(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "leven en werken von willemjanxz blaeu"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



I 

\ 



LEVEN EN WERKEN 



VAK 



AVTTiTiBM: JAJSrSZ. BLxABXJ. 



,r,.,.,L/„.i):;.J./ ■ v,M,j.i>..,i(f,i£,.J,J,.A,,,^ 



■'.'/'" -' 



'„JA. 



fjj- 



1.i,j.i,.„,.., 



LEVEN EN WERKEN 



VAN 



WILLEM JANSZ. BLAEÜ, 



DOOB 



P. J. ZZ. S.A.TJIDST. 



UITGEGEVEN DOOB HET 

PROVINCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP 



▼AM 



KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. 



UTRECHT, 
C. VAN DEE POST Jb. 

Uiti^er Tan het ProTinciaal Vtrechticb Genootschap 

1871. 




6EDBUKT BIJ G. A. VAN HOFTEN , TE UTRECHT. 



■ BEANTWOORDING 

PKR 

PRIJSVRAAG : 

>V AARBIJ VERLANGD ^VS^ORDT : 

„EB9E LEVEirSBBSCHBIJYrNG TAN WILLEM BLAEU, MET BENE 
VEBMELDINa EN BEOOBDEELING DEB DOOB HEM UITQEOEYBN 
ATLASSEN , LAND- EN ZEEEAABTEN , STEDEBOBKEN EN GLOBEN , 
EN EEN ONDEBZOBK TAN OEN INTLOED , DIEN ZU TEB BETOB- 
DEBING DEB LAND- EN TOLKENKVNDE GEHAD HEBBEN." 

ONDKR DX 8PAKUK: 

Indefttssus agendo. 

Wllleat Jann. Bla««. 

aah wklkk 
DOOR HET PROVINCIAAL ÜTRECHTSCH GENOOTSCHAP 

VAN 

KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN 
OP DEN 28 JUNI 1870, 



IS TOEGEWEZEN. 



Il 
1 



VOORBERICHT. 



De beantwoording eener prijsvraag over Willem Jansz. 
Blaeu. uitgeschreven door het Provinciaal Utrechtsch 
Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, was voor 
mij de aanleiding tot eene nadere kennismaking met den 
bloeitijd der Nederlandsche Republiek, en wel, meer bij- 
zonder, m£t een en ander uit dien tijd, wat op aard- 
rijkst en zeevaartkunde , op handel en nijverheid betrek- 
king heeft. 

Ik vond daarbij vaak gelegenheid, om de waarheid 
intezien van de schildering , die de hooggeleerde schrijver 
van » Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog ," zoo tref- 
fend, in de volgende woorden geeft. 

i^Welk een schouwspel vertoonde in deze dagen onze 
republiek aan Europa! Tegen den magtigsten Koning, 
dien de schatten van de beide Indien ten dienste staan , 
oorloogt een klein gewest , door dijken en molens bezwaar- 
lijk boven water gehouden, zonder andere middelen dan 
die eigen naarstigheid en beleid verschaffen ; en die krijg 
wordt een bron van welvaren. Het is een lust in de 
levendige schildering van van Meeteren en van Hugo de 
Groot den voorbeeldeloos bloeijenden toestand te aan- 



vin 

schouwen, waarvan zij zelven ooggetuigen zijn: de steden 
en dorpen met talrijker bevolking dan de grond kan voe- 
den , doch die in allerlei bedrijf een ruim bestaan vindt ; 
de tallooze schepen, die de voortbrengsels van het land 
en van de volksvlijt overal heenvoeren, die voor half 
Europa vracht varen, en uit Oost en West de Indische 
schatten aanvoeren. Op alle zeeën wappert de vlag van 
Holland; er zijn plaatsen in Holland ^ die meer schepen 
bezitten dan woningen. De Koning van Spanje, meent 
van Meeteren , als hij al dat welvaren aanziet , mag wel 
wanhopen aan de onderwerping van zoo magtige gewesten." 

Inderdaad moet men zich verbazen over den moed, de 
veerkracht, de volharding, waarmede onze voorouders de 
stoutste ontwerpen durfden vormen en — ten uitvoer 
leggen, hoe vaak zij ook moesten ondervinden, ^que la 
fortune est journalière." 

Verschafte mij het onderzoek, dat aan het schrijven 
van deze verhandeling voorafging, menig genotvol uur, 
in gezelschap van wakkere Hollanders uit de 16® öw 17® 
eeuw , ook onzen tijd heb ik beter leeren kennen en waar- 
deeren. 

Nimmer had ik zooveel welwillendheid verwacht ^ als 
ik van alle zijden heb ondervonden, waarheen ik mij 
om inlichting en hulp gewend heb. 

Aan de heeren M. F. A. G. Campbell, Jhr. Mr. J. 
K. J. de Jonge en P. A. Leupe te 'sHage ben ik de 
eerste aanmoediging verschuldigd bij het ondernemen van 
deze studie. Allen dank ik veel meer, dan den toegang 
tot de belangrijke instellingen aan hunne zorgen toever^ 
trouwd. Door aanwijzing van bronnen , mededeeling van 
schriftelijke aanteekeningen en, niet minder, door hun 
voorbeeld in het behandelen der geschiedenis van letteren 
en wetenschap, hebben zij mij den weg gewezen. • 



IX 

Wat de heer Fred. Muller te Amsterdam voor de Ne- 
derlandsche bibliographie gedaan heeft en nog doety is 
van algemeene bekendheid. 

Moeielijk keen ik hier doen uitkomen, hoeveel ik hem 
verschuldigd ben voor den krachtigen bijstand mij ver- 
leend, nu eens, door het verstrekken van zeldzame en 
kostbare werken, dan weer, door het geven van zooveel 
goeden raad, als men van zijne uitgestrekte kennis fn 
warme belangstelling in alles, wat den roem van Neder- 
land raakt, verwachten mag. 

Bijzondere verplichting heb ik aan den heer Jhr. Mr. 
W. E. J. Berg van Bussen Muilkerk , die mij een aantal 
belangrijke aanteekeningen schonk over verschillende leden 
van het geslacht Blaeu. 

Aan den heer Mr. J. T. Bodel Nijenhuis te Leiden 
dank ik den toegang tot zijne uitgebreide verzameling 
van kaarten en portretten en menigen nuttigen wenk, 
waarvan ik bij het herzien van mijn werk heb trachten 
partij te trekken. 

Be heeren hoogleeraren Br. F. Kaiser en Br. C. J. 
Malthes hebben mij het beschouwen en beschrijven der 
globes, die onder hun toezicht bewaard worden, zoo ge- 
makkelijk en aangenaam mogelijk gemaakt. 

Be herinnering aan zooveel gulheid, als ik bij het 
samenstellen van dit werk heb mogen ondervinden, is 
eene van de beste vruchten , die het mij heeft opgeleverd. 

Met grond zal de lezer kunnen klagen over het gemis 
van veel bijzonderheden in de levensbeschrijving van 
Blaeu, die hij zou wenschen daarin aanietreffen. 

Bie klacht heb ik vaak vóór hem geslaakt, en het niet 
aan nasporingen laten ontbreken, om in dat gemis te 
voorzien. 

Wie nu echter msenen mocht , dat ik het ontbrekende 



heb denken goed te. maken door de bijvoeging van veel, 
wat slechts zijdelings of in het geheel niet op Blaeu be- 
trekking heeft, zou mij onrecht doen. Mijn doel met de 
msdedeeling daarvan was alleen , om enkele wetenswaar- 
dige bijzonderheden aan de vergetelheid te onttrekken. 

Met recht mag men beweeren, dat^ over het algemeen 
T>Vhistoire bataille" bij voorstellingen uit de geschiedenis , 
nog te veel op den voorgrond wordt geplaatst. Het wer- 
ken en streven der vreedzame menigte verdient ^ dunkt 
mij, meer belangstelling, dan er veelal aan geschonken 
is. Ik heb daarom opgenomen wat beschouwd kon worden 
in verband met mijn onderwerp, mij voorkwam niet 
algemeen genoeg bekend te zijn en voor de geschiedenis 
der beschaving te kunnen dienen. 

De copie van het portret van W. Jz. Blaeu, tegenover 
den titel geplaatst, verdient allen lof. 

De heer J. Schaarwdchter, te Nijmegen, gaf, door het 
leveren daarvan, het bewijs van 't geen de methode van 
Albert, in bekwame handen, vermag. 

Ook de lithographische copieën van handteekeningen , 
drukkersteekens en afbeeldingen van den graadboog, door 
den heer J. Bos alhier geleverd, geven getrouw de ori- 
gineelen terug. 

Vtrecht, 1 Juni 1871. P. J. H. BAUDET. 



I N H o U D. 



Bh. 

■ 

j Leyen van Willem Jansz. BUeu 1 

' Werken „ „ v „ „ 88 

Belagen. 

I. Geslachtraaam Blaen 117 

n. Portret van Willem Jansz. Blaen 120 

III. Twee brieven van P. C. Hooft 128 

lY. üittrekselfl nit de* werken van 6. J. Vossins 125 

V. „ „ J. F. Poppens. Biblioth. Belgica 129 

VI.JBrief van Galilei en Resol. der St. Gen 181 

YII. Betrekking van Dr. Joan Blaen tot de R. C. geestelgkheid 146 

Vlll. Opschriften op globes van W. Jz. Blaen 150 

IX. Extracten nit de Resol. der St. Gen. en der Staten van Holland 

en West-Vriesland 154 

X. Genealogie van het geslacht Blaen 159 

XI. Twee beschr^ vingen van een atlas, afkomstig van L. van der Hemm. 168 

XII. Vier brieven van W. Jz. Blaen aan W. Schickard 170 

Xm. Beschr^ving van de dmkker^ der Blaen's 176 



LEVEN VAN WILLEM JANSZ. BLAEU 



WILLEM JANSZ. BLAEÜ. 



Men loek ToIkoBwn brein Tergeefi, en Tint er geen; 
£n lelden een vernuft alleen bequaem tot een; 
Noch leldener een man bequaem geacht tot velen 
Het ech^nt Natuur heeft lust haer gaven te verdeelen. 
Maer trof in Blaen een stof tot velerley bequaem. 
Zoo draeght deWlekuust moedt op i\jnen groeten naem. 

J. VAN TOHOSL. 

Willem Jansz. Ëlaeu ^) werd, in 1571, te Alkmaar of te 
Uitgeest bij Alkmaar geboren ^). Yan zijne kindschheid 

1) Voor de spelling van den geslachtsnaam Blaen, zie men Bijlage I. 

2) Het is aUeen op grond van een . opschrift op een afdruk van Blaeu's 
portret , voorkomende in Bijlage II , dat Mer ook Uitgeest is opgegeven. De ' 
atelier van dat opschrift was blijkbaar zoo goed met het geslacht en den per- 
soon van Willem Jansz. bekend , dat , bij gebreke van eenige authentieke aan- 
teekening in Kerkregisters of Gildeboeken, aan zijne opgave hei meeste ge- 
wicht moet worden toegekend. De eenige aanteekening aangaande W. Jz. Blaeu 
in het gildeboek der Amsterdamsche boekverkoopers luidt: 

Willem Jansz, Blauw in de Sonnewyter .... obiit. 

In de Resolutiën der St. Generaal wordt, op 23 April 1605, vermeldeen 
besluit , waarbij aan W, Jansz. van . Alemaer ende Hermen Alariz. die de 
heren Stalen Representeert hebben e'ene grote Wereltseaerte , voor een gratuiteit 
werden toegelegt 25 gl. en even zoo wordt ,• in een octrooi van denzelfden dag 
en op diezelfde kaart verleend, weder van Alemaer bij den naam gevoegd. 

Ook in de opschriften op Globes staat: Quilielmus Jansonius Alcmarianvs. 

Het kan zijn, dat Blaeu, te Uitgeest geboren, te Alkmaar is opgevoed. 
Het dorp Uitgeest ligt, op ongeveer 2 uren gaans, ten zuiden van voormelde stad. 

In bio^aphische woordenboeken, waarvan de schrijvers ^Uiauder blykbaar 

1 



2 

is niets bekend. Reeds op jeugdigen leeftijd moet hij 
ziéh te Amsterdam op den handel hebben toegelegd. P. 
C. Hooft schrijdt aan H. de Groot, op 29 Oct. 1616, een 
brief, waarin hij Blaeu als drukker en uitgever aanbe- 
veelt, en zegt daarin: T>Hy is de zoon van myn moeders 
oom, en heeft mynen vader eenige jaar en gedient, om 
zich ih koopmanschap te oeffenen, Mercurio invito {met 
kleenen zegen), maar heter gezint tot de Wiskunst^ 
daarnaa by Ticho Brahe zekeren tydt getoeest, en entlyk 
door de Geografye en handelen met kaarten en globen 
ook aan de Boekwinkel geraakt^' ^). 

Aangaande het verblijf van Blaeu op het eiland Hven 
in Denemarken, waar zich het Observatorium van Tycho 
Brahe bevbnd, en waar deze zich van 1576 tot 1597 
heeft opgehouden 2) , ontbreken nadere berichten , zoodat 
niet kan worden opgegeven, wanneer hij daar gekomen 
is, en op welk tijdstip hij naar het vaderland is terug- 
gekeerd.; Alleen zegt Joan Blaeu, terloops '^), dat, in 1591 , 
zijn vader amanuensis was van Tycho Brahe, en in den 
Grooten Atlas komt eene kaart van het eiland Hven 
voor, zonder jaartal , »a Guiljelmo Blaeu, cumsub Tychone 
Astronomiae operam daret, delineata'\ en met opdracht 



hebben nageschreven, zonder onderzoek te doen naar den persoon of zijne wer- 
ken , vindt men veelal Amsterdam als zijne geboorteplaats opgegeven. 

Zelfs Wagenaar zegt in zijne Oeschiedenis van Amsterdam. III, St. bl. 223. 

Willem Janszoon Blaeu toerdt , in of omtrent het jaar 1571 , hier ter stede 
geboren. 

Dezelfde dwaUng vindt men bij Nieuwenhuis. Woordenboek I. 350. J, Kok. 
Vaderlandsih woordenboek, VI. 577. en vele anderen. 

1) Twee brieven van P. C. Hooft, waarin van W. Jansz. sprake is, vindt 
men onder Bijlage III. 

2) Kastner. Oeschichte der mathematik. Tycho Brahe stierf 14 Octob. 1601 , 
op 54- jarigen leeftijd, in Bohème. 

3) Joannes Blaeu. Atlas major, p. 63. 



3 

van Joan Blaeu aan Christianus Longotnontanus , i^otim 
Parentis sui sub Tychone condiscipulus" i). Of Blaeu de 



1) In de verschillende uitgaven van den Grooten Atku van Joan Blaeu , 
(Zie F. Muller, Essai d'une bibliogr. Neerl-Russe) , 

a) Ailas major sive Cosmographia Blaviana in qua loluntj saluar ^ coelum 
accuratissime descrièuntur. Amst, 1662. 11 voi. fêl. 

b) Le grand atlas ou cosmographie Blaviane , en laquelle est exacteoieni 
desorüte la terre , la mer ei^ le del. Amst, 1664. 12 vol. Jol. 

c) Grooten Atlas oft Werhlt-heschrgving , in toelche 't aerdryck , de zee en 
hemel wort vertoont en beschreven, Amst. 1664 — 1665. 9 dn fol, 

d) Atlas mayor, ^ivo Cosmographia Blaviana , en laqual exact, se descrive 
la tierraj el mar y el cielo. Amst. 1659 — 1672. 10 vol. fol. komen 12 af- 
beeldingen voor, die betrekking hebben op het eiland Hven, het observato- 
rium Uranienborg en de daarin door Tycho-Brahe opgestelde instrumenten. 
Alleen bij de kaart van het eiland wordt 6. Blaeu als teekenaar vermeld. 

Wat J. Blaeu er niet bijvoegt , is , dat al die afbeeldingen verfraaide copieën 
zijn van de houtsneden voorkomende in : Tgchonis Brahe Astronomiae instauratite 
mechanica, waarvan de eerste druk, volgens Delambre, in 1578 uitkwamen 
uiterst zeldzaam is. Op het schutblad van een exemplaar van den* tweeden 
druk, in 1602, te Neurenberg, bij Levinus Hulsius verschenen, en dat in 
de bibliotheek der Utrechtsche Akademie aanwezig is, wordt 1598, als het 
jaar van den eersten druk opgegeven. Ook de tweede druk komt zelden voor. 

Dat het copieën zijn , blijkt duidelijk o. a. uit de overeenkomst der renvooi- 
letters. 

De beschrijving , die Joan Blaeu aan genoemde afbeeldingen toevpegt , is uit 
de Astronomiae instauratae mechanica vertaald, en d.aarbij zijn de woorden 
van Tycho Brahe nu eens in den eersten persoon gelaten, dan eens in den 
derden overgebracht , zoo dat men , de bron niet kennende , bij eene opper- 
.vlakkige lezing, meent, nu eens met J. Blaeu en dan weer met Tycho Brahe 
te doen te hebben. 

Daarbij verdient nog ,te worden opgemerkt , dat , ofschoon de teekenaar van 
de afbeelding van het muurquadrant en het daarbij gevoegd portret van Tycho 
Brahe wel genoemd wordt, er nergens sprake is van Willem Blaeu, die toch 
door zijn zoon als de ontwerper der kaart van Hven wordt aangewezen. In 
het oorspronkelijke vindt men : Hanc effigiem magna solerlia expressit Thobias 
Oemperlinus eximius artifex (guem mecum Augusta Findelicorum in BatUam 
olim receperam) idg. tam competenter ut vix similior dari possit. Est autem 
secundum staturam et magnitudinem totius corporis equali forma repraesentata. 
Pe vertaling luidt bij J. Blaeu: Tobias Oemjaerlinus , een ff9ti9t*f^ werckme ester ^ 

1* 



hand geslagen' hebbc aan de vervaardiging der instrumen-^ 
ten van üranienburg, meerendeels van veel grooler afme- 
tingen en van nauwkeuriger constructie , dan de \66v dien 
tijd door andere sterrekundigen gebruikte, blijkt alweder 
nergens, en evenmin, in hoeverre hij deelgenomen heeft 
aan de waarnemingen , die den roem van^ Tycho Brahe 
gevestigd hebben, waarvan Delarabre zegt: uTart d'observer 
fCavait reellement fait aucun progrès depuis les Arabes; 
de bonnes observations ^ devenaient indispensables pmir 
les progrès ultérieurs de l' Astronomie, Tycho d eet égard 
se montra supérieur d tout ce qui Vavait précedé i). 

Het waren, zoo als men weet, deze waarnemingen, die 
den grondslag uitmaakten van Keplers berekeningen en 
hem de wetten deden ontdekken, die zijn naam ver- 
eeuwigd hebben. 

Het ïleeriing en vriend van Tycho Brahe*' is het vaste 
epitheton geworden, waarmede de betrekking van Blaeu 
tot zijn leermeester door schier alle schrijvers van biogra- 
phische woordenboeken en anderen wordt aangewezen 2). 
Ik geloof niet, dat de vermelding der vriendschap tus- 

die ick eertyts met my uyt Augtburgh naer Lenemarehen meegenomen had, 
Keejt de»e beeltenis met groote naersiigkeyt gemaeckt , 7 tcelck soo wel ge- 
lyekt y dat men naeuwelycke een gel^eker sou konnen maecken , en neer de 
stature en grootheyt van *t geheele lichaem in gelycke forme vertoont. 

Aangaande de leerlingen yan Tycho Brahe vindt men daar voorts nog : Ick 
plagk altyt ten minste 6 (T/'S, en somtyts 10 of 12 soodanige leerlingen te 
houden , die van verscheyde gewesten quamen , be halven de jongens en andere 
diseipulen. 

1) Delambre, Htstoire de Pastronomie moderne, p. 148. 

2) In Oerard Mtrcator , sa vie et ses oeuvres par Ie Dr. J, van Baemsdontk 
1869, vindt men, op p. 265. Noot: Ouillaume BlaeuWy disciple et ami de 
Tycho Brahe , s*est fait un nom par ses ouvrages géographiques et ses impres- 
sions. De optelling der werken van Blaen , die dan volgt , paart onvolledig- 
heid aan onjuistheid. Daarbij wordt aan den vader toegeschreven , wat later 
bü den soon, Joan Blaea, uitkwaqL, en ook dit no^ verkeerd opgegeven. 



\ 



I 

schen beide mannen op iets anders berust, dan op het 
gezegde van G. J. Vossius in zijn werk: De scientiis mathe- 
maticis, p, 263: ïZijne wiskundige kennis ontleende hij 
aan den edelen geleerde, Tycho Brahe,.met wien hij lan- 
gen tijd vriendschappelijk heeft omgegaan" ^), waaraan 
zeker ook J. F. Foppens in zijne Bibliotheca belgica, p. 
408, ontleend heeft de uitdrukking: ^Tichonis Brahaei 
quondam discipuliis ac familiaris amicus'' 2). 

Te vergeefs echter zoekt men in de werken van Tycho 
Brahe naar den naam van Blaeu, en deze heeft nergens 
van zijn vriendschappelijken omgang met genen gewag 
gemaakt. Wat hiervan zij, dit is ?eker, dat Blaeu aan 
zijn verblijf op Hven, nevens de grondslagen zijner 
zuiver wetenschappelijke kundigheden , ook te- danken 
heeft gehad zoodanige kennis van de samenstelling en 
vaardigheid in hel gebruik van werktuigen, als hem later 
hebben in staat gesteld, om zich, door het vervaardigen 
Van instrumenten en het doen van waarnemingen, verdien- 
stelijk te maken. 

Omtrent 'de opneming van Blaeu in eenig gilde zijn 
geene aanteekeningen tot ons gekomen. 

Uit de opschriften van een paar globes , die , naar het 
schijnt*, tot zijne eerste werkzaamheden behoord hebben , 
blijkt, dat de aardglobe reeds in 1599, de hemelglobe 
in iöOtl vervaardigd is 3). 

In 1605 komt zijn naam het eerst voor in de Resolutiën 
der Stalen-Generaal , voor het verleenen van octrooi op 



1) Eauaérai eam (peritiam) a doctor e nobilitnmo ' Tyekone Brahe , eum quo 
amice vvrerat diu. 

Zie het geheele artikel vau Vossius in Bijlage IV. 

2) Zie het artikel van Foppens in Bijlage V. 

3) De beschrijving dezer bollen volgt onder : Globe» em Spherea. 



o 

bet drukken en uilgeven van het: Nieuw graethouck ^) 
met welken naam men , in dien tijd , tafels van de decli- 
natie der zon aanduidde. 

Het IS vooral als vervaardiger van globes en instru- 
menten, als schrijver, drukker en uilgever van werken 
over zeevaart en aardrijkskunde, dat wij ons nader met 
Blaeu zullen moeten bezig houden. Intusschen'ook als 
drukker en uitgever van andere werken had hij een wel- 
verdienden naam. 

Reeds in 1608 zag hij zich genoodzaakt de bescherming 
der Staten van Holland en West-Friesland in te roepen , 
ten einde zich te vrijwaren legen de schade, hem berok- 
kend door den nadruk der bij hem verschenen werken. 
In zijn verzoekschrift aan dat collegie 2), zegt hij: ft dat 
hy suppliant hemselven hoope gegeeven heeft van syn 
Familie {hetwelk vast seer aenwassende is) eerlyk te 
konnen onderhouden , hetwelk hem door Gods genade ende 
zegeninge ook wel soude hebben gelukt, ten waere eenige 
Luyden van deselve Neeringe hun daegelyks onderwon- 
den en vervorderden des Supplionts soo wel nieuw ge 
vonden , als geamplieerde ende vermeerderde Werken na 
te myden ende te doen nasnyden." 

Uit hoeveel leden, in 1608, het ^vast seer aehwassend" 
gezin van Blaeu bestond, is niet op te geven. Van de 
dagleekening van zijn huwelijk, van de geboorten zijner 
• zeven kinderen is geen aanteekening bewaard gebleven , 
met uitzondering van zijn zoon Joan , geboren 23 Sept. 1596. 
^ Vergeleken met de drukken der Elzeviers , die kort na 
Blaeu het volmaaktste leverden, wat de boekdrukkunst 
in dien tijd vermocht, kan men aan de typen van Blaeu 



1) Hierojider vermeld , onder : Werken van W. Jz. Blaeu, 

2) Zie Bijlage IX. 



7 

geenszins den eersten rang toekennen. Vooral zijne 
kleinere letters laten^veel te wen§chen over. De grootere 
zijn fraaier. Aan de correctie hebben zich zoowel de 
vader Willem Jansz., als zijne zonen veel gelegen laten 
liggen, en daaraan zeker voor een goed deel hun roem 
als drukkers te danken gehad. 

De woning van Blaeu stond op het Water en droeg den 
Vergulden Sonnewyser in den gevel. Vandaar op de titel- 
bladen der bij hem uitgekomen werken en kaarten, de 
bijvoeging: in de vergulde Sonnewyser o{ sub signo solarii 
deauratu De werken, vóór 1619 bij hem verschenen^ 
verlooneri ook veelal, als drukkersteeken, een weegschaal 
met den aardbol in de rechterschaal en den hemelbDl 
in de linker, die doorslaat, en daar onder het woord: 
Praestat i). 

Dit teeken vindt men o. a. op: Lud, Guicciardini om- 
nium Belgii regionum descriptio. Amst. GuiL Janssonius. 
Sub signo solarii, 1613. 

Op de latere drukken is dit teeken vervangen door . 
eene spHeer, aan wier linkerzijde de Tijd en aaa wier 
rechterzijde Hercules staat, met het bijschrift: Indefessiis 
agendo 2). Een der eerste boeken, waarop zich dit teeken 
bevindt, is: Bug. Grolii. Grollae obs^idio, 1629. Oo^ de 
zonen van Willem Jansz. hebben dit teeken op hunne 
drukken behouden. 

Van het huiselijk leven van Blaeu, van zijne omstandig- 
heden is weinig bekend. Bijna de eenige schrijver, bij wien 
men enkele bijzonderheden vindt, is G. J. Vossius, die, 



1) Zie afbeelding I, voor den titel. 

2) Zie afbeelding II, vóór den titel. 

In het ex. van Orollae obsidio der UtrecKtsche Akademische Bibliotheek 
bevindt zich het tweede drnkkersteeken op den titel eA het eerste op een der 
schutbladen achter het werk. 



s 

benoemd tot Hoogleeraar aan de lUustre scl;iooI te Amster- 
dam, zich den 2^'" Mei 1631 daar met der woon kwam 
vestigen ï), en, zoowel voor de uitgave van zijne werken, 
als van die zijner vrienden, met de Blaeu's in aanraking 
kwam en hen vaak bezocht. Behalve, waar hij in zijne Brie- 
vm-Q^^x hen spreekt, heeft hij ook, in zijne werken: Be 
mentiis mathematicis, en: Be philologia, een paar artikels 
meer byzonder aan Willem Jansz. gewijd , en diens veirdien- 
sten als mathematicus en geograaf in het licht gesteld ^). 

In den loop van dit onderzoek hoop ik den hoofdinhoud 
daarvan terug te geven in verband met hetgeen van elders 
aangaande zijn leven en werken bekend is. 

In een opschrift op een hemelbol van W. Jz. Blaeu^ 
leest men, dat in 1600 door hem eene nieuwe ster ont- 
dekt is in de borst van het sterrebeeld de Zwaan, en 
vindt men de opgave van hare lengte en breedte •^). Of 
inderdaad de eerste waarneming van die ster aan Blaeu 
moet worden toegeschreven, werd reeds door tijdgenooten 
betwijfeld *). Het ontbreken van die ster in den catalogus 
van Tycho Brahe en op de sterrekaarten van J. Bayer * 
(1603) kan geenszins als bewijs voor Blaeu's bewering 
gelden. 4 Daartoe is de eerste te onvolledig en zijn de 
laatste te weinig nauwkeurig, inzonderheid waar het 
sterren geldt, wier plaatsbepaling niet aan Tycho ont- 
leend is 5). 

Van Vossius vernemen wij , dat Blaeu eene graadmeting 



1) Zie brief van G. J. Vossins aan de Groot van 29 April 1731 N». CXLII 
der Londensche editie. 

2) Zie Bijlage IV. 
8) Zie Bijlage VIII. 

4) Bailly. Hkt. de V Astronomie, T. U, p. 82. 

5) De sterrenhemel verklaard door F, Kaiser, Boogleeraar te Leiden. D. 
I. blz. 406 , 407. 



9 

heeft gedaan , die , zoowel om de uitgebreidheid van den 
door hem gemeten boog, als wegens de nauwkeurigheid , 
waarmede hij de geographische breedten der uiteinden 
heeft trachten té bepalen, opmerking verdient. 

De afstand van .den mond der Maas tot Texel \verd 
daartoe rechtstreeks, langs. het strand, door hem opgeme- 
ten, en de poolshoogten van den Hoek van Holland en 
van het Noordelijkst uiteinde der kust bepaald met een 
instrument, dat een straal van 14 Rhijhl. voet had, en 
waarvan de boog 42° besloeg. 

Van die meting zijn echter, noch door Willem Jansz. 
zelven, noch doQr zijne nakomelingen of anderen de re- 
sultaten bekend gemaakt ^]. 

i>Wat Willem Blaeu daarover geschreven heeft, is zijn 
lofwaardige zoon, mijn vriend Joafi Blaeu, voornemens in 
behoorlijke orde uit te geven", schrijft Vossius. 
* Daartoe is het echter nooit gekomen. * Wat daarvan de 
reden geweest is, valt moeielijk uit te maken. Mocht ik 
eene gissing wagen, dan zou het die zijn, waarbij aan 
Blaeu zeker wantrouwen moet worden -toegeschreven aan- 
gaande de juistheid zijner uitkomsten, die, blijkens an- 
dere berichten, veel moeten hebben verschild met de 
door Willebrord Snellius , Hoogleeraar te Leiden , uit zijne 
welbekende graadmeting verkregene, en inderdaad veel 
nauwkeuriger geweest zijn. De wijze, waarop Blaeu bij 
zijne meting is te werk gegaan, wettigt, meen ik, de 
onderstelling, dat hij vóór 1617, het jaar waarin Snellius 



1) Wijlen de hoogleer aar van Beeck Calkoen heeft, ie Amsterdam, ziek 
alle moeüe gegeven , ter ontdekking van dit koetbaar handeehrift (van de 
graadmeting) , zoo het nog bestond; maar bij dit onderzoek bleek het , dat 
het geshcht der Blaeu*s geheel is uitgestorven, 

Nieuicenhuie^ Alg. teoordenb, I. 350, 



10 

zijne meting bekend maakte i), de zijne beeft volbracht; 
anders zou hij zeker de methode van Snellius gevolgd 
hebben , die het eerst eene triangulatie daartoe gebezigd, 
en, als basis, een afstand van 326,43 Rh. R., dwars tus- 
schen Leiden en Soeterwoude gelegep, gemeten heeft. 
Die meting van Snellius werd spoedig algemeen bekend, 
en zeker is ze geen geheim gebleven voor Blaeu, die, zooals 
Yossius zegt, Ddoor Snellius, Adriaan Metius en andere 
groote Wiskunstenaars om zijne kunde zeer geacht werd 2)." 



1) Het verslag yan de meting van Snellius vindt men in : Eratosthenes 
Batavus, de terrae ambiius vera qu%ntitate, a Willehrordi Snellio siucitaius. 
Lugd. Batav. 1617. 

Voor de breedte van Alkmaar (52o 38' 2") vond hij 52® 40', 5, voor die 
van Bergen op Zoom (SI» 29' 44") 51° 29' en voor één graad van den me- 
. ridiain 28500 Rhijnl. Roeden. 

« 

Later ontdekte Snellius , eenige fouten in .zijn werk , en besloot tot eene 
nieuwe uitgave van den Eratosthenes Batavus y die echter achterwege bleef. 
In 1622 mat hij eene nieuwe basis over het ijs, op ondergeloopenland, nabij 
Leiden, benevens' de hoeken , noodig, om zijne vorige triangulatie daarmede 
te verbinden. Echter voltooide hij de daarbij behoorende berekeningen niet, 
die wegens het gemis van logarithmen, zeer omslachtig waren, en daardoor 
tot vele fouten aanleiding gaven. 

De eerste tafels van Briggs verschenen te Londen in 1624 en betatten de 
logarithmen, tot in 14 decimalen, der getallen van 1 — 20'000 en van 90'000 — 
lOO'OOO. 

In 1628 werden de eerste tafels 'van de logarithmen der goniometrische 
lijnen door Adriaen Vlacq te Gouda in het licht gegeven. {Tables de logar. 
de F. Cal/et, Avertissemenf). 

Van de eerst gemeten basis uitgaailde , vond Snellius voor den afstand der 
torens van het Leidsche Raadhuis en van Soeterwoude, 1092,33 Rh. R.' De 
tweede leverde daarvoor 1097,1 als uitkomst op. 

{Inleiding tot eene natuur- en toish. \beschouioinge des Aardkloots , door 
ƒ. Lulo/s 1750). 

Van Musschenbroek hervatte de berekeningen van Snellius, na eenige zij- 
ner metingen verbeterd te hebben, en vond voor één graad 29514,23 Rhijnl. 
Roeden. [P. van Musschenbroek. De magnitudine terrae 1729]. 

2) Fossius, De scientüs mathem. 



il 

'De eenige,* die iets van de uitkomsten van Blaeu's 
graadmeting heeft medegedeelde is de bekende wiskun- 
dige Picard. In zijn: Voyage (TUranibourg ^), zegt hij: 
Ik Je partis de Paris du mois de Juillet 1671. Comme 
favois appris que depuis peu, M. 'Blaeu d" Amsterdam 
avoit travaillé aussi bien que moy d la mesure de la 
Terre, je fus curieux d'en conferér avec luy. Sur quoy 
je ptiis dire que nous eusmes une joye extraordinaire ce 
'bon viej,llard 8c moy de voir que nous estions presque 
d'accord touchant la grandeur du degré d^un grand cercle 
de la Terre ^ & que Ie diff erend n'alloit pas d cinq 
perches ou 60 pieds de Rhin, 

Je n*ay point sceü que Ie manuscrit quHl m'en fit voir 
ait- esié mis au jour, mais je suis certain que Snellius 
n* avoit rien fait de si grand. Je sortis d' Amsterdam 
m'embarquant pour Hambourg Ie ii Aousf^ ^). 



\) M. Picard. Ouvraget de mathematique. A la Haye , ehez P. Ooste et 
J. Neauïme 1731. 

2) Picard, die, de methode van Snellius vulgende, uit eene triangalatie den 
afstand van Parijs tot Amiens berekende, verkreeg, voor 1 graad, 57060 Toises. 
Herleidt men deze en de in eene vorige noot opgegeven waarden tot me- 
ters, dan verkrijgt men voor 1 graad, volgens: 

Snellius , 107370 meters, 

van Musschenbroek, 111190 . „ 
Picard, 111212 „ 

Volgens de verklaring van Picard, moet Blaeu 111212 ±19 meters d. i. 
111231 of 111193 meters gevonden hebben. Nu hadden moeten vinden: 

Snellius , omstr. 111250 meters , 
Picard. „ 111201 
'Blaeu , „ 111259 
Waaruit volgt , dat de fout bedraagt Bij : 

Si;iellius , 3880 meters , 

Picard , 11 » 

Blaeu , hoogstens 66 ,, 
en dat de. meting van Blaeu dus veel nauwkeuriger uitkomst heeft opgeleverd, 



n 



42 
Zoo als mèn ziet, meende Picard ten onrechte dat Dr. 

« 

Joan Blaeu , en dat wel kort geleden , de bedoelde graad- 
meting gedaan had. Het is zeker bevreemdend , dat beide 
elkander niet beter begrepen hebben, en kwalijk met 
Delambre aan te nemen, dat, evenmin als Picard Neder- 
duitsch kende, Joan Blaeu Fransch verstond i). 

Een blijk van Blaeu's belangstelling in alles, wat op het 
gebied zijner wetenschap voorviel, levert zijne briefwis- 
seling met Robert Robertsz. Ie Canu 2) , van wien in den' 



dan die van Snellius , en slechti 6 meters minder juist is , dan de door van 
Musschenbroek berekende waarde. 

1) Zonder hier te gewagen van zijn verblijf in Italië, van de uitgebreid- 
heid zyner algemeene kennis en van zijne volstrekte behoefte aan de Fra^che 
tdal, kan ik wijzen op een brief, door Joan Blaeu aan een ongenoemde ge- 
richt , in goed Fransch gesteld en berustende in het Museum Westreenen- 
Meerman te *8 Hage , van den volgenden inhoud : 

Monsieur. . 

J*ay entendu avec beaueoup de joije de monsieur Laurens , que vout estes 
de retour a Paris i Dieu soit loué gu'il vouê ait conservé si bien en bonne 
santé durant iout vostre voyage. Je ne doute pas que vous n*ayez appris 
avec regret comme moy la mort de monsieur ffevelius Je vous supplie de 
songer a vos promesses a sgavoir -de finir U plus tost que pourrea Ie traieté 
de systematibus et Theorijs Planetarum secundum opiniones Copernici et 
Ptolemaei , afin que je Ie puitse mettre devant mon Atlas ^ qui sera achevé 
dans huict ou dix jours au plustard. 

Je vous recommande cecg derechef^ et je vous asseure que vous obligerez 
infiniment celuy qui est de tont son coeur 
Monsieur 
Vostre Tres humble et Tres affectioné servitevr 

J, Blaeu. 
On vient de me dire qu*il n*est pas vray que monsr Hevelius est mort, 
d^ Amsterdam ad 30 Novembre 1662. 

2) In eene resolutie van de Staten Gen., van 18 Maart 1614 , wordt Rob- 
bert Robbertsz., genoemd Schoolmeester van de conste der grooter seeoaert 
te Boomt en hem daarbij een jaargeld toegelegd y&r hondert guldens , totdat 
anders sal wesen geordonneert , tot het onderhout van syn huys ende beter 
opbouwinge van syn schoole van de groote seevaert. 



\6 



Grooten Atlas een briefis bewaard gebleven, gedagteekend 
van 15 September 1627, waarvan de aanhef luidt als volgt: 
i> Goeden vrint Willem Jansz. Aengesien UE. op mij be- 
geert hebt , dat ik U uyt myn memorie soude opschryven 
wat redenen ick yehadt hebbe met Jacob Heemskerck, 
Gerrit de Veer, Jan Cornelisz, Rijp, ende meer andere 
van myn scholieren , die in H jaer 1596 zyn uytgevaren, 
ende in 'tjaer 1597 wederom zyn gekomen sonder ietwat 
van hare Commissie ofte sendinge , daer sy om uyt geson- 
den ^waren, uytgerecht te hebben, om de koninckryken 
van Catthay ende China te soecken. Ende in 't jaer 
1597 m de.maent November by my syn gekomen, om my 
haer wonder licke ervaringe te vertellen , van dat sy be- 
neffens veel andere wonderdingen de son misten op den 4*^*" 
November, in 't jaer 96 ende de son wederom sagen in 
't jaer 97 den 24"*«** Januari, op deselve hooghte van 16^, 
daer sy seyden dat sy hder huys op Nova Zembla had- 
den gebouwt. Ende daer sy afschryven dat alle Geleerden 
genoegh aen te kavelen sullen hebben. Ende daer ghy 
my van geseyt hebt dat de geleerde Mathematicyns in 
geheel Europa daervan in onrust en in roeren zyn: soo 
sal ick UE. hier in 't korte vertellen wat redenen ick 
met Jacob Heemskerck, Gerrit de Veer 'ende meer an- 
dere van myn scholieren op dese reyse geweest synde 
gehadt heb*' 

De opgaven van Gerrit de Veer aangaande het verdwij- 
nen der zon op 4- Nov. 1596 en het weder zichtbaar 
worden op 24 Jan. 1597 zijn in strijd met de uitkomsten 
der berekening, ook indien men al, wat Le Canu niet 
deed, kimduiking en straalbuiging in rekening brengt, 
en dan voor deze laatste de waarde neemt, die de ge- 
bruikelijke tafels, aangeven. Le Canu kon van zijn stand- 
punt den strijd tusschen berekening en waarneming niet 



u 

anders oplossen, dan door aan te nemen, dat men zich, 
bij deze laatste, 10 of H dagen verrekend had. 

De opgave van de Veer ^stryt in myn sin tegen natuer 
en reden*': was zijne uitspraak. Onbekendheid met veel later 
waargenomen gevallen van buitengewone straalbuiging op 
hooge breedten liet hem en Blaeu geen anderen uilweg 
open, en eerst eene nauwkeurige toetsing van het geheele 
verhaal van de Veer door Dr. E. Vogel heeft de groote 
waarschijnlijkheid in het licht gesteld , dat de waarnemin- 
gen van de Veer en zijne tochtgenooten met zorg gedaan 
zijn, en- de door Ie Canu vermoede vergissing in de tijds- 
bepaling niet meer dan één dag bedragen heeft i). 

Van de door Willem Jansz. vervaardigde meetinstrumen- 
ten is er, zooverre men weet, nog slechts één overgebleven, 
dat thans in het Astronomisch Observatorium te Leiden 
bewaard wordt, en door den Hoogleeraar Dr. F. Kaiser in 
de Annalen der Slernwarte met de volgende woorden om- 
schreven is : Ein hölzerner Quadrant mit einem messin- 
genem Rande von 7 Fuss Radiusr. Dieser Quadrant ist 
verfertigt von Wilhelm Blaeu, und wurde im Jahre 1632 
au^ dem Nachlass von Willebrord Snellius angekauft. Der 
Rand dieses Instrumentes ist durch Transversalen un- 
mittelbar in doppelte Minuten getheilt. Er gab Veran- 
lassung zu der Stiflung einer Sternwarte in Leiden im 
Jahre 1633, und wurde im Jahre 1669 von Melder mit 



1) De uitvoerige 4i8cu88ie over dit punt vindt men in de uitgave der Hak- 
tuyt society. 1853 van de Engelsche vertaling van de Waerachtige Bèschry- 
vinyhe van drie seilagien , ter toerelt noyt soo vreemt ghehoort , enz.' Gedijen 
deur Oerrit de Veer van Amstelredam 1598. Die vertaling van Phillip is 
van het jaar 1609. De nieuwe uitgave van 1853 is bewerkt door Dr. Beke , 
onder medewerking van Dr. E. Vogel, den bekenden reiziger, en Dr. P^ter- 
mann. Zie ook: Verhandeling over eenige vroegere zeetogten dsr Nederlan- 
ders, door O. fdoll. 1825. blz. 85 e. v.. 



15 

einem Fernrohr versehen, Vossius zegt er van in zijn wel 
wat hoogdravend Latijn, dat hij niet gelooft, 9dat ooit eenig 
kunstenaar zooveel rpem vefrdiend heeft als Blaéu, met het 
buitengewoon en schoon quadrant , . dat te Leiden gezien 
wordt in den toren, waaruit de astronomische waarne- 
mingen geschieden." 

Reeds in de instrumenten van Tycl)o Brahe vindt men 
de verdeeling in minuten door middel van transversalen, 
die concentrische cirkels snijden, en het was zeker in 
navolging daarvan, dat ze ook door Blaeu werd aange- 
bracht. Verder mag nog worden opgemerkt , dat bedoeld 
instrument, noch voor de graadmeting van Blaeu, noch 
voor die van Snellius gediend heeft. De laatste toch bezigde 
daarbij een quadrant met een straal, van 2^ Rhijnl. voet 
en, voor de hoogte bepahngen, een halven cirkel met 
\l Rhijnl. voet tot straal. 

Kenschetsend voor het vertrouwen, dat de zeevaart- en 
aardrijkskundige kennis van Blaeu aan zijnci tijdgenooten 
inboezemde , was zijne benoeming tot kaertenmaker der 
Bepubliek, bij resolutie van bewindhebbers ter kamer van 
Amsterdam, d,d, 3 Januari 1633. 

Uit een besluit , dopr de Heeren XVII , den 23 October 
1666, genomen, blijkt het ge\yicht van die aanstelling. 
Daarin toch wordt voorgeschreven, y>dat by geen kamer 
eenige Zee- of Pascaerten naer Indie sullen mogen wor- 
den gesonden of 1)y de schippers medegegeven , als die by 
den heer Blaeu voornoemd syn gemaeckV' i). In een later 
besluit van 1670 wordt gezegd: y^Aen Willem Jansz. Blaeu 
ordinair en gewoon Caertenmaker van de Compagnie is 
voormaels een instructie gegeven om de Journalen van 

» 

1) Inleiding tot den Inventaris der verzameling kaarten berustende in het 
Rijks -Archief. 1867, heioerkt door P. A, Leupe, oud majoor van het korpt 
mariniers, ambtenaar bij het archief. 



^6 

Stuyrluyden nae te sim ende de Caêrten daermedé suc- 
cessivelyk te corrigeren ende amplieren" i).. 

Loffelijk was het streven van Blaeu, om die benoe- 
ming dienstbaar te maken aan de bevordering der weten- 
schap. Hij schreef aan W. Schickard, den 24«*«'» Juni 1634: 

»Toen de directeuren der 0. 1. G. mij, eenjaar geleden, 
aan het hoofd van hunne hydrographie stelden, heb ik 
terstond verzocht, dat ze aan alle stuurlieden, die naar 
Indie voeren , zouden opdragen, overal , alle eclipsen waar- 
tenemen, dat ook gebeurd is 2)." 

Van die waarnemingen gebruik te maken tot de bepaling 
der geographische lengte van bekende plaatsen , was toen 
het eenige middel, om deze met meer nauwkeurigheid 
vast te stellen. Dit denzelfden brief kan tevens blijken, 
dat Blaeu daarbij , in ruimeren zin , het algemeen belang 
beoogde. ^Indien," zegt hij, ^waarnemingen van eclip- 
sen uit Indie of van andere pjaatsen, op de reis daar- 
heen gelegen, tot mij komen, zal ik ze u gaarne me- 
dedeelen." 

Ontmoette het bepalen der lengten van bewoonde of 
vaak bezochte plaatsen reeds groote moeilijkheden, zoo 
wel wegens de zeldzaamheid der eclipsen, en de onmo- 
gelijkheid, om haar begin en einde scherp waar te nemen, 
als wegens de, in meer dan één opzicht, zeer gebrekkige 
tijdsbepaling en het gebrek aan waarnemers , de bepaling 
der lengte op zee was en bleef nog anderhalve eeuw lang 



1) Ook Dr. Joan Blaea en diens zoon Joan Blaeu zijn kaartenmakers der 
republiek geweest. Het is wel bevreemdend, dat van alle kaarten, die door 
de drie geslachten Blaeu in die qualiteit geteekend zijn , op het Bijks-archief 
slechts ééne enkele is overgebleven. Zij is van het jaar 1685 en dus door 
Joan Blaeu Jr. (f 1712) geteekend en stelt 4e straat van Malacca en omlig- 
gende landen voor. 

2} Zie den 4*° brief aan W. Schickard, van 24 Juni 1634 , in Bijlade XIL 



. \1 , - 

het zwakste punt der zeevaartkunde , en gaf aanlei- 
ding tot de grootste misrekeningen t) en ontzaglijke zee- 
rampen. 

De veranderde lengte aflLeleiden uil de afgevaren lengte 
en breedte, benevens koers en verheid of koers en be- 
komen breedte, ook al waren de laatslen minder rtiw 
bepaald en ten allen tijde waartenemen, moest, zoo door 
optelling der fouten, als wegens het gebruik van platte 
kaarten, waarop het bestek werd uitgezet, tot verbazend 
groote onjuistheden voeren. Van daar dan ooic, dat alle 
zeevarende natiën vurig uitzagen naar eene hetere methode 
voor het bepalen der lengte, en verschillende regeerin- 
gen aanzienlijke premiën uitloofden voor de uitvinding 
daarvan 2). 

Natuurlijk ontbrak het niet aan uitvinders, die, begeerig 
naar den uitgeloofden prijs , met allerlei onbekookte voor- 
stellen voor den dag kwamem Een voorbeeld uit vele, 



1) Zie : O. Moll. Verhandeling , enz. , als boven , blz. 146. 

2) Filips ni van Spanje loofde een jaargeld van '6000 dncaten uit voor 
het vinden eener methode van lengte-bepaling, {Lelewely Géogr. du mogen- 
age. II. 181). 

De Staten van Holland beloofden aan P. Plancius eene „eerlijke reeompenee" 
als de deugdelijkheid van zijn stelsel , om uit de declinatie der magneetnaald 
de lengte te vinden mocht gebleken zijn, en, den 21><* Mei 1601, 150 ponden 
„aan elek, die hem op see tullen willen begeven , om detelve haere kunst in 
het bepalen van lengte en breedte te proberen ^" onder de bepaling, dat, aU 
naar het getuigenis van 6 of 8 schippers, „die kunst vast en tekerlyek is, 
de vereering den inventeur volgen sal." 

{De opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indie ^ door Jhr. Mr,J, 
K. J, de Jonge. I. blz. 88. 89.) 

Voor alles wat betrekking heeft op de zeevaartkunde tegen het einde der 
16« en in het begin der 17* eeuw, is het Tweede Hoofdstuk. Deel I. van laatst- 
genoemd werk hoogst belangryk. Be schr^ver heeft wat h\j mededeelt, nit 
de bronnen geput , en dez^ overal aangehaald. 



Waarvan de Resol. der Stalen Gen. melding maken, )e« 
verde Thomas Leamer, een Engelschman» te Amsterdam 
woonachtig. 

Na, van Aug. 1610 tot Dec. 1611, zonder vrucht met 
hem onderhandeld te hebben , besloten de Staten een 
nader requést van Leamer in handen te stellen van het 
nCollegie ter Admiralüeyt binnen Amstelredam ,'' nende 
deselve te authoriseren , omme de demonstratie van dese 
inventie in haerlieder presentie ^ by Wilhem Jansen 
(Blaeu) ende andere in de konst ervifren, mitsgaders van 
alsulcke geëxperimenteerde zeevarende luyden ende pilO' 
ten meer, als sy suilen goet vinden te ^gebruycken , on-- 
partydichlyck te doen examineren y ende rypelyck onder- 
soecken, wat van de waerheyt van de aengediende 
inventie is, ende daerinne sulcken debvoir, opsichle , 
moderatie ende neersticheyt ^te gebruyken, als sy welen 
sulcke inventie voor de zeevaert te importeren, sunder- 
linge daerop lettende , dat den inventeur in syne demon- 
stratie nyet en werde misleydt noch vercort, diewyle 
hare Ho. Mo, verstaen te presteren , dat hem belooft is 
(15000 gld.), indien hy de waerheyt van de voorsz. pey- 
tingen van Oost ende West gevonden heeft , volgende syn 
voorgeven, ende Hgene met hem gehandelt is." 

Den :V*''' Juli 1612, schreven de gecommitteerde it Raden 
ter Admiraliteyt" aan hare Ho. Mo, datsy volgende hare 
missive van 21 Dcc. 1611 den voorsz. Ledmer by Wilhem 
Jansz, ende veel andere persoonen in de geometrie ende 
zeevaert ervaren , tot diversche reysen, oock noch onlancx 
in hare presentie op syn voorgeven hebben doen exami- 
neren ende rypelyck onderzoecken , wal van de waerheyt 
van syne aengediende inventie is, ende vuyt henluyden, 
naerdat sy seriexiselyck vermaent waren, in oprechticheyt 
te oordeelen van 't voorsz. voorgeven des 'voorschreven 



4d 

tèamer, ge^amentL ende ekk in 't besunderê verslam ^ 
dat 't zelve ^ansck ydel ende frivool is'' i). 

Wij zien hieruit, dat reeds in 1612, en dus lang vóór 
zijne aanstelling tot kaartenmaker der Republiek, alge- 
meen aan Blaeu gezag werd toegekend op het gebied 
der zeevaartkunde 

Bij de uitgebreidheid van den handel en de zeevafèft 
der Vereenigde Provinciën in die dagen, was het geen 



1) Keeds den 7^^° Juli 1611 waren de heeren Nobel, Joachimi en Velsen 
door de Staten gecommitteerd, om met Leamer te confereeren, wiens eischen 
zee^ hoog waren. Hij „dijfficulteerde** toch., om, voor 10000 gld. , zyne me- 
thode mede te deelen, en Troeg 25000 gld. Men werd het ten slotte eens 
op 15000 gld., en eene commissie, bestaande pit de heeren Brienen^ Dr. 
Sebastiaan Egberti , Joaphimi en Y elseii kreeg last , om te onderzoeken , in 
hoeverre Leamer recht had op de aangeboden belooning, met machtiging, om 
zich andere personen te assumeeren. 

In het bijzijn van Snellins en Robertsz. Ie Cann, werden aan Leamer drie 
vraagstukkea opgegeven, voor wier oplossing hem eenige dagen t^d gela- 
ten werd. 

Zeker leidde het voorgeven van Leamer zelven tot het doen van ongerijmde 
eischen, zooals die o. a.' blijken uit de: 
lerste voortUllinge, 

lek tien in tee op myn comptu de sonne in 't Oosten , ende seAieUe met 
myn hooch tunntig trappen hooch opten iersten Augusti, vrage daerom, leaer 
ick ben in breede ende lengte y ende wat uere. 

