Skip to main content

Full text of "Nederland en zijne bewoners. Handboek der aardrijkskunde en volkenkunde van Nederland .."

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non- commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 

at http : //books . google . com/| 










irïïwi 



vA 



) 



rrm 



tlwtdiik» 



.f 



*fj 



corincheik:^ •rpsiw^ 



Nederland en zijne bewoners 



Hendrik Blink 




Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 

tUCHSIHDCRtl ^ 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



NEDERLAND 



EN 



ZIJNE BEWONERS. 



Haodboek dtr iardrijkskande en Yolkenkonde van Hederland 



HET KAARTEN EN AFBEELDINGEN 



Dr. H. BLINK. 



TWEEDE DEEL. 



AMSTERDAM. 

S. L. VAN LOOY. | H. GERLINGS. 

1892. 



Digitized by 



Google 






^^HP co,7^ 




t89fi 






U 



Digitized by 



Google 



VOORBERICHT. 



Ik gevoel den plicht, die er op mij rust, om in een voorbericht 
een en ander omtrent de geschiedenis van dit werk mede te deelen, 
en den tol der dankbaarheid te betalen aan hen, die mij op ver- 
schillende wijzen bij dezen arbeid zoo onvermoeid en hulpvaardig 
ter zijde stonden. Thans voldoe ik evenwel daaraan niet, omdat 
ik, hetgeen mij op het hart ligt, liever wil besparen tot de 
verschijning van het laatste deel, dat ter perse gaat en spoedig 
het licht zal zien. 

Amsterdam, 4 April 1892. H. Blink. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



XI. HET LAND EN DE WATEREN TUSSCHEN DE LEK 

EN DE NIEUWE MAAS IN HET ZUIDEN EN DE 

ZUIDERZEE-DIJKEN EN DE DIJKEN DER 

IJPOLDERS IN HET NOORDEN. 



LITTERATUUR. 

1. Topografische kaart. Schaal i : 50000. 

2. Waterstaatskaart. Schaal i : 50000. 

3. Overzichtskaart van de boezemwateren, polders en wegen in Rijnland, 1S84. 
Schaal i : 50000. 

4. Kaart van den HoUandschen IJsel door E. Olivier en D. Leijds. 
Schaal i : loooo, 1860. 

5. Versl. der Openbare werken aan den Koning. 

6. Prov. Versl. der Prov. Utrecht, Zuid-Holland en Noord- Holland. 

7. Overzicht der scheepvaart-kanalen in Nederland. (Uitgegeven door het 
Min. van Waterstaat, Handel en Nijverheid, (1879 en 1888.} 

8. Droogmaking van den Kortenhoefschen polder en de Horstermeer, 1856. 

9. Rapport over de verbetering van den Holl. IJsel (Versl. Op. Werken, 1853). 

10. J. A. Beyerinck. Geschied- en waterbouwkundige beschrijving van den 
Zuidplaspolder (Verh. Kon. Inst. v. Ing. 1851—52). 

11. W. F. Gevers Deynoot. Statistieke opgave en beschrijving van het Hoog- 
heemraadschap Schieland (Nieuwe Verh. Bat. Gen. te Rot. 1850). 

12. De Prins Alexandcrpolder (N. Rott. Courant, 1872). . 

13. A. A. J. Meylink. Geschiedenis van het Hoogheemraadschap en de lagere 
waterschapsbestnren van Delfland, 1847. 

14. Storm fiuysingh, van der Kun en Schol ten. Verbetering van Delfiands 
waterstaat (Verh. Kon. Inst. v. Ing. 1852—53). 

15. M. G. Beyerinck. Statistieke opgaven betreffende den waterstaat van het 
hoogheemraadschap Delfland en van de Krimpenerwaard (Nieuwe Verh. 
Bat. Gen. Rot. IX). 

1.2. I 



Digitized by 



Google 



i6. J. A. Scholten. Beschouwing van de Schie en derzelver betrekking als 
boezem voor de ontlasting der polderlanden, 1834. 

17. A. Blanken. Verhandeling over de verbetering van de Krimpener waard 
(Verh. Bat. Gen. 1806, IV). 

18. J. vanderVegt. De Haagsche waterverversching(Haagsch Jaarboekje, 1889). 

19. J. V. Heurn. De water verversching van den Haag en de verontreiniging 
van het zeewater te Scheveningen (De Ingenieur, 1888). 

20. £. II. Stieltjes. Nogmaals de waterverversching van 'sGravenhage De 
Ingenieur 1888.) 

21. D. T. Gevers van Endegeest. Het Hoogheemraadschap van Rijnland, 1871. 

22. F. W. Conrad. Geschiedkundige aanteekeningen betrekkelijk het Hoog- 
heemraadschap van Rijnland en deszelfs verschillende uitwateringen (Vaderl. 
Letteroefeningen, 1832, II). 

23. A. van Egmond. Beschrijving van den waterstaat van het Hoogheemraad- 
raad van Rijnland (Verh. Bat. Gen. 2e reeks 1867, I, 2e stuk). 

24. E. F. van Dissel. Overzicht van Rijnlands waterstaat van 1859 tot 1885. 

25. E. F. van Dissel. Alphabetische lijst der boezemwateren van Rijnland, 1887. 

26. C. H. Dee. Memorie omtrent den hoogen Rijndijk, 1879. 

27. C. H. Dee. Memorie omtrent den Wierickérdijk, 1881. 

28. S. H. Miller. Prize essay on evaporation, 1878. 

29. C. H. D. Buys Ballot. Hoe zal men de verdampingshoeveelheid bepalen 
voor polders, (Versl. en med. der Kon. Akad v. W. Nat, 1879). 

