(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Natuurkundige beschryving eener uitmuntende verzameling van zeldsaame gedierten : bestaande in Oost- en Westindische viervoetige dieren, vogelen en slangen : weleer leevend voorhanden geweest zynde, buiten den Haag, op het Kleine Loo van Z.D.H. den Prins van Oranje-Nassau"



p^ 



r' 






r' ■ 




m-m 



■k 




m^mm^i^s^^^^^msm^^^^^^ 



NATUURKUNDIGE BESCHRiriNG 

E E N E R 
UITMUNTENDE VERZAMELING 

VAN 

ZELDSAAME GEDIERTEN, 

Beftaande in 

OOST. EN ÏF E S T I N D I S C H E 
VIERVOETIGE DIEREN, VOGELEN en SLANGEN, 

Weleer leevend voorhanden geweest zynde, buiten den Haag, op het KLEINE 
LOO van Z. D. H. den Prins van OR ANJ E- NAS S AU, 

DOOR 

A. y O S M A E R, 

In zytt leven Raad van Z. D, H.^ Directeur der Forftelyke Natuur- en 

Konst Kabinetten en Diergaarden , Lid der Keizerlyke Academie , 

«n Correspondent der Koninglyke Academie der IVetenfchnppen 

van Parys , Lid der Koningtyke Academie van Madrid^ 

van het Zeeuwsch Genootfchap te Vlis fingen , en 

van de HolL Maatfchappye te Haarlem. 

Met naar 't leven Getekende en Gecouleurde Afbeeldingen, 



Te Amsterdam, 

B V J. B. E L W E, 

M D C C C I V, 



• --^ r, j*^ \ r.\;. 



\ ., -. 



^\v.ri.v, 






y. 



h' 



o 



V 



u\ 






fi:-; ;1 i' V'zn i:»?*^ 



; V' f. (' f ~ ■; 



W J 



V .'■ 



•l 



I/'; 









VOORBERICHT. 



i Je DIERKUNDE (Züölogic) is een deel van de Natuurlyke His- 
torie , V welk inzonderheid op eigen onderzoek fieunt , en dus , in den uit' 
gebriidfJen zin van het woord-, best kan gcoejj'cnd worden, daar waar 
groot vermogen en een hyna over de geheele waereld vcrfpreid gezag-, de 
dierlykc voordhrengzelen van hyna de geheele waereld., 't zy leevend, in 
Vorjlelyke Menagenën, of dood en opgevuld, in aanzienlyke kabinet- 
ten heeft by een gehragt. Geen Schryver, die ever deze Jfof wil hande- 
len , kan daar in wel jlaagcn , zonder zyn werk , zo veel als in V 
midden eener ryk voorzienne Diergaarde, te ontwerpen; ten einde elk 
Dier , het welk hy befchryft , voor zich te hebhen ; deszelfs kvenswyze en 
zo zeer onderling verfchillenden aart iiaartegaan, en naar de natuur 
zelve te befchryven ; ot zo dit hem al , door gebrek aan leevende voorwer» 
pen onmooglyk zy, dan moet hy echter de wel bewaarde en natuurlyk 
opgevulde huiden der Dieren , welken hy befchryft, voor zich hebben^ 
ten einde de naauw keurig/? e afmeetingen en befchryvingen van het geheel 
voorkomen des Diers te kunnen geeven. 

Deze moeilykheid om in het vak der Natuurlyke Historie uittemun- 
ten, heeft ook liet getal der Schryvers over dezelve, in vergclyking met 
dat, welk men in andere weetenfchappen aantrelt , niet zeer dom aan^ 
wasfen. Immers ' daar , in dit fourt van onderwys , de ondervinding 
wel vooruaamcntlyk de beste Leermeester is, moet men ot door uitgebrei- 
de Reistogten, of door de gunst van zeer voornaaine lieden, welke dier- 
gelyke Menagerien en Cahinetten kunnen bekostigen, daar toe in Jlaat 
gefield worden; en wanneer men ook flechts een kort overzicht over de Ce- 
fchiedenis van dit gedeelte der Natuurlyke Historie werpt, zal men 
aldra ontdekken , dat eene of andere , of wel hiide deze vereischten hy d'e 
weinige Schryvers , welke in dit vak yöorhan.ien zyn, plaats gehad hebben 

Aa Dé 



ik^'^ "'^- 







(^ 



ÏV 



\^ o o R B E R I C H T. 



D'' 7\'iifu:irl\-kc J-Jisioric is i:o2; dnar en hoven gch'k aan de Muziek., 
daar v;^ d^t het nicmyflc aityd lid hcslc ;i, en he^ otuk' in rerrai en 
fuisacliting brengt, echter uut ■meer grond, 7ryl de JNatunrlyke IJiiforie 
op ouderriadifigen en iraariieemingen rust, die eene hmgheid van tyd 
vereis fchen , {ilvooreris men verzeelccrd kan zyn , niet in foimuige opvat- 
tingen te dn' a (den of misleid te worden. Aristoteles welke, toen de 
iraereld, na Joinmiger meening, reeds 3590 Jaar gefiaan had, het eerst 
hegnii , de kundighccden die yechn voor hem in het Ryk der Dieren 
verkreegen hadden , hy een te verzamelen , en in een TFerk te famen te 
hrevigen , koude , hoe zeer hy ook den grond tot nader onderzoek in de 
wyd uitge/Irekte JFeetenfchap der Nafnnrlyicc Historie van de Dieren 
gelegd heeft, en hoe zeer zyne naarvorfchingen met Alexandcrs Schatten 
vnderjïeund werden, welke daar aan niet minder dan 800 'lalenten of 
ongeveer 720,000 Dalers te ko^te lag , echter zo veel niet weet en 
als zyn opvolger Plinius, hy de Romeinen, die, zyn arbeid ten gronde 
leggende , dien omtrend in het joffe Jaar onzer y aartelling , met de 
kundigheeden van een tydvak van omtrend i|70 Jaar en met veel minder 
moeite konde verbeteren en vermeerderen. Op dezen volgde, na 130 Jaa- 
ren, oppianus, en 20 Jaar laat er de Griek jelïanus, welke, on» 
der de Regeering van Keizer Heliogabalus , al mede niet veel meer dan 
enkele aantekeningen , rmtende op hier en daar opgefpeurde berichten , ' 
daar hy te voegen had. In dezen (laat bleef die fFeeteufchap tot in 
de zestiende Eeuw onzer jaartelling , wanneer coENRAnus gesner, 
o^GESNERus cn ULYssEs ALDROVANDus dezclve Ongemeen Ver- 
meerderden, en een geheel nieuw en vollediger aanzien deeden verkrygen, 
welken hernieuwden fiaat dcrzeWe, men den Middentydfchen der Natiur- 
lyke Historie zou kunnen noemen, en met den arbeid van den Engel fchen 
j o N s T o N , die veelal op de waarneemingen der Ouden Jleunde, be- 
jlooten wordt. 

Na hem kwam men allengs, door de uitbreiding van Zee- en Land- 
reizen, tot meer eigene naarf peuringen en verbeteringen, waar toe de 
beroemde ontleedkundige Hendrik ^r u y s c h in Elolland , b r i s s o N 
ai wiLLouGHBY in Engeland, samuel hallen en erxle- 
BEN in^ Duitschland, en de Ridder karel linn/EUs in Zweden, 
niet weing toebragten. Inzonderheid [lok deze laatjle door een nieuw en 
regeUnaatig Systema van Clasfificatie, welk, door het uitvoerig JFerk 
van wylen den yverigen Natuurkenner hovtt vin, ook in Nederland 

be- 



V' o o R n E R IC H T. V 

hehnd 'yerd ('^■), in dit' 'nieer en meer uitgehrua'c yak van Krif'digheriJen 
toi lieldt'r liditenden Fakkel aa/i, by wiens llclit de volgende ISIaiuuroihkr- 
znckers , als nu? ren p E N N a N t in Engeland , f A b R i c i u s en kram k r 
in Duitscldand en de eenige buffon, de /iristoteles van onzen leef- 
iyd^ in Frankryk^ de onuitputtelyke Schatten in het Natnur-Ryk verder 
ontdekten ; jfelke laatstgenoemde deze JFeetenfchap in den flaat gehragt 
heeft ^ dat ze in deze dagen, alleen door hefchaaving^ en in geringe 
nuances, te verbeteren valt. 

J)e nitgeflrektlmd en volle digJieid, zo der Menagerie als van het Ca- 
hinet van Dierkunde en Natuurlyke Historie, V welk de Koningen van 
Frankryk-, federt eenige Jaar en , zo aanzienlyk hadden doen aanwasfen, 
als ook 's Koning^ ryke Bibliotheek, waar van de Geleerden gebruik kon- 
den maaken , fielden 'dezen IVysgeer , henevens den doorkundigen d a u b e n- 
TON, in [Iaat, om hunne Natuurlyke Historie tot een allervolledigst en 
onflerffelyk werk te doen worden. 

Eène diergelyke en niet min gunflige gelegenheid tot het naarvorfchen van 
den aart en levenswyze , of immers tot de naauwkeurige befchryving van 
een aantal vreemde Gedierten, welken zo wel in Oost- als JVest indien , 
en elders , in verre afgelegen Oorden der aarde , huisvesten , is ook aan den 
kundigen Schryver dezes werks , wylen den zeer geleerden Heer a r n o u t 
vosMAER te beurt gevallen ; daar hy, by zyne uitgeflrekte geleerde Brieft 
wisfelingen met de voornaamfle Natuurkundigen in het vak der Dierge- 
fchicdenis, en zyne uitgeputte lecture der irerken van de aloude en laatere 
Zoölci^i^ten , ook nog door het dagelyks befchonwenen bezigen van hetfchoon- 
fle Cabinet, "t welk, na dat van den Koning van f^rankryk, door geheel 
Europa beroemd was, in zyne geliefde Studie onder ft eund werd; ah 
zynde hy Directeur der Vorftelyke Natuur- en Kunstcabinetcen van 
den Prins van Oranie, aan wien, menigvuldige reizen, leevende Dieren, 
van de zeldzaamfte foort , door de Gouverneurs onzer Oost- en fVestin- 
difche Colonien, ten gcfchenke gezonden, en onder des Schryvers kundig 
opzicht gefield werden. fPelken post van Directeur hy niet alleen zo, 
getrouw waarnam, dat geen ander Cabinet in netheid en orde destyds by 
dat des Prinsfen te vergelyken was , maar ook tevens zyne geleerde pen 
hefteedde om het zelve tot eene voorraadplaats van elders ver geef sch te zoe- 
kt' 

(*) Dit TVcrk , oriilfr dm Tytel van N-Juurlyke Historie of Uitvoerige Befchryving 
der Dieren, Planten en Mineraalen , volgends het fleljhl van den Heer Linnecus , met 
naauvikmrigG afbeeldingen , 37 Dealen in 'è°., is by den Uitgceyer dtzcs te bekootacn. 

A 3 



YI 



VOORBERICHT. 



kenc kundlgheeden , en tot een kerfchool der Natuurlyke Historie van 
verfcheidene zcldzaame en, tot heden ^ of in hei geheel niet, of enkel op 
gebrekkige berichten der Reizigers, onvolkomen befchreevene Dieren te doen 
dienen; waardoor en zyn naam en tevens de roem van dit zo hecrlyk 
Cabinet , 't welk de Franfche natie, zich naderhand by dtrzdver inval 
in deze Republiek, toegeëigend heeft, alom met glans bekend geworden is. 

Het is hier de plaats niet , om dit voor ons zo nadeelig verlies te 
betreuren, IVy zullen ons alleen vergenoegen met de vruchten van dien 
ryken (lam, het QQmge wat ons van deszelfs vf>or gaanden luister nog is 
overgebleeven , aan het leer- en leesgierig Publiek, tot een gefchikt Geheel 
gevormd, aan te biedt n ; daar deszelfs beroemde verzamelaar en opflel- 
ler^ door den dood op den 1 4.^^^" van J.ouwmaand des ^aars 1 799 , te midden 
zyner yverige poogingen om het zelve tot volkomenheid ie brengen, is 
weg gerukt. 

IVy geeven hier derhalven ecne uitvoerige befchryving van verfcheidene 
Viervoetige Dieren, Vogelen en Slangen, irelke meerendeels allen leevende 
in de Diergaarde van den Prins van Oranje , op liet Kleine Loo bui^ 
ten den Haag, aanwezig geweest, en door den Schryver in alle hunne 
byzoiidcre eigenfcliapijen met de naauwkeurigfle oplettendheid waargeno- 
men , onder zyn opzicht door de kundige en meesterachtige band der 
Kunffenaars a. schouman, t. p. c. haag en anderen getekend, 
nor ds, zo door den beroemden Kunstgraveur si mon tokk'e ah anderen 
in bet koper gebragt , als ook , onder bet oog des Scijryyers , na de na- 
tuurlyke voorwerpen zelven , met de eigene kleuren , door deskundigen 
geënluinineerd of verlicht zyn. 

Ontfangt dus, geiichte Nederlandfche Leezer! deze zo kostbnare ah 
zekUaame vsrzam,eling , en laat zy u, by derzelver leerzaamheid, en 
voor den w-ftgicrigcn onderzoeker aangenaamen inhoud, tevens tot een 
aandenken vwjirekken , zo vjn den ryken Schat , waar op uw Land 
weleer zich beroemen kon, als van den yver en verdievffe uwer Land- 
genoot en, welke de nagedachtenis van dit Cabinet. door hunne fchryf^ e/t 
iékenpcn voor dè vergctelbeid bewaard hebben. 



l N- 



■T 



H 'A T 



I N H O U D. 

V I E R V O E TI GE D I E R E N. 

N*. I. Afticaansch breedfnuitig Varken óf 'Bbscfi - Zwyn. 

2. Guineesch Juffer -Bokje. 

3. Africaansch Basterd- Mormeldier. 

4. Oostïndifche groote ea lang^arrig? vliegende Eekhoorn. 

5. Americaanfche langftaartige Aap foort , genaamd Bosc/i • Duivel ^ of 
Slinger ./^ap. 

6. Een, tot nu toe, onbekende vyfviDjrerige Lxiiaafd-foortii? .1 .',i 

7. Ameïïai^d^t'Siinghy- j^ap fio^Tif'^cvA^nrid de Fiuiüiy-iJ. ,s 

8. Africaanfche Kat- foort, genaatud Bizaam Knt2. ïusfbd^ .ï; 

9. Americaanfche langftaartige en Eekhoornachtige klaauwcn hebbende 
Wezel Potto. 

10. ■ — -■ — Gebulte Stier-, -genaamd Bifoa,--- 

I r. Oostïndifche Krokodillen dooder, genaamd Ichneumon. 

12. i ''1 ti , iog niet befchffcevcne 'Bdscl>-Homl.'^^ ^ ö. 

13. , — .; — nog niet befchreevene Bosch -Kat. 

14, 15. Aap -foort, genaamd 0;-/7«^-0«/^;/^. ^ti ."ïii x~.- 

16. Harte -Bok, genaamd Coudou. '^'^ sbns^it 

17. Eland, genaamd Canua. . rf f, '' nvrsiV od "i 

18. Bosch - Buffel , genaamd Gnoti. .iox-oV tQ *« 

19. Hartebok, genaamd Pronkbok. .fisscicli ad ,°£ 

20. Africaansch Diertje, genaamd de Groenglnnzige Mol. 
Cl. Kameel -Paaid {^Camelopardalis^ (a) en Geraamte (b) 

o V O- 



INHOUD. 



VOGELEN. 



IM*. r. Americannfche Trompetter. 

2. langftaartigc Ys- Vogel. 

3. Americaansch Ys- Vogeltje, hebbende bjma gtcn' Haart. 

4. Oost .indilche Y^-Vogehjes. - . i - 

5. Americaanfche Lyster, genaamd Qttirtiva, 

N" 7. Oost- indifche Papegaay-lbort, genaamd de groote parper -roede Z,om. 

8. Africaanfclie Roof- Vugel, genaamd 5ö^;V/«<rr;>/*. 

j, Ceilonfche Kaneel -Duif. 

10. Africaanlche gf Kaapfdie en aldaar g^cm^mdt- Bosc/t-Kaljicen.r _. 

.nino:';/^ ?fi!t:'''-A ■ N G E'^S qf4Ï'^v.f,ï3toO .^ 






/<*. I. Surinaamfche Ratelflang. - .r-^t • 

a. Langftaartige, ruw-gefchubde Slang -Hagedis, Tab. 1. 
3. Platftaart Slangen, Tab. II. 



BERICHT VOO a d e n B I N D E R. ;, 

By het Inbinden van dit Werk, moeten de Stukken volgends de boveR- 
rtaande Ra'.igfchikking op elkander volgen: 

j** De Viervoetige Dieren» 

ft* De Vogelen. 'l •i'^>- 

3*". De jjlangen. .•?o'iiv=.ö-^A btv iMhivM .qi 

/ B E- 



BESCHRYVING 

van een onlangs nienvv ontdekt en nog geheel onbekend foort van 

AFRICAANSCH 

BREEDSNUITIG VARKEN, 

O F 

B O S C HZ W Y N; 

In de afgelegenflc deelen van Africa gevangen , en overgebragt in de Diergaarde 

VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID 

DEN HEERE PRINSE FJN ORANJE EN NJSSJU^, ERF- 

ST/IDHOUDER, ERF-GOUFERN EU R , ERF-KAPITEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN , enz. enz. enz. 

Befchrecven en uitgcgeeven door 

A, V O S M A E R, 

Dire fleur der Vorst elyke Natuur- en Kunst ■ Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie, 
en Korrespondent der Koninglyke Akademie der PFeetenfchappen van Parys. 

T E A M S T E R D A M, 

By PIETER MEIJER, 
MDCCLXVI. 



;. .1. i r J. 



s^"^. 1 




Bladz. 3 
NATUURLYK E HISTORIE 

VAN HET AFTvICAANSCHE 

BREEDSNUITIG VARKEN, * 

O F 

B O S C HZ W Y N 



Tot nog toe zou men hebben kunnen denken , een denk- 
beeki willende formeeren van die feheplelen welken onder de 
beniiaming van Zwyn bekend zyn , dat men zieh maar behoefde 
voorteftellen een dier welks buittruflc lyncii van het hoofd , na- 
genoeg in een ongelyk zydigen driehoek , t' Hiamen liepen : doch 
welke lynen aan het einde , by den mond van dit dier , rond en afge- 
fnccden , en zich dus als eene afgefneeden kegel , vertoonden. Maar 
de Natuur is , om zo te fpreeken , als kwiftig met haare gaaven , 
nimmermeer ontbreekt het haar aan uitzonderingen , of afwykin- 
gen, in haaren anderszins gewoonen loop. Geneegen zynde om 
de voorwerpen als fchakels aan eikanderen te hechten , vormt 
zy onderfcheidene clasfen en gedachten, zonder dezelven te.bepaa- 
len. Van daar ontmoet men die byna onzichtbaare overgangen van 
plant en dier; en hierdoor ontftaan die gevoelige aandoeningen der 

■ ziel, 

* Ik beb hei deezen naam gegeeven ivegeiis dit zyn allereerst in let oogJoopende kenmerk ^ 
«n vermits hetzelve ^ als noch geheel onbekend zynde, geenen naam gegeeven is. 

A 2 



4 BESCHRYVING van een 

ziel , welken de befchouwing daar van in elk vcmuftig mcnsch 
voortbrengt. 

Het gellacht der Zwynen breid zig tot nog toe niet ver uit. Ons 
Europees (/i) , ongetwyfeld een afftammcling van het wilde l'oseh- 
zwyn (U) , is by ons huisfelyk geworden , en dus , zynen wilden 
aart verlooren hebbende , heeft het daardoor onbegiypelyke veran- 
deringen ondergaan. Elk onderfcheiden gewest heeft echter zyne 
eigene foorten , die de zorgvuldige Natuur, in het wild woonende, 
bewaard , vermengingen van verfcheiden landiiart gecven fomwyl 
baftaarden , dan dit moet men als door dwangmiddelen tegen de na- 
tuur aanmerken. 

In het westelyke van Afrika valt het Giiineefche Varken (/) , kcn- 
nelyk aan deszelfs puntige ooren, en welks afbeelding by Joiin- 
STON Tah. XLVI. volgens Brisson goed is, doch hy had tame- 
lyk mogen zeggen. 

America heeft het zoogenaamde Mnshis-zivyn, de Ta facit of Ta- 
jasfn (d) , 't welk den gewaanden navel op de rug draagt. 

In Alle, op Bouro, eender Molukkifche Eilanden , vind men het 
vreemde Babyrosfa-zivyn (f) , kennelyk aan de naar boven zich 
omkrullende tanden van het boven Kaakbeen, waardoor het een 
wonderlyk aanzien heeft. 

Zie daar nu de vier tot heden bekende Varkens , en welken wy nu 
niet een vyfde uit de Vorstelyke diergaarde zullen verryken. 

De 

■ {a) DrFFON. Hijl. Nat. Tom. F. Tab. XVI. Ed. qiiarto. 

Q,^ . XIF. p. 99. 

(c') Ltnn. Sy/l. ed. X. p. S^-Jp- 2- Biusson. Oiiad. ed. quarto p. 109. RIarcgraaf 
Brafil p. 230- 

(d) LiN. Syfi.edit. X. p. 50. fp. 3. Brissox. Qtiad. ed. r'. p. 11 1. fp. 6. Blt- 
i-ON. Hifl. Nat. Vol. X.p. 21. Tah. IlI. ^c. 

(e) Valentyn. Befch. van Oofiiiid. Tont. 3./». 268. Lixn. Sy/l. Ed. X,p. 50, fp.^. 
Brisson. edit. q..p. \\o. fp. 5. 



!>»?' 



AFRICAANSCH BREEDSNUITIG VARKEN. 5 

De kenmerken van het Zwynen-geflacht , 't welk zieh van alle an- 
deren afzondert , beftaan voornaamelyk in eene min of meer rol- 
ronde neus (van welk kenteeken zieh onze nieuwe foort af- 
zondert) die knor- of kraakbeenig is, Gelyk mede in de vier ter 
weèrzyden wyduitfteekende (lagtanden , en in de in tweën gefpleeten 
voeten en twee los by hangende nagels. 

Gelyk nu de Natuur uitzonderingen gemaakt heeft in den bree- 
den Muil van deezc nieuwe foort , en in de ontbeering der voor- 
tanden , ( van al 't welk wy nader fpreekcn zullen) zo geeft zy ook 
fomwyl Ipeelingen. Hiertoe kan men dat Ras brengen van 't ge- 
meene Zwyn , 't geen de hoeven der voeten niet gefpleeten , maar 
in eene hoef heeft t'faamen gegroeid , en het welk in Poolen, Zwee- 
den enz. gemeen genoeg word gevonden, en aan Aristoteles (ƒ) 
reeds bekend was. 

Voor zo ver ik zien kan , is dit Zwyn , 't welk wy te befchryven 
voorneemens zyn , in Europa voorheen nog niet gezien , of by 
iemant der hedendaagfche , veel min aan de oude Schryvers be- 
kend. Men meent echter hier tegen in te kunnen brengen , als of 
KoLBE, Flaccourt , BuFFON en Adanson , van vreemde 
Zwynen fpreekende , die zy , of ter loops gezien , of waarvan zy 
eenige Deelen in kabinetten ontmoet hebben , mogelyk deeze onze 
vyfde foort reedt> zouden hebben in het oog gehad ; dan de waar- 
fchynlykheid , veelmin de zekerheid , komt my niet voor hier 

in te blyken. 

„ Kol BE (zegt men) maakt onderde Africaanfche dieren gewag 
„ van een Africaansch Boseh-Zwyn , en ik denk geenszins dat in 
„ Africa ons Europeesch Ras (of Wild-zwyn) wild zal gevonden 

„ worden." 

De 

(> ;■.: .. .■■■ ; .^- /. ■ • ' 
(ƒ) Arist. de Hijl. animal. lik IL cap. L . -.; ' , , 

A 3 



>9 



S» 



6 B E S C H R Y V I N G van een 

De opmerkende Heer Kolbe, een Duitfcher van geboorte 5, 
zal zekerlyk het wilde Zwyn wel gekend hebben ; maar zie hier 
ten overvloede zyne eigene woorden , welken tegen de bovenftaan- 
de Itelling volfbrekt aanloopen. 

„ De IVilde Varkens (jO worden hier niet veel gevonden , niet 
zo zeer , om dat zy van andere wilde roofdieren verflonden en 
verfcheurd worden , maar myns bedunkens liever, om dat 'er 
geen Bosfchagie omtrent dit Voorgebergte is , waar in zy haar 
verblyf zouden konnen zoeken. Daar en boven z^n zy van de 
Europeaanfcbe gantscb niet onder fcheiden , ten ware men wilde zeg- 
den dat zy in de koude landen , alwaar zy hun onderhoud ry- 
kelyk konnen vinden , grooter en vetter wierden , 't welk ik noch- 
tans acht, ichoon zulks veel tot de zaak doet, dat geen we- 
zenlyk ondericheid maakt." 

By Flaccourd (/.») vmd ik geene meerdere drangredenen 
dat hy ons Zwyn op 't oog gehad hebbe ; maar mogelyk , en zulks 
noch duister , de Babyrosfa. 

De Heer Duffon. (Q, Ipreekende van een gedeelte der Kaak- 
beenen. Staart en Voeten van een vreemd Zwyn van 't groene Voor- 
gebergte , (Capo verdo) welken in het kabinet des Konings bewaard 
worden, zegt, dat 'er voortanden in die kaakbeenen zyn : deze 
ontbreeken immers in ons Varken- 
De Heer Adanson (Ji) in zyne Senegalfche reizen, naar eene 
vooraffpraak van zaaken welken hy aldaar ontmoette , zegt : „ J'ap- 
„ percus un de ces énormes ümgliers particuliers i\ l'Afrique, 6c 
„ dont je fcache pas qu'accua naturaliste ait encore parlé. Il ve- 

„ noit. 

(g') Kolbe. Befcb. van de Kaap. Holl. nitg. Tom. Lp. 196» 
fj}) Flaccourt. Hiji. de Madagascar. p. 152. 
CO BuFFON. Bijl. Nat. Tom. XIV. p. 409. ^c. 
(jt) Adanson. F'oyage du Senegal. p. -^6, jy. 



AFRICAANSCH BREEDSNUITIG VARKEN. 7 

„ noit tête baisféc fur moi,& m'auroit infiiilliblemcnt attcint ü je 
,, ne reusfe , poiir ainfi dirc , averti & détoiirncr fes pas , par qucl- 
„ que bruit que je fis en Ie couchant en joue. Il étoit noir com- 
„ me les flmglicrs d'Europe, mais d'une taille infiniment plus Iiau- 
,, te. Il avoit quatre grandes defenees , dont les deux fupédeures 
„ étoient recourbées en demi-cirele vers Ie front , oü elles imi- 
„ toient les cornes que portent d'autres animaux." 

Wat gevolg zal men nu uit deeze befehryving trekken : is ons 
Zwyn van zulk eene vervaarlyke gi'ootte ? Is de vreemde gedaan- 
te van het hoofd niet alleen dat geene 't welk het eerst in het oog 
loopt? En zou de Heer Adanson , die dat Zwyn van zo naby 
zag , dat hy vier flagtanden en de kleur ontdekte , die zonderlinge 
gedaanten van het hoofd niet aangeteekend hebben ? Ik wil niet fpree- 
ken van den afftand van Senegal met het land der Caffers , en de 
rivieren welken als zo veele afTcheidingen maakcn in dat uitgebreide 
waerelddeel. 

Dit verwondcringswaardige Schepfcl, thans het onderwerp dezer 
befehryvinge , is met een der Oostindifehe fchepcn , genaamd de 
Erf-Prins, in het voorgaande jaar 1765. van de Kaap de Goede 
Hoop overgezonden aan Zyne Doorluchticste Hoogheid 

DEN HeERE PrINSE VAN OrANJE EN NasSAUW, Erf- 

STADHouDER. cu^. enz. enz. deezer Landen. Wyzyn de kennis en 
bezitting daar van verfchuldigd aan den Wel Ed. Geflr. Heere Ryk 
TuLBAGH, buitengewoon Raad van Neèiiands Indie, en Gouver- 
neur van gemelde Kaap de Goede Hoop, wiens altoos voortduurende 
beleefde oplettendheden , ter bevordering der algemeene Natuur- 
kunde, onder de gewigtige begunstiging der Edele Oostindifehe 
Maatfehappye , zo meenige aangenaame als wondcrbaare voor- 
werpen, aan de Vorstelyke Verzamclplaatfen der Natuur edel- 
moediglyk gefchonken heeft. 

A 4 ■ ■ We- 



8 B E S C H R Y V I N G van een 

Wegens de woonplaats van dit Zwyn vind ik in eenen brief van 
den Heer Gouverneur der gemelde Kaap aangeteekend , „ dat 
„ deezc Varkens het meest gevonden worden , en dit gevangen 
„ was , tusfchen het Land der Caffers en dat van de groote Na- 
„ maquers ; zynde omtrent twee honderd uuren van de Kaap de 
„ Goede Hoop afgeleegen. INIet verdere byvocging , dat dit het 
„ eerfte van deszelfs foort is , 't geen aan gemelde Kaap leevende 
„ gezien was." 

In het jaar 1758., en dus nu reeds agt jaaren geleden , is my 
voor het Kabinet , door den zelven Ed. Heer Gouverneur , onder ver- 
fcheiden andere zeldzaamheden (de zaak nu van achteren be- 
fchouwd) het geheele vel van het zelfde dier toegezonden, dit 
was toen zekerlyk maar alleen afgevild en by gelegenheid van een 
binnenlandfche reize aan de Kaap gebragt. Ik ontiing te dier tyd het 
zelve onder de benaaming van Hartlooper , zonder verdere byvoe- 
ging. Het vel van het lyf , hoewel bereid , was , door gebrek aan ge- 
noegzaame voorzorge , geheel bedorven , zo dat ik daar van maar 
alleen het hoofd en de voeten kost behouden , welke declen , door 
de uitgenomen beenderen, zeer fterk ingedroogd zynde, de waare 
gedaante van dit dier bedekten, en toen ter tyd niets dan alleen eene 
onzekere befchouwing toeflonden. Dit gedroogde vel van 't hoofd 
toont echter in verfcheiden opzichten te vcrfchillcn, met dat van het 
leevende dier; dan hier alleen met de historie te doen hebbende, 
zullen wy die achter de befchiyving van het leevende Varken aan- 
teekenen , en nu van deeze uitweiding wederom tot ons leevende 
voorwei-p overgaan. 

By , deszelfs aankomst , alvoorens het in de Vorstelyke Diergaar- 
de , het groote Loo genaamd , een groot uur van hier en dicht by Voor- 
burg gelegen , wierd overgebragt , noopte my de nieuwsgierigheid 
hetzelve van naby te befchouwen. Op het voorplein van het 
Stadhouderlyk Hof alhier in een houten hok gebragt, en dooreen' 

Brief 



AFRICAANSCH BREEDSNUITIG VAPvKEN. 9 

Brief van den Ed. Fleer Gouverneur reeds van de tamheid van dit 
dier onderreclit zynde, liet ik de deur van zyn Kot openen, en 
wel dra bediende het zich van deeze zyne vryheid. My met ecnige 
Hof bedienden genoegzaam voor het hok bevindende , gaf het in 
het uitloopen geen den minften fchyn van kwaadheid ; 't liep , vro- 
lyk huppelende , fnuffelendc of het eenig voedzel kondc vinden , 
en nam 't geen wy het gaven greetig aan. Na hetzelve een' korten 
tyd alleen gelaaten te hebben , vond ik by myne te rug komst , het 
zeer druk bezig met in den grond te graaven , alwaar het , niet- 
tegenft-aande die met kleine fteenen zeer vast belegd is , een on- 
gelooflyk groot gat gemaakt had , om , zo als wy naderhand ont- 
dekten , zich meester te maaken van een riool , 't geen al zeer diep 
onder den grond doorliep. Ik gaf last hetzelve in deezen zynen 
vruchteloozen arbeid te flooren en weder in zyn kot te brengen ,■ 
hetgeen , doch niet dan door behulp van verfcheidcn bedienden en 
niet zonder zeer veel moeite , veel gefchreeuvv en tegenfporre- 
ling, gelukte. Nu in zyn kot zynde, het welk met hout tralywerk 
voorzien was , gaf het zyn ongenoegen door een langduurend , zeer 
hard en lamentabel gefchreeuw te kennen , 't welk dikwyls met dat 
van een fors fchreijend kind , en veele onderfcheiden toonverande- 
ringen, die fomwylen zeer belagchelyk en als klaagend waren, vry 
veel overeenkomst had. . .. i 

Uit deeze aanteekeninge kan men genoeg opmaaken dat het van 
cene zeer goede geaartheid is. Hiertoe zal mogelyk de langduurio-- 
heid der reize en het gezelfchap van het fcheepsvolk wel iets hebben 
toegebragt , ten ware men liever wilde veronderftellen dat het op 
de binnenlandfche reizen in de Africaanfche Bosfchen jong gevangen 
is ; want het blykt my dat hetzelve alhier in grootheid merkelyk 
is toegenomen. 



Nu nog leevendc , heeft het den geheelen voorgaanden winter 

A 5 wd 



9 



ïo :B E S C H R Y V I N G van een 

welke al vry zwaar geweest is, hoewel meest in een hok befloo- 
ten , zeer wel doorgebragt. 

In vaardigheid fchynt het onze inlandfche Varkens te overtref- 
fen , jaagende dikwyls , meer uit dartelheid dan om dezclven eenig 
leed te doen, de kleine Bengaalfche Reen, de Axis van Pli- 
NIUS (*). 

Het laat zich zeer gaarne , 't zy met de hand of met een' ftok vry- 
ven, en wel hoe harder hoe liever. Opdcezewyzekon men het best 
doen ftilftaan, wanneer ik hetzelve liet aftcekenen. 

Geplaagd ofte keer gegaan wordende, wykt het achterwaards te 
rug , deszelfs hoofd altoos naar den tegenftand die het ontmoet wen- 
dende , en daarmede fterk fchuddendc en llaande. 

Lang opgeflooten geweest en losgelaatcn zyndc,is het zeer blyde, 
loopt , fpringt en jaagt de Reen en andere dieren met een' opfteeken- 
den flaart , welke anders regt neer hangt. 

Het geeft een fterke reuk van zich , doch welken ik niet aan ecni- 
ge zaak in juiste overeenkomst kon bepaalen of verveelende bevin- 
den , maar met de hand «mngcraakt zynde , riekt het zeer fterk naar 
de groene Kaas die men Schahzieger noemt. 

Het neemt, gelyk alle andere Varkens , allerleic graanen tot zyn 
voedzel. Zyn fcheepskost was de Mays , afval van groenten , 
enz. zo lang men die had , doch in de diergaarde ger'^t en boek- 
weit van de andere dieren geproefd hebbende , verkiest het deezen , 
gelyk mede de wortels van gras en andere planten , die hy met den 
voorkant zyner fnuit, en met zyn pooten greetig opwroet. Rogge- 
brood bemind het boven alles , waarom het elk die het heeft gelyk 
een hond naaloopt. 

Als het eet ligt het zeer veel voorover op de omgeboogen Kniën , 
het zelfde doet het drinkende , voor al als het water in de dier- 

gaar- 

(*) BuFFON, Hift. Nat. Tom. XL p. 397. ed'iU quant. 



AFRICAANSCH BREEDSNUITIG VARKEN. n 

gaarde wat laag is , flurpcnde hetzelve van de oppervlakte. Het 
fehynt den fband van op de knien der voorvoeten te liggen als 
een rustende en gemakshalve te verkiezen ; ten minfte ik heb het 
dikwyls in deezen flaat gevonden. 

De zintuigen van het gehooi" en van den reuk zyn , gelyk by al de 
dieren van dit geflacht , zeer il:erk , zo niet fterker. De minfbe 
beweeging word het door de eerilen gewaar , en door de anderen 
fnuffelt, wroet en fpeurt het alles op en om. 

Deze twee zintuigen vergoeden het bepaald geziclit van dit dier 
't welk, door de kleinheid en den (land der Oogen, niet zo wel 
rondom zien kan , vermids dezelven veel meer boven in het hoofd 
en dichter byeen geplaats zyn dan in de andere Zwynen , maar daar 
en boven ook nog door twee ter zyden of onder de oogen Itaande 
ooglappen , die veelen voor een dubbcltal \^n ooren aanzien, min 
of meer belemmerd worden. 

In oordeel of fnedigheid van begrip , zo als men 't noemen wil , 
overtreft het de Europeefchen , 't welk reeds door eenige aange- 
haalde , maar noch meer door veelvuldige kleinigheden dagelyks kan 
worden gezien. 

Ten aanzien van het hoofd heeft het eene ichrlkkelyke ge'- 
daante. De plat- en breedheid van de neus , gevoegd by de on- 
gewoone lengte van den kop , breeden fmoel , zonderlinge ooglap^ 
pen , puntige uitpuilingen ter zyde boven den bek , en zwaare flag- 
tanden, doen het monftereus fchynen, 

B E S C H R Y V I N G ' 

van het Afrkaanfche Breedfnuitïg Varken. 

Vermits hier achter by Tah. i. eene zeer goede af beelding van het 
dier gevoegd is , zo zullen wy in de befchryving niet anders zeg- 
gen dan alleen dat geene 't welk tot meerdere opheldering noodig is.. 

Van. 



12 



B E S C H R Y V 1 N G van een 



Van de gedaante en grootheid zal men het best kunnen oordee- 
Ion , als wy zeggen: dat de lengte van hetbcghi der neus tot aan het 
beginvan den ftaart is 4 voeten en ruim 3 duimen. De hoogte van het 
ligchaam , van tuslchen de fchouderbladen tot den grond 1 voeten 
en 3 duimen. Van het midden der lendenen tot den grond i voet 
II en 51 agtfle duimen. De grootfle dikte van het lyf3 voeten en 
I duim. De kleinfte dikte by de dycn 1 voeten 10 en 4 agtfire 
duimen. Het Hoofd , van het begin der neus tot tusfchen de ooren, 
I voet en ruim 3 duimen. Breedte van het hoofd tusfchen de oog- 
lappen aan den bovenkant 9 i duimen. Breedte der neus tusfchen de 
flagtanden 6 duimen 7^ agtlten. Lengte van den ftaart 10 duimen en 
6^ agtften. Deze voetmaat is de Rynlandfche. 

De gedaante van het lyf is na genoeg aan ons gemeene Huis-zwyn. 
Het fchynt my kleiner, de rug van boven platter, en korter van 
voeten. 

Het hoofd is, ten aanzien van andere Zwynen , mismaakt, zo 
in gedaante als grootte. De fnuit is zeer groot en breed, plat ge- 
drukt en zeer hard. De neus is beweeglyk , ter zyde wat neerge- 
bogen en fchuins afgefncedcn. De neusgaten zyn groot , ftaan 
wyd vaneen en zyn onzigtbaar of men moet het hoofd opligten. 
De boven -lip is op de zyde by de flagtanden hard en dik, en over 
dezelven zeer omgeOngen en neerhangende , maakende , voornaa- 
melyk achter de flagtanden , een half ovaal neerhangende en kraak- 
beenige lobbe, ter wederzyden de hoeken van denbek bedekkende. 
Voortanden heeft dit dier van boven noch van onderen in 't 
geheel niet, 't welk zeer aanmerkelyk is; doch het tandvleesch is 
van vooren glad-rond en hard. 

De flagtanden in 't opper kaakbeen zyn aan 't grondflruk ruim een 
mans duim dik, krom omgeboogen, en in derzelver kromme lyn 54. 
duimen uitfl:eekcnde , wyd naar buiten uitftaande , en in een ftomp 
punt eindigende ; ook zyn dezelven op zyde elk een met cene fooit 
van groef of flcuf voorzien. Die 



AFPvICAANSCII BrvEEDSNUITIG VARKEN. 



13 



Die van het onder kaakbeen zyn veel kleiner, minder krom , by- 
na driezydig en, tegen de bovenile doorgediiurige vryving afgeflee- 
ten zynde, vertoonenzy zich alsfchuins afgefneeden. 

Kiezen heeft het, doch deczen üaan dieper in den bek, doch de 
tegenftand van het dier belette ons dezclvcn naaiiwkeiirig te zien. 

De Oogen zyn klein in evenredigheid van het hoofd ; zy ftaan 
hooger in het hoofd , digter by elliaèr en by de ooren , dan in het 
gemeene \'arken. De iris is donker bruin op een wit lioornvhes. 
De bovenfte Oogleden zyn aiiccn met bruine, fi:yve,regt uit en digt 
byeen ftaandc hairen bezet, welken in het midden het langst zyn. 
De onderden hebben 'er geen. De Traanfleuf is vry lang neder- 
waards gaande. 

De Ooren zyn tamelyk groot, meer rond dan fpits, van binnen 
vry digt met geele hairen begroeid , en ftaan uitwaards naar 't lyf. 

Onder de oogen vertoont zich als een bultig of kherachtigzak- 
'je, en even daaronder doen zich twee horizontaal regt uit ftaandc 
dikke platte ronde lellen, die ik ooglappen noem, zien; derzelver 
lengte en breedte is omtrent twee en een vierde duimen ; zy zyn be- 
weeglyk en ten naasten by een vierde duim dik. Onkundigen nee- 
men deze lellen voor ooren , en noemen het dier om die reden een 
vier oorig Varken. In een regte lyn , tusfchen deeze lellen en den 
bek , vertoont zig ter wccrzyden van den Kop een harde ronde en 
puntige uitpuilende verhevenheid. 

De Huid fchynt vry dik , en aan de gewoone plaatfen met fpck 
aangevuld ; aan den hals , de liezen en voorhuid is hy ruim. Op fom- 
mige plaatfen vertoont dezelve zich als met flaauwe dwarsHeuven ,, 
ongelyk , en als of de opperhuid hier en daar wat vervelde. 

Over het geheele lyf vertoont zich maar weinig en als dun gezaaid 
hair, ftaande hetzelve als met bosjes van drie, vier, en vyf hairen, 
die min of meer lang zyn , en in een regte lyn naast elkandi?ren. 
De meeste bosjes beftaan uit drie of vyf hairen. Het voorhoofd tus- 
fchen 



u 



n E S C n R Y V I N G VAN EEN 



Ichcn de ooren fchynt rimpelig , en is digt met witte en bruine hai- 
ren bezet, die zich uit liet middelpunt al verder en verder , plat- 
achtig neergedrukt, uitbreiden. Vandaar nederwaards naar de neus 
loopt op 't midden van den kop een fmalle ftreek zwarte en gryze hai- 
ren , die zich uit het midden naar de zydcn van 't hoofd buigen , 
voor het overige zyn zy dun gezaaid. 

Op den nek en het voorite deel des rugs (laan de meeste , digt- 
lle en langRe borftel-hairen , welken donkerbruin en ook grys zyn. 
Sommigen zyn tot zeven en agt duim lang , de dikte en fplytbaarheid 
van de gemeenc Varkensboritels hebbende. Alle deeze borftel- 
hairen zyn niet opftaande , maar liggen luchtig nederwaards. Ver- 
der op den rug verdwynen deeze digt byeen ftaande borftels, en zy 
worden verder maar weinig in getal en zeer dun gezaaid gevonden , 
zodat men overal den naakten huid ziet. Voor het overige zyn 
de zyden van het lyf , de borst en buik , de zyden van den kop en 
keel, met kleine witte borftelhairen bezet, die aan de oorklieren als 
een t' laamenloopende naad maaken. 

De Pooten zyn overeenkomftig met die van onze inlandfche 
Varkens. De nagels of voorhoeven in tweën gefpleeten , puntig 
en zwart. De bastaard-nagels rusten ook , doch meest hangende , 
op den grond. 

De ftaart is dun , lynregt neerhangende , kaal , en naar 't einde wat 
dunder afloopende. 

Dit dier van 't manlykc foort zynde , heeft den Bal-zak tuflchen de 
dvën vastgehecht. De Voorhuid is zeer ruim aan het einde , en 
behoud een gedeelte der pis. 

De koleur van dit dier is aan den kop zwartachtig, doch over het 
verder gedeelte des rugs en buiks enz. licht rosachtig graauw. 

■t- ■& •:;> 

B E- 



AFRICAANSCH BREEDSNUITIG VARKEN. 15 
BESCHRYVING 

der verfchilknde gedaante van het vel van den Kop , van een dergeljk 
Varken i in den Jaar e 1758. van de Kaap de Goede Hoop 

overgezonden. 

Over het geheel fchynt dit Hoofd kleiner. De Bek is minder 
breed. Aan het zelve ontbreeken de twee horizontaale onder de oogen 
ftaande uitfteekende Ooglappcn , echter toont het aldaar kleine uit- 
piiilingen , en dus de grondbeginzelen daarvan te hebben. Het heeft 
in het geheel niet die knobbelachtige ronde en puntige verhevenhe- 
den , of uitpuilingen , die in een regte lyn tuslchen de voornoem- 
de ooglappen en den bek geplaatst zyn. De Slagtanden, daaren- 
tegen , z>n veel grooter , fteekende de bovenften , die ter weêrzy- 
den een diepe groef of fleuf hebben , en fpits van punt zyn, ruim 
6k duimen ter zyde uit den bek , en de onderften il duimen, 
zyndedeezen tegen de bovenften fchuins afgcfleeten, en daardoor 
zeer fcherp. 

Men ziet uit deeze verfcheidenhcid , dat 'er eene oorzaak van 
verfchil zyn moet; maar welke is die ? De grootheid deezer flag- 
tanden bewyzen genoeg dat dit vel van geen jong dier zyn 
kan : daar blyft dus niets overig , dan te denken , of dit niet het 
bereide vel van een Varken van de vrouwelyke fexc geweest is. 
Li de Pooten vind ik geen onderfcheid. 



•$• •$■ •¥• 



BESCHRYVING 

van een genoegzaam nog onbekend en allerfierlyksc 

B O K J E, 

't welk wy om dcszclfs fraaije cii fyne geftalte noemen , Iicc 

GUINEESCHE 

J UF F E RB O K JE; 

Van voornoemde Kus: ovcrgcbragc en bewaard wordende in de Diergaarde 

VAN Z y N E 

D O O R L U C li T I G S T E HOOGHEID 

DEN HEERE PRINSE FJN ORJNJE EN N ASSAUW, ERF. 

STADHOUDER, ER EG O Ul-'E RNEUR , E R F-KAPI TEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER FEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R , 

Dhetleur der Forst elyke Natuur- en Kumt - Kabinetten, Lul der Keizerlyke Akademkf 
en Kurres^undent der Kuningl^ke Akadeinie der PVeetenfchappen van Parys. 



•i- 



Te Amsterdam, 

By PlETEPv MEIJER. 

JNl D C C L X V I. 




Bhulz. 3 

N A T ü U II L Y K E II I S 1^ O R I E 

V A N II E T 
G U I N E E S C 11 £ 

JUF F E R-B O K JE.* 

^r. Herman Nicolaas Gr.imm heeft, in de Ephemerides 
Natura Cuiio/brum Qi) een Dier zeer onvolmaakt belchreeven 
en afgebeeld , 't welk cehter door een byzonder kenmerk , alleen 
aan dit Ibort eigen , genoegzaame tekens draagt dat dit het zelf- 
de is 't welk wy hier voorneemcns zyn te befchryven. Het is be- 
kend by de meeste Natuurkundigen Qf) onder de benaaming van het 
Bokje van Grimm , naar zynen naam genoemd , vermits hy zekerlyk 
de eerfte geweest is welken daar\'an gewag maakt. Naderhand heb- 
ben de beroemde Natuurkenners , de Heeren Buffon en Dau- 
B E N T o N , in hunne algemeene en byzondere Natuurlyke thstorie (/) 
meerder lieht aan hetzelve toegebragt , hoewel zy maar een gedeel- 
te van het hoofd en de beenen daarvan gezien hebben. 

Het diertje , want het is klein , 't welk ten onderwerp dcezer bc- 
fehryving \'erltrekt , is , in tegenll:elling van dat van G r.i ini m , van het 
mannelyke Ibort , en een der bevalliglte en fraaifte 't geen men zien 
kan. Hetzelve is , vier of vyf jaaren geleeden, zo my berieht is, 
met dertien anderen van beiderlei gellacht uit Gw>;^^ overgezonden , 
zynde van dezelven twaalf op de reize geflorven , en daar onder alle de 

-• ..-■...-., . ., wyf^ 

* Ik geef het deez'n naam ^ -joegens deszeJfs tiitneemende ddkar.t en tederheid^ waar- 
dvor hiit ge.'yk de ^iijferjchaj) uitmunt. 

(^a) Eph^m. nat. cini f. dcc:ir. II. ann. 4. 16S5. obf. y, Collf.-jtiox ArADEW. 
Dyon ;755. T. UI. p. 656. fig. pi- XXFI. 

{b} Ray. Syn. Ouad. Capra .<ylv:stris ylfricana Griim/ii! p. 80. N . 7. Phiiss. Reg. 
(luim. Ie Chevrotain d\ifri(/ue ., Tragtthis Africaiuis. p. 97. A^. 4. Li>N. l<yll. nat. Ed. X. 
Giimniia capi-a cahie ffiscculo tophofo , cavitate infra oculos, p. 70. Klein, (Juad. Tra- 
gns; Capra Sylvefiris Africana ., Gri:?tmii. p. ig N. -.7. ... 

i^c) üvi-i'ON. tiifi. Nat. Tq-m. XIL p. 307. ^ 339. . :'. .. 

B 2 



4 B E S C II Pv Y V I N G VAN het 

wyfjes. De twee overgebIe\'ene , bcicle mannetjes , zyn Uus alleen 
gekomen in de Diergaarde zyner doorluchtigste Hoog- 
heid DEN IIeere PpvINse VAN O R A N ( E , enz. enz. eiiz. alwaai' 
het ecne nog leeft , doeh het andere in den winter van 't jaar 
1764. overleden is. Volgens bericht van den Oppasfer der Dier- 
gaarde gaf dit afgeitorvenc Dier terltond na het overlyden zulk een 
vreeslyken llank van zich , dat men genoodzaakt was hetzelve ten 
cerften in den grond te begraaven. 

Bosman (//) , in zyne Bclchryving van G//hiée , 't geen te ver- 
wonderen is, van verfcheiden Dieren in Afriea bericht gecvende,maakt 
geen het allerminfte gewag van. dit Dier. Al 't geen hy van de klei- 
ne llartebeestjes zegt, die hy K'miinjkjes der Harten noemt, ziet op 
het kleine zogenaamde Gf72//d'.''jT/; Reetje (c). Insgelyks Gentil ( /), 
't welk de Heer Buffon by zyne belchryving der Cbevrotr.in (ji) 
zeer wel ondericheiden heeft. 

De wyfjes van dit Guineesch Juirer-Bokje draagcn geen hoorn- 
tjes,zo als ons bericiit word; dan of zy eene zo hoog opllaande 
hair-bos op het hoofd hebben , zo als Grimm het zyne, in alle 
opzichten onkenbaar , afbeeld , daar aan hebben wy redenen ge- 
noeg te twyfelen. ■ 

Deeze Diertjes zyn vaneenen vreesachtlgen aart , de minfte bewe- 
ging , en vooral de donder , ontfteld hen , geevende zy hunne vrees 
door een kort doch fterk geblaas met de neus te kennen , wanneer 
men hen \'ervolgt. 

Dit nog in de Diergaarde Icevende Bokje is , in tegenflclling van het 
andere, 't geen zeer wild en fchuw was, dour den tyd tamelj'k ge- 
meenzaam geworden. Het luistert naar den naam van Tetje , en laat 
zich, wanneer men 'er langzaam met een ftuk brood by komt, 
graag op het hoofd en hals krouwen. Het bemint de zindelyk- 
heid zo, dat het nooit de minile onreinheid aan 't lyf heeft, krab- 

ben- 

(d) Bosman. Befcb. van de Gttineefche Goud-Tand en Slnve-kint. 1. deel p. 31. 
U) Seba Tbef. Tom. I. Tab. XLllL 

if) Gentil. Le Nouveau Toyage au tour du Monde. T. III. p. G-^ . ^ Edit. A?n/ï. i7aS. 
'^) Hifi. nat. Tom. XII. J). 314. 



GUINEESCÏIE JUFFER-BOKJE. 5 

bende zich ook dikwyls ten dien einde met een der achter voeties. 
Het is ook hierom dat men het den naam van/f//r, atkomftigvan 
tctti?^, zjndelyk, gcgee\'en heeft. Vryft men het echter wat lang o\'er 
het lyf , dan zet zich een wit poeder aan de vingers , even als by de 
paarden wanneer men die roskamt. 

De geheele gedaante, de dunheid der beentjes enz. geeft eene 
ongewoone vaardigheid in deeze diertjes te kennen , en welke zy 
ook werkelyk bezitten. Zeer dikw>]s Haat ons Jjeestje met een krom 
opgeligt voor-voetje, als gereed om weg te loopen, 't v\elk eenc 
bevallige gedaante vertoont. 

Het gewoone voedlel waarmede het onderhouden word is rog-- 
gcnbrood, en klein gelheden ilukjes geele peen. Aardappelen eet 
het zeer graag. Honger hebbende. Haat het aardig op de achtervoet- 
jes , wanneer men brood of iets dergelyks naar omhoog houd. I Iet 
herkaauwtgelyk alle do Iborten van dit gedacht. Deszelfs excrementen 
zyn, naar evenredigheid \'an het diertje ,zeer groot, en uit kleine 
bolletjes te iamen gelleld. 

Hoe onvolkomen anderszins ook Dr. Grimm dit Bokje befchree- 
ven heeft , zo vind men echter in zyne befchry ving dat volkomen ken- 
merk , 't welk hetzelve terllond van anderen van zyn geOacht onder- 
fcheid;maar zie hier vertaald zyne eigen woorden, (e/) „Ik heb in 
„ Afriea, in een flot digt by de Ka.ip de Goede Hoop, een zeer 
zeldfaam foort van Wilde Geit gezien, van verwe aschgraauw, 
wat donker; hcblende voor op het Hoofd een Bos van zeer 
hooge rechtopilaande liairen , en tusfchen ieder der Neusgaaten 
en (.)ogen eene Molligheid, waarin zich verzamelt , een geelach- 
tig fmeerig en kle\ erig \'oeht , 't w elk door Cxitw tyd verliard en 
zwart word , en waarxan de reuk naar het Castorium en de Mus- 
cin helt. Als men deeze Holle weg neemt, komt 'er weer nieuwe 
„ te voorfchyn , die in de lucht oc»k hard word , en ik heb my 
„ wel overtuigd dat deeze hoJligheden geene t'fiamenloop met de 
„ oogen hadden , en dat het verdikte \'ocht , 't weik" zy inhielden , ver- 
„ fcheiden was , van datgeene 't welk zich in den grooten hoek van 'c 

5, oog 

ijij E^hemerides nat. ciirioforum. ckc. IL aun. 4. 1685. ohf. 57. 



B 



o 



S B E S C H R Y V I N G van het 

„ oog der Herten en eenige andere Dieren by een vergaórt. Deeze 
„ rtoffe heeft ongetwyfeld krachten en eigenfchappen , welken van 
„ de hertentnumcn zeer verlchillend zyn moeten." 

Deeze beichry ving komt nagenoeg met de eigenfchap van ons Diert- 
je overeen ; doch het zy dat het tegenwoordige klimaat of het voedfel 
invloed op de dierl^'ke geesten hebbe , welks iiitwerkfelen ge- 
noeg bekend zyn ; of dat 'het onderfcheid der fexe eenig verfchil 
baare , wy vinden in ons voorwerp eene enkele ondericheiding , en 
die echter aanmcrkel>'k genoeg is om dezeh'c hier aan te haaien. 
Dit ons Diertje heeft wezenlyk tusfchcn de oogcn en de neus eene 
plaats , die een taai , gomachtig , en klcx'crig v(»cht , doch in geringe 
hoeveelheid , doet uit\1ocijen , en welk vocht door den tyd verhard en 
zwart word; doch, daar 't hier op aan komt, ik heb my nimmer van 
den reuk van dit Beestje, welke (;rimm tusfchcn de Muskus en 't 
Casmhim Itclt , kunnen verzekeren , maar in tegendeel geene de min- 
ftc reuk aan hetzelve kunnen ontdekken. Grimm, zoalswy reeds 
"•ezegd hebben , geeft by zyne beichry ving ook een afbeelding van 
dit Diertje , doch welke in alle deelen gebrekkig is. Voor op het hoofd 
verbeeld hy eene zeerhoogen rcgt opftaanden hair-bos , welke den 
teekenaar waarfchynlyk nog wel wat \'ergru( »t zal hebben ; zyn ^'oor- 
werp was van 't vrouwelyke foort , en had dus geene hoorens ; het 
onze, van het mannelyke, heeft, in evenredigheid der grootte van 
het dier, tamelyk groote Mioorntjes , en in plaats van dien hoogen 
opftaanden hair-bos , heeft het tusfchcn de hoorntjcs maar eene kleine 
verhevenheid van hair , welke echter zich als een puntig bosje verheft. 
Het wezenlykile 't welk my nog eenigzins doet twyfelen, of 
niet het hoofd , 't welk de Meeren Bliffon en D au ben ton be- 
fchryven en afbeelden (/;) , \'an een nog \-erlchillcnd üjort is , zyn 
de hoorntjcs , welken by hen zich meer geboogen un peu rcconrbécs 
ohlquemein , zo als de Heer Daubenton zegt, vertooncn. 

•li:- ^ ■%■ 

•J-t 

Ch^ Tom. XII. pi. XLI. p. soj. ^ 329. 

B £. 



GUINEESCIIE JUFFER-BOKJE. -7 

B E S C II R Y V I N G 

VAN HET 

GUINEESCHE JUFFE R-B O K J E. 

Tab. II. 

Aangaande de waare grootte van dit Diertje is niet geene moge- 
lykheid eene juiste bepaalinge op tegeeven. Zo als het ziet dat men, 
't zy een touwtje, maatfbok, of iets dergelyks, in de hand lieeft, 
vertrouwt het niemand; wil men het vast houden dan worllelt het 
zo Iterk dat deszelfs dunne beentjes gevaar loopen van te breeken. 
Men kan dus ten dien opzichte niets zeggen , dan dat het om- 
trent de grootte heeft van een Reebok van twee maanden. Het 
heeft in alle deszelfs deelen eene fraaije evenredigheid. De Been- 
tjes, fchoon dun en teer, zyn zeer wel naar het ligchaam gcfchikt. 
Het hoofd is fraai , het oog leveiidig en vol vuur , en in het 
loopen heeft het geen van zyne foort te wyken. 

Het Hoofd is nagenoeg gelykende aan dat van een Reebok. De 
Neus , welke zwart en zonder hair is , is altyd vochtig. De Neus- 
gaaten zyn halvemaanswyze langwerpig. De Kanten van den Bek zyn 
zwart. De Bovenlip , hoewel ongefpleeten , verdeeld zich in twee 
lobben. De Kin heeft weinig hair , doch wat hooger vormt het 
zich ter weèrzyden als eene foort van kleine knevels; onder aan de 
Keel is een hairig vratje. De Tong is meer rond dan puntig. De 
middelfte Tanden zyn breed en ftaan wat krom buitenwaards ; de Zy- 
tanden zyn wat puntiger en verminderen langzaameriiand in grootte. 

De Hoorentjes zyn zwart , naar beneden overlangs fyn gegroefd, 
en omtrent drie duim lang; recht opgaande, in 't minst niet geboo- 
gen maar naar boven in een redelyk fcharpe punt eindigende; van onde- 
ren hebben zy omtrent drie vierde der dikte van een duim, en zyn met 
vier ringen verfierd, die achter naar het lyf wat naar omhoog loopen. 

De voorhoofds Hairen zyn iets langer dan de anderen, ruw,grys 
en wat opftaande aan 't grondbcginlel der hoorntjes. Tusfchen de 
t^vee hoorntjes richt het Hoofdhair zich nog wat meer omhoog, 
zodat men zou kunnen zeggen dat het aldaar als een foort van 



K 



8 B E S C H R Y V I N Cx van het , enz. 

toepet formeeit , die puntig toeloopt en zwart is. Uit tieze toepet 
loopt eene zwarte Itreep over 't voorhoofd, welke zich in de zwarte 
neus vedicst. 

De Ooren zyn groot , en van buiten met drie neergaande groeven 
oflleuven; boven aan inwendig met kort witachtig hair ; verder 
zyn dezelven kaal en zwartachtig. 

De Oogen zyn redelyk groot en donkerbruin. Het hair der 
Wenkbraauwen is zwart; dik, en lang -xaw de bovenfte Oogleeden. 
Boven de oogenis het hair langachtig, doch yler of meer verfpreid. 

Terzyde tuslchen de oogen en de neus vertoont zich die aanmer- 
kelyke en byzondere cigenfchap, welke dit Dier aanftonds doet ken- 
nen , en waarvan wy reeds gefproken hebben. Dit gedeelte is wat 
min verheeven , naakt en zwart. In het midden van hetzelve fchynt een 
vooren of ileuf , welke als vereeld en altyd vochtig is ; hieruit vloeit , 
doch in geringe hoeveelheid , een taai , kleverig of goraachtig vocht , 't 
■welk door den tyd verhard en zwart word. Het Dier fchynt zich 
van tyd tot tyd van deeze ontlastende ftoffe te ontdoen ; want men 
vind dezelve verhard en zwart aan de traliën van deszelfs hok of 
loop-plaats als afgeveegd. De Reuk , waarvan Grimmius enzyne 
nafchryvers gewaagen , heb ik niet kunnen ontdekken. 

De Hals , welke maatig lang is , is nederwaards met tamelyk hard 
hair bedekt, 't welk, gelyk mede dat van 't hoofd , geelachtig grys 
is. Dat \-m. de Keel en het bo\'en gedeelte van den hals is van on- 
deren wit. 

Het Hair van het lyf is zwaar en hard, echter glad in 't aanraa- 
ken. Dat der voorlle deelen is mooi ligt grys ; meer naar achteren 
zeer licht bruin , en naar den buik grys , en laager geheel wit. 

De Beentjes zyn zeer dun, zwartachtig beneden by de Hoeven. 
De Voorvoeten zyn van vooren tot omtrent de kniën met een zwarte 
itreep \'erfierd. Byhangende Ivlaauwtjcs heeft het niet, doch in de 
plaats van die naauwlyks eenig uitwas. De voeten zyn in tweënge- 
fpleeten ,en met zwart puntige hoeven voorzien, die fraai en glad zyn. 

De Staart is zeer kort , in leden verdeeld , wit , boven op met 
een zwarten band geteekend. In opziciit der Teeldeelen is het llerk, 
beitaande dezelven in eenen grooten zwarten Balzak , tusfchcn de 
beenen hangende, en een groote Voorhuid. 



^ 



BESCHRYVING 

van eene zeer vreemde en geheel nieuwe foort van 
AFRICAANSCH 

BASTERD-MORMELDIER, 

2icli onthoudende op de Steen- of Khpbergen van de 

KAAP DE GOEDE HOOP; 

Bewaard wordende in het Museum, 
VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID 

DEN HEERE PRINSE FAN ORANJE EN NJSSAUfF, ERF- 
STADHOUDER, ERF-GOUFERNEUR , ERF-KAPITEIN- 
GENERAAL EN ADMIRAAL DER FEREENIGDR 
NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

DireBeur der Forst elyke Natuur- en Kunst • Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie, 
en Korres^ondent der Koninglyke Akademie der fFeetenfchappen van Parys. 

Te Amsterdam, 

By PIETER MEIJER, 

MDCCLXVII. 



s? J, .*. 






--'^ /■■" 



Cl 1 Cl il - -' ' ' v' ii V-. u. -' . ■ 

V , -5 -■•-TV r, - .^ . ,. .r--^ ;" ^■''i ,i t"^ '■ 



A- .!.... !..; K 



) r« /'T 



.;■• i. i i(v..' : 



f 't 



m :, a Ji :i t c t.i i\. 



I :i l:: 



^ i. \- 



J. i. 



•: • . - " Bladz. 3 

N A T U U R L Y K E H ï S T O R I E 

V A N II E T 
A F R I C A A N S C H 

BASTERD-MORMELDIER* 

De ecniglle Schryver, die gewag niaakf van dit vreemde Diertje, 
't welk aan de oude en zelfs hedendaaglche Natuurkundigen 
is onbekend gebleeven , hoewel hetzelve gemeen genoeg in Afri- 
ca gevonden word, is Kolbe in zyne befchryving van de Kaap 
de Goede Hoop (a). '" . 

De Rangfchikkendc Schryvers (^fystematici') zyn van zeer ver* 
fchillende denkbeelden omtrent de plaatfing der Dieren , welke 
Klein (/») onder de benaaming van Cavia betrokken heeft, en 
waartoe dit ons Dier (fchoon het veel verfchillende kenmer- 
ken heeft) het naaste behoort. Brisson (/) maakt 'er Kony- 
nen van, en Raay (jf), en Li N neus (e) , brengen 'er van on- 
der de Rotten en Haazen : om echter recht te doen aan alle dee- 
ze beroemde Natuurkundigen , moet men zeggen , dat onder 
de Cavia van Klein zeer onderfcheiden Dieren te vinden zyn; 
en waarlyk deeze Dieren van dit gedacht hebben gemengde over- 
eenkomfte , van 't Varken , van 't Konyn , van de Haas , Rot enz; 

Aan de Kaap de Goede Hoop is dit Diertje bekend onder de be- 
naaming van Klip-Das , waarichynlyk wegens deszelfs geaaitheid 

van 

(*) Ik laat bet den naam behouden van Mürmrldier, ivelke Kolbe r'aar aangege'e- 
'ven heeft, om dus den riaamlyst van dit Dier niet'onnoodig te ver^i erdsren; en v<>eg Vr 
alken die van Üastehd by, ten einde hier door aan te duiden dat 'er verfcbil in deze 
twee Dieren is. 
■ -(«) Pag. 173. £f 189- - " ••- \ .') 

(b) Klva:^. Qjiadru/). p. 49. _^ ^ ' 0. .1 

(f) Reg. Anim. p. 142. ^c. "^- ■'"'•■'' .-A'. ,(, ,. l ., ...... .i.-.v _,■; 

(^d) ILw. Qjiad 205. ^c. ) 

CO Syji. Nat, X. p. 58. ». 4. p. 59. n. i. ^c, 

C 2 



4 ■ B E S C H R Y VING van iiet 

van meest, gelyk de Das, (/^) in den grond te Iceven; want anders 
heeft hetzelve niet de allerminlle overeenkomst met de Das. Kol- 
BE, wien deeze benaaming ook niet geviel, heeft die verandert in 
die van Mormeldier (ir) daar 't zekerlyk , ht^e verfehillende ook , 
beter naar gelykt dan naar een Das : Maar laat ons dezen Schry- 
ver zelf doen fpreekenen zyne woorden hier ternecrftellen „ Ilicr, 
,, zegt hy , (/') worden ook Dasieii gevonden , maar wanneer men 
„ derzelver geftalte , ■ vorm , innerlyke eigenfchappcn en voorts 
„ het geheele weezen eenigzins naauwkeuriger overweegt, en met 
„ de ■ belchry ving der Daslen van Gesnerus , Irancius , Auiio- 
„ vanchis en anderen , vergehkt , en tot het Dier , het M'elk de 
„ inwooners alhier den naam van Das gewoon zyn te geeven , be- 
„ trekt , zo lehynt het niets minder dan een Das te zyn , 't zy 
„ dat men de grootte van het lyf, deszelfs geftalte, of het in- 
„ wendige vet en vleesch in aanmerking neemt; beter komt deezé 
„ zogenaamde Das met een Marmot of Mormeldier overeen , en 
„ heb ik derhalven raadzaam geacht, om dat Dier onder zynen 
réchten en eigenlyken naam te brengen ,. en op de behporlyke 



?9 



j, plaats nog een weinig daar by te voegen ". Deeze Schryver , 

over de Dieren van dit gedeelte van Africa fpreekende , befchryft 

'dezelven niet naar de onderfcheiden Klasfen , maar naar eene Al- 

phabetiiche order , dus aan de naams letter koomende , die hy het 

eigen acht , zegt hy verder: „ Het Mormeldier (i),'t welk hier ins- 

gelyks gevonden, en door de inwooners, gantsch verkeert, den naam 

van Das gegeven word , word door Gesiienis en anderen mede 

•al onder de Muizen gerekend. Vermits zy in Europa genoeg 

bekent zyn , zal ik verder niets daar van zeggen , dan dat het 

vleesch van hetzelve zeer goed om te eeten , en , gefboofd en 

o-ekruid, zeer aangenaam en gezond is. De dikwyls gemelde 

Heer Oortman . had een Slaave-kind, van omtrent 9. jaarcnoud, 

. 5, dat 

(ƒ) T.iNN. Syft. Nar X. p. 48. ». 5. Idem Houttuin, iVrt/, Hijhrie der Dieren ,^c, 
/. Deeh^ II. Snik, ;>. '128. 

{g) BuFFON , Hifi. Nal. Tom. FlII. tab. 28. 
ib) Pag. 173- 

CO ^«^- ^'^9- ." .■■ <■-. ........ 






AFRICAANSCH BASTErvD - MORMELDIER. "^ 

^, d;it de Knlv^eren hoedde, en derhalven de naasdiggende Steen- 
„ bergen dikwyls op en af klauterde. Dit Kind bragt 'er Ibmtyds 
„ zo veel t'htiis , dat men zoude hebben gezegd , dat het onmo- 
„ gelyk was , dat zulk een jong Kind die allen op eenmaal konde 
„ draagen , of de bekwaamheid had , om ze te vangen. Nochtans 
„ verzoette het loon den arbeid , en vond dit Kind geen verdriet 
„ daarin , maar richtte een' Hond af , om die voor hem te van- 
„ gen. Doordien ik dikwyls daar\'an heb gegeten , zo is my 
„ zeer wel bewust hoe ze fmaaken , en dat zy my nooit kwalyk 
„ zyn bekomen ". 

■ Het ware te wenfchen dat Kolbe ons wat meer aangaande den 
aart en huishouding van deeze Dieren had gemeld , waartoe hy 
door het voornoemde Kind eene zeer goede gelegenheid aan de 
hand had. 

Eenige tyd geleeden is het eerlle deezer Diertjes , zynde een van 
het Vrouwelyke foort, voor het Kabinet van zyne Doorluch- 
TiGSTE Hoogheid overgezonden door den Wel Gestr. Heer 
TuLBAG, Gouverneur der Kaap de Goede Hoop, en van wiens 
vruchten eener beleefde oplettendheid ter bevordering der Natuur- 
kennis wy nog meermaalen gelegenheid zullen hebben te fpreeken. 
Dit Diertje, 't welk in wyngecst in 't kabinet bewaard word, is 
mogelyk nog jong; want het is veel kleiner dan een ander, waar 
van wy nader fpreeken zullen : de koleiir verfchilt ook merkelyk , 
want dit , 't welk ik thans voor my heb , is flaauw geelachtig wit 
op den rug alleen maar wat meer naar het llaauw bruin hellende. 
Een tweede van het Mannelyk loort , ten onderwerp der volgende 
befchry ving dienende , is my in 't laatst des voorgaanden Winters 
door den Heer Berg meier , van Amfterdam gezonden , uit 
zyne fraaije Diergaarde , die alom genoeg onder de benaaming van 
Blaaijiv Jan bekend is , en welke aldaar door meest alle vreemdelin- 
gen word bezocht en verdiend gezien te worden. 

Volgens het bericht, my wegens de levenswyze dezer Dieren 
opgegecven, zyn zy fomber, over dag dikwyls flaapende. Hunne 
beweging is langzaam en huppelende , doch in 't v/ild zal dezelvq 
ongetwyfeld veel fterker zyn , en mogelyk aan die der Kon3'nen 

C 3 even- 



(S .'BESCHRYVING van een 

cvenaareii , 't welk de afrcchcing van den Hond om ze te van- 
gen, in de befchryving van Kolde, ook fchynt aan te duiden. 
Zy maaken dikwyls een kort doch icherp en doordringend ge- 
luid. Dcrzelver gewoone voedfel hier te land is brood en ver- 
Icheiden groenten. Het is vry waarfchynlyk dat deeze Dieren 
niet lang draagen , dikwyls en vccle jongen te gelyk ter waereld 
brengen , en dus hier in , gelyk ook in andere eigenichappen met 
de Konyncn o\'ereenkomen. Het maakfel van derzelver voeten 
Ichynt ook aan te duiden dat zy goede graavers zyn , 't welk hen 
noodig is om onder den grond te woonen. 

De romp van dit Dier, 't geen door te gulzig te eeten, te Am- 
fterdam gcltorven is , heb ik ter ontleding aan den Heer PaUas M. 
D. gegeeven , welke daarvan (als buiten myn beflrek zynde) verflag 
doet in zyne Miscellanea Zwlogica ; en by welke gelegenheid door 
hem in de ingewanden nog eenigc ttukken van een Lintworm ont- 
dekt zyn. Het konltig opgevukle vel bevind zich in het kabinet 
van zyne Doorl. Hoogheid. 

B E S C H R Y V I N G 

V A N H E T 

A F R I C A A N S C H 

B A S T E R D . M O R M E L D I E R. 

In Grootte komt dit Dier vry wel overeen met een gewoon Ko- 
nyn , doch het lyf is dikker en in een gedrongencr ; de Buik is 
zeer dik. 

De Oorcn zyn ovaal rond , aan de randen kaal , ten deele met 
een kort zacht hair bedekt , en verder in 't hair van 't hoofd ver- 
borgen. 

De Oogen zyn middelmaatig groot , van een fraai aanzien. De 
Oogleden hebben onder en boven eenige korte zwarte hairtjes , en 
boven dezelven komen, byna uit den hoek van 't voorfte oogUd, 



AFRICA ANSCH BASTERD - MORMELDIER. ^ 

en verder , vyf of zes lange zwarte hairen , achter naar 't hoofd over- 
hellende. 

Omtrent halverwege den Bek , in de boven-lip , (taan ter weer- 
zyde zes zwarte knevel-hairen , die zich tegen 't hoofd of de wan- 
gen fchikken. 

De Neus is naakt , zwart en door een fyn naadje als verdeeld , 
en welke verdeeling tot in de lip doorloopt. De Neusgaaten ver- 
toonen zich als een in 't midden geknakte lyn. 

Onder aan de Smoel naar de keel ftaan , op een foort van vrat, 
eenige lange zwarte hairen , gelyk mede aan de wangen, enz. en 
men kan zelfs als een kenmerk van dit Dier hier aanteekenen , dit 
zich deeze min of meer lange zwarte hairen , die fleviger dan de 
overigen zyn , van afftand tot atlland over het geheele lyf doen 
zien. Waarichynlyk zyn deeze hairen gefchikt om het Dier van de 
aannadering of de nabyheid van llgchaamen , die het hinderentle 
of fchadelyk zyn , in zyne onderaardfche wooning te waarichou- 
wen : mogelyk wyzen zy het , door derzelver gevoelige aandoenin- 
gen , de genoegzaame grootheid die het by 't vervaardigen van zy- 
ne loopgraaven en wooning noodig heeft : men heeft genoeg voor- 
beelden in de natuur , welken dergelyke wysheid , zorg en goed- 
heid van het Opperfte Weezen voor zyne fchepfelen aanduiden. 

Het Verhemelte van den bek heeft agt diepe fleuven of voorens. 
De Tong is vry dik, tamelyk lang, en van vooren ovaal rond; mee 
kleine tepeltjes bezet. 

De boven Voortanden zyn twee, vry lang, voor in den bek, wyd 
van elkander afltaande; op die zyde, naamelyk, daar zy zich van 
elkaêr verwyderen, zyn dezelven dik, en aandebuitenzydefcharp; 
van onderen eindigen zy oi)k in een ronde icherpe punt ; . zo dat 
zy eigenlyk een langwerpige platte driezydige gedaaante hebben. 
De Tanden van het beneden kaakbeen ftaan , voor in den bek , di'^t 
byeen , zyn vier in getal en fnytanden ; ( 't geen buitengewoon en 
geheel verfchillend met dit foort van Dieren is) dezelven zyntame* 
lyk lang , plat en breed ; die op de hoeken ftaan zyn echter wax. 
breeder en hooger aan de buitenfte zyde, en naar de andere tan- 
den (door de vryving der twee bovenfte) fchuins afgelleeten ; want 

* iö 



t BES CHRY VING van het, enf. 

in het jonge wyfje zyn die allen egaal. Elke tand heeft uvee gi-oe- 
ven overlangs , zodat zy uitwendig als in driën verdeeld zyn , 't 
geen in het jonge Dier nog veel zichtbaarder is dan in het oude. 
De Kiezen ftaan ver van de tanden af, naar achteren in den bek , 
en zyn tamelyk groot. In de bovenfte kaakbeenen zyn 'er aan elke 
zyde vier en nog een kleine, die wat boven de anderen uitlteekt : van 
onderen heeft elke zyde maar vier kiezen. 

Het Dier heefc korte Voorvoeten en wel half in 't vel van 't lyf 
verborgen. Een groot gedeelte der Voor- en Achtervoeten zyn 
zonder hair, en als met een zwart leerachtig bekleedfel overtrok- 
ken. De Vingers der voorvoeten zyn in vier van vooren rond af- 
gefneeden deelen verdeeld, waarvan 'er echter maar drie, welks 
middelfte de langde is, uitkomen, en gefcheiden zyn; de vierde 
of teen aan de buitcnzyde is veel korter , en met de derde als vast- 
gegroeid. Op de einde dier vingers , fchynen korte ronde doch 
binnen 't vel blyvende Nageltjes , even als onze nagels. De Achter- 
voeten hebben drie vingers , waarvan de binnenfte alleen een krom- 
men nagel heeft, de buitenlte vinger is wat korter dan de ande- 
ren , en deeze vingers hebben ook allen een zwart leerachtig be- 
kleedfel. Zy loopen op deeze achtervoeten even als de Konynen, 
zodat de voetzool zich aldaar tot aan de knok van het buigzaa- 
me lid uitbreid, en die voetzool is in vier langwerpig vierkante eelt- 
achtige deelen verdeeld. 

Het Dier heeft geen het allerminfte bewys van fbaart. De Anus 
vertoont zich vry lang. De voorhuid rolrond , en ontbloot het tecl- 
lid een weinig , zo dat het zichtbaar is. 

De kleur van het Hair is graauw of licht bruin , even als dat 
der Haazen of wilde Konynen; boven op 't Hoofd en den Rug 
wat donkerder , voor aan de Borst en Buik witachtig. Zeer 
laag om den Hals, beneden by den Rug vertoont zich een wit- 
nchtige band, die echter maar tot op de hoogte der voorvoeten 
komt, en dus niet voorby de borst rond loopt. Het Hair zelf is 
wollig en zacht. 

i^ ^ '^ 



BESCHRYVING 

van eenc geheel iiicuwe of onbekende foort van 

O O S T I N D I S C 1 1 E N 

G R O O T E N EN LAN G S T A A II T I G E N 

VLIEGENDE N 

EEKHOORN; 

VAN DE 

MOLUKKISCHE of PHILIP YNSCIIE EILANDEN, 

zich bevindende in hec Museum, 
VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE tl OOGHEID 

DEN HEERE PRINSE FAN ORANJE EN NASSAUtV, ERF- 
STADHOUDER, ERF-GOUFERNEUR, ERF-KAPITEIN. 
GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 
NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. VOSMAER, 

Dire^eur derForstelyke Natuur- en Kunst ■ Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie , 
en Korrespondent der Koningklyke Akademie der Weetenfchappen van Parys. 

Te Amsterdam, 

By PIETER MEIJER, 

MDCCLXVII. 



:■ '. . Bladz. p 

N A T U U R L Y K E HISTORIE 

- , VANDEN 

OOSTINDISCIIEN 

GROOTEN EN LANGSTAARTIGE N VLlEGENüEN 

EEKHOORN. 



De Heer Linneus heeft, onder andere verfchillende foorten 
in zyn vernieuwde Syjiema (a) , twee zogenaamde vliegende 
viervoetige Dieren, waar van hy thans het eene tot hetgeflachtder 
Muizen (^) en het ander tot dat der Eekhoorns (f) betrekt. Bris^ 
soN (d) voegt by deeze twee foorten nog een derde , en ftelt 
dezelve alle drie onder den rang der Eekhoornen. Verfcheiden Schry- 
vers maaken gewag van deeze tweede foort (è) welk gemeen ge- 
noeg in de noordelyke deelen der oude en nieuwe waereld gevon- 
den word , dan tot nog toe heeft niemant dat zonderlinge Diertje 

in 

(*) Deeie naam fcbytit my meer eigen dan die van Vliegende Kat, ij welken an- 
derzins dit Dier by ons bekend is. Het hoofd ^ de tanden en de klaatnven hebben meer over'- 
eenkomst met die der Eekhoorns, dan alleen de ruige ronde ftaart , ivelke de Kat ei- 
gen is. De naam van vliegende is ook niet oneigen wegens den fterken fprong die bet Dier 
maakt. , , 

(«) Syfl. Nat. Edit. X. - ' 

(i) Mus volans.fp. i6. p. 63. Sera Tbef. Tom. I. tab. XLIF. f. 3. 

(c) Sciunis volans. fp. 7. p. 64. Süha Thef. T. I. tab. XLl, ƒ 3. 

(J) Reg.Anim. Sciunis Sibericus volans. p. 159. N. 13. 

(«) De eerfle.,by Linneus onder de Muizen gebragt , is nog door niemant dan S e b a 
befchreeven , en de derde bier aangehaalde van den Heer ?> li i s s o n , zal waarfcbynelyk 
niet anders dan alken eene verfcheidenbeid zyn van die waarvan wy bier /preeken. 

D 2 



4 B E S C H R Y V I N G van den 

in aart en eigenfchappen beter bcfchreeven dan de Heeren Buf- 
FON en Daubenton (/') ,by welken wy hetzelve onder de Rus- 
fifehe landbenaiming van Pohitoucbe bekend vinden. ])it Diertje, 
die PoIcHoiiche naamelyk , 't welk , buiten alle tegenlpraak , mecren- 
decls overeenkomflig is met dat waar van wy llraks Ipreeken zul- 
len , heeft den bynaani van vliegend vcr];recgen , omdat het als een 
vliegendcn fprong maakt ,(zieh van den cenen boom op den anderen 
willende begeeven) dieibmmigeop vyf-en-twintig of dertig voeten, 
en anderen op dertig of veertig lehreeden Itellen. Men zal zich over 
deeze vaardigheid minder verwonderen , als men het maakfel zelf 
uit de hier achter volgende befchryving in aanmerking neemt: van 
den eenen boom op den anderen willende zyn , neemt het een fter- 
ken fprong, en fpannende , door het uitftecken der voor- en achter- 
voeten, het vel uit, 't geen zich tusfchen dezelven bevind, dryft 
het, om zo te fpreeken, als op de lucht. „ Het vel dus uitge- 
breid, vergroot de oppervlakte van het ligchaam , zonder de 
ftoffe van hetzelve in zwaarte te doen toeneemen , en vertraagt 
„ gevolglyk de fchielykheid van den val zodanig , dat het Diertje 
meteenen fprong vry verre komt: deeze beweeging is derhalven 
geene vlucht als die van een vogel , noch eene zweeving als die 
van eene Vlederrauis , die beiden door het (laan van de lucht 
verricht worden, met herhaalde flingenngen;maar't is een enkele 
fprong , in welken alles afhangt van den eerden fchok , door wel- 
ken de beweeging alleen verlengd word , en des te langer duurt 
omdat het ligchaam van het Dier, eene grooter oppervlakte aan 
de lucht blourllcllende , een grooter weèrftand ontmoet en lang- 
zaamer valt." Dus redeneert 'er de geleerde Heer Buffon (^) 
zeer wel over, en vermids deeze zonderlinge eigenfchap ook in ons 
vol'Tende voorwerp plaats heeft , en een der zeldzaamfte van dit 
Dier behelst , hebben wy noodig geacht deswegen wat omftandiger 

te zyn. 
Het Dier, thans het onderwerp deezer verhandeling , voormaals 

uit 

(ƒ) Hifl. Nat. Tom. X />. 95. ;. 21 , 22 ^V? 23. ' : 

(j LJjm p. 97. ö' y^- 



» 

>5 



OOSTINDISCriEN EEKHOORN. s 

uit de Oostindie overgezonden , bevind zich in de Kabinet-verza- 
meling van Zyne Doorluchtigste Hoogheid den Hee- 
RE Prinse van Oranje enz. enz. enz. alwaar het gedroogd 
en als een der zcldzaamfte Hukken on.der de uitlandfche Dieren 
bewaard word. Uit alle omftandigheden kan men befluiten dat het 
met de Polatouche in de eigenfchap van te kunnen vliegen overeen- 
komt, doch in gedaante en grootte verichilt het zeer veel van 
dezelve , zo dat men het als een geheel nieuw en verfchillcnd foorc 
moet aanmerken. 

De Schryvers , welken gewag van dit Dier fchynen te maakcn , 
zyn maar twee in getal , behalven de Hooggeleerde Heer Alle- 
mand, die 'er eene korte befchryving van geeft (JS) opgemaakt 
naar een van de vrouwelyke Ibort en in koleur verfehillendDier, 
dat te Leiden in het Akademifche Kabinet bewaard word. Valen- 
TYN (/) iszekerlyk, hoe gebrekkig ook en zonder afbeelding, 
de eerlte die van dit ons dier gefprooken heeft: zie hier 't geen hy 
'er van zegt : „ Op Gilolo , omtrent Dodirigo , heeft men vliegende 
„ Civetten. Zy hebben vlerken als de Vledermuizen van de voor- 
„ fte tot de achterfte pooten , waarmede zy van den eenen naar 
„ den anderen boom vliegen. Zy hebben ook zeer lange (taarten 
„ byna eveneens als de Meirkatten. Als zy nederzitten , ziet 
„ men haare vlerken niet. Men heeft dezelven niet boven vyf- 
„ tig jaaren geleden aldaar ontdekt , doordien zy zeer wild en 
„ fchuw zyn. Zy zyn ros van kop met donker graauw gemen^-d, 
„ en haare vlerken zyn van buiten ook met hair bekleed , 't geen 
„ het verfchil tusfchen haar en de Vleermuizen is, Zy zyn fcherp 
„ van gebit, zo dat zy in ftaat zyn een houten kooi gemakkelyk 
„ in eenen nacht door te byten. Anderen noemen ze ook wel 
„ vliegende Aapen." Verder zegt hy: „Hec volk van zeker fchip,'c 
„ jacht Boen genaamd, in 't jaar 1677. omuQni Haiemachera 'm Ter- 

,,-.•" ^^" 

(i) Zie bet bekort Syflema der Dieren van den Heer Bri.-son, V vielk zyn Ed. u 
heiden 17Ó2. onder den volgenden tytel beeft doen drukken. Regnum AmMALe in Clalfes 
IX dijlrihutum. five Synopsis methodica A. D. Brissox. 

(«■) Befcbr. van Oud en Nieuw Oojïindiën, IIL Deel. />, 269. ^ 2-0., 

D 3 



5 BESCHRYVING van den 

„ nate , naby Dodingo , liggende , wierd allereerst een van deczc 
„ Dieren , zich op de hoornen onthoudende , en van den eenen op 
„ den anderen vliegende, gewaar. Zy zagen het eerst voor een 
„ Eekhorentje aan, doch het hoofd was veel fcherpcr, en meer 
„ naar een (Ji) Coescoes (een Dier , dat wy hier in prent vertoonen) 

" t>^ 

(k') Coescoes. Dcezc is de Oostindifche V, o s c ii o f B e u r s-ii o t , Pliilaiulcr 
van S E B A. üidclphi.s van L i x \ m i; s , w'lks beflaan <f geboorteplaats in Oostiiidie te 
zyn den geleerden Heer BufFox, in zyn X. deel pag. 2S4. enz. zo volflrtkt tegenfpreekt ; 
dezelve alleen aan de nietiive IVacreld als eigen ftelUnde. IVy kunnen echter deez?n beroem- 
den Natuur-kenner verzekeren ^dat Va e !■: x t y x en S e b a zeer wel gedaan bebben met deeze 
Dieren tot Azië zo ivel als tot Amerika tV.uiis te brengen. Ik zelf heb , /// den voorgaanden 
zomer , zo wel de mannelyke als vrouw :lyke foort uit Oostindie ontfangcu ; gelyk mede de 
geleerde Heer ÜR . S c 1 1 e o s s e r te Amflerdam , die de zelfde foort van een vriend van Am- 
boina is toegezwden ; hoewel ik voortny'er , buiten deezen,geene meer kenne ,en dezelven dus 
niet zeer algemeen zyn. De grnotfte vtrfchddenheid tusfchen de Oost- en JVestindifche be- 
vind ik te beflaan in de kvleur van bet hair , die by het mannetje der Oostindifche geheel 
flaauw geelachtig ivit is: dat van het wyfje is wat bruiner met een zwarte of liever bruine 
(Ireep op den rug. Het hoofd van de Oostindifche is korter , doch dat van het mannetje 
fchynt my wat langer dan 't hoofd van '/ wyfje , de ooren zyn in deeze foort veel korter dan 
^ie der IVestindifche. De hefcbryving der tweede foort , waar van V a L ic n t y n ook 
(preekt, is te duister om met eenige zekerheid op te kunnen doorgaan. 

By deeze gelegenheid moet ik hier ook nog , tegen het gevoelen van den Heer B u f f o n, 
X. deel pag. 159. enz. aantcekenen ; da: my in den voorgaanden jaare 1765, door aen 
Ed. lieer Gouverneur Tulbagh van de Kaap de Goede Hoop, de Mieiiknef.tkr, 
!SIvnnec6phag;i hy L i n n e u s , voor het Kabinet van Z y n e D o o r l. 1 1 o o c ii e 1 d is 
overgezonden. Ik heb denzelven onder de henaam ing van Aard-Varken ont' 
fanpen, gelyk Kolbe hen.d:is ook noemt in zyne Bef I. deel pag. 196. zo dat Desmar- 
f 1 1 A I s in zyne l ^ojagie ,en K < ) e n 1: , gelyk hebben , als zy zeggen dat dit Dier in Africa zo 
wel als in Amerika gevonden word. Uit dit , 't welk in liquor is overgezonden , '/ geen 
maar pas geboren fcbynt en reedrS de grootte van een jonge Farkens Big heeft, hlykt, dat 
let voluiasfen Dier zeer groot moet zyn. Zie hier deszelfs groot/Ie verfchillendheden , voor 
zo verre die van een zo jong Dier kenbaar zyn. De fnuit is aan het einde wat dik en rond, 
en dus , hooger op , als ingedrukt. De ooren zyn zeer groot , lang , dun en puntig neir- 
hangende. De voorvoeten hebben vier klaauwen, de eerfte en derde even lang , de tweede 
wat langer en de vierde of buiten/ie wat korter dan de derde. Alle vier de nagels zyn hier 
vry lang, weinig krom, puntig toeloopende en genoegzaam even groot. De achtervoeten heb- 
ben vyf klaauïven , welker drie middelfte byna even lang en de twee huitenjie veel korter 
zyn. De nagels zyn hier kleiner, de twee buiten/Ie '/ kleinfl. De flaart is niet zeer lang, 
dik en puntig eindigende. JMen kan hier nog byvoegen, dat de twee Mierenëeters van S 1:- 
B A Tom. I. tab. 37. f. 2. en tab. 40. ƒ. i. zekerlyk generlei zyn, en alleen maar in koleur 

van 



* OOSTINDISC HEN EEKHOORN. j? 

, gelykendc. Het was graaiiw van hairen, van de neus af, en 
, over den rug tot achter toe , met een zwarte (treek. Aan de 

„ voor- 



vnn Ibair verfchillende. Zy zymcer wel afgebeeld ; een foort op zich zelve; geheel verfchillendi 
van de TamancUui giuicu va» M a ii c o r a a f of Tanian noir vtin den Heer 15 u v v o n. 
De voorjie nagels van deeze zyn drie , de middeljie zeer groot , de bhDieitJie kleiner , en de 
buitenfte zeer klein. Die der achtervoeten zyn vyf^ allen even lang ^vry groot en wat krom. 
De f aart is meest kaal, beeft aan bet einde een zwarte punt , en een weinig daar van af, 
een zwarte ring. Op den rug is deeze , die ik thans voor my Lebbe , met donker bruine e;i 
witte dwarsjireepen verjierd. Mogelyk is deeze de zelfde van S i: d a , " op wiens verkoping 
ik hem gekogt heb? Het is maar eene verf heidenheid van de zo even aangehaalde tab. 37. 
^ 40, 20 dat wy vyf onderfcheiden foorten van Alicrciicctcrs kunnen telkn ^ naamelyk. 

1. Z)t? Tamandiia giKicu. Marcg./>. 2:5. Bl'ffon Tamaiulua iioir. Tom. X. t. 29. 

2. De Tauiaiuliia-i. Marcg. p. 226. Seüa Tem. II. t. '\7.fig- 2. 

3. De Fourmillicr. -Seba Tom. I. t. 2~.fig. 3. Cuffox Tom. X. t. 30. 
■ 4. Z)fi . . . . Sei;a. Tom. I. t. 'Sl-fg. 2. ^ tab. 40. fig. i. 

5. De Africaaaufche , welke wy bier thans opgeeven. 

. Met de wederlegging eeniger misflelUngen bezig zynde, zal het niet ondienjiig zyn hier 
ook aan te teekenen , dat de Heer 15 u f f u n aangaande de zogenaamde S v n. i k a t in 
zyn XHl. Deel pag. 72. enz. befchreeven , waarfchynelyk, en in den naam en in de ge- 
hoorteplaats zal misleid zyn. Althans dit kunnen wy ''er van zeggen, dat dit Diertje , 't 
geen anders volmaakt door hem befchreeven is , my in den laatstleeden zomer door den Ed. 
Heer T u l b agii , Gouverneur der Kaap de Goede Hoop ^ voor de Diergaarde van zyne 
Doorluchtige Hoogheid is overgezonden , en dus niet in America, alwaar ik 
bet nergens befchreeven vinde , maar in Africa t''huis boort. Dit Diertje , waar van 
twee der verfchillende fxe zyn overgezonden , doch het wyfje op de reis gejlorven is, heeft 
K o L B E niet gekend, ten miujlc hy maakt ""er geheel geen gewag van , en het fcbynt 
dat hetzelve ook niet dan zeer diep landw aards in gevonden word, V iveh uit den Brief 
van weigen. Heer Gouverneur daar by ontfangen , is af te leiden, alwaar gezegd voord: 
„ Ook heb ik nog aan den gemclden Schipper mede gegeeven twee kleine kevende Diertjes 
„ man en wyfje y die wy echter geenen naam geeven of ergens hy vergelyken kunnen ,vermids 
„ my dezelven ,nu voor bet eerst., ver uit de wildernis fen en klipbergen van dit wyduif'e- 
„ ftrekte landz'jn toegezonden; zy zyn zeer mak en aardig, eetende versch gekookt afkook 
„ wel raauw vleesch , raauwe eijeren , en mieren als zy die krygen kunnen, waarom ik 
„ wenjl-he dat deeze beestjes in '/ leeven zullen blyven , dewyl ik van gedachten ben dat 
„ diergelyke foort mogelyk nog nooit in Europa zal gezien zyn'\ IFegens de benaming van 
SuRiRAT heb ik alleen maar dit te zeggen, dat ik die alhier nooit anders heb boeren 
geeven als aan de M o c o c o ^« M o n g o u s , 'welken de Heer B u f f o n Tom. XUI. 
tab. XXH. Gr' XXFI. zo volmaakt befchryft en afbeeld. 

Zie daar eenige uitweidingen , voor welken ik my verzekerd houde geenszins van den be- 
roemden en waarheidzoekenden Heer Bl'ffon, maar alleen aan myne Leezeren, die ze 
tnogten verveeld hebben , verfchooning te moeten verzoeken. 

D4 



8 BESCHRYVING van den 

„ voorde pooten , van de khauwcn af, tot aan de klaauwen der 
„ achterlte pooten toe, was de huid aan het Hgchaam , gelyk het aan 
„ de Vleer-niuizen is , vast gelpannen ; doch dit vel was van bui- 
„ ten met hair bekleed, gelyk het onderlyf, en ook van binnen 
„ met wit hair begroeid. Als zy van den eenen boom naar den 
„ anderen Iprongen , breidden zy te gelyk hunne vlerken uit , en 
„ Ichecnen dan als opgefpalkt te zyn. De Inlanders verklaarden 
„ toen die Dieren nooit meer gezien te hebben." 

