(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Advanced Microdevices Manuals | Linear Circuits Manuals | Supertex Manuals | Sundry Manuals | Echelon Manuals | RCA Manuals | National Semiconductor Manuals | Hewlett Packard Manuals | Signetics Manuals | Fluke Manuals | Datel Manuals | Intersil Manuals | Zilog Manuals | Maxim Manuals | Dallas Semiconductor Manuals | Temperature Manuals | SGS Manuals | Quantum Electronics Manuals | STDBus Manuals | Texas Instruments Manuals | IBM Microsoft Manuals | Grammar Analysis | Harris Manuals | Arrow Manuals | Monolithic Memories Manuals | Intel Manuals | Fault Tolerance Manuals | Johns Hopkins University Commencement | PHOIBLE Online | International Rectifier Manuals | Rectifiers scrs Triacs Manuals | Standard Microsystems Manuals | Additional Collections | Control PID Fuzzy Logic Manuals | Densitron Manuals | Philips Manuals | The Andhra Pradesh Legislative Assembly Debates | Linear Technologies Manuals | Cermetek Manuals | Miscellaneous Manuals | Hitachi Manuals | The Video Box | Communication Manuals | Scenix Manuals | Motorola Manuals | Agilent Manuals
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch Indië"

»> ^^If 







w 



f 



".* i l^i 



vV 



«iW 



m 



^i riiTQ* 




NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 



VOOR 



NEDERLANDSen INDIÉ. 



NATUURKIJiNDIG ÏIJDSCÏIRIFT 



NEDERLANDSen INDIE 



UITGEGEVE.N DOOR DE 



NATUURKUNDIGE VEllEENIGING 



HEiEELAnilDSCIEI inHDIE, 



0>fDER nOOFDKEDAKïIE VAS Dr. P. BLEEKER. 



» li: K Xi 1^ I X. 



DERDE SERIE. 

nKKJL II. 



T<M(K 
AmtCAk 

L A N G E & C O. 
185G — 1857. 



■BW YURE 
■OTiVNICAl, 



1 m II O u D 



VAN HET 



TWAALFDE DEEL (TWEEDE DEEL DER DERDE SERIE). 



Geologie , Geognosie , Mineralogie. 



BlaJz. 
AarJbcvingen iu dcu IiiJisclicn Archipel 2G5, 503 

BijJratjcu tot de geolosisclie en miueralo^'ischc Iccnuis vnu NeJcrlauJsch 
luJic, duor de iiigcuicurs vau het inijinvczcn iu NeJcrliiuJsch Indic. 
XVII. Onderzoek naar het aanwczca vau steenkolen iu liet terrein 
aan de Tjiletoekbaai , residentie Prcangerregcntichappeu , door O. V. U. 
^^ '■ IIuauKNix {met eene kaart) . . , 110 

y^ Scheikundig onderzoek van cenc vulkanische asch, door D. W. Rost van 

*^ TONNINCE.N 477 

CM 

00 
UJ 
Lu 



Bladz. 
Vcrrigtingcn van de niijningciiiears in NcJerlaiulsch InJië .... 267, 504 

Ven-igtingcn der gcograi)ln3chc ingenieurs in Nederlandscli Indië .... 3G8 

Topographischc schets van liet eiland Batjan, door J. G. Beunülot 

MoKNs 303 



Minerale wateren. 



De zontbron aan du Spaiik-rivier, landscliap Sintang, residentie AVestcrafdeeling 

van Borneo, door Dr. J. II. Ckoockewit, Hz 85 

Scheikundig onderzoek van een mineraalwater, afkomstig van het eiland Bor- 
neo, door D. AV. Rost van Tonninoen 90 



Planteukunde , Plaatenscheikunde , Kultuurgewassen. 

Nadere bijdrage tot de kennis van de voortteling van Eafflesia Arnoldii R. 

Br. in 's lauJs plantcntuin te Buitcnzorg, door J. E. Teijsmann . . 277 
TopgrapLische schets van het eiland Bntjan, zie Geol. enz. 
Verslag over de proeven met kultunr van suikerriet , door Dr. P. F. IT. 

Fkomberg 1 

Over den invloed van verschillende zouten op den groei en de zamenstelling 

der Beetwortels, door Dr. P. F. II. FROiiuKRa 129 

Physisch en chemisch onderzoek van de gronden der suikcrfahi'iek Wono- 
pringo in Pekalongan, uitgevoerd door D. AV. Eosr va.\ Ton- 

NlSGü.N 143 



I N II o U I>. Vil 

Bladz. 
Veisl;ig vnii do iiKkonistcn vnii liet clicniisdi ondcrzoclc, Iioofdzaliclijk op 

].ct si'.ikergclialtc van verscliillcnde suikerrictsooitcn van Java, als- 
mede van eenigc munsters zoogenaamde ampas, door Dr. P. V. II. 
Fkombeug 345 



Zoölogie. 

Aditste bijdrage tot de kennis der ichtliyologische fnun.i van ïeniatc, door 

Dr. P. Blekkkr 191 

mjdrngc tot de kennis der iclitliyologische fauna van het eiland Nias, door 

Dr. P. Bleekkii 211 

Derde lijdrage tut de kennis der ichtliyologische fauna van de Batoe- eilanden, 

door Dr. P. Blkeker 220 

Bcrigt omtrent eenige vischsoortcn van Toboali, eiland, Bauka, door Dr. V. 

Blkkkek 273 

Nieuwe bijdrage tot de kennis der iclithyologiscLe fauna van Bali, door 

Dr. P. Blüeker 291 

Bei igt omtrent eenige vischsoortcn , nieuw voor de kennis der fauna van het 

eiland Cerani , door Dr. P. Blekker 508 

Iets üvcr Mygalc javanica, door Dr. C. L. Dolesciiall 507 

Iels over de aan den indigo-bouw schadelijke dieren, door Dr. C. L. 

D0LE3CIIA.LL 2S2 

Index spccicrum jiiscium in volumiuibus XI et XII Diarii Socictatis Scicn- 

tiarum InJo-NeerlanJicae descriptaruni 510 

Topgrnphi<che schets van het eiland Bafjan , zie Geol : enz. 



VIII I N U o IJ I). 

Bladz. 
VergnJcringcn Jer Natuurkuudige Vcrecniging in Nederlrimlsch Indië. 

Best uursvergn de ringen gclioudcn den 20n Augustus, 23n September, 'Ju 

CU 21ü Oktüber, 20u November, lOn en 30n December 1S5G cnlTu 

Janupaij 1S57 243, 24G . 257, 25.2, 477, 487, 493, 4'Jfi 

Pcrsonaüeu 274, 509 



VERSLAG 



OVEli DE 



PROEVEN MET KULTUUR 



VAN 



SUIKERRIET. 



DOOR 



Dr. P. F. M. FR09IBËRQ. 



Dit A^erslacr is te beschouwen als eene voortzetting van 
het in 1854 ingediende, en zal daarom aanvangen waar 
het vorige geëindigd is, en in dezelfde volgorde blijven. 

In de mededeeling der voorbereidende werkzaamheden zal 
ik thans korter kunnen zijn , mij alleen bepalende tot dat- 
gene, w-aar in, bij \-roeger vergeleken , veranderingen hebben 
plaats gehad. 

Proeven in de velden hij Genteng. 

Na den oogst der verschillende rietsoorten in de maan- 
den September en Oktober 1853 , werden de verkregene 
stekken voorloopig op kweekbeddingen geplaatst, vermits 

3e SERIE DL. II. 1 



— 2 — 

het ten eenemale aan beschikbaren grond ontbrak. De reeds 
gebruikte moest na bewerking, op nieuw voor hetzelfde ge- 
was dienen. 

Den 20en September kwam het Bezoeki-riet , dat ik in 
het vervolg Probolingosch zal noemen , den 24en Oktober 
het Samarangsche en den 20sten het* Soerabajasche op de 
kweekbeddingen . 

Nadat het oude veld goed schoon gemaakt , van riet-stoe- 
len en wortels gezuiverd en herhaaldelijk met den patjol 
omgewerkt was, liet ik hetzelve verdeelen in twee reijen 
beddincren van 12 voet breed, o. en w. van elkander. Nu 
werden op elke bedding gleuven gemaakt, die opvolgend 
3 , 4 en G voet van elkander verwijderd waren. 

In elke dier gleuven weerden , als gewoonlijk , kuilen ge- 
maakt van ruim een halven voet diep en drie voet van el- 
kander. Aldus was op eene bedding de plantwijdte, 3 v. 
ü, op de volgende 3 bij 4 v., op de derde 3 bij 6 v., op de 
vierde 3 v. d enz. 

Het nadeel , van dit , voor bewatering onvatbaar stuk 
gronds , zoo ras weder voor dezelfde plant te gebruiken , 
meende ik ten deele te zullen vergoeden , door de alge- 
heele omwerking van den grond en verandering van bed- 
dingen. Maar bovendien moest hier, door de verschillende 
soorten van bemesting, die ik hier wilde toepassen, te meer 
uitkomen , wat in een' ongunstigen toestand derzelver wer- 
king vermag. 

De ontspruiting der rietstekken ging tragelijk voort , zoo- 
dat de beddingen zeker voor de ontvangst der planten ge- 
reed konden zijn , Avanneer deze voor de overplaatsing zou- 
den geschikt Avezen. 

Ik meende dan ook in den aanvang der maand Novem- 
ber met die overplanting te kunnen aanvangen, en wel 
met het Probolingo-riet , toen eene plotselinge hevige ziekte 
mij overviel, en tot in de laatste helft van December tot 



— 3 — 

alle bezigheid onbekwaam maakte. Dewijl ik niemand tot 
mijne hulp had , en er natuurlijk niet aan te denken was , dat 
het overplanten , zonder verwarring , door inlandsche man- 
doors zou kunnen geschieden , zoo moest al zoodanig werk 
volkomen stilstaan. 

Den 28en December zag ik mijne planten weder, en be- 
vond , dat eeue ruime hoeveelheid der stekken , namelijk 
ruim 10,000 waren ontsproten en , zooals te verwachten 
was , meerendeels reeds vrij hoog in blad stonden. 

Die , welke nog kort waren , zagen er ook in andere 
opzigten zoo schraal uit , dat zij , juist om dien geringen 
voortgang , niet veel gunstigs voor hot vervolg beloofden. 
Onder deze 10,000 planten waren slechts ongeveer 480 van 
Probolingo-riet , en ruim 7000 van het Samarangsche , dat 
de droogte beter schijnt te kunnen doorstaan. 

Den 29eii werd een deel van het Samarangsche riet over- 
geplant, en den 30en het overige. Alles werd dadelijk en 
ruim begoten. 

Daarbij werd die volgorde in acht genomen , dat van el- 
ke variëteit minstens drie plantwijdten , van sommige het 
dubbele , in de westelijke en in oostelijke rei beddingen , be- 
proefd werden. 

De bemesting , die zeer kort na het overplanten plaats had , 
werd tevens genoegzaam afgcAvisseld. 

Ik deel , ten blijke hiervan , het gansche plan, tabellarisch 
mede. 



4 — 



tb 


Wijdte 


der 


RIETSOORÏ. 


Bemesting. 


a 




2 fl 




-ö 


Plan1 


en. 




Namen der 


_0 rt 


o S 

CL, O 


o 

P3 








Stoffen. 


II 




1 


3 bij 


G V. 




kalk. 


12 


500 


2 


;) )) 


3 )> 




niets. 






3 


1) )) 


4 .. 




i'ietascli. 


8 


500 


4 


» )) 


6 .' 




do. & guano 


9 


375 


5 


1) )) 


3 .. 


INI. Oerang. 


guano. 


3 


250 


6 


)) )) 


4 >, 




kalk. 


6 


360 


7 


j» )) 


6 .. 




niets. 






8 


)) » 


3 '1 




rietasch. 


6 


500 


9 


!) )) 


4 >. 




do. & guano 


6 


375 


10 


)) )) 


G » 




guano. 


3 


125 


11 


)) )) 


3 .. 




kalk. 


6 


500 


12 


)) )) 


4 .. 




niets. 






13 


)) 1) 


6 n 




rietasch. 


12 


500 


14 


)) » 


3 .. 


M. Semboug. 


do. & guano 


9 


750 


15 


» » 


4 .. 




guano. 


3 


188 


16 


)1 I) 


6 .. 




kalk. 


6 


250 


17 


)) )) 


3 )) 




niets. 






18 


1) 1) 


4 ,. 




i'ietascli. 


6 


375 


19 


» » 


6 ., 




do. & guano 


9 


375 


20 


1) H 


3 ,> 




fruano. 


H 


125 


21 


)) )) 


4 ., 


INI. Rapoli. 


kalk. 


8 


500 


22 


)) I) 


6 ., 




niets. 






23 


» )) 


3 ,. 




rietasch. 


6 


500 


24 


)) )) 


4 ,, 




do. & guano 


9 


540 


25 


» )) 


6 ,, 




guano. 


3 


125 


26 


)) » 


3 ), 




kalk. 


6 


500 


27 


)) )) 


4 ,. 


M, Kijong. 


niets. 






28 


)) )) 


6 „ 




rietasch. 


6 


250 


29 


1) )) 


3 )) 




do. & guano 


4.1 


125 


30 


1 

1 )) 1) 


4 .. 




guano. 


2 


125 


31 


'. » !) 


6 » 




kalk. 


1 1^ 


500 



Het mengsel van asch en guano bestond uit twee ge- 
wigtscleelen A'an het eerste , en één van het laatste. In 
drie pond van het mengsel was dus één pond guano 
r^anwezig. 

Waar guano alleen werd gegeven , deed ik die vooraf 
vermengen met haar vijfvoudig gewigt fijne aarde. 



— 5 — 

De bovenstaande tabel stelt de oostelijke rel beddingen voor. 
Op de westelijke bestond dezelfde volgorde van plantwijdte 
en bemesting, doch de verdeeling der rietsoorten was ver- 
schillend, terwijl op beddingen 1 — 8 eenig Soerabaja-riet 
werd geplant: al het overige was Samarangsch. Er wa- 
ren, in het geheel, 4066 planten. 

De beddingen liepen van n° 1 afwaarts , in rigtiug z. ten 
o. a z. z. o. No 31 en eenige volgende, ik mag zeggen 
tot omstreeks no 19 , hadden daardoor meer dan de ove- 
rige te lijden van de winden uit het z. o., die daar zoo 
gewoon en zoo sterk zijn. 

A^erre het grootste gedeelte van het Soerabaja-riet moest, 
uit plaatsgebrek , elders geplant worden. 

Dit geschiedde den 19en Januarij 1854 op een aantal 
beddingen , die naar het z. z. o. open liggen. De plant- 
wijdte was , gelijk zoo even is medegedeeld , en de beddin- 
gen werden om den anderen bemest met 1^/^ ned. lood 
guano per plant Het Probolingo-riet was daags te voren 
overgeplant op een aantal beddingen , die vroeger voor ta- 
bak gediend hadden. 

De plantwijdte was hier afwisselend , 3 , 4 en 5 v. ü. 
Dit riet ontving ten deele dezelfde bemesting, als het straks 
bedoelde Soerabaja-riet , maar in dubbele hoeveelheid , zoo- 
dat het quantum per bouw naar de plantwijdte , bedroeg : 
240, 135 en 87 ned. pond. 

Deze beddino-en lio:o;en onoreveer in dezelfde stellincj als 
de straksgenoemde , maar zijn beter beschut. 

Omstreeks denzelfden tijd werden op een stuk schralen 
grond , van eenen bewoner van Genteng gehuurd , ruim 3000 
stekken van gewoon Buitenzorgsch riet geplant , op vier rei- 
jen beddingen , elk van 12 voet breedte. De plantwijdte was 
hier op de twee laatste , meest noordelijke , 5 v. G , op de 
volgende, 3 bij 6 v., 3 bij 4 v., 3 bij 3 v., -3 bij 6 v. enz. 

De vorise gebruiker had hier nimmer iets anders kun- 



__ 6 — . 

nen planten dan katjang ; daar , zoo als hij mij verzekerde , 
het riet er altijd door witte mieren werd aangetast. Dit 
terrein ligt in dezelfde stelling , als de heide vorige , maar 
veel meer oostelijk. Het is geheel open naar het o. en z. 
o. , tot voorbij het z. daar deszelfs oostelijke grens zamen 
valt met eene breede, vrij diepe kloof, die n.-z. gerigt is. 
Hier ontving de eerste afdeeling beddingen , A-an het wes- 
ten geteld, op den 19en Januarij per plant 3 ned. lood gu- 
ano ; de tweede bleef onbemest , de derde ontving op den 
18en Maart , deels 3 ned. lood guano met 3 ned. lood 
rietasch, en 15 ned. lood aarde per plant, deels enkel 
guano , deels enkel houtasch ; de vierde deels rietasch , 
deels houtasch. 

Deze late bemesting werd veroorzaakt door de moeije- 
lijkheid, om genoegzame hoeveelheden asch te verzamelen. 
De herhaling van guano werd hier beproefd, om te leeren 
kennen , in hoeverre de invloed dezer stof het nadeel dier 
meer ongunstige ligging kon veronzijdigcn. 

Eindelijk we^d op den 22en April 1854 eene laatste hoe- 
veelheid Soerabaja-riet overgeplant, op een onbebouwd 
stukje grond, n. w. van het eerstgenoemde, grootere ter- 
rein met Samarangsch-riet. 

Het deelde ruimschoots in de nadeelige ligging van het laat- 
ste , daar de rivier , aan welker misschien honderd voet hoogen 
oever , dit hellend terrein onmiddellijk sluit , hieromtrent ee- 
nen sterken bogt maakt. De plantwijdte was 3 voet d- 
De helft der planten werd bemest met een mengsel van 16 
wigtjes guano en 48 wigtjes fijne aarde per plant. 

Na deze opgave van den tijd en de wijze der verschil- 
lende proefaanplantingen , zal ik van elke, na eene korte 
vermelding van eenige tusschen beide gekomene bijzonder- 
heden , de uitkomsten afzonderlijk opgeven en beoordeelen , om 
aan het slot van dit verslag door vergelijking dier afzonderlij- 
ke oordeelvellingen , tot meer algemeene besluiten te komen. 



1. Aanplant van 29 en 30 December, eigenlijk van 14 
Oktober 1853 , Samarangsch riet. 

Reeds daags na het overplanten werd dit jonge gewas 
door eenen zoo hevigen en tevens droogen zuidelijken wind 
getroffen , dat het algemeen een dor voorkomen had , en al 
de blaadjes bijna als riet waren zamengerold. 

Later herstelde zich wel weder het grootste gedeelte , 
doch bij een goed aantal verdorden de bladen meer en 
meer, en stierven de planten, zoodat ik den 18en Januarij 
moest overgaan tot het invullen der ledige ruimten. Daar- 
toe waren , op de noordoost- en oostelijke beddingen , die 
te zamen 2,057 planten bevatteden, 510 nieuwe noodig, 
zijnde 25°/^ : op de zuidwest en westelijke , dus digter bij 
den hoogen oeverrand 1,070, dat 53°/o "^'^■i'i liet daar aan- 
wezige aantal bedroeg. In weerwil van het saizoen , was er 
geen regen ; 's voormiddags was de lucht helder , bij sterke 
windvlagen , 's namiddags meerendeels bewolkt. Den vol- 
genden dag viel er echter wat regen. 

Den len Februarij was er wel van het riet weinig meer 
uitgestorven , doch het overige had nog slechts geringe vor- 
deringen in den groei gemaakt. 

Den 18en Maart was, ook van het aanvankelijk opgegroei- 
de , weder een groot deel uitgestorven , na langen tijd een 
kwijnend voorkomen te hebben gehad. Bij eene telling, 
den 6en April gedaan, bleek dit te bedragen. 

Bij het M. Oerang 367^. 
„ ,, Sembong 31%. 
„ „ Rapah 36%. 

„ „ Kijong 417,. 

Te rekenen naar standplaats en bemesting , was de uit- 
komst deze : 

Onbemest. 

Oostelijke beddingen 307o- 

Westelijke „ 547^. 



— 8 — 

met guano bemest 

Oostelijke beddingen 20Yo- 

Westelijke „ 36%. 

Met guano en asch bemest: 

Oostelijke beddingen 29°/o- 

Westelijke „ 41%. 

Het schijnt dus, dat door deze grondverbetering de plan- 
ten wat beter in staat gesteld waren , om den ongunstigen 
invloed des dampkrings alhier te wederstaan. 

Des anderen daags had de inboeting plaats. In het begin 
van Mei moest deze onaangename bezigheid , en ten laatste 
male , nog eens herhaald worden. Het aantal doode planten 
bedroeg nu 7% van het geheel. Hiertoe moest ik immer 
gebruik maken van nog steeds op kweekbeddingen staande , 
zeer langzaam voortgroeijende stekken. Het was zeker niet 
te verwachten , dat zulke kweekplanten in groot aantal zouden 
blijven voortleven , hoe zorgvuldig de overplanting ook 
geschiedde. Doch ik had geene keuze , en die , welke deze 
late overplanting duurzaam overleefden, mogten wel in 
ouderdom ongeveer gelijk gesteld worden met de ^Toegere. 

Eerst in de maand Julij begonnen de planten bij te ko- 
men , en kwam er volheid op de beddingen, ofschoon het ge- 
w'as nog zeer ongelijk stond. Intusschen bleef, door de 
lang aanhoudende droogte , het blad stijf en spichtig en 
dof geelgroen van kleur, terwijl de onderste ten deele ge- 
heel verdroogd, graauwgeel van kleur waren. Op den 
ganschen zoo heuvelachtigen proeftuin was de grond vol 
bersten en scheuren. 

Allengs werd een groote gedeelte der planten aange- 
hoogd , terwijl het begieten schier onafgebroken moest wor- 
den voortgezet. 

In weerwil van alle zorg , die ik in staat w^as te geven , 
was en bleef de voortgang in den groei traag en vele plan- 
ten kwijnden. 



— 9 — 

In het laatste van Oktober, dus 12 '/2 m. na het plan- 
ten op de kweekbeddingen , was een gedeelte van hetgeen 
meest aan den wind was blootgesteld , ofschoon reeds tot een 
zekere hoogte opgegroeid , weder uitgestorven. 

Op bedd., 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 20, 
22, 25 en 27, van de oostelijke rei, was echter het riet 
ten deele reeds van genoegzame hoogte , om tot chemisch 
onderzoek te dienen. De uitkomsten daarvan zijn opgeno- 
men onder de vele andere , die tot onderwerp dienen van 
mijn verslag over de zamenstelling van het suikerriet van 
Java , enz. 

Op de westelijke beddingen was het riet nog zeer w^ei- 
nig ontwikkeld. 

Ik zal de zwaarte der rietstokken van deze verschillende 
beddingen uit eenoemd verslas; hier overnemen. 



Variëteit. 


Bemest. 




a c 

J1 


S ei 

-» tK 

O = 




i 

l—i 


Kleur. 


M. Oerang. 


kallv. 


6 


0,90 


105 


0,60 


16 


Geel met groen. 


)) 


niets. 


7 


0,97 


105 


0,76 


18 


Do., do. en bruin. 


)) 


ascli. 


8 


1,28 


118 


1,04 


21 


Geel en bruin. 


» 


do. ne guano. 


9 


1,15 


105 


1,05 


23 


Stroogeel. 


» 


guano. 


10 


1,05 


115 


0,90 


19 


Groengeel. 


M. Sembong. 


kalk. 


11 


1,34 


98 


0,85 


19 


Cbromaatgeel. 


I) 


niets. 


12 


1,12 


100 


0,88 


24 


Stroogeel. 


)t 


ascli. 


13 


1,03 


100 


0,72 


19 


Do. 


)) 


do. en guano. 


14 


1,38 


105 


0,93 


19 


Geelbruin met olijf. 


)i 


guano. 


15 


1,06 


90 


0,61 


22 


Grosngeel. 


M. Rapoh. 


» 


20 


0,00 


105 


0,53 


20 


Stroogeel. 


)» 


niets. 


22 


0,G8 


105 


0.49 


16 


Geel met wijnrood. 


M. Kijong. 


gTiano. 


25 


0,85 


105 


0,50 


16 


Geel met groen en 
[wijnrood. 


)t 


niets. 


27 


0,76 


90 


0,39 


20 


Geel met bruin. 



Het oorspronkelijk verschil in dikte en in kleur tusschen 
deze rietsoorten Avas dus grootendcels verdwenen. 

In de laatste helft van December was het grootste ge- 



— 10 — 

deelte der bladen , die aan den top van het riet uitgezon- 
derd , reeds geel en verdroogd , zoodat , hoe schraal het 
gewas ook over het algemeen stond , ik spoedig tot eenen , 
althans gedeeltelijken oogst moest overgaan , dewijl het riet 
anders grootendeels zou verdroogd zijn. 

Dit had plaats op den 1 2en Januarij 11 , en ik deel de uit- 
komsten in de navolgende tabel mede. 



— 11 — 



-t^ ei 


•;.ioïi 




O o 
1 1 


•ppini 


u': uo ^ ^ --H "7 00 ";^ "V ^ -,• ^ i> ^7 
i> o c^ tA 00 i> "1 ti ^1 "-1 co ^"ï. gÖ ö o '-'v 


1 


•°aT?j 


o 

1 
00 


00 o o co 

— H T-H T— 1 


Cu-:: c^-3 c-rs c^rr ;:i--3 ^— s-rr ^ 


■^ Cu 


-1-2 

*?^ 
5 

ei 
o 

Ó 


•uaiuBz a:) 


ei '^ ^ t>.' co vO o 


co 


l.io^t 


«O -H O 00 


o 

co 


-ppiui 


^ o -rt*' )-' t>.' t> O CO 

r— ) 

c 


CM 

1— < 


•SnT?y 


I-H 

CO 


a" 

o 
+^ 

cc 

'S 

o 


•nara-Bz aj 


C? -r- — 1 -^ i-t -* (M 
(M r-( 00 'M t^ c:d '^ 


cc 


7J05[ 


Ci t^ 'M O O O 
^ I>. 1-4 CC OJ 


o 


•ppini 


»> . I> O — ' O -+i t^ 
(>? C^l ÏC 1-1 


(>i 


•SuTJi 


1 1 i 1 1 1 1 § 


-aS jo; piion.i9^\^ 


o co 1-1 o 00 o OO 
ÏO (M -H co <M co 


(M 


•napausaS uapoic;; 


O O 5^1 O -^ O (M 

<— ( T— 1 <M — H r-l 


CO 


•a^pfiAV^mJitj 


R. V. 

3-6 

3-3 
3-4 
3-6 
3-3 
3-4 
3-6 


co 

1 

co 


5 -= 


o _• 

o Op 

; - 

'S 'S 
o is 

g3 = = ^ = a = 

o S 
-3 ^ 


Geel met bruinroocl 
Igovk'kt. 


•A H □ 
UT 9^5[13|AJad(I() 


(M o o o o (M 00 
— t t^ t>. t>. t^ ^ -r+i 

O >r5 u-D tr? lio o -^ 


00 

CD 


•uaS 


nippag 


f-< (?» co ■* vO O t» 


00 



— 12 









•Vto>i 



•ppuu 



•junu^ 



O 



nrtmvz T)i 




•T>u.v.i 



O 



■naui^z 91 



•jaoit 



•ppim 



•ëai?^ 






uopaussS ugpo^s 



— < o o o 

> I — t 00 1-1 ^ . . . . - 
<X> — " I I I •>" — «lO -ff<-«l>» 

tO co tg h- u-^ !>. O ^ 



Cl GO O l~* r-* 



-'^1^ O O O O O 

COClr— ,— 1:0 — <X)t-i '•-< 

I I I I I I I I -^ I 

-•c>-'ï>cx; co o cc «i5 co O GO 

o 1>. 



"i- ,^ ,-, ^- c c^i i— I — < 1— I ec 1— ' 

X) — o co X ^ -v c^ i O .-I f-i ^ -H ,-1 — — 1 »-' 

^ ^ >40r-'t»'>-4|lll|lll 

. Cl 00 O Ci t>. -«X co 



•aipfTAV'}U'Btj; 



c3 *i 



•A M D 
UT S'\^T3\AJdd(\Q 

•naSnippajj 



00 



co 
co 


I> 


co 

'M 


CO 



O 

o 



\n c o 
tS' ^t i^ 
—1 1—1 Cl 



>o o 

'M i— I 



^ fcD 



P ^^ 



O 

co 









>o 


^ 


4ft. 


iO 


,-^ 







lO 


!> 


lO 


(M 


(M 


t- 


!>■ 







i" 


^ 


>fl 











1(0 




(M 





CO 






l—l 


t^ 


C^ 



co 


co 


co 
ox 




cc 

(M 


C3 


co 

cc 


-H 


1 
CO 


CD 
1 

CO 


cc 

1 
cc 


1 

co 


CC 

1 
co 


CO 
co 


-f 

1 

co 




1 
CO 



c 









a> 


ï-« 




J-( 









Q 







PP 


co 


-* 


-H 








<M 


CD 


cc 








00 


CO 


CO 









— 11 



. . . .T3 T3 . . P-I . O-.'^ . TS . 'ZJ 

IS Cwx) -P-^,„ P^-^ ChTS Oi^,^ Ph-:^ ^|„'T3 ^,^_| &h^_, Cu^ DhHS Q^rs p^r^ pL, 
-■«OO o t- «'«o -i'«tH -Iï» -r+< -.InlO t-i — ( ^h 00 cd -.'c^ 

00''-<i0 10CO»Oi— lir^lOGOlCOl lOiOI-t^OOI lOOiO"^ 
I -1« I I «« I I I I I -« I I -« I -^-« I -e. I -If. I I I -|c<-|(M I I 

t>.tDt-^— Hco-T^ocoïO co co lO tr- to !>• -^ tO -Tt^ >o to i>- co o 01 o -^ eo -^ t^ 
T-HOO-^OOOO _iO-^<-iGO'-< o o -'« o 

_-(T_lr-(T-li— IrHi— (1— lOO'-H'— •>— li-H,— 1— HOCi'-HC5'-H05C500'— lO 

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I 

Oï co 00 !>• co '-:'^C£> CO -[«-'«^-«GO t> t>. t>. CC» t^ -l^t^ ^l=-»t>. -^m-ImO -!«t>. 
CD O t^ b- t^ CD Cp !>. CD 



co" 


co 




co 

CD 





00 





00 


1— ( 


b- 




CD 


co" 



CO 





CO 
<M 


CD 


T— < 


CD 

-* 


CO 




CD 
CO 


0' 

CO 





co 




'M 

CO 


(M 




<M 


(M 




00 

1-i 


CD 





1— ( 


'M 

T-H 





00* 
tM 


co 


0' 
»- ( 


1—1 


CD 
(M 


CO 


CO 
(M 


t>r 
































00 
00 








CO 

1— ( 
co 


CD 

CO 










CO 
CO 




'M 


CD 
CO 
'M 


(M 

»— 1 
(M 



(M 


co 


CO 


<M 

— H 


00 
00 


00 
CD 







CD 


1— ( 





00 


C5 


10 
<M 


CD 
CO 








10 




l—l 




C5 
CO 





CO 


>r5 
01 




CM 


K-o 




00 




uO 


CO 







I— ( 







<M 


































n 



o (M co ^ co 

O lO lO '^ '^l 






CD 




CD 



co 




CO 





<M 


CO 
UO 


CO 


CD 
(M 






CD 


CO 

1— ( 


CO 

1 

CC 


1 

co 


CD 

1 
CO 


CO 
1 

CO 


1 

co 


CD 
CO 


co 

1 

co 


1 

CO 


CD 
1 

CO 


co 
1 

co 


t 

CO 


CD 

1 
CO 


co 

1 

co 


1 

CO 


CD 
1 

CO 



o 






S .5 ^ .3 5;^ 



ö ^ o « ^0 

s c N a g 

dodo ^^ 

Q Q a a o_ 

OCDCD'M'MCDO-rtl— H^+ICOOO(MOOCO 
OC0C0 1>-t^C0OCDCDCD(M'MCiO«0 

CnCiOOOCSCTvaDGOQOCOOOt^OCO 



(M 

C5 


'M 




CD 
CO 
C5 





CTv 



<M 


.—1 


<M 

<M 


CO 
<M 



— 14 — 

Om de beoordeeling der hier gegevene cijfers te verlig- 
ting, dient de volgende tabel. 



'Ti 



Bemesting per 
plant. 



Ph 



per stoel. 



Gewigt aan 
riet. 



per 100 
D voet. 



Getal stokken. 



per stoel. 



per 100 
D voet. 



1 

2 
3 

4 
5 
6 
7 
8 

9 
10 
11 
12 
13 

U 
15 
16 
17 

18 

19 

20 
21 
22 
23 

24 
25 
26 
27 
28 

29 
30 
31 



n. 1. 

kalk 12 

niets. 

rietascli 8 

asch. ... 6 
do. met guano gem. 3 

guano 3 

kalk 6 

niets. 

rietasch 6 

asch. ... 4 
do. met guano gem. 2 

guano 3 

kalk 6 

niets. 

rietasch 12 

asch .... 6 
do. met guano gem. 3 

guano • 3 

kalk 6 

niets. 

rietasch 6 

asch .... 6 
do. met guano gem. 3 

guano 1 ^ 

kalk 8 

niets. 

rietasch 6 

asch .... 6 
do. met guano gem. 3 

guano 3 

kalk 6 

niets. 

rietasch 6 

asch. ... 6 
do. met guano gem. 3 

guano -. . . . 2 

kalk 12 



3 bij 6 V. 

)) » 3 )) 
» i> 4 ') 



» » 6 » 

I) » 3 1) 

» » 4 )) 

)) )) 6 ') 

» )) 3 " 

)) » 4 » 

)) )) G )) 

» )) 3 'I 

1) )) 4 " 

I) » 6 " 

»_ !) 3 " 

)) 1) 4 )) 

1) » 6 ') 

)) )) 3 )) 

I) » 4 » 

)) )) 6 » 

» )» 3 " 

)i )) 4 i> 

i> )) 6 " 

)) )) 3 I) 

1) )) 4 )i 

)) )) 6 1) 

1) )) 3 '1 

!) 1' 4 » 

» )) 6 » 

» )) 3 » 

I) )) 4 I) 

1) » 6 » 



0,95 
0,90 
1,80 

1,50 
0,75 
2,50 
1.30 
2,30 

3,70 
3,10 
3,50 
3,46 
3,10 

2,33 
2,36 
3,10 

2,80 
2,40 

1,40 
1,12 
1,27 
2,10 
0,93 

1,50 
2,96 
1,08 
1,35 
2,04 

1,50 
1,06 
1,18 



n. p. 
1,55 
0,80 
3,40 

1,30 
3,10 
4,10 
2,50 
10,80 

12,00 

4,94 

11,90 

10,00 

8,30 

13,20 
9,94 
4,80 
5,94 
4,17 

7,66 
6,50 
5,60 
5,13 
4,44 

9,10 

8,22 
6,65 
5,56 
6,40 

10,10 
6,94 
2,45 



2,6 
2,4 
6,8 

4,2 
3,1 
6,4 
3,5 

5,2 

8,7 
7,7 
7,7 
6,9 
6,5 

5,6 
ö,7 
7,1 

7,7 
6,7 

.5,6 
5,6 
5,5 
8,7 
5,0 

6,4 

8,7 
4,5 
G,2 
8,5 

6,5 
5,7 
7,0 



4,25 

2,43 

14,- 

3,7 
13,— 
10,5 
6,5 
24,1 

26,4 

12,3 

26,— 

20,— 

17,4 

31,8 
28,2 
11,1 
15,3 
11,4 

31,0 
32,2 
24,3 
21,4 
23,3 

38,7 
24,2 
27,3 

25,6 
26,6 

44,2 
37,2 
18,8 



— 15 — 

Van no. 1 tot 10 was zoogenaamd M. Oerang, van 11 
tot 18 M. Sembong, van 19 tot 24 M. Eapoli , en van 25 
tot 31 M. Kijong. 

De alleronderste beddingen deelden in de bijzonder on- 
gunstige stelling , reeds boven bij het Soerabajasche-riet van 
22 April (p. 8) aangeduid, want zij grenzen er onmiddel- 
lijk aan. 

Op de bovenste, men mag zeggen van 31 tot 10, AVerk- 
te de hoogere ligging nadeelig. Op deze , waar al het riet 
buitengewoon kort en geen verdere groei te verAvachten 
was, werd alles gesneden; doch op de beddingen 1 — 18 
werd een goed gedeelte , dat zeer kort (bijv. 3 palm. en 
minder) en blijkbaar van later ingeboet riet afkomstig was , 
nog te velde gelaten. "Wat het aantal stokken en het ge- 
wigt aan riet betreft, moeten dus deze beide hoofdafdeelin- 
gen afzonderlijk beschouwd worden. 

Ik begin met te betuigen , dat ik deze uitkomsten met 
eenigen schroom aanbied ; dewijl zij , wat absolute hoeveel- 
heden betreft, zoo ongunstig zijn. Doch niemand zal van 
eene streek , als Buitenzorg eu bovenal van eene ligging , 
als die van den Gentengschen proeftuin , eene groote pro- 
duktie van suikerriet verwachten. En neemt men hierbij 
in aanmerking de vroeger medegedeelde omstandigheden van 
klimaat en weder, vooral het, door mij niette voorkomen, 
verzuim bij de allereerste periode van groei , dan zal men 
mij wel moeten gelooven , wanneer ik met sj)ijt , maar te- 
vens met een onbezwaard bewustzijn, betuig, dat het mij 
leed doet, niets beters te kunnen aanbieden. 

Intusschen missen deze uitkomsten daarom toch niet alle 
beteekenis , alle nut. Vooreerst kunnen zij , in het alge- 
meen , aantoonen , den aard en de hoegrootheid des na- 
deels , voortgebragt door omstandigheden , zoo als die boven 
medegedeeld. Uit het chemische verslag is onder anderen 
gebleken , dat in weerwil van den slechten , uitwendigen 



— 16 — 

toestand van dit gewas, het sap toch niet aanmerkelijk had 
verloren in suikergehalte, noch de suiker in kristalliseer- 
baarheid. 

Maar ook in betrekkelijken zin , verdienen deze uitkom- 
sten eenige aandacht , dewijl zij gewijzigd werden door de 
verschillende omstandigheden waarin ik het riet bij het 
planten gejalaatst had , dat is , door de verscheidenheid der 
proeven. 

Ik zal , om boven aangevoerde redenen , eerst eene ver- 
gelijking maken tusschen de beddingen vijf tot achttien , on- 
derling. Aldaar waren , voor elke honderd geplante stek- 
ken , tot rijpheid opgegroeid: 

Van de onbemeste 29 

„ die met guano bemest .... 39 

„ „ met asch 37 

„ „ „ asch en guano 43 

„ „ kalk 25 

Het zij nu van de oorspronkelijke planten , of van de 
latere inboetingen, deze cijfers toonen aan, dat, na de ver- 
betering des gronds door guano of rietasch , inzonderheid 
door beide vereenigd , een grooter aantal heeft kunnen 
weerstand beiden aan den zoo ongunstigen toestand van 
het klimaat. 

Er moet derhalve meerdere groeikracht en, om zoo te 
spreken, gehardheid in het riet ontstaan zijn. Daar op 
deze beddingen al het zeer korte riet, dat is het laatst in- 
geboete , niet gesneden werd , is het wel te vermoeden , 
dat die mindere uitsterving van het aldus bemeste riet meest 
van den aanvang van het planten dagteekent, toen er al- 
thans nog regen genoeg viel, om den grond niet te zeer te 
doen verstuiven. De kalkbemesting was hier geheel wer- 
keloos. 

Deze beddingen zijn volkomen vergelijkbaar met elkan- 
der, dewijl elke der drie plantwijdten bij elke bemestmg 



■werd gevonden , met uitzondering echter van die , welke 
het mengsel van asch en guano hadden ontvangen . ■waar- 
van no. 19 , op welke de ruimste plantwijdte was, tot de 
straks volgende kategorie behoort. Wat betreft den invloed 
van het verschil in de hoeveelheid guano en asch, op elke 
bedding aangewend , de uitgestrektheid van het vergelijk- 
baar terrein was te gering, en bovenal de invloed des we- 
ders te ongunstig, om dit punt met eenigen schijn van 
grond te kunnen beoordeelen. Zulks is vooral daarom te 
bejammeren , omdat toch altijd , bij bemestingsproeven , het 
groote vraagpunt blijft , welke verhouding van kostenver- 
meerdering in de uitkomst het voordeeligst is. 

Op het gewigt aan riet is de invloed der verschillende 
bemestingswijze ongelijk geweest. 



Bemesting. 


Gewigt aan riet. 












Per stoel. 


Per eenheid 


gronds. 


Niets .... 


2,19 


n. p. 


100 




Guano . . . 


2,07 


)) 


97 




Asch .... 


2,60 


)) 


126 




Guano en asch . 


3,02 


)i 


205 




Kalk .... 


3,03 


)) 


113 





De guano alleen was dus onder de gegevene omstan- 
digheden werkeloos , ten opzigte van het gewigt aan pro- 
dukt te noemen ; en inderdaad , ofschoon door haren rijkdom 
aan stikstof het eerste opgroeij en begunstigen 1 , kon zij toch , 
arm als zij is aan alkalische zouten, op dezen schralen , on- 
middellijk te voren met hetzelfde gewas beplanten grond , gee- 
ne vergoeding geven voor de verlorene potaschzouten , die 
voor vezel en sap beide onmisbaar zijn. 

3e SERIE DL. II. 2 



— 18 — 

Van daar de meerdere werkzaamheid der asch , en nog 
sprekender , die van de asch en guano vereenigd. 

Dit mag wel een bewijs heeten voor de onmisbaarheid 
van al de bestanddeélen , die gewoonlijk in een gewas gevonden 
worden. Nu met de asch het verlies hersteld is, dat de 
grond door den vorigen oogst had geleden , kan de guano 
eerst hare werking toonen , door de produktie per éénheid 
van oppervlakte omstreeks te verdubbelen. 

De kalk , mede een alkali , maar niet geschikt om de 
plaats der potasch te vervangen , is toch de werking der 
rietasch nabij gekomen. 

Wat den groei van het riet bevordert en versterkt, blijk- 
baar door vermindering van uitsterving en toename in ge- 
wigt aan produkt, dat moet ook in het algemeen de uit- 
stoeling doen toenemen , ja daardoor moet in groote mate 
die toename in gewigt ontstaan zijn. 

Zulks heeft echter niet algemeen plaats gehad, blijkens 
de volgende cijfers. 



Bemesting. 


Aantal stokken. 








Per stoel. 


Per eenheid gronds. 


Niets .... 


6,0 


100 


Guano . . . 


5,8 


128 


Asch .... 


6,1 


127 


Guano en asch . 


7,2 


210 


Kalk .... 


7,1 


114 



Evenmin als in gewigt, heeft het riet, op dezen grond 
ten tweede male geplant, in uitstoeling gewonnen, door de 
guano alleen. 

De rietasch en zelfs ook de kalk, hebben althans eenige 



— 19 — 

werking uitgeoefend, maar het mengsel van ascli en gua- 
no is hier weder zeer krachtig geweest. Dóór dit middel 
is dus het riet hier in alle opzigten bevoordeeld geworden ; 
in ontspruitiug , volume en uitstoeling; en zulks in de on- 
gunstigste omstandigheden van klimaat, grond en planten 
vereenigd. 

Door het mislukken van zulk een groot gedeelte van 
het gcAvas , zijn er te weinig bouwstoffen , om eene eenig- 
zins geldige vergelijking te kunnen maken , tusschen de 
uitkomsten van verschillende plantwijdten alleen. Op het 
proefterrein met het buitenzorgsche riet , waarover straks 
nader, waren de omstandigheden minder nadeelig, en dus 
zal ik aldaar het genoemde onderAverp behandelen. 

Wat nu de dertien overige beddingen betreft, waarvan 
al het riet werd gesneden , derzelver voortbrengsel was 
buitengemeen schraal , zoo als uit de lijst , op p. 14 kan 
blijken. 

Ofschoon het zeker geen dadelijk geldelijk voordeel kan 
aanbrengen , de aandacht een oogenblik op zulke slechte 
uitkomsten te bepalen , is het toch niet van belang ont- 
bloot , kortelijk te onderzoeken , of ook hier nog de invloed 
der bemestinir zich gehandhaafd heeft. 

Slechts bij drie bemestiugswijzen komen liier de verschil- 
lende plantAvijdten voor ; bij die met asch ontbreekt óéne , 
bij de onbemeste eene andere. In zoo verre , en ook , om- 
dat hier weder verschillende hoeveelheden meststof zijn gebe- 
zigd (lijst p. 11-13, bijv. beddingen 20 en 15 , 16 en 31, 24 
en 29) zouden deze uitkomsten onderling niet volkomen ver- 
gelijkbaar wezen. Maar aangezien het riet zoo klein bleef, 
zal het eerste weinig verschil hebben bewerkt, vooral omdat 
toch de grootste plan twijdte, 3 bij 6 v., namelijk ook bij de 
onbemeste en bij de met asch voorziene beddingen voor- 
kwamen. De beoordeeling over den invloed van hoeveel- 
heid van bemestins zal ik thans moeten daarlaten. 



— 20 — 

De aanwezige stekken waren , door de verschillende be- 
mesting, in de volgende verhouding opgegroeid. 

Onbemeste 4772%. 

die met guano 60-^/5%. 

„ „ asch 5072%. 

,, „ guano en asch 787o- 

„ „ kalk 537,. 

Deze verhoudingen zijn alle veel grooter , dan die op de 
lagere beddingen , maar op de laatste werd , gelijk gezegd 
is , eene zekere hoeveelheid zeer kort riet, met hoop op ver- 
der voortgroeijen , in den grond gelaten. 

Doch wat niet kan betwijfeld worden , is de overeen- 
komst in uitwerking, ook hier weder door de verschillende 
bemestin2;en te wee"; o;ebragt. Zelfs de orde , in welke dit 
geschied is , komt nagenoeg met die op de lagere , meer 
beschutte beddingen overeen , en het mengsel van asch en 
cuano staat hier weder boven aan. 

Het gewigt aan riet alleen , per ée'nheid van oppervlak- 
te, is dan ook toegenomen door bemesting, doch per stoel 
berekend, is er zelfs vermindering, want een en ander 
bedroeg. 



Bemesting. 


Gewigt aan riet. 


Per stoel. 


Per eenheid gronds. 


Niets .... 
Guano .... 
Asch .... 
Guano en asch . 
Kalk .... 


1,73 N. p. 
1,71 .. 
1,49 .) 
1,47 ). 
1,18 .> 


100 
135 
101 
167 
98 



Ten aanzien van het getal rietstokken, in beide opzigten 
verkregen , geldt nagenoeg hetzelfde ; er was dan ook in het 



21 



algemeen weinig verschil in het gewigt van deze , vooral , 
door het klimaat zoo mishandelde, rietstokken. 



Gewiort aan riet. 



Bemesting. 








Per stoel. 


Per eenheid gronds. 


Niets .... 


7,5 


100 


Guano .... 


6,7 


133 


Asch .... 


6,8 


106 


Guano en asch . 


6,2 


162 


Kalk .... 


5,7 


100 



Het was dus door het verminderen der uitsterving al- 
leen , niet door het vermeerderen van uitstoeling , of volu- 
me, dat inzonderheid het mengsel van guano en rietasch 
op deze hoogere beddingen eeue toename bewerkte in het 
gewigt van het verkregen produkt. 

Doch het komt mij voor, dat de meerderheid van het 
onbemeste riet — hier zigtbaar , als men de uitkomst per stoel 
berekent , — eene verklaring toelaat , die ook in dit opzigt 
ten gunste der genoemde bemesting spreekt, namelijk, de 
verschillende plantwijdten. 

Zoo men het riet , dat op 3 bij 6 v., dus zeer wijd , ge- 
plant was , onderling vergelijkt , dan wordt het gezegde da- 
delijk bevestigd. 



Bemesting. 



Gewigt aan 
riet. 



Per stoel. 



Getal stokken. 



Per stoel. 



Niets .... 


2,10 n. pd. 


8,7 


Guano .... 


2,96 » 


8,7 


Asch .... 


2,04 .. 


8,5 


Guano en asch . 


1,40 .. 


5,6 


Kalk .... 


1,18 .. 


7,0 



22 



Het overwigt is hier, in zwaarte yan liet riet, zoo dui- 
delijk bij de guano , en de oorzaak daarvan , meerdere 
ruimte , evenredig aan die versterking der groeikracht 
door haar beAverkt, zoo duidelijk , dat er voor het lage cij- 
ier , tegenover het mengsel van guano en asch geplaatst , eene 
reden van uitzondering bestaan moet, die ik niet kan opgeven. 

Op de mindere plantAvijdte (3 bij 3 en 3 bij 4 v.) was 
de uitkomst anders, namelijk. 







Gewigt 


aan 


Getal stokken. 






riet. 






Bemesting. 












Per stoel. 


Per stoel. 


Niets 




1,35 


n. pd. 


G,2 


Guano 




1,09 


» 


5,65 


Asch 


. • • • 


0,93 


I) 


5- 


Guano 


en asch . 


1,50 


)) 


6,45 


Kalk 


. . : . 


1,18 


» 


5- 



Bij de plantwijdte van 3 bij 6 v. ontvangt een bouAV- 
gronds 4,000, bij die van 3 v. a en 3 bij 4 v. gemiddeld 
7,000 stekken. 

Berekent men hier naar het gewigt en getal der riet- 
stokken per stoel, die bij de geringere plantwijdte op 100 
stellende , dan is de uitkomst , bij bet wijder planten , aldus : 





Gewigt aan 
riet. 


Getal stokken. 


Bemesting. 


Per stoel. 


Per stoel. 


Niets .... 
Guano .... 
Asch .... 
Guano en asch . 
Kalk .... 


89 

155 

126 

53 

57 


80 
88 
97 
50 
80 



— 23 — 

Voor Je anomalie van het mengsel van guano en asch 
geldt hier weder de opmerking van zoo even , maar overi- 
gens blijkt uit deze cijfers , hoezeer , bij bemesting met 
guano en ook met asch, de grootste plajitwijdie voordeelig 
Avas voor de zwaarte van het riet ; niet voor de uitstoeling , 
dewijl hij deze meerdere o'uimte , het zoo ongunstige klimaat 
nog meer gelegenlieid had , om het uitschieten van jonge 
spruiten te beletten. 

Diegene echter, welke in weerwil van dien tegenstand 
des klimaats , in het opgroeijen slaagden , werden nu , dank 
zij der grootere ruimte , in staat gesteld , om de uitwerking 
der guano en der asch op hare volumeontwikkeling te 
toon en. 

De onbemeste leden door die ruimere plantwij,dte , onder 
de bestaande omstandigheden , in elk opztgt , in ontspruiting, 
volumeontwikkeling en uitstoeling. De bemeste alleen in- 
de uitstoeling. Het behoort derhalve tot de talrijke voor- 
waarden , waaronder het wijde planten is goed te keuren , 
dat de grond lang bewerkt en niet schraal of althans goed 
bemest zij , en. dat de lucht niet overmatig worde bewo- 
gen door hevige, drooge winden., ofte ongelijkmatig ver- 
warmd , door de afwisseling van. nacht- en dag-temperatuur , 
zooals op dit bergachtig terrein. Wat , ook door de beste 
bemesting , onder zulke nadeelige omstandigheden , bij 
groote plantwijdte kan uitgewerkt worden , bepaalt zich tot 
het verminderen van het verlies , maar kan nimmer op- 
klimmen tot het aanbrengen van voordeel. 

De kalk heeft zich hier in elk opzigt werkeloos,, zelfs 
ono-unstio; betoond , en van het verdubbelen der hoeveelheid 
mest (mengsel van guano en asch , beddingen 29 en 24) 
is ffeene bruikbare uitkomst verkreo;en. 

Wordt nu eene vergelijking ingesteld tusschen de ver- 
schillende opbrengsten op deze hoogere beddingen , waar al 
het riet werd gesneden , en die op de lagere , waar alleen 



24 



dat boven 66n voet lengte heeft bijgedragen tot de vermeer- 
dering van het totaal , dan kan men de uitwerking van de 
meerdere blootstelling , van hoogere ligging , doch slechts 
bij fraktie, ongeveer aldus voorstellen. 



Bemesting. 


Gewigt aan riet. 


Aantal stokken. 


Per stoel. 


Per eenheid 
gronds. 


Per stoel. 


Niets .... 
Guano .... 
Asch .... 
Guano en asch . 
Kalk .... 


29 
82 
57 
49 
39 


— 


125 
116 
111 

86 
80 



Dat wil zeggen , dat voor honderd op de lagere beddin- 
gen, op de hoogere de hier gestelde cijfers verkregen zijn. 
Dewijl op de lagere , met asch , kalk en met het mengsel 
van asch en guano bemest, de gesnedene stokken gemid- 
deld zwaarder waren , dan die van de niet of met guano 
alleen bemeste , zoo is de verhouding hier ook nog meer 
ten nadeeie der hoogere beddingen. Op de laatst genoem- 
de werd dus een veel kleiner gewigt aan riet per stoel 
verkregen , vooral op de beddingen zoo even genoemd. 
Het aantal gesnedene (niet der aanwezige) , stokken , per 
stoel , was echter op de lagere beddingen kleiner en dus 
is het riet op de eerste, vooral in volume, achterlijk gebleven , 
niet of althans niet zoo zeer in uitstoeling. Over de be- 
trekking van het riet tot de éénheid van grond , op beide 
plaatsen , zijn gelijksoortige opmerkingen te maken. 

Eene beoordceling , in hoeverre de verschillende variëtei- 
ten van het riet andere uitkomsten hebben gegeven , is hier 
niet wel doenlijk, dewijl ook volgens de gegevene beschrij- 
ving van kleur, alle de onderscheidende kenmerken verlo- 



— 25 — 

ren hebben. Het klimaat heeft die, in de algemeene ver- 
bastering van het riet, als geslecht. 

Het nasporen van de mogelijke overblijfsels der verschil- 
len zou hier ook weinig nut aanbrengen. 

Van dit Samarangsche riet zijn in de maand Februarij 11. 
de stekken geplant op een stuk laag gelegen grond , aan 
den ri^derkant. Op de beste plaatsen van dit ongelijke ter- 
rein staat het thans -welig , zoodat de ondergane invloeden , 
geene blijvende xverJdng schijnen gehad te hebben. 

2 Kleine aanplant van 20 September 1853 , Probolingo- 
riet, overgeplant den 18en Januarij 1854. 

Deze planten zijn steeds in eenen kwijnenden toestand 
gebleven , verkregen spoedig gele onderbladen , namen in 
het algemeen zeer weinig toe in groei ; het grootste gedeelte 
stierf uit, daar geen nieuw blad meer gemaakt werd. 

Daar nu omstreeks het midden van dit jaar, de grond 
voor een ander gewas moest dienen , liet ik hetgeen nog 
leefde weg snijden. 

Het weinige riet was uiterst kort, en daarom heb ik 
zonder verder tijdverlies, het alles tot stek doen snijden, 
om door overplanting in beteren grond, welligt later een 
beter gewas te bekomen. Een gedeelte van dit riet was , 
uit gebrek aan plaats , op de kweekbeddingen gebleven , 
nadat door verwijdering van de schrale planten de afstand 
wat vergroot was. Dit was spoedig het overgeplante voor- 
uit , en groeide , ofschoon het te digt stond , goed voort. 
In Junij was het reeds hoog in riet. In het begin van 
September begonnen eenige planten te verdorren , en op 
het gezegde der mandoors , dat dit aan witte mieren was 
toe te schrijven , bevond ik , bij onderzoek , werkelijk dat 
hier , zoo als op zeer vele plaatsen in dezen proeftuin , eene 
menigte dezer insekten in den grond rondkroop. Zij ver- 
gastten zich ook blijkbaar op de onderstukken der kwij- 



— 2b^ — 



nende rictstokkcn , welker zwakke groei de mieren had aan- 
gelokt om er hare spijs van te maken. Immers er moet 
een zielvte-tocstand van het gewas voorafgaan , de onder 
den grond verborgene deelen moeten eene zekere verande-, 
ring ondergaan , Avaardoor zij allengs tot versterving , tot 
de chemische ontbinding naderen , voordat deze verbruikers 
van plantenoverblijfselen daarop aanvallen. 

Een bodem , die van -witte mieren wemelt , is doorgaans 
ook een gesloten , nog weinig bewerkte of bebouwde grond ; 
van daar ligtelijk een schraal , kwijnend gewas. Wordt 
het bewerken en bebouwen vlijtig voortgezet, dan wordt de 
groei der planten allengs krachtiger , er komen minder en 
minder van deze voor^verpen , waarop het insekt gaarne aast, 
en eindelijk zal dit, uit gebrek aan half doode wortels en 
andere plantendeelen , die het misschien bij voorkeur ver- 
teert , zich dieper in den grond terugtrekken , en het krach- 
tige gewas nu ongemoeid laten. 

In de laatste helft van Oktober , toen het riet juist 13/ni. 
oud was, deed ik een gedeelte snijden voor het chemisch 
onderzoek, waarvan de uitkomsten elders zullen worden 
medegedeeld. 

De afmetingen, zwaarte, enz. waren toen als volgt: (er 
bevond zich nog eenig samarangsch riet bij) : 





ó 


bü 




Ie ^ 




Afkomst en soort. 


to 


ci 
> 


^ 


c o 


Kleur. 






6 




<J^ 






n. el 


n.str. 


n. ft' 






5 i fabr. Dringo . . 


0,93 


87 


0,41 


19 


Stroogeel. 


g" ) » Gending . . 


0,80 


87 


0,42 


19 


Bruim'oou. 


^5" ) )) Kotta . . . 


1,20 


100 


0,78 


21 


Dito. 


■ f Tl S. Kareng . 


1,38 


93 


1,06 


19 


Olijf bruin. 


1 f ,) Rapoli . . 
^ 1 1) Semb. . . . 


1,52 


120 


1,58 


27 


Purper bruinrood. 


1,55 


88 


1,17 


24 


Geelachtig olijfbruin 



Er blijkt hier uit, dat dit samarangsche riet, in volume 



— 27 — 

en o-ewlict, zelfs liet beste der vroe2:er behandelde bemeste 
rietsoorten aanmerkelijk overtrof, en dat dus liet nadeel van 
het laat overplanten , evenmin als dat van blootstelling aan 
harden wind, zelfs door de krachtigste bemesting kan wor- 
den goed gemaakt. 

Eene maand later werd op nieuw eene kleine hoeveel- 
heid riet gesneden , mede voor chemisch onderzoek. Het 
riet had toen de volirende afmetingen. 







bO 




^ 






-1^ 


C 


bfl 


-^ c 




Afkomst en soort. 


a 

Hl 


> 

a 

o 






Kleur. 




u. el 


u.str. 


n. ffi 






3 \ fabr. Dringo. . . 


1,73 


190 


1,42 


32 


Groengeelmet bruin. 


K } » Gending . . 


1,45 


90 


0,89 


25 


Geel met olijfgroen. 


al' 1 11 Kotta .... 


1,25 


110 


1,08 


25 


Bruin. 


'j„ ( 1) S. Kar eng. . 


1,50 


95 


1,08 


28 


Roodbr. met olijfgr. 


3 » M. Oerang . 
r< I) Rapoh . . . 


1,78 


105 


2,05 


30 


Groeng. met wat br. 


1,30 


100 


0,82 


23 


Roodbruin. 



Zonder te willen beweren , dat de meerdere grootte van 
dit, een maand oudere riet, geheel aan het langere groei- 
jen zou zijn toe te schrijven , kan ik het evenmin geheel 
beschouwen als toevallige ongelijkheden in lengte van de- 
zelfde variëteit op hetzelfde plekje gronds gekweekt. 

Het spreekt van zelf, dat beide keeren, zooveel mogelijk , 
het beste riet uitgekozen werd. 

Het probolingosche , uit de fabriek Gending, oorspronke- 
lijk het dunste en ook het kleinste van de vier, blijft altijd 
door die minderheid vertoonen. 

In de eerste helft van Januarij 11. , toen dit riet ruim 
15V2 maand oud was, werd het gesneden. 

De uitkomsten zijn in liet volgende tafeltje zamengevat. 



— 28 -^ 



Afkomst en soort. 


3 J 


ei QJ 


g-I 




wigt 

riet 

stoel. 


ó 

u 
d 




c3 O 








ï c ^ 










n. S' 


n. ft' 


n. ftï 


g l Fabr. Dringo. . 


89 


470 


5,3 


1G2 


1,8 


0,4 


^ ) )) Gending . 


25 


127 


5,1 


38 


1,5 


0,3 


5- ) » Kotta . . 


89 


361 


4,1 


132,5 


1,5 


0,37 


■ [ » S. Kareng. 


45 


192 


4,3 


56 


1,2 


0,3 


1 » M.Oerang. 


53 


252 


4,8 


90 


1,7 


0,36 


S » iSemb. . . 


89 


380 


4,3 


184 


2,1 


0,48 



Het riet was grootendeels uitgedroogd, een aantal zelfs 
dor te noemen. 

Bijna alle zeer dun , en de meeste kort. 

De afstand tusschen de planten was te digt geweest ; 
maar vooral heeft hier, naar mijn oordeel, de grond zij- 
nen invloed getoond. Daardoor zijn de hoedanigheden van 
deze verschillende rietsoorten meer gelijk gemaakt. 

Er heeft een teruggang plaats gehad van de betere , 
die uit Probolingo, tot de Samarangsche. 

Er was echter ook thans nog tamelijk goed riet bij , 
blijkens de afmeting van die stokken , welke voor chemisch 
onderzoek gediend hebbeu. 



Afkomst. 



c 

> 

S 
O 



Kleur. 



5* [ Gending 

Kotta 

Kotta 

Soemb. kareng . 
M. Oerang. . . . 
Sembons 



B 



n. el 


n. str. 




1 


90 


20 


1,52 


95 


25 


0,85 


75 


17 


1,27 


93 


22 


1,50 


100 


20 


1,68 


100 


26 



Groengeel. 

Groengeel met bruinrood. 
Geel. 

Geelgroen met bruin. 
Groengeel met bruinrood. 
Stroogeel tot licht olijf bruin 



3 Het Soerabaja-riet , dat (zie p. 5) op den 19n Janua- 
rij 1854 was overgeplant, genoot, tijdens die bewerking, 



— 29 — 

eenen goeden regen , waardoor ik op eenen gunstigen 
voortgang in den groei hoopte. 

Die verwachting werd dan ook tamelijk ver\Tild , althans 
A-ind ik in mijn journaal, dat het riet omstreeks half Au- 
gustus grootendeels goed stond. 

Op drie verschillende tijden , telkens na verloop van twee 
maanden , werd eenig riet van deze plek gesneden , voor 
chemisch onderzoek. De hoedanigheden van hetzelve, in 
deze verschillende perioden zijn kortelijk zamengevat in dit 
tafeltje : 



Ouderdom na de 
overplanting. 





fcO 


H^ 




c 


iO 


iC 


!i 




c 


> 




"1 


S 


v 


■"^ 


c 


s_/ 



Kleur. 







n. el 


n. str. 


u. tt' 


20 Okt. 1854. 


Bemest. 


1,07 


89 


0,74 


9 maanden 


Niet. 


1,03 


85 


0,61 


20 Deo. 1855. 


Bemest. 


1.45 


95 


1.08 


11 maanden 


Niet. 


1,10 


88 


0,61 


25 Feb. 1855. 


Bemest. 


1,47 


85 


0,91 


13 maanden 


Niet. ) 


1,20 


88 


0,72 



StroQo-eel met fft-oen. 

Dito. 
Geel, gansch beneden rood 
Geel, groenachtig. 
Groenachtio: oreel met br. 
Wijnr. vlekken en stippen. 

Na den 20n December was er dus geen vooruitgang meer 
in den groei ; zulks was dan ook niet meer te verwachten , 
daar reeds sedert lang, zelfs vóór de maand December, de 
bladen, en deels de toppen, begonnen te verdroogen, en 
vele plekken ledig werden door uitsterving. De chemische 
uitkomsten van het onderzoek van dit proefriet, later 
mede te deelen , toonden onder anderen een volslagen gebrek 
aan kristalliseerbaarheid in het sap. De klimatologische 
toestand, waarvan de tabel aan het eind van dit verslag 
eenige voorstelling kan geven, had het innerlijke wezen 
van het riet aangetast , veranderd , en dan vooral is geen 
gunstige vooruitgang in den groei denkbaar. 

Ik achtte daarom alle verdere opname van getal en ge- 
wigt slechts tijdverlies, en in de maand Junij 11. is het 
gewas weggesneden, alleen met het doel, om door voort- 



— 30 — 

kweeking der stekken in beteren grond en zoo ik hoop, 
bij eenen beteren toestand der lucht, een beter gewas te 
bekomen , dan thans het geval geweest is. 

Hetzelfde geldt van het soerabajasche riet, dat den 22" 
April 1854 op eene andere, minstens even zoo blootgestel- 
de plek geplant werd, uit gebrek aan beter terrein. Ik zal 
daarom de afmetingen , enz. van de in opvolgende tijden 
voor chemisch onderzoek gesneden rietstokken , hier niet 
mededeelen , welke in mijn omvattend verslag daarvan zijn 
opgenomen. Opmerkelijk schijnt het mij toe , dat van al 
het roode riet uit Soerabaja , te Genting enkel geel riet is 
verkregen. 

4 Betere uitkomsten heb ik, althans van een gedeelte 
der proefaanplant , met gewoon buitenzorgsch riet beko- 
men , en zulks ofschoon bij den , ook op dat terrein niet 
geheel te ontkomen invloed der ruwe winden , zich nog 
een zeer ongunstige grond gevoegd heeft, zoo als vroeger 
werd medegedeeld. 

Gedeeltelijk slechts heb ik hier spekende uitkomsten be- 
komen , want die twee afdeelingcn , welke deels met guano 
en asch bemest werden , leden zooveel door uitsterving , dat 
herhaald inboeten bijna niets afdeed, en vele reeds ont- 
wikkelde planten later weder verdroogden. Deze tAvee 
meer oostelijk gelegene afdeelingen moesten , om zoo te 
spreken, de spits afbijten, en zijn althans nuttig geweest, 
door de twee overige te beschutten , waarvan ik thans , 
met veel vertrouwen, de uitkomsten kan aanbieden en be- 
oordeelen. 

In de maand Mei was reeds een in het oog loopend ver- 
schil bij dit riet aanwezig. Overal , behalve op de met gua- 
no bemeste reeks van beddingen , stond het zeer schraal. 
Op deze eene reeks waren ook veel minder inboetingen 
noodig geweest. Het groen der bladen Avas kennelijk don- 
kerder. De stokken, die ik in het laatst van Oktober 1854 



31 



sneed, toen derhalve liet riet bijna 9'/2/m oud was, had- 
den de volgende afmetingen, gewigt, enz. 

Zoo men hier let op de lengte der stokken en het aan- 
tal der leden , dan schijnt de vermeerdering van groei- 
kracht , door de guano bewerkt , zich niet zoo zeer in de 
vermeerdering van het aantal , als wel in vergrooting van 
<ls lengte der leden, te openbaren. 

Dit is voorzeker eene aanbeveling te meer voor den fa- 
brikant, en verklaart waarschijnlijk het feit, waarom zulk 
bemest riet, gelijk mijne analysen hebben aangetoond, eene 
wat grootere verhouding van suiker bevatte. Deze toch is 
naar mijne uitkomsten grooter in de leden , dan in de knoo- 
pen van het riet. Dat, wat in het laatst van Februarij 
1855, mede voor chemisch onderzoek, werd gesneden, had 
de volgende afmetingen , enz : 



Bemesting, 


Lengte 


Om- 
vang. 


Ge- 
wigt. 


Leden. 


K 1 e u r. 


Cruano .... 

Niets 

Guauo eu ascli. . 
Asch 


n. el 

1,50 
0,68 
0,92 
0,62 


n. str. 

1,48 
1,30 
1,30 
1,20 


n. ffi 

1,40 
0,68 
1,06 
0,52 


18 
14 
12 • 
13 


Wijurood. 



De ongunstige invloed der meer opcne ligging op de 
twee meest oostelijke afdeelingen, in weerwil A-an de krach- 
tige bemesting, valt thans nog meer in het oog, dan bij 
het vier maanden jongere riet. De donkerder kleur van 
het met guano bemeste uit de meest av. afdeeling acht ik 
een bewijs voor den snelleren groei. 

Omstreeks de helft van Maart, toen het riet dus om- 
streeks veertien maanden oud was, verschenen de eerste 
bloesems , en zulks vermeerderde allengs , zoodat in het 
begin van April het grootste gedeelte in bloei stond. Riet, 
met en zonder bloesem , uit alle vier de afdeelingen , werd 



— 32 — 

toen aan chemisch onderzoek onderworpen , en tevens bij 
eenige hoeveelheid gewogen. 

De gemiddelde uitkomsten waren : 



Bemesting. 



Gewigt per 
100 stokken. 



Per 100 

bloemsteugen 
met bloesems. 



Guano 

Niets 

Guano en ascb 
Asch 



194,4 

116,3 

106,1 

77,0 



n. if 



15,6 
U,7 
11,9 
10,5 



n.vè 



Het voordeel was thans nog duidelijker aan de zijde van 
het bemeste, dewijl het korte daaronder nog meer boven 
het gelijknamige onbemeste vooruit had , dan met de lan- 
ge stokken het geval was. 

Een dergelijk onderzoek werd aangevangen , maar op veel 
uitgebreider schraal: van het met guano bemeste riet op 
den In Mei , van het onbemeste eene week later , en van dat 
uit de twee overige afdeelingen , op het laatst van Junij. 
In deze beidt was de uitsterving: van het riet meer en meer 
toegenomen , en waren de nog aanwezige stokken meeren- 
deels kort en dun. 

De afmetingen van dat uit de twee eerstgenoemden vol- 
gen hier eerst. Het riet was nu verdeeld in dat, met 
bloemsteng, doch waarvan de bloem reeds lang was afge- 
vallen , in dat met nog aanwezige bloesems , en in dat 
zonder bloemsteng. 

Alleen van het eerste en het laatste werd thans gesneden. 



~ 33 



ó 

'S 








Bemest. 


i ^ 


nbemest. 




Hoedaniglieid. 


ó 


^ 


_6C 


fi 


ó 




^0 


d 


ö 




"&) 


S 


t» 


o 


"So 


c3 


■^ 


a> 


^ 




c 


> 


> 


'ö 


fl 


> 


TS 


s 






a 
o 






03 
Hl 


O 












u. el 


n. str. 


n. fi? 




n. el 


n. str. 








lang. 


gebloeid. 


2,06 


115 


2,— 


29 


1,64 


120 




27 




niet. 


2,12 


120 


1,9 


29 


1,44 


130 




22 




kort. 


gebloeid. 


1,42 


115 


1,26 


22 


1,22 


100 




20 


5 V. D 


niet. 


1,18 


96 


0,96 


14 


0,84 


100 




16 




lang. 


gebloeid, 
niet. 


2,10 
2,20 


125 
140 


2,27 

2,77 


30 
34 


1,15 
1,45 


105 
128 




16 
22 


3 bij 6 V. 


kort. 


gebloeid, 
niet. 


1,12 
1,18 


120 
120 


1,09 
1,53 


22 
11 


0,75 


110 




12 




lang. 


gebloeid. 


2,10 


135 


2,42 


29 


1,82 


125 




27 




niet. 


2,04 


118 


2,01 


33 


1,80 


lOOi 


25 




kort. 


gebloeid. 


1,73 


120 


1,72 


36 


0,84 


100 1 


15 


3 bij 4 V. 


niet. 


1,29 


115 


1,22 


18 


0,90 


100 




12 




Iflno- 


gebloeid. 


2,30 


110 


2,19 


31 


2,05 


130 




33 




IdUj^. 


niet. 


2,70 


105 


2,07 


48 


— 


— 




— 




kort. 


gebloeid. 


1,30 


100 


1,05 


16 


— 


— 




— 


3 V. D 


niet. 


1,70 


120 


1,70 


30 


0,85 


90 




27 



Wat ik hier in de eerste plaats wensch te doen uitkomen , 
is de invloed der plantwijdte op de hoedanigheid van het 
riet. 

Dat op 3 V. D geplant, was verreweg het langste; de 
verhouding der lengte tot die van al het wijder geplante 
riet, was als 100:84. De lengte van het verschillende, 
wijder geplante was onderling niet zeer uiteenloopende. 

Het digtst geplante had daarentegen den kleinsten om- 
vang. In verhouding was deze tot dien van het riet, op 
de drie andere plantafstanden , als 100 : 117. Om in deze 
verhoudingen evenredigheid te maken , had de laatstge- 
noemde moeten zijn 119. 

Bij deze berekeningen is het korte riet niet in aanmer- 
king genomen : 

Doch in weerwil van dit schijnbaar te kort bij het dik- 
kere riet, had toch het langere maar dunnere gemiddeld 

3e SERIE DL. II. 3 



— 34 — 

een kleiner gewigt, want de verhouding daarvan was tot 
die van het dikkere, als 100: 105. Bij even groote be- 
trekkelijke toename in lengte en afiiame in dikte, verliest 
men in gewigt aan riet. 

Het gezegde komt nog meer uit, zoo wij de plantwijdte 
van 18 V. □ , als voor klimaat en grond te Genteng al te 
groot , verwaarloozen. 

Dan wordt de verhouding in lengte van het digtst tot 
het wijder geplante , als 100 : 84,4 ; in omvang als 100 : 
123; in gewigt als 100 : 111. 84,4 x 123 is slechts 104. 
Wat ik hier digt planten noem, namelijk 3 v. □, schijnt 
nog in een ander opzigt nadeelig te zijn , namelijk , dat de 
leden korter worden. Althans bedroeg de gemiddelde leng- 
te daarvan. 

Op 5 V. D plantw. ruim 7 n. d. 
„ 3 bij 6 V. „ „ 6,7 „ 

„ 3 bij 5 V. „ „ 6,7 „ 

„ 3 V. D ,; „ 6.2 „ 

Het gemiddelde van de lengte der leden van al het kor- 
te riet was slechts 5 n. d. Dit is, dunkt mij, eene re- 
den te meer, om verband te zien tusschen kracht van groei 
en de stofproduktie in elk dier kleinere groeiperioden, wel- 
ke door de knoopen of zoogenaamde geledingen worden 
voorgesteld. Daar met het bloeijcn van het riet, de leng- 
tegroei ophoudt, was het te verwachten, dat het reeds 
gebloeid hebbende gemiddeld korter zou wezen, dan dat 
van gelijken ouderdom , waaraan nog geenc bloemstengen 
gevormd waren. 

Hierin bestond bijna het eenige verschil, blijkens deze 
cijfers. 



35 — 



Bijzonderheden. 



Gebloeid. 



Zonder bloemstensr. 



Lengte . 
Omvang 
Gewigt 
Leden . 



2,14 n. el. 

1.21 j) str, 

2.22 » ffi 
32 )) » 



2,27 n. el. 

1,21 ))Str. 

2,19 » S 

36 » !> 



De omvang schijnt, bij dat uit de tweede kolom, min- 
der gelijkmatig geweest te zijn; van daar het iets kleiner 
gewigt, dat juist grooter had moeten wezen. Bij het on- 
bemeste werd het riet van drie nummers vermengd; van 
daar de ledige plaatsen. Gewogen werd het riet hier niet; 
het verschil in volume spreekt duidelijk genoeg, zoo als 
onder meer ook uit het volgende aanschouwelijk wordt. 
Vooreerst, ten aanzien van de plantwijdte blijkt, dat de- 
ze ook op de afmetingen van dit onbemeste riet invloed 
heeft gehad, want: 

Dat , geplant op 3 v. □ , verhield zich in lengte tot het 
gemiddelde der andere, als 100 : 75 ; en dat op 3 bij 4 v. 
tot dat van de twee grootere plantwijdten , als 100:78. 
Maar in dikte verhield dit laatste zich teojenover dat van 
3 bij 6 V. en 5 V. □ , als 100 : 108. 

Derhalve weder, vermeerderde groei in lengte door be- 
trekkelijk digt planten , en in omvang , door meerdere ruim- 
te, even als bij het bemeste; doch in de lengte meer uit- 
komende. 

Ten aanzien van de gemiddelde lengte der leden , be- 
komt, men hier tot uitkomst. 



Op 5 V. D . . 


. 6,3 n. d. 


„ 3 bij 6 V. . 


. 7,0 „ 


„ 3 „ 4 V. . 


• 7,0 „ 


„ 3 V. □ . . 


. 6,2 „ 



Dus zoude de grootste en kleinste plantwijdten beide hier 



— 36 — 

minder gunstig gewerkt hebben , dan de twee anderen , die 
van elkander zoo aanmerkelijk verschillen. 

Het gemiddelde verschilt niet van dat bij het bemeste 
riet. Is misschien de plantwijdte van 5 v. □ alleen met 
hulp der bemesting voordeelig geweest, tot het vormen van 
lange leden? 

Als gemiddelde lengte der leden van het korte riet vin- 
den wij hier weder 5 , 3 n. d. 

Tusschen het wel- en niet gebloeid hebbende riet bestaat 
hier veel minder verschil, dan in het bemeste werd ge- 
vonden. Ja, er is bijna geen verschil te bemerken. 



Bijzonderheden, 



Gebloeid. 



Zonder bloemstenof. 



Lengte . 
Omvang 
Leden . 



1,54 n. el, 
117 )) str. 
24 



1,56 n, el. 
119 II str. 
22 



Het was dus door het in bloem schieten, waardoor hier 
de leugteo-roei sestuit werd. Deze had het, onder de om- 
standigheden bereikbare , maximum verkregen , en het inval- 
len van het bloeijen was een beletsel voor de algeheele 
uitwerking der guano. 

Afgescheiden van de verschillende invloeden dier bemes- 
ting , gewijzigd door de plantruimte , heeft zij , in het alge- 
meen , krachtig gewerkt op de individueele ontwikkeling 
van het riet. 

De aangegevene cijfers maken dit duidelijk; het komt 
nog meer uit, door het in den vorm van verhoudingen 
voor te stellen. Alsdan bekomt men: 



— 37 — 



Plantwijdte 


Afmetingen. 


Onbemest. 


Bemest. 




Lengte. 


100 


136 




Omvang. 


100 


94 


5 vierk. voet. 


Leden. 


100 


118 




Lengte. 


100 


165 




Omvang. 


100 


114 


3 bij 6 voet. 


Leden. 


100 


180 




Lengte. 


100 


114 




Omvang. 


100 


113 


3 bij 4 voet. 


Leden. 


100 


120 



Bij elke plantwijdte , doch meest bij die op 3 bij 6 v. , 
en hoofdzakelijk in den lengtegroei, heeft dus het riet op 
zich zelf voordeel gehad van de guano. 

Ten aanzien van het kortere riet , het zij dan jongere of, 
zoo als ik geloof uit de analyse te mogen afleiden , alleen 
minder ontwikkelde , is het voordeel , door de guano be- 
werkt, nog duidelijker geweest. Trouwens reeds uit de 
proeven van een vroeger jaar is gebleken, dat deze stof 
het gewas meer gelijk maakt in hoogte. 

Ruim een derde van de geheele aanplanting, en juist 
eene gelijke oppervlakte van het bemeste en onbemeste 
riet , werd tevens gesneden en gewogen , en de uitkomsten 
daarvan , die nu volgen , wijzen al weder op den gunsti- 
gen invloed , dien de guano op de ontspruiting en uit- 
stoelmg van het riet gehad heeft. 



— 38 - 
Bemest. 















1 








p 


Aantal 


Gewigt 


"3 
o 


Gcwigtper 


Gewigt aan 


ai 


6 




stokken. 


aan riet. 


'S 


lÜO stokk. 


riet. 


S 


'S 

□ 

ei 


o 






« 






§ 


'S 




■" V. 


1 


O S3 


e 

o 


-B 


!- jJ 


"o 
o 


o . 


ï5 


s 


CS 


o 

(5 


'S £ 

S o 
o o 


o 

a 


^3 


IA 
o 

t/3 


o 


















n. pd. 


n. pd. 




n. pd 


n. pd 


u. pd. 


n. pd. 


1 


5 V. D 


31 


44 


147 


92,3 


181,5 


ruim G 


210 


124 


8,83 


44,6 


2 


3 bij 6 V. 


13 


20 


57 


3S,2 


75 


bij na 6 


191 


132 


8,70 


37 


3 


, « 4 " 


27 


22 


12G 


45,0 


1G4 


5,5 


207 


130 


7,76 


68,5 


4 


» . 3 « 


24 


20 


G7 


45,7 


101,G 


3,9 


176 


150 


G,14 


48,1 


5 


. . 6 " 


14 


15 


55 


27,5 


59 


5 


183 


107 


6,18 


28,3 


G 


„ „ 4 // 


32 


22 


94 


38 


104,1 


ruim 5 


173 


111 


4,44 


43,2 


7 


- „ 3 -/ 


22 


10 


72 


17 


75 


bijna 4 


170 


104 


4,18 


30 


8 


„ „ 6 '/ 


13 


9 


30 


14,5 


34,5 


3 


IGO 


115 


3,77 


16 


9 


totïlïll of 


26 


22 


25 


31 


22 


1,8 


114 


88 


2,04 


17,3 




gemitWeld 


202 


190 


673 


349,8 


816,7 


4,25 


184 


121 


5,77 


30.3 



Onhemest. 



5 V. D 


13 


34, 


54 


35,9 


46,75 


8,6 


106 


60 6,36 


3 bij 6 V. 


7 


9 


14 


11,15 14,— 


8,4 124 


28 3,60 


« „ 4-/ 


19 


28 


55 


28,5 I 51,75 


7,26 102 


47 4,22 


,/ « 3« 


15 


10 


30 


16,25 24,— 


6,13 163 


29 2,68 


. „ 6" 


9 


3 


26 


2,75 19,— 


6,44 192 


35 2,42 


., „ 3 " 


18 


17! 


46 


17,50 34,75 


5,50 103 


42; 2,90 


„ „ 4 « 


5 


21 


7 


1,75 


5,— 


4,80' 87 


23! 1,35 


„ „ 6 " 


3 


9' 


10 


G,50 


5,5 


9,— 


72 


30 4,— 


r „ 4" 

totaal of 
gemiddeld 


17 


13 


38 


13,90 


33,— 


5 — 


107 


46 2,80 

1 


106 


125! 


280 


13,42 


233,75 


6,50 


107 


411 3,45 



13,5 
8.2 

26,2 

13,1 
7,1 

17,1 
2,2 
3,9 

15,3 

12 



Van 110. 5 tot iio. 9 was de grond humusrijk, de- 
■wijl liij , oorspronkelijk hellende , in vlakke beddingen ge- 
legd was ; van daar de mindere opbrengst in elk opzigt , 
op de bemeste beddingen altlians, vergeleken met 1 — 4. 
Op de onbemeste is daaromtrent weinig verschil te zien, 
wel om dezelfde reden, die in mijn verslag over de kui- 
tuur der Sijdneijmaïs is aangevoerd. Onder het korte, be- 
meste riet was geene noemenswaardige hoeveelheid onrijp; 



— 39 — 

bij het onbemeste bedroeg dit meer dan de helft. In elke 
kolom, met uitzondering van die, welke de uitstoeling voor- 
stelt, is de meerderheid grootelijks bij het bemeste riet. 
Als oorzaak van die uitzondering weet ik niets anders op 
te geven, dan dat, waar het riet sneller en krachtiger op- 
wies , waar het dus , na hetzelfde tijdsverloop , digter stond , 
geene gelegenheid kon bestaan voor die latere uitspruiting, 
welke bij het onbemeste dat zeer korte en nog ten eene 
male onrijpe riet oj)leverde. Uit dit oogpunt is die min- 
dere uitstoeling voorwaar geen nadeel, en het komt toch 
maar alleen aan op de getallen , in de laatste kolom voor- 
gesteld. 

Deze is de som der afzonderlijke voordeelen , namelijk 
het uitspruiten van een veel grooter aantal stekken op de- 
zelfde oppervlakte , het uitstoelen van meer volrijp riet , 
dat, gelijk vroeger meer bijzonder is aangetoond, tevens 
aanmerkelijk zwaarder was, dan het onbemeste. 

De gemiddelde verhouding van het gewigt aan riet, per 
eenheid van grond is , het onbemeste op 100 stellende , bij 
het bemeste 250. Het onrijpe, onbemeste riet werd niet 
afzonderlijk gewogen. Stellen wij dcszelfs gewigt slechts 
op een vierde van het andere, dat geene bloemstengen had 
maar rijp was. Trekken wij, gelijk had moeten geschieden, 
dit bedrag van het gezamelijke geAvigt af, dan stijgt de 
verhouding van het bemeste tot 290 ; de gemiddelde uit- 
stoeling van het onbemeste daalt dan tot 3,8 , of beneden die 
van het bemeste. Tot dit cijfer van 290 — 100 is door het 
minder uitsterven van het bemeste (zelfs ofschoon bij het 
andere menigvuldiger en steeds meer werd ingeboet) , bij- 
gedragen voor 90 ; door de uitstoeling van rijp riet , voor 
een bedrag van 12 , en door de meerdere zwaarte van het 
riet zelf, voor een bedrag van 88. 

De waarde der guano -bemesting in de drie genoemde 
opzigten wordt hierin dus duidelijk uitgedrukt. 



— 40 — 

Vergelijkt men de betrekkelijke uitwerking der verschil- 
lende plantwijdten , bij het wel en niet bemeste riet , dan 
komt men tot de volgende uitkomsten. Op den beteren 
grond (1 — 4) is, voor beide het grootste voordeel verkre- 
gen van eene ruimte van 12 o v. ; die van 9 □ v. volg- 
de , maar op grooten afstand , vooral bij het onbemeste , 
waar die van 25 □ v. bij het bemeste de derde plaats in- 
nemende, eigenlijk, ofschoon met zeer gering verschil de 
tweede plaats beslaat. Dat de plantwijdte van 18 □ v. (3 
bij 6 V.) lager staat , dan die van 25 cd v. , is denkelijk 
daaraan toe te schrijven , dat de laatste op de twee aller- 
laagste beddingen staande , eenen grond hadden , nog iets 
rijker in humus , dan die van no. 2 uit de tabel. 

Op eenen grond , als de hier bedoelde , was dus de plant- 
wijdte van 3 bij 4 voet ( 6000 stekken per bouw ) de voor- 
deeligste. Bij digter planten verloor het riet , ofschoon lan- 
ger, meer in zwaarte, dan door het grooter aantal stekken 
per éénheid gronds werd opgewogen ; te meer , daar alsdan 
een werkelijk kleiner gedeelte van die stekken opgroeide. 
Zoo werd bij het bemeste h. 3 bij 4 v. van 100 stekken 
bekomen een aantal van 100 stoelen , en a 3 v. □ , slechts 
70. Bij het onbemeste, a 3 bij 4 v. , van 100 stekken 74. 
stoelen , en a 3 v. □ , slechts 44. 

Bij wijder planten daarentegen, was de grootere uit- 
stoeling verre van toereikend , om het verlies aan grond 
te dekken. Bovendien was die overmaat van ruimte nog 
nadeelig in een klimaat, als dat te Genteng, door te veel 
toegang te geven aan hevige luchtstroomingen ; althans 
de uitster\ang was er veel grooter, dan bij de plant- 
wijdte van 3 bij 4 v. Onder de bemeste verkreeg ik, 
op 3 bij 6 V. , van 100 stekken 82 stoelen , en onder 
de onbemeste slechts 40. De onderste beddingen, waar op 
5 V. □ geplant werd , maken hier , om bovengenoemde re- 
den, hoewel alleen na de bemesting, een uitzondering: on- 



— 41 — 

bemest bedroeg de verhouding aldaar slechts 54 stoelen per 
100 stekken. 

Ook op de beddingen met minder goeden grond, zoo als 
van no, 5 tot 7 , en verder no. 8 en 9 , heerscht , althans 
waar guano gebezigd is , dezelfde verhouding tusschen 
plantwijdte en produktie aan riet per eenheid gronds. 

Het verschil neemt echter af met de hoeveelheid aan 
produktie ; dewijl zoo ras de grond te schraal , te arm aan 
humus wordt, het riet, ook met guanobemesting , geene 
genoegzame groeikracht erlangt, om al het voordeel te 
trekken , zelfs van de meest passende plantwijdte. Bij 8 en 
9 heeft de meerdere zwaarte en uitstoeling van het riet, 
bij groote plantruimte, genoegzaam opgewogen tegen het 
verlies in erond en de meerdere uitsterving;. 

Ik moet er nog van afzien , om te beoordeelen , of bij 
bemesting met guano , de meerdere kosten , bij digt plan- 
ten (bijv. 3 V, □ of 3 bij 4 v.) het voordeel daarvan niet 
zullen verslinden ; ten ware men dan bij elke stoel evenredig 
minder mest kan leggen ; hetgeen ik nog niet beproefd heb. 

De werking der guano komt nog sterker uit , zoo men 
de onbemeste beddingen 5— 9 gadeslaat. Daar was de be- 
trekkelijk , humus-arme grond geheel aan zijne eigene krach- 
ten (sit venia verbo) overgelaten , en alleen het treffen van 
de meest geschikte plantwijdte tot gelijktijdige vermijding 
van te grooten luchtaanvoer en te groote belemmering 
der planten onderling, kon daar nog eene algeheele mis- 
lukking voorkomen. 

Hoe schraal , in vergelijking van het vorige , het riet 
stond op de rei beddingen no. 3 en 4 en hoe sterk , inzon- 
derheid op de meest oostelijke , de uitsterving geweest 
was , blijke uit het volgende tafeltje. Dit stelt voor het 
produkt van de gansche oppervlakte , die bijna drie maal 
zoo groot was , als die , waarvan in de vorige afdeelingen 
het riet was gesneden. 



42 





AFDEELING 


3. 


AFDEELING 4. 






Aantal 


Gewigt aan 




Aantal 


Gevvigt aan 


'S 


ö 

o 
o 
t/3 


stokken. 


riet. 


o 


stokken. 


riet. 




o 

o 
p 

6 


a 


1 


o 
o 

1— 1 


d 

"o 
p 

6 


o' 
"o 

Ui 


3 
o 

N 


o 
o 


5 vierk. v. 


4G 


110 


133 


n. pd. 
116,5 


u. pd. 
34,5 


14 


_ 


34 


n. pd. 
8 


n. pd. 
24 


3 bij 6 


43 


130 


100 


126,5 


55 


22 


17 


79 


27,5 


29 


„ „ 4 


28 


80 


70 


77,5 


51,7 


17 


16 


66 


36 


44 


„ „ 3 


23 


50 


75 


55,5 


44,4 


16 




GS 


22,5 


33 


« « 6 


57 


71 


170 


98 


40,7 


9 


— 


32 


16 


50 


. „ 4 


23 


15 


65 


30 


37,5 


— 


— 


68 


24,5 


36 


« „ 3 


25 


7 


90 


39,5 


41 


10 


— 


60 


15,5 


25 


„ „ C 


53 


30 


135 


70 


42,4 


43 


— 


65 


22 


34 


„ „ 4 


44 


26 


130 


66,5 


42,6 


33 


— 


136 


42 


31 


« « 3 


15 


5 


72, 


29,5 


38,3 


18 


— 


47 


15,5 


33 



Uit het gewigt per 100 stokken blijkt genoegzaam, dat, 
wat hier groot riet genoemd is , in zwaarte niet kon halen 
bij het kleine riet uit de met guano bemeste afdeeling no, 
1 , terwijl het in dit opzigt zelfs weinig boven het korte ^ 
onbemeste uit afdeeling 2 , uitstak. Tot zulk eenen graad 
kan ook de krachtigste bemesting door den invloed van een 
ongunstig klimaat werkeloos gemaakt worden. 

Het overige riet van de eerste twee afdeelingen werd 
opzettelijk in den grond gelaten, om de voortgaande ver- 
anderingen in het riet , met den ouderdom , door chemisch 
onderzoek te ontdekken, zooals den 31 Julij , den 11 en 
25 September en den 8 Oktober 11. geschied is. 

Er werd dus geen riet meer in massa gesneden en ge- 
wogen. Van die van den llen September (191/2 m. oud), 
welke onderzocht werden , wogen de bemeste bijna 2,5 
ned. pond per stok en de onbemeste 0,9 ned. pond. De 
bemeste waren nog frisch en saprijk; de onbemeste aan de 
toppen reeds verdroogd. Van daar ten deele het bijzonder 
groote verschil in gewigt. 



— 43 — 

Op den ouderdom van 20^/3 maand (den 25° September 
11.) begon ook liet bemeste riet hier en daar te verdroogen, 
en was een zeker gedeelte van het grootste reeds uitgestor- 
ven. 

Het nog staande werd dus gesneden. Dit was zeer ver- 
schillend in dilvte en ook in lengte. De grenzen in het ge- 
wigt, per 100 stokken, waren 104 en 199 ned. pond, ge- 
middeld 130. ned. pond, en derhalve aanzienlijk minder, 
dan vroeger. Het trok mijne aandacht , dat dit buiten- 
zorgsche-riet , vroeger van genoegzaam dezelfde kleur , thans 
gedeeltelijk de bruinroode kleur van het rapoh-riet, ten 
deele de meer olijfgroene van het kijong-riet vertoonde. 

Van het gekapte riet zijn de stoelen in den grond gela- 
ten , voor paparan. Dat , gesneden op den 30en '^Iq{ en ^en 
Julij (bemest en onbemest) geeft nu reeds stof tot beoor- 
deeling aan. 

Het welige en krachtige uitgroeijen van de stronken van 
bemest, boven die van nog onbemest riet wijst duidelijk op 
eene blijvende verbetering, die de guano in het inwendige 
van het riet bewerkt heeft. De bemesting van den grond, 
die den 19^ Januarij 1854 heeft plaats gehad , kan bezwaar- 
lijk thans nog bijdragen tot die meerdere groeikracht. 

Ik teeken hier nog aan , dat het bloemschieten van het 
riet, omstreeks de helft van Maart 1855, zich niet enkel 
bepaalde tot een deel van het buitenzorgsche, maar dat ook 
al de andere soorten uit den oosthoek afkomstig, er min 
of meer in deelden. 

Nu waren deze soorten geenszins alle van denzelfden 
ouderdom , blijkens deze herhalingstabel. 



_ 44 — 



Afkomst. 



Probolingo. 

Idem. 

Samarang. 

Soerabaja. 

Idem. 

Idem. 

Buitenzoro;. 



Geplant. 

20 September 1853. 
)) » 

14 Oktober 
20 » 

» » 

18 Januarij 1854. 



Overgeplant. 



niet. 

18 Januarij 1854. 

29 December 1853. 

30 » M 

19 Januarij 1854. 
22 April " 
niet. 



Het jongste riet , van het planten af gerekend , Avas dus 
14 maanden, liet oudste 18 maanden. Bij mijne vorige 
proeven van 1852 — 1853, viel de bloeitijd in, toen al het 
riet 7 en 8 maanden oud was , deels in het begin van Mei. 
Ik maak hieruit de gevolgtrekking, dat het bloeijen van 
het riet niet, of ten minste niet enkel van soort of ouder- 
dom aflianfft , maar van den toestand , misschien wel van 
eene spoedig toenemende droogte, der lucht 

II. Kultuurproeven in den Laboratorium-tuin te Buitenzorg. 

Deze hadden plaats op dezelfde beddingen, die voor de 
eerste proeven gediend hadden. 

Zij werden echter vooraf niet alleen herhaaldelijk en 
goed omgewerkt, maar ook anders verdeeld, en thans werd 
hier eene plantwijdte van 4 v. □ in acht genomen, terwijl 
de vroegere IV^ hij 2 v. geweest was. 

Van de drie rietsoorten uit Probolingo was die van de 
fabriek Dringo verdwenen; de proeven liepen dus alleen 
over die van de drie andere. Ik zal daarvan, ieder afzon- 
derlijk, de bijzonderheden en de uitkomsten mededeelen. 

I. Kiet van de fabriek Gending afkomstig. Onbemest. 

De stekken werden, na voorafgaande weeking en plaat- 
sing op kweekbeddingen , hetwelk den 24n September 1853 
geschied was, den 7n Oktober daaraan volgende overge- 
plant. 



— 45 — 

Er moest van tijd tot tijd worden ingeboet, doch dit 
werd ras genoeg verrigt , om op den ouderdom van liet 
geheele gewas geenen noemenswaardigen invloed te kun- 
nen uitoefenen. 

Het snijden , wegen en meten van het riet had plaats op 
den 7n en 8n December 1854. 

Het, toen 14 maanden oude, riet was Aveder ten deele 
uitgesproten. Ik heb deze afzonderlijk gewogen. 

De volgende tabel stelt de uitkomsten voor. 



Aanwezige stoelen. 



s ( 


1 


Lange . . . 


40 


1,25 


a 1,95 


-^ 


^ & 


Middels. . 


37 


1 a 


1,30 


O 




Korte . . . 


64 


0,65 


a 1 


"rt f 


i^ 


Lange . . . 


725 


f 1,20 


a 2,50 


«3 / 




Middels. . 


18 


)0,95 


h 1,30 


ei 

< ( 




Korte . . . 


12 


0,55 


a 1,0 


Omvang 


niet uitgespr. 




60 a 


110 str 






uitgespr. 




55 a 


120 .) 


Gewigt 


niet uitgespr. 




82 n 


. «. 


aan 


riet 


uitgespr. 




91,5 


» 



38 



n. el. 



De kleur van dit riet had steeds geel tot grond , maar 
was met groen, olijfgroen , en bruin tot bruinrood en pur- 
per vermengd of gevlekt ; zoodat soms de grondkleur zelfs 
niet meer zigtbaar was. 

Naar de opgegevene cijfers bekomen wij de volgende 
verhoudingen. 



Bijzonderheden. 



Stokken per stoel. 

» per 100 D V. 
Gewigt I per stoel. 
aan riet | per 100 n v, 
Gew. van 100 stokken. 



6,5 
33,4 

4,6 
23,6 
70,5 



D. « 



_ 46 — 

2 Met (juano bemest a 3,3 ned. lood per plant of 150 
ned. pond per bouw. 

De guano werd, toen het geAvas ongeveer één voet Lo- 
ven den grond was , onvermengd digt bij de plant gelegd , 
en met een weinig aarde losjes toegedekt. 

Het snijden, enz. had plaats op den 9n December 1854. 
De uitkomsten waren als volgt: 



o 



cd 



Aanwezige stoelen. 

i ( J. . Lange . 
*2 |, Middels. 
.2 f„ Korte . 

^ Lange . 
S INIiddels. 
^ Korte . 



Omvang niet uitgespr. 
uitgespr. 
Gewigt I niet uitgespr, 
aan riet | uitgespr. 



28 

12 ( 1,55 a 1,85 n. el. 

50 I 0,80 a 1,40 >. 

46 ( 0,50 a 1,00 " 

16 { 1,45 k 

16 1,00 a 

2 0,90 



60 a 125 n. 
75 a 130 
59,25 n. 
32,25 



1,95 
1,50 

str. 



Op dit riet was zeer weinig geel te zien. Groen met 
bruine en roode tinten, purper bruin tot bruinrood waren 
de heerschende kleuren. 

Uit dit tafeltje is het volgende af te leiden. 



Bijzonderheden. 



Stokken per stoel. 


5,4 


per 100 □ V. 


23 


Gewigt 1 per stoel. 


3,6 n. ffi 


aan riet j per 100 □ v. 


15,3 » 


Gewigt van 100 stokken. 


66 » 



— 47 — 

3 Kiet van de fabr. Soember kareng afkomstig Onbemest. 

De voorbereidende werkzaamheden, tijd van planten en 
plantwijdte waren gelieel dezelfde, als bij liet vorige riet. 

Het werd op den 15 December 1854 gesneden, en was 
dus 14 VV"^ <^^^- 



Aanweziare stoelen. 



-2 f 'S fcfl 






Lange . 

&, IMiddels. 

Korte . 

Lange . 
]\liddels. 
Korte . 



Omvang niet uitgespr. 

uitgespr. 

Gewigt I niet uitgespr. 

aan riet | uitgespr. 



11 

12 ( 1,40 a 1,70 n.el 
19 I 0,95 a 1,25 » 
30 ( 0,80 a 0,90 » 

2 ( 1,70 a 1,90 » 
2 1,70 a 1,20 » 

75 a 110 n. str. 
95 a 110 .) 
46,50 n. ffi. 
4,75 » 



De kleur van dit riet was meerendeels een mengsel of 
liever eene nuancering van groen , rood en bruin ; bij 
enkele werd bet groen gemist. Het korte, zoomede bet 
bovendeel van het lange riet was doorgaans geel, hier en 
daar met lichtrood. 

Naar deze cijfers bekomen wij de volgende : 



Bijzonderheden. 



Stokken per stoel. { 5,9 

per 100 □ V. I ruim 20 

Gewigt I per stoel. j 4,45 u. U' 

aan riet | per 100 □ v. 15,3 » 

Gewigt van 100 stokk. I 75,4 » 



— 48 — 

4 Dezelfde onetsoort, met guano heinest, in verhouding 
als boven gezegd is. Het riet was weder 14^4 maanden 
oud, toen liet gesneden werd. De uitkomsten waren. 



Aanwezisre stoelen. 



o 

ai 

a 

ei 



Ja . Lange . 
"1 |h Middels. 
I 1 Korte . 

^ Lange . 
S INIiddels. 
i" Korte . 



Omvang: niet uitgespr. 
uitgespr. 
Gewigt I niet uitgespr. 
aan riet [ vdtgespr. 



43 

51 

101 

92 

12 
10 



1,35 a 2,10 n. el 

1,10 h 1,40 1) 

0,55 a- 1,15 " 

0,50 a 1,90 » 

0,85 a 1,20 » 



G5 a 130 n. str. 
80 a 130 '. 
225 n. ffi. 
50,65 )> 



Waarvan men , als boven rekenende , bekomt 



Bijzonderheden. 



Stokken per stoel. 

per 100 vierk. v. 
Gewigt I per stoel. 
aan riet j per 100 vk. v. 
Gewisrt van 100 stokken 



6,4 
30,8 

6,4 n. ffi. 
30,8 .) 
100 » 



5 Het riet aflvomstig van de fabriek Kotta (of Oembool) 
op denzelfden datum als de vorige geplant, werd gesneden 
den 25n December 1854; het was dus ruim 14i/2 maan- 
den oud. Deze tusschenpozen waren noodig, omdat er, 
bij het geringe personeel, slechts weinig riet te gelijk kan 
gesneden worden , zoo het voor chemisch onderzoek moet 
dienen. Minstens acht dagen zijn noodig, om deze analy- 
sen althans zoo ver te brengen, dat de voorwerpen tegen 
bederf beveiligd zijn. 



— 49 — 

In de volgende tabellen zijn de uitkomsten gerangschikt 
ook van liet met guano bemeste riet, -waaromtrent dezelfde 
bijzonderheden , als vroeger , zijn in acht genomen. 

Onhemest. 



Aauwezig-8 stoeleu. 

ö f J= . Lange . . 
^ \ ^ %' MiJttels. 
o .2 I. Korte . . 



I - 
Omvano;: 



GcAvigt 
aau riet 



Lansre . . . 
Middels. . 
Korte . . . 

niet uitgespr. 
uitgespr. 
niet uitgespr. 
uitgespr. 



19 

33 

51 
15 



1,55 a 2,10 
1,10 a 1,50 
0,55 a 1,00 

1,60 a 1,95 
1,15 a 1,40 



60 a 1,50 n. slr. 
90 a 130 >• 
140,7 n. ffi. 
41 » 



u. el. 



Of, nader berekend 



Bij zonderheden. 



Stokken per stoel. 
Gew. aan riet per stoel. 
Gew. van 100 stokken. 



9,6 
120,3 



n. K 

1) 



Bemest. 



Aanwezige stoelen. 



< 



\ -^ er. 

(•5 ^« 



{ " 



Lange . . 
Middels. 
Korte . . 

Lange . . 
Middels. 
Korte . . 



Omvang niet uitgespr. 
uitgespr. 
Gewigt I niet uitgv -pr. 
aan riet | uitge,:[>r. 

Se SERIE DL. II. 



19 



30 


1,60 


a 


2,45 


42 


1.20 


a 


1,55 


44 


0,65 


a 


1,10 


9 


1,80 


a 


2,00 


6 


1,30 


a 


1,70 


75 


X 120 


g 


tr. 


100 


al30 




» 


112 


n.« 






30,5 


» 







n. el. 



Waaruit men bekomt. 



öö 



Bijzouderlieden. 



Stokken per stoel. 
Gewigt aan riet per stoel. 
Ge-\viüt van 100 stokken. 



6.9 n. ffi 
7,. 5 1) 

108,8 )) 



De kleur vnu dit riet , zoowel bemest als onbemest , -was 
deels rood of bruinrood , deels olijfgroen of groen met rood 
en bruin. 

De stekken van het , alhier gegroeide , uit Soerabaja en 
Samarang oorspronkelijke riet, werden, na vele dagen, al- 
weder door mijne ziekte , op kweekbeddingen te zijn ver- 
bleven , den 3en Januarij 1854 overgeplant, en den In Ja- 
nuarij 1855 gesneden. 

Bemesting en plantwijdte mede als bij de vorige. 

Uitkomsten van het riet , uit Soerabaja afkomstig. 



Bijzonderheden. 








Lange stokken. 




1,30 a 1,80 n. el. 




:Middels. » 




1,— a 1,30 » 


Lengte. 


Korte » 




0,60 a 0,95 » 




Lange » 




90 a 110 str. 




Middels. » 




90 


Omvang. 


Korte » 




90 a 1,25 .) 


Aantal stokken per stoel. 




5,25 


Gewigt aan riet per stoel. 




5,25 n. ft 


Gewigt p 


er 100 stokken. 




100 .. 



Van het onbemeste was zeer weinig verkregen ; doch 
daar er ook niet genoeg stekken konden geplant worden , 
om voor eene redelijke proef te dienen , deel ik de uit- 
komsten hier liever niet mede. 

Het zoogenaamde witte riet had eene groengele, deels 
met bruinrood afgewisselde kleur. 



~ 51 — 

Van eigenlijk rood riet "was hier zeer weinig Lij. 

Uitkomsten van het riet uit Samarano- afkomstig:. 



Bijzonderheden. 


Onbemest. 


Bemest. 








Rood 1,55 




Lange stokken. 


1,60 a 1,65 n.el. 


Wit 1,70^2,10 n.cl 
Rood 1,10 




Middels. " 


1,20 .\ 1,40 " 


Wit 1,40 Ji 1,80 „ 
Rood 0,80 


Lengte . 


Koite " 


0,60 a 0,95 " 


Wit 0,60^1,10 n 

Rood SO str. 




Lange * 


80 a 110 n. str. 


AVit 90 a 115 n. str. 
Rood 70 




Middels. 


80 -i 110 // 


Wit 90 i 120 " 
Rood 70 


Omvang 


Korte " 


70 >l 135 « 


Wit 80 a 120 « 


Aantal stokken per stoel. 


5,2 


9,1 


Gewigt aan riet * 


5,9 n. pond. 


12,06 u. pond. 


Gewigt pe 


• 100 stokken. | 


113,4 


131,5 



Bij het onLemeste was , even als bij het bemeste , het 
roocle bestendig korter en dunner, dan het witte riet. Zij 
werden niet afzonderlijk gewogen, maar de verhouding van 
beiderlei stokken was bij het bemeste en onberaeste, ge- 
noegzaam gelijk. Het onbemeste rapoh-riet was bruinrood 
op groenen grond; het bemeste bruinachtig wijnrood, digt 
boven de knoopen allengs lichter en overgaande in bruin- 
achtig olijfgroen. 

Het onbemesie witte riet (oerang en sembong) was groen- 
geel met lichtrood en bruinrood; het bemeste was meeren- 
deels licht groengeel; slechts sommige stokken waren deels 
bruinrood. 

Ik roer deze bijzonderheden aan , omdat ik reeds voor 
lang heb opgemerkt , dat de kleur zeer kan afwisselen , 
naar den aard en toestand van den grond , naar de kracht 
en weelderigheid van 2;roei. 



— 0-^ — 

Immers ds kleur moet afwisselen , met den aard en de 
hoeveelheid der stoffen , door vrelke de lichtstralen ontleed 
worden; en die stoffen zijn, in hr.re wording, van grond, 
klimaat en den ouderdom van hot gewas afhankelijk 

De guano , zoo sterk inwerkende op het geheele ivezen 
van het riet, zijne ontspruiting, volume, zwaarte, uit- 
stoelinf en zamenstelling, moet ook wel de kleur kunnen 
wijzigen , en waar de klenr door ongeschiktheid van den 
grond , ontaardt van de oorspronkelijke , daar moet de gu- 
ano hierin verandering brengen , welligt de oorspronkelijke 
kleur , met andere kenmerkende eigenschappen , doen stand 
houden. 

De medegedeelde cijfers van het te Buitenzorg gekweek- 
te riet spreken duidelijk genoeg, om veel toelichting noodig 
te hebben. 

Het riet van de drie fabrieken uit Probolingo verschilt 
weder onderling gelijk vroeger. 

In zwaarte staat dat van de fabriek Gending onder aan , 
en heeft dat van Kotta verre de overhand. 

Het laatstgenoemde onderscheidt zich vooral door meer- 
dere dikte ; ook in de uitstoeling komt het zeer voordeelig 
boven de beide anderen uit ; zoodat het gewigt aan riet per 
stoel , j)rodukt dezer twee faktoren , zich aldus verhield. 

Riet van Soember kareng 100 
„ „ Gending 103 

,, „ Kotta 218 

Het is van meer belang, dan men welligt oppervlakkig 
zou denken, te weten; bij welke rietsoort het eerst, tijdens 
de rijpheid , de oogen of knoppen beginnen uit te spruiten , 
en welke omstandigheden daartoe kunnen medewerken. 

In mijn chemisch-landbouwkundig A'erslag heb ik reeds 
eenigzins aangetoond, dat en hoe het riet, door genoemde 
uitspruiting in zamenstelling verandert, namelijk dat het 
water en het zoutgehalte van het sap toenemen ; en dat , 



— 53 — 

zoü al aanvankelijk dit sap niet veel vermindert in soortelijk 
gewigt , de suiker daarin tocli reeds is veranderd , door 
vermeerdering van stroopsuiker of glukose. 

Die vermeerdering moet het fabrikaat benadeelen , regt- 
streeks door dadelijke vermindering van de eigenlijke sui- 
ker , en middellijk , zoo door dat van dit minder bedrag aan 
suiker een grooter gedeelte , dan anders , in de t-weede stroop 
terugblijft , wegens het grootere gehalte aan glukose , die 
de kristallisatie van het overige belemmert , als door dat 
dit , in dubbel opzigt verminderde produkt , minder volko- 
men van de moederstroop ontdaan , minder schitterend en 
weeker van kristal is. 

Zij , die het ongeluk hebben , veel omgevallen riet te 
moeten vermalen , zullen deze daadzaken bij ondervinding 
kennen , en dit omgevallen riet ontvangt die nadeelige eigen- 
schappen wel door niets anders, dan door de on! spruiting 
zijner, met den bodem in aanraking zijnde knoppen. 

Dat die rassche uitspruitiug der oogen van staand riet , 
soms nog voor dat het volkomen rijp is , een ongunstig be- 
wijs voor zijne erfelijke hoedanigheid oplevert , zou ik 
afleiden uit de volgendende vergelijking. 

Bij het riet van Gending bedroeg de verhouding van het 

uitgesprotene 42*^/^ 

Bij dat van Soemberkareng 6°/^ 

Bij dat van Kotta lö»/^ 

De uitspruiting had vooral bij het lange riet plaats , zoo 
als te verwachten was; want onder het lange riet van Gen- 
ding bedroeg het ^O^/o 

onder dat van Soemberkareng l'^^/o 

onder dat van Kotta 30 "/g 

In ieder opzigt was dus het riet van Gending, zelfs op 
nog iets vroegeren leeftijd , in deze nadeelige eigenschap het 
voorste; maar zelfs bij het korte riet, waaronder bij geen der 
twee laatste eenig uitgesproten was , bevatte dat van Gending 
er nog van in verhouding van IQ°/q. 



— 54 — 

Dewijl hier alle uitAvendige omstandiglieden zoo volkomen 
mogelijk overeenkwamen , kan ik de oorzaak van dit op- 
merkelijk verschil alleen in het riet zelf zoeken, en dan is 
het vrij natuurlijk , dat ik zulks in verband breng , met 
andere nadeelige verschillen , ook in de chemische zamen- 
stelling, die het riet van Gending tegen over dat der twee 
andere fabrieken kenmerken. 

De gesteldheid van terrein en grond aan de fabriek Gen- 
ding , die ik niet genoegzaam ken , is alleen voor de oorzaak 
dier ongunstige hoedanigheden te houden. 

Ik heb , in Probolingo zijnde , vernomen , dat een goed 
gedeelte der aanplanting bij die fabriek jaarlijks plagt om 
te vallen vóór de rijp wording ; en dat op een zeker veld , 
waar om die reden de toegang om te snijden te moeijelijk 
was , en dus de bladen afgebrand werden , het gewas later 
niet meer omviel. 

liet oorspronkelijk samarangsche riet stond thans in uit- 
stoeling beneden het probolingosche (de vergelijking met 
de uitkomsten van den vorigen oogst zal lager plaats heb- 
ben), maar het gemiddelde gewigt per 100 stokken nader- 
de tot dat van het beste uit Probolingo , terwijl het daarin 
verre stond boven dat van Soemberkareng en Gending. 

De verhouding van uitgesproten riet was slechts iets meer 
dan 6ö/„. 

Voor het tegenwoordige kan ik alleen aangeven , dat ver- 
moedelijk het eerste uit het zoo ras herhaald gebruik van 
denzelfden grond , het tweede uit de groote plantwijdte is 
te verklaren ; doch de verdere behandeling hiervan blijve 
mede tot lager verschoven. 

De invloed, dien de guano heeft uitgeoefend op de eer- 
ste ontspruiting, de volgende uitstoeling, de zwaarte en de 
ongewenschte uitbotting der knoppen van het riet, is blij- 
kens de opgegevene cijfers , aanmerkelijk , maar ongelijk- 
matig geweest. 



— 55 — 

Om dit beter te kunnen overzien , stel ik hier de betrek- 
kelijke cijfers tabellarisch en in verhouding bij een. 



Afkomst. 


Verhouding der 
ontpruiting. 


Verhouding van 
uitstoeling. 


Verhouding van 
zwaarte. 


Verhouding der 
uitspruiting. 


zonder 
guano. 


met 
guano. 


zonder 
guano. 


met 
guano. 


zonder 
guano. 


met 
guano. 


zouder 
guano. 


met 
guauo. 


Fabr. Gending . 
// S. karen g 
" kotta . . . 

Ecs. Samaraiig. 


100 
100 
100 
100 


S2 
14.0 
149 

98 


100 
100 
100 
100 


83 
108 

86 
175 


100 
100 
100 

100 


94 
133 

91 
118 


100 
100 
100 
100 


52 

233 

75 

167 


Gemiddeld . 


100 


107 


100 


113 


100 


109 


100 





Ten opzigte van de laatste kolom moet ik aanmerken , 
dat bij de twee rietsoorten , waar de uitspruiting van het 
rijpe riet door de guano vermeerderd is, die uitspruiting 
zelve betrekkelijk zoo gering was , dat zelfs die vermeerde- 
ring dit riet nog verre beneden dat van Gending laat. 

Het is intusschen wel mogelijk, dat dit riet reeds eenig- 
zins voorbij het tijdstip van rijpheid was , en dat , daar de 
guano den groei versnelt , nu dit eerste uitwendige verschijn- 
sel na de rijpwording bij het bemeste wat menigvuldiger 
voorkwam. Is dit zoo, dan zou het riet van Kotta, ouder 
dan de twee vorige zijnde , hierin een nieuw blijk van goe- 
de hoedanigheid vertoonen , zoodat dit ook in twee an- 
dere belangrijke opzigten , door bemesting , als het ware , 
niet beter worden kan. 

Andere ongelijkheden blijken uit de bovenstaande tafel : 

Zoo is , bij het riet van Gending , door de guano geene 
verbetering bewerkt in de drie voornaamste punten , door 
de drie eerste kolommen voorgesteld; bij dat van Soember- 
kareng daarentegen wely en in alle; bij dat van Kotta al- 
leen en aanzienlijk in het eerste, doch niet in de beide an- 
dere punten; weder omgekeerd bij het samarangsche niet 
in het eerste, wel in de beide andere, zeer veel in het 
tweede punt. 



— 5G — 

Ik beken , dat het mij moeijelijk valt , eene aanneme- 
lijke verklaring van die tegenstrijdigheden aan te bieden. 
Daar , -vvaar ongeveer gelijkheid bestaat tusschen het wel 
en niet bemeste , zoo als op de 4e lijn der eerste , en op 
de Ie en 3e lijn der derde kolom , moge de verklaring te 
zoeken zijn in de te groote beperking van het terrein ; de- 
wijl bij landbouwkundige proeven de individueele verschil- 
len , tusschen afzonderlijke plnntcn bestaande , magtiger kun- 
nen zijn, dan het gezamenlijke uitwerksel op een willekeurig 
aantal te weeg gebragt. 

Het is trouAvens mogelijk , dat ook op de drie overige 
lijnen , w-aar de verschillen grooter zijn , aan dezelfde oor- 
zaak moet gedacht Avorden ; te eerder , daar het onmiddellijk 
weder beplanten van denzelfden grond met het zelfde ge- 
w^as , zelfs met behulp van bemesting met guano , die arm 
is aan alkalische zouten , zeer wel aanleiding kan geven tot 
verbastering van hetgeen reeds te voren niet tot de beste 
soort behoorde , gelijk met het riet A'an Gending het geval is. 
Neemt men het gemiddelde van al deze rietsoorten , en 
wordt dus de invloed van individueele planten minder be- 
teekenend , dan is , in elk der drie punten , door de guano 
verbetering bewerkt die bedraagt : 

Voor de ontspruiting ^Vo 

Voor de uitstoeling ^^Vo 

Voor de zwaarte van riet 8°/o 

Het eerste heeft betrekking op de eenheid van grond , 
het laatste op het gewigt der grondstof. 

Deze afzonderlijke voordeden met elkander in verband 
berekenende , wordt de gezamelijke werking der guano , 
per eenheid gronds , voorgesteld door eene vermeerdering 
van 80°/q, boven het onbemeste riet. 

Ik zal nu overgaan tot eene opgave van het specifiek ge- 
wigt van het sap uit al het riet, te Genteng en te Buiten- 
zorg gekweekt , onder elk der verschillende omstandigheden , 
waarin het geplaatst was en in verschillende leeftijden. 



— 57 — 

Daarbij zal ik zoo veel doenlijk, gelijksoortig riet van 
gelijken ouderdom , \-an de beide kweekplaatsen naast elkan- 
der stellen : 

Riet uit Proholingo. 



Afkomst. 



Fabr. Gending 

'/ Kotta 

// Süemberkareng 

// Gending 

/' Kotta 

/' Süemberkareng 



is £ 
)^5 



Te Buitenzorg. 



Guano. 



Ruim 9» » B. 
1]|» . 
12 o „ 

Ruim 9» 
« 10» 

10;- » 



Niets. 



Te Genting. 



Niets. 



9| o B. 
, 111" „ 
Ruim 10» 

9» 
9» 

bijna 10» 





11» 


B. 




11» 


„ 




10' 


j „ 


l'ijna 


9» 




luim 


7» 
9» 





Ten opzigte der nu volgende soort, verwijs ik naar het- 
geen vroeger over de gesteldheid van het terrein te Gen- 



teng gezegd is. 



Riet uit Soerahaja. 



Soort. 


a 

o 

B 

o 


Te Buitenzorg. 


S 
o 

O 


Te Genteng. 


Guano. 


Niets. 


Guano. 


Niets. 


Geel riet . . 


12 md. 
14 md. 


10» B. 

7|» " 


IH" B. 

81 . 


121. md. 

15 md. 


8^» B. 

8» „ 


8|» B. 

8|» n 



Riet uit Samarang. 



Soort. 


S 
O 


Te Buitenzorg. 


Te Samarang. 


Guano. 


Niets. 


Niets. 


Geel riet. . . 


12 md. 
14 md. 


9^» B. 

bijna 7» " 


94» B. 

ruim 7» " 


Ruim 10» B. 
8» « 



— 58 — 
Proeftuin te Buitenzorg. 
Riet idt JProioUngo , van 12 maanden. 





Guano. 


Niets. 


Afkomst. 


bovendeel. 


benedcmleel. 


bovendeel. 


benedendeel. 


Genüing . 
(iiitgespr. riet) . 
Kotta .... 
Soeralierkareng . 
(uitgespr. riet) . 


9» B. 

9» n 

10^0 

122 

li» 


10» B. 
91.» 

iH 

12» 
11» 


9'» B. 

8i-» " 
11» 
7i» 




10» B. 

91» // 
ll|» . 

iir " 



Van 14 maanden. 



Afkomst. 


Lang. 


Kort. 


Allerlei 


Lang. 


Korter. 


Allerlei. 


Gending 

(uitgesproten riet). 

Kütta 

(uitgesproten riet). 
Soemberkareng . . 
(uitgespr. riet) . . 


ruim9»B. 

9» " 

10» „ 

10|"" 

101». 


7P B. 
10» 


9» 


9» B. 
ruim 9» 
10» 
10» 

10» 

1 


9» 


ruim 8» B. 

9|.» 
bijna 7° 



Riet uit Soerahaja. 



Soort. 



Geelrood 



Geel 



Rood 



Lang . 
Korter 
Lang . 
Korter 



Ouderd. 



Guano. 



12 maanden. 



14 maanden. 



10° B. 

10 i° .. 
bijna 7° 
8° 
8i° 
9° 



Niets. 



101= 
8° 
81° 

' 2 



B. 



59 



Hiet uit Samarang. 



Soort. 


Ouderdom. 


Guano. 


Niets. 


Geel 

Rood 

Geel ^^""^ • • • 
Korter . . 

Rood ^^^f • • • 
Korter . . 


12 maanden. 
14 maanden. 


9{° B. 
10° 
bijna 7" 

ruim 7° 

7x0 
' -i 
8° 


9|° B. 

ruim 7° 

70 

71° 
ruim 10° 



Proeftuin te Genteng. 

Riet uit Proholinijo. 

Onhemest. 



Afkomst. 


13 maanden. 


15 maanden. 


bijna 16 md. 


Dringo ...... 

Gending 

Kotta 

Soemberkareng . . 


10»-° B. 
11° 
11° 
10.1-° 


8° B. 
ruim 9° 

>, 7° 
9° 


ruim 9° B. 

84° " 
6i » 



Idem , overgeplant ; de ouderdom is berekend van af het 
plaatsen op de kweekbeddingen. 



Afkomst. 


Ouderdom. 


Guano. 


Niets. 


Dringo 

Gending 

Kotta 

Soemberkareng . 


18 1- maanden. 


6° 
ruim 5° 


710 
ruim 5° 

5i° 



Het riet van Dringo had bloesem , en de knoppen waren 
uitgesproten. 

Riet uit Soerabaja; ouderdom berekend van de overplan- 



ting af. 



— 60 



Ouderdom. 


Guano. 


— : : ' " 

Niets. 


6 


maanden. 




Gl° 


B. 




4^° 


B. 


8 


> 


r 


CIO 






G»° 


» 


9 


" i 


-^ 


lO'^ 






8° 


)) 


10 


„ 1 


^ 


81° 






10° 


)) 


11 


" ) 




7r 




bij 


na 6° 


j) 


12. f 


" 1 


> 


8i" 




ruim 7° 


)j 


13 


" 




730 






7i° 


» 


14f 


» ' 


rC 


8° 






7,0 


j) 


16 


" > 


;2; 


7|o 











Het riet van 6 en 9 maanden was , van liet planten af 
gerekend, 12 maanden oud, doch had 5 en 2 maanden op 
de kweekbeddingen gestaan en gekwijnd. 



Riet uit Samar 



ang. 



Bemesting. 


Ouderdom van 't planten af. Paparan. 


12» md. 


15 md. 


171 md. 


22 md. 


6 md. 


Niets ....;. 

Guano 

Guano en asch . 

Asch 

Kalk 


9° 

ruim9° 

91° 

10»° 

nio 

^4 


8j-° 
8|° 

^° 

8|° 
8*° 


ruim .5° 
ruim 7° 

6i° 

70 

bijna 5° 


bijna 11° 

ruim 9° 

9 f 

9|-° 

ruim 9° 


8|° 
8»-° 
9i° 

91° 

70 



Het riet van 2ïJ maanden was van de westelijke beddin- 
gen , de schraalste van dit schrale terrein. Dit was , gelijk 
vroeger is aangemerkt , uiterst klein en dun ; de groei was 
zeer traag geweest. Het hooge soortelijke gewigt bewijst 
hier niets voor de deugd van het sap, want er was geene 
gekristalliseerde suiker uit te verkrijgen. 



— 61 — 
Riet uit Buitenzorg. 



co 

Ut 

E 


M 


-3 




Benie 


^tiiig. 




Aanmerkingen. 


B 


s 


_3 












s 


^ 


Niets. 


Gumo. 


Gunno 


.Asch. 






P-. 








CU asch. 
















71-- 


IllllU 7'^ 




1 




9J- m. 


n° 


7j-° 


ruim 7° 


ruim S° 




2 




13 m. 


ruim 8° 


7° 


bijna 10° 






3 




14J- m. 


9° 


9° 


9° 


8|° 


lansr riet ) • , , . 


4 






9° 


9° 


1'^ 


3 

m. 


1. ° in bloei. 
Ivurter j 


5 
6 


5 V. D 


161 m. 
a 161 


7|° 


ruim 8° 
9° 


ruim 9° 
91° 


9i° 


lans riet / , , ., 
korter j gebloeid 


7 






ruim 9-^° 


ruim 8° 






lang riet geen bloemsteng. 


8 






7r 


^ 






kuiter gevormd. 


9 

10 


3 bij 6 V. 




bijna 7° 


bijna 9'' 

7° 


9i° 
91° 


9° 


lang riet l ,, ., 
korter j S'^^°^'^- 


11 
12 






ruim 7° 


84-° 
bijna 9° 






lans riet ,, , 
korter S''° bloemsteng. 


13 
14 


3 bij 4 V. 




8° 
bijna S^° 


9- 
bijna lU-" 


9|° 

8^° 


84° 


iang riet ) , , . , 
korter \ ?^^^°°"^- 


15 
16 






9° 


'oijua 9° 
9l° 






lang riet ) , , . 
koi-ter i S^'" bloemsteng. 


17 

18 


3 V. D 




bijna 7° 


9-1° 
ruim 9° 


bijna 9° 
9^-° 


91° 


lans; riet ) ,, ., 
korter j S«1^1°eid. 


19 
20 






8j-° 


94° 
bijna 8° 






kwfer'^* j ^^^^ bloemsteng. 


21 


5 V, n 


1S^ = 




101° 






22 
23 


3 bij 6 V. 

3 bij 4 V. 






lu° 

10° 






1 Deze onbemeste waren aan 


24 




19-^ m. 


1U° 


11-1° 






i den top reeds vertakt. 


25 
26 
27 
28 
29 
30 
31 
32 
33 
34 




20 ra. 


12° 
12° 


10° 
circa 12° 

iir 

l)ijna 4->.° 

4j-° 

Si" 

9-- 

runn "i " 

ruim 7° 






Van de bemeste was no. 25 
bij alle knu))])cn uitsesproten. 

No. 28 is het bovenstuk van 
no. 27, dat 2 vertakkingen had 
zware uitspruitsels. \ S 
al de knoppen uitgespr. / S 
gedeeltelijk uit gesproten. > -| 
niet uitgesproten. l g 
zware uitspruitsels. J ^ 
van 29 \ g 


35 
36 
37 

38 




20| m. 




rnim7^° 

bijna 10° 

10° 

ruim 9" 






» 30 / S 
" 31 1 
'/ 32 l ^ 
" 33 ) 5 


39 
10 
^1 




i 
1 




ruini9|.° 
bijna 10° 
91° [ 






Bruinrood met olijfgroen. 

Küod op geel. 

Met uitspr. en loten. 



— 62 — 

Deze reeksen van cijfers hebben zamengevat de vol- 
gende beteekenis : 

/. Ten opzigte der heide Jcweekplaaisen : 

Op den hoogeren en tagalgrond van Genteng , was liet 
sap van het rijpe probolingosche en van het samamarangsche 
riet , bovendien ook in den overrijpen toestand , zwaarder 
dan op den lagercn en sawahgrond te Buitenzorg. 

Het omgekeerde had plaats ten opzigte van het overrijpe 
probolingo- en van het soerabaja-riet , rijp en overrijp beide. 

Het eerstgenoemde , op de kweekbeddingen gebleven , en 
in plantwijdte niet zoo goed geregeld zijnde als het gelijksoor- 
tige te Buitenzorg, was ook door de medewerking der witte 
mieren , wier aanwezen ik vroeger heb toegelicht , toen het 
riet rijp en de groeikracht haar maximum voorbij was , in 
betrekkelijk ongunstiger omstandigheden geplaatst ; van daar , 
naar ik geloof, het rasschere teruggaan van deszelfs sap. 

De ligging van het terrein , waarop het soerabaja-riet te 
Gentenor a-eoroeid is , en ook het veel te late overplanten, 
boven verklaard , zijn voldoende , om de minderheid A^an het 
rietsap tegenover het gelijksoortige van Buitenzorg te ver- 
staan. 

Het samarangsche was minder blootgesteld , maar gelijk- 
tijdig overgeplant. 

2. 2'en opzhjte van Buitenzorg afzonderlijk is aan te merken. 

o. Dat het sap uit riet van 14 maanden zonder uitzon- 
dering, ligter was, dan dat van riet van 12 maanden. 

De vermindering was grooter bij het sap van riet uit 
Soerabaja en Samarang , dan van het probolingosche. 

h. Dat het sap van uitgesproten riet gemiddeld iets lig- 
ter was, dan dat van hetgeen niet was uitgesproten. Dat 
er onder het soerabajasche en samarangsche geen uitge- 
sproten riet voorkwam , is welligt» verklaarbaar uit een te 
langdurig verblijf op de kweekbeddingen. Te Genteng was 
dit mede het geval. 