Afgezien van de miswijzing van het kompas, betrof dus de vraag de bepa- 
ling van breedte, lengte en tijd aan boord nit zonshoogte, azimuth en de- 
elinatie. 

Snellius en Ie Canu konden vooraf wel weten , xlat de oplossing van hunne 
▼oorstellen onmogelijk is. 

Met reis- en verblijfkosten en ieder 24 gld. vacatiegelden werden zij ge- 
demitteerd. De antwoorden van Leamer werden in handen gesteld van Ie 
Canu, die voor de beoordeeling daarvan nog eens 50 gld. kreeg. ^ 

Uit de latere opdracht der zaak aan de admiraliteit te Amsterdam en de 
uitdrukkingen daarbij gebezigd, mag men afleiden , dat Leamer de eerste com- 
missie als partijdig of onbekwaam heeft voorgesteld, en tegen hare uitspraak 
it opgekomen. 

V 



20 

wonder, dat Galileo Galilei, na te vergeefs aan Filips III 
van Spanje te hebben aangeboden de mededecling eener 
nieuwe methode van lengtebepaHng , zich daarmede ver- 
voegde bij de Sta ten-Generaal dezer gewesten. 

In Januari 1610, had G^Hlei de trawanten van Jupiter 
ontdekt,, en reeds in 1612, aan den Spaanschen Koning 
eene methode doen. aanbieden , waardoor men, uitgaande 
van de verduisteringen dier manen, de geographische 
lengte nauwkeurig zou kunnen bepalen ^). 

Volgens eehe aanteekening van Galilei zelven, had de 
Koning hem echter doen antwoorden, dat hem, in vorige 
jaren, vele uitvindingen waren aangeboden, die hij ook 
h^d aangenomen, maar die later, bij ondervinding en in 
het gebruik, gebleken waren volkomen ijdel en onbruik- 
baar te zijn; dat Z. M. daardoor dikwijls bedrogen was, 
en, bij slot van rekening, bevonden had, dat daaraan 
groote sommen gelds vruchteloos besteed waren, weshalve 
hij besloten had, in het vervolg, veel omzichtiger te zijn. 

Den 15''®° Aug. 1636, lang nadat alle onderhandelingen 
met de Spaansche regeering vruchteloos waren al'geloopen, 
wendde zich Galilei schrillelijk tot Ilugo de Groot, toen 
Zweedsch gezant aan het Fransche hof en, dien zelfden 
dag, ook lot Laurens Reael 2) en Martinus Hortensius ^) 



1) Kiutner IV. s. 207. Oalileo Galilei. Opere lil. p. 142. 

2) L. Reael „hier èevooren» Oenerael Overaten in d* Oost- Ind^iën f^an desen 
Staedt ende jegenwoordich Schepen en raedt der Stede Amsterdam." In het 
artikel : W. Jz. Blaeu , van F. A. Ebert , in de Encycl. van Ersch vnd 
Gruber^ is „gubemator" door „Schiffskajntdn" vertaald, welke titel aan L. Reael 

.wordt gegeven. 

Dit overigens zeer verdienstelijk artikel , benevens dat over Joan Blaen van 
denzelfden schrijver, in voormelde Encvclopedie , worden steeds bedoeld , als , 
in deze bladzijden, Dr. F. A. Ebert wordt aangehaald. 

8) M. Hortensius was Hoogleeraar aan de Illustreschool te Amsterdam. 
H|j vertaalde in het Latijn het natemelden werk van Blaen over de Oiobes. 



21 

te Amsterdam, in het belang zijner uilvinding en onder 
mededeeling van zijn voornemen, om die aan.de Slalen- 
Gen. aan te bieden. 

Den 11^®° Nov. van dat jaar gaf Laurens Reael, in per* 
soon, aan de Staten een brief van Galilei over, T^neffens 
een translaet van de voors. remontrantie uyt het Ilaliaem 
in de Nedèrlantsche tale" i), behelzende eene omschrij- 
ving zijner methode en het aanbod daarvan aan de Staten. 

Nog in dezelfde zitting werd eene commissie benoemd 
. van vier leden, tot onderzoek van. Galllei's uilvinding. 
Die leden waren : L. Reael, M: Hortensius, Willem Jansz., 
Blaeu en Golius 2). 

Wat de zaak zelve betreft, had Galilei volkomen recht 
met van zijne uitvinding goede uitkomsten te verwachten, 
in zooverre het de bepaHng der lengte te land geldt. In- 
tusschen kan men er op zee, wegens de slingering van 
het schip, geen gebruik van maken, een bezwaar, .waar- 
aan door GaHlei geen genoegzaam gewicht was toegekend, 
en dat men later als onoverkomelijk leerde kennen ^). 



1) Zie den brief van Galilei en de vertaling daarvan in Bijlage VI. 

2) Golius, Hoogleeraar te Leiden. Hoe Descartes dacht over de wiskun- 
dige bekwaamheid zoo van Hortensius , ' als van Golius , blijkt uit de volgende 
aanhaling: „Pour les Professeurt de l'Ecqle, pas unn' entend ma Geometrie i 
je dis ni OoliuSt ni eneore moins Hortensius , qui n*en sait pas assez pour cela." 

Descartes, Lettres. T. III. p. 191. " 

3) In een schrijven van Galilei aan L. Reael, dd. 5 Juni 1637, geeft h^' 
middelen aaii de hand, om de waarneming te onttrekken aan den invloed 
van het slingeren van het schip en om nauwkeurig den tijd te bepalen. 

Op diezelfde middelen schijnt Galilei reeds te doelen in zijn adres aan de 
Staten. Hun volkomen onbruikbaarheid valt bij de bloote vermelding daarvan 
in het oog., Galilei slaat voor, om -^n waarnemer met zijn kijker te doen 
plaats nemen in een soort van schuitje, drijvende in een bak met water, op 
het dek geplaatst. 

Voorts wil hy , voor het meten van den tijd, slingers bezigen, die, b|j 
hunne schommelingen, de raderen vau een uurwerk draven' 



Bij Resolutie van 25 April 1637, werd aan Galilei e^n 
gouden keten vereerd, ter waarde van 500 gld., en aan L. 
Reael 1000 gld, bewilligd, tot het aankoopen der noodige 
instrumenten, ten einde de waarde der. nieuwe methode 
nader te onderzoeken ^). De aan Galilei toegedachte be- 
looning, ingeval de uitslag gunstig was, werd echter 
nooit verleend. Den 18*° Febr. 1640, schreef C. Huyghens 
aan E. Deodati , dat , ter vervanging van de leden der Com- 
missie, die toen alle overleden waren, gedacht werd aan 
het benoemen eener nieuwe Commissie, aan welke dan 
alle stukken op die zaak betrekkelijk , en die zich in han- 
den van M. Hortensius bevonden hadden, zouden worden 
overgegeven. Berichten aangaande zoodanige tweede Com- 
missie ontbreken, ea, den S*^'^ Januari 1642, stierf Galilei. 

Van hel huiselijk leven van Blaeu is schier niets bekend. 
Als zijne vrouw wordt vermeld Marrètie , zonder meer 2). 

Uit zijn huwelijk zijn gesproten zeven kinderen, vier 
zonen en drie dochters, waarvan er slechts twee: Joan'en 
Cornelis, deel gehad hebben aan den arbeid van hun vader. 
De oudste, Joan werd in 1596 geboren. Zoowel hij, als 
zijn jongere broeder Cornelis hebben zich geruimen tijd 
buitenslands opgehouden. In de i^ Inleiding tot het too- 
neel der sleden van Nederland. 1649," zegt Joan Blaeu: 
^Ontvang dan, gunstige leser, dit werck^ en gebruyck 
het terwyl ick ondertusschen Italien ook in twee stucken 
gereet make , waerin ghy de wonderen van den voorleden 
en tegenwoordigen tyt suil aan'^choiiwen. De genegenheyt, 
die ick dat lant toedraegh, omdat et eenige tyd de soet- 
ste verblyfplaets myner jeught geweest is, verbint my, 
dat het terstont op myn Vaderland volgh,** 



1) Zie beide Resolatiën'in Bijlage VI. 

2) Zie de geslachttlijat ïaa Blaeu onder B\ilage X. 



SS 

Wij vinden Joan Biaeu, na zijn terugkeer uit Italië, 
als medewerker aan zyns vaders: Toonneel des Aerdrycx, 
dat hij later met zijn broeder Cornelis heeft voortgezet , 
en, na diens dood, i) alleen heeft voltooid. 

Ook Cornelis Btaeu, en later, de zonen van Joan Blaeu 
hebben eenigen tijd in Italië doorgebracht. 

Volgens Ebert, zou Dr. Joan Blaeu eene eigen drukkery 
gehad hebben, afgescheiden van die zijns vaders. HIJ 
voert daarvoor echter geene bewijzen aan, en ik meen, 
dat integendeel een aantal plaatsen uit de brieven van 
Yossius zijn aan te halen, waaruit blijkt, dat vader en 
zoon, ook ten opzichte van het drukken en uitgeven van 
werken, gemeenschappelijk zijn werkzaam gebleven , ter- 
wijl later ook Cornelis in hunne firma is opgenomen. Dit 
sluit echter de mogelijkheid niet builen, dat enkele wer- 
ken door J. Blaeu voor afzonderlijke rekening zijn uitge- 
geven. Op de titels van: C. BarlaeL Omiio dp Coeli 
admirandis. 16')6, en van: C. Barlaei. Homilia inprae-- 
sepe I6c$7, vindt men: i^apud J. Blaeit,'*; daarentegen, 
op: Oratio panegyrica de recepla Breda, 1637, van den- 
zelfden schrijver, i^apud G. de J. Blaeu'* 



1) B\j het leven van Willem Jansz. verschenen de heide eerste deelen. 
Vossias zegt , dat Joan Blaen met zijn jongeren broeder Cornelis , „een man 
van groote deugden", het derde deel heeft uitgegeven, en, nadat Cornelis 
vroegtijdig gestorven was, het vierde 'deel. Ebert nu heeft van dit vierde 
deel een druk van 1646 guzien*, vs-esholve Cornelis in dat jaar gestorven is 
of toen reeds overleden wns. Baardoor wordt de onderstelling van Ebert 
wederlegd , dat Cornelis in 1649 of 1650 gestorven zij. Van dit overlijden 
is overigens geene aanteekening bewaard gebleven. ' 

Ofschoon Cornelis Blaeu niet genoemd wordt, kan wel op niemand anders 
dan op hem do volgcude mededeeling van Yossius aan J. Meursius Jr. slaan , 
d.d. 25 Maart 1640. 

jyTot nog toe heb ik met Blaeu niet kunnen spreken, omdat hij zijn0 
vrouw, die hij slechts drie maanden bezeten heeft, verloren heeft, en h^ ziel) 
tot nog toe geheel aan z^ne droefheid overgeeft," 



24 ^ 

Niels wettigt de onderstelling, dat die werken in ver- 
schillende werkplaatsen gedrukt zijn 

G. J. Vossius schrijft aan J. Meursius, over de uitgave 
van wiens werken hij jaren lang met de Blaeu's in be- 
trekking stond: »lk ben bij Blaeu (Joan) aan huis ge- 
weest, maar hij is uil de stad. Ik heb inlusschen. zijn 
jongeren broeder gesproken, die voor 6 of 7 maanden 
uit Italië is teruggekeerd, en hem den inhoud van uw 
brief medegedeeld. Hij verzocht mij niets Ie doen, vóór 
de terugkomst zijns broeders, en zeidte, reeds eenproef- 
blad van uw werk gezien te hébben ï)." 

Aan een brief van denzelfden aan denzelfden, van 8 
Jan. 1633, ontleen ik nog: Dik schreef u in, een vorigen 
brief, dat W. Jz. Blaeu . genegen is, zoowel uwe geschie- 
denis van Denemarken, als die van Pontanus uillegeven. 
Ook zijn buurman , J'. Janssonius verklaarde zich (schoon 
minder bepaald) daartoe bereid. — Ik onderstel, dat gij 
weet, dal de typen van Blaeu fraaier zijn, en dat wat 
hij uitgeeft correcter is. Echter ook de ander is een 
goed man en vlijtig in zijne zaken, weshalve gij hierin 
zelf besluiten moet. Echter kunt gij niet veel vertrouwen 
stellen in hetgeen de een van den ander zegt. Blaeu 
meent , dat gij hel meest op hem gesteld zijl. Hij heeft 
een zoon, die rechtsgeleerde is en het opzicht over de 
drukkerij heeft." 

»Uw uitstekend werk over de Koningen van Attica heb 

ik aan J. Janssonius overgegeven, doch niet, dan nadat 

hij beloofd had, het, zoodra mogelijk, onder de pers te 

leggen 2)/' 

Nog eene bijzonderheid vinden wij vermeld in een 



1) Brief van 5 Juli 1631. N». CXLV. ' 

2) No. CLXXXIX. 



25 

V 

brief van Yossius aan H. de Groot, van 21 Aug. i63l>, 
waaruit blijkt, dat Willem Jansz. zich ook met het on- 
derwijs in de Wiskunde heeft bezig gehouden..' »Uw 
zoon," schrijft hij, » woont met vlijt de lessen van Blaeu 
m de Wiskunde bij i).'' 

Waren dete lessen privaat of publiek? Het antwoord 
moet ik schuldig blijven, omdat er nergens elders iets 
over dat onderwijs geboekt is. 

In de brieven van Yossius vinden wij nu en dan gewag 
gemaakt van den naijver tusschen Blaeu en Janssonius , 
waarover ik reeds boven sprak, en waarvan Yossius wel 
eenigszins parlij getrokken s('hijnt te hebben bij zijne 
onderhandelingen met de twee uitgevers, die hij beide 
aan de hand hield. Zoo schrijft hij aan Meursius : i^Joan- 
.nes Janssonius is naar de Frankforter mis ^]. In zijne 



1) NO. ccxxxiv. 

2) Be I^ankforter mis was toen voor den boekhandel wat thans nog ge- 
deeltelijk de Leipziger mis is , en , voor dien tijd , toen het aan dagbladen , 
tijdschriften en middelen van communicatie ontbrak, zeker van veel meer 
gewioht. Uit den 4^*" brief van Blaeu aan "W. Schickard , 24 Juni 1634 (zie 
b^lage XII) vernemen wij, dat hij op de vorige mis het eerste deel van 
het : Toonneel des Aerdrijcx , in het Dnitsch vertaald , had uitgegeven , en 
verder dat hij een uitvoejriger schrijven aan Schickard zal mede geven aan 
z^n bediende, die naar de herfstmis zal gaan. 

In den brief van Vossius aam Hugo de Groot N". CCXXVII, van 16 Mei 
1634, zegt hij, dat alles wat Blaeu naar de Frankforter mis gezonden heeft , 
daar later is aangekomen , dan verwacht was ; dat Blaeu gehoopt had in> de 
3 weken , die aan zijne reis naar de Frankforter mis voorafgingen , een werk 
van de Groot te kunnen drukken, maar thans inzag, dat h^ te vergeefs zou 
pogen , dat werk , nog vóór de mis , te kunnen afdrukken , ten %inde het daar 
te doen verschijnen , en het dus nu maar beter vond daarmede te wachten. 

In de Bibliotheek der Akademie , te Utrecht , bevinden zich eenige jaargan- 
gen, aanvangende met 1583, van den : Catalogus Notma N%ndinarum autum- 
nalium Franeo/orii ad Moenum , Verzeichnitz aller neutoer Büeher weleke 
in dieser Herhetmetz dietet 1583 Jart zu Frankfort om Mayn turn tkeil 



26 

afwezigheid willen zijne vrouw en bediende niets gedrukts 
uit de handen geven, vreezende onder eiken sleèn een 
schorpioen te vinden/' dat, in verband met andere plaat- 
sen, wel niets anders beteekenen kan, dan dat ze vreesden, 
dat Blaeu het pas aangevangen werk mocht nadrukken i). 
Omgekeerd , stelt Vossius de vertraging , die het drukken 
van den i Sophompanea^\ eene tragedie van Meursius on- 
dervindt, voor, als een gevolg vanden spoed, dien Blaeu 
met het drukken van andere werken maken moet, »wir 
hij zich niet door zijn naasten buurman overvleugeld zien, 
die alles ten zijnen nadeele poogt te onderscheppen, door 
terstond te drukken wat het meest in trek is 2)." 

'>6ij vraagt naar de oorzaken, die den druk vertra- 
gen. Ik zal er u meer dan ééne noemen. Vooreerst 
hecfl J. Blaeu, op wien tot nog toe de geheele zaak 
berustte, te Gouda eene fatsoenlijke en rijke vrouw ge- 
huwd, en daarom is hier alles enkele maanden tamelijk 
slap gegaan." 

iNu heeft hij het voornemen voet bij stuk te zetten. 
Zijn vader Willem is oud, en heeft besloten de drukkerij 
op zijne kinderen van gevesligden leeftijd overtedragen, 
namelijk den rechtsgeleerde, dien ik genoemd heb, en 
den ander (Cornelis), die zich nog in het buitenland op- 
houdt, en, reeds uit Italië teruggekeerd, naar Engeland 
gaat, van waar hij weldra tol ons zal komen, wel niet over 
twee of drie dagen, maar over ongeveer twee maanden. Ik 
geloof, dat, even als alle kosten, ook de werkzaamheden 

11^10 ium theil gebetsert sin auszgangen, Oedruekt in der Keyserliehên 
ReiehszsfaU 'Franekfort am Mayn , dureh Peter Seh/nid. . 

De boeken, daarin vermeld, zijn naar rubrieken gerangschikt, zonder ver- 
melding van prijs. 

1) No. CCIX. dd. 6 Oct. 1638. 

%) N». CCXXXVI. dd. 5 Sept. 1684. 



y\ 



27 

voortaan geheel door beiden, ieder voor de helft, zullen 
gedragen worden ^)." 

In Maart 1636 schrijft Yossius, dat Joan Blaeu met zijn 
broeder de geheele* drukkerij waarneemt. Toch schijnt 
de vader zich niet aan de zaak onttrokken te hebben, 
allhans ook met hem werd nog door Vossius onderhan- 
deld. »Nu zie ik duidelijk, waarom Blaeu (W. Jz.) meer 
heefl ondernomen, dan hij volbrengen kan. Het nadeel 
hem door zijn naburigen mededinger toegebrachtN de 
kosten van het onlangs gesloten huwelijk van zijn zoon, 
het bijeenbrengen van zooveel codices , die te weinig af- 
trek hebben, dit alles, meen ik, dat hem een weinig 
meer oplettend op de zaak gemaakt heeft, zoodat hij 
thans, om zoo te zeggen, onder eiken steen een schor- 
pioen d. i. zijn nadeel vreest te ontmoeten. Een groot 
gedeelte zijner boeken is in deze twee laatste weken in 
Openbare 'veiling verkocht, en dat voor minder geld, dan 
waarvoor hij ze gedrukt heeft. Moet ^at den man niet 
wat vreesachtig maken ^)T' 

In 16^7 werd de drukkerij der Blaeu's naar de Bloem- 
gracht verplaatst. >De nieuwe drukkerij van Blaeu, welke 
bij reeds lang met groote kosten in gereedheid brengt, 
schijnt over ongeveer anderhalve maand voltooid te zul- 
len zijn •^)." 

ïBlaeu (Joan) zeidemij, dat zijn lang verwachte broe- 
der eindelijk uit Italië terug gekomen was, en dat, eerst 
deze week, de drukkerij met alle werken naar het andere 
gedeelte der stad was overgebracht *)." 



1) No. CCLXI. dd. .26 Mei 1635. 

2) No. CCLXXXVI. dd. 14 Aug. 1636. Van de publieke verkooping , in 
dezen brief vermeld, heb ik te vergeefs den Catalogus trachten optesporen. 

3) NO. CCCV. dd. 10 JuH 1637. 

4) N**. CCCIX. dd, 10 Sept. 1687. 



28 

Nog in 1638 werd door Vossius met Willem Jansz. 
over de uitgave van nieuwe werken y)nderhandeld. 

»Blaeu (Joan) heeft het drukken der Anthologie steeds 
uitgesteld I zeggende, dat hij eerst zyn vader spreken 
moest, daar hij ni^ts, buiten diens goedkeuring durfde 
vaststellen. Ik verlangde , dat hij mij later, te huis, van 
alles bericht zou geven. Toen ik zag, dat hij mij mis- 
leidde, ^ng ik weer naar hem toe, en trof toevallig, bij 
hem aan huis, zijn vader en zijn broeder aan. Eerst 
sprak de oude twijfelend, maar, toen ik zeide, dat hij er 
rond voor uit moest komen, daar ik u anders niets ze- 
kers kon antwoorden, hee.ll hij, zonder omwegen, in 
dezen geest gesproken: dat hij niet gewoon was, a^n de 
schrijvers gebonden exemplaren toe te zeggen, ja zelfs 
geen ongebonden, ten getale van honderd. Dat hem dit 
tot groot nadeel zou zijn, voornamelijk bij dit werk, 
omdat hij van elders onderricht was, dat het voor voor- 
name menschen bestemd was, en niet voor de zoodani- 
gen, die op het meel letten. Toen ik dezen brief zou 
sluiten, kwam Blaeu (Joan). Hij sprak van 'den kwaden 
buurman (Janssonius) , enz. i).'' 

Het is algemeen bekend, dat de latere firma Blaeu 
op zeer goeden voet stond met de Roomsch Catholieke 
geestelijkheid. De blijken daarvan vindt men in Bij- 
lage YU. 

Uit den volgenden brief mag ik afleiden , dat reeds met 
Willem Jansz. die goede verstandhouding gevestigd is, 
ofschoon deze daarin niet bepaald genoemd wordt. Het 
aandeel echter, da^ hij in de zaak is blijven houden, ook 
toen de werkzaamheden grootendeels op zijne zonen rust- 
ten, stelt het buiten twijfel, dat de grondslagen der la- 



1) N«. CCCXX. dd. 1688. 



29 

tere betrekkingen van Joan Blaeu met de Roomsche 
Geestelijkheid en, in het bijzonder, met de orde der Je- 
zuiten reeds onder tpedoen of althans met medeweten 
van zijn vader gelegd zijn. 

sDeze man (Blaeu), méér gesteld op zijn bijzonder, dan 
het algemeen belang, meer hakend naar geld dan eer, 
denkt aan niets dan winst. Hij nu zegt, dat 'niets hem 
meer oplevert, dan zijne geographische kaarten.' Hij kofli 
ér bijvoegen de misboeken en dergelijke , die hij gedrukt 
heeft, maar zoo, dat zij den naam van den Keulschen 
drukker {Jod. Calcovius?) op den titel dragen. Waarom 
nu zouden wij den steen wasschen , door met dezen man 
te handelen over uwe en mijne werken. Ik heb het 
voornemen opgevat, om zijn buurman Janssonius in 
den arm te nemen, hetgeen uw zoon ook gedaan heeft. 
Ik verwonder mij , dat Janssonius zooveel onderno- 
men heeft, als ik zie, dat het geval is, daar Blaeu 
het er met alle kracht op toelegt, om den man, die 
niet in ruime omstandigheden leeft, tot den bedelstaf 
te brengen i)." 

- Vergelijkt men deze uitdrukkingen met den overdreven 
lof, elders door Vossius aan de Blaeu's toegezwaaid ^), 
dan gevoelt men, dat ze niet zoo letterlijk moeten wor- 
den opgenomen, en alleen de uiting zijn van eene onte- 



1) No. CCCXLIV. dd. 14 Oct. 1688. 

2) Vottius. De ^tcient. math. en De philologia. Bijlage lY. 

;,AcliI mocht Willem Blaeu, die uitstekende burger dezer ^tad Amsterdam 
nog in leven zijnl Leerling van den grooten en edelen Tycho Brahe, heeft 
14j zich, naar het oordeel van alle geleerden , roem vol verdienstel^k gemaakt 
door zijne nauwkeurige landkaarten. Slechts met smart herdenk ik hem , als 
ik naga , hoeveel de aardrijkskunde in hem verloren heeft. Wat de dood den 
braven en uitstekenden gr^saard niet vergund heeft te voltooien, hoopt d« 
zoon te volbrengen." 




30 

vredenheid over de nalatigheid der Blaea's in het nakomen 
hunner beloften, waartoe wel eenige grond was ^). 

In 1637 was de echtgenoot van Willem Jansz. gestor- 
ven ^). Den 21. October 1638 overleed hij zelf, op de 
Bloemgracht, in den ouderdom van 67 jaren. 

Vossiüs schreef aan H. de Groot: «Blauw senior is over- 
leden. Van de zonen, die aan het hootd der drukkerij 
staan, is de een ziek'' *^), en aan Meursius: » Het is nu 
reeds meer dan zes jaren geleden, dat de vader en de 
oudste zoon de uitgave van uw werk hebben toegezegd. 
Thans zeggen zij, niets groots te kupnen ondernemen, 
voor dat alle kinderen, ten getale van zes, het over de 
erfenis eens geworden zijn. De twee oudsten zullen voor 
hunne rekening de drukkerij voortzetten. Naar ik hoor, 
bestaat verre het grootste gedeelte der erfenis in hetgeen 
op kunst en handel betrekking heeft, in eene bijna ontel- 
bare menigte boeken in verschillende talen , veel metalen 
drukletters, bijna tallooze koperen platen,' zoo voor het 
drukken van land- en zeekaarten , als van portretten van 
beroemde mannen, afbeeldingen van planten of die de 



1) Zie een brief van Vossins aan H. de Groot van 1 Jan. 1640. N*. 
CCCLXXII, waarin hij' zegt: j, Heden heb ik van uw zoon vernomen, die 
thans te Amsterdam is, dat gij van plan waart, om vele en groote werken 
te laten drukken. Bij die gelegenheid hebben wij zeer veel over de Blaeu*s 
gesproken , en , onder anderen , herdacht , hoe zij gedurende vele jaren Meur- 
sius zoo schrikkelijk bedrogen hebben, en eindelijk, na een oponthoud van 
ongeveer zeven jaren, toen hij op afdoening aandrong ^hem 'geantwoord hebben, 
dat z^ veranderd waren van gevoelen omtrent het uitgeven zijner werken, en 
bereid waren alles terug te geven , wat hg hun ter uitgave gezonden had. Ik 
heb dat aan Meursius geschreven, die kort daarop gestorven is." 

2) Van dit overladen is geene andere aanteekening overgebleven, dan die 
men vindt in een brief van- C. Barlaeus aan P. Cunaens, dd. 16 Nov. 1637: 
nHaöui hie orationem de^racepta Breda quae iardius excusa esty ob obitum 
wcori* Blaeuufü ttfpographi; mitiam, n Deu» volei ^ vltra dies pawevi<fi" 

8) No. CCCXLV. dd. 16 Dec. 1638. 



I 



dl 

beschrijving of afbeelding van andere dergelijke zaken 
bevallen 0-" 

Hel (bnds, door Willem Jansz. nagelaten, was de vrucht 
van een buitengewoon werkzaam leven. Zou het , zoowel 
voor zijn geslacht, als voor de wetenschap voordeelen 
blijven afwerpen, dan behoorde met kennis en ijver te 
worden voortgebouwd op de grondslagen, door hem ge- 
legd. Vele bouwsloffen had. hij verzameld voor eenveel 
grooter werk dan hij had kunnen optrekken. Zijne nala- 
tenschap kwam inderdaad in goede handen '), en de roem 
van den zoon. Dr. Joan Blaeu, heeft niet weinig bijgedra- 
gen tot verbreiding van den naam des vaders. De uit- 
breiding, die de drukkerij der Blaeu's bij de overbrenging 
naar de Bloemgracht, in 1&ri7, dus nog tijdens het leven 
van Willem Jansz. bereikt moet hebben, vinden wij voor- 
gesteld in de volgende beschrijving van Joly, die ze in 
1646 zag, en dus nog vóór dat een enkel der groote 



1) NO. CCCL. dd. 31 Maart 1689. 

2) jvHij lieeffc twee zonen Joannes en Cornelis nagelaten, erfgenamen van 
des vaders konst en vlyt." (/. F. Foppent, Biblioth, Belgica. 1729 p. 408.) 
' |,Het is echter gelukkig, dat Mj een zoon Joan Blaen die rechtsgeleerde 
is, heeft nagelaten , en die, zijner waardig, de voetstappen zijns vaders drukt, 
en zich met alleen verdienstelijk maakt door de hoekdrukkunst , maar oo]( 
door de luisterrijke volmaking der oude en nieuwe aardrijkskunde." (ro^nW. 
De pkiiol. p. 64.) 

In : J7. R. Senthen. HoffandUcher Kirch- und SehuUmiaat. Franc f. «. 

Leipsiff. 1698, vindt men, T, IL s. 387, eene korte aan^eekening aangaande 

• Willem Jansz. en Joan Blaeu. Het artikel is blgkbaar eene vertaling van 

Voasiu», De tcient. math.^ is 45 jaar ten achteren , en bevat niets nieuws, dan 

aene drukfout in het steri^aar van W. Jz., waa]:voor 1538 wordt opgegeven. 

Aan de twee letterkundige phantasieën van Mr. J. van Lennep, over het 

leven en de werken van de Blaeu's, opgenomen in: Oalerij va» beroemde 

Nederlanders vit het tijdvak van Fredertk Hendriken in: Holland ^ Almanak 

voor 1860 , mag men geene geschiedkundige waarde toekennen. Beide stak< 

, ken bevatten een aantal onjuistheden. 



32 

werken door Joan Blaeu in het licht gegeven , verschenen 
was ^). liJ'allai voir (27 Aout 1646) Vimprimerie de Blaeu 
que Ion tient pour la plus belle de toute VEurope. En 
effet il y avait dix' presses qui travaillaient incessamment 
dans une longue salie basse , a un des bouts de laquelle 
il y a un cabinet pour les hommes de lettres et pour 
les correcleurs, et d Vautre sont sêrrées toutes lesplan- 
ches de géographie et de figures, Car eest luy qui a 
impximé Ie Grand Atlas et quasi toutes les belles car les 
figurées que nous avons; il y a aussi Id-dedans toute 
sorte de caraótères et méme des langues orientales, les 
quels il fait fondre chez tui ^). Sur cette salie est son 
magasin de pareille longueur. J'achetay de luy un coffre 
de livres en blanc qu'il me fit tenir d Paris ^). 

Eene.meer bijzondere beschouwing der werken, die 
W. Jz. Blaeu op het gebied van aardrijks- en zeevaart- 
kunde geleverd heeft, behoort tot het tweede gedeelte 
van dit onderzoek. 



1) In 1649 verscheen eerst het : Theatrum TJrbium et Munimentorum Belgicae. 

2) In verhand met het lettergieten , vulden w^ bij Yossins, Brieven. No. 
CCCV, dat Blaen, in Juli 1637, Grieksche letters nit Frankfort verwacht en, 
in N®. CCCIX , dat deze letters in Sept. zijn aangekomen. Het schijnt , dat 

'deze zelfde letters reeds in Mei 1634 door Blaeu verwacht waren , N». CCXXVII. 
Hij zou toen nieuwe en fraaie letters uit Frankfort ontvangen voor de ge- 
wijde gedichten van H. de Groot, een werk, schrijft Yossius, 10 Sept. 1637, 
„met het drukken waarvan. nu reeds drie jaren gesukkeld is." 

Omgekeerd, schijnt men Arabische letters, in dien tijd, gewoonlijk uit 
Holland ontboden te hebben. W. Schickard, aan wien de vier brieven vtfn 
B^lage XII gericht zijn, beoefende, in 1621, het Arabisch. In zijn levensbe- 
schrijving, te vinden in: Biograph. undlitt. Nachrichten, enz. von CF. Schnurrer 
Z7/i». 179^, wordt gezegd, dat het ontbieden van Arabische letters' uit Hdland 
hem te veel tijd gekost zou hebben, weshalve h^ zelf de karakters in hout 
sneed, en op deze, als matrijs, *de letters liet gieten. 

3) Jolyy Voyage è Munster. Parts 1670. 



WERKEN VAN WILLEM JANSZ. BLAEU. 



PI.I. 



GLOBES EN SPHEREN. 



Zoo als ik reeds opmerkte, behooren de globes van 
Blaeu tot de eerste hulpmiddelen voor de studie der 
aardrijkskunde, door hem vervaardigd. 

Wegens de geringe kennis van den zeeman in die 
dagen en de zeer gebrekkige inrichting der zeekaarten, 
waren de aardglobes toen van veel meer nut , dan thans, 
nu haar gebruik zich uitsluitend tot het elementair on- 
derwijs beperkt. 

De herleving der aardrijkskunde, in het laatst der 15** 
eeuw, tijdens de eerste ontdekkingstochten der Portugeezen, 
deed reedg gretig de voorstelling op globes aangrijpen, 
als een middel, om de juiste ligging en uitgestrektheid 
van landen en zeeën ook aan minder ontwikkelden dui- 
delijk te maken. De eerste welgeslaagde proeve van dien 
aard dagteekent van het jaar 1492, nog vó6r de ontdek- 
king van Amerika. De ontwerper en vervaardiger van 
die eerste globe uit den nieuwen tijd was Martin Behaim 
uit Neurenberg i).\ 

1) Na een verblijf van negen jaren in Portugal en op de Azorische Eilanden , 
waar hij, in 1486, de dochter van Job de Huyter van Moerkerken, gouver- 
neur en eigenaar van Fayal en Pico gehuwd had, keerde hij, in 1490, voor 
eenigen tijd , naai* zijne geboortestad terug. Hier stelde hij , met behulp van 
Geor^ Holtzschue, eene globe samen, die 1 voet, 8 duim (0'",52) diameter 

3* 



36 

Oe meest bekende vervaardigers van globes in de lü^' 
eeuw waren Schoner , Gemma Frisius , Gerard Mercator , 
'Jodocus Hondius en M. Florentius vaij Langeren i), allen 
voorgangers van Blaeu. 



heeft. De geographische gegevens daarvoor had hij ontleend aan Ptolemaens, 
Plinius en Strabo, aan Marco Polo en Jean de Mandeville en aan de reizen 
der Portngeezen op ^frika's Westkust, waaraan hij zelf ijverig deel genomen 
had. In 1492, ontving de regeering der stad Neurenberg deze globe als een 
geschenk nit zijne handen. Hij zelf keerde naar Portugal terug, waar hij, in 
1506 , te Lissabon overleed. Op die globe vindt men o. a. Zipanffu (Japan) 
en Katai (China), namen, in later tijd wel bekend bij onze wakkere Hollan- 
sche zeelieden , die op 't eind der 16« eeuw de N. O. passage zochten , be- 
nevens Java major en Java minor <Java en Bali) , maar natuurlijk noch 
Amerika, noch Kaap de Goede Hoop. ParalleUen en meridianen ontbreken , 
de zeeën zijn blauw gekleurd en de sneeuwbergen wit. Het geraamte der 
globe is uit houten ringen s^engestelft, wier tusschenruimten met stijfselpap 
en gips zijn aangevuld , waarover perkament geplakt is. De globe had reeds 
aanva^eUjk eene ijzeren as, en kreeg, in 1510, een ijzeren meridiaan en 

een koperen horizon. 

In 1823 dreigde dit eerwaardig monument geheel te vervallen en werd 
toen gerestau;eerd, en, nog in 1847, werden daarvan voor de Parijsche ko- 
ninklijke bibliotheek nauwkeurige afbeeldingen gemaakt, wier copi^ men 
vindt bij J. Lelewel: Géographie du moyen age (186), aan wien ook deze 

beschrijving ontleend is. . . ' 

1) Aangaande het gebruik der globes bij de zeevaart, vindt men eene op- 
merkelijke aanhaling in de meer vermelde: Opkomst van het I^ederl gezag m 
O I 'doorJhr. Mr, J K. J de Jonge, I. blz. 77. Uit het actenboek der 
Staten-Generaal,^fol. 62, Anno 1692, 9 Sept. vindt men daar geëxtraheerd 
de volgende zinsnede van eene aanvrage om octrooi , door F. van Langeren 
gedaan: ,dat syne wereltclooten alle anderen voorgaendein correctie te boven 
gingen onberoemelyck gesproken , ivaerdoor sommige schepen uyt dese landen 
aireede gevaren syn naer Cabo de Fernambuco in Brasilia , tot sint Thbme 
onder de linie, Isle de Principe ende andere plaatsen, veel bequaemlycker 

dan eene der pascaerten." 

In de Bibliotheek te Gent bevindt zich een aardglobe, van 50 c. M. mid- 
dellijn, geteekend: 

Jacobus Florentius van Langeren , trajectensis Author, Jrnoldus Florentn 

üHus sculptor. Amstelrèdami. -4* . D. . . . 



37 

• 

Het schijut wel, dat men in de Nederlanden het eerst 
de kaarten gegraveerd heeft, waarmede de globes beplakt 
werden. Zoo deed ook G. Mercator, die, in 1541, eene 
aardglobe vervaardigde, wier middellijn ruim 4 decimeter 
hield, en die parallellen, meridianen, de keerkringen en 
poolcii*kels vertoonde, i) Deze globe was opgedragen aan 
Nicolas Perenot, heer van Granvelle, en ging verzeld van 
een kort vertoog over de inrichting en het gebruik van 
dien bol, benevens zijn verschil van andere globes. 2) 
In 1551 , volgde een hemelbol van dezelfde afmetingen. 
Deze bollen, benevens een aantal instrumenten voor Karel 
V werden door Mercator nog tijdens zijn verblijf te Leu- 

« 

ven vervaardigd. 
In 1552. naar Duisburg verhuisd, •^) zette hij daar. 



Het jaartal ontbreekt ; blijkbaar is het echter, dat die globe niet van vóór 
1617 dagteekent. 

In de bijlagen tpt het eerste deel van de : Opkomst , zijn vele zeer belangrijke 
aanteekeningen opgenomen omtrent kaarten, globes, lengtebepaling en andere 
hulpmiddelen der zeevaart. Op blz. 179 vindt men eene: onderrichting e van 
tvlcx als ick (Jod. Hondius) vernieut hebbe op myne globe , waervan myne 
party e (van Langcren) gans niet en nebbe , door Jodocus Hondius. 1597. 
Hierin "vs'orden een aantal geographische gegevens opgenoemd, door hem èp 
zijne globes voorgesteld. 

Verder nog zegt hij : „dat hg in Engeland diversche glohen over omtrent 
10 jaren (dus 1582) ende daernaer gesneden hadde , waervan eenighe de 
grootste waren , die ooit in 7 lioht by druk waren gekomen , gedediceert aen 
de Majesteit van Engelandl , welke Syne Excellentie van hem hadde gecocM 
voor de beste , die ooit gemaect waren geweest** 

1) In het: Tractaet ofte Handelihge van het gebruyck der Uemelscher en 
der Aertscher Globe ^ door J. Hondium A*. 1612, wordt gezegd: „Mercator 
heeft de rhomben op de globen gestelt in 1541." Uit het vervolg blijkt, dat 
de lijnen, die deze rhomben vormden; loxodromen waren. 

2) In 1552 gaf hij uit: De usuglobi, in 1553: De usu annuli astronomici. 

3) Tot de redenen , die Mercator bewogen hebben , om naar Duisburg te ver- 
huizen, heeft wellicht bijgedragen zijne kennismaking met de inqjiisitie , niet 
de Spaansche, maar de Nederlandsche. 



38 

nevens het graveeren van kaarten , waarop ik later terug- 
kom, de vervaardiging van globes voort, waarvan hij er 
een groot aantal moet hebben afgeleverd , aanvankelijk 
tegen /lO, en later tegen f \^ het stuk, welke prijs- 
verhooging, naar zijne mededeeling, haren grond vond 
in eene rijzing der arbeidsloonen en van den prijs van 
het koper. ^) 

Van al die globes en instrumenten is, voor zoo ver 
men weet, geen enkel stuk meer overgebleven. 

Deze korte inleiding moge hare verontschuldiging vin- 
den in de wenschelijkheid, om aan te stippen wat, vóór 
Blaeu , in deze richting gedaan was , ten einde zijne ver- 
diensten beter te beoordeelen. In het bijzonder verdiende 
daarbij Mercator genoemd te worden, wien als grondleg- 
ger der nieuwere aardrijkskunde, de lof toekomt van aan 
talrijke navolgers, en daaronder aan Blaeu, den weg ge- 
wezen te . hebben , dien zij te volgen hadden , om de 
wetenschap op hechte grondslagen te vestigen en hare 
uitkomsten dienstbaar te maken aan het algemeen belang. 

Gaat men het aantal 'atlassen na, om niet van afzon- 



in 1540 , werd hij, gedurende eenige maanden, te Gent gevangen gehouden, 
als verdacht van ketterij. Op voorspraak van twee geestelijken, die getuig- 
den , dat hij was „artificeerende , van der goeder fame , van goeden ende eer- 
lycken ievene" werd hij echter weder op vrye voeten gesteld. {J. Lelewel u. s.). 

De vader van Gerard Mercator was Hubrecht de Cremer (Ned. de Kramer^ 
Lat. Mercator) schoenmaker van beroep. Gerard werd den 5«" Maart 1512 
geboren. Na zijn eerste onderwijs in zijne geboorteplaats Rupelmonde ont- 
vangen te hebben, bezocht hij, in 1527, de Kapittelschool te 's Hertogenbosch. 
Deze school, gesticht door Hieronymieten , Broederen des Gemeenen Levens, 
genoot in dien tijd een welverdienden roem. Hij bleef daar drie en een half 
jaar. Van 1530 tot 1532 studeerde hij aan de Akademie te Leuven, en 
verwierf er, in dit laatste jaar, den meestertitel {magüterü gradum) [Dr. J. 
van Raentsdonck y Mercator^ p. 5]. 

1) Gerard Mercator, sa me et ses oeuvres par Ie Dr, J, van Baemtehnek, 
1869, p. 140. 



39 

derlijke kaarten te gewagen^ die in de 16** en i1^ eeuw in 
de Nederlanden uitkwamen en talrijke uitgaven beleefden, 
waarvan nog vele exemplaren in openbare en bijzondere 
bibliotheken worden aangetroffen, dan verwacht men licht, 
dat een opzettelijk onderzoek ook nog vele oude globes 
zou doen ontdekken. De ondervinding stelt echter alras 
die verwachting te leur. Samenstelling en vorm maken 
zeker globes meer vergankelijk dan kaarten, veel meer 
d^n boeken, en van daar de schaarschheid dier over- 
blijfselen van vroegere kunstvlgt , die het hoogst moeielijk 
maakt eene beschrijving daarvan te geven, aan de aan* 
schouvying ontleend. 

Ondanks ijverige nasporingen, is het mij niét' gelukt, 
hier te lande , meer dan twee stel globes van Blaeu te 
vinden. 

Toch bezaten de Akademische BibUotheken te Utrecht 
en te Leiden er vroeger meer. De Hoogleeraar G. MoU 
spfeekt (1825) van eene ^groote hemelglobe van Btaeu, 
welke in de Bibliotheek der ütrechtsche Hoogeschool aan- 
wezig is,'' en geeft de vertaling van een Latijösch op- 
schrift op dien bol. i) 

Thans is 4ie globe, noch in de Bibliotheek, noch in 
eene andere Akademische inrichting meer te vinden , even- 
min als de andere globe en spheren , omschreven in den 
volgenden post uit de Stads Kam'eraarsrekeningen over 
4635. 

i)Item. Joannes Blaeu, tot Amsterdam, 205 gl,, voor 
2 groote globen ende 2 spherae metten toebehoren van 
dien, by hem, ten dienste van deselve academie j ge- 
levert.*' 



1) Verhandeling ooer eenige vroegere reUtogtén der Nederlanden door G, 
Moll. Jmterdém. 1825 , blz. 56. 



De Leidsche 'Bibliotheek bevatte, blijkens den catalogus 
van 1716, in dien tijd, twee paar globes van W. Jz. Blaeu. i) 
^ Daarvan is er slechts één stel overgebleven. Deze zijn, 
voor weinige jaren, naar het Astronomisch Observatorium 
overgebracht, waar ze thans met zorg worden geconser- 
veerd Ook te Amsterdam bevindt zich in het physisch 
kabinet van het Athenaeum een stel kleine globes van 
Blaeu, voor v\^ier behoud de noodige zorg gedragen 
wordt. 

De globes van Blaeu schijnen in drie verschillende af- 
metingen te zijn vervaardigd. De grootste hadden eene 
middellijn van ruim 0™,73, de middelste van O'^jSA, 2) 
en de kleinste, van 0°,23. 

De inrichting verschilde niet van die , welke , door den 
aard der zaak aangewezen , ook thans nog , bij het ver- 
vaardigen van globes gevolgd wordt, en reeds in dien 
tijd algemeen in gebruik was. 

Zoo wel de globes van J. Hondius, als die van Blaeu 



1) Oloü duo, Coelestis ei terrettrit , varietate eotoruM distinctie maximaê 
Jbrmae , quorum diameter est duorum pedum et quatuor pollicum , per Gui' 

lielmum Blaeuto. Amstel. 

Alü duo GloH , coelestis a,tque ierrestris , minoris formae , diametri XIV 
pollicum per Ouüielmum Janssoniwn Blaeuw. 

{Catalogus èibliotheeae puhlieae universitatis Academiae. Lugd. Batav. 
1716.) 

2) Yossiai^ geeft op : 2^ geom. voet , de Leidsche catal. : 2 vi , 4 dm. Deze 
beide opgaven zullen wel bollen van dezelfde grootte betreffen. Bij de beic- 
leiding in den tekst, is daarvoor 2 vt , 4 dm Rb. genomen. Voor de kleinere , 
geeft Kastner 13 dm., en de Leidsche catal. 14 dm. Ook hier valt niet te 
denken aan bollen, wier middellijnen werkelijk 1 dm Bh. verschilden, maar 
wel aan dnimen nit verschillende voetmaten, of aan onnauwkeurige meting. 

De tweede opgave in den tekst, van Om, 34, is ontleend aan de opmeting der 
thans nog aanwezige Leidsche globes. In de Bibliotheek te Gent is eene uit- 
muntend geconserveerde hemelglobe van Blaeu, van dezelfde grootte. 

De globes te Amsterdam hebben eene middellijn van 0"*,23. 



hadden een houten stoel, en waren Yi)orzien van een 
metalen meridiaan , uurcirkel met wijzer en verticaalcirkel 
benevens van een kompas op den voet: 

Aan de beschrijving, die Kastner geeft van een paar 
kleine, goed geconserveerde bollen » die hij in 1799 kocht, 
ontleen ik de volgende bijzonderheden, gedeeltelijk ook 
door MoU vermeld en aangevuld met hetgeen op de 
Leidsche globes gevonden wordt *i). 

De hemel^obe draagt, verscheidene opschriften. Een 
daarvan vermeldt de opdracht aan Prins Maurits door 
%Guilielmus Janssofii'i*^ Alcmarianusy 

In een l^weede, aan de beoefenaars der sterrekunde. 
gericht, en dicht bij de Zuid-Pool geplaatst, wordt ge- 
wezen op 300 sterren , die door Frederik Houtman , nabij 
de Zuid-Pool, zijn waargenomen, en wier stand uit nauw- 
keurige bepaUngen met geschikte werktuigen, in- verband 
met de door Tycho bepaalde sterren, is vastgesteld, en 
die op de globe zijn afgebeeld, A®. 1603. Voorts Tycho's 
afbeelding met zijne spreuk: i^Non haberi sed esse'' 

Een derde opschrift, tus^chen den Grooten Beer, 
de Twedlingen en de Kreeft geplaatst, herhaalt nog 
eens, dat deze hpmelbol het werk is van den grooten 
Tycho, wiens waarnemingen bij de plaatsbepaling der 
sterren gevolgd zijn, die op het jaar 1600 is terugge- 
bracht. 

De vertaling , die MoU van het opschrift op de ütrechtsche 
globe geeft, luidt als volgt: 

» Wij hebben meer dan drie honderd sterren bij de Zuid- 
en voor ons altoQs bedekte pool gevoegd. Hunne afstanden 
van de door Tycho bepaalde, en bekende sterren, heeft 
Frederik Houtman gemeten , eri dezelve tot sterrenbeelden 



1) Zie de opschriften in Bijlage VIII, 



f 



A2 

gevormd , waarvan wij al de plaatsen op deze globe , op 
het jaar 1640, hebben teniggebragr i). 

Zoo als men ziet, waren dus in de latere editie, van 
omstreeks 1640, de beide opschriften saaragesmolten. 

De sterrebeelden zijn gekleurd, en de sterren worden 
aangewezen door verguld koperen puntjes van zesderlei 
grootte, waarbij nog een kleiner puntje de nevelvlekken 
aanduidt. > 

In een afzonderlijk opschrift wordt de precessie op 
4°25', in de honderd jaren, gesteld, d. i. 51" sjaars. 

De aardglobe , door Kastner beschreven , draagt het 
jaartal 1599, en, bij de Zuid-Pool, een opschrift inhou- 
dende de opdracht aan de Staten Generaal, en verder 
een bericht aan den beschouwer of lezer , waarin gezegd 
wordt, dat eene aandachtige beschouwing vele belang- 
rijke verbeteringen zal doen zien , door den vervaardiger 
aangebracht, ook bestaande in de juiste teekening van 
loxodromische lynen op den bol. Zoo als ik bij de globe 
van Mercator (1541) vermeldde, kwamen daarop reeds 
loxodromen voor, die opk op de globes van J. Hondius 
niet ontbraken. * 



1) Aangaande de bepaling dier 300 zuidelijke sterren vindt men bij Moll 
de volgende bijzonderheden , die door Jbr. Mr. J. K. J. de Jonge , in bet 
meergenoemde werk de : Opkomst , enz. , blz. 95 sqq. , worden aangevuld. Het 

a 

blijkt uit het getuigenis vaiv Paul Meruia, Hoogleeraar in de geschiedenis, 
te Leiden, Geschiedschrijver van Holland en Bibliothecaris van de Leidsche 
Bibliotheek , dat de bepaling dier sterren en hare verdeeling in 14 Merrebeel- 
den aan Pieter Dirksz. verschuldigd is. MoU , die niet wist , dat , zoo als 
de heer de Jonge zegt, deze Pieter Birksz. Keyser een leerling van P. Plan- 
cius en opperste piloot van den eersten scheepstocht der Nederlanders naar 
O. Indie geweest is, vermoedt half, Qïïx.. 56,) dat Houtman dezelfde is, die 
door Meruia Pieter Dirksz. genoemd wordt. De heer de Jonge heft alle 
onzekerheid te dien opzichte op. 

Pieter Dirksz. Keyzer, van Ëmden geboortig, stierf in straat Sunda. Het 



43 

De eerste meridiaan loopt over de Eilanden S**. Maria 
en S*. Michael. Dit laatste eiland is op 39° N. B. ge- 
plaatst, d. i. zoo juist mogelijk, en het verschil in lengte 
met Parijs, dat tusschen 27°30' en 28° bedraagt, is op 
de globe ruim 25°. 

Landstreken, vi^aarvoor toen nog geographisohe gege- 
vens ontbraken , yertoon^n historische aanteekeningen 
aangaande ontdekkingen en reizen met opgave der jaren. 
2oo vindt men in Amerika de Aamen van Columbus, 
Vespucius, Magellaan, Cortez, de Engelschen, met de jaar- 
tallen: U92, 1519, 1500, enz. Een opschrift bij de N. 
Pool, draagt het jaartal 1597, en bevat eene herinnering 
aan de vergeefsche tochten der Hollanders tot het zoe- 
ken der N. 0. passage, met een krachtigen aapdrang, 
om het aangevangen werk niet op te geven, maar den 
nieuwen weg naar China op te sporen. 

Die opschriften vindt men, in haar geheel, in Bijlage VIII, 
afgeschreven van de globes te Leiden en te Amsterdam. 

Ofschoon de aardglobe van Kastner in grootte overeen- 
komt met die te Leiden, vertoonen beide, ofschoon ze 
hetzelfde jaartal dragen, kleine verschillen. 

Ik meen daaruit te mogen besluiten , dat dit jaartal 
betrekking heeft op de eerste vervaardiging van dergelijke 
globes door Blaeu, en dat, bij achtereenvolgende en ge- 
wijzigde drukken der kaarten , waarmede ze beplakt wer- 
den, het oorspronkelijke jaartal behouden bleef. 

De aardbol te Leiden, b. v. kan onmogelijk van 1599 
zijn, welk jaartal er bij den Z.-Poolcirkel op te lezen 
staat, onder den naam van n Guilhelmus J anssonius Blaeu ^ 
auctor ei sculptor." Men vindt daarop toch, nevens het 



.) 



kon dus F. Houtman licht vallen, diens waarnemingen voor de zijne uit 
te geven. 



I » 



44 



Fretum Magellanicum, de Strate van Ie Maire, het 
Stalen Landt .en de Ey landen van Barnevelt, alle in 
1616 ontdekt, en zeker hier niet bekend vóór 1 Juli 
1617, toen Schouten in Zeeland aanlandde. 

