfde, doch bijvoegelijk, B. rin (in deze), II, 42 
(deze) , 71. 

B. ha na rin (naar de), III, 17, IV, 18 (in het) , 50 (in de). 

B. dini (in dit), IV, 37. 
^Riko. Loc. Dat. van iko, B. keto (hier), XIX, 6. 
Rigarigu. B. grajahgrujuh (schudden), XXII, 51. 

B. ingan-ingan, XXIV, 22. 
Rin. B. onvertaald (in de), I, 1, 4 (van het), 10 (in de), 26, 
II, 3 (in het), 18 (op de), 21 (in de), III, 33, 80. 

B. ri (in het), It, 27, XXIV, 152. 

B. jen rin (in de), III, 39, 56. 

B. denin (voor de), III, 76, II, 34. 

B. in (in de), I, 22, VI, 21, 

B. ika (de), III, 69, 82. 



Rini-Rini — RiYA (RiYa). 443 

B. ne rin (jegens de), I, 6, lil, 22, VIII, 12 (op de) , VI , 
171 (in het). 

B. ha na rin (in het), III, 26. 

B. di (niet te vertalen, voor een eigennaam), I, 11, IV, 22 
(tegen), II, 58 (tot de). 

B. yadin (in de), I, 12, III, 32 (jegens). 

B. n (in het), II, 17, III, 48. 

B. ka (naar de), II, 37 , XIX, 78 (in het) , III , 59 (jegens), 62. 

B. ne (in hetgeen), 1 , 48 , XVII, 49 (op). 

B. denin ne (in), XIV, 53, III, 65. 

B. yan in (in de), I, 54, III, 66 (voor). 

B. ikan (van de), VIII, 199, XIV, 12. 

B. san, VIII, 8, voor een eigennaam. 

B. yan rin (in), III, 60, XXI, 140 (onder de). 

B. olih (door de), V, 25. 

B. antuk (omtrent de), VI, 45, XX, 5 (in), 51 (voor de), 
X, 72 (met). 

B. nin (in), XXV, 90, 99 (in het). 
Rini-rini. B. mahinid (zeer scherp), XXII, 46. 
Rinkel. 1. Karin kël, B. mub u ban (gekronkeld) , IX, 16,25. 

B. manunkël, XIX, 106, XV, 22. 

B. nunkël, XXIII, 84, ineengezonken. 
Ringëk. 1. Aringëkan, B. raahaiijëkan (gebrekkig loopen) , 
XXV, 51. 

2. Maringëkan, B. hetzelfde, XXV, 55. 
Rinriu. 1. Manrinrin, B manrurarum (liefkoozen), XII, 14. 

2. Arinriü, B. manlinlin, XXV, 62. 
Rimli. B. lidi (soort van slang), XV, 63. 

■'^Rimlin. 1 . E i n i n d i n , B, k a p a s a r i n ! geplaatst naast ? XXV , 
82. Vgl. Sund. renden. 
Ridaii. B. git git (slijp-), XV, 53, XIX, 78, XXII, 62. 
Ripu. S. vijand, B. rausuh, VIII, 17. 
^Rimis. 1. Amarimisi, B. mapëpëles, V, 44, plagen. 
B. mangulgul, XVII, 108. 

3. Marimisi, B. hetzelfde, Vil, 13. 

3. Mamarimisi, B. mangulgulin, VI, 121 , XXIV, 104. 
Rimpuii. B. pëpëh (gewond), XXIV, 6. 

2. Arimpun, B. tëptëp (verminkt), XXI, 173. 
Riya (riya). B. irika (daar), VI, 114, XVI, 10, XI. 60 
(hem), XXIV, 226. 



444 RiwiiT — KÜG I rug). 

B. punika (hem), VII, 4. 

B, i k a (daarover) , XV , 40. 

B. iya (hij), XXII, 2. 

B. ya (die), VIII, 170. 

B. iba (van hem), IX, 88. 

B. rin iya (in hem), XIII, 81 , XV, 21 , XX, 45. 

B. rin ya (tot hem), XXII, 77. 

B. ipun (dat), XVII, 86. 

B. rin ipun (hem), XIX, 73. 

B. olih iya (er in) , XXIV, 105, enz. J3at. Loc. van ya. 
Vgl, Mal. d iya. 
Riwut. Mal. Sund. Atj. ribut , Malag. ri vutra. Mak. ri mbuq, 
Bug. riwuq, B. bayubajra (storm), V, 89. 

B. tarik, Vm, 4, XVIII, 36, XXII, 61, XXIII, 82. 

2. Kariwutan, B. kapëtënan (door storm overvallen), 
XIX, 62. 
Riwutpat^. B. dahat nlinus (storinvlaag) , XI , 1 . 

B. papëtën, XXII, 30, 47. 
Ruk. 1. Maruk, B. gësit (huiveren), V, 89. 

B. sunsut (bedroefd), XXIV, 10. 
Rilkëni. B. ëkön (flacourtia jaugomas gmel) , naam van een 

boom), XXV, 43, XVI, 45. 
Rukuh. B. tutup gëlun (helm), XXIII, 73. 
Rukrük. 1. Rum uk rü k, B. madunk ruk, VI, 163, uitrukken. 
Rüksa. S. ruw, dor, droog, B. layu (kwijnend), II, 6 , XII, 22. 

B. gësit (rnw), IV, 66, XVU, 114 (uitgedroogd), XXII, 
52, VI, 34 (bedroefd), 168, VIII, 101, IX, 57 (kwijnend) , 
XI, 2. 

B. dahat (kwijnend), XII, 1. 

B. bërag (vermagerd), XXIII, 22. 
Rug (rug). B. bunkah (vernield), IV, 76, IX, 6. 

B. rëbah (vallen), XIII, 12, IX, 1, 3, 90. 

B. bah, VI, 133. 

B. huwug, IX, 47, 56. 

2. Rumüg, B. man rugan (overtreden), XVIII, 45 , Aor. Act. 

3. Rügakën, B. nrusakan (vernielen), IX, 52, Abs. Caus. 

4. Kariigan, B. katëpen (geveld), IX, 54, Aor. Pass. 
B. kaurugan, IX, 56. 

5. Rinüg, B. manrusakan (vernield), X, 7, Pass. Dur. 

6. Anrug, B. nrëbah (vellen), X, 45, Act. Dur. 



RUGRAG RUDRA. 445 

7. Arüga, B. rëb.ah (zou vallen), XIX, 14 (Conj. na kad i). 

8. Ru ga, B. huwug (zou instorten), XIX, 54 (Conj. na 
kadi). 

B. wuwug, XXIV, 21 (na kadi). 
B. rëbah, XXI, 64. 

9. Manrug, B. ngawa arit! (vernielen), XXI, 217, Act. 
Dur. Ind. 

10. E, umüga, B. manuwugan, XXV, 1, Aor. Act. Conj. 
na mah y u n. 

11. Einugan, B. rësëpin! XXV, 78, Pass. Dur. 
Rugrag. 1. Karugrag, B. mawurahan (geveld), XXIV, 19, 

Aor. Pass. 
Uunki. B. waranka (scheede) , XXIV, 245. 
Runkuk. 1. Manrunkuk, B. manu n tuk (kniezen) , VIII, 78. 

B. manonkok (hurken), XI, 89, Act Dur. gebogen? 
Runkuit. 1. Eumunkun, B. jankëh, IX, 18, kruipende? of . 
gebogen ? 
B. bunkut (gebogen), IX, 20. 
B. ënjuwuri. XXII, 52. 
Rucira. S. glanzend, helder, prachtig, schoon, bevallig, en 
S. rucira, naam van een versmaat (cf. Kern , Wrttasancaya , 
68, Weber, 384, Kedara, 3. 89). B. du.sta! XVI, 25. De 
B. vert. foutief. 
Ruji. 1. Maruji, B. mahyas (zich tooien), XXV, 11. Jav. 

getralied. 
Riijit. B. sitsit (verscheurd), VI, 122, IX, 53, XIX, 80. 
B. rusak (vernield), XIX, 126. 
B. kan in (gewond), XX, 45. 
B. tatas (gebroken), XXI, 217. 
B. onvertaald (gescheurd) , XXII , 32. 
Ruti. B. kükur! (soort van leguaan), XXVI, 25, Sumb. uti, 

Bim. udi 
Rud<lha. S. teruggehouden, belet, onderdrukt, enz. B. nëlasan 
(bedwingen), VI, 62. 
B. go da (belemmerd), VIII, 85. 

2. Rumuddha, B. haükala (beletten), III, 27, Aor. 
Act. Inf. 

3. Manruddha, B. maürucakin (belegeren), XII, 62, 
Act. Dur. 

Rudra. S. naam van den stormgod , B. Qiwa, VI, 107, 



446 RUDRaGNi — rAm. 

B. onvertaald, XXI, 135, XXIV, 26. 
Rudr^giii. S. Ru dra 's vuur, B. gëni Rudra, XXII, 87. 
•^Rudratulya. S. aan Rudra gelijk, B. kadi Kala, XXIIl, 85. 
^Rudra^ara. S. Ru d ra's pijl, B. Rudrastra, XXIII, 66. 
Rudhira. S. bloed, Jav. ludira, B. gëtih, VI, 21, 51, XX. 
3, XXI, 219. 
B. rah, XIX, 45, 125, 130, XX, 1 , XXI, 217, VIII, 34. 
Runtuh. B. tiba (vallen), XXI, 232. 

Rüpa. S. uiterlijk, vorm, gestalte, gedaante, B. ra a sa wan, I, 8. 
B. warana, I, 15, VI, 99, 121. 
B. goba", VI, 169, VIII, 90, IX, 67, XIII, 35, II, 54, 

55, V, 65, XI, 1 , 6. 
B. tinkah, XXIV, 21, VIII, 103, XV, 57. 

2. Makarüpa, B. m agoba (de gedaante hebben van), VI, 108. 

3. Rinüpa, B. kahidëpan (voorgesteld), XXIII, 40 (Pass. 
Dur.). 

4. Sariipa, B. sawarnna (alle soorten), XXIV, 18. 
B. salwir (geheel), XXIV, 160, XIV, 30. 

^Rüpajati. S. uiterlijk en inborst, B. goba tuwi! XIII, 17. 
■^Rüpawan. S. eene schoone gestalte hebbende, B. goba bagus, 
XVII, 10. 
Rupuk. 1. Arupukan, B. makakrupukan? XVI, 14, in 

menigte. Vgl. rum puk. 
Rupuh. 1. Makaparupuh, B. rubuh (stortten) , XI , l . 
B. pagalëbug, XIX, 128. 
B. pakarëdëg, XXIII, 55. 

2. Kaparupuh, B. karusak (vernield), XV , 64 , Aor. Pass. 
B. pagarubug, XXI, 213. 

3. Amarupuhi, B. mamupuh (beuken), XIX, 104, Act. 
Dur. Trans. 

4. an parupuhi, B. katibakan, XX, 24, met nadruk op 
't vorige woord. 

Rubuh. B. wug (instorten), IV, 76. 
B. rëbah, IX, 40 (omvervallen). 

B. Rubuha, B. nuwugan (zou instorten), XIX, 14, conj. 
na kadi. 
Rüin. Mal. Atj. Day. harura. Men. ha run, B. mrik (geur). 
Vil, 10. 
B. gandha, VII, 27, XI, 8. 
B. wani, XVI, 30, XXV, 90. 



RUMAH RIJRAH. 447 

B. kara^min, IX, 57. 
B. sumëkar (geurig) , II , 2. 
B. mihik, YIII, 75, geur. 
B. kamihikan, XVI, 17. 

2. Maröm, B. mri k (geurig) , UI , 5, XVII , 107 , VIII, 154. 
B. wani, XXVI, 52, XI, 25. 

B. halëp (liefelijk), V , 67. 
B. balut, VII, 24, XIII, 2. 
B. man is (geurig), XVI, 14. 
B. mihik (welriekend), XI, 56, XVI, 16. 
B. bëcik (schoon), VII, 66, XX, 79. XXi , 99, 153 
(geurig), 206. 

3. Arüm, B. nunur (liefelijk), VIII, 71. 
B. halëp (schoon), VIII, 86. 

B. hayu, VIII, 90, XXI, 204 (geurig). 

B. mr ik (welriekend), XII, 1. 

B. mwat gandha, XVII, 132. 

B. mande asin (bekoorlijk), XII, 19. 

B. mëkar (geurig), XVII, 120. 

B. ma mri k, XXV, 8. 

B. smita (liefelijk), XIX, 21. 

B. man is, XIX, 22, XXIV, 98 (geurig), 100. 

B. mihik (liefelijk), XXIV, 99, 193, 260, XXV. 48, 56. 

B. asri (schoon), XXIV, 124, 126, XXV, 24, XXVI, 

23 (liefelijk), 40. 
B. nanluh, XXV, 89. 
Runiah. I. Marumah,B. rin ne istri (verheugd zijn?) XVI, 38, 
II. Rumahan, B. umahumah, XV, 25 , naam van een visch ? 
Ruiiipu. 1. Rumpwana, B. punduhan (worde verzameld), 

XVII, 15. 
Rnmpuk. 1. Arumpukan, B. raatrahgana (bij hoopen) , 
XVII, 127, XXVI, 25. 
2. Marumpukan,B. hetzelfde , XXV, 84, IV, 32. Vgl. r u p u k. 
■'^Rumbi. B. pasrawe (neerhangen), XXV, 88. 
Ruiiibu. B. c a r ë m (soort van varen) , XXV , 88. 
Runibe (riimbay). B. sambëh (verward), XIX, 22. 

2. Anrumbe, B. nulak (afweren), XVI, 34, Act. Üur. 

3. Rumurabay, B. manrugrugan (verward), XXVI, 23. 
Rnrah. 1. Manrurah B. manu wugaii (ontroeren) , VIII , 155. 

Act. Dur. 



448 BÜRÜ RUHUR. 

Rurü. Bat. rurus, Mad. rurusuq, Mal. luruh, B. ahas 
(afvallen), XI, 8, 56, XVII, 132. 
B. turun (neervallen), XIV, 39. 
B. lucut (uitvallen), V, 74. 
B. labuh (vallen), XVI, 14, 21, XVII, 107. 
B. layu (afgevallen), VI, 40. 
B. sëhahasah, IX, 52. 

2. Arurü, B. ahas, XXV, 14, IX, 56, afvallen. 

3. Marurü, B. mahasan, VI, 120. 
B. manahasan, VIII, 168. 

B. ahas, VIII, 162. 

4. Rinurü, B, kahasan (afgewaaid), VIII, 96, Pass. Dur. 
B. kutah, XVII, 130. 

Bnru. S. een soort van hert, B sëngah, VIII, 215. 

B. mi'ga, XXI, 198. 
Buruk. l.Rumuruk, B. mamanan (aten), II, 26, Aor. Act. 
Ruwag. Sund. hetz. , 1. Ruwaga, B. huwag (uiteenvallen), 

XXII, 5, van een arug. 
Ruwat. B. te las (kapot), XX, 35. 
Ruwëd. B. tëpon (doorboord), XX, 45. 
Rusa. B nica! hert, XXI, 198. De B. vert. foutief. 

rusa, B. buron, XXIII, 22, XXIV, 108, Mal. hetz.. Bat. 
ursa, Tag. o sa. Hoc. ugsa. 
Rusak. B. këles (bedorven), XV, 67. 

2. Arusak, B. ^irnna (vernietigd), V, 89. 

3. Marusak, B. këles (beschadigd), XXI, 2. 

Rusuh. 1. Arusuh, B. mari (ophouden)? XXIV, 14. Jav. 

onordelijk , slecht , enz. 
Ruhuii. B. malu (vroeger), VI, 195 (rjuhun), XXIV, 206, 

vooruit. 

2. Rumuhun, B. man d u h un in (vroeger) , VII, 37, XV, 25. 
B. nduhunin (dadelijk), XIX, 57. 

B. malu (eerder), VIII, 142. 

3. Maruhun-ruhunan,B. mad ulur-d ulur (streefden om 
't hardst naar), VII, 61. 

4. Karuhun, B. kalihke (hoeveel te meer), XIV, 11. 

5. Rinuhunan, B. karihinan (voorkomen), XIX, 127, 
Pass. Dur. 

Ruhur. B. tëgëh (hoogte), VII, 93, XI, 72, XVI, 2 , XXI, 153 
(boven). 



KEK.A RODRARÜPA. 449 

B. duhurin, II, 4, (boven), 76. 
B. duhur, IV, 5 (boven), XIII, 37. 
B. duhuran (boven), VI, 20. 

2. Maruhur, B. tëgëh (hoog), VII, 56, 59 , VIII , 43 , 57. 

3. A r u h u r , B. hetzelfde , VIII , 42 , XI , 68 , XV, 65, XXI, 1 1 4. 

4. Uminduhur, B. namënekan (ging naar boven), VIII, 
3 , Aor. Act. 

B. katëgëhin, XI, 53. 
B. diduhuran, XXI, 242. 

5. Miiiduhur, B. namënekan, XV, 61. 

Reka. S. rekha (streep, teekening, beeld), Tag. likhu (afgods- 
beeld), B. sur at (brief?) VIII, 205, XI, 21, 22, 33, 34. 
E. se wala , XI, 21. 
Rena. B. me me (moeder), XIX, 24, XXV, 114. 
B. ibu, XXII, 27. 
^Renden. 1. Kinenden, B. kajëmuh (in de zon gedroogd 
worden), XXV, 82. Vgl. Mal. Sund. denden. 
Rok. 1. Marok, B. awor (handgemeen raken), XIX, 112. 

2. Koken, B. adukan (worde in rep en roer gebracht), 
XXI, 191, Juss. Pass. 

3. Arok, B. awor, XXII, 52. 
B. samar (verward), XXIII, 78. 

Rondon. B. dondon (blad), VI, 170. 

B. bun mahëdon! VI, 171. De B. vert. foutief. 
B. don, XVII, 127. 
B. madawun! XXIV, 97. 
B. luhun dadah, XXI, 240. 
Rodra. S. raudra (onstuimig, vreeselijk, wild), B. karësrës, 
VI, 136, 164. 
B. ahen, VIII, 5, 62, V, 2. 
B. galak, II, 33, XVIII, 19. 
B. krüra, VIII, 22, VII, 90. 
B. raksasa! VI, 77. De B. vert. foutief. 
B. onvertaald, VIII, 34, IX, 19 , 28, XV, 33, IV, 4, 73, XIX, 

71, II, 35, VI, 20, XXI, 172. 
2. Sarodra, B. lëwih karësrës (vreeselijk), IV, 67. 
B. dahat tarik, XVIII, 35. 
Rodrabahni. S. raudrawahni (het vuur der wildheid), B. 
krodha api, VI, 62. 
■^Rodrarüpa. S. raudrarü pa (vreeselijk van uiterlijk), B. ahen 
gobane, IV, 5, II, 67. 

29 



450 RON — RWI. 

B. kabhinawa gobane, XVII, 4. 
Ron. Mal. Sund. daun, Malag. ravina, Mad. da won, Bat. 
Tag. Bis. dahon, Day. dawen, Mak. raun. Bug. daun, 
B. don (blad), IV, 17, Vi, 122, 124, IX, 43, 52, 53, 
57, XI, 3, XII, 63, XVI, 38, XXIV, 100. 
B. dawun, XIV, 51, XXV. 93. 
B. madon, XXV, 82. 
Rorawa. S. Raurawa (uaain van een hel) , B. na wee i, XIX, 99. 
Rowaii. B. duluran (gevolg, gezelschap), I, 27. 
B. sarën, III, 19. 

B. kanti (helper, bondgenoot), XXI, 191. 
B. wadwa, V, 10. 
B. sahiii, XXII, 64, XXIV, 115. 
B. manajak! VUL, 91. 

B. panjak, XIII, 61, XIV, 70, XXI, 171, XXII, 34. 
2. Eowana, B. ajak, wees (mijne) gezellin, XVII, 10. 
Rohini. S. naam van eene godin, B. Jahnawi, V, 16. 
Ryyak. Bat. r i a k , Malag. r i a k a (vloed) , Mal. m ë r i a k 
(kabbelen), B. om bak (golf), VIII, 47. 
B. ocakan, VII, 25, XI, 63. 
B. lancut (stroom), XI, 8, 75. 
B. alun, XV, 32, XXII, 29. 
B. onvertaald, VII, 108, 111, XI, 62, 68, 69, 73. 

2. Ryjak-ryyak, B. ocakan (golven), II, 4. 

3. Maryyak-ryyak, B. makareyak (golven), XIX, 74. 
Rwa. Jav. loro. Mal, duwa, B. makalihan (twee), II, 13. 

B. kakalih, XX, 15. 
B. dadwa, VIII, 186. 
B. kalih, XIX, 106. 

2. K^Twa, B. hetzelfde (beiden), IV , 8, XIII, 77 , XXII, 50. 
B. makakalih, XXIII, 4, XXIV, 221. 

3. Rwan puluh, B. dwan da 9a (twintig), VIII, 76. 

4. Sakarwa, B. këmbul kalih (bij twee tegelijk) , XV, 62. 

5. Pin rwa, B. mindonin (voor de tweede maal), XIX, 18. 

6. Rwa wëlas, B. roras (twaalf), XXI, 139. 

7. Maiirwarwa,B. mindo-mindoin (herhalen) , XXIV, 229. 

8. Kinarwan, B. makëmbaran, XXVI, 22. 

Rwi. B. dwi (doorn), II, 26, XXII, 52, Iban. dugi, Bul. 
ruhi, Mal. Bug. Bat. duri, Day. duhi, Jav. ri, Malag. 
rui (distel), Pak. rui (beenderen). 



La LAKU. 451 



L. 



La. 1. Mala, B. maledled (zich laag uitstrekken), VI, 139, 

XXII, 50. Vgl. ala. 
Laka. Prakrt , S. 1 a k s a (lak) , Tag. 1 a k h a , B. onvertaald , II , 10. 
B. aban, V, 66 (lakkleurig). 
B. rakta, XVII, 113 (lakkleurig). 
B. toya! lak, XXVI, 13 (de B. vert. foutief). 
Lakët. Mal. v. Tidung lakatan, Tag. lagkitan. 1. Lakëtan , 
B. jajakëtan? XVII, 112, kleefrijst. 
B. këtan (kleefrijst), XXVI, 25. 
Laki. Mal. Mak. Day. hetz. , Sund. lalaki, Bug. 1 ai , B. de wa! 
man, III, 11. De B. vert. foutief. 
B. kakun, II, 8. 
B. s o m a h , V , 58. 

2. Malakja, B. rin purusa (om te huwen), II, 49. 

3. Lakibini,B. luh m wan i (mannetje en wijfje), XXIV, 103, 
XV, 66. 

4. Lakibi, B. lanan is tri (mannetje en wijfje), XXV, 56. 

5. Sa lakibi, B. sap al aken (mannetje en wijfje samen), 
VI, 117. 

6. Lumakilaki, B, makelin kapurusan (boezemden 
moed in) , XIX , 88 (Aor. Act.) , tot dapperheid aansporen. 

7. Lakilaki, B. purusa wani (man), XIX, 90 (held). 
B. swami kakun (man), XXIV, 104. 

8. Anlakilaki, B. matatarihan (zich vermannen), XXI, 
213 (Act. Dur. Ind.). 

9. Kalakilakin, B. kaj)urusan (mannenmoed) , XXIII , 50. 
10. Alakya, B. marabi (zal huwen), XXIV, 185 (Fut. na 

m a t a n n j a) . 
Lakn. Mal. hetz. , B. 1 u m a m p a h (gaan) , III , 21. 
B. këma (ga), II, 42. Imp. 
B. mamarggi, VIII, 175, VI, 50. 
B. marika, V, 46. 

B. lampah (het gaan), VI, 30, 160, VIII, 1, XXVI, 22. 
B. majalan (ga), XIV, 50. Imp. 

at laku, B. majalan (om te gaan), II, 59, VII, 91. 
B. mamarggi (om te gaan), VII, 105, 

ar laku, B. lumampah (toen ging) , III , 26 , V , 64 , VI , 
160 (gaande). > 



452 LAKLA.K LAKSA. 

B. lampah (dat ging), VII, 54. 

yar laku, B. raamarggi (dat ging), III, 25, 40, VIII, 

24, 112, XVI, 22, VI, 130. 
jan laku, B. ya laksana (dat ging) , IV , 30. 

2. Lakwa, B. luwas (gaat), I, 53. Conj. na on. 

3. Lu raak wa, B. mamarggi (om te gaan), VI, 132, VII, 
42, XI, 35. 

B. nlaksanain, X, 39. 

B. namargginin, I, 58. 

B. ra ara, VI, 158. 

B. pamarggi (zou gaan), Xllt , 3 (Aor. Act. Conj.). 

4. Luraaku, B. lumampah (gingeji), I, 61, VI, 49, 
V, 6. 

B. mamarggi, III, 35, 86 (ging), II, 78, XVII, 131, 

VII, 55, V, 21, 39, 42, 64. 
B. raajalan, IX, 18, Aor. Act. Ind. 

5. Lu raak wak en a, B. namargginin (volvoer), III, 73, 
Juss. Aor. 

6. Panlaku, B. tindakan (gang), IV, 5, middel om mede 
te gaan. 

B. jalanan, XXIII, 4. 

7. Liuakwan, B. la rap ah in (te begaan), XV, 38. 

8. Palaku, B. andih (verzoek), IV, 40. 
B. pandih, V, 15. 

9. Pinalaku, B. katunas (verzocht worden), XV , 6 , Pass. 
Dur. Ind. 

10. Araalaku, B. manunas (verzoeken), XV, 9, Act. 
Dur. Ind. 

11. Mamalaku, B. hetzelfde, XV, 10, Act. Dur. Ind. 

12. Mamalakwa, B. mapandihan (ora te verzoeken) , 1 , 43 
(Act. Dur. Conj.). 

B, managih, V, 50. 

13. Paraalaku, B. panunas (verzoek), XV, 12. 
Laklak. B. këlet-këlet (ontveld), XXII, 50, afgestroopt? 
Laksa. I. S. honderdduizend, Sund. üay. Mal. Atj. laksa (tien- 
duizend), B. onvertaald, XVII, 57, XXII, 78, XXIII, 25. 

B. laksaan, XV, 29. 
B. pan laksa, XV, 35, XIX, 12, 53. 

II. S. doel. 1. Linaksa, B mamanah (getroffen worden), 
XXIV, 18, Pass. Dur. 



LAKSITA — LAGA. 453 

Laksita. S. begrepen, opgemerkt, B. wihikan, XXIV, 18. 

Laksniana. S. naara van Ra ma 's jongeren broeder, B. onvert. , 
I, 33, 59, II, 2, II, 15,22,29,32,34,53,66,111, 14, 
16, 29, 42, IV, 1 , 29, 33, 34, 36, 48, 51 , 52,54,60, 
61, 65, 71, V, 6, 9, 11, 39, 42, 46, 47, 54, 58, 61, 
84, VI, 9, 10, 14, 34, 46, 60, 114, 117, Vil, 1, 33, 
39, 40, VIII, 197, X, 18, 37, XI, 16, 34, 85, 95, 
XIII, 34, XVI, 6, XVII, 4, 7, 8, 46, 47, 78. 83, 
XVIII, 52, XX, 34, 36, 71, 74, XXI, 87, 88, 155, 
XXII, 16, XXllI, 2, 18, 19, 60, 61, 64, 68, XXIV, 1, 
8, 9, 10, 152, 162, 187, 209, 210, 242, enz. 
B. Suraitrawëka, XIX, 39. 
B. Sumitraputra, II, 30, XI, 36, 49, 90. 

Laksmiwati. S. gelukkig, schoon, B. lëwili in kali ay on, 
XX, 79. 

Laga. Mal. Men. hetz. B. ma tan ah (strijden), XV, 2. 

2. Lage, B. përaniu (worde bestreden), III, 82,Imp. Pass. 
Trans. 

3. Lumage, B. mamagutiu (bestrijden), VIII, 190 (Aor. 
Act. Conj.). 

B. lawanan, I, 53. 

B. mayudha (bestreed), V, 82 (Aor. Act. Ind.). 

4. Malaga, B. mayudha (in den strijd), XIV, 46. 
B. mapëran, XIV, 53, XIX, 114. 

5. Palagan, B. samara (slagveld), V, 24. 

6. Anlagaua, B. mayudha (hadden bestreden), V, 34, 
Act. Dur. Conj. 

B. lawaua (te bestrijden), IX, 58. 

7. Pa laga, B. paper an (strijd), VI, 168. Subst. 
B. mapëran, VI, 170. Imper. 

8. Man laga, B. hetzelfde (ten strijde), VIII, 191 (Act. 
Dur. Conj.). 

9. Man lag e, B. hetzelfde (bestrijden), I, 54 (Act. Dur. Inf.). 
B. manlurug, XIII, 73 (Act. Dur. Imp.). 

B. mamërana, XIX, 57 (Act. Dur. Conj.). 

10, Lagana, B. pagut (zal bestreden worden) , I.X, 59, VIII , 
213 (lagana), Eut. Pass. Ind. 

lagana, B. pagutin (bestrijden) , XIV, 6 (Conj. na yap wan). 

11. Malaga, B. mayudha, V, 23, VI, 161, XIII, 7'J, 
XVIII, 48 (op te trekken), XXIII, 70 (Conj.). 



454 LaGi (lagi) — laökah. 

12. Alaga, B. papëran (iu den strijd), XXIII, 11. 
Lagi (lagi). Mal. Day. hetz, (meer , ook , zelfs) , B. n ü n i (vroeger) , 
VI, 156, III, 74, XIII, 73, XIV, 28, IX, 47 (lagi). 
B. nrihinan, III, 74. 
lagi, B. malu, XX, 45. 
B. sërin (gewoonlijk), IX, 34. 
lagi, B. dumunan (vroeger), XIX, 115. 
lagi, B. suba, XX, 24, XXIII, 11. 

2. Linagilagin, B. uüni nin anüni (te bestudeeren ?) 
III, 62, Gerund. 

3. Lagilagin,B. dumun-dumuuin (laat vooruitgaan gaan), 

m, 71. 

4. Lagilagi, B. ne subasubana (vroeger), XXIII, 11, 
XXVI, 32. 

Lagna. S. nagna (naakt, bloot; bedelmonnik), B. pandita, 
XXIV, 114. 
B, manditain, XXV, 80. 

2. Lagna-lagni, S. nagna-nagni. B. tapa-tapi (man- 
nelijke en vrouwelijke bedelmonnik), XXVI, 31. 
Liiglag. 1. Malaglag, B. leglog (slaphangen) , XXV, 83, 

dartelen ? 
Laghiiii3.li. S. lichtheid , lichtzinnigheid , geringschatting , B. 

tan mari hampah, XXV, 28. 
Lagliu. S. licht, snel. Mal. lagu (zangwijze), B. lamp ah 

(snelheid), XXI, 138. Ed. laku. 
Lanö. 1. Kapilanö, B. mapinda pal in (verward), XI, 30, 

mijmerend. 
Lanit. Mal. Suud. Mad. Bat. Day. Pak. Tag. Bis. hetz. Malag. 
lanitra. Mak. Bug. laniq, B. aka^a (hemel), II, 33, 
XI, 6. 
B. wiyat (uitspansel), VI, 6, 26. 

B. ambara (luchtruim), VI, 21, VII, 7 , 23 , 32 , XXIV, 207. 
B. onvertaald, XXVI, 2, VII, 3, 5, 15, 33, IV, 55, 
VIII, 101, XI, 54, XIX, 54, XX, 37, XVII, 109, 
XXIV, 9, 255. 
Lankap. B. laras (boog), I, 61, II, 57, 67, 73, III, 42, IX, 
10, 47, 81, VII, 5, XIX, 109, XXI, 218, XXIV, 247. 
B. cê-pa, XX, 54. 
Lankah. Mal. hetz. (schrede). l.Anlankahi, B. manunkulin 
(trappen op), VI, 83, Act. Dur. Ind. 



LAIIGU (laI ga) LAIlduGA. 455 

2. Kalankahau, B. kaslankaniu (vertreden), XIX, 127, 
Aor. Pass 
Langa (laüga). 1 . L i n a n g a , B. c e r e t (opgeslurpt) , XXII , 50 , 
Pass. Dur. 
2. Man langa, B. man e re k (opslurpen) , VIII, (37 , Act. Dur. 
■^Laiigara. 1 . K a 1 a n g a r a , B. b a r n b a h , veranderen ? XXVI ,11. 
Langala. S. i)loeg, B. onvertaald (werpspies), XIX, 71, 109. 
Laugüla. S. staart, B. ikuh, XX, 11. 
Lange. 1. Luraange, B. macaran (van takken voorzien), 

XXIV, 97. 

Laiighana. S. overschrijden, Mal. lengana (onwillig), Mad. 
langa na. B. tulak (zich verzetten), III, 12, XXIV, 79. 
B. ka tulak, XI, 32. 
B. capala, XIX, 58. 

2. Lahgana, B. nuiikasin, VI, 7. Fut. 
Lanlan. 1. Lumahlan, B. lu mal ana (ronddolen) , XXIV, 122, 

Aor. Act. 
Lansëb. B. carorih (naam van een vruchtboom), VIII, 10, 
lansium domesticum Jack. 
B. laiisat, XVI, 45. Mak. Sund. hetz. Lamp. lijaq. 
Lacak. B. lucut (doornat), XXIII, 17. 
Laja. B. hisen (naam van een op gember gelijkende wortelplant), 

XXV, 45. Sund. Mak. hetz. 

Lajjita. S. verlegen, beschaamd, B. lie dalem, X, 12. 

B. üjëiiahan, XXIII, 46. 
Laüjak. 1. Linaiijak, B. apan an rëj ak (gestrikt worden), VI, 

187, Pass. Dur. 
Lanji. B. jëiiah (beschroomd), XXV, 76. 

Landak. Mal. Sund. 1 andak, Mak, Bug. land aq , Malag. tran- 
draka, B. cabol (stekelvarken), IV, 31. 
B. onvertaald, IX, 57, XX, 47, XXIV, 123, XXVI, 25. 
Landèp. B. tajëp (scherp), XIX, 82. 

2. Malandëp, B. hetzelfde, XV, 53. 
B. ma tajëp, XXI, 182, XI, 86. 

B. onvertaald, II, 24, VII, 90, IX, 66, XX, 8. 
B. aluhid, IV, 75, VI, 19. 

3. Alandëp, B. tajëp, VI, 19. 

4. Landëpana, B. tajëpe (te scherpen), V, 12. Conj. na 
a m ri h a. 

Landuga. S. ladduka (soort gebak) , B. lamurud! XVII, 101. 



456 LAüduD — LAPa. 

B. panajënan, XXIV, 249. 
Landun. Mal. landun (lang, afhangend). 1. an paland un,B, 

angalendon? IX, 57 (zich in de lengte uitstrekken). 
2. Palanduha, B. dirghajusa (langleveud) , II, 75. Conj. 

na yap wan. 
Lata. S. slingerplant, B. bun, XI, 12, XXIII, 31, 32. 
Latëk. B. hëndut (modder, slijk), XI, 46, XV, 20,40(Sund. 

lën t ak). 
Latu. Mad. tolato, Sund. silatu. Mak. Bug. lalitun. Bul. 

atuhatu (vonk) enz. vgl. Kern, Fidjitaal p. 197. 

1. Latu-latu, B. lalatu (vonk), XIII, 16. 

2. Malatu-latu, B. malalatu (flikkeren), IX, 36. 
B. masëmbaran, XXII, 59. 

3. A latu-latu, B. hetzelfde, XXIII, 63, vonken. 

Lana. B. p a g ë h (eeuwig), 1 , 7, III , 78 , VI , 1 38 , XI, 46, XIII, 46. 
B. lama! XIV, 2, XIII, 48, XVIII, 22. 
B. tan mari (onophoudelijk), I, 59, V, 9, VIII, 18, XI, 

41, 42, 44, XXVI, 13. 
B. tan pëgat (onafgebroken), VI, 116, I, 8, XXI, 202, 

XXIV, 19, 69. 
B. hëda mari (onophoudelijk), III, 53, V, 12, XXIV, 61. 
B. satata (altijd), XIX, 69, XXI, 138, XXIV, 178, 184, 

XVn, 138, VIII, 171, XVIII, 23, 42. 
B. jënëk! XVIII, 40, XXI, 88. De B. vert. verkeerd. 
B. sëiin! XX, 76, XXII, 7, 29. De B. vert. foutief. 
B. aris! XXIV, 55. 
B. onvertaald, VII, 110, XII, 13, XIV, 33, VIII, 32, 

102, 108, 110, 112, 155, XVI, 10, V, 28, 81,111,58, 

VI, 8, 13, 99, 189, I, 41, XIII, 47, 85. 
tan lan^, B. hajahan (onbestendig), VII, 13. 

Lanan. B. mwani (mannelijk), VI, 89. 

Lantan. 1. Lantan-lantan, B. lyan ika tan mari! XXI, 

206 (soort van ring.P) 
Lantas. 1. Malantas, B. mëros (effen), XXV, 79, gelijk, 

slank, recht? 
Landëp. B. onvertaald (naam van een plant), XXV, 88. 
Lapa. B. layah (honger), VII, 60. 
B. sëduk, VI, 96, XXII, 50. 
2. Malapa, B. layah (hongerig), II, 26, VI, 75, V, 11, 

VII, 60. 



LABUH — LAYAn . 457 

3. Alapa, B. hetzelfde, VII, 91, XVI, 43 (vgl. Mal. Mad. 
1 a p a r , Bat. r a p a r , Sas. 1 a p a h) . 
Labuh. B. raalabuhaii (een einde raakeu aau), II, 27 (Jav. 

R. 17). 
Labdhajiwa. S. het leveu herkregen hebbende , B. p o 1 i h u r i p , 

XV, 46. 
Labha. S. winst, voordeel. Mal. laba, B. phala, X, 14 
(buit), XXIV, 224, 226 (voordeel), X, 17, 32, XIII, 54. 
B. pakolih, XII, 52, XIV, 46. 
B. maphala, XXIV, 224, XIII, 83. 
2. Labha, B. hetzelfde, X, 20. 
Laiiiad. 1. La raad-lamad, B. hima (dunne wolken), VIII, 106, 

XXIV, 21, wolksluier? 

Lamiinsir. B. nora cal! XXI, 237, Lamp. lambusir, rug- 

strooken , Men. Mal. lamusir, Malag. lamusinii, rug. 
Lampah. B. laku (gang), XXI, 193. 

2. Lumampaha, B. mamargga (zou gaan), XI, 50 (Aor. 

Act. Conj.). 
B. mamarggi (ga), XXVI, 45 (Imp.). 
Lauipës. B. katumbah (koriander), XXV, 42 oeimutn 

san ctum. 
Laiupipi. B. onvertaald , naam van een watervogel , XXV , 56. 
Lainpu. 1 . M a n 1 a m p w a , B, ë 1 a s a n (zal weggaan) ! XXI , 42 , 
zal liever. 
B. manëlasan, XXIV, 223. 
■^Lauipyay. 1. Kalampyayan, B. pagalenten (los hangen), 

XXV, 73. 

Lauibat. 1. Malambat, B. n al es (lang) , XXI, 237 , buigzaam? 
lambay. B. bibih (lip), XX, 73, XII, 42, vgl. lambe. 
Lambayun. B. ku m a 1 i n d u n (sluipen , omwegen maken) ! XVII, 8, 

katjangbladeren. 
Lambun. B. pyah (zijde), XIX, 83. 
B. onvertaald, XXIV, 103. 
B. sampin, XXIV, 250. 
Lambe. Vgl. lambay. B. wak tra! lip. XIX, 74. De B. vert. 
foutief. 
B. te pi (rand), XXVI, 24. Tag. lambay (oever), Lamp. 
lalambay (lijst). Bat. lambe (breede planken). 
Laya. S. ondergang, B. de 9a! VI, 59. De B. vert. foutief. 
Layan. 1. Anlayan, B. makëb er (vliegen) , VII, 34, Act. Pur- 



458 LAYAR LAEA. 

B. kast ah (zweven), IV, 75, XV, 62. 

2. Manlayan, B. raakëbër (vliegen), V, 1, VI, 5, IX, 

69, XIX, 80, VIII, 3, XI, 1,6. 
B. mampëh (zweven), XXIV, 207, VI, 22, VIII, 1. 
B. nambara, XXIV, 220, XXV, 6. Mal. Daj. Atj. hetz. 
Layar. I. Mal. hetz. Day. rayar, Atj. layër, Mad. lajar. B. 
bidak (zeil), XXII, 32. 
II. Layar-layar, B. layaran (soort van groote zeevisch) , 
XV, 28, de nautilus? 
Layah. B. sagënah! XXIII, 65, weggevaagd? 
Layü. 1. ar layü, B. malahibin (te vluchten), VI, 24. 

2. Malayu, B. hetzelfde, vluchten, XIX, 35, IV, 58, VII, 
58, VIII, 41, 52, V, 3, 43, III, 66, XV, 52. 

3. Alayü, B. malahib, IV, 73, V, 32, 50, IX, 33, 
57, X, 59, XV, 20, 52, 53, XXIII, 62, XXII , 87. 

4. kampalayü, B. malahib, V, 25. 

tanpalayü, B. nora riginsirin (zonder te wijken), XIX, 
87, XXIV, 226. 

5. Pinalaywakën, B. kaplahiban, XXII, 86, Pass. 
Dur. Caus. van //wegloopen met'/. 

6. Palaywa, B. malahib (vluchten), VIII, 132. Conj. na 
y adiy an. 

7. Apalaywan, B. hetzelfde, XV, 33, vluchtend. 

8. Malayu-layu, B. malah i b-lahiban , XXI, 213, 
vluchten (freq.). 

9. M apalaywan, B. malahib (vluchten), XXVI, 2. 
Layu. I. Mal. Day. Mak. hetz. Malag. lazu. 1. Lay wan, B. layu 

(verwelkt), VI, 40, XXV, 101. 
II. Layu-layu, B. rarontek (vlaggetje), XXV, 101 (Mal. hetz.). 
2. Laywalaywan, B. hetzelfde, VII, 6, wimpel? 
Lara. B. duhka (verdriet), III, 20, 24, VI, 40, IV, 59. 
B. sakit (smart), VI, 52, VIII, 152, XVII, 26, III, 28. 
B. rusak, XIII, 76, 77. 
B. sansara, VIII, 152, VI, 63. 
B. sëdih (hartzeer), III, 19, 30, 31. 
B. nakitin, VI, 118, 123. 
B. onvertaald, IV, 24, XIX, 83, droefheid. 

2. Lara, B. sakit, YIII, 39. 

3. Malara, B. kasakitau (bedroefd), VIII, lil, III, 22, 
VI, 167, pijn hebbeu. 



LARAn LARAD. 459 

B. sëdih (bedroefd), VIII, 40, 96. 

B. turida, XVII, 132. 

B. sakit, XXIII, 43, VI, 47, VIII, 205. 

B. kasëdihau, VIII, 103. 

4. Malara, B. duhka, III, 11 (weest bedroefd), VII, 104, 
Conj. 

B. duhkaan, XVII, 88 (Couj.). 

5. K a 1 a r a , B. k a s u n k a n a n (waarover treurde) , III , 26 , 
Aor. Pass. 

sakalara, B. kasakitan, III, 84, alles wat bedroeft. 

6. Manlare, B. nakitin (kwellen), III, 51, VII, 21, 
XIII, 8. 

B. manakitin, VII, 13, 37. 
B. nakitin, VIII, 154, 167. 
B. üankala, IV, 39, Act. Dur. 

7. ndatan paiilare, B. nanin uora kasakitan, (maar hij 
bekommerde er zich niet over), IX, 79. 

8. Lu mare, B. ma ga we kahyun (deed leed), V, 61, Aor. 
Act. Trans. 

B. nrareno, VI, 43. 

B. amëjahi! VI, 17, molesteeren. 

B. manëmpenan, VI, 121, kwellen. 

9. Alara, B. suiisut (bedroefd), V, 17, VI, 34, VIII, 
101, 120. 

B. sakit, VII, 23, 30, XXI, 183 (pijn hebben) , XVII , 27. 

B. kasakitan (bedroefd), VI, 49, 61, XI, 76, 78. 

B. sëdih, VIII, 120. 

B. nakitin! XIII, 6. De B. vert. foutief. 

B. sansara, VIII, 163. 

10. Kalaran, B. sëdih (bedroefd), VIII, 39. 
B. s unsut, XI, 35. 

B. kabhranten, XXI, 128. 

B. kasakitan, VIII, 147, verdriet. 

B. kasëdihan, VIII, 101, bedroefd. 

11. Linaran, B. sansara (betreurd worden), XVII, 106. 
B. kasakitin (gemarteld worden), XXIII, 15. 

Laran. 1. Laranan, B. mini tan (verboden goed), XXV, 21 

(Mal. Sund. Atj. hetz.). 
Larad. B. tuna (verminderd), XXIII, 50, van verdriet gezegd. 
B. pasah, XXVI, 10. 



460 LARAP LaLANA. 

2. Laradakëu, B. maningalin (matig), XXV, 4, Imp. 

3. Manlarad, B. püruua! XXVI, 11, minder worden 
(Act. Dur,). De B. vert. foutief. 

Larap. I. B. makëlep (voorbijschieten) , VII, 13. 

2. Lumarap, B. akëlepan (voorbijschieten), XVIII, 42, 

Aor. Act. 
B. pakëleplep, VII, 8. 
B. manarab (flikkerend), XVI, 3. 

B. tnanredep (voorbijschieten) , Vil ,15, VIII , 58 (flikkerend). 
B. naredep, XI, 87, XVU , 109, XXIII, 56. 
II. Larapana, B. siliban! worde te baat genomen , III , 59, 

Juss. Pass. 

2. Pinakalarapan,B. dadi hawanan (tot middel genomen 
worden , X , 50. 

3. Larap au, B, hawanan (middel), XXI, 98, Imp. 
Laras. I. B. capa (boog), VII, 14, II, 32. 

B. lankap, VII, 39, II, 34. 

B. onvertaald, II, 43, 69. 

B. gaudewa, XXIV, 1, II, 51, III, 43, V, 27. 

B. panah, V, 33, II, 74, IV, 45, XII, 38. 

2. Malaras, B. naba capa (met een boog gewapend), 
VIII, 50. 

3. Alaras, B. naba laras, IX, 19. 

II. Malarasan, B. masusupan (rondzwerven), VI, 140. 

2. Alarasan, B. hetzelfde, XXV, 5. 
Laris. B. narukti (scherpheid), XII, 43. 

B. ros, XII, 43. 

2. Alaris, B. tëka nin cun uh ! puntig, IV, 32 , van tanden 
gezegd. 

B. man is, IV, 43. van den blik. 

B. tipis, VI, 122, van een blad. 

2. Malaris, B. maros, XII, 38. 
Larih. 1. Malarih, B. kaidëran (inschenken), XXVI, 25. 
Laru. l.Larwan,B. dadalu (vliegende witte mier), XXIV, 109. 

2. Laru-laru, B. këbus kapanasan! hetzelfde, XX, 43. 
De B. vert. onzin. Sund. siraru. 
Lalata. S. voorhoofd, li, mulakan, III, 42. 

B. sëlagan alis, XVIII, 44. 
Lalaoa. S. liefkozen, Sund. óalalana, reizen, trekken , B. p u r - 
n a y a ü (troosten) , XVII , 89. 



LALAY LA LU. 461 

B. n a r u h a n , VII , 28 , verstrooien. 
B. m a i'i r ë n a n i , XIX ,21, troosten . 
B. kahilëhilëhan, XIX, 102, troost. 

2. Linalana, B. raanlilipur, III, 18 (Pass. Dur. vau 
'/trachten te troosten"), 

3. L u m a 1 a n a , B. m a n 1 i p u r a n (troostten) , III , 21, 
Aor. Act. 

B. lilayan, VIII, 159. 

4. Lalanan, B. makapanlila (tot troost), VlII, 150. 
Lalay. Mal. hetz. 1 . A 1 a 1 a y a n , B. n 1 a 1 i y a n (vergeten) , 

XXIV, 122, 
Lalawfi. B. lalawah (vleermuis), XXIV, 119, XXV, 68, Mal. 

këlëlawar, Tag. kabag, Day. lalawah (wesp). 
Lalasa. B. patola, een soort van geweven stof, XVII, 113. 
Lalah. 1. Kalalah, B. makëlo (ongeduldig), VI, 167, XIX, 
59, XXIII, 1, 60. 
B. najap-ajap, VIII, 14, van ongeduld branden , XVII , 85. 
B. karahatan (verergerd), VIII, 114. 
B. nati-ati (ongeduldig), XIX, 2, 5, 48, XXIII, 34. 
B. ati-ati, XXVI, 25. 
Lalita. S. bekoorlijk, liefelijk, bevallig, B. tan mari! XXIV, 
97, De B. vert. foutief. 
B. tan pëgat! XXI, 196. 
B. maelogan, XXIII, 9. 
Lalitagatra. S. eene schoone gestalte hebbende, B. maelogan 

raga, XXI, 238. 
Lalis. B. las (onbarmhartigheid), XX, 70, VI, 11 (gevoelloos), 
XVII, 71 (hardvochtigheid). 
B. lupa, XVIII, 43. 
B. nora melin, VII, 22. 
B. kalis, VIII, 113, VI, 7. 
B. el as, III, 10 (onbarmhartig). 
B. sa ha sa, XXIII, 15 (wreed). 

2. Malalis, B. tan melin (onbarmhartig), VI, 125. 

3. Malalisa, B. dadi lasah, VIII, 114, Conj. na liii. 

4. Alalisa, B. tan ica, V, 59, Conj. na yan. 
Lalu. Mal. hetz. B. hilan (voorbijgaan), III, 15. 

B. kaliwat (zeer), XVIII, 43, XXIV, 155, hoe erg. 
B. dahat, III, 10 (zeer), VIII, 135. 
B. lintan (zeer), IV, 11 ,59. 



462 LAWAn LAWAN (LaWAW). 

B. liwat (zeer), IV, 38, 49, V, 31, 46, 48, VIII, 141. 

B. puput, V, 33, 78. 

B. dadi (en toch), V, 61. 

B. kadahatan (zeer), VII, 22, 35. 

B. kaliwatau (zeer), XXIV, 172, IX, 29. 

B. dahat las (te erg), XVII, 73. 

2. Anlalu, B. liwat (voorbijgaan), III, 37, Act. Dur. 

3. Kalalu, B. kadahatan (zeer), XII, 56. 
Lawan. B. muwara (ingang), VI, 160, VII, 63. 

B. kori (deur), VIII, 51 , 52, 58, XXVI, 3. 
Lawanga. S. kruidnagelboom, B. poh! XVI, 18. 
Lawad. 1. Ndak la wad, B. dëpai'i tityan nëlokin (laat ik 
bezoeken), XVII, 76, 

2. Lumawada, B. manatasan (om te bezoeken), VII , 68, 
X, 44 (om onderzoek te doen naar), Aor. Act. Conj. 

3. Lumawad, B. üantënan (onderzoeken), VIII, 188, 
Aor. Act. Ind. 

4. Mahlawada, B. manëlokiu (om te bezoeken), XXIV, 
127, Act. Dur. Conj. 

Lawan (lawan). Mal. Sund. hetz. (tegenstander) , B. miwah (en), 
II, 32, I, 48, IX, 62. 
B. onvertaald, XXIII, 60 (tegenstander), 
lawan, B. smalih, I, 27 (en), III, 33, 49. 
lawan, B. mwan, II, 50, I, 54, III, 13, XXII, 41. 
B. sarën (met), III, 16, VI, 131. 
B. rih (met), I, 20, VI, 94. 
B. ajak (met), VIII, 149, I, 42, XVIII, 23, XXIV, 209, 

VI, 2 (ia wan). 
B, tëkanin (en), XV, 66, XX, 59, XXI, 107 (la wan) , enz. 

2. Kalawan, B. makamiwah (en), III, 54, 72, IV, 1, 
X, 55, XI, 14, I, 28, 30, 36, 50. 

B. sarën (met), IV, 28, XI, 16. 

B. maülawan (met) , II , 71. 

B. rin (met), III, 36. 

B. makalihan (met), III, 36. 

B. smalih (en), IV, 41, VI, 63, VIII, 119. 

3. Lawana, B. nlawan (tegenstander te zijn), II, 42, Conj. 
na meran. 

4. Lumawana, B. mamagut (te weerstaan) , V , 49 , Aor. 
Act. Conj. 



LA WAR LAHRU (laHRÜ). 463 

5. Lu ra a wan, B. man la wan (weerstaan), VIII, 135 (Aor. 
Act. Part.). 

6. A lila wan, B. mag ut (bood tegenstand), XIII, 43 (Act. 
üur. Ind.). 

7. Manlawan, B. raaguta (bied tegenstand), XIII, 80 
(Act. Dur. Ind.). 

B. 11 a h ë n i n (weerstaan) , XXII , 52. 

8. Kalawanan, B. katahëuan (te weerstaan), XVII, 5 
(Aor. Pass. Part.). 

9. Jiinawan, B. niamusuh (weerstaan worden), XXII, 37 
(Pass. Dur. Ind.). 

10. Linawanan, B. lawan, XXIV, 24. 

11. M a n 1 a w a n a , B. ra a m a g u t i n (te weerstaan) , XXIII , 2 1 
(Act. Dur. Conj.). 

Lawar. 1. Lawar-lawaran , B. këtëk hananan, XXVI , 25 , 
zeker rauwvleeschgerecht (Mad. hetz. Mak. lawaraq, Bug. 
1 a w a q , Bat. r a b a r , Larap. 1 a b a r). 
Lawalawa. S. klein en groot, B. taiidin-tandin, XIII, 41. 
Lawas. Sund. Mal. Bat. hetz, Malag. lava. 1. Salawas, B. 
salama (zoolang als), IV, 23, 35. 
B. ui in il u , X , 6. 
B. satuwuh, XXIV, 71, XXVI, 1. 

2. Malawas, B. lama (lang), I, 20, 21. 
B. suwe, I, 36, XXIV, 141, 203. 

B. ma SU we, IV, 3, 15, 
B. makëlo, V , 33. 

3. Alawas, B. suwe (lang), VII, 97, XXI, 12. 

4. Lawasa (zij het tijdsverloop), B. laraa, XXIV, 223. 
Lawö. B. kupak (blad), XXV, 83. 

2. La we lawö, B. kupak upa kan (gebladerte), XXV, 103. 
Lïiwuwlna. S. alabuwind, luit in den vorra van een kalebas 
(lagenaria vulgaris) , 1. Malawuwtiia, B. rëbad sul in, 
III, 39, XVI, 10. 
Lah. 1 . L u ra a h , B. n u ü k a y a k (achterover liggend) , XXV , 
53 , Aor. Act. Part. 
2. Luraaha, B. hetzelfde, zich laten achterover vallen , XIX , 
121, Aor. Act. Conj. na wineh. 
Lahuyan. B. kampid (vleugel), VI, 26, 53. 
Laliru (lalirü). B. masan panas (drooge tijd), I, 12 
B. panas, VII, 41 , VIII, 87. 



464 LCKAS — Lënis. 

B. panës, VII, 34, VI, 200. 

2. Kalahrüu, B. k a p a n a s a n (verschroeid) , XXIV , 88. Vgl. 
Bat. logo, Sund. halo do, Lamp. lëgaw? 
Lëkas. B. gëlis (begin), XVII, 89. 

2. Lek as i, B. laksanain (tegen hem op te treden), VI, 
168, Inf. 

3. Lumëkas, B. malaksana (begon), I, 25, XV,56(Aor. 
Act. Ind.). 

B. t u m a n d a 11 , IX , 38. 

B. laksana, XIII, 61. 

B. iilaksanayan, XVII, 86. 

4. Lumëkasa, B. ngëlisaü (te beginnen), XVIII, 48, 
XXIV, 23 (Aor. Act. Conj.). 

5. Lëkasan, B. kalaksananin, XIX, 115. 
B. gëlis, XXVI, 25. 

6. Lëkasana, B. laksanain, XXII, 66. 
B. laksanayan, XXIV, 25, Conj. na yan. 

7. Lëkasakëna, B. hetzelfde, XXIII, 50 (worde getoond), 
Juss. Pass. 

Lëgö. B. SU ka (lust hebben), III, 48. 

B. obah (veranderen), VIII, 107, XXI, 215, 235 (zich ver- 
roeren). 
B. k e n g u h (verlegen) , XVIII , 37. 
B. lëga, XIV, 19 (zich laten bepraten), XXII, 49. 
B. jënëk, XVII, 25 (wankelen), III, 20, IV, 17, VII, 

20, IX, 57, weifelend. 
B. gingan (zich verroeren), XVII, 87. 
^Lën. 1. Palënan, B. pabyanan? XXV, 32 , vijver (vgl. Sund. 
bal on, kleine gegraven vijver). 
Lèna. Mal. Pamp. hetz. , Mak. lana. Bat. lona, Day. leno, Tag. 
lina. Bis. luna, Bim. rina. Bik. lana. Lamp. lënu, B. 
onvertaald (sesamum) , XXV , 91, 111. 
2. Linënan, B. apunin (met olie besmeerd), V, 43. 
Lénèn. 1. Salënën, B. Iwir tanan (als een arm), XI, 75. 
Lënëlënö. B. linlun (versuft), XXII, 89. 
Lënit. B. dawa, XXII, 33, gering? 