— 63 — 

c. Dat het sap van de bovenlielft van liet riet ligter was, 
en soms in aanmerkelijken graad , dan uit de benedenlielft. 
In twee gevallen , namelijk , bij bemest riet , was er geen 
verschil te vinden, 

d. Dat het sap van met guano bemest riet dan eens iets 
ligter, dan eens wat zwaarder was, dan dat van het onbe- 
meste. Gemiddeld bekomt men , uit de medegedeelde cijfers. 



Ouderdom. 


Bemest. 


Onbemest. 


12 maanden. 
14 » 


10,°1 

8,°5 


10,o2 
8,o7 



Deze verschillen zijn te gering, om in aanmerking te 
komen. 

o. Ten 0])zigte van Genteng afzonderlijk, vinden wij de- 
ze uitkomsten. 

a. Het sap van het riet uit den oosthoek werd , na den 
ouderdom van 13 maanden , algemeen ligter , minder sui- 
kerhoudend. Na 15 maanden was die vermindering in 
soortelijk gewigt bij het samarangsche riet het grootste. 

Ofschoon het soerabajasche van Q,^ en 11 maanden, 
van het planten afgerekend, eigenlijk even oud was als dat 
van 9, 11 en 14 maanden, had echter het overplanten in 
verschillenden leeftijd invloed gehad op de densiteit van het 
sap : het maximum hiervan viel later in , naarmate het over- 
planten later geschied was. Van het planten af gerekend, 
was het riet van 9, 11, 13 en 14 '/S maanden even oud 
als dat van 6, 8, 10 12^2' maanden, namelijk 11, 13, 
15 en 17^/3 maanden. 

Het buitenzorgsche riet bevatte , naar het schijnt , twee 
maxima van sapdensiteit : het eerste tijdens het bloeijen, 
op 14^/, maand, om dan gedurende een paar maanden 



— 64 — 

iets af te nemen, en op den ouderdom van 19^2 ^^- ^^^~ 
zienlijk te stijgen. Ik voeg hierbij de aanmerking , dat 
eerst uit het riet van lÖ'/j m. kristalliseerbare suiker 
verkregen werd ; terwijl de buitengewone verhooging van 
deszelfs densiteit op den ouderdom van 19^/2 maand, waar- 
bij de suiker volkomen kristalliseerbaar bleef, geenszins het 
gevolg was van waterverlies uit het riet. Dat van 14 ^/j 
maanden bevatte 90. 1'^/^ sap; dat van 19^2 m. , 90. 25°/^. 

Die A'^ermeerdering van 14°/o tot bijna 20°/^ suiker, naar 
het riet berekend , waardoor dit buitenzorgsche van zeer 
middelraatigen berggrond , mits oud genoeg zijnde , gelijk 
komt aan het beste uit Probolingo en Soerabaja , was dus 
enkel een uitwerksel van physiologisch-chemische krachten. 

De verhouding van sap tot houtvezel, of Avatervrije am- 
pas is onveranderd gebleven, namelijk als 9 tot 1. 

In het probolingosche riet van dezen oogst, bedroeg de ver- 
houding van sap gemiddeld , 
o\) den ouderdom van ruim 12 m 91.25*^/^ 

14 „ 89.20 „ 

15 „ 89.20 „ 

In het soerabajasche : 

van 13 m 92.4 % 

„ 15 „ 88.5 „ 

„ 17 ,., 88.0 „ 

In het samanuigsche 

van 141/2 m 92.1 % 

„ 16\/, „ 90. 

het laatste met groote afwisseling. 

Het riet uit den vorigen oogst , eerste produkt , te Gen- 
teng van de oorspronkelijke stekken uit den oosthoek , be- 
vatte gemiddeld ongeveer 95°/^ sap, van bijna dezelfde den- 
siteit, als dat van dezen tweeden oogst. 

h. Ten aanzien van het sap, op verschillende hoogte van 
het riet , gold ook hier weder de regel , dat dit minder sui- 



— 65 — 

ker inhoudt in de bovenste deelen , maar niet altijd , dat het 
sap geheel onder uit het riet het zwaarste is. 

Hiertoe voer ik aan de volgende proef. 

Drie stokken buitenzorgsch riet werden ieder in vier , 
juist even lange stukken , gesneden. Het chemisch onder- 
zoek daarvan is elders medegedeeld , maar de opgave van 
het graadgehalte van het sap kan hier plaats vinden. 



Deelen, 


Riet A. 


Riet B. 


Riet C. 


Gemiddeld, 


lo. kwart. 
2o. » 
30. » 
40. )) 


40 

bijna 7° 

G° 

bijna 7° 


f; jo 

710 
' ï 
910 

8'-° 


710 
' 2 
8i° 
710 

710 

''4 


5,°7 

7,°5 
7,06 
7,°6 



Het riet was 17 maanden oud en met guano bemest. 
De toppen hadden reeds vrij zware loten. 

c. Het schijnt mij toe, dat de plantwijdte niet zonder 
invloed is geweest op de densiteit van het sap , behalve 
waar , door de meest gepaste bemesting , guano met asch , 
de groeikracht van het riet minder afhankelijk werd ge- 
maakt van uitwendio-e omstandio-heden. 

o o 

De gemiddelde uitkomst was : 



Plantwijdte. 


Onbemest, 


Bemest met 


Guano. 


Guano en 
ascli. 


Ascli. 


5 vierk. vt. 
3 bij 6 v. 
3 bij 4 V. 
3 vierk. v. 


8,°6 

70 

7,°7 
bijna 7° 


8,°5 
8,°3 
9,°4 
9° 


9,°25 
9.°4 
9,"1 
9,°1 


9,°25 

9° 

8,°7 

9,'=5 



3e SEIilE DL. II. 



— 66 — 

Enkel het langste riet is hier tot de berekening gebezigd. 
De beddingen, alwaar op 5 v. D geplant werd, hebben 
iets beteren grond , dan de overige , die er boven volgen. 

d. De invloed der bemesting op de densiteit van het sap 
is op den hellenden tagalgrond duidelijker en gunstiger ge- 
■\veest, dan op den vlakken sawahgrond te Buitenzorg. 

liet rijpe soerabajasche-riet , van 12 maanden na het 
planten, bevatte, met guano bemest, een sap van 10" B., on- 
bemest, van 8'^ B. 

In het samarangsche stond de verhoudino; aldus : 

Onbemest 7°5. 

met guano S^'o. 

„ guano en asch 8^1. 

„ asch 8^8. 

„ kalk ' . . 7°7. 

En in het buitenzorifsche : 



Bemesting. 


Oud 14/1 G!m. 


Oud 14/10.] m. 


Niets 

Guano .... 
Guano en asch. 


7^7 
9°3 


9°2 
9^7 



De uitspruiting heeft hier , even als bij het riet uit den 
buitenzorgschen proeftuin , eeue vermindering van de zwaar- 
te des saps bewerkt. Plet verschil , daaruit ontstaande , is 
echter moeijelijk te bepalen , dewijl het bovendeel van het 
riet, waar de uitspruiting het eerst en het menigvuldigst 
plaats heeft, buitendien schier altijd ligter sap bevat, dan 
het lagere. 

Dat van drie , even oude , met guano bemeste buiten- 
zorgsche riet stokken , had de volgende zwaarte. 

1. Met korte leden, alle met matig lange uitspruitsels , 
10"/B. 



— 67 — 

2. Met zeer lange leden , alle zonder uitspruitsels , ll^/i /la. 

o. Met middelmatige leden, alle zocder uitspruitsels , cir- 
ca I27B. 

De ongelijke toestand , waarin het riet op de loeide kweek- 
plaatsen verkeerde , heeft ook op andere uitkomsten invloed 
gehad , met name op de uitstoeling en de zwaarte van het 
riet. 

De twee rietsoorten , waarover in dit opzigt eene verge- 
lijking kan plaats hebben , zijn het samarangsche en het 
probolingosche. 

Ik doe hierbij de aanmerking voorafgaan , dat op beide 
plaatsen daarin gelijkheid bestond, dat hetzelfde gewas, zon- 
der afwisseling en bijna zonder oponthoud , bij herhaling- 
geplant werd op denzelfden grond. Het bemeste riet wordt 
hier natuurlijk niet in aanmerking genomen. De opbrengst 
van het samaranirsche riet was te Genteuo- G , te Buiten- 
zorg 5 stokken per stoel. 

Het eerste zou nog iets hooger geweest zijn , indien de 
stokken , die om al te groote kortheid nog in den grond 
gelaten werden , worden medegeteld. Op de hoogere bed- 
dingen , waar alles werd afgesneden , gaf elke stoel gemid- 
deld T'/a stok. 

Het vermogen van uitstoeling , aan eene rietsoort eigen , 
schijnt dus niet of weinig door het klimaat, veel door de 
hoedanigheid van den grond, te worden gewijx.igd. 

De losse tagalgrond was er gunstiger voor, dan de vas- 
tere saAvahgrond. Xiet zoo echter de zwaarte der stokken, 
de opbrengst aan grondstof per stoel. De toestand van den 
grond, en de betrekkelijke hoogte boven de zee, beheer- 
schen grootelijks deu groei van het riet in lengte en dikte. 

Immers te Genteno; 2;af een stoel fiemiddeld 2,19 ned, 
pond riet; het woog dus per honderd 06 ned. pond; te 
Buitenzorg, 5,9 ned. pond, zoodat 100 stokken 113 ned. 
pond wogen of ruim drie maal zooveel als te Genteng, De 



-- Q8 — 

toestand van den grond op beide plaatsen was in zoo verre 
verscliillend , dat die te Gentong nog betrekkelijk nieuw en 
onbebouwd Avas. 

liet probolingosche riet te Genteng had , per stoel , 4,7 
stokken opgeleverd, te Buitenzorg 6,8. 

Hier is de verhouding dus omgekeerd ; doch gelijk boven 
is gezegd, dat te Genteng was riet, op de kweekbeddingen 
gelaten, wel is waar, na Avegneming van de doode en schra- 
le stekken , maar Avelks reijen toch veel digter op een ston- 
den dan te Buitenzorg; zonder dit zou ongetwijfeld de uit- 
stoeling te Genteng grooter zijn geweest. 

De verhouding der uitkomsten , bij deze kultuurproeven 
verkregen , tegenover die van een vorig jaar , reeds in 
druk verschenen , zal ik thans kortelij k aantoonen. 

In zivaarle van riet en in ultstoeUmj , zoowel zonder als 
met bemesting, brengt de vergelijking eenige opmerkelijke 
bijzonderheden te A-oorschijn. 

Het probolingosche Avoog per ]00 stokken. 



In 1853. 



In 1851. 



34 n. ffi. 


31 n. « 


75,7 » 


88,7 .) 


Ü2,l » 


91, G )) 



Te Genteng 

Te Buitenzorg 

Idem , met a'iiano beme,>t 



De meerdere ZAA'aarte A-an dit riet op de laatste kAveek- 
plaats boven dat te Genteng bedroeg dus voor het onbe- 
mest 161%. 

Van het bemeste kan \V , om vroeger aangegevene rede- 
nen , geene vergelijking aanbieden. 

Ik herinner hier , dat een klein gedeelte van dit riet te 
Genteng , op vroegeren leeftijd gesneden , enkel lang riet 
Avas, en hier niet bij is berekend. Het cijfer 161% moet 
dus ci<''enlijk Avat lager zijn. Het blijft echter gewis boven 



— 09 — 

dat van den eersten oogst, namelijk 123^/^, en zulks in 
^•eeinvil A-an het meer gunstige terrein , waarop dit riet , 
bij de tweede proef te Genteng gegroeid is. 

Ik aarzel niet, deszelfs meerdere zwaarte te Buitenzorg 
in 1854 toe te schrijven, aan de veel grootere plantwijdte, 
vergeleken met die in 1853. Maar de bemesting met gua- 
no had, in dat jaar, het riet om 22"/^ en in 1854 slechts 
om ruim o^ / ^ zwaarder doen worden; en zulks ofschoon in 
1853 elke stek slechts 12 '/^ w. in 1854 echter 33 w. 
guano ontvangen had. Het is duidelijk, dat wij hier heb- 
ben te denken aan het tweemaal en kort achter een be- 
planten van denzelfden grond met hetzelfde gewas: zelfs 
de guano is een onvoldoend middel, om dit nadeel op te 
heffen. Haar invloed Averd er genoeo-zaam door vernietigd. 

In het gewigt aan riet , per stoel verkregen , bestaat eene 
opmerkelijke overeenkomst met die van 1853. 



Het bedroe;? 



In 1853. 



In 1854. 



Te Genteng . . . 
Te Buitenzorü . . 



1,4 n. ffi. 
5,4 )) 



1,5 n. R 

5,7 » 



Terwijl, na bemesting, de verhouding te Buitenzorg ge- 
worden Avas in 1853 6,1 n. it 

,, 1854 5,6 ,, 

Derhalve ook in dit opzigt eene A'ernietiging der wcrkino- 
van guano alleen door het planten op deuzelfden grond. 

De ATaag rijst nu, hoe verhield zich, bij de vermeerderde 
plantwijdte , onder deze omstandigheden , dit gewigt aan 
grondstof per eenheid A'an opper A'lakte A'erkregen, 

In 1853 verkreeg ik, bij eene plantwijdte van 2 bij 
1^2 ^'- "^'oor honderd geplante stekken, van riet bijna 
13/m. oud. , 14ti stokken. 



— 70 — 

In 1854<, Lij eene plantwijdte van 4 v. n , voor hontlerd 
stekken- van riet 14 Y^™- oud, 400 stokken. 

Bij het digter planten verkreeg ik dus van 1000 d. v. 
gronds 487 stokken. 

Bij het wijder planten slechts 275. 

Daar nu de zwaarte van het digtst geplante riet tot dio 
van het andere stond, als 100 — 117, wordt de jrewio-ts- 
verhouding van riet, per eenheid gronds verkregen. 

Op 4 V. D 100 

„ 2 bij 7, V 151 

De driemaal grootere verhouding der uitgestorvene stek- 
ken , Lij digt planten , werd dus meer dan vergoed door 
het meerder gewigt aan riet, per eenheid gronds verkregen. 

Ik herhaal het hier, dat deze, voor de grootere plant- 
wijdte, ongunstige uitkomst, volstrekt niet algemeen toe- 
passelijk is , en dat , ware op dezen grond een ander tus- 
scliengewas geweest, zoo als indigo of tabak, en het riet- 
planten het eerste, derde of vierde jaar herhaald, aller 
waarschijnlijicst een voor de grootere plantwijdte gunstig 
resultaat zou verkregen zijn. 

De Lemestino- met o-uano heeft ö'eene 2:roote verandering 
hierin veroorzaakt. 

Immers in 1853 werden van 100 geplante stekken ver- 
kregen 150 stokken, in 1854, 470. Dat is, per 1000 □ 
V. gronds , Lij digt planten 500 , en bij wijder planten , 294 
stokken. 

De zwaarte der Lemestc stokken verschilde in die beide 
jaren te weinig , om Lij herleiding op geAvigt in de zoo ovenge- 
noemde getallen cene noemenswaardige verandering te maken. 

De gewigtsverhouding van met guano Lemest riet, per 
eenheid gronds, Ledroeg dus. 

Op 4 V. D 100 

„ 2 Lij IV, V 170 

Het samarangscho riet woog, per 100 stokken. 



— 71 



Plaat.?. 



Te Gent eng 
Te Buitenzor; 



In 1853. 



47 n. ffi. 

G3 » 



48 n.-ffi. 
75,6 )) 



In 1854. 



32 n. ffi. 
112,4 » 



27 n. ffi. 
131,5 " 



Ik bedoel hier, voor 1854, enkel de bemesting met gu- 
ano, om de vergelijking geldig te doen zijn. 

De meer gunstige uitkomsten, door een mengsel van gu- 
ano en asch, boven enkele guano, in 1854 verkregen, zijn 
reeds vroeger medegedeeld. 

Te Genteng werd de invloed der guano en ook die 
der ongelijklieid in plantwijdte , op liet volume vr.n liet riot 
overlieersclit door dien van het ongunstige klimaat , dat als 
een veranderlijke factor, alle vastheid in de uitkomsten ver- 
biedt. Voorts heeft het onvermijdelijke late overplanteu en 
herhaald inboeten nog verder gestrekt, tot vermindering 
der gemiddelde zTN'aarte van het riet. 

Maar in den laboratoriumtuin bij hoogere temperatuur 
en minder schralen grond, was op vermeerderde plantwijd- 
te de toename in zwaarte van het onbemeste riet . 78^/^ 

en van het bemeste '^'i°/o 

geweest. 

AYat betreft de zamengestelde uitkomst van uitspruiting 
en uitstoeling, deze is gebleven beneden die van het jaar 
1853. 

Wordt het aantal stokken per stoel berekend , dan valt 
zulks niet geheel in het oog, want dan verkrijgt men. 



Kweekplaats. 


Onlieme.'?t. 


Bemest. 


1853. 


1854. 


Bemest. 


Genteng 

Buitenzorg .... 


5,1 
9,1 


0,0 

5,2 


10,4 CO 
10 9,3 



— 72 — 

De invloed der guano op de iiitstoeling was te Genten o- 
vernietigd, het -wijder planten alleen had eene zekere toe- 
name daarin bewerkt. 

Te Buitenzorg, waar het klimaat niet of minder storend 
tusschen beide kwam , kon de guano haren in^doed uitoefe- 
nen , en, ten aanzien der uitstoeling, genoegzaam het nadeel 
herstellen , dat de grond er had geleden door het onver- 
poosde beplanten met hetzelfde gewas. 

Doch de volle werking van wijder planten moet blijken 
uit de verhouding van produkt tot de eenheid van grond , 
dewijl in den regel de uitsterving dan minder groot is. 

Voor elke honderd geplante stekken was het aantal ver- 
kregen rietstokkcn , op beide kweekplaatsen , als volgt : 



Kwcekplants. 


Oi) bemest. 


Bemest. 


1853. 


185L 


1853. 


1854. 


Gentcng 

Buitenzorg .... 


200 


200 
427 


427 


310 
733 



Daar er onzekerheid heerscht omtrent de oppervlakte , 
waarvan in 1853 te Gentong het gewogen samarangsche 
riet bekomen was, kan ik de vergelijking daarvan niet 
tot de eenheid van grond uitstrekken. Maar ten opzigte 
van de uitkomsten te Buitenzorg leidt die tot een zeer op- 
merkelijk resultaat, aantoonende hoezeer, zoo het klimaat 
niet te ongunstig is, de te kiezen plantvvijdte moet gere- 
geld worden naar de hoedanigheid des bodems. 

Immers, vermenigvuldigen -wij de verhouding van 2:4,27 
met die van 100: 178, dan bekomen wij, als uitdrukking- 
der produkten van gewigt aan riet, per eenheid gronds, 
zonder bemesting, die van 1853 als eenheid stellende, 3,8. 



— 73 — 

Even zoo handelende met de cijfers voor liet bemeste 
riet, dan wordt die uitdrukking 7,1. 

Xu staat de hoeveelheid stekken , die bij de plantwijdte 
van 1854 op een bouw gronds gaan, bij die van 1853, als 
1:5,3. 

Dit in rekening brengende , was voor honderd gewigts- 
deelen riet, per eenheid gronds, in 1853 de opbrengst in 
1853 geweest 

bij het onbemeste 71,7 

,, ,, bemeste 134,0. 

Derhalve was vooral de groote uitstoelingsvatbaarheid , 
waardoor dit samarangsche riet zich bij deze tweede proef 
■weder heeft onderscheiden , alleen door bemesting van het 
tweemaal gebruikt terrein , in stand gebonden ; — en hoofd- 
zakelijk daardoor, bij ruim vijfmaal grootere plantwijdte, 
een 34°/^ grooter gewigt aan riet per eenheid gronds 
verkregen. De guano heeft bij die grootere ruimte hare 
volle werking kunnen uitoefenen , dewijl het voordeel hier 
minder van de toename in volume afhing, dan van het 
aantal der stokken. Bij het riet uit Probolingo was het 
eerder omgekeerd te noemen. 

INIet verwijzing op het daarvan verkregene resultaat , 
maak ik dan de opmerking , dat , bij het samarangsche 
riet , zonder bemesting de grootere verhouding van uit- 
gestorvene stekken bij digt planten (24,000 stekken per 
bouw) meer dan vergoed werd, door het gewigt aan riet 
per oppervlakte: — doch dat, met bemesting van guano, 
zulks niet vergoed werd , en dus hier het wijder planten 
(4,500 stekken per bouw,) voordeelig was. 

Dat in 1854 elke plant te Buitenzorg 1^/3 maal meer 
guano ontving, dan in 1853, heeft ongetwijfeld bijgedra- 
gen tot deze uitkomst. De grond had, in 'het tweedejaar, 
eene grootere toelaag noodig , om dit sterk uitstoelende riet 
het voordeel van wijdplantcn als het ware , te doen gebruiken. 



— 74 — 

Manr dewijl hot aantal te bemesten stekken nu, voor 
cene <j,ogeveno uitgestrektlieid , 5 '/o maal kleiner was, 
zouden de kosten daarvoor per bouw nog aanmerkelijk 
blijven beneden die, welke de minder bemeste, maar veel 
meer t;drijke stekken vorderen. De hoeveelheid per bouw 
toch is, in het eene geval oOO, in het andere slechts 150 
n. iï' per bouw. 

Hieruit volgt verder dat, om de beste plantwijdte voor 
eene gegevene plaats te bepalen , men niet alleen op de 
hoedanigheid en den toestand van grond en luchtgesteld- 
heid, maar ook op den aard van het riet heeft te letten. 

Indien , bijv. het laatste zich meer door volume , dan 
door uitstoeling kenmerkt , dan zal op denzelfden grond , 
eene mindere plantwijdte dan bij ander , meer uitstoelend 
riet, moeten in acht genomen worden. Immers liet is ge- 
bleken , dat het eerst bedoelde , door vermeerdering der 
plant^Yijdte , iets minder lang, maar dikker wordt; en dit 
voordeel , hoe belangrijk , kan bij even groot verbruik van 
grond , niet opwegen tegen dat , vei'kregen door vermeer- 
derde uitstoeling. De vergelijking tasschen deze twee riet- 
soorten , in de twee proefjaren , moge voldoen , die der an- 
dere zou , om verschillende aangevoerde redenen , te ge- 
brekkig zijn. De proeven met buitenzorgsch riet, hoezeer 
ook geslaagd, vooral in 1854, hebben in betrekking tot 
die van 1853 alleen in zooverre beteekenis, dat zij aan- 
toonen , hoezeer dit riet alhier geakklimatiseerd , een be- 
langrijk verschil in hoogte verdraagt, zonder nadeel voor 
zijne ontwikkeling in volume , en vooral , dat het op eenen 
hellenden tagalgrond veel langer, dan op een' vlakken, 
meer vruchtbaren sawahgrond, van lagere ligging, in den 
grond kan blijven, zonder het schadelijke uitspruiten der 
oosen. 

Het vermeerderen der densiteit van het sap , in zulk eene 
mate, dat dit zware riet tegen alle verwachting, in suiker- 



— 75 — 

gelialte bijna volkomen gelijk komt aan het beste uit den 
oosthoek van Java, is daarvan het gevolg. Het is vs'aar, 
dat tot bereikino- van zulk een suikergehalte voor het bui- 
tenzorgsche riet eene bijna twee derden langere periode 
is noodig geweest. 

Het volgende korte overzigt stelt ons in staat , bij bena- 
dering te oordeelen over den invloed , dien een voortgezet 
kweeken van het riet uit lage streken in dit bergachtig 
land op de densiteit van deszelfs sap gehad heeft. 

Kiceekplaats Genteng. 



Afkomst van liet riet. 



Onbcmest. 



185^ 



1854. 



Probolingo 

Samarang 

Soerabaja 



12° B. 

11,^8 

10,^3 



cii'ca 111 B. 
8,125 
10,15 



De vermindering in het spec. gewigt van Soerabaja-riet- 
sap is uit de boven meermalen genoemde omstandigheden 
verklaarbaar, en voor het tegenwoordige doel niet te ge- 
bruiken. 

2 Xaar de bemesting , gemiddeld voor al het riet der bei- 
de kweekplaatsen. 



Bemesting. 1853. 


1854. 


Niets .... 
Guano .... 


9U 
917 


9,11C 
9,U8 



Voor het jaar 1854 heb ik ook het overrijpe riet , dat 
van 14 en 15 maanden, berekend. 



— 76 — 

Laat men deze ^veg, dan wordt de uitkomst voor liet on- 
bemeste 9"6 

dat met guano bemest . . . 1005 

Bedrieg ik mij, zoo ik in deze toename, in weerwil van 
het onverpoosd gebruik van denzelfden grond , den invloed 
van het wijder planten zie op de hoedanigheid van het sajD, 
en daarin overeenstemming vind met andere gunstige ver- 
schijnselen van groei, door dit middel bewerkt, en die deels 
boven, deels in mijn chemisch verslag zijn aangewezen? 

3 Naar de plaats van k-weeking. 



Afkomst. 



Genteng. 



Buitenzoro:. 



Prübolingo 

Samarang 

Soerabaja 

Gemiddeld 



bijna 121 
i 11,18 

I 10,13 



11,137 



bijna 111 | 
10,15 
8,125' 



101 

91 

111 



9,192! 101 



10,14 
9,175 
11,125 

10,U7 



De zoo even gedane vraag, die voor al het riet, bemest 
en onbemest dooreen , bevestigend schijnt te moeten be- 
antwoord worden , verlangt dit voor het onbemeste alleen , 
ook zoo ver het de kweekplaats te Buitenzorg betreft. 

Klimaat en herhaald planten op denzelfden grond veree- 
nigd , hebben te Genteng meer invloed gehad op de densi- 
teit van het sap, dan krachtige bemesting en meerdere 
plantwijdte aan den anderen kant. De weegschaal is hier 
in het nadeel overfreslaüen. 



De vergelijkende staat van het aantal wind- en regenda- 
gen over beide jaren en op beide kweekplaatsen , die nu 
volgt, kan ten deele toelichten, wat in 1854 nadeeligs aan 
het riet te Genteng is overkomen. 



— 77 





Genteng. 


Buitenzorg. 


Maanden. 


Reo:endao;8n. 


Dagen met 
liarden wiud. 


li egendagen. 




1853. 


1854. 1853. 


1854. 


1853. 


1854. 



Januarij . . . 

Februarij . . 
]Maart .... 
April .... 

ülei 

Juuij 

Julij 

Augustus . . 

September . 
Oktober . . . 

November . . 

December . . 



28 


18 


— 


9 


24 


25 





2 


24 


19 


— 


14 


18 


12 


— 


9 


11 


15 


13 


12 


18 


16 


8 


9 


11 


6 


17 


11 


9 


9 


24 


14 


18 


10 


17 


18 


19 


20 


24 


13 




21 


— 


15 




27 


— 


10 



29 

24 
20 
16 
15 
18 
14 
13 

16 
17 



over 24 datr 



23 
over 22 dagtn 

21 

26 

20 

24 

16 
9 

10 
uver 23 dagen 

14 

22 
over 1 5 dagen 

13 

26 



lu de maanden November en December van 18o3 konde 
ik geene, en in Februarij, September en November 1854 
slechts gedeeltelijk de aanteekeningen voorzetten , ten ge- 
volge mijner ziekten. Zoo deze drie laatste maanden en De- 
cember 1854, voor Buitenzorg, door berekening moge aan- 
gevuld worden, dan zoude het overzigt, althans voor 18o4, 
volkomen zijn , en men bekomt dan , als totaal van regen- 
dagen. (1) 



(1) Aaum. Volgens den heer Casaseca, heeft het jaar 1854 te 
Havannah 106 regendagen opgeleverd, en bedroeg de hoeveelheid 
regen 1,040 m. 

De reofendafren waren aldus verdeeld, 
de helft, van 1 Junij tot uit. September. Den 18" Julij viel er: 



— 78 — 



1853. 



10 maanden. 
Tc Genteng 180 

11 maanden, 
ïe Bultenzori? 192 



185L 

12 maanden. 
198 

247 



Indien ook de tien en elf maanden van 1853 door be- 
rekening konden woi'den aangevuld, dan zou uit deze ge- 
gevens volgen , dat de luclit te Genteng in 1854 gemiddeld 
drooger is geweest, dan in 1853. De maanden November 
en December beliooren steeds tot de meest regenachtige , en 
indien deze voor 1853 dus werkelijk ingevuld waren, dan 
zou het zoo even gezegde te meer bevestigd worden. 

De buitengewone droogte, in December van dat jaar te 
Buitenzorg waargenomen , geldt alleen voor de dagen , ge- 
durende welke ik aantcekeningen konde houden : ten op- 
zigte der eerste dagen van die maand en de geheele maand 
November, vind ik in mijn journaal aangeteekend , dat er 
in al dien tijd, naauwelijks 7 of 8 drooge dagen waren. 

Op 20 November 1853 was er eene tamelijk sterke aard- 



Januarlj 9 

Februarij 4 

Maart 4 

April 13 

Mei 11 

Junij • ... 13 

Julij 9 

Augustus 9 

September, 10 

Oktober 9 

November o 

December 10. 

Van de genoemde hoeveelheid regen viel 0,523 mot of ruuii 

de helft van 1 Julij tot ult° September. Den 18" Julij viel er 

in 2V2 uur, 71'/2mm. of 28 mm. per uur. 



— 79 — 

Leving, den oOcn in ligten graad licrhaald , den 26en was er 
een langdurig en allerhevigste regen , met zwaar onweder , 
terwijl den 29en de regen aanhoudend mogt genoemd wor- 
den. Ik geloof dus , niet ver van de waarheid te zijn , door 
aan te nemen, dat de buitengewone droogte in de laatste 
20 a 24 dagen van December, genoegzaam Averden opge- 
wogen door de buitengewone regens in de maand , die voor- 
afging , en dat ik derhalve , door deze twee maanden voor 
Genteng aan het gemiddelde over de tien eerste gelijk te 
stellen, het jaar 1853 eerder te droog, dan te vochtig doe 
voorkomen. Omgekeerd was te Buitenzorg, het jaar 1854 
vochtiger , dan het vorige ; het aantal regendagen was al- 
thans grooter. Zou het behooren onder de eerste gevolgen 
van ontginning van gronden op groote hoogten , dat de 
lagere gronden aan vocht toenemen , wat de hoogere ver- 
liezen, en wel, gelijk uit het straks volgende kan worden 
opgemaakt, niet gelijkmatig in tijd, maar enkel in de van 
nature reeds vochtige saizoenen ? 

Ten aanzien van de verdeeling dier regens , moet ik , om 
tot eene beoordeeling te komen, de vooronderstellino- te 
baat nemen , dat de twee laatste maanden des jaars 1853 te 
Genteng ongeveer even vochtig zijn geweest, als de twee 
eerste. De algemeene berigten daaromtrent waren althans, 
dat het er zeer veel regende. 

Ik heb nu voor die twee maanden het ronde getal 50 
aangenomen, en voor November 1853 te Buitenzorg, 2G. 

De totalen worden dan 

1853. 1854. 

Voor Genteng .... 230 . . 108 
» Biiiteuzorg ... 216 . . 217 

Dit tot grondslag nemende, wordt de percentsverhouding 
der reircndagen aldus onderdeeld. 



— 80 — 



Perioden. 


Genteug. 


Buitenzorg. 


1853. 


1854. 


1853. 1854. 


Jauuarij tot Maart . . 
April tot September . 
Oktober tot December. 


33Vo 
37 )) 
30 >. 


31Vo 

34 .. 

35 )) 


34 Vo 3lVo 
42,5 .) 39 ). 
23,5 .) 30 .) 



Te Genteng was dus in 1854 niet alleen het aantal 
regendagen geringer, dan ni 1853, maar van die gerin- 
gere som kwam op de zes tevens vochtige maanden van 
1854, een geringere verhouding, dan zij in 1853 van de 
grootere som ontvingen. In volstrekten zin, was over de 
drie laatste maanden het aantal regendagen in beide jaren 
gelijk , de vermindering kwam deels op de drie eerste , 
waar dit aantal van 76 op 62, deels op de zes volgende, 
waar het van 85 op 68 gevallen was. Het grootste ver- 
lies kwam dus juist op den droogen tijd. Als men daarbij 
in aanmerking neemt, dat toen in 1853, de gemiddelde 
duur der regens per dag slechts 1,85 uur, en in de drie 
voorafgaande maanden 4,07 uren bedroeg, en verder, dat 
in den droogen tijd de regens veel minder hevig zijn, dan 
in de drie maanden voor of na dezelve , dan is een verlies 
van 17 op 85 of 20^^, op zulk een betrekkelijk weinig 
vocht leverend tijdperk, voorzeker belangrijk te noemen; 
belangrijk genoeg, om daaruit ook voor een zeer groot ge- 
deelte, de minder gunstige uitkomst der proefkultuur van 
suikerriet in 1854 te kunnen verklaren. 

Men kan zeo:o;en, dat alleen in de drie laatste maanden 
de weerstoestand van 1853 is teruggekeerd, en dat, zoo 
al voor de drie eerste maanden 62 regendagen of circa 21 
per maand, eene aanmerkelijke verhouding blijft, het door- 
gaande verminderen van af de maand December veel gelijkt 



-^ 81 — 

naar eene aanvangende zamentrekklng der regenperioden 
binnen engere grenzen. 

Het aantal regendagen per maand , gemiddeld , bedroeg 
te Genteng. 



Van Oktober tot December 
)) Januarij tot Maart . . 
)) April tot Junij .... 
M Julij tot September . 



1853. 

23 
25 
16 
13 



1851. 

23 
21 
14 

8 



Ter loops zij hier aangemerkt, dat dit proces te Genteng 
nog voortgaat, want in dit jaar 1855, was het aantal regen- 
dagen. 

Van Januarij t/m Maart 24 

„ April ,, Junij 11 

,, Julij ,, September .... 6. 



Men zou bijna gelooven aan eene oscillatie der regen- 
minima, tusschen de drie eerste en de drie laatste maan- 
den van het jaar. In deze maand Oktober is het althans 
aanmerkelijk drooger te Genteng geweest, dan in die van 
1854. Zullen ISTovember en December daar naar gelijken? 
Maar de processie is bij de zes drooge maanden ongetwij- 
feld en vrij sterk afnemend. 

Te Buitenzorg, en dit diene tevens tot eene meteorolo- 
gische en landbouwkundige vergelijking, zien wij in de 
drie laatste maanden van 1854, die te Genteng in regen- 
dagen stationair waren , eene dubbele vermeerdering , na- 
melijk in betrekkelijken en volstrekten zin; terwijl de ne- 
gen overige, wat het gemiddelde aantal regendagen betreft, 
bijna even zoo standvastig zijn , als dit de drie laatste maan- 
den te Genteng waren. Immers men bekomt 

3e SERIE. DL. II. 6 



853 


1854. 


24 


25 


15,4 


16 


17 


25 



— 82 — 

Voor Januari] t/m Maart per md. 

„ April ,, September „ „ 
,, Oktober ,, December ,, ,, 

Eene vermeerdering van bijna 50°/^ van het aantal re- 
gendagen , binnen de drie laatste maanden van het jaar , te 
Buitenzorg beperkt, zou dan een gedeeltelijk gevolg zijn 
van eene vermindering, te Genteng, van bijna 20°/^, ver- 
deeld over de negen eerste maanden des jaars, of wil men 
liever van 50°/o > binnen het derde trimester. 

Even als, bij de vochtvermindering te Genteng in 1854 
eene soort van oscillatie scheen te bestaan tusschen de twee 
helften van den regentijd , zoo zou men bijna gelooven aan 
een dergelijk verschijnsel te Buitenzorg bij de vochtver- 
meerdering tusschen de twee helften van den droogen tijd. 

Ik geef hiertoe enkel de getallen der waarneming aan. 

1853. I 1851. 

Van Oktober tot December 
» Janiiarij tot Maart . . 
i> April tot Jiinij .... 
)) Julij tot September . . 

Dewijl nu in 1854, de regen- toename juist in het droog- 
ste gedeelte van het jaar voorviel, zoo ligt de gevolgtrek- 
king voor de hand , dat dit in zekere mate heeft bijgedra- 
gen tot de betere uitkomst van het grootste gedeelte van 
het riet verkregen, boven 1854, — zoo in tegenstelling met 
die van Genteng en met mijne verwachtingen , bij eene on- 
afo"ebrokene beplanting met hetzelfde gewas. Onder deze 
omstandigheden, moest ook eene meststof, als de guano 
is , krachtiger werking uitoefenen , dan het vorige jaar. 

Deels de besluiten, die uit mijne proeven van 1853 vol- 
gen, versterkende, deels derzelver aantal vermeerderend, 
zijn de uitkomsten dezer latere niet nutteloos geweest, daar 
zij het volgende hebben aangetoond. 



24 


25 


10 


20 


14 


12 


17 


25 



— So — 

1'^. Door guano wordt de opbrengst van het riet groo- 
telijks vermeerderd, door toename zoo in zwaarte der stok- 
ken , als in uitstoeling , terwijl ook de uitsterving minder , 
de groei sneller is. In hoeverre door vermeerderde doses 
van deze stof, een evenredig voordeel kan verkregen wor- 
den , is vooral wegens de ongunstige ligging van het proef- 
terrein te Genteng, niet genoegzaam geLleken. 

2". Plet samarangsche riet werd hoofdzakelijk bevoor- 
deeld door meerdere uitstoeling; het probolingosche meer 
door toeneming in volume. De proeven in den laborato- 
riumtuin dienen hier tot grondslafr. 

3°. Door zeer nadeelige omstandigheden , zoo als harde 
wind, langdurige droogte of te opene ligging, wordt die 
invloed der guano zeer verzwakt, althans bij riet van 
vreemden oorsprong. 

4°. De ongunstige toestand van het klimaat en het her- 
haald beplanten van denzelfden grond met hetzelfde gewas 
hebben eene vermindering bewerkt, beide in uitstoelino; en 
volume van het riet. Het te laat overplanten heeft daar- 
toe ook veel bijgedragen. 

5". Eene vermeerderino; der hoeveelheid suano is in 
zulke omstandigheden nutteloos te achten. 

6^. Het nadeel van niet-rotatie kan in groote mate, door 
bemesting met rietasch worden weggenomen. Een mengsel 
van guano en deze asch , in boven gegevene verhouding , 
is dan het meest afdoend hulj^middel, en zelfs in een min 
frunstig klimaat niet werkeloos. 

7^. Eene grootere plantwijdte , dan die ik in 1853 heb 
in achtgenomen, is bevorderlijk voor de productie van het 
riet. Men kan aannemen , dat het riet bijna overal op Ja- 
va te digt geplant wordt. 

8°. Naar de hoedanigheid en ook naar den toestand des 
gronds , moet de vermeerdering der plantwijdte geregeld 
worden. Indien dezelfde grond herhaaldelijk , zonder tus- 



— 84 — 

schenpoozen of zonder doelmatige bemesting, met riet be- 
plant AYordt, dan levert het Avijder j^lanten geen voordeel 
op, dat evenredig is aan liet grooter verbruik van grond. 

9. Ook naar de rietsoort moet de plantwijdte geregeld 
worden. Het weinig uitstoelende neemt , bij wijdplanten , 
in dikte toe ; het sterk uitstoelende in aantal van loten. 
Op denzelfden grond moet het laatstgenoemde wijder ge- 
plant worden , dan het eerste. 

10. Op bemesten grond, althans waar guano of rletascli, 
of beide gebezegd zijn , kan de plantwijdte nog meer ver- 
groot worden. 

11. Riet, met deze stoffen bemest, bevat een zwaarder 
sap, dan gelijksoortig riet, van denzelfden ouderdom, op 
gelijken, maar onbemesten grond. Het mengsel van gua- 
no en asch schijnt in dit opzigt werkzamer te wezen, dan 
guano alleen. 

Het gezegde geldt enkel voor riet, dat niet overrijp 
is. 

12. Een en twee maanden na de rijpwording, is het sap 
aanmerkelijk in zwaarte afgenomen. 

13. Het sap A-erliest eveneens in zwaarte , door uitsprui- 
tino' der oogen, hetzij Avegens overrijpheid, of door het 
planten op te rijken grond. 

14. Even als het sap van jong, onrijp riet, zoo is ook 
doorgaans dat uit het bovendeel ligter, dan beneden uit 
het riet. 

Slechts bij volkomen rijp en zeer krachtig gegroeid riet 
is het sap over de geheele lengte genoegzaam gelijk in 
zwaarte. 

15. Het rietsap van Genteng was ligter, dat van Bui- 
tenzorg zwaarder, dan in 1853. Voor het eerste moet de 
de oorzaak gezocht worden in den, over 1854 minder 
gunstigen toestand der lucht; vooral het lang aanhoudend 
r>-ebrek aan vochtigheid, en grootere afwisseling: van het 



— 85 — 

laatste in het wijder planten en welligt ook in de zwaarde- 
re bemesting. 

16. Het buitenzorgsche riet te Genteng, verkreeg vier 
a vijf maanden na het bloeijen , een buitengewoon zwaar 
sap , zoodat het gelijk kwam aan het beste riet uit den 
Oosthoek afkomstig. 

n. Het bloeijen van het riet staat niet, of althans niet 
uitsluitend in verband met soort, ouderdom of grond, maar 
voornamelijk met de vochtigheid der lucht. 

Neemt deze spoedig af, dan kan allerlei riet, mits niet 
te jong en op niet te vochtigen grond , in bloem schieten. 

Dit is nadeelig voor den lengte groei. 

18. Het riet uit den Oosthoek heeft in 1854, geen 
noemenswaardig langer tijdperk tot rijping noodig gehad , 
dan in 1853. 

Dit, gelijk meer andere feiten in dit verslag aangehaald 
getuigen voor eene groote vastheid in de eigenschappen 
van het riet, die het in zijn oorspronkelijk standoord 
heeft verkregen. 

Buitenzorg , den 24 Oktober 1854. 



DE Z O U T B K O N 



AAX DE 



SPAUK -RIVIER 

LANDSCHAP SINTANG, EESIDENTIE WESTER- 
AFDEELING VAN BORNEO 

DOOK 
3. H. CROOCKKHir IT Hz. 

Math. Mag. P hil. Nat. Doet. 



Aan Jen linkeroever der rivier Kaj)oeas , ongeveer 175 
a 180 eng. mijlen volgens stroomdraad van Pontianak, 
watert de Spauk-rivier uit , naar liet landschap , dat zij door 
stroomt en dat door een eigen vorst bestuurd wordt ech- 
ter tot het gebied van den panembahan van Sintang be- 
hoort, aldus genoemd. 

Dit riviertje roeide ik gedurende ruim 2 dagen op , en 
bereikte den 27sien April 1855 eene plaats aan den linkei-- 
oever , van waar een smal pad , door met boscli begroeide 
heuvels , alle zoover ik zien kon van eene alluviale forma- 
tie, van ongeveer 60 a 60 voeten hoogte, naar de bron 
voert. Dit pad , slechts een uur gaans lang , was door de 
vele pessage na het regenachtige weder zeer modderig, 
zoodat ik er soms bijna een voet diep inzakte, waardoor 
ik in dat tijdsverloop niet veel meer dan 2 groote palen 
zal afsfeleo-d hebben. 



— 87 — 

Nabij de bron gekomen , ging ik eene lange pondokli 
door, waarin wel een 30tal Dajahs, sommige met vrou- 
wen kinderen, verblijf hielden, en waar het zoutwater uit- 
gedampt wordt. Hebben deze lieden , voor v>ie het keuken- 
zout niet slechts eene behoefte maar ook eene lekkernij is , 
eenigen voorraad bekomen , dan maken zij plaats voor an- 
deren , zoodat de loods altijd door bewoond wordt. Het 
zoutwater wordt in nevens elkander in eene rei , op groote 
stukken hout geplaatste ijzeren kwali's gekookt en uitge- 
dampt , onder gestadige toevoeging van vloeistof. Onder die 
opene pannen wordt dag en nacht het vuur onderhouden , 
terwijl op daarboven geplaatste rekken het pas gevelde 
vochtige brandhout gedroogd wordt. Drie en dertig pan- 
nen stonden op die wijze te vuur. Het water wordt des 
morgens uit de bron, in een' voor de pannen geplaatsten 
uitgeholden boomstam gestort , zoodat brandstof en pekel 
de twee wacht hebbende personen , die geregeld afgelost 
worden , voor de hand liggen. Soms verdeelen de aanwezige 
Dajahs zich in meerdere partijen. 

Op bijna 20 passen afstands van deze pondokh is de 
hoofdbron , die in eene moerassige streek met nog twee 
andere van minder belang, die in de onmiddellijke nabij- 
heid gelegen zijn , maar die ik niet konde bereiken , haar 
water uitstort, dat met regenwater enz. vermengd in de S. 
Kassia loopt , dize het naar de Spauk-ri^der afvoert. De 
plaatsen dezer kleine bronnen kon ik door een gering op- 
borrelen van het water onderkennen. Xaar de hoofdbron 
leiden groote vlottende boomstammen , welke bron door de 
Dajahs van het omringend stilstaand zoet water , door eenen 
ongeveer 10 n. ellen, volgens zeggen, langen boomstam, 
die loodregt in den grond staat en tot op 3 a 4 centimeters 
dikte over zijne geheele lengte uitgehold is , zoodanig dat 
de middellijn ± 1 n. el zal bedragen , gescheiden is. 

Om 8 uur des morgens, toen de luchttemperatuur 82'^ 



— 88 — 

Falir. was , bedroeg de temperatuur van het water van 
deze bron , over welke een afdak is geplaatst , opdat het 
water niet door regenwater verdund worde, iets meer dan 
81°, Het water is volkomen helder, kleur en reukeloos 
en heeft een zilti^ijen een weinio; bitteren smaak. 

Vier kruiken zijn hier door mij met het water uit de 
bron gevuld , gekurkt en verzegeld , tot een nader schei- 
kundig onderzoek. Ook heb ik van de Dajahs tot gelijk 
einde eenig verkregen zout tegen taljak ingeruild. Dit zout 
is zeer fijn gekristalliseerd , wat uit de bereidingswyze volgt , 
en een weinig bruin gekleurd door ijzeroxijde of eenig 
chloorijzer, van de kwali's afkomstig. De koelak , hier ge- 
bruikt wordende gantang , waarvan er ongeveer 24 op 1 
pikol zout gaan, wordt hier tegen 5 koelaks bras , ter waar- 
de van ongeveer 30 duiten door de Dajahs onder elkander 
verruild: een kwali kan in de 24 uren eene koelak zout 
leveren. 

Tijdens de volgelingen van den in het aangrenzende 
landschap S'kadouw regerenden sulthan de benting van 
den pangeran Lassemana , hoofd van het landschap Spauk 
verwoestteden , hebben zij ook deze bron gedempt , de oor- 
logstaktiek om den vijand op alle mogelijke wijzen te be- 
nadeelen volgende. Maar hierdoor is de kracht van het 
water niet gestuit , dat zich volgens berigten , op dezelfde 
plaats alras weder eenen uitweg gebaand had. 

De vraag rijst nu op , van waar komt dit zoutwater ? 
Is het, door een onderaardsch kanaal van uit zee afkom- 
stig , of is het welwater , dat van eene zoutlaag het aanwe- 
zig zijn de zout oplost? 

De inlanders : die geen kennis van in lagen gedeponeerd 
zout hebben , meenen daarom vrij natuurlijk , dat zeewater 
hier door een onderaardsch kanaal aangevoerd is. Hier te- 
gen zal ik aanvoeren. 

1". dat de afstand waarop de bron van zee is verwij- 



— 89 — 

derd, zeer aanzienlijk is: 

2°. dat de leer van den evenwigtstoestrnd van vloeistof- 
fen dit wederspreekt , daar deze gewesten duidelijk, hoeveel 
durf ik niet juist bepalen , vele 10 tallen voeten boven de 
zee verheven zijn. 

3°. dat het bewijs dat de inlanders aanhalen , dat als de 
wind west is gedurende eenigen tijd , de wel dan ook meer 
water geeft , vervalt , omdat het te verklaren is , door dat 
het dan ook gewoonlijk meer regent, en dus de voorraad 
beneden water toeneemt; en eindelijk lioude ik 

4°. het door hun aangevoerd bewijs voor een sprookje, 
als zoude voor vele jaren een blad der Nipa fruticosa , 
welke plant alleen aan de zee groeit , na een' hevigen westen- 
wind in den put gevonden zijn. Dit is te verklaren , als 
het feit xcaar is , dat dit een blad van een anderen palm , 
misschien der nibong goenong, die hier veel voorkomt, 
is geweest , terwijl toch verreweg het meerendeel der inlan- 
ders hier nooit naar Pontienak is geweest of de kusten 
gezien heeft, en alzoo het blad der nipa alleen bij over- 
levering, of als dekblad voor hunne sigaartjes hier aange- 
wend kennen. De reis van zee tot hier door een onderaardsch 
kanaal komt ons voor een nipablad ook wat groot voor. 

Waarschijnlijk zal eene scheikundige analyse van dit wa- 
ter hier , zoo het nog eene kwaestie kan zijn , uitspraak 
doen , en zoo zal deze bron geene geringe bijdrage gele- 
verd hebben , tot de geologische kennis van deze gewesten. 



SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 



VA-X 



EEN MINERAALWATER AFKüIMSTIG VAN HET EILAND 



B O li N E O 



DOOR 



»• ^V. ROST VAIVTOMIVIIVOKIV. 



Genoemd water is door Dr. J. H. Croockewit Hz. amb- 
tenaar belast met het doen van natuurkundige nasporingen 
in Nederlandscli Indië en als zoodanig thans op het eiland 
Borneo werkzaam, ontdekt, en tot het doen der scheikundi- 
ge analyse in mijne handen gesteld geworden. Bijzonderheden 
van de bron zijn mij onbekend gebleven. Alleen is gemeld, 
dat zij gevonden wordt in de residentie wester-afdeeling van 
Borneo , op den linkeroever der Soengei Spauk boven de Soen- 
gei Sempit , in het stroomgebied der Kapoeasri-vier. Mij dus 
in geene beschouwingen over den aard van het terrein waar- 
uit zij te voorschijn komt , de temperatuur en geregelde op- 
brengst van het water , de vegetatie rondom de bron , enz. 
kunnende begeven , zal ik dadelijk overgaan tot de mede- 
deeling , hoe het onderzoek is bewerkstelligd , en welke re- 
sultaten dat heeft opgeleverd. 



— 91 — 

KicalUatief onderzoek. 

Het water , dat in goed geslotene kruiken , ontvangen 
werd , bezat geen' kenmerkenden reuk , de smaak was eenig- 
zins inktachtig en zeer zout. 

Het reageerde duidelijk zuur op het lakmoespapier , wel- 
ke zure reaktie ecliter , na verloop van eenigen tijd , weder 
verdween ; liet gekookte water daarentegen , reageerde zeer 
zwak alkalisch. In een glas geschonken had er ruime ontwik- 
keling van gasbellen plaats, welke door toevoeging van een 
zuur nog vermeerderde ; een weinig van het water , in 
kalkwater gegoten , deed een wit nederslag ontstaan , dat 
door toevoeging; van meerder mineraal water weder ver- 
dween, terwijl na verloop van eenigen tijd het water aan 
de lucht blootgesteld , met een wit huidje bedekt en na-ge- 
kookt te zijn , troebel w^erd ; aanwezigheid van koolzuur en 
koolzure zouten. 

Ecne eroote hoeveellieid van het Avater werd met een 
weinig acidum nitricum vermengd , tot op de helft verdampt , 
en vervolgens chloorbarlum toegevoegd; ook na lang staan 
was geen spoor sulphas barijtae te ontdekken ; afwezigheid 
van zwavelzuur. 

In het zuur gemaakte water werd door nitras argenti , 
de aanwezigheid aangetoond A'an chloor. 

Chloorwater en stijfselpap , bij het mineraalwater gevoegd 
zijnde , deden hierin terstond eene blaauwe kleur ontstaan , 
welke bij voortgezette toevoeging van chloorwater weder 
verdween; aanwezigheid van jodium. In eene zeer gekon- 
centreerde loog van het water , waaruit zich het grootste 
gedeelte der zouten afgescheiden had , werd chloor doorge- 
voerd en vervolarens deze vloeistof met zuiveren ether o-e- 
schud ; er was hierna geene geele kleur van den ether waar te 
nemen ; men goot deze voorzigtig in een schaaltje af, voeg- 



— 92 — 

de een weinig van eene oplossing van potassa caustica bij , 
en verdampte tot droog "wordens toe ; het terugblijvende zout in 
een retortje met wat bruinsteen en zwavelzuur behandeld, 
en de daardoor ontwikkelende gassen in een buisje , waarin 
zich een weinig stijfselpap bevond geleid zijnde , waren de- 
ze op de pap zonder de minste zigtbare uitwerking. Een 
ander gedeelte der loog werd mede met wat stijfselpap ver- 
meno-d , en door middel eener batterij van Smee op elektro 
galvanische wijze onderzocht; de reaktie op jodium rondom 
het dunne platinadraadje , dat men aan de anode en ook 
aan de kathode van dezen toestel vastgehecht had, was 
allerduidelijkst ; na eenigen tijd was de blaauwe kleur der 
stijfselpap, door het zich mede ontwikkelende chlorium, 
verdwenen doch van eene reaktie op bromium was geen 
spoor te ontdekken; de pap was Aveder volkomen wit ge- 
worden , zoo dat ik gegronde redenen meen te hebben , om 
te besluiten tot de afwezigheid van bromium. 

Het gedeelte, dat bij het kooken van het water werd 
uito-escheiden , loste in zuren onder ontwikkeling van koolzuur 
snel op ; cyanur. pot. et ferri toonde in deze oplossing ijzer- 
oxyde aan ; na toevoeging van ammonia , werd door oxalas 
ammoniae kalk , en na afscheiding van deze , door phosphas 
ammon. magnesia aangewezen. 

In de vloeistof, waaruit de door koking zich afgezet heb- 
bende deelen waren verwijderd, was geen ijzeroxijde aan- 
wezig , en werden op gelijke wijze als boven beschreven is , 
kalk en magnesia aangetoond. 

Potasch en soda eindelijk werden opgespoord, zoo als 
dat bij de kwantitatieve analyse nader beschreven zal wor- 
den; de aanwezigheid van veel chloorsodium , was trouwens 
reeds door den kristalvorm der zich bij de verdamping vor- 
mende zouten, genoegzaam bewezen. 

Bij 24»-° C. bezat het water een specifiek gewigt van 
1,0431. 



— 93 — 
Kioantitatief onderzoek. 

1. Bepali7ig der vaste deelen. 

169,536 gr. water -werden op een waterbad uitgedampt, 
en liet terugblijvende zout op 150° C gedroogd, men ver- 
kreeg aan vaste deelen 10,114 gr. 

^ 5,9656% 
2. Bepaling van de in liet gekookte water onoplosbare deelen. 

339,072 gr. water werden verhit en het verdampende vocht 
eenige malen met gedestilleerd water weder aangevuld , hier- 
na de vloeistof gefiltreerd hebbende, werd hetgeen op het 
filtrum terug bleef gedroogd en zacht gegloeid; het woog 
0,189 gr. 

P= 0,0558% 

zoodat 100 deelen van het mineraal water bevatten 5,9098 
in water oplosbare, en 0,0558 in water onoplosbare deelen. 

3. Bepaling van de silica. 

169,536 gr. water werden verdampt , en de terugblijven- 
de zoutmassa gegloeid; deze vervolgens in zuur gemaakt 
water opgelost hebbende, scheidde zich de onoplosbaar ge- 
worden silica af, welke na gloeijing woog 0,01 gr. 

^0,0059%. 

4. Bepaling van het chloor. 

56,512 gr. water werden met acid. nitricum zuur gemaakt 
en nitras argenti toegevoegd; men verkreeg aan chlorur. 
argenti 8,085 gr. ^ 14,3066°/^ en aan chloor 

^ 3,5366% 



— 94 — 
5. Bepaling van het jodhim. 

565,12 gr. water werden met een weinig carbonas sodae 
vermengd en daarna tot droogwordens uitgedampt; liet 
hierbij terugblijvende werd nu zoo lang met wijngeest van 
85°/q uitgetrokken , tot dat de zoutmassa niet meer op jo- 
dium reageerde ; men dampte vervolgens de alkoliollsche 
vloeistof uit, loste het terugblijvende in water en eenigc 
droppels zoutzuur op en voegde chlorur. palladii bij ; het 
gevormde praecipitaat werd na 24 uren afgescheiden , met 
Avarm water afgewasschen en vervolgens op 70° C. gedroogd; 
het woog 0,036 gr. m; 0,0005°/^ en aan jodium 

^0,00457, 

6. Bepalinij van het hoolziiur ijzeroxijdule. 

De in 2 genoemde hoeveelheid , in gekookt water onop- 
losbare deelen, werd in acid. hydrochlor. opgelost, am- 
monia toegevoegd en het zich afgescheiden hebbende ijzer- 
oxyde gedroogd en gegloeid; dit woog 0,019 gr. tn 0,0056°/^ 
ozeroxijde en aan koolzuur ijzeroxydule 

^ 0,00400% 

7. Bepaling van den koolzuren kalk. 

In de bij 6 aangeduide vloeistof werd door oxalas ammo- 
niae , de kalk als oxalas calcis uitgescheiden en gedroogd ; 
deze woog 0,267 gr, t=:0,0787°/o> dat aan koolzuren kalk 
voorstelt. 

0,05377o 

8. Bepaling van de koolzure magnesia. 
Dezelfde vloeistof, in 6 en 7 aangewezen, werd met 



— 95 — 

phosplias ammoniae bedeeld ; de gevormde pliosphas magnes. 
et ammon. door filtreriug afgezonderd , gedroogd en ge- 
gloeid ; men verzamelde aan pyropliosphas magnes. 0,005 
gr. — 0,0015 Yq, -welk getal geëkwivaleerd wordt door 
0,001 ll°/o carbonas magnesiae. 

9. Bepaling van het chloriiretum calcii. 

In de vloeistof, -waaruit de in gekookt -^vater onoplosbare 
deelen verwijderd waren , (zie Xo. 2) werd de kalk zoo als 
in 7 aangegeven is , bepaald ; men verkreeg aan oxalas cal- 
cis 5,58 gr. —1,0456^^, voorstellende aan cliloruretuni 
calcii. 

1,2025% 

10. Bej^ialmg va7i het joduretum magnesü. 

In de bij 9 aangeduide vloeistof werd de magnesia op 
gelijke wijze als bij 8 aangewezen is bepaald , men verkreeg 
aan pijro phosphas mngnes. 0,745 gr. '^ 0,2197% en 
t=: 0,04925Vo magnesium. 0,0045 gr. jodium vereenigen 
zich met 0,00044 gr. magnesium tot 0,00494% joduret. 
magnesü. 

11. Bepaling van het chloormagnesium. 

Het overblijvende 0,0488 gr: magnesium, vereenlgt zich 
met 0,1372 gr. chloor tot 0,186% chloormagnesium. 

12. Bepaling van het chloorpotassium. 

169,536 gr. water werden met barijta caustica gekookt 
en hierna gefiltreerd; in de verkregene vloeistof werd de 
overvloedige barijta, door carbonas ammoniae verwijderd, 
vaarna uitgedampt en vervolgens gegloeid ; de terngblij- 
dende zoutmassa met wijngeest van 85% uitgetrokken zijn- 
de, werd de alkoholische vloeistof met chlorid. platinae be- 



— 96 — 

droogd; deze woog 0,334 gr. j=i 0,197% t=i 0,03155% po- 
tassium , welke zich met 0,0286 gr. chloor verbinden tot 
0,0601% chloorpotassium. 

13, Bepaling van het chloor sodium. 

De geheele hoeveelheid chloor op 100 deelen van het mi- 
neraal water aanwezig, bedraagt. . . . 3,5366 gr: 

hiervan is verbonden tot chloriir. calcii . 0,7688 „ 

„ „ magnesii 0,1372 „ 

„ „ potassii . 0,0286 „ 

terwijl 0,0045 gr. jodium substitueren . . 0,00126 „ 

te zamen . . 0,93586 gr. 
deeld , gefiltreerd en het gevormde chlorid. plat. et pot. ge- 
Er blijft dus aan chloor over 2,60074 gr. , welke zich 
met 1,70726 gr. sodium verbinden tot 4,308°/^ chloorsodi- 
um. 

Uit de gedane bepalingen blijkt nu dat 100 deelen van 
het mineraal water bevatten 

aan sillca 0,00590. 

„ chloorsodium 4,30800. 

„ chloorpotassium .... 0,06010. 

„ chloormagnesium .... 0,18600. 

„ chloorcalcium 1,20250. 

„ joodmagnium 0,00494. 

in overvloed , „ carbonas magnesiae. . . . 0,00111. 
van kool- calcis 0,05370. 



zuur opge- 
lost. („ „ protox. ferri . . . 0,00406. 

Totaal. . . 5,82631. 

Aan vaste deelen waren volgens de bepaling van deze, 

aanwezig 5,96560 /^. 

Bij de analyse aan vaste deelen verkregen . 5,8263lVo. 

verlies .... 0,13929%. 



— 97 — 

Het thans onderzochte mineraahvater komt in aard ge- 
heel overeen , met dat van het , onlangs door mij geanaly- 
seerde water der bron te Tjipamingies, in de adsistent-resi- 
dentie Buitenzorg gelegen. De hoofdmassa der vaste deelen 
bestaat uit keukenzout, vergezeld van eene beduidende 
hoeveelheid chloorcalcium , zoodat ook hier , als men tot de 
bereiding van keukenzout mogt willen overgaan , eene bijzon- 
dere zorg bij het droogen , voor dat het vervoerd wordt , 
zoude noodig wezen. Evenzoo zoude bij deze bereiding 
na het koken van het mineraalwater , eene filtrering , hoe dan 
ook bewerkstelligd , vereischt worden ; Avant verdampt , zoo 
als het voorkomt, geeft het een door ijzeroxyde bruin ge- 
kleurd zout , minder geschikt om als eene toespijs voor het 
algemeen te dienen. 

Het verhitten en uitdamj^en tot kristallisering toe, zal ook 
even zoo als bij het water te Tjipamingies, in geene ijze- 
ren vaten mogen plaats hebben , maar hiertoe vertind of wel 
steenen vaatwerk gevorderd worden. De hoeveelheid jodium 
levert in verhouding tot het gewigt aan vaste deelen , met die 
van het bronwater te Tjipamingies nog al een verschil op , 
ten voordeele van het water van Borneo afkomstig , zoodat 
bij de zoutbereiding uit de terugblijvende loog meer jodium 
ican verkregen worden , dan uit die van het mineraal water te 
Tjipamingies. De hoeveelheid carbonas magnesiae en car- 
bonas calois komt bij beiden nagenoeg geheel overeen , ter- 
wijl daarentegen het gehalte aan carbon, protox. ferri, 
welke drie laatstgenoemde zouten in overvloed van kool- 
zuur opgelost zijn, beduidend minder is. Opmerkelijk is 
tevens de geheele afwezigheid van zwavelzuur in beide mi- 
nerale wateren. 

De bron , Avaarvan in dit stuk sprake was , is dus even 
als die van Tjipamingies , onder de merlovaardigste der tot 
heden toe bekende van den Indischen Archipel te bescliou- 
wen. Beiden leveren een vernieuwd bewijs op voor de 

3e SERIE DL. II. 7 



— 98 — 

stelling, dat het j odium , op cene veel grootere en meer 
uitgebreide schaal in de natuur wordt aangetroffen, dan 
nog voor eenige jaren werd vermoed , en dat bij nader on- 
derzoek , ook op de vele andere eilanden van dezen Archi- 
pel , dit voor de lijdende menschheid zoo gewigtig element , 
meer en meer zal aangetroffen worden. Het keukenzout , 
in het water aanwezig , kan in allen gevalle een plaatselijk 
nut hebben , en al is dat dan ook voor het tegeuAvoordige , 
nog niet groot , zoo verlieze men nimmer uit het oog , dat 
twee zulke onmisbare stoffen als het jodium en keukenzout, 
welke meer en meer in de binnenlanden der groote eilanden 
van genoemden Archipel ontdekt worden, als ware depots 
aan te merken zijn , welke onder den invloed van sommige 
omstandigheden , onmisbaar van het grootste belang kun- 
nen wezen. 

Buitenzorg y 23 April 1856. 



GEDEGEN IJZER 



VAK 



K A D O E 



DOOK 



J. 3. A Ij V Wl K K R. 



Op den 3" September 1855 begaven zich de heeren P. 
Diard, honorair inspekteur der kultures en D. F. Schaap, 
resident van Kadoe , beide leden der Natuurkundige Ver- 
eeniging in Xedcrlandsch Indië, ten huize van den regent van 
Magelang, bij welke gelegenheid de aandacht van eerstgenoem- 
den heer viel op een stuk ijzer, dat zich in het vertrek be- 
vond en door den regent werd opgegeven zeldzaam te zijn 
en bestemd te wezen om daaruit krissen te vervaardigen. 

Na aandachtige beschouwing vermeende men daaraan 
kenteekenen van meteorischen oorsprong te vinden , waar- 
om er onderzoek gedaan is naar de herkomst van dit ijzer 
en naar de omstandigheden , waaronder het gevonden is. 

Het bleek , dat dit ijzer aan den regent was gegeven door 
den onderkollekteur van Prapak, die het in geschenk had 
ontvangen van nu wijlen den penatoes der glandoeng Ke- 
toewon. De broeder van dezen , zekere Grio Sono , Avas 
intusschen bij den vond tegenwoordig geweest en legde 



— 100 — 

voor den heer Schaap de verklaring af , dat bedoeld stuk 
ijzer tijdens den Javaanschen oorlog, nu omstreeks 26 a 27 
jaren geleden , door hem en zijnen broeder gevonden was 
buiten de dessa Gessing. 

Op het vernemen dat een smid van de dessa Plosso , 
Podo genaamd , mede een zoodanig stuk ijzer in bezit had , 
"werd deze opgeroepen en vertoonde hij het stuk onder zijne 
berusting, verklarende het een jaar geleden in denzelfden 
toestand ter bewerking ontvangen te hebben van zekeren 
Pak Menèli uit de dessa Gessing. 

Toen nu ook Pak Menèh opgaf dit ijzer voor ongeveer 
10 a 12 jaren geleden even buiten de dessa Gessing te 
hebben gevonden , begaf zich de heer Schaap , vergezeld 
van die personen , naar de genoemde dessa , gelegen in de 
glandang Ketoewon , distrikt Soemosono , regentschap Te- 
mongoeng, residentie Kadoe. 

Pak Menèh en Grio Sono wezen dezelfde plaats aan , 
waar door hen op verschillende tijdstippen en onder gelijke 
omstandigheden de stukkon ijzer door hen waren gevonden. 
Die plek is gelegen achter de dessa Gessing aan den oever 
(cc. 30 voeten boven de rivierbedding) van een stroompje , 
Doeren genaamd , loopende tusschon de lielling van twee 
heuvels, Djompong en Krikiel, behoorende tot de bergke- 
ten van jMalebo. 

Plet terrein aldaar is steenachtig; de grond bestaat uit 
klei , oogenschijnlijk met ijzerdeelen bezwangerd. 

Tot den vond heeft aanleiding gegeven de omstandigheid , 
dat de plek omstreeks twee voeten diep beneden de natuur- 
lijke helling van het terrein bloot en het ijzer zigtbaar is 
geraakt ten gevolge van het herhaaldelijk wegtrappen der 
aarde door het vee , dat zich dagelijks in de rivier ging 
baden. 

Bedoelde stukken ijzer , van aanzienlijke zwaarte en groot- 
te , hebben eencn verschillenden en onregelmatigen vorm , 



— 101 — 

eene ruwe sponsaclitige oppervlakte en oene ongelijkmatig 
bruine of roodzwarte kleur, waardoor ze op den eersten 
aanblik het aanzien van steenen vertoonen. Door den smid 
in liet vuur gegloeid gaf liet eenen sterken zwavelreuk , 
terwijl liet door kloppen tot gruis verviel. De uit dit 
gruis verzamelde ijzerdeeltjes lieten zich niet tot een ge- 
heel smeden , dan na vermenging met ander oud ijzer. 
Dit ijzer, tot kris gevormd, moet volgens beweren van 
den onderkollekteur eene hardheid bezitten , grooter dan 
die van ander kris-ijzer. 

Dit is ongeveer de inhoud des nota van den heer Schaap, 
onder dagteekening 16 September 1855 der Natuurkundige 
Vereeniging toegezonden met aanbieding der volgende voor- 
werpen om te dienen tot een scheikundig onderzoek : 

I. Een min of meer rond zwartachtig stuk ijzer, afkom- 
stig van den regent en reeds in het vuur gegloeid. 

II. Een meer langwerpig en roodachtig gekleurd stuk , 
afivomstig van Pak Menèh en zich nog in denzelfden toe- 
stand bevindende als tijdens den vond. 

III. Eenige stukken uit den bodem , waarop de vond 
heeft plaats gehad. 

T. Het stuk , afkomstig van den regent. 

Eene onregelmatige massa, wegende o4 amsterdamsche 
ponden. Aan den eenen kant met diej)e indrukken voor- 
zien , als waren die er met eenen bout ingeslagen toen het 
nog in wecken toestand verkeerde. Zij zijn gedeeltelijk met 
klei aangevuld, die er zich vrij gemakkelijk van laat A'er- 
wij deren. ïen andere heeft het stuk een sinterachtig voor- 
komen , takkig , hoekig , gebogen of bladerig en met groo- 
te holten voorzien ; hier en daar bont aangeloopen , maar 
voor het grootste gedeelte met eene dunne laag ijzerroest 
overtogen. Op enkele plaatsen zijn zaamgebakken bladach- 



— 102 — 

tige stukjes zigtbaar, die eenen liclitgraauwen metaalglans 
vertoonen. De onderkant van het stuk is meer vlak en 
zooals gezegd is , onregelmatig ingebogen. De breuk is 
hakig; de hardheid ir= 4,5-5. Soortelijk gewigt l=i 6,9-7. 

Een gedeelte van den vlakken kant heb ik doen polijs- 
ten , waardoor een heldere metaalglans te voorschijn trad 
van lichtgraauwe kleur. Deze oppervlakte liet geene vreem- 
de inmengselen onderkennen , maar was met fijne barsten 
geheel geaderd. Door het opbrengen van verdund salpe- 
terzuur ontstond onder sterke opbruising en ontwikkeling 
van nitreuse dampen eene donkerbruine oplossing , en na we- 
gnemen van het zuur was er duidelijk eene fijnkorrelige struk- 
tuur zigtbaar : op sommige plaatsen vormden zich scherp- 
driehoekige teckcningen , die intusschen weinig overeen- 
komst aanboden met de Widmanstadtsche figuren , te oor- 
deelcn naar de afbeeldingen welke ik van deze bezit. 

Het afvijfsel is sterk magnetisch. 

Een gedeelte van het afval is door mij aan eenen euro- 
peschen smid gegeven om er een staafje van te smeden. 
Hij berigtte mij dat zulks zeer moeijelijk was en zelfs in de 
gloeihitte maar gebrekkig geschiedde; dat bij bekoeling de 
geklonken massa vrij broos werd en daarna zeer barstig, 
zoodat het hem ter hand gestelde ijzer koudbreukig was; 
hij vergeleek het met siberitisch (?) ijzer. 

//. liet stuk, afkomstig van Pak Meneh. 

Dit tweede stuk onderscheidt zich al aanstonds van het 
eerste door eene veel grootere ligtheid. Niettegenstaande 
de massa niet aanzienlijk geringer is , bedraagt het gewigt 
slechts 16 amsterd. ponden. Het is langwerpig, min of 
meer peervormig. Aan de oppervlakte zijn niet die diepe 
indrukken zigtbaar als bij I, ofschoon het geheel een slak- 
kio; voorkomen heeft, met kleine holten is voorzien en met 



— 103 — 

eenio-e m'oote barsten. De uitwendio;c kleur is roostachtio;. 
Hier en daar , vooral aan het dikkere uiteinde , bevinden 
zich donkerroode vlekken. Zoo mocijelijk het was om van 
het eerste stuk een gedeelte af te slaan , zoo gemakkelijk ge- 
lukte zulks hier, daar zich door het slaan met den hamer 
onmiddellijk een vrij groot stuk losliet, dat verder op die 
wijze zonder inspanning te verdeden was. 

Op de breuk is de kleur over het algemeen paars ; som- 
mige deelen zijn blaauw aangeloopen , andere hebben eene 
roestkleur. Bij opmerkzame beschouwing blijkt het , dat in 
de massa zeer heterogene deelen worden aangetroffen. Stra- 
lige stangvormige zwartgekleurde stukken zijn door de ge- 
heele massa verspreid, die aan de scherpe kanten of bundel- 
vormige uiteinden niervormig met roest zijn bedekt. Zij 
zijn gemakkelijk met het mes in schilferachtige lovers te 
verdeelen. Daartusschen bevinden zich onregelmatige zwart- 
gekleurde deelen , als van graphiet of kool , mede gemakke- 
lijk op gezegde wijze te verwijderen. Zeer spaarzaam , slechts 
op twee plaatsen , ziet men glinsterende schilfers , als van 
glimmerschiefer (ijzerglimmerschiefer ?) , terwijl eindelijk de 
kleine holten zeer scherp zijn begrensd , zooals zulks het 
geval is bij sommige graszoden ijzerertsen , waar zij inwendig 
door kieselzuur zijn bekleed. 

De breuk is schelpachtig , stralig , sinterachtig, oneffen. 
De hardheid wisselt of van 3 tot 4,5. Het soortelijk ge- 
wigt tr: 3,5G. De zamenhang is los. Ka het polijsten 
komt eene bruine tot zwarte eenigzins metallieke glans te 
voorschijn , wel eenige overeenkomst aanbiedende met dien 
van potlood. De streek is rood tot roodbruin. Het poe- 
der wordt zeer zwak door den mao-neet aangetrokken. 



— 104 — 

Scheikundly onderzoek ocai I. 
A. 
a. 1,5G gr. van den kant genomen, 

c. 1,25 „ uit het midden. 

Worden opgelost in zeezoutzuur. De oplossing komt ge- 
makkelijk tot stand onder ontwikkeling van ]iydrogeniura en 
sporen van hydrogenium sulphuratum. Er blijft in beide 
gevallen een Aveinig kieselzuur terug en graphietachtige 
kool. De oplossingen worden met water verdund en af- 
gefiltreerd. 

De residua b en c worden gedroogd bij 150^ — 175°. 

h - 0,009 gr. 
c ^ 0,0065 // 

liet residuum a en de gedroogde van h en c , gegloeid , 
geven aan kieselzuur : 

a. ^ 0,0125 gr. 
6. ^ 0,0008 
c. ^ 0,006 

B. 

De filtraten uit A worden behandeld eerst met salpeter- 
zuur; daarna wordt er h3-drogcnium sulphuratum doorge- 
voerd. Er ontstaat overvloedige afscheiding van zwavel, 
doch zoo min zwaveltin als zwavelkoper wordt neergesla- 
gen. Nadat de zwavel, door A^erwarming tot kokens toe, 
is zaamgepakt, w'orden de vloeistoffen gefiltreerd en uitge- 
dampt tot hoogere oxydatie van het in oplossing verkeeren- 
de ijzerzout. Daarna wordt door ammonia en vervolgens 
door barnsteenzure ammonia het ijzer uit de vloeistof neer- 
geslagen en door filtratie verwijderd. 



— 105 — 

De doorloopende vloeistoften zijn alle waterhekler. Door 
koken met potascli wordt niet het geringste neerslag beko- 
men, zoo min als door daarna toegevoegd sulph. liydraat 
van ammonium, waaruit blijkt: 

dat noch mangaan , noch nikkel en kobalt voorhanden zijn. 

C. 

a. 0,5 gr. van den kant. 

h. 1,796 „ „ „ ,, 

c. 3,035 gr. van het binnengedeelte 

zooveel mogelijk verdeeld , worden met een mengsel van 
nitrum en carb, sodae in een' platinakroes achtereenvolgens 
gesmolten. De massa met water uitiretrokken en afo-efil- 
treerd (filtraat A) De residua worden in zeezoutzuur op- 
gelost, met potasch gekookt en afgefiltreerd (filtraat (o). 
Het gevormde ijzeroxyde-hydraat wordt wederom in zee- 
zoutzuur opgelost en met ammonia neergeslagen ; daardoor 
wordt verkregen aan ijzeroxyde uit: 

a. :=: 0,655 gr. 

G. ^ 4,2475 „ 

(De verdere ontleding heeft alleen plaats gehad met c). 

Het filtraat C. c. A wordt met zeezoutzuur verzadigd, tot 
droogwordens toe uitgedampt, met zeezoutzuur uitgetrok- 
ken , afoefiltreerd , toeo-evoeo-d een helder meno-sel van 
chloormagnesium , chloorammonium en ammonia in over- 
vloed en daarmede tot gering volume uitgedampt. Op 
die wijze is verkregen : 

Ph0^2MgO -0,0085 gr. 

Het filtraat is zuur gemaakt door acidum hydrochlori- 
cum : door chloorbaryum ontstond eene te geringe troebe- 
ling om de gevormde sporen van sulphas barytae verder te 
behandelen. 



— 106 



liet filtraat C. c. q. geeft, met cliloorammoniiim uitge- 
dampt, mede slechts twijfelachtige troebeling. 



Scheikund'uj onderzoek van II. 

A. 

4,521 gr. zijn zacht gegloeid tot het gewigt konstant 
Weef :=:1.,0U;5 gr. 

B. 

5,01 üT. worden behandeld als in I, A. 

Het residuum na drooging bij 150^ — 170° r=:; 0,706 gr.; 
door de gloeihitte wordt het gewigt verminderd tot O, '054, 
zijnde het verschil ;=::0,ll>2 gr. kool. 

C. 

De behandeling als sub I 15 heeft tot dezelfde resultaten 
geleid. 

G,023 gr. zijn gegloeid met een mengsel van nitrum en 
soda als in I, C. Uit de waterige solutie (filtraat A) wordt 
door uitdamping en uittrekking met zeezoutzuur verkregen : 

Oplosbaar kieselzuur ;=; 0,087 gr. 
Uit het filtraat wordt na toevoeging van ammonia en phos- 
phas sodae bepaald 

Ph05 2MgO t=i0,02 gr. 

terwijl na overzadiging met NO ^ en toevoeging van 
chloorbaryum tot de kokend heete solutie bekomen wordt 
SO^BaO -0,003 gr. 

Het residuum der gegloeide en met water uitgeloogde 
massa wordt met sterk zeezoutzuur gedigereerd tot volko- 



— 107 — 

men oplossing, vervolgens met potasch gekookt en afgefil- 
treerd (filtraat (3). 

Het neerslag -wordt opgelost in zeezontzuur , met ammo- 
nia en succinas ammoniae behandeld , waardoor verkregen 
wordt na gloeijing, enz. 

Fe 2 03 -4,457 gr. 
Het hierbij verkregen filtraat verhoudt zich tegenover 
S H en S H, S X H. * als sub I B en II C is vermeld. 
Wij zullen het aanduiden met V. 

Het filtraat (3 geeft na koking met chloorammonium. 

AP O 3 -0,086 gr. 
De van aluinaarde afgefiltreerde vloeistof wordt gevoegd 
bij de met V aangeduide. Tot gering volume uitgedampt 
wordt daaruit verkregen op de gewone wijze 
CO^CaO -0,007 gr. 
En uit het hierbij verkregen filtraat : 

Ph0^2MgO -0,004 gr. 

Berekende zamenstelling ten honderd van I en II. 



I. 



IL 



Kieselzuur 


1=^ 0,65 gr. Kiesel 


■ "^ 


11,06 gr 


Kool 


■;=, 0,06 „ Opl. kieselzuur ;i=i 


1,45 „ 


Phosphorus . 


■^ 0,078,, Kool . . 


^ 


3,04 „ 


Zwavel . . . 


■^ sporen Zwavel . 


. :z:! 


0,007 „ 


IJzer . . . 


^ 98,009,, Phosphorus 


. T^i 


@,09 „ 


- 


IJzeroxyde . 


. ;=: 


74 




98,797 Aluinaarde 


• mi 


1,43 „ 




Kalk . 


. - 


0,065 „ 




Magnesia 


. nn 


0,024 „ 




Water . 


. . ^ 


11,16,, 



102,326 



— 108 — 

Deze analysen drukken niet geheel naauwkeurig de za- 
menstelling uit, daar I eenig oxyde en II eene niet on- 
aanzienlijke liocveellieid protoxyde bevat. Daaraan mag het 
wórden toegeschreven dat de uitkomst van de analyse I te 
laag , die van II te hoog is. 



Besluit. 



Het hlijkt uit de analysen , dat het onderzochte ijzer geen 
metcoorijzer is, daar er niet de geringste sporen van koper 
en tin maar ook niet van nikkel en kobalt in -worden aan- 
getroti'en , waardoor ook op de gepolijste vlakken niet de 
AVidmanstadtschc figuren door inwerking van salpeterzuur 
zijn te voorschijn gekomen. 

De sub III vermelde stukken van den bodera , waarop 
de vond heeft plaats gehad, verspreiden bovendien het noo- 
dige licht omtrent den oorsprong. 

Dit zijn namelijk donkergele vrij zvrarc massen , die voor 
het grootste gedeelte uit ijzeroxyde bestaan, althans daaraan 
zeer rijk zijn , hetgeen eenvoudig door zachte gloeihitte 
zigtbaar wordt, wanneer de massa in een donkerrood poe- 
der overgaat, dat oppervlakkig niet van doodekop verschilt. 
De ijzerrijke klei schijnt eenen overgang te maken tot 
moerasijzererts, en het wordt dus zeer aannemelijk dat 
daaruit, welligt in lang verloopen tijden, door gloeijing met 
kool ijzer is bereid geworden. Fijne wortelvezelen liggen 
door de stukken verspreid en met kristallen van kiesel be- 
kleede kanalen loopen door de geheele massa. Zij zijn dus 
uit water afgezet. Met die kanalen komen geheel overeen 
de bij het stuk N°. II beschrevene , die zoowel hieraan als aan 
de ijzeroxyde houdende klei een slakkig voorkomen geven. 
Hieruit te meer wordt het hoogst waarschijnlijk, ja bijna 
ontwijfelbaar dat II uit III is verkregen, en door bloote 



— 109 — 

vergelijking der zamenstelliiig van II en I in verband met 
het Ijoven medegedeelde berigt verkrijgt men de overtuiging, 
dat het laatste uit het eerste door roosting , gloeijing en 
smeltino- met kool is daargesteld. 

De toegezonden aarde is derhalve een bruikbare ijzererts, 
die het meest met moerasijzererts overeenkomt. Het met 
kool daaruit gesmolten ijzer (I) is wel niet zuiver en bevat 
eene genoegzame hoeveelheid phosphorus om het in dien 
toestand tot vele doeleinden bepaald ongeschikt te maken , 
maar het is aan te nemen dat de hoedanigheid door eene be- 
tere wijze van behandeling bijv. door smelting onder in- 
vloed der dampkringslucht of het gebruik maken van toe- 
voegselen kan verbeterd worden. 

De regent van Magelang schijnt dat ijzer, waarschijn- 
lijk op gebrekkige wijze uitgesmolten , ter vervaardiging 
van krissen niet zoo geheel te verwerpen , hoe slecht 
de zamenstelling dan ook zijn moge. Het wordt trouwens 
ook wel beweerd , dat phosphorhoudend ijzer tot het voort- 
breno-en van schoone damasccringen zeer geschikt moet 
wezen. Ook trof de scheikundige Vauquelin in deugdzaam 
staal phosphorus aan, terwijl het zoogenoemde wootz, dat 
A'^an uitstekende hoedanigheid is en bij het etsen schoone 
damasteekeningen verkrijgt, in Engelsch Indië bereid wordt 
door zamensmelten A'an smeedbaar ijzer met plantaardige 
ligchamen , zoodat daarin ook wel phosphorus zal gevonden 
worden. 

Ten opzigte van het koolgehalte kan A'an de deugdelijk- 
heid des ijzers niets Avorden gezegd. Door eenvoudige be- 
Averkino- kan het o-ehalte verhooo-d of A^erminderd AVorden , 
naar het doel dat er mede Avordt beoogd. 
Batavia, den 14 Jidij 1856 



B IJ D R A G E N 

TOT DE 

GEOLOGISCHE EN MINERALOGISCHE KENNIS 

VAN 

NEDEELAXDSCH IN DIÉ, 

DOOR 
de Ingenieurs van het Mijnwezen ïn Nederlandsch Indiê. 



ONDl^llZOEK NAAll HET AANWEZEN VAN STEENKO- 
LEN IN HET TERREIN AAN DE TJILETOEKBAAI, 
RESIDENTIE PREANGER REGENTSCHAPPEN. 

DOOR 

O. F. v. jr. mi&uEMiïM, 

[31 et e ene /ca art). 



Uit de onderzoekingen door den ingenieur Aquasie Boaclii 
in den omtrek van de Tjiletoekbaai gedaan (zie Bijdragen tot 
de geologische en mincralogisclie kennis van Nederlandsch 
Indic no. XVI), bleek het, dat er redenen bestonden, 
het gouvernement voor te stellen die onderzoekingen, door 
boringen te doen voortzetten. De plaats, waar deze borin- 



— 111 — 

gen zouden moeten plaats grijpen, was echter door dien in- 
genieur niet bepaald aangegeven , waarom dan op magtiging 
van liet gouvernement, in het midden van de maand No- 
vember van het verleden jaar, door den ingenieur der l'^ 
klasse belast met de leiding der dienst van het mijnwezen , 
aan den iug-enieur der 3e klasse O. F. U. J. Huouenin en 
den buitengewonen ingenieur der 3e klasse Aquasie Boachi 
werd opgedragen, zich naar de Tjiletoek-of Zandbaai , re- 
sidentie Preanger regentschappen , te begeven en aldaar 
die opnemingen te doen , welke noodig waren tot de be- 
paling der punten , waar men door boring het spoedigste 
zekerheid kon verkrijgen , omtrent het aldaar al of niet aan- 
wezig zijn van diepliggende kolenlagen. 

In voldoening aan dien last verlieten wij den 2 In No- 
vember a. p. Buitenzorg, en bereikten na eene vrij moei- 
jelijke reis, den 25" daarop volgende, de Tjiletoekbaai. Zwa- 
re regens, welke in den namiddag vielen , benevens de slechte 
toestand der wegen, verpligtten ons korte dagreizen te maken 
en zij hebben ons belet ons onderweg op te houden, om 
hier en daar het terrein te onderzoeken. Alleen was het 
mogelijk tusschen paal 42 en 43, op den weg van Tjikem- 
bar naar Pelaboean , in eene insnijding aan den groeten 
weg, vele fossiele gastropoden en lamellibranchiën te ver- 
zamelen ; zij komen in zeer groot aantal voor , in graauw 
bruinen mergel , welke nu eens hard dan eens geheel zon- 
der zamenhang is. Deze fossiele overblijfselen zijn zeer 
goed bewaard gebleven en behooren tot de tertiaire forma- 
tie. Volgens gissing zullen zij ongeveer 1000 voeten bo- 
ven de oppervlakte der zee gelegen zijn. 

Op de plaats der bestemming gekomen , namen wij on- 
zen intrek in eene vrij goede bamboezen woning , welke 
nabij de Tjibanting was opgeslagen en tot verblijf gestrekt 
had aan den ingenieur Boachi , tijdens het eerste onderzoek. 

Ten einde de meest geschikte plaatsen op te sporen , 



— 112 — 

waar met vracht naar kolen kan geboord worden , bleek 
het spoedig , wegens het veelvuldig aan den dag komen van 
groensteonen , serpentijn en groensteen-brekciën , dat eene 
zoo naauwkeurig mogelijke kaart van de streek diende ver- 
vaardigd te worden. De eenige kaart , welke tot grondslag 
zonden hebben kunnen dienen , was die, vvelke van wegc het 
departement van marine uitgegeven was, ingevolge ojma- 
men door Z. M. oorlogschepen Castor en Krokodil, doch 
ook deze bleek, Avat den vorm van het land betrof, 
onjuist te zijn. Het verA'aardigen van deze kaart was te 
meer noodzakelijk, daarin dit uiterst schraal bevolkte land, 
alle bergen , heuvels en riA'iertjes toch elk hunnen bijzonde- 
ren naam hadden, en de meeste inlanders, welke ons ver- 
gezelden, of de namen daarvan niet wisten, of verkeerd 
opgaven , hetgeen zeer veel verwarring veroorzaakte. 

"Wanneer men zich van Pasawahan naar de Tjiletoekbaai 
begeeft , ontmoet men 4 palen voorbij de kampong Tjibatoe 
een hoogland , dat ongelijk golvend zich naar alle rigtingen 
uitstrekt. De grond is overdekt met grassoorten en alang- 
alang, waartusschen hier en daar groepjes van boomen of 
kleine boschjes verspreid liggen. In dit hoogland, tegen 
de Tjiletoekbaai, vind men eene ellipsvormige verdieping, 
welke gevoegelijk de Tjiletoek-vlaktc kan genoemd worden. 

Deze vlakte wordt ten noordwesten begrensd door de zee , 
ten noorden , oosten en zuiden door de steile soms loodreg- 
te wanden van het Lingkoeng-gebergte (1) en ten westen 



il] Dit LInokoenjr-Jïeberfrte is niets dan de stelle i'otswand, 
waarmede de bovengenoemde hoogvlakte plotseling eindigt Van 
uit de Tjiletoekvlakte gezien is de naam van het gebergte zeer wel 
van toepassing, en heeft men uit de kampong Tjikante ruim dui- 
zend voeten te klimmen om den top te bereiken. Is men eens bo- 
ven, dan strekt zich de bovengenoemde hoogvlakte zoover als 
men zien kan uit, en moet men palen ver over deze reizen, eer 
men de westelijke helling van dit Lingkoeng-gebergte bereikt. 



— 113 — 

door Goenoug Djambe, Lame, Haiir en Tjipet-rman. Zij 
is bedekt met alluviaal terrein en in '^Toegere tijden moet 
de zee den roet van alle de boren o-enoer.ide bersten liebben 
bespoeld en een zeer fraaije diepe en reil'ge baai gevormd 
hebben. Yan zee af rijst de grond flaaiT-sv, zuid en zuid- 
oostwaarts en is op ondersclieidene plaatsen zeer moerassig. 
Eene lage lieuvelreeks strekt zicli op onderscheidene plaatsen 
langs het Lingkoeng-gebergte uit, en scheidt het A-an de 
vlakte. De hoogste toppen van die heuvelen rijzen om- 
streeks 100 voet boven het omringende terrein. 

Op den regteroever der Tjiletoek loopt eene bergreeks , 
■u-elker hoogste toppen de namen van G. Iviaradjajar, G. 
Sapoe , G. Gedongan voeren , en vrelke reeks ten zuiden 
zich tegen het Lingkoeng-gebergte aansluit en ten noorden 
te niet loopt. Het tusschen liggend terrein is vlak , naau- 
"welijks golvend te noemen. De grond is hier en daar met 
alang-akang , maar voor het meest met bosch bedekt , waarin 
vooral bamboe-doeri en rotan het doordringen bemoeijelijken. 

Westelijk van deze Tjiletoek-vallei vindt men eene aan- 
eenschakeling van bergen en bergrib])en , zoodat wij aan 
die zijde , behalve aan het strand , geen' enkelen voet vlak- 
ken grond aangetroffen hebben. Xaauv/elijks is de bero- 
geëindigd en men het beekje overgetrokken , dat aan den 
voet loopt, of dadelijk ontmoet men wederom een' anderen. 
De hoofdplantengroei is , in de door ons bezochte plaatsen , 
voornainelijk bamboe-doeri en rotan , waartusschen zich 
vele levende en doode gebang-stammen verhie^-en , met wei- 
nig opene relden of plekken , van welke men eenig uitzigt 
op vaste punten had, zoodat men zich door het kappen van 
het houtgewas deze uitzigten alleen kon verschaffen. Ook 
de voetpaden loopen veelal uiterst ongeschikt voor elke op- 
neming of onderzoek en wij zijn verpligt geweest vele we- 
gen te laten hakken , ten einde die plaatsen te genaken , 
v.elke wij wenschten te bezoeken. 

Se SERIE Dl.. II. 8 



— 114 — 

Groote , kolossale boomen zijn zeldzaam ; de zwaarste Loom 
door mij gezien was een djainplong (Callopliyllum sp.) be- 
kend wegens zijn hard , fraai en deugdzaam liout. De boom 
stond of liever lag bij T. Karangliellang , vlak aan het 
strand. De kust is hier steil , door de zee mm of uicor afge- 
knaagd. Deels nu op de helling van het land, deels in de 
verstortino; door de zee veroorzaakt , la^; deze boom liori- 
zontaal uitgestrekt, zoodat zijne takken in de zee reikten; 
op circa 7 ncd. el van den voet verdeelde zich de stam in 3 tak- 
ken , welke 0Y4? 2^2' ^Va ^^^^- ^^ ^^^ omtrek hebben, 
terwijl de stam zelf beneden gemeten 6 ,5 el omvang had. 
De mij vergezellende inlanders verzekerden , dat een boom 
A'an die soort en van zulk eene dikte eene groote zeldzaam- 
heid was. 

Beschrijclitg der voorhomende formatlën. 

De forraatiën welke aan de Tjilctoekbaai voorkomen en 
onderzocht zijn , zijn de volgende. 

Ie Alluriale gronden. Alluviale gronden vormen de ge- 
heelc vallei dor Tjiletoek-rivier , van af het Lingkoeng-ge- 
bergte in het zuidoosten tot aan zee. Bij kampong Tjibanting, 
bij Tjipantjor en aan de monden der Tjibatoenoengoel 
vormen zij slechts een' smallen zoom , ter eener zijde be- 
grensd door andere formatiën en ter andere door de zee. 

Zij bestaan aan de oppervlakte uit zand en zelden uit 
leemoTond. Het is het o-i-uis van de omlio;f>;ende p-eberirten , 
waartoe voornamelijk de zandsteenen het meeste materiaal 
geleverd hebben. 

Als jongste formatie, welke heden ten dage nog plaats 
grijpt, is de vorming van een konglomeraat te vermelden, 
bestaande uit grootere en kleinere rolblokken der zandsteen- 
formatie , stukken koraal, schelpen , en zand , door een kalk- 
achti<r bindmiddel vereeni^d. 



— 115 — 

A^ooral bij Tg. Karangliellang ziet men dezo foum;iti.3 
liet duidelijkste en wel vlak aan den oever der zee. 

Aan den voet van deze tandjong liggen over eene leng- 
te van 5 h. GOO ned. el groote stukken zandsteen en kon- 
gloineraat verspreid, welke liet loopen langs de zee zeer be- 
moeijelijken. De ledige ruimte , tusschen deze zandstee- 
nen en konglomeraten , is voor een deel met zand , voor 
een ander deel met stukken koraal en schelpen opgevuld , 
welke laatste meestal hare kleuren nog behouden heb- 
ben,' dit alles: zandsteenen, konglomeraten, koralen, zand 
en schelpen is hier en daar tot eene uiterst vaste massa 
zamengebakken , welke slechts met moeite te breken is. Het 
bindmiddel is kalk, afkomstig van de koralen. De stukken 
koraal , welke hier los opgehoopt liggen , zijn blinkend wit 
en poreus. Zoodra zij echter een zamenstellend deel van 
het bedoelde konglomeraat vormen , zijn de in haar voorko- 
mende poriën menigmaal met kalk gevuld en worden hier- 
door meer massief. 

Het boven omschrevene konglomeraat, strekt zich sleclits 
zoover uit , als tegenwoordig nog do golfslag gaat ; binnen- 
lands is het niet aano-etroften , eveniniu als on eeniu* ander 
punt aan de kust. 

AVij twijfelen echter niet dat, bij een meer speciaal onder- 
zoek, dit konglomeraat ook elders zal gevonden worden, 
bijv. bij F. Tjipantjor, T. Karangbangat en andereplaatsen. 

De oever der zee wordt op de overige plaatsen gevormd 
door fijn , geelachtig , wit zand mot stid^jes koraal en schelpen. 

2e Zandsteen- formatie. Zandsteenen en konglomeraten 
vormen de tweede en meest uitgestrekte formatie rondom 
de Tjiletoekbaai. Kortheidshalve zal ik deze vorming, do 
zandsteen-formatie noemen , alhoewel in haar magtigc kon- 
glomeraat-lagen voorkomen. Wanneer alleen de zandstee- 
nen of konglomeraten bedoeld worden , zal zulks bepaald 
woorden uitgedrukt. 



— 116 — 

De zandsteen-fornintie , welke oostelijk de G. Paserpoggor, 
G. Boeloet en G. Soeren (1), ten zuiden G. Kiaradjajar 
en anderen en westelijk het ineerendeel der gebergten yormt 
tot aan zee, is van het meest uiteenloopende karakter. De- 
ze zandsteen , welke eene zeer aanzienlijke zwaarte heeft , 
zou de ligplaats van steenkoleyi hmnen zijn. 

De algemeene kleur is geelachtig , van wit tot bruingeel 
en bruinrood afwisselend. De gele en bruingele variëtei- 
ten hebben hare kleur te danken aan het bindmiddel. De 
zandkorreltjes zijn vuil wit of lichtgeel en de kleurende 
bestanddcclcn van het bindmiddel zijn ijzeroxyde en ijzer- 
oxyde-hy draten. 

De zandsteen , welke zeer zelden kalk-of kiezelzandsteen , 
maar op de meeste plaatsen kleizandsteen is, wisselt af met 
konglomeraat en ijzerzandsteen-lagen. Zij is over het alge- 
meen nog al grotkorrelig en zeer massief. 

Niet zelden liggen stukjes afgeronde kiezel in de zand 
steenen opgesloten , welke kiezelsteenen, de overhand nemen- 
de, de konglomeratcn voroien , waarvan zoo even melding is ge- 
maakt. 

De^e kiezelrolsteenen zijn wit, blaauwachtig grijs of zelfs 
zwart van kleur , dof en afgerond , hetgeen eene langdurige 
slijping onder vrater aantoont ; zij bereiken soms eene lengte 
van 4 u 5 ned. duim. 

In de konglomeraten ziet men het bindmiddel meestal 
nog zeer duidelijk. Het is altijd een fijnere of grovere 
zandsteen. 

De zandsteenen, maar voornamelijk de konglomeraten, 



(1) Omstandigheden, buiten onzen wil, hebben belet liet Ling- 
kocuo-sclie ringgebergte te onderzoeken en ik kan dus niet met 
zekerheid aangeven of dit ook niet uit zandsteen bestaat. Al- 
hoBAvcl uu bij het nederdalen van Pesawahan over den Goenong 



— 117 — 

sluiten konkretles van eene roode of bruine kleur in , en 
waarvan de grootte van een menschenlioofd tot die van 
een ei afwisselt. Sommigen zijn uit bruinijzerstesn zanien- 
gesteld , anderen zijn klei-ijzersteenballen door ijzeroxyde 
uitwendig rood en geel gekleurd. De bruin-ijzersteen-kon- 
kreties bestaan uit koncentrische schalen. Nu eens zijn die 
schalen geheel gevuld , dan eens blijven op onderscheidene 
plaatsen openingen tusschen ze bestaan , welke openin- 
gen inwendig, aan de wanden met een geel poeder bekleed 
zijn , of wel er heeft zich limoniet , in nier of kogoh-orm , 
in afgezet. 

In het geval dat de konkretie gclieel opgevuld is , kan 
men de gewezen schalige struktuur nog zeer duidelijk op 
de breukvlakten waarnemen , daar de schalen veel digter , 
harder en donkerder van kleur zijn dan het opvulsel. 
In het middelpunt van de meeste konkreties vindt men eene 
aardachtige, gele, roode of bruine weimassa, mogelijk 
het overblijfsel bij de vorming: materialen welke bij de wor- 
dino; der konkretie niet o-ebruikt konden worden. 

De klei-ijzersteenballen zijn over het algemeen grooter 
dan die, welke uit bruin-ijzersteen bestaan. Uitwendig zijn 
ze rood of geelbruin en soms schalig. 

Inwendig zijn zij digt, graauw-grijs van kleur, met eene 
schelpige breuk en bestaan uit klei , eene afwisselende hoe- 
veelheid koolzuur ijzsroxyduul en eene geringe hoeveelheid 
kalk. In en op dezelve ziet men niet zelden kiezelrolstee- 



Toegoe, naar de vlakte der Tjiletoek, geen zandsteen langs de 
steile helling van dit gebergte is gevonden, bestaan er rede- 
nen om te vermoeden dat het Lingkoeng-gebergte, bepaaldelijk 
bij den waterval der Tjikaute, uit eene verbazend dikke zand- 
steenvorming bestaat, die zich Avaarschijnlijk nog zeer ver ooste- 
lijk uitbreidt. 



— lis — 

nen vastzitten , zoodat de Lallen nog week waren, toon zieli 
de zandsteen vormde , of zij zijn van lateren oorsprong. 

Ilct is aan te nemen , dat de Lruinijzersteen-konkreties 
niets anders zijn dan veranderde klei-ijzersteenballcn. Bij 
een der door ons verzamelde specimina ziet men de veran- 
dering zeer duidelijk. Om de schier onveranderde grijze 
kern bevindt zicli eene , twee , soms vier strepen dikke schaal 
van Lruin-ijzererts, limoniet of gütliiet, welke schaal op 
sommige plaatsen parallel gestreept is, en welke OA-er het 
algemeen zich zeer gemakkelijk van de inwendige kern laat 
osmaken. De verweering van deze kern geschiedt zeer 
regelmatig, van Luiten naar Linnen. Op ,^ ned. duim diep- 
te is zij niet meer inerkLaar. 

Bij deze omzetting van koolzuur ijzeroxydule en yzeroxy- 
dehydraat heeft eene werkelijke A'ermindering van volu- 
me plaats, Avanneer men aanneemt dat het ijzergehalte 
niet vermeerdert. 

Beschouwt men alleen het koolzuur ijzeroxydule , het- 
welk in ijzeroxyde-hydraat verandert, dan wordt 1 atoom 
koolzuur ijzeroxydule uitgedrukt door FeOCO- en 1 
atoom zuiveren limoniet door 2 Fe- 0^ + 3IP0. Yermenig- 
vuldii''t men nu de atomen der. eerste met 4 en trekt men 
dan A'an Leide gelijke hoeveelheden ijzer en zuurstof af, 
dan heeft men 4 atomen koolzuur ijzeroxyde Fe''0''C''0*. 1 
atoom ijzeroxyde-hydraat Fe^Ü'^H^O^. Er Llijft dus bij het 
eerste O^C* uit te wisselen tegen H". 

Gaat men verder na de hoegrootheid der atoomgewig- 
ten van O. H. en C. dan ziet men , dat Lij deze metamor- 
phose een aanzienlijk gewigtsverlies plaats heeft, v/aaruit, 
dewijl de specifisclie gowigten van het koolzuur ijzeroxydu- 
le en ijzeroxyde-hydraat nagenoeg gelijk zijn , eene ledig- 
heid in de gevormde Lallen moet ontstaan , hetgeen dan ook 
inderdaad in deze konkreties Avordt waargenomen. 

Oorspronkelijk waren het dus waarschijnlijk klei ijzersteen- 



— 119 — 

ballen , en door den invloed van water zijn deze in de hol- 
le schalige bruin-ijzersteen-konkreties omgezet. 

Verder vindt inen nog ijzcrkiezel-rolsteenen van onder- 
scheidene grootte in de konglomeraten. Andere inmengsels 
zijn zelden. 

Deze inslnitingen en konkreties zijn vooral bij Tg. Ka- 
raughellang menigvuldig en worden in de rotsstukken aan 
de kust, over eene groote uitgestrektheid, gevonden. 

Ijzerzandsteen komt hier en daar, maar niet in groote 
hoeveelheden , voor. Het is niets anders als de gewone 
zandsteen , welks bindmiddel veel verweerd ijzerzand bevat. 

De konglomeraten , ijzer- en klei-zandsteenen wisselen in 
lagen van 1 palm tot 2 en meer ned. el zwaarte af. De 
ijzerzandsteen-lagen zijn de dunste , en verweeren het minst 
van alle drie. 

Het is vooral aan de kust en vlak aan zee , dat men de- 
ze afwisseling het beste ziet, en hier zijn dan ook de eenige 
plaatsen gevonden , waar het mogelijk was de rigting en 
helling der lagen op te nemen. 

Bij Tg. Tjipantjor liepen de lagen niet parallel , hetwelk 
waarschijnlijk aan eene ongelijke afzetting en aan versto- 
ringen is toe te schrijven; de algemeene rigting was n. 20^ 
— 35^ w. naar z. 20" — 35° o. en de dieping z. 70° — 55" 
w. oü . 

Bij Tg. Karangliellang liepen de lagen regelmatig n. 85° 
w. naar z. S5° o. dus bijna zuiver o. w. met eene dieping 
naar z. 5° w. van 12^. 

Bij Tg Karangbangat , aan de westkust van dit land- 
schap en dus buiten de Zandbaai gelegen, n. 10" o. z. 10° 
w. niet eene helling naar z. 80° w. van 80°. Een weini^r 
westelijk van de monding der Tjiletoek vindt men, aan het 
strand , nog een weinigje zandsteen , dat grootelijks door het 
zeezand overdekt is en waarvan de lagen n. 75° w. naar 
z. 75° o. met eene dieping n. 15° o. van 20° loopen. 



— 120 — 

Binnenslands hebben wij nergens den zandsteen laagvor- 
mig , duidelijk aan den dag zien komen , liet geen vooral 
tegen den groensteen en serpentijn zeer gewensclit Avas , aan- 
gezien nu de betrekkelijke ouderdom van beiden in het duiste- 
re ligt. 

Xabij Poeloe Remetoek vindt men losse rolblokken van 
een konglomeraat , van eenigzins ander karakter dan het reeds 
beschrevene. Het is echter niet aanstaand aangetroffen. 
De grondmassa is digt zandsteenachtig en van eene licht 
vuilgroene kleur ; de rolsteenen zijn kiezelrolsteenen , vol- 
maakt overeenkomende met de reeds beschrevene , maar 
men vindt ook talrijke zwarte of zwartgroene stukken in 
hetzelve, waardoor dit konglomeraat bepaald A^an het vroe- 
ger vermelde onderscheiden is. Verder is het veel harder 
en kompakter en met groote waarschijnlijkheid maakt het een' 
overgang uit tot de hier onder te beschrijven brekciën. 

3°. De hrehciën. De brekciën komen zeer ontwikkeld 
voor, van af Poeloe Koenti (1) tot aan den mond der Tji- 
banting. liet zijn allerlei stukken van basalt en groensteen- 
achtige gesteenten , welke , door een donker vuil groen-zand- 
steen- of tufachtig cement, toteene zeer kompakte en harde 
massa zijn verbonden. De stukken loopen zeer uiteen, Avat de 
grootte betreft. Sommige hebben meer dan een kubieke ned. 
cl inhoud , anderen geven aan het gesteente het uiterlijk 
van grove zandsteen. Op sommige plaatsen ziet men fijne 
of groene zandsteenlagen , tusschen de brekciën liggen. 



(1) Op de kaart van de zandbaai, trigonometrlscli opgenomen 
door Z. M. korvet Castor en schoener Krokodil, onder bevel 
van den kapitein kii tenant ter zee F. H. Ampt, staat dit eiland- 
je niet opgegeven. liet ligt zeer digt bij Tg. Tjibioek; het 
Karang Koonti, op deze kanrt vooikumende, ligt verkeerd en 
heet Poeloe Gottor. 



— 121 - 

Deze lagen Lebben eone vuil-groene kleur en komen over- 
een , voor wat hun uiterlijk aanzien betreft , met sommige 
groensteen-tuffen. Deze tuflagen "U'isselen plotseling af met 
de brekciün en gaan niet in deze over. Hierdoor was het 26- 
makkelijk hunne rigting te bepalen. Zij was n. 75^ w. 
naar z. 75° o. en de dieping z. 15^ w. van 50^ tot 90*^. 
Alleen op die plaatsen, waar de brekcie, met den genoemden 
groenachtigen zandsteen of tuffen, afwisselt, kan men da 
rigting der lagen bemerken ; stratifikatie-vlakken mist de 
brekcie volkomen; alleen op een paar plaatsen steken ^/^ 
voet liooge ruggen uit, hetgeen misschien als eene zeer 
onvolkomene stratifikatie kan beschouwd worden , daar deze 
ruggen tamelijk parrallel loopen aan de bovenvermelde riof- 
ting der tuffen. De zigtbare dikte dezer afzetting, van 
Poeloe Koenti , waar de groensteen begint, tot aan de Tji- 
bioek alwaar zij onder het alluA'iale terrein verdwijnt, zal 
ruim 500 ned. el bedragen. 

De zamenstellende deelen der brekciën zijn wel eeni"zlns 
afirerond aan de kanten , hetwelk eveneens eene bewerkino- 
.of afslijping onder water bewijst, maar zij is gerinf^" en 
sommige stukken vertoonen slechts sporen van deze afron- 
ding. Stukken graniet en trachiet-gesteenten ontbreken 
geheel en al, terwijl stukken zandsteen of schiefer uiterst 
zeldzaam zijn. 

"Wat betreft de relatieve ligging en verhouding der brek- 
ciën en konglomeraten , is het aan te nemen , dat de rol- 
steencn , bij Poeloe Remetoek gevonden , den overgano- daar- 
stellen tusschen de brekciën en de zandsteen-formatie aan 
de Tjlletoekbaai. Bij genoemd eiland ziet men de donkere 
kleur der brekciën verminderen ; er mengen zich kwarts 
rolstecnen en kwartszand in dezelve: de stukken eruptief 
gesteente zijn meer afgerond; de grondmassa wordt door 
het gehalte aan zand meer korrelig en wanneer nu de stuk- 
ken eruptief gesteente en het gering kleurende bestanddeel 



— 122 — 

der gronclmassa geheel vercUvijncu , heeft men de brek- 
ciën welke bij Tg. Tjipaiitjor worden aangetroifcn, liet 
is dan ook niet te betwijfelen , dat de zandsteen-formatie 
overgaat in de brekciën, maar moeijelijk is het te bepalen 
welke van de twee de oudste is. Gaat men echter na, dat 
de brekcie veel stijler is opgorigt dan de zandsteenlagen , 
dat de dieping overeenkomstig , en het verlengde van het 
aan den dag komende der zandsteenlagen ten westen , bin- 
nen , dat is zuidelijk van dat der brekciün valt en deze 
eene zuidelijke dieping hebben, zoo kan met redelijkheid 
aangenomen worden , dut de brekciën ouder zijn en ouder 
de zandstecnen heen diepen. 

Behalve westelijk van Tg. Tjibioek, komen nog, zoo ver 
bekend is, op 5 plaatsen brekciën aan den dag, namelijk 
Gg. Tadem, gelegen zuidelijk van Poeloe Remetoek en 
vlak aan het strand, en twee rotspunten zuidelijk van Gg. 
Tadjem tegen G. Haur en Lameh aan , op Avelks aflielling 
eenige twijfelachtige stukken brekciën gevonden zijn. De vier- 
de vindplaats is west van Kg. Tjipantjor, eveneens eene 
uitstekende rotspunt, en de vijfde is G. Pasirmalang waar 
men over eene groote uitgebreidheid deze brekciën aantreft. 

G. Tjibioek is door den heer Aquasie Boachi, in de Bijdrage 
tot de geologische en mineralogische kennis van Ncderlandsch- 
Tndië n°. XVI aangegeven , als uit scrpentijn bestaande. 
Zulks is voor de oostelijke helling juist, doch de eigenlijke 
berg bestaat uit aj^haniet en een zeer verweerd gesteente, het- 
welk nader gebleken is eene voortzetting te zijn der brek- 
cie, ter zijde van den mond der Tjibanting voorkomende. 
De verweerde toestand van dat gesteente, heeft belet de 
brekcie nog verder landwaarts in te volgen. 

Kabij Tg. Karang , Batoenoengoel , op de westkust , 
vindt men een groot stuk brekcie aan het strand liggen. 
Hetzelve is rondachtig en aan de basis afnemend , zoodat dit 
stuk waarschijnlijk een los stuk is en gedeeltelijk in het zee- 



— 123 — 

zniid bedolven ligt. De lioogte is op 15 ji 20 meters geschat. 
liet scliijnt dus, dat deze brekcievorming zich veel verder 
uitstrekt , dan zij aanstaande is aangetroffen , hetgeen bij de 
Averkelijke zwaarte , -welke deze vorming bij Tg. Tjibioek 
heeft , Avel te verwachten was. 

4c Gvoensteenen. De aphaniet , welke hoofdzakelijk G. 
Ilaur , G. Lameli en G. Tjipetirman , benevens een deel 
van G. Tjibioek zamenstelt, vertoont niets bijzonders. 
Hij is eene digte groene steenmassa , welke hier en daar 
kalkaderen bevat. Xabij P. Koenti bevat hij aderen van 
een bleek , blaauw-groeu mineraal , groenaarde. Opmerke- 
lijk is de aanzienlijke steilte van de door dit gesteente ge- 
vormde bergen, bijv. de toppen van G. Tjibioek, de o. en 
w. top van G. Tjipetirman, G. Haur en G. Lameh , al- 
hoewel zij met eene dikke korst vruchtbare aarde over- 
dekt zijn. 

Zuidelijk van Kg. Tjibanting komt te midden van den zand- 
steen , op een paar plaatsen , groensteen aan den dag. Deze 
aj^ihaniet is donkerder dan die van F. Tjibioek , doch overigens 
verschilt hij weinig van deze. 

De serpentijn , welke voornamelijk zuidelijk van de Tji- 
batoenoengoel voorkomt, vormt den G. Tjikepoe , G. Ba- 
toenoengoel en eenige anderen , welke achter deze liggen 
en strekt zich ver zuidwaarts uit (1) ; Zeldzaam en alleen 



(1) Deze serpsntijn is van een geelgroene, donkergroene of zwart- 
groene kleur, meestal gemakkelijk met een mes te snijden en be- 
vat op onderscheidene plaatsen, scliillerspaath van een olijfgroeue 
kleur; liet poeder is licht grijsgroen. Yoor d3 blaaspijp toonen 
de borax- ea phosphorzout- parels zoer duidelijk een chromium- 
gelialte aan, ofschoon de hoofdoorzaak der groene kleur van het 
gesteente voornamehjk iu een gi'oot gehalte van ijzer moet ge- 
zocht worden. 



— 124 — 

in de riviertjes voorlvomcnJ zijn stukken gabro. Naar de 
oorspronkelijke ligplaats van deze steensoort is niet nader 
gezocht geworden. Alleen voegen "wij hierbij , dat de fraai- 
ste stukken gevonden zijn in de Tjibatoenoengoel en aan 
den mond A'an de Tjibatoenoengoel-kotjil. 

De gabro van de eerstgenoemde vindplaats is een zeer 
grofkorrelig mengsel , Aan een -wit , digt , mineraal (dat 
eene fijnkorrelige breuk en in goene rigting duidelijke splij- 
ting vertoont) , donkergroene of zwartgroene serpentijn , be- 
nevens diallage. De diallage is donker parelkleurig of 
groenachtig , soms donker zwartgroen , min of meer door- 
schijnend en komt in o ;i 5 ncd. duim lange kristallen voor. 

De gabro der 2tio vindplaats is een groflcorrelig meng- 
sel eelier veldspaathsoort met grijsgroene diallage. 

De G. Tjikepoe en het noordelijke deel van G. Batoo- 
noengoel zijn zeer kaal en van allen plantengroei beroofd 
en bestaan uit onveranderdon serpentijn. Op die plaatsen, waar 
nog eenige aarde in de rotsspleten voorhanden is , vindt 
men enkele grasscheutjes. 

Verder vindt men serpentijn zuidelijk van Tandjong Tji- 
badak, waar het strand wederom aanvangt. Deze serpentijn 
verschilt in geen enkel opzigt van de reeds hierboven be- 
schrevene. 

Verder is nog eene diorlet-porfier te vermelden , welke 
oostelijk van G. Pasermalang, aan den voet van G. Toe- 
goe, in groote rotsblokken aan den dag komt. 

In een korrelig diorietachtig deeg, van een ligt graauw- 
groene kleur , vindt men groote zeszijdige zuilen van zwar- 
ten glimmer , wier basis eene diameter van 4 a 5 ned. streep 
heeft, — verder zwarte hornblende-kristallen , van omstreeks 
een ned. duim lengte en evenredige dikte. Deze hornblen- 
de vertoont op de klovingsvlakken langs co P eene leven- 
dige glasglans , en onderscheidt zich door de grootere hard- 
heid alleen van den glimmer, waarmede sommige kleine 



— 123 — 

lioniblende-kristallen, in uiterlijk aanzien, veel overeen- 
komst hebben. Zeer menigvuklig in aantal zijn doorzig- 
tige of doorschijnende knartskristallen , welke als dubbel 
hexagonale piramiden van eene lengte van omstreeks 10 
a 12 ned streep, eveneens in het dioriet-deeg zijn opge- 
sloten. Deze kristallen zijn met een dof gele huid bekleed, 
waardoor zij van de grondmassa afgescheiden worden en bij 
het verbrijzelen van het gesteente niet zelden op de breuk- 
vlakten volkomen ontwikkelde kristallen zigtbaar zijn. Zulks 
heeft ook plaats bij aan den dag liggende steenblokken , 
waar zij in groot aantal voorkomen. Indrukken van 
glimmer-kristallen zijn ook aangetroffen , maar de horn- 
blende schijnt zich zoo goed niet A^an de grondmassa los 
te maken , ten minste nergens zijn duidelijke Indrukken van 
dit mineraal gezien. 

5°. T'racliiet vindt men aan de noord-oostzijde van 
G. Pasirmalang; of hij hier aanstaat, dan wel als rolblok- 
ken voorkomt , is niet nader onderzocht. Deze trachiet 
is vuil wit van kleur en bevat vele zwarte hornblende-naaldjes. 

Van alle de hier omschrevene gesteenten zijn het natuur- 
lijk de zandsteen en de konglomeraten , welke meer bepaald 
onderzocht zijn. 

In deze toch alleen kunnen steenkolen voorkomen. Ech- 
ter is het mij niet mogen gelukken de minste sporen daar 
van te ontdekken en hetgeen vroeger voor steenkolen is aan- 
gezien , was zwartgroene serpentijn , van den voet des G. 
Tjikepoe en G. Batoenoengoel. 

Alhoewel nu nero-ens eenio; aan den dao; komende van 
steenkolenlagen gevonden is , zoo zoude misschien dieper 
en zonder aan den dag uit te komen, kolenlagen kunnen 
aanwezig zijn , zoo als zulks meermalen het geval is in 
Europa. Deze omstandigheid is echter onwaarschijnlijk, 
daar de onderzoekingen geleerd hebben , dat de aan de 
Tjiletoekbaai voorkomende zandsteenvorming, geheel het 



— 126 — 

karakter van ecno koolformatie mist. liet is bekend , (kt 
kolenlagen overal afwisselen met kleisteen , scliieferklel , ko- 
lenschiefer en zandsteenlagen. 

Van deze kleisteen , scliieferklei en kolenscliiefer is geen en- 
kel spoor aangetroffen. De aan den dag voorkomemdc zand- 
steenvorming bij de moeara Tjirpetirman , ï. Tjipantjor, T. 
Karanghcllang en ï. Karangbangat , benevens bij ccne 
zeer steile afstorting omstreeks een paal landwaarts in en bijna 
oost der moeara ïjibatoenoengoel, vertoont zicli aan het oog 
slechts als afwisselende zandsteen en konglomeraat-lagen , 
zoo dat de afwezendheid der boven vermelde kleien schie- 
fergcstoontcn als bewezen mag worden aangemerkt. 

Do afwezendheid dier gesteenten maakt het aanwezen van 
fossiele brandstof zeer onwaarschijnlijk , en is het dan ook 
mijn gevoelen , dat door diepere boringen in de zandsteonen , 
gelegen westelijk van de meridiaan van Kg. ïjibjinting, 
geene kolen znllon ontdekt worden en men steeds door 
zandsteen en konglomeraten zinkende, ten laatste op de 
brekciën .zal stuiten , waarvan boven sprake was. De berg- 
aclitigheid van dezen streek maakt jiet bovendien geraden , 
om niet ver van de Tjiletoekbaai te zoeken, en heeft bui- 
tendien mede gebragt, dat met zeer groote zekerheid over 
de formatié'n welke deze gebergten zamenstelden kon geoor- 
deeld Avorden. 

Gelijk gezegd is , komt de zandsteen wederom aan den 
dag aan den voet van G. Toegoe en vormt den G. Paser- 
pogger , G. Boeloet , G. Soeren en anderen ; het zijn Aveder- 
ora zandsteenen afwisselend met konglomeraten. Aange- 
zien echter deze bergen landwaarts in liggen, mist men 
de natuurlijke ontblootingen, welke aan den oever der zee 
bij Tg. Tjipantjar en T. Karang-hellang zulk eene kostba- 
re gelegenheid gegeven hebben , om de neptunische forma- 
tien te bestuderen. 

Door ziekte ben ik belet geweest, dit stuk naauwkeurig 



— 127 — 

te onderzoeken, en heb ik de G. Kiaradjajar , G. Sepoe 
en anderen te midden der Tjiletoek- vallei, op den regter- 
oever der ïjiletoek, niet kunnen bezoeken. Alleen is Let 
zeker, dat aldaar konglomeraten en kalk-zandsteenen voor- 
komen , gelijkende de konglomeraten op die , welke weste- 
lijk van Kg. Tjibanting gevonden zijn en hier boven naauw- 
keurig zijn omschreven. 

Schiefergesteentcn , zoo als kleischiefer en kolenschiefer 
zijn in den omtrek van Tjikante eveneens niet gevonden , 
evenmin als eenig spoor van fossiele brandstof. Ik ben dan 
ook van gevoelen , dat aldaar in de diepte mede geene ko- 
lenlagen zullen worden gevonden en ik heb om deze reden 
ook hier een onderzoek naar kolen door middel van borin- 
gen ontraden , als zullende zeer waarschijnlijk ook een 
neo-atief resultaat o-even. 

o o 

Mogt men echter zich proefondervindelijk willen over- 
tuigen , dat in de vallei der Tjiletoek geene ontginbare ko- 
len voorkomen , dan zijn de twee geschikste plaatsen daartoe , 
op de grens der alluviale gronden met de zandsteenen van 
G. Paserpoggor, G Boeloet en G. Soeren gelegen; de 
grond is hier westelijk van de zandsteenformatie zeer vlak 
en slechts 2 palen van zee verwijderd. 

Ten slotte , zonder te letten op de lithologisclie gesteld- 
heid der zandsteen-formatie , is uit de vorming der Tjiletoek- 
vlakte nog een bewijs te vinden voor het aldaar in de diep- 
te afwezig zijn van steenkolenlagen. Het is namelijk niet 
aan te nemen , dat deze vlakte door de zee is uitgespoeld. 
Zij had in dit geval diep in het land moeten dringen , de 
bestaande formatiën moeten verbreken en het gevormde 
gruis moeten wegvoeren , iets dat genoegzaam onmogelijk 
wordt, als men nagaat, dat het hier niet eene opene kust, 
kaap of landtong geldt , maar de vorming van eene baai , 
waar de j^olfslao; slechts weinic; invloed konde hebben. 
Neemt men echter aan , dat alhier eene groote verstoring en 



^- 128 — 

versclmlving heeft plaats geliad , dat de zaïidsteenen , -welke 
nu aan den voet van de Lingkoeng-bergen liggen , in vroe- 
gere eeuwen eenige honderde voeten verzakt zijn , door een 
van die geweldige natuuromwenteliugen waaraan Java zoo 
herhaalde malen onderworpen is geweest , alsdan moet de 
bezi tfti o-Ing der loodren;te wanden van het Linfrkoencc-ïreberfïte 
uitsluitsel geven over het aanwezen van kolen. 

Geen spoor van kolen is ontdekt in de bedding van alle 
de rivieren , welke van dezen rotswand nederstorten , noch 
door den ingenieur Aquasie Boachi noch door mij , en hier- 
door wordt de vooronderstelling van het afwezen van kolen 
in de vallei der Tjiletoek nagenoeg zekerheid. 

Keemt men echter aan dat de vallei der Tjiletoek slechts 
eene verwijde scheur is en dus dat de zandsteenen en 
konglomeraten van G. Karanghellang , G. Badak , G. 
Kiaradjajar en anderen vroeger een hebben uitgemaakt, 
met de wanden van het rino-o-eberffte , alsdan zet zich de- 
ze spleet nog duizenden ellen dieper naar het middelpunt 
der aarde voort. Deze spleet is dan opgevuld met verbrij- 
zelde stukken zandsteen en latere zeevormingen , en men 
moet bekennen , dat , in dit minder waarschijnlijke geval , ia 
de vlakte der Tjiletoek, in de diepte, geene mogelijkheid 
bestaat ont^inbare kolenlagen te vinden. 

Ten gevolge van dit een en ander zijn door mij alle 
verdere onderzoekingen naar kolen , door diepe boringen in 
deze streek , afgeraden , aangezien de zandsteen-formatie, rond- 
om de Tjiletoekbaai voorkomende, niet zoodanig is, als waar- 
in men veronderstellen kan, dat koleulagen zouden voor- 
komen. 

JBuitenzorg , den 14."^ Mei 1856. 



®Mëa&933<S^:E JIAAM7 







" 



Vfy""^'^ 



■.yy £.,i,: L^r^j.i^ctB^^...^- 



OVER 



DEN" 



INVLOED VAN VERSCHILLENDE ZOUTEN OP 
DEN GROEI EN DE ZAMENSTELLING 



DER 



BEETWORTELS, 



DOOK 



Dr. P. F. H. FÜO^TIBER». 



Onder dezen titel heeft de heer G. Herth de uitkomsten me- 
degedeeld van door lieni bewerkstelligde proeven en onder- 
zoekingen, die te vinden zijn in het JoMrnaZ/zo'j-^ra/j^. Chemie 
Bd. 64 S. 129-147 en meer verkort in het Chemiscli- 
pharmaceutisches Centralhlatt , 1855 , No. 15 S. 234 — 238. 

Dezen arbeid acht ik , in meerdere opzigten , zoo belang- 
rijk en nuttig, dat de bekendwording daarvan op Java voor 
de suikerfabrikanten niet dan gewenscht zijn kan. 

Ofschoon dan ook hier een geheel ander gewas , tot be- 
reiding van suiker wordt aangekweekt, dan in Europa, kan 
men er toch in het algemeen uit leeren , welke minerale 
meststoffen op den groei van het gewas het voordeeligst 
werken, en verder, dat inderdaad de zamenstelling van het 

Se SERIE DL. II. 9 



— 130 — 

gewas, door de bemesting, veranderd wordt; doch dat een 
weelderig groeijen daarvan , in plaats van , zoo als wel eens 
geleerd is , eene vermindering , veeleer meestal eene ver- 
hooging van liet suikergehalte , voor gelijke gewigten grond- 
stof, ten gevolge heeft. 

Het laatste strookt geheel met de uitkomsten , door mij 
zelven verkregen bij een omvattend chemisch onderzoek van 
verschillende soorten van suikerriet, dat eerlang door den 
druk zal bekend gemaakt worden. 

Doch de arbeid van den heer Ilertli is , in zooverre , 
meer volkomen, dat hij ook de zeer talrijke bepalingen 
van stikstof heeft uitgevoerd, waardoor aan den eenen kant 
het verband tusschen deze en den graad van wasdom ge- 
bleken is , maar aan de andere zijde tevens , dat in het 
levende of groeijende voorwerp, de stikstofhoudende ver- 
bindingen geenerlei rcgtstreekschen invloed hebben op de 
vorminr:; of ontlcdinsj der suiker. 

Tijd en hulp hebben mij ontbroken, om dergelijke stik- 
stofbepalingen op groote schaal, zoo als noodig zou geweest 
zijn , ook van het suikerriet te doen , en daarin vind ik te 
m.eer aanleidino; , om den arbeid van den heer Herth , als 
aanvulling van den mijnen , hier mede te deelen. 

Zijne kultuurproeven waren de navolgende : 

Een leemachtige humusrijke zandgrond , waarop het vo- 
rige jaar, zonder bemesting tabak gekweekt was, werd ver- 
deeld in dertien proefbeddingen , en elke dezer weder in 
kleinere vakken, ieder van zestien vierkante voeten. 

Die onderdeden dienden voor verschillende verhoudingen 
van elke der minerale meststoffen, welke op de dertien bed- 
dingen werden aangewend. 

Dezelve waren : 

1. Gewoon salpeter. 

2. Iloutasch. 

3. Salmiak. 



— 131 — 

4. Keukenzout. 

5. Soda. 

6. Zwavelzure ammonia. 

7. Koolzure ammonia, 

8. Soda-salpeter. 

9. Potascli. 

10. Gebrande beenderen. 

11. Gebrande kalk. 

12. Gips. 

13. Dierlijke mest. 

Deze zouten werden alle bij 100° gedroogd, gelijkelijk 
op de verschillende vakken gestrooid, en toen met den 
grond verwerkt. 

Het planten gescbiedde in liet begin van Junij ; op elke 
afdeeling van 16 vierkante voeten kwamen acht planten 
(^de icitte silezische hceticortel.) 

Het weder was, maanden lang, aanhoudend regenachtig, 
en reeds den 24 Oktober moest men, wegens het invallen 
van vorst, aan het oogsten gaan. 

In weerwil van dit alles, en terwijl de bodem ^^.'oeger 
zonder bemesting met tabak beplant, niet in den besten 
staat kon geacht worden te zijn , ging toch op al de proef- 
beddingen de groei geregeld voort. 

Alleen die met keukenzout bestrooid, stonden aanvanke- 
lijk minder goed. 

Die welke met de ammonia-zouten , met koolzure potascli 
en met de beide salpeter-soorten bemest waren , onderscheid- 
den zich boven de andere door de weligheid van het gewas 
en de diep-groene kleur der bladen. 

Ik zal hier de cijfers in tabellarischen vorm overnemen , 
ten decle om te doen zien, dat er hier en daar anomalieën 
bestonden , die welligt zouden vermeden zijn , indien de 
proefvakken niet zoo buitengewoon klein waren geweest. 

Den badenschen morgen , gelijk aan 40000 vierkante 



— 132 — 

voeten , heb ik tot een bouw herleid , en daaruit is h'gt te 
berekenen , hoeveel suiUer , op deze oppervlakte , door den 
beetwortel in vijf maanden tijds, kan voortgebragt -worden. 





