Skip to main content

Full text of ""Luctor et emergo": of, De geschiedenis der Nederlanders in den Oost ..."

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 






\ 







'•>• 



»■!> 



,-"V 












> 






^•v- ^- .w • ••• • 



A • 



,Jj:uctor et Emergo" 



^ 



••1 



11 



Ixucfor ef jB^iergo' 



Cf 



©e ^escfiieflenis der Jxederfanders in den 

r 

^ost-Indiscfien Mrcfiipef 



DOOR 



R. VAN ECK 

Oud-LectoT in de laai-, land- en volkenkunde van N.-I. aan de K. M. A. te Breda 



ZWOLLE 

W. E. J. T.IEENK WILLINK 

1899 






'j 



'^Vt 



•\ ' 



l^L;[ri 









h. M. Wilhelmlna, koningin der Nederlanden. 




SRI MAHARADJA SEOALA TANAH Dl BAWAH ANQIN 



INLEIDING. 



Insulinde, zee van eilanden, die zich daarginds in het verre 
Oosten, als een gordel van smaragd, gelijk Multatuli 't eens 
zoo schoon uitdrukte, slingert om den Evenaar! Hoe gaarne 
zouden wij de pen van dien begaafden schrijver of van een 
Veth bezitten, om uw kleurenpracht, uwe natuurwonderen, 
uwe onmetelijke schatten in en boven den grond naar waarde 
te kunnen beschrijven. Insulinde, vóór driehonderd jaar ge- 
noegzaam onbekend in Nederland en nu reeds sedert lang de 
schoonste parel aan de kroon, die straks Koningin Wilhelmina, 
als zij den troon Harer Vaderen bestijgt, op de blonde lokken 
zal worden gezet. Koningin der Nederlanden zal Zij, God 
geve lang! voor ons zijn en blijven: Keizerin van Insulinde 
noemt Haar dra de Aziaat, die zijn heerlijk tropenland stuk 
voor stuk aan Holland heeft moeten afstaan. Als „Vlaamsche 
zeeroovers" gelijk de Spanjaarden hen scholden, zijn onze 
voorvaders het land van den Orang-oetan en den Paradijs- 
vogel binnengetrokken, en thans bukt alles voor den „Groeten 
Heer," die daar als vertegenwoordiger van Hare Majesteit, 
in koninklijke pracht, op Buitenzorg's troon gezeten is. Wat 
ligt er tusschen het toen en het thans ? Een geschiedenis van 
drie eeuwen, een boek vol schoone, helaas! ook bevlekte 
bladzijden, waarvan de lezing ons met bewondering moet 
vervullen voor de grondvesters onzer macht in Indië, die, 
alle gevaren trotseerende, den Aziatischen vijand op leven 



2 



J 



en dood bestreden — overwonnen hebben. Luctor et Emergo, 
ik worstel en ontkom, was hunne leuze en dat de naam van 
Oud-HoUand daarginds nog altijd bovendrijft, wij hebben 
het voor een goed deel aan hun' stoeren moed en ijzeren vol- 
harding te danken. Wij willen trachten in korte trekken de 
geschiedenis van hunnen arbeid te schetsen, om dan na te 
gaan hoe Nederland, na de opheffing van de O.-I. Compagnie, 
den roem zijner vroegere zonen heeft gehandhaafd. 



EERSTE HOOFDSTUK. 

1594-1610. 

/hJ lvorens met ons geschiedverhaal te beginnen, een enkel 
^ woord, tot beter verstand, over land en volk. Een blik 
op ons overzichtskaartje zal den lezer doen zien, dat er met 
recht van een rijk van Insulinde kan worden gesproken. Zie 
ze daar als uitgestrooid liggen, die honderden en honderden 
eilanden, die, als wij ze aaneen konden rijgen, een land zouden 
vormen nagenoeg achUen-vijftigmaal grooter dan Nederland. 
Vier ervan staan bekend onder den naam van Groote-Soenda- 
eilanden, waarvan Java viermaal, Soematra elfmaal, Borneo 
twee-en-twintigmaal en Selebes ruim vijfmaal de oppervlakte 
van ons land innemen. Van minder omvang zijn de zooge- 
naamde Kleine-Soenda-eilanden, wier reeks bij Bali een aanvang 
neemt en tot Timor doorloopt. Tusschen Soematra en Borneo 
liggen de tinrijke eilanden Bangka en Belitoeng, terwijl ten 
noorden van deze de Riouw-achipel zich uitstrekt. Oostwaarts 
van Selebes ontwaart ons oog een ontelbaar aantal eilanden, 
met Ambon, Banda en Ternate aan het hoofd, algemeen bekend 
onder de benaming Molukken en omtrent wier schoone ligging 
en heerlijke gezichten onder hen, die ze bezochten, maar één 
roep is. Als door een ondoordringbaren muur zijn zij van Australië 
gescheiden door Nieuw-Guinea, dien reus onder de eilanden 
der wereld, waarvan echter alleen het hier geteekende gedeelte 
oflScieel aan Nederland behoort. Zooals het geheel daar voor 
ons ligt uitgebreid, vertoont het onze twaalfde provincie, waar 



op duizenden plaatsen de Hollandsche vlag hare banen ontplooit, 
waar schier al wat spreken kan den naam noemt van Koningin 
Wilhelmina, die straks ook de teugels over dit uitgestrekt 
gebied in Hare koninklijke en keizerlijke handen nemen zal. 

Slechts enkele, betrekkelijk kleine gedeelten staan op onze 
kaart aangegeven, die aan een andere Em'opeesche mogendheid 
toebehooren of wier bevolking zich tot hiertoe geheel onaf- 
hankelijk van ons heeft weten te houden. Zoo de noordelijke 
streek van Borneo, afgesloten door de lijn van Kaap Datoe 
naar de St.-Luciabaai, waar Engelschen het gezag in handen 
hebben. Verder verwijzen wij den lezer naar het reeds genoemde 
Timor, waar de Portugeezen, eenmaal de trotsche beheerschers 
van den Archipel, op een armzalig stukje land de treurige 
rest hunner vroegere grootheid in veiligheid hebben gebracht 
Eindelijk moeten ook nog de Onafhankelijke Bataklanden op 
Soematra worden vermeld. 

Maar toch nog altijd acht-en-vijftigmaal de grootte van 
Nederland! Hoe zulk eene bezitting te besiuren? Om hiervan 
het geheim te kennen, diene men te weten, dat van dit ge- 
heele gebied slechts een betrekkelijk klein gedeelte onder 
ons rechtstreeksch gezag is gebracht. Het overige behoort 
tot de zoogenaamde leenroerige en bondgenootschappelijke 
landen, wier vorsten, onder ons oppertoezicht en onder zekere 
beperkingen, in het zelfbestuur over hunne rijken en rijkjes 
gelaten zijn. In het geheel telt Nederlandsch-Indië meer dan 
driehonderd van zulke Sultans, Panembahans, Jang di Per- 
toewans, Soetans, Pangérans en hoe zij verder betiteld worden. 
Op Zuid-Selebes staat hier en daar zelfs eene vrouw aan het 
hoofd. Houden deze potentaten zich nu maar binnen de be- 
palingen van het met hen gesloten tractaat, dan zijn zij verder 
vrij en behoeven onze ambtenaren zich alleen met de rest 
van Indië bezig te houden en zoo verklaart het zich dat dit- 
zelfde groote Insulinde, onder den Gouverneur-Generaal, door 
3 Gouverneurs, 39 Residenten, 133 Adsistent-Residenten en 
386 Controleurs en Adspirant-Controleurs kan worden bestuurd! 

Veel is dit zeker niet, maar men acht het voldoende en 



denkt er zelfs over om op die cijfers nog te bezuinigen. 
Zooveel moet worden erkend, de bestuurszaken marcheeren 
daar goed. Een enkele maal, hoe kan 't anders, raakt de 
wagen van Staat uit het spoor, doordien een der naast ons 
regeerende Vorsten zich tegen ons gezag verheft of omdat 
Mohamedaansche geestdrijvers de vreedzame, maar gemakkelijk 
te verleiden .menigte tot verzet aansporen. De lezer denke 
slechts aan Lombok en het bloedig drama van Tjilegon uit 
den jare 1888. Zoo heel vaak komt het echter niet voor en, 
gebeurt er iets, dan staat steeds ons dapper, niet genoeg te 
prijzen Indisch leger terstond gereed om het civiel bestuur 
weer op het rechte pad te helpen. Als wij hen goed tellen, 
dan zijn het maar ongeveer 38000 man, Europeanen, Javanen, 
Amboneezen, enz., een handvol voor een gebied viermaal 
grooter dan Frankrijk, maar een handvol van enkel dapperen, 
die voor niets staan, die alles veil hebben, waar het geldt voor 
de eer van Koningin en Vaderland ter strgde te trekken. 
Hoeden af voor Hollands dappere zonen! 

Slaan wij nu nog even een blik op die heerlijke bezitting, 
welker uitgestrektheid wij leerden kennen en . die men met 
eigen oog moet hebben aanschouwd, om zich van hare schoon- 
heid eenig begrip te kunnen vormen. De geleerden verdeelen 
haar in eene Aziatische en Australische helft, doch aan welke 
zijde van de scheidingslijn men zich ook plaatse, overal staat 
de beschouwer verrukt over het prachtige natuurkleed, door 
de hand des Scheppers over deze gewesten uitgespreid. Dichters 
hebben het bezongen en men moet dichterlijk vuur in de 
aderen hebben om de pracht en majesteit te kunnen be- 
schrijven van die honderd en één vulkanen, die hun trotsche 
kruin ten hemel verheffen; van die bijna onafzienbare berg- 
meren, aan welker boorden het gedierte des wouds zijn dorst 
komt lesschen en waaronder het hierbij afgebeelde meer van 
Singkarah op Soematra, op eene hoogte van 362 meter en 
21000 meter lang, als een der schoonste wordt geroemd ; van 
die kronkelende stroomen, die nu kalm daarheen vlieten, om 
straks, als in woede ontstoken, buiten hunne oevers te treden 



en dood en verderf rondom zich heen te verspreiden; van 
dien statigen palmboom, wiens sierlijke bladkroon de wolken 
kust en van wien terecht gezegd is, dat hij schier alle be- 
hoeften van den mensch, zoolang deze zich tevredenstelt 
met wat de natuur oplevert, vervullen kan; van die kunst- 
matig, amphitheaters-gewijze aangelegde velden, die het 
wonderschoone Java tot de rijstschuur van Indië maken; van 
— doch waar zouden wij blijven, wilden wij al de heerliikheid 
opnoemen, ons door dit tropenland te aanschouwen gegeven. 
Wie er meer van verlangt te weten, hij leze wat anderen, 
zooals Veth, Van der Lith, Martin, Leenderts, Junghuhn, 
daarover geschreven hebben. 

En nu spraken wij nog alleen van wat het het oog kan 
streelen, en zwegen van de enorme lijkdommen, die Indië 
aan natuurlijke en cultuurgewassen, aan edele en onedele 
metalen, aan steenkolen en wat dies meer zij oplevert. Wie 
telt de miljoenen, door de vloten der O.-I. Compagnie naar 
het vaderland overgevoerd, na 1800 vermeerderd met de 
tonnen gouds, onder allerlei vorm in 's lands schatkist ge- 
vloeid? Wat Java voor den rijstbouw is, vernamen we reeds. 
Zijn gemiddelde opbrengst van 300 miljoen kilo aan dit 
kostbaar produkt, verhindert niet dat dit land nog scheeps- 
ladingen van koffie, tabak, suiker, kina, indigo, enz. oplevert. 
Soematra heeft naast zijne belangrijke steenkolenontginning 
zijn peper en een overvloed van kostbare verf- en harssoorten. 
Bangka en Belitoeng zijn beroemd om hunnen rijkdom aan 
tin. Borneo levert diamanten, goud en zilver. De uitgestrekte 
specerijperken op Banda zijn jaarHjks voor f 80.000 in de 
belasting aangeslagen. Zoo zouden wij kunnen voortgaan met 
Indië's rijkdom te schetsen, zonder ooit een eind te vinden. 
Wij zuDen er dan ook verder over zwijgen. 

Als de lezer zich herinnert wat wij boven van de uitge- 
strektheid van Indië mededeelden, zal hij zich, vreezen wij, 
van de getalsterkte der bevolking eene verkeerde voorstelling 
maken. Bij Holland vergeleken zou deze toch, bij even groote 
dichtheid 260 miljoen bedragen, terwijl het ware cijfer slechts -J 



d 



even over de dertig miljoen gaat. Voegen wij hierbij dat Java 
daarvan het leeuwendeel heeft, d. i. ruim vier en tunntig miljoen, 
dan volgt hieruit vanzelf, dat het overige gedeelte van den 
Archipel uiterst schaars bevolkt is. Zeven a acht miljoen 
zielen op zijn hoogst. In hoofdzaak kan de geheele bevolking 
tot twee rassen, het bruingekleurde Maleische en het kroes- 
harige Papoesche, worden teruggebracht. De Maleiers zijn 
verreweg in de meerderheid. Oorspronkelijk ééne familie uit- 
makende, hebben zij zich in den loop der tijden, ten gevolge 
van locale en andere omstandigheden, in tal van afzonderlijke 
stammen gesplitst, die op het oogenblik, zoowel wat het uiter- 
lijk voorkomen als de taal, de zeden en gewoonten aangaat, 
zooveel punten van verschil opleveren, dat de gemeenschap- 
pelijke herkomst nauwelijks meer is waar te nemen. Is het 
dus geoorloofd in het algemeen van Maleiers te spreken, men 
vergete niet dat Javanen, Soendaneezen, Madoereezen, Atjehers, 
Bataks en tal van andere meer, als 't ware afzonderlijke 
naties vormen, die, oppervlakkig gezien, weinig of niets met 
elkander gemeen hebben. 

Dezer dagen werd door iemand het denkbeeld geopperd 
om bij gelegenheid van het kroningsfeest onzer Koningin ook 
vertegenwoordigers van Hoogstderzelver Indische onderdanen 
tot de plechtigheid op te roepen. De Nieuwe Kerk te Amsterdam 
zou echter, vreezen wij, schier te klein zijn om al die represen- 
tanten te bevatten. Het zou anders een hoogst belangrijken 
optocht vormen. In onze verbeelding zien wg den stoet reeds 
de hoofdstad binnentrekken. Voorop gaat een sierlijk gekleede 
en in zgn aard zeer beschaafde Javaan. Op hem volgen eenige 
Madoereezen en Soendaneezen met enkele Maleische vorsten 
van Soematra en aanzienlijke Mangkasaren en Boegineezen 
uit Zuid-Selebes, allen even deftig uitgedost en gewapend met 
de onafscheidelijke kris (dolk), waarvan het kostbaar gevest 
een weinig naar links geschoven is, ten teeken dat zij elk 
oogenblik gereed zijn om voor de Compagnie, gelijk zij het 
Indisch Gouvernement nog altijd noemen, ten strijde te trekken. 
Achter hen stapt een trotsche Brahmaan van Bali, die het 



bovenlijf onbedekt heeft, niet omdat hij onbeschaafd zou zijn 
en zijne wereld niet kent, maar omdat hij weet dat men bij 
de Hindoe's alleen in dat tenue ten hove mag verschijnen. 
Met eene zekere minachting beschouwt hij de voor hem uit- 
loopende rasgenooten, wier schedel onder den nationalen doek, 
men zegt een navolging van den Arabischen tulband, verborgen 
is, terw\jl hij, de onafhankelijke Hindoe, het schoone haar los 
mag laten afhangen. Dan komen tientallen van half gekleede 
Alfoeren, Timoreezen, Rotineezen enz., wier fiere blik en flinke 
gang 't ons zeggen, dat de gewone vergelijking tusschen 
beschaafde en onbeschaafde inlanders niet in elk opzicht ten 
nadeele van deze laatsten uitvalt. Verder ontwaren wij een 
paar Bataks en Dajaks, die met verbaasde blikken in het 
rond zien en zich al vast voornemen om thuis te vertellen, 
dat Holland nog grooter en schoener is, dan zij het zich ooit 
hadden kunnen voorstellen. Dat de eersten misschien wel eens 
aan eenen maaltijd van menschenvleesch hebben, deelgenomen 
en de veeren in het kapsel van de Dajaks een gelijk aantal 
gesnelde koppen voorstellen, zeggen zij ons niet. De Aziatische 
trein wordt gesloten door vertegenwoordigers van de half 
wilde Koeboe's en Loeboe's op Soematra, van Pageiers en 
Niassers, van To-Radja's uit de binnenlanden van Selebes, 
van geheel onbeschaafde stammen op Timor, Soembawa en 
Flores, te veel om op te noemen. Ten slotte komen nog een 
paar Papoea's van Nieuw-Guinea, die, al konden wij voor een 
oogenblik hun roetachtig zwarte huid en hun raagboUig hoofd- 
haar vergeten, toch ons hunnen landaard zouden verraden 
door op luidruchtige wijze aan hunne indrukken lucht te geven. 
Zie, daar zijn ze aan het paleis gekomen. Nog een oogen- 
blik en, bedaard zooals slechts een oosterling dit kan zijn, 
treden allen de troonzaal binnen, waar zij, met het hoofd ter 
aarde gebogen, eerbiedig neerhurken. In diezelfde houding 
en zonder te durven opblikken, neemt onze Javaan het woord 
op. Hoort hem spreken: „Doorluchtige Koningin (Panembahan), 
Zon der wereld (Soerja-alam), Middenpunt der aarde (Pakoe- 
alam)! Wij, uwe slaven, zijn uit het verre Oosten herwaarts 



ló 

gekomen om ons in het stof Uwer voeten neer te werpéü 
en Uwe schoenen te kussen. Uwe dienaren onderwinden zich 
tot U te spreken en Uwe Heiligheid (Soesoehoenan) onze 
eerbiedige hulde te brengen. De grootheid Uwer macht, die 



Typen vnn Inboorlingeti. 

wij op onzen tocht door üolland overal mochten ontmoeten, 
heeft Uwe knechten (abdi) met stomme verbazing vervuld. 
Moge het Allah behagen ons weder op onze nederige eilanden 
terug te brengen, om 't onzen kinderen en kindskinderen te 
kunnen verhalen, hoe wg ons een oogenblik hebben mogen 
koesteren in Uwe stralen, o Zon der wereld! Wil odb nog 



ïl 



lang beschijnen en laat eenige korrels van de goedheid door 
U, Beheerscheres der wereld (Mangkoe-boemi) in 't rond 
verspreid, op de hoofden Uwer slaven neervallen!" 

De Maleiers, die van deze toespraak alleen de woorden 
panembaham, pakoe-alam en abdi verstaan hebben, fluisteren 
een saja (zoo is 't — Uwe dienaren). De anderen begrijpen 
er niets van, ook de Papoea's niet, die anders zeker niet 
zouden hebben nagelaten door een hardop uitgesproken kakoe 
(juist) van hunne instemming te doen blijken. 

Het visioen is voorbij. Wij keeren tot de werkelijkheid 
terug en vragen ons in stilte af: hoe komt het kleine Neder- 
land, dat op de kaart van Europa in een nauwelijks merkbaar 
hoekje is teruggedrongen, aan de heerschappij over al die 
miljoenen, wier land wij als in vogelvlucht beschouwden en 
van wier schatten ons wonderen werden verhaald? Het ant- 
woord op deze vraag geeft ons de geschiedenis der Neder- 
landers in Indië, zooals wij die nu in beknopten vorm gaan 
verhalen. Beknopt, want de stof is te groot om hg alles uit- 
voerig stil te staan. Zelfs zal menig feit onbesproken moeten 
blijven, dat anders eene belangrijke bijdrage zou kunnen leveren 
tot de lijdens- en overwinnings-historie onzer vaderen op hunnen 
weg naar en hun verblijf in Orienten. Toch hopen wij onze 
schets zoo te kunnen inrichten, dat de aandachtige lezer zich 
gemakkelijk eene voorstelling van het geheel zal kunnen vormen. 

Beginnen wij dan bij het begin. Bekend is de worstelstrijd der 
Nederlanders tegen het machtige Spanje, dat staande den tachtig- 
jarigen oorlog — in 1B80 — zijne hulpbronnen nog vergrootte, 
toen onze aartsvijand Philips H ook Portugal aan zijne zegekar 
hechtte. Eene schoone gelegenheid voor den tyran om die 
gehate ketters en weerspannigen in hun hartader te treffen, 
door de havens van het Pyreneesch schiereiland voor hunne 
vrachtschepen te sluiten. De slag was hard. Toch rekende de 
trotsche monarch buiten den ondernemenden aard van Hol- 
landers en Zeeuwen, die, liever dan zich te laten vertrappen, 
geld en leven gingen wagen om langs andere wegen de 
koloniale waren machtig te worden. 



lè 



De mislukte pogingen der onzen om langs het Noorden, 
dwars door het ijs. koers naar China, Japan en Indiê te zetten, 
zijn bekend. Wat nu ? Dan maar dwars door den vijand heen, 
zoo redeneerden in den jare 1594 Amsterdamsche kooplieden 
als Hendrik Hudde, Reynier Pauw, Jan Poppen, Dirk van Os 
en anderen die, gesteund door de Staten van Holland, de 
Maatschappij van Verre oprichtten, voor wier rekening terstond 
vier schepen, de Hollandia, Mauritius, Amsterdam en het 
Duif ken werden uitgerust. Reeds op den 2^^^ April i69B lag 
deze kleine vloot op de reede van Texel zeilvaardig om nog 
dien eigen dag „in den name des Hoere^ zee te kiezen. Onder 
de opvarenden, in 't geheel 249 koppen, vinden w^j ook de 
gebroeders Frederik en Cornelis de Houtman, aan welken 
laatste de handelsbelangen waren toevertrouwd, terwijl Jan 
Jansz. Molenaar als eigenlijk Admiraal fungeerde. Opperste 
piloot was Pieter Dirckz. Keyser. Het geheele land, met Prins 
Mamits aan het hoofd, oogde de vloot met belangstelling na. 
De laatste had in zijne kwaliteit van Admiraal van de zee 
voor de opvarenden eene ordonnantie laten opstellen die, als 
zij goed werd opgevolgd, rijke vruchten voor de onderneming 
moest afwerpen. Eiken morgen moesten de gebeden worden 
opgezegd of uit den Bijbel gelezen. Niemand mocht vloeken, 
zweren of lasteren, op poene van „geleerst" te worden. Aan 
iedereen was uitdrukkelijk bevolen de gegeven bevelen te 
gehoorzamen. En zoo meer! 

De lezer erkent 't met ons, altemaal prachtige voorschriften. 
Jammer slechts dat zij spoedig nutteloos en krachteloos bleken 
te zijn tegenover eene bemanning, van wie wij tot ons leed- 
wezen moeten getuigen, dat zij, een paar goeden niet te na 
gesproken, enkel uit saamgeraapte, woestgeaarde en weinig 
beschaafde sujetten bestond. Zeker, er waren ook zonen van 
rijke en voorname lieden onder, doch het vermoeden ligt voor 
de hand, dat hunne gefortuneerde ouders opzettelijk een aandeel 
in de Maatschappij genomen hadden, om de zoontjes kwijt te 
zijn. „Het waren broodtdronckene kinders," lezen wij ergens, 
„die d' ouders op deze reyse gestuurt hadden om ghetemd 



14 



voor anker liggen, maar toen was 't ook hoog tijd om te ver- 
trekken. De inboorlingen wilden niet meer verkoopen en dat 
om reden wij, aldus schrijft Van der Does, „zulk een heylig 
leven onder hen aanrighten." In Januari 1596 vinden wij onze 
landgenooten op de Noordkust van Madagaskar terug, waar 
de bemanning met het hoofd van een daar gelegen dorp uit 
ossenhorens broederschap drinkt. De burgervader was „meest 
droncken" en dat ook bij onze Hollanders de wijsheid spoedig 
in de kan zit, blijkt uit het plotseling afbreken der vriendschap. 
Onder den gloed van in brand gestoken dorpen wordt de reis 
eindelijk oostwaarts voortgezet. 

En welk een reis alweer! Men schrijft reeds Mei en nog 
is er geen enkel teeken van land bespeurd, hoe goed er ook 
wordt uitgekeken. Tot overmaat van ramp worden de schepen 
door een vliegenden storm overvallen, die de stuurlui, gelijk 
we lezen „met haar besteck aan landt doen staan." Als de 
wind straks bedaard is, komen de botteliers vertellen, dat 
het drinkwater op raakt, terwijl de voorraad van den kok 
ook sterk verminderd is. Bij het hooren verhalen van zooveel 
ellende, beginnen wij toch weer een weinig eerbied te krijgen 
voor die wakkere Hollandsche jongens, die niet murmureeren, 
maar geduldig eiken nieuwen morgen op den uitkijk stijgen 
om naar land om te zien. Zoo ooit, dan gold 't hier het 
Luctor et Emergo tot waarheid te maken. 

Eindelijk schijnt er uitkomst te komen. Op den 5®^ Juni 
wordt het eiland Eugano, tegenover Soematra's Zuidwestpunt, 
bereikt en terstond zendt men eén paar schepelingen naar 
den wal om voor zieken en gezonden naar de hoog noodige 
lafenis om te zien. Onze landgenooten zijn echter op het on- 
herbergzaamste plekje van den Archipel aangekomen. De 
naakte inboorlingen, die er als Papoea's uitzien en met pijl 
en boog gewapend zijn, nemen zulk eene dreigende houding 
tegen de blanke vreemdelingen aan, dat deze in allerijl naar 
boord terugkeeren. Er zit dus niet anders op dan elders een 
goed heenkomen te zoeken. Zoo komt de vloot onder den 
vasten wal van Soematra, waar water en overvloed van 



16 

wai-en aangeland, waar de peper uit alle oorden van den 
Archipel Bsamvloeide. Tot hunne teleui-stelling vernemen zij 
echter uit den mond van Portugeezen, dat zg op een ongunstig 
tijdstip gekomen zijn. De oogst van het jaar was reeds groo- 
tendeels afgescheept Daarbij kwam nog, dat de stad in groote 
onrust verkeerde door het sneuvelen van den vorst des lands, 
die met een groote vloot tegen het vijandige Palembang 
(Soematra) was uitgezeild en met velen der zynen den dood 



Gevecht bg Bantam. 

gevonden had. Zjjn wettige opvolger, een knaapje van v^f 
maanden, was daardoor onder voogdijachap gekomen van eenen 
geslepen Regent, die 't aanvankelijk niet zoo kwaad vond dat 
nieuwe Westerlingen zijn land kwamen bezoeken en de Neder- 
landers zelfs waarschuwde tegen de Portugeezen, menschen 
„soo dobbel, dat men nimmermeer haer harte en conde kennen." 
De onzen ontvangen van hem verlof om aan den wal eene 






^ 



17 



zoogenaamde loge of verkoophuis op te richten en daarin 
hunne handelswaren uit te stallen. Aan koopers ontbrak het 
niet. Zelfs de Regent versmaadt 't niet een en andermaal 
den vreemden winkel binnen te treden en een en ander van 
zijne gading uit te zoeken. De in ruil aangeboden peper blijft 
echter uit en nu gingen de poppen aan 't dansen. Cornelis 
de Houtman, eigenlijk een ruwe klant, eischt op hoogen toon 
betaling van het geleverde. Straks dreigt hij de stad in brand 
te zullen schieten en zich van de op de reede gelegen vaar- 
tuigen meester te maken. Als hij echter dacht met kinderen 
te doen te hebben, dan had hij zich zeer vergist. De toen 
nog fiere Javaan liet zich in zijn eigen land de wetten niet 
stellen. De Regent laat eenvoudig alle aan den wal aanwezige 
Hollanders ter plaatse brengen, waar men „gewoonlyck was 
de misdadighe te executeren om ter doot gebracht te worden." 
Een oogenblik wordt het vonnis nog uitgesteld, maar als 
straks de Nederlandsche schepen de stad beginnen te bom- 
bardeeren, dan schijnt het lot van Cornelis de Houtman en 
de zijnen beslist. Gelukkig kunnen de rechters het onder 
elkander niet eens worden. „D'Een," schrijft Van der Does, 
„wilde ons in staken gheset hebben ; d'ander laten doorloopen 
hebben van een stuk gheschuts, ende de derde ghepoigjaar- 
deert." Zoo kwam de zaak op de lange baan. 

Intusschen hadden zich op de reede tal van inlandsche 
prauwen verzameld om zich van de vreemde schepen meester 
te maken. Onze landgenooten komen daardoor in de gelegenheid 
hun eerste zeegevecht te leveren, waarvan nevensgaande 
afbeelding ons nog eene kleine voorstelling geeft. Dank zij 
vooral de twee halve kanonnen, door de Staten bij wijze van 
leening afgestaan, blijft de overwinning aan onze zijde. Doch, 
nu komt een andere vijand opdagen. De schepelingen hebben 
van den dorst te lijden en moeten of zij willen of niet de 
gevangen medereizigers aan hun lot overlaten om elders water 
te gaan zoeken. Men schreef toen 13 September en de dag 
zal voor hen onvergetelijk blijven door het afsterven van den 
verdienstelijken opperpiloot Keyser, „aan wien," schrijft Van 

2 



18 



4^^r i>M«^ ^Wf^f u^ ^i^miffhAh de (xmtps^g^ van Vore, groot 

VA^r^ d/^ 2^^ Od/>b<^ Yunnen <fDze landgcnooten voor 
\ia9iUi$n tffftii^ Ah rsiUm vol water, de barten vol angst over 
di; mhUfftihlaUm tmnndern. tielakkig blgk^i dez^i nog in leven 
Uf zijih Mim \upati wel alleriei middelen beproefd om Moba- 
f$U'An$um van ïum te nmken^ maar over 't gebeel is de be- 
hüfuMUtif tUPifü] goed geweeid. Ten gevolge van nieuwe onder- 
U$ifuU'Mufj;m worden de gevangenen op 11 October t^en eenen 
Umjftjin vnjgelat^m en wordt er een verbond van ^ vrede en 
iiiuiwi^ti vriendi^chap^ genloten^ dat, helaas! door de latere 
i^im'MUHÏmtH t<;t den grootnten leugen ter wereld gemaakt is. 
'i Zou onbillijk zyn alle Bchuld op de Bantammers te werpen. 
1)0 ori/.ori bogonrxm het spoedig weer erg bont te maken. 
Wiiiir' y/\\ niet goodsc^hikH lading konden krijgen, daar trachtten 
/4j <lo/.e mot gowold tot zich te nemen. Tot groote vreugde 
van do in do niad oanwe/age Portugoezen, die fier het hoofd 
(Mntioog tiiovon on don llogont vroegen, of zg geen waarheid 
Hpfiikon, toon zjj de niouwe Westerlingen Vlaamsche zeeroovers 
hiuldon gonoomd. 

Tnuirig optrodon van doze eerste Nederlanders in den 
MuloJHolion Archipoll Mocht do lezer soms meenen, dat wij 
ovordnivon liobbon, dan sta hier de oprechte bekentenis uit 
non (l(U* door onH goraadploogde dagverhalen: „Ende naerdat 
w(| nu allo OUH loodt op do stadt Bantam gewrocken hadden, 
niior lioi go(ult gonooghon van onze scheepsovericheyt, soe 
voor diumi^n i\jt iUh naor, waordoor die van Bantam vrij all 
wnl voh^kH vorlooron hobbon, met oock niet sonder schaede, 
lu>bh(^n w\j bt^giuuon roodtachap te maeken om verder te 
V(H'H(>|jlon, want ouh golooff tot de stadt Bantam gans uijt 
t^ndo io niot. wiw», mdf dat door ons reedelijck leevm" Kan 
lu^i opivohtor y 

Dal do vorwaohtingon dor onzen na de onvriendelijke ontvangst 
(o itautuu) wol oon bootje lager gespannen waren, wie zal 
t>r fMA\ ovor vorwondoron ? Do vi-aag doet zich onder hen zelfs 
vooi\ of Ky wol tuui don ontvangen last, om tot de Molukken 



19 



door te dringen, gevolg zullen geven. Terwijl de scheepsraad 
nog over deze zaak aan het beraadslagen is, hebben de schepen 
het anker voor Jakatra uitgeworpen, waar de Hollanders, 
schijnbaar althans, zeer vriendelijk door den Regent — een 
vasal van den Sultan van Bantam — ontvangen worden. Van 
hier sukkelt men Java's Noordkust langs tot aan Sidajoe. De 
„Coninck" van de plaats laat zich in zijne goedheid zelfs tot 
een bezoek aan het admiraalschip uitnoodigen. Als hij den 
volgenden dag met eene talrijke vloot van inlandsche prauwen 
werkelijk komt opdagen, stuurt hij echter niet op de Mauritius, 
maar op de Amsterdam aan. Met welk doel, wordt den onzen 
straks duidelijk, als honderden Javanen het boord beklimmen 
en met het moordtuig in de hand op de verraste blanken 
aanvallen. Gelukkig zijn de Hollanders spoedig van den schrik 
bekomen. De aanvallers worden met zwaar verlies terug- 
geslagen, maar hun verraad heeft aan de reeds sterk vermin- 
derde bemanning twaalf dooden, waaronder de schipper van 
de Amsterdam, gekost. „Dat echter meest te deeren was," 
zoo lezen wij, „is gheweest de dood van eenen jonghe van 10 
oft 11 jaeren, cosijn van den schipper, die deze wreede 
menschen wel 13 steken na zijn doot ghegeven hadden, welck 
ons tot alsulcken leet heeft verweckt, dat wij de ghevanghenen 
ook deden doorsteken." 

Alzoo ook hier geen goede herberg. Ook op het tegenover 
gelegen eiland Madoera ging het niet beter. Zoo mogelijk nog 
erger. De eenige buit, dien de onzen hier behaalden, bestond 
uit twee inlandsche knapen, die zij opgevischt en met de 
namen Arosbaja en Madoera gedoopt hadden. Nu is goede 
raad duur. Terwijl de vloot onder het eiland Bawéan voor 
anker ligt, vergadert de scheepsraad nogmaals over de vraag 
of men naar de Molukken stevenen, dan wel huiswaarts keeren 
zal. Staande de langdurige beraadslagingen weten de twee 
bedoelde knapen te ontsnappen, terwijl de reeds geschokte 
gemoederen den eersten Kerstdag op het diepst getroffen 
worden door het bericht, dat de Admiraal van de vloot plot- 
seling is overleden. Een ingesteld onderzoek wijst uit dat de 



20 



man vergiftigd is en niet minder dan Cornelis de Houtman 
wordt als de dader aangewezen. Men spreekt hem uit gebrek 
aan bewijs vrij, maar het gebeurde heeft zulk eenen treurigen 
indruk op allen gemaakt, dat zelfs zij, die nog voor den tocht 
oostwaarts gestemd hadden, nu het hardst om terugkeer naar 
het vaderland roepen. 

En zoo geschiedde. Nadat op den 11®^ Januari 1597 het 
schip Amsterdam, als niet langer zeewaardig, aan de vlammen 
is prijsgegeven, worden de ankers gelicht en voort gaat het 
naar Patria. Ruim honderdvijftig man van hen, die wij 
zoo vol moed en door duizenden hoopvol nagestaard uit 
Texel zagen vertrekken, ontbreken op het appèl! Zee en 
land hebben hunne offers geëischt. Straat Bali is vol van 
Javaansche oorlogsvaartuigen, zoodat onze landgenooten hier 
geen water kunnen innemen. Zij vinden dit echter op de 
zuidkust van Bali, waar bovendien de ontvangst van de zijde 
der bevolking zoo hartelijk was, dat zij er bijna eene maand 
vertoeven. Toen ook hier het uur van scheiden sloeg, ver- 
klaarden Emanuel Roodenburgh en Jacob Claessen, waarschijn- 
lyk het eeuwig gekibbel moede, dat zij vrijwillig op het 
eiland achterblijven. De terugreis wordt nu zonder hen voort- 
gezet en op den 14®^ Augustus 1B97 vinden wij de drie 
schepen, met nog meer verminderde bemanning en tal van 
zieken aan boord, op de reede van Texel terug. 

Eene reis alzoo van twee jaren en bijna vier en eene halve 
maand! Daarbij eene lading, die op verre na niet de kosten 
van de uitrusting kon goed maken. Tal van schreiende mannen 
en vrouwen, die den dood van eenen zoon of broeder be- 
weenen. Treurige verhalen van de onbetrouwbaarheid der 
Indianen en den groeten invloed, door de Spanjaarden op hen 
uitgeoefend. Waarlijk, wij zouden 't onzen landgenooten niet 
euvel hebben kunnen duiden, zoo zij 't bij deze eerste proef 
gelaten hadden. Zij deden 't echter niet. De weg naar Orienten 
was gevonden ; men kon er komen en — de rest zou volgen. 
Luctor et Emergo! 

Met opzet hebben wg bij dezen eersten tocht naar Oost- 



21 



Indië iets langer stilgestaan, niet zoozeer om de vele weder- 
waardigheden die hij opleverde, maar omdat hij den weg ge- 
baand heeft voor de andere reizen, waardoor aan het kleine, 
doch in den strijd tegen Spanje geharde Nederland, de heer- 
schappij over den Archipel zal worden verzekerd. Wij kunnen 
nu verder beknopter zyn. 

Wij vernamen reeds hoe de Maatschappij van Verre dacht 
over de verkregen uitkomst. Doch nu verlangden ook anderen 
hun deel van den voorgespiegelden buit te hebben. De ge- 
broeders De Houtman waren nauwelijks in het vaderland terug- 
gekeerd, of binnen Amsterdam vormde zich de zoogenaamde 
„Nieuwe Maatschappij", voor wier rekening terstond twee 
schepen en een jacht op stapel werden gezet. Wijze mannen, 
waaronder de predikant Plancius, keurden die verbrokkeling 
van krachten echter ten zeerste af. Ook de Staten zagen het 
ongaarne en gelukkig slaagde men er nog bijtijds in om de 
twee Maatschappijen tot één te vereenigen. Maar nu ook niet 
langer gedraald. De spoed, waarmede alles in zijn werk ging, 
was zoo groot, dat reeds op den 1®^ Mei 1598 eene vloot van 
acM schepen zeilree lag. De „Oude Compagnie," gelijk de 
vereeniging genoemd werd, had het bevel daarover opge- 
dragen aan den Admiraal Jacob Cornelisz. van Neck en 
hem Wijbrand van Warwijck als Vice-Admiraal toegevoegd. 
Onder de opvarenden missen wij de gebroeders De Houtman, 
die wfl echter elders zullen terugvinden. Daarentegen ont- 
moeten wij hier weer onzen bekenden Frank van der Does. 
Ook twee predikanten en een heusche dokter — anders 
bediende men zich van barbiers — maken deel uit van het 
gezelschap. 

De bijzonderheden van deze tweede reis kennen wij uit 
het scheepsjournaal van Jacob van Heemskerck, aan wien voor- 
loopig de betrekking van kommies was opgedragen. Wij lezen 
er in dat de vloot bij de Kaap de Goede Hoop door eenen 
storm werd beloopen, die de schepen uiteensloeg en oorzaak 
was dat Van Neck straks alleen met slechts drie schepen de 
reis oostwaarts vervolgde. Men schreef toen Juli en het duurde 



22 



nog tot 21 November van genoemd jaar voor hii de reede 
van Bantam bereikt had. 

Alweer dus Bantam! Hoe zal dit tweede Nederlandsche 
gezelschap ontvangen worden? Koestert men hier nog wraak 
over het vroeger gebeurde? Van Neck en de zijnen weten 
niet, dat inmiddels onze vijanden, de Portugeezen, voor ons 
zijn werkzaam geweest, door zich om hun trotsch gedrag 
gehaat bij de inboorlingen te maken. De onzen worden nu 
als goede vrienden en bondgenooten ontvangen en dat de 
vriendschapsbetuigingen ditmaal niet geveinsd zijn, al schuilt 
er misschien wat eigenbelang achter, blijkt uit het feit, dat 
er nauwelijks vier weken verloopen of de drie schepen zijn 
boordevol met peper, kruidnagelen en kokosnoten beladen. 
Juist maakt Van Neck zich gereed om zijn schatten naar 
Patria over te brengen, toen, op Oudejaars-avond, de vijf 
verloren gewaande schepen, onder het gebulder van het 
geschut, het anker voor Bantam uitwierpen. 

Hoewel wij 't nergens vermeld vinden, kunnen wij van 
onze toenmaals zoo godsdienstige en rechtzinnige landgenooten 
niet anders denken, dan dat zij het heuglijk feit met eenen 
dank- en bedestond gevierd hebben. Kooplieden als zij overigens 
waren, is echter nauwelijks het nieuwe jaar „ingetrompet", 
of wij zien hen driik in de weer om ook de pas aangekomen 
broeders aan eene goede lading te helpen. De peper is echter 
schaarscher geworden. Ook hebben de slimme Bantammers den 
prijs verhoogd. Er wordt besloten om nog een nieuw schip 
te bevrachten en de overige vier, onder Wijbrandt van War- 
wijck als Admiraal en Van Heemskerck als Vice-Admiraal, 
naar de Molukken te zenden. Op den 8®^ Januari verliet dan 
ook dit smaldeel de reede van Bantam „met so groeten getier 
van schieten, dat het over het heele eiland dreunde ende 
gants Bantam in rep ende roer was." Het was, schrijft De 
Jonge, „het eerste saluut van Nederland aan Java en den 
Archipel gebracht, want voor het eerst gingen de Nederlanders 
naar de, door alle eeuwen heen begeerde specerijlanden en 
die ongelukkige groep stond andere meesters te wachten." 



23 



En Van Neck ? Deze haastte zich zijn rijken buit in veilig- 
heid te brengen. Na eene betrekkelijk voorspoedige reis van 
zes maanden zien wij zijne schepen de reede van Texel 
binnenloodsen. Onderweg had men slechts even St.-Helena 
aangedaan om den hoogbootsman Pieter Gijsbrechtszoon aan 
wal te zetten, die zich aan zijnen schipper vergrepen had en 
veroordeeld was om hier moederziel alleen achter te blijven. 
De arme balling zag dus niets van de vreugde, die alom in 
den lande heerschte, zoodra de terugkomst van de vloot be- 
kend is geworden. „Zoolang Holland Holland geweest is, zijn 
er zoo i'ijk geladen schepen niet aangekomen," riep men 
elkander overal toe. In Amsterdam is alles in de wolken. Als 
straks de Admiraal zich bij zijne lastgevers komt aanmelden, 
dan zien wij hem bij het geklank van acht trompetten plechtig 
inhalen, terwijl de stedelijke overheid hem „met wijn beschenkt" 
en met het geluid der klokken verwelkomt. Zoo wist men 
reeds in die dagen het succes te eeren! 

Volgen wij nu de andere schepen. Na een kort bezoek aan 
de handelsplaatsen Toeban en Gresik (Grissé), waar veel 
vriendelijke woorden gewisseld worden, maar geen lading te 
vinden is, komt het smaldeel onder den wal van Madoera, 
op hetzelfde punt (Arisbaja), waar de eerste vloot zulk een 
gevoelige les had ontvangen. De houding der inboorlingen is 
hier nog niets veranderd, zoodat ook deze Hollanders het 
spoedig met hen te kwaad krijgen. Van weerszijden vallen 
er dooden en ten slotte mogen onze landgenooten nog blijde 
zijn, dat zij tegen eene aardige som gelds en wat stukken 
fluweel hunne gevangen broeders terugkrijgen en het onher- 
bergzaam oord verlaten kunnen. Alleen twöe hunner blijven 
„sonder concent voor schelm" op het eiland achter. 

„3 Maart (1599), Woensdachs tegens den avont zijn wij 
op de rêe van Itoe (Hitoe op Ambon) gecomen." Met deze 
eenvoudige woorden toekent Van Warwijck in zijn dagboek 
de eerste komst der Nederlanders in de Molukken aan, een 
feit, dat zoo schitterend zal zijn in zijne gevolgen, dat Span- 
jaarden en Portugeezen deed knarsentanden en de Vlaamsche 



24 



zeeroovers tot beheerschers van deze rijke landen gemaakt 
heeft. Het eerste wat onze landgenooten vernemen, is dat de 
Sultan van Ternate, tot wiens gebied Ambon toentertijd 
nog behoorde, reeds sedert jaren met groot verlangen naar 
de komst van andere Westerlingen heeft uitgezien om hem 
van Spanje's juk te helpen bevrijden. In overeenstemming 
met dien wensch is dan ook de ontvangst op Ambon meer 
dan hartelijk. Terstond wordt voor de onzen aan den wal 
een huis ingericht, zij 't ook met de heimelijke bedoeling, dat 
zij de inlanders het Spaansche kasteel zullen helpen veroveren. 
Van Warwijck accepteert het huis, maar bedankt voor de 
eer om mede ten strijde te trekken. De tijd om gewapender- 
hand tegen Philips' onderdanen op te treden, was nog niet 
gekomen. De handel was en bleef vooreerst hoofdzaak. Toen 
dan ook al spoedig bleek, dat op Ambon voorloopig geen 
specerijen te verkrijgen waren, werd de Vice-Admiraal Heems- 
kerck met twee schepen naar Banda gezonden, terwijl Van 
Warwijck later met de overige twee naar Ternate verzeilde. 
En zoo zien wij onze landgenooten op de drie voornaamste 
eilanden van de Groote Oost, gelijk de Molukken ook wel 
genoemd werden, hunnen intocht doen. En overal met succes. 
Op Ambon richt men hun eene woning in. Met den Sultan 
van Ternate wordt op ,, Koran en Bijbel" een verdrag ge- 
sloten, dat hun o. a. het recht geeft om onder de leiding van 
Frank van der Does een vast kantoor op te richten. Op een 
der Banda-eilanden blijft Adriaan van Veen met negentien 
man achter om den zoo goed begonnen handel voort te zetten. 
Wat echter het voornaamste was, de vier schepen zijn tot 
aan de dekluiken vol van kostbare specerijen en als straks 
dan ook Heemskerck en Van Warwijck, vier maanden na 
elkander, de laatste in September 1600, in het vaderland zijn 
teruggekeerd, dan mogen zij er zich met recht op beroemen, 
de grondslagen te hebben gelegd van het gebouw, dat aan 
gene zijde van den Oceaan ter eere van het door Spanje ver- 
trapte Holland is opgericht en het opschrift „Je maintiendrai" 
in zijnen gevel dragen zal. 



2è 



Intusschen was in Holland de tocht naar Orienten eene 
ware rage geworden. Van alle kanten stroomden de kapitalen 
toe en nu vooral bleek het dat Alva's Tiende Penning ons 
land niet zoo verarmd had, als men wel wilde doen gelooven. 
Zelfs buitenlanders kwamen met hun geld aandragen. Er was 
dan ook nog niets van Van Necks vloot bekend, toen reeds 
in April 1B99 opnieuw drie schepen onder Steven van der 
Hagen naar Indië gezonden werden. Deze beroemde vlootvoogd 
richtte zijn koers bijna regelrecht op Ambon, waar hij aan 
den strijd der Hitoeneezen tegen de Portugeezen deelneemt 
en voor zijne hulp het i*echt erlangt het „Kasteel van Verre," 
later „Kota Warwijck" geheeten, op te richten. Eene be- 
zetting wordt daarin achtergelaten en aan Jan Dircksz. Son- 
nenberg het bestuur over deze eerste Nederlandsche sterkte, 
met den titel van Gouverneur van de Molukken, opgedragen. 

Terwijl Van der Hagen zoo zijne zaken op Ambon regelt, 
zijn twee zijner schepen naar Banda vertrokken, waar zij 
juist tijdig genoeg aankwamen om Van Veen (zie hierboven) 
en de zijnen uit de handen van de vereenigde Portugeezen en 
Javanen te redden. Zoo liep ook ditmaal alles weer goed voor 
de onzen af. Met rijken buit beladen keerde de vloot omstreeks 
de helft van het jaar 1601 in Holland terug. 

Zoo volgde de eene vloot op de andere. Op den 23®^ April 
1601 zien wij er zelfs een van dertien schepen, onder bevel 
van Jacob van Heemskerck en Wolphert Harmensz. de 
vaderlandsche kust verlaten om koers naar Indië te zetten. 
En elke reis bracht nieuwen triomf. Op Ambon krijgen wij 
het monopolie van de kruidnagelen. Met den machtigen Koning 
van Bali sluit Cornelis van Heemskerck eene overeenkomst 
en ontvangt hij van den vorst eenen door Rodenburg (blz. 20) 
vertaalden brief voor Prins Maurits. In Bantam mochten de 
onzen nu viijelijk handel drijven. En overal waar onze invloed 
steeg, daar daalde de macht van Portugees en Kastiliaan, 
die langzamerhand oostwaarts werden teruggedreven om 
straks in het gebied der Sultans van Ternate, Tidore en 
Batjan hun rol voor goed af te spelen. 



26 



Zoover was 't intusschen nog niet. Onze landgenooten zijn 
zelfs een oogenblik mooi op weg geweest om daarginds hun 
eigen gi*af te gaan graven. Reeds spraken wij met een enkel 
woord over de in Holland ontwaakte geestdrift voor Orienten. 
Het gevolg was, dat men de eerste ondernemers hunne 
schatten ging benijden. In de hoofdstad richtte men daarom 
de Nieuwe Brabantsche Maatschappij op, wier eerste Admiraal 
Pieter Both van Amersfoort geweest is. Straks kwamen ook 
West-Friesland en het Noorderkwartier, Dordrecht en Delft 
hun deel van den buit vragen, zonder echter vooreerst nog 
schepen uit te zenden. Erger nog werd het in Zeeland, waar 
twee afzonderlijke Maatschappijen tot stand kwamen, die beide 
voor eigen rekening op Indië handel dreven. In Rotterdam 
en Amsterdam verrees ten slotte de zoogenaamde Magellaansche 
Vereeniging, wier doel was het rijke Indië langs het Westen 
om binnen te zeilen. Op die wijze zien wij in den Archipel 
landgenooten verschijnen, die verschillende belangen hadden 
te behartigen, waardoor de handel gedrukt en onze kracht 
tegenover den gemeenschappelijken vijand gebroken werd. 

Teil bewijze hoe weinig genegen de Portugeezen nog waren 
om voor ons het veld te ruimen, het volgende. Boven spraken 
wij van eene vloot van dertien schepen. Een gedeelte daarvan 
komt afzonderlijk in straat Soenda, waar een Chinees den 
Vice- Admiraal Wolphert Harmensz. vertelt, dat de stad Bantam 
door eene sterke Spaansche oorlogsvloot wordt geblokkeerd 
en het gerucht gaat, hoe de bevelhebber in last heeft om 
alle Nederlanders uit den Archipel te verdrijven. Gelukkig 
hebben de Hollanders den, wij zouden haast zeggen, brutalen 
moed om den veel sterkeren vijand aan te vallen en slagen 
zij er in zijne schepen in den grond te boren of te ver- 
strooien. Het was echter meer geluk dan wijsheid en de 
onzen konden er de les uit leeren, dat er met onze vijanden 
nog lang niet te spotten viel, maar zij alleen door een krachtig 
optreden van de vereenigde Nederlanders konden worden ten 
onder gebracht. In Holland zag men dit spoedig algemeen 
in en zoo ontstond in 1602 de Oeoctroyeerde Oost-Indische 



27 



Compagnie, bij wier oprichting en eerste werkzaamheid wij 
straks eenige oogenblikken hopen stil te staan. 

Vooraf een enkel woord over een paar tochten buiten 
Amsterdam om ondernomen. Onder de door Zeeland uitge- 
zonden vloten was er eene, waarop wij de gebroedei-s De 
Houtman, Cornelis als Admiraal en Frederik als kapitein van 
de schepen de Leeuw en de Leeuwin terugvinden. In Holland 
scheen men niet meer van hen gediend, waarom zij zich naar 
Zeeland begaven en daar in dienst traden van den rijken 
koopman Balthazar de Moucheron, die voor eigen rekening 
genoemde schepen had uitgerust. Rampspoediger reis is er 
zeker niet geweest. Li het meermalen aangehaalde werk van 
De Jonge wordt het verslag van zekeren Engelschman John 
Davis de hoofdbron genoemd, waaruit de verrichtingen van 
deze eerste Zeeuwen in Indië gekend worden. Wij hebben 
echter voor ons liggen een afdruk van een eigenhandig door 
Frederik de Houtman geschreven reisverhaal, waarvan het 
origineel in het Stadsmuseum van Oudheden te Gouda bewaard 
wordt. Wg lezen daarin dat de kleine vloot eerst na een 
reis van veertien maanden de Malediven bereikte, waar opnieuw 
een paar maanden werden zoek gemaakt. Volgens Davis zou 
Cornelis de Houtman zich hier aan eene daad van willekeur 
en geweld hebben schuldig gemaakt, door de vrouw van een 
aanzienlijk inboorling te noodzaken zich voor hem te ont- 
sluieren en haar daarop eenige edelgesteenten te ontnemen. 
In ons „Gort Verhael" staat daarvan echter niets, wel de 
mededeeling dat men man en vrouw „onbeschadicht" heeft 
laten varen, na eerst nog laatstgenoemde met een fijn koralen 
paternoster begiftigd te hebben. Onze Cornelis heeft reeds 
zooveel op zijne rekening, dat het goed doet hem althans van 
dezen blaam vrij te kunnen spreken. 

Van de Malediven gaat het regelrecht naar Soematra, waar 
wij beide schepen in den avond van den vier-en-twintigsten 
Juni 1699 het anker bij het eiland Wèh in Atjeh's wateren 
zien uitwerpen. Met opzet cursiveeren wfl dezen datum, omdat 
bij De Jonge als zoodanig abusievelgk 21 Juni staat vermeld 



^ 



eu wij 't niet van belang ontbloot achten den juisten dag té 
kennen van de eerste verschijning der Nederlanders op Atjeh's 
grondgebied. Hoogst merkwaardige dag, die nu nog eene 
onzekere toekomst achter zich heeft, maar voor ons het begin 
is van een eeuwenlangen, door vriendschapsverdragen afge- 
broken worstelstrijd tusschen Noord-Soematra en Nederland, 
een strijd waarin van beide zijden onrecht en verraad is gepleegd, 
tengevolge waarvan waarachtige verzoening eene onmogelijk- 
heid worden moest. 

Aanvankelijk hebben onze landgenooten niet over de ontvangst 
bij de Atjehneezen te klagen. Sultan Alaoe'd-din laat hen op 
olifanten rijden en onthaalt hen op al wat het land smakelijks 
oplevert. Ruim twee maanden lang is alles koek en ei. Dit 
duurt zoo voort tot den 11®° September, toen eenige aanzien- 
lijke inlanders een bezoek aan boord van de Leeuw brengen 
en — het eerste Atjeh-drama wordt afgespeeld. Hoe het 
kwam, kan uit de stukken niet worden bewezen, maar te 
midden van den feestmaaltijd trekken de Atjehers op eenmaal 
de kris uit de schee en vallen woest op de onzen aan. De 
Hollanders, van den eersten schrik bekomen, verdedigen zich 
dapper, zoodat het aantal dooden bij tientallen kan worden 
geteld en de vijanden het hazenpad kiezen. Als eerste slachtoffer 
viel Cornelis de Houtman, die aldus in de wateren van Atjeh 
zijn weinig roemrijk leven eindigen moest. Mag men onze 
landgenooten gelooven, dan hadden de sluwe gasten ongemerkt 
een bedwelmend middel in den drank weten te mengen, om 
zoodoende de Hollanders weerloos te maken. De lezing der 
Atjehers is echter anders, blijkens den inhoud van eenen brief 
door den Sultan aan de bemanning gezonden en waarin let- 
terlijk het volgende gezegd wordt: „Schaamt ge u niet zulke 
dronken beesten te zijn, dat gij in uwe dronkenschap mijne 
onderdanen vermoordt, die ik als vrienden bij u aan boord 
gezonden heb?" Hoe het zij. Zijne Majesteit is zoo woedend, 
dat hij eenige aan land vertoevende Zeeuwen onmiddellijk 
laat ombrengen, terwijl de overigen, waaronder Frederik de 
Houtman, in boeien geslagen worden. 



29 



Het is aandoenlijk het verhaal te lezen, ons door De Houtman 
van zijn verblijf in Atjeh, dat 26 maanden duurde, nagelaten. 
Eene ware martelaarsgeschiedenis. Vijf zijner metgezellen 
laten zich, het gekwel moede, tot den Islam bekeeren. Hoe 
men hem echter ook pijnigt, hij blijft zijn geloof trouw. In 
het laatst van Juli 1600 komt de vloot van den admiraal 
Wilkens onder de Atjehsche kust voor anker, maar de stemming 
aan land is nog van dien aard. dat er geen handel kan 
worden gedreven. Vijf maanden later verschijnen daar twee 
schepen van de vloot van Pieter Both onder Van Caerden 
en slaagt De Houtman er met twee zijner lotgenooten in aan 
boord van de „Vereenigde Provinciën" te komen. Hij komt 
echter alleen om den Admiraal tegen de Portugeezen en 
Atjehers te waarschuwen en keert straks naar den wal terug 
„verhoopende niet alleen sijne, maar ook zijner medegevan- 
genen verlossing te procureeren, aan van Caerden lading te 
besorgen, een vast contract met den koning te maken, opdat 
de Nederlanders jaarlijks aldaar in vrede en vriendschap 
zouden mogen komen om te handelen." Een nog ondragelijker 
lot is echter het loon voor 's mans edele bedoeling. Eerst 
in Augustus 1601 openen zich de deuren zijner gevangenis. 
De stemming der Atjehers was op dien tijd zoo geheel ver- 
anderd, dat de Sultan niet alleen zijnen slachtoffers zonder 
losprijs de vrijheid geeft, maar zelfs twee aanzienlijke inlanders 
aan boord van de „Middelburg" zendt om hunne opwachting 
bij Prins Maurits, „den koning van Holland", te gaan maken. 
Zooals ons van elders bekend is, ligt een dezer gezanten te 
Middelburg begraven, terwijl de ander later naar zijn vaderland 
is teruggekeerd. 

Van de Magellaansche vloten verdient alleen eenige bij- 
zondere vermelding die van Olivier van Noort, welke koene 
zeereiziger in 1698 met vier schepen Nederland verliet, om 
eerst na eenen hoogst moeielijken tocht van twee jaren de 
Philippijnen te bereiken. Met de twee hem overgebleven 
schepen raakte hij hier slaags met de Spanjaarden, die hem 
Qok nog de „Eendracht" deden verliezen, zoodat hem i^i^tg 



30 



meer overbleef dan de deerlijk gehavende „Mauritius", waar- 
mede hij, zoo goed en kwaad als het ging, de reis naar Broenei 
op de noordkust van Borneo voortzette. Veel heil was hier echter 
voor hem ook al niet te halen. Hij mocht nog blijde zijn, dat 
men hem ongedeerd weer liet vertrekken. Op den 12 Augustus 
1601 vinden wij hem met zijn schip te Rotterdam terug, waar 
zijne reeders hoogstwaarschijnlijk eene rijke lading zouden ver- 
kozen hebben boven de eer, dat hun Admiraal de eerste 
Hollander was, die eene reis rondom de wereld gemaakt had. 

En zoo zijn wij tot het merkwaardige jaar 1602 genaderd, 
waarin voor de Nederlanders in Indië een nieuw en schitterend 
tijdperk aanbreekt. Ruim vijftig HoUandsche schepen hadden 
nu reeds den Archipel bevaren. Geen belangrijk eiland daar- 
ginds of de onzen hadden het bezocht. Op vele plaatsen waren 
kantoren gevestigd. Maar, wij zeiden ^t reeds, de vijand des 
vaderlands had nog geen kamp gegeven, terwijl onder ons 
de gewenschte eenheid ontbrak. Driewerf eere daarom aan 
Prins Maurits en den Raad-pensionaris Van Oldenbarneveld, 
door wier bemoeiingen in bovengenoemd jaar alle bestaande 
maatschappijen en vennootschappen zich vereenigen in de 
Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie, voor welk machtig, 
handelslichaam de taak is weggelegd om Spanjaarden en 
Portugeezen uit Indië te verdrijven, deze schoone gewesten 
voor Nederland te winnen en ons kleine land tot een der 
grootste koloniale mogendheden te maken. 

De ons toegestane ruimte verbiedt ons om lang bij de 
oprichting van de O.-I. Compagnie, waarvan Oldenbarneveld 
zoo terecht de doopvader is genoemd, stil te staan. Genoeg 
zij 't daarom te vermelden, dat de Compagnie, wier maat- 
schappelijk kapitaal f 6.440.000 bedroeg, in vier zoogenaamde 
Kamers (Amsterdam, Zeeland, Op de Maas en het Noorder- 
kwartier) verdeeld werd. De opperste leiding was opgedragen 
aan zeventig Bewindhebbers, terwijl het dagelijksch bestuur 
in handen kwam van de zoogenaamde Kamer van zeventien, 
waarin alleen voor Amsterdam acht en voor Zeeland vier 
deelhebbers zitting hadden. In het haar door de Staten- 



31 



Generaal verleend octrooi ontving de Compagnie het uitsluitend 
recht om met hare schepen op Indië te varen, verdragen met 
vorsten aan te gaan, volk aan te werven, forten te bouwen, 
kortom algeheele volmacht om daarginds als alleenheer- 
scheres op handels- en politiek gebied op te treden. Ten 
bewijze welke groote kracht zij in den eersten tijd van haar 
bestaan ontwikkelde, voeren wij alleen het feit aan, dat zij 
tot aan het jaar 16 J O niet minder dan zes vloten, te zamen 
67 zeilen tellende, naar Indië uitzond. Wat meer zegt, alle 
schepen keerden met rijken buit beladen in het vaderland 
terug, terwijl de gezagvoerders, de een meer, de ander minder, 
daarginds het hunne hadden gedaan om de Compagnie in 
korten tijd wereldberoemd te maken. Ons bestek gedoogt 
niet hier ook te gewagen van wat buiten den eigenlijken 
Archipel plaats vond. De lezer zou anders verbaasd staan 
bij het vernemen van al de groote daden, door onze landge- 
nooten in China en Japan, in Siam en op Malaka, op Ceylon 
en waar niet al verricht. Trots velerlei tegenspoed ging ^t 
overal van overwinning tot overwinning. 

Alzoo van 1602 — 1610 zes groote vloten op weg naar 
Insulinde. De eerste stond onder het opperbevel van Van 
Warwijck, die na eene reis van 317 dagen met zijne schepen 
Bantam bereikte. Hij vond hier alles in de beste orde. De 
stemming is zelfs zoo, dat de Regent hem veroorlooft in de 
stad een steenen, goed versterkt huis, de eerste zoogenaamde 
Loge in Indië, te bouwen. In zijn verbeelding ziet hij haar 
reeds opgetrokken tot centraal-kantoor, van waaruit voortaan 
de draden van het Nederlandsch gezag in den Archipel zullen 
gespannen worden. Fran9ois Wittert wordt tot Directeur aan- 
gesteld, krijgt raden en rechters naast zich, met een bundel 
„Artikelen en Ordonnantiën" zoo groot als een regeerings- 
reglement maar zijn kan. De Bantammers zien geduldig toe, 
maar houden hun peper zoo duur en heffen zulke buiten- 
sporige rechten, dat den zuinigen Van Warwijck de oogen 
er van overloopen. Nadat deze dan ook een paar zijner schepen 
met peper geladen heeft, zendt hij ze naar Holland terug en 



32 



verreist zelf naar Grresik, waar 't hem gelukt de tweede Loge 
te stichten. 

Intusschen is de Vice-Admiraal Sebald de Weert, na lang 
buiten den Archipel gezwoi^ven te hebben, in Atjeh terecht 
gekomen. Hier is alles nog als bij het vertrek van De Hout- 
man. Zelfs mogen de onzen aan den wal voor zich een huis 
bouwen. Alleen te handelen is er op 't oogenblik niet. Om 
den lezer te doen zien dat de trots van den Atjeher niet 
van vandaag of gisteren is, deelen wij hier mede, hoe onze 
landgenooten, de Vice-Admiraal niet uitgezonderd, als zij in 
den Kraton werden toegelaten, zich van hunne schoenen 
moesten ontdoen om dan met de handen op het hoofd en 
diep buigende den Sultan met een datdat toewan (heil zij u, 
o heer) aan te spreken. 

Voor zoover bekend is geen enkel schip van deze vloot in 
de Molukken geweest. De eer van de Compagnie alhier het 
eerst te mogen vertegenwoordigen, was weggelegd voor den 
ons bekenden Steven van der Hagen, wiens vloot van 13 
schepen nu ook als oorlogsvloot was ingericht. Op 31 Dec. 
1604 te Bantam gearriveerd, verneemt Van der Hagen hier, dat 
de Portugeezen zich van „Kota Warwijck" (blz. 26), zijn eigen 
stichting! hebben meester gemaakt. Na eerst nog zijn Atjeh- 
neeschen passagier (blz. 29) naar huis gezonden te hebben, 
zeilt hij regelrecht naar Ambon door. Tegen eene macht als 
nu kan worden ontwikkeld is de vijand niet bestand. Hij mag 
nog blijde zijn dat de Admiraal hem toestaat om zich met 
vrouw en kinderen naar Malaka in te schepen. Ambon is dus 
weer voor de Nederlanders gewonnen en nu vinden wij hier 
ook Frederik de Houtman terug, die in plaats van den 
reeds vertrokken Sonnenberg (blz. 2B) tot Gouverneur wordt 
aangesteld. 

Op Temate is de strijdlustige Van der Hagen al even gelukkig. 
Hier begaat hij echter de politieke fout van den raad van 
Sultan Said in den wind te slaan en geen sterke bezetting 
achter te laten. De naar Manilla verdreven vijanden komen 
nog binnen het jaar met eene groote vloot terug en met onze 



33 



vestiging op Ternate en Tidore is 't vooreerst weer gedaan. 

Zijn laatste bezoek brengt de Admiraal aan Banda, waar 
ook alles naar wensch gaat. Voor zijn vertrek laat hij uit de 
afbraak van vier omvergehaalde Portugeesche kerken een 
fort bouwen, waarin Hendrik van Bugelle als bevelhebber 
achterblijft. 

Opvolgers van v. d. Hagen in den Indischen Archipel waren 
Cornelis Matelief, Paulus van Caerden en Pieter Willemsz. 
Verhoefif, die 't allen hard tegenover den vijand te verant- 
woorden hadden. Van Caerden werd zelfs door de Spanjaarden 
gevangen genomen, die hem eerst in 1610 loslieten, om zich 
dan andermaal van hem meester te maken en hem naar Manilla 
op te zenden. Verhoeflf viel als slachtoffer van het verraad 
der ons steeds hatende Bandaneezen. Tot overmaat van ramp 
kwamen allerwegen klachten in over het liederlijk gedrag der 
aan land achtergelaten soldaten en matrozen. Misbruik van 
bedwelmende dranken, met al den aankleve van dien, was 
algemeen. Ook ging de eenheid tusschen de door ons bezette 
posten langzamerhand verloren. Het Emergo dreigde een 
leugen te worden, totdat Heeren Bewindhebbers in Holland 
een middel te baat namen, waardoor de zwarte wolk, die 
boven onze vestiging in Indië zweefde, voor goed verdreven 
werd. Wij zullen spoedig zien, hoe men zich redde. 



TWEEDE HOOFDSTUK. 

1610-1641. 

f^p blz. 31 maakten wij melding van zes vloten, door de 
Compagnie tot 1610 uitgezonden. Die van den ongelukkigen 
Admiiaal Verhoeflf was juist uit het vaderland vertrokken, 
toen de onderhandelingen tusschen de Staten-Generaal en 
Spanje over den vrede een aanvang namen. Groote bezorgdheid 
, onder de HoUandsche reeders en hunne geldschieters! Wat 
moet er van hunne schepen, wat van den handel in 't algemeen 
worden, als de Staten des lands toegeven aan den eisch van 
Philips, dat aan de Nederlanders de vrije vaart buiten Europa 
verboden zal worden? Liever, zoo riep alles, den oorlog in 
het vaderland voortgezet, dan op die voorwaarde vrede met 
Spanje's koning te sluiten! Gelukkig dachten ook onze staats- 
lieden er zoo over en weigerden zij hardnekkig om zich op 
dat punt gewonnen te geven. Zoo werden de onderhandelingen 
gerekt en gerekt, totdat in April 1609 onze tegenstanders 
in zooverre toegaven, dat wij alleen op die plaatsen geen 
handel mochten drijven, waar de Spanjaarden reeds vasten 
voet verkregen hadden. Op dien grondslag werd, wel niet de 
vrede, maar het bekende Twaalfjarig Bestand gesloten, dat 
aan ons moe gestreden vaderland eenige verademing schonk 
en in Indië — de zaken liet zooals zij waren. 

Daarginds geen verandering. Wel werd nog 'tzelfde jaar 
het jacht „de Hazewind" naar Bantam gezonden om de tijding 
van het te Antwerpen gesloten verdrag over te brengen, 



3B 



doch het vervolg zal ons leeren, dat geen der partijen er 
zich aan stoorde. Wij, die de geschiedenis aan ons oog zien 
voorbijgaan, wij kunnen ons over dit laatste slechts verheugen. 
Inimers gelijk Nederland, zoo zeggen wij 't iemand na, groot 
geworden was door verdrukking, moest Neerlands gezag in 
Indië groeien door den oorlog. Ook Spanje, dat nu de handen 
meer vrij kreeg, wenschte van zijn uitsluitend recht op de 
vaart buiten Europa, welk recht volgens Philips steunde op 
goddelijke wetten en pauselijke bullen, geen afstand te doen. 
Zoo was en bleef het daarginds een strijd op leven en dood, 
waarin aan beide zijden groote fouten en onvergeeflijke wreed- 
heden zijn begaan, doch waarin de HoUandsche pikbroeken van 
die dagen de zege op de Spaansche Grandes behaald hebben. 

Te midden van al het geschrijf en gewrijf over den vrede, 
hadden Heeren Bewindhebbers geen oogenblik de toestanden 
in Indië uit het oog verloren. De vraag, hoe daarginds een- 
heid te brengen in het beheer van de door ons bezette posten, 
hield hen voortdurend bezig. Eindelijk is de oplossing gevonden 
en wordt, op voordracht van de Kamer van XVII, een alge- 
meen opperhoofd aangesteld, die den titel voeren zal van 
Gouverneur-Generaal. Tevens werd een Raad van Indië in- 
gesteld. De eer van tot de hooge waardigheid van vertegen- 
woordiger der O.-I. Compagnie te worden benoemd en alzoo 
de eerste te zijn in de lange rij van 55 Gouverneurs-Generaal, 
die tot op heden het bestuur in Indië in handen hebben gehad, 
viel te beurt aan Pieter Both van Amersfoort, dien wij dan 
ook als zoodanig, aan het hoofd eener vloot van acht schepen, 
in Januari 1610 de reis naar Orienten zien aanvaarden. 

Het eigenaardige van deze zesde uitrusting, die ook weer 
ondanks het Bestand, ten oorlog was toebereid, bestond hierin 
dat zij, behalve eenige predikanten, van wie men verwachtte 
dat zij „tot verbreiding van den naam van Christus en tot 
zaligheid der onchristenen zouden werkzaam zijn," ook hand- 
werkslieden, gehuwde vrouwen en kinderen medevoerde. Men 
was er toen n.1. reeds op bedacht om in Indië volkplantingen 
te vestigen, waardoor aan het verblijf der Nederlanders binnen 



36 



de tropen meer vastigheid en bestendigheid zou worden ge- 
geven. Wij zullen echter later gelegenheid hebben te zien, 
hoe deze en verdere pogingen in deze richting eenvoudig 
mislukt zijn. 

Een der moeielijkste vraagstukken, waarvan de beant- 
woording aan den Gouverneur-Generaal en diens Raad moest 
blijven overgelaten, was de plaats aan te wijzen, waar het 
centraal gezag in Indië zou worden gevestigd. Aanvankelijk 
scheen Bantam daarvoor in aanmerking te zullen komen, 
doch langzamerhand was hier de gezindheid van den Rijks- 
bestierder en de andere Hoofden tegenover de Hollanders 
van dien aard geworden, dat er niet meer op hen te bouwen 
viel. Een oogenblik had men ook over Atjeh gedacht, waar 
in 1608 door den Vice-Admiraal De Vivere met den Sultan 
een contract was gesloten, waarbij aan de Nederlanders eene 
plaats werd aangewezen, „welke" dus lezen wij, „aan de onzen 
tot een algemeen rendez-vous voor hunne schepen, tot ma- 
gazijn, ja zelfs tot het vestigen eener volkplanting strekken 
zou." Eene vestiging in Atjeh, vlak bij Malaka, aan den weg 
die naar China en Japan voerde, iets begeerlijkers konden 
de mannen van Jan Compagnie zich niet voorstellen. Helaas, 
dat zij destijds reeds moesten ondervinden, hoe weinig op de 
goede trouw van eenen Atjehnees te rekenen viel ! Toen toch 
de onzen in 1610 op de uitvoering van het verdrag aan- 
drongen, ontkende de Sultan eenvoudig ooit eene dergeüjke 
overeenkomst te hebben aangegaan. Restte nu alleen Ambon, 
waar Frederik de Houtman nog altijd als Gouverneur fun- 
geerde en de zaken zoo goed en kwaad als 't ging gaande 
had gehouden. 

Intusschen is door eene hoogere macht reeds uitgemaakt, 
dat de toekomstige zetel van den Gouverneur-Generaal op 
eene geheel andere plaats zal verrijzen. Terwijl Both nog met 
zijne vloot onderweg is, slaagde Jacques THermite, opper- 
koopman te Bantam en een hoogst ijverig dienaar van de 
Compagnie, er in om met den Regent van Jakatra (blz. 19) 
een verdrag te sluiten, dat zoo zegenrijk in zijne gevolgen 



37 



is geweest, dat wij niet kunnen nalaten er hier den aanhef 
van mede te deelen: „De Hollanders die tot de stad Zjacarata 
gekomen zijn en een missive van Maurits de Nassouwen en 
de Staten van HoUandt medeghebraght hebben, deselve staet 
de Koninck van Zjacarata toe te handelen in de stadt van 
Z. en daer beneflfens een goede plaats om een logie te stigh- 
ten, om hare coopmanschappen te bergen, hebbende in de 
lenghte 50 vademen en oock zooveel in de breete, allwaer 
een logie sullen timmeren 't zij groot oft kleyn, sooals zij 
zullen goedvinden, mits de Hollanders daarvoor aan den 
Koninck van Z. sullen betaelen twaelft hondert Realen." 

Had Wirja-Krama, zooals de Regent heette, kunnen ver- 
moeden, dat hij met de onderteekening van dit merkwaardig 
dokument zijn doodvonnis toekende en negen jaren later op 
de puinhoopen zijner stad Batavia zou verrijzen, hij zou zich 
tienmaal bedacht hebben alvorens de pen ter hand te nemen. 
Nog in 1612 adviseert die zelfde THermite om de residentie 
van den Gouverneur liever in de Molukken, het Dorado voor 
de Compagnie, te vestigen. Zoo ziet men ook hier weer het 
spreekwoord bewaarheid, dat de mensch wikt, maar God 
beschikt. 

Doch laat ons niet vooruitloopen. Op den 29 Dec. 1610 
kwam Pieter Both met zijne vloot voor Bantam aan, waar 
hem al dadelijk de tijding gewerd, dat de zaken op Banda 
schromelijk in de war waren. Hij haastte zich daarom, in 
voldoening aan zijne instructie, den Raad van Indië plechtig 
te installeeren en een Boekhouder-generaal en Fiscaal-generaal 
aan te stellen. Dit gedaan zijnde, verzeilt hij onmiddellijk 
naar de Molukken, hoofdschuddende nagestaard door den eer- 
zamen THermite, die zich maar niet begrijpen kan, dat Heeren 
Bewindhebberen met hunne koopmanszielen den Gouverneur- 
Generaal „met soo weynich macht ende de scheepen van alles 
soo weynich voorsien" naar Indië gezonden hebben. Zij wisten 
toch even goed als hij, dat Spanjaarden en Portugeezen 
zich weinig om het gesloten Bestand zouden bekreunen, 
maar veeleer al hunne krachten zouden inspannen om de 



38 



Nederlanders van hunne plaatsen te verdrijven. De uitkomst 
bewees dat de man nogmaals goed had gezien. 

Op de Banda-groep slaagt Both er in de orde te herstellen 
en op het hoofdeiland een tweede fort te bouwen. Nauwelijks 
is hij echter weer vertrokken of de Bandaneezen spelen het 
oude spel van verzet en verraad, dat later oorzaak van hun 
verderf geworden is. Hun grootste misdaad was dat zij, in 
strijd met de gesloten overeenkomsten, hunne specerijen hei- 
melijk aan de Engelschen en Javanen verkochten. Ook op de 
Ternataansche eilanden draagt de komst van den Gouverneur- 
Generaal weinig blijvende vrucht. Wel vertoeft hij er tot in 
1613 en slaagt hij er in, nadat hem uit Holland eenige ver- 
sterking is toegezonden, de Spanjaarden hier en daar te ver- 
dringen, een paar nieuwe forten te bouwen en zoo meer, 
maar de krachten om flink door te tasten ontbreken. Dit was 
te meer té betreuren, omdat de ons goedgezinde inboorlingen 
nog altijd met verlangen de oogen op de Nederlanders ge- 
vestigd hielden en hun vertrouwen in de onzen nu wel een 
weinig geschokt werd. Wij kunnen Both dus niet zoo bij- 
zonder gelukkig noemen. Om zijne teleurstelling nog grooter 
te maken, komt men hem berichten, dat de rijksbestierder 
in Bantam, steeds een heimelijke tegenstander van de Hol- 
landers, eigenlijk van alle vreemdelingen, onze Loge heeft 
laten afbreken en verbranden, terwijl de aldaar gevestigde 
Boekhouder-generaal Coteels „geheel onbequam was tot sulcken 
Staet, slap in de regeringhe, genegen totten dranck." Waar- 
lijk genoeg om zelfs den krachtigsten man moedeloos te maken. 

En toch was dit alles nog niet het ergste wat den braven 
Both hinderde. Blijkbaar ook een voorstander van kolonisatie, 
waren waarschijnlijk op zijn voorstel al die handwerkslieden, 
vrouwen en kinderen, waarvan hij het grootste gedeelte op 
Ambon aan wal had gezonden, naar Indië overgebracht. Nu, 
na drie jaren, heeft hij echter reeds genoeg van die geluk- 
zoekers. Ook zij, die met hem meer directelijk de Compagnie 
moeten dienen, vervullen hem het hart met bitterheid. Overal 
waar hig komt, hoort en ziet hij aan welke lage handelingen 



de Hollanders, hoog en laag geplaatst, zich schuldig maken. 
„Voorwaer mijnheeren!" — zoo hooren wg hem in zjjnen brief 
van 1 Januari 1614 klagen — „'t en is niet alleen schandel^ck, 
maer oock horribel en abominabel, dat van uwe dienaers in 
dese landen op verscheyden plaetsen passeert, alsoo Ü.Ë. aal 
gelieven te ovei-sien divereche informatien, attestatien en be- 
kenteniseen van den onsen alhier gepleecht." 



't Is pijnlijk voor het vaderlandsch hart zulke dingen te 
moeten ophalen, maar - de waarheid bovenal. 

Zoo van alle zijden teleurgesteld, keert de eerste Gouverneur- 
Generaal naar Java terug, waar hjj het anker voor Gresik 
uitwierp, alleen om er de harde tijding te vernemen, dat de 
vorst van Mataram (over wien beneden), met zyn leger de 
plaats afgeloopen en ook de Hollandsche Loge (blz. 32) niet 



40 

gespaard heeh. Both reist dos rerd^ a*Mr Japan, «ur in 
•kr baast Lambert EHn-kz. tlaga als zaakgtrUstisde wwdt 
9chteT%eUdea. en sukkelt dan naar Bantam om hier e«n tn 
ander te regelen voor bg zijne betrekking neeHe^ Het eetste 
wat hij doet is den boveogeDoemden Coteels af te zetten en 
in diens plaats tot Boekhooder-generaal aan te stellen Joh 
Krf«r*z. Kofii. den toekomstigen grondvester van de \eder- 
landsche macht in Indië. 



Jan Pieterai. Ko^n. 

De rechte man op de rechte plaats ! Hoort wat Both van 
hem getuigt: „een man zot>r modest van leven, zedig, van 
goeden aard, niet hoovaardig. in laHd zoer bekwaam, in 't 
stuk van koopmanschap en boekhouden zioli wol vei-staande," 
En w^', die hem nog beter hebhou leonn) koimen uit z{jne 
daden, wij roemen in hem den dapiH^ivn ImulgtMioot, die goed 



41 



en leven veil had voor de belangen van het vaderland en 
door zijn voorbeeld overal orde en regel heeft gebracht in 
de reeds schromelijk verwarde huishouding, door hem in Indië 
aangetroffen. Voor niemand bevreesd, niemand ontziende, durft 
hij ook Heeren Bewindhebbers, als 't er op aankomt, duchtig 
de waarheid te zeggen. Als hij b.v. straks ziet, dat Both's 
opvolger, Gerard Reynst, bijna zonder geld naar Indië was 
gezonden, dan schrijft hij terstond : „Men soude bykans seggen 
(onder Ü.E. correctie geseyt), dat met alsulcken doene, naer 
de generale Nederlandsche ruyne (ruïne) getracht wort." Zijne 
ons bewaarde brieven loopen over van zulke staaltjes. Wij 
zullen onzen held spoedig in zijne volle kracht aan het werk zien. 

Van Bantam keerde Both met vier schepen naar Neder- 
land terug. Het was echter besloten, dat hij zijn vaderland 
niet meer zou zien. Hij vond zijn graf op het ons bekende 
Mauritius, waar de kleine vloot schipbreuk geleden had. 

Inmiddels hadden onze Engelsche naburen ook eene Oost- 
Indische Compagnie opgericht, die aanvankelijk weinig van 
zich liet hooren. Nauwelijks ging echter de mare door Europa, 
dat de Hollanders zich eenen naam in Indië gemaakt en 
reeds fabelachtige schatten van daar medegevoerd hadden, of 
zij richtten hun koers ook daarheen, om zich een deel van 
den rijken oogst te verwerven. Het eerst vinden wij de Engel- 
schen in Bantam, straks voor Jakatra, Japara en Gresik, 
eindelijk te Mangkasar en in de Molukken, kortom overal 
waar onze landgenooten hun den weg gewezen hadden en 't 
hun tegenover den geslepen inlander weinig moeite kostte 
om als onze gelukkige concurrenten op te treden. Over de 
middelen om tot hun doel te geraken bekreunden zij zich 
niet. In het jaar 1609 lag een hunner schepen, de Hector, 
onder Banda-Neira geankerd en het werd luide verteld dat 
de gezagvoerder Keeling de hand zou hebben gehad in den 
moord op Admiraal Verhoefif (blz. 33) gepleegd. Later zullen 
wij hen ook elders aantreffen als onze heftigste tegenstanders, 
wier schuld het waarlijk niet is dat wij thans nog van een 
Nederlandsch'Indië spreken mogen. 



42 



Wij keeren nu naar Java terug, waar de steenen reeds 
worden aangedragen om de Koningin van het Oosten (Batavia) 
te doen verrijzen en een worstelstrijd aanvangt, waarvan, de 
ongelijkheid der partijen in aanmerking genomen, de historie de 
weerga niet kan aanwijzen. Wij bedoelen den oorlog met het 
machtige rijk Mataram, die, met enkele tusschenpoozen, honderd- 
dertig jaar duurde om eindelijk de volle zegepraal van de 
Nederlandsche wapenen te verzekeren. Tot beter begrip van 
hetgeen nu volgen zal, veroorloven wg onó een koi*t geschied- 
kundig overzicht. 

Zooals de lezer weet, is het eiland Java omstreeks het begin 
onzer jaartelling gekoloniseerd door de Hindoes, die er ge- 
durende meer dan veertien eeuwen de teugels van het bewind 
in handen hebben gehad. Hoogst beschaafd als zij voor dien 
tijd waren, heeft ons eiland al wat het boven de overige deelen 
van Indië verheft, aan hen te danken. Prachtige instellingen, 
een model-landbouw, eene rijke taal, eene uitgebreide literatuur, 
alles stamt van deze Hindoe's af. Hoever zij het in de bouw- 
en beeldhouwkunst, in het graveeren op steen en metaal 
gebracht hadden, daarvan getuigen de talrijke overblijfselen 
van hunne tempels, die, al hebben zij ook door den tand des 
tijds en de vernielende hand van den fanatieken Mohamme- 
daan geleden, de bewondering van zoo menig reiziger, onlangs 
nog die van den koning van Siam, gaande maakten. De hier- 
naast geplaatste afbeelding geeft ons een gedeelte te zien 
van den bekenden tempel Boro-Boedoer, in de Residentie 
Kedoe, welks ware naam volgens genoemden Koning Boto- 
Boedoer zou moeten wezen, eene zaak die wij verder gerust 
aan de geleerden ter beslissing kunnen overlaten. Hoe schoon 
ook, meer dan eene ruïne zijn deze vroegere kunststukken 
niet en een bouwval zijn ook de twee machtige rijken der 
Hindoe's Modjopahit en Padjadjaran geworden. Eenmaal op 
het toppunt van hunnen bloei gekomen, is de innerlijke ver- 
zwakking ingetreden, totdat straks slechts een flinke stoot 
van buiten noodig was om ze te doen ineenstorten. Die stoot 
kwam in de vijftiende eeuw, toen de predikers van den Islam, 



44 



na een gedeelte van Soematra veroverd te hebben, ook Java 
voor de Halve Maan wisten te winnen. Omstreeks het 
jaar 1480 was het met de Hindoe's op Java zoo goed als 
gedaan. 

Thans treedt het eiland de Mohammedaansche periode in, 
een periode die tot op heden voortduurt, maar ons dingen te 
aanschouwen geeft, welke eiken geloovigen Islamiet een gruwel 
in de oogen zijn. En ook al weer door eigen schuld. Het 
zwakste punt van de boven besproken rijken was zeker wel 
dit, dat zg zich langzamerhand in tal van kleinere staten 
hadden opgelost, wier Hoofden of Regenten naar onafhanke- 
lijkheid streefden. In Oost- en Midden-Java had men de land- 
schappen Kediri, Prambanan, Demak, Koedoes, Djimboen, Pe- 
nging, Djapara, Soerabaja, enz.; in West- Ja va Tjeribon, Bantam, 
Jakatra e. m. a. Hadden deze rijken zich nu maar onder de 
vleugels van den Islam tot éen vereenigd, de overheersching 
van Java door eene Europeesche mogendheid ware eene 
onmogelijkheid geworden. Zij deden dit echter niet. Dank zij 
deze fout, hebben de Hollanders op Java op gemakkelijke 
wijze het bekende „verdeel en heersch" in toepassing kunnen 
brengen. Aanvankelijk werd de Vorst van Demak tot Opper- 
heer over een groot gedeelte van het eiland erkend. Zijne 
heerschappij duurde echter niet lang. Kort na 1500 en een 
twintig jaar voordat de Portugeezen in den Archipel ver- 
schenen, zien wij op eenmaal het weinig bekende landschap 
Mataram, in het tegenwoordige Djokjakarta, zich tot eene 
macht ontwikkelen, waardoor weldra al de overige staten 
overvleugeld werden. Natuurlijk niet zonder verzet. 

Toen de eerste Hollanders in Bantam kwamen, welk rijk 
steeds zijne zelfstandige positie had weten te handhaven, was 
de eigenlijke stichter van Mataram, Sénapati Soeta Widjaja, 
nog met enkele zijner Regenten in oorlog. De meerderheid 
der bevolking huldigde in hem echter den Panembahan of 
Sultan van Java en het is met dezen Vorst en zijne opvol- 
gers, dat wij den reuzenstrijd gaan aanbinden, waarover boven 
met een enkel woord gesproken is. 



45 



De eerste kennismaking der Nederlanders met Mataram 
dagteekent van het jaar 1614, toen de G.-G. Both den Kom- 
mandeur Gaspar van Zurck uit Japara zond, om den machtigen 
potentaat als vertegenwoordiger van de Staten-Generaal en 
de O. I. Compagnie zijne opwachting te gaan maken. Met 
schoone beloften beladen keerde de gezant tot zijnen last- 
gever terug. „Ik weet wel,** zou de 23-jarige Panembahan 
gezegd hebben, „gijlieden komt niet om het land van Java te 
veroveren", maar wij, die den sluwen en diplomatieken Javaan 
van toen beter kennen, wij verwonderen er ons niet over, 
dat van al die prachtige aanbiedingen van vrijen handel, vrij 
verkeer, enz. weinig of niets gekomen is. Ook het gezant- 
schap door den G.-G. Reael in 1616 naar Mataram afgevaar- 
digd, had geen beter succes, hoewel men toen met eenige 
redelijkheid had mogen verwachten, dat de Panembahan wat 
meer prijs op de vriendschap der onzen zou hebben gesteld, 
aangezien juist verscheidene van zijne invloedrijke Regenten de 
wapenen tegen hem hadden opgevat. Had de man in zijnen 
droom misschien het gebrul van den Nederlandschen leeuw 
vernomen? Wie zal 't zeggen! 

Konden wij in onze beschrijving van de feiten uitvoeriger 
zijn, de lezer zou nog beter begrijpen, dat op het tijdstip 
waarop wij ons thans bevinden, de positie onzer landgenooten 
in Indië niet van de rooskleurigste was. Overal ellende, overal 
bedekte en openlijke tegenwerking, en — de leiding der zaken 
toevertrouwd aan eenen man als de G.-G. Reael, die reeds 
drie maanden nadat hij, als opvolger van Gerard Reynst, tot 
zijn hooge waardigheid geroepen werd, aan de Kamer van 
XVII schreef, dat zijne bediening hem lastig was en hij voor 
al zijne moeite te weinig traktement ontving. Zijne gewich- 
tigste regeeringsdaad was de wederrechtelijke oplichting van 
het grootste gedeelte der bevolking van Siawoe, een der 
Sangi-eilanden, welke ongelukkigen, 446 in getal, naar Banda 
werden overgebracht om daar voor de Compagnie noten te 
plukken! Gelukkig zag men in Holland bijtijds in dat er van 
zulk een vertegenwoordiger weinig heil te wachten was. 



46 



Reael kreeg z^n ontslag (1618) en in zijne plaats trad op 

JAN PIETERSZ. KOEN 
de man, die alles overzag, een oog had voor de fouten zijner 
superieuren en ondergeschikten, die klaagde en gispte, waar 
er te klagen en te gispen viel, en al wie wanhopig dreigde 
te worden, zijn Ende desespe^-eert niet! uit volle overtuiging 
des harten toeriep. In z^jne vaderstad Hoorn en op een der 
pleinen van Batavia heeft het nageslacht een standbeeld voor 
hem opgericht, maar wat hg voor Indië en daardoor voor 



StaDdbeeld van Jan Pietersz. Koen. 

Nederland heeft gedaan, het kan door geen honderd stand- 
beelden worden vergolden. Dat ook hij, de edele kampvechter, 
ziJn ievensboek niet geheel onbevlekt heeft kunnen houden, 
wien onzer zal het van den mensch Koen vei-wonderen ! 

Zoo zien wg dan onzen held met het hoogste gezag in Indië 
bekleed, nadat hij reeds sedert lang de ziel van alles geweest 
is. Helder is de horizont niet. De plaats voor het rendez-vous 



47 



moet nog altijd worden aangewezen. Wel staat de steenen 
Loge te Jakatra reeds daar, maar de Regent heeft berouw 
gekregen en zoekt de onzen weer naar zee te dringen. Straks 
komt het bericht, dat het kantoor te Japara is afgeloopen. 
Uit den mond van overloopers verneemt men, dat Mataram, 
Bantam en Jakatra zich in stilte vereenigen om de Hollanders 
van Java te verjagen. Bij onze inlandsche vijanden komen 
zich de Engelschen voegen, die Koen openlijk den oorlog 
aankondigen en al vast enkele hunner schepen in Straat 
Soenda hebben gestationeerd, om alle in- en uitkomende 
vaartuigen prijs te maken. „Sittende met de vyantschap van 
alle de werelt op den hals, de vyanden meer dan duizend 
tegen één sterk, '^ gelijk hij schrijft, heeft de Gouverneur- 
Generaal de handen vol werk. Trouw aan zijn instructie 
waarin o. a. staat, „de eylanden van Banda ende Moluques 
is het principale wit waernaer wij schieten," bevinden zich 
daar zijne beste schepen, zijne meeste soldaten, de sterkst 
bezette forten. Bij Jakatra niets dan zeven vaartuigen, waarvan 
twee volgeladen zijn met specerijen, en de overige onder het 
eiland Onrust onttakeld liggen. Aan land een zwak fort, waar- 
tegenover de Engelschen eene versterking gebouwd hebben. 
In den rug de Jakatranen; de Bantammers in aantocht, de 
Panembahan op den loer. En Koen? Pas had hij naar Holland 
geschreven: „God is met ons; daar kan in Indië wat groots 
verricht worden!" en sterk in dat geloof neemt hij het tegen 
allen op om straks als overwinnaar uit den strijd te voorschijn 
te treden. 

De verovering van Jakatra en de stichting van Batavia 
behooren voorzeker tot de roemrijkste heldenfeiten uit de 
Geschiedenis der Nederlanders in den O.-I. Archipel. Gaarne 
zouden wij er daarom lang bij stilstaan, doch ons bestek ge- 
doogt dit niet. Trouwens, de gebeurtenis is reeds zoo vaak 
beschreven, dat onze lezers er genoeg van op de hoogte zijn. 
Wij brengen daarom alleen in herinnering, hoe Koen, na de 
Engelsche Loge vernield te hebben, in allerijl zijne zeven 
schepen slagvaardig liet maken en daarmede zonder aarzelen 



48 



de elf pas uit Bantam gearriveerde Engelsche bodems aanviel. 
Een hevige strijd ontbrandde, waarin echter niemand de 
overwinning behaalde. Koen en de zijnen hadden dapper ge- 
streden, maar begrepen zeer goed, dat zij het op den duur 
met zoo geringe macht niet tegen den vijand zouden kunnen 
uithouden. Vandaar het koene besluit van den Gouverneur- 
Generaal om Pieter van den Broeck als bevelhebber van het 
fort achter te laten en naar de Molukken te zeilen, teneinde 
vandaar de noodige versterking te halen Nauwelijks is hij ver- 
trokken of als roofvogels vallen Jakatranen en Engelschen 
op de Nederlandsche versterking aan. Ieder wil zijn deel van 
den buit hebben en als geweld noch groote woorden helpen, 
neemt men de list te baat om de onzen tot de overgave te 
dwingen. Onder schoonschijnende beloften laat Van den Broeck, 
ondanks de waarschuwing van den predikant Hulsebos, zich 
naar het paleis te Jakatra lokken, waar men hem en zijn 
gevolg, tot loon voor hun goed vertrouwen, terstond in de 
boeien slaat en in de gevangenis werpt. 

Nu scheen alles verloren. Wel neemt P. van Raay met 
krachtige hand de verdere verdediging van het fort op zich, 
maar de nood stijgt met den dag. En ware Van den Broeck 
nu maar de held geweest, dien prozaschrijvers en dichters 
later van hem gemaakt hebben, de zaak zou misschien anders 
uitgeloopen zijn. Maar hij was alles behalve een held. In stede 
toch van zijne landgenooten, gelijk de faam van hem vertelt, 
met verachting van zijn eigen leven, tot volharding aan te 
sporen, schreef hij hun briefje op briefje om hen te smeeken 
toch medelijden met hem en zijne medegevangenen te hebben 
en zich maar eenvoudig over te geven. Dat wij hier niet 
lasteren en niemand zijn rechtmatige kroon ontnemen, daar- 
van kunnen de ofiBcieele, door den heer De Jonge uit het stof 
opgediepte stukken getuigen. De vermeende held gaf de 
heele O.-I. Compagnie prijs, zoodra zijn eigen leven op het 
spel stond. Ook zijn lotgenoot Dr. De Haen kermde in 't koor 
mede. Het was dan ook grootendeels op hun aandringen, dat 
dQ bezetting het eindelijk opgaf en onze versterking op 31 



49 



Januari 1019 aan de Engelschen en Jakatranen werd over 
gegeven. Bij de verdeeling van den buit zouden de eersten 
het fort met al zijn krijgsvoorraad, de anderen de koopmans- 
goederen met de overige zaken van waarde krijgen — en 
niemand kreeg iets. 

Hoe dit kwam? De slimme Engelschen, en slim zijn zij 
altoos geweest, hadden gerekend buiten de nog slimmere 
Bantammers, die wel gaarne de Hollanders zagen wegjagen, 
maar niet verlangden van den regen in den drup te komen, 
door toe te laten dat nu de andere Westerlingen zich aan de 
Tji Liwong (Rivier van Batavia) gingen vestigen. Vandaar 
dan ook dat de Rijksbestierder in het met Albion gesloten 
verdrag de bepaling had doen opnemen, dat het Nederlandsche 
fort aan hem zou worden overgedragen. Zoodra hij nu zag, 
dat zijn blanke bondgenoot valsch spel speelde, kwam hij in 
allerijl met zijne troepen voor den dag, joeg de Engelschen 
naar hunne schepen terug, ontnam den Regent van Jakatra 
het bestuur over diens landschap en liet de Hollandsche ge- 
vangenen naar Bantam overbrengen. Hem restte nu niets 
meer dan met de bezetting van ons fort af te rekenen en deze 
sterkte als heer en meester binnen te trekken. 

Dat de fiere Bantammer dit laatste niet deed, is een van die 
vele raadselen in de geschiedenis, waarnaar men gissen kan, 
doch waarvan de oplossing hoogst moeielijk is. Het meest 
voor de hand ligt, dat hij bevreesd was voor Koen, wiens 
terugkomst uit de Molukken eiken dag verwacht werd. Hoe 
't zij, onze landgenooten waren voor 't oogenblik gered en 
als Koen later van hen getuigt, dat zij „meest met praatjes 
gevochten hebben", dan verhindert dit hun nu niet, dat zij 
zich als overwinnaars voelen en, naar oud gebruik, een dank- 
en bededag uitschrijven. Helaas, dat dit Gode gevallig werk 
des avonds moest gevolgd worden door een bachanaliënfeest 
zoo afschuwelijk, dat een ons onbekende oor- en ooggetuige 
verontwaardigd uitroept, hoe hij er zich over verwonderd 
heeft, dat God zulke dingen ongestraft kon laten. „Dat den 
Domine over dach gepreeckt hadde, dat was haer al vergeten", 

4 



60 



schrijft hij, en, ook de dominé dacht er niet meer aan. Het 
nauwelijks weggestorven geluid van den boetpsalm werd in 
het slechtste gezelschap vervangen door het geklank van 
een Maleisch lied, dat wij hier niet durven over te nemen, 
omdat wij er liever geen vertaling van zouden geven. 

Na afloop van de feesten begon Van Raay, die dapper had 
medegedaan, weer aan de zaken te denken en zoo groot was 
op eenmaal de herleefde moed, dat op den 12®^ Maart 1619 
het foi*t Jakatra op plechtige wijze met den naam Batavia 
gedoopt werd. Met deze naamgeving is echter de Nederland- 
sche hoofdstad in Indië nog niet gesticht. Daartoe was een 
andere bouwmeester noodig en deze is in aantocht. 

Op den 10®^ Mei — drie dagen voordrft Van Oldenbame- 
veld, de doopvader van de O.-I. Compagnie, het leven op het 
schavot moest verliezen! — komt te Jakatra het eerste be- 
richt, dat Koen onderweg is, met eene macht, grooter dan 
hij zelf had durven vermoeden. Nog enkele dagen en onze 
held roeit de Tji Liwong op, om zich naar zijn geliefd Jakatra 
te spoeden. Vol verontwaardiging over hetgeen hy hier hoort 
en ziet, bedwingt hij echter zijn toorn, om eerst met den 
vijand daarbuiten af te rekenen. Reeds den 30^ Mei heeft 
hij alles in gereedheid gebracht om tegen de hoofdplaats 
Jakatra op te rukken, welke stad ingenomen en totaal ver- 
brand werd. Het is op hare puinhoopen dat later de stad 
verrees, waaraan in het jaar 1621 op last van Heeren Be- 
windhebberen de naam van Batavia gegeven is. 

De fiere Koen was er zoo verontwaardigd over, dat zijne 
landgenooten er toe hadden kunnen besluiten om het fort 
aan de vijanden over te geven, dat de Raad van Indië op 
zijn voorstel besloot de heeren Van Raay, Kuselbos en anderen 
uit hunne bediening te ontslaan. 

Met deze stichting van Batavia breekt voor de geschiedenis 
der Nederlanders in Indië een nieuw tijdperk aan, dat wij het 
glorie-tijdperk zouden willen noemen. Er viel echter nog veel 
te doen. Met Mataram had de Gouverneur-Generaal in zooverre 
afgerekend, dat hij op zijne terugreis uit de Molukk^n en 



BI 



passant even den moord te Japara (blz 47) wreekte, door 
de stad grootendeels af te branden. Het eerst waren nu 
— de Engelschen hadden reeds de plaats gepoetst — de 
Bantammers aan de beurt, die zich nog' in Jakatra ophielden 
en met groot verlies werden teruggedrongen. Toen Bantam 
zelf, waarheen Koen met zijne .geheele vloot verzeilde en den 
Rijksbestierder de keuze liet tusschen het bombardement van 
zijne hoofdstad of de vrijlating binnen 24 uren van al de 
HoUandsche gevangenen. Het ontzag voor Koen was zoo groot, 
dat nog dien eigen dag al onze ongelukkige landgenooten 
goed en wel aan boord waren Wij doen onzen held zeker 
geen onrecht, als wij 't er voor houden, dat hij gaarne van 
de gelegenheid had gebruik gemaakt om nu voorgoed met 
het gehate Bantam af te rekenen, en de hoofdplaats kort en 
klein te schieten. De vrucht was echter, gelijk hij schrijft, 
nog niet rijp. 