Wat de juistheid van de omtrekken der landen betreft, 
van de^hgging van bergen en rivieren, laat zich reeds 
vermoeden , dat ze voor de Oude Wereld minder te wen- 
schen overlaten , dan voor de Nieuwe. Vooral ZuidrAme- 
rika' i$ erg mismaakt, en geen wonder, met het oog op 
de gebrekkige plaatsbepaling, die nader, bij de kaarten' 
zal worden besproken. Zoo strekt zich het land van 
Z. Amerika, op 4ü°'Z. B., wel 30° van Oost naar West 
uit, terwijl dat nauw 12° wezen moet. Een groot Zuid- 
land veVtoont zich om de Z.-Pool, zich, ten Z. van de 
Kaap de Góéde hoop, uitbreidende tot op 46° Z. B. en, 
ten Z. 0. van Madagascar, zelfs tot 42° Z. B., en wordt 
aangewezen, als: uPsittacomm regio ^ sic a Lusiianis 
appellata.'* 

Bij dat voorgewende Zuidland herinnert men zich , hoe 
het eertijds in de verbeelding der geographen, tot zelfs 
N, Holland, voordat het omzeild was, bevatte, — toen, 
naar gelang de ontdekkingen toenamen, meer en meer 
inkromp , en eindelijk op de kaarten verdween , om , ten 
slotte, in onzen tijd, door Dumont d'Urville en andere 
reizigers, al zij het dan ook in bescheidener afmetingen 
en met minder bepaald aangewezen kustlijn, hersteld te 
worden- Wat den kleinen aardbol, te Amsterdam aanwezig, 
nog bijzonder van de grootere onderscheidt, is , dat er de 
koersen op zijn voorgesteld, die Olivier van Noort ge- 
volgd heeft, bij zijnereis om de aarde, in 1598, welke, 
zoover ik weet, op geene kaart voorkomen. 

Vossius verhaalt, dat, behalve aard- en hemelglobes, 
door Blaeu nog een planetarium en een tellurium ver- 



45 ^ 

vaardigd zijn. Het eerste stelt de Zon voor, waarom 
heen Venus, de Aarde, Mars èn Jupiter hari5 loopbanen 
beschrijven en ook de Maan. Het tweede stelt de dub- 
bele beweging der aarde voor, de dagelijksche , om haar 
as, en de jaarlijksche . om de Zon.' ^Sedert de tijden 
van Archimedes,'' zegt Vossius, ïh^eft men niets der- 
gelijks gezien. Wie ze het eerst zag, was van bewon- 
dering opgetogen" i). Of er van deze instrumenten nog 
bestaan , is mij niet gebleken. Hel schijnt wel , dat er een 
aantal exemplaren • van gemaakt zijn, althans spreekt Blaeu 
er in zijn : d Tweevoudigh Ondenoys*' van , alg van gewone 
hulpmiddelen voor.de studie der cosmographie. 2) Daarbij 
doet hij uitkomen, dat, in het planetarium en het tellü- 
rium , de afstanden en afmetingen der hemellichamen niet 
in behoorlijke verhouding zijn voorgesteld, en dat, door 
middel van drie raderen, de as der aarde, bij hare be- 
weging ofn de zon , evenwijdig aan zich zelve verplaatst 
wordt. 

Op het voorbeseld van Gemma Frisius , G. Mercator en 
Hondius, deed Blaeu zijne bollen en sphefen vergezeld 



1) In de : Bedertekingen op den dagelyckschen , ende jaerïyekschen hop tan 
den Aerdtklooi , schryfl Philips van Lansbergen , dd. 26 Mei 1629 ; 

„Hef is nu ontrent eenjaer geleden , dat de seer vermaerde Willem Janst» 
Blaufo in *t licht gebracht heeft eene Universele Sphaera^ seer konstelgck 
ghemaecki na de meeninge van N. Copernicus." 

2) Voor de kennis van ééne afmeting uit het planetarium en van de voor- 
stelling die Blaeu en "zijne tijdgenooten zich vormden van eenige cosmogra- 
phische afstanden zyn niet onbelangrijk de volgende zinsneden uit het Onder- 
wys : „Der vaste sterrenhemel is ten minste 20'000 maat wyder als de cirkel 
van des Aerdkloots wegh, en dese is hier (in het planetarium) omtrent 2| 
dugmen wgt" 

„De diameter, van des Aerdkloots weg na de stellingh van Tycho Brahé 
is toyt 1142 Aerdkloots diameters," 



46, 

gaan van eene handleiding, i) De titel daarvan luidt : Twee- 
voudigh ond^rwys van de Hemelsche en Aerdsche Globen ; 
Het een na de meyning van Ptolemeus met een vasten 
Aerdkloot; Het ander Na de natuerlycke stelling van 
N. Copernicus met een loopenden Aerdkloot, Beschreven 
door Willem Jz. Blaeu. En gevoeght na de Globen en 
'Sphaeren by hem uytgegeven. 

Van dit werk verscheen eene Latljnsche vertaling van 
de hand van M. Hortensius , onder den titel van : Institutio 



1) Cosmo^rapMa Fetri Apiani per Gemnam Friaium. 1550. Antwerp, J. 
Hondius gaf, in 1597, eene Nederdnitsche bewerking uit van het werk van den 
Engelschman Bobext Hnes: Traetatui de Qlbbis. LoTidinum. 1594. 

Dit boek beleefde een aantal drukken en omwerkingen , en verscheen , o. a. 
in 1612, bij Micbiel Colijn, Boeckvercooper wooriende op H Wuter in *t Huya- 
boeck, hy de oude Brugghe te Amstelredam. 

In de voorreden zegt Hondius, dat het oorspronkelijk werk geschreven is 

door „Rgèert Hues mynen vrienty die ongelogen gesproken, toel eenen van de 

principale Mathematicis van onse tyden, en daer beneffens een, die selve 'in 

persoone dicmael ter zee heep geweest, in seer groote en verre reysen met 

Capiteyn Caaidish en andere." De titel luidt : 

Tractaet ofte Handelinge van het gebruyck der Hemelscher ende Aertscher 
Olobe. Qkeaccommodeert naer die Bollen , die eerst gesneden zyn in Enghelant , 
door Jodocus Mondius, Anno 1593. Ende nu gantsch door denselven ver- 
nieut , met alle de nieuwe ontdeckinghen van JJa/iden , tot den daghe van 
heden gheschiet. In 't Latijn beschreven door Robertum Hues, Mathematicum 
nu in Nederduytsch overgheset, ende mei diversche nieuwe Verclaringhen ende 
Figueren vermeerdert ende verciert. Door J. Hondium. 

Een druk van 1623 draagt ongeveer denzelfden titel, met bijvoeging van: 
oock véle disputatie questien gesolveert, door Johannem Isacinm Fontanum, 
Medicyn , en Frofessor der Fhilosophie in de veHhaerde Schole te Hardertpyck. 
*t Amsteldam, By Jodocus Hondius , woonende op den Dam. In het jaar 1623 
was J. Hondius echter reeds lang overleden. Hy stierf den lO»» Febr. 1611. 

De „dedicatie" van Pontamus is gedagteekend : 1 Aug. 1617. In de Voorreden 
staat nog: „Bie globes daer de Autheur afspreeckt , die heefl Jodocus Hondius 
en nae hem de weduwe , ende de Sone , in een cleender fatsoen seer aerdich 
nae gemaeckt , en toerden by haer vercocht" 






47 

astronomica de usu globorum et sphaerarum coelesHum ac 
terresirium, laiina reddita a M\ Hortensia , en eene Fran- 
sche vertaling, onder den titel van: Institution astrono- 
mique de Vusage des globes et sphères célestes et terrestres. 
Beide kwamen bij Blaeu uit. Moeielijk is het op te 
geven, wanneer, zoowel het oorspronkelijke, als de ver- 
talingen het eerst hel licht zagen. Wat voor vele uitge- 
vers van dien lijd geldt, gaat vooral voor de Blaeu's 
I door, namelijk, dat ze de verschillende drukken alleen 

^ onderscheidden door hel jaartal , en nei:gens terugwezen 

' op vroegere uitgaven. Waar dus het octrooi ontbreekt, 

is het eenige hulpmiddel , om tol kennis daaromtrent te 
geraken, gelegen in het raadplegen van catalogi van 
later tijd, en zijn dus dwalingen niet te vermijden. Het 
was in dien tijd nog geen gebruik, op de schutbladen 
der boeken , de titels en prijzen op te geven van werken 
van denzelfden schrijver of bij denzelfden uilgever ver- 

■ 

schenen. Fondscatalogi bestonden niet, tenzij met de 
zeldzame uitzondering, die F. A. Ebert juist voor het 
fonds der Blaeu's aangeeft. Volgens zijne opgave toch, 
is er, in 1655 en, in 1661, verschenen een: Catalogus 
librorum et labularum geographicarum et hydrographi- 
caru7n, nee non globorum et sphaergirum armillarium, 
quos excudebat J. Blaeu. Amst. Deze catalogus is ech- 
ter hier te lande niet bekend. In de openbare biblio- 
theken te Parijs, Brussel, Gent, Hamburg, Dresden, 
Berlijn en Weeneq zoekt men dien te vergeefs, en, of- 
schoon ook in de: Biographie Universelle par Michaud. 
Paris. 1811, Maltebrun daarvan gewag maakt, meen ik 
het er voor te mogen houden , dat de opgaven van Ebert 
en Maltebrun op eene vergissing berusten i). 



1^ Zoo de fonds-catalogus bestaan had , ware er toch licht één exemplaar 



48 

Er bestaan wel twee andere catalogi van J. Blaeu. De 

een, van 1659, vermeldt boeken, die bij hem te koop 

f 

van bewaard gebleven in eene Nederlandsche openbare bibliotheek , en altbans 

ware die niet onbekend gebleven aan de HH. P. Mnller en Dr. J. T. Bodel 

Nijenbnis, wier uitgebreide kennis ook op het gebied van bibUographie en 

cartographie algemeen bekend is. 

Noch deze heeren, noch Dr. Hoffinann te Hamburg, Dr. Pertz te Berlyn, 

Dr. J. Petzholdt te Dresden en Dr. E. Förstemann aldaar en de heer Olivier 

« 
Barbier te Par^s» alle specialiteiten op dit gebied, konden mij eenige inMchting 

geven aangaande den lang gezochten catalogus. 

In de koninklijke bibliotheek te Dresden bevindt zich de : Catalogus libro- 
rum omnium facultatum et variarvm linguarum qui in officina Joanniê Blaeu 
venales reperiuntur. Amstela^dami. 1659, in 8®. Deze bevat: 
ppv 1 — 80, libri theologici. ' 

1—40 , libri Jufidici. 
1 — 24, Uèri medici. 
1 — 86, libri miscellanei. 

1 — 87, livres Frangois, libri Italid , libros Espanoles, 
Nedérduytsehe boecken , HochteutscJie Bücher, Appendix. 
In de nationale bibliotheek te Par^s bevindt zich: Catalogus librorum om- 
nium factdtatum et variarum linguarum , quos publica auctione venales erponet 
Joannes Blaeu , die 6 Junii et seqq. Amstelaedami , apud Joannem Blaeu. 
1662. in 8®. Deze bevat: 

pp. 1 — 64 , l^ri theologici. 
1 — 26 , livres frangoys. 
27—32, libri itaUd. 
38-^36 , libros espanoles. 
1 — 8, Nedérduytsehe boecken. 
1 — 54, libri miscellanei. 
1 — 19, libri medici. 
1 — 24, Hochteutsche bücher. 
1 — 31, libri juridici. 
Beide catalogi zijn ook aanwezig in de koninklijke bibliotheek te Berl^'n, 
terwijl, van dien van 1659, ook een exemplaar in de koninklijke bibliotheek te 
Brussel gevonden wordt. De bladen van dit exemplaar zijn op rechthoekig 
uitgesneden rekeningpapier geplakt , zoodat de openblijvende witte randen voor 
het bijschrijven van prijzen konden dienen, en, op vele plaatsen, schoon niet 
doorloopend , daartoe ook gebezigd zijn. , Voorts is aan den gedrukten cata- 
logus 'nog eene geschreven lijst van boeken toegevoegd , gedeeltelijk met d^ 



A9 

waren; de andere, van 1662, betreft eene auctie, door 
hem gehouden. De eerste dezer is ook aan Eberl bekend 
geweest. 

Om tot het: Tweevoudigh onderwys, terug te keeren, 
mag ik niet, zonder voorbehoud, de volgende drukken 
daarvan opgeven, door anderen vermeld, wier opgaven 
ik niet alle aan de titels der werken zelve heb kunnen 
toetsen, i) De eerste uitgaven toch zijn zeldzaam. 
Nederlandscheuitgave,1620, 1647,1655, 1666, 1669, in 8^ 

Latijnsche » 1 634, 1640, 1 652, 1 655, 1668, in 8^ 

Fransche » 1 642 , 1 658 , 1 669 , in 4^ 

Het is echter ook alleen uit een bibliographisch oog- 
punt, dat deze opgaven eenige waarde hebben kunnen. 
De achtereenvolgende drukken toch geleken bijna volko- 
men op elkander , en , daar het boek in den smaak van 
het publiek viel , vond zelfs J. Blaeu het later zeker niet 
noodig , om er zoodanige zaken in te veranderen , als het 
verloop van tijd en dé vorderingen der wetenschap aan 
de hand gaven. 

Hel schijnt wel, dat W. Jz. Blaeu bij zijne lezers minder 
ontwikkeling ondersteld heeft, dan tot recht begrip van 
het besproken werk van Hondius, dat zooveel vroeger 
uitkwam, gevorderd wordt. Reeds de titel wijst, dunkt 
mij, aan, dat hij het allen naar den zin tracht te maken, 

prijzen. Waarschijnl^k is het exemplaar in dezen staat afkomstig van de 
$rma Blaeu. Deze catalogi verspreiden echter geen licht over de uitgaven der 
Blaeu's, die er zeer schraal in vertegenwoordigd zijn. Ik vond er slechts 
enkele exemplaren van de laatste drukken van Blaeu's : Tweevoudigh onderwys , 
in opgenomen, geene van zijne oudste werken. 

1) De data der Latijnsche en Fransche drukken zjjn alzoo door Ehert op- 
gegeven; die van het oorspronkelijke, in 't Woordenboek van van der Aa, blz. 177. 

Van de grootgedrukte jaren heb ik drukken gezien. 

Het jaar 1684 van de eerste Latijnsche uitgave wordt ook gevonden onder 
het daarvoor verleend octrooi. 



50 

zoowel den aanhangers van het stelsel van Ptolemaeus, 
als den volgers van Copernicus, en in het boek zelf komt 
ook geen ernstige weerlegging van het gevoelen der 
eersten voor. 

Die questie, zegt hij, y>is behalve in 't Latijn, door 
S. Stevin kort en bofidigh, door Ph. Lansbergius breet 
en wijtloopigh behandelt.'* Zijn doel is populair te zijn. 
In de : Voorreden , staat dan ook : d Want gelyck men aen 
iemanden, die de letteren niet kent, te vergeefs voor- 
leyt een geschrift te lezen, evensoo onnut is *tiemandt, 
die de globen {die men voor de beginselen in de sterre- 
konst by de letteren in de lesskonst magh vergelycken) 
niet verstaet,, hooger saecken van de sterrekonst voor te 
dragen, als die soodanige leeringen eer verbasen en 
terughouden, als helpen voorderen tot dese seer nutte 
en vermakelycke wetenschap.'* 

Wiskundige kennis wordt bij den lezer niet ondersteld. 
Van daar dan ook , dat, bij het. geven van definitiën , zooveel 
mogelijk, van woorden uit het dagelijksch leven wordt 
gebruik gemaakt, en, bij de oplossing van vraagstukken, 
de gronden niet worden uiteengezet of bijzondere gevallen 
uit het algemeene worden afgeleid. 

Die vraagstukken hebben gedeeltelijk betrekking op den 
schijnbaren loop der zon en van den sterrenhemel en de 
verschijnselen daaruit ontstaande, gedeeltelijk leeren zij 
de constructie van zonnewijzers kennen. Van die voorstellen 
bevat hét eerste gedeelte er 79 , en het tweede 68 , grooten- 
deels dezelfde als het eerste, en door eene gelijksoortige 
oplossing gevolgd. 

Bij de zonnewijzers wordt het vlak van projectie in 
verschillende standen gedacht, en dus, met behulp van 
den bol, een drievlakkige hoek, onder verschillende ge- 
gevens, geconstrueerd. Ten opzichte van de zonnewijzers, 



51 

is Blaeu veel uitvoeriger dan Hondius. Omgekeerd, geeft 
de laatste eene veel duidelijker en omstandiger beschrij- 
ving van de loxodromische lijn en haar gebruik in de 
zeevaart, waarvan . Blaeu zich zeker ontheven acht, met 
het oog op de lezers, die hij zich voorstelt i). Over het 
algemeen kan men aan Blaeu den lof geven van duide- 
lijkheid en uitvoerigheid. Dat zijn boek in eene bestaande 
behoefte voorzag , mag zeker wel worden afgeleid uit het 
groot aantal drukken, die daarvan het licht zagen. Zelfs 
toen , ongeveer eene eeuw na de vervaardiging van Blaeu's 
eerste globes, Gerard Valk door de zijne' het werk van 
zijn voorganger in de schaduw stelde , kwam in de hand- 
leiding, die ook hij. voor het gebruik zijner globes in het 
licht -gaf, het boek van Blaeu , grootendeels onveranderd , 
onder een nieuwen titel uit ^). Ook de vraagstukken bleven 

1) Hondius zegt dan ook iu zijne voorreden: „In dese handelinghe, wort 
niet alleenlyek beschreven , hoe dat men den Olobum sal gebruycken tot der 
Astronomie, Oeographie, en diergelycke ghenoeehelyhe Consten: Maer voor- 
namelyk tot der Zeevaert, toaertoe verblaringhe geschiet van de Oromme Com- 
poêlynen, oock hoe men dese sal ghebruycken. Item van de variatie des 
compas alle seer nootwendighe consten tot der ZeevaeH, ende tot noch toe 
ah onbekent." 

2) 't Werkstellige der Sterrekonsi , zoo na d^e eerste , als de Ttceede bewe- 
ging ; mitsgaders van de toestand des Aardkloots , In H gebruyk van dertelver 
Hemel' en Aard-Oloben ; beneffens de bysondtfre nieuwen Planeten-wyzer. 

Het privilegie , door de Staten van Holland en West-Vriesland verleend aan 
Gerard Yalck, voor 15 jaren, op alle sodanige Olobens, enz. is gedagteekend 
14 Junij 1701. In de: Voorreden tot den Konstlievende Leser^ zegt Valck: 
„Onder veele schryvers der voorgaande BeuwCj die van het gebruyk der Hemelse 
en Aardse Oioben geschreven hebben is wel de heer Wilhelmus Blaau de 
voornaamste , als welke de geleerde werelt niet alleen met de volmaakste 
Hemel- en Aard-globen in verscheyde groote heeft voorzien , dergelyke noit 
voor hem zyn bekent ofte gemeen geweest i maar hy heeft ook daarboven in 
de Neder-duytse Taal , zoo een uytvoerlyke beschryving van de toerusting, en 
*t gebruyk der Oioben aan de werelt medegedeelt , da t het scheen als hadde 
hy met voordagt ^ aan de nakomelinge alle stoffe en gelegentheyt willen be- 
nemen , van yets beters over die zaak te konnen schryven of peranderen" 

4* 



52 

behouden , met enkele wijzigingen in de gegeven getallen , 
vooral met belrekking tot declinatie en rechte klimming 
der vaste sterren en tot geographische lengte en breedte. 
Voor de eerste, volgde Blaeu de bepalingen van Tycho 
Brahe, en Valck die van Joh. Hevelius. 

Tot de ontwerpen van Blaeu, wier uitvoering is ach- 
terwege gebleven, behoort ook eene afbeelding van den 
sterrenhemel in 60 bladen i). , 



1) Zie Fo8siu8, Bijlage IV. 



WERKEN TEN DIENSTE DER ZEEVAART. 



Het eerste door Blaeu vervaardigd en uitgegeven boek , 
dat in de Resolutiën der Staten Generaal vermeld wordt ^) , 
is het: n Nieuw graetbouck, nae den ouden styl vuyt de 
aldercorrecste observatien van den vermaerden astronomo 
Tycho Brahe , gecalculeeri ende gestelt op ten meridiaen 
deser Nederlanden^ Blijketis het octrooi , moet dit reeds 
in 1 605 zijn verschenen. Ondanks veel onderzoek , is het 
ray niet gelukt daarvan een exemplaar te vinden, even- 
min als van het, in 1606 uitgekomen: i>Zeecaertboeck 
mitsgaders seker nywe Paskaerte by hem nyeuwelyk ge- 
sneden ende by Cornelis Doedesz van Edam geinventeert , 
inhoudende de navigatie van de Ooster-, Wester- ende 
Mitlantsche Zee" 

De wijze intusschen, waarop de Blaeu's hunne oudere 
werken in een nieuw kleed wisten te steken, en, hier en 
daar verbeterd, maar vooral vermeerderd, onder een nieu- 
wen titel uittegeven, zal nader bij de atlassen blijken. 
Daaruit meen ik te mogen afleiden, dat wij den inhoud der 
twee genoemde werken terugvinden in de later uitgekomene, , 
wier titels met de vorige eenige overeenkomst hebben. 

Uit de inleidingen tot die latere werken is daaromtrent 



1) Zie Bijlage IX. 



u 

geen licht te putten. De Blaeu's hadden de gewoonte 
niet, om in later uitgekomen wertcen de oudere te ver- 
melden. Tot die latere behooren de vier volgende: 

1. 't Licht der Zeevaert. 

2. Tafelen van de declinatie der Sonne, en voornaem-' 
ste vaste Sterren. 

3. Tafelen van de breedte van de opgang der Sonne. 

4. Zeespiegel. 

Van het eerste is mij slechts het derde deel bekend. 



'T Derde deel van 't Licht der Zeevaert, inhoudende de 

Beschryvinghe der Zee Ciisten van de Middelandtsche Zee. 

Byeenvergaedert ende in 't licht ghebracht door 

Willem Janssen 

tot Amsterdam, 

By Willem Jansz. op 't Water in de Vergulde Sonnewyser 

Anno 1621 i). 
In de Resol. der Staten Generaal van 25 April 1608 
vindt men vermeld de: ii dedicatie ende presentatie van 
het Licht der Zeevaert, door Willem Jansz,, bevattende 
de gelegenheid der Kusten ende Havenen van de Wes- 
tersche, Noortsche ende Oostersche Zee.'' 

Het waren de beide eerste deelen van het werk , welks 
derde deel, over de Middellandsche Zee, eerst in 1621 
verscheen, met een octrooi van de Staten Generaal, voor 
zes jaren, d.d. 13 Aug. 1618. 



1) In: van der Aa, Woordenboek, wordt 1618 opgegeven als het jaar der 
uitgave van het geheele werk. Dit jaartal kan een lateren druk gelden der 
heide eerste deelen, of wel de dagteekening van het octrooi en van de op- 
dracht van het derde deel. 

Het door mij gehmikte ex. Van het derde deel , uit de Leidsche Bibliotheek , 
is afkomstig: „Ex bibliotheca viri illustrU Igaaci Fossii." 



55 

In de: j> opdracht aan de H,H. Si. Gen, midtsgaders 
aan Prins Maiirüs d.d. l Sept. 1618," vinden wij een 
getuigenis aangehaald , dat zeker sterk pleit voor de waarde 
der beide eerste deelen. 

Willem Jz. Blaeu toch zegt daarin: y>tny {zonder roem 
ghesproocken) , ghenoech verseeckert houdende, dat de nut' 
ticheyt van dien (IIP Deel) niet minder zal zyn als van 
onse twee voorgaende Deelen, Innehoudende de Beschry- 
vinghe van de Oostersche ende Westersche Zeevaert, waer 
van Uwer E. Mog. ende Ex. C anderen tyden by^deuch- 
delycke Certificatien van vele Notabele Stier hiy dm, ende 
oock by de verclaringhe van den vermaerden Piloot 
Lucas Wagenaer zelve ghenoechsame bewysinge is^ ghe- 
daeny 

Eene gunstige beoordeeling, door Lucas Jansz. Waghe- 
naer uitgebracht over een werk, dat bestemd was, om 
het zijne te overlrefTen, is gewichtig. 

De invloed van de zeekaarten van Willem Barendsz. op 
het werk van Blaeu wordt erkend in de volgende woorden : 

vTot den goetwillighen hesere 

» Wy hebben sommighe jaren herwaerts^ met neers ticheyt 
byeen vergaedert, alle aenteyckeningen , waernemingen 
en ontwenpen, waermede wy die voorsz, beschryvinghen 
van Willem Barendsz., wiens arbeyt ons in dit werck 
niet weynich voorderlyck is gheweest, niet alleen in veel 
plaetsen en hebben verbetert, maer oock veel vermeer- 
dert : Bovendien daerby ghevoecht de Beschryvinghen van 
alle de Zeecusten voorder Oostwaert by hem niet beschre- 
ven, zo van de Ey landen Candia, Cyprus, de Custen 
van Suria ende Egypten, ah van de Griecksche Ey lan- 
den: hoe men daerdeur heel tot Constantinopolen mach 
zeylen, en dat alles byeen te samen ghebracht. 

De kaarten worden voorafgegaan door eene inleiding 



56 

''handelende: ^Van het ghebruyck deses Boecks,^^ De zes 
hoofdstukken dier inleiding behandelen achtereenvolgens: 

» Van 't onderscheydt der Italiaansche ende Neder- 
landlsche Zeecaerten" 

jiWaeromme de Naelden niet onder de Lely, en ver- 
scheydelyck gheleydt worden.'^ 

» Waerom de Pascaerten van de Middellandtsche Zee 
werden ghernaeckt zonder graden der breete." 

i>Hoe men de hooghte ghebruycken mach,'' 

i>Hoe men de Afwyckinghe der Naelde^ ofte verande- 
ringhe van 't Compas vindt.'' 

nHoe men de hooghte der Sonnen vindt uyt de scha- 
duwe" 

Dan: nYolght de Tafel waernae de voorsz. Graedboghe 
mach gheteeckent werderiy" en, tot besluit, wOrdt nog eene 
lijst gegeven van: ^Sommighe bekende hooghten der voor^ 
naemste Hoecken ende plaetsen in de Midlandtsche Zee," 
waaronder te verstaan zijn de geogr. breedten van 29 
plaatsen. 

Wat in die inleiding opmerking verdient, wensch ik 
hier in hoofdzaak te laten volgen. 

De declinatie der magneetnaald was toen in Holland 
oostelijk, en, volgens Blaeu, werd die door de HoUand- 
sche kompasmakers op | of f van een streek gesteld, d. i. 
dus 7°45' of 8°26'. In verband hiermede legden ze, om 
een voor Holland rechtwijzend kompas te erlangen, de 
lelie I of I van een streek westelijk van de richting der 
naald. , 

In de Adriatische Zee was , volgens Blaeu , de declinatie 
toen 0°, en, in de Italiaansche kompassen, deed men de 

richtingen van naald en lelie overeenkomen. 

« 

Op de Italiaansche kaarten der Middellandsche Zee wer- 
den de windrozen gesteld volgens deze kompassen , waarin 



57 

dus de lelie geacht werd de richting van den magnetischen 
meridiaan aantewijzen. 

Aangezien nu de te 'bezeilen afstanden gering waren, 
bepaalde men geen breedte, (voor lengtebepalingen ont- 
braken de noodige hulpmiddelen), en zeilde, uitsluitend 
op het kompas, van de eene plaats naar de andere. 

i>En overmits,'' zegt Blaeu, »de Locht aldaer den 
meesten tyt claer is ^ en de Landen zeer hoogh, oock tot 
veel plaetsen niet zeer verre van malcander gheleghen, 
daerdoor men het eene landt uyt den oogen verliesende , 
het ander haest weder in *t gesicht kryght: zoo werdt 
by vele 't gebruyck van de hooghten (geogr. bjreedten) daer 
weynich geacht. 

De zeevaerders , en deghene die de Zeecaerten van die 
ghewesten hebben ghemaeckt, hebben de hooghten nae- 
gelaten en haer aen de streckinghen , als verre het noo- 
dighste, gehouden'' 

Op de kaarten van Blaeu vindt men dan ook noch pa- 
ralleBen, noch meridianen, doch windrozen en zeilstreken, 
volgens het Hollandsch kompas. 

Op de kaarten van Barendsz. vindt men de zeilstreken, zoo- 
wel voor het Hollandsch kompas, als volgens het Italiaansche. 

Voor de bepaling der miswijzing van het kompas wordt 
het gebruik van correspondeerende zonshoogten aange- 
wezen en tevens aanbevolen het gemiddelde te nemen van 
verschillende uitkomsten op denzelfden dag verkregen. 

Eene beschrijving van het gebruik van den ^omgekeer- 
den graedboogh" wordt gevolgd door de opgave der con- 
structie voor de verdeeling van dit werktuig. 

Om eenigszins te doen oordeelen over de juistheid der 
geogr. breedten, in de tafel opgegeven, moge de volgende 
opgave dienen. Bij de nieuwere opgaven zijn de seconden 
weggelaten, daar deze ook bij Blaeu ontbreken. 



58 



6€0gr. breedte van bg Blaeu in de Conn. des TempB. 1819. 

Gibraltar, 35°50' 36°6'. 

K. Gata, 36°38' m°U'. 

Genua, M°30' 44°25'. 

K. Palos, 37°40' 37°37'. 

Alemandrie, 31° 31°13'. 

Deze breedten vindt men echter in de zeekaarten van 
Blaeu niet terug. 

• Vergelijken wij thans de : i Inleiding ," van Blaeu met de : 
iVermaninghe tot den Leser," van Willem Barendsz. ^), dan 
blijkt, dat, wat in het: vLicht der Zeevaert" over de kom- 

» 

passen voorl^omt, gedeeltelijk woordelijk aan Barendsz. 
ontleend is. Deze zegt, o. a.: ^maer overmits dat in de 
Levantsche Zee de tocht altyt claer is, en de landen seer 
hoogh zyn, so ist dat zy daer geen werck van de elevatie 
(geogr. breedte) maken, want als men het eene land uyt 
den oogen geseylt is , so cryght men het ander weer in 
't gesicht. Also dat men daer geen hooghde gebruyckt: 
maer altyt by den Coers seyltJ' 

Overigens vindt men bij Barendsz. nog eene aanwijzing: 
j>hoe men de hooghde der Sonnen nemen sal, ende 't ghe- 

1) Nieuwe beschryvit^ke ende Caertboech van de MidlandtscAe Zee. Waer^in 
meerckelich afgebeeld en beschreven worden alle custen van de Midland^che 
Zee. Beginnende van Gibraltar langs Granada , Falentia , Catalonia , Pro- 
ventia en Italia , door de Golfe van Venetia , voorby de custen van Apulia , 
Venetia , Istria , Slavonia , en Graecia. Item alle de principale vermaerde 
havenen , als Constantinopolis , Tripolis , Jaffae , Alexandriae ende meer 
andere, naer het leven afgheteekent. Midschaders de streckinghen van de 
gansche Midlandsche Zee. Ooc alle de ey landen der selfder^ als Evica , Mu- 
jorca , Minorca , Sidlia , Malta , ende de Ey landen in de golfe van Venetia , etc. 

Desghelicx particulierlick de Eylanden van Canarien ende Madera. Alles 
in sekere Caet ten met hare beschryvingen ende opdoeningen , met grooter 
neersticheit ende aerbeyt gedaen door Willem Barentzoen. 

De opdracht is geteekend : Willem Barentszoon. 

Op de kaarten vindt men: Willem Barentsoen. 



59 

bruyck van d£ Tafel der Declinatien ofte Graedboeck ,** 
gevolgd door: t^ tafels van des Sons Declinatie" voor 
iederen dag van vier achtereenvolgende jaren. 

Bij vergelijking der kaarten van Blaeu met die van 
Barendsz. zal men slechts ' luttel meer verdienste aan de 
eerste kunnen toekennen^ dan aan de laatste. Wat de 
gravure betreft, staan ze gelijk. Trouwens welke graveur 
van dien tijd zou het Heter van der Keere en Jodocus 
Hondius verbeterd hebben^ wier namen op de kaarten 
van Barendsz. voorkomen. Hier en daar is de kustlijn 
bij Blaeu een weinig nauwkeuriger, maar het verschil 
beteekent niet veel, en het is duidelijk, dan men met 
eene navolging van Barendsz te doen heeft , al zij het dan 
ook onder eene eenigszins gewijzigde indeeling der kaarten. 
Waar zou Blaeu ook beter voorbeelden hebben kunnen 
vinden ? 

Barendsz. zegt: ^tot den goetwillighen Leser:" »5oo 
ist dat ick eenmael, so door vermaninghe van vele myne 
goede Vrienden, alsmede door aenporringhe myns eyghen 
ghemoetSy als die van myne kintsche daghen altyt ghe- 
neghen ben gheweest, omme nae alle myn vermoghen, de 
Landen die ick bewandelde oft beseylde, Caerts-ghewyse 
met den omloopenden Zeen, Wateren,, ende sireckingen 
af te beelden, voorghenomen hebbe sek^re Caerten van 
de Zee Ctusten des Middellantschen Zees, dien ick van 
eenighe Jaren herwaerts allenskens vergadert hadde int 
licht te brenghen en Boecksghewyse , tot nut ende voor- 
deringhe van alle Zeevarende , ende der Zeevaertlievende 
persoonen, uyttegheven, welcke ieschryvinghe ick selve 
eensdeels in myne reysen waerghenomen , 'ende eensdeels 
door aenghevinghe van andere ervarene schippers ende 
Stuerlieden , die door de enghte van Gibraltar in Italien 
ende omliggende Landen ghevaren hebben becomen ende 



60 

te weghe ghebracht hebbe , ende hebbe sulcks ordentlicken 
vervolgens na malcanderen ghestelt met aenwysinghe 
aller Havenen, Reeden, Bayen, Opdoeninghen , Coerssen 
ende streckingen, ketwelcke ick niet sonder merckelyke 
moeyten ende Oosten te fveghe ghebracht hebbe , als heb- 
bende my selven alleene niet te vele willen toeschryven: 
maer vele Schippers ende Stuerlieden die de Levantsche 
oft Middelantsche Zee doorseylt hadden tot mynen huyse 
ghenoodightf dien ick myn werck ghecommuniceert heb- 
bende, oock 'tselve nae 'tghene.zy beter als ick waer- 
ghenomen hadde , gecorrigeert opdat men niet meynen 
soude, dat ick uyt verwaentheyt ende begeerten van een 
naem ie crygen, ende sonder andacht sulcks by der handt 
ghenomen hadde: maer dat icker moeyte ghenoech toe 
ghedaen hebbe," 

Hoe zorgvuldig, nauwlettend en onvermoeid Willem 
Barendsz. waarnam en opteekende, weten wij uit het: 
^Waerachtigh Verhael van drie Seylagien, enz." van 
Gerrit de Veer. 

Afgemat door gebrek en ziekte, was Barendsz. tot op 
het laatste oogenblik de ziel van den tocht naar Nova 
Zembla. Wat wij daarvan weten uit het verhaal van de 
Veer was door Barendsz. in de pen gegeven of geschreven. 

In de tijdruimte tusschen 1595 en 1618, tusschen de 
verschijning van het: Caertboeck, en het: Derde deel van 
't Licht der Zeevaert, zijn wel niet veel plaatsbepalingen 
geschied, nauwkeuriger, dan die van Barendsz. 

Wat in het: Caertboeck, bijna nergens ontbreekt, name- 
lijk het jaartal op de kaart: 1593, 1594 of 1595, zoekt 
men bij Blaeu te vergeefs. 

Dit is een grief tegen schier alle kaarten van de Blaeu's, 
dat zij het jaartal der vervaardiging verzwegen. Hierdoor 
bleef het hun mogelijk, om, in latere drukken, altijd 



61 

weer oude kaarten op te nemen en voor nieuwe te laten 
doorgaan. 

Barendsz gaf slechts kaarten der Middellandsche Zee tot 
aan de Adriatische Zee. Blaeu nam in zijn: t^ Licht der 
Zeevaert,'' ook het oostelijk gedeelte der Middellandsche 
Zee, Egypte en Syrië op. In 't geheel bevat het IIPMeel ' 
van zijn werk 30 kaarten. In het gedeelte , dat beide be- 
werkt hebben, komen i^de coersen ende streckingen*' veelal 
overeen. 

Ook in de » Beschryvinghe van de Zeekusten'' heeft 
Blaeu het : Caertboeck, veelal nageschreven. In dit laatste 
vindt men: 

^Gibraltar.'' 

> Wilt ghy tot Gibraltar setten , soo seylt so verde in , 
dat de binnenste hoeck van Gibiliers Bergh Oost van u 
is , settet daer op 5 o ft 6 vadem , daer ist al schoon , en 
na de meulen toe ist al vlack water 3 vadem. Daer 
leytmen dan beschut voor een Westen wint, ende een z. 
wint is hoecxkens wint van Gibraltars Bergh. Een z. w. 
wint waeyt daer open in. 

Men brengt van daer goede Wynen. 

Item als ghy van Gibraltar tseyl wilt gaen met een 
Oosten ofte Lavanten windt , soo ist best dat ghy vry wat 
voor de windt na de leegher wal ofte West-wal toeloopt , 
ende dan by de leegher wal uit, want by het hooghe landt 
van Gibraltar can men qualick uitcomen , omdat de windt 
soo rondtom leyt ende dwarlt onder 't hooghe landt. 
. In het: Licht der Zeevaert, leest men: 

liWilt ghy te Gibraltar, ofte te Jubleter, soo onse Ne- 
derlanders dat noemen, in de Bay setten, .soo seylt so 
verre innervaert, totdat de binnenste hoeck van den Bergh 
van Gibraltar Oost van u staet, daer ontrent ist diep 
vyf ofte ses vadem, ende al schoone grondt; nae de Meu-^ 



62 

len toe ist al vlack water van drie vadem. Men leydt 
dacr in de Bay beschut voor een Weste windt, een zwy- 
den windt is hoecxkens windt van Gibraltars bergh , maer 
een zuydweste wint die waeyt daer open in. Van dae' 
brengt men goede wynen. 

Als ghy van de Reede van Gibraltar f zeyl wilt gaen 
met een oostelycke windt , soo ist goedt dat ghy wat voor 
wint afloopt, nae de westwal toe, ende soo al voort by 
de laegher wal uyt^ want de oostelycke winden vallen 
met sulcke dwarlihge ende draeyinghen over het hooghe 
landt van Gibraltar^ dat men qualyck by het hooghe 
Landt langhs uyt de Bay kan gheraecken." 

Of het volgend sonnet van P. C. Hooft in een der béide 
eerste deelen van het besproken werk is opgenomen, kan 
ik niet uitmaken. In het derde deel komt het niet voor. 

Op H Licht der Zeevaert van Willem J. Blaaü. 

En was den Leeuw zyn hart niet grooter dan zyn nest, 
Neptuin hem lichtlyk had, door nooddruft noodt te temmen; 
Maar zyn verstaalde borst zich bernen kreunt nocht bremmen 
Van Scyir oft haar gebuur, springt uit der duinen vest: 
Om onvermoeyelyk, Noord, Zuiden, Oost en West, 
D* onburgerlyke Zee, zyn aa^ naa, door te zwemmen, 
Dè vork des Zeegods, om d' oneffe vloên te kemmen, 
O Vorst der dieren ^ dry ft hier aan uw strand ^ in 't lest. 
Dit boek, dat wyst , om u, in 't vaaren , vaars t' ontsladn , 
Der klippen dreigen, en der banken laagen aan. 
Het leert u *s hemels oordt, by menigh helder teeken 
En weet men van haar wegh, en tredt, geen wis bescheidt, 
De starren zyn, in zee, nauw meer dan duisterheidt. 
Zoo wordt dan , aan dit licht, des hemels licht ontsteeken. 



Tafelen van de declinatie der Sonne, ende der voor- 
naemste vaste sterren, Mitsgaders van 7 verscheyden ge- 
bruyck der Noordsterre Nieulycx, allen" Zeevaer enden ten 
dienst f ghecctlculeert door Willem Jansz. Blauw, (in 12°). 

Op den titel vindt men de afbeeldingen van den kruis- 
staf, het astrolabium, enz. en voorts: V Amsterdam. By 
Willem Jansz, Blauw in de gulde Sonnewyser, Met Pri- 
vilegie Anno 1625. 

In het: octrooi van de Staten Generaal, d.d, 9 Maart 
1623, voor 10 jaren, aan ^Willem Jdnsz. Blaeuw" ver- 
leend, en dat in het boek is afgedrukt, wordt hel werk 
genoemd ^een compendium van den Zeespiegel.'* In de 
^Voorreden*' wordt gezegd: }>So hebben wy uyt de scherpe 
observatien Tychoni>s Brahae ghecalculeert nieuwe tafelen 
van des Sons declinatie" 

Dezelfde tafels vindt men dan ook in den: Zeespiegel, 
van 1627, en zij waren zeker bestemd, om de oudere 
tafels van het: Nieuw Graetbouck, van 1605 te vervangen. 



Tafelen van de breedte van de opgang der Sonne, Met 
onderrichting, om, zonder calculatie, de miswyzing der 
Compassen, aen alle Oirten des Aerdrycx lichtelyck te 
vinden, (kl. 8°). 

De opdracht luidt: y>Aen de E. E. Heeren Bewintheb- 
beren van de Oost-Indische Compagnie t^ Amsterdam" 
t' Amsterdam by Joan Blaeu. (z. j.). 

T^Wat de breedte van de opganck zy," wordt in de 
volgende woorden verklaard: 

j^De breedte van d' opganck der Sonne is niet anders, 
als het gedeelte des horizonts tusschen het rechte punt van 
t oost^ en het punt aen den horizont, daer de son ryst.^* 

Het boek bevat dan ook tafels van de amplitude voor 



64 

verschillende geographische breedten, tot op 63^, en bij 
verschillende zonsdeclinatiën, die met 10' opklimmen. De 
amplituden zijn in graden en minuten berekend. 

Het doel van het werk wordt , als volgt , in de opdracht 
omschreven : 

» Maer de ware breedte , t' elcken reyse door calculatie 
te vinden, dat en is niet yders Stuyrmans ofte Zeemans 
werck, want die zeer zelden zooveel in Mathesi, als zulck 
een zaeck vereischt, zyn geoeffent. 

De breedte werd dus van de tafel , uit de ampUtude en 
declinatie afgelezen, terwijl, luidens den titels de richting 
des meridiaans uit twee kimpeilingen werd bepaald. 



Zeespiegel , Inhoudende een korte Onderwysinghe in de 
Konst der Zeevaert, en Beschryvinghe der Seen en Kils- 
ten van de Oostersche , Noordsche en Westersche Schip- 
vaert, Wt ondervindinghen van veel ervaren Zeevaarders 
vergadert, en V samen ghestelt. 

Boor Willem Jansz. Blaeuw 
Tot Amsterdam, 

Ghedruckt by Willem Jansz. Blaeuw , in de vergulde 
Sonnewyser. 1627. Met Privilegie voor thien Jaren, 

Het privilegie, door de Staten Generaal verleend, is 
gedagteekend van 9 Maart 1628. 

Het w^oordenboek van van der Aa geeft op de drukken van 
1624, 1631, 1655, en vermeldt, ten onrechte: 2 dn. fol. 

Ebert geeft op de drukken van 1627, 1643, en ver- 
meldt , terecht : 3 dn. in één band. 

Dat de eerste uitgave van 1624 is, blijkt uit de tafels der 
zonsdeclinatie , op blz. 9, die worden opgegeven jej/gfm^- 
lyck gherekent te zyn op de Jaeren 1624, 25', 26, 27 op 
de Eerdrycx lenghde, ofte Meridiaen van Enghelands- 



65 

eyndt, om redenen dat die meest ontrent die lenghtevan 
onse Nederlantsche Zeevaerders werden ghebruyckt , so in 
H aendoen van de Canael der zee , als langs de kusten 
van Vrancryck, Portugael en Spaengien.*' 
Op -het eerste blad , na de Voorreden , vindt men : 
^Het lof der Zeevaert , gheheylight den Edelen , Erent- 
festen, Gestrenghen, Manhaften, Wysen ende, Voorsieni- 
ghen Heer e, Laurens Beael, Voor desen Oppervooghd, 
en eenighen Beheerscher van de Oost-Indien" 

Hierin doelen de volgende regels op Blaten. 
"dSyn (Tycho's) leerling komt oock lof, die geen bancket 

van taerten 
Nochl maerssepeynen schaft, myn Ridderen, maer Kaerten, 
Graedbogen, Astrolaebs, m Klooten hol en bol. 
Met teyckenen vermaelt, en beelden wonder dol: 
Die boeckenbrengt in 't licht, waervoor sy hem bedancken, 
Als hy de gronden peylt, en waer schout voor de bancken, 
d^ Inhammen ruym van schoot, en hoecken krom van bocht, 
Waerdoor se seecker gaen braveren door het vocht/' 

J. V. VONDELEN. 

De Zeespiegel bestaat uit twee afdeelingen: de eerste 
bevat een t> korte onderwysinghe in de konst der Zee- 
vaert,'* de tweede is eene verzameling van zeekaarten. 

Het boek huldigt eenvoudig de begrippen, die toen onder 
zeelieden nog algemeen gangbaar waren, zonder dat daarin 
eene poging voorkomt, om de dwaling te bestrijden, of 
de middelen tot geographische plaatsbepaling te vermeer- 
deren of te verbeteren. • 

Uitgaande van het stelsel van Ptolemaeus , handelt het: 

I®. Hooftstuck, Van de Sphera, en haer ohderschey- 
den beweginghen. 

}>De Sphaera Mundi wert gedeijlt in tyoee deelen: 

5 



66 

Elementaèls- en Hemels:^ het Elementael deel heeft weder 
vier deelen : het eerste is de Aerde , die met het water 
als het tweede maect een volcomen ronde Cloot, daer wy ^ 
op woonen. Het derde de Locht d' aerde bevanghende , 
en het vierde 't Vyer, 't welk nae 't seggen der Philosophen 
begrypt de spatie die daer is tusschen de Locht en des 
Maens hemelt 

Daarop volgen dan de acht spheren des hemels. 

Het III^ Hoofdstuk bevat het bewijs, i»dat het Aerd- 
ryck in 't midden des werelts staet ," ontleend aan het feit 
dat wij de sterren, nn wat gheweste des hemels dat het 
oock zy, altydt van eender grootte zien" 

Voor de bepaling der breedte , door de zonshoogte op 
den middag, worden van de zons declinatie, in de jaren 
1624, 25, 26 en 27, tafels opgegeven , ndie sonder merc- 
kelyk hinder voor 20 jaren sullen moghen diefien" 

Het XXIP Hoojtstuck, Van 't maken der Graedbogen 
en Astrolabiums. Voor het verdeelen van den graedboog 
(kruisstaf of Jakobsstaf) , toen en nog mefer dan een eeuw 
later algemeen in gebruik op zee, worden constructiën 
opgegeven , zoo door middel van teekening , als van bere- 
kening, en tevens wordt het gebruik van den omgekeer- 
den graedboogh aangewezen , waarmede de waarnemer, met 
den rug naar de zon gekeerd, de zonshoogte bepaalde. 
Daardoor werd het staren op de zon vermeden, dat, ithoe- 
wel dat men in 'tpeylen met de Graedboogh nae de Son, 
tot verschooningh der ooghen , roode of blaeuwe glaeskens 
ghebruyckt, evenwel voor 't'ghesicht heel moeyelyck en 
hinderlyck is, besonder alsse hoogh gaat'' i) 



1) Den thans geheel vergeten graadboog en omgekeerden graadboog vindt 
de lezer voorgesteld op PI. 3, in navolging van de afbeeldingen van beide, 
in den Zeespiegel voorkomende. é 

Het tweede kmis op den rechten x graadboog diende alleen , om de plaatsing 



Hl. 




1 



67 

Bij de bepaling der breedte » door het meten van de 
hoogte der poolster , wordt , voor den afstand van deze tot 
tot de pool , 2°42' genomen , en deze in rekening gebracht, 
door te letten op den stand van naburige sterren , zoo van 
den Kleinen Beer zelven (de wachters) , als van Cassiopea 
en den Grooten Beer, Voorschriften hiervoor vindt men 
in alle zeevaartkundige boeken van dien tijd. 

Op blz. 23 wordt een tafeltje voor de kimduiking ge- 
vonden, van 1' tot 15', met V opklimmende, met de daar- 
aan correspondeerende hoogten in voeten. 

Op blz. 46 vindt men opgaven omtrent atmosph^rische 
straalbuiging, ontleend aan Tycho Brahe, en, ten onrechte, 
geheel verschillend voor de zon en de sterren. Diezelfde 
opgaven vindt men bij E. Wright (1610) en andere schrij- 
vers van dien tijd. Om eenigszins over de juistheid daar- 
van te kunnen oordeelen , moge volstaan , dat , voor eene 
schijnbare hoogte van 7°, de straalbuiging van het licht 
der zon op 13', van sterren, op 8' gesteld wordt , terwijl 
zij, volgens de thans gebruikelijke tafels, bij TöO""' k. d. 
en 10° C, ruim 7' bedraagt. 

Echter werden evenmin voor kimduiking, als voor straal- 
buiging, door de zeevaarders in die dagen correcitiën op 
de gemeten hoogten toegepast. 

Blaeu zegt van de laatste: ^Hoewel dit weynich be- 
draecht in de handelinge der zeevaert, als door de re- 
fractie des sienlycken Horizons ghemoet werdende, wy 
hebben 'Ooor de curiéUse hierby ghevoeght dit Tafelken" 

In zijne i>Konst der Stuerluyden" , van 1648, zegt ook 



van het oog te bepalen, en werd, bij. het waarnemen, weggelaten. Eene ver- 
deeling, op den Btok aangebracht, wees het aantal graden aan. 

Bij den omgekeerden graadboog werd , om de hoogte te vinden , het aantal 
graden van hoek 6 A C , op G C aangewezen , opgesteld bij dat van hoek 
DAF, op BF aftelezen. 

5* 



'68 

Lastman van straalbuiging en kimduiking: t>deze te ver- 
waarloozen op zee als curieusheden dienstigh voor pas- 
caerteny 

Bij de groote onnauwkeurigheid der waarnemingen aan 
boord, met zeer gebrekkige instrumenten gedaan, ge- 
schiedde dan ook die verwaarloozing met recht. 

Ofschoon de Zeespiegel hoofdzakelijk kaarten bevat, telt 
het j>XVIP Hooftstuck, Van 't verschil der ghemeyne platte 
zeekaerten mette ronde ofte het Aerdryck" slechts 11 re- 
gels, en wijst er alleen op, dat de meridianen, die op 
den bol elkander in de polen snijden, op de platte zee- 
kaarten als evenwijdige lijnen worden voorgesteld, zonder 
met een woord te gewagen van de misvormingen , die 
daarvan het gevolg moesten zijn, of een middel aan de 
hand te geven, om aan de zoo geprojecteerde kaarten 
juiste afstanden en richtingen te ontleenen. 

De zeekaarten van Blaeu zijn uitsluitend zoogenaamde 
platte kaarten,- d. i. volgens de cilindrische projectie 
geteekend. Toch was toen de vinding van Mercator 
(1569) reeds meer dan eene halve eeuw oud. Reeds in 
1594 had P. Plancius van de Staten GenV octrooi verkre- 
gen op het maken van zeekaarten met wassende graden, 
en, in 1598, was aan boord van een der schepen van van 
Neck zoodanige kaart voor het richten van den koers ge- 
bezigd 1). Dat Blaeu de projectie van Mercator niet naar 

1) Zie het tweede hoofdstuk van de : Opkomst, van het Nederlandsch gezag 
in Oost-Indie, door Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge. Hoogst belangrijk met be- 
trekking tot de cartographie in de 16« en 17® eeuw, is het, zoover ik weet, 
het éénige Nederlandsche werk , waarin uitvoerig de verdiensten van Wright 
in het vinden en publiceeren van de gronden der projectie van Mercator zijn 
uiteengezet. Bij andere schrijvers heb ik Wright wel vermeld gevonden , maar 
niet het bewijs, dat zijn belangrijk werk : Certaine errors in navigntion detecled 
and corrected. (1599, 1610, enz.) door hen gelezen was. Simon Stevin, die 
ia zijne: Havenvindingh ^ het onderwerp uitvoerig behandeld heeft, meent in 



69 

waarde geschat hebbe, is onaannemelijk, ook blijkens eene 
verwijzing naar Wright bij de vermelding der loxodromi- 
sche lijn in het Tweevoudigh onderwijs. 

Uit het verzwijgen, in den Zeespiegel, van alles wat 
op een en ander betrekking heeft meen ik dus gerechtigd 
te zijn tot de bewering, dat Blaeu met dat werk niet zoo- 
zeer beoogd heeft de bevordering der zeevaartkunde , als 
wel het voldoen aan de vraag naar een boek , dat zich we- 
tenschappelijk niet verhief boven het algemeen peil der 
kennis van den zeeman in die dagen. 

Op de zeekaarten van Blaeu vindt men geenaanwijzing 



de tafels der wassende breedten van Wright fouten te ontdekken, als een 
gevolg van te geringe benadering, en vindt andere waarden. 