Cl 

p 


^ 


Gewigt aan knullen. 






tó 


s. 


S o 










e 


,.;j 


"^ ^ 1 










o 


-= A 




"^ 




IloeJauigheiJ der knollen 




S 


S i» 


^ "^ 


D 


^ 






o 








o 






» 


d 




o 
1— 1 


^ 

- 








<5 


'-" "* 


fs 


r 






tj 






N. pJ. 


X. pj. 




esü 


M' 


1 


Niets. 


2.75 


12,375 






ca 


o 


5 wigtj. 


3,12 


14,040 






o 


3 


10 -/ 


3,57 


10,065 


Zeer fraai. 




9 


4 


20 » 


4,12 


18,540 








5 


30 * 


3,74 


16,830 






G 


40 u 


3,75 


16,S75 






^■ 


7 


60 » 


4,00 


17,900 






^ 


1 


Nkts. 


2.75 


12,375 






ei 
O 


o 
3 

•i 


lOwi-tj. 
-'0 ., 
40 » 


2,37 
3,C4 
3,75 


10,GS3 
16,3'JO 
16,879 


Fraai. 

Vi'at licLt gekleurd. 

Fraai. 




-* 


5 


50 " 


3,51 


15,804 




CJ 


G 


CO ./ 


2,26 


14,652 








1 


Niet3. 


•ó,Vi 


17,037 






^ 


2 


10 wiglj. 


3,14 


14,130 






■§ 


3 


15 » 


4,25 


10,125 


Fraai. 




"3 


4 


30 '/ 


4,51 


20,277 








5 


50 » 


5,11 


22,970 






CO 


6 


60 V 


5,61 


25,245 






^ 


1 


iNiets. 


2. f. 6 


11.520 






o 


2 


5 wiütj. 


3,25 


14,6-13 






C3 


3 


10 » 


3,12 


14,040 


AVat stükkerig. 




's 


4 


20 * 


2,50 


11,254 




W 


5 


40 « 


3.23 


14,543 






-e"' 


6 


SO -/ 


3,51 


15.777 








1 


-Niets. 


2.26 


10,160 








o 


10 wigtj. 


2,51 


11,205 






O 


3 


15 n 


2,16 


9,724 


Stokkerig. 




W 


4 


30 « 


2,12 


9,540 




irj 


5 


50 « 


2,53 


11,370 








6 


60 " 


3,02 


3.585 








1 


xNiets. 


2.51 


11,304 


Fraai. 




*- .J 


2 


5 \vii;tj. 


2,75 


12,375 


ld. 




5 ^ 


3 


10 " 


3,26 


14,652 


ld. 




"% 3 


4 


15 ' 


2,32 


10,440 


■VV^t licht gekleurd. 




cï 2 


5 


25 " 


3',55 


1G,024 


ld. 




IS <i 


7 


40 ■' 


3,21 


14,463 


ld. 





— 133 







a 




1 




a 




c; 




Gewigt aaa knollen. 1 








p 














P< 


i| 










fco 








s 


.4^ 


1° 


^ 








1 

C3 


5 


D 


o 


Hoe.IanigliciJ dev knollen. 




n 


> 


1 s 


o 


r^ 








d 














^ 


I-^ 


iS 


Ph 






t- , 






n. pd. 


n. pd. 




L 


s -5 


1 


niets. 


4,25 


S4,G25 






's o 


2 


5 wiglj. 


4,3S 


19,C.S7 


Fraai. 




«1 


3 


10 // 


4,74 


16,812 






a 


4 


15 // 


4.56 


20,520 








5 


25 " 


3,27 


14,700 






, 


1 


iiifts. 


4,21 


lS,ü-!5 








2 
3 


20 wiutj. 
30 "« 


5,5G 

4,97 


25,033 
22,342 


Zeer fraai. 




1 i 


4 


40 ■> 


5.11 


33,013 






cc f^ 


5 


60 , 


CX)3 


27 140 








1 


niets. 


3,0'J 


13,100 






"o 


2 


10 wiijtj. 


4,5G 


2(1.533 






n 


o 


20 


G,01 


27,045 


Zeer fraai. 






5 


30 * 


G,21 


27.927 






o 


5 


40 " 


8,53 


3S,3'JS 








i 


niets. 


4,51 


20,304 






g s 


2 


lOwigtj. 


3.25 


14.G29 






^ il 

•f -3 


3 


15 


4.51 


20,308 


Wat stokkcrig. 




O 3 


4 


20 ' 


3,50 


15,750 






o ^ 


5 


30 » 


4,Sg 


22,018 






r3 


1 


mets. 


3,54 


15,912 






C 


2 


10 wigtj. 


5,57 


25,078 






r3 ^ 


3 


40 " 


6.53 


29 380 


Wat stokkerig. 




q -5 


4 


GO /. 


6,01 


27.050 






ZH 


5 


100 -, 


5,5 1' 


24.912 








1 


nieti. 


2.26 


lü,G02 






Sh 


1 


10 wi-tj. 


2,78 


12.523 






'o 


3 


40 " 


4,57 


20,578 


Wut stokkerig. 




c-i 


4 


GO " 


4,75 


21,384 






" 


5 


100 ' 


4.37 


19,647 








1 
2 
3 1 


Dezelfde 
lioevcel- 


3,56 
3,85 
4.52 


16,038 
17,316 
20.35G 


Zeer fraai. 




eo jj: 


4 


LeiJ. 


4.32 


12,422 







Wat bij deze uitkomsten , op het eerste gezigt , onver- 
klaarbaar schijnt , is de ongelijkheid op de onberaeste ge- 
deelten , die op elke proefbedding zijn gelaten. Een afstand 
tusschen de maxima en minima van 2.25 ned. pond (2.2G en 
4.51) of ongeveer 100^ toename, is, op zulk een beperkt en vlak 



— 134 — 

terrein, onmogelijk uit verschil in grond af te leiden. De 
heer Herth maakt dan ook zelf de opmerking, dat die 
groote verschillen tusschen de onbemeste vakken deels uit 
den aard der knollen zijn ontstaan , deels ook , de-wijl zij , 
door het overspoelen van regenwater, een deel der zoutige 
meststoffen van de aanOTenzende vakken kunnen ontvansien 
hebben , wat ook uit de gedane analysen zou zijn op te maken. 

Plet komt mij voor, dat het laatste bijna als de eenige 
oorzaak dier storende ongelijkheden kan gelden. De on- 
derdeden van elke proefbedding waren slechts door een 
voet breede strooken vast aangestampten grond van el- 
kander gescheiden. Door dit gebrek in de inrigting der 
proefbeddingen zijn welligt al de vakken , die onbemest ge- 
noemd worden , tegen den wil des procfnemers , min of meer 
bemest geworden ; en zulks heeft te meer invloed gehad op 
het geheel, dewijl do vakken zoo buitongemeen klein waren. 

ïlet zal dus rationeel zijn, die onbemeste vakken, welke 
het minst hebben opgeleverd, aan te merken, als voorstel- 
lende de produktieve kracht van dien proefgrond. Ik kies 
daartoe het gemiddelde van de afdeelingen 1, 2, 4, 5, 6, en 
12 dat is, 2.53 ned. pd. of per bouw 11,385 ned. pd. 

Met uitzondering van zeer enkele vakken, zien wij dan , 
dat al de bemeste meer hebben opgebragt, dan de onbemeste, 
en dat zelfs, waar eene zeer ruime hoeveelheid potasch (189 
ned. pd. per bouw) was aangewend, de grond eene bijna 
drie-en-een-halfvoudige produktie had gegeven. 

De verschillende meststoffen volgen, in hare geblekene 
werking op de hoeveelheid van het produkt, aldus in afda- 
lende orde. 

Potasch. 

Gebrande kalk. 

Salpeterzure soda. 

Salmiak. 

Gebrande benderen. 

Gips. 



— 135 — 

Koolzure ammonia. 

Dierlijke mest. 

Salpeter. 

Houtascli. 

Zwavelzure ammonia. 

Keukenzout. 

Soda. 

Maar deze rangorde stelt niet de ekonomisclie voor : ■\vant 
vooreerst heeft dezelfde hoeveelheid van deze verschillende 
stoffen niet dezelfde geldswaarde, en zou dus, ook bij ge- 
lijke uitwerking , werkelijk onderscheiden zijn in toepasselijk- 
heid. Vijftien wigtjes koolzure ammonia b. v. hadden 
dezelfde uitwerking, als tien wigtjes potasch, doch de laat- 
ste is veel goedkooper. 

Maar verder is niet bij alle, ja slechts bij sommige, de j^roduk- 
tie toegenomen met de vermeerdering der hoeveelheid meststof. 

Bij het salpeter, namelijk, volgde de maximum -produk- 
tie op 20 w. bij gebranden kalk en bij gips op 40 %v. per 
16 vierkante voeten; bij andere, zoo als de houtascli, heeft 
het overschrijden van een zeker maximum , hier 40 w., den 
oogst doen verminderen: terwijl eindelijk door potasch , soda- 
salpeter en salmiak eene gestadige toename van produktie 
heeft plaats gehad , naarmate de hoeveelheid dezer meststof- 
fen verhoogd werd. 

Het spreekt van zelf, dat ook dit weldra eene grens zou heb- 
ben , en dat bovendien de waarde der meerdere produktie niet 
immer in dezelfde verhouding stijgt , als de gedane onkosten. 

Het is daarom ten derde , een gebrek in deze proeven , 
dat niet is uitgegaan van eene prijseenheid van meststof, 
die in zekere orde verhoogd werd. Dit zou , bij zulke ver- 
gelijkende proeven, meer praktisch nut hebben gehad, dan 
eene zekere gewigts-eenheid. 

In Engeland en Schotland, waar misschien meer dan elders, 
al de genoemde stoffen , zoo als de landbouw ze behoeft , een' 



-"— i.00 — 

vasten marktprijs hebben, draagt men bij zulke proeven 
ook doorgaans zorg, verscbillende meststoffen van een ge- 
lijk geldelijk bedrag aan te wenden , en dus komt men , 
voor eene gcgevene plaats, regtstreeks tot eene •wegwijzing 
naar de voordeeligste uitkomsten. 

Maar liet tweede, en niet liet minst o-ewio;tio;e gedeelte van 
den arbeid des heeren Herth bestaat in zijne cliemisclie on- 
derzoekingen van GG der, op deze verschillende wijzen ge- 
kweekte, knollen. Om hem regt te doen, zal ik weder al 
de, door hem gevondene cijfers, in tabellarischen vorm 
overnemen. 














1 


k;0 j. 1 


niwlleu be- 






Aanwczij' ia 100 d. knullen. 1 








t-i 










st:;ai] 


uit. 


tb 

















"5 


rH ^ 








^ 




~ 




1° 




-4 


- s 







c 















s s 








S 


w 


p-l ** 


35 



S3 




>■ 




wiïtj. 


6,38 


2,33 


0,33 


1,23 


87,87 


12,13 


ji 


5 " 


C,G3 


2,71 


0,34 


1,16 


87,26 


12,74 





10 » 


G,52 


3,4'J 


0,48 


1,:55 


85,44 


14,56 


^ 


■20 " 


6,i;J 


3.71 


0,42 


1,12 


85,23 


14,78 


03 


■■iO 


5,57 


3,38 


0,49 


1,17 


85,62 


14.30 




40 " 


4.01 


3.78 


0,38 


1,20 


88,46 


11,54 







7,S7 


2,00 


0,46 


1.49 


85,57 


14.43 


^ 


10 V 


6.10 


1,42 


0,35 


1.41 


88.75 


11,25 





20 . 


7,00 


2.09 


0.40 


1,43 


86,17 


13,83 


3 


40 


7,12 


2,37 


0,43 


1,27 


86,46 


13,54 




K 


50 


5,10 


1,23 


0,49 


1,45 


8.S,93 


11,07 




GO ^ 


5,04 


1,12 


0,12 


1,58 


89.44 


10,50 




ü " 


(•.,05 


5,09 


0,53 


1,06 


84,24 


15,76 




10 


6,87 


5.55 


0,30 


i,;57 


84,45 


15.55 


'^ 


15 


7,13 


2^72 


0,43 


] .48 


85,87 


14,13 


J 


.•50 " 


6,01 


4,55 


0,45 


1,29 


85,15 


14,85 


ra 


50 


6,5G 


2,55 


0,40 


1,58 


86,65 


13,35 




00 " 


6.49 


2,35 


0,44 


1,43 


86,33 


13,67 


_jj 





7,12 


4,48 


0,33 


0,92 


85,3 


14,7 





5 " 


5,1.8 


4.60 


0,37 


1,45 


86,8 


13,7 


a 


10 " 


4,S4 


5,55 


0,38 


1,07 


80,0 


14.0 


j3 


20 » 


3,10 


1,^7 


0,33 


1,49 


91,8 


8,3 


tS 


80 " 


o.'2o 






1,59 


89,6 


10,4 







7,58 


2,41 


0,49 


1,41 


85,6 


14,4 




15 ^ 


4,00 


3.18 


0,28 


1,42 


89.5 


10,4 


e 

■73 


'30 « 


4,93 


4,80 


0.28 


1,^7 


89,3 


12.7 


CO 


'50 . 


3,19 


2,05 


0,29 


1,54 


91,3 


8,7 




,60 * 


6,63 


4,76 


0,55 


1,14 


83,8 


16,2 



— 137 — 





o 
















l—l 


Aanwczia; iu 


100 d. tn 


jlicn. 


100 d knoUen be- 


bó 


o 










staan uit. 


G 
















'S 


o o 




o 


■"" 


,ii 


V 


1 □ 


o 


£ -2 


p 






3 




















o 


OT 


.- Ö 


Cfl 


o 


^ 


-S 




-' 








ts 




> 


t^- 


" 


7,12 


8,47 


0,45 


1,05 


80,4 


10,6 


K ^ 


5 * 


7,51 


4, CS 


0,59 


1,16 


S2,7 


17,3 


M 


10 » 


6,12 


3.42 


0.43 


1,21 


85,9 


14,1 


== J 


15 * 


0,19 


7.07 


0.54 


1.63 


81,5 


18,5 


N <: 


53 V 


5,13 


3,37 


0.48 


1,61 


SC.8 


13,3 


. 


1 » 


5,38 


3.13 


U,4S 


1.08 


87,2 


12,3 




5 " 


5.14 


2,69 


0.42 


1.49 


S7,9 


12,1 


^ 3 


10 - 


5,19 


2.23 


0,49 


1,58 


87,8 


12,3 


c s 


15 " 


G,G3 


3,11 


0,39 


1,51 


SG.2 


13.8 


•" ■< 


25 


9,47 


4,05 


0,47 


1,45 


83,7 


16.3 




" 


9,01 


2,75 


0,57 


1,25 


83,2 


1C,8 


sJ 


20 " 


8,10 


2,71 


0.47 


1.28 


84,8 


15.3 


's "" 


30 - 


7,07 


3,48 


0,33 


1,37 


85,9 


14,1 


C/3 =" 


-10 " 


G,20 


2.40 


0,33 


1.21 


88,0 


12,0 




60 " 


S,93 


2,77 


0,34 


1,04 


85,0 


15,0 




'/ 


7,12 


3.55 


0.40 


0,SO 


85,8 


14 2 




10 » 


7.25 


3,22 


0,37 


1,01 


86,1 


13,9 


« 


20 « 


9.20 


2,43 


0,40 


1,38 


84 3 


15,7 


o 

Pi 


30 . 


9.56 


2.31 


0.40 


1 23 


84,3 


15,7 




40 " 


7,41 


4,G5 


0,38 


1,28 


84,2 


15,8 


^ 


* 1 7,-ll 1 


4.73 


0.40 


1.10 1 


84,1 


15,9 




10 . 


6.51 


5.41 


0,38 


1,51 


84,1 


15,9 


o 


15 « 


5,73 


1,87 


0,25 


1,39 


89,4 


10,6 


a 


20 » 


5,60 


4,31 


0,35 


1.24 


86. 6 


13,4. 




30 « 6. SS 1 


4.91 


0.28 


1.23 


85,1 


14,9 







5.51 






1,29 


87,7 


12 3 




10 . 


6.00 


6,44 


0,35 


1,53 


83,7 


IG 3 




40 * 


5,37 


4,37 


0,27 


1,55 


86.9 


13,1 


W 


)0 


5,30 


4,83 


0,31 


1,2> 


86,3 


13,8 




100 ■' 5,01 1 


3,38 


0,23 


1,43 


88,7 


11.3 




10 -/ 


5,73 


5,39 


0.24 


1,15 


86,1 


13,9 


m 

Ca 


40 „ 


6,57 


5,70 


0,26 


1,22 


84,8 


15,2 


u 


CO -/ 


5,85 


5.74 


0,19 


1,18 


86,0 


14,0 




LOG « 


5,96 


6,69 


0,27 


0,85 


84,7 


15,3 


- i 




6,91 


2,74 


0,41 


1,23 


86,4 


13,6 




Even veel. 


6,73 
6,58 


4,40 
6,01 


0.48 
0,56 


1,50 
0,S4 


84,3 
S2.6 


15,8 

17.4. 


« J 




6,27 


2,12 


0,32 


1,48 


SS,0 


12,0 



De ongelijkheid in de uitkomsten der analysen van de onbe- 
meste beetwortelen bevestigt, wat reeds door de hoeveelheden 
van het produkt was aangeduid, namelijk: het overstroomen van 



— 138 — 

ccn gctleclto dor bemoste aurdo uit de aangrenzende jiroef- 
vukkcn. 

Het <^n])V(A<i ann genoegzame afsclieiding en do ovcrgrooto 
bekrompeidicid der veracliillendc vakken lieMjcn dus ccn dub- 
bel natleel bewerkt; want het zwaarste produkt is niet altijd het 
voordeeligste , ook wanneer de kosten van kuituur gelijk staan. 

Dit, is ^{)()l•;d niist liet geval bij gewassen , die niet als zoo- 
dunig aan de markt komen , iii;i:ii- eerst door de nijverheid 
moeten behandelden verwerkt worden, zoo als de beetwor- 
tel(;n,h('t suikerriet, enz. Do sehcikundigc zanienstelling er 
van kan , (hjor de bemcstingwijzo , wezenlijk veranderd worden, 
en zulks is voor don fabrikant van geon gering belang. 

Jk zal naar de vroeger gevolgde, afnemende oi'de, waar- 
in do gebezigde zouten do produktic verhoogd hebben , thans 
naar do opmerkingen des schrijvers zelvcn, den voornaam- 
sten invloed daarvan op de zamenstclling van het gewas 
aangeven. 

rutuHch. ])ezc bewerkte het hoogste suikergehalte, zon- 
der dat der stikstof cu der zouten noemenswaardig te ver- 
meerderen. 

Gebrande kalle; vermindering van suiker en stikstofgc- 
lialte , bij cenc zeer grootc verhouding van zouten. 

Sotla-Hulpcler; verhooging van suikergehalte en, naai- het 
schijnt, ook van dat der stikstof, vermindering der zouten. 

Salmiak ; suikergehalte niet verhoogd , bij grootc toena- 
me van stikstof en zouten. 

GührautU hccndcrcn; vermindering van suiker- en stikstof- 
gehalte; dat der zouten is toegenomen. 

Gips; Vermindering van suiker- en stikstofgehaltc , en ver- 
meerdering der zouten. 

Koolzure ammonia; suikergehalte niet merkelijk vermin- 
derd; dat der stikstof en zouten toegenomen. 

Dierlijke mest; Betrekkelijk gering suikergehalte; veel 
stikstof, de zouten ongelijk. 



— 139 — 

Salpeter; De verhouding van suiker en zouten schier on- 
veranderd, stikstofgehalte aanmerkelijk toegenomen. 

Jloutasch; in geringe hoeveelheid aangewend, deed zij 
het suikergehalte toenemen , maar bij vermeerdering der 
dosis nam dit af; stikstof en zouten aanmerkelijk vermeer- 
derd. 

Zwavelzure ammonia heeft gcAverkt, als de koolzure 
ammonia. 

Keukenzout heeft het suikergehalte doen dalen, en te 
meer, naarmate de dosis grooter was; voorts vermnide- 
ring van stikstof en toename van zouten; soda werkte even 
nadeelig, als het vorige. 

Er doet zich, bij het overlezen der summaire gevolgtrekkin- 
gen, waarin ik verder niet zal treden, meer dan ëéne ge- 
wigtige vraag voor. 

Vooreerst, zijn de bemestingsstoften, die de produktie en 
het suikergehalte beide verhoogden , ook overvloedig en voor 
lagen prijs verkrijgbaar? 

Zijn die , welke w^el de produktie deden stijgen , zonder 
het suikergehalte merkbaar te veranderen , almede nog voor- 
deelig genoeg , bijaldien de vorige schaarsch of duur zijn ? 

Kunnen, indien zij tevens het gehalte van stikstof en zou- 
ten in het sajD deden toenemen, deze inmengselen bij de 
fabrikaadje niet strekken, om de beide genoemde voordee- 
len geheel of ten decle te vernietigen ? 

De potasch , die en het grootste produkt en het hoogste sui- 
kergehalte bewerkt had, staat boven het bereik van deze 
twijfelingen. Zij heeft de bijmengselen van het sap weinig 
of niet vermeerderd , en behoort voorzeker tot de goed- 
koopere en algemeen verkrijgbare , minerale meststoffen. 
Haar nabij staat de soda- of teerling-salpeter, zoo overvloedig 
aan de oppervlakte van sommige streken van Peru en Chili 
verspreid. 

Daar ook de houtasch, mits in geringe giften, het suiker- 



— 140 — 

gehalte deed toenemen, vermoedelijk dewijl bij grootere 
doses, sommige bestanddeelen daarvan den gunstigen invloed 
der aanwezige potasch wegnamen, staat ook deze in de rei 
der ekonomiscli voordeelige meststoften, want, in Europa 
althans, is zij overvloedig en gewis het goedkoopste van de 
drie genoemde. 

Maar ten aanzien der overige, zou ik het niet wagen, 
eenigerlei gunstig oordeel uit te spreken. 

De kalk, hoezeer gunstig voor de produktie, was ongun- 
stig voor het sap. Bij een oorspronkelijk gering suikerge- 
halte, zou de toename der zouten van het sap den fabri- 
kant teleurstelling bezorgen. De beenderasch staat nog veel 
lager, daar zij bij gelijke werking, duurder is, en de jjro- 
duktie minder deed stijgen. 

Het salmiak, welks prijs nog veel hooger is, biedt daar- 
om almede weinig voordeel aan. 

Eene grootere produktie van grondstof, doch met een on- 
zuiverder sap, zou welligt op geene verhooging van het 
fabrikaat uitloopen. 

Deze opmerkingen kan ieder, naar aanleiding dezer ge- 
gevens nog verder uitbreiden, uitgaande van de volgende 
punten. 

Goedkoopheid der meststof per eenheid gronds. 

Vermeerdering van het produkt, in grootere verhouding, 
dan die der kuituur-kosten. 

Gelijke of meerder zuiverheid van het sap, vergeleken bij 
dat van het onbemeste gewas. 

Komt bij dit alles nog eene verhooging van het suiker- 
gehalte, dan mag er geen twijfel meer bestaan. De waar- 
de van elk procent suikerverhooging, in het sap aanwezig, 
mag nagenoeg de maatstaf zijn van de kostenverhooging 
die men, des noods, aan de kuituur moet besteden. Het zal 
zekerlijk de maatstaf wezen van de meerdere voordeden , 
die planter of fabrikant er van zullen verwerven. 



_ 141 _ 

Er is ecne Lijzonclerlieid in de medegedeelde uitkomsten, 
die velen met mij onverklaarbaar zal schijnen, namelijk: 
de salpeterzure soda heeft, in elk opzigt, het gewone sal- 
peter (salpeterzure potasch) in Tverking overtroffen. Daar 
de soda op zich zelve ongunstig heeft gewerkt, moet, gelijk 
trouwens aan ieder bekend is, het andere bestanddeel van 
het eerstgenoemde zout, namelijk het salpeterzuur , de oor- 
zaak wezen A'an de voortreffelijke uitwerking, die het ge- 
had heeft. Maar het gewone salpeter heeft niet alleen dit 
gunstige bestanddeel met het andere (het sodasalpeter) ge- 
meen; maar het tweede bestanddeel, de potasch, heeft de 
gunstigste werking van alle gehad. Hoe komt het nu dat 
een zout, uit twee, als meststof zeer voordeelige bestand- 
deelen gevormd, minder gunstig heeft gCAverkt dan een an- 
der, waarvan het eene bestanddeel , op zich zelf gebezigd, 
nadeeligen invloed getoond heeft? 

Ik geloof de oplossing hiervan te moeten zoeken in de 
onzuiverheid van het gewone salpeter, zooals dit in het groot 
en ongeraffineerd verkocht wordt, terwijl het andere uit 
Chili en Peru, door de natuur bijna zuiver wordt aangeboden. 

Inderdaad schijnen zoutzuurhoudende verbindingen , althans 
voor vele suikerhoudende planten , doorgaans schadelijk te 
werken als meststof. In de hier medegedeelde proeven toch 
heeft het gewone zout ongunstige uitkomsten opgeleverd, 
vooral ook door vermindering van het suikergehalte in het sap. 

In zooverre nu , als er overeenkomst bestaat tnsschen het 
sap van den beetwortel en van het suikerriet, zijn de onder- 
zoekingen en proeven van den heer Herth ook voor de fa- 
brikanten op Java van belang. 

Het geldt een gewas, waarvan suiker een hoofdvoortbreng- 
sel is en wij mogen dus , per analogie , besluiten , dat elke 
stof, die den wasdom of de zamenstelling van het eene be- 
gunstigt, ook voor het andere zal zijn aan te bevelen. 



— 142 — 

Een hoofd ver schil in de zamenstelling is het bijna vol- 
sla o-en gemis van kiezelaarde in den beetwortel , waarvan 
het suikerriet eene groote hoeveelheid bevat , vooral , om 
het vastheid te geven, en dus tegen afbreken en omvallen 
te beveiligen. Maar dit verschil is , bij onze vergelijking , 
van weinig waarde, eensdeels, omdat elke grondeoort kie- 
zelaarde in overvloed bevat, en ten andere, dewijl, zoo deze 
er niet genoegzaam in oplosbaren vorm mogt voorkomen, 
juist de potasch, het best bevonden bemestingsmiddel in het 
gegevene geval, de eigenschap heeft om die kiezelaarde al- 
lengs oplosbaar te maken. In dat alles ligt wieder een grond 
te meer voor het voor mij reeds zoo herhaaldelijk aanbevolen 
gebruik der ascli van rietbladen en ampas , als bemesting , 
vermits potasch minstens een vijfde van die asch in gewigt 
uitmaakt. 

Dewijl het niet blijkt, welke soort van dierlijke mest de 
heer Herth heeft aangewend, kan ik onmogelijk beoordeelen, 
waarom daarvan zulk een ongunstige iuvloed op de zamen- 
stelling van het sap ontstaan is, als hij door zijne analysen 
bevonden heeft. Guano zal het wel niet geweest zijn; en 
dewijl de meeste andere dierlijke meststoffen soms aanmerke- 
lijke hoeveelheden zoutzure verbindingen bevatten , acht ik 
het zeer mogelijk, dat daardoor zulk eene ongunstige wer- 
kinjr te verklaren is. 

Mest van karbouwen, koeijen, paarden enz. zou ik al- 
thans niet ligt ter bemesting van suikerriet aanraden. 

In het laatst verloopen jaar had ik gelegenheid, cenig 
riet, nabij mijnen paardenstal zeer weelderig opgegroeid, 
te onderzoeken, en hoezeer het sap meer dan S^^ B. toe- 
kende, wT.s het mij toch, bij de meeste zorg onmogelijk, het 
te doen kristalliseren, ofschoon mij dit ook op zeer kleine 
schaal met bijna al de overige sappen van rijp riet, uit den groo- 
teren en kleinen proeftuin, steeds gelukt was. Het bleek bij on- 



— 143 — 

derzoek , eerstens dat dit onwillige sap buitengewoon veel zou- 
ten bevatte en ten tweede: 

dat gewoon keukenzout een aanmerkelijk gedeelte daar- 
van uitmaakte. 

Niet genoeg kan ik allen , wien de suikerfabrikaadj e en kui- 
tuur op Java als eene industrie ter liartegaat, aanbevelen, 
om de zoo kostbare ascli bunner bladen en ampas te ver- 
zamelen en hetzij alleen of, op niet te zandige gronden , 
in vermenging met guano, als bemesting van hun gewas 
aan te wenden. Door de ondervinding geleerd , die de theo- 
retische gronden volkomen heeft bevestigd, kan ik hun de 
verzekering geven, dat het gewas er door zal toenemen in 
hoeveelheid en het sap in suikergehalte. En dat om die 
vermeerdering van grondstof zoo groot mogelijk te maken 
de plantwijdte zal moeten vermeerderd worden , is voorwaar 
eene aanbeveling te meer; het is uitsparing van onvrucht- 
baren arbeid aan de planters , en uitsparing van arbeidsloon 
aan hen , wie het planten regtstreeks aangaat. 



Nasclxrift. 



De heer Herth heeft het suikergehalte in de door hem 
onderzochte beetwortelen bepaald, door al de suiker eerst 
in druivensuiker te veranderen. Hij kookte de geraspte wor- 
telen met zwavelzuurhoudend water, en vond daarna de 
hoeveelheid dier suiker door middel van de koperoplossing 
van Fehling. Hieromtrent merk ik alleen op, dat eene 
gelijktijdige bepaling der reeds vooraf aanwezige druiven- 
suiker noodig en wenschelijk zou geweest zijn, dewijl het 
\x\] zeker is , dat de gebezigde meststof daarop invloed heeft. 

Het is waar, de heer Michaelis, te Maagdeburg , beweert 
bevonden te hebben (Journ. für praht. Chemie 1853 Bd. 60 p. 



— 144 — 

222) „dat in onrijpe, rijpe en opgcsclmurde beetAVortelen 
steeds uitsluitend rietsuiker wordt gevonden , het sap moge 
zuur of onzijdig wezen, — doch zulk cene uitspraak heeft, 
dunkt mij , nog wel behoefte aan nadere bevestiging. 

Buitenzorg 6 April 1856, 



PHYSISCII EN CHEMISCH 

ONDERZOEK 

VAN DE 

GRONDEN DER SUIKERFABRIEK WONOPRINGO 
IN PEKALONGAN. 

UITGEVOEPwD DOOR 

D. ^v. RO§T VAX to:vmiiv«e;v <1). 



Keeds sedert een aantal jaren zijn de uitkomsten ar.n 
bovengenoemde fabriek verkregen, niet bevredigend, ja meer 
en meer ongunstig geweest, ten gevolge waarvan de eige- 
naars derzelve, namelijk de Faktorij der nederlandsclie 
handelmaatscliappij , eindelijk inzagen , dat eene goede be- 
mesting der gronden , als liet eenige en waarschijnlijke 
redmiddel moest beproefd worden. 

Daartoe werd in 1854 voorgesteld de ampas van katjang, 
dewijl bij eene, een jaar te voren genomene proef op een 
schraal veld, de produktie daardoor was verdubbeld gewor- 
den. Maar dewijl bij deze proef, de kosten der bemesting 
opwogen tegen het netto-bedrag der hoogere opbrengst, zoo 



(1) Dit stuk is ontleend aan een rapport van den heer Kost van Tonniugen , 
en ia eenen voor dit tijdschrift gcschiktcu vorra gcbragt door den heer l)r Frombcrg. 
3e SERIE DL. II. 10 



— 116 — 

werd de aandacht gevestigd op de mogelijkheid , om de am- 
pas der katjang tot lageren prijs te bekomen , door middel 
van sterke uitbreiding; dier kuituur onder de bevolkino;. 
Er zoude dan tevens een oliemolen dienen te worden op- 
gerigt, en aldus kouden de eigenaren der fabriek hopen, 
bij aanwending der beste bekende middelen van persing en 
zuivering der olie , deze in genoegzame hoeveelheid te be- 
komen , om de ampas bijna als kosteloos nevenprodukt te 
erlangen. De bezwaren, in der tijd door mij ingebragt 
tegen dit plan , waarop mijn advies gevraagd was , bestonden : 

1°. In de "roote vcrmcerderincf van arbeid voor de be- 
volking dewijl, zoo er voordeel uit dezen maatregel voor 
de fiibriek zou voortvloeijen de katjangaanplant ten spoe- 
digste zoo uitgebreid zou moeten worden, dat er jaarlijks 
genoeg ampas verkregen werd , om hare 700 bouws naar 
behoefte te bemesten. 

Dewijl nu , van gronden zooals in dat gedeelte van Pe- 
kalougan, bezwaarlijk meer dan 300 gantangs katjang ge- 
middeld per bouw te verwachten zouden zijn (1), die na gepeld 
te zijn ongeveer 24 pikols wegen, zoo zou een bouw 15 
pikols ampas kunnen opleveren. Aannemende, dat jaar in 
jaar uit, voor de 700 bouws suikerriet, 7000 pikols van 
die ampas zouden noodig zijn, dan ware eene uitgestrektheid 
van 400 a 500 bouws jaarlijks met katjang te beplanten. 
Waarschijnlijk zou dit verre van voldoende wezen. Daarbij 
komt, dat aan deze kuituur veel arbeids verbondenis. 

2^. In de buitengewone uitputting van den grond, welke 
dat gewas veroorzaakt. 

Na ingewonnen berigten van praktische deskundigen , is 



(1) Dit is zoo wat de opbrengst van niiJJelraatige gronden in het Bultenzorg- 
Ecbe. In Kadoe Lekomt men, volgens mij gewordene medüdeeling van den regent 
van Magelang van goede gronden 21|. pikols ongepelde of 13-J- pikols gepelde 
katjang; — van sclirale 18^ pikols ongepelde of lU pikoU gepelde per bonw. 



— 147 — 

het ondoenlijk twee jaren achtereen hetzelfde veld met kat- 
jang te beplanten , en zou het noodig zijn om , na er eerst 
een rijstgewas van bekomen te hebben, hetzelve twee a drie 
jaren braak te laten liggen. Daardoor zou de uitgestrekt- 
heid gronden , benoodigd voor deze bij-kultuur , tot 1000 
a 1500 bouws stijgen. En over het geheel zou deze maat- 
regel op niets anders tiitloopen, dan met Anrij wat moeite en 
arbeid , een zeker aantal velden te verrijken ten koste van 
andere nabijgelegene. Yan de katjang toch wordt zoo doende 
weinig of niets aan den grond , waarop zij gegroeid is , terug 
gegeven, terwijl toch hare scheikundige zamenstelling aan- 
toont, dat zij juist van die stoffen veel uit den grond trekt, 
waarvan deze doorgaans eene zeer beperkte hoeveelheid 
bevat. 

3°, In de onzekerheid der einduitkomsten , door deze 
bemestingswijze te verkrijgen. 

De zamenstelling van het suikerriet, vooral de minerale 
of anorganische, waarop het hier hoofdzakelijk aankomt, is 
ongeveer bekend , en wij weten tevens , dat reeds sedert 
1837 op de velden van Wonopringo suikerriet geplant is. 
Zonder derhalve bekend te zijn , met de tegenwoordige 
chemische zamenstelling der gronden, is het niet te betwij- 
felen, dat zij telken jare armer zijn geworden aan de, voor 
het suikerriet noodige bestanddeelen , en van daar ook bijna 
ieder jaar een schraler gewas opgeleverd hebben. Maar de 
vraag bleef steeds: zijn die gronden in al die noodige be- 
standdeelen evenzeer verarmd geworden , en zoo neen , be- 
vat dan de ampas der katjang juist die in toereikende 
hoeveelheid, waaraan de bedoelde gronden voornamelijk 
gebrek hebben? Zonder dit te weten, zou men geheel in 
het blinde rondtasten, en daartoe zouden toch de sub 1 en 
2 aangevoerde kansen van te groot belang, van te hooge 
waarde zijn. Alleen de scheikundige kan op dit laatste, en 
dus op het gansche vraagstuk een antwoord geven , en het 



— 148 — 

is daarom , dat op mijn voorstel een chemisch en deels ook 
physisch onderzoek van eenige der verschillende gronden 
van AVonopringo is bevolen , en in 1855 aan dit Laborato- 
rium met de meeste zorg en uitvoerigheid is verrigt ge- 
worden door den heer Rost van Tonningen. 

De inhoud van zijn, daarover in Junij 1855 ingezonden 
verslag zal , in de tegenwoordige bijdrage , het hoofdpunt 
van behandeling uitmaken , hier en daar ineengevlochten 
met bijzondere beschouwingen van mijne zijde. 

Er werden op mijn verzoek grondsoorten gezonden van 
in vruchtbaarheid zeer verschillende velden; op deze wijze 
alleen kon eenige maatstaf te vinden zijn , om de oorzaken 
van het gemis aan vruchtbaarheid te beoordeelen. Het 
spreekt van zelf, dat van elke soort een monster boven- en 
ondergrond werd gevraagd. De ondergrond toch, hoezeer 
op Java weinig of niet in aanmerking genomen , maakt in 
vele gevallen de ware schatkamer voor toekomstige vrucht- 
baarheid uit , terwijl hij in andere de oorzaken doet kennen , 
waarom een op zich zelven vruchtbare bovengrond slechte 
uitkomsten geeft. 

De bijzonderheden omtrent de toegezondene monsters 
grond, vier in getal, werden, als tot derzelver geschiedenis 
behoorende , tevens medegedeeld. Zij volgen hier in tabel- 
larischen vorm , naar de opgave des administrateurs. 



.^ Namen der 


-1-3 

w 


1 
Soort van riet. 


Hoedanigheden 
van het riet. 


i o 


fcjO M 

'S ö 


2 =3 


."2 tuinen. 

P 


o 

o 

1-5 


ó 


o u 
•- > 






1 


liv. 


Duim. 






Pik. 


gfKaranganjar 


14 a 1500 


3 


7 
8 


SaOOOO 


7[°B. 


8 


f) Legok.... 
iB Rowosoko . . 


U a IGOO 


c3 

'S .2 


H 


7 


8000 


7\° » 


8 


E Pegaden .... 
^iBodjougkidoel 


IGOO 
2000 


c3 


5* 


7 
8 

n 


11000 
16000 


71° » 
5° » 


22 

20 


rf" 




> 













— 149 — 

Het was de meening des berigtgevers , dat de gronden 
van het distrikt Pekadjangan geene zoo groote behoefte aan 
bemesting hadden , als die van Sawangan. Dit volgt ook 
onmiddellijk uit de gedane opgave, maar in -weerwil daar- 
van zal men toch zelfs de opbrengst der turnen Pegaden en 
Bodjongkidoel verre van gunstig moeten noemen , vooral 
wat betreft de densiteit van het sap. Ik vestig hier in het 
voorbijgaan de aandacht op het feit, dat de ruimere op- 
brengst van tevens zwaarder riet in den laatsto-enoemden 
tuin bijna enkel in eene toevoeging van water schijnt be- 
staan te hebben, daar de hoeveelheid sap per bouw ver- 
kregen , ongeveer omgekeerd evenredig was aan deszelfs 
digtheid. Dat zelfs de hoeveelheid suiker uit dit zAvaardere 
en meerdere riet per bouw verkregen , minder was dan die 
van Pegaden , zal , de werkwijze als geheel dezelfde aan- 
nemende, een gevolg geweest zijn van den langen tijd, 
gedurende welken het ligtere sap aan de werking van het 
vuur moest blootgesteld blijven. 

Maar er is hier nog eene anomalie, van meer beteeke- 
nenden aard, waarop de heer Rost van Tonningen te regt 
verwijst, namelijk, dat bij gelijk specifiek gewigt uit 11000 
ned. kan sap van Pegaden bijna driemaal zoo veel suiker 
is verkregen , als uit 8000 kan der twee tuinen van Sa- 
wangan. Op dit punt kom ik later terug. Mag ik, bij 
de onmogelijkheid van eenig chemisch onderzoek daarom- 
trent, eene gissing wagen, dan zal de oorzaak welligt te 
zoeken zijn , in een grooter gehalte van glukose of onkris- 
talliseerbare suiker, in het sap van het riet der gronden uit 
laatstgenoemd distrikt. Er is ook alle reden om aan te nemen , 
dat, naarmate het riet door den slechten staat der gronden 
in uitwendigen groei verzwakt wordt, ook de hoedanigheid 
van het sap slechter, het chemisch karakter van deszelfs 
hoofdbestanddeel minder zuiver zal worden. De grond- 
soorten , welker ter onderzoeking hebben gediend , hebben 
de volgende uitwendige kenmerken. 



— 150 — 



Karanganjar Legok bovengrond 



Idem 

Rowosoko . . . 

Idem 

Pegaden .... 

Idem 

Bodjongkidoel . 

Idem 



ondergrond, 
bovengrond. 
ondergrond, 
bovengrond. 
ondergrond, 
bovengrond. 
ondergrond. 



Roodachtig steenharde klei met 

organische inmengselen. 
Lichtgraauwe leem. 
Donkergraauwe leem. 
Bruinroode, harde klei. 
Lichte zandgrond met steengruis. 
Graauwe leem. 
\ Z"\vare harde , ligtgraauwe 
l klei. 



De bovengronden waren tot een'' halven voet diepte ge- 
nomen , de ondergronden uit eene diepte van anderhalf voet. 
De velden, van waar de twee laatstgenoemde gronden ge- 
nomen zijn , worden naar liet berigt des administrateurs , 
nu en dan door de Seragi overstroomd. 

De verschillende , zoo even medegedeelde , physische toe- 
stand derzelve verklaart reeds eenigzins , waarom bij dit ge- 
meenschappelijk nadeel, het riet uit den eenen tuin een 
zooveel waterachtiger sap oplevert, dan dat van den an- 
deren. 

Bij de wijze van onderzoek dezer gronden is een twee- 
ledig doel in het oog gehouden , namelijk : 

1°. De juiste bepaling van de voornaamste physische ei- 
genschappen, betrekking hebbende op de verhouding waar- 
in deze gronden zich bevinden tegen over vochtigheid , in 
den vorm van damp en van water. 

2°. De naauwkeurige chemische analyse van derzelver be- 
standdeelen, zoo ver die meer bijzonder voor het suikerriet 
dienstig en in oplosbaren vorm aanwezig zijn. 

De physische eigenschappen , die door den heer Rost 
van Tonningen naauwkeurig bepaald werden, zijn: 

Het loateraajitrekkend en het xoaterverliezencl vermogen. 

Het loateropnemend en het loaterterughoudend vermogen. 

Ik zal vooraf de wijze van uitvoering, en de daarvan 
verkregene uitkomsten mededeelen, en, bij de toelichting, 
tevens den aard en de belangrijkheid der genoemde eigen- 
schappen nader aanwijzen. 



— 151 — 

Zekere afgewogene hoeveelheden der gronden, vooraf fijn 
verdeeld en op 100° gedroogd, -werden op vlakke schalen 
uitgespreid, onder eene glazen klok geplaatst, waarm de lucht 
met waterdamp verzadigd was, en eiken dag op nieuw 
gewogen , tot dat er geene toename van gewigt meer 
pLaats had. 

Het icate7'verliezend vermogen werd bepaald , door andere 
gedeelten dier gronden, nadat zij geheel met water verza- 
dio-d en toen sewoo-en waren , aan de lucht bloot te stellen , 
en eiken dag te wegen, tot dat zij niet meer in gewigt af- 
namen. 

De uitkomsten zijn vervat in de twee volgende tabellen. 
Tot vergelijking zijn er die van twee suikerrietgronden uit 
Pasoeroean bijgevoegd, met een onderzoek waarvan, op 
breede schaal , de heer Rost van Tonningen zich nog be- 
zig houdt. 

Gewljt der ivaterdamj), aanjetrohlcen voor 100 deeleii grond na 



Dagen. 


Karan 
Le 


c'snjar 
;ok. 


Eowo soko. 


Pcgadeu. 


Bodjong- 
kidoel. 


Uit Pasoeroean. 






ti 


tü 


te 


5d 


To 




i^ 






> 


3 


> 

o 


3 


> 
o 


r3 
o 


> 

o 
-o 


'O 

o 


> 
o 
.2 


c 
o 


H 


9.31 


8.26 


7.78 


11.47 


5.24 


9.34 


9.68 ,10.61 


8.43 


11.00 


1 


1.30 


0.é9 


0.83 


0.94 


0.34 


0.62 


1.35 


1.7? 


1.43 


0.76 


1 


1.31 


0.34 


0.33 


0.43 


— 


0.30 


1.09 


1.54 


0.31 


0.94 


1 


0.46 





0.28 


0.17 


— 


— 


0.29 


O.IS 


0.10 


0.41 


1 


0.16 


— 


— 


0.19 


— 


— 


— 


— 


0.20 


0.12 


1 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


1.12 


— 


6 


12.54 


9.09 1 


9.21 


13.20 


5.58 


10.26 


12.41 


14.05 


lil. 57 


13.03 



De bovengrond van Pasoeroean had eerst op den 13" dag 
zijn maximum van waterdamp aangetrokken. 



— 152 — 

Hoeveelheid vocht ^ door 100 deeleji dier gronden ver- 
lore7i, na vooraf met loater verzadigd te zijn. 



na 1 •- dag. 


20.91 


18.23 


19.22 


20.83 


18.79 


20.50 


18.68 


16.76 


19.05 


17.53 


1 » 


5.G0 


5.48 


5.96 


4.86 


4.69 


6.05 


5.49 


5.40 


7.91 


5.54 


1 '/ 


3.03 


3.72 


2.35 


2.11 


1.60 


3.76 


4.30 


4.11 


6.82 


4.19 


1 " 


1.45 


1.64 


1.34 


0.80 


0.92 


1.3] 


2.92 


2.97 


1.16 


2.93 


1 " 


0.6G 


0.35 


— 


0.40 


— 


0.28 


1.34 


1.76 


0.41 


1.48 


1 )' 


0.40 


0.18 





— 


— 


0.10 


0.84 


1.56 


— . 


1.04 


1 " 





__ 


_ 





— 





0.83 


1.37 





0.89 


1 " 










— 


— 


— 


0.87 


1.27 


— 


0.90 


1 " 


— 


— 




— 


— 


— 


0.49 


1.09 


— 


— 


9 dagen 


32.06 


29.60 


28.87 


29.00 


26.00 


32.00 


35.76 


36.29 


35.35 


34.49 



De twee eigenschappen , waarvan hier sprake is , bepalen 
vooral de snelheid, -waarmede eene zekere grondsoort wa- 
ter uit de lucht opneemt of weder afstaat. Zij gelden , ook 
voor het eerste, alleen bij droog weder, wanneer slechts de 
dauw, of ook de onzigtbare waterdamp in den grond kan 
dringen. 

In het algemeen toont ons de uitkomst van het boven- 
genoemde onderzoek, hoe schoon in de eigenschappen der 
stof de middelen zijn weggelegd tot derzelver onderhouding. 
Het blijkt toch uit deze cijfers, voorkomende in de bijge- 
voegde verhoudingstabel, dat de grond minder snel vocht 
verliest, dan opneemt; de verhouding daarvan is, in gelijke 
tijden, en voor al de gronden, gemiddeld ^ 1 : 1,13. Het 
onderscheid komt nog meer uit, naarmate die nuttige wa- 
terdamp trager wordt opgenomen, want bij de 2% 3^, 5^ 
en 6 e is de gemiddelde verhouding der snelheid van vocht- 
verlies tot die van vocht-opneming , als 1 : 1,34. 

Dit vermogen der gronden , om waterdamp uit de lucht 
aan te trekken, schijnt minder van de hoeveelheid organi- 
sche stof of humus af te hangen, dan wel van den staat 
van verdeeling, waarin de grond zich bevindt. De verge- 
lijking der cijfers kan zulks aantoonen. 

Het is echter niet te miskennen, dat er hieromtrent ook 
tusschen gronden van dezelfde soort overeenstemming be- 



— 153 — 

staat. De zandige grond van Pegaden onderscheidt zich , in 
dit opzigt, van al de andere. 

Reeds op den tweeden dag liad deze zijn maximum be- 
reikt; terwijl de andere daartoe alle meer tijds behoefden, 
en bovendien eene veel grootere hoeveelheid in eens aan- 
trokken. Zoo stonden de leemachtige gronden , hoewel met 
meer geleidelijken overgang, weder beneden de kleigronden. 
De gemiddelde hoeveelheid, door de eerste (no. 2, 3 en G) 
aangetrokken bedroeg 9,52°/q, en van vier der laatste (no. 
1, 4, 7 en 8) 13,05%. 

De twee gronden uit Pasoeroean, die daarmede onge- 
veer overeenkwamen in wateraantrekking , onderscheiden zich 
voordeelig van die uit Pekalongan , dewijl , naar mij berigt 
is, de bovengrond van de dessa Poeroet, en behoorende tot 
de fabriek Pleret, jaarlijks een goed gewas opleverde, ter- 
wijl de ondergrond van eene andere plek is, die maar ten 
deele kan bewaterd worden , en toch , schoon vele jaren lang 
met suikerriet beplant, om het andere jaar een voldoend 
gewas voortbragt. 

De thans besprokene eigenschap der gronden is dus niet 
de eenige, misschien zelfs niet de hoofdvoorwaarde van de 
vruchtbaarheid der gronden. 

Nog valt ten aanzien dier eigenschap op te merken , dat, 
naarmate de gronden meer kleiachtig zijn , het aantrekken van 
vocht ook langer voortduurt, ofschoon blijkens de tabel, de 
kleigronden reeds na II/2 dag meer dan de andere hadden 
opgenomen, waardoor de neiging tot verdere aantrekking 
sterk afneemt. Het gemiddelde verschil tusschen de leem- 
en de kleigronden bedroeg, in die eerste periode, slechts 
l,80°/o5 ^n ^^n het einde der proef 3,5 %. Maar de laatst- 
genoemde waren eerst na 41/2 tlag , de eerste reeds na ruim 
3 dagen met w^aterdamp verzadigd. 

Het loaier-opnemend en water-t erugJioudend vermogen der 
gronden heeft betrekking op de hoeveelheid vochts, die zij 



— 154 — 

als maximum kunnen bevatten en als minimum behouden. 
Deze eigenschappen komen in het spel Lij afwisseling van 
regen en droogte; en ter-uijl, zoo die regen langdurig en 
hevig is , de eerstgenoemde eigenschap ligt tot nadeel 
wordt , namelijk bij hurausrijke , niet droog gelegde klei- 
gronden , zoo kan omgekeerd , bij lange tusschenpoozen van 
droog weder, het water-terughoudend vermogen der gron- 
den niet ligt te groot wezen. 

Tot bepaling van het water-opnemend vermogen , werden 
ruime afgewogene hoeveelheden der vooraf gedroogde aard- 
soorten , in glazen trechters geplaatst en zoo lang met wa- 
ter overgoten , totdat er niets meer van werd opgenomen , 
of liever, tot dat het water begon uit te lekken. 

De toename in gewigt duidde nu de hoeveelheid opge- 
nomen water aan. Hierbij had zekerlijk nog de hoeveelheid 
verplaatste lucht in rekening moeten gebragt worden , maar 
deze fout is te gering, om voor het tegenwoordige doel 
eenige storing te kunnen bewerken. 

Xadat deze grondsoorten aldus met water verzadigd wa- 
ren , werden zij weder aan de gewone dampkringslucht bloot- 
gesteld en eiken dag gewogen , tot dat zij in gewigt niet 
meer afnamen. "Wat dit nu meer bedroeg , dan de oorspron- 
kelijke hoeveelheid gedroogde gronden, toonde natuurlijk 
de hoeveelheid teruggehouden water aan , bij den hier ge- 
wonen , althans voor al de gronden gelijken vochtigheidstoe- 
stand der lucht. 

De uitkomsten waren als volgt. 



— 155 — 





Hoeveelbeid 


op- 


Hoeveelheid terug- 




genomen Avater. 


gebouden water. 


Namen der gronden. 








door 100 deel. 


drooofe grond. 


Karanganjai' Leg. bovengr. 


40.26 




8.2 


Idem, ondergr 


35.60 




6.0 


Rowosoko, bovengr. . . . 


35.67 




6.8 


Idem, ondergr 


36.U 




7.1 


Pegaden, bovengr 


29.17 




3.2 


Idem, ondergr 


37.61 




5.6 


Bodjongkidoel, bovengr. . 


41.51 




5.8 


Idem, ondergr 


42.32 




6.0 


Pasoeroeansche , bovengr. 


42.93 




7.6 


Idem, ondergr 


41.53 




7.0 



Ah'oreiis deze cijfers op zich zelve te beschouwen , zal 
ik eerst doen opmerken , hoezeer die uit de tweede kolom 
kunnen dienen tot toelichting van het bovenbesprokene 
verschil m vochtaalitrekking tusschen leem- en eigenlijke 
kleigronden. 

De gemiddelde hoeveelheid daarvan bedroeg : 

bij de leemgronden 

„ „ kleigronden 



9,57° 
13,— 



Verschil 



0,0 



Maar blijkens de zoo even gegevene cijfers , was het ge- 
middelde bedrao' aan teruirgehouden water : 



bij de leemgronden 



4 kleigronden 



Verschil 



6,107o 
G,8 „ 



0,7 



Het is hier dus hoofdzakelijk ecne vraag van tijd en niet 
van bestendiglieid van karakter. Kan in eene vochtige 
atmosfeer, door kleigronden eene aanmerkelijk grootere 



— 15G — 

hoevcellield -waterdamp worden aangetrokken , dan door 
leemgronden ; bij eenigzins langdurige droogte valt dit voor- 
deel meer en meer weg, zoodat ten laatste een Heigrond 
slechts weinig meer vocht blijft bevatten dan een Icemgrond. 

Dit langer aanhouden van vocht is een gevolg van de 
sterkere zamentrekking , die klei boven leem ondergaat , 
Avanneer de lucht lang droog blijft. Er ontstaat dan een 
werktuigelijk beletsel tegen het ontwijken van het nog aan- 
wezige vocht, en dit wordt tevens een beletsel voor het 
intreden daarvan in de wortelvezels , tusschen deze zamen- 
trekkende kleideeltjes beklemd. Van daar, dat op zeer 
zware kleigronden, ofschoon in droog weder altijd nog 
meer waterhoudend dan nabijgelegene leemgronden , het 
gewas nog eerder dan op de laatstgenoemde , een verschroeid 
aanzien krijgt. 

Het maximum opgenomen water bedroeg: 

m den zandgrond 29,17 

in de drie leemgronden, gemiddeld . . . 36,29 

in de vier kleigronden 40,07 

in de twee kleigronden uit Pasoeroean . . 42,23 

Het minimum van teruggehouden water was: 

in den zandgrond 3,2 

in de drie leemgronden, gemiddeld ... 6,1 

in de vier kleigronden 6,8 

in de twee kleigronden uit Pasoeroean . . 7,3 
Deze hoeveelheden staan bijna uitsluitend in verband met 
de chemische zamenstelling van den grond , zoodat zij ons 
daarvan reeds eene ruime voorstelling kunnen bijbrengen. 
Het is namelijk door proeven uitgemaakt, dat 100 deelen 
van elk der navolgende stoffen de nevenstaande hoeveel- 
heden water behoeven, om geheel daarmede verzadigd te 
worden. 



^ 157 — 

Kiezelaarde. 25 cleelen. 

Kalkaardig zand 29 „ 

Schrale kleigrond 40 „ 

Vette kleiaarde 50 „ 

Kleiaarde 60 „ 

Fijne kalkgrond 85 „ 

Tuinaarde 89 

Een blik , zoo op de hier medegedeelde cijfers , als op 
die, voorkomende op de grootere tabel, is voldoende om 
het zoo even gezegde te staven. 

Dewijl de kalk en evenzoo de magnesia, hoewel beide 
een sterk water-terughoudend vermogen bezittende , zelden 
in genoegzame hoeveelheid aanwezig zijn , om merkbaren 
invloed te hebben op dit vermogen der gronden , zoo kan 
men hetzelve beschouwen als eene zamengestelde uitdruk- 
king van derzelver humus- en kleigehalte. 

In die, gemerkt 1, 4, 7 en S, alle rijk aan humus, zien 
wij het hoog geklommen. In no. 5, waar het alleen van 
de humus uitg-aat, is het wel in evenredigheid hooo;er dan 
in de vier eerstgenoemde; maar de kolom er naast toont 
aan , dat daarentegen het vermogen om water terxm, te hou- 
den , betrekkelijk meer daalt dan bij de overige. 

De humus bepaalt dus meerendeels de hoeveelheid vochts, 
die een grond, bij aanhoudend nat weder, kan bevatten; 
de kleiaarde van meer blijvende werking, beschut den grond 
meer tegen het uitdroegen in regenlooze tijden. Hierbij 
geldt echter het vroeger gezegde omtrent het nadeel van 
liet te sterke inkrimpen der zware kleigronden. 

Bij droogte zal dus (al het overige gelijk staande) op 
gronden, zooals no. 7, 8, 1 en 4, het gewas levendiger, 
krachtiger staan , dan op die als no. 5, welke meer afwis- 
seling van weder behoeft. No. 7 en 8 hebben verder boven 
no. 1 en 4 het voordeel , inniger vermengd te zijn met de 
humus, waardoor zij ook minder hard en steenachtig zijn. 



— 158 — 

Slaan wij nog een oplettend oog o^j de cijfers , in de twee 
kolommen, thans onder behandeling, dan blijkt ons, dat 
zelfs bij een hoog kleigehalte , het teruggehouden quantum 
van water minder snel klimt dan dat, wat de gronden als 
maximum kunnen opnemen. Dit is de omgekeerde ver- 
houding van hetgeen zij , zooals boven reeds is aangemerkt, 
ten opzigte van de waterdamp der lucht openbaren ; en ik 
geloof niet te ver te gaan , zoo ik dit als ecne verminde- 
ring van het, door langdurige regens te vreezen nadeel 
beschouwe, dat is, als een nieuAv blijk van harmonie in 
de onderhoudende natuurkrachten. 

In het algemeen noemt men zulke gronden vruchtbaar, 
welke op eene diepte van 30 a 35 ned. duimen na 8 a 10 
dagen droogte, na 15 a 20°/^ water bevatten, indien zij 
namelijk niet uitgeput zijn door langdurige bebouwing zon- 
der bemesting. Die , welke na zulk eene droogte , op ge- 
noemde diepte slechts 10°/^ water behouden hebben , noemt 
men drooge gronden ; en deze zijn hoogstens middelmatig 
van vruchtbaarheid; maar bij een nog lager vochtgehalte 
onder de genoemde omstandigheden, zijn de gronden onge- 
schikt ter bebouwing, dewijl de planten er dan, bij kort- 
stondige droogte, in verdorren, ten ware zij zeer lange, 
diepgaande wortels hebben. 

De verkreo-ene uitkomsten toonen nu wel aan , dat al de 
onderzochte gronden in water-terughoudend vermogen be- 
neden de straks aangeduide drooge gronden staan , daar dit 
water bij alle minder dan 10% is. Maar hierbij dient in 
het oog gehouden te worden, dat deze aardsoorten bij het 
onderzoek in het Laboratorium, in andere omstandigheden 
verkeerden, dan wanneer zij nog een deel van den bodem 
uitmaken. In het laatste geval worden zij bij droog weder 
telkens verfrischt door den dauAV , en zijn met vocht afge- 
vende planten bedekt. Bovendien is er een aanhoudende 
toevoer van vocht uit den ondergrond naar de bovenste 



159 



lagen , gezwegen van andere oorzaken , die liet geleden 
vocht verlies kunnen helpen herstellen. 

De leemachtige grond uit den proeftuin te Genteng en 
uit dien te Buitenzorg heb ik in 1855, ook na langdurige 
droogte op het Avatergehalte onderzocht en daarvan ge- 
vonden. 



1 ■ ■ — • 

Diepte. 


Genteng. 


Buitenzorir. 


6 palmen. 
5 „ 
4 „ 
3 „ 
2 „ 

1 » 

Oppervlakte. 


33,90% 
31,10 „ 
27,25 „ 
33,25 „ 
31,15 „ 
34,20 „ 
21,64 „ 


34,52% 
33,87 ,; 
36,22 „ 
34,40 „ 
32,80 „ 
30,26 „ 
17,20 „ 



De monsters werden genomen bij bedekte lucht en on- 
middellijk in stopfleschjes gesloten. Te Genteng werden 
zij in den namiddag, te Buitenzorg des ochtends verzameld. 
De gevonden cijfers toonen de wezenlijkheid aan van de 
bovengenoemde invloeden. 

Het onderzoek had dan ook geenszins ten doel , de vol- 
strekte waarde dier gronden , in genoemd opzigt te bepalen , 
maar w:as alleen van eenen vergelijkenden aard. 

Toen de landbouAV-scheikunde zich als een tak van toe- 
gepaste wetenschap deed gelden , was de rigting , die men 
aan het onderzoek der gronden gaf, welligt te eenzijdig, 
te uitsluitend tot het gebied der chemie bepaald. Hoezeer 
de verschijnselen van den groei der gewassen hoofdzakelijk 
afhangen van scheikundige oorzaken , van ontledingen en 
nieuwe verbindingen tusschen de stoffen , waaruit zij zijn 
samengesteld; en hoezeer deze stoffen uit de lucht en uit 
den grond worden opgenomen en dus het onderzoek van 



— 160 — 

de uitputting des bodems door eenig gewas geliecl in liet 
gebied der scheikunde ligt , zoo zijn toch , gelijk boven is 
aangetoond, ook de physische eigenschappen der gronden 
van wezenlijken invloed op de kuituur der gewassen. 

"Wat wij tot nog toe bij de onderzoekingen der gronden 
missen , is een vaste standaard , een type van volmaakte 
vruchtbaarheid , en daardoor missen wij ook den maatstaf tot 
beoordeeling der graden , waarin verschillende gronden in 
die vruchtbaarheid deelcn. 

Het is zoo, ondenkbaar is het, dat er ooit eene alge- 
meene type zal kunnen gevonden worden. De zoo even 
genoemde noodzakelijkheid der medewerking van physische 
omstandigheden is eene eerste hinderpaal daartegen. Een 
nog nooit bebouwde en du§ van elke soort van planten- 
voedsel nog overvloedig voorziene bodem zal , zoo hij uit 
zware klei bestaat , zeer zeker voor de iudigo-kultuur minder 
geschikt zijn, dan een zandige leemgrond, schoon de laat- 
ste reeds herhaaldelijk andere kultuurgewassen moge hebben 
voortgebragt. 

Dan weten wij , in de tweede plaats , nog niets omtrent 
den invloed van het te veel van een of meerdere grond- 
bestanddeelen voor den gezonden groei van bepaalde ge- 
wassen. Suikerriet, in zeer rijke of zeer veel humus 
houdende, en vooral met dierlijken mest ruim vermengde 
gronden gekweekt, zal, althans in een vochtig klimaat, wel 
snel en welig opschieten, een hoog en zwaar gewas op- 
leveren; maar meestal zal het los van weefsel en tevens 
waterachtig zijn , voor de rijp wording ligt afbreken en — 
hetzij wel of niet omgevallen , immer een , tot suiker- 
fabrikaadje min geschikt sap bevatten. 

Voeden wij nog hierbij , dat niet alle soorten , zelfs niet 
alle variëteiten van dezelfde plant door hetzelfde verschil in 
grond eveneens worden aangedaan, dat klimaat, ja een 
eenio^zins langdurig verschil in den gang van het weder, 



— 101 — 

zeer wezenlijke storingen kan bewerken in den wasdom 
der planten op denzelfden bodem , dan zouden wij moeten 
wanhopen , immer een' standaard te zullen bekomen , om 
naar chemische regelen de betrekkelijke waarde van ver- 
schillende gronden te kunnen afmeten. 

Maar de landbouw-scheikunde is daarom in dit opzigt, 
geenszins onmagtig te noemen. Zij is nog veel te jong, 
als toegepaste wetenschap , om , ook bij het groot aantal 
harer beoefenaars, een voldoend aantal uitkomsten te heb- 
ben kunnen verzamelen, waaruit vaste regelen zouden kun- 
nen afgeleid worden. 

De invloeden van plaats, gewas en kultuurwijze zijn, 
in verschillende deelen der aarde , zoovele en zoo velerlei , 
dat tot afleiding van vaste regelen , zelfs slechts onder 
gegevene bij omstandigheden , een buitengewoon groot aan- 
tal van zoodanige uitkomsten noodig is , grooter dan voor 
eenigen anderen tak van wetenschap. En bedenken wij 
dan nog, hoe vaak een geregeld plan van bewerking 
door de verschillende beoefenaars, hier vooral zoo noodig, 
wordt gemist, ja dat er eigenlijk geene eenheid in de wijze 
van onderzoek bestaat, dan houden wij op ons te verwon- 
deren , dat de meergenoemde grondslagen ter vergelijking 
nog niet of hoogstens zoo schaars aanwezig zijn. 

Van een , zoo veel mogelijk gelijkmatig terrein , dienden 
op meerdere plaatsen en op verschillende diepten, de grond 
chemisch onderzocht te worden , op de hoeveelheid en soort 
der li(jt en moegelijk en geheel niet oplosbare bestanddcelcn 
afzonderlijk; zoomedo op het gehalte aan dampkringslucht 
koolzuurgas, stikstofgas en ammonia. Daarop behoorden 
al die gewassen , voor welke die grond in phvsisch oj^zigt 
geschikt is , gelijktijdig en aanvankelijk zonder bemesting 
gekweekt te worden. 

De verschijnselen bij en de voortgang van den groei , 
benevens de hoeveelheid en hoedanigheid der opbrengsten, 

3c SEKIE DL. II. li 



— 162 — 

moesten dan met alle naauwkeuriglieid waargenomen en 
opgeteckend worden. Van elk dezer gewassen bekoorde 
men vervolgens de cliemisclie zamenstelling te bepalen , en 
daarnaar berekenen , hoeveel elk daarmede beplant gedeelte , 
aan verschillende stojffen verloren had. Een volgend jaar 
diende men, alvorens deze proefkultuur en wel dezelfde 
te herhalen , weder aan te vangen met het chemisch onderzoek 
van het terrein, zooals in den aanvang en vervolgens weder 
op dezelfde plekken , dezelfde proefaanplantingen te doen. 

De groeiverschijnselen en opbrengsten zouden nu waar- 
schijnlijk reeds van die van het eerste jaar verschillen en 
door de vergelijking der grondbestanddeelen in deze beide 
jaren , geholpen door die der weerstoestanden , welke even- 
zeer zorgvuldig behoorden aangeteekend te worden , zou 
men al dadelijk eenig inzigt la'ijgen , zoowel in de oorzaken 
der waargenomene veranderingen , als in den gang van 
proefnemingen het derde jaar te volgen. Sommige plekken 
zouden dan boven andere behoefte aan bemesting verraden. 
De zamenstelling van het bijzondere gewas, op die plekken 
gekweekt, zou eene aanwijzing zijn voor de soort der ge- 
vorderde bemesting, en de meest geschikte hoeveelheid 
daarvan , zou nu door proeven dienen te worden uitgemaakt. 

Daardoor zou men dan voor elk der dus behandelde ge- 
wassen , leeren kennen , hoeveel daarvan onder het heer- 
schende klimaat, de maximum-opbrengst van den physisch 
meest geschikten grond kan zijn, en dit bedrag, waarschijn- 
lijk boven het produkt van het eerste jaar staande, zou 
voor dit gewas als een type van produktie kunnen gelden. 

Ging men nu voort, elk volgend jaar eerst den grond 
chemisch te onderzoeken, en daarna met de meeste naauw- 
keurigheid de proefkultuur te herhalen, dan zou men meer 
en meer gelegenheid vinden, om bij meerdere produktie, 
naar chemische aanwijzingen bemestende, de waarde van 
deze eerst gestelde type te toetsen. 



— 163 — 

Zulks zoude nog verder kunnen worden doorgevoerd, 
door de gewassen in de verscliillende proefafdeelingen zoo- 
danig af te wisselen , dat in die , welke door een vroeger 
produkt van een of twee bestanddeelen buitengewoon veel 
verloren hadden, een ander gewas gekweekt werd, dat juist 
van dczé twee bestanddeelen liet minste behoefde. 

Zulk een stelsel van wetenschappelijke proeflvultuur dat 
hier alleen in ruwe omtrekken is aangeduid , vordert veel 
tijds en veel arbeids van deskundigen. Zooals thans de 
zaken op Java staan , is aan de uitvoering daarvan alhier , 
ook in de verte niet te denken. En echter is dit de eenige 
rationele weg, op welken wij een inzigt kunnen krijgen 
in de betrekking tusschen plant en grond, helder genoeg, 
om aan den landbouw een veilig en altijd bruikbaar rigt- 
snoer in handen te kunnen geven. 

Het chemisch onderzoek dezer gronden , waarvan do uit- 
komsten thans zullen medegedeeld worden , kon uit den 
aard der zaak onmogelijk op eene zoo breede leest geschoeid 
worden; doch het heeft toch een onderwerp omvat, dat ik 
schier bij niet een onderzoek van gronden heb behandeld 
gezien, namelijk de bepaling van het stikstofgehalte in zijn 
geheel, en van dat, hetwelk in den toestand van ammonia 
aanwezig was, in het bijzonder. Het laatst bedoelde zal 
ik aktieve stikstof noemen, omdat zij als dadelijk vv'erk- 
zaam bij den groei van het gewas is te beschouwen,- ter- 
wijl het geheele stikstofgehalte, min het zooeven genoemde, 
als eerst bij voortgaande ontbinding van den grond in werk- 
zaamheid komende , de poientieele stikstof genoemd wordt. 

Om tot de kennis dezer verschillende hoeveelheden te 
geraken , moest eerst het geheele bedrag der stikstof in elke 
der acht gronden, bepaald worden. Dit is geschied naar do 
bekende methode van Will en Varrcntrapp, daar de gron- 
den vrij van salpeterzuur waren en de uitkomsten, door den 
heer Rost van Tonningen verkregen , waren de volgende : 



— 1G4 



Karnnganjar-legok 

Idem 

Rowüsoko .... 

Idem 

Pegaden 

Idem 

Bodjongkidoel . . 

Idem 



bovengrond. 


0,280Vo 


ondergrond. 


0,1 3() ., 


bovengrond. 


0,180 „ 


ondergrond. 


0,053 ,. 


bovengrond. 


0,115 „ 


ondergrond. 


0,182 „ 


bovengrond. 


0,274 „ 


ondergrond. 


0,U4 „ 



Wij zien hier in de eerste plaats eene grootere liocvecl- 
lieid stikstof in de boven- dan inde ondergronden, een natuurlijk 
gevolg van de meer regtstrecksche aanraking met de damp- 
kringsluclit , en ook van het aanwezen eener grootere hoeveel- 
heid, vooral dierlijke overblijfsels , welke meest tot den boven- 
grond bepaald blijven, en minder de hoeveelheid, dan wel 
het stikstofgehalte der humus helpen vergrooten. 

Maar cene uitzondering daarop maakt de (zandige) bo- 
ven^-rond van Pec:aden. De oorzaak daarvan wordt aan- 
stonds duidelijk bij de opmerking, dat de aluinaarde, 
welke in den leemachtigen ondergrond van dat veld in 
grootere hoeveelheid voorkomt , het vermogen heeft , om de 
stikstof als in te zuigen en terug te houden. 

De kleigronden 1 en 7 , staan hierin dan ook bovenaan. 
No. 4 en 8 , schoon tot dezelfde klasse behoorende , bevat- 
ten echter veel minder stikstof, dewijl het ondergronden 
zijn; de lecmgronden , 2 , 3 en G , staan beneden 1 en 7 , 
No. 6 , is door den lossen zandgrond minder van de lucht 
afgesloten , dan No, 2 door den harden kleigrond , en heeft 
welligt daardoor een hooger stikstofgchalte. 

Maar het is, ter beoordeeling van de dadelijke vrucht- 
baarheid eens bodems, vooral van belang te weten, hoeveel 
stikstof hij in den vorm van ammonia bevat, want eerst 
als zoodanig kan zij zich met andere bestanddeelen verbin- 
den , om dan in de wortels der planten over te gaan. 
De wijze waarop dit bestanddeel der gronden bepaald werd, 
was als voltrt. 



— 105 — 

Groote, afgewogenc hoeveelheden van elke der aclit grond- 
soorten ^Yerden , bij de gewone temporatuur met zoutzuur- 
houdend water (van l°/o) '^^^ ^^"S hehandeld , tot dat hier- 
door niets meer werd uitgetrokken. Daartoe werd de, vooraf 
tot eenen gelijken graad van fijnheid gebragte aarde , in 
groote glazen , op ruime flesschen gestelde , trechters gedaan , 
waarvan de pijp aan het einde losjes met een watje geslo- 
ten was. Daarop werden , naar behoefte , van tijd tot tijd 
nieuwe hoeveelheden van het zure vocht gegoten. 

Nadat deze , eenige weken durende bewerking was af- 
geloopen , werden de verkregene vloeistoffen gefiltreerd , en 
terwijl de eene helft bestemd werd voor de bepaling der 
anorganische of minerale bestanddeelen , waarover straks na- 
der, werd de andere op een waterbad tot droogworden uit- 
gedampt. De zoutmassa werd nu met wijngeest behandeld, 
tot dat daarin niets meer werd opgelost. De verzamelde 
alkoholische vochten bevatten nu de ammonia en potasch, 
in den vorm van chloor- verbindingen. Elk derzelve werd 
nu weder in tweeën gedeeld , en terwijl de eene helft be- 
stemd werd, om na uitdamping en gloeijing alleen tot be- 
paling der potasch te dienen , werd in de andere , door 
bijvoeging van platinum-chloried , de potasch en ammonia 
te zamen gevonden. De vergelijking dezer tweeledige uit- 
komsten, gaf natuurlijk de hoeveelheid ammonia aan. Aldus 
heeft de heer Kost van ïonningen verkregen. 



— 166 — 





Ammonia 


Gelijk in 


Blijft aan 


Namen der gronden. 


in 100 


aktieve 


potentiële 






deelen. 


stikstof. 


stikstof. 


Karanganjar-leg 


ok. bovengr. 


0,0220 


0,0180 


0,2710 


Idem . . . 


ondergr. 


0,0116 


0,0095 


0,1265 


Rowosoko. . 


, bovengr. 


0,0204 


0.0165 


0,1635 


Idom . . . 


. ondergr. 


0,0232 


0,0190 


0,0340 


Pegfiden . . 


. bovengr. 


0,0146 


0,0120 


0,1030 


Idem . . . 


ondergr. 


0,0134 


0,0110 


0,1710 


Bodjongkidoel . 


. bovengr. 


0,0210 


0,0170 


0,2570 


Idem . . 


. ondergr. 


0,0130 


0,0105 


0,1335 



No. 1, 4 en 7, alle kleigronden, bevatten, gelijk te 
verwachten Avas , ook het grootste ammonia-gehalte ; no. 8 , 
schoon van dezelfde klasse, staat door de grootere digtheid zij- 
ner bovenlaag , die den vrijen toegang des dampkrings verhin- 
dert, veel lager dan no. 4, dat mede een ondergrond is. 

Dezelfde verhouding zien wij weder in de leemgronden 
2, 3 en 6. De bovengrond nadert zeer tot de kleigronden, 
do twee overige (2 en 6) ondergronden zijnde, staan weder 
veel lagor, en no, 2 het laagst, omdat die onder eene 
steenharde klei ligt. De zandgrond eindelijk , no. 5 , staat 
onder de boven^rronden verre het laagste, en verschilt wei- 
nig of niet met den onderliggenden leemgrond, ofschoon 
de Incht daarop niet regtstreeks kan inwerken. 

ISIen ziet door deze uitkomsten weder ten stelligste be- 
vestigd , dat het vermogen , ook om ammonia te binden , in da- 
delijk verband staat met derzelve gehalte van klei- of 
aluinaarde. 

Ofschoon de beoordeeling van de gevondene hoeveelheden 
ammonia, in verband tot de geblekene mate van ■^Tueht- 
baarheid dezer vier gronden, tot aan het slot dezer bij- 
drage behoorde te worden uitgesteld, kan ik echter niet 
nalaten, reeds hier met een woord te gew\agen , van het 



— 167 — 

hooge belang, dat het ammonia-gehalte der gronden bezit 
voor derzelver voortbreno-inojsvermoo-en. 

Zij ontleenen die ammonia deels aan den dampkring 
zelven , die liet hun, vooral bij matige regenbuijen toevoert, 
deels aan de voortdurende rotting der dierlijke en plant- 
aardige ligchamen , -svaaruit de humus gevormd wordt. Deze 
ammonia treedt dan dadelijk in verbinding met de deels 
organische , deels minerale zuren van den bodem , en wordt 
zoo beveiligd tegen de vervlugtiging bij zonnehitte. 

"Wat boven „ potejitieele''' stikstof genoemd is, beteekent, 
die, welke met den voortgang der grondbewerking , in am*- 
monia kan overgaan, en dus aktief wordt; zij is dus te 
beschouwen als de voorraad, waaruit onophoudelijk toevoer 
van een der meest w^ezenlijke grondbestanddeelen aan de 
planten geschiedt , en de hoeveelheid daarvan , die deels in 
verband staat met het kleigehalte der gronden , hangt tevens 
af van de hoeveelheid humus, aan welke zij vooral de 
bruikbaarheid van het leven en den wasdom der planten 
verleent. 

De humusachtige organische of verbrandbare deelen (want 
deze namen zijn genoegzaam eens beteekenend) werden be- 
paald, door verbranding in platinakroesjes , bij donker- 
roode gloeihitte , nadat de gronden vooraf nagenoeg watervrij 
waren gemaakt door drooging op 100° C. Geheel droog 
zijn zij aldus echter niet te maken , het allerminst de klei- 
gronden , daar zij wegens het gehalte aan aluinaarde , steeds 
een klein gedeelte water zoo sterk vasthouden , dat het er 
door eene chemische verwantschap mede schijnt verbonden 
te wezen. De zoo dadelijk mede te deelen uitkomsten stel- 
len dus voor, hoeveel percent organische stof, met deze 
klehie hoeveelheid chemisch gebonden water, in elk der 
gronden bevat is. 



— 1G8 



Karanganjar-legok . 

Idem 

Rowosoko 

Idem 

Pegaden 

Idem 

Bodjongkidoel .... 

Idem 

Boveiigrond uit Pa- 

soeroean 

Idem 

Proeftuin te Buitenz. 

Idem G enten jr • . 



bovengrond. 
ondergrond, 
bovengrond. 
ondergrond, 
bovengrond. 
ondergrond, 
bovengrond. 
ondergrond. 



bovengrond. 
ondergrond, 
bovengrond. 
ondergrond. 



12,82 
10,31 
10,G4 
12,45 
5,87 
9,76 
10,89 
10,24 

11,10 
11,65 
15,97 
10,48 



Dat de humus of organische stof der gronden , noodza- 
kelijk is tot dcrzelver vruchtbaarheid , is buiten twijfel ; maar 
beide staan geenszins met elkander in noodzakelijk verband. 
Er zijn gronden bekend , die slechts 2 a 3 percent humus be- 
vattedcn , en toch een goed tarwegewas opleverden , terwijl 
omgekeerd, de veengronden, die 50 a 70 percent organi- 
sche stoffen inhouden , op zich zelve meestal ten eenemale 
onvruchtbaar zijn. 

Behalve dat, gelijk vroeger reeds is aangeduid, de phy- 
sisclie toestand van den grond hier dikwijls storend tus- 
schen beide treedt, zoo komt het natuurlijk aan op de hoe- 
danigheid van die humus, die weder afhangt van die der 
planten, waarvan hij atkomstig is. Velden, waar nooit 
anders dan wilde gewassen zijn opgegroeid, waarvan de 
grond nooir beploegd of bebouwd geweest is , bevatten in het 
algemeen eene veel minder vruchtbare humus dan die , waar 
van ecnig kultuurgewas de overblijfselen zijn onderploegd. 

Het is zelden of nimmer het geval, dat tamelijk veel 
humus houdende gronden arm zijn aan de, voor den plan- 
tengroei meest noodwendige, minerale stoffen , en wij hebben 
dan ook , zoo er eene chemische oorzaak is voor derzelver 
onvruchtbaarheid, inzonderheid te letten op de verhouding 
van stikstof, welke in die humus voorkomt. 



— 109 — 

De aluinaarde op zich zelve heeft , gelijk hoven reeds is 
herinnerd , een sterk vermogen tot inzuiging der stikstof, 
maar dat gedeelte der laatste , wa* aktieve stikstof genoemd 
is , en dat in den vorm van ammonia hcstaat , is hijna uit- 
sluitend, zoo al niet aanwezig in, dan toch zijne tegen- 
woordigheid verschuldigd aan de organische overblijfselen , 
die met de overige grondbestanddeelen vermengd zijn. 

Uit een en ander is af te leiden , dat een grond , betrek- 
kelijk arm aan humus , vruchtbaarder kan wezen , dan een 
andere schoon daaraan veel rijkere; die der eerste behoeft 
daartoe slechts wat meer ammonia in te houden. Aldus 
wordt het ten deele verklaarbaar , waarom de , overigens 
schrale, zandgrond van Pegaden een beter gewas opleverde , 
dan de andere. 

Immers stellen wij de humus in elk dezer acht soorten 
als 100, dan wordt de verhouding van ammonia, daarnaar 
berekend , als volgt : 



Karanganjar-legok 

Idem 

Rowosoko 

Idem 

Pegadeu 

Idem 

Bodjongkidoel . . . 

Idem 



boven2:rond. 
ondergrond, 
bovengrond. 
ondergrond, 
bovengrond. 
ondergrond, 
bovengrond. 
onder o-rond. 



0,14 
0,09 
0,15 
0,15 
0,20 
0,11 
0,15 
0,10 



De drie overige bovengronden , die in ammoniagehal- 
te , in hun geheel genomen , bovenaan stonden , komen nu 
alle, bijna in gelijke verhouding onder dien van Pegaden, 
waarin de verhouding tusschen de humus en de ammonia 
een derde hooger is. Deze grond bezit dus eene veel 
meer werkzame humus. 

Daarmede wil ik intusschen niet te kennen geven , dat 
hierin alleen de oorzaak van de betrekkelijk goede hoeda- 
nigheid van het veld van Pegaden zou te zoeken zijn. 



— 170 — 

Vooreerst moeten wij bedenken , dat het rust op eenen 
leemaclitigen , dat is , veel klelaarde bevattenden ondergrond , 
en daaruit met liet kapillair opstijgende grondvoclit, ge- 
durig aanvoer bekomt van meer minerale stoffen, dan de 
zandige bovengrond alleen bevat. IMaar verder is die zan- 
dige hoedanigheid een voordeel in physiöchen zin, daar zij 
het uitloopen en versj^reiden der wortels begunstigt , en het 
lanp" verblijven van vocht in den regentijd belet. 

Doch deze voordeden zijn geenszins van eenen duurza- 
nien aard, althans niet in vergelijking met die, welke een 
leemachtige, of zelfs kleiachtige, mits wel bewerkte boven- 
crond zou aanbieden. 

In dien zin noemt de heer Rost van Tonningen dezen teregt 
oen der armst van deze gronden. Immers hij bevat, zoo- 
als wij dadelijk zullen zien , zeer weinig van de , voor het 
suikerriet , zoo noodige oplosbare potaschzouten , en het ge- 
halte aan humus, hoezeer goed van hoedanigheid, is te ge- 
ring, om niet, in zulk een' open' grond, spoedig beneden 
het mininum te dalen, waarbij nog een tamelijk gewas mo- 
gelijk is. Ware deze grond gemengd met dien van Ka- 
rang-anjer, of zelfs indien het suikerrietgewas stelselmatig 
wierde afgewisseld met een ander, rijk in blad, dat ten 
deele op het veld bleef of werd afgeweid, dan voorzeker 
zou deze grond uitmuntende oogsten kunnen opleveren. 

Het is eene opmerkelijke bijzonderheid, dat volgens on- 
derzoekingen in Europa, kleiachtige gronden meestal p. m. 
12°/q organische stoffen bevatten. Het gemiddelde der hier 
medegedeelde uitkomsten geeft (No. 1 , 4,7, 8 , 9,10) 
11,35%. 

Dewijl de hier bedoelde kleigrondcn alle min of meer 
lang bebouwd zijn geweest, zou men bijna op het vermoe- 
den komen, dat deze verhouding een mininum van organi- 
sche stof in dezelve voorstelt, en dat tusschen dit en het 
cehalte aan aluinaarde een zeker eenvoudig verband be- 



— 171 — 

staat. Met andere "woorden , dat er eene chemische verbin- 
ding tusschen de humus en de aluinaarde , het hoofdbe- 
standdeel der kleigrondcn zou zijn , waarvan de zooeven ge- 
noemde verhouding den laagsten trap zou voorstellen. 

Het gemiddelde gehalte aan humus van de drie leem- 
gronden is 10, 2 1°/^, terwijl dat van den zandgrond , minder 
dan 6 Yo bedragende , op groeten afstand daaronder staat. 

Een en ander is wel in overeenstemming met het zooeven 
gezegde ; terwijl daarentegen het hooge cijfer der beide leem- 
achtio-e o:ronden uit den proeftuin te Buitenzor<r en te Gen- 
teng zulks schijnt te weerspreken. 

Maar dit verschil is wel te verklaren door het stelsel van 
bebouwing. 

De lang met suikerriet beplante kleigronden van Peka- 
longan en Pasoeroean hebben , ook bij de tusschenbcide 
aangewende be watering voor het rijstgewas, noodzakelijk 
aanhoudend in humus moeten afnemen , aangezien van het 
riet weinig of niets in den grond terug blijft, en bij de 
toebereiding, de nog te veld staande padistopels wor- 
den afgebrand. De grond van den proeftuin te Bultcnzorg 
had AToeger steeds padi voortgebragt , werd jaarlijks be- 
waterd en het padistroo nimmer afgebrand, maar bleef 
in den grond rotten en werd daarna ondergeploegd. 

Thans heeft , wel is waar , de toevoer uit die bron opo^e- 
houden , maar de veehiildig afvallende bladen der dadap- 
boomen , tot beschaduwing der kofflj geplant , en het groo- 
telijks afweren der zonnestralen zijn eene ruime vergoeding 
daarvoor, en zullen nog langen tijd eene vermindering van 
het humusgehalte kunnen voorkomen. 

Het riet, dat ik liier op enkele plekken heb gekweekt, 
en waarvan elders verslag is gedaan , had ook een geheel 
ander voorkomen dan dat van de fabriek TTonopringo, of 
zelfs van dat, hetwelk ik op de meeste plaatsen van Pa- 
soeroean fjezicn heb. 



— 172 — 

Dat de grond van den proeftuin te Gcnteng zoo rijlc is 
aan humus , is niet bevreemdend , daar op dit lieuvelaclitig 
terrein , bijna niets anders dan natuurlijke grassen en M'ilde 
planten zijn voortgekomen. Er is, in de onophoudelijke 
verrotting der overblijvende -svortelvezels eene bron van hu- 
musA'orming, die, bij de nog weinige bewerking, welke de 
grond ondergaan heeft, meer dan opweegt tegen het verlies 
door den invloed van regen en zonnehitte op de geslotene 
oppervlakte te weeg gebragt. 

Niettegenstaande dit hoogc humusgchalte echter, is laatst- 
genoemde grond door armoede aan ammonia en oplosbare 
minerale stofTen, verre van vruchtbaar te noemen. 



Deze minerale stoften , welke gezamelijk het anorganische 
gedeelte van den bodem uitmaken, zullen wij nu bij de 
gronden van Wonopringo wat nader beschouwen. 

Het zal wel niet noodig zijn , hier de wijze op te geven , 
naar welke de verschillende stoffen van deze klasse zijn be- 
paald geworden. Van meer belang zal het wezen, in het 
kort , iets over derzelver noodzakelijkheid en betrekkelijk be- 
lang voor den groei van het suikerriet in het midden te 
brengen 

Ik neem als bekend aan , dat door minerale bestanddee- 
len van den grond datgene verstaan wordt , wat terugblijft 
nadat een zeker gedeelte daarvan in een open vat gegloeid 
is, totdat al het zwarte is weggebrand. Verder dat alle 
planten en plantendeelen , geene uitgezonderd , onder dezelf- 
de omstandigheden , eene min of meer witachtige asch terug 
laten , welke evenzeer derzelver anorganisch of mineraal ge- 
deelte uitmaakt ; en daarenboven , dat voor elk gewas die 
minerale stoffen onmisbaar zijn, dat zonder dezelve geen 
groei, geen leven mogelijk is, en dat de planten die alleen uit 
den grond bekomen. 



173 — 



Zonder pliospliorzuur , potasch , magnesia , kalk , soda , 
kiezel- en aluinaarde , ijzer , zwavel en chloor , zou onze 
aardbol eene levenlooze , onbewoonLare woestijn wezen. 

Ten einde het betrekkelijke belang der genoemde stoffen 
voor het gewas, waarover thans gehandeld wondt, te ken- 
nen , zal ik eene der door mij vcrkregene uitkomsten van 
eene gedeeltelijke analyse van de ascli van het suikerriet 
aanhalen. 

Potasch. 

Kiezelaarde. 

Phosphorzuur. 

Phosphorzuur, in verbinding met kalk, mag- 
nesia en een weinig ijzeroxyde 

Voor iedere rietsoort, en voor riet van eiken verschil- 
lenden grond zal verschil zijn in de verhouding der boven- 
genoemden minerale stoffen ; doch zeker is het , niet alleen , 
dat zij in elke soort van suikerriet, van w^aar ook, worden 
gevonden ; maar ook dat zij er de hoofdbestanddeelen van 
uitmaken met name , dat kiezelaarde en potasch er over- 
vloedig in zijn. 

Nu is , door den arbeid van den heer Rost van Tonningen 
aangetoond, dat de hoeveelheid en de zamenstelling van het 
minerale gedeelte in de thans besprokene gronden zijn als 
volgt : 



S0,777o 
20,44 „ 
16,41 „ 

29,56 







Minerale dcelen oplosbaar ia zoutziiur- 






"S ó=! 




houdcud water. 






Nnmcii der 


Z3 








Totaal, 


grondeu. 


C C3 


rC 


"3 <a 


g..2 


^ 


llJl 


C3 ~ 




o ^- 


"o 


'■2 « 


7Z 




l-^lt 


N 'p 






pCt. 


pCt. 


pCt. 


pCt. 


pCl. 


fCt. 


pCt. 


pCt. 


Kar.anj. ) bov.gr. 


87,19 


0,027 


0,37i 


0,0600 


0,1855 


1,554 


0,003 


2,203 


legok. 1 ond.gr. 


89.69 


0,029 


0,205 


0,0140 


0,3580 


1,474 


0,003 


2,083 


Rowo- bov.gr. 


89,30 


0,029 


0.333 


0,0270 


0,3760 


1.908 


0,003 


2,730 


soko. ) OBd.gr. 


87,55 0,011 


0,002 0,0095 


0,0265 


1,758 


0,106 


1,808 


Te-ridcn ^°^'K'"- 


94,13 0,017 


0,400 0,0720 


0,4870 


2,170 


0,003 


3,155 


le^aacn ^^^ ^^ ggo-i 0,0275 


0,290 0,28 iO 0,0 135 


1,402 


0,002 


2,625 


Bodjong bov.gr. 89,11 0,020 


o'3.11 0,0140 0,0545 1 2,130 


0,003 


3,108 


kiducl. oud.gr 


1 89,70 


l0,02i 


0,579 


lO,03G5 


[0,0605 


; 2,sss 


0,003 


3,697 



— 17i — 

Tot do bepaling dezer oplosbare stoffen werden grootc 
lioeveclheden gronds aangewend, op de wijze vroeger bij 
de behandeling van liet aramonia-gelialte aangegeven. 

Dewijl het ons nog ten eenemale ontbreekt aan cene typo 
van vruchtbaren grond, zooals het suikerriet die behoeft, 
kunnen wij onmogelijk uit de bovenstaande cijfers eene 
geregelde rangschikking der daartoe betrekkelijke gronden 
afleiden. 

Maar met de kennis, die wij bezitten, van de minerale 
zamenstcUing van het riet zelf, in aanmerking nemende, 
dat de bovenoj)genoemde hoeveelheden ongeveer voorstellen, 
wat in het, met koolzuur bedeelde regenwater gereedelijk 
oplosbaar en dus voor den groei van het riet dadelijk be- 
schikbaar is , kunnen wij althans cene vergelijking tus- 
sclicn de bovenstaande gronden beproeven, en den uit- 
slag daarvan toetsen aan de , van die verschillende velden 
verkregene, zoo uiteenloopende produktic. 

Tot het laatste doel zal echter ook een terugblik op 
het stikstof- en ammonia-gehalte en op de physische hoeda- 
nigheden der gronden ten opzigte van den invloed van voch- 
tigheid en droogte noodig wezen. 

Men zou kunnen tegenwerpen, dat die gronden, niet 
meer tor plaatse zelve aanwezig, toen zij chemisch onder- 
zocht werden , ook niet meer in volkomen denzelfden toe- 
stand verkeerden. Daaromtrent erken ik, dat zeker de 
eigene vochtigheidstoestand veranderd is, en dat, op het 
oogcnblik dat ik dit ter neder schrijf, de verhouding der 
oplosbare stoffen in die gronden, zeker eene andere moet 
wezen , dan tijdens zij van het veld genomen werden. Dewijl 
echter , met ds verwijdering daarvan de gezondene monsters 
tevens hun vocht bijna geheel verloren , zoo is bijna onge- 
twijfeld de toestand van dezclver zamenstelicnde deelen , 
van dat oogcnblik af, genoegzaam onveranderd gebleven, 
en de bovengegevene uitkomsten stollen dien dus voorzeker 



— 175 — 

zoodanig voor, als die was, zoo na mogelijk, tijdens de 
vroeger genoemde oogsten van dezelve verkregen waren. 

Deze uitkomsten hebben dus waarde , niet alleen door 
eene vergelijking onderling, maar ook door ze te beschou- 
wen in verband met de praktische resultaten en kunnen 
medewerken om ons voor te lichten in overeenkomstige om- 
standiglieden. 

Eaezelaarde en potasch , en daarna phosphorzuur , kalk 
en magnesia, zijn dan de voor den groei van het suiker- 
riet meest wezenlijke mineralen , en al het overige gelijk 
staande , zal dus die grond het best voor suikerriet dienen , 
welke van genoemde zouten het best voorzien is en waarin 
zij , naar ons persoonlijk gevoelen , in onderlinge verhouding 
tot die gemiddelde van het suikerriet naderen. Hierbij dient 
in het oog gehouden te worden , dat een te veel even zoo 
kan schaden, als een ie weinig; ja door het te veel kan 
alle plantengroei onmogelijk worden. Tot voorbeeld, som- 
mige streken van Chili en Peru, waar de grond van het, 
in mindere verhouding voor den plantengroei zoo uiterst 
weldadige salpeter, zulke groote hoeveelheden bevat, dat er 
de oppervlakte als met eene witte korst is overtogen , waar 
schier geen plantje te zien is. 

Van kiezelaarde zijn alle gronden ruim voorzien; maar 
deze kiezelaarde komt in twee toestanden voor, namelijk 
in den oplosbaren en den onoplosbaren. Slechts in den 
eersten toestand kan het voor den plantengroei nuttig zijn; 
en het is juist zoodanig, dat de gronden er veelal karig 
mede bedeeld zijn. 

Het Is hoogst waarschijnlijk, dat dit, ten deele althans, 
in verband staat met de hoeveelheid potasch , die in den 
grond en bepaaldelijk in de humus daarvan , bevat is , 
want de scheikunde leert ons, dat zoo men de ono2)losbare 
kiezelaarde met potasch smelt of zelfs kookt , een meer of 



— 17G — 

min "Toot gedeelte daarvan oplosbaar wordt , zelfs in gewoon 
water. 

Ten einde het overzigt en de onderlinge vergelijking ge- 
makkelijker te maken , zijn in de tabel al de onderzochte 
hoedanigheden en bestanddeelcn dezer gronden in verhou- 
dingen voorgesteld. Daaruit blijkt nu: 

1°. Dat in gehalte aan oplosbare kiezelaarde, de onder 
grond van Bodjongkidoel bovenaan staat; dat die, op groe- 
ten afstand , gevolgd wordt door de bovengronden van Pe- 
gaden en van Karanganjarlegok ; waarna de bovengronden 
van Bodjongkidoel en Rowosoko, voorts de ondergrond van 
Perraden, en ten laatste, beide op groote afstanden, de 
ondergronden van Karanganjarlegok en van Rowosoko 
volgen. 

Wat nu de hoeveelheid potasch betreft, hierin staan de 
bovengronden van Karanganjarlegok en Rowosoko , bene- 
vens de ondergrond van het eerste en van Pegaden onge- 
veer gelijk; terwijl de onder- en bovengrond van Bodjong- 
kidoel daarna, nog lager de bovengrond van Pegaden en 
geheel onderaan de beuedengrond van Eowosoko te staan 
komt. 

Er is dus weinig of geen verband te bespeuren tusschen 
de verhoudingen, waarin de oplosbare kiezelaarde en de 
potasch in de opgenoemde gronden voorkomen. Alleen in 
de bovengronden van Karaiiganjar en Rowosoko, waar het 
gewas het slechtste stond, gaat een betrekkelijk hoog ge- 
halte van beide mineralen gepaard. 

Het lag niet in het doel van dit onderzoek, om het be- 
doelde verband uit te vorschen. Ware er onderzoek ge- 
daan naar de hoeveelheid soda, die mede oplossend op de 
kiezelaarde werkt, dan zoude hierin welligt eene aanvulling 
van de ontbrekende potasch gevonden zijn. Maar soda be- 
hoort niet tot de bestanddeelcn van het suikerriet. 



— 177 — 

Ofsclioon nu , wat de potascli aangaat , de twee vruclit- 
baarste bovengronden niet boven aanstaan , zijn zij er toch 
voorzelver niet zoo zeer van ontbloot , en is bovendien der- 
zelver aandeel in oplosbare kiezelaarde ook aanzienlijk ge- 
noeg, om elke bevreemding over die betrekkelijke vruclit- 
baarheid weg te neman. Een weinig lager zal ik trachten 
aan te toonen , waaraan het is toe te schrijven , dat de twee 
andere bovengronden , trots derzelver hooger gehalte aan 
kiezelzuur en potasch , alsmede aan ammonia , zooveel min- 
der produkt hebben opgeleverd. 

De hoeveelheden magnesia en kalk zullen ons thans een 
oogenblik bezig houden. 

(Tot de naauwkeurige bepaling van het phosphorzuur , 
in tegen vroordigheid van ijzeroxj^de en aluinaarde, was ons 
tijdens dit onderzoek plaats had , geene voldoende en goed 
uitvoerbare methode bekend ; daarom is dat belangrijk be- 
standdeel hier niet bepaald geworden). 

In deze beide stoffen of minstens in één daarvan, zijn 
de twee gronden van het distrikt Pekadjangan, die juist 
het beste gewas hadden opgeleverd, het rijkste. 

Het is vooral die van Pegaden , en inzonderheid de leem- 
achtige ondergrond, die van beide goed voorzien is, in ver- 
gelijking van de overige op het veld. 

Bij Bodjongkidoel is, zoowel in onder- als bovengrond , de 
magnesia gering ; terwijl zij in den boven- en ondergrond 
van Rowosoko en in den ondergrond van Karanganjar mede 
weinig beteekenend is. 

Dat deze stof door den kalk kan vervangen worden , 
althans voor het suikerriet, zou uit het voorbeeld A-an 
Bodjong kidoel kunnen afgeleid worden, want anders zoude, 
bij het zoo geringe gehalte aan magnesia, de tamelijk goede 
produktie van dit veld onbegrijpelijk wezen. 

Men zou met reden mogen verwachten , dat gronden van 
dezelfdeklasse , uit dezelfde rolsoorten ontstaan , en in aan- 

OC SERIE. DL. II. 12 



— 178 — 

grenzoiidc diütriktcn gelegen, eenigo ovcreonkomst zouden 
tüoncn in de verhouding der ligt oplosbare, mineraio be- 
standdeelcn ; men mag althans aannemen , dat zij aanvan- 
kelijlc die onderlinge overeenkomst gehad hebben , en dat, 
waren zij alle even lang met hetzelfde gewas beplant en 
tevens even goed en op dezelfde wijze bewerkt geworden , 
hleriji ook in vervolg van tijd geene aanmerkelijke veran- 
dering zou ontstaan zijn. 

Daar liet mij onbekend Is, of de onderzochte gronden alle 
wel dan niet cvenlang met suikerriet zijn beplant geweest, is 
het hier niet uit te maken, in hoeverre dit kan bijgedragen 
hebben, tot het grooto verschil, dat wij onder anderen tus- 
schen de twee van 1'odjongkidoel en den ondergrond van 
Küvvosoko waarnemen. Maar juist het feit, dat dit een 
omhrf/rond is, en het steenachtig hardo voorkomen er van, 
maken het waarschijnlijk, dat dezelve nog geheel gcenc ken- 
nis heeft gemaakt met ploeg of spade, en dat hierin de 
oorzaak ligt van deszelfs ongunstige hoedanigheid. 

Hetzelfde zou ten deelo van den bovcngrond van Karang- 
anjar kinnien gezegd worden , in zoo verre dat hier do be- 
werking slechts gebrekkig geweest is. 

Terwijl het veld van IJodjongkIdoel vrij voldoende oog- 
sten heeft opgeleverd , en dus veel meer van die oplosbare 
zouten heeft moeten verliezen , dan do beide eerstgenoemde, 
zoo Is toch de nog aanwezige voorraad aanzienlijk grooter 
dan in deze. Het is niet zeer waarschijnlijk , dat deze vel- 
den zooveel beter zouden zijn bewerkt geworden , dan die 
in het distrikt Sawangan en zulks leidt tot de gevolgtrek- 
king, dat het veld van Bodjongkidoel welligt later, dan die 
twee andere, met riet is beplant geworden. 

Van hoeveel waarde de ondergrond kan zijn voor den 
groei van het gewas, blijkt treffend door de velden van 
Ivowosoko en Pegadon. 

De bovcngrond van het eerstgenoemde is ecne vrij goede 



— 179 — 

leem, wel niet rijk in stikstof en ammonia, maar, met eene 
enkele uitzondering, niet armer in de meest noodige mine- 
rale bestauddeelen , dan andere rietgronden , die goed gepro- 
duceerd hebben; en toch is dit veld zoo achterlijk gebleken 
in vruchtbaarheid. 

Om dit raadsel op te lossen , behoeven wij slechts de 
zamenstellius: van den onderirrond van dit veld in te zien. 

Die plaats , welke als schatkamer moet dienen , om aan 
de bovenliggende lagen oplosbare zouten mede te deelen, 
naarmate deze door het gewas worden uitgeput , is bier zeer 
arm in oplosbare kiezelaarde , potasch , kalk en magnesia 
en in stikstof, terwijl de physische toestand, waarin hij ver- 
keert , een beletsel is tegen het gereedelijk mededeelen van 
het tamelijk ammonia-gehalte. 

In het veld van Pegaden zien wij de omgekeerde ver- 
houding. De boveugrond heeft een lager gehalte aan po- 
tasch en ammonia, dan die van Kowosoko en deze twee 
bestauddeelen zijn zoo belangrijk, dat het rationeel zou zijn, 
opgrond daarvan alleen , aan dit veld eene mindere A'rucht- 
baarheid toe te kennen, dan aan het andere. 

Doch , terwijl de aard van dezen boveugrond niet gunstig 
is, voor het bewaren van een' aanzienlijken voorraad van 
oplosbare bodemzouten , is hij toch , juist door zijn open 
karakter , zeer geschikt tot doorlating van hetgeen daartoe 
wordt aangeboden , en nu zien wij in de leemachtige , meer 
terughoudende onderlaag een aanmerkelijk grooter gehalte 
van potasch, ook van magnesia en kalk, terwijl daarenbo- 
ven , ten gevolge van de grootere verhouding van aluinaarde 
die leem- altijd boven zandigen grond heeft , er ook eene 
ruimere hoeveelheid stikstof voorhanden is. 

In korte woorden : 

De on^Tuchtbaarheid van het veld van Rowosoko en de 
betrekkelijke vruchtbaarheid van dat van Pegaden zijn groo- 
tendeels toe te schrijven aan de hoedanigheid van den on- 



—- 180 — 

dergroucl; ofschoon in liet laatste de pliyslsclie toestand van 
den boA^engrond gunstig heeft medegewerkt. Vatten -svij de 
som en de verhouding der gcA^ondene , oplosbare bestand- 
deelen in de acht grondsoorten te zamen , en vergelijken wij 
die met de vroeger medegedeelde zamenstelling van het mi- 
nerale gedeelte van het suikerriet, dan kunnen Avij elk der- 
zelve aldus beschrijven. 

Het veld van Karanganjar is van de meest noodige stof- 
fen nog vrij avcI A'oorzien, maar de voorraad bepaalt zich 
hoofdzakelijk tot den bovengrond. Dat van Rowo-soko be- 
vat minder van. die stoffen , en deze mindere voorraad is 
nog meer uitsluitend tot den boA'engrond beperkt. 

Dat van Pegaden is , wat den bovengrond betreft , van 
een gedeelte der noodzakelijke bestanddeelen nog slechter 
voorzien ; doch er is in de lagen daaronder een tamelijk 
goede voorraad en A'an deze kan gereedelijk aan den bo- 
vengrond Avorden medegedeeld. 

Dat A'an Bodjongkidoel ma^ middelmatig voorzien lieeten, 
en daarin komen boven- en ondergrond tamelijk aa'cI over- 
een. 

Dit is dan ook het cenige A'eld Avaar beide tot dezelfde 
klasse behooren. 

De induktle , ontleend aan de zamenstelling A'an het sui- 
kerriet en A'an deze verschillende gronden , strookt echter 
niet met de praktische uitkomsten, van deze vier velden 
A'erk regen. 

"Wij zullen het Avezenlijke daarA'an , liicr nog eens kortelijk 
herinneren , en daarna trachten op te sporen , Avelke storende 
oorzaken hier in het spel zijn geAveest. 



181 — 



Tuinen. 


BoSsrn riet 
per bomv. 


Xe,l. kan 
sap per 
100 bus. 


Sppcifick 
i:c\v. vau 
Lut sap. 


Suiker per bouw. 


anuwczig. 


verkregen. 


Karangaiijar legok. 

Kowosoko 

PegaJea 

BuJjuagkiJoel. . . . 


14 .\ 1300 
Il i IGOO 

IC 00 

2000 


586 
533 

C-3S 
800 


71° 

7i° 
5=- 


20 pik. 
ISl « 

24 s „ 


S pikols. 

S „ 
22 . 
20 .• 



Het schijnt uoocleloos , op te merken , dat er in de op- 
gave A'an het gemiddelde soortelijk ge-^igt ran het sap, en 
ook van de hoedanigheid, per bouw eenige fouten zijn in- 
geslopen. Tel•^yijl toch voor de twee eerste tuinen , de 
hoeveelheid verkregen suiker tot de v/erkelijk in het ver- 
arbeide riet aanwezio-e zoo ono-eveer eene o-eliike verhouding 
voorstelt, als die, welke wij doorgaans bij de andere fabrie- 
ken van Java waarnemen, namelijk 1 : 2^ ^2 ^^ ^1/4, zoude 
het sap van de beide andere velden met zoo weinig verlies 
bewerkt zijn, dat die verhouding slechts zou geweest zijn 
1:1,17 u 1,23. 

De waarschijnlijkheid zou er derhalve voor zijn , dat die 
22 en 20 per bouw verkregene pikols suiker 50 en 45 pi- 
kols aanwezige voorstellen, en dat dus die 11,000 kan sap 
per bouw, van Pegaden, 14° B, en de 16.000 van Bodjong- 
kidoel bijna 9° B. gemiddeld geteekend hebben. Het laatste 
is mogelijk, het andere bezwaarlijk aan te nemen, zoodat 
in 1854 van Pegaden denkelijk meer dan llóOO kan sap 
per bouw is verkregen. 

Maar afgescheiden hiervan, is het aantal bossen riet, maar 
vooral de lenoto en dikte der stokken van de twee eerstjre- 
noemde velden , ongetwijfeld verre beneden die van de twee 
andere, welke zelve Ier naauwernood kunnen gezegd wor- 
den een middelmatiij e:- was te hebben voort oebra<Tt. 

Indien zulks nu ook al in overeenstemming is met het 
oordeel, dat wij boven over de betrekkelijke vruchtbaarheid 



~ 182 — 

der velclea van Ko^YOSoko en Pegaden hebben uitgesproken, 
op grond van derzelvcr chemische zamenstelling , dan past 
toch deze praktische uitkomst niet oj) eene theoretische ver- 
gelijking tusschen de velden van Karanganjar-legok en Bod- 
jongkidcel. 

Wel is waar, heeft de ondergrond van het laatstirenoemde 
eene, schier in ieder opzigt, meer gunstige zamenstelling 
dan die van Karanganjar, maar deze omstandigheid is 
verre van toereikend ter verklaring van een zoo groot 
verschil in de hoedanigheid van het gewas van deze twee 
velden. 

Het is derhalve ook naar de phijsische hoedanigheden van 
de gronden dezer twee velden, dat wij ons moeten wen- 
den, om rekenschap te kunnen geven van de gezamelijke 
oorzaken , Avaardoor derzelver gewas zoo verschillend ge- 
weest is. 

De grond van Bodjongkidoel namelijk , had waarschijnlijk 
door fijnere verdeeling, eene grootere en snellere aantrek- 
king van waterdamp uit de lucht ; en ofschoon dezelve , ge- 
heel uit klei bestaande, eene grootere hoeveelheid water kan 
bevatten, dan de andere, zoo bleef, wel is waar na langer 
tijd, een kleine gedeelte hiervan terug. 

Deze moet dus , en bij droog en bij veelvuldig regenach- 
tig weder, in eenen beteren toestand zijn voor den groei 
van het riet dan die Karanganjar. Er is minder gevaar voor 
verdorring in de oostmousson of voor verrotting der wor- 
tels in den regentijd; derhalve meer gelegenheid en kans 
op regelmatigen voortgang van den wasdom , waartoe de 
meest noodige stoffen in tamelijke hoeveelheid aanwezig 
zijn. 

De slotsom van dit onderzoek is , dat ofschoon , met uit- 
zondering misschien van den ondergrond van Eowosoko 
geene dier grondsoorten nog als uitgeput is te beschouwen , 
zij toch alle in meerdere of mindere mate , schraal zijn te 



— 183 — 

noemen; en dat bovendien althans de velden uit het distrikt 
Sawangan , zij physiscii in min gunstigen toestand zijn. De eene 
grond bestaat uit steenharde , nog niet geheel verweerde 
klei op leem ; bij de andere is de volgorde omgekeerd. 

Om derhalve eene doortastende verbeterino- in hoedanio;- 
Iieid dezer gronden te bewerken , zouden physische en clie- 
mische middelen beide moeten aangewend worden. Maar 
dewijl het tijdstip voor Java nog niet schijnt aangebroken , 
waarop men aan liet lioofdmiddel van de eerste klasse , droog- 
leggen en ploegen van den ondergrond ernstig wil denken , 
zoo zal ik liierbij niet verder stilstaan , en dadelijk overgaan 
tot de chemische middelen of bemesting, waardoor deze 
velden het waarschijnlijkst tot zekere mate van vruchtbaar- 
heid kunnen teruo-o-ebrao-t worden. 

Om de uitvoerbaarheid op groote schaal te verzekeren , 
dienen daartoe zulke stoffen gebruikt te worden , welke in 
kleine hoeveelheid veel stikstof, phosphorzure zouten en al- 
kaliën bezitten, en als zoodanig hebben waj hier de keus 
tusschen (juano en hatjangicoelcen; dewijl het verkrijgen der 
ammoniakale en potasch-zouten en van beenderen (pliosphor- 
zure kalk en magnesia) afzonderlijk , op Java nog bijna tot 
de onmogelijkheden behoort. 

Als eene derde meststof, blijft nog over, de bladen en 
ampas van het riet , hetzij onverbrand , in welk geval de 
grond met humus en zouten beide zou verrijkt worden , 
of verbrand , waardoor alleen de zouten , door het gewas 
verwijderd, aan den grond zouden teruggegeven worden. 

Ofschoon het mij ten volle bekend is, hoeveel bezwaren 
er steeds worden aangevoerd tegen deze laatste, zuiver ra- 
tionele bemestingswijze , zal ik die toch alweder trachten 
aan te dringen, nadat de geschiktheid van guano en kat- 
jangkoeken zal zijn beoordeeld geworden. 

Daartoe is geen ander middel, dan de kennis van der- 
zelver chemische zaraenstelling , welke ik eerst zal op- 
geven : 



— 184 — 



BestaiidJcelen. 


Guano. 


Katj 


ang. 














\an Ziiil- 


Yrin 


Vnn 


Koekcu. 


Ascli. 




-Aujcrika. 


Peru. 


Bolivia. 






Water 




1.),1 


CO 


9,1G 




Organische stof 


;j . 1 ■•■ 










L'raat vuii amitionia 


'•'. ' 










Zuriiigz. ammonia. . . . 


]'!,:; 










Phosjihorzure airsmonia. . 


C,0 


53,2 


OÜ,d 






» en miiguesia. 


2,6 










Chloorzurc ommLnia . . 


4,2 










Pliosj-hüiz. ]:alk CU magii. 


14,3 


23,5 


25,7 


2,90 


52,03 


Zniiiiu-ziue kalk .... 


7,0 


4,3 








Pctasch 


— 




30 


1,39 


21,85 


Soda 


8,S 




G3 






Zwavelzuur 


— 










Zand 


4/7 


l,i 


17 







De guano in do eerste kolom , door Yon IIumLoldt , vele 
jaren geleden uit Amerika medegeLragt, werd geanalyseerd 
door Fóurcroy en Vauquelin , en de Leide andere in liet 
Laboratorium van nu wijlen professor Jolinstcn , te Edin- 
burgli; de katjanglcoeken welke in 100 deelen 5.37 ascli 
bevatteden , door den heer Eost van Tonningen , in Let 
Laboratorium alliier. AYat , in de eerste kolom , zuringzure 
kalk genoemd is . is in de analijse der twee andere guano- 
soorten als koolzure kalk berekend, terwijl in deze de -ver- 
binding van zwavelzuur en soda , nog met eene onbepaalde 
hoeveelheid geAvoon zout vermengd was. 

Zien wij reeds In deze zuiver amerikaansclie soorten 
veel verschil in de cijfers, die de zamenstelling aanduiden, 
een verschil, dat ton deele een gevolg is van de wijze van 
onderzoek, en dus in zooverre niet wezenlijk is, nog veel 
grooter zou dit worden , zoo ik die van de guano uit Pa- 
tagonië , Ichaboe , Saldanhabaai en andere plaatsen wilde 
aanvoeren. 

Daar echter de amerikaansclie uit Peru en Bolivia voor 
alle planten behalve voor knolgewassen, verre de beste is, 
en het meest gebruikt wordt, zal ik het vermelden der 
andere daarlaten. 



— 185 — 

Zooveel blijkt uit bovenstaande cijfers , clat de guano rijk 
is in stikstof, die of in den A-orm van versckillende ammo- 
nia-zoaten voorkomt, lictgecn minder verkieslijk is, en aan- 
toont, dat zij niet genoegzaam tegen vochtige luclit is bewaard 
geworden, of in dien van andere, niet vlugtige en bijna niet 
riekende organische stoffen , welke in den vochtigen bodem 
allengs in ammoniakale zouten veranderd worden, Yerder 
toonen ons deze uitkomsten een groot gehalte A-an phos- 
phorzunr met kalk en magnesia verbonden , maar verder , 
dat de hoeveelheden van potasch en kiezelaarde (deels zand) 
beperkt zijn. ^ 

Het stikstofgehalte der katjangkoeken is niet bepaald ge- 
worden, als zijnde minder noodzakelijk, dewijl hoofdzakelijk, 
bedoeld werd, derzelver gehalte van potasch en phosphor- 
zure zouten te kennen. 

In potasch zijn zij ontwijfelbaar rijker dan de guano, ten 
minste , zoo wij alleen op de zamenstelling der asch letten. 
En ook, A'ermits van die katjangkoeken per bouw veel meer 
dan van guano, moet gegeven werden , zoo wordt daarmede 
eene grootere hoeveelheid j^otasch aan den grond toeo-e- 
voerd. 

In deze twee meststofFen zien wij dus grootendeels ver- 
tegenwoordigd , wat aan de onderzochte gronden tot vrucht- 
baarmaking ontbreekt, en dezelve in verschillende vcrliou- 
ding te vermengen , zal aan de verschillende behoeften dezer 
o-ronden kunnen voldoen. 

Doch het valt in het oog , dat b:^ide zeer arm zijn aan 
kiezelaarde, en een grond, die van deze stof, in den op- 
losbaren vorm maar weinig bevat, zal dus, ook na bemes- 
ting met guano en katjangkoeken , nog niet in staat zijn , 
om althans dadelijk, een zeer krachtig gewas van suikerriet 
voort te brengen. 

Ik heb al reeds gezegd en crlccnd , dat wij over de juist 
noodige hoeveelheid van elk bestanddeel in den grond, tot 



— 186 — 

het voortbrengen van het hoogste jjrodukt in een gegeven 
klimaat , nog geenen vasten maatstaf bezitten. 

Maar wij kunnen, voor liet tegenwoordige doel eenen 
anderen weg inslaan , en zoo als ook door den heer Rost van 
Tonningen geschied is, op de gewlgtige waarheid Avijzen , 
dat bij eiken oogst van suikerriet eenige honderde ponden 
minerale stoffen uit elke bouw gronds worden getrokken ; 
dezelfde , die men in de fornuizen der fabrieken , zoover de 
ampas tot brandstof dient , als asch terugvindt. 

Het is ontegensprekelijk , dat juist deze asch vroeger voor 
het leven en den groei van het riet noodig was, dat de 
verschillende minerale bestanddeelen van het riet daar in de 
juiste verhouding voorkomen. 

Door deze asch dus aan den grond terug te geven , her- 
stelt men wat hij verhoren heeft, herstelt men het op de meest 
gepaste wijze, en voorziet men, in elk geval, in hetgeen 
aan de guano en de katjangkoeken genoegzaam ontbreekt , 
namelijk in de benoodigde onmisbare en oplosbare kiezelaarde , 
waar die mogt blijken, al te zeer te zijn afgenomen, zooals 
in den ondergrond van Karanganjer en Rowosoko. 

Door deze asch met de guano vermengd te bezigen , in ver- 
houding van vier pikols per bouw, bijv. zou men de ka- 
tjangkoeken geheel kunnen ontberen , en daardoor bevrijd 
zijn van de bezwaren , die zooals in den aanvang van dit 
stuk betoogd is , aan het verschaffen daarvan op groote 
schaal verbonden zijn. 

Ten slotte nog een enkel woord over het weder terug- 
brengen op het veld, van wat na de fabrikaadje terugblijft. 

Zoolang de ampas van het riet nog als toevoegsel tot , 
ja als voornaamste gedeelte van de brandstof vereischt wordt, 
zal de landbouwkundige wel vergeefs den raad geven, om 
die natuurlijke bemesting onverbrand aan den grond te her- 
geven , tot meerdere beperking van het verlies aan humus. 

Echter zou een zandgrond, open en schraal, als die van 



— 187 — 

Pegaden , uitmuntend geschikt zijn , om de werkzaamheid 
dezer bemestingswijze te toetsen. liet bezwaar, dat ik er 
dikwijls tegen-hoorde inbrengen , namelijk dat die ampas eerst 
zeer langzaam in humus zou overgaan , kan voor zulk eenen 
grond, waar de lucht zoo gcreedelijk toegang heeft, niet 
gelden. 

Volgens proeven , door mij zelven genomen in den grond 
van den proeftuin te Buitenzorg , was van eene hoeveelheid 
arapas in December 1854 op verschillende diepten begraven, 
in het begin van Julij 1855, die welke zich op Ys tot 1 
voet diepte bevond , nog maar zeer weinig overgebleven , 
terwijl die op II/2 voet diepte, waar de grond nog geheel 
vast en onbewerkt was , geheel onverteerd was gebleven. 

Wat nu in dezen leemachtigen , vrij zamenhangenden 
grond , op de geschikte diepte , binnen zeven maanden ge- 
beurd is , zal in eenen grond als die A'an Pegaden , voor- 
zeker nog veel rasschcr plaats vinden. 



De opmerkingen en raadgevingen, waartoe het medege- 
deelde onderzoek en de daaruit afgeleide beschouwingen , 
geleid hebben , waren de navolgende : 

1°. Al de onderzochte gronden hebben behoefte aan be- 
mesting, maar van verschillende aard. 

De uitwerking daarvan zal in de twee velden van het 
distrikt Sawangan onzeker zijn , omdat de physische hoeda- 
nigheid daarvan tcA'ens door andere middelen (drooglegging,, 
enz.) , dient verbeterd te worden. 

Het is echter mogelijk dat daarin eenigzins zal kunnen 
voorzien worden, door de hoeveelheid meststof te vermeer- 
deren. 

2*^, Bij wijze van proef, doch op niet minder dan 20 a 
25 bouws te gelijk, moet aangewend worden. 



— 188 — 

a. Op Karangniijar legok enhel guano ' per bouw , 2 pi- 
kols, plas liet geldelijk ekwivalcnt van 5 pikols katjang- 
koeken, 

h. Op Rüwosoko, 2 pikols guano en 5 pikols katjang- 
koekon. 

c. Op Pegaden , ten deele 3 pikols guano, ten deele 1^3 
pikols guano vermengd met 4 pikols katjangkoeken. 

d. Op Bodjongkidoel , ten deele twee pikols guano en 
6 pikols katjangkoeken, ten deele II/3 pikols van liet 
eerste met 4 pikols A'an de laatste. 

De bedoeling was , dat van deze hoeveelheden bij elke 
plant haar aandeel gelegd worde , in verhouding tot de 
plantwijdte ; waartoe vooraf ondiepe gaten worden gemaakt. 
Aldus zal het riet zelf bijna uitsluitend genot hebben van 
de aangebragte meststof, en de uitkomst dus het meest 
sprekend kunnen zijn. 

Nemen wij, bijv. aan, dat te Wonopringo op 2 bij 
11/3 voet wordt geplant, zoodat een bouw grond ongeveer 
24,000 stekken bevat , dan zal , wanneer het totaal bedrag 
der mest 4 pikols of 247 n. \è is , elke plant iets meer dan 
10 Avigtjes ontvangen. Het spreekt van zelf, dat dit door 
middel van maatjes van vooraf naar het gewigt juist bepaal- 
den inhoud zal moeten geschieden. Bij eene goede werk- 
verdeeling, en toezigt, biedt dit geenc wezenlijke bezwaren 
in de uitvoering aan , zooals de werkzaamheden in den 
proeftuin alhier en te Genteng mij geleerd hebben. 

Naarmate de plantwijdte grooter is , ontvangt natuurlijk 
ieder stek een grooter aandeel, daar de som j^er eenheid 
gronds eene vaste grootheid is. Deze zienswij/ce is ook 
daarop gegrond , dat , naarmate men wijder plant , binnon 
zekere grenzen , het riet ook meer gelegenheid heeft zich 
door omvang en uitstoeling te ontwikkelen. Doch daarin 
zal op schralen grond , dan ook moeten worden te gemoet 
gekomen door sterkere bemesting van elke plant afzonderlijk, 



— 169 — 

en dit bewerkt men door de lioeveellieid , per bouw grond; 
aangenomen , onveranderd te laten. 

Bultenzorg 10 Juh'j l^öG. 



— 190 — 



^3 



O 

o 



SS 



<5j 



•tu.iOA n3.icqso|fIo m 
"H3\ jszfi n3 apjciuuniY 



•BissuScj^ 



'Wü 



•qosc;oj 



•aniiz[OAi3.u2 



Mniiz[0Z3tx 



injOA ajapuB nj jo:js}[T}s 



■ciaoratuB S[c jo^s>[i;s 



•jo;s>i!}s .lap popx 



•napap onosiau3.tonY 



•uDioap 9qosiauSjo 



•uaijOiujOA 
puopnoi[3uao}aa}B^^\^ 



•U3:o0tnj3A 
pn3ni3ntIo.t3p;^\^ 



•ua^ouLiaA 

pn3Z3l|.I3A.T3^B\\^ 



■na3ouiJ3A 
pn3j[>[3.i^auB.i3]B\y^ 



•nspnojg 



" ■-• Z, 



ei --3 

12; 





OJ 


3 


co 


co 
co 


CS «o 


o r-( 


r-l 


^ 


o 


23 


'S* cc 


C OO 
I— 1 


c 
o 




1— 1 


oó 


o o 
1— ( 


C.O 


ö 


o 


00 


crs 


1— 1 


S"* 


(2 


'^ 


CC' 

co 


i£ 


>f5 r> 




'M 


te 
c:; 


o 


o 


-r" co 
Gi o 


o ^ 
1— 1 




cc 


o co lO o 

T? o 05 «.'S 


c c 


■Tl 


- 


cc 


co 


Tl 'M 

er o 

1— 1 rH 




£ö 


C5 




o 


K-5 o 

co co 


C ?7 

1— 1 


10 

cc 


CC 


cc 

co 




C co 


c cc 


X 






?. 


co ,r3 

o o 

f-H r— 1 



C S-' 


a s^ a' 


•-; ö' 


^ 












> -3 > 


'3 > 




o S 


o c o 


s o 


a 


^ o 


,o o _o 


o ^ 


o 


^^■ 
















o . 








tn 




















• ^^ 






ACHTSTE B IJ DE A GE 



TOT DE KEXXI3 DER 



ICHTHYOLOGISCHE FAUNA 



VAN 



ï E R N A T E (1), 



DOOR 



Dr. P. BEiKS:!!^:!!. 



Tijdens mijn verblijf te Ternate , in de maand Septem- 
ber 1855 , verzamelde ik daar een aantal Tisclisoorten , wel- 
ke mij aanleiding gaven tot bet uitgeven mijner Zevende 



(1) Mijne vroegere bijdragen over dit onderwerp, zijn alle op- 
genomen in bet Natuurkundig Tijdscbrift voor Nederlandsch 
Indië t. w. 

1. Bijdrage tot de kennis der icbtbyologiscbe fauna van Ternate. 
Dl IV, 1853, p. 131—140, 

2. Nieuwe bijdrage tot de kennis der icbtbyologiscbe fauna van 
Ternate en Habnabeira (Giloloj. Dl IV, p. 595 — 610. 

3. Diagramma baematocbir, cene nieuwe soort vau Ternate. 
Dl VI, 1851, p. 175—176. 

4. Iets over visscben levende in zeesterren en over eene nieuwe 
soort van Oxybeles. Dl VII, 1854, p. 62, 63. 



— 192 — 

Ijljdrn o-e over Tcruate's visclifauna. Zelf daar slechts enkele 
da o-en lieLbcnde kunnen verblijven , was liet mij niet mogelijk, 
in dien korten tijd meer dan 133 soorten -svaar te nemen, 
■vvelkc trou-\vens voor een groot gedeelte nog niet van Ter- 
nate bekend Avarcn en liet aantal der van daar bekende soorten 
tot 233 deed stijgen. Ik verzocht daarom den heer A. 
Kunze, officier van gezondheid der 2c klasse te Tcrnate, 
de goedheid te willen hebben, uit den rijkdom van de zee 
rondom het eiland zijner standplaats nieu^Ye verzamelingen 
daar te stellen. De heer Kunze heeft met de meeste ■wel- 
willendheid aan mijn verzoek voldaan en mij eene verza- 
meling doen toekomen, welke niet minder dan 134 viscli- 
soorten bevat. 

Deze soorten zijn de hieronder genoemde. 

1 Apogoa bandanensis CV. 1-1 Mesoprion decussatus CV. 
2* » leptacautlius Blkr. 15 » fulviflamma Blkr. 

3* » melanoi-hyucliosBlkr. 16 » marglnatus Blkr. 
4* » raelas Blkr. 17* Tlierapon Cuvieri Blkr. 

5* » multitaeniatus Elir. 18 » servus CV. 

G " uovcmfasciatus CV. 1 9* Priacautlias Blocliii Blkr. 
7* Apogouiclitliys polystigma 20 Iloloccntrum diadema CV. 

Blkr. 21 " sammara CV. 

8 Cheilodipterus quinqueline- 22 Myrlpristis adustus Blkr. 

atus CV. 23 » parvidens CV. 

9* Ambassls urotacuia Blkr. 21 Percis cyllndrica CV. 

10 Seiranus liexagonatus CV. 25 Sillago malabarica Cuv. 

11 )) lloevenü Blkr. 26 Spliyraena Commersonii C V. 

12 jMesoprIou amboinensis Blkr. 27 » obtusata CV. 

13 » bottonensis Blkr. 28 Upencus barbcriuus CV. 



5. Vijfde bijdrage tot de kennis der iclitbyologische fauna van 
Ternate. Dl VIII, 1855, p. 295-328. 

G. Over eeuige uieuAve visscben van Ternate. Dl IX, 1855, p. 155; 

7. Zevende bijdrage tot de kennis der iclithyologische fauna 
van Ternate. Dl X, 1856, p. 357-386. 



— 193 — 



29 Upeneus Russelli CV. 

30 » trifasciatus CV. 

3 1 MuUoides fla volineatus Blkr. 

32 Upeneoides variegatus Blki', 
33* Pterois antennata CV. 
34* Scorpaena polyprion Blkr. 
35* Platyceplialus pristiger CV. 
36* » Qaoyi Blkr. 

37* Apistus taeuianotus CV. 

38 Diagramma lineatum CV. 

39* » oriëntale CV. 

40* » radja Blkr. 

41 Scolopsides lineatus QG. 

42* >J lycogenis CV. 

43 Heterognathodoa xaullio- 

pleura Blkr. 
44* Lethrluus latifrons Rüpp. 
45* )) opercularis CV. 
46 )> ornatus CV. 
47* » reticulatus CV. 
48* Gerres macrosoma Blkr. 
49* » oyena CV. 
50* Chaetodon auriga Forsk. 
51 )) dorsalis Rwdt. 
52* )• iiaimaculatus BI. 

53 » vagabundus BI. 

54 » virescens CV. 
55* Pla^tax bataviamis CV. 
56* » Boersii Blkr. 
57* » teira CV. 

58* » vespertilio Rüpp. 

59 Caranx ekala CV. 

60 » Forsteri CV. 