Hetis zeker dat Valentyn, hoe gebrekkig hy hier ook fprcekt, 
ons volgende Dier in 't oog gehad hebbe. De lange ftaart , het 
uitgebreide en met hair begroeide vel tusfchen de pooten , 't welk 
hy vlerken als van een Vleermuis noemt, doch zeer verkeerdelyk, 
kan op geen ander Dier dan hcM: geen wy hier verhandelen toege- 
past worden. De Lemur volans van Linneus (/) welke de vlie- 
gende Kat van Seba (w) is , kan hier in geen aanmerking ko- 
men , vermids hier maar van een vastlpanning van den huid tuslchen 
de voor- en achterpooten gefprooken word , en in die van Seba fpant 
zich die huid , boven dien , van het hoofd ook tot aan de voor- 
voeten , en van de achtervoeten tot aan het einde van den (taart , 
van welke aanmerkelyke en zeldzaame eigenfchap Valentyn in 
zyne befchryving geen het minile gewag maakt. 

In het werk van den geleerden Abt Pre vost («) vind men 
ook eene zeer korte befchryving , en zeer flegte afbeelding , over- 
genomen uit Les Lettres Edifiames ^ betrekkelyk op dit ons Dier, 
indien de breede ftaart , welke daar verbeeld word , het niet nog tot 
een andere fourt brengt. Spreekende van de Natuurlyke Historie 
der Philippynfche Eilanden, zegt hy: „ Deeze Eilanden , de eenig- 
„ fte plaatlen der Waereld , waar men een foort van Katten ziet die 
„ de grootte der Haazen en de koleur der Vosfen hebben , en 
aan welken de Indiaanen den naam van Taguan geeven. Zy heb- 
ben vleugels gelyk de Vleermuizen , doch met hair bedekt , waar- 
van 



>5 



JJ 



(/) .SV- Nat. Edit. X.p. 30. ,/>. ^. • ■- • 

(m) Seüa Thef. Tom. I. tab. S^- fig- 2,3. 

fn) Hifi. Gen. des Foyages. Tom. Xl^. p. 51. Edit. de la Haje. 



OOSTINDISCIIEN EEKHOORN. 9 

„ van zy zich bedienen om van den eenen boom op den anderen 
„ te fpringen , ten lifftande van dertig palmen. 

Zie daar alles wat de Schryvers van dit Dier gezegd hebben, 't 
welk weinig is en veel verfchillende van de wezcnlyke gedaante; 
doch wat wonder ? de zeldzaamheid van hetzelve, gevoegd by de plaat- 
fen daar het zich onthoud, welken mogelyk weinig door de handel- 
dryvende Europeërs bezocht worden , zyn daarvan de reden. 

Uit het aangehaalde van de twee gemelde Schryvers mogen wy 
nu met meerder recht veronderltellen , dat de verdere natuurlykc 
huishouding van deeze foort met de kleine van den Heer Buffon, 
waarvan wy reeds onder de benaming van Polaiouche gelprokcn 
hebben , overeenkomflig is. Deeze Diertjes , van welken ik 'er zelf 
twee, doch niet lang , leevendc gezien heb in de Vorstel vke 
Diergaarde , (liepen genoegHiam den gantfchen &xg ; flerk aangc- 
fpoord wordende deeden zy wel eenen kleinen en als vJiegenden 
iprong, doch kroopen terllond weg, als zeer vreesachtig zynde. 
Zy beminden , gelyk de gemeene Eekhoorn , by uitftck de warmte 
kruipende, als men hen ontdekte, zo ras mogelyk onder dewoJle 
lappen, waarin men hen liet rusten. Hun voedfel was geweekt 
brood , vruchten enz. 't geen zy , even als de Eekhorentjes , zit- 
tende, uit hunne voorpootjes aten; tegen den nacht waaren zy 
meer in beweeging. Het verfchillende klimaat enz. had zekerlyk 
zeer veel invloed omtrent de verandering der geaartheid deezer 
Diertjes , die van cene tedere gelleldheid waaren. 

Van de grootc nieuwe foort , het onderwerp deezer en der vol- 
gende befchry ving , heb ik vier fluks gezien , zynde ook allen die hier 
te Lande bekend zyn, en daaronder twee verfcheidenheden. Een 
derzelven bevind zich in het Akademie-Kabinet te Leiden, een an- 
der is hier in den voorgaanden Zomer , na het overlydcn van den 
Ed. Heer van Eversdyk, by verkooping van deszelfs Kabinet 
verkocht , en gekomen in de fraaije Natuur- en Kunstverzameling 
van den Wel Ed. Heer van He e te ren, alhier woonendc. Dee- 
ze beiden zyn van de vrouwelyke foort , licht kaftanje kleun'o- 
doch op den rug wat donkerer ; het einde van den ftaart zwartach' 



ïo BESCHRYVING van den 

tig. Het ondeiTcheid der fexe is kcnnelyk aan zes kleine tepels , 
die evenwydig in twee ryen op de borst en den buik geplaatst zyn. 
De twee overige, beide mannelyke foorten , behoorende tot het 
Kabinet van Zvne Doorl. Hoogheid, waarvan echter een 
voor myne aanftellinge is weggeraakt , waaren in alle deelen overeen- 
komftig aan de volgende befchryving. 

BESCHRYVING 

VANDEN 

OOSTINDI SC HEN 

GROOTEN EN LANGSTAARTIGEN 

VLIEGEN DEN EEKHOORN. 

Tab. IV. . 

De Grootte van het Dier , voor zo ver men die met zekerheid 
kan opgeeven , (want het is , doch zeer wel , opgevuld overgezon- 
den) is 1 7 Rynlandfche duimen , naamelyk van de punt der neus 
tot aan het grondbeginfel van den ftaart. De Breedte van het lig- 
chaam by de voorvoeten , in een pladiggende of vliegende geftal- 
te genomen , 4 en ^ duim , by de achtervoeten , 5 en i duim. 
De Lengte van den ftaart tot aan het uiteinde van deszelfs hair 20 
duimen. De voorvoeten uitgebreid zynde zo is de lyn des afftands 
van het uiteinde des eenen klaauws tot den anderen i2en i duim; 
en die der achtervoeten 15 duimen. 

Het Hoofd is fpitfer toeloopende dan dat van een Eekhoorn. 

De Ooren zyn klein en fchynen my puntig , zynde uiuvendig 
met zeer kort en fyn licht bruin hair bedekt. 

De Oogen boven dezelven ftaan twee lange flaauw brui- 
ne hairen. De Oogleden fchynen kaal. 

Voor- 



OOSTïNDISCHEN EEKHOORN. u 

Vooraan , ter weèrzyden den Bek , ftaan verfcheiden lange , zwarte 
en zeer Itevige knevel-hairen. De Neus is naakt. 

De Tanden zyn als die der Eekhoorens , boven en onder twee , 
hoog geel , de onderlten zeer lang. De Kiezen ftaan mede achter 
in den bek. 

De Voor- en Achtervoctcn zyn , vooral de laatfte , tot byna aan de 
klaauwen als in het vlieg-vel verborgen. De Voorklaauwen zyn 
viervingerig en zwart. De twee middelfte de langfte , vooral de 
derde. Die der achtervoeten zyn mede zwart en vyf in getal , vier 
derzelven zyn even lang, doch de vyfde, zynde de binnenfte, is 
veel korter , en vertoont zich alleen als een byhangende klaaiiw. 
De Nagels zyn zeer gi-oot en rcherp,van boven zwast, onder wit, 
en breed by hun grondbeginiel. De leedjes deezer klaauwen zyn 
als die der Eekhoorns. 

Het Vlieg-vel ^ 't welk zich tusfchen de voor- en achtervoeten 
uitgefpannen in onze afbeelding vertoont, is in het midden, daar 
het zich ter weèrzyden op omtrent vier duimen breedte uit- 
breid , het allerdunst , en niet dikker dan fyn Oostindisch pa-> 
pier. Hetzelve is , doch zeer dun en yl , met kastanje bruine 
hairtjes bezet. By de voor- en achtervoeten word het dikker, 
of gelyk een kusten , opgevulder ; 't welk breeder by de dyen 
en fmal naar 't einde der pooten toeloopt ; dit gedeelte is dik 
met bruine en zwarte hairen begroeid. By de de voorklaauwen 
vertoont het zich los , en als een by of overhangende lap, die 
rond en dik met hair begroeid is. De buitenlle kan het Vlieg- 
vel zyn, met een dikken boord van zwarte en giyze hairen; 
omzoomd. 

Het bovenfte gedeelte van het Hoofd , den Rug en 't grond- 
beginfel van den Staart zyn met dik en vry lang hair bezet , welks 
benedenfte deelen zwart en de toppen of uiteinden , voor een grooc 
deel , grys wit zyn. 

De ftaait-hairen zyn zwart, naar 't lyf gryzer,en zo gefchiküdat 
de ftaart zich rond vertoont. 



12 



B E S C II R Y V I N G van enz. 



De Wangen ter zyde van het hoofd zyn bruin grys. De 
keel lieht witaehtig grys , gelyk mede de borst , buik en onder 
naar den ftaart. Het Vlieg-vel heeft hier van onderen insgelyks 
maar zeer weinige gryze hairen. . . 




BESCHRYVING 

VAN EENE ZELDT^AAME 

AMERIKAANSCHE 
LANGSTAARTIGE AAP-SOORT, 

//y den Inlander gezvoonlyk genaamd QU ATTO, 
en by de Hul! anders 

BOSCH-DUIVEL, of SLINGER-AAP. 

Uit de Hollandfche Volkplanting 

S U R I N A M E N; 

bewaard wordende in het Museum 
VANZYNE- 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HE ER E PRINSE FAN ORANJE EN NASSJUPF, ERF. 

STADHOUDER, ERF-GOUVERNEUR, ERF-KAPITEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. • 

Befchreeven en uitgegeeven door • 

A. V O S M A E R, 

DireBeur der Vorstelyke Natuur- en Kimst-Kahinetten , Lid der Keizerlyke Akademie, 
en Korrespondent der Koninglyke Akademie der Weetenfchappen van Farys. 

* 

Te Amsterdam, 

ByPIETER MEIJER, 

MDCCLXVIII. 



Xa/' . T. 




NATUU.RLYKE HISTORIE . 

VA N D E N 

AMERIKAANSCHEN 
BOSCH-DUIVEL, of SLINGER-AAP, 

h^ den 'Inlander Q_^U A T T O genaamd. 

Tp\aar is tot nog toe geen Schryver, welke beter over de Die- 
-"-^ ren gefclii'eeven heeft, dan de Heer Buffon, en inzonder- 
heid over die, welken in het algemeen onder de benaaming van 
Aapen bekend zyn. Het XIV. en XV. Deel van zyne Befchry- 
vingen levert acht-en-t\vintig onderfcheiden foorten van deezc Die- 
ren op , by welken vyf-en-dertig afbeeldingen gevoegd zyn , en dus 
zeven , die hy tot noch toe als te min verfchillende acht , om die 
voor verfcheiden in ibort op te geeven. 

Die geleerde Schryver verdeelt dezelven in vjf afdeelingen. 
Zyne eerde bevat drie foorten , welken hy , met uitzondering van 
alle anderen, alleen Aapen noemt. Hier toe behoort de ^od'o, 
dien hy meent de Oraiig - Oetang der Schry veren te zyn. Deeze , 
of eigenlyk de Pongo , ( welige maar een verfcheidenheid in groot- 
te van den 'Jocko fchynt te zyn ) is zo groot als een menfch , zo 
vuLirig voor de vrouwen als voor zyne \^^fjes , een Aap die zig 
van fteenen bedient om aan te vallen , ftokken om zig te vei-wee- 
ren, en altyd op de achterfte voeten overeind gaat (^). Nog 
voegt hy hier by twee ftaartontbecrcnde , en overeind gaande foor- 
ten , namenlyk de Pithecos der Grieken , en twee verfcheidenheden 
van de lang-gcarmde Gibbons ; deezen drie zyn eigenlyk maar alleen 
de waare Aapen van den Heer Buffon (i^); doch hy brengt 

'er 

(a) Hift. Nat. Tom. XTF. p. 3. 

\b} Geen Jtaart hebbenden, bet aangezicht platachtig y op twee voeten gaanden, ld. 
P' 2. 

A 2 



4 BESCHRYVING van den 

'er nog een vierde by , de Magot genaamd , echter zo , dat dit 
dier, (dat, gelyk de voorigen, zonder ftaait is, maar daar en 
tegen op vier voeten loopt , ) als eene tusfchen - foort by deeze , 
of de volgende afdeeling , kan genomen worden. 

De tweede afdeeling , vervat drie foorten , eene verfcheiden- 
heid , en een vierde tusfchen-flachtig-foort , en hy noemt deezen 
Bahouins ( c ). 

De derde , Giienons geheeten , heeft negen foorten , waar by 
nog vier verfcheidenheden voorkomen (<^/). 

De vierde Sapajous , zyn vyf in getal , met twee verfcheiden- 
heden , of een Aveinig verfchillcnde ( ^ ). 

De vyfde en laatfle afdeeling , behelzen zes onderfcheiden foor- 
ten, Sagoins geheeten (ƒ). 

Wy hebben deeze rang-fchikking van den Heer Buffon, en 
zyne ondcrfcheidc kenmerken hier wel eens te neder willen Hel- 
len , en men ziet hier uit , dat hy eigenlyk geenen van deeze die- 
ren voor Aapen wil erkennen , dan die drie of vier foorten , hier 
boven aangehaald. „ Ik noem Aap ( zegt die Schryver) een dier 
„ zonder ftaart, van 't welk het aangezicht plat is; van 't welk de 
5, tanden , de handen , de vingers , de nagels naar die van een 
„ menfch gclyken , en die , gelyk hy , op zyn' twee voeten over- 
„ eind gaat : deeze bepaaling , genomen uit de natuur zelfs van 

„ het 

(c) Z;y hebhen een korten ftaart, langachtig 'weezen, een hreeden uitfteekenden fnuity 
zakken onder de kaaken, de bandstanden veel dikker dan de menfch, eene eeltacbtige ver- 
harding op de billen, ld. p. 5. Deezen hopen meeft op vier voeten. 

(d') Zy zyn veel kleinder, 7ninjtark, hunnen ftaart is langer ; ld. p. 9. zy hebben de 
lillen kaal, en de eeltacbtige verharding is natuiirlyk aan die deelen; z}i hebben zakken on- 
der de kaaken , daar zjj hun voedzel in bewaaren ; het middelfchot van den neus is fmal , en 
de ncusgaaten zyn om laag, of onder aan de neus, open, gelyk die vanden menfch. ld. 
p. 14. 

( c') Zy onderfcheiden zich genoeg van de anderen door hunnen , alles aangrypenden , 
ftaart, maaar mede 7.31 zicb aan alles vaft houden. ld. p. 15. De billen zyn met hair be- 
dekt; x"i; hebben geen zakken onder de kaaken. ld. p. 14. 

(f) Zy zyn meerendeels klein, de billen met bair bedekt , geen zakken onder de kaaken, 
bet middelfchot van den neus breed, de ncusgaaten zyn ter zyden open, en niet van onde- 
ren, ld. p. 14. tfc, In evenreedigbeid Ijebhen zy deii ftaart veel langer , en te gelyk ge- 
beelbairig, Jlap en regt. Tom. Xr. p. 2. ö'c. 



AMERIKAANSCHEN BOSCH-DUIVEL. 5 

„ het dier, en z>Tie overeenkomften met die van een nienfch, 
„ zondeit daar van af , gelyk men ziet , alle de dieren die ftaar- 
„ ten hebben , allen die geenen , die het aangezicht vooruitftee- 
„ kend of den fnuit lang hebben , allen , die de nagels krom , ha- 
„ kig of puntig zyn: allen, die liever op vier dan op twee voc- 
„ ten gaan C^)". Niemand kan de bepaaling, welke de Heer 
BuFFON hier geeft, op zich zelfs genomen, tegenfpreeken , maar 
even min kan de myne, welke ftraks zal volgen, wederfproken 
worden. Zodanige redeneer wj'ze kan men ftrik-redenen noemen , 
die meer misleiden dan ophelderen. Door Aap , ( kan ik met even 
veel regt zeggen ) vcrftaa ik , „ een dier van menfclielyk vernuft 
„ en fpraak ontbloot , dat echter door gebaarden , manieren , en 
„ in al zyn doen , den menfch als fchynt naar te aapcn , en in fom- 
„ migen zyner leedemaaten meer of min gelykt ". Men kan my 
tegenwerpen, dat de Heer Buffon, door zyne bepaaling, alleen 
zyne weezenlyke Aapen van de overigen afzondert; maar dat is 
het daar ik weezen wil De Heer Buffon berifpt den beroem- 
den Heer Linnéus gcduurig wegens zyne bepaalingen, ondcr- 
fcheidingen der geflachten, naam- veranderingen enz., en zegt, dat 
men de eigenfchappclyke naamen moet bewaaren , zonder ( dan 
daar dezelven ontbrceken ) tot nieuwe benaamingen over te gaan. 
Het verwondert my deezen Natuurkundigen dus te hooren redenee- 
ren ; want waarom moet dan het grootfte gedeelte van een gellacht 
van dieren, zo bekend als de Aapen , zyn alom bekende en al- 
oude naam ontnomen worden ? Zal niet elk , men neeme de 
verfchillendfte foort die men ook wil , uit de onderfcheiden Fami- 
liën der Babouins , Guenons , Sapajous en Sagoins , ( aan welken 
de Heer Buffon den naam van Aap weigcrd , ) zal niet elk , zeg 
ik, welke foort van deeze Familiën men hem onder het oog zal 
willen brengen , aanllonds zeggen , dat het een Aap is ? Ik voor 
my vinde my dan gedwongen hier in verfchillend te handelen : 

Ik 

(g) Tom.XIF.p.2. 



6 B E S C H RY VING van den 

Ik noem Aap al wat zig met myne bepaaling ftrookt, en heet de 
drie eerfte regt op gaande Aapen van de Heer Buffon , ftaartönt- 
breekende Aapen , of, zo men wil , Menfchelyke Aap - foorten : 
dus blyft men by de bekende benaaming , en dus onderfcheid men 
echter die drie verwonderende weezens , welken de hoogmoedige 
gedachten , die de menfch van zich zelven heeft , geene geringe 
paaien fcellcn. 

Het voorwerp van deeze verhandeling behoort tot de Sapajous 
van den Heer Buffon , en is de Coaita van dien geleerden Schry- 
vcr (Z'), welken hy te gelyk befchryft met den Exquima van 
Marcgraaf , in meening zynde , ( 't geen wy echter niet toellem- 
men,) dat beiden deezen maar verfcheidenheden van ééne foort 
zyn. De Heer Linnéus heeft die , in zyn voorig Syftema , als 
de zevende foort , onder de benaaming van Pamfcus ( O ? ^" "'■^ * 
in zyn laatft vernieuwd Syftema , onder dien zelfden naam , als de 
veertiende geplaatfl (X:). Brisson noemt hem Belzehuth (/), 
en verfcheiden andere Schry vers fpreeken 'er van onder verfchillen- 
de benaamingen , waar van flraks nader. 

Niemand heeft echter deezen Aap door eene goede afbeelding 
getragt op te helderen, dan de Heer Buffon : doch wanneer men 
het dier met die afbeelding vergelykt , zal men rafch bemerken ,. 
dat het zelve, door den tekenaar, over het geheel wat te mager, 
het aangezicht te veel vooruitfteekende , en de fmoel te lang ver- 
beeld is. Barrere (w) noemd het daarom, in teegenftelling , 
zeer wel , als hy zegt , het aangezicht naar den menfch gelykende ; 
want het weezen is in deeze foort veel platter als dat der Bahoii'ms. 
en Gtienons. Het is dan niet alleen om deeze reeden, dat wy dit 
hier zeldzaam voorkomende fchepzel op nieuw uitgeeven, maar 

te 

(b') Tom. Xr. p. i(f. 
C i ) Edit. X. p.26. . • 

(k) Edit. XII. p. 27- 
( l ) Reg Jnim. p. 211. 

(m) Hijt. Nat. de la France Equin. p. ijo. Cercopithecus major niger, faciem. 
tiunianam referens. 



AMERIKAANSCHEN BOSCH-DUIVEL. j 

te geïyk ter verdere voldoening van het ons voorgeftelde plan, by 
het welk wy ook de ontbreekende gekoleurde afbeeldingen be- 
loofd hebben. • 

De geboorte-plaats van deeze Aap-foort is Surinamen. De Heer 
BuFFON noemt hem Coaita of Qjioata , zeggende dat het dier dus 
in Guiana genaamd word, en Chameck in Peru. Li onze Volk- 
planting noemt het de inlander Qitatto («), of, zo als ik met 
Barrere , liever zoude gelooven , Qjioata , welke naam door ons 
Volk in eene kleine verbaftering zal zyn gebracht , en uit welken 
Qtmtto of Qiiotoes , QjMta enz. , zal gebooren zyn. By de Hol- 
landers word dit dier Slinger- Aap geheeten; eene benanming, wel- 
ke de kennelyke eigenfchap van het zelvcn volmaakt wel uitdrukt. 
Anderen weerom, min gelukkig om eene kennelyke eigenfchap in 
den naam te mengen, noemen het Bofch- Duivel, waarfchynlyk 
wegens zyne zwarte koleur , by welken het rofch of roodachtige 
weezen aanmerkelyk aflteekt. 

Het grootfte kenmerk van deeze Aapen is het geheel ont- 
breekcn van den duim aan de voorvoeten , welken alleen maar in 
vier vingers verdeeld zyn; daar in tegendeel alle de overige Sapa- 
jous van den Heer Buffon , gelyk de andere Aap-foorten , vyf vin- 
gers aan alle de voeten hebben. Hunne tweede eigenfchap , (waar 
in alle de Sapajous min of meer overeenkomen ) beftaat in hunnen 
alles aangi-ypenden ftaart , waar mede zy , gelyk de Eleflint met 
zyn fnuit, alles konnen aanvatten, het geen voor al aan dit foort, 
byzonder eigen is. Eenige jaai'en geleeden zag ik deezen Aap 
voor den eerftenmaal te Amfterdam , in de Diergaarde van den 
Heer Bergmeyer. Hy was met een ketting en ring vallgemaakt 
aan een lang gefpannen koord , en wift zyn flaart om dat 

koord 

(n) Quotto. VAN BerkEl, Ammkaanfcbe Voyagwi, Amji. 1655. 4;o. QuotoesJ 
Bejchryving van de J'''olkplantinge Suriname. Leeuwaarden 1718. 4ïo. Quotoes. Pis- 
TORius Befchryvinge "van de Colonie van Suriname. Amjl. 1763. 4C0. Quata, en Negre 
Anglois i zegt. Mr. Fermin , HijU Nat. de la Hollands Equinoxiale. Amjl. 1 765» 
O&avo. 



8 BESCHRYVING van den 

koord zo valt te flaan , dat hy , zonder zich verder vaft te hou- 
den , daar aan hing , allerleië grimasfen maakte en verwonderlyk 
flingerde. Wanneer men hem den ftaart om de hand liet flaan , 
kneep hy daar zo vaft mede dat het zeer deedt. 

De natuiirlyke gciiartheid van deeze foort is in zich zelve niet 
kwaadaartig; echter fpeelen zy nu en dm den valfch-aait, voor- 
namenlylv wanneer zy wat te veel naar hunnen zin geplaagd wor- 
den. Hun voedzel is overëenkomftig met dat van andere Aapen , 
dat is, byna alles wat hun voorkomt, doch vruchten is hunne 
gewoonlykfle en gelieffte fpyze. Men verzekert dat zy Vifch in 
het waater weeten te vangen met hunnen ftaart. Dam pier en 
Wa f e r , (de Reizen van welken laatften achter die van den eerft- 
genoemden gedrukt zyn ) zyn de voomaamfte Reizigers , welken 
van deeze Aap - foorten gewag maken , en 't geen zy daar van 
verhaalen verdiend , ( in navolging van de Heer Buffon ) hier 
ter neêrgefteld te worden. 

„ De Meerkatten in die geweften ( Series Eiland in de Baay 
van Campéche ) zyn de leelykften , die ik ooit gezien heb , zy 
zyn veel grooter dan een haas , en hebben groote ftaarten , van 
omtrcnd derde half voet lang. De binnenfte zyde van hunne 
ftaarten is kaal , met een bruin hard vel ; maar de bovenfte zy- 
de is met gi'of , lang , zwart , en fteil hair bedekt. Deeze die- 
ren houden zich in een troep van 20 of 30 byëen , en loo- 
pen door 't Bofch , fpringenden van den eenen boom op den 
anderen. Indien zy één perfoon alleen ontmoeten , dreigen zy 
hem te verflinden , zulks dat ik , alleen zynde , niet op hun 
durfde fchieten, inzonderheid in 't eerft als zy my tegenkwa- 
men met een grooten troep , Ipringendcn van den eenen boom 
op den anderen , over myn hoofd heen , en makenden een ys- 
lyk getier en geraas , behalven dat zy zeer leelyk grynsden, 
en vreemde kuuren aanrechteden. Sommigen braaken doiTc tak- 
jes af, gooiden 'er mee naar my , en wierpen my met hun- 
ne vuiligheid naar 't hoofd ; eindelyk kwam 'er een heel groote, 

., op 



J> 



AMERIKAANSCHEN BOSCH-DUIVEL. 9 

op een iiitfteekenden tak , boven myn hoofd , en , nanr my toe- 
„ Ipringende , deedt my te rug treeden ; doch hy floeg zyn ftaart 
„ om den tak , en llingerde toen heen en weer , grynfende my 
„ toe. ... De ftaarten deezer Meerkatten zyn hun zo goed 
„ als een hand, en zy konnen 'er immer zo vaft mede houden. 
5, Als wy met ons tweên, of meer, t' zamen waren, dan liepen 
„ zy voor ons weg. De wyfjes , met haare jongen belaaden , heb- 
„ ben veel werk om de mannetjes na te fpringen , want gemeen- 
„ lyk hebben zy 'er twee, waar van zy 't een onder den arm 
„ draagen , en 't ander zit haar op den rug , en flaat zyn voorite 
5, pooten om haaren hals ( ) ". 

Wafer, in zyne befchryving der Landengte van Amerika, 

fpreekt 'er dus van. „ Daar zyn ook groote meenigten van Meer- 

„ katten , fommigen wit , maar meefl zwart ; eenigen hebben baar- 

,', den , en anderen zyn baardeloos : zy zyn middelflag van groot- 

5, te , maar ongemeen vet in het droog faizoen , als de vruchten 

„ r>'p zyn : hun vleefch is goed , en wy aaten 't zeer veel. De 

„ Indiaanen waaren in 't eerft fchuuw om 'er van te eeten , maar 

5, zy lieten 'er zich haafl: toe beweegen, ziende dat wy 'er zo 

„ fmakelyk van aaten. In het rcegen-iaizoen hebben zy dikwils 

„ wormen in hun ingewand : 't is gebeuit , dat ik een hand vol 

„ kreeg uit een Meerkat die wy openfneeden , en zommigen van 

j, dezelven waren 7 of 8 voet ( duim denk ik dat het zal moeten 

„ z>ii) lang. Deeze Meerkatten zyn zeer potsachtig, en rech- 

„ ten veele kuuren aan als men door de Bosfchen gaat, fprin- 

„ genden van den eenen tak op den anderen met de jongen op 

„ hunnen rug ; zy grynsden ons leelyk toe , en piften ons , als 

„ zy 'er gelegenheid toe hadden , op 't hoofd. Wanneer zy 

„ van den eenen boom op den anderen willen , en dat de takken 

„ wat te verre van een zyn om ze te befpringen, zullen zy fom- 

„ tyds aan elkanders ftaarten hangen als een ketting , en zwaai- 

„ jen 

(o ) Dampiers Reizen. II. Deel, p. 157. 

B 



it> , B E S C H R Y V I N G van den 

„ ien of ningeren alzo heen en vv^eêr , zo lang tot dat de laatfte 
„ een tak grypt, en dan de anderen optrekt (^). Op het Ei- 
„ land Gorgonia (zegt hy verder) zag ik veele Meerkatten, 
„ die ten deele van OeUcrs leefden , v/elken zy , by laag water , 
„ uit zee haaiden. Om 'er den vifeh uit te krj'gen , leiden zy 
„ den Oefter op een flecn , en namen dan een anderen fteen, 
„ waar mede zy zo lang op den fehelp klopten , tot dat hy 
„ brak ( ^/ ) ". 

RussEL (r), en d'Acosta (.O-- beveftigen ook in hunne 
Reizen 't geen wy hier hebben aangehaald. Doch het is opmer- 
kclyk 't geen Wafer zegt , dat 'er witten en zelfs gebaarden onder 
deeze Slinger-Aapen zyn. 

Het Ichynt ons ook toe, dat de Exquium van Marcgpuaf (/) 
de foort is , welke de Heer Linnéus voor de Diana opgeeft : en 
wy kunnen den Heer Buffon verzekeren , dat de Diana geen aan- 
grypenden ftaart heeft , vermits v/y die leevende gezien hebben. 
De Exquima dient dus van de Qiiatto of Coaita onderfcheiden te 
zyn, en wy hoopen by vervolg ook de Diana door eene betere 
afbeelding , als tot noch toe van dezelve gegeevcn is , op te hel- 
deren. 

De Qjiatto van deeze befchryving is uit Surinamen overgebracht , 
€n , na eenigen tyd in de alömbekende Diergaarde van den Heer 
Bergmeyer geweeft te zyn , aldaar geftorven. Daar na is hy, 
volmaakt wel opgezet , by verkooping van eene byzondere ver- 
zameling , en tot zeer hoogen piys , door my , voor het Vorfte- 
l3"k Mufeum, gekogt, alwaar dezelve thans bewaard word. 

(?) U^fers Reizen, achter Dampier. p. 45. 

Cq) ld. p. 157. 

(r) lUjtory of Javmica. Cbap. V. 

\i) Hjl-ire Nuturelk des Indes. p. 200. 

( t) }i:Jl. Nut. Brafil. p. 227. 



BESCHRY 



AMERIKAANSCHEN BOSCH-DUIVEL, ir 

BESCHRYVING 

VA N DEN 
AMERIKAANSCHEN 

BOSCH-DUIVEL, of SLINGER-AAP, 

o Ü J f T Ó genaamd. 
Tah. V. 

De grootte van deezen Aap komt na genoeg overeen met dié 
van den Heer Buffon. By een zeer wel opgezetten, wel- 
ken ik thans voor my hebbe , vind' ik de grootheid van het lyf 
I / Rhynlandfchc duimen ; namenlyk , van den top des hoofds tot 
het begin van den ftaart; de ftaart zelfs is a voeten. 

Het aangezicht, 't geen van een ligt-roode koleiir is, ïs ge- 
heel naakt; hier en daar vertoont zich maar alleen een redelyk 
lang hair. De ooren zyn ook naakt, en gelyken volmaakt naar 
die van een menfch. Ter zyden van het hoofd, voor de ooren, 
vertoont zich een fmal ftreekje hair. De bovenfle lip heeft me- 
de eenige hairtjes , doch de onderde heeft 'er meer. Het geheele 
weezen of aangezicht is meerder plat dan uitfteekende , voornamen- 
lyk voor by de oogen. Dat deel , 't welk men den fniiit noemd , 
vind' ik , in dit voorweip , voor al niet meer dan een duim ver- 
der dan de oogen vooruit te fteeken. De kolcur der oogen is 
my niet zeker bekend, doch zy zyn in evenredigheid van het 
hoofd , 't geen klein is , vry groot. De oogleeden hebben geene 
wenkbraawen. Het voorhoofd verheft zich naar om hoog , en 
daar groeit het hair tusfchen de oogen, nederwaards in een punt 

B 2 ■ uit- 



ia B E S C H R Y V I N G van den enz. • 

iiitloopcnde. De neus is rcdclyk breed , en loopt met den ge- 
heelen Ihuit in een fchuinfehen nederdalenden lyn , zo dnt dee- 
ze deelen min iiitftekende zyn dan de Heer Buffon die verbeeld. 
De neus is platachtig en lang , en de ncusgaaten zyn , niet van 
vooren , maar ter zyden oopen. De voor tanden zyn boven en 
onder vier , behalvcn de wederzydfche hoek tanden , die , voor- 
al de bovenden , puntiger en de helft langer dan de anderen uit- 
ftceken. Dccze foort van Aapen heeft geen zaldvcn onder de kaa- 
ken, daar zy hunne fp>'s in kunnen verbergen. 

De voorvoeten hebben in dceze foort maar vier vingeren, zo dat 
de duirn hier geheel ontbreekt. De leden der vingers zyn zeer 
lang, de nagels git- zwart, ter zyde neêrgeboogcn en van voren 
rond. De achter- voeten hebben vyf vingers , de nagels zyn me- 
de zwart , die van de duimen alleen zyn plat , doch die van den 
derden vinger , naaft den pink ftaande , fteekt met een punt naar 
omhoog , en vertoont zich dus als driehoekig. Met zwarte hair 
loopt tot byna op de vingers , welken alleen kaal zyn , en git- 
zwart vel hebben. 

De ftaart is aan zyn gfondbeginzel vry dik, dicht met zwart' 
hair begroeid , en in een dun fbomp punt uitloopende , dat 
nan de ondcrile zyde kaal is , en zich aldaar ook als eene fleuf 
vertoond. Pvlet dit einde van den flaart houdt hy zich aan alles 
vaft , daar aan hangt en flingert hy zich , en hier van bediend hy 
zich ook dilavyls , gelyk de Elcflint vnn zynen fnuit , om alles aan 
te vatten , en naar zich toe te brengen. 

De koleur van het hair is over het geheele Dier git - zwart en 
redelyk lang. Dit Dier fch^Tit ook op verre na zo rank en ma- 
ger niet geweeft te zyn als het door den Heer Buffon verbeeld 
word. In het loopen maakt het gebruik van alle vier de voeten. 
De achterfte deelen z>n niet naakt , gelyk in de Baviaanen , maar 
H]et hair begroeid. 

EINDE. 



BESCHRYVÏNG 

VAN EEN TOT NU TOE ONBEKENDE 

VYFVINGERIGE 

LUIAARD-SOORT, 

IN BENGAALEN vallende, 

en van daar levendig overgebragt in de Diergaarde 

VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINS E FJN ORANJE EN NASSAUfT, ERF. 

STADHOUDER, ERF-GOUFERNEUR, ERFKAPITEIN 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER FEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

Dire^eur der Forstelyke Natuur- en Kunst-Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie y 

in Korrespondent der Koninglyke Akademie der TFeetenfchappen van Parys, 

Lid van het Zeeuw/de Cenootfchap der IFeetenfchappen van Flijfingen. 






Te Amsterdam, 

ByPIETER MEIJER, 

M D C C L X X, 



r,/. rr. 




NATUURLYKE HISTORIE 

VAN DEN 

VYFVIN'GERIGEN BENGAALSCHEN 

L U I A A R D. 

DE Luiaard, welken de Heer de Buffon (o) een inwooner fbeld, 
allecnlyk eigen aan de Nieuwe Waereld , is een zo verwonde- 
rens-waerdig fchepfel , wegens zyne (3ngeloofIyke traagheid , dat hy 
-de oplettenheid van alle zyne befehouwers heeft naar zich getrok- 
ken. Behalven de betrachting der wj^ze, op welke dit Dier ('t 
geen , zo het zeggen waar is , in eenen dag geen vyftig fchreden by 
zyne fnehle beweeging vordert ) tot Noach in de Arke gekomen 
zy, indien men den Zondvloed algemeen over de geheele Aarde 
ftellc , zo verwekt de gedaante , het naar geluid en de geduurige 
fiaaperigheid , beurtelings , eenen natuurlyken afkeer en medely- 
den , wegens den oogfchynlyken ongelukkigen ftaat , waar in wy dit 
fchepfel befchouwen. Maar laaten wy deezen , by het eerlle 
voorkomen , zo ongelukkigen ftaat , waar van de Heer de Buf- 
fon by dit Dier zo veel opgeeft , eens overweegen : dikwils be- 
driegen onze eerfte denkbeelden ons, in de uiterlyke befchouwing 
van den fcaat der natuurlyke weezens , in opzicht der betrekkin- 
gen, die zy tot dé geheele Natuur, of tot zich zelve, hebben. On- 
eindige maaien heb ik my hier in, door naauwkeuriger onderzoek, 
bedroogen gevonden , en die naauwkeuriger onderzoekingen , my tot 
algemeeneren hooger denkbeelden opleidende, overtuigden my, dat 
elk weezen , of tot zich zelve , of tot het geheel , zeer goed ivas. 
My, in de kennis der Natuure tot gecnen wetgeever,' veel min 
verbeteraar dier Konftgewrochten , willende opwerpen (want be- 
risping veronderfteld kennis van verbetering) zo betuig ik , inte- 

gen- 

(a) Hifloire Naturelle ^c. Tom. XIII. pag. 3;. 

A 2 



4 BESCIIRYVING van den 

gcndcel de verfchrikkclyke diende, door den Heer deBuffon (J/) 
ïiiin die fcheplel toegefchreeven , in een geheel verfchillend licht 
te befchouwen. Het fchoonfte Tafereel , 't geen de Schilderkunde 
kan voortbrengen, zoude, zonder fchaduwcn , dlepfels en an- 
dere eigenfchappen der Kunfl , eene flegte vertooning maalden. 
Even dus is het met de Natuur geleegen. De groote Werk- 
mcefter, alles met eene ondoorgrondelyke wysheid gefchikt heb- 
bende, heeft niet gewild, dat alle Schepfelcn met gelykc fchoon- 
heid van leeft , en van koleuren zouden pronken ; met even veel 
vernuft, fterkte, zachte of wreede geaartheid, traag en vaar- 
digheid , zouden begaafd zyn. Men vergelykc den fchooncn Paau w 
met den onaanzienlyken Dodo : den Aap , het Paard , het Schaap , 
den Tyger den Luiaard en Eekhoorn. Doorloop Leczer alle de 
geflachten der Dieren in het algemeen , en daal met uwe befpiege- 

in- 

C J) Van den Luiaard fpreekcnde zegt de Heer de Büffon: „ C'efi: moins pareflc 
,, que raifèrc, c'eft défaut, c'eft Jcnuement, c'eft vice dans Ia conformation : point 
„ de deots incifives ni canines, les yeux obfcurs & couverts , la machoire aufli lour- 
,j de qu'épaifTe, Ie poil plac & fcmblable a de Therbe féchée, les cuifTes mal emboi- 
„ técs & presque hors des hanches» les jambes trop courtes, mal tournees, & enco^ 
„ re plus mal terminées: point d'affiette de pied, point de pouces, point de doigts 
,, féparémenc mobiles; mais deux ou trois ongles excefTivcment longs , recourbes en 
„ delTou, qui ne pcuvcnt fe mouvoir qu'enfemble & nuiflent plus a marcher qu'ils nc 
,, fervent a grimper; la lenteur, la ftupidité, l'abandon de fon être , & méme la 
^, doulcur habituelle , rcfultans de cette conformation bizarre & négligée ; point d'ar- 
j, mes pour attaquer ou fe défendre; nul moycn de fécurité, pas méme en grattant Ia 
„ terrei nulle relTource de falut dans la fuite: confinés, je ne dis pas au pays, mais 
„ a la motte de terre , h l'arbre fous leque! ils font nés ,• prifonniers au milieu de 
,, l'efpace j ne pouvant parcourir qu'une toifc en une heurej grimpant avec peine, fe 
„ traïnant avec douleur, une voix plaintive & par acccns entrecoupcs qu'ils n'ofent 
„ élever que la nuit; tout annonce leur mifcre, tout nous rappellc ces monflres pap 
,, défaut, ces ébauches imparfaites mille fois projetées, exccutées par la Nature, 
, qui ayantè peine la facultéd'exifl;er,n'ont dü fubfiftcr qu'un temps,&ont été depuis 
,, effacées de Ia lifte des êtres ; & en effet, fi les terres qu'liabitent & l'unau & 
„ l'aï n'étoient pas des déferts ; fi les hommes & les animaux puifTans s'y fuITenc 
„ anciennement multipliés, ces efpèces ne feroient pas parvenucs jujqu'è nous, elles- 
,, euflent été détiuites par les autres , comme elles Ie feiont un jour. Tom. XIIL. 
„ pag. 38. &LC. 



VYFVINGERIGEN BENGAALSCHEN LUIAARD. 5 

lingen van die verfchrikkelyke Ichcpfelen , den Krak , den Wal- 
vifch en Eleflint, tot op de kleine Water -Vloo, het Radcrdicrt- 
je, en andere kleine fchepfelen, die voor het ongewapend oog 
onzigtbaar zyn en zig naauwlyks , door het meeft vergrootende 
vergrootglas , doen befchouwen. Gaa dan verder , doorlees het 
groote Boek der Natuiirc, in de werken der Scheppinge, lettende 
op den aart , eigenfchappen en huishouding der fchepfelen : wel- 
ke fchoone Tafereelen zullen zich voor het oog opdoen! Daar 
zal men zien , dat de verachte Mol , ccne eeuwige duifternis 
bewoonende, gelukkig leeft. Dat een Dier, gelyk de Luiaard, 
om zo te fpreeken , alleen gefchikt om by nacht te Iceven , alleen 
tot een bewooner van het geboomte gcfteld, zelfs, op de tak- 
ken flaapendc, en, volgens den Heer de Buffon, ook alleen 
van Boombladen en vruchten leevende, overeenkomflig naar zyne 
levenswyze gevormd en gefchikt is. 

Ik beken , ten opzicht van het Tafereel der geheele Natuurc 
fchynt dit Dier eene fombre fchaduw, een zwart diepfel, en als 
gefchikt om de andere voorwerpen te heerlyker te doen afftccken. 
Maar dit Dier op zich zelve befchouwd , zyne Natuur overwoo- 
gen, waar toe zoude hem de gezwinde beweeging dienen? zoude 
deeze hem in het donkere , op de takken der boomcn vooitkrui- 
pende, niet aan ongelukken blootftellen? by alle zyne traagheid is 
het bekend , dat hy eene ongelooflyke kracht in zjne klaauwcn 
bezit (O; tleze is hem noodig; gelyk mede de gedaante zjiier wan- 
ftaltige achtervoeten , om zich in het donker , en flaapende , aaii 
de Boomtakken vaft te houden, en om van den ecnen Boom op 
den anderen te klimmen. Geheel venverpelyk komt ons het ver- 
haal van den Heer de Buffon voor, dat deze Dieren te traag 

zyn 

(c) Geloofwaardige perfooncn hebben my, omtrent den WeflindiTchcn Lukiard, 
verzekerd , de kracht in deszelfs klaauwcn zo (Icrk te zyn, dat, ingcvaile men hem 
eenen Oodindifchen Rotting in de klaauwen vaft Iaat houden, hy die langzaamcïJxaad 
zo fterk toeknypt, dat, de Rotting daar door vaneen fplyt. 

A 3 



6 BESCHRYVING van den 

zyn zonden om nederwaards te klimmen , dat zy zich ten dien 
einde , gelyk een blok , uit den Boom laaten nedervallcn (^). 
Niet minder moeit my, dat zulk een Natuurkenner , als de Heer 
DE BuFFON, voor de vernietiging van een geHacht van Dieren, 
als dit , bezorgd is , daar het zelve zich , reeds zoo veele eeu- 
wen in zynen gewaanden ellendigen flaat bewaard heeft. Eenige 
Schepiels mogen, wegens hunnen fchaadelyken aart, hier of daar 
verminderd ja byna uitgeroeid worden ; dan voor de geheele ver- 
nietiging toont de bezorgde Natuur alom genoegzame zorge te 
draagen. 

De Heer de Buffon vergift zich groflyk, met te zeggen (r) 
dat deze Dieren geene tanden hebben. Men behoeft flegts weinige 
bladeren in zyn eigen werk om te flaan, en de naauwkeurige ont- 
leedkundige befchryving van den Heer Daubenton (ƒ) in te 

zien , 

C<0 Hoc we! kan men hier de welgepafte waarfchouwing van den Heer de Pl'ffon 
ter neder Itcllen. ,, Comme endoftriner des Ecolicrs, ou parier k des Hommes ^ 
, font deux chofcs difFérentes; que les premiers rcgoivent fans examen &; mêmc avec 
, avidité 1'arbitraire comme Ie réel, Ie faux comme Ie vrai, des qu'il leur eft préfen- 
, té fous la forme de documens; que les autres au contraire rcjettent avec dégoöt 
, ces méincs documcns , lorsqu'ils ne font pas fondés ; Hijt. Nat. Tom. XIF. 

(e) „ Po-nt de dcnts inciflves ni canines. Tom. XIII. pag. 3S. idem, faute de 
, dcnts, ces pauvres animaux ne pcuvent ni faifir une proie , ni fe nourrir dechair, 
, ni mêmc brouter l'herbc ; réduits è vivre de fcuilles & de fruits fauvages , pag. 41. 
, & ibidem. d'Aiilcurs Ie parefleux & Ie latou font les feuls parmi les quadrupèdes, 
, qui n'ayant ni dcnts incifives ni dents canines, ont feuleracnt des dents mollaires 
, cylindriqucs &c. Tom. IX. pag. yo. 

(ƒ ) „ L'extrcmité de la machoire fupérieure efl grofle, principalement fur les có- 

, tés qui font renflés par les dents canines ; Tom. XIII. pag. 56. Idem. L'unau n'a 

, point de dents incifives dans la machoire du deffus, ni dans cclle du delTou ; mais 

, il y a dans les deux machoires des denrs canines & des machelières , une canine & qua- 

, tre macheüères dechaquecócéde la machoire fupérieure, une canine &troismache- 

, lièrcs de chaque cótéde l'inférieure, cequi ne fait en toutque dix-huic dents. Pag. 57. 

En wat verder zegt de Heer Dalirenton in zyne befchryving van den VA; o? drie voor- 

vingerigi-n Luiaard (want wy hebben daar zo even van de VUnau of twee voorvin- 

gerige gefproken). „ Le nombrc des dents étoit Ie mémcdans Ie fquelette d'ai' & 

,, d:ins Ie fquel:'tte d'unau que j'ai vus; les dents de la machoire du deiïous parois- 

„ foicnt relTemblantes pour la figure (Sela fuuation, mais les deux premières de Ia 

„ ma- 



VYFVINGERIGEN BENGAALSCHEN LUIAARD. 7 

zien , en men zal zich , gelyk zulks wezendlyk is , van hoc tegen- 
deel overtuigd x'inden. Het was my bewuft , dat deze Dieren geen- 
zins tandeloos waaren , hoewel de fnytanden hen ontbreeken , 't 
geen in meer andere foorten , en die echter vinnig byten , gevon- 
den wordt. Deeze dwaaling dan met den Heer Daubenton 
herfteld hebbende ; welke niet alleen de tanden , maar ook de kie- 
zen , in beide verfchillende foorten van Luiaards , naauwkeurig be- 
fchryft ; zo geeven wy te gelyk in overweeging , of deeze Dieren 
wel alleen van bladen en vruchten leeven ? Dan wy zullen nog 
nadere gelegenheid hebben om ons hier over verder in te laaten. 

Volgens den Heer de Buffon zyn 'er flegts twee foortcn van 
Luiaards bekend , waar van die geleerde Schryver aan de eerde den 
naame geeft van Uunaii , zynde die by ons geheeten de tivee voor- 
vingerige ongeftaartte Luiaard. Den anderen, L'^:// genaamd , noe- 
men w^y, de kortftaartige drie voorvingerige Luiaard. 

Beide deeze foorten Held de gemelde Schryver als bewooners 
van de nieuwe Waereld , gelyk zy 't ook inderdaad zyn , doch hy 
ontkent te gelyker tyd dat het Dier, 't welk men met recht een 
Luiaard noemt , in de oude Waereld te vinden zy. M^y hebben in 
eene voorgaande Befchr\ving (£) reeds aangeweezen de dwaalingen, 
waaraan de denkbeeldige {tellingen onderhevig zyn , door aan te 
toonen dat de Beurs -Rot, tegen het gevoelen van den Heer de 
B u F F o N , zo wel in Afie als in America gevonden worde ; als 
mede, dat de Mier-ceter een inboorling is, zo wel van Africa als 
van America: Het zelfde verfchil zal hier weer plaats vinden, 

daar 

^ machoire du deiTus étoient placces a proportion plu'? prés Tune de Faun-c dans l'ai 
„ que dans l'unau , & fembloient avoir plus de rapport ^ des incifives qu'a des ca- 
j, nines; elles étoienc tres petices, tandisque les canines du deObus étoienc beaucoHp 
j, plus grandes; ia première dei machelières du deffus fe trouvoit piacéc plus en 
j, avant que dans l'unau , les machelières de l'aï au lieu d'être pointues , comme celles 
j, de l'unau, étoienc terminées par une face concave 'Page6\. iS Ö5. 

(g) Befchryving Tan den Ooftindifchen groocen en langftaarcigen vliegenden: 
Eekhoorn, 



8 BESCHRYVING vanden 

daar wy thans met die van Seda ccnen vierden Luiaard in het licht 
zullen ftellen , die zyne woonftede in Afie houdt. De gevolg- 
treklcingcn (waar van de Heer de Buffon zich zo dikwyls bedient, ) 
op gronden van ondeiTinding fteunende , ik beken het , zyn dik- 
wyls noodzaaklyk en van nut, in gevallen daar men niet anders 
kan ; doch men moet eenen grondflag van waarheid voor zich 
hebben daar men op bouwt; dit niet hebbende, mag men zyne 
gedachten voor naby aan de waarheid komende gisfingen , maar 
voor gcene zekere waarheden, opgeeven. 

F. Vale NT YN (/;) is de eerfte geweeft, die, m>Tis wec- 
tens , reeds gezegd heeft , dat de Luiaard in de oude Waereld gevon- 
den worde. De oppervlakkige kennis van dien Schryver in ver- 
fchcide deelen der Natuurlyke Hiftorie is bekend ; doch men moet 
daar om niet alles verwerpen , terwyl men zeker weet, dat hy 
ook goeds heeft , 't welk wy in onze voorige fchriften reeds 
hebben aangetoond. 

A. Se BA (/) geeft onder anderen twee Ceilonfche Luiaards, 
de IS^oeder en haar Jong , welke uit de afbeeldingc blyken , de 
Viinau te zyn, die de Heer de Buffon wil, dat alleen in de nieu- 
we Waereld woonen zou. De volwasfene, de Moeder dier twee (Jï) 
heb ik zelfs op de verkooping van het Kabinet van Se ba zeer 
duur gekogt, gelyk die ook nog in de Vorftelyke Verzameling 
bewaard wordt ; en men moet bekennen , dat 'er weinig verfchil in 
deeze, die hy voor Ceylonfche te boek fteld, en die van America, 
te vinden is : Het hoofd alleen fchynt my wat ronder, en naar den 
neus wat voller , dat is , min ingeboogen , dan de Americaanfche. 
Ik beken , 't is verwonderens-waerdig , twee Dieren , van zo ver- 

• fchillende 

CZ?) 5, Men hcefc veelerlcy dieren, ztgt F'alentyn, zo wilde als tamme op dit 
„ Eyland", die hy opnoemt, en daar onder den Luiaard. En wat verder, die 
dieren nader opnoemende, zegt hy : „ De Luiaard valt hier mede". Befchr. 
van Oud en Nieuw Ooftindien, Vde Deel, en daarin Befchr. van Ceylon, pag. 53. 

(i) Thcfaurcis Tom. I. Tab. XXXIII. Jig. IF. & Tab. XXXIK 

(k) Idem. Tab. XXXIF. 



VYFVINGERIGEN BENGAALSCHEN LUIAAPvD. 9 

fchillendc Geweften , nis Afie en America, zo overecnkomflig 
Ce zien ; maar wy hebben zulks hier boven en te vooren reeds 
met alle mogeljke zekerheid in de Beurs -Rot en den INlier-ecrer 
aangeweezen. Hier tegen in te brengen , gelyk de Heer de 
B u F F o N fchynt te willen doen , dat deeze Luiaard uit America 
naar Afie konde gebragt zj'n, is al te ongeloof baai* : onze Eu- 
ropcers , in die geweften , hebben te veel verfchillende bezighe- 
den en oogmerken, dan dat zy zich met de Natuur- Hiftorie, of 
het laaten overbrengen van voor hun nuttelooze Dieren, zouden be- 
moeijen. Elk weet het antwoord , het geen een bcoeffenaar der Na- 
tuurlyke Hiftorie van zynen Vriend uit de Indien ontfing , dien hy 
om de overzending van ecnige bloedelooze Diertjes verzocht had, 
„ Ik ben hier niet gekomen om Vliegen te vangen , fchreef hy hem te 
rug : Luiaards zyn weinig in ftaat om in de Indien fortuin te maaken. 
Voorheen, ik beken het, heb ik in mync befchryving der Ratel- 
iliinge den Heer S e b a in een zelfde geval twj'felende tegengefpro- 
ken ; doch niet meer als twyfelende en waarom ? om dat ik geene 
reizigers vond , die my in hunne befchry vingen verzekerden , 
dat die Slang in de Oofl-Indiën gevonden wordt. Hier in tegen- 
deel , zegt Va L E N T y N , de Luiaard valt in Ooft-Indiën , en S e- 
B A zegt, dat hy die uit Ceylon ontfmgen heeft en dus beruft, in 
dit geval , de zaak op twee getuigen. 

Van deeze uitweidingen , die wy , ter aanfpooringe tot meer- 
der onderzoek op de verfchillende Luiaard - loorten , noodig geacht 
hebben , afTtappende, keeren wy ons dan eindelyk tot het wezendlyke 
ondenverp deezcr befchryving. Aan de nadere ontdekking van den 
tyd overlaatende , of die zo na aan de Wefc-Indifche komende Luiaard 
van den Heer S e b a ook wezendlyk in Ceylon gevonden worde. 

Het Dier, 't welk wy hier voorneemen te befchry ven, is, voor 
zo ver ik heb kunnen nagaan , nog nooit bef chreeven. Het fchynt 
een tusfchen - foort te maaken (de uiterlyke gedaante alleen in 
aanmerking genomen ) tusfchen de gemeene bekende Weft-Indifche 
Luiaards , waar van wy hier boven omftandig gefprokcn hebben , 

B en 



ïo BESCHRYVINGvANDEN 

en die zonderlinge Dieren, welken de Heer Seba ook Ceylonfche 
tengere Liiiaards memd (^l') , doch waaraan de Heer de Buffon 
den naam van Loris geeft ( m ). In den eerften opfiag van het 
oog fchynt het zelfs zeer weinig met deeze laatfte te verfchil- 
len ; dan by eenc nadere befchouwing befpeurt men merktekens , 
welke hen terftond onderfcheidenlyk doen kennen. De klaau- 
wen of vingeren der voor- en achter voeten zyn volmaakt wel met 
die laatfte overeenkomfcig ; maar de arm , voornaamlyk der 
voorvoeten , is in deeze korter en dikker. Het lichaam van 
deeze heeft die dunne of ranke fchraalheid niet ; het is naar de bil- 
len dikker en heeft een klein bewys van ftaart. Het hoofd 
toont zich zo onderfcheiden niet van het lichaam , het toont zich 
door het dikwollig opftaande haair daar mede meer vereenigd. De 
ooren verbergen zich by deeze in het haair. Hier door, en door de 
meerdere kortheid zyner beenen, en door zyne natuurlyke eigen- 
fchappen , gelyk wy verder zien zullen , gelykt hy meerder naar 
den gemeenen bekenden Weft - Indifchen Luiaard, dan naar den 
Ceylonfchen tengeren Luiaard van Seba, de Loris van den Heer 
deBuffon. 

Voor wy tot de huishoudelyke befchouwing van dit Dier over- 
gaan , zal het niet ondienftig zyn eenig bericht te geeven , naamelyk , 
waarom wy dit Dier, het geen voornaamelyk in de gedaante der 

klaau- 

(/) Idem. Pag. 5^. Tah. XXXr. fig. i. £?> 2. „ Ceylons dierken C^egt Seba) 
,, met een honds hoofd, Luiaard genoemd , hebbende de geftalte van een Aap". 
Daar het doch niet veel naar gelykt. Idem. Pag. 75. Tab. XLyiL fig. i. ,, Ceylon- 
„ fche Luiaard, grootfte foort ". De Heer Seba, welke deeze weinig verfchülende 
diertjes, onder den naame van Luiaard, gekregen heeft, en dien hy hen ook laae 
behouden, meent echter, uit de langheid der pooten, dat het geene Luiaards zyn, 
't welk doch gecne genoegzame zekere reden is. 

(m^ De Heer de Buffon zegt Tom, XIII. pag. 210. dat wy den naam van Loeris 
aan dit dier gegceven hebben, my is het zelve echter nimmer onder die benoeming 
voorgekomen , dan alleen in de Catalogus van het Mufeum Petropolit. pag. 339, al- 
waar eenvoudig ftaat, Bdgis een Loeris, en dit foort een Aap genoemd word. ïn 
alle Kabinetten, waar in ik deeze diertjes gezien hebbe, heb ik de benaming van Lui- 
aard gevonden. 



VYFVINGERIGEN BENGAALSCHEN LUIAARD, i ! 

kl;iau\ven zeer veel van de gewoone Luiaards verfchik, echter 
dien naam laaten behouden. Voor eerft, antwoorden wy daar op, 
om dat dezelve onder die benoeming van Bengalen is overgezonden, 
en dus dit ibort aldaar met dien naame bekend is. Ten anderen, 
en 't welk wel de voornaame reden behelsd , om de overeen- 
komende natuurlyke eigenfchap, die dit Dier, in deszelfs traag- 
heid , met den Luiaard heeft ; zo als wy hier na zien zullen. Wy 
verkiezen daarenboven, gelyk de oude Schryvers ons veeltyds 
daar in zyn voorgegaan , altoos , zo veel mogelyk , de eigenfchap 
te kennen geevende naamen te behouden ; daar door wordt het ge- 
heugen te gemoet gekomen , en de naam errinnert te gelj'k de 
eigenfchap der zaake. De naam is daarenboven aan deeze Dieren 
niet toevalligerwyze gegeeven , noch afgeleid van de gedaan- 
te , maar alleen van de traag- en luiheid , die by deeze Schepfelen 
heerfcht. Voor het overige, voor geene van die oppervlakkige 
Natuurbefchouwertjes fchryvende, die zich meer met de verza- 
meling der zaaken , dan met de 'bewerkende betrachting , bezig hou- 
den , is het ons vry onverfchillig, hoe zy deeze onze fchikking aan- 
neemen. Wy hebben hun reeds , door anderen , hooren denken , 
hoe zal deeze vyfvingerige Luiaard zich in den Rang der twee 
en drie vingerigen vleijen ? Dan zulks is my om het even , zo lange 
ik by het denkbeeld blyve, 't geen als eene Natuurwet zich niet 
gemaklyk laat verwerpen , dat de rangfchikkingen naar de na- 
tuurlyke weezens , maar niet deeze naar de rangfchikkingen moe- 
ten gefchaard worden. De minfl: - gcoeffende ziet genoeg , dac 
het Geflacht der Luiaards zich hier door in drie onderfcheidingen 
verdeeld ; als werdende daar in- reeds twee- en drie-vingerigen ge- 
vonden. Maar mogelyk zal de tyd, die alles ontdekt, de zo 
genoemde tengere Luiaards van S e b a nog wel by deeze Bcn- 
gaalfchen voegen , van. welk gevoelen wy geheel niet vreemd 
zyn. In zulkeh gevalle -zal men vyf , zo niet fes verfchcidenhe- 
den, in vier foorten van Luiaards tellen, naameijk, de Twee-, 
en de Drievingerige van America , en de Tweevingerige van Cey- 

B 2 ion. 



12 BESCHRYVING van den 

Ion. Deeze vyfvingerigc van Bengaalcn , en de een of twee foor- 
ten der Ceylonfche tengere vyfvingerige van S e b a , die de 
Heer de Buffon de Loris noemt, en maar een foort meent 
te zyn, en welk laatlte wy noch voor- noch tegenfpreeken (;/). 

Den 25. der Maand Juny, vaii het Jaar 1768. wierd dit zon- 
derlinge Schepfel , onder de benoeming van Luiaard , van Benga- 
len, door de zorge van den Wel Edelen Gestrengen Heer. 
Directeur VERNET, voor de Diergaarde van Zyne Doorluch- 
tiglle Hoogheid, overgezonden. De zeldzaamheid van dit Dier, 
gevoegd by myne nieuwsgierigheid, om het van naby waar te nee- 
men, deed my, in weenvillc van de onaangenaame reuk, bcfluiten, 
het zelve onder myn eigen opzigt , en zelfs in myn Kamer by 
my te ncemen; en dit heeft my in ftaat gefield met alle zeker- 
heihet volgende daar van te kunnen mededeel en. 

Den gehcclen dag fliep hy tot aan het vallen van den avond, en , 
in den Zomer hier zynde, wlerd hy niet eerder wakker dan om 
half negen uuren. In eene langwerpige vierkante Kooy zittende^ 
rondsom met yzere tnüien bezet , fliep hy altoos op zyn achterfte ,, 
digt voor de traliën zittende, het hoofd voor over tusfchen de 
voor - pooten tegen den buik geboogen. In dien zittenden ftand 
hield hy zich, flaapende, altoos met de twee achter klaauwen, en 
dikwils met nog een der voorklaauwen , aan de traliën zeer fterk 
valt. Deeze zeldzaame eigenfchap doet my vaft rtellen , dat dit 
Dier gcwoonlyk op de Boomcn flaapt, en zich aan de by hem 
zynde tak of takjes vaft houdt, 

Wak- 

(«)Deeze befchry ving byna gereed zynde, komt my de Wel Edele Gestrenge 
Heer de Jong bezoeken, welke geduurende den tyd van twee en dertig Jaaren in 
verfcheidj gewigtige bedieningen op Ceylon en Malabaar gcweefl: is. Deeze verze- 
kert my, deeze kleine diertjes, de vyfvingerige tengere Lujaards van Seba , de Loeris 
van den Heer de Buffon, verfclieide maaien gezien te hebben, daar by voegende: 
„ Dat het by uitftek luie en traagc dieren zyn; dat zy geheel den dag flaapen, en, 
, fchoon gejaagd wordende , niet raiïcher voortgaan , maar traaglyk poot voor poot 
', oplichten en in Ceylon alom onder de benoeming van Luiaard bekend zyn". Doch 
de andere foort van Seba, de twecvingerige, was hem niet bekend. 



VYFVINGERÏGEN BENGAALSCHEN LUIAARD. 1 3 

Wakker zj-nde , was zyne beweeging ongemeen traag , \m het 
begin , tot het einde , altyd het zelfde. Van tralie tot tralie op de 
achter voeten voort en voort kruipende , vatte hy de traliën om 
hoog met de voorpooten , en liet nooit geenc tralie los , voor en 
al eer een der voorvoeten weer langzaam , eene andere tralie 
zeer vaft had aangegreepen. Op den vlakken bodem door de 
Kooy kruipende , had hy even dezelfde langzaame bewceging, 
poot voor poot opligtende , als een Dier dat lam is ; in die be- 
weeging verhief hy zyn lichaam flegts zeer weinig van den grond , 
kruipende meeft al maar voort , zo dat de buik , mecften tyds , 
geen vingerbreed van den grond was. Werdt hy gejaagd , met een 
ftokje door de tnilien te fleeken en hem aan te ftooten , dit 
mocht weinig baaten; dwong men hem hier mede te fterk, dan 
beet hy in den ftok , en dit was alle zyne verweering. 

De avondftond gevallen zynde, wierd hy langzaam wakker, 
ïils een menfch , die in zyn nachtmft geftoord wordt , na dat hy 
in langen tyd niet geflaapen heeft. E eten was dan zyn eerfte werk ; 
want hier toe was by dag zyn flaaptyd te koftelyk; dit, naar 
zjTi doen , nog al vry icliielyk verricht hebbende , ontlafte hy 
zich van zyne verteerde ftolFen van den vorigen avondmaaltyd. 
De Urin was van eenen fierken , doordringenden en onaangenaamen 
reuk. De afgang als kleine fchaapekeutels. 

Zyn gewoone voedfel was , volgens opgave van den Kapitein 
van het Schip die hem had mede gebragt, niet anders dan zeer 
droog gekookte Ryft , en volgens zyn zeggen , dronk hy nooit. 

My verzekert houdende dat deeze Dieren ook andere voedfels , 
wanneer men hun die voorleide , zouden neemen , wilde ik daar 
van eene proef neemen. Ik gaf hem ten dien einde een tak met 
bladen van een Lindeboom ; doch hy verwierp dien , de Fruiten , 
gelyk Peeren en Kersfen , waren beter van zyn gading; van de 
laatflen liet hy, meeften tyds, den kern of fteen liggen, en deeze 
verkoos hy verre boven Aalbesfen. Droog Brood en Befchuit at 
hy gretig ; doch , als men het in water natmaakte liet hy het lig- 

B 3 gen,, 



14 BESCHRYVÏNG van den 

gen ; dit beveftigd het gezegde , dat hy niet dronk : gaf men hem 
water, hy Yook 'er wel aan , doch dronlv niet. Van Eyeren was 
hy een ongemeen liefhebber; de fchaal aan ftukken bytende, likte 
hy wit en door fmaakljk op. 

Dikwils maakte hy in het eeten, even als de Eekhorens, ge- 
bruik van zyne voorpooten en vingers, daar mede een. Kers, een 
Peer, of een brok gekookte Ryfl: aanvattende, en daaruit ectende. 

De proef van het Ey my aangeweezen hebbende , dat hy ook , 
het geen van Dieren komt, niet verachtte, hield ik my verze- 
kerd, dat de Dieren zelve hem niet onverichillig zouden zyn. My 
des Avonds den XI. July cenen gemcenen Vogel , eenMofch, heb- 
bende doen brengen , bragt ik deezen in een Kooy voor den 
Luiaard. Terflond veftigde hy zyn fcharp - ziende oog op het 
voorwerp , kroop , poot voor poot langzaam opligtendc , dicht 
voor zyn traliën. Het fchuifje der Vogel - kooy open gehaald heb- 
bende , trok myn Knegt dat van het hok der Luiaard open , daar 
hy voorzat. Wy meenden den Vogel in zyn hok te jaagen ; doch 
hy gaf daar toe geen tyd , kroop half in de Vogelkooy , en greep 
den Vogel , dien hy te rug in zyn hok trok , ten cerften dood 
beet , en met veeren , bek , pooten , beenderen en alles gulzig 
opvrat, na alvorens nog droog Brood en Kersfen gegeetcn te 
hebben. Niets liet hy van een' Vogel liggen, dan alleen de groote 
llagvceren der vleugels en die der ftaart. 

INTcn moet eens en voor al weeten , hoe traag dit Dier ook anders 
in zyne gewoonlyke beweegingen v/as , dat hy fchielyk at , en als 
men hem een lex^end fchepfel gaf, had hy eene vervvonderens- 
waardige behendigheid. Hy kroop 'er voet voor voet naer toe, 
en 'er dicht by zynde, greep hy, met eene poot, fchielyk toe, 
en mifte nooit in zyne prooy te vatten , en daar voor was ook 
nimmer kans ter ontworteling. 

Wy hebben reeds gezegd , dat hy den gcheclen dag fliep ; doch 
daartegen gelooven wy ook , dat hy het grootft gedeelte van den 
nacht in eene traage beweeging was. Des nagts ten twee uuren zag 

ik 



VYFVINGERIGEN BENGAALSCHEN LUIAARD. 15 

ik hem dikwils nog wakker; doch des morgens , om half zeven 
uuren , vond men hem reeds in diepe ruft , in welke hy zich , door 
het Ichoonmaaken van zyn hok, niet liet ftooren. Over dag door 
veelvuldig plaagen wakker gemaakt zyndc , werd hy kwaadaartig , 
dan beet hy , doch alles met traage beweeging , in het ftokje , onder 
het maaken van een geduurig herhaald naar en klaagend geluid van 
Ai, Ai, Ai, elk Ai zeer lang, beevend, en even zo als men 
het van den Welt - Indifchen verhaald , uitroepende. Hem dus 
lang geplaagd, en wel ter dege wakker gemaakt hebbende, zo 
kroop hy twee of driemaal door de kooy ; doch ging dan al weer 
flaapen. 

Twee dagen naa de eerfte proefneeming met den Vogel , gaf ik 
hem des avonds vier Kersfen , die hy fmaaklyk opat. Nu willen- 
de beproeven of de gekorve of beenderlooze Dieren ook van zyn 
fmaak waren, zo wierp ik een leevende Tor (0) hier bekend, 
onder den naam van zwart - gevlakte Duinlcevjr of Molenaar 
by hem. Aanftonds kroop hy naar dit voorwerp , hy nam 
het met een greep in zyn poot en at hetzelve met de har- 
de vleugel-dekken en alles op, zonder iets over te laaten. Daar 
na gaf ik hem nog een Mos , die hy langzaam bekroop , en doen 
ook fchielyk met den poot greep. Hier van een deel gegeeten 
hebbende liet hy die liggen, en ging, hoewel het reeds laat in 
den avond was , zitten flaapen. Dit echter van korten duur zynde , 
en wakker wordende , nam hy zj-n Vogel weer , hem verder zeer 
fchoon opkluivende. Daarna at hy nog verfch gekookte Ryft 
en een ftuk droog Brood. Dit verricht hebbende zag ik , met 
verwondering, dat hy zich tot de ruft fchikte, en wanneer ik 
des nachts ten een uur naar bed ging, fliep hy nog geruft en wel. 

Den zeftienden Auguftus , 's morgens om elf uuren , zag ik 
my meteen bezoek vereerd van Hunne Doorluciitigste 

HOOGHEDEN, DEN HeERE PrINCE HeNDRIK VAN PrUISSEN, 

nevens 
(0) De lulla van Linné Scarab. Spec. 57. Edit. XII. 



i6 B E S C II Pv Y V I N G V A N D E N 

nevens den Heere Prince Erfstadhouder en verdere 
Heeren van 't gevolg. Den Luiaard aan deeze Hooge Perfoonen 
vertoonende , liet ik hem , wel wakker gemaakt zynde , een Vink 
geeven. De Vogel juifb naar den hoek van de kooy vliegende 
daar den Luiaard zat, greep deeze hem vry fehielyk. De Luiaard 
bleef zitten, zich met de achter pooten aan de traliën vafthou- 
dcn , doch eindelyk den Vogel in dien fland niet gemaklyk genoeg 
kunnende vedlinden , met welk hy terflond begon , at hy die, half 
op zy en op den rug liggende, zeer fmaaklyk op, terwyl zyne 
achter - voeten de traliën bleeven vafthouden. Den Vogel opge- 
geeten hebbende Hiep hy het overige van dien dag. In geaartheid 
fcheen hy my den valfch-aart te fpeelen ; want eens begerig zynde 
te weeten hoe zyn Tong gefteld was ( die ik vry ruuw bevond ) 
j^af ik hem myn vinger, eerft likte hy die, doch daar op meen- 
de hy toe te b>tcn , 't welk hem echter mislukte. 

Weinige dagen hier na my op reis begeevcnde, naar cenc 
onzer afgelcgenfte Provinticn, moeft ik i'nyne verdere proefhee- 
mingen ftaaken , welke ik nog voomeemens was in 't werk te ftel- 
ïen. Dit Dier geen het minfte blyk van ziekte geevende, hoopte 
ik op eenen langduurenden Leeftyd; dan weinige wecken daar na 
vernam ik met zeer veel leedwezen, dat hy den 26. September, 
eenigen tyd voor m>iie te rug komfl, was overleedcn, waar door 
vvy van de verdere nafpeuring (als reeds opgezet zynde) omtrent 
het zonderlinge der Tecldeclen en inwendige gefteldheid , ons ver- 
ftooken zagen. De natuurlyke eigenfchappen van den Ooft-Indi- 
fchen Luiaard, wiens befliaan door den Heer de Buffon zo 
volftrekt is tegengefproken , hier dan, voor zo ver zulks moge- 
lyk geweeft is , befchreeven hebbende, moet ik de aandacht myner 
Leezeren nog eenige oogenblikken bezig houden met de overeen- 
komende geaartheden van deezen onzen Ooft-Indifchen Luiaard 
met die van de Weft - Indien. 

In traagheid komt deeze nieuwe foort der oude Waereld met 
die der nieuwe overeen ; want het verfchil of de graad van traag- 
heid 



VYFVINGERIGEN BENGAALSCHEN LUIAARD. 17 

hcid kan hier in geene aanmerking komen , vermits de Schry vers , 
die de Heer de Buffon daar omtrent aanhaalt , het zelfs 
gantfeh niet eens zyn. De een doet den Americaanfchen 
Luiaard , in vyftien dagen , eenen fteenworp voortkruipen , d' an- 
der laat hem vyftig fehreeden op eenen dag afleggen , en een 
derde, dien de Heer de Buffon het naaft aan de waarheid 
denkt te komen, (waar aan wy echter ons zegel nog niet hangen) 
geeft den Americaanfchen inwoonder eenen grooten dag werks om 
een vierde van een uur op zynen weg te vorderen. Want men 
zeg my eens, hoe ftrookt zulks? als wy door den Heer de Buf- 
fon den Heer Marquis de Montmirail, die de FUnau drie 
Jaar leevend in zync Diergaarde gehad heeft, zelfs hooren zeggen, 
dat zyn Luiaard verfcheide maaien op eenen dag den hoogften Boom 
op en af klom. Het wel opgeftelde verhaal, 't geen de Heer de 
Montmirail als een waameemer en ooggetuig opgeeft , en 
't welk zeer voldoende is , geld by my meer , dan dat van alle an- 
deren. Bedriegt ons geheugen zich niet , zoo hebben wy de eer 
en het genoegen gehad deezen verplichtenden Heer by Zyne Ex- 
cellentie den Ambassadeur d'Affry, (welks buiten- 
gemeene vriendelykheid , gedurende deszelfs Afgezandfchap , wy 
ons noch dikwils erinneren) te ontmoeten; doende my het ver- 
maak en de eer aan, na den maaltyd, dit zonderlinge Schepfel, 
't geen hy te Amfterdam gekocht had , aan zyn Logement te ver-, 
toonen. 

Maar om van deezen uitflap, welken de erkentenis van ons 
afvordert, weder te keeren. Deeze Ooft-Indifche flaapt, even 
ak die van de Weft , den geheelen dag. Geplaagd en aangepord 
wordende om fchielyker voort te gaan, mogt, even als by de 
anderen , weinig baaten. 

Deeze drinkt ook nooit. De vrees of erkenning van Perfoon 
was hem even onbekend. Het haair, fchoon wollig, is by deeze 
ook niet minder dan zagt, maar ruuw in het aanraaken. Hy eet, 
op dezelfde wyze , uit zyn poot en ook neerhangende of liggende. 

C ^ Slaa- 



i8 BESCHRYVING van den 

Slaapende , hong of zat hy, zich aan de traliën van zyn hok 
vafbhoudende , en zyn geliefïle fland was , even als de Wefl-Indi- 
fche , zich ergens aan vaft te houden of te hangen. Zyn geluid 
was ook , even als dat van den Weft - ïndifchen , volmaakt , met 
eene korte en klaagende flem, Ai^ At\ At'. En eindelyk , in 
zyne geheele gedaante, zoo als hy nog zeer wel opgezet in het 
Mufeum bewaard word , heeft hy zeer veel zweem van een traag 
en lui aanzien , en gelykenis op de Tweevingerige FUnau , die in 
America woont. 

Na al dit bygebragte geeven wy onzen onzydigen Leezer in over^ 
weeging , met hoe veel recht wy het ontmoeten van den Luiaard 
in de Oude Waereld , tegen het gevoelen van den fchranderen en 
Geleerden Heer de Buffon, beweerd hebben. Gelukt het ons de 
beloften der overvoering van de Luiaards der Nieuwe Waereld 
hier leevend te zien , gelyk wy hoopen , het zal ons in ftaat (lel- 
len de waarheid, door eigen oog gezien, onzen Landgenooten te 
verhaalen , en het zal ons verwonderen , indien die niet , gelyk 
deeze, het Gevogelte en de gekorvene Dieren mede ten voedfel 
neemen. 

In den Rang der viervoetige Dieren fchynt deeze Luiaard met 
de Lom, die wy de tengere Luiaard van Se ba noemen, en de 
Tarfier van den Heer de B u f f o n , en zyne Makis , die by ons 
onder den naam van Surikat bekend zyn , na vermaagdfchapt. 



.mm:. 




BESCHRY- 



VYFVINGERIGEN BEiNGAALSCHEN LUIAARD. 19 

BESCHRYVING 

VANDEN 

VYFVINGERIGEN BENGAALSCHEN 

LUIAARD, 

Tab. V L 

ME N kan wegens de grootheid van dit Dier genoeg oordee- 
len, als ik zeg, dat de lengte van den kruin des Kops tot 
achter by den aars , is dertien duimen. De hier by gevoegde Af- 
beelding, die zeer goed is, geeft een verder begrip van het ge- 
heel. 

Het Hoofd heeft eene byna ronde gedaante , loopende de 
Bek alleen wat puntig uit. De Ooren zyn zeer dun, ovaal en 
opftaande , doch in het wollige haair byna geheel verborgen en van 
binnen ook met haair begroeid. De Oogen ftaan voor in het 
Hoofd , boven by de Neus , en dicht by een. Zy zyn volmaakt 
rond , en , naarmaate van dit Dier , vry groot. De koleur donker- 
bruin. De Oog-appel (P///)//) was , by dag opgewekt wordende, 
zeer klein , doch wierd allengskens grooter. Even zoo was 
het als hy des avonds wakker wierd , en het keerslicht daar dicht 
by gebragt wordende verwyderde zich dien Appel tot bjna de ge- 
heele rondheid van het Oog. De Neus is klein , van voeren 
platachtig, en ter zyden oopen. 

Het onder Kakebeen heeft , voor in den bek , vier fmalle platte 
Sny - tanden , daar op volgen aan weerszyden een grooter , en dun 

de 



Qo DESCHRYVING van den VYFVINGERIGEN enz. 

de twee groote Honds -tanden. Op den Honds -tand volgen, aan 
elke zyde, nog twee ronde puntige Tanden, maakende dus te faa- 
men twaalf Tanden, 

Verder, zoo ver ik in den Bek zien kan , zyn aan elke zyde twee 
of drie Kiezen. Het bovenfte Kakebeen heeft voor in 't midden 
alleen twee kleine van een ftaande tandjes , wat verder, twee klei- 
ne Honds - tanden , ter wederzyden een , en daar op volgen aan 
elke zyde nog twee kleinder Tanden en twee of drie Kiezen , en 
dus acht Tmiden , behalven de Kiezen. 

De Tong is redelyk dik en lang , van vooren rond en fcharp. 

Het Haair is redelyk lang, fyn en wollig, doeh wreed in het 
aanraaken. De koleur is over 't geheel licht -geelachtig grys of 
Afch-koleurig , ter zyden van den Buik en Pooten wat rosfcher. 
Om de Oogen en Oorcn is de koleur ook iets hooger, en over 
den Kop en den geheelen Rug loopt een bruine ftreep. 

Dit Dier heeft een klein bewys van Staart omtrent twee of 
drie Lynen lang. 

De Voorvingeren zyn vyf in getal. De Duim is langer en 
dikker , dan de andere Vingers , waar van de middelfte de langfte , 
en de voorfle Vinger de kortfte is. De Nagels zyn als die van 
eenen Mcnfch. 

Met de Achtervingers is het even eens, uitgezonderd dat by 
deeze de Nagel aan den voorften Vinger zeer lang en pundg fcharp 
is. De Vingers fehynen my alle drie ledig te zyn, van boven 
met weinig haair begroeid, en van binnen zyn dezelven kaal en 
met een bruine dikke huid begroeid. 

De lengte der Voorvoeten is omtrent fes en die der Achtep 
voeten omtrent acht duim. 

Het fcheen my toe van de Mannelyke Sexc te zyn. 

EINDE. 



BESCHRYVING 

VAN EENE ZELDZAAME 

AMERIKAANSCHE 

NOG NIET BESCHREEVEN 

SLINGER-AAP-SOORT, 

GENAAMD DE 

FLUITER, 

Uit de HoUandfche Volkplanting 

S U R I N A M E N; 

Bewaard wordende in het Museum 

VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINSE VAN ORANJE EN NASSAUIV, ERF. 

STADHOUDER, ERF-GOUVERNEUR, ERFKAPITEIN 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

DireHeur der Vorstelyke Natuur- en Kunst-Kabinetten , Lid der Keizerlyke Akademie 

sn Korrespondent der Koninglyke Akademie der JVeetenfchappen van Parys 

Lid van het Zeeuwfche Cenootfchap der fVeetenfchappen van FliJJingen. 

Te Amsterdam, 

ByPIETER MEIJER, 

M D C C L X X, 



O- 



.' ,T 



fai. rjT. 




( .•Aw,ViV//.7,r .•„■ 



isiMKcuuiZ^èi amiN sluyger-aap -hü üil'ï . •^cr^^-i-y- 



NATUURLYKE HISTORIE 

VANDEN 

AMERIKAANSCHEN 

SLINGER. AAP, 

GENAAMDDE 

FLUITER (*). 

DE Aap , welken wy bcfchrj'ven , is eene verfchillende 
foort der Sapajous van den Heer deBuffon((^), die 
met hunne Staarten alles aangrypen , en waar van wy reeds eenc 
andere, onder de benoeming van Qjuitto^ Bojcb- Duivel, of liever 
Slinger- Jap, befchreeven hebben. Hy komt het naaft, naar ons 
denkbeeld, aan de bruine Sajou van gemelden Schryver (^). Hy 
verfchilt 'er echter genoeg van , zoo in gedaante , als in die na- 
tULirlyke eigenfcliap, waar door men hem den naam van Fluiter, 
gegeeven heeft. 

Dit flach van Aapen is niet kwaadaartig, maar in tegendeel, 
van eenen goeden inborft; fommige menfchen echter mogt hy in 

gecnen 

( * ) Volgens de aan my verzekerde opgaave zou deeze Aap in Surinamen ook onder 
de benoeming van Mko bekend zyn ; docli ik durf my hier op niet verlaacen; 'c is 
my te wel bekend, welke verbafteringen zulke benoemingen ondergaan. Pistorius, 
in zyne Befcbryving van de Colonie Surinamen ^ maakt gewag van eenen Aap, welken de 
Indiaanen il/iJfi^OÊf noemen , waar van ligtelyk , by verbaflering , Mico konde onc- 
ftaan zyn; dog het fchynt my uit zyne Befcbryving niet toe, dat hy daar door deeze 
foort bedoele, hoe wel het te gclyk waar is, dat zyne Bejcbryvingen , meefl al, 
ten alleruiterfte gebreklyk, en van anderen overgenomen zyn. De Heer de Buffon 
geeft de benaaming van Mico aan een geheel verfchillende foort , die hy onder de 
Bende der kleinfte Aapen plaatft , welke door hem Sagoim genoemd worden. T^n, 
Xr. pag. 121. . - . 

(rt) Tom. Xy. pag. 5. enz. 

(6) Idem Pag, 37. Taif. 4. 

A 2 



4 D E S C H R V V I N G van den 

gccncn deele l\den , mogelyk door het een of ander kwaad hem 
voorheen aangedaan , want tegen dezulken toonde hy eene byzon- 
dere geheiignis te bezitten. 

Niet tegengaande deeze met vj^f \'ingers aan de Voorvoeten 
voorzien is, (in tcgenftelling der voorige by ons befchreeven Slin- 
ger - Aap , welke Mervingerige VooiToeten heeft ) maakte hj'', 
even als die , gebruik van zynen Staart , met welles einde hy alles 
aanvatte. Hier mede hield hy zich ook vaft , in het op- en ne- 
dcrklimmen , daar mede droeg hy zyn ketting by het opklim- 
men naar boven , en dik\\'ils zag men hem daar mede een lluk 
van een Tabakspyp , of dergelyke zaaken , van den grond op- 
vatten, en naar boven draagen. Zeer zonderling is het, dat 
cenige der Sapajoi/s of SUuger - Japen , gelyk deeze , den Staart 
ten einde toe rondsom met haair begroeid hebben , en echter alles 
zeer wel daar mede aanvatten , daar de voorige befchreeven het einde 
van zynen Staart aan de binnen zydc geheel kaal heeft , 't welk dus 
vry beter tot de aangryping van eenige zaak gefchikt fchjnt. Dik- 
wils nam deeze Soort , gelyk de voorige , het vermaak , aan zynen 
Staart alleen hangende, zich gins en weer te flingcren. Levend 
zynde , droeg hy het einde van zynen Staart mceft omgebogen , 
't welk by den Opzetter en Teekenaar verzuimd is , in acht te 
neemen. De Wel Edele Geftrenge Heer G. Schilling, 
geweezen Raad van Polici in Surinamen , aan wiens vriendelyke 
mededeelzaamheid de Vorftclykc Diergaarde en Kabinet Verzame- 
ling ongemeen verplicht zyn , verhaalde my, weinige dagen gele- 
den, dat Hy eens in het Bofch zynde, eenen deezer Aapen fchoot, 
die , dood zynde , echter met zynen Staait aan eenen Tak bleef 
hangen , en welken hy dus wegens de hoogte niet kon bekomen. 
Hy meent ook dat deeze Soort , en waar van ook kleinder ge- 
vonden worden , in Surinamen onder de benoeming van Meekoê 
bekend zyn. 

De by zondere eigenfchap van deeze Dieren , waar van wy hem 
den naam van Fluiter gegeeven hebben , is aanmerkelyk. Ver- 

fcheidc 



AMERICAANSCHEN SLINGEll-AAP. 5 

fcheidc Aapen maakcn een min of meer Fluitend geluid ; doch 
deeze bezat die Kunfl: mecfterlyk, zoo dat men wezendlyk dacht 
dat 'er iemand fluitte. Het geluid was eentoonig, zeer hard, 
doch verflaauwend , en dit herhaalde hy dikwils uit zich zelve, 
tot vermaak ; want uit boosheid ichreeuwde hy. 

Gclyk byna alle andere Dieren van zyn Geflacht , at en dronk hy 
fchier alles ; maar inzonderheid was hy een groot Liefhebber van 
Eyeren , en van Spinnekoppen , die hy over al opzocht. Zeei 
graag dronk hy Genever, op welk een en ander de Stalknechts in 
des Vorflen Ry- School, daar hy alhier verfcheide Jaaren geleefd 
heeft, hem nu en dan al eens onthaalden. 

Hy was van de Mannelyke Sexe, en van eenen heeten aart 
Dikwils wicfch hy zyn geheele aangezigt met zyn eigen water, 't 
geen hy ten dien einde in zyn Voorpooten daar toe opving. 

jêT4 #^4 #*!i *^4 i''t i>ïi jn #*t Jt; irt iïM'* i-'i ifi «T^ 

B E S C H R Y V I N G 

VANDEN 

A M E R I K A A N S C H E N 

SLINGER-AAP, 

DE FLUITER GENAAMD. 

Tah. F II. 

DE grootte van deezen Aap is van den top des Hoofds tot aan 
het begin des Staarts , ruim 1 4. duim. 
Het Aangezigt is rondsom de Oogen en Neus kaal , wat 
verder liggen zeer korte bruin-gryze haairtjes , gelyk op de lip- 

A. 3 pen. 



6 BESCIIRYVING vanden enz. 

pen , plat neder. De Ooren zyn zeer groot met weinig haair 
begroeid. De Oogen zyn my niet zeker beleend , redeljic groot 
zonder wenkbraauwen. De Neus is plat en de Neusgaten zyn 
ter zyden oopen. De Voortanden zyn van onderen vier, doeh 
van boven drie ; naar het my toefchynt in dit zeer wel opgezette 
voorwerp; daar opvolgen, zoo onder als boven, aan elke zyde 
dier Tanden , een zeer groote Slagtand. De Kiezen zyn my niet 
mogelyk te zien. 

De Voor- en Achtervoeten hebben vyf Vingeren, welke vry 
lang en drieledig zyn , zynde de twee middelfte Vingers de langde 
en de duimen het kortile. De Nagels zyn zwart , ter zyde plat 
ncêrgeboogen en puntig, die der duimen , doch alleen van de 
Achtervoeten , wat breeder en ronder. De Vingeren zyn met korte 
zwarte haairen tot op de Nagelen bedekt. 

De Staart is vry lang , en ten einde toe geheel digt met zwart 
haair begroeid ; dit echter , zoo als wy reeds gezegd hebben , be- 
lette hem niet om daar mede alles aan te grypen. 

De koleur van dit Dier is over den Rug donker - bruin , ter 
zyde en op de Bord is die wat lichter. Op het Hoofd en de 
Achtervoeten meer naar 't zwart hellende. Het bovenfte lid der 
Voorvoeten is van vooren licht - bruinachtig geel. Het Aange- 
zigt vertoond zich, door zyn e kaal en rofchachtige graauwheid. 
even als een Masker. 

Deeze was van het Mannelyke GeOacht. 

' " E Y N D E. 



BESCHRYVING 

VAN EENE ZELDZAAMS 

AFRIKAANSCHE 

NOG NIET BESCHREEVEN 

KAT-SOORT, 

GENAAM DDE 

BIZAAM-KAT, 

OP DE KAAP DE GOEDE HOOP vallende. 

En bewaard wordende in het Museum 
V A N Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINSE VAN ORANJE EN NASSAU fF, ERF- 
STADHOUDER, ERF.GOUVERNEUR, ERF-KAPITEIN- 
GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 
NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

Dhe^eur der Forstelyke Natuur- en Kunst - Kabinetten en Diergaarden , Lid der 

Keizerlyke Akademie , en Korrespondent der Koninglyke Akademie der 

Weetenfchappen van Farys , Lid van het Zeeiiwfche Genootfchap der 

IVeetenJchappen van FliJJingen , en van de Hollandfche 

Maatjchappye te Haarlem, 

*=^*<$^* 

Te Amsterdam, 
ByPIETER MEIJER, ^ 
M D C C L X X I. 



vijr. 




NATUURLYKE HISTORIE 

V A N D E 

AFRIKAANSCHE 

B I Z A A M - K A T. 



IN den Jaare 1759. wierd aan de Diergaarde van Zyne Door- 
LUCHTiGSTE HooGHEiD, door den Wel Ed. Geftrengen Heerc 
Ryk Tulbach, dians gewoone Raad van Neêrlands Indien, en 
Gouverneur van de Kaap de Goede Hoop , levend overgezonden , 
dit zeldzame diertje, onder de benoeming van Bizaam-Kat. 

Voor zo veel ik heb konnen ontdekken , heeft nog niemand 
deeze foort befchreeven. Kolbe (^) alleen maakt gewag van een 
Dier van deezen naam ; dan zyne befchiy ving , die , gelyk wy hier 
ftraks zien zullen, zeer oppervlakkig en aan geheel verfchillende 
Dieren eigenaartig is , doch vooral de afbeelding die hy van dat 
Dier geeft , geheel niet met deeze ftrookende , maakt , dat wy 
deeze onze foort, als nog onbefchreeven , konnen aanmerken. Zie 
hier wat hy van zyn foort zegt. „ Ik zal nog maar gewag 
„ maaken van de Bizaam - Katten , en van dezelve zeggen , dat 
„ haar vel, van wegens den reuk, die zoo aangenaam als Mufcus 
„ is, en om die rede doorgaans Muskeljaat - Katten werden ge- 
„ naamd, zeer hoog geacht, en gemeenlyk voor een Ryxdaaldcr 
verkogt word, offchoon het zelve voor het overige niet veel 
byzonders lykt. Mynes weetens is 'er nooit een gedood , die 
Mufcus by zich heeft gevoerd ; derhalven weet ik niet , of de 

de 






3J 



Ca) Befcbry ving van de Kaap de Goede Hoop, Amfl. 1727. Foï. Tom. I. pag. 182. 
Tab. pag- 200. 

' A 2 



4 BESCHRYVING van de 

„ de Inwooners alhier weeten , wanneer zy Mufcus by zich heb- 
„ ben; dan of zy het wel ooit draagen en voortbrengen. Wat 
„ hier van zy, ik weet zeer wel , dat zy wegens den huid tame- 
„ lyk gewilt zyn (/')". 

Dlis fpreekt Kolce van zyne Bizaam-Kat , welke, zoals 
wy reeds gezegd hebben, voornaamelyk in de afbeeldinge die hy 
van dat Dier geeft, geheel verfchillendeis, gelyk men by eene ver- 
gelyking der zyncn,met deeze, zien kan. Wat aangaat de Miifcus- 
reuk waar van hy fpreekt, en welke hy geheel en al ontkent, 
daar van hebben wy in drie jaaren leeftyd , dien deeze alhier te 
Lande geweefl is , ook niets ondervonden. 

Van natuur was dit Dier, 't geen eene fraije gedaante had, 
juifl: niet veel te vertrouwen ; doch zeer kwaadaartig kan men ook 
niet zeggen dat deeze foort is. Ik fpreek hier (dit moet men vcron- 
derftellen) van een Dier, 't geen in eene kooy opgeOooten, of aan 
een ketting vaft lag ; want in het wild zal dit zekerlyk aan eenige 
uitzonderingen , of verandering , onderhevig zyn. 

Myn gevoelen , dies aangaande , beruft op hier zynde be- 
handelingen ; want in een niet heel groot hokje overgezonden zyn- 
de, verkoos men dit Dier liever in de diergaarde aan eene ketting 
te leggen, waar van het zich den halsband vry gematigd liet om- 
doen. 

Zeer greetig at dit Dier vleefch , doch vooral levendige Vogels. 
Aan de ketting liggende, nam het nu en dan wel eens een gewoon Hoen, 
't welk hem te naby kwam , en verflond zulks verfcheurender wyze; 
dan deeze en andere Vogels leerden hunnen gemeenen vyand wel 
ras kennen , en zyn te na koomen vermyden. 

Maauwend geluid heb ik dit Dier nimmer hooren geeven; doch, 
geplaagd wordende, knorde en blies het even als een kat, met 
welks geaartheid hetzelve ook, voor het overige , het naafte overeen 
kwam. 

By 

(è} j^ls voorin. 



AFRIKAANSCHE BIZAAM-KAT. 5 

By alle Dieren , welke de geleerde Heer de B u r f o n,. 
ons heeft doen kennen, komt dit het naaffce aan zyne DIargay. 
van Cayenne (<:); wy zeggen, dat het naafl: by kome; want by eene; 
naauwkeurige vergelykinge heeft dit Dier den muil veel diinder en 
fpitfer uitloopende. De ftaart en tekening der vlekken verfchil- 
len ook zeer veeL ^: : :,j:.n 

- ( C-) Tomé XIII. pag. 2^^. Tab. yj. ~-^-^'J- cU/^ ^•:il';;c,i[:-0 

B E S C H R Y. y IN G 

V A N D E 

AFRIKAANSCHE 

BIZAAM-KAT. 

Tab. V I I I. 

DE grootte van dit Diertje is als die van eene gemccne huis 
kat. De liehte heerfchende kleur over het gehecle lyf is 
afchgraauw, daar op vertoonen zich de vlakken van eene bruine 
kleur. Halfwegen boven op den rug begint een zwarte ftreep 
die tot aan den ftaart loopt. De ftaart is met zwart en witte ban- 
den , doch het einde der ftaart is zwart of bruin-zwart. De voor- 
en achter voeten hebben , buiten en binnen , veel van de bruine 
kleur. Het ondcrlyf of buik en borft zyn grys afchklcurig. 
Het hoofd heeft ter zyden, en op de neus, bruine ftreepen, 
voor aan de neus , en onder de oogen , zyn witte vlakken. De 
ooren zyn met korte gryze haairen bedekt en rond opftannde. 
De kleur der oogen is my onbekend. Boven den binnenften hoek 
derzelven vertoonen zich twee a drie redelyk lange zwarte haairen. 

A 3 De 



6 BESCHRYVING v.vn de AFRIK. BIZAAM-KAT. 

De neus is zwart , de neusgaten zyn ter zyden open. Ten wecr- 
zyden der neiize ftaan verfcheide vrylonge knevelhaairen , welke 
bmin en wit zyn. De bek is boven en onder met zeer fcharpe 
tanden en kiezen gewapend, de vier flagtanden z\'n wat langer, 
doch niet zo groot als in de gewoone Kat. De overige tanden , 
denk ik , zullen met deze geflachten van Dieren genoegzaam over- 
eenkomftig zyn, zynde dezelven in dit opgezette voorwerp niet 
wel zigtbaar. 

, De voeten zyn met kleine kromme intrekkende witte nagels 
gewapend; en ten opzigte der Kunne konnen wy niets zekers 
bcpaalen , zynde dit Dier , terwyl wy op reis waren , geftorven 
en opgezet. 

EINDE. 



r^:-. 




ESCHRYVING 

VAN EEN GEHEEL NIEUWE of OiNBEKENDE SOORT van 

AMERIKAANSCHE 

LANGSTAARTIGE, EN EEKHOORNACHTIGE 
KLAAÜVVEN HEBBENDE 

WEZEL, P O T T O 

GENAAMD. 
OVERGEBRAGT UIT DE HOLLANDSCHE VOLKPLANTING 

SURINAME Ni 

En bewaard wordende in het Museum 
VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINS E VAN ORANJE EN NASSAUW, ERF. 