En de Rijksbestierder ? Deze verbijt zich van woede en 
vindt zijnen aartsvijand rijp voor eenen moordaanslag, die, 
als hij gelukt ware, aan ons bestaan in Indië zeer zeker èen 
einde zou hebben gemaakt. In October 1619 melden zich drie 
Inlanders bij Koen te Jakatra aan, onder voorgeven hem een 
hoogst belangrijk nieuws te willen mededeelen. In de gehoor- 
zaal bij den Gouverneur-Generaal toegelaten en niemand bij 
hem ziende, zoekt hunne hand reeds naar het gevest van 
het moordwapen, toen de doordringende blik van Koen hen 
op eens als met verlamming slaat. Schuw schuifelen zij terug, 
zij beginnen te beven van angst en verraden daardoor zich- 
zelf. Snel zijn zij nu door de toeschietende wacht gegrepen 
om straks hunne voorgenomen misdaad met den dood te 
boeten. „D' Almogende Godt" schrijft Koen, „heeft ons weder- 
omme wonderbaerlyck beboet en de moorders de moet be- 
nomen.'^ Maar, wee Bantam! 

Toen het bovenstaande plaats greep, had Koen reeds met 
de Engelschen afgerekend, die met hunne schepen onder, de 
kust van Soematra eene schuilplaats gezocht hadden, maar 
met groot verlies van daar verdreven werden. Voor onzen 



B2 



wakkeren Gouverneur-Generaal was dit echter niet vol- 
doende. Er mocht geen enkel Bngelschman in Indië over- 
blijven. Ook de Franschen en Denen, die mede in den Ar- 
chipel verschenen waren, moesten er uit. Nu verbeelde men 
zich den schrik, de woede van Koen, toen hem — Maart 
1620 — als een donderslag- uit een onbewolkten hemel 
de tijding op het lijf komt vallen, dat de Engelsche en Neder- 
landsche O.-I. Compagnie eene overeenkomst gesloten hebben 
om voortaan zusterlijk naast en met elkander in den Archipel 
te verkeeren. Ieder zou met zijn eigen kapitaal blijven 
werken, maar overigens hand aan hand, als trouwe bond- 
genooten. Pas een jaar geleden heeft de G.-Generaal aan 
de Kamer van XVII geschreven: „Ik sweer U by den Aller- 
„hoochsten, dat de Generale Comp. geen vyanden heeft, die 
„haar meer hinder en schade doen, dan d'onwetendheid 
„en onbedachtheyt (hout het mij ten beste) die onder UEd. 
„regneert en de verstandigen o verstompt." Waar zulke taal 
zonder uitwerking gebleven is, daar zal Koen het thans met 
de bitterste ironie beproeven: „Als de Engelschen uit dank- 
baarheid lachen," zoo drukt hij zich ongeveer uit, „dan heeft 
ü voorzeker een vroom werk verricht. Zij hadden zich in 
Indië onmogelijk gemaakt en U heeft er hen weer vriend- 
schappelijk bovenop gebracht. Het raakt den knecht niet wat 
de meester doet, maar, U moet maar denken, ik praat gelijk 
de zotten. De Heeren moeten natuurlijk de Kroon van Enge- 
land te vriend houden, dat spreekt. Het zal dan ook wel aan 
mij liggen als ik niet begrijp, waarom de Engelschen een 
derde van de noten en foelie krijgen, terwijl zij „niet één 
sandeken van het strandt in de Molluccos, Amboyna noch 
Banda te pretendeeren hebben." 

Intusschen, de slag is gevallen en als goed dienaar onder- 
werpt Koen zich aan de ontvangen bevelen. Er werd een Raad 
van Defensie opgericht, bestaande uit acht leden, van elke partij 
vier, welke Raad twintig schepen te zijner beschikking kreeg 
om in de eerste plaats de belangen der verschillende Engelsche 
en HoUandsche handelsposten te beschermen. Ook Koen had 



63 

daarin zitting en hij liet geene gelegenheid voorb^gaan om 
't den Engelschen te doen gevoelen, dat hjj geen autoriteit 
boven zich erkende dan die der Hoogmogende Heeron Staten- 
Generaal. Later zou h^ wel anders met hen afrekenen. 

Te midden van al die beslommeringen, vergat Koen niet 
2|jn geliefd Jakatra (Batavia) tot een blijvende vestiging der 
Nederlanders te maken. De stad kreeg haar eigen wapen 
(een zwaard van azuur in een oranje schild, stekende met de 
punt door een lauwerkrans) en binnen hare goed versterkte 
wallen werd alles zoo ingericht als voor eene goed geordende 



.üAiüiASé 



Oade afbeelding van Batavia. 

gemeente noodig was. De Gouverneur-Generaal en Raden zorgen 
voor alles. Eeredienst en politie worden behoorlijk geregeld. 
Vagebonden onder de Hollanders sidderen als zg de overal 
aangeplakte bepalingen op de nieuwe „justitie" lezen ; de 
oneerbaarheid verschuilt zich, als zij by klok- en trommelslag 
hoort verkondigen, dat ieder, die zich aan overspel e. d. g. 
schuldig maakt, „arbitrair" zal worden gestraft. En zoo meer. 
Van elders weten wy dat Batavia op 1 Januari 1623 reeds 
eene bevolking had van bgna zesduizend zielen. Hoe de stad, 
die toen nóg vlak aan zee lag, er in dien t^d ongeveer uitzag, 
daarvan kan bjjgaande oude prent ons eene kleine voorstelling 
geven. De Engelschen zagen haar groei en bloei natuurlijk 



B4 



met nijdige oogen aan. Een oogenblik denken zij er aan om 
zich in de buurt ook zulk eene plaats te verzekeren, doch 
Koen weet dit behendig te verijdelen. Zijn de Heeren in 
Holland zoo lankmoedig jegens hen geweest, bij hem heeft 
die „perfide natie" op geen steun te rekenen ! Aangezien onze 
overzeesche naburen ook later nog meermalen in onze Indische 
Geschiedenis zullen ingrijpen, is 't niet van belang ontbloot 
te weten, hoe Koen toen ter tijd reeds over hen dacht. Onder 
dato 6 September 1622 schrijft hij: „TJEd. recommanderen 
om ten hoochste met d'Engelsche goede vrientschap ende 
correspondentie te houden, 't is onmogelyck dat dit geschieden 
can, oflf zouden niet alleen uit Indien, maar uit de werelt 
moeten gaen, want d'Engelsche niet dan crackeel en soecken, 
vermits hun daermede in Engelandt wel bevinden, de hoo- 
vaerdye, presumtueusheyt, valsheyt, ende in 't cort geseyt, 
alle gebreecken syn in haer te groot, daer is geen apparentie, 
soo lange by den anderen zijn, datter goede vrientschap ende 
correspondentie tusschen haer ende de onse gehouden sal 
worden." Scherper kon 't wel niet. 

Heeren Bewindhebberen zullen spoedig zien wie gelijk had. 
Er wordt in Indië heimelijk gefluisterd dat onze Engelsche 
vrienden in stilte de Bandaneezen tegen de Hollanders aan- 
hitsen. Koen wil daar meer van weten en stelt den Raad van 
Defensie voor om samen eene expeditie tegen de steeds rebel- 
leerende Banda-eilanden uit te zenden. Maar, ja wel ! de Heeren 
hebben geen schepen bij de hand om aan den tocht deel te 
nemen. De Gouverneur-Generaal weet nu genoeg. Zoodra hij 
Java zonder bezwaar kan verlaten, zeilt hij met eene sterke 
macht naar Banda en — thans volgt eene zwarte bladzijde 
in de Geschiedenis der Nederlanders in Indië, die, bezien bij 
het licht van dien t^jd, misschien iets van hare donkerheid 
verliest, maar toch altijd zwart blijft. Was onze held er met 
zijn geheele hart bij of moeten wij het als vlijmende ironie 
opvatten als hij, na afloop van het drama, aan de Kamer van 
XVII schrijft: „In deser voegen is UE. door Godts genade 
meester van alle d'eylanden van gants Banda geworden"? 



56 



Wie zal 't uitmaken? 

Doch wg loopen vooruit. De lezer heeft reeds begrepen 
dat wij hier het oog hebben op de verovering van de Banda- 
groep, waarbij eene geheele bevolking wreedaardig vermoord, 
verjaagd of tot slavernij veroordeeld is geworden. Slechts 
enkele in het gebergte gevluchte Inlanders bleven over, om 
aan het nageslacht te verhalen hoe er eens op Neira, Lontor, 
Rosengain, enz. een groot volk heeft gewoond, dat zijne 
eigene Hoofden had, om wier vriendschap machtige Vorsten 
uit het Westen gebedeld hadden. Zeven-en-veertig van die 
Hoofden (Orang-kaja) waren den Hollanders levend in handen 
gevallen en door hen met den zwaarde gestraft. Bijna acht- 
honderd Bandaneezen werden naar Batavia gevoerd, om daar 
hun verder leven in slavendienst door te brengen. Slechts 
driehonderd vrouwen en kinderen mogen later weer naar 
hun vaderland terugkeeren, echter alleen om daar onder de 
soldaten en matrozen verdeeld of verkocht te worden en 
welk lot hun daar wacht, daarvan kan de lezer zich een 
denkbeeld vormen als hij hoort, wat Koen van onze land- 
genooten schrijft: „'t Is" zegt hij, „een godloosen hoop, die ons 
veel moeyten aandoen, eenige stellen haer slimmer aan dan 
d'onredelycke dieren selflfs ende veroorzaeken een gruwel ende 
schandael in veele van d'Indiaenen t'onswaerts, want geen 
andere noch beter siende, meenen zij dat onze gantsche natie 
soo godtloos, onredelyck ende onmanierlyck is." 

Doch schuiven wij het gordijn voor dit hoogst onverkwikke- 
lijk tafereel, waarop onze landgenooten zoozeer in 't donker 
geplaatst zijn. Alleen zij hier nog medegedeeld hoe Koen, met 
de terugzending van die vrouwen en kinderen, aan wie nog 
eenige slaven van elders waren toegevoegd, den eersten stap 
deed om van Banda eene HoUandsche kolonie te maken. Aan 
Heeren Bewindhebbers verzocht hij de onmiddellijke uitzen- 
ding van eenige eerlijke huisgezinnen, vooral van „eene goede 
quantiteyt van jonge meyskens", die later werkelijk uitkomen 
en eveneens naar genoemde eilanden worden overgebracht. 
Eenmaal aan het koloniseeren zijnde, wil hij alle weeshuizen 



66 



in de Vereenigde Nederlanden ontlasten om ook elders volk- 
plantingen aan te leggen. Wij zullen echter later zien dat 
alle pogingen, door Koen en zijne opvolgers in die richting 
aangelegd, eenvoudig schipbreuk hebben geleden. Om te slagen, 
moest er eerst, gelijk op Banda en in de omstreken van 
Batavia, een kerkhof van Inlanders worden aangelegd! 

Keeren wij thans tot Java terug. Terwijl hier op de puin- 
hoopen eener rookende stad Batavia werd gesticht, woedde in 
het oosten van het eiland een hardnekkige oorlog, die aan 
duizenden het leven kostte en de schoonste streken in eene 
wildernis herschiep. Reeds vóór Koen's optreden waren de 
Regenten van Soerabaja, Pasoeroehan en Madoera tegen hunnen 
leenheer in verzet gekomen, zonder dat deze in staat was 
hen tot onderwerping te brengen. Bij al zgne vijanden had 
zich nu ook Bantam gevoegd, dat, in troebel water visschende, 
zich van het landschap Krawang was komen meester maken. 
De man, die zich Heer van geheel Java noemde, zat dus erg 
in het nauw en het was een groot oflfer aan zijnen hoogmoed 
gebracht, toen hij in 1622 de eerste was die ons de hand 
toestak en om vrede bad. Zelfs bood hij aan om gezamenlijk 
Bantam te lijf te gaan, als dit lïjk het ons soms lastig mocht 
maken. De voorzichtige Koen liet zich echter niet door zoo- 
veel vriendelijkheid om den tuin leiden, doch had er geen 
bezwaar in een gezantschap naar Karta, de hoofdplaats 
van Mataram, af te vaardigen. Aan het hoofd stond Dr. De 
Haen, wiens hoogst belangrijk reisverhaal voor ons bewaard 
is gebleven. Onder veel dankbetuiging werd het geschenk 
van de Hooge Regeering, zijnde twee kostbare diamanten, 
door den Panembahan in ontvangst genomen. Wederkeerig 
liet hij Dr. De Haen zijn eigene kris overhandigen om die 
den Gouverneur-Generaal aan te bieden „als een gering be- 
wijs van de hooge achting, welke Zijne Majesteit voor Zijne 
Excellentie koesterde." Hoe nietig het geschenk echter ook 
was, men moest wel in aanmerking nemen, dat het „op de Ja- 
vaansche manier het opperste en hoogste was, dat men iemand 
kon toezenden." Ook aan schoone beloften ontbrak het niet. 



57 



Koen bevond zich nog te Batavia toen het gezantschap 
aldaar terugkeerde. Zijn plan stond echter reeds vast om te 
repatrieeren. Reeds in 1621 had hij zijn verlangen daartoe 
te kennen gegeven, doch de zorg voor de zaken en de vrees 
voor Mataram hadden hem nog teruggehouden. Nu kon echter 
niets hem meer binden en nadat Pieter de Carpentier (1623 — ^27) 
tot zijn opvolger is benoemd, zien wij den waardigen man, die 
groot was onder zoovele kleinzieligen, dapper onder een heir- 
leger van moedeloozen, edel en braaf te midden van al het ge- 
spuis dat in die dagen naar Oriënten trok, op den 2®^ Februari 
1623 de reis naar Patria aanvaarden. Zoo iemand, dan had 
hij de rust verdiend. 

Eenige dagen na het vertrek van Koen had er op Ambon 
eene gebeurtenis plaats, die heel wat pennen in beweging 
heeft gebracht en oorzaak is geweest van de gespannen ver- 
houding, welke sedert tusschen Groot-Brittannië en Nederland 
heeft geheerscht. Zelfs de bekende Engelsche oorlogen zouden 
er uit zijn voortgevloeid. Wij bedoelen de terechtstelling van 
tien Engelschen en eenige in hun' dienst zijnde Japanners, 
welke terechtstelling, op last van den Gouverneur Herman 
van Speult en diens Raad uitgevoerd, door onze naburen nog 
steeds de Ambofische moord genoemd wordt. Wat was er ge- 
schied? Wij verlieten de Engelschen op het oogenblik, dat 
zij weigerden om aan de tuchtiging van de Bandaneezen deel 
te nemen. Zooals ook later gebleken is, hielden zij 't heime- 
lijk met dit volk, terwijl zij ook elders in de Molukken alles 
deden om den onzen afbreuk te doen. Op Ambon had men 
hun verlof gegeven om binnen het kasteel Victoria eene fac- 
torij in te richten, eene vrijgevigheid onzerzijds, die met de 
grootste ondankbaarheid beantwoord werd. Schijnbaar ging 
alles goed, totdat op den 23®^^ Februari bij den Gouverneur 
het bericht inkwam, dat de Engelschen, met hunnen chef 
Gabriel Towerson aan het hoofd, op den bijbel den ondergang 
van alle Hollanders bezworen hadden. Onverwijld werden de 
schuldigen in de gevangenis gezet en reeds den 9®^ Maart 
boetten tien Engelschen, de hoofdman der slaven en negen 



58 



Japanners hunne misdaad met den dood door het zwaard. 
Omtrent Towerson was bovendien bepaald, dat hij gevieren- 
deeld en zijn hoofd met de overige lichaamsdeelen op staken 
zou worden gesteld. Een oogenblik had Van Speult er nog 
over gedacht om de gevangenen naar Batavia op te zenden, 
doch bij nadere overweging vond men de zaak zoo ernstig 
en snel recht zoo gewenscht, dat de executie op Ambon zelf 
plaats vond. 

Slechts twee Engelschen werden vrijgelaten, niet omdat zij 
onschuldig waren bevonden, maar om de papieren en eigen- 
dommen der veroordeelden naar Batavia te brengen en zoo 
van de Hollanders den schijn af te wenden, als zouden dezen 
zich aan de bezitting hunner vijanden hebben willen vergrijpen. 

Zooals wij reeds opmerkten, heeft deze terechtstelling heel 
wat te doen gegeven. Engeland schreeuwde moord en brand 
en eischte op hoogen toon schadevergoeding en bestraflBng 
van de rechters, die onschuldigen hadden laten ter dood 
brengen. De slachtoffers hadden wel hunne schuld beleden, 
maar eerst op de pijnbank. Men kon nog het bijbeltje toonen, 
waarin een hunner even vóór zijnen dood zijne onschuld had 
ter neer geschreven. De Heeren in Holland zaten met de 
handen in het haar. 't Was voorwaar geen kleinigheid voor 
hen om 't met Engeland aan den stok te krijgen, vooral omdat 
er geen Koen bij de hand was, om hun nogmaals toe te roepen: 
„Als die roofvogels vechten willen, laten zij dan maar eerst de 
Spanjaarden en Portugeezen uit Ternate en Tidore verjagen!'* 
Het eind was, dat men aandachtig de geopperde grieven 
begon aan te hooren; straks geeft men op enkele punten toe; 
de onderhandelingen worden gerekt en gerekt, totdat na 
maanden de storm zich legt om plaats te maken voor eene 
doodelijke stilte, waaruit — een nieuwe storm zal opsteken. 
Ieder Nederlander weet hoe Albion op ons den moord van 
Ambon gewroken heeft. 

Laat ons ter eere van Van Speult en diens mederechters 
hier nog mededeelen, hoe een onpartijdig onderzoek heeft 
uitgemaakt, dat de veroordeelde Engelschen werkelijk schuldig 



69 



waren aan het hun ten laste gelegde feit. Of de wijze waarop 
zij ondervraagd en terechtgesteld werden geheel verdedigbaar 
is, kan moeielijk worden beoordeeld. 

Terwijl in Europa de diplomatie nog druk aan het woord 
was, trachtten de Engelschen in Indië hunnen slag te slaan, 
door zich van den handel op Bantam meester te maken. Zij 
vestigden zich daartoe op het eiland Lagoendi, dicht onder 
den Soematrawal, waar zij een fort bouwden, dat den naam 
van „Anti-Batavia" ontving. Carpentier had hun echter in de 
kaart gezien en het eiland Sibesi laten bezetten, van waaruit 
al hunne bewegingen konden worden gadegeslagen. Later bleek 
dit echter onnoodig te zijn geweest. Nog geen zes maanden 
later of een klein troepje Engelschen, dat aan het moordend 
klimaat van Lagoendi ontkomen is, komt opnieuw de gast- 
vrijheid der onzen te Batavia inroepen. In het jaar 1628 
braken onze tegenstanders voorgoed op om zich in Bantam 
te gaan vestigen en daar hun laatste graf in den Indischen 
Archipel te graven. 

Hun vertrek was natuurlijk zeer naar den zin van Koen, 
die in 1627 voor de tweede maal als Gouverneur-Generaal 
optrad. Ruim vier jaren was hij afwezig geweest en wie 
meenen mocht, dat hij dien tijd in ledige rust heeft door- 
gebracht, vergist zich zeer. Onvermoeid had hij in Holland 
gestreden, voor wat hij meende, dat noodig was om in Indië 
de reeds behaalde voordeden te bestendigen. Als een tweede 
Luther deed hij zijn ^ik kan niet anders" hooren, waar hij 
geroepen werd zijne lievelingsideeën: opening van den vrijhandel 
en kolonisatie, in de vergadering der Staten en van de Heeren 
XVII, te verdedigen. In het stuk van de volkplanting won 
hij in zooverre het pleit, dat Heeren Bewindhebbers tivee-en- 
tachtig jongedochters bijeenverzamelen om die naar Indië 
te zenden en hen daar onder de gepasporteerde soldaten en 
matrozen te doen verdeelen. De vrijhandel streed echter te 
zeer met den monopoliegeest onzer vaderen, dan dat zij daarin 
zouden toegeven. Wel laten zij zich schijnbaar ook hiertoe 
bekeeren, maar 't is alleen om met des te meer recht tot 



60 



Koen in 1626 te kunnen zeggen: „Carpentier heeft zijn ontslag 
gevraagd, de post is vacant, niemand beter dan gij om uwe 
denkbeelden op het terrein zelf in toepassing te gaan brengen." 
En — Koen ging, tot groote ergernis van de Engelschen, die 
op hunne achterste beenen gingen staan en schier met eenen 
oorlog dreigden, als zoo iemand „die de fundamenten van de 
questiën in Indië had gelegd ** opnieuw daarheen gezonden 
werd. Zoo kwam het, dat de benoemde eerst in 1627 en dan 
nog wel steelsgewijze, als een dief het vaderland verlaten 
kon. Het curieuse geval deed zich zelfs voor, dat hij te Batavia 
aankwam zonder behoorlijke geloofsbrieven, zoodat de Hooge 
Regeering aanvankelijk bezwaar maakte hem het bestuur over 
te dragen. 

Op blz. 57 hebben wij gezien, dat Koen zijn vertrek uit 
Indië uit vrees voor „den Mataram" telkens had uitgesteld. 
Hoe scherp zijn blik in dezen was, zou spoedig blijken. Nadat 
de Panembahan, die later den weidschen titel van Soesoe- 
hoenan (Zijne Heiligheid !) heeft aangenomen, zonder onze hulp 
er in geslaagd was Madoera te veroveren en den Regent van 
Soerabaja ten onder te brengen, ging hij droomen van een 
eenig en onverdeeld Java, waarop voor blanke vreemdelingen 
geene plaats was. Toen dan ook in 1624 de opperkoopman 
Jan Vos als afgevaardigde van Carpentier aan zijn hof ver- 
scheen, wilde hij dezen slechts ontvangen, als hij zich nederig 
noemde „slaaf-afgezant van den slaaf van mij Pangéran Ing- 
ngalogo.'^ Het fiere antwoord van Jan Vos: „de Gouverneur- 
Generaal is slaaf noch dienaar van den Keizer van Mataram" 
zou hem dan ook zeker het hoofd hebben gekost, als de 
plannen van den Panembahan reeds tot volle rijpheid gekomen 
waren. Dat waren ze echter nog niet. Vandaar voorshands 
enkel vriendelijke gezichten te Karta. In het jaar 1626 stelt 
de Soesoehoenan den onzen zelfs voor om met vereende kracht 
den Sultan van Bantam tot erkenning van Matarams opper- 
heerschappij te dwingen. De Nederlanders loopen echter niet 
in den hun gespannen strik, maar blijven eene afwachtende 
houding aannemen. Toen nu Koen voor de tweede maal het 



61 



tooneel betrad, overzag hij met één blik den toestand en vond 
hij 't geraden om te trachten met Bantam, waar, zooals wij 
zagen, de Engelschen zich genesteld hadden, op goeden voet 
te komen. Zijne poging daartoe werd beantwoord met eenen 
verraderlijken aanslag der Bantammers op zijn persoon en de 
stad Batavia, die echter bijtijds ontdekt wordt. Nauwelijks 
is echter dit gevaar afgewend of daar vertoont zich de Soesoe- 
hoenan in zijne ware gedaante. Met een ontelbaar leger trekt 
hij tegen Batavia op, sluit de stad van drie zijden in en — 
met de Nederlanders op Java is 't gedaan. Zoo dachten 
althans de Javanen. De Voorzienigheid had 't echter anders 
beslist. 

Er bestaat eene oude prent, die ons eene voorstelling geeft 
van de werkelijk vernuftige en krijgskundige wijze, waarop 
de schier ontelbare scharen van Mataram de stad hadden in- 
gesloten. Gelukkig dat Koen op de bres stond. Genoegzaam 
inziende, dat er tegen zulk eene overmacht niet veel te strijden 
viel, maakt hij van de omstandigheid dat de zeekant open is 
gebruik om den vijand op de gevoeligste wijze te treffen, 
door hem den toevoer van levensmiddelen af te snijden. 
Hongersnood en ziekte komen nu in het vijandelijk leger doen, 
wat wonderen van dapperheid, op en buiten de wallen door 
de onzen vemcht, niet vermochten. Na een beleg van ruim 
een jaar vluchten de overgebleven Javanen naar hunne 
haardsteden terug. De Soesoehoenan is woedend en koelt 
zijne wraak al vast in het bloed van tal van hooger en lager 
geplaatsten, aan wier slecht beleid hij zijne schandelijke neder- 
laag meent te danken te hebben. Batavia was gered! 

Koen mocht de verlossing van zijn geliefde stad niet meer 
beleven. In den nacht van 20 op 21 Augustus 1629 was hij, 
te midden van zijnen arbeid, plotseling komen te overlijden. 
Hij had nauwelijks tijd over om van zijne vrouw, die hem 
pas uit Europa was gevolgd en die hem juist drie dagen 
te voren eene dochter geschonken had, afscheid te nemen. 
Den volgenden dag werd zijn lijk „met behoorlycke solemp- 
niteyt ende eere" in het Stadhuis t^r aard^ besteld. Een held 



62 



was begraven, zooals Indië nauwelijks een tweede weet aan 
te wijzon! 

Een held, maar ook een mensch, met menschelijke zwak- 
heden, die op zijn sterfbed zoowel de zorgen van dokter 
Bontius als de troostwoorden van dominé Hurnius noodig 
had. Heeft hij in zijn gefluisterd gesprek met den predikant 
ook nog Banda genoemd? Niemand weet het. Wij zouden 
ons echter zeer verwonderen, als hij nog niet een oogenblik 
gedacht heeft aan wat, drie maanden geleden, in zijne eigene 
woning is voorgevallen. Tot zijne huisgonooten behoorde do 
natuurlijke dochter van het lid van den Raad van Indië J. 
Specx, een meisje van ruim twaalf jaar, met wie een licht- 
mis, Pieter Jacobsz. Cortenhoflf, in het huis van den G.-Gene- 
raal een minnehandel had aangeknoopt. Koen, wiens geheele 
ambtelijke leven één strijd is geweest tegen de onzedelijkheid 
onder zijne landgenooten, ontsteekt bij het vernemen van het 
gebeurde in hevige woede. In zijn drift geeft hij den fiscaal 
last om onmiddellijk voor de poort van het kasteel het scha- 
vot te laten opslaan en de twee schuldigen aan den galg te 
hangen. Men weet hem echter te beduiden, dat er toch een 
zekere vorm aan de zaak moet worden gegeven, waarop de 
rechtbank vergadert, die, behoorlijk door Koen geïnfluenceerd, 
Cortenhoif tot den dood door onthoofding en zijne medeplich- 
tige tot strenge geeseling veroordeelt. Reeds den volgenden 
dag werd het vonnis ten uitvoer gelegd, tot groote ergernis 
van velen in Batavia, die 't den Gouverneur-Generaal zeer 
euvel duidden, op die wijze van zijnen invloed op de rechters 
misbruik gemaakt te hebben. Vooral de predikanten voeren 
heftig tegen hem uit en aarzelden niet over allen, die aan 
het vonnis hadden medegewerkt, den kerkelijken ban uit te 
spreken. Batavia schijnt geheel in beroering geweest te zijn. 
Dit duurde, totdat de Heeren XVII eindelijk tusschenbeide 
kwamen en de predikanten aanmaanden om zich in den ver- 
volge met hunne eigene kerkelijke zaken te bemoeien en 
zich nooit ofte nimmer een oordeel over de handelingen der 
justitie aan te matigen. 



63 



De naaste opvolgers van Koen waren de reeds genoemde 
Jacques Specx (1629 — '32) en Hendrik Brouwer (1632 — '36). 
Onder het bestuur van deze landvoogden werd al 't mogelijke 
gedaaa om met den Soesoehoenan op goeden voet te geraken, 
maar deze kon 't den onzen niet vergeven, dat zij hem zoo 
schandelijk de nederlaag hadden doen lijden. Meer en meer 
won dan ook de overtuiging veld dat, gelijk Brouwer bij 
zijn aftreden schreef, „de vrede met den Mataram niet dan 
door vigoureusen oorlog kon worden bevorderd." Eene her- 
haalde poging om de vorsten van Bali tot eenen strijd met 
den Soesoehoenan „aan te porren" mislukt. Ook Bantam 
verkoos niet zich naar ons te voegen. In het jaar 1633 brak 
er een formeele oorlog tusschen dezen staat en de Neder- 
landers uit, waardoor aan den handel groote schade werd 
toegebracht. Hij duurde voort tot 1639. 

De eer van de (tijdelijke) pacificatie van Bantam komt toe 
aan den Gouverneur-Generaal Antonie van Diemen, wiens 
negenjarig bestuur (1636 — '45) ook in andere opzichten tot 
groeten zegen voor de Nederlandsche belangen in Indië ge- 
weest is. Een zijner lievelingsplannen was, de stad Batavia 
zoodanig te versterken en in te richten, dat zij eene schoone 
en onneembare veste werd te midden van de talrijke vijanden 
die haar van rechts en links omringden. Alles liep naar zijnen 
wensch uit. „Van Batavia" kon hij reeds kort na zijn op- 
treden schrijven, „is alles. God zij dank, in gewenschte termen 
staande." Een groot voordeel was 't dat de omstreken der 
stad langzamerhand meer en meer bevolkt werden en de met 
het bloed van Hollanders en Inboorlingen gedrenkte grond 
in kuituur kon worden gebracht. 

Te midden van zijne drukke bezigheden vond de G.-Generaal 
nog tijd voor eene reis door de Molukken, waar de zaken 
hier en daar in den war waren geraakt, tengevolge waarvan 
de toevoer van specerijen te wenschen overliet. Ook hier had 
zijn optreden de gewenschte uitwerking. De grootste triomf, 
onder Van Diemen's bestuur behaald, was echter de verovering 
van Malaka op de Portugeezen, welke plaats op het oogenblik 



64 

wel geen deel uitmaakt van onze bezittingen, doch toenter- 
tijd een hoogst gewichtig punt voor de Nederlandera uitmaakte. 
Het was van Mataka uit dat onze aartsvyanden hunne 
vloten den Archipel inzonden om overal, waar zij hunne kans 
schoon zagen, den onzen afbreuk te doen. Van hioiuit knoopten 
zij onderhandelingen aan met inlandsche vorsten, o.a. met den 
Soesoeboenan van Mataram, die aan zijne onderhoorigen 
last gegeven had om de uit te voeren rijst uitsluitend naar 
Malaka te verkoopen. Het laat zich dus begrijpen, dat onze 
landgenooten reeds voorlang het begeerig oog op deze „ver- 



Ge zicht op Malaka. 

maerde, wel gefortificeerde stadt" geslagen hadden- Z\j bleven 
echter op den loer liggen, totdat het oogenblik om den sprong 
te wagen gekomen was. Dat oogenblik brak aan in de laatste 
helft van 1640 en - de prooi viel hun in handen. Na een 
beleg van v\jf maanden en twaalf dagen, op den 14 Januari 
1641, gaf de sterke vesting zich over. De overwinning had 
aan de Nederlanders omstreeks duizend man gekost, doch de 
Portugeezen verloren er zevenduizend, terwijl de overschietende 



66 



vierhonderd zich dagen lang ;,met honden, katten, ratten ende 
beestenhuyden" hadden moeten geneereri. „Treflfelijck isser 
gevochten/ schrijft Van Diemen en vervolgt dan: „Deze 
victorie stelt des Comps. standt herwaerts over, in groot 
respect ende verseeckeringh. Treflfelijcke negotie sal daarom- 
trent gevoordert worden, alle omliggende princen sullen ons 
adoreren .... 't Heeft hier onder de gevangene Portugesen 
groote verslagenheyt gecauseert ; seggen rondt uyt nu Malacca 
verlooren is, geen India meer hebben. ** Groot gejubel te 
Batavia, waar, gelijk bij alle andere belangrijke gebeurtenissen, 
door de overheid een dank- en bededag werd uitgeschreven. 

En zoo staan wij dan alzoo weer voor een nieuw tijdperk 
in de Geschiedenis, waarin wij het Nederlandsch gezag in 
Indië van stap tot stap voorwaarts zullen zien schrijden, nu 
ten spijt van Spanjaarden, Engelschen en Denen die, gelgk 
de Portugeezen, den aftocht zullen moeten blazen. Het Emergo 
der Zeeuwen gaat een feit worden ! 

Tot hiertoe hielden wij ons bijna uitsluitend bezig met de 
mannen, die daarginds in het verre oosten den roem van 
Oud-Holland op zoo schitterende wijze bevochten hebben. Als 
trouwe geschiedschrijvers verzuimden wij niet op donkere 
punten, tekortkomingen en misslagen te wijzen, die onzen 
naam niet tot eer verstrekken. Van koning Darius wordt 
ergens verhaald, hoe hij, bij het lezen van eenen brief van 
koning Alexander, een mesje nam om daarin een woord, waar- 
door hij zich beleedigd achtte, uit te krabben. Hoe gaarne 
zouden ook wij het stilet ter hand nemen om geheele blad- 
zijden uit de Geschiedenis der Nederlanders in Indië, waarop 
met onvergankelijk schrift de oneer onzer natie geschreven 
staat, onleesbaar te maken. Wij herinneren ons ergens in 
eenen brief van een' der Gouverneurs-Generaal gelezen te 
hebben, dat, zoolang Bantam niet vertrapt, vernietigd was, 
de Compagnie onmogelijk kon bloeien. Niet alleen Bantam, 
hoe menige andere Indische staat is aan het heil van dat 
machtige handelslichaam opgeofiferd. Wij zouden echter on- 
billijk zijn als wij alle schuld daarvan op hen wierpen, die 

5 



66 



niet geaarzeld hebben hun leven in de waagschaal te stellen. 
Zij handelden eenvoudig op last van hunne Meesters in 
Holland, stoere mannen uit de school van Prins Maurits en 
Van Öldenbarneveld, maar vol eigenbelang, van top tot teen 
vervuld van den monopoliegeest dier dagen, waarvoor niets 
heilig was, waaraan alles moest worden ten oflfer gebracht. 
Wordt Banda uitgemoord, 't is omdat de Bandaneezen zich 
verstouten hunne specerijen aan . anderen te verkoopen. Zal 
Mataram worden klein gemaakt, 't is hoofdzakelijk omdat het 
zijn rijst naar Malaka heeft uitgevoerd en zyne havens niet 
voor onzen alleenhandel openen wil. Leveren straks de Molukken 
te veel specerijen op om eene goede markt te maken, de 
Heeren XVII eischen, dat geen middel onbeproefd zal worden 
gelaten om aan die „wanverhouding" ^en eind te maken. 
AJles ter eere van Holland en ten voordeele van de Compagnie ! 
Vroeger spraken wij reeds over Koen's plannen om in Indië 
den vrijhandel toe te laten en aan burgers het recht te ver- 
leenen om voor eigen rekening handel te drijven. Volgens de 
daartoe ingezonden voorstellen, zou alles geschieden onder 
toezicht van de Compagnie, die ook het recht verkreeg om 
belastingen te heffen niet alleen, maar ook om alle inlandsche 
produkten met hare schepen naar Holland over te voeren en 
daar ter markt te brengen. Op blz. 59 zagen wy dat Heeren 
XVn aanvankelijk den schijn aannamen, alsof zij het nieuwe 
stelsel goedkeurden. Koen is echter nauwelijks in Indië terug- 
gekeerd of zij verbieden hem „op 't serieust" eenige opening 
van den vrijen handel* toe te staan. Ten opzichte van Batavia, 
welker verwoeste omstreken tot meerdere veiligheid van de 
stad, opnieuw bevolkt moeten worden, maakt men later eene 
uitzondering in zooverre, dat hier de zoogenaamde vrijburgers 
voor eigen rekening den grond ontginnen en eenen kleinen 
handel drijven mochten. De resultaten beantwoordden echter 
niet aan de verwachting. En dit door de schuld van de vrij- 
handelaars zelven, die misbruik maakten van de verleende 
vrijheid en de Compagnie heel wat schade berokkenden. De 
Gouverneur-Generaal Brouwer in 1632 over hen schrijvende 



67 



zegt: „Ons Nederlanders hebben contrary inzicht, dat is om 
spoedich veel te grasen ende te eerder in 't patriam terug 
te keeren!" Hij wijt dit vooral aan de HoUandsche vrouwen 
„want hier synde gecoomen sober van conditie ende schielycken 
wat geprospareerdt hebbende, meenen dattet niet op en kan 
ende jancken om te comen by d'oude kennissen met soo ver- 
beterden staat. ^ Langzamerhand waren ook de bezoldigde 
dienaren van de Compagnie begonnen aan den vrijhandel deel 
te nemen en zich ten koste van hunne superieuren te ver- 
rijken. De toenmalige Directeur-Generaal Antonie van Diemen 
schreef in 1631 aan de Kamer van XVII: „De Compagnie 
heeft in Indië twee kankers, waaraan zij lijdende is ; vooreerst 
een te groot aantal onnutte dienaren, die buiten betrekking 
zijn en ledig loopen; en ten tweede, dat velen, aan wie 
Compagnie's middelen zijn toevertrouwd, aan het bijzonder belang 
boven het algemeen belang de voorkeur geven, ja, dat er 
eenigen zijn, die al zoo lief hun voordeel van de Compagnie 
als van den vijand nemen." 

Na het bovenstaande gelezen te hebben, zal het niemand 
meer vei-wonderen, dat men in Holland noch van vrijhandel 
noch van volkplantingen wilde hooren. Aan den Gouverneur- 
Generaal Brouwer werd dan ook de stellige last gezonden om 
alle ambtenaren, die particulieren handel dreven, uit hunne 
betrekking te ontslaan en alle overige onnutte landsdienaren, 
hooger of lager geplaatst, naar Holland op te zenden. Of het 
kwaad, door de zelfzuchtige Compagnie zelve in het leven 
geroepen, daarmede was uitgeroeid? Het antwoord op deze 
vraag hopen wij later te geven. 



DERDE HOOFDSTUK. 

1641-1675. 

IN de beide vorige hoofdstukken meenen wij genoegzaam 
te hebben aangetoond, hoe bij de Nederlanders, zoowel in 
Holland als daarginds in Indië, het doodvonnis over Bantam 
nog slechts op de onderteekening wachtte. Voorzichtig als 
onze landgenooten in vele opzichten waren, wisten zij echter 
de executie uit te stellen, totdat het geschikte oogenblik 
daarvoor zou zijn aangebroken. Voorshands heette het nog, 
zooals een der Gouverneurs-Generaal schreef: „Bantam mag 
niet te klein en Mataram niet te groot worden.'^ Een oorlog 
met het rijk in West-Java zou misschien den Soesoehoenan 
vijandelijk tegen Batavia doen optreden. Vandaar dat de 
Hooge Regeering het in 1639 geraden achtte met Bantam 
een tijdelijken vrede te sluiten, om eerst te trachten met den 
machtigen potentaat in Midden-Java op goeden voet te ge- 
raken. Na de verovering van Malaka schreef Van Diemen: 
„De Mataram moet nu onsen vrient worden,'* en in over- 
eenstemming met deze verklaring werd alles beproefd om 
den Soesoehoenan tot onze zijde over te halen en hem te 
bewegen de ruim vijftig gevangen Nederlanders, die een vrij 
hard lot in zijn rijk te verduren hadden, los te laten. De 
onzen klopten echter aan eens doovemans oor. De hoogmoedige 
monarch was nog hooggevoeliger geworden, nadat zijn leger 
in den zomer van genoemd jaar (1639) er in geslaagd was, 
zich van den oosthoek van Java meester te maken. Wel bleef 



69 



de verovering van Malaka en de droeve nederlaag van zijne 
Portugeesche vrienden niet zonder indruk op hem, maar ook 
zonder die hulp hoopte hij nog eenmaal als Heer en Meester 
de sterke veste der Hollandei*s, Batavia, binnen te treden. 
Hij werd in die verwachting versterkt toen in 1642 de Engelschen 
uit Bantam (blz. 69) een deftig gezantschap naar zijn hof af- 
vaardigden en hem onder de schoonste beloften hunne vriend- 
schap aanboden. Was bovendien niet de Vorst van Palembang 
op Soematra in eigen persoon in Karta (blz. 60) verschenen 
om politieke onderhandelingen met hem aan te knoopen? En 
waarom zou hij dan de „vrient" der Hollanders worden, van 
wie hij wel getuigd had, dat zij niet gekomen waren om Java 
te veroveren, doch wier vestiging te Batavia toch eene blg- 
vende bedreiging van zijn oppergezag moest worden genoemd ? 
Van deze zijde dus vooreerst geene toenadering! 

„Belangende Batavia,^ schrgft Van Diemen d.d. 22 December 
1642, „wy connen daervan, den Alvermogende sy gepresen 
ende geve tot de continuatie synen heyligen segen, niet als 
gewenschte tijdingh geven." De muren waren goed voorzien, 
de bastions behoorlijk bezet, de burgerij begon te floreeren, 
de woeste gronden in den omtrek werden reeds gedeeltelijk 
weder bebouwd en — intusschen liggen de vier vrienden — 
Bantam, Mataram, Palembang en Engeland — op den loer 
om een oproer in de stad te verwekken, zooveel Hollanders 
te vermoorden als men kon en de overigen van Java te 
verdrijven. Een echt Indisch amok op groote schaal. De uit- 
voering was opgedragen aan een zekeren Jan Cleyn, alias 
Pekdy gewezen hoofd der Javanen binnen Batavia, die met 
een afstammeling van den gewezen Regent van Jakatra en 
andere inlanders zich het eerst van den Gouverneur-Generaal 
zouden meester maken. Gelukkig werd het komplot tijdig ont- 
dekt, zoodat Van Diemen zgne maatregelen nemen kon. De 
voornaamste deelnemers aan het schandelijk verraad werden 
gevat en zonder veel ceremonieel ter dood gebracht. Uit hunne 
bekentenissen was echter voldoende gebleken, dat de vorsten 
der drie bovengenoemde rijken de hand in de zaak hadden 



70 



geh&d en, dat de Engelschen achter het scherm zaten, werd 
door niemand betwijfeld. Wel epeelde Bantam, zooaJs de 
Gouverneur-Generaal schrijft, „den ignoranten" en hield men 
zich te Batavia alsof men aan zijne onschuld geloofde, doch de 
Hooge Regeering wist beter en gelastte haren geheimechrgver 



den kerfstok van dezen v\jand met éen streepje te veiTgken. 
De afrekening zou later komen. 

Eeeren wij ons thans voor een oogenblik van Java af, om 
een k^kje te uemen in de Molukken, waar nog altijd het 
„voornaamste wit" gelegen is, waarnaar de Compagnie ver- 
langt, dat hare dienaren „schieten" zullen. Op den IS»" April 
1645 was de Gouverneur-Generaal Van Diemen aan eene 
uitterende ziekte bezweken en tegen den zin van enkele leden 



Il 



vaa den Raad van Indië opgevolgd door Corndis van der Lijn 
(164B — 16B0), een vrij onbeduidend man, wiens vijfjarig be- 
stuur evenwel rijk aan belangrijke gebeurtenissen is geweest. 
Allereerst in de Molukken. Met Banda „het kostelijk juweel" 
had Koen afgerekend. Veel geldelijk voordeel had de Com- 
pagnie overigens nog niet van deze uitgemoorde eilanden ge- 
noten. Eerst in 1639 kon de toenmalige Gouverneur mede- 
deelen, dat Banda zich „als eene Nederlandsche kolonie begon 
op te doen," maar veel was 't nog niet en ellende heerschte 
er genoeg. Uit Batavia beklaagde men zich dat diezelfde 
kolonie jaarlijks met „eenigh contant moest worden gesecon- 
deert", en de gezaghebbenden op Banda antwoordden daarop 
„dat den burger, door *t afsterven ende verloopen van haere 
slaeven en quaade gewassen, zoo verarmpt is, dat weynich 
ofte geen geit bij haar omgaat." Nog eens, veel winst had 
deze eerste en eenige kolonie nog niet opgeleverd en of 't 
straks beter zal worden als de Hooge Regeering den Gouver- 
neur Acoley aanschrijft om meisjes van kapitaal, op Banda 
woonachtig, uit te huwelijken aan flinke mannen, gezind ge- 
durende geruimen tijd op de eilanden te blijven, moet de tijd 
leeren. 

Zooveel had men alleen op Banda gewonnen, dat er rust 
heerschte. Dit was niet het geval op Ambon en omliggende 
eilanden, .waar de bevolking zoo langzamerhand bekomen was 
van hare voorliefde voor de Hollanders, die wel de Portugeezen 
verdrongen, maar bij slot van rekening al even ruw en belang- 
zuchtig bleken te zijn. De elkander opvolgende Gouverneurs 
Gijsels, Van den Heuvel en Van Deutekom hadden 't zoo 
bont gemaakt, dat de Gouverneur-Generaal Van Diemen, 
spoedig na zijn optreden in 1636, het noodig oordeelde om in 
persoon de zaken aldaar te gaan onderzoeken. Hoe de onzen 
daar huis hielden kan blijken uit een schrijven van dbminé 
Justus Heumius, dato 17 September van laatstgemeld jaar, 
waarin letterlijk te lezen staat: „Zij (de Hollanders) scholden 
„niet alleen 't gemeine volck maer oock de Orangcaijen 
„(hoofden) voor schelmen, beesten, honden; stieten 't volk 



72 



„met voeten. (De Inlanders) clagen voor alles dat ze twee 
„opperhoofden op de vaertuigen in de boeyen slooten omdat 
„een luttel achter aen quamen; hetwelcke zij achten een 
„onverdragelicke versmaetheyt niet alleen voor die twee, maer 
„alle Ambonsche opperhooffden te wesen, ende seggen liever 
„te willen sterven dan op haer eygen cost roeyende sulcke 
„overlast te lijden. Dit was het vier (vuur) dat haer gemoet, 
„'twelcke met de andere miscontementen als met swavel 
„opgevuUet was, gants ontstack, soodat gelijck de opperhoofden 
„der dorpen nu openlick verclaeren, dit de oorsaeck is deser 
„ontstaener oproericheyt ende van het wechloopen des volcx 
„nae ^t gebergte." 

De Ambonsche eilanden waren dus in vollen opstand toen, 
zooals wij zeiden. Van Diemen in 1636 in persoon en wel 
met eene vloot van 17 zeilen in de Molukken kwam. Aan 
boord bevond zich het gewezen hoofd van Hitoe (blz. 23) 
Eakiali, die kort geleden door Van Deutekom gevangen ge- 
nomen en op last der Hooge Regeering in ketenen geklonken 
naar Batavia was opgezonden. Het gelukt aan Van Diemen 
om den opstand tgdelijk te bedwingen. Hij meende zelfs alles 
zoo goed geregeld te hebben, dat hij er geen bezwaar in vond 
den fieren Kakiali de vrijheid te geven en hem in zijne 
oude waardigheid te herstellen. Later bleek dit eene groote 
politieke fout geweest te zijn. Na Van Diemens vertrek brak 
het vuur van den opstand opnieuw uit, zoodat hy in 1638 
opnieuw met eene vloot verschijnen moest, zonder echter 
veel verder te komen. De ziel van het verzet was ditmaal 
weer dezelfde Eakiali, die er een voorgevoel van had, dat de 
kruistochten van den inmiddels opgetreden Gouverneur Demmer 
de uitroeiing van de nagelboomen ten doel hadden, teneinde 
al te groeten toevoer van dit kostbaar product op de Europeesche 
markt tegen te gaan. In 1643 werd hij door eenen in zijnen 
dienst zijnden Spanjaard vermoord, zonder dat daardoor aan 
het verzet der Amboneezen een einde kwam. Een ander 
ondernemend Inlander, Todoe Kabesie genaamd, stelde zich 
aan het hoofd van den opstand en eerst nadat deze in 1646 



73 



in onze handen gevallen en op last van Demmer onthoofd was, 
kon de rust als hersteld beschouwd worden. Het Nederlandsch 
gezag was nu voor goed op Ambom gevestigd. 

Nog een paar andere belangrijke gebeurtenissen hadden er 
onder Van der Lijn plaats, die hier vermelding verdienen. 
Allereerst in Bantam, met welk rijk, zooals wg op blz. 63 
gezien hebben, in het jaar 1639 vrede gesloten was, wat 
echter niet verhinderde dat de verstandhouding steeds ge- 
spannen bleef. De lezer herinnere zich alleen maar, wat wij 
boven van het verraad van Jan Cleijn hebben medegedeeld. 
En het kon ook wel niet anders, zoolang onze aartsvijanden, 
de Engelschen, in de hoofdplaats Bantam gevestigd waren 
en hun oud spel van in troebel water te visschen niet wilden 
opgeven. Ondanks hun stoken, slaagde de Hooge Regeering 
er echter anno 1645 in om met de beide toen regeerende 
Sultans een tienjarig bestand te sluiten, waai*mede men te 
Batavia algemeen zoo ingenomen was, dat het feit met trom- 
melslag en trompetgeluid aan de bevolking werd bekend ge- 
maakt. Aan de Kamer van XVII schreef Van der Lijn: „God 
geve oprechtelyk mach worden onderhouden ; onderwylen sullen 
altyt wel op hoede syn ende die natie niet meer vertrouwen 
als haar boos naturel meriteert." Een mooie vrede dus! Het 
wantrouwen onzerzijds vloeide vooral voort uit de omstandig- 
heid, dat het te Batavia een publiek geheim was, hoe de 
Bantammers alleen tot het Bestand waren overgegaan uit 
vrees voor den Soesoehoenan, van wien zij meenden te weten 
dat hij nog altijd de begeerige blikken op West-Java ge- 
slagen had. 

Ook onze landgenooten zaten nog altijd met „den Mataram^ 
in de maag. Men had hem gaarne te lijf gewild, maar de t\jd 
van handelen was nog lang niet gekomen. Men verbeelde 
zich dus de verbazing en groote vreugde van den Gouverneur- 
Generaal in Rade, toen in Juli 1646 een gezantschap van 
Soesoehoenan Mangkoe-Batj tweede zoon en opvolger van den 
inmiddels overleden Keizer, te Batavia verscheen en ons den 
vrede kwam aanbieden. Met beide handen werd het voorstel 



u 



aangegrepen en zonder lange beraadslaging in de gestelde 
voorwaarden toegestemd. Zelfs de eisch van den trotschen 
Javaan, dat de Nederlandsche Regeering jaarlijks een gezant- 
schap naar zijn hof zou zenden, vond geen bezwaar. Ook de 
wederzijdsche uitlevering van gevangenen, waardoor diïe en 
dertig van onze landgenooten, toen nog in leven, (blz. 68) 
uit eenen smadelijken kerker werden verlost, was spoedig ge- 
regeld. Slechts op één punt wilden onze Staatslieden, die 
vóór alles handelaars waren, niet toegeven. Het betrof den 
eisch van den Soesoehoenan om aan de Javanen de vrije vaart 
door geheel den Archipel toe te staan. Zij kunnen, zoo luidde 
het antwoord dezerzijds, varen waar zij willen, als zij 't maar 
niet wagen Ambon, Banda of Ternate aan te doen. Het met 
zooveel moeite en inspanning verkregen monopolie op de 
specerij-eilanden in gevaar te brengen, ziedaar iets waartoe 
de Hooge Regeering zich zelfs niet tot den prijs van Mataram's 
vriendschap kon laten bewegen. Gelukkig bleef de nieuwe 
Soesoehoenan niet op zijn stuk staan en zoo kwam in October 
1646 de. lang gewenschte vrede tot stand, die, zooals Van 
der Lijn naar Mataram schreef, „eeuwich ende onverbreeckelyk 
mach duren, tot spyt van alle onse vyanden en tot welvaren 
der landen onderdanen." Of hij dit meende? Wij moeten het 
haast gelooven als wij zijnen brief lezen, waarin hij o.a. schrijft: 
„Wij hebben met blijdschap verstaan, dat Uwe Majesteit ge- 
zond is en zich vast heeft voorgenomen om tot het einde 
zijns levens in den vrede te continueeren, hetwelk wij van 
onze' zijde met een oprecht hart mede beloven te doen; dat 
weet de öroote God, dien wij daarom altijd zullen bidden." 
Was 't dan eene onbewuste profetie, toen hij den Soesoehoenan 
met dit hoogst vriendschappelijk epistel een „schoon vierroer" 
ten geschenke zond? Wij zullen 't spoedig vernemen. 

Zoolang Yan der Lijn aan het bestuur bleef hield de Soesoe- 
hoenan zich trouw aan de gesloten overeenkomst. Nauwelijks 
echter was genoemde Gouverneur-Generaal in 1660 door 
Kard Beiniersz. vervangen of de wispelturige potentaat begon 
erg vreemd te doen. In het midden van 1652 verbood hij zelfs 



76 



den vrijen uitvoer van rijst uit de havens van noordelgk Java, 
waardoor de steeds toenemende bevolking van Batavia in 
groote verlegenheid werd gebracht. Niet wetende wat hiervan 
te moeten denken, haastte de Hooge Regeering zich een ge- 
zantschap naar ICarta te zenden om opheldering te vragen. 



Hoofd van de ambassade wae de opperkoopman Rijkhf van 
Qoem, dien w^ later als Gouverneur-Generaal zullen terug- 
vinden en aan wiens verstandig beleid het moest worden 
toegeschreven dat de dreigende onweerswolk overdreef. 

Hoogst belangryk is het verhaal ons door Van Goens van 
dit bezoek aan het Mataramsche hof nagelaten. Er blijkt o. a. 
uit, hoever men 't toen reeds kon brengen als men den 



76 



inboorling in zijn zwak wist te tasten en eerbied betoonde 
voor wat bij hem de adat of gewoontewet voorschrijft. Toende 
driftige en wreede Soesoehoenan aan het gezantschap te 
kennen gaf, dat hij den uitvoer van rgst verboden had, niet 
om den Gouverneur-Generaal verdriet aan te doen, maar 
omdat de vrijburgers van Batavia dat artikel aan zijne vijanden 
in Bantam en op Bali verkochten, zweeg Van Goens stil 
^omdat het onder de Javanen eene wet is, dat niemand den 
Koning mag tegenspreken, op poene van den dood." Gedienstige 
vrienden hadden hem zeker ook wel ingefluisterd, dat de 
hofstad in groote verslagenheid verkeerde „over des Gonincks 
grimmigheyt ende gestadighe toorne, dat meest d'een of d'ander 
sijner groöten den hals coste." Hoe 't zij, hij sprak geen wooi*d 
en presenteerde Zijne Majesteit alleen de van Batavia mede- 
gebrachte geschenken tot eene gezamenlijke waarde van ruim 
f 20.000, boven en behalve twee metalen stukken. Nadat dit 
geschenk genadiglijk was aangenomen, verzocht Van Goens 
eene audiëntie voor den volgenden dag. Ook toen den Javaan- 
schen despoot nog niet goed genoeg gemutst vindende, kwam 
onze afgevaardigde met een ander, door hemzelf uitgedacht, 
geschenk voor den dag, bestaande uit een „ orgel tjen, in een 
huysken bedeckt synde en dat al spelende voor Hem ghedragen 
wierd, daarin Hij sulcken geneucht nam, dat hij verklaerde 
nooit gelooft te hebben, sulcken aangenaam gehoor te vinden 
was." Toch was Zijne Majesteit nog niet vroolijk genoeg naar 
Van Goens zin. Deze roept daarop twee soldaten voor, ge- 
wezen goochelaars, „die verwonderlijke potsen aenrichten, onder 
anderen éen, die naar schijn, wel ses S capock (katoen) at, 
ende gedurich vuur ende eyndelyck veel gecoleurde linten, 
naalden, spelden ende geld uyt sijn hals spooch," hetwelk 
alles den Soesoehoenan zoozeer behaagde, „dat dickmael seer 
hartelijck daarom lachte." Daar moest onze gezant hem hebben. 
„Hem 80 wel geconditioneert van natuur vindende" schrijft hij 
naar Batavia, „hebben geresolveert hem UEd. last ende bevel 
voor te houden." En zoo was door een „orgeltjen" en twee 
goochelaars de vrede met Mataram gered! 



77 

In het jaar 1^60 was, zooals wij zagen, Van der Lyn afgetreden 
en opgevolgd door Kard Reiniersz. (1660 — 1653), iemand die bij 
zyne chefa in Holland niet erg gezien was. Onder zgn bestuur had 
de gebeurtenis in de Molukken plaats, door ons de zwarte blad- 
zgde in de Oeschiedenie der Nederlanders in Indië genoemd. 
De lezer zal zeker reeds begrepen hebben wat wy bedoelen. 



Op blz. 72 deelden w\j mede hoe de Ambonees Eakiali in 
1643 reeds begrepen had, dat 't den Hollanders hoofdzakelijk 
te doen was om den nagelhandel in te krimpen en zy daardoor 
geen beter middel wisten dan de boomen eenvoudig goed- en 
kwaadschiks uit te roeien. Juist bij het optreden van Reiniersz. 
wierp de Compagnie het masker af en werd 't luide door den 
Gouverneur De Vlaming verkondigd, dat men meer kruidnagelen 



kreeg dan voor de Europeesche markt noodig was en de 
productie van dit kostbaar gewas dus moest worden beperkt 
Om zich bij dien verdelgingsoorlog een schijn van recht te 
geven, werd met den Sultan van Ternate, Mandarsjah, die nog 
altijd een groot gedeelte van de Molukken in zyne macht 
had, eene overeenkomst gesloten, waarbij de Nederlanders, 
tegen eene jaarlijksche 
vergoeding van 12000 
i-jiksdaalders, verlof 
bekwamen om overal 
waar zy dit noodig 
oordeelden, de nagel- 
boomen te vernielen. 
Ook de vorsten van 
Batjan en Makjan lieten 
zich voor eene ronde 
som in zilvergeld voor 
dat doel af koopen. Het 
behoeft wel geen op- 
zettel^ke vermelding, 
dat de bevolking alles- 
behalve met deze over- 
eenkomsten was inge- 
nomen en men zich 
hier en daar met ge- 
weld tegen het boos- 
aardig plan trachtte te 



verzetten. Sultan Man- 



Ernidnagelboam. 



darsjah werd zelfs om 
zfjne vriendschap met de Hollandei-s door zyn eigen volk 
afgezet en verjaagd en zyn broeder Manilla in zgne 
plaats aangesteld. Dit alles was echter slechte koren op den 
molen van Arnold de Vlaming van Outshoom, aan wien de 
Hooge Regeering de betrekking van superintendant en com- 
missaris van de drie Oostersche landvoogdyen had opgedragen 
en die nu, onder den scbjjn van oproerigen te straffen, naar 



79 



hartelust aan het moorden en vernielen ging. Tusschen de 
jaren 16B0 en 1656 zgn op die wijze — wij mogen bij dit 
feit niet te lang stilstaan — duizenden inlanders omgebracht, 
andere duizenden tot den bedelstaf geraakt, geheele eilanden 
en landstreken ontvolkt geworden en is aan de heerlgke 
Molukken een schade berokkend, waarvan zij zich in onzen 
tijd nog niet geheel hersteld hebben. En dit alles geschiedde 
zonder blikken of blozen en niettegenstaande in het Regeerings- 
Beglement uit den jare 1650 met duidelijk schrift te lezen 
stond, dat de dienaren der Compagnie tegenover de inlandsche 
vorsten en hunne onderdanen „eene welwillende, modeste, 
nederige en vriendelijke houding^ moesten aannemen. Ja wel 
vriendelflk, maar vriendelijk — tot aan den nagelboom! In 
het jaar 1656 keerde De Vlaming, toen opgeklommen tot Lid 
van den Raad van N.-Indië, naar Batavia terug, hoogst voldaan 
over zgn werk, dat hem binnen korten tijd tot een der waar- 
digste dienaren van de Compagnie gemaakt had. Buiten Ambon 
en de daaraan grenzende Oeliassers geen kruidnagelteelt 
meer! Hoe konden de Heeren XVII het beter wenschen! 

Een Fransch spreekwoord zegt, dat men geschriften moet 
beoordeelen naar hunnen datum, 't Zal goed zijn de grond- 
vesters van het Nederlandsch gezag niet naar onze tegen- 
woordige begrippen van recht en billijkheid te beoordeelen, 
maar naar den tijd waarin en de omstandigheden waaronder 
zg geleefd hebben. Doen wg dit niet, dan behooren wij ons 
te schamen een erfenis te hebben aanvaard, waaraan zooveel 
bloed kleeft. Ter kenschetsing van dien tgd deelen wij hier 
nog alleen mede, hoe in het Nederlandsch-Indisch Plakaatboek, 
uitgegeven door Mr. J. A. van der Chgs, onder 30 Aug. 1655 het 
volgende voorkomt: Uitschrijving van een dank- en bededag 
wegens de overwinning door A. de Vlaming van Outshoom 
den 29®^ Juli op de Amboneezen en Mangkasaren behaald. 
De gemeente te Batavia wordt uitgenoódigd „sich tot alle 
christelijke oefeninge op die dag te willen ontledigen ende 
van alle dagelycse handwercken aflf te houden." In het jaar 
1653 had bg eene zelfde gelegenheid, ook op veroveringen 



80 



in de Molukken betrekking hebbende, de Bataviasche kerkeraad 
bezwaar gemaakt tegen den dank- en bededag, omdat naar 
zijne meening de ontrouw der Nederlanders oorzaak van den 
opstand was geweest en hij dientengevolge geen reden zag 
„om Godt den Heere te dancken voor synen segen over onse 
wapenen inde Oosterse quartieren." De eerwaarde Heeren 
hadden daardoor echter eene gevoelige les van den kant der 
Hooge Kegeering opgeloopen en thans in '55 ook van die 
zijde geen enkel woord van protest. O tijden, o zeden! 

De Gouverneur-Generaal Reiniersz had in 1663 om gezond- 
heidsredenen ontslag aangevraagd. Hij stierf nog te Batavia 
zijnde. De Kamer van XVII haastte zich tot zijnen opvolger 
te benoemen Gerard Huift, gewezen Secretaris van de stad 
Amsterdam. De Heeren in Holland wisten zeer goed, dat de 
in Indië aanwezige Mr. Joan Maetsuycker eenig recht op 
den zetel van Gouverneur-Generaal had, maar, strenge calvi- 
nisten als zij waren, wenschten zij den man geweerd te zien, 
van wien zij wisten, dat hij tot eene Roomsch-Katholieke 
familie behoorde. Intusschen had dit bezwaar bij den Raad 
van Indië niet gewogen en was Maetsuycker voorloopig tot 
opvolger benoemd. Toen nu Huift te Batavia aankwam, vond 
hij de hem toegewezen plaats reeds bezet en met onderling 
goedvinden bleef Maetsuycker met het hoogste gezag belast 
Spoedig kwam nu ook uit Holland het bericht, dat Bewind- 
hebbers met zijn optreden genoegen namen. Hoogstwaarschijnlijk 
had men in Holland nadere berichten omtrent zijn persoon 
en gezindheid ontvangen; men wierp nu kruidnagelen en 
peper, zoo stellen wij ons voor, in de eene schaal en — 
Maetsuycker werd zwaar genoeg bevonden! 

Trouwens, het nieuwe opperhoofd in Indië was geen vreem- 
deling voor de Kamer van XVII. In verschillende betrekkingen 
had hij de ^ Compagnie reeds gediend en steeds met eere. 
Thans gaat hij zich echter in zijne ware kracht vertoonen 
en dra heeft hij zich zoo onmisbaar gemaakt, dat zelfs zij 
die aanvankelijk tegen hem waren, de ooren sluiten als hij 
van aftreden spreekt. Eerst de dood kan in 1678 aan zijn 



81 

stadhouderschap een einde maken. Gedurende zgn vijf-en- 
twintig-i&n^ bestuur — een ongehoord feit in het leven der 
Grouvemeurs-Generaal — hebben in Indië verschillende belang- 
r\jko gebeui-tenissen plaats gegrepen, die alle ten slotte ten 
onzen voordeele uitvielen en de Compagnie op het toppunt 
barer macht brachten. Of laat ons liever zeggen, want zfj 



JOAIC MABTaUTGKBB. 

heeft meer voor den roem van Nederland dan voor eigen 
roem gewrocht, op het keerpunt in haar bestaan, waar de 
nederwaartsche helling begint, waarlangs zij naar haren onder- 
gang zachtkens aan afdaalt. De kiemen van dien ondergang 
draagt dit groote handelslichaam reeds op het tijdstip, waar- 
van wfl spreken, in zich. De omstandigheden hebben het echter 
ook tot eene oorlogvoerende macht gemaakt en 't is de oorlog, 
die het verder op het ziek- en sterfbed brengen zal. Toch 



82 



heeft de Oost-Indische Compagnie niet te vergeefs gearbeid. 
Bij haren dood laat zij eene erfenis na, zoo groot, dat deze 
nu nog de trots en de rijkdom van Nederland uitmaakt. 
Het Emérgo op ons titelblad was alleen maar niet voor haar, 
doch voor de Nederlanders in Oost-Indië bestemd! 

Zien wij alzoo Maetsuyker (1653 — 1678) aan het werk en 
begeven wij ons daartoe in de eerste plaats naar de Buiten- 
bezittingen, waar op het tijdstip, waarop wij ons thans be- 
vinden, geen belangrijke plaats gevonden wordt of onze land- 
genooten hebben er betrekkingen aangeknoopt. 

Het eerst wenden wij ons naar Soematra, ons reeds uit 
de eerste reis der Hollanders bekend. Van het machtige rijk 
van Atjeh hoorden wij het laatst op blz. 32, toen de beroemde 
vlootvoogd Steven van der Hagen even Bantam aandeed, om 
vandaar zijnen Atjehneeschen passagier naar diens vaderland 
terug te zenden. Over dat gezantschap zelf hebben wij weinig 
gezegd, omdat wij in die veranderde gezindheid van den 
Sultan .weinig heil zagen en 't ons voorkwam dat bij den 
moord, op Cornelis de Houtman gepleegd, een strijd tusschen 
Atjeh en Nederland geboren was, waarvan het einde niet 
kon worden overzien. Wie het boek van wijlen den hoogleeraar 
Veth gelezen heeft, weet, hoe de vroegere Regenten van het 
tegenwoordige Groot- Atjeh zich langzamerhand van vazallen 
tot beheerschers van de geheele noordkust van Soematra 
hebben opgewerkt. Eenmaal aan het veroveren, trachtten zij 
hun gezag al verder en verder uit te breiden en slaagden zij 
er, na hunne eerste kennismaking met de Hollanders, in zich 
van een gedeelte der Westkust tot aan Indrapoera meester 
te maken. Voor onze toenmalige landgenooten bestond er niet 
de minste reden om zich tegen die uitbreiding van gezag te 
verzetten. Zij waren al zeer tevreden, toen hun in 1637 door 
de Atjehneezen de vrije handel op bedoelde Westkust werd 
toegestaan. In het jaar 1642 ontving de Gouverneur-Generaal 
Van Diemen een schrijven van de pas gekroonde Vorstin van 
Atjeh, waarin o.a. de zeer welwillende, ja vleiende uitdrukking 
voorkwam, dat bet land van Atjeh en dat van Batavia eigenlijk 



83 



één landschap waren. „Laet doch," zoo schreef Hare Majesteit, 
„de coopluyde gaen ende comen handelen, soo lange als de 
„son lichten sal, alsoo het Godt belieft heeft mij te deser 
tijt als Coninck te stellen." En, om de daad bij het woord te 
voegen, werd in 't volgende jaar aan de Hollanders toegestaan 
te Silidah en Indrapoera een handelskantoor op te richten. 
In 16B1 mochten wij zelfs in Atjeh onder den opperkoopman 
Fruytman een steenen loge bouwen. De verhouding liet dus 
uiets te wenschen over. 

Edoch slechts in schijn. Een eeuwige vrede, om eens dezen 
term over te nemen, tusschen Atjeh en de Nederlanders, was 
toen reeds eene onmogelijkheid geworden. Nog in hetzelfde 
jaar waren al onze daar gevestigde landgenooten vermoord 
en de logé afgeloopen. Tot tweemaal toe werd onder Maet- 
suycker eene vloot naar Atjeh gezonden om voldoening voor 
de aangedane beleediging te eischen, totdat in 1659 opnieuw 
een vrede gesloten werd, waarvan beide partijen verklaarden 
te hopen dat hij bestendig zou zijn. 

Hij duurde tot 1662. In dit jaar was de verhouding weer 
zoo gespannen, dat de Hooge Regeering te Batavia het raad- 
zaam oordeelde om met de Maleische hoofden van de West- 
kust een verbond te sluiten en te trachten met vereende 
kracht den steeds voortrukkenden Atjehnees terug te drijven. 
Dit gelukte. De gemeenschappelijke vijand werd genoodzaakt 
van het veroverde gebied tot aan Tikoe afstand te doen, ter- 
wijl aan de onzen vergund werd hun kantoor naar Padang 
over te brengen. Tevens werd alle gemeenschap met Atjeh 
afgebroken. Het leek er echter niet naar dat wij hiermede van 
dit rijk af waren. Reeds in het jaar 1666 was de Compagnie 
andermaal verplicht eene expeditie naar de Westkust te zenden, 
wier aanvoerder Poleman er in slaagde den vijand opnieuw 
groote afbreuk te doen en den vrede tijdelijk te herstellen. 
Aan dezen veldtocht werd mede deelgenomen door den veel 
besproken Boeginees Aroe Palakka, met wien wij beneden 
nader kennis hopen te maken. 

Vrede met Atjeh! Dezer dagen werd in een onzer 



84 



dagbladen het oordeel van een hooggeplaatst persoon over onzen 
tegenwoordigen strijd met dit rijk medegedeeld. Volgens dat 
bericht zou bedoelde staatsman gezegd hebben: ^Wij zullen 
Atjeh onderwerpen met eigen kracht en eigen middelen: dit 
kan en moet geschieden.^ Nu is 't in een volksboek als dit 
over Indische geschiedenis zeker niet de plaats om over 
politiek te handelen. Toch mag, onzes inziens, het volk dat, 
terwijl Binnenhof en Buitenzorg beraadslagen, zijne zonen op 
het altaar des vaderlands ten offer brengt, wel eens een 
enkele maal medespreken. Wij zullen echter zoo bescheiden 
mogelijk zijn en alleen achter de laatste door ons onderstreepte 
zinsnede een ? plaatsen. Wij hebben reeds genoeg van Atjeh 
vernomen om te weten, dat het ons niet lijden mag en — 
het draagt daarvan niet alleen de schuld. Ook wij hebben 't 
er naar gemaakt. 

Van de Noordkust gaan wij naar Djambi op de Oostzijde 
van Soematra, waarheen reeds in 1616 door den toenmaligen 
Directeur-Generaal Koen een Nederlandsch vaartuig gezonden 
was, om te zien of daar misschien eene goede plaats voor 
het rendez-vous te vinden was. Het schijnt dat dit rijk in 
dien tijd eene buitengewoon groote hoeveelheid peper uit- 
voerde, waarom onze landgenooten zich haastten aldaar een 
kantoor op te richten. Na 1632 is dit echter weer opgeheven, 
totdat het in 1638 onder De Vogel werd hersteld. Zeer vriend- 
schappelijk was de verhouding evenwel niet. In het jaar 1643 
vond de Indische Regeering het zelfs noodig, den commissaris 
Pieter Soury met eenige schepen naar Djambi te zenden, om 
den Sultan wat meer eerbied voor de Compagnie in te boe- 
zemen. Dit hielp. De Djambineezen gedroegen zich nu verder 
welwillend jegens de onzen, terwijl hun vorst in 1669 zelfs 
een gezantschap naar Java zond en zijne bemiddeling tusschen 
Bantam en Batavia (zie beneden) aanbood. In vergelding voor 

r 

dezen dienst zond de Hooge Begeering te Batavia hem een 
Persiaansch paard en voor eene waarde van omtrent 200 
rijksdaalders aan fijne stoffen. 
Het aan Djambi grenzende r\jk van Palembang hoorden 



86 



wij het eerst vermelden, toen de gebroeders De Houtman voor 
Bantam verschenen en daar den treurigen uitslag van eene 
expeditie naar dit rijk vernamen. Later zagen wij den Sultan, 
die toegestaan had dat de onzen in zijn land een kantoor 
oprichtten, zich bij den Soesoehoenan van Mataram aansluiten, 
om de Hollanders van Java te verdrijven, nadat hij in 1638, 
op aandringen van dien zelfden gebieder, eene vergeefsche 
poging gewaagd had om zich van de Lampongsehe Districten, 
toenmaals eene onderhoorigheid, tevens de „spijskamer^ van 
Bantam, meester te maken. In 1657 maakte hij ^t nog erger, 
door twee Nederlandsche schepen te doen uitmoorden, wat 
hem eene expeditie onder den meer gemelden Pruytman op 
den hals joeg, die hem voor langen tijd zijne kuiperijen afleerde. 

Nadat onze landgenooten de hoofdstad Palembang hadden 
ingenomen, verzocht de Sultan den vrede en stemde hij er 
gereede in toe, dat de Hollanders op den linkeroever van de 
Moesi een fort bouwden, waardoor de residentie ook voor 
den vervolge in bedwang kon worden gehouden. Ook thans 
weer een besluit van de Hooge Regeering te Batavia, om aldaar 
„een dankgebed te houden en vreugdeteekenen te bedrijven." 

Hoewel wij zulks niet opzettelijk vermeldden, heeft de lezer 
toch zeker reeds begrepen, dat in het met Palembang gesloten 
vredes-tractaat ook over de levering van peper gesproken wordt. 
Wij herinneren ons ergens gelezen te hebben, hoe iemand 
zich met verbazing afvroeg, waar de menschen in dien tijd 
toch met al die peper gebleven zijn. Ook wij vatten dit niet. 
Dat de natuur in het land van de rijst ook de scherpe toe- 
spijs oplevert, loven wij als eene wijze beschikking van 
den Schepper. Wat men echter in ons kouder klimaat, ook 
al gebruikte geheel Europa ervan, met al dat heete goedje 
heeft uitgevoerd, is en blijft ons een raadsel, waarvan wij de 
oplossing aan anderen moeten overlaten. Als curiositeit deelen 
w|] hier mede hoe van primo Januari tot ultimo November 
1638 te Batavia alleen uit Soematra's Westkust, Palembang, 
Djambi, Bandjarmasin en Mangkasar ruim 13460 pikoel of 
ongeveer 860000 kilo peper werd aangevoerd. 



86 



Tusschen Soematra en Bomeo liggen de reeds in onze 
Inleiding genoemde eilanden Bangka en Belitoeng, die later 
zulk een groote rol in de financieële geschiedenis van Indië 
zullen spelen, maar langen tjjd aan de aandacht van de dienaren 
der Compagnie ontsnapten. En nog zouden dezen er zich in 
het jaar 1668 zeker niet mede bemoeid hebben, als niet het 
toenmalig hoofd van deze eilanden te Batavia' gekomen was 
om zgn gebied onder de bescherming der Hooge Regeering 
te plaatsen. Terstond werd de onderkoopman Joan de Harde, 
iemand „taelkundig ende ervaeren met dese natiën om te gaan^ 
naar Bangka gezonden, ten einde een onderzoek in loco in te 
stellen. Uit diens schriftelijk rapport bleek, dat de sultan van 
Palembang alle moeite deed om zich van het gezag over deze 
eilanden meester te maken. De Hoofden, want er waren er 
meer dan éen, waren echter weinig gezind om zich onder zijne 
heerschappij te stellen. Liever verkozen zij onder de Compagnie 
te staan, wier gerucht reeds tot hen was doorgedrongen. 
Hoewel nu uit het verslag van De Harde moest worden opge- 
maakt, dat Bangka en Belitoeng niets anders opleverden dan 
schildpadshoorn, vogelnestjes, was en ijzer, achtte Maetsuycker 
het toch raadzaam de gevraagde protectie op zich te nemen, 
om te voorkomen dat deze eilanden in andere handen vallen 
mochten. Nog in hetzelfde jaar werd dan ook met de Hoofden 
een contract gesloten, waardoor ook Bangka en Belitoeng 
tot het gebied der Oost-Indische Compagnie getrokken werden. 
Vreemd genoeg, dat het nog bgna twee eeuwen duren moest, 
alvorens de enorme rijkdom van deze bezitting aan tin in 
't licht moest springen. De Regeering te Batavia wist alleen 
dat er geen peper of kruidnagelen te vinden waren, en vandaar 
dat zij deze eilanden eenvoudig op papier onder hare bescher- 
ming nam, zonder er zich verder veel om te bekommeren. 
In het Register op de Generale Resolutiën van het Kasteel 
Batavia vinden wij eerst onder November 1703 het besluit 
opgenomen, dat de oostkust van Bangka gepeild en in kaart 
gebracht zou worden. 

Dat onze landgenooten intusschen ook nog voor andere 



87 



zaken dan voor peper en kruidnagels oogen hadden, blijkt 
hieruit dat zij al vroeg aan den goudhandel op Soematra 
deelnamen. Onder Maetsuycker werd zelfs eene commissie naar 
Indragiri gezonden om te onderzoeken in hoeverre daarvan 
nog meer voordeelen konden worden getrokken. Maar ook de 
schatten van Bomeo ontgingen hunne aandacht niet. Reeds 
in het jaar 1606 vinden w^j van eenen koopman, Hans Roeft 
genaamd, melding gemaakt, die te Soekadana gevestigd was 
om daar voor de Compagnie diamanten op te koopen. Onze 
landgenoot kon het echter met de Inboorlingen niet vinden en 
schreef al spoedig een smeekbrief naar Bantam om hem met 
zijnen kostbaren inkoop te komen verlossen. Ook eene neder- 
zetting in Sambas, omstreeks de jaren 1609 en 1610, leverde 
geen beter resultaat op. 

Nog erger ging het in Bandjarmasin, waar in het jaar 1609 
eenige HoUandsche kooplieden verraderlijk door de bevolking 
vermoord werden. Eerst ii) 1611 vonden onze landgenooten 
gelegenheid daarover wraak te nemen, door de hoofdplaats 
Bandjarmasin te verwoesten en den Sultan te dwingen zijne 
residentie naar Martapoera over te brengen. Omstreeks twintig 
jaren later werden er opnieuw onderhandelingen met Bandjar- 
masin aangeknoopt, die tot het resultaat leidden dat aan de 
Compagnie het monopolie van den peperhandel verzekerd werd. 
Spoedig zou echter blijken, dat dit lijk zich daarbij meer door 
vrees voor Mataram dan door genegenheid voor de Hollanders 
had laten besturen. Zoodra nl. in 1638 de zaken met den 
Soesoehoenan geregeld waren, wierp men op eenmaal het 
masker af en werden alle Hollanders verraderlijk omgebracht, 
op een zestal na, die hun leven met verzaking van hun 
geloof vrijkochten. Ook ons kantoor te Kotawaringin werd 
afgeloopen. Heel Indië riep om wraak. De Hooge Regeering 
te Batavia was zoo verontwaardigd, dat zij aan alle „Indische 
Koningen eenen brief zond ter zake van dit horribel feit" en 
ofl&ciëel aankondigde dat „om deze moord op eene eclatante 
wijze te revengeren" alle Mai-tapoereezen, die men machtig 
kon worden, door het afkappen van handen en voeten, het 



88 



uitsteken van het rechteroog^ het afsnijden van een gedeelte 
der tong en erger nog zouden worden gestraft. Nog in het- 
zelfde jaar schijnt dit vonnis aan een veertigtal Bandjareezen 
te zijn voltrokken. In 1640 was de vrede weer hersteld. De 
peper kwam echter maar schaars binnen en toen nu ook in 
1658 de Opperkoopman Cramer vermoord werd, begon men 
te Batavia zoo zachtkens aan genoeg van Bandjarmasin te 
krijgen. In het jaar 1667 braken onze landgenooten voor goed 
van Bomeo op. 

Verplaatsen wij ons thans naar Selebes, waar hoogst be- 
langrijke gebeurtenissen worden voorbereid. De oude verslagen 
nagaande, vinden wij dat reeds in 1607 in de residentie van 
den Vorst van Mangkasar, eigenlijk een fort, Soempopoe ge- 
heeten, een HoUandsch koopman gevestigd was. De goede 
vader Valentijn, schrijver van het bekende werk over de oudste 
geschiedenis van Indië, kon 's mans naam niet te weten 
komen. Het schijnt echter Claas Leurs geweest te zijn, iemand 
die weinig geschiktheid bleek te bezitten om de eer van zijn 
vaderland op te houden. De ons bekende Jacques l'Hermite 
(bl. 36) vond zooveel „f randen" in zijne rekening en den 
koopman zelven „so loghenachtich in sijn woorden," dat men 
't noodig oordeelde hem van zijnen post te ontslaan en naar 
Nederland op te zenden. Hij schijnt daar te Mangkasar schan- 
delijk huis gehouden te hebben, wat evenwel niet verhinderde 
dat de koning, volgens een oud verhaal, over zijn vertrek 
„seer droeve" is geweest. Mogelijk moet het wel aan die 
droefheid worden toegeschreven, dat hij onzen landgenooten 
sedert alle mogelijke afbreuk heeft trachten te doen en als een 
ware stokebrand in de Molukken is werkzaam geweest. Een 
en ander natuurlijk tot groot genoegen van Portugeezen, 
Engelschen en later van de Denen, die allen eene groote voor- 
liefde voor Mangkasar aan den dag begonnen te leggen. De 
vriendschap van den machtigen potentaat, wien een groot ge- 
deelte van Zuid-Selebes gehoorzaamde en die bovendien zijn 
gezag over de zuidelijk gelegen eilanden deed gelden, was dan 
ook wel iets waard. Alleen van de Hollanders scheen hij niet 



89 



meer te willen weten. Om hen te plagen liet hg in 1624 een 
duizendtal Bandaneezen, die aan Koens slachting ontkomen en 
naar Seram gevlucht waren, naar Mangkasar overbrengen. 

Wat zal men te Batavia doen? Reeds in het jaar 1632 
is aldaar het gi'oote woord gesproken, dat Mangkasar evenals 
Bantam moest vernederd worden en nog geen dertig jaar 
later of het woord is daad geworden. Mocht ook al eene 
expeditie in 1684 onder Van Lodensteijn niet tot het ge- 
wenschte doel voeren, uitstel is geen afstel. De Hooge Re- 
geering weet te wachten en toont zich zeer tevreden als zij 
in 1637 eenen niet onvoordeelige vrede met Mangkasar kan 
sluiten. In 1653 was de verhouding nog van dien aard, dat 
men den Vorst een geschenk zendt van f 8772.40. Het is 
echter nauwelijks ontvangen of opnieuw moet er naar de 
wapens worden gegrepen. De nu losgebroken oorlog duurt 
met tusschenpoozen voort tot Februari 1660, toen het aan 
onze troepen gelukte zich van het fort Panakoekang meester 
te maken en den Mangkasaren ook in andere opzichten 
groote schade toe te brengen. De nu volgende vrede werd 
te Batavia met eenen dankdag en „vreugdeteekenen^ ge- 
vierd. Hij duurde tot 1666, toen de Mangkasaren, ondanks 
eene „schenkagie" aan den Koning van f 20.000, opnieuw 
het hoofd opstaken en de dappere mannen van Jan Com- 
pagnie hun den genadeslag toebrachten. 

De nu volgende expeditie naar Mangkasar, die van 
1666 — 1670 duurde, is een der belangrijkste geweest onder 
het bestuur van Maetsuycker uitgezonden. Aan het hoofd stond 
de bekende Corndis Janszoon Speelman, een dapper Neder- 
lander, die zijne plaats in de geschiedenis naast een' man als 
Koen met eere inneemt. Veel hulp genoten de onzen van den 
op blz. 83 vermelden Aroe Palakka, een gewezen Boegineesch 
Vorst, die door de Mangkasaren van troon en land beroofd 
was en in het begin van 1666 te Batavia kwam om de Com- 
pagnie zijne diensten aan te bieden. Geheel belangeloos was 
hij daarbij natuurlijk niet. Toch moet het erkend worden, dat 
de nu volgende vestiging der Nederlanders op Zuid-Selebes 



90 



voor een goed deel aan zijne medewerking moet worden 
toegeschreven. De Hooge Regeering te Batavia heeft hem 
dan ook later beloond met eene maandel^ksche toelage van 
200 rgksdaalders, terwijl zij hem tevens zijne vroegere landen 
teruggaf en hem bovendien het landschap Bantaëng erfelijk 
in leen afetond. 



Doch laat ons niet vooruitloopen. Het uur der wrake was 
alzoo aangebroken. Nadat Speelman de vijandelijke vloot onder 
het eiland Boeton totaal verslagen had, zeilde hg op Mang- 
kasar aan, welke stad belegerd en ingenomen werd. De koning, 
hierdoor in het nauw gebracht, liet om vrede bidden en onder- 
wierp zich vooruit aan de voorwaarden, welke hem zouden 



91 



worden gesteld. Op den IS®'^ November 1667 werd nu door 
Speelman in de plaats, genaamd Bongaja, eene overeenkomst 
gesloten, sedert in de geschiedenis bekend onder den naam 
van Bongaaisch traktaat. Behalve de vorst van Mangkasar, 
sloten zich verscheidene andere heerschers van Zuid-Selebes 
hierbg aan. Als hoofd van den bond werd de Compagnie 
erkend, terwgl haar verscheidene voordeelen werden toegestaan. 
Men veroorloofde haar zelfs een van 's vorsten versterkte 
plaatsen, Oedjoeng-Pandang, in een Nederlandsch fort te her- 
scheppen. Het is hetzelfde foi*t, waaraan later de naam van 
Rotterdam gegeven werd. Met het sluiten van dit traktaat, 
waarover natuurlijk te Batavia uitbundige vreugde aan den 
dag werd gelegd, nam het Nederlandsch gezag op Zuid-Selebes 
eenen aanvang, dat er sedert gevestigd gebleven is. Wel 
poogden de Mangkasaren een paar jaren later nog eens hunnen 
slag te slaan, doch Speelman bevond zich nog in de buurt 
en gaf hun nu zulk eene gevoelige les, dat het voor altijd 
met de macht hunner vorsten gedaan was. Het rijk van Mang- 
kasar verdwijnt in 't niet, terwijl nu op zijne puinhoopen de 
zetel wordt gesticht van een Nederlandsch Gouverneur^ wiens 
opvolgers tot op den huldigen dag het gezag aldaar in handen 
hebben gehad. Zoo hadden onze HoUandsche kooplieden ge- 
toond, dat zij ook het zwaard wisten te hanteeren! 

Voor zoover bekend hebben de Nederlanders het eerst in 
1644 met de Noordkust van Selebes kennis gemaakt. Het 
was, toen een der Moluksche Gouverneurs op eigen gezag 
eenen tocht naar Menado ondernam, om er eenige Spanjaarden 
op te lichten. De Gouverneur-Generaal Van Diemen nam hem 
dit echter zeer kwalijk en verbood hem voor den vervolge 
„soo lichtveerdich Compagnie's volck ende schepen te avon- 
tueren." Deze bestraffing schijnt echter weinig indruk op hem 
gemaakt te hebben. Ten minste drie jaren later zeilde hij, 
op verzoek van den Sultan van Ternate, naar Gorontalo, 
ten einde zich daar van een fort meester te maken. Ook hier^ 
over werd hem behoorlijk de les gelezen. Toch bleek de 
Hoóge Regeering te Batavia er niet af keerig van te zijn 



Ö2 



geweest om ook in dit gedeelte van het eiland, dat later zulk 
eene belangrgke plaats in onze Indische geschiedenis zou 
innemen, haar gezag te doen gelden. Gretig nam zij tenminste 
in 1665 het aanbod der Menadoneezen aan om ten onzen be- 
hoeve een steenen fort in hunne hoofdplaats te bouwen, niet 
vermoedende dat ook deze vreedzame handeling in zulk een 
afgelegen hoek het begin zou zijn van de vestiging onzer 
macht op Noord-Selebes. De Gouverneur-Generaal Maetsuycker 
mocht 't nog beleven, dat de belangrijkste staatjes van dit 
schiereiland de souvereiniteit der Compagnie erkenden en het 
ons reeds bekende Siawoe (blz. 45) met de eilanden Sangi en 
en Tagoelandang aan haar werden afgestaan (1677). En wij 
die dit alles lezen, wij sluiten voor een oogenblik het oog voor 
wat de geschiedenis ons als minder lofwaardig predikt, en 
betuigen alleen onzen eerbied aan die mannen der zeventiende 
eeuw, voor wie een tijdvak van nauwelijks zeventig jaren 
voldoende was om een groot gedeelte van dien uitgestrekten 
Archipel aan hunne zegekar te hechten. Nog eenmaal volgen 
wij in onze verbeelding de eerste vloot der Nederlanders op 
haren ongel ukkigen tocht naar en door Orienten om dit ge- 
deelte van onze Oost-Indische geschiedenis met een „nooit 
gedacht" te besluiten. 

En toch zullen wij nog grooter dingen zien. Op onze wande- 
ling langs de buitenbezittingen zijn wij vanzelf weer in de 
Molukken terecht gekomen, waar de dienaren der Compagnie 
nog altijd hunne zorgen aan de kruidnagelen besteden en met 
alle hun ten dienste staande middelen het monopolie van den 
handel trachten te handhaven. Op Banda, om ons het eerst 
tot deze groep te bepalen, gingen de zaken niet geheel naar 
den zin van de Heeren in Holland. „Wij krijgen vandaar," 
aldus hooren wij hen klagen, „veel minder nagelen nu wij de 
Meesters zijn dan vroeger." Er volgde dan ook aanschrijving 
op aanschrijving om de kuituur te bevorderen en den vrij- en 
smokkelhandel tegen te gaan. Tevens moest er op alles 
zooveel mogelijk bezuinigd worden. De Hooge Regeering te 
Batavia gaf daartoe zelf het voorbeeld, door de tafelgelden 



93 



van den Gouverneur van Banda duchtig te ^ besnoeien.^ De 
HoUandsche Kolonie met hare zeer gemengde bevolking vol- 
deed maar weinig aan de gestelde verwachting. Bovendien 
kregen de onzen daar nog eens weer met de Engelschen te 
doen, die nog altijd aanspraak maakten op het eiland Run 
en zich dit dan ook na den vrede van Munster weer zagen 
toegewezen. Wel duurde het tot 1665 voor zij het eiland in 
bezit kwamen nemen, maar zij zaten er toch weer, tot groeten 
schrik van de Hooge Regeering, die nog in '63 bepaald had, 
dat, mochten zij ooit op Banda terugkeeren, hun alles, 
uitgezonderd drinkwater, moest worden geweigerd. Beproefden 
zij het geweld te gebruiken, dan behoorde dit met geweld te 
worden te keer gegaan. Veel genoegen hebben dan ook onze 
vijanden niet van hunne terugkomst beleefd. Zij waren in 
1666 nog maar bigde, dat zij op HoUandsche schepen naar 
elders mochten verhuizen. Ook het in 1646 door onze land- 
genooten ontdekte en door de Engelschen in bezit genomen 
eiland Damme werd dezen omtrent dien tijd ontnomen, zoodat 
zij nu hunne rol voor goed in de Molukken hadden afgespeeld. 

Zoodra de Engelschen vertrokken waren, droegen de Neder- 
landers zorg hun gezag ook op de zuidelijk en oostelijk van 
Banda gelegen eilanden, waarheen reeds vroeger onderzoekings- 
tochten waren gedaan, te doen gelden. Zoo werden o.a. in 
1664 de Aroe- eilanden bezet, waar de iijke parelbanken een 
nieuwe bron van inkomsten voor de O.-I. Compagnie beloofden. 

Op de Ternataansche eilanden was 't met onze macht steeds 
vooruitgegaan. Met de Portugeezen hadden de Nederlanders 
reeds afgerekend. De in Europa Ao. 1641 met deze natie, 
die zich weer van Spanje had losgescheurd, gesloten vrede 
was in Indië eerst in 1646 ofBciëel afgekondigd. Hun invloed 
over de volken van den Archipel was toen echter reeds te 
niet gedaan. Overal hadden zg het veld moeten ruimen voor 
de „flamingo's,^ die, klein begonnen, zich in zoo korten tgd 
tot alleenheerschers over Insulinde hadden opgewerkt. Alleen 
op Timor en omliggende eilanden hadden de Portugeezen 
zich nog weten staande te houden, alsof het lot hun een kleii) 



94 



hoekje had toegedacht om er hunne vroegere grootheid te 
beweenen. Wij vinden hen daar later terug. 

Ook voor de Spanjaarden had het laatste uur geslagen. Na 
zich langen tijd nog op het eiland Tidore te hebben gehand- 
haafd, zagen zij zich in 1664 genoodzaakt hunne eenige ver- 
sterking over te geven, en moesten zij het geduldig aanzien, 
dat de Hollanders dit fort genadiglijk aan hunnen gewezen 
vriend, den Sultan van Tidore, ter bewoning afstonden. Hunne 
laatste hoop was nu nog op het eilandje Siawoe (blz. 45) ge- 
vestigd, doch toen ook dit in 1677 in de handen der Hol- 
landers viel, was het met hun bestaan in den Archipel ge- 
daan. Langzamerhand zien wij dus al onze mededingers van 
het tooneel verdwijnen. Straks vinden wij tal van Portugeezen 
en Spanjaarden in dienst van de Compagnie, blijde dat zij 
voor een karig loon hun levensonderhoud mochten verdienen 
op plaatsen waar hunne landgenooten voorheen aan koningen 
en vorsten de wet voorschreven. Als hun gemoed verbitterd 
was jegens de Hollanders, die hen zoo van hunne hoogte 
verdrongen hadden, zal niemand dit vreemd vinden. Zij hadden 
't echter grootendeels aan zichzelven te wijten. Ware het ook 
maar eenigszins hun streven geweest om zich bij den Aziaat 
aangenaam, bemind te maken, de handelaars uit het kleine 
Nederland zouden fiasco gemaakt hebben, waar zij het waagden 
den ouden vijand van hun vaderland op diens eigen gebied 
te gaan bestrijden. De zon van Spanjaarden en Portugeezen 
was echter reeds aan het tanen, toen onze landgenooten in 
Indië verschenen. Vorsten en volken zagen naar redders uit, 
die hen van het ondragelijk geworden juk konden bevrijden 
en — het groote geheim van onzen buitengewonen voorspoed 
daarginds lag voornamelijk in de omstandigheid, dat onze 
welbemande schepen te rechter tijd op het tooneel verschenen. 
De fouten zijner tegenstanders hebben er veel toe bijgedragen 
om Nederland in Azië groot te maken. Dit erkennende, doen 
wij niets af van de volharding, den moed en de groote zelf- 
opoffering, door onze landgenooten aan gene zijde van den 
Qceaan aan den da§ gelegd. 



95 



Van Ambon valt in deze periode niet veel meer te ver- 
halen. Dank zij de ijzeren hand, door den Gouverneur Demmer 
op dit en omliggende eilanden — Boeroe, Seram, enz. — 
gelegd, had de bevolking zich met oostersche gelatenheid in 
zijn lot geschikt en zag zij het lijdzaam aan, dat telkens 
weer nieuwe hongi- of verdelgingstochten gemaakt werden 
om de Compagnie te believen en haar heilig monopolie te 
beschermen. In het jaar 1676, om dit hier nog even te ver- 
melden, deed de sultan van Ternate afstand van alle aan- 
spraken op de eilanden in het gouvernement van Ambon, 
zoodat de Hooge Regeering te Batavia hier ongestoord de 
vruchten plukken kon van een stelsel, dat zeer zeker ver- 
nuftig was uitgedacht, maar onzen landgenooten nooit tot eere 
verstrekken zal. Boven veroorloofden wij ons een Fransch 
spreekwoord aan te halen. Een aan de Duitschers ontleende 
spreuk zegt: de wereldgeschiedenis is het wereldgericht. Ook 
de verdere historie van de Molukken zal over ons Nederlan- 
ders een wel verdiend oordeel uitspreken! 

Alvorens dit hoofdstuk te eindigen keeren wij nog eenmaal 
naar Java terug, de kurk waarop Nederland een tijdlang 
drijven zal en dat nu reeds belooft het hoofdtooneel onzer 
werkzaamheid in Indië te zullen worden. Dank zij de goede 
zorgen ook van den Gouverneur-Generaal Maetsuycker ont- 
wikkelde zich de stichting van Koen, Batavia, meer en meer 
tot eene hoofdstad, Insulinde waardig. Behalve voor hare ver- 
dediging naar buiten, werd alles in het werk gesteld om 
binnen de wallen door keuren en verordeningen orde, regel 
en veiligheid onder de burgers te bevorderen. „Den welstant 
van Batavia gelijck in onze voorjarige brieven geadviseerd 
hebben blijft niet alleenlyck continueren, maar verbetert noch 
dagelijcs*^ had Comelis van der Lijn in 1649 geschreven en 
ook op het tijdstip, waarop wij ons thans bevinden, nam zi] 
voortdurend in welvaren toe. Voor de omstreken was het 
een zegen te achten, dat zich meer en meer Chineezen hier 
kwamen vestigen, die zich bij voorkeur op den landbouw 
toelegden en d^ woeste gronden in kuituur brachten. Bij 



96 



onze landgenooten schijnt de lust daartoe, jammer genoeg, 
niet groot geweest te zijn. Spoedig rijk worden en dan als 
„heeren^ naar Holland terug te keeren, was bij de meesten 
hunner nog altijd het hoogste ideaal, dat zij zich konden 
voorstellen. Of Batavia floreerde of niet, wat kon 't hun 
schelen, als zij slechts binnen den kortst mogelijken tijd door 
het drijven van handel als anderszins een kapitaaltje mochten 
bijeenbrengen, dat hun in staat stelde in het lieve vaderland 
„in betere conditie dan voorheen** hunne verdere dagen te 
slijten. En, zooals de ouden zongen, zoo piepten de jongen. 
Op last van de Kamer van XVII was er te Batavia eene 
Latgnsche school opgericht, waarop wij in een later hoofdstuk 
terugkomen, doch waarvan wij hier even willen mededeelen, 
dat zij weinig aan de verwachting beantwoordde. Bij de jonge- 
lui, schrijft Maetsuycker, „schynt cleijne lust totte studie te 
wesen.^ In dienst van de Compagnie te treden en daarin 
snel carrière te maken, was het schoonste lot, dat de ouders 
hunne kinderen voorspiegelden. Iets degelijks leeren kwam 
er minder op aan. Genoemde Gouverneur-Generaal betreurde 
dit te meer, omdat de jeugd door haren omgang met slaven 
en slavinnen toch al niet „soo eerlycke opvoedinge ende 
educatie had als in het vaderlandt." 

Ondanks de geringe medewerking van den kant der Hol- 
landsche burgers, ging Batavia dus toch vooruit en het strekt 
den Hooge Regeering tot eere, dat zij nog tijd en lust kon 
vinden, om op die wijze de toekomst der stad te verzekeren. 

De Gouverneur-Generaal en Rade hadden anders het hoofd 
en de handen vol om het schip van Staat op de politieke 
zee in de rechte koers te sturen. Immers, afgescheiden van 
wat buiten Java voorviel, zaten zij nog altijd benepen tusschen 
de twee grootmachten van dit eiland, Mataram en Bantam, 
met welke rijken men wel vrede gesloten had, maar een 
vrede, die slechts, niemand ontveinsde zich dit, een stilstand 
van wapenen kon worden genoemd. Zooals dan ook spoedig 
zou blijken 

Van den Soesoehoenan hoorden wij het laatst op blz. 76, 



97 



toen de looze Van Goens, gelijk wij hem ergens betiteld vin- 
den, den grilligen potentaat door allerlei dwaze vertooningen 
tot belangrijke concessies wist over te halen. Onze schrandere 
gezant had echter bij zijn vertrek vergeten de beide gooche- 
laars achter te laten om den Soesoehoenan voortdurend in 
eeii goede luim te houden. Wel zond deze in April 1653 het 
beloofde gezantschap naar Batavia met een geschenk van 
duizend lasten rijst, waarvoor de Hooge Regeering hem een 
cadeau van f 20.000 en eenig geschut (meest oude verroeste 
en houtige stukken) vereerde, doch nauwelijks heeft hij een 
en ander ontvangen of de booze geest begint weer vaardig 
in hem te worden. Opnieuw Iaat hij de havens voor den 
uitvoer van rijst sluiten en nogmaals ziet het Bestuur te 
Batavia zich verplicht Van Goens met een geschenk van ruim 
ƒ 27.000 naar Mataram af te vaardigen. Het wil van deze 
gelegenheid tevens gebruik maken om te onderzoeken of de 
Soesoehoenan wellicht genegen was zijne troepen tegen 
Mangkasar (blz. 89) in het veld te brengen. Na veel heen en 
weder gepraat werd de vrije uitvoer van rijst verkregen, maar 
tot een vijandelijk optreden tegen Mangkasar was de Vorst 
niet te bewegen. Eerst dacht Van Goens dat de oorzaak 
hiervan moest worden gezocht in de omstandigheid dat hij 
geen geschut had medegebracht, doch later bleek dat de 
weigering meer gegrond was op de geloofsgemeenschap tus- 
schen Javanen en Mangkasaren. Het is hier voor 't eerst dat 
wij van den mohamedaanschen band, die er toen reeds tus- 
schen de voornaamste Vorsten van den Archipel bestond, 
vinden melding gemaakt. De latere geschiedenis zal ons meer- 
malen gelegenheid aanbieden om er op te wijzen, hoezeer de 
Islam in Indië eene macht vormt, waartegen de Nederlanders 
voortdurend te strijden hebben gehad en het onzerzijds als 
eene groote staatkundige overwinning moet worden beschouwd, 
dat wij ons daarop nog niet doodgeloopen hebben. 