61 Selar boöps Blkr. 

62 » torvus Bikt. 
63* Equula gomorah CV, 
64* Amphacantbus guttatus Bi 

65 » margaritiferus CV. 

66 '» marmoratus CV. 
3e SERIE DL. II. 



67 Acantbui'ua matoldes CV. 
68* Mugil coeruleomacula- 

tu3 Lac. 
69* » cyliiidricu3 CV. 
70* 1) melanocbir K. v. H. 
71 Atlieriua duodecimalis CV. 
72* I) lacunosa Forsk. 
73* )> Temminckii Blkr. 
73 Salarias quadripmnis CV. 
75* Gobius ophtbalmonema Blkr. 

76 » pbalaena CV. 

77 Fis tularia immaculata Comm. 

78 Plesiops coeruleolineatus 

Rüpp. 

79 Ampliiprion cbrysargurua 

Richds. 
80* Pomacentrus bifasciatus Blkr. 
81 I) pavo Lac. 
82* n taeniometopon Blkr. 
83* Glypblsodon coelestinus CV. 

84 » lacrymatus QG. 

85 .) rabti CV. 

86 Cbellio bemicbrysos CV. 
87* Julis (Halicboeres) Hartzfel- 

dii Blki'. 
1) ) Interntptus Blkr. 
)i ) kallosoma Blkr. 
1) ) lepareusis Blkr. 
» ) pbekadopleuraBlkr. 
» ) Renardi Blkr. 
» ) strigiventer Berm. 

94 Callyodon vaigiensis Cur. 

95 Belone cylindrica Blkr. 

96* HemirampbusDussumieriiC V, 
97* .» Gaimardi CV. 

98 .) Russellii CV. 

99 Clupeoides macassarieasis 

Blkr. 
100* Harengula Kunzei Blkr. 

13 



88* 


" ( 


89 


" ( 


90* 


" ( 


91* 


" ( 


92 


" ( 


93 


" ( 



— 194 — 

101 Harengula moluccenslsBlkr. 107 Balistes pra^linus Lac. 

102* SardinellaleiogastroidesBlkr.lOS* ^Monacantlius trichurusBlkr. 

103 Spratelloides argyrotaenia 109* Ostracion cormitus Lac. 

Blkr. 110 8yngnathu3 haeraatopterus 

104* Engraulis encrasicholoides Blkr. 

Blki'. 111 Solenognatlius Blochii Blkr. 

105 Saurida nebulosa CV". 112* Hippocampus kuda Blkr. 

106 Rhombus Mogkii Blkr. 113* ïaeniura lymma MH. 

Van deze soorten zijn 51, de met een * gemerkte, nieuw 
voor de kennis der fauna van Ternate , zoodat liet gelieele 
aantal thans van Ternate bekende visclisoorten bedraagt 
284. Nieuw voor de wetenschap zijn slechts Apogon lepta- 
canthus , PlatycepJialus Quoyi, Gohius opldhalmonema en 
Harengula Kunzei. De volledige lijst der bedoelde 284 soor- 
ten , als mede de beschriJA-ingen der in de wetenschap nog 
onbekende, volgen hieronder. 



Species piscium ternatenses kucusque co^jnilae. 

1 Cheilodipterus quinquelineatus CV., Nat. Tijdschrift voor 

Ned. Ind. II, p. 253. 

2 Apogon bandanensis Blkr, ibid. VI, p. 95. 

3 !) fraenatus Valenc. Act. Soc. Scieut. Ind. Neerl. I, 

Vissch. Amb. p, 25. 

4 )) Hartzfeldii Blkr, Nat. Tijdschr. Ned. Ind. VI, p. 482. 

5 » Hoevenii Blkr, ibid. VI, p. 483. 

6 » hypselonotus Blkr, ibid. VIII, p. 309. 

7 « koilomatodoa Blkr, ibid. IV, p. 131. 

8 » leptacanthus Blki- ibid., XII p. 204. 

9 » macropterus K. v. H, ibid. II, p. 168. 

10 )) melaaorhynchos Blkr, Act. Soc. Scieut, Ind. Neërl. 

I, Vissch. Amb. p. 26. 

11 » melas Blkr, ibid. Vissch. Amb. p. 27. 

13 ') multitaeniatus Ehr., Verh. Bat. Gen. XXII, Perc, 

p. 28. 
13 novemfasciatus CV, Nat. T. Ned. Ind. III, p 163. 



— 195 — 

14 Apogoülchthys gracilis Blkr, Nat. T. N. lud. X, p. 371. 

15 I» polystigma Blkr, ibid. VI, p. 481. 

16 Ambassis urotaenia Blkr, ibid., III, p. 257. 

17 Serranus alboguttatus CV., ibid. VI, p. 191. 

18 » gattatus CV. i=i Serranus cyanostiginatoides Blkr, 

Verh. Bat. Gen. XXII, Perc, p. 31. 

19 » hexagonatus CV, Nat. T. N. Ind. VI, p. 191. 

20 » HoevenüBlkr, Verh. Bat. Gen. XXII Perc, p. 3S. 

21 » horridus K. v. H., ibid. Perc, p. 36. 

Ml 

22 » leucogrammicus Rwdt, ibid., Perc, p. 33. 

23 » marginalis CV., ibid. Perc, p. 34. 

24 !) microprion Blkr, Nat. T. Ned. Ind. III, p. 552. 

25 » myriaster CV, ibid. VI, p. 192. 

26 I» pardalis Blkr, Verli. Bat. Gen. XXII Perc, p. 37. 

27 .) punctulatus CV. Nat. T. N. Ind. III, p. 570. 

28 " Sebae Blkr, ibid. VI, p. 488. 

29 )» spilurus CV, p. 322. 

30 '» urodelus CV, ibid. VII, p. 38. 

31 Plectropoma maculatum CV., ibid. VII, p. 418. 

32 Mesoprion amboinensis Blkr, ibid. III, p. 259. 

33 ') bottoneusis Blkr t=: M. jantliiuurus Blkr, ibid. If, p. 

170, VI, p. 52. 

34 » clirysotaenia Blkr, ibid. III, p. 259. 

35 )» deciissatas CV., Verli. B. Gen. XXII, Perc, p. 43 

36 » fulviflamma Blkr !=: M. unimaculatus QG. CV. s 

Diacope fulviflamma CV. Rüpp., Nat. T. N. Ind. 
III, p. 553. 

37 .') lineolatus Blkr, Verh. Bat. Gen. XXII, Perc, p. 46. 

38 " marginatus Blkr, Nat. ï. Ned. Ind. III, p. 554. 

39 » microcbir Blkr, ibid. V, p. 332. 

40 » monostigma CV ?, Verh. Bat. Gen. XXII, Perc, p. 42. 

41 » octolineatus Blkr, ibid. XXII, Perc, p. 40. 

42 .. Russellii Blkr, ibid. XXU Perc, p. 41. 

43 .. vitta Blkr, ibid. XXII Perc, p. 44. 

44 Therapon Cuvieri Blkr, Nat; ï. N. Ind. VI, p. 211. 

45 .. servus CV, Verh. Bat. Gen. XXII Perc, p. 49. 

46 Priacanthus Blochii Blkr, Nat. T. N. Ind. IV p. 456. 

47 Holocentrum diadema CV., ibid. III, p. 259. 

48 » leonoides Blkr, Verh. B. G. XXII, Perc, p. 54. 



— 196 — 

49 Holocentrum punctatissimura CV., Nat. T. Ned. lud. IV, 

p. 248. 

50 » .sammara CV., ibid. III, p. 555. 

51 » tiereoides Blkr, ibid. V, p. 331. 

52 Myripristis adustus Blkr, ibid. IV, p. 108. 

53 » parvidens CV? ibid. III, p. 260. 

54 » pralinius CV., ibid. II, p. 234. 

55 Percis cylindrica CV., ibid. II, p. 235. 

56 Sphyraeua Commersonü CV. ibid. VII, p. 425. Verh. Bat. 

Gen. XXVI Spliyr., p. 13. 

57 » jello CV., ibid., VII, p. 369 , ibid. XXVI Spliyr., p. 12. 

58 » langsar Blkr, ib. VII, p. 367, ibid., p. 19. 

59 » obtusata CV., ib. VII, p. 364, ibid., p. 17. 
€0 Polynemus kuru Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 600. 

61 Upeneus barberinus CV., ibid. II, p. 172. 

62 » barberinoides Blkr, ibid. III, p. 262. 

63 .) Russellii CV., Verh. Bat. Gen. XXII, Pcrc, p. 62. 

64 » trifasciatus CV., Nat. T. Ned. Ind. II, p. 237. 

65 Upeneoides variegatus Blkr, Verh. Bat. Gen. XXII, Perc, 

p. 64. 

66 MuUoides flavolineatus Blkr, Nat. T. N. Ind. III, p. 697. 

67 » vauicolensis Blkr, ibid. IV, p. 601. 

68 Dactylopterus orientalis CV., ibid. III, p. 264. 

69 Pterois antennata CV., ibid. V, p. 72. 

70 » volitans CV. , Verli. Bat. Gen. XXII, Sclerop., p. 7. 

71 Scorpaena polyprion Blkr, ibid. XXII, Sclerop., p. 7, Iclitli. 

Bali, p. 5. 

72 Scorpaeniclitbys (1) polylepis Blkr 1=: Scorpaena polylepis Blkr. 

Nat. T. Ned. Ind. II, p. 173. 

73 Platyceplialus isacantbus CV., ibid. II, p. 481, III, p. 63, 
64 » loristiger CV., ibid. XII, p. 205. 

75 » Qiioyi Blkr, ibid. XII, p. 206. 

76 Apistus taenianotU3 CV., ibid. III, p. 753. 

77 Synanceia bracMo CV., Verh. B. Gen. XXII, Sclerop., p. 9. 

78 Diagramma crassispinum Küpp, ib., XXIII, Sciaen., p. 26. 



(1) Tot het geslacht Scorpaenichthys breng ik die soorten van Scorpaena, 
welke slechts plocgbeen standen en geene gehemeltetanden bezitten. 



— 197 — 

79 Diagramma Goldmanni Bllcr, Nat. T. Ned. lud. lY, p. 602. 
SO » haematocliir Blkr, ibid. , VI, p. 175. 

81 .) Lessonü CV., ibid. IV, p. 4G3. 

82 .) liueatum CV., ibid. IV, p. 112. 

83 n oriëntale CV. , Verh. Bat. Gen. XXIII, Sciaen. , p. 23. 
81 » plectorhynclios CV., ibid. XXIII Sciaen. p. 20. 

85 » radja Blkr, Nat. T. N. Ind., V, p. 336. 

86 Scolopsides bilineatus CV., Verh. B. G. XXIII, Sciaen., p. 28. 

87 » liueatus QG., Nat. T. Ned. Ind. V, p. 73. 

88 » lycogenis CV. Verh. Bat. Gen. XXIII, Sciaen. , p. 23. 

89 » mouogramma K. v. H. , ibid. XXIII, Sciaen., p. 29. 

90 Heterognathodon bifasciatus Blkr , ibid. XXIII, Sciaen., p. 30. 

91 » xantbopleura Blkr, ibid. XXIII, Sciaen. p. 31, 

Nat. T. Ned. Ind. I, p. 101. 

92 Lethrluu3 latifrons EUpp., Nat. T. N. Ind. II, p. 220. 

93 » opercularls CV, Verb. B.G. XXIII , Spar. , p. 14. 

94 » ornatus CY ^ Lethr. xantbotaenia Blkr, Nat. T. 

N. Ind. II, p. 176. 

95 )) retlculatus CV., ibid. VI, p. 96. 

96 )) rliodopterus Blkr, ibid. III, p. 65. 

97 Caesio cbrysozona K. v. H., Verb. B. G. XXIII, Maen. p. 9. 

98 )) coerulaureus Lac. , ibid. XXIII, Maen., p. 8. 

99 » gymnopterus Blkr, Nat. T. Ned, Ind. X, p. 372. 

100 » pisang Blkr, ibid. IV, p. 113. 

101 Gerres filamentosns CV, Verb. B. Gen. XXIII, Maen., p. 10. 

102 » macrosoma Blkr, Nat. T. N. Ind. VI, p. 56. 

103 .) oyena CV., Verb. Bat. Gen. XXIII, Maen., p. 12. 

104 Cbaetodon auriga Forsk., Nat. T. N. Ind. V, p. 164. 

105 » baronessa CV., ibid. III, p. 239. 

106 » citrinellus Brouss. ibid. V, p. 50. 

107 » dorsalis Rwdt, ibid. II, p. 240. 

108 » epbippium CV., ibid. V, p. 337. 

109 » falcula BI, ibid. VIII, p. 311. 

110 » Kleinii CV. 

111 » lunula CV., Nat. T. N. Ind. V, p. 57. 

112 » nesogallicus CV, ibid. II, p. 40. 

113 .) oligacantbus Blkr, Verh. B. Gen. XXIII, Chaet., 

p. 16. N. T. Ned. Ind. I, p. 105. 

114 " oxycepbalus Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 603. 



■— 19S — 

115 Chaetodon prlncep? CV. , Verh. Bat. Gen. XXIII, Chaef., p. 19. 

116 )» uaimaculatus BI., Nat. T. Ned. Ind. Il, p. 241. 

117 » vagabundus BI, Verh. B. G. XXni, Chaet.p. 18. 

118 )i virescens CV., ibid. XXIII, Chaet., p. 17. 

119 )) vittatus CV., ibid. XXIII, Chaet., p. 18. 

120 Heniochus melanistion Blkr, Nat. T. N. Ind. VI., p. 98. 

121 Zanclus cornutus CV., Verh. B. Gen. XXIII, Chaet., p. 22- 

122 Holacanthus bicolor CV., Nat. T. Ned. Ind. V, p. 77. 

123 » leucopleura Blkr, ibid. V, p. 79. 

124 'I Vrolikii Blkr, ibid. V, p. 339. 

125 Platax batavianus CV., Verh. B. G. XXIII, Chaet., p. 28. 

126 » Boersii Blkr, Nat. T. N. Ind. III p. 758. 

127 ). teira CV., Verh. B. Gen. XXUI, Chaet., p. 28. ' 

128 ). vespertilio CiiT., t=:Pl. Blochii CV., ibid. XXIII, 

Chaet., p. 27. 

129 Pempheris moluca CV, ibid. XXIV, Chaet., p. 30. 
133 )» oualensis CV., Nat. T. Ned. Ind. II, p. 212. 

131 Pimelepterus ternatensis Blkr, ibid. IV, p. 604. 

132 Toxotes jaculator CV, Verh. B. G. XXIH, Chaet., p. 31. 

133 Scomber loo CV., ibid. XXIV, Makr. , p. 35. 

134 Auxls thynnoides Blkr, Nat. T. N. Ind. Vin, p. 301. 

135 Chorluemus sancti Petri CV. Verh. B. G. XXIV, Makr., p. 45. 

136 » toloo CV, ibid. XXIV, ]Makr. p. 45. 

137 Decapterus lajang Blkr, Nat. T. N. Ind. Vni, p. 302. 

138 Selar boöps Blkr, Verh. B. Gen. XXIV, Makr., p. 51. 

139 ). torvus Blkr, ibid. XXIV, Makr., p. 51. 

140 Caranx ekala CV., ibid. XXIV, Makr. p. 59. 

141 V Forsteri CV., ibid. XXIV, Makr. p. £0, Nat. 

T. N. Ind. III, p. 164. 

142 Carangoides blepharis Blkr, ibid. XXIV, Makr , p. 67. 

143 » hemigymnostethus Blkr, ibid. XXIV Makr., p 61, 

Nat. T. N. Ind. I, p. 364. 

144 Gnathanodon speciosus Blkr, Verh. B. G. XXIV Makr. , p. 72. 

145 Equula ensifera CV., ibid. XXIV, Makr., p. 80. 

146 » gomorah CV., ibid. XXIV, Makr., p. 82. 

147 Amphacanthus doliatus CV., Nat. T. N. Ind. IV, p. 605. 

148 )) dorsalis CV., Verh. Bat. Gen. XXIII, Teuth., p. 9. 

149 ., guttatus BI. Schn., ibid. XXIII, Teiuh., p. 10. 

150 » marsaritiferus CV. 



— 199 — 

151 Ampliacantluis marmoratns CV. j=: Ampli. scavoldesBlkr, Nat. 

T. Ned. Ind. IV, p. 262. 

152 5» puellus Sclil. !=!Ampli. cyanotaenla Blkr, ib. IV, p. 606. 

153 « vulpinus .Sclil.MUll. , ibid. IV, p. 135. 

154 Acantliurus celebicn.3 Blkr, ibid. III, p. 162. 

155 ;> matoides CV., Verh. B. Gen. XXIII, Teuth., p. 12. 

156 » scopas CV., Nat. T. Ned. Ind. II, p. 348. 

157 » strigosus Benn., ibid. IV, p. 264. 

158 '» triostegus CV., Verb. B. Gen. XXIII, ïeutb., p. 13. 

159 Naseus amboinensis Blkr !=: Keris amboineusis Blkr, Nat. T. 

N. Ind. III, p. 272. 

160 ') annulatus Blkr t=:Priodon annularls CV., ib. IX, p. 304. 

161 Mugil coeruleomaculatu3 Lac. , ibid. II, p. 484. 

162 » cylindricus CV.?, ibid. IV, p. 266. 

163 •» melanocliir Kv. H., ibid. III, p. 423. 

164 Atlicrina duodecimalls CV., ibid, II, p. 485. 

165 » lacunosa Forsk. , ibid. V, p. 504. 

166 » Temminckii Blkr, ibid. V, p. 50S. 

167 Petroskirtes Temmiuckii Blkr, ibid. II, p. 243. 

168 » Thepassii Blkr, ibid IV, p. 136. 

169 Salarias cyanostigma Blkr, Verli. Bat. Gen. XXII Blenu. 

Gob., p. 18. 

170 >» periophthalmus CV., Nat. T. Ned. Ind. IV, p. 237. 

171 » pliaiosoma Blkr, ibid. VIII, p. 317. 

172 » quadripinnisCV., V. B. G. XXII Blenn. Gob., p. 19. 

173 .) Sebae CV?, Nat. T. N. Ind. X, p. 373. 

174 CalHonymus ocellatus Pall., ibid. VIII, p. 422. 

175 Goblodon erythropliaios Blkr, ibid. XI, p. 409. 

176 Gobius opbthalmonema Blkr, ibid. XII, p. 208. 

177 » phalaena CV., ibid. II, p. 244. 

178 » pantangoides Blkr, ibid. V, p. 242. 

179 Echeaeia neucratesL., Verh. B. G. XXIV, Chlroc, etc. p. 22. 

180 Polypterichtliys Valentini Blkr, Nat. T. N. lad. IV, p. 603. 

181 Fistularia immaculata Comm., Nat. T. N. Ind. III, p. 281. 

182 Amphisile scutata Cuv. , ibid. II, p. 245. 

183 Plesiops coeruleolineatus Rüpp. , ibid. IV, p l'6. 
484 Pseudcxïhroinis fuscus MüU. Trosch, ibid., IX, p 69. 
185 » polyacanibus Blkr, ibid. X. p. 375. 



— 200 ^ 

18G Amphlpriou clirysargurus Riclids. (sub nom. A. xantluirusi 
Blkr), ibid. IH, p. 560. 

187 Pomacentrus bankanensis Blkr (sub uom. P. taeniops CV.J. 

ibid. V, p. 512. 

188 " bifasciatus Blkr, ibid. VI, p. 330. 

189 » katunko Blkr, ibid. III, p. 169. 

190 » moluccensis Blkr, ibid, IV, p. 118. 
196 » nematopterus Blkr, ibid. III, p. 285. 

192 >» notopbtlialmus Blkr, ibid. IV, p. 137. 

193 )» pavo Lac, ibid. II, p. 247. 

194 » taeniometopon Blkr, ibid. III, p. 283. 

191 » tapeinosoma Blkr, ibid. X, p. 376. 

196 Dascyllus aruanus CV., ibid. VI, p. 108. 

197 » melanurus Blkr, ibid. VP, p. 109. 

198 Glypliisodon coelestinus CV., Verh. Bat. Gen. XXI, Labr. 

Cten. p. 15. 

199 » lacryraatus QG-,, Nat. T. N. Ind. VUI, p. 303. 

200 » raliti CV., ibid. III, p. 287. 

201 'J ScMegelii Blkr, ibid. IV, p. 138. 

202 » ternatensis Blkr, ibid. IV, p. 137. 

203 » trifasciatus Blkr, Verb. B. G. XXI, Labr. Cten. p. 19. 

204 )) unimaculatuo CV., Nat. T. N. Ind. IV, p. 28 L 

205 Heliases fraenatus CV., ibid. II, p. 710. 

206 » ternatensis Blkr, ibid, X, p. 377. 

207 » xantbocbir Blkr, ibid. II, p. 248. 

208 Cossyphus macrodon Blkr, Verb. Bat. Gen. XXII, Gladscb, 

Labr,, p. 10. 

209 Cheilio bemicbrysos CV., Nat. T. N. Ind. II, p. 255. 

210 Julis 

211 .. 

212 » 

213 » 

214 » 

215 » 

216 » 

217 n 



218 
219 



Julis) dorsalis QG., ibid. III, p. 564. 

) lunaris CV, V. B. G, XXII, Gladscb. Labr.p. 28. 
Halicboeres) bandanensis Blkr, Nat T. N. Ind. II, p. 254. 
) balteatus QG., ibid. II, p. 253. 
) binotopsis Blkr, ibid, III, p, 731, 
) diescbismenacantbus Blkr, ibid. III, p. 645. 
) diescbi^menaGantboides Blkr, ib. IV, p. 121. 
) Harloffii Blkr, Verb, B. G, XXII, Gladscb. 

Labr, p, 22. 
) Ilartzfeldii Blkr, Nat. T, N. Ind, III, p. 563 
) Hoevenii Blkr, ibid. III, p. 250. 



— 2öi — 

220 Julis (Haliclioercs) interruptus Blkr, ibid. II, p. 252, 

221 » ( .) ) kallosoma Blkr, ibid. III, p. 289. 

222 >. ( » ) leparensis Blkr, ibid. III. p. 730. 

223 » ( » ) miniatus K. v. H. , Act. 8oe. Scient. Ind. N. 

I, Visscli. Manad., p. 60. 
22-i » ( » ) pLekadopleura Blkr, Verh. Bat. Gen. XXII, 
Ichth. Bali, p. 8. 

225 » ( » ) Eenardi Blkr, Xat. T. N. Ind. II, p. 253. 

226 " ( " ) Scliwarzii Blki', Yerh. B. G. XXII, IcLth 

Bali, p. 7. 

227 » ( n ) strigiventer Benn. , Xat. T. N. Ind. II,p. 251. 

228 Noracula pavo Blkr ::::: Xyrioktlirs pavo CV., ibid. X, p. 378. 

229 )) pimctulata CV., ibid. V, p. 170. 

230 » Twistii Blkr, ibid. X, p. 381. 

231 CbeUiniis decacantlius Blki*^, ibid, II, p. 25G. 

232 » radiatus Blkr r= Cli. diagrammus CV. , Verli. B. G. 

XXn Gladscli. Labr. p. 38. 

233 » tetrazona Blkr, Nat. T. Ned. Ind. IV, p. 293. 

234 Scarus aeruginosiis CV?, V.B. G.XXH, Gl. Labr., p. 58. 

235 !) coeruleopunctatusRüpp., Nat. T. N. Ind. VI, p. 110. 

236 » jantliocliir Blkr, ibid. IV, p. 139. 

237 » Quoyi CV., ibid. IV, p. 607. 

238 Callyodon hypselosoma Blkr, ibid. VUT, p. 425. 

239 » raigiensis CV., ibid. II, p. 25G. 

240 Belone cylindrica Blkr, Verli. B. G. XXIV, Snoek., p. F3. 

241 » scliismatorhynclios Blkr, ibid, XXIV, Snoek. ,p. 15, 

Nat. T. N. Ind. I, p. 95. 

242 Hemii-amplius Commersonii CV., V. B.G.XXIV, Snoek., p. 17. 

243 )) Dussumierii CV., ibid., p. 18. 

244 >) Gaimardi CV., ibid., p. 20. 

245 » Eussellii CV,, ibid., p. 17. 

246 Exocoetus mento CV., ibid., p. 21. 

247 Clupeoides macassariensis Blkr, ibid. XXIV, Haring., p. 17 

Nat. T. N. Ind. in, p. 772, 

248 Harengula Kunzei Blkr, Nat, T. N, Ind. XII, p. 209, 

249 » melanurus Blkr, ibid. V, p. 245. 

250 » moluccensis Blkr, ibid. IV, p. 609. 

251 Spratelloïdes argvrotaenia Blkr, ibid. III, p. 457. Vevh. B. 

Gen, XXIV, Har., p. 29. 



— 202 — 

252 SarJiuella lelo^^astroïdes Blkr. Nat. T. N. Ind. VII, p. 255; 

253 Engrauli3 encrasicTioloïdes Blkr, ibid. III, p. 173. Verh. B. 

Gen. XXIV, Har., p 173. 

254 »» Riisselli Blkr, Verh. B. Gen. XXIV, Har., p 38. 

255 Sauru3 .synodus CV., ibid. XXV, Chir. etc. p. 28. Nat. T. 

N. Ind. IL p. '257. 

256 Saurida nebulosa CV., ibid. XXIV Chir. etc, p. 30, ibid. 

III, p. 292. 

257 Rbombus Mogkii Blkr, Nat. T. N. Ind. VII, p. 256. 

258 Oxybeles Brandesii Blkr, ibid. I, d. 276, VII, p. 163. 

259 Moriugua microchir Blkr, ibid. IV, p. 221, Verh. B. Gen. 

XXV, Muraen., p. 66. 

260 Muraena bullata Richds., Nat. T. N. Ind. IX, p. 276. 

261 » colubrina Richds., ibid. VI, p. 335. 

262 » florisiana Blkr, ibid. VI, p, 331. 

263 n isingteena Richds., ibid. IX, p. 277. 
261 " llta Richds., ibid. X, p. 383. 

265 't monochrous Blkr, ibid. X, p. 384. 

266 » Duivenbodei Blkr, ibid. X, p. 385. 

267 » . Troschelii Blkr, ibid. VII, p. 10!. 

268 Arothron virgatus Blkr^j Tetraödon virgatus Richds., Verh. 

B. Gen. XXIV, Blootk. p. 24, N. T. Ned. Ind. 
III, p. 299. 

269 Anosmius Bennetti Blkr;=! Tropidichthys Bennetti Blkr, N. 

T. N. Ind. VI, p. 504. 

270 '» striolatus Blkrir; Tropidichthys striolatus Blkr, ibid. 

VI, p. 503. 

271 Diodon punetatus Cuv , Verh. B. G. XXIV, Blootk., p, 19. 

272 Erythrodon niger Rüpp. ;=i Xenodon niger Rüpp., ib. XXIV, 

Balist., p. 37. 

273 Balistes lineatus BI., Schn. ibid. XXIV, Balist., p. 14, Nat. 

T. N. Ind. II, p. 280, 

274 » praslinus Lac, Verh. B. Gen. XXIV, Balist., p. 24. 

275 Monacanthus Cantoris Blkr, ibid. XXIV, Balist., p. J7, Nat. 

T. N. Ind. III, p. 80. 

276 " Houttiiyni Blkr, Nat. T. Ned. Ind. V, p. 35 F, 

277 .) tomentosus Cuv., Verh., B. G. XXIV, Balist., p. 19. 

278 » trichurus Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 125. 

279 Ostracion cornutus L., Verh. Bat. Gen. XXIV, Ostrac, p. 32. 



— 203 — 

280 Syagnathus ciibicus BI., ibid., p. 35. 

281 » liaematopterus Blkr, N. T. N. Ind. II, p. 250, 

Verb. Bat. Gen. XXV, Trosk., p. 20. 

282 Solenognatbus Blocbü Bna-,X. T. N. Ind. II, p. 259, Verb. 

B. G. XXV, Trpsk., p. 24. 

283 Hippocampus kuda Blkr, ibid. III, p. 82, 306, ibid. XXV, 

Trosk., p. 26. 

284 Taenlura Ijmma ^IH., ibid. III, p. 85, ibid. XXIV , Plaglost., 

p. 78. 



DESCRIPTIONES SPECIERUM Dl AGNOSTICAE. 

Cheilodipteroidei. 

Apogon leptacanthus Blkr. 

Apog. corpore oblongo compresso , altitudine 3i ad 3i in ejus 
longitudine, latltudine 2|- circltei' ia ejus altitudine; capite S| ad 
3| in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis 
diametro 2 et paulo in longitudine capitis, diametro \ ad f di- 
stantibus; linea rostro-frontali ante oculos concava; orbita, osse 
suborbitali, crista praeoperculi intramarginali , suboperculo, in- 
teroperculo osseque suprascapulari edentulis; maxilla superiore 
raaxilla inferiore breviore, sub medio oculo circiter desinente; 
dentibus maxillis pluriseriatis parvis subaequalibus , vomerinis in 
tburmam ^ formem, palatinis utroque latere in vittam gracilem 
dispositis; praeoperculo rotundato, denticulis conspicuis serrato; 
operculo anacantho; dorso elevato; squamis latei-ibus 24 p. m. in 
serie longitudinali, 8 vel 9 in serie transversali ; linea laterali 
singulis squamis tubulo simplice uotata; pinna dorsali spinosa 
spinis gracilibus flexilibus spina 2'i in filura producta; dorsali 
radiosa acuta, non emarginata, corpore non multo liumiliore; 
pactoralibus acutiuscule rotundatis 4i circiter, ventralibus acutis 
6 et paulo, caudali emarginata lobis acutis Q\ ad 3| in longitu- 
dine corporis; anali acuta, leviter emarginata, dorsali radiosa 
humiliore ; colore corpore aureo ; capite fusco arenato ; pinnis roseis, 
dorsali spinosa antice nigricante arenata. 

B. 7. D. 6—1/9 vel 6— /lO. P. 2/12. V. 1/5. A. 2/9 vel 2/10. 
C. 1/15/1 et lat. brev, 

Habit. ïernate, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 42'" et 44'". 



— 20b — 

Aaum. Deze soort is merkwaardig door hare zeer duu- 
ne en buigzame rugdoorneu en draadvormige verlenging 
van den tweeden dier doornen. Reeds door dit kenmerk 
is zij dadelijk van alle overige soorten van Apogon te on- 
derkennen. 

Platycephaloidei. 

Platyceplialus jjristiger CV, Poiss. IV, p. 191. QG. Zool. Voy. 
Astrolabe III p. 685, Atl. I, Poiss. tab. 10 fig. 5, 

Platyceph. corpora elongato depresso, altitudine 8 ad 8|-, lati- 
tudine maxima 5| circiter in ejus longitudine; capita deprasso 
8i ad 3? in longitudina corporis; latitudina capitis 1| ad If in 
ejus longitudine; oculis oblongis diametro Si- ad 3i circiter ia 
longitudine capitis , diametro \ circiter distantibus ; orbitis cirris 
nullis ; rostro absque maxilla superiore oculo non longiore ; spLuis 
utroque latere orbita antice 1 , praeoperculo 4 vel 5 superiore ce- 
teris multo longiore, operculo 2 cristis edentulis, suprascapulari- 
bus 2 , scapulari 1 ; cristis denticulis numerosis scabris utroque latere 
vertica, temporall, supraorbitali, nasali, suborbltalibus pluribus; osse 
suborbitali margine inferiore denticulato ; interoperculo spina mag- 
na antrorsum spectante; naribus anterioribus cii'ro simplice oculo 
multo breviore; maxilla superiore maxilla inferiore breviore sub 
oculi parte anteriore desinente ; dentlbus pluriserlatls parvis , vo- 
merinls in tburmas 2 oblongas distantes, palatiuls utroque latere 
in vittam gracilem dispositis ; squamis ctenoldeis, lateribus 55 p. 
m. in serie longltudinall; linea laterali squamis anterioribus tan- 
tum spiuulls armata: pinnis dorsalibus altitudine subaequalibus 
corpore non vel vix altioribus; dorsali spinosa spina 3" spinis 
ceterls longiore; pectoralibus latls oblique rotundatis 6 circiter, 
ventralibus analem attingentlbus 4 ad 4i, caudali integra leviter 
convexa 5i circiter in longitudine corporis; anali dorsali radiosa 
bumiliore; colore corpore superne roseo-viridi, inferne roseo-mar- 
garitaceo; dorso lateribusque diffuse fuscescente nebulatis; pinnis 
radlis aurantiaco-roseis , membrana roseo-hyalinis ; radiis pinnis 
omnibus, anali tantum excepta , fuscescente variegatis ; pinnis dor- 



— 20G — 

sali splüosa et ventralibus apicem versus, pectoralibus iuferue 
postice et caudali postice fuscescente-violaceis. 

B. 7. D. 1—8—1/10 vel 1/11 P. 2 slmpl. + 11 fiss. + 9 simpl. 

V. i/5. A. 1/10 vel 1/11. C. 13 et lat. brev. 
Syuon. Platycéphale porte-sde CV. Poiss. IV p. 191, QG. 
Zool. Voy. Astrol. III p. 685, Atl. I Poiss. tab. 10 fig. 5; 
Ilabit. Ternate, in mari. 

Amboina, in mari. 
Longitudo 15 speciminiura 65'" ad 161'". 

Aanm. Verwant aan Platyceplialus polyoclon Blkr, on- 
derscheidt onderwerpelijke soort zich daarvan door de ster- 
ke ontwikkeling van den interoperkeldoorn , door grootere 
en minder talrijke schubben , het getand zijn van den on- 
derrand van het onderoogkuilsbeen , korteren kop, enz. Ik 
breng haar tot Platycephalus pristiger CV., omdat zij , of- 
schoon de operkelkamracn bij alle mijne voorwerpen glad 
zijn , overigens zeer goed beantwoordt aan de beschrijvingen 
en aan de afbeelding, welke van Platycephalus pristiger 
CV. bestaan. 

Platycephalus Quoyi Blkr. 

Platyceph. corpora elongato depresso , altitudiue 11 ad 13, lati- 
tudine maxima 6J circiter in ejus longitudlue; capite depresso 
3| ad 3| cii'citer in longitudine corpox'Is ; latitudine capitis 1| cir- 
citer in ejus longitudine; oculis oblongis diametro 4 in longitudi- 
ne capitis , diametro i circiter distantibus ; oi'bitis cirris nullis ; 
rostro absque maxilla superiore oculo vix longiore ; spinis utroque 
latere vertice 5, orbita snperne postice 7, superne antice 1, na- 
sali 1 , suborbitali anteriore 1 , crista suborbitali 2 , praeoper- 
culo 2 superiore inferiore plus duplo longiore , operculo 2 cristis 
edentulis , suprascapulari 2 , scapulari 1 ; interoperculo spina au- 
trorsum spectante nullo; naribus anterioribus cirro simplice oculo 
multo breviore; maxilla superioi'e maxilla inferiore breviore sub 
oculi margine anteriore desinente; dentibus plurisirsatis minimis, 
vomerinis in thurmas 2 oblongas distantes, palatinis utroque late- 



— 207 — 

re iu vittam gracilem dispositie; squamis ctenoideis, lateribus 110 
circiter in serie longitudinali ; linea laterali nullibi spinulis arma- 
ta; pinnis dorsalibus corpora altioribus, radiosa spinosa paulo 
humiliore, spinosa spina 3* spinis ceteris longiore; pectoralibus 
latis oblique rotundatis 7|, rentralibus analem attingentibus 4-| 
circiter, caudali integra leviter convexa 6 circiter in longitudine 
corporis; anali dorsali radiosa multo liuniiliore; colore corpore 
superne roseo-olivascente , inferne roseo-margaritaceo ; dorso late- 
ribusque fuscescente diffuse nebulatis; capite superne, dorso late- 
ribusque punctis sparsis sat nvimerosis nigris ; maxillis fusco va- 
riegatis ; pinnis radiis aurantiacis, membrana roseo-hyalinis ; dor- 
salibus spinis et radiis fuscescente variegatis, dorsali spinosa di- 
midio superiore fascia lata obliqua nigricante; pectoralibus, ven- 
tralibus et caudali maculis diffusis rotundis fusco-violascentibus in 
series transversas dispositis , anaU dimidio inferiore albida. 

B. 7. D. 1—8— 1/10 vel 1/11. P. 2 simpl. + 14 fiss. + 6 simp]; 
V. 1/5. A. 11 vel 12 omn. fiss. C. 13 et lat. brev. 

Syn. Plati/cepkale ponctué QG. Zool. Yoy. Astrolabe, Atl. I, Poiss. 
tab. 10 fig. 2? (nee descript. nee CV.) 

Habit. Ternate, in mari. 
Amboina in mari. 

Longitudo 3 speciminum 155'" ad 198". 

Aanra. Deze soort is na verwant aan Platyceplialus punc- 
tatus CV. en heeft zelfs kop en rug insgelijks met donker- 
bruine of zwarte spikkels geteekend. Overigens heeft de 
onderwerpelijke soort eene geheele andere teekening der 
staartvin en mist ook de breede dwarsche ligchaarasbanden , 
welke Lij Platyceplialus punctatus CV. gewoonlijk duidelijk 
uitkomen. Andere verschillen vind ik nog in de aanmerke- 
lijk talrijker schubben, in jden sterk ontwikkelden vooroog- 
kuilsdoorn, enz. Het komt mij voor, dat de onderwerpe- 
lijke soort door Quov en Gaimard verward is met hunnen 
Platyceplialus punctatus CV. en dat de in de Zoölogie der 
reis van de Astrolabe afgebeelde Platycephalus punctatus de 
hier beschrevene soort is, en niet dezelfde, welke Quoy en 
Gaimard beschreven hebben. 



— 208 ~ 

GOBIOIÜEI. 

Gobius oplithalmojiema Blkr. 

Gob. corpore elongato compresso, altitudiae 7 cLfciter in ejiis 
lougitudme, latitudine IA circiter in ejus altltudlne; capite obtuso 
convexo, 5| cii-citer in longitudine corporis; altitudine capitis 
1| circiter, latitudine 2 fere in ejus longitudine; oculis diametro 
Si circiter in longitudine capitis, valde approxlmatis , totis fere 
in anteriore capitis dimidio sitis; oi'bita superne tentaculo simpli- 
ce oculo xix breviore; capite, regione supraoperculari excepta, 
alepidoto; rostro obtuso convexo oculo breviore; rictu valde obli- 
quo; maxillis aequallbus, superiore sub oculi parte posteriore 
desinente; labiis gracilibus; dentibus raaxilla superiore uniseria- 
tis acutis curvatis subaequalibus , utroque latere p. na. 20; den- 
tibus maxilla inferiore pluriseriatis erectis, lateralibus serie in- 
terna et serie externa seriebus mediis longioribus aequalibus cani- 
nis vel caninoideis nullis, anterioribus serie interna seriebus ce- 
teris longioribus; sulco oculo-operculari conspicuo; squamis fron- 
tem iuter et pinnam dorsalem lm linea media nullis, regione su- 
praoperculari 17 p; m. in serie longitudinali usque sub spina dor- 
sali anteriore; squamis lateribus 55 p. m. in serie longitudinali, 
squamis caudalibus squamis corpore anterioribus multo majoribus; 
appendice anali oblonga rotundata; pinnis dorsalibus basi subu- 
nitis ; dorsali spinosa spinis valde flexilibus 1* in filum producta ; 
doi'sali radiosa corpore humiliore, postice quam antice altiore, an- 
gulata, angulo rotundata, radio 1° flexili; pectoralibus obtusis 
rotundatis venti'ali non longioribus 7 circiter, caudali rbomboidea 
acuta 3|- ad 3| in longitudine corporis: anali antice quam pos- 
tice paulo bumillore , dorsali radiosa non altiore , obtusa, rotundata ; 
colore corpore superne olivaceo, inferne viridescente-margaritaceo; 
lateribus maculis 5 magnis rotundis fuscescentibus in seriem lon- 
gitudinalem dispositis; punctis dorso lateribusque insuper sat nu- 
merosis sparsis nitente fiavescente-viridibus ; pinnis dorsalibus fla- 
vescente-roseis , membrana singulas spinas radiosque inter guttu- 
lis parvis nigricantibus in series 2 dispositis spinis radiisque ap- 
proxlmatis; pectoralibus roseo-aurantiacis , membrana inter singu- 
los radios maculis parvis seriatis nigricantibus; ventrali et anali 
radiis aurantiacis membrana violaceo-fuscis ; caudali roseo-auran- 



— 209 — 

tïaca, membrana dimidio sitperlorc iutcr singulos radlos maculls 
sei'iatis nigricantibus. 

B. 4 D. 6—1/12 vel 6—1/13. P. 19. V. 1/5. A. 1/13 vel l/U. 
C. 27 p. ra. (lat. brev. incl.) 

Ilabit. Ternate, in mari. 

Longltudo specimiuis unici 83'". 

Aanm. Deze soort behoort naar haren bouw, tanden- 
stelsel, beschubbing, enz. tot de groep van Gobius tenta- 
cularis CV., Gobius microlepis Blkr en Gobius belosso 
Blkr. Zij heeft zelfs den oogdraad met Gobius tcntacula- 
ris CV. gemeen, doch onderscheidt zich, behalve door veel 
kortere staartvin en verlengden In rugvindoorn , door eene 
geheel andere kleurteekening van ligchaam en vinnen. Ten 
opzigte deze kleurteekening is zij meer verwant aan Gobius 
microlepis Blkr, maar bij laatstgenoemde soort, van welke 
ik een vijftigtal voorwerpen bezit, ontbreekt standvastig de 
oogdraad, tcrv/ijl er ook de rugvinnen en aars vin hooger 
zijn, de staartviu langer, enz. 



CLUPEOIDEI. 



Ilarengula Kunzei Blkr. 

Ilarengiil. corpore oblongo compresso, altitudiae 4| circiter in 
ejus longitudliiö, latitudine 2 circiter in ejus altitudins; capite 
obtusiusculo 4| circiter in longitudine corporis; altitudiue capitis 
1! circiter in ejus longitudine; vertice utroque latere striis 3 ad 
5 ; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis ; ore antico 
rictu mediocri; rosti-o oculo breviore; linea rostro-frontali declivi 
rectluscula; maxllla superlore sub media pupilla desinente, posti- 
ce denticulis vix conspicuis; maxilla inferiorc paulo prominente, 
sympliysi denticulis tactu magis quam visu conspicuis; dentlbus 
palatinis utroque latere in vittam gi'acllem, pterygoldeis utroque 
latere in thurraam oblongam dispositis, pterygoldeis minimis et tac- 

oe SERIE DL. II. 14 



— 210 — 

tu vix conspicui;;; vomere edenlulo; lingua dimiJio basali linea 
media vitta deutiiim graclli; lineis dorsali et ventrali rotundatis, 
ventrali dorsali nou vel vix convexiore; squamis ctenoideis trans- 
versim tri-ad quinque-striatis, lateribus 45 p. m. in serie longi- 
tudinali; ventre vix cultrato, scutis 30 p. m. postice vix dentatis; 
pinna dorsali postice in anterlore dimidio corporls sita, media 
tertia parte ventralibus opposita, acuta, emarginata, corpore mi- 
nus duplo humillori'; pectoralibus acutis 6^- cir citer, ventralibus acutis 
9 ad 9| , caudali lobis acutis, inferiore superlore vix longiore 5 [ circi- 
ter in lougitudine corporis ; anali luimili dorsali breviore corpore plus 
quadruplo lumiiliore ; colore corpore superne nitente coerulescente- 
viridi, inferne argeuteo; rostro maxillisque antice fuscescentibus ; 
pinnis flavescente-liyaliuis , dorsali autice, caudali postice viola- 
ceo-fuscescente limbatis. 

B. C. D. 4/15 vel 4/16. P. 2/13. V. 1/7. A. 3/11 vel 3/15. C. 
1/17/1 et lat. brev. 

Ilabit. Ternate, in mari. 

Longitudo 2 spcciminum 140'" et 142'". 

Aanm. Deze Ilarengula is na vemvcnnt aan Harengula 
moluccensis Blkr, zoowel in vormen als kleurteekening. 
Bij mijne voorwerpen van Harengula moluccensis, van ge- 
lijke grootte als de bovenbeschrevene exemplaren, gaat de 
kop meer dan 5 maal in de lengte des ligcliaams, is het 
profiel veel spitser en de buik aanmerkelijk scherper. Men 
herkent de onderwerpelijke soort dan ook gemakkelijk van Ha- 
rengula moluccensis Blkr aan haren grooteren kop en 
stompen buik. Ik noem haar ter eere van den heer Kunze, 
aan wien hare kennis te danken is. 

Scrijisl Batavia Calendis Jnlii MDCCCLVI. 



B IJ D R A G E 

TOT DE KEN'XIS DER 

I C H T H Y O L O G I S C H E FAUNA 

VAX HET EILAXD 



N I A S 



DOOR 



Mr. P. SS K< EK 14 EU. 



Van de iclitliyologische fauna van het groote en -wel be- 
volkte eiland Nias "was tot op den tegenwoordigen oogen- 
blik niets bekend. De heer H. Von Rosenberg, derwaarts 
door het gouvernement van Nederlandsch Indië in kom- 
missie gezonden, heeft zich beijverd , de natuurlijke rijkdom- 
men van dit belangrijke eiland op te sporen en daar een groot 
aantal visschen , reptiliën en krustaceën verzameld , welke 
hij met de meeste welwillendheid aan mij heeft afgestaan. 
Over de reptiliën en schaaldieren zal ik elders nader bcrig- 
ten en hier slechts melding maken van de talrijke visch- 
soorten , in die verzameling bevat. De meeste dier visschen 
zijn verzameld aan de zuidkust van het eiland , in de La- 
goendi-baai en Tello-dalam ; andere , voornamelijlc de zoet- 
water-soorten zijn afkomstig van Goenong-sitoli aan de oost- 
kust , terwijl ook eenige soorten werden gevangen te La- 
pou aan de noordkust en te Maros aan de westkust. 

De verzameling bedraagt aan visschen niet minder dan 



— 212 — 

217 soorten, Avelke liieronder alle zijn upgonoemd en alzoo 
eene belangrijke eerste bijdrage tot de kennis der visclifau- 
na A'an ISias geven. Die soorten toonen aan, ■\vat trou- 
Avens te vermoeden was , dat de visclifauna van Nias groote 
overeenkomst heeft met die van Sumatra's -westkust. 

Slechts weinige der gezondene soorten zijn nieuw voor 
de wetenschap. Daartoe behooren Dente.K zysron, Opisto- 
gnathus llosenbergil , Xiphocheilos typus , Belone macrole- 
pis en Monacanthus macrurus, welker beschrijvingen al- 
mede hieronder volgen , 

De gezondene soorten zijn de hieronder genoemde. 

1 Apogon liyalosoma Blkr, Nat. Tijdschr. N. Ind. V, p. 329. 

2 » hypselonotus Blkr, ibid. VIII, p. 309. 

3 )) meliis Blkr, Act. 8oc. Scient. Ind. Neerl. I. Vissch. 

Amb. , p. 27. 

4 » orbicularis K. v. II., Nat. T. N. Ind. III, p. 251. 

5 Chellodiptorus qulnquelineatus CV., ibid. III, p. 253. 

6 Ambassis macracanthus Blkr, ibid. IV, p, 455. 

7 » urotaeula Blkr, ibid. III, p. 257. 

8 Serramis boenack CV., Verli. B. G. XXII, Perc. , p. 31,32 

9 .. celebicus Blkr, Nat. T. Ned. Ind. II, p. 217. 

10 » hexagonatus CV., ibid. VI, p. 191. 

11 .) Hoeveuii Blkr, Vcrh. Bat. G. XXII, Perc, p. 3G. 

12 » micropnon Blkr, Nat. T. N. Ind. III, p. 552. 

13 .» myriaster CV., Nat. T. N. Ind. VI, p. 192. 

14 .) pardalis Blkr, Vcrh. B. Gen. XXII, Perc. p. 37. 

15 " variolosus CV., ibid. XXII, Perc, p. 35. 
IG )) urodelus CV. Nat. T. N. Ind. VII, p. 38. 

17 JNIesoprion annularis CV., Verh. B. G. XXII, Perc, p. 47, 48. 

18 » clirysotaenia Blkr, Nat. T. N. Ind. II, p, 170. 

19 ') decussatus CV., Verh. B. G. XXII, Perc, p. 43. 

20 » erytliropterus CV. !=M. xanthopterygius Blkr, ib. p. -16. 

21 » fulviflamma Blkr, Nat. T. N. Ind. III, p. 554. 

22 .) genibra CV., Nat. T. N. Ind. IV, p. 246. 

23 » Jobnii CV ;=: M. unimaculatus Blkr (nee QG. nee CV)., 

Vcrb. B. Gen. XXII, Perc, p. 42. 

24 )i liucolatus CV. ilud. , p. 40. 



— 213 — 

25 Mesoprlon monostlgraa CY?, Blkr, ihid. p. 42. 
2G )) octolineatus Blkr, Ibid. , p. 40. 

27 .» Russelli Blkr, ibid., p. 41. 

28 Dules marginatus CV., Nat. T. N. Ind. lil, p. 573. 

29 Thcrapon Cuvierl Blkr, ibid. VI, p. 211. 

30 .» servus CV., Vevli Bat. Gen. XXII, Tere, p. 19. 

31 Holocentrum oriëntale CV., ibid. p. 53. 

32 Mjripristis liexagonus CV. !=; M. botclie CV?, ibid. p. 52. 

33 Sphyraena jello CV, ibid. XXVI Spliyraeu p. 12, Nat. T. 

N. lud. VII, p. 369. 

34 » obtusata CV., ibid. p. 17, ibid. VII, p. 3G4. 

35 Sillago malabarlca Cuv, !=: Sillago acuta CV., Verh. B. G. 

XXII, Tere. p. 61. 
oQ Polynemus heptadactylus CV., ibid., p. 60. 

37 )) melanocliir CV., ibid., p. 60. 

38 Upeneus barberinus CV, Nat. T. N. Ind. II, p. 172. 

39 H Rusellli Blkr, Verh. B. G. XXII, Perc, p. 62. 

40 Upeneoides siindaicus Blkr ^ Up. vittatus Blkr ol., ibid. 

p. 63. 

41 ») variegatns Blkr, ibid., p. 64. 

42 )) vittatus Blkr ï:^ Upeneus vittatus CV., ibid., p. 64. 

43 Pterois bracliypterus CV, Nat. T. N. Ind. III, p. 265. 

44 »i kodipungi Blkr, ibid. III, p. 450. 

45 » volitaus CV. Verh. B. Gen. XXII, Sclerop., p. 7. 

46 » zebra CV, Nat. T. Ned. Ind. III, p. 265. 

47 Scorpaena polypi-ion Blkr, Verh. B. G. XXII, Sclerop., p. 7. 

48 Scorpaenichthys gibbosus Blkr :=i Scorpaena gibbosa BI, Schn. 

Act. Soc. Sclent. Ind. Neërl. I, Vissch. Arab. p. 31. 

49 Platycephalus batavlensis Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 460. 

50 '» punctatus CV., ibid. I, p. 25. 

51 » scaber CV, Verh. B. G. XXII, Sclerop., p. 6. 

52 Apistus amblycephaloides Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 250. 

53 » amblycephalus Blkr, ibid. I, p. 27. 

54 » depressifrons Ricluls. !=; Ap. binotopterus BI., ib., I p. 26. 

55 Aploactis trachycephalus Blkr, ibid. VII, p. 451. 

56 Otolithus argenteus K. v. II. , Verh. B. Gen. XXIII, Selaen., 

p. 15, 16. 

57 Corvina Kuhlii CV., ibid., p. 18. 



~ 214 — 

53 Umbrina macropteiTis Blkr, Nat. T. N. Ind. lY, p. 254, 

53 Fristiporaa argyreum CV., Verh. B. G. XXIII Sciaen. p. 22. 

60 )) caripa CV,, ibid., p. 21. 

Cl Diagramraa punctatura Ehr,, ibid., p. 25. 

62 Scolopsides lycogenis CV., ibid., p. 27. 

6.3 D»3ntex ncraatophorus Blkr, Nat. T. N. Ind. V, p. 500. 

64 » ruber CV., Verh. B. Gen. XXIII Spar., p. 12. 

65 ') zysron Blkr, Nat. T. N. Ind. XII, p. 219. 

66 Lethrinus opercularis CV., Verh. B. G. XXIII Spar., p. 14, 

67 Caesio chrysozonus K. v. IL, ibid. XXIII Maen., p. 9. 

68 ') coerulaureus Lac, ibid., p. 8. 

69 » eiythrogaster K. v. H., ibid., p. 9. 

70 Gcrres kapas Blkr, Nat. T. N. Ind. II, p. 482. 

71 » macracanthus Blkr, ibid. VI, p. 195. 

72 » oyeiia CV, Verh. Bat. Gen. XXIII, Maen., p, 12. 
7;> )) macrosoma Blkr, ibid,, VI, p. 50. 

74 Chaetodon baron essa CV., Nat. T. N. Ind. II, p. 239. 

75 1» coUare BI., Verh. B. G. XXIII, Chaet., p. 19. 

76 » vagabundus BI., ibid., p. 18. 

77 Scatophagus argus CV., ibid., p. 21. 

78 Drepane punctata CV., ibid., p. 28. 

79 Platax batavianus CV. , ibid. , p. 28. 

80 » Boersii Blkr, Nat. T. N. Ind. III, p. 758. 

81 ). teira CV, Verh. B. G. XXIII, Chaet., p. 28. 

82 )' vespertilio Cuv.,ï::iPl. Blochii CV,, ibid., p. 27, 

83 Psettus rhombaus CV., ibid., p. 29. 

84 Toxotes jaculator CV. , ibid. , p. 31. 

85 Ophicephalus melanosoma Blkr, Nat. T. N. Ind. II, p. 424. 

86 Chorinemus tol CV, Verh. B. G. XXIV, ]\Iakr..iJ. 43. 

87 )) toloo CV., ibid,, p. 45. 

88 Trachinotu3 Bailloaii CV., ibid., p. 40. 

89 Trichiurus hanmela CV., ibid., p. 41. 

90 Selar boöps Blkr, ibid., p. 51. 

91 » megalaspis Blkr. Nat. T. N. Ind. V, p. 502. 

92 ). para Blkr, Verh. B. G. XXIV, Makr., p. 56. 

93 )j torvus Blkr, ibid., p. 51. 

94 Caranx cynodon Blkr, ibid., p. 57. N. T. N. Ind. I, p. 362. 

95 » Forsteri CV. ibid. p. 57 ibid. I, p. 164, 



— 215 — 

9C Caranx melampygus CV., Na^ T. N. Ind. VI, p. bS. 

97 Carangoides gallichthys Blkr, Verli. B. G. XXIV, Makr., p. CS. 

98 Lactarias delicaüilus CV. ,ibid., p. 74. 

99 Equula ensifera CV. , ibid., p. 80. 

100 » filigera CV., ibid., p. 79. Nat. T. N. Ind. II , p. 165. 

101 .. gomorah CV, Veih. B. G. XXIV, Makr., p. 82. 

102 .) lineolata CV., ibid., p. 83. 

104 Gazza tapeiuosoma Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 2G0. 

105 Amphacanthus dorsalis CV., Verh. B. Gen. XXII, Teutli. p. 9. 

106 » javus CV., ibid., p. 9. 

107 )) Kopsii Blkr., Nat. T. Ned. Ind. II, p. 483. 

108 Mugil coeruleoinaculatus Lac, ibid. II, p. 484. 

109 » cyliudricus CV?, ibid. IV, p. 266. 

110 Petroskirtes bankauensis Blkr;=; Petroskirtes amboinensis Blkr, 

ibid. III p. 727, IV p. 114. 

111 Salarias phaiosoma Blkr, ibid. VIII, p. 317. 

112 » quadripinnis CV., Verh. Bat. Geu, XXII, Blenn. Gob., 

p. 19. 

113 » sumatranus Blkr, Nat. T. Ned. Ind. I, p. 256. 

114 Opistoguatbus Rosenbergii Blkr; ibid. XII, p. 220. 

115 Dinematiclitliys iluocoeteoïdes Blkr, ibid. VIII, p, 319, 

116 Gobius belosso Blkr, ibid. Vil, p. 316. 

117 .) caninus CV., Verh. Bat. Gen. XXII, Gobiod., p. 27, 

118 » decussatiis Blkr, Nat. T. N. lud. VIII, p. 442 . 

119 » nox Blkr, ibid. I, p. 2i8. 

120 » phalaeua CV., ibid, II, p. 244. 

121 )» Voigtii Blkr, ibid. VII, p. 83 ;=! G. xanthotaenia Blkr, 

ibid. IX, p. 308. 

122 Periophthalmus argentilineatus CV., ibid. III, p. 276, 

123 Eleotris Hoedtii Blkr, ibid. VI, p. 496. 

124 " microlepis Blkr, ib. XI, p. 102. 

125 ') porocephalus CV., ibid. V, p. 344. 

126 Butis gyranopomus Blkr :ri Eleotris gymnoporaus Blkr, ibid, 

IV, p. 274. 

127 Culius niger Blkr =3 Eleotris nigra QG., Verh. B. G. XXV, 

Ichth. Béng. p. 105. 

128 Echenels neucrates L., ibid. XXIV, Chiroc. etc, p. 22. 

129 Antennarius notophthalinus Blkr, Nat. T. N. Ind. V, p. 544. 



— 216 — 

130 Antcnnariiis uummift-r Blkr, ibid, VI, p. 497. 

131 Ampliislle scutatii Cuv., ibkl. II, p. 245. 

132 Plesiops coeiuleolineatus Ilüpp., ibkl. IV, p. IIG. 

133 Prcinnas blaculeatus Blkr, ibid. VI, p. 105. 

134 Amphiprion bifasciatus BI. Schn., ibid. III, p. 282. 

135 '» epliippium BI. Sclin., ibid. VIII, p, 321. 
13G » pcrcula CV., ibid. III, p. 287. 

137 » Sebae Bikr, ibid. IV, p. 478. 

138 » xantliurus CV., ibid. IV, p. 480. 

139 Pomaccntrns albifasciatus Sclil. IMüll, ;r; P. leucoplcnra Blkr. 

ibid. VII, p. 85. 

140 » bankanensis Blkr ;:: P. taenlops Blkr ol. nee CV., 

ibid. III, p. 720. 

141 » cyanomo3 Blkr, ibid. XI, p. 80. 

142 » katunko Blkr, ibid. III, p. IGO. 

143 ). pavo Lac, ibid. II, p. 247. 

144 ') pi'osopotacala Blkr, ibid. III, p. G7. 

145 » rliodonotus Blkr, ibid. IV, p, 282. 
14C )) tacnioractopon Blkr, ibid. III, p. 283. 

147 » trimaculatus CV., ibid. IV, p. 481. 

148 .) violascens Blkr, ibid. XII, p. 221. 

149 Dascyllus aruanus CV., ibid. II, p. 217. VI, p. 108. 

150 » xanthosoraa Blkr, ibid. II, p. 247. 

151 Glyphisodon coelestinus CV., Verli. Bat. G. XXI, Gladsch. 

Labr., p, 15. 

152 » mclas K. v. II., ibid., p. 23. 

153 1) modeslus Schl. INIülI., Nat. T. N. Ind. IV, p. 285. 

154 )> rahll CV., ibid., IV p. 287. 

155 >» sc'ptemfasclatus CV., ibid. III, p. 582. 

156 ') triiasclatus BL, Verli. B. G. XXI, Gladsch. La])r., p. 19. 

157 » waiglensis QG. CV., Nat. T. N. Ind. IV, p. 481. 

158 Tautoga lasciata CV., ibid. IV, p. 481. 

159 » nu'lapterus CV.; Verli. Bat. Gen. XXII, Gladscli. Labr., 

p. IG. 
IGO Xiphochellos typus Blkr, Nat. T. Ned. Ind. XII, p. 224. 
IGl Julis (Julis) dorsalis QG., Nat. T. N. Ind, III, p. 5G4. 
1G2 ('))(") l»'^fii"i'5 CV., Verlx. Bat. Gen. XXII, Gladsch. 
Labr., p. 28. 



— 217 — 

163 (Julis) (Ilallclioeresl balteatus QG., Nut. T. N. II Ind., p. 253. 

1G4 { » ) ( " ) casturi Blkr, ibid. Hl, p. 708, 

1C5 ( » ) ( » ) elegaus K. v, IL, ibid, III, p, 289. 

166 ( » ) ( " ) Hoeveuii Blkr, ibid, III, p, 250. 

167 ( •> ) ( » ) Ilyrtlii Blkr, Act. Soc. Sclent. Ind, Necrl, 

I, Vissch. Man., p. 60. 

168 ( " ) ( " ) kallocbroma Blkr, N. T. N. hid. lY, p. 289. 

169 ( '» ) ( » ) kallosoma Blkr, ibid. III, p, 289. 

170 ( " ) ( " ) leparensis Blkr, ibid, III, p, 730. 

171 ( » j ( » ) phekadopleura Blkr, Verb. B. G. XXII, 

leb tb. Bali, p. 8. 

172 ( )) ) ( » ) polyopbthalraus BI., Nat. T. N. Ind. III, p. 731. 

173 ( •' ) ( " ) Vrollkli Blkr, ibid. VIII, p. 323. 
17-1 Cheilinus decacautbus Blkr, ibid, II, p, 256. 

175 » fasciatus CY, Yerb. B, Gen. XXII, Gladscb. Labr, 

p. 31. 

176 Epibulus iusidiator CY, ibid., p. 10. 

177 Arius nasutus CY., ibid. XXI, Siliir. bat., p. 29,30,31. 

178 Clarias leiacantbus Blkr, Nat. T. N. Ind. lY, p. 430. 

179 Plotosus angnillaris Cuv. :z; PI, lineatus CY., Yerb. Bat. Gen., 

XXI, Silur. bat., p. 57. 

180 Barbus kusanensis Blkr, Nat. T. N. Ind. UT, p, 429. 

181 l^elone caudimacula Cuv., Yerb. B. G. XXIY, Snoek., p. 12. 

182 .) macrolepis Blkr, Nat, T, N, Ind, XII, p. 225. 

183 Hemii-ampbus Dussumierii CY., Yerb. B. G. XXIY. Snoek., 

p. 18. 

184 ). Gairaardi CY., ibid., p. 20. 

185 » Quoyi CY., Nat. T. N. Ind. III, p, 491. 

186 Harengiila melauurns Blkr, ibid, Y, p, 245. 

187 » moluccensis Blkr, ibid. lY, p, 609. 

188 Spratella tembang Blki*, ibid, III, p, 774. 

189 Engraulis setirostris CY., Yerb. B. G. XXIY, Har. p. 44. 

190 Saurida nebulosa CY., ibid, XXIY, Cbiroc. etc, p. 30. Nat- 

T. N. Ind. 111, p, 292, 

191 .) tombil CY., Yerb. Bat. Gen. XXIY, Cbir. etc, p. 20, 

192 Acliinis pavoninus Lac ibid. XXIY, Pleur., p. 18. 

193 » poropterus Blkr, ibid. p. 19, Nat. T. N. Ind. I, p. 410. 

194 Anguilla sidat Blkr, Yerh. Bat. Gen. XX Y, IMuracn., p. 17. 



— 218 ~ 

195 Conger talabon Cuv., ibid. p. 18, Nat. T. N. Ind. III p. 77. 

V, p. 456. 

196 Muraena griseo-badia Riclidg , Nat. T. N. lud. VIII, p, 325, 

197 >» isingteena Illclids., ibid. IX , p. 277. 

198 Balistes aculeatus BI. Schn., V. B. G. XXIV, Balist., p. 15. 

199 )> armatus Lac , Nat, T. N. Ind. II, p, 221, Verb. Bat. 

Gen. XXIV, Balist., p. 16. 

200 ') lineatus BI. Scbn., Nut. T. N. Ind. II, p. 260. 

201 )) stellatus Lac, Verb. B. G. XXIV, Balist., p. 13. 

202 » viridescens Lac, Nat. T. N. Ind. VII, p. 375. 

203 Monacantbus cboirocepbalus Blbi-, Verb. B. G. XXIV, Ba- 

list., p. 19. 

204 » macrurus Blkr, Nat. T. N. Ind. XII, p. 226. 

205 Triacantbus Nieubofii Blkr, V. B. G, XXIV Balist., p. 26, 

Nat. T. N. Ind. III, p. 459. 

206 Ostraclon cornutus L., Verb B. G. XXIV, Bal. Ostrac, p. 32. 

207 Gastropbysus lunarls J. Muil, ibid. XXIV, Blootk., p. 12. 

208 Arotbron? kappa Blkr, Nat. T. N. Ind, III, p. 301. 

Verb. B. Gen. XXV, Icbfrb. Béng., p. 160. 

209 )» melanorbyncbos Blkr, Nat. T. N. Ind., IX, p. 111. 

210 " scaber Blkr ^ Tetr. aspilos Blkr, ib. I, Ib. 495 ::i 

Tetr. Kuübardtii Blkr, ibid. I, p. 97, III, p. 79. 

211 » tricboderma Blkr. =i Tetr. tricboderma Blkr, N. T. N. 

Ind. V, p. 532, 

212 Diodon novemraaculatus Cuv„ ibid, III, p, 567. 

213 Solenognatbus Blocbii Blkr, Verb. Bat. Gen. XXV, Trosk. 

p. 24. 

214 Pegasus natans L., ibid,, p. 28. 

215 Cbiloscylllura plaglosum MH., ibid. XXIV, Plagiost. p. 17. 

216 Carcbarias (Pïionodon) menisorrab Vak, ibid., p. 35. 

217 Taeniurus lymma IMIL, ibid. p. 78. Nat. T. N. Ind. III, p. 85. 



DESCRIPTIONES SPECIERÜM DIAGNÖSTICAE. 

SPAROIDEL 

Dentex zys^^on Blkr. 

Dent. corpore elongato compresso, filtitndlne 5 in ejus longitu- 
time, latitudine 2 circiter ia ejus altitudine; caplte convexo 4| 
circiter in longitudine corporis ; altitudine capitis 14- ad l \ in ejus 
longitudine; oculis diametro 3 fere in longitudine capitis; linea 
lostro-frontali decllvi convexiuscula; rostro convexiusculo oculo 
breviore; osse suborbitali striato, obtusangulo, angulo rotundato, 
inferne late emarginato, supra angulum oris oculi diametro plus 
duplo liumillore; maxillis aequalibus, superiore sub oculi dimidio 
anterlore desinente; dentibus maxillis plurlseriatis parvis, serie 
externa utroque latere inaequalibus 30 ad 31, raaxilla superiore 
antice caninis 8 ad 10, maxilla inferiore caninis vel caninoideis nul- 
lis ; praeoperculi squamis in series 3 disposltis , margine posteriore 
medio et inferne denticulis conspiculs serrato; squamis ctenoideis 
lateribus 50 p. m. in serie longitudinali ; pinna dorsali spinis gra- 
cillbus totis osseis non productis posterioribus 8 subaequalibus 
corpore plus duplo humilioribus, membrana inter singulas spinas 
vix emarginata; dorsali radiosa dorsali spinosa paulo altlore postice 
angulata; pectoralibus acutis 4? circiter, ventralibus acutis radio lo 
paulo producto 5| ad 5*-, caudali profunde incisa lobls acutis 4 -| 
circiter in longitudine corporis; anali spina 3^ spinis ceteris lon- 
giore sed parte radiosa emarginata postice acutangula humiliore; 
colore corpore superne roseo, inferne argenteo; pinnis radiis 
roseis , membrana roseo-hyalinis ; dorsali spinosa superne flavo 
marginata et vitta intramarginali dilute violacea; anali vitta 
longitudinali obliqua flava vel coerulescente-margaritacea. 

B. G. D. 10/9 vel 10/10. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/7 vel 3/8. C. 
1/15/1 et lat. brcv. 



220 

Ilal/it. Nias, in marl. 
Longltudo speclminis unici IG5'". 

Aanm. Deze soort staat in A'erwaiitscliap tussclien Den- 
tex niesoprion Blkr en Dentex nematopus Blkr. Yan eerst- 
genoemde ondersclicidt zij zich door slanker ligcliaam , be- 
trekkelijk aanmerkelijk lager en uitgerand onderoogkuilsbeen , 
talrijker schubben , betrekkelijk langere rugdoornon, grootere 
oogen , grootere tanden in de buitcnreijen der kaken , enz. 
Dentex nematopus Blkr onderscheidt zich van de onder- 
■\verpelijkc soort voornamelijk door den zeer verlengden buik- 
vindraad, -welke de lengte der gelioelo buikvin nog geene 4 
maal doet gaan in de lengte des ligchaams , en voorts door 
aanmerkelijk boller profiel en stomperen bolleren snuit, 
grooteren kop, aanmerkelijk grootere achterste dan middelste 
en voorste rugdoornen , enz. 

Ik heb den soortnaam ontleend aan den zaagsgewijzcn 
achterrand van het preoperkel, welk karakter de soort in 
nog hoogere mate bezit dan de genoemde verwante soorten. 

BLEXNIOIDEI. 

O piston natlius Roseuher<ju Blkr. 

Opist. corpore elongato compresso, altitiKTIuL' 5 fere hi ejus lon- 
gltudaie ab apice rostri usque ad basla plnnae caudalls, latitudi- 
ne |A cu'citer in ejus altltudine; capite obtuso convcxo, 3} clr- 
clter in longltudine corporls ab apIce rostri usquo ad basiii pin- 
nae caudalls; altltudine capltis IJ- circlter In ejus longltudine; 
oculis diametro 21^ ad 2-^ in longltudine capltl.?, minus diametro 
\ distantlbus; linea rosfro-frontali valde convexa; rostro brevis- 
simo; narlbus anterioribus cirro brevi sinipUce; maxilla superiorc 
maxilla inferiore paulo longlorc, 1? circlter in longltudine capltis, 
post oculum producto sed longe ante praeopercull margincm 
posterlorem dcsluente, poslice obtuso rotundato; rlctu sub oculi 
parte postcrlore deslucute; dentlbus maxIIH:s plurlserlatls, serie 



— 221 — 

extenia couicis plu? mlnusve curvatls sorlebus iuternis multo raa- 
joiibus; vomere edentulo; froato rngosa; caplte, micha ventrcque 
ante pliinas ventrales alepidotis; squarais cycloiJeis se invicem 
tegentibus lateribus CO? p. m. in serie longitudiuali ; linea laterali 
liueae dorsali raaxirae approximata , supra anteriorem qnartam 
partem pinnae analis desincnte; pinnis (omnibus ex parte abrup- 
tis); coloribus (incertis). 

B. 6. D. 11/13 vel 11/U. V. 2/18? Y. 1/5. A. 2/13 vel 2/11. 
C. 22 p. m. (lat. brev. incl.). 

llabit. Nias, in mari. 

Longitudo speciminis unici ab aplco ros tri usque ad basin piu- 
nae caudalis 99'". 

Aanm. Mijn voorwerp bevindt zich in een' zeer gebrek- 
kigen toestand van bewaring, zoodat ik mij van eene be- 
schrijving der vinnen en kleuren moet onthouden. De aan- 
gegevene kenmerken zijn evenwel duidelijk waargenomen 
Ivunnen worden en voldoende om vast te stellen , dat de 
soort zeer groote verwantschap heeft met Opistognathus 
Cuvieri Val. (Hist. Poiss. XI p. 371 tab. 343), welke in 
den Atlantischen Oceaan aan de kust van Zuid- Amerika 
schijnt te leven. Opistognathus Cuvieri zou volgens de be- 
schrijving van den heer A'alenciennes de volgende karak- 
ters bezitten , door welke zij van onderwerpelij ke soort ver- 
schilt „oog 3;^ maal in de lengte van den kop; 2 kleine 
ploegbeenstanden (onzeker kenmerk); D. 10/18. A. 2/16". 
Ik zie voorts bij mijn voorwerp zelfs geen spoor van blaauwe 
of zwarte rugvinvlek , niettegenstaande de voorste helft de- 
zer vin vrij gaaf is. 

Ik noem de hier beschrevene soort ter eere van haren ont- 
dekker, den heer Von Rosenberg, aan wiens ethnographi- 
sche onderzoekingen van het eiland Nias en de groepen Ba- 
toe en Mentawei de wetenschap belangrijke mededeelingcn te 
danken heeft. 



— 222 — 

LABROIDEI CTEXOIDEL 

Pomacentrus vlolascens Blkr , Nat. ïijdsclir. Ned. Ind, 
YI, p. 318 

Pomac. corpoi-e oblongo compresso, allltudiue o\ ad 4 fere iu 
eju3 longitudme, latitudiiie 2 ad 2\ iu ejiis altitudine; caplte 
obtuso coavexo i\ ad 5 in lougltudine corporis, aeque alto clr- 
clter ac longo; oculis diametro 2| ad 3 f ere in longltudiue capi- 
tis; liuca rostro-trontali convexa; osse suborbitali sub oculo oculi 
diametro plus triplo humillorc, nou emarginato, edeutulo; denti- 
bus maxillii truucatis, maxilLi superiore p. m. 36, maxilla iu- 
fei'iore p. m. 30; praeoperculo obtusaugulo angulo rotuudato, 
raar^-iue posteriore dentibus parvis parura conspicuis; operculo 
postice spinulls 2 planis ; linea laterali sub auteriore dimidio piu- 
uae dorsalls radiosae interrupta; squamis lateribus 27 p. m. in 
serie longitudinali; pinua dorsali spina postica spinis ceteris lon- 
giore, raembraua interspinali valde emarginata lobata; dorsali 
radiosa acuta dorsali spinosa multo altiore radiis mediis plus 
miuusve in fila productis ; pectoralibus obtusiusculis rotundatis 5 ad 
5^, ventralibus acutls radio ioiu filum producto 4§ circiter, caudali 
profunde emargluata lobis acutis radiis intramarginalibus plus mi- 
nusve iu fila productis 3 ? ad 3 J in longitudine corporis ; anali acuta 
radiis mediis plus minusTe in fila productis ; colore corpore superne 
violaceo , iuferne margaritaceo-argenteo ; squamis corpore superne 
lateribusque singulis vitta transversa dilute coerulea; capite coe- 
rulescente margaritato; regiouibus suprascapulari et axillari ma- 
cula macrna nitide viridi-coerulea ; cauda postics pinnaque caudali 
tota pulcbre iiava; dorsali spinosa tota et doi-sali radiosa dimidio 
anteriore violaceo-fusca, dorsali radiosa dimidio posteriore flava; 
pinnis pectoralibus , venti'alibus analique roseo-flavescentibus, 
pectoralibus basi superne vittula transversa violascente-fusca. 

B. 5. D. 13/10 vel 13/11. P. 2/15 vel 2/16. V. 1/5. A. 2/10 
vel 2/11. C. 1/13/1 et lat. brev. 

Syn. Pristotis vlolascens Blkr, Contrib. icliLb. Sumbawa, in Journ. 
Ind. Archip. II, 1848, p. 637. 

Habit. Nias, in mari. 

Blma, Sumbawae insulae, iu marl. 



— 223 — 

LoDgitudo i specimiuum 49'" ad CO"'. 

Aanm. Ik besclireef deze soort reeds in 1S48 naar 3 klei- 
ne minder goed bewaarde exempLaren , Lij Avelke de vinstra- 
len gedeeltelijk afgebroken "svaren en de kleuren veel gele- 
den hadden. Mijne 4) voorwerpen van Nias bevinden zich 
daarenten-en in eenen uitmuntenden toestand van bewaring-, 
zoodat ik de soort hierboven naauwkeuriger en uitvoeriger 
heb kunnen beschrijven. Zij is verwant aan Pomacentrus 
simsiang Blkr en Pomacentrus pavoninus Blkr, doch be- 
halve door verschillende andere kenmerken , reeds gemak- 
kelijk van deze soorten te onderscheiden door hare 10 of 11 
rug- en aarsvinstralen , welke bij beide genoemde soorten 
14 of 15 in getal zijn. 

LABROIDEI CYCLOIDET. 

XlPHOCHEILUS Blkr. 

Dentes maxillis e crista communi oriuntes, uniseriati vel 
subbiseriati, obtusi; canini insup)er utraque maxilla antice 4 
externi magni divergentes. Dentes pharyngeales conico- 
gramformes. Labia lata sed tenuia, superius subensiforme , 
ore clauso totum fere sub cute suborbitali occultum. Caput , 
regione oculo-maxillari , rostro et maxilla inferiore exceptis, 
squamis tectum. Maxilla superior vix vel non protractilis. 
Praeoperculum denticulatum. Linea lateralis continua. Pin- 
nae, caudalis excepta, alepidotae. Membrana branchiostega 
radiis 6. Spinae dorsales 12, anales 3. 

Aanm. Dit geslacht is voornanTelijk kenbaar aan zijne 
eigenaardige lipvorming. De bovenlip is er zamengedrukt en 
heeft daardoor eene min of meer sabelvormige gedaante. Deze 
lip , alsmede de bovenkaak , met uitzondering slechts van het 
voorste gedeelte, in hetwelk de hondstanden zijn ingeplant. 



— 221 — 

verbei'ot zich, bij gesloten bek, onder het beneclenwaarts 
vliesvormig verlengde ondcroogkuilsbeen , lietAvelk eene ge- 
heel eigenaardige uitdrukking aan het gelaat geeft. Andere 
kenmerken A-an het geslacht , door welke het van verwante 
geslachten der Gladschubbige lipvisschen verschilt, zijn gc- 
leo-en in de G kleuwstralen en 12 rugdoornen , in het getand 
zijn des preoperkels, in de groote schubben, waarmede kruin, 
voorhoofd, operkel en preoperkel zijn bedekt, in de schub- 
vrijc rugvin en aarsvin , enz. Het geslacht behoort geplaatst 
te worden nabij Cossyphus CV. 

Xlphochellos tl/pus Blkr. 

Xiphoch. coi'pore oblongo compresso, alllliullno 4l circltcr iu 
cjiis longitmline, latitudine 2 circiter in ejus altltiuline; capite 
obtuso convexo il cu-citer iu longitudine corporis, aeque alto ac lou- 
oq; oculis diametro oj ad o\ iu longltudiue capltis, diametro | 
ad ? clistauLlbus; linea rostro-frontali decllvi rectiuscula; maxillis 
subacqualibus , superlore sub ocull pavte posterlore desinente; deii- 
tlbus maxillls coerulescente-vlridlbus, canlnis maguis, exteruis 
valde divergeutlbus internis multo raajoribus ; maxIUa superlore 
au""ulo oris dente prominente curvato acuto; labio superlore ensi- 
formi pendulo margine inferlore convexo postice autem emargiua- 
to; osse suborbitali cum cute suborbitali oculi diametro non vel 
vlx liumiliore; squamis capite niagnls, pracoperculo triseriatis; 
pracoperculo subrectangulo angulo rotundato, margine pos teriore den- 
tibus parvis numerosissimis serrato, limbo alepidoto ; membrana oper- 
culari lata angulata obtusa; dorso elevato convexo; veutre rec- 
tlusculo; squamis magnis, laterlbus 28 in serie longltudinali; linea 
laterall valde curvata, singulis squamis tubulo subsimplice notata; 
pinna dorsali spinosa dorsali radiosa humiliore, spinis medlocribus 
postrorsum scnsim accrescentibus, posterioribus ceteris longioribus 
corpore plus duplo humllloribus, membrana interspluali parum 
emaro'Inata; dorsali radiosa acuta, radio longissimo 1*- cix-citer 
in altitudlne corporis; pinnis pectoralibus acute rotundatis 5^ ad 
51, veutralibus acutls 6 fere, caudali convexa augulis acuta an- 
gulo superlore paulo producta G circiter in longitudine corporis; 



— 225 — 

anali acuta dorsali radiosa non liumiliore ; colore corpore superne 
pulchre olivaceo, iuferae olivascente-roseo, regione tlioraclco-oper- 
culari aurautiaco; vittis corpore p'mulsque dilute coeruleis vio- 
laceo limbatis utroque latere capite 3, anteriore rostro-ocu- 
lari cui'vata apice rostri cum vitta lateris oppositi unita, media 
oculo-intermaxillari auteriori subparallcla , posterlore opercnlo- 
postoculo-iuframaxillari angulum oris secante; interoperculo vit- 
tis 2 obliquis margaritaceis brevibus ; vlttis corpore coeruleis trans- 
versis postrorsum descendentibus obliquis subuudulatis subiuterrup- 
tis 25 vel 2G; piuua dorsali hyalino-rosea, vittis 2 vel 3 longi- 
tudiualibus margaritaceo-coeruleis marglui plunae superior! ap- 
proximatis; pectoralibus et ventralibus aurantiaco-roseis, ventra- 
libus autice coerulescente marginatis; anali axirantiaco-flava vittis 
numerosis transversis longioribus et bi'evioribus coeruleis; caudali 
flavo-aurantiaca medio coeruleo-violascente , vittis 8 p. m. trans- 
versis undulatis dilute coeruleis. 

B. 6. D. 12/8 vel 12/9. P. 2/U. V. 1/5. A. 3/10 vel 3/11 C. 
1/12/1 et lat. brev. 

Habit. Nias, in mari. 

Longitudo speciminis unici 128'". 

ES0CE3. 

Belone macrolepis Blkr. 

Belon. corpore elongato, altitudine 13 circlter in ejus longitu- 
dine , aeque lato circiter ac alto ; linea rostro-frontali concava ; 
ossibus frontalibus paruni striatls; capite 2| circiter, rostro 3| 
ad 3| in longitudine corporis; rictu maxillis clausis postice biante; 
maxilla iuferiore superiore longiore ; dentibus maxillis caninis erectis 
obliquis paulo postrorsum spactantibus ; palato glabro; oculis diame- 
tro 3 fere in capitis parte postoculari, diametro 1 et paulo distan- 
tibus; membrana iuframaxillari valde couspicua; osse suborbitali 
alepidoto; squamis corpore 125 p. m. in serie longitudinali; linea 
laterali ventrali pinnam caudalem attingente; cauda carina nuUa, 
postice altiore quam lata; pinna dorsali radio 1° radio anali 6o 
opposita, paulo post iinem analis desinente, anali multo breviore, 
acuta, emarginata, autice corpore non vel vix, postice corpore 
3e SEKIE DL. II. 15 



— 226 — 

plu9 duplo liumiliore ; pectoralibus aeutiusculis margine posterlore 
convexis ventralibus angulatis duplo fere, capitls parte postocu- 
lari paulo longlorlbus, 6 et paulo in longitudine corporis absque 
capite ; ventralibus postice iu 3a quiata corporis parte sitis ; anali 
multo liumiliore quam basi longa , antice dorsali multo altiore, acuta 
emarginata ; caudali integra margine posteriore convesa , angulo infe- 
riore acuta, angulo superiore obtusa rotundata; colore corpora 
superne viridi, inferne margaritaceo ; vitta pleuro-caudali argentea 
diffusa, ante pinnam dorsalem vix conspicua; pinnis membrana 
margaritaceo-hyalinis radiis flavescentibus ; dorsali et anali me- 
dio maculis diffusls profunde violacels fasciam longltudinalera sub- 
efficlentlbus ; pectorallbus basi superne macula magna violacea 
facie pinnae posteriore praesertim conspiqua. 

B. 10. D. 1/12. P. 1/10. V. 1/5. A. 1/15. C. 1/13/1 etlat.brev. 

Habit. Nias, in mari. 

Longitudo speciroinis unici. 

Aanm. Deze soort is gemakkelijk herkenbaar aan hare 
bolle staartvin , langen kop en bek , betrekkelijk groote schub- 
ben , gering aantal rugvinstralen en voorts aan de hoogte der 
aarsvin met betrekking tot hare lengte, violette vlek aan de basis 
der borstvin , afwezigheid van staartklel , enz. Zij is na ver- 
Avant aan Belone Urvillei Val. van Vanikoro, doch bij deze 
soort is het onderoogkuilsbceu beschubt, zijn de borstvinnen 
langer (gaande slechts 5 maal in de lengte des llgchaams 
zonder den kop) , is de aarsvin even hoog als lang en heeft 
de rugvin een straal minder. 

BALISTINI. 

Monaccmthus macrurus Blkr. 

Monac corpore oblongo compresso, diametro dorso-anali 3 1 ad 
3J in ejus longitudine, latitudine 2 J ad Sin diametro dorso-anali; 
capite acuto 3 1 ad 4 in longitudine corporis, aeque alto circiter 
ac longo; oculis diametro 3 ad 3| in longitudine capitis; linea 
rostro-frontali declivi concava; rostro acuto junioribus oculo da- 



— 227 — 

plo , aetate provectioribus oculo plus duplo longiore ; deutibus ma- 
xilla superiore externis 6 , augularibus valde obtusis , ceteris acutis, 
maxilla iuferiore 4 acutis emai'giuatis ; apertura branchiali ante 
mediani basin pluuae pectoralis desioeute longitudiue ocuU diame- 
trum subaequaute; cute toto corpore spinulis brevibus simplicibus 
scabra, squamis singulis plui'identiculatis ; linea laterali vlx vel 
non conspicua; cauda setis vel spiuis majoribus nullis; spina dor- 
sali P supra medium oculum iuserta, rostro non vel vix breviore 
mediocri, scabra, antice et postice dentibus sat magnis biseriatis 
divergentibus armata; spina dorsi 2^ oculo vix breviore; dorsali 
radiosa analique obtusis convexis diametro dorso-anali minus qua- 
druplo ad plus quadruplo humilloribus , radiis simplicibus; pec- 
toralibus obtusis convexis capite plus duplo brevioribus; ventrali 
trlangulari squamis majoribus polyacanthis valde scabra, spina 
vix iafra piunam prominente dentibus mediocribus armata, radiis 
membrauam convexam non vel vix superantibus ; caudali obtusa 
convexa 05 ad 4| in longitudine corporis; corpore aurantiaco, fus- 
co plus minusve nebulato et guttulis sparsls violaceo-fuscis irre- 
gulariter notato; pinnis membrana liyalinis, radiis aurantiacis ; 
caudali membrana fuscescente vel violascente et superne et interne 
basin versus macula oblonga profunde coerulea. 

B 5. D, 2—29 (omn. simpl.) P. 11 (omn. simpl.). A. 27 vel 28 
(omn. simpl.), C. 1/10/1. 

Habit, Nias, in mari. 

Lougitudo 4 specimiuum 54'" ad 134'", 

Aanm. In verscliillende AToeger door mij gepubliceerde 
verhandelingen heb ik IG soorteuvan Monacanthus beschre- 
ven , alle , met uitzondering slechts van Monacanthus ko- 
muki Blkr van Japan, in den Indischen Archipel gevangen. 
Yan die IG soorten waren sleclits 4 in de wetenschap be- 
kend en beschouwde ik 12 als nog onbeschrevene soorten. 
In de Annales des Sciences naturelles, 4e Serie, Ie Jaar- 
gang, Deel 2 1^0.6 hladz. 321 -SGG, Iieeftde heer Ilollard, 
als vervolg op zijne Monographie des Balistides beschreven de 
in het Museum van Natuurlijke Historie te Parijs aanwe- 
zige soorten van Monacanthus , onder welk geslacht hij ook 
de soorten van Alutarius begrijpt. 25 diersoorten behoorcn 



— 228 — 

tot Mouacanthus in engeren zin , welke de heer IIolLard tot 
een ondergeslaclit brengt onder den naam van „Monacan- 
tlies proprement dits'' De heer llollard heeft in dat artikel 
sleclits gedeeltelijk kennis genomen van de door mij vóór liem 
beschrevene soorten van Monacantlms. 

Mijne voorwerpen kan ik tot geene der thans bekende 
soorten terugbrengen. Zij behooren tot eene eigene species, 
welke gekenmerkt is voornamelijk door hare lange staartvin 
en het gering aantal vinstralen. 

Scrijysi Batavia Calcndis Junli MDCCCLVI. 



DERDE BIJDRAGE 



TOT DE KENNIS DER 



ICHTHYOLOGISCHE FAUNA 



VAN DE 



BATOE-EILANDEN (f) 



DOOR 



»r- 1". SS li ï: &: ii eü es. 



In mijne bolde vroegere bijdragen tot de kennis der viscli- 
fauna van de Batoe-eilanden somde ik 91 visclisoorten op, 
welke mij van daar waren geworden door nu wijlen den 
majoor II. Scliwenk en den heer J. J. Scliellart. Eenige 
weken ireleden ontvino; ik van daar eene nieuwe verzame- 
ling , bestaande uit 83 soorten , welke ik weder te danken 
had aan den majoor Schwenk , welke die soorten voor mij 
deed bijeenbrengen , kort voor dat liij op het eiland Kias 
den heldendood vond. Yan die S3 soortcji waren de meeste, 



(1) Mijne beide vroegere bijdragen over dit onderwerp zijn op- 
genomen ia liet Xatiiurkundig Tijdschrift voor Nedcrlandsch 
ludië, t. w. 

Bijdrage tot do kennis der iclithyologlsclie fauna van de Batoc- 
eilanden. Dl. VIII (1855), p. 305—328. 

Tweede Bijdrage tot de kennis der iehthyologischc fauna van 
do Batoe-eilanden. Dl. IX (1855), p. 05—72. 



— 230 — 

niet minder dan 54, nog niet van de Batoe-eilanden bekend 
en alzoo kan de kennis der visclifauna van die eikinden- 
groep daardoor weder eene niet onbelangrijke scliredo voor- 
waarts maken. De bedoelde 83 soorten zijn de volgende. 



1 * Clieilodipterus octovittatus 29 *Cae.?io eiythrogastcr K.v.Iï. 

CV. 30 *;GeiTes kapas Blkr. 

2 *Apogon melas Blkr. 31 *Cliaetodon dorsalis Rwdt. 

3 *DIploprion bifasciatum K. 32 »> vagabundus BI, 

V. II. 33 » vittatus CY. 

Serranus bexagonatus YC. 34 Ilolacantbus mesoleucos CV, 

35 *Platax orbicnlaris CV. 

36 )) teira CV. 

37 *PimeIepteru3 lembus CV. 

38 *Toxotc3 jaculator CV. 
39* Ampliacantlius coralliuus CV. 



4 
5 
G 
7 
8 
9 
10 



* )) microprlon Blkr. 

* » myriaster CV. 

* Mesoprion bottonensis Blkr. 

* >) qiT^riguttatus Blkr. 

* » RussoUü Blkr. 
Tlierapou servus CY. 

11 * Priacantlius Bloclili Blkr. 

12 *Holocentrum leo CV. 

13 * ») oriëntale CV. 

14 Myripristis adustus Blkr. 

15 * >» murdjan Rüpp. 

16 *Upeneus Russcllii CV. 

17 *Pterois kodipungi Blkr. 

18 » volitans CV. 

19 » zebra CV. 

20 Scorpaena polyprlon Blkr, 
22 Scorpaeniclitliys 

Blkr. 



40 )) guttatus BI. 

41 1) margaritiferus CV. 

42 *Acantkuru3 leucosternon 
Benn. 

43 1» scopas CV. 

44 » strigosus Benn. 

45 Naseus annulatus Blkr, 

46 * » frontlcornis Comm. 

47 *, )) bcxacantlius Blkr. 

48 *MugII coeruleo-maculatus 
Lac. 

polylepis 50 * Salarias perioplitlialmits CV. 
51 » quadripinuis CV. 



22*Platycepbalu3isacanthu3CV. 52 Dinematicbtbys iluocoeteoï- 



23 *Diagramma crassispinum 

Rüpp. 

24 * » Sebae Blkr. 

25 *Scolopsides lycogenis CV. 

26 * »» iiiargaritifer CY. 

27 *Pagru3 beterodon Blkr. 

28 *Caesio coerulaureus Lac. 



des Blkr. 

53 *Fistularia immaculata Comm. 

54 *Polyptericlitliys Yalentini 

Blkr. 

55 Ampbisile scutata Cuv, 

56 Plesiopg coeruleoliueatus 

Rüpp. 



— 231 — 

57 Amphiprion ephlpplum BI, 70 Saiiriis synodua CV. 

Sclm. 71 *Rhombus pantheriaus Rüpp, 

58 * Pomacentrus trixnaculatus 72 ^Morlngua microclür Blkr. 

CV. 73 *Conger vulgaris Cuv. 

59 Dascyllus aruaung CV. 74 * Muraena batuensis Blkr. 

60 Glypliisodon trilasciatus Blkr. 75 » colubrina Riclids. 

61 Tautoga melapterus CV. 76 » isingteena Riclids. 

62 *Juli3 (Julis dorsalis QG-. 77 * » tessellata Riclidg. 

63 * » (Haliclioeres) balteatus 78 * Arotliron calaraaroïdes Blkr. 

QG-, 79 * » scaber Blkr. 

64 * » { » ) batuensis Blkr. 80 Diodon novemmaculatus 
65*1) ( » ) elegans K.v.H. Cuv, 

66 * » ( » ) polyoplitlial- 81 Balistes lineatus BI. 

mus Blkr. 82 * jMonacanthus janthinosoma 

67 *Cheiliuus oxycepbalus Blkr. Blkr. 

68 *Scarus aeruginosus CV. 83 Ostracion cubicus BI. 

69 * » sumbawensis Blkr. 

De soorten , •welke nog niet in de lijsten der fauna van de 
Batoe-groep waren ingesclireA'en , zijn de met een * gemerkte. 
Daarvan zijn tevens nieuw voor mijn kabinet Acanthurus 
leucosternon Benn., Naseus fronticornis Comm., Julis (Ha- 
liclioeres) batuensis Blkr en Muraena batuensis Blkr ; nieuw 
voor de fauna van Xederlandsch ludië, Acanthurus leuco- 
sternon Benn,, Julis (Haliclioeres) batuensis Blkr, Conger 
vulgaris Cuv. en Muraena batuensis Blkr, en nieuw voor 
de wetenschap Julis (Halichoeres) batuensis en Muraena 
batuensis Blkr. 

De soorten , thans van de Batoe-groep bekend zijn de 
hieronder genoemde 145. 

SPECIES PISCIUU BATÜENSES HUCUSQÜE COGXITAK. 

1 Cbeilodipterus cctovlttatus CV ;=i Ch lieptazona Blkr , Veirh. 

Bat. Gen. XXII, Perc- p. 
2"^ » quinquelineatus CV,, Nat, Tijdschr. N. Ind. III, p. 253. 

3 Apogon bypselonotus Blkr, ibid. VIII, p. 309. 

4 )) melas Blkr, Act. Soc. Scient. Ind. Neêrl. I Vissch. 

Amb, p. 27. 



— 232 — 

5 Apogon uovcmfasciatus CV., Nat. T. Ncd. Intl. lïl, p. 1C3. 
G Diiiloprion bifasciatum K. v. H., ibkl. Yl, p. 208. 

7 Grammistes orientalis BI. Schn., ibid. TV, p. 105. 

8 Serranus hexagonatus CV., ibid. VI, p. 191. 

9 » microprion Blkr, ibid. III, p. 552. 

10 » myrlaster CV., ibid. VI, p. 192. 

11 » uropbthalmus Blkr, ibid. VIII, p. 310. 

12 Mesopx-ion bottoncnsis Blkr ;r; 'M. jantliinurus Blkr, i]>id 11. 

p. 170, VI, p. 52. 

13 » quadriguttatus Bllcr, ibid. II, p. 233. 

14 .) llussellii Blkr, Verh. Bat. Gen. XXII, Tere, p. 41. 

15 Therapon servus CV., ibid., p. 49. 

IG Priacanthus Blocbii Blkr, Nat. T. N, Ind. IV, p. 456. 

17 Ilolocentrum diadema CV., ibid. III, p. 259. 

18 » leo CV, ibid. VII, p. 355. 

19 .» leonoides Blkr, Verb. B. Gen. XXII, Perc, p. 54. 

20 » oriëntale CV., ibid. p. 53. 

12 Myripristis adustus Blkr, Nat. T. Ned. Ind. IV, p. 108. 

22 » murdjan Rüpp., ibid. IV, p. 109. 

23 Upeneus llussellii CV., Verh. Bat.. Gen. XII, Perc, p. Gl. 

24 Pterois kodipungi Blkr, Nat. T. Ned. Ind. III, p. 450. 

25 » Yolitans CV., Verb. Bat. Gen. XXII, Sclerop., p. 7. 
2G )> zebra CV, Nat. T. Ned. Ind. III, p. 2G5. 

27 Platycepbalus isacantbus CV., ibid. II, p. 481, III, p. 63. 

28 Scorpaena polypriou Blkr, Verb. B. G. XXII, Selerop. p. 7. 

29 Scorpaenicbtbys polylepis Blkr z^ Scorpaena polylepis Blkr, 

Nat. T. N. Ind. II, p. 173. 

30 Synanceia brachio CV., Verb. B. Gen. XXII, Sclerop. p. 9. 

31 Diagramma crassispiuum Rüpp., ibid. XXIII, Sciaen., p. 26. 

32 » Sebae Blkr, ibid. p. 24. 

33 Seolopsides lycogenis CV., ibid. p. 27. 

34 » margaritifer CV., ibid. p. 30. 

35 Pagrus heterodon Blkr, Nat. T. Ned. Ind. VI, p. 54. 

36 Caesio coerulaureus Lac, Verh. B. Gen. XXIII, Maen., p. 8. 

37 » erythrogaster K. v. IL, ibid. p. 9. 

o8 Gcrres kapas Blkr, N. T. Ned. Ind. II, p. 482. 

39 Chaetodon baronessa CV., ibid. II, p. 239. 

40 » dorsalis Rwdt, ibid. II, p. 240, 

41 ., falcula BI., ibid. VIII, p. 311. 



— 233 — 

42 Cbaetodon trifascialis QG., ÜjIcI, VIII, p. 313. 

43 )) vagabundus BI., Verh. Bat. Gen. XXIII, Cbaet., p. 18. 

44 » vittatus CV., ibid. p. 18. 

45 Zanclus cornutus CV., ibid. p. 22. 

46 Tauricbtbys vai'ius CV., ibid. p. 25. 

47 Scatophagus argus CV., ibid. p. 24. 

48 Holacaatbus mesoleucos CV., ibid, p. 2G. 

49 Platax orbicularis CV., Nat. ï. Ned. lad. VII, p. 81. 

50 » teil-u CV., Veib. Bat. Gen. XXIII, Chaet., p. 28. 

51 » vespertilio Cuv. ^ Platax Blocbii CV., ibid. p. 27. 

52 Pimelepterus lembus CV., Nat. T. N. Ind. IV, p 469. 

53 Pempberis Scli-wenkü Bikr, ibid, VIII, p. 314. 

54 Toxotes jaculator CV., VerU. Bat. Gen. XXIII, p. 31. 

55 Ampbacanthus corallinus CV, ibid. XXIII, Teuth., p. 11. 

56 1) dorsalis CV., ibid. p. 9. 

57 )) guttatus BI. Sclin., ibid p. 10. 

58 )) niargarltiferus CV. 

59 Acantburus leucosternon Benn., Nat. T. Ned. Ind. XII, p. 237. 

60 )) melauurus CV., ibid. III, p. 171. 

61 » scopas CV., ibid. II, p, 348. 

62 » strigosus Benn., ibid. IV, p. 264, VI, p. 102. 

63 » velifer BI. (nee CV, nee Rüpp, nee Blkr olim), ibid. 

VIII, p, 315. 

64 Naseiis annulatus Blkr, ibid. IX, p. 304. 

65 » frouticornis Comm , ibid. XII, p. 238. 

66 » liexacautlius Blkr p; Priodou liexacantlius Blkr, ibid. 

VIII, p. 421. 

67 V lituratus CV., ibid. III, p. 763. 

68 Mugll coeruleomaculatus Lac., ibid. II, p. 484. 

69 Salarias celebicus Blkr, ibid. VII, p. 250. 

70 » periopbtbalmus CV., ibid. IV, p. 267. 

71 » pliaiosoma Blkr, ibid. VIII, p. 317. 

72 !) quadripinnis CV., Verh. B. Gen. XXII,Bleun. Gob., 

p. 19. 

73 DInematichthys iluocceteoïdes Blkr, Nat. T. N. Ind. VIII, p. 319. 

74 Gobius pbalaeua CV., ibid. II p. 244. 

7 5 Gobiodon quiuquestrigatus Blkr pij Gobius quinquestrigatus, 
CV., ibid. V, p. 82. 



— 234 — 

76 Echencis ncitcrates L., Verli. B. G. XXIV, Chlr. etc, p. 22. 

77 -> rcmoroïdes Blkr, Nat. T. N. Ind. IX, p. 70. 

78 Fiëtularla immaculata Comm., ibid. III, p- 281. 

79 rolyptoriclitliys Yalcntlui Blkr, ibid. IV, p. GOS. 

80 Ampliisilc scutata Cuv., ibid. II, p. 215. 

81 Plesiops coeruleoliueatus lliipp. :=i Tl. melas Blkr, ibid. IV, 

p. IIG. 

82 » oxycephalus Blkr, ibid. VII, p. S20. 

83 Pseudocliromis fuscus Müll. Trosch., ibid. III, p. 708 , IX, p. 69. 

84 Amphiprion epliippium BI, Sclm., ibid. VIII, p. 321. 

85 1) percula CV., ibid. III, p. 287. 

86 Premnas biaculeatus Blkr, ibid. VI, p. 105. 

87 Poniacentrus alljifascialus Mlill. Schl. :=i P. leucopleura Blkr, 

ibid. VII, p. 85. 

88 I) bankanensis Blkr (sub nom. Pom. taenlops CV,?), 

ibid. III, p. 729. 

89 1) molucccn.gis Blkr, ibid. IV, p. 118, 

90 )) trimaculatus CV., ibid IV, p. 481. 

91 Dascyllus aruanus CV-, ibid. II, p. 247, VI, p. 108. 

92 Glyphisodon antjcrius K. v. H. :=i Gl. biocellatus CV-, ibid. 

VIII, p. 454. 

93 )) coelestinus CV., Verh. B- G- XXI,Labr. eten., p 15. 

94 1) trifasciatus Blkr, ibid. p. 19. 

95 Tautoga melaptcrus CV., ibid. XXII, Gladscb. Labr., p. 16. 

96 Jiilis (Julis) dorsalis QG., Nat. T. N. Ind. III p. 564. 
( » ) ul-ostigraa Blkr, ibid, IV, p. 287. 
(Ilaliclioeres) annularis K- v. II., ibid. V, p- 513. 

) baltcatus QG,, ibid. II, p. 253- 

) batuensis Blkr, ibid. XII p. 240. 

) clegans K. v. II., ibid- III, p. 289. 

) Harloffii Blkr, Verh. Bat. Gen. XXII, 

Gladscb. Labr., p- 22. 
) liortulanus CV., Nat T- Ned. Ind. IV, 

p. 486. 
) miniatus Iv. v. H. Act. Soc. Scient. Ind. 

Neórl. I, Visscb. Amb. p, 60. 
) notopsis K. V. H-, Nat. T. N. I. IV, p. 290. 



97 


)) 


( » 


98 


)) 


(Ila 


99 


» 


( 


100 
101 




( 
( 


102 


)) 


( 


103 


)) 


( 


104 


» 


( 


105 


)) 


( 



— 235 — 

lOG Julis (Halichoeres) phaiopus Blki-, ibicl. lY, p. 291. 

107 » ( » ) polyoptlialmus Bllcr, ibid, III, p. 731. 

108 )) ( )) ) phaiotaenia Blkr, ibid. VIII, p. 322- 

109 ). ( .) ) Vrolikii Blkr, ibid. YIII, p. 323. 

110 Cbeilinus decacantbus Blkr, ibid. II, p. 256. 

111 » oxjcepbalus Blkr, ibid. V, p. 319. 

112 Scarus aeruginosus CV., Verli, B. G. XXII, Gladscb. Labr., 

p. 58. 

113 » sumbaAvensIs Blkr, Nat. T. Ned. Ind. XI, p. !0L 

114 Plotosus anguillaris Cuv. ;=i PI. liueatus CV., Verli. B. Gen. 

XXI, Sil. bat., p. 57, 

115 PCobitis fasclata CV., Nat. T. Ned. lud. VII, p. 9G. 

116 Hemirampbus dispar CV., ibid. VI, p. 498. 

117 I» Dussumierü CV,, Verb. B. Gen. XXIV, Snoek., p. 18. 

118 Sauru3 synodus CV., ibid. XXIV, Chir. etc. p. 28. Nat. T. 

Ned. Ind. II, p. 257. 

119 Rliombus pantberiuus Rüpp. ;=i Rb. sumatranns Blkr, Verb. 

B. G. XXIV, Pleur., p. 14. Nat. T. N. Ind. I, p. 
409, VIII, p. 177. 

120 Plagusla marmorata Blkr. ibid. p. 20. ibid. I, p- 411. 

121 Moriugua macrocblr Blkr, Nat, T. N. Ind. IX, p. 71. 

122 » microcbïr Blkr, ibid. IV, p. 124- Verb- B- Geu. XXV, 

Mur. p. 66. 

123 Conger vulgaris Cuv-, Verb. Bat. Gen- XXV, Nal. iclitb. Jap 

p. 53. 

124 Leiuranus Lacepedii Blkr, XXV, ]\Iui'., p- 36. 

125 jNIuraenicbtbys gymnopterus Blki'., ib. p. 52.71' 

126 IMuraena batuensis Blkr, Nat. T. N. Ind. XII, p. 241. 

127 )) cancellata Ricbds., ibid. VIII, p. 326. 

128 » colubrina Rlebds., ibid. VI, p. 335. 

129 )) griseo-badia Ricbds., ibid. VIII, p. 325. 

130 » isingteena Ricbds., ibid. IX, p. 277. 

131 » tessellata Ricbds., ibid. V, p. 530. 

132 Gastropbysus lunaris J. MüU. ^ Tetraödon lunaris Cuv., Verb. 

Bat. Gen. XXIV, Blootk., p- 12. 

133 Arotbrou calamaroïdes Blkr;:! Tetraödon calamaroïdes Blkr, 

ib. p. 16. Nat. T. N. Ind. I, p. 96. 

134 » scaber Blkr ;=: Tetraödon Kunbardtii Blkr, ib. p. 17. 

22, 23. ibid. I, p. 97, IIT, p. 79. 



— 236 — 

135 Arotliron tricliodei-ma Blkr. ^ Tetr. tricliodcrma Blkr, Nat. 

T. N. Ind. V, p. 532. 
13G DIodon novcmmaculatus Cuv., ibid. III, p. 5G7. 

137 ') punctatus Cuv., Verli. Bat. Gen. XXIV, Blootlc, p. 19. 

138 Balites lincatus BI., ibid. XXIV Balist., p. li. Nat. T. N. 

lud. II, p. 260. 

139 Monacanthus cluysospilos Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 126. 
110 » jantbinosoma Blkr, ibid. VI, p. 503. 

14:1 1) inelanocephalus Blkr, ibid. V, p. 95. 

142 Ostvacion cornutus L., Verh. B. Gr. XXIV, Ostrac, p 32, 

143 n cubicus BI , ibid. p. 35. 

144 Syngnatlms bracbysoma Blkr, Nat. T. N.Ind. VIII, p. 327. 

145 )) liaematopterus Blkr, ib, II. p. 259. Verh. Bat. Gen. 

XXV, Trosk., p. 10. 



DESCIIIPTIOXES SPECIERU3I DIAGiNOSTICAE. 

TEUTHIDES. 

AcantJmvus Icucosternon Benn. Proceecl. Committ. Scieuc. 
Zoül. Socict. Lond. II 1832 p. 183. 

Acautli. corpore obloHgo compresso, altitudine 2| circiter in 
ejus longitudine, latitiidine 3 .f circiter ia ejus altitudine; obtuso 
5i circiter in longitudine corporls, multo altiore quani longo ; 
oculis diametro 2\ ad 2} in longitudine capitis, diametro 1 circi- 
ter distantibus; linea interoculari couvexa; linea rostro-frontali 
superne convexa, inferne concaviuscula; sulco praeoculari trigono 
brevi bene conspicuo; rostro obtuso oculi diametro duplo circiter 
altiore; dentibus maxIUa 12 ad 11 cuneiformibus apice 5- ad 7- 
dentatis; regione suboculari alepidota; praeoperculo valde obtus- 
angulo angulo rotundato; operculo et osse scapulari parura stria- 
tis; squamis parvis, lateribus ctenoides 130 vel 110 circiter ia 
serie longitudiuali; linea laterali elcvata, curvata, ramosa, cauda 
supra spinam caudalem decurrente ; spiua caudali oculo breviore ; 
pinnis dorsali et anall obtusis rotundatls; dorsali parte si^inosa 
parte radiosa vix huniiliore, spina postica spiais ceteris longiore 
corporo triplo circiter liumiliore ; anali dorsali paulo Immiliore ; 
pectoralibus acute rotundatis 4 fere, vcntralibus acutis 55 cir- 
citer, caudali extensa integra anguli.3 acuta 1 et paulo in longi- 
tudine corpoi'is; colore capite et osse scapulari nigro, corpore ro- 
sco-vlolaceo , regione supra- et postscapulari violascente-margari- 
tacco, regione tlioracico-gulari et postlabiali albo, cauda postice 
violascente-roseo; pinua dorsali aurantiaco-rosca vitta iutramar- 
ginali violacco-fusca ; pectoralibus basi flavis, radiis, aurautiaei,>, 
membraua coerulescente-hyalini?; ventralibus et anali violasconte- 
roseis basi et margine libero vitta longltudinali roseo-albida; cau- 
dali aurantiaco-rosca basI vitta ti'ansversa, maigiuibus supcriore 
et Inferiore vitta lougitudinali, pluuaque postice vitta iutramarginali 
lato transversa violasccntc-ni<i:ris. 



— 238 -- 

B. 5. D. 9/30 vel 9/31. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/27 vel 3/28. C. 

1/14/1- et lat. brev. 
Synon. Acanthure de Délise CV. Poiss. X. p. 141. 

Acanthurus Delisiani (us) CV, ibid. Gue'r. Iconogr. Règn. 
anim. Poiss. tab. 35 fig. 2. 
Habit. Ins. Batu, in mari, 
Longitudo speciminis unici 117'". 

Aanm. Bennett maakte zijne besclirijving dezer soort reeds 
iu 1832 bekend, terAvijI bet 10^ deel der groote Histoire 
naturelle des Poissons , •waarin de soort onder een' nieuwen 
naam werd besebreven, eerst in 1835 is uitgegeven, -waarom ik 
gemeend lieb den door Bennett gegevenen naam , welke bo- 
vendien zeer juist een kenmerk der soort uitdrukt, te moe- 
ten bebouden. De aangehaalde afbeelding laat de soort zeer 
goed herkennen , doch in eenige bijzonderheden te -wenschen 
over. Griffith heeft, in de engelsche uitgave van Cuvier's 
Règne animal, eene slechte kopie dier afbeelding gegeven. 

De soort was tot nog toe slechts bekend van Mauritius 
en Ceylon. 

Xaseus fronticornis Comm., CV. Poiss. X p. 191. T. Sclil. 
Faun. Jnp. Poiss. p. 129 tab. 69. Richds. Eep. Ichth 
Chin. Jap. in Pop. 15th Meet. Br. Assoc. p. 244. 

Nas» corpore oblougo compresso, altitudine 3 circiter iu ejus 
longitudiue absqae processubus caudallbu.?, latitudiue oj- circiter 
in ejus altitudine; capite cornuto, absque cornu 5 circiter in lon- 
gltudine corporis abscpie processubus caudalibus, non vel vlx al- 
tlore qnani longo; oculls diametro 4 et paulo in longitudiue ca- 
pitls abscpie cornu, medio in capitls dimidio posterlore sitis, mul- 
to minus diametro 1 a linea frontall, diametris 3 circiter ab an- 
gulo rostri inferiore remotls ; cornu capltis conico longe ante os 
prominente, ab ejus apice usque ad oculum capitls longitudinem 
subaequante, plus triplo longiore quam basi lato; regione j)rae- 



— 239 — 

oculari sulco trigono-ovali profundo; rostro ejus apicem iuter et 
cornu declivi recta, oculo multo plus duplo longiore vel altiore; 
dentibus utraque maxilla acutis, dimidio apicali subserratis, ae- 
qualibus, maxilla superiore p. m. 40, maxilla inferiore p. m. 30; 
operculo humeroque squamosis; praeoperculo valde obtusangulo; 
squamis corpore minimis conspicuis scabris; cauda utroque latere 
laminis 2 rotundis osseis spiniferis armata, spiuis latis compressis 
striatis trigouis vel rotundiusculis ; pinna dorsali spinis (abnor- 
mibus) , parte radiosa obtusa rotundata corpore plus quadruplo 
humiliore: pinnis pectoralibus obtusiuscule rotundatis ventralibus 
acutis longioribus caplte multo brevioribus ; anali dorsali humiliore ; 
caudali postice Integra radiis marginallbus valde productis; colore 
corpore superne violascente-olivaceo, iuferne flavescente-roseo ; pin- 
nis radiis aurautiacis? membraua roseo-byaliuis ?, dorsali et anali 
vittis longitudinalibus coeruleis. 

B. 4. D. 5/29 vel 5/30. P. 2/15. V. 1/3. A. 2/27 vel 2/28. C 

1/14/1 et lat. brev, 
Sjnon. Ilonoceros piscis Clus. Exot. TTillugbb. Hist. pisc. p, 
150, tab. O, 4. 
Pira aca BrasUiensibus Willuglib. ibid. p, 150. 
Monoceros minor "Willuglib. ibid. p. 216, 
Little sea ludcorne Grew, Miis. 
Ilonoceros Raii BI. Scbn. Syst. postli. p. 181. 

» Uaculeatus BI. Scbn. ibid. p. 80 tab. 42. 

Harjiurus monoceros Forster, Descr. anim., ed. Llcbtenst. 

p. 219. 
Chaetodon unicornis Forsk, Descr, animal p. 63 tab. 23. 
Hasselq. Iter Palest.p. 332-. Gmel. Linu, Syst, Nat. 
ed. 13a I p. 1268. 
Chétodon unicorne Bonnat. Plancli. Encyclop. mëtliod. 
JS^'ason licornet Lac. Poiss. III p. 105. 106 tab. 7 fis.2. 
Kaso fronticornis Lac. ibid. III p. 105, 106. 
Naseus longicornis CV. Guër. Iconogr. Eègn. anim. tab, 
35 No. 31, E. Grifl. Cuv. Anim. Kingd.Pisc. tab, 
33 fig. 3. 
Nason fronticorne Val. Cuv. Règn. anim. e'd. luxe Poiss, 

tab. fig. 2. 
Eooma Otait. 



— 240 — 

Abu gara Arab. 

Ecai-vah lucol. Ins, Sandvic. 

Een-raw liicol. "Wageu. 

Mossa Iiicol. Insul. Carolin. 

Kulit 2)(issir Malaicns. 
Hablt. Ins. Batu, in marl. 
Longlludo spcciminis unici C20'", 

Aanm. iNIijn A-oorwerp behoort tot een reeds zeer gevor- 
derden leeftijd des diers, is misvormd aan het voorste ge- 
deelte van den rug en bevindt zich in een' weinig A-oldoen- 
den toestand van bewaring. De hoorn is er veel meer ont- 
wikkeld dan op de mij bekende afbeeldingen der soort is 
uitgfjdrukt, wat aan den meer gevorderden leeftijdstoestaud 
is toe te schrijven. De soort is naar hare verschillende leef- 
tijdstoestanden uitvoerig beschreven in de groote Histoire 
naturelle des Poissons. 

LABEOIDEI CYCLOIDEI. 

Julis (TlalicJioeres) hatuensis Blkr. 

Jul. (Ilalicli.) corpore oblongo compresso, altitudiuc 4^ circiter 
in cjus longitudinc, latitudine 2 circiter in cjus altitudinc; capite 
acuto 5 fere in longitudinc corporls; altltudine capitis 1^- circiter 
in (.jus longitudinc; oculls diametro 4 et paulo in longitudinc capitis; 
linea rostro-frontall dccllvi rectluscula; lablls carnosis; maxIUIs 
dcntlbus conicis medlocribus antice canlnis 2 promincntibus ; dente 
angulari medlocii prominente; linea latcrall singulis squamis tu- 
bul') dichotomo vul simplice notata; squamis lateribus 50 p. m- 
in serie lungltudlnall; pinnis dorsall et anali basi alepldotis, pos- 
ticc angulatls; dorsali spInIs omnibus osseis postrox'sum sensim 
accrescentibus, postica dorsali radiosa paulo humillore corpore 
plus duplo humilloi'e; psctoralibus acutis 6? circiter, caudall trua- 
cata 'o[ circiter in longitudinc corporis; vcntrallbus acutis pecto- 
ralibus brevioribus; (coloribus corpore piunisque incertis, pinnis 



- 241 — 

veix)slmlllter roseis); pinna dorsali basi antice macula , pectoralibus 
basi vitta trausversa violaceo-coeruleis ; clorso violascente traus- 
vcrsim late subftisciato ; vlttis rostro-oculari et postoculo-gulari 
obliqua (rubro-violaceis ?). 

B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12- 
C. 1/12/1 et lat. brev. 

Habit. Insul. Batu, in mari. 

Longitudo speciminis uuici 150'". 

Aanm. Mijn voorwerp bevindt zich in een te \^•eiuig goe- 
den toestand van bewaring, dan dat ik de kleuren ract juist- 
heid zou kunnen o^^geven. Ik geef i..lzoo bovenstaande be- 
schrijving meer als eene aanduiding , ten einde de aandacht 
van andere onderzoekers op deze soort te vestigen, In ha- 
bitus, vinbouw en beschubbing is zij na ^"crwant aan Ha- 
lichoeres multicolor Eüpp. van de Eoode zee, van welke 
zij echter stellig verschilt door veel grootere staar tvin, kor- 
teren eersten rugdoorn, dwarsch violet borstvinbandje , enz. 

MUEAEXOIDEI. 

Muraena haiuensis Blkr. 

Muraen. corpore elougato compresso, altitudine 18 ad 19 in 
ejus longitudine; capite acuto 8-^- ch-citer in lougitudine corporis, 
paulo plus duplo longiore quam alto; oculis diametro 9 cli-citer 
in longitudine capitis; naribus anterioribus tubulatls, posteiloribus 
non tubulatis ; linea rostro-froutali ubique convexa ; rostro con- 
vexe acutiusculo, oculo minus duplo longiore, non autè maxillam 
inferiorem prominente; rictu post oculum producto, 2^ fere in 
longitudine capitis; dentibus palatinis nasalibusque acutis unise- 
riatis; dentibus palatinis compressis utroque latere p. m. 11 ; dentibus 
nasalibus conicis vel conico-subulatis , peripliericis 11 p. m. longis 
et brevissimis alternantibus , mediis 2 mobilibus; dentibus vome- 
rinis biseriatis conicis obtusis brevissimis p. m. 20, posticis tan- 

3e SERIE DL. II. IG 



— 242 — 

turn uuiseriatis; dentibus inframaxillaribüs anticis subbiseriatis 
coulcis, utroque latere p. m. G , serie interna elongatis , serie externa 
brevibus ; dentibus inframaxillaribüs lateralibus compressis acutis 
utroque latere 15 ad 18; apertura brancliiali oculo vix niajore 
paulo iufra mediam corporis altitudinem sita; linea latcrali in- 
conspicua; pinna dorsali vertice longe ante aperturam branchia- 
lem iuclpiente, corporo plus duplo liumiliore; anali postice in cor- 
poris dimldio anteriorc iacipiente, dorsali duplo circiter humiliore ; 
corpore plunisque pulclire aurantiacis, deuse sed irregulariter fus- 
co maculatis et subrcticulato-nebulatis ; capite dimidio anteriore 
violascente-fusco. 

D. 310 p. m. A. 191 p. m. C. 10 p. ra. 

llabit. Insul. Batu, in raari. 

Longitudo speciminis unici 490'". 

Aanm. De liier bcsclirevene Muraena is na vor^Yant aan 
!Muracna lita Riclids., -svat de rangschikking van liet tanden- 
stelsel betreft , docli de gelicmelte- en zijdelijke onderkaaks- 
tandcn zijn er veel platter en breeder en snijdende aan de 
zijden, terwijl er ook de neustanden en voorste onderkaaks- 
tanden betrekkelijk langer en scherper zijn. Overigens ver- 
schilt zij nog door verder voor de kieuwopening beginnen- 
de rugvin, boller profiel van snuit en voorhoofd, A'erschil- 
len 'n de kleurteekening, minder talrijke rug- en aarsvin- 
stralen , enz. In kleurteekening heeft zij wel iets A-an Mu- 
raena prosopelon Blkr, doch deze heeft een geheel ander 
tandenstclsel en do vlekken des ligchaams ook meer afge- 
gerond en op zich zelve staande. 

>Scr!pt<i Batavia Calendis Junii MDCCCLYI. 



VERGADERINGEN DER NATUURKUNDIGE V E R- 
EENIGING IN NEDERLANDSCH INDIE. 



BESTUURSVERGADERING 

GEHOUDEN TEN HUIZE VAN DEN HEER J. J, ALTHEER 
DEN 20stcn AUGUSTUS 1856. 



Tegenwoordig zijn de HH. 

P. Bleeker, President. 

A. J. D. Steenstra Toussaiut. 

G. F. De Bruijn Kops, Bïbiiothekaris. 

J. J. Altlieer, Sekretarls. 

Terwijl liet lid de heer J. A. Krajenbrink de vergade- 
ring als gast bijwoont. 

Worden ter tafel gebragt. 

1. Extrakt uit het register der besluiten van den gouver- 
neur generaal van Nederlandsch-Indië , gedagteekend Bata- 
via, 9 Julij 1856, waarbij in antwoord op het verzoek der 
Direktie van den 18u April 1856 om toestemming tot het op- 
rigten eencr loterij groot ƒ 100,000 ten einde daaruit te be- 
strijden de kosten van oprigten van een gebouw voor de 
Vereeniging, afwijzend wordt beschikt, onder mededeeling dat 
het meer eigenaardig voorkomt, dat, ter erlanging der benoo- 
digde som, inteekeningslijsten over Nederlandsch-Indië worden 
rondgezonden, waartoe voor zooveel noodig vergunning ver- 
leend wordt. 



— 244 — 

Voorloopig aangenomen voor berigt. 

2. Advies van den heer Zollinger op eene verhandeling 
van den heer Teijsman , gedagtcekend ] 5 Julij jl., tot plaatsing 
daarvan in het Tijdschrift. 

"\Yordt besloten overeenkomstig het advies te handelen. 

3. Brief van het lid den heer A^an Kappen, gedagteekendPon- 
tlanak 14 Augustus 1856 , inhoudende dankbetuio-ino; voor de 
onderscheiding zijnner benoeming tot gewoon lid der Yereeni- 
ging. 

Aangenomen voor berio;t. 

4. Van het lid den heer Dr. Bernstein van Gadok den 26» 
Julij 1856, van gelijke strekking. 

Aan2;enomen voor beri^-t. 

5. A^an het lid den heer Dr. Mühlert van den 10» Julij jl. be- 
rigtende de toezending van visschen enaraphibiën van Manado, 
verzameld door het lid den heer Jansen, resident van Manado. 

Aano-enomen voor kennisc^ave. 

6. Van den heer P. L. Van Bloemen AVaanders, van Bole- 
liling 27 Julij jl, meldende de toezending van visschen en ara- 
phibiën van Bali. 

Aangenomen voor berigt. 

7. Brieven van de residenten van Samarang, Ternate, 
Manado , Banda , Bagelen , Zuid- en Ooster-afdeeling van 
Borneo en A'an den generaal-majoor kommandant der 2e 
militaire afdeeling op Java, terugaanbiedende inteekenings- 
lijsten op de Acta der A^ereeniging. 

De president deelt mede, dat het getal inteekenaren op 
de bundels A^erhandelingen bereids is gestegen tot ruim 100. 

8. Brief van het lid den heer E. Netscher , van Batavia den 
lln Auo-ustus 1856, ten geschenke aanbiedende, een exemplaar 
zijner vertaling van Eobinson's werk over de Maleische spelling. 

AVordt besloten den schenker op de gewone wijze daar- 
voor den dank der Direktie te betuigen. 



— 245 — 

9. Brief van den direkteur der kultures, van BataA'ia den 15" 
Augustus 1856, aanbiedende een verslag van Dr. Fromberg 
over de zamenstelling van eenige suikerrietsoorten op Java. 

AVordt besloten tot opname in het Tijdschrift der A"er- 
eeniging. 

10. Eenberigt voor het Tijdschrift, getiteld: Overzigt der 
vulkanische verschijnselen op Java , gedurende het jaar 1855 
opgemaakt door het lid den heer J. Hageman Jcz. 

Besloten tot plaatsing. 

11. De president doet mededeeling, dat het Ie deel der bun- 
dels Verhandelino-en afgedrukt is. 

12. Het lid de heer Krajenbrink doet eene dotatie van ƒ 25 ter 
ondersteuning van de uitgaA'e van de Acta der Yereeniging 
en zegt nog eene som van ƒ 200 toe, bijaldien tot de op- 
rigting of aanschaffing van een gebouw voor de Yereeniging 
mogt worden overgegaan. 

Deze schenking wordt met erkentelijkheid door de Direk- 
tie aangenomen. 

13. De heer De Bruijn Kops biedt aan eene hoeveelheid vul- 
kanische asch , ter sprake gebragt in de notulen der vorige 
bestuursvergadering. 

Wordt besloten daarmede te handelen, zoo als vroeger 
is bepaald. 

14. Ingekomen boekwerken en geschriften. 

1. The Animal Kingdom by the Baron Cuvier with supplemeu- 
tary additions to each order bij EdAvard Griffith, Vol. X (Fishes). 
London 1831. 8°. (aangekocht). 

2. PIctorial atlas of fossil remains consistiug of coloured illus- 
trations selected from Parkinson's » Organic Remains of a fermer 
world" and Artis's ;? Antediluvian Phytology" with descriptlons by 
G. A. Mantell esq. L. L. D. , F. R. S. London 1850 8°. (aangekocht) 

3. Thoughtsona pebble by G. A. Mantell, 9n edition, Londou 
1849 8^. (aangekocht). 



— 246 — 

4. Fauna Japonica, auctore Ph. Fr. De Siebolcl. Crustacca 
elaborante W. De Haan, decas I — IV 4°. (aangekocht). 

5. Bascln-ij vingen van nieuwe en "weinig beleende visclisoortcn 
van Manado en Makassar door Dr. P. Bleeker. Batavia, 185G 4o 
(van den schrijver). 

G. Proeve tot opheldering van de gi'onden der jNIaleische spel- 
ling door W. Eobinson, uitliet Engelsch vertaald door E. Net- 
scher, Batavia 1855 8° (van den vertaler). 

7. Programma van de Ilollandsche Maatschappij der "Weten- 
schappen te Haarlem voor het jaar 1856 (van de Maatschappij). 

De Seh'Claris , 

J. J. ALTnEEK. 



BESTUURSVERGADERING, 

GEHOUDEN DEN 23sten SErTEMBER 185G TEN HUIZE VAN 

DEN HEER J. C. STEINMETZ. 



Tegenwoordig zijn de IIH. 

J. C. R. Steinmetz , waamd. President. 
J. droll , Thesaurier. 

A. J. D. Steenstra ïoussaint. 

G. F. De Bruijn Kops, BibiJothekaris. 

J. J. Altlieer, Sekretaris. 

terwijl liet lid de heer C. A. Bonscn de vergadering als 
gast bijwoont. 

De President, de heer Bleeker, heeft kennis gegeven, 
dat hij tot zijn leedwezen verhinderd is de vergadering bij te 
wonen. 

Worden ter tafel gebrngt. 

1. Brief van het lid korrespondent den heer J. Hageman 
Jcz. van Soerabaja den I5'i Julijl85G, mededeeling bevat- 
tende, dat per stoom er Banda verzonden is een kistje met rep- 
tiliën, enz., verzameld door den heer Quartero te Pasoeroean 
en bestemd voor de Yereeniging. 

Aangenomen van kennisgeving. 

2. Brief van den resident van Batavia, van den 3" September 
1856, houdende verzoek, dat vóór den 1" Okt. 1856 hem ge- 
worde eene lijst der leden van de Vereeniging, benoodigd tot 
de zamenstelling van het Naamregister voor Nederlandsch 
Indië voor 1857. 



i- 248 — 

Wordt besloten, clen resident een exemplaar der ge- 
drukte naamlijst aan te bieden , voorkomende in het 1*^ Deel 
der Acta van de Vereenigino;, 

3. Extrakt uit liet register der besluiten van den £i;ouverneur 
generaal, van Bui te:. zorg 6 September 1856, waarbij der 
Vereeniging wordt toegekend , de door haar gevraagde te ge- 
moetkoming in de kosten van uitgave der stukken , voorkomen- 
de in het 10^ deel van het tijdschrift en afkomstig uit 's gou- 
vernements arch'ef. 

Bij dit besluit is gevoegd: 

4. Eene missive vaii den eersten gouverncments sekre- 
taris van den 6^ September 1856 no. 1718, mededeelende, 
dat de gouverneur-generaal immer bereid zal bevonden 
worden kunsten en wetenschapen te bevorderen, ook door 
liet verleenen van te geraoetkomingen aan wetenschappelijke 
genootschappen doch dat de wijze waarop de verleende 
gemoetkomingen in de kosten van uitgave van het Tijdschrift 
der Vereeniging werden aangevraagd, niet vrij van beden- 
kingen is voorkomen. 

Wordt beraadslaagd over de beste wijze , bij de blijkbaar 
gunstige gezindheid van den gouverneur generaal , om de 
ondersteuning van het gouvernement, sedert jaren zonder 
bedenkingen genoten , niet te moeten derven , en of het niet 
wenschelijk voorkomt, aanzoek te doen om eene jaarlijksche 
subsidie uit 's lands kas , waardoor de herhaalde aanvragen 
om tegemoetkoming, onder overlegging van rekening tier 
kosten voor de uitgave van uit 's lands archief beschikbaar 
gestelde belangrijke stukken, van zelf zullen vervallen. 

Wordt besloten, eene beslissing hierover tot volgende ver- 
gadering uit te stellen. 

5. Extrakt uit het register der besluiten van den gouverneur 
generaal, van Batavia den 12^^ Augustus 185G, waarbij 
aan de Direktie te kennen wordt gegeven, dat in haar ver- 



— 249 — 

zoek, om in eigendom te mogen erlangen een door haar aan- 
gevraagd stuk goiivemements grond ter oprigting van een 
gebouw, niet kan Tvorden getreden. 
Voorloopig aangenomen voor berigt, 

6. Brief van het lid den heer D. Pryce , van Batavia den 
2" Augustus 1856 , houdende verzoek om ten gevolge van 
zijn aanstaand vertrek naar Europa niet langer als lid der 
Vereeniging te worden beschouwd. 