STADHOUDER, ERF-GOUVERNEUR, ERF-KAPITEIN^ 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

Dbe^euT der Vorstelyke Natuur- en Kunst - Kabinetten en Diergaarden, Lid der- 

Keizerlyke Akademie , en Korrespondent der Koninglyke Akademie der 

JVeetenfchappen van Parys , Lid van het Zeeuwfche Genootfchap der 

Weetsnfchappen van VliJJingen , en van de Hollandfche 

Maatfchappye te Haarlem, 

* 

Te Amsterdam, 

ByPIETER MEIJE R, 

M D C C L X X L 



r.ti'. IX. 




NATUURLYKE HISTORIE 

VANDEN 

AMERIKAANSCHEN 

LANGSTAARTIGEN EN EEKHOORNACHTIGE 
KLAAUWEN HEBBENDEN 

WEZEL, P O T T O 

GENAAMD. 



Dit Diertje, 't welk myns weetens nog door niemand befchrec- 
ven is, wierd voor eenige janren door den Wel Edelen 
Heer Marselis, de Zoon, die het uit Surinamen had mede ge- 
bragt , met verfcheide andere zeldzame Dieren , aan de Vorftely- 
ke Diergaarde gezonden. Het was reeds ziek by zyn aankomfl, 
zo dat het r\vee a drie dagen daarna ftierf. Menwifl: my niets 
van het zelve te onderrichten, dan dat het een onbekend Diertje 
was , zo dat niemand , zelfs in de Colonie , het kende. 

Het weinige, 't welk men in de Diergaarde heeft kunnen ontdek- 
ken , beftaat alleen hierin : het maakte een fyn kirrend geluid. 
Het fliep zeer veel , met den ongewoonen langen ftaart om den 
hals geflingerd. Het was niet zeer mak , maar beet naar dien het 
wilde vatten. Het at gekookte drooge Ryfl: en was een liefheb- 
ber van Amandelen. Volgens aan my gegeeven onderricht van den 
Oppasfer der Diergaarde , at het niet uit de pooten , gelyk de 
Eekhoorens; hoewel de gefteldheid en overeenkomfl: der zelve, my 
echter zulks doet denken ; dan dit kan door zwakheid zyn veroor- 
zaakt. Meer dan een levende Eekhoorn, die ik tot hunne dood 
gehad hebbe, wierden, op het laatft van haar leven, deiTnaaten 

A 2 door 



4 B E S C H R Y V I N G van een 

düor eene zwak- of lamheid oxerwonnen , dat zy het voedfcl niet 
meer in de pooten konden liouden. Ik voor m\', de gedaante, 
de tanden , de klaauwen , den Haart en het liaair in aanmerkinge nee- 
mende, ben van gevoelen, dat dit Diertje zyne levenswyze is, 
byna als die der Eekhoorns : dat het de boomen beklimt , van 
vruchten en Vogel -Eijeren leeft, en zelfs het klein gevogelte tot 
zyn voedfel neemt. Het ondericheid der kunne, door den Op- 
zetter niet nagegaan zynde , is my onbekend gebleeven. 

Na de dood in het Mufeum geplaatft, heeft nooit iemand het 
zelve gekend. Dan , in den voorledenen Zomer , de Heer B r o- 
KES van Loiiden (genoeg bekend door zyne bekwaame kundighe- 
den en beroemde Diergaarde aldaar ) by my op 't Kabinet zynde , ■ 
toonde ik het zelve; de zo evengemelde Heer zeide het te kennen, 
en heeft my onlangs nog dit weinige daar van mede gedeeld. 

Het zelfde Diertje was hem toegekoomen uit de Americaanfche 
St. Kitts of ChriftolTels Eilanden , aldaar bekend onder de benoeming 
van P o T T o. Melk , Brood , Groente en Fruit was zyn gewoon 
voedfel. Veeltyds liet het de Tong heel lang uit de Bek hangen. 
Het fliep veel , en wanneer het geflroord wierd was het zeer genee- 
gen om zich boos te maaken. Het leefde in Londen negen maan- 
den, flierf eindelyk aan eene contractie in de ingewanden, en wierd 
aldaar, gelyk hier, by alle Natuur -kenners gehouden voor een 
vreemd en onbekend Diertje. 

Het valt moeilyk dit Diertje zyne juifle plaats onder de geflach- 
ten der Dieren aan te wyzen; vermits het in het geftcl zyncr tan- 
den , langen Haart , Eekhoornachtige klaauwen , en geene knevels 
hebbende, kenmerken draagt, welke aan onderfcheide geflachten 
toekoomen. De beroemde Natuurkenner Linnée brengt onder 
zyne Dieren van den derden rang de Fretten en de Wezels 
tot twee onderfcheide geflachten , ( hoewel hy de eigenlyke Fret 
by de Wezels voegt) doch ik voor my zie geene genoegzaame 
redenen voor deeze affcheiding, welke Klein en Brisson met 
veel recht meeft byeen voegen. Het geitel der tanden , en , 

■ .. eenig- 



AMERIKAANSCHEN WEZEL. s 

eenigzins , de gedaante der nagelen , in aanmerking genomen , 
hebben my dit Diertje , het naaft aan den Marter komende, doen 
vinden , en deeze door den Heer LiNNÉEby de Wezels t' huis 
gebragt , hebben wy het lieft hem daar henen willen brengen, 
hem middelerwyl , ter beter onderfcheidinge , de benoeming van 
PoTTo Qa) geevende , waar by hy reeds in America bekend is. 

(o) In de Diftionnaire raifonné & univerfel des Animaux. Paris 1759. 4to. gelyk: 
mede in die van den Heer Bomar e, zien wy de benoeming van Potto reeds aan 
den Lzifaari gegeeven, in navolging van Bosman in zyne Berchryving van Guinee. 
Doch de Befcliryving der Luiaard van Bosman is zo gebrekkig, en zo min echt;, 
dat wy ook aan de eciicheid van die benoeming twyfelen. 

BESCHRYVING 

V A JN D E N 

AMERIKAANSCHEN 

LANGSTAARTIGEN EN EEKHOORNACHTIGE " 
KLAAÜWEN HEBBENDEN 

WEZEL, POTTO 

GENAAMD. 
^ Tab. I X. 

DE grootte van dit Diertje is , van den top des hoofds tot aan 
het begin der ftaart, elf duim, of na genoeg aan eenen 
gemeenen grooten Eekhoorn , met welken het ook , in dikte van 
't lichaam, byna overeenkomt. 

De ooren zyn dun, byna rond en uitfteekende. De oogen 
zyn groot en rond, g^i^Xit wenkbraauwen boven dezelven. De 

A 3 neus 



0. BESCHRYVING van een AMERIK. WEZEL. 

neus is zwart , weinig uitftcekcnde. De neusgaten zyn klein ea 
van voorcn open. Het diertje lieeft geen bewys van knevels. 
De tong 

Boven in de bek ftaan les kleine fniallc voortanden, daar op 
volgen , aan elke zyde , een Honds - tand , en vier , of meer , 
dikke puntige tanden of kiezen. Van onder in de bek ftaan mede 
fes voortanden, ter weerzyden een groote Honds - tand , die voor 
de bovenfte heen fchieten, en ook vier of meer (zo ver ik inden 
bek zien kan) zulke puntige tanden of kiezen. 

De voor- en achtervoeten hebben elk vyf klaauwen , in ge- 
daante zeer veel naar die der Eekhoorens zweemende, de twee 
middelfte zyn de langfte. De nagels zyn wit, ter zyden zeer 
plat , breed aan haar grondbeginfel , verder krom en fcherp. 

De ftaart , die ruim vyftien duim lang is , is niet dik , met 
kort haair begroeid , aan het einde niet zo puntig , als zy hier ver- 
beeld is, maar ftomp. - . ^ 

De heerfchende kleur is graauw - bruin , over 't hoofd, de rug, 
de buitenfte deelen der pooten en den ftaart. De wangen , keel , 
borft, buik, en de binncnfte deelen der pooten, zyn licht rofch- 
achtig geel. Het haair is kort. 

Het onderfcheid der Kunne is my onbekend. 

T 

EINDE. 




BESCHRYVING 

VAN DEN 

AMERIKAANSe HEN 

GEBULTEN STIER, 

GENAAMD 

B I S O N. 

IN NOORD-AMERIKA, by de GROOTE RIVIER. 

MISSISSIPI, EN DE KLEINE RIVIER ARRECO, 

GEVANGEN. 

In vsrfcheide plaatfen van Holland, en elders, levendig vertoond, 
Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

Directeur der Forftelyke Natuur- en Kimft - Kabinetten en Diergaarden , Lid 

der Keizerlyke Akademie, en Korrefpondent der Koninglyke Akademie der 

Weetenfchappen van Parys , Lid van het Zeeuwfc-he Genootjchap der 

IFeetsnfchappen van Flisfingen, en van de Hollandfche 

Maatfchappye te Haarlem. 

" TE A M S T E R D A M, 
By PIETER MEIJER, 

M D C C L X X I L 



i...-" 






^x ... ) 



.:■:} 



ïc'^r 



. ^x -lx 



-rzT./. JT. 




-SQ'CIllïliANSCKEI^ ö'!ErJ.T:S]N- STÏ2S 



..-.p^^. 



NATUURLYKE HISTORIE 

VANDEN 
A M E R I K A A N S C H E N 

GEBULT EN STIER. 

GENAAMD 

' B ISO N (*). ^ 

DE St'*er, welken wy bcfchry ven ^ is een van die dieren, 
waar omtrent de Natuurkundigen het niet eens zyn , naame- 
lyk , of het een afzonderlj'k foort op zich zelven uitmaake ; dan 
of het flegts eene verfeheidenheid zy van den wilden Stier 
QJurocks^ , uit de wildernisfen by ons overgebragt, die, om zo 
te fpreeken , huisfelyk is geworden , en , gelyk vciTchcide andere , 
in deezen ftaat, g'senQ geringe veranderingen heeft ondergaan.- 
■ De Ridder Linnée brengt thans, in zyn vernieuwd Samen- 
Hel ( ^ ) , zes onderfeheide foorten van Stieren , waaronder de 
gemeene Stier of Aurocks ; de Bonafus ; de Bifon , dien wj^ hier 
befchryven ; de Grunnicns \\\ de Nova Adt. petrop. befchree- 
ven; de Btiffel^ en de kleine Indiaan fclje Buffel van E d war ds. 
De Heer B r i s s o n , om van geene andere te Ipreeken , 
maakt 'er acht foorten van ( Z' ) , onder welken hy plaatfb onzen 

gemcenen 

(*) Jubatis BiTon. Plin. Hitt. nat. Lih. VIII. Cap. V. Aldrovandus. Ei- 
culcis. I.ib. I. p 355. Hernandes Hift. ^fex. p. 5S7. Idem achter in hetzelfde 
boek Fernandes Hiih Nov. Hifp. p. 10 & CIesner Thierbuch p. 125. zuricher 
Ed. IJ63 I ONSTON Quad. p 44 Holl Ed. C atesh y Car. ap p. 10. t. 20. R a j. 
Quad. 71 Linnée Syft. nat p. 99 N. 3. Ed Duod. ref. Klein Quad. diTp. p 13. 
Brisson. Reg. anim. p. §3 N-". 7. Houttuin. Nat Hid. I Deel III Stu< 
p 3''4. Watson Dierlyke waercid, in 't HoU door C. Nozem an p. i.o. Ea 
verfcheide Reisbefchryvcrs . welke over den Bifon gtfchieevcn hebben. 

fa) 5y/i. Nat. Holm. 1766. p 98. &' 99. 

ib) Ls Regne Animal. Paris 1756. p. 77. ^c. 

A 2 



4 J3 E S C 11 R Y V I N G van e e n e n 



gcmeenen Stier. Dq kleine Btifel \-:m Edwards; doch die hy de 
Afrikaanfthe noemt. De Aiirocks. De Buffel. Drie Bifons . 
die hy de Schotfche , de Duytfche en de Ameril^aanfche noemt , 
en de Bouafus , by hem genoemd de wilde Stier. 

De Heer Linnée fcliynt my het naaft aan de waarlieid te 
zyn ; hoewel ik beken , zynen Botmfi/s , noch Grimnicns , niet gezien 
te hebben; zyne vier overige zyn my bekend. De Heer B ri s- 
s o N heeft , waarfchynlyk , eenige verfcheidenheden voor afzon- 
lyke Iborten te boek gelleld. 

Maar de beroemde Heer de Buffon, op wien wy in het 
begin dezer befehryvinge het oog hebben , werpt, door zyne Ver on- 
ilerjlelUngen , om , ware het mogelyk , den oorfprong der Dieren 
in derzelver v/ilden ftaat te ontdekken , ( hoe fraay dit laatfle ook zy, 
wanneer zulks behoedzaam gefchied , ) byna alles omverre. By 
zyne befchryving van den Os zegt hy eerft C '^ ) » ^"^"^ ^''^cn die 
niet moet verwarren met de Aurocks , de Buffel en de Bifon ; want 
dat in de Indie , zo wel als in de deelen van Afrika , en zelfs 
in Amerika , niet dan Bifons gevonden worden , die een Bult op 
den rug hebben ; of andere dieren , aan welken de reizigers den 
naam van Os geeven , maar 't geen eene verfchillende foort is van 
onze Osfen. In dat gedeelte, waar deze geleerde fchryver 
handelt over de dieren van de Oude Waereld (-r/), onderfcheid 



( c) PEfpèce de nos Bccufs, qu'il nc fautpns confondre avec celles dcl'Auroks , 
du Buffle &: du Bifon, paroit ctre originaire de nos climats tempérés, la grande 
chaleur les inccmmodant autanc que Ie froid exceffif; d'ailleurs cette efpèce, fi 
abondance en Europe ne fe trouve poinc dans les pays méridionaux , & ne s'efi: pas 
étendue au dela de rArnicnie & de Ia Pcrfe en ACe, & au deia de l'Egypte & de 
la Barbarie en Afrique; car aux Indes, auffi-bien que dans Ie rede de 1'Afrique & 
méme en Amérique, ce font des Bifons qui ontune bofle fur Ie dos, ou d'autres 
animaux auxquels les voyageurs ent donné Ie nom de Bceuf , mais qui font d'une 
efpcce différente de celle de ros Bceufs,- Flift. Nat. Tom. IV. page 470. & 471. 

(d ) L'Efpèce de Bocuf qui s'efl: tiouvée au Mexiquc, a la Louifiane, &c. & que 
nous avons appellé Bocuf fauvage ou Bifon, n'eft point iflli de nos Bceufs; Ie Bifon 
exiftoit en Amériqoe avant qu'on y eüt tranfportc Ie Boeuf d'Europe, & il diffère 

affez 



AMERIKAANSCHEN GEBULTEN STIER. 5 

fiy , in het begin , van den Os fpreekende , nog de Bifoiis van 
de Osfen', dan op de volgende bladzyde word hy twyfelachtig 
door ecnen Brief van den Heer de la Nux, welke zegt, dat de 
Bifon met d'Europifche Koey voortteeld , en dat dit Ras , na 
eenige Generatien , den bult verliezen. Deze verdw^ning van den 
bult zegt , naar myne gedachten , niet veel , om te bewyzen , dat 
zy eene foort zouden zyn. Waarom is de Bujfel van Europa 
en die van Afia en Afrika ook niet door een bult onderfcheiden ? 
die de Heer de BuFFON(g) zegt onveranderd te zyn. 
Hy zelve heeft immers een Kameel gezien , die ziek en mager 
was , welke geen overblyffel \-\n bult had (ƒ}. Het Paard 
teelt met d' Ezelin, tXEzelmQt de Merrie , deze vermenging geeft 
de Muil- Ezels , en deeze laatfte dieren teelen onderling voort , 
en geeven ook Mail- Ezels -^ want men kan geen geloof weigeren 
aan Aristoteles Qg'), den Prins der Natuurkimdigen. Zyn 
dus het Paard, ói'Ezel en de Mail- Ezel uok eenerleije dieren? 
't welk niemand zal toeftemmen. 

'Welke overeenkomft van gedachten is 'er by den Heer de 
B u F F o N , op dit ftuk , te vinden ? Eerft zegt deeze geleerde 
Schiyver, zo als wy reeds hebben aangeweezen, dat de Os, 
Bifon , Baffel en Aurocks onderfcheidene dieren zyn: daarna 
weer vlak het tegcngeftelde , dat de Os en Bifon eenerlei is : wat 
verder, denkt hy (/')> t^^^t onze Os, in Noord -Amerika overge- 
bragt , Bifon geworden is : verder ( i ) , 't gQQW wy ook geloo- 
ven , dat de Urus of Aurocks onze Stier in zynen wilden ftaat is : 
en wat verder, dat de Bifon niet, dan door eene toevallige ver- 
fchillendheid , onderfcheiden zynde, ook niet anders, dan de Au- 
rocks 

a(Tez de celui -ei pour qu'on puiffc Ie confidcrer , comme faifant une efpèee è part. 
lom. IX. pag. 64. 

(e) Tom. XI. pag. 297. . 

(ƒ) Tom. IX. pag. 67. 

(g) Hijt. Anim. Lih. VL Cap. 24. ld. Cap. 36. 

Cb) Tom. IX. pag. 68. 

(O Tom. XI. pag. 289. 

A 3 



6 BESCIIRYVING van eenen 

rocks , ccnc zelfde foort met onzen Os is : vervolgens hoort men 
weer zeggen (/') » '^^^ <-^'-' -/^'{/^^ en Aurocks zich flaande gehouden 
hebben , zo in 't wild , als tam gemaakt : wat verder , alle de tam- 
me Osfcn , zonder bult, komen voort van de An rocks , en , alle die 
gebult zyn, van de Bifon'. alverder (/), alle Zuiderdeelen van 
Afrika en Afia zyn vol van gebulte Os feu of Bifons , en , in tegen- 
deel , die zelve Noorder Waerelddeelen , en Europa , zyn vol 
van ongebulte , afïlammende van dQ Aurocksfen: verder (w), de 
Bonafus , de Aurocks^ de Bifon en de Zehu , zyn alle dieren 
van ecne cenige foort: en al verder zegt hy («)' vraagt men, 
welk is 't eerfte Ras , de B'ifon oï (X Aurocks'^. d'Eerfte verlieft zyn 
bult in de vermenging, d^ Aurocks is dus d'eerfne. Vervolgens 
fchynt hy , gelyk ook elders , te gelooven , dat de bult der Bifon s, 
door 't drangcn van zwaare laften , trekken en werken , waartoe 
men den Os federt onheuglyke tyden heeft gebruikt, is veroor- 
zaakt; maar, waarom hecfc de iï//^ï'/danook geen bult gekreegcn, 
die ook niet min tot werken enz. gebruikt word, en tot draagen 
van zwaare lafl:cn(o), fchoon de Heer de Buffon (/») zegt, 
tlat zy niet draagen, maar trekken, ftrydig "inet zyne eigene zo 
even aangehaalde fchryvcrs. Maar, waarom vindt men dan ook 
gcene Ras/en van gebulte Paarden en Ezels "^ 

Wy zien , uit alle het bygebragtc , niet alleen genoegzame 
twyfelingen , maar zelfs vcele , ja meer dan waarfchynelyke reede- 
nen , welke aanduiden , dat de Bifin een onderfcheiden foort van 
onzen gewoonen Stier is. Kan de Kameel zynen bult verliezen , de 
Muil' Ezel voortteelen, gelyk nog nader bevefb'gd word (</). 

Hebben, 

(k) Tom. XI. pag. 308. 

(l) Tom. XI. pag. 322. , 

(?«} Tem. XI. pag. 326. 

(7z) Tom. XI. pag. 327. 

(0} Tom. XL zie in de N'oot pag. 333. 

(p) Tom- XI. pag. 33 1 . 

(qj In het Journal de Trév. Odob. 1703. ziet men, dat te Palerrao eene Muii- 
Ezelin van drie Jaar een Veulen ter waereld bragt, door paaring met eenen ]\luil' 
Ezel gewonnen, dat zy 'c zelve met een overvloed van Zog zoogde. 



AMERIKAANSCHEN GEBULTEN STIER. 7 

Hebben de Bifons en Atirocks zich ftaande gehouden , zo in het 
wild , als tam gemaakt ? Zijn alle Zuiderdeelen van Afia en 
Afrika vol van gebulte Osfe7^ of Bifons , en , in tegendeel , die 
zelve Noorderdeelen , gelyk Europa , vol van ongebulte afftam- 
melingen, (gelyk wy ook gelooven,) van de Jiirocks\ waarom 
zou dan de Bifon geene onderfeheiden foort zyn? Maar laaten 
wy tot de nadere eigenfchappen en kenmerken van dit vreemde 
Dier overgaan, waarvan, behalve deze, nog geene goede af- 
beelding gegeeven is. 

In het Jaar 176Ö. kwam Monfieur Lodezvyk Singeis , geboor- 
tig van Worms, met dezen Bifon in 'sHaage. Hy berichtte my, 
dat dezelve in 't Noorden van Misfisfipi , by de kleine Rivier 
Arreco, in het laatfl: van het Jaar 1763. gevangen was; dat de- 
zelve nog kort voor zyn vertrek twee Koeyen , den Gouver- 
neur dier plaats behoorende , had gedekt ; doch dat hy niet wilt 
wat daarvan geworden was. Dm zy in het wild , by trouppen 
van tien tot twintig , alle achter elkander loopen , en de Koey nog 
grooter dan de Stier is. Dat hun vleefch niet alleen zeer goed , 
maar zelfs van eenen uitmuntenden wilden fmaak is. Dat zy. zeer 
fterk loopen , en , vervolgt wordende , de fteenen die zy ontmoe- 
ten achteruit werpen. Hier te zien zynde , Ichcen my dit 
dier zeer mak , en van eenen goeden aart. Het ftond dikwils op 
de achtervoeten , liet zich vry wel behandelen en aanraaken. 
Zyn gewoone winter - voeder was hooy ,- doch veel liever at het 
brood. Des Zomers graasde het, even als onze Runderen, in 
de Weiden. Aangaande het hair op het achtcrlyf, dit is 
( volgens opgave ) in den Winter zeer kort , in vergelykinge van 
dat , 't welk het hoofd en het voorlyf bedekt ; doch in Mey vak 
dit hair , op het achterlyf , genoegzaam af en 't blyft aldaar dcii 
geheelen Zomer kaal en glad; doch het hair van het hoofd en 
voorlyf blyft akyd. 



BESCHRY- 



8 BESCHRYVING van eenen 

BESCHRYVING 

VANDEN 

AMERIKAANSCHEN 

GEBULTEN STIER 

GENAAMD 

BI S O N. 

Tdh. X. 

Het Dier, 't welk wy hier bcfchi^wen , fcheen my grooter , dnii 
onze gewoone Stier. De Horizontale lyn , ter zyden 
van den bek tot aan den ftaart , was zeven voeten elf en een 
halve duim , Rhynl. De hoogte van den grond , by de voorvoe- 
ten , tot boven den Bult , vyf voeten en twee duim. De 
hoogte van den grond , by de achtervoeten , tot boven de 
billen , drie voeten en elf duim. 

Het hoofd is redelyk groot, in evenredigheid met het lig- 
haam; doch het vertoond zich grooter, door de menigte en 
langte van het vaal - bruine hair , waarmede het begi'oeid is. De 
Diagonale lyn van het hoofd, van de wortels der hoornen tot 
aan het uiteinde van den muil, is twee - en - twintig duim. De 
breedte van het hoofd , van vooren tusfchen de wortels der 
hoorens , was zeflien duimen. De hoornen zyn ter halverwegen , 
van boven naar beneden, z war tachtig ; verder, naar beneden, 
graauvz-bruin. Zy ftaan, buitenwaards uitgekeerd, naar omhoog, 

in 



AMERIKAANSCHEN GEBULTEN STIER. 9 

in eene fchuinfe lyn met den hoek xm het oog; zy zyn vry dik 
van onder, en loopen, als in de afbeeling, geboogcn, in een 
redelyk Icherp punt uit. Deeze hoorn^ punten ftaantwee voeten 
van elkander verwyderd. De ooren zyn niet zeer groot en 
byna in het lange hoofd -hair verborgen. Zy flaan direól by 
de hoornen , zyn , als wat toegevouwen , byna puntig , van 
buiten en binnen met kort hair begroeid. De oogen zyn groot, 
rond , bruin , en blaauwachtig in het midden op een wit hoorn- 
vlies. Rondom de oogleden , van boven twee en van onder 
drie vingerbreedte , is het vel, vaal -zwart, kaaien zonder hair. 
De neus is naakt, zeer breed, vaal -zwart. De neusgaten zyit 
zeer groot en ftaan van boven veel wyder, dan van onder, van 
elkaar. Binnen in den muil telde ik van onderen acht voortan- 
den. De tong fcheen my Icharp en puntig. 

Het hair is, voor al boven en ter zyden de kop van het 
dier, zeer lang, onder aan den kin hangt een lange baard. 
De koleur van 't hair is donker-bruinachtig , of liever vaal-zwart. 

Boven de voorpooten, ter helfte van den rug, verheft zich 
de rug tot eenen hoogen Bult , die ter zyden en by den kop weer 
neder daalt. Geheel dit voorfte deel is altyd met dik ros - bruin 
hair bewasfcn ; hoe meer naar vooren hoc langer ; en dit hair be- 
dekt ook de voorvoeten tot beneden de knicn. Verder is het 
geheele lyf in den Zomer naar achteren genoegzaam kaal, en 
't vel vaal -zwart. In den Winter heeft het een weinig hair op 
't achterlyf. 

De ftaart, welke hier, door den Teekenaar, te kort verbeeld 
Is , is vyftien duim lang , en daaronder nog acht duim lang by- 
hangende losfe hairen. De koleur is mede vaal -zwart. 

De voorvoeten zyn , gelyk gezegd is , met lang byhangend 

hair 



lo BESCHRYVING van enz, 

hair tot over de knicn bewasfen , verder , gelyk de achtervoe- 
ten, vaal -zwart en kaal. De hoeven of klaauwen zyn, als van 
den gemeenen Stier, zwart, doch wat meer puntig en meerder 
gefpleeten , en elk det voeten heeft eene kleine byhangende 
klaauw, die mede zwart is. 

De Buik was flegts van weinig hair voorzien. De teeldeelen 
waren in deezen gelyk aan die van onzen Stier. 




r;ii; 



BESCHRYVING 

VAN DEN 

OOST INDISCH EN 

KROKODILLEN-DOODER, 

GENAAMD 

I C H N E U M O N, 

IN BENGAAL EN vallende, 

en levendig overgebragt in de Diergaarde 
VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PlUNSE l^AN ORANJE EN NASSAU (F, ERF- 
STADHOUDER, ERF-GOUTERNEUR , ERF- KAPITEIN- 
GENERAAL EN ADMIRAAL DER FEREENIGDE 
NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

DireÜeur der Vorjlelyke N'atuur- en Kivijl - Kabinetten en Diergaarden , Lid 

der Keizerlyke Akademie, en Korrefpondent der Koninglyke Akadcmic der 

Weetenfchappen van Parys , Lid van het Zeeuwfeh: Genootjchap der 

Weetenfchappen van Flisfmgen, en van de Hollandfehe 

Maatfchappye te Haarlem. 



* 

TE AMSTERDA A/, 

By PIETER MEIJER, 

MDCCLXXIL 




...^3-' '^ ,iS^» 



// } VlKUfy . 



NATUURLYKE HISTORIE 

•• VAN DEN 

, OOSTINDISCHEN 

K ROKODI L L E ND O ODER , 

GENAAMD 

ICHNEUMON (*). 

AA N dit berucht Diertje wierd voorheen , hy de Egyptenaa- 
rcn , Gocüykc ccrc bcweczen , wegens den dienil , dien 
zy , in de vernieling van het fchaadelyk ongedierte , van hetzelve 
genooten. 

De Grielcen en Latynen noemden het Ichneumon (^). De 
Arabieren Tezer-dea (Z'). De Egyptenaaren Ichneumon qï Miis- 
Pharaonis (r). In Afia, (want men vindt het in verfcheide 
Waerelddeelen ) heet het by den Inlander Mungntia ^ by de 
Portugeezen Mungo , en by de Hollanders aldaar Muncus of 
Miincos (^). In Ceylon Qiiil of Qtdrpele (^). In Malabaar 
Chiri (ƒ). Aan de Kaap de Goede Hoop, noemen het de 
Hollanders Muis - Hond Qg'). Wy heeten het Krokodillendooder , 

Rot 

(*) Wy verkiezeb liever in 't algemeen den bekenden naam van Ichneumon, in 
navolging van eene reeks hier aangehaalde Schryvers, te behouden , dan dien, gelyk 
de Heer de Buffon, in Mangoufte te vcrwisfelen. 

(a) Aristoteles, Hift. Anim. L. VI. Cap. r,,^. Plinius, Hift. Nat. vol. i. 
pag. 452. &. 

(è) Shaws Reizen door Barbaryen in het Ooften, I.Deel pag. 266. Nederdi. 
vert. 

(cj Prosp. Alpin, Hift. ^:gypte, pag. 234.. Tab. XIV. fig. 3. 

(d) Kaempfer, Amoenit. pag. 574. Rumphius, Herb. Amb. Tom. 7. 
pag. 69. Tab. 28. fig. 2 & 3. Valentyn, Oud en Nieuw Oofl-lnd. Tom. 3. 
pag. 293. enz. 

(e) K.ïMPFER, alsvooren, Carcias ab Hort. Aromat. Hift, 1. i. Cap. 44. 
<ƒ) P. Vincent Marie, Voyage. 

(5) KoLcE, Bef. van de Kaap de Goede-Hoop, I. Deel pag. iSS. . ^ 

A 2 



4;BESCHRYVING van eenen 

Rot van Pharao ; doch laaten het meeft den naam van Ichncumon 
behouden. Zie daar de onderfcheide benoemingen, welken het 
in verfcheide Waerelddeelen heeft, by welken men noch cenige, 
nllcen door verbafteringen ontilaan, zoude konnen voegen. 

Onderfcheide fchry veren ( ^ ) hebben , behalven de reeds by- 
gebrngte, van dit aangenaame Diertje , met min of meer onwaar- 
fchjnlyke verliaalen , gefprooken. Alle de verdichtfelen , daar 
van aan te haaien, zoude meer verveelende dan onderrichtende 
zyn , ten opzigte van den waaren aart van dit Dier. Wy verwer- 
pen dan de verhaalen dier Reizigers , welken zeggen , dat het 
den Krokodil , die met open bek te flaapen ligt, in het lig- 
haam zoude kruipen; en alsdan de ingewanden en buik door- 
knaagen. Dat het zich met eene harde korft van klei zoude be- 
dekken , om met de vergiftigfte Slangen in gevegt te treeden , en 
meer dcrgcljke. Wy volgen dan alleenlyk , en zelft nog al 

fchroom- 

, /'.. J 7 1.. . . ■•• . •: : 

(i) Icbneumon. Rat ds Pbaraon. Bel on. Obfervations , Paris lj88. pag. 211. 
& fig. 212. 
Icbneumon. Rat de Pharaon. Belon. De la nature des PoifToDS, Paris 1555. 

pag- 35 fig- pa^- 37- 

Icbneumon. five Lutra JEgypti. Al dr o van dus. De Quad. digit. Pag. 298. 
fig. 301. 

Icbneumon. Gesner. Thier-Buch. pag. CXV. fig. ib. Zurich. 156-?. 

Icbneumon. Jonston. Bcfchr. der Dieren, pag 125. Tab. LXVII, 

Icbiieumon. Charleïon. Excrcitationes, pag. 19. 

Ce'donJ'cb Kvjasje, Seba. Thef. vol. i. pag. 66. Tab. XLI. 

Mangoujte. Blffon. Hiil. Natur. Tom. XIII. pag. 150. Tab. XIX. 

Icbneumon. Rdwards. Hift, Nat. Tom. IV. pag. 199- Tab. CXCIX. y., 

Icbneumon. Watson Dicriyke waercld. pag. 145. Tab. XI. fig. 2. 

Fret. Icbneumon. Houttuin. Nat. Hiftorie volgens Linn^eus, I. Deei 
II. Stuk, pag. 248. Tab. Xlll. fig. i. 

Icbneumon. Rot van Pharao Maület Bef. van Egypte II Deel p. 90. fig. p. 88. 

Meks Icbneumon. H AssELQ^uibT, pag. 271. &. Roftock 1762. Odavo. 

Vi-je^ra Raj. Syo. Anim. pag. 197. &. 

Viverra. Icbneumon.. Linnee SylJ. Nat. pag. 6% N°. i. Holm. 1766. 

Mujlela. Icbneumon. Klein. Quadrup. pag. 64. &. 

Icbneumon. &.. Brison. Re^. Aoim. pag. 250. N°. 12. 

Icbneumon. &. Valmont DE Bomare, Diftion. d'Hift. Nat. Tom. III. pag. 
130. Paris 17Ö4. Oftavo. 



OOSTINDISCHEN KROKODILLEN-DOODER. 5 

fchroomachtig , dit verhaal, dat de Ichneumon ^ door een ver- 
giftige Slang , gekwetft zynde , en de werking van het vergift 
gevoelende , eene tegengiftige wortel zoude opzoeken , die , 
deswegens , de Mungo - wortel genaamd , en als een allerfterkft 
tegengiftig middel in de Indic zoude bekend zyn ( i ). 

Met meerder volkomenc zekerheden kan men 'er dit volgende 
van zeggen : Dat het een nuttig en menfchlievend Dier is ; want 
hoe zeer verflindende hetzelve ook omtrent Gevogelte , Eijeren 
en zelfs verfcheide andere dieren zyn mag, zo is he; te gelyk 
■nuttig , voornnamlyk in Egypten en in de Oofterfche Geweften , 
alwaar het de Eijeren der Krokodillen, met eenc ongelooflyke be- 
geerte, vcrflinclt. Alle hier aangehaalde Schryveren komen in 
dit ftuk overeen; het moet dan door een byzondcr inftinkt, 
door het Opperweezen in dit dier gelegt , toekoomen , dat het 
zich dus verflindende omtrent de A>0/('ö^//-Eijeren vei'toond. Deezc 
■dieren leggen, gelyk alle Hagedis - CoonQn ^ eene meenigte van 
Eijeren ( /t ) ^ derzelver te groote vermeenigvuldiging was dus , 
niet zonder genoegzaame redenen , te vreezen ; indien het Alwee- 
tende Vooruitzigt die door den Ichnemmn niet hadde bepaald. 
Dit dier mag dus met recht, zonder de tusichenkomll: van het 
Fabclagtige , de Krokodillen- dooder genaamd worden. Maar dit 
is nog niet alle dienil; , welken de Egyptenaaren , en andere Vol- 
keren , van hetzelve genieten , en waarom de eerftgemelden daar- 
aan meer dan hoogiichting betoonden , en nog hoogachten : Dit dier, 
zuivert hun Land verder van byna alle fchaadelyk ongedierte; 
liet zyn niet alleen de Ratten en IXIuizen; maar zelfs de giftige 
• ■ Slangen, 



O') K.EMPFER, Utf. 

(/:) Men zegt, dat, als de Krokodil van vierhonderd Eyeren, welken zy te ge- 
lyk op eene reis werpt , eenige voor de verwoedheid van dezen doodlyken vyand 
van haar gedacht wil bewaarcn, zy genood/.aakt zij dezclven naar zommi;2;e kleine 
Eilanden over te voeren, als de Nyl weder in zyne oevers gekeerd is, ten einde 
de Zon de Eyeren zou doen uitkonen. Maillet. Befchr, vanEgypten Tom. II. 
pag. 91. Nederd. vertal, 

A .-, 



ö BESCHRYVING van eenen 

Slangen , de Hagedis-foorten , en verdere min -fehaadelykc dieren ,. 
die door dit dier aangerandt en verilonden worden, 

Hoe goediiartig het ook voor den Menfch is ; want het laat 
zich zeer gemeenzaam behandelen; zo onbevreeft niet alleen 
maar zelfs aanrandende is het voor verfcheide dieren , als Kat- 
ten , Honden en zelfs het Kameel niet uitgezonderd. In drie 
verfcheidenheden , alle uit Ooft - Indie , welken zich thans in 
het Kabinet bevinden en door my levendig^ gezien zyn, heb ik 
dezelfde goedhartigheid waargenomen. 

Het voorwerp deezer Befchryving wierd den i 6. 'July i^óö^. 
door den Wel Edel-Gcftrengen Heere Thomas Hope , voormaals 
Beu'i}idhebber der Ed. Ooft - Indijche L'o?npag/rk en Keprefentam by 
gemelde Compagnie van Zyne Doorluciitigste Hoogheid, 
DEN Heere Prinse van Oranje en Nassauw enz. enz. enz, 
( aan wien \vy ter bevordering der Natuurlyke Hiftorie , by on- 
derfcheide gelegenheden, eene altoosduurende verplichting heb- 
ben) aan de Vorftelyke Diergaarde afgezonden. De zeldfiam- 
heid van dit voorwerp , in deze Landen , deed my befluiten -, 
hetzelve by my in myne Kamer optevoeden , alwaar hetzelve ;, 
naa omtrent een Jaar geleefd te hebben , ftieif. De aangetee- 
kende eigenfchappen daarvan zyn de volgende : Deszelfs ge- 
boorteplaats was Bengaaien. Het was menfchlievendc , voor 
elk even mak en handelbaar , gelyk een klein Hondje ; fpeelende 
nam het de vingers in zyn bek, zonder in het allerminftc te 
byten ; het fliep des ax'onds dikwils by my , in myn Japon zit- 
tende ; allcvley gekookt of gebraaden , doch liefft Schaape-vleelch, 
was zyn gewoon vocdfel ; brood wilde het niet eeten , doch : 
zeer graag was het naar Kersfen , Peeren en andere Fruiten , 
gelyk mede naar Eijeren , die het behendig verbrak en uitzoog ; 
het dronk ook veel. De proef willende neemen , of het ook 
levendig Gevogelte zoude aandoen , liet ik een gemeene mufch 
in zyn ruime kooy vliegen ; met eene onbedenkelyke vaer- 
digheid vong hy dezelve , en at ze met veel fmaak. Het 

fcheen 



OOSTINDISCHEN KROKODILLEN-DOODER, 



7 



(chccn voor dit diertje eene foort van vermaak, met de poot- 
jes in zyn water - balije te fpeclen. Ook liep liet \xx'ltyds , 
even als een hond , fpeclende en naar zyn ftaart bytende , in 't 
rond. Met eene ongeloollyke vaerdigheid liep en klom het overal 
op. Over dag fliep hetzelve dikwils met de kop , ftaart en pooten , 
onder het lyf geboogen; in dien flaat vertoonde dit diertje zieh even 
als de Egels (wanneer zy zich, als men hun aanraakt, willen 
verbergen); ofgelyk een halve ronde bal, zo dat men van den 
kop , en verdere deelen , niets konde zien ; doch by avond en 
des nachts was het in zyn hokje. De aart van deze diertjes 
fchynt zeer zinnelyk , nooit zag men ecnige vuiligheid op het 
lyf, en de^/cclft gevucg ueect liet altyd op eene plaats achter zyn 
hokje , dezelve was dun , zwart , en ,. als de Urin , zeer Hin- 
kende. Nu en dan maakte het diertje even als fommige Vogels , 
een piepend geluit. Op het eerfte gezigt van een klein hond- 
je knorde en blies het gelyk een Kat. Op het laatft van den Win- 
tertyd wierd het kaal boven op den flaart , en door jeukte , ze- 
kerlyk , beet hy dien , tegen allerley genomene voorzorgc , gedu- 
rig open , waar op hetzelve eindelyk , na amtrent een jaar by my 
geleefd te hebben , flicrf. 

De verfcheidenheid , gelyk de Heer de Buffon zeer 
wel zegt , is even gelyk in onze huisdieren , ongemeen ver- 
Ichillende. 'Er bevinden zich nu in de Vorftelyke Verzameling 
drie, waaronder een van Madagaskar, welken alle, met die ik 
behalven deeze gezien hebbe , in grootte en kleur van hair onder- 
icheiden zyn ; gelyk ook deeze met die van de Heeren E d wa r d s 
en DE Buffon verfchilt. Volgens den Heer E d wa r d s is 
het grootfte onderfcheid tusfchen C^kiw Ooft-hidifchen en den Egyp- 
tifchen (welke laatfte ik nog niet gezien heb) daar in beitaande , dat 
de laatftgemelde een klein kwasje aan den punt van den ftnart heeft. 
De Egyptifche , zegt deeze zelfde Schry ver , had de lengte van 
twee-en- veertig duimen , en de Ooft-Indifche zeven - en - twintig : 
Deeze , die wy hier befchry ven , was van de neus tot aan het uiteinde 

van 



8 BESCHRYVING van eenen 

van den ftaart een - en - twintig en een quart hoUandfchc 
duim. 

Hoe zeer de Rangfchikkers , ( waar over de Heer de B u f- 
F o N zich vry veel , en , op eene wyze, eenen geleerden het minfl 
j^asfende , zich tcpartydig uitlaat (/), gedurig, waar hy eenigzins 
kan , den Geleerden L i n n É e doorftrykende ) hoe zeer , zegge 
ik , zy het onder hun oneens zyn , te weeten , tot welk geflacht 
van dieren, de Ichnenmon eigentlyk behoort; alzo fommige dit 
dier te huis brengen tot Rotten , Otters , Dasfen , Wezels of 
Fretten ; zo is het echter zeker , wanneer men de kenmerken 
van hetzelve nngaat , dat dit dier het befte by de laatftgenoemde paft. 

Alles nagaande iwyfclen wy, of de aangehaalde vau Se ba (;;;) 
wel een waare Ichneumon is , en niet veeleer een Bonsfem 
( Putoriiis ). S E B A zelfs noemt hem geen ichneumon , maar 
Ceilons Qj/^sje. De kop is ook niet fpits genoeg , en de ftaart 

( des 

(O Men behoeve flcgts de Befchryving van den Heei- de Büffon, Tom. 
XIII. pa;r. 154. &. zyncr Mangoujte , die wy Ichneumon noemen, na te zien, 
om te erkennen op welk eene wyze de ongelukkige H asselquist, die, ik beken 
het, eene füut in de toe-eigening der benoeming begaan heeft; doch nog meer 
als zogenaamde Nomenclateur en als Leerling van den genoeg beroemden Heer 
LiNNF.E, behandeld word. Welke onpartydige en niet al te eer inhaalende Schry- 
ver, de ond'jrneeming van Hasselquisf, en het werk en de Schriften van den 
Heer Linnke, kennende, wei2,i.rt hun den welverdienden lofV De naam van 
den lieer Linnf.e is reeds te ver boven allen Nyd. Hy erkent gtduurig in het 
ruime veld der Natuur, door zyne verbeeteringen, zyne dwaalingen, gelyk ook 
wy zelfs in onze Schriften die getracht hebben aantewyzen. M-n befehouwe de 
onderfeheiden uitgave zyner Rangfchikkingcn ( Syjlerata) nu eens als veronderflel- 
lingen; hoeveeleja oneindige maaien heeft de Heer de Büffon, wien wy des 
niet tegenftaande hoogachten , op valfche veronderftellingen gebouwd , en die 
zelfs als waarheden voorgedraagen? Men ondcrzoeke wat wy ten dien opzicht 
van de Mier-ecters, en andere dieren, gezegd hebben, en wat wy nog, onder 
anderen, van den EIcphant zeggen zullen. Wie zou, by zulk eenen verlichten 
Schry ver, gelyk de Heer de Büffon, verwacht. -n, in zyn nieuw Werk, de Na- 
tuurlykc Hiftorie der Vogelen (pag. 46. Parys 1770. 4°. El.) de Paradys- Voge- 
len vnctenloos of zonder het gebruik der voeten, en altoos vliegende, te zien 
bcfchryvcn, gelyk zy das by onkundige en in de kinder print -boekjes verbeeldt 
worden. 

(ra) Thef. vol. i. pag. 66. Tab. XLI. 



OOSTINDISCHEN KROKODILLEN-DOODER. 9 

(des Ichneumons befte kenmerk) te dun by het lyf. Deszelfs 
geanrtheid verfchik ook met den Ichneiimon., die zinnclyk was en 
niets van zyn hok door byten befchaadigde. Seba, 't blykt, 
heeft gedwaald in de kennis der Ichnewnon ^ wyl hy dien naam 
een plaat verder bezigt , en verkeerdelyk aan een geheel ander 
dier toeeigent. 

. De Befchryving, welke de Heer Valmont de B o ma- 
re, in zyn Woordenboek, van den Ichneumon gegeeven heeft, 
ichynt met die van de Egyptifche Bergrot (^Mus Jaculus Lin- 
NÉ E ) hier en daar venvard te zyn. Althans het is zeker, dat daar 
eigenfchappen , by dien anderiins geleerden Schryver, opgegee- 
ven wolden, welken enkel cii alleen aiiQ de Berg- of Spring- Rot , 
de Gerbuah der Arabieren, eigen zyn. 

BESCHRYVING 

. VANDEN 

OOSTINDISCHEN 

ICHNEUMON. 

Tak XL 

T^ E lengte van deezen , welken wy hier befchreeven hebben , 
-*— ^ is van de neus tot het uiteinde van den ftaart , cen-en-twintig 
en een quart Rhynl. duimen. De flaart , op zich zelven , heeft 
negen duimen. Andere Ooft - Indifche , welke ik gezien heb , 
waren veel grooter, en zeer onderfcheiden in kleuren. 

De kleur over het geheele lyf is flaauw - geelachtig , onregel- 
maatig , vooral boven op het lyf, ter zyden , op de pooten en 

ftaart , 



lo BESCHRYVING van eenen enz. 

fliiart, met fyne zwarte teekening. Het hair, 't welk kort en 
digt is , is drie-kleurig , naamelyk , by het lyf flaauw-zwart , ver- 
der flaauw-geel , verder zwartiïchtig , hoewel 'er ook andere met 
flaauwe geele punten onder zyn. Onder de bek, borft en onder- 
lyf , is de hcerfchende kleur flaauw vuil - geelachtig. 

De oogen zyn blaauw, met eenen fchoonen oranje-ring. 

De ooren dun en rond , kort buiten 't hoofd-hair uititeekende. 

De neus is klein, naakt, zwait, en van vooren open. 

De tong redelyk lang , van vooren rond , en fcherp in 't aan- 
raaken. 

De tanden voor in de bovenkaak zes , ter weêrzyde een flag- 
Umd, verder drie andere, en, zo veH ik ;^iVn knnde, twee kie- 
zen. Onder in de kaak voor in , ook zes tanden , ter weêrzyde 
een groote flagtand , vier andere en drie of vier kiezen. 

De ftaart ( des Ichneumons befte kenmerk ) is digt by 't lyf 
zeer dik , en loopt dun af, en 't hair eindigt in eene fyne punt. 

De voor- en achter - klaauwtjes hebben vier redelyke groote 
zwarte nagels, en wat hooger, aan de binnen zyde, een byhan- 
gende Nagel. De twee middelde zyn de langde, zy zyn als 
door een vliesje aaneen gehecht , 't geen echter maar tot aan het 
eerfte lit komt. De voctzoolen zjn naakt en zwart. 

De balzak is zeer gi-oot ; daarentegen de fchacht zeer klein. 

De opening of beurs boven den aars , hoe zeer de Schryvers 
ook daar van fpreeken , heb ik niet gevonden. 

EINDE. 



BE SCHRYVING 

VAN EENEN ZELDZAAM EN 

OOSTINDISCHEN 

NOG NIET BESCHREEVEN 

BOS CH-HO N D, 

IN CEYLON VALLENDE, 

BESCHREEVEN EN UITGEGEEVEN DOOR. 

A, V O S M A E R, 

DireCieur der Forjielyke Natuur- en Kimft - Kabinetten en Diergaarden , Lid 

der Keizerlyke Akademie., e?i Korrefpondent der Koninglyke Akademie der 

Weetenfchappen van Parys^ Lid van het Zeetiwfche Genootfchap der 

Weetenfchappen van Flisjingen, en van de Hollandfcht 

Maatfchappye te Haarlem, 

* 
7 E AMSTERDAM,- 
By PIETER MEIJER,, 
MDCCLXXIIl 



.» 



t:,:-. xji. 



\ 







V'OtVx :cv:^:3i.';i':T:c-' :u""ii t;:--::^j; 






NATUÜRLYKE HISTORIE 

VAN DEN 
CEYLONSCHEN 

BOSCH-HOND. 

DE onderfcheide foorten van Wolven , Vosfen en Hon- 
den, grenzen zo na aan elkander, da: 'er eene meer dan 
oppervlakkige befchouwing noodig is , om fommige derzelven 
behoorlyk te onderfcheiden. Tot nog toe heeft niemand deeze 
deelen der Natuurlyke Hifborie beter tot dat einde behandeld , dan de 
Heeren de Buffon (^) en Daubenton. De Ontleed- 
kundige befchouwingen van den laacflen verfpreiden een onöntbee- 
rend licht , 't welK de fchilderkunftige Tafereelen van den eerftge- 
melden volmaakt opheldert. By deeze overeenkomflige doch 
wezendlyk verlchillende fooiLtn moet nog de Hyana , doch 
voornaamelyk de Jakhals QChacal^^ gevoegd worden. Dit laat- 
fte dier, zo bekend in fommige deelen van Europa, Afia en 
Africa, is nog niet genoeg bekend aan onze Natuurkundigen. 
Den Heer L i n n É e , fchoon hy dit onder het Geflacht der Hon- 
den brengt , ontbreeken kenmerken (F).' En Buffon ontbreekt 
eene afbeelding (c), waarfchynelyk het vel, waarna Dauben- 
ton zyne befchry ving gemaakt heeft , daartoe niet volkomen ge- 
noeg in order geacht hebbende. Zie daar dan het geflacht van 
dieren, waartoe deeze Bofch-hond^ welken wy hier befchry ven » 
als eene verfcheidenheid of verfchillende foort behoort. 

Zonder 

(a) Hift. Nat. Tom. F. pag. 185. Tom. VIL pag. 39 6? 75. Tom. IX. pag, 362. 

(b) Syjt. Nat. Tom. 1. pag. 59. N''. 7. 
(c;) HiJL Nat. Tom. XI IL pag. 255. tfc 

A 2 



4 BES CHRY VING van eenen 

Zonder my in te laatcn, over de onderfcheide foorten van 
I londcn en derzelver verbafleringen , in liet onderzoek , of de Her- 
ders - hond het eerfte ras kan opleeveren ; dan , of die eene 
verbaftering , ofwezendlyk, als eene eerfle foort , kan, of moet 
aangemerkt worden ; zonder in dit onderzoek te willen treeden , 
geef ik deezcn onder de benoeming, gelyk ik dien ontfingen 
hebbe, iraamelyk, van Geylonfche Bofch-hond. Het naafte, 
waartoe dit voorwerp te brengen is , fchynt my den Hond , wel- 
ken de Heer Linnée de benoeming van Corfac (<«?) gegee- 
ven heeft, en die zekere ftreeken van Siberiën bewoont. De 
lengte van de Haart (welke in deeze afbeelding echter wat al 
te hing verbeeld is) in vergelyking van de kleinheid van het dier, 
't welk my toefcheen volwasfen te zj'n , maakt dit foort aan- 
merkelyk , en onderfcheidt het aanftonds , met meerdere ver- 
fcheidenheid in foort, van bovengemelde dieren, naamentlyk, 
van den Wolf, Vos en Jakhals. 

Naardien dit vreemde dier niet , dan volmaakt wel opgezet , reeds 
^ang dood geweeft zynde , onder myn oog gekomen is , en men 
■van deszelfs geiiartheid niets heeft konnen ontdekken , ben ik 
buiten ftaat aan de kennis der Natuur - Hiftorie ten dien opzichte 
meerder licht by te zetten. Wy kunnen echter niet nalaaten de 
verfchuldigde erkentenis te bcwyzcn aan den Heer A. de 
K L E Pv K , genoeg bekend by de Liefhebberen in Zeeland , Am- 
fterdam en elders , door zyne Verzameling , zo van ongemeen 
fraaije opgezette vogelen , als van viervoetige en andere dieren , 
welke , eenigen tyd geleeden , door hem aan een Engelfch Heer 
verkogt en nu in Londen te zien zyn. Door zyn Ed. , die my dit 
dier, ter afteekening en befchryving, met eenige andere toezond, 
ben ik onderricht, dat het zelve van Ceylon , onder de benoe- 
Jising van Bofch-hond^ gekomen is. De kennis van dit dier, 

door 

;{(i) Sj;/i. A'aJ. Tm lil. Appeniix pag 523. 



CEYLONSCHEN B O SC H-HOND. 5 

door een goede afbeelding opgehelderd, voegt wederom eene 
fchakel aan de kennis der natuurlyke weezens , welke mea 
met verwonderinge befchomven moet. „ ._ . . ,. ... .i.:<.j 

B E S C H R Y V 1 N G 

-' VAN DEN 



n.Qr. 



CEYLONSCHEN 



- .'J/L 



B O S C HHON D. 

T^b. X I L 

DE grootte is iets mcêr, dan eene gemeene Hiiis-kat. De 
lengte , van de neus tot aan den ftaart is , in deezen ftand 
zittende , over den rug met een touw gemeeten , twee-en-twintig 
en een halve duim. Die der ftaart, welke in de afbeelding 
wat te lang verbeeld is , heeft zeftien en een vierde duim. Hoog, 
van den grond tot op den rug , in eenen loopenden ftand , negen 
en een halve duim. 

De grondkleur van dit dier is geelachtig afch-kleurig , met 
donkerder en lichter bruine hairen vlakkig doorweeven. De 
voor- en achtervoeten zyn , byna, geheel bruin. De ftaart, hoc 
meer naar 't einde, hoe donkerder. Hier en daar, vooral langs, 
den rug, fchynt het bruin zich als ftreepachtig te willen ver- 
toonen. De buik is afch-kleurig. Het geheele dier is dik- 
hairig, niet wollig, doch zagt in het aanraaken. 

De kop, die, in lengte en fpitsheid , wel wat naar dien van 
€en Das gelykt, is over de Heus, boven - bek en oogen, tot 

.._. ... A 3 digt 



6 B E S C H R Y V i N G van enz. 

digt by de ooren en onder 'dén bek , bfuinkleurig. Boven op 
het hoofd is de kleur afch - geel ; deeze kleur loopt voorby de 
ooren en maakt onder dezelven als een vlak; verder daalt zy 
tot tusfchen de oogen , daar die als in een punt uitloopt. On- 
der de oogen, op de wangen, zyn mede lichtkleurige en lang- 
werpige vlakken. 

De neusgaten zyn ter zyden halvemaanswyze open. Voor 
aan de bek heeft dit dier zeer veele en zwartbruine kneevel-hairen, 
en twee zulke hairen flaan aan eiken bira^^nkantlchen hoek van 
het oog. 

In een rechte lyn van den hek , ter weerzoden van het hoofd , 
vertoont zich ook zulk een enkeld hair, gclyk mede onder aan 
den bek, zeer verre naar achteren. 

De oorén zyn- ecnigziiis puntig en öpll:aand€ , i"fte£ brume 
hairen bedekt. 

De oogen . . . . . ? , De tong ? 

De tanden zyn voor in den boven - bek zes. Daarop volgen 
twee flagtanden , en verder, (zo ver ik in dit opgezet voorwerp 
zien kan) ter wederzyden, vier zeer puntige kiestanden; doch 
ik denk dat 'er meer zyn zullen , welke , door den te naauw- 
geflooten bek, niet zigtbaar zyn. Onder in den bek zyn mede 
zes kleine voortanden , ter wederzyden met een groote flagtand 
bezet, die tusfchen de bovenfte flagtand en de kleine infchiet. 
In elke zyde der onderkaak tel ik vyf puntige kiestanden , die 
beurtelings , de bek toe zynde , tusfchen de bovenfte infchieten. 
De klaauwen van dit dier gelyken meer naar die van eene Kat, 
dan naar die van eenen Hond; hoewel de nagels niet zo lang 
Eoch zo fcherp zyn. 

De voor- en achtervoeten zyn in vyf klaauwen verdeeld, 
welker nagels klein, doch plat en breed aan haar grondbeginfcU 
krom en puntig uitloopende, en wit zyn. 
De Sexe heb ik niet kunnen onderfcheiden. 

EINDE. 



BE SCHRYVING 

VAN EENE ZELDZAAME 

OOSTINDISCHE 

NOG NIET BESCHREEVEN 

EOSCH-KAT, 

IN JAPAN VALLENDE. 

BESCHREEVEN EN UITGEGEEVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

DireEteur der V^orftelyke Natuur- en Kimfl - Kabinetten en Diergaarden , LiS 

der Keizerlyke Akademie^ en Korrefpondent der Koninglyke Akademie der 

Weetenfchappen van Parys, Lid van het Zeeuwfche Genootfchap der ' 

Weetenfchappen van yiisjingen, en van de Hollandfche 

Maatfchappye te Haarlem. 

* 

7 E AMSTERDAM, 

By PIETER MEIJER,, 

MD C C L X X I I l 



7 ' '""-^ 


r~\ 


-— >r 


r4 


,-' 


V 


'^, ., J 


■^i 


VU.. 



/ "■■■ ■") è''^ ' 



"^. 



iC3^- 



i j. 



.^/^r.'.XIIZ 



'-^h 



iS^^^l 




<^ /.. 'vj,vi::;ri„!.i' ,-ir.ak'. 






N AT U U R LY K E HISTORIE 

V A N D E 
JAPANSe HE 

B O S C H - K A T (^> 

HE T is merkwaardig , dat bet gemeen gcflacht van de 
Katten, welke doch onder ds huislyke dieren dienen 
geteld te worden, zo weinig verandering, in tegenftclling van 
andere, gelyk de Honden, ondergaan heefr. Het groocfte ver- 
fchil, 't geen 'er, tusfchen de Wilde- en de Huys Kat, te vinden 
is, beflaat in den dikken ftaart, die, van de Wilde Kat, aan het 
einde ook dik is, en niet, gelyk van de Huis -Kat, dun en pun- 
tig uidoopt. In welk gedeelte der waercld deeze dieren ook 
overgebragt zyn ; zo wel in de Oude als in de [\ieuwe waereld- 
deelen ; zy hebben derzelver algemeene kenmerken genoegzaam 
behouden. Die van Angora (^) is, door de lange hairen, het 
meeft onderfcheiden. Het is , in zeekeren zin , waar, 't geen de 
Heer de Buffon van de Kat zegt, dat men dezelve maar 
als half- domeftique dieren kan aanmerken ; vermits zy onder 
geenen dwang , ten minflen niet , dan zeer bepaald of zeldzaam , 
onder gehoorzaamheid kan gebragt worden ; in dien zin leeven zy, 
even gelyk de Rat en Muis , onder ons , in eenen redelyk viyen 
ftaat. De meefte onderwerping aan den wil van den Meefter, 
die ik van eene Kat gezien heb , was , dat zy , na veele ca- 
resfes en wel geftreeld te zyn , even gelyk de Hond , door eenen 

Hoepel 5. 

( * ) W') behben voorheen , in onze Dierbefcbryving , de Bizaam-Kat van de 
^aap de Goede Hoop , een Kat • foort genoemd. Onder bet opmaaken van deeze Be^ 
fcbryving keeren wy daar van te rug, en brengen die liever tot de Cibet, Civet 
en Genet van den Heer o e Buffon, Tom. IX. pag. 299. &c. of tot de We. 
^ E L /oorten CViverra) van den Heer L i n n É E Edic. Duod. ref, pag, 63. Vol, I. 

(a) Buffon Hiji. Nat. Tom. Fl. pag. 48. Tab. V. 

• A 2 



4 BESCHRYVING van eene 

Hoepel, door den nrm of in elkaêr geflagen handen van den 
Meefter , fprong. Uit haar zelven geeven zy dilcwils blyl^en van 
behendigheid en vernufc. lic heb eene Kat gekend, welke eene 
kleine kas in de keuken , waarin de fpyzen bewaard wierden , door 
eenen houten wervel geüooten , wift te openen : zy vatte den houten 
knop tusfchen haar' pooten , en wreef dien zo lang tusfchen de- 
zelve, tot de wervel verfchoof en losfprong. Op een Landgoed 
van mynen Neef was een Kat , die des avonds, de deur geflooten , 
in huis willende zyn, behoorlyk aanklopte. Toen ik dit de 
eerde maal hoorde, en men my zeide dat het de Kat was, 
wilde ik zulks niet gelooven ; dan op eenen anderen avond daarop 
pasfende wierd ik wel dra van de waarheid overtuigd. De 
ingang van dit Landhuis was van vooren met eene aan wederzyden 
opgaande Stoep , onder welke de huisbedienden door eene deur 
met eenjge nedergaande trappen , ter zyden door eene fteenen 
Rollaag bepaald , het bcneeden - huis ingingen. Die beneeden 
deur had eenen gewooncn kk)pper;de Kat, des avonds in huis wil- 
lende zyn , ftak haar poot ( ter zyden op de fteenen Rollaag zittende) 
onder den klopper, dien opligtende, en liet hem weder vallen; 
dit met eenige tusfchenpoozingen zo dikwils herhaalende, totdat 
zy wierd ingelaaten. Men ziet, uit deeze bygebragte ftaaltjes , dat 
zy, niettegenftaande haaren norsfen en byna onbuigzaamen aart, 
vatbaar voor vernuft zyn. 

Dit voorwerp dcczer befchryvlng zyn wy, gelyk dat van den 
Ooft-Indifchen Bofch - hond , verplicht aan de vriendelykheid van 
den Heer A. de Klerk, welke , by deeze zyne gewoone be- 
leefdheid , ons nog het volgende , ten opzichte der Natuurlyke 
Hiftorie, heeft gelieven mede te deelen. 

Dit dier was in den Jaare 1765. met de Ooft-Indifche Sche- 
pen overgebragt, en aan het Schip, door de mede genomen 
zwangere moeder geworpen. Het had, tot op de aankomft van 
het Schip, nog gezoogen. Het was buitengemeen tam en goed- 
aartig; anders was 'er niets zonderlings aan te ontdekken, dan 

het 



JAPANSCHE BOSCH-KAT. 5 

het geluid , 't geen zeer zwaar was , en meefl overeenkomende , 
met dat van eenen grooten Kater, wanneer die in benaauwdheid is. 
De nagels, en de kokers van dezelve, waren ook ongelyk langer , 
wanneer zy die uitftrekte , dan van de gewoone Huis - Kat. Dit 
dier, zegt de Heer de Klerk verder, fcheen zynen volko- 
men wasdom nog niet bereikt te hebben, vermits het nog dage- 
lyks in grootte toenam, geduurende den tyd van twee of drie 
maanden, die het hier te lande geweeft was; na welken tyd het, 
ongelukkiglyk , door een Rytuig wierd overreeden. 

- B E S C H R Y V I N G : 

• VAN DE :. ... 

JAPANSCHE ^ - 

BOSCH-KAT. 



Tal>. X I I L 



■-f! 



DE grootte is nagenoeg als eene gemeene Huis • Kat , waar- 
mede het in gedaante ook volmaakt overeen komt. De 
flaart alleen is wat korter, zynde maar tien en een vierde duim 
lang. In opzicht van kleur, komt deeze zeer naby aan die foort, 
welke , by ons , onder de gemeene benoeming van Cyperfche Kat 
bekend is. De kleur van het geheele lyf is flaauw - geelachtig , 
licht grijs , met zeer veel zwart doormengd , zo , dat zig dit zwart 
even als dwarsflreepjes vertoont. Op den rug maakt dit zwart 
als een' breeden zwarten ftreep, die zig ook boven over den 
ilaart ( die anders aan den onderkant ligt - grys is ) uitbreidt en 

A 3 aldaar 



e BESCHPvYVING van en z/, 

aldaar negen halve banden , en ói^n punt geheel zwart mankt. 

De voor- en achterpootcn zyn , doch meelt aan den buiten- 
kant , zeer fraay zwart geflreept. De boril: en het onderljf zyn 
licht -grys. De kop heeft op het voorhoofd ook als kleine naar 
achteren loopende zwarte ftreepjes; verder, naar achter luopen- 
de, vermengen zij zig meer. 

De ooren zyn dun , puntig , opflaande en fyn lichtbruin 
hairig. Onder, by de borlt, of op 't einde van den hals, ftaan 
ook twee byna tot een toeloopende zwarte halfronde Itreepen. 

De oogen zijl als die van de gemeene Cyperfche Kat. 

De tong ? 

De voorpooten zijn gewapend met vier witte fcharpe kromme 
nagels , en één' die wat hooger ftaat , en die het dier kon in- 
trekken. 

De achtervoeten hebben 'er mede vier, waarvan de middelfte 
veel vooruit flaan. 

De tanden zyn onder en boven , voor in óen bek , zes in ge- 
tal , aan weêrzyden door twee groote flagtanden bezet. 

De Kiezen aan ieder zyde, zo boven als onder, zo ver ik 
in dit voorwerp konde zien , waren drie of vier. 

De neusgaten zyn van vooren open. De boven - lippen met 
zwarte en witte fyne knevelhairen bezet. Boven de binnenfte 
hoek van de oogen , en ter zyden op de wangen , flaan ook 
eenige knevelhairtjes. 



EINDE. 



BESCHRYVING 

VAN DE ZO ZELDZAAME als ZONDERLINGE 

A A P - S O O R T, 

GENAAMD 

ORANG-OUTANG, 

VAN HET EILAND B O R N E O. 

Leevendig overgehragt in de Diergaarde 

V A N Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

BEN HEERE PRINSE VAN ORANJE EN NASSAUIV, ERF- 
STADROUDER, ERF-GOUrERNEUR, ERF-CAPITEIN- 
GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 
NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

BESCHREEVEN EN UITGEGEEVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

Directeur der Vorjlelyke Natuur- en Kunfi ■ Kabinetten en Diergaarden, Lid 

der Keizerlyke Akademie , en Korre fpondent der Koninglyke Akademie der 

Weetenfcbappen van Parys , Lid van bet Zeeuwfcbe Genootfcbap 

der Weetenfcbappen van Vlisfingen , en van de Hollandjcbe 

Maatfcbappye te Haarlem ^ enz. 

TE AMSTERDAM, 

by pieter me ij er, 

MDCCLXXVIIL 



Ti^ xn' 




•' ' •'•••y-"--— 



'alP^i:^!^ - or-TAi^iT. 



^/' jr^iii.,. 



r,ti.jv. 




.!> ff 



ii^üTl'i: ö:DÏS€S[E OILAITG-örT-^J^C-. 



NATUURLYKE HISTORIE 

VAN DEN 

O R A N GO U T A N G, 

VAN 

B O R N E O (*). 

DE verwonderlyke Aap-Soort in Afie, Orang-Oiitang genoemd, 
'c welk Bofch - Menfch betekend, en ten blyk ftrekt, dat 
zelfs de Indiaanen overeenkomende eigenfchappen in dit zonder- 
linge fchepzel met den menfch ontdekken, is (hoe gebrekkig 
ook ) zo menigvuldige maaien door Natuurkundige en Reizigers 
befchreeven , dat wy de aanmerkelyke lyft daar van , by den 
Heer de Buffon aangehaald , nog met verfcheiden zouden 
konnen aanvullen. Dan vermits het , naar ons begrip , meer 
verwarring dan opheldering veroorzaakt, alles aan te haaien wat 
flegts zylings , en niet regtftreeks , behoort , tot een voorwerp , 
'c welk men ter befchryvinge onder handen heeft , zo ver- 
genoegen wy ons hier met flegts aan te haaien die Schryveren , 
welken, naar het ons toefchynt, dit zelfde voorwerp ten doelwit 

hebben 

(*) TüLPtus, Stityrus Indicus. Orang-Outang. Obfervat. Med. lib. 2 Cap. 56. 

fig ibid. 
Idem. De Hollandfche Vertaaling. Geneeskundige Waarneemingen , bladz.^l^- 

en bygevoegde fig. Gedrukt 1740. in 8". 
Tyson, Orang-Oütang, five Homo Sylvejleris of Pygmie. , Lond, 1699 4*'. 

fig. 1 , 2. ^c. 
Edwards, l'Homme Sauvage. Glanures Tom. I. pag. 6. fig, 213. 
Buffon, Jocko. Hijt. Nat. Tom. XI(^. pag. 43 Tab. i. 
LiNNÉE, Satyrus. Simia ecaudata ferrtiginea , lacertorum pilis rever fis , 

natibus teSlis. Syjt Nat. Edit. Xll. pag. 34. iV*^. i. 
Houttuin, Satyrus. Aap zonder Jt aart , van onderen" kaal. (Dit laatjle 

gezegde is in navolging van Linnée zyne X. Druk) Natuurlyke Hijtorie 

I. Deel. i. Stuk bladz. 354. Tab. VI. fig. i. 

A 2 



4 BESCHRYVING van den 

hebben gehad ; een voorweip , 't welk wy leevendig gezien , 
gehad , en in alle omflandigheden waargenomen hebben. Wy 
verwerpen dan in dit geval de ellendige gedaante , welke de an- 
derszins geleerde en beroemde Bontius (<^) daar van gegee- 
ven heeft, met de verhaalen van anderen, die het verwonde- 
renswaardige van dit ichepzel , gelyk zyne wezenlyke grootheid , 
vergroot hebben , zelfs zo , dat men , de graaden van onderfcheid 
naauwlyks kunnende bemerken , den Menfch haafh met hetzelve 
zoude verwarren. 

De Africaanfche van Angola , door den beroemden Burge- 
meefter Tulp bcfchreeven , zynde omtrent den Jaare 1640 
aan Zyne Doorluchtige Hoogheid den Prinse Fi<.edehik 
Hendrik vereerd, komt, onzes bedunkens , het alleniaafte aan 
het voorwerp dezer befchrj'vinge, zo in de gedaante als ineigen- 
fchappen en grootheid. Alleen zou men konnen zeggen, dat 
de armen en beenen, van die van Tulp, zwaarder en dikker 
gefpierd waren, gelyk in de Afbeelding, welke merktekenen 
van echtheid draagt, kan gezien worden. De voor en achter 
voeten fchj-nen ons echter in dat voorwerp eenigzins te kort 
en de vingers te fpits afloopende. 

Doftor Tyson heeft in 1699 eene ampele Befchryving in 
het Engelfch, ongetwyfeld van dit zelfde fchepzel doch mede 
uit Africa , gegeeven , en dezelve met acht onderfcheide plaaren 
opgehelderd. In de twee eerfle zien wy het geheele dier, 't welk 
een mannelyk foort was , zoo van vooren als van achteren , dan 
in fommige deelen fchynt de tekenaar niet gelukkig geOaagd 
te zjTi. De ooren zyn te groot en te wyd afttaande, de neus 
is veel te verheeven , de groote teen der achtervoeten is te lang 
en genageld , welke nagel wy by drie van onze voorwerpen niet 
gevonden hebben. De twee volgende plaaten vertoonen het dier, 
zo van vooren als van achteren, in zyne fpieren. De vyfde 

verbeetó 

(a) Bontius Hi/i. Nut. Ind. pag. 84. fg. ibiL 



o R A N G-o U T A N G. «5 

verbeeld het geraamte , en de drie volgende , de inwendige 
deelen. Deze ontleedkundige Afbeeldingen zyn door de Meeren 
B u F F o N en verfcheide anderen met lof geroemd , en de Heer 
Da UBEN TON, wiens naauwkeurige dicrlyke Ontleedingen nog 
geen weergade gevonden hebben , heeft dezelve in zyne Befchry- 
ving overgenoomen. 

De Heer Edwards geeft in zyn Werk over de Natuur- 
lyke Hiftorie der Dieren , hier aangehaald , de Befchryving 
en Afbeelding ook zekerlyk van deze zelfde foort, welken hy 
voor eene Africaanfche fchynt te houden. De Afbeelding is 
vry goed, voor zo verre zy niet naar een leevend voorwerp 
gemaakt is, en de groote teen der voeten verbeeld hy ook ge- 
nageld, 't welk onze Afiatifche niet heeft, gelyk wy zo even 
gezegd hebben. 

Eindelyk heeft de Heer de Buffon alle mogelyke vlyt en 
oordeel aangewend , om ons dit twyfelachtig fchepzel te doen 
kennen , en daar toe by gebragt al wat de voornaamüe Schry- 
vers des aangaande gezegd hebben. Hy belchryft de foort, 
die hy gezien heeft, onder de benoeming van Joc/^o, en fchynt 
hem in zyne Hiftorifche Befchryving insgelyks den Nagel op de 
groote teen der achter voeten te geeven. De Heer DAUBENTOisr 
zegt , dat die mede uit Africa van de kant van Jngola af komflig was. 
Mogelyk is die nagel dan een onderfcheidend kenmerk der Afri- 
caanfche, van de Afiatifche. De Afbeelding, welke de Heer 
de B u F F o N van de 'Jocko geeft , en dien hy dezelfde acht te 
zyn met die van Tulp, Tyson en Edwards, flroo^.t 
geheel niet met de Afbeeldinge van die Schryveren , welken 
meer naby met onze Afiatifche overeenftemmen , en waar van 
de verfchillen mogelyk alleen aan het begrip of oog-punt van de 
befchouwing der Kunflenaaren zullen te wyten zyn. Het v/eezen 
is in deszelfs Jocko te menfchlyk, door dien de neus te ver- 
heven en de lippen al te dik verbeeld zyn. De ooren fchynen 
ook wat te groot en de palm van de handen of voorvoeten wac 
te kort. As N^ 



6 BESCHRYVING van den 

Na de vier voornaamfte Schryvers , welke opzettelyk over dit 
onderwerp gefchreeven hebben , te hebben aangehaald, achten wy 
het dienftig (voor dat wy de Natuurlj'ke Hiflorie en befchryving 
van ons voorwerp mede deelen ) hier nog eenige aanmerkingen 
ter neer te ftellen , waar toe ons , de gemaklyke gelegenheid 
van ons voorwerp te befchouwen , en de tyd dien wy het onder 
ons oog gehad hebben, genoegzaamc a:mleidinge konde geeven. 

De Orang-Outaag, hei voorwerp dezer Verhandeling, is zekerlyk 
dezelfde foorc als die welke aan Zyne Doorluchtige Hoogheid 
Frederik IIendriiv Prinse van Oranje en Nassauw is vereerd, 
door den I leer Tulp befchreeven , en dus de tweede welke leevend 
in Holland is gezien. Onze hier aangehaalde Schryvers zyn , 
of fchynen in het denkbeeld , dat deze foort maar zeer jong en 
nog onvolwasfene dieren geweeft zyn ; dan ik heb eenige reedenen 
om daaraan te twyfelen. Van waar komt het dan, dat alle die 
voorwerpen maar ruim de lengte van twee , of twee en een halve 
voet , gelyk de onze , gehad hebben , en 'er geene grooter 
overgebragt zyn , welke door haare grootheid zekerlyk meerder 
verwondering zouden baaren ? Deze , welke ik hier voor- 
neeme ce befchryven , heb ik by zyne aankomft verfcheide- 
maaien gemeeten , en had de hoogte, rechtovereind flaande, 
van twee en een halve Rhynlandfche voeten; overleeden zynde, 
nam ik andermaal , dezelve behoorlyk uitgerekt zynde , de 
maat , en bevond , tot myne verwondering , dat die eerder 
iets korter dan langer was , een klaar bewys , dat deze in den tyd 
van zeven maanden , welken hy hier geleefd heefc , niets gegroeid 
is. Ik beken , dat men van de uiterlyke tekenen altyd niet 
zeker kan oordeelen over den ouderdom , vooral in de dieren , 
anderszins gaven het uiterlyk aanzien, en vooral de tanden, 
die vry groot en volmaakt geformeerd waren, geenszins eenen 
onvolwasfenen leeftyd van dit dierlyk wezen te kennen. Dan wy 
behoeven ons hier met geene gisfingen op te houden; wy heb- 
ben hier omtrent ontleedkundige Waarneemingen te wachten, 

van 



ORANG-OUTANG. 7 

van den Hoogleeraar P. Camper, die reeds in den Jaare i 770 
een dergelyivc Vrouwelyke foort als deze van Borneo in vvyngeefl: 
overgezonden , heeft ontvangen , en welke door hem is ont- 
leed, in Scelet gebragt, en over welke hy in dat zelfde Jaar 
openbaare Lesfen voor zyne Studenten gehouden heeft, waar 
van een affchrift onder my beruft. De Ingewanden waren, 
ter verzekerder bevryding voor bederf, uit zyn voorwerp geno- 
men , doch dit gebrek hebben wy in twee bezendingen van on- 
derfcheide voorwerpen aan zyn Wel Ed. getracht te vergoeden. 
De fpraak- en andere deelen zyn door gemelden Hoogleeraar reeds 
in zyn ontvangen voorwerp onderzugt, in zyne Ontleedkundige 
Lesfen verhandeld, en zelfs in Brieven aan den Heer de Buf- 
FON (Z') en aan my (c), de^iiangaande befchreeven, in welke 
zyn Ed. tracht aan te toonen, dat de fpraakdeelen volftrekt on- 
gefchikt waren om te kunnen fpreeken. De Heer Camper 
zegt ook in zyne Collegiale Les , dat de groote teen der achter 
voeten by zyn voorwerp ongenageld was. 

Betreffende de vraag, aan my mcenigvuldigmaalen gedaan, of 
deze foort de waare Orang-Outang is? Ik beken voormaals vol- 
ftrekt in twyfel geweeft te zyn , voordat ik onze leevende gezien 
had. Te vooren ingenoomen met de denkbeelden , welken de 
Schry veren , gelyk de Geleerde B o n t i u s en anderen (waar 
van eenigen 'er byna een Menfch van gemaakt hebben) ons van 
de gedaanten, grootheid van vyfenzes voeten, en het overeind 
gaan , gelyk den Menfch , gaaven , behielden die denkbeelden en 
gezegdens daar omtrent van voornaame Mannen eenig gezag over 
myne twyfelingen : Ik zogt den Menfch in het Dier; als zo 
dikwyls (gelyk noch onlangs ) het Dier in den Menfch gevonden 
hebbende. Dan nu , door de befchouwlng van het leevende 
fchepzel, waar toe ik het zelve een Maand by my gehouden 

hebbe} 

(&) Supplément d VHiJtoire Naturelle Tom. UI pag. 144. 
Qc) Brief aan my gejcbreeven den 4. Mey 1771. 



8 BESCHRYVING van den 

bebbe ) viiide ik my overtuigd , vermits deze , hoewel een Aap 
zynde en blyvende, te veel in fommige declen , en in geriartheid, 
vnn de overige Aapen verfchüd. De indrui<zelen , welken myne 
denkbeelden van de gedaanten, grootheid en het rechtöpgaan, 
ontvangen hadden, zig dan allengs verliezende in de belchouvving 
van ons voorwerp ; want wat doet etgentlyk de grootheid , wat 
de denkbeeldige en mogelyk herlenrchimnjige gedaanten , en zelfs 
het rechtöpgaan ? zien wy niet da^elyks op onze Jaarmarkten , 
éiz verrichten, door de allergemeenlte kleene Aapen dus geleerd; 
wat doet dit alles , wel in gezien zynde , ter zaake , of ter bellis- 
fmge , of deze de waare Orang-Outang zy of niet : weinige Jaaren 
geleeden , en nu nog onlangs zag men eene redelyk gemeene 
Aap-Soort , op de koord , recht over eind gaande zyne Kunften 
verrichten. Welke verwondering baarden het niet , wanneer hy 
op de koord geklommen, zig tusfchen het kruis nederzette, 
zyne achtervoeten van zelve uitftak om die , van onderen , met 
kryt te laaten beftryken. Vervolgens den Balansftok in zyne 
voorpooten neemende, zag men hem zo goed als den wel be- 
dreevenften koord -danfer, op de koord voortloopen, en meer 
dergelyke Kunften met eene verwonderenswaardige naauwkeurig- 
heid verrichten. Men heeft den Elephant, Paarden, Honden, 
en verfcheide andere zeer verfchillende Dieren , verwonderende 
bekwaamheden , in aangeleerde Kunften , zien vertoonen , van 
welken het wel gedresfeerde Kanary- Vogeltje, op eenige onzer 
Jaarmarkten , by my het meeft van allen verwondering verwekt heeft. 
Doch men moet , in dit alles , de aangeleerde Kunften , van de wee- 
zenlyke natuurlyke verrichtingen van het Dier, onderfcheiden , 
en hier door den trap, in het wezenlyk oordeel van het 
fchcpzel , trachten te ontdekken ; dan daar toe was zekerlyk de 
befchouwing van den natuurlyken ftaat , en de leevenswyze dezer 
Dieren in de bosfchen , noodig. Het komt hier dan maar alleenlyk 
aan, of wy kenmerken in dit fchepzel vinden, zo in gedaanten 
ajs geaartheden , welke eenigzins van de gemeene Aapen ver- 

fchillen , 



o R A N G - o U T A N G. 9 

fchillen , en den Menfch , eenigzins , nader by komen : wy 
denken met den beroemden Geneesheer Tulp, ja; en gemerkt 
'er, volgens Tyson zyne Ontleding, deelen in deze zyn, meer- 
der overeenkomende met het menfchlyke , ten anderen , verfcheide 
zyner dadelyke verrichtingen, fpooren van menfchlykheid ver- 
toonen. Of 'er nu, den menfch nog meerder naby komende foort 
of foorten , gevonden worden , daar aan heeft men reden genoeg 
te twyfelen , gelyk myne Leezers verder zien zuilen ; althans 
men heeft my op veelvuldige aanfchryvingen , naar Ooft- en 
Weft- Indien , in eene verloopene reeks van 20 Jaaren gedaan, 
nog geene andere, dan deze, konnen bezorgen. 

Behalven de overleedene Gouverneurs van Neerlands-Indiën , 
■de Edele Heeren Mossel en Van der Par ra, aan wiens 
gedienftige beleefdheden de Kabinet- Verzameling ecne ongemeene 
verpligting heeft, en die my meer dan eens de onvindbaarheid 
bedeelden van den OrangOutang, naamelyk , met die gewoone 
eigenfchappen en grootheid , gelyk vroegere en laatere Schry vers 
hun befchreeven hebben. Behalven de gezegdens van die 
Heeren zegt de Heer W. va n H o g e n d o r p, Refident 
op Rjembang-^ (die zig opzettelyk met de nafpooring dien 
aangaande heeft believen te belaften) in eenen Brief aan my van 
Batavia den 13 71% 1774. „ Dit kan ik zeggen, dat de 
„ Orang'Outang ^ van de grootte die UwEd. my heeft opgegee- 
„ ven , hier nooit gezien is , en men twyfeld of die wel in we- 
„ zen is ; men heeft hier fomtyds O rang - Outangs van minder 
„ grootte , dan tegenswoordig zyn 'er geen ". In eenen naderen 
Brief van 25 September deszelven Jaars vinde ik het volgende in 
het Franfch. „ En attendant Monfieur , j'ai Thonneur de vous 
„ envoyer un Orang - Outang , non tel que vous m'en avez de- 
„ mande de cinq pieds , qu'on doute pouvoir trouver , mais un 
„ qu'on dit être aflez joli , & qui a de l'efprit comme un Dé- 
„ mon. J'ai fait écrire par un de mes amis h Banjer -ISIafjin^ 
„ pour vüir fi l'on peut m'en procurer un grand ; & dut il 

B „ couter 



io BESCHRYVING van den 

„ couter mille écus , vous l'aurez , s'il eft k trouver. Monfieur 
B u F F o N , tout grand homme qu'il eft , me paroit battre la- 
Campagne dans fon Article des Orangs ■ Outangs ; celui dont 
parle Tulp écoit du nouveau Monde". In eenen Brief kort 
daar op volgende zegt zyn Wel Edele , my 'er , door een byzonder 
geluk, twee leevendige te konnen zenden , doch beide deze zyn,. 
niet tegenftaande alle voorzorge, onderweg op de reis geftor- 
ven. Van deze twee heeft men maar één op het Schip in Wyn- 
geeft of Arak konnen bewaaren , die my ook is toegezonden; 
dezelve^ hier overeind ftaande gemeeien, had nog de grootte 
niec van twee Rhynlandfche voeten , de andere was , volgens 
bericht, niet veel grooter. In een nader fchryven van 30 A^o- 
vember deszelven jaars , zegt de gemelde Heer : „ Je me flatte 
„ que vous aurez re9u vivants les deux Orangs • Outangs &c. 
Je crains bien Monfieur, qtie je ne pourrai point vous en- 
voyer un Orang-Outang ^ tel que Monfieur de Buffon Ie 
décrit , & que vous fouhaiteriez l'avoir ; voici ce qu'écrit , 
k Monfieur van der Beke, (kqui j'avois donné la com- 
milTion de s'informer chez fon Parent , après un fi grand 
Orang-Outang ,') Monfieur Palm, Refident de Banjer- Maffin^ 
ce que vous prouvera, que j'ai faili l'occafion d'en avoir un,- 
fi la chofe eft poflible. 



>» 



i") 



Extrait de la Lettre. 

„ Wat aanbelangt de Orang-Outang , die Uw Ed. verzoekt,, 
daarom ben ik zelfs naar Cajoetangie geweeft, en hebbe den 
Vorst op het minfaamft verzogt my, des raogelyk zynde,. 
daar aan te helpen , die my ook beloofd heeft daar na te laa- 
ten zoeken, doch onder betuiging , dat die Dieren, vangrootte 
als^ Uw Ed. meldt , namelyk 5 voeten , zeer zeldzaam te be- 
, komen zyn: ook zeggen my de Oudfte Inlanders, nooit van 
5 zulke groote Orang- Outangs gehoord te hebben :. Echter 
5- hebbe ik regts en links Commisfie gegeeven "o 

Voegt 



ORANG-OUTANG. m 

Voegt men nu , by deze aan my medegedeelde Berichten , nog 
de volgende opmerking, dat die van Tulp, Tvson, Edwards 
en DE BuFFON, alle , niet groorer dan twee h twee 
en een halve voeten geweeft zyn , dat de Edele Heer Va n 
DER Parra, in zyn Ed, leeven Gouverneur te Batavia my 
in 1773. de eerfte in Liquor heeft gezonden, al mede niet 
grooter dan ruim twee voeten: Dat de twee in 1774 o ver- 
gezondene van den Heer van Hogendorp mede maar 
twee voeten en zelfs minder geweeft zyn: dat dit voorwerp 
dezer Verhandeling maar twee en een halve voet groot geweeft 
is: Dat die, welken de Heer Camper in 1771. uit Ooflindie 
heeft ontvangen , volgens het aan my gedaan bericht , ook al , eer 
kleiner dan grooter geweeft is : Dat de Hoogleeraar A l l a- 
mand, eenige Jaaren geleeden, 'er mede een van omtrent die 
grootte heeft ontvangen; zo dunkt my de gegrondheid myner 
gevolgtrekking genoeg beweezen , naamelyk , dat 'er in de Ooft- 
Indien geene andere noch grooter foort van Orang-Outangs zyn , 
dan die welken wy thans befchryven zullen ; want het gezegde 
van den Vorst van Cajoetangie, dat die dieren ter 
grootte van vyf voeten zelden te bekomen zyn , acht ik in de- 
zen opzicht minder , dan dat van de Oudfte Inlanders , als waar- 
fchynlyk des kundiger, en die betuigen nooit van zulke groote 
Orang-Outangs gehoord te hebben ( * ). Men voege by dit alles 
nog deze onze eigene waarneeming , waarvan wy reeds gefpro- 
ken hebben , naamelyk , dat wy de waare grootte van deze Orang- 
Outangs by haar aankomft, met alle mogelyke opleitenheid 

gemeeten 



(*) Na de volvoering dezer Befchryving, hebben wy het genoegen gehad den 
Heer Duléz, geboortig van Bern in Zwitzerland , te ontmoeten, welke eenige 
Jaaren als Militair Officier op Sorneo gcwctft is, nu onlangs van daar t'huis gekomen. 
Zyn Wel Ed. Geftr. dezen Orang-Ouiang op het Vorftelyke Knbinet ziende, 
verzekerde my, wel kleiner van die zelfde foort, doch nooit grooter daarvan gezien 
te hebben, daarby voegende dat dtze dieren aldaar zelfs niet zeer gemeen zyn» 

B 2 



t2 BESCHRYVING van den 

gemeecen hebben , en dezelve , regt overëindftaande , nier hoger 
dan twee en een halve Rhynlandfche voeten bevonden. Dat' 
wy na derzelver overlyden, het dier wederom in eenen recht- 
ftandigen ftaat Hellende, met alle behoorlyke omzigtig- en oplet- 
tenheid dezelve andermaal op het naauwkeurigfl: meetende, 
met verwondering bevonden hebben, derzelver hoogte eer iets,, 
doch van geen aanbelang , korter te zyn , dan twee en een halve 
Rhynlandfche voeten: dus is dezelve in de zeven Maanden van 
haar hier zyn niet het allerminfte gegroeid, 't welk, was deze 
een jong en nog groeijend dier geweefl:, zekerlyk zigtbaar ge- 
beurd zoude zyn, gelyk wy zulks by verfcheide andere dieren 
der Diergaarde waargenomen hebben. En waarom zyn 'er dan, zo als 
wy insgelyks gezegd hebben, geene grooter overgebragt, gelyk 
van andere bekende Aapfoorten, daar de grootheid doch altyd 
meerder verwondering en oplettenheid veroorzaakt ? Van alle 
de Tien , hier zo even opgenoemde , Orang-Outangs , zyn eenige 
minder en geen een , myns wetens, hooger , dan twee en een halve 
voet, geweeft. De Geneeskundige Bontiüs meld niets van 
de waare grootte zyner Orang-Outang^ dan hy geeft te gelyk- 
geene reden om te denken , dat die grooter geweeft zy. Voegen 
wy nu by deze elf voorbeelden van grootheid dezer dieren , het 
getuigenis van de Heeren van Hogendorp, van der Palm, 
en D u L E z , gelyk mede onze waarneeming , dat die der Vorfte- 
lyke Diergaarden, na een verblyf van zeven maanden, niets 
gegroeid is ; zo heeft men een bewys van niet minder dan veer- 
tien of vyftien waarneemingen , zo van Afiatifche als Africaanfche, 
tegen de gewaande grootheid van vyf en zes voeten , welke 
eenige Schryvers aan deze Dieren geeven. 

Na dus meer dan twintig Jaaren vrucbdoos alle poogingen 
aangewend te hebben , om den waaren Orang - Outang te ont- 
dekken ( * } , waar toe de reeds gemelde Edele Heeren Gouverneurs 

en 

(*) Wy zeggen hier, den waaren OroTz^ OzffAwg , als voorheen door dC' Schryvers- 

io 



o R A N G-o U T A N G. 13 

en de Heer van Hosendorp zig alle mogelyke moeite 
gegeeven hebben, gelukte het eindelyk den Heer O. L. Hem- 
MY, Tweede en Opper - Koopragn van de Kaap de Goede 
Hoop , ( thans tot myn leedweezen overleeden ) my dezen Orang- 
Outang levendig voor de Vorflelyke Diergaarden over te zen- 
den. Volgens eenen daarby zynden Brief van de Heer Hemmy, 
gedateerd 29. February 1776, was dezelve reeds een Jaar ge- 
leeden van Batavia gezonden door deszelfs Zoon, den H'eer 
Onder-Koopman C. Hemmy, met by voeging van eenige geaart- 
heden van het Dier, waarvan wy (Iraks nader fpreeken zullen, 
en dat die van Banjermajjin (op het Eiland Borneo') afkomftig 

Op den 29 Jiwy van het gepas feerde Jaar 1776, gaf men 
my kennis van de behouden aankomft. Verblyd met de aangenaame 
tyding en het eerfte gezicht van een hier zo zeldzaam leevend 
overgebragt Schepzel , gaf ik order om hetzelve zo na mogelyk 
by my te plaatfen , ten eirade gelegenheid te hebben om het ge- 
makkelyk te betrachten. Het aldus een geheele Maand , vol- 
maakt wel by my gehouden hebbende, zag ik my genoodzaakt 
het naar de Diergaarden te zenden, vermits den toevloed der 
nieuwsgierige dagelyks zo ontzaglyk toenam, dat het niet mogelyk 
was het dier langer by my te houden. Wegens de geaartheid en 
verdere eigenfchap konnen wy, met zekerheid, het volgende op- 
g'reven. 

Hetzelve wns van de vrouwclyke Séxe. Met alle mogelyke 
oplettenheid hebben wy de gewoone veranderinge (ecmlement 
périodique') in dit voorwerp niet konnen ontdekken, noch dat 
zy, gelyk andere Aap -foorten, het eeten terzyde by de keel 
kon veibergen. Zy was van eeneonbegrypelyke goedhartigheid , 

■ - nimmer 

in het gemecne denkbeeld gebragt , dat zulks een Dier was, byna van niénfchlyke 
gedaaHte en grootte; op dien voet zogtcn wy naar zulk een Schepzel, en dit is 
zekerlyk de reden gewecfl, als uiec in v/czen zynde , waardoor wy niet gtflaagt c 
:zyn. . 

B, 3 . 



ï4 BESCHRYVING van den 

nimmer heeft men haar eenige blyk van kwaadaartigheid zien 
toonen , men kon haar veilig de hand in den mond fteeken. In liaar 
uiterlyk aanzien had zy iets droevigs , doch in alle haare omftandig- 
heden kon men zulks niet bemerken. Zy beminde het gezelfchap 
van menfchen , zonder onderfcheid der Kunne te maaken , alleen 
gaf zy de natuurlyke voorkeur aan die haar dagelyks oppaften 
en goed deeden , en toonde alleen aan deze meerder bewyzen van 
vriendfchap. Somwylen als deze heenen ging, gooiden zy zig, 
aan de ketting liggende , als uitgelaaten op den grond , fchreeuwde 
jammerlyk en fcheurde alle by zig hebbende doeken aan ft ukken, 
als zy alleen was. Haar Oppasfer fomtyds de gewoonte heb- 
bende, by haar op den grond te gaan zitten, nam zy eenige 
reizen eenig hooy, daar zy op fliep, fchikten dat naaft haar, en 
gaf alle blyken van verlangen , door hem aan te zien , dat hy 
nevens haar zoude zitten. Eens op eenen tyd by haar komende , 
vond ik den Oppasfer in groote verlegenheid. Het Dier lag 
aan een yzeren ketting met een ring aan eene lange yzeren opftaande 
ftaaf Ik vond hem opftaande , met den Aap op zyn borft , hem 
onbeweegbaar vaft houdende met de voor- en achter voeten, 
alles was vruchtloos om haar los te maaken, eenige aarbeijen 
op een fchoteltje aan haar laatende zien , liet zy eindelyk los en 
kwam af om die op te eeten. Hy had , volgens zyn zeggen , 
by haar gezeeten , zy was hem op de fchoot gekroopen en had 
hem toen dus vaft gehouden zonder eenig leed te doen , in dien 
ftand had hy al eenigen tyd geftaan, tot ik gelukkig kwam en 
hem verlofte, en hy had moeite gehad om overeind te komen. 

Haare gewoone wyze van gaan was op alle vier voeten , gel^'k 
andere Aapen , doch zy kon ook regt overeinde op de achter- 
voeten gaan. Een goede ftok hebbende , ftond zy dikwyls , 
daarop leunende, zeer lang op de achtervoeten; doch zetten de 
voeten, gelyk de menfch , nooit plat neer, maar buitenwaards 
omgebogen , zodat zy op de buitenzykanten der achtervoeten 
ftond , de vingers naar binnen getrokken , 't welk eene gefchiktheid 

aan 



o R A N GO U T A N G. 1^5; 

sanwees tot het beklimmen der boomen. Zy lag vafl: aan een 
foort van ledere halsband , om den hals valtgemaakt met een 
hangflootje en redelyk lange yzeren ketting , en was dus op een 
zolder ondereen zeer hoog dak gehuisveft. Eens op eenen mor- 
gen by haar komende , vonden wy haar losgebrooken , zig dien 
halsband over het hoofd gehaald hebbende, zy klom met eene 
verwonderenswaardige vaardigheid tegen de fchuinfche balken en 
latten van het dak , en vier menfchen hadden meer dan een uur 
werks , om haar weer , en den halsband over 't hoofd te krygen. By 
deze gelegenheid , waar by ik zelfs wilde helpen , befpeurden wy 
eene meer dan gewoone kracht in derzelver Spieren ; men kreeg 
haar met zeer veele moeiten op den rug op den grond , twee 
flerke menfchen hadden werk met de voeten, een derde met 
het hoofd vaft te houden , en de vierde met den halsband , 
weer over het hoofd te brengen en naauwer te fluiten. By dit 
los zyn had zy onder anderen een gekurkte fles , waar in eenige 
Mallagawyn was , geopend , leeg gedronken , en weder op de- 
zelfde plaats neder gezet. 

Zy at genoegzaam alles wat men haar aanbood. Haar gewoone 
fpys was brood , wortelen , inzonderheid geele peen , alle vruch- 
ten , vooral Aardbefien ; maar byzonder was zy gefield op het 
Aromatiqut als pietercelie-wonel of pietercelie. Zy at ook ge- 
kookt of gebraaden Vleefch en Vifch. Zy was , gelyk anders de 
andere Aap-foorten zyn, geen lief hebflier van Infeden te eeten, 
haar eens een groote Spin en groote Vlieg geevende, beet zy 
die dood , en als proevende, fmeet zy die weg. Ik gaf haar 
eenen leevenden Vogel, eenMufch, zy nam het touwtje, 't welk 
om de poot van de Vogel gebonden was, doch zy fchrikte als hy 
begon te vliegen. De Mufch, te ruuw door haar behandelt, 
beet haar in den arm , waarvan zy insgelyks fchrikte en zeer 
gevoelig fcheen. Eindelyk neep zy hem dood, plukte eenige 
veeren uit het lyf, beet 'er in en proefde het vleefch, doch. 
fiaeeE hem^ ten eerüen. weg : in de Diergaarde, sn. reeds zeer 

2iek. 