30. Verslagen over den waterstaat van Rijnland. 

31. R. Fruin. De opkomst van Rijnland (Versl. en med. der Kon. Akad. v. 
Wetensch. Letterk. 1888). 

32. G. Acker Stratingh. Aloude staat der Ned. I. 1847. 

33. Conrad. Verspreide bijdragen. 

34. Simon v. Leeuwen. Batavia illustrata. 1685. 

35. A. P. Twent. Bedenkingen en aanmerkingen over den waterstaat van 
Rijnland, 1802. 

36. J. P. V. Amersfoordt. Het Haarlemmermeer in zijn oorsprong en geschie- 
denis (Lezingen in Felix Meritis, 185Ó). 

37. J. Leeghwater. Het Haarlemmermeerboek 13c druk door v. Hasselt, 1878. 

38. Historie der verschillende voorslagen om het Haarlemmermeer droog te 
maken (Letterbode 18 19, I). 

39. A. H. V. der Boon Mesch. De droogmaking van het Haarlemmermeer 
(Tijdschr. V. Nijverheid, 1885, XVIII). 

40. Beknopt overzicht van de droogmaking van het Haarlemmermeer (Sloets* 
Tijdschrift, 1855, XII). 

41. D. T. Gevers van Endegeest. Over de droogmaking van het Haarlemmer- 
meer, 1843—61. 



Digitized by 



Google 



42. J. Ie Francq van Berkhey. Natuurlijke historie van Holland, 1769. 

43. J. ter Gouw. Geschiedenis van Aipsterdam, 1879 enz. 

44. B. G. A. van Pabst De Hydrarchia Bijleveld, 1836. 

45. C. A. W. V. Hoorn. Een woord aan Amstelland (Economist 1870). 

46. Groot placaatboek van Utrecht. 

47. Wetsontwerp tot verbetering van de Keulsche vaart, 1881. 

48. Wet van 29 Juli 1881, Staatsbl. NO. 143. 

49. Wet van 15 Mei 1884, Staatsbl. NO. 106. 

50. Kaart van het kanaal van Amsterdam naar de Merwede, schaal i : 50000. 

51. N. P. Kapteijn. Het Merwede-kanaal (Nieuws v. d. Dag 10— i2Dec: 1888). 

52. A. M. C. V. Asch V. Wijck. Geschiedkundige beschouwing van het oude 
handelsverkeer der stad Utrecht. 1846. 

53. Cluverius. Over de drie uitmondingen van den Rijn, 1709 enz. 

54. M. J. H. Plantinga. Militaire aardrijkskunde. 

55. Seyffardt. De vesting Holland. 

56. A. A. Beekman. Nederland als polderland 1885 en De strijd om het be- 
staan 1887. 

57. T. J. Stieltjes. Militaire Studiën I. Over militaire inundatifin, 1878. 

58. Tegenwoordige staat. Noord* Holland, Zuid-Holland en Utrecht. 

§ I. ALGEMEEN OVERZICHT. 

Ten westen van de Geldersche Vallei strekt zich door de pro- 
vincie Utrecht, van den Heimenberg (40 M.) aan den Rijn ten 
oosten langs Driebergen en Zeist naar het N. W. en verder langs 
'sGraveland en Huizen (Noord-Holland) meer in de noordelijke 
richting ombuigend, een hooge zand- en grintrug uit, (hoogste 
toppen bijna 70 M -f- A P) welke de Geldersche Vallei in het westen 
afsluit. Deze rug, wij zullen hem met den naam van Vtrechtsch- 
Gooische heuvelen aanduiden, vormt de waterscheiding tusschenhet 
Eemgebied (waarover wij later spreken) ten oosten en het gebied 
van den Krommen Rijn en van de Vecht ten westen. 

Het land ten westen van de Utrechtsch-Gooische heuvelen tot 
de Lek en de Nieuwe Maas in het zuiden, de Zuiderzee en 
het vroegere IJ, de tegenwoordige IJ-polders, in het noorden en 
den binnenkant van de duinen langs de Noordzee in het westen, 
maakt oro-hydrographisch een aaneengesloten geheel uit. Wel 
vindt men in dit gebied een groot aantal wateren, die de opper- 



Digitized by 



Google 



vlakte des lands doorsnijden, en gedeeltelijk boven, gedeeltelijk be- 
neden het land liggen, doch deze worden grootendeels door den regen 
binnen de aangewezen grenzen gevoed. Groote rivieren of van 
buiten komende stroomen doorsnijden dit land tegenwoordig niet 
meer. Voor het buitenwater is dit gebied zoo goed als afgesloten, en 
de afwateringstelsels, welke men er vindt, dienen bovenal om het 
overtollige regenwater, dat binnen zijn eigen grenzen valt, af te 
leiden of tijdelijk te bergen. 

In het zuiden wordt die afsluiting gevormd door de noorder 
Lekdijken: de Lekdijk Bovendams en Benedendams^ die wij op 
pag. 354 reeds bespraken, en door de hooge IJsel- tn Maasdijken ; 
in het oosten vormt genoemde Uirechtsch-Gooische heuvelrug de 
natuurlijke waterscheiding; in het noorden zijn het de dijken van 
de Zuiderzee en ten zuiden van de I /polders en in het westen is 
het de duinenrij, welke de natuurlijke grens vormt. In het oosten 
en westen zijn de orographische afscheidingen dus natuurlijke, 
in het noorden en zuiden zijn het kunstmatige. Daaruit kan 
men reeds met grond afleiden, dat aan den Z. en N. kant de 
menschelijke arbeid grooten invloed gehad heeft op de afsluiting 
van het besproken gebied van de omringende wateren en tot het vor- 
men van een zelfstandig geheel. Hij vormt een belangrijke factor 
in de ontwikkelingsgeschiedenis van dit gebied, zooals wij weldra 
zullen zien. 

De algemeene orographische vorm van dit gebied is zeer een- 
voudig. In het oosten vindt men de westelijke af helling van de 
Utrechtsch-Gooische heuvelen, welke de grootste terreinverschillen 
oplevert. Van de grootste hoogten, die van Renen tot Soesterberg 
ruim 60 M. hoog zijn, daalt de bodem in het westen snel toteene 
hoogte van 25 è, 50 M. + A. P., welke naar den Krommen 
Rijn verder met een drietal smalle strooken van 10 è. 25, van 5 k 
10 M. en van i tot 5 M. + A. P. afdaalt. De Kromme Rijn 
loopt van Wijk bij Duurstede tot Odijk door een terrein van 
I tot s M. + A. P. en ten noorden van Odijk zet zich dit 
terrein als een smalle strook rechts van den Krommen Rijn naar 
het N. W. en N. voort, om langs de Zuiderzee en de Eem weer (doch 



Digitized by 



Google 



buiten de grenzen van het gebied, dat wij thans bespreken), een 
grooter oppervlakte in te nemen. 

Van Odijk naar Utrecht loopt de Kromme Rijn door een terrein 
van = A. P. tot I M. + A. P. Deze bodemhoogte beslaat een smalle 
strook gronds ten O. van Utrecht, welke zich met afwisselende 
breedte over de Lek door Z.-Holland en Gelderland en door Noord- 
Brabant voortzet. 

Ongeveer ten W. der lijn Vreeswijk — Utrecht — Naarden heeft 
het geheele terrein tot aan de geestgronden bij de duinen eene 
bodemhoogte van 2 M. — A. P. tot = A. P., gemiddeld ongeveer 
1,5 M. — A.P. Alleen de smalle ruggen der dijken en kaden om de 
polders en langs boezems en rivieren verheffen zich in een meer of 
minder regelmatig kruisnet tot aanzienlijker hoogten uit dit lager 
effen terrein. De zuidelijke afsluitingsdijken zijn van 8,7 M. H- 
A. P. bij Wijk bij Duurstede tot 3,5 M. + A. P. nabij denMaas- 
mond en de noordelijke langs de Zuiderzee en de IJpolders 3 k 
3,50 M. + A. P. hoog. 

Terwijl men, de duinen en de dijken buiten gesloten, bijna geen 
voor 't bloote oog merkbare verheffingen in dit gebied vindt, heeft 
men er wel het omgekeerde van locale hoogten of negatieve heu- 
vels. Men vindt hier namelijk verschillende drooggemaakte meren, 
droogmakerijen^ waar de bodem duidelijk merkbaar en snel tot een 
lager niveau daalt. Op de algemeene hoogtekaart springen die lagere 
gedeelten reeds direct in het oog. De Prins Alexander-polder, de 
laagste dier droogmakerijen, heeft zelfs te midden van omringende 
terreinen, die 1,50 M. — A. P. zijn, in haar laagste gedeelte een 
hoogte van 5 k 5,75 M. — A. P. De bodem in den Zuidplaspolder 
zal ongeveer 5 M. — A.P. liggen. De Zevenhovensche droogmakerij 
ligt lager dan 5 M. — A. P.; het zomerpeil is er 6 M. — A. P. 
De Haarlemmermeerpolder ligt gemiddeld 4,1 M. — A. P. 