Lënis. Day. linis. Bug. laniq (glad), 1. Malënis,B. nëlëp 
(glanzig), V, 40, 43, 65. 
B. lëh (glad), XVI, 11. 
B. gundil (glad), VII, 86, kaaL 



LenKa — tePAS. 465 

2. Alënis, B. üëlëp (glanzig), V, 41, XII, 39, 47, XIII, 
16 (glanzend), XIX, 22. 

3. Lë nis-Ie nis, B. üëlëp lëh (glanzig en glad) , XXV , 72. 
Lënka. S. Lanka (Ceylon), VII, 75, 76, 95, 100, 101, VIII, 

17, 59, 86, IX, 45, 64, VI, 1, 4, 27, 64, 68, 85. 
S a 1 ë n k a , geheel Ceylon , XV , 44. 
■^Lëükadhipji. S. Lankadhipa (vorst van Ceylon), B. Lënka- 
natha, XXIV, 2, XXVI, 24. 
B. Lënkabhüpati, XXIV, 95. 
Lënliapura. S. Lankapura (de stad Lanka), B. Lënka- 
puri, VII, 50, 52, XXIV, 92, XVI, 8. 
B. Lënkanagara, XXIV, 46 (salënkapura, de geheele 

stad L.), XI, 36, XVIII, 35, XIX, 51. 
B. onvertaald, XIV, 5, XIX, 49. Vgl. Lënkapuri. 
^Lënkapiiri. S. Lankapuri, hetzelfde, B. Lënkapu ra, VII, 49. 
Lëngak. Mal. Sund. hetz. Lamp. langak. 1. Kalëngak, B. 
nunkayak (achterover), XIX, 76, 106, XXII, 86. 
B. manëmpan, XXI , 1 74 (achterover vallen). Accidenteel. 
Lënlëü. B. ulanun (bekoord), XXIV, 122. 
■^Lënheh. Lumënheh, B. nuüadah (vermoeid), XXI, 174. 
Vgl. Jav. lëne. 
Lëtull. Bat. lotoh, Malag. lutu. l.Malëtuh, B. mahcndut 
(troebel), XIX, 130. 
2. Lumëtuh, B. kalëtehin (onrein worden), XXIV, 149, 
Aor. Act. 
Lëpas. Mal. Sund. hetz., Tag. lipas. Bat. lopas. Mak. lap- 
pas a. Sang. lep as e, Baree lÈlpa, Bug. lëppë, B. kalë- 
p a s a n (verlost) , XXIV , 85. 

2. Lëpasa, B. hilan (verdwijne) , XVII, 89. Juss. 
B. swargga, XXI, 211 (zou verlost worden). 

3. Linëpasakën, B. kapanahan (afgeschoten worden), 
XV, 19, XXIII, 3, 64, Pass. Dur. Ind. 

4. Lumëpasakën, B. manëntas (verlossen), XIX, 30, 
Aor. Act. Ind. 

5. Anlëpasakën, B. manahan (afschieten), XIX, 72, 
Act. Dur. Ind. 

B. m a m a n a h i n , XXIII , 2 , schoot af. 
B. mamanahari, XXIV, 9. 

6. Lëpasën, B. lebanin (worde losgelaten), XXVI, 44, 

Juss, Pass. 

30 



466 LépëT — LëMën. 

7. Lep a SS aken , B. kale pasan (afschietende), XXIV, 6 , Abs. 
B, kapanahan (werden afgeschoten), XXIV, 17, na yar. 
B. pa man ah (het afgeschoteue) , XXIV, 27, Part. Perf. Pass 

8, Kalëpasën, B. kamoksan (verlossing), XXV, 22, 
XXVI, 52. 

B. kagAnyatan, XXV, 47. 
Lëpët. B. salah (verkeerd)! XXV, 110. Jav. naam van een 
lekkernij. 
B. ma wad ah (ergens in zijn)! XXVI, 25. 
Lëba. Mal. leb ar. Mak. labaq. B. lumban (breedte), 
XV, 61. 
2. Aleba, B. ma lumban (breed), XXV, 100. 
Lëbali. Sund. hetz. (vlakte). Mak. laboq. B. luiika (ravijn), 
XV, 55, XIX, 61. Jav. vlakte, dal. 
B. bëlon, XXIV, 258, vlakte. 
Lëbu. l.Kalëbu, B.k el ëm (ingedrongen), II, 48, XXIII, 61 , 
verzonken (Aor. Pass.). 
2. Lumëbu, B. macëbur (drongen in), XXV, 50, Aor. 
Act. Ind. 
Lëbü. Mal. Sund. hetz. Mak. awu. B. ëbuk (stof), VIII, 106. 
B. renu, XI, 1, XXIII, 78. 

B. buk, XXI, 240, 241, XIV, 35, XVIII, 36, XXII, 60, 
71, XXIII, 63, 81, III, 25. 
Lëbur. Sund. hetz. Mak. laboroq. B. üug (uitgewischt) , XI, 
33, 34. 

2. Lëbura, B. huwug, III , 25, IX, 45 (zou verdelgd worden), 
Conj. na kadi. 

3. Kalëbur, B. katëlasan (werd verdreven), XI, 82, 
Aor. Pass. 

Lëbuh. straat, III, 25 (Men. labuh). 

Lëniah. Sund. hetz. B. bhümi (aarde), II, 48, VI, 77, Vlil, 
178, IX, 69, 70, XIII, 36, XIX, 54, 83, III, 24. 
B. tanah, XVI, 2, XXII, 71. 
B. prthiwi (grond), VIII, 96, 103, 121, 159, XI, 1, 55, 

56, XXIII ,^77. 
B. natah, VIII, 168. 

B. siti, VIII, 106, 107, 215, XXIV, 21 , 23, 88, 95, XIX, 
45, XX, 19, 55, IX, 57. 
Lëniën. Sund. lömön. 1. Lëmën-lëmënan, B. matimbun- 
timbunan (soort van gebak), XXVI, 25. 



LCMës LëwiH. 467 

Lèinës. Suud. hetz. (glad), B. halus (losheid), VI, 44. 
Lëmëli. B. tan suka (afkeer), VIII, 181, XIII, 23. 

2. A 1 ë ra ëh , B. hetzelfde (afkeerig) , VI , 52 , XX , 49 (a 1 ë m ii h). 
B. tan lëga (ongenegen), X, 44. 

B. këmad, III, 47. 

B. lëtuh! V, 55. De B. vertaling foutief. 

3. Alëmëha, wees afkeerig, B. raafilëtëhin, 111,82. Juss. 
B. këmad, III, 52, Conj. na yadin. 

4. Malëmëh, B. jëjëh, VI, 135. 
B. ton nak, IX, 29, afkeerig. 

lëmu. B. mok oh (dikheid), XV, 53, XXV, 27. 

2. Lëmu-lëmu, B. kënem-kënëm (zeer dik), XXIII, 68. 
. Lëmpay. B. ladi (soort van slang), XXII, 31, zekere vergiftige 

zeeslang , Jav. 1 ë m p e. 
^Lëmbita. S. lambita (afhangend), B. mok oh! XIV, 41. 
Lënibu. B. sampi (rund), VI, 89, XXI, 137, XIV, 41. 

2. Palëmbwan, B. hetzelfde (koeienstal) , il, 12, 13. 

3. Alëmbu, voorzien van runderen, II, 12. 

Lëmbut. Sund. Mal. hetz. 1. Malëmbut, B, halus (fijn), 
III, 23. 
2. Alëmbut, B. hetzelfde, V, 41. 
Lëmbwara. Day . jambuara, Tag. dambahala, Mig. 1 a ra - 
b u a r a , Bug. larapuwara. B. onvertaald (soort van visch) , 
XV, 40, XVII, 15, zeeraonster. 
Lëyö. 1. Alëyö, B. bëlig (glad), V, 43. Vgl. palëyö. 
Lër. 1. Manier, B, pagëh (sterk), XXV, 104, of: zich lang 

uitstrekken ? 
Lëlö. 1. Mëlëlö. I. B. anlënlënan (zich verslikken), VIII, 20. 
II. B. mëlëdos (uitpuilen), VIII, 51, 136. 
B, malodlod (uitpuilen), XIX, 131, XX, 30, van de 
oogen gezegd. 
Lëwës. B. kadawëgan (oververzadigd), XXV, 57, hevig, 

buitengewoon , zeer. 
Lëwi. 1. Lëwi-lëwi, B. raihkin keh (hoe langer hoe raeer) , 

XXV, 57. Vgl. lëwih. 
Lëwih. Bug. lëbbi, Tag. Bis. Mak. labi, Jav. luwih, Mal. 
lëbih. Sang. lërabe, Baree yabi, Suud. löwih. B. ut- 
tama (uiterraate) , XI, 70, XllI, 70, III, 57. 
B. lëbih (voortreffelijk), XIII, 80. 
B. lëwihan (raeer), VII, 101. 



468 Les — Lin. 

B. dahat (buitengewoon), XIII, 79. 

2. Linëwihakën, B. lëwihan (overtroffen worden) , III , 57, 
Pass, Dur. 

3. Lëwilëwih, B. para ma dahat (zeer voortreffelijk), 
XXV, 4. 

Les. B. ra ris (yveg) , XXIV, 3. Sund. hetz. 
Lësës. 1. Alësës, B. lusuh (recht), VIII, 76, XXV, 72. 
Lësü. Sund. Mal. lësu, B. surud (vermoeid), Vlll , 72, 
Lëhön (lëhën). B suka (liever willen), III, 12, VIII, 114, 
XXI, 110. 

lëhën, B. adahan, XIV, 56. 

B. sukaan, XVII, 20. 

2. Lëhëna, B. adajan (zou liever willen), IV, 64. 
B. adahan, XVII, 56. 

B. suka, XXIV, 163. 

3, Apilëhön, B. adayan (den voorkeur veinzen te geven), 
XIV, 54. 

Lö. 1. Tanpalö, B. nora luwad, XXII, 50 , niet gespannen ? 
Lök. 1. Malök, B. el ik (afkeerigj, VIII, 38. 

2. Alök, B, ne dalem, XII, 19. 

B. hibuk, XXill, 50, bedroefd. 
Lön. B. nëndih (schitteren), XIX, 69. 

2. Lumön, B. dumilah (schitterend), VIII, 58. 
B. narab, XI, 65, XIX, 49. 

B. makëdep (flikkerend), XX, 30. 
B. manahak, XX, 59, 68, 

3. Alön, B. nëndih, XI, 39. 

*Lika-lika. B. syak (soort van vogel), XXIV, 109. 
Likët. Sund. hetz. Mak. daklq. l.Malikët-likët, B. masat 
(zeer kleverig), XXVI, 25. 
2. Palikët, B. nankët, XXVI, 25, het zieden? 
Liku. 1. Kaliku, B. kalika, verdraaid, pervers (S. kutila), 

X, 54. 

Likur. 1. Likulikur, B. ak itakit uk (schudden) , XXIV, 97. 
Likëlik. B. kliklik (op klagende toon zingen), XXV, 19, 
Ligar. 1, ndatan paligaran, B. tan ana ë mb aüa (onbere- 
kenbaar), XIX, 51, 
Lin. B, rasayan (meeuing) , II, 46, XIX, 37, 

B. ujar (woord), I, 45, II, 32 , 72 , V, 17 , VIII, 203, 

XI, 95, XIV, 19, m, 30, VI, 68. 



LiüKin — Lii'isA. 469 

B. wuwus (woord), XIV, 34, IV, 48. 

B. atur (woord), XV, 45, VII, 47. 

B. tahëu (raeeuiiig), V, 53, VI, 52. 

B. onvertaald (ineeniug) , III, 47, V, 49. 

B. panrasa (meening), V, 16, 57. 

B. ucapan (woord), VI, 172, IX, 60. 

B. man ah (meening), VIIE, 69, XXI, 13. 

B. kaden (meening), VII, 25, XVII, 58. 

B. dayanin (meening), VIII, 60, VII, 38, XXLV, 206. 

B. m u II i (woord) , VI , 4, 

B. ujaran (woord), VIII, 67, 175, X, 40, I, 52, II, 17, 
(plan), 31, 43, 44, 52, 53, 60, 64, 70, 72, 77, 111,3, 
14, VI, 19, 111, 113, 140, 171, V, 47, 60, 79, 157, 
188, VII, 53, 71, 72, 82, 83, 98, 106, XIV, 47, enz. 

2. Ahlin, B. mojar (spreken), II, 21, Act. Dur Ind. 
B. nandika, VI, 44. 

3. Manlin, B. mojar, IV, 2, XI, 65, XXIV, 105 (Act. 
Dur. Ind.). 

4. Kalinan, B. kante nan (bedoeling), V, 55. 

5. tan linin, B. sëhët (onuitsprekelijk), XXIV, 140. 

6. Lifia, B. panrasa (dat men zou meenen) , XIX, 127. 
B. tutur (zal zeggen), X, 31. 

B. atur (zal gezegd worden), XI, 32. 

7. Anlina, B. mojar, XI, 59 (Act. Dur. Conj.). 

8. Kalina, B. kaundukan, XVII, 58, XI, 94. 

9. tan panlin, B. tanpagabda (sprakeloos), XII, (). 
B. u m ë n ë n , XII , 1 8. 

Liiïkin. 1. Kalinkinan, B. ina (teen), XXII, 63 (Bis. ka- 

m rink in. Mal. këlinkin (pink). 
Linga. S. kenteekeu, godenbeeld, B. jënënan, XVIII, 20. 
B. pajëuënan, XIX, 23. 

2. Panlinga, B. ne kajënënan (beeld), XXI, 119. 
Linga. B. obah (weifelen), XXI, 126. 
Lingoclbhawa. S. wording van den phallus , B. m a r ü p a linga, 

VI, 107. Vgl. V. d. Tüuk, s. V. 
Linlin. 1. Lininlin, B. ka was was (bekeken worden) , XI, 37 > 

Pass. Dur. Ind. (Tag. hetz.). 
Linsa. S. liksa (neet), Bat. Sund. Tag Hoc. lisa, Hls. lusa, 

Bik. losa, Ibu. litu. Mak. kulica. Bug. alisa, Day. 

Pamp. lias, B. nulincak! luis, XXV, 63. 



470 LinSAQ LIMA. 

Linsan. l.Alinsanën,B. mangaransan, YIII , 1 60 (onrustig). 

B. huyan (zich wentelen), XXVI, 31. 
Linsir. B. makahëd (wijkeu), VIII, 63. 
Licin. B. putus (fijn), XXV, 86. 

Lidah. Mal. hetz. Mak. lila. B. layah (tong), XXII, 50. 
Lindes. Sund. hetz. (neerkomen), l.Kapalindës, B. kapalin- 

t ë n (verpletterd) , IX , 19, Aor. Pass. 
Liiidü. B. linuh (aardbeving), IX, 45. 
Lit. 1. Malit, B. halus (fijn), III, 21. 

2. Litlit, B. rëmukau (korrel), XXIV, 100. Vgl. alit. 
Lituhayu. B. paripürnna (volmaakt schoon), V, 66, XII, 55. 

B. bagus (schoonheid), XXIV, 76. 
Lina. S. verdwenen, B. gantun, VIII, 169, ten einde. 

B. hilan, XXIII, 47, XXIV, 3. 

B. pëjah, XXIV, 41. 
Lipis. 1. Palipisan, B. cadik (onderkakebeeu) , VI, 163. 
Lipun. Jav. limpuïi, Mig. lèfuna, B. konta (werpspies), 
XXII, 80, 82, XXIV, 6, 7, 17. 

B. onvertaald, IX, 10, XXIII, 83, XXIV, 8, 9. 

2. Malipun, B. naba lipun (gewapend met een werpspies), 
VIII, 50, IV, 70. 

3. Kalipun, B. onvertaald (gestoken met een werpspies), 
XXI, 175, Aor. Pass. 

Liput. 1. Anliput, B. saputin (bedekken), XVI, 28, Act. 
Dur. Ind. 
B. naduk, XXIV, 85. 
B. nliput, XI, 2. 

2. Kaliput, B. k ai lëh in (bedekt), XIX, 51 , Aor. Pass. Ind. 
B. kakitër (werd omsingeld), XXIII, 13. 

3. Liniput, B. kasaputan, XXII, 60, XXVI, 12, Pass. 
Dur. Ind. 

4. LumiputjB. sumahab (bedekte), XXIII, 75, Aor. Act. Ind. 
Lipur. Bat. r i p u r (weggeveegd) , Tag. 1 i p a 1 (verwoest). 1 . L u m i- 

pur, B. murnnayafi (troosten), XI, 19, Aor. Act. Ind. 
2. Lumipura, B. nalimuran (zou troosten) , III , 22 , VIII , 

125, Aor. Act. Juss. 
Lib. 1. Kalib, B. pambah (overstroomd) , XII , 57 , Aor. 

Pass. Ind. 
Lima. Mal. Mak. Tag. Bis. Bul. Day. Sund. Bug. Bat. hetz. 

Form. rima, I. B. lalima (vijf), III, 78, 79. 



LIMAN LILA (LlLa). 471 

2. Liman atus, B. onvertaald (vijfhonderd), XIX, 67. 

3. Liman p u 1 u h a , B. liman d a 9 a (wel vijftig) , XV , 53. 

4. Manalime, B. këmbul lima (bij vijf tegelijk), XV, (52. 

5. Kali ma, B. onvertaald (vijfde), XXI, 139. 
IL B. tanan (hand), XXI, 84. 

LiiiiJiu. B. gajah (oliphant), II, 27, III, 33, 43, 50, 71,V, 
18, VII, 24, VIII, 36, IX, 57, XI, 2, XII, 51), XV, 
53, 55, XVI, 21, XVII, 15. 
B. onvertaald, XI, 17, XIX, 119. 

2. Iwak liman, B. be gajah (walvisch), XV, 24, 41. 
Vgl. h al i m au. 
Limör. 1. Malimör, B. ligalebah, VI, 25, zacht (vliegen). 
B. nindan, VII, 91. 
B. m i il ë n a n , XXVI , 3. 
Liiiiut. 1. A.nlimut, B. kasaputan (benevelen), VIL , 7, Act. 

Dur. Ind, 
Liiiiun. 1 . M a 1 i m u n a n , B. k a k a 1 i m u n a n (verduisterd) , Il , 5. 
B. pasaliwër (duisteruis), XXIII, 82. 
B. masëliwëran, XXV, 64. 
Liiiius. Mal. Lamp. hetz. B. mundëh (naam van een vrucht), 

VIII, 10, XVI, 44. 
Limo. Singkansch, Bat. rimo, Mal. limau, Bareë limójMak. 
lemo. B. juwuk (limoen), VIII, 10. 
B. onvertaald, XVI, 44. 
Liiiipad. B. liwatan (doordrongen), XXI, 161, vervuld, 
doorboord. 
B. nlintan, XXI, 195, vervuld. 
B. betel (doorboord), XXI, 217, XXIII, 11. 
B. lin tanan (vervuld), XXII, 43. 
Limbiik. 1. Lumimbak, B. ocak (golvend) , XV , 32. 
B. nalinkap, XXIII, 9. 

2. Kali m bak, B. paslehet (het kabbelen), XV, 65. 
Liiiibe. Mal. Mad. limbey. Men. lambey. 1. Anlimbe, B. 
limbak (breed), XXIV, 96, zich uitbreiden (Act. Dur.). 
^Liran. 1. K al i ranan, B. sansit (soort van sprinkhaan), XXV, 21. 
Lirin. B. tiiihalin (zijdelings zien), XXVI, 21. 

2. M a fi 1 i r i n , B. t i ii h a 1 , XXVI , 22 , van terzijde zien 
(Act. Dur. Ind.). 
Lila (lila). S. lila (spel, bekoorlijkheid, schijn), B.tusta (ver- 
heugd), IX, 57, XXI, 22 K bekoorlijk? 



472 LILAt — LUKAN. 

2. Lilalila, B. lëwih halëp (zeer liefelijk), XX, 11. 
Lilan. B. hen in (zuiverheid), XXIV, 149. 

2. Alilan, B. lapan (helder), XVI, 19. 
B. hilan! II, 5. De B. vert. foutief. 

B. gal ah, III, 31, XVIII, 16 (verheugd), VII, 35. 
B. tel ah (zuiver), VIII, 165. 
B. hënih, XVI, 26. 

3. Pahalilah, B. salimurah (zij gezuiverd), XIV, 64, 
van 't gemoed gezegd. 

4. Al il aha, B. pëjahin (geheel en al), XXII, 17, Conj. 
na yan. 

5. Malilah, B. tusta (verheugd), XXIV, 137. 
B. hënih (zuiver), XXIII, 53, XIV, 61. 

B. galah (helder), VII, 32, VIII, 110. 
B. tan plëtëh (zuiver), XX, 66. 
B. padëm (zuiver), XI, 24, XIV, 60. 
B, nirmmala (helder), XXIV, 255. 
Lilip. 1. Kalilipën, B. sëpënën (iets in het oog gekregen 

hebben), XXIV, 97. 
Lilir. 1. Sund. hetz. 1. Ah lil ir, B. banu n (ontwaken, opstaan), 
VIII, 94, Act. Dur. Ind. 
B. elihah (tot bewustzijn komen), XXI, 6. 

2. Man lil ir, B. melih (kwam bij), XXI, 75, Act. 
Dur. Ind. 

3. Pahlilir, B. matani (bewustzijn), XXII, 8. 
Lisuh. 1. Alisuh, B. këüël (vermoeid), XXII, 4. 

2. M alisuh, B. hetzelfde, XXIII, 45. 
Lihaii. 1. Malihahau, B. matëhenan (leunen) , 

XVII, 125. 
Lihat. Mal. hetz. Lamp. liyaq. 1. Lihatana, B. cihakin 

(worde gekeken naar) , XVII , 7 , Juss. Pass. 
Lnkan. B. 1 i w a t (uitermate) , VI , 7 , 11, VII , 95. 

B. dahat (zeer), VI, 17, 33, XVIII, 7. 

B. kaliwat, VI, 53, 123, 176, 183, VII, 15, 87. 

B. kadahat (uitermate), VII, 35. 

B. lëwih (zeer), VIII, 13. 

B. kadahatan (uitermate), III, 27. 

B. lintan (zeer), VII, 88, 98. 

B. wyakti! VI, 14, o, hoe! 

B. bas (uitermate), VII, 29, XXIII, 47, 175. 



LUKAB — LUtlHll. 473 

B. wastu, IX, 74, eu UU. 
B. dadi, Xm, 41. 
Lukar. 1. Lumukar, B. manëmbuti n (ging los), XII , 15 (Aor. 

Act. Ind.). 
Lukliik. B. kawaiiau (uaam van een vogel), XXIV, 109, of 

een insect? 
Lugas. 1. Al u gas, B. las (ongevoelig), XXV, 37. 
Lun. 1. Malun. B. kukuh! (gebogen), XXI, 237. 

2. Lumun, B. mol! XXI, 238, zich krommen. 
B. mok oh! XXV, 57, zich voorover buigen. 

3. tatan panglun, B. uorana pan Ion (zouder af te nemen), 
VIII, 88. 

4. Alun, B. kilëii-kileü (overhangen), XXV, 57. 

5. Lutilun, B. nëntikan (uitspruiten), XXIV, 122. 
Lunid. B. tajëp (scherp), VIII, 62. 

2. Alunid, B. hetzelfde, XIX, 49. 
B. lanin, VII, 86. 

3. Malunid, B. tajëp (scherp), IV, 7, VIII, 58. 
Lunka. B. labak, kolk, XV, 40, 41. 

B. rejefi, ravijn, VII, 57. 

B. lëbah, XX, 4, VIII, 24. 

2. Alurika-lunka, B. malancut-lancutan (golveu) , 
VI, 138, met vele kolken? 
Lunga. B. jaruiiga (pompelmoes), XVI, 45. 
Lungah. B. maluügahan (uitspruiten), XXIV, 97. 

B. hëntikau (uitspruitsel) , XXI, 238. 
Lunguh. 1. Malunguh, B. malingih (zitten), XIII, 19, 
XXVI, 24. 

B. manëgak, VIII, 65, XIII, 16. 

2. yar palunguh, B. nëgak, VIII, 78. 
an palunguh, B. malingih, VII, 44. 
palunguh, B. gënah (zitplaats), VIII, 177. 
B. lingih, XV, 33, XXI, 199. 

3. Alunguh, B. lingih (zitten), XXIV, 241. 
B. manëgak, XXIV, 245. 

Lunsir. Mak. lusereq, B. sutra (zijde), VIII, 90, IX, 43, 

XXI, 204. 
Lunsur. 1 . K a 1 u ii s u r , B. k ë 1 e s (afgezakt) , XI , 73 , Suud. hetz. 

(afdalen). 
Lunha. B. lumaku (weggaan), II, 53, 67. 



474 LUCAT LUPA. 

B. lumarapah, lU, 14, 33, VII, 54. 

B. mamarggi, VI, 74, II, 60. 

B. lampah, VI, 95, 142. 

B. luwas, VI, 106, IX, 52, VIII, 201. 

B. makawon, VI, 143, II, 77, 78. 

B. pamarggi (vertrek), VI, 160. Subst. 

B. liwat (voorbijgaan), II, 66. 

B. hilaii (verdwijnen), VI, 36, 44. 

B. ad oh (zich verwijderen), XVI, 22. 

B. matingal (weggaan), XXI, 190, XXIV, 91, XI, 7, 
XX, 14. 

B. tëlas, III, 86, XXII, 94. 

B. onvertaald, VI, 45, XXIV, 121. 

B. lalinan (voorbijgaan), XII, 1. 

B. makahad, IX, 57, 73, XI, 14, XIX, 27. 
Lucat. B. mapëlotan, XXII, 50, geschaafd (vgl. Jav. licat 

en Ie eet). 
Lucut. B. pel ut (uitspatten) , XXII, 50. 

Luucat. B. manincawap (springen) , XXI ,215 (Mal. Sund. hetz.). 
Lunta. B. dawa! doel? XVII, 59 (ander HS. pabahan). 

2. Linunta, B. nil uin riii! waarnaar gestreefd wordt? XXII, 36. 
Lntnil. B. irënan (soort van grijzen langstaartigen aa])) , IX, 

56. Sund. Atj. hetz. (presbytes Maurus). 
Md (lud). B. dahat! (en), XX, 26, IX, 45. 

2. Anlud, B. malih XIX, 25. 

3. Linüd, B. kaludin (overstelpt), XIX, 76, XXIII, 57. 
B. ludin, XXIV, 140, XXV, 112, Pass. Dur. 

4. Linüdan, B. kapindonin, XIX, 106. 
B. kapindoin, XX, 14. 

5. Lu mud, B. onvertaald, met recht? XVIII, 46. 
Lunas. Mal. Day. hetz. kiel, B. hetz. XXII, 32. 
Lupa. B. lali (vergeten), VI, 197, XXVI, 14. 

2. Lupa, B. hetzelfde, VII, 35, Conj. 

3. Mal upa, B. hetzelfde, IV, 25, XVII, 132. 
B. mari! vergeten, I, 3, XXI, 131. 

B. hënsap, X, 61, XXV, 113. 
B. hënsapan, VI, 170, XV, 37. 

4. Alupa, B. lepeh, III, 67, XX, 62. 

B. lali, XI, 29, VII, 45, XIII, 3, XVII, 133, XXI , 38, 
VII, 46. 



LUPUT — LUMRa. 475 

B . b i 11 u n (verbijsterd) , VI , 1 66. 
B. hënsap (vergeten), XXVI, 20. 

5. Al upa, B. hetzelfde, XXVI, 40. Juss. 

6. Kal upan, B. tuna (vergeetachtig), IV, 26. 

7. Kiualupan, B. hensapan (vergeten), XV, 4. 
Lu[)ut. Sund. hetz. (mis, missen), Day. hetz. (bevredigd), B. 

pëlih (ontsnappen), IX, 21, 27, XXIII, 13, 49, II, 9 

(verkeerd), 
B. mamëlihan, XIII, 44. 
B. nel eb, XIII, 45, XVIII, 10 (losgaan). 

2. Luputa, B. leb au (te ontkomen), X, 2. 
B. pëlih, VIII, 132, IX, 86, Conj. 

3. Linuputau, B. kakel e san (losgemaakt worden), III 
24 (Pass. Uur.). 

4. Kaluputan, B. nëleb (ontsnappen), V, 43. 
B. pëlih (zich loslaten), XV, 63. Accident. 

5. Luputi, B. ënibusin (maak los), XVIII , 10. Imp. 

6. Al u put, B. pëlih (ontsnappen), XVIII, 32. 
Luiii. B. luru (kwijnen), XVII, 132. 

Lumuh. B. hibuk (afkeerig), XXIV, 145, bedroefd? 
Lumpat. Mal. Sund. hetz. B. makëcos (springen), VII, 53, 
VIII, 60, 81. XXI, 173. 
2. Lumumpat, B. hetzelfde, V, 42, VIII, 102, IX, 21 , 

25, VII, 54, 112, XVI, 43. 
B. maniiicap, XI, 4. 
B. mankaban, XVIII, 35. 
B. wiplatwan, XXI, 160. 
Lumba. Mal. hetz. 1 . L u ra b a - 1 u m b a , B. 1 o m b a - 1 o m b a 
(bruinvisch) , XV, 20, XVII, 15, XXI, 209. 
2. Malumba, B, pacëlun (opspringen), XV, 20. 
Lumbu. B. canduii (soort van gras), XIII, 30, XVII, 8, 

XXI, 173. 
Luiurd.. stam Ira. B. tan pëgat (wijd en zijd), III, 5. 
B. s a m b ë h (verstrooid) , VI , 40. 
B. kat ah (rondom), VI, 52. 
B. midëran, VIII, 73, XVI, 17. 
B. limbak (zich verspreiden), VI, 78, III, 79, XII, 10, 

XXIV, 96. 
B. masrambahan (verspreid), II, 16. 
B. masëpuk (zich verspreiden), XVI, 31, XV, 43, 69, 



476 LURUK — LEK. 

B. kasub (rondom), XXII, 17. 

B. mawuran (zich verspreiden), XXIV, 30, II, 3. 

B. pasrawe (verspreid), XXI Y, 100, 202, 

B. mabrarakan, XXV, 36. 
Laruk. l.Luruk-luruk,B.kadukduk (soort van plant) , XVI , 

37, XXV, 38, amomum aculeatum. 
Luras. 1. Malurus, B. mëros (recht), IV, 31. 

B. lusuh (recht), VI, 122, IX, 16. 

B. mar os, XII, 25. 

2. Alurus, B. lusuh, XXV, 100. 
Lulu. 1. Anlulü, B. ngulgul (gekscheren), XXIV, 153, 

Act. Dur. 
Lulu. B. lansub (zekere lekkernij), XXVI, 25. Zie v. d. T. 

m, p. 828 s. V. 
Lulut. B. asih (liefde), XI, 33. 

B. smara, XI, 37, XVI, 37. 

B. trsna, VII, 19, XXIV, 222. 

B. dëmën, XXIV, 77, XXVI, 33, 34, VIII, 164. 

2. Kinalulutan,B. katrsnain (bemind) , III , 55, Pass. Dur. 

3. Kalulut, B. asih (bemind), VI, 72. 
B. trsnain, XXI, 68, Aor. Pass. 

4. Malulut, B. trsna (gehecht), XXIV, 222, 230, 
XXV, 31. 

5. Alulut, B. ahyun (genegen), XXVI, 30. 
Lulüd. B. lumurud (soort van smeersel), XXIV, 137. 
Lulun. Sund. hetz. (rol). 

1. Alulunan, B. mapeiutan (loslaten), XXII, 63. 

2. Kaluluu, B. magulunau (meegesleept), XXIII, 47. 

3. Mal ui una n, B. hetzelfde, XXIV, 121, medegaande. 
Luluy. B. mëlid, XVII, 58, XXV, 33, 94, X, 70, driest. 

B. kadurus, XVIII, 45, doldriest. 
Luwak. B. lubak (steenmarter) , XXV, 32. 
Luwan. B. bahban (kuil), XV, 59, XXII, 51. 
Lu war. 1. Maluwaraa,B. mabëlasan (uiteengaan), XXIV, 1 9. 
Luwuk. 1. Kaluwuk, B. kasaputan! grijs, XXVI, 1. 
Luh. B. waspa (traan), III, 30, VII, 8, VIII, 40, 95, 164, 

167, VI, 36, 49, 196, XX, 67, 68, 72, XXI, 16. 
Lek. 1. Salek, B. abulan (een maand), VII, 80, 97. 

B. sawulan, III, 71. 

B. asasih, XXIV, 196. 



LEN — LOT. 477 

Len. Vgl. B. T. L. Vk. 6« volgr. VI, p. 240. (Bis. Sund. Mal. 

Atj. la in). B. raiwah (en), I, 13, 26, VIII, 26. 
B. lyan (en), I, 19, 38, II, 1, 2, 18, VI, 30, VIII, 36 

(anderen), XV, 40. 
B. onvertaald (en), VIII, 90, VII, 76. 
B. sejen (en), V, 33, I, 29, II, 17, 20. 
B. rnuri! anders, VIII, 17, 82. De B. vert. foutief. 
B. lyauan (ook), VIII, 18, 32, XVII, 122, II, 23, 51 

(anders), X, 10, 32, (anders), 46. 
B. bina (anders), XVIII, 50. 
B. lenan (anders), XXI, 211 , VI, 40. 
B. denin (met), VIII, 34, 112, II, 63, III, 16, IV, 31 

(en), 33 (en), 45, 58, 67. 
B. nëlen (anders), VI, 174, XVII, 81, enz. 

2. Kalen, B. lyanan (ander), III, 2. 

B. n len in (anders), IV, 49, VII, 84, 101, XVII, 81. 

B. rnari! anders, VIII, 118, XVII, 18, 80, XIII, 7, 84. 

B. baneh (ander), III, 13, XXIV, 173. 

B. lali! ander, XI, 89. De B. vert. foutief. 

B. lyan (anders), XXI, 48, XXIV, 171, XIII, 45, 

VIII, 177. 
B. waneh (ander), XIII, 71. 
B. len (anders), III, 45, IV, 4. 
kalen, B. onvertaald (ander), VI, 67. 
B. nëlenin (anders) , XIII , 85. 
B. malih (anders), XVIII, 20. 
B. n and in in! anders, VI, 1. De B. vert. foutief. 

3. Lena, B. sejenan (een ander), VIII, 186. 
B. sawos, XIII, 95. 

4. Palenan, B. lyauan (ander), XXI, 148. Vgl. lyan. 
Lepaka. S. onrein, 1. Alepaka, B. lob ha, XXV, 20. 
Lepana. S, het bestrijken, besmeren. 

1. Linepana, B. kaodakin (bestreken worden), III, 23 
(Pass. Dur. Ind.). 
Lepi. 1. Kalepyan, B. kemënan (verward), VI, 166. 
Lok. 1. Malok. B. magohok (hol), VI, 138, of: diep. 
Log. 1. Loglog, B. jëlog-jëlog (hup hup), XXIV, 123, 

XXV, 62, klanknabootsend woord. 
Lot. I. B. satata (altijd), XVII, 2. 

B. tan mari (onophoudelijk), VIII, 170. 



478 LOTATl LOLYA. 

II. Kalotakën, B, lobha! vergeven worden, VI, 10 
(Aor. Pass). Vgl, lolati. 
Lotati. 1. Lotatya, B. palila (worde vergeven), VII, 46, 

wees geduldig. Vgl. lot II. 
Lon. 1. Malon, B. haden (zacht), VIII, 170, XVI, 20, VI, 
25 (langzaam), XVIII, 38. 
B. ar is (langzaam), V, 32, XI, 78. 

2. Alon, B. hetzelfde, zacht, VI, 128, VII, 2, XVI, 32. 
B. lam bat (langzaam), IX, 57. 

B. man is (zacht), VI, 117. 
B. aden (zacht), X, 68. 

3. Lumonlon, B. aden -aden (zeer langzaam), IX, 57. 

4. Alonlon, B. dahat aris, XVII, 132. 

Lobha. S. begeerte , hebzucht , B. a n k a r a , III , 79 , 80 , XXII , 29. 
B. luluh (begeerig), XII, 44. 
B. arëp, XII, 52, inhalig. 
B. de men (begeerte), XXI, 104, 202. 
^Loma^a. S. behaard , B. onvert. IX , 56. 
Lor. B. daja (noordelijk), VIII, 189, XVI, 8. 

B. kaja (noorden), III, 12, XV, 29, XIX, 34, 51, VII, 
49, 51, 87, 108, X, 72, XI, 1. 

2. Analor, B. najanan (naar 't noorden), VII, 26, XV, 1. 
B. naleran, VII, 54. Act. Dur. 

3. Manalor, B. najanan, XV, 50. Act. Dur. 

4. P analor (ten noorden), XXIV, 208, 212, B. hetzelfde. 
Lori. B. onvertaald (soort van knots) , XIX , 3 , 71, XX ,31, 

XXI, 196. 

2. Manlori, B. manlughora (slaan met een knots), XIX, 
71, Act. Dur. 

3. Pinakalori, B. makalori (tot knots strekken) , XIX, 104. 

4. Alori, B. melughora (gewapend met een knots), 

XXIII, 59. 

Lola. S. onrustig, B. lëmuh (lenig)! XXI, 238. De B. vertaling 
verkeerd. 

B. sol ah! XX, 11, bewegelijk. 

2. Alola, B. molah, XI, 1. 

B. malegodan (bewegelijk), XXI, 209. 
Lolya. S. laulja (bewegelijkheid), B. tan m ar i, IX, 57, 

XXIV, 77. 

2. Linolya,B. kanninan! (begeerd worden), I, 41 (Pass. Dur.). 



LYAn — LWAn. 479 

Lyaii. Mal. Suiul, liyan, Day. liaii, Mak. leyan, Atj. liën, 
B. jaba! hol, VI, 160. 

B. son (gat), XXII, 47, holte. 
Lyan. B. onvertaald (eu), VIII, 66. 

B. miwah, XIX, 26. 

1. Kalyan, B. karo (en, met), XVI, 13. Vgl. len. 
Lyap. B. pëpëkin (vol), XXIV, 161, van 't firmament. 
Lyab. B. mliab (overstroomen) , XI, 52. 

B. luluh! XIX, 12. De B. vert. foutief. 

2. Lyabljab, B. kahëbëkin (geheel vol), XXI, 115. 

3. Manlyabi, B. óëbëkiii (vullen), XXIV , 53 , overstelpen 
(Act. Dur. Trans.). 

manlyabi, B. kaembonin, XXIV, 227. 
Lyud. 1. Alyud, B. kawon, XXV, 92, niet lekker. 
Lyus. 1. Malyus, B. pasl enk at , VIII, 76 , slap neerhangend. 

B, mar os (scherp), XIX, 113. 

2. Alyus, B. lëmuh (lenig), XII, 44. 

B. p ra gat (scherp), XXI, 202. 

B. rurus (recht), XXV, 79. 
Lra. Z. 1 u m r a. 

Lwa. Vgl. Mal. Ie bar, Bul. louag, Tag. luwag, Mak. lu- 
waraq. B. lingah (uitgestrektheid), IV, 3, VIII, 112, 
XII, 57. 

2. Aiwa, B. lumban (breed), VI, 39, XXV, 43, fig. 

B. lingah (breed), XVI, 5, III, 34, VI, 59, XII, 47, 
XIX, 65, 98, XX, 50, XXI, 208. 

3. Malwa, B. hetzelfde, VI, 138, 160, VIII, 86, IX, 
62, XII, 46. 

B. lumban (breed), VIII, 62, XV, 50, XX, 9, XVI, 3 , 19. 
B. malohok, XXII, 70. 
B. limbak, XXV, 43, (fig.), XXII, 29. 
B. nuyeh, XXVI, 5. 

B. onvertaald, XXII, 47, IV, 7, XV, 40, XIX, 69. 
Lwaft. I. B. wënkon (omtrek), XXI, 115. 

IL B. mati (sterven), XIX, 109, XXII, 50, slachting, 
verlies , vermindering. 

3. Malwan, B, tuna (omkomen), XV, 46. 
B. m a n ë n d a , XXIV , 54. 

4. Alwan, B. mati, XXI, 214. 

5. Lwanlwan, B. katunan (verminderen), XXII, 50. 



480 LWAT WAKUL. 

6. tan palwan, B. nora tuna (onverminderd), XXIV, 93 
Lwat. 1. Malwat, B. tëguh (stevig), XX, 9. 
2. Alwat, B. fiankët, XIX, 84. 
B. n angel (pezig?), XXVI, 25. 
B. kowat (sterk), XXI, 235. 
B. kwat, XXIV, 78, XXVI, 34. 
B. misra, XXVI, 25. 
■^Lwan. 1. Al wan, B. baden (zacht), II, 18. 
B. ar is (zacht), VI, 48. Vgl. Ion. 
Lwah. Jav. loh. B. tukad (rivier), II, 1, VI, 33. 
B. tirtha, II, 3, VI, 96, 138. 
B. toya, II, 5, VIII, 185, IX, 12. 
B. yeh. VII, 25, 57, 110, XVI, 30, XII, 65, XIX, 65, 

123, III, 18, 35, 36, XXI, 114, 138, XVIII, 15, XXIV, 

214, 215. 
Lwir. Jav. lir. B. tinkah (uiterlijk), II, 7, 16, 28, IX, 49 

(het geheele), XII, 44, XIX, 32, XV, 65, III, 78. 
B. sawanan (als 't ware), IX, 57, IV, 33, II, 10, VI, 

101 , wijze. 
B. upa ma (alsof), IX, 57. 
lwir, B. kadi (evenals), XIX, 80. 
B. rüpa (gedaante), XXIV, 210, VI, 32 , 136, VII , 5, 109, 

VIII, 59, XXI, 201 (handelwijze, gedrag), 221, IX, 82. 

2. Salwir, B. sahana (alle), I, 28. 

B. sakatah, XIII, 57, VI, 141, VIII, 70, XI, 27. 
B. sahada, IX, 44, VI, 174. 

3. Salwira, B. sahana (zooveel als), I, 47. 



w. 

Wa. Mal. bara. B. api (gloed), XI, 40, gloeiende kool. 

B. süryya, XIX, 69, zonlicht, glans. De B. vert. foutief. 
Wak. S. het woord, B. Saraswati, XXI, 145. 
Wakul. B. onvertaald (hooge mand), XVII, 18 (Jav. Sund. Bat. 
Atj. Bis. bak ui, Mak. Bug. baküq). 



waKTA — wAnuN. 48 1 

Wakta. S. waktar (spreker, redenaar), B. awak! VIII, 183. 

De B. vertaling onzin. 
Wiikpanisa. S. ruw in woorden , B. u 1 a r c a 1 u c u h , XXII ,31, 
Wakprakrata. S. duidelijk in woorden, B. ma muni p rag al ba 

(luidruchtig). Vin, 34. 
2. W A, k p r a k a i a , B. in a m u n i li u m u n , VII , 51, Juss. 
Wakya. S. w A, k h y a (woord). 

1 . M a w a k y a , B. ra a ra u n i (spreken) , VIII ,31. 

2. Waky awaky au, B. di arëp are pan! XXV, 87, te 
spreken over. 

Wak^üra. S. een held in woorden, B. sinhanada, III, 56. 
Waksa. S. w aks as (borst), B. tank ah, VIII, 62. 
^Wagag". B. ankag-aiikag (springende loopen), XXIV, 121, 
Wagëd. B. prajnan (verstandig), VII, 24. 
WagUg. 1 . W a g u g ë n , B. 1 i k a d (lastig) , XXIV ,121, moeielijk. 
Wagus, Mal. bagus, Atj, bagas (spoedig) , B, w i k a n ! schoon , 
XVII, 105. De B, vert, foutief. 

B. dahat! XXV, 116, 117, 

B. halëp, XXVI, 22. 
Wagyu. wankelend, ontsteld? B. gamburan, XXII, 44. 

B. mageyoran, XIX, 54. 
Wagyut. 1. Mawagyut, hetzelfde, B. pagriyut, XIX, 14. 
WanJil. B, manlawan, V, 26, durven? 

Waüi. Hoc. baüi, Lamp. baniq (lekker, aangenaam), Atj. 
banoi (welriekend), B, me rik (geur), VI, 123, XVII, 103. 

B. i'iamihikan, XXVI, 52. 

2. Awani, B. mihik (geurig), XXIII, 68, 

3. Mawani, B, hetzelfde, XXIV, 100, XXV, 12 , welriekend. 
B, mërik, XXIV, 260, 

Wanundahina, B. di das lëmah (bij 't aanbreken van den dag) , 

III, 15, Vgl. wanun en rahina. 
B. meh rahina, III, 40. 
Wanun. Mal. Men. banun, Atj. banon. B. banunan (worde 

opgebouwd), XXI, 40, Imp. Pass. 

2. Umanun, B, magawe (heeft gebouwd), VII, 69, 72. 
B. kagawenan (stond overeind), IX, 23, Aor, Act, Ind. 

3. Amanun, B. ngawe (veroorzaken), XVI, 29, Act. Dur, 
Ind, (doen ontstaan), 

4. Wanunan, B. wawahunau (gebouw), XIX, 4. Vgl. 
Mal. Day. banunan. 

31 



482 WADKAY WACA. 

Wankay. Mal. bankaj, Men. Daj. bankai, Atj. banke, 
Mak. bake. B. 9awa (lijk), IV, 71, VI, 74. 

B. banke, V, 82, XXI, 3, 178, XXII, 53. Vgl. wanke. 
Wankawa. B. indracapa (regenboog), XXIII, 76. 
Wankin. B. wankon (heup), XIX, 84. 

2. Wankin -wan k iü , B. bankyan (middel), XIX, 75. 
Wanku. 1. Waükuwanku, B. pukuh kempol (billen)! 

XXII, 52, rand? Vgl. Jav. wënku. 

Wanke. B. banke (lijk), XXI, 221. Vgl. wankay. 
Wankrah. 1. Winankrah,B. magëlar (geschaard) , XXII , 1 1 

(Pass. Dur. Ind.) , was gereed gezet ? 
Wankwan. B. babokon (billen), XXI, 173, 219, 246. 
Wan^aja. S. wam^aja (van edele afkomst), B. dadi putri, 

XVII, 126. 
■^Wan^ajati. S. wamgajati (van edele geboorte), B. suputri, 

XXIII, 53. 

Waiigapatrapatita. S. wam^apatrapatita (op riet gevallen), 
B. gëdah labuh, XX, 62, naam van een versmaat (cf. 
Kern, Wrttasancaya , 82, Weber, 394, Kedara, 3, 129, 
Colebrooke, 162). 

Wan^asthiti. S. Wan^astha (in een bamboebuis staande), B. 
kadadin sadhu, XXI, 55, naam van een versmaat (cf. 
Kern , Wrttasaücaja , 56 , Kedara , 3 , 60 , Weber, 378 , Cole- 
brooke, 160.). 

Wansi. Mal. Atj. bansi. Men, ban si (bamboefluit) , B. onvert. 
XXVI, 13. 

Wansit. 1. Pamansitan, B. andeaü ulah? XXIV , 39 , 
wenk, influistering, mededeeling. 

Wansul. 1. Kawansul, B. matulak (afgeweerd), IX, 15, 
of: teruggeworpen. 
B. malipëtan, XXI, 196, XXII, 72. Aor. Pass. 

2. Mansul, B. m a t u 1 a k (terugkeeren) , XXI , 196, XXII, 23. 
Waca. Mal. Sund. Mak. baca. 1. Wacawacan, B. tutur 

(hetgeen gelezen moet worden), VI, 102. 

3. Wacan, B. pawos (worde gelezen), XI, 22, Juss. Pass. 

4. Amaca, B. maraawos (las), XI, 33. Act. Dur. Ind. 

5. Winaca, B. kapawos (gelezen), XI, 37, Pass. Dur. 

6. Amacamaca, B. mapapawosan (al lezende), XVII, 
100, Act. Dur. Freq. 

7. Pamacan, B. pamawosan (het lezen), XXV, 13. 



WAJIK WAÏU. 483 

8. M a c a , B. m a m a w o s (lezen) , XXVI , 50. 
Wajik. I. Awajik-wajikan, B. mambasëh-basëhin (zich 
(Ie handen wasschen) , XIT , 32. 
2. Awajik,B. ra as iram (zich wasschen), XXIV, 101, XXV, 11. 

II. Ma wajik, B. makëbitan (uitgespreid), XXI,221. Vgl. 
Bat. bajik. 

Wadawagni. S. hellevuur, B. wadawanala, XXII, 33. 
Wadawanmlta. S. met vuurrood gelaat, B. ëmpas wadana! 
*XXI, 226. 
B. wadawanala, XXIII, 1. 
TVilta. S. wind. 1 . S a w a t a . B. k a t a r k k a a n i n (als de wind) , 

XIX, 128. 
Watan. Mal. Bat. Day. Mak. Tag. Bis. batan, Atj. baten, 
Malag. fatana, B. wanke! (stok), XXI, 5, of: stam. 
2. Watan an, B. baiicinah (audiëntiezaal), XII, 57 , XIII, 

15, XIX, 35. 
B. paseban, XVIII, 12, 38. 
Watëk. I. woord ter aanduiding van een Plur. coll. B. sakaiica 
(alle, geheel), III, 72, VIII, 32, VI, 182. 
B. kanc^a, VII, 55, XII, 51, V, 50, XI, 1, XIII, 22, 

XVI, 11. 
B. s o r o h (groep , soort , klasse) , XIV , 5. 
B. para (alle), XIV, 12, XXI, 135. 
B. onvertaald, XVI, 41, XVIII, 66. 
B. bala, XVI, 46. 

IL B. këdën (uittrekken), IX, 80, XXIV, 10. 
ar watëk, B. pëntan (spande), II, 74 (van een boog 
gezegd). 

2. Watëkën, B. këdën (worde uitgetrokken), XI, 82, 
Juss. Pass. 

3. ümatëk, B. paharad (trok), XXIII, 74, Aor. Act. (van 
paarden voor een wagen). Ed. umadëg. 

4. Kawatëk, B. k a m p ë g a n (werd uitgetrokken) , XXIII , 78 , 
Aor. Pass. 

B. kakëdën (getrokken worden), XXV, 22. 

5. Matök, B. nëdën, XXV, 56, aantrekken (Jav. Suud. 
batëk, Day. batak. Bug. wataq). 

III. B. sakanca! geaardheid, III, 80. De Bal. vert. foutief. 
Watn. I. Mal. Sund. Bat. Day. Mak. Tag. Bis. batu, Atj. bate, 

Malag. vatu,B. ?ila (steen), VI, 39, XIII, 94. 



484 WATUN — WANAKUSUMA. 

B. batu, IX, 66, XIV, 51, XV, 42, 47, 50, 53, 54,60, 
64, XVI, 3, 13, 26, XIX, 76, 79, XI, 84, XX, 1, 
XXI, 177, 182, 189. 

2. Winatu, B. bahan batu (met steenen geworpen), 
XIX, 106. 

B. katimpug, XXI 185, XXIII, 58, Pass. Dur. 

3. Pinakawatu, B, makagila (tot steen strekken) , XI, 66. 
II. W a t w a n , B. t i t i n i (regel , maatstaf , grondslag) , XIII , 67 . 
B. waton, XXIV, 65. 

2. Winatwan, B. pinarigi (omgeven door steenen) , XI, 2. 
Watun. wieden.- Vgl. Mal. bantun (uitrukken). 

1. Winatun, B. kiskisan (geschoffeld, gewied), II, 11. 
Pass. Dur. 
*Watsala. S. aanhankelijk, verslaafd aan, B. tan mari! XVII, 
93. De B. vertaling verkeerd. 
Wada. S. sprekend, B. wyadi! XXI, 142. 
Wadana. S. mond, gezicht, B. muka, IX, 11, gelaat. 
Wadara. S. bad ara. Mal. Atj. bid ara, B. bek ui (Indische 

appelboom) , XVI , 44 , XXV , 14, Z i z y p h u s j u j u b a. 
Wadi. B. akah (wortel)! IV , 8 , buik? 
Waduii. l.Wadunën, B. kakandik (worde omgehakt) , XXIII, 

69, Juss. Pass. (Vgl. Sund.). 
AVadwa. S. badwa (troep, menigte). Lamp. baduwa,B. bala 
(volk, onderdanen), III, 64, 68, 85, VI, 93, VIU, 60, 
IX, 62, 67, XXI, 115, 166, XIX, 36. 
B. panjak, II, 23, VI, 29, III, 65, X, 24, 46, 47, XII, 

2, Xni, 36, 68. 
B. kahula, XXIII, 83. 
B. nahula, XVII, 126. 

B. madagan! XXIV, 68. De B. vert. foutief. 
Wadhaka. S. badhaka (kwellend, benadeelend), B. iiankala, 

XV, 15, hinderlijk, beletsel. 
Wana. S. woud, B. alas, III, 77, VI, 123, XXVI, 25, 
IX, 1. 
B. kanana, XIX, 14. 

B. onvertaald, VIII, 212, XVII, 106, IX, 90. 
B. kaju! XXV, 47. De B. vert. foutief. 
*Wanakurkuta. S. wanakukkuta (boschhoen), B. alas pana- 

rëp! XXVI, 25. De B. vert. foutief. 
*Wanakusuma. S. woudbloem, B. puspa alas, VI, 123. 



WANADEQA WANEH. 485 

■'^Wauade^a. S. boschstreek, B. al as si ma, II, 11, 23, 67, 
Waiiara. S. aap, B. wre, VI, 131, 145, 151, VII, 48, 76, 
85, 92, Vm, 181 , 198. 
B. plawaga, VII, 83, 84, 86, 95, 106, 111, X, 11. 
B. kapi, X, 19, 27, XI, 7,9, 14 , 61 , XVI, 5, XVIII , 20, 
XX, 60, 68, XXI, 178, VI, 172. 
"^"Wjiuaradhipa. S. apen vorst , B. w a n a r a r a j a , VI , 113, vgl. 

w fi n a r a r a j a en k a p ï n d r a. 
"^Wanarabala. S. apeuleger, B. wre wadwa, XI, 12, 96. 

B. ba la wre, VII, 112. 
"^Wiinararaja. S. apeuvorst, B. kap in at ha, VI, 173, vgl. 
w a n a r a d h i p a , k a p i n d r a , w a n a r e u d r a en w a n a - 
re 9 war a. 
B. wre uatha, VI, 152. 
■^Wanararüpa. S. de gedaante van een aap hebbende, B. wre 

gobane, XVIII, 4. 
"^Wanarawira. S. held onder de apen, B. wre wani, VII, 92. 
^Wanarendra. S apenvorst, B. kapinatha, XXVI, 24. 
^Wanare^wara. S. hetzelfde, B. wanaradhipa, XXVI, 27. 
Vgl. wanaradhipa, wanararaja, wanarendra en 
k a p i n d r a. 
Wanawasa. S. woudbewoner, B. mawanawasa, UI, 40. 
Wani. Mal. bërani, Mak. barani, Tag. Pamp. ba jani. Bul. 
waranei, Day. bahaüi, Bug. warani. B. ban i (durven , 
dapper), XXI, 103, XXII, 41. 
B. wanen, VIII, 129, XXVI, 6. 

2. Wanya, B. bani (zou durven), VIII, 214. 

3. W i n a n i - w a n i , B. bani c a ]) a 1 a (dapper en brutaal) , 
VIII, 61. 

B. wan en -wanen (overmoedig), IX, 61. 
Waueh. B. sejen (andere), IV, 74, V, 2, VI, 27, IX, 26, 
XI, 30. 
B. lyanan (ander), V, 57, 58 , 73, VIII, 50, II, 72, III, 79. 
B. 1 y a n (andere) , IX , 20 , 22 , XIV , 26 , XV, 62 , VIII , 30. 
B. lenan (anders), XIV, 54, VI, 81. 
B. sejenan (ander), III, 2, VIII, 28. 
B. mari! ander, VIII, 123, 130. De B. vert. foutief. 
B. o bah (ander), VIII, 116. 

B. onvertaald, VIII, 44, 179, 183, IV, 29, 50, XVII, 116. 
B. len (anders), VIII, 161, X, 60. 



486 WANTAH WAÏUH. 

B. malih (ander), X, 3, XI, 23, 24, 32, XIII, 62, XIY, 
45, XXII, 52, XIX, 118. 

2. Wanehan, B. sejenan (auder) , VIII, 211. 
B. sej en, II, 49. 

B. smalih (bovendien), VIII, 83. 

B. pas ah! verschillend, X, 15. De B. vert. verkeerd, 

B. lyanan, XI, 91. 

3. Sawaneh, B. sej en (anderen), IV, 73. 
B. lyan (andere), V, 70. 

B. len, VIII, 37. 
B. s a w o s (andere) , XV , 50. 

sawaneh-waneh, B. malenlenan (sommige — andere) , 
XVI, 37. 

4. Wan e ha, B. sejenan, V, 15 (Cond.). 
B. len, V, 78 (Conj.). 

5. tar pana waneh, B, tan o b ah aii (onveranderlijk), XXI, 85. 
Wantah. l.Mawantah, B. mapalu (samentreffen) , XIX , 1 28. 

B. p a p a n g i 1 , XXIII , 1 8. 
*Waiitëna. B. ada (zijn), XXVI, 25? 
Wantiii. Mal. Sund. ban tin. 1. Ka wan tin, B. kapantin 

(gesmeten) , XXII , 52 , Aor. Pass. 
Wantus. 1. Kawantus, B. kagëbug (gestooten) , XKII , 52 , 

Aor. Pass. (Mal. Jav. bëntus). 
Wandhawa. S. bandhawa (bloedverwant, nabestaande), B. 

kadah, VI, 172. 
Wandhuwargga. S. bandhuwarga (schaar van bloedverwan- 
ten), B. warggi, VI, 198, XIV, 55. 
Wauwa. Bis. banna (dorp). Mal. banuwa (rijk), Bat. hetz. 

(landschap). B. de 9a (landstreek), II, 12, III, 79, XXV, 

98, XXVI, 22. 
B. asih! XII, 45. 
Way. Lamp. hetz. Bug. uwae, Sund. cai. 1. Kawayan, B. 

kuwatau (opgeblazen), XVII, 114, XXV, 92. 
Wayan. 1. Mawayan,B. manringit (een tooneelstuk opvoeren) , 

XXIV, 112. 
Wayawak. Mal. biyawak, Sund. Tag. bayawak, Mad. 

banoabag, Jav. mëüawak, Day. bajawak, B. koko- 

n a n , XXVI , 25 , leguaan. 
Wayuh. 1. Kinawayuh, B. kajujuh (Pass. van //eene mede- 

dingster krijgen//), XVI, 34. 



WAKA WARAH. 487 

Wara. S. voortreffelijkste, beste, schoonste, B. magen, VII, 56, 
VI, IGO. 
B. lëwih, II, 64, XXII, 96, XXV, 42. 
B. wi^esa, XXI, 218, XXIII , 14, XIX, 4, VI, 59. 
B. ge f] e, XV, 69. 
Warak. Mal. Sund. badak. Mak. badaq. B. onvertaald (rhi- 
noceros), II, 26, VIII, 44, XII, 61, XVII, 14. 
"^"Warakaiiyaka. S. voor tre (lelijk meisje, B. surawani la, 1 , 14 , 
Waraii. I. Waranën, B. pabuücinan (worde verloofd), II, 
49 (Juss. Pass.). 
B. patëmuan, II, 59. 