1-6 BESCHRYVING van den 

ziek zynde , heb ik haar eens , zeer weinig , raauw vleefch zien 
eeten , doch met geen blyk van fmaak. Een raauw Ey aan haar 
geevende , beet zy er een gat in en zoog het met veel fmaak 
uit. Volgens bericht van de Kaap had zy aldaar eens cenige 
potten met verf leeg gegeeten , waardoor zy zeer ziek wierd, 
doch door het ingeeven van een flefch zoeten oly, en eenige 
klyfteeren, herftelde zy zeer fchielyk. Gebraaden vleefch en 
vifch at zy zeer fmaaklyk. Men had haar geleerd met een 
lepel en vork te eeten ; gaf men haar aardbeficn op een bord , 
dan was het aartig te zien hoe zy dezelve, een vooreen, met de 
vork in den mond (tak , terwyl zy het bord of fchotekje in de 
andere hand of poot vafl: hield. Haar gewoone drank was water, 
doch zeer graag dronk zy allerley wyn en byz^)nder Mallaga; 
gaf men baareen flefch, zy trok 'er de kurk met de hand af en 
dronk 'er zeer wel uit, gelyk mede uit een bierglas, en gedaan 
hebbende, veegde zy, even gelyk een menfch , de lippen 
af, hetzy enkeld met de hand of met een doek. Gaf men haar, 
gegeeten hebbende, een pennetje, zy ploos 'er zig de tanden 
mede uit, even gelyk een menfch. Zeer behendig haalde zy 
brood of andere dingen uit de zakken. Men heeft my verzekerd, 
dat zy op het Schip veel los liep , en onder en met het volk 
fpeelde , en als het volk het gewoone Rantzoen by den Kok 
haalde , zy ook zulks voor haar ging haaien. 

Met het vallen van den avond ging zy flaapen. Was het voor elk 
verwonderenswaardig haar te zien eeten en drinken; meer verwonde- 
renswaardig was het, wanneer zy zig ter ruft begaf Zy Hiep niet graag 
in haar hok , uit vrees , naar her my toefcheen , daarin opgeflooten 
te zullen worden. Zig ter rufte willende begeeven , fchikte zy 
het hooy waar zy gewoonlyk op zat, fchudde het op en br gt 
meer hooy by een , daar zy met het hoofd op lag , leidde zig 
meeft op de zyde neder en dekte zig met een kleed , ( want was 
zeer kouwlyk , fchoon op de Kaap reeds aan een koeler climaat , 
■dan in de Ooft , gewoon ) warm en wel toe : fomwylen hebben wy 

haar 



ORANG-OUTANG. if 

haar iets zien doen , 'c geen ons , vooral de eerfïemaal dat wy 
het zagen , ten aüerhoogften verwonderde. Haare ruftplaats 
dus naar gewoonte gemaakt hebbende, nam zy eenen by zig heb- 
benden linnen doek , fpreide dien op den grond regelmatig en glad 
uit , toen nam zy eenig hooy en leide dat in 't midden van den 
doek, trok de vier punten van den doek 'er over en by een, 
nam het voorzigtig op , bragt het op haar bed , ging 'er met 
het hoofd op leggen , het dekkleed over haar lyf trekkende. 
Over dag fliep zy nu en dan , doch zeer weinig. Veeltyds 
zittende, omhing zy zig met het een of ander dekkleed, dikwyls 
over het hoofd , doch ook fümwyien alleenlyk om den hals en om 
hef lyf, als voor haar nog te koud zynde; hoewel het Zomer en 
zeer warm was ; in dien ftand maakte zy eene zeer aartige figuur. 
My eens het flootje van haar ketting met een fieutehje met veel 
oplettenheid ziende openen en naderhand wcèr (luiten , zogt zy 
een kleen dun fliukje by zig leggend houd , ftak het in het flootje, 
draaide het om en weder om , en zag of het flootje open ging. 
Met eene fterke yzeren ketting aan eene lange yzeren ftaaf liggende , 
tegen welke zy dikwyls te hoog op klom en op een balk kroop, 
liet ik, om zulks te beletten, een der fchakels van de ketting 
met een yzeren kram in de vloer vafl: flaan. Eens eene groote 
fpyker ter lengte van vyf duim , op eene onbegrypelyke wys , 
uit een der zykanten van haar hok gehaald hebbende, probeer- 
de zy met dien fpyker de gezegde yzeren kram uit de vloer te 
trekken, die fpyker juift daartoe even eens als eenen hefboom 
gebruikende. 

Men gaf haar eens een zeer jong Katje, zy berook het overal, 
vooral aan den aars , ('t welk zy den Vogel ook gedaan had , en 
byna aan alles deed wat men haar gaf) dan dit Katje wat te ruuw 
behandelende , zo krabde hetzelve haar op den arm , toen 
fmeet zy hetzelve weg, haar arm beziende en wilde hetzelve niet 
meer aanraaken. 

Haar water op den grond gemaakt hebbende, waar zy zat, 
f^. C nam 



i8 BESCHRYVING van den 

nam zy forntyds een doek en veegde het zeer fchoon op. Eens 
waterde zy in de hand en dronk hetzelve , hoewel zy kort te 
vooren gedronken had. 

By derzelver eerfte aankomft wierd zy in eene Kamer ge- 
plaatft, digt by een Noteboomen Kabinet, verfcheidemaalen nam 
zy eenen by zig hebbenden doek , en veegde met denzelven , zeer 
zindelyk , het flof van den voet van het Kabinet. 

Dikwyls eenige Heeren gelaarft by haar komende, nam zy, 
fomwylen , een by haar liggend aichbezempje en veegde de Laar- 
fen zeer fchoon af. 

Zeer handig maakte zy de Gespen der Schoenen van de by 
haar komende Heeren los , zo goed als een Knegt zulks konde 
doen. 

Alle knoopen in touw als anders , hoe vaft en hoeveel ook 
gelegd, maakte zy, zeer behendig, met de vingers, of als die 
te vaft waaren , met de tanden los , doch , om die te raaaken , 
fcheen zy geen begrip te hebben. 

Iets willende hebben , waar zy met de zogenoemde handen niet 
by konde komen, leidde zy zig achter over met de rug op 
den grond, en greep met de uitgeftrekte achtervoeten dat geene, 
't welk zy anders niet konde bereiken. Somwyl bediende zy 
zich daartoe ook van eenen langen doek , en floeg 'er zo lang na 
tot dat zy het by zig kreeg. 

Een glas of bakje in de eene hand , en een ftok in de andere 
hand hebbende, had men veele moeiten om haar zulks af te nee- 
men , gedurig zulks ontwykende , en met den ftok flaande , om 
't zelve te behouden. 

Zy maakte nooit eenig geluid, dan alleen zynde, in die om- 
ftandigheid zweemde het begin naar dat van eenen jongen tjen- 
kenden Hond , daarna was het zeer grof en fchor , 't welk ik 
nergens beeter by weet té vergelyken , dan by dat van eene groote 
Zaag , die hout zaagt» 

Zy bezat eene meer dan gewoone kragt , gelyk reeds gezegd 

is. 



ORANG-OUTANG. 19 

is , doch deze was inzonderheid zigtbaar in de voorvoeten 
of handen , die zy , gelyk alle andere Aap-foorten , tot alles ge- 
bruikt, daar mede groote zwaartens op ligtende en wegfchui- 
vende. 

Haar afgang beflond, gezond zynde, in lange ronde ftukkcn. 

Eene allerbyzonderfle eigenfchap, en zo ver my bewull: is, 
nog van geen dier , dan by dir , waargenomen , is deze : 
Pvlen fpoog haar, in de Diergaarde nog gezond en wel zyn- 
de , in de hand , zy bekeek het en likte het op , kort 
daar op zag men haar ook eenig fpcekzel in den mond vergaa- 
ren , en in haar hand fpoegen , zo , dat geen menfch het natuur- 
lyker konde doen , de fpoeg was fchuimende , als die van een 
menfch. Dezegevallige ontdekking, is my door mynen geëerden 
Vriend, den Heer J. Tak, Med. Doctor te Leyden^ goedgunllig 
medegedeeld. 

Na dit verwonderende voorwerp, gelyk gezegd is, vier wec- 
ken zorgvuldiglyk by my bewaard hebbende, zond ik het zelve 
den 2 8 Jiily deszelven Jaars met alle mogelyke voorzorge , in 
eene daartoe expres gefchikte plaats in de Diergaarde. Eenige 
maanden aldaar redelyk wel geweefl: zynde , wierd het arme Dier 
in November ziek , ( volgens eene loflyke gewoonte dezer Dier- 
gaarden ) , zy zat te beeven met eenen vry fterken afgang , dan 
eene kleene gift van Rhabarber fcheen alles te herftellen. Maar 
dit duurde niet lang , want kort daarop verviel zy in eene zeer 
triefle en uitteerende ziekte , van welke zy den 2 2 Jamiary 1777 
(lierf. Volgens bericht kreunde zy eenigen tyd voor haar dood 
zeer fterk , waarop de gorgel in de keel en eenige doodfnikken 
volgden , na dus omtrent zeven maanden hier geleefd te hebben. 

Gevoeglyk zouden wy hier onze eigenlyke Befchryving van 
dezen waaren Orang - Outang , naar gewoonte , doen volgen , dan 
eene Aanmerking van den Heer G. F o r s t e r in het //. Deel 
zyner Reïze rondom de Weer el d , X.Q Londen'mhQt Engelfch'm 1777 
uitgegeeven, verdient hier deze korte wederlegging, terwyl wy 
• . ..... C 2 andere 



20 BESCHRYVING van den 

andere naamlooze prulfchriften geen antwoord waardig achten, 
Wy zeggen dan maar eenvouwdig , zonder zyn zo onvoorzigtig 
als onedelmoedig voorbeeld , van lage onwaarheden , te volgen , 
dat zyn Ed. in allen deelen ( vry waarfchynlyk op een valfch 
bericht ) bezyden de waarheid fpreekt , in zyne Noot op het ftuk 
van den Orang-Outang. Alle de omllandighede.i na het over- 
lyden van het Dier voorgevallen ( 't welk opgevuld in 's Prinsen 
Kabinet, met volkomen goedkeuring geplaatfl: is) zyn te wyd- 
loopig om hier aan te haaien , de blyken der hooge goedkeuring 
van myn gedrag, in deze zaak gehouden, kan eik, zulks ver- 
langende, by my en zelfs in onzydiger plaats zien. Het fcheeld 
dikwyls zeer veel , hoedanig men eene zaak voordraagt : juift is 
dit hier het geval. Ik heb , in den ftrikiilen zin genoomen , alleen 
dat geen doen geeven , 't geen ik beloofd had , het Kabinet 
vorderde dit zeldzaame Schepzel , myn Opzetter, wezendlj-k 
een zeer bekwaam Konflenaar , zoude elk , die hem zulks verg- 
de, zekerlyk gezvvooren hebben , (doch elk zal hem lichtelyk 
gelooven) dat hy dit Schepzel , zonder den kop en de pooten aan 
het vel te behouden , niet konde opzetten : mogelyk weet de 
Heer Fors ter daartoe eenen aan ons onbekenden raad: We- 
gens de befchuldigingen en gevolgtrekkingen van zyn Ed. die my 
raaken ; deeze worden hem vergeeven , als vry ongelukkig mis- 
leid zynde, met toewenfchinge , dat zulke onwaarheden geenen 
invloed op de Leezers zyner Reize mogen hebben ; vermits de 
meeften veel al vorderen , dat een Reiziger de zaaken die hy 
verhaald, dikwyls van meer dan eene zyde befchouwd, en wat 
verder ziet , dan zya Neus lang is. 



BESCHRYVING 



ORANG-OUTANG. 21 

BESCHRYVING 

VAN DE 

OOST-INDISCHE 

ORANG-OUTANG. 

Tab. XIV. Tab. XV, 

De hoogte van dien , recht opftaande gemeeten , was twee en 
een halve Rhynlandfche voeten. By haar aankomen hier 
te Lande, was het Dier vooral niet maager, maar zeer wel in 
het vleesch, hoewel de armen en beenen in geenen deelen zo 
dik gefpierd waaren als de Geleerde Tulpius ons die in zyne 
Afbeeldinge voorileld , doch de buik was, vooral als zy zat, 
even eens , zeer zwaar en dik uitgezet. De tepels der borften 
( zy was van de Vrouwelyke Sexe ) waaren kleen en digt by de 
oxels. De navel in den buik was zeer menfchlyk. 

De voorvoeten of armen waaren van de oxels tot het einde 
der middelfte vingers 23 duim. De hand op zig zelve tot het 
einde der middelfte vinger 7 duim. De middelfte vinger drie 
en een halve duim lang. De eerfte wat korter , de derde iets 
langer, de vierde of pink veel korter, doch de duim is nog 
veel korter. Alle de vingers zyn drieledig, de duim is maar 
tweeledig, zy zyn alle met een zwarte ronde nagel voorzien. 

De beenen waaren van de heup tot den grond 20 duim, 
doch bet dybeen fcheen my in evenredigheid veel korter dan 
het fcheenbeen. De voorvoeten vlak op den grond ftaande, 
waaren van achter van de hiel tot het einde der middelfte vinger 
©f teen , 8 duim. De teenen der voeten zyn korter , dan de 

C 3 vinger.9. 



^la 



BESCHRYVING van den 



vingers der voorvoeten , de middelfte is ook iets langer , dan de 
andere, doch hier is de duim-teen veel korter, dan die der hand 
of voorvoeten. De teenen zjn eeven als vooren, zwartkleurig, 
genageld , doch de duim - teen , welke maar tweeledig is , is 
vülftrekt in vier my bekende voorwerpen van deze Afiatifche 
foort, ongenageld: Mogelyk is dit een onderfcheiden kenmerk 
der Amerikaanfche , welker duim-teenen of groote teenen gena- 
geld fchynen. 

De binnenfte zyde der voor- en achtervoeten is geheel kaal 
en zonder haair met een redclyk zagt vaal zwart vel bekleedt, 
doch na de dood en in haar ziekte was dit vel reeds veel wit- 
ter geworden. De vingers der voor- en achtervoeten waarcn 
insgelyks zonder haair. 

De billen waaren niet kaal noch verceld , gelyk by andere 
Aapfüorten, doch men kon geen billen, noch kuiten aan de 
beenen befpeuren , gelyk mede geen het minfte bewys van (taart. 

Het hoofd is van vooren geheel met een kaal muisvaalkleurig 
vel bedekt. De bek of mond (leekt, hoewel niet zo veel als 
by de Baviaan-foorten , wat vooruit, doch zy kon die te gelyk 
zeer veel vooruit (T:eeken en intrekken. De mond of bek is 
gelyk by de meefte Dieren zeer wyd. Rondom de oogen , de 
lippen en kin was het vel wat vleefchkleuriger. De oogen zyn 
blaauwiichtig bruin in het midden zwart. De oogleden hebben 
zo wel onder als boven, kleene uitileekende haairtjes. Boven 
de oogen is eenig haair ; doch men kan het niet wel wenkbraau- 
wen noemen. De neus is zeer plat ingedrukt en breed naar 
onderen. De voor - tanden in het boven kaakebeen zyn vier in 
getal , daar op volgt aan weerszyde eene opene plaats , en daar 
op aan elke zyde eene hoektand die langer is , en daar op aan 
ieder zyde drie kiezen, waarvan de achterfbe de grootfte is. 
In het onder kakebeen heerfcht dezelfde order. De tanden zyn 
zeer menfchlyk , en gaaven door hunne groote en breedheid eenen 
volgroeiden leevensftaat te kennen. Binnen in de boven bek, of 

het 



> 



ORANG-OUTANG. 



23 



het verhemelte , is de koleur zwart, onder de tong integendeel 
vleefchkleurig , het tandvlcefch rondom de tanden en kiezen van 
het onder-kaakebeen is mede zwart. De tong is lang, van voo- 
ren rond , glad en zagt. De ooren zyn kaal en zeer menich- 
lyk, doch kieender dan die by anderen verbeeldt worden. 

Byderzelver aankomll had zy geen haair, dan een bruinkleurig 
op het achterlyf , op de armen , dyën en beenen , boven of achter 
op het hoofd op de borft en buik was genoegzaam geen haair, 
het vel was muisvaalkletirig. Op de armen bemerkte men de- 
zelfde ftrekking van het haair , waarvan Dr. Tyson fpreekt , 
namelyk , van de fchouder tot den elleboog liep het nederwaards, 
en van de handen of voorvoeten opwaards tot aan den elleboog. 
Op den aannaderenden winter kreeg dit Dier veel meer haair , het 
hoofd was nu ( in welke tyd zy door den Konflfchilder , den Heer 
Haag, is afgebeeld) vry digt, met bruin geeler kort haair 
bewasfen. 

De rug , borfl: en alle verdere deelen van het Dier , waaren 
nu veel fterker met dergelyk licht kaftanje kleurig haair begroeid^ 
zo dat het een geheel ander Dier geleek. 

De langfte haairen bevond ik, op den rug, drie duim lang. 




3 



BESCHRYVING 

VAN DE NOG GENOEGZAAM ONBEKENDE EN 
EEN DER GROOTSTE SOORT VAN 

H ARTE-BOKKEN, 

G E N A A M T 

C O U D O U; 

VAN DE KAAP DE GOEDE HOOP, 

Foor de eerflemaal, in europa , levendig overgebragt 
in de diergaarde 

VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID 

DEN HEERE PRINSE VAN ORANJE EN NASSAUïF, ERF- 

6 TADHO UDER , ERFGOUFERNE UR, ERF CAPITEIN- 

GENERA JL EN AD X: IR AAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. eiiz. enz. 

BESCHREEVEN EN UITGEGEEVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

Raad yan gemelde Zyne Doorl. Hoogheid , Directeur der Vorftelyke Natuur, en 

Kunft- Kabinetten en Diergaarde., Lid der Keyzerlyke Akademie , en Korre s- 

pondent der Kojiinglyke Akademie der Weetenfchappen van 1'arys , Lid, 

der Koninglyke Akademie van Madrid , van het Zeeuwfcïie Ge- 

tiootfchap vati Vlisfingen en Hollandfche Maatfckappye 

te Haarlem, enz, 

TE AMSTERDAM, 
,Bir DE Ervbn P. M e ij E R en G. WA R N A R S, 
MDCCLXXKlll 



~N - \ 






A \ i A " A A -^ -: ci :i 



yT//. jTv; 




. { . 'Af.-AV.Ïtf/i.TV/' 



C OUD OU van de Kaap de Goede JIoop. 



NATUURLYKE HISTORIE > 

' . V A N D E 

AFRICAANSCHE COUDOU. 

TAE Graaf de Buf f on, fchynt nog in het onzekere geblee- 
^-^ ven te zyn , omtrend eene der allergrootfte foort van 
Harte-Bokken welke tot heden bekend is. Het hoofd alleen, 
met de hoornen , was zyn Ed. maar onder 't oog gekoomen. De 
Heer B a u r h i s , Commis in den Zee-dienft , had hem naderhand 
eene hoorn van die fraaije Dier , onder de benaaming van Condoma 
van de Kaap de Goede Hoop , ter hand gefteld , welke benaa 
ming hy dus met recht aan hetzelve liet behouden. My is ech 
ter die benaaming , tot dat Dier betrekkelyk , nimmer voorgekoo 
men, maar in tegendeel zints veele Jaaren die van Coudou 
waarfchynlyk heeft gebrek aan genoegzaam geheugen , de waare 
en naar myn denkbeeld Hottentotfche , benaaming van Coudou 
in die van Condoma veranderd of verbaflerd. 

Vrywaarfchynlyk is deze Coudou het waare Dier waarvan 
Gesnerus(^), in navolging van Cajus, alleen den kop 
met hoornen afbeeld. Doch het is geenzints de onbekende Bok , 
die KoLBE in zyne Befchryving van de Kaap de Goede Hoop (/») 
opgeeft, en duidelyk met een fik of baard en rechte hoorns 
afbeeld, gelyk de Heer de Buffon (f), de Coudou, niet 
leevend gezien hebbende, verönderfteld. 
. U Aldrovandus (^) geeft, gelyk Gesnerus, het 
hoofd met hoorens, in navolging van Cajus, doch de ver- 
beelde 

^' (ö) Gesner, de Qucul. p. 255. Idem Hoogduitfche uitgaave gen. Thitf' 
huch. Siirich 1^62- fol. pag. 6-j. 

(6) KoLBE, /. Deel, pag. 170. met ee?te Afbeelding Hoil. uitgaan f tl, ■ 
,. ^c) Tom. 12. pag. 301. Idem Daubenton, Tom, 15, pag, igz^ 

(d) De Quadrup, Bifukis , pag. 740. Bon. 1^42, 

Aa 



4 BESCHRYVING van de 

beelde bochtige omwending der hoorens is mingelukkig als by 
Gesner, en hun dier is, gelyk de Heer Buffon te recht 
aanmerkt , geenzints de Strepficeros der ouden , maar waarfchyn- 
lyk deze Coudou, welke Cajus, en zyne volgeren,, dus tea 
onrechte de Strepficeros genaamd hebben. 

De hoorens, welke de Heer de Buffon, voor die der Cou- 
dou afbeeld en befchryft (e), zyn ook geenzints van de Cou- 
douy maar die van den Eland van Kolbe, thans onder zyne 
landbenaaming van Canna bekend , en welk zeldzaam Dier wy in 
het volgende Stukje van ons werk befchryven. 

Het Dier , 't welk wy heden onder zyne rechte benaaming van 
Cöw^ü« nader doen kennen, is het allerëerfle, van dat foort,. 
*t welk leevend in Europa, en alhier in de Diergaarde van Zyne 
Doorl. Hoogheid W I L L E M den Vyfden gezien is. Eenige 
Schry veren hebben daarvan , min of meer gebrekkige Afbeel- 
dingen en Befchryvingen gegeeven , in zo verre het voorwerp 
hun bekend of toegefchikt toeliet, gelyk wy by elk derzelve 
hier navolgende aanteekenen. Dan geene dier Afbeeldingen kan 
in allen opzicht met meerder oplettenheid volvoerd zyn, dan 
deze hier bygevoegde door den Heer Schouwman, welke in 
voorzeide Diergaarde naar het leevendige Dier geteekend is. Dit 
ons gezegde berufl: op het oordeel van alle des kundigen welke 
het leevend Dier , en alle de onderfcheidene Afbeeldingen daar- 
van gezien hebben. 

By den teekenk undigen Ridinger, genoeg bekend door- 
een aanzienlyk getal van Afbeeldingen welken hy, met zeer. 
veel roem , van onderfcheiden dieren gegeeven heeft, heb' 
ik reeds voor veele Jaaren , de Afbeelding der Coudou met ver- 
wondering het allerëerft ontdekt (ƒ). Dezelve is vrygoed ver- 
... - beeld,, 

(«•) Tom. XIJ. 'Tab. 46. bis. pag. 357. enz. pag. 377 en 37P. 
(ƒ_) Ineen der 12 fraaije Prenten van het Paradys, waar onder Jlaat. Joh. 
£ L. R J.C j N G E n , lav. fee & excudit, Aug. vind. 



AF RIC AAN SC HE C O U D O U. 5 

beeld , waarfcliynlyk naar eene goede Teekening of welbereid 
vel door een Duitfcher van de Kaap medegebragt. 

De onvermoeide en zeer geleerde Heer Houttuyn, Med. 
Do&or te Amflerdam , heeft mede eene Afbeelding van dit zeld- 
zaam Dier (g")» doch zonder benaaming, en zo goed als moge- 
lyk was, gegeeven naar eene Teekening welke zyn Ed. van 
den geleerden Heer Nar cis sus, insgelyks Med. Do&or aldaar 
hadt ontfangen. De geftalte van het Dier is vry goed verbeeld , 
dan, hier ontbreeken voornaamelyk de echte kenmerken , als de 
van den rug terzyden het lyf nederdaalende witte ftreepen , ge- 
lyk mede de witte flreepen en vlakken van het hoofd enz. Ins- 
gelyks ontbreekt hier de Befchryving, zynde daar alléén maar 
bygevoegd, dat het aan de Oofb-Kuft van Africa voor weinige 
Jaaren gefchooten was , alwaar men het van verre voor een' Een- 
hoorn had aangezien, vermits het zich, zekerlyk van terzyde 
gezien zynde, als E enhoornig vertoonde. 

De geleerde Heer C o l l i n i , Geheim-Secretaris en Direfteur 
van het Kabinet der Natuurlyke Hiftorie van den Kunft-enGe- 
leerdheidlievenden Keurvorst van den Paltz enz. heeft de 
Befchryving en Afbeelding van dit vreemd Dier in de A&a Aca- 
demia Palatime (/^), onder de benaaming van Cerf du Cap de 
honne Efperance geplaatft, welke Afbeelding, gelyk te zien is, is 
gemaakt naar een bereid vel , 't welk in het Keurvorftelyke Kabi- 
net bewaard wordt. De Befchryving is meercndeels overëenkom- 
flig, in zoverre als men wegens een bereid vel kan oordeelen, 
doch de Afbeelding is , in allen opzigte , door een gebrekkige 
Teekenaar en Plaatfnyder gemaakt. 

Qgy Houttuyn. Befchryving der Lieren , Planten en Mineraalen , volgens Tiet 
faamenftel van den Heer Linnjeus. I. Deel , 3 Stuk, pag. 2Ö7. fig. 26,. 
Amjt. \-j62. enz. gr. 8°. 

(h) Acadcmia Palatina. Fol. I. pag. 487. ManJi. t;66. 4<>.. 

A 3 



6 È Ë S C H R Y V I N G van tt\ 

In het kollbaare werk van de Heeren Knorr en Muller, 
vindt men mede eene , doch gants geene gelukkige , Afbeelding 
en Befchryving (/) onder de verbafterde benaaming van Coetoe, 
welke men insgelyks kenlyk zien kan, dat naareene zeer (legt- 
opgevulde huid van het Dier gemaakt is. 

Noch vind men de Befchryving -en gebrekkige Afbeelding, 
met alle naauwkeurig - en - getrouwheid Qgelyk men verzekert') ge- 
teekend naar het leevend Dier , en dus het zelfde waar naar onze 
Afbeelding gemaakt is, in eene zogenaamde nieuwe Befchry- 
ving van de Kaap de Goede Hoop (X'). Maar hoe kan men op 
zulk eene naauwkeurige Afbeelding ön Befchryving ftaarmaken, 
als men daar dat fraaije Dier met de hoorens achter de ooren , en 
als een Bok met een vry langen fik of baard , 't geen het dier 
niet heeft, verbeeld ziet ; en in de Befchryving zulks beveiligd 
vind door deze by voeging. „ Zyn kin is met een baard voor- 
,, zien die uit vry lange h air en hcflaat. " 

Met vry meerder , en Natuurkundige oplettenheid , heeft de 
Heer Pal las, dit fraaije fchepzel by zyne Harte -Bokken 
'(^Jntikppes) kortelyk aangetcekend (/). De Heer Pallas, 
welke ter volvoering zynerftudie der Natuurlyke-Hiftorie zig ver- 
fcheidenjaaren hier 'm'sHaage heeftopgehouden, en welke, by 
den dagelykfchen toegang tot hetVorftelyk Kabinet, het bereide 
Hoofd met de hoornen by my oneindige maaien gezien heeft, 
fpreekt zelfs ontkennender wyze van den fik of baard- Verfchel- 
den Jaaren , na het vertrek van den Heer Pallas van hier, 't 
geen omtrent 17ÓÖ. of 't begin van 1767. is geweeft, is dit 

zonder 

(r) Knorr ö* Muller, Delici^ Naturce feleEliB. Of Kabinet van zeld- 
zaamheden der Natuur , II. Deel, Tab. K. j. iSTab. K. XI. pag. 50 &f 54. 
Holl. Edit. Dord. 1771. Atlasformaat met gecouleurde AfbeeWngen. 

(i) Nieuwjle en beknopte Befchryving van de Kaap de Goede Hoope. Nevens 
een Dagverhaal van eenen Landtogt, pag. 44. Ajitjl. 1778. met fig. 8". 

(O Pallas, Spicilegia Zaolo^ica. Tom. J. fae. l, pag. 17. N. 15. Bsrtl. 

J-67= • • • 



AFRICAANSCHE COUDOU. f 

zonderlinge Dier, het allerëerfl: leevend, zoover my bevvufl, it) 
Europa en alhier in de Diergaarde aangekomen. Gemelde Heer 
Pal LAS is insgelyks in het denkbeeld, dat het de Slrepficeros 
der ouden niet is , hy laat het dier echter dien naam , in navolging 
van Cajus, en deszelfs Griekfche beteekenis behouden. 

Ingevolge een' Brief, gedateerd 13 Mey 1776. werd my 
dit genoegzaam onbekend Dier , 't geen voor dit nimmer , 
zoo verre ik weet , leevend in Europa gezien is , door den 
Edelen Heere Baron J. van Plettenberg, Gouverneur 
van de Kaap de Goede Hoop, aan wiens gedienftige beleefdher 
den het Kabinet van Zyne Doorl. Hoogheid ongemeene 
verpligting heeft, voor de Vorftelyke Diergaarde overgezon- 
den. Den 2 2 September van datzelfde Jaar kwam het gezond 
en wel in de Diergaarde , naar eenigen tyd in des Ed. Compa- 
gnies Stallen te Amflerdam , ter bekvvaame vervoering , opgehou- 
den geweeft te zyn. 

De Coudou, is, na het Paard en Kaapfche Ezel, een der 
fchoonfte van alle my bekende viervoetige dieren. Graazende, 
in de Weide der Diergaarde en voortgaande, kon men het- 
zelve Dier niet zonder eene diepe verwondering befchouwen. I^ 
zyne gedaante en houding, en alle verdere eigenfchappen ^ 
evenaarde het aan die edele bevalligheden, met welke het 
aanbidlyk Opperweezen de allergrootfte en fraaifte Harten 
zoo uitmuntende verfierd heeft. Niet minder verfieren dit 
aanvallige Dier, de fchoone hoornen, in welker bochtige om- 
wendingen , die naar eenen uitgerekten krultrek QSpirml^ gely- 
ken, geene lamme bocht of ftreek 't ontdekken is, zoo mede 
het fiere hoofd, de lange nederhangende hairen aan hals eq 
borft, en de van den rug, ter zyden het lyf daalende witte 
flreepen enz. gelyk men in de hier volgende Bcfchryving van 
hetzelve, nader zien zal. Alle deze verfchillende eigenfchappen 
-verwekten, dk op zch zelven, eene verruklijke Beic'iou- 
• , wing 



8 B E S C H R Y V ï N G VAN DE 

wing en erinnering van onderfcheiden dieren, welke men in dit 
fchüone Schepzel als zogt te verëenigen. 

De geaartheid van dit zoo zeldzaame als fchoone Dier was ten 
allerüiterfte zachtzinnig, en zelfs goedaarrig. Nimmer heb ik 
hetzelve eenige blyken van boosheid, ruuw- of- wildheid zien 
geeven, het liet zich zonderde minfte vrees cf fchuuwhtid nade- 
ren , aanraaken en ftreelen. Het at graag brood , en nam het 
zelfs uit de hand van elk dien hem zulks aanbood. Het was van 
de mannelyke fexe. Deszclfs gewoon voedzel in de Diergaarde 
was gras, hooy, haver en dergelyke graanen, doch het at 
ook byzonder graag geele peen en voor alles brood , gelyk 
meefl: alle tamme Harten en dergelyke Dieren. Het fliep ook 
even als die dieren , zeerveel met het hoofd op het lyf leggende. 
Volgens my verzekerd bericht van den Oppasfer der Diergaarde , 
herkaauwde het zyn genoomen voedzel , 't welk ik zelfs , door de 
afgcleegenheid der plaats , hoe dikwerf ik ook aldaar geweefl ben, 
niet heb kunnen ontdekken. Het geluid had veel overëenkomlt 
met dat der Harren , vooral als zy , gelyk in den Bronstyd , naar 
elkander Ichreeuwen , doch het maakte zeer weinig gefchréeuw. 
Loopende , had het veel overëenkorafl: aan de gewoone draf van 
een Paard, en 't fcheen gefchikttot eenefnelle beweeging, doch 
de lange reis , en hunne re zeer bekrompen plaats op de Sche- 
pen, veroorzaakt eene ftrammigheid der leden in al zulke 
dieren , die zelden verdwynt. Vrolyk zynde lichte het , in 't 
fpringend loopen , het achterlyf dikwyls op , zonder echter in 
het allerminfte achteruit te flaan. 

Alhoewel dit Dier aanmerkelyk genoeg was in grootheid , ge- 
lyk uit de navolgende afmeetingen welken wy genoegzaam ach- 
ten , te zien is , zoo was hetzelve nog niet tot zyn volkoomenheid , 
gelyk de Ed. Heer Baron van Plettenberg, in des- 
zelfs Brief aanteekend , daar by voegende, veel grooter hoo- 
ïens van deze Dieren aan de Kaap gezien te hebben. Het moet 

dus. 



AFRICAANSCHE COUDOU. 9 

dus , volwasfen zynde , het allergrootfte Hart , en zelfs een 
Paard, verre overtreffen. 

Betreffende het verfchil, 't welk 'er mogelyk tusfchen het 
Mannelyke en Vrouwelyke foort dezer Dieren zyn kan , ben ik 
niet inftaat iets met zekerheid te zeggen , hebbende ik ten dien 
opzichte nog geen nader bericht ontvangen. Wy moogen ech- 
ter desaangaande , op de zoo nutte als onvermoeide nafpeuringen 
van den Wel Ed. Heere Gordon, met alle recht ver- 
trouwen. 

In onderfcheiden bereide vellen , die ik gezien hebbe , is my 
voorgekoomen , dat de witte vlakken terzyden het hoofd , en wel 
byzonder de witte ftreepen die zich terzyden van het lyf vertoo- 
nen , in onderfcheiden voorwerpen merkelyk verfchillen. By 
eenige ziet men twee by andere drie witte vlakken terzyden het 
hoofd, en fomwylen heb ik die, in eene eenigzints verlengd 
vlak, ineen zien vloeijen. De witte ftreepen vertoonen zich 
ook zeer onderfcheiden. Ri ding er verbeeld zyn dier onge- 
baard , gelyk het wezendlyk is , met de twee witte ftreepen , on- 
der op den Neus , in de gedaante van eene V byëen loopende, 
en op elke Wang drie, in eene fchuinfe lyn ftaande , vlakken. Het 
ly^f heeft tien witte ftreepen , waarvan de vierde en vyfde , een 
weinig naar beneden , ineen loopen. De Heer C o l l i n i ver- 
beeld zyn dier maar met zeven witte ftreepen op het lyf , waar 
van de eerfte , naar onderen zich gevorkt , of in tween gedeelt 
vertoont. Knorrcu Mulder, vertoonen het met negen 
breede banden. Dit ons voorwerp heeft aan de eene zyde ze- 
ven,, en aan de andere negen witte ftreepen. Alle deeze en 
meer aangehaalde Schryveren verbeelden het zonder Baard , en 
aan geen dier hoofden welke my , met het welbereide vel en 
hoorns daar op, zyn toegezonden, was een Baard of dergelyk 
te befpeuren. Doch wy hebben te vooren deswegens genoeg 
gezegt. 

Deeze Coudous onthouden zich vry verre Landwaards in van 

B de 



lo B E S C H R Y V I N G VAN Dit 

de Kaap de Goede Hoop , want op een' Landtocht ( in gemelde 
Befchryving van de Kaap gepi aai ft) welke den 1 6 ^«/y 1761. van 
de Kaap begon, zyn dezelve den 22 November y en dus naar 
vier maanden reizens , èerft ontdekt aan de zogenaamde Gamma 
Rivier. Hier lieten zich te gelyk zien éQ Rhinoccros , 't Ca- 
meel-Paard, Buffels ^ ivilde Paarden y QuachaSy welke laatfte 
waarfchynlyk de verbafterde Kaapfe Ezel zyn zal ( w ) enz. 

Nadat dit elks verwondering naar zich trekkende fraaije Dier, 
omtrent drie maanden, in de Diergaarde redelyk wel geleefd hadt, 
is hetzelve aan eene uitteerende ziekte overleeden. De aart 
deezer dieren, als uit eene bergachtige en drooge Landftreek 
koomende , zooveel verfchillende met onzen laagen en eenigzints 

moeras- 

(m) In hit laatfte van A*. 1 780- zond de Edele Heer Gouverneur der Kaap , de Baron 
raii Plettenberg, ingevolge zyne gewoone en verpligtende dienübewyzen , 
waarvan wy nog genoegzame geleegenheid zuHen hebben te fpreeken , een zeld- 
zaam dier onder de benaaraing van Quagga. De minfte oplettende befchouwing 
ontdekt in hetzelve, by het eerde aanzien, deü Kaapfen Ezel, doch door eene 
vermenging met een ander Geflacht, verbaflerd; en ik boude my verzekert dat 
de Kaapfe Ezels zich nu en dan met de wrilde Paarden , en die met hun , onder- 
ling vermengen , v?ant ik zelfs heb reeds in den Jaare 1748. of 1749. eene verfchei- 
denheid van dergelyke Quaggaas in Koleur en Teekening , van de Kaap af komffig , 
alhier op de Stallen vanden Overleedenen Stadhouder Willem den IV . 
gezien. 

Lang na dceze en de volgende gereed zynde Befchryving , opgehouden door 
onderfcheiden Sterfgevallen enz. ontvang ik een vervolg tot het V'-. Deel der Nat. 
Hift. van den Heer de Bu ff on, zynde een nadruk der fraaije Paryfche uitgaave, 
wdke onder het opzigt en met vermeerderingen door den Heere ProfefTor A l l a- 
MAND, te Amfterdam word uitgegeeven. Met een gevoelig vergenoegen zie ik 
daarin de Befchryving der Qiiagga, door de lofverdiencnde nafpeuringen van 
den Heer Gord on, aan den Heere Allemand medegedeeld, vvaaniit'ide ge- 
noegzame overcenkomft te ontdekken is myner hier bygebragte denkbeelden om- 
trent de verbaftering dezer Dieren zoo in naam als gedaante. Het is alleen be- 
klaaglyk , dat de A fbeeldingen (waartoe aan de Kaap zeker geene zoo goede gelee- 
genheid, door gebrek aan goede Teekenaaren, als hier by de bereidde overzending 
der vellen te vinden is ) in dat werk zoo dikwyis door ellendiger Printverbeel- 
dingcn nogmcer bedorven en byn:i onkennelyk gemaakt worden , gelyk, om niet 
van de Ouafi:^;^, en zoovcelc andere te fpreeken, in deeze en onze volgende Be- 
fcliryvingvaii dïu Kaipfcu Eland , Kanna genaamd, by vergelykkan gezien worden. 



AFRICAANSCHE C O U D O U. ii 

moerasfigen grond in de Diergaarde, kan zich» naar my toei 
fchynt , behalven dat ook , aan onze insgelyks zoo veel verfchü- 
lende luchtftreek en voedzel, niet gewennen. Het bereide vel 
is ter plaatzing voor het Kabinet gefchikt. 

Wy achten het dus genoeg deeze Befchry ving door ecne vol- 
maakte goede Afbeelding te hebben opgeheldert, waartoe van ons 
zoo wel als van onzen Drukker noch moeite noch koften ont- 
zien worden , en daarby te hebben aangeweezen , dat de waare 
benaaming van dit fraaije Dier is : Coudou ; waar van de Heer de 
BuFFON, het hoofd met de hoorns alléén maar verbeeld, en 
door verkeert bericht misleid , hetzelfde Dier , onder de benaaming 
van Condoma befchreeven heeft, dus de Condoma mogelyk niets 
anders is , dan eene verbafterde of kwalyk onthouden benaaming , 
van Coudou afkomftig, en, waarfchynlyk een dier 't welk niet 
beftaat of in weezen is. Gelyk meede, dat de hoorns welige dien- 
zelven Schryver, Tom. XII. Tab. 46. bis, als die van de Cou- 
dou te zyn befchr^ft en afbeeld , aan een geheel en al verfchil- 
lend dier behooren , naamelyk , aan het dier op de Kaap nlüm 
bekend onder de zekerlyk zeer onëigen benaaming van Kaaplche 
Eland. Doch thans is dit niet min zeldzaame Dier onder de Land- 
benaaming vanC^w^^door denHeereGoRDON nader bekend ge- 
maakt, gelyk wy reeds in onze byvoegzelen hebben gezegd, en 
't zelve in het volgende ook lang gereed geweeft zynde ftuk, 
met eene goede Afbeelding ophelderen (»). 

BESCHRY- 

(n) De Heer de Öuffon. wiens elegante fchryfwyze voorzeker minbetwift 
baar is, dan deszelfs onfeilbaarheid, bcfchuidigt of beflrafc my in zyn H'ftoire 
NatiireUe des Oijeaux, Tom. yiL pag. 204. Qtiart. Edit. Paris 1780, om dat ik 
verkies , wanneer my onbekende of noch onbenaamde Dieren voorkomen ( wanc 
anders bedienc ik my daar nooitvan) dat ik, in zullce gevallen, die Dieren eene 
naam geeve, afgeleid van derzelver in het oog vallende karakters, gelyk ik gedaan 
heb hy het Juffer-Bi/kje, Bajlerd-Mormeldier enz., daarvan reden geevende. Dan het 
moet my , en elk die believen zal dit natezien , verwonderen , dat gemelde Schryver 
'mzynSuppkment , Tom. III. pag. ijS. Paris 1775. reeds uitgekoomen die benaaming 
van 5ayïêr^-iTför«k'Wwr enz. goedkeurt ! DeHeerdeBuFFON, welke ik, zelfs daar ik 

B 2 ^^™ 



IS B E S C H R Y V I N G VAN DE 

BESCHRYVING 

V A N D E 
AFRICAANSCHE 

C OU D O U. 

Tab. XVl. 

DIT fraaije Dier had de lengte, in eene rechte lyn gemee- 
ten , voor van den neus tot agter aan het begin van 
den Haart, van zes Rhjmlandfche voeten en drie duim. 

De hoogte , langs den voorvoet tot op den rug , was vier voe- 
ten en vier duim. 

Idem langs den agtervoet, tot op den rug, beide in eea 
rechte lyn gemeeten , vier voeten en een duim. 

De 

hem wedcrfpreek, allen welverdienden lof geeve, bcfchuldigt myook, dat ik', de 
Agami Vogel, Tro?n;i^ï?e?- genaamd hebbe: Zie hier alweer , gelyk in de CowioM enz. 
de waarheid van myn zoo evengezegde omtrend de onfeilljaarheid van den Heerc 
DE BuFFON. Niet ik, Myn Heer! maar myne Landgenooten , hebben deze 
Vogels dus benaamd gevonden in onze VVeftïndifche Bezittingen , zelfs langen tyd 
vóór dat ik dien Vogel konde kennen. Doch niet alleen onze Holl. Schryvers, maar 
zelfs uwe Lands-of-Taalgenootcn , hebben dien ook dus genaamd gevonden. Myne 
BefchryvingvandenTroffj^jerrer/'ogei isiniyöS. gedrukt, en menziet CoNOAMfNE, 
in zyne Reis van Zuid- America , reeds in 1 745. te Par-js gedrukt , dien Vogel 200 
noemen. Fermin, in zyne Hijl. Naturelle de la Hollande Equinoxiale, door myz^a- 
gehaald in myne Befchry ving V3.n den Trompetter Vogel, noemt die mede alzo ; ben ik 
dan die naamgeever? Wegens de Ts -Vogels , en al het daartoe behoorende, ter- 
myner verantwoording , is deeze plaats te bepaald. Daar zyn noch onderfcheiden 
twyfelingcn, zoowel by den Heer de B upfon als by my te vinden, welke het 
oog van een onzydig en goed waarneemer voorderen. 



AFRICAAMSCHE COUDOU. rs 

De lengte van het hoofd , van agter de hoorns tot voor aan 
den neus , een voet en drie duim. De lengte der hoorns , in 
een regte lyn, twee voeten en feven duim. 

De lengte van den ftaart, een voet en fes duim. 

De heerfchende koleur, over het geheele lyf, is lichtbruin. 
Onder naar den buili , en naby de voor-en-agtervoeten , veran- 
dert dezelve in grys of aschkleurig wit, zoo mede by de billen of 
agterfte deel en van het lyf, en zelfs flrekt zich dit aschkleurig 
wit ook eenigzints over den agterkant der voor-en-agterbeenen. 

Het hoofd is insgelyksmet lichtbruinkleurig hair bedekt, doch 
uit de hoeken der oogen loopt ter weêrzyde een witte flreep op 
de neus , ieder in eene fchuinfche lyn nederwaarts , welke zich , be- 
neden te faamen voegende , als een V vertoont. Onder de oogen 
terzyde op de wangen ftaan, in eene fchuine lyn, drie witte 
vlakken , welke echter aan de eene zyde van het hoofd , meer als 
aan de andere zyde , ineen loopen. De oogen zyn bruinkleu- 
rig; de bovenfte oogleden digt met zwarte hairen bezet, ter- 
zyde de bek en groote neusgaaten ziet men eenige knevelhai- 
ren. De tong is als die der Harten. In de boven voorbek zyn 
geen tanden, van onderen negen, doch door het byten op de 
houtteplanken , in het Schip , reeds te zeer befchadigd om de 
onderfcheiden met zekerheid te kunnen opgeeven. De kiezen 
fchynenmy, in de onderen bovenkaaken, aan elke zyde zes, 
waarvan de twee middelfte zeer breet en groot zyn. Mogelyk 
zyn 'er acht in elke kaak, 't welk niet zeker te zien is, want 
beziet men die aan de zyde , zoo teld men 'er negen , door- 
dien voomaamelyk de in het middenllaande kiezen zich aldaar als 
twee kiezen vertoonen, doch van bovenap bezien vertoonen 
zy zich maar als ééne kies. De hoornen , welke zich van de 
vaftftaande fpil of wortel laaten afdraaijen, zyn van eene graauwe 
koleur, zy zyn bochtig gedraait en maaken eene fraaije verbeel- 
ding van eene verlangde of uitëengetrokken Spiraal. Zy heb- 
ben een' terzyden op het voorhoofd beginnende, uitpuillenden' 

B 3 randv. 



14 BESCHRYVING van de 

pand , welke tot op een* kleinen afïland van de punten met de 
uitgetrokken Spirank krultrek voortloopt. Vervolgens zyn deeze 
hoorns, van onderenaf tot op zekere hoogte, met fchuins- 
loopende inkervingen geteekend. Het fchynt my toe dat de 
hoornen hier wat te kleen of te kort verbeeld zyn , dan royn 
kundige Teekenaar , de Heer Schouwman verzekert van neen. 
Men ziet veel grooter hoorns dan deze , welke maar twee voe- 
ten en zeven duim lang zyn , ik heb 'er gezien van omtrend vier 
voeten lengte ; een bewys dat deeze Dieren veel grooter worden ; 
zy laaten zich zeer fraai polyften , gelyk 'er in het Kabinet ge- 
zien worden. De ooren zyn negen en een half duim lang, 
van binnen met zeer kort wit hair bezet. 

De kin of onderbek heeft geen het allerminfte bewys van fik 
of baard, gelyk het in de gemelde Befchry ving van de Kaap, zeer 
verkeert , verbeeld en befchreeven is. Onder aan de kaakbec- 
nen , naby den hals , heeft het eenig nederhangend hair , ook 
heeft het, langs de keel en borfl: tot beneden by de voor- 
voeten , eene doorgaande ftreek neerhangende hairen , die voor 
op de borft het langfte zyn ; de langfte deezer hairen zyn omtrend 
negen duim , en 'er loopen donkerbruine hairen onder de licht- 
bruine en rofchkleurige. 

Het hair op het lyf is zeer kort en gelyk reeds gezegt is 
meeftal ligtbruinkleurig. Langs , of liever op den hals , tot 
omtrend op het lyf by de voorbeenen, heeft het eene fmaüe 
ftreek van ligtbruine raaanhairen, de kngfte omtrend drie duim 
en waarvan een kleen bosje , beneden aan den hals , zich orakee- 
rende naar boven loopt. Daarop volgt de ftreek van korter 
zeer witte hairen , welke op den rug , tot byna aan den ftaart , 
doorloopt. Yan boven, omtrent het midden van den rug, 
loopen, ter zyde van het lyf nederdaalende , aan de eene zyde, 
negen fmalle witte ftreepen , de eene duidelyker als de andere.: 
en aan de andere zyde telt men in dit voorwerp maar zeven 

' der- 



AFRICAANSCHE COUDOU. 



15 



dergelyke ftreepen. Somwyien loopen van boven twee dezer 
ftreepen ineen. 

De voor-en-agterbeenen hebben, van vooren, geeliichtiger 
bruin hair. Verder naar de binnenzyde word het wat afchkleu- 
riger. De hoeven zyn zwart en gefpleeten, zoo als by alle deze 
foorten van Dieren, en van agteren boven de hoeven vertoo- 
nen zich insgelyks twee zwarte loshangende klaauwtjes op een 
donkerder bruinhairig vel. 

De Haart heeft in het midden bruine, en terzyden witte 
hairen, onderaan is een fraai byhangend bosje donkerbruin- 
kleurige hairen , waarvan de langfte omtrend vyf duim lang 2.yn. 

Het was van de mannelyke fexe, en daarin met de Harten 
overëenkoomende. 

EINDE. 




"-..l 



BESCHRYVING 

Van het nog genoegzaam onbekend Africaansch 

Dier, aan de Kaap de Goede Hoop, bekend 

onder de verkeerde benaaming van 

E . L A N D^ 

DOCH BY DE HOTTENTOTTEN aldaar genaamd 

C A N N A. 

Foor de cerflemaaU in den 'Jaar e 1748. of 1749. levendig 
overgehragt in de d i e r g a a b. d e 

VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID WILLEM den IV.; 

PRINS E rAN ORANlfE EN NASSAUIV, GOUVERNEUR, 

CAPITEIN -GENERAAL EN ADMIRAAL DER 

VEREENIGDE NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

•Geijk meede ten tïveedcmaal in Anno 1780. voor de Diergaarde 

VAN Z Y N E 
DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID WILLEM den V., 

PRINS E rAN ORANJE EN NASSAUlV, ERF- STAD- 
HOUDER, ERF-GOUl^ERNEUR, ERF-C A P ITE I N- 
GENERAAL EN ADMIRAAL DER VER LENIG- 
DE NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

BESCHREEVEN EN UITGEGEEVEN DOOR 

a. vosmaer 

Raad van gemelde Zyne Doorl. Hoogheid , Birecleiir der Vorftelyke Natuur, en 

Ki'.njl-Kabinetten en Diergaarde , Lid der Keyzcrlyke Akademie , en Korres- 

pcndent der Koninglyke Akademie der ireetenfchappen van ParySf Lid 

der Koninglyke Akademie van Madrid , van het Zeeuwfche Ge- 

v.ootfchap va^z Vlisfingen en Hollandfclic Maatjehappys 

te Haarlem, enz. 

* 

T E A M S T E R D A M, 

By DE Erven P. MEIJER en G. W A R N A R S, 

MDCCLXXXIIL 



9 



raó. XVJI. 




CAIN'NA of zojfeii: 



Eland, van de Kaap de Goede Hoop. 



op. 



r ...... iyi,^. 



NATUURLYKE HISTORIE 

VAN DEN ZOOGENAAMDEN 

KAAPSCHEN ELAN 

DOOR DE HOTTENTOTTEN GENAAMD 

C A N N A (*)• 



Men kan de voorderende kennis van elk gedeelte der Natuur- 
lyké Hiftorie aanmerken, als eene nieuwe fchakel aan de 
onbegrensde keten van de wonderen der Natuur. Wonderwer- 
ken, die elk vernuftig Schepzel als uitlokt en zelfs roept, 
tot derzelver befpiegelende befchouwing. Zy doet hun eene 
wysheid, orde en geduurige verwisfelende fchoonheden bemerken , 
welke een Schepper, Beftuurder en Onderhouder van alles zoo 
kennelyk doet doorfbraalen, dat zulks de ondank baarfle en 
waanwyfte befchouwcrs befchaamd en overtuigd , indien hunne 
gewaande geleerdheid , v/aarmeede zy veeltyds zoo belacblyk pron- 
ken , ook maar door eenige overtuiging te overtuigen is. 

KoLBE C<^), is de allerëerfte geweeft die van dit Dier 
gefproken heeft , 't welk aan de Kaap bij de Hollanders , alge- 
meen met de benaaming van de Kaapfche Eland bekend is. 
De befchryving en afbeelding, door hem gegeeven, is in zeker 
opzichte gebrekkig en te onzeker, om hetzelve wel te doen 
kennen. De benaaming van Eland voegt ook in geenen deelc 

aa;n 

('*) KoLBÉ, Kacipfchén Eland. Befchf. van de Kaap de Goede Hoop, Amfl. 
1727. fol. I. Deel pag. 173. met eene bygevoegde eenigzints gebrekkige afbeeldi?ig, 
deBuffoN, Coudou ,Hift. Nat. Tom.'XII. pag. 257. Tab.AÓ. bi f. Pall As. An- 
tilope Oryx. Specilegia Zoolog. facie. I. pag. 15. Berol. 1774. 4'*. AllAmAKd. 
Cmna Sup. Tom. F. Hift. Nat. de Mr. de Buffon, Edït. Amfi. 1781. 

( a) Befchr. van de Kaap de Goede Hoop. I. Deel, pag, 173. 

A 2 



4 BESCHRYViNGvAN den 

aan dit Dier, 't welk genoegzaam rechte hoornen heeft, die 
van onder fchroefswijze gedraaid , verder rond en glad zyn , 
die het geduurende zyn leeven behoudt en niet verwisfek ; 
daar, in tegenftelling , de Eland breedbladerige hoorns heeft,. 
die eenigzints getakt zyn, en die het, even als de Hartebee- 
Iten , alle Jaaren afwerpt en vernieuwd. 

De Heer de Buffon (^), was in het denkbeeld dat de 
Eland van Kolbe, de Buhalns zoude zyn der oude Schry ve- 
ren , waarmcedc echter de rechtftaande hoorns , met welke Kolbe 
zyn Eland afbeeld en genoegzaam befchryft, geene overëen- 
komfl: hebben. Wat verder (c) verbeeldt die geleerde Schrj- 
ver volmaakt wel de waare hoorns onzer zoogenaamde Eland , 
doch eigent dezelve toe , hoe wel ten onrechte , aan de Coiidou 
door my befchreeven, misleid zynde door een verkeerd Byvoeg- 
zel (__ Etiquette') der benaaming, gevonden by zoodanige hoorns 
in het Kabinet van den Heer Dupleix (^). Aan dusdanige 
misleidingen is elk onderhevig, doch zy koomen te recht mits 
men getrouwe afbeeldingen kevert, door goede Kunftenaars ver- 
vaardigd (f). 

Vei-fcheiden Jaaren geleeden vereerde de Heer O n y m o s , 
Med. Doaor en uitmuntend Ontleedkundige alhier , aan het Vorfte- 
lyk Kabinet der Natuurlyke Hiftorie , onder veele andere kun- 
dige Sceleiten van onderfcheiden Dieren , dat van den Kaapfchen 
Eland. Dit Dier, van het manlyke gellacht geweeft zynde, 

was 

(i) Hift. Nat. Tom. XII. pag. iq6. 

(c) Idem Tom. XII. Tab. 46. bi*;. Daar do Hoorns volmaakt wel ver- 
beeld zyn. 

(d) Idem Tom. XII. pag. 357. <S;c. 

(e) Dus kan men aanflonds erkennen, dat het middelfte figuur op Tab. LXV. 
■pag, 329. Suppkm. To:n. IIL Hijl. Nat.de Mr. deBüffon, Parysfcfie uitgaave . 
1776. en door die Schryver zelfs met recht in twyfFel getrokken , gecnzints een 
hoorntje der Giraffe is ; zoodanig een volmaakt overëenkomftig beentje is hier in het 
Kabinet, met by voeging, <iat hetzelve, is uit dQFenis\m een viervoetig WcH- 
ïa^.Usch Dier. 



KAAPSCHEN ELAND. 5 

was vóór veele Jaaren , zoo als men vervolgens zien zal , nevens 
een ander van de Vrouwlyke foort, van de Kaap overgezon- 
den aan Wylen Zyne Doorluchticste Hoogheid, 
Willem den IV. Prinfe van Oranje en Nasfauiv , Stadhouder 
der Verëenigde Nederlanden ■> enz. enz. enz. En men kan hiec 
by aanteekenen , dat die Dieren , ten dien tyde , de allercerfle 
geweeft zyn welke onder de benaaming van Eland alhier in Eu- 
ropa leevendig zyn overgebragt ( * ) Een verloop van ruim der- 
tig Jaaren fcheen genoegzaam , zonder dit welbewaarde Scekt , 
de gedachtenis deezer zoo zeldzaame of zonderlinge Dieren te heb- 
ben uicgewischt. Dan ! een gelukkig toeval ontdekte my , dar 
het manlyke foort deezer Dieren , door den overleeden Heer Hof- 
Schilder Haag, naar het leeven was afgeteekend. De Heer 
Haag, de Zoon, thans die zelfde plaats bekleedende meteen 
gelukkig gevolg, byzonder in het fchilderen van Paarden en 
andere Dieren , had de goedheid my deeze bygevoegde afbeelding 
ter hand te ftellen. Hier door aangemoedigd vervolgde ik myne 
verdere ontdekking, en bet gelukte my nog een der Perfoo- 
nen uittevinden welke die zoogenaamde Elanden geduurende hun 
leeven had opgepaft. Door dezelven is my het volgende be- 
richt meedegedeeld, naar eene direfte erkenning van het Dier, 
by het vertoonen der hier byvoegde afbeelding. 

In het Jaar 1748. of 1749 werden twee deezer Dieren , 
beiderlei fexe , van de Kaap de Goede Hoop leevendig overge- 
bragt, aan gemelde Zyne Doorl. Hoogheid vereerd, en ver- 
zonden naar de Vorftelyke Diergaarde, ten dien tyd zynde op het 

Lust- 

( * ) Vcrfcheidcn der Romeinfche Keizcrcn hebben het geheugen van verfchillen- 
de vreemde Dieren, welke zy aan het volk, by ondcrfcheiden gelegenheden 
picehtig vertoond hebben, op hunne Munten doen vereeuwigen. Dit gebruik 
billykt myne handelwyze, in Hun diezelfde eer te doen toekomen, welke aan' 
ons en ons nageflacht dergelyke \'orfl:elyke gunitbewyzen bezorgd hebben , door' 
het doen zien en kennen van zoo veele en zoo zeldzaame als vervvonderingbaarende.' 
Schcpfelen , waarvan vcrfcheidcn zelfs nimmer tot de kennis der aloude volkercö^ 
gckoomen zyn. 

A 3 



6 BESCHRYVING van den 

Luft-Hiüs gennamd het Loo , in de Provincie van Gelderland ge- 
legen. Zy fcheenen omtrend volwasfchen, hebbende de groote 
van onze gewoone Koe-Beeften, Na eenigen tijd in de Dier- 
gaarde geweeft te zyn , en dus van de ongemakken der Reize 
herfteld , waaren zy tierig en wel , en , door hunne verfchei- 
denhcid met onze bekende Dieren , aanmerkelyk. Derzelver 
geaarcheid was in allen opzichte goedaartig, zoo dat men hun zon- 
der de minfte vreeze dorft naderen en behandelen. Men hadt 
zelfs het manlyk foort, zonder veele moeite geleerd tusfchen 
de boomen van een chais te loopen en naar den toom te luifte- 
ren. Het kon , doch niet lang , ongemeen hard voor de Chais 
loopen , en zelfs harder dan een Paard , waar van de proef, en 
zoo als gedacht wordr , maar alteveel genoomen is. 

In wtlftand zynde, hadden zy in hun ilaan, gang, loo- 
pen en aanzien , veel gelykenis met een Harte-Beefl: : derzelver 
fchreeuwende geluid kwam ook eenigzints met dat van bet Hart 
overeen. Het manlyk foort was veel vlugger en fterker als het 
vrouwlyke, anders in gedaante daarmede raeerendeels overëen- 
koomftig , uitgezondert , gelyk men my verzekert , dat het 
vrouwlyke foort ongehoornd was. Maar omtrend dit laatfte 
geeft de I leer G o r d o n , gelyk men verder zien zal , een tegen- 
ftrydig bericht. Hun gewoone voedzel was gras, hooy, haver, 
brood en zemelen en byzonder graag likten zy zout. Zy be- 
lioorden tot de herkaauwende Dieren vermits zy derzelver ge- 
noomen voedzeis herkaauwden. 

Nadat deeze vreemde Dieren eenigen tyd vrywel in de Dier- 
gaarde geleefd hadden , men denkt omtrend twee Jaaren , is het 
wyfje veel vroeger dan het mannetje, beide aan eene uitteeren- 
de ziekte geftorven. 

Deeze bygevoegde afbeelding , hoewel in het begin der ziekte 
van het eene Dier gemaakt, mifl: hierom deszelfs anders ge- 
woone leevendigheid in de oogen en houding, het was reeds 
min of meer vermagert. 

KOLBE, 



K^ A A P S C. I-I E N .E L A N D. 7 

K o L B E , ( buiten wien men niet veel omtrend de Nntuurlyke 
Hi.ffcorie van de Kaap de goede Hoop aangeteekend vindt, en 
waartegen al veelmaal zelfs de allerönkundigdc fchreeuwen , zoo 
omtiend zyne fouten als onvolmaaktheden) zegt zelfs in zyne 
befchryvlng, dat deeze zoogenaamde Eland aan deKa.ip, geheel 
en al met den Europifchen of Noordfchen verfchilr. Dat de 
hoornen van dit Dier van onderen geringd , van of naar boven , 
gansch glad en fpits toeloopen en omtrend één voet hoog zyn. 
Hy verbeeldt het ook met rechte hoorns , eene kennelykheid 
welke hun genoeg van de Buhalus der oude Schryveren doet 
onderkennen. Verder zegt hy, dat het een Dier is van ruim 
vyf voeten hoog en zes voeten lang. Dat deszelfs vleesch , 
zelfs ingezouten, een zeer aangenaame fmaak heeft, 't zy ge- 
kookt of gebraaden, dat hetzelve naar Rundvleesch gelykt, een 
gezond voedzel geeft , als hebbende hy zelfs het onderlcheiden 
maaien gegeeten. Dat deeze Dieren zich op de hoogflre Bergen 
onthouden daar zy maar goede weiden en water vinden, hoewel 
zy ook veeltyds in de daalen koomen en als dan gefchooten wor- 
den. Dat derzelver huiden meer tot fchoenleder, als tot ander, 
gebruikt wordt. Verder verhaalt en verbeeldt hy , hoe dezelve 
ook fomwylen , aan een' zwaaren taaijen in den grond ftaande en 
kromneêrgeboogen ftok gevangen worden. Men kan uit de hitr 
opgegeeve grootheid van het Dier en zyne hoorns , genoeg aflei- 
den dat Hy van een jong en onvolwasfen Dier fpreekt. 

Deeze befchryvlng dus verre reeds lang gereed , maar in de 
uitgaave vertraagd, door fterfgevallen van myn Drukker, Ver- 
taaider en onophoudende bezigheden , welke het Kabinet aan myne 
zorge toevertrouwd , verëisfchen , ontving ik in den Jaare 1780. 
een' volgens gewoonte verpligtenden Brief van den Hoog- Wel- ' 
GEBOOREN Heere Baron VAN Plettenberg , Gouvcmeur def 
Kaap de goede Hoop , in welke Zyn Welëd: my kennis gaf der af- 
zending van onderfcheiden Dieren , naamenlyk : Twee geftreepte 
Woud-Egels , (JSebra^ Een Saftaard dito ^uagga genaamd , waar- 

vaiii 



S B E S C II R YV I N G van den 

van v/y in de Befcbry ving der Cotidou iets gezegd hebben. Een Nou 
of Gnou, onderweg geftorven , waarvan voorheen reeds twee 
in de Diergaarde, door denzelven edeimoedigen Begunftiger, 
gezonden zyn, en van welke de befchryving, met een goede 
afbeelding, eerlang zal volgen. En ten laatften zag ik, met 
een allerbyzonderft genoegen, dat hierby nog gevoegd was 
een' jons^en Kaapfchen Eland. Kort na den ontvangft van deezen 
my ten hoogden aangenaamen Brief, landden alle de gemelde 
Dieren vrygelukkig , uitgezondert de Gnoti, gelyk ik gezegt hebbe 
welke op de reis ftierf. Maar tot myn byzonder leedwezen , daar 
de oveiigc Dieren, onder des Edele Compagnies goede bezor- 
ging, wel ontlaaden waaren, was de Eland, door eene flinkfe vroe- 
gere ondaading, buiten 'sComp. kennis gefchied , en als toen by 
de ontlaading gevallen hebbende, in zulkëen' ellendigen toeftand , 
dat dezelven, weinige uuren naar zyn aankoomen alhier, is ge- 
ftorven. My bleef dus niets overig, dan de onaangenaame be- 
fchouvving van dit ongelukkige zeldzaame Schepzel, en zelfs 
geene andere gelegenheid, dan om de echtheid der hier bygevoeg- 
de afbeelding te verzekeren , en de achtervolgende befchry- 
ving op te m.aaken van den zoogenaamden Eland , welke , by zyn 
ftervend keven , geen blyken gaf , als die van eene allerzacht- 
zinnigfte geiiartheid , gelyk meede, eene meerdere leevendigheid 
welke zich in het oog en de gedaante fcheen aan te duiden , dan 
in de hierby verbeelde afteekening , waarvan wy de reden reeds 
gezegd hebben. 

De vertraaging deezer uirgaave , geeft my geleegenheid ge- 
bruik te maaken van eenige nog nadere ontvangen, zoo fchrifce- 
iyke als mondelinge , berichten , van welke zommige nagenoeg 
overëenkoomen met eene Befchryving van den WelEd, Gestr. 
IIeere Cordon, door den Hoog -Leeraar Allemand (ƒ) 

uitge- 

• (ƒ} Siippkm. Tom: V. Hifi. Nat.' (k Mr. de Buffon, Edit. Amft 1781. 



SAAPSCHEN ELAND, 9 

uitgegeeven. Deeze berichten verzekeren my , dat deeze zooge- 
naamde Elanden zich nogdikwyls, by groote troupen, niet wyd 
van de Kaap onthouden , en die van het IMan- en Vrouw hke 
geflacht zich nu- en- dan van elkander afzonderen , uitgenoomen 
in Paringstyd , als wanneer zy zich , fchoon in veelminder getallen , 
byëen vertoonen , terwyl 'er als dan fomwyl vry hevige verfchil- 
len by de mannelyke foort voorvallen. Verder , dat zy wat verre 
van de Kaap niet zeer fchuuw , echter vry gezwind in het loo- 
pen en 't beklimmen van de fteile gebergten zyn; dat hun 
aart dus zachtzinnig is , dat men dikwyls , uit eene troup een 
gefchooten hebbende, geen het minfte gevaar loopt. De 
manier van voortteeling is als die van onze Runderen, en de wyf- 
jes werpen maar één jong , hoewel zy vier tepels hebben. Meer- 
maaien is my verzekert, dat 'er Boeren aan de Kaap geweeft 
zyn , 'c geen mogelyk van de afgelegen gedeeltens der Kaap moet 
verftaan worden, welke den Eland tot werkdienften , als tot 
het trekken voor de kar , gewent hebben , de mogelykheid is 
ontwyffèlbaar , gelyk ik hier vroeger beweezen hebbe , naamlyk : 
dat men een der eerft hier te Lande gezondene voor een Chais te 
loopen gewend heeft. In maar ééne omftandigheid is myn be- 
richt met dat van den Heere Gordon verfchillende. Zyn Ed. 
2egt: dat de wyfjes ook gehoornd zyn. Volgens 't aan my gedaan 
bericht heb ik voorheen gezegt dat die ongehoornd waaren , en 
de Man, welke my dat bericht gegeeven en die dieren in i 748. 
of 1749. heeft helpen oppasfen, verzekert my zulks nog. Dan! 
met meer recht geloof ik, deswegens op het gezegde van 
den Heer Gordon te kunnen flaat maaken, als een getrouw 
en kundig ooggetuigen, op de plaars zelve zynde daar deeze 
Dieren vallen , te meer , daar het zeer mogelyk is , dat de lang- 
duurigheid van tyd zulks den Oppasfer der eerftö vergezondene 
Dieren heeft doen vergeeten. 

Men ziet uit de gemelde Befchry ving van den Heere Gordon, 
en het is myook alhier, door Kaapfche Inwoondereu , verzekert, 

B dat 



lo BESCHRYVING van den 

dat deeze Dieren by de Hottentotten Canna en by de Cajfers In- 
PO AF genaamt worden, en welke eerftgemelde wy nu aan het 
hoofd deezer befchry ving , by anderzints algemeen bekende doch 
zekerlyk onëigen benaaming van Eland, gevoegd hebben, 

BESCHRYVING 

VAN DEN ZOOGENAAMDEN 

KAAPSCHEN ELAND. 

DOOR DE HOTTENTOTTEN GENAAMD 

C A N N A. 

Tab. XVIL 

MEN moet vooraf wel in het oog houden , dat de volgende 
befchryving is opgemaakt, naar de laaftövergezonden 
Canna , welke by de ontlosfing uit het Schip , door eenen zwaaren 
val inwendig te veel bezeert, alhier na zyne aankoomfl: maar 
weinige uuren , in eene allerëllendiglte ftaat , in 't leeven is geblee» 
ven. Dezelve was van het Mannelyke geflacht, nog zeer jong, 
in aanmerking genoomen de grootheid van het Sceki , 't welk , 
van een der twee allercerfl: overgezondene , zich in het Kabinet be^ 
vind , gelyk meede by vergelyk der grootheid deezer dieren , door 
den Heere Gordon opgegeeven ; als ftellende die de lengte, van den 
neus tot aan het begin van den ftaart, 8 voeten en a duimen, en 
de hoogte, by de voorvoeten , tot op den gebulten rug, 5 voeten. 
De lengte der laaft overgezondene Canna was , van den neus 
tot het begin van deti ftaart , 5 vocten en 3 duimen , en de hoogte , 
by de voorvoeten, tot op den buk vanden rug, 4 voeten 
i\ duimen, 

~ De 



KAAPSCHEN ELAND. it 

De heerfchende kleur is, over het geheele Ivf, lichtkleurig 
graauwüchtig bruin ; de hals is wat grysachtiger , vooral van 
vooren by de keel ; onder , naar de zyden van de buik , wat 
witter , de buik geheel wit. Men verzekert my dat eenige deezer 
dieren, geheel- en- al aschkleurig grys zyn. De rug is boven 
op de fchoft, of boven de voorbeenen naby den hals, bultig 
verheven ; wordende deeze verhevenheid veroorzaakt door de 
Procesfus fpinofa Vertehrnriim. Boven op den rug vertoont zich 
het hair tot aan den ftaart , als een' fmallen zwarten flreep , welke 
beneden by den hals oploopende , aldaar zyne zwarte koleur ver- 
lieft. Het knobbeltje (^Leupe^ onder het hoofd op de keel, 
't welk de Heer Gordon verbeeld en befchryft, was in dit 
voorwerp niet zichtbaar , mogelyk door de jonkheid van deeze 
Canna. Van onder, voor aan de borst hong de huid, vooral 
by het oude Dier, in 1748. of 1749. overgezonden en naar 
welk deze bygevoegde afbeelding gemaakt is, even als by de 
koeyen, kwabachtig neer, doch geenzints gelyk een bos lange 
afhangende hairen, zoo als dezelve in de Amfterdamfche 
aangehaalde befchryving verbeeld is. Het jonge laaftöverge- 
zonden ongelukkige Dier had zulks ook veel minder zichtbaar als 
het oude. De voorbeenen hebben , aan de binnenzyde , bo- 
ven de kniën, eene bruine zwartachtige vlak; de hoeven zyn 
zwart en wyd in tweën gefpleeten ; even boven de hoeven zyn , 
aan eiken voet van achteren, de gewoone twee hoornachtige 
byhangende klaauwtjes , die aldaar , op een zwarte vlak van eerï 
hand breed, geplaatfl: zyn. 

Het hoofd is gelyk kleurig als het ligchaam , alleen voor naar 
den neus vaal zwart ; de ooren zyn , naar evenredigheid van het 
Dier, zeer groot, 8^ duimen lang in ééne punt ultloopende. 
De koleur is , gelyk aan het hoofd , alleen van binnen met zeer 
kort grysacbtig hair bezet; de oogen zyn donkerbruin, de 
bovenfte oogleeden met zeer korte hairen bezet ; de hoornen 
zyn zwart, i4-| duimen lang; van onder hebben dezelve een 

B 2 krulr 



12 BESCHRYVING VAN DE^J KAAPSCHEN ELAND. 

krultrekkige fpiraale draai of omwinding , die , omtrend tot op 
de helft der lengte van de hoornen naar boven loopt; het ver- 
der gedeelte derzelve loopt glad, rond en puntig uit, een wei- 
nig naar het lyf geboogen en in dienftand gelyk zy hier verbeeldt 
zyn. Deeze Canna had geen het minfte bewys van lange haireii 
boven op het voorhoofd. Boven in de bek zyn geen voortan- 
den ; van onderen 8 , waar van de middelfte veel breeder zyn 
als de anderen; in de bovenfte en onderfte kaakebeenen zyn, 
aan elke zyde , 6 kiezen , waarvan de drie achterfle zeer groot 
en breed zyn , zoo datmen , die alleen op de buiten zj'dc be- 
fchouwende, elke kies, op zichzelven, voor drie kiezen zou- 
de aanzien, door de twee diepe infnydingen die elke kies al- 
daar als in driën verdeelen; de twee daaropvolgende kiezen 
zyn veel kleinder, en de daarop volgende, of voorfte kies 
fcbynt , door derzelver puntige verhevenheid , byna eer een tand 
als kies , doch de dikte en afftand van de tanden doet haar ge- 
noeg als een kies erkennen. De tong is gelykvormig aan derge- 
iyke dieren, maar op de oppervlakten is dezelve, vry regulier, 
met kleine zwarte fpikkels .bezet. Het binnenfte gedeelte van 
den mond is vleefchkleurig , en het tandvleefch door een' zwar- 
ten rand omgeeven. Het verhemelte boven in den mond is wit- 
üchtig en als met weeke witte kammetjes bezet. De ftaart is 
met glad kort hair bezet en als 't ligchaam gekoleurd , onder aan 
hangt een bosje losfe zwarte hairen, welke 5 duim lang zyn, 
de geheele lengte , tot onder dit bosje hairen, is 15 ^-duimen. 

Het Scelct , van een der voorige Elanden of Cannaas , 't welk 
zich in het Kabinet bevind , alvvaar het altoos onder de benaaming 
van Kaapfchen Eland bekend geweelt is, heeft de lengte van 
den neus tot by den ftaart van 7 voeten en 10 duimen; de 
hoogte langs den voorvoet, tot op den hoogften top van de 
buUformeerende beenderen , is ruim 5 voeten , en de hoorns 
zyn I voet , 1 1 duimen lang. 

EINDE. 



BESCHRYVING 

VAN EEN NIEUW VIERVOETIG DIER, 
AAN DE KAAP de GOEDE HOOP GEHEETEN: 

BOSCH BUFFEL, 

EN BY DE HOTTENTOTTEN ALDAAR GENAAlSfD 

G N O U. 

Foor de eerftemaah in europa, leevendig overgebragt 
in de diergaarde 

VAN ZYNE 

DOOKLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

TiEN HEERE PRINSE rA N ORANJE EN NASSAUIV, 

ERF-STADHOUDER, ERF-GOU FERNEUR, ERF-CAP ITEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER FEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

BESCHREEVEN EN UITGEGEEVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

Raad van gemelde Zyne Doorl. Hoogheid , DireUeiir der Forftelyke Natuur- en 

Kunft-Kabinetten en Diergaarde, Lid der Keyzerlyke Akademie ., eiiKorres- 

pondent der Koninglyke Akademie der Weetenjchappen van Parys, Lid 

der Koninglyke Akademie van Madrid , van het Zeeuw fche Ge~ 

nootfchap van Vlisfingen en Hollandfche Maatfchappye 

te Haarlem, enz. 

* 

TE AMSTERDAM, 
By DE Erven P. M E IJ K R en G. W A R N A R Sj 
MDCCLXXXJF. 



':■* 



tJ^ó. xvm. 




GITOU, of zog'eiiijBoscli-BidïelnTaii de Kaap de G-oedeHoop. 



NATUURLYKE HISTORIE 

VAN DEN ZOOGENAAMDEN 

K A A P S C H E N : 

BOSCHBUFFEL, 

DOOR DE HOTTENTOTTEN GENAAMD 

G N O u , ( * )• : ^ 

By de thans alom vermeerderde kennis der Natuurlyke Wee- 
zens, moet men nu wederom dit verwonderende en voor- 
maals gehee! onbekende fchepzel voegen , 't welk zich in de 
binnenfte deelen van Africa onthoud. 

Ingevolge een' Brief gedagteekend den i February i 774. van den 
Ed. Heere Baron van Plettenberg, Gouverneur der Kaap 

de 

{*) Nadat decze Befchryving reeds gereed was, zyn my de volgende Sclu-yverea 

bekend geworden : 

Gnou. Allamand. Hifl. Nat. de Mr. de Buffon Sap. Tom. XF^ 
Edit. d'AmjL 

Gnou OU Niou. Buffon Hift. Nat. Suppl. Tom. FI, pag. 89. 6? Edit, 
de Paris 410. 

Gnu. Sparrmann, Konigl. Schwedifclie Akademie der Wisfenfchaften 
41. Band. Hoogd. Uitgaave, Leipzig 1783. OÖaro. Dit Deel heb ik 
eerfl: kort geleeden ontvangen, in welk het knie ki'uipen der Befchryving 
van den Heere Allemand, hoewel ten onrechte, isovergenoomen. De 
ruuwe hairen , onder de Kin , kan men , naar myn denkbeeld, ook geen Baard 
noemen. De Sinus by de oogen, gelyk de Harten hebben, heb ik ook niet 
waargenoomcn , doch dit kan myn gezicht, als zulks in dit Dier niet 
wachtende, ontflipt zyn. De Heer Sparrmann geeft hier ook de 
Befchryving van den Kaapfchen Eland Ca nna, en zegt: dat de Vroii- 
weiyke foort der Couoou, ongchoornd is. Noch vind men hier 
den waaren Kaapfchen Buffel, en de B u b a l i s , aan de Kaap Hartcbeefi 
genaamt , befchreeven , en derzelver afbeeldingen , die wy echter 
hoopen, dat in de Sweedfche Edit. , beter zullen zyn. 

A 2 



4 BESCHRYVING van den 

de Goede Hoop, aan wiens gedienflige hulp, (ter vermeerde- 
rende kennis der Natuurlyke Hiflorie, wy by aanhoudenheid 
ongemeen verpligt blyven,) kwam die zonderlinge fchepzel, 
in Juny deszelven Jaars, in de Diergaarde. Zyn Hoog Wel- 
gebooren gaf my, in gemelden Brief, ook nog de volgende 
berichten: „ Naar het zeggen van den Boer, door wien die 
„ Di(7r zeer jong gevangen , en vervolgens was opgevoed , is 
„ het zelve niet voor het einde van 1772. gebooren", en kon dus , 
by zyn aankoomen in de Diergaarde den 14. Juny 1774, nog 
geen twee jaaren oud zyn. Eenige weeken na deszelfs aan- 
koomO: , is hetzelve door den Heere Schouwman, voornaam Kunft- 
fchilder, met alle mogelyke oplettenheid in teekening gebragt>, 
naar welke deeze bygevoegde afbeelding gemaakt is. 

Verder zegt gemelde Ed. Heer Gouverneur : „ Dat dit 
„ Dier , naar zyne gedachten , pas halfvolwasfen was , doch niet 
„ geloofde , dat hetzelve die grootte of vlugheid zoude 
„ erlangen, welke aan die Dieren 'm het wilde , eigen is"; 
(Naar myn denkbeeld moet het dan in den tusfchentyd der 
reize fterk gegroeid zyn) „ en dewyl de Taal der Hottentotten 
(zegt de Ed. Heer Gouverneur al verder) „ zich niet wel Iaat 
„ fchry ven , is het my niet mogelyk , den naam uit te drukken , 
„ welken door hun aan deeze Dieren wordt gegeeven, dewyl 
„ 'er eenen Tongflag by vereifcht word, die alleen by den 
., natuurlyken Ingezectenen deezer uithoek, in gebruik is". Eenige 
maanden (zoo ik my niet bedrieg van het Jaar 1774.) na het 
ontvangen van dit onbekende Dier , gaf de Heer Cordon, 
Bevelhebber der Kaapfche Militie , my een lang gewenfcht 
bezoek, en beveiligde, met eenig bericht der verdere eigen- 
fchappen deezer Dieren, (waarvan wy met die van anderen, 
van de Kaap naderhand overgekoomen Heeren , doch meeftai 
overëenkoornflig zynde , hierna fpreeken zullen ) de moeilykheid 
der Hottentotfche Tongflagen , die dikwyls in derzelver Taal of 
Spraak voorkooraeni dan zyn Wel Ed. Geftr. verzekerde my, 

da£ 



KAAP SC HEN B O S C H B U F F E L. 3 

dat de naafle bepaaling daaraan te geevén , op Nou of liever 
Gmu uitliep. Wy zyn dus deeze bepaaling van naam als 
anderzints , aan de oplettenheid en nafpeuringe der Natuurlyke 
Hiftorie van den Heere G o r d o n , verfchuldigd. 

Wy hebben reeds gezegt, dat deeze Gmu in 1774, J" de 
Diergaarde aankwam. Dezelve was van het mannelyke gedacht , 
en leefde ruim twee jaaren zeer gezond. In het jaar 1776, 
zond de Ed. Heer van Plet ten berg, eene tweede en wel 
van de vrouwelyke foort, die den isjuly deszelven Jaars mede 
zeer wel en gezond in de Diergaarde gebragt werd. Voor de 
aankoomfl van deeze, had de voorige, na de op ftalhouding van 
eenige dagen, nevens eenige andere Dieren, in de weide geloo' 
pen ; doch weldra gaf hem deeze meerdere vryheid eenige 
wildere eigenfchappen. Hy liet zich niet meer zoo onbevreeft' 
naderen , bleef echter , met eene zachte behandeling noch han- 
delbaar, doch, wanneer men zulks te veel voortzette , fioeg hy 
met de voor- en- achtervoeten , en trachtte ook met zyn hoornen, 
hoewel niet kwaadaartig, teflooten, men dorft hem dus, gelylc 
voorheen , zoo veel niet meer vertrouwen. In de Dier- 
gaarde loopende, jaagde hy dikwyls de Bengaalfche Harten, enz. 
echter bleef hy als nog, voor zyne gewoone Oppasfers, zeer 
wel handelbaar. Ik gaf order hem eenige dagen op den Stal te 
zetten , met een Koebeeft naad hem , alléén door een laag tus- 
fchenfchot van elkander afgezondert, om hun beide aan elkander ' 
te doen gewennen , doch men zag geene blyken van overëen- 
koomfl of genegenheid , maar wel het tegengefleide. Daarna 
liet men hun beiden in het land, doch hy vooral toonde geene de 
allerminfle blyk van vriendfchap of aandoenlykheid , integendeel , 
hy jaagde de Koe geduurig, als zy hem maar eenigzints naderde j ■ 
en trachtte haar ze'fs door zyne hoornen te befchadigen, 't welk 
men, zooveel mogelyk, met zachtheid belettede. Vooral van 
dien tyd werd hy wilder, en men was genoodzaakt de Koe van • 
bera af te neemeii, en hem, door een in de weide gemaakt ■ 

A 3 . affchutzelj , 



<S BESCHRYVING van den 

affchutzei , op zich zelven en alléén te laaten. Dit mannelyke 
Ibort dus , zo als reeds gezegt is , ruim twee jaaren in de Dier- 
gaarde geweeil: zynde , bragt men de, op den is.July 1776. 
aangekoome vrouwelyke Ibort, naar eenige dagen op den ftal 
geftaan te hebben , by hem ; dit gezicht verleevendigde hem 
geheel en al , en icheen hem zyne voormaalige woefte en wilde 
geaartheid nu volmaakt te hergeeven. Het wyfje, integendeel, 
was van het begin tot op het laatfte ongeluk , waarvan wy zoo 
fpreeken zullen, van veel goediger geaartheid. Men liet hun 
beiden met genoomen voorzorg, byëen , van de andere dieren 
afgezondert, doch men moeft hun weldra vaneen fcheiden, 
men gaf hun meerdere ruimte , doch al het zelfde , trachtede hy 
geduurig het wyfje door zyne hoornen te kwetzen , zoodac 
men genoodzaakt was, een klein dwars gaatje in elke punt der 
hoorens te booren, en daarop een lat of dergtlyk ftuk hout, vafl 
te hechten. Hierdoor dacht men hem buiten ftaat te fldlen , om 
het wyfje te befchaadigen , dan deeze en alle voorzorgen , die 
men trachte te neemen , waaren vruchteloos. Zyne kwaadaar- 
tigheid van dag tot dag toeneemende, en wel by zonder tegens het 
wyfje , 't geen merkelyk kleender en my ongeveer ruim één jaar 
jonger toefcheen, was men genoodzaakt den Bul of het mannelyke 
foort, aan een fterk en redelyk lang touw in de weide vafl te 
leggen, ten einde het wyfje, of de andere dieren, waar by hy 
liep, niets kwaads te kunnen toebrengen. Nadat beide deeze 
dieren, ruim vier weeken te faamen in de Diergaarde geweeft 
waaren, doch, wegens de kwaadaartigheid van den Bul, al 
meeft van elkander afgezondert , en ik voorneemens was, 
om een' Stier by het wyfje te doen brengen, ten einde de 
mislukking van den Bul , was zulks mogelyk , te herftellen , 
vond de laatftgemelde geleegenheid , zich van het touw los te 
breeken , liep met zulk eene woede , dat het wyfje , zich van 
benaauvvdheid niet weetende te bergen , met het hoofd tegens 
eene paal van het roofterv/erk aanHoeg , met de hoornen tusfchen 

de 



KAAPSCHEN B O S C H B U F F E L. f 

de latten van hetzelve verwarde , zich in de lendenen bezeerde 
en daarvan eenige dagen hierna ftierf. De Bul, na met veel 
moeite opgevangen , en weer vaft gelegt te zyn , had zich onge- 
twj'feld insgel3'ks , met de hoornen tusfchen de latten van het 
roofterwerk , 't welk de Diergaarde omringd , bezeerd , hetgeen 
de gefchondene en afgebrookene punten zyner hoornen genoeg 
aanwyzen , en ftierf dus meede korte dagen daarna. De Bul 
leefde byna twee jaar en twee maanden in de Diergaarde , doch het 
wyfje maar ruim vier weeken, ongetwyfeld door het gemelde 
ongeluk en geene genoegzaame oplettenheid en voorzorge van den , 
ten dien tyde daar zynde , doch thans gedimiteerden , Opzigter 
der Diergaarde. 

Dan! hoe zeer men, door het hier bygebragte verhaal, over 
de woed- en- kwaadaartigheid deezer dieren mag oordeelen , men 
heeft my in onderfcheiden berichten verzekert , gelyk hier voor- 
heen ook reeds gezegd hebbe, dat zy, zonder aanleiding daartoe, 
geenzints kwaadaartig zyn, en misfchien heeft men die aanleidinge, 
in de aan my gedaane verhaalen , verzweegen , 't welk my door de 
afgeleegenheid der Diergaarde niet mogelyk was , om na te gaan. 

Eenige eigenfchappen deezer dieren , verlangende te kennen , 
gaf de Ed. Heer Gouverneur Baron vanPlettenberg, my 
by deszelft. Brief van 12. April 1775. het volgende bericht 2 
„ Betreffende de Boschbuffels, kan ik niet anders melden, als 
„ dat zy gewoonlyk by troupen van tien tot tv/intig gaan weideOp , 
„ zynde het vleefch zeer goed om te eeten. Zy zyn, niet 
„ door honden gejaagd wordende, geenzints kwaadaartig, doch 
„ in dat geval , weeten zy zich zeer wel te verweeren , flaande 
„ met hunne hoornen, aan weêrzyden, met zulk een geweld, 
,, dat meenige hond daardoor ais 't waare, vaneen gereeten 
„ word". Verder fpreekt Zyn Hoog Welgeb. nog over den 
naam, dan hiervan hebbe ik reeds verflng gedaan. 

De Wel Ed. Heer G o r d o n, by deszelfs aanzyn alhier , en ■■ 
daarna onderfcheiden Bewoonderen van de Kaap, welken ik 

zelfa--^ 



a BESCHRYVING van den 

zelfs gefprooken heb , verhaalden , dat deeze dieren , in zeer 
groote meenigte, in de verafj^deegene Landen van de Kaap, 
gevonden worden. Sommige hebben my verzekert , dat zy fom- 
•wylen eenige weinige , niet zeer wyd van onze Kaapfche Volks- 
planting, gezien hadden, en beveiligden de reeds bygebragte 
eigenfchappen deezer dieren. De afftand , waar zy zich voor- 
naamenlyk in meenigte onthouden, bepaalde men op 150 tot 
omtrent 200 uuren landwaards in , zonder echter het juiftediilrift , 
aan te wyzen. Myne toevlucht neemende tot het Journaal van 
den Landtogt in den jaare i 7 6 1 ondernooraen , onder de Regeering 
van den overleeden Ed. Heere Gouverneur R. Tulbach, 
fcheen 't my eenigzints toe , dat men deeze dieren ( indien 
men de Gmu hier bedodd) in de grasvlaktens ten Ooften en 
Noorden van de zoogenaamde groote Namacquas raoeft vinden^ 
Althans de Hoogleeraar, de Heer Allamand plaatfl: alhier 
op dien Landtogt, met desze'f's gewoone oplettenheid, deeze 
dieren, Qnou ook Bofchbuffel genoemd, in zyne aanteekening 
op dien Landtogt N*^. 36. Ik blyf echter geheel in twyfel of in 
de befchryving van deezen Landtogt (ji) de Gtwu bedoeld wordt 
Hier word wel van Buttèls gefprooken, doch 'er worden diep 
landwaards in nog eene geheele andere foort , insgelyks Buffels 
genaamd , gevonden , van welken men my een hoofd met enorme 
hoorens heeft toegezonden (Z»). Maar om weder tot het waare 
onderwerp deezer Verhandeling de Gnou te koomen, het is 
wonder, dat deeze aanmerkelyke dieren , voormaals nimmer 
befchreeven , zoo geheel onbekend zyn gebleeven, doch wie 
zal ons zeggen , hoe veele ganfch onbekende Schepzelen zich in 
de als nog onöpgefpeurde deelen van Africa onthouden. De oude 

Schry veren, 

(a) Nieuwe Befchryving van de Kaap, Amji. 1778, inOSlavo, bladz.^s^n^-j. 

(b) Mogelyk is deeze de Bi/en mufque , welke in het Siippl. VI Deel { my ne 
eerft ter hand gekoomen ) van den Heere de Buffon gevonden wordt ; doch de 
huorens der Kaapfche zyn rechter en min neêrgeboogcB. 



ïcAAPscHEN BOSCHBUFFEL. .^ 

Schryveren , of liever eenige derzelve , noemden voorraaals byna 
alle vreemde of onbekende dieren: Monfters. De oude Hol- 
landfche Puikdichter J. van Vondel, zingt reeds in zeker 
Vaers : „ Men hoeft om Monfters niet te reizen , naar Africa". 
Men kan deeze zonderlinge Schepzelen in geenen deele, 
gelyk den Kaapichen Ezel QZebra^^ de Coudou enz., als eene 
fchoone geftalte en aanzien hebbende , befchry ven. Het hoofd 
ruig en wild met ongelyke vry lange hairen hier- en- daar begroeid , 
de witte flyve hairen in een cirkel om de oogen ftaaiide, 
geeven dezelve meer een verwonderend en wild , als wel een fraai 
aanzien. De lange hairen van den hals , verfchillen te veel van 
de fraaije laugc ter zyden den hals van het Paard afhangende 
maanen. Zy onderfcheiden zich te veel, als veel korter en 
rainjianzienlyk op den hals van de Gnou nederleggende (^). 

De 



(c) Men zal zich ongctwyffcld verwonderen, als men deezc inync afbeelding, 
met die van den Heerc A l l a m a n d, vergely kt ,• de daarna gevolgde van den Hecre 
DE BuFFON zyn merkelyk verbeterd. De Ed. Heer Baron van Pletteniierg, 
heeft my te gelyk eene Afbeelding, Copie of Origineel , van die van den Heere 
Allamand gezonden, doch die tegens het leeven vcrgelykcnde, achttede \vy 
nodig, eene andere, door myn' Teekenaar , met alle oplettcnheid te doen maaken, 
die eiken Kondigen, het dier ziende, oneindig beter geviel. Het ontbreekt den Heere 
Go R DON aan de Kaap, volltrckt aan bckwaame Teckenkundigen , doch zulks kan 
zyn Weledele niet verhelpen. 

Lange na myne voorige befchry vingen der Coudou en Canna, en zelfs na de 
opgemaakte befchryvingen dctzcx Gnou en Pr onkbok, koomtmy, door verznimvan 
myn' Boekvcrkooper, nu onlangs eerft het XI. en XII. Vervolg in Oiflavo, van 
den Heere dc Buffon, in handen; daar hy toch gewoon was, my de Quarto 
üitgaave te leeveren , en dus het VI. Deel of Vervolg, my reeds lang moed 
verzorgt hebben. De menigvuldigheid myner bezigheden my thans minder, dan 
voorheen, tyd tot het Icezen der Uitlandfche Journaalen enz., overlaatende, te 
meer, daar wy zeer goede Hollandfche, gelyk de F'aderlandJ'che Letteröeffenlngen ^ 
Algemeene Bibliotheek enz. , hebben , hoewel die niet altyd , de buitenlandfche 
Nieuwigheden aankondigen, zo is de Üitgaave van den Heere de Buffon, te 
laat tot myne kennis gekoomen. Myn Vriend, de Heer Boddaert te Utrecht, 
myne twee voorgaande ftukjes ontvangende, fchrecf my te recht: ,,met verwon. 
„ dering te befpeuren , dat ik het gemelde Vervolg nog niet fcheen gezien te 
,, hebben". Ik vraag verfchooning aan myne Leezcrs , wegens deeze voor hun onver- 

g fchillige. 



fo BESCHRYVING vA^ Sê^ - 

De gedaante van het wonderbaar gehoornde hoofd , 't welk zich 
nleeftjil nederhangend of bukkend , als dat der Runderen vertoond, 
onderfcheid zich te veel van het Paard, anders zoude men 
uit fonimige deelen van het lyf enz. , eenige flaauwe overëen- 
koomft kunnen vinden , dan , naar mj^n denkbeeld , koomt hetzelve 
nader aan den Stier en Buffel , als aan eenig ander dier. 

Het gewoone voed zei deezer dieren was gras , hooi en haver. 
Zy aaten zeer graag brood > kool en faladeblacren. Volgens aan 
my gedaane verzekering der Oppasfers, herkaauwden zy hun 
voedzel , gelyk de Runderen. Hun geluid, hoe zeer ook 
daarvan onderfcheiden , als minder bulkende, kwam het naad 
by dat der Koeijen. Het affcheeren van het gras, het drinken 
en het (laapen , kwam daar meede overeen. Voorheen hebben 
wy reeds gezegt , dat hun vleefch zeer goed om te eeten is. 
Op de zwaarfte hitte van den dag, zogten zy de fchaduw onder 

het 



fchilligc, doch voor my niet om-erfchilügc uitweiding. En betreffende de daari'n 
Vüorkoomendc bcfchuldigingen, vanden Heere oe Buffon, van peu attentie/ 
endcrgciyke, wy achten dezelve als weerklanken van dergelyke aanmerkingen» 
welke wy de vryheid genoomen hebben, zyn Ed., doch met vry meer bcfehei- 
denheid, van tyd tot tyd, onder het oog te brengen, of mogelyk zyn zulks 
opzettingen van my ongunftige, welker laage handelwyze wy verachten, even 
gelyk de ongelukkige aanmerking van den Heere Joh. Rein. Fokster, den 
Ouden , welks bekwaamheden met deszelfs Charai^er, zynen Reisgenooten, ja 
Engeland bekend is. Van deszeifs edelmoedigen en door geleerden Zoon, G. Forster, 
mynen hooggeachtcn Vriend, hebben vvy nog onlangs blyken van een tegcngefteld 
Charafler ontvangen, deeze, voorheen door een' fchynvriend, met een' zoo val- 
fchen als kwaadiiartigen brief misleid, heeft my, van zyn' misflag ten vollen 
overtuigd zynde, naderhand de edehnoedigfle voldoening gegeeven, gelyk die te 
zien zyn, in The MoiitJily Review, London i-^jS, Vol. LIX. pag. 461 ; doch 
voornaamenlyk , in de Appendix pag. ^^q. Algemeene Bibliotheek, Amjl. 1778. 
Tweede Deel in het Letternieuw s , pag. 546. Algemeene F'aderlandfche Letter'óejfe- 
iiingen, in het Mengelwerk , eerfte Deel agtfte Stuk, pag. 358. Journal des Sf avant 
Septemb. i'jjg, pag. 492 &'c. Edit. d'Amfterdam de M. M. Rey. Ik was voor- 
neemens de dwaasheid en het onwaare van den Heere J. R. Forster, 't Welk 
de Heer de Buffon, zonder noodzaake, heeft overgenoomen , onaangeroerd 
te laaten, doch vermits men zulks als eenen nieuwen aanval van den Zoon, zoude 
kunnen aanzien, heb ik deeze aantcekening hier noodig geacht. 