Dit lage land van 2 M. — A. P. tot = A. P. hoog, dat door 
natuurlijke hoogten in het O. en W. en door dijken in het Z. en 
N. wordt ingesloten en met hooger waterstanden dan de bodem- 
hoogte bedraagt, (Rijnlands boezemwater ligt 0,50^ 0,60 M. — A.P.) 
omringd en doorsneden is, kan geen natuurlijke afwatering hebben. 



Digitized by 



Google 



Ook zullen wij bij eene nadere beschouwing der enkele deelenzien 
(zie bij de beschrijving van Rijnland), dat de bodem bij de zachte 
glooiing, die hij heeft, niet naar het westen afhelt, doch in de 
noordelijke helft bijv., ongeveer in delijnGouda— Amsterdam, lager 
ligt dan verder naar het westen. Hieruit kan reeds afgeleid worden, 
dat in den tijd, toen de raensch hier de geographische gesteldheid 
nog niet veel gewijzigd had of regelde, de natuurlijke afloop van 
het overtollige water naar het noorden en zuiden, waar toen nog 
geen afsluitende dijken waren, moest plaats hebben. Daarbij kwam. 
dat in dien tijd de Rijn nog water van buiten in dit gebied aan- 
voerde, iets wat tegenwoordig al in zeer geringe mate geschiedt. 

Doch de natuurlijke toestand, waarop wij bij het beschouwen der 
historische ontwikkeling van dit land nog op zullen terugkomen, 
is bijna geheel verloren gegaan. De hydrographie in het besproken 
gebied is bijna geheel een kunstmatig stelsel geworden. Wel heeft de 
mensch er partij getrokken van enkele natuurlijke toestanden, wel 
heeft hij plassen en riviertjes, waar zij bestonden, dikwijls aangewend 
om er boezems van te maken, doch door dien arbeid hebben deze 
wateren het oorspronkelijk karakter geheel verloren. Uit de helling der 
terreinen is al zelden de afloop van het water meer af te leiden. 
Waterlossing en waterberging van de onderscheidene gedeelten des 
lands zijn meestal een gevolg van oude rechten en contracten. 

Het land heeft de bezitters der verschillende gedeelten door ge- 
meenschappelijke belangen dikwijls tot elkander gebracht, door 
tegenstrijdige belangen niet zelden in strijd gewikkeld. De resul- 
tante van deze verhoudingen bepaalde voor het vervolg de hydro- 
graphische gesteldheid. 

Waar wij bij deze dus dikwijls onregelmatigheden opmerken, 
welke in strijd zijn met de natuur, moeten wij de historie meestal 
te hulp roepen ter verklaring. Doch in hoofdzaak bleef de aan- 
wijzing der natuur bewaard, die de afwatering van het besproken 
gebied naar het noorden en zuiden aanwees. Eerst in deze eeuw 
is eene zekere afwatering door de duinen naar het westen weder 
tot stand kunnen brengen. 

Ten opzichte van de tegenwoordige hydrographische gesteldheid 



Digitized by 



Google 



kan men het beschreven gedeelte in eenige gebieden verdeelen, 
welke ieder een zelfstandig stelsel van middelen tot waterberging 
en waterafvoer bezitten. Zij zijn: 

A. Het gebied van den krommen Rijn. Dit gebied ligt 
nog in de hoogere gronden en dus verschilt er de waterontlasting 
zeer van de overige gedeelten. De waterafvoer van den krommen 
Rijn geschiedt op het stadswater van Utrecht. 

B. Het gebied van den Vaartschen Rijn. De Vaartsche Rijn 
ontvangt water uit de Lek en van de omringende landen, en ligt 
te Utrecht gemeen met het stadswater. Dit laatste loost weder 
op de Vecht. 

C Het gebied van den Vechtboezem. De Vechtboezem 
vormt van Utrecht de voortzetting van den Krommen Rijn en den 
Vaartschen Rijn naar het noorden en loost dit water bij Muiden in 
de Zuiderzee. De boezem van het Vtrechtsche stadswater^ waarin 
beide eerstgenoemde zich uitstorten, vormt den overgang tot den 
Vechtboezem. Daarenboven dient de Vechtboezem nog tot water- 
loozing en waterberging van de omringende landen, die er door 
verschillende wateren meest kunstmatig op loozen. 

Deze drie wateren voeren het meeste water uit het oostelijkste en 
hoogste gedeelte van het besproken gebied af. 

Verder westelijk vinden wij: 

D. Het gebied van den boezem den Hollandschen IJsel 
en van den Vlistboezem. Deze laatste boezem loost zijn water 
op den boezem den Hollandschen IJsel en gezamenlijk loozen zij 
bij Gouda op het vrije gedeelte van den Hollandschen IJsel. 

E. Het boezemgebied van de Ringvaart van den Zuid- 
plaspolder. De waterloozing uit dat gebied heeft hoofdzakelijk 
plaats op den Hollandschen IJsel, gedeeltelijk op de Rotte bij 
Zevenhuizen. 

F. Het boezemgebied van de Ringvaart van den Prins 
Alexanderpolder, Deze Ringvaart loost bij het Kralingsche veer 
op de Nieuwe Maas. 

G. Het gebied van den Rotte-boezem. Deze boezem loost 
te Rotterdam op de Nieuwe Maas. 



Digitized by 



Google 



8 

H. Het gebied van den Schieboezem. Deze boezem loost 
door verschillende sluizen op de Nieuwe Maas, en door den Haag 
op de Noordzee. 

De bovengenoemde boezems van D. tot en met H, kan men 
als de afwateringstelsels van het land ten zuiden van de lijn 
Leidschendam, Gouda, Montfoort en IJselstein beschouwen. Dit 
gebied vindt, zooals wij zagen, zijn afwatering naar het zuiden 
op de Nieuwe Maas. De Schieboezem loost echter in den laatsten 
tijd ook door den Haag op de Noordzee. Ten noorden van ge- 
noemjde lijn, (de juiste grens bespreken wij later, wij geven hier 
slechts een algemeene grens) heeft de afwatering van het land 
hoofdzakelijk naar het westen en noorden plaats (nog een weinig 
door de Gouwe naar het zuiden). De afwateringstelsels in weste- 
lijke en noordelijke richting zijn tot een drietal boezems beperkt. 

Zij zijn: 

/. Amstellands boezemgebied. Dit gebied loost op de Zui- 
derzee en op het stads water van Amsterdam. 

K, Het gebied van den boezem van Woerden. De boezem, 
die het water van dit gebied bergt, loost door een sluis in den 
Ouden Rijn op den boezem van Rijnland. 

Z. - Het gebied van den boezem van Rijnland. Deze boe- 
zem heeft in Holland het grootste voedingsgebied en wordt hierin 
alleen door den Frieschen boezem in Nederland overtroffen. Hij 
loost zijn water door de sluizen bij Katwijk op de Noordzee, op 
het Noordzee-kanaal door verschillende sluizen, en te Gouda nog 
een weinig op den HoUandschen IJsel door de Gouwe. 

De Kromme Rijn en de Vaartsche Rijn^ welke beide nog ge- 
deeltelijk uit de Lek gevoed worden, vormen met het stadswater 
van Utrecht en den Vechthoezem in het oosten eene slechts door 
sluizen afgebroken, van het zuiden naar het noorden doorgaande 
waterafvoering. Wij zullen deze wateren en hunne gebieden eerst 
behandelen, om vervolgens de zuidelijke en daarna de noordelijke 
afwatering in genoemd gebied te bespreken. 