Intusschen, onvriendelijk was de Soesoehoenan niet. Officieel 
mag hij niet tegen geloofsgenooten optreden, maar als hij de 
Compagnie met troepen kan helpen, dan heeft zij maar te 

7 



98 



spreken. Gaarne wil hij het bewijs leveren dat „wij éen land 
besaeten, die als man en vrouw huys hielden, daerbij voegende 
Batavia was de man, om haer strytbaerheyt, ende Mataram 
was de vrouw om haer oncunde ende slapherticheyt." Van 
Goens hield dit alles echter voor enkel „complimenten" en 
„winderige aenbiedingen," waarom hij dan ook, namens de 
Hooge Regeering, vriendelgk voor het aanbod dankte. Hoe 
goed hij geoordeeld had, bleek reeds in 1655, in welk jaar wij 
Hendrik van Zeelst naar Mataram zien reizen, om den Soesoe- 
hoenan aan het gesloten traktaat te herinneren. En zoo 
ging het jaar in jaar uit tot in 1661, toen er een kleine 
stilstand in onze betrekkingen met dit rijk intrad. Met echt 
Javaansche geslepenheid wist de Vorst de in zijn oog ver- 
nederende verplichting te ontgaan om een gezantschap naar 
Batavia te zenden. Toen nu de Hooge Regeering het stil- 
zwijgen bleef bewaren, was hij in 1666 de eerste om ons te 
laten weten, dat hij wel eens weer Hollanders aan zijn hof 
wilde zien. De onzerzijds afgezonden gemachtigde, Zacharias 
Wagenaer, viel echter, hoewel hij een geschenk van f 24000 
medebracht, niet in zijnen smaak. Hij wenschte iemand bij 
zich te ontvangen, die beter Maleisch of Javaansch sprak. En 
zoo verder. Eerst in 1669 begonnen onze, anders zoo slimme 
landgenooten in te zien, dat Mangkoe-Rat een weinig met 
hen speelde en al zijn streven daarheen gericht was, dat de 
buitenwereld den indruk zou krijgen, hoe de zoozeer gevreesde 
Hollanders eigenlijk slechts vazallen waren, die hem jaar- 
lijks met statige gezantschappen en groote schenkages hunne 
hulde kwamen brengen. Het publiek zal spoedig beter weten ! 
Thans is Bantam aan de beurt, met welk rijk, zooals de 
lezer zich herinnert (blz. 73), in 1645 een tienjarige vrede 
gesloten was, welke overeenkomst in 1655, hoewel met eenige 
moeite, verlengd werd. De wensch van Maetsuycker, dat 't nu 
een „eeuwig'' verbond zou zijn, ging echter niet in vervulling. 
Trouwens, de Gouverneur-Generaal mocht zulk eenen wensch 
op het papier uitspreken, aan de verwezelflking ervan geloofde 
hij zelf geen oogenblik. Daarvoor wist hij te goed dat de 



99 



Engelschen, die nog altijd te Bantam gevestigd waren, niet 
zouden nalaten het oude vuurtje weer op te stoken. Niemand te 
Batavia was er echter op voorbereid, dat de Sultan reeds het 
volgende jaar zoover zou gaan van ons openlijk den oorlog 
aan te doen en zonder voorafgaande waarschuwing de vijande- 
lijkheden te openen. Twee op de reede van Bantam liggende 
Nederlandsche vaartuigen werden onverwachts overvallen, buit 
gemaakt en de opvarenden zonder vorm van proces ter dood 
gebracht. In de stad verwekte dit zulk een schrik onder onze 
daar wonende landgenooten, dat ieder die kon zijn heil in 
eene overhaaste vlucht zocht. Bijna op hetzelfde oogenblik 
vertoonden zich talrijke benden van Bantammers in de om- 
streken van Batavia, waar alles te vuur en te zwaard ver- 
woest werd. De Hooge Regeering, beducht, dat het oproer 
daarbuiten op de in de stad aanwezige Javanen mocht over- 
slaan en dezen ^wel eens een desperate massacre souden 
cunnen doen", haastte zich haar pijlen op den Achillespees 
van Bantam's sultan af te schieten, door zijne haven te 
blokkeeren. Daarop had Zijne Majesteit, die er zich op be- 
roemde de grootste handelsplaats van Indië te bezitten, klaar- 
blijkelijk niet gerekend. Kort daarop laat hij, door tusschen- 
komst van een „geschoren" Chinees, den Gouverneur-Generaal 
uitnoodigen een gezantschap naar Bantam te zenden, ten einde 
over den vrede te onderhandelen. De Hollanders wilden daar- 
van echter niet hooren, waarop Maetsuycker een schrijven van 
den Sultan ontving, welks inhoud wij hier om der curiositeits- 
wille laten volgen: 

„Deze brief komt uit eene oprechte, zuivere geneg^enheid 
van Padoeka Sri, Sultan van Bantam, aan den Ed. Heer 
Gouverneur-Generaal, die een zeer wys en verstandig persoon 
is, die ook van al z\jne vyanden gevreesd wordt en verstand 
heeft om alle groote en kleine zaken te overleggen, alsmede 
van al z\jne onderdanen, zoo boven- als benedenwinds, geëerd 
en bemind wordt; b\j dezen ben ik Padoeka Sri, Sultan, zen- 
dende den SjahbanJar en Abdoel Gofar aan den heer Gouver- 
neur-Generaal om bekend te maken, hoe ik Sultan genegen 



100 



ben om met die van Batavia wederom als voor dezen in vrede 
en vriendschap te treden en ingeval de G.-Generaal daartoe 
mede genegen is, zoo gelieve eenige gezanten herwaarts 
te zenden om alle kwesties en geschillen tusschen ons wederom 
te verhandelen, opdat deze onze landen wederom, gelyk voor 
dezen, als tot éen landschap mogen geraken.^ 

Op dezen brief antwoordde de Hooge Regeering, dat al- 
vorens de onderhandelingen over den vrede konden worden 
geopend, Aboe'1 Fatah van zijne goede gezindheid moest doen 
blijken^ door alle gevangengenomen onderdanen der Com- 
pagnie de vrijheid te geven. De Sultan stemde hierin gretig 
toe, doch wilde alleen eene uitzondering gemaakt zien ten 
opzichte van een HoUandschen tamboer, die tot het „moors- 
dom" (de gewone uitdrukking in die dagen voor Islam) was 
overgegaan. Gaarne zou hij ook de 500 buffels en 1500 koe- 
beesten als schadevergoeding naar Batavia zenden, als de 
Hooge Regeering hem slechts wilde toestaan, dat zijne sche- 
pen vrij op sommige door de Compagnie bezette plaatsen, 
inzonderheid Ambon, mochten varen. Gouverneur-Generaal en 
Raden gaven alles toe, natuurlijk behalve de vaart op Ambon, 
waaraan geen macht ter wereld raken mocht. Ook de Sultan 
bleef op zijn stuk staan en het einde van de zaak was, dat 
de oorlog hervat werd. Hij duurde nu voort tot Juni 1659, 
toen, zooals wij op blz. 84 gezien hebben, Djambische 
onderhandelaars te Batavia kwamen om namens den Sultan 
den vrede aan te bieden. Het nu tusschen partijen gesloten 
traktaat bestond uit 12 artikelen, die, zooals het heette, niet 
alleen voor den Gouverneur-Generaal en den Sultan, maar 
ook voor hunne opvolgers verbindend zouden zijn. Onnoodig 
hierbij te voegen, dat 't geen vrede was tusschen oprechte bond- 
genooten, maar tusschen vrienden, die elkander het licht in 
de oogon niet gunden. Hoe hij onzerzijds bedoeld was, kan 
uit het volgende blijken. In 1660 vatte de Sultan het voor- 
nemen op om, vanuit de rivier Oentoeng-Djawa, de grens- 
scheiding tusschen Batavia en Bantam, een kanaal te laten 



loi 

graven. Öet werk was echter aan meer bezwaren onderhevig 
dan waarop hij gerekend had. Het moest ten laatste worden 
opgegeven, nadat honderden inlanders er het leven bij hadden 
ingeboet. Maetsuycker doet van een en ander mededeeling 
aan de Heeren XVII en besluit zijn bericht met deze woorden: 
„daer wy niet droevigh om sijn!" 

Met opzet hebben wij eenigszins uitvoerig de geschiedenis 
der Nederlanders op Java behandeld, om den lezer een ge- 
regeld overzicht te geven van de wijze waarop onze land- 
genooten den hun door Mataram en Bantam toegeworpen 
handschoen hebben opgenomen. Die uitvoerigheid was boven- 
dien noodig tot recht verstand van de latere gebeurtenissen 
op dit eiland, waarbij wij de handeldrijvende Compagnie, 
zooals boven op blz. 81 reeds werd opgemerkt, als eene 
oorlogvoerende macht zien optreden, voor welke alles uit 
den weg moest gaan. Zonder het te willen, streefde zij daar- 
door echter haar doel voorbij en — de noodlottige gevolgen 
zijn niet uitgebleven. 

De oorlog met Bantam was dus geëindigd. Bij al zijne 
verdrietelijkheden had hij ons echter ook nog in moeielijkheid ge- 
bracht met de Engelschen, die eene nieuwe Compagnie hadden 
opgericht, en nu, met eene vloot in Indië verschijnende, hevig 
tegen de blokkade van Bantam te velde trokken. Hoewel de 
Hooge Regeering, vreezende dat het Bestuur in Holland in 
conflict met Engeland mocht komen, hen niet zoo te lijf ging 
als zij eigenlijk wel wenschte, nam zij hare maatregelen toch zoo, 
dat onze tegenstanders niets van belang konden uitvoeren. 
Natuurlijk waren zij daarover zeer gebelgd en heeft het aan 
de noodige vertoogen niet ontbroken, maar de stoere dienaren 
der Compagnie bleven op hun stuk staan en lieten zich door 
niemand in hunnen strijd met Bantam de les lezen. Van hunne 
zijde deden de Engelschen al 't mogelijke om den sultan van 
dit rijk in zijn verzet tegen de onzen te steunen. Wat 
echter tot hunne eigene schade en schande is uitgeloopen. 
De lezer vergunne ons hier nogmaals de boven behandelde 
periode een weinig vooruit te loopen en mede te deelen, hoe 



102 



enkele jaren later (1682) in Bantam een binnenlandsche oor- 
log is uitgebroken, die onder meer ten gevolge had, dat deze 
aartsvijanden van de Oost-Indische Compagnie tegelijk met 
hunne Deensche vrienden voor goed Java verlaten moesten. 
Wij vinden hen later op de Westkust van Soematra terug. 



VIERDE HOOFDSTUK, 

1675-1723. 



jTySjij zgn in onze geschiedenis alzoo genaderd tot het 
^^^^ merkwaardige jaar 1676, waarin wij den wreeden en 
grilligen Mangkoe-Rat de hulp der Compagnie tegen zijne eigene 
onderdanen zien inroepen, eene gebeurtenis, waarmede de doods- 
klok over het machtige rijk van Mataram begint te luiden, 
terwijl tegelijkertijd de zon aan de kimmen verrgst, die 
onze opperheerschappij over Java beschijnen zal. „Een epos 
gelijkt het," schrijft de heer De Jonge, „die lange reeks van 
tallooze gebeurtenissen, waarvan het einde was, dat de, nog 
kort te voren zoo gevreesde Soesoehoenan, zooeven nog 
eischende, dat de Nederlanders hem in z^n hof vasallenhulde 
kwamen brengen, weldra met bevende handen de oude kroon 
van Modjopahit zou ontvangen uit de hand van een Neder- 
landsch bevelhebber en Nederlandsche legerbenden geheel 
Java zouden doorkruisen, om de brokstukken van het groote 
rijk van Mataram onder die kroon terug te brengen." Wij 
zullen trachten den lezer eene zoo duidelijk mogelijke voor- 
stelling van de feiten te geven. 

Het karakter van den Javaan bracht en brengt mede, dat 
hij met een onbegrensden eerbied voor zijne meerderen is 
vervuld en zich van dezen alles zonder openbaar verzet laat 
welgevallen. Ook in zijn leven komt er echter een oogenblik, 
dat hij met zijne ketenen gaat rammelen, zich straks zoekt 
te ontworstelen aan banden, die hem nu erger dan de dood 



lo4 

toesxihijnen. Dat moment had Mangkoe-Rat zelf in 't leven 
geroepen. Onder zijne voornaamste bijwijven bevond zich ook 
de dochter van Wira Dikrama, Regent van Japara. In Mei 
1672 bevond zich deze hooggeplaatste en invloedrijke Javaan 
voor zaken aan het hof van zijnen Meester, die in zijn verre- 
gaande moordlust niet kon nalaten ook hem tot slachtoffer 
uit te kiezen. De ons bekende Couper schrijft uit Japara: 
,,Hier loopen de geruchten en 't is waarachtig, dat de Soesoe- 
„hoenan Wira Dikrama met al zijne kinderen heeft doen 
„krissen; hem des morgens met den eeretitel van Toemeng- 
„goeng-Madioen vereerende, en des middags al lachende zeide : 
„de Toemenggoeng-Madioen is een groot man! en daarop 
„terstond: Gij Mataramsche volkeren, doodt hem! daarop 
„dadelijk hem met al zijne kinderen tot des Konings concubien 
„inkluis, werden omgebracht en, zonder te mogen begraven 
„worden, de rivier in zee laten afdrijven." Dit was de druppel 
die de maat deed overloopen. Het den inlanders ingeschapen 
ontzag voor „Zijne Heiligheid," den „Heer van den godsdienst" 
verdween en duizenden wachtten slechts op een gunstige ge- 
legenheid om het harde juk van zich af te werpen. 

Die gelegenheid kwam. In Hoofdstuk III zagen wij, hoe 
onze landgenooten Mangkasar getuchtigd hadden. Tengevolge 
van deze gebeurtenis waren tal van Mangkasaren uitgeweken 
om elders hun geluk te beproeven. Onder aanvoering van 
zekeren Galesoeng en daarna van Montemarano, welke laatste 
reeds op Selebes tegen ons gestreden had, trokken zij in 
1671 hoofdzakelijk naar Bantam, waar zij aanvankelijk met 
open armen ontvangen werden. Hun brutaal karakter en 
verregaande roofzucht waren echter oorzaak, dat men hier 
spoedig genoeg van hen kreeg. In 1673 zien wij dan ook de 
meeste Mangkasaren naar Java's Oosthoek verhuizen, waar 
zij weldra zee en land door hunne rooverijen onveilig maakten. 
Tal van kustplaatsen, waaronder ook het ons bekende Gresik, 
werden door hen afgeloopen. In 1676 onderging het goed 
versterkte Soerabaja hetzelfde lot. Montemarano had zelfs 
de brutaliteit zich in de Hollandsche loge te Japara te 



ioè 



vertoonen en tevens een bezoek aan Semarang te brengen. Wat 
wonder dat schrik en ontsteltenis zich alom van de gemoederen 
meester maakten. Ook de Hooge Regeering begon bezorgd te 
worden. Er moesten, schrijft Maetsuycker. maatregelen genomen 
worden, „dat dieselfde vagebonderende Maccassaren niet stercker 
wierden of souden ons mettertijd oocq schadelycq connen 
worden." 

Intusschen wist men te Batavia nog niet alles. Van de 
aanwezigheid van zoovele Mangkasaren, die toonden iets te 
durven, had een zekere Troena-Djaja, een prins van Madoera, 
gebruik gemaakt om zijn haat jegens Mataram te koelen 
en tevens aan lang gekoesterde heerschzuchtige plannen gevolg 
te geven. Gesproten uit een geslacht, waarop de ijzeren hand 
van den eersten Soesoehoenan zwaar had gedrukt, opgevoed 
aan het hof van Mangkoe-Rat, van wiens wreedheden hij 
menigmaal getuige is geweest, meent hij het oogenblik gekomen 
om den luister zijner familie te herstellen, door zich op Madoera, 
kan 't zijn op Java, een vorstendom te stichten. Straks door 
aanvankelijken voorspoed verblind geworden, verkondigt hij 
het luide, dat hij en de zijnen regelrecht van de vorsten van 
Modjopahit afstammen en hij, niet de Soesoehoenan, de ware 
Heer van Java is. Hoe snoeverig ook, het blijkt de ware toon 
te zijn om de ontevreden Javanen tot zijne partij over te 
halen. Zegevierend trekken de vereenigde Mangkasaren en 
Madoereezen door Oost- en een gedeelte van Midden-Java. 
Alles onderwerpt zich aan hun gezag. In Kediri en elders 
wacht men hunne komst niet eenmaal af, om den gehaten 
Soesoehoenan de gehoorzaamheid op te zeggen. Mataram 
scheen verloren. 

Het was in dezen nood dat Mangkoe-Rat zich zijn traktaat 
met de Hollanders van A^. 1646 (blz. 73) herinnerde en op 
grond van artikel 5, dat wederzijdsche hulp tegen eenen ge- 
meenschappelijken vijand waarborgde, den bijstand der onzen 
door bovenvermeld gezantschap kwam inroepen. Of eigenlijk 
de Soesoehoenan zelf niet, die in dezen tijd, dank zij vooral 
zyn losbandig leven, zoo verzwakt is, dat hij zijne vertrekken 



loé 

niet meer kan verlaten. Hij bromt alleen, dat de Hollander^ 
hem de Mangkasaren op het lijf gejaagd hebben en laat de 
staatszaken aan zijne zoons en rijksgrooten over, omtrent 
welke laatsten Maetsuycker schreef: „Die. daertoe gebruijct 
en dewelcke dan oock dickmaal om de minste foute pericul 
loopen van haar leven." 

Intusschën het verzoek was gedaan en aangezien de Mang- 
kasaren ook als vijanden van de Compagnie moesten worden 
beschouwd, besloot de Hooge Regeering eene kleine troepen- 
macht, onder Jan Franssen Holsteijn, naar Oost-Java te zenden. 
Hoewel zich nu spoedig een vrij sterk leger uit Mataram bij 
de Hollanders kwam voegen, was het resultaat, tegenover den 
vijand behaald, toch uiterst gering. In Batavia scheen men 
dit aan Holsteijn en diens officieren toe te schrijven, „omdat 
zij het devoir niet gebruikt hadden, dat wij hadden verwacht, 
den tijd meest doorgebracht hebbende met sukkelen en sem- 
melen, zonder iets met ernst tegen de gemelde vijanden bij 
de hand te nomen." Deze minder gelukkige uitslag had tevens 
aan het loopende praatje voedsel gegeven, dat de Compagnie 
het in het geheim met de Mangkasaren eens was. 

Holsteijn werd dus teruggeroepen en in zijne plaats be- 
noemd Majoor Poleman, van wien 't in denzelfden brief heet, 
dat hij „vrij beter preuven van zijn goet beleyt, ernst ende 
manhaft heeft gegeven." Hoewel men tegenover Holsteijn 
wel een weinig onbillijk handelde, bleek de zaak nu toch in 
de beste handen te zijn. Vrij spoedig slaagde Poleman er in 
de Mangkasaren te verdrijven, terwijl hun aanvoerder Monte- 
marano doodelijk gekwetst werd. Het zou nu voor Pangéran 
Adipati Anom, zoon van den Soesoehoenan, eene kleinigheid 
geweest zijn om met zijne 60.000 Javanen ook de Madoe- 
reezen ten onder te brengen. Met het vertrek van Poleman 
verdween echter ook zijn moed, zoodat hij niets tegen den 
vijand durfde ondernemen om straks, „alsof hij een leger 
van vrouwen en kinderen aanvoerde," zijn heU in eene schan- 
delijke vlucht te zoeken. 

De schuld lag eigenlijk bij de Hooge Regeering, wier 



107 



zuinigheid de wijsheid had bedrogen. Zooals dit wel meer in 
Indië is gezien, had men den vijand te licht geacht en geen 
voldoende macht tegenover hem uitgerust. Nu was Leiden in 
last. In dezen nood bood de ons bekende Speelman, destijds 
Lid van den Raad van Indië, zich (in 't laatst van 1676) 
aan om aan het hoofd van versche troepen naar het oorlogs- 
tooneel te vertrekken. De Regeering, „'s mans ervarentheyt, 
conduite ende cloecke manhaft kennende", grgpt met beide 
handen zijn voorstel aan. Ook nu handhaaft Speelman zijn 
ouden roem. Hij heeft zelfs den moed om op eigen verant- 
woordelijkheid de huid te verdeelen, voordat de beer nog ge- 
schoten is, door den Soesoehoenan reeds dadelijk bij zijn 
optreden een contract voor te leggen, waarbij deze zich ver- 
bond tot betaling van eene enorme som aan oorlogskosten 
en aan de Compagnie allerlei voordeelen toestond, waardoor 
haar gezag in dit gedeelte van Java voor goed gevestigd 
werd. De oude vorst was niet meer in staat zijne handteeke- 
ning onder het traktaat te plaatsen; het werd echter uit 
zijnen naam bekrachtigd door zijne vier zonen, die ieder voor 
zich op de erfenis hoopten en meenden daarvoor de hulp van 
Batavia niet te kunnen ontberen. 

Thans is voor Speelman het oogenblik gekomen om den 
degen te trekken. Regelrecht rukt hij op Soerabaja los, waar 
Troena-Djaja zich versterkt had. Eene herhaalde aanmaning 
om zich over te geven beantwoordt de trotsche Madoerees 
met hooghartige weigering. Tegenover de opmerking, dat hij 
zijnen wettigen Heer, den Soesoehoenan, bestrijdt, heet het 
uit zijnen mond: „Hij is geen wettig vorst, hij is geen Sultan, 
hij kan dan alleen Sultan worden, indien hem die waardig- 
heid van over zee, uit Mekka, geschonken wierd." Eerst toen 
alle middelen tot verzoening waren uitgeput, ging de bevel- 
hebber tot den aanval over en binnen een paar uren was de 
sterkte genomen. De vijand had echter nog gelegenheid ge- 
had te ontsnappen en in de richting van Kediri een veilig 
heenkomen te zoeken. 

En thans beging de groote Speelman eene fout. In plaats 



loê 



toch van Troena-Djaja en diens verzwakte bende onmiddel- 
lijk te achtervolgen, achtte hij het noodig eerst de Regenten 
op Madoera voor hunnen afval te straffen. Terwijl hij nu 
hier bezig was op strenge wijze recht te oefenen, trok de 
vijand met een steeds aangroeiend leger regelrecht op de 
hoofdstad van Mataram aan, waar alles bij zijne komst in 
rep en roer is en ieder zijn heil in de vlucht zoekt. Zege- 
vierend betreedt Troena-Djaja de heilige stad der Javanen, 
waar hij zich van de vorstelijke schatten en rijkssieraden 
meester maakt. Ondertusschen sleept de oude Vorst zich voort 
tot in het dorp Wanajasa, waar hij den laatsten adem uit- 
blaast. Tot zijn klein gevolg behoorde ook zijn oudste zoon 
Adipati Anom, dien hij nog even vóór zijn verscheiden tot 
zijnen opvolger aangewezen en hem op het hart gedrukt had, 
om zich toch vooral bij hun aller „Vader", gelijk hij Speelman 
noemde, aan te sluiten. De jonge Vorst nam den naam aan 
van Soesoehoenan Amangkoe-Rat Sénapati Ingngalaga en 
spoedde zich, na eerst zijnen vader begraven te hebben, naar 
Japara in de hoop er Speelman te zullen ontmoeten. Twee 
dagen na zijne aankomst aldaar verscheen ook de Admiraal, 
die nu de handen vol kreeg om in den verwarden stand van 
zaken eenige orde en regel te brengen. 

Gemakkelijk was dit voorzeker niet. Met den nieuwen 
Soesoehoenan, die heel andere dingen dan staatszaken in het 
hoofd had, kon Speelman weinig uitrichten. Ook eene poging 
om diens broeders, die het nieuwe gezag niet wilden erkennen, 
tot onderwerping over te halen, mislukte. De Admiraal wist 
nu niet beter te doen, dan van de gelegenheid gebruik te 
maken om voor de Compagnie van de omstandigheden te halen 
wat er te halen was. In October 1677 slaagde hij er in met 
Amangkoe-Rat een nieuw traktaat te sluiten, waarbij o. a. 
ook, wat diens vader nog altijd geweigerd had, het gebied 
van Batavia aanmerkelijk werd uitgebreid. 

Terwijl Speelman op die wijze zich inspande, om de toe- 
komst der Compagnie op Java voor goed te verzekeren, ver- 
zuimde hij niet op middelen te peinzen, teneinde de rust in 



109 



Mataram te herstellen. Nog was hij daarmede niet gereed, 
toen in Januari 1678 te Japara het bericht kwam, dat de 
Gouverneur-Generaal Maetsuycker overleden en de ons bekende 
Rijklof van Goens (1678 — 81) als diens plaatsvervanger was 
opgetreden. De brief, waarbij hem dit werd bericht, hield 
tevens in zijne benoeming tot Directeur-Generaal en den last 
om onverwijld terug te keeren. Na het bevel over de troepen 
aan den kapitein Isaac de St.-Martin te hebben overgedragen, 
zien wij den merkwaardigen held naar Batavia vertrekken, 
waar wij hem nog eenmaal, nu met het hoogste gezag in 
Indië bekleed, zullen terugvinden. 

De vraag doet zich hier voor of het goed gezien was van 
de Hooge Regeering om Speelman op dat oogenblik van zijnen 
post te roepen? Ons dunkt van neen. Wij verklaren 't alleen 
hieruit, dat de Heeren in Batavia, die nog altijd van den ouden 
zuurdeesem doortrokken waren, eigenlijk opzagen tegen de 
groote staatkundige voordeden, door hunnen vertegenwoordiger 
behaald. Met andere woorden, dat zij met hunne schitterende 
positie in het rijk van Mataram verlegen zaten. Eenmaal den 
voet op dien weg gezet hebbende, moeten zij echtef, al klagen 
zij nog zoo „dat de zware kosten van het groote leger hun 
vrij lastig vallen '^, voort, om niet te rusten, voordat het „den 
Mataram moet onsen vrient worden" (blz. 68) van weleer in 
„Mataram is ons" veranderd was. 

Het zou zeer zeker de moeite loonen, konden wij op dezelfde 
uitvoerige wijze ook het verdere verloop van dezen merk- 
waardigen strijd op Java schetsen. Ons bestek gedoogt dit 
echter niet. Wij volstaan daarom met de mededeeling, dat Hol- 
landers als de Superintendent Hurdt, de kapiteins Tak, Renesse, 
Muller, Poleman e. a. zich daarin als ware helden hebben 
gedragen, als mannen wier moed en beleid des te meer be- 
wondering verdienen, wanneer men in aanmerking neemt de 
enorme moeielijkheden, die toen aan een krijgstocht door de 
binnenlanden van Java verbonden waren. Een woord van 
hulde ook aan Aroe Palakka (blz. 83) die, gedachtig aan de 
weldaden hem door de Compagnie bewezen, met zijne 



110 



Boegineezen de zeé was komen oversteken om aan de zijde 
der onzen aan den strijd deel te nemen. En waar tegenwoordig 
zoo vaak; en terecht, de loftrompet gestoken wordt over de 
trouw en dapperheid onzer Amboneesche soldaten, daar mogen 
wij het feit niet verzwijgen, dat ook toen Amboneezen in onze 
gelederen streden en dezen, onder aanvoering van hunnen 
moedigen kapitein Jonket', een inboorling van het eiland 
Manipa, veel tot den goeden uitslag hebben bijgedragen. 

En de Soesoehoenan ? Deze liet de onzen heel kalm de 
kastanjes uit het vuur halen. Met moeite had hij 3000 Javanen 
op de been gebracht, die „beter eters dan strijders", boven- 
dien slecht werden aangevoerd, zoodat zij vaak meer tot last 
dan tot steun waren. Amangkoe-Rat trok zich daarvan echter 
weinig aan. Als men hem soms met staatszaken lastig viel, 
kwam hij telkens weer met zijn lievelingsdenkbeeld voor den 
dag om naar Mekka te reizen en daar met vrome overpein- 
zingen zijn verder leven te slijten. De Hollanders stonden 
dus alleen, toen zij de Mangkasaren, die zich weder in de 
buurt van Soerabaja genesteld hadden, aanvielen en totaal 
versloegen. Van hier togen zij regelrecht naar Pasoeroehan 
en Kediri om de benden van Troena-Djaja in hunne schuil- 
plaatsen op te 'zoeken. Op 26 December 1679 was deze dap- 
pere tegenstander genoodzaakt zich aan de Amboneezen, die 
hem tot diep in het Kloetgebergte gevolgd waren, over te 
geven. Met 174 zijner volgelingen kwam hij in het kamp van 
Couper aan. 

Volgens zekere berichten had kapitein Jonker aan Troena- 
Djaja lijfsbehoud beloofd. Couper schijnt hiervan echter niet 
te zijn onderricht geworden, of hij verzweeg opzettelijk de 
waarheid, toen hij in Januari 1680 het volgende aan de Hooge 
Regeering rapporteerde: 

„Den 26 December is na lang vervolgen Troena-Djaja met 
174 man van de- zijnen levendigh in handen gecregen; ver- 
mits hij zonder conditie in onse handen vervallen is, hebben 

wij aan den Sousouhounangh overgegeven die hem 

na de andere werelt gesonden, en waarlijck onses gevoelens, 



111 



onder correctie van Uwer E^®"^ wyser sentiment en oordeel, 
zoo is hij beter van kant als in 't leven; want daar was 
niet een goet hair aan." 

Uit een ander bericht zou blijken, dat Couper den gevangene 
wel aan den Soesoehoenan uitleverde, maar dezen op het 
hart gedrukt heeft tot nader order goed voor hem te zorgen. 
De toon van zgnen brief stemt echter weinig met die wel- 
willende gezindheid overeen. Hoe dit echter ook zij, Amangkoe- 
Rat was zoo verbitterd op Troena-Djaja, die hem naar de 
kroon gestoken had, dat hij hem, na zich eerst een oogen- 
blik met zijn slachtoffer vermaakt te hebben, door hem met 
de helft van het eiland Madoera te beleenen, met eigen hand 
de kris in 't hart stiet. 

Zoo stierf dan de man die, al moge hij niet van groote 
ijdelheid zijn vrij te pleiten, toch in zijn soort een held is 
geweest, wiens moedig optreden tegenover door Hollanders 
aangevoerde troepen eerbied afdwingt. Met fierheid en be- 
slistheid had hij elke uitnoodiging om zich te onderwerpen 
afgewezen. ^Ik weet wel," schreef hij in een zijner brieven 
aan Speelman, ^dat gij een man zijt kloekmoedig in den 
oorlog en het zou mij niet verwonderen als gij voor geld 
(een steek onder water aan het adres van onze hulp aan 
Mataram verleend) zelfs tot aan de wolken kondet reiken, al 
ware het dat gy uwe macht niet alleen van de menschen, 
maar ook van de booze geesten kondet ontleenen. Die booze 
geesten, ja die vrees ik, maar u vrees ik niet!" Zeer be- 
hendig wist hij ook in zijn staatkundig verzet, wij vernamen 
er reeds een staaltje van, den Islam te mengen, wat hem 
o. a. de sympathie van den Sultan van Bantam deed ver- 
werven. Zijn eigenlijke biechtvader op dit laatste punt was 
echter de priesterkoning van Giri (achter Gresik), een slimme 
vogel, die zich behendig achter de schermen wist te houden, 
maar in dezen strijd aan Mataram meer kwaad heeft berok- 
kend, dan de geschiedboeken vermelden. Amangkoe-Rat wist 
dit zeer goed en zijne eerste regeeringsdaad na den dood van 
Troena-Djaja is dan ook geweest — de totale uitroeiing van 



112 



Giri^s vorstengeslacht. Zoo wreekte zich de quasi vrome 
mohamedaan op eenen man, die bij alle Javaansche Islamieten 
in een reuk van heiligheid stond en in de oudste berichten 
der Hollanders de „Paus*^ van Java genoemd wordt! 

Terwijl zoo de Soesoehoenan aan zijn wraakzucht bot 
vierde en men te Batavia een dank- en bededag uitschreef, 
wisten beide bondgenooten zeer goed, dat de rust in het rijk 
van Mataram nog niet als hersteld kon worden beschouwd, 
zoolang Pangéran Poeger^ broeder van den vorst, weigerde zich 
aan het wettig gezag te onderwerpen. Eerst in den loop 
van 1680 ging hij daartoe over en hiermede kon nu ook de 
oorlog als geëindigd worden beschouwd. Wel bleven er ook 
toen nog enkele „vagebondeerende'^ benden over, maar de 
eene na de andere loste zich op en toen in 1682 de „rebellen- 
roover" Namroet met tweeduizend zijner partijgangers, na een 
hoogst bloedig gevecht, was ten onder gebracht, bestond er 
voor de Hooge Regeering geen aanleiding meer om hare 
troepen langer van Batavia verwijderd te houden. 

In de hoofdstad van Neerlandsch-Indië opnieuw „dank- en 
vreugdeteekenen." In Kartasoera-Adiningrat, de nieuwe hof- 
stad van Mataram, een Soesoehoenan, die zich, druipende van 
bloed, in zijn vertrekken terugtrekt, het hart vol wrevel, beladen 
met eene oorlogsschatting, die hij erkent niet te kunnen be- 
talen, het hoofd vervuld van de wetenschap, dat een groot 
gedeelte van de macht en den luister zijner voorvaderen op 
die gehate Hollanders is overgegaan. Als wezenloos staart 
hij voor zich uit; geheel Batavia ziet hij in zijne verbeelding 
in eene giftige slang veranderen, die langzaam voortschuifelt, 
totdat zij zich ten laatste op hem werpt om hem met haren 
doodelijken beet af te maken ! En wat het ergste is, hij moet 
nog de hand kussen die hem slaat en den Gouverneur- 
Generaal „bedanken voor diens continuatie van trouwhartigen 
bijstand." Batavia en Mataram! Wat geven die twee ramen 
te denken! 

Bedriegen wij ons niet, dan heeft de lezer zich reeds in 
stilte afgevraagd, welke houding de Sultan van Bantam tijdens 



113 



dezen langdurigen oorlog mag hebben aangenomen. Boven zagen 
wij hem reeds in correspondentie met Troena-Djaja. Uit andere 
bronnen is 't bekend, dat hij drie prinsen van Tjeribon, die aan 
het hof van Mataram hadden gewoond, maar van daar waren 
uitgeweken, als vrienden bij zich ontvangen had. Bovendien 
zal hij er niet onkundig van geweest zijn, dat geheele benden 
van Bantammers de omstreken van Batavia onveilig maakten, 
terwijl anderen het bedrijf van zeeroovers uitoefenden. Openlijk 
durfde hij echter niet tegen de Hooge Regeering optreden, 
die van haren kant een waakzaam oog op Bantam hield en 
ook uit vrees voor dit rijk zoo noode hare troepen van Batavia 
verwijderde. Sultan Agoeng zag zich dus, waarschijnlijk tegen 
zijn zin, tot werkeloosheid verplicht, wat wel de voornaamste 
oorzaak mag geweest zijn, waarom hij in 1680 afstand deed 
van de regeering ten behoeve van zijnen zoon. die in de ge- 
schiedenis bekend is geworden onder den titel van Sultan HadjL 
Tijdens Soesoehoenan Amangkoe-Rat zich te Japara bevond 
en zich daar met andere dan staatszaken bezighield (bl. 108), 
had hij ook een brief geschreven aan den Sultan van Bantam, 
om door diens tusschenkomst eene prinses, op wie hij verliefd 
was, in handen te krijgen. Wij achten het niet van belang 
ontbloot hier een gedeelte van des Sultans antwoord in te 
lasschen, omdat daaruit geheel en al de javaansche mohamedaan 
spreekt, op den bodem van wiens hart een onverzoenlijke haat 
leeft jegens allen, die niet geleerd hebben hem het „Er is 
maar éen God en Mohamed is Zijn gezant" na te spreken. 
De Hooge Regeering te Batavia, die inzage van dit schrij- 
ven kreeg, heeft er alleen de les uit geleerd om Bantam nog 
meer te haten dan zij reeds deed. Met haten alleen overwint 
men echter geen landen en onderwerpt men geen volken. Ook 
voor ons tegenwoordig bestuur in Indië is het nog van het hoog- 
ste belang te weten, hoe daar achter die miljoenen Inlanders de 
Islam staat, die, kalm op 't oogenblik, straks gelijk de rivier 
door ons op blz. 6 geschetst, als een bandjir (overstrooming) 
kan losbarsten om alles wat haar in den weg komt naar den 

afgrond heen te voeren. 

8 



114 



Doch, ter zake. Ziehier |)edoelde brief (verkort). 

„Dit is een brief van uw ouderen broeder te Bantam aan u, 
mijn jongeren broeder, Soesoehoenan Amangkoe-Rat; wijders 
hebt gij tot mij uwe gezanten gezonden, die in gezondheid tot mij 
gekomen zijn, enz. Al de woorden van mijn jongeren broeder, 
in den brief vervat .... heb ik met God wel begrepen. Wat 

nu aanbelangt Ten andere verzoek ik u, dat gij 

niet wilt doen, hetgeen strijdig is en niet overeenkomt met 
de wet en het recht der mohamedaansche leer, of anders kan 
ik u niet voor mijnen oprechten broeder aannemen, opdat 
God u in alles moge bijstaan. Ook verzoek ik u, dat gij niet 
afwijken wilt van de handeling en wandeling uwer voorvaderen, 
die naar onze wet en rechten geleefd hebben. Dat ik u, mijn 
jongere broeder, hiertoe vermaan, is omdat uw leven en ge- 
loof (door Bantams vriendschap met de heidensche Hollanders) 
alsook uw staat nu tusschenbeide schijnen te staan (bij de 
Javanen genoemd of uitgedrukt Capalangh, ^) dat is geen 
recht Mohamedaan, geen recht Christen, geen Koning, geen 
gemeen man en zoo voort in al zijn doen en laten), dat vol- 
gens mijn gevoelen in deze wereld geen eere baren kan, ook 

niet hiernamaals tot vreugde gedijen zoo wil God u 

gebeden en verzocht hebben, dat gij, mijn jongere broeder, 
den standaard (dat is het geloof van den profeet Mohamed) 
opricht, opdat dit geloof moge toenemen en krachtig zijn en 

blijven En zoo de menschen zeggen, zoo schijnt mijn 

jongere broeder met zijn volk, onderdanen van de Ed. Com- 
pagnie geworden te zijn, waarom ik u verzoek dat, als gij 
met mij in oprechte broederschap wilt leven, gij niet van uw 
welvaart en geloof wilt afwijken, al moest gij ook de eere 
van deze wereld missen," enz. 

Bijna op hetzelfde oogenblik, waarop bovenstaande brief 
verzonden werd, schreef de Gouverneur-Generaal Rijklof van 
Goens de volgende missive aan het Opperbestuur in Nederland: 
„Het allernoodigste tot herstel van 's Compagnie's staet is 



^) Het javaandche Kepalang = door eene hindemie belot worden. 



116 



het destrueeren en uitroeien van Bantam, welke zaak verricht 
en Bantam verdelgd zijnde, zal alles wel gaan. Het werk om 
de Oost geeft alhier eene groote bekommering. Wij wachten 
slechts met groot verlangen op hulp uit het Moederland om 
dien krgg te bekorten, ten einde dan onzen buurman (Bantam) 
eens met ernst te bezoeken. Bantam moet vernederd, ja ver- 
delgd worden, of de Compagnie gaat verloren. Ik hoop zoo 
lange nog te leven, dat ik UwEd. staat dien scherpen, 
venijnigen doom mag helpen uittrekken en vernietigen." 

Wij onthouden ons van elk verder oordeel over of eenige 
vergelijking tusschen de beide medegedeelde brieven. De lezer 
leze en oordeele zelf. De twee schrijvers konden weinig ver- 
moeden, dat de gelegenheid tot het duel zich zoo spoedig zou 
aanbieden. 

Juist was in November 1681 Van Goens om redenen van 
gezondheid afgetreden en opgevolgd door Speelman (1681 — '84), 
toen de Hooge Regeering te Batavia brief op brief uit Bantam 
ontving om hulp te komen verleenen. Naar het scheen had 
Sultan Agoeng, ook na zijnen afstand, zich met de zaken 
van het land willen bemoeien, wat hem echter door zijnen 
zoon belet werd. Hierop trad de oude vorst in verbinding met 
de in Bantam aanwezige Engelschen en Denen en zag hij 
zich daardoor in staat gesteld zulk eene macht op de been 
te brengen, dat Sultan Hadji verplicht was zich in zijne hoofd- 
stad terug te trekken en daar een geregeld beleg te verduren. 
Gelukkig vonden zijne brieven een goed gehoor te Batavia, 
zoodat de gezaghebbers Saint-Martin en Tak nog bijtijds 
aankwamen om hem uit zijnen benarden toestand te redden. 
Eenmaal verlost, wilde de Sultan de Engelschen en Denen 
te lijf, die zeer zeker allen zouden zijn omgebracht, waren 
niet de Hollanders voor hen in de bres gesprongen. Nu konden 
zij ongehinderd vertrekken, en had hun exodus plaats, waar- 
van wij reeds met een enkel woord aan het slot van het 
vorig hoofdstuk gewag hebben gemaakt. 

Volledigheidshalve deelen wij hier mede, dat de Engelschen, 
ondanks de hun door de Hollanders verleende hulp, woedend 



116 



waren. Zij schijnen in hunne brieven naar het moederland 
zoo steen en been geklaagd te hebben, dat in Augustus 1684 
een Engelsch oorlogschip op de reede van Batavia verscheen 
om genoegdoening te eischen. De gezagvoerder Grantham 
zag echter spoedig, dat onze landgenooten, hoe beleefd zij 
hem overigens ook behandelden, zich niet bang lieten maken 
en, zonder verder te snoeven op de 10 a 12 Engelsche schepen, 
die nog in aantocht zouden zijn, droop hij stilletjes af. 

Door die Engelschen, die wij altijd en overal den weg 
onzer Nederlanders zien kruisen, zouden wij bijna Sultan 
Agoeng vergeten, omtrent wien nog kan worden medegedeeld, 
dat hij zich tot in 1686 in zijne residentie Tirtajasa staande 
hield, maar toen gevangen genomen en naar Batavia werd 
overgebracht, waar hij tot 1692 ^) geleefd heeft. Zijn zoon 
was nu van al zijne vijanden verlost; rustig kon hij nu zijn 
rijk besturen, dat echter lang niet meer het oude Bantam 
was. „De toekomstige veroveraar," schrijft De Jonge, „had de 
hand gelegd op de parel van Insulinde" en de verdelging 
van dit tweede machtige Javaansche rijk is nog slechts eene 
quaestie van tijd geworden. In de drukst bezochte handelsplaats 
van den Archipel heeft de Compagnie zich het monopolie 
van den handel in peper en katoenen-kleedjes veroverd, terwijl 
de Sultan, afstand moetende doen van zijne aanspraken op 
Tjeribon, (waar de drie op blz. 113 bedoelde prinsen uit naam 
der Hooge Regeering het bewind voerden) de grenzen van 
zijn land ziet ingekrompen tot daar, waar de tegenwoordige 
Residentie Bantam zich uitstrekt. De slavenketen wordt al 
nauwer en nauwer toegehaald! 

Drie maanden na het sluiten van het laatste traktaat met 
Bantam kwam de Gouverneur-Generaal Speelman te over- 
lijden. Tot zijn opvolger werd benoemd Johannes Camphuis 
(1684 — ^91), vroeger Opperhoofd in Japan, op 't oogenblik 



^) Niet 1695, zooals bij Melnsma , Geschiedenis van de N. O.-I. Bezit- 
tingen" blz. 104 vermeld is. Zie De Jonge, Deel 7 blz. CLXVIII en 
,Bealia% Deel I blz. 92. 



• il? 

Lid van den Raad van Indië, niet bijzonder bemind bij z^nö 
medeleden, maar zelfstandig genoeg om zich daaraan niet te 
storen en de belangen der Compagnie naar zijne eigene 
inzichten te behartigen. In z^ne jeugd zilversmidsleerling van 
beroep, had hg zich in den dienst der Compagnie tot de 



hoogste rangen weten op te werken en zich bovendien een 
naam als verzamelaar van Japansche kunstwerken en be- 
schermer van beschaving en wetenschap vei'worven. Uit den 
tijd van zyn bestuur dagteekent het eerste Sckoolreglement, dat 
voor die dagen uitstekend in elkaar zat. Vreemd schijnt de 
bepaling, dat de kinderen geene andere dan de Nederlandsche 
taal in de school mochten spreken. Het was echter noodig 



118 



dit voor te schrijven, omdat het Portugeesch toentertijd 
zoo algemeen onder onze landgenooten was, dat aanschrijvingen 
uit Nederland noodig waren om onze moedertaal in bescher- 
ming te nemen. Veel had de studie natuurlijk nog niet te 
beteekenen. De onderwijzers moesten door eene gemengde 
commissie zijn geëxamineerd en bij dat onderzoek de bewijzen 
•hebben geleverd, „dat zij alle gedrukte boeken en geschreven 
papieren promtelijk lezen, eene goede hand schrijven, de 
psalmen Davids bekwamelijk zingen en redelijk cijferen konden." 
Meer niet. 

Hoewel de jaren, waarin Camphuis als landvoogd werkzaam 
was, over 't geheel vreedzaam kunnen worden genoemd, zoo 
behoefde toch ook deze regeering niet stil te zitten. In dezen 
tijd speelt ook het optreden van den Balineeschen slaaf 
Soerapati, op wien wij later terugkomen. Bovendien viel diens 
verzet tegen de Compagnie saam met eene Mohamedaansche 
samenzwering tegen het leven van Batavia's bevolking, die 
gelukkig tijdig ontdekt werd, anders waren de gevolgen 
schromelijk geweest. Een der voornaamste leiders van dit 
door godsdienstijver opgewekte plan was de ons bekende 
kapitein Jonker, die na zijn ontslag uit den dienst op een 
landgoed boven Batavia was gaan wonen en daar nu de eed- 
genooten bij zich ontving. Eenmaal met den beraamden aan- 
slag bekend, haastte de Hooge Regeering zich hare troepen 
uit te zenden, die er in slaagden de bende uiteen te jagen, 
vele gevangenen maakten en zegevierend met het hoofd van 
Jonker naar Batavia terugkeerden. 

Op de Buiten-bezittingen ging het over 't geheel veel rus- 
tiger toe dan op Java. Natuurlijk ontbraken ook daar kleine 
ongeregeldheden niet. Zoo o.a. op Ternate. In het jaar 1680 
vinden wij hier nog altijd Kaitjili Sibori, bijgenaamd „Koning 
Amsterdam" op den troon, die bij de Hooge Regeering zoo 
in aanzien stond, dat zij hem een paar jaren vroeger vereerd 
had met eenen groeten gouden keten en eene gouden medaille, 
waarin eenige gedachteniswoorden waren gegraveerd, 's Mans 
vriendschap was echter slechts gehuicheld. In bovengenoemd 



il9 

jaar wierp hij het masker af. Zijne pogingen om zich van de 
Hollanders te ontdoen, leden gelukkig schipbreuk op den onwil 
zgner onderdanen, die hem om zijne wreedheden niet mochten 
lijden en het den Commandant Padtbrugge gemakkelijk maakten 
om bijtijds de hand op hem te leggen. Hij werd naar Batavia 
opgezonden, waar men aanvankelijk het plan had Koning 
Amsterdam naar Ceylon te verbannen. Nadere overwegingen 
deden 't echter raadzaam achten hem tot het sluiten van 
een nieuw traktaat te dwingen, waarbij hij zijn rijk als een 
leen van Nederland terugontving. Als eene gevallen grootheid 
keerde hij nu naar zijn land terug, waar hij in 1691 kwam 
te overlijden. 

Op Ambon en Banda was de rust niet verstoord geworden. 
Op eerstgenoemd eiland nam het bestuur de gunstige gelegen- 
heid waar om de maatschappelijke toestanden zoo te regelen, 
dat de zeer gemengde bevolking in vrede en eensgezindheid 
leven kon. Ook voor Banda werd het noodige verricht om 
deze eilanden tot eene blijvende HoUandsche kolonie te maken. 
„Om de tederheyd van 't vervoeren van specerijen" bleven 
echter de oude plakkaten op de vaart naar deze streken streng 
gehandhaafd. De Hooge Regeering vergat zelfs niet te gelasten 
dat de zieke soldaten in de hospitalen van goede dekens 
voorzien werden, maar wee den man, die zijne hand naar 
het monopolie durfde uitsteken! 

Van Atjeh vernemen wij in dezen tijd weinig. Dat de 
wederzijdsche verhouding verre van vriendschappelijk was, 
kan blijken uit eene bepaling van het jaar 1687, waarbij 
gelast werd om alle Atjehers, die zonder pas te Mangkasar 
verschenen, na verbeurdverklaring van schip en lading „in 
de ketting op te zenden" ter beschikking van de Hooge 
Regeering. Een tiental jaren vroeger had de Compagnie zich 
meester gemaakt van de goudmijnen bij Selidah (blz. 83), voor 
wier ontginning Saksische bergwerkers, later ook Maleiers 
waren geëngageerd. Wellicht was dit minder naar den zin 
van de Maleische vorsten op de Westkust van Soematra, 
althans zij kwamen in opstand en er was nogmaals eene 



120 

expeditie noodig om de rust alhier te herstellen. Veel winst 
hebben bedoelde goudmijnen intusschen niet aan de Compagnie 
opgebracbi Noch Saksers, noch Maleiers bleken tegen het 
moordend klimaat bestand te zijn, zoodat de onderneming 
spoedig begon te kwenen, tot zjj in 1729 „om notable redenen" 
voor goed werd opgeheven. 



Van 1691—1704 had Indië tot Gouverneur-Generaal WiUem 
van Outhooni, onder wiens bestuur almede belangrijke ge- 
beurtenissen hebben plaats gegrepen. Aan hem komt de eer 
toe van de koffiecuUuur op Java te hebben ingevoerd, welke 
cultuur reeds in 1709 belangrijke baten begon af te werpen 
en sedert een der rjjkste bronnen geworden is, waaruit Neder- 



131 

land z^ne Oostersche schatten geput heeft. In bet jaar 1721 
werden niet minder dan 198'786 ponden koffie van Batavia 
naar Holland afgescheept en 't behoeft ons daarom niet te 
verwonderen, dat Heeren XVII herhaaldelijk hunne hooge 
ingenomenheid met dit nieuwe product te keunen gaven. Met 



Eoffieboom. ') 
niet minder groote vreugde en voldoening vernamen zij van 
Gouverneur-Generaal en Rade, dat alleen in den omtrek van 

') Deze en de andere in dit werk opgeDomen nfbeeldiDgeo van Indische 
gewassen z(jn reproductiSn van photographieën, ons welwillend tot dit doel 
afgestaan door den Directeur van het Koloniaal Unseum te Haarlem. 

De Uitgevers. 



12è 



Batavia meer dan honderd suikermolens in werking waren 
en ook de indigo-cultuur veel goeds voor de toekomst beloofde. 

Zoo ongemerkt zijn wij weer in Batavia teruggekeerd, de 
toekomstige „Koningin van het Oosten", die op het oogenblik 
in haar korset van onooglijke wallen nog weinig koninklijks 
over zich heeft. Hare reputatie van ongezond te zijn zou 
echter nog aanmerkelijk verhoogd worden, toen in den nacht 
van 4 op 6 Januari 1699 eene hevige uitbarsting van den 
vulkaan Salak plaats vond, tengevolge waarvan de Tjiliwong 
of „Groote Rivier", niet slechts buiten haar oevers trad, maar 
straks zoo met lava, zand en modder werd opgevuld, dat de 
stad voor een oogenblik een groot moeras geleek. Ook de 
vaarwaters buiten Batavia ondergingen hetzelfde lot. Van den 
eersten schrik bekomen, deed de Regeering natuurlijk alles 
om verder schadelijke gevolgen te voorkomen. Zoo kregen 
de bewoners van eigen of huurhuizen onmiddellijk last om 
het water, dat langs hunne woning stroomde, door hunne 
slaven te laten uitdiepen. Veel baatte dit echter niet. De 
miasmen hadden voor goed hun intrede in de stad gedaan en 
toen zich later tusschen Batavia en de zee, door aanslibbing, 
eene lage strook grond begon te vormen, was de hoofdplaats 
van Neerlandsch-Indië voor Europeaan en Inboorling schier 
onbewoonbaar geworden. De tijdsomstandigheden zijn echter 
van dien aard geweest, dat men op een Daendels moest 
wachten, vóórdat met ernst de hand kon worden gelegd aan 
NieuW'Batavia, waar thans de Hollanders in hunne frissche 
woningen en lusthuizen gevestigd zijn. 

Zes jaren vóór het optreden van Van Outhoorn, zien wij 
in Indië een man verschijnen, die bijna twintig jaren lang 
(1685 — '9B en 1705 -r- '14) in den Archipel doorbracht, waar 
hij zich als historieschrijver eenen groeten naam verworven 
heeft. Wij bedoelen Frangois Valentijn, gewoonlijk genoemd 
Vader Valentijn, wiens uitvoerig werk „Oud- en Nieuw-Oost- 
Indiën" algemeen in Nederland bekend is. In Brouwer's geïl- 
lustreerde Encyclopaedie vinden wij achter 's mans naam 
niets anders vermeld dan: „Nederl. reisbeschrijver; dischte 



123 

niet altyd veilrouwbare verhalen op aangaande O.-Indië." 
Nu moge het waar wezen, dat Valentyn's opgaven later ge- 
bleken zijn wel eens niet met de historiBche waarheid overeen 
te stemmen, doch de uitdrukking „opdisschen" is zeer zeker 
' iemand van zooveel verdienste onwaardig te noemen. 



Voor „Oud- en Nieuw-Oost-Indiën" zijn de bronnen gebruikt, 
toentertijd toegankelijk en wij moeten eerbied hebben voor 
de nauwgezetheid en uitvoerigheid, waarmede Vader Valentijn 
de oudste geschiedenis der Nederlanders in Indië heeft te 
boek gesteld. Zoolang er Indische historie geschreven wordt, 
zal ook zijn naam met eere worden genoemd. 

Thans vragen weer de politieke zaken op Java onze aan- 



iU 



dacht. In 1701 had Van Outhoorn eervol ontslag uit zgne 
hooge betrekking gekregen, doch het duurde nog tot 1704 
voor zijn schoonzoon' Jban van Hoorn (1704 — '09) bereid be- 
vonden werd als zijn plaatsvervanger op te treden. In het- 
zelfde jaar stierf AinaAgkoe-Rat, die opgevolgd werd door 
Adipati-Anom, in de geschiedenis bekend onder den naam 
van Soenan Mas, zeer tegen den zin van vele rijksgrooten 
en inzonderheid van zijnen oom Pangéran-Poeger (blz. 112), 
welke laatste met zijne zonen naar Bagelen uitweek om zich 
later te Semarang onder de hoede van de Compagnie te 
komen stellen. Na ernstig beraad meende de Hooge Regee- 
ring zich niet „uyt de Mataramse belangen te kunnen ont- 
trecken, om het groote nut en interest dat voor de Compagnie 
in Java's oostkust in 't generaal en voor de hooftplaats in 
't bysonder komt te resideren." Zij mengt zich dus in de 
zaken, verklaart zich partij voor Pangéran-Poeger en — de 
eerste Javaansche successie-oorlog, die zooveel bloed gekost en 
ruim vier jaren geduurd heeft, neemt een aanvang. Het groote 
„nut" voor de Compagnie blijft natuurlijk niet uit, maar aan 
Mataram zal de broederkrijg weer nieuwe parelen uit zijne 
keizerskroon kosten! 

Het onweder dat thans over het hoofd van Soenan Mas 
losbarstte, was door hemzelven bezworen. Nog pas op den 
troon had hij zich reeds zoo gehaat gemaakt, dat hij zijne 
vrienden gemakkelijk kon tellen. Het kostte dan ook aan 
Pangéran Poeger weinig moeite om verschillende Javaansche 
en Madoereesche Regenten tot zijne zijde over te halen. 
Toen hem ook nu nog de steun van het leger der Hollanders 
gewerd en mannen als Krul en De Wilde werden aange- 
wezen om de troepen aan te voeren, stond niets hem meer 
in den weg om tegen de residentie van zijnen neef op te 
trekken. Met betrekkelijk weinig moeite werd Kartasoera 
ingenomen (Sept. 1706) en de pretendent, met volle goed- 
keuring van de Hooge Regeering, tot Soesoehoenan, onder 
den weidschen titel van Pakoe-Boewana Sénapati Ligngalaga, 
Abdoerrahman Saïdin Panatagama, uitgeroepen. Het behoeft 



125 



wel geen opzettelijke vermelding, dat de zaakgelastigden van 
de Compagnie ook hun slag sloegen. De nog door den vorigen 
Soesoehoenan verschuldigde oorlogsschatting, tot een bedrag 
van ruim een miljoen rijksdaalders, werd grootmoedig kwijt- 
gescholden, *doch daarvoor zooveel — o. a. geheel Semarang 
— in vergoeding genomen, dat het Hollandsche spreekwoord 
„Waar twee ruilen moet één huilen" ons geen traan be- 
hoefde te kosten. Even grootmoedig liet men voor Pakoe- 
Boewana eene bezetting van tweehonderd man achter, die hij 
voor zijne rekening moest onderhouden en de onzen in staat 
stelden een wakend oog op zijne handelingen te houden. 

Waar was intusschen Soenan Mas gebleven ? Wij vernemen 
het uit een schrijven van den Gouverneur-Generaal aan de 
Kamer van XVII, waarin vermeld staat, dat de ongelukkige 
Vorst, na door Hollandsche en Javaansche troepen achtervolgd 
te zijn, „verder opgeweken was en sig in de bescherming van 
eenige afgesondenen van den Balysen moordenaar Zoura- 
patty begeven (had) en eerlange, zoo wij hopen, sal dood 
loopen." 

Hier vinden wij dus den op blz. 118 genoemden Soerapati 
terug, den man, die in de geschiedenis van Java zulk een 
groote rol speelde en, al zien wij hem ook het zwaard tegen 
onze landgenooten opheffen, verdiend had, dat de Heeren in 
Batavia zich met een weinig meer waardeering over hem 
hadden uitgelaten. In de laatste helft van de zeventiende 
eeuw, toen het eiland Bali jaarlijks duizenden slaven aan de 
Compagnie leverde, onder den naam van Si-Oetitoeng (de ge- 
lukkige!) te Batavia gekomen, was hij daar in dienst geraakt 
van een aanzienlijk Nederlander, dié aanvankelijk zeer over 
hem tevreden scheen, doch later aanleiding vond om het 
strenge recht over hem in te roepen. Si-Oentoeng, sedert be- 
kend geworden als Soerapati, wachtte echter de komst van 
den fiskaal niet af, maar wist in alle stilte de stad te verlaten, 
in wier omstreken hij spoedig eenige rondzwervende Bali- 
neezen en Bantammers aantrof, bij wie hij zich aansloot. 
Onder de laatsten bevond zich zelfs een zoon van den ons 



126 



bekenden Sultan Agoeng, namelijk de Pangéran Poerbaja, 
op wien reeds lang door onze troepen jacht werd gemaakt. 
Aan kapitein Ruys gelukte het althans Soerapati en diens 
Balineezen, onder belofte van pardon en vrijlating uit de 
slavernij, tot onderwerping te brengen. Onhandigheid van 
diens opvolger, Kufifeler, tegenover den Bantamschen prins 
was echter oorzaak, dat Soerapati het gegeven woord ver- 
brak en nu als vluchteling het pad ging betreden dat hem, 
den slaaf, tot den koningszetel voeren zou. De lezer herinnert 
zich den oorlog tegen Troena-Djaja. Behendig weet onze Bali- 
nees van de troebelen in Oost-Java gebruik te maken om 
zich eenen groeten aanhang te verwerven en voor zich in de 
tegenwoordige residentie Pasoeroehan een onafhankelijk vor- 
stendom te stichten, waarover hij op het tijdstip, waarop wij 
nu in de geschiedenis gevorderd zijn, reeds meer dan twintig 
jaren ongestoord het bewind voerde. Te Batavia was men 
woedend. „De rebellen hoop onder den moordadigen Soura- 
patty" is een sprekend voorbeeld „van den roof, moorderijen 
en verdere insolentien" waartoe zulke slaven vervallen, 
schreef de Hooge Regeering, maar Soerapati stoorde zich niet 
aan de Compagnie en bleef rustig op zijn troon zitten. 

Daar komt op een' goeden dag Soenan Mas, de verdreven 
Soesoehoeiian van Mataram, bij hem om hulp aankloppen. 
Was het dankbaarheid voor vroeger in Eartasoera genoten 
weldaden of nieuw opgewekte eerzucht, die Soerapati noopte 
den smeekeling zijne diensten aan te bieden? Niemand weet 
het. Zooveel is alleen zeker, dat hij zich met hai*t en ziel 
de zaak van Soenan Mas aantrok en 't vooral aan hem te 
danken was, dat de Nederlandsche bevelhebbers Krul en De 
Wilde de handen vol werk kregen om het verzet te breken. 
Eerst nadat de „Balyse moordenaar" (in zijn soort toch een 
held) bij de bestorming van het door hem versterkte Bangil 
gewond en kort daarop overleden was, namen de zaken van 
Soenan Mas zulk een ongunstige wending, dat hij 't ten laatste 
geraden achtte zich aan de Hollanders over te geven. Hij 
werd om zijn „onrustig en quaetaardig naturel" naar Ceylon 



127 



verbannen „omme aldaar als een Javaans prins" z\jne verdei-e 
levensdagen door te brengen. 

Het is aandoenlijk te lezen, hoe deze fiere Javaan zich tot 
op het diepst voor de Hooge Regeenng in hare vergaderzaal 
vernederde, hoe hij bad en smeekte om toch maar op zijn 



geliefd Java te mogen blijven. Alles wil en kan hg verduren, 
slechts de ballingschap niet. 3elijk voor alle Javanen was 
ook voor hem de gedachte van buiten zijn vaderland zgn graf 
te zullen vinden, ondragelijk. De deftige vergadering, alleen 
op de rust van Java bedacht, laat zich echter niet vermurwen. 
Een groot gedeelte van Oost-Java, de belangrijkste havens 
aan de noordkust, de handel, de tollen, bgna alles was door 



128 



dezen oorlog in handen der Compagnie gevallen en men mocht 
het bezit daarvan niet moedwillig weer in de waagschaal 
stellen. De gevraagde gunst werd dus niet toegestaan. Het 
eenige Vat men voor Soenan Mas meende te kunnen doen 
was, dat hij als een vorst naar boord werd geleid, terwijl 
„een wimpel ten zijnen respecte van de groote stenge" 
waaien zou. 

Terwijl hij zeilende is, troont Pakoe-Boewana op zijnen 
vorstelijken zetel, den nijd in het hart, maar gedwongen om 
straks met een vriendelijk gelaat, de tweehonderd man te 
inspecteeren, hem door de vrienden in Batavia als lijfwacht 
achtergelaten. De slang nadert meer en meer! 

Kort na het vertrek van Soenan Mas verliet ook Van Hoorn 
het eiland Java, om zijne bijeengebrachte schatten naar Neder- 
land over te brengen. Hij heeft den naam gehad van de rijkste 
Gouverneur-Generaal te zijn geweest. Opvolger was Abraham 
van Riebeeck (1709 — 1713), zoon van den stichter der eertijds 
zoo bloeiende Kaap-kolonie. Onder zijne voorgangers had 
Batavia zich ontwikkeld tot eene flinke Indisch-Hollandsche 
stad, met haar stadhuis, drie kerken, weeshuizen, een arm- 
huis, een rechtbank, een boedelkamer, een apotheek of 
medicinale winkel, eene gevangenis, kerkhoven, aansprekers, 
markten, notarissen, makelaars, landmeters, kortom een 
Amsterdam in 't klein, waar alles, niet 't minst de huisramen 
met hunne kleine ruiten, aan Holland deed denken. De Hooge 
Regeering had een oog zoo voor 't groote als voor 't kleine. 
In 1710 verdeelde zij het verhuren van rouwmantels onder 
twee behoeftige weduwen. Straks verbiedt zij het uitgeven 
van gesnoeide en „meer als ten halven afgeslepen" schellingen 
en dubbeltjes en gelast zij dat diakenen, in de groote Neder- 
landsche Kerk, openlijk rekening en verantwoording zullen 
doen. In 1711 ontving het College van Heemraden machtiging 
om particuliere watergoten bij schaarschte van water te laten 
stoppen. En zoo meer. In dezen tijd bezat Batavia reeds meer 
dan twee duizend huizen, verdeeld over de Jonkerstraat, 
de Bhinocerosgracht, de Heerenstraat, de Tijgersgracht, de 



129 



Lepelstraat, de ütrechtschestraat, enz. Valentijn schat het aan- 
tal bewoners op honderd duizend, maar als hij zal gaan op- 
sommen uit welke bestanddeelen de zeer gemengde bevolking 
was saamgesteld, dan weet hij wel waar te beginnen, doch 
niet waar te eindigen. Voor verdere bijzonderheden verwijzen 
wij naar zijne beschrijving, die zoo uitvoerig is, dat hij ons 
zelfs mededeelt, wat enkele staatsdienaren maandelijks boven 
hun traktement uit 's lands magazgnen genoten. Zie hier, ten 
besluite, de lijst voor een Raad van Indië: 



Wijn 36 kannen 

Brandewijn .... 7 , 

Bier 22 , 

HoUandsche azijn . . 6 „ 

Olijfolie 2 , 

Elapperolie .... 25 „ 

Zout voor de keuken 50 pond 

Tafelzout 4 , 

Waskaarsen .... 48 stuks 
Flambouwen .... 2 , 
Foelie \ 

Noten V ieder . 1 pond 

Nagelen 1 



Peper .... 6 pond 
Rijst. . . . 1575 , 
Padi 75 bossen 


Brandhout . . . 


1 a 2 vadem 


Doof kolen . . . 


la2 . 


Gezouten vleesch 


5 ribbestukken 


y, spek . 4 stukken 
Gedroogde visch. 2 bossen 
HoUandsche boter 27 pond 


Bengaalsche . . 
Poedersuiker . . 


40 . 
30 . 


Kandij .... 


6 , 



Dat de toenemende bloei van Batavia en hare omstreken 
een doorn was in het oog van de Bantammers, behoeft geen 
afzonderlijke vermelding. Voor het uiterlijke bleef de verstand- 
houding anders goed. De Gouverneur-Generaal Van Hoorn 
had zelfs even vóór z\jn vertrek, aan boord van de Eenden- 
burg, nog een mondgesprek met den toenmaligen Sultan Zeïn 
Alabadihn gehad, waarbij het van vriendschapsbetuigingen 
overvloeide. Hoe de vrees voor de Hollanders er in zat, bleek 
echter toen de Sultan „niet zonder ontroeringe ende lustig 
sweten" met het verzoek voor den dag kwam, dat het 
Bantam toch nooit als Mataram mocht vergaan en de Com- 
pagnie zich trouw aan de gesloten verdragen houden zou. 

Ook met Mataram leefden wij in vrede. Rust kende dit 
land evenwel niet. Talrijke benden, aangevoerd door de zonen 

9 



130 



van Soerapati, hadden zich in den Oosthoek genesteld, zonder 
dat de Soesoehoenan er in slagen kon hen tot onderwerping 
te brengen. In Batavia bleef men jaren achtereen kalm toe- 
kijken, totdat nieuwe gebeurtenissen de Hooge Regeering 
noodzaakten om nogmaals handelend tusschenbeide te komen. 

Toen de Engelschen (blz. 87) genoodzaakt waren de west- 
kust van Borneo te verlaten, hadden zij nog een kantoor te 
Bandjarmasin, van waaruit zij eenen vrij levendigen handel 
dreven. In Augustus 1707 werd echter hunne loge aldaar 
door de bevolking in brand gestoken, terwijl slechts enkele 
Engelschen aan den daarop gevolgden moord ontkwamen. 
Natuurlijk niet zonder eenig leedvermaak bij de Hooge 
Regeering, die terstond eene commissie afzond om met don 
Sultan over het monopolie van den handel te spreken. De 
toeleg gelukte grootendeels, maar het vertrouwen in de Ban- 
djareezen was en bleef zoo gering, dat onze kooplieden in last 
kregen om niet aan land te overnachten en alleen aan boord 
van de schepen negotie te doen. 

De Molukken vinden wij nog altijd vleugellam geslagen 
terug. Waar zich nog iets bewoog, daar was de Compagnie 
er terstond bij om de schuldigen te straifen en andere nagel- 
boomen onder hare bijl te doen vallen. Enkele Gouverneurs 
van Ambon gingen zoo streng tegenover de bevolking te keer, 
dat o.a. in 1707 door de Hoofden eene geregelde aanklacht 
tegen v. Wijngaarden en Coyet werd ingediend. Omtrent eerst- 
genoemde deelt Valentijn ons mede, dat hij veel voor de 
Compagnie deed, maar ook zijn eigen voordeel niet vergat. 
„Hij moet wel 100.000 rijksdaalders van hier gevoerd hebben, 
wat zijne erfgenamen wel zullen weten," schrijft hij. Op Banda 
zijn het de kolonisten, die hunnen Gouverneur Van Eps aan- 
klagen, tengevolge waarvan deze ter verantwoording naar 
Batavia werd opgeroepen. 

In den Ternataanschen Archipel had de Compagnie van tijd 
tot tijd recht te spreken tusschen de Sultans van Ternate en 
Tidore, die o. a. ieder een gedeelte van Halmaheira of Djilolo 
in bezit hadden. Anno 1711 liep de twist over eenen weg b^ 



131 



Dodinga op de westkust van dit eiland en, zooals zulks wel 
meer gaat waar twee vechten om een been, het slot van de 
geschiedenis was, dat de streek in vollen eigendom werd af- 
gestaan aan de Compagnie, die er later haar fortje Vrijburg 
bouwde. Wel stribbelde de Sultan van Ternate een oogenblik 
tegen, doch nauwelijks is uit Batavia de aanschrijving gekomen, 
dat hij bij verdere weigering met de wapenen moet gedwon- 
gen worden of ook hij gaf toe. Een paar jaren vroeger had 
dezelfde Gouverneur eene expeditie naar Menado gezonden 
om daar eenige moordenaars te straffen, van welke gelegen- 
heid tevens gebruik was gemaakt om de contracten met de 
Vorsten van Noord-Selebes te vernieuwen. 

Op de twee zuidelijke Schiereilanden van Selebes had de 
Compagnie hare hand in een wespennest gestoken. Het we- 
melde hier — gelijk 't er nu nog wemelt — van afzonderlijke 
staatjes, bij welke kwesties over erfopvolging, grensregeling 
enz. aan de orde van den dag waren. Vooral met Goa en 
Boni had de Regeering veel te stellen. Het schijnt in de jaren 
1705 — 15 zoo druk geloopen hebben te Mangkasar, dat de 
Gouverneur last ontving om „aan de gezanten der Potentaatjes 
niet dan bij hooge noodzakelijkheid geld te leenen." Het op 
blz. 90 genoemde landschap Bontain (Bantaëng) was intusschen 
weer aan de Compagnie vervallen. 

De Westkust van Soematra, waar wij ons in de plaats 
der Atjehers gedrongen hadden, baarde van tijd tot tijd nog 
al zorg. Nadat de Hollanders in 1698 hunne posten te Pria- 
man, Ajer-Hadji en Troesan hadden ingetrokken, begon zich 
daar langzamerhand een geest van verzet te openbaren. In 
het jaar 1702 werd het kantoor te Indrapoera uitgemoord, 
terwijl tegelijkertijd de Regenten van meergenoemd Priaman 
openlijk in opstand kwamen. Onze gezaghebber te Padang 
uitte in zijne brieven de hoop, dat de opstandelingen wel door 
geschenken tot onderwerping zouden te brengen zijn. De Hooge 
Regeering wilde daarvan echter niet hooren „'s Compagnie's 
respect", schreef zij, „moet door de wapenen, geensints door 
geschenken gemaintineerd worden." In overeenstemming hier- 



132 

mede werd er dan ook kort daarop eene expeditie naar de 
Westkust gezonden, waardoor de rust spoedig hersteld was. 

Men moet verbaasd staan over de kracht die de Compagnie 
nog altijd wist te ontwikkelen, niettegenstaande zij op dit 
oogenblik toch reeds doodkrank was. Hare hoofdkwalen waren, 
dat zij te veel hooi op haren vork had genomen en slecht 
gediend werd door hare beambten, bij wie nog altijd het 
eigenbelang zwaarder woog, dan het voordeel hunner Meesters. 
Ook hier op de Westkust ging het niet beter. In 1708 werden 
verscheidene dienaren van de Compagnie naar Batavia opge- 
roepen, om zich daar over hunne knevelarijen en „morshandeP 
te verantwoorden. Het kwaad werd er echter niet door gestuit. 
Wij komen er later op terug. 

Met Palembang stonden wij nog altijd op eenen goeden 
voet. In 1706 was de groote rivier, die door de hofstad stroomt, 
door eenen „kaartmaker" gepeild om te weten te komen, 
welke schepen tot onze loge konden opvaren om daar peper 
te laden. In Djambi begonnen toen reeds de woelingen, die 
ons later zoo dikwijls zullen noodzaken om handelend op te 
treden. Onder Van Riebeek werd er een „taalkundig minister" 
heengezonden, teneinde met de beide opgetreden Sultans een 
nieuw contract te sluiten. De gezant ontving echter nog onder 
weg zijne terugroeping. De resident van Palembang aohtte 
het raadzamer Djambi in diens eigene ingewanden te laten 
wroeten. 

Intusschen had de Regeering van de gelegenheid gebruik 
gemaakt om het vaarwater tusschen Bangka en Belitoeng te 
laten onderzoeken. 

Zoo aan alles denkende, vergat zij niet haar oog te laten 
weiden over Java, de doorn in haar vleesch, die slechts door 
moeielijke operaties te verwijderen was. Dat de zonen van 
Soerapati met den vermaarden prins van Soerabaja nog altijd 
den Oosthoek onveilig maakten, trok zij zich weinig aan. 
Mataram werd daardoor, geheel naar haren zin, voortdurend 
bezig gehouden. Lang zou die onzijdigheid echter niet duren. 

In het jaar 1713 was Van Riebeek overleden en opgevolgd 



133 

door Christoffd van Stool {1713 — 18.) Het was dus nog onder 
diens bestuur, toen in 1717 te Batavia het bericht kwam, dat 
ook de Madoereezen onder Pangéran Tjakraningrat waren 
opgestaan. Byna tegel^jkert^d vet-scheen daar een deftig ge- 
zantschap van den Soesoehoenan met de bede om hulp. Wat 



zou de Hooge Regeering doen? Van twee kanten geprest en 
wetende, dat men op 't oogenblik gebrek heeft aan schepen 
en manschappen, tracht zij eenen middenweg te bewandelen 
door Crobius naar Kartasoera en daarna tot de rebellen te 
zenden, teneinde te beproeven of men met goede woorden 
niet kan bewerken, wat anders het zwaard zou moeten doen. 
Op die wjjze, schrijft Van Swol, „hoopten wü 's Compagnie's 



lU 



faaaktheid nog bedekt te houden en voor beider oogeii të 
onttrekken." Uiterlijk „weltevreden en voldaan** keerden de 
gezanten haar Eartasoera terug, maar als men te Batavia 
dacht, dat daarmede de zaak was afgemaakt, dan vergiste 
ineh rich zeer. Nog in het begin van 1718 zagen de onzen 
fcich verplicht eene troepenmacht onder Gobius en De Chavonnes 
naar Soerabaja en Madoera uit te zenden. De Compagnie, wij 
merkten 't vroeger reeds op, moest vooruit of zij wilde of 
niet. 

Madoera was spoedig onderworpen. Pangéran Tjakraningrat 
kwam zich weldra met zijn gevolg aan boord van de Oestgeest 
in handen van De Chavonnes stellen, onder verklaring dat hij 
altijd een vriend van de Compagnie geweest was, daarbij 
echter vergetend, wat zijne vrouw later uitbracht, dat hij den 
sultan van Bantam honderd lasten rijst beloofd had, als deze 
hem helpen wilde. Terwijl nu de Nederlandsche bevelhebber 
met den prins en den scheepsraad in de kajuit zit te beraad- 
slagen, ontstaat er op het dek, bij de aankomst van nog 
andere Madoereezen, een paniek en liet het geroep van „amok" 
zich hooren. In een oogenblik zijn er vier dooden gevallen 
en daaronder ook De Chavonnes met Tjakraningrat, welke 
laatste, aan verraad denkende, ook terstond de kris getrokken 
had. De overwinning had ons dus op 't laatste oogenblik een 
dapper aanvoerder gekost. In zijne plaats trad „de oude Hans 
Frederik Boogman" op, die echter niet zoo bejaard was of 
hij wist zonder veel moeite ook Soerabaja ten onder te brengen, 
waardoor althans het gebied van de Compagnie van vijanden 
gezuiverd was. De Mataramsche hulptroepen waren ook nu 
weer meer tot last dan tot steun geweest. 

Kort na deze overwinning stierf Van Swol en trad Hendrik 
Zwaardekroon (1718 — 26) als Gouverneur-Generaal op. Deze 
kreeg terstond de handen vol werk, waar Pakoe-Boèwana als 
een afgeleefde grijsaard, suf „dat men twijfelde of hij van 
tijd tot tijd het boekje niet kwijt was" door zijnen kraton 
rondliep. Hij had echter nog heldere oogenblikken genoeg om 
op te merken, hoe er achter zijnen rug een hofintrige op touw 



136 



werd gezet, waarvan zijne eerste vrouw, gewoonlijk kortweg 
de Ra;toe genoemd, de ziel was en die ten doel had om een 
ander dan den oudsten piins op den troon geplaatst te krijgen. 
De Hooge Eegeering zond nogmaals Gobius naar Kartasoera, 
ten einde zich op de hoogte van den stand van zaken te 
stellen. Het schijnt echter, dat deze zich ook door de listige 
Ratoe in haar net had laten vangen, zoodat zijne zending op 
niets uitliep en hij zelfs zonder bekomen verlof naar Semarang 
terugkeerde. Pakoe Boewana bezat drie zonen, de prinsen 
Mangkoe-negara, Blitar en Poerbaja, waarvan eerstgenoemde 
de wettige opvolger was. De Ratoe had echter meer op met 
prins Poerbaja, terwijl Blitar meende te weten dat zijn vader 
hem tot plaatsvervanger had aangewezen. 

Zoo stonden de zaken toen Pakoe-Boewana op den 22®'^ 
Februari 1719, nog spoediger dan men verwacht had, het 
tijdelijke zegende en, eigenlijk door niemand betreurd, ten 
grave gedragen werd. Thans braken de partijen los en neemt 
de Tweede Javaansche successie-oorlog een aanvang, die tot 
1723 duurde en zoowel aan Mataram als aan de Compagnie 
veel geld en menschenlevens gekost heeft. De Hooge Regeering 
te Batavia, geheel op de hand van Mangkoe-Negara, die dan 
ook onder ' den naam van Mangkoe-Rat II zijns vaders zetel 
beklom, zond onmiddellijk den Admiraal Brinkman naar Karta- 
soera om de andere pretendenten tot rede te brengen. De 
prinsen Blitar en Poerbaja hadden intusschen eenen groeten 
aanhang geworven, die straks tot een volslagen leger aan- 
groeide, waarmede zg hunnen broeder in diens rechtmatig 
bezit kwamen bedreigen. Hoewel het, gelijk wij boven zagen, 
lang duurde, slaagde Brinkman's opvolger, de oude Bergman, 
er toch ten laatste in de weerspannigen ten onder te brengen 
en daardoor een einde te maken aan eenen broederkrijg, die, 
zonder onze tusschenkomst, geheel Java in rep en roer zou 
hebben gebracht. Pangéran Blitar stierf in 1722 te Madioen, 
terwijl zijn broeder Poerbaja levend in onze handen viel en 
naar Ceylon verbannen werd. Tegelijk met hem vertrok een 
der zonen van Soerapati als banneling naar de Kaapkolonie, 



m 



Waar reeds een broeder van dezen zeker lang tot de overtuiging 
gekomen was, dat er met de Compagnie niet te spotten viel. 
Misschien vraagt de lezer nu nog hoe het met de Ratoe is 
afgeloopen? In dit geval deelen wg hier nog even mede, dat 
de werkelijk verstandige zoon, om haar stil te houden, al de 
erfgoederen zijns vaders te harer beschikking stelde, terwijl 
hij het zich later ook geduldig liet welgevallen, dat zij opnieuw 
eenigen invloed op de staatszaken uitoefende. 



VIJFDE HOOFDSTUK. 

1723-1756. 

/S^ M, zooals wij in den aanvang beloofden, de vele en veler- 
^^ lei gebeurtenissen uit de geschiedenis der Nederlanders 
zoo te verhalen, dat de lezer een duidelijk beeld van het ge- 
heel verkrijgt, moesten wij in het vorig hoofdstuk een be- 
langrijk feit verzwijgen, dat wij thans willen mededeelen. 
Men vergunne ons daartoe een tweetal jaren op onze schreden 
terug te keeren, en wel naar 1721, toen het lot van Batavia 
en daarmede wellicht van de geheele Oost-Indische Compagnie 
een oogenblik aan een zijden draad gehangen heeft. Ziehier 
de zaak. Tegen het einde van genoemd jaar meende de 
politie eene buitengewone beweging onder de talrijke slaven 
en andere vreemdelingen in de hoofdstad waar te nemen. 
Verdacht was ook de omstandigheid, dat herhaaldelijk „uit 
de zuider voorstad voetzoekers op het kruidhuis binnen het 
fort Zeelandia werden afgeschoten." Eenmaal tot waakzaam- 
heid aangespoord, kwam de Regeering al spoedig tot de ont- 
dekking van eene enorme samenzwering, welke ten doel 
had den Gouverneur- Generaal met al de overige Europeanen 
en inlandsche Christenen te vermoorden, de stad in brand te 
steken en op hare puinhoopen eefti nieuw, zuiver Javaansch 
rijk te stichten. Voor de uitvoering van dit boosaardig plan 
was de eerste Januari 1722 aangewezen. Hoofdaanlegger 
bleek te zijn de negen-en-vijftigjaiïge Pieter EWerfdd, zoon 
van eenen Duitschen vader en eene inlandsche moeder, een 



Vermogend burgef, wiens erf op den Jakatraschen weg, dicht 
bij de woDÏng van den Gouverneur-Generaal Zwaardekroon, 
gelogen was. Juist drie dagen vóór Nieuwjaar werd deze half- 
bloed Europeaan, die bg het welgelukken van het plan RijkB- 
bestierder van Batavia zou worden, in hechtenis genomen en 



I 

I op de pijnbank tot bekentenis gebracht. Uit het nu verder 

ingesteld onderzoek bleek, dat de saamgezworenen over eene 
aanzienlijke macht te beschikken hadden en vele mohame- 
daansche priesters de hand in het komplot hadden. Zelfs 
werden Javaansche vorsten als medeplichtigen aangewezen. 
Het spreekt vanzelf, dat de slraf niet uitbleef. Met Elber- 
feld werden in April daaraanvolgende nog vijf-en-dertig mannen 



lég 



én drie vrouwen ter dood veroordeeld. De wijze, waarop het 
vonnis aan enkele van deze raddraaiers voltrokken werd, 
levert ons eene belangrijke bijdrage tot de kennis van de 
rechtspleging, zooals die toen ter tijd onder onze vroede en 
godsdienstige landgenooten gebruikelijk was. Wij laten Valen- 
tijn vertellen: „Den 22 April wierd een mixties, genaamd 
Pieter Elberfeld en een Javaan, Cartadria, alias Raden ge- 
naamd, met gloejende tangen 't vleesch op zes plaatsen uit 
het lijf genepen, de regterhand afgekapt, 't hart uit het 
lichaam gehaald en in 't aangezicht geslagen, 't hoofd af- 
gehouwen, vervolgens gevierendeeld en de stukken en hoofden 
buiten de stad op verscheidene plaatsen tot een schrik en 
voorbeeld voor anderen opgehangen. Vier Javanen wierden 
mede met gloejende tangen, als boven, genepen, de rechter- 
hand afgekapt, maar levendig naar buiten gebracht" enz. 
Bovendien werd het huis van Elberfeld op hooger last om- 
vergehaald en op de plaats een blauwe steen opgericht, 
waarop in het Nederlandsch en Javaansch deze woorden ge- 
beiteld werden: uit eefie verfoeidijke gedcuMenis tegen den ge- 
straften landverrader, Pieter Elberfeld, zal niemand vermogen 
te dezer plaatse te bouwen, timmeren, metselen of planten, nu 
of ten eenigen dage, Batavia den 22 April Ao. 1722. Bedoelde 
steen is nu nog in de wijk Jakatra aanwezig. 

In dezelfde maand April werd te Batavia eene andere 
samenzwering ontdekt, nu niet tegen het leven der inwoners, 
maar tegen de eigendommen der Compagnie. Het kwaad zat 
hoofdzakelijk bij de europeesche kwartiermeesters, die belast 
waren met het laden en lossen der schepen en zich door den 
vroeger door ons besproken „morshandel" trachtten rijk te 
stelen. Een ingesteld onderzoek bracht de schuld van niet 
minder dan zes-en-twintig ambtenaren aan het licht, die krach- 
tens de daaromtrent bestaande strenge bepalingen eenvoudig 
met den dood gestraft werden. Dat er voor oneerlijke beambten 
genoeg te stelen viel, kan blijken uit eene opgave uit het 
jaar 1727, waarin wordt medegedeeld, hoe binnen enkele 
maanden alleen uit Tjeribon en de Preanger-Regentschappen 



140 

te Batavia werden aangevoerd: 2075B00 pond kofl&eboonen; 
920000 pond rijst; 74375 pond katoenen garens; 15600 pond 
indigo; 17626 pond zwarte peper; 11106 pond lange peper; 
200 kan aardolie; 26375 pond zwavelaarde, enz. 

Wij keeren thans tot onze geschiedenis terug. Op den 8^^ 
Juli 1725 had Zwaardekroon, onder- wiens bestuur de zijde- 
teelt op Java was ingevoerd, de plaats geruimd voor Mattheus 
de Haan (1725 — 29), destijds Directeur-Generaal van den 
handel. Zoolang deze aan het bewind was, bleef het op Java 
vrij rustig. Alleen kwam er een klein wolkje aan den poli- 
tieken hemel, toen in April 1726 de Soesoehoenan zeer 
onverwachts kwam te sterven, terwijl het gerucht ging, 
dat een zijner Regenten hem zou hebben doen vergiftigen. 
Een deswege ingesteld onderzoek bracht spoedig het leugen- 
achtige van het uitgestrooid verhaal aan het licht. Bovendien 
roerde zich niemand, toen de zestienjarige Adipati Anom, 
onder den naam van Pakoe-Boewana II den troon zijns vaders 
beklom. Nog minderjarig zijnde, plaatste men hem onder 
voogdijschap van den Rijksbestierder Danoe-redja, een geslepen 
Javaan, die in 1728 aan het hoofd van een deftig gezant- 
schap zijne opwachting te Batavia kwam maken, zich daar 
allervriendelijkst en allerbeleefdst aanstelde, maar tevens 
al de fijne diplomatie van eenen ontwikkelden Inlander te 
baat nam om de Hooge Regeering zand in de oogen te 
strooien. Wij vinden hem later terug. 

Ook met Bantam duurde de goede verstandhouding, voor 
het uiterlijke althans, voort. In October 1727 werd van 
Batavia eene kleine troepenmacht uitgezonden om den sultan, 
die met eenige prinsen in openbaren strijd geraakt was, de 
behulpzame hand te bieden. De Rogeering had dezen dienst 
met het oog op den peperhandel niet willen weigeren, niet- 
tegenstaande het protest van het lid uit den Raad van Indië 
Durven j die meende dat daartoe in 't geheel geen termen 
bestonden. Of 't nu dit verzet was of iets anders, zeker is 
't dat de man zich veel vijanden gemaakt heeft, die het 
straks op zijnen ondergang zullen toeleggen. Nog durft men 



141 



hem niet aan. In 1729, bij het overlgden van De Haan, wordt 
Mr. Diderik Durven (1729 — 32) zelfs tot Gouverneur-Generaal 
gekozen. Hij heeft echter in die betrekking nog maar weinig 
voor de Compagnie kunnen verrichten, toen op eenmaal de 
tijding te Batavia aankwam, dat de Kamer van XVII den 
landvoogd van zijnen eed ontslagen had, met last hem met 
de eerste retourvloot, buiten dienst en gage naar Holland op 
te zenden. Bij hetzelfde besluit werden drie andere leden 
van de Hooge Regeering, onder wie de Directeur-Generaal 
Cornelis Hasselaar, twaalf ondergeschikte ambtenaren en vijf 
vrouwen, allen zonder gcige of commando^ ter verantwoording 
naar het vaderland opgeroepen. 

Het is moeielgk na te gaan, wat de eigenlijke reden van 
deze onverwachte oproeping mag geweest zijn. Men moet 
aannemen, dat het Opperbestuur in Holland door brieven uit 
Indië was ingelicht omtrent onrechtmatige handelingen door 
bedoelde personen, ieder in zyn of hare betrekking, verricht. 
Het was en bleef in . elk geval een buitengewoon krasse 
maatregel, die niet naliet groeten indruk te maken, aan het 
prestige van den Gouverneur- Generaal schade toebracht en 
weinig geschikt bleek om de eensgezindheid onder de leden 
der Hooge Begeering, welke op dit oogenblik veel te wenschen 
overliet, te herstellen. Dat ondervond de nieuw opgetreden 
landvoogd Dirk van Cloon (1732 — 36), die reeds het volgend 
jaar genoeg had van al die „onsmakelijke querellen, die be- 
quaem zijn alle brave mannen, welke geen ander doel hebben 
dan God, hun meesters en alle raisonable menschen genoegen 
te doen, een afschrik te doen krijgen van eenen arbeid, daar 
hij onder zuchten moet." Hij vond voor zijne verzuchting 
eenige vergoeding in het feit, dat onder zijn kortstondig be- 
stuur twee belangrijke traktaten, een met Mataram en een 
ander met Bantam, gesloten werden, die het aanzien der 
Compagnie op Java aanmerkelflk verhoogden. Wfl komen 
hierop later terug, nadat wij vooraf andermaal een kijkje op 
de Buitenbezittingen genomen hebben. 

Gaan wij het eerst naar Banda, weleer het pronkjuweel 



142 



der Compagnie, thans mooi op weg om een lastpost te worden. 
In het jaar 1627 schenen de zaken hier zoo slecht te staan, 
dat de Regeering niemand kon vinden om het Gouverneur- 
schap op zich te nemen, zoodat een ondergeschikt persoon 
met het bestuur moest worden belast. Ook tot deze eilanden 
was de „morshandel" doorgedrongen, waarom in 1736 de 
plakkaten daartegen moesten worden vernieuwd. Als curiositeit 
deelen wij hier mede, dat de „vergunning" reeds in 1729 
op Banda bestond, in welk jaar aan de perkeniers, die 
met hunne specerijen slechts . een matig bestaan verdienden, 
met uitsluiting van ieder ander, werd toegestaan arak, 
toenmaals de gewone drank in Indië, te verkoopen, mits zij 
voor iedere „kroeg" vier rijksdaalders per maand aan de 
Compagnie opbrachten. De politieke rust werd overigens hier 
niet gestoord. 

Dit laatste gold ook van de Ambonsche eilanden, waar de 
Compagnie zonder stoornis voortging hare „extirpatie"-(uit- 
roeiings)woéde bot te vieren, zoo zelfs, dat ze eindelijk tot 
de ontdekking kwam meer nagelboomen te hebben laten ver- 
nielen, dan voor hare geldelijke belangen dienstig was. Zij 
zag zich nu zelfs gedwongen hier en daar nieuwe boomen 
te doen aanplanten. Middelerwijl werden hier ook proeven 
genomen met de kuituur van koffie, indigo en cacao, die wel 
eenig resultaat opleverde, doch niet verhinderen kon, dat de 
zoo gewelddadig gekeerde welvaart der bevolking kwijnende 
bleef. De terugslag deed zich zelfs gevoelen op de europeesche 
burgers en inlandsche Christenen van Ambon, die vroeger bij 
bruiloften als anderszins zulke groote weelde ten toon spreidden, 
dat de Hooge Regeering het van haar plicht rekende daar- 
tegen eenen dam op te werpen. In het jaar 1728 werden de 
bestaande verbodsbepalingen echter opgeheven „doordien 
dWmoede dei* Amboineezen diergelijke weelde genoegzaam 
van zelfs kwam te verbieden." 

In de tegenwoordige Residentie Ternate hielden de inlandsche 
potentaten zich trouw aan de met hen gesloten traktaten, 
zoodat de Compagnie al hare aandacht aan den handel kon 



143 



wijden en nog tijd vond om het Papoesche eiland Salawatiin 
kaart te laten brengen (1734). 

Op Zuid-Selebes bleven de onderlinge twisten tusschen de 
afzonderlijke staatjes (blz. 91) voortduren. In het jaar 1730 
was het Gouvernement van Mangkasar er in geslaagd het 
Boengaaisch traktaat (blz. 91) vernieuwd te krijgen, ten 
gevolge waarvan het zich een tijdlang buiten den strijd kon 
houden. Toen echter Ao. 1738 een zekere Bontoe Langkasa 
de stoutheid zoover dreef van onze bondgenooten in Boni 
en Goa den oorlog aan te doen en zelfs ons fort Rotterdam 
te bedreigen, kon de Regeeiïng zich niet langer onzijdig 
houden. Aan den Gouverneur Smout, die later voor zijne 
gewichtige diensten den titel van Admiraal en Veldoverste 
ontving, gelukte het de opstandelingen van Mangkasar te 
verdrijven en daarna beide genoemde rijken uit hunne handen 
te verlossen. In Goa heerschte toen eene vorstin, die in 1739 
haren broeder tot mederegent aanstelde, op voorwaarde dat 
deze de mannen en zij de vrouwen zou regeeren! 

Met het verraderlijke Banjarmasin kon de Compagnie maar 
niet op een' goeden voet komen, en zeker had zij deze plaats 
voor goed den mg toegekeerd, als niet de vrees voor eene 
Engelsche neerzetting en de zorg voor het. dierbare mono- 
polie haar weerhouden hadden. Toch sloeg zij in 1723 eene 
uitnoodiging van den sultan om den peperhandel te hervatten 
van de hand „als eene moordadige en trouweloo^e natie 
zijnde." Later kwam zij echter weer op haar besluit terug en 
werd er in 1734 een contract gesloten, waarbij de Hooge 
Regeering zich verbond om Bandjarmasin tegen alle vijanden 
te water en te land te beschermen, onder voorwaarde dat 
alle landsproducten tegen eenen matigen prijs aan de Hol- 
landers zouden worden verkocht. Erg hartelijk is de verhou- 
ding echter nooit geweest. 

In Palembang ging het gaandeweg beter. Terwijl de handel 
met dit rijk en de onderhoorige eilanden toenam, vermeerderde 
ook onze invloed in de binnenlandsche aangelegenheden. In 
het jaar 1727 zond de Regeoring te Batavia eene expeditie 



144 



onder den commissaris Oostwalt naar Palembang uit, om den 
Sultan in diens strijd tegen den oproerigen Pangéran Dipati 
Anom bij te staan. 

Keeren wij thans tot Java terug. Boven maakten wij met 
een enkel woord melding van twee belangrijke traktaten 
aldaar onder Van Cloon gesloten. Het eerste gold Bantam, 
waar nog altijd de op blz. 129 vermelde Sultan Zein Alabadihn 
op den troon zat. Deze vorst, naar het schijnt een zeer gril- 
lig heerschap, had in 1723 zijnen oudsten zoon en vermoede- 
lijken opvolger in een amok verloren. Allerlei hofintrigues 
waren hiervan het gevolg, zoodat in het jaar 1731 de erf- 
opvolging nog altijd moest geregeld worden en eindelijk de 
tusschenkomst van de Hooge Regeering noodig was om Pan- 
géran Mangala tot wettigen kroonprins te verhefifen. De Sul- 
tan sloot bij deze gelegenheid eene leening bij de Compagnie 
van dertig duizend rijksdaalders, renteloos, maar ten koste 
van een nieuw traktaat, waarbij niet alleen belangrijke han- 
delsvoordeelen bedongen werden, maar ook eigendomsover- 
dracht plaats had van het uit ons eerste hoofdstuk bekende 
eiland Pandjang, dat wel klein en onbeduidend was, doch 
als sleutel tot de Baai van Bantam voor de slimme Heeren 
in Batavia groote waarde bezat. Twee jaren later (1733) 
stierf de Sultan en werd opgevolgd door bovenvermelden 
kroonprins, die onder den naam van Aboe'l Fatachi Mohammed 
Safei DjainoeU Arifin de regeering aanvaardde. De Gouverneur- 
Generaal Van Cloon liet zich door het lid in den Raad Blom 
bij de kroning vertegenwoordigen, welke regeerings-commissaris 
tevens in last had met den pas opgetreden Sultan de oude 
traktaten te vernieuwen en een ander te sluiten, waarbij 
het monopolie van den peperhandel voor goed in onze handen 
viel. In deze overeenkomst waren ook de Lampongs op Soematra 
begrepen, waar, tot zekerheid dat de bevolking haar product 
uitsluitend naar Bantam zou afschepen, in 1738 in de buurt 
van Toelang-Bawang door de onzen een fort werd gebouwd, dat 
in den boekhouder De Klerk zijn eersten „Resident" ontving. 
Het weerstandsvermogen van Bantam begint reeds af te nemen! 



145 



Het tweede door ons bedoelde traktaat werd met Mataram 
gesloten, het rijk van Pakoe-Boewana II, dien wij in 1726 
onder voogdij van den Rij ksbes tierder Danoe-Redja den 
troon zagen bestijgen. Naar het schijnt hield deze de teugels 
van het bestuur nog al strak gespannen, wat hem natuurlijk 
vele vijanden bezorgde, die niets onbeproefd lieten om hem, 
toen eenmaal de jonge vorst zelf de regeering aanvaard had, 
ten val te brengen. Straks weten zij den Soesoehoenan zoo 
te bewerken, dat deze zijnen voormaligen voogd prijsgeeft en 
achter de schermen er toe meewerkt om den Rijksbestierder 
uit den weg te ruimen. Alles wordt zoo stil mogelijk gehouden. 
Toch komt de zaak ter oore van de Hooge Regeering te 
Batavia, die zich haast aan Danoe-Redja te doen weten, dat 
ze hem zeer genegen is en hij niets te vreezen heeft. Steunende 
op deze belofte, laat de Rijksbestierder zich dan ook in 1733 
zonder vrees door zijnen vorst naar Semarang afvaardigen, 
quasi om hier de jaarlijksche aflevering van rijst te doen, 
maar feitelijk om er zonder voorafgaande waarschuwing door 
de Hollanders gevangen genomen te worden. De sluwe 
diplomaat scheen er niets van bemerkt te hebben, dat zijn 
keizerlijke Meester eene geheime briefwisseling met den 
Nederlandschen Commissaris te Semarang, Coyett, onderhield, 
en die twee den strik gespannen hadden, waarin hij zoo 
argeloos geloopen was. Zoo spoedig mogelijk werd Danoe- 
Redja onder escorte van 12 europeesche soldaten naar Batavia 
gezonden, vanwaar de Hooge Regeering hem naar Ceylon 
verbande, om er het getal gevallen grootheden weder met 
eene te vermeerderen. 

Aangezien de zoo even genoemde Coyett lid was van den 
Raad van Indië, ligt het voor de hand dat het Bestuur te 
Batavia in het komplot is geweest, waardoor zijne verklaring 
aan Danoe-Redja, dat het hem zeer genegen was en hij niets 
te vreezen had, een donkere schaduw werpt op de beginselen, 
waarnaar de zaken der Compagnie in dien tijd geregeld 
werden. Tegenover het Opperbestuur in Holland verdedigden 
de Gouverneur-Generaal en Raden zich met de mededeeling, 

10 



146 



dat de Soesoehoenan op nadrukkelijke wijze had te kennen 
gegeven, dat het voor de rust in zijn land dringend noodig 
was den ouden dienaar te verwijderen. Zij zelven hadden 
medelijden met Danoe-Redja, wat ieder wel zal gelooven, die leest 
wat Van Cloon aan de Heeren XVII schrijft: „Het is niet 
te denken, dat hij dit zijn ongelukkig noodlot lange overleven 
zal, als zynde een man, die reeds in de sestig jaren is 
geanvanceert en op wie dus naer gedagten dese considerable 
veranderinge van plaets, climaet en levenswyse, nog al meer 
vat hebben zal, als men hier reeds aan hem heeft kunnen 
bespeuren, hoewel men hem door een civiele en gratieuse 
behandelinge gedurende den tyd zynes aanwesens alhier zijn 
ongeluk zooveel mogelijk heeft soeken te verligten en omtrent 
zijn transport, door 't opruymen van de cajuyt en de noodige 
recommandatie aan de scheepsoverheden tot een civiel en 
discreet tractement aan boord, alle mogelyke commoditeyt 
toe te brengen." Zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk! 

Pakoe Boewana II had dus zijn zin gekregen. Als hij echter 
meende hiermede van Frederik Julius Coyett af te zijn, ver- 
giste hij zich zeer. Deze is er terstond bij om den Soesoe- 
hoenan een nieuw traktaat te doen teekenen, waarbij de 
vroegere overeenkomsten worden bevestigd en Mataram zich 
bovendien verbindt om jaarlijks tien duizend Spaansche rejalen 
van zijne schuld af te doen en gedurende vijftig jaren in 
eigen vaartuigen duizend kojang of dertig duizend pikoel 
goede en deugdzame rijst naar Batavia te laten overbrengen. 
Ook verplicht hij zich schriftelijk om beter voor onze bezet- 
ting te Karta-Soera zorg te dragen „zoo lange de Compagnie 
deselve tot Sijn Majestijts securiteyt gelieft te vergunnen." 
Evenals zijne voorgangers ondervond hij, dat zijne helpers 
zich peperduur lieten betalen. En nog hadden zij hun laatste 
woord niet gesproken! 