KAAPscHEN BOSCHBUFFEL. u 

het geboomte. Het op de kniën voortkruipen , waarvan de 
Heer Allamand (preekt , is my , gelyk ook den bediende der 
Diergaarde, volmaakt onbekend, en alleen eene eigenfchap van 
liet Breedfnuitig Varken , voorheen door my befchreeven. 

Het ondericheid in gedaante van dat der Sexe , was van geen 
aanbelang. Beide gehoornd zynde, fcheen my de vrouwelyke 
foort kleinder, doch daar my deeze ook jonger toefcheen, durf 
ik deswegens niets zekers bepaalen. Derzelver uitvverpzelen 
waaren keuteliichtig, wat grooter als die der Harten. 

BESCHRYVING 

VANDEN 

KAAPSCHEN 

BOSCHBUFFEL, 

DOOR DE 
IIOTTENTOTTEN GNOU GENJJMD. 

■ Tah. XVI IL 

Dit zonderlinge dier , welke tot het mannelyke geflacht 
behoort , heeft van het begin der neus tot aan het grond- 
beginzel van den Staart, de lengte van ruim zes Rhynlandfche 
▼oeten. De hoogte , langs den voorvoet tot op den rug t>y deo 
hals , was drie voet zeven en een halve duim, 

B 2 De 



'12 BESCHRYVINC VAN ioEN 

De lengte van het hoofd , van achter de hoorns tot voor aan 
de neus, is negentien duim. De lengte der hoorns, langs de 
uitwendige kromme bocht, met een koort van het achterfte 
grondbeginzel tot nan de punt gevolgt , gaf, het koort gemeeten 
zynde, de lengte van eenentwintig duim. 

De lengte van den Staart was vyfëntwintig duim. 

Het geheele lyf is bedekt met kort glad hair , eenigzins 
graauwiichtig bruin van kleur. Nederwaards langs den hals en de 
borft vertoond zich een ftreek zwarte langere hairen, die tusfchen 
de voorbeenen tot op den buik doorloopt. Boven op den 
hals tot voor op den rug heeft het fterke maanhairen , waarvan 
de langfbe ruim drie en een ha!f duim lang zyn , beneden- 
waards grys wit en verder zwart. De maanhairen moeden in 
deeze afbeelding een weinig meer overëindft:.ande verbeeld 
zyn (*> 

Het hoofd is in evenredigheid van het ligchaam groot. Het- 
zelve geeft een verwonderend en wild aanzien , als voor op de 
neus met lange zwarte opftaande hairen bezet , terzyden ziet 
men die insgelyks , doch korter en meer neerleggende ; maar 
onder de kop of bek , naar de keel , zyn die weer langer. Men 
kan die echter geenzins een' fik of baard noemen. De oogen 
zyn donkerbruin , rondom bezet met Ityve uitdeekende wicte 
hairen, van omtrent anderhalve duim lengte, die zich als de 
ftraalen van een ftar om het oog vertoonen , en aldus eene 
verwonderende befchouwing veröorzaaken. Ik herïnner niy 
niet zulks by eenig dier gezien te hebben. Het hair der 

oogleeden 



(* ) Doch geenzins zoo Aerk overëindflaandc, gelyk die van de Ileeren All a- ' 
MAND en BuFFON. Maar myn Teekenaar, de Heer Schouwman, genoeg 
door zyne bekwaamheden bekend , beweert van neen. Zceker is het, als men het 
vüer grazende in het veld zag , mee een neérgeboogen hoofd , dat dan de raaanhairea 
meer als anders overeind ftonden. 



- KAAPscHEN B O S C H B U F F E L. ' ' ^ 13 

oogleeden is kort en donkerbruin. De neus is kaal en zwart. 
De neusgaaten zyn groot en halfraaanswyze. De ooren zyn als 
die van een' Os , met kort bruin hair begroeid , en omtrent zes 
duim lang. De hoorns zyn by haar grondbeginzel breed en 
plat, en koomen aldaar naby elkander. Zy hebben eenige, 
ik zeg eenige overëenkoomfi:, met die hoorns, welke de Heer 
DE BuFFON van den echten Kaapfchen Buffel afbeeld (*), 
naamenlyk in haar grondbeginzel , doch zy zyn aldaar veel 
kleinder en platter. De hoorns buigen zich van haar begin een 
weinig nederwaards, in haare voortgroeijing, tot omtrent een 
derde van derzelver lengte , alsdan maaken zy een' kleinen krom- 
men bocht, en begeeven zich verder, byna recht in de hoogte, 
alwaar zy vry fcherppuntig eindigen. De koleur is by derzelver 
begin graauwachtig zvvart, de punten zyn gladder en zwarter. 
Op het Scelet van het hoofd zyn zy, op derzelver inwendige 
kern , gelyk die der Koeijen , beweegbaar , doch door derzelver 
bocht daar niet van af te trekken. Voor in dQv, bovenbek zyn 
geen tanden , maar ver achter in aan wecrzyden vyf Kiezen , de 
drie achterfte zyn groot of breed , die daarop volgt is kleinder, 
en de voorfle, nog veel kleinder en meer naar binnen flaande, 
heeft, naar de buitenzyde, digt tegen zich aan, noch een klein 
losftaande ligchaampje, hetwelk meer naar een platachtig tandje, 
dan naar een Kies gelykt, dit mede als eene Kies gereekend, 
zyn 'er zes. Van onderen zyn voor in den mond acht breede 
platte fcherpe fiiytanden , waarvan de middenlle de breedfte zyn. 
Ver achterin zyn hier aan weèrzyden insgelyks vyf Kiezen, 
doch minder dik als de bovenfle, anders overëenkoomflig , 
behalven dat hier de voorfle Kies, dat kleine Kiestandje, niet 

by 

(*) BuFFON, Tom. XI. Tab. XLI. fig. 4. Doch dcczc van de Gum zyn 
op verre ua niet zoo dik , zoo zwaar , en veel platter by derzelver grond- 
beginzel. 



1 4 BESCHRYVING van den kaapschen BOSCHBUFFEL. 

by zich heeft. Men diend wel op te merken , dat men in deeze 
geheele befchryving het mannelyke Ibort bedoeld, want in den 
kop der vrouwelyke foort vooraan , onder in elke kaak , ontdekt 
zich zeer duidelyk , noch een klein kiesiicbtig tandje meer, zeer 
digt tegen de vyf volgende Kiezen ( * ). 

De voor- en- achterbeenen zyn, gdyk het lyf, graauwachtig 
bruin , niet zoo dik als die der Koeijen , of zoo dun als die 
der Harten. De hoeven zyn zwart en gefpleeten , en terzyden 
boven dezelve vertoonen zich de losfe byhangende zwarte 
klaauwtjes. 

De ftaart heeft losfe geelachtige witte hairen , eenige overëen- 
koomffc hebbende met die van een paatd, doch dunder van 
hair. , . 

De gedaante van het lyf, de kop , de eenigzins korte beenen, 
de gefpleeten hoeven , de niet wisfelende hoornen, de herkaauwing 
enz., brengen dit zonderlinge fchepzel tot de Runderea 



e * ) Het wyfje der mannelyke foort , die ik hier befchreeven heb , was mecde 
gehoornd, de niaancn op den hals waaren korter, anders vry overëenkoomüig ; maar 
Ikc was kleinder, en, gelyk iny uic de beenderen gebleeken is, ook jonger. 



BESCHRYVING 

EENER NIEUWE SOORT VAN KLEENEN 

H A R T E B O 

B Y D E 

HOLLANDSCHE VOLKSPLANTING 

AAN DE KAAP de GOEDE HOOP BEKEND, 

ONDER DE BENAAMING VAN 

P R O N K B O K, 

Foor de eer Jl erna al y in europa, leeveudig overgebragt 
in de diergaarde 

VAN ZYNE 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINSE /'v/iV ORANJE EN NASSAUIV^ 

ERF-STADHOUDER, ERF-GOU l^ERNEUR, ERF-C AP ITEI N- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER FEREENIGDE 

NEDERLAND EN, enz. em. enz. 

BESCHREEVEN EN UITGEGEKVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

Raad ran gemelde Zyne Doorl. Hoogheid , Directeur der Forjielyke Natuur- en 

Kunft-Kabinetten en Diergaarde , Lid der Keyzerlyke Akademie , en Korres- 

pondent der Koninglyke Akademie der IFeetenfchappen van Parys , Lii 

der Koninglyke Akademie van Madrid , van het Zeetiwfche Ge- 

nootfchap van Vlisfingen en Hollandfche Maatfchappye 

te Haarlem, enz. 

* 

TE AMSTERDAM, 

By DE Erven P. MEIJER en G. W A R N A R S, 

MDCCLXXXIF. 



,'/^..^. X2X. 




..■f ./..!.v/~,.,,,.7V/ 



OKK-JBOKJEj van. de Kaap de Goede Ho(a>p„ 



ïjp. 



NATÜURLYKE HISTORIE 

VAN DEN KLEENEN 

HARTE BOK, 

AAN DE KAAP DE GOEDE HOOP BEKEND, 
ONDER DE BENAAMING VAN DEN 

P R O N K B O K (*). 

Den oO. "July 1774, werd dit nieuwe foort van Harte- 
bokjes (Gazelle^ y aan de Diergaarde van Zjaie Doorl. 
Hoogheid gezonden , door den Wel Ed. Geftr. Heere 
GoRDON, eerde Bevelhebber der Kaapfche Militie. De 
kennis der Natuurlyke Hiftorie , vooral in opzicht van de vier- 
voetige Dieren dier Africaanlche Geweften , vindt zig ten hoog- 
flen verpligt aan zyne oplettende nafpeuringen : Deeze zyne 
natuurlyke neiging deedt hem de gevaaren der binnenlandfche 
reizen verachten, die maakten hem gehard om de woefte wil- 
dernisfen, in de afgeleegenfte en veelal onbekende ftreeken, te 
doorzoeken , hierdoor overkwam hy alle die , anderfints 
onöverkoomelyke hindernisfen en ongemakken , van welke 
zomwylen ééne enkele genoeg in ftaat zoude geweeft zyn een' 

anderen 



(*) Nadat deeze Bcfchryving gereed was, zyn my de volgende Schryverea 
bekend geworden, de twee eerde alleen door vriendelyk bericht. 
SpringboL Zimmerman, Geijgraphifche Zoölogie. iY7S.feqq.8vo. 
Springbsk. Pennant, Hijiory of Qjiadrii-peds. J-^ol. I. pag. 82. iV. 35., 

LoncL. 1781. 
Cki'vre fautante. Forster, den Ouden, inBuFFON, Hiji. Nat.Suppl. 

Tmn. VI. Paryfche Uitgaave 4to. pag. 176. ffc. 
Gazelle a Bourfefur Ie dos , AllamaK-D, znKi'rFON, Hift. Nat. Suppl. 

Tm. FL Utf pag. 180 £?r. 

A 2 



4 BESCHRYVING van den 

anderen af te fchrikken , zonder door eene zoodanige Natuurdrift 
te zyn aangemoedigd. 

Dit voorheen onbekende Diertje, 't geen zig door eene 
byzondere eigenfciiap , zyne foort alléén eigen , van de andere 
Hartebokken genoegzaam onderlcheid, is in onze Kaapfclie 
volksplanting onder deeze volgende verfchillende bt^naamingen be- 
kend. Men noemt deeze dieren aldaar Trekboky om reeden, dat 
zy geduurig van verblyf veranderen, wanneer het gewoone voedzel 
en water hun begint te ontbreeken , het welk door de groote 
droogte landwaard in dikwyls voorvalt. By die geleegenheid 
misfen zy zelden in derzelver keuze waar zich beft, met hunne 
groote meenigte, naar toe te begeeven. 

Andere noemen hun Springbok, wegens derzelver vlugheid 
en hoüge fprongen die zy, vooral in vryheid zynde, dikwyls 
doen. Weder anderen, en, zoo het my toefchynt, met geen 
minder recht, geeven hun den naam van Pronkbok^ uit oorzaak 
dier zonderlinge eigenfchap, hun alléén eigen, naamelyk, dat 
zy het achterlyf, 't welk, gelyk het verdere van den rug, 
zeer licht Callanjebruin is, naar hun believen geheel wit kun- 
nen roaaken , over 't welk ik omftandiger zal fpreeken. 

De Heer Gordon, en andere by my geweeft zynde 
Kaapfche Heeren, byzonder de Heer J. van Reenen, Oud- 
BurgeiTaad van de Kaap (^), die my de gemelde benaamingen 
ook heeft opgegeeven, hebben my te gelyk in ftaat geftelt het 
volgende omrrent deeze zonderlinge dieren aanteteekenen. De 
vruchtbaarheid van deeze foort gaat byna het geloof te boven ; 
want men heeft my verzekert , dat zy zig in Troupen van 

duizenden 

? (a) Deeze Heer heeft my gezegt een middel uitgevonden te hebben, om de 
andcrfints groene Wasch, weiicc op de Kaap aan zeekere Heefier groeit, door 
kooking enz. volmaakt wit, veel harderen glanfiger te maaken, als het gewoone 
W^asch van onze Kaarsfen. Buiten allen twyfel verdiende deeze ontdekking aange- 
moedigt te worden : Zyn Ed. had de goedheid, my proeveo daarvan, voor hes 
Kabiaet , ter hand te ftelicn. 



KLEENEN HARTEBOK. 5 

duizenden byëen vertoonen. Vervolgens is men van gedachten , 
dat zy zig voornaamelyk iii het Land der CafFers ophouden ; van 
daar, en mogelyk nog veel verder, verfpreiden zy zig door 
gehe>ele Landftreeken, alwaar zy, vermits byna allerlei groen- 
ten van hunne gading is , alles , tot zelfs de wortels der planten , 
by gebrek van ander voedzel, verflinden: in dien opzichte ver- 
trekken zy tot geene geringe plaag van den armen Landman, 
welke daar en tegen ook alles aanwend om van derzelver 
fchrikbaarend bezoek bevryd en ontflaagen te worden. Zeer 
veele derzelve worden door de Boeren en Jagers gefchooten of 
gevangen, 't geen gemakkelyk gefchied als van geenen vrees- 
achtigen aart zynde, en in dit opzicht zyn zy mogelyk alléén 
nuttig, vermits derzelver vleefch niet alleen een zeer goed en 
aangenaam voedzel is , maar zelfs voor een fraaakelyk wildbraad 
wordt gehouden. Het verfcheurende gedierte, gelyk de Leeu- 
wen, Luippaarden, Hyënaas en anderen, verflinden insgelyks 
eene meenigte derzelven, als niet gefchikt ter zelfverdediging 
door hunne weerloosheid. Op verfchillende wyze koomen nog 
zeer veele om 't leeven , door ziekten , ongemakken , gebrek 
aan genoegzaamen voorraad van voedzel voor derzelver ongeloof- 
lyke meenigte, en welk voedzel zy in de uitgebreide Landen 
die zy doortrekken , niet overal in gelyken overvloed aan- 
treffen. De groote droogte, welke vooral des Zomers in de 
inwendige deelen van Africa heerfcht, waardoor dikwyls geheele 
rivieren uitdroogen, ontbloot den grond van de anders daar 
zynde gewasfen , hierdoor zyn zelfs het geboomte en brandftof- 
fen aldaar zeer fchaars en men ontmoet 'er niet dan kleen kreu- 
pelbos. Deeze voornaame hindernisfen, zoo nadeelig zelfs voor 
de verdere bewooning en bevolking deezer landen, doen het 
gedierte de vruchtbüarer geweflen opfpeuren en voert hen 
dikwyls in de nabyheid unzer volksplanting. Wat men ook, met 
fchyn van zekerheid , weegens het gewoone verblyf dezer Harte- 
bokken , als Terra de Natal enz. mag opgeeven , men heeft my 

A 3 verzekerd 



6 BESCHRYVING van dem 

verzekert dat hetzelve zeer onzeker is. Doch dit is 
ftellig zeker, dat zy uit zeer verre en onbewoonde geweften 
koomen , en als ik my op het gezegde mag verlaaten , dat zy , diep 
landwaards in , zoo weinig vreeze betoonen , dat men dezelve 
met de handen grypen kan ; een onbetwiftbaar bewys dat zy het 
gevaar van den menfch voor zich niet kennen. 

Het gewoone voedzel deezer dieren is overëenkoomftig met de 
Harten, Bokken enz. gras en diergelyke gewasfen, doch dit 
foort is, gelyk de Bokken, minder keurig dan anderen; hunne 
gcïiartheid is zagtzinnig, waardoor zy zig weldra gewennen, na 
het verlies van derzelver vryheid. 

Men verzekert my dat de vrouwelyke foort ook gehoornd 
is; de zonderlinge eigenfchap, om zig van achteren wit te kun- 
nen maaken, gelyk men van het manlyke zeker weet, dorft 
men niet ftellig bepaalen, doch men geloofde zulks. 

De Heer Gord on hadt dit diertje, noch jong zynde, naar 
Holland meedegenoomen , en te gelyk eene melkgeevende Geit. 
In de Diergaarde overgebragt zoog het nu en dan maar zeer wei- 
nig; de Geit kwam na genoeg met onze geiten ovtrëen, der- 
zelver couleur was een weinig blaauwachtiger grys , en ftierf 
niet lang hier zynde. 

Dit aanvallig diertje , 't welk ik thans onder zynen kaapfchen en 
zonderlingen eigenfchap aanwyzenden naam van Pronkbok be- 
fchryf , leefde tierig en wel in de Diergaarde. Zyn ge- 
woone voedzel was gras, allerlei groentens, falade en koolbla- 
den , geele peen enz. ja alles was genoegzaam zyne gading. Des 
winters, in eene warme kamer gehouden, at het hooy, zeer 
greetig brood , maar veelliever tarw als roggen brood , en 
was byzonder geftelt op tabak zelfs Snuifcabak, gelyk alle 
Bok-foorten. Het was geenzints fchuuw, naamelyk, tegens die 
hy kende, echter eenigzinrs wantrouwend voor vreemden. Zyne 
verdere geJiartheid was gelyk alle andere Soorten van deze die- 
ren , naamenlyk moedig en leevendig. Somwyl fprong het uit zig 

zelve 



KLEEWEN HARTEBOK. 7 

zelve drie en vier voeten hoog , in eene rechtflandige lyn, 
van den grond, wanneer hy zig, gelyk men my verzekert, 
(want zelfs heb ik dat nooit gezien) van achteren wit marik te. 
Zyne flem of geluid was naby koomende aan dat van een Hart, 
doch hy liet zig zelden hooren. By zyne aankoomft was het 
veel kleinder, het liet niet toe dat men de maat van hetn 
konde neemen door zynen leevendigen of dartelenden aart , maar 
het fcheen ons toe , dat hetzelve omtrend één vierde grooter is 
geworden , geduurcnde den geruimen tyd dat het zeervvel zynde 
in de Diergaarde geleefd heeft (Z»). Eenen geruimen tyd, zeg ik, 
want hetzelve is den so.July 1774. in de Diergaarde gekoo- 
men , en in Auguflus of September van het Jaar 1777. 
door een ongelukkig toeval, geftorven (c). Het was in de 
weide der Diergaarde, door eene affcheiding, van de andere 
dieren afgezondert , doch een Breedfnuitig Varken van de Kaap , 
voorheen door my befchreeven, 't welk by de andere dieren 
zonder ecnigen hinder liep , ondergroef de affcheiding by nacht. 
Het diertje, zekerlyk door de bykomfl van het Zwyn ver- 
fchrikt, moet zig inwendig door fpringen bezeert hebben, want 
uitwendig vond men geene andere teekens , als het verlies van 
eenige tanden en het losflaan der overige. Men trachte ciic 
gebrek door zachte voedzels te gemoet te koomen, doch het 
ftierf weinige dagen na dit ongeluk. 

Na deeze kleene uitftap , ( alleen gefcliikt ter aanwyzing van 

de 



(&) De Heer J. R. Forsteh, de Oude, fchynt niet zeer naauwkeurig, 
daar hy de groote van dit Diertje met de Axis, of het gevMte Hart van Ben- 
gaaien, gelyk ftelt. Het fcheelc wat veel, 't geen omtrent de helft fcheelt. Zie 
den Heer Buffon, Suppl. Tom. VI. pag. 178. Vergelyk Le Daim by den 
Heere Dadbenton, dkin grootheid met de Axis, gelyk gertclt wordt. 

(c) De Hoogleeraar de Heer AtLA MAND vergift zich merkelyk, met te zeggen, 
dat hetzelve maar eenige maanden in de Diergaarde geleefd hcefc , daar het 
hier blykt , dat het meer dan drie Jaaren aldaar in keven geweelt is. Zie den Hcc-i' 
StBüFFON, Suppi. Tem. VL pag. i8a. 



8 BESCHRYVING van den 

de benoodigde voorzorge , welke by alle Diergaarden verëlscht 
worden) zal ik, den draad der Nat Hiftorie volgende, overgaan 
tot de aanmerk elykfte eigenfchap deezer dieren en waardoor zy, 
onder andere benaamingen , aan de Kaap, dien van Pronk bok ver- 
kreegen hebben. 

Ik heb te vooren maar even aangeroerd , dat deze diertjes , 
welks boven- en- achterlyf , licht Callanjekleurig bruin is , zig 
het achterlyf geheel wit kunnen maaken , dit deet het weezent- 
lyk tot verwondering van alle die zulks gezien hebben. In Au- 
guftus vanden jaare i 774. heb ik de eer gehad , zyne Koninglyke 
Hoogheid , den Aarts - Hertog Fran. Xaver. Maximiliaan, 
onder den Naam van Graave van Burg au reizende, en be- 
geleid door onze Doorl. Stadhouderlyke Famillie, 
de wonderbaare eigenfchap van dit Diertje met ongemeen 
genoegen te doen befchouwen. In eene kleene doch genoegzaame 
loopplaats , van de andere dieren afgezondert , hebbe ik nimmer die 
veranderende eigenfchap ontdekt ; men verzekert wy echter dat 
hy fomwyl zulks deed, naamenlyk, wanneer hy in een vrolyker 
luim fomtyds drie en meer voeten van den grond rechtftandig 
opfprong, zich als dan van achteren geheel wit vertoonende. 
Dan men was meer verzekert dit te zullen zien, wanneer men 
hem , in cenen eenigzints ruimer doch bepaalde plaats , uitliet en 
aan het loopen hielp, in dit geval miffce hy nimmer aanftonds 
na zyn ftilltaan zulks te vertoonen. Het Diertje, vóór zyn 
loopen of na zyn ftilflaan, met een naauvvkeurig onderzoek 
ibetaflende, ontdekte men, van het midden der lengte van den 
rug tot op den ftaart, eene fmalle flreek fneeuwwitte hairen, 
die vooral op den rug vier en een half, en zelfs vyf duimen 
lengte hadden , maar die naar den flaart korter werden. 
Doch om deeze te zien , moed men de daar overheen fchui- 
vende zylingfe bruine hairen wegfchuiven ; maar welke moeite 
men ook te werk ftelde , men kon die witte ftreek, 
flechts iets meer als één duim verbreeden , daarënteegen , 

na 



KLEEKEN HARTEBOK. 9 

na dathet dier zes of acht pasfen geloopen had, en dan flilflond, 
verbreedde het die byna over het geheele achterlyf , en na een 
of twee minuuten zoo geftaan te hebben, trok het de bruine 
hairen weer byëen, en men zag niets van het wit als een 
weinig naar achter. " ' ■ "■ . ; , • ! , 

De wyze hoe en op welke dit dier deeze toverachtige eigen- 
fchap werkftellig maakte is vreemd, doch ik zal zulks door 
waarneemingen trachten te verklaaren. De Heer Gord on en 
andere dachten , dat deeze verandering door wegtrekking van het 
vel verricht werdt, doch dit verklaart geen text, gelyk by de 
ontwyding na zyn* dood gebleeken is. Nog verzekerde my de 
Heer van Reenen dat die dieren deeze vreemde eigenfcliap open- 
baaren, wanneer zy iets vreemds zien of hooren; dan zulks is my 
hier , na herhaalde proeven , niet gelukt , te ontdekken. Men vlei 
inheteerftin het denkbeeld, dat derzelver bruine hairen aan haar 
gronbeginzel wit waaren , dan dit zyn zy geenzints. De bruin- 
kleurige hairen zyn by haar grondbeginzel , licht bruinachtig 
aschgraauw , en maar weinig verfchillend van derzelver uiteinde. 
De oppasfers in de Diergaarde dachten, dat het dier zyne zon- 
derlinge vertooning alleen veroorzaakte door het overëinde zetten 
der hairen van den rug en het achterlyf, dan dit is in een' zeer- 
bepaalden zin maar eene waarheid, gelyk men nader zien zal. 
Het dier geflorven zynde onderzogt ik alles zoo veel mogelyk , 
en liet hetzelve voor het kabinet, door den kundigden Opzetter 
in dit foort van zaaken , in orde brengen. Ik belafte hem ver- 
der , een allernaauwkeurigft onderzoek naar die byzondere eigen- 
fchap van dit Dier , naamelyk het wit worden , 't welk hy , by 
de afzondering van het vel van 't ligchaam, zeer wel kon doen, 
en zie hier het hoofdzaaklyke van de aan my gedaane opgaave : 
„ Dit Bokje kon zyne hairen gemakkelyk doen opryzen , ver- 
„ mits by de ontwyding of de feparatie van het vel , my geblec- 
„ ken is, dat hetzelve, onder het vel van den rug, eene 
„ opëenftapeling van digt ineen gewerkte fpierachtige vezelen, 

B „ of 



10 BESCHRYVING van den 

„ of faamenweefzel van fpieren had , zeer gefchikt om de huid 
„ uit te rekken of te doen inkrimpen , om dus het hair opge* 
„ richt of glad te vertoonen. Van eene zak of beurs , van 
„ binnen met wit en van buiten met bruin hair, heb ik niets 
„ hoe genaamt, kunnen befpeuren (^) ". 

Wy zien dus de oprichting van bet hair door den Opzetter 
beveiligd, maar noch daarenboven verzekert my zulks alhier 
een Chirurgyn, welke dit Hartebokje ecnige weeken, direft 
agter zyn Huis , in een kleen bleekveldje , voordat het na de 
Vorfteiyke Diergaarde verzonden is, bewaard heeft: dezelve 
heeft my ook het hoog opfpringen en wit worden beveiligd,, 
waarvan wy reeds gefprooken hebben. 

Het is dus meer als waarfchynlyk , dat het Dier de witte 
hairen door de fpieren van den rug opzet, doch dan moet 
noodwendig volgen , dat het die momentlyk daarna , ter weêr- 
zyden , over het bruine hair nederlegt , want anders kon het 
geheele achterlyf niet wit worden. Door de oprichting alléén , 
't welk ik verfcheiden maaien onderzogt heb , ziet men niet 
anders als eenen witten ftreep. Men herïnnere zich royn gezegde : 

Dat 

( (i ) Door het nu cerft ontvangen VI. Supplement van den Heere de B u f F o H 
zie ik, dat de Heer A l l A m A N D dit Hartebokje (door my Pronkbokje 
genocmt) de benaaming van Gazelle a bourfe fur Ie dos gegeeven heeft, en dat 
zya Hooggel. het met een zak of beurs op den rug befchryft. Zie hier deszelfs 
eigen woorden. „ l^oici comment cela s'opére .• Vanimal afur Ie dos une e/pète de 
„ bourfe f aite par la peau, qui f e repliant des deux c6tés^ forme deux lèvres qui/e 
„ touchent pre/que ; Ie fond de cette bourfe ejl couvert de poils blancs, ö* c'ejl l'eX' 
„ trémUé de ce poils qui , pa[fant entre les deux lèvres , parott être une raie e» ligne 
„ Manche; lorfque la Gazelle court , cette bourfe s'ouvre, Ie fond blanc paroït A 
„ découvert , ^ dès qu'elle s'arrête, la bourfe fe referme". Zie deeze befchryving 
van den Hcerc A t, l A M a n d, by den Heere B ü F p o n , Suppl. Tom. FL pag. 182, 
zyn Wel Ed. fchynt hierin niet wel onderricht, of niet wel in de beurs gekeeken 
te hebben. 

De Chèvre Sautame, van den ouden Heere Forste R. De Gazelle a Bourfe fuT 
Ie dos , van den Heere Allamand, en deeze myn Pronkbok , is zonder beden- 
king, het zelfde Dier; doch geenzints de Bontebok, waar omtrent by den Heere 
deBüFFONj nog eenige twyfel fchynt. 



-«LEËNEM HARTEBOïC ff 

Dat die fiieeuwwitte hairen , boven op den rug , vier of vyf 
duim lang zyn , dat ik in zyn leeven en zelfs na zyn' dood , die 
witte ftreek niet kon verbreeden. Maar dit was ook niet nodig, 
vermits men nu zelfs noch , daar het reeds voor het Kabinet 
is opgezet, die lange witte hairen, over de bruine, die korter 
zyn , zoo kan oplichten en nederfchuiven , dat het zich van 
achtten wit vertoond. Nog heb ik by deze proefneemingen 
bevonden, dat de gemelde ftreek witte hairen 2uch, naar 
het achterlyf , wat meerder breed doet zien , dan hier zyn 
dezdve zoo lang niet; het Dier moet dus volftrekt de witte 
hairen kunnen oplichten en over de bruine heen fchuiven, 
*t welk men , gelyk zoo even gezegd heb , als nog met de handen 
kan verrichten. 

Zie daar die wonderbaare eigenfchap van dit bevallige 
Hartebokje , zoo duidlyk my moogelyk , voorgefteld. Maar 
waartoe decze Dieren met dit vermoogen begaafd ? De groote 
Werkmeefter der fchoone Natuur heeft niets voor niet verricht. 
Door het wit worden ontdekken zy zich op eenen verderen 
afftand; zou zulks ook moeten dienen (gemerkt hunne te 
groote vruchtbaarheid , waardoor zy, gelyk men verzekert, 
geheele Landftreeken bedekken ) om daardoor de Jagers , bene- 
vens het verfcheurende Gedierte, hun wit te beter te doen 
treffen ? Ik voor my bekenne , de wyze fchikking van het 
onbegrypelyk Alvermoogen , welke dikwyls zoo zichtbaar in het 
gefchaapene doorftraalt, in deeze fchepzelen, niet te kunnen 
doorgronden. 



B 1 BESCHRYVING 



E2 BESCHRYVING van den 

B E S C H R Y V I N G 

VANDEN 

K A A P S C H E N 

P R O N K B O K 

Tab. XIX. 

Dit Hartebokje was van het Mannelyke geflacht. De lengte 
van de neus tot aan het grondbeginzel van den ftaart , is 
twee Rhynlandfche voeten en tien duimen. De hoogte, langs 
den voorvoet gemeeten tot op den rug , is twee voet drie en 
een halve duim. De lengte van het hoofd, in een fchuine 
lyn , is van de neus tot het achterhoofd , tien duim. De 
hoorens zyn zwart , acht en een quart duim. Derzelver grond- 
ftuk is eenigzints ovaal, in haar grootfte middeliyn twee en een 
halve duim. Aldaar met een' affland van elkander van een halve 
duim. Derzelver gedaante is befb in deeze afbeelding te zien. 
Zy zyn geringd. Men telt veertien ringen, waarvan de twee 
bovenfte het minfte zichtbaar zyn. Zeven of negen der onderfle 
ringen verdeelen zich, naar het achterhoofd, als in tweën. De 
puntjes der hoorens zyn , ter lengte van twee en een halve duim, 
glad en zonder ringen , zy buigen zich eenigzints naar elkander 
toe, tot op eenen afftand van vier en een quart duim. De 
ooren zyn zeer groot, vyf en een halve duim lang. De flaart, 
ten einde der byhangende hairen , is acht duimen. 

De koleur van het geheele bovenlyf , het achterhoofd , den 
hals en de zyden derzelven, gelyk meede de voorbeenen, van 

vooren j, 



— kleenêN HARTEBOK. - li'/: ïS 

vooren, is- zeer licht liaftanjekleurig bruin gelyk de Harten. 
De achterbeenen insgelyks, doch die hebben voor en achter, 
een' witten neêrloopenden fmailen ftreep, in tegenflelling zyn de 
voorbeenen van achteren geheel wit. Ter zyden van het lyf , 
boven het wit der buik , vertoont zich een lange en breede don» 
kerbruine band of vlak, welke zich, by de voor- en achter- 
beenen, in het lichtbruin verlieft. Terhalverweg, bovenop 
den rug, begint de onzichtbaare ftreek witte hairen, welke 
men niet zien kan, als het Dier in ruft is, doch die het, door 
oplichting , ter zyden over het geheele achterlyf , kan heenen 
fchuiven , waardoor het zich als dan , aldaar , geheel wit ver- 
toont. Deeze ftreek fiieeuwwitte hairen , is op den rug ruim 
een duimbreed, meer naar den ftaart wat breeder, de witte 
hairen zelfs , zyn vier en een half, ja vyf duim lang op den 
rug, verder naar den ftaart korter, doch de witte hairen wor- 
den, het Dier in ruft zynde, door de bruine overdekt, die 
hier ook langer als op de verdere deelen van het Dier 
zyn. Het hoofd is van vooren , ter zyden en van onderen , 
wit. Op het voorhoofd is een lichtbruine vlak , die zich , tus- 
fchen de hoorns in de bruine kleur van het achterhoofd verlieft. 
Terzyden het hoofd vertoont zig een donkerder bruine vlak of 
ftreep , die over de oogen tot op de lippen fchuins nederloopt. 
De oogen zyn donkerbruin, de binnezydfche hoek derzelven 
verlengt zich als in een traanbuis. De oogleden zyn onder en 
boven met vry lange zwarte hairtjes omringd. De ooren zyn 
kokerachtig rond, zeer lang, regtöpftaande en puntig uitloo- 
pende, van binnen als buiten met kort grys hair bezet. Deneus- 
gaaten zyn groot en eenigzins halfmaanswyze. De bovenlip 
vertoont zich onder de neus als verdeelt , en is , gelyk de onderlip 
en kin, met kort grys wit hair bezet. Boven in den mond zyn 
geen voortanden, van onderen acht, waar van de twee middenfte 
de breedfte, en de zes anderen fmal zyn. De Kiezen zyn, . 
onder en boven , gelyk in getal , aan elke z^^e vyf. De voorfte 

Kies 



14 BESCHRYVINGvandbnkleenenHARTEBOK. 

Kies irt de onderkaak is zeer klein , en byna als een tand ^ 
de volgende grooter en grooter, maar zy verfchillen uitwendig. 
De achterfte is ter zyden als in driën verdeeld , elk deel zich als 
een halfrond vertoonende. De drie volgende zyn even zoo, 
doch maar in twee halve ronden verdeelt. Dé voorfte Kies , ia 
de bovenkaak, is wat grooter en kiesachtiger , als die van 
onderen. De twee achterfte hebben ter zyden drie fmalle uit- 
fteekende ribben , als een op het midden en een op eiken zykant. 
De twee volgende hebben 'er maar twee , op eiken zykant een. 
Van onder de witte mond van het Dier , langs het voorfte 
gedeelte van den hals of de keel , is het wit , welke zich met het 
wit van den geheelen buik en het onderlyf vermengd. De beenen 
zyn ongemeen teer. De gefpleeten en zeer puntige hoeven zyn 
zwart. Boven dezelve zyn , aan eiken voet , twee kleene zwarte 
puntige byhangende klaauwtjes. De ftaart is aan de binnenzyde 
kaal, zeer dun, withairig, van onder met een bosje loifè 
bruine en zwarte hairen. 



ES CHRYVING 

VAN EEN 

Genoegzaam onbekende Africaanfch Diertje, van de kaap de goede 

hoop; aldaar algemeen onder de benaaming van MOL bekend, 

en door my , in onderfcheiding van andere , genaamd : 

DE GROFNGLANZIGE MOL- 

Overgezonden aan het kabinet 

VAN ZYNE 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN REERE PRINSE VAN ORANJE EN NASSAUÏV, 

ERF-STADHOUDER, ERF-GOUVERNEUR, ERF-C AP ITEI N- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

BESCHREEVEN EN UITGEGEEVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

Maad van gemelde Zym Doorl. Hoogheid . Directeur der Vorfielyh Natuur, en 

■Kunjl-Kabinetten en Diergaarde , Lid der Keyzerlyke Akademie , en Korres- 

.pondent der Koninglyke Akademie der Weetenfchappen van Parys , Lid 

der Koninglyke Akademie van Madrid , van het Zeeuwfche Ge- 

4tootfchap van Vlisfingen en Hollandfche Maatfchappye 

te Haarlem, enz. 

TE AMSTERDAM, 

By DE E&VEN P, MEIJER EN G. W A R N A R S, 
MDCCLXXXVIL 



V 



' "1 * .< 



,/f//.-\'A'. 




X' i^r- / tlfi 



C":BGi:2\ GLAIiZ", Cl-l JMOIi „ van de Xaap de Goede Pïoop. 



NATUURLYKE HISTORIE 

V ',' 'van DEN' ■ " -■ •-•- 

KAAPSCHEN 

GROENGLANZIGEN MOL- 



ALBERTus Seba (^) IS de eerde, welke deezea 
zonderlingen en fraaien Mol heeft befchreeven , esi 
door eene vry goede afbeelding opgehelderd. Dan by hem 
vinden wy dezelve voor eenen Siberifchen te boek gefield, 
ongetwyffeld door onkunde van die geenen, door wie hyden- 
ZQlven heeft verkreegen. " .. , 

Op de verkooping van het Kabinet van den Heere S E- 
BA, 't geen te Amfterdam in het Jaar 1752. geweeft is, 
werdt dezelve op N°. 136 voor dertig guldens verkogt. 
Op gemelde nommer der Catalogus vindt men de volgende be-= 
fchryving: „ Een Mol uit Arabie, met veelerhande wêer- 
fchynende verwen , Jxplax genaamd" Ziedaar ten tweede- 
maal eene verkeerde geboorteplaats aan denzelven toege- 
ëigend, onbetwiftbaar een misflag van den oplleller dier 
Verkooplyfl; Men wift ten dien tyd den naam van den 
Kooper niet- Maar in 1 7Ó9 kwam dezelve weer te voor- 
fchyn , te Amflerdam , op de Verkooping van den overleeden 
Heere Med. Doftor J. de Visscher. Hy werd aldaar 
weder, met dezelfde benaaming, en als eene Arabifche 
verkogt, en wel, voor een -en -veertig Guldens , aan den 
Heere B. Vriends, kundigen bezitter , voornaamelyk, van 

' . . eene 

fa) Tliefaurus. Tom. I. p. 5.5, Tab. 32. N9. 4 ö* j. D? gekolevrde afbisldhig 
fnet gouden ftreepjes isjlegt, 

:!,>... A 2 



'4, NATUURLYKE HISTORIE vaS dei^i 

eene ryke verzaameling van Uit- en -Inlandfchc Vogelen en 
gekorvene Diertjes. Ten dien tyde was die Mol de eenig- 
fle bekende, van. dat foort, tenminfte in deeze Verêenigde 
Landen. Maar in den Jaare 1780. had ik het genoegen 
kennis te verkrygen aan den Heère Paterson, zoo ik my 
niet bedrieg een' bekwaamen Kruid -kundigen van Londeiï, 
welke, ter vermeerdering zyner kennis, van eene reize 
naar onze Kaapfche Volkplanting, als toen over Am- 
llerilam van zyne reize te rug kwam. By het bezien van 
verfcheiden zeldzaamheden zyner Kaapfche verzaameling, 
zeide hy deeze fraaie Mol ook vandaar hadt meedegebragt.* 
Ziedaar de ontdekking der waare geboorteplaats welke 
wy aanden Heere Paterson verpligtzyn. Voordien tyd 
wift men nog niets zekers , omtrent de waare afkoomll van- 
dit fchoone Diertje; want Arabic was eene kennelyke mis- 
flag in de Verkoop- of - Naamlyflen , vermits het Thefaurus 
van S EBA, in welke dees Mol voor eene Siberifche be-- 
fchreeven is, lang vóór deeze Naamlyflen, was in het ligt 
gebragt, en voor Siberië was ook niets waarfchynlyks ,; 
vermits ons de Reizigers dier Geweften niets van denzei- 
ven vermelden; vooral de Hoog -Leeraar Pa ll as, wel- 
ke in Siberië gereisd heeft : en daar die geen bericht geefc 
dat deeze Mol zich in Siberië of Ruschland onthield, had 
men reeden genoeg dat denzelven aldaar niet ge vonden wierd, 
vermits dit zonderlinge Schepzel zyn kundig oog en nafpeu- 
ring onmogelyk konde ontwyken. Door de hier voor- 
verhaalde kennis verkryging, vanden Heere Paterson 
voorgelicht, fchreef ik daarover naar de Kaap, en ik had 
in den Jaare 1783 , reeds het genoegen deezen fraaïen Mol, 
met nog twee andere zeer onderfcheiden Molfoorten, te 
ontvangen voor het Kabinet van Zyne Doorl. Hoog- 
heid, door de verpligtende dienftbewyzen van den Heere 
Baron van Plettenïïerg, Gouverneur van gem. Kaap. 

Het 



CAAPSCHEN GR0ENGLAN2IGEN MOL. 5 

Het was by my zeerlang eene twyffeling ,■ of dees 
zonderlinge Mol zyne fchitterende koleuren , leevend en 
droog zynde, wel vertoonde, naamenlyk met al dien 
groenglanzigen en zelfs eenigzints goudkleurigen gloed, 
waarmeede dezelve in een glas met geeilig vocht gedom- 
pelt, en in een bekwaam daglicht geplaaft, zich vertoont. 
Dit was by my eene twyffel , zeg ik , om dat andere on- 
derwerpen, gelyk eenige zaaden van Bloemen, en Popjes 
(Cbryfalide) van gekorvene Diertjes, my zulks reeds lang ge- 
leerd hadden, en zie hier volgende, 't geen myne gisfing 
fchynt te beveiligen. By den my toegezonden Mol, 
die maar alléén volmaakt fraaï was, waarcn noch drie 
of vier foortgelyke , maar die , als meer dan de helft 
kleinder zynde, my toefcheenen noch zeer jong en dus on- 
volmaakt te zyn , echter hadden zy reeds iets , min of 
meer, van de fraïe kouleur des ouden. Ik nam een' der 
meell kleurige uit de Liquor , liet hem opzetten en droo- 
gen; hem daarna beziende waaren de weinige koleuren, 
die hy te vooren in de Liqmr hadt , gsheel . en - al ver- 
dweenen, gelyk dezelve nog in het Vorftelyk Kabinet 
te zien is ; en in tegenftelling , een dergelyke jonge in Li- 
qmr , zyn weinige koleur behouden hebbende, in het 
Kabinet der fraïe Natuurlyke verzaameling van den Heerfe 
C. P. Meyer, Koopman te Amfterdam kan gezien wor- 
den. Maar zie hier nog meer beveiliging van myne ver- 
önderilelde koleurverandering deezer dieren, wanneer %J 
droog of nat zyn. 

By twee Brieven gedagteekend ïfaarlem 13 Novembdr 
1.784. en 19 Jan. 1785 fchryft my de meergemelde Heer 
B. Vriends: ,3 Ik heb onlangs het geluk gehad nog een' 
groenglanzigen Mol van de Kaap in Liquor te beköomèn. 
Ik was daarmeed'e in myn' fchik, temeer, wyi ik lang 

A 3 :o zeer 



S3 



6 NATUURLYKE HISTORIE van den 



i} 

» 

» 
}} 

» 

» 
Si 

jy 
*> 

» 



zeer nieuwsgierig geweeft ben, of dit diertje droog 
zynde (volgens uw denkbeeld) zich zonder die fclioone 
koleuren zoude vertconen, zoo lang ik 'er maar een had 
wilde ik hetzelve aan geen kleur -bederf blootftellen. 
Ik heb nu een' tweeden laaten opzetten , om te zien wat 
de uitkoomft zoude zyn, en het volgende bevonden: 
De fchitterende groene weêrfchynende koleur is meeren- 
deels daardoor verminderd , zy vertoont zich nu , by 
de eerfle befchouwing, als eene donkerbruine koleur, 
doch echter zeer llerk glimmende , en zelfs flerker als 
ik my zulks by eenig dier kan erinneren; maar wanneer 
men het , van het licht af, tegen de zyden aanziet , zoo 
koomt 'er tog eenen fiaauwen weêrfchyn van groen ten 
voorfchyn; maar zoodraa men het hair maar eenigzints, 
zelfs maar met eenen vochtigen vinger, nat maakt, 
als dan verleevendigd zich de fraaie kolenr aandonds, 
in al haar fchoonheid. Dit weinige in het oog lichten der 
koleuren , wanneer het dier droog is , denk ik nu , over- 
ëenkoomftig met U, dat mogelyk de waare reden zal zyn 
dat hetzelve zoolang is onbekend gebleeven". 



Men ziet hier myne verwachting en waarneeming, by 
eene nadere proef, in het verfchil der glansryke koleuren, 
door een' bekwaamen Natuurkundigen beveiligd. Dan ! vermits 
de kennis der Natuurlyke Hiftorie met alle oprechtheid en de 
mogelykfte naauwkeurigheid moet behandeld worden, vin- 
de ik my verpligt hierby te voegen ; dat de Heer Sparr- 
MANN, Qb) wiens reize naar de Kaap ik eeril onlangs 
hebbe ontvangen, niets zegt van dit verfchil der koleuren, 

in 

( & ) Beife nacli dem l'^orgebirge der guten Hofnung ^ Berlin 1784. Svo. p. 4Q7. 
De reeds uitgegeevenJVerkc72]va}ideHeere?iPzNK&tiT. Schbeber, e/iBRowN. fP'aar 
yan dteze Schryver /preekt , heb ik nog niet gezien. 



CAAPSCHEN GROENGLANZIGEN MOL. 7 

in eenen droogen of natten toefland befchouwd. Doch het is 
ook mogelyk , dat die Schryver dezelven niet dan na hun 
dood, in Liquor bewaart, ontvangen of gezien heeft. 
De Heer Le Vaillant, welke opzettelyk de Kaap 
bereisd heeft ter betrachting der Nat. Hift. na zyne 
te rugkoomil in 1784. my meteen bezoek verëerende, ver- 
zekerde my , dat deeze dieren , in heur lecven en na heur' 
dood, dezelve fraaie koleurcn vertoonden, doch heeft nader- 
hand my door een' Vriend doen fchryven , dat zy zich 
200 fraai niet vertoonden als de zoogenaamde Siberifche 
van S^EBA. Dit is echter onbetwidbaar , dat, die welke wy 
thans voor geen' Siberifchen maar Kaapfchen Mol kennen , 
zich oneindig en onvergelykelyk fraaier in Liquor vertoont 
als die by Seba verbeeld is, en als de kunll dien 
verbeelden kan. 

De Heer de Buffon, welke dit onderwerp onzer befchry- 
ving nog niet fchynt te kennen, befchryft twee andere geheel 
verfchillende Kaapfche Molfoorten {c), By eene der- 
zelve (<s?) fpreekt de Heer Gordon nog van eene 
kleindere jlaalkkurige foort die hy landwaardsïn gezien 
heeft. Ik zoude haaft in het denkbeeld vallen of die ook 
de groenglanzige foort kon zyn; maar het geen de Heer 
Cordon vervolgens zegt, dat die voor het overige vol- 
maakt overëenkoomllig is met een ander , (den kleenen 
Kaapfchen Mol ( ^ ) naamlyk ) ontneemd my allen twyffel ; 
want de gedaante der voorklaauwen van deezen groenglan- 
zigen , dien wy befchry ven , en den zoo even aangehaal- 

den 

(c) Hifi,. Nat. Tom. 6. t. 36. {5? 38. 410. Paryfehe uitgaave. Die myte gelyk, 
met die wy hier befcbryven^ door den Ed. Ileere Baron van Flettenberg voor htjti- 
Xabinet zyn toegezonden. 

(d) Buffon Hifl. Nat. Supp. Tom. 6. p. 253. • ^ ' 
(«) Buffon als vooren. Tab. 3Ö. 



8 NATUURLYKE HISTORIE van dem 

den van den Heere de Buffon , zyn geheel v-er- 
fchillende ; 't geen in de afbeelding by Seba reeds 
genoeg te zien is , en in de hierachtervolgende afzon- 
derlyke befchryving kennelyk zal gezien worden. 

Ten opzichte van de natuurlyke geaardheid en eigen- 
fchap, deezer fraaie Mol-foort, zyn de my opgegeeve be- 
richten éénftemmig, en ook overëenkoomllig met dat gcene 
't welk de reedsgemelde HeerLE Vaillant my des- 
aangaande heeft opgegeeven , naamenlyk: zy leeven volmaakt, 
gelyk de meeftbekende Europifche Mollen, onder den 
grond in loopgraaven , en maaken derzelver hoogtens of iand- 
onêffenheden welken wy gewoonlyk Molshoopen noemen: 
Zoo verre men heeft konnen nagaan gebruiken zy het 
zelfde voedzel wortels van planten , aardwormen enz. Zy 
onthouden zich in al de Tuinen aan de Kaap , in vry 
groot getal. Dit beweert het nog niet ten vollen opgelofle 
verfchil , van hunne fraïe koleurvertooning, ten my- 
nen voordeele, die, zoude men immers natuurlyk zeggen, 
Cïoefl: lang in het oog geloopen hebben, en deez' fraaie Mol 
foort reeds voorlangiiebbendoen overbrengen; en, tenlaat- 
ilen ; vertoonen zy deze fraaie koleuren in haar leeven ? 
gelyk zy dezelve naar heur' dood, mits in een geeflig vocht 
bewaard, vertoonen, waarom heeft men derzelver afge- 
trokken huid aan de Kaap, daar men zegt dat zy genoeg 
gevonden worden , niet bereid ? het geen het allerkoftbaar- 
lle en fchoonfle Pelswerk zoude opleveren dat tot heden 
bekend is. Voor het verdere verzekert men my, dat zy 
in de Tuinen dezelfde fchadelyke gevolgen veröorzaaken 
als onze gewoone Mollen. 

Onderfcheiden Natuurkundigen welken dit nog zeld- 
zaameDier, by de Aard -Muizen, in hunne Rangfchik- 

kin- 



CAAPSCHEN GROENGLANZIGEN MOL. 9 

üngen, geplaatfl hebben, zullen .waarfchynlyk , gelyk 
de Heer de Buffon (ƒ) my denkelyk berispen , omdat 
ik hun voetfpoor niet volge. Dan! hier geene Rangfchik- 
Jcing, maar de gedaante en natuur, van ccn zeldzaam dier, 
befchry vende , het welk in aard en eigenfchappen 200 vol- 
maakt met de Mollen overëenkoomllig is , bllykbaar uit my- 
ne zoo cvengegeeven befchryving, en desaangaande aan de 
Kaap onder die naam bekend zynde, achte ik zulks voor 
my eene genoegvoldoende reeden om hun die naam te 
laaten behouden, 

7 ' ,::s. B E S C H R Y- 



(ƒ) Ds bynci boven alle in Styl uitmuntende Heer ^e Buffon, mag my , gelyk 
nog onlangs , een obfervateur peii attentif noemen, omtrent zaakcn in welTie 
ikviethemverfchille. Maar kan men het plus attent i F noemen, als menliem, om 
hier maar één voorbeeld bytebrengen , den Luiaard zonder tanden ziet befcliryvcn^ 
daar integendeel dit dier wel degelyk zeer goede tanden heeft. Men zie , desdangaan . 
de, my7ie befchryving van den Bengaalfchen Luiaard pag. 6. [fc. Hoewel de HeCf 
d« B u F F o:n deezen zynen misflag , op myne aanwyzi7ig , heeft erkend. Wilde ik alles in 
het licht brengen, myne aanteekeningen die ik op het fomwyl peu attentive. 
TROP GRANDE CREDULiTÉ, HARDiK, ö^c. van dien, met al dit , geleer- 
den Schryver thans voor my hebbe , het zoude een bekwaam boekdeel opleveren. Êy 
berjleezing zyner TH EöR IE dk la terke. EpoquEs de la Nature £fi7_ 
zal geen oordeelkundige aan Hemde ziekte benaaming van Auteur o/ Ocserva- 
TEUR TROP iiARDiE n-eigeren. Uit e ir jl ^eindde wil ik hier maar te pas brengen 
het geen-Hy van den grooten B u R N E r zegt : Unautre, Théologie n nÈrt. 

RODOXE , L4 TÈiE ECHAUFFÉ DE VlilON POÉliqtlE, CROIT AV. IR VU CRÉER L'U- 

nivers ; &c. Men kan hier alleen ( THE'iLOCitN) aflaaten, en 't verdere ge- 
zegde, met allen recht, op den Heere de Bu ffon zelfs toepasfcn. Zie zyn Hifi. 
Nat. Tom. i. pag. 67. En wat verder , op dieTielve bladzyde , naar eene vry korts 
fchets der flelfels van Whiston, BuRNETfw Woodwaru, omlrend onzen 
Aard - Bol gegeeven te hebben , zegt Hy: Toutes ces htpothèses faites 

AU HASARD, ET qUI NE PORTENT QUE SUR DES FONDEMENS B. U I - 
NEUX, N'ONT POINT ECLAIRCl LES IDEES ET ONT CONFONDU L ES 

faits, onamêléla fable a laPhysique; aussi cessystèmes 

ONT ÉTÉ RECUS qUE DE CEUX qU l RECOIVENT TOUT AVEUGLE- 
mENT, II'CAPABLES qu'lLSSONTDE DiSTINCUER LES ÏJUANCES D'tf 
VRAI-SEMELABLE, et PiüS FLATTEZ.DL' M E R V E 11 L £ li X QUE FRAT- 
PEZ DO VRAI/.' 



F 



BESCHRYVING 

.:-:; ^ '^ ■ ■ V A N DEN 

K A A P S C H E N 

GROENGLANZIGEN MOL« 

. . ■ Tab. X X. 



Indien 'er aan de Kaap geen grooter van dit fraïe dier 
gevonden worden, als dit, 't welke ik ter befchryving 
voor my hebbe , dan vrnd ik deezen Mol wat kleinder als onzen 
Europifchen Mol. De Heer Sparrm an zegt, dat deezen 
Kaapfchen 5 a6 duimenlang is; die ik thans voor my hebbe 
is maar vier en een halve Rhynlandfche duimen , en dus 
omtrent een halve duim grooter als de hier bygevoegdc 
afbeelding. Het hair is in deezen, eevengelyk in onzen ge- 
meenenMol, ongemeen fyn, zacht en gelyk Fluëel, by het 
aanraaken. De kolcuren vertoonenzich in denWyngeefl, 
in welken het diertje is opgeflooten , vcrrukkelyk fchoon , 
voornaamelyk, als men het, zich met den rug naar den 
dag gekeert, voor zich houdt. Het vcrfchilt zeer veel hoe 
men het befchouwd : het zelve, in den zoo evengezegden 
fland, op ccn' tafel voor zich neerzettende, vertoont het 
zich groenglanzend, hier en daar met donkere bruinachtige 
vlakken. Maar wanneer meri hét gh.s^ ''n welken 't zelve 
js opgeflooten, m.aar een v/cihig vooroverbuigt,, zoo wor- 
den die donkere v akken even groenglanzend Maarbewerkt- 
ftelligt men deez-- wyze van bcfchouv/ing ui een' fchoonen 

zonne- 



CAAPSCHEN GR0ENGLAN2IGEN MOL. ji 

ssonnefchyn, als dan verfchynen dceze koleuren in alle haare 
fchoonheid en fchitteringen , en het groenglanzige is als 
dan, vooral aan de puntige uitëindens van het donfige fyne 
hair, met goudgeelen koleuren vermeerderd, welke hetaller- 
kundigfte kunftvermogen der Schilderkunft niet in ftaat is te 
vertoonen. De afbeelding daarvan hier bygevoegt, hoenaby 
koomende , volgens het oordeel van deskundigen, geeft 
maar eene flaauwe fchets der ftraalbreekende en buigende 
wetten, welken de Natuur alJéén kan vertoonen, doch 
zich. door de kunft niet laat verbeelden. 

Het voorwerp deezer befchryving behoort tot het vrou- 
welyke geflacht. Twee vrylang uithangende tepekjes 
vertoonen zich, wat wyd van een ftaande, naby de achter- 
klaauwtjes. De neus is volmaakt kaal, zonder hair, en 
lleekt, met de booven bek, veelover den onderbek heen, 
de neus is redelyk breed , donker roodachtig bruin en is 
door een middelftuk in tweën gedeeld. Boven de neus 
loopt een geele zoom of rand, welke in acht eenigzints on- 
gelyke deeien , door flreepjes of liever inkervingen , ver- 
deelt is. Deze zoom loopt, doch minder breed, onder 
om de neus rond. De bek vertoont zich als eene wyd- 
beenige V. De tanden hebbeik, door ó.en onverwrikbaaren 
geflooten bek in dit voorwerp (als daarvan maareen, naar 
het my toefcliynt volwafTene, hebbende) niet konnen na- 
zien; in de onvolvvasfene waaren die te ontkenneljk. Dan 
de Heer Sparmann, wiens befchryving my voldoende 
toefchynt, geeft dezelve aldus op: „ De twee boovenile 
voor en dist aaneen ftaande tanden , zvn beitelformir.. 
De vier onderfte, waarvan de twee middeÜLe de kortftezyn, 
vertoonen zich puntig fcherp. De zytanden , of kiezen , 
zyn in elk kaakebeen, zoo onder als booven, zeven, 
van welke de tv/ee of drie eerde iets glad en fpits zyn. 

B 2 De 



:i2 NATUURLYKE HISTORIE van den 

De twee of drie achterfle zijn als gevorkt. De uiterfteis 

•grooter als de andere en is puntig". De oogen als 

meede de ooren zyn , door het fyne en opëenpakkende 
■hair, gelyk meede door derzelver kleinheid, onzichtbaar, 
dan, dezelve Heer Sparmann verzekert, dat men die, by af- 
trekking van het vel, ontdekt. De voorklaauwen , welke 
zeerveel naar die van den Weft-Indifchen Mier-ëeter gely- 
kcn , zyn drie , waarvan de voorfte de grootfte is , de 
tweede is kleinder , en de derde veel kleinder. Aan elkebui- 
tcnzyde van den grooten voorllen klaauw, of krommen nagel , 
zit vry hoog van die nagel verwydert , een klein rond- 
achtig bruin hard knobbeltje, doch 't welk, naar myn 
denkbeeld, geenfmts als een nageltje kan geücht worden, 
voor het welk gemelde Heer Sparmann het echter wil 
gehouden hebben. Het is enigzints hoornachtig, doch 
byna niet verheven, rond, glad, en dus niets nagel- 
jfchtig. 

De achter- voeten hebben vyf kleine kromme nageltjea. 
Dit Diertje heeft geen flaart. 



EIND E. 



BESCHRYVING- 

VAN HET 

nog weinig bekende, en 't allerhoogfle van de viervoetige. 

Dieren, die, in de afgeleegene Wildernisfen van Africa, 

Ijevonden worden, en 'c welk aan de Kaap de 

GoedeHoop bekend is , onder den naam van ; 

KAMEEL-P AARD 

(CAMELOPARDALIS) 

En by oude en katere Schrijvers onder dien van 

GIRAFFE 

Zijnde het bereide Fel , gelijk meede het gebeele Geraamte van 
dezelve , overgezonden aan het kabinet 

VAN ZYNE 

DOORLUCHTÏGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINSE l^A N ORANJE EN NASSAUIV, 

ERF-STADHOUDER, ERF-GOU f^ERNEUR, ERF-C A P ITE I N- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER FEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

BESCHREEVEN ÏN UITGEGEEVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

Raad van gemelde Zyne Doorl. Hoogheid , Directeur der Vorjlelyke Natuur, en 

Kunft-Kabinetten en Diergaarde, Lid der Keyzerlyke Akademie , en Korre s- 

pondent der Koninglyke Akademie der IFeetenfchappen van Parys , Lid 

der Koninglyke Akadimie van Madrid, van het Zeeuw fche Ge- 

nootfchap van Vlisfingen en Hollandfche Maatfchappye 

te Haarlem, enz. 

*^+<$>+^* 

TE AMSTERDAM, 
By DE Erven P. M E IJ E K en G. W A R N A R S, 
•\ MDCCLXXXVJl 



I »• 

..J 



V .' 



é.' '< 






X'M x\ :, 



r-. 51 i. K ;i 



■\ •■ " r; ';•■ 



.1 i. i i. 



l^,' 






• v~v, 



/::•/. XXI. a. 




lilE-AFFE OT KA2.IEEX "PAAI?. T, vaii de Kaajp de Goede Hoop 



y^ljai:. 




NATUÜRLYKE HISTORIE )^ 

Y A N n E T^ - ' ['-'■'/■ ;■/■'.'.•.:- 
KAAPSCHE V . 

K A M E E LP AARD 

CAMELOPARDALIS of GIRAFFE genaamd. (*) 



: ' I. \ 



Hoewel de oude en katere Schryveren dit zonderlinge 
Dier gekend , en hetzelve , veelvuldige maaien , afo-e- 
bceid en befchreeven hebben , uitwyzende de hier byge- 
voegde naamlyft, zoo voldoen zy echter in geenen deele, 
noch aan de waare gedaante noch aan de kennis, van het 
zelve , welke men vordert. Niemant , zal my dus van 
onwaarheid befchuldigen dat ik het byvoegzel van nog 
weinigen bekend, by deeze verhandeling, over dit zoo ver- 
wonderingwekkend en reusachtig Dier, gebruike. 

: . . ■■ :.)■; De 

(■'*) Men kan Moses , als den Oudrten en gèwijden Joodrchen Gefchied- 
Schryver hier aanhaaen ; doordien zommige zich verbeelden , dat deeze ia 
Deotehon. 14- V. j. de Giraffe beduelc heeft; dezelve als eetbaar (lellende 
voor de Israüiiten; vermits de vereifchce hoedaanigheden als herkaauwende , 
en verdeelde hoeven hebbende, by dezelve gevonden worden. Dan, daar hec- 
als nog niet zeker is , of die Schryvcr dit dier gekent en bedoelt heeft, en dus 
de Giraffe onder de benaaming van Zemer of Zamer heeft willen aanduiden^ 
achten wij het alhier genoeg, het zelve als onzeker aanteteekenen. Verder 
zyn 'er nog zeer vcele Oude Schryveren , van welke wy hier de voornaamfte 
maar zullen bybrengen, met de naamcn die zy aan dit Dier gegeeven hebben, 
en 'er nog by voegen , dat Aristoteles noch A Eli anus, deeze Dieren 
hebben gekend. 

Cmelopardalis. Heliodorus. Lib io. tCap. 27. Edii.Francof. 1681. 8vo. 
' Camelop. Strabo. Lib. ló. p. 1120. Lib. 17. p. 1183. Amlt. 1707. Folio! 

Camtlop. Artkuidorüü. Fid. Hudson. Geogr. veï. fcript, Graec, fflaa, 
ia Fragm. Artemid. voj. i, p. 80. Oxoc. iöpS. §«• 

A % 



4 NATUURLYKE HISTORIE vAt^ tjÉf 

De meenigvuldige afbeeldingen , waarmeede de Natuur^ 
lyke Hiftorie-Schryveren, vooral tegenwoordig, hunne 
befchryvingen verryken, en trachten optehelderen, be- 
wyzen de noodzaaklykheid , hoe koftbaar ook , van goede 
en zelfs gekoleurJc at bereidingen. Daar deeze ontbr^eken 

kan 

Camelop. Üiodorus. Siculus. Bibliot. Hift. Tom. i. Lib. 2. pag. 163. Amft. 

1746. Folio. 
Camelop. Oppianus. De venatione. Lib. ']. p. 93. venet. 1517. 8 . 
Cim;h\ Pn.Nius. Hift. N.icur. Lib. 8. Cap. 18. Paris. i.'23. cum Not. 

Hard. Fol. ^ „ 

Cimehp. Sor.I^'u^ cum Not. Salmafü. Cap. 30. p. 41. id. p. 275. iom. i, 

Traj. ad. Rhen. 1689. Fol. . " ' ' 

Giraffe. Gilli is. (P.) . . Cap. 9. Dir Boel< heb ik nergens kunnen vinden. 

Camelop: Giraf: Co nst a Ni i us. A. Epigrammacum. &. Fani. 1502. 4^. 

Oralphus. Maerlant. (J. van)M. S. van de 14e. EeuwopPergamenun Pol. 

Serafa. Bkei de nb ach. (B. v a n; Bedevaart naar 't Heilige Land. Mentz. 

148S 4''- 

Camelop. Gesnerus. Thicr Buch. -'-"urich 15Ö3. Fol. p. 98. 

Giraffe. Bel on dü Mans Obfcrvations. p. 118. Paris 1554. 4*^ 

Cimelop. Aldrovandus. Quad. Bis. p. 027. Bonon. 1642. Fol. 

Camelop. Jon > ton-. Dierbelchryving. p. 82. Amft 1660. Fol. 

Giraffe. Nieremberg. Hi(t. Natural. p. 191. Ancw. 1635. Fol. 

Camelop. Charleton. Exercit. p. 13 Oxon. 1677. Fol. 

Camelop. Prosp. Alp in. Hift. Aegypt. p. 236. Lugd. Bat. 1735. 4*». 

Camelop. R A i. Syn. Qaad. p. 90. Lond. 1693. 8°. 

Camelop Valentini. Musei Mufcor. p. 143. Francf. 1714. 2e. deel. Fol. 

Giraffe. Klein. Quad. dispofit. p. 22. Lips. 1751. 4". 

Giraffe. Brisson. Reg. Anira. p. 60. Par 1756. 4°. 
,Camelop. Hasselq^Uist Reife nach Paleft. p. 28a. Rott. 1726, 8°. ld: 
Aft. upal. 1750. p. 15- 

Giraffe. Buffon. Hift. Nat. Tom. 13. p. i. id. Sup. Tom. 3. p. 320, 
Edit. Par. 4". 

Cam:lop. Houttuvn. Nat. Hifi. der Dieren i. D. 3. ft. p. 36. Amft. 
1761. 8°. 

Camelop. LinnÊe Syft. Nat. p. 9^ Edit Duod. Holm. 1766. 8°, 

Cflmeiop.. Tra NS a c. Phil. p. 27. Loi>d. 1770. vol. LX. 4°. 

G-raffe. Penna.nt. Synop. anim. p. 20. Cheft. 1771. 8°. Id. Hift. of Quad. 
Lond 1781. p. 58. 4**. 

Cerv. Camelop. Erxleben. Syft. Animal. p. 294, Lips. 177'7 8°. 
-. Giraf e. Zimmkrm ann. Geagr. Gefch. p. i2j ^ 270. 2e. en 3c, Theil 
Leip. 1778. 8". . ' ' • ■ • ": 



■>- tk~t-<t 



KAAPSCHE KAMEEL-PAARD. f 

Itari men, dikwerf, hunne onderwerpen onbekend noe- 
men, vermits de naauwkeurigfte befchryving , veelal, niet 
toereikende is, om de waare gedaante te doen kennen,' 
en gebrekkige afbeeldingen , zoo als zelfs tot op heden van 
dit Dier gegeeven zyn , eer verwarring dan opheldering 
aanbrengen. ■ -■ • ' 

BocHART, (^) wiens geleerdheid en kundig oordeel 
alom bekend is , zegt: dat de Camtlopardus of Camelopardalis 
by de Arabifche Scliryvers Zurapha , by de gricken 
Zorapbis , by de Italiaanen en Spaanfchen Girafa by de 
Duitfchers, Poolen en Hungaaren Grieif, byde Aetiöpiers 
I^ahis genoemt wordt. De laatere Aetiöpiers hebben dit 
Dier Zirath Katcbin , en eenige der Romeinen Ovisfera 
(zeeker wegens deszelfs zachtmoedigheid) genaamd, hoe- 
wel ook eenige der Grieken en Latynen het Cameloparda- 
lis geheeten hebben. In onze Volkplanting of wingewell , 
de Kaap de goede Hoop , is het meeft by de onèigenlyke 
benaaming van Kameel -Paard bekend, waarom wy die 

ook 

Camelpard. SpARMANtt. Reife nach. den Cap, p. 531, Berl. T784. 8*. 
l Camelop. Leske. Anfangs Gnyid. Tom. i. p. 221. Lipz. 1784. 8°. 

Camelop. Boddaert. Elenc. Anim. p. 133. Rotterd. 1785. 8°. 

Bui een deeze hier aangehaalde Schry veren , welker getal nog merkelyk te 
Vermeerderen is, zyn 'er nog eene reeks van Reifigers die van deeze diereo 
fpreeken. 

De vQornaamfte zyn : 

The VET. Cosmogr: du Levant. Lyon. 15/4. 

Marc. Paui,. Defcript. des Indes. Oriënt. Paris. 1556. 

ViLLAMONT. Voyagc. Lyon. 1620. 

Leoh. Afriq. Difcrip. Afric. vol. 2- Lugd. Bat. 1632. 

LoBO. Voyagc d'Abifin. Amft. 

Relations, de div. Voy. curieux. la Defcription. des Animaux pay 
CosMAs Ie Solitaire. Paris 1666. Fol. p. 10. 

Schaows Reize door Barbarye Utr. 1773. 2. Deel. p. 181. & 191- '■ 

Ni WE Beschr. van de Kaap. Amft. 1778. zie Dagverhaal. 

(«) Hierozoicon. Tom, 2. lib. 3. Cap. 21. pag. 904. enz. Lugd. Bat. i^. 

^ ;■ ^ A 3 ■■ - ^'■- 



NATUÜRLYKE HISTORIE van he.t 

ook behouden hebben. Met de verbafleringen der naamen 
viiide ik niet noodig my optehouden. 

Niettegenftaande ik my alle moogelyke moeite hebbe 
gegeeven, om myne Afbeelding van het dier tot de meeft- 
ttiogclyke volmaaktheid te brengen, 't welk men uit de 
bcTchouwing eener aantal teekeningen die ik daarvan, 
behalven de reeds verfcheurde, nog hcbbe, zoude kunnen 
zien; zoo durve ik my nog niet ten vollen verzekeren dat 
ik hier eene, in allen deelen volmaakte afbeelding geeve, 
in dien zin naamelyk , omtrent de verfchillendc hoogten 
van het achterlyf tot het voorde gedeelte van het zelve, 
waarover nog nader geleegenheid te fpreeken zal voor- 
koomen. Natuur- Dier- en Teekenkundigen echter, wan- 
neer zy deeze aibceldingen, tegens die vanden Hoog- 
Leerüar All amand en van den Heere BuFFONvergc- 
lyken, zullen zoo ik vertrouwe, aan deeze, de voorkcure 
niet weigeren, en ik vinde my, ten dien opzichte ten 
hoogden verpligt , de gedienfiige hulp , met de dankbaarfte 
erkentenis te melden , welke de Hoog- Leeraar Camper 
en de Raadsheer Merck (van welken nog meerder 
geleegenheid te fpreeken zyn zal ) my in de Befchryving 
van het Geraamte en de Afbeelding hebben toegebragt. 

Het geheele vel van dit, elk te recht verwonderende. Dier, 
gelyk meede alle de beenderen , die tot het Geraamte bc 
hooren, is my, volgens onder my beruflende Brieven, 
voor het Kabinet van zyne Doorl. Hoogheid den 
Heere Prinse Erf- Stadhou der , toegezonden 
door de meergemelde allerverpligtendfhe dienflbewyzen van 
onzen voormaaligen Kaapfchen Bevelhebber , den H eere 
Baron van Plettenbrg, die het zelve, volgens my 
nader gedaan bericht, van den Heere Gord on, ter 
2er3ending, hadde ontfangen, en welke laaftgemelde hetf 



KAAPSCHE KAMEEL-PAARD. 7 

hy geJeegenheid zyner binnelandfche Kaapfche reizen, 
jscive gcfchooten heeft. ^ 

Het is vry duider, gelyk wy reeds gezegt hebben, of 
de Hebreen dit dier, de Camelopardalis of Giraffe ^ onder 
de benaaming van Zemer bedoelt hebben, en of Moses 
hetzelve, onder dien naam , Detiteron. 14. v. 5. als eetbaar 
voor den Israëliten gefteld heeft ; fchoon het zeeker is dat 
hetzelve de daartoe verèlfchte hoedanigheden heeft in zyne 
herkaauwing en verdeelde hoeven. Buxtorf (Z») zegt: dat 
'er in de Hoogduitfche Bybelvertaaling Rupicapra geftelt is , 
*tgeen d^Gems of Steen-Geit zoude beteckencn, ScHAw(r) 
acht de Zemer of Zamer de Giraffe te zyn s met welk ge- 
voelen wederom andere verfchillen (^). 
'" - - • ^ ■ Dat 

(6) Lexieon Hebraicum & Chaldaicum. p. 190. Bazel 153 1, 8*. 

(c) Reize door Barb. en het Ooften 2. deel. p. iSi. & tpr. Holl. Edit, 
ütr. 1773. 4". 

(d) Myn hooggeachte Zeergeleerde Vriend , de Wel Eërw. Hecf 
P. NiEUWLAND fchreef my hec volgende: ,, Op de Vraage vrat cigenlyk 
door hec Dier Zemer , Deuteron. gemeent wordt , is niet wel met volkoomen 
zekerheid te antwoorden : Het is zoo ; vele oude Overzettingen , de Griekfche 
de Latynfche van Hieronymus , hebben den Camelopardus die anders de Girapha 
o£ Ziirapha i^, daarvoor gehouden, dan! laatere oordeeikundigen verfchillen hier 
van ; Bochart dacht met veelen liefst op den Steengeit, zynde de wortel van 
het woord te vinden in de ligte beweeging en fprongen van dit bekende Dier: 
Voor den Comelopardus heeft echter niet zeer lang geleden de Heer Schule 
gt^Qm\i 'm zyne aantekeningen op Coccejus hebreeuws IVoordenboek p. 320. uit alles 
wat ik heb kunnen naarfpooren , zoude het my hoogwaarfchynlyk worden, da^ 
men den Zemer vtn de Alce die de Eland is verftaan kan , welke Alce het zelve 
Dier is, zoo ik niet feile, 't geen onze Nederlandfche Overzetting door de 
Gemfe heeft uitgedrukt, alles duid aan , dat, of de IVilde Ezel, of de Eland 
of, de Steengeit in de plaats van Deuteronomium beoogt wordt, terwyl het moei'e- 
Jyk valt , in de verafgeleegenheid van tyden , en het flechts éénmaal voorkoo- 
men van het woord in den hebreeuwfchen Bybel, de flipte beteekenis te be. 
paaien. & " 

Men ziet hier de twyfelingen; maarik begryp de gegronde reden niet op welke 
Jonflm zegt, dat het den Jooden niet was geoorloofd om 't zelve teeeten, 
vermits my geen Schryver dan hy bekend is , die zulks voluit gezegt heeft. 
Rog zegthy in het begin zyner Cameel-Befchryviag, doch zeer ten onrechte, 
éut d,e Camf^ojiardalis qngehp.orqd is. 



9 NATUÜRLYKE HISTORIE van ^et 

Dat deeze Dieren by de Ouden meer bekend, als tegens"* 
woordig , geweeftzyn, is blykbaar; want volgens S ui das: 
heeft JuL. Caesar dezelve 't eerfl in de Schouwfpeelen 
doen zien. Philippus, of volgens anderen, Gordia- 
Nus, vertoonde 'er tien aan het volk. Aurelianus 
voerde 'er eenige om, in zyne zeegepraal. Keizer Leo 
wierd 'er een door de Aethiöpiers toegezonden. De Sultari 
van Babylonie vereerde 'er een aan Fr eder ik, en een 
andere Sultan zond 'er een ten gefchenke aan Laurens de 
Medicis. 

Onder de oude Schryveren, welke in zeer onderfchei-' 
den tyden geleefd hebben, zyn 'er vcele die klaarblyke- 
lyk, dit Dier gekent hebben. De voornaamfle echter 
daarvan zyn : Heli o DO RUS , Strab o en O pp i anus 
met anderen , in hier by opgegeeven naamlyfl aangetec- 
kend , welke nog merkelyk te vermeerderen zoude zyn. 

Daar reeds de Heer de Buffon eenige uittrekzels van 
fommigen gegeeven heeft , zal ik alhier maar van eenige 
gebruik maaken , die welken wy als meerder opheldering 
aeevende noodig achten, gelyk meede van eenige welke 
zyn onbekend gebleeven. 

Op PI anus heefc dit onderwerp in Griekfche Vaerfen,: 
reeds ten tyde van Keyzer Severus, bezongen. De 
Geleerde Heer Hemsterhuis (e) heeft de verpligteri- 
de goedheid gehad my de hier navolgende vertaaling, op 
myn verzoek, meedetedeclen. Ik acht dezelve niet on- 

dien- 

(e) Ziehier, Amice.' woordelyk zoo ik ir,y nfet bcdriege C^us fchryfc zyn 
W. £. aan my) dat gedeelte van Oi'Pian' s ra.'kerde het Kameelpaaid, de 
Camelopardalis of vvcl de Camtlop.irdus , weke bcnaam:ng de Griekfche Dichcer 
niet gebruikt. By aldien deeze overzetting vtrfchilt v; u de Latynfchc, die ik 
nfet gezien hebbe, levert zulks nog gcene zeikere reJen uit omd.cze te ver- 
werpea. De Overzetting van den Heer BufFon is verfwhiiicnde, goJyk gy ziet. 



KAAPSCHE ISAMEEL-PAARa : § 

dlenflig, vermits zy eensdeels verfchilt met die welke de 
Heer de BuFFON daarvan gegeeven heeft, die van den 
aart der looms deezer dieren geen gewag maakt ^ ten anderen 
om de verheevene en dichterlyke uitdrukkingen^ reeds ten 
dien tyde en het zeldzaam voorkoomen van dat werkje. Men 
Iioore hier Oppianus : . . ;; ■ .. _• 

„Vertel my ook ^ ó zoete fdhelklinkendc Zanggodin ! die ge- 
mengde geflagten , welker natuur uit die van verfchillende 
Dieren is te faamen gevloeit. Daar is de Panther met gevlek- 
ten huid en tefFens Cameel. ó Vader Jupiter '.welke dingen 
hebt gy niet uitgedacht! welke foorten hebt gyons niet geteekl 
welke zaaken hebt gy niet aan den (lervelingen gegeeven 1 
welke niet aan de voetenlooze zeedieren ! Gy die hebt ver- 
zonnen het maakzcl eens Cameels te overtrekken met de 
huid van wreede Pantherdieren. Een berucht aanaenaam 
en tam geüacht voor de IMenfchen. Zyn hals is lang. Zyn 
ligchaam gevlekt. Zyne ooren zyn kert. Zyn hoofd is 
klein. Zyne pooten zyn fpigtig en zyne voeten breed. 
Zyne leden zyn niet van evenreedige maat , want zyne 
beenen zyn niet gelyk; de voorflezyn langer en de agterfte 
veel korter, na krukkende of ftruikelende beenen gely- 
kende. Uit het midden van het hoofd puilen twee hoornen 
regt uit ; dog echter geen hoornen hoorn. By de ooren 
en uit het midden van het hair fpruiten op de hoofdflaapen 
zwakke hoorntjes of puntjes. Hy heeft den bek eêl en 
teder gelyk een hart , en van binnen zyn rondfömme in 
denzelven kleine melkwitte tanden gevefligt. Zyne oogen 
blikzemen uit een' alömfchitterenden glans. Doch hy 
heeft een kleine ftaart, gelyk de fnelle Dasfen , met zwarte 
hairen op het einde". 

Men moet , aan de Poè'tifche omfchryving van dit Dier, 
by Oppianus wat toegeeven. De zwakke hoorntjes aan 
de hoofdflaapen hebbe ik niet kunnen ontdekken, en om- 

B trcnt 



ia NATÜURLYKE HISTORIE van het 



tiént de tanden enz. zal men hier nader onderricht wor-' 
den. Hy geett hier echter duidelyke blyk , de hoorens 
deezer dieren gekent en geweeten te hebben dat zy van 
geene hoornachtige natuur waaren. De flruike lende bcenen 
of gang waar vanhy, zoo wel als andere fpreekt, en het, 
verfchii der voor -en -achterhoogte is aanmerkelyk. 

De vriendfchap van den meer dan Rechtsgeleerden 
Heere J. Visser, alhier, ftelt my, uit zyne aloude 
Boek -Schat, een Boekdeel in Foho ter hand, 't welk van 
het begin der XIV. Eeuw geacht wordt. Het zelve is. 
zondereenigen Tytel, opPergament, in twee colommen, 
met Gottilche letteren gefchreeven en met de gewoone 
uitlaating van eenige letters welke de leezing daarvan 
moeyelyk maakt. Verder is het met zeer veele kleine af- 
beeldingen verfiert , welke naar dien tyd redelyk goed 
zyn. In het zelve is de Girafe niet onduidelyk, onder 
de benaaming van Oralphus ^ in oude Hollandfche of liever 
Vlaamfche vaerfen, befchreeven. 

Dan deczc benaaming is my nergens voorgekomen, wei die 
van Orap.vs die by Majolus gemeld wordt. 

Men hoore hi-er deezen ouden Vlaamfchen Dichter (ƒ) 



OraTphus (Jat es een Dier 
Dat va varwcn es fo fier 
Dat gheene beeste fcherjike 
Van none hare es fo rike 
Up die vorste voete voren 
Sc eft fo hoech, als wyt hore 
Pat XL voete op wt flaat 
Met:ti.n hoefde d' het Üaat 
Achter fone ift hoghcr niet 
Dun die herten over den (liet 
Na den licrt voete ende ftacrt 
En ghehouet als een paert 
Lanc upwaert den hals gerecht 



Syn vel fo milTehc foens oce echt 
En fo menighc varvve d'an 
Dat hem om niet elc man 
Pynt te fcrivenc dies gclike 
L^t Dier vheft hem fekerlikc 
Als hein die liedene fien ane 
Hot togliet hem alle fine gedane 
En keert hem om defen es dien- 
Om dat het wille fyn beden 
Die foudaen van babilone 
SenJe flc'^c beeste fcone 
Wilen van floifc Vrederike 
Jn dat lant ne qua noit h' gcKke 



Mea 



(ƒ■) Ditoudfte Rymvverk, indeHoü. of Vlaamfche taal over de geheele Na- 
tuurlyke H florie handelende ,( zeg,tdt; HeerVissER j wordt toegefchrceven aam 
Jacob. V an- M aarlan d j, vaa h«;t£ejve is my geen ander als dit bekend. 



ÏCAAPSCHE KAMEEL -PAARD. n 

Men moet aan deeze Vaerfen en befchryving, als van 
het vroege der veertiende Eeuw, gelyk meede aan zyne 
begroote hoogte van Veertig voeten , wat toegeeven. De 
hoogte, van vooren en van achteren, wordt hier almee- 
de als veel verfchillende opgegeeven. 

Nog verpiigt my de gemelde Heer Visser, door 
my een ander werk , van het begin der Drakkunfl:, te 
doen kennen , zynde : de Hollandfche of Vlaamfche Be- 
fchryving eener Bsede vaart naar het Heilige Land, door 
Bernard vanBreidenbach, ten dien tyde, Deé- 
Icen en Kameraar van de Kei'k te Mentz. By die Beede- 
vaart was, onder anderen ook Meeüer E ver hart Re- 
WiCH van Uitrecht, welke de afbeeldingen in dat werk 
getcekend en het zelve in i 488. te Mentz, in Folio heeft 
doen drukken. De laatfte hoiite Pl.iatdruk van dat Boek 
vertoond zeer onderfcheiden dieren, waaronder twyfelach- 
tige , en by dezelven, Ao. Camelopardalis y met de bygevoeg- 
de benaaming van Scrajfa. Dezelve is ze^r kennelyk 
en, gelyk by alle de Schryveren, van achteren zeer laag 
en voor zeer hoog verbeeld. De befchryving deezer Dieren 
wordt in het werk zelfs niet gevonden. Onder een der ver- 
beelde dieren , een' langftaartigen Aap , is gevoegt, non conftat 
de noïë , welk laatfte woord cene verkorting is van het 
eigentlyke woord, mmine , zooveel willende beteekenen , 
als dat de naam van dat Dier onbekend is (^). De aanhaa= 
ling van dit Boek gefchied alleen om aantetoonen, dat dit 
Dier. reeds in zoover verloopen tyden, ook aldaar bekend was. 

f^) Myn verpligtende Vriend, de Geleerde Heer Mercier, Aht ie St. 
Leger de S(^'fons , bericht my, na zyn vertrek van Amfterdam , by een' Briefj 
dat 'er van dit zelve Boek , 't geen reeds zeldzaam is , eene Franfche overzet- 
ting tcLyon, meede ia 1488. by Michelet Topie gedrukt is. Als meede po g 

B 2 . . *=«» 



12 NATUURLTKE HISTORIE VAN HET 

: . By deeze oude Vlaamfche Schryver plaatst zich gevoeg- 
lyk de volgende, my insgelyks doo» den Heerc Visser 
terhand geftelt , ten Tytel voerende. I^oyage van Joos 
VAN GHisTELE(è). Daanii word gezegt : dat Hy met 
zyn tochtgenooten , te Aden koomende ( eene Stad aaji de 
Arabifche Zee in gelukkig Arabic ) aan hun , onderandere 
vertoond wierden twee Gerafen „ Dat alte fchoon en te 
„ vreemde Dieren zyn , vooren hooghe van halze endc 
fj van beenen wel twee mans lyngden maer achter en zyn 
„ zy nauwe alzo hooghe als een cleen pacrdcke , hebbende 
jj, een cleen rond lleertgin, 't hooft endede voeten ghe- 
„ nouch ghelyc den herten, met twee cleenen hoorentgins 
„ omtrent een vierendeel (zekerlyk el) lang, endc niet ghe- 
„ taö. Dees Dieren zyn wat ruachtich , ende van coleu- 
„ re ghelyckende den Leeuwen , hebbende groote ronde 
3, plecken als een ghepomoleert paert.'' Zie daar 's mans 
eigen woorden , en alweeder het mcrkelyke verfchil deezer 
Dieren, in hoogte van vooren en van achteren, aange» 
weezen.' ' " • ^ 

Reets voor eenigen tyd met de bcfchryving der Giraffe 
bezig zyndc , en het vel van zulk een Dier op den grond 
myner kamer leggende, kwam de Heer Baron Hochepied 
my bezoeken. Zyne verwondering by het gezicht van 
dat vel bemerkende, vroeg ik Hem de reeden; zie hier 
het antwoord.: „ Geduurende myn lang verblyf in Con- 
^y ftantinopolcn ^ erinnere ik my , allcrleevendigft y dit 

zelfde 

een Latynfchc van uS*?. en dat onder de Plaatverbecïding der Dieren, in die 
uitsaave, geleezen wordt: 

Hcicc animalia funt veracilcr de pi6la, cicut vidimus in Terra fanEta. Maar op. 
diePlaatdruk worden even als in de reeds bygebragte uitga- ve, by de Giraffe, 
en andere meerbekende Dieren , te gelykverbeeld het Eenhcorn • Paard , nee- 
vens een' langüaurtigen Aap, welke, zonderde 0/^art, veel gelykt mr deo 
Qrang-O'Jtang. Hoe zal men dit methet y'd mus in 'erri Sa.iBa overëenbrcngeit. 

(A) Te Ghendt by Henrie van den Keere ijö^, kleen Folio- p. 208» 



}} 
)J 
n 



KAAPSCHE KAMEEL- PAARD. 15 

zelfde dier aldaar , in een opgevuld vel , gezien te 
hebben; Men heefcin Conftantinopolen, by den Groo- 
ten Heer, op groote fefliviteiten de gewoonten, alles, 
't geen de verwondering maar eenigzints kan opwek 
ken, in het openbaar ten toon te Hellen, By zulk eene 
onflandigheid zagen wy zulk een dier, onder andere 
afgeftorvene opgevulde dieren vellen, en het geene my 
hetallermeeil , by zyne verbaazende hoogte, verwon- 
derde, was, het verbaazend verlchil van het laage achter- 
lyf in tegenftelling van het voorfle deel van dit dier. Het- 
zelve was vrywel opgezet of opgevuld, zekerlyk door lie- 
den welke het aldaar leevende gezien of behandeld had- 
den; want de Groote Heer (Sultan) krygt dikwyls 
prefenten van leevendige dieren. 

Men ziet hieruit alweer, de voorige verhaalen, omtrent 
de laagte van het achterlyf, beveAigd, 

P. GiLLius en Belon hebben zeker dit dier het 
beft befchreeven. 't Werk van Eerftgemelden , die ge- 
meent wordt tusfchen de veertiende en vyftiende Eeuw 
gcleeft te hebben , heb ik niet kunnen ontdekken ;. van 
Belon heb ik onderfcheide Uitgaaven, envindeaangetee- 
kend dat die Schryver in 1564. is vermoord. Beide die 
Schry veren geeven vryomllandige berichten der Giraffe , van 
welke de uittrekzelen by den Heer de Buffon (z) te vinden 
zyn. Ik hebbemeedeniet konnen vinden dat Belon gezegt 
heefr , gelyk Gesnerus hem in zyne Latynfche uitgaave 
vanFrancfort 1603. doet zeggen, dat de Giraffe, gelyk de 
Harren , de hoorns verwislelt. Het is echter niet ondien- 
ilig hier aanteteekenen , da: in de Hoogduitfche uitgaave 
2;yner Vio-rvoetige dieren, te Zurich 1563. gedrukt, daar 

(O BoFïow. Hifi. iVflf. voh 13. p. 4. ö". Edit. 4". di pam,. 

B 3 



14 NATUURLYKE HISTORIE van Het, 

van ook niets gezegt word by de korte omfchryving der 
dieren die hy aldaar geeft. Aanmerkelyk is het echter, 
dat ook beide deeze vry omflandig fpreekcn over de ver- 
fchillende hoogten van het voor-en-achterlyf deezer dieren. 

Daar wy hier over de kennis fpreeken , die de Oude 
en laatere fchryveren van deeze dieren gehad hebben, 
moeten wy de gewichtige ontdekking van den geleerden 
Heere M ercie r Abt. de St. Leger de Soisfons , bybr.engen . 
door hem in de Mazarynfche Bibliotheek gedaan, en welke 
zyn Eervv. der geleerde waereld reeds heefc medege- 
deeld: (/:) JAQ.UES CoNSTANTius (zegt hy ) was de 
uitgeever van dit werk «yns Vaders Antonii Con- 
STANTii, welke in 1490. overleedt. Zie hierde vertae- 
ling van den Bnef zoo als hy , in de hier onderaange- 
haalde journals, door den Heer Merci er , gegeeven 
is. 

Antonius Constantius aan Galeoltus 
Manfredus Prins van Faënza. 

„Ik biedc U hier nevens aan , een vry naauwkeurige af- 
teekening van een Kameelpaard , dat ik onlangs hier gezien 
heb. Eenige byzonderheden omtrent dit Ichoone Dier, 
zal ik daar tevens byvoegen, welke, hoe zeer mogelyk 
aan U niet onbekend, niet te min, zo ik vertrouw, nog 
aan U nog aan de Geleerden van Uw Koninglyke Stad 
onaangenaam kunnen zyn. 

Men 

{k') Dl Tytei van dit zeldzaam voorkoomende Boek is , volgens den Heen 
Mercier. Antonii Constantii epigrammatum libellus , Odae epiftolae , 
oroZfüMwf^. JanijHiERONiMUS SoNCiNUs. 1502. 4". Zie yournal des J'avans 
jttillet 1784. p. 490. Edit. van Parys. 4°. En daaruit overgenoomen m, L'£x- 
prit des JournAitx van Oüob. 1784. pag. 328. 



. "^iCAAPSCHE KAMEEL-PAA.RD, '15 

■'Men vint het Kameelpaard in het Zuide'yke gedeelte 
van Ethiöpiën , het welk ook den Rhinocercs en het Luy- 
paard voortbrengt, dit Dier werdt gemeenlyk Gir^ffa, ge- 
noemd , 't geen ontleent en verballert is van het woord 
Siraf, waaronder hetzelve by de hedendaagfche Arabiers 
bekend flait, By de Ouden wierd het dan eens een Kameel- 
paard; dan eens een Ifildfchaap , genaamd, de Ethiöpiërs 
noemen het in hunne taal , Nahum ^ welke benaaming, 
door Albertus Magnus y ten onrechte, in die van Analula 
is verandert geworden. 

Dit Dier heeft de kop van een' Kameel, de hals van 
een Paard, de pooten, de flaart en de dyen van een' Os. 
De rosfe vlakken van zyn huid zyn met witte flreepen 
doormengt, waarvan het, volgens Plinius, den naam van 
Kameelpaard heeft ontvangen. Het agterlyf is lager dan 
het voorgedeelte van 't Ligchaam 't geen aan dit dier een 
zittende geflalte fchynt te geeven. De hals is langen ver- 
heven, waaruit Strabo, tegen het begrip van Artemidorus 
aan, vermeent te kunnen afleyden , dat dit Dier niet fnel ter 
been zoude zyn. Dan ten onregte. De Inwoonders van 
Fano hebben het met zoveel fneiheid en zo ongedwon- 
gen zien loopen , dat de befte Ruiters agter moeden bly- 
ven, al fpoorden zy hunne Paarden daartoe aan. (*) 

Ook dwaalt Strabo nog, wanneer hy ilelt, dat 'er tus- 
fchen dit dier en den Luipaard geene gelykenis zoude zyn; 
want hoe zeer de koleur der vlekken , of der oogen (gelyk 

men 

(*) Deeze omftandigheid fchynt ccnigzints het gevoelen van de Heere 
Allamand tegen te gaan. Zyn Hoog. Gel. drukt zich aldus uit in het ie, D. 
p. m. 5J. van zyne Byvoegfelen tot de Natuurlyke Hiftorie" De beweegingen' 
van de Giraffe zyn niet zeer fnel, en zyn renning \s minder dan die van een- 
Paard Men moet evenwel een goed Paard hebben om die dier te kunnen vol., 
gea Met zyne lange pooten kan het veel wegs afdoen, »'. 



i6 NATUURLYKE HISTORIE vanhes 

men die noemt) verfchillende is, 20 zyn egter die vlek 
ken op dezelfde wyze geteekend , 't geen genoeg is om 
eenige gelykheid daar ne flellen ; en zulks word ook nog 
door den Geleerden Varro beveiligt, die een Kameel- 
paard uit Jlexandria had gezien , 't welk de kop had van 
een' Kameel, en de gevlekte huid van het Pantherdier. 
Dioioyus van Sicilien , die zig veel met fprookjes bezig 
houdt, vertelt ons, dat het Kameelpaard uict zo dik dan 
een Kameel, en van een korter hals voorzien is. Maar, 
dat my 't meeft verwondert , Piïnius , SoUnus Straho , 
jilbertus Ma^niis , Diodorus j l^mro ^ en meer andere zwygen 
alle van de hoornen , die het Kameelpaard egter eigen 
zyn. Mogelyk dat het Dier, dat men voor 't eerfl te 
Romen, onder het Didatorfchap van Julius Caefar zag, 
gelyk meede dat, 't welk aan den Keyzer Fredericus , ten 
tyde van Albertus Magnus toebehoorde, beide hunne hoor- 
iien hadden verloorcn. Dit gaf my gelegenheid aan Lau- 
rens de Medicis het volgend puntdicht toe te zingen. 

. E. X 

Albertus maj^no clarus cognomine, plenam 

Non didicit noftri corporis cfS^iem. 
Non qui orbis modico fcripüc numoranda libello. 