Digitized by 



Google 



§ 2. DE KROMME RIJN EN ZIJN GEBIED. 

De beschrijving der afzonderlijke deelen vangen wij aan met den 
Krommen Rijn en zijn gebied. 

Van Wijk bij Duurstede kronkelt een smal watertje met tal van 
scherpe kleine bochten door de kleilanden, die op korten afstand 
van den rechter oever in zandgronden overgaan. Dit is de zoo" 
genaamde Kromme Rijn^ die op een afstand van ongeveer iVa 
tot 4 K.M. evenwijdig loopt met de grens der zand- en kleigron- 
den. De breedte van den Krommen Rijn is bij Wijk bij bij Duur- 
rstede 6 M. (op kanaalpeil) in het tweede pand i6 M. in het 
derde pand 14 M. en in het benedengedeelte 12 tot 21 M. i) De 
geringste waterdiepte onder kanaalpeil is 0,66 M. bij Wijk bij 
Duurstede, in het tweede pand 1,79 M. in het derde 1,48 M. en 
in het benedengedeelte 2 M. 2). 

De Kromme Rijn was oorspronkelijk een tak van den Rijn na de 
splitsing bij Wijk bij Duurstede. Bij deze plaats werd hij echter reeds 
vroeg gedeeltelijk afgedamd. (Zie pag. 403.) Na 187 1 is dit water 
ten behoeve van de scheepvaart zoowel als van de militaire inun- 
datien der Nieuwe Hollandsche waterlinie door afsnijding van 
bochten en doorgaande verruiming gekanaliseerd en tot Werkhoven 
in 3 panden verdeeld. 

Bij Wijk bij Duurstede staat de Kromme Rijn tot zijne voeding 
door een duikersluis in verbinding met den Rijn. Deze sluis 
wordt gesloten, zoodra het water van de Staienbrug te Neder- 
Langbroek in de Langbroeker Wetering, die door de Koiergrift 
in verbinding met den Krommen Rijn staat, eene hoogte bereikt 
heeft van 2,36 M. + A. P. Van 186 1 — 1870 was hier de gemid- 
delde waterstand 2,21 M. 4- A. P. 

In 1886 was de gemiddelde waterstand aan de Statenbrug 2,25 
M. + A. P. en in dit jaar had er op 300 dagen en in het geheel 
gedurende 7000 uren waterinlating door de duikersluis bij Wijk bij 



1) Overzicht der scheepvaaitkanalen in Nederland 1888, pag. 100. 

2) Overzicht der scheepvaartkanalen in Nederland 1879, pag. 56. 



Digitized by 



Google 



10 



Duurstede op den Krommen Rijn plaats. In 1885 bij den gemid- 
delden waterstand van 2,21 M. + A. P. aan de Statenbrug, geschiedde 
er op 288 dagen gedurende 6718 uren waterinlating uit de Lek 
op den Krommen Rijn i). Het grootste gedeelte des jaars is dus 
de duikersluis geopend en ontvangt de Kromme Rijn nog water 
uit den Rijn. 

Behalve door de duikersluis kan de Kromme Rijn bij zeer lagen 
waterstand en in *t belang der militaire inundatien nog gevoed wor- 
den door de militaire inundatiesluis bij Wijk bij Duurstede, die de 
Lek met den Krommen Rijn verbindt. Met dit doel ligt de drempel 
van de inundatiesluis lager dan die van de duikersluis. De eerste ligt 
0,55 M. 4- A. P., de laatste 2,57 M. 4- A. P. hoog. De inundatie- 
sluis is 1,60 M. wijd. de duikersluis 1,23 M. 

De Kromme Rijn is door de kanalisatie verdeeld in vier panden. 
Het eerste pand loopt van den inlaatduiker bij Wijk bij Duurstede 
tot de schutsluis even beneden die stad. Dit pand, iioo M. lang, 
staat gelijk met het stadswater te Wijk bij Duurstede. Het kanaal- 
peil wisselde af van 2,15 tot 3,35 M. + A. P. 

Het tweede pand loopt van hier tbt de schutsluis te Koten, is 
4500 M. lang en heeft een kanaalpeil van 1,94 tot 2,80 M. + A. P. 
Een zijtak loopt van hier naar de militaire inundatiesluis in den 
Lekdijk en kan daardoor bij lagen stand gevoed worden. Het 
tweede pand stroomt door de Kotergrift en de Langbroeker We- 
tering ook nog vrij af op het laagste gedeelte beneden Werkhoven. 

Het derde pand van de schutsluis te Koten tot die te Werk- 
hoven is 5700 M. lang. Het kanaalpeil liep van 1879 tot 1883 van 
1,54 tot 2,30 M 4- A. P. en de diepte was van 0,10 tot 0,35 M. + A. P. 

Beneden Werkhoven staat de Kromme Rijn (15,7 K.M.) in vrije 
verbinding met het stadswater te Utrecht, dat gemiddeld 0,60 
M. + A. P. hoog staat, en kan dus in dit gedeelte als een vrijstroo- 
mende rivier beschouwd worden. 

De waterstand te Bunnik was 0,52 k 1,81 M. + A. P. 

Behalve door de genoemde sluis bij Wijk bij Duurstede en in enkele 



i) Prov. Versl. van Utrecht 1885 en '86 



Digitized by 



Google 



II 

gevallen door de militaire sluis ontvangt de Kromme Rijn het 
water van het omringende land langs beide oevers door verschil- 
lende kleine stroompjes, welke er in uitmouden. Onder deze kunnen 
wij noemen de Ameronger-^ de Langbroeksche- en Gooier-weterinq^ 
de Kotergri/t, de Oud Wulvensche wetering en de Meenistroom, 
De landen aan die stroompjes en aan den Krommen Rijn loozen 
hun water meest op geheel natuurlijke wijze; slechts de Noord- 
polder^ een klein poldertje bij Wijk bij Duurstede, wordt soms 
bemalen. 

Door het water, dat de Kromme Rijn op die wijze ontvangt, 
heeft hij in het benedengedeelte dikwijls nog een vrij snellen stroom. 

§ 3. DE VAARTSCHE RIJN EN HET STADSWATER VAN UTRECHT. 

De Vaartsche Rijn staat te Vreeswijk met de Lek in verbin- 
ding door schutsluizen, welke door de verbetering der Keulsche 
vaart thans verlegd worden van het oosten naar het westen der 
stad. Door deze sluizen ontvangt de Vaartsche Rijn gedeeltelijk 
zijn water. Verder ontvangt hij voeding tusschen Jutfaas en Vrees- 
wijk door de Schalkwij ksche Wetering^ die er vrij in uitmondt. 
Deze ontvangt ook nog het water van de Waalsche Wetering^ de 
Hoor nweier ing en andere stroompjes, die de afwateringskanalen 
van het land tusschen den Vaartschen Rijn en den Krommen Rijn 
vormen. Te Utrecht staat de Vaartsche Rijn evenals de Kromme 
Rijn in vrije verbinding met het stadswater en gezamenlijk loozen 
zij door de Weerdsluis enz. op de Vecht. Zoo ontvangt de Vaart- 
sche Rijn van Utrecht nog voeding uit den Krommen Rijn enden 
Meentstroom, en bovendien door het afkomend water langs de 
Biltsche- en Zeister Grift. 