Van Cloon stierf den 10®^ Maart 1736 en werd opgevolgd 
door Abrahmn Patras (1735 — 37). Onder zijn bestuur werd 
Batavia, „de beste paerle aan de kroone van de Nederland- 
sche mogendheid in Indië," gelijk Van Imhoflf de stad later 



147 

noemde, door eene ziekte geteisterd, waarin wij de later zoo 
algemeen bekend geworden cholera meenen te herkennen. 
Burgers en soldaten vielen bij tientallen als slachtoifers. 
Dagelijks hadden er verscheidene begrafenissen plaats van per- 
sonen „die zeer subyt" gestorven waren „tot een beklaaglijk 
verval van dese colonie in 't generaal en merkelyeke dimi- 
nutie van onse militie en zeevaart in 't byzonder." De epidemie 
scheen vooral onder de ambachtslieden en militairen te woeden, 
van wie „veele niet alleen dagelyks ten grave gerukt werden, 
maat' ook andere, soo op de drilplaatsen als andersints, in 



Abraham Patraa. Adriaan Valckeaier. 

flauwtens en onmagt kwamen te vallen, sonder dat men, bufjten 
de blijkbaarheid van de slaande hand Grods, eenige fundamen- 
teels redenen van dese bedroefde onheylen wist uyt te den- 
eken." In hoeverre de „extraordinaire soopjes" aan het volk 
uitgedeeld en waarvan de chirurgijns verklaard hadden dat 
ze „mogelijk van veel nut zouden kunnen wesen," gunstig 
gewerkt hebben, kunnen wij den lezer niet mededeelen. Ook 
vonden wij nergens vermeld aan welke ziekte de Gouverneur- 
Generaal Patras in den nacht van 2 en 3 Mei van bet jaar 
1737 gestorven is. Een paar maanden voor zijnen dood had 
hij nog gelegenheid gehad met den Soe$oehoenan eene 



148 



schriftelijke overeenkomst aan te gaan, waarbij de justitie, door 
beide partijen over Javanen en vreemdelingen uit te oefenen, 
behoorlijk geregeld werd. 

En thans zien wij in onze geschiedenis een man op het 
tooneel verschijnen, wiens naam in Indië eene treurige ver- 
maardheid verkregen heeft, verbonden als hij is aan feiten, 
die een oogenblik gedreigd hebben het gansche gebouw onzer 
macht, zoo kunstig opgericht, ineen te doen storten. Wij be- 
doelen Adriaan Valckenier (1737 — 41) en denken aan den 
„opstand der Chineezen", door anderen „de moord op de 
Chineezen" genoemd, waarbij duizenden gestaarte zonen van 
het Hemelsche Rijk het leven verloren hebben, terwijl uit 
hunne graven een opstand geboren is, zooals Java er geen 
tweeden gekend heeft. 

Ons bestek gedoogt al weer niet, lang bij deze „bloedvlek" 
uit het jaar 1740 stil te staan. Daarom slechts enkele bijzonder- 
heden. Sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag op 
Java, waardoor langzamerhand op verschillende plaatsen 
nieuwe, betere toestanden geboren werden, die onder het 
despotisch bestuur der Javaansche vorsten tot de ongekende 
dingen behoorden, waren tal van arme Chineezen naar Batavia 
en elders overgestoken om er als handelaars, fabrikanten, 
ambachtslieden enz. hun brood te zoeken. De stroom werd 
weldra zoo sterk, dat de Hooge Regeering plakkaat op plak- 
kaat moest uitvaardigen om nieuwen toevoer tegen te gaan. 
Eigenbelang van den kant der Compagnie was echter oorzaak, 
dat men op die nijvere en onvermoeide arbeiders, die voor 
de ontwikkeling der cultures bijzonder goed te gebruiken 
waren, een indisch spreekwoord: „los laten, maar bij den 
staart vastgrijpen" toepaste, zoodat straks, onder Zwaardekroon, 
de deuren weer wagenwijd voor hen werden opengezet. Het 
aantal Chineezen werd nu echter te Batavia en in de zoo- 
genaamde Bovenlanden weldra zoo groot, dat de Gouverneur- 
Generaal zich beangst begon te maken en opnieuw tot strenge 
maatregelen zijn toevlucht nam. In het begin van het bestuur 
van Valckenier werden tal van Chineezen eenvoudig opgepakt 



i4d 



en naar de E[aap verbannen. Kwaadwilligen strooiden het 
praatje uit, dat 't met die verbanning niet zoo gemeend was, 
maar dat de slachtoffers eenvoudig, zoodra zij in zee waren, 
overboord geworpen werden. Hoe onwaar ook, het verhaal 
vond geloof en bracht zulk eene groote ontsteltenis onder de 
Chineezen buiten Batavia te weeg, dat zij te hoop liepen om 
zich in staat van tegenweer te stellen. Na korte besprekingen 
werd besloten zich als éen man te vereenigen, alle Hollanders 
te vermoorden en zich van Batavia meester te maken. 

In de stad was 't intusschen rustig geheven. Zoodra hier 
echter de tijding kwam, dat eene zeer talrijke bende de ver- 
schillende HoUandsche plantages afgeloopen had en nu onder 
haren aanvoerder Taij Wansoei Oei („de groote majoor"), 
tegen Batavia oprukte, sloeg de schrik een ieder om het hart. 
De oogen der burgers waren op de Hooge Regeering gericht, 
die echter in deze hachelijke omstandigheden tot geen besluit 
kon komen. Alleen werd goedgevonden eene troepenafdeeling 
tegen de opstandelingen uit te zenden, welke troepen aan- 
vankelijk wel eenig voordeel op hen behaalden, maar ten 
slotte het veld ruimen en den weg naar de hoofdstad open 
moesten laten. Nu was goede raad duur. De verwarring in 
den Raad en onder de burgers nam nog toe, toen het bleek, 
dat Taij Wansoei Oei eenen brief aan den Kapitein der 
Chineezen binnen Batavia geschreven had, waarin de uit- 
noodiging voorkwam om zich met zijne landgenooten te ver- 
eenigen. Wat moet er van de Hollanders worden als Toalang, 
zoo heette de Kapitein, zich bij de oproerige menigte daar- 
buiten aansluit? 

Zoo vroeg men elkander af en niemand die hardop het 
antwoord durfde geven. In de vergadering van Gouverneur- 
Oeneraal en Raden was men radeloos en, zouden wij er haast 
bijvoegen, redeloos. Ieder had iets te zeggen, doch niemand 
wist een middel aan de hand te doen om het dreigend ge- 
vaar te keeren. Aan woordenstrijd geen gebrek. Ten laatste 
wierp Valckenier — men schreef toen 9 October — als ter 
loops de vraag in het midden der bijeenkomst „of het voor 



de veiligheid der dienaren van de Compagnie niet noodzakelijk 
was de stad van de Chineezen te ruimen" ? waarop echter 
alle aanwezigen het stilzwijgen bewaarden. Alleen de Bataviasche 
burgerij gaf antwoord. Nog dien eigen dag brak er een 
hevige brand uit in de Ghineesche wijk, en als bij afspraak 
stormden onze landgenooten met hunne slaven op de Chineezen 
los, die, weinig op zulk eenen aanval verdacht, zich niet 
konden verdedigen en bij tientallen wreeddadig werden om- 
gebracht. Het moorden en plunderen hield, onder de oogen 
der Regeering, drie volle dagen aan. Zelfs de gevangenen in 
de boeien en de zieken in het hospitaal werden niet gespaard. 
Men berekent dat in dien tijd ongeveer tien duizend slacht- 
offers gevallen waren, terwijl het aantal uitgeplunderde en 
omvergehaalde huizen meer dan zeshonderd bedroeg. Na 
dezen moord, want anders kunnen wij het niet noemen, trad 
het Bestuur handelend op, door de buiten Batavia gelegerde 
en in hunne verwachting teleurgestelde Chineezen terug te 
drijven en gedeeltelijk uit elkander te slaan. Batavia was 
gered. Reeds op den 15®^ November kon een algemeene 
boete-, dank- en bededag worden uitgeschreven, waarop in- 
zonderheid moest worden gedankt voor de verlossing „uit 
de gevaarlyke en tot een finale rebellie overgeslagene be- 
roertens onder de Chineese natie." Ter eere van onze land- 
genooten zij herhaald, dat zij ditmaal ook de „boete" niet 
vergaten ! 

Intusschen had het muisje een staartje. En een leelijk ook. 
Eerst in den boezem der Hooge Regeering, van wie niemand 
de schuld van het gebeurde wilde dragen, terwijl over en 
weer de hevigste verwijtingen werden gedaan. Vooral de 
Gouverneur-Generaal Valckenier en Van Imhoff stonden scherp 
tegenover elkander. De slotsom was, dat nog vóór het einde 
van 1740 laatstgenoemde met nog twee andere leden van 
den Raad, De Haze en Van Schinne, in militair arrest gesteld 
en eene maand later, ieder op een afzonderlijk schip, naar 
Holland gezonden werden. 

Hiermede was, meende men, de zaak onder de hooge Heeren 



161 



a^emaakt. Men rekende daarbg echter buiten de £amer van 
XVII, die aan de drie gevangenen gelegenheid gaf zich te 
verdedigen en weldra zoo van hunne onschuld overtuigd was, 
dat zij niet alleen bij een vroeger reeds genomen besluit om 
Gustaaf WiUem Baron van Imkoff {17 4:B — 50) tot Gouverneur- 
Generaal te benoemen bleef volharden, maar tevens last gaf 



Onetaaf Wülem Baron van Imhoff. 

om Valckenier in staat van beschuldiging te stellen. Deze, 
die intusschen zjjn ontslag genomen en het bestuur tijdelijk 
aan Johannes Thedens (1741—43) had overgedragen, werd 
dan ook bij zijne komst aan de Kaap in arrest genomen en 
naar Batavia teruggezonden, waar hji, 't is haast ongelooflijk, 
negen en een half jaar gevangen heeft gezeten. Eerst op den 
20 Jnli 1751 kwam de dood hem uit zyn lijden verlossen. 



162 



Zijn lijk kreeg eene eerlijke begrafenis, maar, zoo lezen wij, 
„zonder honneurs*^. 

Is Valckenier werkelijk de schuldige geweest? Wij kunnen 
het niet zeggen. Wie echter ook den moord van Batavia op 
zijn geweten moge hebben gehad, hg is er tevens verant- 
woordelijk voor, dat de brand in de Chineesche wgk het sein 
is geweest voor eeneu algemeenen opstand onder de Chineezen 
over geheel Java, die weldra door de deelneming van tal 
van ontevreden Javanen zulk een omvang verkreeg, dat het 
bestaan der Compagnie er ernstig door bedreigd werd. Wel 
trachtte de Hooge Regeering een oogenblik het kwaad te 
bezweren, door eene algemeene amnestie uit te schrijven, 
waarbij aan Chineezen, die zich binnen den termijn van eene 
maand kwamen aanmelden, een schriftelijk bewijs beloofd 
werd, dat zij zich vrijelijk bewegen mochten „en zich be- 
geven tot haere neringe ende hanteeringe**, maar de „massacre*^ 
was te bloedig geweest, dan dat meer dan enkele tientallen 
van het aanbod gebruik maakten. De overigen verzamelden 
zich tot benden, die Java in rep en roer brachten en al onze 
posten bedreigden. In Semarang en Soerabaja raakten onze 
landgenooten zoo het hoofd kwijt, dat zij niets beters wisten 
te doen, dan het voorbeeld van Batavia te volgen en alle 
daar woonachtige Chineezen van kant te maken. Dit was 
natuurlijk olie op het vuur, waaraan straks geen blusschen 
meer scheen te zijn. 

En nog moest het ergste komen. In een vorig hoofdstuk 
hebben wij er den lezer reeds opmerkzaam op gemaakt, hoe 
achter al die onderworpenheid en vriendschapsbetuigingen 
van den kant der Javanen de Islam bleef schuilen, kalm zijn 
tijd afwachtende om zich op de gehate kafirs (heidenen) te 
werpen en hen van Java te verdrijven. Thans scheen de ge- 
legenheid daartoe schoon. Nauwelijks heeft men te Kartasoera 
vernomen, dat de Compagnie erg in 't nauw zit en hare uit- 
gezonden troepen onmachtig blijken te zijn om het vereenigd 
Chineesch-Javaansche leger behoorlijk het hoofd te bieden, of 
de Soesoehoenan werpt het masker af. In overleg met zijnen 



1B3 



Rijksbestierder, Nata Koesoema, maakt hij zich meester van 
het Hollandsche fort, laat onder zijne oogen de officieren met 
eenige manschappen ter dood brengen, dwingt de andere sol- 
daten den Islam aan te nemen en zendt rechts en links zijn 
boden uit om alle Regenten en hunne onderhoörigen tot den 
•prang sabil Allah, den heiligen oorlog, op te roepen. Gelukkig 
vindt zijne uitnoodiging slechts bij enkelen gehoor, terwijl de 
vorsten van Madoera, zij 't ook met nevenbedoelingen, er de 
voorkeur aan geven om zich bij de Hollanders aan te sluiten. 

Zoo dreef ook deze wolk voorbij. Straks hebben de onzen 
zelfs het genoegen dienzelfden Pakoe-Boewana als vluchteling 
binnen Semarang te zien, om er de tijding te brengen, dat 
het Chineesch-Javaansche leger onder zijnen nieuwen Soesoe- 
hoenan Mas Gerendi, zich van Eartasoera heeft meester 
gemaakt. De Hollanders doen hem vooralsnog geene verwijten 
maar zenden hunne troepen uit om zijne hoofdstad van 
vijanden te zuiveren. Voor deze daar echter nog zijn aan- 
gekomen, heeft onze bondgenoot van Madoera, Tjakra-diningrat 
reeds op eigen gelegenheid den moeilijken tocht volbracht en 
kan de gekroonde veinsaard zich onder nederlandsch eskorte 
naar Kartasoera laten terug geleiden. Diezelfde Nederlanders 
werpen zich nu ook met alle kracht op het slecht aangevoerde 
leger der opstandelingen, dat zich langzamerhand begon op 
te lossen. Eene nieuwe afgekondigde amnestie had tot gevolg, 
dat de meeste Chineezen zich op onze posten kwamen aan- 
melden en in den loop van 1743 de rust als hersteld kon 
worden beschouwd. 

Omtrent bovengenoemden Mas Gerendi lezen wij in een 
schrijven van den Gouverneur-Generaal Thedens, dat hij 
schriftelijk excuse gevraagd had „over zijne begane menig- 
vuldige fouten in het verlaten van d'Edele Compagnie, zig 
verschoonende met te betuigen dat hij tegen zijn zin onder 
de rebellen vervallen was." Ook Van Imhofif getuigt van hem, 
dat hij „door het geweld der rebellen in dese troubelen ge- 
produceerd" was, waarom het dan ook niet meer dan billijk 
mag worden genoemd, dat de jonge man, toen hij zich te 



1B4 

Soerabaja in onze handen kwam stellen ^minnelijk gereci- 
pieerd" werd. 

Zooals wij boven zagen, was Baron Van Imhoff door het 
Opperbestuur in Nederland glansrijk in zijne eer hersteld. 
Op den 23®^ Mei 1743 kwam hij te Batavia terug, waar hij 
als lid van den Raad getuige was geweest van den opstand 
der Chineezen en nu als landvoogd het voorrecht genoot de 
politieke bandjir (overstrooming), die een oogenblik gedreigd 
had geheel Java te verzwelgen, binnen de bedding terug te 
voeren. Met zijne handteekening prijkt het traktaat, dat de 
Commissaris Hugo Veiijssel op den 11®^ November van ge- 
noemd jaar met den Soesoehoenan sloot en dat evenveel 
artikelen (24) als vernederingen voor dezen potentaat bevatte. 
Konduit liet men hem daarin verklaren, dat hij ^door de 
barmhartigheid en mededoogendheid der Compagnie zijn rijk 
had terugontvangen" alsook „dat zijne voorvaderen, naast 
God, alleen door de hulp en bescherming van de Neder- 
landers op den Mataramschen troon geraakt waren." Na deze 
pijnlijke verklaring moet 't hem eene kleine zaak geweest 
zijn, dat men hem de verplichting oplegde, om zoowel in 
Kartasoera als op den weg naar Semarang onder toezicht 
van HoUandsche ingenieurs een fort te laten bouwen, waarin 
Nederlandsche troepen zouden worden gehuisvest. De kruipende 
slang is reeds voor de poort zijner veste aangekomen. 

De wraak van het schandelijk bloedbad te Batavia was dus 
eigenlijk alleen op het hoofd van den Soesoehoenan neer- 
gekomen, terwijl de Compagnie, met veel lauweren gekroond, 
ongedeerd uit den strijd te voorschijn trad. Als Nederlanders 
zouden wij ons daarover moeten verheugen. Voor ons gevoel 
van recht en rechtvaardigheid is 't echter goed te weten, dat 
ook voor haar de straf niet zal uitblijven. De geschiedenis 
der Compagnie, zeggen wij met eenige variatie op eene bekende 
spreuk, is het oordeel over de Compagnie! 

Vroeger spraken wij over de kolonisatieplannen van Koen. 
Ook onder zijne opvolgers is dit punt nog herhaaldelijk ter 
sprake gebracht, echter zonder resultaat. De Heeren Meesters 



in Holland, gelijk zij ook veelal werden genoemd, waren te 
zeer bezorgd voor hun monopolie om daarginds veel vrije 
burgers naast zich te kunnen dulden. Thans kwam ook Van 
Imhoflf, die als Gouverneur-Generaal eene enorme werkkracht 
ontwikkelde, weer met dit plan voor den dag. Een zijner 
lievelingsdenkbeelden was om de zoogenaamde Bovenlanden 
van Batavia door HoUandsche boeren te doen ontginnen. Om 
hem genoegen te doen, werden in het jaar 1744 werkelijk 
eeuige landbouwers naar Java gezonden, die ieder tegen jaar- 
lijksche betaling van vijftig rijksdaalders 250 morgen land in 
erfpacht kregen. De proef is echter grootendeels op niets uit- 
geloopen. Al spoedig kon de pacht niet meer betaald worden. 
Zelfs toen de Regeering later met geld bijsprong en door het 
uitgeven van kleine perceelen voor een iegelijk den weg om 
tot zekere welvaart te geraken openstelde, bleven de ver- 
wachte gevolgen uit. Na 1764 verdwijnen de HoUandsche 
boeren op Java van het tooneel en was ook voor later het 
bewijs geleverd, dat onze landbouwers de minst geschikte 
personen zijn om in eene hun totaal vreemde omgeving, onder 
een geheel ander klimaat en geholpen door inlandsche arbei- 
ders, eene dusdanige onderneming op touw te zetten en pro- 
ductief te maken. Dat de proef reeds zoo spoedig mislukte, 
kwam gedeeltelijk ook op rekening van de Bantammers, die 
nog altijd de omstreken van het oude Jakatra onveilig maak- 
ten, zonder dat de Regeering bij machte was hun hetrooven 
en moorden af te leeren. 

Meer succes had Van Imhoflf met de uitgifte aan in Indië 
gevestigde personen van groote stukken woeste gronden, ge- 
schikt tot het aanleggen van uitgestrekte landgoederen, waaruit 
later de zoogenaamde particuliere landerijen zijn ontstaan, die 
nu nog een aanzienlijk gedeelte van het eiland innemen. Zeer 
gevaarlijk was echter de bepaling, dat zij die op zulk een 
landgoed kwamen wonen „den eigenaar zooveel als hunnen 
landheer erkennen, hem bij eene redelijke behandeling allerlei 
hofdiensten bewijzen, hem tienden of liever ook wel een vijfde 
der producten opbrengen zouden." Hieruit zijn de uitgebreide 



166 



rechten der landheeren op Java geboren, die het Gouverne- 
ment door alle tijden heen in moeielijkheden gewikkeld hebben. 
Baron Van Imhofif gaf zelf het voorbeeld door tegen billijke 
schatting van de Regeering het toenmalige landschap Bogor 
over te nemen, waar hij begon met voor zich een paleis te 
laten bouwen, dat den naam van Buitenzorg ontving en sedert 
tot buitenverblijf voor de elkander opvolgende Gouverneurs- 
Generaal gediend heeft. Zijne erfgenamen stonden het voor 
6B00 rijksdaalders aan Van Mossel (zie later) af, voor welken 
prijs het later van den eenen landvoogd op den anderen is 
overgegaan. 

Te midden van zijne vele hervormingsplannen, waarin de 
handel, de verkoop van opium, het onderwijs en zoovele andere 
zaken begrepen waren, bovendien dagelijks nog lastig gevallen 
met het proces tegen zijnen vijand Valckenier, wist Van 
Lnhoflf nog tijd te vinden om aan Oostelijk Java te denken, 
waar de brand wel gebluscht was, maar nog tal van smeu- 
lende puinhoopen het inrukken der spuiten onmogelijk maakten- 
Na de sluiting van bovenvermeld traktaat, had de Soesoe- 
hoenan verzocht zijne residentie naar Soerakarta aan de Solo- 
rivier te mogen overbrengen, wat hem goedgunstig door de 
Hooge Regeering werd toegestaan. Hiermede kwam echter 
geene verandering in de gezindheid van enkele Regenten, die 
hem zijne kruipende houding tegenover de Compagnie zoo 
weinig konden vergeven, dat zij openlijk tegen zijn bestuur 
in verzet kwamen. Tot zijne grootste vijanden behoorde echter 
nog altijd de Madoereesche vorst Tjakra-diningrat, die, teleur- 
gesteld in zijne verwachting dat de hulp aan de Hollanders 
bewezen hem gouden eieren zou leggen, aan Mataram zooveel 
nadeel trachtte toe te brengen als maar mogelijk was. Te 
Batavia maakte men niet veel haast om den Soesoehoenan 
bij te springen. Zoodra echter Tjakra-diningrat de wapens ook 
tegen de Compagnie begon te keeren, mocht men niet langer 
lijdelijk toezien, maar werden de noodige troepen tegen hem 
uitgezonden. Van den trouwen bondgenoot van weleer heette 
het nu in de brieven uit Batavia, dat hg was „een weerbarstig 



1B7 



en wrevelig regent, die zich bijna voor iedereen op dit 
eiland ontzaglijk had gemaakt en ons zelfs wel gaarne de 
wetten zoude hebben willen stellen.^ Niettegenstaande alle 
over hem uitgesproken banvloeken en eene premie van f 5000, 
op zijn hoofd gesteld, wist Tjakra-diningrat zich nog maanden 
lang staande te houden. Ten laatste geen kans meer ziende 
om aan onze handen te ontkomen, ontvluchtte hij naar Borneo, 
waar een HoUandsch zeekapitein hem echter gevangen nam 
en naar Batavia liet overbrengen. Ook deze „quastige en 
gevaarlijke vriend van de Compagnie, die ten laatste haar 
vijand nog heeft moeten worden," kreeg in 1745 gelegenheid 
om aan de. Kaap de Goede Hoop over de wisselvalligheden 
van 'smenschen lot na te denken. Vóór zijn vertrek onder- 
ging hij nog een scherp verhoor, waarbij hij op niet minder 
dan 52 vragen bescheid moest geven. Op de laatste vraag, 
luidende „of hij wel wist waarin hij dacht de Compagnie 
beleedigd te hebben" was zijn antwoord : „Voornamelyk hierin 
dat ik een „Balys wijf" getrouwd en tegen de Compagnie 
geoorloogd heb." 

Na afloop van dezen „Madoereeschen krijg", gelijk hij in 
de geschiedenis genoemd wordt, vond Van Imhofif het geraden 
om met eigen oogen de toestanden in het oosten van Java 
in oogenschouw te nemen. Tijdens zijn verblijf te Semarang, 
van 2 April tot 10 Juli 1746, vond hier het ongehoorde feit 
plaats, dat . de Soesoehoenan in hoogst eigener persoon een 
bezoek bij hem kwam afleggen. Met een zeer talrijk gevolg, 
waartoe, naar oud en op het oogenblik nog in Soerakarta en 
Djokjokarta bestaand gebruik, ook twee olifanten behoorden, 
deed zijne Majesteit, in eene koets met zes paarden bespannen, 
zijn intrede in de stad, waar hij „vrij wat ontdaan over deze 
buitengewone ontmoeting" door den Gouverneur-Generaal 
„geëmbrasseerd" en de ontvangzaal werd binnengeleid. Om 
alle moeielijkheden over de vraag, wie hier de meerdere, wie 
de mindere was, te ontgaan, waren „twee gedistingueerde 
stoelen met rood fluweel bekleed" op gelijke hoogte geplaatst, 
waarop de twee vrienden zich konden neerzetten. De gedane 



1B8 



stap scheen den trotschen Soesoehoenan zooveel strijd te 
hebben gekost, dat hij eenmaal te Semarang zijnde, nog niet 
recht begrijpen kon hoe hij zich zoover had kunnen vergeten 
van den gehaten heiden en röover van zijn land in diens 
eigen huis een bezoek te komen brengen. Zijne Majesteit was 
zoo ontsteld, dat hij geen woord kon uitbrengen „om zijn 
complement na behoren te maken." Hij vermocht slechts het 
verzoek te stamelen, om den volgenden dag een „schriftelijk 
opstelletje" voor te komen lezen, waarin hij zeggen zal wat 
hij op het oogenblik niet onder woorden brengen kan. Wij 
twijfelen niet, of de lezer zal er ons dankbaar voor zijn, als 
wij hem in de gelegenheid stellen van dit merkwaardig histo- 
risch dokument kennis te nemen. Ziehier de vertaling: 

„Heer Gouverneur-Generaal, de eer en occasie, die ik heden 
heb om uw Hoog Edelheid hier te ontmoeten, verblijdt mij 
ten hoogste en het is mij een bijzonder genoegen uw Hoog 
Edelheid in een goeden welstand te zien. Grootvader, ik ben 
zeer verblijd over deze eer en ben steeds verlangend daarnaar 
geweest. Het is daarom dat ik mij heden, vergezeld van mijne 
moeder en geheele familie, hier laat vinden. Ik kom hier om 
uw Hoog Edelheid te dezer plaatse te verwelkomen, van mijne 
oprechte vriendschap te verzekeren en mijne hoogachting en 
waren eerbied te betuigen. Grootvader, heer Gouverneur- 
Generaal, mijn tegenwoordige onderneming, mijn tegenwoordig 
voornemen verschilt veel van de vorige. 

„Deze mijne onderneming heeft onder velen groote ver- 
wondering gebaard. Desniettemin heb ik daarentegen over- 
wogen, dat er geene betere gelegenheid voor mij kan wezen 
om mijne oprechtheid te betuigen dan deze. Dieshalve heb 
ik zulks uit eene ware genegenheid ondernomen en houd ik 
er mij van verzekerd, dat ik verplicht was bij deze gelegen- 
heid mijnen eerbied en hoogachting aan Grootvader, den heer 
Gouverneur-Generaal, aan te bieden. Te meer, omdat hiervan 
geen voorbeeld is en ook omdat zulks onder alle menschen 
zeer aangenaam was zoodanige groote zaak als deze van mij 
te mogen aanschouwen. 



1B9 



„Ik en alle wereldlingen zijn waarlijk verwonderd over nw 
Hoog Edelheids persoon en hoedanigheden; niet éen mensch 
is er die niet met mij uw Hoog Edelheid bemint. En geen 
bestaat er, die niet gaarne de eer zou willen hebben van uw 
Hoog Edelheid te ontmoeten, omdat er zeer weinigen zijn, 
die zoodanige voortreffelijke begaafdheden bezitten als bij uw 
Hoog Edelheid gevonden worden. En ook is het zeer zeld- 
zaam hg de groeten, die zware zaken besturen, dat zij tevens 
ook begaafd zijn met oprechtheid, minzaamheid en meedoogend- 
heid, zooals zulks bij uw Hoog Edelheid worden aangtroflfen. 

God Almachtig vergezelle uw Hoog Edelheid en verleene 
uw Hoog Edelheid lange jaren levens, tot welzijn van de 
Compagnie en van geheel Java." 

De Gouverneur-Generaal Van Imhoflf wist het vereerend 
bezoek niet beter te beantwoorden, dan door den Soesoe- 
hoenan in zijn eigen rijtuig naar Soerakarta terug te voeren. 
In zijn antwoord op het „schriftelijk opstelletje" had hij o. a. 
gezegd, dat de Compagnie steeds hare bondgenooten met alle 
trouw en oprechtheid bejegend had. Het mag echter betwijfeld 
worden of hij wel veel Javanen achterliet, die aan deze trouw 
geloofden, toen hij een paar dagen later de hofstad van 
Mataram verliet, met een nieuw tractaat in zijne mooie koets, 
waarbij nogmaals de noodige tollen en belastingen aan de 
Compagnie waren afgestaan. De schaduwzijde van het bezoek 
van Van Imhoff aan Soerakarta was alleen, dat hij zich daar 
door zgn wat al te krachtig optreden in den broeder van 
Pakoe-Boewana, Pangérayi Mangkoéboemi eenen vijand had ge- 
maakt, die straks de Compagnie door een bloedbad heen tot 
het toppuut harer politieke macht en het rijk van Mataram 
naar zijnen ondergang voeren zal. 

Volledigheidshalve willen wij de overige zaken voor een 
oogenblik laten rusten en terstond in enkele regels den inhoud 
mededeelen van het drama, dat nu op Java's bodem wordt 
afgespeeld. 

Kort nadat Van Imhoflf Soerakarta verlaten had, keerde 
ook bovengenoemde prins Mangkoéboemi de hofstad den rug 



160 



toe om zich naar het landschap Soekawati te spoeden, dat, 
naar hij meende, zijne rechtmatige bezitting was en waar hij 
er zeker van kon zijn vele vrienden en bondgenooten te 
zullen aantreffen. Werkelijk wist hij binnen korten tijd een 
belangrijk leger om zich heen te verzamelen, waarmede hfl 
tegen de residentie zijns broeders optrok. Onderweg voegden 
zich nog de benden van Mas Saïd, later bekend geworden 
onder den titel van Mangkoe-negara, en evenals hij in opstand 
tegen den Soesoehoenan, bij hem. Ditmaal bleef de Compagnie 
niet toezien, maar werden in allerijl HoUandsche troepen tegen 
de opstandelingen uitgezonden, die wel de hoofdstad redden, 
doch niet konden verhinderen dat de strijd zich nu over een 
groot gedeelte van Midden- en Oost- Java uitbreidde. Nog 
zelden was er een oorlog gevoerd, die aan de onzen zooveel 
inspanning kostte. In verschillende gevechten moesten de 
Hollanders op hunne beurt het onderspit delven, ten gevolge 
waarvan de moed der opstandelingen toenam en steeds verscbe 
benden zich bij hen kwamen aansluiten. 

Terwijl zoo de strijd in vollen gang was, krijgt de Neder- 
landsche bevelhebber op eenmaal bericht, dat de Soesoehoenan 
plotseling doodelijk krank geworden is. In allerijl spoedt hij 
zich naar Soerakarta, waar hij nog juist in tijd aankomt om 
den stervenden Vorst eene akte te laten teekenen, waarbij 
deze zijn rijk Mataram „uit eigen vrijen en ongedwongen wil" 
aan de Compagnie afstaat. Twee dagen later, den 16®^ De- 
cember 1749 had Pakoe-Boewana II het tijdelijke gezegend. 
Nauwelijks was aan zijn stoffelijk overschot de laatste eer 
bewezen of de Regeerings- Commissaris Van Hohendorflf haastte 
zich den kroonprins onder den naam van Pakoe-Boewana III 
tot Soesoehoenan te doen uitroepen. De plechtige installatie 
vond echter eerst plaats, nadat de jeugdige Vorst schriftelijk 
verklaard had, hoe hij zijn rijk „niet uit kracht van geboorte, 
maar alleen uit enkel gunst en genegenheid van de Com- 
pagnie ter besturing" ontvangen had. Een vazal dus van 
Nederland ! 

Duidelijker kon het wel niet en wie ook omtrent de 



161 



beteekenis dier verklaring nog in 't onzekere mocht verkeeren, 
de hoofden der opstandelingen niet, die woedend* waren en 
onmiddellijk Mangkoeboemi tot Soesoehoenan van Mataram 
uitriepen. Uit deze verwikkelingen ontspon zich de bekende 
derde Javaansche sitccessie-oorlog^ die tot in het jaar 1755 
heeft voortgeduurd en geëindigd is — want wij mogen hem 
niet in bijzonderheden beschrijven — met de splitsing van 
het eenmaal zoo machtige Mataram in twee afzonderlijke 
rijken, Soerakarta en Djokjokarta. Pakoe Boewana III behield 
het eerste, terwgl het laatste in leen werd afgestaan aan 
Mangkoeboemi, die bij zijne troonsbestijging den titel ontving 
van Sultan, met nog een aantal andere hoogdravende namen, 
wier beteekenis wij hier voor onze lezers in het HoUandsch 
laten volgen: Beheerscher der wereld, Opperbetielhehber in den 
oorlog, Dienaar des Barmhartigen, Heer van den eeredienst, 
Heer van het gdoof, Stedehouder Gods ! Zijn voormalige vriend 
en medestander Mas Saïd onderwierp zich eerst in het jaar 
1757. Ook deze mocht blijde zijn er zoo goeds af te komen, 
daar hij van de Hooge Regeering den titel ontving van Mang- 
koe-negara en als onafhankelijk prins aan het hoofd van 
eenige landschappen in Soerakarta geplaatst werd. Zoo werd 
Matai'am nog meer verbrokkeld. De slang had haar prooi 
besprongen! 

Bedoelde splitsing vond plaats onder het bestuur van den 
Gouverneur-Generaal Jacob Mossel (1750 — 61). Van Imhoff 
was op den 1®^ November 1750, na eene ziekte van omtrent 
twee maanden, te Batavia overleden. Kort vóór zijnen dood 
had de Stadhouder Willem IV, die in 1749 Opperbewindhebber 
van de Compagnie geworden was, hem tot Luitenant-Generaal 
van de infanterie aangesteld, eene onderscheiding die zeer 
zeker niemand in Indië hem misgund heeft. Gedurende zijn 
zevenjarig bestuur was hij onvermoeid voor de belangen der 
Compagnie werkzaam geweest. 

Als de lezer ons trouw gevolgd is, dan denkt hij nu van- 
zelf weer aan Bantam, het tweede rijk op Java dat „vernie- 
tigd" moest worden, zou de Compagnie welvaren. Opblz. 144 

11 



162 



zagen wij hier in 1736 Aboe'1 Fatachi den troon zijner vaderen 
bestijgen. Hij was een hoogst onbeduidend Vorst, die van tgd 
tot tijd vlagen van krankzinnigheid had en dan ook al zeer 
spoedig onder den invloed kwam van zijne eerste gemalin, in 
de geschiedenis bekend onder den naam van Batoe Saria 
Fatima, Om welke reden is niet bekend, maar als een feit 
kan het worden medegedeeld, hoe deze vrouw al hare krachten 
inspande om haren zoon, den kroonprins Pangéran Goestiy 
van de troonsopvolging uitgesloten te krijgen en diens plaats 
door een' harer schoonzoons te doen innemen. Slim en listig 
als zij was, begreep zij dat men bij de Hooge Regeering te 
Batavia alles met peper kon gedaan krijgen, waarom zij eenen 
brief met de schoonste aanbiedingen afzond, doch tevens den 
Gouverneur-Generaal het voorstel deed om den inmiddels 
krankzinnig geworden Sultan naar Ambon over te brengen 
en haar tot Regentes van wege de Compagnie aan te stellen. 
Werkelijk liepen de onzen in den hun gespannen strik. Eenmaal 
A gezegd hebbende, moesten zij ook verder volgen en hunne 
toestemming geven om den wettigen kroonprins naar Ceylon 
te verbannen en bedoelden schoonzoon, Pangéran Batoe Sarif] 
tot troonsopvolger te benoemen. Zoo liet zelfs een man als 
Van Imhoflf zich door eene Javaansche vrouw om den tuin 
leiden ! 

Want bedrogen was hij en met hem de geheele Hooge 
Regeering. Terwijl men nl. te Batavia in de meening ver- 
keerde, dat de getroffen schikking de goedkeuring van het 
Bantamsche volk wegdroeg, bleek het weldra, hoe de aanhang 
der Regentes slechts gering was en de verwijdering van den 
kroonprins allerwegen misnoegen had verwekt. Weldra trok 
dan ook een talrijk leger van ontevredenen, onder aanvoering 
van een' vermaard kluizenaar, in het begin van 1750 tegen 
de hoofdstad op, in wier nabijheid zij de tegen hen uitgezon- 
den troepen totaal versloegen en de plaats zoo in 't nauw 
brachten, dat 't met Ratoe Saria Fatima en hare volgelingen 
gedaan scheen te zijn. Gelukkig had een tweede aanval van 
de Hollanders een beteren uitslag, zoodat met de opstandelingen 



163 



onderhandelingen konden worden aangeknoopt, die de Hooge 
Regeering in staat stelden de begane fout weer goed te 
maken. De Regentes zag zich naar Batavia, haar gunsteling 
naar Banda verbannen, terwgl in allerijl boden naar Ceylon 
werden afgevaardigd om Pangéran Goesti van daar af te halen. 
In den loop van 1753 kwam deze in zijn vaderland terug om 
er onder den titel van Sri Sultan Aboe'l Nagar Mohammed 
Arif Zeinoe'l Assakhan den vacanten troon te bestijgen. Dit- 
maal was de vlieger, dien wij daar reeds achter dat „van 
wege de Compagnie" gereed zagen liggen, niet opgegaan. 
Vroeg of laat zal echter ook Bantam zijn beurt krijgen. Voor 
het oogenblik mag de nieuwe Sultan zich nog, met goedkeuring 
van zijne hooge beschermers, vroolijk maken over zekeren 
Tjeribonschen zeeroover, Mao Bagoes genaamd, die zich voor 
den naasten erfgenaam van de kroon was komen uitgeven 
en voor zgn straf met afgesneden ooren door de hoofdstad 
werd rondgeleid! 

Gaan wij thans nog even na hoe 't op de Buitenbezittingen 
gesteld was. Van Atjeh vernemen wij in dezen tijd weinig 
of niets. De twee kampioenen kenden elkanders kracht en 
vermeden behendig elke onaangename botsing. Op de West- 
kust van Soematra had de Compagnie langzamerhand haren 
invloed uitgebreid. Op alle mogelijke uitvoerartikelen was de 
hand gelegd. En dit alles zonder veel machtsvertoon. In het 
jaar 1741 werd zelfs het besluit genomen om de daar aan- 
wezige troepen, buiten de Boegineezen, van 680 op 230 
koppen terug te brengen. Eigenaardig en kenschetsend is de 
aanschrijving van de Hooge Regeering, dd. 3 November 1743, 
aldus luidende: „'S Comp«. agtbaarheyd moet op eene gematigde 
wijze onder de naturelle inwoonders geconserveerd worden, 
naar de gebruiken van den ouden tijd, met achterstelling van 
alle nieuwe airs eener qualyk geplaatste souvereiniteijt." 
Boven en vóór alles dus eerbied voor de adat (gewoontewet) 
van den Inlander, waarin steeds de kracht van ons bestuur 
over de Indische stammen gelegen heeft. Alleen tegenover 
onze aartsvijanden, de Engelschen, was de Hooge Regeering 



164 



onverbiddelijk. Zooals de lezer zich herinnert, hadden dezen 
zich na hunne vlucht uit Bantam in de tegenwoordige 
Residentie Bengkoelen teruggetrokken. In plaats nu van 
dankbaar te zijn voor de hulp, hun door de onzen verleend, 
deden zij al hun best om zich van den handel op de West- 
kust meester te maken. Hunne driestheid ging zelfs zoover, 
dat zij te Natal en Tapanoeli een kantoor vestigden en con- 
tracten met de Inboorlingen over de levering van peper en 
goud aangingen. Een hun behoorlijk bekend gemaakt plak- 
kaat van de Hooge Regeering uit den jare 1749 bracht hun 
echter aan 't verstand, dat zij hierin te ver waren gegaan en 
zij alleen dan handel op de kust mochten diijven „zo zy zig 
na de voorschreve bepalingen kwamen te schikken." Slechts 
onder die voorwaarde konden zij er op rekenen „met alle 
heusheid en vriendelykheid te worden behandelt." 

Met Palembang bleven wij zoowat op den ouden voet. In 
1741 kregen de onzen, in afwijking van de bepaling uit een 
vroeger traktaat, verlof om hun fort aan de rivier te om- 
muren. Tevens verkreeg de Compagnie ook het monopolie van 
het Bangka-tin, waaruit zij echter meer ergernis dan tin putte, 
omdat de geslepen Engelschen op behendige wijze door 
Ghineesche jonken den voorraad telkens aan zich trokken. 
Hieruit ontstond in 1747 een klein conflict met den Sultan 
van Palembang, dat echter geene verdere gevolgen had. 

De levering van peper en goud uit de Lampongs baarde 
de Hooge Regeering voortdurend veel zorg. In het jaar 17B1 
werd de post te Toelang-Bawang (blz. 144) ingetrokken, vandaar 
naar Sikampoeng, later naar het ons reeds bekende eiland 
Lagoendi verplaatst, doch in 17B6 weer op de oude plek 
gevestigd. Bedoeld eiland was ook voor de Hollanders te on- 
gezond bevonden. 

Over de politieke verwikkelingen in het rijk Djambi spraken 
wij vroeger reeds. Ook nu moest de Compagnie van tijd tot 
tijd tusschenbeide komen en was zij wel eens genoodzaakt 
aan den eenen of anderen prins te Batavia vrije kost en in- 
woning te verschaffen. De onzen bezaten hier sedert lang 



ieè 



een vast kantoor met eene militaire bezetting van veertig 
man. De handel, het voornaamste doelwit waarnaar men 
streefde, werd echter zeer door de binnenlandsche troebelen 
belemmerd. Omstreeks het jaar 1754 begon ook het leven 
der Hollanders gevaar te loopen, zoodat de post ingetrokken 
en de bewaking van de rivier aan eene gewapende sloep 
moest worden overgelaten. Gelukkig bood de Sultan spoedig 
zijne verontschuldiging aan, tengevolge waarvan het kantoor 
opnieuw werd bezet. 

In het jaar 1746 kwam de Compagnie door schenking in 
het bezit van Siak, benoorden Djambi, zonder er echter veel 
voordeel van te trekken. 

Tegenover Bandjarmasin bleef de Compagnie al 't moge- 
lijke doen om daar voor alle vreemde kooplieden den handel 
te verhinderen. Onder den Gouverneur-Generaal Van Imhoflf 
werd tot tweemalen toe eene troepenmacht uitgezonden, ten- 
einde den sultan en diens rijksgrooten wat meer ontzag voor 
de Hollanders in te boezemen. Dank zij dit optreden, bleef 
het monopolie gehandhaafd, terwijl de onzen in 1747 zelfs 
verlof kregen om vlak bij de hoofdplaats een fort te bouwen. 
Telkens waren echter nieuwe „bezendingen" noodig om de 
vriendschap te onderhouden. Zoo o. a. in 1756 toen de Com- 
mandant Paravicini met de noodige geschenken naar Ban- 
djarmasin gezonden werd, om de bestaande contracten nog- 
maals te vernieuwen. De waarheid eischt hier te vermelden, 
hoe het gedrag der in dit rijk gevestigde Hollanders aan de 
telkens veranderende gezindheid der bevolking niet zelden 
schuld droeg. 

Van onze betrekkingen met Zuid-Selebes werd in 1749 
gebruik gemaakt om op het daarvan afhankelijke eiland 
Soembawa twee militaire posten te vestigen. Enkele vorsten 
hadden tijdens den derden Javaanschen successie-oorlog een 
bewijs hunner goede gezindheid gegeven door hulptroepen 
naar Java over te zenden. In 1751 waren deze echter weer, 
met geschenken overladen, naar hun land teruggezonden. Een 
zekere prins Latan kreeg o.a. een medalje en een ketting 



166 



ter waarde van 4 of 500 rijksdaalders. Anno 1766 leverde 
de hoofdplaats Mangkasar het onverkwikkelijk en voor het 
prestige der Compagnie schadelijk tooneel op, dat de Gouver- 
neur Van Clootwtjk met den Fiskaal, wegens ernstige vergrijpen, 
naai* Batavia opgeroepen en daar tot verbanning veroordeeld 
werden. 

In December 1762 had de bevolking van het eiland Boeton 
het schip Rustenwerk afgeloopen. Toen de inlandsche vorst 
weigerde de verlangde voldoening te geven, werd tot eene 
expeditie naar dit eiland besloten en tevens aan onze ver- 
tegenwoordigers te Mangkasar de uitdrukkelijke last gezonden 
om er aUe specerg-boomen te vernielen. 

Uit de Molukken weinig nieuws. Terwijl de Compagnie voort- 
ging met op de eilanden Boeroe, Seram en elders de nagel- 
boomen te doen uitroeien, bemerkt zij tot haar schrik (blz. 142), 
dat Ambon geen voldoenden voorraad meer oplevert. Zij was 
nu verplicht hier nieuwen aanplant te gelasten en het getal 
boomen op 650.000 te brengen. Op de Banda-groep, waar de 
zetel van het bestuur van Neira naar Lontor was verplaatst, 
had men zich gouden bergen van de kolonie met hare specerij - 
perken beloofd, die echter op zich lieten wachten. De welvaart 
onder de bevolking nam meer af dan toe, niettegenstaande 
de Gouverneur Reinier de Klerk al 't mogelijke deed om haar 
te hulp te komen. Van de vergunning om voor eigen reke- 
ning handel op de omliggende eilanden te drijven, werd door 
vele burgers gebruik gemaakt, echter zonder de algemeene 
malaise weg te nemen. Intusschen werd het ^kostelijk 
kleinood" met argusoogen door de Compagnie bewaakt en 
nog in 1766 de strenge last gezonden, dat „alle vreemde 
schepen, van welke natie ook, onder het Bandasche vervallende 
in beslag genomen en naar Batavia opgezonden moesten 
worden." 

In het toenmaals nog uitgestrekte rijk van Ternate werden 
door de Compagnie, met goedkeuring van den Sultan, ver- 
schillende traktaten met inlandsche hoofden gesloten, waarvan 
artikel 1 altijd de „extirpatie" van de specerijboomen gold. 



167 



Zoo in het jaar 1749 met de bestuurders van de bij Selebes 
gelegen Banggaai-eilanden. Op Noord-Selebes werden onze be- 
trekkingen uitgebreid door het bouwen van een steenen loge 
te Gorontalo en het vestigen van een post te Parigi, op 
welke laatste plaats de hoofden zich verbonden om het noo- 
dige volk voor de gouddelving, ten voordeele van de Hol- 
landers, te leveren. In December 1762 kreeg Ternate een 
nieuwen Sultan, bij welke gelegenheid door de Hooge Re- 
geering bepaald werd, dat aan de Gouverneurs in den 
vervolge „eenige dranken en spijzen zouden worden toegelegd" 
om vreemde Vorsten te ontvangen. Bedoelde Sultan bleef 
echter slechts twee jaren aan het bestuur en werd toen door 
zijnen broeder opgevolgd. 

Op het eiland Timor, waar, zooals wij vroeger zagen, de 
Portugeezen zich hadden teruggetrokken, bezat de Compagnie 
reeds in 1656 twee forten, die echter toen werden afgebroken, 
terwijl de bezetting naar Rotti werd overgebracht. Evenwel 
bleef er te Eoepang een vast kantoor bestaan, waaromheen 
zich langzamerhand een kleine kolonie van Europeanen en 
Inlanders vormde. Aan de vertegenwoordigers van de Com- 
pagnie gelukte 't van tijd tot tijd contracten met de Vorsten 
der verschillende staatjes aan te gaan, die den grondslag tot 
ons gezag over een groot gedeelte van het eiland gelegd 
hebben. Dank zij eene aanschrijving uit Batavia om met de 
buren zooveel mogelijk in vrede en rust te leven, behoorden 
vijandelijke aanrakingen met de Portugeezen tot de zeldzaam- 
heden. In het jaar 1748 werd Koepang door de Timoreezen 
belegerd, doch slaagden de onzen, hoewel slechts weinig in 
aantal, er in den vijand te verdrijven. Veel hulp hadden zg 
bij deze gelegenheid gehad van hunne slaven, die dan ook 
tot belooning vrijgelaten en tot een afzonderlijk legerkorps, 
de later bekend geworden „Mardijkers" gevormd werden. Ten 
bewijze hoe snel onze invloed ook op dit eiland toenam, 
deelen wij nog . aUeen mede, dat in 17B2 niet minder dan 
tien Timoreesche Vorsten naar Batavia gezonden werden, 
aan wie het eiland Edam, destijds het gewone ballingsoord 



168 



• - • ■ - 

vóór aanzienlijke Inlanders, als verblijfplaats werd aaii- 
gewezen. 

Zoo hebben wij de Compagnie in een tflds verloop van 
nauwelijks honderdvijftig jaren hare hand zien leggen op dat 
schoone en uitgestrekte Insulinde, door ons in Hoofdstuk I 
beschreven. Geen belangrijke plek in die zee van eilanden 
of zij heeft er hare kantoren gevestigd. Geen keizer of koning 
of hij buigt het hoofd voor de Hooge Regeering te Batavia 
en wie het, zooals de gebieder in Atjeh, nog niet doet, hij 
siddert toch als hij de Hollanders hoort noemen, die Portu- 
geezen en Spanjaarden, Engelschen en Denen voor zich uit en 
van hunne plaats verdreven hebben. Zelfs het meest ongeloof- 
Igke en onwaarschijnlijke is een feit geworden, nu het eertijds 
zoo machtige Mataram den trotschen nek gebogen heeft en 
als een slaaf aan de voeten zijner Meesters ligt uitgestrekt. 
Over geheel Java, met zijn' vruchtbaren bodem en onuitput- 
telijke hulpbronnen, geen gezag buiten dat van den Gouver- 
neur-Generaal en Raden, zelfs in het weerbarstige Bantam niet, 
waar nog altijd in schijn een onafhankelijke prins op den 
troon zijner vaderen gezeten is. Ook buiten den Archipel 
heeft de Compagnie verovering op verovering gemaakt en 
zoowel Malaka als Ceylon, Bengalen als de Kaap de Goede 
Hoop aan hare zegekar gehecht. 

Aan hare zegekar? Zeer zeker, maar eene zegekar, die nu 
nog door allerlei pracht en luister omgeven is, doch straks 
haar lijkwagen worden zal. Vroeger wezen wij er reeds met 
een enkel woord op, hoe de Oost-Indische Compagnie sedert 
lang lijdende was aan eene kwaal, waarvoor geen medicijn 
kon gevonden worden. Oorspronkelijk een zuiver handelslichaam, 
was zij, wel een weinig door de omstandigheden gedrongen, 
op verovering uitgegaan, waardoor de koopmanschap nood- 
wendig schade moest lijden, terwijl de verschillende krijgs- 
toerustingen schatten verslonden, die door de rijkste retour- 
vloten niet konden worden goedgemaakt. De enorme winsten 
in den eersten tijd behaald, waren bovendien oorzaak, dat 
ieder haar als een plukvogel begon te beschouwen, dien men 



iéè 

niet genoeg veeren kon uittrekken. In de eerste rij stonden 
hare eigene dienaren, onder wie slechts weinigen gevonden 
werden, die niet op eene of andere wijze trachtten hun, meestal 
schraal, inkomen door bijverdiensten aan te vullen. Boven- 
dien waren zij gemeenlijk te weinig beschaafd en ontwikkeld 
om den Inboorling door zachtheid en voorkomendheid aan de 
Compagnie te verbinden. Lomp en ruw in hun optreden is 
menig Gouverneur en Resident oorzaak geweest, dat het toen 
nog warmere bloed van den Insulaner aan het koken geraakte, 
tengevolge waarvan de Regeering te Batavia verplicht werd 
haar kostbaar leger van Europeanen, Boegineezen en Bali- 
neezen op de been te brengen. Ook in de hoogste kringen 
was 't niet alles goud wat er blonk. 

Dat er trots al het geknoei en bedrog toch maar weinig 
Hollanders bepaald rijk werden, vond zijn grond in de buiten- 
sporige weelde, waaraan onze landgenooten, meestal bij moeder 
thuis aan weinig overvloed gewend, zich overgaven. Ver- 
makelijk zijn soms de plakkaten, door de Hooge Regeering 
tegen dit kwaad uitgevaardigd. Onder Van Zwaardekroon 
kwam er een uit tegen het overmatig gebruik van „carossen, 
berlijns en chaises, soo met 4 als 2 wielen," die toen ter 
tijd te Batavia zoo talrijk waren, dat de Gouverneur-Generaal 
en de leden van den Raad niet meer goedschiks door de 
straten konden rijden. Ook op de buitenposten vonden de 
HoUandei-s er genoegen in om goede sier te maken, alles 
natuurlijk ten koste van de Compagnie, die wel van tijd tot 
tijd op hare achterste beenen ging staan, maar nooit heeft 
kunnen verhinderen dat hare dienaren door den „morshandel" 
en het voor particuliere rekening naar Holland verzenden 
van koopmansgoederen, haar belangrijke schade toebrachten. 

Ook in Holland zaten de plukkers. Het oorspronkelijk aan 
de Compagnie verleend Octrooi moest telkens vernieuwd 
worden en telkens werd het gekocht met sommen, die hare 
draagkracht al spoedig te boven gingen. Dat van 1748 — 1774 
o. a. betaalde zij met eene storting in 's lands kas van 
f 1200000! Ook had de Regeering in Holland bij gelegenheid 



170 



van de gevoerde oorlogen herhaaldelijk om geldelijke hulp 
bij haar aangeklopt, waardoor geheele kapitalen aan de 
onderneming onttrokken waren. 

Het bovenstaande, hoe beknopt ook, moge voldoende zijn 
om den lezer de overtuiging te geven, dat de Oost-Indische 
Compagnie in het jaar 1756, waarmede dit ons Hoofdstuk 
eindigt, bij eene slecht voorziene kas en tegenover een ver- 
overd gebied, dat te veel van hare krachten vereischt, reeds 
lang op het hellend vlak gekomen is, dat onvermijdelijk naar 
den afgrond voert. Sterven moet zij, maar zg zal niet als 
een vergeten doode ten grave gedragen worden! 



ZESDE HOOFDSTUK. 

1756-1800. 

Z^oo zijn w\j genaderd tot het laatste tijdperk van de 
^jT^^ Oost-Indische Compagnie, aan het einde waarvan wij 
haar, gelijk wij ergens lezen, zullen zien neervallen als een 
stam, die, inwendig geheel verteerd, wortelen in den grond 
achterliet, waaruit een nieuwe boom, schoener dan voorheen^ 
zal opgroeien. — Tot hare verdiensten behoort zeer zeker ook, 
dat zij, bij al de inspanning die de handel en niet minder de 
oorlog van haar vergde, door de regeling van het rechtswezen, 
de indeeling onzer bezittingen in Gouvernementen, de vast- 
stelling van de verhouding tusschen de verschillende coUegie's 
in en buiten Batavia en wat dies meer zij, de grondslagen 
heeft gelegd voor de latere staatsinrichting van Neerlandsch- 
Indië, waarvan gezegd mag worden dat zij weinig te wenschen 
overlaat. Heeft niet een bekend schqjver voor een antwoord 
op de vraag: Hoe moet eene kolonie bestuurd worden? naar 
den Maleischen Archipel verwezen, waar de Hollandsche koop- 
lieden van weleer getoond hebben ook goede staatslieden ge- 
weest te zijn? Natuurlijk viel er na 1800 nog veel te ver- 
beteren, te wijzigen en te regelen, maar de fondamenten van 
het gebouw waren gelegd en wij zouden der Compagnie on- 
recht aandoen, als wij haar daarvan niet de eer gaven. Ook 
aan vaderlijke zorg voor de in Indië verblijf houdende Euro- 
peanen heeft 't bij het bestuur daarginds nooit ontbroken. 
Getuige o. a. de oprichting van weeshuizen, van kinderhuizen, 



1^2 

leprozengestichten, boedelkamers, hospitalen, inrichtingen van 
onderwijs (waarover, evenals over de zorg voor de gods- 
dienstige belangen, later), enz. Men behoeft slechts het register 
van besluiten op te slaan, om verbaasd te staan over den 
ernst en de onvermoeidheid, waarmede de Hooge Regeering 
voortdurend op dit gebied werkzaam was. Als dan ook straks 
het doodvonnis over de Oost-Indische Compagnie wordt uit- 
gesproken, dan zal 't zijn, om ons van dezen geijkten term te 
bedienen, onder de meest verzachtende omstandigheden. In de 
lijkrede, op haar graf te houden, zullen lof en blaam elkander 
geregeld afwisselen! 

Doch ter zake. Op onze laatste wandeling door den Archipel 
zagen wij de Compagnie overal aan het werk. 't Was nu maar 
de vraag hoe dat uitgestrekt gebied zoo te besturen, dat men 
behouden kon wat men had, zonder er te veel aan herinnerd 
te worden, dat 't met de geldmiddelen der Maatschappij erbar- 
melijk geschapen stond. Vooral Java moest in rust worden 
gehouden. Vandaar allerlei maatregelen om hier de zaken dus 
te regelen, dat de Vorsten en hunne Regenten, hoewel de 
Nederlandsche handelsbelangen blijvende dienen, geen reden 
vonden om zich in eenig opzicht verongelijkt te achten. In 
het jaar 1760 had de Hooge Regeering een compendium der 
Javaansche wetten laten opstellen, naar welk stuk de Sema- 
rangsche Landraad over Javanen recht moest spreken en 
waarin o.a. de bepaling voorkwam, dat alle mohamedanen, 
die de profeten verwierpen, lasterden en verachtten, gebannen 
en al hunne goederen verbeurd verklaard zouden worden. Ook 
na dien tijd werd onzerzijds al 't mogelijke gedaan, om den 
mohamedaanschen inlander te beduiden, dat wij 't o zoo goed 
met hem meenden en hij zoo vrij was als een visch in 't water, 
als hij maar trouw mede wilde werken om onze pakhuizen 
gevuld te krijgen. 

En de pakhuizen geraakten vol. De koffie kwam, de suiker 
stroomde, de Molukken leverden hun specerijen als voorheen, 
Soematra voerde peper aan, maar noch 't een noch 't ander kon 
de doodkranke weder op de been brengen. Ook eene officiëele 



173 



aanschrijving aan de verschillende posten om de noodige be- 
zuinigingen in de huishouding der Compagnie aan te brengen, 
had niet de gewenschte uitwerking. Integendeel! Hadden wij 
vroeger meermalen gelegenheid er op te wijzen hoe slecht de 
Hooge Regeering door hare eigene ambtenaren gediend werd, 
wat wij daarvan uit dezen kommervol! en tijd zouden kunnen 
mededeelen overtreft al het vorige. Kenschetsend is in dezen 
de Memorie, in October 1761 opgesteld door den Gouverneur 
van Java's Noord-oostkust Nicolaas Hartinghj waarin o. a. het 
volgende voorkomt: 

„Edog onaangezien alle deze heylsame ordres, zoo hebben 
veel (vele ambtenaren) mij al wat ergenis gegeven, door 
hun trots en baatsugtig gedrag tegen den inlander, spelende 
bij wijlen soodanig den gebraden haan, dat het onverdraag- 
lyk is, ja zy geven zich meer air als een gouverneur zelfs, 
ryden met vier paarden voor hun wagen, den trom en het 
geschut als voor een relletje gebruikende, dat egter op 
nieuws is verboden. Of het wat helpen wilde; voor ons 
waren alle deze gasconades niets, maar daar komt dan nog 
bij eene belaggelijke imaginaire verbeelding en trotse ver- 
waandheid met den inlander veragtelijk te behandelen en 
door alle listen en lagen te bedriegen en hen van het hunne 
te helpen met woeker van negotie, enz., waardoor in waar- 
heid zij een walg van ons krygen en dan betaalt de Com- 
pagnie gemeenlijk het gelag, wat. God beter 't, maar al te 
veel de ondervinding bewaarheid heeft ; zij kunnen als heertjes 
leven, ja beter als een Gouverneur, zelfs hebben eenigen 
vry meerder inkomsten, hebbende buytendien omtrent alles 
een ruym veld, maar zijn ook in die verbeelding, daar eenlyk 
geplaatst te zyn om geld te winnen, steunende op hunne 
vrienden.'* 

Dat er met zulk dienstpersoneel weinig van de huishouding 
moest terechtkomen, behoeft geen betoog. Vooral niet omdat, 
tot overmaat van ramp, aan de Hooge Eegeering te Batavia 
tijd en gelegenheid benomen werden om strafoefening te 
houden. Immers, juist in dien Oosthoek van Java begonnen 



174 



zich op dit tijdstip wolken saam te pakken, die zich straks 
in zware onweersbuien over de stervende Compagnie zullen 
ontlasten. Bedoelde Oosthoek, die bij Pasoeroehan een aan- 
vang neemt en tot Straat Bali doorloopt, was reeds in het 
jaar 1743 aan de Nederlanders afgestaan. Men had 't te 
Batavia echter steeds te druk gehad om zich aan deze met 
wildernissen bedekte streek gelegen te laten liggen. Alleen 
was te Pasoeroehan een flink steenen fort verrezen, welks 
talrijke bezetting een oog te houden had op de nazaten van 
den ons bekenden Soerapati, die deze buurt (Malang) nog 
altijd onveilig maakten. Verder oostwaarts lag het rijk van 
Balambangan, dat reeds sedert lang het opperbestuur van een 
der Balische Vorsten erkende en dat ook gedeeltelijk door 
Balineezen bevolkt was. Tot hiertoe was 't in deze streek 
vrij rustig gebleven on nog in het jaar 1766 schreef de Gou- 
verneur Hartingh aan de Hooge Regeering: „Balemboangan 
heeft veel wildernis en zal zig niet ligt in eenige zaken in- 
wikkelen." Van het rebellig Malang heette het in 't zelfde 
schrijven, dat het onnoodig was daarvoor beduchting te hebben. 
Men zou echter spoedig beter weten. 

Het spel begon in Malang en aangrenzende landschappen, 
waar twee kleinzoons van Soerapati, Karta Negara en Melaja 
Koesoema, zich met een' oom van den Soesoehoenan, tevens 
halve broeder van den Sultan, Singasari geheeten, verbonden 
hadden om zoowel de Compagnie als de beide Javaansche 
Vorsten alle mogelijke afbreuk te doen. Hun optreden was 
van dien aard, dat men zich te Batavia hoogst bezorgd begon 
te maken. De handen hingen echter slap ; de Hooge Regeering 
zat „in een kennelijk gepeins over het toekomende te broeden** 
en het resultaat was, dat de onzen onder het bestuur van 
den Gouverneur-Generaal Mossel en gedurende de eerste jaren 
van diens opvolger Petrus AWertus van der Parra (1761—1775) 
lijdelijk bleven toezien. Eerst toen in 1766 het bericht inkwam, 
dat de Engelschen eenige schepen naar Java's oostkust ge- 
zonden hadden, terwijl er gegronde vrees bestond dat de 
Balineezen gemeene zaak met hen maken zouden, veranderde 



17B 

dfl Hooge Regeering van houding. Onverwijld werd nu bevel 
gezonden om alle beschikbare troepen bijeen te trekken en 
den driedubbelen vjjand uit 's Gompagnie's „possessie" te 
verdrijven. Het lot der Nederlanders op Java hing nogmaals 
aan een zyden draad en, hoe verzwakt ook, zf) toonden opnieuw 
dat zij niet voor niet bet Luctor et Emergo tot hun leus 
gekozen hadden. Krachtig bijgestaan door Madoereescbe en 



Petmg AlbertuB van der Pami. 
Soerabajasche hulpbenden en trouw gesteund door de Yorsten 
van Soerakarta en Djokjokarta, wierpen zg zich als leeuwen 
in eenen verdelgingsoorlog, die, om koi-t te gaan, aan de 
macht der Balineezen voorgoed een einde maakte, terwijl de 
Malangsche rebellen zoo geslagen werden, dat elke gedachte 
aan eenen nieuwen opstand uitgesloten bleef. Alles natuurlijk 
ten koste van duizenden menschenlevens ! Tegen het einde van 
dezen oorlog, die b^na twaalf jaren aanhield, bouwden de 



176 



onzen te Banjoewangi het fort utrecht, dat dreigend zijne 
vuurmonden tegen Bali gericht hield en aan de andere zijde 
eene landstreek afsloot, waarvan de Hooge Begeering in haar 
schrijven naar Holland getuigen moest „dat zij te vuur en 
te zwaard verwoest was en jaren noodig zou hebben om ten 
volle tot herhaal te komen!" 

Tijdens eene ontmoeting van de Hollanders met de Malang- 
sche rebellen was een zekere Pieter Smitj die zich reeds 
in 1752 bij onze vijanden had gevoegd, in hunne handen ge- 
vallen en naar den Raad van Justitie te Semarang opgezonden. 
Een andere overlooper, Hendrik Segers, ontging zijne straf 
aan den galg, doordien een tijger hem tot zijn prooi had 
uitgekozen. 

De Compagnie mocht zich dus nu met volle recht beheer- 
scheres van geheel Java noemen. Het had echter, zouden wij 
haast geneigd zijn te zeggen, ook geen dag langer moeten 
duren. In hare geldkas was de bodem reeds te zien. Met de 
land- en zeemacht stond het na den oorlog allertreurigst 
gesteld. Aan vechten viel niet meer te denken. Zou men nu 
verder met de verschillende Javaansche vorsten op goeden 
voet blijven, dan moest de kracht gezocht worden in de 
diplomatie, een machtig wapen, doch hier niet altijd even 
gemakkelijk te hanteeren. Vooral niet tegenover het oude 
Mataram, waar wij naast den Soesoehoenan eenen Sultan 
zagen optreden, van wiens vroeger gebleken eerzucht niet 
kon worden verwacht, dat hij zich op den duur rustig zou 
houden. Aanvankelijk scheen alles goed te gaan. Al spoedig 
begon Mangkoe Boewana, „altoos bedacht op wat zijne glorie 
en eerzucht koesterde", zich echter in te beelden, dat hij 
eigenlijk gebieder van geheel Mataram behoorde te zijn. Het 
eerst richtte hij zijne pijlen tegen den onafhankelijken prins 
Mangkoe-Negara (blz. 161), dien hij zelfs bij de Regeering 
te Batavia aanklaagde en tot verbanning voordroeg. Daarop 
moest de Soesoehoenan het misgelden, die zooveel krenkingen 
te verduren kreeg, dat zijn geduld ten laatste uitgeput raakte. 
Een oorlog scheen onvermijdelijk. Dank zij evenwel het flink 



177 



optreden van den toenraaligen Gouverneur van de Noordkust, 
Van der Burgh, werden de gemoederen nog bijtijds tot rust 
gebracht en kwam in April 1774 tusschen beide Monarchen 
een contract tot stand, waarvan Art. 3 aldus luidde: ^Maar 
dat wij, daarentegen, elkander over en weer zullen laten in 
de rustige vredige possessie van de Landen, die wij ieder 
voor zich, volgens de met de Doorluchtige Ned. O.-I. Maat- 
schappij aangegane en nog subsisteerende tractaten van vriend- 
en bondgenootschap, als in leen bezitten, en bij de nieuwe 
registers specifiek opgenoemd, aan Ons van Harentwege door 
den Heer Gouverneur en Directeur voornoemd zijn toegewezen; 
met sincere belofte, dat wij niet alleen, voor zooverre de Com- 
pagnie dit raadzaam en noodzakelijk oordeelen zal, elkander 
tegen uitheemsch geweld, binnenlandsche vijanden, rebellen of 
andere rustverstoorders bijspringen en adsisteeren, maar boven- 
dien ook zorg dragen zullen dat des een des anderen onder- 
hoorigen geen overlast of molest komen aan te doen.'* 

Hiermede was ook deze wolk over de hoofden van Gouver- 
neur-Generaal en Raden voorbijgedreven. Van der Parra stierf 
anderhalf jaar later en werd opgevolgd door den Directeur- 
Generaal Jeremias van Riemsdijk (1775 — 1777.) 

Slechts eenmaal maakten wij in onze schets melding van 
Tjeribon, toenmaals ook een afzonderlek rijk in westelijk 
Java. Op blz. 113 zagen wij twee prinsen uit dit door zijne 
ligging belangrijk landschap het Mataramsche hof verlaten 
om de wijk te nemen naar Bantam, waar zij door den Vorst 
des lands met open armen ontvangen werden. Deze sluwe 
Sultan wist zeer goed, dat Tjeribon van oudsher een centraal- 
punt van den Islam op Java was geweest en hoopte heimelijk 
van de aanwezigheid der beide vorstentelgen gebruik te maken 
om de gehate kafirs (heidenen) uit Batavia afbreuk te doen. 
't Was dan ook door z\jn toedoen, dat de twee prinsen uit 
Mekka den titel van Sultan ontvingen. Voor het oogenblik 
had de Hooge Regeering er niet op tegen, dat het tweetal 
daarop het erfdeel hunner vaderen ging deelen, doch wist 

spoedig te bewerken dat deze aan koffie en andere producten 

12 



178 

zoo rijke streek aan het oppergez^ der Compagnie onder- 
worpen werd- Later trad hier nog een derde afstammeling 
van den in 1662 overleden Panembahan Qiri Laja op, die 
eveneens den titel van Sultan aannam en zich met een ge- 
deelte van Tjeribon beieend zag. Toen in het jaar 1773 een 
der drie vorsten kwam te overlijden, dacht de Hooge Regeering 
er een oogenblik aan zijne erfenis aan zich te trekken. De 
tijdsomstandigheden waren echter van dien aard, dat men 
't beter vond hier vooralsnog geen direct gezag in te voeren. 
Zoo bleven dan nog de twee overblijvende sultans aan het 
bestuur, tot tyd en wijle ook hun rijk hg de rechtstreeksche 
bezittingen der Nederlanders 
zou worden ingelijfd. Tot de 
vei-plichtingen der Tjeribonsche 
vorsten behoorde o. a. deze, dat 
zij jaarlijks een zeker aantal 
onderhoorigen naar Batavia 
moesten opzenden, die daar 
onder de zonderlinge benaming 
van „modder- Ja vanen" bij den 
arbeid aan de aardwerken ge- 
bezigd werden. 

Van Tjeribon naar Bantam 
reizende moeten wij Batavia 

paeseeren, het middenpunt van 

Bloeiend suikerriet. i vr i i i i. ■ i • i 

de Meaerlandsche werkzaamheid 

in Indië, waar, ondanks den financiëelen achteruitgang der 
Compagnie, het vertier gaandeweg grooter werd, In het jaar 
1766 had de stad reeds eene bevolking van 16.180 zielen, 
waaronder ruim 1200 Europeanen (Nederlanders en Duitechers), 
2500 Chineezen en 9000 slaven. De grootste bedrgvigheid 
heersühte echter in de zoogenaamde Bataviasche Ommelanden, 
waar, naast 380 Europeanen, 30.000 Javanen en 24.000 Chi- 
neezen, nog ongeveer 50.000 vreemdelingen uit den Archipel 
gevestigd waren. Gemengder bevolking kan men zich niet 
denken. Het grootste gedeelte was werkzaam bij de suiker- 



179 

fabrikage, welke tak van nijverheid in dezen tijd zulk een 
hooge vlucht genomen had, dat de Hooge Regeering op mid- 
delen bedacht was om te groeten toevoer „van die soetigheid" 
tegen te gaan. Niet minder dan 6580016 ponden lagen op 
dit oogenblik in de pakhuizen opgestapeld. Diezelfde Omme- 
landen hadden van 1744 — 1766 ruim 300.000 pikoel koffie 
opgeleverd. Al die zoetigheden konden echter niet verhinderen, 
dat de stad Batavia zelve, met hare vuile grachten en kwalijk 
riekende riolen, meer en meer eene plaats werd waar 't in- 
zonderheid voor Europeanen niet uit te houden was. Wel 
werden door de Hooge Regeering kosten noch moeite ge- 
spaard om de spreekwoordelijk geworden ongezondheid van 
Batavia binnen enge grenzen te beperken, doch alles te ver- 
geefs. Zelfs de in 1767 voor de uitdieping der grachten ge- 
storte 16800 rijksdaalders konden niet verhinderen, dat de 
stad haar naam van „europeesch kerkhof" eere bleef aandoen. 
In het jaar 1769 werden binnen hare veste niet minder dan 
2400 ambtenaren der Compagnie, 160 gewone burgers, 
600 Christen-inlanders en 1000 Chinezen ten grave ge- 
dragen! Volgens dezelfde mededeeling, waaraan wij deze 
opgave ontleenden, stierven in het jaar van 1776 op 1776 
.alleen in de hospitalen meer dan 2600 Europeanen. Deze 
cijfers zeggen meer dan een lang betoog. 

Intusschen, hoe erg ook, het was niet de grootste kwaal 
van Batavia. Hoewel hare poorten des avonds zorgvuldig ge- 
sloten, overdag door inlandsche soldaten, des nachts door 
Europeanen bewaakt werden, was daar toch een vijand bin- 
nengeslopen, die een oogenblik gedreigd heeft de stichting 
van Koen voor Nederland te loor te doen gaan. Hij noemde 
zich lichtzinnigheid. Het is schier niet te gelooven, maar 
desniettemin droeve waarheid, dat onze landgenooten en hunne 
medeburgers zich juist in deze kommervolle tijden in een 
maalstroom van genietingen wierpen, zooals Batavia daarvan 
later geen voorbeeld heeft gekend. De pronkzucht ging alle 
perken te buiten. Personen, die van dertig tot tachtig slaven 
bielden om een behoorlijken staat te kunnen voeren, waren 



180 



lang niet zeldzaam. Van zekere mevrouw Valckenier, eoht- 
genoote van een jong geneesheer, lezen wij ergens, dat zij 
haren eersteling ten doop hield, gedekt door eene sprei waar- 
aan edelgesteenten ter waarde van f 10.000 waren aan- 
gebracht. Het door zulk eene weelderige levenswijze verbroken 
evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven werd zooveel 
mogelijk hersteld door de schandelijkste praktijken, waaraan 
niet slechts de gewone ambtenaren, maar ook hooggeplaatste 
personen zich schuldig maakten. De vrome zin der vaderen 
had plaats gemaakt voor eene publieke onzedelijkheid en zucht 
naar wereldsch vermaak, die ten slotte zulke afmetingen 
aannamen, dat de Hooge Regeering, anders ook niet zuiver, 
zich verplicht achtte daarover haar banvloek uit te spreken. 
Het lust ons niet hierover verder uit te weiden. Batavia is voor 
Nederland bewaard gebleven, niet door, maar ondanks zijne toen- 
malige bewoners ! Het was hier een Emergo zonder het Luctor ! 
Met eene zekere walging keeren wij ons van de hoofdstad 
af om opnieuw een bezoek te brengen aan Bantam, waar 
Sultan Alioed'din zijnen vader Aboe'n Na^ar was opgevolgd. 
Sedert onze laatste kennismaking had men zich hier trouw 
aan de gesloten traktaten gehouden. De schrik zat er danig 
in. Het kon echter wel niet anders of in zulk onrustig land 
moesten zich van tijd tot tijd binnenlandsche onlusten voor- 
doen, die, zoo zij elders waren voorgevallen, de Hooge Re- 
geering hoogstwaarschijnlijk onverschillig zouden gelaten hebben. 
Bantam, zoo dicht bij Batavia gelegen, was en bleef echter 
een teer plantje, dat met de meeste zorg moest worden be- 
waakt. Zoodra hier dan ook maar het kleinste wolkje aan 
den politieken hemel verscheen, waren de Gouverneur- Generaal 
en zijne Raden er terstond bij om het kwaad in zijn begin 
te stuiten. Zoo werd in 1763 een van 's Sultans broeders een- 
voudig op „suspicie van nauwe conversatie met 's vorsten 
bijwijven" naar Batavia ontboden en hem Ambon als ballings- 
oord aangewezen. Een jaar later liet de verstandhouding tus- 
schen den Sultan en diens Rijksbestierder te wenschen over, 
terwijl beider handelingen tegenover de bevolking den toets 



181 

der rechtvaardigheid niet konden doorstaan. Terstond treedt 
de Gouverneur-Generaal De la Parra op om den Resident 
Reynouts op te dragen zoowel den een als den ander „het 
noodige voor te houden." Het gevolg was dat de Rijksbestuurder 
Tisna Negara naar Edam verbannen werd, waar hij, ver van 
vrouw en kinderen, die geweigerd hadden hem derwaarts te 
volgen, zijne verdere levensdagen slijten moest. Van meer 
belang was de opstand, in het jaar 1777 verwekt door Pangé- 
ran Manggala, een halve broeder van den Sultan. Over troepen 
om vriend Alioed^din te hulp te komen, kon men te Batavia 
niet beschikken. Toch wist men daar raad. Men schrijft een- 
voudig aan Reynouts om den pretendent onder een of ander 
voorwendsel binnen het fort Speelwijk te lokken en hem dan 
onder behoorlijk geleide naar het gereedliggend schip „Con- 
cordia'* te doen overbrengen. De toeleg gelukt en Prins Mang- 
gala krijgt gelegenheid om — nieuwe diplomatieke zet! — 
voor rekening van zijnen keizerlijken broeder naar Banda uit 
logeeren te gaan. 't Is curieus in de verdere stukken over 
deze zaak te lezen, dat „Alioed'din tranen van vreugde schreide 
over dit vernieuwd blijk van innige genegenheid der Compagnie." 

Gaan wij thans na hoe 't op de Buitenbezittingen gesteld 
was. Tusschen Atjeh en de Compagnie heerschte nog altijd 
een gewapende vrede. In het jaar 1744 hadden de onzen aan 
de toenmaals regeerende Koningin en enkele Rijksgrooten en 
zoo ook in 1754 aan den Sultan eenige geschenken gezonden, 
zonder dat dit echter meerdere toenadering tusschen beide par- 
tgen had teweeggebracht. Toen dan ook in den jare 1761 de 
Atjehneezen pogingen in het werk stelden om hun gezag langs 
de Westkust te herstellen, kregen de Gezaghebbers te Padang 
terstond last om dit met alle hun ten dienste staande mid- 
delen te beletten. 

Die Westkust was ook in andere opzichten eene bron van 
zorg en ergernis voor de Heeren in Batavia. Men wist eigen- 
lijk niet goed wat er mede aan te vangen. Terwijl op het 
eene oogenblik bevel gegeven werd om nieuwe posten op te 
richten, volgde straks de last om reeds gebouwde verster- 



182 

kingen te verlaten. Het meest had men met de Ëngelscheil 
te doen, die geene poging onbeproefd lieten om zich in de 
gunst der Maleische Vorsten te dringen, wat hun op vele 
plaatsen maar al te wel gelukte. Zeer verleidelijk was daarom 
het aanbod van den Franschen Admiraal d'Estaing in 1760 
— tijdens den zevenjarigen oorlog met Albion — gedaan om 
het door hem veroverde fort Marlborough in Bengkoelen aan 
de Nederlanders af te staan. De energie was er echter bij de 
Hooge Regeering uit. De aanbieding werd beleefd van de 
hand gewezen en bijna lijdelijk moest men het in 1763 aan- 
zien, dat onze aartsvijanden opnieuw hun spel op de Westkust 
begonnen. Ten slotte bleef er voor de Nederlanders weinig 
meer over dan Padang en de ten zuiden daarvan gelegen 
kuststrook, waar ons bestuur in 1771 nog een laatste bewijs 
van wilskracht gaf, door den weerspannigen Sultan van 
Indrapoera met drie zijner ondergeschikte Hoofden naar Edam 
te verbannen. Een jaar later kwam het bevel om ook het 
fort te Pasaman te ontruimen. Voor dit echter ter plaatse 
bekend kon zijn, was de bezetting, waarschijnlijk op aanstoken 
van de Engelschen, door de Inboorlingen afgemaakt. 

Intusschen bleven de onzen zich op de Westkust handhaven 
tot in het jaar 1781 de oorlog met Engeland uitbrak en alle 
daar gevestigde kantoren „zonder dat er een schot was gelost" 
door onze oude vijanden in beslag werden genomen. Zij bleven 
daar tot in 1784 toen, bij den vrede van Parijs, aan Nederland 
zijne bezittingen werden teruggegeven en onze landgenooten 
zich opnieuw te Padang kwamen vestigen. Alles werd hier 
nu weer op den ouden voet teruggebracht en een oogenblik 
herleefde nog eens weer de vroegere energie, toen in 1787 
Atjehneesche roevers onze neerzetting te Priaman hadden af- 
geloopen, doch met groot verlies werden teruggeslagen. Hoe 
de Inboorlingen overigens jegens de Hollanders gezind waren, 
kan blijken uit eene resolutie van die dagen, waarbij aan de 
gezaghebbers op het hart werd gedrukt om tegenover hen 
„een voorzichtig wantrouwen te obser veeren" en niemand 
„dan met behoorlijke voorzorgen voor eigen defensie" tot zich 



183 



toe te laten. Alles saamnemende, kan 't ons dan ook niet 
verwonderen dat, zoodra de aanschrijving van Prins Willem V 
uit Engeland in Indië bekend was geworden om al onze posten, 
ten einde ze voor de Franschen te beveiligen, in handen der 
Engelschen over te geven, Padang de eerste bezitting in den 
Archipel was, waar de Nederlandsche vlag naar beneden werd ge- 
haald. Minder dapper dan zijn naamgenoot, schijnt de toenmalige 
Gezaghebber Chassé weinig of niets tot verdediging van de plaats 
te hebben in 't werk gesteld. Gelukkig waren de mannen reeds 
geboren, die dezen smaad op schitterende wijze wreken zouden ! 

In de Lampongsche districten was de bevolking over het 
geheel weinig ingenomen met de strijkages, die Bantam voor 
de Hollanders in Batavia maakte. Men bevond zich hier echter 
in een der voorraadschuren van de peper en — voor peper 
hadden Gouverneur en Baden altijd nog oog en oor. Toen 
dan ook een paar inlandsche prinsen, waaronder Pangéran 
Aboe-Bakar, het waagden zich tegen hunne bevelen te ver- 
zetten, werden zij eenvoudig opgelicht en geboeid naar Bantam 
overgebracht, om later op een der Bandasche eilanden in de ge- 
legenheid te worden gesteld over hunne euveldaad na te denken. 

Met Palembang was na 1747 — blz. 164 — de handel in 
peper en tin geregeld voortgezet. Van dit laatste product 
kreeg men soms zelfs te veel naar zijn zin, wat tot allerlei 
geschrijf tusschen de Hooge Regeering en den Vorst des lands 
aanleiding gaf. Met de politieke zaken in Palembang lieten 
de Heeren in Batavia zich zoo weinig mogelijk in. Op een 
tot hen gericht verzoek om Pangéran Ratoe tot troonsopvolger 
te benoemen werd „noch ja noch neen" geantwoord. Evenmin 
trokken zij er zich iets van aan, toen zich A^. 1774 in dit 
rgk het curieuse feit voordeed, dat de Koning tot Keizer en 
de Kroonprins tot Koning verheven werd. Desnoods tien 
Keizers en tien Koningen, zoo slechts het monopolie gehand- 
haafd bleef! Het nieuw gekroonde Hoofd kon desgevraagd 
kruit en lood, zelfs eenig geschut ten geschenke kiijgen, als 
hij een en ander maar tegen de smokkelaars bezigen en nieuwe 
pepertuinen wilde doen aanleggen. 



i84 



Het rijk Djambi, dat nu tot Palembang behoorde, bleef eell 
tooneel van verwikkelingen. In 1761 vond de Hooge Regeering 
het goed den toenmaligen Vorst af te zetten en den Palem- 
bangschen prins Nata Koesoema in zijne plaats aan te stellen. 
Meer in zijn dan in ons belang werd er bij de hoofdplaats een 
steenen fort gebouwd, waarin eene bezetting van omstreeks 
dertig man kwam te liggen. 

Op blz. 165 zagen wij hoe in 1746 het rijk Siak aan de 
Compagnie was afgestaan. Veel bekreunde de Hooge Regeering 
zich echter niet om deze bezitting, totdat zij in 1765 genood- 
zaakt was partij te kiezen tusschen twee broeders, Radja Alam 
en Sultan Mohamed, die elkander den troon betwistten. Dank 
zij de hulp der onzen kwam laatstgenoemde aan het bestuur, 
die daarop aan de Nederlanders toestond op Goentoeng, in de 
rivier van Siak, een kantoor te vestigen. Heel diep zat zijne 
dankbaarheid evenwel niet. Integendeel, evenals zijn broeder 
haatte hij de Hollanders uit den' grond van zijn hart, waarvan 
hij reeds in 1759 het bewijs gaf, door de geheele bezetting 
van Goentoeng te laten vermoorden. Een tegen hem uit- 
gezonden expeditie had tot gevolg dat hij ijlings naar het 
binnenland vluchtte en zijn broeder Radja Alam tot Sultan 
werd aangesteld. Met goedkeuring van dezen kreeg Goentoeng 
nu weer zijne bezetting, edoch niet langer dan tot 1766. 
Radja Alam maakte het den onzen zoo lastig, dat het be- 
stuur in Batavia in genoemd jaar niet beters wist te doen 
dan zich geheel van Siak terug te trekken. Wie in die dagen 
had durven voorspellen dat uit den verwarden staat van het 
groote en machtige Siak onze schoone Residentie Soematra's 
Oostkust zou geboren worden, ware zeker als een profeet die 
brood eet uitgekreten geworden! 

De Riouw-Archipel, oorspronkelijk een deel uitmakende 
van het Gouvernement van Malaka, had zich lang rustig 
gehouden, totdat in het jaar 1782, dus tijdens den oorlog met 
Engeland, de toenmalige onderkoning Radja-Hadji en diens 
opvolger Radja-Ali tegen de Compagnie optraden, waardoor 
het uitzenden ven eene belangrijke troepenmacht noodzakelijk 



isè 



Werd. Niet dan met de grootste krachtsinspanning gelukte 
het den onzen het veld te behouden, waarna in 1784 met 
den Sultan een traktaat gesloten werd, waarbij deze o. a. 
verklaarde zijn rijk in leen van de Oost-Indische Compagnie 
ontvangen te hebben. Dus toch nog weer eene overwinning! 

Ongeveer op hetzelfde tijdstip dat de Oost-Indische Compagnie 
hare bezetting te Pasaman (zie boven) introk, verrees op de 
Westkust van Borneo een nieuwe stad, die bestemd bleek te 
zijn een der belangrijkste plaatsen in den Archipel te worden. 
Wij bedoelen Poentianak, gesticht door den Arabier Said 
AhdoeW Rahman, op een gelijknamig eilandje in de Eapoeas- 
rivier. Bedoeld eilandje droeg zijn naam naar een in Indië 
algemeen bekende en gevreesde geest van het vrouwelijk 
geslacht en werd daarom door alles wat Maleier heette zorg- 
vuldig vermeden. Onze Arabier, tot hiertoe slechts als zee- 
roover bekend, liet zich daardoor echter niet afschrikken. 
Ondanks het spook nam zijne stichting betrekkelijk snel in 
bloei toe. De Compagnie erkende hem als Sultan en sloot in 
1779 een contract met hem, waarbij zij zich verbond Poentianak 
door een fort te zullen beschermen, in ruil waarvoor haar 
de inlandsche producten tegen billijke prflzen zouden worden 
geleverd. Veel zijde zouden w\j er echter niet bij spinnen. 
Toen in het jaar 1784 bovengenoemde Radja-Ali van Riouw 
naar Soekadana de wigk genomen had en zich daar in de 
zaken van de Westkust begon te mengen, riep onze bond- 
genoot AbdoeV Rahman de hulp der Regeering tot zijne 
verdrijving in, kennelgk met het doel om op die wijze zijn 
gebied uit te breiden. Eene expeditie volgde, waarvan de 
uitslag was dat zoowel Soekadana als het naburige Mampawa 
ten onder werd gebracht, terwijl de zoon van Abdoe'r Rahman, 
Sjerif Kasim genaamd, zich in 1787 tot Sultan van beide 
rijken zag aangesteld. De Compagnie had dus een vazal meer, 
doch dit was dan ook het eenige wat de bemoeiing met de 
Westkust haar opleverde. Ook na dezen tijd konden de 
inkomsten de uitgaven bij lange niet dekken, waarom dan 
ook in 1791 besloten werd dit gedeelte van Borneo prijs te 



l8é 



geven en den Sultan van Poentianak beleefd te verzoeken 
's Compagnie's gebouwen aan de meestbiedenden te ver- 
koopen. 

Met Bandjarmasin ging 't iets beter. De Residenten hier, 
gelijk ze genoemd werden, hadden streng in last om zich zoo 
weinig mogelijk met het Hof in te laten, maar des te ijveriger 
acht te geven op alles wat met den handel in peper, goud en 
diamanten in betrekking stond. Dat de Heeren in Batavia 
overigens niet bang voor den Sultan waren, toonden zij bij 
meer dan eene gelegenheid. Toen in het jaar 1767 de Engelschen 
uit Bengkoelen een gezantschap naar Bandjarmasin zonden 
en de Vorst weigerde met onze vijanden in onderhandeling 
te treden, werd hem daarover de tevredenheid der Hooge 
Regeering betuigd, doch hem tevens onder het oog gebracht, 
dat hij reeds te ver was gegaan met aan de Engelschen 
audiëntie te verleenen. Zoo wisten onze landgenooten, die 
hier toch slechts over een-en-vijftig dienaren, burgers en 
soldaten, te beschikken hadden, zich te doen gelden. Meenden 
de Gouverneur-Genoraal en Raden soms dat zij een weinig 
te ver gegaan waren, dan werd fluks een greep in de anders 
schrale beurs gedaan om door de toezending van een of 
ander geschenk den slechten indruk weg te nemen. Als zoo- 
danig moest bij zekere gelegenheid ook dienst doen het fraaie 
Perziaansche paard, dat duizend rijksdaalders had gekost en 
aan den kroonprins Ratoe Anom vereerd werd. 

Toch zou Bandjarmasin de Compagnie nog eenmaal de handen 
vol werk geven. Dit was in 1787, toen de oude Vorst kwam 
te overlijden, van welke gelegenheid Pangéran Nata, neef 
van den wettigen troonsopvolger, gebruik wilde maken om 
zich van de regeering meester te maken. Zich echter niet sterk 
genoeg gevoelende, zocht hij hulp te Batavia, waar men het 
visschen in troebel water nog niet verleerd had en onmiddellijk 
zijn troepen uitzond. Dank zij onzen bijstand werd de pretendent 
op den troon geplaatst, die uit dankbaarheid alles beloofde 
wat dezerzijds van hem gevorderd werd. De troepen waren 
echter nauwelijks vertrokken of' hij vergat zijne beloften, 



18^ 



tengevolge waarvan Bandjarmasin zgne plaats als „lastpost^ 
voor ons bleef behouden. 

Het Gouvernement van Mangkasar was al sedert jaren 
een schadepost voor de Compagnie en zeker zouden onze 
landgenooten zich reeds lang uit dit bi'oeinest van politieke 
verwikkelingen hebben teruggetrokken, hadden zij niet in 
deze plaats den sleutel van de „Groote Oost", gelijk de 
Molukkeu toen ook wel genoemd werden, gezien, die^i zij ter 
wille van het monopolie niet uit de handen mochten geven. 
Om die reden werden hier dan ook geregeld twee compagnieën 
militairen op de been gehouden. In het jaar 1766 vluchtte 
de Vorst van Goa, Batara Goa II geheeten, naar Soembawa 
om daar voor afwisseling het bedrijf van zeeroover uit te 
oefenen. Hij werd echter spoedig gevangen genomen, te Batavia 
boven de poort naast de hoofdwacht in verzekerde bewaring 
gesteld en later naar Ceylon verbannen. 

In de Molukken, waar de Compagnie voortging hare huis- 
houding te regelen en overal bezuinigingen in te voeren, had 
men in dezen tijd veel last van Papoesche zeeroovers, die 
met hunne vaartuigen zelfs tot bij Boeroe kwamen, voor 
welke brutaliteit zij nu en dan behoorlijk gestraft werden. 
Waarschijnlijk was dit ook wel de voorname reden waarom 
in 1774 een zekere Abdoel-Rahman, „Koninkje" van Waigeoe, 
naar Batavia gezonden werd om straks op Edam het aantal 
bannelingen weer met een te vergrooten. De voorgeschreven 
bezuinigingen vielen natuurlijk weinig in den smaak van 
's Compagnie's dienaren, die er slechts eene aanleiding in 
schijnen gezien te hebben om nog meer dan voorheen op 
eigen voordeel bedacht te zijn. Wegens het plegen van allerlei 
wederrechtelijke handelingen werden in 1769 vier Raadsleden 
op Banda gevangen genomen en naar Batavia opgezonden. 
Vijf jaren later werd de Gouverneur Pelters op hetzelfde 
eiland „wegens zekere questieuse poincten van contanten" 
tot terugbetaling • van een som van f 6000 veroordeeld. En 
zoo meer. Op de Ambonsche eilanden ging het uitroeien van 
specerijboonen zijn ouden gang. De Hooge Begeering achtte 



188 

die nog altijd yan zooveel belang, dat zij in 1762 den 
Gouverneur Fockens aanschreef om in hoogst eigener persoon 
de hongi- of verdelgingstochten aan te voeren „ten ware bij 
absolute onmogelijkheid, wanneer die door twee gecommitteer- 
den uit den politieken Raad zouden moeten geschieden. ** 
Eervolle opdracht voorwaar! 

Op Temate was de in 17B2 gekozen Sultan in 1764 over- 
leden en opgevolgd door prins Zivaardekroon, welke vorste- 
lijke telg in 1721 naar dien Gouverneur- Generaal genoemd 
was. In Batavia had men dit den toenmaligen Gouverneur 
van Ternate hoogst kwalijk genomen, wat evenwel niet ver- 
hinderde, dat in 1769 de zoon van den Sultan van Tidore 
op hooger last den naam van prins Mossel en diens jongste 
kind later dien van prins Van der Parra ontving. Op deze 
wijze meende men nu de vriendschap met de inlandsche 
potentaten het best te onderhouden. Als groot en klein maar 
trouw de belangen der Compagnie diende, wilde men dezer- 
zijds niet karig zijn in het geven van tevredenheidsbetui- 
gingen, waarvoor zelfs geen pikoel peper behoefde te worden 
verkocht. In vergelding daarvoor eischte de Hooge Regeering 
echter stipte gehoorzaamheid aan hare bevelen. Wie daarin 
te kort schoot of haar slechts „suspect" voorkwam, werd 
onmiddellijk opgepakt en per eerste scheepsgelegenheid naar 
Batavia opgezonden. 

Zoo gingen in de Molukken de zaken geregeld hun gang, 
totdat Ao. 1796 de Engelsche r Admiraal Reinier daar ver- 
scheen en zich zonder veel moeite van de Ambonsche en 
Bandasche eilanden meester maakte. Daarop was Ternate aan 
de beurt, dat echter gedurende bijna drie jaren door de onzen 
verdedigd werd en, dank zij vooral het heldhaftig gedrag 
van den Gouverneur Budach, voor Nederland behouden bleef. 
Als een tweede Van der Werff wilde Budach van geen over- 
gave hooren, al liepen hem ook de tranen over de wangen 
bij het zien van de ellende, door hongersnood en ziekte onder 
de bewoners van Ternate aangericht, 't Was dan ook niet 
meer dan billijk dat de Hooge Regeering hem bij wijze van 



189 



belooning tot Buitengewoon Baad van Indië benoemde, gelijk 
zij zich ook later beijverde het loffelijk gedrag der ingezetenen 
van Ternate, die zich geruimen tijd met paarden^ honden en 
kattenvleesch hadden moeten voeden, openlijk ter kennis van de 
Europeanen op Java te brengen. 

Ook in de tegenwoordige Residentie Timor was de invloed 
der Nederlanders gaandeweg grooter geworden. Zij 't ook 
niet zonder botsingen. In deze door de Portugeezen bewerkte 
streek schijnt het aantal staatsgevangenen langzamerhand zoo 
groot te zijn geworden, dat de Hooge Regeering in het jaar 
1761 bij een afzonderlijk besluit bepaalde om die lieden voort- 
aan niet meer „in den ketting" op te zenden. Voor het 
overige valt van dezen post nog alleen het belangrijk feit 
mede te deelen, dat de Engelschen, toen zij zich ook van 
Timor wilden meester maken, dank zij het moedig optreden 
van den Onder-Commandant Greving, genoodzaakt waren on- 
verrichterzake af te trekken. 

Het zou zeer zeker een merkwaardige statistiek leveren, 
indien wij eens konden nagaan hoeveel inlandsche Vorsten en 
Groeten gedurende de 175 jaren, waarin wij nu de Oost- 
ledische Compagnie werkzaam zagen, hun verzet tegen de 
uitbreiding van ons gezag met verbanning naar Ceylon, de 
Kaap de Goede Hoop en eldeirs geboet hebben. De minst ge- 
vaarlijken werden eenvoudig op het herhaaldelijk door ons 
vermelde eiland Edam geïnterneerd, waar de meesten het 
hun toegelegde kostgeld in de „lijnbaan" verdienen moesten. 
In 1773 was het getal gevangenen hier zoo groot, dat jnen 
er geen raad meer mede wist en besloten werd om 40®/o van 
hen naar Ceylon over te brengen. Ook het eiland Onrust 
herbergde een behoorlijk aantal bannelingen. Slechts een 
enkele maal vonden wij melding gemaakt van Hollanders, 
die naar Edam of een ander eiland verbannen werden. Wie 
zich onder hen aan eenig ergerlijk vergrijp schuldig maakte, 
werd eenvoudig „voor de kost" of geheel voor eigen rekening 
naar Nederland opgezonden. 

Zoo zijn wij ongemerkt weer aangeland bij Batavia, de 



190 



stad, wier weerga, gelijk iemand schreef, onder alle Europeesche 
neerzettingen in Indië te vergeefs gezocht werd. Wij bezochten 
haar het laatst in 1769, nog altijd getooid in haren konink- 
lijken mantel, die echter door de miasmen uit de grachten, 
meer nog door de uitspattingen harer blanke burgerij erg 
bezoedeld was. De grachten en riolen vinden wg in den- 
zelfden betreurenswaardigen toestand terug. En de burgerij? 
Deze is van kwaad tot erger vervallen. Laat ons eten en 
drinken en vroolijk zijn en waar 't kan de kas bestelen, was 
het wachtwoord van den dag geworden. Wel ging ieder des 
Zondags nog trouw ter kerk, de vrouwen met twee of meer 
slaven achter zich, maar met de heiliging van den rustdag 
was 't voorgoed gedaan. Meer dan door de kerk werden de 
harten aangetrokken door het pas opgericht tooneel, waaraan 
echter alle kracht en heerlijkheid ontbrak en dat zich dan 
ook al spoedig oploste in wat de Hooge Regeering noemde 
„groote divertissementen, dans, konst en vliegwerken." Het 
was in dit opzicht zoo treurig binnen Batavia gesteld, dat 
de Gouverneur-Generaal en Raden in een officieel stuk als 
voornaamste oorzaak van den achteruitgang der Compagnie 
opgaven „het schenden van des Heeren dag en het door- 
brengen van dien in ijdelheid en wereldsch genot." Pogingen, 
tot keering van het kwaad aangewend, leidden tot niets. Ten 
laatste meende men het redmiddel gevonden te hebben in de 
verbetering van het onderwijs van de jeugd, maar ook dit 
schijnt weinig resultaat te hebben opgeleverd. Zoowel de meisjes- 
school „voor de dochtera van fatsoenlijke lieden" als de 
„kostschool ter onderwijzing van de jeugd zonder onder- 
scheid van staat of godsdienst" verdween bijna even spoedig 
als zij was opgericht. Toch was 't der Hooge Regeering op 
dat oogenblik ernst met deze zaak. Vandaar de in 1786 uit- 
geschreven prijsvraag, luidende: „Welke is de beste inrichting 
om aan de jeugd te Batavia eene opvoeding te geven, die 
het meest geschikt is om hun verstand te beschaven, hen 
in nuttige kunsten en wetenschappen bedreven te maken en 
hun goede zedelijke gevoelens in te boezemen?" 



191 

Leert ons zoo alles, dat 't er in deze dagen donker uitzag 
onder onze landgenooten te Batavia, w^ mogen niet van de 
stad scheiden zonder ook op een lichtpunt te wijzen. Te 
midden van de algenieene verdorvenheid werden er nog 
altijd enkele mannen gevonden, die een oog hadden voor het 
achoone en goede en de meening waren toegedaan, dat de 
Nederlanders in Indië nog iets anders te disen hadden dan 
zich te verrijken en hunne dagen bij dans en spel door te 
brengen. Dank zy het streven van deze weinigen kwam op 
den 24 April 1778 het Batamaasch Genootschap van Kun- 
sten en Wetenschapp^i 
tot stand, dat sedert 
onafgebroken voor de 
studie van Indische 
Taal-, Land- en Volken- 
kunde is werkzaam ge- 
weest en Ao, 1878 in 
een lyvig Gedenkboek 
een monument mocht 
stichten voor eenen 

.■IJ. .... Gebouw Batav. Genootschap. 

arbeid, dien wij niet ^ 

aarzelen eene tweede verovering van deze rijke en scboone 
gewesten te noemen. Wie ooit te Batavia komt en daar een 
bezoek brengt aan de prachtige gebouwen, binnen wier muren 
de schatten van Insulinde zyn bijeengebracht, zal verbaasd 
staan over de enorme werkzaamheid door dit Qenootschap, 
te midden van zonnige en donkere dagen, gelijk de politieke 
hemel medebracht, aan den dag gelegd. Voornaamste oprichter 
en eerste Directeur was Jacob Comelis Mattheus Bad&rmacher, 
wien mannen als Josua van Iperen, Johannes Hooyman, 
Willem van Hogendorp, Egbert Blomhert en anderen als 
dirigeerende leden trouw ter zijde stonden. Ook de Hooge 
Begeering liet zich niet onbetuigd. Met beide handen greep 
z^ de gelegenheid aan om door hare goedkeuring „Aen wel- 
vaart der Oostersche volkplantingen van den Staat der Ver- 
eenigde Nederlanden" te belpen bevoi-deren. Hoe zuinig anders 



192 



ook — inzonderheid in dezen tijd — haastte zij zich het 
Bestuur op deszelfs verzoek „te accordeeren hun programma 
en andere papieren in 's Compagnie's boekdrukkerij te laten 
drukken, mits het papier dat daartoe zal worden gebruikt 
uitkoops in Compagnie's kasse betalende." Sedert zijn, zooals 
wij zagen, bijna 120 jaren verloopen en een foliant zou kunnen 
worden gevuld met eene bloote vermelding van de stukken 
in dezen tijd door het Genootschap openbaar gemaakt. Vooral 
door zijne lijvige „Verhandelingen" en zijn „Tijdschrift voor 
Indische Taal-, Land en Volkenkunde" heeft het meer dan 
eenig ander lichaam er toe medegewerkt om de kennis van 
den Maleischen Archipel op de hoogte te brengen, waarop 
deze thans staat. Wij mochten het daarom deze „eervolle 
vermelding" hier niet onthouden. 