Wright toont, in de uitgave van zijn werk van 1610, aan, dat Stevin het 
mis heeft, en zegt: „omdat ik de wassende breedten van 10' tot 10' heb op- 
gegeven , meent Stevin , dat ik ze ook met die tusschenruimten berekend heb. 
Dat is echter het geval niet. Ik ben met minuten opgeklommen. Mijne 
getallen zijn wel een weinig te groot , omdat ik met geheele minuten ben op- 
geklommen , doch dat doet weinig ter zake." Inderdaad geeft zijne tafel , voor 
80o Breedte, 83773, in plaats van het juister getal 83753. Van het integreeren 
van Sec. ar dx was natuurlijk nog geen sprake. Wright moest, door werkelijke 
optelling der secanten , de benaderde waarden zoeken. 

Opmerkelijk is ook, in zijn werk, de opnoeming der fouten ,' waartoe het 
gebruik van den kruisstaf aanleiding geeft. „Eene daarvan," zegt hij, „is het 
verwaarloozen der kimduiking. Deze moet bepaald worden door eene graad- 
meting , waartoe mij de middelen ontbreken , maar waartoe ik eene gunstige 
gelegenheid afwacht , als iemand , die de kosten beter dragen kan , dan ik , 
mij goedgunstig wezen wil. Door zoodanige graodmeting zou men tevens een 
vasten grondslag kunnen vinden voor maten en gewichten." 

Dit laatste is, zoo ik meen, wel de eerste verwijzing naar de methode, die, 
twee eeuwen later, het metrieke stelsel op de afmetingen der aarde grondvestte. 

Met het oog op de door Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge verzamelde gegevens 
nopens het gebruik van kaarten met wassende graden op Hollandsche schepen , 
in het laatst der 16* eeuw, mag men voor onjuist houden de door J. Lelewel, 
Géogr, d. M. A. 219 on door Dr. J. v. Raemsdourk, p. 120, aan Montucla, 
Hist. d. Math. vol. I. p. 613, ontleende beweering, dat men zich in 1630, 
voor het eerst, op schepen van Duinkerken van zoodanige kaarten bediend heeft 



70 

van Breedte of Lengte, maar wel de kompassireken , ge- 
trokken uit 4 verschillende punten. 

Aan deze kaarten, uit het begin der i 7® eeuv¥, de eischen 
te stellen, waaraan thans zoodanige kaarten moetea vol- 
doen, zou ongerijmd zijn, en de uitslag eener vergelij- 
king van Blaeu's werk met eene verzameling zeekaarten 
van den tegenwoordigen tijd zou eene volstrekte veroor- 
deeling van het eerste na zich slepen. 

Niets anders laat zich verwachten^ als men in aanmer- 
king neemt de gebrekkige wijze , waarop de gegevens voor 
geographische plaatsbepaling werden verkregen en in re- 
kening gebracht. 

Bij het bepalen der breedte waren fouten van een hal- 
ven graad geen zeldzaamheid i). 

De lengte en verheid werden uit de veranderde breedte 
en den gezeilden koers opgemaakt , en hoe weinig op de 
uitkomsten van zoodanige handelwijze te rekenen viel, 
behoeft wel geen nadere aanwijzing. De log kwam eerst 
tegen het midden der 17* eeuw algemeen in gebruik, en 
wordt door Blaeu dan ook niet vermeld. De snelheid van 
het schip werd, op grond van ondervinding, geschat naar 
het aantal zeilen, dat men bijzette. 

Wel is het bevreemdend , dat men eerst zoo laat de log 
heeflt ingevoerd , als men nagaat , dat reeds omstreeks het 
midden der 16* eeuw, voor het meten der wraak, (hoek, 
dien de as van het schip met de zoglijn maakt), iets der- 
gelijks in gebruik was. Zoo vindt men in den: Spieghel 
der Zeevaerdt van Lucas Jam. Waghenaer, van 1584, 
voorgeschreven, om, voor het meten der wraak, »t/ Loot- 
lyn met een hout ofte anders achteruyt te laten gae^i,'^ 

1) In de: Beschryvingh^ van de Kunst der Stuerluyden, enz. van Corn. Jz. 
Lastman, 1648, wordt gezegd, dat 10 middagBhoogten , door 6 stuurlieden 
genomen , nooit minder dan 20', soms 50' uiteenliepen. 



71 . 

Slechts van zeer weinig plaatsen op de* kust was de 
ligging door astronomische waarnemingen bepaald. Geene 
triangulatiën vormden den grondslag tot eene behoorlijke 
opmeting en in kaart brenging der landen, en zoo ont- 
brak dan ook de maatstaf van beoordeeling voor de ver- 
schillende kaarten, die van dezelfde kusten, nu en dan 
verschenen. Inderdaad moet men zich meer verwonde- 
ren over de betrekkelijke verdiensten van de zeekaarten 
dier dagen, dan over hare gebreken* 

Vergelijkt men de kaarten van Blaeu niet die van zijne 
beroemde voorgangers Lucas Jansz. Waghenaer en Wil- 
lem Barendsz. i), dan is de vooruitgang niet geheel te 
miskennen. En die vooruitgang betreft niet zoo zeer de 



1) Zie: Spieghel der Zeevaerdt van de navigatie der Westersche Zee. 1584. 
en Spieghel der Zeevaert inJtoudende de geheele Noordtsche ende Oostersche 
Scheepvaert. 1585, beide van Lucas Jansz. Waghenaer, van Ënkhoizen. 

Nieuwe ,Beschryvinghe ende Caertboeck van de Middellantsche Zee , door 
Willem Barentsz. , 1595. 

Het werk van Waghenaer werd zoo beroemd, dat de Engelsche zeevaarders 
nog meer dan eene eeuw later, een zeekaartboek een „Wagener*^ plachten 
te noemen. (Montucla, W^t. d. Math. T. IV. p. 534). 

„Prior to the commencement of the last century , toe mag be said to be 
almost entirely dependent on the Lutck for the charts and directions by 
lohich our ships navigated." % 

„Besides the Ore at and Little Seatorches {Zeefakkels) of our own tountry 
and the Flambeaux de la Mer of the French, as the quaint titles of the day 
toere translated and copied froni van Keiden's great work , there was one 
term i/nported into hydrography , which lasted for many years : the „Newest 
Waggoners" were constantly advertised throughout a great por/ion of the 
eighteenth century. This was derived from Lucas Jansz. Waghenaer of 
Enchuysen or Lucas Joannes Aurigarius as he sometimes styles himself whose 
work the „Spieghel der Zeevaerdt" was published at Legden in 1583. It 
was copied in 1588 by Anthony Ashley ^ as the „Mariners Mirour" and was 
the first „ Waggoner." The term was introduced into France at the same 
time as „Chartier" being translations of Waghenaer* s name into the respee- 
tive languages." {Gentleman's Magazine. May 1858). 



72 * 

uitvoering, als wel de juistere teekening. Eene vergelij- 
king van de kusten van Frankrijk en Engeland stelt dit 
reeds terstond in het licht. Met eenig recht zegt dan 
ook Joan Blaeu in den. Grooten Atlas {i6Gi), van de wer- 
ken van Waghenaer en Barendsz. sprekende : i>Dese beyde 
heeft myn vader saliger, naderhandt, niet alleen seer 
merckelyck verbetert, maer oocky tot groot nut der Zeevaert 
zoo vermeerdert i met etgene aen die deelen ontbrack, dat 
het met recht een nieuw werck mach genoemt wordend 

Ter toelichting en aanvulling der kaarten vindt men bij 
Blaeu, even als bij Waghenaer, de profielen der kusten 
en Eilanden, en , in den tekst, eene beschrijving der kus: 
ten, opmerkingen ^over 't getij , en 'tloopen der stroomen, 
de dieptens,'' en eindelijk, eene opgave van de i> Streckinghen 
en Courssen** van een aantal voorname punten, in verband 
met de plaats, die hij behandelt. In dit alles is hij uit- 
voeriger en nauwkeuriger, dan Waghenaer, boven wien 
hij trouwens de waarnemingen van 40 jaren vóór had. 

Mag men aan de kaarten van den Zeespiegel den lof 
geven van naar de beste bronnen van dien tijd te zijn 
bewerkt , niet minder onderscheidt zich de geheele ver- 
zameling door volledigheid. Geen wonder dus, dat het 
werk voortdurend herdrukt werd, (in 1627, 1643, enz.), en 
tot ver in de 17'' eeuw, voor het bruikbaafrste werk van 
dien aard gehouden werd. 

Hoofdstuk XXX. Hoeveel mylen men op yeder kom- 
passtreeck moet zeylen , eer men een graed in breedte op 
Aerdryck wint. 

De getallen, hierin opgegeven zijn juist, in zooverre 
men geen verdere benadering, dan tot op i mijl, die 
hierin voorkomt, in aanmerking neemt. Deze opgaven vindt 
men reeds in oudere werken, o. a. van J. H. v. Linscho- 



73 

ten, en waren door dezen ^ even als door Lucas Jansz 
Waghenaer aan P. Nonius ontleend. 

Hoofdstuck XXXI . Van 7 veranderen der kompassen , 
waarmede de miswijzing bedoeld wordt. Na eenige op- 
gaven van verschillende miswijzingen op verschillende 
plaatsen , wordt aangewezen , hoe , door twee kimpeilin- 
gen, en ook door bepaling van het azimuth bij corres- 
pondeerende zonshoogten , op denzelfden dag , de miswij- 
zing kan gevonden worden. 

Terwijl men in de Itinerario van van Linschoten een 
groot aantal opgaven van waargenomen miswijzingen in 
eene lijst vereenigd vindt, zijn deze, bij Blaeu, te lezen 
bij de beschrijving der verschillende kusten en eilanden. 

Eindelijk wordt het Kort onderwijs besloten met d Tafe- 
len van Waterghetijden'' en een beknopt overzicht van den 
kalender, *en een maantafel voor 1627 en 1628. 

Ter beoordeeling van de uitgebreidheid van hel werk, 
volgt hier de inhoudsopgave der kaarten. 

IP Deel, Van de Oostersche en Noordsche Schipvaert. 

I Boeck. Inhoudende de beschryvinghe der Noordzee 
en Kusten van Hollandt, Vrieslandt, Hot- 
sten en Jutlandt van Amsterdam tot Schar 
ghên. 11 Kaarten. 

II Boeck. Inhoudende de beschryvinghe der Zeecusten 
van Noorweghen j Denemarcken^ Holsten en 
Meckelenhurgh van der Neus en Schaghen 
oostwaerts om Valsterboen tot Bornholm en 
' Statyn. 9 Kaarten. 

III Boeck. Inhoudende de beschryvinghe der Zeecusten 

aen wederzyden van d* Oostzee, van Bornholm 
en Statyn oostwaert totWyborgh toe» 10 Kaart. 



74 

IV Boeck. Inhoudende de beschryvinghe der Seecusten 
van de Oostzyde van Enghelandt en Schot- 
lant. 12 Kaarten. 

V Boeck, Inhoudende de beschryvinghe der Seecusten 
van der Neus tol de Noordkaap van 't nieuw 
gevonden landt. 8 Kaarten. 

VI Boeck, Inhoudende de beschryvinghe' der Seekusten 

van Laplandt en Russen^ van de Noordkaap 

oostwaert aen Nova Zembla , en van de ghe- 

heele Witte Zee. ^ 6 Kaarten. 

Totaal, 46 kaarten, van N°. 1'tot N^ 56. 

IIP Deel.. Van de Westersche Schipvaert. 

I Boeck. Inhoudende de beschryvinghe der Zeecusten 
van Hollandt, Zeelandt en Vlaenderen. Van 
Tessel tot de Hoofden. 6 Kaarten. 

ƒ ƒ Boeck. Inhoudende de beschryvinghe van Vranckryck 
en Engelandt. Van de Hoofden tol Heyssant, 
en om Engelantseynd langs Walles tot den 
hoeck van S. David. 11 Kaarten. 

III Boeck. Inhoudende de beschryvinghe van Yerlandt. 

11 Kaarten. 
IV Boeck. Inhoudende de beschryvinghe van Vranckryck 
en Biscayen. 9 Kaarten. 

V Boeck. Inhoudende de beschryvinghe van Galissen, 
Portugael en Spangien. 9 Kaarten. 

VI Boeck. Inhoudende de beschryvinghe van Barbarien 
van de Strate van Gibraltar af tot voorby 
de C. de Geer: midsgaders van de Canarische 
ende Vlaemsche Ey landen. 6- Kaarten. 
Totaal, 52 kaarten, van N^ 57 tot N^ 108. 
In 1646 kwam er bij Joan Blaeu nog een vierde deel 
van. het werk uit, onder den titel van: 



75 

Vierde deel der Zeespiegel, inhoudende eene heschry- 
vinge der See-havenen , Reeden , en Kusten van de Mid- 
delandsche Schipvaert. Uyt ondervindingen van vele er- 
varen Zeevaerders by een vergadert, en t' samengestelt , 
door Willem Jansz. Blaeu, V Arasterdam. Gedruckt by 
Johan Blaeu, op 't Water, in de vergulde Zonne-wy- 
ser. 1646. 

In dit IV« deel (kl. fol°.) nu vindt men het IIP deel van 
het Licht der Zeevaert (4®. obl.) van 1621 terug. Alleen 
het formaat en de verdeeling der stof zijn gewijzigd , meer 
niet. De kaarten en profielen zijn met dezelfde platen 
gedrukt. Zoo lang de aftrek van het algemeen gebruikte 
werk aanhield , dacht de uitgever aan geen verbeteringen, 
terwijl de groote ondernemingen van Joan Blaeu, buiten 
het gebied der zeevaartkunde , hem de werken ten dienste 
van deze deden voorbijzien. Andere uitgevers, zoo als 
Goos en Lastman voorzagen in nieuwe behoeften, en de 
zeevaartkundige werken van Willem Jansz. Blaeu verou- 
derden en raakten eindelijk geheel in onbruik. 



KAARTEN EN ATLASSEN. 



Aan de vermelding van de landkaarten, door Blaeu uit- 
gegeven , moge een kort overzicht voorafgaan van den toe- 
stand der plaatsbepalende aardrijkskunde in zijn tijd en 
van de voorgangers, wier werken hem de bouwstoffen 
leverden voor het samenstellen zijner kaarten en atlassen. 

»In het midden der 16® eeuw," zegtLelewel, » had ie- 
der land zijne topografen en chorografen, die, zon- 
der zich te bekommeren om geographische lengte en 
breedte, kaarten maakten." 

Men trianguleerde , maar zonder hoeken te meten ^). 
De afstanden der plaatsen, natuurlijk slechts ruw bepaald, 
en uit niets anders ^afgeleid, dan uit den tijd, aan het 
afleggen dier afstanden besteed , werden herleid en in kaart 
gebracht. 

Het is licht in te zien, dat hindernissen van het ter- 



1) China ia het land geweest, waarop voor het eerst eene groote triangu- 
latie is toegepast, met het doel, om daarnaar kaarten te ontwerpen. Van 
1708 — 1716, onder de regeering van Keizer Kanghu, hebben de Jezuiteu, 
Begis, Fridelli, Maillac, Bonjour en andere de daarvoor gevorderde metingen 
gedaan. Onder het toezicht van P. Jartoux zijn, van 1716 — 1718, de daarop 
gegronde kaarten vervaardigd, die, geteekend door d'Anville, in den atlas 
vau du Haldc, van 1737, zijn opgenomen. (J. Lelewel, Géogr, d. M, A.). 



77 

rein en weinig bevolkte streken de fouten , hier en daar, 
' buitengewoon moesten doen toenemen 

Hoe te handelen, wanneer de kaarten van aangrenzende 
landstreken niet aan elkander sloten? Middelen van con- 
tróle ontbraken, en de samenstellers van algemeene kaar- 
ten moesten of vele gegevens , zonder onderzoek , verwer- 
pen , of gemiddelden geven , die niet altijd dichter bij de 
waarheid kwamen , dan een der bijzondere opgaven , 
waaruit zij -waren opgemaakt. Sommige fouten waren 
traditioneel. Zoo werd, bij voorbeeld, de uitgebreidheid 
der Middellandsche zee, in den zin der geographische 
lengte, altijd te groot voorgesteld. Zoo ook op de kaar- 
ten van Blaeu. Tusschen de straat van Gibraltar en het 
oostelijkste punt der kust van Syrië telt men, op zijne 
kaart van Europa, 52°, dat is, ruim 10° te veeK Blaeu 
zelf erkende het gebrekkige zijner voorstelling. In den 
1V«" brief aan Schickard (Bijlage XII), schrijft hij: >Uwe 
opmerkingen aangaande het verschil in lengte tusschen 
Rome en Alexandrie komen overeen met mijne bevin- 
ding, geput uit de waarnemingen van Nederïandsche 
zeelieden. Europa wordt door alle geografen, in hunne 
kaarten uitgerekt.'* 

In een overzicht van onderscheidene opgaven van ver- 
schil in lengte tusschen Rome en Toledo, door Michel 
Florentius van Langeren,. aan Filips IV van Spanje gege- 
ven, komt voor, dat Willem Jansz. Blaeu dit op 17°20', 
G. Mercator, op 20°, Ph. Lansberg, op 21°, Tycho Brahe, 
op 2r30', Cl. Ptolemaeus , op 22°40', A. Maginus, op 29°40' 
stelt. Dat verschil is inderdaad 16°32'. 

Welke stem moest hier beslissen? En toch gold het 
hier de afmetingen van landen en zeeën , die in alle rich- 
tingen werden bereisd. Griekenland en Turkije werden 
geheel misvormd , en , voor landen buiten Europa , werden 



78 

de fouten natuurlijk, hier en daar, nog veel grooter, zoo 
als voor de westkust van Amerika. 

Op de wereldkaart van Blaeu strekt zich het N.-Wes- 

« 

telijk gedeelte van N.-Arnerika niet minder dan 40° te veel 
naar het Westen uit, en het verschil in lengte tusschen 
k. Vert en k. Guardafui, dal ongeveer 68° bedraagt, is 
daar 80°. 

Goede gegevens voor geographische plaatsbepaling ont- 
braken, zoowel als de middelen, om die te verkrijgen. 
Scheepvaart en handel maakten gretig gebruik van iedere 
uitbreiding der geographie, en stelden omgekeerd hare 
hulpmiddelen ten dienste van de wetenschap , die slechts 
langzamerhand eenige vorderingen maken kon, naar ge- 
lang zich de betrekkingen met vreemde volken uitbreidden, 
en de behoefte nieuwe methoden deed uitvinden. 

Verzamelen en vergelijken was de leus der beide Zuid- 
Nederlanders , Abraham Ortelius, geograaf van den Koning 
van Spanje en Gerard Mercator, cosmograaf van den her- 
tog van Kleef. 

Ortelius (1527—1598), een man van vermogen, onge- 
huwd, oudheidkundige en geograaf , verzamelde, op zijne 
talrijke reizen door Europa, een aantal kaarten, om die 
later om te werken en te herleiden op het formaat der 
door hem uittegeven atlassen. Daarin vond hij hulp bij 
Gerard de Jode (de Judaeis) uit Nijmegen ^), bij Mercator 
en anderen. 



1) Gerard de Jode (1515 — 1591), te Nijmegen geboren , vestigde zich later 
te Antwerpen. Hij was een bekwaam graveur , en werd , in 1647, als graveor 
en koopman in prenten, in het St. Lucasgilde opgenomen. Hij graveerde 
kaarten voor Ortelios en anderen, en gaf, in 1578, ook zelf een atlas uit, 
onder den titel van: Speeulum OrhU terrarum. Van zijne 13 kinderen hebben 
er zich verscheidene als goede graveurs doen kennen. (/. Leletoet). 

Van het: Speeulum Oröis terrarum, verscheen, in 1593, eene uitgave te Ant- 



79 



Van zijn eersten atlas verschenen, in 1570, twee druk- 
ken, onder den titel van: Theatrum Orbis ierrarum. Die 
atlas telde 5!3 kaarten. 

Later volgden vele drukken met een steeds wassend 
aantal kaarten, zoo als: 

in 1571, 53 kaarten met Vlaamschen tekst 

}> n 64 ]> » Latijnschen i> 

D 1573, 68 » » Duitschen » 

» 1578, 70 » » Franschen » 

» 1592 ,108 }> vermeerderd tot 134', door het parer- 
gon over oude geographie en historie. 

» 1595, 115 » vermeerderd tot 147 door het parer- 

'gon overoude geographie en historie. 

» 1 601 en later kwamen er nog nieuwe drukken van uit. 

De Vlaamsche titel luidde: T>Thedtre oft Toonneel des 
Aertbodems waerinne te siene syn die Landtafelen der 
geheelder weerelt: met een corte verclaringe derselver." 

Onder de verdiensten van het werk van OrteUus behoort 
vooral ook de opgave van de namen der ontwerpers der 
kaarten, die hij overnam, veelal met opgave van een jaar- 
tal, hetzij van hun dood, hetzij van de vervaardiging 
hunner kaarten i). 

De latere uitgevers van atlassen , zoo als Willem Jansz. 
Blaeu en diens zonen volgden hierin zijn voorbeeld lang 
niet overal na , en waren meer gereed , om goede kaar- 



werpen^ bij Amoldns Coninx, „sumptUnts » iduae et heredum Gerardi de Judaeis." 
Daarin vindt men kaarten van Joh. a Deutichem of Joannes a Deutecnm , 
Lncas a Beutecom, Gerard de Jode en enkele van Cornelis de Jode. 

„Nous Umons Sp a bon droit Ie Miroir du Monde mis en lumière par Gerard 
de Judaeis." (H. Hondius & J. Janssonius. Jdv. au lect.) 

1) Daaronder treft men een aantal Italiaansche en Duitsche kaartenteeke- 
naars aan , wier kaarten ook later door Blaeu zijn nagevolgd , zooals : J. Cas- 
taldo, W. Lazius, enz. 



80 

» 

ten te copieeren, dan aan de verdiensten der ontwer- 
pers, althans door het noemen hunner namen, recht te 
doen wedervaren ; zij bleven , in de achtereenvolgende af- 
drukken hunner atlassen , zich van dezelfde koperen pla- 
ten bedienen , waarop meestal geen jaartal stond , dat aan 
haren ouderdom herinnerde ^). 

Nevens Ortelius trad Mercator op (1512 — 1594), dien 
wij reeds elders, als vervaardiger van globes en instru- 
menten aantroffen 2). Aan liem moet stellig de eerste 
rang worden toegekend onder de geografen van zijn 
tijd, en overal bespeurt men zijn invloed op de carto- 
graphie der 17® eeuw. 

Na zelf Vlaanderen te hebben opgemeten , gaf hij , in 
1540, zijne kaart uit: Flandriae descriptio, waarvan geen 
exemplaar meer bestaat. In 1564, deed hij hetzelfde met 
Lotharingen Zijn roemrijkst bedrijf was de uitgave der 
wereldkaart, in 1569, onder den titel van: Nova et aucta 
orbis terrae descriptio ad usum navigantinm accommodota. 

Van deze kaart, de eerste, waarop de projectie van 



1) Opmerkelijk is de verjongingsknur , die de kaart van Upland bij J. Blaeu 
ondergaat. In het: Toonneel des Aerdrycx, van 1642, komt zij voor met eene 
opdracht aan D. Michael Ie Blon. In den: Grooten Atlas y van 1664, vindt 
men haar bijna onveranderd terng. Alleen het Hielmer meer is opgeofferd aan 
het familiewapen van J. de la Gardie , aan wicn daar de kaart is opgedragen. 

Het Oothia van 1642 draagt eene mijlschaal, die in het Oothia van 1662 
door eene opdracht aan L. Torstenston vervangen is. Overigens zijn de beide 
kaarten volkomen gelijk, als afdrukken van dezelfde plaat. 

2) Van Ortelius en Mercator sprekende, zegt M. Ch. van Hulthem, naar 
aanleiding van de voorrede tot den Atlas van Mercator: „Il regnait entr'eux 
des rapports honorables d'estime et d*amitié ; quoiqtte courant tous deur la 
7nême carrière ^ ils s'aidèrent mutuellement» Mercator suspendit la publication 
de son atlas pour laisser h Ortelius Ie temps de dêbiter son théatre du 
monde. Ortelius . de son cóté communiqvu a Mercator toutes ses cartes par- 
ticulières pour Vaider dans ses travaux , chose dont ce dernier convient de 
la maniere la plus honnête" 



• 81 

Mercator is toegepast, ter lengte van 1™,995 en ter breedte 
van 1°^,229, is misschien slechts één exemplaar meer over, 
dat zich in de nationale bibliotheek te Parijs bevindt. 

Die kaart was bestemd, om eene geheele omwenteling 
te brengen in het stelsel van zeekaarten. 

Na nog meer afzonderlijke kaarten te hebben uitgege- 
ven, deed hij, in 1578» een atlas het licht zien, onder 
den titel van: Ptolemaei Geographia, Latine^ cum ia- 
hulis ad mentem aucloris restüulis. Deze telde 28 kaar- 
ten, en bevatte, blijkens den titel, de voorstelling van het 
aardoppervlak, volgens de begrippen van Ptolemaeus. 

Eindelijk verscheen, in 1585, zijn atlas der nieuwe 
aardrijkskunde, onder den titel van: Gerardi Mercatork 
Atlas sive Cosmographicae meditationes de fabrica mundi 
et fabricati figura ^), en bevatte slechts kaarten van 
Frankrijk, Nederland en Duitschland. In 1602, en dus 
na G. Mercators dood , werd door zijne zonen deze atlas 
► aangevuld met kaarten van het Noorden van Europa , door 
Rumold Mercator, in 1595 gegraveerd, en van Italië, 
Slavonie en Griekenland, reeds in 1690 vervaardigd. 

Alzoo verscheen, in 1602, de eerste uitgave van den 
volledigen atlas van Mercator, in 106 bladen of 111 kaarten. 

T> Onder de ouden blinckt uyt boven anderen CL Plo- 
lemeus^ als Prince der wereldbeschryvers , wiens overge- 
bleven schriften allen anderen na hem een groot licht 
verstrecken. Onder de nieuwen verkregen in dese weten- 
schap onsterffelycken lof Abraham Ortelius, Geographus 
des Konings van Spanjen, door syn Theatrum Orbis Ter- 
rarum, en Gerard Mercator, Wereldbeschryver des Vor- 
sten van Kleef, door synen begonnen Atlas, in welcke 

1) Het titelblad pr^kt met de afbeelding van Mlas. Men beweert, dat 
daarait ontstaan ia het gebruik van het woord atlas voor eene verzameling 
van kaarten. 

6 



alleen Europa, behalven Spanjen, beschreven hebbende, 
hy overleden w, ende het onvolmaeckte werck, onder 
vreemden omswervende^, tot de treffelyckheidt van syn 
voornemen niet heeft konnen komen" 

Met deze woorden vermelden Joan en Cornelis Blaeu , 
in de i^ Voorreden'* van hun: Toonneeldes Aerdrycx (1642), 
de werken hunner beroemde voorgangers.' 

Zij vellen tevens , in het voorbijgaan , een minder gunstig 
oordeel over de latere aanvulling en uitbreiding van Mer- 
cators atlas door vreemden. 

Die vreemden waren Judocus Hondius , zijne beide zonen 
Judocus en Henricus en de kwade buurman Joannes Jans- 
sonius. 

Na den dood van Mercator toch, kwamen de koperen 
platen ^) zijner kaarten in handen van Judocus Hondius ^) , 
die> in 1605> met Cornelis Claesz te Amsterdam, een 
druk van de geographie van Ptolemaeus uitgaf, en, in 
1606, eene tweede editie van Mercators atlas. Deze laatste ; 
voorzien van eene beschrijving der landen door P. Mon- 
tanus, schoonbroeder van Hondius^ telde 50 kaarten meer 
dan de eerste editie , en omvatte ook Spanje , Azië , Afrika , 
Amerika en eenige streken van Duitschland en Frankrijk , 

1) ^L*edit«fur Jan Jatuz., Jansêon ou Jantioniuê ^Amêterdam , genere du 
graveur et cartographe Judocut Hondius y inserii danê eette méme année (1618) 
comme membre de la corporation des übraires éT Amsterdam , publia plus tard 
{depuis 1680 & avee Ie seeours de son beam frère Henricus Hondius if de son 
heau père) des Atlas jondés sur eeux de Mercator." 

(P. A. Tiele, Mémoire bibliogr. etc.). 
T^^n de medewerking van den schoonvader, Jadocus Hondius aan de atlas- 
sen Tan Janssonins heb ik bezwaar. Jud. Hondius toch stierf 16 Febr. 1611. 

2) Nadat de erven van Mercator nog eenigen tijd na zijn dood het drukken 
en uitgeven van kaarten hadden voortgezet, besloten zij tot den verkoopvan 
alle koperen platen voor hun bedrijf dienende. Kooper werd Gerard Mercator ^ 
kleinzoon van den geograaf, voor 2000 daalders. Kort daarop, in 1604, 
deed h\j ie over aan Judocus Hondius. te Amsterdam. (Dr. J. van Raemsdonck). 



83 

die in de eerste ontbraken. De titel luidde toen : Gerardi 
Mercatoris Atlas sive Cosmographicae meditationes de 
fabrica mundi et fabricati figura, lam tandem ad finem 
perductus^ quam pluribus aeneis tabulis Hispaniae, Afri- 
cae, Asiae et Americae auctus ac illmtratus a Judoco 
Hondio. Quibus etiam additae {praeter Mercatoris) dilu^ 
ddae et accuratae omnium tabularum descriptiones no- 
vae, studio et opera P. Montani, i). 

Van deze vermeerderde en verbeterde uitgave volgde de 
eene druk op de andere. 

1607. 2« (druk, op nieuw vermeerderd met beschrij- 
vingen en kaarten. 

1608. 3« druk. 



1) JudocuB Hondius werd, in 15 68, te V\^ackene, een dorp in Vlaanderen 
geboren. Terwijl hij zich op het gra veeren toelegde, waarvoor hij een bij- 
zonderen aanleg had, beoefende hij ook de wiskunde en oade talen, en ver- 
trok, in 1583, naar Londen. Hier hield hij zich bezig met het graveeren van 
kaarten en het vervaardigen van globes. In kennis gebracht met E. W^right , 
verkreeg hij van dezen inzage van het mannjscript van het werk : Certaine 
errorSy enz., op belofte van niets van den inhoud te zullen openbaren. Het 
schijnt, dat hij zich aan die belofte niet gehouden heeft, althans Wright be- 
klaagt er zich over, in een brief aan Briggs,. dat Hondius kaarten gemaakt 
heeft naar de projectie van Mecrcator, en op grond der aanwijzingen, daar- 
voor in: Certaine errors, enz. gegeven, en met den verkoop daarvan hem groo- 
tel^ks afbreuk doet. „Bid let him ff o as he is," zegt hij ten slotte. 

Die kaarten zijn hiar te lande evenwel niet bekend. Wright geeft ook de 
eopie van een gedeelte van een brief van Hondius, waarin deze tracht zich 
te verontschuldigen over het weinige , dat hij uit Wrights werk heeft overge- 
nomen, zoo als hij zegt. 

I 

Yan Londen kwam Hondius, in 1592, naar Amsterdam, waar hij zich als 
graveur en uitgever van kaarten onderscheidde, en den 16*^ Febr. 1611 overleed. 

Zijn dmkkersteeken op den atlas is een hond, die met één voorpoot op 
een aardbol rust en tot omschrift heeft: üfor, deserièo , omo , vitupero et 
opto Jldeliter. Daaronder staat : Excusum sub cane vigilanti. 

Het uithangbord van zijn winkel , dat langen tijd ook dat van zijn zoon 
Hendrik bleef, droeg ook dien Canem viffüantem of Wackeren hondt, met dubbele 
toespeling zeker op geslachtsnaam en geboorteplaats van Judocus. 

6* 



8^ 

1609. S"" druk, met Franschen tekst. 

Na den dood van J. Hondius, verschenen bij zijn zoon 
Henricus ^) : 

1611 , 1613, 1616, drukken met Latijnschen tekst. 

1613, 1619, » i> Franschen > 

De beide laatsten droegen op den titel: 4® en 7® druk. 

Die van 1619 telt 105 kaarten van Mercator en 51 van 
Hondius en anderen. 

1623, 1627, drukken met Latijnschen tekst 

1628, 1630 )> D Franschen en met Latijnschen 

tekst. 

De druk van 1630 bevat 105 kaarten van Mercator en 
58 van Hondius en anderen. 

1631 met Latijnschen tekst. 

1633 » Duitschen » 2). 

In datzelfde jaar verscheen eene nieuwe uitgave van 
den Atlas bij H. Hondius en J. Janssonius met Franschen 
tekst onder den nieuwen titel van: Atlas Gerardi Mer- 
catoris ei Judoci Hondii, waarin het aantal kaarten van 
Mercator tot op 87 was ingekrompen, en daarentegen 151 
kaarten van Hondius en anderen waren opgenomen. • 

De latere uitgaven van dezen atlas , onder den titel van : 
Nieuwen Atlas ofte Werelt Beschryvinge ende volkome 

1) Be bij verschillende schrijvers zeer uiteenloopende opgaven aangaande 
de nakomelingen van J. Hondius zijn wel te verklaren, als men nagaat, dat 
er verscheiden geslachten van dien naam geweest z^n en nog zijn, die men 
met elkander verward heeft. 

Zeker is het , dat Judocus twee zonen : Judocus en Henricus, heeft nagela- 
ten, zooals blijkt uit het opschrift op eene kaart van Ie Messin, „excusum apud 
Jodocum et Henricum Hondiwri fratres ," in den : Jtlas O. Mercatoris et J. 
Hondü, 1633. 

2) De meeste dezer opgaven zijn aan Dr. J. van Raemsdonck en J. Lelewel 
ontJeend. Slechts enkele heb ik kunnen verifieeren. Dit is, o. a. het geval 
jnfit de drukken van 1619 en 1630. 



85 

afbeeldinge van alle Coninckrycken, Landen ende Pro- 
vintiën, alsnieede Oost- en West- Indien , met aanzienlijke 
uitbreiding tot in 6 folio deelen en eene geheel veran- 
derde indeeling der kaarten, kwamen bij Joannes Jans- 
sonius uit. Noch deze, noch de zoo bekende : Atlas minor, 
van J. Hondius, die voor het eerst in 1607 verscheen, en 
minstens "iO uitgaven telde, met Latijnschen , Franschen , 
Duitschen en Nederlandschen tekst en ook zonder tekst, 
behooren eigentlijk binnen het bestek van dit onderzoek i). 
Toch dient men daarvan kennis te nemen, om een oor- 
deel te kunnen vellen over de verdiensten van Blaeu. 
Daartoe moet de verwantschap tusschen de werken der 
beide vijandige drukkers worden opgespoord. 

Iri 1631 , verscheen de eerste atlas van Willem Jansz. 
Blaeu , onder den titel van : Appendix Theatri Ortelii et 
Atlantis Mercatoris. Yan de landkaarten, daarin opgeno- 
men , waren vele reeds vroeger , afzonderlijk bij hem uit- 
gekomen. 

Nauwkeurig optegeven met welke dit het geval was , 
is ondoenlijk, omdat, zooals ik reeds boven opmerkte, 
op verre weg de meeste kaarten , jaartallen en de namen 
der eigentlijke ontwerpers ontbreken. 

Dat er reeds in 1608 landkaarten, zoowel als zeekaarlen 
door hem waren uitgegeven, lezen wij in de Resolutie 
der Staten Gen., in Bijlage IX. 

In het uitgeven van afzonderlijke kaarten volgde Blaeu 
het voorbeeld van Mercator, Gerard de Jode en anderen. 

Ik kan niet beslissen , of met de : Werelts Caerte , van 
1605 en de: Mappa niundi, in twee ronden, van hetzelfde 



1) De Atkti minor verscheen zelfs met Tarkschen tekst, bewerkt dóór 
Moustafa ben abdallah onder den titel van: Lichtschijnsel, dienende tot ver- 
lichting van den atlas minor. 



M 



AerdnjKj^, Zïj dr»^ diar |^éa jur^. caor i^ Uaarb^ 
t^wjK rjf.ei fczrr^i-ie p:»! je>ir3ja, die reeds ia lw*6 ge- 
dlfrr^d \jiA. fr*iar aie eeüi^'e iQuefiin^ «kd-^r^su had, 
eo vkaarop hei '}^tUl was ai:^ekral>j, xüc<dit. volgens 
Luiend, op iommige exempiarai der kaart, nog een ge- 
df^lt^ daanan zicbthaar U gebleTen. 

Z'^ker zija ook, vóór 1631, en dos afzonderlijk uilge- 

1, De Herlochdommen Gulick, Cleve^Bergke enz. wêidS" 
gadern de grensen der omliggende tandem daeraen pa- 
lende. Nu van nieus perfeclelyck met vlydi beschreven 
anno 1610, T Amsterdam, Gedruckt bij Hessel Gerritsz 
ende men vindtse te coop by Willem Jansz. op 't water. 

9 

In de vergulde Sonnewyser. 

2* Ducatv^ Lithuaniae. 1613. Excudebat Guilhelmus 
Jamsfjnius sub signi solarii deaurati. Sculptum apud 
Ilesselum Gèrardum. 

iJ, Bussia. 1614. Hessel Gerritsz. 

4. Orange. 1627. excudit G. J, Caesius 

del, Jaques de Chiezé Orangeois. 

5. Albis delineatio. 1628. Guilj. Blaeuw excud. 

6. Terra Sancta. 1629. ex off, G. Blaeuw. 

1) In don Qrooten Atlas van J. Blaeu komt eene wereldkaart in twee 
rondrn vuor, in plaats van de oade, volgens Mercator's projectie, van den 
jippêndut on hot Toonneel des Awdrycx. Het is mogelijk, dat z^ met eene 
oudo plaat gedrukt is, die dan echter correctie en bijwerking heeft on- 
(In'giiuu. 



' 9 



87 

7. Tabula Brandenburgice. 1630. N. J. Piscatore i). 
Bij deze kan men nog voegen: 

8. Fossa quae a Rheno ad Mosam diici coepta est. 
a\ 1627. 

9. Eutphaniae comüatus, 

1Ü. Tabula Castelli ad Santflitam. 

11. Tabula Bergarum ad Zomam. 

12. Grolla obsessa ^). 

De vijf laatstgenoemde kaarten behooren in:» Grollae 
obsidio, te huis, dat, in 1629, bij Blaeu uitkwam. Zij zijn 
ook, met uitzondering der laatste, in den Appendix en 
het Toonneel des Aerdrycx opgenomen. 

Ook was, in 1606, bij Blaeu verschenen het: Pourtret 
van de stad Amsterdam ^). 

Van Blaeu oorspronkelijke kaarten te eischen zou onge- 
rijmd geweest zijn. Het beste te geven van wat elders 
bestond, herleid op het formaat van zijn atlas, daardoor 
alleen verrichtte hij een zeer verdienstelijk werk, vooral 
omdat zijne kaarten in den regel, fraaier gegraveerd zijn, 
dan de oorspronkelijke ^). Waar wij hem echter kaarten 
van Judocus of Ilenricus Hondius, of van zijn buurman 



1) Claes Jansz. Visscher. 

2) De twee laatste kaarten zijn ontworpen door Franciscus van Schoten, , 
Math. profissor in Jead. Leidensi. 

3) Zie Bijlage IX. 

4) Vergelijk o. a. de kaart van Aargau van Blaeu met het origineel van 
Mercator. 

„Ouire Ia maffnifieêncê gut règne dans les eartes qu*iU (les Blaeu) oni 
donnéet soÜ è part , soit dans leurs atlas , on y trouve une ff race et vne elarté 
que Us autres fféographes n'ont point encore imitées" (Lenglet du Fresnoy). 

„De leur petit pays et de leurs vastes ateliers ils approvisionnaient Ie 
monde de eopies des meilleurs produits fféographiques et ils étaient applaudis. 
La eontrefagon ne leur était pas reproehée ear personne ne se sentait capablê 
d^ en faire autant (J. Lelewel).' 



j} 



88 

Janssonius zien overnemen, zonder vermelding van hun 
naam , en toch volkomen gelijk aan de hunne, kunnen w ij 
hem niet van plagiaat vrijspreken. Bewijzen voor zooda- 
nige feiten nu ontbreken niet, en verklaren althans van 
één kant de ijverzucht en het wantrouwen , die Blaeu en 
Janssonius wederzijds bezielden. 

De Appendix, die in 1631 uitkwam, bevat in het ge- 
heel 103 kaarten, namelijk: 

1 wereldkaart, volgens Mercators projectie. 
'4 kaarten van werelddeelen. 

4 kaarten van IJsland^ Groot Brittannie en Ierland, 

Spanje en Lithauen. 

46 kaarten van Duitschland en de Nederlanden. 

7 » ft Frankrijk. 

10 ft ft Italië. 

2 ft ft landen van Amerika. 
29 ft ft ft ft Azië. 

De tekst is in het Latijn gesteld en met een groote en 
fraaie lette^ gedrukt, die echter niet voor de beschrijving 
van alle landen dezelfde is. Doorgaans bevat de rugzijde 
der kaart alles wat van het voorgestelde land gezegd wordt , 
zoódat het blad een geheel vormt , en waarschijnlijk ook 
afzonderlijk te verkrijgen was. 

De titel, aan het werk gegeven, moest zeker dienen, 
om, door de gevierde namen van Mercator en Ortelius, de 
aandacht op het boek te vestigen. Als eigentlijk aanhang- 
sel tot de werken dier geografen, had het alleen Spanje 
en de landen buiten Europa moeten behandelen, bene- 
vens enkele landstreken in het bijzonder. Dit nu is met 
den Appendix geenszins het geval. Dergelijke uitbreiding 
bevatte reeds in veel grooter omvang , dan Blaeu er aan gaf, 
de Atlas van Mercator-Hondius, die, b. v. 9 kaarten van het 
Iberisch schiereiland geefl, waaraan Blaeu er slecht één wijdt. 



89 

Wat het werk van Blaeu van dien atlas onderscheidt, is 
dus geenszins grooter omvang en ooii niet overal beter 
constructie i). De uitvoering echter overtreft die van 
oudere werken. Zijne kaarten zijn in een anderen stijl 
bewerkt , waarbij de gravure van lijnen en letters scherper 
en de versiering artistieker is. 

Met zorg geteekende wapens van landen en steden^ 
zinnebeeldige voorstellingen, soms uitvoerig en fraai van 
behandeling, vullen de hoeken. De onooglijke, golfswijze 
arceering der zeeën, die men bij Mercator en ook nog 
bij Hondius vindt, is weggelaten. 

Van de 103 kaarten dragen er echter slechts 7, reeds 
boven vermeld , een jaartal, en in het geheel 27, de namen 
der ontwerpers. De overige zijn meestal geteekend : Guit- 
jelmus Blaeuw, even als de titel. Enkele, b. v. de kaart 
van BéaiTi , dragen : Guilj. Blaeu , die van Oranje : G. /. 
CaesiuSy terwijl andere het: Apud Guiljelmum Jansso- 
nium et Joannem Blaeu voeren. 

De Appendix begint met eene voorrede, waarin de 
schrijver, na aan Ortelius en Mercator allen lof te hebben 
toegekend, zegt, dat de laatste, tot ongeluk voor zijn 
werk, gestorven is, na slechts Europa, behalve Spanje 
te hebben voltooid, en dat hij (Blaeu) nu een nuttig werk 
meent te doen met een appendix tot de atlassen dier 
groote mannen uittegeven ; dat daarin echter ook kaarten 
van reeds door hen afgebeelde landen zullen gevonden 
worden, maar dan in een anderen vorm en verbeterd. 

Omtrent den tekst, zegt Blaeu, dat hij bij de kaarten ' 
beschrijvingen zal voegen, die uit de beste oude en 
nieuwe schrijvers getrokken zijn. 



1) De kusten van Portugal en Gallicie, b. v. zijn door Blaeu minder juist 
voorgesteld, dan door Hondius. 



90 

Van de Hondiussen, wier atlassen nu reeds sedert zooveel 
jaren juist in dezelfde behoefte hadden voorzien , wordt 
met geen woord gerept, en dat, ofschoon hier en daar 
door Blaeu de tekst van P. Montanus , in de atlassen van 
Hondius voorkomende , bijna woordelijk wordt overgenomen. 

Als bewijs voer ik de volgende plaatsen aan: 

Mercator-Hondius. p. 135. 

Sequana (Seyne vulgo) oritur in Burgundiae Ducatu^ 
in Alseti Regime paullo amplius leuca versus Septen- 
trionem a Burgo, qui S. Sequano sacer; duoHs rivulis^ 
quos inter Pagi jacent Billy & Perrièr^ Lustratis sec- 
tiéque cum aliis, ium Lutetia Parisiorum, cui nobilissi- 
mam facit insulam, Rotomagoqu£ , Mare Britannicum 
vel Normannicum ostio satis lato irruhipit, Aestuarium 
ibi satis est navigantibus pjericulosum ; ideoque provide 
magnaque solicitudine adeundum. Normannis vulgo vo- 
catm la Bare. Sequana enim Mare ingressus repente contra 
Fluviorum ceterorum naturam refluit, horrendo sonitu 
ascendens^ ad hastaè longioris altitudinem. Inexpectata 
solent hic negligentibus 8c incuriosis oriri discrimina. 

Appendix. Blaeu. 1631. 

Sequana Seyne vulgo , oritur in Burgundiae Ducatu, 
8c lustratis, turn aliis urbibus , turn Lutetia Parisiorum y 
cui nobilissimam facit insulam, 8c Rhotómago, mare Bri- 
tannicum vel Normannicum ostio satis lato irrumpit, 
Aestuarium ibi navigantibiis satis periculosum , Norman- 
nis la Bare dicitur cum mare ingressus Sequana repente 
contra ceterorum fluviorum naturam refluit, horrendo 
sonitu ascendens ad hastae longioris altitudinem, unde 
inexpectata hic incuriosis nautis solent acddere maris 
discrimina. 

Intusschen geldt deze beschuldiging niet van het geheele 
werk, dat trouwens op eene veel kleinere schaal is in- 



91 

gericht, en waarin aan den tekst betrekkelijk veel minder 
plaats is ingeruimd. 

Ofschoon niet alle kaarten die van Hondius in juistheid 
overtreffen , is er in het algemeen vooruitgang , en dat kon 
ook wel niet anders. 

Terwijl Hondius, in 1630, nog Vuurland, zonder straat 
van ,1e Maire geeft, die toch reeds in 1616 ontdekt was, 
ontbreekt deze laatste niet in den Appendix, waarin de 
kaart van de Straat van Magellaan tot opschrift draagt: 

i> Af beelding der Straet Magellanes. So als' deselve 
van Mr. Baren^ Jansz. Potgieter van Munster door en 
weder door bevaren en met syn Capiteyn Sebald de 
Woerd met groot pericul syns levens seer naerstig on- 
dersocht w." 

Het verzamelen van de beste bestaande kaarten , het 
herleiden op het aangenomen formaat , het graveeren van 
meer dan 150 koperen platen, dat alles kostte zooveel 
tijd, inspanning en geld, dat de uitgever slechts in een 
ruim en dus lang voortgezet debiet de belooning voor 
zijn arbeid kon verwachten. Vandaar , dat de achtereen- 
volgende drukken van den atlas Mercator-Hondius geen 
noemenswaardig verschil vertoonen, en ook de Blaeu's 
later meer dan 40 jaren afdrukken bleven trekken van 
dezelfde platen i). 

Zoo lang geen mededinger opstond, die het bestaande 
werk bedreigde, bleef men bij het oude. Zulk een me- 
dedinger was Blaeu voor H. Hondius. De Appendix 
maakte dezen wakker, en, in 1633, verscheen dan ook reeds 
een: Appendix Atlantis, ofte vervolgh van de gantsche 
werelt bescht^vinghe , uytghegeven door J. Janssonius en 
Henricus Hondius. 



1) Zie ook noot I, blz. 80. 



n 

Wat bovendien aanvankelijk Blaeu's meerderheid ver- 
zekerde, was, behalve het geven van latere kaarten , door 
vreemden ontworpen, de gelegenheid, om uit den atlas 
van Mercator-Hondius het beste overtenemen^ nu eens als 
letterlijke copie, dan eens als meer verwijderde navolging. 

Als voorbeelden van het eerste, haal ik aan: 

1. Descriptio fluminum Rheni, Yahalis et Mosae, etc. 
excusum apud H. Hondium habitans supra Damum sub 
insigno Atlantis. z. j. Atlas. 1630. p. 222. 

Van deze kaart geeft Blaeu de copie in den Appendix 
onder den titel : Tractus Rheni et Mosae^iotusq. Vahalis 
etc. z. j. doch met: Guiljelm. Blaeuw. exc. 

2. Episcop. ültrajectinus, Auct, Balth. Flor. a Bereken- 
rode. Amstelodami apud H. Hondium sub. ins. Atlantis. 
Ao. 1628. 

Deze wordt bij Blaeu, als: Vltrajectum Dominium. Ex- 
cudit Guiljelmus Blaeuw. z. j. gevonden. 

Als voorbeeld van meer verwijderde navolging , waarin 
tevens de verschillende manier van behandeling duidelijk 
uitkomt, wijs ik op: 

Sabaüdiae Ducatus. La Savoié. Amstelodami. Jodocus 
Hondius excudit. Atlas, 1630. p. 178. en 

Sabaüdiae ducatus. Savoye. Amsterdami apud Guil- 
jelmum Blaeuw. 

Ik meen het hierbij te mogen laten, en voeg er alleen 
bij , dat op vele andere plaatsen , ^waar de navolging min- 
der in het oog valt, deze toch, bij nader onderzoek, niet 
valt te loochenen. 

Zoo is het met de vijf uitnemend schoone kaarten van 
Holland , van Balth. Flor. a Berckenrode , in den Atlas van 
Hondius. 1630, voorkomende. 

Wel erken ik, dat voor Holland en zijne deelen, Blaeu 
kaarten geleverd heeft, die niet volkomen op die van van 



93 

Berckenrode, bij Hondius , gelijken. Toch is hei duidelijk, 
dat ze* niet buiten den invloed dezer laalsten zijn ont- 
worpen. Maar zijne onthouding van letterlijken nadruk 
stond waarschijnlijk in verband met het octrooi voor 6 
jaren, dat aan Hondius, in 1629, door de Staten Gen. op 
de kaarten van Holland verleend was, en dus in 1630 
nog niet had opgehouden van kracht te zijn. Op de kaart 
van Utrecht, van 1628, van denzelfden maker, en boven- 
vermeld, vindt men de beschuttende woorden »cwm pri- 
vilegio" niet. En eindelijk de kaart van van Berckenrode 
verscheen later wel in haar geheel bij W. Jz. Blaeu. Zij 
draagt geen jaartal, en ik gis, dat ze na de 6 jaren, dus 
na 1635, bij hem is uitgekomen. Het* is deze kaart, die 
door Mr. J. T. Bodel Nyenhuis, in het Tijdschrift voor 
Geschiedenis, enz. van Utrecht, 1835, blz. 386, beschrcr 
ven is ^), met de bijvoeging, dat zij hoogst zeldzaam is. 
Indien zij vóór 1631 door Blaeu was uitgegeven, zou deze 
niet in gebreke gebleven zijn, van op zijne kaarten in 
den Appendix, den gevierden naam van van Berckenrode 
te doen prijken 2). 

Omgekeerd mag men vragen , of ook niet door Hondius 
eenige oude kaart van Blaeu reeds in 1630 was overge- 
nomen, en deze zich dus op het recht der wedervergel- 
ding beroepen kon. 

Bij eene zorgvuldige vergelijking van den Atlas van 
Hondius van 1630 met den Appendix van Blaeu van 1631 , 



1) Van die groote kaart van Holland en Utrecht, die volgens Mr. Bodel 
Nijenhpis hoogst zeldzaam is, behoort een onvolledig exemplaar tot de r^ke 
en éénige collectie van dien heer. Daaruit is optemaken, dat de geheele 
kaart bestaan moet hebben uit 15 halve en 10 kwart folio bladen. 

2) Zie over de Nederiandtche Landmeters en Kaarigraveurs ^ Floris Bal- 
ihasar en zijne drie zonen : Verhandeling van Mr. J. T, Bodel Nyenhuis , 
in de Verslagen en mededeelingen van het Instituut , 1845, blz. 816. 



u 

is mij daarvan niets gebleken , zoodat ik het er voor houd, 
dat de prioriteit der ^ later wederzijdsche , navolging aan 
Blaeu toekomt, .afgezien van den nadruk van het: Jour- 
nal van Schouten , in Bijlage I. besproken , dat trouwens 
door Janssonius niet voor zijn eigen werk werd uit- 
gegeven. 

Na het aangevoerde, zal men, zonder verwondering, 
bet volgens oordeel van Hondius en Janssonius vernemen 
over het werk van Blaeu. 

In het it Advertissement au Lecteur*' yan hun Atlas mei 
Franschen tekst, van 1633, zeggen zij: i^Ce que nov^s 
avons fait a esté pour contenter les curieus 8c prevenir 
aussy que plusieurs ne fussent abusez èn rachapt d'un 
Uwe intitulé V Appendix d' Atlas 8c éCOrtelius, lequel 
saus une belle apparence, n*est autre chose qu'un ramos 
des cartes anciennes, changees, raccomodees ou copiees 
en sorte apres celles de nostre Atlas, quepkisieurs Ama- 
teurs de ceste science s^y, pourroient m'esprendre en Vac- 
cheptant , 8: faire des despens inutHes^ De handelwijze 
van Blaeu ten hunnen opzichte verklaart de partijdigheid, 
waarmede zij aan zijne kaarten alle verdienste ontzeggen. 
Dat ze deze echter erkenden, bewijst hun streven, om in 
hunne latere werken den stijl van Blaeu te volgen. De- 
zelfde graveurs: E. Symonsz. Hamersveldt, Salomon Ro- 
giers, Josua van den Rnde werkten voor beide firma's. 