Slechts weinige landen loozen langs natuurlijken weg op den 
Vaartschen Rijn. Van het meeste land wordt door bemaling het 
overtollige water op de doorloopende weteringen enz. gevoerd, 
die Vjcrder op den Vaartschen Rijn loozen. 

De Vaartsche Rijn heeft een lengte van 1 1,800 K. M. Hij maakt 
-een deel uit van de zoogenaamde Keulsche vaart. De bodemdiepte 



Digitized by 



Google 



van den Vaartschen Rijn is 0,76 M. — A.P. Van 1858— 1867 was 
de gemiddelde waterstand van i Mei tot i Nov. te Vreeswijk 
0,55 M. + A. P., en van i Nov. tot i Mei 0,65 M. -f A. P. Aan 
de Weerdsluis te Utrecht was in dezelfde tijden de waterstand 
respectieveijk 4- 0,50 en + 0,55 M. 

Het verval bedraagt dus in den zomer 0,55 — 0,50 = 0,05 M. 
tusschen de uiteinden van het kanaal. Hieruit kan men aldus 
tot eene zeer geringe strooraing naar Utrecht bestuiten. 

De Vaartsche Rijn is oorspronkelijk een kanaal, dat in 1148 ge- 
graven is om de Lek met Utrecht te verbinden. In 1373 werd de 
eerste sluis te Vreeswijk aangelegd op kosten der stad Utrecht. 

Naar deze vaart verkreeg het plaatsje Vreeswijk, dat hier ont- 
stond, ook den naam van de Vaart i) en het kanaal werd later 
Vaartsche Rijn genoemd. Vreeswijk werd in dien tijd als de sleutel 
van de Lek beschouwd en daarom door Holland dikwijls aan Utrecht 
betwist. Om hier veiliger te zijn werd er in 1373 een kasteel 
gebouwd. 

De benedenpanden van den Krommen Rijn en den Vaartschen Rijn^ 
staan in vrije verbinding met het Stadswater van Utreeht^ dat 
gevormd word door verschillende wateren door en om die stad, 
als de Singel- en andere grachten van Utrecht, door den Ouden 
Rijn tot den Stadsdara, door een deel van de Biltsche Grift, enz. 
Deze wateren vormen als het ware den overgang tot de Vecht^ 
waarop zij dan ook door de Weerdsluis^ door een kleinen vrijen 
waterloop en door het water, hetwelk door twee fabrieken loopt, 
(om beweegkracht te leveren) aflossen. De gemiddelde waterstand 
bedroeg bij de Weerdsluis (van 187 1 — 1880) 0,54 M. 4- A. P.,. 
de hoogste 0,97 + A. P. de laagste 0,20 M. — A. P. 

Het Stadswater staat door sluizen nog met andere wateren in 
verbinding. De boezem van de Heikop of de Lange vliet is er 
mede vereenigd door de schutsluis aan den Stadsdam in den Be- 
neden-Rijn (tot dat de Vechtboezem 0,30 M. + A. P. staat mag 
het stoomgemaal van de Heikop op het Stadswater uitslaan). De 



1) Vreeswijk. UtrechtSche Volksalmanak 1841. 



Digitized by 



Google 



13 

Vleutcnsche vaart is er mede verbonden door een schutsluis bij 
Jaffa, \ uur ten W. van Utrecht. Een schutsluis aan den Doorslag 
(ten Z. van Jutfaas) verbindt den Vaartschen Rijn met den Hol- 
landschen IJsel 

§ 4. DE VECHTBOEZEM EN ZIJN GEBIED. 

Het water, dat in de kom van Utrecht door Krommen Rijn, Vaart- 
schen Rijn en op andere wijze samenloopt wordt van hier weder door 
de Weerdsluis geloosd op den Vechthoezem, Deze boezem wordt 
gevormd door de Vecht^ de Nieuwe Vecht (de afsnijding van een 
bocht van de Vecht, de Korienhoefsche Wetering en de uitwatering 
van het Naarder meer. Deze wateren beslaan te zamen eene op- 
pervlakte van 240 H. A. Het hoofdwater van dezen boezem is 
wel de Vecht zelf (waarnaar hij ook genoemd wordt) die in den 
tijd, toen het nog een arm van den Rijn was, een strook van 
kleigronden aan de beide oevers tusschen grootendeels met lage 
venen bedekte landen heeft afgezet. De waterloozing van het oos- 
telijk land en van een strook langs den westkant, heeft dan ook 
op de Vecht plaats en langs deze door de sluis bij Muiden op de 
Zuiderzee. 

Het land, dat op den Vechtboezera afwatert, beslaat eene opper- 
pervlakte van -^32000 H. A., ten oosten van Amstelland gelegen. 
Hiervan bedraagt de grootte der aangrenzende polders, welke direct 
op den Vechtboezem loozen, 19550 H. A., waarbij nog iiooo 
H. A. boezemland komt. Verder slaan nog verschillende boezems, 
welke wij nader zullen opgeven, het water van 11290 H. A.gronds 
op den Vechtboezem uit. i) 

De breedte der Vecht wisselt af van 13 tot 115 M. 



i) In 1888 had er waterdoorstrooming plaats door de sluis bij Wijk bij 
Duurstede 5794 uren, door de waaierdeuren der hulpsluis te Vreeswijk 4 uren, 
door de riolen dier sluis 4382 uren en door de riolen der Groote sluis te Vrees- 
wijk 917 uren. Aflating van dit water had plaats in 1888 door de waaierdeuren 
der Weerdsluis te Utrecht 1769 uren, door de schuiven der Weerdsluis 607 uren. 
Te Muiden had men in 1888 op 303 dagen sluisgang. (Prov. Versl. 1888). 



Digitized by 



Google 



14 

Tusschen lage doch schilderachtige oevers met tal van buitens bezet 
en meestal door lage dijken beschermd loopt de Vecht met een 
zachte bocht, welke naar het oosten open is in noordelijke 
richting. Van het land, dat aldus naar het oosten omsloten wordt, 
loopen verschillende afwateringskanalen en boezems als van een 
centrum uitgaande divergeerend naar de Vecht. Beneden zullen 
wij die wateren leeren kennen. 

De waterstanden op de Vecht waren van 187 1 — 1880 als volgt: 





Gemidd. 
stand. 


Hoogste 
stand. 




Laagste 
stand. 


Utrecht 

Breukelen . . 


— 0,10 1 Maart 1877 

— 0,14 ! Maart 1877 


+ 0,68 i April 
+ 0,65 ; Mei 


1871I 

i872[ 


— 0,60 


Uitermeer. . 


— 0,19 1 Maart 1877 


+ 0,65 Sept. 


1875 


— 0,68 


Muiden 


; Maart 1877 


+ 0,60 Oct. 


1875 


— 0,80 


(Vecht) . . 
Muiden (Zui- 


-0,11 ; 

Jan. 1877 . 


iOct. 
4- 2,16 Nov. 


1875 
1877I 


— 0,80 


derzee) . . 


— 0,11 vloed 


IDec. 