Als eene historische bijzonderheid teekenen wij aan, dat de 
man die oprichter en vijf jaren lang de ziel van dit Genoot- 
schap was, op zijne terugi'eis naar Holland in 1783 met zijne 
vrouw en verscheidene andere passagiers door Chineesche 
matrozen jammerlijk om het leven werd gebracht. 

Terwijl alzoo in het Bataviaasch Genootschap eene heldere 
ster aan den Indischen hemel verrees, neigde de zon der 
Oost-Indische Compagnie ter kimme. In het jaar 1778 was 
de ondergang van het eens zoo machtige handelslichaam nog 
slechts een kwestie van tijd geworden. De schatten van wel- 
eer hadden plaats gemaakt voor schulden en hoezeer men 
zich in Holland ook geneigd toonde het gevreesde bankroet 
te voorkomen, de hulp kwam te laat. Enorme voorschotten 
van f 13.000.000, van f 8.000.000, van f 17.000.000 zelfs 
verdwenen als waren ze in een bodemloos vat geworpen. Tot 
overmaat van ramp kwam onze Republiek Ao 1780 opnieuw 
in oorlog met de Engelschen, die natuurlijk van dé gelegen- 
heid gebruik maakten om de hand aan onze rijke Indische 
bezittingen te slaan en dan ook daarginds aan de Compagnie 
groote schade berokkend hebben. In het jaar 1789 bedroeg haar 
nadeelig saldo reeds meer dan f 74.000.000, welke som in 
1794 het eerbiedwaardig cijfer van honderdtwaalf miljoen 



193 



bereikt had. Eene in 1791 naar Indië uitgezonden Commissie, 
bestaande uit de heèren Mr. S. C. Nederburgh en S. H. Fiij- 
kenius, die met den toenmaligen Gouverneur-Generaal Mr, Wü- 
lem Arnold AUing (1780 — 1796) middelen tot herstel moest 
aanwijzen, bleek weldra al even onmachtig om den stroom te 
keeren. Vijf jaren later werd het Bewind der Oost-Indische 
Compagnie ontslagen en zijne taak overgedragen op een uit 
28 leden bestaand „Comité tot de zaken van den O.-I. handel 
en bezittingen", doch ook deze maatregel trof geen doel. De 
gelijkertijd opgetreden Gouverneur-Generaal Mr. Pieter Ge- 
rardus van Overstraten (1796 — 1801) zou de laatste zijn in de 
lange rij van landvoogden, die wij onder verschillende om- 
standigheden in Indië als dienaren der Compagnie werkzaam 
zagen. Reeds in de staatsregeling van 1798 werd de val der 
Oost-Indische Compagnie officieel uitgesproken en verklaard dat 
de Bataafsche Republiek al hare bezittingen en eigendommen, 
evenzoo al hare schulden tot zich genomen had. Op den 22®^ 
Mei van het jaar 1800 werd bovengenoemd Comité vervangen 
door een en „Raad van Aziatische Bezittingen" en was hiermede 
de stichting van Prins Maurits en v. Oldenbarneveld van het 
tooneel verdwenen! 

Van het tooneel verdwenen, gestorven zoo men wil, maar 
niet vergeten! Op haar graf zijn bloemen ontloken, in wier 
geur wij, nazaten van die stoere mannen van weleer, nog 
altijd ons verlustigen, en korenaren groeien, wier garven 
Nederland nog steeds in zijne schuren vergadert. Tot lof van 
hen, die in het laatst der 18® eeuw daarginds aan het bestuur 
waren, moet worden getuigd, dat zij, te midden van eene zee 
van moeielijkheden, al 't mogelgke hebben gedaan om het ver- 
overd gebied te behouden. Moesten zij ook al ten laatste het 
schip verlaten, de rijke lading werd geborgen. Dat in het voor 
de vaderlandsche geschiedenis zoo merkwaardige tijdvak van 
1795 — 1800 onze aartsvijanden, de Engelschen, gelijk wij 
boven zagen, zich van een gedeelte onzer bezittingen meester 
maakten, een oogenblik zelfs gedreigd hebben het geheel aan 
zich te trekken, was waarlijk niet de schuld van de Hooge 

13 



194 



Kegeering te Batavia, die haren schat met hand en tand ver- 
dedigde en zich daardoor den dank vi^n de nakomelingschap 
heeft waardig gemaakt. 

Aan vechten viel niet meer te denken, schreven wij op 
blz. 176. Men verbeelde zich dan ook den schrik van het 
Bestuur te Batavia, toen in 1788, bij den dopd van den Soe- 
soehoenan Pakoe Boewana III, de tijding daar aankwam dat 
de eerzuchtige Sultan van Djokjokarta van het plan zwanger 
ging om zich als Heer van geheel Mataram op te werpen. 
Gelukkig slaagden de Nederlandsche gezaghebbers er in het 
kwaad, dat geheel Java opnieuw in rep en roer had kunnen 
brengen, langs minnelijken weg te stuiten. De rust was daar- 
mede echter nog niet verzekerd. In=het traktaat met den 
nieuwen Soesoehoenan, Pakoe Boewana IV, kwam de aandoen- 
lijke verklaring voor : „Daar zal dan nu, en ten allen dage, 
een opregte vriendschap en harmonie resideeren tusschen de 
onderdanen van de Doorlugtige Nederlandsche Oost-Indische 
Compagnie en de volkeren van Java, om malkanderen in 
allerlei nood en verleegentheid getrouwelijk met raad en daad 
bij te staan, elkander best te bevorderen en schaaden af te 
weren, even alsof één volk waren." Schoone woorden, maar 
weinig gemeend van de zijde van den jongen Vorst, die in 
1790 het lang gedragen masker afwierp. Voornamelijk opge- 
zweept door fanatieke mohamedanen of, gelijk zij in oflScieele 
stukken van die dagen gewoonlijk genoemd werden „Paapsche 
drijvers" en „weinig blijken meer van de macht der Compagnie 
ziende", trad dit gekroond hoofd openlijk met het voornemen 
op om de Hollanders van Java te verdrijven en dit eiland 
voor den Islam te herwinnen. 

Voor den Islam ! Reeds een- en andermaal wezen wij er op, 
hoe dit Damocles- zwaard steeds boven de hoofden onzer land- 
genooten gehangen heeft. Dat het ook thans niet neerviel, 
niettegenstaande op dit oogenblik evenzeer in West-Java 
mohamedaansche woelingen zich baan braken en de Soesoe- 
hoenan zich reeds tot eenen aanslag op Batavia gereed maakte, 
mag waarlijk een wonder heeten. Nog eenmaal echter zegevierde 



195 



de HoUandsche diplomatie over de Javaansche. Zelfs wist de 
Gouverneur van Oost-Java, Greeve, het zoover te leiden, dat 
de Soesoehoenan „het oprechtste berouw en leedwezen over 
zijne begane misstappen gevoelde en ijverig naar de herstelling 
van 's Compagnie's liefde en vriendschap hoopte en wenschte." 
De onderworpenheid van den jongen Vorst was zoo volledig, 
dat hij niet slechts op verlangen van de Hooge Regeering 
zijne raadgevers uitleverde, maar ook van een door hem ge- 
wenscht huwelijk met een .der Djokjokartasche prinsessen 
afzag, ja openlijk de begeerte uitsprak om door de Compagnie 
te worden uitgehuwelijkt. Zoo dreef ook deze tweede en laatste 
wolk aan Java's politieken hemel voorbij! 

De laatste, als wij ten minste een klein onweer, dat zich 
een oogenblik boven Tjeribon saampakte, niet mederekenen. 
Het verscheen in den persoon van den vroeger verbannen 
prins Aria Marta Widjaja, die in 1794 verlof kreeg om naar 
zijn vaderland terug te keeren, doch zich hier zoo onrustig 
gedroeg, dat de Resident zich genoodzaakt zag hem andermaal 
naar Batavia op te zenden. Hij werd nu voor goed naar Ceylon 
verbannen, waarmede ook dit dreigend onheil was afgewend. 
Aan enkele andere Tjeribonsche prinsen en hoofden, die zich 
bg den muiteling hadden aangesloten, werd vergiffenis geschon- 
ken, omdat zij „trouw en hulde" op den Koran gezworen hadden. 

Omtrent Bantam vinden wij uit dezen tijd opgeteekend, dat 
de Koning „bij aanhoudendheid blijken van welgezindheid gaf," 
waarom de Hooge Regeering van haren kant al 't mogelijke 
deed om hem „van hare genegenheid te persuadeeren." In 
het jaar 1782 stond zij hem, op zijn herhaald verzoek, toe 
incognito, onder den naam van Pangéran Bantam, naar Batavia 
te komen en hier, naar 't heette, de wonderen door de Hol- 
landers gewrocht met eigen oog gade te slaan. Erg vertrouwen 
deed men hem echter niet. Hij was dan ook nauwelijks weer 
in zijn land teruggekeerd of de Gouverneur-Generaal en Raden 
vonden het noodig Zijne Majesteit ernstig aan te manen, toch 
geen gehoor te verleenen aan de mohamedaansche geestdrijvers, 
die, zooals wij boven reeds mededeelden, ook in West-Java den 



196 

heiligen oorlog predikten. De „vriend" werd dus goed in 
't oog gehouden en Bantam's Vorst moet zich wel zeer klein 
gevoeld hebben om zich zoo te laten ringelooren, als de 
stukken uit die dagen daarvan getuigenis geven. 



Javaauscbe familie. 

Zoo bleef het zwaard in de scheede en danken wij 't, nog 
eens, aan de bewindsmannen van die dagen dat, al moest ook 
de Oost-Indische Compagnie te gronde gaan, althans het 
Neder landsch gezag over Java onverzwakt op de nieuwe 
Kegeering kon worden overgedragen. Bij zooveel ellende, een 
Bchoone triomf voorwaar. Luctor et Emergo! 



EINDE VAN HET EERSTE DEEL. 



ZEVENDE HOOFDSTUK. 

1800-1819. 



TT^lu hebben nu voor goed afscheid genomen van de Oost- 

^■^^ Indische Compagnie, wier invloed daarginds%zoo groot 

geweest is, dat de Inboorlingen nu nog, als zij van het Hol- 

landsch Gouvernement spreken, eenvoudig Koempani zeggen. 

Het door dit machtige lichaam onder dak gebrachte gebouw 

van ons gezag in Indië zal thans door andere handen worden 

voltooid. Ook in deze nieuwe periode, die wel honderd jaren 

korter is dan de voorafgaande, maar daarom niet minder rijk 

aan belangrijke gebeurtenissen, zullen wij onze landgenooten 

op verovering zien uitgaan. Machtige potentaten, die zich tot 

het laatste toe tegen de Compagnie verzet hebben en niet 

geheel door haar konden worden ten onder gebracht, gaan 

de bittere ervaring opdoen, dat de nieuwe beheerschers van 

den Archipel nog meer dan hunne voorgangers te vreezen 

zijn. Het reeds over Bantam, Palembang en Mangkasar — om 

van andere rijken niet te gewagen — uitgesproken vonnis 

staat voltrokken te worden. Moge 't ons ook verder gelukken 

de voornaamste feiten uit dezen nieuwen worstelstrijd zoo te 

verhalen, dat de lezer zich een juist begrip kan vormen van 

de wijze waarop het kleine Nederland zich tot een groote 

koloniale mogendheid heeft opgewerkt. 

Onze beknopte Inhoudsopgave voor deze Aflevering begint 

met den uitroep: Alweer de Engelschen! In de bekende 

Straat Soenda ligt een eiland, door de onzen „Dwars in den 
n 1 



Weg" gedoopt, dat aan menig zeevaarder den toegang toL 
den Maleischen Archipel moeielijk, vaak onmogelijk gemaakt 
heeft. Als zulk een Dwars in den Weg zijn ook na 1800 de 
zonen van Albion voor de uitbreiding van het Nederlandsch 
gezag in de Indische wateren geweest. Thans, bij de intrede 
van de 19® eeuw, vinden wij hen met vijf schepen onder 
kapitein Ball tegenover Batavia geankerd, gereed om zich 
van deze stad meester te maken en daarna ook de andere 
havens van Java te blokkeeren. Zij zijn thans gekomen quasi 
als vrienden, die geen ander doel hebben dan de bezittingen 
der Bataafsche Republiek uit de handen der Franschen te 
redden en ze zoolang voor ons in bewaring te houden. De 
Hooge Regeering was echter weinig met hunne komst inge- 
nomen. C^k de burgerij niet, waarom dan ook alles werd in 
't werk gesteld om Batavia in staat van tegenweer te brengen. 
Een geluk voor de onzen mocht 't heeten, dat op dit moment 
de Vorsten van Java hun bijzonder gunstig gezind waren. 
Zoowel de Sultan en de Soesoehoenan als de Hoofden van 
Madoera boden hunne hulptroepen aan, terwijl de Vorst van 
Bantam zich haastte de noodige maatregelen te nemen om 
zijn kust tegen een aanval van de Engelschen te beveiligen. 
De verdedigers van Batavia behoefden dus niet angstvallig 
naar rechts en links om te zien. Toch mag 't, bij den slechten 
staat waarin de Hollandsche land- en zeemacht zich bevonden, 
betwijfeld worden of zij zich op den duur tegenover den vijand 
hadden kunnen staande houden. Zooveel is zeker, dat de 
Hooge Regeering zich zeer verlicht gevoelde, toen in November 
1800 de Engelschen eensklaps, men weet niet recht waarom, 
na eerst nog op de eilanden Edam, Onrust, de Kuyper en 
Hoorn vreeselijk huis te hebben gehouden, het anker lichtten 
en naar elders vertrokken. Hoe de gemoederen te Batavia 
op dit tijdstip gestemd waren, kan blijken uit den brief, door 
den Gouverneur-Generaal en Raden aan den Aziatischen Raad 
geschreven en waarvan de slotwoorden aldus luiden: „Want 
waarlijk, WelEdele HoogAchtbare Heeren! het waater is aan 
de lippen, en een spoedige gelukkige vreede of een noch 



tijdig voldoendend ontzet zijn alleen in staat om ons te be- 
houden, en het zoude onverantwoordelijk zijn Hoogst dezelven 
dit niet rondborstig te verklaaren." 

Het blijve aan de Indische krijgsgeschiedenis overgelaten 
deze eerste blokkade van Batavia in hare bijzonderheden te 
beschrijven. Hier slechts een paar feiten. Bij eene der landin- 
gen door de Engelschen in de buurt van Tjilintjing, ten Oosten 
van Tandjoeng Pryoek, was de bevolking langs de groote 
Maroenda naar den vijand overgeloopen, voor welk verraad zij 
later duchtig gestraft is geworden. Bij tientallen werden de 
inwoners in den ketting geklonken en naar Banjoewangi op- 
gezonden, terwijl last gegeven werd hunne huizen met den 
grond gelijk te maken, onder verbod „dat daar ooit ofte 
immer iemand zal mogen wonen." ^ 

Boven gaven wij reeds te kennen, dat ook de burgerij van 
Batavia een ijverig aandeel aan de verdediging van de stad 
genomen had. Bij de Regeering regende het plannen, door 
pai-ticulieren uitgedacht, het eene al meer dan het andere 
geschikt om den vijand afbreuk te doen. Het waren er echter 
plannen naar! „Hoezeer," aldus schrijft de Gouverneur-Generaal, 
„ons hieruit wel bleek de welwillendheid der ingezetenen, zoo 
kon het echter niet dan onaangenaam wezen telkens met 
zulke onuitvoerlijke voorstellen lastig gevallen te worden." 
Om er een einde aan te maken, loofde de Hooge Regeering 
eene premie van vijftig duizend rijksdaalders uit, voor elk 
vijandelijk schip dat vernield zou worden, mits de kostenvan 
de onderneming niet uit 'slands kas behoefden te worden be- 
taald en van hoogerhand geen enkel soldaat, geen enkel vaar- 
tuig daarvoor zou worden beschikbaar gesteld. Dat de premie 
door niemand werd opgevraagd, behoeft wel geene opzettelijke 
vermelding. De eenige, die eene belooning ontving, was een 
zekere AbduUah, aanvoerder van de Soembawaneezen, aan wien 
't gelukt was in den nacht van 26 en 27 September negen-en- 
vijftig inboorlingen uit de handen der Engelschen te verlossen. 
„Voor welk manmoedig gedrach", zoo lezen wij, „en ten blijke 
van dat genoegen vereerd werd met een sabel met een goud 



gevest) en een bandelier met een goude medaillon, waarin 
gegraveerd was dat die door ons aan hem geschonken was 
wegens betoonde trouw en dapperheid, — en hem tevens ter 
hand gesteld een bedragen van vijf honderd spaansche matten 
in contanten, om onder zijne in voormelde expeditie geemploy- 
eerd geweest zijnde manschappen verdeeld te worden." Bedoelde 
onderscheiding werd door den Gouverneur-Generaal in hoogst 
eigener persoon „in tegenwoordigheid van de stafofl5ciers" 
uitgereikt. 

Waar waren intusschen de Engelschen gebleven ? In Febru- 
ari 1801 vinden wij hen voor Ternate, waar zij in den nieuwen 
Gouverneur Cranssen een niet minder duchtigen tegenstander 
vonden als een paar jaren vroeger in Budach. Jammer slechts 
dat soldaten en burgers, nog gedachtig aan de geleden ellende, 
voor de verschrikkingen van een tweeden hongersnood terug- 
deinsden en al spoedig met het verzoek voor den dag kwamen 
om te capituleeren. Toen de Gouverneur hardnekkig bleef 
weigeren daaraan gehoor te geven, werd hij eenvoudig door 
twee leden van den Raad in hechtenis genomen, waarop de 
Engelschen zich zonder verderen tegenstand van Ternate mees- 
ter maakten. 

Twee maanden na deze gebeurtenis stierf de Gouverneur- 
Generaal Van Overstraten, betreurd door allen, die in deze 
dagen nog een oog voor rechtschapenheid en goeden wil 
hadden. Als zijn tijdelijke opvolger trad Johannes Sieberg 
(1801 — 1805) op. Omstreeks dezen tijd kwam in Indië het 
bericht van den vrede van Amiëns aan, zoodat onze land- 
genooten in de gelegenheid gesteld werden de hun door de 
Engelsche ontnomen posten weer te bezetten. Men was hier- 
mede echter nog niet geheel gereed, toen de oorlog opnieuw 
uitbrak, van welk feit de Hooge Regeering het eerst door de 
Haarlemsche Courant van 3 Mei 1803 bericht ontving. De 
door de Nederlandei's veroverde grond moest dus nogmaals 
worden verdedigd tegen de Engelschen, die onmiddellijk bij 
de hand waren om onze schepen te vernielen en door de in- 
sluiting van Batavia, Soerabaja en andere havens schrik en 



5 



ontsteltenis onder onze landgenooten te verspreiden. Dat Java 
ook ditmaal nog voor ons behouden bleef, mag schier een 
wonder heeten. Veel droeg daartoe zeker ook bij de vriend- 
schappelijke houding onzer inlandsche bondgenooten, van wie 
de Hooge Regeering getuigen kon, dat zij „ook ditmaal niet 
afzagen van de tot dusver door hen aan den dag gelegde 
trouw en goede gezindheid jegens onze natie." De geringste 
vijandelijke beweging in een der groote rijken had voor ons 
de schromelijkste gevolgen kunnen hebben. 

Onder het bestuur van Sieberg werd de binnenlandsche rust 
op Java slechts een paar malen en dan nog maar voor een 
oogenblik verstoord. Het eerst in Tjeribon, waar de bevolking 
hare ontevredenheid over het inlandsch bestuur aan den dag 
legde op eene wijze, die de Hooge Regeering te Batavia nood- 
zaakte gewapenderhand tusschenbeide te komen. Van meer 
ernstigen aard scheen aanvankeUjk het gebeurde in Bamtam, 
waar in 1804 de twee jaren vroeger opgetreden Sultan Aboe'n 
Natsr Mohamad Ishak in zijn eigen paleis verraderlijk ver- 
moord werd. Gelukkig bevond zich op dit tijdstip juist de 
Vice-Admiraal Hartsinck met eenige oorlogsschepen op de 
reede en slaagde deze er in verdere nadeelige gevolgen van 
„deze voorbeeldelooze gebeurtenis, die in den eersten opslag 
van uitzichtelijke gevolgen scheen te zullen zijn" te voorkomen. 
De installatie van den nieuwen Sultan, Ratoe Bagoes IshaJc, 
had zonder stoornis plaats. Wettelijke troonopvolger was 
anders de kroonprins Ali'oed'din, doch deze had uit vrijen wil 
afstand gedaan „en verzocht van den last der regeering ter 
zake zijner jonkheid en onervarenheid (voorloopig) bevrijd te 
blijven." 

In Juni 1806 kreeg Sieberg, op zijn dringend en meermalen 
gedaan verzoek, eervol ontslag uit zijne hooge betrekking. 
Hij telde bij zijn aftreden niet minder dan drie en veertig 
dienstjaren, „alle in laborieuse posten van de Maatschappij 
doorgebracht." Onder de door hem uitgevaardigde bevelen 
behoort ook de last tot het bouwen van een nieuw Stadhuis 
te Semarang (afgebrand in 1850), wat ons voor deze benarde 



tijden een onverklaarbare weelde zou toeschijnen, wisten wij 
niet dat ditzelfde gebouw den lande geen cent gekost heeft., 
Gouverneur-Generaal en Baden hadden n.1. de zeker curieuse 
bepaling gemaakt, dat de kosten van den bouw gedeeltelgk 
door de Nederlandsche Residenten met de Javaansche en 
Chineesche Hoofden zouden worden gedragen. Wat er nog 
tekort kwam moest door de Weeskamer ,,uit de ledig liggende 
gelden zonder betaling van eenige interest" worden bijgepast ! 

Als eene andere en zeker meer belangrijke bijzonderheid 
uit den regeeringstijd van den Gouverneur-Generaal Sieberg 
vermelden wij hier de invoering van de vaccine, waartoe, het 
moet gezegd worden, niet dan schoorvoetend werd over- 
gegaan, doch die, eenmaal van hoogerhand voorgeschreven, al 
dadelijk voor deze door de pokken vaak zoo deerlijk geteis- 
terde tropische gewesten, gezegende gevolgen had. De eer 
van den eersten stoot hiertoe gegeven te hebben komt toe 
aan den Chirurgijn-majoor Gauffré, onder wiens leiding in Mei 
1804 tien vrije Javaansche kinderen en zes jeugdige slaven 
naar Madagaskar werden overgebracht om daar de kunst- 
bewerking te ondergaan. Bij hunne terugkomst te Batavia was 
de Hooge Regeering echter nog maar half met de nieuwigheid 
ingenomen en vaardigde zij den last uit om „door tegenproeven 
de waarde of onwaarde van de vaccine te bewijzen, alvorens 
dezelve in te voeren en in werking te brengen." Eerst tegen 
het einde van bovenvermeld jaar schijnt men te Batavia 
volkomen van het nut dezer „heilzame uitvinding" ovei-tuigd 
te zijn geweest en werd de invoering officieel voorgeschreven. 
Volledigheidshalve kunnen wij hier nog bijvoegen, hoe een jaar 
later de vaccine ook te Mangkasar en verder in de Molukken 
werd ingevoerd. Aan bovengenoemden Gauflfré werd in 1807 
voor zijn verdienste in dezen een belooning van BOO rijks- 
daalders in papier toegekend! 

Opvolger van Sieberg was Alhertus Hetiricus Wiese (1805 
— 1808), tijdens wiens bestuur de Engelschen voortgingen 
met onze scheepsmacht te vernielen, tengevolge waarvan de 
gemeenschap tusschen de verschillende Nederlandsche bezit- 



tingen al spoedig totaal verbroken was. Zelfs slaagden onze 
vijanden er in het bekende Gresik te bemachtigen en 
zich zoodoende den toegang tot de Straat Madoera en de 
stad Soerabaja te verzekeren. Zoo stonden de zaken daarginds 
geschapen, toen, gelijk bekend is, de Bataafsche Republiek in 
een koninkrijk veranderd werd en Lodewijk Napoleon als 
koning optrad. Hoe Franschgezind velen onzer landgenooten 
in die dagen ook mogen geweest zijn, in Indië wekte het be- 
richt van de zoogenaamde „verheffing" weinig vreugde. Een 
der aanzienlijkste ambtenaren, de Ie Secretaris der Hooge 
Regeering Moorrees, ging in zijne verbittering zelfs zoo ver, 
dat hij bij gelegenheid van een diner in het paleis van den 
Gouverneur-Generaal „tot verscheidene malen toe en zoo 
luidruchtig, dat 't op eenigen afstand is gehoord: „Damn the 
King" riep," welke onvoorzichtige daad hem zijne betrekking 
kostte. Een ander beantwoordde een toast op koning Lodewgk 
uitgebracht, met eene toespeling op den door de Nederlanders 
afgezworen Philips van Spanje. Vooral onder de officieren 
was deze vijandige gezindheid jegens de Franschen groot. 
Een der eerste handelingen van koning Lodewijk op koloniaal 
gebied was de opheffing van den Raad van Aziatische Be- 
zittingen en deszelfs vervanging door een Ministerie van 
Koophandel en Koloniën. 

Het bericht van de verheffing van Zijne Majesteit Louis 
Napoleon tot Koning van Holland, door de Hooge Regeering 
te Batavia officieel eene „heuchelijke tijding" genoemd, werd 
den 21 Februari 1807 op Java ontvangen, tegelijk met het 
besluit, waarbij Zijne Excellentie Wiese tot 's konings Luitenant- 
Generaal en Gouverneur der Indische bezittingen beoosten de 
Kaap de Goede Hoop benoemd werd. Tot hiertoe was deze, 
gelijk zijn voorganger, slechts „waarnemend" geweest, waarom 
dan ook nu zijne definitieve aanstelling onverwijld aan de 
ingezetenen werd bekend gemaakt. 

Hoe streng men onder zijn bestuur in sommige opzichten 
te werk ging, doch aan den anderen kant weer met gulle 
hand water in den wijn wist te doen, daarvoor kunnen de 



ö 



twee volgende staaltjes ten bewijze strekken. In Juli 1805 
was een zekere Mozes Levi, burger te Batavia, in ondertrouw 
opgenomen met de weduwe van Balthazar van Vliet. Zijn 
joodsche naam deed, gelijk verklaarbaar is, bg den ambtenaar 
van den burgerlijken stand twijfel ontstaan of de man wel 
werkelijk Christen was, zooals door hem was opgegeven. Dien- 
aangaande ondervraagd, deelde . hij mede, dat hij op rijper 
leeftijd tot den Ghristelijken godsdienst was overgegaan en 
eigenlijk Hermanis van Leeuwen heette. Bij zijne indiensttre- 
ding had hij zich echter uit onvoorzichtigheid als Mozes Levi 
laten inschrijven. 'Bewijzen tot staving van dit beweren kon 
hij ongelukkig niet bijbrengen, aangezien „zijn doopcedul en 
verdere papieren relatief zijn overgaan tot den hervormden 
godsdienst door de witte mieren aangestoken en vernield waren 
geworden." Het slot van de historie was, dat het huwelijk op 
hooger last werd uitgesteld, tot tijd en wijle de bruidegom op 
voldoende wijze zou hebben aangetoond, dat hij werkelijk lid 
van de Hervormde gemeente was. Desnoods kon hij zich op- 
nieuw laten doopen! 

Het tweede geval betrof een zekeren voornamen Arabier 
Said Hasan Segaflf, die wegens bedrog eene „exemplaire straffe" 
had verdiend, maar omtrent wien de Hooge Regeering zich 
verplicht rekende „eenige toegevendheid te gebruiken", niet 
alleen omdat hij tot het „mohamedaansche priesterdom be- 
hoorde en daardoor in het oog van den inlander voor heilig 
werd gehouden", maar ook „omdat van de Saïds, welke onder- 
ling ten nauwsten aan elkander zijn geattacheerd, in het 
tegenwoordig moment te veel partij tot den overvoer van 
producten moest worden getrokken." Eigenlijk vreesde men 
te Batavia dat de Arabieren „uit wraakzucht" naar de 
Engelschen zouden overloopen en daarom ontkwam Said Hasan 
Segaflf aan de welverdiende straf. Wij zijn niet in de gelegen- 
heid den lezer mede te deelen, wat Hermanis van Leeuwen 
hiervan gezegd heeft. 

In een Maleisch verhaal lezen wij het volgende. Toen de 
Gouverneur-Generaal Wiese het bestuur over Java voerde, 



ö 



daalde er een onmiddellijk bevel uit den hemel en ver- 
scheen de Maai^chalk uit Frankrijk, reizende incognito aan 
boord van een koopvaardijschip. Hg stapte te Bantam aan 
wal, reisde van daar naar Batavia, waar hij het Gouveme- 
ments-gebouw binnentrad en den Gouverneur-Generaal Wiese 
op gejaagden toon aldus toesprak: „Van dezen dag af is er 
niemand die over Java en de andere eilanden beneden den wind 
regeert buiten mij!** Daarop vertoonde hij zijne geloofsbrieven 
uit Holland. De Gouverneur-Generaal Wiese wist niet wat hij 
zeggen zou, doch gaf terstond de 'sleutels van het bewind 
over, waarop hij, nog altijd stom van verbazing, passage nam 
op een zeilschip en naar Holland vertrok. Zoo werd de Maar- 
schalk Heer en Meester, nadat moeite en ellende het schip 
beklommen hadden. 

Geheel juist kunnen wij dit bericht niet noemen. De waar- 
heid is, dat Mr. Herman Willem Damdds (1808—1811) den 
1®^ Januari van het jaar 1808 aan boord van een Amerikaansch 
vaartuig te Anjer was aangekomen en van daar aan de Hooge 
Regeering kennis van zijne benoeming tot Landvoogd gezon- 
den had. De Gouverneur-Generaal Wiese had hem daarop 
een paar hooggeplaatste ambtenaren te gemoet gezonden, die 
hem naar Batavia geleidden. Door berichten „uit officiëele 
Koninklijke Couranten en langs andere kanalen^ was men 
hier reeds lang van zijne benoeming onderricht, zoodat Gou- 
verneur-Generaal en Raden dan ook geene zwarigheid maakten 
hem, al bevonden zich zijne geloofsbrieven ook nog op een 
ander vaartuig, het bestuur over te dragen. Deze overdracht 
had plaats op den 14®^ Januari in een plechtige vergadering, 
bij welke gelegenheid lange toespraken gehouden werden, die 
echter niet bewaard zijn gebleven. Den volke werd deze ge- 
beurtenis „door drie décharges uit het handgeweér en het 
losbranden van het kanon ^ aangekondigd. 

Daendels/ Ziedaar een naam, die als 't ware de oude ge- 
schiedenis van Indië aan de nieuwere verbindt, de naam van 
een man, die heel wat pennen in beweging heeft gebracht. 
Boekdeelen zijn er over zijn bestuur geschreven; zelfs heeft 



10 

hg z^n eigen geschiedschrijver gehad, zonder dat evenwel nog 
bet laatste woord over hem gesproken is. Het is hier de plaats 
niet om lang bij zgn persoon stil te staan. Wij herinneren 



daarom alleen, hoe Daendels, op en top militair, gemeend 
heeft op soldatenmanier orde en regelmaat in de vei'warde 
indiscbe huishouding te moeten brengen en daarin in zooverre 
geslaagd is, dat werkelijk onder zyn bestuiu- niet slechts heel 
wat goede dingen tot stand kwamen, maar ook tal van mis- 
bruiken werden afgeschaft Jammer slechts dat hg zich niet 
ontzag, daarbg op de willekeurigste w^ze, niet zelden als een 
tyran, te werk te gaan, waardoor hy de goeden onder onze 
landgenooten van zich vervreemdde en, wat erger was, de 
inbeemsche bevolking, hoofden en minderen, tegen de Hollan- 
ders in het harnas joeg. Een mengsel van goed en kwaad, 



11 



zouden wij geneigd zijn hem te noemen en hem daarmede 
gelijkstellen met andere gezaghebbers, die groote dingen tot 
stand brachten, doch zich in andere opzichten weer klein ge- 
toond hebben. 

Een der belangrijkste werken, door den gzeren wil van den 
Maarschalk in het leven geroepen, is voorzeker de aanleg 
van den groeten Postweg over Java, die wel duizenden In- 
landers van kommer en gebrek deed omkomen, maar afge- 
scheiden daarvan, voor de gemeenschap tusschen de door ons 
bezette posten van onschatbare waarde was. Daendels zelf 
noemt het in een zijner brieven „eene importante verbetering 
der publieke wegen, welke vooral in den Oosthoek en in 
Tjeribon die van Parijs in fraaiheid evenaren." 

Een ander inlandsch verhaal plaatst hem op een goeden dag 
aan den voet van den Mégamendoeng met de beide handen in de 
zijde en omringd door tal van inlandsche Groeten, die nog 
maar niet begrijpen kunnen, waarom zij dagelijks met hunne 
onderhoorigen moeten opkomen om eenen weg over den berg 
aan te leggen, terwijl zij bovendien nog voor den aanplant 
van rijst, koffie, enz. te zorgen hebben. „Zoo, begrijpt jelui 
dat niet?" snauwt de Maarschalk hun toe. „Dan zal ik 't jelui 
zeggen. Een land zonder goede wegen, zonder bloeiende kofSe- 
tuinen, enz. is een dood land. Geen vreemd schip denkt er 
aan daarheen zgn koers te richten. Bestaan er echter goede 
verbindingen tusschen de verschillende plaatsen en brengt de 
grond veel op, dan floreert Java en alle vreemdelingen haasten 
zich hierheen te komen om handel te drijven. Dan worden 
de Javanen rijk en als jelui rijk bent, dan ben ik 't ook." 
En als straks de Hadji's en andere bij den mohamedaanschen 
eeredienst betrokken personen hem komen verzoeken om 
toch van heerendienst verschoond te mogen blflven, aan- 
gezien zij tot vasten en bidden geroepen zijn, dan voegt de 
Maai'schalk hun op bitsen toon toe: „Bidden en vasten kunt 
gijlieden ook op den berg bij den arbeid; dat is meteen een 
goed middel om de booze geesten te verdrijven, die nu, zooals 
beweerd wordt, zooveel menschen wegkapen." De hai'dheid en 



12 



strengheid, waarmede Daendels de Inlanders behandelde, was, 
om er niets meer van te zeggen, weinig in overeenstemming 
met artikel 29 van zijne Instructie, waarbij ook hem op het 
hart werd gedrukt om „de meest geschikte middelen te be- 
ramen, ten einde in de Bezittingen van zijne Majesteit in 
Oost-Indië het lot van den gemeenen Javaan te verbeteren 
en te verzekeren." Om Instructies heeft de ijzeren Maar- 
schalk zich trouwens nooit veel bekreund. Ook de leden van 
den Raad van Indië liet hij maar praten. Zijn wil was wet. 
Dit toonde hij ook tegenover Bantam, dezen eertijds mach- 
tigen staat van West-Java, dien wij in onze schets lang- 
zamerhand aan Neerland's zegekar zagen ketenen, om nu 
eindelijk de veste van den overwinnaar te worden binnen- 
gevoerd. Ziehier de aanleiding. Te midden van zijne menig- 
vuldige bezigheden bij de behandeling van Java's binnenlandsche 
aangelegenheden, vergat Daendels den vijand niet, die daar 
buiten nog altgd op den loer lag, gereed om zich op deze 
kostbare bezitting te werpen. Ook in voldoening aan de ont- 
vangen opdracht, welke ditmaal met zijne wenschen strookte, 
had hij terstond de hand gelegd aan den bouw van vlucht- 
havens voor onze oorlogsschepen. Wat West-Java betreft, koos 
hij daarvoor de Meeuwenbaai uit, met last aan den Sultan 
van Bantam om voor dat werk de noodige arbeiders, liefst 
vijftienhonderd^ te leveren. De ongezondheid van de streek, 
nog verergerd door de uitdampingen van den omwoelden 
bodem, was echter oorzaak dat de Bantammers als muizen 
stierven en de toezending van nieuw werkvolk gestaakt werd. 
Daendels, over dit laatste in woede ontstoken, wierp de schuld 
daarvan op den Rijksbestierder Warga Diredja en eischte 
van den Sultan diens onmiddellijke opzending naar Batavia. 
Toen hieraan niet werd voldaan, vertrok de Kommandeur 
Pieter Philip du Puy met een soort van ultimatum naar 
Bantam, vervat in bewoordingen, zooals die alleen van 
een autocraat als Daendels konden worden verwacht. Het 
verwondert ons dan ook niet dat de Sultan nogmaals 
weigerde. Bovendien ontzag hij zich niet de hem aan- 



13 



gedane beleediging te wreken in het bloed van Du Puy, die 
in het begin van November 1808, met nog een luitenant der 
infanterie en vier minderen, verraderlijk werd omgebracht. 
De lijken der slachtoffers werden eenvoudig in de rivier ge- 
worpen om ze zoo naar zee te laten afdrijven. Wél beweerde 
de Sultan later dat hij aan den moord onschuldig was, doch 
van den blaam, dien te hebben kunnen, maar niet te hebben 
willen verhinderen, heeft hij zich niet vermogen te zuiveren. 
In elk geval, het gebeurde was voor den Gouverneur-Generaal 
voldoende om terstond met een leger van duizend man naar 
Bantam op te rukken en de ons bekende profetie „Bantam 
moet vernederd worden" voor goed in vervulling te doen 
gaan. De lezer zal ons zeker dank weten, als wij den uitslag 
van deze belangrijke expeditie met de eigen woorden van den 
Maarschalk mededeelen. 

„Voor het sluiten van dezen (brief)," aldus schrijft hij bij 
wijze van postscriptum aan den Minister van Koloniën Van 
der Heim, „heb ik nog het genoegen UExc. voorloopig be- 
kend te maken met den satisfactoiren uitslag mijner optocht 
jegens den Koning van Bantam, aan wiens hof op eene ver- 
raderlijke wgze de Commandeur Du Puy, de Luitenant van 
de infanterie Koll, een Europeesch en nog drie inlandsche 
soldaten, bij gelegenheid eener audiëntie zijn om 't leven 
gebracht. 

„De Koning, onder wiens oog deze schanddaad door het 
beleid van eenen misdadigen rijksbestuurder gepleegd is, wel 
verre van zich deswegens op eenigerlei wijze te rechtvaardigen, 
in zijn Dalem (paleis) het resultaat mijner operatiën af- 
g:ewacht hebbende, heb ik daardoor gelegenheid gevonden zijn 
verblijf te doen omsingelen, en mij van den Sultan en zijne 
familie meester te maken, zonder dat daarbij eenig bloed is 
vergoten. 

„Den Sultan, ter zake zijner gepleegd wanbedrijf, van den 
troon vervallen verklaard hebbende, heb ik mij deze gelegen- 
heid ten nutte gemaakt om het rijk van Bantam, hetwelk te 
voren in leen werd gegeven en door welke inrigting de Sultans 



14 



immer gelegenheid vonden zich aan de verplichte onder- 
geschiktheid aan het Gouvernement te onttrekken, tot Domain 
van de Kroon van Holland te verklaren, en wijders, na 
daarvan de belangrijke Lampongsche provinciën op de kust 
van Sumatra afgescheiden en onder het onmiddellijk bestuur 
van het Hollandsch Gouvernement gesteld te hebben, zoomede 
het oostelijke gedeelte van het Bantamsche Rijk .... heb 
ik den tegenwoordigen Kroonprins Pangerang Ratoe Alie Oedien, 
welke bij de natie bemind en aan de voors. wandaad on- 
schuldig bevonden is, tot Sultan van het alzoo verkleinde 
Bantamsche Rijk doen uitroepen, onder zoodanig bepaalde 
instructie en voorwaarde mitsgaders ondergeschiktheid aan 
den Prefect, als mij ten meeste nutte van Z. M. dienst en tot 
welzijn van den nog zeer veragterden staat dezer landen 
noodzakelijk zijn voorgekomen. 

„Terwijl ik eindelgk, tot handhaving der waardigheid van 
het Gouvernement en om anderen tot afschrik te dienen, 
den voorn. Rijksbestuurder Pangerang Warga di Rédja heb 
doen fusilleren, en zijn doode lichaam in zee laten werpen, 
evenals zulks met den vermoorden Commandeur en zijn gevolg 
is geschied; waarna ik een generale amnestie voor alle 
voortvlugtige princen en mindere rijksgrooten heb doen uit- 
vaardigen." 

Volledigheidshalve voegen wij hier nog aan toe, dat de 
afgezette Sultan later naar Ambon verbannen werd. 

Na afloop van dezen veldtocht liet Daendels niet na, aan 
ambtenaren en militairen, die zich daarbij verdienstelijk hadden 
gedragen, „een bewijs van genoegen en erkentenis te betoonen 
uit de goederen en gelden, die het recht des oorlogs Hoogst- 
dezelve hadden in handen gespeeld." Verder te gaan, dat wil 
zeggen, ook voor zichzelf iets van den buit te behouden, „ge- 
doogde Hoogstdeszelfs delicatesse niet." Althans zoo lezen wij. 
Het schijnt echter eene uitgemaakte zaak te zijn, dat hij er 
anderen had voorgespannen om zich den vollen eigendom van 
het veroverde landschap Djaslnga, tusschen Batavia en Bantam, 
te verzekeren. In November 1808 werd hem dit door den 



15 



Raad van Indië aangeboden „tot een blijk van dankbaarheid 
voor de opgemelde, heuchelijke gebeurtenis." Veel genot zou 
de Maarschalk er echter niet van hebben. Uit Holland toch 
kwam al spoedig het bericht, dat Zijne Majesteit de Koning 
met de „uiterste bevreemding" had bespeurd, hoe de Indische 
Regeering door het wegschenken van het land Djasinga zich 
een souvereiniteits-recht had aangematigd, hetwelk alleen aan 
Zijne Majesteit toekwam, weshalve de gift „geannuUeerd en 
buiten effect" gesteld werd. Hoewel Daendels een traktement 
genoot van honderdachttien duizend achthonderd gulden en 
bovendien zijn vroegere bezoldiging als Kolonel-generaal van 
ƒ 8000 'sjaars bleef behouden, moet hem het verlies van het 
landgoed Djasinga toch zeer ter harte zijn gegaan. Belange- 
loosheid behoorde zeer zeker niet tot 's mans deugden. 

Alvorens zijn vonnis over Bantam te voltrekken, had de 
Maarschalk den Schout-bij-Nacht A. Buyskes tot Luitenant- 
Gouverneur-Generaal aangesteld en was hij zelf naar Semarang 
verreisd om de toestanden in Oost-Java in oogenschouw te 
nemen. Hij maakte van die gelegenheid gebruik om de ver- 
schillende Regenten van Java en Madoera bijeen te roepen 
en met hen de noodige maatregelen ter verbetering van het 
bestuur aJs anderszins te bespreken. Dat hij daarbij zoowel 
het belang van Nederland als van den inboorling behartigde, 
valt niet te ontkennen. Hij vergiste zich echter als hij meende, 
dat allen en alles zoo maar terstond voor zijnen wil zou 
bukken. Zelfs de hun opgedragen titel van „'sKonings die- 
naren" kon de Regenten er niet toe brengen om zonder meer 
ja en amen te zeggen op wat de gevreesde man hun zoo 
schoon wist voor te dragen. Ziehier wat Daendels zelf van 
deze bijeenkomst mededeelt: 

„Hoe moeielijk en verdrietig het ook zij om met den schroom- 
„valligen Javaan, zelfs met de aanzienlijkste en verlichtste 
onder dezelve, eenige onderhandeling te voltrekken en de 
noodige opening van zaken van dezelve te erlangen, zelfs dan 
wanneer dezelve eenlijk tot verbetering van zijn lot en ver- 
ligting zijner bezwaren moet dienen, zoo is het mij echter, 



16 



na gedurende meer dan eene maand het noodige geduld 
daartoe te hebben geoefend, eindelijk gelukt genoegzame 
inlichtingen te obtineren van ieder dezer regenten in het 
bijzonder, zoowel omtrent hunne klagten en bezwaren, als 
ook omtrent hunne inkomsten en uitgaven, om daarna een 
plan van verbetering te kunnen formeeren, waarmede zij 
allen volkomen bevredigd, de gemeene Javaan van zijne meest 
drukkende lasten ontslagen, en 's Gouvernements Kas tevens 
met een aanzienlijk inkomen is bevoordeeldt.^ 

Ook de Vorstenlanden, waar de Sultan en Soesoehoenan, 
rekenende op den verzwakten staat van het Hollandsch Gouver- 
nement, een hoogen toon waren beginnen aan te slaan, kregen 
hunne beurt. Zoo zachtkens aan was 't hier gebruik geworden 
om de Residenten aan allerlei voor ons vernederend ceremo- 
nieel te onderwerpen. Daendels' eerste daad was hieraan een 
einde te maken en den Vorsten onder het oog te brengen, 
dat zij nog altijd slechts vazallen waren, die den Koning van 
Holland als Heer en Meester te eerbiedigen hadden. Toen 
hiertegen verzet werd aangeteekend, aarzelde de Maarschalk 
geen oogenblik, maar trok met 3300 man naar de Vorsten- 
landen om aan zijne eischen den noodigen klem toe te voegen. 
Zijn optreden hier kenmerkte geheel den man, die alles voor 
zijnen wil deed bukken. Hij handelde, gelijk wij ergens van 
hem lezen, met karakteristieke onstuimigheid, die niet van 
hardheid en willekeur was vrij te pleiten. Het slot was, dat 
zoowel de Soesoehoenan als de Sultan zich aan zijn verlangen 
onderwierp, de laatste het zich zelfs liet welgevallen, dat hij 
afgezet en door zijnen zoon vervangen werd. 

Bij Daendels' komst bestond er aan het hof van den Sultan 
eene sterke anti-HoUandsche partij, waarvan de jongste zijner 
drie vrouwen, Ratoe Kentjana Woelan, de ziel was. Toen de 
Gouverneur-Generaal geen kans zag haar in handen te krijgen, 
wreekte hij zich op twee van hare voornaamste bondgenooten, 
de prinsen Nata Koesoema en Nata di Ningrat, die hij naar 
den Resident of, gelijk toen de titel was. Prefect Waterloo 
te Tjeribon zond als onbewuste overbrengers van het volgende 



17 



briefje: ^Het Gouvernement kan deze twee prinsen niet 
openlijk ter dood brengen, maar verlangt te vernemen dat 
zij niet meer bestaan." 

In datzelfde Tjeribon kwamen van tijd tot tijd weer on- 
lusten voor, waarvan de oorzaak hoogstwaarschijnlijk bij de 
besturende ambtenaren moest worden gezacht. Wij zouden 
dit althans opmaken uit de mededeeling van Daendels, dat 
„deze Prefecture te voren slechts gediend had om eenen 
daar geplaatsten gunsteling als resident binnen weinige jaren 
uit het zweet en bloed van den inlander met rijkdommen te 
overladen, terwijl het Gouvernement steeds de lijdende partij 
bleef." Hoe 't zij, ook hier slaagde de Maarschalk er in de 
gemoederen tot bedaren te brengen. Of het waar was, wat 
hij in September 1810 aan Koning Lodewgk schreef, dat 
„Ie nom HoUandais, qui était devenu un objet de haine et de 
mépris pour tous les princes Javans, a repris parmi eux tout 
son ancienne influence" mag intusschen wel eenigszins be- 
twijfeld worden. Dat Daendels er den schrik onder had, 
was waar. 

Op deze en andere wijze zien wij den Gouverneur Generaal 
onvermoeid bezig om de zaken op Java te regelen en te- 
gelijkertijd zich de Engelschen van het lijf te houden. Deze 
onze vijanden hadden hem in Augustus 1809 officieel doen 
aanzeggen, dat het eiland Java en de Molukken in staat 
van blokkade waren verklaard. Reeds hadden zij eene poging 
gewaagd om in West-Bantam te landen, maar zonder verder 
gevolg, dan dat eenige gebouwen in brand werden gestoken. 
Of zij echter op den duur zouden te keeren zijn, was eene 
vraag, die zelfs de alles overwegende Maarschalk niet durfde 
beantwoorden. 

Vooral niet, omdat men in Holland Java met de geheele 

Oost scheen te hebben vergeten. Men zond vandaar noch 

geld, noch schepen, zelfs geen brieven. In October 1809 

hooren wij den Gouverneur-Generaal klagen, dat hij reeds 

sedert ruim 22 maanden in de „kolonie" vertoefde, zonder 

nog eene enkele missive in antwoord op zijn herhaald schrijven 
II 2 



18 



ontvangen te hebben. Eerst den 28®ï^ November daaraanvol- 
gende kwam de eerste brief van den Minister van Koloniën, 
waarin deze hem mededeelde, dat zoowel hij als Zijne Majes- 
teit uiterst tevreden over hem waren. Zijne Excellentie had 
ook nog de vriendelijkheid den Maarschalk te berichten, dat 
Mevrouw Daendels en de haren in goeden welstand verkeerden. 
Een jaar later ontving hij een eigenhandig schrijven van 
koning Lodewijk, waarmede hij bijzonder was ingenomen 
ook omdat het hem gelegenheid gaf zijn o verkropt gemoed 
voor Zijne Majesteit te luchten. In zijn antwoord beklaagt 
Daendels zich vooral over twee hooggeplaatste staatsdienaren, 
den Generaal-Majoor Sandel Roy en het Lid in den Raad van 
Indië Van Polanen, die hij uit hun ambt had moeten ontzetten 
en die nu van Amerika uit allerlei pogingen deden om zijn 
naam te bekladden en de koloniën in handen der Engelschen 
te spelen. Edoch, brieven waren geen geld, en zoo moest de 
Maarschalk maar zelf zorgen, dat voor al zijne ondernemingen 
de noodige fondsen bijeenkwamen. Dat hij daarbij erg eigen- 
machtig te werk ging, grond aan particulieren verkocht, o. a. 
geheel Probolinggo voor een miljoen rijksdaalders aan een' 
Chinees, veel met papieren-geld handelde en zoo meer, wie 
kan 't euvel duiden? Het ligt echter voor de hand, dat een 
bestuur, dat zich op die wijze moest trachten staande te 
houden, zijnen ondergang te gemoet ging. Neerland's kostbare 
bezitting, van binnen doorknaagd, van buiten belaagd, stond 
verloren te gaan. De vloek, die daar nog altijd rustte op de 
rgke erfenis der schuldige Oost-Indische Compagnie, moest 
voltrokken worden, voordat de Hollanders hun zegevierenden 
tocht door den Archipel vervolgen konden! 

Voor de Buitenbezittingen kon Daendels niet zooveel doen 
als hij wel gewenscht had. In de Molukken hadden wij in 
Februari 1810 het verlies van de Ambonsche eilanden te be- 
treuren, die door Kolonel Filt met al den krijgsvoorraad aan 
de Engelschen waren overgegeven. Hoe de Gouverneur-Gene- 
raal hiervan dacht, blijkt uit zijnen brief van 26 Mei. „Ik ben 
niet in staat," schreef hij, „na waarde te beschrijven, de veront- 



19 



waardiging, waarmede ik over het lafhartig gedrag van den 
kolonel Filt ben aangedaan, en de gevoelige smart dien het 
mg veroorzaakt heeft dat het Gouvernemeut eensklaps van 
groote ressources is beroofd geworden door de bloohartigheid 
van een enkel man." Het verwondert ons dan ook niet dat 
de schuldige onverwijld voor de Hooge Militaire vierschaar 
terechtgesteld en kort daarop gefusilleerd werd. 

Eenmaal Ambon genomen, viel 't den Engelschen niet 
moeielijk zich ook van Banda, Ternate, Menado en andere 
posten meester te maken. Bandjarmasin was reeds in 1809 
door de onzen verlaten, terwijl het plan bestond om ook 
Palembang prijs te geven. Restte dus nog alleen Mangkasar 
de ^sleutel van de Molukken", die echter niet had kunnen 
verhinderen dat de Engelschen met volle zeilen de rijke 
specerij-eilanden waren binnengetrokken. 

Zoo stonden de zaken in Indië geschapen, toen daar het 
bericht van Hollands inlijving bij Frankrijk ontvangen werd. 
Daendels' vreugde hierover was echter van zeer korten duur. 
De blijmare werd straks gevolgd door de officieele aanschrij- 
ving dat Napoleon den Maarschalk van zijnen post ontslagen 
en den Divisie-Generaal Jan Willem Jmissens (1811) tot zijnen 
opvolger benoemd had. Een paar malen had Daendels zelf 
om zijn ontslag verzocht.. Thans kwam het ongevraagd en 
wel in termen, die niet den minsten twijfel omtrent 's Keizers 
wil overlieten. Binnen 24 uren moest het bestuur aan Janssens 
worden overgegeven. De Maarschalk meende beter verdiend 
te hebben en ditmaal althans was hij in zijn recht. Even on- 
verwacht als hij op Java gekomen was, zien wij den groeten 
man thans weer van daar vertrekken, door weinigen be- 
treurd, door velen, Europeanen en Inlanders, met vreugde 
nagestaard. Wat hij ook tot stand mocht hebben gebracht, 
genegenheid had hij niet kunnen wekken. 

Wij zijn thans genaderd tot het jaar 1811, waarin wij den 
Gouverneur-Generaal Janssens zien optreden, die in deze 
qualiteit den 16®^ Juni zijnen eersten en den b^^ October zijnen 
laatsten brief aan den Minister van Koloniën richtte. Twee 



20 

uitdrukkingen in deze missiven karakteriseereD op treffende 
wtjze 's mans positie in Indië. „Gb qui est certain," heet het 
eerst, „c'est que la conservation de la plus belle possession 
Européenne dépend de 1'arrivée de soldats francais, d'armes 



Geaareal J. W. Jiinasena. 

et de fonds", terwijl hg in zijn laatste schrgven, waarin hg 
den Minister van Koloniën met het verlies onzer bezittingen 
in kennis stelt, zich aldus uitlaat: „Je suis profondément mal- 
beureux, mais je ne suis que cela." Vijf jaren vroeger had hg 
de kostelijke Kaapkolonie aan de Engelschen moeten over- 
geven en nu ook Java! W^j kunnen ons zgne diepe smart 
begi-vjpen. 

Intusschen hadden Janssens en de zijnen zich dapper genoeg 
verdedigd, doch moesten ten slotte bukken voor de overmacht 
der Engelschen, die er door allerlei middelen in geslaagd 



21 



waren ook de inlandsche Vorsten voor hunne belangen te 
winnen. Na Java gingen ook Timor, Mangkasar en Palembang 
in handen van den vijand over. In laatstgenoemd rijk waren 
alle Hollanders op last van den Sultan vermoord geworden, 
zonder dat deze daardoor echter zijn doel om van zich van 
de Westelingen vrij te maken, bereiken Kon. Met Neerlands 
macht en naam scheen 't in den Archipel voor goed gedaan 
te zijn. Het schoone Insulinde werd een deel van Britsch- 
Indië onder diens Gouverneur-Generaal Gübert EUiot Lord 
MintOj onder wien Thonms Stamford Baffles met den titel van 
Luitenant-Gouverneur-Generaal, zich met het bestuur over de 
voormalige HoUandsche Bezittingen belast zag. Het land der 
Batavieren geketend aan de zegekar van Napoleon — het 
erfdeel der Oost-Indische Compagnie een buit geworden van 
de Engelschen! .... 



NEDERLAND— INSULINDE. 
1811—1816. 

Daar ligt mijn roem, door Engeland m' ontnomen! 
Ik sta beschaamd — 't vervolgt mij in mijn droomen: 
*k Floer dan een Koen en anderen mij vragen: 
Waar is de schat, door ons U afgedragen? 

De schat is weg, met Nederland verdwenen! 
Gij Leeuw en ik, waar bergen wij ons henen? .... 
Wat zie ik daar? Schudt gij niet den grijzen kop, 
Als maandet gij: Geef, Mevrouw, de hoop niet op? 

De hoop niet op? Zou 't moog'lijk dan nog wezen. 
Dat uit dit graf zij eenmaal weer herrezen? 
Dat Nederland, door Frank en Brit genomen, 
Met Insulind' nog tot ons terug zal komen? .... 

Welaan, mijn Leeuw! ook ik wil 't dan gelooven. 
Dat straks weer keert wat nijd ons moest ontrooven! 
Wat meerder zegt^ mijn geest ziet reeds 't Vaderland, 
£n Insulind' opgewekt door Godes hand! 



22 

Op onzen prat! Dsnr nad'ren zij, verbonden 

Door eene kroool Geheel<) zijn alle wouden. 

De Koniog leev'] Zoo klinkt 't door gnoBch Nederland, 

Straks ook daarginds in Oriënt, langs alle etrand! 



Trenrende Ned. Mnagd. 

Wg willen het voorbeeld van de Nederlandsche Maagd 
volgen en de vijf jaar van het zoogenaamd Engelsch Tusachen- 
heatuur, als niet meer direct de geschiedenis der Nederlanders 
in Indië rakende, met eenig stilzwegen voorbijgaan. Alleen 
teekenen wij hier aan, hoe de groote bekwaamheid van Raffles 
slechts geëvenaard werd door zijnen haat jegens de Hollanders, 
die hem geen middel onbeproefd deed laten om Java en de 
overige bezittingen voor goed aan de Britsche kroon te ver- 
binden. De Ëuropeesche Mogendheden hadden daarover echter 
anders beschikt Holland kreeg zijne vrüheid weer. Der 



vaderen erf werd zelfs in handen van eenen Koning gesteld, 
die zich nu ook met het oppergezag over Java en de andere 
eilanden in den Archipel bekleed zag. Een oogenblik herleefde 
bij den Luitenant-Gouverneur- Generaal Raffles nog de hoop, 
Indië voor Engeland te zullen kunnen behouden, toen nl. ook 
daarginds de tijding werd aangebracht, dat Napoleon Elba 
verlaten en het lot van Nederland opnieuw in de weegschaal 
geworpen had. Hij werd echter nogmaals in zijne verwachting 
teleurgesteld. Men bespaarde hem alleen het verdriet om in 
eigen persoon Java c. a. aan de Nederlandsche gevolmachtigden 
te moeten overgeven. In het begin van 1816 werd hij on- 
verwacht van zijnen post afgeroepen en vervangen door John 
TendaUj aan wien nu de taak was overgelaten om het Tractaat, 
op 13 Augustus 1814 tusschen den Souvereinen Vorst der 
Nederlanden en den Koning van Groot-Brittannië en Ierland 
gesloten, ten uitvoer te helpen leggen. Wij doen Raffles, dien wij 
nog een en andermaal op onze historische wandeling ontmoeten 
zullen, zeker geen onrecht aan, als wij zeggen, dat hij morrende 
Buitenzorg verliet. Wij mogen hem bij zijn vertrek den lof 
echter niet onthouden van onvermoeid voor Indië werkzaam 
te zijn geweest en daar veel goeds tot stand te hebben ge- 
bracht. Ook de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde is hem 
veel dank verschuldigd. Een vraagteeken mag echter geplaatst 
worden achter zijne ergens terneergeschreven verklaring, 
dat de Javanen onder zijn bestuur bepaald Engelschen waren 
geworden. Om dat te kunnen bewerkstellingen behoorde hij, 
zooals iemand eigenaardig van hem getuigd heeft, te veel tot 
die Engelschen, die in de eerste plaats Brit en eerst in de 
tweede plaats mensch zgn. 

Tengevolge van Napoleon's optreden had de oflScieele over- 
dracht van onze bezittingen eerst op den 19®^ Augustus 1816 
plaats. Wij weten niet of de ons bekende Gouvernements- 
Secretaris Moorrees op dat oogenblik nog te Batavia vertoefde. 
Zoo ja, dan heeft hij zeer zeker in de eerste rijen gestaan 
van hen, die het ontplooien van de vaderlandsche driekleur 
met uitbundig gejuich begroet hebben. Van Nederlandsche zijde 



24 

traden bg de overname op de heeren G. A. G. P. baron Van 
der Gapdlm, Mr. C. T. Elout en de Schoutrbij-Nacht A. A. 
Buyskea, die daartoe onder den titel van Commissaris-Generaal 
naar Indië waren uitgezonden. Eerstgenoemde was tevens aan- 
gewezen om na afloop als Gouverneur- Generaal op te treden. 
Hadden deze heeren zich misschien voorgesteld dat zij een- 
voudig naar Batavia gekomen waren om, met het Traktaat 
in de band, eene gewone boedelscheiding te helpen tot stand 
te brengen, dan zijn zg daarin zeer bedrogen geworden. Er 
viel zooveel te schikken en te regelen, er waren zoovele be- 
langen te behartigen, dat het nog tot Jannari 1819 duurde. 



alvorens Commissarissen-Generaal hunne taak als afgedaan 
mochten beschouwen en Baron Van der Capellen den Buiten- 



26 



zorgschen troon beklimmen kon. John Buil laat niet gemakke- 
lijk de prooi los, waarvan hg zich eenmaal heeft meester 
gemaakt! 

Er was in de nu vervlogen acht jaren heel wat gebeurd 
in Indië. Gedurende het Engelsch Tusschenbestuur, waarover 
wij nu toch met een enkel woord moeten spreken, hadden de 
Vorsten van Soerakarta en Djokjokarta die, ten spijt van de 
verklaringen van Daendels en Baffles, Javanen in hun hart 
gebleven waren, op alle mogelijke wijzen getracht zich van 
den europeeschen invloed los te maken. Aan den eersten kostte 
dit echter zijn troon en een gedwongen verblijf op Poeloe 
Pinang, terwijl de ander het zich moest laten welgevallen, dat 
ook in zgn rijk een onafhankelijk Prins, Pangéran Pakoe-Alam 
over eene aanzienlijke landstreek werd aangesteld. De op- 
volger van Sultan Sepoeh, Amangkoe Boewana III, stierf 
reeds in 1814. Naaste erfgenaam van den troon was prins 
Mas Djarot, die dan ook, met voorbijgang van den later zoo 
bekend geworden, doch uit een onecht huwelijk geboren oudsten 
zoon Dipa-Negara (wiens eigenlijke naam was Onto- Wirio\ tot 
Sultan onder den naam van Pakoe Boewana IV werd uit- 
geroepen. De nieuwe Vorst was op dit oogenblik echter 
slechts dertien jaar oud en kwam daardoor onder een Regent- 
schap te staan, waarvan bovengenoemde Pakoe-Alam het 
hoofd was. Spoedig bleek evenwel dat deze regeling alles 
behalve de algemeene goedkeuring wegdroeg. De anti-euro- 
peesche partij begon zich opnieuw te roeren en is in en 
buiten den kraton van Djokjokarta blijven werken, totdat de 
beroemde maar bloedige Java-oorlog van 1825 — '30 voor goed 
een einde aan alle verzet in het oude rijk van Mataram 
gemaakt heeft. 

Met het ongelukkige Bantam hadden de Engelschen reeds 
voor goed afgerekend. In dit rijk hield zich een zekere Pang- 
éran Ahmed op, wiens hulp de Engelschen bij hunne blok- 
kade van de Java-kust niet versmaad hadden, doch die het 
hun nu zoo lastig maakte, dat Raffles zich genoodzaakt zag 
eene expeditie tegen hem uit te zenden. Prins Ahmed werd 



^é 



gevangen genomen en naar Banda verbannen. Hiermede echter 
niet tevreden, noodzaakte de Luitenant-Gouverneur-Generaal 
den op blz. 14 vermelden schijn-Sultan in 1813 om met be- 
houd van zgnen titel en tegen een jaargeld van tienduizend 
Spaansche matten van zijn gezag afstand te doen en toe te 
laten dat aan Bantam eene plaats in de rij der gewone Resi- 
dentiën werd aangewezen. Zoo verdween dan eindelijk het rijk 
Bantam van het tooneel, het eertijds machtige Bantam, dat 
in een' worstelstrijd van bijna 220 jaren zijne onafhankelijk- 
heid tegen de gehate Westerlingen had trachten te verdedigen, 
maar 't nu voor goed moest opgeven. Zelfs bleef aan het door 
den oorlog verwoeste eri totaal verarmde land de schande niet 
gespaard, dat zijn laatste Sultan, inplaats van op het veld van 
eer te sterven, zich door den vijand een armzalig pensioen 
liet toeleggen, als 't ware om hem in staat te stellen den 
geschandvlekten naam der fiere voorvaders op het nageslacht 
over te brengen. Waarlijk, de vernedering was groot, de toe- 
gebrachte slag zoo doodelijk, dat niemand het woord „verzet" 
meer durfde uitspreken en zelfs in 1832 geen traan werd 
vergoten, toen de laatste drager van den sultanstitel zich 
door de Hollanders naar So^rabaja zag verbannen om daar 
zijne verdere dagen te slijten. Zal 't altoos zoo in Bantam 
blijven? De geschiedenis moet het ons leeren. 

Omtrent Tjeribon valt alleen te melden, dat RafiBes hier op 
echt Engelsche wijze korte metten met de Sultans maakte, 
door hen eveneens op pensioen te stellen en hun gebied bij 
de bezittingen van den Staat in te lijven, door welke daad 
de onderwerping van geheel Java een feit geworden was. In 
het jaar 1851 werd de laatste Sultan, schier als vergeten 
burger, naar zijn graf gedragen. 

Keeren wij na deze korte uitweiding tot Commissarissen- 
Generaal terug, die het aan dè Engelschen mochten dank 
weten, dat althans de politieke hemel op Java schoon was, 
zoodat zij zich bijna onverdeeld aan de regeling van de gewone 
bestuurszaken wijden konden. Een paar opstanden in Krawang 
en Tjeribon waren gelukkig, hoewel de laatste zich in den 



2? 



aanvang gevaarlgk liet aanzien, spoedig gedempt. Minder kalm 
liepen de zaken op de Buitenbezittingen af, waar de overname 
tot allerlei moeielijkheden aanleiding gaf. 

Allereerst op Soematra, waar wij in het jaar 1818 Raffles 
terugvinden als Luitenant-Gouverneur van Bengkoelen, nog 
altijd vol haat jegens de Nederlanders en peinzend op middelen 
om zooveel van den schoenen buit voor Engeland te be- 
machtigen als maar eenigszins mogelijk was. Aan zijn op- 
treden was 't dan ook hoofdzakelijk te danken, dat onze 
posten op de Westkust eerét in Mei 18 L9 aan de Hollandsche 
gemachtigden werden overgegeven. Evenzoo had hij de hand 
in de zaken van Palembang. De lezer herinnert zich hoe hier 
in 1811 op last van den Sultan de Hollandsche loge af- 
geloopen en de bezetting vermoord was. Algemeen wordt aan- 
genomen dat deze daad van ruw geweld een uitvloeisel was 
van een schrijven van Raffles aan den inlandschen vorst, 
waarin hij dezen onomwonden den raad gaf „die Hollanders 
met hunnen Resident te verjagen en geheel uit den weg te 
ruiriien." Toen nu de Engelschen zelven het bestuur over 
Indië in handen kregen, weigerde de Sultan hun gezag te 
erkennen, zoodat de Regeering zich genoodzaakt zag eene 
sterke troepenmacht tegen hem uit te zenden. Op grond nu 
van deze expeditie, de daarop gevolgde afzetting van Sultan 
Badroe'd-din en het met diens opvolger Ahmed Nadjmoe'd-din 
gesloten traktaat, beweerde Raffles dat de Nederlanders geen 
rechten meer op dit rijk konden doen gelden. Hij ging zelfs 
zoo ver, van Bengkoelen uit gewapende mannen naar Palem- 
bang te zenden, om den Sultan, die zich ook niet aan ons 
wilde onderwerpen, in zijn verzet bij te staan. De zege bleef 
echter aan onze zijde. De weerbarstige Nadjmoe'd-din werd 
in 1818 met zijne familie naar de Preanger-regentschappen 
verbannen en zijn voorganger Badroe'd-din weer op den troon 
geplaatst. De moordenaar van zoovele Hollanders dus weer 
in genade aangenomen! Aan de politiek moet veel worden 
vergeven, doch dat zij hier eene grove fout beging, zou spoedig: 
blijken. 



28 



Wij zouden te uitvoerig worden, wilden wij bij al de 
pogingen, door Raffies aangewend om de Nederlanders uit 
hunne rechtmatige bezittingen te verdrijven, stilstaan. Genoeg 
zij 't daai'om hier mede te deelen, hoe hij ons op twee punten 
eenen slag heeft weten toe te brengen, waarvan wij op het 
oogenblik nog de gevolgen ondervinden. Gebruik makende 
van den verwarden toestand waarin het rijk Atjeh zich op 
dezen oogenblik bevond, slaagde hij in het jaar 1819 er in 
met den toenmaligen Sultan een traktaat van vriendschap en 
bondgenootschap te sluiten, waaruit de scheeve verhouding 
geboren is, waarin Nederland sedert met dit rijk gestaan 
heeft. Bijna tegelijkertgd heeft hij zijnen naam als 't ware 
vereeuwigd, door op een onbeduidend, slechts door enkele 
visschers bewoond eilandje bezuiden Malaka, de grondslagen 
te leggen van de stad Singapoera, niet ten onrechte door hem 
genoemd „het pistool dat op de borst van Batavia gericht 
was." Wie ooit iets van deze wereldkoopstad gezien of ge- 
lezen heeft, die weet hoezeer onze „Koningin van het Oosten", 
vooral op het gebied van handel en scheepvaart, door haar 
overvleugeld is geworden. In 1828 heeft de Indische Regeering 
getracht de schadelijke gevolgen van de stichting van Singa- 
poera te keeren, door Riouw tot eene vrijhaven te verklaren, 
doch te laat. De handelsstroom, eenmaal ook uit onzen Archipel 
naar der Britten gloriestad geleid, liet en laat zich niet meer 
keeren. 

In de Lampongsche Districten, de vroegere twistappel 
tusschen Bantam en Palembang, thans eene rechtstreeksche 
bezitting van het Gouvernement, heerschte ook nu nog voort- 
durend onrust, terwijl de kuststreken geregeld door zeeroovers 
onveilig werden gemaakt. Eene in 1817 door Commissarissen- 
Generaal daarheen gezondene troepenmacht slaagde er in, 
inzooverre de orde te herstellen, dat althans aan de binnen- 
landsche verdeeldheden tijdelijk een einde werd gemaakt. 

Die zeeroovers vormden eene ware plaag voor den Archipel. 
Reeds in de laatste jaren van de Oost-Indische Compagnie 
had men veel last van hen gehad, zoo zelfs dat de kusten 



van het eiland Java geregeld tegen hunne aanvallen moesten 
woi'den beschermd. Na 1800 waren het vooral de wateren 
rondom Soematra, waar zfj hun heilloos handwerk uitoefenden. 
En z|j waren te meer te vreezen, omdat zg op menige plaats 
de hooge bescherming genoten van inlandsche Vorsten, onder 
wie velen werden aangetroffen, die zich niet te hoog achtten 
om een aandeel in den behaalden buit tot zich te nemen. 
Men fluisterde dit zelfs van den Sultan van Riouw, waarom 
Commissarissen-Generaal zich haastten de oude betrekkingen 
met dit rijk, en zoo ook met Bangka en Belitoeug, te her- 
vatten. Met Riouw werd in November 1818 een traktaat 



gesloten, waarbg de opperheerschappij van Nederland werd 
erkend en zoowel de Sultan Abdoerrahman als diens onder-> 



30 



koning plechtig beloofde deo zeeroof te zullen te keer gaan. 
Ueeds in het jaar 1814 hadden de Ëngelschen de Westkust 
van Bornco verlaten, zoodat hier van eene eigenlijke overname 
van het gezag geen sprake was. Toch kostte 't den onzen 
heel wat moeite en inspanning om in dezen doolhof van afzon- 
derlijke rijkjes, onder deze zeer gemengde bevolking de zaken 
zoo te regelen, dat met eenig vertrouwen de toekomst kon 
worden tegemoetgezien. Behalve met de overheerschende 
Maleiers en de Dajaks, had men hiei- toch rekening te hou- 
den met de Chineezen die, aangelokt door den enormen 
rjjkdom van den bodem aan diamanten en gond, reeds in 
't laatst der 18e eeuw in grooten getale naar de Westkust 
waren afgezakt, om ook hier hunne bijzondere geschiktheid 
voor mynontginning aan den dag te leggen. Aanvankelijk in 
dienst van de Maleische Vorsten, begonnen zfj zich al spoedig 



Chineeache Prieatera. 

sterk genoeg te gevoelen om elk vreemd gezag van zich af 
te werpen en eene reeks van vrije Chineesche republieken 
te vormen, zoo goed georganiseerd en zulk eene kracht ont- 
wikkelende, dat zij, die slechts den gedweeën en krimpenden 
Chinees van Java kennen, zich daarvan geen denkbeeld vormen 



31 



kunnen. Menig Maleisch vorst heeft hier gesidderd voor deze 
gestaarte zonen van het Rijk in het Midden, 'terwijl de Indi- 
sche krijgsgeschiedenis het ons vertellen kan, welke geduchte 
tegenstanders zij in den loop dezer eeuw voor ons geweest 
zijn. Wij zullen er later meer van hooren. Voor 't oogenblik 
alleen dit, dat zij onder het bestuur van Commissarissen- 
Generaal in 1818 er geen bezwaar in zagen zich als recht- 
streeksche onderdanen van de Indische Regeering te laten 
inschrijven en ten teeken hunner onderworpenheid een hoofd- 
geld van twee ropijen te betalen. De Sultans van Poentianak 
en Sanibas %hadden reeds in 1816 uit eigen beweging ge- 
zantschappen naar Batavia gezonden om zich onder bescher- 
ming van Nederland te stellen, zoodat hier althans de naar 
de Westkust afgezonden Commissarissen de baan schoon 
vonden om ons oppergezag bij traktaat te regelen. 

In het jaar 1812 had Raffles den ambtenaar Alexander Hare 
naar Bandjarmasin gezonden, die er in slaagde een verdrag 
met den Vorst te sluiten, waarbij deze de opperheerschappij 
der Engelschen erkende. Genoemde Hare bleef er nu als Resi- 
dent achter en bevond er zich nog, toen de Nederlandsche 
gemachtigden kwamen om ook hier het gezag over te nemen. 
Wie echter van vertrekken wilde hooren, de Engelsche Resi- 
dent niet. Gedurende zijn bestuur had hij zich door den Sultan 
eene weinig bevolkte landstreek in eigendom laten toewijzen, 
waarheen hij, met toestemming van Raffles, tal van Javaansche 
landloopers als kolonisten gezonden had, met het kennelijk 
doel daar in Moloeko, zooals het land heette, voor zich een 
onafhankelijk rijk te stichten Hij rekende echter buiten de 
vasthoudendheid der Hollandsche gemachtigden Chassé en 
Kruythoff^, die hem noodzaakten Bandjarmasin te verlaten, 
waarna hij met zijne slaven en slavinnen naar de Keeling of 
Kokos-eilanden (ten westen van Soematra) vertrokken is. 

Tijdens hun bestuur hadden de Engelschen veel te doen 
gehad met het Gouvernement van Mangkasar, waar de vorst 
van Boni, Aroe Palakka, weigerde zich aan hun gezag te 
onderwerpen, zelfs toen zij in 1814 eene vrij sterke expeditie 



32 



onder generaal Nightingall tegen hem hadden uitgezonden. 
Bij de terugkomst der Nederlanders wilde hij wel in onder- 
handeling met ons treden, doch alleen onder voorwaarde, dat hij 
dezerzijds gesteund werd in zijn plannen om zich gezag over 
de andere Vorsten van Zuid-Selebes te verwerven. Toen 
echter onze landgenooten weigerden het oor aan zijne 
voorstellen te leenen, bleef hij in zijne vijandige houding 
volharden. Aangezien het Gouvernement op dit oogenblik de 
handen te vol had om kracht bij zijne woorden te zetten, 
bleef de straf oefening tot later uitgesteld 

Geheel zonder bloedvergieten zou echter het herstel van 
het Nederlandsch gezag niet plaats hebben. Ons verhaal voert 
ons thans naar de ongelukkige Ambonsche eilanden, waar 
de door het monopolie der Compagnie zoo zwaar gedrukte 
bevolking onder het bestuur der meer viijgevige Engelschen 
een weinig tot verademing gekomen was. Wel had men ook 
nu nog grieven, maar de toestand was dragelijk en de tijd 
zou verdere verlichting aanbrengen. Doch zie, daar komt op 
eenmaal de tijding, dat de Hollanders terugkeeren en met hen 
het monopolie, en met dit monopolie de Resident van Saparoea 
J. van den Bergh, wiens strengheid allen nog versch in het 
geheugen ligt. De hoofden worden bij eengestoken, de be- 
zwaren overwogen, en — het smeulend vuur ontbrandt. Op 
denzelfden dag — 17 Mei 1817 — dat de Engelsche Gou- 
verneur Martin Ambon verliet, kwam daar het bericht aan 
dat Saparoea in vollen opstand was. Het verzet werd geleid 
door Thomas Matoelesia, gewezen onder-officier in Engelschen 
dienst en thans christen-schoolmeester en een zekeren Reebok^ 
twee personen, die getoond hebben te weten wat zij wilden. 
Als eerste slachtoffers vielen de Resident en diens familie- 
leden, terwijl ook de bezetting van het fort Wijk-bij-Duur- 
stede over den kling werd gejaagd. De opstand sloeg nu ook 
op de omliggende eilanden over en nam spoedig zulke afme- 
tingen aan, dat de in allerijl van Ambon afgezonden troepen 
niet bij machte waren dien te dempen. Met den aanvoerder 
Majoor Beetjes sneuvelden de meeste officieren, terwijl het 



33 



aantal manschappen, dat aan de slachting ontkwam, uiterst 
geiïng was. 

Wat nu? In Batavia vond men de zaak zoo bedenkelijk, 
dat -in allerijl de Schout-bij-Nacht Buyskes met schepen 
en krijgsvolk naar de Molukken gezonden werd. Deze deed 
eerst nog Ternate aan om hulptroepen van de Sultans van 
Ternate en Tidore in te nemen, waarna hij zijn koers naar 
de weerspannige eilanden richtte, die nu weldra onderworpen 
werden. Er was anders hevig gestreden. Vooral Saparoea, 
waar o.a. de majoor Meijer en de later op Soematra zoo be- 
kend geworden kapitein Vermeulen Krieger gewond werden, 
werd dapper verdedigd. Ten laatste waren de beide hoofd- 
opstandelingen echter genoodzaakt zich over te geven, om 
straks hun verzet met den dood aan de galg te boeten. „Zoo 
moest," lezen wij bij Meinsma, „het Nederlandsch gezag juist 
in zijne oudste bezitting opnieuw met geweld worden inge- 
voerd." Aan wie de schuld? 

Van de goede gezindheid der Ternataansche Vorsten werd 
boven reeds het bewijs geleverd. Omtrent Timor kunnen wij 
de eigenaardige bijzonderheid mededeelen, dat*hier de over- 
dracht van het gezag geen persoonswisseling ten gevolge 
had. De onder de Engelschen als Resident gefungeerd heb- 
bende Hazaert bleef ook nu met het bestuur belast In het 
jaar 1818 werd hij door den Portugeeschen Gouverneur bij 
Commissarissen-Generaal aangeklaagd wegens machtsoverschrij- 
ding, eene beschuldiging, die echter later gebleken is valsch 
geweest te zijn. De bevolking hield zich overigens rustig. 

Ten slotte een woord over Bali^ het land dat onder de 
Oost-Indische Compagnie in de lotgevallen van Java's Oost- 
hoek zulk een groote rol gespeeld heeft en bestemd was om 
in de nederlandsch-indische krijgsgeschiedenis van de 19e eeuw 
menige belangrijke bladzijde te vullen. Blijvende betrekkingen 
hadden de Nederlanders tot hiertoe niet met de Vorsten van 
dit eiland aangeknoopt. Onder Daendels en met diens toestem- 
ming had zich een zekere Van der Wafdj Ie Luitenant- 
kwartiermeester bij de Cavalerie, met den weidschen titel van 
II. 3 



34 



^Resident van wegen Zijne Excellentie den Heer Maarschalk 
en Gouverneur- Generaal" te Bandoeng gevestigd, hoofdzakelijk 
met het doel om hier rekruten voor het leger aan te werven. 
's Mans handelingen schijnen echter van dien aard gewekt te 
zijn, dat Daendels hem moest terugroepen. Toen hij weigerde 
aan dien last te voldoen, werd hij eenvoudig door den inland- 
schen Vorst geboeid naar Banjoewangi opgezonden. Tijdens 
het Engelsch Tusschenbestuur waagde Goesti Gedé Earangasem 
van Boeléléng eene poging om zich opnieuw van Java's Oost- 
hoek meester te maken. Hij kroop echter spoedig in zijne 
schulp, toen de Generaal Nightingall op zijne reis naar Selebes 
(zie boven) met zijne troepen Bali aandeed. Onder Commis- 
sarissen-Generaal werd de heer H. A. van den Broeck naar 
het eiland gezonden, hoofdzakelijk met het doel om zich op 
de hoogte van de binnenlandsche aangelegenheden te stellen. 
Contracten werden er echter ook ditmaal niet gesloten. 

Hoewel in het jaar 1819 nog niet alle zaken met de Engel- 
schen geregeld waren en dezen zelfs nog Bengkoelen met de 
posten Tapanoeli en Natal bezet hielden, konden Commissa- 
rissen-Generaal hunne taak als afgedaan beschouwen. In het 
laatst van Januari 1819 keerden dan ook de heeren Elout 
en Buyskes naar Nederland terug, nadat zij veertien dagen 
vroeger de regeerirjg over Nederlandsch-Indië aan Baron Van der 
Capellen hadden overgedragen. Bij het optreden van dezen 
nieuwen Gouverneur-Generaal (1819— 1825) waren onze Bezit- 
tingen binnen den Archipel als volgt ingedeeld: 

Ie. Java en Madoera met zijn twintig Residentiën; 

2e. Het Gouvernement van Soematra, bestaande uit de Resi- 
dentiën Padang, Palembang, de Lampongs en Bangka. 

3e. Het Gouvernement van Mangkasar; 

4e. Het Gouvernefnent der Molukken, gevormd door de Resi- 
dentiën Ambon, Banda, Ternate en Menado; 

Be. De Residentie Poentianak (Borneo's Westkust) en de Resi- 
dentie Bandjarmasin (Borneo's Zuid-Oostkust) en 

6e. De Residentie Timor. 

In deze opgave mist de lezer, behalve Bengkoelen, de tegen- 



36 



woordige Residentie Soemcdra's Oostkust, die als zoodanig eerst 
sedert 1873 bestaat, de Residentie Bali en Lotnbok, gevormd 
in 1882 en eindelijk Riouw en Onderhoofigheden, dat op dit 
tijdstip nog een deel van het Gouvernement van Bengalen 
uitmaakte. 

Toen in het begin van 1817 Commissarissen-Generaal te 
Batavia aan wal stapten, bevond zich in hun gevolg de Hoog- 
leeraar Reinwardt, die aangewezen was om als Directeur van 
Landbouw, Kunsten en Wetenschappen op te treden en aan 
wien Neerlandsch-Indië eene stichting te danken heeft, welke 
alleszins verdient hier met een enkel woord vermeld te worden. 
Wg bedoelen den prachtigen, wereldberoemden plantentuin 
van Buitenzorg, waarin, zooals Professor Veth schrijft, alle 
gewassen van Insulinde, die in onze bakken gekweekt worden, 
in de open lucht prijken en er zich in een pracht en luister 
vertoonen, die aan onze broeikasplanten maar al te zeer 
vreemd zijn. Wie ooit te Batavia komt en al dadelijk een 
blik op de wonderen der indische plantenwereld wil slaan, 
verzuime niet een plaatskaartje naar Bogor (Buitenzorg) te 
nemen om een bezoek aan dezen eenigen tuin te brengen, die 
de bewondering van landgenoot en vreemdeling heeft gaande 
gemaakt. Ten einde de waarde van Reinwardt's stichting nog 
te verhoogen, is deze met een vijftal hoog in 't gebergte 
aangelegde tuinen in verbinding gebracht, waar planten uit 
kouder luchtstreken zich op gelijke wijze in haar element 
kunnen ontwikkelen. 

Alvorens dit Hoofdstuk te besluiten, nog een enkel woord 
over Batavia, de wijd en zijd beroemde hoofdstad van Neer- 
landsch-Indië, die echter, van nabij gezien, haren naam van 
„kerkhof" alleszins verdiende. Ongezonder oord viel er daar- 
ginds niet aan te wijzen. Het was hiermede zoo erg gesteld, 
dat in Mei 1804 een der hoogstgeplaatste ambtenaren openlijk 
het verzoek deed om zijn verblijf buiten de stad te mogen 
vestigen „uithoofde van de aanstaande komst zijner huisvrouw, 
zuster en nicht en de beduchting, dat deze geen weerstand 
zullen kunnen bieden aan de besmette dampkring der stad." 



Hoewel nu reeds vóór Daendels' optreden enkele buitenwijken 
waren ontataan, komt aan hein toch de eer toe van met 
krachtige hand den aanleg eener nieuwe stad, verder van de 
zee en hare moerassige kust gelegen, te hebben bevorderd. 
Zoo ontstond Nieuw-Batavia, dat zich, met zjjne breed aan- 
gelegde wijken, ruime pleinen, prachtige buitenplaatsen, trotsche 
gebouwen, enz eerst recht den naam van „Koningin van het 
Oosten" heeft waardig gemaakt. Met rechtmatigen trots ziet 
z(j neer op de aan haren voet gelegen Oude Stad, die tegen- 
woordig nog alleen goed genoeg geacht wordt om kantoren 



Groot huis te Bntiivia met StAQilbeeld van J. F. Koen- 
en winkels binnen haren kring te herbergen. „Stel a voor," 
lezen wj) ergens, „een nitgestrekten tuin van eenige uren 
omvang. Verbeeld u dien bedekt met een net van hooger en 
lager geboomte; verbeeld u dit net met groote mazen en 
stel u die mazen voor als groote pleinen, als begraafplaatsen, 
als moestuinen en sawahs, en g)j kunt in uwe voorstelling 
van het tegenwoordig Batavia niet falen. — Maar de ge- 
bouwen? — Zij bevinden zich daar, midden in 't geboomte; 
zij verheffen er zich niet boven, maar verbeiden zich tusschen 
z^n lommer. Slechts enkele publieke gebouwen maken daarop 



37 



eene zeldzame uitzondering. Het was ook het plan niet van 
Batavia's nieuwere bewoners hunne huizen steedsch te bouwen, 
samengedrongen, met hooge trotsche gevels. De oostersche 
smaak was er tegen, en de zoo dikwijls door binnenaardsche 
werkingen beroerde bodem verbood het bovendien ook, ver- 
diepingen op verdiepingen te plaatsen, wilde men zich niet 
roekeloos het gevaar der aardbeving verhoogen." Ziedaar 
Batavia zooals het nu in 1819 in wording was. 



ACHTSTE HOOFDSTUK. 

1819—1830. 

^E tijdvakken krimpen in, de gebeurtenissen vermenig- 
-^^ vuldigen zich. Inzonderheid tusschen de jaren 1819 — 30 
zijn de historische feiten zoo talrijk en tevens zoo belangrijk 
dat het schier eene onmogelijkheid is ze in een dertigtal 
bladzijden te beschrijven. Even ondoenlijk bijna als de mil- 
joenen te tellen, die de krijgsbedrijven uit dezen veelbewogen 
tijd aan 'slands schatkist gekost hebban. Konden Heeren 
Commissarissen-Generaal bg hun aftreden er zich op beroemen 
veefiig tonnen gouds te hebben overgegaard, de spaarpot zou 
spoedig blijken een druppel aan den emmer te zijn, waar 
expeditie op expeditie moest worden uitgerust om ons gezag 
te verdedigen of daaraan de noodige uitbreiding te geven. In 
het jaar .1824 bedroeg het nadeelig saldo reeds negentien 
müjoefi gulden! En het zal nog erger worden. Waar al die 
vervlogen schatten voor een goed deel besteed zijn aan Soe- 
matra, Bomeo en Selebes, die zich als 't ware vereenigd 
hebben om het gehate juk der Westerlingen van zich af te 
werpen, daar komt straks Java zijn deel vragen, op welk 
eiland wij nog eenmaal den Islam zien optreden, dood en ver- 
derf predikende aan allen voor wie de vroeger reeds door ons 
aangehaalde leus niet het voornaamste geloofsartikel uitmaakte. 
Doch laat ons de gebeurtenissen niet vooruit loopen. 

Het zou hier misschien de plaats zijn het een en ander 
mede te deelen omtrent de verschillende stelsels, door de drie 



39 



elkander opvolgende Regeeringen toegepast, ten einde door 
gedwongen leveringen, landrente, belastingen, verpachtingen, 
opium-verkoop als anderszins de schatkist in staat te stellen 
de uitgaven voor het raderwerk van staat, voor leger en vloot 
te bestrijden. Aangezien echter de eigenlijke staatsinrichting 
van N.-Indië buiten ons bestek ligt, achten wij het beter dit 
onderwerp te laten rusten en ons ook verder alleen bezig te 
houden met wat in engeren zin de Geschiedenis der Neder- 
landers in den Archipel kan worden genoemd. 

Helpen wij thans eerst de Engelschen van de baan. In ons 
vorig Hoofdstuk hebben wij gezien, hoe dezen nog in het jaar 
1819 enkele posten bezet hielden, o. a. Bengkoelen, waar zij 
het fort Marlborough gebouwd hadden om van daar uit hun 
invloed over Soematra te doen gelden. Ook nu toonden zij 
weinig lust dit belangrijk punt los te laten. Kortom, het duurde 
nog tot het jaar 1824, vóór onze onderhandelingen met Albion 
zoover gevorderd waren, dat er eindelijk een definitief trak- 
taat tusschen Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden en 
Zijne Majesteit den Koning van het Vereenigd Koninkrijk van 
Groot-Brittanje en Ierland tot stand kwam, waarbij ,^innaam 
der Allerhoogste en Onverdeelbare Drieëenheid" en tegen be- 
taling onzerzijds eener ronde som van een miUioen tweehonderd 
duizend gulden^ aan Nederland al zijne bezittingen binnen defi 
Archipel werden teruggegeven. Zijne Britsche Majesteit was 
wel zoo vriendelijk te verklaren, dat op Soematra nooit ofte 
nimmer meer een Engelsch kantoor zou worden gevestigd. 
Alleen moesten de Hollanders niet vergeten hoe nog in 1819 
(zie blz. 28) door Raffles een verdrag van vriendschap en 
bondgenootschap met Atjeh gesloten was, welk verdrag nu 
wel verviel, maar aan Engeland tóch het recht gaf van ons 
te eischen, dat wij steeds eene welwillende houding tegenover 
genoemd rijk zouden' aannemen en deszelfs onafhankelijkheid 
voor de toekomst zouden waarborgen. Dat hier een adder in 
het gras school, schenen onze Gemachtigden, hartelijk blijde 
dat eindelijk aan al het geharrewar een einde kwam, niet op 
te merken; zij vielen dus in den strik hun door Engeland 



1 



40 



gespannen, een' strik dien w\j bijna vijftig jaren lang om den 
hals zouden dragen en waarvan ons eerst de oorlogsverklaring 
van 1873 verlost heeft. Wij komen hierop later terug. 

Intusschen had het Bestuur in Indië niet lijdelijk de komende 
dingen afgewacht. Integendeel. Men zat daar reeds tot over 
de ooren in de expeditie's, noodig geworden door de houding 
van sommige voraten en anderen, die het nog eens wagen 
zouden zich aan de heerschappij der Nederlanders te onttrek- 
ken, expeditie's waarin het Indisch leger van die dagen, ook 
al werd het niet altijd door wetenschappelijk opgeleide oflfi- 
cieren aangevoerd, wonderen van moed, trouw en beleid heeft 
aan den dag gelegd, 't Is ons eene behoefte dit hier vooraf 
mede te deelen, omdat de beknoptheid, waaraan wij in deze 
schets gebonden zijn, ons geen gelegenheid zal geven lang 
bij belangrijke feiten en personen stil te staan. 

Wenden wij ons dan het eerst naar de Westkust van 
Soematra, waar de onzen bij het vertrek der Engelschen een 
viertal posten bezet hielden met Padang als middenpunt. Met 
de zoogenaamde Bovenlanden hadden wij vooreerst niet veel 
te maken. Hier lag, zooals de lezer weet, het oude rijk van 
Minangkabau, de bakermat van de eigenlijke Maleiers, dat 
in 't begin dezer eeuw nog zijn eigen oppervorst of Jangdi- 
pertoean had, met wien twee andere vorsten de regeering 
deelden. Inwendige verdeeldheden zouden echter spoedig dit 
reeds verzwakt rijk in duigen doen vallen. De stoot kwam 
van de zijde van den Islam, welke godsdienst hier reeds 
vroegtijdig werd ingevoerd, echter zonder diep genoeg door 
te dringen om geen plaats te laten voor gewoonten en ge- 
bruiken, die strijdig met de leer van de Halve Maan moesten 
worden genoemd. De ketterijen bleven bestaan, ook toen het 
getal van hen, die den voorgeschreven pelgrimstocht naar 
Mekka ondernamen om den zoo begeerlijken titel van Hadji 
machtig te worden, toenam. Toch zou van dien kant de her- 
vorming komen. Omstreeks het jaar 180B zien wij een drietal 
Maleiers de heilige stad verlaten, geheel onder den indruk 
van wat zg daar gezien en gehoord hebben en zich in stilte 



41 



voornemende om in hun vaderland het zoo schromelijk ver- 
waarloosde geloof van den Profeet in eere te herstellen. 
Nauwelgks in de Padangsehe Bovenlanden teruggekeerd of 
Miskin, Soemanik en Piabmig^ zoo heette het drietal, begonnen 
het land in hunne witte pelgrimskleeding door te trekken, 
het overal luide verkoï>iiigende hoe Allah's toorn zou neder- 
dalen op allen, die niet getrouw de vijf dagelijksche gebeden 
verrichtten en zich aan het genot van opium schuiven, hanen- 
gevechten, dobbelspelen enz. bleven overgeven. Zij en hunne 
aanhangers, wier aantal spoedig aangroeide, gingen in hunnen 
gver zelfs zoover, dat zij aan de mannen het dragen van den 
Arabischen tulband en aan de vrouwen dat van den sluier 
voorschreven. Ondanks die gestelde eischen, waarbij later nog 
kwam geheele onthouding van tabak, sirih (betel), bedwel- 
mende dranken, enz., sloten zich telkens opnieuw velen bij 
de hervormingspartij aan, dié sedei*t onder den naam van 
Padri (priester) bekend is geworden en aanvankelijk Bond jol 
in de schoone en vruchtbare vallei van Alahan Pandjang tot 
hoofdzetel gekozen had. 

Natuurlijk vond de partij ook hare tegenstanders. In de 
eerste rij stonden de bovenbedoelde Vorsten, die zich in 
hunne macht bedreigd zagen en met geweld den stroom keeren 
wilden. Te vergeefs echter. Aan twee der machthebbenden kostte 
hun verzet het leven, terwijl de dei-de. Radja Moening, naar 
de Oostkust ontvluchtte om daar de droeve mare te ver- 
spreiden, dat 't met het rijk van Minangkabaa gedaan was. De 
Padri's hadden nu vrij spel. Intusschen waren enkele andere 
voorname Maleiers naar Padang uitgeweken, om daar eerst 
bij RafSes en, toen deze, hoewel hij maar al te veel zijn oog 
op de Padangsehe Bovenlanden gevestigd hield, de zaak niet 
aandurfde, bij de Hollanders hulp en steun te zoeken. Na 
lang aarzelen en nadat de Maleische hoofden zich, zooals zij 
voorgaven, namens Radja Moening verbonden hadden om alle 
tot Minangkabau behoorende landen aan het Nederlandsche 
Gouvernement te zullen afstaan, ging de Resident Du Puy er 
toe over om gunstig over hun verzoek te adviseeren, waarop 



43 



in het laatst van 1821 de Luitenant-Kolonel A. T. Baaff met 
eene vrij talrgke troepenmacht naar het tooneel van den 
binnenlandschen strigd werd uitgezonden. Hiermede nam eigen- 
lijk de bekende Padri-oorlog een aanvang, die, zooals de lezer 
weet, met tusschenpoozen tot het jaar 1837 heeft voortgeduurd 
en de wonderschoone Padangsche Bovenlanden tot eene streek 
heeft gemaakt, waar de graven onzer dapperen als gezaaid 
liggen. Eerst in 1826 slaagde de Resident en Militaire Kom- 
mandant H. J. L. de Stuers er in, met de meeste Padri-hoofden 
eene overeenkomst te sluiten, die wel geen blijvenden vrede 
bracht, doch ten minste tijdelijk de vijandelijkheden deed 
staken. Wij dankten dezen uitslag gedeeltelijk ook aan zekeren 
Arabier Said Salimoe'l Djafrid, aan wien 't gelukt was in 
November van genoemd jaar een gezantschap van Padri's 
naar Padang te brengen. Alleen de Hoofden van Bondjol bleven 
nog in hun verzet volharden. Het Indisch Gouvernement was 
echter verplicht hen voor 't oogenblik te laten begaan, omdat 
het zijne troepen elders in het vuur moest brengen. Wij 
zullen straks zien waar. 

Thans vraagt, Palembang onze aandacht, waar wg in 1818 
Mahmoed Badroe'd'din, den moordenaar onzer landgenooten, 
onder bescherming van de Hooge Regeering opnieuw den 
troon zagen bestggen. In plaats van zich nu recht dankbaar 
te betoonen, liet hij geene gelegenheid voorbygaan om ons 
den voet dwars te zetten. En dit niet slechts in zijn eigen 
land, maar ook op het aan Palembang onderhoorige Bangka, 
waar de Hoofden geregeld door hem tegen de Hollanders 
werden opgestookt. Het einde was eene nieuwe expeditie in 
1819, die echter niet tot het beoogde doel leidde. De zaken 
namen nu zulk een ernstige wending, dat men te Batavia 
tot de overtuiging kwam, alles op 't spel te moeten zetten om 
de eer der vlag te redden en tevens den inmiddels op Bangka 
vermoorden Resident Smissaert te wreken. Men ging zelfs zoo 
ver van den verbannen Vorst Nadjmoe'd'din (blz. 27) in den 
arm te nemen en dezen in belooning voor de door hem te 
verleenen hulp niet slechts vergiffenis te schenken, maar hem 



44 



bovendien het uitzicht te openen, dat zijn zoon op den troon 
zou worden geplaatst. Dit geregeld zijnde, vertrok in 1821 
eene nieuwe expeditie naar Palembang onder bevel van den 
Goneraal-Majoor Merkus de Koek, die 1500 man troepen en 
eene vloot van 32 oorlogs- en transportschepen. bemand met 
2600 koppen, te zijner beschikking had. Ditmaal waren de 
onzen gelukkiger. Na korten tegenstand gaf Badroe'd'din zich 
onvoorwaardelijk aan de Hollanders over, die hem op Ternate 
gelegenheid gaven over de wisselvalligheid van 's werelds 
grootheid na te denken. Onder den naam van Nadjmoe'd'din II 
werd nu bovenbedoelde prins op den troon geplaatst en 
hoopte men vooreerst met Palembang te hebben afgedaan. 
Het zou echter spoedig blijken dat men nog lang niet aan 
het einde was. 

De jonge Vorst, hoezeer met de beste bedoelingen jegens 
ons gezind, miste, zooals weldra aan 't licht kwam, alle zelf- 
standigheid, waarvan zijn vader, niet tevreden met den hem 
verleenden titel van Soesoehoenan, behendig gebruik maakte 
om zijn oude spel met de Hollanders te spelen. Ook ditmaal 
bleken de onzen hem echter te sterk te zijn; in het laatst 
van 1824 werd hij opnieuw gevangen genomen en naar Ba- 
tavia overgebracht — waar hij kort daarop kwam te over- 
lijden, — terwijl zijn zoon in Augustus van het volgende jaar 
als een totaal berooid zwerveling in onze handen viel. Aan 
dezen werd Banda tot verblijfplaats aangewezen, waarheen 
wij hem zien vertrekken als den laatsten Vorst uit een — 
waarom het te ontkennen — roemrijk geslacht, dat wij in 
1596 zijne onafhankelijkheid tegenover Bantam zagen ver- 
dedigen (blz. 16) en nu na ruim twee eeuwen, evenals de 
beheerschers uit laatstgenoemd rijk, het veld moet ruimen voor 
hen, die als „flamingo's'^ den Archipel waren binnengekomen 
om al wat daar groot en machtig genoemd werd voor zich 
in het stof te zien kruipen. De Hooge Regeering vond het 
namelijk goed het Sultanaat in Palembang voor altijd af te 
schaffen. Dientengevolge verhuisden dan ook de rijkssieraden 
naar de hoofdstad van Nederlandsch-Indië, waar zij naast de 



4B 



teekenen der macht en majesteit van het ongelukkige Bantam 
eene plaats in eene der zalen van het ons bekende Batavi- 
aasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen gevonden 
hebben. 