Wordt besloten den naam van den heer Pryce van de 
ledenlijst af te voeren. 

7. Brief van het korresponderend lid in Nederland den 
hoogleeraar J. Van der Hoeven, van Leiden, Junij 1856, 
inlichtingen verzoekende omtrent de ingewandswormen , wel- 
ke in deze gewesten bij den menscli voorkomen en in het 
bijzonder omtrent de bandwormen. 

De heer Bleeker heeft op zich genomen den heer Van der 
Hoeven mede te deelen, wat hem hieromtrent bekend is en 
daarop neerkomende , dat hem bij zijne veelvuldige onderzoe- 
kingen van lijken van Europeanen en inlanders in deze ge- 
westen geene andere soorten van entozoën zijn voorge- 
komen, dan die, welke ook in Europa den mensch bewo- 
nen, en dat evenzoo Taenia solium hier de gewone band- 
worm-vorm is. 

De heer Van der Hoeven geeft voorts in overweging, 
een exemplaar van het Tijdschrift der Vereeniging af te 
staan aan de Akademische Bibliotheek te Leiden. 

Wordt besloten , de Bibliotheek der Hoogeschool te Lei- 
den te plaatsen op de lijst der instellingen , aan welke de 
Werken der Vereeniging Avorden toegezonden. 

8. Van den generaal majoor, civiel en militair gouver- 
neur ter westkust van Sumatra, van Padang den 29"^ Augustus 
185G no. 2925, begeleidende een monster pinang-doppen, en 
van den volgenden inhoud. 



— 250 — 

„Bij het lezen van het gevreesde gebrek aan grondtsof 
voor de papierfabrieken is de vraag bij mij gerezen of daar- 
toe niet zou kunnen dienen het omkleedsel van de pinang- 
notcn , het\Yelk hier als geheel nutteloos wordt wegge- 
worpen." 

„ Yan de noten worden hier jaarlijks duizenden pikols uit- 
gevoerd naar de west van Indië ; hierbij gevoegd de groote 
konsumptie van dat artikel onder de bevolking, dan mag 
men aannemen, dat deze kust jaarlijks minstens 20,000 pikols 
van het als monster hierbij gevoegde omkleedsel kan ople- 
veren , gesteld dat er van dien bast min of meer 800 op 
een pikol gaan/' 

„ Ben ik goed onderrlgt , dan wordt op Java van dit arti- 
kel gebruik gemaakt tot het vervaardigen van zekere weef- 
sels , doch daar dit hier het geval niet is , zoo is het te 
voorzien , dat de kosten niet hooger zullen loopen dan die 
van de inzameling en het transport , die ik echter voorshands 
moeijelijk kan begroeten , doch desniettemin heb ik dienstig 
geacht uwe aandacht hierop te vestigen."" 

Wordt besloten het monster te zenden aan den het Ad- 
viserend lid den heer Fromberg te Buitenzorg, met verzoek 
hieromtrent te willen dienen van voorlichting. 

9. Van het lid korrespondent den heer Hageman, van 
Soerabaja den 20° Augustus 1856, de ontvangst vermeldende 
eener kist, inhoudende visschen van Bali , gezonden door liet lid 
den heer P. L. A"an Bloemen Waanders, welke kist per 
eerst vol o-ende stoomgelegenheid aan het adres der Yereeni- 
2:in£!: zal worden doorgezonden. 

Bij die missive is gevoegd eeue kopie eener missive van het 
lid den heer P. L. Van Bloemen AVaanders, gedagteekend 
27 Julij 1856 meldende de verzending, aan het adres van den 
heer Ha^^eman , eener kist, inhoudende 6 flesschen zee- en 
zoetwatervisschen van Bali, bestemd voor de Natuurkundige 



— 251 — 

Vereeniging in Nederlandscli Inclië. 
Aangenomen voor berifrt. 

10. Yan liet bestuur der Maatscliappij tot Kut van 't 
algemeen in Oost-Indië , gedagteekend Batavia 18 September 
jl. -waarbij wordt aangeboden het verslag over de vijf eerste 
jaren (1851 — 1856) van liet bestaan dier instelling. 

11. Yan den lieer J. E. Teijsmann van Buitenzorg, n-e- 
dagteekend 16 September 1856, mededeeling bevattende , dat 
ingevolge dezerzijdsch schrijven van den ö^^ December 1855 tot 
crlanging van eene kollektie vruchten , bladen en hout van do 
in Indië voorkomende palmsoorten, voor den heer Mar- 
tius te München , naar Batavia is gezonden en gedeponeerd 
bij de faktorij van de Nederlandsche handelmaatschappij, 
eene Idst aan het adres van de Natuurkundicje Yereenio-ino- 
in Kederlandsch Indië, -waarin eenige op eene bijgevoegde lijst 
gemelde zaken zijn vervat. 

De heer Altheer berigt, dat hij zich bereids vervoegd 
heeft bij het lid den heer Poolman, president der faktorij, 
die zich met de meeste voorkomenheid heeft bereid verklaard, 
bedoelde kist te doen toezenden aan het bestuur der Neder- 
landsche handelmaatschappij te Amsterdam of verder aan den 
heer Martius, -wanneer daartoe gelegenheid bestaat. 

Het te ontvangen kognoscement zal een inmiddels met 
brief van de Direktie der Yereeniging en lijst van inhoud 
aan genoemden geleerde -worden overgemaakt, zullende eene 
kopie van de laatste in het archief -worden be-waard , en den heer 
Teijsmann -v^•orden dank gezegd voor de belangrijke toezending. 

12. Nota van R. C. Lepage and Co. Calcutta 24 May 185G 
ten bedrage van ƒ 12,60 voor No. 3 en 4 van de Indian 
Annals of medical Science. 

In handen gesteld van den thesaurier. 

13. Ter tafel wordt gebragt het eerste deel van de Ycr- 
handelingen der Yereeniging , getiteld : 



— 252 — 

Acta Societatis Scientlarum Indo-neerlandicae. Vol I. Ba- 
tavia 4°. 

14. De heer Groll , door zijnen nieuwen werkkring veeltijds 
van deze plaats afwezig zijnde, wensclit, dat de betrekking 
van Thesaurier der Vereenioino- aan eenen anderen direkteur 

O O 

worde opgedragen. 

Wordt besloten zulks bij cirkulaire aan de HH. Direk- 
teuren bekend te maken, met verzoek hunne stembilletten 
ter verkiezino^ van eenen nieuwen thesaurier tegen de vol- 
gende vergadering in te zenden. 

15. Ingekomen boekwerken: 

De planten in den botanisclien tuin bij het groot militair hos- 
pitaal te Weltevreden door G. J. Filet, Batavia 1856 8° (van 
den schrijver). 

De SeJcretaris ^ 

J. J. Altheer. 



BESTUURSVERGADERING, 

GEHOUDEN DEN 9n OKTOBER 1S56 , TEN HUIZE VAN DEN 
HEER G. F. DE BRUIJN KüPS. 



Tegenwoordig zijn de HH. direkteuren: 

P. Bleeker, President. 

J. Groll. 

G. F. De Bruijn Kops , Bibllothekarls. 

G. A. De Lange. 

J. J. Altlieer, SekretarJs. 

terwijl deHH. Van Oudenhoven, A. C. J. Edeling en H. 
L. Janssen de vergadering als gasten bijwonen en als zoodanig 
door den president worden verwelkomd. 

De president deelt mede, dat eeue zeer ernstige ziekte den 
vice-president P. Baron Melvill van Carnbee verhindert, 
de vergadering bij te wonen. Hij drukt den wenscli 
uit, dat der Vereeniging niet wederom een gevoelige slag 
worde toesebrafft, en de heer Melvill nooj lana; voor de we- 
tenschap en de Vereeniging moge gespaard blijven. 

Worden ter tafel gebragt. 

1. Brief van the American Academy of arts and sciences in 
Boston, van Junij 1855, de ontvangst berigtende van de deelen 
II tot en met V van het Tijdschrift der Vereeniging, met ver- 
zoek om ook het eerste deel te mogen ontvangen. Wanneer 



— 254 — 

clc Verceniging zulks wenscht, zullen haar wederkeerig wor- 
den toegezonden de werken der Akademie. 

"Wordt besloten de firma Lange & Co. te ververzoeken 
aan het verlangen der Akademie zoo spoedig mogelijk 
te voldoen , en voorts aan deze te berigten , dat zij in 
het bezit van het eerste deel zal gesteld worden, zoodra 
er een beschikbaar zal wezen , en dat verder de Veree- 
nio-int!: met belangstelling de werken der Akademie zal 
ontvangen. 

2. Van den gouverneur van Prince of "Wales Island, Sin- 
gapore en Malacca, van den 15" September 1856, de ontvangst 
erkennende van dezerzijdsche missive (ingevolge genomen be- 
sluit sub a in de bestuursvergadering van 19 Julij 1S56) van 24 
Julij j.L, meldende dat noch aldaar, noch op Pinang of in 
de nabijheid dier plaatsen eenig berigt was ingekomen omtrent 
den val van vulkanische asch , doch dat indien nog eenig 
berigt omtrent dat onderwerp mogt worden ingewonnen, zulks 
ter kennis dor Vereeniging zal worden gebragt. 

Aangenomen voor kennisgave. 

3. Van het lid den heer A. F. J. Jansen, van den 7" Sep- 
tember 1856 , der Direktie tor inzage aanbiedende een in 1855 
te London bij Smith, Elders & Co. en te Bombay bij Smith, 
Taylor & Co. uitgegeven werk onder den titel : 

„ The Fibrous plants of India fitted for cordage , clothing 
and paper, V\'ith an account of the cultivation and prepara- 
tion of fiax, hcmp and their substitutes, by J. Forbcs 
Royle." 

Het komt den heer Jansen voor, dat eene hollandsche 
vertaling van dat werk, verrijkt met aanteekeningen , voor 
zooveel Nederlandsch Indië betreft, een hoogst nuttige ar- 
beid zoude zijn en belangrijk kunnen bijdragen tot versprei- 
ding van de kennis der Indische planten , welke vezelstof- 
fen opleveren , geschikt voor touwwerk , kleeding en papier. 



— 255 — 

"VVoi'dt besloten, het werk ter inzage te zenden aan liet 
Adviserend lid den heer Froraberg, met verzoek zijn oordeel 
daarover te willen uitbrengen, of wel zelf, des noodig oordec- 
lende , eene aanbeveling, ter plaatsing in het Tijdschrift, der 
Direktie te willen doen toekomen. 

4. Yan het Besturend lid , den heer De Groot , van Bui- 
tenzorgden 4,^ Oktober 1856 , Xo. 245 , terug aanbiedende de 
gekleurde kaarten, behoorende bij de Xyil<^ Bij dra o-e der 
mijn-ingenieurs. 

"Wordt besloten de kaarten te doen geworden aan de 
firma Lange & Co. , ten einde die te voegen bij het eerst 
uit te geven nummer van het Tijdschrift der Vereeni- 
ging. 

5. Yan den heer Xoordziek, van Toelonrrao-ono: den 27n 
September 1856, berigtende, dat ter verzending gereed is eene 
kollektie (zeven stopflesschen) visschen , gevangen in de baai 
van Prigi. 

De ontvanirst wordt met belan£ïstellin2; te 2;emoet oiezien. 

G. Yan den heer A. E. De Bricder, van Simpang den 28n 
Augustus 1856, houdende berigt, dat met de mailboot een kistje 
steenkolen is verzonden aan het adres der Yereeniglng. 

Tot dusverre is daarvan bij de direktie niets naders be- 
kend geworden. 

7. Yan het lid, den heer Krajenbrink, van Toclokdjam- 
beden 3'^ Oktober 1856 , waarbij overgemaakt wordt de toege- 
zegde dotatie van / 25 , en verder een voorstel bevattende 
omtrent den aankoop van een paar exemplaren der mikrosko- 
pisclie Object-Sammlungen , waarvan de prospectus voorkomt 
op bladz. 488 van het Xle deel van het Tijdschrift der Ver- 
eeniging, en van eene kollektie mineralen , gesteenten en pe- 
trefakten bij het Heidelberger Mineraliën-Comptoir. 

Wordt besloten, de som van / 25 in handen te stellen 
van den thesaurier , en het Adviserend lid den heer Zollinger 



— 256 — 

te magtigcn tot den aankoop van 4 exemplaren der bedoel- 
de niikroskopen en mikroskopisclie verzamelingen, terwijl liet 
aanschaffen eener mineralogische verzameling in advies "wordt 
gehouden. 

8. De president berigt de goede ontvangst der reptiliën en 
A*isschen van Bali, gezonden door den heer P. L. Yan Bloemen 
Waanders en zegt , een berigt daarover mede te zullen dee- 
len. 

9. De heer Edeling doet mededeeling, dat door hem eenige 
geologische aan teek eningen gemaakt zijn betreffende Makassar, 
die hij voor het Tijdschrift wenscht te bewerken, zoodra hem 
daartoe de noodige tijd zal beschikbaar zijn. 

10. De heer Bleeker biedt aan ter plaatsing: 

a. Tiende Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fau- 
na van Borneo , en 

h. Achtste Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van Ternate. 

"Wordt besloten tot plaatsing in de Acta en in het Tijd- 
schrift. 

11. Als leden worden voorgesteld en aangenomen : de IIII. 
A. Bierwirth, Civiel apotheker te Batavia. 

C. Bosscher, Adsistent resident, te Batavia. 

J. AY. Goetzee, Agent der nederlandsche handelmaat- 
schappij, te Manado. 
J. F. Gijsbers, Officier van gezondheid 2e kl., te Muntok. 
A. Kunze, Officier van Gezondheid 2e kl., te Samarang. 
C. Yan der Moore , Eesident van Banjoemas. 

D. C. Xoordziek, Adsistent-resident te Toelongagong. 

I. B. Quartero, oud Officier van gezondheid der 2e kl. te 
Pasoeroean. 

J. Yan Swieten, Generaal-majoor, Civiel en militair Gou- 
verneur ter Westkust van Sumatra. 

Dr. E. Tall. Officier van Gezondheid 3^ kl., te Banda. 



— 257 — 

12. Ingekomen boekwerken: 

Recherches sur les Crustac^s de l'Inde archipe'lagique par Ie 
Dr. P. Bleeker, Batavia 1856 1°. (van den schrijver). 

Bijdrage tot de nadere kennis van het geslacht Collocalia Gr., 
door Dr. A. Bernstein Batavia, 1856 4°. 

Flora van Nederlandsch ludie, door F. A. W. Miquel, Ie Deel 
afl 4. 8°. (aangekocht). 

Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van We- 
tenschappen IVe Deel 3e stuk (van de Akademie). 

Het Regt in Nederlandsch ludië. 6e Jaarg. No 5; 7e Jaargang 
No 1 eu No, 2 (van de Redaktie). 

De Sekretaris, 

J. J. Altheer. 



3« SERIE DL. II. 17 



B E S T ü U K S V E II G A U ER I X G 

GEHOUDEN DE.V 21"en OKTOBER 1S56 TEN HUIZE VAX DEX 

HEER BLEEKER. 



TegeiiAYoordig zijn de HH. 

P. Bleeker, President. 

J. Groll. 

G. A. de Lange. 

J. C. R. Steinmetz, Thesaurier, 

A. J. D. Steenstra Toussaint. 

J. J. AltllCCr, SekretarJs. 

1. De president opent de vergadering met den lieer Stein- 
metz dank te zeggen voor de welwillendheid, waarmede hij 
de betrekking van thesaurier wel lieeft willen op zich nemen. 

2. De president doet verslag van een gehoor bij den 
gouverneur-generaal , aangevraagd ter bespreking van de 
belano;en der Yereeniging. 

De gouverneur generaal heeft het bij die gelegenlieid 
aangeboden Ie Deel der Terhandelingen van de Vereeniging 
met welwillendheid aangenomen en toegestaan , dat de belan- 
gen der Vereeniging schriftelijk aan de regering werden 
voorgedragen , onder betuiging, dat de regering genegen 
zal bevonden worden ondersteuning te verleenen. 

3. AVorden voorgelezen de ontwerpen der in te dienen 
verzoekschriften, welke worden aangenomen, terwijl besloten 
wordt beide in de notulen van deze vergadering te lasschen. 
Zi) luiden als volgt. 



— 259 — 

Aan 
Zijne Excellentie den Gouver^ieur Generaal 
vcm Kederlandsc/i Indiö. 

Geeft eerbiedig te kennen , de Direktie der Natuurkun- 
dige Vereeniging in Xederlandsch Indië ; 

dat zij heeft ontvangen liet besluit van Uwe Excellentie van 
den 6° September j. 1. No 12, der Vereeniging toekennen- 
de eene som van ƒ 1376,60, als tegemoetkoming, op haar 
verzoek van den é^i Mei j. 1., in de kosten van uitgave der 
stukken, voorkomende in het 10e deel van haar Tijdschrift, 
afkomstig uit 's gouvernements archief , voor welk besluit zij 
bereids bij monde van haren president hare erkentelijkheid 
aan Uwe Excellentie heeft betuigd; 

dat zij uit den brief van den eersten gouvernements 
sekretaris van den 6^" September j. h No 1728, aangehaald 
besluit vergezellende, heeft ontwaard , dat bedenkingen zijn 
gerezen tegen de voortdurende inwilliging van verzoeken . 
de strekking hebbende om ouder overlegging eener re- 
kening van kosten van de uitgave van uit 's lands archie- 
ven aangeboden belangrijke stukken , de terugbetaling 
van de kosten van uitgave dier stukken van het Gouverne- 
ment te erlangen; 

dat evenwel diezelfde brief de verblijdende mededeeling 
bevat, dat Uwe Excellentie immer bereid zal bevonden wor- 
den, kunsten en wetenschappen te bevorderen', ook door 
het verleenen van tegemoetkomingen aan de bestaande we- 
tenscliappelijke genootschappen ; 

dat de A^ereeniging , met het oog op de behoefte aan gelde- 
lijke tegemoetkoming in het openbaar maken harer omvang- 
rijke en kostbare werken, alsmede in het oprigten en on- 
derhouden van een gebouw voor haar museum en boekerij , 
met erkentelijkheid kennis heeft genomen van de bereidwil- 



— 260 — 

ligheid van Uwe Excellentie, om in die behoefte te gemoet 
te komen ; 

dat zij , ter aantooning van die belioefte , en van de aan- 
spraken , welke zij vermeent te mogen doen gelden , op 's 
gouvernements blijvende ondersteuning , eerbiedig de vrijheid 
neemt, onder de aandacht van Uwe Excellentie te brengen; 

dat de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch In- 
dië, opgerigt in Julij 1850, sedert de ruim 6 jaren van 
haar bestaan , door den omvang en het belangrijke harer 
werkzaamheden de algcmeene sympathie in Nederlandsch 
Indië voortdurend heeft opgewekt, de achting en belang- 
stelling van het Gouvernement zich steeds heeft verworven 
en in Nederland en het buitenland eene hooge plaats heeft 
ingenomen in de rei der wetenscliappelijke instellingen ; 

dat van af haar bestaan , de middelen der Vereeniging , om 
tot zoodanige ontwikkeling te geraken , niet zijn geweest 
vaste inkomsten, maar dat de Vereeniging als beginsel 
heeft aangenomen , dat zij door hare werkzaamheden de be- 
langstelling zoodanig behoort op te wekken , dat vrijwillige 
bijdragen haar in staat stellen , die werkzaamheden meer en 
meer op eenen ruimen voet te brengen , en dat zij dan ook , 
tot op dezen oogenblik, alleen bestaat en werkt, door eni 
met de middelen, welke de leden en niet-leden der Ver- 
eeniging vrijwillig bijdragen; 

dat zij ook van het Gouvernement tot nog toe geene vas- 
te subsidie geniet, zooals het geval is met het Bataviaasch 
genootschap van Kunsten en "Wetenschappen, maar van het 
gouvernement toch steeds geldelijke ondersteuning heeft ge- 
noten, door krachtige tegemoetkoming in de kosten van uitga- 
ve der door het Gouvernement haar welwillend ter plaatsing 
aangebodene belangrijke stukken uit het archief van den staat ; 

dat zij tot nu toe heeft uitgegeven elf omvangrijke dee- 
len van haar tijdschrift, bevattende, behalve vele zuiver weten- 



— 261 — 

schappelijke stukken , niet minder talrijke bijdragen , bestemd 
en gescliikt om de kennis der natuur algemeen te maken , 
en te doen toepassen op de industrie, vooral op den land- 
bouw en het fabriekwezen in Nederlandsch Indië ; 

dat het twaalfde deel van gezegd tijdschrift ter perse is 
en nog voor het einde van het loopende jaar zal kunnen 
verschijnen; 

dat bovendien dit jaar begonnen is de uitgave van Acta of 
Verhandelingen in é'' formaat, van welke het eersle deel be- 
reids, als een blijk van hulde der Direktie , Uwer Excellentie , 
bij monde van den president der Vereeniging is aangeboden : 

dat alzoo de Vereeniging , wijzende op het door haar ver- 
rigte, gaarne met haar in vergelijldng zal zien gebragt, wat 
in een zelfde kort tijdsbestek , door andere wetenschappelijke 
instellingen in en buiten Nederlandsch Indië is tot stand 
gebragt , vleijende zij zich , dat door die vergelijking de over- 
tuio-inoj zal worden geboren , dat ten deze de Vereenicrina: 
niet achterstaat bij vele der meest beroemde wetenschap- 
pelijke instellingen , en vele in omvang en degelijkheid van 
arbeid overtreft; 

dat de verzamelingen der Vereeniging, naturaliën en boek- 
werken , allengskens zoodanig zijn toegenomen , dat meer en 
meer dringend gevoeld wordt de behoefte aan een gebouw 
voor museum en boekerij ; 

dat de Direktie, na sedert jaren de binnen haar bereik 
staande middelen te hebben overwogen en uitgeput, tot de 
overtuiging was gekomen , dat het meest afdoende middel 
om zonder inroeping van de geldelijke hulp des Gouverne- 
ments, te geraken tot de daarsteliing van een museum, be- 
stond in het aan^Tagen van een stuk gronds, door het Gou- 
vernement niet benuttigd wordende , ter oprigting van het 
museum en de koncessie tot de daarsteliing eener loterij , 
ter bestrijding der kosten van opbouw ; 



— 2G2 — 

dat op beide, daartoe strekkende verzoeken afwijzend Is 
beschikt; 

dat, met het oog op hetgeen thans reeds gevorderd wordt 
van liet betrekkelijk geringe europesche personeel in deze 
gewesten , hetwelk trouwens gezegd moet worden zeer veel 
tot den bloei van nuttige inrigtingen bij te dragen , niet te 
verwachten is , dat eene onder de ingezetenen te openen in- 
schrijving , uitkomsten zal opleveren , in de verte voldoende, 
om daardoor tot de daarstellino; van een gebouw te o;eraken; 

dat alzoo 's Gouvernements hulp onmisbaar is om tot 
de verwezenlijking van dit nuttige doel te komen en de voort- 
duur van de uitgave van de werken der Vereeniging moge- 
lijk te doen zijn; 

dat de direktie, met het oog op Uwer Excellentie's uitge- 
drukt verlangen, tegemoetkoming te verleenen aan wetenschap- 
pelijke genootschappen, en in het bewustzijn, dat die tegemoet- 
koming eene driniiende behoefte is voor de Vereenio-ino-, 
welke zij zich trouwens allozins waardig heeft gemaakt , zicli 
eerbiedig tot Uwe Excellentie is wendende , met het verzoek , 

Ic. dat der Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch 
Indië verleend worde een renteloos voorschot, groot/ 10,000 
als tegemoetkoming in de erlanging van een gebouw, be- 
stemd tot haar museum en boekerij : en 

2e. dat haar verleend worde, eene jaarlijksche subsidie 
groot / 2000, ten einde haar te gemoet te komen , in hare 
gewone werkzaamheden , tot het publiceren harer werken en 
het uitbreiden en onderhouden van hare verzamelingen. 
Hetwelk doende 

De Direktie voornoemd 
Batavia, Oktober 1856 De President 

P. Bleeker 
De Sekretaris 

J. J, Altheer. 



— 263 — 

Het tweede verzoekschrift luklt als volgt. 

Aan 
Zijne Excellentie den Gouverneur Generaal 
van Nederlandsch Indlë. 

Geeft eerbiedig te kennen, de Direktie der Natuurkundi- 
ge Vereeniging in Nederlandsch Indië ; 

dat zij het door haar uitgegeven wordende Natuurkundig 
Tijdschrift ten geschenke zendt aan de voornaamste weten- 
schappelijke instellingen in Nederland en het Buitenland; 

dat de verzending vanhaar Tijdschrift, aan die Akademiën en 
Genootschappen, tot nog toe geschiedt door gewone post- of 
scheepsgelegenheden ; 

dat meer en meer worden ondervonden de bezwaren , 
aan die wijze van verzending verbonden, en voortA-loeijon- 
de uit de hooge porten, welke vooral in het Buitenland moe- 
ten worden betaald; 

dat die hooge kosten meerdere Akademiën en Genoot- 
schappen in het Buitenland, speciaal in Duitschland, Rus- 
land en Engeland, hebben geleid, tot het verzoeken aan de 
Direktie der Vereeniging, op eene min kostbare dan de ge- 
bruikelijke wijze, het Tijdschrift voornoemd hen te willen 
doen toekomen, terwijl door enkele Genootschaj^pen het 
Tijdschrift niet is aangenomen, omdat het tegen minderen 
prijs,, dan het bedrag der porten , door den boekhandel is 
te erlangen; 

dat daardoor van zelf vervalt de waarde van het Tijd- 
schrift als schenking en als ruilmiddel tegen de Werken 
van die geleerde genootschappen , van vele van welke zij de 
werken kosteloos ontvangt, hetzij door tusschenkomst van 
de ambassades, hetzij door tusschenkomst van de Konink- 
lijke Akademie van wetenschappen te Amsterdam; 

dat het is in het belang der wetenschap en der eer van 



— 264 — 

NederlanJsch InJië , dat de in deze gewesten openbaar ge- 
maakte wetenscliaijpelijke werken , zooveel doenlijk in het 
Moederland en in het Buitenland worden verspreid; 

dat de bezwaren , bovengenoemd, geheel zouden komen te 
vervallen, indien de verzending van het Tijdschrift en van de. 
Acta der Vereeniging , zou kunnen plaats hebben , door de 
welwillende tusschenkomst der regering, welke tusschen- 
komst sedert een groot aantal jaren reeds verleend wordt 
aan het Bataviaasch Genootschap van kunsten en weten- 
schappen. 

Waarom de Direktie zich eerbiedig is wendende tot Uwe 
Excellentie met liet verzoek, dat het Uwe Excellentie mo- 
ge beliagen te vergunnen, dat voortaan de verzending van 
het Tijdschrift en van de Werken der Vereeniging aan we- 
tenschappelijke Akademiön en Genootschappen in Nederland 
en het Buitenland , geschiede door tusschenkomst van het 
gouvernement. 

Hetwelk doende 

De Direktie voornoemd , 
Batavia, Oktober 1856. De President 

P. Bleeker 
De Sekretaris 
J. J. Altheer 

4. De heer Bleeker biedt aan: 

a. 3e Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van de Batoe-eilanden. 

b. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
het eiland Nias. 

Wordt besloten tot plaatsing in het Tijdschrift der Ver- 
eeniging. 

5. Worden voorgelezen de volgende brieven : 

a. Van den heer C. P. Brest van Kempen, resident van 



■— 265 — 

Bantam, gedagteekencl Serang 8 Oktober 1856, aanbied enrie 
vier stopflessclien, Avaarin reptiliën op arak, uit de afdeeling 
Lebak der residentie Bantam. 

De president heeft den heer Brest van Kempen bereids 
dank gezegd voor het ontvangen geschenk, dat zeer belangrijk 
is en neemt op zich, daarover nader te berigten. 

b. Yan den eersten gouvernements-sekretaris, van den 7'* 
Oktober 1856 , aanbiedende het driemaandelijksch verslag van 
den geographischen ingenieur G. A. De Lange. 

De heer De Lange verzoekt, dat het drukken hiervan wor- 
den uitgesteld , totdat het volgende verslag zal zijn inge- 
komen , waarmede het een geheel uitmaakt. 

"Wordt hiertoe besloten. 

h. Tot leden worden voorg;esteld en aangenomen: 

De HH. H. L. Janssen , Ambtenaar bij de telegrafische 
dienst in Nederlandsch Lidië te Batavia. 

C. P. Brest van Kempen, resident van Bantam. 

De Sekreiaris , 
J. J. Altheek. 



BERIGTEN VAN VERSCIIILLEiNDEN AARD. 



Aardhevingen hi den Indisclien Archipel. 

3[anado. In den namiddag van den 26'^ Junij 1856, 
omstreeks 5 ure, -svei-d Lier eene ligte aardbeving ge- 
voeld. 

(Javasclic Courant 1(3 Augustus 18 5 G Xo, 66). 

Banda, In den nacht van den 29» op den 30'i Julij 1850 
heeft zich liier eene vrij zware doch kortstondio-e aardbevino; 
doen gevoelen, de rigting nemende van het zuiden naar 
het noorden. 

Ternate. De weersgesteldheid kenmerkte zich door aanhou- 
dende zware regens, van tijd tot tijd vergezeld met hevige 
■windvlagen uit het z. o. Hierdoor hadden de notenboomen 
veel te lijden. 

Den 23° Julij des avonds ten 11 ure, den 29° des 
namiddags 2i- ure en den 30° des namiddags ten 2 ure, 
■werden ligte aardbevingen waargenomen , terwijl ook hier 
veel regens vielen. 

Manado. De geheele maand Julij heeft het, met uit- 
zonderino; van enkele drooo;e dacren , geregend en ging zulks 
veelal vergezeld van sterke windbuijen uit het westen. 
Deze voortdurende , en vooral in het gebergte zware , regens, 
bragten veel schade aan de wegen toe. 

Op den 4° Julij des avonds ten 10 ure , den 23a des 
avonds ten 10^ ure, den 24" en den 2^^:)^ des morgens 



— 2G7 — 

circa 8.'^ ure, •werden aardbevingen gevoeld, waarvan de 
laatste buitengewoon sterk was. 

Te Goroiitalo bleef het weder in de maand ^lei regen- 
achtio-, nietteo-enstaaui^e de zuidoostenwinden reeds de ovei'- 
hand hadden, 

In den namiddag van den 30° Mei Avas aldaar eene vrij 
hevige aardbeving waargenomen. 

(Javasche Courant 17 September 1S5G Xo. 75). 

Sumatra's Westhust. Op den 24" en 29» September 
werden te Padang vrij hevige schokken van aardbeving 
gevoeld. Ongelukken vonden niet plaats ; alleen heeft men 
scheuringen ontwaard aan de muren van het militair hos- 
pitaal en aan eenige partikuliere pakhuizen. 

In den laatsten tijd kenmerkte de weersgesteldheid zich 
door aanhoudende regens en hevige winden. 

Te Manado werden den 4" , b^ en G^ Augustus ligte 
scholvken van aardbeving waargenomen. 

(Javasche Courant 11 Oktober 1856 No. 82). 

Pasoeroean, 13 Sept. Yan Tenger ontvingen wij berigt, 
dat aldaar den lO"^ jl. een hevige aschregen heeft plaats ge- 
had, welke belette van Tosari naar den Bromo te reizen; 
echter weet men niet of zulks door den Bromo of Smeroe 
veroorzaakt werd. Keizigers , welke den vorigen dag den 
Bromo hadden bezigtigd , hebben geene teekenen van eene 
aanstaande ontbranding kunnen bespeuren, waardoor veron- 
dersteld wordt , dat het van den Smeroe afkomstig zijn moet. 

In de passanggrahan te Tosari had men den vorigen 
nacht een ligten schok van aardbeving bespeurd. "Wij 
hopen door nadere berigten in staat gesteld te worden on- 
zen lezers meerdere mededeelingen hieromtrent te kunnen 
geven, 

(Java-Bode 20 September 1856 Xo, 76). 



— 2C8 — 

Men meldt ons van Kediri, dato 13 Oktober, het vol- 
gende : 

In den nacht van 7 op S Oktober werden in een gedeel- 
te der residentie Kediri en in de afdeelinoj Malano;, we- 
derom schokken van aardbeving gevoeld. Tot driemalen toe 
■Nverden in dien nacht de rustige ingezetenen in hunnen slaap 
gestoord, en wel de tweede maal waren de schokken wij 
hevig en aanhoudend. Van tijd tot tijd krijgt men aldaar 
dus eene soort van waarschuwing, om toch niet te verge- 
ten, dat de Kloed een gevaarlijke nabuur is, die onverwachts 
weder veel kwaad kan stichten. 

(Java-Bode 25 Oktober 1856 No. 80). 



Verrigiingen der mijningenieurs in Kederlandsch. Indië 

Banha. De ingenieur der 3e klasse Akkeringa had te 
Soengei Penganak beproefd om door putgraving de op 20 
a 22 rijnl. voeten diepte gevondene tinertslaag te konsta- 
teren, hetwelk hem echter door de zware regens niet mogt 
gelukken. 

Een tweede put slaagde niet gunstiger. 

Van S. Penganak, gelegen tusschen S. Manpong en S. 
Tenam, naar het thebat van de mijn No. 16 werd een weg 
aangelegd. 

Vervolgens werden door dien ingenieur aan de mijnen 
No. 5 en 4 in Jeboes putgravingen bewerkstelligd. 

Aan de mijn No. 5 werd op 20 rijnl. voet diepte nog 
geen erts gevonden en werd de graving in dien put door 
zware regens en sterken aandrang van water niet dieper 
voortgezet. Hooger op werd het terrein met den tsjam 
onderzocht en erts gevonden. 

Aan de mijn No 3 werden twee putten gegraven ; in 



— 269 — 

den eersten werd op 22 rijnl. voeten diepte een weinig fijne 
erts gevonden; in den t-sveedcn werd de graving tot 32 
rijnl. voeten voortgezet en bleek liet door een onderzoek 
met den tsjam dat de kleilaag , welke in deze diepte voor- 
komt, tot op 29 ^'oet en 7 duim rijnl. nog geene verande- 
ring onderging, zoodat ook deze putgraving niet verder 
werd voortgezet. 

(Javasclie Courant 17 September 1856 Xo. 75.) 



]'ei'rigtijige7i der geographische ingenieurs m ^eder- 
landsch Indic. 

"Wij kunnen, als vervolg op vroegere mededeelingen, aan- 
gaande de verrigtingen der geographisclie ingenieurs tot en 
met 8 Julij jl. berigten, dat de heer De Lange den IS^ 
April van Batavia over land naar Banjoemas vertrok , Avaar- 
heen de heer van Limburg Brouwer hem reeds den 18n 
Maart was voorafgegaan. Deze , die de instrumenten met 
zich voerde, nam de reis over zee. Het schip, waarop hij 
zich met een der bij de geographische dienst gedetacheerde 
onderofficieren bevond, was reeds den 11° dag voor het 
gat van Tjilatjap, docli eerst den 25° dag na hun vertrek 
van Batavia gelukte het de reede van Tjilatjap te bereiken. 

Den 3° Mei bevond het personeel, bestaande uit den 
geographischen ingenieur, den adsistent- ingenieur en twee 
gedetacheerde onderofficieren , zich voltallig op de hoofd- 
plaats Banjoemas bijeen. Thans kon er met de werkzaam- 
heden een aanvang worden gemaakt, die in de eerste plaats 
slechts bestonden in het verkrijgen van de noodige terrein- 
kennis, het bouwen der signalen en het vormen van een 
plan voor de triangulatie dezer residentie. Dientengevolge 
werd het terrein in alle rigtingen doorkruist. Daar, waar 



— 270 — 

zulks nooclig was , werden met bereiclwilllglieid door het 
plaatselijk bestuur inlichtingen verschaft en hulp verleend , 
en door de "vvelgetroffene regeling van den resident, den 
heer Van der Moorc, begunstigd , ging het werk met spoed 
voort. 

In de afdeelingen Bandjarnegara , Banjoemas en Poer- 
wakarta werden onder het onmiddellijk toezigt der onderoffi- 
cieren de signalen irebouwd. In de afdeelinaj Poerbolino-o-o 
werd zulks aan de zorg van den kontroleur, den heer 
Gericke, overgelaten, die zich tijdens de geograpliische me- 
tingen in Cheribon in de afdeeling Galoe bevindende, met 
den aard en het doel der werkzaamheden reeds bekend was. 
Tevens moest worden gelet op de verbinding met de aan- 
grenzende residentiën; ten dien einde begaf de geograplii- 
sche ingenieur zich naar Tegal en de adsistent-ingenieur 
naar Bagelen. Eene noodlottige vertraging ondervonden de 
werkzaamheden door de ongesteldheid van den heer De Lange 
en een der onderofficieren, die beiden door een aanval der 
koortsen, welke nog steeds in de afdeeling Tjilatjap heersch- 
ten , werden werkeloos gemaakt. 

Den 12i Junij vingen de geographische ingenieurs aan 
met hunne astronomische waarnemingen te Karangbolong 
(Noesa Kambangan). Zij betrokken daartoe een verblijf in 
den toren van het fort aldaar , dat hun door den eerst 
aanwezenden officier der genie, den heerStijman, was afge- 
staan , die hun overigens met alle middelen , die ter zijner 
beschikking waren, ondersteuning en medewerking ver- 
schafte. 

Yan daar werden achtereenvolgens de navolgende ob- 
servatieplaatsen bezocht: Selok bij Adiredjo, Pliken in Poer- 
wakarta, de berg Sangkoer in Banjoemas. 

Sedert 5 Julij bevinden zich de ingenieurs thans op den 
berg Midangan , aldeeling Bandjar-negara , op de grenzen 



— 271 — 

\'an Bagelen in dikken mist en nevelen gehuld , wachtende 
op betere -weersgesteldheid , om hunne metingen te kunnen 
volbrengen. 

Inmiddels heeft de onderadjudant Alberts met het aan 
hem toegevoegd inlandscli hoofd Djojo-Semito over het woeste 
terrein van het distrikt Dajal-loehoer de geschikte punten 
opgezocht en met signalen voorzien , waardoor de aansluiting 
aan de residentie Clieribon verzekerd is. 

(Javasche Courant 8 Oktober 1856 No. 81.) 

Wij eindigden onze laatste berigten betrekkelijk de werk- 
zaamheden van de geographische ingenieurs met de mede- 
deeling, dat beiden zich den Ssten Julij bevonden op den 
berg Midangan , gelegen in de afdeeling Bandjar-Negara. 
Op dien bergtop kwamen zij den Uden Julij met hunne 
metingen gereed, en hierna volbragten zij hunnen arbeid 
achtereenvolgens op de bergtoppen van den Radja, Langit 
en Rogodjembangan. Gedurende het bezoek dezer laatst- 
genoemde punten hadden de beide militairen , welke bij de 
geographische dienst werkzaam zijn , heliotropen gerigt uit 
het standpunt Endrokilo en uit Kajoebimo , op welk laatst- 
genoemd punt te gelijk een signaal werd opgerigt. 

Den lOden Julij verlieten de geographische ingenieurs 
de afdeeling Bandjar-Negara voor de afdeeling Poerboling- 
go ; van de hoofdplaats dezer laatste afdeeling werd de adju- 
dant-onderofficier Alberts naar den Slamat gezonden , om op 
dien hoogen bergtop twee signalen op te rigten , welke moei- 
jelijke taak hij goed ten einde bragt. De beide ingenieurs 
begaven zich naar Endrokilo , van waar de korporaal König 
naar den berg Tjoepoe hen vooruit ging, om op dien berg- 
top , gelegen in de afdeeling Poerbolinggo , aan de grenzen 
van ïegal , een signaal te bouwen. 

Eerst den 2Gsten kon Endrokilo voor Tjoepoe worden 



— 272 — 

verlaten, en den laatsten der maand Jnlij was het geheele 
personeel weder te Poerbolingo bijeen. Van hier ver- 
trokken de beide militairen over Bantengmati (Noessa-kam- 
bangan) naar Tjiamies, terwijl de beide ingenieurs dezelfde 
reis maakten over de signalen , welke in de afdeeling Tji- 
latjap langs de grenzen van Tegal waren opgerigt. 

Te Bantengmati werd nog een signaal gebouwd. Uit 
Tjiamies werd door den korporaal König de heliotroop ge- 
rigt naar de punten, welke van daar in de afdeeling Tji- 
latjap zigtbaar waren en door de ingenieurs werden bezocht. 
De adjudant-onderofficier voorzag den Gegerbehas, een 
bergtop, welke bij de vroegere geodesische metingen in 
Cheribon bepaald is , van een signaal , en daarmede gereed 
zijnde , reisde hij Aveder over Tjiamies terug naar de pun- 
ten in de afdeeling Tjilatjap, om het heliotropenlicht te 
rigten. 

Twee der bergtoppen , de Mroeijong en de Soeban , ge- 
legen op de grenzen der afdeelingen Tjilatjap, Brebes en 
Koeningan , welke de geographische ingenieurs bezochten , 
zijn merkwaardig wegens den eerbied, met welken de in- 
landers uit den omtrek die plaatsen dikwerf bezoeken. Op 
den laatstgenoemden bergtop treft men een goed onderhou- 
den graf aan , waarvan echter de oorsprong door de inlan- 
ders uiteenloopend verklaard wordt; een gedeelte van de 
helling des bergs is met trappen voorzien , welke uit de 
rots gehouwen zijn , en w'elke arbeid Avaarschijnlijk in vroe- 
gere eeuwen tot stand gebragt zal zijn. 

Een bezoek te Tjiamies, om de verbinding tusschen de 
geodesische metingen van Cheribon en van Banjoemas te 
bewerkstelligen , liep voorspoedig af; overigens was de weers- 
gesteldheid in het algemeen den arbeid niet gunstig. 

Den 9den September was het personeel weder te Patjar- 
loewong bijeen , en waren de metingen genoegzaam gevor- 



— 273 — 

derd om met de berekeningen een' aanvang te nemen , waar- 
toe de lieer De Lange naar Batavia terugkeerde , zicli door 
den adjudant-onderofficier Alberts latende vergezellen. 

De heer Yan Limburg Brouwer bleef met den korporaal 
Konig op het terrein achter , om nog eenige punten iu de 
residentie Banjoemas te bezoeken , en daarna in de resi- 
dentie Bagelen , door het opstellen van signalen , den arbeid 
voor het volgende jaar voor te bereiden, 

(Javasche Courant 25 Oktober 18156 No. 86). 



JBerigt omtrent eeni<je viscJisoorten van Tohoali, eiland 

Banka. 

De heer J. F. Gijsbers , officier van gezondheid der 2e 
klasse heeft de goedheid gehad der Natuurkundige Yer- 
eeniging in Nederlandsch Lidië aan te bieden eene verza- 
meling vischsoorten , geA'angen aan de kust van Toboali , 
eiland Banka. Deze verzameling bestaat uit de hieronder 
genoemde soorten. 



fc3 



1 Apogou endekataenia Blkr. 

2 Clieilodipterus qulnqueliueatus CV. 

3 Ambassis nalua CV. 

4 Serranus boenack CV. 

5 » lauccolatus CV. 

6 Mesopriou cliiysotaeuia Blkr. 

7 » auniilaris CV. 

8 Ilolocentrum oriëntale CV. 

9 Polynemus tetradactylus V.C 

10 Upeneoicles variegatus Blkr. 

11 Ileterognathodou bifasciatus Blkr. 

12 Pristipoma nageb Riipp. 



— 274 — 

13 Cliaelodon octofasclatus CV. 

14 Chelmon rostratus CV. 

15 Drepane punctata CV. 

16 Platax teira CV. 

17 Mugil ceramensis BIkr. 

19 Amphiprion cpliippium CV. 

19 i> porcula CV. 

20 » bifasclatus BI. Sclin. 

21 » xantlmrus CV. 

22 Glypliisodou bengalensis CV. 

23 I) coL4estiinT? CV. 

24 Cichlops melanotaenla Blkr. 

25 Julis (Ilalichoeres) raodestus Blkr. 
2G .. ( " ) Caviei-ii Blkr. 

27 )» ( " ) Temminckü Blkr. 

28 » C " ) Vrolikii Blkr. 

29 Barbus bllitonensls Blkr. 

30 Engraulis rblnorliynclios Blkr. 

31 Rliombus poecilurus Blkr. 

.32 ]Macliaeriiim reticulatuni Blkr. 

33 IMuracna tile Cant. 

3i ÜMonopterus javanensis Lae. 

Ofschoon geen dezer soorten nieuw is voor de wetenscliap , 
zijn zij; met uitzondering slechts A'an Barbus bilitonensis Blkr, 
alle nieuw voor de kennis der plaatselijke fauna van Toboali , 
terwijl nieuw zijn voor de kennis der fauna A'an liet ei- 
land Banka : Cheilodipterus quinquelineatus CV, , ?>Icsoprion 
clu'vsotaenia Blkr, Holoccntrum oriëntale CV., Iletero- 
gnatliodon bifasciatus Blkr, Chaetodon octofiisciatus Blkr, 
Mugil ceramensis Blkr , An'iplii2)rion epliippium CY. , 
Amphiprion xanthurus CY. , Ciclilops melanotaenia Blkr, 
Julis (Ilalichoeres) Cuvierii Blkr, Julis (Ilalichoeres) Tem- 
minckü Blkr, Julis (Ilalichoeres) Vrolikii Blkr, Rhombus 
poecilurus Blkr en ]\Iuracna tile Cant. 



— 275 — 

Tot nog toe -waren 251 visclisoorten van de wateren van 
Banka bekend, zoodat door bijtelling der bovengenoemde 
soorten dit cijfer tot 205 stijgt. 



P. Bleeker 



Batavia, 24 Aiumshi^ 1S5G. 



Personcdhm 



Benoemd tot Viccpresidont van de Nederlaudscli-Indisclie jMaat- 
schappij van Nij verbeid, de President der Vereeniging, de beer 
Dr. P. Bleeker en tot DIrekteiiren der Nederlandscb-Indiscbe 
jNIaatscbappij van Nij verbeid bet Besturend Lid der Vcreeniging 
de beer Dr A. J. D. Steexstra Toüssaixt , alsmede de Leden 
der Yereeniging de HII. W. Vax O-MMeren', N. Barox GtAXS- 
xeb genaamd Texgxagel en D. J. Uiilexbeck. 

Naar Amboiua vertrokken en weder benoemd als Sekretaris van 
bet Gouvernement der Molukken, bet Lid Korrespondent der Yer- 
eeniging de beer D. S. Hoedt. 

Bevorderd tot Ofïicier van Gezondbeid der 2e klasse en naar 
Amboina vertrokken, bet Lid de beer Di\ C. L. Doleschall. 

Te Batavia aangekomen bet Lid de beer D. J. Uhlexbeck. 

Benoemd tot EhrenmItgKed der INLinnbeimscben Verein fiir Na,- 
turkunde, bet Lid Jbkr Mr. II. C. Vax der Wijck, te Tji- 
andjoer. 

Te Batavia teruggekomen, de Besturende Leden de IIII. G. A. De 
Laxge en P. A. A7. "Weitzel. 

Overgepbiatst naar Willem I bet Lid de beer J. J. Lin'dgreex. 

Overgeplaatst naar de Westkust van Borneo, bet Lid de beer G. J. 
Filet. 



— 276 — 

Te Batavia aangekomen, de Leden de IIII. C. A. Ben'SE>ï on 

E. F. J. Vax Kai'pek. 
Benoemd tot Kommandeur der Orde van den "Witten Valk, het 

Lid de heer G. "\Vassi\k. 
Aforetreden al Lid der A^ereenijjlnsr de heer J, "Wolff, te Koetei. 



^^^S^aBBB 



Overleden de Yicepresident der Yereeni- 
ging, de heer P. Baron Meltill tan 
Car>bee. 



N A D E Pi E B IJ D R A G E 



TOT 



DE KEXXIS VAN DE VOORTTELIXG VAN 



RAFFLESIA ARNOLDII K.BR. 



IN 



'S LANDS PLANTENTüIX te BUITEXZORG. 



DOOR 



J. E. TEIJS^IAX!(r. (1) 



In November 1854 ■vrcrd van den liccr J. Blok, toen- 
maals adslsteut-residcnt van Bcnkoclen , voor 's lands plau- 
tentuin te Buitenzorg ontvangen , eene Cissus scarlosa 
BI., op welker wortels verscheidene planten, van verscliil- 
lende grootte, van Rafflesia Arnoldii B. Br. parasitisch 
waren gegroeid. De steng der Cissus was ecliter te kort 
afgesneden, en welligt ook door het uitgraven en de 



(1) Zie oük NatuurkunJig Tijdsclirift voor iveJcrlaudscIi Indië 1S50 bl. 425 
CD 1851, bl. 651. 

3c SERIE, DL. II. 18 



— 278 — 

lange reis, is die plunt niet tot ontwikkeling gekomen , maar 
al spoedig met alle hare stiefkinderen ten grave gedaald. 
Onder de Ivafflesia's was er echter een , die haren vollen 
wasdom bereikt had, en waarin de rijpe zaden duidelijk 
met het mikroskoop waren te herkennen. Ik liet ze als- 
toen inenten op andere levende Cissuswortels , van twee 
verschillende soorten , t. w. Cissus scariosa BI. met platte lint- 
vormi"-e steno- en Cissus serrulata Rxb. met ronde sten*};, 
op welke heide soorten, en welligt nog op andere species 
van dit geslacht, ze ook in de natuur voorkomen; althans 
vond ik Ilafflesia patma BI., op Koessakamhangan , op 
beide soorten, digt naast elkander. 

Deze inenting geschiedde zeer eenvoudig, door den bast 
der dikkere wortels een weinig open te splijten , en in de 
gemaakte wond eenige zaden van RafHesia Arnoldii te 
brengen, en het geheel voorts met een weinig aarde en 
bladen te bedekken. Langen tijd na deze bewerking was er 
niets buitengewoons aan de wortels der Cissus te zien , tenzij 
de gemaakte wonde , die , hoewel bijna vergroeid , ook nu 
nog zigtbaar is. Onlangs echter die operatie nog eens na- 
ziende, bleek het zeer duidelijk, dat zich op verschillende 
plaatsen en verschillende planten , zoowel in de nabijheid 
van de insnede, als op min of meer verwijderden afstand 
daarvan, verscheidene jonge Rafflesia's, van de grootte eener 
graauM'c erwt , tot die van een hoenderei , ontwikkeld had- 
den; zoodat wij ons nu kunnen beroemen, ook de Raffle- 
sia Arnoldii in kuituur gebragt te hebben. Wij zullen ech- 
ter, te rekenen naar den langzamen groei sedert de inen- 
ting, tot dusverre (1) ruim anderhalf jaar, nog wel minstens 
een jaar tot de volle ontwikkeling der planten moeten 
wachten. 

Deze proef is dus weder eene schrede nader, tot de ken- 
nis van deze zoo belangrijke plantenfamilic en hare zeer 
ingewikkelde groeiwijze. 



— 279 — 

liet is alsiiu bewezen, dat deze plant dooi' liarc zaden 
kan -worden voortgeplant , doch hoe zulks in de natuur plaats 
grijpt, blijft voor alsnog een geheim. 

De zoo teedere en uiterst fijne zaden , moeten met de op- 
stijgende en nederdalende sappen, tusschen den bast en het 
spint worden medegeroerd, en op de voor hunne ontwikke- 
ling geschikte plaatsen worden nedergezet. Dit blijkt reeds 
duidelijk uit onze hiervoren ]jedoelde exemplaren, waarde 
jonge knoppen of planten der Rafflesia's zich zoowel boven 
als beneden de hientingsplaats , zelfs op zeer verAvijderdc 
plaatsen, voordoen. 

Het is niet waarschijnlijk , dat de rijpe zaden van de ont- 
bondene planten in de steng der Cissus overgaan ter plaat- 
sewaarde moederplant was ingogroeid, ver mits die plaats alsdan 
met doode korsten van die plant bedekt is, en dus weinig 
geschiktheid schijnt te bezitten tot de opname der zaden. 
Ook bestaat hiertegen eene andere reden , te w^eten, dat de 
soort alsdan met de Cissus-plauten zoude uitsterven. Er moet 
dus eene andere oorzaak voor de voortplanting gezocht wor- 
den , welke daarin kan bestaan , dat de zaden van de Raf- 
flesia , na de ontbinding der plant , door de bosschen ver- 
spreid , met de regens in den bodem gedrongen en door de 
fijne haarwortels der Cissus opgenomen worden. Meer waar- 
schijnlijk komt het mij echter voor, dat de verspreiding eu 
inenting der zaden door insekten geschiedt , die bij de ont- 
binding der plant , op haren onaangenamon reuk afgaande, 
de zaden met hun vleezig omkleedsel benuttigen en deze 
onverteerd op de wortels der Cissus overbrengen, door ze in 
eene verAvonding van de opperhuid neder te leggen. 

Uit de plaatsing der meeste Rafflesia's , zoude men moe- 
ten besluiten, dat zulks door een onder de aarde lovend in- 
sekt moet geschieden, dewijl de meeste knoppen op de dun- 
nere , geheel onder de aarde groeijende , wortels , ge- 
vonden worden , hoewel ik er ook enkele zag , die zich op 



— 280 — 

ccnigc voeten boven clcn bodem, aan de steng ontwikkel- 
den. Neemt men daarbij ecliter in aanmerking , dat de za- 
den zich op verren afstand van de plaats der inenting, door 
bet cchveefsel of tusschen bast en spint , kunnen voort- 
bewegen , dan kan bet onverschillig zijn , waar die inen- 
ting plaats heeft, en kan zulks dan ook door vliegende in- 
sckten bewerkstelligd worden, hoedanige ik meermalen in 
menigte op den stank der in ontbinding gerakende plant 
zag aflvomen. 

Nog iets anders dient hierbij in overweging genomen te 
worden. Het is namelijk bekend , dat de Rafflesia's dioecisch 
of tweehuizig zijn, dat is of mannelijk of vrouwelijk. Hoedanig 
geschiedt dus de bevruchting ? Bit kan echter ook al door insek- 
ten verrigt worden , zoo juist twee planten van beide geslach- 
ten tegelijk in ontwikkeling komen ; doch dit toegegeven , 
kan zulks bij de door ons van Benkoelen ontvangene 
plant niet hebben plaats gehad , dewijl die hier wel in ge- 
opcnden staat is aangekomen, doch bij het uitgraven in de 
bosschen zeker nog niet geopend was , daar de plant slechts 
weini<i-e dagen in den geopenden toestand te leven heeft, 
en het bijna onmogelijk schijnt, dat de bevruchting voor de 
opening kan plaats hebben , dewijl alle bladen zoo zuiver op 
elkander passen , dat zich geen insekt daartusschen bewegen 
kan , en toch zijn de zaden van deze hoogstw^aarschijnlijk 
onbevruchte plant hier goed opgekomen. Eindelijk doet 
zich nog eene bedenking op. Gesteld dat de zaden , op wel- 
ke wijze dan ook, goed bevrucht zijn, hoe is het dan 
mogelijk , dat zij in zoo korten tijd tot rijpheid komen , 
Avant slechts weinige dagen na de opening gaat de gehccle 
plant tot ontbinding over. Of heeft de natuur hier nog meerde- 
re uitzonderingen gemaakt , en is het slechts noodig , dat de 
volwassene zaden , even als de eijeren van sommige visschen, 
bevrucht worden? 

Zoo de l^ultuur dezer planten zich meer en meer laat 



— 281 — 

uitbreiden, waaraan wel niet te twijfelen valt, zullen na- 
dere waarnemingen , onder een dadelijk toezigt der planten 
in de tuinen , welligt nog veel kunnen ophelderen , wat nu 
nog duister en verborgen is , en wat men in de wildernissen, 
waar deze planten oorspronkelijk voorkomen , met cecne 
mogelijkheid kan observeren. Hiertoe behooren echter ge- 
duld en oefening. 

Het tijdstip zal ook niet verre meer verwijderd zijn , dat 
men deze planten in de Europesche tuinen , met goed ge- 
volg kweeken kan , zoo zij slechts eenmaal zijn inge- 
voerd, en men bij voorraad sterke Cissus scariosa kweekt, 
waarop later de inenting kan plaats hebben. Men zal deze 
planten in groote vierkante of langwerpige bakken moeten 
kweeken , opdat ze hare wortels of onderaardsche stengen, 
die tot basis der Eafflesia's moeten dienen , krachtig genoeg 
kunnen uitspreiden. Op dezelfde wijze zullen ook de planten 
naar Europa moeten worden overgebragt. 

Buitenzorg JuUj 1856. 



IETS OVER DE AAN J)EN 

1 N ]) I G O B O II W 

SCHADELIJKE DIEKEN, 

DOOK 



De iuJigoplant is op Java en in liot liijzonder in de resi- 
dentie Djükjokaiia de Lron van een ruim bestaan A'oor 
talrijke daar gevestigde Europeanen. Jaarlijks A'ergaren 
deze schatten , alleen uit deze bron voortspruitende , en 
overal is dien ten gevolge overvloed en welstand te zien. 

De omstreken van Djokjakarta zijn grootendeels met 
indigo beplant. Deze indigovclden vertoonen een altijd 
groen tapijt, doorsneden van talrijke kampongs en bescha- 
duwd door veelsoortige vruchtboomen. 

Zoo als de meeste kultuurplantcn , lieeft ook de indigo 
hare vijanden , en tevens hare vernietigers. Toen ik nog 
slechts korten tijd te Djokdjokarta Avas , hoorde ik veel van 
., worm in de indigo" spreken , welke worm vooral voor som- 
mige plantaadjes schadelijk is. 



— 283 — 

Gedurende eenige uitstapjes had ik voldoende gelegenheid ^ 
dit diertje en zijne Yer^Yoestingen gade te slaan en vond ik 
reeds bij oj^pervlakkige beschouwing, dat er zeer verscliil- 
lende dieren zijn, welke onder den algemeenen naam van 
„■svorm" begrepen worden. Vooral geldt dit voor het drooge 
jaargetijde, aangezien juist in dezen tijd de diertjes alle gele- 
genheid vinden tot hunne ontwikkeling en voortplanting. 

Bij de droogte, welke den wasdom der indigoplant niet 
bevorderlijk is, voegt zich nog een andere vijand in de- 
ze schadelijke dieren. De in de bergstreken aan de hel- 
lingen van den Merapi gelegene aanplantingen hebben van 
dit kwaad veel minder te lijden, dan die, welke in zandige 
vlakten gelegen zijn. De meeste verwoestingen heb ik op de 
aan den voet van den goenong Gamping gelegene lande- 
rijen gevonden, alwaar over geheele uitgestrektheden de 
oogst mislukte. 

Tot nu toe heb ik gelegenheid gehad , volgende soorten 
van deze diertjes na te gaan. 

1. De Saivang. Enkele struiken, somtijds geheele groepen , 
vooral gedurende lang aanhoudende droogte , doen zich reeds 
kennen , doordien zij als het ware met een glazig floers over- 
trokken zijn. Van nabij beschouwd is het opmerkelijk, dat 
vooral de takken van een meer of minder di^it weefsel overtrok- 

o 

ken zijn. Hierdoor zijn de jongere takken onregelmatig met 
elkander zaamgesponuen en de blaadjes ineengekrompen 
en zaiuengerold. Het geheel is met stof en aarddeeltjes bedekt, 
de aarde in het weefsel gesponnen, en de afgevallene blaad- 
jes hangen aan enkele draadjes. 

Geeft men zich de gerino-e moeite, dit onrefrelmatiire weef- 
sel van een te trekken, dan zal men spoedig de stichters 
dezer ontaarding vinden. Het is mij gelukt, twee ver- 
schillende soorten van arachuiden op te sporen , kleine dier- 
tjes, welke tot het groote geslacht Theridion beliooren, en wel- 
ker grootte zelfs zoo gering is, dat zij zich aan het oog 



— 284 — 

Tan den oppervlakldgcn beschouwer onttrekken. Hoe klein 
ook deze diertjes zijn , is liet echter, met het oog op hunne 
sterke vermenigvuldiging, begrijpelijk , dat zij binnen zeer kor- 
ten tijd eene tamelijk groote verAvoesting kunnen aanrigten , 
•vYclke op zich zelve wel niet zoo aanmerkelijk is, maar toeneemt 
doordien zich in het weefsel aarde on vuil aanzamelen , waar- 
door de ontwikkeling der jonge bladen gestoord of belet 
wordt. 

Begrijpelijk is het, dat bij invallende sterke regens deze 
schade nog eenigzins kan hersteld worden, indien door de 
regens dit weefsel vernietigd , de plant afgespoeld , en het 
dier zelf gedood wordt. 

Aangezien voornamelijk de bovenste takken door dit 
kwaad lijden, kan door boAvatering der indigo velden wei- 
nig of geene hulp worden aangebragt. 

2. De meest verspreide en verreweg schadelijkste vijand 
is de eigenlijke „worm" [Oelat der Javanen), aangezien 
zijne verwoestingen zeer spoedig en in groote uitgcstrekt- 
lieid plaats hebben. 

Zelden gebeurt het, dat deze ramp de plantaadjes vóór 
de derde snede bezoekt, als wanneer de stengel der plant 
houtachtig geworden is. In weinige dagen neemt een schijn- 
baar goed uitziend indigoveld, hetwelk door „ de worm"" 
aangetast is, een geheel ander voorkomen aan. De plant 
verwelkt , het levendig groen der bladen ondergaat alle scha- 
keringen van eene donkergroene kleur, in het zwarte en 
bruinachtige zoowel als in het lichtgroene en gele over- 
gaande. 

De bladen nemen alsdan de kleur en liet voorko- 
men van gedroogde theebladen aan , vallen een voor een 
af, en dezelfde plant, welke nog weinige dagen geleden 
zoo veelbelovend prijkte , heeft dan een bezemachtig voor- 
komen verkregen. 

De Javanen en zelfs de bezitters der plantaadjes kennen 



— 285 — 

wel is waar , de worm , welke voor hunne aanplantingen 
zoo verderfelijk wordt, maar de aard en wijze van liet ont- 
staan en metamorpliose schijnen hun nog onbekend te zijn , 
waarom ik het hier de geschikte plaats acht, de resultaten 
mede te deelen, welke ik met weinig moeite aangaande dit 
belangrijk onderwerp heb verkregen, 

In de maand Julij was ik in de gelegenheid , de geheelc 
toedragt der vernielhig, door deze soort van worm te weeg 
gebragt, na te gaan. 

Wanneer men de, door het insekt reeds aangetaste , sten- 
gel cener indigoplant overlangs opensnijdt, zoodat door 
de insnijding het merg van de stengel te voorschijn komt, 
dan vertoont zich de houtzelfstandigheid geelachtig (terwijl 
die van eene gezonde plant groenachtig is) en droog ; de merg- 
zelfstandigheid is bruin , celachtig , aangevreten en ontbreekt 
op sommige plaatsen geheel en al; in stede daarvan ziet men 
eene zich tot de houtzelfstandigheid uitstrekkende , naar bui- 
ten blind eindigende holte , in welke men , wanneer het proces 
nog niet geëindigd is , een tot 8 "' langen worm met een' rood- 
bruinen kop vindt. Bij uitzondering mondt deze holte naar bui- 
ten of aan de epidermis uit , of wel doorboort zij deze laat- 
ste. De uitwerpsels van dezen worm worden door deze mon- 
ding in de gedaante van eene bruinaclitige , fijn korrelige 
zamenhangende zelfstandigheid verwijderd , en blijven alsdan 
aan de buitenzijde der stengels los hangen. 

Deze worm nu is de larve van een' kever, waarvan ik 
hierna gewag zal maken. 

Bewaart men eenigen tijd lang eene zoodanige stengel 
onder een glas, dan tracht het ontwikkelde insekt alras 
naar buiten door te breken en , do van de epidermis be- 
grensde holte doorborende, te voorschijn te komen. 

Het verscliijnt dan als een 2"'' lange bruinachtige 
kever, behoorende tot de natuurlijke fomilie der rhyncho- 



— 280 — 

plioren, tot Avclke cene menigte van fruitsoortcn on Zei- 
den lerende insekten beliooren , welke alle eenc gelijke 
levenswijze hebben , en opmerkenswaardig zijn door den in een 
langen snuit eindigenden kop , aan welks uiteinde zich de 
vernielende bijtwerktuigcn bevinden. 

Eijeren, larven en poppen vindt men meestal in eene en 
dezelfde stengel. De eijeren vrorden in groot getal door 
eene fijne opening der epidermis gelegd. 

De hieruit voorkomende larve leeft van het merg der 
plant en is in staat, gedurende 3 tot 4 weken de geheele 
mergstof en alzoo de plant zelve te verwoesten , waarna zij 
zich in eene witachtige, in het merg zich bevindende, ei- 
vormige holte verpopt, waarmede de schadelijke levensperio- 
de van het dier als geëindigd is te beschouwen. 

Uit irebrek aan svstematische handleidingen de soort en 
het geslacht, waartoe deze kever behoort, niet kunnende op- 
geven, voeg ik hier bij eenc korte diagnose. „ Ilufo-fuscus, 
corpore gibboso , longitudinaliter granulatim spinoso , ma- 
cula dorsali alba cruciformi ; rostro caput longitudine su- 
pcrante , armato ; antennis rostri apicem versus insertis , ge- 
niculatis, 9- articulatis , articulo primo longissimo, ultimo 
ovali ; tibiis anticis in proccnum armatum prolongatis , ar- 
ticulo tarsorum ultimo unguiformi. — Long. 2."'' 

3. Eene tweede soort van koleoptercu , welke niet minder 
schadelijk is , behoort tot de natuurlijke familie der longicor- 
nia of cerambycina, en schijnt mij volgens eene menigte 
ontwikkelde exemplaren, binnen zeer korten tijd door mij 
bijeen verzameld, nog menigvukligcr te zijn dan de boven 
beschrevene. 

Wanneer de reeds gemacereerde en van verwstof bevrij- 
de planten uit den fermenteerbak verwijderd en opgehoopt 
zijn , vindt men ze in korten tijd met talrijke zwartachtige 
insekten, ter lengte van bijna een centimeter, als het ware 



— 287 — 

bezaaid. Deze diertjes hebljen zieh zonder twijfel gedu- 
rende de fermentatie ontwikkeld, en komen thans, hun- 
ne pop verlatende, te voorschijn. Hunne larve leeft in ge- 
meenschap met die van eerstgenoemde, of ook A'an deze 
afgescheiden, op gelijke "wijze in het merg der indigoplant. 
De door haar aangerigto schade , is, uithoofde liarer grootte 
en getal, nog veel aanmerkelijker dan die der zoo even be- 
schrevene. 

4. Als den grootsten verwoester der indigoplant, welke 
gelukkig enkel verstrooid voorkomt , noem ik hier nog een 
insekt, door den Javaan Oeret genaamd. Dit is de larve van 
eene groote soort van Melolontha, welke overigens ook voor 
vele andere kultuurgew'asen hoogst schadelijk is. 

Een afzigtclijk, 2 a 2'" lang, wormachtig dier, van 
bleekgele kleur (zoo als de meeste keverlarvcn) , met rood- 
bruinen kop en glanzig , grijs , blaasvormig uitgezetten elnd- 
ring van het ligchaam. Het voltooide insekt is 1 .V' lang, 
roodbruin van kleur , en heeft veel overeenkomst met onze 
europesche meikevers. 

Door het totaal afvreten der wortels, zoodat de plant ge- 
makkelijk uit de aarde kan getrokken worden , zijn zij in 
staat , eene plant in een enkel etmaal te vernielen. Neemt 
men den langen duur der ontwikkelingsperiodc (den larve- 
toestand) in aanmerking, en de groote vraatzucht dezer die- 
ren, dan is aan te nemen, dat een betrekkelijk gering aantal 
hunner binnen korten tijd eene geheele plantaadje te gronde 
zou kunnen rigten, wanneer de uitbreiding van dit geslacht 
grooter ware, en de Javanen, op haar voorhanden zijn 
reeds opmerkzaam gemaakt door het spoedig afsterven der 
plant, niet ijverig Avaren in het opsporen en dooden dezer 
dieren. Hierbij komt nog, dat zij door hunne grootte 
goed kenbaar zijn en daardoor tot prooi van kraaijen en 
ander roofi^edierte worden. 



— 288 — 

5. Eindelijk is hier nog gewag te maken van een insge- 
lijks als scliaclelijk bekend dier, hetwelk enkel op bepaalde 
tijden en in geringe uitbreiding aangetroffen wordt, en bij 
de Javanen bekend is onder de naam van hoepoe-hoepoe. 

De stengel der plant en de meer ontwikkelde takjes vindt 
men bij oppervlakkige beschouwing met een sneeuwwit, 
wolachtig kleed bedekt, afkomstig van een tot de familie 
der cikaden behoorend en naar een' vlinder gelijkend insckt. 
De larven zitten onder een ligt overtrcksel van zijdeachtige 
wol aan de plant vastgezogen. 4-5 weken later is dit 
viltig ovcrtreksel afgestroopt en daarna zitten de volkomen 
gevormde diertjes op de plant. Bij de minste aanraking 
springen zij in alle rigtingen uit elkander. 

De in den staat van rust naar achteren gerigte bekvor- 
mige kaken, staan, zoo lang het dier het plantensap op- 
zuigt, loodregt in de bastzelfstandigheid der plant, eene om- 
standigheid waardoor, wanneer vele dezer diertjes te gelijk 
dezelfde plant aangrijpen , het leven derzelve in hoogen graad 
bedreigd wordt. 

6. Eenige tot het vlindergeslacht Vanessa en Polyomraatus 
behoorende rupsen leven wel is waar insgelijics van de bladen 
der indigoplant , doch hun getal is zoo gering , dat zij uit 
dien hoofde niet als schadelijk kunnen aangemerkt worden. 

Bestaan er nu middelen tot uitroeijing dezer schadelijke 
dieren, of ten minste zoodanige, waardoor hunne gevaarlij- 
ke uitbreiding kan worden tegengegaan. 

In den geest, zoo als de bezitters der indigoplantaadjes 
zulks wenschen , dat wil zeggen , deze vijanden op eenmaal 
te vernietigen of hun ontstaan te verhinderen , geloof ik 
mijnerzijds niet , dat zoodanig middel gevonden kan worden. 
Rationeel en uit de analogie met andere gev^^assen te oordeelen, 
zal het hieronder gezegde wel het messt doeltreffende mid- 
del zijn. 



— 289 — 

liet is mij niet ontgaan , dat deze dieren zicli na voleindig- 
de fermentatie der plant ontM'ikkelen , en daarna in menigte 
op liet opeengehoopte , onbruikbaar gewordene geblader- 
te te vinden zijn, vs'aardoor zij gunstige voorwaarden vin- 
den voor hunne voortplanting. Wilde men dus, volgens 
mijn inzien, deze onbruikbare resten der plant , in plaats van 
ze aan verrotting prijs te geven , onmiddellijk na voleindigde 
fermentatie verbranden , dan zoude men reeds een' gewigti- 
gen stiip ter hunner uitroeijing gedaan hebben , door het 
vernietigen van vele duizenden dezer verwoesters. Hierbij 
zoude het intusschen hoogst geraden zijn , deze verbranding 
geregeld en bij alle fabrieken eenige jaren lang te herhalen , 
en het resultaat daarvan zoude niet anders dan frunstii^ 
zijn. 

Betrekkelijk de oeret zoude het naar mijn inzien goed zijn, 
zoo lang dit dier zich als larve in de aarde verber£i:t, het 
vlijtig op te sporen , wat wegens zijne aanmerkelijke grootte 
nog ligter uitvoerbaar is. 

Om den zoogenaamden worm te dooden , schijnt het mij 
toe, het raadzaamste te zijn, de plantaadje tot op eene bepaalde 
hoogte en langeren tijd onder water te zetten, waardoor 
insgelijks met zekerheid te verwachten is , dat , wanneer 
daardoor ook niet hunne geheele uitroeijing verkregen wordt, 
dan toch hun getal en de van hen te verwachten schade 
aanmerkelijk zouden verminderd worden. Evenzoo zoude 
het zeer nuttig zijn, de reeds afgeschrevene indigoplanten, 
alvorens ze in den fermenteerketel te brengen , van de 
houtachtige stengels , die buitendien geene verwstof op- 
leveren, af te zonderen en door verbranding te vernie- 
tigen. 

Aan het bestaan van planten, waarmede de worm zoude 
kunnen verdreven worden , en zoo als eenige Javanen ze 
tusschen de indigoplanten plaatsen, misschien met het doel 



— 290 — 

om düor de uitwaseming (?) van die planten den Avorm 
te verdrijven, lioclit ik weinig geloof, en even zoo wei- 
nig aan zekere delfstoflelijkc bijvoegsels, Avelke men mengt 
iu de aarde , in ^Yelke de jonge takken zullen geplant 
-worden. 

Vjol-jokavLa, dcii %lslcn Januavij 185('>. 



NIEUWE BIJ DE AG E 



TOT DE KENNIS DER 



I C H T H Y O L O G I S C H E FAUNA 



VAN 



B A L I, 

DOOR 
Ur. P. O 1^ K e: li. E IC. 



Thans 8 jaren geleden schreef ik eenc eerste Bijdrage 
tot de kennis der ichthyologische fauna van Bali, Avelke in 
het 22^^ deel der Verhandelingen van Bataviaascli Genoot- 
schap van kunsten en wetenschappen is opgenomen. De 
bouwstoffen voor die Bijdrage waren gering en bestonden 
slechts uit 29 soorten, welke evenwel tot nu toe de gc- 
lieele kennis betreffende Bali's vischfauna daarstelde. Ik 
bepaalde die soorten te Willem I, alwaar ik destijds ge- 
plaatst Avas , ver verwijderd van mijn kabinet , hetwelk 
ik te Batavia had achtergelaten en A'erstoken van vele letter- 
kundige hulpmiddelen, over welke ik te Batavia had kun- 
nen beschikken. Enkele soortbcpalingcn in die Bijdrage 
zijn mij later gebleken onjuist te zijn, terwijl mijne nieuwere 
studiën mij geleid hebben tut het wijzigen van meerdere 
soortnamen. Ik zal die namen eerst tut de thans door mij 
aangenomenc terugbrengen. Zij zijn: 



— 2112 — 

1 Apogoü novcmlUsciatus CV. -: Apogou baliiioisls Blkr ol. 

2 8corpacna polyprion Blkr. 

3 Pristipoma liasta CV. := Pristipoma kaakau CV. sec. Blkr ol. 

(nee CV.). 

4 DIagramma oriëntale CV. 

5 Megalaspis Rottleri Blkr i=: Caranx llottleri CV. 
G Selar Ilasscltii Blkr ►=: Caranx xanthurus K. v. H. 

7 Carangoides atropus Blkr t: Caranx nigripes CV. 

8 » galliclitliys Blkr ^n Galliohtliys major CV. 

9 Salarias quadripinnis (3V. 

10 Trypaugen vagina CV. 

1 1 Plesiops coeruleolineatus Riipp. tn Plesiops melas Blkr ol. 

12 Pomacenü'us vanicolensls CV. ^ Pristotis fuscus Blkrol. 

13 Glyphisodon pliaiosoma Blkr. 

14: )) unlraaculatus CV. i=: Glyphisiodon balineusis Blkr ol. 
ld Julls (Haliclioeres) binotopsis Blkr. 
I ) miniatus K. v. II, 

) molaCuv. t:iJul(IIalieh.)notoplithalmusBlkrol. 
i ) pardaleoceplialus Blkr. 
) pliekadopleura Blki'. 
) ScbAvarzii Blkr. 

21 Scarus baliuensis Blkr. 

22 Astronestlies clirysopliekadion Blkr ^ Stomianodon cliryso- 

pliekadion Blkr ol. 

23 Meletta Sclirammii Blkr t=; Alausa Sclirammii Blkr ol. 
2i Alausa melanurus CV. 

25 Engraulis Kussellü Blkr ^ Engraulis ballnensis Blkr ol. 

26 Plagusia raelanopterus Blkr i:^ Plagusia monopus Blkr ol. 

27 Muraena Trosclielii Blkr m Muraena grisea Cuv? Blkr ol. 

28 Balistes praslinus Lac. !=; Balistes melanopleura Blkr ol, 

29 Ostracion cornutus L. 

Eenigo maanden geleden werd als gekommitteerde van 
het nederlandsclie gouvernement te Bolding geplaatst de 
heer P. L. Van Bloemen Waanders , aan v^^ien de weten- 
schap reeds is vcrpligt door de vcr/amelingen van visschen 
uit de bhuicnlanden van Palembang, welke liet eerste licht 



lü 






17 






18 






19 






20 







— 20^ — 

over clö vischÊiuna van die gewesten hebben doen opgaan. Po 
heer Vau Bloemen ^Taanders , op nieuAv hebbende willen bij- 
dragen tot uitbreiding der ichthyologiscbe kennis A'an Xe- 
derlandscli Indië, heeft ook op zijne nieuwe standplaats zieli de 
moeite gegeven een aantal vischsoorten van Bali bijeen 
te brengen en die naar Batavia over te maken. Aan die 
verzameling is deze bijdrage te dankeu. Zij bestaat uit de 
volgende soorten. 

Pisc'js Balinenses collectlonis Waandevilunae. 



1 Arabassis Dussumieri CV. 

2 Serranus varlolosus CV. 

3 IMesoprIon iimboinensls Blkr. 

4 " bottontusis Blki', 

5 )) coeriileopunctatusBlkr 

6 )» deciissatus CV. 

7 )» gembra CV. 

8 '» lineolatus Blkr. 

9 )) lutjanus CV, 

10 » marginatus Blkr. 

11 » vitta Blkr. 

12 Therapon servus CV. 

13 Spliyraena Forsteri CV. 

14 » obtusata CV. 

15 Polynemus microstoma Blkr. 

16 Upeiieus barberiuus CV. 

17 » pleurospilos Blkr. 

18 » Russellil CV. 

19 Upeneoides vittatus Blkr. 

20 *Pristipoma basta CV. 

21 Scolopsides monogramma 

K. V. H. 

22 Dentex griseus T. Sobl. 

23 Letlu'inus opercularis CV. 
21 » ornatus CV. 

23 » rostratus K. v. H. 
oe 6EKIE, DL. III. 



26 Gerres oycna CV. 

27 Aiiabas scandens CV. 

28 Trichopus tricbopterus CV. 

29 Ophiceplialus striatus BI. 
.30 Caranx Forsteri CV. 

31 » meliUiipygus CV. 

32 Selar torvus Blkr. 

33 Equula filigera CV. 
31 )» gomorab CV. 

35 Gazza equulaeformis IJiipp. 

36 )) tapeinosoma Blkr. 

37 Ampbacautbus mai'garitife- 

rus CV. 

38 » marmoratus CV 

39 Acantburus matoïdes CV. 

40 )) strigosus Benn. 

41 Miigil sundanensis Blkr. 

42 Gobius grammepomus Blkr. 

43 I» tambujon Blkr. 

44 Sicydium balinense Blkr. 

45 )) cynocepbalus Blkr. 

45 » liilcriuus Blkr. 

46 I) xantburus Blkr. 

47 " zosteropborum Blkr. 

48 Eleotris taenionofopteriis Blkr. 
49Bc;lübrancbus taeniopterusBIkr. 

lt> 



— 291. — 

50 Culiuö iiiger Blki\ Gi Be'one cylliulriea Blkr. 

51 Aiiteniiarius pinniceps Cornra. G5 Havengiila melauurus Blkr. 

52 Fistularia immaculata Comm, G6 » moluccensis Blkr. 

53 Ponuicoitrus melanoptcrus C7 Spratella terabang Blkr. 

Blkr. GöEngraulIs encrasiclioloïdt'sBlkr. 

5i Jiüis (Ilalicliocres) balteatus GO n setirostris CY. 

QG. 70 Saurus myops Ciiv. 

55 » ( " ) Harloffii Blkr. 71 » syuodus CY. 
5G » ( " ) interruptus Blkr. 72 IllioniLus IMogkü Blkr. 

57 >» ( " ) kallosoma Blkr. 73 Plagusia marmorata Blkr. 

58 Novacula peatadactyla CY. 71 Anguilla Elphinstonel Syk. 

59 " puuctulata CY. 75 » sidat Blkr. 

60 Callyodon hypselosoma Blkr. 7G Arothron ? kappa Blkr, 

61 Clarias puuctatus CY. 77 Auosmius BeunettI Blkr. 

62 Barbus bllitonensis Blkr. 78 BalLstes liueatas BI. 
Go Lcuclicus cyauotaüiiia Blkr. 

Op rristipoma liasta CY. na, zijn alle deze soorten nieuw 
A'üor de iceniiis van Bali , zoodat het aantal bekende balisclie 
visschen door de verzameling van den heer P. L. Yan Bloe- 
men AYaanders gebragt wordt, van slechts 29, op niet min- 
der dan !()(), welk cijfer echter natuurlijk slechts een ge- 
ring gedeelte van de op en om Bali levende visschen voor- 
stelt. 

De visschen van den heer Yan Bloemen Waanders ver- 
spreiden het eerste licht over de zoetwater-fauna van Bali. 

JNlen . M'eet , dat van de eilanden , gelegen beoosten de 
drie groote Soenda-eilanden , tot nog toe geene enkele soort 
van karperachtige visschen is bekend geworden , zelfs niet 
van het groote eiland Celebes, waar toch stroomgebieden 
zijn van aanmerkelijke uitgestrektheid. In een zoögeogra- 
phisch opzigt is het A'an veel belang, de grens te bepalen 
A'an het voorkomen A'an de familie der cyprinoiden. Nu toont 
de verzameling van Bali aan, dat dit eiland nog vertegenwoor- 
digers dezer familie voedt en wel Barbus bilitonensis Blkr 
en Leuciscus cyanotaenia Blkr, twee op Java zeer gewone 



— 295 — 

zoetwatervormen. De grens voor de crprlnoiden is door 
dit feit een weinig oostelijker versclioven. De vraag Llijft 
nu, of ook op Lombok, Surabawa, Flores , en/-, nog kar- 
perachtige ^issclien voorkomen, zijnde van de zoetvraterfau- 
na dier eikanden tot noo- toe o;eene enkele soort bekend ge- 
worden. 

"Wat betreft de merkwaardige vissclien met doolhofvormi- 
ge kieuwen , weet men , dat deze zich verder oostwaarts 
tot op de Moluksche eilanden uitstrekken en het baart al- 
zoo geene verwondering, dat de meest algemeen op de 
Soenda-eilanden voorkomende soorten dier fomilie, Anabas 
scandens CV. , Trichopus trichopterus CV. en Opliicepha- 
lus striatus Bk, ook op Bali leven. 

Andere zoetwatervisschen van Bali zijn Anguilla Elphin- 
stonei Sykes en Anguilla sidat Blkr , beide soorten , welke 
almede ook op Java leven. 

Nog andere zoetwatervisschen van Bali zijn de hierbo- 
ven genoemde Gobioïden en Eleotrioïdeu. 'Niet alle zijn 
evenwel als echte zoetwatervisschen te beschouwen en le- 
ven ook in de brakke wateren der riAiermondingen , met 
uitzondering misschien slechts van enkele soorten van Si- 
cydium. Slechts uit deze afdeeling der visschen levert de 
onderwerpelijke verzameling nieuwe vormen voor de we- 
tenschap, en wel twee merkwaardige soorten van Sicvdiura 
en eene aan Eleotris belobrancha CV. verwante soort, welke 
ik met laatstgenoemde onder een eigen geslacht breno-, 
hetwelk ik voorstel Belobranchus te noemen. 

De onderwerpelijke verzameling duidt genoegzaam aan, 
dat de vischfauna van Bali nog ruim stof tot navorschinrr 
aanbiedt en dat het allezins wenschelijk is, dat de bestaande 
kennis ten deze door de toezending van nieuwe verzame- 
linffen kunne worden uito-ebreid. 



DESCniPTIOXRS SPECIEUÜM DIAGXOSTICAE. 

GOBIOIDEI. 

Sicydium zosterophorum Blkr. 

Sicyd. corpore elongato, antice cylinJraceo, postice compresso, 
altitiidlne 8 circiter iu cjus longitudine; caplte obtuso convexo, 
5 et paulo in lougitudlne corporis; altitudiue capitis 2 fere, latl- 
tudiue \l circiter in eju? longitudine; oculis diametro o\ circiter 
in longitudine capitis, diametro 1 fere distantibus ; rostro obtuso 
convexo vix ante os prominente; rictu obliquo sub medio oculo 
desinente; dentibus labialibus inconspicuis ; dentibus maxillis uni- 
seriatis conicis acutis cui'vatis distantibus utroque latere 5 vel 6 
inaequalibus mediis ceteris longioribus; labio superiore carnoso, 
nee crenulato nee popillato; toto capite nucliaque alepidotis; squa- 
iTiis ctenoideis denticulis oculo nudo conspicuis; squamis lateri- 
bus 32 p. m. in serie longitudinali, caudalibus latei-alibus anteri- 
oribus majoribus ; appendice anali conica acuta ; pinna dorsali spi- 
nosa rotundata corpore paulo liumiliore, spinis flexillbus mediis 
ceteris longioribus, spina producta nulla; dorsali radiosa dorsali 
splnosa vix vel nou altiore postice acutangula; pcctoralibus ob- 
tusis rotundatis 5 et paulo, ventrali patellaeformi 10 ad 11, cau- 
dali obtusa convexa 4|- circiter in longitudine corporis ; anali dor- 
sali radiosa vix humiliore, postice acutangula; colore corpore 
roseo-viridi, inferne dilutiore; caplte toto violaceo; zonis viola- 
ceo-fascis corpus totum cingentibus 4 ; zona anteriore latissima 
ante spinam dorsi 1'" incipiente et sub initio dorsalis radiosae 
desinente, zonis 2^* et 3** gracilibus dorsalem radiosara inter et 
analem sitis, zona i^ caudali zonis 2^ en 3'' paulo latiore medio 



— 297 — 

basin candalis intcr et analem ; sqnamis spatüs interfasciaHbri? 
singnlis vitlula intraraarginali fnsca semilunari; pinnis dorsalibu.'? 
et anali Icvltor nigro marginatls; dorsali spino.^a fasco-violacea 
superne tantum flavo-auvantiaca; dorsali radiosa dimidio basal i 
violascente, dimidio superiore aiirantiaco-flava ; pectoralibu? , ven- 
tralibus analique aurantiacis; caudali dimidio basali aurantiaca, 
diinidlo libero violaceo-nigra. 

B. 4. D. G— 1/9 vd 6 -I/IO. R 15. V. 1/5 | 5/1. A. 1/9 vel 
1/10. C. 9/11/10 vel 10/11/11 (lat. brev incl.). 

Habit. Boleling, Bali septeutrionalis, in fluvii.s. 

Longltudo speciminis unici 51'". 

Aanm. Deze soort is zeer merkwaardio- in haar geslacht. 
Ik heb zelfs geaarzekl haar tot het geslacht Sicydium to 
brengen , vermits ik bij mijn voorwerp geene liptandjes 
heb kunnen ontwaren en de bovenkaakstanden er gevormd 
zijn even als de onderkaakstanden, in plaats dat zij als bor- 
stelvormige tandjes zeer digt bijeenstaaii. Overigens ech- 
ter bezit zij den liabitus , snuit- , buikvin- en schubbouw van 
Sicydium , zoodat ik gemeend heb haar in dit geslacht to 
moeten laten. Behalve door de genoemde eigenaardigheden, 
is zij zeer kenbaar aan hare scherpe kleurteekening. 

Sicjjd'mm baünense Blkr. 

SIcyd. corpore elongato, antice cylindraceo, postice corapresso, 
altitudine 8 circiter in ejus longitudine; capite obtaso eouvexo 5 
et paulo in longitudine corporis; altitudine capitis 2 fere, latitu- 
dine l^ circiter in ejus longitudine; oculis diametro 3^- circiter in 
longitudine capitis, diametro 1 fere distantibus; rostro obtuso eou- 
vexo vix ante os prominente ; rictu o1)liquo sub medio oculo dc- 
sinente; dentibus lablalibus iuconspicuis; dcntibus maxillis uni- 
seriatis , maxilla superiore parvis confertis aequalibus utroquc la- 
tere p. m. 20, maxilla inferiore conicis curvatis distantibus inae- 
qiialibus utroque latere p. m. 10; labio superiore nee crcnulato 
nee papillato; capito toto nucliaque antice alcpidotis ; squamis cte- 
noideis, denticulis oculo nudo conspicuis; squamis media nucha 
7, p m , latcribus 35 p. m. in serie longitudinali , squamis eau- 



— 298 — 

Jallbu3 squamis nuchallbus et laterallbus anterlorlbus multo ma- 
joribus; appcndice anali conica; pinna dorsall spinosa lnimili,ro- 
tundata, corpore plus duplo humiliore, spiuls flexilibus mediis ce- 
teris longioribus, spina producta nulla; dorsali radiosa dorsali 
spinosa vix altiore postice acuta; pectoralibus obtusis rotuiidatis 
5.V fcre, venlraU patellacformi 9} ad 10, caudali obtusa rotuu- 
data 5 ad 5i ia longitudine corporis; anali dorsali radiosa non 
vel vix liumiliore, postice acutangula; colore corpore roseo-viridi, 
inffme dilutiore; rostro violascente; vitta oculo-raaxilkiri viola- 
eca; vitta cepbalo-caudali fusca; dorso latcrlbusque iasuper nebn- 
lis diffusis violascente-luscis ; squamis lateiibus plurimis singnlis 
vitta iutramarginali semilunari lüsca; pinuls aurantiaco-flavescen- 
tibus; pectoralibus media basi macuUi fuscesceute; caudali postice 
violascente, 

B. 4. D. G— 1/0 vel G— 1/10. P. 17 vel 18. V. V/o \ 5/1. A. 1/9 
vel 1/10. C. 10/11/9 vel 11/ 11/10 (lat. brev. iucl.) 

Ilabit. Boleling, in fluviis. 

Longitudo 2 speciminum 48'" et 51'". 

Aanm. Deze soort Is volkomen gebouwd naar de type 
van Sicydium zosterophorum Blkr, en bezit in vormen en 
11 2:chaams-evenredi olieden daarmede groote overeenkomst. 
Zij is daarvan ccliter gemakkelijk te onderkennen door ge- 
heel andere kleuren , door de nekscliubben en talrijke kaaks- 
tandcn. 

ELEOTRIOIDEr. 

iLlcotrls taenionotopterus Blkr, 

Eleotr. corpore oblongo comprcsso, altitudlne 4 et paulo in ejus 
longitudine, latltudine 2 circiter in ejus altitudiue; capite acuto 
compresso i\ circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 
\\ circiter, latltudine 2 et paulo in ejus longitudine; linea ros- 
tro-dorsali capite declivi, supra oculos concaviuscula ; oculis dia- 
metro 3| circiter in longitudine capitis, minus diametro 1 distan- 



— 299 — 

tibns ; oi'bitis glabris ; rostro acuto oculo breviore ; narlbns anterlonbug 
tiibulatis ; niaxilla superiore maxilla iiiffiiorc breviore, ante oculum 
desinente; rictu parvo; dentibus maxillis pluriseriatis , serie ex terna 
seriebus internis majorlbus , caninis vel caninoldels nullls ; siilco 
oculo-suprascapiilari panira conspicuo; caplte toto? squamoso; 

squainis ctenoidels, rostrum inter et pinnam dorsalem 1"" (?) , la- 

tc-ribus 28 p. ra. in serie longitudinall ; appendice anali oblonga 
lata biloba; pinna dorsall spinosa angulata corpore plus duplo 
humillore, spinis flexllibus 2" et 3* cetei'Is longioribus; dorsali 
radiosa obtusa rotundata corpore multo minus duplo liunilliore; 
pectorallbus obtusis rotundatls et ventralibus acutis G circiter, 
caudali obtusa rotundata 5 fere in longltudine corporis; anall dor- 
sali radiosa humillore sed non breviore, postice angulata; colorc 
corpore viridl-roseo ? inferne dilutlore, fascia oculo-gulari lata 
fusca; pinnis dorsalibus uigris, dorsall spinosa raacula media basi 
et parte infra-apicali albis ; dorsali radiosa vittls 3 obllquls al- 
bis antroi'sum adscendentlbus , vitta media a basi pinnae posteri- 
orc usque ad apicem ejus anteriorem porrecta, vittls cotcris par- 
tcm pinnae minorem tantum amplectentlbus; pectorallbus roscis 
basi vitta tramvorsa violacea ; vertralibus et anali roseis, anali 
interne fuscescente; caudali aurantlaco-rosea, basi, medio et pos- 
tice fuscescente. 

13. G. D. G— 1/0 vel G— 1/10. V. 14. Y. 1/5. A. l/IO vel 1/11. 
C. 8/11/8 p. m. (lat. brev. incl.). 

llabit. Boleling, iu fluvlis. 

Longitudo 2 speciminum 10'" et 53'". 

Aaum. Deze kleine soort behoort tot de groep van Elo- 
otris cvprinoides CV. en Eleotris leuciscns Blkr , Avelke zich 
door karperaclitigen habitus van de overige groepen van 
het geslacht onderscheidt. Zij is ook na verwant aan bei- 
de genoemde soorten, doch gemakkelijk te herkennen aan 
hare zwarte rugvinnen , van welke de voorste met 2 "witte 
Alekken , de achterste met drie schuinsclie witte banden ge- 
teekend is. Bij mijne voorwerpen zijn de kleuren der vin- 
nen beter bewaard l'•eble^'cn dan die des ligchaams , Maar 
vele schubben ontbreken. 



— 300 — 

Ik vermoed , dat ook Astorroptcryx scnilpunctatus Rüpp. 
tot deze groep behoort, althans , indien mag voorondersteld 
worden , dat eenigc der door den heer Küppell opgegevene 
kenmerken van dit geslacht (geleedc rugdoornen , eenreijige 
kaakstanden en 3 kieuwstralen) , Lij zijn eenig voorwerp 
van slechts 18 strepen lengte waargenomen, niet geheel 
aan de natuur beantAVOorden. 

13ELOCnA^'ClIUS Blkr. 

Pinnae dorsales 2, Dentcs maxillares pluriscrlati. Pala- 
tum totum edentulum. Nares oculo approximatac, anterio- 
res tubidatae. Praeoperculum anacanthum. Iladiis membra- 
na branchiostega (3 , quorum 1 vel plures spina antrorsum 
S2)ectante. 

Aanm. Naarmate men meer soorten van het groote Cii- 
viersche geslacht Eleotris leert kennen, blijkt het, dat die 
soorten zich onder verschillende groepen laten brengen , 
aan welke ecnc generische waarde niet is te ontkennen , 
daar de karakters, door Avelke men die geslachten kan aan- 
duiden , beantwoorden aan andere natuurlijke kenmerken , 
habitus, overceukomstigen ligchaams- en vinbouw, tandcn- 
stelsel, beschubbing, enz. 

Zoo maakte Eleotris belobrancha CV., tot nog toe eeno 
afzonderlijke type in het geslacht Eleotris uit. Eene twee- 
de, door mij ontdekte soort, voegt een' nieuwen overceu- 
komstigen vorm bij die type, welker voornaamste kenmerk 
gelegen is in het doornvormige naar voren gerigte uitsteek- 
sel van een of meer der kicuwstralcn. Deze tweede soort, 
welke hlerojider is beschreven , is zeer na verwant aan p]leo- 
trls belobrancha CV., welke ik thans, naar haren ontdek- 
ker, Bclobranchub Quuyi noem. 



— r,oi — 

Bclohranclius taeidopLcrus Blkr. 

Belobr. corpore elongato, finllcc cyliiulracco, posticc compresso, 
altitucline Gj-atl? iu ejiis longituJine; capltc acutiusculo depresso 
4| ad 4|- iu lougitudine corporis; altitiuliiie capltis IJ circiter, 
latitudine 1| ad 1.^- in ejus longitudine; linea rostro-frontall con- 
vexiuscula; oculis diametro 3i ad 3*- in longitudine capltis, dia- 
metro J ad |- distantlbus ; rostro brevissimo obtuso convexe oculo 
duplo breviore; maxilla superiore maxilla inferiore paulo bre- 
viore, sub pupilla desinente; rictu valde obliquo; dentlbus ma- 
xlUis pluriseriatis serie extex'na seriebus ceteris, antice prac- 
sertim, majoribus, maxilla superiore aequalibus, maxilla iiile- 
riore inaequalibus caninis veris nullis; labiis carnosis; sulco 
oculo-suprascapulari conspicuo; apertura braucliiali vcrtlcali; ra- 
dio brancbiostego lo spina valde conspicua autrorsum spectan- 
te; squamis ctenoideis, capite nullis, nuclia minimis 20 p. m., 
laterlbus 65 p. m. in serie longitudinali, squarais caudalibus squa- 
mis dimidio corporis anteriore multo majoribus; regione postgu- 
lai'i alepidota; appendice anali oblonga rotundata; pinna dorsali 
spinosa obtusa rotundata, corpore multo liumlllore, spInIs tlexill- 
bus mediis ceteris longioribus ; dorsali radlosa analique obtusis 
rotundatis subaequalibus, doi'sali spinosa altioribus, corpore liuml- 
lloribus; pectoralibus basi squamosls, obtusis, rotundatis, radils 
superioribus brevibus filosis 5 circiter, ventralibus acutis 6 circi- 
ter, caudali obtusa rotundata b\ ad G ferc in longitudine corpo- 
ris; corpore aurantiaco-fusco , inferne dilutlore, vittis diiTusis 
ti'ansversis irregularibus G p. m. aurantiacis; capite vittis ocu- 
lo-opercularibus diffusis 3 vel 4 fusco-vlolaceis ; pinnis flavcs- 
cente- aurantiacis, dorsali spinosa vittis 2 curvatis longltudinalibus 
fusco-violaceis, margini pinnae supcriori parallelis; dorsali radio- 
sa vittis 4 vel 5, anali vittis 3 vel 4 longltudinalibus fuscis; pec- 
toralibus et caudali vittis plurlbus trans versis fuscis, pectoralibus, 
vitta basali excepta, parum couspiculs, caudalibus maxime cou- 
spicuis. 

15. G. D. C— 1/7 vel 6—1/8. P. 10 vel 20. V. 1/5. A. 1/7 vel 
1/8. C. 12/12/11 vel 13/12/11 (lat. brev. incl.). 

llabit. Boleling, in fluviis. 

J^ongitudo 5 spcciminum lÖ'" ad 57'". 

qc ,seiue, dl. ui. 20 



— 302 — 

Aanm. Alle mijne voorwerpen zijn aanmerkelijk kleiner 
dan die, welke ik tlians van Belobranclius Quoyi Blkr (Eleo- 
tris belobranclia CV.) bezit. De soort onderscheidt zich van 
laatstgenoemde voornamelijk door kortere bovenkaak , en 
vooral van voren slankercn koj? , terwijl er de kleurteekening 
van ligchaam en vinnen eene geheel andere is. 

CHIKONECTEOIDEI. 

Aiilennar'ms innmceps Comm. ap. CV. Poiss. XII p. 305, 
Blkr, Act. Societ. Scientlar. Ind. ISeerl. Beschr. 
A^issch. Amboin. p. 49. 

Aanm. Mijn voorwerp van Bali heeft zoo geheel dezelfde 
vormen en kleuren als mijne beide voorwerpen van genoem- 
de soort van Ball, dat het daarvan op geencrlei wijze te 
onderkennen zou zijn , tenzij door den snuitdraad , welke in 
plaats van aan het einde regelmatig in drie vleezige lappen 
verdeeld te zijn, in eene vliezige langwerpige kwab eindigt, 
welke zeer talrijke fimbricn afgeeft. Dit doet mij vermoe- 
den , dat in den vorm der snuitdraadaanhangsels geene ze- 
kere soortelijke kenmerken te vinden zijn. 

Scripsl Batavia Calendls Septemhris mdccclvi. 



TOPOGRAPHISCIIE SCHETS 



VAN HET EILAND 



B A T J A N 



DOOR 



j. G. B E it ]v E II O T ^ O E nr s. 



Het gebied van den sulthan van Batjan bestaat, behalve 
uit het eihmd Batjan , uit de eilanden Mangioli , Oebit , Kas- 
siroeta of Towali-besaar , Towali-ketjil en de eilandengroep 
der Latta-latta. 

Talrijke kleine, meest onbewoonde eilanden als, Noe se- 
ra (noe, Batjansch voor poeloe ; Sera, Batjansch voor besaar) , 
Xoesedikit , Mamboat sedildt, Batti, Gogoroe, Sarawakki , 
Ndaioewang, Albatoeng, "Waindira, AVaindidikit , Batoepatji- 
takka, Batoe-tegantong-parrapottang, Pinangkarat, Ora- 
ora , Sahwoiri, 3Iembilai, Tarakkian , Xoesalintan , Xoesama- 
dikit , Noesawara Poeloe Xanas , Batoeampat , Xoesasaga , 
Tambeli , Xoesawonno , X'"oesakitta , Kanoan , X'oesaliwadak, 
Xoesa-pauw , Xanèlakka , Moari , Toewakkien , Salimommoe , 
Panjoemoera , Memboat-besaar, Xenek , Beroe, Kaireoe, Koes- 
soe , Noesababi , Xoesera-loit en Solipogo , liggen langs de 
kusten verspreid. 



— 301. — 

Het grootste dezer, het eiland Batjan met een 200Ö-tal 
vaste inwoners, ligt tussclien 127^, 2o'" o. 1., 0,130 z. b. 
en 0,55''' z. b. 128*^ o. 1. liet is door de straat Patienti 
van Gilolo gescheiden. 

Het eiland Batjan bestaat uit een grooter noordelijk en een 
kleiner zuidelijk gedeelte. Deze zijn vereenigd door een smal 
gedeelte, gevormd, aan de "westzijde door de baai van Ba- 
tjan, aan de oostzijde (straat Patientie) door do Lapan-baai. 
Op dit gedeelte , grootendccls gevormd door de afzetsels 
der rivieren , is de hoofdnegorij gevestigd. Ilct is zeer 
Avaarschijnlijk , dat Batjan vroeger uit 2 eilanden bestond. 

Plet eiland is zeer bergachtig. De voornaamste berg is de Si- 
bela , welke bijna het geheele zuidelijke gedeelte van het eiland 
beslaat en uit meerdere bergen bestaat. Deze bergketen heeft 
toppen , welke eene aanmerkelijke hoogte bereiken. Op het 
zuidelijke gedeelte vindt men nog den Boekitpala en Sidappat. 

De Sibela is nog nooit door menschen beklommen. 

Op het noordelijke gedeelte vindt mende bergen van Ajer- 
membia, den Tepok en Poan. Men mag zeggen, dat dit 
eene aaneenschakeling van bergen is. 

Talrijke rivieren hebben aan deze bergen hun ontstaan 
te danken. "Weinige rivieren zijn bevaarbaar en dan 
slechts voor een zeer gering gedeelte, daar hare bedding 
met groote rotsstukken bedekt is. De rivieren van Ba- 
tjan zijn gerekend van de negorij naar het zuiden de 
volgende: Paisoe (batjansch voor ajer) Madawong, Koepal, 
Tebangkit, Saunkokkeh , Gondasoeli, Wowong, Batoepas- 
soet, Soeboe, Panimbowang, Konenara, Saumbradji, Ba- 
toekawele, Imbeit , Sawadai, Nomboesanpini, Kottabangai, 
Koeboeng , Palispalis , Papaliwang-benek , Papaliwanglak- 
ki, Parawasang, Batoebabole, jN^otti , Ingilala, Wajowa, 
Lambak, Sauwakoemkoem , Wayanonna , Silang, Tigara- 
dja, Bolibotta, Songa, Atori , Tawa , Babang, Sayowang. 

De rivieren van liet noordelijke gedeelte des eilands zijn de 



— 305 ~ 

t 

Bori , Akenanifi , "Waljaneli , 'Wokka, Wayasabattang , GHa- 

laug, Getti, ïimlonga, Gorogoro, Loleobobo, Loit, AVa- 
yatimoe, Bobanettoei, Jaranipa , Muleiafi , Doenkakotta , 
Topat , Sambakkira , Sambakkidikit , Palch , Paisoc^Yangat , 
InJari, Larinosaiino, Laridikit, Nonda, Mattambes , Soen- 
gietingi , Batoepoeti , Poan , Imbiri , Kapoetoesan , Paisocra 
(Ajer-besaar) , Soengait, Parabissi , Lidalida , Atok, Paisoe- 
ringit, Sawaiigdoerian , Salab , Paborong Panambian, Soc- 
soebiroeroe, Nambo^Ya, Tjamniariiino , Tauiigessakajoc , Ba- 
toependek , Sewaar, Indommoct, Paisoc-galaotti, Bekbcda, Siii- 
ga , Amassing. 

In de binnenlanden zijn mij slechts bekend Ajermcmbia, 
Ajcrlimon , Paisoelemot, Ajerpoeti, Paisoesalong (Ajer- dam- 
mer), PaisoesAvassa , Paisoeorelioreh, Palsoeamas (Ajermas), 
Tapobaloe, Ajersomona , Ajerneneri, Ingoi, Gamattiang en 
Ajerpottong. 

De kusten zijn afwisselend steil of vlak (zand-rolstecnen , 
koraalstukkeu enz.}, terwijl op verscheidene plaatsen het strand 
bedekt is met reusachtige lalaroe-boomen , die bij vloed in 
zee staan. 

Onmiddellijk aan het strand beginnen uitgestrekte , bijna 
ontoegankelijke Avouden , die het geheele eiland bedekken, 
liet heerlijkste timmerhout en meubelhout staan bijna vlak 
aan zes. liet meest gezocht zijn lingoa , kajoebissi (in 
2 soorten) , het fraai gevlamde kajoe-aren-beboengan en 
baroe-mendapat, het glimmend zwarte kajoe-aren , kajoc- 
niassawong , en tenang. 

Bijna overal vindt men goede ankerplaatsen. 

Het klimaat is gezond, terwijl de terreinen langs de ri- 
vieren en in het algemeen het geheele eiland buitenge- 
meen vruchtbaar zijn. Zeer te bejammeren is het dus, 
dat het aan handen ontbreekt om de gaven, die de natuur 
hier verkwist heeft , te gebruiken. AYare er bevolking , dan zou- 
de Batjr.n cene der vruchtbaarste en fraaiste bezittingen zijn. 



— 30G — 

Vroeger waren do vorsten van Batjan van veel gewikt in de 
iMol ukken. Herhaalde oorlogen en de natuurlijke pokken heb- 
ben hen aclitereenvolgens van hunne landen en onderdanen be- 
roofd terwijl thans nog de onkunde in alles wat genees- 
kunde aangaat, bijgeloof en wantrouwen in europesche 
geneesmiddelen, bij de geringste epidemie vele slagtoffers 
doen vallen, terwijl nu en dan zeeroovers do gezonden 
opvangen , bij hunne gewapende invallen. 

De bevolking bestaat deels in uit christenen en deels uit 
mohammedanen. Talrijke Galelarezen, Tidorezen, enz. wonen 
lanjïs de kusten. Tusschen de beide eersten bestaat aan- 
houdend eene sterke spanning. 

De hoofdvraag is, wie eigenlijk de oorspronkelijke bewoners 
van Batjan waren. Daar de archieven van den sulthan zeer 
geheim gehouden worden, konde ik mij van dien kant niet in- 
formeren naar de oorspronkelijke geschiedenis van Batjan. De 
mij door de hoofden der christenen verhaalde legende luidt 
echter als volgt : 

Voor de komst der Portugezen (of Spanjaarden?) werd 
Batjan alleen bewoond door een' prins , Poetra Alam Samar 
Galilla, die met zijne onderdanen Soengira en omstreken 
bewoonde en meester van Batjan was. Hij had op verschil- 
lende plaatsen over het gelieele eiland zijne hoofden, die hem 
gehoorzaamden. 

Deze vorst was een heiden. De Portugezen sloten een ver- 
drag met hem , bouwden het fort , thans Barneveld genaamd en 
de vorst werd christen. Zijn jongere broeder Awal Djaman , 
had echter eene antipathie tegen het christendom en wel zoo- 
danig, dat hij met eenige aanhangers zijn' broeder den oorlog 
aandeed doch na een gevecht , op eene plaats, thans nog Batjan- 
seratoes genaamd, moest vlugtcn. Plij nam de wijk naar 
Kassiroeta, waar zich mohammedanen ophielden, die een' 
Makjanner tot sulthan hadden en zich met zeeroovcrij enz. 
onledig hielden. Yan hier vindt men op Kassiroeta nog eene 



— 307 — 

begraafplaats der heldenen , welke Amal Djaman volgden, 

Awal Djaman werd, na den dood des sultlians vorst van Kas- 
siroeta. Samar Galilla besloot nu , hem weder de hand 
ter verzoening aan te bieden en hem te gaan geluk wenschen. 
Tevens wist de vorst van Batjan, dat de Portugezen, do 
zeerooverij moede, Kassiroeta wilden tuchtigen en bevreesd 
dat zijn broeder hierbij mogt omkomen , bood hij aan dezen 
te bepraten zich op Batjan te vestigen, waar hij onder toe-- 
zigt kond e zijn. 

Hij begaf zich nu naar Kassiroeta, welks sulthan verblijf 
hield op dat oogenblik op het eiland Xanoan. 

De broeder volgde nu naar Batjan. Samar Galilla gaf 
hem ten geschenke de doessoncr Sakitta-soerabi , de docsoenm- 
Petahonakkan te Ingoi (sago) en de doesong Boewongi-bodo 
te Sajowang. De hoofden van Samar Galilla schonken den 
broeder van hunnen vorst, die als sulthan zich Aloiaddin 
noemde, nog eene doessong-dammar te Ajermembia en eene 
doessoeng sago te Bolotor. 

Later vestigde Aloiaddin zich weder op Kassiroeta. Zij- 
ne nakomelingen echter vestigden zich Aveder op Batjan , 
usurpeerden de regten der oorspronkelijke vorsten , die wel- 
dra slechts scngadji Laboeha genoemd werden , en maakten 
zich van alles meester. 

Yoor de waarheid van dit verhaal ik niet Instaan , daar 
met hetzelve geschillen over sagobosschen in A-erband staan , 
welke eenige christenen , als afstammelingen van Samar Ga- 
lilla , beweren hen in eigendom toe te komen en Avelke hen , 
na honderdjarig ongestoord bezit, onlangs zijn afgenomen. 
Ik verhaal slechts Avat mij A^erhaald Averd. 

De binnenlanden zijn nog eene digte Avildernis. Met uit- 
zondering A'an den Aveg naar het steenkolen-etablissement 
te Ajermembia vindt men slechts een pas gekapt ruAV 
pad A'an daar naar Loit , een boschpad A'an de hoofdnegorij 
over Neneri naar SajoAvang, en een van Poan naar de 



— 308 — 

f^ouclwassclicrijen , benevens eenige -woinig begane paden in 
vorscliillencle rigtingen , Avaar zich doessong van dammar 
of kamiri bevinden. 

De bossclien zijn dan ook bijna ondoordringbaar. Eeus- 
aelitige boomen beletten de zon den grond belioorlijk te be- 
schijnen. A^an daar zijn Avandelingen en exkursies in dezelve 
niet zeer aangenaam , te meer daar honderden slingerplanten 
en doornplanten het gaan belemmeren. Nimmer komt men 
ongedeerd terug nit de bossclien, -waarvan zij, die met poëtische 
ideeën begaafd of gekweld zijn , zich zoo veel aangenaams 
voorstellen. 

De geologische gesteldheid van het eiland is weinig bekend. 
Tot nog toe is geenc put van eenige belangrijke diepte daarge- 
steld. Steenkolen en goud moeten over het eiland verspreid zijn 
en waarschijnlijk ook koper. Kassirocta daarentegen is rijk 
aan verschillende minder of meerder kostbare edelgesteenten. 

Aan de panteh Massarang te Soepai , op laatstgenoemd 
eiland, bevinden zich goede parelbi^nken. 

Als sporen van nog voortbestaande vulkanisclie werking 
A'indt men te Tebankit , aan den voet van den Sibela , op ver- 
schillende plaatsen lieete bronnen, welke tot aan het strand 
zich uitbreiden en sterk naar zwavel rieken. 

Aan den tegenovergestelden kant van den Sibela vindt men 
Atori, welks geschiedenis op het volgende nederkomt. 

Vroeger woonde aldaar een vorst, wiens wreedheid de 
schrik zijner naburen was. In de onmiddellijke nabijheid 
zijner residentie, aan het strand, woonde een rijke godvruch- 
tige mohammedaan , die eene schoone dochter had. De vorst 
wilde haar huwen, doch werd dit door den vader geweigerd, 
daar de vorst reeds 13 zijner vrouwen achtereenvolgens 
in zee had doen werpen. 

De vorst zwoer nu, dat Allah zelf hem niet zoude kun- 
nen beletten , het meisje tot bijzit te nemen en gaf last , 
haar met geweld op te ligten, toen idotsellng volgens de Ie- 



— 301) — 

gcndc, een licvige schok zich deed gevoelen en de gchcclc 
negorij door de aarde verzwolgen werd, uitgezonderd de 
streek, waarop de goederen en woning van den godvruch- 
tige gelegen waren, terwijl onmiddellijk de zee over de 
plaats liep, waar vroeger de negorij stond, zoodat de plaats, 
welke gespaard bleef, nu een klein vlak eiland is. Tus- 
schen dit eiland en de kust borrelt de zee aanhoudend op. Aan 
de kust vindt men lieete bronnen, die water tot aanmerke- 
lijke hoogte opv/erpen. Het water der bronnen is buitengewoon 
heet en smaakt ziltig. Als sporen , dat vroeger hier men- 
sclien woonden, vindt men verscheidene vruchtboomen, fun- 
damenten van huizen , enz. Iets het land in, is een diepe 
af-irond van onG;eveer 30 voet leno;te en 24 breedte, waar- 
in water met hevig gedruisch kokend opborrelt om nu en 
dan tot 10 a 15 voet hoog op te springen. 

De Batjanners durven geen woord spreken , wanneer zij 
Atori voorbijroeijen en verzuimen niet , klapperdoppen 
met wierook naar de kust te laten afdrijven. Met mij durf- 
den zij evenwel aan wal gaan , daar het geloof bij hen vast 
staat , dat de duivel bevreesd is voor Europeanen. 



Botanisch Gedeelte. 

Het ontbreekt mij geheel aan hulpmiddelen tot ver- 
vaardiging eener geregelde botanische schets van Batjan. 
Nooit is daar de vegetatie onderzocht, zoo als op Amboina 
enz. en ik wensch niet in het gebied der fiktie te treden. 
Ik bepaal mij dus tot het opgeven dier planten, welke van 
hetzij geneeskundig, hetzij ekonomisch belang zijn en op 
Batjan voorkomen. 

A. Planten van Geneeshunduj nut. 

1. Glumaceae. 

Mij is hier alleen bekend het roempoet sereli , waaruit 
de in de Mol ukken (en ook op Java) algemeen bekende olie 

o'- SEIUE DL. m, 20 



— 310 — 

minjakli sercli bereid ^A'o^cIt. Dezo olie wordt liier bij rlicu- 
matismen enz. aangewend. De versche wortels worden met 
goracca (rad. zingiberis) en batakka (kintsjocr), als thee getrok- 
ken, toegediend bij katarrliale aandoeningen, werken dan 
diaphoretisch en doen meer nut dan de uitgedroogde eu- 
ropesclic bloemen van Matricaria cliamomilla. 

2. Scitamineae. 

Zingiber officinale Roxb. izüJ goracca batj., djaln mal., komt 
aangekweekt veel voor en is een even geliefd als nuttig bijvoeg- 
sel der meeste inlandsche geneesmiddelen. Ekonomiscli ge- 
bruik wordt hier niet van deze plant gemaakt. De werking is 
opwekkend en diaphoretisch. Eveneens die van Zingiber cas- 
sumunar Roxb :=; tjinti batj., bangle mal., welker wortel van 
hetzelfde nut is. 

Curcuma longa :n koening, wordt nog meer dan de gember 
aangeplant. De fijn gestampte wortel, akar koening, wordt 
niet ekonomisch maar veel als geneesmiddel gebruikt. JMen 
ziet de inlandsche bevolking dikwijls geel besmeerd, bij 
hoofdpijn , neusverkoudheid , rheumatismcn enz. Zelfs wor- 
den kleine kinderen, ziek of niet ziek, met koening en fijnen 
kalk, kr.por alocs, besmeerd. 

3. Piperitae. 

Plper cubebae L. ^ kamockoos of kamoengkoes , wordt 
hier , waar haar nut bij pisbuis-slijmvloeden onbekend is, welke 
hier trouwens bijna nooit voorkomen , eclitcr gebruikt bij 
hydrops en bij asthma!?, zoo ook bij verschillende ontste- 
kingen der ademhalingsorganen, meest met slecht gevolg. 

4. Oleraceae. 

Mirabilis jalappa L. ^u boengan pugi soreh batj. is hier 
bekend als universeel middel bij alle Icvcraaudoeuingcn en 



— 311 — 

miltaandoeningen (sakit tikan). Ofschoon hare werking , dras- 
tisch- purgerend , hier misschien goed kan zijn, begaan de 
inlanders, wanneer dit sakit tikan van andere oorzaken af- 
hangt, met deze plant dikwijls geneeskundige moorden. 

5. Aggregatae. 

Eupatorium triplinerve Vahl mj dawon pransman jav. ^ 
gosouw roeri batj., wordt gebruikt bij phtliisis pulmonalis 
(de bladen en wortels als thee getrokken), bij chronische 
aandoeningen der larynx, en wel met vrij goed gevolg bij 
deze laatste aandoeningen. 

Chrysanthemum indicum ^ boengan seroeni. De bladen 
worden door de inlanders bij koorts gebruikt. 

6. Contortac. 

Alyxia stellata ;=! plassuri batj . poelesahari mal. De bast 
wordt in de medicijnen tegen dysenterie, gemengd met 
bidaralaut, koelit kirakira en-c. en ook bij koorts gebruikt. 
In sagoweer wordt dezelve in do zon gezet en dient dan 
als roborans. 

Ophioxylon serpentlnum ;=3 poeloe pandak mal.;=:! toeloe- 
wodji batj., dient als obat tjatjieng ;=:j oebat glottidi batj. 

7. Nitculiferae. 

Ocy.mum gratissimun L. im selassi mal. en batj. De bladen, 
met die van Jasminum sambac ^ melatti mal. ;=i boenffan 
manoeroe batj. vermengd, bleken mij, fijngestampt en als pap 
geappliccerd een goed middel bij ligte graden van insolatie 
(handen en aangezigt) en bij erysipclateuse aandoeningen 
in het algemeen. 

8. Tuhiflorae. 

Onder de konvolvulacecn en solanaceën zijn verschillen- 
de planten, wier namen mij grootendcels onbekend zijn, in 



— 312 — 

gebruik , zoo ook vcrscliillende Datura-soorten. Als midde- 
len bij oogziekten Avorden de meeste gebruikt. Andere als 
braakmiddelen, laxantia, enz. De dawon loroloro batj. is 
een uitmuntend middel bij chronische zweren. 

Van de Datura-soorten komen verschillende voor , welker 
bladen met vrucht bij asthma kunnen gebruikt worden. 

9. Discanihae. 

Panax cochleata ^ dawon-mangkok. De wortels worden 
hier als koortsmiddcl en bij chronisch rheumatisme :=i bebodja 
batj. gebruikt. 

10. Columniferae. 

Ilibiscus tiliaceus & venustusurj pohon waroe-laut en waroe- 
landak. De bladen en bloemen zijn uitmuntende mucilaginosa, 
even als die van Gossj'pium arboreum. 

11. Iricoccae. 

Jatropha curcas of Curcas purgans :m balletjaai-pagger 
batj. :=i djarak kosta mal. Het melksap is een goed bloedstel- 
pend middel en wordt ook bij oogziekten aangewend. 

Ivicinus communis ;=: kaliki, wordt bijna niet gebruikt. 

Croton tiglium ^ balletjaai-merah batj. ;=; kamalakkian mal. 
De zaden worden gebruikt als laxans. Daarvan wordt 
schromelijk misbruik gemaakt. De bladen dienen insgelijks 
als laxans. De gewone gift der zaden is 3 zaadkorrels te 
gelijk. Hierop volgt dan eenc soort van cholerine. De 
inlanders noemen dit oebat tjoekoer tripan bagoes. 

13. IShjrilfiorae. 

Melaleuca leucodendron ;=3 kajoepoeti. De bladen worden 
bij buikpijn gekaauwd; bij hoofdpijn en neuralgieën ook ge- 
stampt en met kocning uitwendig gebruikt. 



— 313 ~ 
13. Leguminosae. 



Moringa pterygosperma ;=:! kellor, wordt door de inlanders 
veel gebruikt, zoowel in aftreksels der bladen als der wor- 
tels, inwendig bij stuipen , pernicieuse koortsen, enz. Ook is 
hun het gebruik als sinapisme bekend. 



De volgende planten behooren nog tot de geliefkoosde 
medicijnen der Batjanners. 

üawon-maniran (Phyllanthus urinaria ^zj gossouw, madoengi, 
batj. Deze plant, elders als middel tegen urethroblennorrhoea 
in gebruik, wordt hier als koortsmiddel gebezigd. 

Dawon-soesoe (patji-patji?). De sappen worden in de oogen 
gedruppeld bij alle oogontstekingen , bij maculae corneae 
pterygium , enz. 

Dawon-kakki-koeda ?, een uitmuntend middel bij chro- 
nische dermatonosen , dat zelfs bij lepra niet vruchte- 
loos schijnt te worden aangewend. Ik wend het als extrakt 
aan van 1 tot 3 dr. daags. 

De batjansche plantennamen verschillen zoodanig van 
alle bekende, dat het mij bij gebrek aan handleidingen on- 
doenlijk is, deze beschrijving verder uit te breiden. 



B. Planten van huishoudelijk nuf. 

1. Fungi. 

Eene soort, welke op den sagopalm voorkomt, wan- 
neer deze reeds geklopt is, en hier keho wordt genoemd, 
wordt veel gebruikt, vooral onder de christenbevolking. 

2. Glumaccac. 

Oryza sativa :r! padi , wordt tlians vrij veel aangekweekt 
en is van uitmuntende kwaliteit. Het aanleggen van natte rijst- 



— 314 — 

velden is eclitor onbekend, ofschoon liet terrein daartoe hoogst 
gunstig is. Op vele plaatsen maakt de rijst slechts een klein 
deel uit der voedingsmiddelen van de inlanders, die voor- 
al veel sago nuttigen, wordende rijst alleen bij feesten gebruikt. 

Zea maismi miloe batj. m! djagong mal., wordt weinig 
aangeplant doch met het beste gevolg. 

Suikerriet wordt weinig doch met het beste gevolg 
geteeld. De suiker is buitengewoon duur, tot 90 duiten 
per katti. Men maakt meestal gebruik van sagoweer-suiker. 

Bambusa sp. div. komen overal voor , doch er is bijna 
gcene bruikbare soort onder. De boeloe-tjoei, cene dunne 
stevige bamboe-soort, maakt, aangepunt, een voornaam wa- 
pen der Batjanners uit. 

Koesoe-koesoe ? vervangt het alang-alang van Java. Uit 
den wortel Avordt een geestrijke drank gestookt. 

3. Coronariae. 

Allium cepa en AUium sativum werden door mij overge- 
bragt en tieren welig. 

4. Scitamineae. 

Musa paradisiaca ^ pisang , komt algemeen voor ; het meest 
pisang-kosta , sepatoe en ambon. De alluviale terreinen 
langs de rivieren zijn bedekt met pisang-oetan. Deze 
laatste vruchten maken een voornaam voedsel uit der voort- 
vlugtige bannelingen. 

Globba? Eene plant met roode vruchten gelijk ananas, 
welke vlak bij den grond voorkomen. De plant heeft eene 
lan£i;e sten2:el en veel overeenkomst met Canna indica. De 
vruchten worden veel gezocht. 

5. Palmae. 

Cocos nucifera komt weinig voor, zoodat de vruchten duur 
isijn en alleen gebruikt worden ter bereiding van braadolie. 



— 315 — 

Lampolie wordt bereid uit de vruchten van Aleurites mo- 
luccana. 

Sagus saccliarifer ;=; polion selio bat j . ^ gomotoe of arcu 
mal., komt letterlijk overal voor. De sagoweer is zeer goed 
en wordt niet, even als op Amboina , met allerlei houtsoorten 
vermengd maar zuiver gedronken en schijnt onschadelijk te 
zijn. De gomoetoe wordt uitsluitend als touw gebezigd. De 
bladen dienen als dekblad voor de ci^arettes der inlan- 
ders. De vruchttrossen worden door voortvlugtio-e bannelin- 
gen als voedsel gebruikt. 

Een goede boom levert onder de handen van een' ervaren' 
tapper gedurende ongeveer 3 maanden 8 ned. kannen per 
dag, hebbende eene waarde van bijn 100 duiten. 

Uit de sagoweer wordt azijn bereid, die echter flaauw 
zuur is; verder aren-suiker, eene stroopaardige vloeistof, wel- 
ke spoedig zuur wordt. De moer wordt gebruikt om deeg 
te doen rijzen. 

De dekbladen der cigarettes, van seho-bladen bereid, 
zijn minder prikkelend en schadelijk dan die der nipa. 

Sagus Rumphii ;z3 sago , komt in groepen (doessong sago) 
over ceheele eiland voor. De sago is het hoofdvoedsel der be- 
volking. In den sagopalm komt eene soort van worm voor , 
die gretig gezocht wordt en eene ware lekkernij is. De bla- 
den dienen ter vervaardiging van atap, die zeer goed is. 
De toppen der boomen worden gegeten als groente. De uit- 
einden der bladen dienen ter vervaardiging van zeilen ; de 
bladsteel, de bekende gabba-gabba, tot bouwen van huizen. 
De doornen, waarvan de boom voorzien is, worden op kleine 
pijlen als punten gebruikt. 

De pinangpalm wordt overal aangekweekt. 

6, Coniferae. 

Gnetum gnemon ? -^ gnemoe , komt vrij algemeen voor. 
Het daarvan vervaardigde touw is zeer gezocht ter vervaar- 



— 316 — 

cliging van ondcrcinclon van wcrpnctten. Do vruchten, bla- 
den en bloemen ■worden gegeten. 

7. Julijlorae. 

Ficus ampelas ? ;r: dawon ampclas, komt vrij veel voor on 
■wordt gebruikt tot gladscliaven van fijne houtwerken. 

Artocarpus incisa en A. integrifolia komen algemeen voor, 
doch aangekvreckt. 

8. Oleraceae. 

Amaranthus oleraceus en A. spinosus — bajam en bajam 
doeri batj. mal., -worden veel aangelcsveekt en zijn de meest 
gebruikelijke groente. 

9. TJvjmelcae. 

Cinnamomun chincnse ^ kajoc manis. Van deze bevinden 
zich op Batjan slechts 2 exemplaren , de eigendom van 
den sulthan. KoelitlaAvan en massoi zijn zeer algemeen. 

1 . Caprlfoliaceae . 

CofFea arabica wordt meer en meer met uitmuntend ge- 
volg aangekweekt. Het toppen der boomen is onbekend. 
De ^^.'uchten zijn zeer groot. De boomen staan zelfs aan 
het strand voordeelig. 

11. Agijrecjcdae. 

Lactuca sativa (slada) is door mij in ruime hoeveelheid 
aangekweekt. 

12. Contortae. 

Jasminun sambac ;=! manoeroe batj ;=; melatti mal., is de 
lievelingsbloem der inlandsche vrouwen , even als op Java. 

13. TuUJlorae. 

Convolvulus batatas :::: batatas, wordt zeer veel aangeplant 
en maakt de voornaamste groente der bannelingen uit. 



— 317 — 

Capsicum sp. cliv. komen in ruime hoeveelheid voor. 
Solanum tubcrosum wordt door mij met goed gevolg aange- 
plant ; zoo ook van de 

11'. Discanthae, 

Daucus carota ;z^ akar koening batj., Apium petrosclinum en 
Apium graveolens. 

15. Pohjcarpicae. 

Myristica moscliata ;=i pala , als ook de pala-radja komt , 
niettegenstaande de vroegere uitroeij ing, hier en daar in do 
binnenlanden voor. 

Anona muricata :::! nanka wolanda, komt enkel voor ; aan- 
gekweekt. 

16. Rhoeades. 

Sinapis nigra et alba en Raphanus sativus worden door 
mij aangekweekt. 

17. Parietales. 

Galiengang, nuttig om de verwstof, komt enkel voor aan- 
gekweekt; zoo ook Carica papaja- 

18. Peponiferae. 

Cucurbita citrullus, C. idolatrica, C. hispida en Cucumis sativa 
;=:! samanka , laboe , waloe en ketimon , komen als tuinplan- 
ten voor ; zoo ook Momordica charantia ;rj papari. 

19. Columnifcrae. 

Gossypium sp. div. Kapas wordt vrij veel aangekweekt. 
Durio zibethinus, met hare walgelijke ongezonde vruch- 
ten, komt overal voor. 

Theobroma cacao lm tjoklat, tiert welig. 

20. Guttiferae. 

Garcinia mangostana is zeer zeldzaam. 



— 318 — 

21. Hesperides. 

Djerok (Citrus sp. cliv.) komen in ruime hoeveelheid voor. 
Lansium biesietan ;^ Lansap , komt overal in het wild voor. 

22. Acet^a. 

Nephelium lappaceum im ramboctan, komt ook enkel in de 
bosschen voor, doch vermindert sterk door de gewoonte, 
om de boom en om te houwen ten einde de moeite der 
beklimming uit te winnen. 

23. Tricoccae. 

Emblica officinalis ;=:| boea malakka, is vrij algemeen. 

Kamiri (Aleurites moluccana). Hieraan is het eiland zeer 
rijk. De olie uit de zaden (minjak sakitta) , hoewel sterk 
walmend, Avordt bijna uitsluitend als lampolic gebruikt. 
Deze olie is niet, zoo als eenigen beweren, onschadelijk. Ik 
zelf heb daarvan 2 ligte intoxikatie-gevallen waargenomen 
bij personen, die haar als braadolie hadden gebruikt. 