I 


1873 


— 0,94 



— 0,20 ebbe j 

Wanneer wij nu hierbij in aanmerking nemen, dat de gemid- 
delde hoogte van het Stadswater te Utrecht bij de Weerdsluis, waar 
het op de Vecht uitwatert, 0,54 M. + A. P. is, dan zien wij gemiddeld 
een verval van het water aan genoemde sluis van 0,64 M. Hierdoor 
kunnen hier nog een paar fabrieken door het stroomend water gedre- 
ven worden. Van Utrecht tot Muiden bedraagt het gemiddeld verval 
der Vecht slechts 0,09 M. Hieruit kan men afleiden, dat de Vecht een 
zeer zacht naar het noorden stroomend water is. Bij vloed kan de 
afstrooming van de Vecht op de Zuiderzee gewoonlijk niet plaats 
hebben; bij ebbe is de zee gemiddeld 0,01 M. lager dan de Vecht. 
Doch de meeste ebbestanden zijn lager. De waterstanden op de 
Vecht verschillen nog al zeer, zooals uit de opgave blijkt. 

Het zomerpeil der polders om de Vecht wisselt hoofdzakelijk 
af van — 0,35 tot 1.70 M. A. P., zoodat de gemiddelde waterstand 
van de Vecht hooger is dan die der omringende landen. Hierdoor 
is bemaling der polders noodzakelijk. 

Een tal van wateren loozen nog op den Vechtboezem en breiden 



Digitized by 



Google 



IS 

daardoor het afwateringsgebied op dien boezem zeer uit (met 
II 290 H. A. De wateren, welke beneden Utrecht op de Vecht 
afwateren, zijn hoofdzakelijk de volgende: 

1. De Weteringen van het waterschap Blaartensdijk. 
Deze weteringen vereenigen zich tot eene hoofdwetering, het 
Zwarte Water genaamd, die door een sluisje met een vrije af- 
strooming op de Vecht bij Utrecht loost. Ongeveer 2100 H. A» 
land langs de westhelling der waterscheiding wateren hierop af. 

2. De boezem van de Kerkeindsche vaart. Deze boezem 
ontvangt het water van 1160 H. A. lands en heeft een zomerstand 
van — 0,40 A. P. Door een sluis ontlast hij zich bij het Fort de 
Klop op de Vecht. 

3. De Tlenhovensche vaart. Dit kanaal strekt zich uit van 
den Nieuw-Loosdrechtschen weg tot de sluis van het Kraaiennest 
aan de Vecht. In 1835 is door de Provincie Utrecht met het graven 
van dit kanaal begonnen om eene verbinding te maken tusschen de 
Eem en de Vecht. Eenige jaren, tot 1839, werd de arbeid voortgezet 
en toen gestaakt, zoodat het kanaal onvoltooid achterbleef. In 1882 
is zelfs door de Staten van Utrecht besloten er geen geld meer voor 
beschikbaar te stellen, zoodat het wel onvoltooid zal blijven i). 

Het kanaal bestaat uit twee panden. Het bovenpand 1,6 K. M. 
lang, loopt van den Nieuw-Loosdrechtschen weg tot de sluis van 
het Roodpannenhuis en wordt gevoed door hetwater van 225 H. A. 
aangrenzende hooge zandgronden. Dit gedeelte heeft een waterstand 
(1880-1884) van 0,70 M. — A. P. tot 0,64 M. + A. P. Dit boven- 
pand loost het overtollig water op het benedenpand. 

Het benedenpand der Tienhovensche vaart loopt van de sluis 
aan het Roodpannenhuis tot de sluis aan het Kraaienest bij de 
Vecht, en heeft eene lengte van 10,4 K. M. De voeding van dit 
pand heeft, behalve uit het bovenpand, hoofdzakelijk plaats uit de 
Loosdrechtsche plassen, waarmede het gemeen ligt. De waterstand 
was (van 1879—83) — 0,45 tot 0,79 M. — A. P. 2). 



1) Prov. Versl. v. Utrecht 1885, P^g- I5- 

2) Overzicht der scheepvaartkanalen in Nederland 1888, pag. 102. 



Digitized by 



Google 



i6 

4. De boezem van de 's Gravelandsche trekvaart, de 
Naarder trekvaart, Kamemelksloot enz. Deze boezem ontlast 
zich op de Buitenvechi door de Oostsluis, benevens door kokers 
in den steenen beer ten noorden van het Muiderslot en op de 
Vecht door de schutsluis in het fort Uitcrmeer en door die 
ten zuiden van Muiden. De Naardertrekvaart had te Muiden 
gedurende 1868 — 1877] een gemiddelden boezemstand van 0,24 
M. — A. P. 

Alle bovengenoemde boezems loozen aan den oostkant op de 
Vecht en omvatten dan ook hec oostelijk afwateringsgebied, dat tot 
de hooge waterscheiding loopt. Aan den linkeroever vinden wij 
nog, in het zuiden te beginnen: 

1. De boezem van de Vleutensche Weteringen. Eene 
oppervlakte lands van 1780 H. A., bestaande uit polders en hooge 
gronden, watert op dezen boezem af. Hij wordt hoofdzakelijk ge- 
vormd door genoemde stroompjes of weteringen in de landen om 
Vleuten en door de Vleutensche vaart^ waarop de meeste landen 
als boezemland vrij afwateren. Het zomerpeil is 0,06 M. 4- A. P., 
het winterpeil 0,01 M. ^- A. P. Bij Maarsen loozen deze weteringen 
door een schutsluis in de Proostwetering op de Vecht. 

2. De boezem van den Haarrijn. Deze boezem wordt ge- 
vormd door een watertje, de Haarrijn genaamd, dat tusschen 
Maarsen en Breukelen met de Vecht in verbinding staat door een 
sluis. Ongeveer 900 H. A. polderland loost door bemaling op ge- 
noemden boezem. 

3. De boezem van de Heikop of Lange Vliet. Deze boe- 
zem slingert zich in vele bochten tusschen verschillende boezem, 
gebieden door. Hij wordt gevormd door een gedeelte van den Ouden 
Rijn tusschen de sluis bij den Stadsdam van Utrecht en den Hei- 
dam (5,2 K.M. lang), loopt verder ten oosten van het gebied van 
Amstelland (de Harmeier waard) naar het noorden, loopt ten oosten 
van doch onmiddellijk naast de Bijleveld^ tusschen het gebied van 
den Haarrijn en Woerden naar het N. W. om vervolgens ten 
westen van Breukelen zich naar de Vecht om te buigen. Door een 
schutsluis in de Kerkvaart te Breukelen ontlast zich deze boezem 



Digitized by 



Google 



17 

vervolgens op de Vecht, benevens door een uitwateringsluis in de 
Stadswetering te Nieuwersluis. 

Ongeveer 2005 H. A. polderland loost op dezen boezem. Vroe- 
ger loosden nog eenige polders ten zuiden van den Rijn op dezen 
boezem; thans kan slechts een van de vroegere molens daarvoor 
nog dienen. 

Een open brief, waarin Floris van Wevelickhoven in 1385 aan 
den eigenaar van eenige landen ten zuiden van den Rijn het recht 
gaf een watergang naar de Vecht te graven, was de oorsprong van 
dezen boezem. 