Tekst en kaarten van beider atlassen begonnen meer 
en meer op elkander te gelijken, naarmate de verschil- 
lende drukken elkander opvolgden. Janssonius nam, op 
zijne beurt 9 van Blaeu over wat hem ontbrak, en dat 
was veel meer, dan Blaeu aan hem en Hondius ont- 
leend had. 

Zoo werd het overeenkomen hunner werken, gepaard 
aan de gedeeltelijke gelijkluidendheid hunner namen, 



95 

bij latere bibliografen» de bron van vergissingen, die 
ik aan het slot van dit onderzoek nader zal behandelen. 

Na deze vergelijking van den Appendix met oudere 
en gelijktijdige werken, wensch ik dien nader op zich 
zelf te beschouwen. 

Reeds de wijze, waarop het werk werd saamgesteld , 
als verzameling van kaarten van onderscheiden vervaar- 
digers en uit verschillende tijden, moet op het denkbeeld 
brengen, dat er de eenheid aan ontbreekt, zonder welke 
thans nauwelijks een atlas denkbaar is. In 1634, na het 
uitgeven van het eerste deel van Blaeu's tweeden atlas: 
Toonneel des Aerdrycx,' schrijft hij aan Schickard: tin 
den tweeden druk van dat werk zal ik veel verbeteren, 
vooral de lengtegraden, die op alle kaarten niet van 
hetzelfde punt gerekend zijn en dus verplaatst moeten 
worden. ^^ Tot die verplaatsing kwam het intusschen nooit. 
Op de kaart van Duitschland , b v. ligt Dantzig op 53^40' 
0. L., op die van Pruissen> op 44^44' 0. L. 

Kaarten zonder aanwijzing van lengte of breedte, zoo- 
als die van : les Souverainetez de Sedan et de Raucourt , 
en van Holland , andere met bloote opgave der breedte 
op den rand, zooals die der landen van Zuid-Amerika 
wisselen af met kaarten, zoo als die van Spanje en Por- 
tugal, waarop werkelijk parallellen en meridianen getrok- 
ken zijn. 

Met recht zijn de werelddeelen volgens de stereogra- 
phische projectie geteekend, maar overigens , is vaak voor 
zuidelijker landen^ zooals het Iberisch schiereiland, de 
conische, voor meer noordelijke, zooals Pruissen en zelfs 
IJsland, de cilindrische projectie gebezigd. 

Terwijl, op de kaart van geheel Holland, de Schermer, 
Beemster, Purmer en Hugo -Waard als waterplassen zijn 






96 

voorgesteld, vertoont die van N. Holland nog slechts de 
Schermer als zoodanig. 

Schotland heeft op de kaart van Europa een geheel 
anderen vorm , dan op de bijzondere kaart van dat land. 
De Oost-Zee is geheel misvormd, even als Griekenland, 
en het is met opzet, dat ik deze Europeesche streken 
kies. Buiten Europa vindt men veel grooter afwijkingen. 

De Caspische zee is niet te herkennen, zoo min als 
onze 0. I. eilanden, ieder op zich zelf beschouwd. 

Dat Blaeu er evenwel op bedacht was, om gaandeweg 
betere kaarten te leveren, en, waar hij deze kon ver- 
wachten, tegen geene geldelijke opofferingen opzag, zien 
wij , o. a. in zijne brieven aan Schickard (Bijlage XII). 

Den ^^^^ Nov. 1633, schrijft hij: igaame neem ik uw 
aanbod aan tot levering eener nieuwe kaart van Wurtem- 
berg, en ben bereid den daarvoor gevraagden prijs te 
betalen, al moest ook het aantal bladen het aanvankelijk 
daarvoor gesteld getal van vier overschrijden. Ik maak 
nu een nieuwen atlas gereed , waarvan ik hoop , dat nog 
dezen winter de beide eerste deelen zullen voltooid 
worden. In een daarvan zal ik Duitschland geven, dat, 
door de bijvoeging uwer kaarten , niet weinig kan ver- 
sierd worden, weshalve ik u verzoek mij die tijdig te 
zenden." 

In den brief van 6 Dec. 1633 vindt men weder: ïDe 
zeer geleerde heer Hugo de Groot heeft u gezegd , dat ik 
over een nieuwen atlas denk, en reeds veel gereed heb, 
buiten en behalve mijn Appendix tot het Theatrura Ortelii 
en den Atlas van Mercator, door mij uitgegeven, zoodat 
ik dezen winter twee deelen van behoorlijke grootte kan 
voltooien, waarvan het een Hoog- en Neder-Duitschland 
moet bevatten, dat ik gaarne met de door u geteekende 
kaarten van Wurtemberg , die gij mij hebt toegezegd , zou 



97 

vermeerderen , en om die reden ook wensch ik de uitgave 
wal uitteslellen. Gij schrijft zelf. dat op vier bladen van 
gewone grootte geheel Wurtemberg kan wórden voorge- 
steld, dat gij op twintig bladen hebt afgeteekend Indien 
gij het echter der moeite waard acht, de kaart in meer 
bladen te splitsen, zoo handel naar welgevallen. Ik zal 
toch den prijs daarvoor betalen, dien gij gevraagd hebt." 

Uit een brief van 12 Jan. 1634 zien wij, met hoeveel 
zorg Blaeu de uitvoering zijner kaarten naging. 

&Het is mij zeer aangenaam te vernemen, dat mijn raad 
nopens het aantal kaarten u welkom is. 

Ik ben van plan twee of drie provinciën op één blad 
te brengen; toch zal het noodig zijn, hier en daar, open 
ruimten te laten , die gemakkelijk kunnen worden aange- 
vuld met den titel der kaart, de wapens der landen en 
de mijlschalen. Bekommer u daarover niet, maar volg 
zoodanige indeeling, als u het gemakkelijkst is. Bij zoo 
nauwkeurig geteekende kaarten kan, naar mijne meening, 
het aantal niet te groot zijn. 

Wat de bosschen, afzonderlijke gebouwen, enz. betreft, 
is het voldoende deze slechts ruw aantegeven. Als gij de 
grootte en juiste ligging opgeeft, zal ik zorgen, dat alle 
dergelijke zaken, zoowel als de zinnebeeldige voorstellin- 
gen er zoo duidelijk mogelijk op worden afgebeeld. 

Opdat alle Wurtembergsche plaatsen terstond mogen 
worden onderscheiden, zal ik daarvoor eene bijzondere 
letter kiezen , verschillend van die voor de namen van 
plaatsen , die tot een ander land behooren , en , opdat de 
uitvoering niets te wenschen overlate, zult gij de platen, 
één voor één, nazien." 

In verband hiermede schrijft Blaeu nog, 24 Juni 1634: 

»Ik zal alle zorg besteden aan de gravure Eer^l zal ik 
alles heel dun in het koper doen trekken, opdat, wan- 

7 



98 

neer men zich in iets vergist heeft, gij dat kunt verbe- 
teren, voor dat de plakt worde afgewerkt. 

Wat nu den tijd betreft, dien gij vraagt, om alles ge- 
reed te maken, neem er zooveel tijd voor, als gij noodig 
acht , en als gij het niet in den zomer gereed kunt krij- 
gen, zoo voeg er den winter bij, dat zal niet kwaad zijn 
voor mijn atlas." 

Tegenover eene zoo machtige mededinging, als die van 
Blaeu, begrepen Hondius en Janssonius, dat, wilden zij 
niet weldra het debiet van hunne kaarten geheel zien op- 
houden, zij zijn voetspoor moesten volgen, en, zoo mo- 
gelijk, hem voorbij streven. Daartoe was eene geheele her- 
vorming van hun ouden atlas noodig. 

De oude titelplaat van 1606, die, met geringe wijzi- 
ging, nog in den atlas van 1630 voorkwam, werd door 
eene geheel nieuwe vervangen. Op eerstgenoemde vindt 
men Atlas ih zittende houding voorgesteld, met een bol 
op de knie, waarop hij met een passer meet, terwijl een 
aardbol aan zijn voeten ligt. Het opschrift luidt: Primum 
a Gerardo Mercator inckoatae, deinde a Judoco Hondio 
piae memoriae ad finem perductae, jam vero multis in 
locis emendataej et de novo in lucem editae. 

In dèn Atlas van Hondius en Janssonius, van 1633, staat 
op de titelplaat eene veel kleinere afbeelding van Atlas, 
die eene spheer draagt. Het midden wordt door den titel 
ingenomen, terwijl aan weerszijden daarvan Europeanen 
en bewoners van andere werelddeelen iii verschillende 
kleederdrachten zijn voorgesteld. 

Reeds in die plaat is de navolging van Blaeu's Appendix 
merkbaar. 

De titelplaat der latere drukken is de eenvoudige copie 
van die van Blaeu's Appendix, 
In het bericht aan den lezer, in den Nederlandschen 



druk van i634, vindt men: »So ist dat wy, altydt g0r 
negen lynde om van onse lieve mede-Borgeren en Lands- 
lieden , sooveel ons mogelyck is , wel te meriteeren , desen 
onsen Atlas ^ die wy nu in de Latynsche, Fransche en 
Hooghduytsche tale in het licht gegeven hebbende , hevin^ 
den dat by allen Amateurs van dese scientie, seer aen- 
ghenaem en weerdt ghehouden is, oock in onse Neder- 
landsche spraecke in het licht gegheven hebben, 

In de uitgave met Franschen tekst zijn Atlas en Ap- 
pendix vereenigd. 

De titel is daar: Atlas ou représentation du monde 
universel et des parties dHceluy , faicte en tables et des- 
criptions tres amples et exactes: divisé en deux tomes, 
Edition nouvelle, Augmenté d'un Appendice de plusieurs 
nouvelles Tables et Descriptiorf^s de diverses Regions d'Al- 
lemagne, France, Pays-Bas, Italië et de rune et Vau- 
tre Inde, Ie tout mis en.son ordre. 

A Amsterdam ches Henry Hondius, demeurant sur Ie 
Dam, a Venseigne du chien vigilant. 

A^ D\ 1633. 
Hel voorbericht is geteekend door Joannes Janssonius 
en Henricus Hondius. 

Het geheele werk van i 633 bevat twee gedeelten. Het 
eene, de Atlas, is eene reproductie van den ouden atlas 
van Mercator Hondius, met geripge Veranderingen; het 
andere, de Appendix, beval nieuwe kaarten. In dien Ap- 
pendix nu vindt men talrijke navolgingen van Blaeu, te 
beginnen met de beginselen der wiskundige aardrijks- 
kunde, door dezen aan Ph. Cluverius ontleend. 

In plaats van de wereldkaart, nog in 1630 opgenomen, 
en die van 1587 dagteekende, zonder straat van Ie Maire 
natuurlijk , en met al hare misvormingen , haar uitgestrekt 
Zuidland, vindt men in den Atlas eenQ wereldkaart in 

7- 



ioo 

Iwee ronden, van 1686, in den Appendix eene wereld- 
kaart volgens Mercator's projectie, van Petrus Kaerius, 
copie of origineel van Blaeu's kaart. 

Voorts komen de kaarten van IJsland , Pruisen , Ie 
Messin en andere nauwkeurig overeen met dezelfde bij 
Blaeu. Voor eene enkele kaart, namelijk die van Gulick, 
Cleve, Berghe, bij den Appendix van Blaeu vermeld, 
heeft zelfs dezelfde plaat gediend die zeker van Hessel' 
Gerritsz was aangekocht, en waarvan ook geene afdruk- 
ken in de latere atlassen der Blaeu's voorkomen. Maar, 
ook waar letterlijke copie zich niet voordoet, bemerkt 
men, hoe, op het voorbeeld van Blaeu, de geheele manier 
van bewerking veranderd is. 

Kaarten en bijwerk, alles is in zijn trant uitgevoerd. De 
geheele collectie van 106 kaarten in den Appendix doet 
voor den Appendix, van Blaeu niet onder. Trouwens, 
overal vindt men de handteekeningen derzelfde graveurs , 
overal copieën van dezelfde origineelen of van Blaeu s 
kaarten. 

Na alzoo den wederzijdschen roof, door de beide firma's 
gepleegd , geconstateerd te hebben , meen ik mij te mogen 
onthouden van een nauwkeurig onderzoek naar de oudste 
rechten, die ieder kon doen gelden op de talrijke kaar- 
ten, die hunne werken, vooral in hunne latere drukken, 
gemeen hebben. 

Dat onderzoek zou even moeilijk , als onbelangrijk zijn. 
Moeilijk, omdat daartoe eigentlijfe zou gevorderd worden 
de kennis van het jaar , waarin de afzonderlijke kaarten 
zijn uitgekomen ^ die later in de allassen zijn opgeno- 
men, en althans een volledig stel atlassen, in verschil- 
lende talen, bij beide firma's achtereenvolgens versche- 
nen. Jaartallen nu treft men slechts op zeer weinig kaar- 
ten aaU; en zoodanige verzameling van atlassen is vol'strekt 



104 

niet bijéén ie brengen. Enkele daartoe behoorende exem- 
plaren zijn te zeldzaam i), en sommige bibliotheken, o. a. 
de koninklijke, te Brussel, staan niet toe , atlassen buiten 
hel gebouw te raadplegen. Maar ook, al ware men toe- 
gerust met al die hulpmiddelen , zoo zou menige misgreep 
niet te vermijden zijn. Valsche litels , vervalschte jaar- 
tallen, afgekrabde en door nieuwe vervangen opschriften 
op de koperen platen zouden menigen strik spannen voor 
den onderzoeker. Het resultaat van al zijn werk 'zou zijn 
de kennis van den benaderden factor, waarmede het aantal 
wederzijdsche navolgingen, bovenvermeld, zou moeten 
vermenigvuldigd worden, om elks aandeel daarin vast te 
stellen. Daarbij nu heeft de wetenschap geen belang. 

De krachtige inspanning, waarvan Hondius en Jansso- 
nius blijk gegeven hadden, was natuurlijk een nieuwe 
prikkel voor Blaeu. 

»0p de vorige misdagen," schrijft hij, 24 Juni 1634, 
aan Schickard ^), Dheb ik het eerste deel van mijn atlas 
met 160 kaarten uitgegeven, met de beschrijving in het 
Hoogduitsch, uit het Latijn vertaald. In den volgenden 
herfst zal ik den Latijnschen, Franschen en Nederland- 
schen tekst geven.'' 

Deze aankondiging geldt het » Toonneel des Aerdrycx 
van Wülem en Joan Blaeu*' 

^Guillaume mon père étant excilé par les exemples des 
grands géographes s'était résolu de donner la description 
de ce monde universel, mais en par He occupé d d'autres 

i 

1) De Appendijt vau Blaeu reeds is zeer zeldzaam. Hier te lande heb ik 
er slechts één exemplaar van kunnen opsporen, dat zich in de provinciale 
Zeeuwsche bibliotheek bevindt. Ook de Hamburger Commerz-Bibliothek , de 
nationale bibliotheek te Parijs en de Universiteit s-bibliotheek te Breslan be- 
zitten er elk een exemplaar van. 

2) Zie Bijlage XII. 




1 1 



102 

affaires i d enpartie craignant pour la grandeur de cette 
mtreprise il la remii d un autre temps. Comme donc 
ie fiis retourné d^ Italië je pris la charge d'une chose si 
haute et si difficile, et joignant mes travaux aux siensy 
nous imprimdmes V Atlas en deux volumes" 

Aldus beschrijft Joan Blaeu in zijn Grooten Atlas, van 
1663, met Franschen tettst, den oorsprong van het Toon- 
neel des Aerdrycx. 
Het eerste deel bevat: 

Noorden en Oosten van Europa, 10 kaarten. 

Duitschland, 56 » 

Nederlanden ..94 » 

Groot Brittanie en Ierland, . . 4 > 

te zamen . . 104 > 
Het tweede deel bevat: 

Frankrijk, .49 kaarten. 

Spanje, 13 » 

Italië, 14 > 

Azië, 10 » 

Amerika, . .' 14 » 

te zamen . . 100 > 
Het voorbericht van het werk met Franschen tekst is 
geteekend: de notre imprimerie, 1 Juillet 1635. 

Op den titel staat: Le théatre du monde ou nouvel atlas 
par Guillaume et Jean Blaeu, Amst, apud Guilielmum 
et Joannem Blaeu, 1638. 

Slechts dit ééne exemplaar van den eersten druk heb 
ik kunnen nagaan. 

Op den titel der Hoogduitsche uitgave leest men : Novus 
Atlas, das ist Weltbeschreibung mit newen Land-Taffeln. 
Dat de indeeling en het aantal kaarten in de eerste 
drukken, met tekst in verschillende talen, alle nog on- 
derling verschillen, is zeer waarschijnlijk. Reeds bo- 



103 

venstaandé opgave van 160 kaarten met Duitschen tekst 
wijst dat aan. Het geheele werk was eene uitbreiding 
van den Appendix, in denzelfden stijl bewerkt, maar 
met uitvoeriger tekst en, op vele kaarten, nog veel fraaier 
bijwerk. Papier en druk van den tekst winnen het 
bepaald van den atlas van Janssonius, van datzelfde jaar 
1638. 

Overigens is het verschil met dezen onbeduidend. De 
tekst is bijna overal gelijkluidend, vele kaarten gelijken 
elkander sprekend. 

Van het eerste een paar voorbeelden: 

Nieuwen Atlas van Joannes Janssonius en Henricus 

Honditis. 
Duytslandi. 

Hoogh-Duytslant van Ptolomaeo Germania Magna ge- 
heeten, is 'l grootste Landtschap van Europa, ende nu 
ter tyt het eenighe cieraet des Roomschen Rycks. In 
't uytlegghen des naems Germaniae ofte Germanorum ^ 
zyn verscheyde meyningen der Scribenten; sommige mey- 
nen dat Germanus een Duytsch woordt is, als of men 
wilde seggen Gaerman , hetwelck een geheelen ofte volko- 
men man beduyt, van wegen de kloeckheyt ende strydt- 
baerheydt deser natie. Andere ontleenen desen naem van 
de onwanckelbare getrouwicheydl , die de Duytschen mal- 
kanderen betoonden , daerdoor sy een onsterffelycken naem 
verkregen. 

Toonneel des Aerdrycx van Willem en Joan Blaeu. 

Duytslandt. 

Hooghr-Duytslandt, van Ptolemaeo Germania Magna 
geheeten , t^ *t grootste Landtschap van Europa , ende nu 
ter tydt het eenige cieraedt des Roomschen Rycks. In 
7 uytleggen des naems Germaniae ofte Germanorum , syn 
verscheyden meyningen der Scribenten. Sommige mey- 



- J 



i04 

nen dat Germaniis een Duytsch woordt is, ab oft-men 
wilde seggen Gaerman, hetwelck een geheelen ofte vol- 
komen man beduydt, van wegen de kloeckheydt ende 
strydlbaerheydt deser natie. Anderen ontkenen desen 
naem van de onwanckelbaere getrouwicheyt^ die de Duyt- 
schen malkanderen betoonden , daerdoor sy een onsterffe- 
lycken naem verkregen. 
Nieuwen Atlas van Joannes Janssonius en Henricus 

Hondius. 

m 

Nederlandt, 

De landen j die nu ghemeenlyck Nederlanden genoemt 
worden , syn 1 7 in ghetale , meer omdat men den Prin- 
een daervan seventhien ty telen toegeschreven heeft, als om 
eenighe andere merckelycke reden: Want op gemeyne 
vergaderingen, en als er van 's Princen wege voorgesla- 
gen werdt van eenighe contributien of lasten, en plegen 
de landen in sulcken getale niet te verschynen, noch te 
contribueren. Niettemin sullen wy in onse beschryvinge 
de gewoonlycke ordre van de ty telen volgen, die de Prin- 
een van dese landen plegen te voeren. 

Toonneel des Aerdrycx van Willem en Joan Blaeu. 

Nederlandt. 

De landen, die nu gemeenlyck Nederlanden genoemt 
worden, syn seventien in getale, meer omdat men de 
Princen daervan seventien ty telen toe-geschreven heeft, 
als om eenige andere merckelycke redenen: Want op 
gemeyne vergaderingen, en alsser van s Princen wegen 
voorgeslagen werdt van eenige contributien ofte lasten, 
en plegen de landen in sulcken getale niet te verschy- 
nen, noch te contribueren Niettemin sullen wy in 
onse beschryvinghe de gewoonlycke ordre van de tytelen 
volgen, die de Princen van dese landen plegen te 
voeren. 



105 

Nieuwen Atlas van Joannes Janssonius en Henri'cus 

Hondius, 
De Heerlyckheydt Utrecht. 

Oudt Batavia , eertydts onder syne hysondere en eyghe 
Heer en machtich geweest hebbende y is mettertydt , in 
veel deelen ghescheyden , ende onder de aenwoonders van 
de Yssel, de Bisschoppen van Utrecht, de Graven van 
Hollandt, ende de Hertogen van Gelderland verdeelt, 
Het deel den Bisschoppen van Utrecht toegevallen, is 
geheten geworden het sticht oft Bisdom van Utrecht : 
ende heeft tot synen eersten Aertsbisschop ghehadt 
S. Willeboordt, toeghenaemt Clemens, een Enghehch 
Saxenaer , in dese quartieren overgekomen ontrent den 
jare 690. 

Toonneel des Aerdrycx van Willem en Joan Blaeu. 

De Heerlyckheydt Utrecht. 

Oudt Batavia , eertydts onder syne bysondere en eygen 
Heeren machtigh geweest hebbende, is mettertydt in 
vele deelen gescheyden , ende onder de aenwoonders van 
de Yssel, de Bisschoppen van Utrecht, de Graven van 
Hollant, ende de Hertogen van Gelderlant verdeelt. 
Het deel den Bisschoppen van Utrecht toegevallen, is 
geheeten geworden het Sticht, oft Bisdom van Utrecht: 
ende heeft tot synen eersten Aertz-bisschop gehadt S. Wil- 
leboordt, toegenaemt Clemens, een Engels Sassenaer^ in 
dese quartieren overgekomen omtrent den jare 690. 

En wat de kaarten betreft, gaat de overeenkomst bij 
sommige zoo ver, dat tot zelfs de opdracht gecopieerd 
is, alleen met uitzondering van den naam des ondertee- 
kenaars. Zoo vindt men, b. v. in beide atlassen volkomen 
dezelfde kaart van Neuremberg met het gebied dier stad, 
opgedragen aan de stedelijke regeering aldaar, in den een, 
geteekend: J. Janssonius, in den ander : Guiljelmus Blaeuw^ 



106 

De loop van den Rijn en die van den Donau komen in 
beide allassen weêr volkomen overeen. Beide kaarten dra- 
gen uitvoerige zinnebeeldige voorstellingen, die getrouw 
zijn gecopieerd, schoon de gravure bij Blaeu minder fijn 
en scherp is, dan bij Janssonius. 

Uit de bijgevoegde plaatsnamen en andere kleine ver- 
schillen blijkt echter terstond, dat in beide atlassen geene 
kaarten voorkomen, die met dezelfde koperen plaat ge- 
drukt zijn. 

Geen wonder, dat bij deze groote overeenkomst tus- 
schen de werken van Janssonius en van de Blaeu's, en 
tusschen de namen: Joannes Janssonius en Wilhelmus 
Janssonius (Blaeu), vreemdelingen, die den oorsprong 
dezer gelatiniseerde patronymica niet kenden, in verzoe- 
king moesten komen , om de personen en hunne geslach- 
ten te verwarren. 

De eerste bibliograaf, die in die dwaling verviel, was 
Adrien Baillet, in zijne: Jugements des Savants, 1725, 
T. I. p. 2. Sprekende over i^les Blaew ou Blau, Impri- 
meurs d' Amsterdam *^ schiep hij een: Jean Jansson de 
Blaeiiw , en stelde op diens rekening werken , bij de twee 
firma's, Janssonius en Blaeu uitgekomen. 

In de: Nachrichten von einer Halliscken Bibliotheh 
van S. J. Baumgarten, Halle. 1749. 19" Stück, wordt 
de opgave van het: Theatrum orbis terrarum. 1640. ge- 
volgd door de opmerking, dat dit de eerste uitgave is 
van den later vaak herdrukten, met vele bijvoegselen 
vermeerderden en ook in vele andere talen overgezetten : 
Blaeuwschen of Janssonischen atlas, In eene noot wordt 
nog de naam nader toegelicht. i>De vader, Willem Blaeu, 
heeft zich , naar Hollandsch gebruik , Janszoon geteekend. 
Daar nu de door hem gestichte drukkerij zijn naam be- 
houden heeft, zijn de latere eigenaars daarvan nog meer 



107 

onder den naam van Jansson, dan onder dien van 
Blaeu bekend/* 

Intusschen verscheen in het 38®* Slück, i 751 , een brief 
van E. D. Hauber, die daarin Baumgarten opmerkzaam 
maakte op zijne vergissing, en deze bewees door het 
aanhalen van verschillende getuigenissen i). 

OnmiddeUjk op dien brief volgde dan ook de ver- 
klaring van Baumgarten, dat hij volkomen instemt met 
de terechtwijzing van Hauber, en in de Brieven van 
Vossius nog meer gronden voor diens gevoelen gevon- 
den heeft. 

Bij ClémenL Bibliothèque curieuse, treft men de bespro- 
ken dwaling niet meer aan. Integendeel doet deze duidelijk 
uitkomen, al zij het dan ook niet zonder kleine misgre- 
pen , dat jaren lang de wedijver van Janssonius en de 
Blaeu's medegewerkt heeft tot de volmaking van beider 
atlassen. En inderdaad was Janssonius hierbij geen onge- 
lukkig mededinger. Mocht hij al in de uitvoering slechts 
den tweeden rang innemen, de uitgebreidheid van zijn 
werk evenaarde die van het: Toonneel des Aerdrvcx, ook 
na zijne voltooiing. Treft men in dit laatste een geheel 
deel aan, dat de aardrijkskunde van China behandelt, met 
beschrijving van P. Marlinus Martinius, een geleerd Jezuïet, 
die vele jaren in dat land had doorgebracht, zoo vindt 



1) Hauber haalt, o. a. een catalogus van kaarten aan, door Simon Paulli , 
in 1670, te Straatsburg uitgegeven, en die is opgedragen aan: 

Johann Blaeu, doctor in de beide rechten en schepen. 

Wilhelm Blaeu , schepen. 

Peter Blaeu, secretaris, doctor in de beide rechten. 

Johann Blaeu, candidaat in de rechten. 

Aan de gezamentlijke erven van Johann Janssonius en aan Joh. Nic. Visècher. 

In de voorrede zegt Paulli , dat hij in het vorige jaar allen te Amsterdam 
gezien heeft , en door hen , met beleefdheid en goedheid , ontvangen is, 



108 

men daarentegen bij Janssonius, in zijne uitgave van 
4656, een deel V met zeekaarten en een deel \I met 
kaarten van de oude wereld, benevens een vertoog over 
de cosmographie , onder den titel vbü: Hartnonia Macro- 
cosmica ^). 

Ofschoon nu de werken van Joan Blaeu geenszins bin- 
nen den kring van dit onderzoek liggen , is het niet mo- 
gelijk deze geheel buiten beschouwing te laten, waar men 
van de vruchten spreekt, die het streven van Willem 
Jansz. gedragen heeft. 

Zijn Appendix en de twee eerste deelen van het Toon- 
neel des Aerdrycx, in vereeniging met Joan uitgegeven, 
waren niet alleen de kiem van den Grooten Atlas 2) , 
maar de kaarten dier beide eerste verzamelingen en de 
beschrijvingen, in de tweede voorkomende, werden 
bijna alle in de verschillende drukken van den Atlas 



1) Het komt mij voor, dat, met het oog op de zeekaarten van Janssonius, 
Joan Blaeu, in de voorrede tot het V» Deel van zijn Atlas, het volgende 
zegt : „de loaterwerelt hebt ghy oock te verwachten , indien u een weyn^/h 
iyia ie wachten niet verdrieten sal om die met orde aen^ den dagh te geven , 
dewyl sulck een werd met ongewasschen handen, als iemant onlange ge- 
doen heeft y niet aen te grgpen ie. *Twas oock beter stil te iitten , dan 
ateoo met te grooten haest en veel schryvens niets te schryven en rooch te 
verkoopeny 

Bij Dr. J. van Raemsdonck , Gerard Mercator. 1869, vindt men, p. 265. 
Note, de volgende werken vermeld, als door W. Jansz. Blaeu uitgegeven: 

1**. Appendix Theatri A. Ortelii et Atlaniis G. Mf^rcatoris , etc. Amst. 
1631 in f o. 

2°. Un Atlas ou Théatre du monde en 14 vol. in /». Amst 1638 , y com- 
pris l^ Atlas céleste en un volume , et V Atlas de mer en un volume. 

30. Un Traiiê des Globes. 

Uit hetgeen in den tekst hier over de werken van W. Jansz. gezegd is > 
blijkt, dat die opgave even onvolledig, als onnauwkeurig is. 

Om het onder 2<». genoemde terecht te brengen, zie men noot 1), blz. 3. 
en den tekst vóór deze noot. 

2) Zie noot 1), blz. 3, 



m 

opgenomen. De uitgebreidheid van dezen ^ de verdien- 
sten der kaarten, de zorgvuldige correctie van den be- 
langrijken tekst, de fraaie druk op best papier maakten 
er het meest gezochte werk van dien aard van in de 1 7" 
eeuw ^). 

Niet gering was het aantal exemplaren , dat in kostbare 
banden, verguld op snede en met sierlijk gekleurde kaar- 
ten, wapens en zinnebeelden eene plaats vonden in open- 
bare en bijzondere bibliotheken, of dienden tot geschenken 
aan vorsten en mannen van buitengewone verdienste.' 

Het is algemeen bekend, dat aan Michiel de Ruyter, 
door de Staten van Zeeland, een Atlas van Blaeu werd 
vereerd, na den tweedaagschen zeeslag, in 1666. Aan 



1) Zeker het fraaiste exemplaar, hier te lande , bevindt zich in het Museum 
Westreeno-Meermannianum te 's Hage. Blijkens eene aanteekening , op het 
schutblad, is het afkomstig uit de bibliotheek van Hadr. Reland, en heeft 
f 2000 aan het kleuren der kaarten gekost , dat door Th. van Santen geschied 
is. Op de afbeeldingen van de instrumenten van Tycho Brahe, is al wat 
koper moet voorstellen, verguld. Evenzoo zijn de wapens van landen, steden 
en geslachten rijk verguld. 

Een dergelijk exemplaar maakt de kern uit eener verzameling van kaarten , 
plannen , prenten, teekeningen , enz. in 46 folio doelen , thans aanwezig in de 
keizerlijke bibliotheek te Weenen. Deze zelfde verzameling was, in 1711, het 
eigendom van Jufvr. van der Hem , te Amsterdam , waar zij toen door Z. C. 
von Uffenbach gezien werd. Zij verdient de aandacht als, „curieusAei^dt " 
als uitstekend bewijs van den lust tot verzamelen, in de 17* en 18« eeuw, 
zoo algemeen in de Verecnigde Provinciën, en bevat zeker nog vele stukken, 
die belangrijk zijn voor de geschiedenis van kunsten en wetenschappen , en 
geene algemeene bekendheid erlangd hebben. Uit een opzettelijk onderzoek , 
daartoe onlangs , zeer welwillend door den heer F. von Hellwald ingesteld , is 
echter gebleken , dat die verzameling geene bijzonderhedeil aangaande het leven 
en de werken van W. Jz. Blaeu bevat. 

Onder bijlage XI vindt men twee beschrijvingen dier collectie: du eerste 
van Z. C. von Uffenbach, 1711, de tweede van den heer F. von Hellwald, 
1866. In de bibliotheek te Gent bevindt zich het exemplaar van den Atlas, 
dat aan Colbert heeft toebehoord en diens wapen draagt. 



m 

Sultan Mahorned IV (1648 — 1687), werden, den 14*» Aug. 
1668, uit naam van de Ho. Mo. Heeren Stalen Generaal, 
onder andere geschenken , ook aangeboden : » Elf boecken 
van den Atlas in violet fluweel gebonden i)." De Sultan 
daarmede ten hoogste ingenomen, gaf last tot eene ver- 
taling van den tekst in het Turksch. Aan Alexander 
Maurocordato, tolk van den vizier, werd dat werk opge- 
dragen. Deze verzocht daarbij den bijstand te erlangen 
van een geleerd Jezuïet , uit Frankrijk geboortig, die het 
Turksch en Arabisch kende, en zich op Scio 'bevond. 
Deze werd terstond ontboden, en beiden vingen den arbeid 
aan 2). Hoever het met de vertaling gekomen is, werd 
mij niet bekend. 

tLes ouvrages de Jansson et de Blaeu ont servi de 
modèle aux plus habiles géographes pour dresser leurs car- 
tes générales et particulières " zegt J. Lelewel. 

Dat niet alleen. Nog wel honderd jaren na den dood 
van Dr. Joan Blaeu , bleven andere uitgevers, voor hunne 
atlassen, afdrukken trekken van zijne koperen platen, 
waarop alleen naam en jaartal veranderd werden. 

Dat daardoor de roem der Nederlandsche atlassen allengs 
verwelkte, behoeft geen betoog. 

Eene gebeurtenis, die aan het vermogen van Joan Blaeu 



1) Bij die geschenken behoorde ook: „Een roer, dat achtmaal schiet of loH 
met eens te laden , extraordinaris curieux." 

{Daghregister van 't gene de Heere Justinus Co^er resident wegens de Eo, 
Mo, Heeren Staten Generaal der Vereeni^hde Nederlanden is gherencontreert 
op de Beyse van Conêtantinopolen tot Andrianopolen , aldaer hy by den Turk- 
sehen Keyser syne eerste audiëntie heeft gehadt , met overhveringhe der 
presenten , wegens Hare Ho. Mo. hierinne mede gespedficeert. 

In 's Gravenhage gedrucht in de Maend van Lee. 1668. 

2) Continttateur de Eicout. Histoire de trois empereurs Tures, T. IV. p, 
380, 381. 



Ui 

een gevoeligen slag toebracht, was de brand, die, den 
23^° Febr. 1672, zijne drukkerij verwoestte ^), en waar- 
in de goê gemeente de wreekende hand Gods meende te 
ontdekken, Blaeu straffende voor het drukken van zooveel 
paapsche boeken , als van zijne persen afkomstig waren 2). 
De uitgave van den Spaanschen Atlas , waarvan nog 
slechts enkele exemplaren voltooid waren , werd daardoor 
verijdeld ^). Bij dien brand ging zeker veej verloren van 
wat thans den biograaf der Blaeu's anders uitstekende 
diensten had kunnen bewijzen. De geheele schade werd 
op f 355000 begroot *) , en dat , ofschoon nog veel aan 
den brand onttrokken werd , misschien doordien het zich 
in het huis op de Bloemgracht of in het winkelhuis op 
't Water s) bevond 6). 

1) In een brief van N. Heinsius aan A. Magliabechi, van 25 Febr. 1672 , 
te vinden in: Clarorum Belgarum Epistolae. Florentiae. 1745, leest men: 

„ Tjfpographia Blaviana ante triduüm Amatelaedami conjlagravit tota cum Tabu- 
lis/ere omnibus aeneis ad Atlantem , aliosqtte libros partim edendos apectantibu*.** 
Zie ook: Hollantze Mercurius. Febr. 1672. 

2) Zie bijlage V. 

3) Volgens eene aanteekening in het exemplaar van den Orooten Atlas met 
Spaanschen tekst in de Bibliotkeca üilenbroukiana. Amst. 1 729 , zon er slechts 
dat ééne , op groot papier gedrnkt en geheel compleet , zijn overgebleven. 

Die aanteekening luidt , volgens Clément : 

„Huius Atlantia lingua Hispaniea non plnra quam sex exemplaria , praeter 
nonnulla charta minori, gunt a jammis quae Typographiam Blavianum dê- 
vastarunt , vindicata : atque huius Exemplaris singuiu folia accurate sunt 
selecta ex sex illis superstitibus charta maiori Exemplaribus ut solum unum 
koe perfectum resiet , reliquis quinque laesis non una loco.** 

4) „De schaade aan de Plaaten , gereedschappen en andre goederen van 
de Drukkerg en t Pand wordt voor *t minste by d* eigenaars geschat op 
f 355000. Be drukkery stond in de Qraavestraat of *t Hol , *t Oebouw 
stond aan twee zyden tegens ope straat. Ter andre zyde stond het' Witwer- 
kers Pand dat de rest van H geweeze Latynze School was ^ daar af de Druk- 
kery het ander deel uitmaakte." 

J. van der Heiden. Beschryving der Slangbrandspuiten, blz. 15. 

5) De boekwinkel op 't Water schijnt , reeds in 1662 , door Dr. Joan Blaeu 



112 

Den 28'» Dec. 1673 overleed Dr. Joan Blaeu op de BloeiD- 
grachl. Onder de grafschriften van Vondel vindt men het 
volgende : 



aan zijn zoon Pieter te zijn overgedaan. Althans, dd. 7 Maart, van dat jaar 
is hem door de stedelijke regeering toegestaan, „om zijn winkelnering met wat 
daarvan dependeert , voor zooverre die niet door zijn zoon Pieter Blaeu zal 
worden overgenomen , te mogen verkoopen bij publieke vendu ten tijde , dat 
hij daartoe zal beramen.** 

Toch woonde Dr. Joan Blaeu nog in 1670 op *t Water, volgens opgave 
in het Kerk Inteekening Register, N**. 94, fol. 137. Daarin komt hij voor 
als assisteerende bij de inteekening van het huwelijk van zijn zoon Mr. Pieter 
Blaeu w, secretaris, met Martina Piemoud, 3 Januarij 1670. 

6) De verbrande drukkerij moet zich bevonden hebben in het gebouw be- 
doeld in de volgende Resolutie van Thesaitrieren , N^. 5 , fol. 2, 21 Oct. 1671. 

„De Heer Joan Blaeuw y oud êchepen en raed deser stad ^ hebbende gecoft 
*t nieuwe syds Grootschool achter de Nieuwe Kerck met 't gedeelte van *t 
woonhuys , so verre het onder een afdack is , in de voorleden jare geconsen- 
teert synde , dat hy de royinge voor oen de straet in dier voege sal mogen 
veranderen , dat die lynrecht strecke van 't huys daer noest staende daer 
jegenswoordigh 't sufflet uythangt , tot oen den gevel van 't huys , daer de 
Reetor in gewoowt heeft , is geconsenteert op huyden , dat by Rooymeesteren 
aen Syn Ed. royinge gegeven sal toerden'' 

Over de uitgebreidheid van hetgeen aan den brand ontkwam, kan men eenigs- 
zins oordeelen , naar aanleiding der aankondigingen van de volgende verkoopin- 
gen , gehouden na den dood van Dr. Joan Blaeu. 

De l*' verkooping van eene partij treffelijke boeken in cUlerhande facultei- 
ten had plaats op 23 April 1674. Zie Haarl. Courant. 15 Maart 1674. 

De 2® verkooping, onder de boekverkopers, werd gehouden ten huize der 
weduwe, op 14 Junij 1674 en omvatte: alle de boeken van haar man zaliger ^ 
gedrukt en nagelaten {uitgezonderd de Atlas en Stede boeken mitsgaders 't geen 
daarvan dependeert). Zie Haarl. Courant. 24 Mei 1674. 

De 3^ verkooping, op 28 Aug. 1674, van de Atlassen, Stedeboeken, zoo 
van Italië als van Nederland en Flandria illustrata , benevens de respective 
platen daartoe bthoorende , werd aangekondigd in de Haarl. Courant. 14 
Aug. 1674. 

De gehecle week voor de verkooping werden de platen op de Bloemgracht 
tentoongesteld. 

Bij de 4* verkooping, op 20 April 1677, werden de boeken, landkaarten ^ 



'113 

Op den Heer Joan Blaexi, eerlyis schepen en raadt 

der Stadt Amsterdam. 

Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen l^leenen steen 
Al 't aertryk door bekent, 
Hoe quam hy aen zyn endt? 
De gantsche werelt viel dien grooten man te kleen. 

Het aandeel, door Joan Blaeu genomen aan de laatste 
werken zijns vaders, de latere uitbreidingen, daaraan 
door hem gegeven, gedoogden niet, hem hier met stil- 
zwijgen voorbij te gaan. Zijn leven en wat hij, geheel 
onafhankelijk van die werken, heeft uitgegeven ligt buiten 
de grenzen van dit onderzoek. Nog verder daarvan ver- 
wijderd is al wat betrekking heeft op zijn nageslacht. 

Het antwoord op (Je vraag, wat Willem Jansz. Blaeu 
voor de aardrijkskunde gedaan heeft, ligt opgesloten in 
het overzicht van zijn leven en werken , dal in deze bladen 
is opgenomen. 

Door %\]n aanleg voor de wiskunde tot de studie der 
sterrekunde en aardrijkskunde gedreven, verwierf hij reeds 
op jeugdigen leeftijd eene uitgebreide kennis op het gebied 
dezer laatste wetenschappen. 

Levende in een tijdperk, waarin de Nederlandsche han- 
del en zeevaart, in weinige jaren, eene ongehoorde vlucht 
namen, begreep hij de eischen, die een uitgebreid ver- 
keer met alle natiën der wereld aan de aardrijkskundige 
kennis zijner landgenooten stelde. Wakker en ondernemend 
uitgever en handelaar, wist hij, én, door voor de samen- 

atlasplaten en bijzondere deelen mitsgaders matrijsen , pengoenen en letters 
verkocht. 

En eindelijk werd nog eene 5« verkooping , op 26 April , gehouden van ö?^ 
gebonden boeken, ten huize van de W^ed. vaU' Joan Blaeu, op 't Water. Zie 
Uaarl. Courant. 15 April 1677. 

8 



stelling zijner werken de beste bronnen te raadplegen, 
én, door de uitvoering daarvan aan de geschiktste handen 
optedragen en^zelf met zorg nategaan, zijne voorgangers 
en tijdgenoolen te overtreffen. 

Daardoor legde hij den grondslag voor de werken , die , 
eene eeuw lang, Nederlandsche kaarten en atlassen boven 
die van alle andere landen deden uitmunten. 



B ÏJ L /V G E N.- 



Pl.1 











? '^'^ftJC ÉiTy, 




BIJLAGE I. 



OESLACHTBNAAIf BLAED. 

In de spelling van den geslachtsnaam BIclcu heerdcht verschei- 
denheid. Willem Jansz. zelf heeft nu eens ,,Blaeu^\ dan weer 
^^Blauw*^ of ,fBlaeuw** geschreven. Zijne 2onen en kleinzonen 
hebben zich echter steeds aan de eerste spelling gehouden, 
dia trouwens ook het meest door "Willem Jansz. zelven ge- 
volgd is, zoowel bij de onderteekening der vier van hem be- 
waard gebleven brieven (Bijlage XII), en bij de aanvragen 
om octrooi, als in de opschriften zijner kaarten en het adres 
der bij hem uitgegeven boeken. 

A^ijkingen vindt men , o. a. op den titel van : Tafelen van 
de dedinatie der Sonne , enz. ghecalculeert door Willem Jansz, Blauw, 
met privilegie. Anno. 1625 , en in de cople van het octrooi dd. 
9 Maart 1623 , in hetzelfde werk afgedrukt , als zijnde verleend 
aan „ Wülem Jansz. Blaeuw^ Op uitgaven van Latijnsche werken , 
bij hem verschenen, vindt men meestal: ^fiuiljelmus Cae8ius*\ 
zoo als op: L. Horatii Flacci opera denuo emendata. Arnst. Gnü- 
jelmus Caesius excudebat. 1628, somtijds: ,yGuilielmu8 Janssonius 
CaesiiM** , zoo als op : Historiae Romanae Epitome. Amst, apud 
Guilielmum Janssonium Caesium, 1625. 

De spelling van hun naam door de nakomelingen van Willem 
Jansz. blijkt uit nevensgaande facsimile's der handteekeningen 
van zijn zoon, Dr. Joati Blaeu en van z^n kleinzonen :/^i/^^m, 
Pieter en Joan Blaeu, Die van Willem wordt gevonden in 
een ex. van de: Imtatio Christin 



118 

YóÓT 1620, schreef Blaeu veelal: „Willem Jatuz.*" of „Gml, 
Janêsottius " zoo als op : Lud. Gtdcciardmi omnium Belgii regionum 
descriptio, Amiterdami. Guü, Janssonius, sub ngno sólani. 1613. 

In het jaar 1618 vestigde zich Jan Jansz. te Amsterdam , werd 
er althans in dat jaar opgenomen in het gilde der boekver- 
koopers. Deze had vroeger t« Arnhem den boekhandel ge- 
dreven, en hij of z^n vader Jan Jansz. had, in 1613, met 
Martin Orges , die wegens geloofsvervolging uit Frankrijk ge- 
weken was, te Uchelen, in het Schoutambt Apeldoorn, een 
papiermolen gesticht, den eersten op de Veluwe, omtrent 
welken zekere bescheiden tot ons gekomen z^n 1). Op de 
drukken , bg hem verschenen , noemt h^ zicb veelal : Johannes 
Janssonius. Drukken van Jan Jansz. of Janssen , te Arnhem , 
vindt men van 1604, of zelfs vroeger, tot 1637. Aangezien 
de winkels van Guilielmus J anssonius (Blaeu) en van Johannes 
Janssonius in elkanders nab^heid , op het Water stonden, en 
beider firma's zich voor een groot gedeelte op het gebied der 
aardr^kskunde bewogen, moest een en ander aanleiding ge- 
ven tot vergissingen, die Blaeu, door de b^voeging van z^n 
geslachtsnaam, sch^nt te hebben willen voorkomen. Over hunne 
vijandschap en de verwisseling van beider werken en personen 
door latere schrijvers zie hierboven bg de: Werken van W. 
Jz. Blaeu, 

Beider namen zgn verbonden aan uitgaven van: Journal 
ofte heschryvinghe van de wonderlicke reyse ^ ghedaen door Wülem 
Comelisz Schouten van Hoorn in de jaren 1615, 1616 en 1817. 
Hoe hy hezuyden de Straie van Magellanes een nieuwe Passagie tot 
in de groote Zuydzee ontdeckt, en voorts den gheheélen Aerdldoot 
omgheseylt heeft. Wat Bylanden , vreemde volcken en wonderlicke 
avontueren hem ontmoet zyn, f Amsterdam. £y Willem Jansz. op 
't Water in de Sonnewyser, 1618. mei opdracht van Willem Jansz. 
aan Burgemeesters, enz., te Hoorn, gedagteekend : Amster- 
dam, 25 Sept, 1618. 

Letterlijke nadrukken van dit werk versohenen : 



1) D. Grothe, Handboek der Technologie, blz. 350. 



119 

Tot Arnhem y hy Jan Jansz, Boeckverkooper. Anno 1618. 

Tot Amsterdam. Voor Jan Janaz, Boeckverkooper in de PaS' 
kaert. 1618. 

Van de Eransche vertaling van het Jounud sagen twee 
uitgaven, de eerste, zonder jaartal, de tweede, van 1618, het 
licht by Guülaume Janaofi, en eene b^ Jan Jansson, Lehraire 
demeurant sur VEau, a la Carte Marine. 1619. 

Voor latere drukken , nadrukken en vertalingen zie men : 
Mhmre èièlioffraphique sur les joumaux des navigateurs Neerlau^ 
dais, rédigé par P. A, Tiele, Amsterdam, frederik Muller. 1867. 
p. 40 — 56. Hieraan z^n bovenstaande bijzonderheden aan- 
gaande het Journal ontleend. 



BIJLAGE II. 



POBTIiET VAN WILLEM JA5SZ. BLAEÜ. 

Het portret te^^enover den titei is eene albertypische copie 
van hot portret in koperdruk, gegraveerd door J. Palck. 

Van dit laatste bestaan proefdrukken , met het jaartal 1645 
en het opHchrift „/. Wilhelmus Blaeu^^ onder het portret. Zij 
zijn getoekond: /. Falcle, f 

De andere afdrukken , die , wat de gravure van het portret 
betreft, geenerloi afwijking van de vorige vertoonen, dragen de 
Hproiilr: ^^Indefcmm agendd^ in de lijst, en het by schrift van C. 
BarlaeuH, onder het portret, en zijn geteekend: /. Falck sculp. 

In l)ot werk van F. Eoth-Scholtz, getiteld; „Icones biblio- 
po/ffrtfht f4 If/pof/raphornm" Noribergae. 1730. 1731, komt eene 
weinig gelijkende copie van dit portret voor en draagt tot 
opsi'hrift: 

„ jnihfinim Blamv sive Blaauw , alias Janssonius Caesius , Celehris 
t'f orndiffis Bihliopola et Typographus Amstelodamenm ei singularis 
nifiirtfft Tj/chonis de Brahe autor Atlantis aliorumque optisculorum 
dr aioh\s of Mfronoma. Den. 1638 d. 10 OcL Aet. LXFII Ex 
collecffOHe Friderici Rol/t Scholhii. I^orimöerg." 

In do vorzamoling van den heer Mr. J._ T. Bodel Ngenhuis 
boviiuKn zich Eoor >'ohoore exomplaren van al deze uitgaven; 



m 

hare beschrijving vindt men in zijne : listes de portraUs ffimpri- 
meurs, de libraires, etc. Leide 1836 — 1868, in 4". 

Van den boven omschreven proefdruk is , voor eenige jaren , 
door den heer F. Muller een merkwaardig exemplaar verkocht , 
dat in de volgende woorden beschreven is. 

Deze plaat in proefdruk voor alle letters. Foor aan het wit , op 
de plaats , waar het wit in de andere drukken staat , is kier een 
breed omgekruld wit blad , als voor een opschrift vastgehecht , en de 
pi-aats van het wit is bewerkt en onderaan in den hoek van de plaat 
de naam van den graveur J. Falck, f. niet als later Falck scvlp. 

Onder de plaat nu is de volgende belangrijke noot door eene hand 
van dien tijd geschreven. 

Willem Jansz. B oekverkooper, eertijds kistema- 
ker, drUcker, Gognomine met de bijnaam (Globi) 
(Blaeu) gebofen tot Uytgeest een dorp by Alck- 
maer 1571 gesturven t' Amsterdam op de Bloem-' 
gracht 1638, 21 October. 

j^an de keerzijde het volgende: 

Pro Memoria üiogeni. aet 77^ 

Joan Blaeu geb. 1596 den 23 Sept. gest. 28 Mei 1673, 

Willem Blaeu,, 1635 „ l Oct. „ aet. 

Pieter Blaeu „ 1637 „ 8 „ „ aet. 

Joan Blaeu de grote Gever 1650 den 14 Aug. op myn 
geboorte dagh en* gest. den 
Dezen heeft my naar 46jarige diensten in de grootst 
ellende ge ja(egt). 

God tloonehet. 

Triplex funus difficile Bumpitur. 

Een driedraets touw of snoer of garen breekt 
niet ligt maer dese is spinrag alle dag nieuwe 
plaag voor 't loste deel mjns gesonden levens, 
ondanck tot loon voor zooveel gewins. 

Dese prent op de koopbrieven vau een gewesen 
plaet drucker Gill. Will. gekocht pro 1 st. 

Die as-cens Mariae 15 Augusti 1696. 



122 

Van het volgend byaehrift van G. Barlaeus volgt daaronder 
eene vertaling. 

GUILISLMVS BlAEIT. 

HipparchoB antiqua suos si praedicat aetas, 
Sosigenem Memphis relligiosa colit: 
Cantaber Alphonso, Cimber Tychone superbit, 
Atque aiiquid tantae Sarmata laudis habet 
Blavius hoc omne est Batavis , quem fulgida dudum 
üraniae lumen credidit esse saum, 
Et toties istis nizus cervicibus Atlas, 
Yestaque, quam tabula jam manus una gerit. 
Aere emitur parvo mundus, quis venditor, hic est 
Hic minima docuit sidera puppe veri; 
Portari Oceanum ratibus, portusque, viasque, 
Littora, et immensis dissita regna plagis: 
Navita, quid noctu gelidas inquiris in Arctos? 
In puppi ante oculos Arctos iterque patent. 

o. BABLABUB. 

Willem Blaeu. 

Terwiyl de oudheid roemt op hare Hipparchen, het gods- 
dienstige Memphis Sosigenes vereert , de Cantaber zich verheft 
op Alphonsus , de Cimber op Tycho , en ook den Sarmaat van 
zooveel lof iets toekomt,* is Blaeu dit alles voor Nederland. 
De schitterende TJrania heeft hem reeds lang als haar licht 
beschouwd ; niet minder Atlas , dien h^ zoo dikw^ls den hemel 
op z^ne schouders heefb doen torschen; ook Yesta, wier 
beeldtenis h^' op deze afbeelding in de ééne hand houdt (?) 