Dat ook deze krijgstochten tegen Palembang ons heel wat 
volk gekost hebben, onnoodig het te zeggen. Onze land- 
genooten wreekten zich later nog o. a. door vijf aanzienlijke 
volgelingen van den Vorst ter dood te veroordeelen en hen 
„om de straf te verhoogen" te doen onthalzeti. De meening 
sch^nt dus toen reeds te hebben geheerscht, dat een geloovig 
mohamedaan zich niets ergers denken kan dan zonder hoofd 
voor Allah te moeten verschijnen. Van Moslems, die hun land 
tegenover „ongeloovigen'* verdedigen, weten wij echter beter. 

Tijdens onze gespannen verhouding met Palambang was 
onder de Boegineezen van Riouw een opstand uitgebroken, 
die een zeer gevaarlijk karakter droeg, doch gelukkig, dank 
zij het flink optreden van den ons reeds bekenden garnizoens- 
kommandant Vermeulen Krieger, geene verdere gevolgen had. 
In het jaar 1824, na het sluiten van ons traktaat met Enge- 
land, werd Riouw geheel van Malaka afgescheiden, terwijl 
onze zaakgelastigden er in slaagden met Sultan Abdoe'r- 
rahman en diens Onderkoning Radja Djafar contracten te 
sluiten, waardoor onze invloed in dit gedeelte van den Archipel 
zeer toenam. Ook op Bangka werden de uitgebroken onlusten 
spoedig door bekwame aanvoerders als de Luitenant-Kolonels 
Keer en Riess gedempt. 

En thans iets anders dan wapengekletter en krijgsrumoer. 
Toen de expeditie onder Merkus de Koek nog in de rivier 
van Batavia vertoefde, verbreidde zich op eenmaal de mare 
dat op de vloot de cholera was uitgebroken, welke vreeselijke 
ziekte binnen een paar dagen reeds zestig slachtoffei*s ge- 
maakt had. Een oogenblik dacht de Gouverneur-Generaal Van 
der Capellen er aan de expeditie uit te stellen, doch bij nadere 
overweging vond men dit beter van niet. Mogelijk oordeelde 
de Hooge Regeering, hoe een tocht in open zee beter dan 
het verblgf aan land de nog gezond gebleven manschappen 



46 



tegen besmetting beveiligen kon. Hoe dit zij, nauwelijks had 
de vloot de rivier verlaten of de ziekte nam af, en schijnt 
zich gedurende dezen veldtocht niet meer te hebben ver- 
toond. Intusschen blijft het een treurig historisch feit, dat 
deze geesel der menschheid in genoemd jaar zijn intrede op 
Java gedaan heeft, waar hij sedert, gelijk ook in andere 
deelen van Indië, jaarlijks zijne slachtoffers bij tien- en hon- 
derdtallen is komen opeischen. Opmerking verdient dat de 
begebloek, gelijk de inlanders deze vreeselijke ziekte ook wel 
noemen, na elke expeditie van eenig belang ook de slag- 
velden bezoekt, doch zich van de gewone hyena's daardoor 
onderscheidt dat zij hare woede aan de levenden koelt. In de 
berichten van het indisch oorlogsterrein vinden wij steeds 
uitsluitend het aantal gesneuvelden en gewonden opgegeven. 
Wie telt echter de duizenden, Inlanders en Europeanen, mili- 
tairen en burgers, die, nadat de troepen in de kazerne z\jn 
teruggekeerd, als slachtoffers van de cholera gevallen zijn en 
nog voortdurend vallen? 

Helaas, dat in dit wonderschoone land naast de rpzen ook 
zulk een doorn moet staan. En hij vormt niet de eenige 
schaduwzijde, die het verblijf binnen de tropen voor onze land- 
genooten oplevert. Blootgesteld aan eene ziekte, welke binnen 
enkele oogenblikken aan het sterkst gestel, aan het kost- 
baarst leven een einde maakt, wandelen zij bijna overal op 
eenen bodem, zoo vulkanisch van aard, dat de weerga schier 
nergens ter wereld wordt teruggevonden. Hevige uitbarstingen, 
dood en verwoesting rondom zich verspreidende, komen er 
menigvuldig voor. Uit het tijdvak waarover wij thans handelen 
dagteekent o a. de eruptie van den Tambora op het eiland 
Soembawa, zoo hevig van aard, dat zij nauwelijks door de 
uitbarsting van den Krakatau overtroffen is. In het jaar 1817 
braakte de Idjèn op Java's oostkust zijne gloeiende massa's uit; 
in 1818 de Goentoer in de Preanger Regentschappen; vijf 
jaren later de Galoenggoeng in dezelfde Residentie, onge- 
veer tegelijkertijd met den Goenoeng-Api in de Bandagroep. 
En zoo meer. Aardbevingen zyn daarginds aan de orde van 



47 



den dag. De mensch raakt aan alles gewoon, anders zou het 
voorzeker een onverklaarbaar iets z\jn, hoe inlanders en 
vreemdelingen zoo rustig en kalm van den eenen in den 
anderen dag kunnen gaan. Het is dezelfde macht der ge- 
woonte, die de bewoners van rivieroevers zorgeloos het hoofd 
doet neerleggen, hoewel zij bij ervaring weten, dat het kalme 
water, waarin zij pas hun bad genomen hebben, binnen een 
uur tijds tot eenen stroom kan aanwassen, die straks zijn 
boeien verbreekt en alles, huizen, hoornen, menschen en dieren 
in zijn dolle vaart medesleept. Naast de rozen dus meer dan 
één doorn! Indië gelijkt in dit opzicht veel op een zijner 
vruchten, heerlijk van smaak, maar zoo kwalijk riekend, dat 
't eene overwinning op zichzelf kost om er van te genieten. 
't Is de doeriaUf welk woord zou kunnen worden vertaald 
door de „gedoomde" en dus ons HoUandsch spreekwoord, op 
niet onaardige wijze illustreert. 

Op bl. 30 spraken wij over de Chineezen op de Westkust 
van Borneo, een energiek volkje, dat zich, toen de Vorsten 
van Poentianak, Sambas en Mampawa de Nederlandsche op- 
perheerschappij erkend hadden, gewillig het opgelegde hoofd- 
geld van twee ropijen liet welgevallen, maar al dadelijk verzet 
begon aan te teekenen, toen de Indische Regeering door ver- 
hooging van den zout- en opiumprijs hare inkomsten trachtte 
te vermeerderen. Reeds in de eerste helft van 1819 kwamen 
de Chineezen van Mandor en Montrado openlijk tegen ons in 
opstand. Kort daarop deden zij zelfs een aanval op de hoofd- 
plaats Poentianak, die wel door de bezetting werd afgeslagen 
doch aan de Nederlanders het bewijs geleverd had,» hoe hier 
in die gestaarte mijnwerkers een vijand was opgestaan, met 
wien te rekenen viel. Ongelukkig voor de onzen waren juist 
de beschikbare troepen naar Palembang, zoodat het October 
1820 moest worden, alvorens versterking naar de Westkust 
kon worden gezonden. Thans volgt een lange reeks van onder- 
handelingen en gevechten, de eerste gevoerd door Mr. Tobias, 
de laatste grootendeels geleid door den Luitenant-Kolonel De 
Stuers, die echter maar ten halve aan het doel beantwoordden. 



48 



In April van het jaar 1823 onderwierpen de meeste Chineesche 
hoofden zich aan de hun mondeling gestelde voorwaarden, 
doch nauwelijks maakten onze hier en daar verspreide troepen 
zich gereed om op Poentianak terug te trekken, of zij deden 
als ware er niets afgesproken. Met afwisselend geluk werd 
nu opnieuw tegen de Chineezen geageerd en nog was de 
strijd in vollen gang, toen in het begin van 182B te Poen- 
tianak de tijding werd aangebracht dat Java in opstand was. 
Aangezien de vijand nogal belangrijke verliezen geleden had, 
werd hij niet ongeneigd bevonden opnieuw allerlei schoone 
beloften af te leggen, waarna alle nog strijdbare manschappen 
naar het, hoofdeiland werden ingescheept. De Chineezen hadden 
intusschen zooveel gewonnen, dat zij voorloopig geen hoofd- 
geld behoefden te betalen en naar hartelust opium en zout 
konden binnensmokkelen. Ook met hen zouden de onzen 
echter later afrekenen. 

In het overig gedeelte van dit groote eiland, voorzoover 
het althans aan Nederland behoorde, bleef de rusi tijdens het 
bestuur van Van der Cappellen zoo tamelijk gehandhaafd. 
Alleen bleek ook hier al yieev hoe het zelfbestuur van 
inlandsche Vorsten zich op den duur moeielijk verdraagt met 
het oppergezag eener Westersche Mogendheid, die ook de 
welvaart der inheemsche bevolking naast den bloei van handel, 
nijverheid en scheepvaart bevorderen wil. Zoo kon dan ook 
een nieuw contract, in 1823 door Tobias met Sultan Soleiman 
van Bandjarmasin gesloten, niet verhinderen, dat er eene 
gisting onder diens volk ontstond, welke te eeniger tijd tot 
uitbarsting komen moest. In het jaar 1824 trad een zekere 
Kendet, Hoofd van de landschappen Doesoen en Bakoempai, 
openlijk tegen zijnen Meester op en aangezien deze zich niet 
sterk genoeg gevoelde om hem tot rede te brengen, werd 
deze taak aan onze soldaten overgelaten. Gebrek aan de 
noodige troepenmacht was oorzaak dat het tot 1826 duurde 
alvorens de laatste verschansing der opstandelingen werd 
ingenomen, bij welke gelegenheid Kendet mede in handen 
der Nederlanders viel. Omstreeks dezen zelfden tijd stierf 



49 



Sultan Soleiman, die opgevolgd werd door zijnen zoon Sultan 
Adam, met wien nieuwe, voor ons voordeelige overeenkomsten 
gesloten werden. 

Boven noemden wij ook Selébes onder de eilanden, waar 
pogingen werden aangewend om zich aan het gezag der 
Nederlanders te onttrekken. Vooral het bekende Boni maakte 
't ons voortdurend lastig. Later traden ook Soepa en Tanette 
vijandig tegen ons op. Uit laatstgenoemd rijk werd in 't jaar 
1819 zelfs, onder aanvoering van zekeren Aboe-Bakar, een 
aanval op Gouvernementsgebied gedaan, die wel, dank zij de 
dapperheid onzer troepen onder den Luitenant- Kolonel De 
la Fontain, geene verdere gevolgen had, doch in elk geval 
aan de Indische Regeering het bewijs gaf, hoe zwak 't nog 
met onzen invloed buiten de hoofdplaats Mangkasar ge- 
schapen stond. 

Erg op zijn gemak was men te Batavia zeker niet, ook 
toen men daar wist dat Aboe-Bakar overwonnen en gesneuveld 
was. De tijdsomstandigheden gedoogden echter niet krachtig 
tegen Zuid-Selebes op te treden. Gouverneur-Generaal en 
Raden herademden een oogenblik op het bericht dat de toen- 
malige Vorst van Boni — 1823 — overleden en opgevolgd 
was door diens zuster Aroe-Datoe, van welke vrouw men 
zich betere dingen voorstelde. Hoe zag men zich daarin echter 
bedrogen! Toen n.1. in genoemd jaar de Commissaris Tobias 
naar Selebes gezonden werd om eenige wijzigingen in het 
bestaande Traktaat van Boengaja te brengen, bleek het hof 
al even weinig gezind zich naar de wenschen der Hollanders 
te voegen. Zelfs de komst van Van der Capellen, die in 1824 
op zijne reis door de Molukken ook Mangkasar (zie later) 
bezocht, vermocht geene verandering in de vijandige houding 
van Boni, Soepa en Tanette te brengen. Wel zond eerst- 
genoemd rijk een gezantschap naar de hoofdplaats om Zijne 
Excellentie te begroeten, doch toen het er op aankwam het 
nieuwe traktaat met hunne handteekening te bekrachtigen, 
vroegen de Boniërs verlof om naar hun land terug te keeren 

en nadere bevelen van hunne Vorstin te gaan vragen. 
II. 4 



60 



lieten zich niet meer te Mangkasar zien. De twee andere 
r|jken hadden in 't geheel geen afgevaardigden gezonden. 

Wat nu? De zaken op haar beloop laten en zich met 
de onderteekening door de andere Vorsten tevredenstellen, 
zou gelijk staan met het inrukken aan de brandwacht, terwijl 
uit de puinhoopen nog herhaaldelijk vlammen oprijzen. Dan 
liever van den nood eene deugd gemaakt, de oogen gesloten 
voor het steeds toenemend gebrek aan geld en getracht de 
weerspannigen met geweld van wapenen tot onderwerping te 
brengen. Eene in Juli 1824 onder aanvoering van De Stuers 
naar Tanette uitgezonden expeditie slaagde volkomen. Minder 
gelukkig was Kapitein Buys, aan wien de taak was opgedragen 
om Soepa te tuchtigen. De plaats bleek onneembaar, ook 
toen Kolonel De Stuers de leiding op zich had genomen. Het 
gevolg van dit laatste was, dat de Boniêrs aan onze macht 
begonnen te twijfelen en nu zelven tot den aanval overgingen. 
Niet dan met groote moeite gelukte het aan de onzen hen 
van het Nederlandsch grondgebied, waar zij reeds waren 
binnengedrongen, terug te drijven. 

Nog eens, wat nu? De Gouverneur van Mangkasar Van 
Schelle wist niets beter te doen dan zijn mede- Commissaris 
voor de Selebessche zaken naar Batavia om versterking te 
zenden. Hoewel men hier nog de handen vol had met de Padri's, 
Palembang en Borneo, besloot de Hooge Regeering eene tal- 
rijke expeditie, sterk ruim 3300 man, naar Mangkasar uit 
te zenden. Het bevel daarover werd opgedragen aan den 
Generaal-Majoor Van Geen, van wien men verwachtte, dat hij 
als een tweede Speelman de zaken op Selebes in orde zou 
brengen. Nu, hij heeft dapper genoeg gestreden. Belangrijke 
plaatsen als Sindjai en het later nog meer bekend geworden 
Badjoaj werden, hoe hardnekkig ook verdedigd, ingenomen. 
Het vechten op indisch terrein, waar onze troepen vaak den 
weg moeten zoeken^ terwijl de vijand met elk pad, met eiken 
schuilhoek nauwkeurig bekend is, was echter vooral in dien 
tijd een hoogst bezwaarlijk werk. Men wist niet eens waar 
de hoofdplaats Boni gelegen was en toen men haar eindelijk 



BI 



met veel moeite en niet zonder verlies gevonden had, bleek 
het dat de Vorstin Aroe-Datoe met de haren naar het binnen- 
land was gevlucht. Eene poging om haar door schoone be- 
loften terug te lokken, mislukte. Onze dappere troepen hadden 
alleen dit succes, dat de Boniërs zich nu voorloopig rustig 
hielden, waardoor Generaal Van Geen gelegenheid kreeg tegen 
Soepa op te rukken, welke plaats nu door de Hollanders 
genomen werd. Daarop volgde de onderwerping van den Vorst, 
die thans ten volle bereid bevonden werd eene overeenkomst 
met het Gouvernement aan te gaan. 

Straks maakten wij ter loops melding van de reis van Van 
der Capellen door de Molukken. Tot de verdiensten van dezen 
Gouverneur-Generaal mag zeer zeker ook gerekend worden 
zi|n streven om in eigen persoon de toestanden in de ver- 
schillende deelen onzer Bezittingen in oogenschouw te nemen 
om naar bevind van zaken zijne plannen en voorstellen tot 
verbetering in te richten. Met dit doel had hij in de jaren 1820 
en 1822 eene reis over Java gemaakt en bij die gelegenheid 
ook de Vorstenlanden bezocht, waar 't in de laatste jaren 
zoo tamelijk rustig gebleven was. Weerkenners hadden echter 
kunnen voorspellen, dat de heerschende stilte blijken zou 
slechts de voorbode van een' naderenden storm te zijn. Tot 
recht verstand van hetgeen later volgen zou, teekenen wij 
hier aan, hoe in het laatst van 1823 in Djokjokarta Sultan 
Amangkoe Boewana IV — naar men fluisterde door vergif, 
maar zeer zeker tengevolge van een verregaand losbandig 
leven — kwam te sterven. Opvolger was zijn tweejarige zoon 
Mènol, onder den titel van Amangkoe Boewana V, Hij werd 
onder eene dubbele voogdg geplaatst, eenerzijds van het 
Gouvernement, vertegenwoordigd door den Resident en den 
Rijksbestuurder, anderzijds van eenen zuiver inlandschen Raad, 
waarvan o. a. zijn oom, de ons reeds bekende Dipo Negoro 
deel uitmaakte. Deze schijnt de stille hoop gekoesterd te heb- 
ben, dat hem althans bij deze gelegenheid de landsregeering 
zou worden opgedragen. Men beweert zelfs dat de Resident 
Nahuys hem daarop uitzicht gegeven had. Ook ditmaal 



B2 



zag hij zich echter door zijne onwettige geboorte den toe- 
gang tot den troon afgesloten, wat, van achteren gezien, 
misschien zeer te bejammeren is. 

Ongeveer terzelfdertijd was in Soerakarta de Soesoehoenan 
overleden en opgevolgd door Pakoe Boewana VL Op het 
oogenblik dat de storm, waarop wij boven doelden, losbreekt, 
vinden wij dus in de beide rijken een nieuw bestuur aan het 
hoofd, welke omstandigheid niet zonder invloed op de nu 
volgende gebeurtenissen geweest is. 

Volgen wij thans voor een oogenblik den Gouverneur- 
Generaal op diens reis naar en door de Molukken. Zooals de 
lezer zich misschien herinnert, was hij de tweede Landvoogd, 
die dit meer afgelegen deel van den Archipel met een bezoek 
vereerde. Ditmaal golden het echter gansch andere redenen. 
Terwijl toch, gelijk wij op blz. 63 zagen, de Gouverneur- 
Generaal Van Diemen in 1636 en 1638 eenig en alleen naar 
de Ambonsche eilanden toog om er ons aangerand gezag te 
herstellen en wraak te oefenen over het geschonden mono- 
poliestelsel der O.-I. Compagnie, werd Baron Van der Capellen 
slechts door de zucht gedreven om den druk, die daar nog 
altijd op de Molukken lag. zooveel mogelijk te verzachten. 
Op 18 Februari 1824 van Batavia vertrokken, kwam het 
hooge gezelschap den 3^^^ Maai*t op Ambon aan, waar de 
honneurs door den Gouverneur Mr. P. Merkus werden waar- 
genomen. Later kregen ook Banda en Ternate een bezoek. 
Natuurlijk ontbrak 't nergens aan de noodige feestelijkheden. 
Waar men echter ook vertoefde, overal werden de inlandsche 
dansen en volksvermakelijkheden afgewisseld door belangrijke 
beraadslagingen met inlandsche Hoofden, waarvan, want wij 
mogen niet uitvoerig zijn, het resultaat was, dat zoowel op 
Ambon als op de beide andere hoofdeilanden bij het vertrek 
van den Gouverneur-Generaal eene publicatie werd afgekon- 
digd, die als muziek moest klinken in de ooren van eene be- 
volking, welke door schendige handen van vrijheid en goed 
beroofd was geworden. Gaat 't den lezer als ons, dan zal 
't hem, dien wij tot getuige gemaakt hebben van de schande- 



63 



lijkheden die daar in de Molukken al zijn voorgevallen, goed 
doen te hooren wat de Gouverneur-Generaal Van der Capellen 
den Amboneezen als afscheidswoord toeroept: 

„Volkeren van Amboina, van Hitoe, van Seram, van Boeroe 
en van de verdere eilanden hierom gelegen! 

„Toen wij voor acht jaren ons Vaderland en onzen Koning 
verlieten, om in Zijnen naam de uitgestrekte landen, in deze 
zeeën gelegen, te regeeren, ontvingen wij reeds van Hem den 
last om bijzonder ook nwen toestand te onderzoeken. 

„Hij wilde, dat wij ook u deelachtig zouden doen worden 
de zegeningen die alle volkeren onder Zijne heerschappij ge- 
nieten. Hij wilde ook voor u een weldoend Vader worden, 
zooals Hij voor alle Zijne onderdanen is, ouder welke gij het 
geluk hebt te behooren. 

„Veel was er voor ons te doen, om aan onze bestemming 
te beantwoorden. Wij hebben echter uwe belangen daarom niet 
uit het oog verloren, maar door anderen doen onderzoeken wat 
voor uw geluk, voor uwe rust en voor uwen voorspoed gedaan 
kan worden. 

„Thans zijn wij zelf in uw midden gekomen, en deze komst 
moet u allen reeds een waarborg zijn geweest voor de be- 
langstelling, welke wij voor uwe welvaart en de welvaart 
uwer kinderen gevoelen. 

„Wij hebben ons door eigene oogen willen overtuigen, of 
de berichten die ons, op onzen last, door anderen gegeven zijn, 
en of de meening die wij zelf ons van uwen toestand gevormd 
hadden, met de waarheid overeenstemden. 

„Wij hadden gewenscht, dat dit anders ware geweest; maar 
wij hebben, tot ons diep leedwezen, uw lot beklagenswaardiger 
gevonden, dan wij ons hadden kunnen voorstellen. 

„Gij zijt arm, terwijl de Voorzienigheid de rijkste voort- 
brengselen aan uwen grond geschonken heeft; gij zijt afhan- 
kelijk van alle andere volkeren, terwijl gij de vruchten van 
eigen vlijt en nijverheid niet hebt leeren kennen; gij slyt uwe 
dagen in onrust, in gedurige twisten en oneenigheid onder u 
zei ven en met uwe naburen, omdat gij de weldaden van rust, 
recht en rechtvaardigheid niet kunt waardeeren ; gij haat en 
miskent het wettig gezag der Hoofden uit uwe oude geslachten 



54 



gesproten, omdat hunne belangen niet de uwe zijn; gij ont- 
trekt u aan de regeering der wetten, omdat gij derzelver be- 
schermend vermogen niet weet op prijs te stellen; 

„Gij drijft eenen gevaarlijken en schadelijken sluikhandel, 
omdat gij de veiligheid en voordeelen van eenen vrijen handel 
niet hebt ondervonden; gij hebt eenen afkeer van allen arbeid, 
omdat gij het denkbeeld van dwang en verplichting daarvan 
niet kunt afscheiden; gij zijt ten prooi aan de roofzucht der 
lafhartigste volken, die uwen moed en uwe krachten zouden 
vreezen, zoo gij eensgezind uwe have en goed, uwe vrouwen 
en kinderen wist te verdedigen. 

„Menigvuldig en groot zijn deze rampen! Vele oorzaken 
hebben daartoe bijgedragen, waaraan echter gijzelven groo- 
tendeels onschuldig zijt. Wij weten dat en zullen het den 
Koning, uwen en onzen Heer doen vernemen. Wij zijn dan 
ook niet tot u gekomen om u te bestraffen, maar om u op te 
beuren en te redden. 

„De middelen, die daartoe noodig zullen zijn, vorderen eene 
langere overweging dan wij in dit oogenblik, gedurende ons 
kortstondig verblijf in uw midden, daaraan kunnen besteden. 
Hetgeen echter onze hand nu reeds dadelijk te doen vindt, is 
reeds voor u door ons gedaan, of zal terstond geschieden, 
opdat gij onverwijld de vruchten daarvan moogt inoogsten. 

„Uwe nagelboomen, die gij thans uwe zorg niet waardig 
acht, omdat zij uwe moeite en den arbeid daaraan besteed, 
niet beloonden, zullen reeds dit jaar dierbaar voor u worden, 
door de meer zekere en grootere voordeelen, die gij en uwe 
Hoofden daarvan zult hebben. 

„Zonder arbeid kunnen menschen noch maatschappijen be- 
staan. De arbeid die nuttig ia, moet echter doel en belooning 
hebben. Wij zullen geenen nutteloozen arbeid van u vorderen 
en geenen arbeid onbeloond laten. 

„De leverantiën die het Gouvernement vooreerst nog van 
u zal vergen, zullen reeds van dit oogenblik af aan, voor u 
gemakkelijk en voordeeliger gemaakt worden. Men zal niets 
om niets van u verlangen; alles zal aan u tegen billijke en 
redelijke prijzen betaald worden, opdat gij uw eigen voordeel 
daarin leert kennen en ook daardoor de lust tot vrijwilligen 
arbeid in u opgewekt worde. 



55 



„De Hongi, die zoo lang en zoo zwaar op u gedrukt heeft, 
zal slechts de herinnering van geledene rampen bij u over- 
laten; zij zal, van dit oogenblik af aan, niet meer bestaan 
en voor altijd vernietigd zijn." 

Hoewel hiermede nog niet alle grieven waren weggenomen 
zeggen wij 't toch gaarne zeker schrijver na, dat de reis van 
Van der Capellen naar deze streken gewis voor de geschiedenis 
der Molukken een merkwaardig feit zal blijven, dewijl daar- 
mede de eerste stap werd gedaan tot hervorming in deze ge- 
westen, die zeker wel het meest den druk van 's Compagnie's 
geest van monopolie en uitsluiting hebben gevoeld. 

Terwijl de Gouverneur-Generaal zoo in het groot trachtte 
wel te doen, vond hij op zijne reis bovendien nog herhaaldelijk 
gelegenheid om zijn goed hart tegenover enkele personen te 
toonen. Tijdens het Engelsch Tusschenbestuur was een Javaansch 
prins, Mangkoe-Boemi, broeder van den Soesoehoenan, naar 
Ambon verbannen, waar hij zich op het oogenblik nog bevond. 
Toen nu uit een op hooger last ingesteld onderzoek bleek, 
dat bedoelde prins eigenlijk onschuldig veroordeeld was en 
slechts tot zondebok voor den Vorst gediend had, aarzelde 
Van der Capellen geen oogenblik hem te doen aanzeggen, dat 
't hem vrijstond met zijne familie naar Java terug te keeren. 
Dubbele vreugde voor den zeven-en-vijftigjarigen Javaan, 
die zich nu bovendien zag vrijgemaakt van het denkbeeld — 
een schrikbeeld voor iederen Inboorling, — dat vreemde handen 
in vreemden bodem zijn graf delven zullen! Wij kunnen 
ons dan ook voorstellen, hoe hij bij zijn vertrek met betraande 
oogen zal zijn nagestaard door den ouden Sultan Sepoeh van 
Djokjokarta (blz. 25), die in het jaar 1817 van Poeloe Pinang 
naar Ambon was overgebracht. Gelukkig sloeg ook voor hem 
spoedig het uur der verlossing en schonk de Gouverneur- 
Generaal hem verlof om zich met de zijnen te Soerabaja te 
gaan vestigen. Weinig zal hij echter gedroomd hebben, dat 
hij op zijn ouden dag nog eens een rol in de geschiedenis 
van z\jn vaderland spelen zou. 



56 



Eene tweede welwillende daad van den Landvoogd gold 
eenen 89-jarigen schoolmeester van Ambon, aan wien bij ge- 
legenheid van de laatste audiëntie onverwacht werd mede- 
gedeeld, dat hem zijn vol maandgeld van ƒ32 als pensioen 
was toegelegd, terwijl hij tevens voor eene gratificatie van 
ƒ 200 in aanmerking zou komen. 

's Konings vertegenwoordiger had oogen voor alles. Tijdens 
een bezoek aan de kerk van den bekenden prediker Ean be- 
merkende, dat het graf van den beroemden kruidkundige 
Rumphius (1637 — 1706) schromelijk verwaarloosd was, werd 
terstond bevel gegeven een gedenkteeken op te richten ter 
eere van de nagedachtenis van den man, die, in zijne betrek- 
king van Opperkoopman bij de Oost-Indische Compagnie, nog 
tijd gevonden had om zich hoogst verdienstelijk jegens de 
wetenschap te maken. 

Uit 'sLandvoogds bezoek aan Ternate stippen wij alleen 
aan het voor de indische geschiedenis hoogst merkwaardig 
feit, dat Zijne Excellentie bij gelegenheid van een officieel 
diner gezeten was tusschen de Sultans van Ternate en Tidore, 
nazaten van de eens zoo machtige potentaten uit de Molukken, 
die 't zich nu eene hooge eere rekenden aan de rechter- en 
linkerzijde van den Meester uit Batavia te mogen plaats nemen. 
Hoe gaarne had Sultan Badroe'd'din van Palembang (blz. 44), 
dat voorrecht met hen gedeeld ! Hem werd echter alleen eene 
particuliere audiëntie verleend en bij wijze van hooge gunst 
verlof geschonken om voortaan vrijelijk, alleen gevolgd door 
een europeesch soldaat, uit wandelen te mogen gaan. 

Nu wij toch in de Molukken zijn, willen wij nog even 
mededeelen, dat, kort vóór de komst van den Gouverneur- 
Generaal op Ambon, onze landgenooten eene kleine expeditie 
hadden uitgezonden naar de noordkust van Seram, waar een 
zekere Radja Djilolo, afkomstig van Tidore, zich met zijne 
zeeroovers eene vaste woonplaats gekozen had. Erg gelukkig 
waren wij niet tegenover hem. Integendeel. Om grooter kwaad 
te voorkomen, achtten de onzen het geraden in onderhandeling 
met hem te treden en aan zijnen broeder prins Asgar, die 



57 



vroeger reeds naar Japara verbannen was, niet slechts de 
TTfjheid terng te geven, maar dezen tevens toe te staan zich 
onder den titel van Sultan mede op Seram te vestigen. 

Tijdens de afwezigheid van Van der Capellen werd het 
bestuur te Batavia waargenomen door den Legerkommandant 
Merhus de Koek, aan wien reeds in 1822 de titel van Luitenant- 
Gouverneur-Generaal was verleend. Juist in dezen tyd kwam 



B. Baron Merkna de Koek. 

daarginds het bericht aan van de opnchting der Nederland- 
scke HandeUmaatschappij, eene naamlooze vennootschap van 
koophandel, aan welke bij contract de levering en verzending 
van goederen en personen van Gouvernementswege werd 
opgedragen. De totstandkoming van deze Maatschappij, die 
hare werkzaamheden met een kapitaal van ƒ 37,000.000 aanving, 



B8 



was een doorn in het oog van de Indische kooplieden, met 
eenig recht bevreesd dat het monopolie van den handel in 
hare handen zou overgaan. Ook de Indische regeering toonde 
zich weinig met haar ingenomen. Intusschen, het Koninklijk 
besluit had gesproken; te Batavia werd eene factory opgericht 
en — de Maatschappij, van wier optreden de machthebbenden 
in Holland zich gouden bergen voor de schatkist hadden 
voorgespiegeld, heeft boven alles voor zichzelf en hare aan- 
deelhouders goede zaken gemaakt. Op het oogenblik bestaat 
zij nog, doch zijn in hare verhouding tot het Gouvernement 
belangrijke wijzigingen gebracht. Zij is nu niet meer dan 
gewoon commissionnair, die tegen een bepaald commissieloon 
de door de Regeering in Nederland ton verkoop bestemde 
goederen afscheept, vervoert, opslaat, beheert en in veiling 
brengt. In Indië wordt zij vertegenwoordigd door de te Batavia 
bestaande factory, terwijl op andere belangrijke plaatsen in 
den Archipel agentschappen en gewone kantoren gevestigd zijn. 
De overeenkomst van het HoUandsch Gouvernement met 
de Nederlandsche Handelmaatschappij had hoofdzakelijk ten 
doel, gelijk wij reeds met een enkel woord te kennen gaven, 
verbetering te brengen in den treurigen toestand waarin de 
Indische geldmiddelen verkeerden. Wel vloeide daarginds de 
bron van inkomsten nog altijd mildelgk, maar de tijdsomstandig- 
heden waren oorzaak, dat de uitgaven van jaar tot jaar hooger 
stegen. De door ons beschreven krijgstoerustingen hadden schat- 
ten verslonden. En het zou nog erger worden. Toen in het laatst 
van 1824 de Gouverneur-Generaal Van der Capellen te Batavia 
terugkeerde en deze waarschijnlijk reeds plannen had gemaakt 
om van zijn bekomen verlof tot repatrieeren zoo spoedig 
mogelijk gebruik te maken, waren daar juist de eerste be- 
richten ontvangen van de spanning, welke aan het hof te 
Djokjokarta heerschte. Hoewel niemand nog recht begreep 
wat er eigenlyk broeide, werd toch eene bestuursverandering 
op dezen oogenblik zeer ongewenscht geacht. Vandaar dat 
Baron Van der Capellen eerst op den 1^^ Januari 1826 zijn 
hooge waardigheid nederlegde, ditmaal op last van Zijne 



59 



Majesteit Willem I, die inzonderheid het financieel beleid van 
Zijnen dienaar meende te moeten afkeuren. Tijdelijk opvolger 
was de Luitenant-Gouverneur-Generaal De Koek, terwijl eenige 
maanden later de Burggraaf Leonard du Btts de Ghissignies, 
onder den titel van Commissaris-Generaal en met den be- 
paalden last daarginds bezuinigingen in te voeren, naar Indië 
werd uitgezonden. 

Zoo keerde dan Van der Capellen naar Nederland terug^ 
als iemand van wien vriend en vijand getuigen moest, dat 
hij het goed met Indië meende, maar als een staatsman 
die zijnen roem overleefd had. Geheel zonder bitterheid zal 
zijne rust wel niet geweest zijn. 't Lijdt echter geen twijfel, 
dat hij aan gene zijde van den Oceaan vele vrienden achter- 
liet, bij wie zijn aandenken in gezegende herinnering gebleven 
is. 't Was dan ook voorzeker niet uit haat of nijd, toen in 
hefczelfde jaar 1826 de eerste voor particuliere rekening te 
Soerabaja in de vaart gebrachte stoomboot naar hem genoemd 
werd. Zoo werd zijn naam, wat dan ook zijn gebreken mogen 
geweest zijn, te land en te water in eere gehouden! 

Thans zijn wij genaderd tot de belangrijkste gebeurtenis 
uit dit elfjarig tijdstip, wg zouden geneigd zijn te zeggen, de 
belangrijkste gebeurtenis, die er nog ooit uit de geschiedenis 
der Nederlanders in Indië te vermelden viel. Veel was daar 
reeds voorgevallen ; bloedige oorlogen hebben wij er zien 
voeren; van schitterende wapenfeiten, zoo van Hollandsche 
als van Inlandsche zijde, zijn wij getuigen geweest, maar een 
strijd zooals de Java-om'log van 1825 — 30 ons te aanschouwen 
geeft, moet zonder weerga worden genoemd, 't Is of wij het 
oude Mataram nog eenmaal zijne laatste krachten zien in- 
spannen om Java voor de Javanen en het erfdeel van Séna- 
pati Soeta Widjaja (blz. 44) voor den Profeet te herwinnen. 
Boekdeelen zijn over dezen oorlog geschreven, schier op elke 
bladzijde den naam dragende van Dipo Negoro, de ziel van 
den opstand tegen het Nederlandsch gezag, den held uit de 
Javaansche volksverhalen, aan wien ook onze landgenooten 
den tol hunner bewondering niet hebben kunnen onthouden. 



60 



De geschiedenis der Nederlanders in Indië is eigenlijk slechts 
eene aaneenschakeling van militaire expeditie's. Bij tientallen 
zagen wij de Vorsten daarginds tegen de onzen in het krijt 
treden, om hunne vrijheid en onafhankelijkheid te verdedigen. 
Geen hunner heeft echter, zooals terecht door iemand is op- 
gemerkt, onzen landgenooten blijvende belangstelling kunnen 
inboezemen. Het moet ons opzettelijk worden medegedeeld, 
wie eenmaal den scepter van Bantam en Palembang, van 
Bandjarmasin en Mangkasar in handen hebben gehad, want 
zelfs hunne namen zijn bij ons in het vergeetboek geraakt. 
Vraag echter den eersten den besten schooljongen wie Dipo 
Negoro was en hij zal u weten te verhalen van den „ Javaan- 
schen oproerling", wiens bestrijding aan het indisch leger 
30.000 man en aan het Gouvernement miljoenen schats ge- 
kost heeft. 

Was Dipo Negoro dan een „oproerling" zonder meer ? Zeer 
zeker niet. 't Blijft echter hoogst moeilijk van zijn persoon, 
drijfveeren en handelingen eene juiste verklaring te geven. 
Wij doen hem misschien het meeste recht als wij hem de 
type noemen van den échten Javaan uit die dagen, in wien 
de oude europeanen-haat ontwaakt en over wien de geest 
van den Islam vaardig geworden is. Deze twee elementen 
samen hebben dezen Javaanschen Hamlet, gelijk hij in een 
pas verschenen werk genoemd wordt, tot eenen tegenstander 
gemaakt, zoo geducht, als er ooit een tegen onze troepen het 
zwaard getrokken heeft. Dat hij zich ten slotte gewonnen 
moest geven, willen wij gaarne aan de dapperheid onzer euro- 
peesche en inlandsche troepen toeschrijven. Het staat echter 
te bezien of de Java-oorlog niet nog grooter afmetingen zou 
gekregen hebben, ware Dipo Negoro een man uit één stuk 
geweest, die ! wist wat hij wilde en wiens veldheersblik hem 
in staat gesteld had van elk gunstig moment gebruik te 
maken om den. Quzen afbreuk te doen. Dat was hij echter niet. 
Integendeel. Als. wij hier en daar zijn persoon beschreven 
vinden, dan komen wij tot de overtuiging dat hij iemand van 
een zeer weifelend karakter was, die liefst anderen voor zich 



61 



liet denken en handelen en dan ook hoofdzakelijk door anderen 
in dezen strijd geleid is geworden. 

De boven aangehaalde vergelijking van Dipo Negoro met 
den Deenschen prins steunt voornamelijk op een in Javaansch 
dichtmaat opgesteld verhaal „van den oorsprong en het begin 
van den oorlog van Dipo Negoro,*' waarin ons hoogst be- 
langrijke bijzonderheden omtrent het karakter van dezen 
„opstandeling^ worden medegedeeld. Daaruit, gelijk uit een 
door hemzelf opgestelde rijmkroniek, zou blijken, dat hij vóór 
alles vroom mohamedaan geweest is, wiens hoogste wenseh 
was zijn leven geheel naar de voorschriften van den Islam 
te kunnen inrichten. Medevoogd, zooals wij zagen, van Sultan 
Amangkoe Boewana IV (blz. BI), ergerde hij zich vreeselijk 
aan de lichtzinnigheid, welke haren intocht in den kraton had 
gedaan en werkelijk alle palen te buiten ging. Bij het Euro- 
peesch bestuur was dit laatste niet onbekend. Wat meer zegt, 
de ambtenaren, de hoogstgeplaatste niet uitgezonderd, deden 
er dapper aan mede. Van den toemaligen Resident lezen wij 
ergens, hoe deze van oordeel schijnt geweest te zijn, dat een 
pleiziermakend Sultan een gemakkelijker leenman voor de 
Kegeering was, dan een ernstig, werkzaam mensch. Het ge- 
volg van een en ander was, dat de betergezinde en met de 
Hollanders minder ingenomen lieden, waaronder Dipo Negoro 
en Mangkoe Boemi, zich zooveel mogelijk van' het hof ver- 
wijderd hielden. Bij eerstgenoemde nam de wrevel toe, toen 
in 1823 de Sultan kwam te sterven en hij opnieuw, nu ter 
wille van eenen tweejarigen prins, van de troonsopvolging werd 
uitgesloten. Of hij op dat oogenblik reeds heerschzuchtige 
plannen koesterde, valt moeielijk te zeggen. Zooveel is zeker, 
dat al spoedig het oog van velen, die zich met de bestaande 
toestanden niet konden vereenigen, op hem als op eenen ver- 
losser gevestigd was. 

Die steeds toenemende onzedelijkheid aan het hof zou het 
gros van Dipo Negoro's aanhangers nog wel door de vingers 
hebben gezien. Er waren echter nog andere grieven. Ten- 
gevolge van minder verstandige bestuursmaatregelen was de 



62 



bevolking van Djokjokarta in de laatste jaren zeer in wel- 
vaart achteruitgegaan, terwijl de grondbezitters onder den 
adel duchtig in hunne inkomsten besnoeid waren. Dit laatste 
tengevolge van een besluit van den Gouverneur-Generaal 
Van der Capellen, waarbij aan de prinsen en groeten uit het 
rijk eenvoudig verboden werd hunne landerijen voortaan voor 
langer dan drie jaren en met een geldelijk voorschot van 
hooger dan zes maanden aan particulieren, geen Javanen 
zijnde, te verhuren. Op zichzelf misschien een zeer verstan- 
dige maatregel, doch die hier geheel zijn doel miste door de 
bepaling, dat bestaande contracten, met deze wet in strijd, na 
31 Januari 1824 niet meer van kracht zouden zijn. Het spreekt 
van zelf dat de landhuurders, Europeanen en Ghineezen, voor 
hunne rechten opkwamen en schadevergoeding vroegen voor 
de kapitalen, door de meesten hunner reeds aan de eigenaren 
vooi'geschoten. Niemand kon of wilde die echter terugbetalen — 
de rest laat zich begrijpen. Ontevredenheid allerwegen. 

Bij deze meer algemeene grieven voegde zich voor Dipo 
Negoro nog eene persoonlijke veete tegen den Resident 
Smissaert, die hem op eene partij bij den Rijksbestierder 
openlijk beleedigd en zich later niet ontzien had over een 
door genen hoog vereerd graf eenen weg te laten aanleggen. 
Het trof wel ongelukkig voor de Indische Regeering, dat zij 
in deze kritieke tijden vertegenwoordigd werd door ambte- 
naren, die meer aan zichzelven dan aan de staatszaken 
dachten en zich, als men hun eindelijk de oogen voor het 
naderend gevaar tracht te openen, van alles afmaken met 
de oflScieele mededeeling, dat Dipo Negoro algemeen bekend 
stond als iemand, die van tijd tot tijd gekweld was door 
zinneloosheid ! 

Zinneloosheid! Ja, maar dan eene zinneloosheid, geboren 
uit een diep gekrenkt Javaansch gemoed en gevoed door een 
mohamedaansch fanatisme, dat dezen weifelenden man ten 
slotte doet uitroepen: „Ik wil niet, maar ik kan niet anders, 
Allah beveelt mij!" 

Allah beveelt mij ! Bij de beoordeeling van den Java-oorlog 



63 



mag vooral niet over het hoofd worden gezien, dat hij van 
den kant der Javanen terstond gestempeld is tot een prang 
sabil AUah^ den heiligen oorlog tegen ongeloovigen. Hieruit 
laat het zich toch alleen verklaren, hoe Dipo Negoro's optreden 
ook door hen, bij wie geene bepaalde grieven jegens onze 
landgenooten bestonden, met vreugde, met geestdrift werd 
begroet. De drom zijner aanhangers vermeerdert nog als hij 
zich door zijne vrienden laat bewegen om als Sultan van Java 
op te treden en zich tooit met titels, die in onze taal klinken 
als Dienaar Gods, Verlosser, Opperste der yeloovigen, Stede- 
houder van Gods Gezant, Aanvoerder in den heiligen oorlog op 
Java, 

Zoo was dan de teerling gevallen. Wij kunnen er natuurlijk 
niet aan denken den nu volgenden strijd in bijzonderheden 
te beschrijven. Bij al de jammeren, daardoor over een groot 
gedeelte van Midden-Java gebracht, mag het als een geluk 
beschouwd worden, dat de Soesoehoenan van Soerakarta, 
misschien wel bevreesd geworden voor dat „Sultan van Java", 
onze zijde koos niet alleen, maar gedurende het geheele 
verloop van den oorlog zijne troepen met ons te velde deed 
trekken. 

Hoe ernstig men te Batavia de zaken inzag, bleek uit het 
feit, dat niemand minder dan de Legerkommandant, de 
Luitenant-Gouverneur-Generaal De Koek, aan het hoofd der 
troepen naar de Vorstenlanden gezonden werd. Bij zijne komst 
aldaar vond hij den .opstand reeds in vollen gang. Zelfs hielden 
de benden van Dipo Negoro den kraton ingesloten. Ook het 
daarbij gelegen Fort Vredeburg, waarheen veiligheidshalve 
de jonge Sultan was overgebracht, werd door hen omsingeld 
en een wonder mag het heeten, dat de daarin gelegerde 
troepen zich twee maanden lang tegen eenen overmachtigen 
vijand wisten staande te houden. Zij werden ten laatste ver- 
lost door Generaal Van Geen, die met zijne soldaten van 
Selebes (blz. 49) teruggekeerd en regelrecht naar Djokjokarta 
was opgemarcheerd. Hoewel spoedig daarna ook nog andere 
voordeelen op den vijand werden behaald^ slaagde men ^x 



64 



niet in den opstand, die integendeel steeds grooter uitbreiding 
verkreeg, te dempen. Ook de herstelling van Sultan Sepoeh 
(blz. 54) op den troon (1826) leidde niet tot het gewenschte 
doel. Het Gouvernement begreep dan ook dat andere maat- 
regelen moesten worden genomen, wilde men niet de raat 
over geheel Java in gevaar brengen. 




Oosterface vbd het fort Vredeburg te Djokjakarta. 



Behalve de Generaals De Koek en van Geen hebben ook 
nog andere bekende aanvoerders als Cochius, Le Bron de 
Vexela, Sollewjjn en Michiels zich als dappere soldaten doen 
kennen. Aan de zijde van Dipo Negoro waren 't vooral twee 
personen die, als z)) niet onze vijanden geweest waren, zeer 
zeker den eemaam van helden zouden hebben verworven, üe 
een was een zekere Kjat Modjo, priester van beroep, de gees- 
telijke leider van den opstand, terwyl de ander, de nog jeug- 
dige Sentot, zoon van een' gewezen hoofdregent van Madioen, 
iemand van adellijke afkomst, zich als de eigenlijke legeraan- 



6B 



voerder heeft doen kennen. Wij zouden hen kunnen noemen: 
de alles regelende en alles overziende uitvoerders, van wat 
daar woelde in het brein van Dipo Negoro, zonder wier steun 
deze misschien nooit meer dan een lastig dweeper zou ge- 
worden zijn. 

Intusschen gingen onze troepen voort met den vijand, overal 
waar zij hem aantroffen, uit zijne schuilhoeken te verjagen. 
Veel verder kwam men daarmede echter niet. Op de eene 
plaats veldslagen, dook hij elders weer op, waardoor ons leger, 
dat bovendien veel van koortsen te lijden had en ook door 
de cholera bezocht werd, geregeld werd afgemat. Dit deed 
den Generaal De Koek besluiten tot het bekende bentengstelsél, 
waardoor men hoopte, zooals bekend is, den vijand binnen 
steeds enger grenzen in te sluiten. Zeer kwam den onzen 
daarbij te stade de overkomst in Juni 1827 van ruim 3000 
versche troepen uit Nederland, die, tegelijk met talrijke 
inlandsche hulptroepen, regelrecht naar het oorlogsterrein ge- 
zonden werden. De opstandelingen werden nu langzamerhand 
zoo in 't nauw gebracht, dat Dipo Negoro zich in Augustus 
van genoemd jaar gaarne tot eene samenkomst met den in- 
middels in Djokjokarta verschenen Commissaris-Generaal Du 
Bus liet bewegen. De door hem gestelde eischen, waartoe o. a. 
behoorde dat hem de titels van Sultan en van Panatagama 
(regelaar van het geloof) zouden worden verleend, waren 
echter van dien aard, dat zij niet konden worden ingewilligd. 
De strijd begon dus opnieuw. 

Een gelijken uitslag had een tweede wapenstilstand in het 
laatst van 1828. Evenzoo een der^e, die aanvankelijk beter 
resultaat beloofde, doordien het aan de troep van Le Bron de 
Vexela gelukt was zich van den persoon van Kjai Modjo meester 
te maken en deze nu zelf uit Batavia zijnen Meester tot 
onderhandeling had aangespoord. Het hooge hart van Dipo 
Negoro wilde echter niet buigen. Zoo duurde de oorlog met 
kracht voort, totdat in de tweede helft van 1829 de pretendent- 
Sultan van Java, reeds danig in het nauw gebracht, nu ook 
zijn voornaamsten steun verloor in Sentot, die zich in October 

5 



aan de Hollanders overgaf en niet al zijne volgelingen in 
Nedui'landschen dienat overging. Zoo van zjjne rechter- en 
linkerhand beroofd, wist Uipo Negoro, in wien velen ondanks 
alles nog steeds den Panatagaina vereerden, terwijl niemand 
er aan dacht den prijs van /"BO-OOOiOp zgn hoofd gezet, te 
willen verdienen, onze troepen nog tot in Februari 1830 bezig 
te houden. Thans geeft liij echter den strijd op en zijn ver- 



Dipo Negoro. 

zoek om een onderhoud met den Luitenant-Gouverneur-Gene- 
raal te mogen hebben, ingewilligd zijnde, zien wj] hem met 
een tamel^k groot gevolg Magdang binnen trekken, waar het 
laatate bedrijf van dit bloedig drama zal worden afgespeeld. 
Veel is er over deze bijeenkomst en de gevolgen daarvan 
geschreven. Zooveel staat vast, dat Dipo Negoro met de 



67 



grootste welwillendheid en voorkomendheid door de onzen 
ontvangen en bejegend is. Aangezien juist de vasten was 
ingevallen, stond De Koek hem eene volle maand toe om zich 
naar hartelust aan zijne godsdienstige verplichtingen te 
wijden. Ook lijdt het geen twijfel, dat de Hooge Regeering 
de beste bedoelingen met hem had; bevreesd als zij was een 
martelaar van hem te maken. De weg stond dus voor Dipo 
Negoro open om voor zich en de zijnen de voordeeligste 
conditiën te bedingen. Toen echter de poeasa (vastenmaand) 
voorbij was en de gevraagde bijeenkomst eindelijk plaats 
vond, kwam hij opnieuw met zulke hooge eischen voor den 
dag, dat 't voor iedereen duidelijk was hoe zijn ongeluk hem 
niets geleerd had. Hij zou en hij moest Sultan worden. Op 
die wijze niet met hem tot eenige schikking kunnende komen, 
besloot de Legerkommandant, liever dan het spel opnieuw 
te beginnen en na den stelligen last van de Regeering te 
Batavia om hem in geen geval te laten ontsnappen, maar 
desnoods zich van zijn persoon te verzekeren, van den nood 
eene deugd te maken en Dipo Negoro eenvoudig aan te zeggen 
dat hij zich als zijn gevangene te beschouwen had. Tevens 
werd hem medegedeeld dat hij ter beschikking van den 
Gouverneur-Generaal zou worden opgezonden. Alzoo geschiedde 
het. De Javaansche Hamlet, die geen poging waagde om door 
eigen hand te sterven, terwijl ook geen zijner nog talrijke 
volgelingen in de nabijheid de kris voor hem uit de scheede 
trok, liet zich gewillig naar Batavia voeren. Zooals de lezer 
zich herinnert is hij daarop naar Menado verbannen, welke 
plaats later op eigen verzoek voor Mangkasar werd verruild, 
waar hij in het jaar 1855 gestorven is. Tot aan zijnen dood 
bleef hij de rechtzinnige Mohamedaan, de hooghartige prins 
uit het vorstengeslacht van Mataram. Wij herinneren ons eens 
gehoord te hebben, hoe een jong oflScier, op zijne doorreis 
Mangkasar aandoende, den man verlangde te zien, die vroeger 
zooveel van zich had doen spreken. Bij Dipo Negoro binnen- 
tredende, liet deze hem echter niet eens den tijd zijn com- 
pliment te maken, door hem op hoogen toon toe te voegen, 



68 



hoe hij het wagen durfde zonder handschoenen aan, voor hem, 
prins van Javaanschen bloede, te verschijnen! 

De dertig duizend mannen, door ons in den oorlog verloren, 
zgn niet teruggekeerd. Wat echter de door het Gouvernement 
betaalde miljoenen schats betreft, die werden ruimschoots 
vergoed door den afstand van grond, waartoe èu Djokjokarta 
èn Soerakarta na het totstandkomen van den vrede ver- 
oordeeld werden en welke over zulk eene groote uitgestrekt- 
heid liep, dat wij er onze vier tegenwoordige residenties 
Kediri, Madioen, Bagelen en Banjoemas uit vormen konden. 
Dat ook het met ons bevriende en trouw aan onze zijde ge- 
streden hebbende Soerakarta eene veer moest laten, moge 
een verstandige diplomatieke zet zijn geweest, billijk kunnen 
wij het niet noemen. Zoo dacht er ook de Soesoehoenan over, 
die, liever dan de jaarlijksche schadevergoeding van f 264.000 
te accepteeren, heimelijk zijnen kraton verliet om op eene 
afgelegen plek aan de geesten te gaan vragen wat hem in 
deze omstandigheden te doen viel. Zijn vertrek strookte echter 
niet, zooals zich trouwens begrijpen laat, met de inzichten 
van 's Gouvernements vertegenwoordigers, die hem onmiddel- 
lijk deden achterhalen en naar Semarang opzonden, vanwaar 
hij door de Regeering naar Amboina verbannen werd. Pakoe 
Boewana VI had eigenlijk op eene belooning gerekend en 
wij behoeven dus niet te vragen met welke gevoelens hij de 
reis naar de Molukken gemaakt heeft. Wij kunnen niet anders 
dan medelijden met hem hebben. 

Terwijl zoo het krijgsrumoer op Java weerklonk, werd door 
de onzen eene vreedzame overwinning behaald in den 
oostelijksten uithoek van den Archipel, waarvan wij thans 
nog met een enkel woord melding maken. De lezer herinnert 
zich uit onze eerste aflevering den luidruchtigen Papoea, die 
daar in het gezelschap van tal van Maleiers het paleis te 
Amsterdam binnentreedt. Het was naar zijn vaderland, Nieuw- 
Guinea, dat in 1826 de luitenant-ter-zee D. H. Kolfif werd 
uitgezonden om de Nederlandsche vlag te vertoonen en de 
noodige opnemingen te doen. Waarschijnlijk naar aanleiding 



van diens rapporten, maar zeer zeker uit vrees dat de 
Ëngelschen zich op dit eiland vestigen en daardoor den 
Molukschen handel bedreigen zouden, besloot de Indische 
Regeering in 1828 een paar oorlogsschepen naar de Triton- 
baai op de zuidwestkust te zenden en hier eene landbonw- 
onderneming op touw te zetten. Het b)j deze gelegenheid 
gebouwde fort werd Du Bus gedoopt Het klimaat van de 



Pspoea van N.-Guinea. 

streek bleek echter zoo ongezond te, zijn, dat van de achter- 
gelaten manschappen de een na den ander bezweek en de 
geheelo neerzetting binnen weinig jaren moest worden opge- 
geven. Teekenen wij hierbij nog aan, dat het Indisch Gouver- 
nement zich sedert weinig aan Nieuw-Guinea heeft laten ge- 
legen liggen, wat wij om zijne eigenaardige bewoners en de 



70 



omstandigheid, dat Engelschen en Duitschers daar in den 
laatsten üjd belangrijke kolonies gesticht hebben, niet anders 
dan betreuren kunnen. 

Kleine expeditie's van minder vredelievenden aard hadden 
plaats naar enkele punten van de Buitenbezittingen, waar 
men overigens, met het oog op den Java-oorlog, de zaken 



pRpoea van N.-Quinea. 

zooveel mogelijk hun beloop moest !at«n. Had het Gouver- 
nement de handen vnj gehad, zeer zeker zou het zgne 
troepen nog eens weer hebben uitgezonden tegen de ons 
bekende Padri's, die van tijd tot tijd opnieuw onrust stookten 
en aan wie het geweten werd, dat in 1827 de luitenant 
Bergman en twee jaren later de op biz. 42 vermelde Said 



71 

SalimoeT Djafrid, bekend onder den schoonen naam van 
„Vredevorst", moorddadig om het leven kwamen. Ook op de 
Westkust van Borneo had de onmacht van het Indisch bestuur 
schromelijke gevolgen. Ieder handelde hier zooals hem goed- 
dacht. Eerst in het jaar 1828, toen de Sultan van Matan 
zich niet alleen openlijk met de zeeroovers verbonden, maar 
op brutale wijze de Nederlandsche vlag had gehoond, begreep 
men te Batavia dat langer uitstel noodlottig voor onzen invloed 
kon worden, waarom in allerhaast een oorlogsschip werd 
uitgerust om den schuldigen Vorst te straffen. Veel hulp 
ondervonden de onzen hierbij van zekeren Radja Akil, af- 
komstig uit Siak, die dan ook, toen de expeditie gunstig was 
afgeloopen, met het Sultanaat over Matan belast werd. Hij 
vestigde zijnen zetel te Soekadana, dat een tijdlang den naam 
van Nieüw-Brussd gedragen heeft. 

Hiermede stappen wij van dit tijdvak af, dat wij de periode 
van krijgstoerustingen en — bezuinigingen zouden kunnen 
noemen. Dat de laatste hoog noodig waren, laat zich be- 
grijpen, 't Is echter zeer de vraag of de Burggraaf Du Bus 
de Ghissignies wel altijd even gelukkig was in de middelen, 
daartoe door hem uitgekozen. Zooveel is zeker, dat de bodem 
in de ledige schatkist er niet door werd bedekt en andere 
bronnen van inkomsten moesten worden opgespoord, om in 
het nijpende geldgebrek te voorzien. Zoo was de weg gebaand 
voor het bekende Cidtuur-stelsd, waarbij wij in een volgend 
Hoofdstuk hopen stil te staan. 



NEGENDE HOOFDSTUK. 

1830-1845. 

l)^ gevangenneming van Dipo Negoro, waardoor een einde 
'-^^ kwam aan de laatste stuiptrekking van het oude Mataram, 
had plaats onder het bestuur van den Gouverneur-Generaal 
Johannes Graaf van den Bosch (1830 — 33), die den 16 Januari 
1830 Du Bus de Gisignies was opgevolgd. Deze laatste had 
niet veel genoegen van zijnen arbeid beleefd. Hoewel voort- 
durend ijverig in de weer om overal bezuinigingen in te voeren, 
kon niets verhinderen dat de schuldenlast met den dag grootcr 
werd. Ook de zorg door hem besteed aan de uitbreiding der 
cultures op Java, zijn besluit van 1827 waarbij de vroegere 
bepalingen omtrent den landverhuur in de Vorstenlanden (blz. 
36) werden ingetrokken, de oprichting van de Javasche bank 
in Januari 1828 leidden niet tot het gewenschte doel. In 
laatstgenoemd jaar zag de Regeering in Holland zich genood- 
zaakt eene nieuwe leening van ƒ 15.000.000 ten behoeve van 
de Bezittingen te sluiten, waardoor hun schuldenlast tot bijna 
ƒ38.000.000 opklom. Wij kunnen het dan ook den Commis- 
saris-Generaal niet geheel euvel duiden, dat hij, des strijdens 
moede, een en andermaal zijn verzoek om ontslag indiende 
en blijde was toen in October van laatstgemeld jaar de tijding 
kwam, dat het Zijne Majesteit behaagd had Graaf Van den 
Bosch, gewezen Commissaris-Generaal van West-Indië^ tot 
Gouverneur-Generaal te benoemen. Omstandigheden waren 
echter oorzaak dat het nog tot Januari 1830 duurde, alvorens 



73 



Du Bus het bestuur aan den nieuwen Landvoogd kon over- 
dragen. Zoo moest bij dus nog bijna den geheelen Java-oorlog, 
waardoor niet slechts ons gezag op dit eiland in groot gevaar 
werd gebracht, maar tevens miljoenen schats gemoeid waren, 
medemaken. 

Laat ons, alvorens Graaf Van den Bosch met zijn bekend 
Cultuurstelsel aan het werk te zien, even nog een blik werpen 
op de Buitenbezittingen, die, tengevolge van de ernstige ver- 
wikkelingen op Java maar vooral om redenen van zuinigheid, 
in de laatste vijf jaren, zoo tamelijk aan hun lot waren over- 
gelaten. Het noodzakelijk gevolg van die verwaarloozing was, 
dat de Nederlandsche invloed in sommige deelen veel geleden 
had. Zoo o. a. in het meermalen door ons besproken Palem- 
bang, waar sedert de afschaffing van het Sultanaat de door 
ons aangestelde Rijksbestierder of Ferdana-mantri deed alsof 
hij de Sultan was, die niets met de Hooge Begeering te Batavia 
had uit te staan. Zoowel in de hoofdplaats als in de binnen- 
landen werd door hem al 't mogelijke in 't werk gesteld om 
de bevolking van ons afkeerig te maken. Toen ook na 1830 
het Gouvernement niet bij machte bleek om krachtig tusschen- 
beide te treden, werd de overmoed der Palembangers met den 
dag grooter. Het slot was dat in 1837 een formeele opstand 
tegen het Nederlandsch gezag in de Moesi-Oeloe uitbrak, die 
aan den Adsistent-Resident Boogaardt het leven kostte. Thans 
kon langer dralen noodlottig worden In haast werd nu eene 
expeditie naar de binnenlanden van Palembang uitgezonden, 
tengevolge waarvan de rust hersteld en ons gezag opnieuw 
erkend werd. Om herhalingen te voorkomen, besloot het Gou- 
vernement te Tebing-Tinggi een militairen post te vestigen, 
eene daad die zoowel den Rijksbestierder als de bevolking 
buiten de hoofdplaats het noodige ontzag inboezemde. Voor- 
loopig bleef 't nu in Palembang rustig. 

Twee jaren voor het bovenvermelde was de Kolonel 
Michiels met eene kleine troepenmacht naar Djambi gezonden, 
welks Sultan Mohamed Fachroe'd'din het stoute plan had op- 
gevat om alle Nederlanders van Zuid-Soematra te verdrijven. 



74 



Bij de komst onzer soldaten kroop hg echter spoedig in zijn 
schulp en was nog blijde een nieuw verdrag te mogen sluiten, 
waarbij de belangrijke haven- en handelsplaats Moeara-Kompeh 
aan ons werd afgestaan. Rust kende men echter in Djambi 
niet, en daarom handelde het Indische Gouvernement nog 
maar het verstandigst met dit rijk in 1839 bij Palembang in 
te lijven. 

In de niet minder woelige Lampongsche-Distiïcten werd ons 
gezag bedreigd door eenen zekeren Raden Imba Koesoema, die 
niet naar vertoogen wilde luisteren en daarom eveneens door 
de wapens tot onderwerping moest worden gebracht. Door onze 
troepen achtervolgd, wist hij nog juist bij tijds naar Lingga 
(Riouw) te ontsnappen, doch werd hij kort daarop door den 
Sultan aldaar uitgeleverd. 

Zoo zfln wij vanzelf aangeland in den Riouw-archipel met 
zijne zee van eilanden, uitgezochte schuilplaatsen voor de 
zeeroovers, die hier nog altijd de wateren en kustlanden on- 
veilig maakten. Hoewel de Sultan hiervan niet onkundig was, 
werd door hem weinig of niets gedaan om die plaag te be- 
strijden. De Indische Regeering achtte 't dan ook in 1836 
noodig met hem en den Onderkoning eene nieuwe overeenkomst 
te sluiten, waarbij zij zich andermaal verbonden de veiligheid 
van den Riouw- Archipel met alle hun ten dienste staande 
middelen te zullen bevorderen. 

Over die zeeroovers hebben wij reeds vroeger (blz. 28) 
het een en ander gezegd. Zij waren en bleven eene ware 
plaag voor Indië, ook toen het Gouvernement zoogenaamde 
kruisbooten, dat zijn goed bewapende en met inlanders bemande 
vaartuigen, had in de vaart gebracht om geregeld jacht op 
hen te maken. In het jaar 1834 werd er zelfs eene vrij sterke 
scheepsmacht onder den Kapitein ter zee Anemaet naar de 
Oostkust van Borneo uitgezonden om aldaar een der meest 
beruchte zeerooversnesten uit te roeien. Niets vermocht echter 
het kwaad te stuiten. Bijna geene streek in den Archipel, de 
wateren rondom Java zelfs niet uitgezonderd, waar niet van 
tijd tot tijd geheele vloten van deze zeeschuimers verschenen. 



75 



alles roovende wat onder hun bereik viel, om straks in hunne, 
voor onze schepen meestal ontoegankelijke schuilhoeken den 
behaalden buit in veiligheid te brengen. Menschenroof was 
daarbij niet uitgesloten. Integendeel. Bij tientallen werden 
schepelingen en strandbewoners gevangen genomen om later, 
niet zelden na eene reeks van martelingen te hebben onder- 
gaan, in eenen of anderen afgelegen hoek van den Maleischen 
Archipel als slaven te worden verkocht. De lezer kent mis- 
schien het aandoenlijk verhaal van J. A. Muller, die met vier 
andere Hollanders en een gelijk aantal Inboorlingen gedurende 
drie maanden tot een gedwongen verblijf onder zeeroovers 
op een der eilanden in de buurt van Timor veroordeeld is 
geweest. Bedoelde personen behoorden tot de bemanning van 
de eerste Gouvernements-stoomboot in Indië, welk vaartuig 
onder den naam van „Willem de Eerste'* in 1836 in de vaart 
werd gebracht, doch reeds het volgende jaar op eene klip bij 
de Lucipara-eilanden schipbreuk leed. Terwijl nu de opvarenden, 
ruim honderd in getal en daaronder ook de Gouverneur van 
Ambon De Stuers met familie, hun leven op de klip trachtten 
te redden, werden Mulder en de zijnen met eene sloep uit- 
gezonden om op Ambon of Timor hulp te gaan zoeken. On- 
gelukkig vielen zij echter in handen van brutale zeeroovers, 
die zich van hunne personen en bezittingen meester maakten 
en alleen door hot uitzicht op een hoogen losprijs van hun 
voornemen konden woiden afgebracht om ook deze Hollandsche 
gevangenen ergens als slaven aan den man te brengen. Zoo 
werden de ongelukkkigen ten laatste op Bima aan wal gezet, 
waar de Nederlandsche ambtenaar de vriendelijkheid had hen 
vrij te koopen. Als wij het verhaal hunner lotgevallen lezen, 
aarzelen wij geen oogenblik het den schrijver na te zeggen, 
dat ieder mensch voor zulke bijzondere en onaangename ont- 
moetingen moge bevrijd blijven! 

Doch hervatten wij den draad van ons verhaal. Het was 
dus niet zonder oorzaak, dat het Indisch Gouvernement nog- 
maals bij den Sultan van Riouw op beteugeling van den zeeroof 
aandrong. Het werd daartoe echter ook nog door bijzondere 



76 



redenen gedreven. Eerstens was de hoofdplaats van dit rijk, 
zooals reeds op blz. 28 door ons is medegedeeld, in 1828 tot 
eene vrijhaven verklaard, waaruit voor ons de verplichting 
volgde om te zorgen, dat de vaartuigen, die deze plaats wel 
wilden aandoen, vrijelijk konden in- en uitgaan. Alleen op die 
wijze zou de concurrentie met Singapoera tot iets goeds 
kunnen leiden. Althans zoo redeneerde men te Batavia. Wij 
weten echter reeds, dat de stad van Raffles in de tien jaren 
van haar bestaan zulk eene vlucht genomen had, dat zij zich 
door niets meer van hare plaats liet verdringen. Doch er 
was meer. Juist in het belang van Singapoera was 't voor 
onze Engelsche naburen eene hoogst gewichtige zaak, dat in 
de daarheen leidende vaarwaters de grootst mogelijke veilig- 
heid heerschte. Nu hadden zij zich wel bij Art. 5 van het 
bekende Traktaat verbonden om evengoed als de Nederland- 
sche Regering „krachtdadig bij te dragen tot het beteugelen 
der zeerooverij in de Oostersche zeëen", doch zij vonden het 
nu, gelijk later, vrij wat gemakkelijker en voordeeliger om 
onze landgenooten met die taak te belasten. Hunne kooplieden 
klaagden steen en been over verliezen hun door de zeeroovers 
toegebracht. In plaats van nu zelf handelend op te treden, 
wendde het Engelsch bestuur zich met vertoogen tot de Neer- 
landsch-Indische Regeering, die op hare beurt, gelijk wij zagen, 
den Sultan van Riouw tot verantwoording riep en in 1839 
wel zoo vriendelijk was dezen eene jaarlijksche toelage van 
f 20000 te verleenen om hem in staat te stellen beter toe- 
zicht op zijne duizend en een eilanden te doen uitoefenen. 
Zoo kostte deze zaak ons weer een handvol geld, zonder dat 
dit door eenig voordeel werd opgewogen. Later vinden wij 
diezelfde Engelschen en dienzelfden zeeroof in de wateren 
van Atjeh terug. 

Dat men zich te Batavia over 't geheel zoo weinig met 
de Buitenbezittingen bezig hield, viel geheel in den smaak 
van de Chineezen op Borneo's Westkust, wier houding lang- 
zamerhand van dien aard was geworden, dat het hoog tijd 
werd hen tot de orde te roepen. Voor dit laatste ontbraken 



77 



echter het noodige geld en de noodige troepen, zoodat het 
Gouvernement er zich bij bepalen moest van tijd tot tijd een 
Commissaris naar de Westkust af te vaardigen, hetgeen echter 
de zaak maar verergerde. Wel beloofden de Chineezen telkens 
beterschap en vonden zij alles goed wat hun van onzentwege 
werd voorgesteld, doch nauwelijks was de Commissaris weer 
vertrokken of zij gingen op de oude wijze voort, tot schrik 
van de Dajaks, die zij als hunne ondergeschikten behandelden, 
tot ergernis van de Maleische Vorsten, wien het zonder onze 
hulp aan de noodige macht ontbrak om die woelige zonen 
van het Hemelsche rijk binnen de perken te houden. Onder 
die omstandigheden werden er op de Westkust van Borneo 
langzamerhand toestanden geboren, waarvan wij nu alleen 
zeggen kunnen, dat zij aan onze landgenooten een e zee van 
jammeren berokkend hebben. 

Omtrent Zuid-Selebes valt uit de jaren 1830—40 slechts 
het belangrijk feit te vermelden, dat het rijk van Boni 
eindelijk in 1838 geneigd bevonden werd om tot het ver- 
nieuwd Bongaaisch traktaat toe te treden. Hoezeer het den 
vorst ernst daarbij was, bleek twee jaren later toen hij 
1600 man troepen zond om den Vorst van Tanette, die het 
beneden zijne waardigheid vond als vazal van de Hollanders 
bekend te staan, te helpen bestrijden. Dank zij dien steun, 
slaagde Majoor Hendriks er vrij spoedig in Lapataoe, gelijk 
de weerspannige vazal heette, uit zijn rijk te verjagen. Hier- 
mede was de rust in de onderhoorigheden van Mangkasar 
weer hereteld. Tot hoelang? 

In de Molukken hield de bevolking zich over het geheel 
rustig, ook toen de door Baron Van der Capellen in uitzicht 
gestelde zegeningen nog op zich lieten wachten. Alleen op 
Seram maakten de door ons aangestelde Sultan en zijne 
roevers het zoo bont, dat het Gouvernement in 1832 besluiten 
moest het nieuw gevestigde rijk te ontbinden. Aan prins 
Asgar werd nogmaals Java tot verblijfplaats aangewezen. 

Over eene poging om op Nieuw-Guinea een landbouwonder- 
neming met eenen militairen post op te richten^ waaraan de 



78 



naam van Merkus-oord gegeven werd, hebben wij aan het slot 
vaii het vorig hoofdstuk met een enkel woord gesproken. In 
1836 werd deze neerzetting ingetrokken en het aan Nederland 
toebehoorend gedeelte van dit groote eiland verder overgelaten 
aan de hoede van enkele hier en daar langs de kust geplaatste 
mefkpalerif voorzien van een opschrift, dat voor de Inboorlingen 
was wat wij Latijn zouden noemen en daarom misschien wel 
aanleiding heeft gegeven, dat zij aan deze stomme vertegen- 
woordigers van het Nederlandsch gezag langzamerhand eene 
plaats onder hunne volksgoden hebben ingeruimd. Of die 
palen er op 't oogenblik nog staan, kunnen wij niet met 
zekei'heid zeggen. Wij weten alleen, dat het Indisch Gouver- 
nement zich na 1836 weinig aan Nieuw- Guinea heeft laten 
gelegen liggen, wat ook hierom te betreuren valt, omdat 
Engelschen en Duitschers in het onder hun protectoraat staand 
gedeelte van het eiland met betrekkelijk weinig moeite bloei- 
ende kolonie's gesticht hebben. Wat er van onze zijde nog 
voor het land van den schoenen paradijsvogel is geschied, 
kwam van den kant der voorstanders van de Protestantsche 
zending, in wier dienst nu reeda sedert bijna veertig jaren 
tal van mannen en vrouwen zijn werkzaam geweest om den 
moordlustigen en hoogst onbeschaafden Papoea met de zege- 
ningen van het Christendom bekend te maken. 

Intusschen kon op de Buitenbezittingen niet alles met trak- 
taten, commissie's en kleine expeditie's worden afgedaan. Wij 
zijn den lezer nog altijd het slot schuldig van den Padri-oorlog, 
dien wij tot iii 1825 gevolgd hebben, op welk tijdstip een 
tijdelijke stilstand was ingetreden. Voor wij echter dit onder- 
werp vervolgen, een enkel woord over Generaal van den Bosch 
en zijn Cultuurstelsel. 

Op blz. 72 spraken wij over den groote schuldenlast, die 
op onze Oost-Indische Bezittingen rustte en de onmacht van 
Du Bus om de ledige schatkist gevuld te krijgen. Daarbij 
kwam nog, dat zich boven het moederland wolken begonnen 
saam te pakken, die 't onwaarschijnlijk maakten, dat men 
vandaar uit nog langer door leeningen als anderszins in het 



79 

njjpend gebrek zou kunnen helpen voorzien. Vandaar de 
aanstelling van Generaal van den Bosch, aan wien Z^jne 
Majesteit de Koning onbeperkte volmacht verleende om door 
invoering en uitbreiding van op hoog gezag verplicht gestelde 
culturen de inkomsten van den Staat t-e vermeerderen. Uit- 
breiding gold de reeds bestaande teelt van koffie, indigo en 
suiker, invoering die van tabak, peper, thee, kaneel en coche- 
nille. Het spreekt vanzelf, dat voor dit alles, afgezien van 



Indigu-plnnt, koffiepUnt, kaneelbooiii. 

de fabriekmatige bewerking van suiker en indigo, handen 
noodig waren en aangezien de stichting van Hollandsche 
kolonie's op Java voor goed van het programma verdwenen 
was, schoot er niets anders over dan den Javaan met de 
zorg voor de opgenoemde cultures te belasten. Om dezen het 
stelsel zoo smakelijk mogelijk te maken, werd in het nieuwe 
Regeerings-Reglement van 1830 voorgeschreven, dat de aan- 
kweeking van de Gouvernementsproducten niet in don weg 



80 



mocht staan aan de teelt van genoegzame voedingsmiddelen. 
Aan den Inboorling zou dus de noodige tijd gelaten worden 
om inzonderheid zijn onmisbare rijst te verbouwen. Bovendien 
was bepaald, dat de bevolking wel een vijfde gedeelte van 
hare landerijen moest afstaan, doch dat zij niet alleen voor 
de opgeleverde producten eene belooning ontvangen, maar 
tevens in vergoeding van de betaling der door Raffles inge- 
voerde en tot hiertoe nog in stand gehouden landrente zou 
worden vrijgesteld. Neemt men nu in aanmerking, dat het 
presteeren van heerendiensten geheel en al past in de 
Javaansche maatschappij en het opbrengen van belasting in 
geld weinig in den smaak valt van Inlanders, die altijd met 
kontanten overhoop liggen, dan zou men geneigd zijn het 
door Van den Bosch ingevoerde en door zijne opvolgers uit- 
gebreide Cultuurstelsel een zegen voor Java en eene hoogst 
billijke bron van inkomsten voor het Gouvernement te noemen. 
Voegen wij hier terloops bij, dat de gedwongen cultuur vooral 
na het jaar 1840 schatten heeft opgebracht, tot 1875 niet 
minder dan f 781.000.000 d. i. bijna f 22.000.000 's jaars ! 

Maar als alles zoo gepast en zoo billijk was, hoe kwam 't 
dan, dus vragen wij, dat zoowel in Nederland als daar ginds 
in Indië zich spoedig na de invoering stemmen tegen het 
Cultuurstelsel verhieven ? Het antwoord is niet ver te zoeken. 
Achter hen die slechts den treurigen financiëelen toestand 
der schatkist, verergerd nog door den oorlog met België, op 
het oog hadden en die voor geen middelen terugdeinsden om 
's lands pakhuizen gevuld te krijgen, stonden mannen, even 
vaderlandslievend als de rest, maar die tegelijkertijd een open 
oog hadden voor het welzijn van den Javaan, dat naar hunne 
meening niet aan den rijkdom van Nederland mocht worden 
opgeofferd. Wetende dat de bovenvermelde belofte om den 
inboorling van de betaling der landrente vrij te stellen, niet, 
althans niet overal werd nagekomen, terwijl de uitgeschreven 
heerendiensten langzamerhand tot zulk eene hoogte werden 
opgevoerd, dat den landbouwer geen tijd genoeg overbleef 
om VQor zich en de zijnen de noodige voedingsmiddelen te 



81 



verbouwen, keurden die mannen een stelsel af dat, hoe winst- 
gevend ook, den toets van rechtvaardigheid en billijkheid niet 
kon doorstaan. Bij den nijpenden nood liet het zich echter 
verklaren, dat hunne stem voorloopig bleef als die van eenen 
roepende in de woestijn. Eerst later zou de mildere geest, 
die uit hen sprak, zich baan breken en straks krachtig genoeg 
blijken te zijn om eene instelling, waarvan het vele goede 
niet valt te miskennen, doch waarvan op schromelijke wijze 
misbruik gemaakt werd, grootendeels uit den weg te ruimen. 
Zooals bekend is, behoort op het oogenblik op Java nog alleen 
de kofifie tot de gedwongen Gouvernements-cultures en is 
deze nu zoo geregeld, dat zij niet langer drukkend voor den 
Inboorling kan worden genoemd. 

Maar, zoo vraagt de lezer op zijn beurt, hoe gedroegen de 
Javanen zich onder dit alles? Lieten zij zich het harde juk 
maar zoo gewillig op de schouders leggen? Reeds een en 
andermaal hadden wij gelegenheid de opmerking te maken, 
hoezeer de oude fierheid en onafhankelijkheid van deze eilan- 
ders, door hen nog meermalen tijdens het eerste optreden der 
Nederlanders op schitterende wijze aan den dag gelegd, lang- 
zamerhand heeft plaats gemaakt voor eene gedweeheid en 
onderworpenheid, waarvan de weerga hïj geen der andere 
indische stammen wordt teruggevonden. Bovendien hadden de 
scheppers van het Cultuurstelsel gerekend op 's volks onbe- 
grensden eerbied voor een ieder en een iegelijk, die door ge- 
boorte of ambt boven hen staat. Het Gouvernement had er 
dus groot belang bij in de alleerste plaats de inlandsche 
Hoofden voor zijne zaak te winnen, welk doel het trachtte te 
bereiken door hunne traktementen gedeeltelijk uit de opbrengst 
van ambtelijke landerijen te doen bestaan, doch hun bovendien 
zoogenaamde cultuurpercenten te verzekeren, waardoor hun 
inkomen van de meerdere of mindere productie van den bodem 
werd afhankelijk gemaakt. Hoe goed de Regeering op dit 
punt gezien heeft, is dan ook gebleken uit den groeten ijver 
door Regenten en andere machthebbenden ten opzichte van de 
cultuur van kofiie, suiker, enz. aan den dag gelegd. En alsof 

II. 6 



82 

dat alles nog niet genoeg ware, werd aan de Regenten toe- 
gestaan harisans^ eene soort van inlandsche, door het Gou- 
vernement bezoldigde schutterij op de been te houden, de 
schoonste gelegenheid voor deze op praal en pracht verzotte 
oostersche gezaghebbers om zich nog meer dan tot hiertoe 
het aanzien van Vorsten te geven, terwijl zij nu tevens de 
noodige macht bij de hand hadden om hunne onderhoorigen, 
waar dezen zich misschien tegen den druk mochten willen ver- 
zetten, in bedwang te houden. Ook aan de europeesche amb- 
tenaren, in wier gouden band om het hoofddeksel de toen- 
malige Javaan nog altijd de godenkleur aanbad, werd eene 
percentsgewijze belooning voor de in hunne afdeeling geleverde 
producten uitbetaald. Gaarne zouden wij hier willen bijvoegen, 
dat van dezen kant een dergelijke prikkel eenvoudig over- 
bodig was en onder de europeesche vertegenwoordigers van 
het Hollandsch gezag nooit iemand gevonden is, die door 
onrechtmatige opdrijving van heerendiensten als anderszins 
zich er toe heeft willen leenen om het Cultuurstelsel voor den 
kleinen man drukkender te maken, dan oorspronkelijk in de 
bedoeling lag. De feiten weerspreken dit echter. 

Op die wijze zag de gewone Javaan zich alzoo als door 
een kordon omgeven, terwijl zijne aangeboren traagheid en 
slaafsche zin hem van elke poging om door den kring heen 
te breken deden afzien. Alleen in de Residentiën Tjeribon, 
Bantam, Bagelèn en Pasoeroehan gaf het ingevoerde stelsel 
aanleiding tot ongeregeldheden, die echter spoedig met geweld 
werden onderdrukt en zich niet herhaald hebben. Moeielflker 
te dempen was een opstand in Krawang, Mei 1832, die echter 
alleen zijdelings met het Cultuurstelsel in verband stond. De 
muitelingen hier waren gepreste Chineesche werklieden, die 
men genoodzaakt had met tot dwangarbeider veroordeelde 
misdadigers op het landbouw-etablissement te Tjilangkap te 
arbeiden. Zij gevoelden zich hierdoor hoogst beleedigd en het 
einde van de zaak was, dat de 360 Chineezen het werk 
staakten, moordende en brandende de streek doortrokken en 
zich, nadat zij zelfs het residentiehuis in de hoofdplaats aan 



de vlammen hadden prijs gegeven, te Tandjoeng-poera, op de 
grenzen van Batavia, geregeld verschansten. In allerijl werd 
nu, om erger te voorkomen, eene vrij talrijke ti-oepenmacht 
onder Michiels tegen hen uitgezonden, die een waar bloedbad 
onder hen aanrichtte. Niet minder dan tweehonderd Chi- 
neezen boetten hun verzet met het leven. Gelukkig hielden 
hunne landgenooten elders zich rustig, anders waren de ge- 
volgen niet te overzien geweest. 

In Juni 1833 maakte Generaal Van den Bosch van 's Konings 
machtiging gebruik om als Commissaris-Generaal op te treden. 
Hü hoopte daardoor meer in de gelegenheid te z\in de werking 
van het door hem ingevoerde stelsel na te gaan en tevens 
zijne aandacht te kunnen wfjden aan Soematra, omtrent welk 



Het vroegere Paleie vhu den Gouveroeur-Geaeranl te Buiteozorg. 

eiland grootsche plannen door hem gekoesterd werden. Vol- 
ledigheidshalve voegen wjj hieraan toe, dat hij in het begin 
van 1834 naar Nederland terugkeerde, waar hi) spoedig na 
aankomst tot Minister van Koloniën werd benoemd, in welke 



84 



betrekking hij de op Java begonnen taak heeft trachten voort 
te zetten. Zijn opvolger als Landvoogd was Jean Chrétien Baud, 
die echter slechts waarnemend is geweest en in 1836 de plaats 
moest ruimen voor Dominique Jacques de Eerens (1836 — 40), 
onder wiens bestuur enkele belangrijke gebeurtenissen plaats 
grepen, waarvan wij beneden hopen melding te maken. 

Terwijl de waarnemend Gouverneur-Generaal Baud in 1834 
eene reis over Java maakte, ten einde op zijne beurt met 
eigen oog de werking van het Cultuurstelsel te kunnen gade- 
slaan, werd op den 10®^ October van dat jaar zijn paleis te 
Buitenzorg door eene hevige aardbeving totaal vernield. Bij 
den wederopbouw had men de voorzichtigheid de bovenver- 
dieping weg te laten, een maatregel die algemeen in Indië 
wordt toegepast en met het oog op de voortdurende vulkanische 
werking van den bodem hoogst verstandig moet worden genoemd. 
Het nieuwe paleis heeft nu echter in de breedte gewonnen, 
wat het in de hoogte moest verliezen. Het is er trouwens niet 
minder schoon door geworden. Met zijn prachtig park en aan- 
grenzenden plantentuin (blz 35) vormt het, nog meer dan 
vroeger, een waardig verblijf voor den Stedehouder onzer 
Koningin, alleszins geschikt om Oostersche vorsten binnen 
zijne muren te ontvangen als dezen den „Groeten Heer^ hunne 
opwachting komen maken. Hoewel het paleis in 1837 opnieuw 
betrokken was, kunnen wij niet met zekerheid zeggen of het 
ook de hooge eer genoten heeft van onzen onvergetelijken 
Prins Hendrik te herbergen, die in dit jaar als adelborst aan 
boord van het oorlogsfregat de Maas eene nds door Nederlandsch- 
Indië maakte en in het laatst van Augustus te Batavia den 
eersten steen van het Fort Prins Frederik gelegd heeft. Over- 
bekend is hoe de toen nog jeugdige vorstentelg, zoowel in de 
hoofdplaats van Neerlandsch-Indië als elders in den Archipel, 
op Madoera en te Mangkasar aller hart, ook van Inlanders, 
wist te winnen, terwijl het zeer zeker de daarginds ontvangen 
indrukken zijn geweest, die Hem sedert zooveel belang deden 
stellen in alles wat het welzijn van Indië betrof. Zijn naam 
is vooral verbonden aan de ontginning van het eiland Belitoeng 



86 



en de Stoomvaartmaatschappij „Nederland", waarvan de eerste 
schatten aan Holland heeft opgeleverd, terwijl door de andere 
de afstand tusschen Moederland en Koloniën tot een minimum 
werd teruggebracht. 

En thans naar de Westkust van Soematra, waar door de 
onzen nog een strijd moet worden gestreden zoo hevig, maar 
ook zoo roemrijk, dat onze bewondering voor het Nederlandsch- 
Indische leger, reeds uitermate opgewekt door den bloedigen 
Java-oorlog, er nog hooger door gestemd zal worden. Gelijk 
de lezer zich herinnert, hadden de meeste Padri-hoofden in 
182B vrede met ons gesloten. Alleen die van Bondjol, de meest 
fanatieken van allen, waren ongeneigd gebleken om met de 
Hollanders in onderhandeling te treden. De zaken op de West- 
kust waren dus nog bij lange niet in orde, toen tengevolge 
van den opstand op Java en ook wel een weinig uit zuinigheid 
enkele door ons bezette posten werden ingetrokken. De Padri's 
zagen daarin een bewijs van zwakte en lieten geene gelegen- 
heid voorbij gaan om de afvallige broeders ontrouw te maken 
aan de jegens het Gouvernement afgelegde belofte. Weldra 
gingen zij zoover van een ieder, die zich niet goedschiks aan 
hunne strenge eischen onderwierp, als ongeloovige ter dood 
te brengen, terwijl vrouwen en kinderen als slaven naar de 
Oostkust werden verkocht. Eenmaal weer beheerschers van 
een groot gedeelte van de Bovenlanden, trachtten zij hunnen 
invloed ook elders, tob zelfs in de naburige Bataklanden uit 
te breiden. De geringe macht, die door de onzen kon worden 
ontwikkeld, was niet in staat de Malei ers, voor zoover dezen 
aan hunne oude instellingen, gebruiken en gewoonten nog 
wenschten trouw te blijven, behoorlijk tegen de hervormings- 
partij te beschermen. Wel weerden onze postcommandanten 
zich uitstekend, maar met geen ander gevolg dan dat menig 
dapper officier, menig moedig soldaat zijn leven aan het vader- 
land moest ten oflfer brengen. In de jaren 1828 en '29 hadden 
de zaken voor ons reeds zulk een ernstigen keer genomen, 
dat 't zeer te bezien stond of wij ons op den duur wel zouden 
kunnen handhaven. Gelukkig deden zich te elfder uur bond- 



Ö6 



genooten voor ons op, die wij wel meer in de Geschiedenis 
der vestiging van het Nederlandsch gezag tot steun van onze 
betrekkelijk geringe macht zagen optreden. 

In de eerste plaats vermelden wij als zoodanig de oneenig- 
heid, welke langzamerhand tussehen de voornaamste Padri- 
hoofden was ontstaan, ten gevolge waarvan zij zich in partijen 
verdeelden, die ieder afzonderlijk aan den strijd deelnamen. 
Dit was echter het eenige niet. De lezer herinnert zich de 
strenge eischen door de Padri's aan de volgelingen van den 
Profeet gesteld, eischen, die misschien bfl den gedweeën en 
volgzamen Javaan ingang gevonden hadden, maar den recht- 
geaarden, onafhankelijken en aan zijne gebruiken gehechten 
Maleier tot verzet moesten prikkelen. Maar ook bg de aan- 
hangers van de nieuwe secte kon de reactie niet uitblijven. 
Zij trad, zij 't ook op zeer gematigde wijze, aan het licht in 
1829, toen twee andere Hadji's, Toewankoe Hadji Ibrahim en 
Toewankoe Hadji Nan Garang, uit Mekka terugkeerden en als 
apostelen van eene meer gematigde richting optraden. Hierdoor 
bestonden er eigenlijk drie partijen, die elkander vijandig waren 
en aan de onzen gelegenheid schonken om met eenige meerdere 
kalmte den afloop van den kostbaren Ja va-oorlog af te wachten. 

Dat het optreden van Hadji Ibrahim en Hadji Nan Garang 
en de afbreuk, die zij de partij van de eigenlijke Padri's 
wisten toe te brengen, met vreugde door onze ambtenaren 
werden begroet, kan blijken uit den brief door den Resident 
van Padang, Mac Gillavry aan de nieuwe Mekkagangers 
gericht. Curiositeitshalve, maar tevens als bewijs tot welke 
middelen ons bestuur in Indië soms genoodzaakt wordt zijne 
toevlucht te nemen, deelen wij dit schrijven in zijn geheel mede. 

„Brief van den Resident van Soematra's Westkust aan 
Toewankoe Hadji Ibrahim en Toewankoe Hadji Nan Garang, 
mitsgaders de overige Hadji's, welke onlangs van Mekka zijn 
gekomen en de ware leer van den Profeet Mohamed ver- 
kondigen, die aldaar tevens de hooge wijsheid verkregen 
hebben om licht en den zuiveren islam te verspreiden. 

„Zegen zij Ulieden, omdat Gij rechtvaardig zijt en God vreest. 



Ö7 



„Na deze mijne zegewenschen geuit te hebben zend ik U 
dit geschrift, opdat Gij, Hadji's, zult overtuigd worden van de 
goede gezindheid van het Nederlandsch Gouvernement, jegens 
allen die de ware leer van den Profeet verkondigen, en af- 
keerig zijn om zich ten koste van menschenbloed schatten te 
verzamelen, gezag aan te matigen en ongelukken te verspreiden. 

„Het heeft mijn hart met blijdschap vervuld dat Gijlieden 
als verlichte mannen de wijzen te Mekka hebt geraadpleegd, 
ten einde te vernemen of de godsdienstige leer, welke Toe- 
wankoe Pasaman en de overige Toewankoe's, die zich Padri's 
noemen, in deze landen verkondigen, de ware leer is, die de 
Profeet bevolen heeft, en dat Gijlieden alsnu de overtuiging 
gekregen hebt dat die leer veel misdadigs in zich bevat, en 
strgdig is met de voorschriften van den Koran, in het boek 
Terkab voorkomende. 

„Het Gouvernement heeft sedert verscheidene jaren met 
diep leedwezen gezien, dat de Padrische Toewankoe's in hunne 
blinde en overdreven godsdienstwoede zichzelven bezondigen 
door de Maleiers dezer landen, welke de leer van Mohamed 
zijn toegedaan, met moord, roof en verwoesting te vervolgen. 
Het heeft alle mogelijke middelen in het werk gesteld die 
Toewankoe's tot hunnen plicht terug te brengen en met dezen 
tractaten van vriendschap aangegaan, ten einde het bloed- 
vergieten te doen ophouden en zoodoende vrede en geluk, 
zoowel onder de Padri's als onder de Maleiers te verspreiden, 
doch dit alles heeft niet mogen baten, want de Toewankoe's 
schenden die tractaten, door steeds voort te gaan met de 
kampoengS der Maleiers te vernielen, de mannen te ver- 
moorden en de vrouwen en kinderen als slaven te verkoopen. 
Het is mij bekend, dat Gijlieden, die handelingen der Padrische 
Toewankoe's hebt afgekeurd, hen tot gematigder gevoelens 
hebt trachten over te halen, doch tot loon van dit alles U 
hunne vijandschap hebt op den hals gehaald. 

„Het Gouvernement verneemt dus met blijdschap dat de 
ware geloovigen zich aan Uw zijde geschaard hebben en dat 
de Padris, die niets dan rijkdom en gezag beoogen, door 



6Ö 



Ulieden verslagen worden. Daar Uwe bedoelingen en die van 
het Gouvernement één zijn, is het noodig dat wij elkander 
verstaan, opdat Gijlieden weet wie Uwe vrienden zijn; dat is 
de reden dat ik Ulieden dezen brief schrijf." 

Het antwoord bleef niet uit. Het luidde als volgt: 
„Aan enz. 

„Wij, de twee Hadji's, die ondersteund worden door Hoogere 
Macht, Toewankoe Hadji Ibrahini, benevens Toewankoe Hadji 
Nan Garang, hebben een brief ontvangen door tusschenkomst 
van Fakir van Kamang ; den inhoud hebben wij begrepen. . 

„Voorts wenschen wij den rechten weg te doen gaan op 
de wereld tot in eeuwigheid, omdat wij bezocht hebben het 
land dat wèl bestuurd wordt, dat is Mekka en Medina, be- 
nevens de vier Imams; ook hebben wij de rechtsoefeningen 
gezien van vorsten en daarom hebben wij zulks overwogen. 

„Voorts hebben wij in vroeger dagen eene belofte gedaan 
aan den vorst van Pagarroejoeng (de oudste hoofdzetel der 
Maleiers). 

„Nu is de Resident gekomen en wij hopen daarom dat het 
land rustig zal worden. Wij wenschen dat Mijnheer zich voor- 
eerst maar zal stilhouden, zoolang wij handelen; het volk 
van de L. Kota's is gerust, zoowel wat regeering als het land 
aangaat, omdat wij het recht bepalen. 

„Wij moeten Mijnheer nog zeggen dat wij Mijnheer ver- 
zoeken, om ons, indien het eenigszins mogelijk is, met geld 
te willen helpen zooveel als Mijnheer goeddunkt; dan kunnen 
wij handelen en oorlogvoeren met macht. Daarom verzoeken 
wij geldelijke hulp van den heer Resident, die nu te Padang is." 

Of het nu kwam omdat het gevraagde geld niet gezonden 
werd of uit welke oorzaak ook, zooveel is zeker, dat de ge- 
voerde correspondentie niet tot het gewenschte doel leidde. 
Wat meer zegt, de Padri's begonnen nu weer gaandeweg in 
macht toe te nemen; zelfs drongen zij tot de kuststreken 
door, waar 't den onzen heel wat moeite kostte de bezette 
plaatsen uit hunne handen te houden. Het werd dus meer 
dan tijd voor het Indisch Gouvernement om met de lang 



89 



gevolgde taktiek: niet aanvallenderwijze op te treden, maar 
langs minnelijken weg de orde te herstellen, te breken. Ge- 
lukkig slaagde de Resident Elout, opvolger van Mac Gillavry, 
er in den Commissaris-Generaal Van den Bosch van de nood- 
zakelijkheid daarvan te overtuigen, zoodat deze in Februari 
1832 een vrij talrijke troepenmacht naar Padang uitzond. 
Hiermede vangt de derde periode van den Padri-oorlog aan^ 
welke nogmaals vijf jaren duurde en aan het einde waarvan 
eene nieuwe schitterende zegepraal op de rol onzer Indische 
k rijgsgeschiedenis kon worden geboekt. Onwillekeurig komt 
ons hier Atjeh voor den geest en vragen wij, wanneer ook 
dit rijk voor het alles overweldigend zwaard onzer land- 
genooten bukken zal? 

Doch ter zake. Aanvankelijk scheen alles ten onzen voordeele 
te zullen afloopen. Zelfs Bondjol, nog altijd de hoofdzetel der 
Padri's, viel in onze handen. Het had er echter al den schijn 
van, als werd de bezetdng van deze plaats door de Hollandsche 
kafirs door de bevolking van de westkust voor heiligschennis 
aangezien. Tenminste, zonder dat daarvoor andere afdoende 
redenen zijn op te geven, stonden op eenmaal overal de Ma- 
leiers tegen de Nederlanders op en werden onze soldaten uit 
hunne belangiijkste stellingen, Bondjol niet uitgezonderd, ver- 
dreven. De bezetting van het fort Amerongen ontkwam slechts 
aan de algemeene slachting, doordien zij op het laatste oogen- 
blik uit hare hachlijke positie verlost werd door de troep van 
Luitenant Poland, den bekenden Toontje Poland, een ongeletterd 
en weinig beschaafd man, die echten ondanks al zijne eigen- 
aardigheden, zich eene niet onwaardige plaats onder de dappere 
officieren van het Indische leger veroveid heeft. 

Het Gouvernement had A gezegd en moest nu ook B zeggen. 
Reeds in Juni 1833 werd de Generaal- Majoor Riess met 1100 
man naar de Westkust gezonden, terwijl enkele weken later 
zelfs de . Commissaris-Generaal Van den Bosch op het oorlogs- 
terrein verscheen. Een onder de persoonlijke leiding van dezen 
laatste gerichte aanval op Bondjol werd echter door den 
vijand afgeslagen. Aangezien de terugtocht der onzen wel iets 



90 



van eene vlucht had, kon 't niet anders of de overmoed der 
Maleiers moest toenemen. En de zaak werd er niet beter op, 
toen ook het fort Amerongen in hunne handen viel, terwijl 
van onzen kant voor 't oogenblik weinig of niets gedaan 
werd om het geleden échec te wreken. Dit laatste was grooten- 
deels een gevolg van verschil van gevoelen tusschen den 
militairen kommandant Bauer en den Resident Francis van 
Padang, welke laatste van oordeel was dat nogmaals de weg 
van minnelijke schikking moest worden ingeslagen. Eerst in 
het begin van 1835 werd besloten om met alle beschikbare 
krachten tegen Bondjol op te rukken en nu kan de lezer 
zich een denkbeeld vormen van de macht door de Padri's 
ontwikkeld, als wij hem mededeelen, dat voor de belegering, 
want zoo moet men 't noemen, van deze versterkte plaats 
niet minder dan twee en een half jaar noodig zijn geweest. Men 
kan er tevens, zonder dat wij cijfers en namen noemen, het 
aantal slachtofifers uit berekenen, die hier in de schoone vallei 
van Alahan-Pandjang hun heldenmoed met den dood moesten 
bekoopen. Op den 16®» Augustus 1887 trok de ons bekende 
Michiels, die het bevel over de troepen van Cleerens had 
overgenomen, de veroverde, doch door den vijand verlaten 
stelling binnen. Aan den dapperen aanvoerder der Padri's, 
zekere Toewankoe Imam, was het eveneens gelukt zich door 
de vlucht te redden. Een paar maanden later kwam hi] zich 
echter vrijwillig in onze handen stellen, waarop het Gouver- 
nement goed vond hem naar Ambon te verbannen. Op de 
plek, waar de grond zich zat gedronken had aan het bloed 
van Hollanders en Maleiers, werd nu het fort „Cochius" ge- 
bouwd, dus genoemd naar den toenmaligen legerkommandant, 
die kort te voren mede op het oorlogsterrein verschenen was. 
Met den val van Bondjol was ook de kracht van den 
opstand gebroken. De Padri's verdwijnen nu langzamerhand 
van het tooneel en wat eenmaal (blz. 41) enkele Maleische 
hoofden aan het bestuur te Padang beloofd hadden, dat n.1. 
al de landen tot Minangkabau behoorende, aan het Neder- 
landsch Gouvernement zouden worden afgestaan, kon thans 



91 



eerst in vervulling gaan. Niemand had echter in 1820 kunnen 
voorspellen, dat wij ze zoo duur zouden moeten koopen. Zij 
^t ook in zeker opzicht niet te duur, indien wij ten minste in 
aanmerking mogen nemen, dat met de verovering van den 
laatsten zetel der Padri's het gezag van het Gouvernement 
zich voor goed in deze streken gevestigd heeft en wij thans, 
na zestig jaren, met rechtmatigen trots wijzen mogen op een 
Gouvernement van Soemaira's Westkust, dat, na Java, zonder 
eenigen twijfel, de schoonste bezitting der Nederlanders in 
den Maleischen Archipel uitmaakt. 

Het is hier misschien de plaats om er eens op te wijzen, 
hoezeer de vestiging en uitbreiding van ons direct gezag 
schier onmiddellijk en overal aan land en volk ten goede komt. 
Waar dit maar plaats heeft, zien wij al spoedig handel, land- 
bouw en nijverheid een vlucht nemen, zooals daarvan nergens 
onder het despotisch en willekeurig bestuur der inlandsche 
Vorsten ook maar in de verste verte een voorbeeld valt 
aan te wijzen. Het groote geheim hiervan ligt bij de door 
ons ingevoerde wetten en bepalingen, waardoor den In- 
boorling vrijheid van leven en bezitting wordt gewaarborgd, 
een voorrecht dat buiten de door onze ambtenaren be- 
stuurde gewesten tot de ongekende dingen behoort. Opmer- 
kelijk is ook hoezeer de bevolking onder die verbeterde toe- 
standen geregeld in zielental toeneemt. Een frappant voor- 
beeld hiervan levert Java, dat tijdens het Gouverneurschap 
van Daendels door ruim viet' miljoen zeshonderd duizend 
inlanders bewoond werd. Sedert is dit getal geregeld toe- 
genomen en wel in: 

6.400000 zielen 

7.300000 „ 

7.500000 „ 

8.200000 „ 

9.684000 „ 
10.581000 „ 
13.380000 „ 
24.826000 ^ 



1824 


tot ruim 


1832 


n n 


1834 


n n 


1838 


r> n 


1850 


n n 


18B4 


n n 


1862 


n n 


1893 


w w 



92 



Zeiden wij boven, hoe met den val van Bondjol de kracht 
van den opstand gebroken was, daarmede is natuurlijk niet 
beweerd, dat alles in de Bovenlanden zoo maar op eenmaal 
tot rust kwam. Daarvoor was het verzet te algemeen, de in- 
vloed van den godsdienst te groot geweest. Het met zoo 
woedende kracht losgebroken vuur bleef hier en daar nog 
geruimen tijd voortsmeulen, terwijl op menige plaats de in- 
voering van de nieuwe orde van zaken alleen onder bescher- 
ming van de bajonetten geschieden kon. Zoo, bijvoorbeeld, 
in de Afdeelingen Batipoe, Agam en Tanah-Datar, waar in 
het begin van 184:1 opnieuw een opstand losbrak, die een 
oogenblik aan eene herhaling van den Padri-oorlog deed 
denken, doch gelukkig in den aanvang kon worden gestuit. 
Ook een paar andere opstanden van geringer beteekenis werden 
de onzen spoedig meester. 