24. Therehinthineae. 

Mano-ifera indica is schaarsch. Canarium commune zeer 
overvloedig. Men vindt er bosschen van. 

25. Gruinales. 

Averrhoea belimbi ;=i bliembing en A. carambola izj bliem- 
bing-manis, zijn zeldzaam. 

26. Mijrtifiorae. 

Caryophyllus aromaticus ;z3 tjenkeh, wordt gezegd in de 
binnenlanden nog veel voor te komen. 

Djamboe-soorten (Myrtus sp. v.) komen overal voor, 
vooral Psidlum gujawas. 

27. Leguminosae. 

Phaseolus vulgaris en Vigna sinensis zijn door mij aan- 
gekweekt. 



— 319 — 

Onder de planten, wier kunstnamen mij onbekend zijn, 
beliooren de lano-s de rivieren veel voorkomende globa- 
koessi en globa-doerian , wier \*rucliten , door de Javanen pa- 
titi genaamd , den voortvlugtige bannelingen zeer welkom zijn. 



C. Planten, zoowel van huislwudelljk als geneesJcundig nnt. 

1. Ensatae. 

Ananassa sativa ;r! nanas , bekend om haren geurigen smaak 
en liet misbruik , dat van de onrijpe vruchten als abortlvum 
wordt gemaakt , is vrij algemeen. 

2. Scitamineae. 

Maranta indica wordt door mij aangekweekt. 

3. Piperitae. 

Sirih-boewa is hier het s-eliefde kaauwmiddel. De eio-cn- 
lijke sirih (Piper betle L.) is niet aanwezig. Ook hier dient 
de sirih om zieken te bespuwen, even als op Java. 

4. Tuhiflorae, 

Nicotiana tabacum wordt meer en meer aan^rekweckt. De 

O 

bladen zijn van zeer goede kwaliteit. 

5. Petalant/iae. 

Achras sapota :=i boewah sahoe, welks bast bij verschillen- 
de ziekten wordt aangewend, is niet zeldzaam. 

6. Polycarpicae. 

Michelia champacca komt vrij algemeen voor. De wortel- 
bast wordt misbruikt als weeën opwekkend middel. 



— 320 — 

7. Calijcijlorae. 

Tcrminalla katappaii is zeer algemeen. De vruchten -worden 
gegeten; de bast Lij verschillende ziekten aangewend. 

8. Mijrtijlorae. 

Punica granatum , bekend door de vruchten en de werking 
van don wortelbast tegen lintworm , is zeer algemeen. 

9. Mijrtijlorae. 

Psidium pyrlferum is zeer algemeen. De werking van den 
bast bij dysenterie is bekend. 

10. Leijuminosae. 

Airate crandiflora ;zi toeri , is hier zeer algemeen. De 
bladen, als thee gebruikt, bleken mij een uitmuntend middel 
te zijn ter bedwinging van haemorrhagieën, te rijkelijke 
menstruatie , enz. 



Fauna. 

Rundvee is zeer schaarsch en bestaat uit zes stuks koeijen 
van den sulthan. Geiten daarentegen zijn overvloedig. De 
bosschen wemelen van wilde varkens , herten , boschkatten 
en koessoe's. 

De kalong ;=; paniki batj., doet veel schade aan de vrucht- 
boomen. 

Rotten , muizen en legioenen mieren zijn een ware plaag 
in de huizen , die er van wemelen. 

Tam' gevogelte moet van elders gekocht worden en is dus 
zeer schaarsch. Verschillende soorten van wilde dieren , waar- 
onder de komkom-hidjoe en poetih , boschkippen , jaarvogels 
enz. bevolken de bosschen, in gezelschap van loeri's, kaka- 



— 321 - 

toea's enz. terwijl de stranden ruim voorzien zijn van snip- 
pen , wilde eenden en andere watervogels. 

Schildpadden zijn zeldzaam. 

Leguanen en andere liagedisaardige ampliiblën zijn over- 
vloedig. 

Krokodillen houden zich in meer dan gGnoe"-zaam aan- 
tal aan en in de uitmondingen der talrijke rivieren op en 
vooral in Telaga. Dikwijls halen zij honden , geiten en kin- 
deren uit de hoofdnegorij weg. 

Slangen zijn zeer talrijk , doch gelukkig onschadelijk. De 
hier aanwezige chinesche opstandelingen van Borneo eten 
ze gaarne , vooral de reusachtige petola (sawa-slang). 

Batjan is buitengewoon rijk , zoowel aan zoet- als zout- 
Avater-visschen. Ik beijver mij deze te verzamelen, zooveel 
de plaatselijke omstandigheden dit toelaten, en verwijs dien- 
aangaande naar dit Tijdschift, waarin de heer Bleeker 
reeds een groot gedeelte derzelve heeft bekend gemaakt. 

De inboorlingen maken daarenboven rijkelijk gebruik 
van eene menigte oesters en andere schelpdieren , welke in 
ruime hoeveelheid aan de kusten te vinden zijn , zoo ook 
van kreeften, krabben enz. 

De binnenwateren zijn rijk aan palingen en garnalen ; de 
eerste van monsterachtige grootte. Toen in November 1855 
de ingenieur Schrcuder met een 40 tal bannelingen de nog 
onbegane wildernissen doortrok tusschen Ajer-mcmbia en 
Loit, vond men in de rivieren , welke op dien weg voorkwa- 
men , zooveel palingen , dat het reisgezelschap ze niet 
konsumeren kon , niettegenstaande , als een bewijs van de daar- 
toe gedane pogingen , bijna allen aan gastricismen leden bij 
hunne terugkomst. 

Zoowel aan dag- als nachtvlinders is Batjan bijzonder 
rijk. Zonderling is het, dat Sphinx atropos , die in Europa 
meest op aardappelvelden voorkomt en die ik vroeger hier 
niet gezien heb, na den invoer en het aankweeken van 



— 322 — 

aardappelen zich Vertoonde. Torren en sprinkhanen zijn 
overvloedig. 

Skorpioeuen en duizendpootcn zijn zeer menigvuldig. 

Muskieten zijn zeldzaam; men ziet ze echter aan meer 
moerassige strandplaatsen in eene grootere soort , gofe , en 
eene kleinere, sesi geheeten. 

Kwallen bedekken soms als het ware de baai van Batjan. 
Polypen vindt men overal in de meest verschillende soorten. 



Beschrijving der hoofdnegorij Batjan. 

De negorijen Indommoet, Singa, Ajerbesaar Neneri 
enz. van ondergescliikt belang zijnde , wensch ik mij alleen 
te bepalen tot de hoofdnegorij. 

Zij is gelegen aan de baai van Batjan, op de landengte, die het 
noordelijke gedeelte van het eiland met het zuidelijke verbindt 
en is van eene vrij goede reede voorzien. Zij is verdeeld in 
eene mohammedaansche en eene christcn-kampong met het 
achter de laatste o;eleo;ene fort Barncvcld. Deze zonder- 
lingc plaatsing van het fort is daaraan toe te schrijven, dat de 
rivieren , die in de nabijheid zich in de baai uitstorten nog 
steeds voortgaan met het land op de zee te doen winnen, 
zoodat het fort, in den portugeschen tijd door de zee be- 
speeld, thans misschien 500 ellen landwaarts ligt, terwijl 
<le bevolking door haar beroep (vischvangst) daartoe ge- 
<lrongen , hare kampongs verlegde en steeds de zee volg- 
de. Bij de herhaalde aanvallen der zeeroovers was het 
fort dan ook nooit van eenig nut, tenzij om wegloopers te 
bergen. 

Tusschen beide kampongs staat een oud , zeer verval- 
len steenen gebouw, de kedaton , bewoond door den sul- 
Ihan van Batjan , welks bouwtrant, in verband met het 
omzwervend pluimgedierte (bestemd om niettegenstaande 
het anders niet op het eiland te krijgen is, bij arrivement 



— 323 — 

van oorlogsvaartuigen deze daarmede te overladen) , het ge- 
heel het uiterlijke geeft van eeue vervallene pachthoeve. 
De kedaton is links en regts omringd door kocssoe-koes- 
soe, hetwelk men als een sieraad schijnt te beschouwen, 
daar het nimmer afgesneden wordt. Het koessoe-koessoe , 
zich naar zee uitstrekkende tot bij de in aanbouw zijnde 
christenkerk, stelt eene natuurlijke grensscheiding daar tus- 
schen de christen- en mohammedaansche kampong. 

Aan het noordelijk einde der mohammedaansche kampong 
maakt de zee een' inham , welke , achter de kampong om- 
loopende , de Amassing opneemt en vervolgens achter de ke- 
daton en het fort omgaande, eindigt in een uitgestrekt moe- 
ras , waarin zich weder de Neneri en Infjoi ontlasten. 

De mohammedaansche kampong bestaat grootendeels uit 
huizen van gabba-gabba met atap gedekt. De daken steunen 
op palen van lolaroe-hout, welke in den grond geheid zijn. Men 
vindt slechts een huis met steenen fondamenten en Verder 
van planken gebouwd , de eigendom van den sekretaris van 
den sulthan , terwijl , behalve de kedaton , nog de missigit 
geheel van steen is. 

Eene strandbatterij , voor welke het riet, een manshoogtc 
opgegroeid , alle nitzigt beneemt , bewapend met een bruik- 
baar en twee onbruikbare stukken kleiii geschut, beveiligt 
deze kampong tegen aanvallen van zeeroovers. 

Onmiddellijk achter deze batterij ligt het nieuw gebouwde 
gouvernementslmis , voorzien van steenen fundamenten , en 
verder van planken opgetrokken. Het bevat 4 kamers en is 
van de noodzakelijkste bijgebouwen voorzien. 

De mohammedaansche kampong is iets hooger gelegen dan 
die der christenen. 

De christcn-kampong bevat slechts 21G inwoners, gehuisvest 
even als de mohammedanen. Men vindt daar eene oude kerk en 
eene ruime nieuwe nog in aanbouw zijnde aan het strand, 
benevens het hospitaal, ecu net houten gebou^Y met steenen 



— 324 — 

fuiKlamcntcn en vloer. Zeer gemakkelijk kunnen 00 lij- 
ders hier A-erpleegcl worden. In liet hospitaal is eene rui- 
me apotheek, Avoning voor den hoofdmandoor, magazijn 
van geneesmiddelen en magazijn van kleedingstukken en 
ustensiliën. Ik heb voor den aanbouw der noodigste bij- 
gebouwen zorg gedragen. Op geringen afstand van het 
hospitaal heb ik een' vrij groeten tuin aangelegd , waarin 
ik al die moeskruiden aankweek, welke zware zieken aan- 
genaam kunnen zijn en welke aankweeking volkomen aan 
het doel beantwoordt. 

De grond van beide kampongs is zoo vochtig, dat men op 
2 voet diepte altijd water vindt, llij is met schelpen , ko- 
raal- en rolsteenen gemengd. Het water smaakt zuiver doch 
flaauw. Men drinkt alleen rivierwater, dat koel en kristalhel- 
der is. 

Het fort Barneveld is een stevig, van groote rolsteenen 
opgetrokken gebouw , uit den portugeschen tijd. Het is bezet 
door een sergeant kommandant en 13 man , die alle zeer goed 
gehuisvest zijn. Het is van eenen goeden gemetselden put 
(binnen het fort), kruidkamers enz. voorzien en bewapend 
met 2 stukken geschut. 

Daar de Laboeharezen of christenen een zeer verstandig 
en ijverig hoofd hebben , is hunne kanipong doorgaans beter 
in orde dan die der mohammedanen. 

Steenholen-etahllssement te Aj er-memhia. 

Aan het noordelijke uiteinde der mohammedaansche kani- 
pong begeeft men zich over eene zeer slechte brug, welke door 
den sulthan gebouwd is, over voormelden inham der zee, 
waar de weg begint, die naar het kolen-etablissement te 
Ajer-membia geleidt. Deze weg, welker daarstelling zeer 
veel tijd en moeite heeft gekost, daar men hem door digte 
wouden moest kappen om naar het gebergte te komen, en 
hem daar in de bergwanden moest uitgraven en ge- 



■ — o'2o — 

ïleeltelijk uitli ouwen en uit laten springen. Hij is nu on- 
langs zoo verbeterd , dat men zeer goed te paard naar het 
etablissement kan rijden. 

Deze weg loopt eerst regt naar de Amassing , links sago- 
bossclien en regts van zich laag , digt begroeid , gebergte heb- 
bende. Over de Amassing had de ingenieur, de heer Schreu- 
der , vroeger eene goede brug laten slaan , doch deze is door 
de aanhoudende zware overstroomingen spoedig weggespoeld. 
Over de Amassing gaat de weg door een zeer uitge- 
breid, met koessoe-koessoe begroeid en buitengewoon vrucht- 
baar alluvieterrein. Eerst onlangs Averd dit meer ont- 
gonnen, daar de aanhoudende vrees voor zeeroovers de be- 
volking van de kusten verjoeg. 

Deze vlakte doorloopende , gaat de weg een ruim eind 
door digte bosschen , uit welke men aan het gebergte komt, 
langs de rivier Amassing. De weg is in de bergwanden uitge- 
houwen. De bedding der Amassing is op sommige plaatsen 
meer dan 100 Aoet beneden den weg , die klimmende en 
dalende langs het gebergte voortloopt tot aan een klein 
riviertje, Poesoe-roeti, Avaar eene kleine streek vlak land is. 
Spoedig volgt nu weder bergachtig terrein , waar zandsteen 
de hoofdzaak uitmaakt. De weg loopt nu over de rivier en 
volgt het zandsteengebergte aan den overgestelden oever, 
terwijl eerst aan een klein riviertje, Ajer-limmon, onmid- 
dellijk bij Ajer-membia, de kleisteenformatie aan den dag 
komt. 

Het terrein, bestemd voor de aan te leggen mijn, is in- 
gesloten door de Amassing en Ajer-membia, geheel schoon 
gemaakt , van woningen en werkloodzen voorzien en biedt te 
midden der digte bosschen een inderdaad verrassend gezigt aan. 

Het terrein opkomende , vindt men eene vrij ruime en 
doelmatige woning voor de gekondemneerden met tegenover 

Se SERIE DL II. 21 



— 326 — 

ze gelegene kazerne voor eenige daar gedetacheerde sol- 
daten onder een curopeschen korporaal. 

Iets liooger vindt men de verkloodzsn, woningen der ge- 
emploijeerden, eene nette passangrahan en den aangevangenen 
put, voor welke een groot deel der steenen , netjes ver- 
vaardigd uit zandsteen , reeds gereed ligt. De put moest 
OA-aal worden, doch daar vooreerst tot proefboringen schijnt 
besloten te zijn, is alle arbeid aan den put gestaakt. 

Twee tot drie palen verder vindt men de vroegere , thans 
geheel verlatene, ontginnings-plaatsen. De daar bloot lig- 
gende lao-en waren van slechte kwaliteit, ofschoon het 
stoomschip Etna de kolen met vrucht schijnt gebruikt te 
hebben. De ingenieur de heer C. De Groot gelastte echter 
de plaats te verlaten en den put op de tegenwoordige plaats na 
te graven , welke graving later weder werd gestaakt, om 
voor de nu te nemen proefboringen plaats te maken. 

De goudioerken hoven Soengiepoan. 

De goudhoudende gronden boven Poan zijn eenige palen 
ver in de binnenlanden gelegen. Men begeeft zich van de 
negorij per praauw naar Soengipoan (6 a 8 uur roeijens) 
en het riviertje (Soengipoan) opvarende, komt men weldra 
aan eene soort van passangrahan door den sultlian opge- 
rigt , waar de weg naar de goudgronden eenen aanvang 
neemt. Deze weg is hoogst moeijelijk voor hen , die aan 
dergelijke paden gewend zijn , en niet beter dan een rhi- 
nocerospad op Java. Hij loopt eerst een eind over vlak 
terrein , waarbij men de kronkelende rivier van Poan 12 
maal moet doorwaden, vervolgens over zeer hooge en 
steile bergruggen, welke niet meer dan 3 a 3 voet breed zijn, 
om vervolgens aan Ajer-besaar (Paisoe ra batj.) te komen. 
Men volgt deze rivier nu meer dan \\ uur gaat ein- 



^327 — 

delijk over liaar, en over een laatste gebergte bereikt 
men het goud- terrein. De marscli naar boven is voor hen, 
die vlug ter been en aan verraoeijenissen gewoon zijn, onge- 
veer 3-*- tot 4 uur. Dikwijls, ja bij de minste regens, is de 
kommunikatie met Poan echter geheel afgesneden , daar de A- 
jer-besaar op weinige plaatsen waadbaar is, en bij den min- 
sten regen zoodanig rijst, dat het doorwaden onmogelijk wordt. 

Even voor men aan de eigenlijke goudwerken komt, vindt 
men de Avoningen van de chinesche bannelingen, eene loods 
van den sulthan en eène mandocrs-woning, welke op een 
klein 02:)en terrein gelegen zijn. 

De grond bestaat hier overal uit gele klei (verweerde 
dioriet), roode klei, blaauAve klei, enz. 

Vroeger werd hier veel goud gewonnen door goudwas- 
schers van Celebes. Men vindt ook overal sporen van 
hun verblijf, als diepe kuilen, pinang-, djeroek-boomen en 
ananas. Na nu nog over eenen berg te zijn getrokken, 
komt men aan de Paisoe-amas (kalimas) , waar een goud- 
werk bovenstrooms en een benedenstrooms is aangelegd, wel- 
ke beiden nagenoeg even veel opleveren. 

De chinesche bannelingen hebben, na overtuigd te zijn van 
den rijkdom van het terrein , de Kalimas afgedamd , en 
daarop goten gegraven, tot zij op vasten steen (nog niet 
verweerde dioriet enz.) kwamen , welken zij nu als bodera der 
goot behouden. 

In deze goot konden zij nu naar willekeur stroomend 
water binnen laten. Daarop hebben zij het omringende 
goudhoudeude terrein allengs in de goten verwerkt; waar- 
bij het ligtere wegspoelt , en het goud , ijzer/and enz. terug 
blijven. 

Toen ik mij te Poan bevond , om daar eenige Chinezen te 
zien , welke aan dysenterie leden en door den moeijelijken 
weg niet getransporteerd konden worden, werd juist het 



— 328 — 

goud gellgt uit de goten (ankat mas) en vond ik het daar- 
bij gebruikelijk ceremonieel wel der vermelding Avaardig. 

Des morgens ten 6 ure werden wij gewekt door een 
eigenaardig geschreeuw (wiong-loh) , door een der Chi- 
nezen aangeheven, zijnde het teeken om den arbeid aan te 
vangen. De mandoer met 1 anderen Chinees deden nu een 
gebed aan hunne godheid (tapikon) en verbrandden daar 
eenige boekjes offerpapier en offerkaarsjes. Nu werd een 
pikzicart varken een idem hond en eenige idem eenden 
ffeslafft, en het bloed zorgvuldig bewaard. 

Een en ander werd nu naar de goudwerken gebragt en 
het bloed dezer dieren in en om de goten gesprenkeld, 
om zoodoende den setan-tanah , die volgens voorwenden 
van den mandoer buitengewoon kras was, te bevredigen. 
Het vleesch verdween echter in de magen der Chinezen. 

Ku werd ons opgemerkt , dat wij bij het uitwasschen der 
goot de volgende punten niet uit het oog mogten verliezen, n. 1. 

1°. üilogt men zich niet uitlaten over de hoeveelheid goud , 
dat is geene uitroeping van verbazing of' teleurstelling doen 
(daar de duivel voor beiden zeer gevoelig en kwalijkne- 
mend is). 

2"^. Mogt men in het geheel niet spreken (eene order, 
waardoor de eerste vrij overtollig werd). 

liet zich in de goot bevindende werd nu op doelaus 
uitgewasschen. De doelan is een holle vlak kegelvormig 
toeloopende gladde houten bak. Nadat aarde enz. op hem 
gedaan is, wordt de inhoud met water gekneed en nu 
door eene zachte , deels slingerende , deels draaijende be- 
Aveging beurtelings water scheppende en het afwerpende , 
het ligtere weg gespoeld, terwijl eindelijk goud en ijzerzand 
terugblijven. Door een zacht kloppen tegen den rand van 
de doelan , deze daarbij schuins houdende , kan de goed ge- 
oefende nu het goud van het ijzerzand scheiden. 



~ 329 — 

Het goud uit de goten viel ons zeer tegen, daar de hoe- 
veelheid slechts 7 spaansche matten (ƒ 280) bedroeg. De 
mandoor beweerde nu, dat het goud door den duivel ver- 
stopt was, omdat vroeger de offeranden niet waren toege- 
staan (die zij om hunne magen te trakteren bij het begin 
der ontginning hadden willen doen). Hij verhaalde, dat hij 
groote stukken goud in de goot gezien had , welke echter 
later (tegen alle wetten der zwaartekracht in) weggeloo- 
pen waren. 

AVanneer men nu de feiten in aanmerking neemt, dat 
een enkel persoon gemakkelijk tot 1 a 1^ duit (9 duit :=i 
1 sp. mat goud) per dag vinden kan op het goudterrein, 
terwijl 2^ Chinezen slechts 7 sp. matten in 2 maan- 
den vonden, — en verder den van ouds bekenden rijkdom der 
batjansche goudgronden , dan is er niet aan twijfelen , dat 
het grootste gedeelte van het goud door de Chinezen wordt 
verduisterd. 

Het batjansche goud is van de beste soort (mas toe- 
wa) , en moet met een deel zilver gemengd worden , eer 
men het ter vervaardiging van sieraden gebruiken kan. 
Wel te betreuren is het , dat de heer Schreuder ook 
deze werken voorloopig gestaakt heeft. Onder eenig be- 
hoorlijk toezigt zoude het gouvernement stellig goede win- 
sten van deze goud werken kunnen trekken. 

In het algemeen kan men over den geologischen rijkdom 
van Batjan weinig zeggen, daar zelfs het steenkolen-terrein 
nog nooit door proefputten of boringen onderzocht is , en 
men geheel onbekend is met het zuidelijke gedeelte van het 
eiland, waar echter de sulthan in persoon, in eene ri- 
vier, een stuk rijk kopererts vond. De gronden om het 
goudterrein zijn nooit onderzocht en ook op Kassiroeta, 
dat zoo rijk is aan fraaije gesteenten (min of meer kostbare 
edelgesteenten), is slechts door den heer C. De Groot een 
vlugtig bezoek afgelegd. 



— 330 — 

Wel te wenschen ware het, dat dit eiland geregeld onder- 
zocht werd door eene Natuurkundige Kommissie, die dan 
Avelligt de voordeelen aan den dag zoude kunnen brengen , 
welke er uit te trekken zijn, en die zeker de moeite wel 
zouden beloonen van het onderzoek. 

Omtrent de overige plaatsen, waar zich, behalve de hoofd- 
negorij , menschen gevestigd hebben als : 

Neneri. waar christenen en Galelarezen uitgestrekte padi- 
en mais-velden hebben ; 

Ajcr-besar, waar zich ongeveer GO huisgezinnen, meest 
Galelarezen , Tobellorezen en Tobarezen met tuinbouw be- 
zig houden ; 

Indommoet , waar meest Batjanners, en Sewaar-Indommoet, 
waar Makjanners zich insgelijks met het aanleggen van tui- 
nen bezig houden ; 

valt verder niets bijzonders op te merken. 

Bevolking. Zeden gewoonten^ handel enz. 
^ïnJtammedanen. 

De over het geheele eiland verspreide bevolking, welke 
het Islamismus is toegedaan bedraagt ± 2000 zielen. 

Zij volgt strenger dan eenig mij bekend volk , de voor- 
schriften van den koran op; vooral is zij zoo tegen var- 
kens, dat het voor mijne komst niet toegestaan werd, var- 
kens door de mohammedaansche kampong te dragen, en 
daar ik, tegenover de mohammedaansche kerk Avonende 
eens varkenvleesch liet rooken, werd de kerk, daar de 
rook in haar woei , onmiddellijk harara (onrein) verklaard en 
met veel moeite en omhaal later gezuiverd. 

De Batjanner drinkt geen arak (sopi): dit is haram ; 
jenever, konjak en anisette zijn hun echter welkom. 

Het geloof aan swangies, setangs (spoken, duivels) enz. 



— 831 — 

is bij hen vast ingewortoM ou mij zijn zelfs personen be- 
kend , die voor swangies te boek staan. Vraagt men , waarom 
deze personen swangies zijn , dan is de reden gewoonlijk , 
dat zij 's avonds door de negorij zwerven , of achter pag- 
gers in de lucht zitten kijken, enz. Ook het geloof aan 
droonien , het schreeuwen van vogels en vrees voor de ma- 
takouw enz. is algemeen. Ouder matakouw verstaat men op 
Batjan de bezwering van een levend of ander voorwerp. 

TTil b.v. een Batjanner zijne vruchtboomen voor plun- 
dering bewaren, dan roept hij een daarin ervaren persoon, 
die de vruchten bezweert. Het algemeen geloof dat degeen 
die nu die vruchten durft aanraken of plukken , buiten voor- 
keunis van den eigenaar, ziek wordt oi sterft, maakt dat 
deze bezwering gewoonlijk het gewenschte gevolg heeft. 
Ik -bevond echter, dat het planten van ranjoes (scherpe bam- 
boezen) om mijne vruchtboomen , een schadelijker etfekt had 
voor de dieven dan de zoo gevreesde matakouw. 

De echte Batjanner is trotsch, lafhartig, wreed, zoo hij 
in groot getal een' vijand overmeesterd heeft, zoodanig 
zelfs, dat zij, eens voortvlugtige kettinggangers in de negorij 
betrappende , hen die zich te weer stelden , lieten ontvlugten, 
doch de Z anderen , die zich niet verweerden , zonder de tus- 
schenkomst van den heer Schreuder en mij zouden afgemaakt 
hebben. 

Verder is de Batjanner tot diefstal geneigd, houdt nim- 
mer zijne beloften , beschouwt allen , die geen mohammedaan 
zijn , als honden en is lui en zorgeloos. 

Ook hier geldt natuurlijk het spreekwoord: geen regel 
zonder uitzondering. 

Het is een schoon, goed ontwikkeld menschenras. Vooral 
de vrouwen zijn blank , met regte neuzen, dunne lippen en 
fraai glad haar. 

De kleedin"- bestaat voor de leden der vorstelijke familie 



— 332 — 

in zooveel mogelijk europesche kleedcren en voor hunne 
vrouAven in lange kabajen en sarongs. Gewone Batjan- 
ners en hunne vrouwen mogen slechts lange baadjoes (niet 
open als de kabaja) dragen. De slaven dragen tjedakkoes 
en loopen verder naakt. 

Bij gala-recepties van den sulthan ziet men dan ook de zon- 
derlingste kleedingen. Vuurroode rokken uit den engelschen 
tijd; schoenen, welke te naauw en dus slechts half aangetrok- 
ken zijn , enz. De admiraal-troonopvolger draagt een ver- 
sleten groenen rok met vuurroodcn kraag, kolonels-epauletten 
der landmagt, een adelborst- dolk en groote laarzen. 

Huwelijksfeesten worden, even als besnijdenis en overlij- 
den , met groote festiviteit gevierd ; zoo ook de vasten , 
hoelang hadji, hadjirat nabi enz. De Batjanners steken 
zich voor deze gelegenheden in dikwijls onbetaalbare schul- 
den. 

De voeding bestaat uit sago en vlsch ; rijst wordt geAvoonlijk 
slechts bij feesten gebruikt. De Batjanner klopt eenige 
dagen sago, gaat dan een dag met zijn werpnet (djala) 
uit of met den hengel; in dien tusschentijd zoekende kinde- 
ren eenige kanari- en kamiri- pitten en dan wordt 10 
dagen en soms langer niets uitgevoerd. 

Hun handel, die vroeger vrij goed was, vooral in sago, 
bepaalt zich thans tot eenen niet noemenswaardigen klein- 
handel in dit artikel en kleine hoeveelheden visch (versch, 
gerookt en gezouten). 

A^erscheidene hunner hebben slaven, die alles moeten 
uitvoeren. Ongeloofelijk is de ellende dezer ongelukki- 
gen, die, met uitzondering van die, welke den sulthan 
toebehooren , op de vreeselijkste wijze mishandeld worden , 
geen eten, geld of kleederen krijgen, maar alles zelf moeten 
zoeken , bij hunnen zwaren verpligten arbeid. De slaven zijn 
meest geroofde menschen van Bangaai, Sangi en Papoea. 



— 333 — 

De batjansclie taal is een mengelmoes van allerlei talen. 
Als voorbeeld diene Imn tellen : satoe, batj. saboewa ; doewa , 
batj. doewa; tiga, batj. tolo; ampat;=! ampat; lima, batj. 
romatogha (dit is ook ternataansch) ; anam, batj. anam; toe- 
djoe, batj. pitoe; delappan , batj. doealappan ; sembilang, 
batj. salappan; sapoeloe, batj. njerimoi of sapoeloe. 

Zoo blijft api (vuur), api; ajer (water) daarentegen wordt 
batj. paisoe; ketjil (klein), blijft ketjil; bezaar (groot) wordt 
ra, enz. Velen verstaan echter gewoon maleisch en ter- 
nataansch. 

Christenen. 

De christenen zijn deels oorspronkelijke Batjanners, deels 
bekeerde Galelarezen, en van Ambon, Ternate enz. ver- 
huisde christenen. 

In tegenoverstelling der mohammedanen zijn zij dapper, 
zelfs vermetel , minder lui , en meer beschaafd ; doch ve- 
len zijn even bijgeloovig en dom , zeer kwaadsprekend en 
brutaal. 

Het jongere geslacht munt uit boven zijne ouders , wat 
opvoeding aangaat. Niettegenstaande het schrijven op plan- 
ken van eene bijzondere soort geleerd wordt, bij gebrek 
aan papier, en het lezen door gebrek aan boeken zeer 
bemoeijelijkt , is het aan de ijverige pogingen van het 
hoofd der christen -bevolking gelukt , de kinderen zeer 
goed te onderwijzen. Deze persoon is tevens meester, gods- 
dienstleeraar , enz.; de schoolmaterialen worden hem toe- 
gezonden door den zendeling-leeraar te Ternate. 

De moeders hebben er veel tegen , hare dochters lezen 
te laten leeren, daar zij bevreesd zijn dat de nonna's dan 
billets d'amour zouden aannemen en beantwoorden ; na het- 
geen men echter dagelijks ziet en hoort in de christen-kam- 



— 334 ^ 

pong, schijnt Amor die beide wetenschappen volstrekt niet 
noodig te hebben. 

De huwelijken worden niet voor de wet, doch alleen eens 
in het jaar voor den lecraar van Ternate gesloten , bij zij- 
ne komst op Batjan. De huwelijks-pretendenten leven en 
passant met hunne aanstaande gaden en met volkomen toe- 
stemming der ouders als man en vrouw. 

Bij overlijden nemen zelfs doopvaders en moeders den rouw 
aan. Drie dagen lang wordt dan kaart gespeeld enz. ten 
huize van den overledene. Om de onkosten goed te ma- 
ken zendt ieder gehuwd burger ten huize van den overle- 
dene 48 duiten, ieder ongehuwde 24 duiten. Op den 40n 
dag na het overlijden is de familie verpligt een feest te ge- 
ven, voor bilang trima-kasseh pada soedara negri; dit is 
meest een groot diner. 

De christenen gebruiken als drank meest sagoweer. Aan 
het kaartspelen , dat op Ternate zoo algemeen is , dat men 
met regt zegt : orang ternate orang pentop , zijn zij vol- 
strekt niet verslaafd , zoodat zij zich allezins gunstig boven 
de ternataansche beschaafde christenen onderscheiden. Over 
het algemeen zijn zij ook veel minder zedeloos. 

De kleeding is de kabaja en sarong. De mannen dra- 
gen witte kabajen en bonte broeken. Des zondags echter 
is de alo;emeene kleedinoj zwart. 

Als hunne geloofsgenooten op andere plaatsen zijn de in- 
landsche christenen ook hier hartstogtelijke liefhebbers van 
dansen; zij dansen vlug en goed. Zelfs de meest nieuw- 
modische dansen zijn hun bekend, als polka, mazurka, enz. 

Alleen kleinhandel wordt door hen gedreven in levens- 
behoeften. 

De voedino; der christenen bestaat uit sago, visch en nu 
en dan uit varkens- of hertenvleesch. 

Dr. Epp beweert, dat de sago- en vischvoeding opwek- 



— 335 — 

kend op de genitaalsfeer werkt. Dit zoude, wat de sago 
aaugaat , misschien waar kunnen zijn , om dezelfde redenen , 
waarom men in Europa aan truffels en de hamburgsclie 
aalsoep en hier aan tripang dezelfde kracht toeschrijft. liet 
bleek mij echter bij ondervinding en naauwkeurig onder- 
zoek, dat niet alleen tweelinggeboorten alliier onbekend 
zijn, maar dat, niettegenstaande de Batjanners bij hunne ver- 
pligte reizen naar Ternate zich uitsluitend met visch en sa- 
go voeden , noch zij noch de inlandsche christenen onder 
weg eenig gebruik van vrouwen maken, zoodat zij soms 30 
dagen en langer zonder vrouwen blijven. 

De door het klimaat verzwakte Europeaan staat echter 
zeker ten achter bij hen in rebus Veneris , doch zoude dit 
nog meer doen , wanneer hij de opwekkende voeding van 
Dr. Epp volgde. 

Vele christenen en mohammedanen, die jaren lang gehuwd 
zijn, blijven kinderloos , zoodat men iemand, die 7 a 8 kinde- 
ren heeft, met regt als eene uitzondering aanmerkt. 

V7'eemdelingen. 

Als zoodanig moeten in de eerst plaats beschouwd worden 
de Makjauners. Van dezen hebben zich eenige huisgezinnen 
te Sewaar-Indommoet gevestigd. 

Zij onderscheiden zich door hunnen ijver; zij hebben uit- 
gestrekte tuinen , beplant met boom wol , tabak , rijst , mais , 
pisang enz, fokken pluimgedierte, kappen balken en planken, 
maken atappen, praauwen enz. en verdienen daardoor groote 
sommen gelds, die anders de Batjanners konden verdienen. 
Hunne taal is eene eigene, de makjansche, doch de meesten 
verstaan ternataansch , sommigen batjansch. 

De Tidorezen vervaardigen op Batjan kaleros (kalksta- 
pels) , kappen hier balken en planken, zoeken dammer enz., 



— 336 — 

welke zij dan naar Ternate uitvoeren. Sommigen vestigen 
zich tijdelijk als smeden , metselaars , timmerlieden , hande- 
laars enz. Hetzelfde geldt voor de Ternatanen. 

De Galclarezen , Tobellarezeu en Orang Tobaroe (Hal- 
maheira of Gilolo) zijn het echter, die men overal verspreid 
langs de kusten vindt. Deze krachtige , woeste en oorlog- 
zuchtige volkstammen, vestigen zich gewoonlijk slechts tij- 
delijk. Zelden blijven zij lang op eene plaats; doch waar zij 
zich ophouden , ziet men weldra de wildernis in fraaije uit- 
gebreide tuinen veranderen. Zij drijven vooral handel met 
dinding van varkens en hertenvleesch , rijst en tuin vruchten. 

Zij zijn allen sterk gespierd , de mannen buitengewoon- 
lang en hebben voor kleeding slechts een stuk boom- 
schors om de heupen. De vrouwen hebben meest kaba- 
jen en sarongs aan van in het oogloopende kleuren. Zij 
zijn zeer verzot op kralen , vergulde ringen enz., waarmede 
zij soms letterlijk behangen zijn. 

Kruid, kogels en oude vuursteengeweren betalen zij 
ver boven de waarde. Goud , zilver en kopergeld is bij 
hen alleen gangbaar. Zij rekenen meest in stuivers (é dt.), 
koepangs (8 dt.), stalies (21< dt.), sa-soekoe (48 dt.) en 
reaal (192 dt.). De pllaarmat en Maria-Theresia-mat is bij 
hen tot 480 duiten waard. 

Voor Europeanen zijn zij bevreesd en zeer gewillig, je- 
gens anderen echter wreed en roofzuchtig. De bloedwraak 
is bij hen zeer in zwang , en niettegenstaande hunne vrees 
voor het gouvernement is het zeker , dat zij op afgelegene 
plaatsen die nog uitoefenen. 

Dit volk houdt ook hier de adat in eere. Wil bij voor- 
beeld een Galelarees trouwen , dan zorgt hij vooreerst eene 
goede hoeveelheid zilvergeld en kains bijeen te zamelen, 
roept dan zijne familie bijeen en gaat nu op de vrouwen- 
jagt. Ontmoet hij eene schoone van zijnen stam , wel- 



~ 337 — 

ke hem bevalt, dan wordt deze opgevangen en met geweld 
medegevoerd ; niet zelden zet de familie van de geroofde 
echter den roover achterna en volgt een ernstig gevecht. 
Heeft hij haar echter eens in zijn huis , dan is de woede 
harer bloedverwanten slechts pro forma en nemen zij spoe- 
dig de koopsom aan , waarna een algemeene maaltijd den echt 
besluit. 

Zij gehoorzamen steeds aan de oudsten hunner familie. 

Bij overlijden van den man, mag de vrouw hare droef- 
heid niet uiten; integendeel zij moet dansen en zingen. Het 
lijk wordt in eene ruwe kist op eene soort van bali-bali 
met een afdak geplaatst, waaronder voortdurend vuur gestookt 
wordt. Berekent men nu, dat slechts de beenderen nog zijn 
overgebleven , dan wordt de kist met veel festiviteiten ge- 
opend, de beenderen er uitgenomen en in eene nieuwe kist 
gedaan, nu begraven en met een klein huisje overdekt. 

"Wanneer een Galelarees het huis van iemand van zijnen 
stam nadert, dan zal hij nimmer regt daarop toegaan. Op 
ongeveer 30 schreden maakt hij halt en roept den heer des 
huizes aan. "Wordt hij nu verzocht binnen te komen, dan 
nadert hij, nu en dan blijvende stilstaan, en treedt einde- 
lijk niet dan na nogmaals herhaalde uitnoodiging over den 
drempel. Verliest hij deze adat uit het oog dan verbeurt 
hij 30 realen. 

Bewonderingswaardig is verder nog de kunde, die deze 
menschen aan den dag leggen, om sporen , zoowel van men- 
schen als van dieren in schijnbaar nog onbegane wildernissen 
na te gaan. Zij overtreffen hierin alles wat Cooper in zijne 
bekende werken over de slimheid der noord- amerikaan- 
sche Indianen verhaalt. 

Bijna allen spreken zij lernataansch. 



— 338 — 

Geneesfciindije heschouxvimj. 
A. Inlandsche cjeneeskunde. 

De Batjanners waren even als de christenen bij mijne 
komst alhier, geheel ongeneigd van europesche genees- 
middelen gebruik te maken. De vakcine vindt onder de 
christenen veel bijval, — onder de mohammedanen veel te- 
genkanting. 

Hun afkeer van europesche medicijnen komt hoofdza- 
kelijk, doordien zij zich deze voorstellen als vervaardigd 
uit het vet der lijken, fijn gestampte doodsbeenderen , var- 
kensvet, en diverse vergitten. 

Toen bij het heerschen der dysenterie in de laatste maan- 
den van dit jaar de bevolking zag, dat in het hospitaal 
geene zieken daaraan overleden , terwijl bijna allen, die in- 
landsche medicijnen gebruikten , bezweken , vroegen enke- 
len om hulp, en toen ik algemeen liet bekend maken, dat 
de medicijnen niets waren dan ajer-nassi (dec. oryzae) 
met angor-raadat (vin. opii arom.) , of gambir (catechu) 
met koelit-kira-kira en madat-brlssi (morphine), werd de 
aanvraag om medicijnen grooter, en herstelden allen, 
die ze gebruikten, op een na, die zich in het 3e 
stadium van dysenterie vergastte op 2 raauwe komkom- 
mers, en een banneling, die in hetzelfde stadium dinding 
met spaansche peper at, waarop perforatie volgde. 

De praktijk is echter hoofdzakelijk in handen van eenige 
oude vrouwen en orang pandè-oebat. Helpt een blangan 
vol oebat van den een niet, dan wordt een blangan vol van 
den ander gevraagd en dit gaat zoo voort, tot de dood een 
einde maakt aan het lijden. 

Zoo bezweken allen, die aan anthrax leden , tot eindelijk 
het hoofd der christen-kampong daardoor werd aangetast 
en mijne hulp inriep. Toen deze door eene kruissnede ge- 



— 339 — 

nezen was, kwamen later allen, die daaraan leden, Lij mij. 
"Wonden laten zij ook gaarne door mij behandelen. 

Ik lieb menschen met ligte conjunctivitis in een dag 
blind, eenvoudige zweren gangreneus zien maken , vrou- 
wen zien sterven , die door eene kleine dosis secale cor- 
nutum of het aanwenden der forceps of keering stellig 
gered zouden zijn. 

Eens werd ik geroepen bij eene nonna , die volgens des- 
kundigen (?) hopeloos was. Eene eenvoudige kringsgewijze 
wrijving op den buik ad fundum uteri en het losmaken van 
een touw om de lendenen deed onmiddellijk de baring volgen. 
Sedert werd ik bij alle moeijelijke verlossingen geroepen. 
De menschen willen zien , eer zij gelooven. De ergste hin- 
derpaal bij de mohammedanen is echter, dat ik niet verkies 
te gelooven aan swangies , setans en orang-bekin , de drie 
eenifije hun bekende ziekte-oorzaken. De christenen voe- 
gen bij deze nog angin-naik-di-hati , tanah-poenja-din- 
gin, enz. als ziekte-oorzaken. Om voormelde redenen ge- 
nezen de mohammedanen dan ook hunne zieken met too- 
verformulieren : het beruchte be-djin of bermain-djin. 

Eenige personen worden voorondersteld in gemeenschap 
te staan met een' anderen dj in (setang). Wordt nu voor 
een zieke de hulp van dezen djin ingeroepen of verlangt 
men ook goede vrienden met dien djin te worden , dan ge- 
schiedt dit door het be-djin. 

De persoon die met den djin bekend is, danst en draait 
het ligchaam daarbij op de muzijk eener viool , met ée'n snaar 
bespannen : de dans wordt steeds sneller en die personen 
geraken daarbij meestal in eene soort van razernij , welke 
wel eenige overeenkomst heeft met hetgeen men omtrent de 
illuminës enz. van vroegere tijden vindt opgeteekend ,• daarbij 
vermeen ik , dat deze personen niet geheel onbekend zijn met 
eene manupulatie , welke het uitwerksel heeft der zoogenaam- 



— 3-iO — 

de biologie , zoodat het hen gemakkelijk Is , vooral wanneer zij 
met domme , bijgeloovige sujetten te doen hebben , hen den 
dj in te laten zien. 

De herstelden gaan geregeld dankoffers aan den setan 
brengen, in geld, vruchten en gevogelte bestaande, dat zij 
aan kleine riviertjes deponeren ; daarop roepen zij den setan 
en verwijderen zich zonder om te zien. De christenen , die 
met deze adat bekend zijn, verzuimen niet , het voor den 
setan bestemde weg te halen. 

De pontianak is een spook of duivel, die het der vrouwen 
vooral lastig maakt. Hysterie , nymphomanie , in het kort 
allerlei ziekten van dien aard , worden gemakshalve aan den 
pontianak toegeschreven. 

Lepra-lijders worden behandeld door hen van alles af te 
zonderen , hen iederen dag te berooken met allerlei kruiden , 
en hen slechts sago te eten te geven. Ik zag hiervan nooit 
goed gevolg. Steeds ontstond amenorrhoea en chlorosis 
die, zoodra ik de lijderessen deed wandelen, badenen goed 
voeden , -weder verdwenen. Drie ligte lepra-gevallen kwa- 
men mij voor en zijn nog onder behandeling. 

Het best voldoet mij deutojouduretum hydrargyri inwendig 
en tinctura jodii uitwendig. Het extrakt van dawon kakki- 
koeda bleef vruchteloos. 

In de verloskunde bezigen zij den meesten omhaal, even 
als de Javanen. Alles wordt opengezet , touwen om de 
lendenen gesnoerd, opdat het kind niet naar boven zoude krui- 
pen ! ! en na den afloop 3 dagen lang een groot vuur bij de 
kraamvrouw gestookt. De buik wordt aanhoudend gekneed 
onder de baring en later niet ingespeld. Hieruit volgen al- 
lerlei baarmoeder-aandoeningen. 

De verlossingen zijn dikwijls moeijelijk ; dit is vooral toe 
te schrijven aan het gebruik eener bijzondere houtsoort, 
kajoe-rapat, waardoor zij, die het gebruiken, steeds schijn- 
baar maagd blijven. 



— 341 — 

Ka de verlossing gebruiken de kraamvrouwen 40 dagen 
lang een mengelmoes , bestaande uit meer dan 30 ingrediën- 
ten (voor tjoekor tripan) vraardoor nog velen bezwijken. 

Koud water wil de bevolking bij geen enkele ziekte 
gebruiken. 

Veel aftrek vinden santonine , cbinine, flores chamomillae, 
empl. adhaesiv. , unguent merc. praec. rubr., pulv. cort peruv. 
(om in zweren te strooijen) en sulpbas cupri. 

Thans laten de meeste christenen en de meer beschaafde 
mohammedanen zich gaarne behandelen en zal het vertrou- 
wen op de europesche geneeskunde langzamerhand toenemen. 

Giftmengerij is zeer goed bekend en wordt meer uitge- 
oefend dan men wel denkt. De gebezigde stoffen zijn meest 
planten vergiften. Men verhaalde mij, dat deze onder den nagel 
of op den top van den duim der linkerhand worden gesmeerd, 
en nu met deze een glas of kopje aanvattende, laat de gift- 
menger bij het inschenken van koffij , sagoweer enz. de schaal 
met het vergift in aanraking komen, dat zich zoo aan het 
vocht mededeelt. 

Het geloof aan philtra (liefde-dranken) en dergelijke is 
algemeen. 

"NYat ik verder van de inlandsche geneeskunde kon te 
weten komen , vindt men bij het botanische gedeelte dezer 
beschrijving; de middelen worden over het algemeen zeer 
geheim gehouden. 

B. Geneeskundig topograpMsche aanieekeningen. 

Batjan kan over het algemeen tot de gezondste plaatsen 
gerekend worden , niettegenstaande het aanmerkelijke ver- 
schil van temperatuur, wat op verschillende tijden van den 
dag heerscht. Des morc^ens ten 9 uur staat de thermome- 
ter gewoonlijk op 84< a 86 , des middags ten 1 uur in de zon 
op 97, terwijl hij des avonds soms tot 68 graden daalt. 

Men heeft in Junij, Julij, Augustus, Oktober en Novem- 

3« SERIE DL II. 22 



— 342 — 

ber bijna aanhoudende droogte gehad. December is de 
ergste regenmaand. In de goede moesson waait aanhou- 
dend eene hevige zuidenwind ; in December wordt hij noor- 
delijk. 

Niettegenstaande de uitgestrekte moerassen , welke zich 
achter de negorij uitbloeiden, waar zoet en zout water zich 
vermengen en welke bij ebbe naauwelijks 1^ voet water 
hebben , komen kwaadaardige moeraskoortsen zelden voor. 

Het bijna doorloopende ziektekarakter is katarrhaal en 
katarrhaal-bilieus. De in het jaar 1855 geheerscht hebbende 
epidemische dj'senterie in de laatste maanden van dat jaar , 
toonde groote neiging tot uitgang in het typheuse. 

Niettegenstaande den bekenden schadelijken invloed, welken 
pas ontgonnen terreinen, door digte wouden omringd, op de 
gezondheid der bewoners uitoefenen , heb ik de uitwerkselen 
daarvan bij de kettinggangers niet waargenomen. 

Daarentegen deed zich in het begin van het jaar scheurbuik 
voor, als diarrhoea scorbutica en ulcera scorbutica. De 
oorzaak was te zoeken in gebrek aan plantenvoedsel en aan- 
houdend gebruik van gezouten visch. Toen later het getal 
kettinjrGransers steeds toenam , werd de lust om tuinen aan 
te leggen bij de Makjanners en Galelarezen langs de 
kust grooter, daar zij nu in den leverancier der bannelingen 
een gereeden kooper vonden voor hunne produkten. Door 
versche groenten en verschen visch, zooveel mogelijk zelfs 
versch vleesch, was de ziekte spoedig gestuit. 

Behalve versch vleesch, bediende ik mij in het hospi- 
taal van salade , en gaf als drank de uitgeperste vruchten 
van Averrhoea blimbing, tomi-tomi en citroensap. Ik 
liet eenen tuin aanleggen en alleen voor het hospitaal met 
salade en diergelijke groenten beplanten. 

De goudwerkers te Poan , door den aard van hun beroep 
altijd in het water werkende, en midden in de wildernis 
op een vochtig ongezond terrein levende , leden aanvanke- 



— 843 — 

lijk veel aan verschillende buikziekten. Het gebruik van 
kleine hoeveelheden arak en het verstrekken van thee, 
schijnt hen echter later daarvan te hebben bevrijd. 

Onder de ziekten, welke op Batjan endemisch zijn, komt 
vooral in aanmerking de bebintol (fraraboesia) ; bijna geen 
individu of hij draagt de sporen dier huidziekte. Deze ziekte 
openbaarde zich ook in den hevigsten graad bij 3 chinesche 
mijnwerkers. Spoedige genezing zag ik volgen doorliet toe- 
dienen van proto-joduretun hydrargyri (1 gr. per. dag. gedu- 
rende 6 dagen) gevolgd door eene koudwaterkuur , en het 
te gelijker tijd aanstijopen met een mengsel , bestaande uit ge- 
woon ijzerroest , 2 deelen met 3 deelen azijn. Dat laatste is 
de gewone behandelingswijze der inlandsche bevolking. 

Daar, waar de regelen der cosmetica in acht moesten ge- 
nomen worden, als op het gelaat bij jonge vrouwen, bepaalde 
ik mij alleen tot afbinden, de verdere genezing aan <le in- 
wendige behandeling overlatende. 

Lepra komt zoo zelden voor , dat zij bijna niet noemens- 
waardig is. 

Zeer algemeen daarentegen is de kaskado (van casa ca- 
do portug.). AVanneer deze ziekte al ichthyosis mogt zijn 
of lepra squamosa, dan is zij hier ten minste daar- 
van een zeer ligte graad, want alle algemeene verschijn- 
selen , die men bij ichthyosis vindt , en de uitgangen in 
kwaadaardige verzwering , ontbreken hier ten eenenmale. De 
ziekte bestaat eenvoudig in eene, hetzij plaatselijke, hetzij al- 
gemeene huidaandoening, waarbij zich afschilferende schub- 
ben vertoonen en die gewoonlijk met kadal (zie Gen. Tijd- 
schrift voor Ned. Indië 4=6 jaargang pag. 964;). ..veybonden 

voorkomt (1). .N.j rr-.rr-.^ -t-rf 

De ziekte is besmettelijk, zelfs door het aanraken der lij- 



j[l) Deze vorm der kaskaJo is blijkbaar psoriasis. Nog liglcrc graden behoorcn 
tot pityriasis , de hoogste slechts tot ichthyosis. lïcd. 



— 341 — 

ders of het dragen hunner kleedingstukkeu (1). Is men pas 
besmet, dan is het bloedig maken der aangedane huid plek, 
gevolgd door inwrijving van buskruid en arak de meest 
doelmatige, door de inlanders gevolgde , handelwijze. 

Verouderde kaskado geneest moeijelijk : zwavelbaden en 
houtdranken voldoen dan het best ; zeebaden verergeren 
de ziekte. 

Het eiland is mij niet genoeg bekend , ora over de bin- 
nenlanden in verhouding tot de voorwaarden , welke zij ten 
voor- of nadeele der gezondheid aanbieden , te oordeelen , en 
daar ik niet op het gebied der fiktie wil treden , zal ik lie- 
ver later het reeds medegedeelde aanvullen , wanneer 
een langer verblijf en meer grondige kennis der landtaal 
mij daartoe in staat zullen hebben gesteld. 



■^ — tr'ff 'f on 
(1) Deze bewering is zouder naJeie bewijzen nicl weJ aan te nemen. Eed, 



VERSLAG VAN Ï)E UITKOMSTEN '^AIS^'iÏET'"' 

CHEMISCH ONDERZOEK. 

HOOFDZAKELIJK OP HET SUIKERGEHALTE VA>T VERSCHILLEN"DE 

SUIKERRIETSOORTEN 

VAN JAVA, 

ALSMEDE VAN EENIGE MONSTERS ZOOGENAAMDE 

A M P A S, 

DOOK 
Dr. P. F. H. FROIUBERC}. 



Bij liet aanbieden .van dit verslag, is bet welligt niet 
overbodig de aanmerking vooraf te doen gaan , dat eene 
algemeen en altoos geldige bepaling van het suikergehalte 
der rietsoorten van Java onmogelijk is; ja dat, al -wilde 
men die elk jaar herhalen , wij toch nog bij den tegenwoor- 
digen stand der kuituur, steeds onbekend zouden blijven 
met de ware verhouding in elke variëteit. 

Laat ons toch voor een oogenblik aannemen , hetgeen 
echter niet bestaan kan , dat in eene reeks van jaren , de- 
zelfde gronden , in weerwil der verschillende en voortdu- 
rende bebouwing, onveranderd blijven, en dat ook liet kli- 
maat steeds geheel hetzelfde karakter behoudt. 



— 31G — 

In dat geval, Indien tevens de kuituur altijd op dezelfde 
wijze , met goede , onverminderde zorg plaats grijpe , en het 
riet steeds op denzelfden ouderdom gesneden worde , zal ook 
dezelfde variëteit op dezelfde plaats eene genoegzaam ge- 
lijke hoeveelheid sap van dezelfde zamenstelling bevatten. 

Maar dit zal ons geenszins kunnen leeren , hoeveel suiker 
elke soort of variëteit van riet oplevert, omdat niet elke grond- 
soort voor eene zekere variëteit van riet even dienstig is. 
Hoeveel onbestemds , ja verkeerds , dikwijls moge liggen in 
de beweringen van landbouwers en planters, dat de eene 
rietsoort eenen schralen grond voor lief neemt , de andere 
daarentegen , eenen zeer vruchtbaren en wel bewerkten 
grond behoeft om goede oogsten te kunnen geven, schijnt 
liet mij toch toe ontwijfelbaar te zijn , dat bijv. riet van 
sneller groei met voordeel ook in stijve , mits wel be- 
werkte gronden kan gekweekt worden , welke voor trager 
groeijende soorten ongeschikt , nadeelig kunnen zijn. Onder 
anderen zal het japara-riet van Cherlbon in groei , suiker- 
gehalte, saprijkheid of duurzaamheid, afwijken van dat uit 
Bezoeki of Soerabaja, zoo wegens de verscheidenheid in 
het karakter der gronden, als door de aanmerkelijk ver- 
schillende hoeveelheid en verdeeling van warmte en regen 
binnen eene jaarlijksche periode. 

Dat in het algemeen het roode riet nog tamelijk wel groeit 
in zeer waterhoudenden grond, waarin het witte (t. awoe, 
t. malam) meestal sterft en wegrot, is eene bekende zaak. 

Maar de ongelijke veranderingen, die schier elk jaar in 
liet klimaat van een of ander gedeelte van Java plaats 
grijpen , de afwisseling der gronden , die meestal in meerdere of 
mindere mate van die des vorigen jaars verschillen, en an- 
dere omstandigheden, moeten ten gevolge hebben, dat ook 
bij dezelfde fabriek , dezelfde rietsoort niet elk jaar dezelfde 
ontwikkeling in groei en suikergehalte bereikt, zoodat zich 
hierdoor nieuwe oorzaken van veranderlijkheid opdoen. 



— 347 — 

Eerst dan zullen ^vij , met eenig regt , kunnen zeggen ,' 
het Avare bereikbare suikergehalte der verschillende rietsoor- 
ten van Java te kunnen zoeken en \-inden , wanneer wij 
door zorgvoUe proeven , zullen hebben uitgemaakt , in welke 
gronden en onder welk klimaat eene zekere soort duur- 
zaam de beste resultaten oplevert. 



Alsnu overgaande tot de raededeeling der uitkomsten 
van mijne chemische onderzoekingen , zal ik eerst de va- 
riëteiten , die daarvan de voorwerpen geweest zijn , in ze- 
kere orde opgeven en beschrijven. 

1°. De verschillende soorten van suikerriet, tot heden 
onderzocht, waren afkomstig uit de volgende residentien. 

1. Probolingo. 

2. Soerabaja. 

3. Samarang. 

4. Cheribon. 

5. Buitenzorg. 

6. Batavia. 

Die onder 1, 2 en 3 waren, in 1852 — 53 van riet, uit- 
genoemde streken aflcomstig, door mij in het Buiten- 
zorgsche voortgekweekt, deels alhier ter hoofdplaats op sa- 
wahgrond, deels en op grootere schaal, in den proeftuin 
bij Genteng, gelegen op p. m. 1400 voet hoogte, alwaar 
alles tegalgrond is, zeer bergachtig en aan de, daar menig- 
vuldig voorkomende, winden blootgesteld. Van de uitkom- 
sten dezer proefkultuur is reeds in het vorige jaar een verslag 
ingediend, hetwelk in het Nat. Tijdschr. van Kederl. Indie 
Deel VII, 1854 is opgenomen. 

Het cheribonsche riet was mij van daar gezonden in 
|- a 1 V. lange, aan beide einden digt gelakte stukken, 
tusschen zemelen in een houten kistje gepakt. 

;Het bataviasche eindelijk, in geheele, tot bossen zaam- 



— 348 — 

gebondeue stokken , die met den meest niogelijken spoed zijn 
over gezonden, waarvoor ik bij deze den adsistent-resident 
van het Westerkwartier van Batavia mijnen dank aanbied. 
Deze rietsoorten waren slechts ten deele aangeduid door 
hare namen. 

Die van Probolingo hadden alleen de namen der fabrie- 
ken , waarvan zij afkomstig waren ; als : 
van Dringo 
„ Gendeng 
„ Kotta en 
„ Soemberkarang. 
Die van Soerabaja hadden in het geheel geene onder- 
scheidingsmerken . 

Die van Samarang behoorden tot vier variëteiten als: 
Malam Oerang 
„ Semboeng 
„ Kijong 
„ Rapoh. 
Het riet uit Cheribon was afkomstig van twee fabrieken 
nam : Ardjowinangong en Soerawinangong. 

Beide hebben zes variëteiten gezonden , namelijk de eerste; 
Japara riet lichtgeel met bruine vlekken. 
Kijong „ do. vlekken meer roodachtig. 

Malam ,, lichtgeel met roode vlekken. 

Mangli „ licht bruinrood. 

o , I in de lengte gestreept, afwisselend bruingeel 

j en licht bruinrood, 
de tweede: 
Japara Bima bruingeel. 

„ Glaga roodgeel. 
„ Kijong do. met groene tint. 
Malam groengeel. 

Awoe of Aboe groengeel. 
Pasoeroean groengeel. 



— 349 — 

Dat van Buitenzorg behoorde tot het bekende pur2:)ei*- tot 
purper- violetkleurige riet , in meerdere nuancen en tinten , 
dat schier bij uitsluiting in deze afdeeling geplant wordt (t. 
hitam en mejrah. 

Het riet van Batavia eindelijk, dat weder geene aandui- 
ding van naam had, geleek zoo zeer naar het lichter ge- 
kleurde buitenzorgsche , dat het Avel tot dezelfde variëteit 
moet gerekend worden. Het roode had echter eene tint in 
het bruine , soms vermengd met eene groengele (bos 1 van 
Babakan) , soms met eene olijfgroene kleur (bos 2 van Ta- 
nah-tinggi en bos 1 van Batoe-tjepper). 

Het was van de vier volgende fabrieken (chinesche). 
Babakan. 
Parong-koeda. 
Tanah-tino-o-i. 

Batoe-tjepper. 
Het riet van Probolingo , Soerabaja en Samarang had , 
door de voortplanting in het Buitenzorgsche, veranderin- 
gen ondergaan in kleur , lengte en zwaarte , die ik tot wei- 
ligt beter verstand van hetgeen later volgen zal , hier zal 
mededeelen. 



Fabrieken. 


Oorsproukelijke kleur. 


Gi'ootste 
Lengte. 


Geiiiiild. 
Zunnite per 
100 stokken. 




Geel , deels meer of miu rood- 
achtig of dito gevlekt. 


n. el. 


n. pd. 


Dringo. 


3 


170 




Geel, roodachtig, do. gevlekt 






Gending, 


of bijna rood. 

Geel met min of meer rood, 

ook eenig groen. 


2,7 


95 


Kotta, 


3,3 


275 




) Bleekgeel met groen , deels 






Soemb. kareng 


\ met rood. 


2,8 


2G5 



Dit riet op sawahgrond, in den kleinen proeftuin ter 
hoofdplaats Buitenzorg voortgeplant, en op tegalgrond in 
den ruim 600 v. hooger gelegenen proeftuin te Genteng, 



~ 350 ~ 



verhield zich in genoemde opzigten , aklus : 
ju'oeftuin te Genteng. 



Dringo. 
Gending. 
Kotta. 
8oemb. karang 



Drlngo. 
Gending, 
Kotta. 
Soemb.karang 



Roodgeel en bruinrood. 
Roodg. met gx-oen en bruinrood, 
Roodgeel met bruinrood. 
Groengeel en bruinrood. 

Te Buitenzoro;. 



Kleur ongeveer als boven. 



n. el. 
1,25 
1 

1,1 
1,17 



2,2 n. el. 



42 
56 
50 
47 



176 n. pd. 



Het zij hier ter loops aangemerkt, dat op beide plaatsen 
de lengte en zwaarte waren vermeerderd door bemesting met 
guano, namelijk : 
te Buitenzorg gemiddeld met 50 V^, te Genteng met 37°/o. 

Op de laatste plaats heerschen , in een gedeelte van het 
jaar , sterke z. en z. o. winden , waaruit ten deele de ge- 
ringe lengte van het riet te verklaren is. 

Suikerriet van Soerabaja ontvangen. 



Namen. 



Oorspronkelijke kleur. 



Gemidd. 
Lenjrte. 



GemmiJ. 
Zwaarte per 
100 stkken. 



Wit riet. 
Rood riet. 



Geel ten deele groenachtig. 
Geel met roode vlekken, soms 
had het rood de overhand. 



2,45 n. el. 
2,32 ). 



155 n. pd, 
124 » 



Het zoogenaamde witte riet was. 



met weinige uitzonde- 
ringen , dik te noemen ; de omvang was gemiddeld ongeveer 
0.15 n. el: het roode was, over het geheel, merkelijk dunner. 
De bovengenoemde afmetingen en zwaarte moeten echter , 
even als waarschijnlijk die van het probolingosche riet, als 
te gunstig beschouwd worden, daar volgens eene gemiddel- 
de opgave van de geheele aanplant, naar eiken dag gewo- 
gene proefbossen in de maanden Julij t/m September van het 



— 351 — 

jaar 1852', de gemiddelde zwaarte van het soeraba ja-riet 
per 100 stokken , bedroeg. 



Lensfte. 



Omvano-. 



ZAvaarte. 
Per 100. 



Gemiddeld in 4 j 
fabrieken. 1 Rood. 



1,7 ned. el. 



O.lOned.el. 



8G ned. pd. 



Daar er bij geene dezer fabrieken enkel wit riet geplant 
wordt, zoo is ook geene afzonderlijke opgave van deze soort 
ontvangen, ofschoon dit zeer wenschelijk zou geweest zijn. 

Soerabaja-riet , te Genteng gekweekt. 



Variëteit. 



Gemiddelde 
Lengte. 



Gemidd. zwaarte 
per 100 stokken. 



Wit riet 
Rood riet 



1,14 ned. el. 
0,92 » 



3 ned. pd. 
41 



Hier zij weder bijgevoegd, dat bovengenoemde uitkom- 
sten door bemesting met guano verkregen waren , waarvoor 
echter de toename in gewigt slechts bedragen had, 
voor het witte riet 15°/^ 

„ „ roode „ 5 „ 

De bemesting had hier op de uitstoeling en op de ver- 
houding van lange stokken haren invloed uitgeoefend, en 
bijna niet op de vergrooting der enkele stokken. 

Suikerriet uit Samarang ontvangen. 



— 352 — 











zwaarte. 


Namen. 


Oorspronkelijke kleur. 


Lengte 


Dikte. 


per 100 
stokken 














Geel , deels geelbruin 


n. el. 


bulf dun 


ned. pd. 


Malam Semb. 


en ook geelgroen. 
Geel tot bruingeel en 


1,7 


half dik. 
meer dun 


164 


H Oerang. 


deels gi'oengeel. 
Groengeel, deels met 


1,7 


dan dik. 
bijna al- 


150 


.) Kijong. 


bruin en groen. 
Bruingeel , deels bruin 


1,55 


les dik. 


116 


» Rapoh. 


en roodbruin. 


1,66 


Alles dun. 


107 



Volo'ens gemiclclelcle metiiio-en en weo-ino-en echter, ten 
zelfden tijde, als met liet soerabaja-riet verkregen, zouden 
de uitkomsten weder lager zijn, bijv: (de namen zijn hier 
anders) . 



Namen. 



Kleur. 



Lengte 



Om van Of. 



Zwaarte 
rer 100 

stokken 



Malam Aboe en 

1) Njamplong. 
Teb. Japara. 



Wit (geel) riet. 
Rood riet. 



ned. el. 
1,40 
1,55 



ned. el. 

0,095 

0,090 



ned. pd. 
74 
92 



Suikerriet van Samarang te Genteng gekweekt 



Namen; 



Leno;te. 



Zwaarte per 100 stokken 



Malam Sembong. 

» Oerang. 

H Kijong. 

» Xvupoh. 



1,00 ned. el 
1,19 „ 

1.15 >, 

1.16 „ 



67 ned. pond. 

72 » 

73 ,) 
54 ., 



De grootste toename in gewlgt der stokken , door bemes- 
ting met guano verkregen, was bij het m: oerang, en 
bedroeg 36°/^. 



~ 353 — 

Doch de invloed dier stof was weder het meest zigthaar 
in de uitstoeling en in de verhouding van lang riet, welke 
bedroegen 



Soorten. 



Toename in 
uitstoelinof. 



Toename in verhouding 
van lano; riet. 



Malam Sembong. 
)) Oerang. 

M Kijong. 

M Rapoh 



67 i 

81 )) 

107 n 



51 » 

129 » 

18 » 

25 » 



Suikerriet van Samarang te Buitenzorg gekweekt. 



Al de soorten. 



Gemiddeld. 



Lengte. 



zwaarte per 
lüO stokken 



n. el 
1,74. 



n. K 
96 



De toename door bemesting bedroeg hier, voor het ge- 
middelde gewigt der stokken, 33°/^. 

De lage gemiddelde temperatuur en de grootere hoeveel- 
heid regendagen zijn als de hoofdoorzaken te beschouwen , 
waarom te Genteng en te Buitenzorg, dit riet uit de drie 
oostelijke residentiën zoo veel in lengte en zwaarte ten 
achteren was, bij die op de oorspronkelijke groeiplaatsen. 

Ten aanzien der regendagen kan ik, over de maanden 
Julij t/m September , berigten in de jaren , waarop de straks 
gegevene uitkomsten betrekking hebben. 



Maanden. 



Soerabaja. 



o hoofdplaats 

oamarang.i .j 

° Buitenz. 



Genteng. 



Julij 


7 


15 


14 


11 


Augustus 


9 


18 


13 


9 


September. 





6 


16 


18 



— 354 — 

Van Probolingo wareu geene berigteu ontvangen; doch 
het is waarschijnlijk, dat aldaar nog minder regen valt, dan 
in Soerabaja. De grootere hoeveelheid , die in de drie droog- 
ste maanden van het jaar te Buitenzorg en te Genteng ge-» 
vallen is , drukt de , op die hooger gelegene plaatsen reeds 
verlaao-de temperatuur, nog meer ter neder, en daardoor 
wordt de groei van het riet er minder begunstigd, dan in 
de samarangsche , veel minder nog, dan in de soerabajasche 
en probolingosche suikerriet-distrikten. 

De weersgesteldheid, althans wat regen betreft, is in de 
jaren 1853 en 1854 en een deel van het tegen Avoordige 
jaar, op de beide kweekplaatsen geweest als volgt. 



Maanden. 



1S53. 



Geuten?. 



jBui- 

tenz. 



1854. 



Geutenn 



BLiitenz. 



is: 



Gentenor. 



Buitenz. 



sl 



.Tanuarij. 

Februarij. 

Maart. 

April. 

Mei. 

Jiinij. 

Julij. 

Angnstiis. 

Se2)tember. 

Oktober. 

November. 

December. 



13 

8 
17 
24 
17 
24 



28 


29 


9 


24 


24 


2 


24 


20 


14 


18 


16 


9 


11 


13 


12 


18 


18 


9 


11 


14 


11 


9 


13 


14 


18 


16 


18 


19 


17 


13 





- 


15 


— 


8(1) 


10 



18 
25 
19 
12 
15 
16 
6 
9 
10 
20 
21 
27 



23 

21 12) 

26 

20 

24 

16 
9 

10 
14(3) 

22 
13(4) 

26 



18 
8 

11 
4 
5 
9 

19 



24 

22 

25 

20 

9 

3 

6 



28 
26 
29 
21 
15 
9 
7 



13 

11 

11 

11 

4 

2 

1 



(1) over 24 dagen 

(2) over 22 dageu 

(3) over 23 dagen 

(4) over 15 dagen 



"jbhd-j 



— 355 — 

In de maand November en zeven dagen van December 
1853, -sverd ik door ziekte in mijne waarnemingen verhin- 
derd. Dit geldt mede voor 6 dagen in de maand Februa- 
rij, 7 dagen in September en 15 dagen in November van 
185é. 

Dat dit grooter aantal regens echter op het suikergehal- 
te geenen zeer merkbaren invloed gehad heeft, althans bij 
deze eerste kultuurproeven , zal blijken door de uitkomsten 
mijner cliemische onderzoekingen, met ^velker mededeeling 
ik thans zal aanvangen. 

De daartoe gevolgde methode bestond, in het herhaald 
uitkoken van het riet met slappen alkohol, en de verdam- 
ping der gefiltreerde oplossingen op een waterbad , bij 100° 
tot dat er geene vermindering van ge-wigt meer plaats 
had. 

Dikwijls kreeg ik op deze wijze geheel geene kristallen. 
Om zoo na mogelijk deze stroop te herleiden tot haar e- 
kwivalent aan suiker, heb ik eene aforewocrene hoeveelheid 
kristallische suiker in water opgelost, het vocht onder de- 
zelfde omstandigheden , als de straks gezegde stroopen , ver- 
dampt en op het laagst gewigt zijnde , gewogen. 

De vermeerdering hierbij verkregen , heeft mij tot maat- 
staf gediend voor de reduktie der, uit het riet verkregene 
stroopen, tot suiker. 

Wat bij wederoplossing dier stroopen in water terug 
bleef, heb ik beschouwd als kleurstof, hars, enz. en dus 
van het gewigt afgetrokken. 

Een gedeelte dier stroopen is verbrand, en de hoeveel- 
heid minerale stoffen, die terugbleef, mede afgetrokken. 

Later en bij verre de meeste onderzoekingen heb ik , met 
meer voldoening , de suiker in het sap bepaald , waarvan 
ik de eiwitachtige stoffen vooraf door alkohol en filtratie had 
afgescheiden. Op deze Avijze verkeeg ik meestal kristallische 
suiker, soms ter grootte van kleine klontjes. Vroeger had 



— 856 — 

ik het eiwit door koken van het sap afzonderlijk bepaald; 
doch op deze wijze, blijft denaar kaseine gelijkende stof in 
het sap terug. 

Van de hoeveelheid dextrine , die volgens sommigen door- 
gaans in rietsap zoude voorkomen, heb ik geene rekening 
gehouden. Bij de thans onder handen zijnde , chemische on- 
derzoekingen echter, van den tweeden oogst, der boven 
vermelde rietsoorten , heb ik mij ook bij een klein aantal 
de afzonderlijke bepaling van eiwit , kaasstof en dextrine ten 
doel gesteld. 

AVegens het gemis eener luchtpomp , heb ik nog geene 
regtstreeksche bepalingen kunnen doen A'an de hoeveelheid 
suiker in kristalvorm. Deze is echter, uit het gedane on- 
derzoek naar onkristalliseerbare suiker of glukose, indirekt 
te vinden. 

De uitkomsten mijner onderzoekingen , die eenen aanzien- 
lijken omvang gekregen hebben , zijn op de bijgevoegde ta- 
bellen voorgesteld. Ik zal thans overgaan tot de verdee- 
ling en verklaring der cijfers, aldaar medegedeeld. 

De volgende orde van behandeling der bestanddeelen is 
mij het geschikste voorkomen. 

lo de hoeveelheid water. 

2e de hoeveelheid suiker , waarbij tevens over die der glu- 
kose zal gesproken worden. 

3e de hoeveelheid opgelost eiwitachtige stoffen. 

4e de hoeveelheid opgeloste minerale stoffen. 

Se de hoeveelheid onopgeloste minerale stoffen in de vas- 
te of houtachtifre deelen aanwezig;. 

• 6 e de hoeveelheid hout vezel , voor te stellen als ampas , ge- 
heel vrij van suiker en water. 

Voor elk dezer zes hoofdstukken zal het riet beschouwd 
worden naar, 

de soort ; 

de plaats van afkomst; 



— 357 — 

de plaats van k\Yeekiiig ; 

de bemesting; 

de lengte en dikte (gewigt); 

den ouderdom ; 

de deelen; 

den tijd van oogsten; 

waarbij nog hier en daar zal gelet worden op de uit- 
■sverklng der ontspruiting van liet volgroeide riet, op de 
kleur van liet sap, van de stroop, de kristalvorming, de over- 
eenkomst tussclien gevonden suikergehalte en soortelijk gevvigt 
van het sap, terwijl eindelijk uit de medegedeelde cijfers, zoo 
na mij thans mogelijk is, eene algeraeene uitdrukking zal wor- 
den afgeleid van de gemiddelde der zes bovengenoemde 
bestanddeelen , waaruit het suikerriet van verschillende oor- 
den van Java voornamelijk is zamengesteld. 

'Na deze eerste en verre weg grootste , afdeeling , zal ach- 
tereenvolgens nog het weinige plaats vinden, dat ik in staat 
ben mede te deelen. 

Over het suikergehalte der ampas , en over het vermeen- 
de grooter soortelijk gewigt van het laatst boven het eerst 
uitgeperste sap. 



I. Ofschoon het water, dat in het suikerriet bevat is, 
geenszins een wezenlijk bestanddeel is voor den fabrikant, 
verdient het toch, zoo om zijne groote hoeveelheid, als 
om het (indirekte) belang bij de fobrikaadje , hier wel het 
eerst behandeld te worden. 

De liocveelheid water in 100 doelen suikerriet, \an ver- 
schillende soorten of variëteiten , maar overigens onder tame- 
lijk gelijke omstandigheden gekweekt en gerijpt, is voor te 
stellen in de volgende cijfers. 

3e SERIE DL. II. 23 



358 — 



Namen. 


Water ^ 


Ouderdom. 


Gesneden. 


■^ ^ Kood riet. 


74,2 


121 md. 


September. 


^ J 1 do. 


76,5 


» 


)) 


P-e,} do. 


77,3 


)) 


j) 


«'i i Rood olijfbruln. 


79,0 


!) 


)) 


o 1 1 


75,4 


» 


)) 


"C Wit of geel. 


76.0 


>' 


» 


I-S do. 


77,1 


» 


Oktober. 


'£ i Rood (Japara). 


76,5 


)) 


)) 


o ' AVit riet. 


77,t 


)) 


» 


^jRjipoh (rood). 


76.7 


13 md. 


)) 


"= f Oerang. 


77,6 


» 


1) 


■^ \ Sembong. 


76,8 


)) 


)) 


5 ] Rapob. 


75,5 


)) 


n 


_ "^ / Kijong. 


78,0 


)) 


» 


H ;.;_( rurpcrpaarscli. 


83,1 


I22ial3m. 


September, 


i 1 ( ^^0- 


80,5 
83,4 


» 


Oktober. 



Zij werden alle door mij gekweekt op geheel gelijksoortigen 
grond , in elkanders onmiddellijke nabijheid , en wel in den 
proeftuin nabij de kampong Genteng voornoemd. 

Ton aanzien der gegevene namen , die voornamelijk van 
de kleur zijn afgeleid, moet men geene groote standvastig- 
heid verwachten. Zelfs het japara-riet, dat toch bij uitne- 
mendheid rood behoorde te zijn , neemt vaak andere kleur- 
spelingen , bijv. in het olijfbruine en groene aan ; terwijl ook 
het witte, of eigenlijk het gele riet mede de laatstgenoemde 
afwisseling kan vertoonen. 

De oorzaken dezer afwijkingen zijn niet minder werkzaam 
in de verandering van het watergehalte des riets. Immers 
in de maand Oktober, die in de oostelijke residentiën nog 
zeer droog weder aanbrengt, zal men moeijelijk riet aan- 
treffen , op de , daar meestal , losse gronden gegroeid , dat 
meer dan 74yo water bevat, ten minste zoo het ouder is 
dan twaalf maanden. 

Het schiint evenwel, dat dit hoofere watergehalte, te 



— 350 — 

Geiiteng bereikt , niet zoo zeer een dadelijk gevolg is van 
klimaat en grond , als wel daarvan , dat riet , hetwelk hier 
twaalf maanden o;es;roeid heeft, ongeveer even zooveel is 
gevorderd als dat, hetwelk in een drooger klimaat bijv. tien 
of elf maanden heeft gestaan. Is dit dus een uitwerksel van 
akklimatisatie , dan zou het suikerriet moeten beschouwd 
worden , als overal een vrij standvastig watergehalte te bezit- 
ten, maar verschillenden tijd van groei daartoe noodig te 
hebben, te langer, naarmate de temperatuur lager is, de 
regens menigvuldiger of langduriger zijn , en mede naar- 
mate de grond schraler is. De zamenstelliug van dezelfde 
rietsoorten toch , almede te Genteng gekweekt van stekken 
aldaar gewonnen , en in verschillende tijdperken van groei 
gesneden en geanalyseerd , geeft grond tot dit gevoelen , 
zoo als lager zal worden aangewezen. 

Maar in weerwil hiervan, blijft toch een aanmerkelijk 
verschil van watergehalte bestaan , deels tusschen de varië- 
teiten , van dezefde plaats afkomstig , deels tusschen de drie 
eerstgenoemde, en dat van Buitenzorg aflcomstig; als hadde 
dit laatste reeds , door den langdurigen invloed van het kli- 
maat, eene andere natuur aangenomen. 

Het gemiddelde bedraagt op den genoemden ouderdom 
Bij het buitenzorgsche 82,3^ 

Bij het roode ) uit ooste- 76,4 

Bij het witte, gele enz. j lijk Java. 77,3 

Dat deze verschillen geenszins toevallig zijn , zal blijken, 
door bijeenvoeging van de uitkomsten der analyse van de- 
zelfde rietsoorten , uit den tweeden oogst , maar ouder gesne- 
den. De soorten uit het oosten van Java waren gekweekt 
uit stekken van het eerste, te Genteng gegroeide, riet. 



3GÜ 



Namen. 



Water -^ 



Ouderdom, 



Gesneden. 



r^ ~ 


' Rood riet. 


71,98 


p c 


1 do. 


71,86 


2-^ 


' Olijfbruin. 


73,2 1 


c-^- 


Geel. 


71,4 i 




Ivood (bruin). 


73, GG 


«', .( 


Geel. 


73,7i 


o C ^ 


[ do. 


77,03 




f do. 


75, U 




Rapoh. 


71,35 


^ 


Oerang. 


71,Gt 


== 


Sembong. 


71,90 


^^ b( 


Oerang. 


73,7-1 


7 -< 


' Sembong. 


71,7G 


£ = 


Oerang. 


71,00 




do. 


7.5, 5 G 


C 


Sembong. 


71,U 




^ Kijong. 


73,89 


••^ .• 


[ Purperpaar.scb. 


74,55 


» 3 


) )) beide. 


75,88 


iii 


' » ia bloei. 


75,3G 



lU 


md. 


Oktob. 1854. 


)) 




» 


)) 




)) 


)) 




)) 


in 


md. 


Decemb. » 


I) 




)) 


13 md. 


Febr. 1855. 


» 




)) 


^^l 


md. 


Dec. 1854. 


13 




Okt. .. 


13 




» 


lU- 




n 


lih 




)) 


I4f 




Dec. 1854. 


» 




Jan. 1855. 


)) 






» 






^H 


» 


Febr. 1855. 


14,L 

)> 


» 


A pril )) 



Bij onderzoekingen, als deze, is het niet Avel mogelijk, 
eene o-eheel naau^Ykeurige overeenstemming in den ouder- 
dom van liet riet te bewaren, ook al Avare het mogelijk, 
de verschillende en niet gelijktijdig uitgesprotene stokken 
van denzelfden stoel goed te kenmerken. 

De tijd des oogstes kan in zoo verre invloed hebben , als 
de lucht in verschillende maanden gemiddeld een ander Ava- 
tergehalte bezit. Dit is echter in een bergachtig klimaat 
minder ongelijkmatig, dan in de vlakten; altlians mogen wij 
naar de opgaven , de maand Februarij daarin vrij veilig aan 
liet gemiddelde van Oktober en December gelijkstellen. 

Doch de maand April heeft het ver in droogte gewon- 
nen, en toch behoorde het toen gesneden riet tot het meest 
Avaterhoudendc. 

Met voorbijzien dan van enkele afwijlcingen, waarvan ik 



— 3G1 



nis nog de oor;:alien niet wel Ican opnoemen , bekomen vrij 
tiians, als gemiddeld watergehalte 

van het buitenzorgsclie 75,26^ 

van het roode . . . ) uit het oosten 73,40 

vafi het witta, gele enz. j van Java. 73,80 

Zonder het Lijzonder lage watergehalte van het witte riet 
uit Samarang, gesneden in Oktober, toen echter het aantal 
regendagen nog twintig beliep, zou het verscliil met het 
roode merkelijk grootor zijn geweest. Over de vermoede- 
lijke oorzaken van dat geringe watergelialte zal lager ge- 
sproken worden. 

Het jaar 1853 is over het geheel in deze omstreken 
voclitiger geweest, d.m 1354, en dus is het groote verscliil 
tusschen de straks crenoemde en vorio-e cijfers over deze uit- 
komsten , een zamenwcrksel daar^-an en van een verschil 
in ouderdom van la H ni. ]Maar tocli zien wij in die 
verschillen zelve Aveder de volgorde van vroeger, namelijk 



Soorten. 


1ÖÓ3. 
12?-/ni. 


1854. 
13» a 14/m. 


Buitenzorgseli 
Rood 1 uit den oost- 
Geel j liofek afkomstig 


82.3 ^ 

76.4 » 
77,3 )) 


75,3 1 
7.3,6 .. 
73,8 ») 



Het is naauwelijks te betwijfelen , dat de gelijknamige soor- 
ten of variëteiten uit elk der drie oostelijke residenticn on- 
derling weder verschillen zouden opleveren , zoo men ze ter 
groeiplaats zelve onderzocht. 

Maar op eenen en denzelfden grond , in hetzelfde klimaat, 
zoo verschillend van dat A^an haar oorspronkelijk standoord, 
moet men niet alleen dit verschil niet standvastig verv/ach- 
ten , maar kan ook, op zekeren ouderdom althans, het oor- 
spronkelijk weekere , meer vochtige witte riet drooger wor- 
den, dan het roode raeer Aozelachtige. Dit alles is althans 



3G2 — 



op te maken uit tie vergelijking der navolgende cijfers, liet 
o-emiddeld ■\vater£rehalte voorstellende. 



Plaats van afkomst. 


18: 


)3. 


185 


L 


wit. 


rood. 


wit. 


rood. 


ProboHno'o 


76,55 
77,40 
77,70 


76,5 
76,5 
76,1 


74,44 
75,40 
73,10 


73, — 


Soerabaja 

Samarang 


74,4 



Het feit, dat het roodo of japara-riet uit Soerabaja te 
Genteng reeds al de oorspronkelijke uitwendige onderscliei- 
dlngsteekenen verloren heeft , en dat het roode riet uit fSa- 
marang van den tweeden oogst meer water bevatte, dan 
het witte , gevoegd bij de door mij ontvangene berigten ,- 
dat bijv. in Cheribon , op zekere soort van gronden , het ja- 
para-riet niet meer te herkennen is ,- dit alles leidt tot de 
gevolgtrekking, dat deze soort niet tegen overplanting op 
andere min gunstige plaatsen bestand is. Bij het riet , uit 
laatstgenoemde residentie gezonden , A'inden wij ook A'erschil- 
len , die den invloed der gronden schijnen aan te duiden. 
Die der fabriek Ardjawinangong zijn vlak, moerassig, aan 
cverstrooming onderhevig , reeds vele jaren bij afwisseling van 
padi , met riet beplant geweekt , en bestaan bijna geheel 
uit zware klei: die van Soerawinangong daarentegen, zijn 
liellend , aan den voet van het gebergte gelegen , aanmer- 
kelijk zandhoudend, en werden voor de eerste maal met riet 
beplant,- vroeger dienden zij voor de indigo-kultuur. 

Het ceraiddelde watero-ehalte der beide rietsoorten van daar 
was vola'ens de tabel: 



Van Ardjawinangonj 



Yan SoerawinanpoNG;. 



Rood riet 

wit (geel) riet 



12 Maanden 
77,92 l 
75,30 » 



10 Maanden 
72,23 1 
72,07 » 



1 1 Maanden. 
70,14 ^ 
72,61 .. 



— 363 — 

"Welllgt dat, mits in een droog klimaat, zijne gunstigste 
groeiplaats in een wat stijven, wel vochtigen maar hellenden 
grond, is te zoeken, waar liet witte of te waterig wordt, 
of zijne stekken ligt in rotting overgaan. 

Onder dit voorbehoud, meen ik te mogen aannemen . dat 
zoover in een gewas, dat zich niet door door zaad voort- 
plant , soorten zijn toe te laten , de afscheiding tusschen rood 
en wit riet goed gekenmerkt is — gelijk lager uit nog meer- 
dere bijzonderheden zal blijken, — terwijl al de andere, dus 
genaamde soorten niets anders zijn , dan afwijkingen , door 
soms kleine plaatselijke verschillen in lucht en grond, maar 
eerst na lang voortgezette kweeking voortgebragt. 

Dien invloed van plaatselijke verschillen kan ik reeds tlians 
eenigzins aanschouwelijk maken. Het is intusschen te be- 
treuren , dat de speling hier zoo bej^erkt is. ISIij stonden 
slechts de gronden te Genteng en alhier te Buitenzorg ten 
dienste; en wij kunnen dus, naar de straks volgende cijfers, 
alleen oordeelen, over de werldng van 

1 de lagers gemiddelde temperatuur , 

2 de sterke, JieerscJiende xcinden , 

3 en de bergachtige , schrale, nooit of zeer scJtaars he- 
hoiiv.'de en bewerkte gronden te Genteng. 

De laatste bestaan te Buitenzorg uit eenige, lang be- 
bouwde , bewaterde en steeds vruchtbare rijstvelden. 

In de volgende cijfers is het watergehalte voorgesteld , 
dat dezelfde rietsoorten , op zoo veel mogelijk gelijken tijd 
van groei en oogst, op beide kweekplaatsen bevatten. 



— 3G4 



Van Frubolin 


go. 






Van Suei 


abaja. 




KcoJ. 


Gccl. 


Oud. 


Rood. 


Geel. 


OuJ. 


B. 

73.2 

71,65 

76,— 

72.27 

79,10 

GemiJJ. 74,4 


G. 

78,8 
73,7 
76,1 

70,2 


13. 

740 
75,1 

74,.9 


G. 

73,7 
75,5 
77.3 
73,4 

75 — 


14 

a 

1 5/iu. 


72,8 

72,S 


B. 
74 

74 


G. 

80,5 
77,0 
75,4 

77,6 


12', 

a 
13/in. 



V:n Saniarang. 


Van Buitenzorg. 


KooJ. 


Geel. 


Oul. 


ïïooJ 


OuJ. 


15. 

73,1 
09,4 


G. 

74,4 


B. 

74,9 

76,8 
79.2 


G. 

79,14 
72,9 
73,7 
72,8 


B. 

12';, 85,9 
a ' 82,7 
14, UI. i — 


G. 

83,1 
80.5 
83,4 


12 

a 

13iin. 


71,2 


74,4 


7 1 — 


73,- 




i S4,3 


82,3 





Door de meeste dezer cijfers schijnt te blijken , dat het 
riet, van dezelfde soort en van nagenoeg gelijken ouderdom, 
op de hooger gelegene plaats meer -svater bevatte, dan op 
de andere. Dewijl de verhouding der regendagen op de 
eerste niet minder is, dan op de laatste; zoo kunnen Avij 
deze omstandigheden ^vel aan niets anders toeschrijven, dan 
aan de lagere gemiddelde temperatuur, geëvenredigd aan 
de grootere hoogte; terwijl waarschijnlijk de harde, monig- 
vuldio-e winden, benevens do scliraalhoid des bodems daar- 
toe ook hebben bijgedragen. 

Hier is dus eene vertraging van groei, geenszins eene 
enkel mechanische oorzaak in het spel. 

In hetzelfde tijdsverloop bezit, op de hoogere plaats, het 



36; 



riet nog eig'cnscliappeii , die liet op de lagere al reeds om 
zoo te spreken voorbij was, en zulks niettegenstaande de 
meer voclitlioudende sawabgrond oogenscliijnlijk meer water 
in het riet bad moeten doen opstijgen. 

Het is bier welligt de j)laats, om kortelijk mede te dea- 
len , hoeveel water de gronden te Genteng op A'erscbillende 
diepten , bij droog en bij nat weder bevatten. Daarbij heb 
ik zooveel mogelijk voorzorgen gebruikt , onder anderen , 
om de monsters bij bedekte lucbt en ras te nemen en af te 
sluiten. 





Buitenzorg. 


Gen 


teng. 


Diepte. 


27 Jan. 1855 


15 Ji:lij 1855 


21 Tebr 1855 


25 Jiilij 1855 




na hevigeu en 


na Inngiiiirige 


na lanffduiigen 


ua lang'inrige 




langen regen. 


(Irou^te. 


regen. 


droogte. 






vooniiidtl. 




acIitermiJJ. 


Oppervlakte. 


Q5 1 " o / 

oo,lo /q 


17,20 7, 




21,64 7o 


i palm. diep 


36.76 „ 


30,26 .. 


56,70 ., 


34,20 ,, 


9 


38,44 „ 


32,80 „ 


36,74 „ 


31,15 „ 


3 ., „ 


38,31 „ 


34,40 „ 


35,20 „ 


33,25 ., 


4 . „ 


38,74 „ 


36,22 „ 


37,72 „ 


27,25 „ 




40,72 „ 


3;;, 87 ., 


38,36 „ 


o], 10 „ 


6 n » 


OÜ,bb ,, 


34,52 „ 


38,58 „ 


35,90 „ 



Ik kan de plotselinge vermindering in Avatergehalte op eene 
diepte , die en naar den grond en naar de weersgesteldheid 
afwisselde , alleen verklaren door den staat van bewerking;. 
De lang gebruikte en dus jaarlijks herbaaldelijk beploegd 
zijnde, sawahgrond te Buitenzorg maakte een dieper indrin- 
gen van het regenwater mogelijk; en wat beneden die lijn 
A-an bewerking aan vocbt aanwezig was, is als bijna onver- 
men <id grondwater in rekenins^; te brengen. 

Ampas van suikerriet , op 6 palm diepte te Buitenzorg 
begraven, was na ruim 6 maanden nog bijna gaaf; terwijl 
dat op 1^- tot Z\ palin meerendecls vergaan was. 

Ofschoon de grond te Genten^' ruimen toevoer van wa- 



— 3GG — 

ter kan bekomen , door liooger liggende bronnen , is het 
gemiddekle watergehalte er van steeds Liger, dan van dien 
te Buitenzorg. "Ware de hoeveelheid regen op deze twee 
plaatsen meer verschillend geweest, dan zoude ook liet on- 
derscheid in watergehalte nog duidelijker, maar vooral be- 
stendiger geweest zijn. De invloed van de voclitigheid der 
luclit heeft hier en daar overheersehcnd gewerkt ; en van 
daar, dat de afzonderlijke cijfers voor de verscliillende plaat- 
sen soms een verscliil in oingekeerden zin aanwijzen. 

Doch het is niet te betwijfelen, dat, bij een nog grooter 
aantal afzonderlijke uitkomsten , het gemiddelde watergehal- 
te toch op de hoogere plaats bij riet van denzelfden ouder- 
dom , hooger zou geweest zijn , dan op lager gelegene. 

Twee uitzonderingen , evenwel schijnen hierop te bestaan, 
het buitenzorgsche en het o-ele samaran^sche riet. 

O ö O 

Ik beken , dat Ik mij dit als nog op geene andere wijze 
kan verklaren , dan door aan te nemen , dat die rietsoorten , 
geplant op het hooger gedeelte van een noordwaarts af- 
bellend terrein , den invloed der zuidoostelijke en zuide- 
lijke , aldaar zoo drooge en koude winden hebben ondergaan , 
tijdens of nabij het tijdperk van rijpheid. 

De werking der wortels is dan, betrekkelijk, minder le- 
vendig, en de, door drooge en vaak herliaalde luchtstroo- 
mingen getroffene bladen en toppen hebben geenen evenre- 
digen vocht-aanvoer uit den grond te wachten. 

Is dit hoogere watergehalte op den hoogeren grond een 
zuiver physiologlsch verschijnsel , dan zal het moeten beves- 
tigd worden, door de verhouding van suiker, gelijk lager 
zal worden aangetoond. 

Het kan naauwelijks van eenig nut zijn , in beschouwingen 
te treden van het watergehalte van het riet uit Cheribon 
on Batavia, daar beide, hoe goed en snel ook ver zonden, 
toch niet meer in verschen toestand waren. 

Alleen valt iiier de aandacht op het riet van Cheribon,- 



o ,-> - 

van twee ftiLrieken , wier gronden hoogst verschillend zijn , 
zoo als vroeger vermeld is. 

Het riet van den moerassigen grond, 12/m: oud, bevat- 
te gemiddeld '^^i^^'>'^/o water 

Dat van den meer zandigen en hellen- 
den , 10/m oud 7£,15 „ 

en dat van 11/m oud 71,40 ,, 

Indien het riet in watergehalte afneemt naarmate het tot 
rijpheid nadert, en zijne groei door bemesting versneld 
wordt , dan moet bemest riet minder water bevatten , dan on- 
bemest, A-an dezelfde soort, denzelfden grond en ouderdom. 

De bij mijn onderzoek verkregene uitkomsten bevestigen 
dit in het aliremeen. 





Pi'ubolingo. 


Soerabaja. 


Samarang. 


Buitenzorg. 


"E 


be- 
mest 


onbe- 
nicst. 


Bemest. 


Onbemest. 


Bemest. 


Onueiuest. 


Bern. 


Onb. 


> 

o 

o 

za 






o 


tó 

c 

-g 

o 

o 

ja 


tb 

3 

N 

s 

K 


fcÓ 


5 


tb 

3 


o 

c 


te 

o 


tr 
>^ 

o 


ta 

o 


i 


IjCt. 


pLt. 


I)Ct. 


IjCt. 


i.u. 


pet. 


l,(Jt. 


pLt 


pCt. 


pCt. 


pCt. 


Geel. 


T3,3o 


74,64 


76,48 


73,40 


72,81 


73,83 


80,— 


73,31 


76,76 


75,56 


.£84,8 


85,9 




— 


— 


74,03 


— 


74,83 


— 


78,75 


71,23 

* 

"4,— 


79,16 


71,44 


"581,6 

J3 

isO,3 


82,7 
81,3 




— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


73,45 


— 


— 


l-teGenteng. 




— 


— 


— 


— 


— 


- 


— 


70,S7 


— 


— 


--70,7 8,34 










. 














72.00 





_ 


79.2 82,9 


Eood 


75,70 


79,10 


71,09 


— 


75,35 


— 


74,74 


75,27 


73,79 


79,14 


* 








— 


— 


— 


— 


— 


* 


— 


— 


79.4 — 




72,30 


71.05 


70,38 


— 


70,41 


— 


7G,S9 


75,70 


70,41 


— 


79,5 — 




71,96 


73,20 


— 








. 


_ 


76 20 





_ 


70,48 74.55 




71,60 


72,27 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


75.08 75,88 
73,26 _ 








— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


73,03 


75,36 



In deze tabel zijn de gelijktijdig en te zelfder plaatse ge- 
snedene rietsoorten naast elkander gesteld. Die, met * ge- 



— 368 — 



teekend zijn niet met guano, maar met ascli of kalk Le- 
mest geworden. Zij toonen dezelfde strekking tot vermin- 
dering van liet watergelialte , ofshoon doorgaans minder dui- 
delijk, dan die van riet verkregen , dat guano ontvangen had. 

Bij proeven, als de tlians medegedeelde, moet men wel 
niet ecne strenggelijkmatige uitkomst verwachten. Er zijn 
hier te veel natuurlijke oorzaken in het spel, die den in- 
vloed van bemesting alleen, hoe krachtig anders ook, min 
of ni'^er kunnen verwarren, ja zelfs, naar het schijnt, 
eene teijenoverijestelde uitwerkinii' kunnen hebben. 

Ilct gemiddelde van deze cijfers koint hier op neder. 



Plaats van 

afkomst. 


Kleur. 


Kwcek- 
plaats. 


I5eniest 

of 

niet. 


AVater in 100 
declen riet. 


Proboliniro 


Geel 
Rood 


Buitenzorg 


Avel 
niet 
wel 
niet 


73.30 
74.64 
72.89 
74.05 


Soerabaja 


Geel 
Rood 


Buitenzorg 

Genten g 

Buitenzorg 


wel 
niet 
wel 
niet 
Avel 
niet 


75.26 
73.83 
73.40 
76.23 
70.74 
72.88 


Samarang 


Geel 
Rood 


Buitenzorg 
Genteng 

Buitenzorg 
Genten 11 


wel 
niet 
wel 
niet 
wel 
niet 
wel 
niet 


79.38 
77.96 
71.56 
73.50 
75.81 
71.60 
75.71 
79.14 


Buitenzorg 


Purpcr- 
paarsch 


Buitenzorg 
Gen tong 


wel 
niet 
wel 
niet 


81.13 
83.30 
75.91 
78.41 



— 3G9 — 

Men ziet, dat bij de meerderheid dezer cijfers het bemes- 
te riet in ■watsrgehalte beneden het onbemeste stond, en 
dat de uitzonderingen alleen bij het te Buitenzorg gekweek- 
te voorkomen. Indien ik het wagen mng, e?n vermoeden 
omtrent de oorzaak van deze afwijkingen te uiten , dan zoude 
ik die zooken in de moerassigheid van den sa wali o-rond alliier. 

Nemen wij , en zoo ik geloof op goede gronden , aan dat 
op de bemeste plaatsen het vocht des bodems eene verlioog- 
de doorlating of endosmose der cellen bewerkt, die bijna de ui- 
terste puntjes der wortolharcn uitmaken, dan zal, waar 
de grond zeer waterhoudend is , ook in een' gegeven tijd , 
meer vocht in de wortels binnen dringen , zonder evenre- 
dige kompensatie door de werking der bladen. Zoo wij in 
weerwil hiervan, de verhouding niet bij al het te Buiten- 
zorg gekweekte riet zien omgekeerd , dan weet ik daarvoor 
als nog geene andere reden aan te voeren, dan de ongelij- 
ke hoogte, tot waar in dien mocrassigen grond hot Avatcr 
oprijst. Ik heb, inderdaad, bij het doen maken der twee 
voet diepe gaten , tijdens het aanleggen A'an eenen kleinen 
koffijtuin alhier, op sommige plaatsen liet water bestendig 
op één voet beneden de oppervlakte zien blijven; terwijl an- 
dere gaten volkomen vrij van water bleven. 

Het is een vrij algemeen gevoelen , dat lang en dik of 
zwaar riet meer water bevat, dan het korte en dunne; dat 
het sappiger is , zonder in gelijke verhouding meer suiker 
te bevatten. 

De hoedanigheid van den grond draagt veel bij tot de af- 
metingen , die dezelfde rietsoort kan bereiken. Dit gaafc 
zooverre, dat waar die schraal ofte stijf en te nat is, het 
oudere riet korter en dunner is, dan elders het jongere. 
Doch over deze oorzaak van verschil in afmetingen zal ik 
later handelen, terwijl heden alleen bedoeld wordt , het onder- 
scheid in zwaarte van dezelfde rietsoort van denzelfden 
ouderdom , grond en oogsttijd. 



— 370 — 

Daartoe Lied ik liier aan de volgende vergelijkings-tafel, 
uit de groote tabel opgemaakt. 



Pi'übülingo. 


Soera baija. 


Sainnrang. 


Buitcnzorg. 


'J'e 
Btiitenz. 


Tc 

Gciitcng. 

S-i 

a s 

jï 'S 


Te 
Buitenz. 


Te 
Geutcng. 


Tc 
BuitenT:. 


Ie 

Gc-nteng 


'ie 
Buitenz. 




Ó-3 




4 


1 


-o 


rï 


'S 


is 


1 


cc 




74,4 
70,4 
72,4 
70,5 
78,8 
73,3 

74,2 


74,5 
76.8 
75,3 
70,1 
-2,0 
74,6 

74,9 


73 2 
72,9 
73,4 
77,3 

74,2 


73.0 
74,4 
73,7 
75,5 

74,2 


74,0 
75,3 
72,8 
76,5 
75.4 

74,8 


72.S 
73,1 
74,9 
74,0 
70,4 

73,0 


75,4 
7 3,3 

74,4 


77,0 
73,5 

75,2 


77, S 
70,7 
80,0 
74,5 

77,3 


73,9 
79,2 

78,8 
76,9 

77,2 


72,6 
77,2 
70,1 

73,3 


72,9 
70,8 
74,4 

7^7 


77,6 
75,4 
79.0 
77.2 
76,2 
76,2 

76,9 


74,6 
78,7 
75,3 
80,2 
78,4 
74,1 

76,9gcmiiiJ. 



Deze cijfers toonen duidelijk aan, dat er geencrlei ver- 
band bestaat tusscben de zwaarte en de waterachtiglieid A-an 
riet A"an dezelfde soort, grond en ouderdom. Dan eens is 
het dunne dan liet dikkere lioutiger of omgekeerd ; en het 
jiemiddelde van de verkregene uitkomsten toont meestal 
eene gelijkheid van watergelialte aan voor beide. 

Doch er zijn andere oorzaken van verschil in dit opzigt , 
die ontwijfelbaar zijn, en welke ik thans achtereenvolgens 
zal beliandelen. 



Van Saraarang. 


Van Batavia. 


Lano'e leden. 


Korte do. 


Lange leden. 


Korte do. 


80,0 
78,9 
Gcm. 79,45 


78.8 
76,8 
77,8 


78,1 
70,4 
77,25 


74,5 
74,5 
74,5 



Dewijl al de omstandigheden, waaronder de vermelde 
rietsokken gegroeid zijn , nagenoeg gelijk waren , kan men 
naar deze uitkomsten wel aannemen , dat het riet met lan- 
ge leden dat met korte steeds in Avatergehalte overtreft. 



— 371 — 



En dit was ook te verwacliten , dewijl liet eerste over 
dezelfde uitgestrektlieid , een minder aantal zoogenaamde 
knoopen bevat , die altijd veel drooger zijn , dan de leden 
zelve. 

Daartoe voer ik slechts aan de navol o-ende voorbeelden. 



liiet van Buiten zorg. 


Riet van Glieribon. 


Do leden. 


De knoopen. 


De leden. 


De koopen. 


81.3% 

80.3 „ 
81.8 „ 

80.4 „ 


78.2% 
77.6 „ 
79.3 „ 
77.8 „ 


71 7o 
69.1 „ 

70.4 „ 

73.0 „ 

71.9 „ 

72,9 „ 


70.0 7, 
68.4 „ 
68.8 „ 
70.4 „ 
69.4 „ 

70.1 „ 


Gem. 81.3 % 


78.2 7, 


71.4% 


69.5 7, 



Het zal naauwelijks noodig zijn, te zeggen, dat iic steeds 
bij elk lid de aangrenzende knoop tot onderzoek heb ge- 
kozen , vermits , gelijk zoo straks zal worden aangewezen , 
de leden van een rietstok , die niet digt bij een liggen , zeer 
aanmerkelijk in watergelialte kunnen verschillen. 

Die knoopen , waar het groeipunt voor het volgend ge- 
was gevestigd is , onderscheiden zich door groote vastheid 
van celweefsel ; of liever , door de mindere ruimte hunner 
cellen. De hoeveelheid van zouten en A-an suiker staat daar- 
mede in een zeker verband; zoodat, indien ook al de laat- 
ste in geene grootere verhouding dan bet water is afgeno- 
men, toch de zouten eene omgekeerde strekking liebben. 

])it feit , algemeen bij elk rietdeel , dat nog aan liet groei- 
jon is of pas is uitgesproten , stelt natuurlijk voor deii sui- 
kerfabrikant geen voordeel daar , en het zou dus voor hem 
zeer gewenscht zijn , zoo hij de middelen kende , waardoor 
hij zich altijd riet met lange leden konde verzekeren. 

Dit onderwerp, met de gelieele zamenstelling van het riet 



— 372 — 

in verLauil staande, zal daarom eene plaats vinden, nadat 
al do af/.onderlijke Ijestanddeelen in elke bijzonderheid zul- 
len zijn besproken geworden. 

Dat het watergehalte A'an het riet afneemt , naarmate het 
tot rijpheid nadert, is algemeen bekend. 

Ieder fabrikant heeft dit, bij zijne werkzaamlieden , moe- 
ten ondervinden ; en ieder is daarom , zooveel hij kan , op 
zijne hoede, om geen onrijp riet te vermalen, Avant bij meer 
water , bevat het sap tevens ook in verhouding minder 
suiker. 

Om deze en andere redenen tracht hij ook te bewerken , 
dat het uitgestorvene riet zoo spoedig en tevens zoo zorg- 
vuldig mogelijk, worde vervangen door goede levende stek- 
ken; want anders zal hij, in den oogsttijd, bezwaarlijk kun- 
nen verhinderen , dat rijp en geheel onrijp riet door elkander 
worden gesneden en verwerkt. 

Om onze gedachten hieromtrent te bepalen , en dus een 
einde te maken aan onbestemde vermoedens, heb ik het 
nuttig geacht, dit punt opzettelijk te onderzoeken. De uit- 
komsten van dat onderzoek, uit de algemeene tabel getrok- 
keu, laat ik hier in orde volgen, voor verschillende riet- 
soorten en groeiplaatsen. 

«. Gekweekt in den proeftuin te 13uitonzorg. 







Van Probolin 


go. 


^'an Soerabnja. 


Van Saiiiarang. 








14 


!-'•- 


141 


14' 


141. 




13 


Maan.len, 


Maaiulpii. 


]\raaii;lpn. 


;\Iaanileii. 


Moniiden. 


Mnninlon. 






75,3 °!^ 


74,6 % 


74,0 X 


72,8 X 


74,9 X 


78,0 °/<, 






76,1 " 


73 3 " 


75,3 . 


76,5 " 


77,8 . 


79,4 « 






72,4 " 


71,7 " 


72.8 . 


7f,G » 


— 


— 






70,5 " 


73,3 " 


73,1 « 


74,0 ., 


73,9 " 


75,7 » 






72,0 '/ 


73,2 -- 


— 


_ 


— 


— 






73,3 " 


72,0 -. 


— 


— 


— 


— 


G 


3midJ 


73,;j ^/o 


72,9 % 


74,0 °/^ 


74,5 °/, 


(0,0 -0 


77.7 °/o 



373 — 



fcfl 



O 

o 

'B 

o 
O 

C 
o 



O 





•uopnccj^ 


o 


» 


» 




^ 




■i9S 


o_ 


O^ 


■<?^ 


1 


tn 


_fc'o 


{)T80[qaS 




t- 






in" 


•n3pUBU[^ 


^ 


» 


ft 


> 


^ 


o 


-hl 


t- 


o^ 


:o_ 


o_ 


M 


p 


ISOjq OT 




ifs" 


«" 


>tï" 


ia 


'3 
























~~ 


c 




^ 


ï 


5 


» 


^ 


s 


•n3pni!i'j\; 





o 


IC 


•>?' 


in 


> 


Cl 


o" 


^ 


o" 


-fT 


m" 






l^ 


t~ 


t- 


i.~- 


t- 




. O 


« 


* 


, 


:^ 




'aapatïBTv; 


o 
CM 


c>_ 


-a 


lO 


o 
eo 




6 


o" 


ai 


ct" 


cT 


o" 






l— 


co 


t- 


l.~ 


00 






^ 


5 






^ 


tij 


"n3pua\;j^ 


o 


^__ 


( 


1 


o 


<n 


SI 


r>i 


■^'' 






co" 


a 




t- 


t- 






t~ 


3 














c» 




^ 


; 






^ 


j5 


•napnuBrv 


O 




1 


1 


o 






o_ 


o_ 


1 


1 


D-^ 


> 


81 


oi 
t- 














s 




^ 




:^ 




■uapnuBj^ 


o 

't 


1 


Cl 


I 


O 




SI 


un" 




o-i 




^" 




^ 




* 




^ 


rt 


•uapn'JL'jt 


o 


1 


co^ 


I 




r— t 




01 


o" 




co" 




in" 






t- 




c™ 




c- 


^ 














o 














W 




^ 




» 




^ 




•n3pn«Ki\; 


o 


1 


ÏO 


1 


O 


?^ 


8 


CO 




co 




o" 

00 




^ 


, 


» 


» 


:^ 




•uapnuBiv' 


o 


p-< 


o 


cr> 


o 




9 














cf 


t-^ 


r-* 


t-- 


O* 








o- 


co 


L- 


c- 






s 




ï 


ï 


^ 




•uapniiBi^ 


o 


1 


r-' 


:o_^ 


o 

co 




91 


ï -^ 


1 


o" 


i-^ 


«iT 


4 




c— 




'■"' 


t^ 


c- 




^ 


. 


» 




:^ 


•uapuEcj;^ 





t-^ 


t> 


1 




«o 


"o 


T-T 


ciT 


co 


co" 


1 


eo" 


O 




t- 


L— 


L-- 




c- 




_^o 


^ 


^ 


^ 


^ 


fl 




o 








ö~ 


« 




c-\ 


-^ 


o_ 


R, 


■^ 


>- 


•napncBj,^ 
Zl 


co" 




co" 




co" 
t- 

3 



3e SEKIE DT,. Tl. 



24. 



— o 74 — 

Voor het tegenwoordige zal ik het verschil in waterge- 
halte op tlenzelfden leeftijd van het riet voorLijgaan, en- 
kel de aanmerking makende, dat, terwijl het samarangsche 
riet te Buitenzorg van de dertiende tot de vijftiende maand 
bijna gcenc verandering aantoonde, dat te Genteng op dien 
leeftijd reeds ruim twee percent in watergehalte vermeer- 
derd was. 

Maar vestigen wij eerst onze aandacht op het soerabaja- 
sche en buitenzorgsche riet, beide te Genteng gegroeid, 
dan zien wij , dat het watergehalte tusschen 7 en 9 maan- 
den weinig verandering ondergaan heeft, terwijl in de tien- 
de maand ecne groote vermindering heeft plaats gegrepen. 
Van toen af tot dertien maanden is het genoegzaam onver- 
anderd gebleven ; doch op of na dien ouderdom vertoont 
zich weder eene min of meer groote toename van water. 

Dit tijdperk, hetwelk ik dat van overrijpheid zal noemen, 
viel bij het buitenzorgsche riet te zamen met dat na den 
bloei , althans bij het bemeste riet , terNvijl het onbemeste , 
ook na het bloeijen, nog eenigzins in watergehalte is afge- 
nomen. 

Het is, als of het laatste den staat van rijpheid bij het 
bloeijen nog niet bereikt had, terwijl het bemeste dien toen 
reeds eenigzins voorbij was. 

Deze opeenvolgende afneming, kortdurende bestendig- 
heid en weder vermeerdering van dit hoofdbestanddeel van 
het riet is , ook in physiologischen zin , van veel beteekenis. 
Het is toch niet enkel die grootere hoeveelheid water, die- 
nende om eene gelijke of zelfs . kleinere hoeveelheid suiker 
op te lossen, welke, regtstreeks het belang des fabrikants 
raakt , het is ook de , daarmede gepaard gaande lioeda- 
nigJieid der suiker , in het riet aanwezig , die zijne aandacht 
zeer verdient. 

Ook dit merkwaardige onderwerp , waarvan tot heden 
niets bekend was , zal onder het hoofdstuk „ over het sui- 



375 — 



kergehalte" eene meer opzettelijke overweging ontvangen. 
Jammer dat het aantal onderzoekingen , dat ik daarover lieb 
kunnen doen , lioe zeer reeds vrij aanzienlijk , tot regt ver- 
stand van dit punt nog zoo beperkt is. Hierin weder, ge- 
lijk in vele andere opzigten, gevoel ik zeer het gemis van 
toereikende hulp in personeel. 

Nu wij meer bepaald weten , dat en tot welke grenzen , 
jong riet meer water houdt, dan dat, hetwelk der rijpheid 
nabij is , zal het ons volstrekt niet bevreemden , dat een 
rietstok in zijne verschillende deelen in dit opzigt eene aan- 
zienlijke verscheidenheid vertoont. Immers bij dit, als bij 
alle endogene gewassen , heeft de groei alleen door ver- 
lenging der as plaats , en is dus elk deel meer waterhoudend, 
(omdat het jonger is), dan wat er, op eenigen afstand, 
beneden ligt. 

Ik zal , weder tot betere bepaling onzer denkbeelden , dit 
door een paar voorbeelden uit de tabel aanschouwelijk maken. 

Buitenzorgsch riet. 



Topdeel. 


Middeldeel. 


Onderdeel. 


89,5 7, 
87,5 „ 

87.7 „ 

89.8 „ 


80,8 7, 
80,7 „ 
81,5 „ 


78.0 7, 

79.1 „ 
77,1 „ 

77,5 „ 


Gem. 88,6 7,, 


81,0 7, 


77,9 7, 



De drie eerste toonen het watergehalte aan van bemest , 
de laatste of vierde van onbemest riet. Yan de volgende 
cijfers is in de tabel slechts het gemiddelde opgegeven. 

Riet van Probolingo uit den Laboratorium-tuin , 2e ge- 
was, gesneden 7 Oktober 185J«. 



— 376 — 





r„i . '„i.-- 


Water in 100 d. riet. 


"\ an LQ liiuiiüivyn 


Boyenhelft 


Benedenlielft 


Gendeng 

Soerabkarang 
Kütta 


Onbemest 
Bemest 

Onbemest 
Bemest 

Onbemest 
Bemest 


7G,1 
77,5 
74,0 
71,4 
72,7 
74,S 


74, G 
74,0 
70,7 

71,4 
71,8 






Gemiddeld 




74,4 


7-2,0 



De bemesting is met guano geschied. 

Hetzelfde, nevens soerabajasch en samarangsch riet, 
mede in Oktober, in den tuin te Genteng gesneden, levert 
iets minder groote verschillen op, blijkens de onderstaande 
cijfers. 





ATater in 100 deelen riet. 




Boven, Beneden. 


Probolino-o 


75,4 
75,3 

74,7 


73,1 


Soerabaja 


74,2 


Saraarang 


72,2 






Gemiddeld 


75,1 


73,2 



Hoeveelheid v^'ater, aanwezig in de verschillende leden 
van drie lange rietstokken , aanvangende met het tweede 



lid 



van onderen 



o ~ -y 



Aanduiding der 


Buiteni2. 


Probolin- 


Soerabajasch 


leden. 


riet. 


gosch riet. 


riet. 


2e lid 


7500/ 


72,9 7o 


70,9 0/° 


4« „ 


75,0 ,, 




71,1 „ 


5^ „ 




72,5 „ 




6« „ 


71,6 „ 




72,2 „ 


8e „ 


76,8 „ 


74,5 „ 


72,3 „ 


10e „ 


70,2 „ 




71,8 „ 


11« „ 




72,9 „ 




12e „ 


78,1 „ 




72,3 „ 


14e „ 


81,8 „ 


73,2 „ 


73,0 „ 


16e „ 


86,1 „ 




73,2 „ 


17e „ 




73,5 » 


18e) 75,2 „ 


20e „ 




72,4 „ 


73,1 „ 


23e „ 




73,4 „ 


22e) 75,2 „ 


26= „ 




73,2 „ 


24e) 76,3 „ 


29e ,. 




73,3 „ 


26e) 76,1 „ 


32e „ 




73,9 „ 


28e) 79,1 ,, 


S5e „ 




76,5 ,, 




38e „ 




78,1 „ 




Gemiddeld 


77,76 0/^ 


73,9 0/0 


73,86 7, 



Da beide eerste stokken -waren van een met guano be- 
mest gewas. De buitenzorgsclie was gekweekt te Genteng 
en 9|- maand oud; de probolingosche , oorspronkelijk van 
de goed bekende fabriek Soemberkarang , was in den proef- 
tuin te Buitenzorg gekweekt, en 14|- maand oud. 

De soerabajasche was niet bemest en ruim 12 maanden oud. 

Nadere bijzonderheden geeft het volgende tafeltje : 



1 ^ 

Kleur eu afkomst, j ^ 


> '5 

o ! « 


11 


Sap. 


Densiteit. 


GevunJeü 
sniker. 


lied. el 
Wijnrood. Buitenzorg... 1 50 
Olijfgroen met ' ) 
bruin. Probolingo. ) ' 
B.ood. SoerabEJ.", ] 90 


red. el iied. p. 
0,148 i 1,41 

0,125 i 

0,905 ],40 


18 
40 
30 


bijna 7» ° B 

104 '> 

10; . 


13 53 % 
20.60 " 
19,66 . 



— 07S — 

Het liocft mij aan tijd en gelogonliekl ontbroken , om 
dergelijke onderzoekingen in eenen meer sprekenden zin te 
verrigten. ïhans is er verschil in soort, ouderdom en kweek- 
plaats van het riet. Er is nu geen ander besluit uit te 
trekken, dan dat het gemiddelde, bij welks berekening ook 
het gewigt van elk der afzonderlijke stukken is in het oog 
gehouden , bij het buitenzorgschc en het soerabajasche riet 
zamenvalt met het watergehalte op ongeveer een derde der 
lengte van boven af, en bij het eerste ruim 2^°/^ bij het 
andere ongeveer l.VVo boven dat van het beneden gedeelte 
is ; terwijl bij het riet , uit Probolingo afkomstig , dit ge- 
middelde zamenvalt met het cijfer, op een vijfde der lengte, 
en slechts ruim 1°/^ boven dat van het beneden-gedeelte 
staat. 

Met den ouderdom van het riet, ligt dus het waterge- 
lialte , dat aan het gemiddelde van den geheelen stok be- 
antwoordt, meer bovenwaarts, en is het in al de, beneden 
deze veranderlijke plaats gelegene deelen , en hooger en ge- 
lijkmatiger. 

Ook hierin deelt de hoedanigheid van de suiker, gelijk 
lager zal blijken. 

Zoodra het riet het tijdperk van rijpheid voorbij is , be- 
ginnen de knoppen aan de bovenste geledingen te ontkie- 
men en spruiten dan weiras uit , vormen blad en steng , 
de laatste soms , twee of drie in getal , zelve tot volkomen 
gevormd zij-riet voortgroeijende. In een zeer vochtig en 
tevens warm klimaat, op raoerassigen vruchtbaren sawah- 
grond, zoo als hier te Buitenzorg , geschiedt deze ontsprui- 
ting reeds eenigen tijd vóór het tijdstip van rijpheid , vooral 
bij wijd planten en bemesting. Ter plaatse , waar de och- 
tendzon onafgebroken scheen , zag ik dit verschijnsel bij voor- 
keur plaats grijpen. 

Deze verjonging van het riet geschiedt ten koste van den 
moederstok; hoe meer gevorderd deze ongewenschte ont- 



— 379 — 

spruiting is , — die bij omgevallen riet vooral voorkomt en 
het dan naar de ruggegraat van een' visch doet gelijken , 
des te meer is de moederstok in aard veranderd, "svat voor- 
al uitkomt in de suiker, die men er van bekomen kan. 

Mij hier bej^alende tot de verandering in liet "watergehal- 
te, deel ik de navolgende uitkomsten mede, verkregen van 
verschillende soorten van riet , met en zonder dergelijke uit- 
spruitsels , doch zoo geplaatst , dat elke t\yee naast elkander 
staande getallen riet aanduiden van e'énen ouderdom , ëéne 
plaats , ééne kultuurwijze en éénen oogst. De letter g. be- 
teekent; met guano bemest. 





Uitgesproten. 


Niet uitgesproten. 




75,1 7o 


74,0 7, 




71,7 „ 


72,3 „ 




76,4 „ 


76,0 „ 


o* 


70 O 

1 ~,-v „ 


72,3 „ 


g- 


71,1 „ 


73,2 „ 




78.3 „ 


73,3 „ 




74,6 „ 


76,1 „ 




73,3 „ 


70,5 „ 


re 


75,0 „ 


73,3 „ 


s- 


75,2 „ 


72,2 „ 




73,1 „ 


71,7 „ 


g- 


71,7 ., 


71,6 „ 


Gemiddeld 


74,0 7o 


73,3 0/^ 



Bij het overzien dezer tabel neme men in aanmerking, 
dat twee naast elkander groeijende rietstokken , van den- 
zelfden ouderdom , -svel nimmer geheel en al gelijk zijn in 
zamenstelling , en dat, zoo de uitspruiting nog niet ver ge- 
vorderd is, zoo als hier meestul het geval -vvas, het daar- 
door veroorzaakte verschil kan overtrollen worden door dat 



— 380 — 

in tegenovergestelden zin , oorspronkelijk in deze twee stok- 
ken bestaande. 

Docli de heerschende rigting is blijkbaar deze, dat riet, 
met uitgesprotene oogen of knoppen , meer water bevat, dan 
het andere. De algemeene regels der physiologie deden 
ook deze uitkomsten verwachten , maar ik heb ze hier aange- 
voerd, eerstens om te doen zien, hoe deze, met onrijp of 
overrijp riet gelijk geldende omstandigheid het belang van 
den fabrikant benadeelt ; maar ten tweede om straks , als 
toclichtinsc te doen dienen van het meermalen waargenomen 
feit, dat omgevallen riet nimmer zoo goede, noch zooveel, 
suiker oplevert als dat, hetwelk tot de rijpwording toe is 
staande gebleven. 

Moerassigheid en humusovervloed in den grond werken , 
in dat opzigt, in dezelfde rigtiug. 

Het riet, welks vezelen sterk genoeg zijn, om den zwa- 
ren bladkroon op zulken grond te blijven torschen , kan 
toch, ofschoon in mindere mate dan het omgevallene, tot die 
schadelijke uitspruiting geraken, welke het water aanvanke- 
lijk doet vermeerderen , en tevens de hoeveelheid en de hoe- 
daniglieid der suiker doet afnemen. 

Het onderzoek, welken invloed liet watergehalte van het 
riet ondergaat van den jaartijd, waarin het gesneden wordt, 
zou hier weinig tot beslissing leiden , omdat en hier , en te 
Gentens:, de tesenstellino- tusschen drooge en natte moes- 
son doorgaans niet sterk, niet scherp genoeg is. Ik heb 
daarom niet de moeite genomen , de daartoe sprekende ge- 
tallen uit de groote tabel af te zonderen , en voeg hier al- 
leen , als mijn gevoelen bij, dat , ten zij de grond open en 
weinig waterhoudend en het weder, tijdens den oogst, lang 
aclitereen droog geweest zij , de hier genoemde omstandig- 
heid geenen veel beteekenendcn invloed kan hebben op het 
waterirehalte van het riet. 



— 381 — 

II. Zoo al niet cloor hoeveelheid , dan is toch uit den 
aard der zaak en regtstreeks , de suiker het behingrijkste , 
het hoofdbestanddeel van het riet te noemen. Daarvoor al- 
leen scliijnt het riet te bestaan en zich te ontwikkelen , daar- 
in hebben , naarmate de groei voortgaat of stilstaat , de meesto 
veranderingen plaats , -waarbij zeker het water , ook in chc- 
raischen zin , eene belangrijke rol speelt , en daarom alleen 
dit gewas een zoo belangrijk voorwerp van volksvlijt is 
geworden. 

Niemand zal kunnen verzekeren, dat het riet, in oor- 
spronkelijk natuurlijken toestand , volwassen zijnde , ver- 
schillende hoeveelheden suiker bevat , die met andere uit- 
wendige hoedanigheden in verband staan ; of zijne soor- 
ten, ondersoorten of variëteiten, volgroeid zijnde en in de 
meest gunstige omstandigheden verkeerende, ieder tot eene 
andere type van suikerquantum kunnen opklimmen. 

Het aangenomen gevoelen schijnt , althans op Java , te 
wezen , dat het sap van rood riet , ten minste van dat , hct- 
w'elk japara-riet geheeten wordt, meer suiker bevat, dan 
dat van de witte variëteiten ; waartegenover staat, dat de 
laatstgenoemde , op geschikte , vooral niet te zeer waterhou- 
dende gronden , tot grootere lengte en dikte groeijen , zoo- 
dat daardoor het mindere gehalte van het sap zelfs meer dan 
opgewogen zou worden. 

De praktische uitkomsten op Java tot nu toe verkregen , 
zijn , geloof ik , geenszins voldoende , om dit gevoelen te 
bekrachtigen. Vooreerst kunnen de algemeene, jaarlijks 
officieel medegedeelde, cijfers van de densiteit van het sap 
der verschillende rietsoorten niet als bewijs gelden , omdat 
daartoe altijd riet van ongelijken ouderdom, dikwijls slechts 
acht of negen maanden oud (ingeboet namelijk) onder el- 
kander geperst wordt. Doch ten tweede , zijn wij nog zeer 
onvolkomen bekend met de natuurlijke omstandigheden , 
waaronder elke rietsoort hare hoogste mate van ontwikke- 

3c SERIE DL. II. 24* 



— 382 — 

liiig kan bekomen. Ter loops zij aangemerkt, dat dit toch 
niets anders zou vercisclien , dan op verschillende plaatsen 
en gronden dezelfde reeks van variëteiten , in een kleinen 
proeftuin te kweeken , en de uitkomsten van elke variëteit 
met elkander te vergelijken. 

Dat zij alle , door vele jaren lang herliaalde kweeking ter 
plaatse , waar zij nu gevonden worden , een eigen karakter 
van groote vastheid hebben aangenomen , kan blijken uit 
de vergelijking van de uitkomsten, verkregen van soeraba- 
jasch en probolingosch riet , dat ik te Buitenzorg en te 
Genteng gekweekt heb. Zijn watergehalte is steeds ge- 
bleven beneden dat van buitenzorgsch riet van denzelfden 
ouderdom , en naar het boven medegedeelte , bij de vermel- 
ding van de verschillen in de deelen van een lang riet , 
hebben de twee eerste, ofschoon reeds van het tweede hier 
p-ekweekte gewas, een suikergehalte bereikt, niet beneden 
dat, wat zij in hun tegenwoordig vaderland kunnen berei- 
ken. Alleen schijnt daartoe hier wat langer tijd te zijn 
noodio- geweest. Nu w^as dat van Soerabaja rood riet, en 
had toch eene lengte van bijna twee ned. ellen; dat van 
Probolingo, waarschijnlijk eene verbasterde japara - soort , 
was meer dan twee ellen lang, en woog ongeveer t^vee ned. fö. 

Uit een , mij door den voormaligen resident van Pasoe- 
roean verpligtend medegedeeld berigt van proefnemingen , 
aldaar gedaan , over het sap van verschillende rietsoorten , 
ontleen ik hier het volgende. 

Densitoit van het sap. 





Wit of geel riet. 


Rood riet. 


AfJeeling. 


Awoe. JSjampl. 


Pring. 


Japara. 


J. Bima. 


J. Bali. 


J. Glaga 


rasoeioenn. 

Ban;;il 

Wangkal 


9= B 10° B 
0" - 


ca. 10=> B 
10°" 


ruim lO^B 
10'^'" 


11 ° 
9^ ö 


llj^ 


101 ^ 



— 388 — 

Daar bij deze opgaven niet het minste berigt is gevoegd 
over den aard, de lioedaniglieid , ligging, enz. der gronden, 
waarop deze verscliilleude rietsoorten gegroeid waren , 
kan ik zelfs niet gissen, iu hoever deze invloed kunnen ge- 
had hebben op de verkregene uitkomsten. Zoo bijv. zou 
het kimnen wezen , dat het zwaardere sap van eene witte 
boven eene roods rietsoort, in de afdeeling Wangkal , daar- 
uit moet verklaard worden; of, omgekeerd, dat het sap van 
het japara-, bali-riet, in Eangil, zijn hooger gehalte boven 
het awoe- riet niet alleen aan de rietsoort zelve heeft te 
danken. 

Ik behoef hiertoe verder uit deze belangrijke proefneming 
iu Pasoeroean , nog slechts aan te voeren de volgende cij- 
fers , om te doen zien , dat , naar het schijnt , ook het meer- 
dere sapgehalte niet immer aan de zijde van het witte riet is. 

De uitkomsten der persing, weging en drooging op groote 
schaal, waren namelijk als volgt. 



NAMEN 


AfJeelinc' 
Pasoerce;--). 


Afieeliiig 
Baüdl.' 


i f', cün" 


DLR 

KIETSOOllTEX. 


s ^ Er 

> 


o = j; 

^ o . 

-5 ~ 


•- 5 " 
~ 'S — 


drooge 

ditü in 100 

d. riet. 


'S "o - 
S £ ^ 

"1 > § 


■^ -^ r3 



Japara i s' 

Jap. Bima. . . . ; 1.' 
• met bloem 
" zonder bl. 
•' Glaga 

Bali 

Pring .... 

Awoc .... 