Voor weinig geld kan men thans de wereld koopen. Wie 
is de verkooper ? Hij is het ; hij heeft ons geleerd de sterren , 
den Oceaan, havens, wegen, stranden en de uitgestrektste 
koningryken in het kleinste schip te vervoeren. — Zeeman, 
wat zoekt gij des nachts naar het koude Noorden? Gij hebt 
in uw schip het Noorden en uw' ganschen weg voor oogen? 



BIJLAGE IIL 



BBIEYEN VAN P. O. HOOFT. 

Aen m^n Heer Htjigh pe Gboot. 

Mijn Heer, 

Brenger deses verstaeu hebbende, wat ü E. noopande 't 
gesagh der Overheidt in 't Geestelijcke , denckt aan den dagh 
te geven ; en my verclaert , wel geneghen te zyn om een boeck 
van zoo treffelijcken stóffe en Autbeur heel sinl^ck te druck- 
ken, gelijck hy Heinsio en anderen te haeren goeden ge- 
noeghen heeft gedient: soo heb ick niet ongeraeden gevon- 
den , hem , doch om andere boodtschappen naer Zuidt-HoUandt 
reisende , aen Uwe Ed. te richten , om te versoecken , oft Zy 
misschien met desen zijnen dienst mocht wesen beholpen. Hy 
is een soon van mijns moeders Oom, en heeft m^nen Yaeder 
eenighe jaeren gedient, om sich in coopmanschap te oefenen. 
Mercurio invito. Maer beter gesint tot de Mathematicque , is 
daarnae by Ticho Brahe sekeren tijdt geweest, en eintlijck 
door de G-eografie , en handelen met caerten en globen , oock 
aen de boéckwinckel geraeckt. Suk U Ed. hem in desen , en 
(naer wy hem kennen) oock in anderen , daer hy bequaem toe 
waere, wel gerustelijck soude vertrouwen moghen . 



Wt Amterd. 29 Novemb. a. 1616. . 

IJws Eds. 
Dienstschuldighste 

P. C. HÓÓFT. 



Aen den Heere jaoob mre, Opperste Wachtm. 

Weledele, ^. 
De atroeleD van d'on verdiende gunste Uwer Ed. G-estr. te 
mywaerts , verhelderen my der wyze , dat jk niet en EJe , hoe den 
geenen t' ontschujlen, die zicb nie*^ en ontzien te verkrachten 
tnijn' rechtvaerdighe achreumte, vanTTEd. Gestr. d'een' achter 
d'andre rejse moejelgk te vallen. Op gister heb ik TJwer 
Ed overbeleefden brief beantwoort met den mijnen, dief van 
zoo veel tyds , dat den vaederlande t'onbrujk gemaekt wort. 
Ku vergbt men mj , Uwer £d. Oestr. voorspreken hj 
ïjn' Vooratl. Doorl. aen te roepen, om de swaerigheit 
eeuer zaeke te redden , die haer van brenger dezes zal ont- 
fouwen worden. Hoe ontgae jk betP Hj is een geschikt en 
geleerdt jonkman, my in mae^bap bestaende; de vaeder 
Willem Blauw, een schrander Wiskonstenaer , leerling van 
Tycbo Brahe, genoeg vernaemt, en zoude het bet zijn, ah 
't hem luste. My waer lief, zoo U Ed. Gestr. hem een goedt 
woordt kon leenen , maer loeder veel , dat zy hierin yets dode 
dat eenighsina aenstootlijk , ofb haer tegens de borst moght 
wezen : alzoo mijne zinlijkheden zich altijds blijdehjk buighen 
zullen onder die van, Uwer Ed. Gestr. gelijk de plicht is. 
WIede'. &c , van 

Uwer Ed. Gestr. 
JUereighensteK en nemmer Imbaeren dienaer 

P. C. HÖÖFT. 

In hneste van den H. t. Mujdcti , 
deti j*° viiu HoFJui&ent 1634. 



j 
i 



BIJLAGE IV. 



\ 

ÜITTBEKBBLS UIT DE WEBEXÜT TAN G. J. YOSSIXTS. 

G. J. T0B8IVS. De Scientiis mathem. 1660. in 4**. p. 199. 

47. §. Anno 1628 nomen suum late diffundebat Guilielmus 
Janssonius Caesius , sive Blaeu , Amstelodamensis , prae- 
clarè de Bep. ac literis, meritus: partim in re Qeo- 
graphic^ , de qua inferiüs dicetur , parfcim in Astrologica. 
Nam vir hic ingenio, et judicio maximus, sphaeris, 
globisque coelestibus, construendis , priorum omnium 
longè vicit industriam; sive accuratam spectes dimen- 
sionem, Bive disparem globorum magnitudinem , quae 
in maximis tanta fuit, ut diameter pertingat ad pedes 
geometricos duos , ac dimidium. Et , quod non vulgaris, 
ac tralatitiae est gloriae, primus omnium duplicem 
fecit spfaaeram Copemicanam. Una est generalis , qu4 
oculis manibüsque omnium subjiciebat dispositionem 
mundi ; ubi Sol quiesceret in centro , circa eum Mercurii 
sphaera moveretur , circa illum sphaera Yeneris ; Luna 
' veró , Terraque , inter orbem Veneris , et Martis , eclip- 
ticam annuo spatio percurrerent ; supra sphaeram Martis 
esset illa Jovis; uti ulteriüs sphaera Satumi; extima 
autem foret illa fixarum , ipsa etiam imraobilis. Sphaera 
altera est particularis : ac proponit motum terrae dupli- 
cem, diumum circa axem suum, et annuum per eclipticam 
Sanè ab Archimedis temporibus, usque ad nestra, nihil 



tale orbis conspexerat. Atque ubi primüm vidit, ductus est 
in admirationem viri. Hinc jam amari ille a maxi mis Mathe- 
maticis. Quod imprimis de Willebrordo Snellio, Adriano Metio , 
& tot aliis , possim dicere.Etiam Mathematicus egregius , Fhi- 
lippus Lansbergius , adspectabilis coeli lypum , quem inseruit 
commentationibus suis de motu terrae diumo , & annuo , non 
alteri dicandum putavit , qu^m , ui inscriptio habet , Guüiélmo 
Caesio, edüis AtronOHomiciê glchU^ êt tabulii Costnoffraphicis , tdro 
clarmimo, Non parum etiam gloriae , artifieum judicio , me- 
ruisse Blaeuwius censetur ingenti , ac pulcherrimo quadrante : 
qui Lugduni Batayorum conspicitur in turri , unde observatio- 
nes fiunt Astronomicae. 

48. §. Nee in hoc solo ingenium , doctrinaque Blaeuwii eluxit ; 

sed etiam scriptis utilissimis: imprimis Institutione 

Astronomica bipartita. Priori parte scientiam hanc 

tradit secundum mentem Ptolomaei , ex hypo.thesi terrae 

quiescentis. Parte altera eam docet secundum senten- 

tiam Gopei^nici, ex hypothesi terrae mobilis. 

Patrio ipse sermone conscripsit: sed Latinè reddidit Mar- 

tinus Hortensius , Mathesios , paucos ante annos , in hoc Am- 

stelodamensium Lyceo Professor ; de quo mox pluribus loquar. 

49. § Quod si fata Blaeuwio longiorem concessissent vitam : 

multa etiam alia usüs maximi haberemus. In ter caetera 

animo agitabat descriptionem Coeli in plano , quae LX 

ingentibus laminis comprehenderetur. 

Aliquarum delineationes adhuc videre est: uuius etiam ^ 

stellis expressis; necdum tarnen singulis ad finem perductis. 

Sed quod mors praeveniens, non sivit. facere optimum, & 

clarissimum senem; id sperat se praestiturum filius eo patre 

dignissimus, Joannes Blaeuwius, Jurisconsultus idem, atque 

Mathesios studiis, Geographiae imprimis, & Astrologiae egre- 

giè excultus. 

Q. J. Yossius. Be philologia. 1660. in 4°. p. 64. 

TJtinam vero superesset oratóssimus urbis hujus Amstelo- 
damensis civis, Quiihelmus Blaeuw, magni & Nobilissimi 



'1-27 

Yiri Tychonis Brahei diBcipulus , vir magnificè , accuratis suis 
tabulis de arte hac, doctorum ommiam judicio, promeritus : 
cujuB ego non possum non cum dolore meminisse, quando 
cogito, quantum in eo viro haec disciplina amiserit. Bene 
tarnen est, quod reiiquerit dignum se filium Joannem Blaeuw, 
Jurisconsultum quidem , paternis interim insistentem vestigiis ; 
nee tjpographica modo arte , sed expoliend^ etiam geographiS. 
turn veteri , turn nov&, praeclarè admodum de studiis merentem. 

Gt. j. Tossivs. De scientiis mathem. 1660. in 4**. p. 263. 

éO. §. Anno 1628 G-uilielmus Blaeu Amstelodamensis multum 
rem G-eographicam promovit, non modo tabulas pan- 
gendo maritimas in usum navigantium mari: sed etiam 
globis terrestribus, et omnium terrarum tabulis inde- 
fesso labore , magnis impensis , et quod caput est , acri 
judicio, melius, perfectiusque concinnandis , què.m 
priorum industria factum foret. 
Quid mirum? ad praeclaras animi dotes accesserat insignis 
peritia mathesios. Hauserat eam a doctore nobilissimo Tjchone 
Brahe: cum quo amice vixerat diu. Quam non facilè alieno 
fideret judicio, sed pi^opriis oculis, & experimentis , niti mal- 
let ; alienis etiam repertis suas addere observationes gauderet ; 
inter alia, argumento illud erit, quod non refugit ipse labo- 
rem mensurandi omne litus inter Mosam, & Texeliam; ut 
inde judicium ferret, quae vera esset magnitude orbis terrarum 
mensura perticarum Bhenolandicarum ; quas ad ezemplum vo- 
cabuli decempedae, duodecempedas, vel duodecimpedas, dicere 
possumus. Eine eo, quem dixi, tum in litore HoUandico 
magis Boreali , prope Texeliam ; tum in magis Meridionali , 
ad Mosae ostium ; quam accuratissimè poli altitudinem organo 
observavit, cujus arcus foret pars circuli trigesima; XII ni- 
mirum graduum : diameter veró esset XXVIII pedum Eheno- 
landicorum. Quae de isto conscripserat , ea digesta a se 
divulgare cogitat filius laudatissimus , mihique amicus, Joannes 
Blaeu. A quo etiam parens magnopere fuit adjutus, G-eo- 
graphicum edendo Atlantem duobus ingentibus voluminibus, 



128 

lingua tam Latma, turn etiam Germanica, Belgicè, & Gal- 
licfty nre FrancidL Imó & patre defoncto (obiit ille anno 
1638, XII kalend. Norembris, annos natas LXYII) idem 
Joannes Blaeawiaa, cam janiore firatre Cor|ielio, viro magnis 
▼irtatibas, tertiam hajosce Atlantis volamen emisit. Comelio 
antem prae matnrè mortao, quartam etiam pablici juris Joannes 
fecit. Ac nnne in qnincto, sextoqae, desudat. Nee minus 
stnpenda indnstria £acile priores exsuperat Theatro urbium, 
& munimentoram : cujas jam dao volumina , quae de Belgica 
sant, magno cam !a?ore, & applaasa, non soii fielgae ex- 
ceperant. 



BIJLAGE V. 



Uittreksels uit j. t, ïoppbss, Biblioth. belgica. 

p. 408. G-uilielmus Jansonius Blaeu , Amstelodamensis , Tj- 
pograpbus, Matbematicus , atque G-eograpbus celeberrimus , 
Tycbonis Brabaei quondam discipulus, ac familiaris amicus, 
non modo typis elegantissimis sed et variis libris editis 
summum sibi nomen acquisivit. Mortuus est IS Octobris 
1638^ aet. 67. filios relinquens Joannem et Cornelium, pater- 
nae artis industriaeque haeredes. 

p. 582. Joannes Blaeuw, Civis ac Typograpbus A.msteloda- 
mensis eeleberrimus et opulentissimus , ejusdem Urbis Senator, 
G-uilielmi parentis sui artem et scientias mirifice imitatus, 
varia ejus Opera edidit, atque imprimis in Geographia, eden- 
disque Cbartis universas Orbis terraquei Eegiones exhibentibus 
excelluit. Erat quidem externa professione Acatbolicus, sed 
Catbolicis ab insigni gravitate, modestia, aequitate passim 
perquam aestimatus. Nullos ille libellos famosos, ut quidam 
alii, ad prelum recipiebat unquam, ac ne venales quidem apud 
se sustinebat baberi. 

Favebat Catbolicis ubicumque poterat,' eorumque Pres- 
byteros babebat bonorifice. Summum autom Pontificem, 
quem Calvinistae pro anti-Christo babent, sic cóluit, ut 
cum suo Cosmographico et ubique notissimo XIII tune to- 
mo.rum Athlanti, regia quasi magnificentia et ingentibus 
sumptibus excuso , addidisËMet, duobus praegrandibus speciosis- 

9 



<80 

simisque Voluminibus , Civitatum et admiraodorum Italiae 
Theatrum anno IGGd, universum advolverit pedibus £B. Fatris 
(sic Bonat titulus Dedicatorius) Alexandri VII Pontificis Maximi. 
Decem prela sua nulla re magis habebat occupata, quam im- 
primendis, sub nominn Judoci Calcovii omnis generis Missa- 
libus ac Bre?iariis Bomanis. Acta item Sauctorum Mensls 
Aprilis a PP. Societatis Jesu cupidissime suscepit, cum 
Typographi nostrates sumptuoso operi humeros substraheFent , 
temporum difficultatibus causati. Ipse vero gloriosam sibi 
ducebat, terrestri (ut aiebat) Athlanti coelestem jungere , 
simul babiturus duo maxima quae uspiam extabant, aut 
unquam fortassis exstitura essent, Opera. 

Ünde cum Deo placuit novam ipsius Typographiam funesto 
anni 1673 incendio perdere, non deerant haeterodoxi qui 
exprobrarent , hanc esse poenam tot Papisticorum librorum, 
ac idololatriae Missaticae ministerium ejus typis excusorum, 
toloque orbe dispersorum. Tres post se reliquit filios claris- 
simos, Joannem, Wilhelmum et Petrum » omnes Civitatis Am- 
stelodamensis Senatores. 

Hoc ejus Eloffium scripsit P. Papehrochiua in Respomo ad Exhi- 
bUionem Errorum P. Sebaatiani a 8. Paulo etc. Tomo IL p. 1Ö5. 



BIJLAGE VI.* 



„BemonHroHÜe va» Galileu» Galüei, 

1 

raeckende Oost en West 1636", berustende 
in hét Rijks Archief te 's Gravenhage. 

;,Recepti die 11 NovemBris 1636." 

AgV lUustrissimi et Foientissimi Signori , ISignori Ordini 
GeneraU délle Confederaie Provincie Belgiche, etc. 

G-alileo G-alilei. 

A voi lUustrissimi e Potentissimi Signori, a voiDomatori 
eDominatorideir Oceanoè stato riserbato dalla fortuna, 
anzi da Dio , di ridurre alF ultimo , ed altissimo grado di perfe- 
zione Tammirabile Arte della Navigazioiie ; nella quale come ben 
sanno i periti (de i quali voi , ed in numero , ed in perfezione 
siete sopra tutte Taltre nazioni abbondanti) una sola scienza , 
e perizia manca, acció in essa nulla resti piü, che deside- 
rarsi; e questa è la facoltè. di potere non meno conoscere, 
ed apprender la longitudine, di quello che si conosca, ed 
apprenda la latitudine , dalle quali due cognizioni s* ha sicura 
notizia del luogo , ove non meno in acqua , che in terra, sopra 
questo gran Globo marittimo, e terrestre ei ritroviamo. Il 
modo di potere in ogni tempo sapere la longitudine , e stato 
per molti secoli rioercato da Astronomi , ed altri ingegni spe- 
culativi; e da' gran Potentati promessa recognizione grande 

9^ 



132 

d^onore, e d*utile a chi ne fosae troratore. Sino a qaestanostra 
eta non è stata conosciiita altra strada, che V antichissima 
per via degli Eclissi lunari, coU* ajuto de i quali nel corso 
di moltl anni, e secoli, hanno i Geografi disegnate Ie loro 
taTole delle provincie , de i mari sparsi nella faccia del nostro 
Olobo. Ma la raritè di tanti Eclissi per il bisogno de i 
naviganti resta totalmente inutile. Da accidenti, che acca- 
dano in terra » non è possibile trovare la differenza di longi- 
tudine, se non inutilmente tra luoghi vicini; perchè ne fumate 
di giomo, ne fuocbi di notte, possono essere osservati ne 
anco in distanza di un grado. Pero bisogna ricorrere ad acci- 
denti altissimi , e celesti , visibili negli interi emisferi. Di tali , 
ne è stato cortese il Cielo nelie etadi passate, ma per i pre- 
senti nostri bisogni assai scarso. Non ei avendo ajutato con 
altro , cbe con gli eclissi lunari. Non gia che l'istesso cielo non 
sia abbondantisfiimo di accidenti frequenti, notabili e somma- 
mente piü atti, ed accommodati a i bisogni nostri degl' eclissi 
lupari, o solari; ma è piaciuto al Bettor del mondo tenergli 
celati sino a i tempi nostri, e palesargli poi per industria 
di due ingegni uno Olandese et l'altro (un ingegno) 
Italiano, Toscane , Eiorentino. Quello comeprimo in- 
ventor del telescopio, o Tubo Ollandico et l'altro 
come primo scuopritore ed osservatore delle stelle medicee, 
cosi da esso nominate dalla casa del suo Principe e Signore. 
Ora per venire al punto , in brevi parole espongo alle Sig"^ 
Vostre 111°** e Potentiss* tutta Tistoria, e somma del presente 
negozio. Sappiano per tanto , come intorno al corpo di Giove 
vanno perpetuamente rivolgendosi quattro stelle minori, con 
diverse velocita in 4 cerchi di differenti grandezze ; da i movi- 
menti delle quali stelle, abbiamo per ogni giorno naturale, 4, 6, 
8 ed ancora spesse volte piü accidenti tali , che ciascheduno è 
non meno accomodato, anzi molto piü, che se tussero tanti 
eclissi lunari , per 1' investigazione delle longitudini; atteso, 
che essendo la loro durazioiie di breve tempo, non danno oc- 
casione d'errare nella numerazione dell' ore, e delle parti 
loro. Gli accidenti poi sono i seguenti. Prima per essere il cprpo 



133 

di Oio7e, per sua natura, non meno tenebroso che la terra, e 
risplendente solo per V illuminazione del Sole, disten de nella 
parte opposta al Solo la sua ombra in forma di cono, per 
la quale ciascuno de i suoi 4 éatelliti passa, mentre scorre la 
parte superiore del suo cerchio , ed essendo' essi ancora a 
guisa di é lune privi di luce, e solamente risplendenti per 
rilluminazione del sole entrando nel cono delPombra di Oiove 
s'eclissano, e per la piccolezza Joro, 1* immersione nelle te- 
nebre si fa in tempo d'un minuto d'ora in circa. Farimente 
alcune ore dopo uscendo dell' ombra, in altro tempo brevis- 
samente recuperano lo splendore. Dal che è maijiifesto, che 
gli osservatori di tali Eclissi non possono differire tra di loro 
circa il tempo deir ésquisita osservazione , ^i un minuto 
d'ora. Oltre a gli eclissi vi sono secondariamente Ie applica- 
zioni de i loro corpi a quello di Giove; dove si puó osser- 
vare Tesatto momento , nel quale nostrano di toccare il disco 
di G-iove; come anco all* incontro viene osservabile la loro 
separazione dal medesimo disco, e tali congiunzioni, e sepa- 
razioni vengono osservabili senza orrore di mezzo minuto 
d'ora mediante la velocita del moto loro, e il piccolissimo 
momento, che media tra il toccare , e il non toccare. Sono 
nel terzo luogo osservabili Ie congiunzioni e separazioni tra 
di loro de i medesimi satelliti, li quali mentre che con mo- 
vimenti contrari si vanno ad.afirontai^e, scorrendo questi la 
parte superiore de i loro cerchi, e quelli l'inferiore, si con- 
ducono all' esatta congiunzione la quale passa in manco di un 
minuto d'ora; sicchè il suo mezzo viene esattissimamente 
comprensibile senza errore anco di pochi minuti seccndi. 
Questi sono gli accidenti frequentissimi in tutte Ie notti in 
qual si voglia parte^ di tutto il globo terrestre. ed in tutto 
il tempo deir anno, che Giove resta visibile, ed osservabile; 
de quali accidenti , quando no sieno da perito astronomo for- 
mate reffemeredi, calcolate a qualche meridiano stabilito, 
come Vgra al meridiano d'Arasteldamo, delle quali ne ab- 
biano i Nauchieri copia appresso di loro, facendo a i tompi 
opportuni , 1' osservazioni , e confrontandole con i tempi notati 



neir effemeridi , potraono dalla dilFerensa delV ora numerata da 
loro, e Tora notata nell' effemendi comprendere la distansa 
del meridiano, nel quale si fcrovano, dal primo meridiano 
d'Amsteld*, che è la cereata lóngitudine. 

La sicurezza, e Fatilita grande di potere in terra rifor- 
mare, ed emendare tutte Ie carte geografiche, e nautiche; 
sicchè non differiscano dal vero nè pur mezzo grado, nè 
(direi quasi) una lega , è manifestissima , e facilissima , perchè 
senza effemeridi , ne altri calculi basta , che uno nel luogo dove 
si trova vadia per alcuue notti osservando de i soprannomi- 
nati accidenti, notando l'ora della sua apparenza; la quale 
conferita coUe osservazioni medesime fatte, e notate eon i 
i loro tempi in Amsteld"", o in altro luogo, dari la differen- 
za de i meridiani. Sicchè siamo sicuri , che tal pratica per 
Tavvenire , è pex essere esercitata , e che con essa sarè. resti- 
tuita tutta la geografia all' assoluta giustezza; ottenendosi 
in numero minore d' anni quello , che in maggior numero di 
secoli non si è ottenuto coFajuto degFeclissi lunari. Ma 
per l'uso della navigazione restano 4 particolaritè. da guadag* 
narsi. Prima Tesquisita teorica de i movimenti di esse stelle 
medicee circumjoviali ; per la quale da periti astronomi si pos- 
sano calculare, e distribuire in effemeridi tutti gli accidenti 
soprannominati. Secondariamente si recercano telescopi di tal 
perfezioni, che chiaramente rendano visibili, ed osservabili 
esse stelle. Terzo conviene trovar modo di superare la diffi- 
culta, che altri puo credere, che arrechi l'agitazione della 
nave nell'uso di esso telescopió. Nel quarto luogo si ricerca 
esquisito orologio per numerare l'ore , e sue minuzie , a me- 
ridie, ovvero ab occasu solis. Quanto al primo io ho con 
tal precisione guadagnati i periodi de movimenti delle 4 
stelle, che Ie costituzioni per molti mesi calculate innanzi, 
puntualmente mi respondono; e (come sanno i periti nelle os- 
servazioni e de i calculi de i moti celesti) il corso del tempo, 
va sempre aggiungendo maggiore esattezza. Quanto al 2». ho 
sin qui ridotto a tal perfezione il telescopió, che i satelliti 
di Giove benche invisibili, non solo airocchio libero, ma a* 



13^ 

telescopi eomuni , si redono non manco grandi , e risplenden- 
ti delle stelle fisse della seconda grandezza, vedute coiroc- 
chio libero ; anzi si coutinua a vedergli ancora nel crepuscolo, 
quando niuna delle fisse resta piü visibile; ma di simile, ed 
anco di maggior perfezipne mi giova credere, che sieno per 
tro varsene ancora in coteste regioni, dove fu la prima 
invenzione. Circa al 3^. ho anco pensato a qualche oj^por* 
fcuno rimedio per coUocare Tosservatore in luogo talmente pre- 
parate , che non senta la commozione della nave. Ma intorno a 
questo particolare, mentre io riguardo a quante operazioni 
ha ritrovato in progresso del tempo Tesperienza, e la solerzia 
degl'ingogni umani, non metto difficulta nessuna, che la 
pratica d'uomini accorti, e pazienti, non sia per addestrarsi 
in cotal uso non meno in mare, che in terra, e massime, che 
la nodtra operazione non hadaessere di pigliare distanze con 
quadranti, o altri tali strumenti tra stella, e stella, ma un 
Bempli<!e passaggio della vista per vedere, se due/di queisa- 
telliti son congiunti, se si applicauo al disco di Gi(|ve, o se 
sono uscitiy o sieno per entrare nel cono dell' ombra. De 
quali accidenti fatti prima avvertiti dall' effemeridi, che deb* 
bono seguire in quella notte , con tornare spesso a replicare 
l'osservazione incontreranno precisamente il tempo e Tora 
dell'evento ; fioalmente circa al 4°. requisito io ho tale misu* 
ratore del tempo, che se si fabbricassero 4,6 6 di tali strumenti, 
e si lasciassero scorrere, troveremo (in confermazione della 
loro giustezza) che i tempi, da quelli misurati, e mostrati» 
non solameute d'ora in ora, ma di giorno in giomo, e di 
mese in mese, non difierirebbero tra di loro ne anco d'un 
minuto seconde d'ora, tanto uniformemente camminano; 
orologi veramente pur troppo ammirabili per gli osservatori de 
i moti, e fenomeni celesti; ed è di piu la fabbrica di tali 
strumenti schiottissima , e semplicissima , e assai meno sot- 
toposta air alterazioni esterne di qualsivoglia altro stra- 
mento per simil uso ritrovato. 

Jo beniss^' so Ulustrissimi e Potentiss^ S2g'^ che avanti a 
principi grandi si dovrebbe comparire coU' invenzioni nuove 



136 

gia stabilite , ed atte a porsi in uso immediatamente ; tuttavia 
80 ancora , che la prudenza vostra comprendera , che non es- 
sendo io uomo marittimo, ne idoneo idoneo alla naviga- 
zione , non son potuto venire nel cospetto loro in altra maniera, 
che in questa. Safei per avventura potato venire presenzial- 
men te quando la lunghezza del viaggio, la mia grave eta di 
73 anni, ed altri impedimenti non mi avessero ritenuto. 
Ma quello, che mi assicura appresso la benignita, e gran- 
dezza d'animo delle SS. V.r" Ill°»« e Pot™'^ è il non avere io 
preteso altro, se non che la prudenza, ed umanita loro 
gradisca questo piccol parto del mio ingegno, del quale gli 
fo libero dono, come anco oblazione di quello, che restasse 
per rintero complimento di questo negozio. 

E qui per fine voglio aggiunger questo, che Ie SS. V.re Ill™« e 
Pot"»^, come veramente Potentiss™* sopra tutti gFaltri potentati 
del mondo, a dar cominciamento, e ridurre a perfezioue impresa 
tanto bramata, e ricercata non restino d*applicarci il pensiero, 
e la mano. E sieno certi , che ora , o in altro tempo ha da 
esser messa in uso questa invenzidne , la quale puo dirsi am- 
mirabile, come quella, che depende da cose celesti, e divine 
riposte lassu da Dio , solamente per arrecare beneficie al 
genere umaao. I principi di tutte Timprese grandi hanno 
delle dificultè , Ie quali la* paziente industria degl'uomini col 
tempo va superando, come apertamente puó ciascuno in- 
tendere, il quale vadia considerando tante, e tante arti, i 
principi delle quali siamo sicuri, che furono debolissimi, ed 
ora si vedono ridotte a far cose , che rendono ammirazione a i 
piü elovati ingegni. Jo potrei nominare arti innumerabili , 
ma basti sola questa della navigazione da i vostri medesimi 
Olandesi , a si mirabile perfezione ridptta , che se questa sola 
perizia, che resta del trovare la longitud°% che a loro pare 
riserbata, verra aggiunta all' altre tanto industriose opera- 
zioni per loro ultimo, e massimo artifizio, avranno posto 
termine, e meta alla gloria, oltre alla quale niuna altra na- 
zione puo sperare di passare. Ed umilmente me Ie inchiDO. 



137 



VEBTAIIKÖ. 
Ontvangen 11 November 1636. 

Jan de Ho. Mo. Heeren Staten Oeneraal der 
Fereen. Nederl, 

Galileo Galilei. 

Voor u, Ho. Mo. Heeren, voor u, bedwingers en 
beheerschers van den Oceaan is het door de fortuin 
of veeleer door God weggelegd, om de bewonderenswaardige 
kunst der zeevaart tot den uitersten en hoogsten trap van 
volmaaktheid optevoeren. 

Aan hen, die in deze kunst ervaren zijn, (wier aantal en 
bedrevenheid in Nederland grooter is , dan onder alle andere 
volken) , is het wel bekend , dat er nog slechts één hulpmiddel 
aan ontbreekt, om die kunst alle wenscheu te doen vervul- 
len, en wel het vermogen, om even goed de geographische 
lengte, als de breedte eener plaats te bepalen. 

Uit de kennis van deze beide gegevens toch kan men, 
zoowel te water, als op het laiid, de plaats bepalen, waar 
men zich op den aardbol bevindt. 

Gedurende vele eeuwen is door sterrekundigen en andere 
scherpzinnige denkers naar een middel gezocht, om, ten 
allen tijde , de lengte te vinden ; groote mogendheden hebben 
eer en voordeel uitgeloofd aan den uitvinder van 'zoodanig 
middel. Intusschen is tot op onzen tijd geen weg daartoe 
aangewezen, dan het gebruik der zeer oude methode van 
maaneclipsen , door middel van welke, in den loop van vele 
jaren en eeuwen , de aardrijkskundigen op hunne kaarten de 
landen en zeeën hebben weten voor te stellen , die over den 
aardbol verspreid zijn. 

Door de zeldzaamheid dier eclipsen blijven zij echter voor 
de behoeften der zeevaart geheel ontoereikend. 

Door verschijnselen, die zich dicht bij de oppervlakte der 
aarde voordoen, is het niet mogelijk, het verschil in lengte 
te vinden , dan alleen voor zeer naburige plaatsen , omdat 



138 

noch rooksignalen b§ dag, noch vuursignalen b§ nacht ook 
slechts op den afstand van één graad kunnen worden waar- 
genomen. 

. Om tot ons doel te geraken, moeten wy de toevlucht 
nemen tot verschijnselen aan den hemel , die over een geheel 
halfrond kunnen worden waargenomen. 

In verloopen tijden zijn er veel van die versch^nselen 
geweest, maar voor onze tegenwoordige behoeften ontbreken 
zij b^na geheel, daar de sterrenhemel ons' alleen met maan- 
eclipsen bijstaat. 

Wel is waar komen er talryke verschijnselen aan den he- 
mel voor , die goed zijn waartenemen en veel beter dan zon- 
en maan-eclipsen geschikt z^n roor ons doel , maar het heeft 
den Wereldbestierder behaagd, ze verborgen te houden tot op 
onzen tyd, en ze eindelijk te openbaren op de nasporingen van 
twee vernuftige mannen: een Nederlander en een 
(een vernuftig) Italiaan uit Florence in Italië, genen, alsui t- 
vinder van den telescoop of Hollandschen kijker, 
dezen als ontdekkeren eersten waarnemer van de Mediceïsche 
sterren, alzoo genoemd naar het geslacht van zijn vorst en heer. 

Om nu ter zake te komen , zal ik aan Uwe Ho. Mo. , in 
weinig woorden, de geheele toedracht en inhoud der tegen- 
woordige zaak, uiteenzetten. 

Wij weten toch, dat vier kleine hemellichamen, met ver- 
schillende snelheden , in vier loopbanen van verschillende 
grootte, voortdurend om Jupiter draaien. Hunne beweging 
levert in ieder etmaal 4, 6, 8 en dikwijls nog meer ver- 
schgnselen op, die ieder niet minder, maar integendeel veel * 
beter, dan zoovele maaneclipsen geschikt zijn ter bepaling 
der lengte. Omdat hun duur zoo kort is, geven zij geen 
aanleiding tot dwalen in de bepaling der uren en onderdeden. 

Die verschijnselen zijn de volgende : 

1*. dewyl Jupiter, even als de aarde, een donkere bol is, 
en zijn licht alleen aan de zon ontleent, strekt zich zijn 
schaduwkegel uit naar de van de zon afgekeerde zijde. 

Door dien kegel gaat ieder zijner vier wachters in het 



139 

bovenste gedeelte zijnet loopbaan, en, daar zg, als manen, 
van eigen licht ontbloot zijn , en alleen door de zon verlicht 
worden, worden zij verduisterd, als zij in den schaduwkegel 
van Jupiter treden, en, wegens hunne geringe grootte, ge- 
schiedt hunne immersie ongeveer in ééne minuut. Even zoo 
herkrijgen z^ in zeer korten tijd hunnen glans , als z§, eenige 
uren daarna, uit de schaduw treden. Hieruit blijkt duidel^k, 
dat de waarnemers van dergelyke eclipsen onderling geen 
minuut kunnen verschillen in den tijd, die voor eene duide- 
l^ke waarneming vereischt wordt; 

2°. heeft men, behalve de eclipsen, nog de aanraking van 
de sch^'ven der manen met die van Jupiter, waarbij men het 
juiste oogenblik kan waarnemen , waarop beide elkander 
schijnen te raken en ook dat, waarop zij elkander daarentegen 
verlaten, en die aanrakingen en scheidingen kan men waar- 
nemen, zonder daarbij eene fout van een halve minuut te 
begaan, wegens de snelheid van hare beweging en den 
zeer korten tijd, die verloopt tusschen het raken en het 
niet meer raken; 

3°. zijn nog de conjunctie's en scheidingen der wachters 
onderling opmerkenswaardig. Terwijl zij met tegengestelde 
bewegingen elkander te gemoet gaan, wanneer sommige het 
bovenste , andere het benedenste gedeelte hunner loopbaan 
volgen , komen zij in conjunctie , en , daar deze minder dan 
één minuut duurt, kan het midden zeer juist bepaald worden, 
zonder ook slechts in weinige seconden te dwalen. 

Dit zijn de zeer veelvuldige verschijnselen , die zich voordoen 
in alle nachten en in alle deelen dei* aarde, gedurende den 
tijd, waarop Jupiter zichtbaar en waarneembaar blijft. 

Wanneer nu door bekwame sterrekundigen van deze ver- 
schijnselen de ephemeriden vervaardigd worden , berekend 
vooreen bepaalden meridiaan, b. v. dien van Amsterdam , en 
wanneer de zeelieden daarvan afschriften bij zich hebben , 
en , op geschikte tijden , waarnomingen doen, on die waarne- 
mingen vergelijken met de tijdstippen , die in de ephemeriden 
zijn aangewezen, dan zullen zij uit het verschil van den tijd, 



uo 

die door hen is opgeteekend, met dien , welke in de epheme* 
riden is opgegeven , den afstand van den meridiaan , waarop 
zij zich bevinden, tofc dien van Amsterdam kunnen opmaken. 

De zekerheid en het groote nut van alle land- en zee- 
kaarten te kunnen hervormen en verbeteren, zoodat geene 
fouten van een halven graad, en ik zou bijna zeggen, van 
een mgl voorkwamen, valt in het oog en levert groote 
gemakken op; want, zonder ephemeriden ,' noch andere be- 
rekeningen , is het voldoende , dat iemand op de plaats , 
waar hij zich bevindt, gedurende eenige nachten, bovenge- 
noemde versch^nselen waarneemt en den tyd der waarne- 
ming opteekent. Die tijd, vergeleken met don tijd van Am- 
sterdam of eenige andere plaats , zal het verschil in lengte 
aangeven. 

Wy zijn verzekerd, dat zoodoende de toepassing in de toe- 
komst zal aangewend worden, en dat daardoor de aardr^ks- 
kunde tot volstrekte zekerheid zal geraken, en men aldus, in 
weinige jaren, datgene zal verkregen, wat men, met behulp 
der maan-eclipsen , in vele eeuwen niet heeft kunnen bereiken. 

Maar voor *t gebruik bij de zeevaart moeten nog vier zwa- 
righeden overwonnen worden. 

1**. de nauwkeurige theorie van de beweging der manen 
van Jupiter , waaruit bekwame sterrekundigen alle bovenge- 
noemde .verschijnselen kunnen berekenen en in ephemeriden 
opstellen ; 

2*. moeten er zoo volmaakte telescopen gevonden worden , 
dat daardoor de manen duidelijk zichtbaar en waarneembaar 
worden ; 

3*. moet men een middel vinden , om het bezwaar te over- 
winnen, dat, naar men onderstellen mag, de beweging van 
het schip het gebruik van den telescoop belemmert; 

•4* moet men een uitstekend uurwerk vinden , dat de uren 
en hunne kleine onderdeden, van den middag of van den 
ondergang der zon af, aangeeft. 

Wat het eerste betreft, heb ik de perioden van de bewe- 
c^in^* der é manen met zooveel juistheid bepaald , dat hare 



441 

standen, vele maanden van te voren berekend, juist uitko- 
men, en, (zoo als zy, die ervaren z^'n in het waarnemen en 
berekenen van de bewegingen der hemellichamen , wel weten) 
voegt de loop des tijds aan die berekeningen grooter nauw- 
keurigheid toe. 

Wat het tweede punt aangaat, zoo heb ik de telescopen 
reeds tot zoodanigen graad van volmaaktheid gebracht, dat 
de manen van Jupiter , hoewel onzichtbaar voor het bloote 
oog en zelfs door gewone kijkers, zich daardoor even groot 
en schitterend voordoen, als sterren van de tweede grootte, 
met het bloote oog gezien; ja, zelfs kan men ze in de sche- 
mering zien, wanneer geen vaste ster nog zichtbaar is. Ik 
heb allen grond , om te gelooven , dat zulke telescopen en zelfs 
meer volmaakte in uwe landen zullen gevonden worden , 
waar or de uitvinding van geschied is. 

Ten opzichte van het derde vereischte , heb ik gedacht aan 
een of ander geschikt hulpmiddel, om den waarnemer eene 
plaats te doen innemen, die zoo is ingericht, dat hij de be- 
weging van het schip niet ondervindt. Maar, als ik let op 
zoovele inrichtingen, die de vlijt en het vernuft van den 
menschelijken geest in den loop des tijds heeft uitgevon- 
den, dan twijfel ik niet, ot de toepassing der omschreven 
methode zal door vernuftige en vlijtige mannen zoowel te 
land als ter zee geschieden, vooral, omdat onze bewerking 
niet bestaat in het meten van afstanden van twee sterren , 
door quadranten of dergelijke werktuigen, maar eenvoudig in 
het waarnemen , of twee manen in conjunctie zijn , of zij 
de schijf van Jupiter raken , of zij die verlaten , of wel , of 
zij op het punt zijn vau in den schaduwkegel van Jupiter 
te treden. 

Als men door de ephemeriden eerst opmerkzaam gemaakt 
is op de verschijnselen, die in een bepaalden nacht zullen 
te zien zijn, en die waarnemingen dikwijls herhaalt, zal men 
zeer juist den tijd en het uur der gebeurtenis kunnen bepalen. 

"Wat eindelijk het vierde vereischte betreft, zoo bezit ik 
een zoo volmaakt uurwerk, dat, indien men er 4 of 6 zoo< 



142 

danige vervaardigde, en deze in gang bracht, men zou be- 
vinden (ter bevestiging van hunne juistheid), dat det^'dstip- 
pen door alle aangewezen, niet alleen van uur tot uur, 
maar van dag tot dag en van maand tot maand geen seconde 
onder elkander verschillen, zoo eenparig loopen zy. Die 
uurwerken z^n inderdaad zeer bewonderenswaardig voor de 
waarnemers van bewegingen en verschijnselen aan den hemel, 
en daarenboven is de vervaardiging van zulke instrumenten 
hoogst eenvoudig en ongekunsteld , en zij zyn veel minder 
onderhevig aan uitwendige veranderingen, dan elk ander 
instrument, dat voor zoodanig doel is uitgevonden. 

Ik weet zeer goed, H"*. M"*. Heeren, dat men voorgroote 
vorsten moet verschijnen met nieuwe uitvindingen , die reeds 
bevestigd en geschikt z^n, om terstond in toepassing ge- 
bracht te worden. Niettemin weet ik ook , dat uwe wisheid 
zal begrijpen , dat ik noch zeeman , noch geschikt voor de 
zeevaart zynde, m^ op geen andere w^'ze aan U heb kunnen 
voorstellen, dan op deze. 

Wellicht badde ik in persoon tot U kunnen komen , indien 
de lengte der reis, m^n booge ouderdom van 73 jaalr en 
andere beletselen mg niet weerhouden hadden. 

Maar wat m^' daaromtrent gerust stelt, wat mg de wel- 
willendheid en de grootmoedigheid van Uwe Ho. Mo. verzekert, 
is, dat ik niets anders beoogd heb, dan aan uwe w^'sheid 
deze vrucht van m^'n geest aan te bieden, die ik hoop, dat 
door Uwe Ho. Mo. goedgunstig moge worden aangenomen, 
terw^'1 ik daarvan een vrijwillig geschenk maak, en afstand 
doe van alle voordeden, die uit de geheele volmaking van 
deze zaak zouden kunnen voortvloeien. 

Ten slotte wil ik er dit bijvoegen. Ik hoop, dat (Jwe 
Ho. Mo., als inderdaad zeer machtig boven alle potentaten 
der wereld , niet zullen nalaten , gedachte en hand te leenen 
aan de uitvoering en volmaking van eene zoo gewenschte en 
lang gezochte onderneming. Oij kunt er van verzekerd z^n, 
dat nu of later deze uitvinding in toepassing zal komen, eene 
uitvinding, die men bewonderenswaardig noemen mag, als 



as 

afhangende van hemelsch» en goddelijke zaken, hierboven 
door G-od verordend, alleen om voor het menschelijk ge- 
slacht nuttig en weldadig te zijn. 

De beginselen van alle ondernemingen gaan met groote 
moeielijkheden gepaard , die langzamerhand door de geduldige 
vlijt der menschèn overwonnen worden, iets dat ieder duide- 
lijk moet zijn, die zoo oneindig veel kunsten beschouwt, 
wier beginselen , wij zijn er zeker van , zeer zwak waren , en 
die thans worden aangewend , om zaken ten uitvoer te bren- 
gen, die de verhevenste geesten in verrukking brengen. 

Ik zou oneindig veel kunsten kunnen aanhalen, maar het 
is voldoende, de zeevaartkunde te noemen, die door uwe 
Hollanders tot zulk een bewonderenswaardigen trap van vol- 
maaktheid gebracht is , dat , indien zij daaraan nog het éénig 
ontbrekende, het vermogen om de lengte te bepalen toe- 
voegen , waarvan de uitvinding voor hen schijnt weggelegd te 
zijn, zy, door deze laatste en belangrykste vrucht van hun 
vernuft te voegen bij al hunne andere uitvindingen en nij- 
vere bedrijven, een eindpaal en grens van roem zullen berei- 
ken, die geen andere natie kan hopen te overschrijden. En 
zeer nederig buig ik mij voor u neer. 



De oorspronkelijke tekst is die van den brief, aanwezig in 
het Bijks Archief, alleen met w^ziging der spelling, waar- 
voor gevolgd isr'Opore di Galileo Galilei. Firenze, 1718. 

Wat, zoowel in het origineel, als in de vertalfng, gespatieerd 
gedrukt is en grootendeels betrekking heeft op de uitvinding 
van den verrekijker, ontbreekt in de uitgave van 1718. 
Het is daai: zeker niet toevallig weggelaten! 



iU 



Extract uit het register der Resolutiën 
van de Hoog Mogende Heeren Staten 
Generaal der Vereenigde Nederlanden. 
1^36. 

Martis den 11 November 1636. 

Is in de vergaderinge gecompareert de Heer Laureiis Beael 
hier bevoorens Generael Oversten in d* Oost Indien van desen 
Staedt ende jegenwoordicb schepen en raedt der stede Am- 
sterdam , ende nae dat h^' versocht is geweest hem te decken 
ende neder te sitten, heeft aen Haer Hooch Mog®. met de 
complimenten hier toe .dienende overgelevert seeckeren re* 
monstrantie, in forme van eenen brieff uyt den naem ende 
van weegen Galileus Galilei, groot mathematicus ende astro- 
logus in dienst van den heer hertoch van Toscane, ende 
heeft hier neffens gevoucht een translaet van de voors^. remon- 
strantie ujt het Italiaans in de Nederlantsche tale, be- 
staende de voors. remonstrantie principalick hier in, dat 
de voornoemde Galileus Galilei in een vrijwillige gifte op- 
offert aen Haer Hooch Moog®. seecker groot werck, sijnde 
een beginsel om tot volmaectheit te brengen seecker middel 
omme te cunnen weeten, als het tot perfectie sal sijn gebracht, 
Bóo wel de lengte als de breete op do groote aert- ende 
zee-cloot ende dat soo wel te water als te lande. Waerop 
gedelibereèrt wesende, is goetgevon'den ende verstaen, den 
voornoemde heer Eeael over sijne genome moeyte mits desen 
te bedancken , ende hierneffens begeert , dat hij aan den 
voorgenoemde Galileus Galilei wille rescriberen , dat Haer 
}Iooch Moog®. de voors®. aenbiedinge ende offerte ten hooch 
sten aengenaem is , ende dat deselve het voors®. werck sullen 
laten examineren, ende bevonden werdende, dat het selve 
in perfectie gebracht wesende, daer door de voors®. kennisse 
der voors®. lengte ende breete can werden becoomen,. sullen 
Haer Hooch Moog*. jegens hem Galileus Galilei su^cxdauQ- 



145 

baerlick erkennen, ende werden tot d^examinatie van het 
meergenoemde werck midts desen versocht ende gecommit- 
teert de meergenoemde beer Beael selffs ende met ende nef- 
fens hem Hortensius ende Blau mede woonende tot Amster- 
dam ende sal de professor Gooi het voors». werck dienstich 
bevonden werdende cunnen worden bygevoecbt. 



Extract uit het register der Resolutiën 
van de Hoog Mogende Heeren Staten 
Generaal der Vereenigde Nederlanden. 
1637. 

Sabbati 25 Aprilis 1637. 

8ynde geboort *t rapport van de Heere Eandtwijck en an- 
dere heeren Haer Hooch Mog*. gedeputeerden achtervolgens 
derselver resolutie in conferentie geweest synde met den heer 
Eeael noopende *tgeene de Heer Galileus Galilei aen Haer 
Hooch Mog*. heeft bekent gemaeckt in 't regard van de nieuwe 
observantie van den loop des hemels. Is nae voorgaende 
deliberatie goetgevonden ende verstaen dat den voornoemde 
Galileus Galilei sal vereeren met een gouden kettingh ter 
waerde van vyff hondert gulden ende dat haer Hooch Mog*. 
op derselver costen de voornoemde inventie sullen laten 
ondersoeoken ende deselve bevindende in conformite van sjn 
aengeven dat se hetselve danckelick ende liberaelic sullen 
erkennen. Voorts sal geschreven worden aen de Camer van 
d'Oost Ind. Comp. tot Amsterdam dat se willen furneren aen 
handen van den voornoemde heer Eeael duisent gulden om 
by hem geemployeert te worden tot incoop van instrumenten 
nodich tot het voors*. ondersoeck ende sal de voors®. somme 
den meergenoemde camer gevalideert worden jegens de Ge- 
neraliteit in minderinge van ^ gene sy bevonden sullen worden 
schuldich te syn ter saecke van 't recht der convoyen en 
licenten. 



-rt^ 



BIJLAGE VII. 



Betrekking van Dr. joan blaeu tot de R. C. 

geestelijkheid. 

Het is vooral het getuigenis van J. F. Eoppens in zijne 
Bibliotheca Belgica , dat , nevens dat van Vossias , in het uitgeven 
van werken van Eoomsch Catholieken door de Blaeu's hunne 
goede verstandhouding met de geestelijkheid in het licht stelt. 
F. A. Ebert zegt, in navolging van Foppens, dat Blaeu, 
ofschoon uiteriyk tot de Gereformeerde Kerk behoorende, in 
z^n hart een warm vriend der Catholieke Kerk en een groot 
begunstiger der Catholieke geestelykheid geweest is, maar 
laat er op volgen: h^ moest geen Hollander geweest 
z^n, als hij daarop geene nieuwe speculatie ge- 
vestigd had. Bij zoodanige opvatting, zou het de vraag 
worden , of ook handel svoordeelen de eenige drijfveer van 
Blaeu geweest zijn. 

Foppens vermeldt tot lof van Bleau, dat hij zich noch met 
het drukken noch met den verkoop van schotschriften beeft 
ingelaten ; verder wijst hij op zgn eerbied voor den paus , dien 
de Calvinisten voor den Antichrist houden , door enkele woor- 
den te laten volgen van de opdracht aan paus Alexander VII, 
waarmede Blaeu zijn : Theatrum civitatum et. admirandorum Italiae , 
opent, dat, in 1663, in twee deelen uitkwam. 

Die opdracht luidt in zijn geheel : Beatissimi patris Alexandri 
septimi pontificis maximi pedièus koe universum civitatum et admi- 
randorum Italiae theatrum summa veneratione advolvit J, Blaeu 
Quiliélmi JUim, 



UI 

De tien persen van Blaeu, zegt Foppens, werden vooma- 
meiijk gebezigd tot het drukken van Boomsche mis- en ge- 
bedenboeken en wel onder den naam van Judocus Galcovius 
te Keulen. Ook andere werken van Catholieke 
schrijvers, als Leo Allatius, Bartholdus Nihu- 
sius, zegt Eberty verschenen bij Blaeu, maar niet alle 
boeken, die den naam van Galcovius op den titel 
dragen, zijn b^' Blaeu gedrukt. Wat door Galcovius 
zelven gedrukt is, is op het eerste gezicht van de 
veel betere Amsterdamsche drukken te onder- 
scheiden. 

Het i» opmerkelijk, dat het drukl^en der: Acta Sanctorum, in 
1672 , aan Joan Blaeu werd opgedragen , nadat de drukker en 
uitgever Meursius te Antwerpen zich, na de voltooiing der 
maand Maart van dat groote werk , onttrokken had- aan 
de verdere voortzetting. De eerste dag der maand April was 
werkel^k bg Blaeu reeds afgedrukt, en de tweede dag gedeel- 
telijk , toen de brand zijner drukkerij de reeds afgedrukte 
vellen verslond. De Bollandisten waren daarop genoodzaakt 
een anderen drukker voor hun werk te zoeken, en vonden 
dien in Enobbarbus te Antwerpen. 

Wat de nog thans voortgezette uitgave der j^cta Sanctorum 
betreft , zal men zich herinneren , dat , twee jaar geleden , de 
Kamer der Gedeputeerden in België de jaarlijksche subsidie 
daarvoor geweigerd heeft. 

Het laatste der 6 deelen van het : Toonneel des Aerdrycx , is 
aan Ghina gewijd, en verscheen in 1666, onder den titel van: 
Ckineichen Mlas. Het oorspronkelijke, in het Latijn beschreven, 
was het wérk van Martinus Martinius een Jezuïet, die de 
bouwstoffen daarvoor zelf in Ghina verzameld, en tekst en 
kaarten aan Joan Blaeu geleverd bad , en zelf, te Amsterdam , 
„het drucken van den Sineschen Aüas met alle mogelycke naerstigheydt 
pevordert heeft ^ 

Nog eene bijdrage tot het onderwerp , in deze Bylage aan- 
geroerd, levert onderstaand fragment van een' brief, in de 
Jfavorscher medegedeeld door den keer A. van Lommei S. J, 



Extract njt seeckere missive door patelf Philippus Couplet 
S. J. uvt Canton aen den Heer Joan Blaeuw woonachtich tot 
Amsterdam, in dato 24 Jan. 1669 geschreven. 

Oversulcx laet UE. weten hoedat eenen onser mede- 
gesellen met naeme Prosper Intercetta dit jaer de re^se naer 
Europa neemt om aldaer eenen seer curieusen boeck uijt het 
chinoisch in het latijn overgeset te doen drucken , heeft oock 
medegenomen een Sinoischen drucker seer ervaren in de Si-* 
noische letteren te schrijven, te snijden ofte te openen in 
houte berden ende eijndelyck op het Sinoisch te drucken; 
wij meermalen ondervraecht wesende van wie voorschreven 
btpeck soude best connen gedruckt worden hebben eenpaer- 
lijck UE. vermaerde druckerije voorgehouden ende tot beves- 
tiginge van ons goet duncken was meer als genoegsaem den 
atlas «Sinicus van Mijnheer Martini goeder memorie. 

Den inhout van voors. boeck is sulcx dat ick meijne aen 
gantsch Europa tot baete ende vermaeck sal dienen; tot ver- 
maeck sullen dienen de chinoische letters , deser oorspronck , 
yarieteijt, ingenieuse kracht om de saecken uyt te leggen, 
item de antiquiteyten van de alderoutste monarchie etc; 
baetigh sullen wesen de schoone leeringhen soo zedelycken , 
als van politie om een rijck ende de gemeente wel te gouver- 
neren, s^nen prins ende magistraet te onderdanighen etc. 
Hierbij- wort gevoecht de chinoische chronologie van 't begin 
harer monarchie tot het jaer des Heeren 1666. 

Ende mits den voorschreven chinoijschen drucker sijn deel 
in desen druck sal hebben, de berdens van hout vervolgens 
in UE. handen verblijvende sal het geheel werck altijt in 
uwe macht wesen sonder dat het iemant anders sal connen 
naerdrucken. 