Plinius , et pulchrae conditor hifloriae ' ; 

Non qui Icriptorern dum corrigit Artemidorum 

Strabo, niihi dotes invidet ipfe meas. 
Qualiacumque vides ifti mihi cornua demunt: 

Laurenti, hos tibi do barbara discipulos. Q*} pg 

(*) Dit Stukje werd onder de Gedichten van Conflantius gevonden , hiadz. 6. 
re^o van het vel A. alwaar 't zelve word voorafgegaan door deze vaarzen , aan 
4enzelfden Prins opgedragen, en vraarin men ook de Giraffa fpreekende invoert: 

Cornua funt nobis capreae , funt ora cameli 
;_ Colla ferocis equi , tergora pardus habet. 

Cauda pedesque hovem referunt. Si nomina quacrij 

Sunt tria ; fed grato nomine dicor ovis. 
Regia funt aurum, tentoria, balfama: Phaebi , 

Nos fumus , et divae munera Leuchotoae „:_. 

. i Me primum exhibuit Romae Didlator ïulus ; 

fj Quid mihi cu;n magao Caelare, ü tua fum? 



KAAPSCHE KAMEEL-PAARD. 17 

De meefle Schryvers fchynen ook van den Staatigen 
en trotfen tred van de Girafa geen kennis te hebben ge- 
dragen. In haar' gang , volgt de linker agterpoot de be- 
weeging niet van den regter voorpoot , maar de twee 
voorpooten beweegen zich gelyker tyd, en dan eeril de 
twee agterpooten , in diervoege , dat dit dier zich in zyn' tred 
van verfcheiden zyden fchynt te vertoonen. Voor het 
overige, hoe zeer men het Kameelpaard onder de wilde 
dieren rangfchikt, is het zelve egter noch wreed noch on- 
tembaar. Om zyne zagtzinnigheid zoude het eerder den 
naam van een Schaap verdienen. Ik heb het te Fano 
zeer gewillig uit de handen van kleine Meisjes brood, hooy, 
vruchten en uyenzien ontvangen , en met veel greetigheid 
inflokken. Meermalen heb ik dit dier, de Kop naar boven 
zien fleeken , om aanteneemen het gecne hem uit een 
Vengfter wierd toegereikt. Hy kan zyn Kop tot de hoogte 
van elf voeten bovenwaards brengen. Des het gemeen, 
in 't verfchiet eerder een tooren dan een dier meende te 
zien. De Giraffa fchynt voor de groote toeloop van volk 
niet bevreesd, altoos vredig, ruftig , en zonder anoft 
fchynt zy de omftanders met genoegen aantezien. 

Fanoden 17 January 1487." 

Zie daar de fraaïe befcHryving van Constantius^ 
reeds in 1487. by eenen Brief aan den Prinse van Fa- 
ËNZA Gallias Manfredi gegeeven ; laatere Schry- 
veren, zelfs die onzer tydgenooten befchaamende. De ge- 
lykenis van dit dier met de Leöpard, welke deeze Schryver 
voorftaat , is wat overdreeven , maar in anderen opzichte 
verbeeterd hy de Oude, en omtrent de gezwindheid van 
den gang , onze hedendaagfche Schry vers , uitwyzcnde de 
noot f raakende den Heere Allamand, door de Heer 
Mercier, met recht daar bygevoegd. 

C Men 



i8 NATUURLYKE HISTORIE van het 

Men verwondert zich hoe deeze ColloiTaale dieren, reeds 
in die tydcn, in Italië Z) n overgebragt, daar het ons nog 
niet heeft moogen gebeuren die dieren leevend te moogen 
zien, niettegenftaande onze geduurige Scheepvaart op de 
Kuft van Africa. Dan, zulks geeft, naar myn denkbeeld, 
zeerveel waarfrh^mlykheid dat die dieren, van de Kaap de 
Goede Hoop afgereekcnd, zich veel dieper inde woeftyn 
van Zaara en zelfs in Barbaryen onthouden , als de Heer 
ZiMMEB. MAN dezelve, in zyne fraaïe Zuöiogifche wRQvdd- 
■ kaart geplaafl: heeft. In Ethiopbie, zoona aan Egypfen gren- 
zende , onthouden zy zich, volgens eenige fchryveren. 
Men herdenke wat wy vroeger gezegt hebben, naamenlyk, 
dat Keizer Leo er een door de Eibiopiers ontving; de 
Sultan van Babiloine'cïécn aan F red er ik ten gcichen- 
ke zondt, en cene andere Sultan een aan Laurens 
DE Medicis vereerde. Men neeme hierby nog in over- 
•weedng , dat voormaals de Koophandel en Scheepvaart 
der Venetiaanen en andere , op de Roode-Zee en de 
Adriatifche of Venetiaanfche Golf, v/egens de Afiatifche, 
Eoyptifche en verdere Africaanfche geweflen , aanmerke- 
lyk ge weeft is; en dat dezeh'e ecrft na de ontdekking en 
het omvaaren der Kaap, op den uithoek van Africa, door 
de Hollanders in het vroege der i6. Eeuw geheel in ver- 
val gebragt is : als men dit aiics overv/eegt , dan zal het 
niet meer moeilyk voor het begrip zyn, hoe dieren gemak- 
kelyker , dan de Egyptifche Ohilisqueti , naar Roomen en 
Fano zyn overgebragt. Fano j 't welk ik by myne reize 
door Italië gezien hebbe, legt omtrend 32. Italiaanlche 
mylen, dat is ruim 10. uuren, vanAnccna, beide aan de 
Adriatifche Golf, is nu een arm Steedje , v/elks inwoon- 
deren , denkelyk geene Giraffe meer leevend zien zullen. 

Na hier dus het voornaamfle bygebragt te hebben;, 't 

geen 



KAAPSCHE KAMEEL -PAARD. 19 

geen vroege en katere Schryveren van deeze dieren be- 
kend was, zoo volgt hier nu dat geene, 't welk my, 
door onderfciieiden berichten , van de Kaap is toegezon- 
den, gelyk mede, 't geen my alhier geweeft zyndc bc- 
woonderen van dit geweil: , zelfs mondeling hebben mede 
gedeeld. Dan deeze berichten moeten in veel opzicht, 
noodwendig, met die door de Heer Gord on, aan den 
Heere Allamand medegedeeld, overëenkoomen, te 
meer daar ik, by deszelfs hier zyn , het genoegen gehad 
hebbe , ook desaangaande , met zyn Ed. te fpreeken. 
Men moet hem in deeze , in ecnigen opzichte , als den be- 
voegdftcn Rechter aanmerken , daar hy zelfs , by zyne 
binnenlandfche reize, onderfcheiden dezer dieren, en zelfs 
het onderwerp dcezer befchryviiig , ter neergeveld heeft. 
Doch met alle die voordeelige omftandigheden , in welke 
de Heer Gord on zich heeft bevonden, moet het elk 
onpartydigen Natuurbefchouwer verwonderen , dat hy 
in zyn fclixyven aan den Hooglecraar Allamand , 
onder meer andere (ter dier tyd nog twyfelingen doch 
nu in deeze meeft afgedaan) niet benift heeft, of de 
Hoorns der Giraffen , Jaarlyks verwisfelde; 't welk de Heer 
Gord ON. by eene oplettende befchouwing, ontvvyffel 
baar met neen , en dus ontkennende wyze , had kunnen 
beantwoorden, vermits de gedaante en het maakzel dier 
Hoorns zulks ten klaarden aanduiden. Keeren wy by 
dit onderwerp eens een oogenblik terug, befchouwen wy 
in deeze de partydige handelwyze van den Heere de 
BuFFON (/) hoe ongenadig en laag hy aldaar (evenals 
voorheen reeds by myne befchryving der Jchneumon is 
aangemerkt ) juift ten opzichte van de natuur der Hoornen 
der Giraffee, den ongelukkigen H asselq.uist behandeld 

heeft, 
{l) BufFon. Hift. Nat. vol. 13. pag. 7. enz, 

C 2 



^o NATUURLYKE HISTORIE van n^t 

heeft. Die ongelukkige, herhaalen wy , die alles ter ver- 
kryging van Natuur wonde ren opöTerde , en hierdoor 
zich het bcnoodigde onderhoud en de noodige voorzorge 
van zyn ligchaam verzuimende , te Smirna, aan eene Tee- 
ring (w) overleedt, Partydige en te laage handelwyzc, 
herzeggen wy voor een' Buffon, om in den Leer- 
ling, de onflerflyke LiNNEE te gispen, welk in het hier 
aangeweezen oogmerk genoeg te ontdekken is. Maar ge- 
noeg hier van , er blyven in de Giraffe nog twyfelingen 
over, welke de Heer Gordon, beiluurt dooreenen 
Leermcefter als den grooten Linnee, ontwyfelbaar zou- 
den hebben opgeloft. Maar ik moet voortfpoeden en 
vraagen mynen Lcczer verfchooning , omtrent myn offer 
der gerechtigheid, 't welk ikmy verfchuldigd achtede, aan 
de af^ellorvene zielen dier verdienstvolle Natuurkenne- 
ren. 

Alle de Oude en zelfs katere berichten koomen zoo- 
wel ijl hunne befchryving als afbeelding, in dit belang- 
ryk ftuk overeen , naamenlyk : dat zy het achterlyf der 
Giraffe twee en zelfs meer voeten laager te zyn befchryven, 
of in hunne afbeeldingen vertoonen , dan het voorftc 

gedeelte 

C»?j) Men Iceze de fraaie voorreede van denRidJcr Linnef. in de Reize van 
Hasselquist naar Faleftina. Hoogd. Uitg. Roflnch 1762. 8**. en aldaar de 
edelmoedige daad der Swcedfche Koningin Luisa Ulrica, well<e door de 
gcleerdheulachtende Hecrcn den Archiator BECx,en dea Ridder Linnee 
van het ongLVdl onderricht, tcrflond bevel gaf, voor Haar eigen geld, ter 
fommc van 14000. Ryksdaaldcrs , desOverleedens nalaatenfchap, alléén in zync 
Schriften en Natuurproducten beQaande, voor Haar intelosfcben. Geluk- 
kige geleerden , in dienftaan zulke Hoven ! waar zich oordeelkundige ea geleerd- 
heidlievende edelen bevinden , vermits het zelfs den besten der Vorsten niet 
mogelyk is alles te onJerkennei, te minder, daar waare geleerde meer verkie- 
zen omzich in hun Boekvertrek, zelfs by hun Lampücht, te verluftigen, darj 
inde verlichtfle zaaien v«n het Hof, vooral wen zy geenen prys of achting zien 
yerlccnen, dan aUecp aaa hetzjch laagverjicedcrcnde en bidiie^Iyk zelfsbclang. 



KAAPSCHE KAMEEL-PAARD. 2x 

gedecte. («) Ik zoude waarlyk, zoo veele geleerde mannen 
voormy hebb«nde, in haare denkbeelden , ten dien opzich- 
te, moeten treeden, enweldes te gereeder, daar verfchei- 
den dit Dier zoo wel, als den Heere Gord on, en 
met meerder gemak, als reeds gevangen en getemd, ge- 
zien hebben. Dan! de doorkundige Hoog -Leeraar Cam- 
per, welke zoo reële Dieren ontleed, onderzogt en met 
elkander vergeleeken heeft, brengt my desaangaande in 
twyfeling. Zyn onvermoeide arbeid, die de juiite maaten 
op alle de deelen van het uitmuntende , geraamte genoo- 
men, en die der voor en achter beenderen, tegens elkaêr 
vergeleeken heeft, fchynt my nu op het allerduidelykfte 
te bewyzen, dat alle de Schry veren gedwaald hebben in 
hetzelve van achteren zoo laag te verbeelden , geiyk in- 
de hierachtervolgende befchryving , met welke zyn Wel. 
Ed. my zoo verpligtend heeft gelieven te verëeren, kan 
gezien worden (0). Van 

(n) Men ondeicoeke deeze myne aanmerking, wanneer mendezelven byalle 
de Oude en laatere Schryveren zal beveftigd vindeu , en 't welk wy ook reeds 
vroeger, byeenige, hebben doen zien. 

( o) Ik achte het alhier de gevoeglyke plaats om myne verpligting te betuigen 
wegens de ontvangene dienflbewyzen , ineenigen opzichte het ondervrerp deezer 
verhandeling betiefFende. De Heer Merck , Raad van zyne D L. Hoogheid 
den Heere Landgraave van Hesfen-DarmRad , het uitmuntend fcelet der Giraffe 
by my ziende, had de verpligtendfte goediheid my de aftcekcning , ( 't welk een 
ieders werk niet is ) en zelfs de bezorging van het gi-aveeren der Plaat, gulhar- 
tig aantebieden. ik aanvaarde, met dank, deeze aanbieding, onder belofte van 
zyn W. E. daar van gcene Copie, dan aan my te zullen geeven, als reeds be- 
wufl zynde van myn voorneemen , om dit nog onbekende (tuk ten vervolg van 
myne andere werken in het licht te brengen. Zyn VV. E. heeft weezendlyk vol- 
daan aan deszeïfs belofte, in zoo verre , dat men de hier by gevoegde afbeelding 
van het Scelet aan zyne zoo zeldzaame kunflneiging te danken hebbe , en voot 
V7elk dienftbewys ik alhier openlyk myne verpligting betuige. Maar te gelyk kan 
ik hier myn billyk ongenoegen niet verbergen , daar ik verneem f door twee af- 
drukken van Plaaten die my zyn toegezonden ; dat zyn W. E eenc veel ver- 
groote Copy, of originecle Plaatdrukvan d\i Scelet reeds lang geleeden naar Lon- 
den heeft gezonden, waardoor ik my dus gelyk al meer gebeurt is, verftoo- 
ken vinde, van de my toekoomende rechtmaatigc eere der ecvfte uitgaave, 

C 3 



22 NATUURLYKE HISTORIE van het 

Van de laatere Schryveren hebben niemant , dan de 
Heeren Allamand, of Gordon, dosr zyne laatftc 
afbeelding, hoe gebrekkig die, buiten zyne fchuld ook 
zyn mag, eenig bewys gegeeven , dat deeze dieren met 
een al te laag achterlyf verbeeld en befchreeven zyn , en 
in welk , denkeljk , misverfland , zelfs de Heer de B u F- 
FoN, door eene allerëllendigfte afbeelding mifleid , ins- 
gelyks vervallen is. Men befchouwe die afbeelding (/));Maa- 
nen , zo men die by deeze dieren dus noemen mag , van het 
hoofd tot by den flaart! Puntige regtöpftaande hoorns (^). 
Het gcheele lyf, door een' kladfchilder, met onverfchil- 
lig hier- en- daar ter nedergeduuwde vlakken als bezaaid. 
Bezien wy nu , de eerllgegeeven afbeelding van den Heere 
Allamand (r) almeede door eene ellendige afbeelding 
misleid, welke (men moet zulks zien ) naar eene ellendig 
opgepropte jonge Giraffe huid vervaardigd is , doch op wel- 
ke de vlakken , gelyk die weezendlyk zyn , kennelyk gevon- 
den worden, die echter in de Printverbeelding even ellen- 
dig als de voorige van den Heere deBuFFON met hier- en- 
daar ter neêrgeduuwde vlakken verbeeld zyn, en welke dus 
nog eene tweede verbeelding, door de Heer Gordon over- 
gezonden, vorderde (^). Hierin zyn de vlekken eenigzints 

ver- 

Cp) BuFFON. Hift. Nat. Tom 13. p. 330. tab. 64. 4'', Ed. de Par, 

(5) De Heer deBuFFo N lia. wel reeden om het gewaande GzVo^e hoorntje , 
hem door den Hoogleeraar Allamand toegezonden te verdenken. Zie zyne 
Hifl:. Nat. Supp. Tom. 3. peg. 329. tab. 6;. Daarvan was reeds voorlang een 
volmaakt dergelyk alhier in Het kabinet, met dit woordelyk byfchrift. ,, Een 
hoorn of been van den Vifch gen. Narwal dewelke dit been of hoorntjc op de 
rechrerzyde, onder het vel (zonder byvoegzel waar) heeft leggen, en zonder 
dat men weet tot wat nut." zoude dit ook mogelyk tor rechterzyde van het 
hoofd leggen, en dus een begin zyn der groei vanecnen tweeden hoorn, welken 
cenige Schryvers aan dien Vifch tocftfhry ven ? 

(^)BuFFON Nat. Hift. Holl. vertaalde uitgaave van den Heere Alla- 
mand. 13. deel, Bladz. 8. pi. i. Amft. 1782. 4°. 

(j) Als vooren Bladz. 16. plaat i. 4. van diezelfde uitgaave. 



KAAPSCHE KAMEEL- PAARD. ■ &s 

verbeterd, maar ver van haare waare gedaante te vertoo- 
nen. En wat moet ik nu van het daarby afgebeelde ge- 
raamte van dit dier zepsen? door de Heer All a mand 
met zooveel verhaefling uitgegeeven (O •^'i daarin nog, 
zonder eenige kennis ofte aflpraake met my , door den be- 
kwaamer ontleed- en Heelkundigen Heere Onymus , in de 
maaten derdeden, gelyk hy zelfs zegt, te regtgeholpen , 
terwyl die Heer , met het in order brengen van het zelve 
voor het Vorflelyk Kabinet, en deeze befchryving, bezig 
was. Maar genoeg hiervan! wy wyzen onzen oordeelkun- 
digen Leezer liever, tot een vergelyk dier afbeelding, met 
die welke my hierby door den ontleed- en teekenkundi- 
gen Heere Merck is medegedeeld. Ik fchikke my dus 
om tot de natuurlyke eigenfchappen deezer dieren over 
te gaan. Maar ik achte nog nodig dit volgende te zeggen : 

De gemelde Heer Merck had my, op myn verzoek, 
ook reeds eene bekorte befchryving van dit fcelet gezon- 
den. Dan de zoo merkelyke verfchillende opgaave der 
Schryveren , omtrent de laagte van het achterlyf der 
Giraf e , waarvan ik hier boven omilandiger fpreeke, 
fcheen my nu , meer dan voorheen , eene omflandiger be- 
fchryving van h.tt fcekt te verëisfchen. En wie konde my 
hierïn beeter dienen dan den Hoogleeraar Camper, met 
welken , zoo door zynW. E. nudikwyls hier zyn als nadere 
woonplaarze, het gemakkelyker was ai het benoodigde afte- 
doen. Hierïn , door de gedicnflige bereidwilligheid van 
gem. Heere, volmaaktelyk geflaagd zynde, heb ik tegelyk 
de eer Hem myne erkennelyke verpligting te betuigen. 

De eigenlyke verblyfplaatzen deezer dieren is , in 
de diepile wildernisfen van Africa in Ethiophie enz, gelyk 

wy; 

(ï) Als vooren, BI. 22, plaat i. j. 



24 NATUURLYKE HISTORIE vanhet 

wy in deezen opzichte onze gedachten reeds gezegt hebben 
by den fraaïenBrief van Constantius; zy verwyderen 
zich echter fomwylen, want men heeft dezelve , van veer- 
tig tot op tweehondert mylen afftands, van de Kaap de 
Goede Hoop, gevonden. De Heer Go rdon zegt , en 
zulks is my ook van anderen verzeekert, dat men dezelve 
vindt in het Land 't welk door eene zwarte Nat e bewoond 
wordt , door de Hottentotten Brinas of Briquas genaamd , 
engelecgenop 28 graaden zuiderbreette, doch, voegt hy 'er 
by, zeldzaam verder. Dit land der Brinas fchynt my, 
volgens de kaart van Sparman, het zelfde of aangren- 
zende te zyn van de groote Namaquas^ alwaar de Heer 
Gord ON een dezer dieren gefchooten heeft. Na de 
Ooflelyker deelen verzeekert men my , dat zy zich fom- 
wyl op drie en vier graaden lengte der andere zyden van 
de Kaap vertoonen. In het eigentlyk Ethiophie zyn zy, 
buiten allen twyfel. In Alexandrye heeft Prosp. Alpin. 
die gezien , en door andere , zyn dezelve te Cairo gevon- 
den. Het is dus meer dan waarfchynlyk datdeeze dieren 
over de Middelandfche Zee in de Adriatifchc Golf gevoerd, 
en langs dien weg in Italië gebragt zyn. 

Het is overëenkoomflig met het bericht, my door dea 
Heere Vaillant, en andere Kaapfche Burgeren gedaan , 
( hebbende eerflgemelde zelfs eenige afgeleegene gedeelten 
der Kaap bereisd) dat men de Giraffe nimmer dan in de 
vlakten vindt, fomwylen van vier tot in grooter getal by 
een , graazende en flilftaande , en hunne befchouweren met 
gelyke verwondering aanziende. Het moet een verbaazend 
en verrakkcnd gezicht opleeveren , zoo veele zulke Colos- 
faale, en byna onbekende dieren, byëen te zien, waarm 
echter de verwondering hunner onregelmatige , of liever 
ongewoone gedaanten, meerder werkzaam zyn moet dan 

hunne 



KAAPSCHE KAMEEL-PAARD. 25 

hunne fchoonheid waarvan veele Schtyveren zoo hoog 
opgeeven. De T^ehra en Coedoe zyn ontwyfelbaar, in te- 
genftelling> veel fchoonder dieren. 

De geaartheid der Giraffen wordt alöm, als uitmuntende 
in zachtzinnigheid opgegeeven, zelfs zoo, dat men dezelve, 
met een dun koord aan het hoofd gebonden, waar men 
wil, kan heenen leiden. Zy laaten zich by hunne ont- 
moeting, tot op eene zekere nabyheid, naaderen, zonder, 
in het allerminft, eenen aanvallenden of kwaaden aart te 
doen blyken. Volgens Constantius aten zy brood 
enz. uit de hand van kinderen , en voorbyde huizen gaan- 
de naamen alles, 't geen de nieuwsgierige Heden, boven 
uit hunne vengflers leggende om dezelve te zien, aanbooden. 
Maar hoeveel vermeerderd hunne blyk van goedhartigheid , 
als wy het bericht van de Heer Gord on, aandenHeere 
Allamand meedegedeeld, naleezen , daar hy zegt: 
„ Het kenmerk van zagtzinnigheid, 't welk de oogen en 
't geheele gelaat aankondigen, is niet bedrieglyk; Ja 
zelfs is dit dier, gekweft zynde, niet kwaadaartig. De 
„ Heer Gordon een ter aarden hebbende doen vallen 
j, door een fnaphaan fclioot, die het beefl flegts een been 
„ vermorfelde, naderde hetzelve zonder dat het nog eeni- 
jj g^ begeerte toonde, om met de hoornen te ftooten, 
of zich op eenigerhande wyze te wreeken. Hy bewoog, 
zelfs verfcheiden maaien , zyne hand heen en weder 
voor zyne oogen , maar het floot alleenlyk dezelve zon- 
der eenig teeken van toorn te geeven; men fneedt het 
jy den hals af, om 't af te llroopen en het vel te bewaaren ; 
,, daar vloeide eene verbaazende hoeveelheid bloeds uit, 
^^ en in de doodsangflen floeg 't verfcheiden maaien op de 
„ aarde met eene kracht , welke die van elk ander dier ver- 
,, re overtrof; ook is het in de flaagen of fchoppen met 

D ,, zyne 



» 



3) 



2} 



m NATUURLYKE HISTORIE van het 

^„ '^yne'póoten, dat zyne voornaamfte verdeediging bé-* 
,, flaat {u). 

Het Vrouwelyke zoowel als het Mannelyke geflacht, 
zyn beiden gehoornd , alleen verzeekert men , dat die der 
Vrouwelyke wat kleinder zyn. Het is meer dan waar- 
fchynlyk, hoe gering deeze hoorntjes ons ook moogen toe- 
fchynen , by deeze coloffaale dieren, in vergelyk met die 
van andere kleinder dieren, dat dezelve hun meerder ter 
verweering, als ten fieraad zullen llrekken. Het is niet 
mogelyk in alle de geheime oogmerken van den Schepper 
door te dringen , de in allen deelen onnafpeurbaare wys- 
heid , van 't geene bekendis, bewyfl: zulks. Zouden de- 
zelve aan deeze zachtzinnige dieren ook gcgeevenzyn, om, 
gelyk zulks by de Bokfoorten gezien wordt , door een 
■fpeelend llooten tegens elkandercn zich te verlufligen. Der- 
zelver bekleede verfiering, boven op hunne flompe toppen, 
met vrylange zwarte hairen, belet volftrekt te denken^ 
dat zy hun tot eene befchaadigende verweering gegeeven 
^yn. By de befchouwing van het gefceletteerde hoofd, 't 
welk ik thans voormy hcbbe, blyft geene de allerminfte 
twyfeling meer over, dat deeze dieren hunne hoorntjes. 
jaarlyks, gelyk de Harten, zouden verwisfelen. Zy zyn 
aan het voorhoofdsbeen , en van dezelfde natuur als dat, 
vaflgehecht , en zelfs daaruit voortgroeïende , dus is zulks 
niet mogeiyk. Het wordbelachlyk, als men dit hoofd van 
het vel ontbloot befchouwd, om de bultige verheevenheid, 
die zich op het voorhoofd vertoont, en welke wat meer 
•nederwaards naar de neus, als de hoornen , geplaatst is om 
die bult, zeg ik, in navolging van GiLLiusen anderen 

die 

.^ (^^ BuFFON Nat. Hifi. HoII. vcrt. uitg. van dea He'ere Aluamand. 13, 
-'deel. biaUz. 15.' "Am ft i x' 7 8 f ' 4 . 



.KAAPSCHE KAMEEL -PAARD, 27 

die zeker geen van het velöntbloote hoofd zullen gezien 
hebben, een begin van, of een derde hoorn te noemen., 
Eene verhevenheid van niet meer dan eene duim, kan men 
die benaaming niet geeven , het is niet anders dan eene 
bultige verheffing , mogelyk gefchikt om meerdere fterkte 
en vaftigheid , aan die plaats, te geeven, daar de neusbeen- 
deren zich, met die van het voorhoofd, verëenigen. Inde 
voor my hebbende gefceletteerden kop , fchynt het my niet 
anders te zyn, dan eene onregelmaatige uitftorting, of uit- 
groeïng dier floffe welke tot de beenwording gefchikt zyn. 
Die bultige verhevenheid vertoont zich, zeer onregelmatig, 
in groote en kleine byëenllaande , doch zich echter eenig- 
zints van: elkaêr afzonderende knobbels. Juill vier duimen 
laager vertoont zich, ter linkezyde op hetneusbeen, eene 
kleindere doch even dergelyke verhevenheid, die is even 
knobbelig, rond, en ruim eene halve duim verheven, en 
even alzoo nog op verfcheidcn andere deelen van het hoofd, 
zelfs langs de beide hoorns, eneene aanmerkelyke, bovep 
op de rechter oogkas; moeten dit almeede hoorns worden? 
men zoude 'er dus doende een wonderlyk gediocht van 
maakcn ! 

Meerder verwondering geeven my eenige oude Schry- 
veren die deeze dieren als ongehoornd befchryven, 't geen 
CoNSTANTius doet denken of die , welke onder het 
Diöatorfchap van Jul. Caesar te Romen, en in laater 
tyd aan Keizer Frederik gezonden zyn, hunne hoorns 
verlooren hadden (c). Vond menbyde hcdendaagfche geene 
verzeekering dat beiderleie geflachten gehoornd waaren, 
men zou kunnen denken, dat het vrouwelyke geflacht dee- 
2er dieren daar van niet voorzien waaren; dan het is niet 

mogelyk;, 

(,y) Zie iiicr v^opger, in de ovejgeDoojne befthfyving van Cohstantjüs, 

D 2 



28 NATUURLTKE HISTORIE van het 

mogelyk, dat beide Heeren Gordon en Vaillant, 
die de Kaap inwendig bereisd, deeze dieren gezien en ter- 
neêrgcveld hebben, zoodaanigen miilag zouden begaan , in 
beide gehoornd te flellen. Daar moet dus iets plaats heb- 
ben welke dit misverfland heeft veroorzaakt , naamenlyk , 
dat de oude Schryveren de hoorns vergeeten hebben te 
befchryven , of dat men die had afgezaagd , en de eene 
Schryver den anderen heeft naargefchreeven. Voor de 
verbreeking dier hoorns is, wegens de vaflheid hunner been- 
achtige ftoffe , geene moogelykheid. Johnston zelve , 
zie ik, in zyne Cameel Befchryiing , deeze dieren nog onge- 
hoornd noemen , zeggende : „ Tot hiertoe hebben wy van 
de gehoornde herkaauwende gehandeld , nu volgen de on- 
gehoornde naamenlyk: de Kameel en Kamelo-pardalis.'^ 

Wy hebben reeds gezegt dat de Girafe tot de herkaau- 
wende dieren behoord, en, als gekloofde hoeven hebben- 
de, het den Jooden vryflond dezelve teeeten, indien f.y 
.deeze dieren gekend hebben, welk vrywaarfchynlyk fluk, 
nog in twift is. Intusfchen weet men nu dat het vleefch 
een welfmaakend voedfel is , maar fomtyds eene aromatique 
fmaak heeft, naar dergelyke planten die zy eeten, en 
dat de Hottentotten zeer verlekkert zyn op het merg van 
derzelver beenen, ten welken einde zy dezelve met ver- 
aifte pylen fchieten. 

Oiderfcheid'en berichten hcL)ben my verzekert dat deeze 
dieren een' zeer fnellen loop hebben , en Con stantius 
beveiligd zulks, tegens het tegenftrydige desaangaande van 
Strabo, met Artemidorus en de getuigen der bewoon- 
deren van Fano , die dezelve, zonder moeite hebben zien 
loopen, en wel met zooveel Inelheid dat te paard rydende 
dezelve niet konden byhotden , al fpoorden zy zelfs hunne 
paarden daartoe aan. Dit Ibydt tegens het bericht van 

de 



KAAPSCHE KAMEEL- PAARIX 29 

de Heeren Gord on en Al lam and, gelyk de Heer 
Merci ER met alle recht aanmerkt by den Brief van C on- 
stan Ti us- Hunnen harden loop, is my verzeekert, 
eene zeer llerke gallop te zyn , by welken zy hunnen lan- 
gen hals geduurig naar voor -en -achter brengen, de langte 
hunner beenen hierby gevoegd , moet hun een' gezwinden 
voortgang geeven. 

Ten opzichte der gemakkei yke of ongemakkelyke ver- 
kryging van het voedzei deezer dieren , zyn de gevoelens 
zeer verfchillende by oude Schryveren , v/egens de lange 
voorbeenen en den hoogen hals. Hierdoor hebben eenige , 
in hunne befchryving, dezelve als zy voedzei van den grond 
wilden neemen, op de knien doen kruipen, of de voor- 
beenen wyd van een doen zetten. Andere hun byna alléén 
tot het ecten van boombladeren verweezen , enz. Op 
myne vraage desaangaande aan den Heere Vaillant 
gedaan, die deeze dieren leevend, ter plaatze waar zy ge» 
vonden worden , gezien heeft , vindt ik deszelfs antwoord 
by my aldus aangeteekend. „ Waarom zoude dit dier niet, 
of met moeite van den grond kennen eeten, het drinkt 
immers uit de rivieren , die dikwyls laager dan den grond 
zyn daar het zich op bevind? Het eet en plukt even goed 
de planten van den grond als alle andere dieren." Men 
kan dus , ten dienopzichte verzekert zyn, dat het zelve even 
gemakkelyk, als alle andere dieren, eet en drinkt, 't welk 
ook de welgefchikte wervelbeenderen van den hals genoeg 
aanduiden. Ik achte my verpligt hier nu by te voegen , 
dat de wervelbeenderen , op zekere hoogten van den hals , 
door een zeer flerk ligament y van eene peesachtige natuur, 
verbonden waaren met eenige uitfleekende wervelbeenderen 
van den rug, 't welk ten klaarften de wyze voorziening 
van het Albeftucrend Opperweezen aanduid , by deeze 

D 3 ^ dieren 



3Q NATÜÜRLYKE HISTORIE vahkj;t 

dieren, om hunne zeer langen hals, willekeurig, voorën- 
achter te kunnen brengen. By de fchoonmaaking der been- 
deren en het in orderbrengen van het geraamte heeft, de 
doorkundige ontleeder, de Heer Onymus hetzelve niet 
welvoeglyk kunnen bewaaren. 

Het gewoone voedzel der Giraf e is gras , zeer veel-e 
onderfcheiden planten, boombladeren en ook hooy. Zy 
fchynen, in hunne fpyzen van geenen viezen aart te zyn 
en beminnen zelfs ciomctlque planten en wortelen. In den 
Brief van Constantius ziet men hun uyens , vruch= 
ten , hooy en brood eeten 

De eeltachtige verharding, welke de aan my onder-, 
fcheiden overgezondene vellen, hier -en- daar doen zien,' 
bewyzen dat deeze dieren veeltyds op den buik neder 
leggen, doch veelal leggen zy ook ter zyden op den grond 
geheel uitgeflrekt neder. 

Omtrcnd de hoogten deezer dieren is een aanmerkelyk 

verfchil by vecle Schry veren, zeker hierdoor ontilaan- 

dc, of zy dezelve zeer jong of zeer oud en volwasfen 

gezien hebben. Het onderwerp deezer verhandeling wordt. 

als vyftien voeten en vier duimen opgegeeven , en in 

verönderftelling dat het geraamte der Vorflelyke verzaa-. 

meling wel is opgeftelt, fchynt het my toe die hoogte 

zeer ruim gehad te hebben. De Heer Cordon Helt 

de gemeene hoogte der^êlven op 14a 15. voeten, en zegt 

verder dat boovengem. van 15. v. en 4. d, van het man- 

nelyk foort zynde , de hooglle was die hy immer gezien 

hadt, en zoo 'er grooter mogten gevonden worden, dat 

zulks op zyn meefl niet meer dan 2. of 3, duimen (zeker 

Rhynl: ) zoude zyn. In de befchryving van het dagver- 

ha^, gehouden, op eene Landtogt, door het Land der 

groote 



KAAPSCHE KAMEEL. PAARD. 32 

groöte en kleine Namacquas , op bevel van den ovcrleeden 
Heere Gouverneur Tulbagh in denjaare 1761. {jjS) ge- 
'^daan, word vaneene ter nedergevelde gefprooken van 17. 
voeten hoogte. De Heer Gord ON twyfelt aan de echt- 
heid deezer opgegeeven hoogte ; dan ! ik vinde geene vol- 
doep.de rede welke my meer aan die als zyne opgaave kan 
''doentwyffelen, te minder, daar ik zie te hebben aangetee- 
kend dat de meergemelde Heer Vaillant my insgelyks 
verzeekert heeft , dat Z. E. 'er verfcheiden gezien hadde 
'waarvan de grootfle ruim 17. voeten hoog was. En zie 
"hier noch (lerker. Ik vinde by my aangeteekend: Bejaarde 
"en my voorkoomende zeer geloofwaardige bewoonderen 
' der Kaap , gefprooken te hebben (het fpyt my derzelver 
' naamen niet te hebben aangeteekend ) die my verzeker- 
'^'den , dat 'er voormaals van deeze dieren gezien en terneer 
geveld zyn, welke (de toppen der hoornen meedegeree- 
kend) 22. Voeten hoog waare.n. 

Deeze laatfte colosfaale hoogte, welke benaaming men 
-zelfs aan die van 17. voeten mag geeven, als nog in het on- 
■ zeker laatende, zoo is het echter nu blykbaar genoeg, dat 
' die geene welke deeze dieren laager dan 17. voeten {lellen, 
r nog geene volwasfchen van die dieren gezien hebben. De 
• geleerde Heer Houttuyn twyffelde, (en hy hadt geen 
' ongelyk in den tyd toen hy zulks fchreef) of de oude 
' Schryveren de hoogten van 15. voeten niette overdreeven 
'Helden (;c) Hy kan nu met alle zekerheid derzelver hoog- 
te tot 17, en mogelyk nog hooger aanneemen. 

Men 

('>;>■) Befch. van de Kaap. p. af?, van het dagverhaal, Amft. 1778. grt 8vo. 
C .%• ) Nat. Hift. der Dieren enz. i, \:>^^\i 3e. ftuk p. sS-^Amfti. J761 . &» in gr. 



32 NATUURLYKE HISTORIE van het 

Men verzeekert dat de Vrouweiyke foorten deezer die- 
ren, iets klcinder dan het manlyk gedacht zyn, en de 
hoorntjes ook kleinder en dunder bevonden worden. Dat 
dezelve vier Tepels of Borden hebben , doch ceffens 
maar één Jong voortbrengen. 

Hier nu, zooveel mogelyk , alles hebbende byëen ge- 
voegd, wat de alleröudfte en zelfs de laatfte Schryveren 
hebben aangeteekend, en dat geen 't welk my zelfs door 
geloofwaardige berichten is meedegedeeld, zoo bleef 'er 
niets meer over dan eene goede albeelding , zoo van het 
dier zelfs , in zynen natuurlyken fland, als van het geraam- 
te. In hoe verre wy hier in geflaagd zyn zal een kun- 
dig oog genoeg ontdekken, vooral, by vergelyk der af- 
afbeeldingen welke de Heeren BuFFON en AlLAMAND 

daarvan gegeGven hebben. 

Ten opzichte van myne afbeelding der Giraffe, moet 
ik hier nog by voegen. Dat de voorige teekening reeds 
gemaakt was, na het in allen deele compleet aan my over- 
gezonden vel, aan welk het hoofd en de voeten bewaard 
waaren. Volgens de afmeeting van hetselve vel, vertoonde 
zich het achterlyf weezendlyk laager in die teekening. Dan 
by ondervinding weetende , hoe weinig men zich op zodaa- 
nige buiten 's Lands bereide vellen kan betrouwen, zoo 
heb ik liever myn' Teekenaar dien fland aan het dier doen 
geevcn, welken de Heer Camper my het genoegen deedt 
in eene omtrek van hetzelve, volgens deszelfs denkbeeld , 
meedetedeelen. 

Betreffende het geraamte deezer Gimffe, verdiend de 
Heer Gord on, Bevelhebber der Kaapfche Miliiie, den 
lof van elks verwondering in de volvoering zyner 2ooweI 

gelukte, 



KAAPSCHE KAMEEL-PAARD. 33 

begonnen onderneeming. Het zegt iets , in de woefle 
wildernisfen van Africa zulk een Coloflaal fluk te ontlee- 
den , en , zonder gemis van eenig deel, ter verzending naarEu- 
ropa te fchikken! Het is zeekerlyk niet in dien Hand, ge- 
lykhetnuis, overgezonden, zulks was onmoogelyk: Het- 
zelve heeft men te danken, aan de onvermoeide kunffcwer- 
king van den bckwaamen ontleedkundigen Heere Onymos, 
M. D. De Hoogleeraar Camper roemt denzelven, en by 
deezen Lofzyn geene weerklanken meer nodig. 

De Hoogleeraar MiCHAËLis (y) heeft, onder veele 
andere, eenige vraagen voorgefleld, weegens de CamelO' 
pardalis oi Giraffe , aan een GezeJfchap van Reizigers, welke 
op bevel van Zyne Majesteit, den Koning van 
Peenemarken, naar Arabie reisden, omtrent deeze 
vraagen zal men alhier meede eenige oplosfinge vinden. 

Ten befluit voege ik hier nog by, dat men deezé 
Dieren, naar myne denkbeelden, als het naafte aan de 
Cameelen grenzende, ter vermyding van de onnoodige 
vermeerdering der Geflachten, in de Rangfchikkinge , on- 
der de benaaming van Giraffe , of Gehoornde en gevlakte Cameel, 
als eene merkelyke verfcheidenheid, by het Geüacht dier 
Dieren , zoude kunnen plaatzen. 

J^y') MicHAËLis. Vraagen aan eea Gexelfchap &. Atnft. & U:r, 1774.410 
HoU. vert. p. 139. 



E BE- 



BESCHRYVING 

V A N H E T 

K A A P S G H e: 

KAMEEL-PAARD, 

deCAMELOPARDALIS of GIRAFFE 

der vroege' en laatere Schryveren. 

lak XXL 

Dit elks verwonderingwaardige Dier was van het man- 
nelyke geflacht. De hoogte van het zelve , by de 
voorvoet van den grond tot op het hoofd opgeraeeten,. 
was volgens opgaave, 15. voeten en 4. duimen Rhyn- 
lands. Die van de borst tot de Haart , in een rechte lyn;^ 
5. voeten en 7. duimen. Voor de verdere maaten wyzen 
wy, denbegeerigenLeezer, liever naar de hier achtervolgende 
befchryving, van den beroemden Ontleedkundigen Heerc 
Camper. Ik bekenne dat 'er eenige verfchillen in de^ 
maaten van het Scelet , en die op het leevende dier genoo- 
men zyn , plaats hebben , doch dezelve kunnen zooveel 
niet zyn , dat zy het begrip te boven gaan. 

De grondkoleur by deeze dieren, in vier onderfcheiden 
vellen die ik gezien hebbe> is zuiver wit; (want men moet 

zich 



KAAPSCHE KAMEEL -PAARD. 35 

aich door de geelachtige koleur, die het wit deezer vellen , 
by het bereiden, gekreegen hebben , nietlaaten misleiden) 
op deeze witte grond koleur vertoonen zich lichtbruine 
vlakken', van allerlei gedaanten, welke in de afbeelding, 
gelyk zy weezendlyk zyn, verbeeld worden. De witte 
grondkoleur vertoont zich vry regelmaatig , even als een 
fmal riviertje, 't welk om en tusfchen eene meenigte kleine 
eilandjes, van onderfcheiden gedaanten, rondom loopt, en 
dus geheel verfchillende, van alle de verbeeldingen, die de 
oude en alle laatere fchryvercn daarvan tot op heden ge- 
gecven hebben. De vlakken ter zyden van den hals, en 
200 het my toefchynt op de keel , fchikken zich zoo , dat 
zy aldaar de witte grondkoleur , als byna 'm eene rechte ne- 
dergaande lyn laaten doorloopen , tot omtrent op de borfl» 
De grootfle vlakken zyn terzyden het ligchaam en op den 

hals. De Heer Gord on zegt, dat de vlakken by de 
wyfjes en jonge dieren, lichter van koleur, en eenige 
derzelve, by de oude, zwart zyn. De buik is witachtig 
grys , gelyk meede de onderfte deelen der beenen , op welke 
i^ich echter hier en daar de bruine vlakjes , beneedenwaards 
verminaerende , doen zien. De lange hals heefc caftanje 
kleurige bruine maanhairen, veel van die eens paards ver- 
fchillende. De langde van die hairen zyn vyf duim , der- 
zelver grondbeginzel en uiteinde zyn, ligter bruinkleurig 
of Hever grysachtig. Deeze zogenaamde maanhairen ver- 
toonen zich , van het hoofd tot even op den rug , en geen- 
zints tot by de flaart , noch zoo alternatief geel en bruin 
gevlakt, gelyk men die bymynetydgenooten verbeeld vindt: 
De bultige hoogten, voor boven op den rui^, is eenigzints 
aanmerkelyk, zy word veroorzaakt door de opftaande ver- 
lenging van eenige wervelbeenderen van den rug, en ik 
ben in twyfel of deeze bultige verhoogmg alléén niet de 
ip;^erkencle oorzaak is, welke deeze dieren van achteren zoo 
■ ' ; ;> E 2 laas 



3<S NATUÜRLYKE HISTORIE van het 

laag doet fchynen, zoo als de fchryveren hun verbeeld en 
befchreeven hebben. Het wit en bruine hair is over het 
geheeie lyf zeer kort. Het vel deezer dieren is, aan het 
dikke van den hals, op den rug, terzyden van het lyf en 
van de achterbeenen, byna een' halven duim dik. By en 
op het hoofd, den buik, voorbeenen en aan het achterlyf, 
is het veel dunder. De Hottentotten , en anderen, ge- 
bruiken het voor fchoenen en andere behoeftens. 

De Haart heeft meede korte gryze hairen met flaauwé 
bruine vlakjes. Boven op langs dezelve loopt , een fmalle 
llreek donkerder geelbruine hairen, die wat langer dan de 
overige zyn. Deeze llreek neemt reeds haar begin twaalf 
diiimen op het lyf voor 't begin der flaart. Dit dus verre 
gedeelte der flaart is ruim twee voeten lang en zeer dun 
iiitloopende. Daaraan hangd een bos puntig uidoopende 
hairen , waarvan de langde ruim twee- en- twintig duimen 
zyn. Eenige derzelve zyn bruin geel, half doorzichtig 
en plat, de overige, die meer in getal zyn, zyn zwart en 
rond. De inlanders gebruiken die by hunne armringen enz: 

Het hoofd heeft geene naar het lyf gelykenende vlakken; 

De koleur is gryswit, van de hoorns tot op de neus loopt 

eene breede ligtbruine vlak die zich by de neusgaaten ver« 

fmald. De ooren zyn, in evenreedigheid van het hoofd, 

redelyk groot puntig uitloopende, van buiten en binnen 

met zeer kort wit grys hair bezet. Dezelve flaan in deeze 

afbeelding te digt by de hoorns van welke zy op twee 

duimen afflands geplaatst zyn. De twee hoorns zyn elk 

acht duim hoog , de toppen Haan drie duim van elkander, 

onder koomen zy elkaar veel nader, zy flaan een weinig 

achteröverhellende, Zy zyn met een lichtbruinkleurig ge- 

haird vel bekleed , de toppen hebben langer zwarte hairen, 

die by jongsr dieren in eene pinceeipunt uitloopen, en by 

ouder 3, 



KAAPS CHE KAMEEL-P AARD, '37 

ouder , gelyk deeze , zich maar korter en als afgefleeten doen 
zien, door afwryving tegens harder hgchaamen. Vam dè 
buitachtige knobbels , welke de Heer Allamand, tus» 
fchen de oorenen de hoorns befchryft, vind ik geene de 
minfte blyk , in drie onderfcheiden vellen. Op 't midden 
van het voorhoofd, even boven de oogen, ziet men ecne 
bultige verheevenheid , dezelve heeft niet den allenninflen 
fchyn van een' derden hoorn, gelyk eenige gedacht hebben; 
Wy hebben daarvan vroeger omftandig gefprooken. De 
oogen zyn groot , leevendig en fchitterende van een goed- 
aardig aanzien. De boven oogleeden hebben lange en ftee- 
vige ooghairen, die der onderfle zyn veel korter. Maar ik 
vinde nergens aangeteekend , dat die bovenfle ooghairen , 
uit de bovenhoek van het oog tot op de halve lengte van 

het oog uit zwarte hairen beflaat, en de verdere lengten 

zyn ligt bruin , die zyn langer van hair en ftaan wat hooger 
op den rand van dat ooglidt. De rand van het onderlle 
ooglidt heeft weiniger en korter, doch alle zwarte hairen: 
De oogen hebben geen traanbuis. De neusgaaten zyn zeer 
groot en langwerpig. De boovenlip ileekt wel twee duim 
over de onderfte , en die zyn beide met een' breeden dik- 
ken rand van korte digte en harde gryze en bruine hairen 
omzet. Her hair op het hoofd is overal langer als dat van 
het lyf. Onder den geheelen bek van het dier is het hair 
meer wit dan grys. 



Boven, voor in den mond, zyn geen tanden, maar wel 
van onderen, het heeft aldaar agt fnytanden, en in elk 
kaakbeen zes kiezen. De gedaante kan men in de hier 
volgende befchryving omftandiger vinden» De tong komt 
zeer naby aan de herten. 

E 3 D^ 



38 NATÜURLYKE HISTORIE van het 

De beenen zyn, in vergelyk, niet dik, hebben geen 
bewys van byhangende klaauwtjes boven de voeten, als 
eenige andere dieren, maar zyn met zeer grootc gekliefde 
hoeven voorzien ; die , aan de my overgezonden vellen , 
zyn van zeer masfive hoornachtige natuur, niet zwart maar 
grysgraauw. Die der voorvoeten zyn een duim grooter als 
die der achtervoeten. 

EINDE. 



WAARNEEMINGEN 

OVER HET GERAAMTE VAN DE 

CAMELOPARDALIS, 

'/ fVelk in het KABINET van Z. D. H. den Heer e 
Prinse van OrANGE gevonden wordl. 

De Camelopardalis y of Giraffe, heeft als alle levendbaa- 
rende viervoetige Dieren zeven halswervelen; doch 
veertien in de borfl , vyfin de Lendenen; Het heiligbeen 
beflaat uit vier als ineen gefmoltene wervelen , met welkers 
uiterfte de ilaart geleed is, die uit zeventien, allengskens 
verminderende wervelen zamengefteld is. 

Daar zyn evenveel ribben als borflwervelen , van welke 
agt met het borllbeen geleed zynde waare of echte, en de 
overige zes onwaare of onechte kunnen genaamd worden. 

Het 



KAAPSCHE KAMEEL -PAARD. 39 

Het borflbeen heeft een fpits aangevoegd been, of os 
Enpforme : g. «r. De Ribben , vooral de waare , zyn , even, 
als in de harten , geleed met kleinere flukken , die niet kraak- 
beenig, als in menfchen , en veele andere Dieren, maar 
been zyn ; deeze zyn eigentlyk door middel van kraakbee- 
nige verèenigingen gehecht aan het borflbeen. Hetfchynt 
dat de Natuur, dit, in zeer veele viervoetige Dieren, en 
wel by de meefle herkaauwende , ook in het Varken , als 
mede in de Vogelen, zelfs in de Bruinvisfchen zoo gewrogt 
heeft, om ruimer te ademen; aangezien, de voorde rib- 
ben, een' rechten hoek met de ruggraat maakende, de borfl door 
geene beweeging kunnen verwyderen, gelyk zulks in ons 
gefchiedt. De herkaauwende dieren ademen dus meeflal 
met het middenrif, en heigen daarom zoo fterk in de 
warmte , gelyk vooral in de fchaapen gezien kan worden. 

De heupbeenderen , en agterpooten zyn gemaakt even 
als by de fchaapen; zoo zyn ook de voorpooten; dat is, 
'er zyn geene fluitbeenderen , noch agterklaauwen , gelyk by;- 
zommige harten, en vooral by het Rendier, 

Het gebrek aan fluitbeenderen fchynt oorzaak, dat 'er 
sydeiings aan den buitenkant , tusfchen het hiel - en - fcheen- 
been, een klein been gevonden wordt, 't welke het koot- 
been bevat, en een foort van buitenenkel maakt, zoo als 
het de Heer Daubenton zeerwei befchreeven heeft by het 
geraamte van den Os, Hifi. Nat. du Cah. du Roi , Tom. IV. 
■pag. 527. 't welke als eene Hypographe van het fluitbeen 
kan aangemerkt worden : In het Geraamte van het Indiaanfch 
Reetje, door my in myne Natuurkundige Verband, p. 225, 
befchreeven , heb ik het als nog niet konnen gewaar wor» 
den ; Het fluitbeen fchynt daar, als by ons en veele andere 
dieren, den buiteneen Enkel te maaken. De voorvoet, 
even als by de fchaapen , beflaat uit foortgelyke beenderen p 

ook- 



4o NATUÜRLTKE HISTORIE van het 

ook de voorhand; 'er ontbreekt aan den voorvoet van dit 
geraamte een klein beentje overëenkoomendemethetgrootc 
wiggebeen, waar in de trekker van den Mufcului peronens 
%\g inhegt , zeer zichtbaar in Koejen en Schaapen. Ook 
wordt het tongenbeen gemist ^ zoo dat wy daaromtrent niets 
konnen bepaalen; te minder, om dat die beenderen in de 
herkaauwendc Dieren zeer verfchillende zyn , vooral ten 
opzigtc vanhetmiddelftukof Z'ö/;x, aan welke, by voorbeeld 
in de Buffels , een uitlleekfel is , gelyk by de Paarden , fchoon 
kleiner, 't welk by de Harte^ Rendieren en Schaapen, 
geheel niet gevonden wordt. 

De Schry vers , welke dit Dier wel gekend , en oorfpron- 
gelyk hebben nagefpoord, gelyk Petrus Gilliusy door de 
xnQQiien f 3.\s door Gesner f/lldrovandus , Linnens^ Brtjfottf en 
anderen naderhand uitgefchreeven, zeggen alle, dat de voor- 
pooten langer zyn dan de agterpooten, 't gene in de daad 
zoo is , fchoon het verfchil niet aanmerkelyk bevonden zal 
worden, en op zyn beft 7. duimen uitmaakt, 't welk op 
eene hoogte van omtrent 7. voeten genoegzaam van geen 
belang is; offchoon het merkelyk vermeerderd zou konnen 
worden door het fchuinzer liaan van het deije- en- fcheen- 
been, in vergelyking van het armbeen, en de ellepyp. 

Wy zullen den kop met dcszelfs voornaamfte dealen be- 
fchryven, en aanmerken, hier in gelykformig te zyn aan 
alle dieren , welke de horens op een voetftuk draagen , van 
uit het voorhoofdsbeen uit te groejen , en niet vlak bo- 
ven het ooghol , maar boven de verëeniging van het voor- 
hoofdsbeen met het jukbeen te ftaan. 

, Als meede, dat het Dier, gelyk alle de harten , de Elan- 
den , 



KAAPSCHE KAMEEL-PAARD. 39 

den, het Rendier, en zommige Bokken (^) eene opening 
heeft aan den voorkant van het opperkaakbeen , even on- 
der of bezyden het ooghol , welke door Datihenton Tom. VL 
over het hartebeest handelende Planche XV lil. door N O. 
afgebeeld is, en pag. 129. zeerwei belchreeven wordt met 
de benaaming vanz/«' efpace vuide, cene .opene plaats : Dit 
is een natuurlyk en geregeld gt brek in het been van de bo- 
venkaak, tusfchen het Os Ungids en het neusbeen in. 

Het wordt in de harten , Damharten en Rendieren met 
he tbecnvlies , van binnen en buiten zich opeen hegtende, 
gedekt engeflooten; anders zou 'er de lucht doorgaan, 
het is 1. in de bygevoegde figuur. 

Er waren geene fnytanden in de tusfenkaaks beenderen j 
gelyk dezelve by alle herkaauwende Dieren ook niet gevon- 
den worden , ook geene Haaktanden onder noch boven ; 
doch aan beide de zyden zes kiezen in de opperkaak, alle 
met twee wortels. In de onderkaak in tegendeel zyn agt 
fnytanden, waarvan de beide uiterile zeer groot, en breed 
van kroon en als ingefneden zyn, flaande fcheppende als 
by de koeijen ; ook zyn 'er aan yder zyde beneden zes 
kiezen , waar van de agterfte , de grootlle , krom is , en drie 
wortelen fchynt te hebben. 

De onderkaak is teder , de plaats voor de Mufculus tem- 
foralis , of flaapfpier zeer diep, en vry groot. Het jukbcen 
is zeer zwaar, en kan van gelyken eene groote Mafcter 
plaatzen. 

De twee horenftronken //, i, zyn agt duimen lang, ftaan 

r - " - . • - boveH 

.. • . , . t ' - - '^ - ■■ .■ - - . " .- ■ ■■ ' - ■ 

^ ( a) DeCondoma, de Knevel, en eeftige andeten , wetkc by den Graave de 
.-.tBh/om worden afgebeeld Tom, XII. pi. 31. 32. 39. de 

F 



40 NATUURLYKE HISTORIE vanhet 

boven 3. duimen van elkander, en hebben een' dikken 
ftoel of bafis byna famenkoomcnde midden op het hoofd. 

Daar de Neusbeenderen met de voorhoofdsbeenderen 
vercenigd zyn , is eene knobbeligheid s. , het is daar ter 
plaatfe, daardoor Giilius een foort van derden horen , om- 
trent twee vingeren hoog , geftelt wordt. 



De lengte van den voorkant der onderkaaksbeenderen 
tot den knobbel van het agterhoofd is = 2 Rhynl. voeten, 
en 4 duimen, naamenlyk a g = 10. g k, = 6. b i, = 8. 
2 Z', = 4. dus a b.= 2S duim. De onderkaak e^ f, ==■ 22 
duim = ^ d. De geheele hoogte c k.^-] duim. Van boven den 
ftronk deshore:is tot onder het juk-kebeen d^k=^ 12 iduim. 
Het ooghol /, m , en n, o, = 3. duim. e, ^. = 2 Ivoet, 
d p — w duim. q^r^^. p, i = 14. m^ i = 12 duim. 

Het breedfre van den kop beneffens de oogbollen = 1 1 
duim, nevens het begin der fnuit = 5. duim. 

De buitenkanten van de grootfle tanden zyn 4^ duim 
van een. 

De hals beflaat, gelyk boven gezegd is , uit zeven wer- 
velen , waarvan de y^ilas of bovenfle = is aan 5 duim. 
"De Epiflrophens of tweede = ..11^ 

De derde 11. 

De vierde . loj 

De vyfde. io_ 

De zesde, en zevende yder = loi <ƒ 21 duim te zamen» 
by n y De hals is dus lang 72. duim of 6 voeten j, 
met de kops- hoogte Z», d.^"] voeten, en 4 duimen. 

De hoogte van u^lq eerfte borflwervel ten voeten uit, 

2< S? 



't 



KAAPSCHE KAMEEL- PAARD, 41 

« = 8 voet 9. duim. En ?/, zu = 1 voet 2. duim, dus 
van w. tot V. =3 9 voeten 11 duim, naagenoeg 10. voeten. 

Het Schouderblad is lang = 2 voet i duim. 

Het Armbeen. . , . i 7 

De Radius , of draaijcr . 2 6 

De Ellepijp geheel. . . 2 1 1 

De voorhand, dat is de Carpus , beftaat uit zes beentjes, 
welke twee reijen uitmaaken als in de menfchen ; de bovenfte 
wordt zaamen gefteld uit het driehoekig , het halfmaanfch , 
het fchuit en ronde beentje. De henedenjle beilaat flegts uit 
twee, welke yder wederom als twee in een gefmolten zyn, 
naamclyk de twee veelhoekige , en het hoofd en haakbeen 
te zamen twee uitmaakcnde. 

De hoogte der voorliand 9>. y. = 3duim, dat is de twee 
reyen beendjes op elkander gerekend. 

De naahand y ^. = 2 voet 3Ï d. ^. e. de ecrfte vinger 
koot 5. ê. «^j.de tweede = 2. ^. 1. 9. het nagelbeen =4duimenJ 

Waaragter twee voegflukken /t*. in de plaat, doch te hoog, 
zy zyn geleed met de nagelbeenderen, agter ^. ^. en om 
trent i^ duim lang. 

'Er zijn, even alsby alle dieren, twee Ojfa fefamoïdea , of 
Zaadbeenderen, tusfchen het nahands, en eerlle vinger- 
been , hier te hoog ^. 

De fchoen van den voorpoot is 81 duim lang, zoo dat 
deZaadbeendertjes /«■, en 9. ^. dat is 4. en i^ of 5- duim, zeer 
gemakkelyk in den fchoen konnen bevat worden. 

Nu overgaande tot den romp zal ik aanmerken , dat de- 
zelve tot aan het Heiligbeen lang is= 4 voet, i duim. 

De veertien Borflwervelen zyn = 3 voet , dus de vyf 

F * Lenden 



42 NATUURLYKE HISTORIE van het ' 

Lendcnwervelen = i voet, i duim. De ftaart <f>-x-= i 
voet, 1 1 duim. Het Heiligbeen B. 4>. uit vier Wervelen, 
beflaande = 9 duim. 

Het Borflbeen = 2 voet, 4 duim. Het Schildwysbeen = 
4 duim. De eerfle Rib = i voet en 8 duim. De laatfte 
waare Rib '^. ^. = 2 voet , 9 duim. Het iluk ^- §• = 9 duim. 
De laatfle Rib is flegts lang = i voet, 9 duim: op deeze 
wyze kan men de borflholte naagenoeg gisfen. 

Het heup^nbeen A. B. D. E. was lang van B. tot D.= 
I voet, 6 duim; het Darmbeen A.B. breed i voet, 6 duim, 
tot de Pan of yicetahuhan = 1 voet, i duim ; van voor de 
punt van het Darmbeen A. tot de voorpunt van het Schaam- 
beenE. = 1 voet, 9 duim. Het Schaambeen van E. tot D= 
:= 11 duim, het ovaale gat F. G. = 3 duim. 

Het Deijcbcen , H. I. K. = i voet , 7 duim. De Knie- 
fchyf M. L. 4 duim. Het Scheenbeen L. N. K. P. O, = 
1 voet, 9 duim. 

Men dient aantemerkcn , dat hier geen Fluitbeen is ; eene 
opmerking, welke Co it ER reets, lang gemaakt heeft om- 
trent de herkaau wende Dieren. De quadrup. fcekt. Cap. 2. 
zonder van hem te weeten , maakte ik dezelfde aanmerking 
inden Jaare 1774. Zoo, dat ik Heilig verzekeren dorft, 
by niet één herkaauwend dier zulk een been gevonden te 
zullen v/orden , tot dat ik onverwagt dit been gev/aar wierd 
in het Afiatifch Reetje, den 12 Oöober i7"'8. gelyk ik in 
mijne Verhandeling over het Rendier ^ p, 228. <5 5. gemeld 
hebbe. 

Natuuriyk moeten wy nu tot den voorvoet, of Tarfus 
koomen, van welken ik reets cenig gewag gemaakt hebbe. 
Hy belUat uit het hieibeen R. Z., de koot T. het taar- 

ling 



- KAAPSCHE KAMEEL-PAARD. 43 

lingwysbeenmet het fchuitbeen in een gcfmolten R. V"., en 
twee wiggebcenderen ti. v. w. , mede tot een been verèe- 
nigd : eindelyk uit het derde wiggebeen ; derhalven uit vyf ; 
doch 'er is een zesde e by, welke den buiten enkel uitmaakt, 
reets door ons befchreeven, endoorden HeereÜAUBEN- 
TON uitmuntend uitgelegd. Het vyfde, of derde wigge- 
been, 't welke in de Koeijen en Schaapen den trekker van 
de Peroneus ontfangt, fchynt hier verlooren , 't welkte eer- 
der gefchieden moefl , om dat de beenderen los , en zeer 
onder een verward tot het Kabinet overgekoomen zyn. 

Men moet zig veeleer vcrvv'ondercn , dat dit geraamte 
nog tot die volkomenheid, heeft kunnen gebragt worden. 
Zy hebben dus zes beenderen in het geheel, welke te za- 
men den voorvoet O. P. W. Y. uitmaakende , 5 duimen 
hoog. zyn. 

De naavoet of Metntarfns w , y. ^.h.=z 2 voet , 4 duim. Het 
been a. b. d. c, = 41 duim. Het tweede d. c. f. g. = 2. 
Het derde f. g. i. k. = 4. Het agterbcentjc g, b. gelyk 5 van 
een duim. 

'Er zyn hier weder twee zaadbeendercn tusfen de gele- 
ding van het naavoetsbeen , en vingcrbeen, a. b. naame- 
jyk, h. e, welke lï duim. lang zyn. 

De fchoen van den agterpoot is een duim kleiner dan 
van den voorden, dat is = 7' duim, waarin het nagelbeen 
ƒ. g. i. k. met het agterbeentje ligtelyk bevat kan worden , 
om dat het de helft kleiner is dan aan den voorpoot. 

De hoogte van den fchoft tot onder het borstbeen a. ^_ 
z=. 41 voet. 

Het Geraamte in'sPrinfen Kabinet is in de daat fchoonp 
en uitmuntend wel faamengelleld : men zou nogthans de 

F ■? kleine 



44 NATUÜRLYKE HISTORIE VA^ het 

kleine beenderen van den voorvoet en voorhand, duide- 
lyker gesien hebben , indien men in plaats van breedkoper 
darmfnaar had gebezigd, 't welke by myne zekere onder- 
vindmfT even duurzaam is, en daar en boven nooit het been 
bederft, daar het anders zog wel door het koper, als yzer 
weg roefl. 

De ruggraat flaat te recht , en het fchouderblad is te 
laag gepiaatft : De voor zoowel , als de achterpooten han- 
gen , maar ftaan niet. Dit is een gebrek , 't welke men in 
alle de Geraamte van Dieren in het Kabinet des Konings 
van Frankryk, in het Nacuurboek van den Graave de 
B u F F o N ontmoet , en over het hoofd gezien is door D a u- 

B E N' T o N. 

De Heer Merck heeft dir naar myne aanmerking ge- 
tracht te verbeteren, dog zou beter geflaagd hebben, indien 
zyn Edelheid meer tyd g>.!.ad hadde. 

Ik hebbe zelf dit Geraam e tw. r^-^i1en gemeeten in De- 
cember 1785. en weder den 2 July » --86. r-n dat het my 
ontgaan was , dat ik dit reets met na iukeurigheid verrigt 
hadde: dog t' huisgekoomen vond ik m/nc eerifc aantee- 
keningen, welker maaten , met de iaatite vergeleken zyn- 
de, volmaakt overèenflemden. 



PETRUS CAMPER. 



Klein Lankum, 
4en 4 Auguftus 1 7 S ö. 



BESCHRYVING 

VAN DEN 

AMERIKAANSCHEN 

TROMPETTER, 

2.YNDE EEN GENOEGZAAM ONBEKENDEN , EN 
EENE 'LONDERLINGE EIGENSCHAP HEBBENDE 

VOGEL, 

kooraende uit 

SURINAME N, 

E N 
zich thans bevindende in de Diergaarde en het Museum 
, VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HE ER E PRINS E VAN ORANJE EN NASSAU^, ERF. 

STADHOUDER, ERF-GOUFERNEUR, ERF-KAPITEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

Dire^eur der Forstelyh Natuur- en Kunst-Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie , 
en Korrespondcnt der Koninglyke Akademie der Weetenfchappen van Parys. 

4^* ■<$>"*• 

* 

Te Amsterda m, 

B y P I E T E R MEIJER, 

MDCCLXVIII. 



C-.T 
I ■"' i 



':r 



.' L i\ 







% ■ 'MS'''''':mé- !\ 



■■lis.:' 



„.«^^^••>-_ 
















L._. 



?J 



NATUURLYKE HISTORIE 

VA N D E N ■', 

AMERIKAANSCHEN 

TROMPETTER-VOGEL. 

DE Scliryvers , welken min of me(}r,doch genoegzaam allen eve« 
duifter of gebrekkig , over deezen Vogel gefchreeven heb- 
ben, zyn in gering getal. Marcgraaf (-») is de eerfte geweeft , 
die den - zelven onder den Brafiellchen naam van Macucagua heeft 
vermeld , en dat weinige en gebrekkige, 't welk die Schryver 'er van 
zegt, is naderhand door Pison (/'), C^^^^^s werk te gelyk met 
dat van Marcgraaf gedrukt is) Willoughbei (c), Raay (^), 
Brisson {/) , en anderen overgenomen. Uit de befchry vingen onzec 
Weft-Indifche Volkplantingen, die van de Dieren, enz. fpreeken, 
bekomt men geen meerder licht. D'Heer Fermin ^/} maakt hun 
onkenbaar. Pistorius ( ^ ) , die anders ook niet veel zeggen wil, 
is de eenigfte, welke eenige waare eigenfchappen van dit zonder- 
linge Dier mede deelt, hoewel hy met al de anderen, aan de beu- 
felachtige vertellingen, die men overal verfpreid heeft, namelyk dat 
deeze Vogel een geluid door den aars geeve, al meede blyft hangen. 
De Syftematifche Schryvers zyn, volgens gewoonte, het zeec 
on-eens tot welk geflagt deeze Vogel te brengen zy. WillougHbei 
en Raay betrekken den zelven tot de Hoenderen : Brisson maakt 
'er een Patrys van : Klein (Z») een Trapgans, en Linnéus (?) 
een byzonder geflagt, 't welk hy Pfophia^ en deezen Vogel daar 

in, 

(a) mil. Nat. Braf. p. 213. 

O) Braf. p. 88. 

'c) Ornitbologia. p. 116. ƒ. 26. 

'rf^ De Avibus. p. 53. 

"^e) OrnitbologicE. fupp. 12. 

(f) Hifi. Nat. de la Holl. Equinoxiale. Amft, 1^6$. 

g) Befchr. van de Col. van Suriname. Amjt, l'j62> pag. 65» 

b) Avium prod. p. 18. 
(i) Syft. Nat. Edit. X. p. 154. 

HoüTTUYN, Nat. Hifi. der Dierefi ij'c I. D. f. St. p. 28J, 

A 2 



4 B E S C 11 11 Y V I N G van den 

in , Crepitans noemt. Ik voor my omhclze het gevoelen van den 
Heer Pallas , die den-zelven tot de Kraanvogels t' huis brengt , 
hoewel hy korter van bek , hals en beencn is. 

Vier dcezer Vogels , welker geluid zo verwonderbnar is , als de 
wyze op welke zy dat voortbrengen , in de Diergaarde van Zyne 

DOORLUCHTIGSTE HoOGHEID , DEN HeERE PrINSE ErFSTADHOU- 

DER, gehad hebbende, van welken 'er nu nog een in 't leeven is, 
is ons de gelegenheid gunftig genoeg geweefl , de-zelven in hunnen 
aart en eigenfehappen van nnby te kunnen beiehouwen. 

Twee der-zelven zyn, in 't laatil' van den Jaare 1764., door 
den Jfcl Ed. Gejïr. lieer Marsys, uit Zeeland, en tv/ee an- 
deren, in den Zomer van 1265. , door den Wel Ed. Geftr. Heer 
Marselis , van Amflerdam , aan de Diergaarde van Hoogftgem. 
Zyne Doorl, Hoogheid gezonden. Beiden deezen waren uit 
onze ^Vefb-Indi^ehe Colonie van Surinamen overgebragt. D'Heer 
Fermin zegt , dat zy zeer gemeen 7.yn op de kuft der Ama- 
zonen. 

De aart van deeze Vogels is in geenen deele fchuuw of vrees- 
achtig, in tegendeel zyn zy zeer mak , zelfs zo, dat men hun 
met de hand kan opvatten , uit welke zy ook , 't geen men hun 
geeft , aanncemen. In gedaante en gang hebben zy veel overeen- 
komfl: met de Kraanvogels , dan eens fchielyk loopende , en dan 
weer, als in een' deftige houding, met groote fchreeden flappen- 
de, fomwylen ook zeer vrolyk huppelende. Stil ftaanden ruften 
zy vedtyds op een been , het ander opgetrokken houdende. In 
deezen ftand brengen zy hun ligchaam meer in eene horizontaale 
gedaante , de rug word krom of hooger , en de hals meer inge- 
trokken : ftoort men hun echter hier in , dan rechten zy zich op , 
de hals word langer , het ligchaam begeeft zich in een fchuinfchen 
ftand , en de Vogel gelykt een geheel ander foort. Het is deeze 
gedaante , welige de voomaame Dier-fchilder, d'Hecr A. Schguman , 
als de leevcndigfte, heeft uitgekoozen ter afbeelding. 

Wanneer deez.e Vogels maar zindelyk gehouden worden , zyn 

zy 



AMERIKAANSCHEN TPvOMPETTER-VOGEL. 5 

zy ook zindelyk op hun ligchaam en haaien dikwyls de vee- 
ren van hen lyf en de vleugels door den bek. Als zy ibmtyus re- 
gens elkaar vcgtcn , is zulks al Ipringende , en met redclj'ke fter. 
ke beweegingen of flaagen der vleugels. Het verfchillcnde klimaat 
en voedzel bepaalt hier zekerlyk hunne natuurlyke drift ter voort- 
teeling , waar toe zy maar weinige blyken van lufl: gceven. Hun- 
ne gewoone fpys is graan, als boekweit, enz. ; doch zy eeten ook 
gaarne kleine vifcbjes en vleefch , en beminnen zeer llerk het 
brood. Hunne neiging naar vifch , en het redelyk lang flel van bee- 
nen , doet genoegzaam zien , hoc zy, ook hier in den Reigcren 
en Kraan naderende , watenniniiaoren zyn , of tot de watervogelen 
behooren. 

De grootfte, kcnnelykfte en aanmerkelykftc eigenfchap die zy 
hebben, is het wonderbaarc geluid, 't geen deeze Vogels dikwyLs 
uit zich zelfs maken, of, daar toe door de Oppasfers der Dier- 
gaarde worden aiuigcfpoord. Het verwondcit my niet, dat men 
tot op heden in het denkbeeld gebleeven zy, dat zy zulks door den 
aars deeden ; ik zelve heb moeite genoeg gehad my van het te- 
gendeel te overtuigen ; 't welk men niet doen kan , of men moet 
zich genoegzaam op den grond nederleggen , den Vogel door brood 
by zich lokken , en denzelven het geluid doen maaken ; waar in de 
Oppasfers, (die het zelve al vry wel weeten na te bootfen) en ik 
zelfs , door hem zulks voor te doen , dikwyls al zeer gelukkig flaag- 
den. Voor dat zy hun twyffelachtig geluid maaken, geeven zy 
veelmaalen een wild gefchreeuw , 't geen Ibmwylen wordt afgebro- 
ken door een klank die naar fcherek , fcberek zweemt , en daar op 
volgt dikwyls het zonderlinge dofïe geluid, 't welk eenige weinige 
overeenkomll heeft met het gekir der Duiven. In dier voegen 
hoort men hun vyf, zes , tot zeven maaien , kort op een , een 
doffen idank geeven , uit het lyf voortkomende , en zweemende 
naar ton , tou , tou , ton , tou , ton , ton , binnen 's monds ge^ 
maakt \ welk laatfte tou . . . . zy zeer lang en zagtjes 
uit-rekken. Deeze klank heeft ook zeer veel zweem naar dat lang 

^ 3 tQ 



6 B E S C H PvY V I N G van den 

en ftcunende geluid , 't welk de Bakkers op een glaazen poflhoom 
maalven, om hunne kalanten te waarfchuwcn, als het waim brood 
uit den óoven komt. 

Dit geluid of deeze klank komt dan , gelyk wy reeds gezegt hebben , 
niet uit den aars , maar het fchynt my nevens den Heer Dr. Pallas , die 
het met my dikwyls gehoord heeft , en wien ik den Romp des gellor- 
venen Vogels ter ontlceding gegeeven hebbe, zeer zeker , dat het zelve 
voortkomt door eene flaauwe opening des beks,en een ibort van wind- 
zakken , welken , hoewel vcrlchillende in gedaante , meeft allen Voge- 
len inwendig eigen zyn. Voornoemde Heer heeft my (daar het in 
dit ftuk op aankomt ) de volgende waarnemingen wegens het in- 
wendige maalczel mecde gedeeld , waar voor wy hem onze erken- 
tenis hier uileggen. Zie hier wat hy zegt: „ De luchtpyp is, eer 
„ zy in de borft gaat , van dikte als een groote fcho'f-pen , been- 
„ hard en geheel rol-rond. In de borft wordt zy kraakbeenig , eo 
„ verdeelt zich in twee half ronde kunaalen , üle hunnen loop naar 
„ de long neemen. De linker windzak is zeer koit ; die der 
„ rechterzyde gaat tot geheel achter in het onderlyf , en is door 
„ dwars-vliezen in drie of vier groote ceUen afgedeeld ". Het 
zyn dan zekerlyk deeze zogenaamde wind-zakken , welken men als 
oorzaakcn van de onderfcheiden geluid maakingen der Vogelen 
gTooten deels moet aanmerken. De lucht , door de drukkende 
werkingen der fpicren geperft , zoekt haaren uitgang door de hoofd- 
takken der vleezige long , en ontmoet in haai-en weg Ideine , veerlaagt 
hebbende vliesjes , welken drilJingen verwekl^en , óie allerleië toe- 
ren kunnen voortbrengen (/(). Maar 't geen ons eindelyk ver- 
zekert dat dit geluid niet uit den aars komt , is dit , dat men, by cene 
zeer naauwe oplettenheid , als zy dit vreemde doffe geluid maaken 
( 't geen zy veeltyds zonder voorafgaand gefchrceuw doen , ) hunne 
borft en buik ziet beweegen, en den bek eventjes open gaan. 

Het 

(') Mtm. de Mr. HerissANt, cum les Mm. ie Mtad. RtyaU des Seknm ^ 
FuTii j année 17^3. /. 193. 



AMERIKAANSCHEN TPvOMPETTEPv-VOGEL. 7 

Het geen de reeds aangehaalde Pistorius ons wegens de crken- 
reiiis van deezen Vogel verhaalt, kan fommige mcnlehen in hun 
gedrag befchaamen. „ Deeze Vogel (zegt hy ) is erkennend; 
„ wanneer hy tam gemaakt is , zo dat hy altoos zyn raeefler of 
„ weldoender boven allen anderen kent , dat ik zelfs , 'er een \'an 
„ jongs af opgefokt hebbende , ondervond. Wanneer ik 's mor- 
„ gcns zyn hok open maakte , fprong dit vriendelyke beeft rond- 
„ om myn Ivf, met beide vleugels uitgefpreid, trompettende (zo 
„ meenen veelcn het te moeten noemen ) met den bek en aars , 
„ als of hy my op deeze wyze een goeden morgen wenfchte ; niet 
„ minder vriendelyk bejegende hy my, wanneer ik uit geweefl 
„ was en wederom t' huis kwam ; naau\vl>'ks zag hy my \'an vcr- 
», re , of liep naar my toe ; al was ik zelfs in een vaartuig , zo ras 
55 was ik niet aan den wal , of hy verwellvomde my in 't byzonder 
,> alleen met dezelfde complimenten , zonder iemand anders ". 
Deeze Schryver laat hier nog op volgen een Vogel dien hy Crico 
noemt , en welke even het zelfde geluid met bek en aars , doch wel 
zo aangenaam, zou raaaken. 

BESCHRYVING 

VA N DE N 
AMERIKAANSCHEN 

TROMPETTE R- V O G E L. 

Tab. 

IN grootheid komt deeze Vogel het naafl aan den gcmeenen 
Wulp , de Arquata van L i n n É ; doch het lyf is korter en 
dikker. Maar om beter over de grootheid van denzelVen te kun- 
nen oordeelen, zullen wy de maat hier liever ter neder Hellen. 
Dezelve is genomen van een volmaakt wel opgezetten Vogel, die 
m het Jiabijiet geplaatft is , en welken ik thans ter Befchryving voor 

. 333^- 



> 



S B Ë S C II R Y V I N G van den enz/ 

my hcbbe. De hoogte van den grond tot den top van het hoofd 
is achttien duim. De breettc van vooren aan de borft tot agter 
aan den Unit is horizontaal acht duim. De lengte der beenen 
van den grond tot dicht aan het lyf , acht en een half duim. De 
hals, van het bovengedeelte van 't lyf tot aan den top van 't hoofd, 
zes en een vierde duim. 

De bek gelykt volmaakt naar die van den Trapgans , is veel kor- 
ter dan die van den Kraan , en ter zyden wat plat gedrukt ; aan 't 
gi'ondbeginzel is hy redelyk breed, verder puntig toe loopende; 
van boven fmal rond , en naar 't einde een weinig krom naar bene- 
den geboogen. De kleur is vuil groen. Het opperfte van den 
bek lluit ter zyde op het onderfte. De neus-gaaten zyn groot , 
langwerpig eirond , en dicht by het voorhoofd , ter zyde den bek , 
geplaatft. 

De Ir'uJcs of oog-ringen zyn donker geel-achtig , en redelyk giroot.- 
De tong is kraakhecmg, plat en aan het einde' gefnazeld. .y/.'ui.' 
Hoofd en hals zyn met korte donzige vaal-zwaite veertjes bezet? 
by den bek komen die tot dicht aan de" neus-gaaten. Wat laager , 
beneden den hals , w"orden deeze veeren grooter; en alleen van voo- 
ren aan den hals , even boven de borft, zyn zy zeéi- fchoon, met 
een groenen, blaainven, rooden en goudkleui'igen! weèr'fchyii ver- 
fierd , welke de Schilder-kunft niet kan itfbcelden. Het verder ge- 
deelte der borft , het geheele onderlyf , jen het gi'ootfte deel van 
den rug heeft meede vaal - zwarte hair-achfige' veeren. Ophej:ag- 
terfte gedeelte van 't boven lyf is .de kleul'ï.deE^vèejsenf.Éiamt Idot- 
verwig grys. De vleugels zyn mede vaal-zwart. 

De beenen zyn groen achtig. De dyen halfwege met vaal-zwaite 
hairige veeren bedekt. De vingeren zyn -van -vèorcn drie; de mid- 
de'ifte is de langfte> cndooreen kor-t' z^ém vliesje ïVan denbüitelj- 
ftcn. , en door een nog korteraandehbinnenfteni vinger verlxindenv 
De nagels zyn meede korfden puntig.-' Agter aan de beenen vindt nien 
ni.\4 een , even van den grond hangenden, vinger,- met een kleinen na- 
gel Onder de voeten by de- hiel is een eelt-achtig linobbekje. - j 

K INDE. 



BESCHRYVING 

VANEEN 

ZEER FRAAIËN , ZELDXAAMEN , OF MIS- 
SCHIEN GEHEEL ONBEKENDEN 

A M E R I K A A N S C 1 1 E N 

LANGS TA ARTIGEN 

Y S V O G E L, 

aan den zvelken men twee voor-^ en twee agter-i'ingers ontmoet. 
Herwaarts gebragt uit de Hollandfche Volkplanting, 

DE BERBICE; 

E N 
bewaard wordende in het Museum van Zyne 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINS E VAN ORANJE EN NASSAUtF, ERF. 

STADHOUDER, ERF-GOUTERNEUR, ERFKAPI TEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER FEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

DireBeur der Forstelyke Natuur- en Kunst -Kabinetten, Lid der Keizerlyh Akademie , 
en Korrcspondent der Koninglyke Akademie der JVeetenfchappen van Parys, 

Te Amsterdam, 

ByPIETEPv MEIJER, 

MDCCLXVIII. 



; j 






/., ^'"^ O r->, T 



A\. Ja i c 



i x^ 



,..x 



.J 



..l 



r- * -r ■ -T ■ 




.V.c'-cn.c-.S.- 



NATUURLYKE HISTORIE 

' / _ VANEEN 

A M E R I K A A N S C H E N 

'' ■ •' tivee'voor-^ en twee agter-vingers hebbende 

LANGSTAARTIGEN YS -VOGEL. 

T~^E Schryvers , welken de kennis der Vogelen QOniitholo- 
-*-^ gia ) behandeld hebben , zyn het niet eens omtrend de be- 
paalingen der kenmerken , welken zy wegens de Ys- vogelen op- 
geeven. Wy verkiezen met de Schryvers van onzen tyd te be- 
ginnen. d'Heer Brisson ( <? ) ('t is onbegrypelyk voor een man 
die zo veel gezien heeft , ) maakt zyn XIII. Orde van die Vogelen , 
welken twee voor-, en twee agter-klaauwen hebben, door geene 
vliezen ( Memhrann ) te lamen gehecht ; waar onder de Pape- 
gaijen, Spechten (Z') , Koekoekken, Toucans , enz. behooren. 
Verder zegt hy, dat de Ys- Vogelen, by hem de XIV. Orde uitma- 
kende , drie voor- , en eenen agter - klaauw hebben. De Ridder 
LiNNÉ ( <? ) fchynt hem te volgen , hoewel hy de kenmerken dee- 
zer Vogelen niet van de voeten , als een wezenlyk kenmerk , af- 
leidt. Seba (<^), en Moehring (^), geeven hun mede, drie 
voor- en eenen agter -kkiauw (ƒ): Edwards (^), Willough- 

. . BEI 

-'j'. '..' ' ■■ ■ ■. . 

Ca) Ornithologia. Tom. IF". pag. 471. Par. T760. FT Vol. Quarto. 

(63 Doch de Heer Linné beeft reeds lang een Specht ondekt , met drie voor-, en een 
achter -vinger. Zie Houttuyn , Natuurlyke Hijl. der Dieren, enz. (volgens bet Sa- 
nenjlel van Linn^.us) I. Deels, IF. Stuk, pag. 393. Amjl. 1761. Oclavo. 

LiNNÉ , Syjtema Naturx. Edit. XI J. pag. 177. N. 21. 
• C c ) Syjtema utf. 

( d) Tbefaurus. Tom. I. en II. ' '\ 

(«) Avium Genera, /luricce 1752. QElavo. Item Holl. F'ertaaling daar van gen: 
Ceflacbten der Vogelen, door my met Aanteekeningen uitgegeeven. Amjt. 1758 OSavo ' 
by P. Meijer. " 

(f) Zie de Anteek. by myne Hollandfche uitgave van Moehring.^ 

Cg) Hijt. Naturelle des Oifeaux ij'c. Lond. 1751. Otiarto. 

Idem Clanures, Z-md.. 1758. Quarto. "^ . " ' 

A 2 



4 B E S C II RY V I N G van een ' • 

BEI (/') , Bellon (/), Aldrovandus (/.), en Gesnerus (/), 
tloLii allon het zelfde. Alleen Sciiwenkfeld (w)» ^'ii Klein (;;), 
zyn volgjr, (zonder my met deezes lairtflen nvyflelingen of onder- 
icheiding vnn den Akion en Ifpida op te liouden ) zeggen , dat 
deeze V(;gelen manr twee voor-, en twee r^gter- voeten, of klaauwen 
hebben. Men ziet uit dit kleine ftaakje, in welke verwamng de 
Geflagtkunde der Vogelen noch ligt, of liever, aan wat zwaarig- 
heden dezelve onderhevig is , door de onuitpiittelyke verfcheiden- 
heden die zich in de ryken der Natuur vertoonen. Wy moogen 
alle onze poogingen aanwenden, om de waare grens - fcheidingen 
der Natuuiiyke wezens te ontdekken, en te bepaalen, de groote 
Bouwheer der Natuur doet ons , by eiken ftap , ten aller dui- 
delykftc zien , dat hy al het gefchapene , als een gefchakelde kee- 
tcn , aan elkaar verbonden heeft. Maar , om tot ons onderwerp 
weder te keeren, deeze flrydige gevoelens der Schry veren zyn 
overeen te brengen , als men zich erinnerd dat verfcheiden Gewes- 
ten , dikwyls Dieren voortbrengen , die in eenige declen van hun 
ligehaam verfchillen , fchoon anderfints , hnnne aart , eigcnfchap- 
pen , en verfcheiden kenmerken, genoegzaam aan toonen,dat zy, 
voor het overige , overeenkomüig zyn. 

In myne Aanmerldngen , by de vertaalde uitgave der Vogel -ge- 
Aagten van MoEHRiNG , heb ik reeds gezegd , dat zich in het Ka- 
binet van Zyne Doopx. Hoogheid , den Heere Prinse Erf- 
stadhouder, ENZ. ENZ. ENZ., ecH uitlandfch Ys-Vogekje bevindt, 
met twee voor-, en eenen agter - vinger , nevens een ander Ame- 
ril^aanfch , met twee voor- , en twee achter - vingers. Beide die 

ver- 

(è) Ornitbologia, Lond. 1676. Folio. 

(i) L'Hijhire de Li Nature des O'feaux: Paris 1555. Folio. Het is zonderling, dat 
die Scbryver deeze F'ogelen met drie voor-, en eenen acbter-klaaitw befcbryfty daar by 
hun , in zyne afbeelding , duidelyk , twee voor- , en twee achter -klaawvien geeft. 

C^) Ornitbologia. Bononits 1640. Folio. 

(O yogel-Bucb. Zuricb l6^j. Folio. 

(m) Tbcrio-tropljeum SileficB. Lignicii 1Ö03. Qjiarto. • 

(^n) Slemmata Av'.um. Lipf. 1759. pag. 6. TaO. l^. Qjiarto. 

Jlem Avium prodromus. Lub. 1750. p. 31. Ö'c (^uarto. '■ ' -• ■■■'■■- 



ATNIERIKAANSCIIEN VS-VOGEL. 5 

verfchillendc foorten zyn wy voorneemens op dceze uitgave te Jaa- 
ten volgen. Men voege hier bj- het onderwerp deczer Verhande- 
ling , 't welk mede twee voor- , en twee aehter-klaaiiwen heeft ; 
en weerom anderen , met drie voor- , en eencn achter - klaauw 
gewapend, (gelyk de meelle Schry veren aan allen toefchryven ). 

Zie daar, door Avelke oorzaak mogelyk het verfchil ontftaat. 
" De geftekheid der voeten, ondertiisfchen , van onzen inland- 
fchen Ys -Vogel, (van welke foort ik thans een onlangs geftorve- 
nen, voor my hebbe , die door de geweezen-e ftrenge koude op 
het Ys dood gevonden is , ) blyft van deeze vcrfchillenheid uitge- 
zonderd , vermits die MTzenlyk , drie voor- , en eencn agter-klaauw 
heeft; en 't blykt hier uit, dat Sciiwenkfeld, en Klein, voor al 
niet van onachtzaamheid vry te fpreken zyn , door dien zy het 
ftelfel der voeten , in deezen onzen gemeenen Ys-Vogel , niet be- 
ter naagezien hebben. 

Uit alle de verfcheidenheden , welken zich in de Vorflelyke ver- 
zameling, en by de Schry vers bevinden, nevens die, welken ik 
in andere Kabinetten gezien hebbe , dunkt my , dat de kenmerken 
van dit geflacht het beft aldus bepaald worden. 
- Het hoofd is groot in evenredigheid van het ligchaam, de hals 
kort , de bek lang , breed , aan 't grondbeginzel meed regt en pun- 
tig uitloopehde , doch fomwyl, gelyk in deezen, wel wat neêrge- 
boogen; vanboven, daksgewys , of gelyk een omgekeerde A- De 
voeten zyn kort, en tot over de dyën en knicn in de yeeren ver- 
borgen. De klaauwcn zyn lang , en altoos , voor al de buitenden , 
('t geen het befte kenmerk van dit geOacht oplevert) twee of drie 
leeden ver aan elkander vaft gegroeid , zo dat de voetzool zich al- 
daar breed en plat vertoond. De ftaarten zyn onderfcheidcn , doch • 
in de meeften zeer kort. 

Zonder ons in de beuzelachtige vertelfels der Ouden in te laa- 
tcn , kan men met zekerheid ilit volgende zeggen , ten opzicht der 
leevenswj'ze van onze inlandfche Ys- Vogelen. Zy houden zich, 
voor al in den broeityd , met paarcn by een , en fchuuwen dus , 

A 3 in 



6 B E S C H RY V I N G van een 

in tegenftclling van anderen, de veel - w^'very. Zy maaken hun 
Ncdje aan de kanten der Slooten en Vyvers , zeer diep in den 
grond, van drooge deelen van planten , waar onder zich dikwyls 
viichgraaten van hun genomen voedzel , bevinden. Zy leggen 
drie a vier eieren, en het mannetje voedt, in dien tyd, het wyfje. 
Hun gewoon voedzel is viich, doch ik meen ook ontdekt te heb- 
ben, dat zy infeélen eeten. Zeker Heer, in Amfterdam, heeft 
my verhaalt, dezelven vry lang in een kleine kamer in 't leeven 
gehouden te hebben, in het midden op een tafel een fchotel water 
met leevende vifchjes zettende , die zy , in de vlucht , 'er aardig 
willen uit te haaien. 

De Ys -Vogel, welken wy Iiier befchrj^en zullen, is een der 
fraaillc Vogelen van dit gcOacht, gelyk men uit de bygevoegde af- 
beelding zien kan. Dan het is volftrekt onmogelyk denzelven naar 
behooren af te beelden ; de fchitterende en veranderende glans der 
veeren heeft iets , 't geen het volmaakfte pinceel niet kan af fchet- 
zen; de fchoonlle koleuren, en de kimft van de mengeling der- 
zelven , zyn te zwak om de Natuur hier in naar te volgen. De 
borduurnaald , beftuurd door een Ichilder- en oordeel-kundigc hand , 
is alleen daar toe in ftaat ; en ik heb , veele jaaren geleeden , 't 
genoegen gehad hier van een overtuigend bewys te befchou- 
wen ( o ). Deeze fchoone Vogel is my uit de Colonie de Berbice 
gezonden. 

(o) De overledene Huisvrouw van den beroemden Kunjl-Scbilder Sanders, te Rotter- 
dam , zelfs een Scbildercsje zynde , beeft in haar keven eenige ineinige flukken , bloeni' 
fejloenen verbeeldende , met zyde geborduurd, daar al de regelen der Scbilderkunfl vol- 
maakt ingevolgd zyn. Daar, durf ik van die onwaar de er baar e Kunjt-Jtukken zeggen, 
Jcheen de Kunfl in verbeelding de Natuur te evenaar en, door bet voordeel van den gloed en 
glans der zyde, wdk voordeel de F'erfjtoffeii onlbeeren, en 't geen hun de Jcboonfle vernis 



niet geeven kan. 






BESCHRY- 



AMEPvIKAANSCHEN YS-VOGEL. r 

BESCHRYVING 

VA N D E N ' 
— A M E R I K A A N S C H E N 

tvjee voor-, en twee agt er -'vingers hebbende 

LANGSTAARTIGEN YS-VOGEL. 

Tab. l l. 

Aangaande de bepaaling van de waare grootte der Vogelen, ben 
ik lang in onzekere verkiezing geweeft. De maatneeming , 
welke de Heer Brisson , en anderen gevolgd hebben , is veel te 
twyffelachtig. De meefte Vogelen worden ons , opgevuld , uit ver- 
fcheiden Geweften toegezonden ; hier door wordt de huid , die rek- 
baar is , dikvvyls buiten haare waare vorm gebragt , en de natuur- 
lyke gertalte van den hals en der pooten veranderd , en zo voorts. 
Ik heb dan liever, eens voor al, de grootheden, by wyze van 
vergelyking, willen opgeeven, en den Leezer hier in naar Die- 
ren wj^zen, die elk bekend zyn. Op dien voet zeg ik, dat het 
lyf , of de romp van deezen Vogel ( het hoofd en den ftaait 'er 
niet by gerekend) de grootte van onze gemeene en grootfte Lyfter- 
foortcn evenaard. 

De Bek, uit den hoek der kaak gemeeten, is twee duimen lang, 
zwart , aan 't grond-beginzel breed , van boven , daksgewys , fchuins 
afloopende , naar het uiteinde wat krom neèrdaalende , en eindi- 
gende in een redelyk feharpen punt. De onder -bek heeft, ter 
weèrzyde by het hoofd beginnende, een breeden ciiepen llcuf, die 

zich 



& B E S C H R Y V I N G van een 

zich halvcnveg de lengte dier bek verlicft. De neusgaten zyn ovaal- 
rond , en ftaan digt by de voorhoofds veeren. 

De Oogen , . „ . , De Tong . . . . . ^ 

De veeren \'nn het hoofd zyn fchoon blinkend blaauw - achtig 
groen ; agter by den nek wat naar 't goud - kleurige , en wat ver- 
der, naar het rood-koper-kleurigc hellende. 

De rug- veeren fpeelen met een leevendigen rood-koper-kleurigen 
glans , voor al boven by den hals ; verder, en op de iehaften der 
vleugels, zyn dezelven meerder blinkend goud-kleurig groen. 

De yicY onderlle flag- veeren der vleugels zyn zwart, de verde- 
ren fchoon blinkend groen , en geeven ( gel\k' alle de veeren van 
deezcn Vogel,) een fchoonen goud-kleurigen weèrfchyn, naar 
maate dat men de lichtftraalen 'er op laat vallen. 

De bovenfte ftaart- veeren, die omtrent vyf duimen lang zyn , 
pronken met dezelfde koleuren , doch met meer blaauwen weèr- 
fchyn. Van onderen zyn zy blaauw-ftaal-kleurig. 

Sommige Vogelkundigcn onder myne Leezeren venvondcren zich 
mogelyk , dat ik , op het voetfpoor myner voorgangcren , het getal 
der flag- veeren , in hunne onderfcheiden rangen , en die van den flaart, 
hier niet opgeevc : Ik meen in cenige myner fchriften reeds de re- 
den daar van gegeeven te hebben ; zo niet , elk kan makkelyk ge- 
noeg naargaan , aan hoe groote onzekerheid deeze opgave onderhe- 
vig zy, voor al in Vogelen , welken ons gedroogd uit vreemde Ge- 
weften worden toegezonden , door dien deeze Dieren zeer dikwyls 
ftaart- en flag-veeren , zelfs buiten den rui - tyd verliezen , door de 
nnauwheid der plaats waar in men hun veeltyds bewaard. 

De veeren , onder den bek en van de keel , of korten hals , 
zyn mede blinkend-groen , en hier op vertoonen zich , even bo- 
ven de borft, eenige witte veeren, die aldaar als een tamelyk 
breeden witten vlak maaken. 

De borft-veeren , en die van het gcheele onder-lyf, zyn hoog- 
knneel-, of roeft-kleurig-geel. 

De 



AMERIKAANSCHEN YS-VOGEL. 9 

De beenen zyn , gelyk in alle de Ys- Vogelen , kort , en bedekt 
met veertjes die tot by den klaauw neerhangen. De klaauwen zyn, 
in dit voorweip, zeer duidelyk voor en agter twee. De buiten- 
fte voor- , en agter - vingers zyn de langden , en de binnenfte voor- 
vinger is, meer dan halver weg, aan de anderen vail: gegroeid; zoo 
• dat de voetzoel, gelyk ik gezegd hebbe, zich hier breed en plat 
vertoont. De twee agter-klaauwen zyn los , doch flaan ook digt 
by een. De nagels zyn redelyk lang, ter zyde plat gedrukt, een 
weinig krom , fcharp , en , gelyk de beenen en Idaauwen , zwart. 

EINDE. 