Malam . . , 

Njamplong 



1' 



351 


_ 


33 5- 


15 


34'- 


eu 










3^3 


IS 
riiïui 


— 


— 


•io 


s^:- 


15 

ruim 


— 


— 


— 


37 J 


14 


— 


— 


— 


SOi 


19 


37 i 


IS 


— 


— 


— 


35 


lii 


— 


35i 
31 1 


13 


31 


17 


3G 


^ 


— 


<)ii 1 


12] 


— 


oH 


16i 
ru m 


— 


— 


— 


00 9 


121- 


30^ 


12 


3J 



IG 

IG 



IS 



— 381 — 

Door clroogc ampas wordt liier slechts luchtdrooge be- 
doeld , die ligt nog 6 h S °/^ water inhoudt. 

Doch deze cijfers zijn niet te min onder elkander zeer 
wel vero-elijkbaar. Ter loops merk ik slechts aan , waarover 
anders te zijner plaatse, dat deze cijfers eene vrij ongelijke 
persing aantoon en. Terwijl vier dezer ampassoorten , door 
drooging inde lucht, vijftig perct. in gewigt verloren, wa- 
ren er vijf onder, die 56 en 58°/^, en twee die nog 60 en 
62°/ water inhielden. De laatstgenoemde heeft waarschijn- 
lijk 8 :i 9 °/o , de voorlaatste 6 h. 7°/^ watervrijen houtvezel be- 
vat. Het sap van deze bevatte ongeveer 19 Y^ , dat van gene 
ruim 21°/o suiker, en dus is uit het vocht, dat de verscho 
ampas door drooging aan do lucht verloren heeft, in de 
eene, (het niet blocijond biraa-riet in afd. Pasoeroean) , 
ruim 25°/^; in do andere (hot njam pion g-riet in de afd. Ban- 
o-ll) 19^0 van de in het riet aanwezig hoeveelheid suiker 
terug gebleven. 

Bepalen wij nu nog kortelijk onze aandacht tot de hoe- 
veelheden luchtdrooge ampas van elke der twee hoofd- 
soorten van riet, dan vinden wij, gemiddeld. 





Afdeeling 
Pasoeroean. 


Afdecling 
Bangih 


Afdecling 
Wangkal. 


Kood riet 

Wit riet 


14 


1672% 
13V5 » 


16 7o 
IS „ 



Derhalve voor het roode riet een bijna standvastig gemid- 
delde, voor het witte, slechts in twee afdeelingen ; en ter- 
wijl in deze het witte om 2 a 2|Vo vochtgehalte boven het 
roode stond, was het, in de derde, 2"/^ er onder. 

Behalve dit, zijn ook de verschillen bij de enkele proe- 
ven tussclien gelijksoortig riet zoo groot, dat wij naauwe- 
iijks als beslist kunnen aannemen, dat het roode riet, in 



— 385 — 



het algemeen, armer aan sap zoude wezen, dan liet witte. 

Ka deze lange inleiding, ga ik aanstonds over tot de af- 
zonderlijke voorstelling van liet suikergehalte van het riet, 
op den voet en in de orde , als in het eerste hoofdstuk de- 
zer afdeeling is in acht genomen. 

Derhalve vang ik weder aan met de variëteit van riet, 
met bijvoeging van den ouderdom ; terwijl later zal mede- 
gedeeld worden , hoeveel glukose of stroopsuiker , onder A-er- 
schillende omstandigheden, in het riet zelf kan voorkomen. 
Over dit laatste, heb ik nog slechts een betrekkelijk klein 
aantal onderzoekingen kunnen doen , die als de voorloopers 
van meerdere kunnen beschouwd worden. 



Variëteiten. 


Suiker 
pCt. 


Ouderdom. 


Gesneden in 


o i Rood riet 


18,61 


141/4 maand 




? ^ < " " 


18,23 


>j 


December 


'^'g jGeel riet 


16,37 


»• 


1854. 


fi(01ijfkleurg 


16,55 


5J 




g.2,iRood Japara 
> g (Geel 


17,73 


121/2 mtiiind 


Xüvember 


17,95 


>> 


1854. 


_j _ ■ / t-^ /~\r\f\ 


1 (i 77 




\ A\'Ptn mPV 


> S iGeel 


1 U, ( < 

16,62 


5> 
55 


1854. 


■J g ) Rood bruin 
'^ -^ (of purperbruin 


10,30 
1 "^ ^(^ 


1 1 maande 


n September 
I8ü3. 


i o , 


55 


^.5 i Rood 


14,64 


55 




> ^ lof roodbruin 


17,40 


55 




/ Rood Japara 


18,27 






„ Soerat 


16,62 








15,03 


^ 1 2 a 1 3 maa 


n- 't begin van 


]Mangli 


12,98 


' den 


Julij 1854. 


^ JKijong 


16,50 


1 




^S jMalaan 


16,36 


) 




>|\Rood 


17,13 


^ 




»> 


17,26 


( 




;) 


19,36 


\ bijna 10 maai 


1- 


Wit (geel) 


18,90 


[ den 




»' 


15,92 






l» 


I5,9i 


j 





— 386 — 

Eenige modccleelingen zijn noodig, tot rogt verstand de- 
zer cijfers. De drie eerstgenoemde soorten werden in den 
laboratorium-tuin alhier gekweekt , van stekken , mede van 
riet uit dien tuin afkomstig : dit riet stond dus , om zoo te 
spreken, reeds een graad verder van zijne aikomst, dan dat 
uit den oogst van 1853. Voorts was alleen bij dat uit Soe- 
rabaja liet kenmerk der kleur bestendig gebleven ; min- 
der bij het samarangsche , en allerminst bij dat van Pro- 
bolin<'''o, waar olijfgroen en olijfbruin het meeste voorkwamen. 
Het buitenzorgsche was waarschijnlijk nog niet volkomen 
rijp, en kan dus alleen tot vergelijking met de twee voor- 
gaande bij gelijken ouderdom dienen. 

Het bataviasche, waarvan mij de ouderdom niet gemeld 
werd , is afkomstig van velden , uit het Westerkwartier van 
Batavia, die vijf achtereenvolgende jaren met riet zijn beplant 
geweest. Het waren vrij zware rietstokken, blijkens het 
gewigt, in de tabel opgegeven; waarbij opmerking ver- 
dient, dat het meest suikerhoudende riet tevens het zwaarste 
was. De plantwijdte was zeven voet tusschen , bij een voet 
in de reijen. Door het eerste wordt dit herhaalde planten 
zonder bemesting, met zulk een zwaar gewas, mogelijk ge- 
maakt. 

Omtrent het cheribonsche verwijs ik slechts naar het 
vroeger medegedeelde , over den aard en de ligging der 
gronden van de twee fabrieken, waarvan het riet afkomstig was. 
Het riet van Ardjawlnangong was geplant in Mei 1853. 
Te Soerawinangong kon het planten eerst in September van 
genoemd jaar geschieden. Het laatstgenoemde riet was 
dus, naar de opgaven des kontroleurs, 3 a 4 maanden jon- 
ger , dan het eerste , en toch was het reeds rijker in suiker. 
Nemen mij , bijv. het gemiddelde der zes variëteiten, dan 
bekomen wij van Ardjawinangong , 15, 96°/^ van Soerawi- 
nangon 17,42°/^ Doch daar het geringe watergehalte van 
het laatstgenoemde mij had doen denken aan uitdrooging 



— 387 — 

gedurende den overtogt, lioewel de stekken aan de einden 
geliarpuist, en in kistjes met zemelen gepakt waren, zoo 
verzocLit en verkeeg ik andere vermoedelijk in Auo-ustus 
gesneden en circa 11 maanden oud. 

Blijkens de tabel had dit riet een nog hooger suikerije- 
lialte, en wel, gemiddeld voor de zes variëteiten 18,56^ • 

Dus, schoon nog circa o maanden jonger, dan het riet 
van meestal dezelfde variëteit , op zwaren , natten , vlakken 
grond gekweekt , bevatte het ruim 2 1-°/^ meer suiker , naar 
't gewigt aan riet, of lÖV^ van de gansche hoeveelheid suiker. 

Een dubbel voordeel gaven dus deze gronden , als : 

Ie. een sneller rijpen en 

2^. een' levendiger, krachtiger groei van het riet, die 
zich door een hooger suikergehalte te kennen o;eeft. 

Het zal lager blijken, dat door goede bemesting, die op 
overeenkomstige wijze werkt, eveneens eene vermeerdering 
van suikergehalte ontstaat. 

Die werkmg is hier dezelfde geweest voor de beide hoofd- 
variteiten , want wij bekomen als gemiddelde. 





Ardjaw. 
14 Maanden. 


Soera winana:on 2: 




10 Maanden. 


11 Maanden. 


Rood riet 

Wit „ 


16,61 
15,28 


17,92 
16,92 


17,85 7, 
19,28 „ 



Het schijnt uit de vergelijking van de twee laatste ko- 
lommen te blijken , dat het roode riet op opene gronden 
reeds op 10 a 11 maanden rijp is, terwijl het witte min- 
stens 11 maanden, misschien nog langer, in den grond 
moet blijven. 

Ik heb reeds gesproken van een' briel des administra- 
teurs van Ardjawinangong , volgens welken aldaar het ja- 
para-riet, dut doorgaans rood van kleur is, volkomen on- 



— 388 — 

herkenbaar is geworden, en naar liet schijnt, gcliecl ver- 
basterd. 

Eene dergelijke vcrbasterhig is , naar mij toeschijnt , ook 
bij de drie oostelijke, roode variëteiten , niet of minder hij 
de gele of -svitte waar te nemen , zoo wij althans het sui- 
kergehalte als eenen maatstaf daarvan kunnen aanmer- 
ken. 

Van Probolingo , eene der laatst bebouwde , nieuwste sui- 
ker residentiën , tot Samarang, zien wij eene geregelde af- 
daling; en van Samarang weten wij bovendien, dat moc- 
rassigheid aldaar vele, zoo niet de meeste suikerriet- velden 
even zeer kenschetst, als die der fabriek Ardjawinangong. 
Het is inderdaad opmerkelijk, dat dit verschil zelfs nog is 
zigtbaar gebleven in het gewas , dat niet meer regtstrceks 
van stekken uit de oostelijke residentiën aflcomstig was. 

Het purper-bruine en roode riet van Batavia 'en A^an Bui- 
tenzorg heeft waarschijnlijk in den aanvang tot dezelfde 
variëteit behoord, en toch zien wij, op ongeveer even vruch- 
bare gronden (die van Buitenzorg misschien nog wel de 
beste, althans voor de padi, zijnde) weder eene vermin- 
dermg van 4^^ per riet of van 25"^/^ in de hoeveelheid 
suiker, in dat te Buitenzorg gekweekt. De sawahvelden 
aldaar zijn ten deele moerassig; doch de velden in het wes- 
ten van Batavia vermoedelijk niet minder. "Wij zijn dus, 
dit in aanmerking nemende , genoodzaakt , de lagere ge- 
middelde temperatuur, gepaard met groote toename der re- 
gens, als eene tweede oorzaak van verbastering te beschou- 
wen , zich kenbaar makende , niet in de zwaarte van het riet, 
in zijne lengte en dikte, maar gelijktijdig, in de ver- 
traging van groei en in de vermindering van suikergehalte. 

Deze beide uitwerkselen , zich trapsgewijze vertoonende , 
schijnen in een onderling noodzakelijk verband te staan. 

Eene berekening naar variëteit, plaats van afkomst en 
grondsoort, geeft ongeveer het navolgende overzigt. 



3S9 — 



Terrein. 


Eood 


riet. 


"Wit riet. 


Sawahgrond te 
Buitenzorg. 


18,4 


7. 

/ o 


16,5 7o 


Donkere open 
grond , hellend. 


17,9 


55 


19,28 „ 


als van 
Probolingo. 


17,7 


55 


I85O „ 


dito. 


168, 


55 


16,6 „ 


stijve moerassige 
vlakke grond. 


1G,G 


5! 




Vijfjaren in riet , 


16,0 






\Toeger onbeb. 


•5 




als van 
Probolingo. 


12,0 


55 





Afkomst. 

Probolingo. 

Cheribon . . 

Soerabaja . 
Saraarang. . 
Cheribon . . . 

Batavia. . . . 

BuitenzorfT. 



Ter^vijl hier, bij het roode riet, alles zonder bemesting 
gekweekt en volgroeid, eene zekere orde heerscht, vinden 
Avij die niet bij het witte. 

De opvolging berust zeker op een wat -willekeurig be- 
ginsel , en zou , zoo dit juist is , aantoonen , dat het roode 
riet van Probolingo dat van Soerabaja, en vooral van Sa- 
marang is blijven overtrejffen ; terwijl het riet van Cheribon, 
bij ongunstige omstandigheden aan het samarangsche gelijk , 
tot dat van Probolingo nadert , zoodra het in minder stijve , 
hellende en betrekkelijk nieuwe gronden gekweekt w'ordt. 

Het laatst genoemde is , even als het soerabajasche , wei- 
ligt reeds in hoedanigheid afgenomen, door deze tweede voort- 
kweeking te Buitenzorg, en het is dus Avaarschijulijk , dat 
beide op hunne oorspronkelijke groeiplaatsen een hooger 
suikergehalte kunnen bevatten , dan het cheribonsche , zelfs 
bij die verbeterde omstandigheden; gelijk mede, dat het riet 
van Samarang en dat van Batavia dit nimmer of hoogstens 
alleen bij uitzondering, bereiken kunnen. 

In»het wezenlijke, dat is in een technisch opzigt, blijft 

öC SEIUE DL. II. 25 



— 390 — 

dus, voor het suikerriet van Java, liet begrip Tan soort of 
variëteit ondergesclilkt aan dat van groeiplaats, dat is, hoe- 
danigheid van klimaat en grond. 

Dit valt nog meer in het oog, zoo wij letten op de on- 
regelmatigheid, die in de bovenstaande kolom het (zooge- 
naamde) witte riet vertoont. Daaronder komen geel, groen- 
geel, olijfgroen en licht olijf bruin gekleurde verscheidenhe- 
den voor, waaruit een sterk vermoeden ontstaat , dat er ver- 
basterde of veranderde roode variëteiten onder A'ermengd 
zijn. Van het probolingosche houd ik dit voor gewis, en 
wat het soerabajasche aangaat , was van het rood gekleurde , 
in 1852 te Genteng aangeplant, niets meer overig. Alles 
was blijkbaar in geel riet overgegaan. 

Omtrent dit laatste en het probolingosche , zoowel rood 
als wit , deel ik hier in het voorbij^^aan mede , dat van 
beide in straks genoemden proeftuin nog maar weinig in le- 
ven is, terwijl het samarangsche er nog met onverminder- 
de groeikracht voortduurt. 

Het is , als of de overplanting en voortkweeking in min 
gunstige streken, voor het riet des te nadeeliger is, naar- 
mate er grooter nadeelig verschil bestaat tusschen de nieuwe 
omstandigheden en die, waaronder het op zijne oorsj^ron- 
kelijke groeiplaats voortleeft ; ook , wanneer de nieuwe groei- 
plaats voor twee , van verschillende afkomst , dezelfde is. 
Het is opmerkelijk , dat het kijongriet , eene verbasterde ja- 
para soort , te Soera winangong op de beide aangegevene groei- 
tijden , het nog als japara riet herkenbare in suikergehalte 
overtreft; juist omgekeerd van Avat Ardjawinangong aanduidt. 

De bovengemelde klagt van den administrateur aldaar, 
die mij tevens zijnen afkeer van het kijongriet gemeld heeft, 
is daarmede wel overeen te brengen, en het middel tot ver- 
edeling van het japara- riet schijnt dus te liggen in de keus 
van gronden, naar die van Soerawinangong gelijkende. 

Ik heb aldus reeds de grens overschreden, die den in- 



— 391 



vloed der plaats van k-weeking op het suikergehalte van het 
riet zou aanduiden, en kan derhalve aanstonds overgaan tot 
de mededeeling der uitkomsten, verkregen bij het onder- 
zoek van dezelfde variëteiten, genoegzaam gelijktijdig ge- 
kweekt op de beide groeiplaatsen, in den laboratorium-tuin 
en in den proeftuin te Geuteng. 



s 

o 




Kweekplaats. 






^ 


Variëteit 






OuJerdoni. 


Gesneden in 


< 




Buitc;.zovg 


Genten?. 












1 ;; / 


^ 










■>■-,'' / Q 


c 


•rli 






iM7Vo 


18,0 „ 


es 
c3 


ld 

oo 


i 




19,08 „ 


— 


g 


r-t 


o 


Eood 








M 


5-1 
O 


o 




16.40 „ 


17,6 „ 


Si 


-§ 


^« 




15,1S „ 


17,(3 „ 


.zZ 


o 




Geel 






1— 1 




Rood 


17,7 ,, 


.^_ 


CO 
t-i 


Oktober 






18,0 „ 


13,9 „ 


-c5 


en Xovember 


co 




— 


?:1 ., 


1-1 


18 ai. 




Geel 


— 


ll,-2 „ 


1— i 




tb 




n,i' » 


12,4 „ 


1^ 


Oktober 


S 


Eood 


17,3 „ 


— 


T-H 


Xov. enDec. 1854! 


a 
CQ 




10,1. „ 


lo,9 „ 


^:3 








11,3 „ 


1S,2 „ 


oï 


Jan. 1855. 




Geel 


U\3 „ 


15,8 „ 
17,0 „ 






£ 








_____^ _ 








10,3 „ 


13,2 „ 


co 








13,6 „ 


13,1 ., 


-:; 


September 1853 




Rood 




11,'i „ 


r— ( 





Over de keuze dezer cijfers uit de tabel zal ik een en 
ander ter opheldering moeten zeg o-en. 

Er is, in de eerste plaats, niet aan te twijfelen, dat de 
hoogste hier voorkomende in het algemeen zijn aan te mer- 
ken, als der waarheid het meest nabij komende. 



— 302 — 

liet vci'scliil tussclicn twee roode varicteiton uit Probo- 
lingo , gekweekt te Buitenzorg , schijnt met liet volume van 
het riet in verband gestaan te hebben; althans, dat met 
het laagste cijfer , schoon van denzelfden ouderdom , was 
ook het kortste. 

Het gele riet , uit dezelfde residentie , van de kweek- 
plaats Buitenzorg, had een kleiner suikergehalte dan dat 
van Genteng, hetgeen op zich zelf in het oog vallend is. 

Hiervoor kan ik geene andere oorzaak vermoeden , dan 
de oorspronkelijke minderlieid van dat te Buitenzorg ge- 
kweekt ; zijnde afkomstig van de fabriek Gendeng, waarvan het 
riet in 't ab'feraeen veel dunner en ook korter was , dan dat 
der andere drie. Bovendien was dat , te Genteng gekweekt , 
te o-en de daar zoo heerschende winden yv\j goed beschermd 
geweest. 

Hoe zeer dit laatste van invloed geweest is, wordt "len 
klaarste aangetoond door het riet van Soerabaja. Dit stond 
nam.elijk op een wat hooger, maar vooral aan de winden 
blootgesteld terrein , waaromtrent mij geene keuze was 
overgebleven, 

Ik had in 1853, voor het sap van soerabaja-riet , te 
Genteng op eene meer bedekte plek gegroeid , een speci- 
fiek gewigt gevonden dat, bij het onbemeste tusschen 10 
en 10?-° B (18,4 h. 19,8 suiker) afwisselde, beantwoorden- 
de aan 17,6 tot 18,8 d: suiker in 100 deelen riet. 

De samarangsche variëteiten hebben even zoo hare , min 
«^unsti^e ei'^enschappen, gelijk eene erfenis behouden, als 
de probolingosche hare betere. AA'ij zien dit althans in het, 
te Buitenzorg op moerassigen grond gekv.'eekte , uitkomen , 
in do ongelijkheid van het suikergehalte, als of er gezon- 
de en ziekelijke stokken nevens elkander gegroeid waren ; 
terwijl weder te Genteng, op meer droog terrein en door 
hooger liggende beddingen tegen de winden beschut, deze 
rictsoorten , met uitzondering van het roode (rapoh) , veel 



• _ 303 — 

minder hebben afgewisseld in suikergehalte ; ^Yaarvan bui- 
tendien het gemiddelde om ruim 2 Y^, of bijna löy^ der hoe- 
veelheid suiker, hooo-er -was dan in het te Buitenzorc; s,c- 
kweekte riet. 

Omtrent het buitenzoro-sche riet zelf valt weinici; te zeo;- 
gen. Het is hier zoodanig geakklimatiseerd , dat alleen het 
verscliil in grond eene verandering in het suikergehalte 
zou kunnen veroorzaken. Doch de verkregene uitkomsten 
toonen zulks tot heden niet, althans niet in aanmerkelijken 
graad. Zoo er al verschil bestaat, dan is zulks in het voor- 
deel van den schraleren , maar tevens droogeren berggrond , 
in -weerwil van de iJigere, gemiddelde temperatuur, gelijk 
vooral blijkt uit de analyse van den heer Eost van Ton- 
ningen (zie no. 25 — 36). 

Yan het hoogste belang is het, te weten, of en hoeda- 
nig de bemesting van suikerriet inwerkt op zijne za- 
menstelling, vooral op het suikergehalte. Immers het tijd- 
perk is reeds in getreden , waarin men de noodzakelijkheid 
der bemesting van suikerriet-gronden begint te beseffen. 

Daarbij is vooral t'j letten op den aard der meststof, die 
gebezigd wordt. Xaar de meening van den heer "Wray 
[„the Practical Sugarplanter^') die uitgaat van zekere stellin- 
gen van den heer Liebig, zoude door stikstofrijke mest- 
stoffen het riet toenemen in eiwitgehalte , en dien ten ge- 
volge afnemen in dat van suiker. 

Dewijl nu juist zoodanige meststoffen , in den regel , het 
meest geschikt zijn tot bevordering van den groei der ge- 
wassen, tot vermeerdering der produktie per eenheid van 
oppervlakte , zoude , volgens bovengemeld gevoelen , bij 
suikerriet de hoeveelheid der grondstof niet in de meest 
gewenschte mate kunnen vermeerderd worden , dan ten kos- 
te der hoedanigheid. Een ontmoedigend uitzigt voorwaar , 
en dat dan ook den heer Wray doet besluiten , om niet al- 
leen de aanwending van dergelijke meststoffen op het sui- 



— 394 — - 

kerrieto-e'u'as te ontraden , maar hem ook , Tolgens strenge 
induktie, tot de meening brengt, dat stikstofvrije, maar 
koolstofrijke meststoffen hier het doehnatigste zijn. Hij noemt 
daaronder ook koolteer , volgens eene schijnbaar gezonde re- 
denering. Immers, zegt hij, suiker -wordt gemaakt ten 
koste van den dampkring alleen, van zijne koolstoi, zuur- 
stof en waterstof. Zij is het rijkste in koolstof; koolteer 
bevat die mede, en wel in zeer groote hoeveelheid; derhal- 
ve zal het riet, indien aan zijne wortelvezels koolteer 
■wordt aangeboden, met geringe moeite suiker in zijn bin- 
nenste kunnen vervaardigen. Dat dit beginsel juist is voor 
fabrieken , en wel meest voor dezulke , waarin slechts ée'n 
soort van produkt wordt bereid, wie zal dit betwijfelen — ? 
IMaar wie zal niet betwijfelen , of eene plant wel bij zulk 
eene fabriek kan vergeleken worden ? Wie zal aannemen , 
dat het voedsel der plant, voorondersteld al eens dat het 
enkel uit koolzuur en water bestond, en dat dit genoeg- 
zaam ware tot vorming van suiker in hare cellen, dat 
het voedsel geene andere rol speelde, dan eenvoudig zich 
zelf zoodanig te ontbinden en weder te konstitueeren , dat 
de irewenschte suiker, met hare glinsterende kristalletjes, 
uit de ino-enoraene lucht en vocht te voorschijn kwamen? 
Keen , gelijk alle naaste bestanddeelen , zoo is ook de sui- 
ker het produkt der zamenwerking van al de organen van 
het riet, verkregen uit al de bestanddeelen van de, door 
wortels en bladen ingedrongene vocht en lucht; en nevens 
dit produkt is een aantal andere, uit dezelfde bouwstoffen 
o-evormd. De gezamelijke tegenwoordigheid van al die pro- 
dukten is noodig voor het leven van het riet : naarmate het 
die bevat, in eene verhouding, nader bij komende aan de 
tvpe , die wij tot heden niet met zekerheid kennen , is ook 
het leven van het rietgewas gezonder, krachtiger, en naar- 
mate de aard van grond en klimaat de opneming en, mag 
ik mij zoo uitdrukken, verwerking der bouwstoffen in het 



— 395 — 

organisme gedoogt, in zulk eenen graad en verlioudiug, 
als tot die regelmatige produktie der gevorderde bestanddee- 
len kan dienen , naar die mate zal ook de groei van het 
riet liet krachtigst , het gezondst , het voordeeligst wezen. 

Suiker is dan een voortbrengsel van het rietgewas, als 
een, grocijend geheel; wat dien groei het meest bevordert, 
bevordert ook de vorming van suiker , alsmede van de an- 
dere noodige bestanddeelen van het riet in de normale ver- 
houding, en zulks beide in hoeveelheid en snelheid. 

Dierlijke meststoffen zijn , met oordeel aangewend , het 
meest dienstig tot bevordering van den groei; zij zullen 
dus ook , onder dezelfde voorwaarde , het suikergehalte van 
het riet kunnen verhoogen. 

Met terugwijzing, voor zooveel noodig, op hetgeen ik 
hieromtrent heb aangemerkt, bij de opgaven van het wa- 
tergehalte van het riet, ga ik thans aanstonds over tot de 
mededeeling der uitkomsten, die bemest en onbemest riet, 
onder overigens dezelfde omstandigheden , in suikerlioeveel- 
heid hebben opgeleverd. 

Daartoe zal ik alles bijeen stellen , wat van de algemeene 
tabel in dit opzigt toepasselijk is. Van de zeven eerste werd 
alleen het spec. gewigt van het sap bepaald, en daaruit het 
suikergehalte berekend , waarbij het verschil , dat ik door- 
gaans tusschen deze twee gegevens gevonden heb , is in het 
oog gehouden. 



— 396 — 



ai 

s 


Fabriek of 
Variëteit. 


Suiker in 100 cl. riet. 


Gesneden 




Met guano (^, .,p... 


den 






bemest. 1 





o 
fco 



o 

O 

Pk 



W 



Gending. . . 

S. Karang, 

Kotta. . . . 
S. Karang 
Kotta. . . . 
Gending. . 
S. Karang. 
Kotta. . . . 
Gending. . 

11 

S. Karang 
Kotta.' . . . 

Geel 

Rood. . . . 
Geel 

11 • • . • 
Rood .... 

11 ... 
Geel 



19,2 
17,1 

19,0 

15,0 
23,5 
15,0 
15,2 
20,1 
18,9 
14,2 
15,7 
1G,1 
17,4 
18,7 



19,2 

21,4 
17,1 
19,0 
19,0 
17,1 
1G,4 
1G,5 
19,1 
14,a 

I- o 
0,0 

16,4 

18,U 



30 

Augustus 

1853. 

23 Sept. 

1853. 

7 Oktober 

1854. 

Ben 15 

December 

1854. 



ei 



o 

c/l' 



« 






16,5 
16,1 
11,4 
15,0 
14,2 
15,7 
22,5 
19,5 
M0,6 
S15,5 
10.0 
15,S 



17,95 

17,70 

12,85 

11,60 

12,50 

11,00 

19,2 

19,2 

11,9 

9,1 
14,2 



November 
1854. 

Jannarij 
1855. 

Oktober 
18ol. 

Oktober 
1854. 

Februarij 
1855. 



— 397 — 



Aflcorast. 



Variëteit. 



Suiker ia IGO deelen riet 



Bemest. 



Onbemest. 



Gesneilcn 



Oerang 

Scmbonc 

KijoTig. 



Ocraiisr 



SeniLoiicr . 



Rapoli. 
Kijoüg. 
Oerang. 
Rapob. 
Oevans;. 



Semljarg 



Rapüli. 



Kijong. 



17,3 

21,1 

1G,9 

Gur.no 

17 S 

G. en ascli 

1-1,4 

Asch 

19,5 

Kalk 

13,6 

Guano 

15,0 

G. en nscb 

17,3 

Asch 

18,6 

Kalk 

1S,0 

Guano 

15,3 

Guano 

12,8 

Guano 

10,6 

Guano 

1G,,S 

Gnriio 

10,5 

G. en asdi 

18,1 

Asch 

14,2 

Kalk 

14,3 

Guano 

14,9 

G. en asch 

12,7 

Asch 

15,6 

Kalk 

15,9 

Guano 

13,7 

G. en asch 

12 

Asch 

14,4 

Kalk 

16,0 

Guano 

14,6 



IS, 2 
1S4 
16,1 

15,8 



17,0 



13,4 
14,1 
16,4 

14.4 



15,4 



15,9 



( Oktober 
j 1853: 



Oktober 
1S54. 



Novemb. 
1834. 



Januarij 
1855. 



14, 



308 



Afkomst. 



Tariteit. 



Suiker in 100 deelcn riet. 



Bemest. 



ODbcmcst. 



Gesneden 







G. on pscli 










11,2 


10.3 


Scjitembcr 






11,5 


13,6 


1853. 






23,0 


11,4 


ükt. 1853. 






Guano 










12,7 


15,0 








G. en ascb 










13,S 




Febr. 1855. 






Asch 










14,3 






fco 


a 


Guano 






o 


'5 


15,7 


15,7 








G. en asch 






"5 
ca 


^ 


17,9 




April 


." 


£. 


Ascli 






*3 

a 





16,6 




1855. 




j^ 


Guano 






e> 




17,1 


16,4 




K 


tl 
a 


G. en asch 






's 


CS 

e- 


16,6 






OT 




Guano 






's 


^ 


13,8 


12,1 




■«3 


P-i 


14,7 


17,5 


31 






14.2 


11,8 


Mei, 






14,7 


11,3 


en 6 Juuij 






15,1 


12,8 


1855. 






14,3 


n,3 








15,8 


11,3 








<^1=^'^ 










/ ^21,4 
\ -^19,2 


7,0 








7,0 


S 1 Julij 






) 8 19,2 
( ^ 19,3 


10,1 


1855. 






17,0 





Zoo wij met het riet van Probolingo aanvangen , de 
zeven eerste regels niet in acht nenieude , dewijl de cijfers hier 
niets stellio-s kunnen leeren omtrent het suikergehalte van 
het riet, dan blijkt uit deze uitkomsten genoegzaam het 
volgende. 

Dat de cijfers in de eerste kolom dan eens boven, dan 
eens beneden die der nevenstaande in de tweede kolom zijn. 

Deze ongelijkmatigheid is te verklaren, deels door de , soms 
aanmerkelijke , verschillen in het suikergehalte van digt bij- 
een gegroeide rietstokken van dezelfde variëteit; deels, al- 



— 399 — 

thans ten aanzien van die te Genteng gek\Yeekt, door den 
storenden invloed van wind en droogte , die aldaar , -wegens 
de ongelijkheid van den grond op zeer beperkte ruimte, 
vaak grootelijks verschillen , en den invloed der bemesting 
als overheerschen kunnen. 

Ten derde komt hierbij nog, voor het samarangsche riet, 
de verscheidenheid der bemesting. Deze proeven ^^'erden 
te Genteng genomen , welks grond , vergeleken bij dien van 
het proef terrein te Buitenzorg, arm is aan oplosbare zouten. 
Dien ten gevolge zien wij, dat aldaar de bemesting, het 
zij met asch alleen of met guano en asch te zamen , schier 
altijd een hooger suikergehalte in het riet heeft bewerkt ; 
guano alleen werkte minder zeker, en kalk even zoo. 

Eindelijk komt bij dezelfde, in opvolgende perioden ge- 
snedene, variëteiten nog dit in aanmerking, dat na bereiking 
der volle rijpheid , het riet te sneller scheen af te nemen in 
suikergehalte, naarmate het eene meer werkzame bemesting 
ontvangen had. 

Van daar dat het onbemeste daar langer bijna stationair 
bleef, en het met kalk bemeste evenmin spoedig heeft af- 
genomen. In weerwil dezer storende invloeden, blijft toch 
nog het hoogere suikergehalte doorgaans aan de zijde van 
het bemeste riet , vooral zoo wij , het gemiddelde nemende , 
het overrijpe riet buiten rekening laten. Alsdan komen 
wij tot deze uitkomst. 



Bemest. 



Onbemest. 



Van Probülingo 
,, Soerabaja, 
,, Samarancr. 



17,0 o/l 
13,3 „ 
1G,8 „ 



16,6 0/^ 
13,1' ,, 
IG 2 



Het verscliil is zeker gering, maar de storende invloeden 
waren ook magtif:. 

De proevn uiee htet buitenzorgsche riet , bijna alle van 



— 400 — 

ecue en dezelfde variëteit te Genteng genomen, op een stulc 
gronds, genoegzaam legen de z. o. winden beschut, kun- 
nen eenigen maatstaf van de kraclit van hunnen invloed 
geven. Hier toch zien Avij bijna in elke rij , het grootste 
cijfer in de eerste kolom, en bedroeg het gemiddelde sui- 
kergehalte, van af September 1853 tot in Junij 1855, 

bij het bemeste 15,2°/^ 

„ „ onbemeste 13,2 ,, 

Deze toename is niet onbelangrijk , vooral zoo men daarbij 
in rekening brengt, de groote vermeerdering in grondstof, 
in gewigt aan riet zelf, die men door zulke bemesting 
per eenheid van oppervlakte kan bekomen , en de vervroe- 
ging van het tijdstip der rijpheid. 

Eene belangrijke vraag is het, of en in welkopzigt het suiker- 
riet ontaarden kan , zoo het in min gunstige streken wordt ge- 
kweekt, en of hierin ook door bemesting kan voorzien worden. 

Ik heb getracht, ook hierop cenig antwoord te geven, en zal de 
daartoe dienende cijfers thans kor tel ijk overzien en beoordeelen. 



E 


Tabrijk 

of 
Variëteit. 


OuJer- 
düin. 


Graadgchalte van 
het sap. 


Suiker «n 100 deeleu 
riet. 


< 


1853 
Ie gewas 


1834 
2c gewas. 


1853 

Ie gewas. 


18.54 
2e gewas. 


"o 

'S 


Gending .... 
S. Icareng . . . 

Kotta 

Diincro 

Gending .... 
S. karcng . . 
Kotta 


B. 

12i- m 

G. 

12J- ra. 


1 
10= B 
11° /. 
10° « 

1130 „ 
11° " 

] .-. „ 

12° " 


9^°B 
10° . 
1H° " 

10i.= V 

11" » 

10i.° .V 

11° " 




1G,4 
10,5 
19,1 
17,6 
18,2 
17,6 
18,0 


o 


Geel 

Geel 

Rood 

Geel 

Knoil 


I2|.m.B. 
12|.G. 

12im.B. 


1H°B 

10° " 

10i° V 


1H° " 

j 8° « 


1G,S 
17.3 


1S,0 

j « 13,9 

16,3 
16,8 


^ 2 


Geel 

Rood 

Kijong 


G. 

13 ra. 


- 


— 


18,2 
18,4 

n,8 

1G,1 


18,6 

18,2 

»13,4. 

al4,l 



— 101 — 

Al dit riet was onbemest, en de oogst geschiedde steeds 
tusscben de maanden Augustus en Xovember. Er doen 
zich drie zeer aanmerkelijke verschillen voor in de laatste 
kolom , vergeleken met de vergelijkbare cijfers in de an- 
dere; zij zijn met a gemerkt. 

Deze drie rietsoorten , die bijzonder kort en dun "waren, 
hadden hare standplaats gehad op hooge, blootgestelde bed- 
dingen. Het eerste ge-was had daar , wel is vraar , mede 
gestaan ; doch eensdeels was de verdeeling toen anders ge- 
weest , maar vooral was bij het tweede , nadeel veroorzaakt 
door de omstandigheid , dat ik toen , de stekken aanvanke- 
lijk op kweekbeddingen geplaatst hebbende, door onver- 
wachte ziekte, bij gemis van eenen adsistent, verpligt was, 
het overplanten zeer laat, veel te laat te verrigten. Immers 
in eenen proeftuin op Java is er niet aan te denken, werk- 
zaamheden als deze aan de zoogenaamde zorg van inland- 
sche mandoors over te laten. 

Het is opvallend, hoe dit late overplanten, dat herhaal- 
delijk verdrooging van wortels en bladen en dus nieuwe in- 
boeting veroorzaakte , op deze blootgestelde beddingen met 
riet gewerkt heeft. Zonder dit onrijp te kunnen noemen, 
(want ik droeg zorg , alleen de grootste , niet ingeboete stok- 
ken te onderzoeken , die even oud waren , als het riet op 
de lagere beddingen) , was het toch in zamenstelling aan 
onrijp riet gelijk, daar het bij een veel lager suikergehalte, 
veel meer water bevatte , dan die lager gegroeide , gelijk 
reeds vroeo-er is aangemerkt. 

De verhoucUug van water tot suiker was bij de drie hier 
bedoelde 100:18, d en gemiddeld bij de andere 100:23,8. 

Aan het verdroegen der bladen en toppen was het echter 
duidelijk te zien, dat een langer staan geenen verderen 
groei zou bewerkt hebben. 

Laten wij deze drie , geheel anormale cijfers buiten re- 
kening, dan bekomen wij als gemiddelde, de volgende: 



402 — 



1ste Ge^Yas, t'^'^ Gewas. 

Suikergehalte in liet riet. • • • 1^?^ ^/o 17,o°/° 

Graad van het sap | 11° B. 10° B. 

Dit zijn geene noemeuswaarclige verschillen; althans niet 
groot genoeg , om reeds bij het tweede gewas cene verbas- 
tering van het riet als kenbaar te stellen, zoo ver die door 
het suikergehalte wordt aangewezen. Ook in produktie, 
in hoeveelheid en zwaarte der rietstokken, is zulks niet merk- 
baar, gelijk ik in een ander vei'slag heb mede gedeeld. 

"Wat aangaat het verband, tusschen het volume (lengte 
eu dikte) en het suikergehalte van het riet, kan ik eenige 
uitkomsten opgeven, van onderzoekingen met dit bijzondere 
doel vcrrigt. Zij zijn alweder aan de algemeeue tabel ontleend. 



Vau Proboliiigo. 


Vau Suerabaja. 


Vau Samarang. 


V. Buitenz. 


Kweekplauld Kwcuk])!. 
Buitonzovg. ' Gcutenï 


Kwcelvj)], 
Biiiteriz. 


Kweckj)!. Kweekpl. 
Genten-;. Buiteiiz. 


Kweekiil. 
Gententr. 


Kweekpl. 
Gentena:. 




"-5 q 


1 


^3 




& 
^ 


■^ : i 


'S 


^ 


c 


ei 

5 


c 
•^ 


15,2 
20,3 
16,5 
20,1 


17,C 
15,7 

17.7 
15,2 
19,1 
16,1 


1 
17, G 18,2 
18,0 17,6 
12,8 l-i,l 
l-i,8 15.9 


18,0 
16,5 
17,7 
11,4 
12,5 

15,2 


12,8 
16,0 
13,6 
13,0 
11,0 


14,2 
13,8 


9,10 
10,0 


1G,G 
11,3 
11,5 
11,8 

12,8 


16.8 
12,3 
11,8 
13,1 

13,0 


18,7 
17,8 
19,5 

18,7 


17,0 
15.0 
18,6 


10,6 
15,1 
10,7 
13,0 
15,7 


14,6 
10,3 
12,6 
15 


15,5 
18,9 








9,6 


15,3 


GemiJJ. 17,8 


16,9 


15,8 


16,5 


1 
13,3 14,0 


16,9 


13,0 


13,6 



Men is niet altijd gelieel zeker omtrent den ouderdom 
van het riet , dat nabij elkander groeit , tenzij het op ge- 
heel gelijksoortigen grond , ongeveer overeenkomt in leng- 
te en dikte. Welligt dat onder het dunne en korte riet , 
Avaarop de bovenstaande cijfers betrekking hebben, een deel 
Averkelijk jonger was, dan het zwaardere van dezelfde variëteit. 

Dit geldt met name voor het soerabaja-riet , vooral dat 
te Genten o; gekweekt. 



403 



Al de overige cijfers bijna kunnen strekken om aan te 
toonen , dat bij de afwisselende verschillen , de gemiddelde 
uitkomst van riet , gelijk in soort en in uitwendigG omstan- 
digheden , geenen grond oplevert , om verband te zien tus- 
schen zijne zwaarte en verhouding van suiker. 

De vergelijking van het watergehalte heeft tot eene onge- 
veer gelijksoortige gevolgtrekking geleid. 

Of echter riet , in alles gelijk , behalve in den afstand tus- 
sclien de geledingen , verschil in suikergehalte zal opleveren , 
is eene andere vraag, die ik, vóór het onderzoek, geneigd 
was bevestigend te beantwoorden, wat trouwens overeen- 
komt met het gevoelen der meeste planters. 

Hieromtrent kan ik alsnog slechts weinige cijfers aan- 
bieden. Zelden is het verschil in lengte der leden , bij eene 
reeks van rietstokken , aanmerkelijk genoeg, om sprekende 
uitkomsten van het onderzoek te kunnen verwachten. 



Van Sa m ara n o;. 



Lanse leden. Ivorte leden. 



Van Batavia. 



Lanire leden. 



Ivorte leden. 




Gem. 13,8 „ 15,1 „ [ 13,S „ 14,6 

Deze uitkomst beantwoordde niet aan de verwachting. 
Zij wordt te opvallender, zoo men bedenkt, dat deze riet- 
stokken dezelfde zijn , waarvan vroeger het watergehaltc 
werd medegedeeld. Dit bleek alstoen af te nemen , met 
de lengte der leden. 

Het volgende schema kan dit duidelijker maken. 



Watergehalte . 
Suikergehalte . 



Lange leden. 

100 

100 



Korte leden. 

97 
108 



Het getal voorbeelden is echter nog veel te gering, oui 
aanmerkelijke waarde te liecliten aan deze uitkomsten , -wes- 
halve ik mij tot de enkele vermelding zal bepalen. 

Minder twijfelachtig is het verschil in suikergehalte tus- 
schen de knoopen en de leden ; iets dat evenwel met het 
vorige in oorzakelijk verband moest staan. Ik zal ook de 
hieromtrent verkreïiene uitkomsten aanhalen. 



Riet van Cheribon. 



De leden. 



De knoopen. 



18,8 


19,0 


21,5 


19,0 


20,5 


20,4 


20,7 


20,2 


20,1 


18,9 


18,5 


17,5 


20,0 


19,2 



Hieruit zou dus volgen, dat de knoopen van het riet al- 
leen in zoo verre minder suiker bevatten dan de leden , als 
zij minder saphouderd zijn. Immers het sap der laatste 
staat tot dat der eerste in verhouding van 100:97 (71,4 X 
20,0): (69,5 X 19,2) en 100 X 19,2^ 1920, 97 x 20 ^ 
1940. 

Het sap in de knoopen heeft dus hetzelfde soortelijke ge- 
wigt , als dat der aangrenzende leden , en derzelver aan- 
tal kan , in ons voorbeeld , oj) het suikergehalte van het ge- 
heele riet slechts invloed hebben in verhouding van jo-^^x. 

De uitkomsten, door Peligot van Otaheiti-riet verkregen , 
verschillen daarin van de tegenwoordige , dat hij in de knoo- 
pen een vierde minder suiker vond, dan in het riet, geheel 
genomen. 

Ik kan hier geene waarschijnlijke oorzaak voor aangeven. 
Indien de knoopen tot dezelfde stokken behoord hebben , 



— 4Ö5 — 

■waarvan hij het suikergehalte op verschillende hoogte mede- 
deelt , dan schijnt het overrijp riet geweest te zijn , en dit 
is op de tegenAvoordige voorbeelden niet toepasselijk. 

Plet zal later blijken, dat de knoopen veel meer aan mi- 
nerale zouten bevatten , dan de leden , en uit dit oogpunt, zijn 
de boven medegedeelde uitkomsten opmerkelijk te noemen. 

Eene der bekmgrijkste, zooniet het meest gewigtige punt 
voor den fabrikant, is het vermijden van de mogelijkheid, 
dat hij onrijp riet aan den molen bekomt, -want dit bevat 
ligt sap , en heeft daarenboven bij de bewerking cenen na- 
deeligen invloed op het overige sap, op de hoeveelheid en 
hoedanigheid der verkregene suiker. De kennis van het 
ware tijdstip, Avaarop het rietsap inden gunstigsten toestand 
is, zou dus voor hem hoogst voordeelig zijn, want noch de 
ontwikkeling in volmne, noch de ouderdom is, in elk geval, 
een onbedriegelijk kenteeken. 

Ten aanzien van den tijd, gedurende welken het rietsap, 
om zoo te spreken, stationair blijft, den tijd dus, dat de 
oogst alleen behoorde te geschieden, kan ik alleen mede- 
deelingen doen, die gelden voor een klimaat en voor eenen 
grond , als die te Buitenzorg en te Genteng ; in de hoop , 
dat er weldra gelegenheid moge komen, om dit vraagstuk 
op verschillende plaatsen van Java meer toe te lichten. 

In de volgende cijfers zijn de uitkomsten van mijn on- 
derzoek hieromtrent bevat 

uC SERIE DL. II. 1() 



— 406 — 
Proeftuin te Buitenzoi'ir- 





liiet vün 


liiet van 


Iviet van 




Probolingo. 


Soeraljpja. 


Samarang. 


12 


maanden. ' Il m. 


12l/2m. 


1472^"- 1^72m.'l472m. 




16,4% 


M,0 7,, 


18,0% 


12,9 7, 


in,4.°/° 


11,3 7^ 




13,2 „ 


11',2 „ 


IG.5 ,. 


11,4 „ 


10,6 „ 


11,8 „ 




10,5 „ 


10,4. „ 


17,7 „ 


15,6 „ 








20,1 ., 


10,1 „ 


16,1 „ 


ir^o „ 


16,8 „ 


15,1 „ 




19,1 „ 


15,7 „ 












1S,9 „ 


18,7 „ 










Gein il 


ld. 17,7 7^ 


15,9 7, 


i',i7. 


12,7 7, 


16,6 7, 


12,17. 



— 407 



! 

i 


. 


( 


^ 


1 




9 


a 




-'r« 


C^ O Cï 


C3^ 




O 














u> 




, 


— 


^ 


-^ = - . 


:^ 


o 






3 


s 


-> 


'"". ""- ~ ~„ 


CC^ 


















'ir 




j— ,—-.,—, r-^ 


—1 


1 « 














! § 


_, 


^. . . 


V» 


1 > 




c 


a 


i *. 




^- C cc ïï 


C5 


1 -H 


;L; 


of .-•: ir' ^' 


cr 






r-, ^ 


^ 




>= ~ = ' 


^\ 




~ 




O 






^- ""1 ^, ^\ 


^ 




o 




có^ 






— » . : , >-~, 


•"^ 


tr 




S' 


o^ 


a 




T?^r? 


■«e* 


5 


»^ 






c 


r-i 


Cl cf 


Ci 


^ 




j f— 1 r— 1 


r— ! 


K} 




1 










^ 


J 


O 5 


>C 










-^ 




t- •ïl 


ï,-^ 














"' -jC 


er" 


1 










^ 


^' 


^ 




^ 


" 


* 




n 


^l -„ 


^, 




f— 1 


-rf- Z'l 


"^f* 


i 


( 


( 


' 




i = » 


^ 


•r= 


é 


> ^ 


o~ 


3 




cc 'T* 


1.-: 










s 


I— t 


«^ 'T! 


— 1 


o 






-e 


















_• 


,x 


>: 










- o 








'^ 


cc 


^ ^ 










s 






T~~ r-^ 






. 


K 3 






'\ 


\ 




c; 




= ^ 




— 


Z^ C^ 


,_| 




t3 


c~-' c;" 


■Zi 








-< 










i 


»~ 


o^ ït er 


— 




r^ 


ir:" ^ -?" 


-*" 






^ --- 


^ 










"3 


5 


^ = » 

3 


^ 


o 


^ 


V.^ r— 51^ 


o_ 


^ 


r— 1 


Ci ^" i.-j" 


'«<" 


^ 




r-t .— 1 1— 1 


'"' 


S 








> 




v^. = = 


:^ 


o 










L. 


O ^ '5 3 


o 












— 


i— c— y ~s. 


ï— 




2 


.— ^ r— r— . 


— • 




£ 




-d 




« 




■~ 


' 






c5 



— 40« — 

Het buitenzorgsclie riet ■was , in afdalende orde , aldus be- 
liandeld. Bemest met guano, onbemest, met guano en asch, 
met asch alleen. Guano alleen schijnt, op dezen, in op- 
losbare zouten armen grond, geene genoegzame uitwerking 
gehad te hebben. Dit is in treffende overeenstemming met 
de uitkomsten van elfjarige proefnemingen op graangewas- 
sen, door den heer Lawes, te Rothamstead. 

Al het riet, Avaarvan het gehalte aan suiker zoo even is 
medegedeeld, was in 1854 gesneden. Voor zooA'er de drie 
soorten uit den oosthoek betreft, was het dus, wat ik het 
tweede gewas van hier genoemd heb. 

Dat van Soerabajais, nevens dat van Buitcnzorg zelf oor- 
spronkelijk, met opzet in verschillende tijdperken van on- 
rijpheid onderzocht, Avaarbij ik echter nogmaals herinner^ 
dat het eerstgenoemde, door gemis van een beter terrein, 
op ecne blootgestelde hoogte stond , en daardoor , vooral in 
volume, maar tevens ook in suikergehalte, achterlijk is ge- 
bleven. 

Beschouwen wij al deze rictvaricteiten , in verband met 
het watergehalte , vroeger besproken , namelijk : 





Buitenzurg. 


Geiiteiig. 


In 100 dcelca 
riet. 


Il 


i 1 é 

'S . E ^. 
-c i:^ co = 

> > 


o 

^ . 
o o 

> 


CO -p. 


1 i 

3 ^ 


'= bb 

^ 1 




2 i -^''' 


^^''i^r 


^" 


-M 




1 


-^ 




^ 


lO 


o 


£ sla 

2 rh |o 


Water, 


I-i C-J 


c- 
il 




c: 
■m' 


c- 






i6 

-#■ 


C5 O 
C- 00 

es' o 


o' 


3< 


o 

L- 
X 




co 
co 

cc 


i— 

co 

cc 


cc 

=5' 


in 


Suilier. 




Verli. van s\iiker 
water = 100. 


CO 

00" 

*-l 



dan zien wij, met den voortgaanden groei, aanvankelijk 
eene vermeerdering van water en suiker beide, doch van 



— 409 — 

de laatste in grootere verhouding, blijkens het soerahaja- 
riet te Genteng gekweekt. Op het tijdstip van rijplieid , 
dat voor de drie eerste rietsoorten tusschen 12 en 13, voor 
het buitenzorgsche , tusschen IJj en lo maanden (of nog 
later) schijnt te liggen , is er eene soort van stilstand in de 
verhouding van water en suiker , die bij het probolingo-riet 
van Buitenzorg en bij het buitenzorgsche zelf het langste 
duurde , bij dat A-an Genteng rasser , of althans in ongun- 
stiger zin verbroken werd , doch waaromtrent deze rietsoort , 
zelfs op de ongunstigste groeiplaats, de beide andere hier 
vreemde soorten aanmerkelijk overtreft. 

Het rijpe samarangsche riet van den berggrond te Gen- 
teng staat, in suiker verhouding bij een gegeven gewigt 
van water , boven aan ; dat van Soerabaja , om de boven 
opgegeA^ene redenen, onderaan en slechts weinig boven het 
buitenzorgsche, dat echter twee a drie maanden langer 
moest groeijen , en zelf op een veel minder blootgesteld 
terrein stond. 

Op den moerassigen sawahgrond, daarentegen, nam het 
samarangsche in suikerverhouding de laagste plaats in van 
de drie, terwijl het probolingoschc daardoor niet gedeerd 
schijnt te wezen. 

Het soerabaja-riet van Genteng bevatte, ruim 13 maan- 
den oud zijnde, een sap van gemiddeld 8°, 6 7 B.; bijna 3^ 
maanden later, was dit tot 7° B. gedaald. 

Om te doen zien, dat de aanwijzing van den areometer 
vrij wel het suikergehalte kan doen kennen , deel ik hier 
mede, eene berekening van het sap van probolingo-riet van 
Buitenzorg, die ik ten dienste dezer tabellen, moest maken. 



— 410 



Graden van liet snp , 
naar den areometer van 13. 



Suikero-ehalte. 



Gevonden. 



l)erekend. 



8^G7 

y=75 


10,00 

17,10 
18,20 


15,9 
1G,G 
17,9 


Gemidd. 9= M 


17,10 


16,80 



Ik geef toe , dat er dikwijls grootere versckillen bestaan; 
doch zoo men , den areometer gebruikende , altijd een meet- 
glas van dezelfde afmetingen bezigt, dit altijd tot op eene 
bepaalde hoogte vult , en altijd ongeveer even helder sap 
onderzoekt , dan is deze als een tamelijk voldoende aa^vijzer 
van het suikergehalte , naar de tabel van Derosne en Cail , 
aan te merken. 

liet buitenzorgschc riet "\vas , 1-i.^ maand oud zijnde, in 
A'oUen bloei : dit scheeii toen het kulminatiepunt (zie hier- 
omtrent het aanhangsel van dit verslag) van ziju wezenlijk 
suikergehalte, ofschoon niet van de densiteit van het sap. 
Yermoedelijk geldt dit voor alle rietsoorten. 

Yoor het buitenzorgsche kan ik hieromtrent nog de vol- 
gende cijfers aanvoeren, liet was 16-^ maand oud en werd 
te gelijk gesneden. 



Oiibemest. 


JMet guano bemest. 


BlüCin .Tf;;evalleii. 


Xog Biet in bloei. 


Bloem afgevallen. 


Nog niet iu bloei. 


Suiker 12,10 % 
11,80 « 
12,80 « 
12,20 " 


17,50% 
11.30 u 
12,20 ,/ 


13,70 Vo 
14,10 " 
15,10 >, 
15,70 " 


14,70 % 
14,60 „ 
14,20 „ 
13,00 « 


Gem. 12,00 Vo 


11,75% 


14,7 "/o 


14,11 % 



Het bovenste cijfer in de tweede kolom, als buitengewoon , 



— 411 — 

niet rekenende , vinden wij steeds het riet rijkst in suiker » 
als het in vollen bloei is, en ook non- daarna dat e:ehalte 

'O o 

behoudende, inzonderheid als het bemest is. 2\~ maand la- 
ter, dus toen het 18 j- m. oud was en reeds sedert 4 maan- 
den gebloeid had , teekende het sap van het bemeste riet , 
nog 10^ h. 11° B; dat van het onbemeste , ten deele 9^^ 
]j; doch verre het meest was lager in graden , tot 4^ B toe. 
Dit tot toelichting van hetgeen vroeger gezegd is , name- 
lijk, de verlenging van de vitaliteit der plant door deze be- 
mesting. Op 14.^- maanden teekende het sap van het be- 
meste riet 9° a 9!-,^ B, van het onbemeste 9^ B : op \(ï\- 
maanden, van het bemeste 8^ tot 9^^ B, beide met bloesem ; 
van het onbemeste bijna 7° tot S'^ B. 



Het zal wel niemand onbekend zijn , dat de bovenhelft 
van rijp riet steeds minder suiker bevat, dan de beneden- 
helft; immers, de eerste is ook het jongste gedeelte. Enkel 
om dit hier aanschou\velijk voor te stellen, neem ik nog 
de vrijheid, de daartoe strekkende cijfers aan de algemeene 
tabel te ontleenen. 

Probolino-o-riet uit den kweektuin te Buitenzoro;. 



Vnu de fabrieken. 



Suikci' iii 100 deelen riit. 



Ijüvciiheli't. 



IjCUPilon'ie'.ft. 



Geniliiig, .... 
S. Karcng. . . . 
Kutta 


Onbcmcst. 

Bemest. 
Oiibeincst. 

Heinest. 
OiiLeiiiest. 

Beiiie.t. 


15.6 n/, 

13,5 „ 

11.7 '/ 

19.1 „ 
19,3 V 

18.2 V 


17,0-^/, 
1(;,1 . 
]S 5 « 
20,6 . 

19.0 ., 

19.1 . 




[icmiddeld. . 


16,3»/, 


18,1 "/o 



Naarmate het riet langer, of altlians zv.-aarder is, scliijnt 
ook dit A-erschil tusschen het boven- en benedendeel te ver- 
minderen , ten gevolge van meer kraclitigen groei. De on- 
derzochte rietstokken woiren. 



— 412 — 



Yan Gcntllng. . . 
„ Süemb. karang. 
Kütta 



oiiLem. 1,02 n. iü 
„ ],69 „ 



bem. 0,85 n. tC 
„ 1,99 » 



Met ziet , dat het riet van Kotta liet zwaarste , en tevens 
het gelijkmatigste in suikergehalte Avas. 

Peligot geeft de volgende uitkomsten op, door hem van 
Otaheiti riet verkreo-cn. 



Bovenstuk van het riet. 
Middelstuk ,, ;, 

Onderstuk ,, „ 



15,l> Suiker in 100 deelen. 

16,5 

lo,5 „ ,, 



Niet alleen uit een physiologisch , maar ook uit een prak- 
tisch oogpunt was het belangrijk , te onderzoeken , "welke 
veranderingen het riet in zijn suikergehalte ondergaat door 
uitspruiting. 

xsiet Aveinige plaatsen op Java zijner, waar het rijpe, of 
zelfs nog niet rijpe riet omvalt en afbreekt. "Wat dan met 
den grond in aanraking komt, ontspruit vaak over zijne 
geheele lengte; zelfs staand riet is aan dit verschijnsel on- 
derworpen , althans op zeer vruchtbaren , rijken grond , in 
een warm en vochtig klimaat. 

Men meent wel, dut zulk uitgesproten riet minder sui- 
ker oplevert , dan dat met geheel geslotene knoppen ; en 
ook dat die suiker moeijelijker ontstroopt , moeijelijker droogt 
en ook minder hard is, dan andere; doch onze denkbeelden 
over deze vermindering van suiker en over de oorzaak van 
die slechtere hoedanigheid zijn welligt nog niet bepaald 
genoeg. 

Boven heb ik reeds , in eenige voorbeelden , aangetoond, 
welk verschil in watergehalte ontstaat , als de knoppen van 
het riet zijn uitgesproten. De rigting bleek eene toenemende 
te wezen, dewijl door de ontwikkeling van jong blad, eene 
vermeerderde opname van vocht door de wortels plaats 
grijpt. Volgens de proeven van Ilcrth (Ann. der Chemie 
und Pharm : Maart, 1854) werd door een enkel Veronica- 



— 413 — 

plantje, het water, waarin dit geplaatst was, om 150 C.C. 
verminderd, in denzelfden tijd, waardoor, in een ander, 
volkomen gelijksoortig glas zonder eenig plantje , slechts b 
C. C. door vrijwillige verdamping verdwenen was. Dat, 
in latere perioden, wanneer de rietspruit reeds stam heeft 
gezet , de moederstok weder afneemt in water en tevens 
in suiker , is zeker te verwachten ; maar zoolang de spruit 
nog enkel LLid hlijft, is het water toenemende , zonder dat , 
naar het schijnt, eene evenredige toeneming in het suiker- 
gehalte zio;tbaar is. 

Hoeveelheid suiker, in 100 deelen riet van Probolingo , 
gekweekt in den laboratoriumtuin. 



UU 


gesproten. 


Xiet uitgespr. 


Citgesproten. 


Niet uitgespr. 


G. 
G. 

G. 
G. 


15, iS 
10,05 
19,77 
15,a2 
U.31 
15.35 
16,19 


16,42 
15.20 
20,08 
14,00 
15.29 
14, IS 
15,63 


G. 
G. 

G. 


16,55 
1S,67 
13,74 
17,96 
17.60 


16 37 
16,08 
16,30 
18.61 
18,70 


Gem. 16,38 


16,41 



Zoo wij hier eene scheiding maken tusschen de wel- en- 
niet bemeste , dan komt het gezegde nog meer uit ; do on- 
bemeste blijken dan , door de uitspruiting meer in water , 
dan in suiker toegenomen zijn , terwijl de bemeste betrek- 
kelijk meer gesYonnen hebben in suiker, zelfs bij die uit- 
spruiting. Het verschil is gering , maar schijnt mij toe , 
niet toevallis: te wezen : zie hier de verhoudino-. 



Uitgesproten. 



Xiet uitgesproten. 



Bemest. 
Oubcmest 



Suiker. 
1 
1 



AVater. 
4,3 
4,71 



Suiker. 
1 
1 



"Water. 
4.38 
4,64 



"Wat overigens hiervan zijn moge , de hoedanigheid van 
het sap wordt door uitspruiting veranderd. Dit zegt reeds 
de kleur, die doorgaans meer in het bruine of groen- graauwe 



— iU — 

liep , dan die van sap uit dezelfde , onuitgesprotene varië- 
teit. Er bestaat bij mij wel geen twijfel, dat daarbij eene 
voortsaaude omzetting; van kristalliscerbaro in stroopsuiker 
of glukose plaats grijpt; welke stof, naarmate A'an hare hoe- 
veelheid, niet alleen regtstreeks vermindering brengt in het 
produkt, maar ook, meer dan gewoonlijk opgehoopt in de 
lekstroop , te lang aan de oppervlakte der kristidlen aan- 
hangt; ja welligt reeds bij do kristalschieting zich tusschen 
de deeltjes plaatst, en daardoor derzolver vaste aansluiting 
meer of min verhindert. Dat zulks van invloed moet we- 
zen op de hardheid , den glans en de duurzaamheid van 
het kristal, laat zich gemakkelijk voorstellen. 

Ilct denkbeeld , om rietsap op glukose te onderzoeken, kwam 
eerst bij mij op, toen er geen rijp en uitgesproten riet meer 
te mijner beschikking was. In de weinige werken, waarin 
over de suikerkultuur wordt geschreven , met name in een 
der laatste meer vretenschappelijk geschrevene , dat van Dr. 
Evans, Avordt zoo bepaaldelijk gezegd, dat suikerriet niets 
dan rietsuiker bevat, dat, ofschoon dan ook in do natuur- 
kundige wetenschappon geenerlci autoriteit mag gelden, even- 
wel de fredachte aan een onderzoek daarnaar niet ligt werd 
opgewekt. 

liet waren eerst mijne latere waarnomlngen , bij de sui- 
kerbepalingcn van het sap door middel van eene alkoholi- 
sche oplossing, die mij deden inzien, dat het niet zel- 
den, reeds in het riet zelf, aanmerkelijk glukose-houdend 
moest wezen. 

Van deze waarnemingen zal ik straks een aantal voor- 
beelden bijbrengen , na vooraf nog medegedeeld te hebben , 
Avelken invloed do plantwijdte kan uitoefenen op het sui- 
kergehalte van het riet. 

In een praktisch opzigt reeds, is het van veel gewigt te 
weten, welke afstand op eene gegevene plaats, tusschen de 
stekken dient over te bliiven: welke ruimte door do loten, 



— 415 — 

in tal en grootte onzeker , kan worden ingenomen ; op wel- 
ke grenzen zoowel grondverlies als belemmering van groei 
kan voorgekomen worden. liet voordeel van den fabrie- 
kant en de arbeid der bevolking zijn er beide zeer in be- 
trokken. 

Dit vraagpunt was een van de vier, vroeger voorkomen- 
de in eene gouvernements-circulaire, die ter praktisclic op- 
lossing aan de fabrikanten werd voorgelegd. 

De bewerking der tabellarische opgaven , in der tijd aan 
mij opgedragen , heeft , gelijk uit het gedrukte verslag te 
zien is, hieromtrent geene beslissende uitkomst opgeleverd. 

De verschillen in plantwijdte^ die op Java worden in 
acht genomen , zijn te gering , om niet door verschillen van 
anderen aard te worden verward of overheerscht. Boven- 
dien ontbrak het ten eene male aan proeven, welke plant- 
wijdte op denzelfden grond het voordeeligst zou zijn. 

Voor zoo ver de gedane mededeelingen mij grond kon- 
den geven tot het opvatten A-an eenig gevoelen , ben ik toen 
tot liet besluit gekomen , dat eene zeer groote vermeerde- 
ring der plantwijdte , op den voet zoo als dit in Suriname 
gescliiedt, op Java, a priori, niet raadzaam schijnt, vooral 
omdat de verschillende verdeeling van regen en droogte al- 
daar eene meerdere uitspruiting of stoeling van het riet mo- 
gelijk maakt. 

De zaak is mij echter te belangrijk voorgekomen, om 
die niet aan opzettelijk onderzoek inliet open veld te onder- 
werpen. De praktische uitkomsten daarvan , nevens andere 
reeds openbaar gemaakt, zijn geweest, dat onder andere de 
uitstoeling en zwaarte van het riet zeer zijn toegenomen , 
door vermeerderde plantwijdte; maar dat, te Genteng al- 
thans , het op drie voet vierkant geplante riet , ofschoon 



— 416 — 

minder uitstoelende en minder zwaar , dan dat op vijf voet 
vierkant, per eenheid van oppervlal^te liet grootse gewigt 
aan product heeft gegeven. 

Zoo ver het praktische. In de nu volgende cijfers zal ilv 
mededeelen , wat het onderzoek omtrent het suikergehalte 
van zulk verschillend geplant riet heeft doen blijken. 

Suikergehalte van wel en niet bemest riet, op verschil- 
lende afstanden geplant, te Genteng: 



— 417 — 
Samaran2:scli van 12 Maanden. Eind van Oktober 1S55. 



o 
o 


Op 3 


voet. D 


Op 3 bij 4 voet. 


Op 3 bij 6 voet. 


£^ 


Onbem. 


Bemest met 


Onbemest. 


Bemest met 


Onbemest. i Bemest met 






Asch. 




Kalk. 




Riiaiio. 


n ^ 




18,53 «/, 


— 


13,61 »/, 


15,79 Vo 


17,76 y„ 


^ ^ 








Guano eu 






S-^ 








asch. 






"S 




— 


— 


14,44 " 


— 


— 


- = 




Knik. 








Asch. 


'S = 




17, 'JO " 


16,9G V„ 


— 


— 


18,57 " 


c 















rS ^ 




Guar.0 en 










r— 




asch. 




Guano. 






tl. 




17,27 y„ 


— 


14,CG % 


— 


— 


fcfc 




Guano. 










t ^■ 




15,26 " 


— 


— 


13,41 y„ 


— 


^^s 












Guano. 


c ;-■ 




— 


11,10 y. 


— 


— 


12,83 % 



Samarangscli van l-il/o maand. Half Janiiarij ISoa. 



Op 3 voet. D 



Op 3 bij 4 voet. 



Op 3 bij 6 voet. 



c^ 



Onbem. Bemest met Onbemest. Bemest met I Onbemest. Bemest met 







Ascli. 




Kalk. 




Guano. 






14,17 % 


— 


14,34 0/, 


14,43 'o/^ 


16,54 y, 










Guano en 






^ 








asch. 






ri£ 




— 


— 


18,07 . 


— 


— 


-^^ 




Kalk. 




Guano. 




Asch. 


*C 




15,90 '/ 


15,43 o/, 


14,87 » 


— 


15,63 '/ 






Guano en 










o 




asch. 














12,70 " 


— • 


— 


— 


— 


tf.^ 












Guano en 


'S p* 




Guano. 




Kr.lk. 




ascli. 


•^3 ^ 




13,67 y„ 

Asch. 


— 


15,97 y. 


13,97 y 


11,96 »;„ 


Ta 




14.38 r 








_ 





c 
til 




Kalk. 








Gi ano. 


t/J 




12,25 . 


14,46 y 


— 


— 


14,58 « 


t " 




Guano, 










^'^?- 




en ascli. 








Asch. 


^■r^ 




12,53 , 


— 


— 


— 


12,02 . 



418 



Op 5 voet. D 


3 bij C voet 


3 bij - 


t voet. 


3 voet. D 


Oubcmcst. 


Bcin.ni 


Oiilem. 


U>-ni. 11). 


üiibein. 


cm. 111. 


Oubcu). 


Ijcin. III. 




% 


Vo 


Vo 


"A 


/ 

/ 


v„ 



• 




Guano. 




GlKillO. 




Giiaito. 




Guano. 


12,10 Vo 


13,70 


11,80 


li.lO 


12,00 


15 JO 


11,20 


15,70 




Giüiuo 




Gtiaiio 




Guano 




Guano 




en asch. 




en üsch 




CU ascli 




CU ascli. 


Densiteit vau 't sap. 


S»S 




ü" 25 




S'^SiilO 




8»al0» 



Alvorens den zin dezer cijfers in woorden over te brengen, 
moet ik mijn leedwezen uitdrukken dat deze proeven nog 
zoo beperkt en onvoldoende zijn. Docli tot eene genoeg- 
zame afwisseling der proeven met suikerriet, ontbreekt het 
mij ten eene male aan terrein, zoodat liet saniarangsclie 
riet twee jaren achtereen op denzelfdcn, en wel voor bewa- 
terinr»' on vatbaren grond, moest geplant worden. Bovendien 
zal een deskundige wel willen toestemmen, dat het leiden 
der proeven in het veld, en het verrigten der onderzoekin- 
o-en in het laboratorium door één'' persoon, daar de eenige 
adsistent overgenoeg ander werk heeft, behoedzaamheid vor- 
dert, opdat niet door eene te groote uitbreiding, hoe gewenscht 
ook, de omvang te groot, de uitvoering gebrekkig worde. 
De volgende kolommen zijn eene zamenvatting vnn de 
straks medegedeelde cijfers; het samarangsche riet van het 
hooo-cre terrein is hier weggelaten. 



Op 3 voet. D 



Op 3 uij 4 vüct. 



üj) 3 Ijij G vt. 



Oubeni, 



BeiU. m. Oubciu.! Bcin. m. Oubem' Bern. ni. 



Oube 



I3eiii. lil 



Saniar. riet vau 12 ra. 



Samar. riet vau 11^ m. 



Buitenz. riet vau 16J ui 



Miuit. 



Kalk. 
Best. 
Asch. 
Best. 
Guano 
en ascli 
Best. 
Kalk. 
Best. 

Ascli. 
Best. 



Guano. 
Best. 1 



Best. 



Best. 



Best. 



Guano 

[•n ascli 

Best. 



Guano. 
Best. 



Guano. 
Best. 

Guano. 
Best. 
AsHi. 
Best. 



Guano. 
Miujt. 



~ il9 — 

Tiet laatstgenoemde, met guano en ascli bemest, scliijnt 
metlo, Lij 5 v plantwijdte, een minder zwaar sap bevat te 
hebben, dan dat op kleineren afstand geplant. 

Ik kan mij als nog deze werking der guano te minder 
verklaren, daar bij bet gelijktijdig, en ter zelfde plaatse 
gesneden buitenzorgsche riet , dat echter nog geene bloemsten- 
gen had uitgeschoten , de volgorde geheel anders Avas , na- 
melijk: 



o voet. D o bij -t voet. 3 bij G voet. 5 voet, D 



Met guano, 
Onbemest. . 



13.00 



1-1,30 
12.20 



11,(30 
11,30 



11,70 



Hier was dus , bij de grootste plantwijdte , het riet ook 
het meeste suikerhoudend ; niet zoo het onbemeste. 

Deze proeven zijn nog veel te beperkt , om reeds tot een 
beslissend oordeel reirt te kunnen geven. Ik voeo- hier no£r 
slechts bij , dat van het samarangsche riet , het bemeste , 
vooral dat met guano , het meest suikerhoudende , tevens 
het wijdst geplant was, terwijl het onbemeste, meest sui- 
kerhoudende , tevens het digtst geplant was. 

Mogt zulks door verder onderzoek bewaarheid worden , 
dan zou bij bemesting, ook zeer wijd planten, naar grond 
en klimaat geregeld, in elk opzigt het voordeeligst zijn. 



Voor dat ik thans overga tot de mededeeling der uit- 
komsten, die ik verkregen heb van het onderzoek van het 
glukosegehalte in rietsap , zal ik een aantal voorbeelden op- 
geven , om te doen zien , hoezeer sap van verscliillend riet, 
alles gelijkelijk met alkoliol behandeld, in de laatste stadëin 
der uitdamping verschillen kan in kristijllisaticvermogen. 



— 420 — 

Overal, waar niet uitdrukkelijk liet tegendeel vermeld is, 
ontstonden geene kristallen , en was de stroop , in niet te 
dikke lagen , steeds doorscliijnend. 







CS 

o 


-5 

5 

-3 




'S 






! 
S Variëteit 


HoeJanigheic 


der stroop. 


M of fabrijk. 


Kleur enz. 


Cunsistentie en kris-. 


■< 


fe 

w 


5 


ca 


S 


tallisatie. 


c 


Jap. Bima. 


•-3 










Vast half gekristallis 


-= 


Glaga. . , 




_S 






Geelbruin. 


Vast. 


5 


J. Kijong. 


2 S 


1 






Ituü'lgeel. 


Dik vloeibaar. 


U 


T. IMalam. 


5 ~ 


i: 






Lichtgeel. 


Deels gekristalliseerd. 


^' 


Ab. Awoe. 


S w. 


^ 






Iluüd bruin. 


I'jen ^veinig gekristallis. 


K 


1". Passoer. 


-^1 


^ 


Niets. 


'' 


liruingccl. 


liijna vast. 




Gcnding. . 






Niets. 
Do.uitgcjp. 

Guano. 
Do.uitgesp. 

Niets. 




bovend. 
benedd. 
boven d. 
bencdd. 
bovend. 
benedd. 
büvcnd. 
benedd. 
boven J. 
benedd. 
bovend. 


Zwartbruin. 
Lichtbruin. 
Piüodbruin. 

dito 

dito 
Bruingeel. 
IJruinroud. 

Donkerbruin. 
Lichtbruin. 


Vast. 

Een kristal massa. 

Kukelc ld. kristallen 

Stijf van kristallen. 

Bijna vast. 

Ecne kristal massa. 

liijna vast. 

Enkele kristallen. 

Alles groote kristallen. 

Vol groote kristallen. 

Eéne krist, fraai groot. 






p 




Guano. 




benedd. 


Geelbruin. 


Dito dito kleine. 




Soember 


ti) 


J 






bovend. 




Stijf van kl. kristall. 




Kaïaug. . . 


2 
S 


f: 


l^o.uitgesp. 




benedd. 


Ileldcrbruin. 


Dito dito. 


c 

tl 




GJ 


Jf 






bovend. 


ditü 


Stijf van kl. kristall. 


:£ 




s 


^ 


Niets. 


.t^ 


benedd. 


dito 


Dito dito deels groot. 


o 




ï-l 


^ 




c 


buvend. 


Bruingeel. 


lü'uc kristalniassa. 


f^ 


Kotta. . . . 






Guano. 


^, 


benedd. 




ilito deels zeergr. krist. 




s 






"? 


Geelbruin. 


Stijve kristalniassa. 


•^ 




£ 






-g 


Uitgpspr. roodbruin. 


Dito dito. 


C 


Knod. , 


c3 






o 


Geelbruin. 


Dito dilo. 


c.' 


Geel. ] 






Niets. 


^ 


lJitgesi)r. roodbruin. 


Dito dito. 


(^ 


1 '^'' 


bïj 








Purperrood. 


Alles gekristalliseerd. 




llood. \ ^ 


g 








Uitgcspr. ondoorsch. 


Vast en korrelig. 






^.^ 








Lang; bruinrood. 


I'^éne kristalniassa. 




1 ^ 


ei 








Kort; geelbruin. 


Korrelige kri.'italien. 




Geel. ^ 






Guano. 




Uitgesjir. üudüorscli. 

Allerlei. 

Lang bruinrood. 


Vast en korrelig. 
Allesgekr. krist. z. best. 
Vast. 








= 


Niets. 




Uitg.geelbr. UI. schuim. 


Vast. 








?. 






Geelbriiiu. 
Lang; dito. 


Alles gekristalliseerd. 
Dito. " 




Soemler 




-i< 






Midds. bruingeel 


Dito. 




Karaiig. . . 






Guano. 




Uitg. donker karinoz. 


Vast. 








-* 






Lang. 


Stijf van kristallen. 












Dito. 


Dito. 














Koitcr, 


bruingeel. 


Dito groote krist. 



— 421 



^ 


1 . 


_• 


tb 


1 

c 


Hoedanigheid der stroop. 


£ 


Variëteit of i '% 


3 


O 

C 








o 


fabriek. 


: -^ 

1 u 

f 


Kleur enz. 


Consistentie en kris- 


< 




S 


^ 


« 


S 


taliiiatie. 






tj 




Niets. 




üitgespr.riet. honigkl. 


Stijf van gr. kristal. 








H j 






Lang: dito. 


Dito. 






'~ 


^ 






Dito: dito. 


Dito. 






ë 


-S 






Korter: dito. 


Dito. 


d 


Kotta. . . . 


:a 


-ri 


Guano. 




üitgespr. dito. 


Dito. 




Dringo . . . 










Donkerbruin. 


Vast, zonder kr: 


"o 


Gending. . 




5 






Donker roodbruin. 


Dito. 


rO 


Kotta 










Geelbruin. 


Bijna alles gekrist. 


£ 


S. Karerg. 




*> 


Niets. 




Dito. 


I'>ne vaste krist. massa. 


.ï 


Dringo . . . 








o 


Donk.karmozr. m.sch. 


Vast, zouder kr 


c 


Geniling . . 


ï 


3 




> 


Lichter, niet dito. 


Dito. 




Kotta 


c 






-l.-« 


Ondoorsch. niet dito. 


Dito. 


's 


S. Kareng. 


s 


^ 


Niets. 


._, 


Helder karmozijnrood. 


Dito. 


p; 


Gending . . 


" 






^ 


Donker roodbruin. 


Dito. 




Kutta 




1 




01 


i?niinachtig karniozr. 
Donker karmozijn. 


Dito. 
Dito. 




S. Kareng. 




xa 


Niets. 




Portwijukleurig. 


Dito. 




Rood 






Niets. 




Donker hunigkl. 


Ee'ne kri^talmassa. 






tL 


'^' 


Niets. 




Dito lichter, 


Dito. 




Geel 


1 


OJ 


Guauo. 


% 


Roodgeel. 


Deels gekristalliseerd. 




Rood 


r 






is 


Lang riet. honigkl. 


Stijf van gr. krist. 




Geel 


z 


^* 




> 


Korter. 


Dito kleiner. 




Rood 


:ï: 


-9 






Langer roodg.ro. sch. 


Vast. 




Geel 




5 


Niets. 


o 


Korter. 


Enkele kristallen. 








S 




?• 
^ 


Lang: geelbruin. 
Korter: bruin. 


stijve kristalmassa. 
Dito dito. 








-^ 






Lang: honiggeel. 


Eéne kristalmassa. 










Gnano. 


voet. 


Korter. 


V'aste kristalmassa. 


Ül 








Kaik. 


3 bij 4 


Roodbruin. 


Zeer dik vloeibaar. 


i 








Niets. 


3— C 


Bruinrood. 


Dito. 


c: 

s 

C3 








Asch. 


3—3 


Bruingeel. 


Bijna ée'ne krist.massa. 




-: 




Asch en 








CO 




J; 




guauo. 


3—4 


Roodbruin. 


Zeer dik vloeibaar. 




Gl.m.Oer. 


~c 




Gnano. 


3—6 


Dito. 


Dito. 


r3 






_3 


Kalk. 


3—3 


Geelrood. 


Dito. 






-^ 


= 


Niets. 


3—4 


Donker bruinrood. 


Dito. 


^ 




Sh 


5 


Asch. 
Asch en 


3-G 


Dito. 


Geheel gekristallis. 






iU^j 


:0 


guano. 


3—3 


Dito. 


Écne vaste krist.massa. 




"m.Semb. 






Guano. 


3-4 


Geelbruin. 


Dito. 






"^ 




Guano. 


3—3 


Ondoorschijnend. 


Biina vast, geene kr: 




Rd.Eapoh. 


IZ 




Niets. 


3—6 


Dito met schuim. 


Dito. 










Guano. 


8—6 


Dito dito. 


Dito. 




" Kijong. 






Niets. 


3-4 


Dito dito. 


Dito. 




in.Oeraug. 






dito. 




Geelbruin. 


Eenigehgst. fijne krist. 




111. Semb. 






dito. 




Iets bruiner. 


Bijna vast. 




m.Oerang. 




s 


dito. 




Lichtportw. kl. 


Dito. 




in. Seiub 




.:5 


dito. 




Donker roodbruin. 


Dito. 



óe SERIE DL. ir. 



27 



— '122 — 



^ 




'^ ri 


tb 


o 


Hoedanighci 


d der siroop. 


E 


Variëteit ol 
fabriek. 


V 

■2 


O 


1 


5 






c 


Klenr cm. 


Consistentie en kris- 
taili,s:itie. 










Kalk. 


vuet. 

3 — 4 Geclrood. 


Spoor van kristall. 










Ni"ts. 


3-C 


Donker karmoz. sch. 


Lnkeie kristallen. 










Asch. 


3—3 


Geelbruin. 


dito. 










Asch en 
















gnaro. 


3-4 


Geclrood. 


^\'einige kristallen. 




m.Oernnp:. 






Guano. 


3—0 


Donker roü(il)riiin. 


Vast, gecue kr: 










Kalk. 


3—3 


Donker karmoz. rood. 


dito. 










Mets. 


3 4 


Karmozijnrood. 


ilito. 










Asch. 


3— G 


Dito mei scLuini. 


dito. 










Ascii en 
















gniuio. 


3—3 


Donkerbr. veel si-li. 


dito. 


fcfj 


m. Scmb. 






Guano. 


3—4 


Donker karmoz. rood. 


dito. 


p 








Asch en 








e 




t>j 


— 


guano. 


3—6 


Dito met schuim. 


dito. 


CO 




^ 


5 


Girino. 


3-3 


Dito dito. 


d'to. 


.ï 




z^ 


'S 


Kalk. 


3-4 


(Jndoorsch, dito. 


dito. 


'S 




^^ 


ic 


Niets. 


3—0 


dito dito. 


dito. 


Ci 

^ 


ra. Rnpoli. 






Asch. 


3—3 


dito dito. 


dito. 


C/ 








Gnano. 


3— C 


dito dito. 


dito. 


Pi 








Kalk. 


3 — '^ 


dito dito. 


dito. 




ni. Kijniig. 






Niets. 


3—4 


Karmozijnrood. 


dito. 










Asch en 


3-G 


Donk. karmozr. lu. sch . 


dito. 




m. Kijong. 






guano. 


3-3 


dito dito. 


dito. 




ï> "C 






■ 


i 


Van karmozijnrood , 


Hij geen' eenig spoor 




•?-^J 






o 
p 


o 

o 


tut donker bruinrood. 


van kristall: 




°J 






O 


> 


deels zonder schuim. 






a; "^ 






O} ^ 


^ £ 


Sommige zonder sch. 






'^ jS ^. 






'ï i 


tn r 


CU tevens ondoorschij- 






^ J ~ 






<i tjO 


■^< tl 


nend. 






KooJ 










Donker geel. 


Vaste kristalmassa. 








-^ 


Niets. 




IL.niggeel. 


Ééue kristalmassa. 




Geel 










Uuniggeel. 


dito. 








-M 


Guano. 




Licht dito. 


dito. 




Rood 


tr. 








Lang riet: bruingeel. 


Vaste kristalmassa. 


^. 




3 








Korter. 


il ito. 


•^ 


Geel 


^ 


4; 






Lang: honiggeel. 


Eénc kristalmassa. 






'5 


^ 


Niets. 


a 


Korter. 


vaste knstahnassa. 


o 
o 


Rood..;.. 


~ 


K 




o 


Lang: gcelhrnin. 


dito. 


C/D 


Geel 




_„ 






Korter: portwijnkl. 


Zeer dik vloeibaar. 


•-S 


Kood 




— 




"£ 


Lang: geelbruin. 


Vaste kristalmassa. 


rn 


Geel 






Guano. 


o 


Korter: dito. 


dito. 


o 






;-' 


Niets. 


.^ 


Donk. karmoz. rood. 


Zeer dik vloeibaar. 


CS 


Geel 




cc 


Guano. 




dito. 


dito. 






if. 


.^' 


Niets. 




.iito. 


dito. 






"1 


--= 


Gnano. 




dito. 


dito. 




Geel 


-^ 


_; 


Niets. 




dito. 


dito. 








"Zi 


Guano. 




dito. 


dito. 














Dunk. bruin ondoors. 


ditn. 



423 



' 




•Si 


J 


ib 


6 


IlueJanigheiil der stroop. 


£ 


Varii-tcit of 
fabriek. 


"Tj 


_^ 


ü 


S 




o 




Junsisteutie en kris- 


< 




^ 


5 


:§ 


S 


Kleur enz. 


taüisatie. 








_^ 






Donker br. ondoors. ;Zeer dik vloeibaar. 


_CS 






'"^ 






Zft'artbruin. |dito. 


r£5 


Geel 




'ij 


Xiets. 


"S 


[Itlder karmoz.rood. jJito. 


C3 




tij 


^ 


Guano. 


'S i 


Düuker br. ondoors. |dito. 


o 




c 






3 1 


dito. idito. 


.£ 






? 


Niets. 


V 


dito. ïdito. 


c 


Geel 




= 


Guaao. 


g 


dito. jdito. 


rH 


Geel . . . , . 




i; 


Niets. 


i^ 


Met si-buim. jdito. 


o 


GeelrooJ. . 




^ 


Ascli. 


■^ 


Veel schuim. idito. 


Pï 


Bruingeel . 




^ 


Guano. 




Met schuim. 'dito. 










Guano. 




^let veel schuim. 


Zeer dik vloeibaar. 








"3 


Oubemest. 




dito. 


dito. 








-H 


Asch en 














■=^ 


guano. 




f.icht bruinrood. 


dito. 








35 


Asch. 




Purperrood. 


dito. 










Gu-mo. 




Donker karmozijur. 


dito. 








5 


Oubeiuest. 




Donkerder. 


dito. 








«5 


Asch en 














-a. 


guano. 




dito. 


dito. 








2 


Asch. 




dito. 

Lang riet: honiggeel. 


dito. 
dito. 








5 


Guino. 




Korter: ondoors. br. r. 


dito. 




_: 




.= 






Lang: dito dito. 


dito. 




'5 




'S: 


Niets. 




Korter: dito nog donk. 


dito. 


bb 


3 




■^ 






Lang: bijna ondoors. 


dito. 


o 


1, 




S 


Guano en 








s 


ï:^ 




-■^ 


asch. 




Korter: ondoorsch. 


dito. 


.-^ 


(^ 


bc 


^ 


Asch. 




Donkerder ondoorsch. 


dito. 


é 


g 


_^ 








Gebloeid: geelbruin. 


Ééue kristalmassa. 


o 


^ 


? 






5 vD 


Nog niet: bminrood. 


Stijf van kristallen. 


"c 


!- 


O 








Gebloeid: geelrood. 


Eene kristalmassa. 


:! 


■ CS 








3—6 


Xog ciet: dito. 


dito. 




s 










Gebloeid: dito. 


dito. 


£" 








3-4 


Nog niet: bruinrood. 


dito. 




fS 










Gebloeid: bruingeel. 


Fraaije kristallen. 










Guano. 


3vn 


N'og niet: geelbruin. 


dito. 








-^ 






Gebl. donk. karmozr. 


Zeer dik, bijna vast. 








3 
G 




5 vD 


Xog niet: dito. 


dito. 








er 






Gebloeid; dito. 


dito. 












3-6 


Xog niet: dito. 


dito. 












3-:;4 
3 vD 


Gebloeid: bruinrood. 
Nog niet: geelbruin. 
Gebl. donk. roodbr; 
Gebloeid: geelbruin. 
Gebl. kort: gedrood. 
X^og niet: geelrood. 


Deels gekristalliseerd 

Ééne kristalmassa. 

dito. 

dito. 

dito. 

dito. 










Niets. 


3-4 


Xog niet; kort geelbr. 


Vast. 



— 424 — 

Deze gToote verschillen in de hoedanigheid der stroop 
kannen enkel verklaard -worden uit de verschillende hoe- 
danigheid van het sap zelf, vermits de wijze van bewerking 
voor alle gelijk was. Deze bestond namelijk daarin , dat 
het versche sap, na zoi'gvuldige doorzijging, dadelijk met 
gelijke hoeveelheden alkohol van 28° Ph. B. vermengd, na 
bezinking gefiltreerd , en het gefiltreerde vocht in beker- 
glazen , in een waterbad hangende , werd uitgedampt , tot 
dat het gewigt der stroop niet meer afnam. 

Beschouwen wij nu de hoofdverscliillen , hierbij waarge- 
nomen , dan kunnen wij daarbij de volgende invloeden her- 
kennen. Vooraf zij aangemerkt, dat in den regel de kris- 
talachieting en de kleur der stroop in zeker verband tot 
elkander staan , zoodat de geelbruine tot bruine stroopen 
doorgaans de meeste en fraaiste , de bruinroode , karmozijn- 
en purperkleurige tot bruinzwarte en ondoorschijnende , wei- 
nig of geheele geene kristallen opleverden. 

Ie. De invloed van groeitijd of ouderdom. Het sap van al 
het onrijpe riet ging niet tot kristallisatie over. Bij dat uit 
de drie oostelijke residentiën trad het tijdperk van rijpheid 
in, 12 a 13 maanden na het planten, en zulks op beide 
kweekplaatsen , in weerwil van het verschil in gemiddelde 
temperatuur. 

Al deze gewassen maakten reeds liet tweede produkt uit 
van de genoemde kweekplaatsen. 

Het buitenzorgsche was, naar het hier schijnt, eerst rijp 
op den ouderdom van 161^ maand; dus 2 maanden na het 
bloeijen. Kort riet wijkt daarin niet van het lange af. 

Wat toen niet of nog niet bloeide , verhield zich ten deele 
anders dan het bloemdragende. De betrekkelijk geringe 
vermeerdering in hoeveelheid , ée'n k twee maanden na de rijp- 
wording , zoo als in dat van Probolingo , is dus in het alge- 
meen geene reden, om slechts eene overeenkomstige ver- 
mindering in de produktie van vaste suiker te verwachten. 



— 425 — 

Dit is nog minder het geval bij het soerabajasche en sa- 
marangsche , waar de afname nog rasser voortging ; alsmede 
bij het buitenzorgsche vóór de rijp-wording, ofschoon dit 
op 14;^- maanden minstens even rijk in suiker Avas, als tvvee 
maanden later. 

Het wel korte , maar even zeer overrijpe riet van Sama- 
rang, te Genteng gekweekt, was hiervan niet uitgezonderd. 
Er is weinig aan te twijfelen , dat de laatste stadie van ver- 
andering in het riet , vóór de rolkomene rijpwording , een 
zuiver chemiscli proces is , waarbij zonder verdere groeiver- 
schijnselen , de suiker schier geheel vrij komt van de on- 
kristalliseerbare soort, welke alleen door het meerder bezit 
van 2 ekwivalenteu water van de andere verschilt. 

In verband met dien invloed van het groeiproces , is te 
beschouwen de hoedanigheid van het sap , en dus van de 
stroop , in de verschillende deelen van het riet , alsmede dat 
van riet, met meer of min geopende of uitgesj)roteue en 
bebladerde oogen of knoppen. 

Yan het eerste zien wij bewijzen in de meeste der uit- 
komsten , bij het rijpe probolingo-riet medegedeeld , van het 
andere in een gedeelte van hetzelfde, reeds overrijpe riet. 
Een meer of minder o-root boveno-edeelte van eiken riet- 

o o 

stok is als onvolkomen rijp te beschouwen , en de deelen , 
naast grenzende aan de uitbottende knoppen, verkeeren in 
eenen staat van overrijphieid, die echter minder nadeelig ge- 
werkt heeft. Over de gevallen van uitzondering zoo aan- 
stonds nader. 

2e. De invloed der bemesting. Deze is zeer in het oog- 
vallend geweest , inzonderheid die met guano en met asch , 
welke tevens gebleken zijn , de meeste werkzaamheid te be- 
zitten in bevordering van den groei , en het volume van 
het riet. 

Heeft al de guano geene hier merkbare uitwerking ge- 
had op de hoedanigheid der stroopen , afkomstig van de 



— 42(3 — 

jongere deelen van het riet of van dat met uitgesprotene 
oogen , wij bespeuren die duidelijk in de groeiperioden of 
rijpwording, en wel meest bij de minder goede rietsoorten, 
die van Soerabaja, Samarang en Buitenzorg, tegen over 
dat van Probolingo. 

Daartoe behoeven wij slechts te vergelijken , het samarang- 
sclie riet van 14 maanden, gekweekt te Buitenzorg, en 
hetzelfde van 13 maanden, nevens het buitenzorgsche van 
16 2 maand, beide te Genteng gekweekt. 

Se De invloed van klimaat. Er is reeds aangemerkt , dat 
door het verschil in gemiddelde temperatuur tusschen Bui- 
tenzorg en Genteng, dat trouwens niet aanzienlijk kan zijn, 
geen merkbaar verschil in de hoedanigheid der stroop is 
te weeg gebragt. Doch iets anders is het , zoo wij de aan- 
dacht vestigen op de rietsoorten , welke te Genteng op meer 
blootgestelde plaatsen stonden , en gedurende den groei den 
invloed der gedurig wederkeereude , drooge, koude, zuid- 
oostelijke luchtstroomen te lijden hadden. Zoo werd gee- 
nerlei kristalvorming door mij bespeurd, in de stroop van 
het Kapoh en Kijongriet van dertien maanden , uit Sama- 
rang aflcomstig, en even min bij dat, van gelijken ouder- 
dom , uit Soerabaja ; beide op die blootgestelde plaatsen ge- 
groeid, en tevens zeer achterlijk in betrekkelijke lengte en 
dikte. En het probolingo-riet van Genteng , en de beide 
andere , van Buitenzorg , leverden stroopen op van veel gun- 
stiger hoedanigheid. 

Wordt door die drooge winden te ras en te veel vochts 
aan de bladen van , — en dus aan de cellen in het riet , ont- 
trokken , en aldus de bewegelijkheid der sappen belemmerd , 
staat die bewegelijkheid in verband tot de vorming van kris- 
talliseerbare suiker, even als tot de .vorming van nieuwe 
cellen , die den lengtegroei van het riet bepalen , wie zal 
dit als nog met zekerheid beslissen ? 

4e De invloed van soort of variëteit. Ook hieromtrent 



— 427 — 

zijn verschillen waar te nemen. 

Bij liet riet uit Probolingo schijnt minder aan een ver- 
schil van variëteit , dan wel aan afwijkingen , naar de gron- 
den der verschillende fabrieken, gedacht te moeten worden. 

Zoo gaf het riet van Gending even als dat van Drino-o, 
oorspronkelijk dunner en kleiner dan dat der beide andere 
fabrieken, op beide kweekplaatsen, eene stroop van minder 
goede hoedanigheid , op een en ouderdom toen dat van de 
twee andere eene volkomen kristalliseerbare stroop opleverde. 

Hetzelfde geldt van het gele, samarangsche riet te Bui- 
tenzorg, 14 maanden oud, tegenover het roode, waarin 
echter de bemesting met guano eene gunstige verandering 
schijnt gemaakt te hebben. Over het geheel genomen, over- 
trof de stroop van het probolingo-riet die van al de andere 
soorten aanmerkelijk in kristalliseervermogen , althans op 
het tijdstip van rijpheid. 

Het gezegde blijkt ook uit het cheribonsche riet. Dit werd 
gezonden op de vroeger vermelde wijze, en kon dus niet 
meer volkomen versch heeten. In weerwil daarvan, had 
toch nog de stroop van het Japara-, Bima- , Malam- en Awoe- 
riet eene merkbaar betere hoedanigheid behouden, dan die 
der drie andere variëteiten. 

5e De invloed der planiicijdte. Ofschoon aarzelend, om 
hieromtrent reeds nu eenig gevoelen te uiten, kan ik toch 
niet nalaten te wijzen op het gele , samarangsche riet van 
dertien maanden, te Genteng , met guano bemest, welks 
stroop zeer verschilde, naarmate de plantwijdte 3 bij G, dan 
wel 3 bij 4 voet was, alsmede op het buitenzorgsche on- 
bemeste, van 16i- maand, dat alleen bij eene plantwijdte 
van 3 V. n tot o bij 4 voet eene goed kristalliseerbare stroop gaf. 

Hoe nu dit alles in verband te brengen met de verhou- 
dingen van glukose of stroopsuiker , vermoedelijk in het sap 
zelf verschillende, naar bestaande omstandigheden? Hindert 
zij , door eene soort van slijmerigheid, de beweging der sap 



— 428 — 

deeltjes en dus de genoegzame toenadering der kristal liscer- 
bare raolekulen , waardoor alleen de kristal vorming geregeld 
kan geschieden. Of belet zij , door eene soort van omklee- 
ding , de polariteit der kristal-elementen , en dus enkel de 
geregelde vorming , niet de vastwording. De waargenome- 
ne verschijnselen doen mij vooronderstellen, dat beide het 
geval kan wezen. De glukose, welligt nimmer geheel aan 
eenig rietsap ontbrekende , zou in de bedoelde gevallen 
van nict-kristallisatie invloed uitoefenen door hare hoeveelheid. 

Kietsuiker , in zuiver water opgelost , kan men , onder 
zekere voorzorgen, weder genoegzaam onverminderd terug- 
bekomen ; maar ofigelost in eene andere oplossing , is dit 
niet meer mogelijk. Rietsap met veel glukose , is rietsuiker 
ojigelost in een vreemd vocht; in een vocht, dat te beschou- 
wen is, als verkeerende in cenen aan vangenden staat van 
gisting. Deze wordt maar al te gemakkelijk medegedeeld 
aan de opgoloste rietsuiker, en zulks geschiedt ten koste 
van haren vorm, later van haar vermogen van A'astwording. 
Ik herinner hierbij , dat een gedeelte der onkristalliseerbare 
stroopen, schuim- dat is luchthoudende blaasjes- vertoonde, 
ofschoon het vocht alkoholisch en door filtratie vooraf vol- 
komen helder gemaakt was. 

Thans rest mij nog , door de mededeeling der aangevan- 
gene glukose- bepalingen , te doen zien, in hoever het straks 
gezegde reeds nu door het onderzoek bevestigd wordt. 

Ik heb daarbij de methode van Barreswil gevolgd, zoo 
als die is omschreven door den hoogleeraar Mulder, in de 
Scheikundio;e onderzoekingen 5e deel 7e stuk, en onder al 
de daar opgegevene voorzorgen. De vochten werden van 
één tot twee uren in eene temperatuur gehouden, tusschen 
50° en 60° C. Reeds bij de gewone temperatuur echter, 
die ten tijde der proefnemingen doorgaans, 29° tot 31° C. 
was, werd in de meeste eenig koperoxyde herleid. 

Onmiddellijk na bekoeling geschiedde de filtratie zoo snel 



— 129 — 

mogelijk; het gefiltreerde, sterk bkiainve, zeer alkalische 
vocht werd terstond in een bekerglas overgegoten, om niet 
vermengd te worden met het spoelwater , en ook om nog 
terug te bekomen het weinige koperoxyde, dat zich na 
eenigen tijd er bijna immer nit afscheidde. 

Daar sommige rietsappen vrij sterk geel of bruingeel ge- 
kleurd waren, was de kleur van het gefiltreerde vocht niet 
altijd zuiver blaauw. 

Menigmaal werden van elk sap twee anal3fscn gedaan , 
en steeds de hoogste uitkomst als de meest ware genomen. 
Voor een deel koperoxyde is 0,552 glukose berekend. 

Dit is ingevolge p: 59S der Scheikundige onderzoekingen 
5e Deel 7e stuk. In het 8o stuk , p 48 1 , wordt in de noot 
de verhouding opgegeven als 2 CuO. voor 1 druivensuiker. 
Naar deze uitkomsten zouden de door mij berekende cij- 
fers ongeveer 9°/^ of Yll ^ hoog zijn. 

Bij de mededeeling der uitkomsten , zal ik tevens opgeven 
het graadgehalte van het sap , de hoeveelheid gevondene , 
ten deele berekende suiker en de onderlinire verhouding 
tusschen wel- en niet kristalliseerbarc suiker. 



oc SERIE DL. ir. 



— 430 — 



Orascliiijvins van het lict. 






In 100 d. sap 


_aj 












w?s aiiDwczig 




























s 




, 




O «> 




■^ 


E 


tJD 


to 




ir; '-i 


'S a^ 


rH o 


Soort CU af- 
komst. 


a 
5 


Ö 


i 


3 

a 


a 

6 




-5 '^ 


° i 

5 







3v. D 


ITalSM. 


Gunno. 




C» 15 


11,90 


0,53 


4,6 




ca 


4 « 


U 


Niets. 




4 . 


7.10 


0,42 


5,6 




o 


5 '/ 




Guano. 




5 " 


9,00 


0,55 


5,8 




O 


3 " 




Aids. 




Ö3" 


9.f)0 


0,50 


5,2 






5 " 




Gu;ino. 




7 J" 


13,35 


0.75 


5,6 








IH 




mot bl. 


7» B 


13,00 


0,61 


4.7 








a 


Niets. 


zouilcr bl. 


7^' 


12,50 


1,23 


8,9 




a 


n 


12 




niet bl. 


n- 


17,00 


0,89 


4.8 






.4J 


^lannd. 


Guano. 


zonder bl. 


7 " 


13,00 


1,06 


8,1 




>-> 





1'H 


Ni lts. 




U" 


12 10 


0,94 


7,2 




O 


K» 


Maauil. 


Guano. 




8 '/ 


14,10 


0,91 


6,1 




C/3 


CO 






lang. 


7 " 


10,80 


2,28 


17,5 








IC^ M. 




kurt. 


8'. 


14,20 


1,99 


11,3 






voet. 




Ascli CU 




bijna 










m.Ocrang. 


3Lij4 




guano. 




G» B 


9,75 


1,25 


11,4 






3-G 




Guano. 




7 » 


13,40 


1,12 


8,3 






3-3 




Kalk. 




ulina 


7,70 


0,80 


9,6 






3—4 


s 



Niets. 
Asch en 




5 « 
bijna 


8,00 


0,79 


9,0 






3—3 


cd 

'T3 


gnano. 




5 » 


8,00 


0,76 


8,6 






3—4 


a 


Guano. 




U" 


12,60 


1,11 


8,1 






3—3 




Niets. 




b^., 


9,00 


1,12 


11,9 




m. Scmb. 


3—4 




Ascli. 
Asch en 




1 " 


12,50 


0,89 


6,6 






3 — G 


■J3 1— 1 


gnano. 




9 '/ 


16,50 


0,76 


4,4 


2 




3—4 
3—6 


stelde 
en. 
17 h 


Kalk. 
N iets. 




5 " 


7,80 
8,80 


1,70 
0,48 


17,9 
5,2 


a 






&£? 


Asch en 












C3 

«3 


ra. Kajiüb. 


3-4 


1^ 


guano. 




G'. 


11,60 


0,58 


4,8 




3—3 


3 


Kalk. 




5 " 


8,80 


0,53 


5,7 








Cl, 


Asch en 














ra. Kijong. 


3—3 






guano. 




ft 
bijna 


9,80 


0,43 


4,3 








3 


Kalk. 




7 " 


11,76 


1,44 


10,9 








s 

a 






bijna 














a' S 


Niets. 




9 » 


15,34 


1,76 


10,3 








-> ^ P 


Asch, 




9^" 


17,26 


0,74 


4,1 








f— C3 


Asch en 


















1 2^ 


gnano. 




9>-« 


16,74 


1,26 


7,0 




m.Ocrang. 




C3 


Guano. 
Kalk. 




8'. 
Si. 


15,10 
14,10 


1,44 
1,91 


8,7 
11,9 




m. Scml). 







N iets. 




8i^ 


13,50 


2,46 


15,4 



~ 431 






Hsclirijving van Let riet. 






In 100 d. sap 
was aanwezig 














.*^ 




3 




i; 


d 


iö 


c 



'S 
te 


■~ -^ . 4. i.' 


_ "3 


Soort en af 

komst. 


E 


3 
^-3 





3 


-3 

CS 

1.. 


X -5 ' ^ 3 










ij 








•^ ?_ 




- 


5 




5 
•< 




i -S -^ = 


^ tX3 

c5 










met bl. 


9« B 


:o,4G 


1.19 


6.74 








Guano. 


zonder bl. 


G»-' 


11,00 


1,60 


12.66 










met bl. 


8'" 


14,14 


1,26 


8,20 






ra 






bijna 












a 


Xicts. 


zonder bl 


9°. 


16,16 


1,34 


7,67 






g 






niim 














Ascli en 


met bl. 


7°" 


12,73 


0,87 


6,41 








guano. 


zouilor bl. 


Si. 


15,68 


0,82 


4,96 










nut bl. 


8 </ 


14.49 


0,71 


4,66 








Asrh. 


zonder bl. 


S " 


14,98 


0,52 


3,35 












lans- 


9 » 


15,46 


2,14 


12.14 








Guano. 




kort 


94. V 


17,10 


1,53 


8,17 






^3 


Niets. 


'c 


lang- 


9'» 


16,20 


1,37 


7,76 






e3 


Asch en 


3 


kolt 


9 » 


15,70 


1,81 


10,31 






<• 


guano. 


.= 




bijna 












-c 




« 


lanc 


10« 


17,30 


1,93 


9,90 






■<T< 




;=^ 


koi^t 


9 " 


14,90 


2,63 


14,90 








Asch. 




kort 


8-1" 


13,75 


3,05 


18,50 










ü 


1 




ruim 










5 V. D 






.-n 




8 « 
bijna 


13,96 


1,57 


10,1 


tb 


3 bij 6v. 






s 1= 




9 " 


14,25 


1,52 


9,6 


g 


3-4 








^ 


94-' 


15,12 


1.4S 


8,9 


^ 


3v. D 






_3 


til 


9|. 


lö.SS 


1,82 


10,3 


fi 








= 




ruim 










5 " 






■ë E 


— 


8 " 


13,99 


2.26 


13,9 




3—6 










8i" 


13,29 


2,02 


13,2 




3—4 




d 


iC.£ 






13.S8 


1,63 


10,5 




3 v.Q 




S 


.j:: 






14,09 


0,96 


6,4 




5 " 







- _• 




9 .' 


15.56 


2.04 


11,6 




3— G 


-3' 




_2 -L 




7 " 
bijna 


13,00 


1,50 


11,1 




3-4 


cï 




-== = 


'S 


20- 


18,00 


1,37 


7,1 




3 V. D 






.= _. 


■^ 


9^. 


17,00 


1,10 


6,1 




3 " 


«0 




."§ c- 





H-' 


14,04 


3,06 


17,9 




3-G 






- c 
o ^ 




bijna 
9 " 


15,28 


2,02 


11,7 












71.' 


15,90 


2,80 


1,49 




3-4 








bijna 










3v. n 








8 " 


13,60 


1,60 


10,5 










zeer 


It 


10,29 


4,01 


28,0 








rr 


kolt 


bijna 










5 V. Zj 




ü 


oniijp. 


7 " 


10,53 


2,98 


22,1 






1 




^ 




7i" 


12,80 


1,59 


11.0 




3—6 






H c^ 


C; 


bijna 


1 








3—4 






1 ^ 


fcc 


7 " 


11,60 


1,44 


11,0 












a> 


^ 


8 V 


13,60 


1,80 


11,7 



-\-Z-l — 






iiiscliiiivin2 van liet liet. 






In 100 d. snp 






*' 


^ 








was aanweziü 


<L> O 












V 






T- ^ 












's 






<= s 




ó 


- 


tf) 


5 


fc.-. 




■i É 




i-H OJ 


Sooit en nf- 
koiiist. 


's, 


-f 




'Ja 


'S 

O 




•c 'm 


s 






^ 


£ 


'T. 








-^ Si 

3 










zj > : 


1 •• 
















'£^,\ 


bijnn 










3v. n 








7" li 
i'iiini 


11,50 


1,48 


11,4 




5 '/ 






'Z s i tij 


93,, 
ruim 


17,84 


1,16 


6,1 




3-G 


"^ 




bfj^ ' ~ 


7 " 


11,12 


1,93 


14,8 




3-4 


c: 


« 


2 -3 


7J-V 


12,60 


1,04 


12,7 




5 V. O 


7r, 




1 S 




Ti" 
bijiwi 


13,50 


1,40 


9,4 




8 4 


"^ 




c ^f. 


_c 


8>, 


15,37 


1 03 


6,3 




5v. D 






-^ 




7|" 


13,05 


1,65 


11,2 








3-6 






' ~ c 




'ï" 


11,27 


3,13 


21,7 




3-4 








i 


9 . 


14,78 


2,82 


16,0 




3 V. D 






II 




8>, 


14,96 


1,64 


9,9 


'■'•i 




~ 




JiaJ Vlij 
zvv. loten. 


4-„ 


5,50 


1,49 


21,0 


o 




■^ 




54. 


8,50 


2,48 


22,7 


Z. 




> 

tl'' ^ 




bovens. J 


ïi; 


11,20 
li.CO 


2,83 
1,70 


20,0 
13,4 


^ 


D 




o 




"i" 


11.50 


2,01 


14,8 




_; 


^ CS 


c 


volgend l 


sT., 


14.00 


1,79 


11,4 




c 


T S 


j ^ 


r.\ 


9,25 


1,27 


12,0 




J3 


c 

C 4.^ 


) 




9J" 


10,40 


1,00 


8,9 




■^ 


> T- 


1 


volgend -J 


11" 


12,40 


1,07 


8,2 




m 


Ö 






(■)i V 


11,50 


1,04 


8,0 






^ 






S'.- 


15,00 


0,95 


6,2 










onderste^ 


'1" 

4 » 


13,00 
6,43 


0.46 
1,07 


3,7 
14,2 




3-0 


'S 


c 




4 ,. 


6,36 


1.14 


15,2 




3-4 


n 


'^ 




5A" 


9,83 


0,67 


6,4 




ö V. n 


s 






]i« 


21,21 


0,69 


3,5 




dito. 


-'.-. 


o 




10" 


19,10 


0,60 


3.1 




3—6 


co 


c 




10" 


18.29 


4,41 


7,2 




3-4 




3 






10" 


18,75 


0,95 


4,2 



Ofschoon het buitenzorgsche riet geenszins de beste va- 
riëteit is , heb ik er töch de meeste onderzoekingen op glu- 
kose mede verrigt; voornamelijk, dewijl het hier te huis 
behoort, en dus geheel in natuurlijken toestand was. Ik 
zal daarom ook met hetzelve aanvangen in de beoordeeling 
der medegedeelde cijfers. 

Overeenkomstig de volgorde, bij de beschouwing van do 
lioedanigheid der stroopen in acht genomen, komt het oer.st 
in aanmerking 



4.0.. 



fJO 



de iiirtodd van groeUtjd. 
100 cleelen sap van onbemest riet bevatten aan glukose, ge- 
middeld, op don ouderdom van 11.^ md. 7,98 

van 16i- maand 11 '3 

van 18.^ „ ll,y 

Ik heb hier enkel lang riet berekend, dewijl zijne ou- 
derdom wel het minst twijfelachtig is. Om dezelfde reden, 
heb ik van dat van IG.^ maanden zulk riet gekozen, waarvan 
de bloem reeds geheel was afgevallen. Wat toen nog niet 
in bloei was, heeft zeer ongelijke uitkomsten opgeleverd. 

Nemen wij het riet, ten opzigte van het bloeijcn , dan 
bekomen wij ; 
voor het nog niet bloeijende j i 1 1 ] 7,70 

„ dat in vollen bloei ( ' j 8,20 

1 1 ^ n •• ( ^ö', m. ) 11,30 

„ „, lang na het bloeijen 

( 18.^ m. j 11,90 
Het zou dus twijfelachtig schijnen of, gelijk vroeger ge- 
zegd is, riet van 16^ maand wel de beste uitkomsten zal feveii. 
Naar het glukose-gehalte , heeft riet van 14', maan.l 
zich het gunstigst laten aanzien; terwijl naar de kristallisa- 
tie- verschijnselen , bij mijne analytische proeven, dat van 
IGJ m stellig een daartoe meer geschikt sap bevatte. Er 
schijnt hier nog eene andere oorzaak werkzaam te zijn. 

Gelijkbeteekenend met den ouderdom mogen wij stellen 
de versclilUende deelen van het riet. De uitkomst heeft be- 
leerd, dat er aan glukose aanwezig was in 100 doelen sui- 
ker, gemiddeld; 

van het bovenste vierde 2],Ü 

„ „ volgende „ 13,2 

„ „ volgende „ 9,4 

„ „ onderste „ 6,0 

Dit riet was met guano bemest en omstreeks 17 maanden 
oud. Het gemiddelde dezer vier getallen bedraagt 12,5, — 
of iets hooger dan dat van 18 ^/m. Doch nemen wij het 



— 434 — 

eene riet, dat door het groote verschil van glukose in het 
onderste en bovenste gedeelte het zekerste tot dien ouder- 
dom mag gebragt worden, dan bekomen Avij 10,8, hetgeen 
nader tot de vorige cijfers komt. AYij zullen echter ■svel- 
dra ^ien , dat door zoodanige bemesting een storende invloed 
op de betrekking tusschen groeitijd en glukosegehalte kan 
uitgeoefend worden. 

Het is alsnog ondoenlijk , de verschillende deelen van 
het riet, in rijpen staat, met bepaalde groeiperioden te ver- 
gelijken. Zeker mogen wij in de medegedeelde voorbeelden , 
liet bovenste , en welligt ook het volgende een vierde , dus 
schier de geheele bovenhelft van dit meer dan rijpe riet, 
als nog niet geheel rijp beschouwen. 

Doen wij dit, dan voegt zich een vierde cijfer, bij de 
boven medegedeelde , en wij bekomen. 

Voor onrijp riet, ongeveer. . . . 17, 2 

„ rijp riet van 14^ m 7,98 

j) V » IGV „ Il,o0 

18' 14 90 

De invloed van groeitijd op het glukosegehalte is dus 
vrij duidelijk. Met de nadering tot den staat van rijpheid 
neemt het glukosegehalte af, dat der suiker toe; is die 
toestand reeds meer of min voorbij , dan kan wel de hoe- 
veelheid suiker een' tijd lang bestendig blijven, maar die 
suiker is niet meer van dezelfde hoedanigheid ; zij neemt toe 
in glukose , verliest in kristalliseerbaarheld , het verkregene 
produkt is voor dezelfde hoeveelheid sap minder, en welligt 
ook minder goed. 

Uit de vergelijking van het gemiddelde bedrag der glu- 
kose , in de opvolgende deelen van het riet blijkt, hoe wen- 
schelijk het is, enkel volrijp riet te snijden; want in zulk 
riet zal dat gedeelte , waarin eene overmaat van glukose of 
onkristalliseerbare suiker bevat is , — welks sap dus het meeste 
toebrengt tot de stroopvorming in de fabrieken , buiten schuld 



— 435 — 



van den f-xbrlkant,— in de kleinste verhouding aanwezig zijn. 
Dat de ouderdom der verschillende deelen van het riet, 
en dus van het riet zelf, meer invloed heeft op het gehalte aan 
glukose, dan het specifiek gewigt van het sap, blijkt uit de 
volgende vergelijking, waarbij de nagenoeg overeenkomstige 
areometergraden onder elkander gerangschikt zijn. 



4e 


kAvart. 


8.;^ 


C,2 


glukose in 


100 


deelen suiker 


2e 


)) 


81= 


11,4 


do. 


» 




ie 


)) 


7.1° 


20,0 


do. 


» 




2e 


n 


7|° 


14,8 


do. 


» 




3e 


!) 


7\° 


8,2 


do. 


)) 




4e 


)) 


7\° 


3,7 


do. 


)) 




2e 


» 


6 f 


13,4 


do. 


)) 




4e 


» 


6 f 


8,0 


do. 


» 




Ie 


» 


5 f 


22,7 


do. 


» 




3e 


H 


G° 


12,0 


do. 


» 





Het blijkt hieruit, dat bij riet van gelijken ouderdom, 
maar zeker niet van even krachtigen groei, soms het bo- 
vendeel van het eene , sap van hetzelfde soortelijk gewigt kan 
bevatten , als het lagere en dus oudere deel van andere stokken. 
Maar tevens zien Avij , dat uit beide sappen geenszins even veel 
vaste suiker te verkrijgen is , ja dat , zoo als in ons voor- 
beeld van 11^ B, het eene , 20 Y^ glukose bevattende, wei- 
ligt niets dan stroop, het andere met 'dj^'/^ glukose, zoo 
het op zich zelf konde verkookt worden , zeker minstens 
75^0 "^'^11 zijn gewigt aan gekristalliseerde suiker zoude 
opleveren. Beide onder een gemengd , zullen hoogst waar- 
schijnlijk minder opleveren , dan uit de berekening van de 
aanwezige rietsuiker zou te verwachten zijn. 

Onrijp riet berokkent dus den fabrikant veelzijdig na- 
deel, en de areometer alleen kan hem geenszins daartegen 
beveiligen. 

2= Het is opmerkelijk, hoedanig de invloed is, door be- 
mesting te weeg gebragt op deze zoo wezenlijke hoedanig- 
heid van het rietsap , do verhouding van glukose. 

Wij hebbon vroeger gezien, hoe de guano, deze zoo bij 



— 436 -- 

uitstek dierlijke meststof, het volume en de ontspruiting 
van het riet vermeerdert, den groei versnelt en het soorte- 
lijk gewigt van het sap eenigzins verhoogt. Hoe gunstig 
zou het wezen, indien zij ten overvloede, ook nog de hoe- 
danigheid, van het sap verbeterde! 

Hier vooral moet ik mijnen sj^ijt uitdrukken over het 
nog geringe aantal der uitkomsten , die ik kan aanbieden. 
Bij eene nog zoo onvolkomen gekende inwerking der mest- 
stoffen op de hoedanigheid van het gewas , behoeven wij 
groote reeksen van onderzoekingen , om de te verwachten 
ongelijkheden te kunnen waarderen of verklaren. Die on- 
gelijkheden in de enkele uitkomsten zijn ook merkbaar in 
de medegedeelde getallen ; doch , in zooverre ik daaruit een 
gemiddeld cijfer mag opmaken, blijkt toch in het algemeen 
de strekking van guano , om eene verbetering in de hoeda- 
nigheid van het sap te bewerken ; voor het gegevene geval , 
den nog weinig bewerkten en schralen berggrond te Gen- 
teng, (1) schijnt houtasch alleen of guano , met die asch ver- 
mengd , in dit opzigt nog betere uitwerking gehad te hebben. 

Hoeveelheid glukose of onkristalliseerbare suiker , in de 
volgende rietsappen , per cent. 



(1) Aanm. Ik ben eerst onlangs in Je gclcgenhciJ gekomen, tot verzameling 
van genoegzame rietasch , om Jie tut proefnemingen aau te wenJen. 



— 437 — 



Omsclirijving vau 
het riet. 



Bemest met 



en 
ascli. 



ascli. 



kalk. 



Buitenz. riet. 14 1 m, met bl. 

» » » lang riet. 

I) )) ï) kort » 

» » 16.5- bl. afgev. 

» I) » kort riet. 

H » )) zonder bl. 

» » idem kort. 

» » ISj m. 

(§) Saniarangscli. 17 m. 

)) 6 m. paparan. 
Soerabajasch. 12 ïi 141 m. 

Gem. , na aftrek der 2 sub * 



8,20 


6,74 


6,41 


4,66 






(*) 


(*) 


7,7G 


12,14 


9,90 


18,50 


10,31 


8,17 


14,90 


— 


11,30 


9,70 


— 


— 


7,90 


9,00 




— 


11,20 


11,00 


— 


— 


14,70 


13.70 


— 


— . 


11,90 


4,50 


— 


— 


8.70 


8.20 


6,7 


6,6 


12,90 


8,70 


7,9 


4,1 


6,90 


6,30 


— 


— 


10,00 


8,90 


8,75 


5,29 



11,1 

10,9 



11,0 



Of inderdaad altijd door ascli alleen eene betere uitwer- 
king op het sap zou jilaats hebben , dan door guano of 
met deze vermengd , durf ik , op verre na niet , verzekeren. 
Zeker schijnt het , dat ook guano hierin ten goede heeft 
gewerkt, en zulks valt bijzonder in het oog bij het buiten- 
zorgsche riet van IS.^, en het samarangsche j^aparan van 
(3/m. In beide was, zonder bemesting, het glukosegehalte , 
45 a. 50 perct boven het minimum gestegen. In dat met 
guano behandeld was het of onveranderd of, bij het buiten- 
zorgsche , nog om een derde afgenomen , ofschoon hier het 
minimum reeds lager was, den bij het onbemeste. 

De kalk heeft , in dit geval , niet gunstig op het sap ge- 
werkt. Of hij was voor deze gronden niet geschikt , of 
er is hier , even als wel in de fabrieken gebeurt , door eene 
te groote dosis nieuwe odukose c-evormd. 

3. Welken invloed het Jdunaat op de hoeveelheid glukose 



(*) Dit riet stonJ geheel open over de wiudcn cu -.vas uiterst schraal, 
(j) Van verscLillciiJe i>hiit\vijJte, 



— 438 — 

in liet rietsnp heeft gehad , is uit de gedane onderzoekingen 
alsnog niet te beantwoorden , vermits die enkel met riet 
van eén kweekplaats, Genteng, konden geschieden. Te 
oordeelen echter naar het Ilapoli en Kijongriet , beide op 
de meest blootgestelde plaatsen gegroeid, schijnt althans de 
scherpe en drooge z. o. "svind de verhouding van glukose 
niet te hebben doen toenemen. 

Ik moet mij hier onthouden A-an dit te willen verklaren , 
uit gemis van genoegzame data , ofschoon het mij vreemd 
zou toeschijnen, indien dezelfde oorzaak, die gebleken is, 
nadeelig te zijn voor den groei van het riet in lengte en 
dikte , en ook voor de densiteit an het sap , zijne gehal- 
te aan kristalliseerbare suiker niet zou aangedaan hebben. 

4. Minder twijfelachtig is, naar het mij toeschijnt, de 
invloed der variëteit of althans van het vaderland van het 
riet , op de meergemelde hoedanigheid van het sap. 

Vergelijken wij toch het glukosegehalte van het sap uit 
probolingosch , samarangsch en buitenzorgsch onbemest riet 
van ongeveer gelijken ouderdom, dan bekomen wij gemid- 
deld als volgt. 

Van Probolingc 17 maand 5,4 °/^ glukose. 
„ Samarang 17 „ 8,7 „ „ 

161/2,, 11,3 „ 
„ Buitenzorg ISI/2 „ H^^ „ „ 

Daar al deze variëteiten op dezelfde kweekplaats en in 
geheel gelijksoortigen grond gegroeid waren, is wel geene 
andere oorzaak voor deze verschillen aan te geven , dan 
de oorspronkelijk betere hoedanigheid van het proboliu- 
go-riet boven de andere, en misschien wel boven alle an- 
dere rietsoorten van Java. Er bestaat bij mij weinig twij- 
fel, dat niet zoo zeer eene wezenlijk oorspronkelijke, als 
wel eene, door klimaat en grond bewerkte of althans be- 
stendigde voortreÖelijkheid van genoemd riet is aan te ne- 
men. Intusschen is het opmerkelijk, hoe deze superioriteit. 



— 439 — 

indien dit iiitheemsclie -woord hier mag plaats vinden , zich 
ook na eene tweejarige k-weeking , in een voor suikerkul- 
tuur zoo ongunstig oord , als Geuteng , heeft staande ge- 
houden. 

5. Ten eene male onvoldoende is ook het aantal onder- 
zoekingen , dat ik tot heden heb kunnen verrigten , om den 
invloed van planiwijdte op de verhouding van glukose te 
leeren kennen. 

Vestigen wij de aandacht op het riet van Buitenzorg, dr.n 
blijkt het ons, dat dit, IGJ- m. oud zijnde, met reeds afge- 
vallen bloesem namelijk, op 5 v: d geplant, genoegzaam 
dezelfde verhouding tusschen wel- en niet kristalliseerbarc 
suiker bevatte , als op 3 v : d plantwijdte. 'Wel was bij 
het korte riet het voordeel aan de zijde van het digter ge- 
plante; maar bij het korte nog niet bloeijende, staan do 
wijdst en digt geplante elkander het naast, terwijl bij het 
langer, nog niet bloeijende, alles op denzelfden leeftijd, 
het wijdst geplante zich het voordeeligst toonde. Het is 
echter waar , dat dit tevens het zwaarste sap had , dus stel- 
lig het meest volgroeid, het rijpste was, en uit de vergelij- 
king der sappen van het boven- en benedendeel van het 
riet , AT-'oeger medegedeeld , weten wij , dat in zulk riet de 
betere eigenschappen van het benedendeel doorgaans de over- 
hand hebben. 

Het sap van het onbemeste samarangsche riet verhield 
zich aldus. 

3 bij 6 voet ^^^^/o glukose 

3 4 9 

5 v: G „ 11,9 „ „ 

Doch , ik herhaal het , dit zijn nog te zeer alleenstaande 
uitkomsten, om er eenig besluit uit te kunnen trekken. 

Stellen wij nu naast elkander de waargenomene lioeda- 
nigheld der stroop , en de gevondene hoeveelheden glukose , 
iiaar de verschillende omstandigheden , waarin het riet ver- 



— 410 — 



keerJ heeft, dun zien Avij oene overeenkomst, die zoo noodig 
liet gevoelen bevestigt , dat de kristalliseerbanrlield der stroop , 
afgescheiden van de fabrlkaadje , ook afhankelijk is van de 
hoeveelheid glukose, reeds te voren in het rietsap voor- 
handen. 

Het schijnt echter, dat er nog eene andere stof, waar- 
schijnlijk gom of appclzuur, hierbij in het spel komt, daar 
de vatbaarheid tot kri.'^tallisatie niet onvoorwaardelijk den 
gang van het glukose-gehalte volgt; althans niet zoo ver 
den groeitijd van het riet betreft. 



llocJaiiigheiJ der stroop. 



Yfrliünding van gliikos«. 





Van onrijp riet gecne kristül- 


Sap van onrijp riet een maxinnim; 


5 


lisiitic 


20 :i 28 % van de suiker. 




Van overrijp riet meental volko 


J)ito van rijp riet, het minimum 




men. 


5 a S X- 


V 


Van onrijp riet niiiulcr vulku- 


Dita van overrijp riet, Looger, 


t-q 


mcn , soms in het geheel niet. 


bijv. 12 ^/o. 



> 
GJ 

S 

o 

ca 


Vau volrijp riet werd door guano, 
nicer nog duor asch, de kiistalli- 
satic der stroop bevorderd. De 
bemesting met kalk had eene te- 
genovergestelde uitwerking. 


Sap van riet, met guano, meer 
nog van dat met ascli bemest, be- 
vatte het minste glukuse. Door den 
kalk schijnt deze stuf in het sap 
te zijn toegenomen. 


a 
.1 


Sap van riet, blootgCiteld aan 
veelvuldige z. 0. winden , leverde 
geeuc kristallen op. Verlaging vau 
gemiddelde temperatuur ter groei- 
plaats heeft geeneu invloed op de 
kristallisatie der stroop gehad. 


Er was, in het sap vau dit riet, 
geene beslissende toename van glu- 
kose , maar het onderzochte riet 
was ouder dan het oudste hierne- 
vens bedoeld. 


o . 

'S 5 


liet Probolingo-riet, althans van 
twee der fabrieken, leverde ceu sap, 
dat beter en fraaijer dau een der 
overige kristalliseerde. 


liet sap van probolingo-riet be- 
vatte , in verhouding tut zijne den- 
siteit , minder glukose , dun eene 
der overige variëteiten. 


73 

'S 

5 


Er is eenige schijn, alsuf, voor 
de gegevene groeiplaats , riet op 
5 V. D tot 3 bij 6 v. geplant , 
een minder kristalliseerbaar sap 
bevatte, dan dat op 3 bij 4 v, of 
op 3 V. D geplant. 


Uit de gedane onderzoekingen 
is nog niets beslisseuds gebleken , 
over liet verbaud tusscheu plant- 
wijdte vau het riet en glukose ge- 
halte vau Let snp. 



— lil — 

"Wat uit dit alles reeds nu met zekerheid blijkt is, dat 
de fabrikant op Java niet verantwoordelijk is A'oor de gan- 
sclie hoeveelheid stroop , die hij jaarlijks als nadeelig neven- 
produkt bekomt ; en dat de moeite en kosten , die velen 
hunner reeds hebben aangewend , om hunne methoden en 
werktuigen te verbeteren , ^vel waardig zijn , dat er ook 
eens in allen ernst overal Avorde aangevangen met proef- 
nemingen , v>\aardoor alleen de middelen kunnen worden 
aangewezen , om overbloediger en betere grondstof te be- 
komen. 

Bij de wederoplossing der suiker , bleef er steeds eene 
verschillende , maar altijd geringe hoeveelheid , stof terug , 
van eene donker bruine kleur. 

Dit kan deels een apotheem geweest zijn, uit de voort- 
gaan de oxydatie der glukose geboren ; maar deels was dit 
overblijfsel harsaclitig van aard, gereedelijk oplosbaar in 
verdunden alkohol. 

Door de gevolgde wijze van onderzoek , is het plantaar- 
dige zuur (doorgaans , zoo niet altijd , appelzuur) , dat het 
rietsap bevat, steeds met de suiker vermengd gebleven. 
Bij thans in gang zijnde uitgebreide analysen , van een paar 
rietsoorten , heb ik dit zuur afzonderlijk bepaald , en bevon- 
den , dat het bij de hoeveelheid suiker schier niet in aan- 
merkin£j komt. 



III. De djrde klasse van bestanddeelen , in het rietsap 
voorkomende, wordt daargesteld door de. 

EiwitacJiiige stof en, en de oplosbare minerale stoffen of 
zouten. Deze zal ik hier in e'én rubriek afhandelen , en 
tevens de verschillende betrekkingen of verhoudingen der 
zouten tot het geheele quantum aan minerale stoften be- 
schouwen , in de wijzigingen , door uitwendige omstandig- 
heden , en misschien ook door blijvende eigenschappen in 
het riet bewerkt. 