— Ten oosten van de Vecht strekt zich een strook laagveen uit, 
slechts door een smalle kleizoom van de Vecht gescheiden. In die 
age venen ligt een rij uitgeveende plassen waarvan o. a. Tienhoven- 
sche- en Maarseveensche na 1871 zijn droog gemaakt. Het ZTicvj/^r- 
meer^ 620 H. A., dat bij 's Gravenland gevonden wordt, is reeds in de 
17de eeuw drooggemaakt, doch door het kwelwater kon men het 
niet droog houden. De vernieuwde plannen tot droogmaking zijn 
in 1883 uitgevoerd i). Het Naardermeer werd herhaaldelijk droog 
gemaakt, 1628 en 1884, doch ligt sedert 1886 weer onder water 

§ 5. DE OP DE LEK UITWATERENDE POLDERS. 

Nog liggen in het besproken gebied een paar polders, welke direct 
op de Lek uitwateren. Zij zijn : a, de polder van Bergdmhacht^ 
2530 H. A. groot, die gedeeltelijk tot het gebied van de Lek, 
gedeeltelijk tot dat van de Vlist (en door deze van den Holland- 
schen IJsel) behoort. Het zomerpeil in dezen polder bedraagt 1,40 M. 
— A. P. Door de uitwateringsluis, de Hoeksche sluis^ met een slag- 
drempelhoogte van 1,95 M. — A. P., staat deze polder in verbinding 
met de Lek. 

b. de polder Krimpen aan de Lek^ 5.40 H. A. groot, loost het 
water door de Vrouwensluis op de Lek. Het zomerpeil van den 
polder is 1,70 M. — A. P. en de hoogte van den slagdrempel van 
de sluis 2 M. — A. P. 



i) Droogmaking van den Kortenhoefschen polder en de Horstermeer, 1856. 

I. 2. 2 



Digitized by 



Google 



i8 



§ 6. DE KRIMPENER EN DB LOOPIKERWAARD. 

Het land, door den Hollandschen IJsel en de Lek ingesloten, 
behoort in administratieven zin in het oosten tot het hoogheem- 
raadschap van den Lekdijk Benedendams en den IJseldam vroeger 
de Loopikerwaard en in het westen tot dat van de Krimpenerwaard, 
Dit gebied loost (een klein gedeelte, de polder van Jaarsveld, die 
op de Lek afwatert, uitgezonderd,) hoofdzakelijk op den Holland- 
schen IJsel. Grootendeels heeft de waterafvoer van de Loopikerwaard 
door sluizen direct op den boezem van den Hollandschen IJsel 
plaats. Langs de Lek is echter een strook, die eerst op den Vlist- 
boezem loost en door dezen bij Haastrecht op den boezem van den 
IJsel. De Krimpenerwaard loost door sluizen en door middel van be- 
maling op het gedeelte van den Hollandschen IJsel beneden Gouda. 

De tijd der bedijking van de Krimpenerwaard is geheel onbekend. 
Men meent, dat deze waard een der vroegst bedijkte gronden is. 
Uit een handvest van Floris den Vette, gegeven in 1097, moet blij- 
ken, dat deze waard toen reeds bedijkt was, aangezien daarbij 
eenige bepalingen betrekkelijk den dijk van deze waard gemaakt 
zijn. Om deze landen van het overtollige water te ontlasten zijn 
er van tijd tot tijd vlieten gegraven en sluizen aangelegd, waarover 
vele octrooien en handvesten aanwezig zijn. 

Ook van de Loopikerwaard is de tijd van bedijking onbekend, doch 
men weet, dat in het jaar 1328 door Johan vanDiest, bisschop van 
Utrecht, de eerste dijkbrief werd gegeven. De dijken langs de Lek en 
den IJsel waren reeds veel vroeger gelegd, doch hadden destijds nog 
eene geringe hoogte en waren niet veel zwaarder dan hooge kaden i) 

Door de ligging aan de rivier de Lek staat de Krimpenerwaard» 
alsook de Loopikerwaard, nog al bloot aan overstrooming. Dit wordt 
ons duidelijk als wij bedenken, dat de hoogste waterstanden in 
1882 te Jaarsveld 5,64, te Schoonhoven 4,43 en te Lekkerkerk 
3,36 M. -f A. P. waren, terwijl de oppervlakte des lands beneden A. P* 



1) Tegenwoordige Staat. VII, pag. 451. J. Oudenhoven, Zuid-Holland 1654 
pag. 97. 



Digitized by 



Google 



19 

ligt. De zomerpeilen der polders zijn in genoemde waarden van 
0,8 tot 1,75 M. — A. P. en de gemiddelde zomerwaterstand op 
de Lek is bij laag water te Jaarsveld 0,70, te Schoonhoven 0,87, 
te Lekkerkerk 0,21 en te Krimpen 0,07 M. 4- A. P. Zelfs de 
gemiddelde rivierstand ligt nog boven het niveau des lands. 

Overstroomingen van deze waarden hadden o. a. plaats in 1572, 
toen het land volle zeven jaren met de rivier gemeen bleef liggen. 
Dikwijls verkeerde het sedert weder in gevaar, doch niet zelden 
werd het door doorbraak van de Alblasserwaard gered (zie pag. 
357 deel I). In 1726 had er door een ijsdam nog oversirooming 
plaats, in 1751 bezweek de dijk bij eene opene rivier en in 1760 
weder door een ijsdam. 

§ 7. De boezem van den hollandschen ijsel. 

De Hollandsche TJsel was vroeger zeer zeker een breede tak 
van den Rijn, die met een boog naar het noorden door lage 
landen liep. De aanzienlijke kleilagen, welke men thans nog aan 
beide oevers vindt, wijzen toch op een grooten stroom, welke deze 
bezinksels heeft aangevoerd i). 

Van 1854—1862 is de IJsel gekanaliseerd door het leggen van 
een afsluitdijk met een schut- en uitwateringsluis even boven Gouda 
en door het tot stand brengen van verschillende verruimingen en 
verdiepingen. 

Reeds veel vroeger (=t 1282; was hij aan zijn boven mond van 
de Lek grootendeels afgesloten bij het Klaphek (beneden Vreeswijk). 
Die verbinding bestaat thans alleen door een duikersluis met i 
schuif, waarvan de drempel 0,18 M. — A.P. hoog ligt. Verder staat de 
gekanaliseerde Hollandsche IJsel in dit gedeelte nog in verbinding 
met den Vaartschen Rijn door een schutsluis aan den Doorslag^ 
waarvan de bovenslagdrempel aan de Rijnzijde — 1,32 en die aan 
de IJselzijde 1,61 M. — A. P. ligt. 

De gekanaliseerde Hollandsche IJsel van den Vaartschen Rijn tot 



i) Staring. De bodem van Nederland, I, pag. 83, 351. 



Digitized by 



Google 



20 

bij Gouda (32,5 1 o K. M.lang, 13 M. op kanaalpeil breed) vormt derhalve 
een afgesloten gedeelte, waarop het omringende land loost en waar- 
van het bij droogte water ontvangt, 't Is hier geen vrijstroomende 
rivier meer, doch een boezem. Tot den IJselboezem behooren ook 
nog de Kleine- of Enge TJsel^ de Grachten van IJselstein^ en een 
tak van de schutsluis aan den Doorsag. 

Deze boezem ontlast zich bij Gouda door de schutsluis en dui- 
kersluis op het overgebleven vrije gedeelte van den IJsel. Door middel 
der inlating van water, welke door een duiker bij het Klaphek uit de 
Lek geschiedt en verder ook plaats heeft bij Gouda, wordt de 
waterstand zooveel mogelijk op een peil van 0,30 M. \. A. P. 
gehouden. Van 1879 tot 1883 wisselde de waterstand af van = A.P. 
tot 1,06 M. + A. P. De boezem van Woerden tapt weder water 
uit den IJsel. 