2. Pawaranan, B, patëmon (verloving), II, 65. 

3. Winaran, B. kapatëmuan (verloofd worden), XI, 27, 
Pass. Dur. Ind. 

B. matëmu (verloofd), XII, 13 (Part. Dur.). 
II. Waranan, B. onvertaald (soort van pisan), XVI, 44, 
XXVI, 25, Mal. baranau, Jav. saranau (kastanje). 
Waranka. B. u n g w a n (hok) , XVII , 1 4. 
Warankak. 1. Warankakën, B. pajrinkak? XVII, 14, 

naam van een dier? 
Warapsari. S. warapsaras (voortreffelijke nimf), B. widya- 

dhari, XX, 79. 
Warayan. B. isu (pijl), II, 24, IV, 75, XI, 86. 
B. hru, V, 44. 
B. gagijun, XIX, 82. 
B. gara, XX, 42, XXIV, 26. 

2. Winarajan, B. isuuya (geschoten worden met een pijl), 
XXIII, 66, Pass. Dur. 
Warawan. B. manlëwihan! zeker vleeschgerecht, XXVI, 25. 
Waras. l.tan w ar as, B. san sa ra (ellendig), XVIII, 25, onwijs? 
2. Pi waras, B. mapiwruh! doen alsof men wijs is, XIV, 52. 
^War.astri. S, voortreffelijke vrouw, B. wanita, XIX, 21. 
B. patni, XIX, 32. 
Warali. Bat. bagah, Mad. balë, B. paj ar (deel mede), XIII, 13. 

1. tag warah, B. ora paj ar (ik deel niet mede), XIII, 6. 
ar warah, B. kapajarin, V, 22. 

2. Warawarahën, B. pajaran (mede te deeleu), XIII, 13 
(Conj. Pass. na prihën). 

3. Win ara war ah, B. winuruk (onderricht worden), I, 35 
(Pass. Dur. Intens.). 



488 WABAH. 

4. Warahën, B. tutu ra n (worde bericht) , VIII , 173, Juss. Pass. 
B. ajahin, V, 39. 

5. Winarahan, B. kajahin (onderricht worden), I, 36 
(Pass. Dur. Ind.). 

6. Winarahakën, P. pagabda (bericht worden), XI, 75, 
Pass. Dur. 

7. Sawarawarah, B. sapitutur (al het onderricht), 1,37 
(alle lessen). 

8. Mawarawarah, B. maüaturan (berichten), IX, 31. 
B. manrawos (mededeelen) , XI, 13. 

9. Mawarah, B. nuturan (berichten), V, 79 (Ind.). 
B. mamajaran (mededeelen), VI, 80, X, 49. 

10. Ma war aha, B. amajarin (zullen onderrichten), I, 48 
(Fut. Act.). 

B. tutur (te onderrichten), XIV, 44 (Conj.). 

11. yan pawarawarah, B. mamajaran (dat mededeelde), 

VII, 67. 

ak pawarawarah, B. mapitutur (dat ik bericht) , XI , 94. 
12. ar pawarah, B. mamajaran (mededeelen), V, 85. 
ar pawarah, B. majaran (mededeelen), VI, 140, 144. 
pawarah, B. tuturan (bericht), VIII, 182 (Subst.), 
pawarah, B. pajar (bericht), VIII, 203, Subst. 

13. Marahakëna^ B. nuturan (als het ware verkondigende) , 
I, 62. 

B. matënëran (als teeken), VI, 32. 

14. Warahakën, B. tutnran (worde medegedeeld) , VII , 70, 
Imp. Pass. 

15. Winarah, B. pinituturan (onderricht worden) , 11,22, 

VIII, 144 (werd ingelicht), III, 41. 

B. kaujaran (medegedeeld worden), VII, 48, XXII, 1 (ver- 
wittigd worden). 
B. kapajarin (bericht worden), II, 60. 
B. kaujaran (in kennis gesteld), III, 3. 
B. kahaturah, IX, 91, Pass. Dur. 

16. Umarahakën, B. manuturah (deelde mede), III, 26 
(Aor. Act. Ind.). 

B. nuturan, III , 40. 

B, amajaran (berichten), III, 74. 

17. Awarawarah, B. manaturan (mededeelen), III, 43, 
XI, 35. 



WAR^HA WAKiniN. 489 

B. inanuturan (oudenichteii) , X, 51. 

18. Awarah, B, naturan (mededeeleu) , III, 44. 
B. iiandikayan (berichten), Vilt, 151. 

B. inaj aran, VI, 45. 
B. naj ahin , XI, 94. 

19. Maramaraha, B. iiujarin (om te berichten), V, 22 
(Couj. afhangende van don). 

20. K awarah, B. mapitutur (bericht worden), XI, 26, 
Aor. Pass. 

21. yar warawarah, B. kat ut uran (bij 't bericht) , VI, 1 16. 

22. Umarah, B, mapajar (berichtte) , Vil, 88, Aor. Act. Ind. 

23. Umaramarah, B. mam aj aran, VI, 157, Aor. Act. 
(deelde mede). 

24. Amarahakën, B. uuturan (verkondigen), XXI, 210, 
Act. Dur. 

25. Maramarah, B. sapitutur, XXIV, 39. 

26. Maraha, B. namaranin (zullen onderrichten), XXIV, 
197, Fut. Act. 

27. Marahakën, B. manuturan (mededeelen) , XXVI, 12. 
Waniha. S. everzwijn, B. celen, VI, 107, 108, XI, 71. 

■^Waraharöpa. S. de gedaante van een everzwijn hebbende) , B. 
marüpa sukara, II, 48. 
B. magön ne magoba! XXI, 132. De B. vert. onjuist. 
Warëg. B. bëtëk (verzadigd), II, 26, VII, 67. 
B. mbëtëkan, II, 27, VII, 38. 
B. bëlbëlan, VII, 19, VIII, 7, beu. 
B. mëd, VII, 60, XIII, 96. 
B. wanëh, XIV, 47, XII, 24. 
B. bëtëkan, V, 11 , I, 21. 
B. kadawëgan, VII, 110. 

2. Warëga, B. wanëh (zou de verzadiging zijn), V, 76. 

3. Winarëgan, B. kapëpëkin (verzadigd), XXI, 168, 
Part. Dur. Pass, 

4. Marëg, B. suka, XXV, 15. 
B. wanëh, I, 21. 

Wari. B. p u c u k (soort van bloem) , XVI , 37 (Ed. w i r a) , XVII , 
129, Batav. uriban, vgl. Jav. w o ra wari. 

"Wariüiu. Mal. bërihin, Atj. bërinen, B. bah in in (soort van 
boom), XV, 68, XXI, 40, XXV, 71, XXVI, 48 , de 
urostigma. 



490 WAEIÜUÏ WALAKAÜ. 

Warinut. 1. Warin utën, B. urin-urinan (woedend), XXI, 191. 

Waruga. B. y a q a , XXIII , 71, Sas. b a r u g a q , Bim. Bul. 

paruga, (huisje boven het graf), Sang. bahuglia, Eedj. 

Bug. Mak. b a r u g a , Lamp. b a r u g a (koepel). 

Warurut. 1. Warurutën, B. kapupunan, knikkebollen , 

XIV, 20, XXIII, 34. 
Warul. B. waru, naam van een boom (hibiscus tileaceus), 

XXV, 102. 
Wargga. S. klasse, partij, schaar, B. warggi, XII, 55. 

B. sakadan, XIII , 61. 
Warnna. S. uiterlijk, kleur. Mal. war na, Bat. borua, Day. 
b a r a n a (soort) , Tag. w a 1 u a (bontgekleurd weefsel) , B. 
pamulu, V, 40, VI, 62. 
B. mar upa, V, 66, kleur. 
B. magoba, V, 70. 
B. salwir, VIII, 153, soort. 

B. rüpa, VIII, 2 (kleurig), 85, XI, 1 , XIX, 55, XXVI, 24. 
B. onvertaald (soort), XVII, 101. 
Warimaiia. S. beschrijving, schildering, B. üaritayan (beschrij- 
vende), XXIV, 254. Absol. 

2. Winarnnana, B. caritayan (beschreven worden) , XVII, 
37, Pass Dur. Ind. 

3. Winarnnana, B. hetzelfde (worde beschreven), VIII, 
144 , Juss. Dur. Pass. 

B. kacaritayan, VIII, 179. 

4. Amarnnana, B. iiarita (beschrijven), XXV, 6, Act. 
Dur. Ind. 

5. Marnnita, B. caritayan (beschrijven), XXVI, 24. 
IVarnnita. S. beschreven, 

1. Warnnitan, B. caritayaü (worde beschreven), XXI, 
80, XXIV, 218, Juss. Pass. 

2. Winarunita, B. cinarita (beschreven worden), XXIV, 
232, Pass. Dur. Ind. 

Warsa. S. jaar, B. tem wan, VII, 31. 

Warsakala. S. regentijd, B. makajawuh, XXI, 139. 

Wala. S. bala, naam van een vogel, XI, 2. 

Walaka. S. ba la ka (kind, knaapje), B. rare, XIX, 44, 

VIII, 110. 
Walakaii. Mal. bëlakan. B. tundun (rug), IX, 20. 

B. gigir, XIX, 76, 79, 117, 126, XXIII, 42, XX, 47. 



WaLAKaRA WALës. 491 

^Wülakara. S. balatkara (gewelddadigheid), B. badaban, 

XXI, 84. Vgl. walatkara. 
■^'Walakas. B. balakas, slager, XXVI, '25. 
Walatuk. B. bal at uk (specht), XXIV, 119, XXV, 11 (Mal. 

bel at uk, Jav. plat uk, Day. balatok). 
Walatkara. S. balatkara (gewelddadigheid). 1 . W i u a 1 a, t k A, ra , 
B. kakosa (gewelddadig behandeld wordeu) , XIX, 105, 
Pass. Dur. 
Walawala. B. hanau balan (sprinkhaan), XXV, 65. 
Wales. Mal. Day. Atj. ba las, B. nahur (vergelden), VII, 89. 
B. Il wal es, XIII, 73. 
B. nudili, XVII, 8, XIII, 24. 
B. mapulih, XIX , 75, XXV, 42. 

2. Walësën, B. pulihah (worde vergolden) , V , 7 .Juss. Pass. 
B, nwalës, XV, 5 (te zullen vergolden worden). 

3. Mal es, B. nwalës (eveneens), VI, IGl , X, 42, op 
zijn beurt. 

B. masahur (op zijn beurt), VI, 185, XIX, 124, terugslaan. 
B. manwalës, hetzelfde, X, 10. 
B. kawalës, hetzelfde, XIII, 39. 

4. Pamalës, B. manahur (vergelding) , VI , 94. 

B. panwalës (middel van tegenweer) , XXIII, 62, XXIV, 3. 
B. w a 1 ë s a n (te vergelden) , V , 8. 

5. Malësa, B. nahur (zal vergelden), VI, 112 (Put. Ind.) , 
XXV, 42 (Conj.). 

B. nwalësan (te vergelden), XIX, 127 (Conj.). 

6. Pamalësa, B. panahur (zij de vergelding), VI, 200. 

7. Amalës, B. tahur (vergelden), VIII, 12. 
B. manahur, XXI, 117, Act. Dur. Ind. 

8. Mamalës, B. nudisiu, IX, 32. 
B. manwalës, XIX, 57. 

B. mapulih, XIX, 86, 111. Act. Dur. Ind. 

9. M a m a 1 ë s a , B. m a n a h u r , XV, 5 (Fut.), te zullen vergelden. 

10. Pamalësana, B. lawanan, XIV, 62. Conj. na yar. 

11. Winalësan, B. kabalikan (vergolden worden), XIX, 
108, Pass. Dur. Ind. (van meer personen). 

B. kapulihan, XIX, 124. 

12. Kawalësan, B. kawalës, XIX, 111. 

B. kapulihan, XXI, 221, XXIII, 35, Aor. Pass. Ind. (van 
meerdere personen). 



492 WALIK WALUY. 

13. Amalësana, B. mapulihana (zou vergelden), XXIII, 
27, Act. Dur. Couj. 

B. m a u u 1 a k a n (te vergelden) , XXIII , 44. 

14. Amalësa, B. nawalës, XXIII, 45. 

Walik. I. Mal. Daj. b a 1 i k. B. m a b a 1 i k (omgekeerd) , XXIV, 109. 

2. Mawalikan, B. sëlen timbal (telkens terugkeerend), 
III, 24 (verward dooreen). 

B. pabiyayu, XVIII, 36, verward. 
B. mabyayuan, XIX, 54, dooreen. 

3. Malika, B. mbadinan (zou omdraaien), XXIV, 21, 
Conj, na kadi. (Ed. maliha). 

4. Awalikau, B. matulak (omkeeren), XXIV, 120, of: 
beurtelings? 

II. B. tadahasih (soort van vogel) , XXV , 19 , Jav. kë das ih. 
Walikat. 1. Walikatën, B. pamalinan? XXV, 81 (Mal. 
bëlikët, kleverig). 
^Walikut. 1. Kawalikut, B. kabalikan (teruggedreven), 

XXIII, 45, Aor. Pass. 

Walin. B. dayanin (meening), VI, 17(3, VIII, 181, 
III, 42. 
B. kaden (gevoelen), VI, 7. 
B. sënguh, XIV, 53, XV, 2. 
B. tahën, III, 22 (veronderstelling). 
B. ujar, X, 68, V, 58. 

2. Winalin, B. sënguhan (werd geloofd), II, 17 (Pass. 
Dur. Ind.). 

B. dayanin (werd gedacht) , VI , 28. 
B. rasayan, VII, 17. 

3. W a 1 i n a , B. a d a u c a p a n , XIII , 44. 

Waliwis. Mal. bëlibis, Jav. mëliwis. B. balibis (eend), 

XXIV, 120, XXV, 57, anas casarca. 
Walü. B. magelohan (kronkelen), XXII, 69. 

B. bëlalu, XXV, 73. 
Walu. 1. Kawalwan, B. kaponakan, stiefkind, XXIII, 46. 
Waluy. B. lipëtin (keer terug), XXIV, 136. 

B. patulak (terugkeer), XXIV, 219. 

ar waluy, B. namalihin (dat terugkeerde), XI, 4, met 
nadruk op 't vorige. 

2. Waluya, B. matulak (weder), XXI, 121. Conj. 

B. malih (weder), XXIV, 211. Conj. na kadi. 



WALUYA WAWA. 493 

3. Maluy, B. malih (weder), VI, 171, 184, VIII, 81 (werd 
weder), IX, 23, XV, 47. 

B. malipëtan (weder), Vil, 16, XXI, 36, 155, 183, 

XXIII, 54, III, 17, VI, 78, IV, 52. 
B. mabalik (teiugkeereu) , VI, 59, 171, IX, 52, 69, XI, 

31 (weder), XXII, 62 (weder). 

4. Maluya, B. malipëtan (terug te keeren), V , 29 (Conj.) , 
XXVI, 4, Fut. 

B. malih (zal weder wordeu) , XXIII, 53. 
B. mal ik (moge weder), VIII, 150. 
B. tulakan (dat terugkeere), XIII, 84. 

5. U maluy, B. malih (weer), V, 70, IX, 49, III, 31. 
B. namalihiu (terugkeeren) , XII, 27. 

B, mabalik (terugkeeren), IV, 73 (Aor. Act.). 

6. Kawaluy, B. atulak (afgeweerd), XXI, 230 (Aor. Pass. 
Ind.), XXIII, 45. 

B. mabalik (teruggedreven), XXIII, 82. 

7. Waluyakëna, B. aturan (worde teruggegeven), X , 67 , 
Juss. Pass. 

B. tulakan, hetzelfde, XIV, 45. 

8. Amaluyakën, B. malipëtan (terugwerpen), XXIII, 45 , 
Act. Dur. Ind. 

9. Maluyakëna, B. mabalik (om te beantwoorden), XVI, 
35. Conj. na sumyan. 

10. Mawaluy waluy, B. matulaktulak (telkens terugkeeren), 
XXIII, 45. 

11. Waluy i, B. matulak (keer terug), XXIV, 207, Imp. 

12. Maluyakën, B. malihin (herhalen), XXIV, 260, Act. 
Caus. Ind. 

Waluya. 1. Maluya, B. mabalik (keert terug) , VI, 52 , Praes. 

Act. Ind. 
Waluh. S. alabu (pompoen, waterpot) , B. onvertaald, V, 66 

(kalebas), Day. bal oh, Bug. lawo. Mal. labu. 
*Walot. 1. Kawalot, B. lilit kalot? XXV, 10, ineengerold, 

omslingerd , omwonden ? 
AVallabha. S. liefst, lieveling, B. nagih pakolih! lil, 79, 

gunsteling. (De B. vert. foutief). 
B. kawehin dana, XII, 48. 
Wawa. Bug. Bul. hetz. Tag. baba, Form. awa, Mal. bawa, 

Jav. gawa. B. aba (worde gebracht), IX, 86, XI, 21. 



494 WAWAn WAWAH. 

B. tatas, XIX, 35, Imp. Pass. 

Wawa rëüö, B. mai'iewëhan (te letten op), VII, 38, Inf. 

B. üruiiü (achtslaan op), XIV, 43. 

2. Wawa rënö, B. runü, XII, 30. 

3. Mamawa,B. magawe (veroorzaken) , V, 1 9 (Act. Dur. Ind.). 
B. mambakta (bij zich hebben), IX, 26. 

B. mafigawa (dragen), I, 61. 

B. magagawan (brengen), XX, 21. 

B. maba-abaan (veroorzaken), XV, 10. 

4. Amawa, B. angamël, hetzelfde, III, 53, Act. Dur. Ind. 
B. üaba (brengen), X, 72, XXIV, 247, voeren (van wapens). 

5. Winawa, B. aba (gevoerd worden), V, i (Pass. Dur. Ind.), 
van wapens gezegd. 

B. gawa, IX, 34, hetzelfde. 

B. kabakta (gedragen worden), XVII, 116, XXI, 1 (gevoerd 
worden). 

6. Kawawa, B. matandin (ontvoerd worden), V, 13 (Aor. 
Pass.). 

B. kaaba (gebracht worden), VI, 196. 

7. an p amawa, B. manajak! dat hij tot vrouw heeft, 
V, 72. üe B. vert. foutief. 

8. Umawa, B. kak eden (koesteren), VII, 18 (Aor. Act. Ind.). 

9. Wawan, B. aba (worde gebracht), X, 67, Juss. Pass. 
B. ir in, XIV, 45. 

B. bakta, VII, 52, VIII, 205. 

10. Pamawana, B. murnnayan (zal overbrengen), XI, 37. 

11. Umawa, B. magagawan (zal brengen), XVII, 12, Put. 
Act. Ind. 

B. mambakta, XVII, 16. Conj, Aor, Act. 

12. Mawa, B. mbakta (brengen), XVII, 17. 
B. sikëp (te voeren), XX, 31. 

B. naba, XXIV, 249, XXV, 95, dragen. 
B. mangamël, XXIV, 50, besturen. 

13. Mawa, B. iiaturan (brengt), XVIII, 41, Conj. na 
y adin. 

Wawan. B. gëlis (snel), II, 28, 34, III, 11, 30,48, V, 17, 
61, VI, 27, 66, 134, 169, VII, 13, 33, XV, 36. 

B. mangëlisaii, V, 29, XXIV, 202. 

B. onvertaald, IV, 49, XVII, 90, XVIII, 6, III, 73. 
Wawah. 1 . A w a w a h a , B. h 1 i j u (toenemen) , III , 81 (Intr. Imp.). 



WA WIL WASTRA. 495 

Wawil. B. nëdekin (uitlachen), XXV, 19. Vgl. wahil. 
Wa§a. B. wastu, nog, XXV, 52. 
*Wacata. S. macht, B. tatwa, XXV, 30. 
Was. Sund. waas, Mad. abös, 1. Awas, B. pë das (blijkbaar) , 
III, 75, V, 74, VI, 92, 155, VII, 103, 105, VIII, 135. 
B. kantënan (duidelijk), VII, 34, I, 53, III, 68. 
B. jati (grondig), II, 23, XXVI, 32, wezenlijk. 
B. kat on (blijkbaar), II, 52, XXIII, 70, 85. 
B. kanten, III, 47, 76, XVII, 48, IX, 2, 84, XIV, 28, 
XIX, 47, XXIV, 36, 203. 

2. Ma was, B. kat on (zichtbaar), II, 5. 

B. pëdas (duidelijk), V, 45, XX, 73, XXI, 44, 51. 
B. tatas (blijkbaar), VIII, 111, XXII, 86, XXVI, 32. 
B. galan (helder), XIII, 15, XXII, 78. 
B. jati (duidelijk), XVIII, 38. 

3. Pawas, B. ninhali (zie), XXI, 42. 

4. Pahawas, B. palila (wees gerust) , XXIV , 25 
B. lagasan, XXIV, 150. 

B. lilayan (gerust), XXIV, 128. 

5. Umahawas, B. mamradatayan (uitleggen) , XXIV, 36. 
Wasana. S. awasana (einde), B. wast una, XXIII, 70. 
Wasëh. Mal. basoh, Jav. wasuh. 1. Winasëhan, B. bin- 

rësihan (gewasschen) , XVI, 37, Pass. Dur. Part. 
B. tëlah, XVI, 38. 
B. kabasëhin, XXVI, 15. 

2. Pamasëh, B. ui rara in (reinigingsmiddel), XIV, 63. 

3. Umasëh, B. m.anwasëhin (reinigen), XXIV, 215, Aor. 
Act. Trans. 

4. Masëha, B. manëlahin (om zich te reinigen), XXV, 6. 

5. Amasëmasëh, B. mambësahin (voortdurend zich reini- 
gen) , Act. Dur. Preq. 

6. Wasëwasëhan, B. mambësah mbësahin, XXVI, 6. 
*Wasita. 8. geparfumeerd, B. nrësëpi, VII, 10. 

B. tëgës, VI, 123. De B. vert. foutief. 
Wasista. S. naam van Ram a's leeraar, I, 35, 36. 
W.istu. S. wezen , ding , inhoud , B. k a w i j i 1 a n , XXIV , 36 , 
gevolgd door n i n w u w u s. 

B. tëmahan (wezen), XXV, 91. 

B. phala (ding), XXV, 94. 
Wastra. S. kleed , gewaad , B. k a m b ë n , XVII , 3. (Rd. dodo t). 



496 waswas — weKAs. 

B. wëdihau, XVII, 13, XXI, 168. 
B. onvertaald, XXVI, 38. 
Waswas. 1. Umaswas, B. mitatas (waarschuwen) , XXIV , 40 , 

Aor. Act. Ind. 
WS,h. Mal. bah, Mad. ba ah, Sund. ca ah, Mak. aqba, enz. 
(Kern, Fidjit. p. 186, s. v. ua). B. gen tuh (overstrooming), 
IX, 12. 
B. ëmbah (vloed), IX, 12, XTI , 56, XXV, 104, XI, 52. 
B. mbah, XIX, 50, XXV, 105. 

2. Ma w ah w ah, B. mëmbahan (overstrooraen) , XXIV, 91. 
Waliil. B. jahil (spotten), VIII, 31, XXIV, 40. 

2. Winahil, B. bhrantinin (beknord worden), XXII, 22, 
Pass. Dur. 

3. Amahil, B. usil (lastig), XXIV, 40. Vgl. wawil. 
Walm. Form. waho, Tag. Bis. bago,Bul. wëru, Day. bahua. 

Mal. bëharu. Bat. imbaru. Lamp. bahyu. B. ma ra 

(pas), II, 11, 13, XII, 33. 
B. natian (eerst), V, 43. 
B. raanacjarin (pas), VIII, 101, 110. 
B. bahu, VIII, 190, XII, 13 (pas), 63, XVI, 19, 21. 

2. Wahuwahu, B. tumben (vuór 't eerst), V, 55. 
B. bahu mara (vroeger), XXV, 80. 

B. pindo pindoin (voor 't eerst), XII, 17. 

B. amindoin, XII, 18. 

B. malihmalih, XXIII, 50. 

3. Awahwahwan,B. hariarhaüaran (nieuweling), XXVI, 33. 
Wahya. S. trekdier, B. kat on! XIX, 100. De B. vert. foutief. 
Wëka. B. putra (zoon), VIII, 146, V, 50. 

B. panak, XXVI, 20, kind. 

2. Wëka wëka, B. paraputra (zoon), V, 78. 

B. makaputra, XXIII, 52, kind. 
Wëkar. 1. Mëkar, B. këmban (zich openen) , II, 4, XVI , 21 , 

XIX, 131. (Tag. bukarkar). 
Wëkas. B. panëlas (einde), V, 45. 

B. gen ah (plaats), III, 16. 

B. uni (inhoud), XI, 33. 

2. Wëkasan, B. sari (uiterst), VI, 154. 

B. dadyana (ten laatste), VIII, 99. 

B. dadyana (eindelijk), VIII, 136, XIV, 63, XXI, 157, 
217, V, 27. 



wëGiG — wëGiL. 497 

B. wastuana (ten slotte), XV, 16, XX, 18, V, 39, 64, 

68, 84. 
B. wastuna, II, 76, XXI, 185, XXIII, 4, 33, XXIV, 124. 

3. Kawëkas, B. kari (achterblijven), IV, 14, V, 42, 74, 
84, VII, 113, VIII, 143, 202, XXIII, 20, 48, XIV, 

32 (hoogste). 

4. Pa we kas, B. pa bes en (opdracht), VIII, 23. 
B. ka u ca pau, X, 52. (Ed. kawëkas). 

5. M a w ë k a s a , B. p a n a n d i k a y a n (laat opdragen) , VIII, 20 1 . 

6. Kawëkasan, B. wastuana (plaats waar achtergelaten 
had), XI, 9. 

7. Mawëkas, B. raapawarah (opdragen), XXI, 118. 
B. raambësënin, XXVI, 39. 

8. A m ë k a s a n a , B, m a m u p u t a n (een einde te maken aan), 
XXIV, 23, Act. Dur. Conj. 

9. Paraëkas, B. panëlas (einde), XXIV, 142. 
B. pamuput, XXIV, 225. 

Wëgig. B. risëb (ondeugend), IX, 88, X, 35 (overmoedig), 

III, 67, VIII, 31. 

B. kopëkan, IV, 70, X, 2 (baldadig). 
B. kaduli, V, 8. 

2. Wëgiga, B. risëb, IX, 93, Conj. 

3. Awëgig, B. risëb (kwaaddoen), IV, 61. 
Wëgil. B. unsi (vlucht), XVIII, 27, Imp. 

2. Wëgilën, B. unsin (zij de toevlucht), IV, 12, XV, 1. 
B. alihi, VI, 130. 

3. Winëgil, B, unsi (pass. van: gaan tot), VIII, 111, 

IV, 58. 

B. in unsi, IV, 15 (Pass. Dur. Ind.). 
B. pinarëk, XIV. 13. 

4. Urn ëg il, B. umarëk (zijne toevlucht zoeken bij), XIV, 
12 (Aor. Act. Ind.). 

B. nulahan, IX, 25. 

B. nunsi, XIV, 57, XV, 52, XXI, 109. 

5. Mëgil, B. hetzelfde, XX, 49, XXII, 51, 52, VI, 142. 

6. A mëgil, B. ma nunsi, XXII, 47 (Ed. u mëgil). 

7. Wëgila, B, man unsi (toevlucht te hebben), V, 59, 
VIII, 133, XXIV, 152, Conj. 

8. M a m ë g i 1 a , B. m a n a 1 i h (te zoeken) , XXI , 110, Act. 
Dur. Conj. na don don. 

32 



498 wëna — wëTis, 

Wëna. I. Mëna, B. ëngaii (opengesperd), VIII, 5 (van den 
bek van een raksasi). 
B. kabuka (open), XX, 20. Day. ban ah. 
II. Amënani, B. makrana (veroorzaken) , V , 5. 
AVëni. Fidji boni, Anat. pin, Sam. bo, B. latri (nacht), 
IV, 17, XI, 79. 
B. pëtën, VII, 28, 29, 31, 50, XI, 80, V, 70, VIII, 

95, XXI, 128, XXIV, 233. 
B. ratri, XXI, 129, 202. 
Wënis. 1. Awënis, B. rëiiü (toornig) , XVII , 54 , Mal. b ë ü i s , 
Day. banibanis. 
2. Mawënis, B. jen is, XIX, 127 (bevreesd?) 
Wëtan. 1. Umëtan, B. üayataii (spannen), XVII, 27, Aor. Act. 
Wëtëü. Umëtën, B. mamentan (spannen), II, 51, 57 (Aor. 

Act. Ind.). Vgl, wëtan, wëntan en wëntën. 
Wëdar. l.Mamëdar,B. raris (openen) , XXV, 53, Act. Dur. Ind. 
Wëdihan. kleed, B. kambën, XXI, 206, XII, 33, XIII, 87, 
IV, 66, XX, 79. 
T pawëdihan, B. mawastra (gekleed te zijn) , III , 2 1 
(met nadruk op 't vorige). 
Wëdus. B. kambin (geit, schaap), III, 66. 
Wëntan. Jav. bëntan. Mal. pent ar». B. manayat, IX, 
47 (Abs.). 
B. mamentan (spande), II, 34 (Abs.), 

2. Winëntan, B. kayatan (gespannen worden), IX, 81, 
Pass. Dur. Ind. 

3. Amëntan, B. mamentan (spanden), XIX, 105. 
B. nayat, XXIV, 1 (Act. Dur. Ind.). 

4. Mamentan, B. manayat, XX, 58. Act. Dur. Ind. 
*Wëntën. B. pëntafi (span!), II, 69, Imp. Vgl. wëtan, wëtën 

en wëntan. 
Wëtën. Mak. batan, Bis. b ogton , Bug. watan , Sund. bötöü, 
B. basan (buik), VIII, 5, 6, IX, 19, 57. 
B. garbbha, XXI, 74, XIX, 26, XXI, 174, XVII, 113. 
Wëtis. B. jon! kuit, IV, 31. De B. vert. onjuist. 
B. onvertaald, XIX, 22. 

B. batis, XX, 8, XXIII, 4, XXV, 79 (Mal. Sas. bëtis, 
Bat. Men. Sund. bitis, Mad. bëtes. Mak. bitisïq, Bug, 
w i t i q , Day. b u n t i s , Malag. v i t y , Jav. w ë n t i s , Tag. 
bitiis). 



wëïiii — wëïu. 499 

Wëtih. B. tarpa tlëtëh (rein), I, 24. 

B. tinkah, XXIV, 110? Vgl. Mal. bërtih. 
Wëtii. B. mëdal (uitgaan), VI, 42, XIII, 70, XX, 33. 

B. mij il (opgaan), VII, 7, XI, 13, VIII, 46. 

B. wij il (geboorte), I, 34, XI, 65, het uitgaan. 

2. Umëtu, B. mëdal (ging uit), II, 64. 
B. u mij il (ging op), II, 6. 

B. na mij il (uitgaan), XIX, 23, XII, 64, XXI, 166. 
B. namëdalin (uittrokken), XIX, 66, Aor. Act. 

3. Mëtu, B. mij il (uitkomen), VII, 9. 

B. pësu (naar buiten komen) , VII, 36 , IX , 19 , 41 (uitkomen), 

IV, 73, XIV, 41. 
B. mëdal, IX, 73, VI, 161, II, 51 (geboren worden), III, 

25, 38 (uitkomen), VIII, 41, XXIII, 36, 63. 
B. nam bah (naar buiten komen), VIII, 172. 
B. kanten (te voorschijn komen), IV, 55. 

4. Mamët waken, B. manadakan (verwekte) , III , 1 2 (Act. 
Dur. Caus.). 

B. namijilan (vertoonen) , XXIV, 15, XXIII, 63, doen te 
voorschijn komen. 

5. Umëtwa, B. u mij il (zou uitkomen), VI, 36. 
B. pësu (om uit te komen), VI, 161. 

B. mëdal (zou opkomen), VIII, 101, XXI, 161, Aor. Act. 
Conj. na meh. 

6. Mëtwa, B. hetzelfde (zou uitkomen), VI, 44, 45, XII, 
1 (zou opkomen). 

B. mësuin (om uit te trekken), XVIII, 31. 
B. mij il, XIX, 27, Conj. na mamwita. 

7. Wëtwakën, B. namijilan (vertoonen), VI, 54, Abs. 
Caus. 

8. Amëtwakëna, B. namijilan, VIII, 53, Act. Dur. Conj. 
na sukahetu. 

9. Met waken, B. nadakan (te voorschijn doen komen), 
XI, 20, Caus. Ind. 

B. namijilan, XV, 27. 

10. Kawëtu, B. kamëdalan (vertoont zich), XIV, 52, 
Aor. Pass. Intr. 

B. kapësuin, XXI, 212. 

11. U m ë t w a k ë n , B. namijilan (vertoonen) , XVII , 7 9 
XXII , 5 (Aor. Act. Caus.). 



500 wëoëL — wëNAD. 

12. Winëtwakëu, B. kawijilaii (vertoond worden), XXII, 
42, Pass. Dur. Caus. 

13. Wëtwan, B. nëlok (plaats van tevoorschijn komen), 
XIV, 104. 

AVëdël. I. Amëdëli, B. nocok (wrijven, masseeren), XI, 96. 
Wëdi. B. kagëtapan (vrees), XVII, 8. 

2. Wëdi-wëdi, B. gëtap (zeer bevreesd), VIII, 130, V, 

32, IX, 20. 

B. gëtap-gëtap, XXIV, 122. 

3. Mëdi-mëdi, B. majëjëhin (bang maken), V, 29, 
trachten af te schrikken. 

4. Mawëdi. B. takut (bevreesd), V, 50, VI, 155, 170. 
B. takutin, XII, 5. 

B. jrih, XII, 63, XIX, 17, 99. 

5. Awëdi, B. hetzelfde, V, 71, IX, 56. 
B. wëdi, VI, 29. 

B. jëjëh, XII, 13. 

6. Awëdja, B. takut (zou vreezen), VI, 56. 

7. Mawëdya, B. hetzelfde, XIX, 127, dat bevreesd waren 
(Conj. na jan). 

8. Kawëdi, B. ne takutin, XXIV, 120, gevreesd worden , 
Aor. Pass. 

9. Mamëdi-mëdi, B. mamatakut (bang maken), XXIV, 
122, Act. Dur. 

Wënan. Sund. bönan, B. na n dan (gemachtigd), XV, 7, 

XXIV, 82. 
B. dadi (gerechtigd), III, 75, V, 56. 
-^- yogja, III, 27 (het over zich kunnen verkrijgen), 75, 

VI, 56. 
B. bisa (kunnen), VI, 71, 112, I, 52, II , 73 (in staat zijn) , 

m, 48, XXII, 41. 
B. purun (durven), IV, 76. 
B. kawa?a (in staat zijn), XX, 71, XXI, 195, XXII, 51, 

64, VII, 9, XXIV, 183, 214. 
B. tahen (kunnen), VII, 36. 
2. Wënana, B. kawa^a (zal in staat zijn), II, 52, XIII, 

33, XV, 40. 

B. dadi, V, 58, XVIII, 3. 
B. nandan, I, 44, XIV, 57. 
B. kayogja, I, 57 (Conj.). 



vvëNës — wëRëH, 501 

B. pautësan, VII, 35. 
B. dados, XV, 41. 

3. K a w ë n a n , B. b a k a t (bereikt) , V , 44. 
B. dadi (kunnen), II, 74 , V , 27. 

B. onvertaald (bereikt), V, 42, XXIII, 20 (overwonnen). 

B. kapangih (bereikt), VI, 105, XV, 58, Aor. Pass. Ind. 

B. da dos (kunnen), XVI, 5, 27, XXIH , 16. 

4. U m ë n a n , B. k a w a y a (was in staat) , [V , 45 (Aor. Act. 
Ind.). 

5. x\niënan, B. pol ih (overwinnen) , VIII , 191 , Act. Dur. Ind. 
B. katujuhan, XXIII, 28. (Ed. wenen). 

6. Amënana, B. mënan (moge overwinnen), XIV, 50, Act. 
Dur. Optat. 

B. manjaya (dal overwinne), XV[I, 99 (Conj.). 

7. Ma mënaü, B. molih (overwinnen), XIII, 47. Act. Dur. Ind. 

8. Pamënana, B. yen mënan (overwinning), XXVI, 42. 
B. karaolihan, XXI, 164. 

9. Pauaënanau, B. molih (overwinning), XXIII, 20. 

10. Mamënana, B. molih (overwinnen), XXIII , 21, XXIV, 24. 
B. polih, XXIII, 37. Act. Dur. Conj. 

11. Kawënana, B. kawaga (zou kunnen), XXIV, 67, 
XVII, 135. 

12. Wënanana, B. dadi, XXV, 37. 

Wënës. 1. Mawënës, B. këcud (bleek), VI, 168, II, 74 (ver- 
bleeken), VIII, 101, V, 89, XXII, 1. 
B. acum (bleek), XI, 45, XXI, 4, 163. 

2. Awënës, B. nisteja (verbleeken), V, 69. 
B. këcud (bleek), XVII, 114. 

3. Kawënësan, B. acum (bleek worden), XXIII, 35. Bul. 
wëlës (flets), Mad. bënës. 

^Wënin. 1. Awëniü, B. üandan! XXIV, 46, helder. 
Wërëg(wrëg). 1. Awrëg, B. magrëdëg, VI, 197, XXI, 247, 
in opschudding zijn. 

B. humun, VIII, 64, verward. 

B. lilih (vluchten)! XXII, 87, in opschudding. 

2. M awrëg, B. hihid (in opschudding), XX, 58. 

B. magrëdëg, XXI, 181, XXII, 57. 

B. pagrëdëg, XXII, 39. 

B. larut, XXII, 43. 
Wërëh. Sund. budah, Sumb. bora, Tag. Bis. bula, Malag. 



502 wëRö — wëLëKAn. 

wuri, Jav. uruh, Lamp. buroh, Day. bura, Bat. bug o. 
B. didih (schuim), VIII, 46, XI, 63, XIV, 7. 

2. Wërëha, B. didiha (als schuim), XIX, 130. 

3. Awërëh, B. madidih (schuimen), XX, 2. 

4. Amërëh, B. sëbuh, XXIII, 29. 

Wërö. Sund. wörö, Jav. wuru, B. punah (dronkenschap), 

III, 61, 82, XXIV, 37, 75, 76. 
2. Ma wërö, B. hetzelfde (dronken), III, 67, VIII, 34, 

XIX, 71. 
B. mamunah, XI, 42. 
B. wuru, XVn, 115. 
2. Awërëwërö, B. mapuüah-pufiahau (zich bedwelmen) , 

V, 28. 

4. Awërö, B. puüah (dronken), VI, 21, VII, 38 , 46 , XI , 
29, XXI, 100. 

B. mamunah, XIV , 11. 

5. Kawërön, B. puüah (dronkenschap), XXIV, 75. 
Wëri (wri). 1. Mawri, B. arësrësau (bevreesd), XXI, 181. 

B. gewar, XXI, 198. 

2. Awri, B. lilih (vluchten), XXI, 247. 

B. unin! XXIV, 123, bevreesd. 

B. katah, XXV, 45. 
Wëla. S. bala? naam van een vogel, XXIV, 117. Vgl. wala. 
Wëlan. Mak. balan, Mal. Sund. b ëlaii. B. kap alan (bevlekt) , 

XIII, 21, XXI, 216, gevlekt. 
Wëlas (wlas). Sund. hetz. Mal. belas. B. o 1 a s (medelijden) , X , 3 1 . 

2. Mawëlas, B. hetzelfde (medelijdend), XXIV, 132. 

3. Awëlas, B. kawëlasan, XXV, 102. 

4. Wëlas-arëp, B. wëlas-asih (meewarig), XXV, 102. 

5. Kawëlas-arëp, B, kawëlas-arsa (deerniswaardig) , 
XXIV, 99. 

Wëlëk. B. mëlëk (dwarrelen), XIV, 42. 

2. Mëlëk, B. masëpuk (stuiven), VIII, 215, XXII, 69, 
XXIV, 4, XVIII, 36. 

B. mlëtuk, XIV, 35, XXIII, 63. 

B. m u 1 ë k a n (warrelen) , XI , 1 . 

B. mawulëkau, XIV, 42, XXI, 240. 

3. Umëlëk, B. masëpuk (stoof), XI, 1. 
B. mawulëkan, XXIII, 78. Sund. mulëk. 

Wëlëkan. B. nëtuh (dorstig), XVI, 43. 



wëLëG WIKaRA. 503 

B. bediik (dorst), XXI, 88, Mad. pëlkaq. 
Wëlëj^. l. Maiuëlëg, B. maiiëmak (aanzetten) , X, (34, Act. 
Dur. Inf. 
2. Am el eg, B. mangëlut! X, 65, Act. Dur. Ind. 
Wëlëlö. 1. KawëlëlöjB. lënlënan (ingeslikt worden) , XXIU , 

41 , Aor. Pass. 
Wëlö. 1 . M a vv ë 1 ö , B. m a g i 1 ë h a n , XIX , 69 , glinsteren (van de 

oogen gezegd). 
Wëli. Mak. b a 1 i , Sund. b ö 1 i , Mal. b ë 1 i , Bat. b o 1 i , Bug. b a 1 i. 
1. Wëlin, B. bëlin (zou gekocht worden), V, 15 (zou de 
koopsom zijn), 
wëlin, B. mapamëli (te koopen) , II, 50. 
2. Pamëlya, B. angen meli (you de koopsom zijn) , II , 50. 
Wëlik. 1. Kawëlikan, B. mabyayuhan (verward dooreen), 

XXV, 19. 
Wëlin. 1. Mawëlin, B. mojar (spreken), XXIII, 30. 

2. Awëlin, B. lëtëh, XXVI, 12, af te houden. 
VVëlü. B. bun ter (rondheid), XI, 72. 

2. Mawëlu, B. onvertaald (rond), VII, 33. 

B. buutër, XII, 39, XIX, 69, XX, 30, XXI, 229, 237, 
XXII, 75, VIII, 51, XIV, 48. 

3. Awëia, B. hetzelfde, IX, 7, 36, XXIV, 20,XVni,44, 
Fidji beluka, Mad. bil uk. 

Wëluu. 1. Mawëlun-wëlun, B. raawulëk-wëlukan 

(dwarrelen), III, 5. 
Wë vvëli. 1 . A m ë w ë h , B. n i m b u h i n (vermeerderen) , VII , 1 9 

(Act. Dur. Ind.), Jav. Sund. wuwuh. 
Wësi. Mak. basi, Sund. bösi, Mal. bësi, Bat. bosi. Bug. 

hksi. B. bësi (ijzer), IX, 85, XIV, 14, XXI, 235, 

246, XXII, 76. 
B. onvertaald, XIII, 77, XXIII, 4, 15, XXIV, 27. 
B. rante, XIX, 18, ijzeren. 

2. Mamësi, B. Iwir bësi (als ijzer), XXI, 237. 
WëliJin. B. cadik (kaak), IX, 19, XXI, 189, XIX, 121. 
Wök. B. celen (varkeu), XV, 55, XXII, 52, XXVI, 22. 
Wikataksini. S. naam van eene rak sa si, VIII, 18, 20, E.. 

sas. kataksini. 
Wikatotkfita. S. buitengewoon groot, monsterachtig in grootte, 

B. onvertaald, XXV, 59. 
Wikara. S. verandering, B. nora këbus (veranderd), XIV, 41. 



504 WIKALPA WIGHNA. 

tamar wikara, B. nora sankala (ongedeerd), XVII, 82. 
tan wikara, B, kacidra, XXI, 196. 
Wikalpa. S. besluiteloosheid, aarzeling, B. kandëg, XYII , 6. 

2. A mi kal pa, B. maniwanan (aarzelen), XXIV, 189. 
Wika. Prakrt, S. bhiksu (bedelmonnik), B. pat ut! IV, 46. 

De Bal. vertaling geheel verkeerd. 
B. rsi (ziener), VIII, 12, I, 49, V, 65. 
B. yati (kluizenaar), I, 30, II, 20, 39, VI, 16. 
B. pandita (wijze), II, 37, 67, IV, 20, V, 24, VI, 102, 

XVII, 41, XX, 65, XXIII, 22, XXIV, 182. 
B. mauditain, I, 42, XXIV, 1 13, XXV, 30, IV , 21 (de B. 

vert. foutief). 
B. bhiksu, IV, 19, IX, 88. 
B. onvertaald, VI, 17, XIX, 96. 

2. Kawikwan, B. kapanditan (vroomheid), IX, 88, XXIV, 181. 

3. Kawikun, B. hetzelfde, XIV, 53. 

4. Wikwa, B. manditain (bedelmonnik te worden) , XXIV, 
114, Conj. na akon. 

5. Awikwa, B. pandita, XXIV, 184, Conj. na matan. 
WikubMwa. S. bhiksubhawa (de gezindheid van een bedel- 
monnik hebbende), B. wikurüpa, IV, 60. 

Wikrama. S. moed, B. purusa, VI, 55. 

Wiksata. S. gewond, vernietigd, B. rusak, XX, 48. Ander HS. 

wiksita. 
Wigatabhaya. S. van wien de vrees weggegaan is, B. karës- 

rës! VII, 63. De B. vertaling verkeerd. 
Wigraha. S. scheiding, vijandschap, B. musuh, III, 75. 
B. onvertaald , XIII , 49 , scheiding. 

2. Wigrahan, B. hwigesa, lïl. 75, moet gestraft worden. 
Gerund. 
Wighani. B. kewëh (wijken), II, 36. 
B. wikara (wankelen), XX, 32. 
B. kewëhan, XXII, 74, wijken. 
B. surud, XXV, 54, uit het veld geslagen. 
^Wighürnnita. S. wankelend, B. humun, XX, 37, daveren? 
of: trillen. 
Wighna. S. hinderpaal, Sund. wiggen a. B. alah, XV, 14. 
B. sankala, XXI, 81. 

2. Mamighna, B. mahankaleu (zouden kunnen storen), 
I, 25 (Act. Dur. Cond.). 



WIDA WIJAH. 505 

3. A.mighne, B. üank al a (storen), I, 43, 44. Act. Dur. Trans. 

4. Mighna, B. iian kalen, Vil, 77, IV, 46. 
B. hetzelfde, II, 39. 

5. Mamigh nau a . B. manankala. III, 8, Act. Dur. Conj. 

6. Winighna, B. manankala! gestoord worden, X , 57 , 
Pass. Dar. lud. 

Wina. B. h a 1 i n a u (zich verschuilen) , XV , 27 ? 

Winit. 1 . M a w i n i t , B. ra a h i 1 i d a u ! (indrukwekkend) , VI , 1 37, 

majestueus? 
Winkal. 1. Mawinkal, B. manampigan (gekruld) , XII , 53. 
Winkin. 1. i wihkin, B. sa kin wuri (van achteren) , XXIIl , 

55 , Sund. hetz. 
Winkis ? 1. Aninkis, B. negasan, IX, 18, sluipen? 
Winsil. 1. Kawinsil, B. mlëktik (uitspatteu) , XXI, 245. 
Wicaksaiia. S. verstandig, wijs, ervaren, Mal. bijaksana. B. 
praj na, XIV , 23. 
B. wruh, XIX, 47. 
Wicara. S. overleg, beraadslaging, Mal. bicara, üay. basara. 
1. A mi cara, B. ma tak ut! (bewerken), II, 25, Act. 
Dur. Ind. 
2. Mamicara, B. nlaksanayan (bewerken), XXV, 1(3, 
Act. Dur. Ind. 
Wicitra. S. menigvuldig, B. manrusak! vlug, XXI, 225. 
De B. vertaling verkeerd. 
■^Wicil. 1. Kawicil, B. pëlud, XXIII .41, weggeslingerd ? 
Wijaya. S. overwinning , B. m o 1 i h (zegevierend) , XV , 6 , XXII , 
63, XXIV, 128, XXVI, 25, II, 22. 
B. onvertaald, XXIV, 13, naam van een wapen. 
Wijah. B. SU ka (verheugd), II, 54, VII, 78, VIII, 37, 
XII, 4, XVI, 12, XXVI, 23. 
B. lëga (opgeruimd), VIII, 28, XIX, 2. 
B. egel, XI, 11, XIX, 15, V, 8, XVI, 18, vroolijk. 
B. dëmën, III, 66. 

2. Wijawijah, B. masukan-sukan, VIII, 32, zeer 
verheugd. 

B. maruhun-ruhun (om het hardst), XVI, 43, XXVI, 23. 

3. Amijah, B. tu sta, VIII , 1 1 , levendig. Vgl. Sund. mij ah. 

4. A mij amij ah , B. magagoii j ak an (al schuddende), V, 28, 
B. masukan-sukan (zich verlustigen), XXIII, 45. 

5. Ma mij ah, B. suka (verheugd), VI, 128. 



506 WIJIG(i) WIDAGDHA. 

B. s uk aan, XX, 80, vroolijk. 

6. Awijah, B. suka, VIII, 108, verheugd. 

7. Winijah, B. panak, XXIV, 122. Pass. Dur. 
Wijig(i)? B. kasor! X, 13, hardvochtig, üe B. vert. foutief. 
Wijil. Sund. bij il, B. mëdal (opkomeu) , II, 66. 

2. Mij il, B. dadi (geboren worden), VI, 108. 

B. mëdal (opkomen), XXIV, 238. 
Widan. Mad. Mal. Bat. bidan, Day. birafi, Day. biran. 
1. Awidan, B. molah (bewegelijk)! IV, 43, breed. 

B. wruh! breed, XXIII, 42. De B. vert. foutief. 

2. Mawidan, B. naraju, XXIV, 246, krachtig? (van de 
armen gezegd). 
Widik? 1. Midik, B. üripit? XXVI, 23, betreden. 
Wlna. S. luit, B. sul in, XII, 23. 

Winarawa. S. winarawa (toon van de luit) , B. s u 1 i n , VIII ,167. 
Wit. I. Sund. hetz. (begin). B. onvertaald (stam) , XVI , 33. 

B. bonkol, IX, 42, XI, 53. 

B. puna, IX, 55, XXV, 38. 

B. pukuh , IX, 57. 

II. Mawit, B. kapapag (gereed houden), XIII, 94. 
B. macadan (gereed zijn), XIX, 43. 

2. Aria wit, B. manadan (opwachten), III, 34, VI, 137, 
Act. Dur. Ind. 

B. nadan, V, 8 (belagen). 

3. Manawit, B. manadaü, V, 71. 
B. na n dan, II, 67 (Act. Dur. Ind.). 

4. Kawit, B. sëdëk! belaagd worden, XXII, 51. 
ka wit, VI, 2 (gereed). 

5. Makawit, B. raaiiadafian (gereed maken), XII, 34, 
aanbieden ? 

6. Umawit, B. macawisan, XII, 64, gereed maken , aan- 
bieden (Aor. Act.). 

III. Kawit, B. sëdëk (toevallig), II, 1 (juist), 67 , V , 15, 
IV, 28. 

2. Kawitawit, hetz. XXII, 8 (toevallig). 
Wita. B. mahakah! namelijk, VII, 29. 

Witaraga. S. zonder hartstocht, B. manërët smara, VI, 99. 
Widagdha. S. kundig, B. wruh, I, 22, VIII, 6. 

B. prajna (verstandig), VII, 39, XII, 54. 

B. bisa (wijs), VI, 8, XII, 51, XV, 63. 



WIDU WINAÏA. 507 

B. wikan (bedreven), XII, 60, XIII , 48. 

B. wihikau, XIII, 79, 95, VIII, 102, XIV, 22, 27, 

XVI, 1, 38, XX, 25, XIX, 111. 
B. wicaksana (beleidvol), XIX, 39. 
B. kabisan," XX, 12, XXI, 197. 
B. onvertaald, XXIII, 13, XXI, 228, XXVI, 25 , XXV , 21 , 

verstandig. 
B. halëp, XXI, 172. 
Widu. Mal. bidu, B. dalan (tooneelvertoouer) , XXIV, 112, 

XXV ,21, vogeluaam ? 

2. Amidu-inidu, B. katali paüariiaue (zingen) , XXIV, 
112, Act. Dur. freq. 

3. Widwan, B. dalan, way an vertoouer? XXIV, 114, of: 
vogelnaam ? 

4. Mamid u-midu, B. nd alan-ndalaiian, XXIV, 115, 
zingen (Act. Dur. freq.). 

Widya. S. wetenschap, B. gastra, II, 22. 

B. agama, XXV, 42. 
Widyadhara. S. soort van luchtgeest, Jav. widadara, XX, 21. 
Widyadharl. S. het vrouwelijke van 't vorige, Jav. widadari, 

XX, 21. 

Widyasari. Jav. wi da sari, naam van een kruipgewas (poraua 

volubilis), B. diniu-dihin, XXV, 42. 
VVidyutmala. S. kronkelende bliksemlijnen , B. tatit makelep, 

XXI , 171, naam van een versmaat (Kern , Wrttasaiicaya , 34 , 
Kedura, 3, 19, Colebrooke , 159, Weber, 367). 

VVidruma. S. koraal, B. sasocan! XII, 42. De B. vertaling 
foutief. 
2. Mawidruma, B. ma sasocan (van koraal voorzien), 
XI, 69. 
Widhi. S. regel, wet, wijze, handeling, werk, Schepper, B. 
tuduh (beschikking), VI, 194. 
B. mauuduh (de Schepper), VIII, 147. 
B. dewa (godheid), VII, 22, XVII, 44, 71, XXI, 82, 83, 

84, 86. 
B. onvertaald, XXIV, 176, het noodlot. 
Widhi wa^a, S. de macht van 't noodlot, B. pagautian, 

VIII, 145, XX, 70. 
VVinata. S. naam van een aap, VII, 54, XVIII, 18, 52, XIX, 
40, XXII, 56, XXIV, 251. 



508 WIN ATA WIBHAWA. 

VViiiaya. S. opvoeding , tucht , bescheidenheid , B. wi q e s a , III , 55. 
B. manwigesa, III, 80, XXIV, 251. 
B. daya, XII, 54. 
B. sari, XIV, 26. 
B. wirasa, XIV, 63. 
Wiui. Mal. Jav. bini, vgl. Suud. ca wen e. B. rabi (vrouw), 
ÏI, 8. 
2. Wini-wini, B. istri (vrouwen), XXV, 76. 
"^Wini^caya. S. beslissing, B. nora wruh! XXV, 18. De B. ver- 
taling verkeerd. 
Wiutan. Mal Mad. Bat. Day. Sund. bintaii, Jav. lintan, 
B. bintah (ster), VI, 118, XI, 54, XII, 2, 47. 
B. trangana, XVI, 31. 

2. W in tan- win tan, B. b abi ntanan (gesternte) , XIX, 17. 
Wliidliya. S. naam van een gebergte, VII, 56, 59, 92, VIII, 
189, XI, 14, XXIV, 26, 208, XXV, 1, 3 (Jav. R. 148 
weudya, 152 warawindu). 
Wipatlia. S. ongelukkig afloopen , verkeerd, B. taiipatut (on- 
behoorlijk), V, 56. 
B. lalis! VI, 61. De B. vert. foutief. 
B. manliiiok, XXIV, 159. 
Wipayoh. B. lus, VI, 129, breken, zwak? 
B. lëmët, XIX, 106, verslapt? 
B. gëmpor (zwak), XX, 63. 
Wiparita. S. omgekeerd, verkeerd, B. kadahatan (zeer), 
XXIV, 210. 
B. pal in (verward), VIII, 169, XII, 8. 
B. saputan (bedwelmd), VIII, 194. 
B. mapëlit (verkeerd), IX, 8. 
B. lali (bewusteloos), XXI, 15. 
B. dahat pal in (bedwelmd), XI, 42, XXII, 2, XIV, 11, 

XVII, 23, 62, 86, VI, 27, 63. 
B. ënsap (bewusteloos), XX, 19, XXIII, 10, XXI, 37. 
B. dahat ënsap (bewusteloos), XX, 62, XXI, 3. 
B. liwat palin (bedwelmd), XXI, 63. 
B. manuhukin (diep), XXII, 13. 
AVibhaga. S. verdeeling, deel, B. pambagi, XXVI, 25. 
Wibhawa. S. macht; rijk, machtig, H. w ir ya, machtig, XVII , 
51. De B. vertaling foutief. 
B. kagunau (macht), XXI, 110, 168. 



VVIBHlSAll A WIMOHANAQARA . 509 

B. kaaguiian, XXIV, 70. 
B. kawiryyau, XXIII, 49. 
VVibhïsana. S. uaam van liawaiia's broeder, VIII, 140, IX, 
92, XIII, 1, 5, 6, 14, 18, 19, 39, 97, XIV, 23 , 25 , 34, 
48, 50, 52, 55, 70, XV, 7, 13, XVIII, 5, 7, 21, 27, 
33, XIX, 47, 48, XX, 25, 36, 73, XXI, 55, 56, 62, 
71, 75, 103, 156, XXII, 63, XXIII, 1, 27, 30, XXIV, 
1, 10, 31, 43, 87, 144, 151, 204, 218,221,228, 
242, XXVI, 17, 27, 28, 47. 
VVibliukti. S. zonder eten, B. mati, VII, 91, verhongerend. 
Wibhüta. S. doordrongen, B. kadahatan! XI, 90. De Bal. 

vertaling onjuist. 
Wibhftti. S. macht , heerlijkheid , geluk , rijkdom , B. j i w i t a ! 
X, 66. De B. vert. foutief. 
B. pati! VI, 195. De B. vert. foutief. 
B. kat ah, XXIV, 227, rijkdom. 
Wibliuh. S. wibhu, wibhü (krachtig, machtig), B. penuh! 