— 442 — 

Dg geringe hoeveelheid, die men van deze stoffen in het 
rietsap vindt , zal wel bij niemand als eene oorzaak gelden , 
om ze gering van beteekenis te achten. Over een en an- 
der, bijzonder over de zouten, heb ik reeds bij eene vroe- 
gere gelegenheid vlugtige aanmerkingen in 't midden ge- 
bragt , ook in verband met de onderzoekingen van den heer 
Peligot. Deze zijn gedrukt in Deel IV van het Nat. Tijd- 
schrift voor Ncd. Indiö. Destijds gold het vooral de raffi- 
natie der suiker , en hare geheele betrekking op het fabriek- 
matige gedeelte. Over het verband tusschen deze zouten 
en den groei van het riet, benevens den aard van het sap, 
kon ik toen, door volslagen gemis aan eenig, althans mij 
bekend, ondei'zoek, niets dan gissingen maken. 

Gelijk ik in het voorgaande hoofdstuk gepoogd heb, de 
gissingen over de oorzaken der verstrooping in de suiker- 
fabrieken , tot eenige klaarheid te brengen , bied ik , in 
het onderhavige, de uitkomsten aan van mijn onderzoek, 
met hetzelfde doel ondernomen , omtrent het verschillend 
gehalte, den aard, invloed en de beteekenis der eiwitach- 
tige en minerale stoffen van het rietsap, zoo ver gelegen- 
heid en tijd mij dit tot heden vergund hebben te doen. 

Dit onderzoek heeft drieërlei belang, namelijk: 

Een pJnjsiologisch , "svant de uitkomsten kunnen ons lee- 
ren , "wat die stoffen beteekenen voor het leven der plant , 
althans hoe zij veranderen met de wijzigingen in haren groei. 

Een lancWomchindig , want de som der minerale stoffen 
in de plant bekend zijnde, kan er u't blijken, welken in- 
vloed de grond op de verdeeling daarvan heeft; wat de 
oorzaak kan wezen van haar kwijnen en van de slechte lioe- 
danigheid van het sap , hetwelk daarvan onafscheidelijk is , 
en dus ook, wat met groote waarschijnlijkheid kan dienen, 
om het gewas op zulk eenen grond tot gezonden groei te- 
ruo; te brengen. 

Een technisch, want met de hoeveelheid en hoedanigheid 



— 443 — 

der opgeloste minerale stoffen , verandert de liocdaniglield 
van het saj) en kan bij de bewerking in Let eene zulk eene 
groote hoeveelheid stroop gevormd worden , dat het veel min- 
der suiker oplevert , dan een ander sap van gelijk specifiek 
g-ewiot, maar van een ander zoutirehalte. 

In zoo vori'e dus, kan de kennis van den zamenhang 
tusschen het rietsap en den aard van den grond de oorza- 
ken aangeven van eene ongunstige produktie, zelfs bij een 
zwaar rietgewas , en een vruchteloos zoeken naar verdere 
fabrieksverbeteringen voorkomen. 

Met de eiwitstof heb ik, door de wijze van mijn onder- 
zoek , tevens de kaasstof en de gom moeten afscheiden , ter- 
wijl er soms ook eene zekere hoeveelheid bladgroen en wiis 
mede vermengd was , ten minste , waar het sap eene groe- 
nachtige kleur had. 

In een paar gevallen heb ik de kaasstof en de gom af- 
zonderlijk bepaald, maar zulks is voor een praktisch oog- 
merk van zeer weinig belang. Mogt intusschen de hoe- 
veelheid gom aanmerkelijk zijn, dan kan ook deze, tegelijk 
met de glukose, het sap eene kleverige lijmiglieid geven, die 
reeds eene beleramerino;of «"elieele verhinderlnor der kristal- 
lisatie doet vooruitzien. 

Bij mijne onderzoekingen vond ik soms de grootste ver- 
schillen in de snelheid , waarmede de verschillende sappen , 
ook na de vermenging met alkohol , filtreerden , hetgeen 
ti'ouwens alleen door de glukose, die daarbij bleef opgelost, 
kon veroorzaakt worden. Er bestaat bij mij weinig twijfel 
meer, dat de oplosbare zouten, de gom en glukose, in het 
sap aanwezig , met elkander in regtstreeksch verband staan ; 
dat althans de eerste, door hoeveelheid en zamenstelling de 
twee laatste kunnen doen toenemen ; en ofschoon deze ook 
weder grootendeels door den invloed van klimaat en weers- 
gesteldheid kunnen vermeerderd worden , moet er toch 
altijd eene tusschenstof zijn , die als de overbrengster van 



— 414 — 

dien invloed is. Bij de opgave van de hoedanigheid der 
zouten , zal het blijken , dat zij veelvuldig , ja in de meeste 
gevallen , met zuren opbruisten. Zij Avaren derhalve , in 
het sap zelf, ook met eenig organisch zuur, vermoedelijk 
appelzimr , verbonden. Zulke verbindingen vervloeijen spoe- 
dig in de lucht. Zij maken waarschijnlijk uit, wat Hervey 
heeft genoemd mailere Uquescente. Derzelver invloed bij 
de vorming van glukose acht ik afhankelijk te zijn van ha- 
re hoeveelheid, en ik zal dus lager het verband tusschcn 
genoemde eigenschap der zouten en het gehalte aan glu- 
kose trachten aan te wijzen ; hetgeen dan verder , naar 
hetgeen over de laatste reeds gezegd is , ligtelijk tot den 
invloed van grond, klimaat, enz: door den lezer kan wor- 
den uitgestrekt. 

De j^ii^ciis van afkomst en de variëteit van het riet draagt 
op merkbare wijze bij tot de hoeveelheid , die het van 
de nu behandelde bestanddeelen zal opnemen. Zoo iets was 
van voren te wachten, althans indien de genoemde bijzon- 
derheden zekere bestendigheid aan het riet kunnen me- 
dedeelen in groei; want daaruit volgt dit ook voor zijne 
zamenstellin<r. Indien toch de eiwitachti^e en minerale be- 
standdeelen van het sap, ja de gansche hoeveelheid der mi- 
nerale bestanddeelen van het riet , eenigc beteekenis heeft 
voor zijnen groei en leven , dan moeten zij ook deelen in 
de veranderingen , welke dat leven door verschillende om- 
standigheden ondergaat; ja zijn als de middelen te beschou- 
wen , Avaardoor die veranderin2;en o;eschieden. 

De genoemde bestendigheid moge betwijfeld worden , zoo 
lang iedere rietsoort Avordt onderzocht op liare eigene stand- 
plaats , Avaarvan Avel nimmer twee volkomen zullen oA-ereen- 
k omen in den aard des gronds ; zij zal geene tegenspraak 
vinden , indien de minerale A'erschillen bliJA'en bestaan , ook 
Avanneer het riet in elkanders onmiddellijke nabijheid ge- 
irroeid is. 



— 445 — 

Zulks is het geval geweest, ook met het tweede gewas 
van proboliiigosch, soerabajasch en samarangsch riet, ge- 
kweekt in den laboratorium-tuin , welks omvang zoo be- 
perkt en welks grond betrekkelijk zoo gelijkmatig is. 

Ik zal er naauwelijks behoeven bij te voegen , dat al het 
riet van denzelfden ouderdom, en ongeveer gelijktijdig ge- 
oogst was. 



Geel riet uit 


Oplosbare 
eiwit, enz. 


Oplosbare 
zouten. 


Gezamenlijke 
min. stotFen, 


Samarang 

Soerabaja 

Probolingo 

Cheribon, fabr. Soeraw. 


0,042 
0,036 
0,057 
0,044 


0,109 
0,151 

0,182 
0,261 


0,368 
0,390 
0,500 
0,448 



De koolzure verbindingen zijn als zoodanig berekend , 
niet als zouten met een organisch zuur. Het riet uit Che- 
ribon behoorde tot drie variëteiten , en schijnt op tamelijk 
gelijkmatigen grond gegroeid te zijn : wat de overige be- 
treft , zoo blijkt het probolingosche riet , van eene fabriek , 
die geenszins het beste gewas uit die streek oplevert , een 
sap te bevatten , het rijkste in stoften , die vreemd zijn aan 
de suiker. Er is evenwel in de verhouding der oplosbare 
zouten tot de som daarvan , eene overeenkomst , waaraan de 
grond niet vreemd kan zijn. Die verhouding is bij de drie 
eerste 30,39 en 36% gemidd 357^; bij de drie laatste 57,1)2 
en 59% gemidd. 56». 

Doch, om over hetgeen aan eene zekere kleur- variëteit 
eigen is , beter te kunnen oordeelen , zal ik hier vooraf ter 
nederstellen , wat het sap van rood riet van de genoemde 
stoffen bevat. 

In 100 deelen riet zijn aanwezig. 

3c SERIE. DL. II. 29 



— 416 



Afkomst. 


Oplosbaar 
eiwit, enz. 


Oplosbare Gezamenlijke 
zouten. min. stoffen. 


Sosrabaja 

Pioboliügo 

)) 

Cheribon 


0,054 
0,052 
0,049 
0,040 
0,023 
0,047 


0,078 
0,053 
0,0G2 
0.347 
0,3G4 
0,202 


0,320 
0,325 
0,357 
0,562 
0,G82 
0,533 



Zonder ann deze cijfers eene matliematlsche Avaarde te 
Avillen toekennen , meen ik mij toch niet te veel te veroor- 
loven , door aan te nemen : 

Dat het roodo riet, op denzelfden grond gegroeid, een 
minder zouten-houdend sap ojjlevert, dan het gele of zoo- 
genaamde witte riet ; dat het probolingosch , althans het 
rcode van goede gronden (hier die der fabrieken Soember- 
karang en Kotta, waarvan -wij het riet reeds van zoo gun- 
sti'^e zijde kennen) een minder zouten-houdend sap, dan 
het soerabajasche heeft opgeleverd. Van het samarangsche 
kan ik thans geen voorbeeld aanvoeren , dat het sap van 
geel, soerabajasch-riet meer zouten bevatte, dan dat van 
samarangsch , welk laatste echter in deugdzaamheid door 
het eerste overtroften wordt. 

j^Jevens den invloed der soort , handhaaft zich hier weder 
de invloed van den grond op de verdeeling dezer minerale 
stoffen ; want het aandeel daarvan , tot het sap behoorende 
bedroeg : 

bij de drie eerste 24,16 en 17% gemidd. 19 J 

bij de drie laatste 62,53 en 40% gemidd. 52°. 

Dat het gele riet der fabriek Gendeng, welks minderheid 
te^^enover de straks genoemde uit Probolingo reeds geble- 
ken is, een sap bevatte, nog veel meer zouthoudend dan 
dat A-an Soerabaja. 

Dit, met he^ onmiddellijk voorgaande vergeleken, zou 



— 447 __ 

kunnen beteekenen , dat een bepaald zout-gekalte , ongeveer 
als van het soerabajasclie , voor liet sap van geel riet noo- 
dig is, om dit goed te doen groeijen. 

Eindelijk, dat nieuwe gronden, gelijk ik vermoed, dat 
de cheribonsche zijn, door eene zekere overmaat van op- 
losbare zouten , liet verschillend opnemingsvermogen der twee 
hoofdvarieteiten van riet ook geheel kunnen wijzin-en , zoo 
dat het roode riet daar een meer zouthoudend sap bekomt, 
dan het gele ot witte. Zoo wij in beide gegevene tabelle- 
tjes het gemiddelde bedrag aan oplosbare zouten in de drie 
eerste aftrekken van dat der drie laatste voorbeelden ; het 
gemiddelde der minerale stoffen van deze verminderen met 
het gevondene verschil, en dat van gene er nevens plaatsen, 
dan bekomen wij het volgende: 



Laboratoriumtuin. 


Soera win. 


De gele .... 
De roode. 


0,419 
0,334 


0,372 
0,352 



Het is w^el voornamelijk, zoo niet uitsluitend het sap, 
dat den invloed van eeiien te rijken grond ondervindt. 
Voorts herinner ik hier aan het reeds boven gezegde, van 
de verbastering van het roode riet, althans aan de fabriek 
Ardjawinangong in Cheribon. De moerassigheid en stijfheid 
der gronden aan deze fabriek zou eene grootere hoeveelheid 
zouten in het rietsap aldaar doen verwachten , en toch 
heeft, althans bij het witte riet, jui&t het omgekeerde plaats, 
blijkens het volgende tafeltje. 



— 41S — 



Varcitcit. 


.Ardjawinangong. 


SoerawJnangon. 


Oj/lt^slnre Gez. min. 

zj'.tcn. 1 sti/Ü'en. 


Oplostare 
zouten. 


Gez. min. 

stoffs. 


Geel riet. . . . 
Kood net - . . 


0,102 
0.183 
0.101 
0.192 
0.199 
0,311 


0,3.^0 
0.342 
0,307 
0.3C4 
0.300 
0,599 


224 
0,192 
0,173 
0,200 
0,200 
0,261 


0,335 
0,450 
0,390 
0,411 
0,513 
0,441 


GemiJd. Geel riet. 
Rood " 


0,14S 
0,244 


0,3.-2 
0,421 


0,190 
0,240 


0,395 
0,422 



Dit riet van Soerawinangon was ongeveer twee maanden 
jonger, clan liet andere : dat in de vorige tatel bedoeld, ver- 
schilde slechts ée'n maand in ouderdom , en bezat eene nog 
grootere hoeveelheid van deze zouten,, namelijk gemiddeld: 
geel riet 0,284% 
rood „ 0,304 „ 

De ongunstige , tragere groei van het riet te Ardjawinan- 
gon staat ongetwijfeld hiermede in verband; want zoo al 
de uitputting dezer lang met riet beplant gronden min of 
meer wordt verhinderd door ruime bewatering, de te over- 
vloedige hoeveelheid of te langdurige aanwezigheid van het 
grondwater schijnt de plant te beletten, van die telkens 
eenigzins teruggebragte zouten een ruim aandeel op te nemen. 

Ik vind echter in dit groote zoutgehalte , althans van het 
sap van rood riet in Cheribon , eene wel aannemelijke oor- 
zaak voor het betrekkelijk geringe produkt aan suiker, dat 
aldaar uit een bepaald gewigt van sap bekomen wordt. De 
invloed der groeiplaats namelijk, bij verschil van grond en 
klimaat tevens, mag mede onder dit hoofd worden behan- 
deld, en daartoe bied ik aan het navolgende overzigt. 

100 deelen riet bevatten. 



— M9 — 





Batavia 




Buitenzorg. 


Genteng. 


Variëteit. 




J -2 


ra 

c5 = 


-^ *i' 






l'.i il 

o ''l os 




Purperbriiin 

Geel van Samarang . . . 

" " Soerrbaja . . . 

./ Gemleng.! i „• 

Rood S. Kareng. .j-^ g= 

./ Kotta . . . J^--^ 


0,055 


0,136 


0,404 


0,042 
0,036 
0,037 
0,052 
0,049 


0.109 
0,151 
0.182 
0,052 
0,062 


0,368 
0,390 
0,500 
0,325 
0,357 


1 1 

0,060 0,068 0,219 
040 0,035 10,209 
0,061 0,052 0,292 
0,059! 0,041 Q,S92 
0,051:0,044 0,372 
0,047 1 0,05 5 10,367 



Ik zie hier weder redenen , om aan te nemen , dat de 
groote verscliillen in liet zoutgehalte van het sap van overeen- 
komstige rietsoorten bestaande, niet enkel aan verschil van 
grond zijn toe te schrijven. Immers dat van twee der fa- 
brieken , uit Probolingo afkomstig , van de beide kweekplaat- 
sen , toont geene noemenswaardige verschillen aan. 

Even zeer, als hier eene tot varieteits - kenmerk overo-e- 
erfde eigenschap van het riet in het spel is , even zoo moet , 
behalve het verschil tusschen den nieuwen, schralen berg- 
grond , en den reeds eenige jaren bebouwden , vlakken sa- 
Avahgrond te Batavia , ook de lagere gemiddelde temperatuur 
te Genteng invloed hebben gehad op de doorlatings- vatbaarheid 
van de zoogenaamde wortelsponsjes. Zij heeft ongetwijfeld 
derzelver werkzaamheid verminderd, gelijk die omgekeerd 
vermeei'derd is door de bemesting , waarover straks nader. 

Het is niet onbelangrijk te letten op de verschillende ver- 
houdingen, waarin het rietsap zijn aandeel uit de geheele 
massa anorganische stoffen van het riet kan opnemen , blij- 
kens de volgende cijfers. 



2 Geel riet. 
3 

4 dito. 
5 

6 Rood riet. 
7 

8 dito. 
9 
10 Purper bruiu. 



Te Buitenzorg 

" Genteng 

Op ouden mocrassigen grond 

" nieuwen droogen grond 

Te Buitenzorg 

■' Genteug 

Op ouden moerassigen grond 

'/ nieuwen droogen grond 

bebouwden Ingen grond, hooge temperatuur. 



Cheri- 
bun. 



Cheri- 
bon. 



35 
14 
43 
56 
19 
14 
5S 
51 
34 



nieuwen berggrond , lagere temperatuur \ 'SL 



— 450 — 

Hoogst verschillend knnneii dus de ana-oi'g<inische stoffen 
van het riet verdeeld zijn tusschcn het sap en de vezelen, 
en zoo als dit in verband staat met soort , grond en klimaat, 
dus eene physiologische beteekenis heeft, is het ook be- 
langrijk voor de uitkomsten , in de fiibriek te verwachten. 

De vergelijking van no 9 en 10 leert ons kennen den 
invloed van de variëteit of overgeërfde hoedanigheid (afkomst 
van het riet) ; want bij een groot verschil van grond en kli- 
maat, die zeker een verschil in do som der minerale stoffen 
bewerkt heeft, is toch de verdeeling tusschen sap en vezel 
nagenoeg onveranderd gebleven, Dit geldt ook bijna in 
gelijke mate van het rooderiet, (5 en G), hetwelk zich ech- 
ter gunstig van het vorige onderscheidt door een veel gerin- 
ger aandeel van zouten in het sap; in treffende overeen- 
komst met het doorgaans groote suikergehalte daarvan. 

Veranderlijker, ligter aangedaan door hoedanigheid van 
grond, komt het gele riet voor, blijkens 1 en 2. Het te 
Buitenzorg gekweekte heeft denzelfden invloed ondergaan , 
als het purperbruine of paarse , aldaar te huis behoorende. 

Men zou kunnen aannemen, dat deze rietsoorten minder 
standvastig zijn, eerder van hare type afwijken, althans zoo 
ver aangaat het zoutgehalte van het sap. Ook in de som 
harer minerale bestanddeelen hebben zij, op den berggrond, 
aanzienlijke vermindering geleden, hetgeen niet gebeurd is met 
het roode; want deze daalde bij het gele van 0,419 tot 
0,298 of om 29%, bij het roode, is die zelfs gerezen van 
0,341 tot 0,370 of om 97^. 

Uit no 3 en 4, 7 en 8 eindelijk, ziet men, hoe de bo- 
ven aangewezene soort-verschillen, ten opzigte der zouten 
in het sap, als kunnen worden opgeheven door de hoeda- 
nigheid van den grond. 

Het zij die zouten, op den lagen, stijven, moerassigen , 
en vaak overstroomden bodem, bij minder krachtigen groei 



— 451 — 

van het riet, teu deele meehanisch in de wortelspitsen 
drino-en, hetzij omgekeerd, door den overweligon groei op 
den nieuwen, in oplosbare zouten nog overrijken grond, 
bij eeu te rasschen aanvoer in de wortels en geëvenredigde 
verdamping van zuiver water door de bladen, in beide ge- 
vallen verkondt ziek ket soortkenmerk als passief; en daar- 
om is ook de schijnbaar gunstige verkonding, die kier kct 
gele boven ket roode riet op den moerassigen bodem ver- 
toont, waarsckijnlijk zonder beteekenis. Alleen voor den 
fabrikant echter zou zulks , indien ket standvastig ware , 
eenig belang hebben , altkans de middelen aanwijzen om ket 
nadeel van zulke gronden iets te verminderen. 

De boven medegedeelde cijfers doen ook zien , dat de hoe- 
veelheid zouten, in het rietsap aanwezig, niet altijd dezelfde 
aanwijzing geeft van den groei, de hoedanigheid van het 
riet. Alleen dan, wanneer een sap betrekkelijk arm in 
zouten , bevat is in riet , dat eene groote hoeveelheid mine- 
rale stoften inhoudt , kan het eerste als eene eigenschap van 
gezond en kracktig groeijend riet beschouwd worden. 

Een gering gehalte van beide , oplosbare en niet opgelos- 
te , minerale stoffen schijnt met den gezonden r^roei onbe- 
staanbaar; terwijl een overvloed van oplosbare, zonder even- 
redige toename der onoplosbare zouten van het riet, enkel 
bestaanbaar is met eenen weelderigen , snellen groei , waar- 
mede weekkeid van vezel, ligt afbreken en omvallen van 
het riet gepaard gaat. 

Zulk een onevenredige overvloed van oplosbare zouten is 
tevens menigwerf vergezeld van eene wijziging in hunne 
zamenstelling , bijv. groote toename van chloruren of van 
zouten met een plantaardig zuur , en daarom in dubbelen 
zin nadeelig voor den fabrikant. Hierop kom ik aanstonds 
terug, over den invloed der bemesting op het zoutgehalte 
sprekende. 



— 452 — 



De vier boven beschouwde omstandigheden , soort , afkomst 
(jrond en klimaat , hebben tot heden geene zoo beslissende 
inwerking getoond op het eiwitgehalte van het sap als a 
priori te verwachten was. Ik herinner echter op nieuw , 
dat hier onder eiwitachtige stoffen verstaan wordt , al wat al- 
kohol uit het sap afscheidde; en daaronder was welligt 
meestentijds eene zekere , schoon dan ook geringe hoeveel- 
heid, gom of dextrine vermengd. 

Wanneer echter een verschil , hoewel klein , bijna steeds 
in dezelfde rigting bestaat, en een grooter gehalte dezer 
stoffen in het sap zamenhangt met meerdere voortreffelijk- 
heid der soort, of minder aanhoudende vochtigheid des gronds, 
(eensbeteekenend met gezondheid, zoo al niet kracht van 
wasdom) , dan mogen wij daaraan niet alle beteekenis ont- 
zeggen. Enkel tot toelichting hiervan, dient hier nog de 
afzonderlijke rangschikking van het gemiddeld gehalte aan 
oplosbaar eiwit, enz. 



Afkomst. 


Geel riet. 


Rood riet. 


ProboIin2;o 

Socrabajti 

Cheribou 


0,057 g- 
0,036 .. 
0,033 )) 

0,042 )' 


0,051 1 
0,054 )» 
0,037 .. 


Gemiddeld. 


0,047 .) 



Variëteit. 


Batavia. 


Buitenzorg. 


Genteng. 


Purperbruiu 

Geel ........ 


0,055 


0,045 
0,049 


0,060 
0,053 


Kood 


0,047 




aiddeld. 




Ue twee laatste gen 


0,055 


0,017 


0,050 



Ik voeg hier nog slechts bij dat, moge al een hoog ei- 



— 453 — 

witgehalte in liet sap (veel vuil in hei sap , fabriekmatig gespro- 
ken) in een technisch opzigt minder gewenscht zijn , dit na- 
deel echter bij de suikerbereiding veel geringer is, dan een 
hoog zoutgelialte , dat onmogelijk kan verwijderd worden. 

Het nadeel zou zeker niet opwegen tegen het voordeel 
vaneen vergezellend krachtig gewas of deugdzame rietsoort, 
indien een hoog gehalte van oplosbaar eiwit een kenmerk 
daarvan is. 

Het zal lager blijken , dat het verband tusschen dit en 
den ouderdom van het riet minder twijfelachtig is. 

Bij de allengs , ofschoon langzaam , veldwinnende overtui- 
ging, dat suikerkultuur zonder oordeelkundige bemesting 
op Java niet duurzaam voordeelig kan zijn , is de vraag , 
•s\'elken invloed deze kan hebben op het suikergehalte van 
het riet, van toenemend belang. Ik heb reeds getracht, 
daarop eenig antwoord te geven, naar den maatstaf mijner 
onderzoekingen ; maar weinig minder belangrijk moet het 
wezen , dit antwoord ook uit te strekken tot de eiwit- en 
zoutachtige stoffen van het sap, die thans onder behande- 
ling zijn. 

Ik geef derhalve, in de nu volgende tabel , al de hierom- 
trent verkregene uitkomsten te zamen , als altijd, zoo bij- 
een gesteld, dat die in elke twee naast elkander staande 
kolommen , regel voor regel , tot geheel dezelfde rietsoort 
behoort, en elke opvolgende regel tot eene andere of ecne 
in andere omstandigheden gegroeide, betrekking heeft. 

In 100 deelen riet zijn bevat. 



451< 





Oplosb. eiwit, enz. 


Oplosb. zouten. Gez. min. stoffen. 


Besclirijving van het riet. 


Bemest. 


Onbem. 


Bemest. 


1 
Onbem. Bemest. 


Onbem. 




— 


— 


0,117 
0,116 
0,136 
0,126 


0,167 0,302 
0,141 0,237 
0,156 0,263 
0,136 0,440 

1 


0,301 
0,269 
0,330 
0,301 


GemiJJclJ. . . . 


— 


— 


0,124 


0,150 j 0,310 0,300 


rrol)olingo-riet van Buitcn- 
zors" 


0,068 
0.065 
0,056 
0,0S1 
0,095 
0,049 
0,091 


0,057 
0,052 
0,049 
0,080 
0,065 
0,103 
0,103 


0,192 
0,077 
0,085 
0,052 
0,095 
0,112 
0,119 


0,188 
0,053 
0,062 
0,139 
0.127 
0,079 
0,096 


0,486 
0,392 
0,268 
0,430 
0,464 
0,306 
0,353 


0,500 
0,325 
0,357 
0,472 
0,604 
0,362 
0,358 






Gemia.lelJ. . . . 


0,072 


0,073 


0,105 


0,106 


0,386 


0,425 


Socrab. riet van Gcnteng. 


a 0,067 
0,054 
0,100 
0,086 


0,057 

0,061 
0,091 


«0,097 
0,049 
0,052 
0,071 


0,062 

0,052 
0,063 


«0,264 
0,276 
0.183 
0,141 


0,218 

0,292 
0,191 


Gemiddeld. . . . 


0,077 


0,070 


0,067 


0,059 


0,216 


0,234 


Samar. riet van Genteng. 


0,061 
0,070 
0,077 


0,088 
0,119 
0,120 


0,049 
0,043 
0,059 


0,043 
0,052 
0,051 


0,177 
0,270 
0,134 


0,169 
0,2ü0 
0,148 


Gemiddeld. . . . 


0,069 


0,109 


0,050 


0,062 


0,194 


0,172 


Samar. riet van Biiitcnzorg. 


0,045 
0,051 
0,055 
0,051 
0,045 
0,067 


0,042 

0,043 
0,051 
0,046 
0,070 


0,068 
0,083 
0,268 
199 
0,117 
0,061 


0,109 

0,247 
0,243 
0,142 
0,140 


0,310 
0,323 
0507 
0,360 
0,260 
0,457 


0,368 

0,464 
0,512 
0,340 
0,438 


Gemiddeld. . . . 


0,053 


0,050 


0,143 


0,177 


0,379 


0,424 



— 453 — ■ 





Oplosb. eiwit,cnz. 


Oplosb. zouten. 


Gcz. min. stollen. 


Beschrijving vau Let riet. 
















Demcst. 


Onbcm. 


Bemest. 


Onbcm. 


Bemest. 


Onbem. 




0,052 


0,040 


0,056 


0,035 


0,197 


0,209 




0,049 


— 


0,043 


— 


0,191 


. — 




0,050 


— 


0,030 


— 


0,153 


— 




0,053 


— 


0,047 


— 


0,191 


— 




0,049 


0,086 


0,071 


0,044 


0,121 


0,251 




0,045 


— 


0,034 


— 


0,151 


— 




0,059 


— 


0.039 


— 


0,326 


— 




0,054 


— 


0,058 


— 


313 


, — 




0,055 


0,058 


0,050 


0,050 


0,237 


0,2S3 




0,056 


0,064 


0,042 


0,055 


0,158 


0,244 




0,087 


0,050 


0,059 


0,037 


0,164 


0,391 




0,060 


— 


0,036 


— 


0,225 


— 




0,057 


— 


0,038 


— 


0,244 


— 




0,075 


— 


0,041 


— 


0,301 


— 




0,051 


0068 


0,043 


0,036 


0.221 


0,190 




0,072 


— 


0,048 


— 


0,304 


— 




0,102 


— 


O.UÖl 


— 


0,134 


— 




0,057 


— 


0,041 


— 


0,285 


— 




0,173 


0,046 


0,036 


0,039 


0,142 


0,280 




Ü,0S4 


— _ 


0,035 


— 


0,215 


— 




0,043 


— 


0,043 


— 


0,241 


— 




0,048 


— 


0,043 


— 


0,154 


— 




0,084 


0,162 


0,038 


0,044 


0,240 


0,242 




0,062 


— 


0,040 


— 


0,138 


— 




0,043 


— 


0,063 


— 


0,196 


— 


Sumar. riet van Genteng. 


0,041 




0,045 


~ 


0,246 


~ 


Gemiddeld. . . . 


0,064 


0,072 


0,045 


0,043 


207 


0,261 




0,067 


0,058 


0,045 


0,047 


0,223 


0,090 




0,045 


0,077 


0,082 


0,045 


0,264 


0,174 




0,066 


— 


0,046 


— 


0,146 


— 




0,C7S 


— 


0,044 


— 


0,250 


— 




0,067 


0,082 


0,127 


0,03 G 


0,227 


0,317 




0,089 


— 


0,039 


— 


0,154 


— 




0,114 


— 


0,048 


— 


140 


— 




0,051 


0,066 


0,070 


0,072 


0.373 


0,216 




0,063 


0,054 


0,171 


0,079 


0,348 


0,217 




0,070 


0,048 


0,098 


0,052 


0,173 


0,183 




0,053 


0,073 


0,089 


0,070 


0,353 


0,261 




0,048 


0,087 


0,056 


0,069 


0,215 


244 




0,06S 


0,047 


0,103 


0,043 


0,221 


0,189 


Buitenz. riet van Gentcng. 


0,,0S2 


0,051 


0,110 


0,044 


0,242 


0,133 


Gemiddeld. ■ • • 


0,OC9 


0,064 


0,081 


0,058 


0,238 


0,203 



-^ 456 





Oplosb.eiwit,enz. 


Oplosb. züiitcu. 


Gcz. min. stoffen. 


Beschrijving van Let riet 


Bemest. 


Onleiu. 


Ccmest. 


Onbeni. 


Bemest. 


Oubem. 


Guano alleen. . . . 


0,0G1 




0,095 


— 


1 
0,364 — 


Eood , iu het bniino üf paar- 
sclic , van Batavia. 


0,046 

0,103 
0,075 


0,055 


0,393 
0,217 
0,350 
0,294 
0,356 
413 


0,163 
0,314 


0,412 
0,338 
0,547 
0,449 
0,430 
0,634 


0,422 
0.404 


Gemiddeld. . . . 


0,075 


0,055 


0,337 


0,188 


0,468 


0,413 



Het waren de laatstgenoemde cijfers, reeds in Julij 1854 
verkregen, door het onderzoek van wel en niet bemest ba- 
taviascli riet uit het Westerkwartier, boven reeds omschre- 
ven, welke mij aanleiding gaven, om den invloed der be- 
mesting op het zout- en eiwitgehalte van het riet op ruime 
schaal te onderzoeken. De bemesting was hier geschied 
met katjang-koeken , die naar de kortelings verrigte analyse 
van den heer Rost van Tonningen, rijk zijn aan veel po- 
tasch inhoudende asch. Zou bemesting in het algemeen , 
dan wel alleen deze bijzondere meststof, oorzaak zijn van 
zulk eene verandering in de hoedanigheid van het sap, als 
welke de vermeerdering van het gewigt aan grondstof groo- 
tendeels zou nutteloos maken. Immers in de onbemeste 
rietstok was , van de geheele massa minerale stoffen , slechts 
1-fl of 45%, in de bemeste ||| of IT / ^ in het sap aan- 
wezig. De ontwijfelbaar grootere hoeveelheid der stoffen , 
door de bemesting in het riet opgevoerd, en eene der oor- 
zaken van zijnen meer krachtigen groei , was voor het 
grootste gedeelte in het sap overgegaan , en zou dus bij de 
fabrikaadje nadeelig werken. 



— 457 — 



Slaan wij nu het oog, hetzij op de afzonderlijke cijfers, 
hetzij op de gemiddelden van elke afdeeling , dan zien 
wij geene eenvormigheid in de uitkomsten ; en wij zijn ge- 
drongen, om of eenen bepaalden invloed der bemesting op 
de zouten en het eiwitgehalte van het rietsap te ontkennen , 
of die te doen afhangen van den aard der bemesting en 
van de soort van het riet. 

Het laatste acht ik niet geheel onwaarschijnlijk, dewijl 
het buitenzorgsche , te Genteng gekweekte riet, met guano 
bemest, werkelijk rijker aan oplosbare zouten was, dan het 
onbemeste ; terwijl dezelfde meststof bij al de andere soor- 
ten in dit opzigt bijna geene , soms zelfs eenen tegenoverge- 
stelden invloed gehad heeft, blijkens de telkens bij geplaat- 
ste gemiddelde uitkomsten, 

Kernen wij , daarvan uitgaande , de verhouding waarin 
de minerale stoffen tusschen hout en sap verdeeld, niet en 
wel oplosbaar zijn , dan bekomen Avij , voor de oplosbare ; 



Voor 


Bemest met 


Niet 


guano. 


guano en 
ascli 


asch. 


kalk. 


bemest. 


Buitenzorgsch riet 1S53 . . . 


36 V, 

40 .. 


28 % 


24 Vo 


— 


29 % 
50 » 


Pi'obülingosch riet 1854 : . . 

Suerabnjasch vau Buitenzorg . . 

" Geutcüg. . . 


27,3 '/ 
35 u 
28,5 ./ 


— 




E 


24,8 « 
31,8 « 
25 2'. 


SamaraBgsch van Buitenzorg . . 
// // Gcntcng, 


37,7 " 
26,7 " 


19 - 


23 . 


18 " 


43 « 

20 " 



De verhouding van oplosbare zouten is hier bij het onbe- 
meste riet kleiner, omdat zijne som van minerale stoffen 
meestal grooter is, dan bij het bemeste. Tusschen de mi- 
nima is het verschil nog veel grooter. Ten aanzien van 
het met guano en asch, enkel asch en enkel kalk bemeste 
riet, dient aangemrkt, dat bij het, daaraan beantwoordende , 
onbemeste uit Samarang , slechts 10,9Vo der minerale stof- 



— 458 — 

fen in liet sap was opgelost; tenvijl het ook kleiner dan 
19Yo was bij het buitenzorgsche , dat vergelijkbaar was met 
hetgeen een mengsel van guano en ascli had ontvangen. 

Maar het schijnt vooral de aard der meststof te zijn , 
waarvan de toename van zouten in het rietsap afhangt. 
Geene der straks genoemde heeft, in dit opzigt , eene wer- 
king uitgeoefend, die in graad te vergelijken is met die der 
katjang-koekcn , vroeger aangewezen. 

Het zou mij hier te ver leiden , om vermoedens te uiten 
nopens de oorzaken van dit verschil. Alleen voeg ik hier- 
bij de opmerking, dat de hoog geroemde invloed der ka- 
tjang-bemesting , hoofdzakelijk door chinesche planters aan- 
gewend, zich wel in het voorkomen van het gewas, maar 
niet op eene evenredige wijze in de hoeveelheid van het fa- 
brikaat doet kennen. Afgescheiden dus van de verschil- 
lende , zeer wezenlijke bezwaren , die het op groote schaal 
invoeren der katjang-bemesting op zich zelve in den weg staan , 
zou het nog zeer twijfelachtig wezen, of de kosten daarvan 
wel genoegzaam zouden gedekt, laat staan overtroffen wor- 
den door de hoogere produktie. 

Het is in het algemeen niet te ontkennen , dat het sap van 
bemest riet een grooter gehalte van oplosbare zouten en ei- 
witachtifre stoffen bevat, dan dat van het onbemeste van 
dezelfde variëteit , ouderdom , grond en luchtstreek. 

Het zal straks kortelijk worden overwogen, of er tus- 
sclien dit en den gang van het werkelijk glukose-gehalte , 
benevens de kristalliseerbaarhcid der stroop een duidelijk 
verband bestaat. 

De ouderdom, de verschillende deelen van het riet, zijn 
agentia , waarvan een groote invloed op de , nu onder be- 
handeling zijnde, bestanddeelen van het rietsap te voorzien 
was. Deze staan zoo regtstreeks in betrekking tot de ver- 
schijnselen van den groei, dat, naar mijne overtuiging, we- 



459 



kelijks verschillen vau eiwit, en zoutaclitige stoften van het- 
zelfde riet zouden zijn aan te wijzen , indien het mogelijk 
ware , dat een aantal naast elkander groeijende stokken , op 
elk gegeven tijdstip , volkomen overeenkwamen in zamen- 
stelling. 

Ik zal al dadelijk ter vergelijking naast elkander stellen , 
wat het onderzoek hiervan mij aan uitkomsten heeft opge- 
leverd. 



Eiet te Buitenzorg 
gekweekt. 

Afkomstig van 


Oplosb. 


eiwit enz. 


OpLsb. 


zouten. 


Gez. min. stoffen. 


maand. 


14 a 141- 
maaud. 


12^12-^ 
maand. 


14^144- 

maand. 


12al2^ 

maand. 


14^14». 
maand. 


Proboiiiigo. 


0,057 
sO,06S 

0.052 
g0 065 

0,049 
g0,056 


0,080 
0,081 
0,103 
0,049 
0,103 
0,091 


0.182 
0,192 
0,053 
0,077 
0,062 
0,085 


0,139 
0,052 
0,079 
0,112 
0,096 
0,119 


0,500 

0,486 
0,325 
0,393 
0,357 
0,268 


0,492 
0,430 
0,363 
0,306 
0,358 
0,414 


Gemiddeld. . . . 


0,058 


0,084 


0,109 


0,100 


0,3SS 0,394 


Soerabaja. 


0,036 
0,040 
0,054 
0,048 


0,054 
0,048 
0,0 5 
0,000 


0.151 
0,177 

0,078 
0,068 


0,113 
0,185 
0,124 
200 


0,390 
0,3^0 
0,320 
0,370 


0,410 
0,535 
0.350 
0,516 


Gemiddeld. . . . 


0043 


0,054 


0,119 


0,155 


0,365 


0,453 


Samarang. 


0,043 
0,045 
0,051 


0.043 
0,051 
0,0G7 


0,109 
0,068 
0,083 


0,247 
0,199 
0,061 


0,368 
310 
0,323 


0,464 
0,361 
0,457 


Gemiddeld. . . . 


0,040 


0,054 


0.087 


0,1G9 


9,334 


0,427 



— 460 





Riet te Gentcng gekweekt, afkomstig van 


Ouderdom. 


Probolingo. 


Sücrabaja. 


Samarang. 


Buitenzorg. 


■^ • 'S = 






-5« 

Cs N 


^-2 1 W "" 


ja C 




1 s 




• a' 

•9s§ 


6 Maanden. 


— 


— 


— 


0,090 
0,051 


0,062 
0,049 


0,304 
0,245 


— 


— 




— 


— 


— 


Gemiddeld . . 


- 


— 


— 


0,070 


0,056JO,275 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


8 Maanden. 


— 


— 


— 


0,067 
0,075 


0,097 
0,045 


0,264 
0,240 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


GemiJJüld . . 


— 


— — 0,071 0,071 0,252 — 


— 


— — — — 


9 Maanden. 


— 


— 


•P— 


— 


— 


— 


— 


— 


— |0,040 0,171 0,361 

— 0,058 0,055 0,226 
.- '0,036 0,038 0,124. 

— 0,051 0,050 0,163 

1 


Gemiddeld . . 


-1 -1 - 1 - - 


— 


— 


— 


— 0,046' 0,079 0,219 


10 Maanden. 


__ _ _ 0,094 0,053 0,216 
_ _ _ 0,099 0,053 0,247 

1 1 ' 1 




— 


— 


— 


— 


— 


Gemiddeld . . 


_ _ 


— '0,097 0,053 0,232 


— 


— 


— 


1 


— 


13 Maanden. 


0,078 0,050 0,304 ~ 
0,047 0,055 0,367 — 
0,059 0,041 0,392 — 
0,059 0,044 0,372 — 




— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


Gemiddeld . . 


0,001 


[o,04S 


0,35S 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


13 Maanden. 


«^ 


— ~ 


0,091 0,063 
0,086 0,071 


0,191 ' 0,043 
0,141 0,046 


0,029 0,221 0,045 0,082 

0,038 0,345 0,077 0,045 

_ _ 0,066 0,046 

_ _ 0,078 0,044 


0,264 
0,174 
0,146 
0,250 


Gemiddeld . . 


— 


— 


T- 


0,089 


0,067 0,166 


0,045 


0,034 


0,233 !o,067 0,054 

1 1 


0,209 


14 IMaanden. 


0,073 0.074'0,256 — 
0,070 0,040 0,304 — 
0,067 0,044 0,324 — 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


Gemiddeld . . 


0,07( 


) 0,05;; 


0,29E 


) 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 


— 



461 — - 





Riet te Genteng gekweekt , afkomstig van 




Probolingo. 


Socrabaja. 


Samarang. 


Buitenzorg. 


OulerJom. 


:ï s 


O -t; 
O ^ 


'3 ==! 


'S n' 

.- c 

t4 "^ 


Oplosb. 
zouten. 

Min. 
stoffen. 


1 s 


'S « 

o Si 
O N 


. d' 




'S «" 

o -S 

1-i 


ii 


14i. Manud. 


__ 


— ! _ 


— 


— 


— 


— 


— 


guano 
oiibm. 
be- 
mest. 


0,067 
0,082 
0,089 
0,114 


0.127,0,227 
0,056 0.307 
0,039 0.154 
0,048 0,140 


GcniiJdelJ . . 


-1.-1-1- 


— 1 — _ 


— 


— fo.088 


0.06r'o.222 


15 Maanden. 


0,087 0.055 0,300 ~ 
0,051 0,053 0,194 — 
0,074 0.051 0,288 — 


— 


— 0,071 0,051 0,416 — — 

— 0,075 0,062 0,323 — — 


_ 


GeniiJdclJ . . 


0,07l|o,053 


0,261 


— 


— 


— 


0,073|o,057 


0,370 — 


— 


— 


16| k 16' M. 


— 




Z 


z 


— 


— 


— 


— 


— 


— 0.051 0.0700.373 

— 0.062 0,171 0,348 

— 0,070 0,098 0.172 

— ,0,053 0,089 0,353 

— ,0,066 0,072 0,210 

— 0,054 0.079 0.^17 

— 0.048 0.052 0.182 

' 1 ' 1 


Gemiddeld . . 


— 


— — 


— 


— 


— — 


— 


— 


0,060 


0,088 


0.205 


18[ Maand. 


^^ 


. 1 

! 

— Z 1 z 
_ _ _ 




— 


"■" 


— 0,087 0.048 — 

— 0,082 0,046 — 

— 0,095 0,029! — 

— 0,072 0,039 — 

i 1 1 


Gemiddeld . . 







— 


— 1 


— 


— 







— 


0,084 


6,041 


— , 



oc SEKIE DL. II. 



30 



402 ■— 



In liet sap van de Terscliillcnde deelen van rijp riet vond 
ik' de genoemde stoften in de volgende verhoudingen. 







Bovenlielft vnn lit 


t riet. 


BciicJenlielft vnn liet riet. 


Afkomst cBz. 


Oplosb. 


Oplusb. 


IVJitiri-ilIc 


Oplosb. 


Oplosb. 


Jliticralc 




eiwit enz. 


Züuteii. 


stullcn. 


eiwit enz. 


zouleii. 


stüü'cn. 






0.071 


0.!2n4 


0.500 


0.04S 


0.171 


0.496 


o 




0.007 


().n54. 


0.^i;;2 


0.046 


0.053 


0.353 


_a 


Oubcmcst. 


O.OGl 


0.081 


0.3G2 


043 


0.053 


0.3C0 


o 




0.072 


o.3,-:i, 


0.504 


0.0(13 


0.170 


0.4-2 


P 




0.0C9 


0.070 


O.S'JO 


0.0fi4 


0.0S3 


0.450 




Bemest. 


0.077 


0.117 


0.233 


0.049 


0.075 


0.280 


Gcni. onljcni. 


0.0f)7 


0.1 1.*} 


0.375 


0.040 


0.092 


0.403 




bemest. 


0.073 


0.137 


0.345 


0.059 


0.109 


0.401 



Dit was riet van 12 maanden. Buitenzorgscli riet van 17 
maanden, te Genteng gekweekt, met guano bemest, ver- 
toonde nog dezelfde verhoudingen, blijkens deze cijfers, die 
op 100 deelen sap betrekking hebben , daar hier geene wa- 
terbepaling geschied is. 



Aanwezig in 


Stok a. 


Sto 


c i. 


Stok c. 


100 d. sop. 


Boven [ Benden 
vierendeel, vierendeel. 


Boven 

vierendeel. 


Dei'dc 
vierendeel. 


Hoven 

vierendeel. 


Beneden 
vierendeel. 


Oj)l. eiwit enz. 
Üpl. zouten . . 


0.09G 
0.123 


0.0G3 
0.073 


0.090 
0.102 


0.051 

0.077 


0.100 


0.078 



Ik herinner hierbij , dat de topdeelen reeds vrij zware zij- 
loten hadden , vooral dat van stok b. Het sap van daar was 
groenachtig bruin, dat van de benedendeelen geelbruin, 
terwijl het suikergehalte zich aldus verhield. 



Sap van stok a. 
b. 



Boven 5,75 "'/q 
» 9,54 „ 
„ 13,27 „ 



Beneden 13,55 7^ 
17,76 „ 

T '? 5) 1 
11 J.O,-.l ,, 



Het zij reeds hier in het voorbijgaan aangemerkt, dat 
het kleinste gehalte aan eiwitachtige en zoutige stoffen be- 



— 463 — 

antwoordt aan het grootste suikerquantum , dat echter het 
omgekeerde niet onvoorwaardelijk doorgaat ; t^wijl evenweL 
waar het verschil tusschen boven- en benedendeel het ge- 
ringste is , in stok c, het suikergehalte van het sap volstrekt 
niet verschilt. Doch gelijk reeds vroeger is aangewezen , 
het gehalte aan kristalliseerbare suiker verschilt ook hier 
wezenlijk , zoodat dit alleen in rekening brengende , de 
uitkomst is. 



Sap van stok a, 

f* n 11 ^* 



c. 



Boven 4,25% 
„ 7,08 „ 
„ 10,44 „ 



Beneden 12,50 7° 
„ 16,16 „ 
12,26 ,, 



Er bestaat dus inderdaad verschil, en wel geheel in over- 
eenstemming met, zoo al niet in de eenvoudige reden van 
de verschillen in eiwit en zoutgehalte. 

Maar alvorens deze vergelijking verder door te voeren , 
zal ik de uitkomsten opgeven der berekening, in welke ver- 
houding de minerale stoffen van elk dezer rietsoorten in der- 
zelver sap voorkomen , naar den ouderdom van het riet. 



Afkomst. 


6 M. 8 M. 9 M. 10 :\1. ^~^|j^^ 13 M.' 14 M. 'l4f M 15 M.'lö^- m'is^M 


'robolingo . . 

Soerabaja. . . 
Samarang. . . 
3uitenzorg . . 


20.4^ 

1 


28° 


- 22.8 
36.1^ — 


B.2S ^ 
«13.4- 
'/ 32.3 " 
" 26 « 


- I^f. ^ - 20.3 J - 

50.4» .45.5» — — 16 ai. 
12.0» »39.6»' — 15.9» 12.9» 
25.9»! — 34.3^ — 31.0» 


— 



B. duidt aan, dat dit riet te Buitenzorg gekweekt was. 
Brengen wij nu , met deze , ook de vorige gemiddelde cijfers 
in woorden over, dan kunnen wij den gang der eiwit- of 
proteine-achtige en minerale bestanddeelen van het riet aldus 
uitdrukken. 



— 404 — 





Afkoms-t. 


a. 

Ojilosliare 
pi w. stoften. 


b. 

Oplosbare 

zontcii . 


f. d. 
Som der Vcrlioiid. 
m in .stoff . va n b tot c . 


l?ict in don 
p.-ing van rijp- 
wording. 


Soprabaja .... tceiiemcnJ 
Huili:rzorfC toenemend 


afnemend 
afnemend 


afnemend 
•ifncmend 


afnemend 
afnemend 



JJiit in den 

s-taat van 

overrijp- 

lieii. 



Probolingo 

Soerabaja 

Saniarang 

Buitcnz. na liet blocijeii. 



to"nemend 
tüoncminJ 
toenernf-nd 
afwisselend 



tdcneniend 
toenemend 
toencnirn 1 
toenenitüd 



:ifneinend 
nfiiemend 
afnemend 
afnemend 



toenemend 
toenemend 
toenemend 
toenemend 



Tot hot \\e\ verstrian van dit overzigt, zijn de volgende 
aanmerkingen dien.stig. 

De plotseling groote toename der verhouding van oplos- 
bare zouten in het soerabaja-riet van Genteng, op den ou- 
derdom van 13 maanden, heeft zeker hare oorzaak in de 
blootgestelde ligging der plaats , waar het gegroeid is. Zij 
ging gepaard met eene vermindering in de som van oplos- 
bare en onoplosbare zouten beide , inzonderheid van de laatste. 
Het buiten7,orgsche riet, van dezelfde kweekplaats, maar 
Acel minder blootgesteld , had wel even zeer eene vermin- 
dering in beide klassen van zouten ondergaan, maar deze 
Avas genoegzaam gelijkmatig geweest ; ja die vermindering 
was eenigzins grooter bij de oplosbare zouten. 

Beide omstandigheden houden gelijken tred met de hoe- 
danigheid , die de suiker reeds in het riet bezat , gelijk zoo 
aanstonds zal blijken. 

De afzonderlijke verschillen bij het probolingosehe riet , 
in de hoeveelheid oplosbare zouten , zijn zeer ongelijkmatig, 
vooral bij dat te Buitcnzorg gekweekt. Het was riet van 
meerdere soorten, gelijk ook van onderscheidene fabrieken. 
Vroeger is reeds gebleken , hoe aanmerkelijk het sap van 
rood riet in zoutgehalte beneden dat van geel riet staat; 
en het is zeer ligt mogelijk, dat bij de tAveede uitplanting 
alhier de uiterlijke kenmerken niet meer geldend waren; 
Ook kan hier de bemesting wezenlijke veranderingen be- 
werkt hebben. 



— 405 — 

Zoo wij althans de drie , met g. gemerkte , reeksen weg- 
laten , dan bekomen -wij , als gemiddelde van oplosbare zouten 
bij riet van 12/m. 0,099 
„ „ „ li/m. 0,105. 
van minerale stoffen te zamen , 

riet van 12/m. 0,391. 
„ „ U/m. 0,412. 
en als verhouding tusschen beide 

riet A-an 13/m, 25,1 
„ „ U/m. 25,5 
Derhalve, even al bij de overige, eene , hoewel geringe, 
toename van zouten. 

Bij het buitenzorgsche heeft tijdens het bloeijen , eene 
groote vermeerdering van oplosbare proteine-stoffen plaats 
gehad, waarin later bij zekere onregelmatigheid, geene be- 
sliste toename meer geschied is. 

De algemeene beteekeuis van de gevondene cijfers is 
derhalve. 

1 Dat het riet, in den gang van rijpwording , allengs toe- 
neemt in oplosbare eiwitachtige stoffen. 

2 Dat de oplosbare zouten , in het sap aanwezig , minder 
worden , en even zoo , doch in nog grootere verhouding , 
de geheele hoeveelheid minerale stoffen. Rijp riet bevat 
dus, vergeleken met het onrijpe, een maximum van oplosbaar 
eiwit, doch een minimum van oplosbare zouten, zoo wel 
absoluut als relatief. 

3 Dat het riet , van af het tijdstip der rijpheid , allengs 
blijft toenemen moplosbaar eiwitgehalte, maar nu ook in op- 
losbare zouten, aanwezig in het sap. Soort van riet en af- 
komst maken die toename zeer verschillend : bij het sama- 
rangsclie was zij het grootste , bij het probolingosche het 
minste. AVij hebben reeds gezien , dat het laatste ook in 
andere opzigten het beste riet is te noemen , het meeste sui- 
ker bevat, en het minste glukose. 



— 466 -- 

Daar , nevens die toename van oplosbare zouten , er eene 
vermindering in de som der minerale stoffen plaats heeft , 
als of liet riet, in groeikraclit afnemend, tevens nog raeer 
verdunde, nog meer Avaterachtige vochten in zijne wortels 
ontvangt , dan -wel minder v.-ater door de bladen verliest , 
zoo is de verhouding, waarin die minerale stoffen in het 
sap overgaan, nog meer, dan de absolute hoeveelheid toe- 
genomen. 

Dat het buitenzorgsche riet , na het bloeijen , niet veran- 
derd schijnt in gehalte aan oplosbare zouten , is weder een 
gevolg, en wel een gunstig gevolg, der guanobemesting ; 
want alleen het onbemest riet in rekening brengende, be- 
komen wij. 



Leeftijd. 


Oplosbare 
zouten. 


Gezam. 
min. stoften. 


Verhoud, der 
opl. zouten. 


141/2 Maand . . 

I6I/3 „ . . 


0,056 
0,056 


0,317 
0,219 


18 7o 
26 „ 



Terwijl de uitwer 


ving der guano zich aldus 


vertoont. 


Leeftijd. 


Oplosbare 
zouten. 


Gezam. 
min. stoffen. 


Verhoud, der 
opl. zouten. 


141/0 Maand . . 
101/3 „ . • 


0,127 
0,059 


0,512 


56 7o 
19 » 



Do, op 142- M- zeer nadeelige verhouding, schijnt zich dus 
later te verbeteren, terwijl bij het onbemeste juist het om- 
gekeerde ptaats had, Aveder geheel in overeenstemming 
met de hoedanigheid der stroopen in die opvolgende leeftij- 
den. Er is inderdaad van den invloed der bemesting op 
de hoedanigheid van het rietsap , nog veel op te helderen , 
wat alleen door voortzetting en uitbreiding der chemische 
onderzoekingen mogelijk is. 



— 4G7 — • 

Duidelijkheid vereisclit , dat ik hier nog opgeef, hoe ^Yei- 
nig invloed het volume , lengte en dikte, van het rijpe riet 
heeft op de nevenbestanddeelen van het sap , ■\velks suiker- 
gehalte , gelijk wij gezien hebben , daarvan weder onafhan- 
kelijk was. In de nu volgende cijfers heb ik tevens, tot 
iremak , de nummers van de hoofdtabel ina;evoeo;d. 

Aanwezig in 100 deelen. 



Zwaar riet deels met lig 


sap. 




Ligt en dun riet. 




N". 


Oplosb. 


Oplosb. 


Gez. niiu. 


N° 


Oplosb, 


Oplosb. 


Gez. min. 


eiwit enz. 


zouten. 


stolTeu. 




eiv. it enz. 


zouten. 


stoffen. 


184 


0,0i3 


0,247 


0,4G4 


1S5 


0,051 


0,243 


0.509 


1S6 


0,055 


0.26S 


0,507 


1S7 


0,051 


0,199 


0,361 




0,046 


0,142 


0,340 




0,070 


0,142 




251 


0,054 


0.112 


0,410 


252 


0,055 


0,124 


0,350 


253 


0,048 


0.1S3 


0,533 


254 


0,0G0 


0,200 


0,510 


255 


0,054 


236 


0,337 


35G 


0,044 


0,135 


0,240 







— 4G8 — 






Aanwezig in 100 deelen sap: 






Van zwaar riet. 


Van ligt en dun riet. 


N°. 


Opl.eiwitenz. 


Opl. zouten. 


Opl.eiwitenz. 


Opl. zouten. 


380 


0,056 


0,041 


0,055 


0,060 


381 


0,097 


0,066 


0,059 


0,054 


382 


0,066 


0,039 


0,089 


0,050 


383 


0,067 


0,044 


0,070 


0,052 


384 


0.085 


0,046 


0,109 


0,058 


385 


0,078 


0,041 


0,106 


0,048 


386 


0,058 


0,049 


0,185 


0,055 


387 


0,083 


0,055 


0,106 


0,060 


388 


0,098 


0,059 


0,095 


0,048 


389 


0,064 


0,046 


0,082 


0,065 


390 


0,068 


0,040 


0,056 


0,064 


391 


0,048 


0,048 


0,062 


0,056 


392 


0,049 


0,042 


0,097 


0,052 


393 


0,052 


0,047 


0,058 


0,055 


394 


0,095 


0,030 


0,092 


0,062 


395 


0,047 


0,051 


0,045 


0,056 


396 


0,069 


0,045 


0,057 


0,058 


397 


0,049 


0,071 


0,051 


0,050 


398 


0,072 


0,050 


0,064 


0,053 


399 


0,091 


0,041 


0,068 


0,050 


Gemiddeld. 


0,070 


0,048 


0,075 


0,056 



De geringe meerderheid in eiv/it en zouten , die gemid- 
deld in het sap van kort en dun riet voorkomt, ofschoon 
niet merkbaar van invloed op het gemiddelde suikergehalte 
van dat sap, zal echter waarschijnlijk wel invloed hebben 



— 4G9 — 

op de hoeveelheid glukose , die in kort , dun riet grooter 
zal wezen. 

liet heeft mij tot heden aan gelegenheid ontbroken , om 
dit opzettelijk te onderzoeken. 

De verhouding, waarin de minerale stoffen tusschen sap 
en vezels verdeeld zijn , blijkt naar de eerste tabel , geene 
noemenswaard! oi;e veranderino; onder jraan te hebben. 

Het is , ten laatste , in verband met de vraag naar de 
verbastering van het riet , niet zonder belang te Aveten , of 
en welke veranderingen het sap der drie oostelijke rietsoor- 
ten bij de voortkweeking in Buitenzorg ondergaan heeft , 
in oplosbaar eiwit en zouten. 

De volgende cijfers kunnen dit eenigzins aantoonen 



Namen 


Gewas van 1853. 


Gewas van 1854. 


of afkomst. 


Oplosb. 
eÏAv.enz. 


Oplosb. 
zouten. 


Min er. 
stoflen 


Oplosb. 
ei w. enz. 


Oplosb. 
zouten 


Miner. 
stoflFen. 


Sam. geel v.Buitz, 
» rood » '» 
)) geel » Gent. 
)) )) )) )) 
)» rood ') )) 
.) » Kijong. 


0,058 
0,060 
0,088 
0,«19 
0,072 
0,120 


0,190 
0,122 

0,083 
0,052 
0,061 
0,051 


0,279 
0,658 
0,169 
0,200 
0,267 
0,148 


0,042 
0,051 
0,043 
0,046 
0,058 
0,064 


0,109 
0,083 
0,029 
0,038 
0,050 
0,055 


0,368 
0,323 
0,221 
0,345 
0,283 
0,246 


Gemiddeld. . . . 


0,070 


0,093 


0,287 


0,051 


0,061 


0,298 



Het zou dus schijnen , dat eiwitachtige en oplosbare 
minerale stoffen beide zijn afgenomen , niettegenstaande 
de toename der som van minerale zelfstandigheden. De 
kultuurwijze A'an deze rietsoorten was in beide jaren ge- 
noegzaam gelijk; zij zijn ten volle met elkander vergelijk- 
baar, en derhalve kan ik niet anders, dan de genoemde 



— 470 — 

Tcrmindering of aan het veranderde klimaat, dan wel waar- 
schijnlijk aan cene verarming van den grond toeschrijven , 
daar beide gewassen op dezelfde plek gekweekt zijn. 

[}''en'ol(j hierna.) 



SCHEIKUNDIG ONDERZOEK. 



VAN EE^T: 



VULKANISCHE ASCH. 



DOOR 



». ^V. ROST \A-X TOIV^l.^nKTIT. 



De vulkanische ascli van welke de analyse hier medegedeeld 
•vvordt, is aan mij door de direktie der Xatuurkundige Ver- 
eenioing in Xederlandsch Indië tot het doen A-an het noodio-e 
onderzoek ten hand gesteld , met de mededeeling, dat zij ge- 
durende een' aschregen verzameld vas geworden door den 
luitenant ter zee 1^ kl. den heer P. Van Bleiswijk Eis, l^n 
officier aan boord van Z. M. fregat Prins Frederik , den 
14.en April 185G, op 4^" 26' X. B. en 95^ 17' O. L. 

Deze asch bestond uit een grijs , korrelachtig poeder , 
waarin door middel eeiier lens duidelijk, kleine stukjes 
augiet herkend konden worden. Bij eene temperatuur van 
281-° O. liad zij een specifiek gewigt van 2,834. Met wa- 
ter behandeld , werd een klein gedeelte hierdoor opgelost ; 
deze oj)lossing , welke neutraal reageerde , bevatte zwavel- 
zuur, chloor, magnesia, kalk en sporen van aluinaarde ; salpe- 
terzure of aramoniakale zouten konde ik niet in liaar ont- 
dekken ; de bepaling harer kwantitatieve zamenstelling heeft 
plaats gehad als volgt; 



— A-7'Z — 

1. Bcjjalüuj van liet vater. 

0,313 gr. asch verloren op 100 °/ e. gedroogd 0.005 gr. 

:=^ 1,5987^ water. 

2. Bcpalinij van lict (jlceiccrlies. 

0,502 gr. ascli ^Yerden gegloeid en verloren hierdoor aan 
gewigt, 0,027 gr. 

- 5,3787, 

3. Bepalhnj van de in water oplosbare deelen. 

0,311 gr. werden met warai water uitgeloogd, daarna ge- 
filtreerd, gedroogd en gewogen; de asch had aan gewigt 
verloren 0,011 gr. 

^ 3,2157, 

Deze oplossing in water werd in twee gelijke deelen ge- 
scheiden , en in de eene helft het chloor , en in de andere 
het zwavelzuur bepaald. 

4. BepaUnrj van hel chloor. 

De eene helft van de in no. verkregene o])lossing, gaf 
met nitras argenti bedeeld, aan chlor. arg. 0,0035 gr. 

:rj 0,5 5 G 7, chloor. 

5. Bepaling van het zioavelzuur. 

De andere helft met chlor. baryl vermengd gaf aan sul- 
phas barytae 0,003 gr. 

^ 0,6627^ zwavelzuur. 

6. Bepaling van het kiezelzuur. 

0,502 gr. asch werden zoo fijn mogelijk verdeeld en met ge- 
droogden carbonas sodae gegloeid; vervolgens de gegloeide 



— 473 — 

massa met acid. liydrocliloricum overgoten en de daardoor 
af'gesclieldene kiezelaarde volgens bekende regelen behan- 
deld en gegloeid zijnde, verzamelde men hiervan 0,255 gr. 
^ 50,398% silica. 

7. Bepaling van de aluinaarde. 

De vloeistof, waaruit de silica was verwijderd , werd met 
ammonia bedeeld, het door ijzeroxyde bruin gekleurd ge- 
leiachtig nederslag afgescheiden , met eene sterke oplossing- 
van potassa caustica behandeld en nogmaals gefiltreerd ; na 
het fikraat met acid. hydrochloricum zuur gemaakt te heb- 
ben , werd met ammonia de opgeloste aluinaarde nederge- 
sliigen , afgezonderd en gegloeid; zij woog 0,138 gr. 

^^27,49% 

8. Bepalimj van het ijzeroxyde. 

Het in potassa caustica onoplosbaar zijnde ijzeroxyde 
(zie n°. 7) werd in acid. hydrochloricum opgelost, door am- 
monia gepreciplteerd , afgezonderd en gegloeid ; het woog 
0,065 gr. 

^ 12,9487, 

9. Bepaling van den kalk. 

Nadat nu de silica , aluinaarde en het ijzeroxyde bepaald 
waren , voegde men in de vloeistof oxalas ammoniae , en 
verkreeg aan oxalas calcis 0,07 gr. 

r^ 5,3497,3 kalk. 

10. Bepaling van de magnesia. 

In de vloeistof bij no. 9 aangeduid , werd phosphas am- 
moniae gevoegd, de nedergeslagene phosphas ammoniae et 



— 474 — 

magneslac verzameld en gegloeid; men verkreeg aan py- 
rophosplias magnesiae 0,012 gr. 

;=; 0,875Yq magnesia. 

Do vloeistof waaruit de magnesia was verwijderd, werd 
nu met eene oplossing van baryta caustica gekookt en ge- 
filtreerd, en het filtraat door carbonas ammoniae van de 
overvloedig aangewende baryta bevrijd , tot droogwordens 
uitgedampt en gegloeid ; deze verkregene hoeveelheid werd 
daarna met wijngeest van 86^^ uitgetrokken , en de op- 
lossing hierdoor verkregen , in twee deelen gescheiden ; in 
de eene helft voegde men chlorid. platin. toe, zonder dat hier- 
door eene zigtbare reaktie op potasch verkregen werd; de 
andere helft werd met eenige droppels zAvavelzuur ver- 
mengd, uitgedampt, gegloeid en vervolgens met water be- 
handeld; zoowel door de sterk gele kleur der hiermede 
vermengd zijnde alkoliol-vlam , als door de reaktie van an- 
timonias potassae, werd het aanwezen van eene kleine 
hoeveelheid soda buiten twijfel gesteld , maar het gewigt 
der aan mij verstrekte ascli was te gering , dan dat ik 
haar gehalte naauwkeurig zoude hebben kunnen bepalen. 

Ik zal de verzameling der resultaten dezer asch-analyse 
tevens vergezeld doen gaan van de uitkomsten eener ge- 
lijksoortige analyse van eene asch , in 1 844 door den Goe- 
noeng Goentoer uitgeworpen, en door dr. Fr. Junghuhn 
te Bultenzorg verzameld, en welke door den heer P. J. 
Maier in het Natuur- en geneeskundig-archief voor N. I. is 
publiek gemaakt , om reden er In de som der hoofdbestand- 
dcelen dezer beide vulkanische asschen , eene groote over- 
eenkomst is op te merken. 

Verzameling. 

100 deelen der onderstaande vulkanische asschen bestaan 



— 475 — 

Volgens Rost van Tonningen Maier. 

Uit kiezelaarde . . 50,398 l)l,7GG7 

aluinaarde . . 27,490 25,76G7 

ijzeroxyde . . 12,948 13,6667 

kalk .... 5,319 7,4369 

magnesia ... 0,875 0,9424 

zwavelzuur . . 0,662 0,0172 

chloor. . . . 0,556 0,0203 

vater . . . 1,598 0,3220 

soda en verlies . 0,124 0,0611 

100,000 100,000 

Van deze assclien is in 

^vater oplosbaar 3,215% . . 0,37^ 

Bij deze opgaven zijn het vooral twee feiten , welke op- 
merking verdienen ; 1^ de overeenstemming welke bij beide 
bestaat tussclien de som der lioofdbestanddeelen van de vul- 
kanische assclien (kiezel, aluinaarde en ijzeroxyde) en 2^ 
het betrekkelijk groote verschil daarentegen in het gehalte 
aan zuren (zwavelzuur en chloor) en als onmiddellijk gevolg 
hiervan tusschen de hoeveelheid der in water oplosbare 
deelen. Deze laatste omstandigheid vooral is niet van be- 
lang ontbloot , als men bedenkt , dat het juist deze in wa- 
ter oplosbare stoffen zijn , welke een onmiddellijk deel kun- 
nen nemen aan de voeding der gewassen , zoodat men met 
grond stellen kan, dat eene landstreek, welke bij eene uit- 
barsting van ver afgelegene vulkanen, met eene dunne ascli- 
laag van gelijke zamcnstelling als die, welke door den heer 
Maier is onderzocht, wordt overdekt, voor den landbouw 
aldaar veel minder waarde hebben zal, dan die, welke 
thans geanalyseerd is ; dat dit laatste ook in naauwe betrek- 
king staat, met de meerdere of mindere waarde der berg-, 
afspoelingen naar de lager gelegene streken, volgt hieruit 



— 476 — 

als van zelf. Verder is het thans op nieuw bewezen , dat 
de vulkanische asschen Aan dezen Archipel zeer in onder- 
linge zamcnstelling afwijken; dit wordt nog duidelijker door 
mijne analysen van vulkanische asschen, Avelke in den 2i 
jaargang van het Nat. Tijdschrift voor N. I. pag. 461 ge- 
publiceerd zijn. Om hierin ecliter het noodzakelijke verband 
aan te toonen , en deze asschen als het ware in verschillende 
soorten te kunnen rangschikken, hiertoe ontbreekt tot he- 
den het noodig aantal onderzoekingen , en eene rigtige ver- 
klaring en toepassing is dus voor latere tijden bewaard. 

Bidtenzor<j , 11 Xovemher 1856. 



VERGADERINGEN 

DER 

NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDERLANDSCII INDIE. 



BESTUURSVERGADERING 
GEHOUDEN DEN 20sten NOVEMBER 1856 TEN HUIZE VAN DEN 

HEER J. Grolt,, 



Tegenwoordig zijn de besturende leden, de HH. 

P. Bleeker, President. 

J. Groll. 

G. F. De Bruijn Kops, BïbiiothekarU. 

G. A. De Lange. 

A. W. P. Weitzel. 

J. J. Altheer , Sekretaris. 

Terwijl de gewone leden de HH. E. Netscher en H. L. 
Janssen de vergadering als gasten bijwonen. 

1 . De president herinnert het verlies , door de Vereeniging 
geleden in het overlijden van haren Vicepresident den heer 
P. Baron Melvill van Carnbee. Om het aandenken aan 
den waardigen overledene levendig te houden stelt hij voor , 
een levensberigt te plaatsen in het Tijdschrift der Vereeniging 
en pogingen in het werk te stellen , het portret van den 

Se SERIE DL. II. 31 



— 478 — 

overledene te erlangen , ten einde dit voorloopig in het 
archief te bewaren om het later bij het erlangen van een 
gebouw voor de Vereeniging , in de vergaderzaal te plaat- 
sen , even als zulks reeds bepaald is voor de afbeeldsels der 
overledene besturende leden II. D. A. Smits en S. H. De 
Lange. 

2. De president verwelkomt den heer AYeitzcl , met zijne 
behoudene terugkomst van de Lampongsche expeditie. 

Worden ter tafel gebragt. 

1. Brief van het korrespondcrend lid in Nederland den 
hoogleeraar W. Yrolik, van Amsterdam den 8" September 
1856, waarbij mededeeling wordt gedaan, dat de bibliothekaria 
van de Jardin des plantes te Parijs omtrent de Vereeniging hem 
het volgende heeft geschreven : „ Cette Socicté a adresse au 
Muséum son Natuurkundig tijdschrift, llecueil plein de docu- 
ments interessants; il nc manque k notre blbliothcque que les 
cahiers 1, 2, 5, et 6 du tome VI, publid en 1854'''', met 
verzoek , dat genoemde Bibliotheek in het bezit van de ont- 
brekende afleveringen moge worden gesteld. 

Wordt besloten genoemde afleveringen aan die bibliotheek 
te doen geworden. 

2. Brief van de American Academy of Arts and Sciences, 
van Boston June 24, 1856, inhoudende berigt, dat met het 
barkschip Nederland door de zorg van den heer G. H. 
Dana eenige boekwerken zijn verzonden aan de A'^ereeniging , 
terwijl tevens aanzoek wordt gedaan om het 1^ deel van het 
Tijdschrift. 

De boekwerken niet ontvangen zijnde , wordt besloten , 
zulks aan genoemde Akademie te berigten. (Omtrent het doen 
toekomen van het 1<= deel van het Tijdschrift is reeds be- 
sloten in de bestuursvergadering van 9 Oktober 1850). 

3. Brief van de HII. Van Ommeren en Eucb , waarbij 
wordt medeo-edeeld , dat is aangekomen eene kist aan het 



- 479 — 

adres van den heer Bleeker inhoudende boeken , bestemd 
voor de Vereenioino;. 

Aanojenomen A'oor kennis2;ave. 

4. Brief van den heer A. W. M. Van Hasselt, van Utrecht 
den 8n September 18ü6, inhoudende dankbetuiging voor zijne 
benoeming tot korresponderend lid der Yereeniging. 

5, Brief van den heer C. P. Brest van Kempen , van Serang 
den 3In Oktober 1856, berigtende dat hij zijne benoeming- 
tot gewoon lid der Vereeniging in dank aanneemt. 

G. Brief van den heer H. L. Janssen, van Batavia den l)n 
November 185G, van gelijke strekking. 

7. Brief vanden heer D. C. Noordziek, van Toeion f^ao-on o- 

' OOG 

den 6n November 1856, van gelijke strekking. 

8. Brief van den heer C. Bosscher, van Batavia den Gn 
November 1856, van gelijke strekking. 

9. Brief van den heer C. Van derMoore, van Banjoemas 
den lln November 1856, van gelijke strekking. 

10. Brief van den heer J. B. Quartero van Pasoeroean 
den 12n November 1856, van gelijke strekking. 

11. Brief van den resident van Batavia, van Batavia den 
27n Oktober 1856, houdende verzoek te mogen ontvangen 
een verslag betreffende het wetenswaardige der verrigtingen 
van de Vereeniging over het loopende jaar. 

Wordt besloten den resident voornoemd later een gedrukt 
verslag toe te zenden. 

12. Brief van het adviserend lid den heer Frombersr. 
van Buitenzorg den 30n Oktober 1856, alsmede een daarbij 
gevoegd monster vezelen. De inhoud van den brief luidt 
als volgt: 

„Met genoegen heb ik voldaan aan het verzoek van het 
bestuur onzer Vereeniging, vervat in de missive van 25 
September 11. No. 85. 

„Zoodra de loop van andere bezigheden het vergunde; 



— 480 — 

heb ik den mij gezonden pinang-dop op de wijze, zooals 
vroeger hier ten opzigte van andere vezelachtige stoffen is 
toegepast, in eenen min of meer papvormigen toestand trach- 
ten te brengen. Ik moet echter tot mijn leedwezen betuigen , 
en zulks zal der direktie uit het hierbij aangeboden mon- 
ster blijken , dat dit mij niet is mogen gelukken."" 

„ Ofsclioon ik cene sterkere loog dan gewoonlijk gebruikt, 
en het koken en afwisselend warm trekken verscheiden 
dao"en lang voortgezet heb, heeft toch de vezel slechts wei- 
nig van zijne vastheid verloren, en is alleen op het aan- 
voelen wat minder ruw en buigzaam geworden. liet komt 
mij voor, dat hij in stijfheid en duurzaamheid niet veel on- 
derdoet voor de zoogenaamde goemoeti of injoe , de blad- 
steelharen der Saguerus (arenga) , en ware de kortheid der 
vezels geen beletsel , dan zouden zij waarschijnlijk zeer goed 
voor touwwerk of weefsels kunnen dienen". 

„ liet is waar , dat de vezels A-an het hierbij gaande mon- 
ster ligt zijn van een te trekken; maar na zulk eene proef 
als zij van bijtend alkali ondergaan hebben , gevolgd door 
cene, mede verscheiden dagen lang voortgezette, doorvoe- 
ring van chloor, kan zulks geene verwondering baren. 
Deze vezels zijn dus niet te beschouwen als den maatstaf 
aangevende van de natuurlijke sterkte". 

„De inwerking van chloor heeft alleen de bruine kleur 
tot eene bruinachtig gele verhelderd, en ik geloof niet, 
dat daardoor, hoe lang ook voortgezet, immer eene volko- 
men ontkleuring zou kunnen verkregen worden". 

„Door deze verschillende behandelingen is er 31,2 Vo 
van het gOAvigt der ruwe vezelen verloren gegaan. De 
geheele dop woog 221/2 wigtjes". 

„ Een klein gedeelte A'an deze aldus behandelde vezels , 
heb ik nog gedurende een paar dagen warm getrokken 
met een mengsel van een deel zeezoutzuur en ongeveer 



— 481 — 

vijf dcelon -water. Het zal, bij vergelijking, blijken, dat 
daardoor de gele kleur iets verhoogd is. AYare er salpe- 
terzuur gebruikt geworden, dan zou men kunnen denken aan 
het ontstaan van een weinig xanthoproteïnezuur , en dus 
aan de tegenwoordigheid van eene eiwitachtige stof, onbe- 
reikbaar voor de gebezigde loogoplossing. Ik achtte het 
onnoodig dit te onderzoeken.''' 

„ Te beproeven of deze vezelen in de allersterkste bij- 
tende loog tot eene papachtige massa zouden overgaan , heb 
ik mede onnoodig geacht. Zoo ja , dan zou dit toch op 
groote schaal te kostbaar , en dus niet praktisch wezen.'' 

„ Ik moet dus tot het besluit komen , dat deze vezelen 
geene geschikte grondstof ter papierbereiding kunnen op- 
leveren. Dit is nu wel in zoo verre eene teleurstelling 
te noemen, als bij de toenemende vraag naar papier- 
stofFen elke bijdrage , hoe beperkt ook in hoeveelheid , 
gewenscht moet zijn. Doch dewijl aan den anderen kant 
van padistroo, en gelijk ik juist thans bezig ben te beproe- 
ven , en wel reeds kan bevestigen, van de korte , onbruik- 
bare vezelen , overblijvende bij de bereiding van pisang- 
en ananas-garen , met veel minder moeite eene zeer bruik- 
bare papierpap kan gemaakt Avorden, is die teleurstelling 
niet groot te noemen: te minder, zoo wij daarbij bedenken, 
in lioe groote hoeveelheid de drie laatstgenoemde grond- 
stoffen verkrijgbaar zijn." 

AVordt goedgevonden , den heer Fromberg dank te zeg- 
gen voor de gegevene inlicliting en een afschrift van zijnen 
brief te zenden aan den generaal Yan Swieten , met uitnoodi- 
glng, dat hij , hoewel de verkregen uitkomst van het bekleedsel 
van de pinangnoot niet zeer gunstig is , moge voort- 
gaan met het toezenden van alle zoodanige artikelen , Avel- 
ker nader onderzoek in een natuur- of scheikundig opzigt 
gunstige uitkomst belooft voor de industrie. 



— 482 — 

13. Brief van het adviserend lid , den lieer Zollingger , van 
Rogodjampi den 28n November 18156, mededeeling bevatten- 
de, dat ingevolge dezerzijdsch scliijven besteld zijn vier mi- 
kroskopen en verzamelingen van mikroskopische voorwerpen, 
met verzoek liet geldelijk bedrag daarvan uit te betalen aan 
de firma Engelhard & Co. te Batavia. 

Wordt besloten den thesaurier uit te noodigen daaraan te 
■vvillen voldoen. 

14. Brief den heer Zollinger van de zelfde plaats en dag- 
teekening , aanbiedende 2 bijdragen , getiteld. 

rt. Observationes botanicae novae ; 
h. Over het aantal onweder- en regendagen op Java. 
Wordt besloten tot plaatsing dezer bijdragen in het Tijd- 
schrift der Verecniging. 

15. Brief van het lid den heer Bernelot Moens , van 
Batjan den In Oktober 1836 mededeeling bevattende, dat 
aan den heer Bleeker zijn verzonden eenige vischsoorten 
van Batjan. Ten opzigte van het eiland Batjan luidt die 
brief als volgt: 

„Zeer aangenaam was het mij, te zien, dat gij van mee- 
nino- schijnt te zijn, dat de toekomst van Batjan nog niet 
zoo geheel duister is. Vergun mij mijne opinie over Ba- 
tjan mede te deelen , zooals ik het heb leeren beoordeelen ge- 
durende een 2-jarig verblijf en gedurige informatiën bij 
hen , die lang hier woonden. 

„De vroeger ontgonnen steenkolenlagen , die met vrucht 
op stoomschepen gebruikt zijn, Avaren misschien reeds hon- 
derden jaren aan den invloed van licht , lucht en regen bloot- 
gesteld geweest en waren dus verweerd ; had men echter dieper 
o-eo-raven dan was de kwaliteit zeker beter geworden. Men be- 
sloot nu echter de put te Ajer-membia te laten zinken. 
Had men nu bij de komst van den gouverneur generaal de 
moeite genomen, den hoogstens 20 minuten langen weg 



— 483 — 

naar de oude mijn schoon te maken en den opperlandvoogd 
de daar blootliggende lagen vertoond, dan had dit zeker 
gunstiger indruk gemaakt dan nu men hem op een open 
terrein gebragt heeft, waar niets te zien was. 

„ Goud is overvloedig op Batjan , doch kan nimmer naar 
■svensch ontgonnen worden, wanneer dit, zoo als hier, zonder 
toezio-t ojaat , of liever onder het toeziot van een' chineschen 
mandoor, die zelf banneling is, sterk dobbelt en ruim voor- 
zien is van gouden ringen , terwijl hij , op Batjan aankomen- 
de, dood arm was. De geheele streek langs Ajer-besaar 
houdt goud en ik heb mij , de kettinggangers vergezellende 
bij het kappen van wegen, daarvan bij herhaling overtuigd, 
en zelf eene plaats gevonden, waar men zeer ligt per dag 
'm '-^ ^/2 <iuit goud kan wasschen (de spaansche mat van 
9 duiten batjansch goud is ƒ 45 waard). Ik ken perso- 
nen , die tot 2 duiten per dag hebben gevonden. Als 
men dit vergelijkt met de resultaten van den arbeid der chi- 
nesclie mijnwerkers , dan loopt het in het oog , dat zij enor- 
me lanfre vinders moeten o-ehad hebben. 

„Van het geheele Sebela-gebergte is nog niets onderzocht, 
hoewel in de van hetzelve stroomende rivieren zeer rijk 
koj)ererts , ijzer en kristal gevonden worden. 

„Koper vindt men nog boven de goudwerken op Poan 
langs Ajer-besaar en verder op Kassiroeta , terwijl op dit 
laatste, ook nog niet onderzochte, eiland diverse edele ge- 
steenten in massa gevonden worden. 

,, Bij Kassiroeta zijn rijke parelbanken ; op Indari en Kassi- 
roeta nagelen en pala , en fiieii zegt dat er vogelnestjes (eetbare) 
aan de rivier Sajawang zouden zijn. De bosschen leveren 
de jn-achtigste meubelhoutsoorten , het duurzaamste timmer- 
hout. De grond is overal vruchtbaar bij uitnemendheid.'"' 

IG, Brief van den resident van Timor, van Koepani^ 
den 18n Oktober 1856 , mededccling, bevattende, dat zich iu 



— 484 — 

die residentie voor de bundels Verhandelingen der Vereeni- 
ging gcene inteekenaren hebben opgedaan. 
Aan£;enomen voor beriojt. 

17. Brief van het lid den heer Hageman , van Soerabaj.i 
den 20n September 185G ten geschenke aanbiedende een 
exemplaar van zijn werk: Geschiedenis van den oorlog 
op Java 1825-1830. 

Wordt besloten bij missive den dank der direktie voor de 
aanbieding te betuigen. 

18. Brief van het besturend lid den heer Tlost van Ton- 
ningen, van Buitenzorg den 1 In Oktober 1856, toezendende 
de uitkomsten van het onderzoek der vulkanische asch , hem 
door de direktie tot onderzoeking in handen geteld (zie not. 
bestuursverg. 19 Julij jL). 

Wordt besloten den heer Kost van Tonningen den dank 
des bestuurs te betuigen en zijn berigt te plaatsen in het 
Tijdschrift der Verecniging. 

19. Brief van den direkteur der kulturos , van Batavia den 
30n Oktober ISUG no. 3991/2» tier Vereeniging ter plaatsing 
aanbiedende een door den agrikultuur-chemisfc den heer From- 
berg opgemaakt verslag van het onderzoek van ecnige mon- 
sters ampas van suikerriet. 

Wordt besloten tot plaatsing van dit verslag in het Tijd- 
schrift der Vereeniging. 

20. Van den eersten gouvernements sekretaris van Ba- 
tavia den 25n Oktober 1856 no. 2074 aanbiedende het 
drieraaandelijksch verslag der verrigtingen van den geogra- 
phischen ingenieur G. A. De Lange, godagt. 4 Okt. 1856 
K. VII. no. 3 , met magtiging om daarvan voor het Tijd- 
schrift der Vereeniging gebruik te maken. 

De heer De Lange wenscht, dat ook dit verslag voors- 
hands nog worde aangehouden , ten einde het tot een ge- 
heel te kunnen bewerken met nog een nader in te dienen 
rapport. 



— 485 — 

21. De licor Bleeker biedt aan ter plaatsing: 

Xieuwe bijdrage tot de kennis der iclitliyologische fauna 
van Bali. 

AVordt besloten tot opname in liet Tijdschrift der Yerecniging. 

2'2. De president vestigt de aandacht op de verkiezing der 
direkteuren tot de verschillende betrekkingen in het be- 
stuur voor het volgende jaar , ^vaarvoor de stemming in eene 
der volgende bestuursvergaderingen zal bohoorcn plaats te 
hebben. 

23. De behandeling der zaak , hoedanig de direktic der Vcr- 
eeniging zich te verstaan hebbe met de Nederlandsch-Indische 
Maatschappij van Nijverheid ter oprigting of aanschaffing 
van een gebouw , wordt uitgesteld tot de volgende bestuurs- 
vergadering. 

24. Ingekomen boekwerken : 

Yei'slag van eenige verzamellugeu van zee- eu zoetwater-vls- 
sclicn van liet eiland Bauka door Dr. P. Bleeker. Biocli. 8» (van 
deu schrijver). 

Derde bijdrage tot de kennis der iclitliyologlsclie fauna van ed 
Batoe-eilanden door Dr. P. Bleeker. Broch. 8o (van den schrijver). 

Bijdrage tot de kennis der ichtliyologische fauna van het eiland 
Boero, door Dr. P, Bleeker. Broch, 8» (van den schrijver). 

Bijdrage tot de kennis der iclitliyologische fauna van het eiland 
Nias door Dr. P. Bleeker. Broch. 8o (van den schrijver). 

Achtste bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Ternate door Dr. P. Bleeker. Broch. 8o (van den schrijver). 

Rapport aan de direktie vande Xederlandscli-Iudische Maatschap- 
pij van Nijverheid omtrent eeuen nieuwen vorm waarin kokosnoten- 
olie kan verzonden Avorden, de verandering, die zij daarbij onder- 
gaat, en in hoeverre zij daarbij van industriële Avaarde blijven 
kan, door J. J. Altheer Broch. So (van den schrijver). 

Gedegen ijzer van Kadoe door J. J. AUlieer Brocli. 8o (van 
den schrijver). 

Physisch en chemisch onderzoek van de gronden der suiker- 



— 48 G — 

fabriek Wonopringo in Pukalongan, uitgevoerd door D. W. Rost 
van Tonningen. Brocli. 8» (van den schrijver). 

Bijdrage tot de geologische en rainei'alogische kennis van Neder- 
landsch Indiö door de ingenieurs van het mijnwezen in Neder- 
landsch-Indiü. No. XVII. Onderzoek naar het aanwezen van 
steenkolen in het terrein aan de Tjiletockbaai, residentie Prean- 
ger-rcgentschappen, door O. F. U. J. Huguenin. Broch. 80 (van 
den schrijver). 

Tijdschrift voor Indische Taal- Land en Volkenkunde, deel 
VI afl. 1, 2 en 3. 8° (van het Bat. Gen. v. K. en Wet). 

Geschiedenis van den Oorlog op Java van 1825 — 1830, door 
J. Hageman, Jcz. Batavia 1856, 8'^ (van den schrijver). 

Verslag over de proeven met kuituur van suikerriet door Dr. 
P. F. H. Fromberg. Broch. 8° (van den schrijver), 

Conspectus spccierum piscium moluccensiura hucusque cognita- 
rum auct. Dr. P. Bleeker. Batavia 185G 4°. (van den schrijver). 



BESTUURSVERGADERING 
GEHOUDEN DEN lOtlen DECEMBER 1856 TEN HUIZE VAN DEN 

HEER J. J. Altheer. 



Tegenwoordig zijn de HII. 

P. Bleeker, President. 

G. F. De Bruijn Kops, BJbliothekaris. 

J. J. Altlieer, SekretarJs. 

Tenvijl liet lid de heer Krajcnbrink de vergadering als 
gast bijwoont. 

Hoezeer de vergadering niet talrijk genoeg is , om, met het 
oog op de wetten der Vereeniging, besluiten te nemen, wordt 
goed 2;e vonden, onder nadere 2;oedkeurino; der niet aanwezi- 
ge direkteuren , de loopende zaken af te doen. 

Worden ter tafel gebragt. 

1. Brief van den direkteur-generaal waarnemend direktcur 
van finantiën van BataA'ia den 29n Xovember I80G No. 9216, 
waarbij verzocht wordt inlichting omtrent de wijze, waarop het 
bij dezerzijdsch verzoekschrift van den 27n Oktober 1856 
aangevraagde voorschot van ƒ 10000, voor het geval het 
Wordt verleend, zal worden terugbetaald. 

"NYordt bepaald, dat den direkteur voornoemd ten deze de 
zienswijze der direktie nader zal worden medegedeeld. 

2. Yan den heer Van den Heuvel, boekhandelaar te Leiden, 
van den 8n Augustus 18u6, gerigtaan de boekhandelaren Lange 
en Co. en door deze ter inzage der direktie aangeboden, waar^ 



- — 48S — 

bij rekening en verantwoording worJt gedaan van de exem- 
plaren van het ïijdsclirift der Vereenigiiig, ter verkoop naar 
Nederland gezonden, enz. 

\7ordt besloten : 

a. Den boekhandelaar Van den Heuvel te Leiden te 
blijven belasten met de verspreiding van het Tijdschrift in 
het moederland. 

h. De boekhandelaren Lange & Co. te Batavia uit te 
noodigen, de verzending der exemplaren van het tijdschrift 
geregeld te doen plaats vinden, en van elke verzending 
der direktle te kennis te geven. 

c. De Acta der Vereenifrino; onder dezelfde voorwaarden 
als het Tijdschrift, aan den boekhandelaar Van den Heuvel 
te Leiden in kommissie te zenden en zulks voorloopig met 
30 exemplaren. 

cl. Uit Nederland terug te ontbieden 6 exemplaren van 
het Ie deel van het Tijdschrift, daar dit in Indiü is uit- 
verkocht. 

o. Brief van een der leden der Vereeniging , van den 21'n 
November 183G, aanbiedende ter overname eenio;e zeldzame 
en kostbare boekwerken. 

De heer Bleeker berigt , dat reeds is verzocht opgave der 
prijzen, zoodat na ontvangst daarvan over den aankoop 
kan worden beraadslaagd. 

4. Twee brieven van den heer J. C. W. Van Heeckeren 
tot Waliën , gedagtcekend Batavia 22 en 27 November 1S1>6, 
■waarvan de eerste inhoudt, dat schrijver zich bereid verklaart 
tot de vertalino; van den hooo-duitschen tekst van voor het 
tijdschrift ingezondene bijdragen. 

Den heer Van Heeckeren tot "Wallen is bereids de 
dank der direktie daarvoor overgebragt. 

5. Van de firma Van Ommeren , Kueb en Co. van Batavia 
den 2S" November 1850, inhoudende berigt, dat per de Maria 



— 489 — 

Adriana, gezagvoerder Van der Held aan het adres vanden heer 
Blceker is aangebragt en in het regalen-pakhuis gedepo- 
neerd eene kist met boeken. 

Deze kist, Avaarschijnlijk voor de Yereeuiging bestemd zijn- 
de, wordt de heer De Bruijn Kops uitgenoodigd, daarnaar 
onderzoek te doen. 

6. Van het lid den generaal majoor Van Swieten , van 
Padang den 4n December 1856, kennisgave bevattende dat 
bij het lidmaatscliap der Vereeuiging aanneent. 

7. A^an het lid den heer J. A. Krajenbrink van Toe- 
lokdjambe 22 Oktober 1857 van den volgenden inhoud: 

,; In de 3e aflevering van deel III, nieuwe serie, van het 
Tijdschrift voor Indische taal- land- en volkenkunde, komt 
voor eene overlevering omtrent de reuzen van den berg 
Patiajam in Japara (Patti) en daarna een verhaal van wij- 
len den oud regent van Patti van 1814 , ten slotte waar- 
van voorkomt, dat men ten tijde van zijnen vader reuzen- 
beenderen en schedels, van zeer grooie tanden voorzien, 
aan den voet van voormeld gebergte opgedolven heeft, van 
tcelke tanden eenige medegeno77ien en tot badj oe-hioopen 
vervaardigd roerden." 

„ Het komt mij voor , dat de laatste positieve omstandig- 
heid waardig is nader onderzocht te worden , waardoor men 
welligt tot de ontdekking van hoogst belangrijke petrefak- 
ten zou komen." 

Wordt besloten, bij brief den resident van Japara op de- 
ze bijzonderheid opmerkzaam te makeiv en hem uit te noo- 
digcn daarnaar eenige onderzoekingen in het werk te wil- 
len doen stellen. 

8. Eene verzameling mineralen uit de omstreken van Klat- 
ten (^lidden-Java) van het lid den heer Schneider. 

Wordt besloten tot plaatsing in de verzamelingen der 
Vereeniging. 



— 400 — 
9, Ingekomen boekwerken. 

Smitlisonian contributions to knowledge Vol. I. — Vol. VIL, 
Wasbiugton 1851 — 1855. (van de Institiition). 

Smitlisonian report on tlie coustniction of catalogucs of libra- 
ries and of general catalogiie. "Wasbington 1853. (van de Institntion), 

Seventb annual report of tbe board of regents of tbc Smitbso- 
nian Institntion to tbe senate and bouse of representatives, sbowing 
tbe opcrations, expenditnres and condition of tbe Institntion du- 
ring tlie year 1852, "Wasliington 1853 8° (van de Institntion). 

Eigbtli annual report id. id. up to January 1, 1854. (van de 
Institntion). 

Nintb annual report id. ld. up to January 1, 1855. (van de 
Institution). 

The American Journal of science and arts No. 40 — No. 57 
New-baven July 1853 May 1855. (van de redaktie). 

Report of tbe debates in tbe convention of California on tbe 
formation of tbe state constitution in September and October 
1819 bij J. Ross Browne , Wasbington ; printed bij Jobn T. To- 
lvers 1850. 8° (van de Smitbsonian Institution). 

Catalogue of tbe dcscribed Coleoptera of tbe United States bij 
Friedricb Ernst Melsheimer, revised bij S. S. Ilaldeman and J. 
L. Le Conté. Wasbington.- Smitbsonian Institution July 1853. 
(van de Institution). 

Directions for collectiug, preserving and transporting specimens 
of natural bistory, prepared for tbe use of tbe Smitbsonian Insti- 
tution (second edition) Wasbington Jan. 8° 1854. (v^an de Institution), 

List of foreign Institutions in correspondence Avitb the Smitb- 
sonian Institution. 4° (van de Institution), 

List of -works publisbed by tbe Smitbsonian Institution, Was- 
hington. 4° (van de Institution). 

Prospectus. Contributions of tbe natural bistoiy of tbe United 
States, in ten vol. quarto, by Louis Agassiz. To be published by 
Messers Little, Brown and Co of Boston, Mass. (van de Smitbsanion 
Institution). 

Smitbsonian Institution, Wasbington, D, C. Registry of peri- 
odical pbenomena. 4^ (vau de Institution), 



— 4-91 — 

Djscription of ncw genera of North American Frogs,bij Spen- 
cer F. Biiird (from the Proceedings of Academy of Natural Scien- 
ces, April, 1854). (van den schrijver). 

Contributions to mineralogy bij James D. Dana. (from the Ame- 
rican Journal of science and arts, 2^ Series, Vol. XVIII. Nov. 
1B54 {van den schrijver). 

Description of a uew species of Ciyptopodia from California, 
bij James D, Dana (van den schrijver). 

Chemical contributions to mineralogy by James D. Dana (ex- 
tracted from the American Joui'nal of science and arts, Vol. 
XVIII, sccond series, Jnly, 1854). (van den schrijver). 

First supplement to Dana's mineralogy bij the author Cextrac- 
ted from the American Journal of arts , vol. XIX , Second series 
pp. 353 — 371, May, 1855 (van den schrijver). 

Descriptions of some of the new marine invertebrata from 
the Chinese and Japanese Seas, Bij Wm. Stimpson, zoologist to 
the U. S. Surveying Expedition to North - Pacific, Japan Seas, 
etc, (from the Proceedings of the Academy of natural sciences, 
May and June, 1855 (van de Academy). 

On the homaeomorphism of mineral species of the trimetric 
system bij James D. Dana. (from the annals of the Lyceum 
of Natural History of New York, Vol. VI, p. 37). (van den 
schrijver). 

The annular eclipse of IMay 26 1854 published under the au- 
thority of Hon. James C. Dobbin, "Washington 115-1 (van de 
Smithsonian Institutlon). 

Constitution and by-laws of the New Orleans Academy of 
Sciences. New Orleans , Louisiana 1853. 8° (van de Academy). 

Proceedings of the New- Orleans Academy of Sciences vol. 1. 
March. 1, 1854 No. 1. (van de Academy). 

Flora van Nederlandsch Indië door F. A. W. INIiqucl Ie Deel 
art. V. 1856, 8° (aangekocht). 

Tiende bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Borneo. Visschen van de rivieren Barito, Kahajan en Kapoeas 
door Dr P. Bleeker Broch. 8°. (van den schrijver). 

Reis door de Minahassa en den JMolukschen archipel, gedaan 



— 102 — 

in de maanden September en Oktober 185G in het gevolg van 
den gouv. gen. IMr. A. J. Duymaer van Twist, door Dr. P. 
Bleeker, 2 deeleu, Batavia 1856. 8o. (van den scbrijver). 

Het Regt in Xedcrlandscb ludië , zevende jaargang No. 3 en 
4. 1856. (van de redaktie). 

Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichtliyologisclie fauna van 
Bali door P. Bleeker. Brocli. 8°. (van den schrijver). 

Berigt omtrent eeuige vischsoorten van Toboali, eiland Banka 
door P. Bleeker. Broch. 8'^ (van den schrijver) 

Nadere bijdrage tot de kennis van de voortteling van Rafflesia 
Arnoldii R. Br. in 's lands plantentuin te Buitenzorg door J. 
E. Teysmaun. Broch. 8° (van den schrijver). 



BESTUURSVERGADERING, 
GEHOUDEN DEN 30sten DECEMBER 1856 TEN HUIZE VANDEN 
HEER STEENSTRA TOUSSAINÏ. 



Tegenwoordig zijn de HH. 

P. Bleeker, President. 

G. F. De Bruijn Kops, Bibiiothekaris. 

G. A. De Lange. 

A. J. D. Steenstra Toussaint. 

J. J. Altlieer, Sekretaris. 

Terwijl het gewone lid de heer Dr. A. Bernsteln ^de ver- 
gadering als gast bijwoont. 

Worden voorgelezen de navolgende brieven. 

1. Van the Australian Museum, dd. Sydney, New South 
Wales, May Ist 1856, bevattende een voorstel tot ruiling 
van voorwerpen uit de natuurlijke historie. 

Wordt goedgevonden te schrijven aan voormelde inrigting , 
dat de direktie met genoegen het voorstel aanneemt en zich 
bijzonder aanbeveelt voor de ontvangst van voorwerpen , die 
op arak kunnen worden bewaard , als visschen , amphibiën , 
krustacecn , moUusken enz., zijnde zij in de gelegenheid, 
wederkeerig zoodanige voorwerpen aan te bieden. 

2. Van het lid den heer Ivinder van Soemedang den 27" 
November 1S56, aanbiedende eenige minerale wateren, 
verzameld uit eenige bronnen , aan den voet des Tam- 

3° SERIE DL. II. 33 



— 494 — 

poemas gelegen ; v.-narbij gevoegd is renc beschrijving dier 
bronnexi door den heer J. Van Vollenlioven. 

Wordt besloten een en ander in handen de stellen van 
den heer Altheer tot onderzoek en den heer Kinder voor 
de betoonde belangstelling den dank der direktie te betuigen. 

3. Yan het lid den heer Teijsmann , A-an Buitenzorg den 
2-ln December 185G Avaarin gemeld wordt, dat de heer 
Hasskarl in Europa is aangekomen , alsmede dat zijne bota- 
nische sumatrasche reis voor de pers gereed is. 

Aangenomen voor kennisgave. 

4. Yan het lid den heer Ivrryenbrink van Toelokdjambe 
den ITi' December 185G, waarbij gevoegd is een bcrigt van 
cene aardbeving in Krawang. 

"Wordt besloten dit berigt in het ïijd.5chrift der Yeree- 
niging op te nemen. 

5. Van den heer J. F. Schultze, adsistent- resident van 
Ambal , vanden 31" Oktober 1856 , kennis gevende A'an de 
verzending eener kist, inhoudende 15 stopflesschen met ver- 
schillende vischsoorten. 

De brief is bereids door den president beantwoord. 

6. Da pre&ident brengt ter iafcl eene bijdrage van den 
heer Altlieer, getiteld: Eetbare aardsoorten en geophagie. 

Wordt aangenomen ter plaatsing in het Tijdschrift. 

7. Tot lid der direktie wordt verkozen, 
het gewone lid der Yerccniging de heer 

M. Th. Keiche, te Batavia. 
alsmede tot gewone leden de liH. 

J. C. W. Baron Yan Heeckeren tot Wallen, te Batavia. 

C. ^y. Schönberg Muller, te Cheribon. 

H. Yon Rosenberg , te Batavia. 

J. Yan Yüllenhoven , te Soemadang. 
7. Worden voorloopig de stemmen opgenomen Aan de 
aanwezige leden des bestuurs ter verkiezing van eenen pre- 



— - 495 — 

sident, vicepresldent , thesaurier, bibliotliekaris , direkteur 
van het museum , redakteur en sekretaris voor het aanstaan- 
de jaar , zullende de niet aanwezige direkteuren bij circulaire 
worden uitgenoodigd de stembilletten met eenigen sjioed in 
te zenden. 

8. Ingekomen boekwerken. 

Considératioas mycologiquss , suivies d'une nouvelle classifl- 
cation des champignons par J. H. LeVeille' Paris, 18J:6, 8°. (van 
den heer Zollinger) 

Die Gletscher der Jetzzeit, von Albert Mousson. Züricli, 1854 8o 
(van den heer Zollinger). 

Lud. Eman. Scliaerer , Lichenum Europaeorum genera ex utra- 
que inetliodo artiiiciali et naturali digerit. Broch. 8o (van den heer 
Zollinger). 

MittlieiluDgen der Naturforsch enden Gesellschaft in Zürich 
Heft I— IX, 1852—1855. Zürich 8o (van de Gesellschaft). 

Denkschrift zur Feier des liundertjahrigen Stiftungsfestes der 
Naturforschender Gesellschaft in Zürich, am 30 Nov. 1846 4°. 
(van de Gesellschaft). 

Meteorologische Beobachtungen angestellt auf Veranstaltung 
der Naturforschenden Gesellschaft in Zürich 1837 — 1846.4°. (van 
de Gesellschaft) 

Second mémoire sur la familie des Myrsinëacées par Alphonse 
Decandolle. 8'^. (van den schrijver). 

De leer der verbranding en zelfverbranding, het aanwenden 
van voorbehoedmiddelen daartegen , bij goederen in schepen ge- 
laden of in pakhuizen opeengestapeld; op last van den gouver- 
neur generaal van N. I. door J. J. Altheei*. Batavia; 1856, 8° 
(van den schrijver). 



BESTUURSVERGADERING 

GEIÏOUDEISI DEN lldcn JaNUARIJ 1857 TEN HUIZE VAN DEN 

HEER BlEEKER. 



Tegenwoordig zijn de dirckteuren , de II, II. 

P. Blceker, President. 

J. Groll 

G. A. De Lange. 

M. Th. Keiche. 

II. K. Steinmctz , Thesaurier. 

A. J. D. Steenstra Toussaint. 

J. J. Altliecr, Sekretaris, 

Terwijl de IIII. leden J. J. Van Limburg Brouwer , L. 
Lindman en C. A. Bensen de vergadering als gasten bijwonen. 

De president verwelkomt den heer Keiche als lid der di- 
rcktie , en heet ook de hceren gasten welkom ter verga- 
dering. 

Worden ter t^vfel gebragt. 

1. Brief van de Real Academia de Ciencias de Madrid, 
van Madrid den 31ii Dec. 1855, bij welke der Vereeniging 
worden aangeboden eenige daarin vermelde boekwerken. 

"Wordt besloten genoemde Akademie daarvoor op de ge- 
wone w'ijze dank te zeggen. 

2. Brief van dezelfde Akademie, van Madrid den 15n 
Julij 1855 , waarbij de ontvangst erkend wordt der haar door 
de Vereeniging toegezondene boekwerken. 

Aangenomen voor kennisgave. 



— 497 — 

3. Brief van dezelfde Akademie, van Madrid den SOu 
September 1855 , waarbij kennis wordt gegeven , dat zij als 
agent te Parijs heeft aangesteld den heer M. A. Frank , 
door wiens tusschenkomst zij voortaan de toezending der 
haar aan te bieden werken verzoekt. 

Aano-enome voor kennisirave. 

4. Brief van het lid, den heer J. C. W. Baron Van 
Ileeckeren tot AValiën, van Batavia , den 9ii Januarij 1857, 
inhoudende dankzegging voor zijne benoeming tot het ge- 
wone lidmaatschap der Yereeniging. 

5. Brief van het lid, den heer C. AY. Schönberg Muller, van 
Palimanang den lOn Januraij 1857, van gelijke strekking. 

6. Brief van het lid den heer H. Von Kosenberg, van 
Batavia den 8n Januarij 1857, van gelijken inhoud. 

De brieven sub 4,5 en 6 aangenomen voor berigt. 

7. Brief van den majoor-adjudant, intendant der gouver- 
nements hotels te Buitenzorg, waarbij op last van den gou- 
verneur generaal worden toegezonden eenige prospectus ter 
inteekening op de Flora van JS ederlandsclt Indic door den 
hoogleeraar Miquel te Amsterdam, alsmede eenige exem- 
plaren der handleiding tot het verzamelen , bewaren en ver- 
zenden van levende planten , zaden en herbaria door den heer 
J. E. Teijsmann (voorkomende in het Natuurkundig tijdschrift , 
3e deel 1852), met verzoek deze stukken te willen zenden 
aan belanghebbenden , enz. 

Wordt goedgeA'onden de prospectus toe te zenden aan de 
leden korresponden ten der Yereeniging, met verzoek der 
inteekening op het werk bevorderlijk te willen wezen , terwijl 
van de toegezonden handleidingen mede het verlangde o-e- 
bruik zal worden gemaakt. Met een en ander zal de majoor- 
intendant voornoemd in wetenschap worden gesteld. 

8. Opgave van den prijs van eenige boekwerken , ingevolge 
het behandelde sub 3 in de voorlaatste bestuursvergadering. 



— 493 — 

Wordt besloten, dat , aansiezien de Vereenigino; de verlano;- 
de som niet kan beschikbaar stellen tot den aankoop van 
bedoelde boek^Yerken , en deze zoowel wegens zeldzaam- 
heid als hooge waarde uitmunten en bovendien tot mati- 
gen piijs worden aangeboden , den chef der geneeskundige 
dienst in overweo-iaf; te geven , de boekwerken ten behoe- 
ve der bibliotheek van de geneeskundige dienst aan te koo- 
pen. 

9. Van het lid, den heer Jhr. Mr. H. C. Van der Wijck 
van Tjiandjoer den 15n Januarij 1857 , houdende mededeeling 
omtrent eene vischsoort , waarAan een schedel van ruim 500'" 
lengte zich bevindt in de verzameling van den heer Bleeker, en 
waaromtrent nadere toelichting vroeger is verzocht geworden. 

De heer Bleeker deelt omtrent dit onderwerp mede, 
dat de bedoelde schedel heeft behoord aan een' meervalach- 
tigen viscli , in AVest-Jara ikan llha , in Midden- Java ikan 
helaling en in Bengalen vaghari geheeten , en in de we- 
tenschap bekend onder den naam van Pimelodus bagarius 
of Bagarius Buchanani Bikr. Deze visch schijnt op Java 
noof grooter te worden dan in het stroomgebied der Gan- 
ges , zijnde uit de grootte van den schedel op te maken , 
dat het voorwerp, van hetwelk die schedel afkomstig is , eene 
leno-te van meer dan twee meters moet gehad hebben. Het 
was gevangen in de rivier Tjimanok nabij Trogon. De heer 
Van der Wijck had meerdere voorwerpen dezer soort doen 
vangen in het Tjiandjoersche, waar zij echter niet de gemelde 
grootte schijnt te bereiken. 

10. Berigt van het lid, den heer P. S. Van Bloemen 
Waanders, te Boleling, van den volgenden inhoud: 

,, Te Rogodjampi , afdeeling Banjoewangi , heeft men eeni- 
ge dagen geleden, bij het graven van eene v/aterleiding , niet 
minder dan acht of tien rijnl. voeten beneden den beganen 
grond, eene merkwaardige vondst gedaan. Men stuitte na- 



— 499 — 

meiijk op eene rots van ongemeene hardheid. In dit gesteente 
bevinden zich honderden afdrukselen van menschenvocten 
en ran karhomven- koeijen-, en paardenpooten. Het zal 
■wellig'-, niet van belang ontbloot zijn , eenige exemplaren 
daarvan naar Batavia te zenden'" , enz. 

Wordt goedgevonden liet lid, den heer C. J. Bosch, 
adsistent-resident van Banjoewangi, te verzoeken eenige exem- 
plaren van gemelden steen met de afdrukselen naar Batavia 
te willen overzenden en daarover wel eenigo nadere in- 
lichtinfr te willen geven. 

11. Brief van het advis3rend lid den heer Zoilinger van 
Soerabaja den 21" December 185 G, waarbij ter beschikking 
der direktie wordt gesteld een stuk getiteld: üeber den Be- 
grifF und ümfang eener Flora Malesiana von H. Zoilinger". 

"Wordt besloten het manuskript in handen te stellen van 
het lid den heer Baron Van Hceckeren tot Waliën met ver- 
zoek het in het nederduitsch te willen vertalen. 

12. Brief van de Maatschappij tot nut van 't algemeen iu 
Oost-Indië, kommissie voorde volksleesbibliotheek, van Ba- 
tavia den 3n December 1856 no 39, houdende verzoek , dat 
gezegde volks-leesbibliotheek met een gratis-exemplaar van 
het Tijdschrift der Vereeniging worde begunstigd. 

Wordt goedgevonden te schrijven aan de boekhandelaren 
Lange en Co. te Batavia , een exemplaar van het Tijdsclirift, 
voor zoo verre het nog voorhanden is, gratis aan de Maat- 
schappij voornoemd te doen toekomen en de Maatschappij 
zelve met dit besluit in wetenschap te stellen. 

13. Brief van het adviserend lid den heer Promberg, van 
Buitenzorg den 30" December 1856, in antwoord op dezer- 
zijdsche missive , waarbij ter inzage , enz. is toegezonden het 
werk van Dr. Forbes Royle (bestuursvergadering van 9 Ok- 
tober sub no 3), mededeeling bevattende, dat niettegenstaande 
de hooge waarde van het werk , het niet ter vertaling mag aaii- 



— 500 — 

bevolen worden om de vele berigten van plaatselijken aard 
en van voorbijgaand belang , welke voor vele nederlandsclie 
lezers weinig waarde hebben. 

Wordt besloten , den heer Fromberg dank te zeggen voor 
de genomen moeite ; alsmede aan den heer Jansen de er- 
kentelijkheid der direktie te betuigen voor de betoonde be- 
langstelling, met overlegging van bovengenoemden brief. 

l-l. Brief van het lid, den heer II. Von Itosenberg, van 
Batavia den lln Januarij 1857, ten geleide van een ten ge- 
schenke aangeboden boekwerk. 

Op de gebruikelijke wijze zal daarvoor de dank der di- 
rektie ■\\-orden betuigd. 

15. Extrakt uit het register der besluiten van den gou- 
verneur-generaal, van Buitenzorg den IC 'i December 1856, 
waarbij kennis gegeven wordt, dat het verzoek der direktie (be- 
stuursvergadering 21 Okt.) om het Tijdschrift en de Wer- 
ken der Vereeniging voortaan in Nederland en het Buiten- 
land te doen verzenden door tusschenkomst van het gou- 
vernement, ter beslissing is opgezonden aan het ministerie 
van koloniën. 

Aangenomen voor kennisgave. 

16. Brief van het dirigerend lid den heer C. De (xroot, 
van Buitenzorg den 10" Januarij 1857. en 

17. Brief van het dirigerend lid den heer D. W. Rost 
van Tonningen van Buitenzorg den 11^ Januarij 1857, beide 
beo-eleidende stembilletten ter benoeming van leden voor 
de verschillende betrekkingen bij het bestuur der \ ereeni- 
mns. voor het jaar 1857. 

Alle ingekomene stemmen opgenomen zijnde, blijkt, dat 
voor het loopende jaar zijn benoemd, tot: 
President, de heer P. Bleeker (herkozen). 
"Vicepresident , de heer A. J. D. Steenstra Toussaint 
Thesaurier, de heer J. C. Pv. Steinmetz (herkozen). 



— bOl — 

Bibliotliekaris, de heer G. F. De Bruijn Kops (herkozen). 

Direkteur van het museum, de heerP. J. Maier (herkozen). 

Hoofdredakteur , de heer P. Bleeker (herkozen). 

Sekretarls , de heer J. J. Altheer (herkozen). 
De aanwezige benoemde HH. de op hen uitgebragte ver- 
kiezhigen zich hebbende laten welgevallen , worden door 
den president in hunne nieuwe betrekkingen verwelkomd. 

18. De heeren Steenstra Toussaint en Reiche worden uit- 
genoodigd , overeenkomstig de wetten der Vereeniging , te 
verifiëren de rekening en verantwoording van den thesaurier 
over het jaar 1856. 

19. Nog wordt bepaald, dat de bestuursvergaderingen voort- 
aan zullen j)laats hebben op den tweeden en vierden Don- 
derdag van elke maand. 

20. Tot geAvoon lid der Vereeniging wordt benoemd de 
heer J. Motlej , te Bandjermasin. 

21. Ingekomen boekwerken. 

Contributions of the Naturalliistory of Labuan and the adjacent 
coasts of Borneo. Bij James jNIotley, of Labuan and Lewis Lle- 
wellijn DlUwijn, Londen .- Part It 8° 1855 (van den heer J. Motley). 

Real Academia de Ciencias de Madrid. Programma para la adju- 
dicacion de premios en el ano 1856. (van de Akademie"». 

Memorias de la Real Academia de Ciencias de Madrid Tomo IL 
Ie Serie, Ciencias exactas. Tomo I. Parte la Madrid 1853. 4o. 
(van de Akademie). 

Idem Tomo I, tercera Serie. Ciencias naturales. Tomo 1°. 
Parte Sa. Madrid etc. 1854, 4" (van de Akademie). 

Resumen de las actes de Ia Academia Real de Ciencias de Ma- 
drid en el ano academico de 1851 a 1852 Madrid 1853 (van 
de Akademie). 

Idem, en el ano academico de 1852 a 1853 (8°) Madrid 1851. 

Abrége' de géographie par Adrieu Balbi Se ëdition, volu- 
me en grand 8°. Bruxelles 1856 8». avec atlas, Bruxelles, 



— ü02 — 

18-16 (ten gesclienke aangeboden door het lid den heer Von 
Rosenberg). 

Alo-emeine Natui'gescliichte für alle Stande von Professor Oken. 
7 Tlieile in 13 Banden mit Register (8°) und Atlas in 4°. Stutt- 
gardt. 1B39 — 18-12. 8o (van bet lid den heer Lindmau). 

Zesde bijdrage tot de kennis der vischfauua van Sumatra. Vis- 
schen van Padang, Troessan, Priaman, Sibogha en Palembang, 
door P. Bleeker. Broch. 8o. (van den schrijver). 

Het Regt in Nederlandsch Indië 7e Jaargang n°. 5 en 6 , Batavia , 
1856. 80 (van de redaktie;; 



DERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. 



Aardbevingen in den Indischen Archipel. 

Preanger Begentscliappeji. — In den avond van 26 op 27 
Oktober, ongeveer 10 minuten na 11 ure, v\-erd te Tjikad- 
jang, in de nabijheid A^an den vulkaan Papandajang, eene 
vrij hevige aardschudding waargenomen , die naar gissing 
twee sekonden aanhield ; eene koffijloots te Tjibocloe stortte 
bij die gelegenheid in. 

(Java- Courant 8 Xov. 1856 No 90). 

Manado. Den 18den en 2osten September 1856 werden 
hier vrij hevige schokken van aardbeving waargenomen. 

De werkende vulkaan van het kleine eiland Roeang, in 
de onmiddellijke nabijheid van het eiland Tagoelandang , 
deed , door het ontlasten van rook en het herhaaldelijk ver- 
toonen van vlammen , de bewoners van laatstgenoemd ei- 
land voor eene naderende uitbarsting bevreesd zijn. 

Timor. Volgens berigten van de Solor- eilanden waren 
aldaar in den nacht van den 6den op den 7den Julij jl ten 
2 en ten 3 ure ligte schokken van aardbeving gevoeld, die 
vijf a zes sekonden aanhielden en eene strekking hadden 
van het noorden naar het zuiden. 

(Java-Courant 15 Xov. 1S56 Xo 92). 

Kraicang. In den nacht van den 15nopdenl6i Decem- 
ber 1856, naar gissing omstreeks ée'n uur na middernacht, 
werden er te Tagalwaroe, hoofdplaats van het distrikt van 



— 504 — 

dien naam , in de afdeeling Krawang , drie achtereenvolgende 
ligte schokken van aardbeving gevoekl; ook op het 18 paal 
noordwaarts van daar gelegene Tollokdjambe is het natuurver- 
schijnsel waargenomen , doch de uitwerking was aldaar zoo 
gering, dat geen der europesche bewoners van laatstgenoemde 
plaats daardoor uit den slaap werden gewekt , en alleen het in- 
landsche wachtsvolk (kemits) de beweging hebben gevoeld. 

Hoewel eene aardbeving op Java een zoo gewoon verschijn- 
sel is, dat velen daarvan geene nota nemen , maakt toch 
de zeldzaamheid van aardbevingen, die in dat gedeelte van 
Krawang gevoeld worden , het niet onbelangrijk , daarop 
meerdere aandacht te vestigen , ten einde uit gelijktijdige 
waarnemingen elders te kunnen besluiten of dat terrein tot 
den schuddingskring (?) van het Gedeh-gebergte , of wel 
tot dat van den Tankoeban-prahoe behoort , of wel een stel- 
sel op zich zelf vormt, waarvan de Dindingari de zit- 
plaats is. Tot nog toe is laatstgenoemd gebergte slechts als 
een trachietrug, uit eene spleetvormige opening opgewor- 
pen , en zonder eenig spoor van krater vorming , bekend. 

Tollohdjamhe 17 December 1856. 

J. A. Krajenbeink. 



Overzuji der verrujüngen van de mijn-ingenieurs in Neder- 
landscli-Indie. 

Banha. — De ingenieur Akkeringa deed in het laatst van 
September een onderzoek met den tsjam in eenige terrei- 
nen van S. Manpang. 

In S. Kajoearang en Ajer-kepinis (bo vengedeelte) werd 
door zijn werkvolk erts gevonden. 

Wester-afdeeling van Borneo. — De ingenieur Everwijn 
deed, van Sintang uit, een geregeld onderzoek naar steen- 



— 505 — 

kolen in het terrein langs de Kapoeas-rivier en hare zijtak- 
ken , en vorderde met dit onderzoek tot even boven de 
maleische kampong Silat en verder langs de rivier Melawi. 

Nergens werd steenkool , aan den dag uitkomende , aan- 
getroffen; wel werd zandsteen met kolen-afdrukken gevon- 
den en ook kolen-schiefer , maar nergens als genoegzame 
aanwijzing om tot het waarschijnlijk bestaan van dieper 
lifi-ffende kolenlagen te besluiten. 

Alleen te Telok-Dah komt bij laag water kool aan den 
daar in eene niet outginbare laag. 

Kalkhoudende lagen werden langs het onderzochte ter- 
rein niet aangetroffen , maar op vele plaatsen was de kolen- 
schiefer gedekt door eene kleilaag , die vele fossiele mol- 
lusken bevatte, waarvan een aantal werd verzameld. 

(Java-Courant 8 Xov. 1856 No. 90.) 

Zuid- en Ooster-afdeeling van Borneo. — De ingenieur 
Kant zette tot den 2 5 sten Augustus de boringen in de 
Djalamadi-heuvels voort, ter bepaling der kolenlagen en 
ter verdere herkenning van het terrein. 

Den 25sten Augustus werden door hem eenige opnemin- 
gen gedaan ten behoeve van de ontginning der mijn Oranje- 
Nassau. Daarna werden de boringen aan den noordweste- 
lijken voet des heuvels Djalamadi tot den 6den September 
weder voortgezet. De ravijnen waren opengelegd nabij de 
lagen van 0,60 ned. el en 0,90 ned. el, benevens die aan 
de zuidwestelijke helling van Goenoeng Djalamadi. In 
laatstgenoemde ravijnen komt eene laag aan den dag van 
p. m, 1,20 ned. el zwaarte, onder eene sterke helling en 
met eene dieping, welke geheel tegenovergesteld is aan die 
van al de overige lagen , — zoodat daar ter plaatse het ter- 
rein aan verstoringen schijnt te hebben blootgestaan. 

In Oktober werden de boringen op de noordwestelijke 



— b06 — 

lielling van Goenoeng Djalamadi op de laag van 0,90 ned. 
el voortgezet , en later ook , op eenen afstand van p. m. 
70 ned. el van de eerstgenoemde , geboord op eene laag 
van p. m. 0,40 ned, el. 

De soengei Lima-goeloeng werd te gelijkertijd van hare 
uitwatering in de Kiani- kanan , zoover doenlijk opwaarts, 
en verder van de contour-lijn rivier-afwaarts , opgenomen. 

Eene nieuwe boring werd op het einde van Oktober 
aangevangen op p. m. 70 ned. el afstands van de laatst- 
vermelde , en meer naar den top van den heuvel ; waar- 
mede de boringen in deze heuvels waarschijnlijk zullen ein- 
digen. 

(Java- Courant 27 December 1856 No. 104). 



Banha. — De ingenieur der 8de klasse Akkeringa ver- 
trok in het begin van Oktober 185G van Jebocs, om te 
Muntok het noodige in gercedlicid te brengen voor de proef- 
smcltingcn, die, na den afloop van den Avestmoesson zullen 
Avorden aangevangen. 

Wesier-üfdeelbuj van Borneo. — De ingenieur der 3de 
klasse Everwijn keerde op den 25sten Oktober 1856 te Pon- 
tianuk terug en hield zich daarna bezig met het zamenstel- 
len ecner geologische kaart der Kapoeas en met het rang- 
schikken van de , gedurende zijn onderzoek aan de Kapoeas , 
verzamelde mineralen . 

(Java Courant van 21 Januarij 1857 no 6). 



— 507 ~ 

Iets over Mygale javanica. 

In liet afgeloopen jaar kwam ik in het bezit van een le- 
vend, echter nog niet geheel vohvassen exemplaar van My- 
gale javanica , zooals bekend is eene der grootste spinsoorten. 
De ligchaams-lengte zal , met inbegrip der pootcn , p. m. 8 
duim bedragen hebben. Ik bewaarde het dier gedurende 
eenige dagen te huis in een opzettelijk daarvoor bestemd 
kastje , zonder het eenig voedsel toegediend te hebben. Ik 
wilde het giftig vermogen , betrekkelijk de doodelijk- 
heid , beproeven en bragt in tegenwoordigheid van een 
groot aantal heeren , in het huisje, waarin de spin bewaard 
werd, een volwassen, pas gevangen rijstvogel. Bijna oogen- 
blikkelijk sprong de spin op hare prooi , omvatte ze met 
de pooten en sloeg hare gifthaken diep in nabijheid der 
wervelkolom. Binnen den tijd van 30 sekonden, stierf de 
vogel onder tetanische verschijnselen , waarna de spin nog 
eenige minuten aan hare prooi bleef zuigen. Kort daarop 
maakte ik de sektie, ten einde over den pathologlschen toe- 
stand van het vogellijk iets te vernemen. Ik vond de hart- 
kamers ledig , de atria met gekoaguleerd bloed gevuld , bui- 
tendien hyperaemle en van zijne vliezen en van het rug- 
o;emer£i;. 

Eenige dagen later , nog meer proeven hieromtrent wil- 
lende doen, vond ik de spin dood. Tot nu toe ben ik nog 
niet weder in de gelegenheid geweest, een dier van deze 
soort levend te bekomen. 

C. L. DOLESCHALL. 



-» 508 — 

Berujl omtrent ecn'uje vischsoorten , nieuw voor de kcn)iis 
der fauna van het eiland Ceram. 

Eene kleine verzameling vischsoorten van Wahaai , de 
hoofdplaats der noordkust van Ceram , afkomstig van den 
heer D. S, Hoedt, heeft mij op nieuw eenige soorten van 
dat eiland loeren kennen , welke tot nog toe van daar niet 
bekend waren. Deze soorten zijn: 

1. Apogon bandanensls Blkr. 

2. I) mclas Blkr. 

3. Mesoprion decussatus CV. 

4. » monostigma CV. 

5. Scorpaeuodes polylepis Blkr. 

6. Chaetodon auriga Forsk. 

7. '> vittatus BI. 

8. Acanthurus mata CV. 

9. I) scopas CV. 

10. Goblus sphynx CV. 

11. Gobiodon erytbropbaios Blkr. 

12. Cullus niger Blkr t=: Eleotris nigra QG. 

13. Plesiops coenileolineatus Küpp. 
11. Glypliisodou rabti CV. 

15. » uuimaculatus CV. 

16. Dascylla3 melamirus Blkr. 

17. Cossypluis macrodon Blkr. 

18. Julls (Julls) lunaris CV. 

19. Cheilluus decacantbus Blkr. 

20. Saurlda nebulosa CV. 

21. Anguilla Elphinstonei Syk. 

22. Muraena colubrina Kicbds. 

Het aantal thans van Ceram bekend gewordene soorten 
bedraagt thans 208 , dat is, nog geen i van het aantal , thans 
reeds in de registers van Amboina geschrevene visschen. 

Batavia o December 18ü6. 

P. Bleekek. 



— 509 - 
Pe7'S07ialién. 

Benoemd tot Lid van liet Bataafsch Genootschap ran Proefon- 
dervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam, de President der 
Vereenigiug de lieer P. Bleek er. 

Overleden het Lid der Vereeniging de heer H. W. Sciiwaxe- 
FELD, te Banjoewangi. 

Bevorderd tot Lid in het Kollegie van Boedelmeesteren te Bata- 
via, het Lid der Vereenigiug de heer J. Muxxicn. 

Afgetreden ala Lid der Vereeniging de heer J. M. Vam Leer, te 
Samarang. 

Afgetreden als Lid in den Raad van Nederlandsch Indic, hot 
Lid der Vereeniging. de heer Mr. C. Visscher, te Batavia. 

Naar Nederland vertrokken tot herstel van gezondheid het Lid 
der Vereeniging, de heer N. J. IL Kollmak?^. 

Weder gesteld ter beschikking van den direkteur der knltnres 
het Lid der Vereeniging , de heer Dr J. J. Vax Limburg Broü- 
Wkr. 

Te Batavia aangekomen het Lid der Vereeniging, de heer J. F. 

GiJSliERS. 

Bevorderd tot Officier van gezondheid der Ie klasse het Lid der 
Vereeniging, de heer C. A. Beksex. 



INDEX 

SPECIERUM PISCIÜM IN VOLUMDSTIBUS XI ET XII 

DIARII SOCIETATIS SCIENTIARUM INDO-NEÊR- 

LANDICAE DESCRIPTARUM. 



1 Cheilodipterus amblyuropterus Blkr, XI, p. 395. 

2 Apogon buroënsis Blkr, XI, p. 391. 

3 )) leptacanthus Blkr, XII, p. 201, 

4 Ambassis buroënsis Blkr, XI, p. 396. 

5 Serranus maculatus Blkr, XI, p. 398. 

6 " laücrodon Blkr, XI, p. 86. 

7 Scorpaena cyanostigma Blkr, XI, p. 400. 

8 Platyceplialus pristiger CV., XII, p. 205. 

9 » Quoyi Blkr Xn, p. 206. 

10 Dentex zysron Blki-, XII, p. 219. 

11 Chaetodon boicellatus CV., XI, p. 403. 

12 Acanthurus leucosternon Benn. XII, p. 23. 

13 Naseus fronticornis Comm., XII, p. 238. 

14 Pholidicbthys leucotaenia Blkr, XI, p. 406. 

15 Opistognathus Rosenbergii Blkr, XII, p. 220. 

16 Eleotris Hasseltii Blkr, XI, p. 412. 

17 » microlepis Blkr, XI, p. 102. 

18 )) tacnionotopterus Blkr, XII, p. 298. 

19 Bclobrancbus taeniopteru? Blkr, XII, p. 301, 



— 511 — 

20 Goblus javanicus Blkr, XI, p, 88. 

21 '1 ophtlialmonema Blkr, XII, p. 208. 

22 Goblodon erythrophaios Blkr, XI, p. 409. 

23 » heterospilos Blkr, XI, p. 109. 

24 Sicydium baliueuse Blkr, XII, p. 297. 

25 ') zostcrophorum Blkr, XII p. 296. 

26 Antennarius piuniceps Comra. , XII, p. 302 

27 Pomaceutrus cyauomos Blkr, XI, p. 89 

28 » simsiang Blkr, XI, p. 90. 

29 » violascens Blkr, Xn, p. 222. 

30 Glyphlsodon melanopus Blkr, XI p. 82. 

31 Xiphocheilus typns Blkr, XII, p. 224. 

32 Julis (Julb) amblyceplialus Blkr, XI, p. 83. 

33 )> (Halichoeres) batuensis Blkr, XII, p. 240. 

34 Scaruo sumbawensis Blkr, XI, p. 104. 

35 Belone raacrolepis Blkr, XII, p. 225. 

36 Harengiila Kunzei Blki-, XII, p. 209. 

37 Oxybeles gracilis Blki-, XI, p. 105. 

38 Ophisurus colubrinus Mus. L. B. , XI, p. OG. 

39 IMuraena Petelli Blkr, XI, p. 84. 

40 » batuensis Blkr, XII, p. 241. 

41 Monacanthus macrurus Blkr, XII, p. 226. 

42 Ostraclon punctatus Lac. , XI, p. 108. 



New York Botanical Garden übra 



3 5185 00240 3705 



Ai*