B 



V ,. I A 



BESCHRYVING 

VAN EEN 
VERWONDERBAAR FRAAI 

AMERIKAANSCH 

YSVOGELTJE, 

hebbende b^na geen ftaart, doch voorzien met twee voor-, 
en twee agter -vingers. 

Koomende uit de Hollandfche Volkplanting, genaamd 

DE BERBICE, 

E N 

bewaard wordende in het Museum 

VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINSE VAN ORANJE EN NASSAUfF, ERF. 

STADHOUDER, ERF-GOUVERNEUR, ERFKAPITEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

Dire^eur der Vorstelyke Natuur- en Kunst-Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie , 
$n Korrespondent der Koninglyke Akademie der Weetenfchappen van Parys. 

Te Amsterdam, 

Bv PIETER MEIJER, 

MDCCLXVIIL 



t ',ii'. ILt. 




«7 



NATUURLYKE HISTORIE 

VANEEN 

AMÏTRIKAANSCH 

Y S-V O G E L T J E, 

hyna zonder JI aan , doch met twee voor-, en twee 
agter-vingers voorzien zynde. 

IN onze voorige Verhandeling hebben wy de Befchr^'ving gegee- 
ven van een vier - vingerigen langtlaartigen Ys- vogel, die, na- 
melyk, twee voor-, en twee agter-klnauwen hadt. Thans doen 
wy 'er op volgen, een diergelyken vier- vingerigen, die insgelyks 
de klaauwen, paarsgewys, voor en agter geplaatft heeft, doch wel- 
ke gevoeglyk , in tegenftelling van den voorigen , zoude kunnen 
genaamd worden de Ys- vogel zonder ftaart, met twee voor-, en 
twee agter-klaauwen. 

Hoewel d'Heer Buffon , voor wiens fchriften wy alle hoog- 
agting betuigen , ons anders is voorgegaan , verkiezen wy echter , 
in de benaaming der onbenoemde wezens , altyd liever die ken- 
merken in het oog te houden, die zich terftond by de befchou- 
wing ontdekken , dan zulken te gebruiken , welken alleen bekend 
zyn by Natiën, die mogelyk nimmer tot de kennis van onze 
fchriften koomen zullen. 

By de voorgaande Befchryving zoude men mogelyk , en met 
reden hebben kunnen twyfFelen aan de zekerheid van ons geftelde, 
om dat men het getuigenis omtrend de gefteldheid der voeten dee- 
zer Vogelen van zoo veele Schryveren voor zich hadt , die met 
ons hier in oneens zj'n; te meerder, als men bewuft is, hoe dik- 
wyls en gemakkelyk , door onkundige of bedriegelyke behande- 
laars , de welgeplaatfte deelen der Dieren , verminkt , venvrongen 
en verpiaatft worden , eer zy ons gedroogd zyn toegezonden» 

A 2 Dan 



4 B E S C H RY VING van een 

Dan , niet tegcnftaande wy verzekeren kunnen , hier omtrend al- 
tyd op onze hoede te zyn , zoo twyffelen wy niet , of het dikwyls 
te veel veki - winnende vooroordeel zal zich het aller befl doen 
overtuigen , door het te berde brengen van drie of vier verfchei- 
dcnhcden, welken, als zoo veele afzonderingen op den regel, die 
by na alle Schryvers vaft ftellen , zyn aan te merken , namelyk , 
dat, alle Ys- vogelen drie voor-, en eenen agter-klaauw , of volgens 
SciiwENKFELD, eu Klein , twec voor-, en twee agter - klaauwen 
hebben. Het na dit volgende ftukje, behelzende de Befchryving 
van nog twee, (wederom in verdeeling der vingers verfchillende,) 
fraaie Ys - vogeltjes , zal mogelyk de waarheid myner ontdekking 
buiten allen twyifel brengen. 

Aangaande de Natuurlyke Hiftoric van dit verwonderlyk fraaie 
Vogeltje , tot welks volmaakt gekoleurde afbeelding de tot nog be- 
kende verfftofTen te kort fchieten , kunnen wy geene merkwaardige 
omflandigheden by brengen. I Iet is vry twyffelachtig , of dit Ge- 
llacht der Vogelen, die zich zoo onderfcheiden van gedaanten in 
Alic, Afrika, en Amerika onthouden, ook niet geheel in aart en 
huishouding met ons Europeefch zal verfchillen : verfcheiden 
voorbeelden daar van zou men hier , genomen van andere Geflach- 
ten en foorten , kunnen bybrengen. 

Dit Vogeltje is my, gelyk de voorige, zonder eenig bericht, van 
de Berbice overgezonden ; en , voor zoo ver ik het zelve heb kun- 
nen nagaan , voor my nog niet befchreeven. Door een misver- 
rtand van (.\cn Letter -fnyder, is hier de naam van den Heer A. 
ScHOUMAN , onder de afbeelding gefield ; het is den Heer G. van 
DEN IIeun'EL die het zelve geteekend heeft. 



BESCHRY- 



AMERIKAANSCH YS-VOGELTJE. 5 

BESCHRYVING 

- ■■ ■; ••;■■-■■ VA N D E N ■■ ' 
:; :. "-: A MERIKAANSCHEN 

- Jlaart ontbeerenden , en Wee mor- , en twee agter- 

'. r, ;.. ,. . - vingers hebbende . ■ ,. - 

Y S - V O G E L. 

Tak III. 

DE grootte van deezen Ys- Vogel, komt, na genoeg, aan die 
van onze gemeene, hier te Land vallende, foort, eer klein- 
der dan grooter. 

De bek , uit den hoek der kaak gemeeten , is een en vyf agtftc 
duim lang. De koleur is overal geheel zwart. De gedaante is, 
zoo wel boven als van onderen , zeer Icharp , daksgewys , of ge- 
lyk als deeze ( O ) twee teegens een gelegde letters V , en loopt 
uit in een regten en Icharpen punt. De Neusgaten zyn ovaal- 
rond , en fchynen my ( zoo ver ik uit dit gedroogd en opgevuld 
voorwerp zien kan) ruim halver wegen met een dun fchuins neer- 
loopend vliesje bedekt. Zy flaan digt by de voorhoofds - veeren , 
en zyn aldaar met drie fyne , zwarte , voor uitftaande , lange bor- 
ftel-hairtjes gewaapend. 

De Oogen De Tong 

Aan den hoek van het oog , voor by den bek , ftaan meede 
vyf op een rei gcplaatfte kleinder borftelhairtjes. 

De veeren , boven op het hoofd en aan de wangen , of onder 
de oogen, zyn fraai, blinkend- goudkleurig - groen ; doch het is 

A 3 in 



6 BESCHRYVING van een enz. 

in de water-verwen niet mogelyk , deeze gouden en blinl^ende ko- 
leuren, by dit voorwerp, wel af te beelden. Agter, of verder op 
den nek, rug en borft, vertoonen zy zig blinkend koper-kleurig 
rood. De onderfle flag- veeren der vleugels zyn vaal zwart, de 
verderen worden door de genoemde rug-veeren bedekt. 

De afhangende rug- veertjes , die als een klein bewy^s van een 
ftaart maken , zyn ook rood koper - kleurig , met loot - kleurigen 
gemengd. 

De veeren , onder de keel en by den bek , zyn wit , die der 
borft , (als gezegd is ,) zyn blinkend koper - kleurig rood , en de 
verderen van den buik , enz. zyn kaneel-kleurig. 

De bcenen zyn kort , met tot by den klaauw neerhangende vee- 
ren bedekt , en met de klaauwen zwartachtig van kolcur. 

De klaauwen zyn hier mcede voor en agter, twee; de buiten- 
fte voor- en agter-ldaauwen zyn zeer lang , de naar binnen ftaan- 
den, in evenredigheid, veel korter, en meer dan halverwege aan 
den anderen valt gegroeid , zoo dat de voet - zool zig hier ook 
breed en plat vertoond. De twee agter-klaauwen zyn los. 

De nagels zyn redelyk lang , ter zyde plat , krom , zwart en 
fcharp. 

EINDE. 




BESCHRYVING 

VAN TWEE • 
XEER FRAAIE, KORTST AARTIGE 

OOST-INDISCHE 

YS-VOGELTJES 

heiden voorzien met twee voor-, en eenen agter- vinger, 

bewaard wordende in het Museum 

VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINS E VAN ORANJE EN NASSAUfF, ERF. 
STADHOUDER, ERF-GOUVERNEUR, E RF-KA PI TE IN- 
GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 
NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E ,R, 

■Direfleur der Forstelyke Natuur- en Kunst-Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie , 
in Korrespondent der Koninglyke Akademie der fFeetenfchappen van Parys. 

* 

Te Amsterdam, 

ByPIETER MEIJER, 

MDCCLXVIIl. 



NATUURLYKE HISTORIE 

VAN TWEE 

KORTSTAARTIGE 

OOST-INDISCHE 

YS-VOGELTJES, 

heiden voorzien met tivce voor- , en eenen agter-vinger. 

Tn den derden rang der Ys-vogelen , die verfchillende zyn in de 
-*- kenmerken , welken men hun meelt heeft toegefchreevcn , vol- 
gen hier wederom twee Iborten , door de verdeeling der vingeren 
onderfcheiden van die, welken wy reeds te vooren belehreeven 
hebben. Deeze fraaie Diertjes hebben in het geheel maar drie vin- 
geren , en wel dusdanig gefcbikt , dat twee van dezelven voor, en 
een agter geplaatfi; is : zie daar eene fpeeling der Natuur in het ge- 
tal der vingeren by dit Geflacht, van welke noch by geene Schry- 
vers is gefproken ; 

DeHeerSEBA (rz) befchryft een Vogeltje van deeze foort, zeer 
naar by koomende aan liet hovenfle in onze afbeeldingen, doch hy 
fpreckt niet van de gefteldheid der voeten , en , doordien het vlie- 
gende is afgebeeld , is daaromtrent ook niets te ontdekken. Hy 
noemt het zyne een Amerikaanfch , en zegt , dat het zyn voedzcl 
acin de Homghfén zoude vinden. Dit Vogeltje van S e b a neemt 
de Heer Brisson Qi) voor zyne zeftiende foort, brengt het ook 
in Amerika t' huis , en geeft het (gelyk hy aan alle zyne Ys-vo- 
gielen doet ) drie voor- , en eenen achter- vinger. 

De verfchillende fchikking der Natuur, in hét getal der vinge- 
ren , 

ra) Tom. I. Tab. UIL ]Sf°. 3. 
Qb) Tom. IV, p. 50J. 

A 2 ■ 



4 . B E S C H RY V I N G van twee 

ren viin dceze onze voorwerpen is verwoncierlyk. Aan de ver- 
ichcidenheid van Gewei!; kan echter dit verfchil in de flimenileUing 
niet toefjefchreeven worden , zo , naamelyk , dat Alle \'ogelen , 
die men wegens haare iiiterlyke overeenkomft met die van andere 
geweflcn tot een geflacht brengt , met drie vingeren of klaauwen 
voort zoude brengen , en America met vier. Het tegendeel zelfs 
is bekend : de Vorllelyke verzaameling , en andere Kabinetten , 
toonen ook Afiatifche Ys-vogelen met drie voor-, en eenen ach- 
ter-vinger, en dus vier - vingerigen , gelyk die van Europa zyn. 
De waare oorzaak derhalven moet in andere omftanriigheden , ons 
noch onbekend , te vinden wezen. De groote Werkmeefter der 
Natuur toont ons , by het onderzoeken , wel veeltyds de wyze rede- 
nen van zyn doen , maar mecftendecls echter bly ven dezelven 
voor onze oplettendfte naarfpeuringen verborgen. De gedaante van 
den belv , en het maakzel der klaauwen , zyn zekcrljk gefchikt naar 
de natuur der Dieren, naar het voedzcl 't geen zy in het alge- 
meen noodig hebben , en naiU' de wyze op welke zy dat moeten 
bckoomen. Elk Schepzel is dan op de beft mogelyke wyze gewa- 
pend , zo om zyn onderhoud te kunnen bekoomcn , als ter ver- 
weering tegens zodanige andere Schepzelcn , als a^n welken hy niet 
ten prooi is toegeichikt. 

De Ys-vogel van Seba verfchiltvan den geenen, welken wy hier 
befchryven , en die op de bovenftc tak zittende is afgebeeld , on- 
der anderen door eenige blaauwe en witte veeren , die deeze foort 
terzyde van den hals heeft ; maar de bek van Seba's Vogel fchynt 
my niet geheel en al gefchikt , om , gelyk die Schry ver zegt , al- 
leen van Byen te leeven. 

Ik moet echter bekennen, gelyk wy voorheen reeds hebben 
aangetekend, dat de Ys- vogels by gebrek van Vifch, anders hun 
gewoon voedzel , zich ook met het gebruik der bloedelooze 
Diertjes behelpen kunnen. Doch zo men eens met opletten- 
heid naargaat het geflacht dier Vogelen , welken van de gekorve- 
ne Diertjes leeven , voornaamenlyk van Byen en al zulke fooit van 

Infec- 



OOST- INDISCH E YS- VOGE LTJES. 5 

Infcclen , en die daarom reeds van de Ouden Jpiajler genaamd wer- 
den , zal men een merkelyk verfchü in de gedaante van den bek 
vinden. 

Beide foorten van Ys-vogelen , die wy hier verbeelden , en 
welken in koleuren met die van den Heer Brisson merkelyk genoeg 
verfchillen, zyn, ten opzicht van het getal en de plaatiing dervin- 
geren , elkaar gelyk , doch de koleuren verfchillen , zoo als men in 
de volgende Befchryving zien zak Zy zyn my op onderfcheiden 
tyden toegekoomen, en beiden als Ooft - Indifchen by my te boek 
gefteld. Gedroogd en reeds opgevuld overgebracht zynde , is 
het niet mogelyk ten opzigt van het verfchil der Kunne iets ze- 
kers te bepaalen; echter fchynen zy my daar in alleen maar te 
verfchillen. 

BESCHRYVING 

• VANDETWEE 

kortjlaartige y beiden tivee voor-, en een agter- 
vinger hebbende 

O O S T - I N D I S C II E 

YS-VOGELTJES. 

Tab. IV. 

Het bovenfte afgebeelde Ys - vogeltje , 't geen wegens deszelfs 
leevendiger koleuren het mannetje fchynt te zyn , is even- 
redig aan de grootte van de afbeelding. 

De bek , uit den hoek der kaak gemeten , is een en zeven zes- 
tiende duim lang , boven en onder wat minder fcharp dan van de 

A 3 voorige 



6 BESCHRYVING van twee 

voorige fooit , echter daksgewys afdaalende , zo dat de door- 
ihedc cene ruit zoude verbeelden. De kanten van den bek zyn 
eventjes inwaards gebogen; het uiteinde is niet heel fcherp uido- 
pende. De koleur is licht -geel. De neusgaaten komen, in form 
van een half ovaal, eeven uit de voorhoofds- veeren , en zyn door 
een dun vliesje geheel geflooten. 

De oogen De tong 

De koleur der veeren , boven op het hoofd , zyn licht kaflanje- 
kleurig-bruin. Voor het voorhoofd vertoond zich , ter wederzy- 
den by de neusgaaten , een licht geel vlakje. De wangen , borft , 
en buik zyn fraai licht geel. Ter zyden van den hals , wat naar 
achteren, doet zig een klein bosje fchoone blaauwe veeren zien, 
en daar onder een wat grooter van diergelyke witte veertjes. 

De veeren onder den bek zyn wit. 

Op den rug zjti de veeren fchoon donker - blaauw ; laager naar 
den ftaart w^at naar 'c purper trekkende. De bovenfle ftaartveeit- 
jes Z5'n, eeven als het hoofd, licht kailanje-bruin , van onderen ka- 
ncel-kleurig. De vleugel veertjes , en flagpennen , zyn muisvaal- 
kleurig. 

De beencn zyn rcdelyk kort , licht - geel , zeer teer en naakt. 

De klaauwtjes voor twee en achter een. De binnenfbe voor- 
klaauw is wat langer dan de anderen , en zeer ver met de buitenftc 
vaflgegi-oeid , waar door het voetzooitje hier, in evenredigheid met 
de dunte der klaauwen of vingertjes , zich ook weer breed en plat 
vertoond. 

De nageltjes zyn kort, terzyde plat, krom, licht geel, en fcharp. 

Venuils 'er -verfchü in de kokuren is, zoo i'olgt bier de Befchry 
1'ing van bet, op '/ benedenfïe takje zittende. Vogeltje. 

Dit komt in grootte genoegzaam over een met het voorige , en 
zou mogelyk , wegens de mindere leevendigheid in koleur, het 
wyfje zyn kunnen. 

:; . De 



OOST-INDISCHE YS- VOGELTJES. 7 

De bek is in grootte en maakzel eevenredig aan het voorige. 
De koleur alleen verfchilt , en is vuil of bruinachtig -geel De 
neusgaaten zyn even eens. 

De oogen De tong 

De koleur der veeren, boven op het hoofd, is licht rosachtig- 
kaneel-koleur. Voor het voorhoofd vertoonen zig dezelfde licht- 
geele vlakjes , ter wederzyden , by de neusgaaten. De wangen 
zyn geel-kleurig. De veeren op den rug , op de bovenzyde van 
den ftaart , en die op de fchoften der vleugels , zyn mede licht-ros- 
achtig kaneel-kleurig. De flagpennen in de vleugels zyn muisvaal, 
met roskleurige kanten. 

De veeren, onder den bek, zjii licht afch-gi-aauw. Die derBorfh 
rofchachtig-geel , met wat rosachtiger veeren gemengd. Onder aan 
den buik, en verder, zyn dezelven flaauw-geel, en onder den 
ftaart rofch-kleurig. 

De beenen zyn tamelyk kort, bruinachtig, teer en naakt. 

De klaauwtjes even als by het voorige. De nagels alleen wat 
- donkerder-geel. 

EINDE. 




BESCHRYVING 

VAN EENEN FRAAIËN 

AMERIKAANSCHEN 

L Y S T E R, 

Q^U E R E I V A genaamd^ 

IN B R A S I L VALLENDE, 

en bewaard wordende in het Museum 

V A N Z Y N E 

DOORLUCHtlGSTE HOOGHEID, 

D£N HEERE PRINSE VAN ORANJE EN NASSAU fV, ERF. 

STADHOUDER^ ERF-GOUFERNEUR, ERF-KAPITEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

Direlteur der Vmtelyke Natuur- en Kunst-Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie , 
en Korrespondent der Koninglyke Akademie der Weetenfchappen van Pary:. 

* 

Te Amsterdam, 

ByPIETER. MEIJER, 

M D C C L X I X. 



■^ fT T 



a Wi A 1 



) O H 



/ . -' k 






D' 



. O 



P A 



.-.■il 

'v-i- 



/: A 7 



* j ;[ O i-- 






^?/. y 




NATUURLYKE HISTORIE 

VANDEN 

AMERIKAANSCHEN 

L Y S T E R, 

genaamd Q^ Ü E R E I V A. 

De foorten deezer wonderlyk fchoone Vogels, van welken 
noch maar weinige Schryvcrs gefprooken hebben , zyn zo 
onderfchciden afgebeeld en befchrceven, dat wy het niet ondien- 
flig oordeelen dezelvcn, door eene naauwkeurige nafpeuring, za 
veel mogelyk, op te helderen. 

De Heer Brisson C^), een der voomaamftc Ornithologie 
fche Schryvcrs van onzen tyd , brengt deezen Vogel , welken 
wy, wegens deszelfs overeenkomft , voor eene Lyfter - foort hou- 
den , met andere en veel vcrfchillendc Vogels in zjtq XXIII. Ge- 
flacht , 't welk door hem Cotinga genaamd wordt ; een naam , 
zegt hy, van de Amerikaanen ondeend. 

Edwards (Z») bcfchryft en verbeeldt onder anderen twee 
dergelyke Vogels, die hy Manakin noemt, en welken door Bris- 
son tot zyne eerfle foort betrokken worden. 

A. Seba (<:) geeft eindclyk een Vogel, die zeer verfchild 
met den geenen , dien wy hier befchry ven zullen , en noemt hem 
OcocoHn, waarfchynlyk in navolging van Fernandes, welken 
hy aanhaalt, doch ten onrechte. 

Fernandes, (^) in zyne Befchry ving van den OcocoUn (om 
niet van een Patrys te fpreeken , waar aan hy denzelven naam geeft) ' 

fchynt 

Ca) CoTiNCA DE Cayenne. Ornithologie Tom. IL p. 344. tai. 34- jïg. '5. 

(b) Manakin. GlanuresTom. I. p.65. Tab. 2^1. Idem Tom. II L p. 2-72. Tab.24Q. 

(c) OcocoLiN. Tbe/aurus, Tom. II. p. 102. Tab. 96. fig. 3. 

(d) HiJloricB Animalium ^ Cap. CCXI. p. 54. 

A 2 



4 B E S C H RY V I N G van den 

fchynt iiiy , in allen opzicht , meer te zien op den Vogel , die 
by ons onder de benaaming van Troupial bekend is , dan op de 
Cotinga ; vermits de laatfte , de geele koleur enz. , waar van F e r 
i^ANDES fpreekt, niet heeft. 

Brisson brengt deezen Vogel, dien Se ba te gelyker tyd, 
hoewel ten onrechte, een Spreeuw noemt, tot zyn derde foort 
der Cotingaas , en noemt hem Cotinga van Cayenne. 

Maar fla ik het oog op het geen de Heer Brisson in de be- 
fchryving van zj'n eerfle Cotinga zegt : Eenigen hebben op de borft 
een divarsbandy van het zelfde hlaauiv als dat van den rug, en 
eenige rofchkleurige vlakken aan de benedenjle deelen van den hals en 
op den buik (^) dan, zeg ik, kan ik niet opmaaken waarom dec- 
ze kundige fchry ver de foort van S e b a van de eerfte foort zy- 
ner Cotingaas affcheidt , en die by zyne derde foort brengt , aan- 
gemerkt het verfchil in deeze minder is, dan de verfchillendhe- 
dcn , zo even door hem aangehaald. 

De beroemde Heer L i n n é herneemt thans in zyn vernieuwd 
^imur fyjfema (ƒ) de benaaming van Ampelis, 't geen hy nu aan 
het Geflacht geeft , waar toe hy deeze foorten van Vogels brengt : 
De fesde zyner Ampelis , Cayana genaamd , ( zynde de derde van 
den Heer Brisson, en de aangehaalde van Seba) is cigenlyk 
die , welke het mcefl: met deeze , die wy thans behandelen , overeen 

komt. 

Klein (^) maakt een Roof - vogel van deezen Lyfter , hem 
noemende Lanius, en Ococolin, in navolging van Seba. 

Van meerder gewicht achten wy het weinige, 't geen de Laat 
( h ). aanteekent , als hy zegt : De Wilden maaken groot werk van 
let Vogeltje Quereiva, '/ uselk zeer fchoone roode veerkens heeft 
f}p de borfi , de vleugelen zwart , en de reft van het lyf blaauw. Dee- 
ze 

Ce) Ornitb. pag. ']4i. 

(f) Ampelis. Edit. Duodecima, reform. t>ag. 297- o 298. N= 6, 

(fj) Lanius, Ococolin diStus. j^iium prod. pag. ^i- N" 6. 

(iü ) QutREivA, Be/cpryving va?; Wnjliniien , pag. 505. ; 



. -, AMERIKAANSCHEN LYSTER. "^ 

ze korte, doch klaare, befchryving duid onzen Vogel vry wel aan; 
maar 't geen meer is , daar vinden wy de waare Land-benaaming , 
die wy hem dus , onderfcheidings halven , als eenen toenaam gcevcn 
kunnen. 

Ik beken by de eerfle vergelyking der aangehaalde Schry veren , 
tegen deeze onze Lylter - foort , by na in tw}'fel gebragt te zyn , 
of de koleuren , met welken SEBAenEDWARDs hunne Vogels 
verbeelden , der natuure wel nauwkeurig genoeg gevolgd waaren ? 
Dan daar na gelegenheid gevonden hebbende deeze fraaie Vogels in 
de Kabinetten der Liefhebbers naar te gaan , ( gelyk , onder ande- 
ren , in dat van den zo vriendelyken als verplichtenden Heer 
Julianus, te Utrecht, 't geen ongemeene zeldzaamheden be- 
vat ) ben ik volledig overtuigd geworden , dat onder deeze foort , 
verfcheide verfchillendheden , evenals by de Europcefche Lyfters , 
gevonden worden. 

In deeze gedachten dus door eigene ondervinding gcflerkt, 
vermoede ik, dat niet alleen de twee Manakins van Edwards, 
( naamenlyk , die de keel , borft en het gedeelte van den buik , purper 
kleurig heeft, en die met de rooze-of oranje -kleurige vlakken, 
welken hy alleen in kunne onderfcheiden denkt te zyn , doch vry 
onzeker ) maar ook de OcocoUn van S e b a ( die maar zeer weinig 
purper onder den bek heeft ) en de Vogel met den blaauwen dwars- 
band , van welken B r i s s o n by zyn eerfte foort als eene ver- 
fcheidenheid fpreekt , en cindelyk deeze , dien wy hier befchryven 
zullen, vyf,of ten minften vier onderfcheiden' foorten zyn. Voor- 
naamenlyk mogen wy dit veronderftellen , indien het verfchil der 
kunne ( omtrent welke wy by de kennis der vogelen, vilfchen en 
andere fchepzelen nog op duiftere paden wandelen) hier in gee- 
ne miftafting kan veroorzaaken ; dit plaats hebbende , zoude het 
kunnen zyn , dat de Vogel van S e b a de vrouwclyke foort van den 
onzen is , vermits de purpere koleur der keele veel minder, en de 
blaauwe koleur zelfs zwakker is; doch wy zyn verplicht hier aan 
te merken, dat deeze veronderftelling allecnlyk ruft op eenige waar- 

A 3 .uee- 



6 BESCHRYVING van den 

neemingen van fommige Ormthologici , welke de koleur dervrou* 
welyke foorten doorgaans minder fchoon en zwakker vinden. 
Een ftelrcgel, welke, hoewel zy by fommige foorten doorgaat, 
echter anderfints , door dagelykfche ondervinding beweezen kan wor- 
den aan genoegzaame tegenfpraak onderworpen te zyn. 

De overeenkomftige kenmerken , welke wy in deeze Vogelen 
met de Lyflers vinden, naamenlyk de grootheid, de gedaante 
van het lyf , de bek , (die , genoegzaam als die der Lyfters , het 
omgeboogen puntje heeft) de flaart, de voeten, dit alles by een 
genomen , zeg ik , doet ons deezen Vogel , op het eeifte aanfchou» 
wen, een Lyfter noemen. 

Van deezen Vogel , alhier in 's Graven Hage op eene verkoping , 
zeer wel gedroogt en opgezet , voor het Vorftelyke Kabinet gekogt , en 
dus by ons niet leevende gezien zynde , kunnen wy , wegens deszelfs 
natuurlyke eigenfchappen , hier niets zeker ter neder ftellen. 

Het komt ons nochtans niet onwaarfchynlyk voor , dat deszelfs 
gewoone leevenswyze en voedzel niet veel van den Lyfler verfchil- 
len zak Deszelfs geboorteplaats is BrafiL 




BESCHRY- 



AMERIKAANSCHEN LYSTER. f 

BESCHRYVING 

VA N D EN 
AMERIKAANSCHEN 

LYSTER, 

genaamd Q^UEREIVA. 
Tah. V. 

De grootte van deezen Vogel is overeenkomende met dien Lys» 
ter , welke onder de benaaming van Krams - Vogel bekend is. 

De Bek is zwart; het puntje van den bovenften eventjes over 
den onderften als omgeboogen. De Neusgaaten half ovaal buiten 
de voorhoofds-veeren uitftekende. 

De Oogen - . - . De Tong 

De veeren van het Hoofd , den Hals en den Rug zyn fchoon 
lichtblaauw, met zwart gemengd. De flag - veeren der Vleugels zyn 
zwart , gelyk mede de fchoften der Vleugels , doch wat laager ver- 
toonen zich ook eenige blaauwe veertjes. De Staart- veeren zyn me- 
de zwart. 

De Keel is van onder den Bek tot op de Borfl fchoon pur- 
perachtig rood. De geheele Bord en Buik, tot aan den Staart, 
zyn fchoon lichtblaauw. Dicht by de Beenen en by den Aars 
vertoonen zich alleen een enkeld purperachtig rood en zwart 
veertje. .* 

De Beenen , en de Klaauwen , die van vooren drie en achter een 
zyn , zyn zwart, gelyk mede de kromme platachtige Nagels. 

EINDE 



- - • f 



rr ' r- 



BESCHRYVING 

VANDEN 

AMERIKAANSCHEN 

ROTS-HAAN, 

Zynde een ivonder - fchoone en nog zveinig bekende 

VOGEL, 

overgebragt uit 

SURINAME N; 

en zich bevindende in het Museum 
V A N Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINSE FAN ORANJE EN NASSAUJV, ERP. 

STADHOUDER, ERF-GOUFERNEUR, ERF-KAFITEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER FEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A^ V O S M A E R, 

DireSltuT der Forstelyh Natuur- en Kunst-Kahinetten , Lid der Keizerlyke Akademie j 
en Korrespondent derKonlnglyke Akademie der fVeetenfchappen van Farys. 

* 

Te Amsterdam, 

By PIET ER MEIJER, 

MDCCLXIX. 



^ 



f J,. .A. 












^Vï A A H-2 T O M 



.v_i. 






V. ï 



r-\ 



() 



\é 



r 



j;ij ■: 



A ?I 



!G7 ■) 



i 



.■-' i. 






> O <'. 



.ïi.o .:-;;'i .ru:, ^-/l >10;a^-..^ Illia:. .1 



*I ^ 


■- j ^ ^ 


••■-:. 


.51 :: 


1 

iL 




V.'i'.'Vn.:',^- ;:^ 


' ; ^ 


■:■:-. ■■■'vr(l4rn\i"A :-:i-' 


w'li-:iiu.;A:v 




,.■..--■•-•• 



KVio ■; 



A c; ;' :: T 



j :. J Ü 



a 



_/rr/.. rr. 




NATUURLYKÊ HISTORIE 

VANDEN • ■ -' .■:'.. 

AMERIKAANSCHEN 

R O T S . H A A N. (^) 

Behalven de oneindige meenigte voorwerpen der Natiiure , die 
wy niet kennen , zjn 'er nog een ongelooflyk getal , waar 
van aan ons niets meerder, dan de öppervlaickige gedaante, be- 
kend is. Het is zekerlyk te beklaagen , dat de overzenders , voor- 
naamelyk die der iiitheemfche geweften, dikwils geene de alIeiTninftc 
Dpga\'e doen , gelyk al meelt gebeuit , van den aait en van de 
eigenfehappen der voorwerpen, wellcen zy overzenden: hoe weinig 
zulks ook zyn mogt, het zou nuttig weezen ; wünt hec lekU ca brengt 
eenen Waaren Natuur - befchouwer op het rechte fpoor, van 't welk 
hy anders , ( door zyne befpiegelingen , op wnarfchynlyke vcron- 
ftelllngen geveffigd , dikwjis misleid ) gcmaklyk kan afdwaalcn. 

Onder deeze duiftcrheid der voorwerpen, waar over wy klaa- 
gen, verbergt zich nog de kennis der natuurlyke eigenfchappeii 
van deezen fraaien Vogel. Barrere ((7) is de eerfle geweefl: , 
die het heftuan , doch ook maar alleen het hejlaan , van denzelven , 
m zyne Americaaniche Lj-ft der Planten en Dieren , opgegeevcn heeft. 
By de reizigers , en die de dieren der nieuwe waereld befchreeveii 
hebben , voomaamelyk by die van onze Colonie , heb ik 'er niets 

van 

(*) Dit voorwerp, waar 7ia deeze Befcbryving en Jfbeeldivg gemaakt is, niet levendig 
zynde, maar gedroogd en zeer wel opgezet, zo is het ons 7iiet mogelyk geweeft ket ixiaci- 
re Gejlacbt der Kunne te bepaalen. By bet behouden van den naam, door Barrere aa7i 
óeézenyogel gegéiveti; hebben wy ook die va7i Haan inoeten behouden, bceivel denzelven 
anderfins niet eigen is ^ dan aan het Mtmnelyke Gejlacbt der Vogelen. ^ 

(a) Gallus f erus, Suxatilis, Croccus , crijlam è plumis conftru^am gerens. Coc-des 
Röches. Effaijur l'HiJioire Naturelle de la Fra7ice Èquihoxiale. Paris 174$) 3i'o. 

A 2 



4 BESCHRYVING van den 

vmi kunnen ontdekken. De Heer Linnée(Z'), brengt thans 
deezen Vogel, met eenige andere, onder een nieuw geflaeht, 't 
geen hy Pipra noemt , en geeft hem den naam van Rupicohi , in 
navolging van den Heer B r i s s o n , van wien wy Itraks zullen 
fpreeken. Edwards((:) verbeeldt en befchryfi het hoofd en 
den hals van deezen Vogel ; doordien hy deeze deelen maar alleen , 
en dus zeer gebrekkig, had ontfimgen. In een klein, door zyn 
vriend daar by gevoegd, bericht, niet minder gebrekkig , dan dit 
hem toegezonden deel, wordt gezegd, dat hy fterk naar Muskus 
ruikt , ('t geen ik in myncn gedroogden niet heb kunnen ontdekken); 
dat hy zeer zeldzaam is in Surinamen en moeielyk om hem te naa- 
deren. Men geeft hem aldaar ook den oneigen naam \-m. JVicd- 
dehop y welken de Heer Linnée hem voormaals mede gaf. De 
Heer Brisson QÏ) is dan de eerfte, die deezen Vogel, zync uitcr- 
lyke gedaante , als een rangfchikkend (fyftematiich) Schry ver, naauw- 
keuvig hefchryfr; en met ccnc vi^- gueUc iifbcckling, doch onge- 
koleurd , opheldert. Hy plaatft den zelven in zyn XIV. Order , 
welke in V. Afdeelingen en VII. Geflachten verdeeld is. Zyn eer- 
fte Gellacht, in die Order, bevat alleen deezen Cocq-de-Rocbe ^ door 
Bar RERE reeds aldus genaamd, en welken wy, in navolging, 
Rots-Haan noemen. 

Dus niets van den aart van deezen Vogel befehreeven vindende , 
zo kunnen wy geene andere befchry ving, dan flcgts eene denkbeeldi- 
ge, daar van opgeeven, welke op de bcnaaming en eenige uiterly- 
ke kenmerken bcmfb. 

By eene vergelyking van deezen Vogel , met den waaren Hop- 
Vogel, welken, niet wy, (gelyk de Heer Brisson verkeerd meent) 
n:aar de Duitfchers , JVieddehopff of f ridbopf noemen , zal men rafch 

be- 

(fc) Rupicola, Pipra. Crijla erecla mcirg'mi purpureo, corpore croceOy teSlricibus ree- 
tricum trumalis. Syjt. Nat. Ed. Dmclec. Hol. 1766. p. 338. 

(c) Le Widde Hop. Glajiures. Tom. H. p. 115. Tab. 264. 

((i) Rupicola. Coq-des-Roches. Ornithüogie. Tom. IF.p. 437. ^c, Paryfcbe uitgave^ 



AMERIKAANSCHEN ROTS^HAAN. ^ 

bemerken , dat geeiie andere overeenkomflen in beide deeze zeer 
onderfelieiden Vogelen zyn , dan alleen, dat zy elk eene fraaie 
opflaande Kuif hebben, die evenwel in onzen Rots - Haan ge- 
heel en al t^erfcHillende is met die van den Hop. De'Vergely- 
king der bekken van deeze , zeer onderfcheiden , Vogelen , is al- 
leen genoeg om de verfeheidenheid des Geflachts in een oogenblik 
te onderkennen. Den naam, van Coq- de - Rocbe ., zegt de Heer 
Briss ON (alleen in eene kleine aantekening), komt, om dat 
hy zich op de Rotfen onthoudt; mogelyk draagt hy den naam van 
Haan, naar een eenigfins overeenkomend geluid, 't geen hy met 
den Haan maakt ; want hy draagt geene fpooren , noch andere over- 
eenkomflen met de ondcrfchéide Geflachten der dieren van dien 
naam. .. ,, ' • .: r . -..r -.-.,• . ..-- -• r -.'^r ,-,.,„ ^-•:- 

Volgens de gefleldheid van den bek zoude ik oordeelen , dat 
hy een Vogel is , die de weeke graanen of zaaden en dergelyke 
dingen tut /.yii voedzei iieeuit, uf uuUcifiub van gpkorvene die- 
ren leeft. Het ftelzel der klaauwen , naby die van den Ys-vogel 
komende, fchynt met dit gevoelen ook wel overeen te flemraen. 

De zelve is my voor eenen Surinaamfchen Vogel verkogt , en 
zeer waarfchynlyk laat hy zich door geheel Guiana vinden, alwaar hy, 
volgens Barrere , door de Franichen , Coq-de-Roche genaamd word. 
Het is te verwonderen , dat van zulk eenen zonderlingen en fraaien 
Vogel niet het minfte gefproken wordt by de HoUandfche nieuwe 
Waereld-befchryvers , daar zy teffens van de Vogelen en verdere 
Dieren van die Landen fpreeken. 




As BE- 



tg; BESCHRYVINGvAN den 



B E S C H R Y V 1^ N G 



VAN DEN 



^„< / wi :^ 



. -i 



il il 



A M E R I K AAN S'CHE N 

R O t S H AAN, 

Deeze Vogel is een weinig kleinder, dan de gemeene Duif, De 
Bek is licht-geel , kort , ter zyden plat , boven rond en naar 
het einde wat krom neerdaal ende; het onder kaak-been Wordt doot 
bet bovcnflc ingcnooteii. De Neusgaten fchynen my óvjial fü 
groot, en ftaan in dit voonvèi-p, 't getn zeer wel is x>pgè2tt, 
ónder de voor- veeren van dé Kuif verborgen. 

De Oogen De Tong " 

De Veeren van het Hoofd, Hals, Borft, Buik, Rug en op rfe 
Schoften der Vleugels , gelj'k mede de boven- en onderveei'cn van 
den Staart, pronken met ccne' fciioonö cil zëcr ïevendige oranje 
koleur, d(>ch even onder den bek is dezelve een weinig lich- 
ter. De fi-aaie Kuif- veeren , waarmede deeze Vogel pronkt , 
zyn insgelyks oranje - kleurig ; zy veitoonen zich ter zyden als 
plat gedrukt , omtrent anderhalf duim hoog opftaande , en maakcn 
dus, op het voor-en achter-hoofd, als een halfronde cirkel. Boven 
in deeze fraaie Kuif, even van de uiteindens der veeren af, ziet men 
een rondloopend fmal bandje , 't geen bruin - rood is , ( de Heer 
Brisson zegt, fchoon purper) 't welk den \^ogel een fraai aan- 
zien geeft. 

In de Vleugels zyn de onderfte groote flag-vccren vaal - zwart , 

omtrent het midden hebben zy cene groote witte vlak. De vee- 

'•-'■■ " r ren 



AMERIKAANSCHEN ROTS-HAAN. 7 

ren van de binnenfte zyden , aan het einde der eerftc groote flag- 
veer , verminderen eensklaps in hunne breedte , zo , dat de pen 
zich aldaar , aan het einde , als naakt en zonder veer vertoont , 
't geen een zeldzaam verfchynfel is in deezen Vogel. De minde- 
re flag- veeren zyn mede vaal - zwart , doch aan den buiten - kant 
oranje-kleurig , en aan de einden vuil-wit met eenen oranje-kleurigeii 
weerichyn. Boven , wat terzyden den Rug , liggen eenige lange 
draadachtige oranje-kleurige veeren los over de vleugels heen. 

De boven op en onderliggende ftaait - veeren ( hebben wy reeds 
gezegd) zyn oranje- kleurig; doch wy moeten hier by voegen, dat 
zy zich, aan het einde, even als afgefneeden vertoonen. Dewezent- 
Ij'ke flaart- veeren zelfs , die redelyk kort zyn, zyn mede vaal-zwart. 
Aan hun einde , daar zy zich insgclyks als regt afgefneeden doen 
zien , zyn zy verflaauwend oranje-kleurig. 

De Beenen zyn niet lang, en licht- geel. De oranje -kleurige 
Buik- veeren hangen , in ons voorwerp , over de Hielen heen. De 
Klaauwen zyn van vooren drie, achter een, en met platte geele 
en vry groote kromme Nagels gewaapend. De Heer B r i s s o N 
zegt, dat de middelfle van de drie voorftc vingers, tot aan het 
derde lid met den buitenften vcreenigd is , en, met den binnenften, 
tot aan het ecrfte lid. Wy hebben geene gelegenheid kunnen vin- 
den dit te ontdekken, zonder gevaar van fchaade aan ons voor- 
werp toe te brengen. De Klaauwen waaren te flerk gedroogd , 
en door yzerdraaden te vaft aan een boomtakje verbonden. Dan de 
naauwkeurigheid , met welke deeze waarneemer zyne voorwerpen 
befchouwt , belet hier in alle t^vyfeling. 

EINDE. 



• r-j . 






:crï f;;:f: 3oj . 






ESCHRYVING 

VANEENEFRAAIJE 

O O S Tl N D I S C H E 

PAPEGAAY-SOORT, 

DEGROOTE 

PURPER-ROODE LOERI 

GENAAMD, 

IN CEYLON VALLENDE, 

en bewaard wordende in het Museum 
V A JN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINSE VAN ORANJE EN NASSAUfF, ERF. 
STADHOUDER, ERF-GOUVERNEUR, E RF-KJ PI TE IN- 
GENERAAL EN ADMIRAAL DER FEREENIGDE 
NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

DireÜeur der Forstelyh Natuur- en Kunst -Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie , 

en Korrespondent der Koninglyke Akadcmie der Weetenfchappen van Parys, 

Lid van het Zeeuwfche Genootfchap der FVeetenfchappen van ITi^ingen. 



B y P 





* 










T E 


Amsterda 


M, 








I E 


TER M E 
M D C C L X I X. 


I 


J 


E 


R 



. 1 T_.' Wl- 



Vt?.'. f // . 




ATUÜRLYKE HISTORIE > 

^ VANDEGROOTE 

CEYLONSCHE 

PURPER-ROODE LOERI. 

Men zou fchier vermoeden , na dat een Schryver (^) ons 
vyf-en-negentig verfcheidenheden van Papegaay- foorten op- 
levert, dat , zeg ik , in dit getal alle de foorten bekend en genoemd 
zouden zyn, die in dit geflacht gevonden worden. Dan het te- 
gendeel is waar; zo onbepaald en onderfcheiden vertoont zich 
de groote Werkmeefter der Natuure in zyne Schepzelen. 
.., Deeze fchoone Vogel, welke met recht een der fraayftc van 

de gchcclc bcudt dci rapcgaulji;ii kau gcuiiaiiiJ -worden , heb ik 

niet kunnen ontdekken , dat nog door iemand befchreeven is. 
Hy ontbreekt zo wel in de Geflacht -lyfl van den opmerkenden 
LiNNÉE , als in die van Brisson. By onze Uithecmfche 
Landbefchry vers , welke de Natuurlyke Hiftorie, veelal, zeer 
oppervlakkig behandeld of elkander nagefchreeven hebben , vind* 
ik 'er ook geen het minfte gewag van. 

De- 

fo) De onvermoeide Heer Brisson heeft dit getal van verfchillende foorten 
"by een gebragt , waar onder men echter alle de verfcheidenheden van dit geflacht 
moet begrypen : Als daar zyn de groote Langftaarten , die vsry den oneigcntlyken 
naam van i?aa/ geeven. De kleine Langftaarten , welken wy Parkiet - Raaf je noe- 
men. Die, welke in 't algemeen onder de benoeming van Papegaay bekend zyn. Die, 
welke Loeri genoemd worden , alleen kenbaar aan derzelver gewoonlyke min of 
meer fchoone hooge roode koleur; doch dit kenmerk is niet genoegzaam om hun 
van de eigentlyke Papegaaijen af te zonderen. Verder volgen die, welken den naam 
Kakatoe gegeeven is, kennelyk aan derzelver fraaije kuif, waar mede zy pronken. 
En eindelyk, die onder den naam van Parakietjes oï Mof ch Parkiet jes , door h;inne 
kleinheid, genoeg bekend zyn. Mogelyk zyn 'er onder die verfcheidenheden Van 
den Heer Brisson wel eenige, die zich maar alleen door 't verfchil der Kunne on- 
derfcheiden: dit, en de volwasfen- of onvolwasfenhcid, zyn zeer moeijelyke hinder- 
nisfen by de Vogelen, in de bepaalinge der foorten. Ornitholog. Tom. IV. p. 182. 

A 2 



4 BESCHRYVING van een 

Dezelve is voor ecnige Jaaren door zyne Doorluchtigfle 
Hoogheid , op dcszelfs Luftplaats het Huis in 't Bofch , van eener 
Oofb - Indic - vaarder gekocht, die zeide hem van Ceylon te heb- 
ben mede gebragt. Be leeftyd aan het Hof, van dit fraaije Dier 5, 
is maar eenige weinige maanden en dus van korten duur geweeft. 
Met hoe fchoone en het {oQg ^ aandoen cly}ce koteurcn d^ez^ 
Vogel verfierd was, zyne geaartheid was min uitmuntend, tegerï 
de gewoonten der zogenaamde Loerries , die " anders leerzaam 
zyn ( ^ ). Hy fprak niet en wilde niets leeren , anders was hy 
van geen. kwaadaartigea aan, en dit .was zyn befte Karakt.er, in 

(b) Sera bercbryfr eene Loeri , van de Papoefche Eilanden, welke vierdcrleye 
Taaien duidelyk fprak, 's morgens zong dezelve in byzyn van zynen Meefter , aan 
wien deeze Vogel zeer getrouw was, een deuntje, waar na hy riep, goeden morgen 
Sinjeur. I een u^yn-fupjé. Dic nep ny ook des avonos, en tuirtncu Utidcn' fluiceo 
hy. Als hy zyn Mecfter niet zag, treurde hy, en wilde niet eeten noch fpreeken. 
Zyn Meefter verkocht deezen Vogel voor vyf honderd Guldens, doch de getrouwheid 
van dit Dier ging zo ver, dat het weinige dagen daar na ftierf. Seba Thefaurus . 
Tom. l Tab. 38. Fig.4. , , .' 

Edwards. Hifi. Nat. des Oifeaux , Tom. IF". Tab. 170. verbeeld een klein* 
l^oeri. Deeze is in 't voor leedene Jaar, leevend, aan Zyn e Doorl. Hoogheid 
toegezonden door den We! Edelen Gcftrengen Heere Hope, Reprefentant van wel») 
gemelden Vorft, by de Edele Ooft -Indische Compagnie. Dezelve is van Bengaar 
len, en het leerzaamfte, makfte en fraayfte Diertje (want het is niet groot) 't geen 
men zien kan. Het fpreekt, verfcheide woorden, zeer duidelyk en fluit zeer fraay. 
Het legt zich neder op den ragge, fpeelt met bek en pooten, met iemands hand. Op 
den vloer gezet, huppelt het, even gelyk een Mofch, iemand achter na. Het danft op 
zyn ftok en op den vinger van die het neemt, telkens, met eene zeer duidelyke en 
lieffelyke ftem , Loeri roepende. Dit aangenaame Diertje is thans het vermaak van 
Ha ARE KpNiNGLYKE Hoogheid, IVJevroijwe de Princesse van Oran- 
je EN Nassau w enz. enz. enz. De koleuren van deezen Vogel zyn veel fchbon- 
der en levendiger, dan die door den Heer Edwards verbeeld zyn. Weinige da-, 
gen na deeze befchryving is het zelve overleedcn. \ 

Nog een ander, het geen de Heer Edwards Tdh. 169. volmaakt wel vetf 
beeld, en 't welk wegens zyne overeenkomende gedaante, maar niet in koIeurenV 
eenkjeine Loeri fchynt te zyn (hoewel jk gpeue gènoegzaame v'éijrchillein ontdekken, 
kan , oin 4e Ii-<?l?fTis yan de eigenilyke'Fapegaaijen af- té zonderen) bijvrnd zicli" 
ook' met vcrfcheicfe andere,, in het Vorftelyk Mufeum. Dat fraaije Diertje was 
^ede van eene licfulligheid, waar van my, het voorige uitgezonderd, geene weer- 

■■■■■' gade 



OOST-INDISCHE PAPEGAAY-SOORT. 5 

tegenoverflelling van Z3aie fchoone koleiiren en fchreeuwnchtig- 
heid. Men gaf hem eens een Mos , om te zien hoe hy daar 
mede zoude omgaan, de uitkomft beanWoorde ÓQ gevreesde ver- 
wachting; hy beet het arme Dier dood en vergenoegde zich met 
'er de Herslènen alleen van op te eeten. 

; De mtuurlyke geaartheid over het geilacht in zyn geheel ge- 
nomen, is leerzaam en 't menfcheiyk geilacht beminnende. Het 
^een men desaangaande daar vatt by de Schryvers vind aangetee- 
kend , het föbelachtige uitgezonderd , is uitmuntend. Ik zelfs 
heb eene Papegaay te Rotterdam gezien, welke haar Meefteresfe 
■by het fpeelen op ,'t Clawi.er ia v^erlcJaeide Muzi.ek ^ ftukjes ver- 
wondedyk acofnpngnfeerde.: r ' " -', , "^ ■:;■;■! ':■•--;- - ■ 
'j. Haar gewoone voedzds zyn aUerley Boom- vruchten. De ge- 
fchiktheid en de kïacht die deeze Vogels in hunnen bek hebben , 
■febynt, zelfs in den eerften opflag van het oog tot meerder weêr- 
ftandbiedende Lichaamen, dan de weeke l3oom-vrucnten, gefchikt 
re zyn , en zy is het ook inderdaad ; want , behalve de verweering 
dk zy tegen verfcheide vleefcheetende Dieren , welken in die Ge- 
weften des nachts de Boomen beklimmen, noodig hebben, dient 
hun zoodanige kracht ook voonwamelyk om de pittei) en kerns 
van fommige vruchten die ^y graag teeten,; ; jen waar van eenige 
in eenen harden baft beflooten zyn , te vermeefleren. Men 
kan 'er nog byvoegen , dat de bek der Papegaayen hun als een 
derde voet in het klimmen dient.. ,i:.:.rr:/. , 

j Volgens Lab AT (r) maaken : zy .hunne neft^n: in; lipüe boo- 
Bien en takken, den grond > met eenige hunner vederen bedek- 
kende. De geleerde Heer Valmöjnji?, d^ Bomeer (^) 



gade bekend is, Wy hebben deeze by voegzelen maar alleen willen aanhaalen , om 
aan te toonen , dat deeze PapegaajfT.^OQEi:ep., inzpjiderheici, ^«.leerzaam, zacht 
van aart, en dus ligt te temmen zym ,,-•!;,,','.;,, -':^v .'/,•:"; ,\.''_ 

(c) Nieuwe Reizen naai* 4e Franfefie 'èijandén vaii iimérika, I Deel pag. 272. 
Amft. 1725. 4°. ' .. ... ^ ,, , 

(d) Diêimcünd'Hifi. Natmelle,. Tom. IF. pag. 235. Paris 17Ö4. 8».. •,■,'</(• " V 



<> 



BESCHRYVING van' een 



\y 



Ipreekt ook van zeer aaitige neften , welken zy van fyne takjes 
enz. 't fliamenftellen , en die zy aan de hoogfte en uiterfte einden 
der boomtakken , zekerlyk ter beveiliginge hunner jongen , afhan- 
gend vaft maaken. Dit komt overeen met de befchryving en af- 
beelding, welke Se BA (c?) van zulk een neft gQQÏty en 't geen 
In 't Vorftdyk Miifeum te zien is. Zy leggen ; volgens de 
meefle Schryvers , maar twee Eijeren , die gefpikkeld , byna dê 
grootte van Duiven - eijeren hebben , en , beurtelings , door het 
Mannetje en Wyfje , gebroeid worden. Gemelde La b at zegt, 
dat in het Jaar 1707. te Parys by de Weduwe van den Heer 
AuGE,R-, Gouverneur van St. Domingo, twee Papegaaijen ver" 
fcheide reizen jongen teelden, doch dat zy niet in 't leven bleeven, 
:zekerlyk door gebrek aan 't benodigd voedzel voor zulke jonge 
Vogels. Dikwils is my hier te lande een klein doch wit eitje, 
door een Papegaai jaarlyks in deszelfs kooy gelegd, voor geko- 
men. -''■ '-■'■'■■ ■■-• ■^-' - :..... ..,..,, 

De Papegaayen kunnen zéei* oiid'wordén, ik ken 'er een, wel- 
ken men zeker weet dat naby de honderd jaar by eene Famillie 
geleeft heeft. Dit niet tegenftaande zyn zy heel zeer aan de val<- 
lende ziekte onderhevig , voornaamelyk , de zogenaamde Loeries. 
Het befte hulpmiddel • hier tegen is hun brood , zeer natgemaakt , 
met eene goede quantiteit geftampt Hennip-zaad te vermengen; 
De Ooft-Indifche Loeries vereiflchen doorgaans natter vocdzd , dan 
de Amerikaanfche Papegaayen. Het is ook zonderling van ^eeze 
Vogelen , dat het zaad der Katoen-boom hun dronken maakt , en 
dat der wilde Saffraan, 't geen een ftcrk Purgeermiddel voorden 
Menfch is , door hun zonder fchaade gebruikt word (/). 

Het is aanmcrkelyk 't geen Pistorius (5-) verhaalt, en waar 

uif 

(;ey Thsfaiirus Völ. I. pag. 104. Tab. 68. Ffg. t. 

(ƒ) Houttuin, A'al Hijl. of uitvoerige Befchryving der Dieren, Planten en 
Mineraalen, volgens het famcnftel van den Heer Linn^eus, / Deel Jf^ Stuk pa^, 
233. ^mft. 1762. S"*. 1 

(g) Befchr^'ving van de Colonie van Surinamen, Pag. 68. .^7»/i. 1703. 4°>'\ 



OOST-INDISCHE PAPE G A AY-S O ORT. r 

uit fchynt te blyken , dat de Papegaayen , hoewel zy in Surinamen 
voortteelen , ook Trek - vogels zyn. „ In de maanden Auguftus 
„ en September van de Jaaren 1750. en 1751. (zegt hy,) wan- 
„ neer de KofFy-Oogft invalt, zag men in Surinamen een oi> 
„ noemlyk groot getal van Papegaayen van allerley Ibort, die met 
„ geheele trouppen op de Koffy vielen, de roode balt van de- 
„ zelven afpluckten en tot hun voedzel namen, terwyl zy de 
„ Boonen op den grond verftrooiden. In 't Jaar 1760. terzelve 
„ tyd , zag men wederom diergelyke zwermen van Papegaayen , 
5, die zich over de geheele Kuft verlpreiden,. en veele fchaade en 
„ verwoefling aanrechten , zonder dat men heeft kunnen ontdek- 
„ ken , van waar die Dieren in zo groote meenigte kwaamen ". 
Dezelfde Schry ver en anderen zeggen ook , dat in de Neusga- 
ten en in eene buil op het Hoofd der Jonge Papegaayen een kort 
en dik Wormpje groeid , dat na weinig tyds afvalt , wanneer zich 
de plaats daar het gezcetcn heeft wederom fluit (_^^. [ . 

De manier om deze Vogels te vangen is verfchillende. Die 
men verkieft in het leven te behouden , om te leeren praaten , 
worden zeer jong uit de Neften gehaald , volgens Pistorius^ iii 
Auguftus. ^ 

De 

(ib) Zekerlyk moet dit veroorzaakt worden door het een of ander Infeft, tot de 
Vlieg- of VVefp - foorten behoorende, welke die plaatfen verkiezen om hunne Ei- 
jeren daar, ter uitbroeijing, in te leggen ; even als by de Rendieren enz- gefchied. 
Deeze bedenking brengt my de gevleugelde Luis te binnen , zo als de Heer 
Slaiibe R die noemt en befehryft, in de Verhandelingen van de Hollandfche Maat- 
fchappye der Weetenfchappen , X. Deels IL Stuk pag. 413, Op het eerfte- gezigt 
der afbeeldinge, verwonderde ik my reeds over de benoeming van Luis, zonder my 
de befchryving te erinneren, welke reeds de beroemde Heer de Réaumür daar 
van, onder den naam van Vlieg, gegeeven had. Befchouw ik de gedaante van dit 
Dier, de Vleugels, voornaamelyk den langen Zuiger, die aan het einde meteen om- 
geflagen rand plat is: doorIeesik.de befchryvingen van de. Meeren de Reaomur 
en Sl&bber; ik vind meer Vlieg, dan Luis, die zyne Eijeren en jongen den Zwaluw 
toebetrouwd. ik lees ook met den Heer Slabber, by den Heer Reaumur Tom, 
ly. Mem. 3. dat hy de neften der Zwaluwen vol vlooijen vond en met wormen -i 
van vlooijen , of de vlooijen in haar eerfle gedaante : mogelyk zullen deeze de - 
Zwaaluw^vlooije»^yn. 



g B E S C H RY V I N G van een 

De oude worden in Brazil met zeer lange pylcn , welkers pimi 
met kattoen zeer dik omwonden is , uit de boomen geicliooten. 

Lab AT verha;üt, dat de Caraïben by nacht de boomen, waar 
op zy zich onthouden, met kooien beleggen, daar op een Gom 
met groene Piment werpen, door welks rook deze Vogels duize- 
lig worden en voor hun :neder vallen. Van Berkel (/) ver- 
haalt, dat de Jndiaanen dezelve in Rio de Berbice vangen, met 
ftrilvken , aan ftokken vaftgehecht , en die zy den Vogel over 't 
Hoofd werpen. 

Het vleefch deezer Vogelen is eene zeer goede fpyze. Lab at, 
die zegt meer Papegaaijen in Amerika, dan Patiyzen in Europa, 
gegeeten te hebben, verzekert zulks, zeggende, dtit het vleefch 
der jongen zeer aangenaam en fappig is , het zy geftootcl ,, aan' 't 
fpit , of in W\ngaard-bladen gebraaden. Van de Oude Vogels bereid 
men een goede Soupe. Doch haar Vleefch verkrygt den reuk en 
fmaak der voedzels die zy eeten , en 't is hier door dat zy dik- 
wils zeer fmaaklyk of onbruikbaar tot fpyze worden. 

De Spraak, waar door deeze Dieren boven alle andei'e uitmun- 
ten , maakt hun aanmerkelyk. Dan vermits wy de ondeedkundige 
befchouwingen cigendyk niet tot ons voorgeftelde Plan gelchikt 
hebben , en ons daar toe een zo oordeelkundige en bekwaame 
Ondeeder, als de Heer de Buffon in den Heer Daubenton 
heeft aangetrolfen , behalven meer , ontbreekt , wyzen wy den 
desaangaanden begcerigen Leezer naar het Werk van den onver- 
moeiden Heer Doélor Houttuyn. Deeze Geleerde heeft in 
zyne Natimrlyke Hiflorie Qk") alles hier toe betrekkelyk, met 
zeer veele onderzoekingen byeen gebragt. 

(i) Amerikaanfche Voyagie, pag.?,^. Amjl. 1695. 4®. 

(/t) Natuurlyke Hiflorie der Dieren enz. /. Deel IV. Stuk, Pag. 22. 



BE- 



OOST-INDISCHE PAPEGAAY-SOORT. 



r--i 



BE SC H R Y V I N G ' 

■ : VAN DÈ ■' ■ "" "' " ■'":'° 

i^ih !- c EYLONSCHE - 

GR O O T E iill oCI 

PURPER. ROODE LOERI. 

Tal;. V I I. 

DE grootte viiii dccica Vugcl i^ een weinig meerder, dan de 
gewoone Loodkleurige Papegaay , Erithacus L i n. , en wat 
kleinder, dan de dubbelde Amazoon, ALftivus Lin. 

Het geheele Hoofd, de Hals, en een gedeelte der Borfl zyn 
zeer fchoon fcharlaaken rood, naar 't purper hellende, en zo is 
ook de rug , het meerdergedeelte der Vleugels , de veeren der ■ 
Voeten en de onderfte deelen by den Staart, zo dat men den 
geheelen Vogel, naar de heerfchende koleur, de Purper -roodc 
Loeri kan noemen. De Borfl alleen pronkt met een gewaasfemd 
blaauw, even als by de blaauwe Pruimen gezien word, waar op 
de Dauw noch ongefchonden bewaard is , en waar een Tint van 
purperachtig rood doorflraald. Even dat zelfde blaauw der Borfl, 
't geen tot op de Beenen neêrdaald , verheft zich ter wecrzyden by 
de fchoften der Vleugels , en loopt den Hals , of liever wat be~ 
nedenwaards , rond , daar het zich op den rug komende ver- 
breed. De fchoften der Vleugels zyn met eencn rand van zeer fchoo- 
ne blaauwe veertjes omzoomd. De uiteinden der Hag- pennen, 
zelfs de buitenfle halve zyden der ecrfte of grootfte, zyn fchoon 
donker blaauw. De ftaart - veeren zyn van boven rood , en de 

B eii> 



ro BESCHRYVING van een enz. 

einden derzelven fraay licht geel. Van de onderzyde zyn de 
flaart-veeren eigendyk geheel geel, doch het middelfte gedeelte 
daar van., i? licht geelachtig rood. 

De Bek van deezen Vogel is zwart. De Neusgaaten zyn klein, 
ovaal, en komen maar even uit de voorhoofd-veeren. 

De Oogen zyn zwart , met cenen geelen ring. De Tong . . . 

De Beenen 'Zyn graauw zwart , gelyk mede de Klaauwen , die 
voor en achter tweevingerig zyn , zynde de binnenfte de kortfte. 
De Nagels zyn groot , krom , zwart en puntig. 






r 



■i 



(f-f 



EIND É. 



^. 







BESCHRYVING 

VA N E E N E N 

AFRIKAANSCHEN 

NOG GEHEEL ONBEKENDEN 

ROOFVOGEL, 

D E 

SAGITTARIUS 

GENAAMD, 

OP DE KAAP DE GOEDE HOOP vallende, 

en overgebragt in de Diergaarde 

V J\ N Z Y N E , 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINS E VAN ORANJE EN NASSAUW, RRP. 

STADHOUDER, ERF-GOUVERNEUR, ERF.KAPITEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDR 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreeven en uitgegeeven door 

A. V O S M A E R, 

Dire&eur der Vorst elyke Natuur- en Kunst-Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie 

tn Korrespondent der Koninglyke Akademie der Weetenfchappen van Parys 

Lid van het Zeeuwfche Genootfchap der Weetenfchappen van Vliffingen. 

Te Amsterdam, 

ByPIETER MEIJER, 

M D C C L X I X. 



■■> ■^,' 



)..-! 



I, 



/\ 



t- 






\. 



•■J -IL 



' l. 



J 



Cl vj .- ' — .-, j . 



lü 



71 



'TT'cz/'. Tin. 




NATUURLYKE HISTORIE f. 

VAN DEN O •■ -: -..vbi-i-r: 

AFRIKAANSCHEN 

VOGEL, SAGITTARIUS. 

TTTelke onbekende wonderen de wilderniflcn van Afrika in hun 
^ ^ binnenile verbergen , of fomwylen doen zien , daar van heb- 
ben wy reeds de blyken doen befehouwen, in onze befchryviii- 
gen van 't breedfnuitig Bofch-Zwyn en het bafterd IVlormeldier. 

Thans komen wy die proeven te vermeerderen, door een 
Schepfel uit het Geflacht der Vogelen van dat Waereld - deel. 
Een Schepfel , zo vreemd , in dcszelfs geflalten , als in de fa- 
menltellinge der deelen waar uit het beftaat , en niet minder ver- 
wondevlyk , in zyne geaartheid en cigenlchappen , in tegenovet- 
fteilinge van zync gc4rtnnLt:. 

Aldrovandus berchi;yft eene Duif met den bek van een 
Eend ((^). Een Gans met den onder- en bo ven-bek vooraan bin- 
nenwaards omgeboogen ( Z' ). Een andere met eenen Snavel naar 
een Arends-bek gelykende (c). Om van geen Monfter te fpree- 
ken; want deeze bygebragte geeft de gemelde Schryvcr voor we- 
zendiyke foortcn op. Zo verfchillend is de Natuur in haare uit- 
werkfelen ; en hoe moeijelyk zyn de grensfcheidingen der Geflach- 
ten.,.door ,^ulke voorwerpen ,, te bepaalen. 

JQit.zQ^'ven. aangehaalde, en niet minder het onderwerp deezer 
befchryvingc, ■jtQon.)5;:^cn allerduidelykfte , zo als wy voorheen by 
de Y^TvqgeleiT<-r(2c,ds, gezegd hebben, op hoe lofTe gronden de fa- 
menftelfels der Natuure .( Syfiema^a ) nog ruften ; voornaamelyk , 
wanneer mci]> de iiOnderf^heide kentekens der Geflachten en Soor- 
tep aUeen aaiv/juiterlykc kenmerken wil bepaalen. Ik beken de. 

ui:'r'':[ 'Ji iJDV' na ;;nij^ r'"' si- :':): V'O';:? 7'''\-: i:': ''"'^t' 

" ( d ) Or.nithologlcR ■ Tom. II. p. 482. 

(è') OriiitbölogicE 'To7h. lil. p. 150. 

l(^c) OrniiJjalögici: Tènl.Iil. p. 164. . ., v 

j;... A 2 



^ BESCHRYVING van eenen. 

nuttigheden , en de vorderingen dezer Eeuw, hier in gemaakt ; dan-' 
hoe zal men op dien voet deezen Vogel plaatfen? De kromme 
bek brengt hem tot de Roofvogelen , en de lange beenen , tot de 
Steldoopers of Waaterminnaaren ;. welk eene verfchillendlieid van 
kenmerken ! en echter zyn die overeenkomftig met den aart in deezen 
Vogel , zo als men uit deszclfs befchryvinge zien zal. De aart 
en natuurlyke eigenfchappen der fcbepfelen zyn dan datgeene 
*t welk men, vooral by de Rangfchikkingen , moet raad pleegen. 
Geen vyand van vifch zynde, zo is echter het gelieffle voedfel 
van deezen Vogel vleefch, 't geen hy verfcheurend inzwelgt ; zie daar; 
een kenmerk , 't welk hem terftond naar de Bende der Roofvoge- 
len verwysd, en in welke hy, wegens zyne lange beenen , die 
anders aan hun oneigen zyn, een afzonderlyk Geflacht uitmaakt. 
■ Deeze Vogel kan, naar 't fchynt, de gefteldheid van onze lucht- 
ftreek zeer wel verdraagcn. Voor omtrent twee Jaaren is dezel- 
ve door den Ilecre Otto Luder Hemmy, Lid van den Raad der- 
Juftitie van de Kaap de Goede Hoop , overgezonden , en aart hier 
in- onze Diergaarde volmaakt wel. 

- De Kuifveeren, welke, by de langbeenige en meeft alle andrc 
Vogelen, alleen den mannelyken eigen zyn, doen my denken dat' 
hy tot hun Gedacht behoort. Van natuur is deeze Vogel niet" 
kwaadaartig ; en hoewel hy met eenen bek gewapend is^, die vrees aan* 
brengt, byt hy nooit, zelfs niet als men hem aangrj'pt en vaft-'' 
houd, altoos trachtende iemand te ontvlugten, die hem nadert;- 
In dit geval kan hy ook fprongen doen van acht a negen voeten 
hoog, om zynen veivolger te ontwyken. Zich ter ruflre willen- 
de begeeven, legt hy zich op den buik en borfl op den grond ne- 
der, en flaapt met het hoofd tuffchen de veèi-en." Zyn fchreeu-' 
wend geluit zweemd het meefl: naai* dat van 'eenen Arend, doch'' 
dit maakt hy zeldfiam..- Zyne gewoone beweeging is, by aanhou- 
dendheid , met zeer groote fchreeden gins en weer te loopen ; 
van wege deeze groote flappen die hy maakt, eenigzins overeen- 
komftig met eenen Boog-Schutter , zal het mogelyk zyn,. dat men 

" hem» 



AFRIKAANSCHEN ROOF-VOGEL. '5 

hem den naam van Sagittarius gegceven heeft , en met welken hy 
van de Kaap is afgezonden. Deeze Vogel moet aldaar nog zeer 
raar zyn, vermits Kolbe, Valentyn, en anderen in hminc 
Kaapfche dier - befchry vingen , geen gewag van hem maaken (^/), 
Wanneer men hem by zyn gins en weêrloopen nadert , on waar 
in hy weezendlyk eene grootiche houding vertoont, maakt hy 
een geduurig kraakend geluid , even als , Knik , Krak. Hy 
fchynt, eenigen tyd in ruft gelaaten , en \an zyne gewoone vree- 
ze voor iemand te rug gekoomen zynde , vry nieuwsgierig. Toen 
de Tekenaar met hem af te beelden bezig was, kwam hy, even 
als hier terzyden in de afbeeldinge vertoond is , zelfs van zeer na 
by , en als over zyne afbeelding verwonderd , met de veeren van 
het hoofd alle opgericht, op de aftekeninge zien. Dikwils komt 
hy met opgelichte vleugels en vooruitfteekenden kop nieuwsgierig 
zien ; zo kwam hy twee a drie maaien by my , wanneer ik aan 
een tafel , in zyn loopplaats gezeeten , met hem te befchryven 
bezig was. hi dien ftand , of dat men hem , als hy honger heeft , 
iets 't geen hem aangenaam is toewerpt, fpreid hy de kopvee- 
ren in twee ryën vry hoog opgericht van een, daar zy anderzins 
als onregelmaatig hier en daar geplaatft zich nederhangende vertoo^ 
nen. Ver van kwaadaartig te zyn , fchynt hy veeleer van eene 
goedaartige en vrolyke natuur ; veeltyds ziet men hem een 
ftrootje , of ander by hem liggend lichaam , met den bek en zelfs 
met den poot opvatten, en in de hoogte werpen, 't welk h^^, als 
fpeelende, verfcheide reizen herhaalt,. 

Zyn 

Qd^ Na dat ik deeze Befchryving geheel had afgefchreeven , komt inyeen oud 
Domefticq bezoeken, pas van de Kaap te rug gekomen, alwaar hy eenigc Jaarca 
gewoond heeft. Die bericht my, dat deeze Vogels aldaar thans redelyk gemeen 
zyn, dat de Boeren die, eenige uuren ver van de Kaap, zeer jong uit de Nellen 
haaien, endszelven voor hun vermaak houden, gelyk mede om hunne Woonfleeden 
van het ongedierte van Slangen, Hagedis!cn, Padden, Rotten en Muizen enz. re 
zuiveren, die zy alle opzoeken en verflinden. Men zou dus deezen Vogel den 
Afrikaanfchen itis kunnen noemen. De gemelde Boeren geeven hem (zckerlyk by 
verbaftcring van het wuord Sagittarius) den naam van Secretarius. 

A ?, 



6 BESCIIRYVING van eenen 

Zyn gewoon en geliefïl: vocdfel is vleefch. Werpt men hem 
een levendig Kuiken, zelfs een Hoen voor, zo flaat hy 't zelve 
met eenen voet zeer geweldig. Milt het hem , het dier in eenen 
flrig genoeg te treffen , zo herhaalt hy zulks , en verfcheurt het 
vervolgens met zynen krommen feherpen bek. Eens heb ik hem 
drie doode Moffchen, die men hem voorwierp, den een naa den 
anderen, met veeren en al, zeer gulzig zien inflokken. Om die 
gemakkelyk door te zwelgen nam hy die by den kop , vooraan in 
den bek, en flokte die zo, zonder de minfte vericheuring, naar 
binnen. Zyne gewoone fpys is echter Schaapevleefeh , waar van hy 
het vet zelfs afzondert en liggen Iaat. Des Winters, tegen de 
koude , binnens huis in eene afgezonderde plaats bewaard worden- 
de, weet hy de Rotten en Muizen, die op het zaad der Dieren 
afkoomen, aartig te vangen. Geduldig kan hy langen tyd voor 
het een of ander gat , daar zy door koomen , ftaan loeren , en 
wanneer die in zyn bereik zyn , flaat hy hun dikwils in eenen 
llag dood en voed 'er zig mede. Dit zyn zyne lekkerfte beet- 
jes j want hy verkiell de levende boven de doode dieren. Op 
zyn gemak willende eeten, buigt hy zich neder op zyn hakken 
of knien, en verf]indt dus zyn voedfcl half liggende. 

De lange beenen van deezen Vogel gaven my genoegfiame verze- 
kering dat hy, gel> k de Reigers , ook vifch tot zyn voedfel zoude 
neemen: ik liet 'er hem eenige voorwerpen; hy bezag dezelve, 
zonder die aan te raaken; dan den volgenden morgen, mogclyk 
door wat meerder honger aangefpoord, vond men die meefl:' ver- 
teerd , en , om zeker te zyn , hem doen nog een kleine Snoek 
voorgeworpen zynde , verkoos hy 't vleefch. Hoe oplettend 
men gewceft is , heeft men niet konnen zien , dat hy ooit dronk. 

In de maanden Juny en February verzekert my zyn oppaffer, 
dat hy hier van veeren verwiflelt. De ontlalling der ■ verteerde 
fpyze is , als die der Reigers. . 



BESCHRY- 



A F RIK AA NS C HEN ROOFVOGEL, f 

BESCHRYVING 

VANDEN 

A F R I K A A N S C H E N 

VOGEL, S AGITTARIUS. 

Tah. V I I L 

DE hoogte, van den grond tot den top des hoofds gcmeeten, 
is niim drie Rhynlandfche voeten. Het hoofd, de hals 
en het lyf, zyn looci-kicuiiö. D^ bovfh is, tot op de dyën, met 
vuil - witte veeren bedekt. De dyën hebben korte plat op een lig- 
gende kleine zwarte veeren , tot op de hakken van het eerfte lid 
der beenen. Onder, naar den buik, zyn de veeren zwart, aan 
den aars wit. Het hoofd heeft naar gilling (want men kan die 
door tuflchenkoomende kleindere veeren niet wel tellen ) twaalf lan- 
ge zwaite afhangende fmalle veeren , de langfte derzelve zyn om- 
trend vyf duimen. De oogen zyn zeer groot en rond. De 
middelfte appel is zwart , rondom dcezen loopt een breede giyze, en 
vervolgens, een fmalle geele ring. De oogen worden tegen 
alle toevallen , die , gelyk het licht als anders , hun niet alleen on- 
dienftig, maar ook fchaadelyk kunnen zjn, befchcrmd, dooreen 
blaauwachtig redelyk dik vlies, 't geen zich voor de oogen heenen 
fchuift, dan 't welk, naar het my toefchynt, niet, zo als andere 
willen, van boven naar beneden, maar, vry duidelyk, van è^vi 
achter hoek van het oog naar vooren bewoogen word. De Vo- 
gel, vaftgchouden wordende, om dien ter befclnyvinge beter van 
naby te bezien , bewoog dit vlies vry dikwils , doch zeer fchie- 
lyk. De bovenfte oogleeden zyn met , ten minften veertien , vry 

lanv 



S BESCHRYVING van eenen enz, 

lange kromme , naar achteren geboogen , dikke zwarte haairen 
bezet, die platachtig en zich als hol uitgefchaafd vertoonen. De 
onder - oogleeden hebben korte fyne zwarte haairtjes. Rondom 
de oogen vertoont ziëh een geel eeltig vel , dat zich op den bek 
tot aan de neusgaten uitbreid. 

De bek is lood - kleurig blaauw. De boven - bek aan 't ein- 
de krom neerdaalende , gelyk mede de onderfte , en in de zyden 
der bovenfte inlluitende, beide ter zyden wat platachtig. De 
Tong 

De neusgaten ftaan dwars , even voor de voorhoofd - veeren 
zyn zy geheel open en vry groot. 

De vleugels zyn mede met lood - kleurige veeren gedekt, de 
flagvecrcn alleen zyn geheel zwait. ..r r- <'^vr 

De ftaart beftaat uit verfcheide lange veeren, waar uit in het 
midden twee nog veel langer uitfteeken. en Hip zich, naar derzel- 
ver uiLcindcn, als van elkander verwyderen. Deze veeren zyn ins- 
gelyks loodkleurig , naar derzelver einde met eenen breeden zwarten 
band verfierd, en aan de uiterfte einden witgepunt. Boven, dicht 
by het lyf van den Vogel, zyn zy wit en zwart geftreept. 

De beenen zyn , als by den Reigeren , zeer lang , de dyën , 
gelyk gezegd is , met zwarte platliggende veeren tot op de hakken 
of kniën bedekt. Verder zyn dezelve naakt , vliezig en rofcli- 
kleurig. Van onderen zyn die met drie voorklaauwen of vingeren , 
en ecne achterklaauw , voorzien. De voorklaauwen zyn door een 
Tinlf vlies, tot aan het eerfte lid der vingeren, aan elkander ver- 
bonden. De middelde vinger is de langfte, de twee anderen zyn 
omtrend even lang. De achterfle vinger is los. De nagels zyn 
zwart, maatig lang, krom en fcherp. De klaauwen zyn van on- 
deren fterk geknobbeld. 

EINDE. 



BESCriRYVING 

VAN EEN ZELDZAAM 

DUIFSOORT, 

GENOEMD 

DE CEILONSCHE 

KANEEL DUIF. 

Bewaard geweest zynde in het Muszum 
V A N Z Y N E 

DOORLUCHTIGE HOOGHEID. 

BESCHREEVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

In zyn leven Raad van Z, D, H, , Directeur der Forflelyke Natuur- en 

Konst • Kabinetten en Diergaarden , Lid der Keizerlyke Academie , 

en Correspondent der Koninglyke Academie der IVetenfchappen 

van Parys , Lid der Koninglyke Academie van Madrid, 

van het Zeeuwsch Genootfchap te Flis fingen ^ en 

va» de Holl. Maatfchappye te Haarlem. 

ifet naar 't leven Getekende en Gecouleurde Afbeeldingen. 



Te Amsterdam, 

B ¥ J. B. E L W E, 

M D C C C I V. 



:i \ 



r "ï »■ 



4 '..> 






t?.!'i^ KUM ^'^«W 



•i O '1 



1 ^,.? V ^ i 






f' : I n 



)f:'!r/"y 



-■f 



n / 



1 /^ 



i> 



Vv Ai .ï II. 



•j^i'fVn:' '.i i\ •«',■. 



j:..;::>iii: }'0 --:\'A f' : :i\ 



! ■ M. 



* Cl '\' 



^.j^'-.IX. 




NATüURLYKE HISTORIE 

V A N D E 

D U I V E N 

'•' I N H E T A L G E M E E N; 

Ter verklaaring van die van 

D E CE IL O N S C H E 

K A n" E 'el' DUIF, 

vinder alle met den Memch leevende Dieren (a") immers onder 
dé Vogelen , is geen) gemeener en meer bekend dan de Duif; waar 
door de Befchryving derzelve overtollig zoude worden, zoo niet de 
menigvuldige foorten, iri welken men dezelve onderfcheidc, eenigzin^ 
Ècue bepaaling en onderfcheidende aanwyzing van het hoofd of alm 
gemeenjfe foort vorderden. 

De Duif, door de Grieifen Ptristera en Peristeros en door de 
Latynen, van het Griekfche woord Kolainban, betekenende het Iwofd 
tndtr' het jyater honden, gelyk de Duiven, wanneer zy drinken, ge- 
woon zyn te doen, Coiumba geheeten, is, wanneer men derzclver voor- 
naamfle foort befchouwt een vrywillig met den Mensch leevend' 
Dier; dat eigentlyk niet geregd kan worden door bedwang, maar 
alleen door gewoonte zich by hem te onthouden, waarom de be- 
roemde Graaf de buffo'n, in zynen gewoonen fchilderachtigen 
ftyl , van dezelve zegt : Zy zyn indedaad geene Huisdieren gelyk de 
Honden, noch gevangenen gelyk de Hoenders; het zyn veel eer vrywÜ-^ 
gevangenen, vluchtige gasten, die zich niet langer in het verhlyf 
,j(.. ,<* , dat 

A % 



4 BESCHRYVrNG v.Cn .^fe!v'E:Ci^lLONSCHE 

iat mm hun aanhiedi, ophoihkn, dm zo lang zy er ver-maak in fchep- 
pcn, zo lang zy er overvloedig roedfcl, cene aangenaame wooning en alk 
de amgcnaamhecdcn en gemakken, ^relkeil tot het leven modig zyn , aan- 
treffen ; zodra hun iets ontbreekt of mishaagt , verlaat en zy hetzelve , en 
yerfprciden, zich om naar elders te' vertfrkken.' ( b) Heure geflake is 
zeer bevallig, de bek dun, fpits, langwerpig, boven de neusgaten 
meelachtig, en voor het overige bruin; de regenboog van het oog 
rosachtig geel; de pooten zyn a;in de voorzyde, byna tot aan de 
vingers met vederen bezet, de pooten en vingeren rood, de nage- 
len zwart, de kop van een blaamvachtige aschkleur , de hals metfchoone 
ileuren verfierd, 'welken, naar dcrzel ver pLaatzing, in een verfchillend 
daglicht, veranderlyk zyn; de krop is ros, het overige van de borst 
en de buik aschverwig, het achterfte gedeelte van den ru^ wit en 
aschverv/ig omtrend de fchoudercn, het qverige zwart; doch echter 
njtet eene aschkleur gefchad u wd ;, de, flagpennen der vleugelen zyn 
van dezelfde kleur ; die van den ftaart zyn vier en een halve duim 
hng, aan de uiteinden zwart, voor 't overige aschkleurig; heure 
vlucht of uitfpreiding der vleugelen, heeft eene uicgellrektheid van 
zes -en- twintig duimen, terwyl de lengte van heur lighaam, van den 
bek tot het uiteinde van den ftaart, dertien duimen beflaat; zynde 
het gewigt van dezen Vogel omtrend dertien oneen ; voords merkt 
men, v/at derzclver inwendige dcelen betreft, op, dat de flokdarm eener 
Duif tot grootere uitzetting bekwaam- is dan die van eenigen ande- 
ren \"ogcl, gelyk men zulks bevinden, k^p met in heure luchtpyp 
te blaazcn. (f) Zy heeft een. klein^ p^;^,byna ronde holte boven 
de maag, welke de krop geheeten woj-^,!;^ Jn we|ke zy de vcrfche 
fpys bewaart. Qd) Heur maag is zeer heet; de milt, door derzclver 
kleinheid, naauwlyks zichtbaar. Over de gaf hebben de Natuur- 

(^) BüFFON, Histoire Naturelle, Jri. Pigeon. 

iO Uhioirc de rJcadermc Frar.jaifc des ^i'nncci^ l Parüt. 



CO 



Uhioirc de rAcadcvüc Franjaifc dei ^innccit iPsi 
Ar isT. Hiii^ Anima/. Lib 3. 



....'•. KANEELDUIR 5 

onderzoekeren , van oiids, bereids zeer van gevoelen verfchild, daar 
fommigen haar dezelve geheel ontzegden; doch het welk door 
ga:lenüs echter ontkend wordt. (^) Voords is het. der Duiven 
<;igen beide de oogfchellen te kunnen beweegen. (ƒ) 
-.;t(Zy zyn zeer tot de liefde geneigd, waarom ze ook door de Grie- 
ken aan de Godinne Venus gewyd waren; daar er ook eene groote 
menigte op de eilanden Cyprus^ Paphos , Cythera, SicU'fèn q\\ Knidiis^ 
waar Vernis voornaamlyk gediend werd, aangetroffen werd. Het 
Mannetjen dat by ons den naam van Doffer draagt, en zich door 
zyne grovere ftem voornaamentlyk onderfcheidt , is zeer trouw voor 
het Wyfjen , verlaatende , wanneer hy de aanprikkeling tot vereeniging 
gevoelt, haar nier, maar zweevende geftadig, met uitgefpreiden ftaart, 
rondom haar, welke tekenen van liefde door het Wyfjen met een 
dof gekor beandwoord worden , en de paaring , onder een aanhoudend 
trekkebekken, derzelver beflag verkrygt. iü';/ i 
..-Van de twee witte eyëren die de Duif legt en bebroedt j brengt 
het eene een Mannetjen en het andere een Wyfjen voord; fomtyds 
worden ock wel twee Mannetjens en twee Wyfjens tegelyk voort- 
gebragt. Om. ieder ei te leggen worde eene nieuwe paaring vereischt. 
Het Wyfjen legt liefst in den namiddag, en als zy heure twee 
eyëren gelegd heeft, zit zy, geduurende vyftien dagen, van drie of 
vier uuren in den namiddag op dezelvcn om te broeden, tot 's ande- 
ren daags negen of tien uuren, wanneer zy door den Doffer afge- 
lost en ivcervangen wordt, tot omtrend weder vier uuren. in den na- 
middag (g) geduurende welken rusttyd zy aas gaat zoeken. Blyven 
zy echter een van beiden langer dan de bepaalde tyd uit, dan 
gaat de broedend? den zwervenden opzoeken, en dryft dien, hem 
gevonden hebbende , naar het nest. Geduurende de drie eerfte dagen , 

êpe- 

ie^ De Atra biU. , 

(ƒ) Aristoteles, dt Partib. Amm, Lib. 2. ^ 

(^) ATHENiEUS, Lib. 9. .A^> ..A . f. v' v> 

A 3 



6 BESCHRYVING VAN EENE CEILONSCHE 

geeven zy deii Jongen geen voedCcl hoegenaamd , maar zorgen alleen 
om ze te Verwarmen, wyl ze geheel kaal en wanftaltig ter waereld 
homen. Hier na fpuwen zy hun, eenige dagen achter een, heur ver 
teerd en tot pap geworden voedzel in den bek , eft wel in dier voe- 
ge dat de Doffer gemeenlyk het jonge Daifjen , eït dé Duif het jon- 
ge Doffertjen aast, en zó dra zy even in (laar zyn om te vliegen, 
verdryft de Doffer hen uit het nest. 

De Doffer betoont de zichtbaarfle blyken van minyver, wanneet 
Zyn Duifjen zich door een' anderen Doffer heeft laaten dekken , als 
Wanneer hy haar overal ontwykt, en, zo hy genoodzaakt is haar ie 
ontmoeten, mee haar vecht. De ouden hebben reeds waargenomen,, 
dat de Wyljens zich, by gebrek aan Mannetjens, met elkander paa- 
ren , en daar na , alle dagen , tot den achtften toe , een onvruchtbaar 
ey leggen (//) als ook dat twee Doffers elkanders Wyfjens, waar 
over ze onvergenoegd waren, met elkander verwisfeld hebben, en 
vervoigends, elk met zyne verruilde gade, vreedzaam leefden. Zy 
zyn het geheele jaar door vruchtbaar, CO ^^s zy eene warme plaats 
"en fpyze hebben, welke zy, door de groote hitte van heure maagy 
2cer gemakkelyk verteeren ; 't welk door aristoteles voor de 
voornaamfte oorzaak heurer vruchtbaarheid aangezien werd. Qk') 
Varro meldt, dat er ten zynen tyde vyf duizend diüven in ééne 
kooi gevoed werden. (_/} 

*'c Hun voedzel is liefst wikken of boonen, tarwe, boekweit, garst,, 
erweten, hennipzaad en allerhande foorren van zaaden, Zy baadea 
zich. gaarne en wentelen zich gaarne in het zand , ten' einde zich varo 
de luizen en vlooijen, die hen zeer lastig zyn, te ontflaan,. 
• Hunne vlucht is, wat de tamme betreft, niet hoog maar fnel, en; 

hur^ 

<A) J- JoHNSTOll, His(. Jviur/ti 

( »■ ) P L I N 1 u s, Lib. lo. Cap. 5 3. 

(.%) Aristot. I/ist. ^tiimaliuin. Lib. 6. Ci^. ^ 

CO Vark.0, (k Re fuifica, Cap. 7» 



KANEELDUIF. 7 

fiunne geneigdheid tot hun dagelyks verblyf zo ftork, dat zy het- 
zelve niet ligt verlaaten, maar altyd daar heenen weder keeren; 
waarom ze ook tot zeekere Briefdraagers van ouds gebezigd zyn' 
Tourasthenes gebruikte hen reeds , om eene overwinning aan zyn. 
Vader te Algina te boodfchappen , (]m) en zo ook werden zy, tot 
dat zelfde einde , door de Romeinen Hirtius en Brtitus in het beleg 
van Mtitina gebezigd, Qn') zo ook gebruikten de Romeinen hen als 
Boodfchappers , wanneer zy, in de Schoirwburgen zittende, iets tot 
hunnent te berichten hadden. C*) ^^ Egyptifche, Cyprifche en 
Crecifche Schippers , zonden ze vooraf, wanneer zy hun land ge- 
naakten, om hunne aankomst tot hunnent te melden; en welken 
dienst zy aan de belegerde Stad Leyden, in den Jaare 1572 bewee- 
zen hebben, is alom in 'sLands Gefchiedboeken vermeld. Wan- 
neer zy in de lucht den Kiekendief of den Sperwer ontmoeten , ver- 
dubbelen zy de fuclheid hunner vlucht , en de angst voor dezen hun-' 
nen natuurlyken vyand, doet hen een fidderend en fluitend geluid 
maaken. Hun gezicht en gehoor, is, ten einde hunnen vyanden te 
eerder te kunnen ontwyken, uitneemend fchei-p; en fchoon ze over 
het algemeen voor , zeer zachtaartig en vreesachtig gehouden wor-» 
den, vechten zy dikwyis, wanneer de jaloufie hen beweegt, met 
eikanderen , dat ze er dood by neer vallen, 

Zy leeven over het algemeen tot acht jaaren, Qp") athenaeüs; 
rekt echter den leeftyd der tammen tot de dertig jaaren uit. (^^)'.i.-, 

Hun vleesch is zeer dienftig voor zwakke, tedere en naauwelyks 

uit eene ziekte verrezene lieden, alzo het, voornaamlyk dat der jonge 

Duifjens, malsch, fappig en zeer gemakkelyk om te verteeren is. 

Oud 

Cm") Aei^ianus, Variar. Hist. Lib. 9. 

(») Plinius, Lib. 10, Cap. 37. 

(o) Bello N rus Je ^y/*af. .: >• 

(ƒ) Plinius, Hist. Nat. Lib. ia AaisT. Hist. Anim. Lib. 9. 

(^) Lib. 9. ... ,„,w.i .V.- V., 



8: BESCHRYVINC van eene CElLONSCHE 

Oud zynde, kveren ze in Jang zo een ligt vocdzcl niet op. Men wil' 
dat eene Dtiif kort na de dood opengefncden , en iiog. warni tegen 
de voetzooien van ccn' krankzinnigen gelegd , liét bloed van de hers-' 
fenen aftrekke en- alzo de ylhoofdigheid geneeze ; derzeiver nog laauwé 
Moed geneest naar men wil de oogwonden, men mengt hetzelve meestf' 
onder de fpuanfchc vliegen, om door deszeMs hitte-, die in rtaac is 
het vel, waar op het eenige tvd gelegen heeft, met 'roodheid te 
ontfleeken, de koude flyraaclitige gezwellen opteloslen. 

Dit zy genoeg van derzclver algemeene eigenfchappen , wy zullen 
nu Vüordgaan om derzelver voornaam fle foorten kortelyk op te noe-' 
men. Deze-- z^n O) ^^ Gemecnt Duif of Hokdiiif QCohmba 
Fi/I^aris,) (2) De IFihle Duif, Hout- of Koolduif, Bi/et (Colimba 
Lh'ia Gesnerf) welke door de buffon voor den Stamvader van 
alle de overige Duiffoorten gehouden ( ^" ) in eenige koude 
luchtftreeken gevonden wordt y doch, een Trekvogel zyndè,- niet- dan' 
geduurende den zomer heur verblyf in onze gemaatigde luchtftree-' 
ken houdt, en tegen den winter van daar waarfchynelyk naar Africa'' 
vertrekt. (3) De Duif Briefdraager (Columba Oenas fera en vinago^ 
Zo genoemd van Oinos, dat in de griekfche taal Wyn betekent, om 
dat heur kleur aan die van rype drin'ven gelyk is. Deze was, vol- 
gends het gevoelen van de buffön, alleen by de Ouden be-' 
kèrid, (j) onder dezen telt men thands verfcheidene, door voedfel, 
climaat en temming zeer van elkander verfchillende, fpeelfoorten , alsde- 
Trommelduif (Col, eenas Dufypus,) (Ruigpoot) om derzelver zeer ruige 
ptootcn aldus genoemd, de Kropduif, Kropper (Cel. xnas Gufturofay 

.t ; ft .j.iii j"j ^ '. ,.^. ,.7>Vd « '"•'Ï^LiHgc- 

(r) Hin. Nat. da OifcauXy Art. Ptgeon; watson, Dierlyke Waereld. Vert^ 
door Nozc;r.a>i , Bladz. ^6g. 

C/) Bist. Na:, des Oif. wair hy zegt : Nous rcmarquerons même que les /Inckm ne 
eonmhfoietil que cetie tsptce de Pigeon Sauvage qu ils 'appelloient O'mzs ou Vinago 
of quils ne font miUc inention di notre Bifet , qid hBanimoim est Ie feul Pigeon vrai' 
fiuni Sauvage et qui na pas pasfé ^ar l'etat de dorncsticii^ C 



.4 I-I D 



K- A^'N'E' E' L' D ü r'f\^'D?5i.a 



fflet een' ongemeen gfootên krop. De Kap oF SUiievduif^ ook ge- 
kapte' Non én Jacöhyn geheeten (Col. Oeita.? Cucultatii') van een kap 
Vaft- vederen 3 die liaar In den nek afHangc. De Pnwvmduif (Col, 
Oenas Latkauda) tüêt eeïi' uicgebrêiden eti opdaandsn ftaarti en de ei- 
gentlyke Brief dr aagei' (Col. Oenas Taheikrw five Tiinka) ^brü dat 7.ei' 
inzonderheid in het Oosteti eh by de Turken 5 toe dien dienst ge^ 
bezigd worde 

Voords zyn ëV nog andere foorÈen van Duiven , als de Krooiu 
duif (Coh CoroMta) tyiïó^éile gröotile fóöft'^van Öuivëti/- 'en-^or-- 
dende op G^wc^' a'angetroiïen. (?} De MusMtuf, in ZiM-ArAmca, 
welke niet'groötef dan een Musch^ en dng' dé' kleiriftè onder' de 
Diiiffoorten is. De Ringdiiif (Col. Palwub&s) zodanig genoemd 
nkar een' ring van fchoone vederen om den hals. Zy zyn in 
Diritschland eri ïtalien zeer Algemeen , -en '"worden in Frankryk Ra* 
Miers' ot Takdiiiven genoemd, onder Welken naam zë odc-by büffon 
befchreeven worden' (vy De La'i^hduff''('Cèhtnèa Riforia.) Oïd henr 
lagchend geliiid aldus geheeten, en in Indien thuis behoorende. De 
Tortelduif (Col. Turturj naar heur geluid in het Griekè 5 Trugoon gQ^ 
heeten, 'welJk woord iti de 'meeste Europifché^taarett/ elk liaarXdei** 
zelver dialect, overgenomen is. Deze bemint fr>zohderheld de warme 
plaatfen, en is insgelyks een, Trekvogjeli,,daar geene derzelven, gelyk 
flog wel de hift en Takduif, ter plaatfej waar zy gewoon gewor- 
. den zyn, kunnen overwinteren, (w^ Vóór den Herfst:! zyn ze reeds 
int Zweden, Duitschland, Frankryk, ïtalien èn Griekenland ver- 
trokken ) en komen niet 'dan laat in de Lente weder terug. En 
eindelyk de Rotsduif (Col. Rupicola) eene kleine Duiffoort, welke 
aschkleurig is , en de rotten en oevers der zee bewoont. 

Onder de vreemde Vogelen, welken men om hunnen uiterlyken 

zweem 

(/) B RissoNius, Ornithol. Tum. I. , ' .^. 

(v) BuFFON, ïlist. Naturelle da' Oifeailx, An. Ram'iu 
^w.} hicm^ Art. 2 mirt er cl Ic. 



10 BESCHRYVING VAN EENE CEII^ONSCHE 

zweem, ook den naam van Duiven gegeeveii heefc, telt men de 
Brafiliamfche Duif, die marcgrave onder den naam van Picus 
Pinima befchreeven heeft. Qx) De Duif van Nicombar (y) of Ni- 
cohtir , zynde eenige kleine Eilanden ten noorden van Sumatra , die 
dezen naam draagen. De wilde Duif van het Eiland St. Thcmas. ("sj) 
De Duif van 'Jamaica, (^aa') \'oords worden er nog een menigte 
sndere foorten van Duiven, door vermenging van foorten, mei el- 
kander en dus als 't ware door de, kunst voortgcbragt , als de Pa- 
gadet^ die uit de Bastaardduif en uit den Briefdraager voortgeteeld 
wordt; de Duif van Mahometh.,^ welke weinig van de Numidifche 
vcrfchilt, enz. Qhh^ Onder alle de Duiven echter, wil men, dat 
die van Louifiana het fmaaklykfle vlecsch hebben ; deze zyn door 
geheel America zo vet , dat ze , gefchooten wordende , in het neder- 
vallen niet zelden bersten. Aan de Kaap de Goede Hoop, worden 
de Bergduiven en die ■ in de Kreupelbosfchen gevonden worden , 
zeer hoog gefchat. Zelfs de PooUanden brengen eene foort van Vo- 
gels voord, welken al mede onder de Duiven gerangfchikt worden. 
LiNN^EUs geeft ons eene befchryving van de Groculandfche 
Duif Q cc ^ en de Heer ander son zegt, dat ze ook op het Ei- 
land Ysland gevonden worden. C^^) 

Uit 

(x) IMarcgrave, ƒ//'.'/. NaL Br^fd. Pag. 204. 