XVII, 94. De vert. foutief.; 
Wiiuana. S. wagen, B. onvertaald, VIII, 36, 56, 73, XXI, 
1, XXIV, 199, 241. 
B. puspaka, XXI, 3, 5, 60, XXIV, 198, XXVI, 2. 
Wimargga. S.slinksche weg, B. tanpatüt (onbehoorlijk), XVII, 50. 
Winiuka. S. wimukha (het gelaat afgewend, af keerig), B. no ra 

m a m u k a , VIII , 151. 
Wimüdha. S. dom, dwaas, verblind, B. bod o, V, 30. 
B. bëlog, V, 58, VI, 120, 174. 
B. tan panaha, XIII, 74. 
Wimürcca. S. wimurccha (onmacht, bewusteloosheid), B. 
dahat palih (bewusteloos), XII, 37. 
B. ënsap, XXI, 60. 
Wi inürccita. S. wimürcchita (bewusteloos) , B. p a 1 i n , XX , 1 9. 
VVimoha. S. verwarring , verbijstering , B. k a s a p u t a n (verblind) , 
VI, 61, Vm, 152. 
B. saputan (verbijsterd). Vil, 80, XII, 52. 
B. bunüh, XI, 85. 
B. k e w ë h a n (verbijsterd) , VIII , 80. 
*Winiohacitta. S. wiens geest verbijsterd is, B. mabunën hi- 
dëpe, XI, 88. 
Wimohana^ara. S. verbijsterende pijl, B. onvertaald, XXIII, 
23, 24, 28, J. K 463 Wimonasara. 



510 WIMOHITA — WIRASA. 

Wimohita. S. verward, verbijsterd, B. palin, VII, 109. 

B. móirccita (bewusteloos), XXI, 36. 

B. dahat palin, XXI, 132. 
Wiiiiba. S. biraba (schijf, afschijusel) , B. teja! XIV, 38 

XV, 61. De B. vertaling foutief. 
Wiyun. B. hëngun (kikvorsch) , VII, 21. (Ed. wihun). 
Wiyoga. S. scheiding, B. balu, VII, 30. 

B. papasah, VIII, 109, 111 (gescheidene) , 152, 156, XI, 
88 (droefheid?), XVI, 24, 40, XVII, 99, 106, 131. 
Wlra. S. man, held, B. wani, VII, 48, XII, 61, held. 

B. prajurit, XII, 54, 64, XIII, 23, 40, XX, 30, III, 

60, XV, 52, XVI, 7, XVII, 82, 85, VI, 16, 29, IV, 
21 , 57, X, 34, XIX, 19. 

B. onvertaald, XV, 58, XIX, 48, 101, XX, 10. 

B. purusa, XXI, 165, IX, 10. 

B. ka wan in, VII, 48. 

B. prawira, X, 35, 37, XIII, 32. 

B. lëwih, VII, 82, 84, 92, VIII, 26, X, 19, XI, 14,47, 

61, XVIII, 2, IX, 46, XXI, 92. 

2. Kawiran, B. kapurusan (dapperheid), XI, 1, XXII, 
53, XXIV, 1. 
^Wlragotra. S. heldengeslacht , B. prajurit warggi, XX, 9. 
Wiragya. S. wairagya (onverschilligheid, tegenzin), B. san- 
tosa, XXIV, 185. De B. vert. foutief. 
B. manditain, XXV, 28. De B. vert. verkeerd. 
Wirati. S. ophouden, slot, einde, B. pai'iawi, VI, 120. 
B. wani dahat! XXI, 197. 
wirati, B. wihikan! XXIII, 48, getrouw? 
B. kawanian! XXVI, 25. 
B. santosa! XXIV, 181. 
Wiradha. S. naam van een raksasa, IV, 5, 6, 9, X, 23, 
37, 57, XIII, 23. 
^Wirapatnl. S. heldengemalin, B. wiragharini, XIX, 19. 
Wlralalita. S. naam van een versmaat 

( — uu I — u — I uuu I — u — I uuu I o), B. prajurit tan 
mari, XXI, 144. 
Wlraloka. S. heldenwereld, B. Wisnuloka, XXIV, 94. 
Wirasa. S. sappeloos, smakeloos, onaangenaam, B. wilan! 
XXIII, 49. De B. vert. foutief. 
2. Wirasa, B. tuua rasa, XXVL, 25. 



WIRAHA WILCT. 511 

Wiraha. S. verlatenheid, scheiding, B. pap as ah, VIII, 163, 
175, XXIV, 33, XVI, 27, gescheidene. 
2. Wiraha, B. hetzelfde , gescheiden te zijn, XXI,84,Conj. 
Wirüpa. S. verminkt, B. tan pago ba, XXIi, 89. 
Wirüpaksa. S. naam van een raksasa, XIX, 8, 35, XX, 33, 

34, XXII, 14, XXIII, 83, 85. 
Wfrottaina. S. voortrelielijke held, B. arya lëwih, XI, 91. 
AVirodha. S. strijd, twist, B. duhkita, III, 29. 

B. k a s ë II ë n (toorn) , V , 60. 
Wiryya. S. mannelijkheid, kracht, dapperheid, B, wibhül.i, 
VI, 154, XX, 10. 
B. kagunan, XIII, 47. 
B. wwan agun (dapper), XVIII, 45. 
2. Kawiryyan, B. suka, XI, 27. 
Wlryyawaii. S. krachtig, machtig, B. kagunan, XII, 94. 

B. wibhüh dahat, XVIII, 41. 
Wil (wwil). B. kalana (reus), VI, 29, 30, 56, IX, 16, 
XIX, 84. 
B. raksasa, VI, 58, IX, 17, 20, XII, 48, 49, VIII, 61, 
63, 64, 68, 69, 81, 84, 91, X, 36, XIX, 112, XX, 12, 
XXI, 172, 176, 177, 178, 190, 199, 200, 213, 214, 
215, 217. 
B. kala, XXVI, 2. (In de ed. steeds wwil). 
Wila. I. S. bila (hol, gat, grot), B. hetzelfde, XXV, 69. 
II. Mawila-wila, B. kabhinawa, XII, 53, wild roiul- 

kijken. 
B. macobleg-cobleg, XXI, 216. 
>Vilan. Sund. hetz. Mal. b i 1 a n. B. y e n p ë t e k (aantal) , XII , 56. 

2. Winilan, B. pan ra sa (geteld worden), III, 79, Pass. 
Dur. Ind. 

3. Sawinilan, B. këua pëtek (telbaar) , XXI, 99. 
Wilalau. B. capuh (glazemaker) , XXV, 65, Malag. walala, 

Mal. bilalan. 
Wilèt. 1. Awilët, B. makilit (zich kronkelen), XV, 32. 

2. Wilëta, B. li li tan (omslingeren) , XII, 44, Conj. na yan. 

3. Mawilët, B, manidëran (zich kronkelen), V, 42. 
B. malilit, XIX, 131, XXII, 69, omslingeren. 

4. Mamilët, B. hetzelfde, IX, 43, 44, Act. Dur. Ind. 

5. Umilët, B. raanlilit (strengelde zich om), IX, 83, 
Aor, Act. Ind. 



512 wiLunLUii — wigaTA. 

6. Milët, B. kalilit, XVI, 33. 

B. malilit (zich omslingeren), XVI, 34. 
B. kalilitah, XVII, 117. 
B. manlilit, XXII, 69. 

7. Kawilët, B. kalilit (omstrengeld worden), XXIII, 80, 
XXIV, 210. 

B. k a p u 1 u t , XXIV , 113, Aor. Pass. 
Wilunlun. B. mapenolan (zich vermengen), XV, 28, naam 

van een vischsoort? 
Wiluraa. B. panlona (afnemen), V, 19. 

tar wiluma, B. norahima (zonder tegenspoed), X, 19, 
niet nonchalant. 
Wilohitaksa. S. naam van een raksasa, XIX, 8, XXIII, 37, 

42, een van ES^wana's mantri's. 
Wiwara. S. opening, gat, grot, B. guha (grot), VII, 62. 

B. giha, VII, 69. 
Wiwarnna. S. verkleurd, bleek, B. ha la warnna, XIV, 41, 

V. d. melk der koeien. 
Wiwaswan. S. zon, B. sürjya, XI, 79. 

Wiwi. Mal. b e b e k , Sund. e m b e. B. k a ra b i n (geit) , XXVI , 43. 
Wiwik. 1. Pamiwik, B. cankëm (mond), XXII, 70. 
Wiwir. Vgl. W. Sum. bebar, Jav. bubar. 1. Winiwir, B. 
kakëüanan (uitgespreid worden), XXI, 182, Pass. Dur. 

2. Amiwir, B. manëndigan (uitspreiden), XXI, 184, Act. 
Dur. Ind. 

3. Umiwir, B. m il pil aii (vouwde), XXV, 79, Aor. Act. Ind. 
Wiweka. S. scheiding, onderzoek , verstand , oordeel , B. tawan, 

VIII, 31, XXI ^222. 
B. pariksa, VI, 181. 
B. panrawos, XI, 93. 
B. nwilanan, XIII, 74. 
B. iiwilanin, XII, 50. 
B. panrasa, XIII, 42. 

2. Winiweka, B. rawosan (onderzocht worden), XIII, 41. 
B. karawosan, IV, 23 (overwogen). Pass. Dur. 

3. W i w e k a n , B. k a w r u h a n (te tellen) , XII , 56 , Gerund. 
B. dayaan, III, 75, te overwegen. 

4. Mawiweka, B. manwilanin (overleggen), VIII, 187. 
B. nawilan (overwegen), XIII, 48, Act. Dur. 

Wi^ata. S. gerust, vol vertrouwen, B. kasapuh, XVIII, 38. 



wi^aLA — wigwasA. 513 

B. bisa, XXII, 51. 
Wi^.ala. S. uitgestrekt, B. 1 ing ah, VIII, 29, 185, XXIII, 

36 (breed). 
Wi^.alyakarini. S. genezing bewerkend , naam van een kruid , 

XXIII, 32. (Vgl. B. T. L. V. 3« volgr. VI, p. 83 n. 1). 
Wi^irnna. S, gebroken, vernietigd, B. rusak, I, 49 (te gronde 
ga'an), XIII, 72 (vernield), XIV, 4, XXI, 32 (gebroken), 
X, 4. 
B. tëlas (vernield), XVI, 46, IX, 49, 66, XIII, 11. 
2. WiQirnna, B. tëlasan, XXIV, 191. 
B, rusak (zal vernield worden), IX, 64. 
Wi^istaniakuta. S. wiens onderscheidingsteeken een kroon is, 

B. m a g ë n a h ra a k u t a , XXIV , 63. 
Wi^uddha. S. rein, helder, B. nirmmala, VII, 32, XI, 52, 
van de zee. 
B. p r a g a t , rein , XIII ,21, fig. 
2. Wicuddha, B. lila jan (opgeruimd), XI, 26. Conj. na 

wehën. 
B. Quci (rein), XIV, 64, hetzelfde. 
Wi^esa. I. S. onderscheid , voortreffelijkheid , B. 1 ë w i h (voor- 
treffelijk) , X, 14, 25. 
B. bëcik, XII, 60. 
B. ?akti (uitmuntend), XVII, 29, 42. 
B. m a n w i 9 e s a (uitstekend) , X VII , 137, XVIII ,19, XXV , 

107, XIII, 21. 
B. kagaktin (voorrang) , II , 50. 

B. uttama (voortreffelijk), VI, 141, 154, XIX, 128. 
II. S. naam van een aap , XXIII , 26. 
■^Wi^esajna. S. oordeelkundig, B. ^akti ni hidëp, VI, 181. 
■^Wi^esana. S. onderscheidingsteeken, B. bëcik! XIII, 56. 
Wi^wakarmma. I. S. WiQwakarman (naam van een vorst der 
danawa's), Vtl, 72. 
II. S. naam van den goddelijken bouwmeester, XXIV, 257. 
■^Wi^ wakarmiiijitmaja. S. zoon van Wi^wakarman, B. Wi?- 
wakarmmaputra, XVI , 1 . 
IVicwamitra. S. naam van een rsi, I, 38. 
Wi^wasa. S. vertrouwen, B. wastuana, XXIV, 102, 120. 
B. dadjana, II, 13, 21, gerust, veilig. 
2. Wi5wasana, B. manlëwihaii (worde vertrouwd), III, 
68, Juss. Pass. 

33 



514 WISA WISMAYA. 

Wisa. S. vergif, B. upas, YI . 139. 

B. onvertaald, YIII, 52, 153, XII, 40, XX, 59. 

B. wi^ya, XIII, 8, 10. 

B. mawi^ja (vergiftig), XX, 15. 

B. ma wisa (vergif), XXII, 71. 

2. Amisa, B. hetzelfde (vergiftig), XXIV, 76, 111,83, Act. 
Dur. Part. 

3. Kawisan, B. këna upas (vergiftigd), XXIV, 170, Aor. 
Pass. Part. 

4. Amisani, B. maupas (vergiftig) , XXII , 31. 
Wisaya. S. zinnelijkheid, zinnelijke genietingen, B. indriya, 

*VIII, 112, I, 21, XXIII, 49, XXIV, 73, 180, 111,69, 

V, 8, 12, 15, 76. (De B. vertaling verkeerd). 
B. onvertaald, VII, 1. 
■^Wisayabhoga. S. zinnelijk genot, B. indrija kabukti, 
*XII, 24. 
Wisayi. S. wisayin (zinnelijk mensch) , B. indriya, V, 77. 

(De B. vertaling verkeerd). 
Wisti. S. arbeid , werkzaamheid , B. n e w ë h i n , XXIV , 25 , werk. 
TVisnu. S. naam van een god , B. onvertaald ,1,2, XV , 39. 
B. Ke^awa, III, 36, V, 75, XIV, 12. 
B. Hari, VI, 106, 108, 112, XI, 17, XXI, 96, 97. 
B. Krsna, II, 30. 
Wisnupada. S. Wisnu's gebied, B. Wisnuloka, XIX, 95, 

Wisuu's hemel. 
Wisnwan^a. S. W i s n w a m 5 a (incarnatie van W i s n u) , B. 

hyan Hari atëmah, II, 47. 
Wisankata. S. naam van een aap, XIX, 41. 
Wisata. I. B. sin lunhanin! rustig, II, 21. 
B. nalincan, XI, 14. 
B. matingal, VIII, 78. 
B. manëjoh! VIII, 209. 
B. palalian, VI, 114. Vgl. wisata. 
II. Amisata, B. luhha (weggaan), VI, 202, Act. Dur. 
Wisik. l.Mawisik-wisik,B. makisi-kisi (tiuisteren), VIII, 
109, Mal. Day. bisik. Mak. bisiq, Malag. bisi -bisika. 
Wistara. S. uitgestrekt, uitgestrektheid , omvang , enz. 1. Kina- 
wistaran, B. sawatah (gemeten worden), XVI, 4 
(Pass. Dur.). 
Wismaya. S. verbazing, B. ganti! wonder, VI, 139. 



wiHAn — wü. 515 

B. ga wok (verbaasd), XXII, 49, vervaard. 
2. Kawismayan,B. kasuban (bewonderd), V, 86 (Aor. Pass.). 
Wilian. B. u u 1 a k (weerstreven) , XIX , 59. 
B. tulak, II, 53, 60, VI, 148. 

B. katulak, VII, 78, VIII, 124, XIII, 14, VI, 132,1,23. 
B. tunkas (zich verzetten), XIV, 2, 23, V, 54. 
B. matuiikas (ongehoorzaam zijn), III, 12, V, 20, 42. 
tar wihan, B. ninutin (zonder te weerstreven), XI, 36. 
B. uora katulak, VI, 11. 

2. tar pamihan, B. dahat manirin, I, 56. 
tamatar pamihaü, B. norana tulak (zonder te weer- 
streven), IX, 33. 

3. Wihaiia, B. tidonin, I, 55 (Conj.). 
B. tulak, V, 84 (Conj.). 

B. mëdiin, X, 18. 

B. katulak, XIII, 13 (Conj.). 

4. Wihanën, B. nidonin (te weerstreven), 1 , 57 (Gerund.), 
V, 38. 

Wihara. S. klooster, B. ne nakitin! III, 70. De B. vertaling 

foutief. 
Wihikan. B. prajüa (ervaren), XI, 76, XX, 26, III, 46, 
XIII, 75. 

B. bisa (kundig), XXIII, 13, VII, 39, IV, 42, V, 78. 

B. nunin (bedreven), I, 4. 

B. teteh, I, 36. : 

B. n u n i n a n , IV , 10. 

B. kagunan, V, 86. 

B. prajnan (ervaren), XII, 50, XI, 27. 

B. ta wan , XII, 55. 

B. n u n i n a (bedreven) , XII , 60. 

B. unina, XXIII, 45. 

B. widagdha (kundig), XXI, 142. 

B. wieaksana (bedreven), V, 49. 

B. wruh, Xill, 58, XXIV, 167. 

2. Wihikana, B. bisa, VI, 62. 

3. Winihikan, B. kaprajiianan (bedreven), XIX, 16, 
Pass. Dur. Part. 

B. prajnan, XXI, 142. 
Wü. 1. Awü, B. hu muil (schreeuwen), VIII, 31, XI, 7. 
B. maüjërit (schreeuwde), V, 53. 



516 WÜK — WUGAT. 

B. masurak, YI , 172. 

B. muwug (schreeuwden), XXII, 83, 

2. Pawü, B. nulun (schreeuw), V, 45. Subst. 

ar pawü, B. humun (terwijl schreeuwde), VI, 15. 

3. Mawu, B. majërit, XVIII, 36. 
B. pajërit, III, 24. 

B. humun, XXI, 38 (gillend), IX, 56 (schreeuwden). 
B. manjërit, V, 46 (gilde), XIX, 54. 

4. Pinawü waken, B. kasüryyakin (uitgejouwd), XXII, 
85, Pass. Dur. 

5. yau pahawü, B. nawukin, XXV, 25, met schreeuwen. 
Wük. Mal. b u r u k , Tag. Bis. b o g o k , Bul. w u r u k , Lamp. 

b u y u k , Sund. biyuk. 1. Awük, B. tëpu (vermolmd), V, 33. 
Wuk (wük). l.ai wuk, B. k aha mük (woedend strijdende tegen) , 
XXIII, 85. 

2. Winük, B. katujah (woedend aangevallen worden) , XIX , 
119, Pass. Dur. 

B. manumbuk! XIX, 124. De B. vert. onjuist. 

3. Amük, B. anamuk (woedend strijden) , IV , 73 (Act. Dur.). 
B. namük, XIX, 81, XXIII, 2. 

B. panamük, XIX, 107. 

4. Mamük, B. namük, V, 50, IX, 29, Act. Dur.Ind. 
B. manamuk, XIX, 74, XX, 46. 

B. mahamük, XIX, 124. 

5. Müka, B. dumunan! XIX, 23, Fut. Act. 

6. Mamüka, B. namük, XIX, 31. 

B. manamük, XIX, 63, XXI, 203, Act. Dur. Conj. 
B. namükan, IX, 18. 

7. pamük, B. panamük, XXIII, 38, XXIV, 25, het 
woedend strijden (Inf.). 

yar pamuk, B. iiamük, XXI, 191, XXII, 41, met 
nadruk op 't vorige. 

8. Wükën, B. amük, XXII, 41 , Juss. Pass. (worde woedend 
bestreden). 

9. an pa müka, B. manamuk, XXII, 89, Conj. na lin. 
10. Mamükana, B. mambwakanin, XXIII, 37, Conj. 

afhangende van man ah. 
Wuk. B. kwal (diep), XXII, 42. 
Wugat. B. ikü (staart), VIII, 102, XXIV, 105 (Bat. ambu- 

rat. Mal. burit). 



WUGARI WUflKUK. 517 

Wugari. I. B. tatimpug (werptuig), XXIII, 63. 
B. gagitik, IX, 14, 15. 
2. Pamugari, B. samparan, IX, 24, hetgeen waarmede 

men werpt. 
B. panimpugan, XXIII, 45. 
ar pamugari, B. nampar (wierp) , XXIII , 44 , met nadruk 

op 't vorige woord. 
II. Pamugari, B. uger-ugër (teeken), XXIV, 105. 
Wuna. Mal. Bat Mak. b u n a , Malag. v u n j. B. s ë k a r (bloem), 
XXV, 84, 85, 88, 89. 
B. këmban, XVI, 23. 

B. bhagya in wuüan tah u u , V , 19 (jaarlijksche schatting?) 
Wunü. I. B. katanga (naam van een plant), XXV, 89,XVi, 
23, lagerstroemia reginae Rxb. (Mal. Sund. bui'iur). 
Wunii. B. matani (ontwaak), XXI, 6 (Imp.). 

2. an pawunu, B. pajërit! bij 't ontwaken, III, 16. 
B. matahi, XII, 9. 

r pawunu, B. hetzelfde (dat ontwaakte), XXII, 8, 10 (met 
nadruk op 't voorafgaande). 

3. M a w u n u , B. m e 1 i ü (ontwaken) , VI , 49 , Act. Dur. lutrans. 
B. b a n u n (opstaan) , IX , 20. 

B. matani (ontwaken), XII, 3, XXIII, 34. 

4. Mawunwa, B. nanhinin (om te ontwaken) , VIII , 93 , 
Conj. na ahatag. 

5. Pawunwa, B. bahun (zouden ontwaken) , VIII, 94, Conj. 
na tumaha. 

6. Winunu, B. kadundun, XXII, 4 (Part. Pass. Dur. 
Conat. Trans.) Pass. van //dien zij trachtten te wekken//. 

B. kataniniu, XXII, 5, XXIII, 30. 

7. Mamunu, B. manundun (wekkende), XXI, 5 (Part. 
Act. Dur. Trans.). 

B. naninin, XXII, 6 (wekken), Ind. Act. Dur. 

8. Awunu, B. matahi (kwam tot bewustzijn), XXII, 88, 
Act. Dur. Intrans. 

Wuükal. I. B. watu (steen), VI, 137, XXIII, 84. 

B. batu, XV, 58. 

B. ?ila, XXII, 63, XXIV, 4. 

II. B. wëtu (gestold?), XIX, 81, na rah. 

B. 9ila! gestold, XXI, 189. 
Wunkuk. B. jahkëh (krom), XXII, 52. 



518 WuflKUS WUNTUT. 

2. Wunkukana, B. bunkut (zou buigen), XIV, 55, in 
eene vergelijking. (Mig. wukuka). 
Wankus. l.Paniunkus,B kaputah (middel om in te wikkelen), 
X, 71. 

2. Munkus, B. anaput (inwikkelen), XXII, 51. 

3. Mamunkus, B. matambus, XXV, 46. (Sund. bun kus). 
Wunli. B. byawun (soort van boom), XXV, 42, Sund. pan- 

lay, Mal. bunlay. Vgl. het Javaansche Hwdbk. en Filet. 
Wunlwan. B. buluan (de ramb ut an- vrucht) , XVI,44,Jav. 

E. 133, 158 wunlon. Vgl. Mad. bunion. 
"Wujil. B. hewer (ondeugend), XXV, 19. 
Wujuk. B. fiujuhah (liefkozen), XXIV, 104. 

2. Amuj uk-muj ukana, B. iiakonakonin (te bepraten), 
VIII, 112, Act. Dur. Conj. 

3. Amuj uk i, B. nakuafi, VIII, 1 15 , trachten over te halen. 
B. nakonakonin, XII, 14, XVII, 6. 

Wut. B. sëmal (eekhoorn), VIII, 102, IX, 56, Sund. buut, 
Mad. ëbuq, Lamp. buwët, Tag. but (konijn). 

Wuta. B. buta (blind), XXIV, 169 , XXII, 2 (Bug. Bent. hetz.. 
Mal. Sund. Mak. Sang. buta). 
■^Wiitkawu. B. sëmal r i n h i ? XXIV , 1 08 , soort van eekhoorn ? 

Wuda. l.Kawudan, B. kalaluiiin (ontbloot), XV, 67, Part. 
Aor. Pass. 

Wuduk. B. mul uk (vet), VIII, 34, XX, 2 (subst.). 

2. Mawuduk, B. nanluh, XXVI, 25 (adj.). 

3. Awuduk, B. muluk, XXVI, 25 (adj.). 

Wuni. I. B. wani (soort van maiiga), XVI, 44, antidesraa 
b u n i a s Sprg. 
II. Bat. buni, Mal. sëmbuni, Mal. vuny , Men. sambun i. 

1. Winuni, B. pihit (verborgen), III, 67, Pass. Dur. 
B. kinubda, XIV, 52. 

Wunuh. Mal. bunuh, Mak. bun o, B. gorok (dooden) , 
XXV, 117. 

2. Wunuh an, B. matampah (gedood), VI, 159, geslacht 
(v. e. këbo). 

3. Mamunuh, B. mamunahan (dooden), XXIV, 85, Act. 
Dur. (afmaken). 

Wuntat. 1. Pamuntat,B. di punkur (van achteren) , XII, 56. 
2. Kawuntat, B. kawëkas (achtergelaten worden)! XXII, 
33 , roer ? 



WUNÏiaAH WURI. 519 

Wuntirali. B. gutilan (bijten), XXV, 101, vliegende vos? 

Malag. wuutsira. 
Wuntn. Sund. buntu. B. hinëh (versperd), XIX, 18. 

B. hëmpën (verstopt), XV, 60, IX, 77 (verduisterd). 

B. hëmpët (dicht opeen), XIX, 51. 

B. Iwir waja (compact), XXI, 196. 

B. muwug (dicht), XXV, 64, De B. vert. foutief 

B. humun! XXV, 64, versperd. De B. vert. foutief. 
*Wuyah. B. tas ik (zout), XXV, 111. 
Wuyun. 1. Awuyun, B. bhranti (vertoornd), XVII, 59. 
Wiir. Sund. kabur. 1. Umür, B. uingalin (ontvloden), VI, 
172. Aor. Act. Ind. 

B. matingal, XIII, 68. 

B. raakëbër (vliegen), VII, 18. 

B. raakahëd (ontvlieden), XVII, 114, XII, 3. 

B. këcag (wegvliegen), XIX, 83. 

2. Mür, B. mak ah ad (verwijder u) , II, 42 (Imp.). 
B. mak al ah (verwijderde zich), VI, 12. (Med.). 

B. makawon, IV, 29, XX, 16. 

B. kaiahin, VI, 12. 

B. mingat (verwijder u), V, 31 (Imp.). 

B. makilës, IX, 48. (Med.). 

B. tin gal (ontvlieden), XXI, 17. 

B. pakahëd, XIX, 78. 

B. makahëd, XXI, 195. 

B. luwas (verwijder u), XVIII, 27 (Imp.). 

B. mati! (ontvloden), XIX, 85. 

3. Müra, B. nadoh, om (mij) te verwijderen, XIV, 67, 
Act. Dur. Conj. 

B. makawon (te vluchten), XXII, 89, Conj. na 

meran. 
6. Mü rake na, B. nawonan (te verwijderen), XXVI, 10, 
Conj. na wënan. 
Wuraiiiitan. B. onvertaald, XXIV, 123, XXV, 10, oran 

utan (soort van aap). 
Wurah. 1. Mawurahan, B. mab yay u han (luidruchtig zijn) , 
II, 6, XVII, 114. 
2. Awurahan, B. hetzelfde, IX, 40, XXII, 4. 
B. mailëhan, XVI, 38. 
Wuri. Malag. v u d y , Jav. b u r i , Bat. p u d i , Bug. m u n r i , Mad. 



520 wüRiRin — wuLAnuN. 

budi, Lamp. duri, Sund. pandöri,B. lahad (achter- 
kant), XII, 35, 36. 

B. kalahin, XV, 59, V, 63 (vertrek). 

B. munkurin (vertrek), XXIV, 219, V, 39, 64. 

2. Kawuri, B. di punkur (achtergelaten worden), XXVI, 
22, Aor. Pass. 
Wuririn. 1. Umuririn, B. jërin (rezen te berge), V, 79 (Aor. 
Act. Ind.), van de haren. 

2. Muririii, B. rimrim (verheugd), IX, 37. 

B. jërin (te berge rijzen), XII, 7. 

B. sadajën (verheugd), XII, 36. 

B. karësrës (bevreesd), XXV, 72. 
Wurukutut. B. ti tiran (tortelduif), IX, 56. 
Wurug. 1. Kawurug, B. kat ë t ëha n (gedrukt) ! XV, 23 , Aor. 
Pass. (verjaagd). 

B. gësah, IX , 56. 

2. Winurug, B. katundun (weggezonden), XVII, 88, 
Pass. Dur. 

3. Kawuruga, B. mawogaran (zou verjaagd worden), 
VIII, 92. 

Wurun. B. wande (tevergeefsch) , VI, 166. 
B. mëlihan, XIX, 72, XVII, 55. 
B. pëlih, XVI, 25. 
B. luput, XXIV, 176. 
B. wande, VIII, 191. 

2. tamanpamuruni, B. tani nrusakan (zonder te falen), 
XXIII, 14. 

3. Murun, B. nëlasan (verdelgen), XXIII, 38. 
Wuruwuru. B. sugëm (wilde duif), IX, 56, XXIV, 108, 

XXVI, 25. 
Würsita. S. arocita (gemeld, medegedeeld). 

1. Winürsita, B. inastuti (geprezen), I, 30 (Pass. Dur.) , 
gehuldigd. 

B. onvert. , II, 29. 

2. Pamürsita,B.panabhakti (huldeblijk), XI, 63, XX, 77. 

3. Amürsita, B. nunas (hulde bewijzen), XVII, 68, 
Act. Dur. 

Wulakan. B. b u 1 a k a n (stroom) , VI , 47 , XXVI ,15, goot , geul ? 

B. kayëhan, XXVI, 40. 
Wulanun. B. pal in (verward), VII, 82, V, 60. 



WULAT. 521 

B. litilun (verbijsterd), VII, 80, 98, XI, 85, 88, YI , 127. 
Wulat. B. pëdasan (zie), III, 72, Imp, 
B. liriu (blik), V, 67, VIII, 71, IV, 33. 
B. palihat, II, 13. 
B. tatinhal, XXIV, 7, XIII, 17. 
B. tinhal (het zien), VI, 100. 
yan wulat, B. natonaü (bij het zien), IV, 30. 
r wulat, B. tin hal in (zie), XI, 34. 

2. Mulat, B. macinak (ziende). II, 56. 
B. üióak, XXII, 84, III, 19. 

B. tuminhal (zag), IX, 81. 

B. ninhalin, VI, 20, XX, 56, XXIV, 95, iX, 92, 

III, 82, VII, 47, XIII, 17, II, 17. 
B. malihat, II, 13, VII, 39. 

B. natonan, III, 42, VII, 62, 86, VIII, 97, XXVI, 22. 
B. mawas, III, 57, VII, 33. 

B. kacinak! keek naar, XIX, 39. De B. vert. onjuist. 
B. onvertaald , XXVI , 2 , enz. 

3. Umulat, B. macinak (zag), II, 34. 

B. pacinak! XVII, 88. De B. vert. onjuist. 

B. maninhalin, V, 15. 

B. ninhalin, II, 56. 

B. tuminhal, IV, 6, 8, 54, VIII, 39, 43. 

B. natonan, VII, 111, XVIII, 45. 

B. malihat, VIII, 19, 109. 

B. palihat! XIX, 131, Aor. Act. 

4. Mulati, B. katon! zag, III, 19 De B. vert. onjuist. 
B. ninhalin (ziende), VIII, 165, VI, 118, 151. 

5. Wulati, B. tinhalin (zie), VI, 117. 
B. lihatin (zie), VII, 34, Imp. 

B. katihhalan! zag, XV. 36. 

ar wulati, B. manihalin (ziende), VI, 115. 

B. katon! ziende, XIII, 16. De B. vert. onjuist. 

g wulati, B. natonan (ziende) , XII , 44. 

yar wulati, B. hetzelfde (ziende), VIII, 95, XVII, 43, 

te zien (Inf.). 
d wulati, B. pradatayah (bestudeer), III , 53 , Imp. Trans. 

6. AViuulatau, B. pradatayan (gezien worden), III, 84, 
Pass. Dur. 

7. Kawulatan, B. tininhalah, XVII, 114, Aor. 1'ass. 



522 WULAN — wuwus. 

8. Umulata, B. maninhalin (ziet) , V, 62 (Juss. Aor. Act.). 

9. Wulata, B. n inhalin (zagen), V, 76. (Conj. na jadiy an), 

10. ü m u 1 a t i , B. hetzelfde (ziende) , XV , 2. 
B. natonan, XVI, 35, Aor. Act. Part. 

11. Wulatana, B. maninhalin (te zien naar), XVII, 80, 
Conj. na kinonakën. 

12. an pamulati, B. iiatonai'i (bij het zien), XIX, 38. 
Wulan. Mal. Sund. Bat. Daj. Bis. b u 1 a n , Mak. b u 1 a n , Malag. 

vulana. B. ^a^i (maan), VI, 1, VIII, 3. 
B. 5a9ih, XI, 45, 90. 
B. ?a?anka, III, 32, V, 69, VII, 65. 
B. bulan, V, .19, VII, 24, IX, 7, XI, 70, XIII, 33, 

XVI, 31, XXI, 145, IV, 30. 
B. candra, XXVI, 27. 
B. onvertaald, VIII, 41, 45, 59, 101, XVII, 105. 

2. Wulaua, B. saksat gacanka (als de maan), XIV, 55. 

3. Ma wulan, B. sawanan ^a^ih (als de maan), I, 9. 
Wulisak. 1. Umulisak, B. manruruh (zoekende), III, 33 

(Aor. Act. Part.). 
Wulu. I, Mal. Sund. Mak. Daj. Bug. Bat. bulu, Malag. vulu. 

B. bulu (haren), V, 43, IX, 15. 
B. onvertaald, V, 79, IX, 23. 

B. roma, XI, 12, XV, 48, VIII, 2, V, 40, XIX, 69. 
B. rambut, XXII, 55, XXIII, 75, XXIV, 137. 

II. W u 1 w a n , B. m a g i 1 i h a n (telkens van plaats veranderen), 
XXV, 69. 

III. Wulwan, B. buluan (ra mb u tan- vrucht) , XXV, 69, 
XI, 3. Vgl. wulu. 

Wulim. B. sëlëm (blauwzwart) , XXIV, 245. 
Wuwus. B. rauhi (woorden), III, 10, IV, 39. 

B. ujar, IV, 13, 52, 58, II, 68. 

B. ucapan, IV, 49, XIV, 50. 

B. ujaraü (spreek), IV, 40, V, 20 (woord). 

B. kaujaran (woorden), I, 42, III, 51. 

B. panandika, VI, 54, IV, 36, III, 48. 

B. hatur, III, 52, VI, 153. 

B. kakocapah, III, 84, V, 54, 61, 63, VI, 12, 14, 60, 
91, VII, 37, 105, XIV, 2, VIII, 127, 143, X, 10, XI, 
47, XIV, 63, XVm, 176. 

2. Wuwusa, B, ucapafi (te spreken) , II, 65 (Conj. na jan). 



WÜWÜH WrTTAMuTRA. 523 

B. rauili, IV, 51. (Fut.). 

3. Wiuuwus, B. onvertaald (gezegd wordeu) , III, 60, Pass. 
Dur. Iiid. 

B. tuturan, III, 64 (gesproken worden). 

B. kasub, V, 24 (genoemd worden). 

B. caritajan (worde gesproken), XXVI, 36. 

4. Wuwusën, B. panandikajan (worde gezegd) , III , 75 , 
Juss. Pass. 

5. ar pawuwus, B. mojar (dat sprak), V, 79, 85, met 
nadruk op 't vorige woord. 

var pawuwus, B. nucapan (met spreken), V, 54 (na huwus). 
an pawuwus, B. mojar (dat sprak), V, 17,68 (met nadruk 
op 't vorige woord). 

6. Mawüwus, B. nandikayan (spreken), V, 63. 
B. manucap, XXI, 41, IX, 92. 

B. mojar, VI, 66, XIV, 34. 
B. nandika, VIII, 23, XXII, 8. 
B. m a n u c a p a n (sprak) , VIII , 115. 
B. muni (zeiden), VIII, 139. 
B. mahatur, XXI, 125. 

7. ar wuwusi, B. nucapi (zeggende tot), XIII, 5. 

8. Winuwusan, B. kaujarin (ingelicht), XIV, 24. 
Wuwuh. 1. Suud. hetz. 1. Mawu w uli-wu w uh , B. manimbuh- 
imbuhin (steeds toenemen), XXVI, 25. 

Wus = huwus, Xlt, 60. Jav. hetz. 

Wuliaya. Sund. b u h a j a , Mak. b u w a j a , Mal. b u w a y a , Malag. 
wuai, Jav. baya. B. b o ha ja (kaaiman), VIII, 7. 
B. prënun, XV, 20, XI, 66. 
Wrkasya. S. naam van een paard, B. onvertaald, XXI, 166, 180. 

B. Wrkanana, XXI, 186. Jav. R. si Werka. 
Wrksa. S. boom, B. kayu, I, 27. 

B. onvertaald, IX, 56, XXII, 51, 66, 71, 74, XXIV, 

258, XXVI, 41. 
B. taru, XXI, 35, XXII, 51, 57, 76. 
Wrtta. S. voorkomen, verschijning, gebeurtenis, bericht, B. 
ortta, II, 60 (hetgeen gebeurd was), XI, 13, 24, XVIII, 
10, XXI, 162, 191 , 198, 248. 
B. norttay ai"i, XXI, 75, bericht. 
^Wrttaiiiatra. S. het bericht alleen, B. wrtta tan kawaislVI, 
35. De B. vertaling foutief. 



524 wrrri — wek. 

B. ortta sa mar! VIII, 182, De B. veri. foutief. 
Wrtti. S. het rolleu , ijver, werkzaamheid, handelwijze , gebruik , 

B. tarpatlëtëh (rein)? I, 24. 

B. tinkah (handelwijze), XVII, 92. 
Wrtra. S. naam van een daemon , XIV, 7. Jav. Wërta, Jav. 

R. 275. 
Wrddha. S. grijsaard, B. odah (oud), VII, 83. 

B. tuha, XII, 65, XV, 15. 

B. mat u ha, XXII, 15. 
Wrddhi. S. vermeerdering, toename, B. akweh, VI, 193. 

B. ngëdean (vermeerderen) , XI , 1 . 

B. wibhüh (toenemen), XXIV, 92. 

B. mok oh (gedijen), II, 11, 29. 

B. d a h a t (vermeerderen), VIII , 82 , X , 15, VI , 55 (voordeeleu). 

2. Pahawrddhin, B. mande wi b hu h (worde vermeerderd), 
III , 54 , Juss. Pass. 

3. Kawrddhyan, B. ngawe wibhüh (welvaart), VI, 179. 

4. Wrddhya, B. katah (vermeerderen) , XIII , 58 , Conj . 
na mataü. 

B. apan wibhüh (toenemen), XXI, 51, Conj. na harëp. 
B. nwibhühan, XXIV, 37, Conj. na ka harëp. 

5. Mrddhyakën, B. maii wibhüh ah (te doen toenemen), 
XXIV, 239, Inf. Caus. 

6. Mamrddhyakën, B. mahatahan, XXVI, 34, Act. 
Dur. Caus. 

Wrsablia. I S. naam van een aap , XVIII , 17 , XIX, 41 , XXII , 
58, XXIV, 246, Jav. Wreksaba. 
II. S. stier, Jav. mrësaba. Bat. marsoba, B. sampi, 
XXI, 204. 
*Wrsniwira. S. Wrsni-held, B. Wi-snipraj urit, XXI, 147. 
Wrhaspati. I. S. Brhaspati (naam van den planeet Jupiter), 
XIV, 39. 
II. S. naam van een god, XXI, 144. 
We. Form. wagi, Tag. Bis. gabi, Mad. areh, Mal. hari. 
B. dina (dag), VIII, 202. 
B. sürryya (zon), VI, 40, VIII, 13. 
B. rahina (zon), XII, 1, X, 8. Vgl. Jav. srëheüe. 
B. lëmah (dag), XXVI, 2. 
*Wek. B. deniü (weshalve ik), XXI, 61. Vgl. wen. Het zou 
beantwoorden aan het Mal. maka aku. 



WEGA WEN. 525 

Wega. S. ruk, onstuimigheid, haast, B. b ëcat (snel) , XVII , 83. 
Wet. B. sant ukan (omdat), I, 21, VI, 70, VII, 30, XXI, 
77, 163, XX, 5, IX, 91. 
B. denin, II, 15, VII, 26, 79, XIV, 22, XXI, 106, 178, 

225, 231 , 234, 244. 
B. mande (wegens), III, 28, XXIV, 37. 
B. antuk (uit), III, 30, XVII, 137, VIII, 187, IX, 51. 
B. olih, VI, 28, VII, 20 (omdat), 41 , XVIII, 15 (ten gevolge 

van), XVII, 97, XXI, 86, 126, 208, XXII, 52. 
B. bahau, VI, 128, XXV, 3. 
B. karana, X, 14, VIII, 15, XI, 88. 
B. bvvat, XI, 11, 12, XIV, 26, VIII, 195. 
B. kawatëk, VII, 7, XV, 35, XXV, 35, XII, 14, XIII, 

74, XXm, 31. 
2. Sawet, B. santukan, (van wege), XVII, 1 ,68, XIV, 4, 

XX, 56, 67, XXI, 60, XIX, 54, 55, III, 9, VII, 87, 
91, 102, 105, XXIV, 189, VIII, 102, XII, 47, XV, 
31 , 66 (ten gevolge van). 

B. olih, XVIII, 24, 50, XX, 75, III, 24, 44, XIX, 85, 

XXI, 3, 20, IV, 15, VI, 23, 116, VII, 54, VIII, 77, 
202, XII, 15, 16, 26 (vanwege). 

B. denin, XX, 13, XXU, 76, XXIV, 35. 
B. b a h a n (van wege) , IV , 33. 
B. bwat (van), XVIII, 44. 
Wetan. B. kan in (oosten), VII, 54, VIII, 86, XIX, 33, 

XXII, 56. 

B. pürwwa (oostelijk), XIX, 50. 

2. Manetan, B. naninan (naar het oosten gaan), XV, 50 
(Act. Dur. lud.). 
Weda. S. de heilige schrift, B. püja, I, 3. 
Wedaiia. S. gevoel, pijn, B. inupakara, XI, 31. 
■^VVedaparaga. S. in den Weda volleerd, B. püju kawakan, 
IV, 19. 
Wedastra. S. astraweda (boogschietkunst) , B. lëkas in 

mapanahan, I, 35, 
Wedya. S. waidya (geneesheer), B. mraceka, XXIV, 244. 

Vgl. waidja. 
Wen. Bul. hetz. (dat, dewijl), B. jalan (omdat), XV, 55. 
B. hawana (hoe), XXI, 54. 
B. deniii (omdat), XXI, 58, 62 (terwijl). Vgl. wek. 



526 WE^A WEH. 

We^a. S. dracht, gewaad, uiterlijk, B. rüp a, VI, 34 (er uitzien). 

B. g o b a (voorkomen) , VI , 1 74. 

B. bhawa (uiterlijk), XI, 17, XXIV, 116. 
Weh. I. B. ika (weder), III, 23, 28 (toch) I, 19 (ook), II, 
65 (meer), VI, 14 (ook), V, 1. 

B. ya (zoodat), IV, 5, 41, 53 (toch), 62 (nog). 

B. ica! (toch), XVII, 10, XX, 6 (ook), XXI, 20 (nog), 
XXII, 26 (toch), III, 6 (ooit, vroeger). De B. vert. foutief. 

B. ginawe! XVI, 24 (weer). De B. vert. verkeerd. 

B. nasunin, XVI, 28 (toch), XIII, 79 (nog). 

B. p u n i k a (weer) , XIII , 56. 

B, g a w e n a ü ! (meer) , XI , 35. De B. vert, foutief. 

2. Ümeh, B. das (bijna), III, 4, 6, 42, XIII, 3, IV , 25 , 
XI, 2. 

B. natian, XIII, 5, 22, 26. 

3. Meh, B. das (bijna), VI, 26, VII, 113, XH, 1. 

B. onvertaald, VI, 44, 45, VIII, 41, 93, 101, XII, 4,21, 

XX, 12, 13. 
B. managënan, XI, 50. 
B. tampëk, XVII, 89. 
B. pa hek, XII, 5. 

B. natian, XX, 14, XXI, 81, 174, XXV, 98. 
B. nicen, XX, 64. 

4. Mehmeh, B. das (bijna), XXI, 125. 

II. Tag. bigay. Bul. wehe, Suud. bere, Bug. were, Mal. 

bëri. 1. wehakën , B. sërahan (worde gegeven), VII, 91. 
B. kasuken, VI, 196 (gevende), 
yar wehakën, B. nasunan (in 't geven), I, 5. 
2. W i n e h , B. onvertaald (toegestaan worden) , IV , 38. (Pass. 

Dur. Ind.). 
B. k a i c e n (geschonken worden) ,1,5. 
B. suka (pass. van //liet'/), II, 33. 
B. kagen ahan (toegelaten worden) , III , 29. 
B. sinun (gegeven worden), VI, 30. 
B. sinunan, VI, 198. 
B. tibanin, VI, 13. 
B. polih, VIII, 130. 

B. b a h a n (toegestaan worden) , VI , 89 , XIII , 59. 
B. nicayan, VIII, 158. 
B. sukayan, XXIII, 40. 



WEHWEH WAIDYA. 527 

3. Maweh, B. iiasunan (sclienkeu) , II, 22. 
B. ica (geveu), III, 12, VII, 66, VI, 104. 

B. magawe (veroorzaken), XVII, 103, XI, 21. 

B. nasunin (veroorzaken), XVII, 108, VI, 118. 

B. katuran (geven), III, 32, XXIV, 214, XIII, 85. 

B. d a di (veroorzaken) , VIII , 1 54. 

B. nasuüi (veroorzaken), XVI, 26. 

4. Paweh, B. kasunan (geschenk), II, 22. 
B. ica (te schenken), XVII, 67. 

B. njuwan (geschenk), II, 73. 

B. pasun (gave), III, 38, IV, 16. 

B. asunan (gave), VIII, 115. 

B. kapaicajan, VIII, 196. 

B. paican (geschenk), XXIV, 14, 17. 

5. Wehën, B. sadyayan (worde gegeven) , II, 40 (Opt. Pass.), 
B. bahan, III, 75. 

B. mam bahan (worde toegelaten), III, 81. 

B. paicayan, VI, 4. (Juss. Pass. van //laat//). 

B. dadiafi, VI, 59. 

B. gawenan (worde gemaakt), XI, 26. 

B. apan dadi, XI, 82, 

6. Wehi, B. asunin (worde gegeven aan), III, 54. 
B. pësuhin, VII, 37 (Imp. Pass. Trans.), 

7. Maweha, B. maica (geef), Ilt, 71 (Juss.). 
B. manasunin, XXIV, 50. 

8. Aweha, B. nasunin, III, 73 (Juss. Act.). 

9. W e h a n a , B. d a n e n (wordt gegeven), III, 73 (Conj. na y a n), 

10. Paweh a, B. kasunan (worde gegeven), XXIV, 35. 
B. aturah (zal geschonken worden), VIII, 126. 

11. Wehakëna, B. hetzelfde (worde gegeven), VIII, 204, 
VII, 52 (Juss. Pass.). 

12. Aweh, B. ngawe (veroorzaken), VIII, 163. 

B. ica (veroorzaken), XXI, 31, XXIV, 13 (geven). 

13. Mehakën, B. ma h ad a kan (opleveren), XXI, 137. 

14. M a w e w e h , B. ni a n a s u n a n (schenken) , XXVI , 24. 

15. Paweweh, B. pa ica (geschenk), XXVI, 37. 
*Wehweh. B. kadanayan, XXIV, 108, naam van een vogel? 

Waitarani. S. naam v. e. rivier in de onderwereld , XX , 2. 
Waidya. S. geneesheer , B. m a n t r a ! XIV , 66 (De B. vert. foutief.), 
Vgl, w e d y a. 



528 WAINATEYA WYAT. 

Wainateya. S. bijnaam van Garuda, XXI, 137. 

Wai^ya. S. iemand van de derde kaste, B. gusti, XIX, 96. 

Wai^rawana. S. patron. van Kubera, V, 88, VII, 102, XI, 

41, XXII, 64. 
Wai^wanara. S. naara van Agni, B. Pawaka, XXI, 47. 

B. Agni, XXI, 207. 
Wok. Sand. b u u k , Bat. buk, Mal. b a u k , B. j e ii g o t (baard 
onder de kin), II, 68 , VIII , 62 , XII , 53, XIX, 70. 

B. cankëra mabulu, XXIV, 123, XXIII, 54. 

2. Awok (gebaard), B. balëkok! IX, 56. 

B. nanipi! XXIV, 120. De B. vert. foutief. 
Won. B. kamon (aangelegd), XXIV, 190. 

2. Mon, B. manëmpaii, XXIV, 108. 

3. Amon, B. narëpi (onderhouden), VI, 150. 
B. puupunan, XXIV, 187 (Act. Dur.). 

4. n pamon, B. iiamon (dat onderhield), XVII, 63 (met 
nadruk op 't vorige woord). 

5. Pamoiii, B. p unpunan (onderhoud), XXI, 47 (Imp. Trans.). 
Woilana. S. bodhana (wekkende, het ontwaken, wekken). 

1. Winodana, B. kaduudunin (gewekt worden) , XI , 
80 (Pass. Dur. Ind.). 
Wor. 1 . M a w o r , B. onvertaald , vermengd , VIII , 1 70. 
B. manimpal, XXV, 95. 
2 Awor, B. sarën, XV, 28. 
B. arok (dooreen), XXI, 191. 
B. mahaduk (vermengd), XXI, 212. 

3. Amor, B. awor (vermengen) , XXIV , 108 , 1 16 (Act. Dur.). 
B. matungalan (zich mengen), XXIV, 125. 
Wyaghra. S. tijger, B. macan, VI, 162, XIX, 112, XX, 9, 

XXIV, 3, 124. 
Wyan. 1. Awjan, B. barak (rossig), II, 68, 

2. Mawyan, B. aban, VII, 53, VIII, 62, 77, XI, 12, 
XII, 53, XV, 48 (van de haren). 

3. Mawyanwyan, B. barak, XI, 1. 

Wyat. 1. tatar pawyat, B. nora nrahatin (onverlet), 

IX, 47. 
tar pawyat, B. nora rahat (zonder te kwetsen) , XXII , 60. 
tamar pawyat, B. nora wikara, XXI, 197 (hetzelfde 

versterkt). 
2. ndatanpamyati, B. nanhiü nora nrahatin (doch 



wy^DHi — WRUH (wcruh). 529 

zonder te kwetseu) , IX, 00, XXII, 03, 74, doch zonder 
door te dringen. 
3. Awyat, B. n rabat in (deren), XXI, 234. 

3. Arayati, B. lïrahatin (kwetsen), V, 10. 
B. ürahati, XXIII, 18. (Act. Dur. Trans.). 

4. M a m y a t i , B. ü u d i s i n , IX , 30. 

B. iirahatin, XXII, 50 (Act. Dur. Trans.). 
Wyadhi. S. ziekte, B. sakit (ziek), XI, 48, XVII, 114. 

B. gërin, XIV, 60. 
Wyapaka. S, doordringend , B. m a u w i 9 e s a , XXI , 1 34 , 

XXIV, 158. 
Wyamoha. S. wyaraoha (verwarring, verblinding), B. paliii 
(verblinde), VII, 40. 
wyamoha, B. syamoha, XXII, 39, adj. 
Wyartha. S. doelloos, nutteloos, B. uirdou, XIII, 50, XIX, 
73, XI, 25, XX, 04, XXIII, 5. 
B. tanpagawe (vruchteloos), VIII, 82, XIII, 50. 
B. nisphala, VIII, 84, XVII, 41. 
B. nirguna (nutteloos), X, 11, XXIV, 162, XV, 37, 

XVII, 4i, 72, XIX, 95. 
B. Ier magawe, XXII, 88. 
B. mamëlihan, XXIV, 8. 
Wyasa. S. naam van den bekenden dichter, XXI, 143. 
Wyah. B. mrak (pauw?) XXIV, 245 (watermoes)? 

B. byah (watermoes), XXV, 100. 
Wyu. B. wuni (naam van een vrucht), XVI, 45. 
Wray. B. w^nara (aap), VII, 42, 55, IX, 8, 32, XVI, O, 
XIX, 80, 110, 119, VIII, 186, X, 70. 
B. plawaga, XVIII, 15, XV, 2, 48, XIX, 110, 117. 
B. bojog, XVIII, 7, 13. 

2, Kawrayan, B. kawanaraan (apenaard) , VIII, 104. 
B. kaplawagan, XIX, 59. Vgl. wre. 
Wrëgis. B. kipi (naam van een visch) , XXV, 57. 
Wruk. B. ibuk (naam van een vogel)! XXIV, 123. XXV, 68, 

soort van aap? (Mal. bëruk, Atj. bërok.) 
Wruwruh. B. sugëm (soort van groote wilde duif)! XXV, 08, 

naam van een boom. 
Wruh (wëruh). B. unin (kundig), I, 3, 35, 53, III, 50. 
B. putus (bekend met), XXIV, 83, X, 51. 
B. bisa (bedreven), I, 54, III, 84, VI, 122. 

34 



530 WRE WWAÜ. 

B. nunin (kundig), III, 7, 16, 27, 57, 80, XXIV, 161. 

B. kabisan (ervaren), III, 63, 82, VI, 176. 

B. wikan (kundig), XXI, 142, 216. 

B. nëh, VII, 45, 46, V, 56. 

wëruh, B. nunina (weten), III, 16, VI, 42, XI, 92. 

B. nawati (bekend), V, 73, IV, 56, VI, 185. 

wruh, B. kelinan (onderscheiden), VI, 166. 

B. k a r ë n ö (bekend met) , IV , 59. 

B. kapangih (weten), III, 17, VIII, 69, V, 48. 

wëruh, B. tatas (bedreven), III, 43. VIII, 85 (wetende). 

wruh, B. tawan (kennen), III, 65, V, 85, X, 30. 

B. tahu (weten), VI, 67, XIII, 21. 

B. matahuan (weten), VII, 18. 

2. Panawruha, B. m a m r a d a t a y a n (moge bekend gemaakt 
worden) , III , 74. 

3. Wruha, B. nunina, VI, 38 (Juss.) , 46. 
B. matatasan, VIII, 178 (Conj. na hare p). 
B. matawanan (te onderscheiden), III, 12. 
B. nawan, V, 76 (Conj.), X, 44. 

4. A wruha, B. unina (te weten), VI, 157 (Conj. na m ahy un). 

5. Panawruh, B. kaputusan (kundigheid), VI, 181 (ken- 
teeken ?) 

B. panënër (kenteeken) , XI , 9. 

6. Kawruhana, B. katawafian (zou bemerkt worden), 
VIII, 181. (Conj. Aor. Pass.) na lëmëh. 

B. kat ara, XXIII, 27, Conj. na tak ut. 

7. tan wrin, B. nora bisa (niet kennende), X, 31. 

8. Kinawruhan, B. tatasan (gekend worden), XIII, 48, 
62 (Pass. Dur.) , bekend zijn. 

9. tatanwruh, B. kemënan (verlegen), XX, 57. 

10. Kumawruhana, B. manawan, XXIV, 57 (Aor. Act. 

Conj.), bekend te zijn. 
Wre. B. wanara (aap), XV, 64, VI, 86, 93, 182, VII, 39, 

44, 53, XXI, 122. 
B. plawaga, XV, 40, 43, 44, VI, 183, VII, 47,54,71, 

76, 77, 78, 84, 98, 112, 113, XI, 49, 60, XVIII, 52, 

XIX, 39, 74, 84, 87, 106, 108, 110, 111, 112. (Vgl. 

wray). Bul. wal e, Pak. Dano wol ai, Pon. Mong. bolai. 
Wwan. Mal, oran, Jav. won. B. onvertaald, mensch, III, 69, 

86, X, 5, 6, I, 60, II, 14, 50, 56, 72, XIV, 56. 



WWAT WWAY. 531 

B. jauma, XIII, 91, II, 78, IV, 68, XVII, 134. 

B. dumadi (schepsel), XIV, 68, III, 9 , VI, 179, VIII , 91. 

B. purusa, VI, 188, XIV, 6, VIII, 103, III, 67. 

B. mauusa (meusch) , XIV, 5, 13, XIII, 81, XIX, 13. 

B. anak, VI, 120, 136, XIX, 25, IV, 15, 45. 

B. rat, III, 2, X, 63, XVI, 35, XVII, 64, 104. 

B. jalma, X, 36, XIX, 73, VIII, 87, IX, 78. 

B. nara, XIV, 11, XIII, 65, XXII, 28, IV, 37. 

B. kaüca, XXI, 107, XXIII, 85, VI, 48, 186, XIV, 56, 

67, XI, 76. 
B. jagat, XVII, 44, XXII, 52, XXIV, 227, 232, XI, 88. 
2. Kawwanan, B. kakulaan, XXIV, 75. 
Wwat. Jav. wot, B. onvert. het aangebodene, XXVI, 22. 

1. ar wwat, B. mangawa (meevoerende), XXII, 89. 

2. Mawwat, B. naturan (aanbieden), II, 12, XXVI, 22. 

3. Awwat, B, hetzelfde, XII, 63. 

4. Pawwat, B. paweweh (geschenk), XI, 55. 
B. kahaturan, XII, 58. 

B. haturan, XII, 61, 64, XXVI, 22. 

5. Pawwatwwata, B. haturan (zal aangeboden worden), 
IX, 59 (Fut. Pass.). 

6. Pawwatan, B, haturan (hetgeen aangeboden werd), 
XII, 62. 

7. "Winwat, B. haturan (aangeboden worden), XVIII, 6, 
IX, 89 (meegevoerd). 

B. katur, XI, 18 (Pass, Dur. Ind.). 

8. Pinakapa w wat, B. mak a haturan (tot aanbod strekken), 
XII, 59. 

9. Awwatwwat, B. ngawa haturan (aandragen), XV, 69. 

10. Pawwata,B. haturan (aanbod) , XI , 64 (Conj.), XXVI, 22. 
B. maturan (aan te bieden), XVII, 17 (Conj.). 

B. haturan (als geschenk), XVII, 19 (Juss.). 

11. Mawwata, B. naturaii (aanbood), I, 8, Conj. na kadi. 
Wwa(an. B. bwatan! brug, vonder, III, 70. Jav. wot au. 
Wwad. B. akah (wortel), XXII, 70, 71. Jav. wod. 