Den genadighen Heere gelieve voorschreven onsen mede- 
gesellen met den drucker gelijckelijck over te brenghen, als- 
dan sal hy door bysondere brieven met UE. sich beraden 
over dit werck : want eer dat hij persoonlijck tot Eome compt 
kan dese saecke niet teenemael gesloten worden. Daer en 
tu^cjchen schrijven wij door diverse re^sen aen onsen seer 



.^£^1 



U9 

Eerw. Pater Geïierael tot? den welcken dese ingeslotene ge- 
stiert werden ende sijn van persoenen die het voorschreven 
werqk geexamineert ende geapprobeert hebben. De ^tijl van 
onse Societeijt is TJE. genoegsaem bekent soodat niet van 
noode is dit breeder uyt te leggen. 

Yerhoope ÜE. sal ons de vrientschap doen van dese inge- 
sloten aen ijemant van de vrienden die hier beneden noeme 
te doen behandigen, waerin ons beyde en besonderlijck onse 
voors medegesellen grootelycks salt verbinden. 



BIJLAGhE VIII. 



Opschriften op globes van w. j*. blaeu. 

„Op den hemelbol, door Kaatner beschreven, staat: 

Ill'mo Frincipi ac Domino D. Mauritio Frincipi Auriaco . . r. 
gratus M. O. D. D. C. Q. Guilielmas Janssonius Alcmarianus." 

Aan de Zuidpool : „Habetis hic astrorum studiosi , trecentas 
antarctico mundi vertici viciniores stellas, ex observationibus 
secundum iam a Erederico Houtmanno, maiori i^udio, et 
accommodatioribus instrumentis , ad stellas a Tychone positas 
factis, depromptas, auctiori numero, et accuratiore disposi- 
one vestro commodo et delectatione depictas A». 1603." 

Tusschen den Grootpn Beer en de Kreeft: 

„Sphaera stellifera. In qua ut in speculo quodam firmamenti , 
universum syderum ornatum ac stellarum ordinem, summa 
qua fieri potuit industria, a Guilielmo Janssonio, magni 
Tychonis quondam discipulo , accuratissime dispositum , earum- 
que numerum , multo quam hactenus auctiorem ex observatie' 
nibus a Nob. viro D. Tychone Brahe Astronomo ihcomparabili 
habitis deprompta, annoque 1600 et quo deinceps seculo 
accommodata intueri liceat/' 

Hierbij is nog te voegen van de globes te Leiden en te 
Amsterdam : 

„Novam illam ^tellam, quae anno 1600 primum in pectorö 
cygni apparuit , atque etiam nunc immota manet ex diligenti 
nostra lucida observatione ad caudam Ljrae. Longit. zsi 16. 15 
Latit. Bor 55. 30 habere comperimus A°. 1603." 






151 



„Latitudinis looa in fizis nonnihil ob alteratum Eclipticae ad 
Aequatorem accessum , mutari primus iam Tyoho depreheadit : 
Quod tarnen ut leviculum et in immenso vasti ambitus coelo 
vix perceptibile nedum in parvo hoc corpusculo , humano 'usui 
destinato vel tantillum erroris praebiturum omitti potest." 

„Stellarum inerrantium centesimi quoque anno progressus, 
praeterito tempori subducendo , aut deinceps elapsuro addendo ; 
accommodandi. 



▲NN. 


MIN. 




AlfN. 


OSA. 


MIN. 


2 


2 


• 


20 





17 


4 


H 




40 





S4. 


6 


5 


60 





61 


8 


7 


80 


1 


8 


10 


8 




100 


1 


25 



Op de globe te Amsterdam vindt men nog de volgende 
w^zigingen van de opschriften der grootere globes: 

„Habes hic Astrophile stellarum inerrantium ex certissü. 
D. Tych. Brahe mei quondam praeceptoris observationib. 
numero & dispositione prae aliis , anno 1600 accommodatarum 
sphaeram accuratissime expolitam, et Australibus asterismis 
quoad nov. . . a Frederico Houtnianno observatis ezornatam. 
Auctore . Guiljelmo Janss. Blaeu." 

De opdracht luidt daar: 

„Nobiliss**. lUustrissi'. D. D. HoUandiae , Zelandiae et West- 
frisiae Ordinibus. D. D. suis Clementiss". hunc astriferum 
inerrantium stellarum globum summa cura et industria ador- 
natum, .... debiti obsenuii et gratitudinis." 

„D. D. D. Guiljelmus Janssonius Blaeu 1602." 

Eene b^zondere aanwijzing geldt nog de ster van Tjcho 
Brahe, in Cassiopea, met het jaartal 1572. 



Op de aardglobe van Kastner en die te Leiden leest men : 
„Ordinibus foederatar. inf. Germ. Prov. d. d. Guilielmus Jans- 
sonius Alcmarianus." Daaronder, aan den Z. Poolcirkel. „1599." 



152 

„Spectator! meo. S. Hanc terrae marisque faciem sic inspice 
ne dispicias malta mutata , sed nihil* temere , quae nisi atten- 
das facile fugiant. Eatio constructionis in multis nova , sed - - 
proba. Gibbum planum plano globo commutavimus , duplicato 
labore sed certiori , idque ut ventorum spirae iustis per orbem 
terrarum spiris discarrerent , hinc factum ut in omnibus^ > 
terrarum oris praeter parallelorum et meridianorum, etiam 
plagae ratio nobis fuerit habenda. Quae quidem omnia 
attento spectatori facile apparebunt. Vale et fruere. Guil- 
helmus Janssonius Alcmariensis auctor et sculptor." 

fiij de Noordpool: 

1697. 

„His tandem passi graviora Batavi, proxima tempestate di- 
versum iam iter ingressi , nostrum altius mundi verticem ver- 
sus progréssi, ignotas quaerere terras, et si qua propior ad 
Chinam aditus aggressi sunt. Miru^m quid invenerint ! immane 
quid evenerit! Sic, macte Proles Neptunia novisque honori- 
bus hanc gentem nostram cumula , male coepisti , si hic sistas. 
Durum hoc, sed perdura,. nee cede malis sed contra auden- 
tior ito. Fata viam expediënt." 

De andere opschriften , door Kastner niet opgegeven , maar 
slechts vermeld, vindt men op den bol te Leiden, als volgt: 

1492. 

„Immortale nomen & gloriam incomparabilem vobis, Columbo 
et Americe comparastis , Qui primi has terras (alteram orbis 
partem) tot iam secula latentes adire , detegere , lustrare 
et utinam perlustrare voluistis: Eruct'. vero maximes multis 
peperistis." 

1619. 

„Magnam porro gloriae partem , Eerdinande Magellane, iure ' 

tibi vendicas ; cui .... vastae regionis Australem terminum 
quaerere eamq. freto cognomini nobis perviam facere 'lubuit 
& Hcuit." 

1600. ! 

„Ütinam vero par eventus Casparo Cortereali contigisset , . 



158 

qui iam ante maiori conatu quam successu transitum a Borea 
attentaverat; et quoties Britannis idem fervide molientibus, 
et aëris iniuriis gradum revocare coactis." 

Op de aardglobe te Amsterdam : 

„En denuo geographiae studiosi terrestrem contractiori forma 
globum, multo quam antëhac unquam emendatius et auctius 
confectum et retentiorum spiris navigantium commode exqui- 
sitius adornatum nee non navigationis curriculo ab Oliverio 
van Noort Batavo in orbem peracto notatum auctore Guilielmo 
Janssonio Blaeu." 

„Africanum Bonae Spei promontorium primus Yasco deG-ama 
superavit navigatione illa quae mandato Emanuelis serenissimi 
Lusitanorum regis instituta est. Anno 1497/' 



BIJLAÖE IX. 



Extracten uit de Resolutiën der Staten Generaal. 

19 Maart 1605. Is Willem Jansz. Blaeu tot Amsterdam 
geaccordeert octroj, omme voor den tyt van 6 jaren naest- 
comende alleene in de vereenichde provinciën in druck vuyt 
te geven een bouxken, geintituleert : Nieuw graetbouck, 
nae den ouden styl vujt de aldercorrecste observatien van 
den yermaerden astronomo Tycho Brahe, gecalculeert ende 
gestelt op ten meridiaen deser Nederlanden, enz. 

,2B April 1605. Is W. Jansz. (Blaeu) van Alcmaer, ende 
Hermen Alartsz, die de heren Staten gepresenteert hebben 
een grote Werelts Caerte , voor een gratuiteyt toegelegt 25 gl. 

ld. Is W. Jz. van Alcmaer, wonende te Amsterdam, ge- 
accordeert octroj, voor den tyt van 6 jaren etc. te mogen 
doen drukken ende vuyt geven een groote mappam mundi, 
in twee ronden, by hem yerst uitgegeven. 

» 
11 January 1606. Is W. Jz. boecverkooper tot Amsterdam , 

geaccordeert octroy , omme voor 6 naestcomende jaren alleene 

in de Vereenichde Provinciën te mogen drucken ende uitgeven 

het Pourtret, by hem van de stad Amsterdam in *t koper doen 

snyden , verbiedende yegelyken hetselve Pourtret in *t geheel 

of deel , in *t cleyn ofte groot , binnen den voorsz. tyt na te 

. boetcheren , by pene vao verbeurte ende hondert gulden , enz. 



155 

27 Pebr. 1606. Is "W. Jz. Caertmaecker tot Amsterdam, 
geaccordeert octroy, omme alleen in de Vereenichde Provin- 
ciën voor 7 jaren naestcomende te mogen drucken, doen 
drucken ende vuytgeven zeecker Zeecaert-boeck , bij hem 
byeengestelt , ende vergadert, bequaem ende vorderlyk tot 
te Zeevaert, mitgaders seker njwe Faskaerte, by hem nyeu- 
welyk gesneden ende hj Cornelis Doedesz van Edam gein- 
venteert, inhoudende de navigatie van de Ooster- Wester- 
ende Mitlantse Zee, enz. 

26 Maart 1608. Is Willem Jansz. , caertmaker tot Amster- 
dam, geaccordeert octroj, om voor den tyt van ses jaren 
naestcomende , alleene in de Vereenichde Provinciën te mogen 
dracken ende vercopen de caerte van de zeventien Vereen. 
Provinciën ende daer beneffens d'afboeldinge van alle de 
gouverneurs, die tsedert Koninck Philips den Tweede tot 
desen dach toe het gouvernement in de Nederlanden van we- 
derzyden hebben gehadt, by hem gesneden, alles volgende 
het patroon, verbiedende, enz. ut in communi forma, maer 
nyet te expediëren, voor dat de faulten, daerinne geremar- 

queert, en syn gecorrigeert. 

» 

25 April 1608. Is Willem Jansz., Eaertmaker binnen 
Amsterdam , toegelegt voor de dedicatie ende presentatie , die 
hy de heeren staten gedaen heeft van seker Seecaert-bouck , 
geintituleert : Het licht der Zeevaert, de gelegenheyt der 
kusten ende havenen van de Westersche, Noortsche ende 
Oostersche Zee, de somma van 200 gl. 

7 Aug. 1614. Is den voorsz. Wilhem Jansz. , bouckver- 
cooper tot Amstelredam , noch geaccordeert octroy, omme voor 
4en tyt van vyff jaeren naestcommende alleene in de vereen, 
provinciën te moegen doen drucken ende vuytgeven, de aff- 
beeldinge van de stadt van Venetien, bij hem doen snyden 
op copere plaeten. Verbiedende, enz. 



156 

10 Dec. 1616. Opte requeste van Wilhem Jansz., haere 
Ho. Mo. gedediceert hebbende eenen aertscloot van grooter 
formen , inhoudende die deelen des aertsbodems , die tot dese 
tyden toe ontdeckt ende bekent gemaect syn , mitsgaders eene 
hemelache sphera van gelycke groote, is den suppliant voor 
deselve dedicatie toegeleet vyftich guldens eens. 

13 Aug. 1618. Is Wilhem Janss. borger tot Amstelredam , 
geaccordeert octroy, omme voor den tijt van.sess jaeren al- 
leene in de Vereenichde Nederlanden te mogen doen druc- 
ken ende vuytgeven het derde deel van syn bouck , genaempt, 
het Licht der Zeevaert, innehoudende de beschryvinge der 
Zeecusten van de Middelandtsche Zee, Verbiedende, enz. 



Extract uit de Resol. der Staten van Holland 
en West- Vriesland. 5 Aug. 1608. 

Op het versoek van Willem Jansz. Eaartmaaker , woonagtig 
tot Amsterdam, is den selven geoctroyeert als volgt. 

De Eidderschap &c. Doen te weeten : Alsoo Willem Jansz. 
Eaartmaaker , woonagtig tot Amsterdam , Ons vertoont heeft, 
dat hy Suppliant van jongs op geneygt zynde tot de voorsz 
konste, hem daartoe op alle manieren salks heeft bevlytigt, 
dat hy verhoopt daar in tot tamelyke ervarentheid gekoomen 
te weesen, en dienvolgende voor deesen verscheyde Werken 
gemaakt, ende in het ligt gebragt heeft soo veel Landkaar- 
ten, Zeekaarten, als Globes Terrestres, en Coelestes, als 
anders; hebbende onder anderen tot dien eynde meede een 
geruymen tijd, hem gehouden by den Edelen en wydberoem- 
den Tycho Brahe in Denemarken , en van denselven , als 
ook andersints, alsulke kennisse van den loop des Hemels 
en den aankleeven van dien verkreegen , dat hy Suppliant 
hem selven hoope gegeven heeft van syn Familie (het welk 
vast seer aenwassende is) daar meede eerlyk te konnen on- 
derhouden , het welk hem door G-odes genade en zeegeninge 



157 

ook wel BOude hebben gelukt, ten waare eenige Luyden vftn 
deselve Neeringe hun daagelyks onderwonden en vervorder- 
den des Suppliants soo wel nieuw gevonden,' als geamplieerde 
ende vermeerderde Werken na te snyden en te doen nasny- 
den, daar van hy Suppliant Ons, soo by de Exemplaaren 
neevens syn vertoog gevoegt, als met veel meer andere met 
groote smerte wel vertooninge soude konnen doen , strekkende 
alle het selve tot syns Suppliants merkelyke schaade, interest 
ende totale ruïne, ten ware by Ons daar in werde voorsien, 
waarom alsoo hy Suppliant niet en twyffelt of Wy en sullen 
na Onse ervarentheyd wel considereeren , en hy Ons ter 
goeder trouwen ook wel konnen verseekeren , dat alle soo- 
danige Werken by hem voor deesen in het ligt gebragt en 
die hij verder verhoopt in het ligt te brengen, niet en zyn 
te inventeeren, te amplieeren of corrigeeren, veel min te 
volvoeren , dan met seer groote moeyten . kosten en gelt- 
spillinge; soo verhoopte hy ook dat Wy hem Suppliant, ten 
minsten voor den toekoomenden tyd, teegen soodanige inju- 
rien en ongelyk in onse vaderlyke protectie souden neemen; 
biddende oversulks hy Suppliant dat ons geliefde, hem te 
consenteeren en octroyeeren alleen , en met seclusie van allen 
anderen , in den Lande van Holland en Westvriesland te mo- 
gen snyden en te doen snyden , drukken en doen drukken , 
uytgeevén en verkoopen alle syne eygen Werken, soo wel 
die hy van nieuws sal moogen inventeeren , al de geene 
die hy van voorgaanden tyd defectueux vindende (sonder 
iemands verkortinge) met merkelyke verbeeteringe soude moogen 
helpen; interdiceerende en verbiedende allen en eenen iege- 
lyken, deselve Werkeii en Inventien in het geheel of deel, 
in het groot of kleyn na te snyden, na te maken, te druk- 
ken of doen drukken, of buyten den voorschreeven Lande 
van Holland en Westvriesland na gemaakt, in deselve uyt te 
geeven of te verkoopen, sonder consent van den Suppliant, 
op de verbeurte van alsulke nagedane Werken, en soodanigef 
verdere poenen , als Wy fcot syns Suppliants meeste verseeke* 
ringe en voorstant souden willen statueeren, 



158 

Soo is 't: Dat Wj de saeke en het yersoek voornoemt 
overgemerkt, en geneegen weesende ter beede en versoek 
van den Suppliant, deselve njt onser regter weetenschap, 
volkoomender magt en authoritejt vergunt , geconsen teert en 
geoctroyeert hebben , vergunnen , consenteeren en octroyeeren 
hy deesen , dat hij alleen , en met seclusie van allen anderen , 
in den Lande van Holland en Westvriesland, selfs sal moogen 
snjden , drukken en doen drukken , uitgeeven en verkoopen , 
of doen verkoopen alle syne eygen Werken, soo dien hy 
van nieuws geinventeert heeft, als de geene dien hy als nog 
inventeeren sal, geduurende den tyd van tien naastkomende 
jaaren, mits t'elken een van deselve Werken of In ventien, 
leeverende in handen van Onsen Secretaris in der tyd , omme 
by den selven tot voorkoominge van alle questien en diffe- 
renten ter saake van het consent in deesen bewaard te wer- 
den, verbieden en interdiceeren tot dien eynde by deesen 
wel expresselyk, allen en eenen iegelyken van wat staet of 
conditie hy zy, deselve Werken en Inventien in het geheel 
of deel, in het groot of kleyn na te snyden, na te maaken, 
te drukken of doen drukken of den geenen buyten den voorsz 
Lande van Holland en Westvriesland nagemaakt, in deselve 
uyt te geeven of te verkoopen , op de verbeurte van alsulke 
nagedane of gemaakte Werken, en daarenbooven een poene 
van vyf en twintig Gou de Nederlandsche Eyders, ten behoeve 
van den Suppliant te verbeuren : En ten eynde den Suppliant 
deese Onse gunste, consent en octroy mag genieten als na 
behoren , lasten Wy en ordonneeren allen en eenen iegelyken, 
wien deesen aengaen of beroeren sal hun hier na te reguleeren, 
en den Suppliant van deesen Onsen Octroye , en van allen en 
eiken van de pointen van dien , te doen , te laaten en gedoogen 
rustelyk , vreedelyk en volkoomentlyk genieten en gebruyken , 
cesseerende alle hinder, belet en empechement ter contrarie. 

Q-egeeven in den Hage onder Onsen groeten zeegel hier 
aan gehangen op den vyfden dag der maand Augusty in het 
jaar ons Heeren en Zaligmakers 1608. 



BIJLAGE X. 



NdYensgaande geslachtslgst van Blaeu is eensdeels ontleend 
aan een geschreven stuk, opgemaakt in de 17^ of het begin 
der 18* eeuw, andersdeels, wat de nakomelingen van Willem 
Jansz. betreft, aangevuld met hetgeen blijkt uit de aantee- 
keningen in kerk-registers van Amsterdam. 



GhEXT^ATiOGUE 'VAN B 



JA 



huwt A! 



* 1. JACOB WZ. 

kcwt GBIETJE RIJKSD. 

j 

I 1. GIJSBERT. 2. AGATHA. 3. A>'XA. 

hawt X. X. kc^ C. P. HOOFT 

; im 1578. 

1 I 



2. JAX WZ. 8. TRIJNTIB. 

kuwt STIJNTIE. huwt HILLEBl 



1 r 



I 



* 1. AXXETJE. 
2. GRIETJE. 



1. WILLEM JANSZ. 2. MAB6J 
f 21 Oei. 1638. hawt 1 

huwt MARRETJEN. 

I 



' P. C. HOOFT. * 



Tl. Dr. JOAN. 

gcb. 1596, 23 Sept. 

t Dce. 1673, 28 Mei 

huwt GEERTRUT VERMEUL. 

1 



2. CORNELIS. 
t 1646? 

hawt ELISABETHt. HOORN, 
t 1640? 



3. LUCYA. 4. CHRISTINA! 

huwt T. V. D.1 



1. WILLEM. 

geb. 1 Oct. 1635. 

huwt AXXA WILLEMSD. t. LOON 

19 Aprfl 1659. 



2. MARY EUSABETH. 
huwt Dr. BONAVENTURA 
COGELS T. DORTMONDT 
19 Oct. 1660. 



3. PIETER. 

geb. 8 Oct 1687. 

huwtl.MARTINAv.II 

18 Febr. 1670. 

2. 6EERTRUID I 

26 Sept. 1690. 



1. WILLEM. 

huwt REBECCA DE FLINES. 
Maart 1695. 



2. 6EERTRUID. 

huwt DANIEL T. GENEGEN 
te Sloten 3 Maart 1681. 



r a-E8IjA.OHT BIjA.BXJ. 



DB. 

\ 

LCOBSZ. 
JANSD. 

4. HILLEBKAND WZ. 5. BARBER. 6. GRIETJE. \ I 

huwt JAN CORVER. huwt CORN. DIRKSZ. CUYPER. 

Ü 8. STEUNTJE. 4. TRIJNTIE. '■ I 

P KEIJERSZ. STEUN. huwt JACOB IDESZ. huwt CÓRNELIS BARTELSZ. van HEMERT. 



5. CATHARINA. 6. WILLEM. 7. JACOB. ' 

iSEN. huwt D. V. BROEKH ü YSEN. huwt ANNA SPIERINGH Wed». huwt M ARYA SOETENS. 

27 Nov. 1639 te Sloten. 



4. ELISABETH. 5. JOAN. 6. LOUISA. I 

huwt J. USBRANDSZ. geb. 14 Aug. 1650. huwt 1. GEERKENS. 

m f 13 Aug. 1712. 2. A. VISSCHER. 

huwt 1. E. V. NECK. 
DN 2. ELISABETH v. THIJE 

20 Sept. 1706. 

/ 3. M. SAUTIJN. 

22 Dec. 1707. 



BIJLAGE XI. 



Beschrijving van een atlas, thans aanwezig in de 
Keizerlijke Bibliotheek te Weenen. 

ZAOHABIAS CONBAD TON UFFENBAOH. 

Merktoürdige Reisen durck Nieder-Sachsen , Holland und 

JEnff eiland, Ulm 1763. 

T. in. 8. 600. 

1711. Den 9 Mart. Morgens giengen wir zur Jungfer van 
der Hemo], um den schonen ilfuminirten Blauischen Atlas 
zu sehen, davor der Comte d'Avaux zwanzig tausend 
Gulden gebeten, sie aber solehen vor fünfzig tausend 
Gulden hiel te. Wir konnten nicht begreiffen, wie ein 
Blauischer Atlas so viel kosten solle ; dann ob er gleich über 
und über mit Goldfarbe (oder wie die Hollander sagen , met 
goudt en ultremaryn) überzogen ware, könnte er doch so 
viel nicht kosten. Ja, ich glaube, dasz man in ganz Hol- 
land nicht vor zehen tausend Gulden Muscheln mit Gold- 
farbe bekommen solte. 

Als sie uns aber diesen Atlas selbst zeigte, begriffen wir 
gar bald , woher er so kostbar aej , denn man kan ihti eigen t- 
lich keinen Blauischen, sondern man musz ihn einen recht 

* 

Könidichen Atlanten nennen. 



I 



164 

Dann da jener ohne die Stadtbücher nur aus eilf Yolumi- 
nibuB bestehet, so i»t dieser in drej und vierzig Banden, 
jeder Hand dick, da dann die Charten und Beschreibungen 
von BJeau lange nicht die Helfte ausmachen , sondern es sind 
von einem Blauischen Yolumine wohl zwey bis drej gemacht , 
und überall viele mit der Eeder und Hand gezeichnete Char- 
ten und andere Eisse hinzugefügt. £s sind auch mit der 
Peder geschriebene Beschreibungen dabej. Ja ës sind ganze 
Yolumina, alles mit der Feder gerissen und beschrieben 
dabey, alle ungemein schön und kostbar. Was den ausser- 
lichen Band anlanget , waren sie iu Atlas-Orösse in Fergament 
gebunden, aber sehr stark verguldt. In der Mitte stund der 
Atlas , die Weltkugel haltend , nebst andern Zierrathen. Der 
Schnitt war ebenfalls stark verguldt.' Sie waren so sauber, 
dasz auch weder auswendig noch inwendig das geringste 
Düpfgen daran zu fin den. Zweytens so waren inwendig nicht 
allein die Titulblatter aut das schönste illuminirt, und zum 
Theil aus eigener Erfindung sauber gemahlt, sondern auch 
die grossen und Initial-Buchstaben alle verguldet, Üm die 
Schrift aber waren die margines mit allerhand Zierrathen 
bemahlt. Die gedruckten Landcharten waren alle auf das 
zierlichste illuminirt, von dem in dem Illuminiren berühmte- 
sten Meyster Dirck Janssen van Santen, so nunmehro todt 
ist. Diesen Mann hat Herr von der Hemm viele Jahre lang 
, vor sich allein in seinem Hause arbeiten lassen, und ihm 
das Geld und Earben selbst angeschaJOTt damit nichts daran 
gespahrt werden moge. Was drittens die Zeichnungen an- 
langet, so waren es theils ganz voUkommene Landcharten; 
sehr viele Seecharten, auf welchen die Tieffe des Meers, die 
Sandbanke, Pahrten u. s. w. auf das genaueste bezeichnet. 
Hierunter waren nun gar viele noch unbekannte oder nicht 
gezeichnete Kusten, und andere Gegenden. Ferner waren 
allhier sehr viele Grundrisse von Stadten, Vorstellungen und 
Gebauden, Trachten, Monumenten, auch sogar Naturalien, 
nemlich Zeichnungen, von allerhand Thieren, Gewachsen, 
u. s. w. auch artificialia, als Manieren zu bauen, SchiJÖTund 



andere Maschinen , Lebensarten , Trachten , Einzüge und So- 
lemnitaten. Bei den meisten dieser Zeichnungen stehet. „W. 
Schellekius fecit." Dieser Schellekius soll Herr von der Hemm 
expresse auf seine Kosten herum haben reisen lassen. Viertens 
war die Beschreibung sehr sauber dazu gemacht und geschrie- 
ben. Eünftens waren sonderliche Theile hinzu gefügt, in 
sich haltend allerhand Ordnungen, Instruetionen und der- 
gleichen, die Schiffartb, Handlung und andere Dinge in 
Indien betreffend. Damit sie aber in gleichem Format waren , 
80 sind die margines abgeschnitten , und sauber auf grosse 
Eormat'Bogen geklebt, und mit allerhand Zierrathen, wie 
die andem Blatter versehen. Was nun die Theile selbst 
anbelangt, ist es unmöglich eine rechte Beschreibung davon. 
zu machen. Die vomehmsten Yolumina , an welche die meiste 
Mühe und Kosten gewendet worden, sind wohl die -Theile 
von Indien. Selbige haben auch die Bewindhaber der bejden 
Compagnien sehr geme haben wollen , weil , wie obgedacht , 
sehr viele Charten, Kusten und andere Dinge von "Wichtig- 
keit, so sie selbst noch nicht haben, darauf bemerkt i^ind. 
Man hat deszwegen öfters die Jungfer van der Hemm darum 
angegangen , ihr auch viel Geld davor gebeten , sie will aber, 
wie leicht zu denken, das Werk nicht zertheilen, ihr Yater 
hat sie bei seinen Lebzeiten nicht einmal wollen sehen lassen, 
theils um sich keine Eifersucht, und denen Leuten, so er 
hiezu gebraucht und die ihm das meiste procurirt und ver- 
fertiget haben, nicht Schaden und Unglück über den Hals 
zu ziehen. Dann vor diesem war es gar hoch verboten , der- 
gleichen Eeise in Indien zu machen. Die Compagnien solten 
also billig ein solch Werk an sich zu bringen trachten, es 
möchte auch noch so viel kosten. Eerner sind besonders 
schön die Theile von Sicilien, davon drey Volumina ver- 
banden. ^ 

In diesen ist besonders merkwürdig die Beschreibung vom 
Berg Vesuvius und von den Tarantulen. Von den leztern 
war eine gedruckte Beschreibung , vermuthlich von P. Kircher 
beygefiigt. Der dritte Theil aber ist ganz neu, und wie 

11 



166 

Jungfer van der Hemni sagte, von ihrem Yater selbst, der 
viele Jahre sich in Italien aofgehalten, gemacht and eigen- 
handig geschrieben worden. Es sind sehr viele Figuren dabej. 
Unter diesen ist ein sehr schön Gemahlde, nnd zwar von 
dem berühmten Meister, Eomeyn de Hooghe, das Fortrat 
and Grabmal von dem berühmten Admiral de Bujter, der in 
einer Sicilianischen Expedition amkommen ist. Und deswegen 
sind dieselbe dazu gethan worden. Es ist aueh hej diesem 
Yolumine eine lange weitlaufige lateinische Beschreibung von 
Sicilien, so Herr van der Hemm selbst gemacht haben soll. 
Der Theil von Africa ist auch gar. schuin, dabey nicht allein 
eine Beschreibung aus einer gedrockten Englischen Beise- 
beschreibung , sondem auch gegen die Mitte sehr viele Köpfe, 
Trachten und andere Dinge, als Fische, Pflanzen, Land- 
schaften u s. w. von Adrian Matham unvergleichlich gezeichnet. 
Dieser berühmte Mahler soll alle diese Sachen nach dem 
Leben an den Orten selbst auf seinen Beisen gemacht haben , 
wie er dann überall dabej gesetzt : „Adrian Matham fecit in 
Barbaria." Es ist eine Beschreibung in HoUandischer Sprache 
beygefiigt mit der Hand geschrieben. Das Volumen von 
Africa, wie es Bleau edirt, ist besondërs dabey, aber auch 
herrlich illuminirt und sonst gemahlt und verguldt. In dem 
Yolumine von Grriechenland sind auch sehr viele Zeichnungen 
^onderlich -von Trachten der Turken, nebst einer gedruckten 
französischen Beschreibung. Hinten ist auch das gelobte 
Land und der Tempel Salomonis sehr schön. Yon den Theilen 
von Teutschland sollen auch sehr viele Zeichnungen seyn. Wir 
batten sie geme sehen mogen. Sie waren aber noch nicht 
gebunden und also nicht bey der Hand. Wie dann nur drey 
und drejssig Yolumina gebunden da waren , vor welche die 
Q-roszherzogin von Toscana allein dreyssig tausendGul. 
den geben , und Herrn van der Hemm , dabey erlauben wollen, 
alle die Handrisse copiren zu lassen. Jungfer van der Hemm 
konnte nicht genug sagen, was ihr Yater in die funfzig 
Jahre vor Müh und Kosten auf diesen Atlantem gewendet. 
Sie rühmte auch seine Bibliotheek , so aber verkaufPt worden. 



467 



TEBDIKiLN]) DE HELLWALD. 

Vcyage éPAdrien Matham au Maroc 16éO — 1641.. 

La Haye 1866. 

p. 7. Le manuscrit d'après lequel nous publions Ie journal 
du peintre Matham, forme le trente-septième volume d'un 
ouvrage , qu'on trouve uniquement è. la bibliothèque impériale 
de la Cour, a Vienne. Cet ouvrage est une édition extraor- 
dinairement amplifiée du fameux atlas de Jean Blaeu , ou 
plutófc — pour parier avec le savant Bruzen de la Martinière — 
„fe grand atlas de Blaeu en fait le fondement.^^ 

p. 8. Laquelle des éditions de l'Atlas de Blaeu a servi de 
base k Texemplaire que possède actuellement.la bibliothèque 
impériale de Yienne, c*est ce que nous serions fort embar- 
rassés de décider; nous y avons rencontre des textes latin, 
fran9ais, hollandais, etc; il est même probable que plusieurs 
éditions ont servi è le former; d*ailleurs le texte imprimé 
B*effaee en présence de la quantité innombrable de cartes et 
de dessins qui ont contribué a grossir Texemplaire en ques- 
tion , jusqu'a quarante six tomes gr. in fol ; eet* exemplaire 
unique au monde se tronva dans la premiere moitié du siècle 
dernier, en vente chez le libraire Adrien Moetjens a la Haye, 
qui fit même imprimer un catalogue de plus de cent pages 
in 8*. contenant Ténumération de toutes les cartes et autres 
planches de ce magnifique ouvrage ; en 1730 le prince Eugène 
de Savoie acheta , dit on , ce précieux atlas pour la somme de 
22000 florins, et après sa mort la Bibliothèque de la Cour, 
héritant de tous les trésors typographiques laissés par cet 
illustre prince, devint possesseur du dit exemplaire. 

Le catalogue ci-dessus mentionné , dont la bibliothèque 
impériale conserve également un exemplaire , porte le titre : 
„Atlas géograpTdque et hydrographique avec les plans ^ profils, vues, 
etc, des miles, hourgs^ palais, antiguites, par divers auteurs 
ychoisis. Ouvrage enrichi de cartes ^ de desseins (sic) de plans ^ 
hvez au crayon , ou a Vencre de la Chine , ou au mnceau ; avec beaU" 



168 

coup de pièceê nianuscrites en diverseë lanpues, tant pour Vhitltoire 
que pour la géogra^hie et la navigation, Cet aUas se vendra puèli- 
quement d Venchère dans la sale de la Cour , Ie . . . Novembre 1730 
(la Haye, Adrien Moetjens 1730. en 8'.). En tête de ce eatalo- 
gae on trouve une lettre d'Antoine Auguste Bruzen de Ia 
Martinière, en date du 15 Juin 1730, adressée au comte de 
L*; celle-ci semble avoir été provoquée par Ie désir de ce 
comte d'apprendre des détails positifs sur la valeur de Texem- 
plaire dont il convoitait sans doute la possession , et cela de 
la bouche d'un connaisseur qui aurait eu occasion d'examiner 
Touvrage sur les lieux. Quoiqu'il en soit cet'te lettre ren- 
ferme une description assez fidele du présent atlas et nous 
donne quelques renseignements que nous mettrons a profit 
dans la suite: ,^Aux cartes de Blaeu, soignetisement enluminees, 
par Ie célèbre van Santen , on a — dit-il — ajouté celles de FiS" 
scher et de Nicolas Sanson, les deux géographes les plus distingues 
du XVII. siècle, quantUé de dessins sont d la plume ou au pin* 
ceau , soit d Vencre de Chine ou au crayon , dus en grande partie 
d Guülaume ScheUingk , "Frêdéric de Moucheron , Essolem et aidres 
maitres , oeuvres qui contrièuent d faire de cette coUection un ouvrage 
unique au monde. Je ne vous dis rien — continue Bruzen — 
de quantite de Fièces manuscrites , insérées dans quelques volumes. 
Il y en a d'uniques. Le caractère en est assez gros , fort net et 
très'lisible. Mies sont presque toutes de la métne mmn'. Il y en a 
en diverses langues — et vers la fin : — je me contente d*ajouter 
que cette coUection. . . a été faite par un curieux très^riche, qui a 
employé j d cette satisfaction de très-grandes sommes , quelle con- 
tient des richesses géographiques que Von chercherait inutilement ail' 
leurs, etc. 

Dans notre exemplaire la description de TAfrique embrasse 
trois volumes ; le dernier d'entr'eux — le trente-septième de 
toute la coUection — porte le titre manuscrit: „Appendix 
AfricQSy of bijvoegsel tot het gedeelte Africa^^ et ne renferme qu'une 
superbe carte de TAfrique de Visscheret plusieurs vues de Tanger, 
gravures enluminées; tout le reste de ce volume ofire un beau 
manuscrit, avec d^ nombreux desisins; il porte pour titre: 



169 

Joumael van de Ambassade van den Heer Anthonis de Liedekerke 
wegens haer Ho. Mo. de Heeren , Stoeten Generaél van de nere- 
nichde Nederlanden , gesonden naer den Coninck van Marocco , welk 
ioumael gehouden is op het schip Gelderlandt door Adriaen Mat- 
ham cqnstrijk schilder die de naervolgende tekeningen ook heeft 
gemaeckt. 



BUriAG-E XII. 



Vier brieven van w. jz. blabu aan w. schickard. 

I. 

Vir Clarissime. 

Litteras tuas Kal. Septemb. perDominum Oolium ad me datas 
praeterita septimana accepi. Gratum mihi fuit intelligere, quod 
Eclipsis a me observata tibi placuit. Gratissimum vero est, 
quod Wartembergiam maximis laboribus a te perlustratam & 
delineatam communicare offeras. Quatuor tabulis repraesen- 
tari possse ais: Sin au tem in plures tabulas redigere operae 
pretiufai putas , ita ut unaquaeque tabula Comitatum aliquem , 
vel Territorium urbis cujusdam Imperialis, vel Vorst (ut in 
tabula Mercatoris video Wurtembergiam distinctam) compre- 
hendat, pro lubitu agas, mihi enim perinde est, quot tabu- 
lis absolvas, nihilominus pretium, quod potis lubens dabo, & 
ut mentem meam scias, placet etiam multitudo tabularum, 
modo terra aliqua juxta veram divisionem repraesentetur. At- 
lantem novum meditor, pujus partes priores duas etiam hac 
hjeme absolvere spero , in una illarum Germaniam dabo , quae 
hoc additamento non parum omari potest, quamobrem ma- 
ture mittas rogo. Nee minus grata etiam est oblatio Abyl- 
fedae. Sed de hoc, ut & aliis rebus alias latius, ubi res- 
ciero has ad te pervenisse. Interea valeas Vir Clarissime & 
me amare pergas, qui sum ex asse tuus. 

GULIELMUS BLABU. 
Amsterdami 22 Novemb. 1633. 



171 

Si respondere dignaris , Francofurtum Wolfgango Hoffinanno 
literas mittas , ut ille xnihi. Dominus Grotius Hamburgi est. 
Effigiem ejus genuinam hic juxta habes. 



II. 



Doctissime Schickarde. Ad tuas 22 Novembt*. respondi, 
quas te jam accepisse spero ; nihilominus hasce ejusdem pene 
argument! bis Hortensii adjungere volui, ut si casu aliquo 
priores illae ad manus tuas non pervenissent , ex bis sal- 
tem animum in te meum & studia matbematica promovendi 
cognosceres. Scis ex Clariss. Viro Hugone Grotio, cujus 
veram effigiem nuper ad te misi, me de novo Atlante cogi- 
tare, & multa jam ultra Appendicem ad Tbeatr. Ortelii & 
Mercatoris Atlantem , a me editam , parata babeo , ita ut duo 
volumina justae magnitudinis bac byeme possem absolvere, 
unum continebit Germaniam inferiorem & superiorem ,, banc 
lubens tabulis Wurtenbérgiae a te descriptae augerem, ob 
banc causam etiam editionem aliquantum difierre est animus , 
cum illas communicare obtuleris. Scribis autem quatuor tabu- 
lis usitatae magnitudinis repraesentari posse omnem Wurten- 
bcrgiam , quam viginti exarasti. Mibi vero in talibus & tam 
exacte delineatis multitudo tabularum placet , ita nimirum , 
cum unaquaeque tabula territorium aliquod civitatis Imperi- 
alis , vel Comitatus , vel Vorst , (quod vocabulum frequens in 
tab. Wurtenb. a Mercatore edita video) juxta divisionem po- 
liticam vel ecclesiasticam terrae describendae comprebendat , 
quamobrem si bic operae pretium judicaveris, ut plures ta- 
bulae conficiantur, pro lubitu agas, quod praemium petiisti 
dabo, quamvis nemini, sed est, quod me in amorem tui ra- 
piat & ita ad omnia servitia paratissimum reddat, ut sim 
totus tuus. 

GUILIELMUS BLAEU. 

Ubi iabulas accepero statim & quam fieri po test nitidis- 
sime curabo. 

Amsterodami ' 6 Dec. 1633. Raptim & tomaltaarie. 



172 



m. 

Doctissime Schickarde. Placuisse tibi consilium meum de 
multiplicatione tabularum, pergratum fait, & sine dubio om- 
nibus gratissima erit divisio illa secundum praefecturas , qua- 
rum daas vel tres quandoque conjungere e re fore arbitror, 
ob rationes quas scripsisti; sed tarnen loca quaedam vacua 
relinquere necessarium est, quae titulo tabulae, insignibus 
territoriot*um & scalis milliarium facile suppleri poterunt, id- 
circo de iis non sis soUicitus, sed pro libitu & commodiore 
distributione describas, nam in talibus, dico tam accurate 
delineatis, mihi tabularum numerus ultra modum augeri ne- 
quit. Sylvas , pagorum aediculas &c. tumultuarie tantum ad- 
umbres, modo loei magnitudinem vel discrimen & justum 
situm indices , sufficit , talia , uti etiam Emblemata illa , quam 
nitidissime fieri operam dabo. Et ut omnia confestim dignos- 
cantur , quae Wurtenbergica , certo characteris genere , quae 
alterius dominii, alio peculiari scribi curabo & quo nitidiora 
haec prodeant, singula revidebis. Ignosce, quod adeo brevis 
sum, proxime sequenti tabellario plura ad te scribam de forma 
novi operis, & plenius respondebo ad ea, quae de Longi- 
tudinibus. Interea valeas & me ames , qui sum ' 

Paptim & tumultuarie XII. Jan. ^otus tuu8 

1684. Amsterdami aTJILtBLMüS BLAEtT. 

Amici cujusdam mei literas ad Dn. Bauscherum Franco - 
farto recta Tubingam mitti curaveram , ad quas cum nondum 
respondent, petiit a me, ut schedion hoc includerem, si 
qua autem tibi cum illo familiaritas , precor responsum ab 
illo petas : Iterum vale. 



IV. 



Doctissime Schickarde. Litteras tuas 16 Martii ad 

me datas accepi , una cum Libello , pro quo gratias ago ; 



173 

adjuncta etiam ' erat. tabulae octa^ae Wirtenbergiae delineatio, 
quae quamvis rudem appellas , sculptori in plerisque sufficiet. 
Interim tarnen accaratiorem , quam promittis , expecto , ut ex 
collatione duarum significem, quo pacto in reliquis progre- 
diaris opus erit. Quae vero observanda indicasti, intellexi, 
& dabo opei;am, ut summa in exsculpendo adhibeatur dili- 
gentia , sed prima omnia leniter aeri inscribam & transmittam, 
ut si qnae in re erratum sit , corrigere possis , antequam perfi- 
ciatur. Quoad tempus , quod pro omniuia absolutione requiris , 
tantum sumas, quantum necessarium judicabis, & si aéstate 
absolvere nequeas , hjemem insuper adjungas : illud Atlanti 
meo non erit incommodum. Nundinis enim praeteritis dedi 
tomun unum, 160 tabularum, cum descriptionibus Germa- 
nicis ex veteris Latinis translatis. Autumnalibus proxime 
futuris Latinum , Oallicum & Belgieum dabo ; horum descrip- 
tiones quidem novae, non eae tamen, qnales volo, cogor 
edere, ita me urgent festini & non curiosi. Sed in secun- 
dam editionem multa quoad tabulas, quoad descriptiones 
premo, de quibus latius ad te per famulum ad unndinas 
iturum. Si pro illa editione non solum Wirtembergica , de 
quibus jam mentionem fecisti , obsolvere possemus , hoc mihi 
essat gratissimum. Ferplacet etiam totam Wirtenbergiam 
majori forma exprimere , sex nimirum paginis. In minoribua 
vero non impedit venditionem numerus in tabulus expressus, 
imo promovet. In secunjda lasnilla Atlantis editione multa corri- 
gam , praesertim gradus Longitudinis , qui in omnibus tabulis 
non ab eodem pnncto numerantur & idcirco restituendi 
sunt. Vellem etiam sub tuo nomine praefigere illi. libellum, 
quem de Longitudinibus promisti , si non ingratum tibi foret. 
Quae de Loügitudine inter Alexandriam & Bomam observasti, 
ex nostratium in navigando observationibus ita esse semper 
'judicavi, imo totam Europam ab omnibus Oeographis veró 
longiorem describi. Cum ante annum Directores societatis 
Indiae orientalis me rebus suis hydrographicis praefecissent, 
statim petöbam , injungerent omnibus navium gubernatoribus 
in Indiam euntibus, ut Eclipses omnes & ubique locorUm 



\ 



BIJLAOE XIII. 



Beschrijving van de drukkerij der blabu's. 

Onderstaande beffchr^'ving van de drukkerij der Blaeu's, 
op de Bloemgracht , is ontleend aan : Filips von Zesen. Beschrei- 
bung der Stadt Amsterdam, 1664. s 215. 216. De schrijver had , 
bl^kens z^ne voorrede , gericht ^^an die Wdtberühmten , im han- 
del und wandel zu woèêer und lande, üm den gantzen ErdJereU 
machtigen Jinstelinnen , die schönsten und herlichsten Töchter des 
gesamten Niederlandes /' in 1663 , reeds 22 jaren te Amsterdam 
gewoond, en, in 1662, aldaar het burgerrecht verkregen. 

s. 215. 

Auf der Bluhmen-graft befindet sich , bei der dritten brücke, 
und dritten kwahrgasse , die weit berühmte fürtrefliche Drük- 
kerei Herrn Johan Blauens , Eaths und Schéppens dieser Stadt ; 
welche mit neun Schrift-drükker-pressen , die man nach den 
nahdien der -neun Kunstgöttinnen genennet , und sechs Plaht- 
odex K'upfer-prassen , auch einer Schrifbgiesserei versehen. Der 
gantze bau solcher Drückerei, an der graft, mit dem beilie- 
gendem hause, darinnen ihr Stifter gewohnet, ist 75 fiisze 
breit; und erstrekket sich langst der ost-seite der neben- 
schiessenden Kwahr-gasse hin (welche gleichesfals gemeltem 
Herrn Blauen eigentühmlich zukommet) auf 135 , ja mit dem 
hinten angefdgtem hause,^ auf 150. Voran, nach der grafl 
zu, ist ein Zimmer mit etlichen schranken; darinnen die 
Kupfer-platen, welche zum Atlasse, Niederlandischem , und 



177 • 

Walschen Stadte*buche , wie auch See- and andern köstlichen 
büchern gehöhren, und wohl eine tonne goldes gekostet, 
verwahret werden. Hierauf folget die Plaht-drukkerei ; nach 
dieser der eingang, da man, nach gemelter kwahrgasse zu, 
die abgedrukten Schriften wieder zu waschen pfleget: und 
dan die Buch-drukkerei selbsten in einem langen saaie, zu 
beiden seiten mit vielen fenstem versehen. Zum aller^iintersten 
ist ein Zimmer, darinnen die übrigen schriften und andere 
sachen , zur drükkerei gehöhrig , verwahret werden. Yor diesem 
Zimmer gehet man hinauf in die kammer der Drukleser; 
welche alda die ersten und zweiten abdrükke zu lesen, und* 
die fehler, die der setzer begangen, an zu weisen pflegen. Yor 
dieser Kammer ist ein langer soller oder bodem ; darauf man 
die bogen der erstgedrükten bücher, so bald der gantze druk 
verfartiget , bei ein ander und zusammen zu legen , auch eine 
zeitlang zu verwahren pfleget. 

Weiter hinauf ist zu eben demselben gebrauche noch ein 
solcher bodem; an dessen hinterstem ende sich, über der erst 
gemelten kammer der Druk-leser, die Schrift-giesserei befin- 
det; darinnen die buchstaben jzu vielerhand sprachen gegos- 
sen werden. 

Dieses fürtreflichen baues ersten grundstein hat vorgemel- 
ten Herrn Johann Blauens altester Sohn , Wilhelm , im 1686 
jahre geleget: and straks in folgendem jahre ward darinnen, 
auf den 13 herbstmohndes , die Drükkerei angerichtet. Der 
stifter aber solches gantzen Werkes, (der im ersten jahre 
damach gestorben) war eben desselben Herrn Johan Blauens 
Eunstliebender Vater, Wilhelm; welcher des groszen Ste^n- 
kündigers, Ticho Brahens, lehrling eine zimliche Zeit gewe- 
sen, und ihm auch dermaszen eifrig gefolget, dasz er viel 
werkzeuge, zu beförderung der Stemkunde, wie auch der 
schiffahrt, und anderer dergleichen wissenschaften teils er- 
neuert und verbessert, teils selbsten <von neuem erfunden; 
wie wir in unserem Dichterischen Stern-himmel , der eben 
aus dieser herlichen Drükkerei zu lichte gegangen , was weit- 
leuftiger angezeiget. Aber was wollen wil hierinnen vieler 



H 



• in 

umschweiffe gebrauchen; nachdem Yater nnd Sohn der gant» 
sen gelehrten Welt, welcher sie, durch ihre onvergleichliche 
mühe, and ungespahrte grosze kosten, aus diesen ihren 
Drükkereien , einen unerschatzlichen schatz an allerhand 
köstlichen bücbem gesch^nket, ohne unseren femeren lob* 
spruch, albereit übergenug bekant, und auf dem wagen der 
ewigkeit schon so hoch gesessen seind, dasz wir es besser 
achten zu sch weigen, als ihrer mit mehr worten zu gedenken. 

De Terw^zing naar den : Diciieruchen Stem-himmd , van den 
achr^ver geldt het : Coelum adronomico-poeticum , etc , dat , in 
1662 , bij J. Blaeu uitkwam. Hierin vindt men , p. 8. , eene 
beschrijving van de globes en spheren van W. Jz. Blaeu, 
met een Latijnsch gedicht van C. Barlaeus op het planetarium. 
Deze beschrgving bevat niets meer, dan die van Yossius 



BERICHT VOOE DEi^ BINDEK. 



Het portret yan W. J. Blaea tegenover den titel te plaatsen. 

Plaat I. De drukkers-teekens , voor blz. 35, tegenover Globes en Spheren. 

« Til. De afbeelding van den Graadboog tegenover blz. 66. 

„ II. Facsiniilé's van handteekeningen, voor blz. 117 tegenover Bijlage I. 



NASCHRIFT OP: 



LEVEN EN WERKEN VAN W. J^ BLAEU 



DOOR 



I». J. H. 



Ofschoon het nog slechls weinige maanden geleden is , 
dat mijne Verhandeling over W. Jz. Blaeu verscheen, 
wensch ik daaraan nu reeds den inhoud der volgende 
Nadzijden toelevoegen. 

Waren het slechts aanvullhigen , die ik te geven had, 
ik zou wachten kunnen, in de hoop van ze nog te zien 
aangroeien; gedeeltelijk echter zijn het verbeteringen , en 
deze houd ik liefst niet langer achter, dan noodi^ is. 

Dat hiermede het laatste woord gezegd is over de on- 
derwerpen van mijn onderzoek, beweer ik geenszins. In- 
tegendeel , pas ik gaarne op mijn werk de volgende woor- 
den van den heer P. A. Tiele toe, die voorafgaan aan 
zijn: Mémoire sur les voyages Néerlandais, 

TiJ'aime d reconnaitre en toute franchise que mon Ira- 
vaü offre des lacunes : ce n'est pas dans des essais de ce 
genre qu'il faut espérer d'atleindre du premier coup d la 
perfeciiony 

Het verblijf van Blaeu op Ilveen is zeker van grooten 
invloed geweest, zoowel op zijne vorming tot aardrijks- 
kundige, als op zijn roem bij tijdgenoot en nakomeling. 
Bij de schaarschheid der berichten aangaande dat verblijf, 
is iedere bijdrage daartoe welkom. 

Vooraf mag ik opmerken , dat Blaeu niet de eerste Ne- 
derlander was, die zich tot uitbreiding zijner kennis bij 



Tycho Rrahe vervoegde. Reeds in 4591 i) zond Jacob 
Florisz. van Langeren, van Amsterdam, zijn zoon naarden 
Deenschen slerrekundige met verzoek , om hem toetestaan 
den catalogus der op üranienburg bepaalde sterren afte- 
schrijven, ten einde dien te volgen bij het vervaardigen 
van nieuwe hemelglobes. Tycho Brahe meende aan dit 
verzoek niet te mogen voldoen, alvorens de besproken 
catalogus geheel was afgedrukt , maar beloofde , er na de 
uitgave', een exemplaar van te zullen overzenden. Intus- 
schen stond hij den jongen van Langeren toe, om den 
grooten hémelbol te bezichtigen , die zich in het Obser- 
vatorium bevond, waarop een gedeelte der 800 reeds 
bepaalde sterren was voorgesteld en de ontbrekende ver- 
der werden overgebracht ^) Nog ontving Jacob Florisz. 
van Langeren den raad, om zich niet te overhaasten met 
zijne hemelglobes, aangezien men op üranienburg nog 
met de bepaling van 200 andere sterren bezig was. 

In 1591 was van Langeren geen volkomen vreemdeling 
voor T. Brahe. Reeds in 1589 toch had hij aan Koning 
Christiaan lY twee astronomische globes ten geschenke 
aangeboden, en, door tusschenkomst van Tycho Brahe, 
daarvoor honderd daalders tot belooning ontvangen S). 

In 1592 komt van Langeren het eerst voor in de Resol. 
der Staten-Gen. d.d. 9 Sept. Hem werd toen octrooi ver- 
leend, voor 10 jaren, op de vervaardiging van groote 
eii kleine aard- en hemelbollen ^). 

1) Tyeh, Brahei vita auth. JP. Oéusendo, Hagae-Com, 1655 p. 120. 

2) Die groote hemel-globe' was 6 voet in middellijii en met plaatkoper be- 
kleed. In 1728 ging zy b^ een brand te Kopenhagen verloren. 

8) Nyt Hst. Tidsshr. III. 293. Be mededeeling hiervan ben ik aan de 
welwillendheid van den heer Mr. J. Soutendam verschuldigd , wien ik eveneens 
de meeste aanhalingen nit de werken van den heer F. R. Friis te danken heb. 