(v) At. BINU6, Toni. III, png. 20, alwnar het INIannetjen op de XLVIIfle 
en het Wyfjen op de X L V 1 1 Ille plnat wurdt iifgebeeld, doch welk ondcrfcheid 
tiisfchen het ALitiL cii Vrouwl gedacht, volgends Edwards , niet zeekcr is, die er 
nog een beter afbeeldfel van geeft. Glanurcn , pag. 271. plaat CCCXXXIX. 

(^z) Coliirnbac óy/vestn's Species ex injula SariCii Tlicrjix, Bi A u c G R a v e , Hisr. 
Natur. Br;ifii. pag 213. 

Qaa') Columba minor ventre Candido ^ s v o a'ük Jamaica , pag. _':o3. Tab. CCLXII. 
fig.r i;. ijRowN, Nat. Hist. of Jamaica, pag. 469. catesby, llist. de la Ca- 
roHrie, Tom. i. pag. 25. pi. XXV. 
' Cbb') Zie dr.ar v n by ray, hi zyne Befchryving der Vogelen. 

C<?c) LiNN/T.us, Natuiirlyke Hist. 5de Deel. Watson, vert. door noze- 
M A K, Bladz. 242. 

Qdd^ A N D L Rs o N en 11 o r r e b o vv , ly.fchryving van Yilr.rid , BlaJz. 55. 
Nederd. Vcnaaling. 



K A N E E L D U I F. ïï 

Uit dit alles is ligtelyk te beilLiiten, dat de Duif in het alge- 
meen, een bewooner der geheele Waercid genoemd kan worden, 
daar zy, zo wel in Europa, als in de Oost- en West -Indien 
voorkomt. Ja zelfs op de Pelen' Eilanden, is ze aangetroffen 
geworden, waar zy van eene grooce waarde gehouden wordt, zo 
dat het niemand, dan perfooncn van een hoogen rang, vryftond, 
van dezelve te eeten. Qee') 

Men ziet door deze optelling, dat onze Europifche wilde Duif, 
zich over de geheele i^arde verlpreid heeft; men vindt ze in Mexi^ 
co, in Niewy Spanje, op het Eiland Martini que, 'm Carolina, in 
Jamaica; in alle de heete en gcmaatigde Landftreeken der West- 
indiën, in de Oost-rndiën, Aniboina (//} Ceilon, de Molukkifche 
en Philippynfche Eilanden. Ja, zelfs worden er Duiffoorten in de 
Poollanden gevonden, waardoor de algemeenheid van dezen Vogel 
genoegzaam geflaafd wordt ; echter de byzondere en door geenen Schry ver 
nog befchreevene foort, van het Eland Ceilan of Ceilon, welke 
wy de Ceilonfche Kancelduif noemen, verdiende naar ons oordeel 
als iets zeldzaams in deze foort , in derzelver kleuren naauwkeu- 
rig afgebeeld, en als een weinig bekende Vogel, den hefhebberen 
der Natuurlyke Historie voorgefbeld te worden. 

^ci) Zie G. KEATE, Reize van Hmry Wilfon in 1783, naar de Pdcw Eilati" 
'den, gedrukt te Rotterdam 17Ö9, Bladz. 304. 

C'//^) Een myl oostwaardsch van /linhoina , heeft men eene Baai, voor welke, een 
lialf myl van den wal, het klein Eiland Piilo Touban of het Duiven Eiland ligt, 
dus genoemd naar de menigte dier Vogelen , welke men aldaar vindt, 
i> RL VOST. Hist, Befchryving der Reizen, X lilde Deel. (.Ned. Uitgave) 



B 2 



B E S C H R Y V I N G 

V A N D te^ 

C E I L O N S C H E 

KA NE EL DUIF 



D 



Tuk IX, 



'eze Vogel, fchoon onder de Colomha Oenas wel ze betrek-- 
ken, maakt echter een geheel zonderling foort uit, als men deszelfs 
kleur in aanmerking neemt, welke nergens, by geen' Schryve.r over de 
Natuurlyke Historie der Duiven , alzo wordt gevonden. Zy is eigent- 
lyk van Ceilon, tot verryking van het Kabinet van den Prince overge- 
zonden, en wordt' nergens in deszelfs waare kleuren afgebeeld of be- 
fchreeven gevonden. 

Zy is iets kleiner dan de gemcenc Duif, fchoon dezelfde geftalte 
van hoofd hebbende, de kleur van de vederen boven op den kop, 
hemelschblaauw, de bek kaneelkleurig, aan den hals bleek rood, de 
krop en buik ecnigzins bruiner, de dekvederen donker groen, met eene 
ligt blaauvve plek van. boven voorzien, de zeer korte ftaart is donker 
bruin en de pooten hoog rood; wy geeven dezelve den naam van Ka- 
fieeldiiif-, zo om de kleur van den bek als om dat ze zich gaarne met het 
kaneelriet voedt. Daar wy dezen Vogel, niet dan dood en reeds afge- 
zet onifangen hebben, ia het niet mogelyk van deszelfs levenswyze 
ecnig veiflag te geeven. Zo veel echter is zeeker, dat ze van de ge- 
mecne Duif niet veel in aart verfchilt, en in menigte in de boschryke 
Oorden van het Eiland Ceilon wordt aangetroffen; alwaar ze echter, 
uit hoofde van derzelvcr wildheid, niet zeer geraaklyk leevende gevan- 
gen wordt. Zy heeft genoegzaam denzelfden aart als de Molukkifche en 
Jlmhoinafche Duiven , fchoon ze , om heure gemengde kleur , nog meer 
met die van Nicohar overeenkomt ; alhoewel ze in grootte met dezel- 
ve veifchille. 

EIND E. 



BESCIIRYVING 

VAN EENEN ZELDZAAMEN 

AFRIKAANSCHEN 

NOG NIET BESCHREEVENEN 

NAAKTHALSIGEN 

NIMMERZAT of WULP, 

AAN DE KAAP DE GOEDE riOOP 

GENOEMD 

BOSCH-KALKOEN. 

En overgebragt in de Diergaaree 
VAN Z Y N E 
DOORLUCHTIGE HOOGHEID. 
BESCHREEVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

Ifi zyn leven Raad van Z, D. H. , Directeur der Forfïelyhe Natuur- ein 

Konst - Kabinetten en Diergaarden , Lid der Keizerlyke Academie , 

en Correspondent der Koninglyke Academie der Wetenfchappen 

van Parys , Lid der Koninglyke Academie van Madrid^ 

van het Zeeuwsch Genootfchap te Vlis fingen, en 

van de HolL Maatfchappye te Haarlem. 

Met naar 't leven Getekende en Gecouleurde Afbeeldingeni 



Te Amsterdam, 

B Y J. B. E L W E,. 

M D C C C I V. 



r. ,'i 



:ïït*^ 



n 



n roTTii 



o o a i'i .: ■.' :'\ -i il k 



A !/ 






■< .i 



.»: • «a' ; •. ■ '--T- -r??!? f I'. : 



^s.x. 




■ f .IWUJnÊlft.il^t 



•^^</.'. 



j .TiccsL^è^^'M c;gck m rAA.Tsr:ecs ra ^illaai- sjiM. Gph: .'bo,'^ch-:6:ajlxoeit„ '■ 



NATüURLYKE HISTORIE 

VAN EENEN 

AFRIKAANSCHEN 

NI M MERZAT of WULP, 

(TANTALUS Linn.^ 

Aan de Kaap de Goede Hoop BOSCH -KAL KOEN genoemd. 

XjLadden wy meermalen gelegenheid , om de billykhsid der klagten 
van zo veele ervaren Natimronderzoekeren te moeten erkennen, 
over de geheel onvoegzaame en dikwerf groote verwarring geevende 
benamingen, welken zo veelc voortbrengfelen der natuur van derzel- 
ver -eerile vinders of ontdekkers, wegens gebrek aan de noodige 
gronden der waare Natuur- kennis , bekomen hebben, wy treffen er 
thands wederom een nieuw en zeer overtuigend voorbeeld van 
aan, in den fchoonen Vogel welken wy hier gaan befchryven, als 
zynde van de Kaap de Goede Hoop , aan de zoo beroemde en 
myner zorge toevertrouwde Vorfleiyke Diergaarde overgezonden, 
onder den naam van Bosch- Kalkoen^ offchoon aan denzelven niet al- 
leen alle de orde- en geflaohts- kentekenen ontbraken, welke hec 
dier noodzakelyk hebben moest, om tot die afdelingen te kunnen 
gerangfchikt worden, en den nu verkeerdelyk gegeeven naam met 
recht te kunnen dragen, behoorende de vogel, welken wy voorge- 
nomen hebben hier te befchryven en afcebeelden^ zo om zynen, 
by het eerfle aanzien zelfs terllond ia het o Dg vallende, langen en 
neêrwaards omgebogen bek, zynen langen hals, zyne tot byna aan 
de knieën bevederde lange pootcn , als om den kalen breeden keel 
en wangen,, om den fland der toonen of zogenaamde vingers, en 
wegers zynen overigen geheelen lichaamsbouw, tot de orde der zo- 
genaamde Steltlopen, en daar in tot het Gellacht der Tantalï^ of 

A 2 dier 



4 ESSCHRYVING van henen A FRIC A A NSCHEN 

dier vogels-, wellcen wy Neèrlandera IFidpzn of ook wel Nimmcrzai- 
teti , de Franfchen Coiirlh^ ce Engelfchen Carkjys^ (beide naar het 
gewoon geluid dezer dieren} en de Hoogdiiitfchcrs Wind- , Regen- of 
IFetter . Vogel of ook wel Nimmerzat noemen. Van dit Vogel -ge- 
llacht bewoonen verfcheide foorten verfchillende Wereld - deelen , zo 
echter, dat fommigen alleen aan dit, fommigen aan een ander We- 
reld-deel by uirzondering , en als in eigendom fchynen toe te be- 
horen. Over het algemeen genomen zyn ze zeer fnel, zo wel van 
loop als van vlucht, vliegen in fchoolen met elkandercn, en kunnen 
al5 Trek -Vogels aangemerkt worden, die hunne woonplaatfen min 
of meer naar de veranderingen der Jaargetyden verwisfelen. In ver- 
fcheidene foorten van dit V^ogel- gedacht, heeft men tusfchen de 
Mannetjens en Wyfjens (wat de uiterlyke gedaante , grootte en teke- 
ning of koleur der vederen betreft} geen byzonder in het oog val- 
lend verfchil kunnen waarnemen, zo als zulks, door het voorbeeld 
onzer Europifche Wulpen ^ bewaarheid wordr. Voor zo verre men tot 
heden heeft waargenomen , leggen de meesten drie of vier eijeren , 
welke even als die onzer Europifche Wulpen, die men vry een- 
flemmig zegt dat er fteeds vier leggen, voorts by uitftek Imaakelyk , 
en als eene byzondere lekkerny geacht worden. 

Voorts onthouden zy zich in waterryke moerasfige landflreeken , 
zo wel in den omtrek van rivieren efi meiren, als op de flykende 
zeebankcn , en aan de oevers der zeeën, alwaar zy zich voorna- 
nientlyk voeden met kikvorfchcn, kleine vischjens en wormen, wel- 
ken zy met hunnen daar toe zo juist gefchikten, langen priemvormi* 
gen , en aan deszeifs einde feisvormig neêrwaards omgebogen bek , 
zeer behendig weeten uit den grond te haaien , terwyl , volgends het 
verhaal van fommige Reizigers , ook het vleesch van verfcheide buiten- 
landfjhe Courlis of Wulp -foorten , aan de bewooners der landftree- 
ïken waar zy zich ophouden, geen minder fmaakelyk gerecht ople- 
vert. 



V '■ - N I M JNl E R Z A T o F W U L P. $ 

vert,' dati onze- inlandfchc Wulpen ons hier te Lande verfchalfen. (*} 
Van die fraaije Vogel -geflaclic heeft de Graaf de buffon, vyfiiéu 
foorten befchreeven, en van dezen er elf doen afbeelden, welk aan- 
tal naderhand, by het doen. van zo veele nieuwe ontdekkingen in 
de verfchillende Wereld - deelen , allengs, met nog zes anderen ver- 
meerderd is; gelyk men diejn de laatflé of veertiende uitgaaf van 
het Systema Natura des Ridders linn^us (|) by een vergaderd, en 
beknoptlyk kan befchreeven vinden , en waar by wy als eene geheel 
nieuwe, of zo verre wy weeten, eene tot heden nog niet naauw- 
keiirig befchreevene twee-ei>twintig{le foort, na die voegen mogen, 
welke wy thands naar het voorwerp zelve gaan befchryven , en in 
eene ook naar hetzelve , door den beroemden Vogel-Schilder a, s c h o u- 
MAN, naauwkeurig vervaardigde afbeelding, den liefhebberen der 
Natuurlyke Historie zullen voordellen» — - 

(*) Vergel. de belangryke befchryving, door den voortrefFelyken houttuin, 
van onzen inlandfchen zogenaamden grauwen wulp, gegeeven in het fchoone 
Werk ov«r de Nederlandfche Vogelen, des Hrn. sepp, IIDeei, bl. 109 en iio. 

(10 Ik vind echter den Tantalus Cahus aldaar verkeerd, en waarfchynlyk alleen 
l)y overyllng befchreeven, als: zwart zo wel van agterhoofd, ali yan bek en poolen; 
daar alle die deelen, in deze Ibort, beftendig rood van koleur en als zodanig ook 
befchreeven en afgebeeld zyn, in de door den lir. gmelin zelven aangehaalde 
werkca. 



As B JE: 



6 BESCl-lRYVING van eenen AFR IC A ANSCHEN 

B E SC II R Y V I NÓ 

V A N E E N E N / cbnr.-lr 

AFRIKAANS G H E N 

TANTALUS of WULP, 

Aan de Kaap de Goede Hoop BOSCH KALKOEN genoemd. 




'eze fraaije en zeldzame Tantalus of Wulp , die omftréeks twin- 
tig duimen hoog, en van lyf zo groot als eeh gewoon • volwasfen 
huis -hond is, heeft een kaaien kop, wiens voorde en bovenlle ge- 
-deelten van de bafis, ofhet grondfluk der boven nebbe af, tot ruim 
halver wegen den. kruin , in eene even boven langs de oogen fchuins 
oploopcnde richting, door eene vleefchige en verhevene roodkoleurige 
huid bedekt is, terwyl de ruim zes duimen lange, roode en naar 
het eind feisvormig iiitloopende bek, buitenwaards met geene neusga- 
4?en-, ''msfar '^'^'n Triiinen in deszelfs boven nebbe, digt by het gehe- 
melte, met eene lange fmalle opene lleuf voorzien is, en de wangen 
reeds van boven de oogen af, en zijdelings langs het grondfluk van 
den bek , even als de keel beneden en ook het voorde en zydehngfche 
gedeelte van d.cn hals tot voor aan de borst, geheel kaal en met 
ligt grys of bkauwachtig vel bedekt zyn. Doch het overige van den 
hals daar en tegen , van agteren en ook eenigermaaten zydwaards met 
donkere- of zwartgrocne neerhangende veeren bezet is, welke van 
weerskanten langs de voorfchouders rondachcig benedenwaards naar 
de borst voortloopen , en daar, als 't ware, eenen langwerpig ronden, 
zwartkoleurigcn kraag vormen; 't is dan ook in de2:e zo ver uitge- 
ftrekce en daar door zeer in 'l oog vallende naaktheid van hals, 

by- 



byzonderlyk dat ik eene voldoende. reden meen gevonden te hebben, 
ojn dezen vogel den kenmerkenden en niet onpasfenden naani vaa 
Tantalus Nudieollis of Naakthalfigen Wulp te geevcn, ter onderfclier-r 
djng van dien, welken d&, Ht^tjr ,P;E,j^jXJ,|:fo.n, onder den naam van 
Courlis a tête ««ë (ö^.^befchrecven en tifgcbeeld heeft, en welke ia 
de laatfte 'of dertiende uitgave van het Systcma Naturct des Hr.' 
LiNNiEus (b'^ als de elfde foort van het Tantalus geüacht, onder 
de kenmerkende benaamin^ van Tantalus Calvus of Küülhoofdigen IJ'uIp 
voorkomt,, met wien de onze overigen?,, bv ,hct cerlle, aanzien, zeer 
veel. v^rwanichap Ichynt te hebben. .,,,,. .. , : - • 

■.- ;Het binnenlle van den oogappel van dezen Vogel " is . zwart', en raet 
eenen lichten rooden kring omgeeven: de oorgaten zyn bloot," brééd 
Vcjn opening en liggen laag, benedenwaards en acliter de kaaks ge- 
leding, in de naakte _wang-huid bcv4t;:de^.o;/pjs, even. als 'in alle 
de tot heden toe bekende Wulpfoorten , kort en dan, de ,^«e/f opir 
«f'fg -Wy4;? zonder echter in eenen vhesachtigen ineelzak; ove;*, te 
gaan. ; \- %[,_;: . .oiy.i-rrahnr -'•::-: \ 

Het gantfche lyf; van.; dezen' -Vogisl is pveral dik' tjcveSérd, en 
fgkynt (van verre ge^^ien}é,énrk,oIei.irig' en wel zwartachjiig gróca te 
zyn ; fchoon iedere veer (meer van naby bcfchouwd} eenëu fraaijen 
we^rfcbyn van zich geeve, die met een donker glanzig groen, eii 
een Zwaar gedekt flaalkoleurig blaauw als gemengeld fchynt te zyn: 
de veeren van de agterzyde van den hals, borst en flaart zyn voor 
al van eene glanzige donker groene koleur , en de eerfle die van 
den halven borst , naamentlyk daar waar zy den hier bovengemel* 
den kraag vormen, lang -en, ftrogfi^^f. ..^^^^ ^ ,.^^ ^^ -^ 

Op het midden der vleugels zyn de, dekveêren donker bruin, of 

rood koper koleiirig, en aan derzelver bovenkant met eenen leevendi- 

gen flaalkoleurigen rand omgeeven, welken, wegens den glans en in 

éénfmelting der ko leuren, niet, .dan ten uiferflen gebrekkig kan nagc- 

, , .;hrf..i... , . . bootst 

(tf) Mist. Nat. des öif. Tom. ^^II.'pag■.•"^a.■'en-PI. eiiliim. N. S67. 

C^) Toni. I. part, s. p.ng. 649 en 653. 



n 



8 B E S C H R Y V I N G V A N « E N E N e n z. 

boot?t worden, en die men daarom ook in onze hier by gevoegde 
(fchoon overigens zeer naauwkeurige) afbeelding Hechts zeer onvoP 
komen heeft kunnen aanwyzen , zynde voords de flagpennen van de 
zelfde algemeene donker groene koleiir, die ftet geheele lyf heefty- 
en tcffens zo lang, dat dczelven, daar tegen aan gefloten zynde, zich' 
iiitftrekkcn tot even voorby den Jfaart , die kort neêrhellend in 
ecnen eirond vormigen omtrek uitloopt, en, even als het önderfle ge-- 
deelte van den buik, met zwart groene vederen digt bezet is. ' 

De pooten die lang, Rerk van fchcnkcis , tot ncehcs even boven her' 
kniegewricht bevcderd en rozenklcurig zyn , hebben drie voorklauweri' 
of toonen, welke tot aan hun eerde gelid (van dQn voet afgerekend} 
door eene huid of vlies aan een verbonden,, en even als de agterklauvv 
met eenen zwarten, fmrJlcn, en boekachtig neêrwaards omgebogenen^' 
nagel voorzien zyn, terwyl die van den middeniten vooitoon breedcF 
dan die der anderen is. - ^'-'^ S'-> 

Deze fraaije Vogel, is dan, naar myn inzien, van alle andere, tot: 
heden toe befchrevene lantali of Wulpen onderfcheiden , ook zelfs van; 
den Tantalus Calvus o^ Kaalhoofdigm Wttlp dien wy hier boven zeiden dat 
anders met den onzen het meest overeenkomt, en met hem teffens ook 
het zelfde vaderland heeft: zynde ik voords te meer in deze rnync- 
meening gefterkt, door dien ik de onderfcheidende kenmerken van eenenf 
VOO rw aards tot aan de horst toe naakten hals-, eenen uit lange en Jfroeve 
zwart groene veder en, als gevormden kraag, eenen langeren beken hoogere poO" 
ten, Behalven nog het aanmerkelyk yerfchil van koleur, en eene algemeener&- 
kloekhdd van Het geheele dier^ beftendig hebbe aangetroffen in ieder de.- 
zcr Vogelen , welke onder den onpasfenden naam van BckH- 
Kalkoen, en als uit de Kaapfche binnenlanden herkomflig, aan de 
Vorflclyke Dierverzamehng zyn toegezonden, en waar door ik derhal- 
ven meen recht te hebben, dezen Vogel niet flechts voor eene verfcliei- 
denhcid van den lantalus Cahus, maar voor eene wezentlyk nieuwe; 
ca van dcnzelven geheel verfchillende foort te kunnen houden.. 

EINDE. 



BESCHRYVING 

VAN E E N E 

SIERXYK GETEEKENDE , EN OVER HET HoOFD EN DEN HaLS 
TWEE LANGE ZWARTE STREEPEN HEBBENDE 

SURINAAMSCHE 

RATELSLANG, 

NEVENS 
NIEUWE PROEFNEMINGEN, IN 'SGRAVENHAGE 

GENOMEN, OP DE DOODELYKE UITWERKSELEN DER 

VERGIFTIGE BeET VAN EEN LEEVEND OVER- 

GEBRAGT SOORT DIER SlANGEN; 

Zich bevindende, met verfcheiden anderen, in het Museum 
V A N Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID 

DEN HEERE PRINSE VAN ORANJE EN NASSAU^, ERF. 

STADHOUDER, ERF-GOUVERNEUR, ERF-KAPITEIN 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

Befchreven en uitgegeven door 

A. V O S M A E R, 

Dire&eur der Vorstelyh Natuur- en Kunst-Kabinetten, Lid der Keizerlyke Akademie ^ 
en Korrespondent der KonJnglyke Akademie der fVeetenfchappen van Parys, 

* 

Te Amsterdam, 

ByPIETER MEIJER, 

MDCCLXVIII. 



NATUURLYKE HISTORIE 

EN,. ■ . :■ ■'-' 

NIEUWE PROEFNEMINGEN, r^ 

m 'SGRAVENHAGE GENOMEN, OP DE DOODELïKE 
UITWERICSELEN DER VERGIFTIGE BEET :' 



V A N D E • ■ . ■ ; " 

A M E R I K A A N S C H E 

■ RA T E L S L A N G. 

Indien wy hier boven niet van nieuwe Proefnemingen gevv-ag maak- 
ten , zoude het elk , die in de Natuurlyke 1 liflorie der Dieren 
maar een weinig kundig is , billyk verwonderen moeten , op nieuw 
een Dier te zien belchrj'vcn en afbeeklen , 't welk reeds ten on- 
derwerp van zeer veele Schryvers gediend heeft. Zo min nu als 
het dit beruchte Schep fel aan Schryvers ontbreekt, even zo veel 
heefc men het getracht door afbeeldingen kenbaarder te maakcn : 
hoe verre nu wy hier in boven anderen, door de teekenkundige 
iiand van den Heer G. van den Heuvel , geflaagd zyn , zullen 
wy aan het oordeel der Kunft-kenneren overlaaten. 

Onder alle de Schryvers , hier onder aangehaald (^) , by welken 

men 

( a") Der Konigl. Schwedifcben Academie der JVisfenfcbaften. Tom. Xiy. p. 3165 
Turn. Xi^. p. 54. 189. 
R. Mead. A Mecbanical Account of Poifons. Lond. 1747. 
P. Fermtn. Hijt. Nat. de la Hollande Equinoxiale. Arnjl. 1765. 
T. Pis'iORios. Bsfcb. van Surinamen. Amft. 1763. 
F. Watson: De Dierlyke Wereld. Amjt. 1761. [ 

R. Bradley. IVysgeri'^e Verbandeling. Amjt. 1744. Tab. IX. fig. I. "■ 
Jviirnal rfer Scavans, Septembre 1764. No. 10. p. 513. Expériences faites par 
Ie Capitaine HkiL, Jur les cffeis du poifon du Serpent d/oimettes. Extraites 
■rfej Trans'.tliiuns Pbüofophiques. 
E. Tyson Pbil. Transat}. Ang. Vol. XIIJ. No, 144. p. 25. Idem in Acta 
Erudit. 1684. p. J38. Tab. V. 

^ Cates- 



4 BESCHRYVING van de 

men nog een goed aantal zoude kunnen voegen , zyn 'er zekerlyk 
geen , welken meer omftïindigheden en beter Befchryving van deze 
Slangen geven , dan de Heeren Calm en Kapitein Hall , by wel- 
ken wy de frnaije afbeelding van het Ontlecde hoofd dezer Slang , 
en de waare gedaanten der tanden , 't geen wy in het Werkje van 
Dr. Mead vinden , niet vergeten moeten ; gelyk ook de geleerde 
Heeren Dr. Houttuyn, en Watson, (wiens Werk door den Ecrw. 
en Geleerden Natuurkenncr Dr. C. Nozeman in het Ilollandlch 
vertaald is) in hunne hier aangehaalde Werken, alles wat over de- 
ze Itofie tot noch toe ontdekt is , gevoeglyk by elkander gebragt 
Iiebben. 

Daar zyn Schryvers , welken het verblyf dezer Slangen zoo wet 
in Ooft- als Weft-Indicn ftcllen ; maar het fchynt my vry twjircl- 
achtig of deze , door derzclve vergiftigende beet zo alom met recht 

gevreesde Slang , wel ergens anders , dan in de nicuAvc Wacrcld- 

deelcn gevonden wordt : INIen weet dat Seba in zyn II. Deel vcr- 
Ichcide Ooft - Indifche Ratel - Slangen (/<) afbeeldt en bcfchryft; 
doch men weet ook tefTcns zeker, dat de eerfte, die die beroemde 
Man op Tab. 45. / 4. verbeeld , en voor een Ceilonfche Wyfjcs 
Adder-Slang bcfchnfc , gcene andere is , dan een jong Weft-Indifch 
Ratel-foort, en wel de zelfde, welke wy hier na befchrj-ven zullen. 
Ik beken met den Heer Buffon ( r ) my dikwyls in die korte en 
losfe Kabinet -befchry vingen te mistrouwen; de ftukken, waaruit 
dezelve beftaan , zyn veeltyds voor een groot gedeelte op Verkoo- 

pingen 

CATFsr.Y. Nat. Hift. of Carolina. Vol. II. p. 41. Tab. 41. 42. 

A. Sf.ha. Tkefaurus yul. II. Tab. 45. fig. 4. Tab. 95. fig. 1. 2. 3. Tab. 95. 

Houttuyn. Nat. Hiji. der Dieren enz. .Amjt. 1764. i^c. Vol. I. Pars FL 
pag. 290. Tab. 45- fi,". i- 

\V. Saioi'TTFN. üojt- Indifche Voyagie. Amjt. 1676, III. Boek p. 53. 

Charlevoix. HiJi. de la nouvelle France. Tom. F. p. 233. 

Lausons. Nalural Hiftory of Carolina. p. 129. 

I>iNNÉ. Syjt. Nat. Edit. X. p. 214. 

Croinovius. Muf Icbt, Tom. II. p, 7c. ld. Zoopbyl. Fac. I. p. 25. 
b ) Zie bier boven, 
s) Tom. X. p. 98. 



i 



AMERIKAANSCriE PvATEL-SLANG. 5 

pingen gekocht , op Naaralyften , niet zelden door onkundigen , 
of zonder oordeel , zo niet lomtyds met een merkeiyk bedrog om 
te misleiden , opgemaakt ; verzekerde proeven hier van zyn my , in 
een vyf- en - twintig jaarige ondervinding, te veel maaien voorge- 
komen. 

De voornaame reden op welke myne twyirding berufl , naame- 
lyk of deeze Dieren in de oude Waereld te vinden zyn, is deeze, 
dat de Reizigers dier Geweften daar van niet , of ten minden zeer 
onzeker fpreeken. Wouter Schouten (^/), in zyne Ooft - In- 
difche Reize, zegt wel, dat zy dezelven in de Wildernisfen van 
het Eiland Dingding , ruim dertig mylen ten Noordweften van Ma- 
lakka gelegen , hoorden ratelen , doch hy betuigt daar by , dat zy 
dit gedierte , hoe zeer zy 'er ook naar zochten , niet gezien heb- 
ben. Het kan dus gemaldyk zyn , dat zy het geluid van den Veld- 
krekel , welke in Ooit- en Weft-Indiën merkeiyk grooter dan hier 
valt , daar voor genoomen hebben. Valentyns wydloopig Werk 
van Oud- en Nieuw-Ooft-Indiën doorbladerd hebbende, vinde ik 
dat deze 'er zo min van fprcekt, als eene geheele reeks van an- 
dere Reizigers door welken Ooft-Indiën is doorkruift , en wier Wer- 
ken ik nagezien hebbe. D'Heer Linnéus fchynt het ook vaft te 
Hellen dat zy in het Ooflen niet gevonden worden; want in zyn 
Syjïema Natura ftelt hy alle drie zj'ne foorten voor Amerikaanfche 
te boek , en ook zelfs die , welken Seba voor Ooft-Indifche opgeeft : 
W^y verlangen dus des aangaande zekerder berichten. 

In het Museum van Zyne Doorl. Hoogheid , den Heere 
Prinse Erfstadhouder , bewaare ik zes foorten of verfcheiden- 
heden, zo als men 't noemen wil, en waar onder een, die ik uit 
■ de Verkooping van het Kabinet van Seba , onder de benaaming van 
Ooft-Indifche , gekocht hebbe. Deeze fchynt my dezelfde als die 
welke hy in zyn Thefaurus Tab. 95. fig. 2. en 3. verbeeldt. Het 
is zeker dat als wy deeze Slangen, tegen die, welken wy weten dat 

Ameri- 

C<i) 2.is bier voor in de Lyjt der Sebryveren. 

As 



5 BESCHRYVING van de 

Amerikaanfche zyn , \Trgelyken , men een merkelyk verfchil zal 
vinden , maar dit verfchil wederfpreekt geenszins haar recht van 
geboorte aan de Nieuwe Waereld; want waarom zou dit Geweft 
alleen geen twee of meerdere verfcheidenheden in foort van dceze 
Dieren kunnen opleveren ? 't geen Catesby in Carolina reeds aan- 
toont. Ook kan de veivelling der Slang hierin een merkelyk aan- 
deef hebben. Mync twyffelingcn, naamelyk, of dit foort van Slan- 
gen wel zo zeer aan de Oude als aan de Nieuwe ^^'aereld eigen 
zy , bcrufb dan maar alleen , gelyk ik gezegd hebbe , hier op , dat 
ik in de Ooft-Indifche Reisbefchryvingen , niet het allerminfte be- 
richt desaangaande vinde, waar op eenigen ftaat gemaakt kan wor- 
den. De geleerde Abt Prevost (<?) rept 'er niets van in zyne 
Befchr>'ving van Ceylon , daar Seba e\'enwel zegt die van daar 
ontfangen te hebben. R. Knox ( ƒ) , die in zyne Befchryving 
van Ceylon van verfcheide Slangen en andere Dieren van dat Ei- 
land fprcckt, meld 'er ook niets van, insgelyks Osbeek (^g") enz. 
en in Afrika kan ik ook geene bhkcn van deeze gevaarlyke Dieren 
ontdekken : Wat reft 'er dan anders , dan te denken dat de Heer 
Seba in de opgave der woonplaatfen van deeze Dieren zal misleid zyn 
geweeft. 

ïn onze Weft-hidifche Kolonie te Surinamcn noemt men deze 
Slangen Boictninga, en in 't Ilollandfch Ratel- of Bel-flang. De 
lieer LinnÉus geeft de benaaming van Crotalothoriis aan dit gcflacht, 
in het welk hy drie onderfcheidene foorten heeft opgeteekend, die 
hy IIorHdiis , Bninas en Diirhfiis noemt. Hy onderfcheid die 
foortcn door het verfcliillend getal \'an fchubben , welke deeze Die- 
ren onder aan den buik en ftaart hebben , een kenteeken ( behou- 
dens de achting, ^velke wy anders aan dien grooten Natuurkenner 
vcTlcluildigd zyn) even gel}k het tellen der Vingraaten ter on- 
der- 



(s) H//?. Gf!?. des Voyazes. Tom. II. Edlt. de la Haye. 
Cf) ''■ 'Eylind Crjlon in zyn biancnjle ijc. Auijt- IÖ93. iJvo. 
(gj Rcizc nacij Oojtindie und Cuin.i. ' Rojtock 176J. 



AMERIKAANSCIIE RATEL-SLANG. 7 

dcrfch deling- der Vifch - foorten , van veel te- . ongev/isfe uiikomfl: 
om daar op mcü zekerheid te kunnen aangaan. ;;,; .r;./ 

De Natuurlyke Hillorie deezer DitTen door den Heer Kalm en 
andere genoegzaam afgehandekl zjnde , ( waarby men nog de 
Sehriften van Mar.cgraaf , Piso en Nieremberg voegen kan ) 
zo is myn voornemen maar alleen (gelyk wy alreeds daar mede 
begonnen zyn ) de misilagen , tegenftrydigheden , en dat geene 't 
welk anderen verzuimd liebben, en myne eigene waarnemingen , 
bier ter neer te ftellen. " 

Men is het zeer oneens of deeze Slang eene vlugge dan wel 
eene traage beweeging eigen z\. Dat geene , 't welk ik door eigene 
ondervinding wete , is zckerlyk niet in allen opziehte voldoende , 
want de langduurigheid van de reis, de belloote, hoewel zeer rui- 
me en van boven met glas overdekte kift, waarin de Ratel -flang 
by my ontflingen zich bevond , zyn , ongetwyifeld , hinderlyk , aan 
Dieren , die in het wild gewoon z>n te leeven ; zo dat zy , door af- 
gematheid en vrees , bclec worden hunnen waaren aart te ver- 
toonen. De eerfte veertien dagen , der zeven en twintig , die 
zy by my geleefd heeft, (niet tegenflaande deeze Slang toen reeds 
al meer dan 23 wecken, zonder te eeten, gevangen was geweefl,) 
was dezelve nog zeer leevendig , kruipende geduurig door de kift 
heen en weder , komende dikwyls tot boven aan het glas ; en uit 
al de beweegingen , die ik haar in dien tyd heb zien maaken , heb ik 
my nimmer kunnen overtuigen, dat ^qqzq Dieren van een langzaa- 
men en traagen aart zyn , vooral wanneer zy zich in het wild op- 
houden. Het geval , 't welk ik , in tegenwoordigheid van een goed 
vrind en mynen knecht, met dezelve gehad hebbe, wanneer wy 
baar in een daar toe gefchikte kift, met glas bedekt, overbragten, 
en waarvan wy bier na fpreeken zullen , kan niets anders dan eene 
vaardigheid te kennen geeven , welke my , of mynen toenmaaligen 
knecht , zeer flecht bad kunnen bekomen. 

Eenige Scbryvers maalvcn gewag van een fterken ftank, welke dee- 
ze Slangen, getergd wordende, afgeeven. Dit heb ik niet ondcr- 

von- 



*. t 



g BESCHRYVING van de 

vonden, terwyl dezelve in zyne eerfle kift, welke van oud droog 
eikenhout , van binnen met witte lymverf beftreeken , bewaard 
werd. Doch haar naderhand in een grooter nieuwe vuuren- hou- 
ten kift overbrengende , rook de eerfte kift, door het op den 
bodem liggende vochtige zand , zeer fterk , 't v/elk veelen, hoe- 
wel verkeerdelyk , voor een ftank der flang namen. 

Niet tegenftaande alle aangewende poogingen heb ik deeze Ratel- 
flang, zo min als onze gemeene inlandfche Slangen (welken in 
het Sticht by Utrecht en elders veel gevonden worden) aan het 
eeten kunnen krjgen. Alles wat ik dezelve voorwierp was vruch- 
teloos ; alleenlyk meent men haar eens melk te hebben zien drinken , 
doch ook niet meer dan eens , en zulks nog vry onzeker ; want 
hoe naauwkeurig ik op de vermindering der melk acht gaf, 't welk 
ik , wegens een teeken , 't geen zich nnn den rand van het bakje 
bevond , gemaklyk doen konde, kon ik niet zien dat de melk 
in het bakje verminderde , hoewel de flang 'er haar bek eenigen 
tyd geboogen in hield. I Iet zelfde gebeurde met een kom met enkel 
water, door welke zy dikwyls heenen kroop, en 'er fomtyds in lig- 
gen bleef. 

Het fchecn my toe, nevens zeer veele andere perfoonen, die 
deeze Slang by my gezien hebben , dat de Dieren , welken wy 
haar voorwierpen, en waar van wy d'uitkomft hier na melden 
zullen , ccne fchrikkelyke gewaarwording van deezen hunnen alge- 
meenen vyand hadden. Zo dra werden zy niet by denzelven ge- 
bragt , of zy zochten zich in een hoekje te verbergen , en hier in , 
door een ingcbragt ftokjc, verhinderd wordende, liepen zy, als 
reeds den doodlchrik gezet hebbende , hunnen met den ftaart gc- 
duurig ratelenden vyand te gemoet. Watson befchryft dit betoo- 
verend vermogen zeer fraai , 't welk men deeze Slangen , door hun- 
nen prooi fterk aantezien , toekent , en waar door aUe Dieren haar 
als in den opgefpardcn muil zouden loop en of vallen. Dan ik ge- 
loof, dat men zulks nog meer, door deeze zonderlinge eigenfchap 
in fommigc menfchen , aldus zoude kunnen ophelderen. Indien het 

zeker 



AMERIKAANSCHE RATEL-SLANG. f 

zeker is dat alle Dieren , inzonderheid klein Gevogelte , deezen hun- 
nen vyand kennen , en door eenen dood - fehrik op het zien van 
hem bevangen worden , zou het met hun even eens kunnen 
gaan, als met vreesaehtige meniehen, die op eenen fmallen en 
hoogen weg, of op een open toorn klimmen, en die gewis- 
lyk ( door de vreezc dusdanig geprangd ) van boven neder zou- 
den ftorten, indien men hun niet te hulp kwam; dit kan ook 
een betooverend vermogen, 't geen de vrees alleen veroorzaakt, 
genoemd worden. 

Men is nog in twyffel , of deeze Slangen uit gramfchap , dan 
uit vreeze, met haaren ftaart ratelen. Myns bedunkens kan 
het beide waar zyn , en nog in een derde geval plaats heb- 
ben; naamelyk, om, in den tyd der paaring , elkander ter by- 
eenkomft uit te lokken; gelyk wy weeten dat in zeer veelc 
Dieren plaats heeft : hoe wel 't ook zyn kan , dat de goedheid 
en voorzorge van het Opperwezen dit geluid alleen gefehikt 
hebbe , om den menfeh te waarfehouwen. Het heeft my , in myne 
proefnemingen, altyd toegefchenen , dat eerft de vrees, daar na de 
gramfehap haar ter rateling aanfpoorde. Wanneer wy eenig Dier , 't zy 
een Muis of Vogel , by de Slang wierpen , kroop in 't eerft de Shmg 
verfchrikt weg en ratelde ; daar na , terwyl de Vogel of Muis 
benaauwd rond liep , herflelde zy zieh weer , en bleef rate- 
len, tot dat zy het Dier gebeten had. Met hare fchubben, 
die zy op het lyf heeft , heb ik haar nooit geluid hooren maa- 
ken, fehoon Ibmmigen zeggen dat zy zulks doet. 

Verfeheiden Schry vers zyn van gedaehten , dat de ouderdom 
der Slang, uit het getal der leden , waar uit de ratel bcllaat , 
kan gekend worden ; andere fpreeken dit wederom tegen , doeh 
met geen meerder reeht, zo 't my toefchynt, dan hunne par- 
ty. \^''y kennen de kringmcrken der Runderen , en de in - ker- 
ving der tanden by de Paarden. Seba verbeeld eene Slang met 
veertig leden in den nuel ; dan dit is zeldzaam , nant doorgaans 
hebben zy 'er niet boven tien of twauU^. De w;,^cs, zegt men, 

13 • h.-b- 



lo B E S C II R Y V I N G van di- 

hebben altyd minder leden in haare ratels. Hier door kan het zyn, 
dat men fomtyds grootc Slangen met weinig, en kleine met 
meerder fchcUen in de ratels ziet; doch dan kan het ook niet 
waar zyn, dat het geral der leden in den ratel den ouderdom 
van het Dier aanduide ; ten waarc men wilde veronderftellen , 
dat de wyfjes fchielyker ftieivenjcn mfler aangroeiden. Onder de 
veelvLïldigen , die ik in de Kabinetten gezien hebbe, heb ik fom- 
tyds groote Slangen met weinig, en kleine met veele ratels gevon- 
den: De grootte deezer Slangen is ongelyk : de Heer Kalm 
fpreekt maar van vier tot zes voeten lengte ; Watson fielt die 
van zeven tot twaalf , en F e r m i n zegt van vyftien voeten ; 
doch dit is twyffelachtig. 

Somniigen zeggen dat de Slangen geen gehoor hebben , 
om dat men 'er geene openingen voor vind , die zeker- 
!yk , gelyk in den Schildpad , onder de fchubachtige opperhuid 
verborgen zyn. Wy hebben hier over , in 't kort , eenige ophelde- 
ring te wngten van den Hoogleeraar P. Camper , te Groningen , 
die met het onderzoek van het gehoor der Dieren bezig is. 

De wyze , op welke deeze Slangen leevende gevangen worden , 
bericht men my hier in te beftaan , dat de zwarte of Afrikaan^ 
fche Negers dezelven , als zy in cengerold , of , zo als men 
daar te Lande zegt , te flaapcn liggen , weeten te bekruipen , en 
haar heel gezwind digt onder den kop vatten, zo dat zy die 
niet kunnen omdraaijen. De Slang (laat zich dan wel ten eer- 
ften om de hand en den arm , doch alle deeze beweegingen zyn 
vruchteloos , en niet in flaat om haar vry te maaken. 

Het heeft my toegefchenen dat deeze Slang , welke ik leevende 
gehad hebbe , het licht in de oogen , even gelyk de katten , 
door twee tot elkaêr naderende vliezen kon bepaalen : want , nji 
den dood , was de perpendiculaire ftreep , dien wy zoo dikwils 
met verandering waargenomen hadden, veel wyder. Maar , in 
de lantfte dagen van haaren lecfcyd, heb ik zelfs beginnen te 
twjöelen j of zy niet reeds blind was ^ vermits ik geene aandoe- 
ning 



AMERIKAANSCHE RATEL-SLANG. u 

ning befpcLirde, als ik het ftokje digt voorby haare oogen deed 
zvveeven ; maar wel als men haar maar even den kop daarmede 
aanraakte. 

Terwyl ik dit fchiyve , brengt men my de twaalfde , vqqI ver- 
meerderde , en veranderde druk van het N:imuv - Syfiema , van den 
Heer Caroli a Linné (/^), het welk met de Visfchen ein- 
digt , zo dat de Infeften en wormachtige Dieren nog moeten 
volgen. Hier zyn thans vyf foorten deezer Slangen, en dus is 
dit geflacht met twee vermeerderd. Maar ik geef deezen groo- 
ten Natuur- onderzoeker, gelyk allen anderen in overweeging, 
( midlerwyl ik antwoord afwachte op de brieven , door my 
over dit onder\verp gelchreeven , ) of 'er waarlyk wel zo veele 
onderfcheidene foorten deezer Dieren bekend zyn , als men zich 
inbeeld? De verfcheidenheden (gelyk ik dezelve thans achte, tot 
betere ondervinding my anders onderrichte) welken ik in de 
Vorftelyke verzaameling bewaare, geeven my genoegzame reden 
om te twyffelen , of 'er wel meer dan vier waare verfchillende 
opgenoemd kunnen worden? Die by Seba (?), (hoe zeer dit 
op 't oog anders fchynen mooge ,) denk ik dat één foort zyn , en 
maar alleen door ouderdom onderfcheiden , vermits ik by die , 
welke in de Vorftelyke verzaameling , en in andere Kabinetten be- 
waard worden, zeer klaar meen ontdekt te hebben, dat de fier- 
lyke teekening met de vermeerdering der jaaren verloopt: en dus 
koomen my nog drie andere Slangen, die by den zelfden Seba(/^) 
elders te vinden zyn , ook maar als afzonderlyke foorten voor van de 
voorgaanden; waar by men, met zekerheid, de twee van Catesby, 
als de vierde kan voegen. Ik bepaal hier , gelyk men ziet , niets 
zekers ; ik tracht door myne twyffelingen maar alleen het zekere 
te doen ontdekken. Welk een verfchil kan de vervelling van 
huid , de onderfcheiden tyden der faizoenen van het jaar , waar in 

zy 

fb') Syft. Natura , Edit. Duodecima, reformata. Tom, L Holm. 1766, 
(O Tab. XLF. fig. 4. & Tab. XCFL fig. i, dk) Tab. XCF. 

B 2 



12 B E S C M RY V I N G van de 

zy gevangen worden, en het onderfcheid der Sexe niet geeven? 
Men zie hier over na wat Catesby zelf zegt, van zyne twee, zo 
in kleur als teekening, verfehillende Iborten deezer Slangen. 

Het verfehillende getal der buik- , en Itaart-fehilden , 't geen de 
Heer Linnéus , zekerlyk niet zonder reden , maar als een kenr 
merk opgeeft om de Iborten te onderfeheiden , moeft, zou men 
zeggen, alle deeze twyifelingen beflechten ; dan ik heb reeds ge- 
zegd, en herhaal hier zulks nogmaals ,dat dit kenmerk niet doorgaat, 
en gcene zekere teekens heeft. Ik heb alle de Ratel -flangen dei; 
Vorftelyke verzaameling met alle oplettenheid in dit opzicht on- 
derzocht ; de fchilden , of liever fchubben , verfcheiden maaien ge- 
teld ,• en welke was de uitkomfb? dezelfde, die my door het onder- 
zoek van anderen rceds bekend was; naamelyk, dat, onder de zes, 
maar een was, die in getalvan fchubben met den llorridus van den Heer 
Linnéus overeen kwam. Men kan hier zien wat ik ondervonden hebbe. 

Aan eene zeer groote en dikke Slang, de lengte van 4 voet en 
8 duim Rynlands hebbende, en welker ratel met i i. leden voor- 
zien is , tel ik , zeer naauwkeurig, i 70. Buik- , en 25. Staart-fchubben. 
/ Aan eene kleindere, van dezelfde foort , doch , als jonger, wat 
netter in teekening, (zynde die, welke ik leevende gehad hebbe > 
en over welke deeze Verhandeling gaat,) die lang is 3. voet eiï' 
een halven duim, en zes Ichellen in haren ratel heeft, bevind' ik 
168. Buik-, en 29. Staart-fchubben. 

Aan nog een zeer fierlyke kleine, dunne, mede van 't zelfde 
foort , maar 3. fchellen in den ratel hebbende, vind' ik 171. Buik-,, 
en 11. Staart-fchubben. Deze drie zyn my allen van Surina- 
men toegezonden, en dezelfden, die Seba ook verbeeld (^). Hoe 
weinig ftaats is hier nu op te manken? Met te zeggen dat het,., 
by deeze telling , op geen twee of vier fchubben aankoom' , zegt 
men my niet veel voordeeligs van deeze uitvinding ? Voor welke 
foort van den Heer Linnéus moeten wy nu deezen necmen ? voor 
zynen TlorriiJus, of voor den Mutus? In 

(e) Turn. IL Tab. i^. fig- 4. 



AMERIKAANSCHE RATEL-SLANG. 13 

In drie anderen , welken raeefb afch-graauw van koleur zyn, 
fommigen met meer of minder flaauwe teekening, en het meefc 
overeenkomende met die by den Heer Seba, Tab. 95. heb ik het 
dus met de lehtibben gevonden. 

Een vinde ik , ( die ik op de Verkooping van Seba ge- 
kogt hebbe , en voor eene Ceilonfche te boek gellckl word ) , mec 
6. ratelll-hellen : deeze lehynt ray i 62. Buik-, en 2 0.Staart-rehirüben te 
hebben; dan dit is twyfFekaehtig, vermits de Slang wat flecht bewaard is. 

In een tweede, voor eene Well - IndiCehe by my geboekt, 
onnnoeten my 10. ratelfchellen : deeze heeft 163. Buik-, en 28. 
Staart- fehubben. t.: - : 

Een derde, mede een Wefl - Indifche , met 6. fchellen, heeft 
167. Buik-, en 23. Staart- fehubben. Deeze alleen komt met den 
Horridus vnn den Heer Linmpu?, in 't getal der fehubben, overeen. 

Wy zullen na deeze uitweiding (in welke wy de onzekerheid 
van deeze kenmerken maar hebben willen aantoonen , en welken 
wy veel liever uit de gedaanten van het hoofd , en den ftaart willen 
afleiden ) wederom tot ons onderwerp overgaan. 

Den 20. der maand September, van den Jaare 1765., werd 
my deeze Slang , leevende , over Amfterdam , voor het Kabinet , toe- 
gezonden door den Wel-Ed. Geftr. Ileere Jan Nepveu, Fifcaal 
op Surinamen. Ik ontfing dezelve in een klein houten vaatje, 
boven op met dik lood bedekt , waar in eenige gaten gemaakt wa- 
ren, doch die niet toelieten iets van het Dier te zien. Ik maakte, 
met hulp van mynen knegt , het lood gedeeltelyk los , en een foort 
van linnen zak , boven om den ton , onder 't lood bindende , ftaken 
wy , het open einde deezer zak by elkaêr neemende, op die wyze in 
een kasje, 't geen van boven met een fchuivend dekzel met dik gljis 
voorzien was. Wy zagen de Slang ook in het kasje vallen , 
nog gedeeltelyk door den linnen doek , zo wy meenden , alleen bedekt 
zynde : doch de knegt de zak wat fchielyk uit het kasje trekkende ^ 
was de Slang daar te gelyk met het hoofd meer dan &. of i o. duimen 
buiten gefchootcn. Myne tegenwoordigheid van geeft rcddt; ons ; ik had 

B 3 ceci 



14 B E S C H R Y V I N G van de 

ccn liand-doek in de hand; myn vriend, die op het toefchuiven 
\m het glazen dcklel paften , knelde de Slang een weinig, en ik 
ftiet , met den hand - doek gewapend , de Slang gelukkig in het 
kasje. 

'Er zyn menfchen, welken my hebben willen verzekeren, dat 
deeze vergiftigende Slangen , eenigen tyd gevangen geweeft zj^n- 
de, haar vergif zouden verliezen: Men heeft my verfcheiden ver- 
zekerde Hiftoricn , ten bewyze daar van , bygebragt ; doeh het vol- 
gende Dag-verhaal , by my naauwkeurig opgeteekend , en waar van 
de proeven , in de tegenwoordigheid van Vorftelyke en andere Per- 
foonen , zyn genomen , zal , zo ik geloof, deeze zaak geheel bui- 
ten tw>ftel ftellen. 

Saturdag , den 2 i . September i 765. werd my de Slang van Amfter- 
dam gezonden : ik plaatfte die , des middags , in een , daar toe redelyk 
bekwaam, kasje, of kisje, boven op met glas voorzien zynde,en ter 
zyde van boven met een fchuitje , om het een of ander, zonder gevaar , 
het dier te kunnen toewerpen. De bodem van dit kasje was met 
gemeen zand bedekt. De Slang was zeer fterk , fors en leevendig , 
geduurig door het kasje heen en weer kruipende ; dikwils kwam 
zy tot boven aan het glas , naar eenigc uitkomft omziende. 

Zondag, den 22. niets kunnende krygen, lieten wy haar in ruft. 
Ik gaf haar brood, vliegen, vruchten, enz. doch zy nam niets. 

Maandag, den 2 3 . des avonds een Icevenden Vogel krygende, zyn- 
de een Wyf jes-Groeningcr , deed ik denzelven in het kasje: de Slang 
ratelde toen voor het cerft zeer fterk, en fcheen, den Vogel ge- 
duurig aanziende , denzelven te willen afwachten. Deeze Vogel , 
zeer gebrekkig aan de pooten zynde , en zeer benaauwd , kroop in 
een hoek van de kas , zonder beweeging , en dit duurde zelfs tot 
den volgenden morgen , van welken wy nu fpreeken zullen. 

Dingsdag, den 24. 's morgens vroeg opftaande, en begeerig te wee- 
ren hoe het met den Vogel was , vond ik denzelven nog op zyn oude 
plaats, de Slang en hy elkaêr aanzienden. Om half acht uuren hoorde 
ik cenig gewoel in 't kasje, 't geen in eenen hoek der kamer ftond, 

en 



AMERIKAANSCHE RATELSLANG. 15 

fn de Vogel , die , voor weinige miniiuten , nog fris leevend was, \'/:i5 
dood; zeer waarfchynelyk door de Slang gebeetcn, en kort daar 
op geftorven. 

Dien zelfden morgen, om tien miren, kwam Zyne Doorl. 
Hoogheid , de Heer Prins Erfstadhouder , en eenige andere 
Heeren van het Hof, de Slang bezien; ik gaf dezelve een anderen 
dergelyken Vogel , die fris leevend was , doch zeer bang in 't ronde 
vloog. De ratelende Slang wachte maar evenzo lang, tot dit Dier in 
haar bereik was , fchoot toe , en beet het in het dikke vleugel - lid„ 
De Vogel piepte , kroop in een hoek , hield zich eenige oogenblik- 
ken ftil , maar hier op overvielen hem ftuiptrekkingen , in welken hy 
binnen i o. minuuten ftierf De Slang kroop aanftonds , na de gedaa- 
ne beet , in een , ratelde nog eenigen tyd , en hield zich verder flil. 

Woensdag, Dondprclng en Vrydag, den 25., 0.6. en 27., gaf 

ik haar niets , dan zulke dingen , die ik dienftig oordeelde om te 
zien of wy haar aan 't eeten konden krygen : ik liet de doode 
Vogels by haar, doch zy raakte niets aan , maar kroop 'er over 
heen en weer. Als wy aan de kift ftieten , of met een lang ftokje 
haar aanraakten, ratelde zy, zo dat men het zelve de geheclc ka- 
mer door konde hooren. 

Saturdag, den 28. des 's morgens, kwamen Hunne Doorluch- 
tige Hoogheden , de Heeren Prinsen van Weilburg en Saer- 
BRUK, en eenige andere Heeren. Weer een Vogel in het kiftje 
gelaaten hebbende, werd dezelve terftond door de Slang gebeeten , 
zo dat de Vogel piepte. Na een weinig ftil - zittens , braakte de 
Vogel, in geduurige ftuiptrekkingen , zyn kort te voren gegeeten 
kennipzaad uit, en ftierf in 22. minuuten ,in ftuipen. Twee h drie 
dagen , na dat ik de Slang in het kasje gebragt had , loosde dezelve 
eenigen afgang ; deeze geleek volmaakt naar brokkelige fyn-geklopte 
geele zwavel , en was met eenig vogt vermengd ; dit uitwerpzel , 
't geen zy in eenen hoek van het kasje gelegd had , maakte de wan- 
den , welken met witten lym geverfd waren , zwart» 

Des namiddags , ten vyf uuren , kwam Zyne Doorl. Hoogheid 

DE 



ï6 B E S C H RY V I N G van de 

DE Meer Prins Erfstadhouder , vergezeld van de Heeren Ba- 
rons van WuLCKNiTZ , en Voogt , nevens de Heeren Profeflbren 
Weis en Gaubius , en anderen. Men plaatfte by de Slang weder 
een Vogel , welke , benaauwd rond loopende , en vliegende , naar 
uidxomft zogt. De Slang , mogelyk van 's morgens vermoeid » 
beet verfcheiden reizen op den onrufligèn Vogel mis , dan eindelyk 
kwetfte zy hem in het lid van den vleugel. De Vogel kroop in 
een hoek , werd aanftonds door ftuip-trekkingen overvallen , en 
was dood in vier minuuten. 

Zondag, den 29. een Muis gevangen hebbende, gaf ik haar die, 

des avonds om half 9. uuren, in hoop dat zy dit boutje, als een lekker 

brokje voor de Slangen , zoude op eeten. De muis in 't kasje gelaa- 

tcn hebbende, liep deeze vry lang, doch zeer wild, heen en weder, 

en zelfs om en over de Slang, die eindelvk zyn prooi in de ribben 

beet : terftond verviel het Dier ( dat by de beet zeer fterk gepiept 

had,) in zwaare ftuip - trekkingen; en, in minder dan een en een 

halven minuut, ftieif de Muis. Aanftonds na deeze proefneming van 

het byten der Slang , zag de Heer Baron de Hociiepied ( die 

toen by my was) nevens my, een zonderling bedryf der Slang, 't 

welk wy te voren noch nooit gezien hadden. Terftond na de beet , 

(daarin tegendeel de Slang zich anders ftil hield,) begaf zy zich inge- 

duurige beweeging met het hoofd tegen het glas, gaapte en geeuwde 

cp deeze wyze wel vyfcien- of twintig - maaien , kort op elkander, 

den bek , zo wyd mogelyk , dikwils zeer fchuin en fcheef, ver- 

Ichrikkelyk open fpeiTcnde. By deeze gelegenheid liet zy ook 

haarc vergiftigende w apentuigcn , de twee, ter wedcrzyden , voor aan 

boven in den bek ftaande , en een weinig krom geboogen tanden , ten 

allerduidelykfte gcduurig zien , en ratelde , gelyk in alle de voori- 

gc reizen, toen zeer fterk. Wy raakten, by dit zonderling ver- 

fchynzel , in 't vermoeden , of de Slang ook haare tanden op de 

ribben der Muis mogt bezeerd hebben. 

Saturdng den s.üétobcr. Tot deczcn tyd liet ik de Slang in ruft, 
cc Muis, en 't geen wy verder bedachten, by haar laatcnde, om 

te 



AMERIKAANSCHE RATEL-SLANG. i- 

te 'zien of zy wilde eeten ; dan alles was vruchteloos. Ondeitus- 
fchen, het kasje , of kisje , in het welk zy zich bevond, wat te klein 
achtende, had ik een ander, van vuurenhout, doen maaken, 't 
geen veel grooter was , en 't welk men op een derde konde afflui- 
ten, door een nederzakkende fchuif Ik kreeg hier door gele- 
genheid , om alles , 't geen ik \\ilde , zonder gevaar , in decze 
kift by de Slang te brengen , door middel van haar met een ftokje 
in de groote ruimte te jaagen , welke ik dan affloot , en het af- 
zonderlyk met glas voorzien zj-nde dekzel maar op floeg. Het 
Dier in deeze zyne nieuwe en ruime wooning overgebragt hebben- 
de, ('t geen niet zonder vrees , en alle mogelyke voorzorg ge- 
fchiedde ,) gaf ik het een groote kom met water , nevens een bak- 
je met verfche melk , waar van wy den uitflag , die zonder vrucht 
was , reeds gezegd hebben. 

Vrydag den 1 1 . Oétober. Van den vjfden Oclober tot deezen 
dag toe, lieten wy haar aan zich zelve, de melk, het water, enz. 
van tyd tot tyd ververfchende , om te zien of zy , by nacht of by 
dag , noch kift ter fpysneming zoude krygen ; doch \vy konden 
zulks niet befpeuren. Dien zelfden morgen, door een gezelfchap 
verzocht wordende om de Slang te mogen zien , gaf ik haar weder 
een Vogel , die, zeer fchielyk door haar gebeten zjnde , even 
als de anderen , in veertien minuuten , ftieif. 

Saturdag den 12. des namiddags , om half twee uuren , had ik 
de eer en het genoegen , dat Hunne Doorl. tlooGHEDEN , de 
Heer. Prins Erfstadhouder , nevens den Heere Hertog 
LoDEWYK VAN Brunswyk Lunenburg , (Scc. &c. &c. dc Slang 
kwamen bezien. Men gaf haar wederom een Vogel , die , zeer be- 
vreesd , weg kroop , en , niet tegcnftaande alle daar toe aange- 
wende moeite, wilde de Slang, die men nu aanhitfte, en by welke 
men den Vogel bragt , denzelven niet byten , gclyk zy ook toen 
ten tyde niet ratelde. In den namiddag , om half vyf uuren , m&t 
eenig gezelfchap , weder by de Slang koomcnde , in welkers kift 
ik den Vogel gelaten had , vonden wy den zei yen no.ch onbefclia- 
.,'M ' C * ' ''"^ digd. 



i8 B E S C H RY V I N G van de 

digd , doch digt in een hoekje zittende. Met een ftokje den Vo- 
gel verfcheiden maaien by de Slang brengende , ( 't welk ik doen 
kon , vermits over al daar toe gaten in de kiil gemaakt w^en , ) 
beet eindelyk de Slang , na een weinig gerateld te hebben , en de 
Vogel ftierf , gclyk alle anderen , aan ftuipen , in zeventien mi- 
nuuten. ' <■• 

Na deeze laatfle proefneming, verminderde de Slang van dag 
tot dag in krachten , hoe langer hoe minder zich beweegende. 

Woensdag den 1 6. bevond ik dezelve geheel magteloos ; nu en 
dan, wat benaauwd fchynende, verkroop zy een weinig, ■> ^ -.. .. 

Donderdag den 1 7. 's morgens om t^vaalf uuren , haar met een 
fkokje aanraakcndc , gaf zy maar flaauwe blyken van leeven : kort 
hier op begon zy, uit zich zelve, te ratelen, doch zeer zacht, en, 
gelyk my zulks nader Week, alleen dnnr cene ftuiptrckkende be- 
weeging. Dit bleef aanhouden met tusfchenpoozen , en open- 
fparringen des beks, even als op den 29. der voorige maand, tot 
in den namiddag om vier uuren , vindende ik haar, korten tyd daar 
na, geftorven. 

Deeze Slang was , volgens ontfangen bericht, in Surinamen ge^ 
vangen op de Plantagic , genaarnd de Fier Kinderen , in Para , in het 
begin van de maand April 1765.; en had dus, toen ik dezelve 
kreeg , reeds vyf maanden , en drie weeken , zonder voedzel ge*» 
leefd , en , na dien tyd , by my , noch zeven en t^vintig dagen. 

Den avond van haar overlyden , den buik zeer rood en ontftoken 
vindende , deed ik haar tcrflond in fterken brandewyn. Door 
geduurige vermagering, was de dikte, voomarnelyk op den rug, 
zeer verminderd , zo dat zy , op den buik liggende , zich als drie- 
kantig vertoonde. 

Op den 10. January i7(56. , en dus, na omtrent drie maanden 
in brandew>'n gelegen te hebben , wlde ik beproeven of de Slang 
haar vergif noch behouden had. Na de vergiftigende tanden , door 
een werktuig , naar vooren gebragt te hebben , nam ik een frisfchen 
leevenden vogel , en kwetfte deezen daar mede in het vleugel-lid, 

.} des 



AMERIKAANSCHE RATEL-SLANG. 19 

des namiddags om vjf uuren. Zo dra had ik den Vogel niet wcêr 
in zyne kooi gezet , of Iiy gaf aanftonds blyken der werking van 
het fenyn , en bleef onbeweeglyk op ééne plaats , dan met toe , 
en dan wederom met open oogen zitten ; tot dat myn knecht , des 
avonds tusfchen tien en elf uuren, my kwam zeggen, dat hy hem 
fchielyk dood gevonden had. 

Alle deeze Vogels , gelyk mede de Muis , zaten ogenblik'lyk 
na de ontfangene wond zeer ftil, tot hun de ftuiptrekkingen méér 
en meer overvielen. 

De doode Vogels en de Muis naziende , kon men naauwlyks de 
beet der tanden ontdekken. Aan twee Vogels, welken ik in het 
vleugel -lid had zien byten, zag men t\vee, onbegiypelyk kleine, 
paars roode vlekjes , doch het lyf was niets opgezwollen ; zy fchee- 
nen ook geen vroeger bederving onderhevig te zyn , vermits ik 
dezelven , hoewel Ibmwylcn drie of vier dagen by de Slang laaten-« 
de, niet meer, dan gewoonlyk, bedorven vond. 

De Slang liet de aan haar voorgeworpen Diertjes na de beet aan- 
ftonds los, en kroop te rug, als verzekerd van haar bedr>f. Zy 
nam doorgaans haare kans zeer wel waar , en fchoot , zeer kwaad- 
aartig in het byten , met een open gefparden bek , en uitwaards 
gebogen tanden , op haaren prooi toe ; daar na rolde . zy zich , in 
een hoek der kift , in een , ratelde mecft A'oor af en daar na , dik- 
wyls zeer lang , den flaart , in 't midden van haar , even gelyk een 
opgerold kabeltouw , liggend lighaam , naar om hoog al drillende 
beweegende. 

In de Philofophifche Tranfa&ions ,(dQ fchr>'ver van het Journal des 
fcüvans zegt niet in wdk deel) vind men eene uitvoerige Verhande- 
ling , aangaande verfcheide Proefnemingen , welken de Kapitein 
Hall, in Carolina, weegens de uitwerkzelen der beet van deeze 
Slangen op verfcheiden dieren , genemen heeft : de beveftigende 
overeenkomft met de onzen , en de' zeldzaemheid van zodanige 
proeven , doen ons overgaan , om dezelven hier kort ter neer te 
fteUen. 

C 2 Hy 



'so B E S C H RY V I N G van de 

Hy liet een Ratel -Hang, van omtrend vier voet, aan een flok, 
in den t^rond ftaande , vallmaaken. Dn e Honden werden door de 
^ilan"' "-ebeeten. De eerfte fticrf in min dan een vierde van een 
minuut; de tweede, kort daer op gebeeten , in twee uuren ; bei- 
den aan ftuipen. De derde, gebeeten een halfuur daar na, on- 
derging de ziehtbaare werking van het vergif eerft drie uuren na- 
derhand, en ftierf,doch onzeker wanneer. Vier dagen daar naftierf 
een vierde Hond in een halve , en een andere , wat laater , in vieu 
minuuten. Een Kat werd den volgenden dag dood gevonden. Acht 
dagen na dien tyd zag men een gebeeten Kikvorlch in twee , en een 
Kuiken van drie maanden in drie minuuten fterven. Eenigen tuf- 
fchentyd, door gebrek aan voorwerpen, verloopen zjnde, kreeg 
men een gemeene witte Slang, die llerk, en by de drie voet lang 
was ; men bragt deeze by de Ratel - (lang , zy beeten elkaar ; doch 
de gemeene Slang beet de andere fterk genoeg om die te doen 
bloeden. Men fcheitide dezelven van een, en in min dan acht 
minuuten ftierf de witte Slang; de andere, daar tegen, hoewel 
fterker gebeeten , gaf geen de minfle bl\"k \'an ziekte , maar be- 
vond zich zo wel als voorheen. Eindel.yk willende zien of de 
Ratel -Hang ook zich zelve zou konnen befchadigcn, ftclde men 
alles in 't werk om haar zich zelve te doen byten , dit gelukte ^ 
en in minder dan twaalf minuuten gaf zy den geeft. 

De Varkens zoeken de Ratel-, zo wel als alle andere Slangen, 
en eeten dezelven met zeer veel fmaak, zonder het minde letzeL 
Een Hond at den afgehakten en vermorzelden kop van een deezec 
Slangen , zonder hindernis. 

Dikwyls ziet men deeze foort van Ratel -Hangen , wanneer zy 
noch jong zyu, maar met een, twee of drie fchellen in den RateL 



..iu h. 



,.,-r 



Il r. 3 




B& 



AMERIKAANSCIÏE RATEL-SLANG. 21 

BESCHRYVING 

■ DER . ^ ■ 

- ■ SIERLYK GETEEKENDE, EN OVER DEN KOP EN HALS ■ 

- ' TWEE LANGE ZWARTE STREEPEN HEBBENDE, 

S U R I N A A M S C II E . > , 

RATELSLANG. 

DE Lengte van deeze Slang is drie voet , en een halve duim. 
Het Hoofd is van boven plat , achter naar het lyf breed , 
en naar vooren fmal of overal rond. De ronde holle Neufgaten 
liaan voor aan den bek , wat laager dan de oogen. De Oogen , 
na den dood , en in Liquor ftaande , zyn paarelkleurig , met een 
witten oog -appel. In leeven zynde, waren dezelven fchitterende 
donker bruin, met een perpendiculairen ftreep, die zich, naar 
maaten van het licht, verwydertle of vernaauwde. De Tong is 
zwart, buigzaam, van voren in twee -en verdeeld, en ligt onder 
in den bek in een fchede beflotcn. Het maakzel zo van de ver- 
giftigende, als der andere Tanden , en van het geheel ontlede 
Hoofd, is volmaakt, by Dr. Me ad, afgebeeld en bcfchreven. 

Boven op den Kop is deeze Slang fierlyk geteekend , met zwar- 
te, dwars en ter zyde uidoopende ftreepen, waar van de twee mid- 
delden boven over den hals , zeer lang en recht door loopen , die 
daar na, in een omgeboogen punf, op den rug eindigen. Laa- 
ger naar de boiit of den buik ftaan noch een of twee fmalle flrce- 
pjes van zwarte Schubben. Verder op den rug , en ter zy- 

C 3 de 



21 BESCHRYVING van de 

de den buik, vertoonen de Schubben zich als ruitachtige figuuren, 
die in het midden ligt bruin, en door een zwarten, en een vuilgeelen 
rand omtrokken zyn. Benedcnwaard.s , naar den buik, zyn de Schub- 
ben min of meer afch-kleurig, hier en daar met zwarten gemengd. 
Maar naar den ftaart verliejft zich deeze ruitachtige teekening; de 
zwarte Schubben neemen hier een muisvaaler kleur aan , hoewel 'er 
cenigen onder zyn die men vuil geelen of alchkleurigen kan noe- 
men. Aan het einde van den ftaert,tot aan den ratel, zyn zy we- 
der muisvaal. De breede Buik- en Staart-fchilden zyn in het leeven 
wit , doch worden geelachtiger na den dood. 

De gedaanten der Schubben koomen het naaft aan ruitachtige fi- 
guuren, die, even als de leyën op de daken, over elkander ge- 
fchooven liggen, zo dat elke Schubbe met haar punt, of liever 
tot over de helft , onder de bovenfte Schub uit fteekt : zy zyn 
zo gefchikt , dat zy den loop der figuuren , waarmede deeze Slang 
vcrfierd is, volgen. Boven op het Hooft der Slang, op den 
Rug, naar -en op den Staart, zyn de Schubben het kleinfi:, plat 
en digt op een liggende ; verder naai' de zyden , of naar den 
buik , worden zy al grooter en grooter , en vertoonen zich aldaar 
meer verheven of opwaaits ftaande. De Schilden of Schubben, welken 
de onderftc deelen der Slang , gelyk de Keel , den Buik , en Staart 
bedekken, beftaan elk uit een linal ftuk of fchub , welken over el- 
kander gefchooven , de gehecle breette van die deelen bedekken. 
De Schubben zelve IchjTien van eene hoomachüge zelfïlandigheid 
te zyn , die zeer dun is. 

De Ratel befl:aat in deeze Slang, uit zes leden, en is van een 
zeer dunne hoorn - achtige natuur. Elk lid is los , en inwendig 
drie dubbeld in elkaar fchietende , waar door het een het ander kan 
vaft houden : dus ^•en\■onderlyk z>n zy te laamen gefi:eld. 




'' f\ 



BESCHRYVING 

VAN DE ZEER ZELDZAAM E, 

LANGSTAARTIGE, RUW-GESCHUBDE 

SLANG-HAGEDIS. 

MOGELYK IN AFRICA VALLENDE? 

GELYK MEDE, VAN DE ZELDZAAME 

AFRÏCAANSCHE GLAD-GESCHUBDE 

WORM-HAGEDIS, 

VAN DE KAAP DE GOEDE HOOP. 

Beide bewaard wordende in het Museum 
VAN Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HE E RE PRINS E VAN ORANJE EN NASSAU IV, ERF^ 

STADHOUDER, ERF-GOUVERNEUR , ERF-CAPITEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERLANDEN, enz. enz. enz. 

BESCHREEVEN EN UITGEGEEVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

Directeur der Vorjlelyke Natuur- en Kunft-Kah'netten en Diergaarden, Lid 

der Kcizerlyke Akademis, en Korrefpondent der Koninglyh Akadcmie der 

Weetcnjchappen van Parys, Lid van het Zceuwfche Genootfchap der 

IFeetenfchappen van Vlisfingcn , en van de Hollandjche 

Maatfchappye te Haarlem. 

* 
TE AMSTERDAM, 

B Y P I E T E R M E IJ E R, 

MD C C L X X I V. 



^'W'.I. 




C: Jizstt/^M , hèdi^e.'„ui rir. „ 



NATUURLYKE HISTORIE 

VA N D E 

LANGSTAARTIGE, RUW-GESCHUBDE 

SLA NG-H AG E Dl S, 

MOGELYK UIT AFRICA. 

CELYKMEDEVANDE 

GLAD-GESCHUBDE AFRICAANSCHE 

W O R M H A G E D I & 

TO T onze onderwerpen in de Natiiurlyke Hiftorie , alleen- 
lyk dargeene neemende, 't welk geheel onbekend, of niet 
genoeg bekend is, zo volgt natuurlyk daar uit voort, dat wy 
dikwijls buiten (laat zyn, aan onze befchryvingen toe te voe- 
gen , dat leevendige en verlufligende , 't welk anders de verhande- 
lingen der geiiartheid , huishouding en eigenfchappen der Dieren , 
daar aan konnen geeven. Juift in deeze omftandigheid bevin- 
den wy ons thans , gelyk meermaalen , by deeze hier te befchry- 
vene voorwerpen. Dan , liever verkiezende onbekende Avezens , 
door goede afbeeldingen, bekend te maaken , en, zo veel moge» 
lyk , door befchryvingen op te helderen , en niet , gelyk forumige 
gedaan hebben, eenen Roman of eene verdichte Hiftorie der 
fchepfelen te geeven , bly ven wy ons ingetreeden pad bewandelen, 
en zwygen, daar ons genoegzaam licht ontbreekt. 

Gelyk het bygeloof .. door bedrog voortgeholpen , het Zeven- 
lioofdig dier verbeeld heeft (^); even zo heeft het ongeloof, 

alles 

ia) Seea Tbef. Tom. I. Tab. CII. fig. i, 

A 2 



'^ B E S C H R Y V I N G V A N D E 

alles aangrypende wat flegts dienen kon , om de Godlyke Open- 
baaringen te ontzenuwen , de vervloeking der Sla^ge , om voeten- 
loos op den buik te kruipen , door de ontdekking van dergelyke 
voorwerpen, als die van deeze verhandeling, trachten te beftry- 
den; voorgeevende , dat 'er Slangen met voeten gevonden wier- 
den. Dan hunne bepaalde kennis in de natuurlyke wezens, 
te dikwijls ontdekt, geene eigenlchappen of kenmerken gade 
flaande , wift van geene onderfcheidings kenmerken , welken de 
Slangen van de Hagedis fen onderfcheidt. Zy zyn 'er echter; en 
wy zyn derzelver opgehelderde kennis verfchuldigd , aan den 
lloogleeraar P. Camper, van wien wy eenige fraai je ontdek- 
kingen over het gehoor van verfcheide Dieren te wachten 
hebben. De voornaamfte verichillende eigenfchappen en 
kenmerken , tusfchen Slang en Hagedis , beftaan hier in ; dat de 
Slangen de ooren of gchoorgaaten bedekt, en, integendeel, de 
Hagedis fen die, hoewel zeer kleen, geheel ontbloot van cenig 
overdekfcl, vry en open hebben. De oogen der Hagedis fen , 
iluiten zig ook door leeden, doch die der Slangen zyn open. 

Het gebriuk , 't geen dit dier van de voetjes of vinnetjes kan 
maaken, vak niet gemaklyk te begrypen. Zy Ichjnen uiter- 
maaten zwak , en hebben geen bewjs van nagels aan derzelver 
uiteinden. Geheel met fchubbetjes gedekt, zeer dun zynde, 
en puntig uitloopende , kunnen zy in het water van geen den 
minden dicnfl: zyn, en men zoude hier uit, dunkt my, mogen 
befluiten, dat het meer, voor een Land- dan voor een Water- 
diertje , kan gehouden worden. 

Deeze zeldzaame rmv-gefchubde Slang- Hagedis ^ is voor veele 
Jiiaren uit het Cabinet van eenen voornaamen Liefhebber, den 
Heere Van Hoey, Med. Doóïor, in dat van my, 't welk ik 
als doen bezat, en 't geen ik naderhand aan Zyne Doorl. 
Hoogheid den Heere P rinse van Oranje en 
Nassalmv etc. etc. etc. by de aanvaarding myner bedie- 
dinge verkogt hebbe , overgegaan. Ik kan. my niet. herinneren , 



LANGST AART. , RUW-GE^. SLANG HAGEDIS , enz. '5 

de weêrgade daarvan in eenig Cabinet gezien te hebben. A. Se ba 
echter fcliijnt mede een bezitter daarvan ^eweeft te 2,yn (V), doqh 
't' geen hy van dezelve zegt , dat zy aaii de Kaap by de Tafelbtióy 
in de rivier tusfchen de klippen in .menigte zouden te vinden 
zyn , komt my twyfleliigtig voor , en fcliynt my meerder toepas- 
felyk te weezen op de Worm-Hagedis ^ die wy zo flraks be- 
fchryven zullen, om reeden , ditt ik die van de Kaap hebbe ontfan- 
gen,-'doch de -.Slang - Hagedis nooit, hoe zeer ik daarótii ge- 
gefcbiteeven hebbe j zo dat hfet bericht, dien aangaande aan deii 
Heer S e b a gedaan , denkelyk , _ verkeerd zal gefchied zyn. 

Het fchynt my echter toe, dat 'er in de lengte en 't onbuig- 
zaame van den ftaart, van die van Se ba, en 'iii de tchubben 
van den buik en kleur, eenig verfchil is met de onze. 

De Ridder Linnée (r), heeft hem , onder de benoeming 
van Angiiina , met recht onder de Hagedisfen geplaatfl , en een 
byvoegfel omtrent zyne gedaante, in zyn vernieuwd SyjJéma, 
gegeeven , 't geen ik hem over eenige Jaaren in eeften brief mede- 
deelde; doch ik heb my als toen vergift, in dit diertje nagels 
aan de voetjes toe te fchry ven , waar in ik misleid geweeft ben , 
door de pimtige overfteekende fchubbetjes, die de voetjes be- 
dekken. 

De Heer Houttuin (i^) noemt hem Wotin - Hagedis , 
welke naam my echter eigenlyker tocfchynt aan de volgende 
foort te behooren. 

(ö) Tom, II. Tab. 63 fig. 7 £f 8. 

(c} Edit. Dnod reformata, Tom. I pag. 371, 

Qd) Natuurlyke Hijlorie der Dieren enz , I Diel 6. Stuk pag. 1B6. 



A 3 ' B E- 



ö BESCHRYVING van de 

BESCHRYVING 

' V A N D E 

LANG STAART! GE, RUW- GESCHUBDE 

S L A N G-H A G E D I S 

Tab. I. 

DE lengte van dezelve is twintig duim , en de dikte overeen- 
komlVig met de hier by gevoegde afbeelding. 

De kleur is , over het geheel genomen , alchgraauw , op de zy- 
den naar den ftaart een weinig donkerder. De buik wat witter. 

De langwei-pige fchubben liggen in taamelyk rechte reijen, 
byna gelyk de leijen op de daken der huizen; doch op den 
buik nog rechter, en niet, gelyk by die van Seba, ruitsge- 
wys o\'cr elkander gefchooven. 

tiet hoofd loopt met het lichaam egaal uit. Het fch^^nt my 
toe , dat zich vooraan , ter zyden van den bek , kleene neusgaten 
vertoonen. De tong .... De tanden . . . zyn , door het 
(luiten van den bek , ( en niet te openen zonder gevaar van het 
voorwerp te lebenden) niet zigtbaar: Het fchynt eclitcr, dat 
het, leevend, de bek wyd knn openen. Dit diertje heeft oog- 
leden, die hetzelve, als andere dieren, kan Huiten : de ooren 
of gehoor - gaten ftaan kort achter den bek , dwai's , zyn meerder 
la^g^verpig, dan rond. 

De vier kleine voetjes zyn genoegzaam rond, mede, gelyk 
het lyf, tot aan het uiteinde, rondom met fchubbetjes bedekt, 
zonder het minde bewys van nageltjcs aan derzelver uiteinde. 

De Itaart loopt dun en draadswyze uit, en is, ten einde toe, 
'met gemelde fchubbetjes gedekt. Dicht by de achtervoetjes ver- 
topnt zich den a,'UJs. N A- 



AFRICAANSCHE GLAD-GES. WORM-HAGEDIS, f 

NATUURLYKE HISTORIE 

VAN DE 

AFRICAANSCHE GLAD-GESCHUBDE 

W O R M - H A G E D I S, 

DIT diertje, niet zeer gemeen in de Cabinetten der Lief- 
hebbers voorkomende, is ons, onder anderen, voor ecnige 
Jaaren van de Kaap de Goede Hoop, door den overleeden Heer 
Gouverneur Tulbach, toegezonden 

Verfcheide zo vroege als laatere Schryvers- (<^), hebben het 
zelve aangehaald, doch tot nog toe met geene goede afbeelding 
opgehelderd. 

De Ouden hebben 'er vry duifter van gefprooken, de flaart 
re lang en te dun uitloopende afgebeeld , hun te groot gemaakt , 
en de fchaadelyke eigenfchap gegeeven , als of hunne beete ver- 
giftig was 5 en verrotting in de wond zoude' brengen. Dit is 
echter niet waarfchynlyk , de kleenheid en het aanzien deezer 
diertjes , in aanmerking genomen ; want verfcheiden die ik gezien 
hebbe, waren alle zeer kleen. Men kent daarenboven het alge- 
meen en kwaad gerucht, waarin zelfs onze gemeene Inlandfche 
Land- TIagedisfen, als vergiftig, nog zyn; hoewel my het tegen- 
deel , door eigene ondervinding, bekend is. De Heer Linnée, 

heeft- 

(^a') l^iVEV^htvs. Hiji. Naturalis pag,9\-j. Cacilia major. 

Aldrovandus. Ouad. digit. vivip- pag, ó^B. Lacerta Chalcidlca, ■ 

CoLUMNA. Expr. L pag.<^^. tab. "^Q. Laccrta Cbalcidica. 

Raj. Quad. pag. 272. utjiipra. 

Gronovius. Zoopbylacii pag. 11. iV''. 43. Scificusl- 

Linnée. Syft. Nat. pag. ^Sq. Cbalcidis. 

Houttuin Natuurlyke Hijlorie der Dieren, I. Deel 6. Stuk Madz. iSnli'" 



8 BESCHRYVING van de AFRïCAANSCHE enz. 

heeft dezelve eerft als drievingerig , en daarna als viervingerig 
befchreeven ; doch de Heer Gronovius heeft die , te recht , 
als vyfvingerig te boek gefield , en als een Scincus aangemerkt. 

Het IS vry waarfchynlyk , dat deeze diertjes zich in wa- 
terachtige plaatien ophouden, en van kleene gekorvene diertjes 
leeven, dus \vy het gezegde van Seba, omtrent het verblyf.van 
de vowgaande, op deeze, die ongetwyfeld een Africaanfche is, 
liever toepasfen. ' . .^^ -^ r- 



BESCHRYVING 

VAN DE 

AFRICAANSCFIE GLAD-GESCHUBDE 

W O R M - H A G E D I S. 

DIT diertje is hier, na genoeg, op zj-n waare grootte afge- 
beeld. ■••;/ •.: .: 

De heerfchende kleur is van het bovenlyf rofch-kleurig bruin, 
waarop , de fyne gladde en dichtHuitende fchubbetjes , eene fier- 
lyke fyne zwarte of donkerbruine tekening maaken. Van 
onderen is het geheel afchkleurig wit. Het is aan vervelling, 
gelyk alle Slangen en Hagedisfen , onderhevig. 

Het hoofd loopt met het lichaam egaal uit, van boven wat 
platachtig. - r i:: 

- De Tong. ... en Tanden zj^n niet zigtbaar: De oogleeden kan 
het , gelj'k alle andere foorten , fluiten. De ooren-. of gehoorgaatjes 
zyn rond , en ftaan in eene regte lyn , wat van den bek af. 

De vier kleine voetjes zyn rond , gelyk het lyf , met kleine 
fchubbetjes bedekt, en naar beneden elk zeer duidelyk in vyf 
kleine vingertjes verdeeld, welke wederom elk , met een klcen 
wit , krom en fcharp nageltje , gewapend zyn. 

De ftaart loopt rolrond en dikpuntig uit. Den Anus heeft 
hetzelve kort. achtei' de achtervoetjes. 



B E S C H R Y V I N G 

VAN TWEE VERSCHILLENDE EN VOOR ALS NOG 
ZEER WEINIG BEKENDE 

PLATSTAART SLANGEN, 

ZYNDE DE BRUIN-ltUG uit MEXICO, en de 
GERINGDE uit de INDISCHE ZEEN. 

Beide f met mg eene 'verfchilkfide foorte van de ladtjigemelde. 
bewaard wordende in het Museum 

V A N Z Y N E 

DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID, 

DEN HEERE PRINSE VAN ORANJE EN NASSAUJV, ERF-. 

STADHOUDER, ERF-GOUFERNEUR , ERF-CAPITEIN- 

GENERAAL EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE 

NEDERL4NDEN, enz. enz. enz. 

BESCHREEVEN EN UITGEGEEVEN DOOR 

A. V O S M A E R, 

■DireÜtur der Vorftelyke Natuur, en Kimjl-Kabïnetten en Diergaarden, Lid 

der Keizerlyke Akademie, en Korrefpondent der Koninglyke Akademie der 

Weetenfchappen van Parys , Lid van het Zeeuwfche GenootfcJiap der 

Weetenfchappen van Flisfingen, en van de Hollandfche 

Maatfchappye te Haarlem, 

TE AMSTERDAM, 

B y P I E T E R M E IJ E R, 

MD C C L X X J F, 



A/rtif'. II. 




yca :'!>:, i^. 



NATUURLYKE HISTORIE 

VA N D E 

B R U I N - R U G 

PLAT STAART SLANG, 

Uit MEXICO. 

DIT zeldzaam voorwerp ontdekte ik, onder andere fraaije 
zaaken, toen , voor verfcheide Jaaren,"by de oprech- 
ting van het Kabinet, door wylen Haare Koninglyke 
Hoogheid, Glorieufer Gedachtenisfe, de Verzameling van 
den Heer de Lassaraz, voor het Cabinet gekogt wierd. 
Tot nog toe heb ik geene weêrgade daarvan in eenlg Cabinet 
gevonden. Alleen Seba (ö) fchynt het mede gehad te heb- 
ben ; hy zegt dat het te Mexico te huis hoort , en befchryft het 
onder de benoeming van Nixboa Oiianquecholla ^ of zeldzaame 
Slang van Mexico , met eenen breeden ftaait. Dit is het alles , 
behalven de kleur - befchryving , wat wy daarvan vinden , en de 
afbeelding is zeer gebrekkig. 

De Heer L i n n É e , hetgeen vreemd is , heeft deeze Platflaart 
in zyne Rangfchikking niet overgenomen, daar hy nochtans die, 
waarvan wy ftraks fpreeken zullen , of eene verfchillcnde foort 
derzelve , zeer wel gekend en plaats gegeeven heeft. 

De overeenkomst , welke tusfchen deeze en de volgende 
te vinden is , zo in de platheid der ftaart , het ontbreeken der 
buikfchilden , als anders , doet my denken , dat deeze van denzelfden 
aart, en dus een Zee-dier of Zee-Slang, zjnzal, terwyl dezelve 
zig , door het gebrek der vinnen , genoeg van Zee-lampereijen en 
Aaien, onderfcheidt. B E- 

(a) ThiS^ Tw. //. Tsi. hXXVll, Fig. a. of liever i. als verkeerd gemerkt zynde. 

A 2 



4 BESCHRYV. van de BRUIN-RUG PLATST. SLANG. 



BESCHRYVING 

VAN DE 

B R U I N - R U G 

PLATSTAART SLANG 

Tab. I l 

HET dier, hier op zyne waare grootte afgebeeld zynde, 
behoeft desiiangaande geen e nadere bepaaling. 

Over het hoofd en langs den geheelen rug loopt een breede 
donkerbruine band , zynde verder licht- of flaauw - geel. Ter 
zyde, naby het beginfel van en op den flaart, vertoonen zig 
eenige bruine vlakken. 

Vooraan op den bovenbek vertoonen zig twQQ wat van een 
ftaande ronde gaatjes , die mogelyk de neusgaten zullen zyn. 
De kop is van boven gedekt met kleene fchildplaatjes , even als 
fommige Slangen. De . ronde oogen fchynen blaauwiichtig, 
in 't midden een wit (lipje hebbende , 'er zyn geene oogleeden , 
noch zichtbaare gehoorgaten. 

Het geheele lyf is van onderen , als op den rug, gelyk mede 
op zyde en den ftaart, met zeer kleene plat- en dichtfluitende 
fchobbetjes bezet. 

Men befpeurt geen het alleiTninfte bewys van vinnen. Het 
lyf fchynt rondiichtig, naar het ftaart-einde, ter zyden, wat meer 
plat gedrukt. , 

De ftaart is omtrent een duim lang, ter zyden geheel en al 
dun en plat. Het heeft onder aan den buik , noch aan het ftaart- 
einde , geene de minfte tekens van fmalle buikfchubben , die 
anders aan de Slangen eigen zyn.,^ N A- 



BESCHRYV. van de geringde PLATST. SLANG. 5 

NATUURLYKE HISTORIE 

VAN DE 

G ERIN G D E 

PLATSTAART SLANG, 

U I T D E 

INDISCHE ZEER 

DIT Zeldzaam, en zo veel ik weet, nog niet befchree^ 
ven Platflaart Slangetje , is , tegelyk met het voorige , 
uit de Cabinet - verzameling van den Heer De Lassaraz, 
zonder dat men weet, van waar het afkomflig is. In deeze 
onkunde zouden wy mogelyk nog lang gebleeven zyn ; dan 
verfcheide bezoeken , waarmede de beroemde Engelfche Na- 
tuurkundige , de Heer Banks, zo bekend door zyne Re^jze 
rondom de Weereld, by zyn verblyf alhier , my vereerde, deed 
my daarvan eenige nadere kennis verkrygen. Deeze, by on» 
zeldzaame voorwerpen, onder anderen, aan Hem vcrtoonende, 
verzekerde by my , drie onderfcheide Iborten van dezelve , en 
in eene groote meenigte gevonden te hebben , op de volgende 
plaatfen , naamelyk : in de ftille Zee , langs de Ooft-kuft van Nieuw- 
Holland , van 20. tot 10. graaden Zuiderbreedte. Verder in de 
Zee, tusfchen Nieuw -Guinee en het Noordelyk gedeelte, van 
Nieuw - Holland , tot voorby het Zuidelyk gedeelte van het 
Eyland Timor. Z yn Wel Ed. verhaalde my nog , dat die 
zelfde foorten van Slangen mede gezien zyn in de Zeen en op 
de Kuiten van Chpa. Met mooy weer in ftille zee, zagen 

A 3 ' zy 



g BESCHRYVING van de 

zy die zwemmen, gelyk met de oppervlakte van het water, 
en ook dikwyls weder nederwaards naar den grond duiken. 

Dampier (/>) fpreekt in de Reizen , door hem naar 
het Zuidland gedaan , ook reeds van verfcheide foorten van 
Water ' flangen ^ die hy by de Kufl: van Nieuw- Holland gezien 
heeft; doch de befchryving die hy daarvan geeft, en de veran- 
dering der kleuren , welke , vooral de Water-dieren , in de Liquor 
ondergaan, waarin die ons overgezonden worden, kunnen my 
met geene zekerheid doen bepaalen , of het dezelfde foorten zyn ; 
hoewel de Heer Banks, die daarvan by my als Natuurkundige 
en ooggetuige fprak , zulks verzekerde. 

Dit is het al , 't welk wy omtrent dit zeldzaam fchepfel zeg- 
gen konnen. Maar niet lang geleeden , heb ik nog eene derde 
zeer merkelyk daarvan verfchillende gekreegen, door inruiling, 
voor dubbelde zaaken (eene handelwyze , waardoor ik duizenden 
van fraaije Zeldzaamheden, aan het Cabinet, zonder de minfte 
koften, bezorgd hebbe). Deeze verfcheidenheid van de twee 
voorgaande , is juift die , waarvan de Ridder Linnée (r), 
de allereerfte befchryving en afbeelding heeft gegeeven, onder 
de benoeming van Lmicaudatus , in het Cabinet des Konings van 
Zweeden. Dan even deeze , waarvan wy nu fpreeken , hoe zeer 
dezelve in den eerften opflag dezelfde fchynt met de voorgaande 
befehreevene foort, is geheel en al verfchillende. 

By de voorige twee verfcheide foorten is gezegd., dat die, 
gclyk anders de gewoone Slangen hebben, met geene buik- of 
flaart - fchllden of fchubben voorzien zyn ; deeze integendeel 
heeft die zeer kennelyk , 't welk eene zondedinge verfcheiden- 
heid oplevert. De 

(2») W. Dampier en L. Wafers Reistc^ten rondom de Waereld, HL Deel 
bladz^ 60. 61. en 62. ^c. , Amjt. 1717. Huil. Edit. 

CO Mufc^i Adolpbi Fred. , Tom. I. Tab. Xn. fig. I. pag. 31 êf 32. Idem 
Syjt. Nat., pag. 383- Colub. Laticaudalus. 

Houttuin Natuurlyke Hijtorie der Dieren, I Deel 6. Stuk, bladz. 391. Breed- 
Jlaartige. En, wat verder , onder de eigenlyke zogenoemde Slangen, ontmoet men nog 
een Surinaam/cbe Breedjlaart y bladz 424. 



GERINGDE PLATSTAART SLANG. 7 

De verdere verfchillen,'die in deeze voorkomen, en waar- 
door deeze zich , van de hiervooren befchreevene , onderfcheidt , 
zyn als volgt: 

De zwarte banden zyn breeder, ftaan wyder vaneen, en 
loopen niet alle rondom tot één. De drie eerfle banden van 
en by de kop loopen , op zyde van het onderkaakbeen , door 
een ftreep byeen. Alle de banden zyn zwarter. De kleur is 
óp het lyf loodkleurig blaauw, onder aan de buik geel- wit, waar- 
by men dan nog de hierby komende buikfchilden , als een 
hoofdkenmerk , moet voegen. Te Haarlem , in het Cabinet van 

de HOLLANDSCHE MaATSC HAPPY DERWeETEN- 

SCHAPPEN is eene dergelyke. Waarfchynlyk zyn deeze beide 
uit de Ooft-Indifche Zeen. 

B E S C H R Y V I N G 

VAN DE 

G E R IN G DE 

PLATSTAART SLANG, 

UIT DE 

INDISCHE ZEER 

Tab. I I. 

I J e e Z e S/ang is mede naar haare waare grootte afgebeeld. 

Het geheele lyf is omringd met digt byeen flaande, vaal- 
'zwarte banden of ringen. De kleur, tusfchen beide, is flaauw 

geelachtig _ 



8 BESCHRYVING van de GERINGDE enz. 

geelachtig-wit. Boven op den kop en punt der bek is medeeen 
vaale zwarte vlak. De platte ftaart is aan derzelver einde vaal- 
zwart. Vooraan op de bek zyn mede twee ronde, mogelyk, 
ueusgaatjes. De kop is met fchild-plaatjes gedekt. 

De oogen zyn rond , blaauwachtig , in 't midden wit. Geen' 
oogleeden noch zichtbaare gehoorgaten. Het lyf is rondom met 
kleene plat- en dichtfluitende ichubbetjes bezet. Het lyf is rond , 
naby het einde der ftaart, en de ftaart, plat. Het heeft geen 
het minfte teken van vinnen. Onder, aan den buik en ftaart, 
ziet men geen bewys van fchilden of fchubben , waarmede anders 
de Slangen voorzien zyn. 




Win 




,ll;:|i!l!llllll!!llllM!lll 



,1 lililllliiilllll'iïlill'iililllllli'li'li''' 
3 9088 01348 7822 




^..-: 


i 


mm 






V * 


• 




* 




* 


, 







( 


1