^Wwadwad. B. mak ah (wortel), XXIV, 97. Jav. odod. 
Wwantëil. B. ada (er zijn), VIII, 73. Jav. won ten. 
Wway. Lamp. way, Bug. uwae, Sund. cai, B. yeh (water), 
II, 10, XIII, 65, XXIV, 231. 
B. tirtha, VII, 25, II, 20. 



532 WW AHA— WWAI. 

B. toya, VIII, 46, XIV, 51, XVI, 19, 26, XV , 54 , 

XXIII, 62, XXV, 53, XXVI, 25, VII, 67, XI, 25, 

XX, 4. 
2. Wwaya, B. hetzelfde, te beschouwen als 't water, XIX, 

130. Vgl. wwai. 
Wwara. Vgl. Mad. bada, Tag. Bis. oala (niet aanwezig). B. 

ada (er zijn), VIII, 29, 36, 182, 192, XV, 22, 59. 
B. hana, VIII, 38, XV, 20, 55, XX , 30, XXII, 7, XXVI, 25. 
B. wanten, XV, 5, 58, XXIII, li, XVII, 128. 
B. wara, IV, 45, 60, V, 84, XV, 27, XVII, 120, XII, 

61, XIX, 44, XXIII, 37. 
B. wentën, V, 13, VII, 57, 68, 72, IX, 3, 56. 
Wwalu. B. akutus (acht), XXIV, 52. 
2. Wwaluü, B. wolu, VIII, 97. 
B. akutus, XII, 21, XXIV, 51. (Vgl. Jav. wolu. Sas. 

balu, Bat. uwalu, Tag. Bis. ualo, Iban. Bul. Fidji ual u). 
Wwawwa. B. onvertaald, soort van aap, XXIV, 108. 

B. uwwahuwwa, IX, 56. Sund. owa. 
Wwali. Malag. vua, Jav. woh, Mad. Mal. Bat. buwah, Bul. 

Sea wua, Day. bua, Bug. buwa. B. woh (vrucht), IX, 

52, 54, 56, XI, 55, XVI, 21. 
sawwah, B. sabwah (zoo groot als een vrucht), XIX, 82. 

2. Wwawwahan, B. wohwohan (vruchten), XI, 14, 
XVI, 46, XXIV, 98, XXVI, 22. 

B. wowohan, VI, 96, VII, 107, IX, 57, XII, 62, Xill, 
87, XVI, 43. 

3. Mawwah, B. mabwah (vrucht dragen), II, 28. 
B. mawoh, IX, 56, XVI, 18. 

4. Pinakawwah, B. dadi woh (tot vruchten strekken), 
IX, 43. 

5. Awwah, B. mawoh (vruchten dragen), X, 7. 
B. mabwah, XXIV, 98. Mal. b er buwah. 

Wwlt. B. kapatawu (afscheid nemen), XXI, 8. 

2. Winwit, B. kapamitin (toegestaan), XXIV, 188 (Pass. 
Dur.). Vgl. mwit. 
Wwil. Zie wil. 

Wwai. B. toya (water), XI, 64, 66, XIV, 7, 8, XXIV, 55, 
121, 216, XV, 36, 37 (vgl. wway). 



^aKAtABYÖHA — 9ATABALI. 533 



^akatabyüha. S. Qakatawjüha (wagenslagorde) , B. sakata 

gëlar, IX, 76. 
Cakta. S. sakta (haogende aan, bezig raet) , B. t ë 1 ë b (verslaafd 

aau), XII, 4, XIV, 29, XXIV, 125. Ed. steeds sakta. 
^^akti. S. kracht, macht, B. wi^esa, V, 35, 80, XXI, 142. 
B. kawigesau, VI, 157, III, 60, V, 20, IV, 65. 
B. onvertaald (krachtig), I, 33, 38, II, 63, III, 51. 
B. mawi^esa (machtig), I, 38, XV, 43 (macht), XX, 53, 

XXI, 130, II, 69, ^71, 72, 73, III, 1 , 2 , V, 4,23,24, 
33, 47, 49, VI, 145, 152, 153, 154, VIII, 19, XIII, 37. 

2. Ka^aktin, B. wi9esa (kracht), I, 50, XXIII, 24. 
B. kawi^esau, III, 83, macht. 

3. AQakti, B. wi^esa, XXV, 104, 105 (machtig). . 

4. Ma^akti, B. hetzelfde, XXI, 142. 

5. C'aktya, B. hetzelfde, sterk, II, 51 (Conj. na yapwan). 
Caktiiiian (^aktiman). S. ^aktiman (machtig), B. hetzelfde, 

II, 50, 59, 69, 71, VIII, 133, XIII, 70, III, 49, XIX, 

40, 77, XIV, 5, V, 49, 82, VI, 3, 93, 157, IX, 60. 
(^"akra. S. bijnaam van Indra, XXV, 2, 
C-anka. S. ^ankha (mosselschelp). Bat. sakka, Jav. sonka, B. 

suhu (blaashoorn) , XIX , 12, 15, 19, XXII, 3, XV, 41. 
(Jankara. S. bijnaam van Qiwa, B. onvert. XIII, 1 , XXI, 135. 
^ B. I^wara, VIIÏ, 52, XXIV, 197, XXV, 2. 
^-acl. S. naam van In dra 's gemalin, XI, 28, XVII, 12, V, 16. 
(Jacipati. S. (^aci's echtgenoot, B. Indra, II, 46. 
(^ata. S. 9atha (valsch , arglistig), XII, 52. 
{'ata. S. honderd, B. satus, XV, 34, XVI, 4, XX, 44, XXI, 

178, XIX, 53. 
B. p a s a t u s , VI , 57. 

2, Qata-^ata, B. satus pin satus (honderden), XIX, 129. 

3. C a t a c i r n u a , B. onvertaald , in honderd stukken , XIX , 1 26. 
B. rusak (vernietigd), XX, 48. 

■^Catakotisankya. S catakotisankhya (ten getale van 100 
tienmillioentallen) , B. satus an këtian pawilanan 
(ten getale van 100 tienduizendtallen), VII, 54. 
^^atabali. S. naam van een aap, Vil, 54, XVIII, 18, XIX, 41, 

XXII, 58, XXIV, 252. 



534 gATARUDEA ^APATHA. 

■^^atarudra. S. de honderd Eu d ra's, B. Qiwaditya (naam van 

een god), XIX, 43. 
■^^atasankya. S. gatasankhya (ten getale van honderd), B. 
satus pawilanan, XY , 27. 
^atra. S. tegenstander , vijand , B. m u s u h , 1 , 57 , 62 , II , 38 , 
41, III, 81, IV, 59, YI, 56, 156, 179, YIII , 37,X,6, 
13, 14, 22, Y, 5, 8, 50, XIII, 34, 40, X, 5, 22. 
B. ripu, lY, 43, XI, 7. 
B. onvertaald, XXI, 77. 
^atrughna. S. naam van Laksmana's broeder, I, 33,XXYI, 

23, 24. 
(jkutSL. S. rustig, stil, zachtmoedig, kalm, B. plapan, 111,65. 
* B. sadhu, Y, 65, YI, 174. 
B. dharmma, IX, 88, XI, 17, XXIY, 202. 
B. dharmmayan, X, 20. 
B. lingih, XIY, 63. 
B. 5ila, XYn, 40. 
B. madhannma, XXIY, 126. 
B. santosa, XXYI, 23. 

2. Ka^^ntan, B. k a d h a r m m a (zachtmoedigheid) , XXY, 42. 
■^^anta^ayacitta. S. wiens geest zich in den toestand van gemoeds- 
rust bevindt, XXIY, 64. 
^anti. S. gemoedsrust, expiatie, zegen, B. dharmma, XXI, 145. 
B. piniija, I, 62, adj. 

2. yar paganti, B. mapüja, XXIY, 30. 

3. A^anti, B. puja (een onheil afwenden), XXIII, 71. 
^antika. S. tot afwering van nadeelige gevolgen dienend , B. 

pamüjaan, XIY, 45. 
B. pamüja, XIY, 43. 
2. gantika, B. kasu^ilan, XIY, 62. 
^apa. S. vloek, vervloeking, B. ma la, YI, 110. 
B. tëmah, YI, 84, 107. 

2. Qin^pa, B. tëmah (vervloekt worden), 1 , 55 (Pass. Dur.). 

3. Man^pa, katëmah (vervloeken), YI, 84 (Act. Dur.). 
Capatha. S. hetzelfde (vervloeking, godsoordeel). Bat, Jav. sapata, 

Lamp. pata (zelfvervloeking). 1. ar panapathe, B. ma- 
nap a (vervloeken), Y, 64 (met nadruk op 't vorige nahan). 

2. Anapathe, B. hetzelfde, YI, 14 (Act. Dur.). 

3. A^apatha, B. madewa sak si (een godsoordeel houden), 
XXIY, 124. 



9ABDA 9^RABHAnGA. 535 

(Jabda. S. geluid, toon, stem, woord, Mal. Jav. sabda, B. 
p a n a n d i k a (stem) , V , 45. 
B. swara (geluid), II, 14, 17, 18, VI, 126. 
B. ujar, II, 19, VI, 30. 
B. w u w u s (woord) , III , 85. 

B. muni (geluid), VII, 14, VIII, 47, 97, XV, 60 , XVI , 7 , 
XX, 23, 55, XII, 19. 

2. Ma9abda, B. maswara (geluid geven) , II , 2 , 9 , XI , 59 , 
62, XV, 51 , XXI, 180. 

3. ar pacabda, B. mojar (dat sprak), V, 79. 

tan pa^abda, B. twara raas w ara (zonder geluid te geven) , 
II, 19. 

4. A 9 a b d a , B. ra a m u fi i (geluid geven), VIII , 1 69 , XXIII , 7. 

5. Qabda, B. s w ara (als de stem) , XV, 66 (Conj. na ank ë u). 
^ayaua. S. leger, rustplaats, B. pamërëman, V, 77, XII, 14. 

B. 9ila, XXV, 32. 
^ara. S. pijl, B. is u, XX, 61. 

B. pan ah, VIII, 156, XX, 47. 
■^(Jaragni. S. pijlvuur, B. war a jan api, XV, 46, 
^arana. S. bescherming, B. caya, I, 44. (Ed. Qarana). 

B. sahaja, VIII, 143. 

B. kanti, I, 55, XIII, 90, XV, 10, 12, XIX, 24. 

B. nantini, XI, 91, XV, 12. 

B. manantinin, XI, 71. 

B. makasahaja, XXI, 110. 

2. Carana, B. kantin (te beschermen), IV, 12, XIII, 89, 
V, 57 (zou de beschermer zijn), I, 56, 57, VIII, 173. 

B. s a h a y a , VI , 30 (ter bescherming) , XVII , 3 1 , 86 , XVIII , 2. 
B. manulunin, VI, 126. 

3. A^arana, B. makanti (beschermd zijn), XXI, 111. 

4. Pinaka^arana, B. makakanti (tot bescherming strek- 
ken), I, 47. 

^aranagata. S. bescherming zoekende, B. kasyasih, IV, 2. 
" B. tiwas, XV, 9, XX, 65, XXI, 103. 
^'aratsamaya. S. herfsttijd, II, 1, 15. 
^aradhi. S. pijlkoker, XIX, 3. 

^arabha. S. naam van een aap, XXII, 58, XXIII, 16, XXIV, 
247. Zie Sarabha. 
■^(^'arabhakya. S. Q a r a b h a k h y a ((; a r a b h a genaamd) , XIX , 40. 
^arabhanga. S. naam van een r s i , IV , 9 , XXIV ,212, XXV, 8. 



536 gAKAWARA 9^STRA. 

*Carawara. S. voortreffelijkste der pijlen, B. warayan wigesa, 
XXIII, 2. 
B. hrü wiQesa, XXI, 218, XXIII, 14. 
*Carawarsa. S. pijlenregen , B. isu Iwir hu jan, XX, 40. 
Qarlra. S lichaam, B. awak, VI, 36, VII, 91. 

B. r^ga, XI, 10, XVII, 135, XXI, 17,32,34,67, 155, 175. 
B. nawakin, XXIV, 141. 
Cardulakrti. S. in de gedaante van een tijger, VI, 19. 
Cardülawikridita. Zie Sardülawikridita. 
Cala. S. huis, zaal, B. wahunafi, III, 54. 
9ala, B. meru, XVII, 57. 
B. urn ah (huis), VIII, 29. 
^awa. S. lijk, B. layon, VI, 109. 
B. banke, IX, 41. 

B. wahke, XIX, 129, XX, 1, 44, XXIII, 31, XXV, 103. 
Cawara. S. Qabara, naam van een volk, B. mrgewuh (jager), 

XVIII, 31. 
^aca. S. haas, B. onvertaald, IX, 57, VIII, 23, 44, XV, 55, 

' XXIII, 22 (Qaga), XXIV, 107, XXVI, 25. 
Ca^anka. S. maan, B. wulan, XIV, 24, VIII, 64. 
* B. 5a5i, III, 76. 
B. bulan, XXIV, 233, XI, 81, 84, XII, 22. 
■^Cacankawimba. S. ^acankabimba (maanschijf) , B. tejan 
wulan, XI, 88 (de B. vert. onjuist). 
(j^a^'1. S. maan, B. wulan, VIII, 101. 

Ca^ikanta. S. naam van een fabelachtigen steen, B. c and ra- 
kan ta, XI, 66. 
^a^ibrata. S. ^agiwrata (maangelofte) , B. (ja^ankabrata, 
XXIV, 56. 
*(g'a^iwimba. S. ^a^ibimba (maanschijf), B. wulan sateja, 
XI, 45, 85 (de B. vert. onjuist). 
Casana. S. gebod, bevel, voorschrift, leer, B. aks ara, III, 53. 
^ B. gastra, X, 1, XXII, 26. 
B. gila, X, 28. 
B. agama, III, 84, XIX, 58. 
^'astra. S. leerboek, B. agama, I, 22, XIV, 68. 
B. sanjata! III , 53. De B. vert. foutief. 
B. aksara, III, 62, VIII, 31. 
B. gama, X, 51, XXII, 55, XXIV, 83, 125. 
B. gara! XII, 50. De B. vert. foutief. 



giKARA — giLA. 537 

B. warastra! XV, 7. De B. vert. verkeerd. 
^ikara. S. gikhara (punt, top), B. tuntun, XI, 69, XIX, 
42, 98, XXIII, 32, VII, 57. 
B. pucak, XVI, 41. 
^ikarint. S. yikharini (met een krans getooid) , B. ayu(uaam 
van een metrum , cf. Kern , Wrttasaücaya , 83 , Weber , 393, 
Kedara, 3, 127), XV, 68, XVIII, 52. 
B. kayu, berg, XIX, 112. 
(^'iksa. Z. siksa. 

^'ighra (^Ighra). S. ^ighra (snel), B. ge lis, 1, 58, II, 40, 
53, 60, 74, III, 33, 40, 41, 44, V, 21. 
B, gëlisan, II, 59, III, 15, 25, IV, 8. 
B. ngëlisan, XI, 1, 2, 61, XV, 36, IV, 56, 58, VI, 5, 

133, IX, 21, 27, 48, 87, VII, 75, VIII, 3, 19, 22. 
B. bëcat, XI, 69, 89, VUL, 5, X, 10. 
B. wawan, XI, 14, 16, 85, VIII, 13, 63, XXllI, 23, 

IX, 92, XII, 65. 
2. (/ighra-^ighra, B. gëlis-gëlisan (zeer snel) , XVll , 82. 
^igliragaini. S. cighragamin (snel loopende), B. gëlis 
mambëdal, XXII, 6. 
*^'lgliratara. S. sneller, B. bëcat katatakut (zeer snel), XVII, 87. 
(^'itala. S. koel, B. ëtis, VII, 17, VIII, 160, 168. 
citala, B. asërëp, XXIV, 216. 
•^(^Ira. S. scherp, B. onvert., XXVI, 25. 
(Jirnna. S. gebroken, B. tel as, VI, 22, IX, 71 (verdelgd). 
B. rusak (vernield), IX , 1 , XXI, 180 (verdelgd), II, 34. 
B. SU hun (gebroken), VI, 35, IX, 8 (vernield). 
B. tëlah (verdelgd), II, 71, IV. 13. VIII , 145, IX , 42 , 45 , 
87, V, 1, 18, 26, XXIV, 192, VI, 29, 51, 133, 156, 
VII, 17, X, 24, 28. 

2. Cirnna, B. huwug, VI, 54 (Conj. na kadi). 
B. r usakan (zou vernield worden), VI, 57. 

B. tëlasan (zou verdelgd worden), VI, 57, 200. 
B. rusak, XII, 59, XV, 44. 

3. Qirnuanën, B. tëlasan (zal vernield worden) , VIII, 212. 
(Eut. Pass.). 

4. Sumirnnanana, B. man rusak (te verslaan), XVIII, 
40 (Aor. Act. Conj.). 

^ila. S. karakter, handelwijze, gedrag, B. ui ah, III, 55, 80, 
VI, 189, XIII, 59. 



538 giLA — yisYA. 

B. solah (handelwijze), VII, 45, X, 50. 
B. tinkah, VI, 46. 

B. kadharmma n (deugdzaamheid), X, 56. 
B. laksana (karakter), VI, 184. 
B. dharmma (deugd), X, 36. 
B. da9a9ila, XVII, 40. 
Cila. 1. Magila, B. malingih (welgemanierd zitten) , VII , 47 , 
XII, 65. 
B. mawan?a (zitten), XVIII, 52, XV, 33, XXII, 12. 

2. A?ila, B. malingih, VIII, 187, XII, 64, XIII, 16, 
18, XVII, 77. 

B. tëgak (zich op ordentelijke wijze nederzetten), XXVI, 22. 

3. Pa^ila, B. kawanga (zitplaats), XII, 49. (Mal. Jav. 
Bat. si la). 

^iia. S. steen, B. batu, XV, 69. 

B. sela, XXV, 45. 
Cil^njaua. S. °i, n. v. e. struik, B. watu molah! XXIV, 215. 
Cilatala. S. vlakke steen, B. watu lempeh, II, 3, VI, 159 
VIII, 171, XIII, 94, XV, 61, XVI, 2, 9. 

B. watu lenser, VIII, 165. 

B. watu leser, XVI, 11. 

B. batu lenser, VII ^ 61. 

B. watu asah, XI, 57, XVII, 78. 

B. batu lempeh, XV, 50, XXII, 58, XXIII, 58. 

B. watu lumban, XIX, 43, 77, XXIII, 41. 

B. batu lumban, XIX, 116. 

B. 9ila lempeh, XXIV, 22. 
Cilawan. S. eerlijk, deugdzaam, B. wruh rin guna lëwih, 

XXIV, 47. 
Cilimuka. S. gilimukha (pijl), B. salin amuk! XXIV, 27. 

(De Bal. vertaling verkeerd). 
Ciwa. S. naam van een god, B. Qankara, XXIV , 79 , 198, 199. 
Ciwagni. S. Qiwa's vuur, XVII, 94 (B. onvertaald). 
^Ciwabhakti. S. vereering van Qiwa, B. rin guru bhakti,I,7. 
Ciwarccana. S. vereeriner van Qiwa, B. narccana (^iwa, 

XXIV, 62. 

Ciwasabha. S. naam van Eawana's ofFerplaats, XXIII, 71. 
Cisya. S. leerling, B. pranakan! III, 37. 

2. Maka9isya, B. maka pranakan! (tot leerling hebben), 

XXV, 25 (de B. vert. foutief). Bat. sisean, Men. anaq sasian. 



^UKASaKADA — gÖNYA. 539 

3. Qisya, B. pranakan! zij de leerling, VI, 92. 
Cukasaransi. S. naam van een raksasa, Jav. Sokasrana. 

(R. K.) XVIil, 2, 4, 5, (3, 8, 24, 28. 
Ciikti. S. mossel, B. onvertaald, XV, 27, XXIV, 249 (paarl- 

oester). 
^ukra. S. naam van een rsi, XXI, 143. 
^uci. S. zuiver, blank, rein, B. tan lëtëh, VI, 96, XXV, 24. 

B. lëwih, rein, VII, 66. 

B. nirmmala, XI, 17, XIV, 61, V, 65. 

B. uttama, XVI, 16. 

B. hënin, XXI, 138, XXIV, 202, 215. 

2. C'Ucya, B. nirmmala, zij rein, XXIV, 136. 
*Cuci9ila. S. rein van wandel, B. tanpa tlëtëh solali , XI, 74. 
Cuddha. S. rein, zuiver, B. putus, rein, I, 9, XVII, 65. 
' B. putih, XXVI, 25, III, 35, VII, 32, XI, 46, XXIV, 
11, 98, 200, XI, 73. 

B. puput, II, 16, V, 62, 65, 66, VI, 179. 

B. lëwih, II, 41. 

B. pürnna, XXI, 169, XIV. 5ö , XVII, 64. 

B. rahaju, bevredigd, XXVI, 50. 

B. (;uci (rein), XX, 66, XXI, 56, XXIV, 180, XIX, 89. 

B. tanpatalëtëh, XXIV, 45. 

B. pëtak, XVI, 39. 

B. paripürnna, XXI, 155. 

B. patuh (sprekend gelijkend), XVII, 4. 

B. tan lëtëh (vlekkeloos), XXI, 85. 

B. tusta, XVII, 68. 

2. Q u d d a , B. hënin, zij rein , XXIV , 64. 
<^uddhi. S. reiniging, loutering, B. tusta (rein), XXIV, 214. 

2. Aguddhyan, B. nirmmala (gereinigd), XXIV, 201. 

3. Quddhya, B. mahyun! (dat) rein zij, XXIV, 224. (De 
B. vertaling geheel verkeerd). 

B. rahayu, XXV, 2. 

4. Maha^uddhya, B. dahat suda, dat zich loutere, 
XXIV, 136. 

^ünya. S. ledig, Jav. sunya, Atj. Mal. suni, Day. suni, B. 
nisteja (verwelkt), II, 6. 
B. sëpi (eenzaam). II, 40. 
B. tan wrin (ledig), III, 18. 
B. tanpajiwa, VI, 35. 



540 giÏNYAHASTA prilGA. 

B. Qirniiayan, III, 55, 

B. suwun, VI, 59, IX, 57, X, 53. 

2. Qiinya-^iinya, B. suwun-suwun (geheel verlaten), 
XXIV, 102. 

3. Qünya-^üny an, B. sëpi-sëpi, XXVI, 41. 
*Cünyahasta. S. met leege handen ,B. matalan tanan, XXVI, 22. 

^'ubha. S. schoon, aangenaam, goed, B. rahayu, XIX, 46. 
Cubhadüta. S. geluksbode, B. lëwih utusan, VIII, 183. 
€ublianimitta. S. gelukkig voorteeken ,B. ciri bëcik, XVII , 75. 
^ B. cirin sadya, VIII, 99. 

Cubhodara. S. naam van een aap, XVIII, 18, XIX, 41. 
(j^ftra. S. moedig, held, B. purusa, held, VIII, 129, 
^ B. wani, IX, 46, 60, 76, II, 62, 74, XIX, 15, 78, XXI, 
176, 202, XI, 10, III, 49, VI, 145, 173, 179, XIII, 20 , 
43, V, 6, VIII, 135, X, 18, XVIII, 2, 27, 34. 
2. Ka^üran, B. kawanian (dapperheid), XI, 1, XIX, 91, 

102, XX, 23, XXII, 53. 
B. onvertaald, XIII, 42. 
B. kawaniu, XVIII, 1. 

B. kapurusan, XIX, 100, XVII, 26, XXIII, 85. 
*(Jürawijaya. S. naam van Laksmana's pijl, XXIII, 19. 
('ürpanaka. S. (^ürpauakha (naam van Eawaua's zuster), 
IV, 27, 29, 48, 52. 56, 58, 67, 68, V, 3, 17, 21.(Jav. 
Sarpakanaka, Mal. Surapandaki). 
Cüla. I. S. werpspies, B. onvertaald, XX, 73, XXIV, 15, XII, 
39, XIX, 111. 
B. trigüla! XIX, 15. (De B. vertaling foutief). 

2. Ma^üla, B. naba sula (gewapend met een werpspies), 
VIII, 50. 

3. Anüla, B. nusuk (steken met een werpspies), XXI, 214 
(Act. Dur. Ind.). 

4. Qinula, B. tinusuk (gestoken worden met een werpspies), 
XXII, 50 (Pass. Dur. Ind.). 

II. S. pijn. 1. Ka^ula, B. kasakitan (gepijnigd), VItl, 1 14. 

B. sakit, XX, 69, XXIV, 163. 
(;'uska. S. droog, B. tuh, XI, 2. 
^'rnga. S. hoorn, top, B. pucak (top), XV, 52, XXIII, 44. 

B. ?ikara, XVI, 42, XXIII, 14. 

B. tuntun, XXII, 51, XXV, 1. 

B. puficak, XXIII, 74. 



grnGauA. — goBita. 541 

(.^iigara. S. geslachtsliefde , B. man is (liefelijk), VIII, 71, 

XIX, 21." 
^esa. S. rest, overschot, B. kari, IX, 31, 66, XXII, 50, I, 
62, XX, 46, 71. 
B. sahusan! I, 31. De B. vert. foutief. 

2. Qesa-^esa, B. sak ari -kari (al wat overbleef) , XXI, 191. 

3. tanpa^esa, B. tëlas (zouder overschot^ , I, 37, IV, 71. 
B. atëlas, VIII, 17. 

B. katëlasau, XXIII, 35, IV, 46, XI, 41, XIV, 5. 
taraanpacesa, B. atëlah, II, 40, 

t a ra atan pap esa, B. noraua makari, XIII, 25, II, 34. 
tatanpa? esa, B. h ëda narian, VI, 57 , 58 , IX , 53, XI, 2. 

4. tamatanpa^esa, B. uorana kari, XVIII, 41. 
tanpa^esa, B. uora kari, IX, 78. 

(,'aiwa. S. Ciwaiet, B. Qiwa! V, 65. De B. vert. foutief. 
(,'oka. S. gloed, smart, kommer, B. kabhran ten (bekommerd), 
XVIII, 1, XXIV, 178. 
B. sëdih (bekommerd), III, 47, V, 52, I, 61. 
B. sunsut (bedroefd), XI, 33, VI, 42, 118, 130, VII, 85. 
B. duhka (smart), VIII, 87, III, 13, XXI, 66 (bedroefd). 
2. Sa?oka, B. sëdih (bedroefd), XXI, 14. 
■^^okacitla. S. bedroefd van hart, B. sëdih man ah e, VII, 2, 
XI, 19. 
B. sunsut manah, VI, 116. 
^oliabahiii. S. ^okawahni (het vuur der smart), B. sëdih 
1 wir agni, VI, 48. 
■^^Okanianasa. S. bekommerd van hart, B. asëdih kopek au, 
VII, 82. 
B. sëdih hibuk, VII, 83, XVI, 28, XVII, 65. 
B. sunsut kahibukau, VII, 96. 
<,'oca. I. B. netra (naam van een vogel?), XXV, 62. 

II. S. tjauca (reinheid, loutering). 1. Ma? o ca, B. maca- 

mana (zich reinigen), III, 32, II, 3. 
B. mapabrësihan, VI, 74. 

2. ar pa^oca, B. binrësihan (gereinigd), XXIV, 89. 
^oblia. S. pracht, schoonheid, glans, B. mate b , III , 77 (schoon), 
(?obha, IV, 9. 
9obha, B. agalan (prachtig), VIII, 85. 
Q o b h a , B. 1 i n g a h (schoon) , IV , 32. 
B. suteja, XXIV, 91. 



542 9MAQaNA — sAsti. 

B. ramya, XXIV, 213, XXVI, 24. 
B. murub, XXIV, 246. 
^ina^ana. S. plaats waar lijken verbrand worden, B, panlahan, 

XXII, 51. 
^rama. S. vermoeienis, inspanning. Vgl. srama. 

1. Qraman, B. payramajan (pass. van //zich toeleggen op//), 
III, 71 (Juss. Pass.). 
^ri. I. S. geluk, schoonheid, rijkdom, B. wiryya! VII, 109. 
B. agun! XI, 42, X, 5 (geluk), 34. De B. vert. foutief. 
B. bëcik! XI, 69. De B. vert. verkeerd. 

IL S. woord om voorname personen aan te duiden, B. saü 
(de verheven), I, 50, VI, 29, 32, VIII, 83, XI, 18, 23, 
35, 56, 58, 59, XVII, 104. 
B. ida, XI, 64, 86. 

III. S. naam van eene godin, VI, 83, VIII, 71, XXI, 79, 
145, XXIV, 240. 
^rigadin. B. katëranan (naam van een bloem), IX, 44, 
XXIV, 99, XVII, 120, Nyctanthes arbortristis L. 
■^^riniaya. S. uit schoonheid bestaande, B. (^ri maprabha, 
XXIV, 200. 
^iya. S. priya (welvaart), B. mas mani! XIII, 47. 
^rlwrksa. S. geluksboom, B. padi kayu! I, 24, 27. 
^resti. S. ^resthin (aanzienlijke), B. pandita, XXIV, 113. 



Sadgana. S. sadguna (zesvoudig, 6 goede eigenschappen), B. 

onvertaald, XIII, 48, 50. 
B. guna nënëm, XXIV, 36. Vgl. v. d. Tuuk's Kawi-Bal. 

Wdb. s. v. en het Petersb. Sanskritwoordenb. 
Sadgunya. S. sadgunya (de 6 goede eigenschappen), B. 

sadguna, XIV, 16. Abstr. van het vorige. 
Sadrasa. S. sadrasa (de 6 smaken), B. rasa nëm, XXVI, 25. 
Sadwargga. S. sadwargga (groep van zes) , B. wargi, XIII, 52. 
' B. sadripu, XXII, 39. (Vgl. v. d. Tuuk s. v.). 
Sasti. S. sasthi (zesde), B. akutus, XXVI, 36. 



SA (sa) — SAKA. 543 



s. 

Sa (sa). B. sin (alle), I, 60, II, 10, VI, 15G, VIII, 114, 

XXII, 50. 
B. onvertaald (bij), II, 78, IV, 23 (zoo), 35, 49. 
B. sane (alles), III, 21, 84, V, 80, VIII, 126 , X, 8 (alwie), 

XI, 27 (alle), 29, XIV, 50. 
B. ne (alle), XVII, 66, XIX, 14, III, 38. 
B. di! (als), II, 46, VI, 71 (na), 148, VII, 10 (als). 
B. Iwir (als), II, 67, VIII, 23, IX, 39, 41, 82, XV, 63, 

XIX, 82, XI, 39, 75, XX, 62. 
sa, B. rin! (geheel), XI, 36, XIX, 14 , XV, 44, XVIII, 35. 
sa, B. kadi (als), XX, 70, XXI, 53, 181 (met), 193 (alle). 
B. lëwih! (alle), XXI, 80, XXIV, 39 (zooals), III, 84 

(alle), XII, 49. 
B. dahat! (met), XIX, 71. De B. vert. onjuist. 
B. sëdën (verdienende), XIV, 17 , XXI, 99 (te), 105, III, 60, 

XXIV, 22, 25, 38, 47 (behoeven, moeten, behooren). 
B. bakat! (al wat), XXIII, 79, XXIV, 254, XXV, 112. 
sak (sak). B. rusak (vernield), VI, 44, XV, 33. 
sak, B. has, IX, 53. 

B. rem uk (verbroken), XI, 1 , XXI, 176. 
B. këles (losgaan), XII, 28, XIX, 29, (fig.). 
B. sagsag (verbroken), XIII, 61. 

2. Ma sak. B. bosok, XI, 2 (verwoest). 
B. këbah (losgaan), VIII, 106. 

B. rusak (doorboord), XIX, 14, 119, XXI, 246. 

3. Asak. B. hetzelfde, vernield, VI, 22, VII, 32. 
B. sunsut, losgaan, XI, 4. 

B. këmud, losgaan, XV, 68, XIX, 85, XX, 35, XXII, 52. 
B. këles, XXVI, 31 (losgaan). 

4. Masaka, B. gawe! XXI, 45 (Fut. Act.). 

5. Sakën, B. hëlasan, XXI, 45 (Fut. Pass.). 

6. Saka, B. rusak, XXI, 157 (Conj.). Vgl. Sund. saak. 
Saka. I. B. ulih (van), II, 42, IV, 12, XVII, 36. 

B. sarën (bij., tegelijk), XXII, 61. 

B. rin (dan), III, 12, 29. 

B. sak in (van), XIX, 52, XVII, 9 (uit). 

2. Saka-saka, B. watëk-watëkin (oorsprong), XVII, 136. 



544 SAKATAMBAY SAKALA. 

IL B, sasaka (pilaar), XI, 1, 2. 

2. Sa ka, B. maka sasaka, XXIV, 65 (als een pilaar). 
Sakatambay. B. sëmënan ('s morgens vroeg), XII, 21. 
Sakatambe. B. pasëinënan ('s morgens vroeg), XII, 26. 

B. sëmënan, 1,61. 

B. di sëihen , IV , 26. 
Sakanti. S. glanzend, stralend, B. wétu mabhra, XI, 70. 
Sakama. S. verliefd, B. san kakun, XI, 73. 
Sakarën. B. hajahan (in eeu oogenblik) , V, 43, XXII, 11. 

B. asaksana, V, 44, XXII, 100, VI, 165. 

B. abarën. Vil, 16. 

B. akësëp, IX, 48, VIII, 11, 13, XVII, 76, XXIV, 70. 

B. gëlis (oogenblikkelijk) , XIX, 20, 28. 

B. sibarënan, XV, 22. 

B. akëjëp, XV, 58, XXVI, 25, XXI, 108, 120 (een 
oogenblik). 

B. angëlisan, XVII, 88, XXIV, 104. 

B. gagel is an (in een oogenblik), XXIV, 10. 

B. sarën, XXV, 98, XXVI, 25. 

B. baren, XXVI, 25. 

B. sarën an, XXVI, 25. (Sund. saködön). 
Sakari. B. olih (uit), V, 20, 32, 60, 81, 84, VII, 55. 

B. bwat (wegens), V, 47, Vil, 59, 60, VIII, 7. 

B. santukan (ten gevolge van) , VI , 40. 

B. sak in (wegens), V, 63. 

sakeri, B. rin (van), VII, 22, VIII, 174. 
Saka rin. B. sak in (uit de), VII, 62. 
Sakala. S. volledig, geheel, B. asaksana (geheel), VI, 58. 

B. ra a w a k (in persoon) , VI , 112, XXII , 64. 

B. satata, alle, XVII, 94. 

B. s aha na (alle), XVII, 98, XXII, 85 (geheel). 

B. saks^t (in alle opzichten), XX, 2, XXIV, 26. 

B. samanke (alle), XXIII, 85, XXIV, 15. 

B. ma ha wak (in persoon), XX, 17. 

B. tanpëgat (in alle opzichten), XXI, 139. 

B. tumuwuh (alle), XXI, 149. 

B. mamürtti (in persoon), XXIV, 1. 

B. raar^ga, XXIV, 197. 

B. lagi hurip (in alle omstandigheden), XXIV, 198. 

B. sari-sari, XXVI, 1. 



SAKALAJAGAÏ — SAKRODHA. 545 

Sakalajagat. S, geheele aarde, B. satuhu bhü wana, III , 53. 
Sakalikaraua. S. volledigraaking , B. sak al a mjlrgga (alle 

wegen), I, 26. 
Sakit. Mal. Sund. Atj. hetz. 1. Mrisakit, B. onvertaald 

(kwellen), VIII, 109. 

2. Anakiti, B. iilarani (kwellen), VI, 121 . Act. Dur. Trans. 

3. Prisakiti,B. pasakit,X,70, worde gekweld (Irap. Pass.). 

4. Mrisakiti, B. duhka, XXIV, 260, kwellen. 
B. maularani, XIII, 10. 

5. Asakit, B. kalaran (gekweld), XXIII, 18. 

6. Kasakitan, B. kasansaran, XVI, 28, 

7. Manakit, B. manakitin, XVII, 2 (Act. Dur.). 

8. M anakiti, B. hetzelfde, XXIV, 220. 
Sake. B. olih (wegens), VI, 12, 176, XIX, 79. 

B. sakiii (uit), XXI, 189, XI, 51. 

B. rin (dan), VI, 136, III, 29, VIII, 142, 143 (van). Vgl. 
sa ka en i. 
Sakeii. hetz. met het lidwoord verbonden , B. u 1 i h (uit den) , 
m, 22, XV, 22, 55. 
B. sak in (wegens), XI, 94, VII, 8 (uit). 
B. rin (dan den), VII, 101, VIII, 178 (van de), XVI, 26 

(uit de), XVII, 19, IX, 27 (van hun). 
B. bwat (uit), XIII, 17. 
B. olih (uit), VI, 11 , IX, 41. 
Sakotuka. S. sakautuka (nieuwsgierig), B. ka wet u, XVIII, 

44. (De B. vertaling verkeerd). 
Sakta. S. hangende aan, bezig met, B. te leb, I, 19, VII, 46. 

2. Sakta, B. tlëb, wees verslaafd, III, 69. 

3. Kasakta, B. tlëbah, V, 8. Vgl. gakta. 
Sakti. S. verslaafdheid, B. tëlëk (diep), XXIV, 103. 
Sakrodha. S. vertoornd, B. dahat krodha, II, 17. 

B. sahasa, VI, 5, 21, XIX, 80. 

B. dahat sënhit, XX, 29, 52. 

B. lëwih bhranti, VI, 60, XXI, 179, XXII, 59. 

B. magëlëii, VII, 108. 

B. lëwih krodha, IX, 9, XIV, 67. 

B. brahmantya, IX, 50. 

B. braiiti, IX, 81, 91, X, 20. 

B. mamraütinin , X, 12. 

B. dahat branti, XIII, 97, XVI, 21. XVIII, 24. 

35 



546 saKsaT — sagotra. 

B. masënhit, XIX, 112. 

B. tau panaha, XXI, 183. 

B. dahat sahasa, XXI, 234. 

B. lëwih gelen, XXII, 41. 

B. lëwih magëlën, XXII, 85. 
Saksat. S. duidelijk, werkelijk, oumiddellijk , B. Iwir (evenals), 
'l, 9, XIX, 81, IX, 67. 

B. upama, II, 62, XYIII, 19, XII, 34, XX, 8. 

B. wyakti, IX, 82, XVI, 12, XIX, 82. 

B. pisan, XVII, 4, als het ware. 

B. mande! III, 78. De B. vert. foutief. 

B. upaman, VII, 74, XXIV, 240. 

B. tulya, XI, 12, XXI, 216, XXIV, 108. 

B. upamayai'i, XI, 15, XXI, 19. 

B. sakala, XI, 17, XXIV, 34. 

B. sa wan (evenals), XIX, 69. 

B. masawan, XII, 53. 

B. kaupamayan, XVIII, 47. 
Saksi (saksi). S. sak sin (toeschouwer, getuige), B. nodja 
(getuige), XXIV, 155. 

s§.ksi, B. najënin, 1, 30. 

saksi, B. todya, XXIV, 156, 191. 

2. Saksya, B. nodya (mogen getuige zijn), V, 62. 

saksya, B. makatodya, VI, 150. 
^Sagadgada. S. stamelend, B. kagyat (bevreesd), III, 26. 

B. dahat kagyat, Y, 79. 
Sagara. S. zee, B. pasih, III, 51, VII, 111, VI, 57. 

B. jaladhi, XXI, 116, IX, 51, XXII, 44. 

B. tasik, XIY, 61, XXII, 56, XI, 7, 51 , XY , 33, 36, 
XYIII, 15, XYI, 1. 
■^Sagarajala. S. zeewater, B. wai nin sagara, XY, 33. 
Sagila. B. dasdasan (bijna), X, 65, XYIII, 21, XXIII, 43. 
Saguna. S. deugdzaam, B. lëwih gina, III, 72. 

B. sakawikanan, XXIII, 36 (bedreven). 

B. lëwih guna, XXIY , 36 (met deugd), 95, XXY, 95. 

B. kawijnan (bedreven), XXIY, 112. 

2. Sinaguna, B. k o Qa 1 a, XXYI, 52 , met deugden toegerust. 
^Sagula. B. pawilaiian (aantal)? XXIY, 110. 

B. tëkanin jajamu, XYII, 101, met suiker. 
Sagolra. S. uit hetzelfde geslacht , verwant , B. s a k a da n , XXI, 98. 



SAGOKAWA — SAUKA RI. 547 

■^Sagorawa. S. sagaurawara (raet waardigheid), B. dahat man is ! 
VII , 40 (eerbiedig). De B, vert. hier eu op audere phiatsen foutief. 

B. dahat ramya! II, 61. 

B. lëwih manis! V, 68. 

B. dahat halëp! XIII, 39. 

B. dahat halus! XIII, 18, XIV, 1. 

B. halus! VIII, 9. 

B. sambhrama, XIII, 68. 

B. lëwih tusta! XIV, 70. Ed. sakweh uira. 
San. B. ouvertaald, lidwoord (eerbiedig), I, 1, 3, 16, 17, 18, 
19, 28, 29, 30, 32, 33, 36, 38, 40, 41, 42, 44, 45, 
50, 51, 58, 59, 60, 62, II, 2, 3, 11, 15, 21, 22, 24, 
25, 29, 32, 33, 34, 36, 37, 49, 51, 53, 54, 56, 57, 
58, 59, 61, 62, 63, 64, 66, 68, 70, 73, 74, 75, 77, 
78, 111, 1, 3, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 17, 18, 
19, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 39, 40, 
41, 42, 43, 44, 48, 52, 58, 73, 74, 76, 79, 84, 85, 
86, IV, 1, 2, 3, 4, VI, 32, 35, 36, 85, 86, 111, 112, 
198, 199, XIII, 35, 36, XVI, 1, XVII, 28, 29, 37, 
38, 39, 40, 41, XXII, 72, 73, 74, VII, 68, XIX, 99, 
XXVI, 30, enz. 

B. ida (die), V, 24. 
Sana. 1. Kasana, B. caitramasa (negende maand), XV, 60. 

B. onvertaald, XVII, 84. 
Sanapa. B. sa pa (hoe), V, 72, 78 (wiens), VI, 70, eerbiedig, 

vgl. syapa. 
Sanu. B. bëkël (leeftocht), XXV, 9, 44. 
Sanka. I. B. miraitan (afkomst), IV, 37, XI, 31. 

B. sak in (van), VII, 49, 52. 

B. ulih (uit), XXVI, 23. 

sanka, B. santukan (wegens) , XII , 3 , 5 , XVII, 5, XXVI, 3 1 . 

sanka, B. b a h a n , VI , 1 76. 

sanka, B. makarana, VII, 73, XIII, 55, XXVI, 30. 

B. karana, III, 78 (reden). 

2. Sankan, B. mimitau (begin), III, 63, XXI, 149. 

3. Sankiina, B. makarana, XXVI, 30. Conj. 

4. Sumanka, B. saka (uit), XIII, 96. 

II. Asanka-saaka, B. magegas? XXI, 192, stellig? 
Sankfi ri. B. olih (wegens), II, 70, 72, VI, 69, 72, VIII, 
88, V, 86 (dan), XX, 7 (uit). 



548 SAÜKA RIÜ— SADGAMA. 

sanka ri, B. santukan (uit), XX, 27. 
Sanka riii. hetzelfde met het lidwoord verbonden. B. teken in 
(van de), VI, 64. 
B. sakiü (uit), VI, 153, III, 38, VII , 79 , IX , 84 (wegens). 
B. riü (van de), VIII, 86. 
Sankëp. B. srëgëp (gereed), IV, 69, XIII, 63, 93, XIX, 
36, 43, 64, 104, XXII, 59. 
B. me pek (voleindigd), XXII, 53, II, 68 (gereed), IX, 77. 
B. jatna, IV, 70. 

B. nrëgepan (toegerust met), III, 83. 
2. Sankëpan, B. srëgëp (opgetuigd), IX, 62. 
Sanblrnna. S. samkirnua (gemengd), B. sakatah! XXI, 212. 
Sanku. B. ungwan (plaats), XV, 27, te tellen? 
Sanke. B. santukan (uit), VI, 146. (Vgl. san ken, sake, 
saken, sanka ri en sanka riii). 
B. olih (wegens), XI, 33, XIV, 1,9, XVI, 16, VI, 84, 142, 

157, XIX, 23, VII, 46. 
B. sakin (uit), XX, 59, XVI, 17. 
B. den in (wegens), XI, 34. 
B. bahan, XIX, 18. 
Sanken. hetzelfde met het lidwoord verbonden. B. bwat (uit), 
III, 74. (Vgl. sanke, sake, saken, sanka ri en 
sanka rin). 
B. sakin (uit de), VI, 35, 161, XI, 93. 
B. olih (wegens), VI, 154. 
Sankya (sankya). S. sahkhya (ten getale van) , B, p a w i 1 a - 
nan, VII, 54, XVIII, 12, XII, 56, XX, 60. 
B. wilanan, IX, 69. 
sankya, B. pawilanan, XXII, 56. 

2. Sumankya, B. mëtek (te tellen), XIX, 51. Aor. Inf. 
B. pawilanan, XXIV, 38. 
Sankranta. S. overgegaan , B. s a k a n c a , XXIV , 202 , besproken ? 
Saiiksepa. S. sarhksepa (samenvatting) , B. kantënan (kortom) , 

XXI, 151. 
Sanga. B. srëgëp (volledig?) XXIV, 245. 

2. Sinanga, B. katampa (opgehouden worden), XIII, 35, 

XVII, 84 (Pass. Dur.). 
4. Anaiiga, B. nampi (vasthouden) , XXIV , 244 (Act. Dur.). 
Sangama. S. samenkomst, coitus, B. sasmara, I, 20. 
B. nampuhin (vereenigiug) , III, 36. 



SADGeP SAn^AYA. 549 

B. m asm ara (coitus), VI, 4. 

sangtlraa, B, matërnu smara, XIT , 4, 17. 

2. Asangama, B. hetzelfde (den coitus bedrijven), XII, 28. 

3. Masani,'aina, hetzelfde, XXIV, 235. Part. Praes. 
Sani;ëp. 1. Sangë})an,B.srëgëp (opgetuigd), XVI, 4 , afmeting? 
Sangëiii. 1. Asangëtn, B. saiikëp (gereed), XXIV, 110, zich 

bereid verklaren. 
Sangin. B. sagihan (gereed maken), XXVI, 25. 
Sanguli. 1. Sinanguh, B. ucapan (gemeend worden), VII, 94. 
(Pass. Dur.). 
B. sënguhau, XIV, 67. 

2. Sinanguh an, B. kaucapan, I, 48, hetgeen gehouden 
wordt voor. 

3. Sumanguh, B. manday an in (meenen), V, 63 (Aor. Act.). 
Saiigraba. S. het aangrijpen, verzameling, B. macadan, III, 

4 (het aangebodene). 
B. kacadanaü, VIII, 107 (aanbod). 

2. Sinangraha, B, ma ca wisan (aangeboden worden), III, 4. 
B. kapënahah, VIII, 121 (Pass. Dur.). 

3. Asangraha, B. macadaü (aanbieden), XII, 58. 

4. Sangrahan, B. cadanan, XIII, 64, XVIII, 32 (worde 
aangeboden) , Gerund. 

B. ka cadanan, XXVI, 51. 

5. Pasangrahan, B. k a c a d a n a n (verzamelplaats) , XV , 59 , 
XVI, 16 (aanbod). 

6. Pasangraha, B. hetz. , XXV, 14 ('t aangebodene). 
6. Sangraha, B. macadan, XI, 56. Conj. na kadi. 

Sanghata. S, vereeniging? B. gawena, XXIV, 80. 
Sanghani. muziekinstrument van glas, XXIII, 72. 

Asanghani, B. magë nt i! dat instrument bespelen, XVI, 12. 
2. Masanghani, B. macampuh (vermengd), XXVI, 13. 
■^Saiigharsa. S. wrijving, wedstrijd, opgewektheid. 1. Asai'igharsa, 
B. mawor tusta (opgewekt), XXVI, 23. 
San^aya. S. saih^aya (twijfel, onzekerheid), B. sandeha 
(bezorgd), VIII, 180, 183, III, 66, XII, 35. 
B. hibuk, VI, 2 (ongerust). 
B. sëlanin, VIII, 120 (ongerust). 
B. sëlan, XIV, 5, XVII, 16, VIII, 187 , III, 13 , VI, 178, 

XXIV, 201 (ongerust). 
2. San^aya, B. hibuk (wees ongerust), III, 45 (.Tuss.). 



550 SAÜSARA (sADSaRA) SAJ^TI. 

B. s ë 1 a n , IV , 39 (Conj . na d u m e h). 

3. Kasan^ava, B. kasëlafiin, V, 49 (zoa te duchten zijn). 

4. Kasari^ayan, B. kasansara (gevaar), XIII, 81, 

5. Sinan^aya, B. kasandenin (gevreesd worden), V, 62 
(Pass. Dur.). 

B. sandeha, Vni , 184. 
B. kewëhan, XIV, 37. 

6. San^ayan, B. sandeha, VII, 42 (te duchten). 
B. mamëlanin, XIV, 2 (Gerund.). 

B. sandehanin, XVII , 1 3. 

7. Kasan^aya, B. kapalan, XIII, 63 (Aor. Pass.). 
B. sandeha, XIV, 32, XX, 75. 

B. kakewëhan, XVI, 4, ongerust. 

B. sandehanin, XVII, 9, 19. 

B. kasana! XVII, 84, De B. vert. verkeerd. 

B. kasëlanin, XXIV, 146 (gevreesd worden). 

8. Pakasangaya, B. apa nunahin, XXVI, 25. 
Saiisara (sansara). S. samsara (levensloop, bestaan, wereld), 

B. nahën naraka (ongelukkig), VIII, 147. 
sansara, B. kasakitan (gekweld), XV, 35. 
B. kapapan, XIX, 80, XXIV, 184. 
B. naraka, XIX, 83, XVII, 136. 
B. papa, XXI, 17 (ellendig). 
Sansipta. S. saihksipta (samengedrongen , kort), B. kantë- 
nana (kortom), XXII, 56. 
2. Sahsiptan, B. tan ujaran, XXI, 116 (laat bekort 
worden) , Gerund. 
*Sansiptaniatra. S. samksiptamatra (slechts kort), ]?. ka ntë- 
nana namar, XXI, 150. 
Sanhara (sanhara). S. samhara (samentrekking, vernietiging), 
B. onvertaald, XV, 45, XIX, 27. 

2. Sanhara, B. rusak, XV, 34 (zou vernield worden) , Conj . 

3. Ananhara, B. kabhukti! vernietigen, XXVI, 16 (Act. 
Dur.). De B. vert. fout. 

4. Mananhara, B. manrusak, XIX, 116. (Act. Dur.). 

5. Sinanhara, B. karusak, XIX, 127 (Pass. Dur.). 
Sanhararaja. S. Samhararaj a (naam van een pijl), I, 61 , IX , 50. 

^Sacara. S. volgens gewoonte, B. lëwih bhawa, XXVI, 23. 
■^Sac^rana. S. met de hemelsche zangers, B. sap arëkan, XVI, 10. 
^Sajati. S. van gelijk geslacht, B. tin k ah, VI, 151. 



SAJi — sAndin. 551 

Saji. B. caru (het gereedgemaakte), I, 24, III, 4. 

2. Pasaji, B. paüamyu (onthaal), XI, 30. 
Sajjana. S. een goed raensch, B. s^dhu , VI, 13. 
B. dharmma, XX, 65, XIII, 13. 
B suQila, VII, 94, XXIV, 64. 
B. kasadhun, XIV, 17. 

2. Kasajjanan, B. kasatyan (goedheid), XIII, 4. 
B. kasadhun, XIII, 85. 
■'^Sajjaiiacarita. S. de handelwijze van een goed mensch, B. kasa- 
dhun tatwane, XIV, 63. 
*Sajjaiiainarga. S. de weg van een goed mensch, B. sadhu- 
laksana, XI, 42. 
Saiïjata. S. saiiijata (samengevoegd, gereed, uitgerust)? Mal. Mak. 
hetz. , Lamp. san data, B. sahastra, III, 71 (wapenen). 
B. yudha, Xm, 63, 93. 
B. sikëp, XXII, 57. 
B. 9ara, XXIII, 3, XXIV, 17, 18, 59. 
B. onvertaald, XXIII, 28. 

2. Pinakasaüj ata, B. makasarijata (tot wapen strekken) , 
XXIII, 64. 

3. Sinaiijata, B. saha9ara (gewapend), XXIV, 18. (Pass. 
Dur.). 

4. tar pasanjata, B. nora raas ikëp (ongewapend) , III, 43. 
Sailrta. 1. Sumanda, R. r umakët (aaneensluiten) , XXIV, 246 

(Aor. Act.). 
8aii<lan. B. sampin (zijde), XIX, 83. 

B. mangawa, XX, 24 (op zijde dragen). Abs. 

2. Sinandan, B. kabakta (op zijde gedragen worden), V, 
66 (Pass. Dur.). 

B. rinasuk (opgetuigd), XI, 17, 

3. Auandan, B. anango (dragen), XII, 56. (Act. Dur.). 

4. Sandanan, B. tanan! (zijde) , XIX , 83. De B. vert. foutief. 
B. kagamël! (zijde), XXIII, 5. De B. vert. verkeerd. 

5. Manandana, B. manransuk (zich te kleeden) , XXIV , 58. 
(Act. Dur. Conj.). 

Sandin. B. damp in (zijde), XXIV, 123, V, 64. 

2. Asandiü, B. madësëk (zich zetten naast), VIII, 67. 
B. manandin, XXIV, 103. 

3. Sumandiii, B. makëmbaran (naast elkaar staan), XI, 
72 , Aor. Act. 



552 sAüdun — satisda. 

B. mak ar on (zich zetten naast), XII, 27, 45. 
B. tand in in, XXIV, 25, XI, 95. 

3. Masandin, B. tan adoh (aan de zijde), XXIV, 243. 
B. manandin, XXVI, 7. 

4. Yan pasandin, B. makaron (bij vergelijking) , II , 65. 

5. Sumandina, B. hetzelfde, naast elkaar liggen, V, 77. 
(Conj. Aor. Act.). 

Sandun. 1. Kasandun,B. katahjun (gestooten worden), IX, 54. 
B. katanjunin, XXII, 63 (Aor, Pass.). 

2. yar panandun, B. manuhuk (stooten) , XXVI, 22 (met 
nadruk op 't vorige). 

3. Man and un, B. hetzelfde, XXVI, 22. Act. Dur. 

Sat (sat). I. Pahasat, B. hënatin (worde gedroogd), III, 
81 (Imp. Pass.). 

2. Asata, B. bëiiat (zal opgedroogd worden), VI, 57. 

3. Kasatan, B. mahëtuh (droog worden) , XI, 48 , XXI, 33. 
B. ëtuh, XI, 68 (Pass. Aor.). 

4. Satana, B. na tan (droog te maken), XV, 37. (Conj, Trans.). 
B. hetzelfde, XV, 39 (Conj.). 

5. Sata, B. hetzelfde, XV, 40 (Conj. na yan). 

6. Masat, B. nat (droog), XXII, 11. 

7. Asat, B. beiiat (opgedroogd), XI, 2, XX, !•. 

Satata. S. voortdurend, altijd, B. tan mari, V, 19, XV, 38, 

XIX, 37, VI, 36, 45, XI, 89, XXI, 202, XXIII, 54, 

67, IX, 7. 
B. mapagëh, VIII, 52. 
B. tan pëgat, X, 52, XI, 68, XII, 32, 51, XXI, 220, 

XXIII, 40, 65, XIII, 4, XV, 4, XVII, 137, XIX, 128, 

XXV, 11, 88. 
B. pagëh, XIII, 12, XX, 65. 
B. sat u huk, XIV, 26, 61. 
B. salamane, XV, 9. 
B. salawase, XVII, 134, XX, 2, 44. 
B. kewala! XXI, 101. De B. vertaling foutief. 
Satapi. B, yadin (als), XXVI, 25, met de wan? 
Satrsna. S. satrsnam (met verlangen), B. sayan, XXI, 17 

(begeerte), 106 (begeerig). 
B. dahat bhakti, XXI, 18. 
B. ëlas, VI, 53, 
B. kalulut, XII, 26, XXI, 7. 



SATEJA SATWA. 553 

satrsna, B. dahat kalulut (verlangend), XII, 43. 

B. lëwih trsna, XXII, 52 (in een uitroep). 
*Satej;i. S. satejas (glanzend), B. suteja, I, 15. 

B. nu nar in (stralend), XI, 70. 

B. s u p r a b h a (glanzend) , XVI , 3 , XI , 65 , XII , 33. 

B. ujwala (stralend), VI, 55. 

B. galan (helder), VII, 35. 

B. masënö (glanzend), XI, 81. 

B. prabha, XVII, 43. 

B. lëwih prabha, XV, 49, XVI, 11. 

B. maprabha (schitterend), XI, 86. 

B. mrabhanin, XXIV, 231. 

B. sënö, XII, 25. 
Satoraisi. B. tatuwiane (naar waarheid), III, 26. 

B. tatuwian, VI, 80. 
Satya. S. werkelijk, waar, betrouwbaar, trouw, B. pagëh, I, 
6, Yl, 49. 

B. pat ut (oprecht), V , 62. 

B. tindih (trouw), VIII, 116, III, 9, XIV, 63. 

B. tëiëb, VI, 35. 

B. sadhu, VIII, 142, XVII, 133. 

B. katindihin, X, 18. 

B. tuhu, III, 30, 32, 35. 

B. sa sa jan (waar), VII, 105. 

B. bhakti (trouw), VI, 101, XIX, 30. 

B. tëlëk, VI, 102. 

B. sinit, V, 55. 

B. trsna, XIV, 67. 

2. Kasatyan, B. tindih (trouw), III, 48. 

B. kapatibratan, VI, 105, XI, 46, XXI, 27. 
Satyabrata. S. satya wrat a (gelofte der waarheid, trouw aan 
zijn gelofte) , B. patibrata (trouw aan zijn gelofte), XXV, 35. 
Satya vvakya. S. satyawakhya (waar, waarheidsprekend) , B. ^ 
pagëh ucapan, VI, 91. 