4) Le opkomst van het NederL getag in O. I. door Jhr» Mr J. K, J. de 
Jonge I. blz. 167. 



Het is zeker geen gewaagde onderstelling, te meenen, 
dat hel voorbeeld van van Langeren Blaeu bewogen heeft, 
om zich naar Uveen te begeven. 

Wat nu den tijd betreft, dien Blaeu bij Tycho Brahe 
heeft doorgebracht, móet ik intrekken wat, Verh. blz. 2, 
daarover is aangestipt, en kan daarentegen den duur van 
zijn* verblijf op Hveen en nauwkeurig den datum van zijn 
vertrek opgeven. 

De opgave van het jaar 1591, in de Verh. als afkom- 
stig van Joan Blaeu vermeld, berust op een onvolledig 
citaat, dat, bij ongeluk, met eene andere aanleekening 
in combijiatie geraakt is. 

Blaeu heeft twee volle jaren bij Tychp Brahe doorge- 
bracht, volgens het getuigenis van P. Gassendi, die. voor 
zijne beschrijving van het leven van T. Brahe, Blaeu had 
geraadpleegd J). 

De dag van Blaeu 's vertrek van Hveen eindelijk is door 
T. Brahe zelven opgeteekend in een dagboek, dat, in 
handschrift aanwezig in de Keiz. bibliotheek te Weenen, 
thans, voor rekening der Kon. Maatsch. van Wetensch., 
te Kopenhagen, gedrukt wordt. Deze aanteekehing van 
21 Mei 1596, luidt: Abiü domum in Hollandiam Vilhel- 
mm Batanim cum per integram hyemen hic fuisset ^). 

Ook aangaande de werkzaamheden van Blaeu op üra- 
nienburg is iets meer bekend, dan zich laat opmaken 



1) P. Oassendi u. s. p. 10. De schrijver zegt, dat J. B. Laurus getuigt, 
dat de valsche neus van Tycho niet van was. maar van een alliage van 
goud en zilver gemaakt was en zoo vast gehecht werd, dat die een echten 
neus geleek, en laat dan volgen: „Eertijds heeft Guillelmus Jansonius, die 
zich volle twee jaren bij Tycho heeft opgehouden, mij verhaald, dat deze 
gewoon was. altijd een doosje bij zich te dragen, gevuld met iets, waarvan 
l^j niet wist of het een zalf of een kleefiniddel was, waarvan Tycho vr^ 
dikw^ls iets op z^n neus smeerde." 

2) De mededeeling hiervan heb ik aan den heer F. R. Friis te danken. 



uit de . vervaardiging en latere uitgave der kaart van 
Hveen i). 

. In : Tychonis Brahei Observaliones septem cometarum 
ed. F. R, Friis 1867, p. M, komt de volgende aantee- 
kening voor, die, in het oorspronkelijk handschrift, door 
T. Brahe zelven geschreven is : 

Sequitur examinatio Cometae anni i5H0 in globo nostro 
maximo orichalcico per Wilhelmum' Johannem Batavum 
Alckmariensem , dum hic mecum esset anno 1596 , in hyeme 
antecedente diligenter examinatis , annoiatis correctionibus 
locis ad tramitem Cometae et distantiis limitatis, oppo- 
sitis etiam eorumdem longitudine et latitudine, prout 
fert glohus ille. 

Onder dit opschrift nu volgt een reeks van plaatsbe- 
palingen der komeet, afgeleid uit de waarnemingen van 
Tycho Brahe, terwijl eene laatste kolom verbeteringen 
van enkele dier bepalingen bevat , zeker voortgevloeid uit 
het volgen der loopbaan op de globe, door Blaeu. 

Noemde ik vroeger 2) Chr. Longomontanus als mede- 
leerling van Blaeu , Gassendi wijst op de vriendschap , die 
tusschen hen bestaan heeft.* Hij haalt een brief aan, in 
het begin van i6ï6, door Blaeu aan Longomontanus, te 
Wittenberg gericht, en de nasporingen vermeldende, die 
hij naar de nakomelingen van T. Brahe had in hej. werk 
gesteld 3). 

»Te Praag," schrijft hij, >heb ik onderzoek gedaan naar 
de zonen, en dochters van Tycho Brahe; ik heb echter 
niemand gevonden, die in staat was mij omtrent hen de 
geringste inlichting te geven , maar van M. Nicolaas Ham- 



> 



1) Zie Verh. blz. 2. 

2) Verh. blz. 3. 

8) P. Gassendi. u. s. p. 199. 



mer heb ik vernomen, dat eene dochter van Tycho te 
Praag gehuwd is , en een zoon in Bohème woont en daar, 
voor weinige jaren, eene edele jonkvrouw gehuwd heeft 
en groote rijkdommen bezit." 

Ook maakt Gasseudi gewag van de : Astronomica Danica^ 
een werk van Longomontanus, door dezen, in 1620, aan 
koning Ghristiaan opgedragen en, in 1622, door Guliel- 
mus Caesius, te Amsterdam gedrukt i). 

^Te vergeefs echter zoekt men in dé tierken van T. 
Brahe naar den naam van Blaeu,'* zeide ik, Verh. blz. 
5. Met terugneming van die uitspraak, op grond der 
beide aanteekeningen , door den heer F. R. Friis aan het 
licht gebracht, moet ik handhaven wat ik omtrent de 
vriendschap tusschen Blaeu en T. Brahe schreef. Daarvan 
vond ook de heer Friis geen spoor. 

Met de dagteekening van het vertrek van Blaeu van 
Hveen, 21 Mei 1596, is kwalijk te rijmende opgaaf van 
den geboortedag van zijn oudsten zoon Joan, 28 Sept. 
1596, zoo als die, Verh. blz. 6, 22, 160, is overgeno- 
men van het opschrift, op een exemplaar van het portret , 
beschreven in Bijlage II, blz. 121 , tenzij men mocht aan- 
nemen, dat Blaeu geen twee achtereenvolgende jaren bij 
T. Brahe heeft doorgebracht, ên in het laatst van Dec. 
1595 naar Denemarken gereisd is, wat toch niet waar- 
schijnlijk is. Bij gebreke van authentieke aanteekeningen , 
is het niet mogelijk, hier tot , zekerheid te geraken. 

Minder verschoonbaar, dan de tot nog toe aangewezen 
onjuistheden zijn de fouten in enkele opgaven, onder 
Globes en Spheren, in mijne verhandeling opgenomen. 
Wel is waar zijn die opgaven aan /. Lelewel , Gêographie 



1) n)id. p. 206. 



8 

* 

du moyen-dge ontleend , maar , na het uitgebreid onder- 
zoel^jdoor Dr. J. van Raemdonck i) gedaan naar alles wat 
op het leven en de werken van G. Mercator betrekking 
heeft, mag niet op nieuw vervallen worden in fouten, 
die de oplettende lezing van zijn werk kan doen vermij- 
den. In : Gérard Mercator , sa vie ei ses oeuvres, St, 
Nicolas, 1869, de vrucht van zes jaren studie en onderzoek, 
is een nauwlettend gebruik gemaakt van vele bronnen, 
die aan vroegere onderzoekers niet bekend waren. 
Het boekje: de usu globi, van Mercator is niet van 

1552, zoo als in Verh. blz. 37 Noot 2, is opgpgeven, 
maar van 1541 y en: de usu annuli astronomici, niet van 

1553, maar van 1552 2). 

©e gevangenneming van Mercator, eindelijk, in Noot 3, 
bl 37, gesteld op 1540, had plaats in het begin vaii Fe- 
bruari, 1544 N. S, en niet te Gent, maar te Rupel- 
monde. Hij bleef, ondanks het gunstig getuigenis van 
een geestelijke zijner kerk , bijna vier maanden gevangen, 
en werd waarschijnlijk, bij gebrek' aan bewijs, eerst op 
het, einde van Mei ontslagen 3). 

Voor de beschrijving van Blaeu's globes van de groot- 
ste afmeting kon ik mij vroeger alleen op anderen be- 
roepen 4). Het was mij niet gelukt eenig exemplaar 
daarvan op te sporen. Thans kan ik mededeelen, dat 
zich een zoodanig stel zeer goed geconserveerde globes 
van het jaar 1640 bevindt in de bibliotheek der stad 
Antwerpen. De middellijn dier bollen is echter niet 0,™73 
maar slechts 0,m68. 



1) Niet: van Maemsdonek, zoo als verkeerdelijk is opgegeven, Verh. blz. 
4, Noot 2, blz. 88, Noot 1 , e. v. 

2) Dr. J. van Raemdonck. u. s. pp. 29, 72, 78, 74. 

3) Ibid. pp. 57—68. 

4) Verh. blz. 40, 41. 



Ook op de waarneming door Blaeu van de veranderlijke 
ster in de Zwaan wensch ik terug te komen i). Wat 
daaromtrent, Verh. blz. 8, voorkomt is te onvolledig en 
gedeeltelijk onjuist 

Op het getuigenis van een aantal tijdgenooten mag wor- 
den aangenomen, dat die ster voor het eerst in 1600 
gezien werd, en wel als eene ster van de 3® grootte '^). 
Op de vraag, door welken' sterrekundige zij het eerst 
•werd waargenomen, is geen stellig antwoord Ie geven. 
Uit het opschrift op eene hemelglobe van Blaeu besloot 
Kepler, dat Blaeu de ster voor het eerst in 1600 gezien 
en toen ook bepaald had 3). Daarbij ging hij echter van 
de onderstelling uil, dat die globe van het jaar 1600 - 
dagteekende, en, ofschoon het wel kwalijk bewezen kan 
worden, dat Blaeu vóór 1602 geen hemelglobes vervaar- 



1) Gedurende negentien jaren bleef deze ster in helfiteren glans schitteren , 
zonder eenigszins merkbaar hare plaats aón den hemel ie veranderen. Zij 
nam toen af ^ en verdween in het jaar 1621 geheel en al. In 1655 toerd 
zij f als eene ster van minderen* glans ^ terug gevonden en 1665 toerd zij 
andermaal toaargenomen. In nog lateren tijd ontdekte men haar weder als 
eene ster ^ die zich naauwelijks met het bloote oog laat onderscheiden, en 
als zoodanig joer schijnt zij nu nog aan den hemel 

{De sterrenhemel verklaard door F. Kaiser , Jmst. 1860. blz. 398.) 

2) Tertii fulgoris stella , Anno MDC primum eonspeeta & observata, om- 
nium ferme taeito eonsensu , pro novo phaenomeno reeepta. 

(J. Bayer, Uranometria. 1608). 

Stella nova primum anno Dn 1600 app. consp. in Cygno quae etiamnum 
ibidem visitur. 

(C. Longomontanus, Astronomia Danica. Amst. apud Joh ei Com. Blaeu. 
1640. p. 211 en Appendix p. 10.) 

De eerste druk, van 1622, kwam bij W. Jz. Blaeu uit. 

8) Zie de aanhaling uit : Jo. Keppleri , Narratio asironomiea de stella 
tertii honoris in cggno, quae usque ad annum 1600 Juit incognita, neeium 
ertinguiturt jBLchier het tractaat: De stella nova in pede serpeniarii FragM^ 
1606. in: De Qids , Febr. 1872, blz. 869, door P. A. Tiele. 



10 

digd heeft, is dit toch hoogst waarschijnlijk. Op zjyne 
globes van 1603 vindt men nu, dat die ster in 1600 voor 
het eerst gezien is, en dat hij haren stand aan den he- 
mel, in 1603, bepaald heeft op 316^15' L. en 55^30' 
N. Il In dat zelfde jaar gaf J. Bayer, in zijne nUrano- 
metria," zonder den waarnemer te noemen, haren stand 
eenigszins anders op, en wel: 316°18' L. en 55^32' N. B. 
Uit dit verschil mag worden afgeleid, dat Blaeu en Bayer 
elkander niet hebben nageschreven, en dat men hier met 
verschillende waarnemingen te doen heeft. In de Ura- 
nometria is voorts de ster door de letter P aangewezen 
en niet opgenomen onder de overige sterren der 3* grootte, 
waarmede de daarin voorkomende lijst der sterren van 
de Zwaan geopend wordt, maar eerst aan het einde. 

In de Inleydinghe tot het verstant der Hemelscher 
Spherac y behoorende in het l'' deel van Het Licht der 
Zcevaert, 1608, vindt men ruwe afbeeldingen van den 
sland der voornaamste sterren van eenige sterrebeelden, 
en daaronder, bij De Swaen, ^De zuydelykste van de 
twee in de borst is een nieuwe Sterre, ende heeft hem 
in den Jare 1600 eerstmael laten sienJ' In andere wer- 
ken van Blaeu, zooals het Tweevoudigh Onderwys, enz. 
wordt van de besproken ster niet gerept. 

Omlvent de voorgewende uitvinding van Th. Leamer, 
op blz. 18 en 19 der Verh. besproken, vindt men uit- 
voerige berichten in: Een klaer vertoninge, hoe men 
door het ryrwerck van Elohim ofte den groten Eyghe- 
naer, nawenh/ck: Door Son , Maen en Sterren in alle 
plaetsim der Werelt , te Water ofte te Lande syn effen 
tijt, ende so syn Meridiaens lengte te weten comen can. 
Onder Privilegie voor seven Jaren, Ghestelt ende uyt- 
gcgheven onder verbeteringhe. By Thomas Leamer En- 
gehman. Liefhebber der waerheydt^ woonachtig tot Am-- 



ii 

sleïredamme, op 7 Ruslant^ in de Colonel. Tot Campen. 
Ghedruckt by Albert Lieffertsz. Anno 1612. 

liet zou te ver leiden, hier de onbeduidendheid van 
den persoon en de hopeloosheid van zijn pogen in 1611 
yiléén te zetten Het zij genoeg hier aan te stippen, 
dat hij maansafstan'den tot de bepaling der lengte wilde 
aanwenden , waartoe hem echter zoowel de noodige ge^ 
gevens, als eene eenigszins bruikbare methode ontbra- 
ken, en hij volstrekt niet op de hoogte was van hetgeen, 
in 1611 , reeds van cosmographie kon geweten worden '). 

Uit zijn JiKlaer vertoninghe'^ haal ik slechts aan, dat 
hij R. Snellius, Robert Robertsz. Ie Canu, P. Plancius en 
ook Blaeu , allen voor belagers van zijn ontwerp uitmaakt. 
Hij vertelt, dat Blaeu hem f 1000 voor zijn geheim ge- 
boden heeft, en hem, toen dat aanbod werd afgeslagen, 
verder gedwarsboomd heeft. Deze beschuldiging is even 
i^ydel ende frivool,^' als zijn andere ^voorgevens.'' De 
laatste bladztjde van het boek van Leamer is gedagtee- 
kend 12 Juni, 1612, en het rapport van de gecommit- 
teerde Raden ter Admiraliteyt , 3 Juli, 1612. 

In de werken van P Gassendi bevat niet alleen het 
i>Leven van Tycho Brahe" enkele bijzonderheden , die op 
Blaeu belrekking hebben; ook in de brieven, door en 
aan Gassendi geschreven, vindt men ^en aantal plaatsen, 
waar van Blaeu sprake is. Het voornaamste daaruit moge 
hier volgen. 

In 1629 bezocht Gassendi de Nederlanden en bracht 
de maanden Juni en Juli grootendeels in Holland door. 
Het was, zonder twijfel, bij deze gelegenheid, dat hij 
bi] Blaeu de bovenvermelde inlichtingen inwon aangaande 



1) Men vindt in veel oudere werken, o. a. in die van P. Appianas en G. 
Frisius reeds het middel voorgesUigen , door Leamer bedoeld. 



Tycho Brahe. Den 10^„ Juli schreef Gassendi aan Dr. J. 
B. Helmont, dal hij reeds lang genoeg in Holland ge- 
weest was, en, na Utrecht en de belegeringswerken van 
's Hertogenbosch gezien te hebben, binnen kort naar 
Vlaanderen of Frankrijk dacht te vertrekken. 

Onder de geleerden, met wie Gassendi hier kennis 
maakte , behoorde ook G. J. Vossius. Hij schreef later, 
van P. Gassendi sprekende f » wiens buitengewone en 
veelzijdige geleerdheid ik. heb moeten bewonderen, toen 
hij op zijne reis door Nederland, in het jaar 1629, mij 
onder anderen meermalen verwaardigde met zijn bezoek 
en alleraangenaamst gesprek i)." 

\ Dat Blaeu eene ruime opvatting had van de taak, die 
hij zich had opgelegd, blijkt zoowel uit zijne briefwisse- 
ling met Schickard, als uit zijne werken. Bij hem gold 
zeker niet de angstige berekening , die vreezen doet , een 
weinig meer moeite en geld aan eenig werk te koste te 
leggen, dan onmiddelijk uit de opbrengst konden verhaald 
worden. Als bewijs daarvoor moge nog het volgende die- 
nen. In 1632 verzocht H. de Groot aan Gassendi, om aan 
Willem Blaeu, «den vlijtigsten der drukkers," natuur- of 
slerrekundige waarnemingen te doen toekomen , ten einde 
die te- doen opnemen in het groole werk over cosmogra- 
phie, dat deze onderhanden had 2). Of Blaeu toen nog 
een ander werk , dan het Toonneel des Aerdrycx op het 
oog had , is niet bekend. Op die uilnoodiging volgde een 
.brief van Gassendi aan Blaeu, handelende over waarne- 
mingen, door T. Brahe, Kepler en hem zelven gedaan, 
en inhoudende het bericht, dat hij met Salmasius, die 



1) G. J. Vossius. Be astrologis Cap, LXV. f 10. 

2) F. Gassendi. Epistolae. AppencUx epistolaa ad P. Gassendum continent. 
lagdoni. 1658. p. 406. 



13 

op het punt stond, om naar Nederland te vertrekken, 
eene verzameling slerrekundige waarnemingen, voorna- 
meiijk van Valesius, voor Blaeu zou medegeven ^). Uit 
een later schrijven aan M. Hortensius blijkt, dat deze 
waarnemingen vooral belrekking hadden op conjuncliën 
van planeten *^). 

De vermelding, op blz. 4-5 der Verh. van een plane- 
tarium, door Blaeu in 1628 vervaardigd, kan nog wor- 
den aangevuld met hetgene M. Hortensius , d.d. 5 Deo. 
1633, aan Gassendi schrijft ^). »Onze Willem Jansz. Blaeu 
heeft eene zeer fraaie sph'eer vervaardigd naar het stelsel 
van Copernicus, waaraan de paus, zoo hij ze zag, zijne 
goedkeuring niet zou kunnen onthouden. Binnen kort zal 
hij ze, geloof ik, aan het licht brengen en naar Italië 
verzenden met beslemming voor de aanzienlijken van het 
pauselijk hof.'* Dit laatste voornemen stond misschien in 
verband met het proces van Galilei, waarvan Hortensius, 
naar hij zegt, met belangstelling den afloop te gemoet 
zag. Het is zeker bevreemdend , dat Hortensius den ö^»*^ 
Dec. nog niet bekend was met het vonnis , dat reeds den 
22^° Juni over Galilei was uitgesproken. 

Aangaande de kaarten van Wurtemberg, op blz. 97 
der Verh. besproken, schrijft Schickard, dwi 16«" Maart 
1634^ dat hij met die 13 Kaarten, die Blaeu laat gra- 
veeren hezig is, terwijl later Hortensius, den 16*" Mei 
1636, de hulp van Gassendi inroept, om de daaraan nog 
ontbrekende uit de nalatenschap van Schickard te ver- 
krijgen ^). Waarschijnlijk zijn deze nooit ontvangen, en 



1) Ibid. p. 61. 

2) Ibid. p. 67. 
8) Ibid. p. 417. 
4} Ibid. p. 481. 



u 

is Blaeu alzoo in de uitgave dier kaarten - teleurgesteld , 
waarvan althans geen spoor te vinden is. 

ïVoor den heer Blaeu", schrijft Hortensius den 15*° 
Sept. 1634, T> wordt een sextant van 7 voet straal ver- 
vaardigd, die tot mijn gebruik zal dienen , en waarmede 
ik dezen winter voortreffelijke waarnemingen hoop te doen. 
Maar indien onze burgemeesters mij te eeniger tijd zullen 
gelieven te ondersteunen, zoo twijfel ik niet, of wij zullen 
groote dingen volbrengen en door onze werktuigen Tycho 
zelven overtreffen" i). 

Zoo als men ziet, leed Hortensius evenmin aaft te 
groote bescheidenheid, als zijn vriend Ph. Lömsbergen 2). 

Deze toch zeide van Hortensius, dat hij hem in zijn 
drukkenden en ziekelijken ouderdom even trouw had 
bijgestaan, als eertijds de geleerde Rheticus dat den groo- 
ten Copernicus gedaan had S). 

Omtrent de waarneming van maaneclipsen door de 
stuurlieden van schepen der 0. I. Compagnie *) , doet 



1) Ibid. p. 424. 

2) Fh, Lanshergii triangulorum Oeomelriae Lièri quatuor. Editio saècunda^ 
ab ipse auctore recognita muUisque in locis aucta. Amsterd, apud Guiliet- 
mum Blaeuto. 1631. Van dit boekje is de eerste druk door Kepler gebruikt 
en geprezen. Het bevat formules voor platte en bolvormige driehoeksmeting 
en een tafel van goniometrische lijnen. 

In de BedencHngen op den dagelykschen ende jaarlyckschen lêop van den 
aerdthlooty door Ph. Lansbergen 1629, en in de Latijnsche vertaling hier- 
van, bewerkt door M. Hortensius en uitgegeven onder den titel van: Com- 
meniationes in motum terrae diurnum et annuum, Middelb. 1630. Komt eene 
afbeelding van het zonnestelsel voor, opgedragen: Guillelmo Caesio ab edi- 
tis Astronomicis ghbis et Cosmographids tabulis viro clarissimo, 1629. Lans- 
bergen leerde in 1629 nog, dat de planeten excentrische cirkels om de zon 
beschrijven. Toch werd de eerste wet van Kepler reeds in 1609 bekend gemaakt* 

3) „Niet zeer bescheiden," zegt Kastner, „intusschen twee kleine getal- 
len kunnen dezelfde verhouding hebben als twee groote." 

' 4) Verh. blz. 16. 



15 

Hortensius, in een schrijven van den 18" Oct. 1636, 
eene belangrijke bijzonderheid liennen. Hij zegt namelijk, 
dat door Blaeu aan de stuurlieden eene gedrukte instructie 
voor het doen dier waarnemingen wordt uitgereikt, en 
uit de verwachting , dat reeds de beide maaneclipsen van 
1635 op vele plaatsen in het Oosten zullen zijn waarge- 
nomen ^). 

Het is mij intusschen niet gelukt , die instructie zelve 
op te sporen. 

Van een drietal werken van Blaeu kan ik thans iets 
meer zeggen dan vroeger, toen mij of weinig meer dan 
hun titel, of hun inhoud slechts gedeeltelijk bekend was. 
Dit geldt vooreerst van het i» Nieuw graetbouck" vaïi 1605 
en de j> Paskaerte*' van 1606. Wel is waar kwam mij 
van het eerstgenoemde boekje nog geen exemplaar in 
handen. Intusschen leest men in T>Het Licht der ZeevaerV' 
van 1608, dat het meer bevatte dan tafels van Zonsde- 
clinatie. i>Merckt, Dat de declinatie der Sterren, die. 
wy hier hebben ghestelt, niet en accorderen ende over- 
eencomen met hetghene wy hebben ghestelt in het Graed- 
boecxken Anno 1605 van ons uytgegaen, is door oor- 
saecke, dat dese zijn gerecht ende gestelt na den Jare 
1608 ende 1609, maer in 't voornoemde Graedboecxken 
zijnse ghestelt naer den Jare 1600, waeruyt men de 
veranderinghe der declinatie van de vaste Sterren ten 
deele bemercken can*' ^). 

Na de oordeelkundige beschouwing, door den heer 
Tiele aan de Opdracht van i^ Het Licht der ZeevaerV' ge- 
wijd 8) , is niet langer te denken aan een Zeecaertboeck 



1) P. Gassendi, Epistolae. p. 482. 

2) Bet Licht der Zeevaert. InUydinghe. Cap. XVIII. 
8) De Qidt. Febr. 1872: bk. 866, 



16 

m 

vtiii l(t(H», nu«r nuvM hol in dal jaar ver 

*• '" ««M.Jon Lotivlking lo hebben op 

/.<;,, „',r yf^n i,;^^v waarvan eene nade 
''"''<»".lo. xol^i. iv tn daizflide oclrooi g 
'-•.»//• 1,^1 ,h;.n# ^.v,r n.;i i: .. Verdient zij 
<»!> «v« a,>i wv:.- .K..W r.i.,t.u uil^egreven \ 

"'< \\.,v„.r. fc. i„.j,: Kvj-r. ^.iriajt, de b 
Ml.j^ >u>,:, ,.„>,., „. ï,,., üudot-n: 

• ' ^' '- «4 • ,. Cl. • ^si. Zuc 

'.... .,j .^ , * •■ '• ■ '"'' ■ *'.'■ 






• I 



• 4 



f ï' 






%». 



H,.t 



%. » 



'•^x ^V, 



• • - V 






• - -•. 



> " >■. 



^ ' "; •. ï .» 












-^•. . 






• i i. hit 
t t « "• 'T^ ' 



A /«il* ■* 



^ V 



*•» 






•l 



v^. 



17 

iiiflt'l^-. lï^ den linkerhoek, beneden: 

> Hj;ini' ■- Overmidts dat om de cleijne plaetse wille de geheele 

• ï Jaliet' iddelantsche Zee alhier niet aen malcanderen en heeft 

■ «* n:ii • l' ^^^^ volgen , soo hebben wij nochtans tot dienste van 

^ ,. e Zeevaerders goet gevonden de reste oock hierbij te 

. , "oeghen^ die leggende binnen de custen van Barbarijen 

-'eginnende weder van Sicilien ende Malta streckende 

. erbij de Griecsche Eij landen Candien ende Cyprus ge- 

f^ '; eelijck tot aende custen van Soria, Vaert wel. 

• V '► \yU II'' 

"^ f' Yan lY^TQQ cartpns bevat het een de Azorische eilanden, 

""^'^^ ,et ander, het Beeren-eiland en de westelijke kust van 

"^ "'^''^Ipitsbergen. 

■ -^ ^ De kaart zelve strekt zich uit van 25° 20' N.B. tot op 

i - iï,'75<^ 20' N.B. ^ en vertoont dus ten Z. nog de Canarische 

' li-.cjjji tgjj N i^Qi Beeren-eil. Ten W, vindt men er nog een 

' *" -"^jedeelte van Terceira op, ten 0. een gedeelte der kust 

* ^'voorbij de Petschora, aangewezen met den naam van 

■ » • Walchara Nova, en de Ionische eil. Om intusschen ook 

-■"-'nog het oostelijk gedeelte der Middellandsche Zee, Grie- 

• . 1 'kenland, den Archipel, benevens de kusten van Klein-Azie 

. » en Syrië optenemen, zijn deze naar de Sahara verplaatst. 

A : - Lengtegraden zijn in het geheel niet opgegeven, de 

breedte daarentegen, aflelezen in den rand, is tot in derde 

- . '.deelen van een graad verdeeld. 

Reeds op het eerste gezicht ontwaart men, dat lioor- 

. • delyk Europa te veel naar het Westen gebracht is, en 

,. .. dat aan de Middellandsche Zee, naar de gewoonte van 

f ■ dien tijd^), veel te groote afmeting in den zin der 

geogr. lengte gegeven is. Fouten in de geogr. breedte 

van voorname punten zijn Vergelijkenderwijze gering. Het 

noordelijk gedeelte der Bothnische golf is niet aange- 

- '■ 1) Verk. bl». 77. 

2 



r 



^8 

geven, maar de Witte Zee strekt zich nog ten N. van 
deze uit i). 

Ondanks dit alles is de i^paskaerf* van 1 606 beter dan 
de kaart van Westelijk Europa van Lucas Jansz. Waghe- 
naer 2). In deze toch zijn de fouten in de lengte nog 
grooter en zijn de kustlijnen minder nauwkeurig, de 
Witte Zee komt er in 't geheel niet op voor, terwijl de 
Bothnische golf door een breeden zee-arm in gemeenschap 
staat met de N. IJszee. 

Ten slotte nog deze bijzonderheid, in het eerste op- 
schrift vermeld en op de kaart zelve te zien. In het 
gedeelte der Middell. Zee , dat zich ten 0. van Malta uit- 
strekt en afzonderlijk onder aan de kaart geplaatst is, 
zijn de plaatsen niet volgens hare geogr. breedte gesteld , 
maar zoodanig, dat de miswijzihg van het kompas, bij 
het bepalen van den koers , buiten rekeping moest blijven. 

Als een der eerste proeven van hetgeen de drukkerij van 
Blaeu op het gebied van kaartgravure geleverd heeft, 
verdient de ^paskaerV^ allen lof. Zij paart sierlijkheid van 
letters en scherpte van omtrekken aan groote uitvoerigheid. 

Van het n Licht der Zeevaerr 3) is thaiis mepr te zég- 
gen, dan bij de uitgave der Verh.'^De heer Tiele toch 
vond na dien tijd, in de BibHotheca Thysiana te Leiden, 
een exemplaar van den nadruk van het werk (1« en 2« 



1) In de «paskaert" liggen Stavanger, K(^tterdam en K. St. Antonins in 
Spanje op denzelfden meridiaan; inderdaad ligt Stavanger byna l{o ten O. 
en K. St. Antonins, 4}^ ten W. van den meridiaan van Rotterdam. In 
de vpaskaert," grenst de Witte zee ten W. aan den meridiaan van Monaco. 

T-r * 

Het verschil in lengte is inderdaad niet minder dan 20<>. De MiddeUandsclie 
zee, eindelijk , strekt zich niet minder dan 1S<» of 268 nren gaans te ver 
naar het O. uit. 

2) Spiegel der Zeevaerdts enz. door Lucas Jansz. Waghenaer. Anno 1686, 
8) Verh. blz. 54. 



19 

deel, 1627, i 626, 1625), en op de tentoonstelling, bij 
gelegenheid van het geographisch congres, te Antwerpen in 
1871 gehouden, bevond zich een exemplaar van den Fran- 
schen druk, in 1619 bij Willem Jansz. welven uitgekomen, 
en behoorende in de bibliotheek der universiteit te Gent. 

Om der voUedigheids wille mogen hier de opgaven der 
titels van beide volgen i). 

Het Licht der Zeevaert daerinne claerlijck beschreven 
ende afghebeeldet werden alle de Custen ende Havenen 
vande Westersche, Noordsche, Oostersche ende Midde- 
landsche Zee'n. Oock van- vele Landen, Ey landen ende 
plaetsen van öuinea , Brasüien , Oost ende West-Indien. 
Wt de alderbeste Zeebeschryvers gheschriften {als Lucas 
Jansz, Waghenaer ende meer andere) eensdeels verga-- 
dert: maer uyt vele ervarene Zaevaer dersschriften ende 
mondtlijcke verclaringhen van alle verlopen ghebetert , 
end^ met veel nieuwe beschrijvinghen ende Caerten seer 
vermeerdert. Alles ghedeelt in vier boecken, waervan 
ijders inhoudt voor elck uytgedruckt staet. Hier zijn bij- 
ghevoeght {beneffens eene onderwysinghe in de conste der 
Zeevaert) nieuwe tafelen van der Zonnen declinatie ghe- 
rekent uijt de observatien van Tycho Brahe, ende ghe» 
recht op de Meridiaen van Am^sterdam. Midsgaders nieuwe 
tafelen ende onderwijs van H recht ghebruijck der Noord- 
sterre ende andere vaste Sterren alle Zeevarende luijden 
te nut ghedaen ; door Willem Janszoon. Tot Amsterdatn. 
Ghedruckt bij Jan Janssoon^ wonende op 't water, inde 
Paskaert. Anno 1627. In gr. langw. -4°. 

Le flambeau de la navigation, monstrant la descrip- 
tion Sc delineation de toutes les Costes 8c Havres de la 



1) tteeds in de Oide. Febr. 1872. bl2. 364 gaf de heer Tiele den volledigen 
titel van den nadruk, onder mededeeling van een aantal bijzonderheden en 
aanw^zing van de uitgave in het Fransch. 

2* 



20 

Mer Occidentale j Septentrionale ^ & Oriëntale. Selon 
les instmctions des plus entendus Autheurs des Escrits 
de Marine^ St déclarations des plus experimentez Pilotes: 
illustre de diverse^ Cartes Marines ^ St comprins en deux 
Livres. A quoy est adjoustée une Instruction de VArt 
de Marine , avec Tables de la Declination du Soleil sui- 
vant les Observations de Tycho Brahe, dressées sur Ie 
meridian d' Amsterdam: Ensemble Nouvelles Tables & 
representation du droit usage de VEstoile du nord & 
autres Estoiles (isces: Oeuvre fort utile d tous Pilotes & 
Mariniers^. 

par Guilliaume Janszoon a Amsterdam. 

Chez Guiltiaume Jeansz. demeurant sur VeaUy a Ven-- 
seigne du Solaire Doré. lAn 1619. 

Avec Privilegie pour sept ans. 

Bij vergelijking van den nadruk met Nederlandschen 
tekst met den oorspronkeiijken druk met Franschea tekst, 
blijkt de overeenkomst zoo groot te zijn, dat men uit 
uit dien nadruk het origineel volkomen kan leeren ken- 
nen. Het titelblad, waarop onderaan een gezicht op 
i>Amstelredam'* en, aan weerszijden, een zeeman, de een 
met een rechten graadboog met drie kruisen, de ander 
met een dieplood in de hand, en de koperprent, voor- 
stellende eene zeevaarlkundige school, zijn in den na- 
druk nauwkeurig weergegeven. Ditzelfde is het geval 
met de kaarten; alleen in het bijwerk vindt men hier 
en daar afwijking, en in de opschriften van twee kaar- 
ten van de kust van iNederland, waarbij, in den nadruk, 
de naam van Willem Jansz. met het jaartal 1607 is weg- 
gelaten 1). In de uitgave in het Fransch zijn het klink- 

1) In deu nadruk bevat , op kaart 6, een hxüön de Glronde , anders ge* 
teekend, dan in den orig. Franschcti druk. 



21 

dicht en epigram van Z. H(eyns) , het klinkdicht van P. 
C. Hooft en de opdracht aan de St. Gen. en Prins Maurits 
weggelaten en vervangen door een : Sonnet sur Ie subiect 
de ce Livre. 

, Zoowel de oorspronkelijke met Nederl. tekst i) , als de 
nadruk zijn met duitsche letter, die met Franschen 
tekst met latijnsche letter gedrukt. De typographische 
uitvoering staat in beide nagenoeg gelijk, maar het papier 
van den nadruk is slechter, en, terwijl in het origineel 
alle kaarten op één vel gedrukt zijn, zijn in den nadruk de 
kaarten uit twee, enkele zelfs uit drie stukken aanééngeplakt. 

De kaarten worden voorafgegaan door eene i> Korte ende 
clare Inleydinghe tot het verstant van de Hemelsche 
Spherae , in soo veele , als tot de conste der Zeevaert van 
noode is." - XXV Capittels, 48 blz. zonder pagineering. 

Briefve et claire introduction pour Vinlelligence de la 
Sphaere celeste, jusques & autant qu'elle est necessaire 
a la Navigation, 

Eene vergelijking der n Inleydinghe^' met die van het 
IIP Deel van n't Licht der Zeevaert'' en het j>Kort On- 
derwijs'' in den j> Zeespiegel'' geeft slechts aanleiding tot 
enkele opmerkingen. Wel werden gaande weg de redactie 
en de indeeling der hoofdstukken gewijzigd, werden 
oudere tafels door nieuwe vervangen, maar de ï>Konstder 
Zeevaert" bleef in 1627, wat ze was in 1608. Tusschen 
1619 en 1627 echter schijnt, voor hoogte-bepalingen , de 
omgekeerde graadboog meer algemeen in gebruik te zijn 
gekomen. In den i^Flambeau'' van 1619 vindt men het 
gebruik van den rechten graadboog, y>arbaleste ou baston 



1) Ofschoon ik geen exemplaar van dezen dmk weet aan te wijzen, bl^kt 
het hier gestelde uit het titelblad van „Ie Flamèeau** uit de bibliotheek te 
Geut, waarin de Fransche titel over een Nederlandschen is heengeplakt. ' 



22 

graduer en van het astrolabium , voor bet meten van 
zoDshooglen , door afbeeldingen en voorbeelden toegelicht 
In den ^Zeespieger van 1627 wordt slechts met een enkel 
viroord van het astrolabium gesproken en daarentegen bet 
voordeel van den omgekeerden graadboog aangetoond i). 
Nog een punt van verschil is de verandering , die de de- 
clinatietafeis der zon ondergingen. Terwijl in '/ Lichi 
der ZeevaerV* en den ^Flambeau" die tafels berekend 
zijn voor de lengte van Amsterdam , geeft de ^ZeespiegeT* 
die voor den meridiaan van ^ Enghelands-eynde" (Landsend). 
Eerste boeck van 't Licht der Zee-vaert^ Daerinne 
beschreven ende afgebeeldet werden , alle de Custen ende 
Havenen van de Westersche Zee: namentlijck van Hol- 
landt ^ Zeelandt, Vlaenderen^ Vranckrijck^ Spaengien 
ende Barbarien. Item van de Ey landen van Canarien^ 
Madera ende de Vlaemsche Ey landen. Mitsgaders de Zuy- 
den ende West-Custen van Enghelandt ende Yrlandt. 
Anno 1626. 

Le premier livre du phalot de la mer dans lequel 
sant descriptes et representeez toutes les costes et havres 
de la Mer Occidentale : nommément de Hollande, Zeelande, 
FlandreSt France, Espaigne & Barbarie jusques au Cap 
de Geer. En oultre des Isles de Canarie , Made^^e & 
des Isles Flamandes: Ensemble les Costes occidentales 
8c méridionales d'Yr lande & dAngleterre. 

a Amsterdam. Imprimè par Guillame Janson^ de- 
mourant sur F eau aupres du vieil pont , a Venseigne du 
Quadran d'or. Anno 161 2). 

De kaarten, ten getale van 20, zijn allen dubbel. De 
beide eersten hebben geen nomraer, de overigen zijn ge- 
merkt 2—19. De tweede kaart, nCaerte van de Reede 

1) Verh. blz. 66. 

2) Het laatste c^fer van het jaartal is opengelaten. 



23 

ende Haven van Medenhlick. . . perfectelick gemeten^ 
afgepeijlt ende beschreven y uyt speciale last van de E. 
H. Burgemeesteren ende Regeerders der voorseyde stat 
Medenblick, Anno 1614," behoort tot de vepmeerdérin- 
gen op den eersten druk van 1608. 

Tweede Boeck van 't Licht der Zee-vaert^ Daerinne 
beschreven zyn, alle Custen^ Havenen ende Ey landen 
van de Noordsche ende Oostersche Zeen: als van Vries- 
landt, Jutlandt, Denemarcken, Pomeren, Pruyssen, Lijf- 
landt ^ Sweden, Noorweghen, Laplandt ende Moscovien. 
Item de Noord ende üost-custen van Enghelandt ende 
Schotlandt. Anno 1625. 

Deuxiesme Livre du Phalot de Mer la <iu sont des- 
crites toules les Costes^ Havres, St Isles de la Mer Sep- 
tentrionale, St Oriëntale: Comme de Frise, Jutlandt, 
Danemarck, PomeraniCy Prusse, Livonie, Suede,Nor- 
wege , Lapponie , 8: Moscovie. Item les costes Septentruh 
nales St Orientales d'Escosse St Angleterre. Nouvelle- 
ment traduict de Flameng en Frangois. 

a Amsterdam. Chez Willem Jansz. demeurant sur Ie 
Water, au Solaire doré, l'An 1619. 

De kaarten , genommerd van 20 — 41 , even als die van 
het eerste deel, met Fransch en Nederl. opschrift, zijn 
dubbel , met uitzondering van de 35" en 38^ In den na- 
druk, maar niet in het oorspronkelijke werk, staat op de 
15®, pPascaarte van de E y landen van Madera ende Porto 
Santo," en de 36% j^Pascaarte vati de witte Zee," enz., 
i> Petrus Kaerius^ Flan. Coelav^ 

Reeds uit de bloote optelling der kaarten van de beide 
eerste deelen van H Licht der Zeevaert en van het II® en 
III® deel van den Zeespiegel ^) blijkt een aanmerkelijk ver- 



1) Verh. blz, 78, 74. 



24 

schil in uitvoerigheid. Beide werken zijn aan de be- 
schrijving derzelfde zeekusten gewijd; het eerste bevat 
in het geheel 41 kaarten en het tweede 108. In het 
oudere zijn de kaarten grooter, maar, in verband ipet 
haar veel geringer aantal, is de schaal, waarnaar zij ge- 
teekend zijn, kleiner. Hierdoor winnen het de nieuwere 
in duidelijkheid, voorts komen er meer peilingen op voor 
en zijn de omtrekken over het algemeen juister. De pro- 
fielen der kusten zijn in beide atlassen grootendeels de- 
zelfde. De tekst is op vele plaafsen gewijzigd, schoon 
verreweg de meeste beschrijvingen van dezelfde zeeën en 
kusten in beide werken zakelijk overeenkomen. 

De heer.vTiele heeft uit den algemeenen titel en de 
voorrede van het Licht der Zeevaert het voornemen van 
Blaeu aangewezea, om nog een IV® deel aan dat werk 
toe te voegen, inhoudende de beschrijving van de kusten 
van "üGuinea, Brasüien, Oost* ende West-Indien y'' en 
het bepalen 'der geogr. lengte i). 

^Desghelijckx hebben wy voorbyghegaen , yet te schrijven 
van 't vinden der lengde , iat men ghemeynlijck noemt ^ 
het Oost ende West , waervan eenighe hen roemen groote 
dinghen daer in ghe vonden te hebben, jae dat men zij- 
nen wegh van Oost ende West soo seker kan bevinden , 
als van Zuyden ende Noorden: Maer alle 't gene dat tot 
noch toe daer van in 7 licht ghecomen is\ en is niet 
alleen onnut , maer {soo men haer daertoe verlaten wilde) 
oock schadelijck ende bedrieghelijck, waervan wy in 't 
vierde Deel deses Boecks breeder dencHen te schrijven ^ 
als oock wat nutticheyt een Stuerman mach genieten 
uyt de Naeldwysinghe oft veranderihghe der Compas- 



1) De Gids Febr. 1872, blz. 366. 



25 

sen waer ^op dese nieuwe vonden sonder grondt ghetim- 
mert zijn i).'* 

Of het in dezen bij de belofte gebleven is, kan ik niet 
beslissen. Intusschen komt het mij wel zeer waarschijn- 
lijk voor. 

Zoowel de i^pascaerte'* van 1606, als de kaarten, in 
7 Licht der Zeevaert en den Zeespiegel opgenomen , zijn 
platte kaarten. Toch zag Blaeu geenszins de groote ge- 
breken van zoodanige kaarten voorbij, getuige de vol- 
gende beschouwing daarvan, die de i>Inleydinghe van 
't Licht der ZeevaerC* besluit. 

T^Alle Linien in de platte Pascaerten van Zuyden 
ende Noorden werden ghet rokken overal effen verre van 
malcanderen , van de Equinoctiael af tot aen den Pole. 
Maer op een Rondt , 'twelck naer gelijckenisse van 
't Aertrijck is gemaeckt ^ en zijnse niet ghelijck-wijddich^ 
maer comen hoe Noordelycker hoe naerder aen malcan- 
deren. Soo dat twee streecken ^an Zuyden ende Noor- 
den op de brete van 60 graden maer half so wijt van 
malcanderen en zyn alsse op den Equinoctiael zijn, ende 
onder den Poole comense gheheel aen malcanderen. Der- 
halven soo twee schepen zijnde onder den Equinoctiael 
van malcanderen verscheyden 200 mijlen , beyde recht 
Noorden mochten aenseylen sonder beletsel, sy souden 
comende op de hooghte van 60 graden, maer 100 mij- 
len van malcanderen zijn , ende so se voort deselve cours 
mochten vervolgen , souden ten eynde onder den Pole by 
malcanderen comen : Maer so men sodanighe twee sche- 
pen haer coursen afsteekt in een platte Pascaerte, de 



1) 't Lieht der Zeevaert. Tot den goedtMligen Leeer. De laatste uitdruk- 
king slaat op het vinden der lengte uit de declinatie der magneetnaald en 
de breedte, door S. Stevin voorgeslagen. 



26 

distantien in de Caerie sullen altljt effen veel blijven 9 
waeruyt genoechsaem blijct dat alle plaetsen in de Pas- 
caerten verre Noordwaert gelegen veele te groot zijn, 
ten ware datse ingetrocken werden 't welc evenwel niet 
geschien en aan sonder andere plaetsen noch valscher 
te maken!^ 

Bij die overtuiging , had men van Blaeu wel eene poging 
mogen verwachten, om aan de projectie van Mercator 
ingang te doen vinden. 

Van: den Zeespiegel zeide ik vroeger i), dat het IV® 
deel , eene reproductie van het III® deel yan 7 Licht der 
Z^evaert, in 1646 bij Jopn Blaeu verscheen. Later kwam 
mij een druk van 1638 in handen, 't Amsterdavi. Ge- 
druckt by Willem en Johan Blaeu, op 't Water, in de 
vergulde Zonnewijzer. Deze bevat dezelfde 30 kaarten, 
die ook in het IIP deel van 7 Licht der Zeévaert. 1621. 
voorkomen. 

Dat het bij deze terechtwijzingen blijven zal, waar het 
de bepaling geldt van het eerst verschijnen der^verschil- 
lende werken van Blaeu, mag ik niet verwachten. In die 
werken toch vindt men nergens terugwijzing naar vorige 
drukken, en, bij de zeldzaamheid dier boeken, is het 
geen wonder, dat een oudere druk aan vele nasporingèn 
ontsnapt 2). Den Appendix en het Toonneel des Aerd- 
rycx geldt deze opmerking niet. De eerste kwam bepaald 
in 1631 uit. Van het tweede verscheen het P deel in 
1634. In de volgende advertentiën vindt men de uitgaven 
aangekondigd, die in mijne Verh. Wz. 101 — 108, behan- 
deld zijn. 



1) Verh. blz. 75." 

Jï) Zie Verh. l)lz. 47. 101, 



27 

Courante uyt Italien ende Duytschlandtf &c. 1634 
n®. 6. Ghedruckt tot Amsterdam , door Jan van Hitten 
— by Frederik Stam — den 11 Febnuxry Anno 1634. 

(Aan het slot als adverlèntie). 

9 T Amsterdam by Willem Jansz. Blaeu wordt 
teghenwoordigh ghedruckt het groot Landtcaertboeck de 
ATLAS, in vier Talen j Latijn, Fransch, Hoogh ende 
Nederduytsch , de Hoogduytsche sal uytgaen leghen Pae- 
schen, de Nederduytsche ende Fransche in de maent 
May eerstcomende , of ten langhsten in 7 eerst van Junio, 
ende de Latijnsche corts daerna: Alle op seer schoon 
papier, gheheel vemieut met nieuwe ghesnedene platen 
ende nieuwe wytloopighe Beschrijvïngheny 

Courante uyt Italien ende Duytschlandt ^ SCc. 1635 
n®. 34. 25 August, anno 1635. 

(Aan het slot advertentie). 

i>7 Amsterdam by Jan Jlinsz. ende Henricus 
HondiuSj wordt gedruckt ende sal uytgegeven werden, 
het Vervolgh ende D^rde Deel van atlas major, ofte 
Wereldt-Beschrijvinge y inhoudende veel schoone Landt- 
Caerten van gheheel Europa ende andere Landen die- 
nende tot volmakinge van den Atlas voor desen by 
hunlieden uytghegeven. Den Atlas in 7 Latijn wordt 
mede gedruckt in drie Deelen, seer vermeerdert, met 
nieuwe Caerten, sal haest uytgaen.^^ 

Courante uyt Italien ende Duytschlandt ^ &c, 1635, 
w°. 36. 8 September anno 1635. 

(Aan het slot met andere advertenliën). 

»7 Amsterdam by Willem ende Johannes Blaeu 
zijn ghedruckt ende worden uytghegeven , het eerste ende 
tweede Deel van het Toneel des Aerdtrijcx^ ofte nieuwe 



28 

Atlas in fol, superregali, in vier verscheyde Talen^ 
te weten, Latijn^ Franchoys, Nederduytsch ende Hoogd- 
duytsch. Het derde en vierde deel in die voorst. Talen, 
al te samen besondere ende geheel nieuwe Stucken ende 
Beschryvingen y sullen met Godlycke hulp toecomende^ 
jaer in 't licht komen.'^ 

Ook na een vUjlig onderzoek naar de werken van Blaeu, 
durf ik er niet voor inslaan, dat er geen ontbreekt op 
de Ujst, die dit naschrift sluit. De ^catalogi nundinarum 
FrancofurtV* van 1633 en 1637 vermelden een kleinen 
atlas van Blaeu, die tot nog toe niet beschreven is. De 
catalogus van de herfstmis van 1633 toch kondigt de 
aanstaande verschijning aan van: 

Atlas minor Gerardi Mercator is, centuni tabulis et 
novis ' descriptionibus auctv^. 8"*. Ambsterd. apud Guil. 
Blaeu, en wel met Latijnschen, met Franschen en met 
Duitschen tekst. 

In den Appendix van den Catalogus der voorjaarsmis 
van 1637 komt weer voor: 

Atlas minor sive Tabulae geographicae orbis terrarum 
Ambsterd. apud J. Blaeu. 

Omtrent dien atlas zelven heb ik niets kunnen verne- 
men. De titel herinnert aan den Atlas minor, reeds in 
1 6Ü7 door J. Hondius uitgegeven i) , en later vele malen 
herdrukt. 



2) Verh. blz. 85. 
Utrecht, Aprü 1872. P. J. H. BAÜDET. 



« 



LIJST DER WERKEN \AN WILLEM JANÖ^. 
BLAEU, MET HET VERMOEDELIJK JAARTAL VAN 
DEN EERSTEN DRUK EN yERWIJZING NAAR MIJNE 
VERHANDELING EN NASCHRIFT. 



1. Globes. 1599, 1G03, enz. V. blz. 39 e. v. 

2. Tweevoudigh onderwijs. 
Nederl. tekst, 1634 1 , 
Latijnsche » 1634-1 V. blz. 49. 
Fransche » 1642 ] 

3. Nieuw Graetbouck. 1605. V. blz. 53. N. blz. 15. 

4. Nywe Paskaerte. 1606. N. blz. 16. 

5.. 't Licht der Zeevaert. 

Deelen I. II. 1608. V. blz. 54. N. blz. 18. 
Deel lU. 1618. id. id. 

6. Le flambeau de la navigation. Vertaling vun het vorige werk. 

Vol. I. II. 1619. N. blz. 18. 

7. Tafelen van de declinatie der Sonne. 1623. V. blz. 63. 

8. Tafelen van de breedte van de opgang der Sonne. 
z. j. V. blz. 63. 

9. Zeespiegel. 

Deelen I. II. III. 1624. V. blz. 64. 
Deel IV. 1638. V. blz. 75. N. blz. 26. 



30 

10-. Appendix. Theatri Ortelii et Atl. Mercatoris. 4631. V. 
blz. 85. 

i\. Toonneel des Aerdrycx. 

Deelen I. II. met Hoogduitschen tekst. 1634. Y. 

blz. 101. 
id. met Nederl. , Franschen en Lat. tekst 

1634 en 35. V. blz. 102. 

Enkele kaarten en platte gronden zijn opgenoemd in 
de Verh. blz. 85—92. 



VERBETERINGEN. 



rh. 


blz. 


• 

5 Noot 3 staat 


: beschri^'Yiag , 


leesi 


r beschrijving. 


/; 


a 


6 regel 1. v. b. 


tl 


bet, 


tl 


het. 


n 


n 


10 Noot 1 


a 


Wülebrordi, 


II 


Willebrordo. 





n 


15 regel 15 v. b. 


n 


hoogte bepalingen , 


tl 


hoogte-bepal ingen. 


n 


n 


15 ;; 11 V. 0, 


tl 


Republiek, 


a 


0. I. Compagnie. 


u 





16 Noot 1 


a 


Republiek , 


u 


0. I. Compagnie. 


n 


n 


17 Noot 2 


II 


Plaucius , 


a 


Plancius. 


tt 


. n 


26 regel 7 v. b. 





Meursins , 


a 


H. de Groot. 


n 


n 


46 „ 4 V. 0. 


tl 


Pontamus , 


tl 


Pontanus. 


» 


• ". 


110 Noot 2 


II 


Ricout , 


tl 


Ricant. 


n 


n 


122 regel 12 v. b. 


tl 


venditor, 


tl 


venditor P 


n 


n 


122 „ 13 V. b. 


n 


veri, 


n 


vehi. 


n 


n 


147 „ 16v. 0. 


tl 


Enobarbus , 


n 


Cnobbarus. 





tt 


153 „ 7 V. b. 


n 


retentiornm , 


n 


ventomm. 




4tz-z.<^-z.€