Als eene bijzonderheid van den Padri-oorlog kunnen wij 
hier nog mededeelen, hoe de groote veldheer van Dipo Negoro, 
Alibasa Prawira Dirdjo, meer bekend onder den naam van 
Sentot, met zijne barisans aan onze zijde gestreden heeft. Meer 
om hem van Java verwijderd te krijgen, dan omdat men veel 
van zijne hulp verwachtte, had Generaal Van den Bosch hem 
vergunning verleend zijn 1800 man naar Soematra over te 
brengen. Het bleek echter spoedig dat zijne eerzucht op den 
duur schadelijk voor ons gezag onder de Maleiers zou kunnen 
worden, waarom het Gouvernement het straks beter vond 
hem in vredesnaam maar weer naar Java te doen terugkeeren. 
Het had anders een merkwaardig historisch feit kunnen worden 
als de eerste veldheer van Dipo-Negoro met zijne Javanen 
in de gelegenheid was geweest aan den triomf der vroeger 
zoo hardnekkig door hem bevochten Nederlanders deel te 
nemen ! 

Als een uitvloeisel van den Padri-oorlog moet ook nog 
beschouwd worden het verzet van zekeren Toewankoe Tam- 
boesi, die zich te Daloe-Daloe gevestigd had en zich van 
daaruit gezag over een gedeelte der nog heidensche Batak- 
landen aanmatigde. Hoewel bij tot de meer gematigde volge- 



93 

lingen van den Profeet behoorde, achtte hij zich toch ten volle 
gerechtigd oorlog te voeren tegen hen, die er nog niet toe 
gekomen waren om in Mohamed den Gezant van Allah te 
huldigen, m. a. w. nog volbloed kafirs waren. Het Gouvernement 
kon echter moeielijk toelaten, dat op de grenzen van het pas 
met zooveel inspanning veroverd gebied roof- en moordtochten 
plaats grepen, waarom de inmiddels tot Civiel en Militair Gou- 
verneur benoemde Michiels in 1838 met eene sterke leger- 
macht tegen Daloe-Daloe oprukte en zich van deze plaats 
meester maakte. Van Toewankoe Tamboesi werd sedert niets 
meer vernomen. Waarschijnlijk had hij in den strijd het leven 
verloren. 

In langen tijd vernamen wij niets van de Atjehneezen. 
Waren dezen tijdens onze verwikkelingen met de Westkust 
rustige toeschouwers gebleven? Dan zouden zij hunne natuur 
verloochend hebben! De kans was bovendien te schoon om 
hunnen haat te koelen jegens de Hollanders, die hen een en 
andermaal noordwaarts hadden teruggedrongen en van wie zij 
bovendien vreezen moesten, dat hunne troepen, eenmaal over- 
winnaars in het vaderland der Maleiers, niet rusten zouden 
vóór zij zich ook van alle Maleische kuststaten hadden meester 
gemaakt. Reeds in het jaar 1831 hadden Atjehneesche zee- 
roovers zich in Ajer-Bangis genesteld. Later verbonden zij 
zich met de Padri's om Tapanoeli en andere plaatsen aan te 
vallen. Ook ditmaal trokken zij echter, zooals wij straks zullen 
zien, aan het kortste eind. Na den gelukkigen afloop van den 
Padri-oorlog deed zich intusschen voor ons Bestuur de moeielijke 
vraag op, door welke middelen die lastige naburen, die van 
roof en diefstal leefden en zich zelfs niet ontzien hadden het 
Nederlandsche schip de „Dolfijn" af te loepen, tot rede te 
brengen. In elke andere omstandigheid zou het Indisch Gou- 
vernement zeer zeker niet geaarzeld hebben den strijd aan 
te binden met een rijk, dat ons altijd in den weg had gezeten, 
gelijk het ook voor den vervolge zeer zeker niet zou nalaten 
de grootsche plannen van Generaal Van den Bosch met Soematra 
te dwarsboomen. Maar, als een dreigend spook stond daar 



94 



nog altijd het Traktaat van 1824, waarbij de onzen zich te 
kwader uur tegenover Engeland verbonden hadden de onaf- 
hankelijkheid van Atjeh te zullen eerbiedigen. Voor het oogen- 
blik viel er dus niets anders te doen dan eene Commissie 
naar den Sultan te zenden en dezen rekenschap van zijne 
handelingen af te vragen. De afgezonden heeren Van Loon 
en Ritter werden beleefd ontvangen, doch dit was ook alles 
wat zij verkregen. Er zat nu niet anders op dan den Sultan 
met geweld te dwingen zijn volk terug te trekken uit al zulke 
plaatsen, die niet rechtstreeks tot het grondgebied van zijn 
rijk behoorde. Het gevolg was een hardnekkige strijd om het 
bezit van Tapoes, Baroes, Singkil, enz., die tot in het jaar 
1840 aanhield en eindigde met de verdrijving der Atjehneezen 
uit laatstgenoemde kustplaats, waardoor zij meteen binnen de 
grenzen van hun land werden teruggedrongen. Iets wat zij 
ons nooit vergeven hebben. 

„Het valt lichter landen te veroveren dan die met beleid 
en naar vaste beginselen te regeertm," heeft de ons bekende 
Vermeulen Krieger ergens geschreven. Inzonderheid was dit 
van toepassing op de Westkust van Soematra, waar onze 
ambtenaren met eene bevolking te doen hadden, welke, wij 
wezen er reeds op, bij lange niet zoo gemakkelijk te leiden 
was als die op Java en nog meer dan deze van hare gehechtheid 
aan voorvaderlijke zeden en gewoonten zou doen blijken. In de 
Bovenlanden zit ons bovendien eene maatschappelijke instelling, 
de zoogenaamde Soekoe-verdeeling, in den weg, die met haar 
matriarchaat (de stamhoorigheid van den kant der moeder), 
haar eigenaardig erfrecht, enz. zoowel met den Islam als met 
onze Westersche begrippen in strijd was. Dat ons bestuur er 
niettemin in geslaagd is hier, ondanks alles, zich het rustig 
bezit van zooveel vruchtbare en volkrijke landschappen te 
verzekeren, mag zonder overdrijving als eene tweede over- 
winning worden aangemerkt. Ook het gevaar, dat de naburige 
en onafhankelijke Bataklanden voortdurend voor de rust 
onder de Maleiers opleverden, is langzamerhand geweken, of 
althans zeer verminderd. Boven wezen wij op de groote voor- 



96 



deelen, welke de invoering van ons diiect gezag overal voor 
land en volk oplevert. Daartoe raag zeker ook gerekend worden 
de omstandigheid, dat de grenslanden, voor zoover zij nog 
van ons onafhankelijk zijn, of zich tegen den nieuwen staat 
van zaken komen verzetten en ons gelegenheid aanbieden 
een nieuw stelsel van bestuur in te voeren, of, als door 
jaloerschheid gedreven, zich vrijwillig onder onze bescherming 
komen stellen. Zoo is het aldoor in den Archipel gegaan, zoo 
ging 't ook hier, waar, inzonderheid in de laatste jaren, tal 
van Bataksche landschappen, hetzij tengevolge van kleine 
expeditio's, hetzij geheel op eigen verzoek, bij onze recht- 
streeksche bezittingen werden ingelijfd. 

Tot de plannen van Generaal Van den Bosch behoorde ook 
het bezetten van enkele voorname punten op Soematra's 
Oostkust, ten einde ons van den handel met de binnenlanden 
te kunnen meester maken. Met dat doel werden dan ook 
in 1838 met de Hoofden van Indragiri, Koewantan en Kampar 
overeenkomsten aangegaan, welke nu wel niet terstond tot 
het beoogde doel leidden, doch als het gloren kunnen worden 
beschouwd van eenen schoenen dageraad, die ook aan deze 
zijde van het eiland over het Nederlandsch gezag zal opgaan. 

Zooeven noemden wij het jaar 1838. Ook nog in een 
ander opzicht zou dit een merkwaardige datum worden in 
de Geschiedenis der Nederlanders in den Maleischen Archipel 
en wel door de oprichting van het Tijdschrift van Nederlandsch- 
Lidië, dat dit jaar zijn zestigjarig bestaan vieren mag. 
Hoewel ten deele ook een strijdschrift, heeft het niet minder 
dan het vroeger door ons vermelde Tijdschrift voor Indische 
Taal-, Land- en Volkenkunde van het Bataviaasch Genoot- 
schap van Kunsten en Wetenschappen tot vermeerdering 
onzer kennis van Insulinde bijgedragen. Voornaamste oprichter 
en eerste redakteur was Dr. W. R. Baron van Höevell, des- 
tijds predikant te Batavia, die tien jaren later zijne oppositie 
tegen het heerschend regeeringsbeleid met verbanning moest 
boeten. In Nederland, waar hem spoedig eene plaats in de 
vergadering van de Tweede Kamer der Staten-Generaal werd 



ingeruimd, heeft h\\ echter ruimschoots gelegenheid gevonden 
om voor zijne toen reeds dooi' velen gedeelde beginselen 
propaganda te maken. 

Drie jaren vroeger (1845) was onder denzelfden fiouver- 
neur-Cieneraal Jan Jacob Rockussen (1845 — 1851) ook een 



Jan Jacob Rocbussen. 

Roomsch-Katholiek priester verbannen en wel niemand minder 
dan de Bisschop van Batavia Orooff', die zich de vrijheid 
veroorloofd had op eigen gezag pastoors aan te stellen, zonder 
daarvoor vooraf, gelijk de wet voorschreef, de machtiging des 
Konings in te roepen. Door de Indische Regeering aangeschreven 



97 



om de door hem te Batavia, Semarang en Soerabaja afgezette 
en door anderen vervangen priesters in hun ambt te her- 
stellen, tot tijd en wijle de gebruikelijke aanvrage bij zijne 
Majesteit zou hebben plaats gehad, weigerde de Bisschop 
hieraan te voldoen, waarop hem door den Gouverneur-Gene- 
raal het recht van verblijf in Neerlandsch-Indië ontzegd werd. 
Zijn opvolger was de bekende pastoor Vrancken^ Bisschop 
van Colophon i. p. i. 

De lezer houde 't ons ten goede dat wij de geschiedenis 
een weinig zijn vooruitgeloopen. In het jaar 1840 stierf de 
Gouverneur-Generaal De Eerens en werd tijdelijk opgevolgd 
door C S. W. Graaf van Hogendorp, die een jaar later het 
bestuur over Indië overdroeg aan Mr, P, Merk'us (1841 — 44). 
Deze, destijds lid van den Raad van Indië, was juist van 
Soematra teruggekeerd, werwaarts hij in 1839 als Regeerings- 
Commissaris vertrokken was met de zeer moeielijke opdracht 
om in de door ons veroverde gewesten het bestuur en de 
administratie zoo te regelen, dat zoowel het Gouvernement 
als de onderworpen bevolking de meeste vruchten van den 
nieuwen staat van zaken plukken mocht, üit den tijd van 
zijn kortstondig bestuur valt omtrent Java, waarheen wij 
thans voor een oogenblik terugkeeren, geene andere bijzonder- 
heid te vermelden, dan dat hier het Cultuurstelsel gaandeweg 
werd uitgebreid niet alleen, maar ook meer en meer aan zijn 
doel: stijving van de schatkist beantwoordde. Intusschen bleef 
het roepen uit Holland om geld en nog eens geld aanhouden. 
Het was het begin en het einde van elke ministrieële missive 
van het Binnenhof. En niet zonder reden. De naar Holland 
afgescheepte ladingen aan koffie, suiker, indigo, tabak enz. 
waren nog altijd onvoldoende om te verhinderen, dat de 
Regeering in het Moederland zich telkens opnieuw in schulden 
moest steken bij de ons bekende Handelmaatschappij, welk 
lichaam gaarne leende, maar natuurlijk zorg droeg dat hare 
eigene belangen daarbij geene schade leden. De schuld werd 
echter op het laatst zoo groot, dat de Maatschappij op be- 
taling begon aan te dringen. Dit gaf den Minister Van den 
n 7 



98 



Bosch in 1839 aanleiding om bij de Staten-Generaal een 
wetsontwerp tot eene leening van niet minder dan 56 mil- 
lioen in te dienen. Zijn voorstel werd evenwel met 39 tegen 
12 stemmen afgewezen, wat Zijne Excellentie de portefeuille 
kostte en hem bovendien de gelegenheid benam om verder in 
het belang van het Cultuurstelsel werkzaam te zijn. Zgne taak 
werd nu overgenomen door den Minister Baud, die daarbij 
in den nieuw optredenden Gouverneur-Generaal Merkus een 
ijverig medewerker vond. Alle ijver zou evenwel niet hebben 
gebaat, had niet de Indische Regeering bij voortduring steun 
gevonden bij de inlandsche jhoofden, onder wie met den dag 
de smaak toenam voor een stelsel, waardoor hunne inkomsten 
vermeerderd, hun aanzien aanmerkelijk verhoogd werd. Dank 
zij die medewerking schreed de instelling van Generaal Van 
den Bosch met rassche schreden naar het toppunt van haren 
bloei, dien het onder den volgenden Gouverneur-Generaal 
bereiken zou. 

En de Javaan? Nog altijd gehoorzaam en gedwee. Kalm 
en zwijgend liet hij de machthebbenden bevelen, dragende 
zijn juk zonder morren, zonder openlijk verzet. Wij herhalen 
nogmaals, nergens elders zouden kwellingen en afpersingen, 
die allerwegen, vooral van den kant der inlandsche hoofden, 
plaats vonden, zoo geduldig verdragen zijn als hier. Daarbij 
kwam nog, dat reeds onder het bestuur van Van den Bosch 
de noodzakelijkheid was ingezien om het kostbare kleinood 
Java zoowel tegen binnen- als buitenlandsche v^anden te 
kunnen verdedigen, tengevolge waarvan een nieuw plan tot 
versterking van het eiland ontworpen werd, dat voor dien 
tijd zeer zeker hoogst geschikt kon worden geacht, doch deze 
groote schaduwzijde had, dat de meeste werken in heerendienst 
moesten worden verricht. De lasten der bevolking werden 
daardoor dus nog aanmerkelijk verzwaard. Onder die om- 
standigheden mag het een wonder heeten, dat de welvaart 
onder Javanen en Soendaneezen eer toe- dan afnam, terwijl 
het zielental, gelijk wg boven zagen, gaandeweg grooter werd. 
Of er echter in die dagen veel Javanen gevonden werden, die 



Bruidegom en bunelyksgeecbeiikeD. 
(Residentie SoerHkftrtti.) 



100 



zich zoo prachtig uitdossen en zooveel kostbare geschenken 
om zich heen verzamelen konden als onze bruidegom hier, 
mag betwijfeld worden! 

Wij meenen ergens gezegd te hebben, dat onze landgenooten 
op hunnen tocht door den Archipel overal de zonen van 
Albion moesten ontmoeten. Ook na het Traktaat van 1824, 
waarbij alles zoo mooi geregeld scheen, heeft dit niet geheel 
opgehouden. Tijdens het bestuur van den Gouverneur-Generaal 
De Eerens vinden wij op de Westkust van Borneo een zekeren 
James Brooke, zeekapitein van beroep, die met zijnen land- 
genoot Raffles dit gemeen had, dat hij de Hollanders haatte 
en zijn leven er voor zou hebben opgeofferd als hij den Ma- 
leischen Archipel aan de Engelsche kroon had kunnen helpen 
hechten. Geen kans ziende zich met fatsoen ergens binnen 
het aan Nederland toegewezen gebied te vestigen, wilde hij 
toch zooveel mogelijk op de grenzen blijven en bracht hij met 
dat doel in 1839 een bezoek aan het in de buurt van Sambas 
gelegen stadje Serawak, toenmaals eene bezitting van den 
Sultan van Broenei en bestuurd door diens stedehouder Pa- 
ngéran Hasim. Deze laatste, op dat tijdstip met de bevolking 
uit de binnenlanden overhoop liggende, bood den vreemdeling 
alles, zelfs de regeering over het land aau; indien hij hem 
met zijne scheepsbemanning tegen de muitelingen wilde te 
hulp komen. Toen nu de gevraagde hulp verleend was en de 
bondgenoot om zijne belooning kwam, trachtte Pangéran Hasim 
zich op alle mogelijke wijzen van de zaak af te maken. Onze 
Ëngelschman wist hem echter te beduiden dat dit niet aanging 
en het einde van de geschiedenis was, dat James Brooke in 
September 1841 tot Radja van Serawak werd uitgeroepen, 
in welke hoedanigheid hij zich spoedig door den Sultan van 
Broenei erkend zag. 

Hoewel nu deze gebeurtenis buiten ons eigenlijk gebied 
plaats vond, maakten wij er melding van, omdat het voor- 
beeld van Brooke weldra navolging vond bij eenen anderen 
Ëngelschman, Murray genaamd, die in het jaar 1844 een 
poging aanwendde om in Koetei op Borneo's Oostkust een 



ioi 



zelfstandig rijkje te stichten, 's Mans ongelukkig uiteinde — 
hij werd door de inboorlingen vermoord — bracht ons een 
oogenblik in conflict met Engeland, doch schonk tegelijkertijd 
aan de Indische Regeering eene schoone gelegenheid om zich 
in dit gedeelte van het eiland te doen gelden. Het kostte 
haar weinig moeite om met den sultan van genoemd rgk 
eene overeenkomst te sluiten, waarbij deze officieel de opper- 
heerschappij van Nederland erkende. Van dit oogenblik af 
dagteekent onze goede verstandhouding met Koetei, die sedert 
niet verbroken is en van welker gezegende gevolgen voor 
land en volk de reis van twee Koeteische prinsen in 1897 
door Nederland en Europa en hunne tegenwoordigheid bij de 
kroningsfeesten in Amsterdam en 's-Gravenhage blflken dragen. 



TIENDE HOOFDSTUK. 

1845-1860. 

^Y|OoESTEN wij vroeger de opmerking maken, hoe de Ge- 
)^ schiedenis der Nederlanders in Indië feitelijk slechts 
een aaneenschakeling is van expeditie's, de lezer wijte het 
ons niet als wij ook dit hoofdstuk met de beschrijving van 
zulk een krijgstocht aanvangen. En voorwaar niet een van 
de minst belangrijke. Nauwelijks hadden de onzen de rust op 
Java hersteld en waren zij zegevierend uit den strijd tegen 
de Soematranen te voorschijn getreden, of oostwaarts kon- 
digde het gerommel van den donder opnieuw een naderend 
onweer aan. Ditmaal kwam het van den kant van y,Jong 
Holland", het „Indisch Zwitserland", het „Sicilië van het 
Oosten", onder welke benamingen het eiland Bali bij de ver- 
schillende schrijvers bekend staat. Hoe gaarne zouden ook wij, 
die het van nabij gekend hebben, eene poging wagen om den 
lof zijner schoonheid te bezingen, 't Is daarvoor hier echter 
de plaats niet. Alleen mag de opmerking niet achterwege 
blijven, hoe onze aandacht hier getrokken wordt door een 
eiland, dat in menig opzicht tot de belangrijkste deelen van 
den Archipel mag gerekend worden. Vooral uit een geschied- 
kundig oogpunt verdient het den naam van „Klein-Java", 
gelijk het ook genoemd is, ten volle. Groot is het anders 
niet ; het heeft nauwelijks eene oppervlakte gelijk aan die van 
onze twee noordelijkste provinciën Groningen en Friesland. 
Op het oogenblik, waarop wij ons thans bevinden, was het 



103 

bovendien verdeeld in niet minder dan negen op zichzelf 
staande rijkjes, wier Vorsten voortdurend met elkander over- 
hoop lagen. Nemen wij dit alles in aanmerking, dan blijft het 
een bijna onverklaarbaar iets, hoe ditzelfde kleine Bali tegen- 
over ons eene kracht heeft weten te ontwikkelen, schier 
eenig in de geschiedenis der vestiging en uitbreiding van 
ons gezag in Indië. 

Den lezer van deze onze historische schetsen zijn de Bali- 
neezen niet geheel vreemd meer. Een en andermaal zagen 
wij dit volk ingrijpen in de gebeurtenissen op Oost-Java, 
totdat zij A^ 1777 door onze troepen tot over Straat Bali 
werden teruggedrongen, waar zij zich sedert meer uitsluitend 
met hunne eigene zaken hebben bezig gehouden. Zij ver- 
langden dit ook te blijven doen, toen in het jaar 1817 de 
Commissaris Van den Broek op hun eiland verscheen om 
namens de Indische Regeering handelsbetrekkingen met hen 
aan te knoopen. Evenzoo in 1824 bij de zending van onzent- 
wege van zekeren Panyéran Satd Hasan, die in last had de 
vroegere werving van balische soldaten opnieuw in 't leven 
te roepen. Als bij onderlinge afspraak namen de Vorsten 
tegenover het Hollandsch bestuur eene zeer gereserveerde 
houding aan. Alleen die van Badoeng had er in 1827 niet op 
tegen, dat zich een „Gezagvoerder van het Nederlandsch 
Gouvernement'' in zijne hoofdplaats kwam nederzetten. Eerst 
in 1841 gelukte het aan den Regeerings-Commissaris Huskus 
Koopman met elk der negen Radja's een kontrakt te sluiten, 
waarbij zij niet alleen onze Souvereiniteit erkenden, maar ook 
beloofden in den vervolge het zoogenaamde strand- of kliprecht 
(waarbij gestrande vaartuigen, met al wat er op en aan was, 
de bemanning zelfs niet uitgezonderd, tot wettig eigendom 
van den heer des lands verklaard werden) niet meer te zullen 
toepassen. Het Nederlandsch oppergezag schijnt hun overigens 
nogal koud gelaten te hebben. Zij hadden daarvoor trouwens 
niet eens oificieël geteekend! Minder gemakkelijk viel 't hun 
echter van het tawan-karang (kliprecht) af te zien. Zooveel 
is zeker, dat het reeds in 1844 op een onder Nederlandsche 



104 



vlag varend schip opnieuw werd toegepast. De meest on- 
willige in dezen was Goesti Made Karangasem, radja van Boe- 
lèlèng. Of, liever gezegd, hijzelf niet, maar zijn lijksbestierder 
Goesti Ktoet Djlantik^ een Balinees van top tot teen, hoog- 
moedig en verwaand gelijk deze inlanders kunnen zijn, maar 
tegelgkertijd, zooals Generaal Booms ergens van hem getuigt 
„caractère énergique, coeur ardent de patriotisme, un de ces 
adversaires qu'il est difficile mais glorieux de vaincre^. 

Een klein staaltje van 's mans karakter. Bij gelegenheid 
dat de Regeerings-Commissaris zich bg den Vorst van Boelèlèng 
bevond om dezen met de eischen van het Gouvernement bekend 
te maken en de Radja, een hoogst onbeduidend man, niet goed 
wist wat te doen of te zeggen, zou Goesti Ktoet Djlantik het 
schrijven van den Gouverneur-Generaal driftig ter hand hebben 
genomen, waarna hij den wijsvinger naar den mond bracht 
om dien daarop over de zwarte letters te strijken en den 
Commissaris brutaal toe te voegen: „kijk, mijnheer! zoo doe 
ik met die mooie letters van u: probeer dit nu ook eens (op 
een lontarblad wijzende) met de onze!" ^) 

Moeielijk dus, maar roemrijk zulk een tegenstander te over- 
winnen. En wij hebben hem, dezen afgod van alle Balineezen, 
overwonnen. Echter niet op eenmaal. In het midden van 1846 
was de houding van Boelèlèng van dien aard geworden, dat 
de Gouverneur-Generaal Rochussen besluiten moest eene 
expeditie onder bevel van den Luitenant-Kolonel Bakker naar 
dit rijk uit te zenden. Den 26en jy^j kwam de vloot tegenover 
de hoofdplaats ten anker en — drie dagen later wapperde 
de Nederlandsche vlag boven de poeri (paleis) van den weer- 
spannigen vorst. „Ons dapper Indisch leger," zoo kon men 
spoedig lezen, „en onze heldhaftige marine hebben nieuwe 
lauweren geplukt. De expeditie is door het schitterendst succes 
gekroond. De eer van Nederland, miskend door den Koning 



') Zooals bekend is, schrijven de Balineezen nog altijd op bladen van 
den lontarboom, waarbij zij zich van een scherp mesje bij wijze van pen 
bedienen. 



10& 



van Bali, is gered en de schending van de verdragen, waarbij 
deze prins de Nederlandsche souvereiniteit erkende, streng 
gestraft." 

De eer gered ? Ja, voor het oogenblik. Was ook al de Radja 
in zgn schulp gekropen, niet alzoo Goesti Ktoet Djlantik, die 
wel het Fransche spreekwoord reculer pour mieux sauter niet 
kende, maar toch meesterlyk de kunst verstond om door tijd 
te winnen de bereiking van zijn doel gemakkelijk te maken. 
Nauwelijks had hg dan ook zijne maatregelen genomen, o.a. 
door zich bij Djagaraga duchtig te versterken, of de kleine 
bezetting, door ons in Boelèlèng achtergelaten, moest het mis- 
gelden. Straks ontzag hij zich zelfs niet een onder Nederlandsche 
vlag varend schip op de oiide manier voor goeden buit te ver- 
klaren. Zijn meesterstuk bestond echter hierin, dat hij de meeste 
andere Radja's van Bali, en daaronder inzonderheid die van 
Karangasem en Kaloengkoeng, tegen ons in het harnas wist te 
jagen. Wij kunnen 't ons begrijpen, dat de Indische Regeering 
er hoogen prijs op stelde de hand te kunnen leggen op den 
man, die zich op die wijze aan haar deed kennen. De Balineezen 
beter kennende, had zij echter vooraf moeten weten, dat aan 
den eisch om zijne uitlevering geen gevolg zou worden gegeven. 
Er zat nu niets anders op dan eene tweede expeditie naar 
Bali te zenden, die dan ook in het begin van 1848, onder den 
Generaal-Majoor Jhr. C. van der Wijck, derwaarts vertrok, 
maar, helaas! onverrichterzake terugkeerde. Ditmaal was de 
eer niet gered. Hoewel de bevelhebber over drie duizetid man 
beschikken kon, bleek de uitgezonden macht toch te gering 
te zijn om zich van het bovengenoemde Djagaraga meester 
te kunnen maken. Om kort te gaan, na een verlies van 12 
oflScieren en 172 minderen aan doeden en gekwetsten, waren 
onze troepen genoodzaakt zich weer in te schepen en werd 
het kort daarop, toen de verwachte versterking uitbleef, noodig 
geoordeeld den terugtocht naar Java aan te nemen. 

Zoo volgde vanzelf in 1849 de derde Balische expeditie, 
ditmaal beter toegerust, het aantal dapperen bovendien als 
't ware nog vertienvoudigd door de gedachte dat het bloed 



loe 



der gevallen kameraden, maar bovenal de eer der vlag moest 
gewroken worden. Aanvoerder was ditmaal de ons bekende 
Generaal-Majoor Michiels, van wien wij hier al terstond willen 
mededeelen, hoe hij aan de vele lauweren, door hem op Soe- 
matra en elders geplukt, ook nog deze toevoegde, dat hij als 
overwinnaar het onneembaar geachte Djagaraga binnentrok. 
Op den 16®^ April kondigde een saluut van '21 schoten aan, 
dat onze troepen roemrijk hadden gezegevierd. Aan den Radja 
was het, evenals aan Goesti Ktoet Djlantik, gelukt zich bijtijds 
uit de voeten te maken. Zij ontgingen echter hunne straf niet. 
Beiden werden kort daarop in Karangasem vermoord. 

Na alzoo, want wij mogen niet uitvoerig zijn, Boelèlèng 
getuchtigd te hebben, vertrok de opperbevelhebber met zijne 
dappere schaar naar de Oostkust van het eiland om nu ook 
met den Radja van Karangasem af te rekenen. Hier voegden 
zich niet minder dan 4000 Balineezen van het naburige Lombok 
bij onze troepen, een historisch feit, dat met het oog op de 
gebeurtenissen van den jongsten tijd, wel waard is vermeld 
te worden. Dank zij ook die hulp, gaf Karangasem zich zonder 
slag of stoot aan de Hollanders over. Ook zijn Radja viel 
door moordenaarshanden, terwijl diens rijk later tot een win- 
gewest van Lombok gemaakt werd. 

Restte nu nog Kaloengkoeng, het gebied van den Déwa- 
agoeng, wiens voorgangers steeds als geestelijk en wereldlijk 
Hoofd van Bali hadden geposeerd en die ook nu nog gaarne 
zich als zoodanig deed gelden. Beducht voor zijnen invloed, 
trachtte hij zich de onzen met fraaie woorden van het lijf te 
houden. De landing der troepen te Koesamba leverde hem 
echter al spoedig het bewijs, dat het ons ook hier ernst was. 
Vóór echter nog naar de hoofdplaats kon worden opgerukt, 
hadden wij het verlies te betreuren van Generaal Mkhiéls, 
die bij eenen nachtelijken overval door een geweerkogel het 
leven verloor. De held van Djagaraga zou dus geen getuige 
zijn van de geheele onderwerping van Bali aan het Neder- 
landsch gezag. Zooals wij vroeger reeds mededeelden, hebben 
zijne vrienden en vereerders een prachtig monument op het 



10? 



nftar hem genoemd plein te Padang te zijner eere opgericht. 
Een dergelyk monument siert het Watei-Iooplein te Batavia 
als een „Hulde aan de nagedachtenis van den Generaal-Majoor 
A. V. Michiels, civiel en militair Gouverneur ter Westkust 
van Soematra, geboren 30 April 1797 te Maastricht, ge- 
sneuveld den 25 Mei 1849 te Easoemba (Koesamba) op het 
eiland Bali." En zijn standbeeld? Het staat in een der nummers 



Michiels' Moaument. 

van de o^ciëele Javasche Courant uit die dagen, waarin wij 
omtrent Michiels het volgende lezen: „Zelden heeft in N.-Indië 
iemand meer uitgeblonken door dapperheid en roenir\jke wapen- 
feiten, zelden iemand in daden van burgerlijk bestuur meer 
schranderheid en doorzicht aan den dag gelegd." 

Na het sneuvelen van Michiels trad de Luitenant-Kolonel 
J. van Swieten als bevelhebber op. Hoewel deze aanvankelijk 
meende eerst nadere bevelen uit Batavia te moeten afwachten ' 
alvorens den tocht naar Kaloengkoeng's hoofdplaats voort te 
zetten, was de houding van den Déwa-agoeng van dien aard, 
dat uitstellen noodlottig had kunnen worden. De noodige maat- 
regelen werden daarom genomen om aanvallenderwijs te werk 



loö 



te gaan, wat al dadelijk zulk een indruk maakte, dat de 
„Soesoehoenan van Bali" zijne onderwerping liet aanbieden. 
Toen dan ook op 12 Juni de nieuw benoemde opperbevel- 
hebber, Hertog Bernard van Sa^en- Weimar met versche troepen 
op het oorlogsterrein verscheen, schoot er voor 'Zijne Hoogheid 
niets anders te doen over dan de overwinning te constateeren 
en de volgende proclamatie uit te vaardigen: ^Soldaten! Het 
is met een waar gevoel van vreugde, dat ik aan de officieren, 
onder-officieren, soldaten en matrozen der Land- en Zeemacht 
kan bekend maken, dat de oorlog tegen de Balische Vorsten 
geheel en al ten voordeele van het Nederlandsche Gouverne- 
ment is geëindigd. 

„Deze roemvoUe uitkomst is men alleen aan uw dapperheid, 
aan uw krijgstucht en het beleid uwer bevelhebbers verschul- 
digd. Gij hebt eene nieuwe, eervolle bladzijde aan de krijgs- 
geschiedenis van het Indische leger gehecht. 

„Het heeft mij leed gedaan geen getuige van uwe helden- 
daden te hebben kunnen zijn; zij zullen echter niet minder 
onuitwischbaar in mijn geheugen bevestigd blijven. 

„Leve de Koning!" 

Bali onderworpen! De vraag bleef thans nog alleen over, 
op welke wijze blijvende vruchten van onze overwinning te 
plukken waren. Aan Van Swieten komt de eer toe deze qiiaestie 
op de meest verstandige en afdoende manier te hebben op- 
gelost. Nadat op 15 Juli 1849 alle balische Radja's in eene 
plechtige vergadering te Badoeng een traktaat hadden onder- 
teekend, waarbij zij erkenden dat hun land een deel van Neerl.- 
Indië uitmaakt en zij zich hoofd voor hoofd verbonden zich 
ten opzichte van het strandrecht, den slavenhandel, enz. geheel 
naar onze inzichten te zullen gedragen, meende Van Swieten, 
dat wij ons daarmede voorloopig moesten tevreden stellen, 
zonder verder eene poging te doen ons met de binnenlandsche 
aangelegenheden in te laten. Hoe goed hij den toestand inzag 
heeft de uitkomst geleerd. Alleen in 't jaar 1858, toen een 
der Boelèlèngsche districtshoofden in verzet kwam, is het 
Indisch Gouvernement verplicht geweest nogmaals eene kleine 



109 



expeditie naar Bali uit te zenden, maar overigens is dit eiland, 
zonder gewapende macht, ^) langzamerhand tot een wingewest 
geworden, waar ons gezag algemeen erkend wordt en het 
bestuur aan een Nederlandsch Resident is toevertrouwd. 

Ten bewijze hoe dapper er door onze troepen gevochten 
was vermelden wij hier alleen, dat na afloop van de tweede 
en derde Balische expeditie aan tim officieren van de Land- 
en Zeemacht de Militaire Willenis-Orde 3e klasse, en aan 
zeventig officieren en zeve7i eti veertig onderofficieren en minderen 
die der 4e klasse werd toegekend. Bovendien werden tien 
officieren in de orde van den Nederlandschen Leeuw benoemd, 
terwijl het aantal eervolle vermeldingen mede bijzonder groot 
was. Aan de vele dapperen onder de Afrikaan&che en Inland- 
sche officieren en minderen, die men toenmaals nog niet voor 
betooning van „beleid" in staat achtte, werden de Zilveren 
of Bronzen Medaille voor „moed en trouw" uitgereikt. -) 

Keeren wij thans naar Java terug, waar het intusschen 
ook niet volkomen rustig was toegegaan. Ruim twee maanden 
na het optreden van den Gouverneur-Generaal Rochussen brak 
in het woelige Bantam, op het landgoed Tji Kandi-Oedik een 
opstand uit, die wel niet dadelijk tegen het Nederlandsch 
gezag gericht was, doch als de voorbode van meer ernstige 
onlusten moest beschouwd worden. Ditmaal gelukte het nog 
aan den Resident om zich zonder de hulp van troepen van 
de muitelingen meester te maken, die straks den moord op 
den landheer Camphuis en de zijnen gepleegd met den dood 
boeten zouden. Van meer belang was echter de opstand 
in 1850, verwekt door den Patih van Serang Djaja Karta, 
Waarschijnlijk lang voorbereid, had deze weldra zulk dreigend 
aanzien gekregen, dat de Indische Regeering genoodzaakt 



') De opstand der Bandjareezen in 1868, als meer tegen den hilandschen 
Regent dan tegen ons gericht, laten wij hier buiten bespreking. 

^) £en enkel vroeger geval uitgezonderd, is men er eerst na de Lombok- 
expeditie toe overgegaan om ook Inlanders met de Militaire Willems-Orde 
te begiftigen. Wel vreemd dat het zoolang moest duren, vóór men tot de 
ontdekking kwam, dat een Oosterling ook , beleid** aan den dag kan leggen. 



110 



was eene expeditie onder den Luitenant-Kolonel De Brauw 
naar Bantam te zenden. Hoewel onze soldaten er in slaagden 
een der hoofdzetels van de opstandelingen te bemachtigen, 
wist Hadji Wachia, het fanatiek hoofd der rebellen, zijne 
aanhangers elders te verzamelen en het noordwestelijk deel 
van de Residentie zoo in rep en roer te brengen, dat De 
Brauw naar Batavia om versterking moest zenden. Eerst 
nadat deze was aangekomen, slaagde hij er in de opstande- 
lingen te verslaan en de rust in het gewest tijdelijk te her- 
stellen. Aan enkele hoofden, en daaronder Hadji Wachia, was 
het echter gelukt naar de Lampongs te ontkomen om daar 
betere tijden af te wachten. 

Nog eenmaal komen wij terug op de uitspraak van Ver- 
meulen Krieger (blz. 92), dat het lichter is landen te ver- 
overen dan die met beleid en naar vaste beginselen te 
regeeren. Daaraan gedachtig, wenschen wij een oogenblik 
stil te staan b^ de gewichtige taak, die daarginds in onze 
Oost voor de burgerlijke ambtenaren is weggelegd. Op blz. 5 
wezen wij er op, hoe in de door ons veroverde gewesten de 
wagen van Staat van tijd tot tijd uit het spoor geraakt, maar 
ons dapper indisch leger dan ook altijd gereed is om het 
civiel gezag weer op het rechte pad te helpen. Dit moeten 
echter, zal het goed zijn, uitzonderingen blijven. Regel behoort 
te zijn, dat het Indisch Gouvernement steeds mannen tot zijn 
dienst heeft, die, volgens de in het Regeerings- Reglement 
neergelegde beginselen, het bestuur zoo weten te voeren, dat 
Hoofden en volken geen aanleiding vinden om zich ontevreden 
te betoonen. De vraag, wie tot ambtenaren bij het zoogenaamd 
Binnenlandsch'Bestuur benoemd werden, is dus lang geene 
onverschillige. Hoewel het onder de Oost-Indische Compagnie 
niet aan aanschrijvingen ontbrak om den Inlander goed te 
behandelen, eerbied voor diens gewoonten en instellingen te 
betoonen, werd er toch op het gehalte der „dienaren" weinig 
of niet gelet. Wie eenmaal op de rol was ingeschreven, kon 
tot de hoogste rangen opklimmen. Ook in den eersten tijd 
van 1800 maakte men zich daarmede niet druk. £e^t na 



111 



het herstel van het Nederlandsch gezag in Indië begon men 
een flauw begrip te krijgen van de noodzakelijkheid, dat ook 
de ondergeschikte ambtenaren in alle opzicht voor hunne taak 
berekend behoorden te zijn. Het duurde echter nog tot het 
jaar 1837 vóór men tot het besef kwam, dat de kennis van 
land en volk iemand niet komt aanwaaien, maar aangeleerd 
meet worden. Er werd toen n.1. te Soerakarta een Instituut 
opgericht, echter nog meer met het hoofdzakelijk doel om 
toekomstige ambtenaren in de gelegenheid te stellen zich met 
de Javaansche taal vertrouwd te maken. Deze inrichting is 
echter slechts kort in stand gebleven. 

Zoo stonden de zaken, toen in 184B de toenmalige Minister 
van Koloniën het radikaal besluit nnm, dat voortaan niemand 
tot ambtenaar bij de Rechterlijke Macht of het Binnenlandsch 
Bestuur in Indië zou worden benoemd, die niet zijne opleiding 
aan de Delftsche Academie, welke gedeeltelijk in eene Indische 
Inrichting herschapen was, ontvangen had. Onder de Euro- 
peesche bevolking van Indië wekte dit besluit de diepste ver- 
ontwaardiging. In Mei 1848 gaf het zelfs aanleiding tot eene 
monstermceting te Batavia, de zoogenaamde „Politieke Ver- 
gadering", welke echter voor het oogenblik geen ander gevolg 
had, dan dat een der hoofdmannen, de bekende Dr. Van Hoëvell 
zich genoodzaakt zag Indië te verlaten. De stoot was intusschen 
gegeven en wij zullen later zien tot welke veranderingen en 
verbeteringen hij ten slotte aanleiding gegeven heeft. 

De meer. liberale beginselen die zich in dezen tijd begonnen 
te doen gelden, misten ook in Holland op Koloniaal gebied 
hunne uitwerking niet. Hun invloed sprak zich reeds uit in 
de Grondwet van 1848, waarbij aan de Staten-Generaal een 
grooter aandeel in het beheer van 's lands bezittingen en 
koloniën werd toegestaan. Van belang was ook de daarin 
opgenomen bepaling, dat de Reglementen op het beleid der 
Regeering in Neêrlandsch-Indië voortaan door de Wet zouden 
worden vastgesteld. De beteekenis hiervan trad duidelijk in 
het licht bij het nieuw ontworpen Regeerings-Reglement van 
1854, waardoor wel niet aan alle eischen der nieuwe 



112 

begrippen werd voldaan, doch dat niettemin voldoende voor- 
schriften bevatte, ten bewijze dat het Indisch Scliip van Staat 
een ander vaarwater was binnengeloodst Inzonderheid wgzen 
wij op de artikelen, die betrekking hebben op de Oouvernements- 
cultures, de heerendiensteii, het onderwijs, enz., waaruit het 
ernstig streven spreekt om in onze koloniale huishouding ook 
het weUfjn van den Inboorling niet uit bet oog te verliezen. 
Na deze korte uitweiding vervolgen wij den draad van ons 
verhaal. Onder het bestuur van Rochussen en diens opvolger 
Mr. Aibertus Jacob Duymaer 
van Tmst{\S&V~- 1856), bleef 
de mst op Java vei'der zoo 
goed als ongestoord voort- 
duren, wat aan beide Land- . 
voogden gelegenheid schonk 
om een bezoek aan de Buiten- 
bezittingen te brengen. In de 
Vorsten landen was de na- 
werking van den Java-oorlog 
nog altijd zoo gi'oot, dat 't 
schier als eene gewone ge- 
beurtenis beschouwd werd, 
toen in 1864 de Sultan van 
Djokjokarta door diens broe- 
Van Twist. jjg,. ^dipati Mangkoe Boemi, 

onder den titel van Amangkoe 
Boewana VI, werd opgevolgd. Even kalm ging het in 1858 
te Soerakai-ta toe, waar op dat tijdstip een nieuwe Soesoehoenan, 
Pakoe Boewana VIII, den troon zijner vaderen beklom. Ook 
op bet naburige Madoera kon in Januari 1855 de derde 
Panembahan van Soemenap zonder cenig politiek bezwaar 
worden geïnstalleerd. Nog eens, Java genoot een ongekende 
rust. Alles bukte en boog daar voor de Hooge Regeering te 
Batavia, de opvolgster van de „Koempani", gelijk zij toen nog 
bij voorkeur door de Inlandei-s genoemd werd. Alleen woelde 
onder zijnen bodem nog altyd het vuur van tal van vulkanen 



113 



en daarboven — de nooit getemde Islam, die niet ophield 
van uit Mekka zijne kampvechters naar het groote eiland af 
te zenden. De vorige Regeeringen waren hiervoor niet blind 
gebleven. Vandaar in 1826 het besluit, dat ieder die de 
pelgrimsreis naar de heilige stad der mohamedanen verlangde 
te ondernemen, zich daarvoor tegen betaling van ƒ 110 een 
pas behoorde aan te schaffen. Het Gouvernement hoopte door 
dezen maatregel het getal hadjh tot een minimum te be- 
perken. Sedert was die bepaling van kracht gebleven. Zoodra 
echter in Indië meer vrijzinnige begrippen gehuldigd werden, 
duurde het niet lang of men oordeelde de beperking in strijd 
met het beginsel van godsdienstvrijheid en aarzelde de 
Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist niet haar af te 
. schaffen. Het gevolg was, dat het aantal bedevaartgangers 
onmiddellijk toenam, waarmede als vanzelf eene verhoogde 
godsdienstige beweging onder de bevolking gepaard ging, 
welke A^ 1855 in Bantam en A^ 1859 in de Preanger-Regent- 
schappen tot eenig verzet aanleiding gaf. 

Vóór wij Java verlaten, een paar bijzonderheden, die nu wel 
niet strikt genomen tot de geschiedenis behooren, maar toch 
voor ons koloniaal beheer van genoegzaam belang zijn om 
hier vermeld te worden. Terwijl, zooals wij reeds te kennen 
gaven, de gedwongen cultures langzamerhand weer werden 
ingekrompen, had in het jaar 1854 de invoering plaats van de 
kinateelt, die ook wel voor Gouvernementsrekening zou ge- 
schieden, maar op hooggelegen bosch- en woeste gronden, niet 
tot eenige desa behoorende en, wat vooral dé nieuwigheid was, 
door vrijwillige arbeiders. De resultaten hebben, zooals de lezer 
weten kan, de verwachting overtroffen. Voor het jaar 1895 
vinden wij de bate voor 's lands schatkist op niet minder dan 
f 120.000 geschat. Sedert hebben zich ook particulieren met 
den aanplant van kina beziggehouden. Deze kostbare plant 
deed haren intocht in den Archipel ongeveer een jaar nadat 
te Batavia de eerste Tentoonstelling van voortbrengselen der 
natuur mitsgaders van landbouw en nijverheid gehouden was. 

In het jaar 1856 kwam de eerste telegraphische verbinding 

8 



116 



op Java tot stand en wel tusschen Batavia en Buitenzorg. 
Sedert is dit eiland door een net van telegraaf-draden 
overdekt geworden, terwijl geleidelijk ook verbindingen met 
Soematra, Soematra — Europa eenerzijds en met Australië ander- 
zijds, zijn tot stand gekomen. De jongste verbinding is die 
tusschen Java — Mangkasar, via Boelèlèng. De vraag in hoe- 
verre deze vernietiging van afstanden in elk opzicht een zegen 
voor het administratief en staatkundig beheer onzer Bezittingen 
kan worden genoemd, zou het onderwerp eener afzonderlijke 
studie kunnen uitmaken. Volgens sommigen werkt zij schadelijk 
op de zelfstandigheid der ambtenaren, die vaak met andere 
menschenkinderen gemeen hebben, dat zij ongaarne de ver- 
antwoordelijkheid van ingrijpende maatregelen dragen en die 
liever aan anderen overlaten. 

Eene niet minder nuttige verbinding was reeds in 1850 tot 
stand gekomen, toen de Indische Regeering met den heer 
W. F. A. Cores de Vries te Soerabaja eene overeenkomst 
aanging voor het onderhouden eener geregelde stoomvtmrt- 
gemeenschap in den Indischen Archipel. Jaren lang heeft het 
kantoor van genoemden heer op voortreffelijke wijze in den 
dienst tusschen de voornaamste plaatsen in Indië voorzien. 
Later is de concessie overgegaan op de Indische SioomvaarU 
Maatschappij, totdat nu in 1891 de Indische Pakketvaart in 
werking trad, welke eene overeenkomst met de Regeering 
gesloten heeft, ten gevolge waarvan op het oogenblik tot zelfs 
de meest afgelegen streken van den Archipel geregeld door 
een stoomschip bezocht worden. Om den lezer een denkbeeld 
te geven van de bedrijvigheid, welke sedert het vergaan in 
1837 van de stoomboot „Willem P door het stoomweze^ in 
de Indische wateren is ontstaan, deel en wij hier alleen mede, 
hoe tegenwoordig, behalve door de talrijke vloot van laatst- 
genoemde Maatschappij, nog geregeld door ongeveer zestig 
stoomschepen, onder verschillende vlag, de gemeenschap tusschen 
de eilanden in den Archipel onderhouden wordt. 

In het belang van den handel werd in het jaar 1846 Mang- 
kasar en twee jaren later Menado met Kema tot vrijfiavens 



116 



verklaard, terwijl in 1854 het, wij zouden haast zeggen on- 
gehoorde feit plaats greep, dat AmboUy Banda, Ternate en 
Kajéli (op Boeroe) zich voor den vrijen handel zagen open- 
gesteld. Aan de totale vernietiging van het monopolie-stelsel 
der vaderen ontbrak nu nog slechts de opheffing van de ge- 
dwongen levering van specerijen op de Banda-groep, die dan 
ook later (1863) gevolgd is.* 

Ten bewijze hoe Indië, nadat het de kluisters van dat 
monopoliestelsel heeft afgeworpen, zich langzamerhand, om 
't zoo te noemen, tot een wereldstaat is gaan ontwikkelen, 
teekenen wij hier nog even aan, dat in het jaar 1856 voor 
het eerst vreemde Consuls daarginds werden toegelaten. 
Thans, na veertig jaar, zijn, met Amerika, de meeste rijken 
van Europa, en zoo ook China, Japan. Siam, enz. door Consuls- 
Generaal, Consuls en Agenten te Batavia en elders vertegen- 
woordigd. 

Dat men in Holland met klimmende belangstelling de ver- 
anderde toestanden in Indië gadesloeg, behoeft wel geen op- 
zettelijke vermelding. Inzonderheid ontwaakte hier de zucht 
naar meerdere kennis van Neerland's twaalfde provincie, wier 
schatten nog altijd het moederland bleven toestroomen, doch 
omtrent wier hulpbronnen, bevolking, enz., men nog slechts 
gedeeltelijk op de hoogte was. Als een uitvloeisel van dat 
verlangen beschouwen wij, onder meer, de oprichting in 1851 
van het Koninklijk Instituut voor de Taal-y Land- en Volken- 
kunde van Neêrlandsch-Indiëj dat sedert onafgebroken en op 
de meest loffelijke wijze op dit terrein is werkzaam geweest. 
In de lange reeks van „Bijdragen" en „Afzonderlijke Werken*^ 
vindt de belangstellende lezer een schat van wetenswaardig- 
heden over Insulinde, dat nog altijd de trots van het kleine 
Nederland uitmaakt. 

Thans wordt onze aandacht weer gevraagd door de Buiten- 
hezittingen, waar het in deze periode vrij onrustig toeging. 
Onrustig in tweeërlei opzicht. In de eerste plaats denken wij 
ook hier alweer aan de vele vulkanische uitbarstingen, die 
alom schrik en ontsteltenis te weeg brachten. In het jaar 



117 



18B2 werd o. a. Banda daardoor grootendeels verwoest, terwijl 
de eruptie van den vuurberg Awoe op het eiland Groot-Sangi 
(1856) zoo hevig was, dat zij door die van het jaar 1892 
nauwelijks overtroffen werd. Eveneens had Ternate het in 1856 
zwaar te verduren gehad. Maar ook boven den grond woelde 
het schier alom. 

Allereerst op Soematra, Neerland's toekomstige glorie, waar 
echter in 1853 de vreeselijkste aller ziekten, de Cholera^ haar 
intrede had gedaan om er zich, gelijk op Java, voor goed te 
vestigen. Na het jaar 1840 (blz. 92) waren de onzen niet meer 
in directe aanraking met Atjeh geweest. Zoolang echter 
slavenhandel en zeeroof in de wateren van Noord-Soematra 
bleven voortduren, kon de Indische Regeering niet altoos de 
oogen gesloten houden. Daarvoor zorgden trouwens ook de 
Engelschen wel, wier klachten voor en na gehoord werden en 
in 1864 het Gouvernement deden besluiten een schip naar 
Atjeh te zenden om er onze vlag te vertoonen en den Sultan op 
een en ander opmerkzaam te maken. Alaoe^dJdin ManUoer Sjah 
ontving echter onze gezanten zoo onheusch, dat het veel op 
eene beleediging geleek. Zijne houding veranderde intusschen, 
toen in 1866 een grooter oorlogschip, het fregat „Prins 
Hendrik" op zijne reede verscheen. Zelfs liet hij zich toen 
bewegen tot het schrijven van eenen brief aan den Gouverneur- 
Generaal, waarin de onzen tot het sluiten van een traktaat 
werden uitgenoodigd. Hoewel men er te Batavia niet on- 
kundig van bleef, dat de slimme Sultan tegelijkertijd eene 
missive naar Singapoera had afgezonden, waarin hij bij zijne 
Engelsche vrienden om raad aanklopte, werd toch in 1867 de 
toenmalige Gouverneur van de Westkust Van Swieten naar 
Atjeh afgevaardigd om over een dergelyk Traktaat van vrede, 
vriendschap en handel te onderhandelen. De overeenkomst 
kwam nu werkelijk tot stand en in Holland achtte men haar 
van zooveel gewicht, dat haar in de Bijlagen van de Neder- 
landsche Staats-Courant een plaats werd ingeruimd. Dat Atjeh 
daarin echter als eene van ons onafhankelijke mogendheid 
optrad, was iets dat misschien aan veler aandacht ontsnapte, 



118 



doch voor de ingewijden eene profetie van toekomstige ver- 
wikkelingen wezen moest. Generaal Yan Swieten had dan 
ook niet zijn laatste bezoek aan den vorstelijken Eraton 
gebracht! 

Konden de Atjehneezen ons moeilijk vergeven, dat wij hen 
van de Westkust verdrongen hadden (blz. 92), hunne ver- 
bittering kreeg nieuw voedsel in hetzelfde jaar 1857, toen de 
Indische Regeering genoodzaakt werd zich in de zaken te 
mengen van het rijk Siak, op de Oostkust, in welks onder- 
hoorigheden Atjeh reeds sedert lang rechten had doen gelden, 
die nu door eene overeenkomst tusschen het Gouvernement 
en den Sultan Siak Sri Indrapoera ernstig bedreigd werden. 
Aanleiding tot dit optreden onzerzijds gaven de handelingen 
van zekeren Engelschman Wilson, die als bondgenoot van den 
Sultan tegen diens broeder was opgetreden en nu tot be- 
looning voor den bewezen dienst eischen had gesteld, wier 
inwilliging een tweeden Badja Brooke (blz. 96) van hem zou 
hebben gemaakt. Dit ging echter den Sultan te ver, waarom 
deze zich tot de Indische Regeering wendde, met dit gevolg 
dat Siak nogmaals en nu voor goed de Nederlandsche Sou- 
vereiniteit erkende. 

De James Brooke's verrezen als uit den grond. In het ons 
bekende rijk Djambi trad als zoodanig op de Amerikaan 
Walter Gibson, die echter eveneens zijne grootsche plannen 
in rook zag verdwgnen. Intusschen had zijne verschijning 
het Indische Gouvernement eene gewenschte aanleiding gegeven 
om zich nog eens weer in de zaken van Djambi te mengen. 
Toen echter elke poging onzerzijds om den in 1855 opgetreden 
Sultan Batoe Jahja Tsafioe^d^din tot erkenning van de Neder- 
landsche Souvereiniteit te bewegen, op diens onwil afstuitte, 
waren wij voor onze eer verplicht de beslissing aan de wapenen 
over te laten. Eene in 1858 onder den Majoor Van Langen 
uitgezonden expeditie slaagde naar wensch. Op den 6®^ Sep- 
tember van dit jaar trokken onze troepen den hardnekkig 
verdedigden kraton binnen. Tsafioe'd'din gevlucht zijnde, werd 
diens oom Nasroe'cPdin tot Sultan aangesteld en aan dezen 



li§ 



van Gouvernementswege een ambtenaar met den titel van 
Politiek Agent toegevoegd. 

Ons laatste optreden in Palembang (blz. 42) scheen niet 
voldoende geweest te zijn om den weerspannigen Rijks- 
bestierder geheel tot inkeer te brengen. Zooveel is zeker, dat 
hij sterk verdacht werd de hand te hebben gehad in de 
onlusten, welke Ao. 1861 eene nieuwe expeditie naar de 
binnenlanden noodig maakten. Voornaamste hoofd van den 
opstand was een zekere Tyang Alam, die onze troepen tot 
in 1856 wist bezig te houden. Ten laatste gaf hij zich in 
onze handen over, waarop hij naar Java werd verbannen, 
waarheen de Rijksbestierder hem reeds was voorgegaan. 

In de Lampongsche Districten had zich Raden Intan, zoon 
van den in 1834 verbannen Raden Imba Koesoema (blz. 34), 
met den ons bekenden Bantammer Hadji Wachia, (blz. 110) 
verbonden om de bevolking tegen het Gouvernement op te 
zetten. Ook hier kon alleen een snel en krachtig optreden 
onzerzijds grooter onheil voorkomen. In Juli 1856, kort na 
het optreden van den Gouverneur- Generaal Charles Ferdinand 
Pahud (1856 — 1861), werd dan ook een expeditie onder den 
Kolonel J, A. Waleson naar de Lampongs gezonden, welke 
er in slaagde de hand op de voornaamste muiters te leggen, 
waarop de onderwerping der overigen spoedig volgde. 

In het eigenlijk Gouvernement van Soematra^s Westkust bleef 
de rust sedert bewaard. Alleen moesten een paar malen kleine 
expeditie's worden uitgezonden naar de Bataksche Grenslanden, 
waar de bevolking zich moeielijk in de nieuwe toestanden 
kon schikken. Tot dit Gouvernement behoorde toen reeds het 
eiland Nias, waar sedert het jaar 1818 een Nederlandsche 
Posthouder gevestigd was. Hadden de Atjehneezen den naam 
van geregeld slavenhandel op de eilanden langs de Westkust 
te drijven, het was vooral op Nias waar zij steeds hun 
grootsten voorraad opdeden, waarbij enkele inlandsche Hoofden 
hun trouw de behulpzame hand boden. Aangezien alle pogingen 
van het Gouvernement om aan dien handel een einde te maken, 
vruchteloos bleven, besloot Generaal Van Swieten in 1866 tot 



120 



krachtiger maatregelen over te gaan. De alstoen onder 
Majoor Crena uitgezonden troepenmacht slaagde er echter 
niet in, de weerspannige Hoofden tot onderwerping te brengen. 
Later zagen de onzen zich zelfs genoodzaakt, ook tengevolge 
van ziekten onder het achtergelaten garnizoen, zich tijdelijk 
van Nias terug te trekken. 

Bij de opheffing van het Sultanaat in Palembang was ook 
het tinrgke Bangka aan het Gouvernement vervallen, dat zich 
haastte de exploitatie van dat kostbaar produkt geheel aan 
zich te trekken. Zooals de lezer weet, heeft de mijnontginning 
op dit eiland sedert onafgebroken voor rekening van den 
lande plaats gevonden en mag zij nog altijd een der rijkste 
bronnen van inkomsten genoemd worden. De jaarlijksche op- 
brengst toch bedraagt steeds gemiddeld 110.000 pikoel, wat 
een netto ontvangst van ruim twee en een half millioen gulden 
vertegenwoordigt! In het jaar 1848 werden onze belangen 
hier zeer geschaad door eenen opstand, verwekt door zekeren 
Amir^ zoon van den moordenaar van Resident Smissaert (blz. 
43), die onze troepen ruim twee jaren wist bezig te houden, 
doch toen gevangen genomen en naar Timor verbannen werd. 
Sedert is de bevolking hier rustig gebleven. 

Dat ook het naburige eiland Bditoeng onmetelijke schatten 
van tinerts in zijnen grond bevatte, was ontsnapt aan de 
loerende blikken van de mannen van Jan Compagnie. Ook in 
de eerste jaren na 1800 dacht niemand er aan, dat daar onder 
dien dorren bodem voor millioenen waarde lag opgestapeld. 
Het fraaiste van de zaak was echter dat, toen in het jaar 
18B0 Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Hendrik en Baron 
Van Tuyl, door een stukje tin in het museum van het Batavi- 
aasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen op Beli- 
toeng opmerkzaam gemaakt, concessie voor de ontginning van 
het eiland hadden aangevraagd, de uitgezonden deskundige 
met het bericht terugkwam, dat er geen tin aanwezig was be- 
vonden. Gelukkig werd men spoedig beter ingelicht. In het 
jaar 1860 ging de verleende concessie over op de toen op- 
gerichte naamlooze vennootschap, de „Billiton-Maatschappij", 



121 



welke sedert hare aandeelhouders rijk gemaakt en aan het 
Gouvernement eene niet onbelangrijke bate bezorgd heeft. 
Volgens de jongste overeenkomst geniet 's lands schatkist 
62.B pCt. van de winst, wat gemiddeld op een half millioen 
's jaars kan worden geschat. 

In de Residentie Riouw kregen de onzen het opnieuw te 
kwaad met den Sultan, die in 1855 en later in 1857 zich 
zonder voorkennis van het Gouvernement naar Singapoera 
begaf en ook in andere opzichten zich niet ontzag de bepalingen 
van het met hem gesloten traktaat te schenden. In. laatst- 
genoemd jaar werd hij daarom van den troon vervallen ver- 
klaard en zijn oom, Solejman Badaroe'l Alam Sjah, tot Sultan 
aangesteld. De onttroonde Vorst nam daarop de wijk naar 
Soematra's Oostkust, waar hij zich met eene bende Soeloesche 
zeeroovers verbond om vijandelijkheden tegen de Nederlanders 
te bedrgven. Hij en zijne handlangers, waartoe ook de Vorst 
van het landschap Reteh behoorde, werden echter spoedig 
door onze zeemacht tot rede gebracht. Hetzelfde had in 1866 
plaats gehad met de Chineezen op de Battam-eilanden (Riouw), 
onder wie oproerige bewegingen ontstaan waren. 

Van meer ernstigen aard was de rustverstoring op de 
Westkust van Borneo. Reeds vroeger wezen wij er op, hoe 
hier in dit gedeelte onzer bezittingen door het brutaal optreden 
der Chineesche mijnwerkers toestanden geboren waren, waarin 
straks alleen door een bloedbad verbetering zou kunnen worden 
aangebracht. Aangezien dit oproerig volk zich noch aan 
mondelinge noch aan schriftelijke overeenkomsten stoorde, zag 
de Indische Regeering zich in 1854 genoodzaakt eene talrijke 
troepenmacht naar Borneo uit te zenden. Dit was het begin 
van eenen langduiïgen en hoogst ernstigen strijd, waarin 
bekende aanvoerders als Andresen, De Brabant en anderen 
zich zeer verdienstelijk maakten, doch waarin opnieuw het 
bewijs geleverd werd, hoe gevaarlijk het kan worden als men 
zijnen vijand te licht acht. De Chineezen verweerden zich 
uiterst dapper. Zij ontleenden hunne kracht hoofdzakelijk aan 
de onder hen bestaande geheime genootschappen, waaronder 



122 



het zoogenaamde Sam Tjam Foei of ^Drievingeren- verbond" 
vooral op den voorgrond trad. Alleen door een toeval kwamen 
de Hollanders in het bezit van de statuten en de ledenlijst 
van dit verbond, waardoor zij in staat gesteld werden, vriend 
van vijand te onderscheiden en zich straks van de brandpunten 
van het verzet meester te maken. Het duurde echter nog tot 
het jaar 1857, vóór gezegd kon worden dat het verzet der 
Chineezen gebroken en de rust in de door hen bewoonde af- 
deelingen hersteld was. Nadat nu ook nog in 1859 eene op- 
roerige beweging onder de Maleiers en Dajaks in Sintang 
door de troepen van Overste Nauta onderdrukt was, kon het 
Gouvernement er aan gaan denken het administratief beheer 
van Borneo's Wester-Afdeeling op hechte grondslagen te 
vestigen. 

Zoo zien wij het Nederlandsche gezag op de groote en 
kleine eilanden van den Archipel langzaam maar zeker voort- 
schrijden, steeds voorafgegaan door do bajonetten onzer 
troepen, wier hulp ook na dezen onophoudelijk door het civiel 
bestuur zal worden ingeroepen. En als wij hier nogmaals een 
woord van hulde brengen aan ons dapper Indisch leger, op 
31 December 1895 saamgesteld uit 16300 Europeanen, 56 
Afrikanen, 2800 Amboneezen en 19400 Javanen, Madoereezen, 
Boegjneezen, Menadoneezen, Maleiers en Alfoeren, dan ver- 
geten wij daarbij onze zeemadd niet, die nooit op het appèl 
ontbreekt om haar deel van de behaalde triomfen op te vra- 
gen. Wat Indië aan haar te danken heeft, daarvan kunnen 
ook de zeeroovers getuigen, die, in den tfld waarover wij 
boven handelden, nog altijd voortgingen, soms met geheele 
flotilles gelijk in 1855, den Archipel te bezoeken, maar bij 
menige gelegenheid moesten ondervinden, dat er met de Ne- 
derlanders „te water" al evenmin als met de Nederlanders 
„te land" te spotten viel. 

Voortgaande met ons overzicht van de Buitenbezittingen, 
zouden wij onze lezers thans moeten voeren naar Bandjarmasin 
en Mangkasar, in welke laatste plaats in Maart 1855 de Gou- 
verneur Van dei' Hart door moordenaarshanden gevallen was. 



123 



Aangezien echter de van hier te vermelden gebeurtenissen 
deels vóór, deels na 1860 spelen, willen wij de bespreking er- 
van liever tot een volgend hoofdstuk uitstellen. Wij hebben 
trouwens voorloopig genoeg wapengekletter vernomen. Het 
wordt tijd ons met vreedzamer zaken bezig te houden. 

De thans door ons behandelde periode loopt van 184B 
tot 1860. Schitterender slot laat zich voor de geschiedenis 
der Nederlanders in den Archipel wel niet denken, dan wat 
daar op den eersten Januari van laatstgenoemd jaar plaats 
vond. Op dien dag toch werd alom het Koninklijk besluit in 
werking gebracht, waarbij de slavernij in Nederlandsch-Indië 
was afgeschaft. Dat men tijdens het bestaan der Oost- 
Indische Compagnie den handel in slaven als iets zeer ge- 
oorloofds beschouwde, de Hooge Regeering te Batavia zonder 
blikken en blozen overeenkomsten met Aziatische Vorsten 
aanging voor de levering van soldaten en huisbedienden, 
moet geschreven worden op rekening van eenen tijd, 
waarin voor onze tegenwoordige begrippen van broeder- 
liefde en menschenmin geen plaats was. Verwondering mag 
het echter baren, hoe ook na 1800 en niettegenstaande de 
lessen ons door de Engelschen gegeven, zich zoo weinig stem- 
men verhieven tegen eenen handel, die al zeer slecht strookte 
met den naam van „Christelijke natie", op ander gebied zoo 
vaak en zoo gaarne door ons volk in de weegschaal geworpen. 
Dat de slavernij echt oostersch was, dat zij geheel en al past 
in de huishouding der millioenen Aziaten, over wie zich ons 
gezag uitstrekte, en dientengevolge hare instandhouding ons 
niet schaden kon in de achting der aan ons onderworpen 
stammen, moge waar zijn. Daartegenover staat en stond 
echter de achting voor onszelven, die wij eenvoudig met voeten 
getreden hebben door toe te laten, dat onder het oog der 
Regeering en met hare toestemming natuurgenooten als gewone 
koopwaar van de eene hand in de andere overgingen. En 
zulks tot het jaar onzes Heeren 1860 toe ! Deed het ons vader- 
landslievend hart goed telkens en telkens op roemrijke daden 
onzer voorgangers in den Archipel te mogen wgzen, hier staan 



124 



wij weer voor een van die donkere vlekken, waarvan de 
historiebladen onzer verrichtingen aan gene zijde van den 
Oceaan niet vrijgebleven zijn 

Doch, waartoe geklaagd. Nadat reeds in het Regeerings- 
Reglement van 1854 bepaald was, dat uiterlijk op den 1®^ 
Januari 1860 de slavernij in geheel Nederlandsch-Indië zou 
zijn afgeschaft en maatregelen „tot voorbereiding en geleide- 
lijke trapsgewijze uitvoering van die afschaffing" waren voor- 
geschreven, brak eindelijk de heugelijke Nieuwjaarsdag aan, 
waarop het Koninklijk woord door den Archipel weerklonk en 
het mardaheïka (vrö) de harten van duizenden en nog eens 
duizenden in dankbare beweging bracht. Dat hiermede niet op 
eenmaal aller banden verbroken waren, lag ditmaal niet aan 
het Gouvernement, maar aan de omstandigheid, dat zijn direct 
gezag zich slechts over een gedeelte van den Archipel uit- 
strekte en Neerlandsch-Indië binnen zijne grenzen tal van 
inlandsche Vorsten had aan te wijzen, die in het zelfbestuur 
over hun gebied gelaten waren en voor wie dus het Konink- 
lijk besluit geen bindende kracht had. Inmiddels lag het op 
den weg der Indische Regeering om door overreding als anders- 
zins ook die potentaten voor de zaak te winnen en te harer 
eere zij gezegd, dat zij onvermoeid in die richting is werkzaam 
geweest. Dank zij haar streven werd de slavernij sedert in 
het Gouvernement van Soematra's Westkust (1876), in Djam- 
brana op het eiland Bali (1877), in het Sultanaat van Bat jan 
(1878), in Tidore en Ternate (1879) en in het landschap Boe- 
lèlèng (1884) voor goed opgeheven en te verwachten is dat 
zij ook elders spoedig tot de geschiedenis zal behooren. 

Geen slaven meer onder de Insulaners, maar Chistenen 
van hen gemaakt, die zich met ons verheugen mogen in al 
de zegeningen door het Evangelie over de menschheid ge- 
bracht! Ziedaar op het oogenblik de leuze van duizenden 
onder onze landgenooten, naar wier oordeel Nederland door 
het verwaarloozen der geestelijke belangen van den Inboorling 
eene schuld op zich geladen heeft, die wij, erfgenamen van 
die rijke wingewesten, hebben af te doen. Het is hier de 



125 



plaats niet na te gaan, wat vóór 1800 door onze vroede en 
vrome voorvaderen gedaan is om de Indianen, gelijk men ze 
toen noemde, met de Christelijke religie bekend te maken. 
Van hoogerhand geschiedde daarvoor niet bijster veel. Waar 
hier en daar, inzonderheid in de „Groote Oost" gedoopt werd 
en men pogingen zag aangewend om de jeugd in de beginselen 
van den gereformeerden godsdienst te onderwijzen, ging dit 
hoofdzakelijk uit van particulieren, predikanten, catechiseer- 
meesters en krankbezoekers, onder wie er enkelen geweest 
zijn, die zich op dit gebied werkelijk verdienstelijk gemaakt 
hebben. Eerst tegen het einde van de 18® eeuw begon zich 
in ons vaderland het streven te openbaren om de bekeering 
der Inlanders met kracht en meer stelselmatig ter hand te 
nemen. Eene eerste vrucht was de oprichting in 1797 van 
het Nederlandsch Zendeling-G enootschap, dat kort geleden zijn 
honderdjarig bestaan vieren mocht en, om dit hier niet onver- 
meld te laten, met dankbaarheid en rechtmatigen trots op 
eenen rijk gezegenden arbeid kan terugzien. Staat daar niet 
zijn alom geroemde, schier geheel gekerstende Minahassa van 
Menado daar als een monument van wat de christelijke liefde 
in het verschroeid tropenland heeft weten tot stand te brengen ? 
Met dat al, voor wat men tegenwoordig onder de „Zending" 
verstaat, scheen de ware tijd nog niet aangebroken. De meer 
algemeene deelneming openbaarde zich eerst vijftig jaren later, 
toen genootschap op genootschap opgericht en zendeling op 
zendeling werd uitgezonden om daarginds onder mohamedanen 
en heidenen het Christendom te prediken. Natuurlijk ontbraken 
de tegenstanders niet. Ook de Indische Regeering stak hare 
weinige ingenomenheid met de zending niet onder stoelen of 
banken. De vrees, dat de „verlichting" en „beschaving" van 
den Inboorling ons gezag in gevaar zouden brengen is lang 
het stokpaard geweest, waarop de bestiijders van de „zende- 
lingen" gereden hebben. Eerst in den laatsten tijd, nu niemand 
meer de oogen kan sluiten voor de resultaten in de Mina- 
hassa, in Modjo- Warno op Java en andere plaatsen verkregen, 
is eene kentering in dezen ingetreden. Ook bij hoogerhand 



126 



begint de vooringenomenheid voor waardeeiïng plaats te 
maken. 

Om den lezer een overzicht te geven van wat er in onzen 
tijd in Indië op het gebied van den Christelijken godsdienst 
verricht wordt, laten wij hier eenige officieële opgaven volgen. 
Zooals bekend is, vormen de verschillende in Indië vertegen- 
woordigde Protestmitsche gemeenten één kerkgenootschap, welks 
predikanten door den Koning benoemd worden, terwijl het 
algemeen beheer aan een te Batavia gevestigd College onder 
den naam van Bestuur der Profestantsche kerkert in Nederlandsch- 
Indië is opgedragen. Het aantal predikantsplaatsen bedraagt 
op het oogenblik 39. Sedert het jaar 1870 stelt het Gouver- 
nement voor den dienst in de talrijke, voornamelijk in de 
Minahassa en de Molukken gevestigde inlandsche gemeenten 
etiropeesche hulppredikers aan, van wie er thans 26 in functie 
zijn. Hoe uitgebreid sommiger werkkring moet wezen, blijkt 
genoegzaam, als men slechts weet, dat de aan hunne zorgen 
toevertrouwde gemeenten te zamen ruim 260.000 zielen tellen. 
Daarnaast staan de eigenlijke zetidings-gemeenten^ zooals die 
op Java^ Soematra (Bataklanden), Nias, de Zuid- en Ooster- 
af deeling van Borneo, de Sangi- en Talaöer-eilanden, Halma- 
heira, Nieuw-Guinea, Timor en elders worden aangetroffen en 
wier aantal, groot en klein, 437 (waarvan 136 op Java) be- 
draagt. Op 31 December 1895 waren in den Archipel honderd df 
Zendelingen (Hollanders en Duitschers) werkzaam, terwijl de 
door hen en hunne inlandsche helpers bediende gemeenten 
bijna 120.000 zielen sterk waren. Eerbiedwaardige cijfers 
voorzeker, die echter geheel in 't niet verdwijnen als men 
daartegenover stelt, dat alleen Java met zijn 180ÖD chris- 
tenen 'door ruim 25.500.000 inlanders bewoond wordt! 

Ook de Boomsch-Katholieke Kerk, die veel meer dan de 
Protestantsche onafhankelijk is van de Regeering, 'heeft in 
Indië hare pastoors en missionarissen. Door den Paus wordt 
een Bisschop in partibus infidelium benoemd, die tevens pastoor 
van Batavia is en als pauselijk vicaris de mindere geestelijken 
benoemt, verplaatst en ontslaat. In het geheel zijn op het 



127 



oogenblik in den Archipel werkzaam: 14 pastoors, 11 onder- 
pastoors, 17 hulppriesters en 7 missionarissen. Het aantal 
Europeanen dat den Katholieken godsdienst belijdt, bedraagt 
ongeveer 23000, dat der Inlanders 29000. De eigenlijke 
missionarissen zijn gevestigd te Singkawang (Westeraf deeling 
van Borneo), op Klein-Key, Timo7' en Soemba. 

Volgens Art. 128 van het Regeerings-Reglement moeten 
de Christen-leeraars, priesters en zendelingen voorzien zijn 
van eene door of namens den Gouverneur-Generaal te verleenen 
bijzondere toelating, om hun dienstwerk in eenig bepaald ge- 
deelte van Nederlandsch-Indië te mogen verrichten. 

Van de Zending in Indië sprekende, moet ook melding 
gemaakt worden van het A^. 1814 opgericht Nederlandsch- 
Bijbel-Genootschap, dat door zijne kostbare vertalingen van 
de Heilige Schrift in het MaUisch, Javaafisch, Soendaneesch, 
Mangkasaarschy Boegineesch, Bataksch enz. en taalkundige 
geschriften het werk der zendelingen veel vergemakkelijkt 
heeft. 

In Art. 125 van het meermalen aangehaald Regeerings- 
Reglement lezen wij, dat het Openbaar Ondenvijs een vooi*werp 
is van de aanhoudende zorg van den Gouverneur- Generaal. 
Dit brengt ons op het onderwerp OndermjSj waaromtrent wij 
hier in 't algemeen kunnen zeggen, dat daaraan tijdens de 
Oost-Indische Compagnie, gelijk ook in de eerste jaren van 1800 
al bitter weinig zorg besteed werd. In het jaar 1624 liet de 
Gouverneur-Generaal Cai*pentier te Batavia eene school voor 
europeesche en inlandsche kinderen bouwen, maar alles was nog 
zoo primitief ingericht, dat de resultaten ook bij grootere belang- 
stelling van den kant der ouders moeielijk iets konden te be- 
teekenen hebben. De in 1644 opgerichte Latijnsche school stierf 
uit gebrek aan deelneming. Zoo was en bleef het onderwijs in alle 
opzichten slecht. Dit moet in 't algemeen ook gezegd worden van 
wat in de Molukken en elders aan de „Indiaansche jeugd" geleerd 
werd. Het onderricht droeg hier een uitsluitend godsdienstig 
karakter en was er in 't geheel niet op ingericht om blijvende 
Vluchten voor de algemeene ontwikkeling der leerlingen te 



128 



dragen. Eerst onder het bestuur van Kommissarissen-Generaal 
werd dit onderwerp met meer ernst ter hand genomen. De door 
hen gemaakte bepalingen, waardoor het onderwijs beter geregeld 
en het aantal scholen aanmerkelijk zou worden uitgebreid, 
zijn echter grootendeels krachteloos gemaakt door het „batig- 
slot" -systeem, dat, zooals wij zagen, jaren lang onze koloniale 
politiek beheerscht heeft. Zoo bleef dan ook de . zorg voor het 
onderwijs bewaard voor den „nieuwen" tijd, dien wij met het 
jaar 1850 over Indië zagen aanbreken. Nu zullen wij de 
laatsten zijn om te beweren dat de Indische Regeering al 
dadelijk met hart en ziel zich aan dit gedeelte harer taak 
gewijd heeft. De waarheid is, dat het openbaar onderwijs in 
Indië, zoo voor Europeanen als Inlanders, slechts langzaam, 
wij zouden haast zeggen: voetje voor voetje tot de hoogte 
gekomen is, waarop het thans staat. En die hoogte is nog niet 
bijster hoog. Inzonderheid is het inlandsch onderwijs ook na 
1854, gelijk wij ergens lezen, het stiefkind van het Indisch 
Gouvernement gebleven. Zooals de cijfers zullen uitmaken. 

Nog onder het bestuur van den Landvoogd Pahjid werd — 
September 1860 — te fiatavia het Gymnasium WiUem III 
opgericht, dat oorspronkelijk bestemd was tot vorming voor 
hooger onderwijs en tevens tot opleiding voor maatschappelijke 
betrekkingen. In het jaar 1867 is het echter in zooverre van 
karakter veranderd, dat het eenvoudig als eene Hoogere Bur- 
gerschool met vijfjarigen cursus werd ingericht, vereenigd met 
eene Afdeeling B, bestemd ter opleiding van ambtenaren bij 
het Binnenlandsch Bestuur. Sedert is ook te Semarang en te 
Soerabaja zulk een Hoogere Burgerschool tot stand gekomen. 
Verder heeft men te Batavia een H. B. S. met driejarigen 
cursus voor meisjes en eene Burger-avondschool te Soerabaja. 
Het aantal Gouvernements lagere scholen voor Europeanen 
bedraagt op Java 121, op de Buitenbozittingen 88^ te zamen 
met ± 14000 leerlingen. Daarnaast bestaan er nog 19 par- 
ticuliere scholen met 2900 leerlingen. Voor het onderwijs aan 
Inlanders vindt men op Java 391 Gouvernements- en particu- 
liere scholen (de laatste gedeeltelijk gesubsidieerd) en op de 



129 



Buitenbezittingen 744 (de Zendingscholen hieronder gerekend), 
respectievelijk met 576 16 en 66200 leerlingen. De onderwijzers 
voor de Gouvernementsscholen, tot deze categorie behoorende, 
worden voor hunne taak opgeleid op de Kweekscholen, zooals 
er een te Bandoeng, een te Probolinggo, een te Fort de Koek 
en een op Amhon aanwezig is. ^) Verder bestaan er nog op 
Java drie Gouvernementsscholen voor zonen van Inlandsche 
hoofden en eene dergelijke te Tondano (Menado), terwijl van 
particuliere zijde de bekende Depoksche school, de kweekschool van 
het Nederlandsch Zendeling-Genootschap en de kost- en dag- 
school voor dochters van Inlandsche hoofden en andere aan- 
zienlijken, beide te Tomohon (Menado) in aanmerking komen. 
Neemt men dit alles bij elkaar en weet men daarbij dat voor 
het Europeesch onderwijs drie en voor het inlandsch vyf 
inspecteurs met een gelijk aantal adjunct-inspecteurs zijn aan- 
gesteld, dan zou men geneigd zijn te zeggen, dat wij boven 
onbillijk waren in ons oordeel en er in Indië heel wat voor 
het onderricht aan de blanke en bruine jeugd gedaan wordt. 
De aangegeven cijfers zijn echter alleen mooi — in het 
Koloniaal Verslaag. Op den keper beschouwd, en vooral het 
aantal inwoners (32 millioen!) in aanmerking genomen, zijn 
zij als niets. De zaak nauwkeurig bekijkende, denkt men 
onwillekeurig aan een oostersch spreekwoord, waarbij het 
bekende Nederlandsche : „Al draagt een aap een gouden 
ring — het is en blijft een leelijk ding" gevarieerd wordt 
door: „Al steekt men een gewonen bamboestok in een scheede 
om hem voor eene piek te laten doorgaan — het is en blijft 
een bamboestok". 



^) De Kweekschool te Bandjarmasin is in 1891, die te FAèang-Sidem- 
poean in 1893 opgeheven, terwijl die te Mangkasar in 1895 tijdelijk 
gesloten werd. 



u 9 



ELFDE HOOFDSTUK. 



THANS onze op biz. 123 afgebroken reis langs de Buiten- 
bezittingen hervattende, komen wij het eerst in het rijk 
van Bandjarmasin, dat, zooals de lezer zich herinnert, een groot 
gedeelte van Zuid-Bomeo tot ver in de binnenlanden innam. 
Wij hebben het in onze schets tevens leeren kennen als den 
eenigen inlandschen Staat van beteekenis — Atjeh nog buiten 
bespreking gelaten — waarmede de mannen van Jan Kom- 
pagnie evenmin als hunne opvolgers nog reê hadden kunnen 
schieten. Thans zal echter ook zijne beurt komen. Bij ons 
laatste bezoek in 1825 vonden wij hier Sultan Adam aan de 
regeering, over het geheel een weinig beteekenend man, die, 
ouder geworden, aan den leiband liep van zijne vrouw Ratoe 
Kamalasari en het aan zijn hof voortdurend zoo druk had, 
dat er geen tijd voor hem overbleef om zich met de eigenlijke 
staatszaken bezig te houden. Onkundig van wat er buiten 
de hoofdplaats gebeurde, was hij geheel op de hoogte van 
de omstandigheid, dat er zich onder zijn oog drie partijen 
gevormd hadden, die als 't ware hunkerden naar zijnen dood 
en elk voor zich reeds een pretendent als troonopvolger 
gereed hielden. Officieel was als zoodanig aangewezen prins 
Tamdjid^iUah, die echter het ongeluk had van uit eene 
Chineesche moeder geboren te zijn en daarom bij velen geen 
genade vinden mocht. De groote meerderheid stemde voor 
's Sultans kleinzoon Hidajafoellah, die zich ook door persoonlijke 
eigenschappen gunstig boven zijnen half broeder en een derden 



131 



pretendent Praboe Anom, zoon van meergemelde Ratoe Kama- 
lasari, onderscheidde. Eene schoone gelegenheid voor de Indische 
Regeering om de oude taktiek, visschen in troebel water, 
weer eens ter hand te nemen! Jammer slechts, dat de eerste 
voorw£|,arde om dat te kunnen doen ontbrak. Wat daar aan 
het hof en in de binnenlanden woelde, schijnt geheel ontsnapt 
te zijn aan de aandacht van den Resident en diens onder- 
geschikte ambtenaren, zoodat men te Batavia in het geheel 
niet op de hoogte was, veel meer in den waan verkeerde, 
dat in Bandjarmasin alles op rolletjes liep. 

Men zou spoedig beter weten. In het jaar 1867 kwam Sultan 
Adam te sterven en zonder -verder naar den wensch der be- 
volking te vragen werd prins TamdjidüUah tot zijnen opvolger 
aangewezen, terwijl Hidajafoellah zich met het ambt van 
Rijksbestierder moest tevredenstellen. Deze zag zich daar- 
door in zijne verwachtingen deerlijk bedrogen en toonde dit 
al dadelijk door zijne residentie te Martapoera te vestigen, 
buiten het oog dus van den Nederlandschen Resident en meer 
in de nabgheid van de Dajaksche Hoofden, wier sympathie 
voor het Bandjarmasinsche hof en zijne Hollandsche vrienden 
nooit groot geweest was. Terwijl nu de Sultan rustig in de 
hoofdplaats zijne dagen sleet en al een groot staatsstuk 
meende begaan te hebben, toen hij in 1868 den bovenver- 
melden Praboe Anotn tot verbanning naar Java voordroeg, 
werd in de binnenlanden in alle stilte een opstand voorbereid, 
die met bloedige letters in de annalen onzer Indische krijgs- 
geschiedenis staat aangeteekend. 

In het vorig Hoofdstuk maakten wij even melding van 
eenen opstand onder de Maleiers en Dajaks in de Mdeeling 
Sintang op Borneo's Westkust. Het was bij deze gelegenheid, 
dat de Regeering te Batavia het eerst bericht kreeg van wat 
daar buiten de hoofdplaats Bandjarmasin tegen den Sultan 
en zoo ook tegen ons werd op touw gezet. Onmiddellijk ver- 
trok het stoomschip Ardjoetio naar laatstgenoemde plaats om 
te onderzoeken wat er van de zaak was en zie — er was 
niets. Althans volgens den Resident. Er waren echter nauwelijks 



132 



veertien dagen verloopen, toen deze zich reeds genoodzaakt 
zag onverwijld troepen van Java aan te vragen. Geheel het 
land bleek nu in beroering te zijn. De ons bekende Hidajat'- 
oellah, die zich nog altijd te Martapoera ophield, wist aan- 
vankelijk den schijn aan te nemen, alsof men hem van alles 
onkundig gelaten had. Spoedig bleek echter maar al te dui- 
delijk, dat hij het volkomen eens was met de opstandelingen, 
die terstond tot dadelijkheden waren overgegaan. Als eerste 
slachtoffers hunner lang gekoesterde wraak vielen de Neder- 
landsche geëmployeerden bij de steenkolenmijnen te Goenoeng 
Djabak en Ealangan. Straks waren de in Poeloe Petak ge- 
vestigde Duitsche zendelingen aan de beurt, van wie er vier 
met vrouwen en kinderen op de gruwelijkste wijze vermoord 
werden. Hoofdaanvoerders van den opstand waren de Inlanders 
Antasari en zekere Demang Lehman^ wier voornaamste stre- 
ven schijnt geweest te zijn den Sultan te onttronen en 
Hidajat'oellah, die nog in hetzelfde jaar 1859 het masker 
afgeworpen en zich in de binnenlanden had teruggetrokken, 
in diens plaats aan te stellen. In het laatst van December 
dreven zij de driestheid zoo ver, dat zij het op de rivier ge- 
ankerde stoomschip Onrust overvielen en de bemanning schier 
tot den laatsten man toe om het leven brachten. 

Zoo was dan weer het oogenblik aangebroken dat de wagen 
van Staat buiten het spoor liep en onze dappere landsverdedigers 
moesten te hulp worden geroepen om het kwaad te herstellen. 
Een oogenblik verbeeldde men zich nog te Batavia de ge- 
moederen tot bedaren te zullen brengen, indien slechts aller 
ergernis, Sultan Tamdjid'illah, van het tooneel verwijderd was, 
maar te laat. Noch diens vertrek naar Java, noch de uitge- 
vaardigde proclamatie dat Bandjarmasin vooiiiaan niet meer 
door het Gouvernement aan eenig inlandsch Vorst in leen zou 
worden afgestaan, kon de opstandelingen van hun voornemen 
afbrengen. Tien dagen na bedoelde proclamatie had het gebeurde 
met het schip Onrust plaats, een maar al te welsprekend ant- 
woord, dat de onzen, al waren zij nog zoo blind geweest, om- 
trent de bedoelingen van Lehman en de zijnen niet in 't onzekere 



133 



laten kon. En zoo ving dan de Bandjarrnasinsche krijg aan, 
die ongeveer drie jaren geduurd en ons de zwaarste verliezen 
berokkend heeft. Meer dan ergens anders hadden onze troepen 
hier met de moeilijkheden van het terrein te kampen, waar- 
door gemeenlijk een krachtig en vereend optreden verhinderd 
werd, terwijl wat ons hinderde juist de kracht van den vijand 
uitmaakte. Eerst in Maart 1862, op welk tijdstip Hidajat'oellah 
zich eindelijk overgaf en naar Java verbannen werd, kon de 
opstand gezegd worden geëindigd te zijn. Wel keerde de rust 
niet op eenmaal in het uitgestrekte rijk terug; wel wisten 
Lehman, Söerapati en anderen onze troepen nog lang bezig 
te houden, maar de een na den ander viel in onze handen 
en met het jaar 1866 brak voor beide partijen de lang ge- 
wenschte vrede aan. Het dapper Indisch leger had nieuwe 
lauweren geplukt, al waren zij dan ook duur betaald met het 
leven van honderden kameraden, die hun graf in den moerassigen 
bodem van Zuid-Borneo gevonden hebben. 

Intusschen had de Indische Regeering geen gras over de 
zaak laten groeien, maar reeds in 1860 Bandjarmasin als zelf- 
standig rijk opgehcwen en bij onze rechtstreeksche bezittingen 
ingelijfd. Hiermede had ook dit Sultanaat het lot gedeeld van 
Bantam en Palembang en vonden zijne rijkssieraden later den 
weg naar de prachtige zalen van het Bataviaasch Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen, waar zij lang mogen bewaard 
blijven als stomme getuigen van wat Neerland's zonen ook in 
deze eeuw in het Orienten der vaderen gewrocht hebben. 

Volledigheidshalve deelen wij hier nog mede, hoe het in 
1870 zekeren Wangkang gelukte in Bandjarmasin een nieuwen 
opstand te verwekken, die echter reeds in het volgende jaar 
door onze troepen gedempt werd. Deze bekende rebel sneuvelde 
bij de inneming van eene versterking te Soengi-Doerahnan, 

In denzelfden tijd dat onze troepen in de Zuiderafdeeling 
van de tegenwoordige Residentie Zuider- en Oosterafdeeling 
van Borneo werden beziggehouden, waren niet minder dan 
twee belangrijke expeditiën noodig om ons gezag op Zuid- 
Selébes te handhaven. Het was hier wederom Boni, zoo vaak 



134 



reeds door ons vermeld, dat ons vijandig in den weg trad. 
Hoewel dit rijk zich in 1838 bij het Traktaat van Bongaja 
had aangesloten, konden zijne vorsten maar niet vergeten, dat 
hunne voorgangers eenmaal den toon in den groeten staten- 
bond hadden aangegeven, terwijl zij het nu moesten aanzien, 
hoe in alles aan het Neerl.-Indisch Gouvernement de eerste 
plaats werd ingeruimd. Reeds omstreeks het jaar 1861 was 
de toen regeerende vorst Aroeng Poegi begonnen met eene 
uittartende houding tegenover de Hollanders aan te nemen. 
Straks dreef hij den overmoed zoo ver, dat hij de Nederlandsche 
vlag omgekeerd naast de Bonische liet uithangen. Te Batavia 
dacht men er dan ook ernstig aan hem wegens een en ander 
tot de orde te roepen. Overwegingen van allerlei aard waren 
echter oorzaak, dat de strafoefening voorloopig bleef uitgesteld, 
wat natuurlijk de zaak niet verbeterde. Ook de dood van 
Aroeng Poegi in 1857 bracht geene verandering ten goede in 
de houding der Boniërs. Integendeel. Diens weduwe Amil 
Hadi Akil Hadia, die na hem den troon beklommen had, was 
ons zoo mogelijk nog vijandiger gezind en streefde er niet 
minder naar om haar land zijne oude plaats op Zuid-Selébes 
te hergeven. Thans kon verder uitstel noodlottig worden. In 
het begin van 18B9 vertrok dan ook de eerste expeditie onder 
den Generaal-Majoor Steinmetz, naar de oostzijde van het wes- 
telijk schiereiland, waar Boni gelegen is. Zingende van „Prinses 
Amalia, wij gaan naar Badjoa" (blz. 50), gingen onze soldaten 
aan boord, om een paar dagen na hunne aankomst op Selébes 
zegevierend de ook ons bekende strandplaats binnen te rukken. 
Thans lag de hoofdplaats Boni aan de beurt, die echter niet 
zoo gemakkelijk te nemen was. Voet voor voet werd de toe- 
gang tot deze heilige koningsstad door den vijand verdedigd, 
bij eene van welke gelegenheden de opperbevelhebber eene 
belangrijke wonde ontving, die hem noodzaakte het kommando 
aan den kolonel Waleson over te dragen. Na heel wat ver- 
liezen geleden te hebben, maakten onze troepen zich ten 
laatste ook van Boni meester. Zij vonden echter de plaats 
door de bewoners verlaten en ^t mocht maar eene schrale 



135 



belooning voor de geleden verliezen en de doorgestane ver- 
moeienissen genoemd worden, als zij straks bij 't licht der in 
brand gestoken stad hunne kwartieren betrekken kunnen. 

Boni alzoo genomen, maar de Boniêrs ons ontsnapt. Slechts 
een van de Rijksgrooten of „Kiesheeren", Aroe Paiakka ge- 
naamd, had zich bij de onzen aangesloten en is ook later 
trouw aan onze zijde gebleven. Voor het oogenblik zit er 
voor onze troepen niet anders op dan ijlings naar Badjoa 
terug te keeren en daar eene afwachtende houding aan te 
nemen. Hier stond echter een andere vijand op hen te loeren, 
op wien de krijgsraad bij het nemen zijner beslissing misschien 
niet gerekend had. Als een maaier trok de engel des doods 
door de reeds zoozeer gedunde gelederen en zelden zullen op 
een expeditie dagen van ellende doorleefd zijn als hier over 
onze landgenooten en hunne inlandsche medestrijders aan- 
braken. Gelukkig besloot de bevelhebber nog bijtijds om in 
vredesnaam den terugtocht naar Java aan te nemen, anders 
zou zeker het getal van hen, die deze onherbergzame kust 
levend verlaten mochten, uiterst gering zgn geweest. 

Zich voor goed terugtrekken heeft echter nooit in het 
woordenboek der Nederlanders in Indië gestaan. De Boniërs 
hadden zich dan ook deerlijk vergist als zij een oogenblik 
gedacht hebben, dat de als onweerstaanbaar gewaande Koem- 
pani het ditmaal had opgegeven. Gedurende een half jaar 
mogen zij zich met dat denkbeeld vroolijk maken, maar dan 
verschijnt de Luitenant-Generaal Van Smeten aan het hoofd 
eener tweede expeditie om hun het lachen af te leeren. En 
zij hebben het afgeleerd. Reeds in het begin van 1860 lag 
het machtige Boni gebonden aan onze voeten en werd boven- 
genoemde prins Aroe Paiakka met toestemming van den 
Rijksraad tot Vorst, in plaats van de nog altijd voortvluchtige 
Amil Hadi Akil Hadia — bij haar volk ook als Basé Ka- 
djoeara bekend — aangesteld. De gevoerde strijd droeg voor 
het Indisch Gouvernement deze goede vrucht, dat zijn gebied 
in sommige deelen van Zuid-Selébes werd uitgebreid, terwgl 
onze invloed in de andere op zichzelf staande rijkjes aan- 



136 



merkelijk toenam. Pogingen om zich tegen dien invloed te 
verzetten bleven natuurlijk ook hier niet uit. Zoo o. a. in 
Mandar, waar de bevolking zich, tegen alle uitgevaardigde 
bevelen in, voortdurend aan strandroof en slavenhandel schuldig 
maakte en in 1867 door kracht van wapenen tot onderwerping 
moest worden gebracht. Van meer ernstigen aard was in 
1868 het verzet in de aan ons onderhoorige bergregent- 
schappen, waarbij een zekere Kraèng Bonto-Bonto een voor- 
name rol speelden. Hoewel het aan de onder Majoor Van 
Veenhuizen uitgezonden troepen niet gelukte zich van dezen 
ondernemenden muiteling meester te maken, zag hij zich 
toch eindelgk genoodzaakt den strijd op te geven en als 
balling buiten zijn eigenlijk vaderland rond te zwerven. Sedert 
is het op Zuid-Selébes vrij rustig gebleven, waarvan de ge- 
zegende gevolgen voor handel, landbouw en nijverheid niet 
zijn uitgebleven. 

Een toonbeeld van rust en orde vormde in dezen tijd reeds 
de Minahassa van Menado, wier grootendeels tot het Chris- 
tendom bekeerde bevolking geen reden vond om zich over de 
ingevoerde bestuursbepalingen te beklagen. De hier in het 
leven geroepen toestanden op maatschappelijk gebied hebben 
er zeker veel toe bijgedragen, dat ons gezag zich ook in de 
andere deelen van het noordelijk schiereiland van lieverlede 
zonder schokken heeft kunnen uitbreiden. In 1864 werd 
Menado van het Gouvernement der Molukken losgemaakt en 
tot eene zelfstandige Residentie verheven. 

En de Molukken ? vraagt de lezer. Dit land van belofte uit 
den tijd der Oost-Indische Compagnie, dit paradijs van weleer, 
WBB en bleef gebogen zooals eene ijzeren hand het eenmaal 
had terneergedrukt. Pogingen om de schoone eilanden-groepen 
weer uit hun verval op te heffen, hadden weinig of geen 
succes. Nadat in het jaar 1860 met de slavernij ook de perk- 
hoorigheid op de Banda-groep was afgeschaft, werd in 1863 
de verplichte levering en teelt van kruidnagelen en een jaar 
later die van de specerijen opgeheven, waarvoor op Ambon 
eene belasting in geld van hoogstens f 5 per huisgezin en op 



137 



de Banda-eilanden eene grondbelasting op de perken in de 
plaats trad. Hiermede was, gelijk wij vroeger reeds opmerk- 
ten, de laatste stoot toegebracht aan het monopoliesielsel, echter 
zonder dat de daardoor aan de bevolking berokkende schade 
ook maar eenigszins werd weggenomen. Nog in onzen tijd 
vormen de Molukken het minst bevoorrechte gedeelte van 
den Archipel, dat aan het Gouvernement voor de schatten van 
weleer weinig meer dan schadeposten heeft aan te bieden. 
Eene rustige streek, maar zonder welvaart ! 

In administratieven zin van Molukken sprekende, heeft men 
tegenwoordig uitsluitend te denken aan de talrijke eilanden- 
groepen, ten zuiden van de Seramsche zee gelegen. In het 
jaar 1866 toch is het toenmalig Gouverfiement van de Molukken 
opgeheven en in twee afzonderlijke Residentiën Ternate en 
Ambon gesplitst. De eei*ste omvat hoofdzakelijk de onderhoo- 
righeden der drie bestaande Sultanaten Ternate, Tidore en 
Batjan en levert voor ons deze bijzonderheid op, dat het 
Gouvernements-gebied er zich tot enkele stukken gronds 
bepaalt, terwijl al het overige rechtstreeksche bezitting 
der drie Sultans vormt. De mot deze potentaten gesloten 
traktaten zijn echter zoodanig ingericht, dat hunne macht 
binnen enge grenzen beperkt is. Zelfs heeft het Gouver- 
nement het recht om, zoodra het zulks verkiest, zelf de 
teugels van het bewind in handen te nemen. Als wij thans 
de toestanden in deze oostelijkste Residentie gadeslaan en ze 
vergelijken met den tijd toen de Sultans hunne talrijke en 
sterk bemande vloten uitzonden om hun gezag over de Groote 
Oost te doen gelden, vergeten wij nog eenmaal het kwaad 
door de mannen van Jan Compagnie hier aangericht, om al- 
leen eerbied te gevoelen voor wat door hen met betrekkelijk 
geringe kracht is tot stand gebracht. 

Als wij boven zeiden, dat in de Molukken algemeen rust 
heerschte, dan was dit niet volkomen juist. Wij hadden na- 
melijk eene uitzondering moeten maken met het eiland Seram, 
den lezer van blz. 56 bekend; waar in deze periode woelingen 
plaats vonden die een en andermaal het optreden onzer 



138 



troepen noodzakelijk maakten. De Alfoersehe bevolking van dit 
eiland is van oudsher gesplitst in twee afzonderlijke stammen, 
de Odi'Siwa en Odi-Limu, waarvan de eersten in het kleinste, 
westelijk gedeelte gevestigd zijn en de anderen in het midden 
en oosten hunne woonplaats hebben. Wat getalsterkte aangaat, 
zijn de Oeli-Siwa ver in de minderheid, wat evenwel niet 
wegneemt, dat zij zich steeds meer dan de overige bevolking 
hebben kunnen doen gelden. Zoowel onder de Oost-Indische 
Compagnie als later zijn zij het altgd geweest, met wie de 
onzen het aan den stok kregen. Hunne eigenaardige kracht 
ontleenden zij aan het onder hen bestaand Kakian-verbond^ 
een soort van geheim genootschap, dat onder de leiding van 
priesters staat en alle mannelijke leden van den stam ten 
nauwste aan elkander verbindt. Oorspronkelijk misschien op- 
gericht tegen de Ternataansche overheersching, heeft het ver- 
bond zich later hoofdzakelijk gekeerd tegen hen, die den Islam 
of het Christendom op de westkust van Seram wilden invoeren. 
In de jaren 18B6 en 'B7 traden de Oeli-Siwa openlijk op tegen 
allen, die met het Hollandsch Gouvernement in eenige 
betrekking stonden. Inzonderheid moesten het de door inland- 
sche christenen bewoonde stranddorpen misgelden, waarom de 
Indische Regeering het noodig vond den bekenden Majoor 
De Brabant met eenige troepen naar Seram af te zenden. 
Men slaagde er echter niet in de oproerige Alfoeren tot onder- 
werping te brengen. Wel werden enkele door hen, opgeworpen 
stellingen genomen, doch nauwelijks was de militaire macht 
weer vertrokken of het spel langs de kust begon opnieuw. 
Zoo moest dan in 1860 de dappere De Brabant, die inmiddels 
tot Luitenant-Kolonel bevorderd was en van wien het bekend 
is, dat hij tegenover eene vijandelijke benteng geen andere 
taktiek kende dan deze: „Zij er uit en wij er in!'', andermaal 
in 't vuur. Door de mededeelingen van een paar gevangen 
Alfoeren op de hoogte gebracht van de voornaamste schuil- 
hoeken der opstandelingen, aarzelde hij niet de binnenlanden 
in te trekken, waar, gelijk later op de noordkust, door onze 
troepen zoo duchtig werd huisgehouden, dat het verzet tegen 



139 



ons voor het oogenblik gebroken was. Later, in 186B en '66 
hebben deze Alfoeren het nog eens gewaagd het hoofd op te 
heffen, doch ook nu werden zij zoo gevoelig voor hunnen 
overmoed gestraft, dat zij zich sedert rustig gehouden en aan 
het burgerlijk bestuur de gelegenheid gelaten hebben de maat- 
schappelijke toestanden in de aan ons onderworpen deelen 
van Seram langzamerhand naar behooren te regelen. 