B. tuhu mojar, VI, 190. 
Satwa. S. sattwa (wezen, het goede) , Jav. sato, B. katatwa 
(wezen), III, 58, XXIV, 3, 103, 124. 

B. mrga (dier), VI, 76, IX, 57, X, 12. 

B. buron, VIII, 44, XV, 53, VI, 187. 

B. pandita (goed), VII, 32, 



554 S^TWIKA SADOSA. 

B. tutur, XVII, 41, XXI, 131. 

B. katatwan (moed), XXI, 21. 

B. sato (wezen), XXIV, 97, 107, XXV, 14, 55. 

B. putus (goed), XXIV, 107. 

B, pa^u (dier), XXV, 63. 
Satwika. S. waarheidlievend , moedig ,B. dharmma (deugdzaam) , 
VI, 17. 

B. kadharmman (getrouw boete doen), IV, 25. 

B. kapandita, Xi, 17. 

B. tapa, V, 65. 

B. tutur, XXI, 92, waarheidlievend. 

B. pandita, XVII, 41. 

B. kapanditan, XVII, 135. 
Sada. S. altijd, B. tan mari, XI, 52. 

B. tan pëgat, XIII, 6, XXI, 34. 

B. sahi, XVII, 39, XXI, 17. 

B. satata, XVII, 96. 

B. nora jënëk, XVIII, 42. 

B. sahisahi, XVII, 106, XXIV, 155, XXV , 14, XXVI , 25. 

B. ra as a wan! XXV, 92. De B. vert. foutief. 
Sadara. S. zorgvuldig, bedachtzaam, eerbiedig, vriendelijk , deel- 
nemend, B. nasor, XVII, 78, XVIII, 51 , eerbiedig. 

B. ma nis (vriendelijk), VI, 104. 

B. nade (bedachtzaam), XIII, 18. 

B. adabdab, XIX, 39. 

B. raris, XXI, 71. 

B. halëp, XXI, 155. 

B. satya (eerbiedig), XXIV, 127. 
■^Sadarppa. S. overmoedig, driest, B. ma w er ö (uitgelaten), II, 2. 

B. tanpëgat, XVI, 38, IX, 42 (driest), XV, 48. 

B. magalak, VII, 109, IX, 30. 

B. tan mari, IX, 65, XVI, 7, XIX, 42. 

B. sahasa, XIX, 103, 113. 

B. tan wanëh, XII, 4. 

B. SU ka (uitgelaten), XVI, 12. 

B. tan surud, XXI, 234 (driest), XXIII, 24. 
Sadr^a. S. gelijk, B. lëwih guna! VI, 169. De B. vert. foutief. 

B mag una! passend, XXIII, 40. De B. vert. verkeerd. 
Sade. B. sëlan (te betwijfelen), VI, 194. 
^Sadosa. S. schuldig, B. sudosa, III, 75. 



SaDHAKA — sS,DHyA. 555 

B. salah, VI, 63, XIV, 66. 
Sadhaka. S. werkzaam, toovenaar, B. jina, XXV, 41, 49. 
Sadhaua. S. voleiuding, middel ter verkrijging, B. laksana, 
XXV, 41. 
B. ha^yan (middel), XXV, 49. 
'^Sadhariiima. S. rechtvaardig, deugdzaam, B. lëwih dharmma, 

XVI, 27. 

Sadliu. S. braaf, voortreffelijk, edel, goed , B. dh arm ma (deugd- 
zaam), II, 44, III, 52. 

B. rahaju, VI, 81, 99, XXIV, 81, 85. 

B. patut, VI, 131, 147, XX, 75 (bravo). 

B. kadharrama, VI, 14, 175, X, 18. 

B. tuhu, VI, 173, 179, XI, 20, XX, 65. 

B. pandita (voortreffelijk), VI, 135, VIII, 144, X, 13,64, 
XV,' 39, XXII, 26. 

B. sajjana, XXI, 25, 59, 152 (edel). 

B. hayu (braaf), XXI, 26. 

B. putus, XXII, 37. 

B. pasaja, XXIV, 137. 

B. satya (uitmuntend), XXV, 41. 

B. pagëh, XXV, 49. Edit. siddha. 
Sadhukara. S. goedkeuring, toejuiching. 

1. Manadhukara, B. raanastuti (bravo roepen), II, 44, 
XXII, 83. 

manadhukara, B. manastunin, XX, 27. 
manadhukara, B. ma/i wastuni, XX, 36, XXI, 190. 
B. raa(?abda! XX, 75. De B. vert. foutief. (Act. Dur.). 
■^Sadhubuddbi. S. braaf van inborst, B. dharmmain manah, 

II, 39. 
Sadhya. S. te verkrijgen, bereiken, uit te voeren, Tag. sariya. 

Mal. sëdiya. B. prihan (doel), VIII, 17. 
B. buddhian, VI, 59. 
B. hidëp (bedoeling), X, 9. 
B. k a h y u n (oogmerk) , XV , 44. 
B. onvertaald, te bereiken, XXV, 2. 

2. sadhya, B. hidëp, X, 14 (Conj.). 
B. nradana, VI, 104. 

3. Sumadhya, B. mamrihan (streven), III, 14 (Aor. Act.), 

XVII, 65. 

4. Masadhya, B. hetzelfde, VIII, 12, XV, 21. 



556 saDHwacaaA — SANTëN. 

5. Sinadhya, B. prihan (gestreefd worden naar), X, 34 
(Pass. Dur Couj.), XIII, 21. 

B. kasadjayan (worde gestreefd naar), VIII, 177 (Juss.). 

6. Sinadhya, B. ka prihan, XVII, 5 (Pass. Dav. Ind.). 

7. Sadhjan, B. prihan (worde gestreefd), X, 17 (Gerund.), 
XIV, 40. 

8. Panadhya, B. phala, X, 25, het middel om zich te ver- 
werven. 

B. manwi9esa (middel om te maken), XVI, 25. 

9. an pasadhya. B. anradana, XX, 52. 
Sadhwacara. S. van goed gedrag, B. pa tut au macara, VI, 44. 
Sanak. B. ha ma (broeder), XXI, 107, II, 13. 

B. mahama, XXIII, 36, XXIV, 242, VI, 177. 

2. Asanak, B. hetzelfde (als broeders), VI, 177. 
B. rin nama, VI, 194, met (mijn) broeder. 

3. Sanak a, B. manama (als broeders te leven), VI, 178, 
192, XXI, 102 (Juss.). 

4. M asanak, B. raaüaraa, VI, 180, 184 (als broeders). 

5. Apisanak, B. Iwir manama (als broeders), XXIII, 53. 
Sanasini. Mal. hetz. B. kanau keri (hier en daar), XV, 56. 

B. ditu dini, XX, 45, XXIV, 99. 
B. kiwa tëhën, XXII, 60, XXIII, 56. 
*Saiii^caya. S. met zekerheid, overtuigd, B. mamagëhan, VII, 81. 
B. mituhwiyah, VIII, 103. 
B. humandëlan, XXI, 48. 
B. nandëlan, XXIV, 176. 
■^Sanistura. S. sanisthura (streng, wreed, ruw), B. tanpa- 
gruti, VIII, 127. 
B. mapahinanan, XXI, 82. 
B. tanpatutur, XXIV, 167. 
B. nora plapan, XXIV, 187. 
Sanelisaueh. S. ganaih-canaih (langzamerhand). 
B. aneh (langzamerhand), XXI, 15. 

B. hibak-hibakah, XXIV, 55. De ed. op beide plaatsen 
?auaih-ganaih. 
Santacitta. S. cantacitta (gerustgesteld, bevredigd). l.Santa- 

citta, B. patut manahe, X, 66. Conj, na matan. 
Santen. B. samehët (quiutessens) , XXI, 89. 

B. elifian, XXVI, 45. 
Santen. B. makasantën, XXVI 25, (kokosmelk). 



SANTÜSA^ — SANMATA. 557 

Santosa. S. tevredenheid, genoegzaamheid, B. raanajidai'i (zich 

vergenoegen) , IV , 20. 
Sailtwa. S. santwa (vriendelijke woorden), B. m a in u ii u (spreek 

vriendelijk toe), XXI, 66. 

2. Manantwa, B. mamuni, VIII, 38. 

B. sambada, II, 72 (vriendelijk toespreken). 
B. manucap, VIII, 117 (Act. Uur.). 

3. Sinantwa, B. kapuiiu (vriendelijk toegesproken worden), 

III, 31. Pass. Dur. 

4. Sinantwan, B. inujaran, XXIV, 88. 

5. Anantwa, B. ujar, vriendelijk toespreken, X, 10. 
B. manrawos, XII, 18 (Act. Dur.), 

Sandeha. S. twijfel, onzekerheid, B. sëlaii, I, 51, VI, 32, IV, 

54 (Adj.). 
B. manewëhah, XIX, 38 (subst.) , X, 15. 
B. saüpaja, XXI, 211, XXIV, 13, VIII, 207, XII, 43, 

XV , 34 (ongerust) , 35. 

2. Tan sandehan, B, kakumandël (zonder twijfel), 
XV, 43. 

B. lagas, XXI, 117. 

3. Kasandeha, B. kasaugayanin (getwijfeld), XXI, 201 
(Aor. Pass.). 

B. sangayanin, XXI, 203. 
Saudlii. S. verbinding, gewricht, B. bilan (gewricht), VI, 129, 
VIII, 168. 
B. buku, XII, 8, XVII, 23, 63, XIX, 29, 106, XX, 61. 
B. onvertaald (verbond) , XIII , 49. 

2. Panandhya (er zij een verbond), B. pagutaii, XIII, 57. 
*Sandhisütra. S. leerboek over sandhi, XXVI, 35. 
Saudhyfi. S. sandhya (schemering), Bat. sohja, Mal., saiija- 
kala. B. sande, XX, 50, 51, XXVI, 27. 
2. Masandhya, B. matr is andhya ('t gebed in de schemering 
opzeggen), VI, 50, XXIV, 239. 
SS,udhyawela. S. samdhyawela (schemertijd) , B. san dekala, 

IV, 25. 

Sannidhya. S. saiiinidhya (nabijheid, aanwezigheid, tegenwoor- 
digheid), B. kayogain (inspanning), I, 26. 
Sanniata. S. s a lii m a t a (gehouden voor , goedgekeurd) , B. i c a n i n , 
VIII, 173. 
2. Kasanmata, B. ne sukayaü, XIX, 115. Aor. Pass. 



558 SAPATRALlLa SAPHALA. 

^Sapatralila. S, naam van een versmaat, B. tankise halëp, 

XXI, 182. 
■'^Sapadapita. S. met voetbank, B. lëwih marakata! III, 4. 

(De Bal. vertaling verkeerd). 
*Saparicara. S. met bediening, B. saparëkan, II, 66. 
Sapalapala. B. sdëii pakolih, alle kracht? XXI, 165. 
Sapi. B. sampi(rQnd),II, 13, XXV, 63, 109, 112, 114, 115, 117. 
B. ban ten, XXV, 113. Mal. Sund hetz. Mak. Bug. capi. 
^Sapit. B. kajapit (geklemd), XXV, 117. 
8apih. l.Anapih,B. mambëlas (scheiden), XX, 51 (Act. Dur.). 
B. mambëlasan, XXV, 60. 

2. Sapihi, B. napyan (worde gescheiden), XXIV, 150. 
(Imp. Pass.). 
8apu. Mal. Sund. Bat. Daj. Mak. Bug. hetz., Malag. safu. B. 
sa ds ad (afwisschen) , XXIII, 27, XXIV, 97. 

2. Sapwi, B. sampatan (uit te wisschen) , XXI, 112. 

3. Sinapwan, B. masampat (geveegd), XII, 47 (Pass. Dur.). 
B. kasampatan, XV, 45 (v. verbittering). 

B. sampatan, XIX, 102 (weggevaagd). 
Saput. Sund. Mal. Bat. Day. hetz. (doodskleed), Bug. sampoq, 
Mak. sapuq, Bis. Tag. sapot, Mad. sapuh (deken), Malag. 
safutra. B. anten (bedekking), XI, 73. 

2. Manaput, B. manlip ut (beheerschen), III, 82 (Act. Dur.). 

3. Sinaput, B. kali put (bedekt worden) , IV , 36 (Pass. Dur.) 
overstelpt worden. 

4. Sumaput, B, kasaputan (zich bedekken), VIII, 106. 
B. sumahab (overdekte), XIV, 35 (Aor. Act.). 

5. Anaput, B. manliput (beheerschen), XV, 16 (Act. Dur.). 

6. Kasaputan, B. kahilidan (bedekt) , XIX, 61 (Aor. Pass.). 
B. kali put (overdekt), XXII, 49. 

7. Sumaputi, B. üaputin (spreidt zich uit over) , XXI, 163. 

8. Sinaputan, B. kali put (omhuldj, XXII, 2. 

9. Anaputi, B. manliput, XXII, 20, beheerschen. Act. Dur. 
Sapeksa. S. sa pek sa (lettende op), B. kekajahin, VI, 175. 
Saptajanmantara. S. zeven andere levens, B. pin pitu udadi, 

XI, 23 (zeven incarnaties). 
Saptapatala. S. zeven onderwerelden, B. onvertaald, XIX, 12. 
Saptami. S. saptamï (zevende), B. pa pitu, XXVI, 36. 
Saphala. S. met vruchten, gevolgd hebbend, B. maphala 

(vruchtbaar), XIII, 48, III, 28, VIII, 99. 



SABHa SAMADGALA. 559 

B. adi (ten volle), I, 7. 

B. sëdën (verdienen), XV, 10, XVII, 51, V, 7. 

B, nandah (passen), XVII, 53, VIII, 123, 142, V, 13, 72, 

XII, 51, IX, 18. 
B. lëwih (zeer), II, 11, III, 38, X, 58. 
B. bëcik (zeer), II, 28. 
B. kadahatan, VI, 41 (zeer). 

B. asin! in alle opzichten, VII, 70. De B. vert. foutief. 
B. sahawoh, XVII, 19 (vruchtdragend). 
B. lëwih pakolih (nuttig), XXI, 47, III, 46. 
B. lëwih wigesa, XVI, 4 (hoe groot). 
B. utama (met recht), IV, 15, 24, VIII, 140, 146. 
B. mapakolih (nuttig), V, 14. 
Sabhii. S. vergaderzaal, audiëntiezaal, B. bancinah, III, 4, 

XII, 65, XIII, 19, 29, XVII, 28. 
B. wataóan, XIII, 39. 

2. Pasabhan, B. hetzelfde, II, 54, V, 27. 
B. pagrhan, XVI, 11. 

3. Sabhakëna, B. tatasan (worde verzameld), XXVI, 49 
(Juss. Pass ). 

■^Sabhagya. S. gelukkig, B. sadyayau! VII, 90. De B. vert. foutief. 

B. lëwih kapëdpëdan, V, 57. 
*8abhaya. S. verschrikt, B. óewëhin, VIII, 30. 

B. kewëhan (bevreesd), IX, 57, XVI, 5, XX, 37. 
B. kewëh, XVIII, 49, XXIII, 10, XXIV, 16, 118. 
B. pakewëh, XVIII, 50. 
■^Sabhara. S. zwaar, B. kasajahan, XXV, 110. 
B. lëwih, XXV, 110. 
Sabhiiiaya. S. met mimiek, B. kabinawa, XXIV, 194? 

B. kasub (beroemd), XXIV, 246. 
Sabhrtyaparicara. S. met dienaren en gevolg, B. sahakah ula, 

XXIV, 49. 
Sama. S. gelijk, B. sawawa, IX, 42. 
B. sa mi (gelijkelijk), XVII, 124. 
B. upa ma (gelijk), VI, 149. 
B. onvertaald, XXVI, 23. 

2. Samasama, B. hetzelfde, geheel gelijk, XI, 72, XII, 50, 
XXII, 46. 
Sama. S. naam van een der weda's, I, 19. Z. Samaweda. 
*Saiiiaiigala. S. gelukvoorspelleud , B. lëwih pa na rep, XXIV, 38. 



560 SAMATa SAMaSA. 

Samatè. S, gelijkheid, gelijkmoedigheid, B. sukanin, III, 80. 

B. plapan (gelijkmoedigheid), XXIV, 66. 
Samatsyamansadadhi. S. samatsyamamsadadhi (met visch, 
vleesch en zure melk), B. saiwaknya isi tirtha, 
I, 28. 
Saiiiadhi S. samenstelling, aandacht, vroomheid, B. mayoga, 
XXIV, 64. 
B. yoga, XI, 17, XXIV, 73, 77. 

2. Masamadhi, B. mayoga (zich verdiepen), XIII, 2. 

3. Asamadhi, B. majapa, IV, 13. 
Saniana. B, ri kala (toen), XXI, 60. 

Samantara. S. intusschen, B. tan asuwe (kort daarna), XXI, 

41, XXII, 86, XXIII, 3, XXIV, 16. 
B. tanpëgat! (terwijl), VIII, 144, XXI, 48. De B. vert. 

foutief. 
Saiuapta. S, voleindigd, B. kantënana (allen), III, 3. 
B. natya, XIX, 39 (gereed). 
B. kapuputaü, XIX, 44. 
B. sa mi, XX, 49. 
B. sapuputa, III, 32. 
Samaya. S. samenkomst , overeenkomst , termijn , B. panubhaya, 

ni, 7 (belofte). 
B. sanketa (overeenkomst), XVII, 77 , VII, 34, 97 , VIII, 15. 
B. masanketa, VI, 202. 
B. ubhaya, VI, 168. 
B. maubhaya, VI, 170. 

2. Pasamayan, B. ubhaya, III, 6 (afspraak). 

3. Asamaya, B. maubhaya (afspreken), VI, 150. 
Samara. S. strijd, B. palagan, V, 59, XIII, 20, XVII, 86, 

XIX, 18, 33, XX, 15. 
B. ranangana, XXIII, 11. 
^Saniarabhümi. S. slagveld, B. tëgal palagan, XV, 29, 
XIX, 30. 
Samaramatta. S. naam van een rak sas a, XXIII, 16. Jav. 
Samaramënta. 
*Samaramarana. S. sneuvelen in den strijd, B. rin palagan 

matine, XXIII, 70. 
*Sanialëm. B. onvertaald (naam van een plant), XVI, 30. 
Samaweda. S. naam van een we da, XXI, 135. 
Haniasa. S. samenstelling, B. sami, XXI, 146. 



SAMASTA SAMPAT. 561 

Sainasta. S. samengesteld , gelieel , R. hetzelfde, geheel , XVII ,31. 
B. s.ikahch, XXIV, 79. 
*Sainitr.a. S. met (zijn) vriend, B. pa da pa da, XX, 15. 
B. kantiiia (bevriend), VII, 77. 
B. sampriti, VI, 153 (bevriend). 
2. Saraitra,, B. masumitra, X, 17, 18 (Conj.), 
B. sampriti, XIII, 77 (Conj. na jadin). 
Saniiddha. S. samidh (brandhout), B. hasëp, I, 24. 
B. onvertaald, I, 27. 

2. Samiddha, B. mahasëp (als 't brandhout), XXII, 53. 
Sanilpa. S. nabij, nabijheid, B. sampihan, IV, 22, XXV, 97. 
B. tëpi, VI, 1, XI, 51, XIX, 49, XXVI, 23. 
B. sampiü (nabijheid), VIII, 54, XIII, 18, XXIV, 194. 
2. Asamipa, B. matëpi (nabij), XXV, 87. 
Samlra. S. wind, B. pawana, XI, 12. 
Saniirana. S. hetzelfde, B. anin, VII, 10. 

Samirana, B. Pawana, VIII, 16 (de Windgod). 
■^Sanilranasata. S. de zoon van den Windgod, B. A nu man, 
XXIII, 47. 
Samudra. S. zee, B. sdgara, V, 21, XIV, 8, XV, 17. 

B. pasih, VII, 48, 110, XV. 18, 46, XVI, 5, 13, XXI, 
136, 241, VIII, 8, XII, 57, XIII, 92, XI, 52. 
*Samii(lropama. S. als de zee, B. saga ra sawanan, XV, 43. 
Samuii. 1. Asamun, B. dahat s ë p i (eenzaam , ledig , verlaten) , 
III, 25 (van een plaats gezegd). 
B. 9irnna, V, 89 (stil), van personen. 
2. Masamun, B. ?ünya, XXIV, 139. 
Sainüha. S. verzameling, hoop, menigte, B. sa ka tah, XIII, 62. 
B. papupulan, XVI, 46, XIII, 63. 

2. an pa sa mü ha, B. map u pul (toen verzameld was), VII, 48. 

3. Asaraüha, B. pahüm (gezamenlijk), XIV, 12. 
B. mapupul (zich verzamelen), XVII, 28. 

4. Masamüha, B. hetzelfde, gezamenlijk, XXII, 3. 
Samrddhi. S. voorspoed, geluk, B. wibhüh, II, 25. 

*Samo(la. S. verheugd, B. matungalan ahyun, XXVI, 29. 
Sampan. B. onvertaald, naam van een boom, XXVI, 48. 
Sampat. S. volledigheid, rijk, B. piirnna (volmaakt), II, 55. 
B. p u p u t a n , III , 55. 

B. putus, X, 16, VI, 3, XXIV, 95, XXVI, 23. 
B. wikan, XX, 10. 

36 



562 SAMPaTI S^MBAT. 

B. 9uddha, II, 59. 

B. tëlah, XI, 72. 

B. puput, XYII, 138, XXVI, 29. 

B. pradata. XXII, 27. 
Sampati. I. S. naam van een fabelachtigen vogel (Jatayu's 
broeder), VII, 85, 94, 95, 98, 106. 

II. S. naam van een aap, XIX, 40, XX, 10, 11, 12, XXII, 
58 (Jav. Sëmpati). 
Sampay (sampe). B. purik (minachting), XIII, 26. 

B. tanpatüt (geringschatting), III, 59. 

B. elik, XXII, 3L 

2. Asarapay, B. tanpatüt (minachten), X, 6,64,111,62. 

3. Masampe, B. hetzelfde, IV, 63, X, 7. 
masampay, B. hetzelfde, geringschattten , VI, 16. 

Sampar. 1. Masamparan, B. masaput lima (aanraken), XI, 89. 

masamparan, B. magamëlan, XXIII, 27. 
Sampun. B. suba (ter aanduiding van 't Perf.) , I, 27, II, 6, 

21, 23, 25, 27, 44, III, 45, V, 88, VI. 77, 132, 150, 

152, 189. 
B. puput (nadat), I, 30, VI, 196, VH, 73, VIII, 13. 
B. suhud, II, 45, 58, IX, 42, XII, 59. 
B. husan, II, 53, XIV, 11, XV, 36, XVI, 5. 
B. huwus, I, 61, n, 65, III, 4, Xn, 47. 
B. onvertaald, XI, 35, 36, 92, XX, 74, XXI, 193, 205. 
B. wusan, XXI, 127, XXII, 19, XII, 9, 37. 
B. disuba (nadat;, VIII, 35, 71, IX, 75, XVI, 15,XVn, 

134, XIX, 32, XX, 54. 
B. putus (voleindigd), XXIV, 44, 95. 
Sampürnna. S. volledig, volmaakt, B. putus, XX, 54, XXI, 

193, 218. 
B. paripürnna, XXII, 53, XXIV, 92, 95, XXV, 83, 

XXVI, 23. 
Sambat. B. ujar! (jammerklacht), XXIV, 43. 
B. sasambat, XXIV, 191. 

2. Masambat, B. masasambatan (jammeren), III, 17 , 24, 
VI, 6, 45, XVII, 24. 

B. masasambat, VI, 37. 

3. Pasambat, B. panambat (geweeklaag), VI, 15. 

an pasambat, B. masasambat (dat weeklaagde), XX, 67. 

4. Ma sambatan, B. manulame (weeklagend), VI, 15. 



SAMBAKTTAKA-^SaMBUT. 



563 



5. Samba t akëu, B. mai'iucapan (bejammerende), XX, 67 
(Abs. Caus.). 

6. As ara bat, B. masambatan (jammeren), XXI, 129. 
Sanibiirttaka. S. saihwartaka (vernietigend , wereldondergang) , 

B. api, IX, 11. Z. sarawarttaka. 

^Sambartakopama. S. saiiiwartakopama (als de wereldonder- 
gang), B. pawakawarsa, XXI, 227. 

■^Saiiibah. 1 . M a n a m b a h , B. ü a b h a k t i (eerbied betuigen) , 1 , 40 , 
III, 44, VI, 68, 197, XXVI, 24, (Act. Dur. lud.). 
Vgl, sëmbah. 

2. Anambah, B. hetzelfde, VI, 190 (Act. Dur. Inf.). 

3. Sinambah, B. bhinaktinan, XV, 45 (Pass. Dur.) 
Sambéi*. 1. Manambër, B. maiiandër (op iets aan vliegen), IX, 

55 (Act. Dur. Ind.). 
B. pasaliwër, XXI, 167, XXII, 48. 
Sambi. 1. Sambin, B. nulurin (en), XXIV, 58. 

2. Sumambi, B. manjujuh (vereeuigd), XXVI, 22. 

3. Manambi, B. manalini (tegelijk), XXVI, 24. 

4. Kasambya, B. kasinse (verschalkt), I, 53. 

5. Samby asamby an, B. nambil-nambilaii, XXVI, 22. 

6. Sumambja, B. raasambilan, XXVI, 23. 
Sambut. B. mam bil (grijpen), IX, 48 (Abs.). 

B. nahup, XIX, 80. 

B. nambil, II, 32, IX, 49. 

B. kadëmak, VI, 23. 

2. Sambuta, B. dëmak (had gegrepen), VI, 25 (Conj. na 
yan). 

3. yan sambut aken, B. managëm (greep), XIII, 41. 
sambu taken, B. raanëmak, XX, 73. 
sambuttakën, B. ndëmak, XXII, 43 (Abs.). 

4. Anambutakëna, B. manambil (om te grijpen) , XIX, 3 
(Act. Dur. Conj.). 

5. Manambut, B. man dëmak (grijpen), XIX, 109 (Act. 
Dur. Ind.). 

B. manëmak, XXVI, 24. 

6. Man ambutakën, B. raambil , XIX, 1 16 (Act. Dur. Ind.). 

7. Sinambut, B. dëmak (gegrepen worden), XX, 54 (Pass. 
Dur. Ind.). 

B. kajëmak, XXII, 50. 

8. Sambutan, B. kagamël, XXI, 52. 



564 SAMBURAT SaRA. 

Samtonrat. 1. Kasamburat, B, pasalambëh (uiteenstuiven) , 

XXIV, 21 (Aor. Pass.). 
Sambe (sanibay). B. kahulapin (roepen), XXI, 217, VI, 22. 
B. nulapin (roepen), XIX, 22 (Abs.). 

2. Sinambe, B. ulapin (aangeroepen worden), IX, 63 
(Pass. Dut. Ind.), 

3. Sumambe, B. nulapin, XII, 42 (Aor. Act.). 

4. Manambay, B. manlambayan, XIX, 56 (Act. Dur.). 
Sambega. S. samwega (heftigheid, geweld), B. sant osa (heftig), 

XVII, 138, XXII, 32. 
B. narabrama, XVII, 135. 
B. wel as, XIX, 25 (heftigheid). 
2. Kasambegan, B. bwat sambrama, VI, 106. 
Sambon. B. prawu (vaartuig), XXII, 32 (Malag. sambu).Ed. 

sa mbo. 
Sambhawa. S. oorsprong, oorzaak, mogelijkheid, geschiktheid, 
B. bhina! XIX, 94 (passend). De B. vert. foutief. 
B. kalëwihan! (oorsprong), XXI, 134. De B. vert. verkeerd. 
B. manliwatin (geschikt), XIX, 58. 
Saiii warttalia. S. samwarttaka (wereldvernietigend) , B. h u j a n 

api, XIX, 13. Z. sambarttaka. 
Sayat. B. sitsit (gescheurd), XIX, 126. 
Sayut. 1. Asajut, B. nandeg (weerhouden), XIX, 21. 
B. nararryanan (tegenhouden), VIII, 15. 

2. Masayut, B. manandëgan, VIII, 9. 

3. Sajuti, B. kaandëg, XXVI, 19 (Abs.). 

Sar. 1. Sumar, B. mi hik (zich verspreiden), VII, 27, XVII, 
110 (Aor. Act.). 
B. mamlëpëk, VIII, 168. 
B. sambëh, IX, 44, XIX, 50, XXI, 73. 
B. sumahab, XXI, 115, XXII, 13. 
B. samar. XXV, 74. 
B. katah, XXVI, 24. 
B. mamrik, XXVI, 34. 
Sara. S. sa ras (vijver, meer), B. toya, XXVI, 43. 
Sara. S. kern, merg, kracht, B. wiQesa (voortreffelijk), III, 
56, IX, 76, XV, 58, XVIII, 34. 
B. kawipesan (voortreffelijkheid), XVIII, 27, XIV, 14, 

XIX, 11. 
B. 9akti (krachtig), XVII, 86, XIX, 72, 128, XXIV, 6. 



SA RA KAT SaRABHaRA. 565 

B. putus (volmaakt), XVIII, 2. 
B. dahat (hevig), XIX, 83. 
B. lëwih (krachtig), XIX, 110. 
B. kumai)dël, XXII, 53. 
B. inandël, XXII, 74. 
B. mëlah, XXVI, 25. 

2. tan pasara, B. nisphala (krachteloos), II, 42, 43, V, 
31, XVIII, 25. 
Harakat. 1. Kasarakat, B. hëfisut (blijven hangen), XV, 68 
(Aor. Pass.). 
B. pasalenkat, XXI, 154. 
B. pasalehet, XXIV, 21. 
■^Saraga. S. hartstochtelijk, B. dahat rësëp, IV, 30, 33. 
B. sas ra ara, VIII, 39, XVII, 6 (verliefd). 
B. mail rësëp i, XII, 23. 
B. kasmaran, XXV, 82 (verliefd). 
B. rësëp, XII, 20, 35. 
Saratkala. S. ^aratkala (herfsttijd), B. ca^ih paubhaya,! 

VII, 32 (de B. vert. verkeerd). Ed. 9aratkala. 
Sarathi. S. wagenmenner, B. paiiorëg, IX, 25, XIX, 16, 72, 

XXIII, 54, 65, 66, XXIV, 6, 12, 13, 16. 
Sarad. 1. Saradsaradan, B. makarankaraha n, XXVI, 25 

naam van een spijs? 
Saranta. S. pranta (vermoeid), B. kas uw en, VII, 79. 
B. sahsara, XX, 19. 
B. satata! XXI, 17. De B. vert. foutief. 

2. Sinaranta, B. kamakëloan, VIII, 147 (Pass. üur,). 
B. saiisara (gekweld worden), XXI, 2. 

3. Manaranta, B. maüakitin (kwellen), VIII, 155 (x\ct. Dur.). 

4. Saranta, B. saiisara, X, 70. Conj. na weh. 

5. Anaranta, B. nakitin (kwellen), XXI, 31 (Act. Dur.). 
^Sarabali. 1 . M a s a r a b a 1 i , B. k ë u a s a r a w i 9 e s a (getroffen door 

groote kracht), Vlil, 166. 
Sarabliu (carabha). I. S. Cavabha (naam van een aap), XVIII , 
17. Zie Carabha. 
II. S. 9arabha (soort van hert), IX, 57. 
Sarabhakya. S. Carabhakhya, (genaamd Qarabha) , XIX, 40. 
Sarabhara. S. krachtvol, B. san e lëwih, XXIV, 247. 

2. Pisarabharan, B. yogya maiilëwihaii (zult moeten 
belast worden met) , III , 53. 



566 SARABHASA SaRDÜLAWIKRldlTA. 

Sarabhasa. S. heftig, onstuimig, B. sahasa, IV, 74, IX, 32, 57. 

B. tanpahinan, IX, 57, X, 47. De B. vert. onjuist. 
Sarayü. S. naam van een rivier, XXIV, 216, XXV, 38, 50, 
56, 107. 
■^Sarasa. S. watervogel, B. balibis (eend), XI, 2, XV, 65. 
Sarasah. 1. Sumarasah, B. masrambahan (zich verspreiden), 

XIX, 50. 
Saraswati. S. naam van eene godin, XXI, 79. 
Sari (sari). B. utama (het beste), V, 15. 

sari, B. onvertaald, VJI, 101, VIII , 215 (stuifmeel), IX, 53, 

XI, 59. 

B. non o (stuifmeel), V, 74, XXV, 36. 

B. këmban (stuifmeel), XII, 42. 

B. re buk (stuifmeel), XVI, 31, XXIV, 100. 

B. buna, IX, 56 (stuifmeel). 

2. Sari-sari, B. uttama lëwih (het allerbeste), V, 15, 

XII, 50, XV, 10. 

sari-sari, B. makakëmban uttama, VIII, 55. 
sari-sari, B. lëwih süksma (quintessens) , XIV, 21. 
Sarik. l.Sinarik, B. katatonin (getroffen worden), VIII, 145 
(Pass. Dur.). 
2. Sumarik, B. raanatoni, XXI, 82 (A.or. Act.). 
Sarisari. Sund. sasari, B. hëda namarian (onophoudelijk), 

XVII, 136. 
Saruni. naam van een bloem (Roomsche kamille), B. saroni, 

IX, 57, XVII, 118, 119, XXV, 9, 75. 
Saroja. S. lotus. Lamp. saruja, B. tunjuii, V, 70, VII, 36. 
Saroruha. S. hetzelfde, B. hetzelfde, XI, 59. 
*Sarosa. S. toornig, B. sahasa, III, 27, VI, 54, XXIII, 16, 
XXIV, 15. 
Sarjjawa. S. rechtschapen , oprecht , B. d a h a t m a n i s , 
XII, 36. 
B. halëp, XXI, 92. 

B. ar urn mamanis (vriendelijk), XXIV, 109. 
B. ma nis, XXIV, 229. 
^Sanlülawikrldita. S. ^ardülawikridita (tijgerspel) , naam van 
een versmaat (vgl. Kern, Wrttasancaya , 88, Kedara, 3, 
141, Colebrooke, 163, Weber, 398), B. magalak kala 
rin pran! VII, 54, De B. vert. foutief. 
B. mawak macan rin samara! XIX, 87. 



SARPPA SALAHASA. 567 

B. ma eau malaga! XXI, 146. De Ed. op alle plaatsen 
9 a r d ü 1 a w i k r i d i t a. 
Sarppa. S. slang, B. nanipi, XXI, 138. 
■^Sarwwjiksimapraila. S. alle wenschen vervullende, B. sarwa 

surasa, III, 38. 
^Sarwwabhüta. S. alle wezens , B. s a 1 w i r in m a h u r i p , XXII, 5 1 . 
*8arwwabhoga. S. alle genietingen smakende, B. kapëpëkan 
bhukti, VI, 141. 
Salak. B. onvertaald (soort van vrucht), XVI, 45, XXVI, '25 

(zalacca edulis). 
Salaka. B. onvertaald (zilver), XXV, 89. 
Salaugap. 1. MasalaLJgapan,B. mamrihan (verplaatsen) , XV , 

63 (V. spelende apen). 
Salansan. I. B. mëgat-pëgat, muziekinstrument? XXVI, 24. 
IL Sinalansan, B. hëiisutan (vastgestokeu worden) , XVII , 
123 (Pass. Dur. Ind.). 
*Salanipe. B. pamarggi (weg), XXVI, 22? 
Salaya. B. makanagara! schuilplaats, XXIV, 62. 

B. wad ah (bergplaats), XXIV, 247. 
Salaya. Mad. iiëlajë (partijdig), B. suralaya! XI, 53 (aan 

een kant). 
Salawuwina. B. masasulinan (met de lawuwina (z, d.), 

XVI, 10. Ed. ma lawuwina. 
Salah. B. pëlih (missen), II, 34, XXI, 99 (verkeerd) , XXIII, 
26 (gespaard), 65, VI, 179. 
B. dudu (verkeerd), III, 75, VI, 194, VIII, 119. 
B. iwan, VIII, 118, XVIII, 28, VI, 12, XIII, 3. 
B. onvertaald, XIII, 38 (ten onrechte), VI, 180, XIV, 28, 69. 
B. kasisipan (verkeerd), XIV, 66. 
B. iwanan, XXI, 83 (gebrek), XIII, ÖS, XIV, 18. 
B. niwanan, XXIV, 192 (onrechtvaardig), XIII, 40, XX, 42. 
B. si sip, IX, 57, XIV, 22, XXI, 77 (ongepast), XIII, 60. 

2. Salaha, B. kaiwahaii (zou verkeerd zijn), X, 56. 
B. sisipa, X, 59 (zou gemist worden). 

3. Sinalah, B. iwanan (in 't ongelijk gesteld worden), XIV, 
22 (Dur. Pass. Ind.). 

4. Kasalah, B. papëlihan (gemist worden), XX, 48 {Xov. 
Pass. Ind.). 

5. Salah ton, B. edan (verblind), VI, 61. 
Salahasa. B. halah këneh (teleurgesteld), III, 9. 



568 SALÖ — sawADaNA. 

B. üalah hidëp, VI, 31, XVII, 54. 

B. cogah (ongeduldig), IX, 26. 

B. kasalah kënëhan (teleurgesteld), XI, 92, XII, 6. 

2. SalahasaD, B. iialah karsa, I, 55. 

3. Manalahasa, B. makënëh nisla, XXi, 111. (Act. Dur.). 
Salö. B. sëlahau (tussclienruimte) , XXIV, 66, bank (N. J. 

salu, Bis. Bik. salog (zitbodem, vloer), Jotafa sar (zit- 
bank, tafel). Z. Bijdr. Kon. Inst. 1900, p. 154. 
Salit. 1. Asalit, B. masalit (scherp).? VIII, 58, IX, 82 
(van de slagtanden gezegd). 
2. Masalit, B. onvertaald, IX, 35. 
ISaliu. Mal. Sund. hetz.. Bug. Mak. sa 1 in. 1. Asaliu, B. inaseh 
(zich verkleeden), XVII, 113. 
B. mëseh, XXII, 10. 
B. mënahan, XXIV, 137. 
2. Masalin, B. mëseh, XXIV, 89, 138. 
Saliiua. B. salimar (naam van een boom), XXV, 14. 
Saliinitët. 1. Analimpëtakën, B. man iii ca iian (wegsluipen), 
V, 42 (Act. Uur.). 
■^Saliiiibe. B. matuntun (leiden), XXVI, 22. 
■^Salila. S, sa lila (spelend, schertsend), Iwir mrta! XXIV, 89» 
(])e B. vert. foutief). 
B. wus asiram! op ... gemak, XXVI, 22. (De B. vert. 
verkeerd). 
Salilainaya. S. üit water gemaakt, uit water bestaande, B, 

tirtharüpa, XXIII , 61. 
Salihotra. S. Calihotra, eigenn. v. e. groot kenner van 

paarden, B. kaksimatra? XIX, 16. 
8aluk? 1. Analuki, B. mahelegan, steken? XXII, 63 (Act. Dur.). 
8aluklik. B. pingan, naam van een vogel, XXIV, 109. 
■^Salobha. S. hebzuchtig, B. kabwatan, III, 74. 
Sawa. B. carik, soort van slang, XXV, 30. 
Sawan. 1. Sawan-sawan, B. Iwir (het uitzien), XIX, 129. 

2. Asawan-sawan, B. lolohan! XV, 29. 
Sawat. 1. Sinawat, B. kapanah (geworpen worden) , XIX , 85 
(Pass, Dur.). 
B. matitis, XIX, 105. 

2. Sumawat, B. hetzelfde, wierp, XXIV, 7 (Aor. Act.). 
Sawadana. S. sawadhana (opmerkzaam), B. adu harëp, 
XII, 23. 



SAWARl SAWUR. 569 

Saw.arl. S. gabari (boschbewoonster) , B. kiuari, VI, 98, 104. 
De Ed. op beide plaatsen gawari. 
■^Sawargga. S. met ... geslacht, B. sakadan, XXII, 21 (het 
geheele geslacht), VI, 197 (met zijn geslacht), XIII, 68, 74. 
B. kawarggi (verwant), XIII, 60. 
B. sakahcana, XX, 80, XXV, 28, 30. 
Sawah. Mal. Suud. hetz. B. carik (rijstveld), VII, 6, XXV, 87. 

2. Masawaha, B. macarik, XIX, 96 (Juss.) , bebouvre rijst- 
velden. 

3. Asawah, B. kacarik, XXIV, 68 (rijstvelden bebouwen). 

4. Sawah-sa wahan, B. carik lalahan, XXV, 87. 
Sawi. I. Sawyakën, B. l)rarakan (worde weggeworpen)! 

XVII, 59. 
II. Sasawi, B. onvertaald [één mostaardkorrel), XV, 63. 
Sawit. B. masëlimpët (band), VIII, 37, VI , 179 (omwinden). 

2. A sa wit, B. masampët (zich omwinden), XXII, 51. 

3. Asawita, B. lilitan (omwind u), VI, 170 (Juss.). 

4. Asawiti, B. tnasalimpët (omwond zich met), VI, 171. 
*Sawitai*kka. S. nadenkend, argwanend, met vermoeden, B. 

karakët, VI, 50. 
Sawismaya. S. verbaasd, B. sage re ban, XVIII, 37. 
B. ga wok, XX, 36. 
B. kagawokan, XXI, 157. 
B. nora newehan, XXIV, 14. 
■^Sawisinrti. S. vergetende, B. anak wruh! VII, 84. 
Sawun. 1. Manawun, B. patëmu (samentreffen), XXIV, 20 
(Act. Dur.). 

2. Siuavvun, B. madu! vereeuigd, XXIV, 125 (Pass, Dur.). 

3. Sumawuh, B. mauëtnuan (samenbrengen), XXVI, 30 
(Act. Aor.). 

Sawur. 1. Sinawurau, B. tinibauin (bestrooid worden) , III , 
4 (Pass. Dur.). 

2. Sinawurakën, B. sambëhan (uitgestrooid), XII, 47 
(Pass. Dur. Part.). 

3. Sumawur, B. ruru (zich verstrooien) , XV, 68 (Aor. Med.). 
B. sambëh (zich verspreiden), XXIV, 105, 100, XVI, 31 , 34. 
B. mabriyok, XXIII, 67. 

B. tiba, XXIV, 29. De B. vert. onjuist. 

4. Manawurakën, B. mauambehan (uitstrooien), XXIII, 
68, 72 (Act. Dur.). 



570 SA9ESA SASAR. 

5. Kasawur, B. mabrarakan, XXVI, 5 (Aor. Pass.). 
Sacesa. S. de geheele rest, B. lunsuran, IV, 19. 
Sa^oka. S. bedroefd, treurig, B. lëwih suüsat, VII, 81. 

B. duhkita, VIII, 91. 

B. suüsut, IV, 68, VIII, 40. 

B. dahat lara, IX, 57. 

B. lëwih sëdih, XI, 89, VI, 129. 

B. masëdih, XV, 66. 

B. masusupau! XI, 2. De B. vert. foutief. 

B. dahat duhka, III, 44. 

B. kabranten, XI, 92. 
Sa^obha. S. schitterend, B. lëwih ujwala, II, 54. 

B. lëwih mabhra, XI, 58. 

B. mabhra, XI, 83. 

B. jwalita, XII, 42. 

B. lëwih birama (verheugd), XXIV, 89. 

2. Sagobha, B. suteja, XI, 1. 
Sa^ri. S. schoon, B. halëp, XII, 22. 

B. padi! II, 11. De B. vert. foutief. 

B. ramya, XVI, 34, II, 10, XI. 21, 83, XII, 1. 

B. hayu, XIX, 22, XI, 1, 8, XXIV, 13. 

B. bëcik. XXIV, 242, VI, 3, VIII, 59, XI, 51. 

B. asin, IV, 32. 

B. karacmi, VIII, 71, 161, IX, 44, XXVI, 27. 

B. kagunan, XXIV, 96, 208. 

B. kabëcikan, XXV, 38. 
Sa^riya. hetzelfde, B. rara pin, XVII, 10. 
■^Sa^wa. S. met paarden, B. sahajaran, IX. 32. 
Sasak. 1. Manasaka, B. mamarggi man usup (om binnen te 

gaan) VI, 130. 
Sasan^aya. S. sasam?ava (ongerust), B. san deha, XXIV, 195. 

B. lëwih saudeha, fll, 42, XXIV, 22. 
Sasanjata. B. sawarayan (met zijne wapenen), XXIII, 64. 
Sasat. B. këset (gescheurd). XIX, 126. 
■'''Sasana. S. met zetel! B. agama, XIII, 49. De B. vert. foutief. 
Sasambhawa. S. waarschijnlijk, B. apan doh, III, 57. 
Sasar. Sund. hetz. (ijlen), Mal. sasar (dwalen), B. kadudö 
(zondig), XIV, 17. 

B. masusupau, XV, 55, naar alle kanten. 

2. Man as ar, B. o bah (afdwalen), VIII, 155 (Act. Dur.). 



SAMASUKADUhKA 8AHAJA. 571 

B. pëlihan, III, 80. 

3. Kasasar, B. du sta (verdwaald), VI, 127 (Aor. Pass.). 

4. Asasaran, B. masusupan (dwalen), VII, 55 (van meer- 
dere subjecten gezegd). 

5. Masasaran, B. hetzelfde, VIII, '215, IX, 57, X, 59. 
B. masëluran, XIV, 36 (dwalen). 

6. Anasar, B. nusup, XXIII, 62 (Act. Dur.). 
^Saiiijisukadiilika. S. saraasukhad uhkha (in vreugde en smart 

deelende), B. sajëlemëlah, I, o\). 
Sasurabhi. S. welriekend , B. s a p u r i 1 ë w i h , XXIV , 96. 
Sasoiiiyaiiiaya. S. sasaumyamaya (op de soma betrekking 

hebbende), B. lëwih halëp mateja, I, 27. 
Sasvvata. S. ^a^wata (duurzaam), B. rahayu! XVIII, 42. 
(De B. vertaling verkeerd). 
B. mëlah! XXIV, 176 (De B. vert. foutief). 
B. tërus! XXIV, 185. De Ed. op alle plaatsen ^agwata. 
Sah. l.tan sah,B. tan mari (onafgebroken), XVI , 33 , XIX. , 27. 
tar sah, B. hetzelfde, XXIV, 200. 

2. Kas aha, B. adoh (moge gescheiden zijn), IV, 35. 
B. pasaha, XXI, 61. 

B. pa sah, XXI, 7 (Aor. Pass. Opt.). 

3. Kasah, B. adoh (achtergelaten), IV, 21 (Aor. Pass.). 
B. katingal, VI, 41, XXI, 25. 

B. balu (gescheiden), VII, 19. 
B. papasah, VIII, 108 (gescheiden). 
B. belas, VII, 22, XXIV, 222. 
B. pasah, XVII, 46. 
B. mari, XIV, 70. 

4. Saha, B. belas (zal scheiden), XXI, 13 (Put.). 
Saha. S. met, alsmede, B. miwah, XVI, 6, XVII, 91. 

B. onvertaald, XVIII, 17, XXI, 205 (en), XXVI, 44 (met). 
B. tëkanin, XIX, 13, XXIII, 67, 72, XXI, 207 , 217 (en), 
XI, 18, III, 37. 
Salian. Day. Tag. hetz. (sterkte), Mad. saan, B. manësiu 
(heet), XXIV, 76. 
B. huyaü, XXV, 24. 
2. Asahan, B. lal ah (scherp), XII, 53. 
B. papasah, XXIV, 42. 
SaliJija. S. aangeboren, natuurlijk. Mal. hetz. B. wyakti 
(waarlijk), XV, 63, XXV, 14 (voornemens). 



572 SAHAPEAQAMYA SAHARSA. 

B. sawyakti, XXIV, 250, XXV, 57, 58, 79 , 84 , XXVI , 25. 
B. sasajan, XXIV, 103. 
Sahapranaiiiya. S. met eerbiedsbetuigingen , B. in i w a h panak- 

sama, X, 67. 
Sahab. 1 . S u m a h a b , B. m a n 1 i p u t (in menigte komen) , II , 33 
(A.or. Act.). 
B. manitër, IV, 69, IX, 38. 
B. masrambahan, XIX, 115. 
■^Sahabala. S. met legermacht, B. tëkanin wadw^a, V, 1,28, 
XV , 1 , XVIII , 49. 
B. sa ha panjak, V, 82, IX, 33, XXIII, 52. 
B. watëk bala, IX, 12. 
B. tëkanin panjak, IX, 85. 
B. sakweh nin wadwa, X, 46. 
B. wadwa, XII, 58. 
B. mwah paiijak, XXI, 162. 
■^Sahabhrtya. S. met dienaren, B. tëkanin wadwa, V, 8. 
B. miwah paiijak, XVIII, 40. 
B. sahakahula, XVIII, 50. 
■^Saliaiiiüla. S. met wortel en al , B. s a r w w a m ë 1 ë t i k , XXIII, 33. 
B. Iwir tinandur, XXIV, 34. 
Sahaya. S, makker, gezel, kameraad, Mal. sa ha ya (dienaar, slaaf) , 
B. kanti, Xill, 49, 71 (bondgenoot). 
B. kantian, XIII, 50. 
B. rowan, V, 31. 

2. Sahaya, B. sahiii (zij bondgenoot), VI, 90. 

3. tan pasahaya, B. nora masanjata (zonder helper), 
X, 31. 

B. nora marowaii, IV, 66. 

tamau pasahaya, B. nora marowaii , hetz. versterkt, V, 10. 
Saharsa. S. verheugd, B. suka, II, 7, VI, 158. 
B. dahat tusta, II, 11, 25, 44, 56, 58. 
B. tusta, II, 77, III, 41, 85, XVII, 111. 
B. aiirësëpi, II, 61. 

B. lëwih tusta, XIX, 43, V, 79, VI, 150. 
B. sakahyun, XIX, 59. 
B. sasmita, IV, 48, XVI, 14, XX, 26. 
B. onvertaald, VI, 203, VIII, 8, 209, IX, 59 (saharsa). 
B. enak, VII, 107, XI, 11, VI, 199. 
B. kalulut, XI, 59, XII, 30, 36, XX, 31. 



SAHAWIDHI — SAHUT. 573 

B. giran, XXI, 156, 181, XXIV, 254, XXIII, 67. 
Sahawidhi. S. volgens 't voorschrift, B. onvertaald, XXI, 205. 
Sahauiiiri. S. met de luit, B. tnasasulihan , XII, 23. 
Salia^auka. S. saha^ankha (met mosselschelp), B. te kan in 

SU Au, XXIII, 72. 
Hahasa. S. heftig; brutaliteit, overijling, onbezonnenheid, B. 
parikosa (gewelddadig), IV, 59, 61, 62, XIV, 29. 
B. magalak (gewelddadig), II, 40, V[, 137. 
B. tanpanaha, II, 42, VI, 17, 19, XV, 56. 
B. wirosa, VI, 16, 20, 56, VII, 50, VIII, 5, 139, 142, 

IX, 85 (vermetel). 
B. kosa, IV. 45, XIX, 1, 128, VI, 19, XIII, 20. 
B. ma kosa, XIV, 33, IV, 64. 
B. onvertaald, XVIII, 5, X, 72. 
B. wirodha, VI, 67, VIII, 137. 
2. Sahasan, B. tanpanaha, XXI, 45. Gerund. 
Sahasika. S. gewelddadig, vermetel, B. hetzelfde, V, 82, 
XXII, 34. 
B. wirosa, X, 9, VI, 24. 
B. sahasa, IX, 27, 38. 
Sahasra. S. duizend, B. sadhana! XIV, 45. De B. vert. 
foutief. 
B. siwu, XV, 16, 51, 56, XVI, 41, XX, 60. 
2. Sahasra, B. siwu (al waren er duizend), XVIII, 48. 
■^Sahasrakirana. S. duizendstralig , B. siwu mat e ja, IX, 36. 
Sahasrajanma. S. sahasrajau man (duizend wedergeboorten), 

B. pin siwu uumitis, XXI, 30. 
Sahasrapatrji. S. s a h a s ra pa 1 1 r a (duizendbladerig) , B. siwu 
pawilanan! XVII, 19 (de B. vert. foutief.). 
*Sahasraiiiuka. S. sahasramukha (met duizend gezichten), B. 

simu mamwa, XXV, 72. 
*Sahasra^.at}i. S. honderdduizend, B. sewu atus, XIX, 53. 
Saliasraliari. S. naam van een of twee apen, XIX, 40. 
Sahitya. S. verbinding. B. kukuh, XII, 53. 
Sahisnu. S. geduldig, B. sauimesa! III, 20 (De B. vert. 
foutief). 
B. hu menen, XVII, 35. 
8ahut. B. il u tg ut (happen), XXIII, 47. 
ar sahut, B. ngutgut, XXII, 88. 
2. Asahut, B. magutgut, VI, 162. 



574 SAHUU sëKAU. 

3. Kapisahut, B. magutgut, VI, 164, XXIII, 80 (Pass. 
Accid.). 

4. Sinahut, B. kagutgut (gebeten worden), VIII, 21, 
XXIII, 17 (Pass. Dur.). 

5. Mauahut, B. mangutgut (bijten), XII, 36 (Act. Dur.). 
B. mai'iirëtaü, XX, 73. 

6. Anahut, B. nutgut, XIX, 74, 107. 

B. angutgut, XXI, 219, XIX, 80 (Act. Dur.). 

7. an pa na hut, B. manu tg ut, XIX, 110, XXII, 5 (met 
nadruk op 't vorige woord). 

8. Masahut, B. magutgut, XXI, 215. 

Sahur. Mal. sahut, B. nahurin (antwoorden), I, 45 (luf.). 
B. masahut, Yl, 5 (luf.), IV, 49. 
B. pas ah ut (antwoord), VIII, 136 (Subst.). 
B. onvertaald (antwoorden), XIII, 97 (Inf.). 

2. Sumahur', B. mojar (antwoordde), I, 42, 56, II, 40, 
III, 52 (Aor. Act.). 

B. nahurin (te antwoorden), I, 52 (Inf.). 

B. matur (Ind.) , V, 22, XXI, 201, XXIV, 168. 

B. masawut, V, 47, 54, 61, IV, 36. 

B. mahatur, XXII, 9, XXIV, 154. 

B. atur, II, 31. 

B. masahut, VIII, 127, V, 17, X, 1. 

B. umojar, V, 29. 

B. masahur, VIII, 15, XXI, 62. 

3. Sahuri, B. sahutin (worde geantwoord) , VI , 37 (Imp. 
Pass.). 

4. Sahura, B. aturah (zij 't antwoord), XIII, 41 (Juss.). 

5. Pasahuran, B. pasalin sahuri n (beantwoord worden), 
XVII, 103. 

6. Sahurën, B. bajahin (zal vergolden worden) , XXI, 101 
(Eut. Pass.). 

7. Panahur, B. mamalës (vergelding), XXI, 116. 

8. Panahura, B. tahurah (zal de vergelding zijn) 
VIII, 200. 

9. Asahur, B. nahutin (antwoordde), XIII, 39. 
Sahya. S. te verdragen, B. pada, XXIV, 243. 
Sëkar. B. onvertaald, bloem, III, 5, IV, 29. 

B. këmban, V, 74, IV, 28. 

B. puspa, VIII, 86, 96, II, 18, VI, 36. 



sëKCL — sëi'iHiT. 575 

B. buiia, V, 28, 64, 65, 69. VIII, 93, 154, 162, 

XXV, 86. 
B. kam ban, XVII, 107, 117. 
B. Masëkar, B. m as urn pin (versierd raet bloemen) , II , 64 , 

XIX, 2, VIII, 28, 37. 
B. mapuspa, XVI, 22, 37, IV, 32. 
B. mabuna, XXII, 10, XXV, 9, VI, 127. 
B. makëmban, XVI, 39, XXV, 86. 

3. Sumëkar, B. këmbati (ontloken), V, 70, VI, 118, 
XI, 83, XII, 1 (Aor. Med.), XVI, 15. 

B. mbabar (ontluiken), XVI, 14. 

4. xisëkar, B. puspa (voorzien vau bloemen), VIII, 163. 
B. masumpiii, XVII, 113. 

5. P i 11 a k a s ë k a r , B. d a d i b u n a (tot bloem strekken) , 
IX, 44. 

6. Asëkara, B. mbunayan (bloemen te dragen) , XVII, 121 
(Conj. na mahyun). 

7. npakasëkar, B. makabuna, XXV, 83 (raet nadruk op 
't vorige). 

8. an pasëkar, B. makëmban, XXV, 86, XXVI, 25. 
Sëkël. 1. Asëkël, B. sufisut (bedroefd) , V , 3. 

B. nopëkan, VII, 8, VIII, 110. 

B. cëkën, VU, 9. 

2. Masëkël, B. sunsut, VIII, 104. 

B. hënëk, XXI, 33. 
Sëkul. Bis. sokol. Mak. sonkoloq (in de wasem gekookte 

rijst), B. nasi (rijst), I, 28, III, 21, XXII, 10. 
Sëgëh. B. swagata (onthaal), XXIV, 110. 

2. Pasëgëh, B. panambrama (verwelkoming), XVII, 132. 
Sënka. 1. Sënka.B. penekin (oploopen), XV, 41 (Conj. na y an). 

2. Sumënka, B. namënekan (^bestijgen) , XVI , 8 , 22 
(Aor. Act.). 

B. namëngahari, XIX, 52. 

3. Sënkan, B. mënekan, XXVI, 42. Gerund. 
Sënsön. I. M a s ë n s ö n , B. m a s ë b u n (nestelen) , XX V , 70. 

II. B. panëpsëp ('t zuigen), XXVI, 34. 
Sënhar. 1. Masënhar, B. hëóab (scherp), XXV, 91. 
Sènhit. Day. Tag. sanit (norsch). 1. Masënhit, B. krodha 
(vertoornd), IV, 74, V, 1 , X, 13, XIII, 23. 

B. manrodhayan, VIII, 213. 



576 sëcJAH — sëNö. 

"B. branti, X. 24. 

B. m a m b r a n t i a n , II , 36. 

B. rarantian, IX, 58, 61. 

B. imutimutan, lY, 67. 

3. Asëiihit, B. krodha, IX, 26, III, 64. 

B. braiiti, IX, 59, III, 62. 

3. Kasëühitakëna, B. krodhayan, V, 7. Aor. Pass. Conj. 
Sëdah. 1. Sumëdah, B. onvertaald, gisten ? XXVI, 25. 
Sëdëk. l.Sumëclëk, B. mandësëk (iueengedrongen) , IV, 53. 

B. iiasor, XXIV, 102 (gebogen). 
Sëdën. B. kaïa (tijd), I, 29, III, 37, 49, IV, 17. 

B. onvertaald (terwijl), II, 33, 51 (toen), 78, VI, 73 (toen) , 
83, 169, VIII, 39 (terwijl), 190 (tijd), VII, 79. 

B. nëdën (juist), VI, 89, II, 2, VIII, 194. 

B. n and ah (passend), VI, 92, XIV, 2. 

B. mëhpön (terwijl), IV, 42, VI, 3, VIII, 148. 

B. raanëdëh (nog), V, 30, XII, 24, 63. 

B. ri ka la (toen), VI, 34, III, 6, V, 25, 65. 

B. duk (toen), III, 16, VII, 88, 103, 199. 

B. lamun (als), IV, 35. 

B. ra ë M p ë n , VIII , 1 4 (ontloken) , 64 (nog) , V , 70 (juist) , VI , 
3 (nog). 

2. Manëtlëa, B. hetzelfde (ontloken), VI, 115, 118, 127 
(juist), XVI, 23 (ontloken), 36. 

B. mamënpën (in bloei), VIII, 162, 163. 

3. A nëdën, B. hetzelfde, VII, 36. 

B. mënpöh, XVI, 24, 33, VIII, 86 , XI , 55 , 56 (ontloken). 

4. Sëdën-sëdën, B. alit-alitan (van matige grootte), 
XV, 24. 

Sëndi. B. onvertaald (stut, onderstel), XXV, 14. 

Sënaddlia. S. sarhnaddha (gereed), B. srëgëp, II, 68, 

III, 33, 42, IX, 10, 22, 75, XIX, 34, XXI, 161. 
Sënën. B. rabi (vrouw), VIII, 149 f geliefde). 

2. Masënëna, B. marabi (om zich te verlustigen), XXIV, 
102 (Conj. na asyan). 
Sënö. Sund. sönö (vuur). Mal. si nar (glans), B. teja (glans), 
XIV, 38, II, 10, XIV, 37. 
B. prabha, XII, 40. 

B. katejan, XV, 49, XXII, 45, XXIII, 73. 
2. tamar pasënö, B. nora maprabha (glansloos), V, 69. 



sëNÖT sëMPAL. 577 

3. Sumënö, B. teja (glanzend), VII, 64. 

B. raateja, VIII, 56, 58, XXI, 135, XVI, 9. 
B. SU teja, XV, 59, XVII, 3. 
B. maprabha, XXI, 208. 

4. Kasënwan, B. uu nar in (verlicht) , XX [I, 80 (Aov. Pass.). 
B. kasunaran, XXIV, 248. 

Sënöt. 1. Masënötana, B. mënkëb (zich verschuilen), VI II , 

132 (Conj. na jadijan). 
Sëntiii. Mal. hetz. , B. onvertaald, naam van een bloem, XVI, 

23 (vgl. afb. Eumph. V, pi. 97, tig. 1). 
Sëntul. Mak. satulüq. Bug. satuq, Tag. san tol, B. kakan 

(naam van een boom) , XVI , 1 5 (s a n d o r i c u m i n d i c u m 

cav.). 
Sëpan. 1. Sin ë pan, B. sinëcan (rood gekleurd), XXVI, 24. 
Sëpat. B. onvertaald (soort van a rto ca rpu s vrucht) , XXIV, 1 17 

(Jav. soort, van visch) ? 
Sëpën. 1. Asëpën, B. siramin (sprenkelen), XXIV, 231 

(Jav. eenzaam, ledig)? 
Sëpër. 1. Sumëpër, B. maüiügahin (ging langs), V, 21 

(Aor. Act. Ind.). 
B. singah, XXV, 6. 

2. Sëpëra, B. hetzelfde, ging aan bij, V, 22 (Conj.). 

3. Sëpëri, B. singahiu (ga aan bij), VIII, 10, XXIV, 
213 (Imp.). 

4. tan panëpër, B. tanpajankah (zonder aan te doen), 
X, 28 (Mad. se per, Sund. samjjör). 

Sëbit. Sund. hetz. B. sibak (opengescheurd), XIX, 122, XXÏI, 50. 

2. Sinëbit, B. nëbit (uitgescheurd worden), IV, 8 (Pass. 
Dur.). Ed. sinëbët. 

3. Sëbitakën, B. maüibak, VIII, 6 (Abs.). 
Sëbsöb. B. ausëi'ian (lucht), XXIV, 95. 

Sëiui. 1. Masëmi, B. mëntik (uitkomen), XXIV, 96. 

2. Asëmi, B. nüda (uitbotten), XXV, 74. Bat. same. Hoc. 
sarmay. Mal. sëmay? 
Sëmu. 1. Asëmu, B. masawai'i (er uitzien als), XXIIi, 76. 
Sëiiint. B. onvertaald, mier, XIV, 42, XVII, 112. Mal. hetz. 
Sëmpal. Day. sampal, B. hë m pak (gebroken), VI, 26 , IX, 47. 
B. këtës, IX, 50. 

B. cemal (gebroken), VI, 51, 133, IX, 1, XIX, 83, XXI, 
174, 197, XXII, 47. 

37 



578 sëMBAH. 

B. kahëmpak (afgebroken), IX, 45, 52, 

2, Sinërapal, B. kasërapëg (gebroken worden) , XXII , 50. 
B. hinëmpak (gebroken worden), XXII, 56. (Pass. Dur.). 

3. Sëmpalan, B. manjanan! stuk, XXVI, 22. 
Sëiubah. B. pan uu as (eerbewijs), XXV, 2, XI, 22. 

2. Sëmbahakën, B. bhaktinin (worde eer bewezen), X, 
20 (Imp. Pass.). 

B. manunas, XXVI, 39. 

3. Sumëmbah, B. nabhakti (eer bewijzende) , XI , 22 (Part. 
Aor. Med.). 

4. Sumëmbahakën, B. natura n (eerbiedig aanboden), 
II, 28 (Aor. Act.). 

5. Manëmbah, B. nabhakti (eerbiedig begroeten), II, 53 
(Ed. manambah), 64, 65, XIII, 18, XVII , 69, 82 , XVIII, 
11, 28, 51, V, 36, III, 85, VI, 60, 202, XXVI, 38 
(Act. Dur. Ind.). 

6. Manëmbaha, B. manasor, II, 75 (Act. Dur. Conj.). 
B. nabhakti, VI, 4 (Fut.), XIH, 85, 95, XIV, 18, 45 

(Act. Dur. Conj.). 

7. Manëmbanëmbah, B. nunasan (al smeekende) , II , 70 
(Act. Dur. Freq.). 

8. Sinëmbah, B. bhaktinin (eer bewezen worden) , III , 86 , 
XVII, 133 (Pass. Dur.). 

9. Anëmbah, B. nabhakti (eerbiedig begroeten) , VI , 1 68, 
XI, 6, IX, 9, XV, 36, XXI, 200. 

B. mapamit, X, 39 (Act. Dur. Ind.), 
B. manunas, XXIV, 259, XXVI, 19. 

10. yar panëmbah, B. ya numbah (eerbied betuigende), 
VI, 199 (met nadruk op 't vorige). 

ar panëmbah, B. maüumbah, VIII, 187, XXIV, 128. 
an panëmbah, B. nabhakti, VIII, 135, XV, 69, XVII, 
92 (dat eer bewees). 

11. panëmbaha, B. nabhakti, XIII, 9 (Juss.). 
an panëmbaha, B. bhakti, XIII, 4 (Conj.). 
B. nabhakti, XIII, 83. 

12. Sëmbahën, B. bhaktinin (moet eer bewezen worden), 
XIII, 9, 97, XXIV, 213. 

B. siniwi, XVII, 10 (Imp. Pass.). 

13. Anëmbaha, B. nabhakti (eer te bewijzen), XVIII, 40, 
XUI, 80 (Act. Dur. Conj.). 



seMBun — sëseR. 579 

14. Sinëmbahakën, B. katunas (eerbiedig aaogeboden 

worden), XX, 77 (Pass. Dur. Ind.). Mal. hetz. (Vgl. sambah). 
Sènibun. B. onvertaald, naam van een plant (conyza odorata), 

XXV, 74 (Mal. Sund. betz. , Tag. sambon). 
Sëmbur. 1. Asëraburan, B. sambeh (zicb verspreiden), 

XXV, 36. 
Sëmsëm. 1. Sin ëmsëmakën , B. kahububan (onder water 

gebonden worden), XXIII, 41 (Pass. üur. Ind.). 
Sërën (srën). 1. Masrën, B. gansar, XX, 10 (haastig). Mak. 

s a r a II . 
Sërët. 1. Masrët, B. sërak (heesch), XIX, 29, v. tranen. 

2. Asrët, B. hetzelfde, XXI, 33 (biggelen?) 
Sërëp (srëp). l.Kasrëpan, B. kapitrsnan (verkleefd), VIII, 

165, 167 (Part. Aor, Pass.), aangedaan. 
B. kawëlasan, XXIV, 31 (meewarig). 
Sërëh. Jav. suruh, B. base (sirih), II, 20. 
Sela. 1. Sëla-sëla, B. sëlag-sëlagan (tusschenruimte) , XI , 

73, 84, XV, 54 (spleet). 

2. tamanpasëla, B. nora hëmbah (zonder tusschenruimte, 
onophoudelijk), XX, 47, 

3. tanpasëla, B. hetzelfde, XXI, 220. 

4. Masëla,B.masëlag, XXV , 84 (met tussehenruimten van) . 
Sëlan. 1 . S u m ë 1 a n , B. s u m i m p a n (afwisselen) , XIX , 2 1 

(Aor. Act.). 
B. nambilan (tegelijk doen), XXVI, 25. Bat. salan, 
Sëlat. B. sëlag (tusschenin komen), XXVI, 12. 

2. Sumëlat, B. maüëlag, onrein, XIV, 55 (Aor. Act.). 
8ëlët. 1. Sëlëtakën, B. kësetah (worde in orde gebracht), 

XVII, 125 (Imp. Pass.). 
Sëlak. 1. Masëluk, B. in aiowok (half dicht geknepen), IX, 

36 (van de oogen). 
Sëwö. 1. Masëwö, B. mapadapa (ontspruiten), XXIV, 96. 

2. Asëwö, B. hetzelfde, XXV, 43. (Sund. söwöh). 
Sësëk. Z. sësök. 
Sësëb. 1. Sinësëb, B. sisir (opgestapeld), XX, 44. 

2. Sësëbau, B. mahëban, XXVI, 25. 
Sësër. I. Sësëran, B. buiikun (ring) , III , 24 , IV , 32 , XVII, 
3 (sësran), XXIV, 61, ring van één omloop. 
U. Kasësër, B. katindihan (teruggedreven worden) , XIX , 
86 (Aor. Pass.). 



580 sësöL — SI. 

B. kasësëh, XXIII , 38. 

2. Masësëran, B. rurus (schuiven), XXIV, 61. Mal. sësar. 
Sësöl. Sund sösöl, Bug. sa sa, Mal. Atj. sësal, Uay. sasal. 
B. iiëlsël (verwijten), XXI, 32 (zich beklagen). 
2. Manësël, B. masëlsëlan, V, 3 (verwijtingen doen), 
XXII, 41. 
Sësëh. I. Masësëhan, B. masëbun (nestelen), XVI, 38. 

2. Masësëh, B. hetzelfde, XXV, 67 (zich nestelen). 

3. npasësëh, B. hetz., XXV, 14. Jav. susuh. 
II. Kasësëh, B. hëhës (verbrijzeld), XIX, 107. 

Sësök (sësëk). B. këbëk (vol), IX, 75, XVI, 7. 

B. hibëk, IX, 77, X, 72. 

sësëk, B. kebëk, XVin, 13. 

sësök, B. pënuh, XIX, 50. 

B. bëlbëlan, Vm, 110. 

B. ëbëk, XV, 35, XXII, 52, 54. 

2. Asësëk, B. titib, VII, 47 (Vgl. sök). 
Sök. B. opëk (vol), II, 54. 

B. këbëk, IX, 12, vol. 

B. ëbëk, XXII, 52. 

B. bök, XXII, 54. 

B. kat ah (talrijk), XIX, 84. 

B. kësël (benauwd), XX, 44. 

B. tanpasëla (dicht opeen), XVIII, 13. 

B. pënuh (vol), XXVI, 24. 

2. Sumök, B. sumëmbur (vervulde), XIX, 125 (Aor. Act.). 

B. nëlëbut, XXII, 51. 
Sön. 1. Sumön, B. sëndu (warm zijn), XXI, 73. 
Si. Vgl. B. T. L. V. 1899, p. 108. B. san! soort van lidwoord 
voor eigennamen zonder titel of rang , 1 , 53 (liefkoozend) , 
II, 23 (geringschattend), 24, 26, 27, III, 3 (liefkoozend), 
IV, 5 (geringschattend), 51. 

B. i , geringschattend) , II , 7 1 , IV , 58 , V , 6 , 22 , 26 (lief- 
kozend) , 30 (geringschattend), 34, VI, 153, XIII, 23, 
XVII, 8. 

B. onvertaald, V, 3 (geringschattend), 21 (voor den naam van 
een wapen), 25 (liefkoozend), 31, XXIII, 41, 42. 

B. iba, VIII, 128 (geringschattend). 

B. nahi, XVII, 55. 

B. ni, VIII, 5. 



SlKëP SiriKUH. 581 

B. punika, XIX, 3 (voor den uaara van een wapen). Sund. 
Mal. Bat. Atj. Mak. Bis. Iban. Tag. hetz. 
Sikëp. 1. ar sikëp, B. kasahup (gegrepen worden) , IV , 54 , 
XXI, 188 (terwijl greep). 

2. S u in i k ë p , B. ra a n a h u p , IV , 8 (Aor. Act.). 

3. Sinikëp, B. juk, VIII, 19 (Pass. üur.). 
B. manahup! gegrepen worden, XIX, 107. 
B. h imp us, V , 18. 

B. kadisi, XX, 18. 

B. ëjuk, V, 42, 43, 44. 

B. kaëjuk, XVIII, 6, XIX, 109. 

4. Manikëp, B. maTiëjuk, VI, 156, 171, VIII, 18, XXI, 
214 (Act. Dur.). 

B. juk, VI, 162. 

5. Kasikëp, B. kagamël, XXI, 189 (Aor. Pass.). 
B. kaëjuk, XXIII, 41. 

B. disi, XXIII, 79 (Sund. hetz.). 
Siku. Mal. hetz. Jav. si kut. 1. Sin ik u, B. mahinkuk ! (ge- 
stooten worden), IX, 30 (Pass. Dur.). 
B. kasinguk,IX,31. 

2. Kasiku, B. hetzelfde, XXIII, 80 (Aor. Pass.). 
Siksa (^iksa). S. 9 ik sa (leering, les, tucht), B. mamriksain 
(straf), XXII, 34. 

2. Q u m i k s a , B. m a n r a h a y u a n (beheerschen) , XXIV , 58 
(Aor. Act.). 

3. Qiniksa, B. natas an, XIX, 90 (Pass. Dur.). 

Siga. 1. Siga-siga, B. sahasa, XXIII, 50 (gewelddadig). 

2. Kinasigan, B. ga lak (gewelddadig behandeld worden), 
VI, 160 (Pass. Dur.). 

3. Masiga, B. makosa (gewelddadig), XII, 55. 

4. Asiga, B. egar, XXIV, 110. 

B. magegas, XXIV, 244 (overmoedig?) 

5. Asiga- siga, B. manen gal ah, XXV, 98. 
Sin. B. onvertaald (die), VI, 191. 

Sini. B. panarëp (voorste), XXIII, 12. 

Sinkal). 1. tamatanpa sinkaban, B. norana g al an (zonder 

onthuld te worden), VII, 11. 
taman pasinkaban, B. nora sëngah, XV, 14. 
Sinkuh. 1. Kasinkuh, B. kalikad (belemmerd), XXIV, 122 

(Aor. Pass.). 



582 siDGi — siriHAsaKsaT. 

Singi. B. bnnkalan (brokstuk), XYII, 85, 

2. Ma singi, B. riganduhan (breken)? XXIII, 44. 
Singugü. B. kaju sëkan (naam van een boom), XXV, 74. 
Singul. 1. Kasihgul, B. narenden, gestooten worden, 

XXII, 52. 

Sinlar. B. c ë 1 i h (niet getroffen worden) , XXI , 1 76 (Aor. Pass.). 

B. nora kanin, XXIV, 18. 
Siiisal. B. këles (uitgetrokken worden), IX, 15, 

2. Sinsala, B. ging a na (wankelen), XXIV, 62. 

3. Kasinsal, B. pëlih (wegvliegen), XXI, 245. 

Sinsët. Sund. hetz. 1. Asinsët, B. gintiii (strak), XII, 53. 

2, Masinsët, B, tëkëk (stijf), XIII, 44. 
Sinlia. S. sim ha (leeuw), B. kesari, II, 17, 26. 

B. onvertaald, II, 27, III, 60, 77, VI, 55, 137, 162, VII, 
56, 58, IX, 21, 28, 73, XII, 61, XIII, 28, XIV, 38, 
VIII, 44, XI, 39, 40, XIX, 49, 69, 81, XX, 3, 

XXIII, 23. 

Sinhakara. S. s i rh h a k ^ r a (de gestalte van een leeuw hebbende) , 

B. Iwir sinharüpa, VIII, 62. 
Sinhakrti. S. simhakrti, hetzelfde, B. ulah galak, XIX, 17. 
Sinhatulya. S, siiiihatulya (als een leeuw), B, siüha upama, 

VI, *19. 
Sinhan3.da. S. siihhanada (leeuwengebrul, strijdkreet), B. 

Qabda magön, XX, 57, 

2. Masinhanada, B. maQabda galak (een krijgsgeschreeuw 
aanheffen), XIX. 42, 49, 70. 

B. 5abda ghora, XVI, 7, 

masinhê.nada, B, ma^abda ghora, XVI, 42. 

masinhanada, B. magalak, IV, 67. 

B. maswara galak, IV, 69. 

3. Asinhanada, B, ma^abda krüra, VI, 60. 
B, ^abda magalak, XIX, 15, 

B, ma^abda ghora, XXIII, 34, 
B. a?abda ghora, XX, 23, XXI, 160, XXIII, 23. 
B. ^abda krura, VI, 55. 
Sinhanaua. S. Siihhanana, naam van een aap, XIX, 41, 
Sinharüpa. S. s i m h a r u p a (de gedaante van een leeuw hebbende) , 

B. magoba sinha, XIV, 13. 
Siiihasaksat. S, simhasaksat (als een leeuw), B. sinha 
m a s a w a n , XII , 53, 



SinHaSANA SIDDHA. 583 

Sinhasana S. simhasana (leeuwenzetel, troon), B, pata- 
rana, III, 4, XII, 64, XV, 33, XXVI, 24, Mal. 
siiigasana. 

Siilhasya. S. Siiiihasya (naam van den wagen van DhAm- 
raksa), B. Sinhanaua, XXI, 166, 180. 

Sinliopaina. S. siiii hopama (als een leeuw) ,B. kesarilwirnya, 
XXI, 243. Ed. sinhoddhata. 

Sindi. 1. Masindyan, B. manambilan (zingen), XVII, 102. 
B. macanda, XVII, 103. Jav. s inden. Mal. sin d ir. 

Sita. S. naam van Ra ma 's gemalin, B. onvert. , II, 49, 51, 
52, 59, 63, 66, 70, IV, 50, VI, 5, 23, 25, 66, 82, 
143, VII, 49, VIII, 60, 63, 79, 91, IX, 59, X, 20, 44, 

XI, 13, 89, XVII, 1, 21, 55, XVIII, 23, 40, 47, XIX, 
6, XXIV, 200. 

B. Janaki, XXIV, 190, 202, VIII, 82. 
■^Sltkari. S. gitkari (de klank pit uitstootend , n.1. uit wellust), 

XII, 7. 

Sidëkuii. 1. Kasidëkun, B. salin sëntud (gebogen), 
VI, 164. 
B. manunkruk, XIX, 122 (gekromd). 
2. Masidëkun, B. raatimpuh (in gebogen houding geknield 

zitten), XV, 36. 
B. manëntud, XXVI, 18 (vgl. dëkuii). 
Siddha. I. S. bereikt, getroffen, gelukt, volbracht, geslaagd, 
B. dadi, VI, 134. 
B. onvertaald, VIII, 83. 
B. sadja, XI, 9 (geslaagd), XIII, 67. 
B. wënan, I, 41, bereiken. 
B. katëkan, XXI, 109. 
B. muputan, VIII, 83, volbrengen. 
B. pragat, XVII, 86, IV. 10. 

2. Siddha, B. mragatan, VI, 200 (Fut.). 
B. niddhayan, XI, 29. 

3. Kasiddha, B, pragatan, XIX, 94. 
B. maniddhayan, VIII, 191. 

B. kasaddhyan, X, 19. 

B. siddha, VII, 96, XIII, 21 (Aor. Pass.). 

4. Kasiddha, B. pragat, VIII, 12 (Aor. Pass. Conj.). 
B. kasadhyan, VI, 85. 

B. katëkan (bereikt), VI, 81. (Mak. Bug. siqra). 



584 SIDDHAWaK SIPI. 

II. S. volmaakte, zalige, ziener, soort van halfgod, B. de war si, 

XXIV, 9, XVII, 95. 
B. Qakti (volmaakt), XXI, 143, 204. 
■^Siddhawak. S. wiens woorden vervuld worden, B. siddhi 
wastu, XXI, 143. 
Siddhawakya. S. sidd ha wakhya, hetzelfde, B. siddhi panan- 

dika, XXV, 16. 
Siddhawara. S. voortreffelijkste der siddha's, B. dewa rsi, 

XXII, 83. 
Siddhasaiigha. S. schaar der siddha's, B. siddha sami, 

XIV, 12. 
Siddhi. S. volmaking, geluk, toovermacht, B. ^akti, IV, 13, 
14 (volmaakt), XXV, 92. 
B. wi^esa, XIX, 93 (Subst.), XXI, 230. 
B, kasiddhan, XX, 54. 
B. onvertaald, XXIV, 11. 
B. mandi, XXIII, 31 (toovermacht). 
2. Kasiddhjan, B. kasiddhan, XXIV, 84 (Subst.). 
Sidhu. S. rum, B. toja! VIII, 65, XXVI, 24. Be B. vert. 

foutief. 
Sinan. B. galan (helder), X, 72, XXII, 45. 

2. Asinan, B. hetzelfde, VIII, 55, XVIII, 87, XII, 34. 

3. Masinan, B. hetzelfde, XV, 49. 
B. dumilah, XXIII, 56 (stralend). 

Sinta. nomen proprium, XXIV, 251. 

Sindnra. S. menie, vermiljoen, Bat. sindura, B. barak, 
XXVI, 24. 
2. Sinindüra, B. widüra (roodgeverfd) , XXVI, 24. 
Siudürawarnna. S. meniekleurig, B. taiihirüpa, II, 10. 
Sipat. Mal. Atj. hetz. B. sipatin (lijn, streep), XVI, 3. 

2. Si pat -sipat, B. pamënëh pa tut (rechte lijn), XXIII, 
49, grens. 

3. Sasinipat, B. onvert., XXIV, 129. Pass. Dur. 
Sipi. I. B. dahat! eenigszins, II, 13. 

tan sipi, B. nora sapira (niet gering), IV, 62. 
B. tanpahinan (niet gering), VIII, 147. 
B. tanpaganti, VII, 23. 
B. tan pëgat, XXV, 56. 

tatansipi, B. kadahatan (geheel), XVII, 105, XX, 43 
(zeer), XXI, 177 (tatansipi). 



SIBÜ SIRAT. 585 

taman si pi, niet gering, XXVI, 25. 

II. B. si in p ir (geschramd), IX, 18, 31, XIX, 83 (mis, niet 

geraakt), 106, 124, XXI, 219 (ter zijde geraakt). Bat. 

Lamp. Mal. hetz. afketsen. 
Siba. 1. Masibü, B. hetzelfde (zich wasschen) , XXIV, 216, 

XXV, 39. 
B. siramin (zich wasschen), XXV, 51. 

3. Asibü, B. masiram, XXV, 24, 52. 

4. au pasibü, B. hetzelfde, XXVI, 2. 

Simpëu. 1. Kasimpën, B. bëcik! bewaard, VI, 196. 

2. Masimpëü, B. pii'iit (verborgen), XXI, 151. 

3. Mahasimpën, B. minitan (willen verbergen) , XXI, 150. 
Siiiipir. B. nampar (geschramd), IX, 18. 

Siinbau. Mad. hetz., slinger, B. sabatan, XVII, 85. 
Simsini. Mal. cincin, Day. tisin. Mak. cincin, Bug. cicin, 
Tag. Bis. siiisin. B. bunkun (ring), VII, 52 , XXIV, 106. 
B. ali-ali, XI, 22, VIII, 196, 207, IX, 43. 
2. Masimsira (met een ring), XXIV, 64. 
Sira. Bul. sera (zij). Bat. nasi da (zij), B. ida, hij (van voor- 
name personen), III, 14, I, 1 (een), 2 (hij), 3, 4 (hem), 
6 (hij), 7, 8 (hem). 
B. dane (hij), III, 18, 19, l, 9, 19, 23, 25, 30. 
B. san (een zekere), I, 22. 

B. onvertaald (hij), I, 34, 36, II, 73, 74, 77, III, 2, 6, 
8, 14, 15, 26, 28, 30, IV, 54, VI, 15. 
Siran (siran). B. ida san (hetzelfde met 't lidwoord), I, 33 
(zij), II, 31 (hij die), 36 (hij de), 60, 61, 64, 76, III, 
7, 11, IV, 14, VIII, 131. 
B. ya san, V, 9, VIII, 151, XI, 38, IV, 15. 
siraii, B. ida, II, 13, XXVI, 26, siran (hij), IV, 33, 36. 
B. dane san, XVI, 5, XXIV, 218, IX, 71. 
Siran. B. ida (hij dat), XXI, 60, XXV, 40. 

B. dane (hij toen), XXIII, 43 (vgl. sira en au). 
Sirar. B. ida, hetzelfde, doch deftiger, IV, 54, VI, 34, 158, 
XXI, 54. 
B. dane, V, 79, VII, 40, VIII, 104, XIII, 5. 
B. idane (hij toen), VI, 15, XVI, 22, XI, 46. 
B. danene, XIII, 16, XXII, 1, 49, 94, XXIV, 19, 22, 
134, 203, 238, XI, 58 (vgl. sira en ar). 
Sirat. B. palakëtik (uiteenspatten), XVI, 46, 



586 SIKAM SIWI. 

B. sambëh, XIX, 77. 

2. Sumirat, B. hetzelfde (spatte uiteen) , IX , 17, 28, XY, 22, 

60, XXI, 219, 246 (Aor. Act.). 
B. pakaleplep (stralen), XII, 40. 
B. makëcrot (uiteenspatten), XIX, 106. 
B. malatulatu (stralen), XX, 16. 
Siram. Mal. hetz. 1. Siniram, B. siramin (begoten worden), 
YIII, 160 (Pass. Dur.). 
2. Paniram, B. adusaii (middel om te wasschen), XXIII, 33. 
B. kasiraman, XXVI, 25. 
Sirëp. B. sasirëp (formulier om slaap te veroorzaken), VIII, 

29, XXIII, 26, 27, 28. 
Sirir. 1. Sumirir, B. nasirsir (blies), VI, 48 (Aor.). 
Silëm. Mal. sëlam, Mak. selan. Bul. tilalëm, B. sadalëm 
(duiken), XXIV, 215. 

2. Anilëmi,B. nilëmin (duiken naar), XXIV, 104 (Act. Dur.). 

3. Sumilëm, B. manilëm (dook), XXV, 59 (Aor. Act.). 
Silit. B. ëjit (aars), XIX, 122. 

Silih. Sund. Mal. hetz. (vergoeden, herstellen). B. pagantinya 
(bij afwisseling), XVII, 90. 

2. Asilih-sil ihan , B. pagënti (beurtelings), II, 14. 

3. Sumiliha, B. silurin (zal opvolgen), V, 57 (Fut. Act.). 

4. Sumilih, B. maganti (op zijn beurt), VI, 80. 
B. pagënti, VI, 144. 

B. matimbal, VII, 52. 
B. mangënti, IX, 29. 

5. Pasilisilih, B. maganti-ganti (afwisseling), XI, 75. 
B. matimbal- timbal (beurtelings), XIV, 20. 

6. Masilih, B. salin, XXIV, 15 (beurtelings). 

8. Masilih-silihan, B. paimbuh kaimbuhan , XXVI, 25. 
Silur. 1. Masilur, B. masliwëran (ronddraaien), XXI, 239. 
Silurap. 1. Masilur up, B. mah il i dan (zich verbergen), XXV, 

59 (Jav. silulup, duiken). 
Siluhun. 1. Asiluhun, B. mis (zich verschuilen), XXII, 25. 
Siwak. B. sibak (gespleten), IV, 8, 72. 

B. benes, VIII, 21. 

2. Siwaka, B. sibak (zou splijten), XIX, 12 (Conj. na kadi). 

3. Siwakën, B. dadi sibak (worde gespleten), VI, 177. 
Sitwat-siwut. B. saru tan katon (woeden), XXII, 61. 
Siwi. B. panjakin (dienen), II, 50. 



siwo — sisiK. 587 

2. Siwin, B. swami (geëerbiedigd te worden), II, 59 (Gerund.). 
Siwin, B. sunsun, VI, 131, III, 13 (te eerbiedigen zijn), 

X, 67, IV, 47, X, 58, VIII, 123, XIV, 17. 
B. siniwi (gehoorzaamd te worden), III, 46. 
B. makaprabhu, XVII, 81. 

3. Maniwi, B. nawita (gehoorzamen), III, 80. 
B. mamaüjak (dienen), III, 82 (Act. Dur.). 

4. ar paniwi, B. sewaka (om te dienen), I, 60. 
yan paniwi, B. maüjakin (in het dienen), I, 18. 

5. Sumiwya,B. mamaüjak (dienen), VI, 146 (Aor. Act. Conj.). 
B. maniwi, III, 50 (te dienen). 

B. nahula, III, 73. 

6. Siniwi, B. swami (geëerbiedigd), XI, 83, V, 74, 78, 
79, 83 (Pass. Dur. Part.). 

B. kasunsuii (werd geëerbiedigd), III, 86. Ind. 
B. kakun, XH, 30. Part. 
B. kasuhun, V, 59. 
B. natha, XIV, 26. 
B. raka, V, 72. 

7. Pasiwi, B. asih (eerbied), VIII, 125. 

8. Maniwi-niwi, B. panjakin (dienstbaar), XIV, 56 (Act. 
Dur. Freq.). 

9. Sumiwi, B. nahula (dienen), XVIII, 46. Aor. Act. Inf. 

10. Siniwi-siwi, B. m ana lap kas o r (eerbiedig), XXIV, 102. 

11. Aniwi, B. nawita, XXIV, 109. Act. Dur. 

Siwo. Sund. sisiwo, B. ma ca lula (stoeien), XX, 79, XXVI, 22. 

2. Masiwo, B. hetzelfde, VIII, 28, 39, XVI, 38. 
B. mahrawos, XII, 30 (spelen). 

B. manlincak, VI, 120. 

3. Asiwo, B. macanda, XVI, 12, XXIV, 238, XXVI, 22 
(schertsen). 

4. Pasiwou, B. pacandaaii (speelplaats), VI, 47. 

5. Siwasiwo, B. saliii canden (schertsen), XII, 36. 

6. Masiwasiwo, B. suka macanda (stoeien), XVII, 120. 

7. Asiwasiwo, B. macanda, XXIV, 103. 

Sisi (sisi). Sund. Mal. si si, B. tëpi (kant), III, 5, XXV, 
13 (sisi). 
2. Pasisi, B. pasih (strand), V, 21. Vgl. sis ir. 
Sisik. I. Mal. Bis. Bat. Atj. hetz. , Malag. sisi ka. Mak. sisiq. 
Bug. sasiq,B. siksik (schub), XXII, 71. 



588 SISIG — SUKA. 

II. Manisik, B. maniksik (krauwen) , XXIV, 102 (Act. Dur.), 
V. e. vogel. 

2. Masisik, B. raasiksikan (zich krauwen), XXY , 13. 
Sisig. 1. Manisig, B. nisil (bijten)? VIII, 33. Act. Dur. 
Sisir. B. te pi (kant), II, 3. Vgl. si si. 

Sisil. 1. Sisilan, B. onvertaald, XXVI, 25 (het opgepeuzelde, 
gepelde). 

2. Panisil, B. sisilan (het oppeuzelen, pellen) , XXVI , 25. 
Sisili. B. nalinin! soort van aal, XXIV, 116. 
Sisih. 1. Asisihan, B. m as anehan (aan weerszijden), XVI, 37. 

2. Manisih, B. asibak, XXI, 216 (op zijde gaan). 
Sih. B. trsna (liefde), VI, 7. 

B. ica (gunst), VI, 200. 

B. suka, VI, 198, VIII, 39. 

B. sajan, VI, 178. 

2. Masih, B. Hëmën (verliefd), VIII, 148. 

3. Kasihan, B. icain (gunst), I, 23, XXV, 9. 

4. Kasih, B. ica (gunst), I, 46, It, 72. Vgl. asih. 
Sihun. Sund. hetz. Daj. sih on, B. danta (slagtand), II, 33. 

B. calin, IX, 35, 82, XIX, 49, 82, VIII, 58, 62. 
Sü. 1. As<i, B. iijërit (schreeuwen), XI, 2, XXI, 14, 16,36. 

B. manjërit, XXI, 2, XXIV, 9. 

2. Masü, B. pajërit, III, 17, 24, XV, 66. 

B. mahjërit, XVII, 24. 
^B. njërit, XXIV, 168, XXVI, 9. 
Sük. l.Sumuk, B. raanicenin (ingaan), VII, 72 (Aor. Act.). 

2. Sinük, B. kahëntunan, XXIV, 256. Vgl. Mal. masuk, 
Sang. SU e. 
Suka. S. sukha (aangenaam, geluk), B. tusta (behagelijk), IV, 
47, I, 18, VII, 20. 

B. euak (vreugde), XVII, 99, III, 77, V, 14. 

B. lëga (geluk), I, 10, XII, 7, 9, XXI, 46. 

B. onvertaald (aangenaam), IV, 22, XVII, 98, XXV, 41. 

B. rësëp (vreugde), VI, 120, VII, 67, VIII, 18, 36, 53. 

B. kawiryyan! genieting, VI, 141, XI, 27. De B. vert. 
foutief. 

B. rena (tevreden), I, 12, III, 73. 

B. kasukan (geluk), III, 75, VII, 36. 

B. wiryya! V, 87, XI, 27, XIII, 82, 96, XX, 64. 

B. wevveh! vreugde, XIII, 81. De B. vert. foutief. 



SUKACITTA SUKÜ, 589 

B. kenak, VIII, 160, gelukkig. 

2. Suka, B. euak, VI, 151 (Conj.), XIII. 5, I, 9. 

3. Kasukan, B. kastes waryyaii (vreugde), III, 53. 
B. karësëpan (verheugd), VI, 119. 

B. kawiryyan (zich vermaken), III, 54. 

B. enak-enakan (zich verlustigen), XVII, 127. 

B. tu.sta, VI, 114. 

4. Sumuka, B. rënanin, III, 61 (Aor. Act.). 
B. raaiilëganin (verheugen), XXIV, 232. 

5. Kasukana, B. nlëgayan, XVII, 107. 
B. wiryya, XXV, 107 (Aor. Pass. Conj.). 

Sukacitta. S. sukhacitta (verheugd van hart) , Mal. s u k a c i t a , 
B. tusta manah, XVII, 103. 
B. rënayan manah, XXVI, 46. 
Sukatrpti. S. tevreden en voldaan, B. tusta i'ienakin, 1,16. 
■^Sukaduhka. S. sukhaduhkha (vreugde en leed), B. hala- 

hayu, IV, 23, XI, 75. 
■^Sukamatra. S. sukhamatra (slechts tot vermaak) , B. w a d a n a 
ma ra wat! XXIV, 30. De B. vert. foutief. 
Sükara. S. batatas edulis, B. gëdan (pepajavrucht), XVI, 45. 
Sukét. B. s ë m p u t (ongebaand) , VI , 1 36. 

B. ëbët (begroeid), VII, 93, IX, 57 (ruig), XIX, 65 (subst.) , 

XXI, 114 (adj.). 
B. bet (ruig), XV, 55, XXV, 54 (kreupelhout), IX, 57, 

V, 71 (ongebaand). 
B. al as, XXII, 47 (kreupelhout). 

2. Masukët, B. ëbët (begroeid), VI, 129. 

3. Asukët, B. hetzelfde, V, 78. 
B. samah (ruw), IX, 35. 

4. Sukëta, B. alas (ongebaandheid) , VII, 42 (na piraii). 
Sakër. Mad. sokër (toornig) , B. kewëd a n (gehinderd) , VI, 22. 

B. saranta, XXIV, 248. 
Suki. B. (jas ar (grondslag), XV, 31 (Lamp. suki, zijposten. 

Bat. suhi, hoek). 
Sukn. B. onvertaald, voet, VII, 108. 

B. jüii, XXI, 125, XXIV, 31, XVI, 33. 
B. batis, IV, 5, XIX, 29, 79, XXI, IS8. 
B. cokor, VI, 146, 199, VII, 40, IX, 2, XI, 5, XV, 7, 
11, IV , 7 , 8. 
Sukü. 1. n sukü, B. gëbug (toen beoorloogde), XIII, 31. 



590 SUKITTA — SUGUIWA. 

2. Sumukü, B. nrampag (aantasteu) , IV, 46 (Aor. Act.). 

3. Sinukü, B. kag eb ug (geslagen worden) , V, 88 (Pass.üur.). 
B. ginëbug, VII, 102. 

4. Manukü, B. magëbug (slaan), VIII, 37 (Act. Dur.). 
Sukrta. S. goede daad, deugd, B. lewih ya^a, XXI, 103. 

■^Snkottama. S. sukhottama (hoogste geluk), B. t u s f a , XXVI, 36. 
Süksma. S. fijn. dun, klein, B. pinit (*t fijnste), IV, 10, 
XXIV, 57, 156, XXVI, 31. 
B. tëlëkan (verborgenheid), VI, 46. 
B. hilan (verdwijnen), VII, 11. 
B. nilib (onzichtbaar), VIII, 157. 
B. fiilidan, VItl, 132. 
B. nusup, VIII, 172. 
B. silib, XI, 77. 

B. tankaton (onzichtbaar), XXI, 150. 
B. sinhit (verborgen), XIV, 6. 
B. tan katënër (onzichtbaar), XX, 57. 
■'^Süksmagati. S. onzichtbaar van gang, XXIV, 160. 
Sugati. S. welvaart, geluk, van goed gedrag , B. lëwih tinkah, 

XXIV, 62, adj. 
Sngandha. S. welriekend, B. lëwih mërik, II, 2. 
B. lëwih wani, II, 20, 64, III, 5, V, 70. 
B. mapagandha, VIII, 66, V, 28. 
B. lëwih mihik, XVII, 3, 65, XXIV, 216. 
B. lëwih bo, XVII, 101. 

B. lëwih ambu, XVII, 104, XXVI, 25, 29. 
B. pagandhan, VIII, 154. 
Sngèm. l.Sugëma,B. sugëm (soort van wilde duif), XXIV, 106. 
Snguh. Sund. hetz. 1. Sugwan, B. panamuy (waarmede ont- 
haald werd), XXVI, 25. 
*Sugrhita. S. vastgehouden, goed bestuurd, B. nrëbahan! 
XXIV, 12. 
Sugyan. Sund. sugan, B. manawi (wellicht dat), XI, 26, 

XXIV, 23. 
Sugrlwa. S. naam van een apenvorst, VI, 86, 88, 89, 90,91, 
94, 113, 130, 131, 144, 149, 158, 159, 160, 161, 162, 
166, 167, 184, 189, 192, 197, 202, VII, 43, 44, 48, 
Vin, 192, X, 15, 36, XI, 49, 96, XIII, 71, 75, 84, 
XVI, 6, XVIII, 52, XX, 26, 27, XXII, 16, 65, 72, 
XXIII, 84, XXIV, 228. 



sftn SUJANA. 59tl 

Sün. 1. Si nü naken, B. aturan (worde gegeven), VIII, 205, 

Pass. Üur. Iinp. 
Sunil. B. lolohan (uitwatering), XXV, 57. 
Suiig.a. Day. hetz. , Bat. Hoe. s u g a , Iban. t u g a, 1 . S i n u ii g a n , 

B. sunga (gestoken worden), VI, 187 (Pass. l)ur.). 
Suügu. 1. Suügwi, B. na II kol (dragende), VI, 22. 
Sunguli. Mal. Atj. hetz. B. nahën (waarlijk), VI, 181. 
Sunsan. B. mapëlit (verkeerd), VI, 181. 
B. manuhsan, XXIV, 119. 

2. Sumunsan, B. nu n san (ondersteboven), IV, 5. 

3. Kasunsaii, B. ra at u lak, XX, 9. Aor. Pass. 

Sunsun. Mal. s ons on, Mak. soson, B. inapag (ontmoeten), 
XXIV, 101. 
2. Sumunsun, B. mapagin (tegemoet gaande), XIX, 46. 
B. mapag, III, 26 (Aor. Act.). 

2. Anunsun, B. ma mapag (tegemoetgaan) , XI, 83 (Act. Dur.). 
B, mapag XXI, 210, I, 40. 

B. mapagin, VI, 43. 
B. mëndak, XX, 21. 

3. Manunsun, B. maraapag, II, 20, UI, 37, VI, 32, 
XXI, 194, XV, 3 (Act. Dur.). 

B. mapag (tegemoet gaande), VI, 27 (Part. Praes. Act.). 
B. mapagin, IX, 55, 63. 

4. Sinunsun, B. kapapag (tegemoet gegaan worden), II, 
78 (Pass. Dur.). 

5. an panunsun, B. mamapag, XXVI, 23, XI, 9. 
yar panunsun, B. hetzelfde, VII, 40, II, 61. 

6. Pan uüsunan , B. pa mapag (waarmede tegemoet kwam), 
XVI, 17. 

7. Sumunsuna, B. mamapag (tegemoet te gaan), XXIV, 
134 (Aor. Act. Conj.). 

8. Manuüsuna, B. raapapag, XXIV, 219 (Act. Dur. Conj.). 
Sunhay. B. lolohan (rivier), XXV, 106 (Mal. suiiai, Atj. 

sunoi, Day. suniii). 
Sucara. S. van goed gedrag, B. mëlah, XXIV, 57. 
Suclnmka. S. sucïmukha (naam van een slagorde), XIX, 68. 
Sujana. S. goed, deugdzaam, braaf mensch , B, lëwih wan^a, 
XIV, 17. 
B. sadhu, XIV, 61, XV, 4. 
B. purusa, XVI, 47. 



592 SUJANMA — SÜDHIRA. 

B. kulawaii^a, XXVI, 50, 52. 
Sujanma. S. s u jan man (van edele geboorte), B. lëwih wan ga, 
III, 72. 
2. Sujanma, B. kulawan^a, XVII, 65, 135. 
B. lëwih wan^a, III, 72 (Conj). 
Suji. stekel (Sund. Mal. Bug. hetz. (borduren), Tag. sori,Bim. 
suje (spit). 1. Anuji. B. Iwir taji (als stekels), IV, 31. 
Sudnl. 1. Anuflul, B. pëlud (gespleten?), XXI. 219. 
Sundan. B. katuutun (steunen), XIX, 19 (Abs.). 

2. Sinundaii, B. kagamël, XIX, 83 (Pass. Dur.). 

3. Masundah, B. masedoh, XXIV, 103. 

■^Sund ak. 1 . P a s u n d u k , B. p a m a n g a n a n (rooster) , XXVI, 24. 
Sundul. B. katuhuk (bereiken), XXVI, 32 (Abs.). 

2. Kasundul, B. katuwuk (bereikt worden), XXV, 1, 2 
(Aor. Pass.). 

3. Manundul, B. manuwuk (bereiken) , XXV, 3 (Act. Dur.). 
Sunde. B. sendeh (overhellen), III, 66 (Tag. sonday). 
Satiksna. I. S. naam van een rsi, IV, 12, 14, 15, VI, 142, 

XXIV, 212. 
II. S. zeer scherp, B. mapanas, XXIV, 17. 
*Sutusta. S. zeer tevreden, B. dahat suka, XVIII, 12. 
Sutrpta. S. zeer voldaan. B. lëwih suka, XVIII, 11. 
Sutrpti. S. voldaanheid, B. n ukan in (adj.), II, 21. 
Suteja. S. SU te jas (zeer glanzend), B. kumëüar, I, 15. 
B. suprabha, XVI, 9. 
B. lëwih in sënö, XXI, 142. 
Sütra. S. draad, B. onvertaald (zijde), VIII, 89, XVII, 122 

(Mal. sutëra, üay. satara.) 
Sndana. S. rijke gave, B. lëwih we weh, XXIV, 53 (zeer mild). 
Sadanta. S. zeer zachtmoedig, B. putus, XVII, 45. 
*Sudrdha. S. zeer vast, sterk, B. lëwih tëlëb, III, 83. 
Sudewl. S. goede godin, B. san Sita, vorstin, XXI, 47, 

XXIV, 168. 
Sudhanwa. S. sudhanwan (goede boog), B. waray an, II, 24. 
Sudhira. S. zeer vast, standvastig, B. pagëh, II, 34, 36, 74, 
III, 11, V, 6, XI, 74, XVII, 25. ^ 
B. lëwih pagëh, XVIII, 34, IX, 12, XV, 31. 
B. p u r u s a (onverschrokken) , V , 26 , XI , 92 , XXIII , 23 , 54. 
B. mapagëh, VI, 173, XVII, 51. 
B. lëwih in pagëh, IX, 80, XIII, 88. 



SUNITI — SÜBHAGA. 593 

B. lëwih wani (zeer dapper), XIX, 108, XXIV, 16, 18. 
B. suQrusa! XXV, 48 (de B. vert. foutief). 
Suntti. S goed verstand, wijsheid, B. wruh in rawos, 111,81. 
*Simirmmala. S. zeer rein, B. lëwih tan tlëtëh, XVII, 65. 
B. lëwih tan lëtëh, XXIV, 203. 
B. lëwih ?uci, XXIV, 214. 
■^Suni^ita. S. zeer scherp, B. lëwih sahjata! IV, 75. 
■^Suni^cala. S. geheel onbewegelijk, B. nora makibëh, XXI, 3. 
B. nora raolah, VIII, 139. 
Siintagi. B. onvertaald (breede strook geweven goed) , XXV, 102 
(Day. santagi. Mal. Atj. sëntagi (snoerkoord) , Jav. 
sëtagi). 
Süpaka^astra. S. kookboek, B. maphala wruh aksara! 

XXVI, 25. De B. vert. foutief. 
Supatra. S. vlug , goed gevleugeld , B. 1 e w i h p o 1 a h , XXI , 237. 

B. lëwih tankis, XXI, 238. 
Supatra. S. zeer waardig, B. lëwih tankis, XXVI, 23. 
■^Supathya. S. zeer heilzaam, B. bëcik, XVII, 101. 
Siipëii. B. s ëp ukan (bekommerd), XVIII, 46, boos (?) stam süp? 
Supit. Tag. sipit. Hoc. ipit. Bis. kompit. Bul. kukupit, 
B. kapit (schaar), XXV, 60. 
B. ne napit (geknepen), XXV, 59. 

2. Kas u pit, B. kakapit (geknepen worden), XXV, 58 
(Aor. Pass.). 

3. Manupit, B. napit (knijpen), XXV, 60 (Act. Dur.). 
Sub. B. ansënan (gloed), XX, 16. 

2. Kasüban, B. ka ansënan (aangeslagen) XI, 2. 

3. Makasüb, B. makapula (den gloed hebben van), 
XXIV, 26. 

Subiiddha. S. goed gebonden, stevig, B. pagëh, IX, 57, 
XVI, 2. 
B. kukuh, XVIII, 14. 
B. putus, XVI, 4. 
B. tëkëk, XX, 61. 

2. Subaddha, B. pagëh, XVIII, 3 (Conj.). 
*Subudclhi. S. goed verstand, wijs, B. rahayu, XXIV, 66. 
Subhakti. S. zeer trouw, B. bhakti, XII, 48. 
Subhaga. S. gelukkig, schoon, B. kasub (beroemd), I, 11, 
VIII, 161, XIX, 16, XXIV, 67, 89, 213, XXVI, 25, 
III, 73, 84, XIII, 6, XXV, 33. 

38 



594 SUBHaGA SURA. 

B. kabhinawa, XXIII, 10, 52, 53, XXV, 79, beroemd 
(Jav. sumbaga). 
Subhaga. S. vermogend, rijk, B. kakasuban (beroemd), XXIV, 37. 
^Subhagabhanda. S. nomen propriura , XXVI, 26. 
*Subhasita. S. schoon gesproken, welsprekend, B. lëwih tatwa, 
XXVI, 49. 
Subhasubha. S. gubha^ubha (goed en slecht) , B. ha la ha ju, 

XXIV, 176. Ed. Qubha^ubha. 
Subhiksa. S. rijkelijk voedsel hebbend, B. re sik! III, 37 (De 

B. vert. foutief). 
Suma. 1. Masuma, B. sunsut (bedroefd), XXIV, 139. 
B. makewëhin, XXV, 116. 
■^Sumanohara. S. zeer bekoorlijk, B. lëwih nrënani, XXV, 12. 
Sumautri. S. naam van een minister, B. lëwih mantri, III, 14. 
B. san patih, III, 16. 
B. paramantri, III, 18. 
B. apatih, III, 19. 
B. onvertaald, XXVI, 22. 
Somali. S. naam van Ra wana's grootvader, XIV, 1 (Jav. 

R. 273). 
Sumitra. S. naam van Laksmana's moeder, I, 17, 33. 
Sumitratanaya. S. Sumitratanaya (zoon van S.) , B. Sumi- 
traputra, V, 55 (Laksmana). 
■^Sumitratmaja. S. hetzelfde, B. Laksmana, VII, 40. 
Sumitraputra. S. Sumitra putra, B. Sumitratanaya, 

hetzelfde, IV, 34. 
Sumitrasünu. S. hetzelfde, B. Laksmana, V[, 51. 
Sumnkta. S. geheel bevrijd, verlost, B. rakëtan, XII, 11. 
Sumur. B. masawan! (put), XXV, 74. 

2. Pasumuran,B. madalëman! plaats van de put , XXV, 86. 
Sunieru. S. naam van een berg , B. onvert. , XVI , 9. 

B. Mahameru, XXI, 136, XXII, 44, XXIII, 74. 
Sumpin. 1. Masumpin, B. mac ucuuduk (met een bloem in 't 
haar als oorsieraad), IV, 32 (Bat. supin, Malag. sufina. 
Lamp. CU pin, oor). 
Suya§a. S. suya^as (zeer beroemd), B. lëwih kirtti (subst.), 

XXIV, 11, 224, 259, XXV, 26, XXVI, 52. 
Suyug. 1. Sumuyug, B. manandër! streek neder, VI, 23. 

B. noyor, XIX, 80 (Aor. Act.). 
Sura. S. god, B. dewa, V, 89, XXI, 153. 



SURa — SURAWARA. 595 

B. wiwudha, VIII, 134. 
Sur^. S, sterke drank, braudewiju, B. sajën, V , 28 , XXVI, 25. 
Surak. Sund. Mal. Bat. Day. hetz, B. onvertaald (gejuich) , 

XX , 33 , geschreeuw. 

8urd,ksa. S. s u r a k s a (goede bewaker , beschermend , beveiligend) , 
B. ratu nin mangisi, XIV, 12. 
B. p ra bek el, IX, 72, 75. 
B. mai'igamël, XX, 40. 

2. Pinakasu raksa, B. mak ad i prabëkël (tot goeden 
wachter strekken), XI, 96. 
Siiraga. Mal. Sund. hetz., soort van draagstoel, B. sulatri 
(kussen), XXV, 102. 
*Suragana. S. godenschaar, B. dewa rin ambara! VI, 38 
(De B. vert. verkeerd). 
B. dewa kabeh, XXIV, 29. 
Surat. Sund. Mal. Bat. Day. hetz. Mak. Bug. suraq, Tag. Bis. 
sulat, Malag. suratra, B. tulis (geschrift), XI, 21, 

XXI, 34, 127, XI, 19 (brief). 

2. Anuratnurat, B. sarwi nulis (strepen trekkende), 
XXIV, 139 (Act. Dur. Preq.). 
^Suratasuka. S. suratasukha (mingenot), XII, 12. 

Surapati. S. heer der goden, B. dewanatha, V, 88. 
*8urapada. S. godenverblijf, B. kendran, XI, 70. 
Surapsarltulya. S. surapsaratulya (als eene goddelijke nimf) , 

B. widyadhari masawang, I, 14. 
Siirabhi. S. welriekend, geurig, B. suratri, III, 5, XVI, 32. 

B. sulatri, IX, 44, XXVI, 52. 
Suramabhadra. S. de goede, gelukkige Rama, B. wani san 

Rama, II, 64. 
Suraripu. S. godenvijand, B. musuh sura, VIII, 17. 
Suraripimatha. S. heer der godenvijanden, B. raksasapati, 

IX, 3 (Rawana). 
Suralaya. S. godenverblijf, hemel, B. suraloka, V, 88. 
B. swargga, XXV, 31. 
B. kendran, V, 19. 
Suraloka. S. godenwereld , hemel , B. hetzelfde , V , 89 , XVII , 70. 
B. surabawana, VIII, 28. 
B. suralaya, XI, 70. 
■^Siirawara. S. voortreffelijkste der goden, B. dewata yakti, 
IX, 37. 



596 SURASA SURYYARAgMI. 

B. dewa lëwih, XXI, 134, VI, 59. 
Surasa. S. welsmakend , B. 1 ë w i h r as a , 1 , 20 (genot) , XXVI, 25. 
*8urasangha. S. godeaschaar , B. dewa sami, VI, 24. 
B. dewa kabeb, XI, 42. 
Suririii. 1. Kasuririn, B. maiiaruyun (werden voortgeduwd ?) 

XIX, 106 (Aor. Pass.). 
Surim. 1. Mauurun, B. darurun (duwen), XIX, 74 (Act. 
Dur.), 110. 
B. udarurun, XXI, 213. 

2. Kasurun, B. kasësëh (geduwd worden), XIX, 86. 
B. kar o jon, XXIIl, 38 (Aor. Pass.). 

3. Sinurun, B. masurun, XIX, 110. 
B. kasëhëg, XXI, 179 (Pass. Dur.). 

Surud. B. rërëd (verminderd), XVIIE, 16. 

B. saru (onduidelijk), XI, 34 (uitgewischt). 

B. ginsir (wijken), IX, 76, XIX, 124. 

2. Suruda, B. malahibin (te wijken), IX, 29 (Conj.). 

B. gihsiran, XX, 28 (Juss.). 

B. nginsiran, XX, 72. 
Surup. B. lëlëb (ondergaan), XX, 50 

2. Sumurup, B. surup (ging onder), XI, 79, XII, 1,2, 
XXIV, 160 (indringen). 

B. lëlëb (ging onder), XX, 49 (Aor. Act.). 

3. Mapasurup, B. masëluran (indringen), XXI, 216. 
Surftpa. S. welgemaakt , schoon, B. lëwih hay u , I, 17 , IV, 51. 

B. bagus, II, 56, III, 83. 

B. warnna! V, 73. (De B. vertaling foutief). 

B. lëwih goba, XII, 23. 

B. hayu, XVII, 65. 
Süryya. S. zon, B. rawi, II, 6, XVII, 43, VIII, 1. 

B. radity a, VI , 57 

B. sawitah, XVIII, 37. 

B. onvertaald, VIII, 74, IX, 36, XXI, 135, XXII, 45, 80, 
XXIV, 26, 52. 

B. di wakara, XI, 15. 
Süryyakanta. soort van edelgesteente, B. onvertaald, XVI, 11. 

B. rawikanta, XVI, 16, 17. 
^Süryyabrata. S. Süryyawrata (zonnegelofte) , XXIV, 55. 
Süryyara^mi. S. zonnestraal, B. rawi maprabhu, XII, 22 
(de B. vertaling foutief). 



SÜRYYASADl'^A — SULUH. 597 

■^Süryyasadr^a. S. als de zon, B. raditya upa ma, XXIII, 74. 
*Suryyopama. S. hetzelfde, B. rawi sawanaii, VI, 154. 
Sula. 1. Kasula, B. kasakitan (gekweld), XXIV, 41 (Aor. 
Pass.), VII, 30, XVII, 67. 

2. Kasula-sula, B. sakit ])a])a (voortdurend gekweld), 
VI, 125. 

3. Kas ui aken, B. manakitin! XXII, 21 (Aor. Pass,). 
SulaltSana. S. gelukvoorspellend , B, kabagusan, II, 55. 

B. lëwih sol ah (schoon), VII, 65. 
B. paripürnna, XXI, 83, XXV, U6. 
B. kalistuhaywan, XXI, 84. 
Sulap. B. panunlap (verblindend) , VIII, 29 (v. e. tooverspreuk). 
Sulasih. S. tula^ï, B. onvertaald, naam van een heestergewas 
(ocimum basilicum), XVI, 35, XXV, 8, 89. (Mak, 
tolasi, Tag. salasi, Mal. sulasi.). 
Suligi. Tag. Bat. hetz. Mal. sëligi, Atj. sëligoi, B. sula 
(soort van speer), XIX, 3. 
2. Manuligi, B. tnanëter (rnet een speer steken), IX, 
14 (Act. Dur.). 
Sulin. Sund. Mal. Dav. Mak. Bug. hetz., B. onvertaald, Huit, 

XXVI, 24. 
Siilit. B. solah (handelwijze , XXIV, 196? 