In de Residentie Timor, waartoe behalve het grootste 
westelijk gedeelte van het hoofdeiland, ook Eoti, Soetnba, 
midden- en oost-Flores, enz. behooren, treffen wij nog altijd 
de Portugeezen aan, wier gebied echter in 18B9, volgens een 
in dat jaar tusschen Nederland en Portugal gesloten verdrag, 
aanmerkelijk was ingekrompen. Sedert bezaten en bezitten 
zij nog alleen het bekende Timor-DUli en het ten noorden 
daarvan gelegen eiland Kambing en schijnt de tijd niet ver 
meer, dat zij zich ook van hier zullen terugtrekken. Terwijl 
de Residentie Timor uit een administratief oogpunt van geringe 
beteekenis is, levert zij door hare ligging als anderszins 
eigenaardige bezwaren op, die het aanwezig zijn van eene 
kleine troepenmacht noodzakelijk maken. 

Zoo van de Kleine Soenda-eilanden naar Java terugkeerende, 
komen wij langs Lofnbok, dat wij later nog zullen bezoeken 
en Bali, waar de door Van Swieten gesloten traktaten uit 
den jare 1849 gunstig hebben gewerkt en de invloed van 
het Indisch Gouvernement reeds zoo is toegenomen, dat wij 
er een paar Nederlandsche ambtenaren gevestigd vinden. In 
het jaar 1868, tijdens het bestuur van den Gouverneur-Generaal 
Mr. Pieter Mijer (1866 — 1872) kwam onverwachts de naam 
van het eiland nog eens weer op aller lippen, toen de tijding 
de rondte deed, dat er opnieuw eene expeditie naar Bali zou 
worden uitgezonden. Het bleek echter spoqdig dat het uit- 
gebroken verzet van zeer localen aard was. Bovendien was 
het niet rechtstreeks tegen ons gericht. Een der Hoofden van 
het District Bandjar, een Brahmaan Ida Made Raki geheeten, 
had aan den Vorst van Boelèlèng de gehoorzaamheid opgezegd 
en deze, geen kans ziende zijn gezag te doen gelden, was 



140 

by het Gouvernement om hulp komen aankloppen. Nu wilde 
het oBgeluk dat eene onder Majoor Heemskerck uitgezonden 
troepenmacht er niet terstond in slaagde zich van het goed 
versterkte Bandjar meester te maken. Daardoor werd onder 
onze landgenooten in Indië de vrees voor de „moordende" 
Balineezen nog eens weder levendig, terwijl het Gouvernement 
zich haastte versche troepen onder Kolonel De Brabant naar 
het oorlogBterrein te zenden. Thans was de beurt aan de 
opstandelingen om zich bezorgd te maken. Slechts een paar 
dagen na zijne aankomst in de landingsplaats Tamoekoes had 
onze held zijn „wij er in en zij er uit" op Bandjar toegepast 
en daarmede aan het verzet een einde gemaakt. De troepen 
keerden naar Java terug, waarheen kort daarop ook de ge- 
vluchte aanvoerders van den opstand weiden opgezonden. 



IdH Made H»bi c. 8. 

Zoo keei-de de rust op Bali terug, waar sedert geen soldaat 
meer is gezien, totdat de gebeurtenissen op Lombok ook dit 
eiland weer meer op den voorgrond deden treden. 

Kolonel De Brabant, later als Generaal gepensioneerd, be- 
hoorde tot die kranige officieren van het Nederlandsch-lndische 
leger, die, om het zoo eens te noemen, met de „koloniale" 
muts op het hoofd daarginds zijn aangekomen en zich op 
het veld van eer tot de hoogste rangen hebben opgewerkt. 



141 



Zooals men weet, is tegenwoordig voor zulke „zelf-gemaakte" 
mannen de weg afgesneden. Er is daar nu slechts plaats voor 
wetenschappelijk opgeleide oflBcieren, aan wie bovendien het 
vooruitzicht geopend blijft om nog eens naar Holland terug 
te keeren, ten einde hunne algemeene en kiijgskundige kennis 
op de Hoogere Krijgsschool als 't ware te volmaken. Volgens 
deskundigen moet deze verandering werkelijk eene groote 
verbetering worden genoemd en wij, leeken, leggen ons gaarne 
daarbij neer. Toch blijven het kranige figuren, die onweten- 
schappelijke mannen, die met ongeëvenaard succes voor de eer 
onzer vlag op Soematra en Java, op Borneo en Selebes en 
waar niet al gevochten hebben! 

Terwijl Ida Made Rahi en de zijnen naar de Preanger- 
Regentschappen, hun ballingsoord, doorreizen, gaan wij te 
Batavia aan wal en begeven ons het eerst naar de oude stad, 
om daar even aan het zoogenaamde „Stadhuis^ af te stappen 
en een oogenblik het Wapen van Batavia in oogenschouw te 
nemen: een uitgetogen zwaard, een lauwerkrans dragende! 
Welsprekender kan het niet. In die eenvoudige afbeelding 
ligt de geheele geschiedenis der Nederlanders in Indië en 
van Batavia's grootheid als besloten. Wat wij daar zijn, wat 
de „Koningin van het Oosten'^ boven alle Indische steden 
verheft, het is gewonnen door het zwaard, gekocht met 
het bloed onzer dapperen en waar de sedert 181B bestaande 
Militaire Willemsorde slechts aan enkele gelukkigen ten deel 
valt, daar zien wij hier in dien lauwerkrans het geheele Indische 
leger geridderd en daaraan de hulde gebracht, waarop het 
volle aanspraak heeft. 

Het laatst bezochten wij Batavia in de jaren 1809 en '10, 
toen Maarschalk Daendels hare poorten wijd opende om aan 
de burgers gelegenheid te geven de verpestende dampen der 
grachten te ontvluchten en daarbuiten in de schoone omgeving 
hunne woningen op te slaan. Sedert dien tijd is Oud-Batavia 
meer en meer door de Europeanen verlaten geworden en heeft 
zich zuidwaarts in de schaduw van prachtig geboomte eene 
nieuwe stad ontwikkeld, die eigenlijk geen stad kan genoemd 



142 



worden, maar meer eene aaneenschakeling is van paleizen en 
lusthuizen, waartusschen hier en daar inlandsche kampoengs 
als verscholen liggen. (Zie Hoofdstuk VIL) Men moet Batavia 
met eigen oog aanschouwd hebben om zich een denkbeeld van 
zijne eigenaardige pracht en schoonheid te kunnen vormen. 
Beschrgvingen doen in dezen niets. Haar indo-europeesch 
karakter spreekt zich vooral uit in de bevolking, welke uit 
de vreemdsoortigste bestanddeelen is saamgesteld. Volgens 
de laatste oflBciëele opgave bestond zij namelijk uit 9423 
Europeanen van allerlei nationaliteit, 76751 Inlanders (Soen- 
daneezen, Javanen, Maleiers, enz.), 26433 Chineezen, 2828 
Arabieren en 132 andere vreemde Oosterlingen (Mooren en 
Bengaleezen), totaal 11B567 zielen. In die getallen zijn niet 
begrepen onze mannen van de land- én zeemacht, die slechts 
voor een gedeelte uit Europeanen bestaan en er niet weinig 
toe bijdragen om de staalkaart van Batavia's bewoners nog 
bonter te maken dan zij op zichzelf reeds is. Van alle andere 
hoofdplaatsen in Indië onderscheidt zich Batavia nog hier- 
door, dat men er geen inlandsch bestuur aantreft, gelijk trou- 
wens in de geheele Residentie geen Regenten voorkomen. 
De reden hiervan is, dat het grootste gedeelte van de Residentie 
uit zoogenaamde Particuliere landerijen bestaat, wier aantal 
ongeveer vierhonderd bedraagt en binnen wier grenzen de 
eigenaars of landheeren schier onbeperkt gezag uitoefenen. 
Onder die landerijen komen er enkele voor met eene uitge- 
strektheid van ongeveer dertig duizend bouws O of 16 millioen 
vierk. Rijnlandsche roeden. In het Buitenzorgsche ligt er zelfs 
een, n.1. het landgoed Tjipamingkis Tjimapak, dat 74889 bouws 
groot is! 

In Mei 1869 mocht Batavia haar 2B0-jarig bestaan vieren, 
bij welke gelegenheid de Gouverneur-Generaal Mijer den 
eersten steen legde van het voetstuk, waarop in September 
1876 het standbeeld voor Jan Pieterszoon Koen verrezen is. 
Wie voor die welverdiende hulde aan den grondvester onzer 



') Een bouw, afgeleid van het Javaansche baoe, is gelijk aan 14.19299 M^. 



143 



macht in Indië het ruime, te midden van bet moderne Batavia 
gelegen Waterlooplein heeft uitgekozen, meldt de geschiedenis 
niet. Professor Veth, in zijn prachtig werk „Java", had daar- 
voor liever de plek zien aangewezen, waarop eenmaal het 
fort stond, dat door Eoen's „moed en beleid voor Nederland 
behouden en de kern werd van het oude Batavia," en zeer 
zeker zullen velen het daarin met 
bem eens z^jn. Mogel^k wilden onze 
feestvierende landgenooten aan Pritis 
Mangkoe Negara en Pangéran Ngahéhi, 
zoon van den Soesoeboenan, die de 
plechtigheid der steenlegging met 
hunne tegenwoordigheid vereei'den, 
het gezicht besparen van het vroegere 
Jakatra, waar weleer de helden ge- 
zeteld waren, die met hunne voor- 
vaderen den stryd om bet bezit van 
Java hebben aangebonden. Is dit zoo, 
dan kon men het nei^ene beter brengen 
dan op het plein, waar sedert'het jaar 
1828 ook de zuil staat, op welks top 
de Leeuw van Watefloo pi-^kt, den 
rechtervooipoot om den wereldbol 
Jan p. Koen. geslagen, als symbool van de macht 

door Nederlanders eenmaal in Oost 
en West tentoongespreid. Opmerkel^k vinden wg het, dat 
veertien dagen na bovenvermelde plechtigheid de stad Batavia 
bezoek kreeg van Sir Harry St. George Ord, Gouverneur van 
de Straits-SetÜemetUs, een landgenoot van Raffles, die er zich 
nu met eigen oog van kon overtuigen hoe bet pistool door 
dezen op de borst van de Koningin van het Oosten gericht 
(blz. 28), niet zooveel kwaad beeft gedaan als wel in de 
bedoeling lag. 

Aan hooge gasten was in dezen tfld waarlgk geen gebrek. 
In 1871 werd Batavia bezocht door den eersten Koning van 
Siam Suindet fhra Paramendr Maha Ckulalongkom, dezelfde 



144 



die in 1897 zijne reis door Europa maakte, en een jaar 
later van Zijne Keizerlijke Hoogheid Grootvorst Alexis van 
Rusland. Voor zoover deze en andere vorstelijke personen 
ook eenen tocht over Java maakten, moet het hunne aandacht 
getrokken hebben, hoezeer overal onder de bevolking eene 
betrekkelijke beschaving en welvaart heerscht en het groote 
eiland met zijne miljoenen bewoners zich door een handvol 
ambtenaren besturen laat. Natuurlijk zullen hunne gasthee- 
ren niet hebben nagelaten er hun op te wijzen hoe, ten 
opzichte van dit laatste, het groote geheim van onzen in- 
vloed gelegen is in het feit, dat ons Gouvernement over den 
Inlander regeert door tusschenkomst van diens eigen Hoofden, 
die daartoe met de meeste zorg worden uitgekozen en zeer goed 
weten, dat zij voor de rust in hunne afdeeling aansprakelijk zijn. 
Het was daarom goed gezien van de Indische Regeering, om 
dit hier nog oven mede te deelen, toen zij in 1867 de trakte- 
menten van de Regenten en andere inlandsche bestuurders 
verhoogde. Jammer slechts, dat daarmede gepaard ging eene 
inkrimping van de heerendiensten, waarop zij tot dusverre 
aanspraak hadden. Daardoor ontnam men iets aan den luister, 
dien zij naar buiten konden verspreiden en waarop deze Oos- 
terlingen zoo bijzonder gesteld zijn. Intusschen eischt de waar- 
heid te erkennen, dat de genomen maatregel nergens tot 
feitelijk verzet heeft aanleiding gegeven. 

Doch keeren wij tot Batavia terug. Wat zou Jan Pieters- 
zoon Koen, wat zouden de andere kampioenen voor de eer 
onzer vlag in de Oostersche wateren opkijken, als zij thans 
de hoofdplaats van Neerlandsch-Indië mochten aanschouwen, 
eertijds een nauw ingesloten „kasteel" aan de boorden van 
de Tjiliwong, thans eene wereldstad, die naar rechts en links 
met de voornaamste havens van Europa, Azië, Amerika en 
Australië in verbinding staat. En hoe zijn de afstanden sedert 
bekort! Op den 26®" October van hetzelfde gedenkwaardige 
jaar 1869 stak de Gouverneur-Generaal de eerste spade in 
den grond voor een aan te leggen spoorweg tusschen Batavia 
en Buitenzorg en na dien tijd is Java met een ijzeren net 



146 



als overdekt geworden. Zien wij verder hoe van de zeezgde 
de afstanden zijn ingekrompen. Wg herinneren ons de Jange 
en vermoeiende tochten, die onze voorvaderen te maken had* 
den vóór zij Straat Soenda binnenliepen. Reizen van een jaar 
en langer behoorden niet tot de zeldzaamheden. Thans hoort 
men al klagen als voor den overtocht van Nederland naar 
Java meer dan ééne maand noodig is. In September 1871 
kwam de eerste boot van de Stoomvaartmaatschappij ^Neder- 
land^ te Batavia aan, eenige jaren later die van de ^Bptter- 
damsche Lloyd^ (om van andere maatschappijen niet te spreken) 
en sedert is de reis naar Neerland's twaalfde provincie als 
een spelevaart geworden, waarvoor reeds retourbiljetten 
worden uitgegeven ! 

De straks vermelde spoorwegverbinding tusschen Batavia 
en Buitenzorg, aangelegd voor rekening van de Indische 
Spoorweg-Maatschappij, was niet de eerste op Java. Reeds in 
1867 had diezelfde Maatschappij een aanvang gemaakt met 
de exploitatie van een gedeelte der lijn Semarang-Yorsten- 
landen, welke sedert in haar geheel voltooid is en aansluit 
aan de Staatsspoorwegen, waarover wfl in een volgend Hoofd- 
stuk spreken moeten. Onwillekeurig denken wij hier aan de 
reis, die de Gouverneur-Generaal Van Imhoff (blz. 169, Dl. I) in 
zgne logge staatsiekoets maakte om uit Semarang een bezoek 
aan zijnen vriend den Soesoehoenan te brengen. Wat zijn dé 
tijden veranderd! 

Tot een van de voorsteden van Batavia behoort Scdemba, 
waar, zooals wij vroeger reeds met een enkel woord mede- 
deelden, in 1860 het Gymnasium Willem III werd opgericht, 
dat in 1868 in een Hoogere Burgerschool met vijfjarigen 
cursus herschapen is. Tevens werd daaraan toegevoegd eene 
afdeeling voor onderricht in de Taal-, Land- en Volkenkunde 
van N.-Indiê. Reeds voor dien tijd was een einde gemaakt aan 
de grief, waarover op blz. 111 gehandeld is, zoodat nog in 
1866 het eerste zoogenaamd Groot-Ambtenaars-examen in 
Indië kon worden afgenomen. Sederi is dit van jaar tot jaar 

voortgezet, zoodat zonen van Europeesche ouders niet langer 

10 



146 



genoodzaakt zijn in Holland te gaan studeeren om voor plaat^ 
sing bij het Binnenlandsch. Bestuur in aanmerking te kunnen 
komen. Nu wij toch in onze schets er toe gekomen zijn om 
zoowat over alles te spreken, wat den lezer belang kan in- 
boezemen, willen wij hier even mededeelen, dat het Groot- 
Ambtenaars-examen, zooals het tegenwoordig te Delft ('s-6raven- 
hage) en te Batavia wordt afgenomen, de volgende vakken omvat : 

1. Geschiedenis van N.-Indië; 2. Land- en Volkenkunde van 
N.-I; 3. Godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken 
van N.-L; 4. Staatsinstellingen van N.-L; 5. Maleische taal; 
6. Javaansche taal. Sedert het jaar 1896 is de cursus over 
drie jaren verdeeld, onder bepaling dat tot het tweede studie- 
jaar alleen zij worden toegelaten, die een voldoend examen 
hebben afgelegd in: a. Aardrijkskunde van N.-Indië; b. In- 
dische wetboeken; c. Inleiding tot de godsdienstige wetten, 
volks-instellingen en gebruiken van N.-L; d. Beginselen van 
de Maleische taal; e. id. van de Javaansche taal. Voor hen. 
die den Staat bij de rechterlijke viacht in Indië verlangen te 
dienen, wordt het zoogenaamd faculteits-examen vereischt, loo- 
pende over de vijf volgende vakken: 1. Mohamedaansch recht 
en de overige volks-instellingen en gebruiken in N.-Indië; 

2. Staatsrecht en inrichting van 's Rijks koloniën en over- 
zeesche bezittingen; 3. Land- en Volkenkunde van den O.-I. 
Archipel; 4. Maleische taal; 5. Javaansche taal. Bij eene 
dergelijke opleiding kan het Indisch Gouvernement met grond 
verwachten, dat zijne ambtenaren bij de twee belangrijkste 
takken van dienst mantien zijn, die niet slechts het zwaar- 
wichtige hunner taak gevoelen, maar tevens voldoende op de 
hoogte zijn om in hun verkeer met den Inboorling zich niet 
aan de voornaamste van alle inlandsche wetten, de Adat, te 
bezondigen. Als een verblijdend feit mag hier dan ook worden 
geconstateerd, dat het corps indische ambtenaren tegenwoordig 
oneindig hooger staat dan een veertig jaar geleden. Dat er 
onder hen nog eens een enkele wordt aangetroffen, die, zooals 
dezer dagen in de couranten vermeld stond, zijne waardigheid 
tegenover de Inlanders door een „knielt neder, gij apen !" 



147 



meent te moeten ophouden, bewijst slechts den regel. En de 
regel is goed. 

De wel ietwat vreemde benaming van „öroot-Ambtenaars- 
examen" schijnt behouden te blijven, omdat er in Indië ook 
nog een „Klein- ambtenaars-examen*^ bestaat voor hen, die den 
staat in meer ondergeschikte betrekkingen wenschen te dienen. 
Vereischten hiervoor zgn: het rekenen, de beginselen der 
Nederlandsche taal en het schrijven van een goede duideiyke 
hand. Hoog gaat het dus niet. 

Wij wenschen thans met een enkel woord een onderwerp 
te bespreken, waarover in onze schets nog niet gehandeld 
is, hoewel het zeker niet tot de onbelangrijkste zaken uit de 
geschiedenis der Nederlanders in Indië behoort. Wij bedoelen 
het tnunttvezeuj die bron van ergenis van de elkander opvolgende 
Regeeringen, waarover een boekdeel zou zijn vol te schrij>sen. 
In den eersten tijd van de Oost-Indische Compagnie rekende 
men algemeen met den Spaanschen reaal van achten, ter 
waarde van 48 stuivers of f 2.40. Naast dezen reaal en zijne 
onderdeden waren daarginds echter allerlei HoUandsche munten 
naast Indische en Japansche in omloop, te veel om op te 
noemen. Het werd er niet beter op, toen de Compagnie in 
1727 het recht verkreeg om geld met haar eigen stempel te 
doen aanmunten en de Archipel overstroomd werd door eene 
zee van duiten, die op het oogenblik nog niet geheel is opge- 
droogd. Ook na 1800 werden de koperen duiten bij ontzaglijke 
hoeveelheden, zoo in Indië als in Nederland, aangemunt. Alleen 
van 1816 — 1843 niet minder dan 4700 miljoen stuks! Eerst 
de muntwet van 1854 kwam een einde maken aan den war- 
winkel, die in dit opzicht daarginds bestaan heeft. Het munt- 
stelsel is toen met dat van het moederland in overeenstemming 
gebracht, terwijl wat er nog aan haperen mocht in 1872 en 
1877 nader geregeld werd. Tegenwoordig geschiedt de aan- 
munting van speciën voor Indië uitsluitend in Nederland. 
Als standpenningen heeft men daar nu: het gouden tien- 
guldenstuk, de rgksdaalder, den gulden en den halven gulden, 
alle volkomen overeenstemmende met de gelijknamige munten 



148 

in Xederland. Verder als pasmunt: kwarïjes, dubbeltjes, 
stuivertjes en koperen stukken van 2'/^, 1 en '/* cent, welke 
alle het opschrift Nederlandsch-Indië dragen, terwgl de waarde 
in Maleische (Arabische) en Javaansche karakters is aan- 
gegeven. Op de centen b.v. staat : sapèrsaratoes roepijak, i. i. : 
^/loo gulden. Een der bepalingen van de nieuwe muntwet 
hield in, dat de bestaande koperen duiten binnen vfjf jaren 
buiten omloop moesten zijn gebracht. Boven gaven wtj echter 



reeds te kennen, dat de wet in dozen gedeeltelijk een doode 
letter gebleven is, aangezien op het oogenblik nog overal, 
inzonderheid op de Buitenbezittingen, tal van duiten in 
circulatie zjjn. 

Gedurende het tgdvak van 1860— 1872 Weef de rust op 
Java bijna ongestoord bewaard. Zelfs in het anders zoo onrustige 
Bantam, waar het in dezen t^d zoo kalm toeging, dat in 1864 
ter hoofdplaats Serang eene ethnologische en nijverheidstentoon- 



149 



stelling kon worden gehouden. Van die rust maakte de 
Gouverneur-Generaal Sloet van de Bede in 1863 gebruik om 
eené reis door Midden-Java te maken. In het laatst van 1865 
werden ook Bantam, Oost-Java, Bali en Madoera door hem 
bezocht, een half jaar nadat Zijne Excellentie een kort bezoek 
had gebracht aan AnAarawa, Banjoebiroe en Willem /, welke 
militaire plaatsen hevig door aardbevingen waren geteisterd 
geworden. Ook zijn opvolger Mr. P. Mijer heeft tgd en 
gelegenheid gevonden om met eigen oog de toestanden in 
Midden- en Oost-Java gade te slaan. Natuurlijk ontbrak 
het niet aan pruttelaars, die het nut van deze uit den 
aard der zaak dure reizen niet konden inzien. Het ligt 
echter voor de hand, dat een persoonlijk onderzoek van den 
Landvoogd, zoo het althans goed wordt ingericht, een gun- 
stigen invloed op den gang van zaken buiten Batavia kan 
uitoefenen. 

Het behoeft wel geene opzettelgke vermelding, dat de 
handelingen der Hooge Begeering ook op ander gebied nu 
bij dezen dan bg genen afkeuring vinden. Dank zij het door 
ons vroeger besproken Regeerings-Reglement van 1864, waarin 
uitdrukkelijk wordt gezegd, dat het door de drtikpers openbaren 
van gedachten of gevoelens geen andere belemmering mag 
ondervinden dan tot verzekering van de openbare orde ge- 
vorderd wordt, heeft tegenwoordig ieder het recht zijne meening 
over de gebeurtenissen van den dag publiek te maken. Alleen 
moet men daarmede in Indië voorzichtiger zijn dan bij ons 
te lande, aangezien het toezicht op de drukpers er uit den 
aard der zaak strenger is. Aan gelegenheid om zich te doen 
hooren ontbreekt het overigens niet. Behalve ettelijke maande- 
lijksche tijdschriften en eenige weekbladen, worden in Indië 
in de Nederlandsche taal niet minder dan negentien couranten 
uitgegeven, waarvan een gedeelte dagelijks, de overige twee- 
of driemaal 's weeks verschijnen. Daarnaast telt men nog 
een dertiental bladen, die in het Javaansch of Maleisch of 
wel tegelijk in beide talen zijn opgesteld. Nog eens, gelegen- 
heid te over, ook voor den Inlander, om te zeggen wat men 



160 



op het hart heeft. Alleen drage men zorg niet met de „open- 
bare orde" in strijd te komen. 

Zeiden wij boven, dat de rust op Java bijna ongestoord be- 
waard bleef, wij dachten bij dat bijna in de eerste plaats aan 
wat in het jaar 1860 in Midden-Java, meer bepaald in Sema- 
rang is voorgevallen. Vele lezers begrijpen reeds wat wij 
bedoelen. Een enkele onder hen is misschien nog ooggetuige 
geweest van den Opstand der Zwitsers, die bij het eerste uit- 
breken zulk dreigend aanzien had, dat schrik en ontsteltenis 
zich alom van de gemoederen meester maakten. Ziehier enkele 
bijzonderheden. Door den Bandjarmasinschen krijg en de 
Bonische expeditie had het Indische leger zware verliezen 
geleden. Vooral het europeesch gedeelte was zeer gedund, en 
had dringend aanvulling noodig. Vandaar werving op groote 
schaal in Nederland, echter meest van vreemdelingen, waar- 
onder inzonderheid tal van Zwitsers voorkwamen, die in de 
Krim en onder Garibaldi in Italië gevochten hadden en zich 
nu, door allerlei schoone beloften verleid, gemakkelijk bij 
troepen voor de Oost lieten aanwerven. Onder hen moet een 
viertal zijn voorgekomen, dat van hooggeplaatste zijde was 
^aanbevolen" en waarvan er dan ook twee niet lang na aan- 
komst in Indië tot den officiersrang bevorderd werden. De 
beide anderen voelden zich natuurlijk ten zeerste verongelijkt 
en van hen zou dan ook oorspronkelijk het plan zijn uit- 
gegaan om zich met geweld eene onafhankelijke positie te 
verzekeren. Hun inblazingen vonden maar al te gretig gehoor 
bij de overige mede in hunne verwachtingen bedrogen Zwitsers, 
allen volslagen avonturiers, die bovendien door heimwee ver- 
teerd werden en in die gemoedsstemming tot alles in staat 
waren. Ongelukkig had het legerbestuur de fout begaan van 
deze talrijke vreemdelingen, in plaats van hen over den Ar- 
chipel te verspreiden, grootendeels in drie niet ver van 
elkander verwijderde garnizoenen, Semarang, Banjoebiroe 
en Solo, te plaatsen, zoodat zij gemakkelijk de hoofden bij 
elkander steken en, zonder dat iemand het merkte, hunne 
boosaardige plannen om de Hollanders te vermoorden en zich 



151 



van het gezag meester te maken, konden voorbereiden. In 
den avond van 17 Augustus 1860 brak de bom te Semarang 
los en vreeselijk zouden de gevolgen zijn geweest, hadden de 
militaire autoriteiten, zoo onverwachts door de mededeelingen 
van eenen halfdronken Zwitser tot handelen geroepen, ook 
maar een oogenblik het hoofd verloren. Alles was echter 
terstond op zijn' post. Ook de Leger-Commandant, Generaal 
Van Smeten^ die onmiddellijk per draad den last uitvaardigde 
om de bedreigde plaatsen in staat van beleg te verklaren en 
straks een twaalftal belhamels onder nadere goedkeuring van 
den Gouverneur-Generaal, die zich juist op reis bevond, aan 
den galg liet hangen. Dit bracht den schrik onder de oproer- 
makers, die zich nu gewillig hunne reispas naar rechts en 
links lieten uitreiken en zich sedert in de verspreide garni- 
zoenen — men had er zelfs naar Timor gezonden — vrjj 
rustig gehouden hebben. De verleden jaar overleden Luitenant- 
Generaal H. P, J. Henntis was destgds Commandant te Se- 
marang en ontving van de burgerij, na het bedwingen van 
den opstand, een eeresahd, welk huldeblijk door hem zeker 
niet minder dan de hem voor deze gelegenheid verleende 
Militaire Willemsorde zal zijn op prys gesteld. 

Eene andere rustverstoring had negen jaren later plaats, 
en wel te Bekasi in de Ommelanden van Batavia, ruim ééne 
maand vóór de viering van het 2B0-jarig bestaan der hoofdstad, 
bij welke gelegenheid de Adsistent-Resident Mr. De Knijper 
met enkele anderen door ontevreden Inlanders vermoord werd. 
Gelukkig slaagde het Bestuur er spoedig in de onrustige 
gemoederen tot bedaren te brengen, zoodat het lang voor- 
bereide feest kon doorgaan. Intusschen had het gebeurde b|j 
velen opnieuw de overtuiging levendig gemaakt, hoe achter 
deze on andere kleine rustverstoringen de nooit rustende Islam 
werkzaam was. Men kwam nu ook te weten, dat in dezen tgd 
onder de Inlanders de oude profetie van Djojo-Bojo van mond 
tot mond ging, dat nog eenmaal een Javaansch Vorst den 
troon der vaderen beklimmen zou. Vreesden wg niet te veel 
in herhalingen te vervallen, wij zouden geneigd zijn hier 



1B2 



nogmaals op het gevaar te wijzen, dat ons van dien kant op 
Java bl\jft bedreigen, een gevaar des te grooter, omdat de 
Islam daar werkt als de bekende indische witte mieren, 
die het houtwerk geheel doorknagen, maar het omhulsel on- 
geschonden laten, — tot tijd en wgle eene onvoorzichtige 
hand het voorwerp aanraakt en dit ineen doet vallen! 

Zoo hebben wij onze wandeling door den Archipel al weder 
volbracht en mochten wij opnieuw waarnemen, hoezeer onze 
invloed daar ginds gaandeweg toenam. Waar zich van tijd tot 
tijd nog eenig verzet vertoonde, zooals b.v. in de Toratea-landen 
op Selebes (1863), op Nias (1863), in de Pasetnah-landen op 
Soematm (1866), op het eiland Si-Beroet (1870), daar kostte 
het aan de onzen betrekkelijk weinig moeite om de bevolking 
er van te overtuigen, dat er met de Koempani niet te spot- 
ten viel. Dit moesten ook enkele vorsten op Soematra's 
oostkust ondervinden, die, van t^d tot tijd door de Atjeh- 
neezen gesteund, openlijk tegen het Gouvernement in verzet 
kwamen, maar niet alleen genoodzaakt werden het hoofd 
in den schoot te leggen, doch tevens mede oorzaak waren, 
dat in 1873 het geheele rijk van Siak met al zijne Onder- 
hoorigheden zich oploste in de Residentie Soeniatra!s Oostkust, 
op het oogenblik een der belangrijkste deelen onzer bezit- 
tingen in den Archipel. Belangrijk vooral door de hooge 
vlucht, die de landbouw aldaar sedert de vestiging van ons 
gezag genomen heeft. Om den lezer hiervan een denkbeeld 
te geven, deelen wij alleen mede, dat er op het oogenblik 
meer dan tweehonderd ondernemingen in exploitatie zijn, ver- 
spreid over de verschillende Af deelingen, doch waarvan alleen 
in de Afdeeling Déli een honderdzestigtal wordt aangetroffen. 
Het hoofdproduct is tabak, doch wordt in den laatsten tijd 
hier en daar ook kofps verbouwd. Zoolang de inlandsche 
Vorsten nog, onder onze opperheerschappij, in het zelfbestuur 
over hun rijk gelaten zijn, moeten ook met hen de con- 
tracten voor de ontginning van den grond gesloten worden. 
Echter vereischt elke concessie de goedkeuring van het Eu- 
ropeesch bestuur. 



153 

De uitbreiding van ons gezag op West- en Oost-Soematra 
was en bleef, wj] wezen er vroeger reeds op, een doorn in 
het oog van de Atjehneezen, die hier steeds een belangrgke 
rol gespeeld hebben en zich nu opnieuw binnen hunne eigene 
grenzen zagen teruggedt-ongen. Een weinig meer eerbied voor 
hunne verkregen rechten zou ons misschien niet geschaad 
hebben. Nu gaven wfj hun slechts eene reden te meer om 
verstoord op ons te zgn en op middelen te doen peinzen om 
ons nadeel te berokkenen. Vroeg of laat moest het op een 
tweegevecht uitloopen. In het jaar 1871 waren de Engelschen, 



Eota-Radja. 

aan wie w\j onze bezittingen op de Westkust van Afrika 
hadden afgestaan, er eindelijk toe overgegaan om Artikel 
zooveel van het Traktaat van 1824 te laten vallen en af te 
zien van alle vertoogen tegen de uitbreiding van het Neder- 
landsch gezag in eenig gedeelte van het eiland Soematra. Met 
andere woorden, Engeland gaf ons vrijheid van handelen tegen- 
over Atjeh, mits w^ zorgden dat de onder Britache vlag 
varende schepen niet langer last hadden van Atjehneesche 
zeeroovers en z|jn handel op de Oostkust door de uitbreiding 
van ons gezag geen schade leed. Albion had zich alzoo 



154 



lvlhH>rt\ik g^^kt en de kastanjes voor ons in het vuur 

Kti <200 komen wij als vanzelf tot den Atjeh-oorlog^ waarvan 
\^\i iii t^en volgend hoofdstuk enkele bijzonderheden zullen 
hvbtK'it wede te deelen, doch waarvan wij nu reeds moeten 
'.t>;^t)M» Aüt hö het treurigst slot vormt dat zich op het 
iK>^oiil>lik vvHur de Geschiedenis der Nederlanders in Oost- 
huiio d»»ttkett laat 't Is waar, in naam hebben wij ook hier 
oNoi'wonueu. Of troont daar niet in den voormaligen kraton 
vau Jt> ttwivhtigo sultans, thans Kota-Radja geheeten, reeds 
si^ilvrt jurxm ivn Nederlandsch Gouverneur? Staat niet het 
i^owe^cu ^^hietl der vorsten van Noord-Soematra officieel 
Ik koud vnnior den naam Gouvernement van Atjeh en Onder- 
'u'otitjéti.tAfrM f En toch zijn wij er nog niet. De oorlog met 
K>iu>\,'U ^rfww^vyand, in 1873 begonnen, duurt (1898) nog altijd 
\iViO. i^|4 het oogenblik, waarop wij dit schrijven, zijn de 
cv>ui t^u5x*w nog vol van ontmoetingen tusschen onze troepen 
oa U^ Atjt^hnoozen, van welke laatsten in den letterlijken zin 
vtv'ci x^vKM^)^ gezegd kan worden, dat zij eiken duim gronds 
\tui huu vaderland tegen ons verdedigen. Dus ruim vijf en 
'HiM.'v j^iivn of meer dan eene kwart-eeuw lang! Wat hij ons 
j^vKvv^l Uoofk? Rekenmeesters van beroep hebben ons de 
ta'^KHHU^n voorgecijferd, die uit 's lands schatkist betaald zijn. 
K\ K^ü^tAAt ook, meenen wij, eene opgave van het aantal 
vK^^'HxHU'»> die in den loop dezer vijf en twintig jaren uit 
\^>H^ liHiloorigheid of zucht naar avonturen naar den vijand 
•m vwxu'goloopen. Ook de graven op het hier afgebeelde 
K^^^k^u>f van Petjoet, met zijn prachtig monument aan de 
wa^xnUohlonis van den Generaal-Majoor Pel gewgd, en op 
vvouxA^tHM* Won minuten gaans van Kota-Radja gelegen, kunnen 
«UH?iohioti nog geteld worden. Waar is echter de man, die 
\vu?* «oggou kan hoeveel dapperen elders in het groote Atjeh 
hun graf govonden hebben of daarbuiten aan hunne wonden 
of hokonum ziekten overleden zijn? .... 

Hy do aankondiging van deze Geschiedenis werd o. a. ge- 
«oml» dat volon in den lande er zich wel eens aan wagen 



155 

een oordeel te vellen over den Atjeh-oorlog. Vraagt de lezer 
aoms hoe w^ er over denken, dan moeten w\j hem verwezen 
naar wat op blz. 84, Deel I gezegd is. Verder dan het daar ge- 



plaatste vraagteeken mogen wij niet gaan. Als gesehiedsehryvers 
kunnen w^ echter wel niededeelen, hoe, naar het oordeet van 
velen, de schuld van den langen duiir van den Atjeh-oorlog 
grootendeels by de Hollanders ligt. Hadden wy, zoo redeneert 



166 



men, de oude, elders als goed bewezen taktiek gevolgd en 
de Atjehneezen, na hun eerst de kracht van onzen arm te 
hebben doen gevoelen, langs vreedzamen weg de zegeningen 
van ons bestuur leeren kennen, de zoo vaak besproken „paci- 
ficatie^ van Noord-Soematra ware reeds lang tot stand gekomen. 
Door dat beste van alle stelsels te verlaten, zijn wij zelven 
oorzaak geweest dat de Aijeh-oorlog ontaard is in eenen 
strijd op leven en dood, een bloedig drama, zeggen anderen, 
waarin een aan overwinningen gewoon leger en een volk, dat 
zich niet onderwei-pen wil, de hoofdrollen vervullen. Al dit 
napleiten baat echter weinig meer. Laat ons hopen, dat het 
ware middel tot bevrediging van land en volk spoedig gevonden 
worde en men ten onzent een ieder en een iegelijk, die de 
Atjeh-zaak nog langer door allerlei stelsels stelselmatig tracht 
te bederven, den lande verwijst! 



TWAALFDE HOOFDSTUK. 

1872 tot op heden. 

•Y/A hetgeen in het vorig Hoofdstuk in 't algemeen over 
'-*^^ den Atjeh-oorlog gezegd is, zou thans eene geregelde 
beschrgving van dezen vijf-en-twintigjarigen sti*gd, die onder 
den Gouverneur-Generaal Mr. James Loudon (1872 — 76) be- 
gonnen, onder diens opvolgers Mr. Johan WiUem van Lam- 
berge (1876—^81), Frederik 'sJacob (1881— '84), Oito van Rees 
(1884— '88), Mr. Comdis Pijnacker Hordijk (1888— '93), en 
Jhr. Carel Herman Aart van der Wijck (1893 — ) is voort* 
gezet, dienen te volgen. Do lezer begrijpt echter, dat wij er 
niet aan denken kunnen meer dan enkele hoofdpunten aan te 
stippen en wij voor de rest naar de talrijke geschriften moeten 
verwijzen, waarin deze eenige kamp uit de geschiedenis der 
Nederlanders in Indië meer of minder uitvoerig beschreven 
staat. Folianten kunnen daarover worden gevuld. 

Het nieuwe traktaat met Engeland in 1871 gesloten zijnde, 
lag 't op den weg der Indische Regeering om klaren wijn te 
schenken tegenover Atjeh, welks Sultan nog altijd voortging 
de zeerooverij in de wateren van Noord-Soematra te begunstigen 
of althans ongestraft te laten. De geopende onderhandelingen 
brachten echter al spoedig aan het licht, hoe er aan diens 
hof een geest heerschte, waarvan weinig goeds voor eene 
vreedzame oplossing der hangende quaestie kon worden ver- 
wacht. Het slot van de zaak was dan ook, dat in Maart 1873 
de Vice-President van den Raad van Neerlandsch-Indië, de 



heer F. A. Nieuwenhuijzen, als GouVernements-Commiasaris 
met een soort van ultimatum naar Atjeh vertrok, als op den 
voet gevolgd door eene sterke troepenmacht onder den 
Generaal-Majoor /. M. R. Köhlet; en reeds den S™ April daar- 
aanvolgende zien w\j 
onze dapperen tegen 
den goed versterkten 
vjjand in het vuur 
gaan. De rest van 
dit eerste treffen is 
bekend. Nadat de 
Masjdjid Raja of 

hoofdtempel van 
Atjeh genomen en de 

Opperbevelhebber 
Kohier op het onver- 
wachts gesneuveld 
was, oordeelde de 
krijgsraad het onge- 
wenscht de operatie 
voort te zetten en 
werd besloten om 
onverwijld naar Java 

terug te keeren. Loudon. 

Waarom ? Hier vraagt de lezer meer dan wij zeggen kunnen. 
Er is over dien terugtocht zooveel gesproken en geschreven, 
dat het voor leeken in de zaak moeielijk is de waarheid te 
weten. Vast staat alleen, dat wij van geen mooie markt 
waren thuis gekomen, ook al hadden de onzen eenige oorlog- 
schepen achtergelaten om de kust van Groot-Atjeh te blok- 
keeren. 

Om de fout, of hoe anderen het noemen willen, te her- 
stellen, was niet minder noodig dan de haastige overkomst 
naar Indië van den reeds op zijne lauweren rustenden Luite- 
nant-Generaal Van Swieten, dien wij straks, November 1873, 
aan het hoofd van eene tweede expeditie naar Atjeh zien 



1B9 

trekken. Ditmaal waren wij gelukkiger. Op den 6®^ Januari 
1874 viel bovengemelde tempel nogmaals in onze handen en 
zeventien dagen later trokken onze troepen zegevierend den 
door den vijand verlaten Kraton binnen, welke nu terstond 
in orde gebracht en tot hoofdvestiging, onder den naam van 
„Kota Radja", werd ingericht. De bijtijds gevluchte Sultan 
kwam nog in dezelfde maand te overlijden. Hiermede scheen 
onze hoofdrekening met Atjeh vereffend te zijn en meende 
men het overige aan den tijd te kunnen overlaten, waarom 
dan ook in. April Generaal Van Swieten met de hoofdmacht 
naar Java terugkeerde, terwijl Kolonel L L. J. H. Pd als 
militair, tevens civiel bevelhebber met de noodige bezetting 
in Eota Radja achterbleef. 

Thans begint echter eerst de lijdensgeschiedenis. Toen nl. 
in November 187B Generaal Pel, na een verlof van drie 
maanden, in welken tijd de Kolonel Wiggers van Kerchetn 
zgne plaats had ingenomen, in Atjeh was teruggekeerd, hadden 
de Atjehneezen reeds sedert lang zulk eene vijandige houding 
tegenover ons aangenomen, dat de Regeering te Batavia het 
noodig oordeelde opnieuw handelend en met kracht tegen hen 
op te treden. Van dit oogenblik dagteekent onze strijd tegen 
de Moekims (onderdeden van Groot- Atjeh), die, om er hier 
niets anders van te zeggen, door den vijand met eene onver- 
schrokkenheid aanvaard en een moed volgehouden is, welke 
waarlijk bewondering verdienen. Op den 24®^ Februari 1876 had- 
den de onzen den dood te betreuren van den Generaal-Majoor Pel, 
die in Maart d.a.v. door den Generaal-Majoor Wiggers van 
Kerchem als militair, tevens civiel bevelhebber werd opgevolgd. 
Nog in hetzelfde jaar trad deze echter weder af om plaats 
te maken voor den Generaal-Majoor G. M. Dietnontj tijdens 
wiens bestuur Kota Radja de eer genoot van een bezoek van 
den Gouverneur-Generaal Van Lansberge. Ons nieuw operatie- 
plan had intusschen zulk een goede uitwerking gehad, dat 
verscheidene Atjehneesche Hoofden den Landvoogd hunne 
opwachting in den voormaligen Kraton kwamen maken. Bij 
deze gelegenheid hield Zijne Excellentie eene hartige toespraak 



160 

waarin hij er bij allen op aandrong hunne medewerking tot 
eene vredelievende vestiging van het Nederlandsche gezag te 
verleenen. Tevens beloofde hij hun — ook om aan het 
loopend praatje, als zouden de Hollanders het alleen op 
den Islam gemunt hebben, een einde te maken, — dat de 
door ons verwoeste Masjdjid Raja op 's Gouvernements 
kosten weer zou worden opgebouwd. 

Het scheen dus, dat betere dagen in aantocht waren. Men 
rekende echter wel een weinig buiten den afkeer, dien de 
volbloed Atjehnees jegens ons bleef koesteren en inzonderheid 
buiten het in hooge mate opgewekt mohamedaansch fanatisme, 
dat in den gevoerden strijd slechts den prang sabil Allah, 
den heiligen oorlog, zag en zelfs niet door de belofte van 
eenen kostbaren tempel tot andere gedachten te brengen was. 
Althans, aan het vechten kwam geen einde. Tijdens het bestuur 
van den Kolonel (later Generaal) K, van der Heijden^ die in 
1877 tot civiel en militair bevelhebber werd benoemd en in 
het volgende jaar, bij de instelling van een Gouvernement 
Atjeh en Onderhoorigheden, als eerste Gouverneur optrad, had 
de onderwerping' plaats van den beruchten Arabier Habib 
Abdoel Rahman al Zair, die ons veel kwaad had gedaan, wat 
echter niet verhinderde dat hij later met een goed jaargeld 
naar zijn land aan de Roode Zee is teruggezonden. Ook in 
andere opzichten namen onze zaken in Atjeh onder den 
Gouverneur Van der Heijden een beteren keer, zoo zelfs dat 
de Indische Regeering in 1881 het oogenblik gekomen achtte 
om aldaar een zuiver burgerlijk bestuur onder den heer 
A. Pruijs van der Hoeven in te voeren. Het was hetzelfde 
jaar waarin de door ons opgebouwde Masdjid Raja op plechtige 
wijze, in tegenwoordigheid van een groot aantal Hoofden, in 
het bezit der bevolking gesteld werd. 

Een zuiver burgerlijk bestuur alzoo, maar — gesteund door 
een flinke troepenmacht, welke nog altijd noodig was om ons 
den vijand van het lijf te houden. In het jaar 1883, tijdens 
het kortstondig bestuur van den Gouverneur P. F. Lagias 
Tobias, werd Kota-Radja ook bezocht door den Gouverneur- 



161 

Generaal 's Jacob, die aanleiding vond om aan een aantal 
inlandsche Hoofden, als blijk van tevredenheid, geschenken 
en eereteekenen uit te reiken. Hoe goed echter ook bedoeld, 
de aan velen verleende onderscheiding kon niet verhinderen 
dat de strijd voortduurde en het Gouvernement zich nog in 
het volgende jaar genoodzaakt zag opnieuw een militair, tevens 
civiel Gouverneur (Kolonel H. Demmeni) aan het hoofd te 
plaatsen. Tevens werd het noodig geacht onze troepen binnen 
bepaalde grenzen, de zoogenaamde Postetdinie, te concentreeren 
en de havens van Atjeh voor allen in- en uitvoer, straks ook 
de noordkust voor de prauwvaart en vischvangst te sluiten. 
Door laatstbedoelde maatregelen hoopte men de Radja's in 
de verschillende staatjes te noodzaken zich van verdere 
vijandelijkheden te onthouden. De onder ons zoo zeer verlangde 
pacificatie van Atjeh liet echter op zich wachten. 

Opvolgers van Demmeni waren de Kolonels H. K, F. van 
Teijn (1886- '91), F. Pompe van Meerdervoort (1891— '92) en 
de Generaal-Majoor C. Deijkerhoff (1892 — '96), die er echter, 
hoe verdienstelijk zij zich ook gedragen hebbeu; al evenmin 
in slaagden aan den voor onze troepen afmattenden en voor 
de schatkist zoo kostbaren oorlog een einde te maken. In 
September 1893 kwam het sedert zoo berucht geworden 
Atjehsch Hoofd Toekoe Oemar zijne onderwerping aanbieden 
en werd van zijne toen waarlijk niet te versmaden diensten 
gebruik gemaakt om de XXV, XXVI en XXH Moekims van 
vijanden te zuiveren. Twee en een half jaar later vond deze 
sluwe inlander, die door de onzen met allerlei eerbewijzen 
overladen was en zelfs den hoogdravenden titel van Toekoe 
Djohan Pahalawan Panglima Prang besar van het N.-Indische 
Gouvernement ^) ontvangen had, het goed ons andermaal den 
rug toe te keeren en opnieuw in de rij onzer felste tegen- 
standers plaats te nemen. Op het oogenblik bevindt hij zich 
daar nog en wat die tegenstanders ook onder den opvolger 
van Deijkerhoflf, Kolonel C. P. J. van Vliet (1896— begin 1898) 



^) Dat ia ongeveer: Toekoe de held, de dappere, opperbevelhebber in 
den grooten oorlog van het Gouvernement! 

11 



durfden bestaan, daarvan waren in die dagen de couranten 
zoo vol, dat wij er hier gevoeglgk over zwijgen kunnen. Wie 
er over schryven wil, hij vindt stof voor een boekdeel achter 
die eenvoudige, weemoedige woorden uit de troonrede van 
1897, luidende: „Ik breng warme hulde aan den moed en de 
volharding van het 
Nederlandsch-Indi- 
sche leger, door de 
vloot krachtig ge- 
steund, de offers diep 
betreurende, die nog 
steeds gevorderd 
worden om in Atjeb, 
ten bate van rust en 
vrede, onze macht 
duurzaam te vesti- 
gen." 

1898! Het kro- 
ningsjaar onzer veel- 
beminde Koningin 
Wilhelmina, wier 
lieflijk beeld ons 
Luctor et Emergo 
op het titelblad mag 
dragen ! Zal de Kei- 
zerin van Insulinde 
Hare eerste ti-oon- 
rede openen met de 
koninklijke bood- 
schap : Atjeb heeft 
zich aan Onze voeten 
neergeworpen ? Een 
oogenblik heeft men 
het gehoopt. Het 
was het oogenblik 
Toekoe Oeinar. 



163 

toen de reeds met roem bekende Kolonel J, B. van Heutsz als 
Gouverneur van Atjeh optrad en zijn Pedir-stonn, gelgk wij 
het ergens vonden genoemd, uitdacht en in persoon mede hielp 
uitvoeren. Dat zou de laatste slag zijn! En? De storm heeft 
uitgewoed; zijn uitwerking was niet zonder beteekenis; met 
eenig* recht kon de Luitenant- Kolonel Koster te Segli in een 
heildronk op Hare Majesteit de Koningin zeggen : Het daghet in 
het Oosten^ maar, moer dan een licht morgenrood hebben onze 
oogen nog niet mogen aanschouwen. Dat Toekoe Oemar nog 
steeds voortvluchtende is, achten wij eene zaak van betrek- 
kelijk weinig beteekenis en ontneemt niets aan de groote ver- 
diensten van Kolonel Van Heutsz, die onder meer aan de 
vredelievende Atjehneezen opnieuw het bewijs heeft geleverd, 
dat alleen de kwaadwilligen onzen sterken arm te vreezen 
hebben. Zoolang wij echter nog niet vernomen hebben dat de 
oorlogspartij — en dit is niet Toekoe Oemar ! — het hoofd 
in den schoot geworpen heeft, zoolang blijven wij, in allen 
eerbied, met den man uit de gewijde bladen zuchten : de 
morgen, ach wanneer ? 

Zooals de lezer weet, is — om dit hier nog even te her- 
inneren — onder den militairen Gouverneur in Groot- Atjeh 
een Adsistent-Resident met het civiel bestuur belast, aan 
welken ambtenaar ook de Controleur van de onder-afdeeling 
Poeloe Wèh ondergeschikt is. Voorts heeft men de Onder- 
hoorigheden langs de Noord- en Oostkust onder eenen 
Adsistent-Resident en twee Controleurs, gevestigd te Teloek 
Semawé, Edi en Segli, en die langs de Westkust onder eenen 
Adsistent-Resident te Poeloe Raja en eenen Controleur te 
Melaboeh. Tusschen Groot- Atjeh en deze Westkust liggen de 
zoogenaamde Zuidelijke neerzettingen, waartoe ook het bekende 
Lehong, het eigenlijk vaderland van Toekoe Oemar, behoort. 
De geheele oppervlakte van het Gouvernement Atjeh en 
Onderhoorigheden wordt officieel opgegeven als 966.6 vierk. 
geografische mijlen te bedragen, dat is dus ruim anderhalfmaal 
de grootte van Nederland. 

Voor wij nu voorgoed van dit land langs Soematra's noord- 



164 

kust afstappen, nog even de historische mededeeling dat op 
den 2®^ September, heuglijke gedachtenis! te Weltevreden 
(Batavia) rondom het fort Frederik Hendrik (bl. 84) het 
Wilhelminapark geopend en daarbinnen een Atjeh-monument 
onthuld is, dat, blijkens een op het voetstuk geplaatst op- 
schrift, eene hulde daarstelt van Koning Willem III, van 
Nederland en Neerlandsch-Indië aan de grondleggers van het 
Nederlandsch gezag op Soematra. Heilig, zegt een ander op- 
schrift, is ons de nagedachtenis der gevallenen! 

Thans vragen andere onderwerpen onze aandacht. Nadat in 
het midden van 1866 daarginds een nieuw wetboek van 
strafrecht voor Europeanen was afgekondigd, trad op 1 Januari 
1873 (het jaar waarin de Hertogen van Saxen-Coburg-Gotha 
een bezoek aan Batavia brachten) een dergelijk wetboek voor 
Inlanders in werking. Ontwerper van dit laatste was de heer 
Mr. T. H. der Kinderen^ destijds Lid van den Raad van 
Indië, die zich ten opzichte van de rechtspleging zeer ver- 
dienstelijk heeft betoond. Alleen is de opmerking gemaakt, dat 
deze en andere voor den Inboorling bestemde wetten en 
reglementen te veel op westerschen leest geschoeid zijn en daarin 
te weinig rekening gehouden wordt met de Adat, d. i. de 
geschreven of niet geschreven gewoonte-wet der inheemsche 
bevolking, welke Adat voor ons Westerlingen wel niet te 
gebruiken is, maar geheel en al past in de huishouding van 
stammen, tot wie de verlichting nog niet is doorgedrongen. 
Bij hen onze rechtsbegrippen te willen invoeren, wordt door 
velen met het spannen van het paard achter den wagen gelijk 
gesteld. Wij vertrouwen dan ook wel, dat vele ambtenaren 
by de toepassing van het nieuwe strafwetboek — dat later, 
meenen wij, nog weer gewijzigd is — water in hun wijn 
zullen gedaan hebben. Intusschen blijft het te wenschen, dat 
overal in den Archipel de rechtspleging in handen kome van 
Nederlandsche rechters, waardoor een einde zal worden gemaakt 
aan de vele ongerechtigheden, die in landen, waar de bevol- 
king nog niet aan ons direct gezag onderworpen is, op het 
punt van het recht gepleegd worden. 



165 

Het zou een onbegonnen werk zijn, wilden wij melding 
maken van q^lles, wat in dit laatste tijdperk voor den Inlander 
in 't bijzonder en voor de ontwikkeling van Indië als Neer- 
land's twaalfde provincie in 't algemeen is tot stand gebracht. 
Zonder veel vertoon, zonder dat menige Europeaan er iets 
van bemerkte, heeft die ontwikkeling in deze vijf-en-twintig 
jaren eene vlucht genomen, die werkelijk verbazing wekt. 
Niet weinig hebben daartoe zeker medegewerkt de weten- 
schappelijke expeditie's, aldaar door particulieren, met of zonder 
directe ondersteuning van het Gouvernement, ondernomen. 
Eene der belangrijkste hiervan was zonder twijfel die van het 
Nedmiandsch Aardrijkskundig Genootschap^ A^ 1877 tot onderzoek 
van Midden- Soematra op touw gezet en waarbij mannen als Veth, 
Schouw Santvoort, Van Hasselt en anderen zich buitengewoon 
verdienstelijk hebben gemaakt. Aan hen danken wij voorname- 
lijk onze kennis van dit gedeelte van het groote eiland, welks 
overrijke hulpbronnen tot hiertoe nog niet of nog slechts ten 
deele bekend waren. Van groot belang en rijk in zijne gevolgen 
is ook de tocht geweest (in 1870) van den ingenieur De Greve 
naar de toen ontdekte Oiiibilin-velden (Ombiliën) in de Pa- 
dangsche. Bovenlanden, waarvan het Gouvernement in 1891 
de exploitatie op zich genomen heeft. In laatstgenoemd jaar 
ondernam de Hoofdingenieur IJzerman een verkenningstocht 
dwars door Midden- Soematra, ten einde een onderzoek in te 
stellen naar de mogelijkheid om bedoelde kolenvelden door 
eenen spoorweg met de Oostkust te verbinden of op andere 
wijze eenen afvoerweg daar te stellen. De onuitvoerbaarheid 
hiervan gebleken ziinde, heeft het Gouvernement naar de 
westzijde een spoorbaan doen aanleggen, zoodat de Boven- 
landen nu van Padang uit kunnen worden beieikt. In verband 
met de op het oogenblik reeds in vollen gang zijnde exploi- 
tatie is bovendien in de buurt van laatstgenoemde plaats en 
wel in de Eoninginne-baai — voorheen Brandewijns-baai ge- 
heeten — de kostbare Emma-haven aangelegd, welke op den 
1®^ October 1892 voor het gebruik werd opengesteld. Tegen- 
over de bedrijvigheid op Soematra's Westkust, door bedoelde 



166 

ontginning in het leven geroepen, staat in de in 1873 tot 
eene afzonderlgke Residentie verheven Oostkust de bewerking 
van den bodem ten behoeve van de tabakscultuur, die hier 
in korten tijd eene ongehoorde vlucht genomen heeft. Op het 
oogenblik worden daar ruim tweehonderd ondernemingen aan- 
getroffen, die aan tal van Europeanen, Chineezen en Inlanders 
eene goede betrekking en arbeid verschaffen en wier eige- 
naars, onder goedkeuring van het Gouvernement, met de inland- 
sche Vorsten de noodige kontrakten hebben aangegaan. 

Ook het Nederlandsch gedeelte van Borneo heeft zijne 
wetenschappelijke expeditie's op grooter en kleiner schaal 
gehad. Dank zij den arbeid, den moed en de volharding van 
mannen als Prof. Molengraaff, Dr. Nieuwenhuys en anderen 
is onze kennis van dit eiland, ook wat vroeger nooit bezochte 
streken betreft, belangrijk uitgebreid en daarmede de weg 
gebaand om ook dit gedeelte onzer Bezittingen in de algemeene 
ontwikkeling te doen deelen. 

Het optreden van het Gouvernement als mgnontginner, maar 
meer nog de door de mannen der wetenschap gedane ont- 
dekkingen, hebben bij onze landgenooten daarginds in den 
laatsten tijd niet weinig den lust opgewekt om zich een deel 
van den enormen rijkdom van Insulinde's bodem aan goud, 
steenkolen, petroleum, enz. toe te eigenen. Tal van mijn- 
ontginningen zgn reeds in volle werking, terwijl eene bloote 
opsomming van concessiën tot het doen van mijnbouwkundige 
ondernemingen, door de Indische Regeering of inlandsche 
Vorsten verleend, geheele bladzijden zou vullen. Volgens het 
weekblad Instdinde zouden in ééne maand niet minder dan 
3000 aanvragen tot vergunning zijn ingekomen! 

Ook ten opzichte van de meer afgelegen deelen van den 
Archipel is onze kennis in de laatste vijf-en-twintig of 
twintig jaren enorm vooruitgegaan. Dank zij den arbeid van 
enkele ambtenaren of van opzettelijk tot onderzoek uitge- 
zonden mannen — wij noemen alleen De Clercq, Wichmann, 
Martin, Ten Kate — liggen de kuststreken van Nederlandsch- 
Nieuw-Guinea, de Aroe- en Kei-eilanden, enz. als een geopend 



167 

boek voor ons. En waar alzoo ambtenaren en particulieren den 
weg gebaand hebben om ook deze zoolang vergeten hoeken 
voor het licht te brengen en ze, hopen wg, in de elders 
zich baanbrekende ontwikkeling te doen deelen, daar heeft 
ook het Gouvernement zijn' goeden wil getoond, door bedoelde 
eilanden in het net der Anno 1891 geopende Pakketvaart 
op te nemen. Hoe onbeduidend op het oog, kan deze maat- 
regel voor handel en nijverheid, voor de veiligheid van per- 
sonen als anderszins belangrijke gevolgen hebben. 

Voor wij voorgoed van de wetenschappelijke expeditie's 
afstappen, nog even het verhaal van eene, die niet aan het 
beoogde doel beantwoordde en in een bloedbad eindigde. Wij 
bedoelen den tocht, in December 1889 op last en voor reke- 
ning van het Indisch Aardrijkskundig Genootschap naar de 
Zuidkust van Flores ondernomen om te onderzoeken of het 
gerucht waarheid bevatte, dat de bodem van dit eiland zoo 
rijk aan tinerts zijn zou. De uitgezonden Commissie vond 
echter de bevolking, zoowel hier als later op de Noordkust, 
weinig gezind om den blanken man naar de schatten van 
haren grond te laten graven. Zij kwam geregeld daartegen 
in verzet en nam ten laatste zulk eene dreigende houding 
aan, dat het Indisch Gouvernement het voor zijne eer noodig 
oordeelde, eene kleine troepenmacht naar Flores uit te zendei^ 
Het geheele geval kostte ons het leven van een jeugdig 
ofiBcier en enkele minderen, doch leidde niet, zooals wij o£Bcieel 
vinden opgeteekend, tot het vinden van tinertshoudende 
gronden. Op het oogenblik weet men dus nog niet wat er 
van Flores' rijkdom aan genoemd metaal te denken is. Wel. 
kunnen wij mededeelen, dat de tweeledige expeditie nog na- 
weeën heeft gehad en wel in den opstand — Januari 1891 — 
van de Berg-Endehneezen, die onder aanvoering van hun 
Hoofd, Baranoeri genaamd, de zuidkust van Flores in rep en 
roer brachten. Eerst nadat hunne voornaamste kampoeng 
Manoe-Ngoh-oh door Hr.-Ms. stoomschepen Java en Van Speyk 
duchtig beschoten was, volgde de onderwerping. 

Ook nog op ander gebied dan wetenschappelijke expeditie's 



168 

en mijnonderzoekingen zijn de laatste vijf-en-twintig jaren 
voor de ontwikkeling van Indië hoogst vruchtbaar geweest. 
Wij denken aan het jaar 1878, toen de Gouverneur-Generaal 
Van Lansberge tegenwoordig was bij de opening van den 
eersten Staatsspoorweg op Java, loopende tusschen Soerabaja 
en het oostelijk daarvan gelegen Pasoeroehan. Sedert zijn 
nog twintig jaar verloopen en op het oogenblik is het eiland 
over bijna zijne geheele lengte en hier en daar ook in de breedte, 
door een net van ijzeren banen als bedekt geworden, zoodat 
men, per scheepsgelegenheid te Batavia aankomende, terstond 
zijne reis per spoor tot Solo, Semarang, Eediri, Soerabaja, 
ja tot Bezoeki op de Oostkust kan voortzetten. De meeste 
lijnen behooren tot de zoogenaamde Staatssporen, verdeeld in 
Ooster- en Westerlijnen, die eene gezamenlijke lengte beslaan 
van 1123 K.M. en aan opname en aanleg de eerbiedwaardige 
som van ruim ƒ 92.000.000 gekost hebben. Rest nog de ver- 
binding tusschen Batavia en Bantam aan de eene en Bezoeki 
met Banjoewangi aan de andere zijde, welke trajekten echter 
* ook reeds zijn opgenomen en binnen een paar jaar eveneens 
in exploitatie ?ijn zullen. En wie beweert dan nog dat er in 
Indië niets gedaan wordt ? Bovendien, waar de spoor ons nog 
niet brengen kan, daar bieden tal van particuliere tram- 
ondernemingen, meest door stoom bediend, den reiziger gele- 
genheid om zijn tocht naar meer binnenlands gelegen plaatsen 
voort te zetten. 

Dezer dagen hoorden wij iemand, het is bijna ongelooflijk, 
op Indië doelende, van „dat Apenland^ spreken. Zoo'n man 
zouden wg den raad willen geven daarginds eens een kgkje 
te gaan nemen. Als hij nog een paar jaar wacht, dan kan hij 
misschien logies bestellen per telephoon^ die op Java zelf reeds 
in de meeste belangrijke plaatsen is ingevoerd. Alleen ont- 
breekt op het oogenblik nog de internationale verbinding, 
maar ook deze komt. De eerste Gouvernements-telephoon- 
dienst werd in Maart 1884 geopend en tegenwoordig spreekt 
men op Java van de telephoon alsof men in Europa 
ware. Aan verschillende personen is daar concessie verleend 



169 

voor den aanleg van nieuwe verbindingen en die ontbreken 
er nog maar aan om geheel Java naast onze deur te 
brengen. 

Wie vijf-en-twintig jaar geleden eene reis naar Batavia 
maakte, beliep de kans dat hg, na een misschien aan- 
genamen en hoogst voorspoedigen tocht over den Oceaan, op 
de reede bg het binnenvaren van de monding der ons bekende 
Tjiliwong in de hevige branding zijn leven kwam te verliezen. 
Menige passagier heeft daar op het laatste moment zijn graf 
in de golven gevonden. Ook dit gevaar bestaat echter niet 
meer. Na lang wikken en wegen en niet voordat genoemde 
rivier voor de scheepvaart totaal onbruikbaar geworden was, 
is het Indisch Gouvernement er eindelijk in 1877 toe over- 
gegaan om ten oosten van de stad bij Tandjoeng Prgoek 
— de „Potten-kaap" — nieuwe havenwerken aan te leggen, 
die wel ontzaglijk veel gekost hebben, maar tot hiertoe 
uitstekend aan het doel beantwoorden. Deze haven, die in 
1882 gereed kwam, is door een scheepvaartkanaal en zoo ook 
door eene spoorweglijn met de hoofdstad Batavia verbonden. 
Aan deze lijn dachten wij, toen wij boven zeiden, dat reizigers 
terstond bij het aan wal stappen hunne reis over de geheele 
lengte van .Java kunnen voortzetten. Wie had dit in 1875, 
toen Mr. James Loudon het bestuur aan den Gouverneur* 
Generaal Van Lansberge overdroeg, durven voorspellen! 

Over de telegraphische verbinding van Java met Europa 
(L871), Australië (1871) Mangkasar via Boelèlèng (1888) en 
Madoera (1889) meenen wij vroeger reeds gesproken te hebben. 
Uit het eerste gedeelte onzer schets van de geschiedenis der 
Nederlanders in Indië herinnert de lezer zich den naam 
Djohor, toen en ook nu nog een der aanzienlijkste rijken op 
het schiereiland Malaka. 't Is ons niet bekend of de Vorsten 
van dezen Maleischen staat ook iets doen aan historische 
studiën. Anders moet het den tegenwoordigen Maharadja, die 
in Mei 1881 een bezoek aan Java bracht en thuis misschien 
hoofdzakelijk over hét groote Albion hoort spreken, op- 
gevallen zijn wat grfiotsche dingen het kleine Nederland op 



170 

Java en daarbuiten heeft tot stand gebracht. Het doet ons 
vaderlandsch hart goed, hierop met enkel woord te mogen 
wgzen. 

Natuurlijk is eii was daarginds niet alles goud wat er 
blinkt. En nu denken wij niet bepaald aan de feilen, die ons 
bestuur over Javanen, Maleiers, enz. aankleven en door echte 
en onechte specialiteiten op koloniaal gebied behoorlijk wereld- 
kundig worden gemaakt. Wfl hadden meer op 't oog de 
Indo-europeesche bevolking, die daar, schier onbewust van 
de groote hervormingen welke Indië ondergaat, onbekommerd 
voortwandelt te midden van de doornen, waarop wij vroeger 
(bl. 47) gewezen hebben en die daar in het land van den 
Orang-oetan en den Paradijs-vogel nog altijd tusschen de 
rozen groeien. In den ofiBcieëlen Regeerings- Almanak van 
Nederlandsch-Indië vindt men in chronologische orde de 
voornaamste gebeurtenissen op staatkundig en maatschappelijk 
gebied opgesomd. En nu is het opmerkelflk, hoe weinig jaar- 
tallen daar uit de laatste kwart-eeuw voorkomen, waarop 
geen afzonderlijke vermelding van heerschende ziekten voor- 
komt. -Voor onze soldaten is 't meestal de bern-befrij eene 
vreemde, lastige kwaal, waarvoor het ware kruid nog niet 
gewassen schijnt; voor de burgers de cholera, die nog altijd 
voortgaat hare slachtoffers te maken; voor het vee de pest, 
welke het vooral op de karbouwen, die trouwe huisvrienden, 
zouden wij haast zeggen, van den Javaan gemunt heeft. In 
het jaar 1873 kreeg Indië bezoek van de knokkelkoorts, eene 
vreemdsoortige ziekte, die, als zat zij in de lucht, algemeen 
heerschte en overal schrik en rouw veroorzaakte. En dit zijn 
nog niet de eenige doornen. Hevige, verwoesting en dood om 
zich heen verspreidende overstroomingen kwamen op Java, 
Soematra en elders herhaaldelijk voor. Vergeten wij ook niet 
het onderaardsche vuur, dat daar op de meeste eilanden nog 
altijd als een gevangene zich wringt onder zijn banden en 
zich tracht los te maken. Hevige uitbarstingen als van den 
Kloet (1876), den Sendoro (1882), den Seméroe (188B), den 
Galoenggoeng (1894) kwamen op Java geregeld voor. Daar- 



171 

buiten waren het vooral de eruptie van den Makjan (1890) 
in de Residentie Ternate en van den Awoe (1892) op Groot- 
Sangi, die schrik en ontsteltenis onder de omwonende bevolking 
teweegbrachten. De laatste kostte naar schatting aan niet 
minder dan 2000 menschen het leven, terwgl 20000 andere van 
have en goed beroofd werden. De geleerden schgnen het er 
nog niet over eens te z\jn of de ons allen nog versch in hot 
geheugen liggende catastrophe van 6 Januari 1898 op het 
eiland Ambon aan vulkanische werking dan wel aan iets 
anders moet worden toegeschreven, liet onomstootelijk bewijs 
is echter geleverd, dat ook de bevolking daar op een be- 
driegelijken bodem wandelt. 

En nu zwegen wij nog van de uitbarsting van den Krakatau 
(Rakata) in Mei, maar vooral op 27 Augustus van het jaar 1883, 
de vreeselijkste van alle eruptie's, die daarginds sedert menschen- 
heugenis hebben plaats gegrepen. Na 1680, toen deze berg 
ook^ van zich had doen hooren, hadden de geleerden hem een 
plaatsje onder de „rustende" vulkanen aangewezen. Het op 
bl. 105 door ons aangehaalde Fransche spreekwoord is echter 
ook hier op sprekende wgze toegepast geworden. De uit- 
barsting was zoo hevig, dat o. a. te Batavia, op eerbiedigen 
afstand van Straat Soenda gelegen, velen in de meening ver- 
keerden, dat de wereld verging. Later is gebleken dat een 
groot gedeelte van de Westkust van Bantam en van de 
Zuidkust van Soematra totaal verwoest was en niet miiidér 
dan vier-en-dertig duizend personen door den zeevloed of 
anderszins het leven verloren hadden! Verschrikkelijk voor- 
waar ! Welke verwoestingen de verraderlijke Krakatau echter 
ook moge hebben aangericht, hij heeft niet kunnen te niet 
doen de oud-Hollandsche liefdadigheid, die, zoodra de eerste 
schrik voorbij was, terstond vaardig werd en binnen enkele 
dagen ruim een millioen guldens tot leniging van den nood 
op het altaar der menschenliefde bijeenbracht. Ook Ambon 
weet van haar te spreken. 

Wie daarginds in Indië bij het offeren zijner gave op 
dankbaarheid bij de Baniaynmers mocht hebben gerekend, heeft 



172 

zich deerlijk bedrogen gezien. Nog geen vijf jaren waren na 
de boven vermelde catastrophe verloopen, toen te Tjilegon, 
niet ver van de verwoeste kust, ter plaatse waar sedert de 
zetel van het Afdeelings-bestuur gevestigd is, door niohanie- 
daansche geeatdrijvers een tooneel werd opgevoerd, dat in 
werkelijkheid bloedig mag worden genoemd. Met den Adsistent- 
Resident Qubbels en diens gezin werden op het onverwachts 
verscheidene andere Europeanen en inlandsche ambtenaren, in 
het geheel achttien personen, moorddadig omgebracht. Gelukkig 
kon de van Batavia uitgezonden militaire macht nog tijdig 
genoeg optreden om grooter slachting te voorkomen. Het doel 
van de opstandelingen toch was, gelijk later gebleken is, om 
alle Europeanen en de hun toegedane inlandsche Hoofden in 
Bantam te vermoorden en in West-Java, waar eenmaal Padja- 
djaran den scepter zwaaide, een zuiver mohamedaansch rijk 



te stichten. De meeste belhamels zijn later in onze handen 
gevallen om door de Omgaande rechtbank te Tjilegon (zie 
afbeelding) of door den Rechter te Batavia tot dwangarbeid, 
verbanning of de doodstraf door den galg veroordeeld te 
worden. 



173 

Als een historisch feit, dat misschien velen onzer lezers 
belangrijk zal toeschijnen, deelen wij hier nog even mede, 
hoe de te Rotterdam gevestigde Nederlandsche Zending- 
Vereeniging heeft gemeend wraak op de ondankbare Ban- 
tammers te moeten nemen, door zendelingen tot hen af te 
vaardigen om hen met de zegeningen des Ghristendoms bekend 
te maken. 

Een opstand die veel bloed kost en veel te denken geeft, 
noemden wij het in de Inhoudsopgave voor deze Schetsen. 
Het voorgevallene te Tjilegon stond namelijk niet alleen. Juist 
in dezen tijd openbaarde zich over geheel Java onder de 
mohamedaansche bevolking een meer opgewekt godsdienstig 
leven, waarvan enkele geestdrijvers partg trokken om de 
Javanen tegen het wettig gezag in opstand te brengen. 
Gelukkig echter bleek het gros der bevolking vooralsnog on- 
gezind om zich door hen te laten meeslepen, terwijl overal de 
militaire macht tijdig bij de hand was om de raddraaiers 
onschadelijk te maken. Bestond er dus voor het oogenblik geen 
bepaalde grond voor de europeesche bevolking om zich zoo 
ongerust te maken als zij volgens officiëele mededeeling in 
Augustus 1888 gedaan heeft, de woelingen van den Islam 
gaven stof tot nadenken en — voorzichtigheid. Gelijk zij thans 
nog doen. Het gevaar dat ons van dien kant dreigt, wordt 
er niet minder door, nu het zielental der bevolking op zoo 
buitengewone wijze toeneemt en de welvaart van den kleinen 
man zich, althans in vele Residentie's, in omgekeerde orde 
daarmede verhoudt. Eene hongerige maag is altijd geweest 
en zal altoos blijven een gewillig instrument in de hand van 
behendige volksleiders, ün homme averti en vaut deux, zeggen 
alweer de Franschen, en 't is wel noodig dat wij ons tegen- 
over zulk eene macht verdubbelen. 

Zoo over Java, waar in November 1889 eenige Chineezen 
te Djokjokarta de rust trachtten te verstoren, ronddolende, 
zouden wij haast de Buiten-bezittingen vergeten, die toch ook, 
zij 't misschien niet in die mate, recht hebben op onze belang- 
stelling. Reeds boven wezen wij er met een enkel woord op, 



174 

hoe dit gedeelte van Neerlandseh-Iiidië, waartoe sedert 1882 
ook de eilanden Bali en Lombok, tot hiertoe een onderdeel 
van de voormalige Residentie Banjoewangi, behooren, in ont- 
wikkeling en uitbreiding van ons gezag is vooruitgegaan. In 
enkele streken ging dit als vanzelf, elders eerst na eenig 
militair machtsvertoon, dat in zulk een uitgestrekt gebied 
wel nimmer achterwege zal kunnen blijven. Zoo o. a. in 
September 187B in de Residentie Bengkoelen, waar de 
bevolking tegen ons in opstand kwam en de heeren Van 
Andel en CaMens, de eerste Adsistent-Resident, de tweede 
Controleur, als slachtoffers van hunnen dienstijver vielen. 
Eerst twee jaren later gelukte het aan de militaire macht de 
hoofdaanleggers van dien moord; Boerniat en Merdajan ge- 
naamd, in handen te krijgen en daarmede de rust in Beng- 
koelen te herstellen. In 1881 had het bestuur hier met 
woelingen op godsdienstig gebied te kampen, terwijl nog in 
hetzelfde jaar onder de inlandsche bevolking van Palembang 
eene samenzwering tegen het Nederlandsch gezag werd ont- 
dekt, die eerst door de gevangenneming der hoofdaanleggers 
onderdrukt mocht heeten. Hoe ongewenscht op zichzelf ook, 
zoo hebben deze machtsvertooningen toch deze lichtzijde, dat 
zg bij de goedgezinde Inlanders het vertrouwen in ons gezag 
verhoogen en kwaadwilligen al minder en minder gelegenheid 
vinden om zich te doen gelden. Dat vertrouwen werkt boven- 
dien, als wij ons zoo mogen uitdrukken, aanstekelijk bg de 
bevolking van naburige gewesten, die, zooals er op Soematra 
nog verscheidene voorkomen, tot hiertoe zich van eiken Neder- 
landschen invloed hebben weten vrij te houden. Het is altijd 
een belangrijke factor geweest bij de vestiging en uitbreiding 
van ons gezag en 't mag daarom betreurd worden, dat men 
hem in den laatsten t\jd wel eens over het hoofd heeft gezien. 
(De lezer voelt waaraan wij denken.) 

Een merkwaardig voorbeeld van die rustige, geleidelijke 
uitbreiding van ons gezag levert het Gouvernement van 
Soematra's Westkust, dat in de laatste vijf-en-twintig jaren 
door de . vrljuxUlige toetreding van tal van Bataksche Land- 



175 

schappen aanmerkelijk in omvang is toegenomen. Slechts nu 
en dan was de inlijving het gevolg van het optreden eener 
expeditionaire troepenmacht, uitgezonden ter bescherming van 
onze door kwaadwilligen bedreigde grensgewesten. Op die 
wijze zijn de door ons bezette posten langzamerhand en bijna 
ongemerkt vooruitgeschoven tot Lagoe-boti aan het bekende 
Toba-meer, vanwaar de onzen nog slechts enkele schreden 
behoeven te doen om de Westkust met Oost-Soematra in 
verbinding te brengen, liet spreekt vanzelf dat de Bataks 
van den echten stempel dat voortrukken van de Hollanders 
met leede oogen aanzien. Inzonderheid was dit steeds het 
geval met Si-Singa-Mangaradja^ Vorst van Bakara, een soort 
van priester-koning, aan wien de bevolking bijna goddelijke 
eer bewgst en die maar al te goed begrijpt dat, waar de 
blanke man zich nestelt, voor hem en den luister van zgn geslacht 
geen plaats meer is. In het jaar 1877 gelukte 't hem zijnen 
broeder Parloepoe te bewegen om met eene vrij talrgke bende de 
door ons bezette Toba-landen aan te vallen. Gelukkig echter 
waren onze troepen bgtijds bij de hand om den voortgang 
dezer kwaadwilligen te stuiten. Hetzelfde succes hadden wij, 
toen in 1889 Si Singa-Mangaradja zichzelf aan het hoofd van 
den opstand plaatste. De afgod der Bataks bleek echter niet opge- 
wassen te zijn tegen de Hollanders en zag zich zelfs genoodzaakt 
zgne residentie te verlaten en elders een goed heenkomen 
te zoeken. Sedert heeft hij nu hier dan daar rondgezworven, 
totdat nu dezer dagen de couranten ons meldden, dat hij den 
strijd moede is en zijne onderwerping heeft laten aanbieden. 
Komt het werkelijk daartoe, dan zal dit als eene belangrijke 
overwinning in de annalen onzer indische krijgsgeschiedenis 
kunnen worden geboekt. Wij zouden ons zelfs niet verwon- 
deren, als zij bleek het begin te zijn van de algeheele onder- 
werping der nog onafhankelijke Batak-landen, wier ligging 
tusschen Atjeh, de Oost- en de Westkust nog altijd als eene 
bedreiging voor ons gezag moet worden aangemerkt. Misschien 
komen wg dan ook nog eens klaar met de Gajoe's, een half- 
wilden volksstam in de nog zoogoed als onbekende binnenlanden 



176 

van Atjeh, die ook van tijd tot t\jd van zich doen hooren en 
o. a. nog in 1886 een aanval in Tamiang (Residentie Oostkust) 
gewaagd hebben. Het was hetzelfde jaar, waarin de Hok Canton, 
een onder Engelsche vlag varend stoomschip, te Bigas op de 
Westkust van Atjeh overvallen en geplunderd werd. Drie jaren 
vroeger, om dit hier even terloops mede te deelen, was op 
deze zelfde kust het Engelsche stoomschip Nisero gestrand en 
had de Radja van Tenom het stoute stuk bestaan van de 
schipbreukelingen gevangen te nemen, welke wederrechtelijke 
daad aanleiding gaf tot het bijna ongehoorde feit in onze 
indisehe geschiedenis: het gemeenschappelijk optreden van 
Engelschen en Nederlanders ! Zooals den lezer bekend zal zijn, 
heeft Toekoe Imam Moeda, zoo heette de Vorst, eieren voor 
zgn geld gekozen en zijn de gevangenen in September 1884 
weer uitgeleverd. 

Over Soematra's Oostkust, waar in 1885 Chineesche zee- 
roovers de kusten van de landschappen Deli, Asahan en Serdang 
onveilig maakten, en langs den Riouw-Lingga- Archipel, die zich 
in deze periode vrij kalm en rustig hield, komen wij in de ons 
bekende Wester-afdeeling van Borneo. Hiex allesbehalve rust. 
Met de Maleiers en Dajaks ging 't nogal, maar 't waren alweer 
dé Chineezen, die het den onzen lastig maakten. Vroeger sprak 
ik reeds over Mandor, voorheen een centraalpunt van de in be- 
doelde Residentie gevestigde Zonen van het Hemelsche rijk. Het 
was hier, dat in 1884 onlusten uitbraken, waarbij de Controleur 
bij het Binnenlandsch-Bestuur J, C, Rijk als offer zijner trouwe 
plichtsbetrachting vallen moest. Een oogenblik meende het 
Gouvernement de rust voorgoed te hebben hersteld, toen het 
volgende jaar de opstand opnieuw uitbrak en zulke afmetingen 
aannam, dat de Regeering zich genoodzaakt zag den Chef 
van den Generalen Staf, Kolonel A. Haga, als Civiel en 
Militair Gezaghebber naar de Wester-afdeeling af te vaardigen. 
Eerst na maanden slaagde deze er in de rust in Mandor en 
elders te herstellen. Gelukkig heeft het Gouvernement toen 
den moed gehad de bekende Kongsi Lang-fong op te heffen 
en alle Chineezen uit de Residentie onder ons direct gezag te 



177 

plaatsen. Ook deze tweede opstand kostte ons het leven van 
een verdienstelijk ambtenaar, den heer F, van Braam Morris^ 
die bij de kampoeng Mentidoeng sneuvelde. Als een enkele 
maal een ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur, bij wgze 
van hooge onderscheiding, met de Militaire Willemsorde wordt 
begiftigd, gaat dit bij ons van courant tot courant, van mond 
tot mond. Het zij hier echter geboekstaafd, dat het getal van 
hen, die in hunnen ambtelijken werkkring moed, trouw en 
beleid aan den dag gelegd hebben, grooter is dan die spora- 
dische onderscheidingen ons zouden doen denken. Gelegd heb- 
ben en nog leggen. Het getuigt al van eene hooge mate van 
beleid, waar het bestuur er sedert genoemd jaar 1886 in 
geslaagd is, onder de acht-en-dertig duizend Chineezen, die daar 
tusschen Maleiers en Dajaks rondwandelen, de orde en rust 
te bewaren. Eén misgreep, één onhandige zet en het lieve 
leven begint van voren af aan ! 

Die Chineezen, waarvan er alleen op Java ruim 261000, 
op de Oostkust van Soematra 83.000, op Bangka en Belitoeng 
46.000 en door geheel Neêrlandsch-Indië niet minder dan 
485.000 gevestigd zijn, blyven een eigenaardig bestanddeel 
vormen van de bevolking in onze Aziatische Bezittingen. 
Terwijl zij bijna overal als mijnwerkers, plantage-arbeiders, 
handelaren, handwerkslieden, pachters, enz. optreden, dringen 
zij hier en daar den inboorling van zijne plaats en blijven z\j 
door hunne getalsterkte ook in andere opzichten gevaar voor 
het gezag opleveren. Nu zij er eenmaal zijn en als alle andere 
vreemdelingen in den Archipel worden toegelaten, is het 
moeielfjk hen zich van den hals te schuiven. Men hoort dat 
denkbeeld wel eens opperen, maar het is te dwaas om er 
van te spreken. Wij voor ons steunen in dezen meer op de 
wflsheid der Regeering en — het beleid van hare ambtenaren. 

Brengen wij thans een kort bezoek aan de Minahasa van 

Menado, wat natuurschoon aangaat wel eens „Klein-Java" 

genoemd, uit een staatkundig, godsdienstig en maatschappelijk 

oogpunt nog altijd het „middenstuk** uit onze rechtstreeksche 

Bezittingen in den Archipel. Dat in het jaar 1876 eene bende 

12 



178 

uit Boeöol een oogenblik de rust in de Residentie kwam ver- 
storen, had niets niet de bevolking uit de eigenlijke Minahasa 
te maken. Deze is voor en na kalm, rustig, trouw gebleven 
Het Indisch Gouvernement vergiste zich alleen zeer, toen 
het meende, dat deze meerendeels tot het Christendom be- 
keerde Alfoeren ook met zich lieten sollen, om ons hier van 
dit minder deftige woord te bedienen. Wat was er ge- 
beurd? Zooals wij weten is door Artikel 62 van het Regee- 
rings-Reglement van 1854 een einde gemaakt aan de be- 
voegdheid van den Gouverneur-Generaal om, zooals vroeger 
herhaaldelijk heeft plaats gehad, gronden aan particulieren 
in eigendom af te staan. In plaats hiervan is bij de aan- 
vuUingswet van 9 April 1870 aan 's Eonings Vertegenwoordiger 
in Indië het recht toegekend om gronden, tot de domeinen 
behoorende, aan personen in Indië woonachtig in erfpacht voor 
niet langer dan vijf-en-zeventig jaren tegen eene zekere 
pachtsom toe te staan. Op Java is sedert van die gelegenheid 
om zich terreinen ter ontginning te verschaffen op zoo groote 
schaal gebruik gemaakt, dat alleen eene bloote vermelding 
van de namen der opgerichte landbouwondernemingen in den 
lijvigen Regeerings- Almanak ruim 60 bladzgden inneemt. Ook 
op Soematra, Bomeo, Zuid-Selébes en Ambon komen die 
zoogenaamde erfpachtsgronden voor. En — sedert Maart 1877 
ook in de Minahasa, op het oogenblik reeds over eene uit- 
gestrektheid van meer dan acht duizend bouws. Tegen de 
regeling hier kwamen echter de inlandsche Hoofden in verzet. 
Op nadrukkelijke, zij 't ook hoogst beleefde wgze trachtten 
zij bij geschrifte aan te toonen, dat het „Bondgenootschap^ 
der Minahasa niet behoort tot de door het Nederlandsch- 
Indische Gouvernement met het zwaard veroverde landen, ergo 
dat er van domeingrond van den kant van dat Gouvernement 
geen sprake kon zijn. Volgens hen behoorden de niet be- 
bouwde gronden aan de Districten, waarin het land verdeeld 
is en hadden deze alleen daarover te beschikken. En zoo 
meer. Hoe krachtig echter de Hoofden hun goed recht ver- 
dedigden — zij hebben zich zelfs, meenen wij ons te her- 



179 

, tot de Staten-Generaal gewend — het mocht niet baten, 
ouvernement ging eenvoudig zgn gang en het pleit wel 
de goede gezindheid van deze door ons beschaafde 

eren, dat zij zich bij de zaak hebben neergelegd. 

an het groote eiland Alniaheira of, gelijk het eigenlijk 
et, Halémahéta hebben wij in onze schets weinig vernomen, 
ok op het oogenblik valt er niet veel meer van te zeggen, 
lan dat het als een verschoveling daar in dien uitersten 
hoek onzer Bezittingen zijne vier ai*men naar het Noorden, 
Oosten en Zuiden uitstrekt, als had het de hoop opgegeven, 
dat de mannen uit het Westen het te hulp zullen komen. Tij- 
dens het eerste optreden der Europeanen kon het nog op een 
eigen, machtigen Sultan, dien van Djailolo, bogen. Sedert heeft 
het echter langzamerhand zijne onafhankelijkheid verloren en 
maakt het tegenwoordig eene bezitting uit van de Sultans 
van Ternate en Tidore, vasallen van het Indisch Gouvernement. 
De herinnering aan vroegere grootheid schijnt in het jaar 
1876 een zekeren vorstentelg, Danoe Hasan geheeten, op het 
denkbeeld te hebben gebracht om het land zijner vaderen van 
de vreemde heerschappij te verlossen. In zijnen ijver had hij 
zich zelfs tot een zeegevecht toegerust, maar rekende daarbg 
buiten Z. M. stoomschip Pontianak, dat een groot gedeelte 
zijner kora-kora's (inlandsche vaartuigen) in den grond boorde 
en daardoor den groeten stoot gaf om dezen pretendent- 
Sultan tot onderwerping te brengen. En zoo ligt Almaheira 
weer geketend daar, totdat het misschien — verlost wordt 
van eenen kant, waarvan geen Danoe Hasan ooit gedroomd 
heeft. Wij denken daar aan hetgeen dit jaar is voorge- 
vallen in het landschap Tobdo (Noord-Almaheira), het va- 
derland der vroeger zoo beruchte Tobèloreezen, geboren 
zeeroovers, die van oudsher de wateren van Indië onveilig 
hebben gemaakt, de schrik van alle kustbewoners, bij wie de 
herinnering aan hunne roof- en moordtochten nog altijd voort- 
leeft. Wie meer van hen verlangt te weten, hg leze wat bg 
vele schrijvers over de verrichtingen onzer Marine staat ge- 
boekstaafd. Wat is er nu geschied? Voor ruim dertig jaren 



180 

begon de Utrechtsche Zending- Vereeniging hare missie onder 
de Alfoeren aan het Meer van Galéla, tot hiertoe echter met 
betrekkelijk gering succes. Wel werden in dien tijd een paar 
honderd personen gedoopt, maar het gros der bevolking sloot 
zich niet bij de Zendelingen aan. En wat gebeurt nu ? In den 
loop van 1897 vestigde zich de zendeling Hueting te Tobèlo 
en op het oogenblik reeds zijn het geen tientallen, maar 
honderdtallen van Tobèloreezen, die zich als doopkandidaten 
bg hem komen aanmelden. Volgens het laatste bericht van 
1 Juni dezes jaars stonden er 2890 op de lijst en nog steeds, 
schrijft de heer Hueting, is daar voortgang en nog steeds 
roept men: „kom". Als van een eenig feit in de geschiedenis 
der Nederlanders in Indië wordt ook hiervan op deze plaats 
melding gemaakt. 

Kleine expeditie's, als die boven bedoeld, kwamen in dit 
laatste tijdperk herhaaldelijk voor. Zoo, bijvoorbeeld, in 1876 
naar Séram, in 1885 naar Djambi en de Noorder-districten 
op Zuid-Selébes, in 1886 naar het eiland Wiak in de Geelvink- 
baai (Nieuw-öuinea), waar de bevolking de bemanning van 
het stoomschip „Corido" had uitgemoord, in 1893 naar de 
Aroe-eilanden, enz. Over het geheel waren het echter slechts, 
altijd betrekkelijk, onbeduidende krijgstochten, die voor een 
goed deel aan onze wakkere Marine konden worden overgelaten. 
Het indisch publiek merkte er weinig van. Zijne belangstelling 
werd evenwel in hooge mate opgewekt in 1894, welk jaar 
bestemd was om met groote letters in de tijdtafel onzer 
koloniale geschiedenis te worden opgeteekend. Staan ook wij 
dan nog een oogenblik stil bij eene gebeurtenis, die als een 
bliksemstraal uit een onbewolkten hemel, zooals een indisch 
spreekwoord het uitdrukt, op de hoofden onzer landgenooten 
daarginds kwam neerschieten. De lezer heeft waarschijnlijk 
al geraden wat wij bedoelen. 

Juist was men in Atjeh, dank zij ook de hulp van Toekoe 
Oemar fbl. 161), een weinig tot verademing gekomen, toen de 
reeds onder den Gouverneur-Generaal Pijnacker Hordijk be- 
gonnen verwikkelingen met den Radja van Lombok een dreigend 



181 

aanzien kregen. Deze Vorst, Goesti Ngoerah Made Karangasem 
geheeten, had evenals z^jne collega's op Bali bg traktaat de 
Nederlandsche souvereiniteit erkend. Sedert het jaat' 1890 
was zgne houding echter van dien aard, dat h)j herhaaldelgk 
door de Indische Regeering moest worden aangespoord om 
van gedragslgn te 
veranderen. Niets 
mocht echter baten 

en reeds in '92 
schijnt men er te 
Batavia aan gedacht 
te hebben om den 

weerspannigen 
Radja gewapender- 
hand tot de orde te 
roepen. Een voor- 
name grief tegen hem 
was, dat hfj, in sti'ijd 
met het bestaande 
traktaat, den slaven- 
handel niet alleen 
begunstigde, maar 
dien zelfs voor eigen 
rekening liet drijven. 
Bovendien nam hij 
een toon tegenover 
ons aan, dien wij 
moeielijk op den 

duur konden dulden. ^* ^^J* "»'' Lombok. 

De maat liep echter over, toen klacht op klacht inkwam over 
de verregaande tyrannie, waaraan de Radja en zijne Balineezen 
zich tegenover de Saaaks, de oorspronkelijke bevolking van 
Lombok, schuldig maakten, Dat schreide ten hemel en, al had 
zfl tien Atjeh's achter den rug gehad, langer dralen mocht 
de Indische Regeering niet. Het woord was aan het kanon. 

Het overige is bekend. De Lombok-geschiedenis ligt- ons 



182 

allen nog te versch in het geheugen, om er hier in 't 
breede over uit te weiden. In Juli 1894 vertrok de Generaal- 
Majoor J. A. Vetter met eene sterke troepenmacht naar Am- 
penan om den weerspannigen Radja^ die misschien gemeend 
had dat wij al onze beschikbare soldaten naar Atjeh gezonden 
hadden, de kracht onzer wapenen te doen gevoelen. Sedert 
het jaar 1849 had Straat Lombok niet zoovele oorlogschepen 
op hare woelige golven gedragen. Maar hoe? Had men zich 
omtrent de gezindheid der Balineezen vergist of was bij het 
gezicht van die buitengewone krijgstoerusting den Radja de 
schrik om 't hart geslagen? Hoe 't zij, Generaal Vetter mag 
er zich op beroemen, dat het latijnsche veni, vidi, vici geheel 
op hem van toepassing is geweest. Noch bfl de landing der 
troepen, noch later bij den opmarsch werd ook maar de ge- 
ringste tegenstand ondervonden. De gestelde eischen worden 
met de grootste bereidvaardigheid ingewilligd ; men komt zelfs 
reeds met een gedeelte van de oorlogsschatting aandragen 
onzen soldaten wordt geen haar op het hoofd gekrenkt; hun 
marsch naar de hoofdplaats Mataram gelijkt eene militaire 
wandeling; straks slaan zij, als waren zij thuis, te Tjakra- 
Negara, onder de muren van het buitenverblijf van Goesti 
Ngoerah Made Karangasem, hun bivouac op, en ... . 

Tjakra-Negara ! Uw naam beteekent ook: „werpspies des 
lands" en, dit moet van u gezegd worden, gij hebt dien naam 
eere aangedaan! Zullen wij 't nog herhalen? In den nacht 
van 25 op 26 Augustus worden onze gebivakeerde en, naar 
't schijnt, niets kwaads vermoedende troepen op het onver- 
wachts door den vijand overvallen en zoo hevig in het duister 
beschoten, dat zij zich genoodzaakt zagen in overhaaste vlucht 
en niet zonder zware verliezen te lijden naar de landingsplaats 
terug te keeren. Veni, vidi en — van eene leelijke markt 
thuis gekomen ! Dat was iets ongehoords in de indische krijgs- 
geschiedenis ! Dat mocht niet ongewroken blijven! Zoo althans 
dacht de Gouverneur- Generaal Jhr. Van der Wijck er over, die 
onmiddellijk versche troepen naar Lombok afzond en niets 
spaarde om Generaal Vetter in staat te stellen het gepleegde 



Tenuad naar bebooren te straffen En het is gestraft! Half Sep- 
tember kwamen de nieuwe troepen te Ampenan aan, den 29™ dier 
maand trokken zg zegevierend Mataram en twintig dagen later 
Tjakra-Negara binnen. Maar nu ook geen medeleden meer met 



GeEeraal Vetter. 



de arglistige Balineezen. Hun Radja zagen zy met tal zijner 
familieleden als banneling naar Batavia vertrekken, om nimmer 
terug te keeren, *) terwijl aan hun land zyne zelfstandigheid 
ontnomen werd. Op het oogenblik maakt Lombok deel uit van 



■) Qü overleed 20 Mei 18S5. 



184 

de rechtstreeksche Bezittingen van bet Indisch Gouvernement 
ea staat bet onder bet bestuur van den Resident van Boelèlèng, 
aan wien voor deze nieuwe Afdeeling een Adsistent-Resident 
met enkele Controleurs zjjn toegevoegd. Zooals vanzelf spreekt, 
valt er voor de onzen nog heel wat te schikken en te regelen, 
waarom dan ook voorloopig een gedeelte onzer troepenmacht 
op Lombok is achtergebleven. 

Een ietwat vreemde rol in de Lombok-catastrophe speelde 
de Radja van Karangasem op Bali, GoesU Ktoet Djlantik ge* 



naamd. Door velen voor verrader gescholden, schijnt de 
Regeering echter geen termen gevonden te hebben om hem 
als zoodanig voor de vierschaar te roepen. Integendeel werd 
hij in Juni 1896 tot stedehouder (wakU) van het Gouverne- 
ment in het landschap Karangasem aangesteld. 
Al weer dus eene schitterende overwinning, maar eene die 



185 

ons veel offers gekost heeft. Menig jong leven is daar af- 
gesneden; ook ouderen van dagen (wij denken o. a- aan 
Generaal Van Ham) hebben er bun trouw aan Koningin en 
Vaderland met den dood bezegeld. Den wandelaar worden 
op verschillende plaateen hunne graven aangewezen en als 
straks het plan doorgaat om voor allen één, hunner nagedach- 
tenis meer waardig kerkhof op te 'richten, dan zal een lange 
Igst noodig zfjn om hunne namen te vermelden. Zg rusten 
in vrede! 
Zoo zijn wij meteen aan het einde onzer schets van de 



Inlandsch R«gent. 
Geschiedenis der Nederlanders in Oost-Indië gekomen. Toe- 
vallig sluit zij met de vermelding van eene militaire expeditie, 
een profetie als 't ware, die 't ons zegt, hoe daarginds, 
gelijk op Lombok in het klein, nog voortdurend in het groot 



186 

de tegenwoordigheid van ons dapper Indisch leger zal noodig 
zijn om het Grouvernement te steunen, waar dit voortgaat, 
schrede voor schrede, om van Insulinde een wingewest te 
maken, dat zijnen beschaafden Meester eër aandoet. Nog is er 
ontzaglijk veel te doen ; Soematra, Bortfèo en Selébes staan 
nog slechts aan den ingang van de baan der ontwikkeling; 
de weg tot de meer afgelegen eilanden is eigenlijk pas 
geopend. Maar, wij gaan vooruit, vooruit op elk gebied. De 
zegeningen onzer Christelijke beschaving breiden zich al meer 
en meer over den Archipel uit. Moge dit zoo en steeds in 
verhoogde mate blijven voortgaan. Dan komt ook eenmaal de 
dag, waarop alle indische stammen het optreden der Neder- 
landers zegenen zullen en ons nageslacht er zich op beroemen 
mag, af te stammen van hen, die het devies der vaderen in 
den edelsten zin des woords tot waarheid hebben gemaakt: 

LUCTOR ET EMERGO! 



1 



INHOUD 



t 

\1 



EERSTE DEEL 

In^Ieiding Blz. 

Eerste Hoofdstuk (1594 — 1610) 

Tweede Hoofdstuk (1610 — 1641) 

Derde Hoofdstuk (1641 — 1675) 

Vierde Hoofdstuk (1675 — 1723) 

Vijfde Hoofdstuk (1723 — 1756) 

Zesde Hoofdstuk (1756 — 1800) 



»» 



j> 



)> 



>> 



jj 



1 

3 

34 

68 

103 

137 

171 



TWEEDE DEEL 

Zevende Hoofdstuk (1800 — 1819) 

Achtste Hoofdstuk (1819 — 1830) 

Negende Hoofdstuk (1830 — 1845) 

Tiende Hoofdstuk (1845—1860) 

Elfde Hoofdstuk 

Twaalfde Hoofdstuk (1872 tot op heden) . . . 



1 

38 

72 

102 

130 

157 



-^rj\i\P@r\/\r^ ■