2. Asulit, B. sënka (moeielijk) , III, 74. 

3. Masulit, B. makisi-kisi! beklemd, XXIV, 114. 
Sulun. 1. Masulun-sulun, B. masundul-suudul (dicht 

opeen), XXIII, 63. 
Suluyun. 1. Kasuluyun, B, manaruyun (aan het wankelen 

gebracht), XIX, 122. 
Sliliir. Mal. hetz. Day. suloh (spruit), B. ban sin (wortel), 
III, 23. 
B. akah, VIII, 160, XV, 54, 
B, bun t u n j u n , XIX , 131. 
B. ëbun, XVII, 130. 

B. mahëlër! XXIV, 104. (De B. vert. foutief), 
Suluwug. B. mahmah (soort van wezel), XXIV, 120, XXV, 

28, zekere vogel? (v d. T.). 
Suluh. Mal. Sund. hetz. Tag. Bis. solo. Bul. su 1 u, B. s u n d ih 
(toorts), X, 72. 
B. ngalanin (verlichtende), XI, 81. 
2. Masuluh, B. masundih (verlichten), VIII, 26, 



598 SUWADANA SUSaRATHI. 

3. Sumuluh, B. mangalanin, IX, 7. 
B. manundihin, XY, 35 (Aor. Act.). 
Suwadana. S. schoon van gezicht, B. adu arëp! vriendelijk, 

XV, 36 (de B. vertaling verkeerd). 

S. suwadana, naam van een metrum (Kern, Wrttasancaya , 
90, Weber, 399, Kedara , 3, 144, Colebrooke , 163), B. 
hetz., XXI, 221. 

Suwal. 1. Anuwal, B. nunkas (ontkennen), XXIII, 55, on- 
willig (Act. Dur.). 

Suwuk. I. B. panuDgu (wachter), VIII, 51, 52. 

II. a n p a s u w u k , B. 1 1 II s u k (dat getrokken werd) , XXV, 116. 

Suwul. 1. Anuwul, B. nulud (schoffelen), XXIII , 55, 56 
(Act. Dur.). 

Suwe. B. k ad al on (lange tijd), XXIV, 238. 

2. Masuwe, B. lama (lang duren), XI, 29. 

B. makëlo, XXI, 60, XXIII, 17, XXIV, 146. 

3. A s u w e , B. hetzelfde (lang) , XVI , 28 , XXII , 52 , XXIV, 1 9. 
B. kadat, XXIV, 107. 

Suwela. S. naam van een berg, XVI, 16, 22, XVII, 83. 
Su welagiri. S. de berg Suwela, B. Suwela gunun, VIII , 22 . 
B. Suwelacala, XVI, 8, XVII, 78, 83. 
■^Siiwelacala. S. de berg Suwela, B. Suwelagiri, VII, 50, 

XVI, 12, 41. 

B. Suwela gunun, XIX, 42. 
■^Suwelaparwwata. S. hetzelfde, B. Suwelagiri, XVI, 29. 
■^Su^akti. S. groote macht, B. lëwih wi ^esa, XIII, 32, XXIV , 

23 (adject,). 
*SiiQarana. S. goede bescherming verleenende, B. lëwih kanti, 
XXIV, 41. 
Su^ïla. S. van goed karakter, B. dharmma, I, 11, II, 63, 
VI, 183, XVII, 45, 133. 
B. lëwih dharmma, III, 72, XXI, 83. 
B. bëcik lingihe! XVII, 78. De B. vert. foutief. 
B. patut, VI, 187, XXIV, 62. 
B. sadhu, XXI, 92. 
B. lampah rahayu, XXIV, 84. 
Susatya. S. zeer trouw, B. satjabrata, IV, 1. 

2. Kasusatyan, B. kasadhuan (getrouwheid), XVII, 71. 
■^Susaratlii. S. goede wagenmenner, B. wëruh in pariorëg, 
XXIV, 23.^ 



susiTa — susup. 599 

*Susita. S. de goede Sita, B. lëwih SitTi, XXVI, 29. 
Susu. Sund. Mal. Bat. Mak. Bug. Bul. hetz. Day. tuso, Tag. 
Bis. suso, Ibau. tutu, Fidji sur)u, B. tirtha! melk, 
VIII, 46. (De B. vert. fout). 
B. santen! borst, XII, 39. (De B. vert. fout). 
B. tanpëgat! borst, VIII, 124. (De B. vert. fout). 
B. noiio. XII, 8, XIX, 126, XXIV, 216. 
B. nuroja! borst, XI, 72, 73, XIV, 41. 

2. Manu SU, B. umahas! zuigen, XV, 52 (Act. Dur.). De 
B. vertaling onzin. 

3. Manusunusu, B. mapi mafioüo (deden alsof zij zogen) , 
XXIV, 103. 

4. P a s u s w a n , B. s a 1 i n s u s u i n (elkaar zoogen) , 
XXIV, 108. 

5. Sasusu, B. matungalau sari (van dezelfde borst), 
XXIV, 108. 

Susuk. B. o pek (stekend), XI, 34, 

2. Sumusuk, B. rawuh (drong door), XV, 58, XXIV, 88 
(Aor. Act,). 

B. fiusup (indringen), XXI, 105. 

3. Kasusuk, B, sipënan, hinderpaal, XXIII, 68. 
B. kopëkan (bezwaard), XXIV, 148 (Aor. Pass.), 

Susun. Sund. Mal. Bat. Day. Tag. Bis. hetz. Malag. sosuna. 

1. Masusun, B. maturnpuk (opeengestapeld) , XXV , 88. 
Susup. l.Anusup, B. masusupan (ingaan) , VII , 1 , 60 , VIII , 

193 (Act. Dur. Ind.). 
B. manusup, V, 78. 
B. hulsul (inkruipen), IX, 57. 
B. ra ah as (ingaan), III, 33. 
B, nusup (inkruipen), XXII, 51. 
B naluksuk (indringen), V, 68. 
B. onvertaald , VI , 64. 
B. nusup (ingaan), VI, 74. 
B. u m ah as, VI, 1 14. 

2. Manusup, B. nusup, III, 36, IV, 29. 

B. masusupan, III, 37, V, 69, VI, 95, IV, 14. 
B. umahas. V, 65, XXIV, 209, 211. 
B. mahas, XV, 52 (Act. Dur. Ind). 

3. S u m usupa na, B. naluksuk (in te dringen in), V, 5 
(Aor. Act. Conj.). 



600 susuY — SENa. 

4. S u s u p i , B, c ë 1 ë p i n (ga in) , VI , 52 , VII , 51, Imp. 
Pass. (Skr. prawe? jatarn). 

5. Panusup, B. uusup (het binnengaan), VI, 135. 

an panusup, B. masusupan (dat binnenging), VII, 79, 

VI, 65 (met nadruk op 't vorige), 
yan panusup, B. ya manusup, VI, 142, 

6. Masusupan, B. manusup, VI, 79, 120, 443, XXI, 
114, VII, 58, XV, 55. 

B. nusup (zich begeven in), VI, 80. 

7. Asusupan, B. manusup, VI, 134. 

8. Susupana, B. susupin (worde ingedrongen), VII, 42 
(Juss. Pass.). 

9. Patisusususup, B. cëlëp-cëlëpin (overal inkruipen), 
IX, 57. 

10. Sumusup, B. masanidan (inkruipen), XI, 84 (Aor. 
Act.). 

11. Sasusupan, B. salifi susup, XXIV, 108. 

12. Asusupana, B. masusupan, XXIV, 114. Gouj. Med. 
14. Pasusupan, B. kapaüjinan, XXV, 110. 

Susuy. 1. Kasusuy, B. masëluk (ingestoken), XXV, 88. 
^Susuksma. S. zeer fijn, B. lëwih tan katon, XXIV, 26. 
Susena. S. naam van een aap, VII, 54, XVIII, 17, XIX, 40, 
XXIV, 244, XXVI, 24. 
■^Susenakya. S. Susenakhya (genaamd Susena), XVIII, 52. 
■^Suswara. S. schoon klinkend, B. halus ujarnya, VIII, 98. 
B. muhi man is, VIII, 167, XIV, 63. 
• B. nëüër^abda, XII, 23. 

B. manis ujar, XVI, 20. 
Süh, l Sühakën, B. dampatan (worde verwijderd), XXIV, 

77 (Imp. Pass.). 
Sahun. 1. an suhun, B. kasuhun (vragen), XXVI, 3. 
Sedun. B. pawana (storm), VlII, 77, XVIII, 36. 
B. pawana tarik, IX, 6. 
B. anin, XXII, 47. (Edit. sendun). 
Sendun. B. anin (storm), XIX, 70. 

B. bajubajra, XXI, 194. 
Setu. S. dam, brug, B. titi, III, 70. 
Setubandha. S. dam- of bruggebouw , B. onvertaald , XVI , o , 

XVIII, 14, XXII, 52, XXIV, 255. 
Sena. S. leger, III, 78. 



SENaPAÏI SOMAH. 601 

Senapjiti. S. legeraanvoerder, veldheer, B. paranatha, XII, 
65 (De B. vertaling onjuist). 

B. patih, XXI, 145 (De B. vert. onjuist). 

B. senanatha, XXI, 213. 
Sep. B. ga mol (te laat), IX, 70 (op hun neus kijken). 

B. norana! XI, 43 (De B. vert. foutief') te laat komen, 
weggegooid , verspild ? 

B. kolug, XII, 50, XXII, 20. 

2. Se pa, B. engalan (zou te kort komen), XII, 5 (Conj.). 
Sewa. S. bezoek , dienst , vereering , enz. 

1. Sewan, B. siniwi (worde vereerd), III, 52. Juss. Pass. 
Sewaka. S. dienaar, B. tankilan, III, 72, XII, 50. 

B. üawita (te dienen), XIV, 26, XII, 48. 
B. pafigawa (dienaar), XIV, 44. 

2. Sewaka, B. mamarëkan (te dienen), VIII, 126 (Conj.). 

3. Manewaka, B. kumahula (dienaar), V, 37 (Part. Act. Dur.). 
Sewita. S. bezocht, bewoond, beschermd , gediend , gehoorzaamd. 

1 . M a n e w i t a , B. m a s e w a (dienaar) , III , 72. 
B. ka hu la, III, 74 (Part. Act. Dur.). 

Sestawa. S. saust hawa (kloekheid). 1. Sestawan, B. ma- 
buddhi nrandahin (willen berooven) , XXIV, 130, als 
schuldigen? 
Sainya. S. soldaat, leger, B. gumanti! XXI, 213 (de B. ver- 
taling verkeerd). 
Sokya. I. S. saukhya (behagen, vreugde, geluk), B. kewala! 
(verheugd), XX, 22 (De B. vertaling fout). 
B. üadyayan! XXIV, 249. 

II. S. 9aukya (verdriet), B. sëdih, XVII, 138. 
B. duhka, XXV, 5. 
Sonduh. B. sendeh (hellend), IX, 54. 
Sot. B. sasani (gelofte), XXVI, 43. 

2. n paso t sot, B. najap-ajap, XXVI, 23 (beloven). 

3. Sumot, B. naiiangi (beloven). XXVI, 23 (Aor. Act.). 

4. Sota, B. sasani, XXVI, 24. 
B. tinkah, XXVI, 51 (Conj.). 

Sopacara. S. beleefd, vriendelijk, B. saprateka (met de ingre- 
diënten), XVII, 91, XXVI, 23. 

SobhJigya. S. saubhagya (gunst, roem) , B. kas ub , XXIV, 126. 

Somah. 1. Sinomasoraah. B. kapadik kaakonin (teu 
huwelijk gevraagd worden), III, 6 (Pass. Dur. Ind.). 



602 SOMITRA SOR. 

B. kalëmësin, IV, 36 (Part. Pass. Dur.). 

2. Sumomah, B. mamadik (had gevraagd), III, 7 (Aor. 
Act. Part.). 

B. manlëtnësin (vroeg), VI, 30 (Ind.). 

3. Sumomaha, B. hetzelfde , ten huwelijk vragen , V, 1 5 (Aor. 
Act. Conj.). 

4. jar panomaha, B. manakonin (dat vroeg) , VI , 5 
(met nadruk op 't vorige). 

5. Somah-somah, B. marabi-rabi (gehuwde), VIII, 68. 

6. an panomah, B. nlëmësin (waarmede vroeg) , XVII, 21 
(met nadruk op 't vorige). 

7. Sinomah, B. kalëmësin (gevraagd worden), XVII, 22. 
(Pass. Dur. Ind.). 

Somitra. S. Saumitra (zoon van Sumitra), B. Laksmana, 

VII, 43, XXVI, 24. 
Somya. S. saumja (zacht, vriendelijk), B. halëp, XII, 23, 
XIV, 63, XVI, 16, XXV, 74. 

B. hayu (schoon) ,■ ;XII , 28, 31. 

B. asin, XVII, 65. 

B. a^ri (schoon), XVtl, 107. 

B. suka, XXIV, 99. 

B. pantës, XIX, 22. 

B. tusta, XXIV, 108. 

B. lëga, XXVI, 25. 
Sor. B. da sar (beneden), III, 36, XV, 59. 

B. ad ah, VI, 57 (onderdoen), VIII, 71, 157, XIV, 18. 

B. batan (onder), VIII, 165, IX, 57, XI, 1. 

B. kaciwa (vernederd), VI, 22. 

B. kalah (onderdoen), XX, 39, III, 1, VI, 145. 

B. turun! onderdoen, VI, 118. 

B. kasor (onderdoen), XX, 9. 

2. Sora, B. tunaan (vernederd), III, 29. Conj. 
B. nalahan (zal onderdoen), XIII, 51, 80. 

B. al ah, overwonnen worden, V, 59, XIII, 69. 

3. Masor, B. tumurun (onderdoen), I, 12. 
B. adah, V, 70, 75, XIV, 16. 

B. kalahaïi (lager), V, 86. 

B. kalah (overwonnen), V, 89, XVIII, 19. 

B. ka won, XI, 71 . 

B. kuciwa, XX, 38. 



SOllA STRl. 603 

B. ui sta (laag), III, 57. 

4. Kasor, B. katurunan (onderdoen), I, 13 (Aor. Pass.). 
B. ad ah, XI, 45. 

5. Sumorakën, B. nalahan (overwon), V, 81 (Aor. Act.). 
B. nadahan, XVII, 29. 

6. Asor, B. kal ah (onderdoen), VII, 102. 
B. kaciwa (overwonnen), XXI, 221. 

7. Kasoran, B. hetzelfde, XI, 1 (Aor. Pass.). 
B. ka won, XI, 70. 

B. mande n u c i w a y a n , XVIII , 1 . 

8. M a s o r a , B. kidikan (te kort schieten), XIII, 51 
(Conj.). 

B. kalah, XIV, 62 (Fut.). 

9. Asora, B. kidikan (onderdoen), XIV, 15 (Conj.). 

10. Sorakëna, B. kalah (overwonnen zijn), XIX , 95 (Conj.). 
Sora. S. San ra, naam van een pijl, XXIII, 19. 
Sore. B. san de (avond), III, 37. 

Sol. 1. Manol. B. macok, XXV, 64, weggaan (Act. Dur.). 
Solah. B. bik as (gedrag), III, 55. 

B. tinkah, XI, 31 (handelwijze), 93. 

B. larapah, VI, 188. 

B. pol ah (gedrag), XIV, 17. 

B. ulah, XII, 51. 

2. Sol aha, B. hetzelfde (al wat doet), X, 12. 
Sowan. Suncl se wan. Vgl. B. T. L. Vk. 6*= volgr. VI, p. 242—243. 

B. miwah! ieder, XV, 42 (De B. vert. fout). 
Sowah. B. atüt! ander, VI, 192 (de B. vert. fout). 

B. rin apandadi, XXI, 30 (later?) 
Sowe. B. mak el o (langdurigheid), IX, 51. 

2. Sowe-sowe, B. tanpëgat, zeer lang, VIII, 202. 

3. Masowe, B. makëlo (lang) , VIII , 73 , IX, 60, XXI, 33, 
XXVI, 24. 

B. suwe, XXI, 14. 

4. Aso we, B. makëlo, VIII, 78, XX, 5, 25. 
Stuti. S. lofprijzing, B. p anale m-alëm. XXI, 130. 

B. panastawa, XXI, 154, XXII. 53. 
Stii. S. vrouw, B. wanita, VIII, 70. 
B. luh, VII, 71. 

B. istri, X, 14, 32, VIII, 72, XII, 3, 20, XIX, 7. 
2. Makastri, B. marabi (tot vrouw hebben), VI, 107. 



604 STHITl SYAD. 

Sthiti. S. het staan, plaats, 't voortbestaan enz., B. pagëh (stil- 
staand), VII, 60, XX, 33. 
B. esti (bestendig), YIII, 116. 
B. sugrüsa, standvastig, XIII, 2. 
B. onvertaald (standvastig) , XXIII , 54. 
B. asthi (het bestaan), XXI, 134. 

2. Sthitya, B. mamagëhan (bestendig), XXI, 45 (Conj. 
na yan). 
Sneha. S. kleverigheid , liefde , sëneha, B. cumbana, 
XXV, 46. 

2. Masneha, B. matëmu (mingenot smaken), 1, 20. 
B. asih, XII, 4. 

B. marabi, XIX, 25. 

3. Asneha, B. smara, XIX, 32 (hetzelfde). 
Spar^a. 8. gevoel, XI, 22. 

Sphatika. S. bergkristal, B. putih! III, 35, XVI, 11. 

B. manik putih! VIII, 43, 46, X, 58, XI, 12, XXI, 

204 (De B. vertaling onjuist). 
B. manik! XIV, 60 (De B. vertaling onjuist). 
Sphatikopama. S. als bergkristal, B. manik putih sawanan, 

V, 66 (De B. vertaling onjuist). 
Sphutaksa. S. naam van een aap, XVIII, 18. Jav. Pu tak si. 
Sphutad^ksi. S. naam van een raksasa, XX, 15, 18. Jav. 

Putadaksi. 
Smrti. S. herinnering, geheugen, overlevering, B. katuran, 

'XXI, 145. 
Syan. B. kajak in (uitdaging), XXIV, 234. 

1. A.syan-sjan, B. maswara (schreeuwen), XXIV, 104. 
B. manawukin, VI, 37. 

B. kauk-kauk, VIII, 64 (roepen). 

2. Masyan, B, hawukin (schreeuwen), VI, 19. 

3. Sinyan, B. kaajakin (geroepen worden), XII, 14 (Pass. 
Dur.). 

B. ajakin, XII, 5. 

B. kawukin, XXIV, 120. 

B. k ajakin, XIV, 8. 

4. Asyani, B. nawukin (toeroepen), VI, 161. 

5. Syani, B. hetzelfde, VII, 16. 

6. Syanana, B. kahukin (uitgedaagd worden), VIII, 181 
(Conj.). 



SYAPA — SRAGDHaRA. 605 

7. n pasyan, B. najakin (toen geroepen werd), XII, 6 
(met nadruk op "t vorige woord). 

8. S u m y a n , B. najakin, XVI , 35 (Aor. Act.). 

9. Asyan, B. hetzelfde, XXIV, 102, 228. 

10. Manyan-manyan, B. nunas-nunasan, XXIV, 111 
(Act. Dur. Freq.). 
Syapa. Mal. siyapa, Jav. sa pa, Siind. sa ha. Vgl. B. T. L. Vk. 
6« volgr. VI, p. 234—235. B. sapa (wie), V, 18,24,48, 
52, 57, 71. 
B. nenken, VIII, 60, 214, XXI, 11. 
B. üen, X, 65, XVII, 28, XIX, 24, XX, 65. 
B. onvertaald, V, 49, 50, VI, 38, 56, VII, 69, XXI, 69, 

VIII, 129, X, 60, XIV, 69, XVII, 76, XVIII, 10. 
B. nken, XIX, 51 , XXIV, 143, 229, XXVI, 20. 
^Syaya. B. syap (haan), XXIV, 125. 
Syuk (syük). B. tiba (het gudsen) , VI, 163. 
B. syokan, Vtl , 4. 
B. sreyokan (geraas), VIII, 172. 

2. Sumyük, B. mabiyok (gudste) , XXI, 174 (Aor.). 
Syun. B. bayan (beo), IX, 56 (De B. vert. foutief). 

B. onvertaald, XI, 2, XVI, 38, XXIV, 101, 102, XXV, 
70. Jav. siyun, Sund. ciyun. Mal. tiyun, Hat. hion, 
Mad. keyon, Lamp. kiun. 
Syfih. B. rusak (vernield), IX, 47, 49, 66. 
B. rënuh (gebroken), VIII, 72. 
syüh, B. rërauk (verbrijzeld), XV, 64, XIX, 77, 84, 

XXI, 19, 176. 
B. rëmpuh (gebroken), XII, 37, XIX, 28. 

2. Syöha, B. rëmuk, VI, 58. 
B. rusak, X, 40 (Conj.). 

3. Masyüh, B. hetzelfde, verwoest, XI, 2. 
Srak. I. S. krans, B. sëkar, XI, 25. 

II. Sumrak, B. sumirit (zich verspreiden), VII, 27, XII, 

34, XVI, 30 (sumrak). 
sumrak, B. sumar, VIII, 75. 
sumrak, B. pamirit, XVI, 16. 
Sragdhara. S. een krans dragend (naam van een versmaat , vgl 

Kern, Wrttasanc. 92, Kedara, 3, 147, Weber, 400). B. 

arura mamanis! XIX, 32 (de B. vert. fout). 
B. man is! XXI, 204. (De B. vert. foutief). 



606 SRAÜ SWAQ. 

Sraii. 1. Kas ra n, B. sarëa (verontrust), II, 25. 
B. kasunaraii (verlicht), VIII, 59. 
B. o s a h , getart , VIII , 7 1 (Aor. Pass.). 

2. Masraó, B. masarënan, XIX, 13. 

3. Sinran, B. kasëhëg (gedrongen worden?), XXI, 213 
(Pass. Dur.). 

4. Manran, B. onvert. , in 't nauw brengen? XXI, 213 
(Act. Dur.). 

B. sahasa (dringend), XIX, 110. 
B. maüëhëg, XXI, 213. 
Srama. S. ^rama. 1, Asrama, B. masasraman (geschaard), 

XVII, 79 (Mal. bërsërama, gelijkelijk). 
Srin. 1. Masrin, B. halus (schoon), XXI, 237. 
Sruk sruwa. S. groote en kleine offerlepel. 1. Sruk sruwa, 

B. upakara caru, XXII, 53 (in eene vergelijking). 
Sresti. S. gresthin, aanzienlijke, gildemeester. Edit. gresti. 
B. pandita (geleerde), XXII, 36. 
^Swakulawrddhi. S. bloei van zijn geslacht. 1, Swakulawrddh va, 
B. lëwih wanga, XXVI, 30 (Conj. Put.). 
Swagata. S. welkom, begroeting, B. üambrama, VIII, 9, 
XXI, 98. 
B. panambrama, VIII, 13. 

1. Swagata, B. hetz. , XXIV, 259. Put. 

2. Sinwagatan, B. kasambrama (verwelkomd), XIII, 
59 (Pass. Dur.). 

3. Swagatan, B. sambrama (te verwelkomen), XXIV, 56 
(Gerund.). 

4. Manwagate, B. ma üambrama (verwelkomen), XXVI, 
25 (Act. Dur.). 

5. Sumwagata, B. hetzelfde, XXVI, 26 (Aor. Act.). 
■^Swagrha. S. zijn huis, B. umahnya, XXV, 98. 
^Swagotra. S. zijn geslacht, B. lëwih kadan! I, 3. 

B. warggi, VI, 197. 
Swaii. B. pëlih (verkeerd), X, 29. 

1. tan swan, B. nora tuna (niet gering), VIII , 68 , XIII , 

56, XIX, 73, XXI, 19. 
B. nora mari (niet ophouden), XXIV, 101, 102, XXV, 39. 
B. mëpëk! buitengemeen, XIX, 17. 
B. nora rërëd (onvervaard), XIII, 20, XIV, 64. 
B. tan surud! buitengewoon, XII, 20, XIV, 64. 



SWariGA — SWaMICITTAJIlA. 607 

B. tan surud buitengewoon, XII, 59, 
B. kapëpëkan, onbevreesd, XX, 9. 
B. tan bhina! buitengewoon, XXIV, 235. 
2. S wan-s wan, B. tan mari (onophoudelijk), VIII, 69. 
Swanga. S. 't eigen lichaam , B. sar ir a, XIX, 17 , kleedingstuk? 

2, Maswanga, B. luararaga (met een swanga), XIX, 17. 

3. Aswanga, B. sawawa, XXI, 206. 

■^Svvacitta. S. zijn eigen gedachte, B. putus in manah.X, 68. 

B. telen in manah, hart , XXIV , 88. 
■^Swajati. S. de eigen aard, B. lëwih uttama! VI, 186 (De 
B. vertaling verkeerd). 
B. tinkah, aard, XIII, 85. 
■^Swadc^'a. S. eigen woonplaats, B. lewih de ga! XXVI, 37. 
B. nagarane, XXVI, 47. 
Swadharnima. S. 't eigen recht, de eigen plicht, B. lëwih 
kadharmman! plicht, XIII, 4 (De B. vert. foutief). 
■^Swaputra. S. eigen zoon, I, 51. 
Swab. 1. Sinwab, B. kaundilan (omvat worden), XV, 65. 
(Pass. Dur.). 
2. Man wab, B. nanka ban, aanvallen, XXI, 215. (Act. Dur.). 
Swabhawa. S. eigen wezen, natuur, aanleg, karakter, geaard- 
heid , B. 1 a k s a n a , II , 38 , 40. 
B. tinkah, III, 82, VII, 109, XIX, 87. 
B. ulah, VI, 10, XXIV, 175. 
B. solah, VII, 77, XIX, 46. 
B. kalaksanayah , van nature, XX, 66. 
Swamï. S. s wam in (eigenaar, heer, gebieder), B. nat ha, 
m, 79. 
swami, B. prabhu, XII , 50. 
swami, B. gusti, XII, 2, 48. 

B. kakun (echtgenoot), XII, 13, 15, 17, XIX, 22. 
B. dewa, VI, 168. 
swami, B. onvertaald, XIX, 19. 
B. raka, XIX, 32. 

2. Swaraya, B. rabi! zal de man zijn, II, 51 (Fut. Act.). 

3. Aswarai, B. maprabhu (jegens haren heer), XII, 169. 

4. Maswami, B. raagusti, XII, 51. 
B. rin gusti, XXI, 165. 

■'^Swainicittajiia. S. de gedachten van (hunnen) meester kennende , 
XII, 48. 



608 SWAYAMABAEA SWl. 

Swayambara. S. swayamwara, eigen keus, B. onvertaald, 

II, 49, V, 27, XVII, 28. 
Swayëmprabha, S. Swayamprabha (naam van eene d a u a w a) . 

VII, 74, 80, 87 (Jav. Say ë mpraba). 
Swara. S. toon, klank, stem, B. muiii (geluid), V, 13. 

B. panaudika (stem), V, 53. 

B. ujar, VII, 26, XIV, 21, XVIII, 38, XXII, 52. 

B. wuwus, VIII, 97, XVII, 103. 

B. onvertaald, VIII, 183, XI, 2. 

B. hatur, geluid, XVII, 82. 

B. Qabda, XI, 90. 

B. sasandara, XVII, 112. 
Swarl. I. Bug. suwari, B. onvertaald, casuaris-vogel ? IX , 56. 

II? B. kalipës (waterinsekt) , XXV, 62, of hetzelfde? 
Swargga. S. hemel, B. keudran, I, 12, VI, 83. 

B. suralok a, I, 13. 

B. surapada, XII, 62, XIII, 36. 

B. surabhawana, XVI, 10. 

B. onvertaald, XIX, 91, XXI, 124, XXIV, 94, VI, 197. 
VII, 101. 

B. de 5a! II, 76 (De B. vertaling onjuist). 

B. sadyuh, III, 23, XX, 20, XXV, 1, 2. 

B. kadewatan, XX , 21. 

2. Saswargga, B. di swarggan! als de hemel, II, 46 
(De B. vertaling verkeerd). 
Swarggawargga. S. hemelsche schaar, B. swastawarggi, 

XXII, 53. 
Swarggastha. S. zich in den hemel bevindende , B. r i n swargga, 

gen ah, VII, 73. 
Swa^akti. S. eigen kracht, B. lëwih wipesa! XIII, 7. 
■^Swasti. S. welvaart, geluk, B. lëwih pagëh, XVII, 66. 
Swastha. S. orde, welvaart, B. rahayu, XXI, 156, 205, adj. 

2. Swastha, B. hetz. (Conj.), XI, 26, XIV, 64, XV, 46, 
XXI, 152, XXII, 21, XXIV, 93, 201. 

B. siddha. XV, 39. 
Swl. 1. Aswi, B. misërënan (dringend), VI, 148. 

B. sërën, I, 46 (smeek eling). 

B. tan mari, VI, 37 (smeekend). 

2. Maswi, B. dëmën dahat (dringend), VI, 31. 

B. mi sërën , X, 10. 



SWECCa HAÓSA. 609 

B. mrikëdëh, XVII, 6. 
B. ra a m r i h a n , XIX , 86. 
B. këdöh, III, 52. 

3. Sinwï, B. kas all as ai II (gedrongen worden), XXI, 197 
(Pass, Dur.). 

4. Manwï, B. sereii (dringen), XXI, 215. 

Swecca. S. swecclia (eigen wensch , vrije wil), B. euak, VI, 
151 (adv.), 
sweccha, B. suka, VIII, 66 (adj.). 



H. 

■^Hji. 1. Maha, B. nusup! juichen, XV, 63. De B. vert. foutief. 
B. mahyun! schreeuwen, V, 53. De B. vert. verkeerd. 
Hagah. 1. Hagahën, B. nedenan (gedrongen te worden) , IX , 
86 (Conj. Pass. Fut.). 
2. Hagahagah, B. gahal-gahal (strijdlustig) , XXIII , 43 , 
57 (°ga). 
Harian. 1. Ahaüan, B. ahiliiü (licht), XVII, 84. 
B. hinan, XVII, 85, XIV, 69. 
B. h a m p a n , XIII , 35. 
B. danan, XVI, 40. 
B. saranta, X, 71. 
2. Mahaüan, B. hampau, XI, 65. 
B. hihin, XV, 63. 
B. hihan, XXIV, 19 (vgl. anan). 
Hanöt (hanët). Mal. anat, Sund. hanüt. 1. Ahanüt, B. rasa! 
(heet), XVII, 112. De B. vert. foutief. 

2. Kahanëtan, B. mëtu smara, verhit, XXIV, 103. 

3. Mahanët, B. raten, XXVI, 25. 

Hani. 1. Mahan i , B. pënit (stinkend), XIV, 41, XV, 29, 

XIX, 130, XXIII, 22. 
Haniii. B. pa wan a (wind), II, 16, VIII, 173. (Vgl. aniu). 
Uansa. S. h a rii s a (gans , zwaan , flamingo) , B. b a n a k (gans) , 
XXIV, 104, VI, 119, XV, 66. 
B. onvertaald , II , 18 , VII , 26 , 32 , 34 , XI , 2 (Mal. hetzelfde , 
Lamp. ansa). 

39 



610 HAllSANaDA Hfiï (hAT). 

Hansanada. S. h a lii s a n a d a (ganzengeschreeuw) , B. s w a r a 

nin hansa dahat, V, 13. 
Hansalila. S. h a lii s a 1 i 1 a (ganzenspel) , B. n e 1 o g a n ii u k a n i n , 

VIII, 71. 
Haji. B. i-atu (vorst), I, 62. 

B. natha, III, 45, XVII, 81, XIX, 48. 
B. onvertaald , VIII , 88 , XI , 29 (vgl. Bis. h a d i , Bik. h a d e , 
Tag. hari, Pamp. ari). 
Hanjnr. 1. Panhanjur, B. pap uc uk (eerste, voorste, aanvoer- 
der) , XXVI, 22. 
Hada. 1 . P a n h a f] a , B. a n d ë 1 a n (toeverlaat) , XIII , 92 (waarop 
men zich verlaat). 
B. inandël, XIII, 80. 

2. PaAhada, B. piandël, XVII, 7 (Fut.). 

3. Panhada-hada, B. kumandëlan, XXI, 100. 
Hadan. 1. Humadan, B. macawisan (klaar zijn), XI, 56,1, 

24 (vgl. adan). 
B. macadan, XIX, 16, 39, 55, XXIII, 71, XIV, 32, 43 
(Aor. Act. Ind.). 

2. Hada 11 ëu, B. mamapag (worde opgewacht). XXIV, 135 
(Juss. Pass.), VI, 2 (zal gereed zijn), vgl. Bat. raanadaii 
(op de loer liggen), Sund. hadën. 

3. Kahadan, B. manuj u (opgewacht), XXVI, 2 (Aor. Pass. Ind.). 

4. Hinadanakën, B. macadan (gereed gemaakt) , XXIII, 73 
(Pass. Dur.), vgl. Sund. had ah, Tag. haran. 

Hadawa. B. siddhawa (1. si dawa), naam van een vogel, 

XXV, 11 (vgl, adawa). 
Hadëp. B. bela (voorkant), XXV, 74. 
Handap. 1. Mahandap, B. hendepah (laag), XIX, 98. 
Ilandëm. 1. Kahandëm, B. katëhëg (bedolven), IX, 18 
(Aor. Pass.). 
B. mububan, XXI, 217. 

2. Humandëm, B. manimpug, IX, 14, Aor. Act. (vgl. 
and ëm). 
Han^urü. B. tibah, naam van een boom, XXV, 74. 
Hat (hat). Sund. haat, B. hëhkëban (bescherming) , XXII, 51. 

2. Kahatakëna, B. sajahah (worde zorg gedragen voor), 
V, 71 (Aor. Pass. Juss.). 

3. Mahata, B. mahlëwihah (zou kunnen behoeden) , XIX , 
24 (De B. vertaling foutief). 



HATAT HANA 611 

B. uttamayan! XXI, 69 (De B. vertalini? foutief). 

4. Hathat, B. bëcikan (draag zorg voor), XIX, 26 (Imp. 
Pass.). 

5. Ahata, B. kalëwihan! XXI, 68, III , 76. De B. vert. 
foutief. 

6. Mahat, B. kalëwihan! XXIV, 32. De B. vert. fout. 

7. Ah at, B. sayanan, XXV, 51. 

Hatat. B. onvertaald, groene papegaai, XXIV, 102 (vgl. Suud. 

et et, Mad. tatat, Jav. bet et, Horsüeld oriolus xan- 

thonitus). 
Hatëp. B. rahab (dakbedekking), XX, 41. 

2. Hinatëp, B. rahabin (bedekt), IX, 49. 

3. Ahatëp, B. marahab (met een dak van), XXVI, 24 
(vgl. Sund. hatöp. Bis. atop, Lamp. hatoq, Mal. atap). 

Hati. Mal. hetz. , Bul. Maori at e (lever), Bent. atei, Pon. 

atoi, Tag. atai, Suud. hat e , Day. atai (hart) enz. B. citta 

(hart), I, 4, VIII, 109, 138, II, 58. 
B. manah, V, 41 , 60, VI, 35, III, 19, 22, IV, 23, XI, 

77, XIV, 2, XVII, 65, VIII, 111. 
B. onvertaald, VIII, 122, 172, II, 75. 
B. panrasa, XVIIl , 20. 
B. hidëp, XXI, 18, XXIV, 236, XXV, 98. 
B. kahjun, XIV, 67, III, 13, V, 44, VI, 28, 62, VIII, 

98, 125, X, 48. 
B. kënëh, III, 27, 31, 47, 81, 82, V, 40, 60, 72, 77, 

VI, 50, 121, 122, 124, 126, XIX, 23, VIII, 109, 122, 
187, IX, 31, XVII, 1, 189, XV, 4, XXI, 19. 

Hatur. I. B, upa ma (evenals), XXII, 56. 

II. B. wjakti (helder), XXIII, 72. 

III. Hinatur, B. kahatur (geboden worden), XXI, 207. 
Hade. B. boya (verkeerd), V, 48. 

Hana. B. w enten (er zijn), III, 2, V, 27, I, 38. 
B. ada, IV, 2, 57, 73, 75, V, 5, I, 11. 
B. wanten, XXIII, 61, IV, 27, 44. 
B. onvertaald, II, 39, 45, 68, IV, 1, 4, 16, 20, V, 83, 

VII, 49, I, 4, 16. 

B. hidup, II, 26, IV, 64. De B. vert. onjuist. 
B. hurip! XXI, 28, toestand. 

B. wwantën, (er zijn), II, 18, 19, 25, 31, 46, 51, 64, 
67, III, 16, 36, 37, 40, 41, 47, 49, 74, I, 1, 9, 14, 



612 HANAR HANDAKÜ. 

22, 50, IV, 3, 12, 60, 65, 72, V, 24, VI, 32, VII, 

10, 20. 
B. hënu! III, 28, zijn. (De B. vert. foutief). 
B. gen ah, III, 47 (het zijn), XI, 24, I, 43. 
B. u m u 11 g w i n . zijn , II , 65 , enz. 

2. Ha na, B. onvertaald, XXI, 4 (Conj. na kadi), 46 (na 
yak). 

3. Kahanan, B. gen ah (plaats), II, 16, VII, 42. 
B. katonosin, III, 40. 

B. kagënahin, III, 41, VI, 85. 

4. Hanau, B. da di ! (sommigen) , III , 21 , 23 , VI, 164 (soms). 
B. adan (sommige), XI, 55. 

5. Hinanakën, B. narian (pass. van laten blijven), XIII, 
52 (Imp. Pass. Dur. Caus.). 

6. iSahana, B. saada (zooveel als er zijn (waren), alle), II, 
41, III, 9, IX, 2. 

B. sakatah, III, 11, 13, 14, 26, 80, 81, V, 2, 4, 19, 
27. 50, 62, 76, 80, 89, XIX, 48. 

7. Sahana-hana, B. hetzelfde, doch versterkt, III, 85, V, 
7, VI, 29, 57, XIX, 12. 

B. sakaiica, IX, 45. 
Hanar. B. k e w a 1 a (slechts) , XXI , 34. 

Hanüiiian. S. naam van den beroemden aap , B. on vert. VI, 132, 
144, 148, VIII, 60, IX, 16. 
B. Maruti, IX, 42, 46, 49, 77, 79, VII, 78, VIII, 8, 

15, 68, 78, 79, 80, 203. 
B. Pawanatmaja, VIII, 69, IX, 80, 81, 83, XI, 1, 4, 

7, 8, 38. 
B. Pawanaputra, XXI, 196, enz. 
Hano. B. jaka (arenpalra), XIX, 104, XXII, 51 (vgl. Lamp. 

Day. hanau. Mal. ënau, Tag. anahao). 
Haiitër. 1. Hantran, B. duluran (gevolg), XXVI, 24. 
Hautëlü. B. taluh (ei), XXIII, 22 (vgl. Mal. t ë 1 o r , Tag. Bis. 
itlog. Bul. atëlu, Day. hantëloh, Bug. italoq). Vgl. 
han tiga. 
Hantiga. B. ras e! ei, XXVI, 25. Vgl. hantëlü. 
Hantu. S. gestorven zijn, B. pëjah, XV, 25, XVII, 46, 49, 

XXIV, 35. 
Handarii. B. onvertaald (vuurklomp), XIV, 39. 

B. luhun fladah, XVIII, 36, XIX, 46, XXII, 48. 



HANDUL HAYU. 613 

Handul. B. rajapa (uaaiii van een kruipgewas), XXV, 73. 
Hapëk. 1. Mahapëk, B. dahat mansit (vunzig) , XXIV, 1 19 

(vgl. apëk). 
Hapit. 1. Hinapitan, B. j apit (geklemd) , VI, 167, geknepen. 

B. kajëpit, XXII, 62. 

B. kasalëpit, X, 65. Pass. Dur. 

2. Humapit, B. nabih (omringde), XIX, 67. Aor. Act. 

3. Panhapit, B. manabih (omgeving), XIX, 68. Vgl. a])i t. 
Hapti. B. kasadyayan (willen), XXVI, 26. 

Habalaii. 1. Habalanakën, B. dag elan (werpen), XV, 61. 

2. Manhabalan, B. manimpug (wegsliugeren) , XVI, 21 
(Act. Dur.). 

3. Hinabalan, B. kadagël, XIX, 127 (werd geworpen), 
vgl. abalan (Mal. hambalan, Jav. balan). 

Habët. 1. an habët, B. nlambet (slaan), XIX, 72. 
r habët, B. mantëg, XXIV, 27. 

2. Anhabët, B. mangëcekan, VI, 22. Act. Dur. 

3. Manhabët, B. mahlambet, XXII, 50. Act. Dur. 

4. Hinabët, B. kalambët, XIX, 127, XXI, 196, 224, 
XXIII, 42. Pass. Dur. 

Uamèil. 1. tamanpahamënan,B. norana kari (zonder dat er 
iets van overbleef), XXI, 154. 
tanpahamënan, B. nora hawanan, XXVI, 51 (radeloos). 
Hamës. 1. Hinamës, B. mat ah kis (afgeweerd), XXIII, 56. 

B. sahasa (heftig), XIX, 64. 
Hambawan. B. pak el (soort van man ga- boom), II, 28, XI, 
3, XVI, 44. (Day. hetzelfde , Men. ambacaii, Mal. macan). 
Hainbëü. 1. Kahambëh, B. kahëmpël (omringd), VI, 138 
(Aor. Pass.). 
B. mabëlbël, XXII, 76. 
Hainbulu. B. hancak (naam van een boom) , XXV, 71 , XXII, 

51. Jav. bulu, een ficussoort. 
Hayam. 1. Hayam-hay aman, B. ni ndan in danin ! water- 

hoen, XXV, 57. 
Hayu. B. rap mi (schoonheid), IV, 30, XII , 37. 
B. jëgeg, IV, 33, V, 73, XIX, 26. 
B. kahayon, IV, 38, 49, V, 69, 71, VI, 118. 
B. kara^min, I, 12, VII, 24, 36, XVII, 133. 
B. rahayu, V, 12, XIX, 46, XXII, 41. 
B. mëlah, III, 58, V, 41, 74, XXIV, 80. 



614 HAYUYU HAYWA. 

B. patut, m, 80, V, 38, XXIV, 36, 48. 

B. bëcik. Vil, 38, XXIV, 49, 85, XIII, 85. 

B. a^ri, II, 6. 

B. 9 u c i , het schoone , III , 54. 

B. kadëmënin, X, 54, XI, 70, V, 14. 

B. jëgegan, V, 16, VII, 100, 101. 

B. suka (vreugde), VIII, 124, XIII, 57, 66. 

B. kasukan, schooaheid, XIII, 71. 

B. kamëlahan, VII, 108, VIII, 42. 

B. kabëcikan, VIU, 161. 

B. halëp, XIII, 15. 

B. ka^rijan, XIV, 2, 44, XVI, 10. 

2. Pahayun, B. bëcikan (worde in eere gehouden), III, 
54, 70. 

B. maweh bëcik, III, 72. 

B. matutan, III, 63 (Gerund,). 

3. Ahayu, B. jëgeg (schoon), VII, 70, IV, 38. 
B. bëcik, XIII, 55, V, 41, XIV, 69. 

B. patut (gepast), XIII, 67, XIX, 48. 
B, rahajën (schoon), XIV, 65, XXV, 96. 

4. Hayu-hayu, B. 1 ëwih patut (al het schoone), XVII , 58. 
B. kahaywan, XXIV, 38. 

5. Pahayu, B. bëcikan (worde versierd), XXIV, 46 (Imp. 
Pass.). 

au pahayu, B. mbëcikan, XXIV, 258 (in 't weldoen). 

6. Mahaywa, B. mamëlahan (wel te doen), XXIV, 65. 
(Conj.). 

7. Haywakën, B. dabdaban (worde gezorgd), XXIV, 80 
(Imp. Pass.). 

8. Humaywakën, B. mambëcikan (weldoende), XXVI, 
48 (Part. Aor. Act.). 

Hayuyu. B. kadunu (krab), X, 63. 

B. rakata, XXV, 58. 
Haywa. B. hëda (woord ter aanduiding van een verbod: laat 
niet, wees niet), I, 51, III, 47, 62, 65, 68, 78, VI, 2. 
B. sampunan, III, 11, 13, V, 5, 17, 52. 
B. sampun, V, 23, XI, 26, VI, 67, 170, VII, 75, VIII, 
120, 124, 188, 198, 206, IX, 86, XIX, 28, 87 , XIII, 89. 
B. nora, XIII, 46, XI, 27, XXV, 3. 
B. tan, XIII, 36. 



HAIIA HARëP. 615 

B. twara, XXI, 91. 
Hara. I. B. j a n i (toch) , XXI , 62 , 66. 

B. onvertaald (o!), III, 27. 

B. ika, kom aan, toe maar, XVII, 105. Vgl. har ah. 

II. S naam van Qiwa, XXIII, 9. 
Haraka. S. paarlsnoer, B. tuba! VI, 108. De B. vert. fout. 
Haraii. 1. Kaharan, B. raasawah (als "t ware) , II , 6 , 7 , V 2. 

B. pacan (te beschouwen als), VI, 159. 

B. sawanan, VI, 163, VIII, 48, IX, 12, XI, 1 1 , XV , 65, 
XIX, 130. 

B. nawanan , XI, 12. 

B. kaupamayaü, XIX, 23. 
Harawa? B. misukayan! soort van duif, XXIV, 108 (vgl. 

Mal. rawa). 
Haras. 1. Maharas, B. makosoh (aanraken), XXIII, 18. 

2. Harasën, B. nora sënka (als aangeraakt werd) , XXIII, 
21 (Cond. Pass.). 
Harah. B. jani (toch), V, 52, 63, XVII, 63, 75, XXI, 113, 
XXV, 56, XVIII, 43. 

B. mankin, XXIII, 21. Vgl. hara I. 
Haren. B. hirën (houtskool), XXVI, 13. 

2. Kayu haren, B. onvertaald, ebbenhout, XXV, 100. 

3. Maharën, B. sëlëm (zwart) , XXVI , 25 (vgl. Bal. aden, 
Mal. aran, enz.). 

Harëp. Mal. harap, Sund. haröp. Bul. Pak. Sea, Tond. Bent. 
Saw. Pon. arap. B. buddhi (begeerte), V, 56. 
B. kahyun (verlangen), IX, 86. 
B. kënëhan, VIII, 181. 
B. pahëpan (voorkant), IX, 76. 
B. onvertaald (wensch) , VIII , 1 78. 
B. dëmën (verlangen), VIII, 67, V, 41. 

2. Harëpa, B. marabudian (moge willen), VI, 53 (Opt. 
afhangende van don). 

3. Hare pan, B. pahyunan (voor), III, 10. 
B. harëp (voorkant), XXIII, 57. 

4. Ka harëp, B. budian (begeerte), II, 37, 50, VI, 139. 
B. man ah (verlangen), XII, 26. 

B. dëmënin, XIV, 54. 

B. kahyun (wensch), VIII, 126. 

B. kahyunan, XXI, 106 (verlangen). 



616 HARI HAHIDAYITa. 

B. karsa, III, 8. 

5. Aharëp, B. iiukanin (willen), III, 21. 
B, man ah (verlangen), V, 35. 

B. manrasayan, VI, 120. 

6. Maharëp, B. makayun (wenschen) , III, 32, XIV, 57, 
XXIII, 58, V, 51. 

B. kahyun, V, 60. 

B. mabuddhi (begeeren) , VI, 75, XIII, 14. 

B. man ah (verlangen), VIII, 190. 

7. Sakaharëp, B. sakahyunari (alle wenschen), III, 38. 
B. sin mahrënanin, III , 54. 

B. sakahyun, XXI, 137, VIII, 53. 

8. Humarëpakën (met 't front gekeerd naar), B. man ar ëpin, 
IX, 13. 

9. Hinarëp-harëp, B. makamangala (verlangd worden), 
XI, 91 (Pass. Dur.). 

B. kadumunan buddhi, XI[I, 40. 
B. inandël mahyun, XIII, 69. 

10. Humarëp, B. mahëp (kwam naar voren), XII, 6 (Aor. 
Act.). 

B. mahahëp, XIX, 50. 
B. maharëp, XIX, 64. 

11. Hinarëpakën, B. kaprihan (werd gestreefd naar) , XV, 
1 (Pass. Dur.). 

12. Kinaharëpan, B. kabudian, XVII, 56. 

13. Sakaharëpa, B. sin budian (alle begeerten) , XVII , 57. 

14. Maharëpa, B. mabuddhi, XXIV, 159 (Conj.). 

15. Aharëpan, B. makahyun, XXVI, 25. 
Hari. I. S. leeuw, B. sinha, XIX, 112, XXV, 29. 

II. S. bijnaam van Wisnu, XXIII, 9, VIII, 41. 

III. S. naam van een aap, XIX, 46. 

IV. Hari-harin, B. salimuran (worde getroost), XVII, 88. 
Harin. 1. Maharin, B. apëk (vunzig), XIX, 130. 
Harinët. Malag. dinitra, Jav. krinët. Bis. sinot. Mak. 

sonoq. B. pëluh (zweet), V, 36, XII, 8, 25, XIX, 92, 
XXVI, 25, XX, 6. 
2. Harinëtën, B. hetzelfde, bezweet, XXV, 51 (zweeterig). 
Harina. S. gazelle, B. kidan, V, 49, 52, 59. 
■^Haridayita. S. Wisnu's geliefde (gemalin) , B. bhatari Qri, 
V, 16. 



HARIP HARSAJA. 617 

Harip. 1. Aharip, B. akiyap (slaap krijgen), XXIII , 26. 
Hari >vara. S. voortrellelijkste der gele dieren , B. h a r i n a celen! 

VII, 58 (De B. vertaling geheel verkeerd). 
Hariwuwu. 1. llariwuwun, B. tob tob au (tot voedsel), 

XXiV, 108. 
Haris. 1. M ah ar is, B. agigis (zacht), XXII, 6. 
B. mapasihin (liefkoozen) , VIII, 176. 
2. Harisa, B. tan mari, XXV, 45. Conj, 
Harib. 1. thari- hari hen, B. papasihi n (worde geliefkoosd) , 

XIX, 28 (Opt. Pass.). 
Uarus. 1. llarusa, B. hawus (als de branding), XXII, 30 

(Mal. Sund. hetz. , Tag. agos, Pamp. agus, stroom). 
Uaruhara. B. garabura (opschudding), XV, 34. 
B. ma nr usakan (in beroering brengen), XV, 37. 
B. kewëhan (in opschudding), XV, 56. 
B. molah (onrust veroorzaken), XVII, 75. 
B. byapara (ongerust), XXI, 5, 190, 199, XXII, 5. 
B. ruge (onrust), XXIII, 9. 

2. Haruhara, B. pakewëh (wees ongerust), XVII, 88. 

3. Humaruhara, B. kewëhan (verontrusten), XII, 52 
(Aor. Act.) Vgl. har oh ara. 

Harohara. B. dahat kewëh (in opschudding), XXI, 29. 
har o har a, B. pakewëh (ongeïust), XIII, 31, XXI, 52. 
harohara, B. rugan (onrust), XV, 39. 
B. kewëhan (verontrust), XXII, 35, 52. Vgl. haruhara. 
Htirsa. S. vreugde, B. kahyun (verlangen), I, 19. 
B. tusta (verheugd), I, 19, III, 3, VII, 6, 16. 
B. suka (verheugd), VI, 148, VII, 34, VIII, 178, XI, 9, 

XII, 12 (vreugde). 
B. d ë m ë n (vreugde) , XXII , 30. 
B. enak (verheugd), II, 78, XVII, 6. 
2. Har.sa, B. tusta, X, 20 (Conj. Fut. na awas). 
■^Harsacitta. S. verheugd van hart , B. suka m a n a h e , 
II, 65. 
B. tusta manahe, VIII, 203. 
B. tusta hidëpe, IC, 56. 
Harsaja. S. uit vreugde ontstaan, B. tusfa nulus (duurzame 
vreugde), XXVI, 19. 
B. tusta (verheugd), VII, 106. 
B. tusta wëtu, VIII, 99. 



618 HARSUKA HALCP. 

^Harsuka. S, verheugd. 1. Humarsuka, B. ninkinan tusta 
(verheugen), XXIV, 56. 
B. magawe rena, XXVI, 48. 
Hala. B. jële fhet slechte), III, 58, 68 (kwaad). 
B. corah, III, 74, 80, XXIV, 42, 80, 161. 
B. ka won, III , 75, XIII, 55. 
B. du du (verkeerd), V, 58, X, 54. 
B. hiwan (slechtheid), V, 60. 

2. Humalakëna, B. nakitin (kwaad doen), III, 29 (Aor. 
Act. Couj.). 

3. Anhala-hala, B. malaksana dusta (boosdoener) , III , 
79 (Part. Act. Dur.). 

4. Mahala, B. jële (slecht), XIV, 30, 34. 

B. dusta, IX, 90, V, 63, XVIII, 47, XXIV, 159. 

5. Ahala, B. hiwan (slecht), VI, 10, X, 49. 
B. salah (verkeerd), XXIV, 54. 

B. j ë 1 e (slecht) , XIV , 30. 

6. K ahala, B. tan pat u t (kwaad gedaan worden), XVIII, 47. 

7. Kahala, B. kasakitan (gepijnigd), XIX, 127, XXI, 
217 (Aor. Pass.). 

8. Hinala, B. hetzelfde, XIX, 1 10 (Pass. Dur.). Ed. kin al a. 

9. Mahala, B. niwanan (kwaad te doen), V, 60 (Conj.). 
Ualaii. I. B. kasamparan! naam van een wapen, IX, 14. 

B. sasampar, XXIII, 63 (naam v. e. wapen). Ed. hilan. 
2. Kahalafi, B. manandan, XIX, 127 (door dat wapen 
gewond worden) , Aor. Pass. 

II. Manhalani, B. manandahi, XV, 14 (Act. Dur. Trans.) , 
tegenhouden. 

III. Tar halanalan,B. tan kapalan (niet gering), XIII, 24. 
Halab. 1. Sahalab, B. miwah gadah (groenachtig), XV, 57 

(of: flauw?) 
Halay. 1. Ahalay, B. d u sta (verkeerd), XXIV, 160. Vgl. ha Ie. 
Ualalau. B. ambëhan (naam van een grassoort), X, 71 (üaj. 

hetzelfde. Men. hilalaii). 
Halëp. B. b ë c i k (schoonheid) , VIII , 1 63 , XXIII , 57, XXVI , 24. 
B. rahayu, XVII, 12. 

2. Ahalëpan, B. yen pantësan (naar het schijnt) , VI , 55. 

3. Mahalëp, B. bëcik (schoon), VIII, 51. 
B. apri, XII, 38. 

4. Ahalëp, B. pantës (schoon), IX, 76. 



HALCLÖN HAWa. 619 

B. bëcik, XXVI, 23. 
B. aQTi, XVII, 122. 

5. Halëpakëu, B. pantës (schoon makeu) , X, 45. 
B. mande bëcik, XXIV, 39, Ed. alëpakën. 

6. Ahalëpa, B, mande a^ri, XIX, 130. 

7. Manhalëpi, B. kamëlahau (schoon maken) , XXIV, 69 
(Act. Dur. Trans.). 

Halëlön. 1. Kahalëlön, B. manlëlëuan, zich verslikken, 

VIII, 20. 
Halintan. 1. Makahalintan, B. dadi maiili wat (diende om 

voorbij te gaan?), IX, 14. 
Haliman. B. gajah (olifant), XVII, 14, XXIII, 47, XXV, 

27, IX, 27, 28, XXII, 11. 
Ualilin. 1. Halilinan, B. ma ilëh au (ronddraaien) , XXV, 33. 
Haliwat. B. manlintan (voorbijgegaan zijnde), VIII, 22 

(Absol.), 25. 

2. A haliwat, B. manlintan in (doorkruisen), II, 67. 

3. Haliwatana, B. lintaiiin (over te trekken), XV, 37 
(Conj. Trans.). 

4. Hu maliwat, B. mamarggi, II, 13 gingen voorbij, 
(Aor. Act. Ind.). 

5. Hinaliwatan, B, kal in tan an (overgetrokken worden), 
XV, 2. (Pass. Dur.). 

Halis. Sund. hetz. B. siratuiaya (wenkbrauw) , III , 42 , XII , 38. 
B. onvertaald , IX , 36. 
B. tarjja, XVIII, 44, XXII, 73. 

2, Halisa, B, siratmaja, VII, 25. (Conj. na tulya). 
Halu. 1. Humalu, B. firihinan! sloegen met een knods, 

XIX, 111, Aor. Act. Ind. (De B. vert. foutief.). 
Halun. B. laücut (golf), VIII, 47 (vgl. Sund. Mal. alun). 

(Zie alun). 

Halulu. 1. Anhalulu, huilen, XXI, 210. Vgl. Mal. lulun, 

Men. mahaluluh. Mak. lolon, Tag. alolon, Bul. lolo n. 

Hale. 1. Mahale, B. hapëk (verkeerd) , XIV, 42 (vgl. hal ay). 

Ualwau. 1 . M a h a 1 w a n a , B. m a n i m p a 1 i n (overspel bedrijven) , 

V, 58 (Conj.). 
Uawa. B. manawag! omver gerukt, XXV, 46. 

2. KahawTi, B. katëmpuh (omver gerukt), IX, 6, XXII, 

66 (verwoest), XVI, 18. 
B. buka aduk (besmet), XXIV, 149 (Aor. Pass.). 



620 HAWAN HaH. 

Hawan. B. tinunganin (vervoermiddel), VIII, 36. 
B. hëntasiii (weg), II, 1, 12, XVI, 18. 
B. marggi, m, 18, 70, VIII, 1, VI, VI, 136, VII, 49, 

X, SQ^XXIV, 71. 
B. kahëntasan, XI, 73. 
B, pamarggi, XV , 1. 
B. margga, XV, 14, XII, 56. 

2. Ahawan, B. manambah (betreden), V, 21. 
B. anungan (