De gemiddelde waterstanden op den Holl. IJsel van 1871 — 1880 
waren : 

Schutsluis aan den Doorslag 0,42 M. 4. A. P. 

Geinbrug 0,40 > > » 

Brug te Montfoort 0,39 > » > 

Brug te Oudewater, 0,40 » » > 

Waaiersluis Gouda 0,36 » » » 

Het geheele gebied, waarvan de polders direct of indirect op den 
gekanaliseerden Hollandschen IJsel afwateren, bedraagt ± loooo 
H. A. De voornaamste zijn de polders van de Loopikerwaard tn 
een deel van de Kritnpenerwaard^ alle ten Z. en ^^ polder van 
Stein tegenover Haastrecht ten N. van den IJsel. 

De wateren, waarmede de IJselboezem in verbinding staat, zijn 
de volgende: i. met het vrije benedengedeelte van den IJsel (door 
een sluis bij Gouda); 2. met den boezem van Woerden, a door de 
schut- en duikersluis te Goejanverwellesluis in de Dubbele Wierikke 
b door de schutsluis te Oudewater in de lage Linschoten, c door 
de schutsluis te Montfoort in de Montfoortsche vaart; 3 met den 
Vaartsclien Rijn door een schutsluis aan den Doorslag bij Jutfaas 



Digitized by 



Google 



21 

en 4 met de Loopikervaart door een schutsluis aan het einde van 
den Engen IJsel. 

Bij Haastrecht loost op den IJselboezem nog de : 

Boezem van de Vlist. Deze boezem voert het water af van 
eene oppervlakte polderland, groot 4865 H. A. 

De Vlisthoezem loopt tusschen Schoonhoven en Haastrecht en 
heeft een zijtak langs Polsbroek. Het zuidelijke deel van de Loopiker- 
waard^ de polder van Bergambacht ten deele (zie II pag. 17) 
de polders Vlist- Westzij de en V list-Oostzijde en andere loozen 
hierop. 

Door 7 watermolens wordt het water van den Vlistboezem opge- 
malen in een hoogen boezem, die door een sluis bij Haastrecht 
op den boezem van Hollandschen IJsel loost. Daarenboven is er 
nog een stoomgemaal van 44 Pkr., dat het water uit den Vlistboe- 
zem rechtstreeks op den IJsel voert. Dit stoomgemaal kan ook in ver- 
band gebracht worden met den hoogen boezem, om dezen te bemalen. 

Het maalpeil op den Vlistboezem is 0,30 M. — A. P. en de 
kaden hebben eene hoogte van 0,20 M. — A. P. 

De hooge boezem^ met eene oppervlakte van 44 H. A., heeft een 
maalpeil 0,69 M. 4- A. P. en de kaden zijn 0,75 M. 4- A. P. hoog. Als 
de landen, welke op dezen boezem loozen, een waterstand beneden 
zomerpeil hebben (van — 1,05 tot — 1,65 A. P.) wordt er door 
den boezem uit den IJsel water ingelaten. 

De Vlistboezem was vóór de bedijking dezer waarden een wa- 
tertje, zooals er vele in dit land gevonden werden, hetwelk reeds 
vroeg gebruikt werd, om het overtollige water uit de polders naar 
den IJsel te voeren. In 1155 was de Vlist reeds met eene sluis 
afgesloten. De Heer van Haastrecht nam den s^len Januari 1293 
op zich het water van de Loopikerwaard over zijn land tot in 
de Vlist en verder in den IJsel te laten loopen. Dezelfde Heer van 
Haastrecht gaf in 1205 aan Berg- Ambacht de vrijheid tot het 
maken van een watergang naar de Vlist en verder tot in den 
IJsel, zonder verplicht te zijn sluisgeld te betalen. In het jaar 1359, 
des Zondags na St. Maartensdag, gaf Jan van Arkel aan Loopik, 
Zevender, Cabauw, Langerak, Vlist en Bonrepas het recht van 



Digitized by 



Google 



uitwatering in de Vlist en door deze op den IJsel, onder verplich- 
ting het waterschap de Vlist te hoefslagen, terwijl tevens bij dezen 
brief order gesteld werd op het schouwen en het maken der 
waterkeeringen i). 

§ 8. DE RIVIER DE HOLLANDSCHE IJSEL. 

Beneden Gouda begint het deel van den HoUandschen IJsel, 
dat nog vrije verbinding heeft met de Nieuwe Maas en als een ge- 
tijden-rivier kan beschouwd worden. Ebbe en vloed stuwen het water 
tot genoemde stad in de rivier op. Evenwel is het enkel stuwwater 
der rivieren, dat tot hier doordringt en geen zeewater, zooals de 
Goüdsche waterleiding, die hieruit voorzien wordt, bewijst. 

De gemiddelde waterstand in de rivier te Gouda bedraagt gedu- 
rende de zomermaanden bij vloed 1,12 M. + A. P. en bij ebbe 0,26 
M. — A. P. In 1882 was de hoogste waterstand 2,24 M. 4- A. P. 
De polders ten O. van de rivier hebben bij Gouderak een zomer- 
peil van — 1,75, bij Ouderkerk — 1,60 en bij Kapelle ten W. 
— 1,85 A. P. Deze landen liggen dus lager dan het gemiddelde 
vloedwater op den IJsel, zoodat bedijking en bemaling noodig is- 

De Hollandsche IJsel is geheel bedijkt. Verschillende sluizen, 
zoowel tot waterloozing als tot waterinlating der polders worden 
er in die dijken gevonden. Zij zijn in het riviergedeelte: 

A. In den rechter IJseldijk: 

Diepte van den slagdrempel. 

1 . Molensluis van den Essepolder — 2,60 A . P . 

2. Uitwateringsluis van het stoomgemaal van de ringvaart en van 

het bovengemaal van den Zuidplaspolder aan den Kortenoord — 2,01 A. P. 
(Zie over den Zuidplaspolder pag. 27). 

3. Schutsluis in den TJseldijk — 3,22 A. P. 

Hierachter ligt een tweede schutsluis, toegang gevende 
naar de Ringvaart van den Zuidplaspolder — 3,40 A. P. 

4. Uitwatering- en schutsluis tusschen den IJsel en den boe- 
zem van Rijnland (Gouwe boezem) (Mallegatsluis) — 2,80 A. P. 



i) Van der Aa. Aardr. Woordenb. art. Vlist. 



Digitized by 



Google 



23 

Diepte van den slagdrempel. 

5. Inlaatsluis van de stad Gouda — 1,40 A . P. 

6. Uitwateringsluis van Rijnland aan den mond van de haven 

te Gouda — 2,18 A. P. 

7. Inlaatsluis van de stad Gouda — 1,70 A. P. 

8. Uitwateringsluis van het stoomgemaal van Rijnlands boe- 
zem, Hanepraaisluis te Gouda — 2,10 A . P. 

De sluis in de afdamming van den gekanaliseerden en 
den vrijen IJsel heeft een drempelhoogte van — 2,50 A. P. 

B. In den linker IJseldijk: 

I . Inlaatsluis voor de polders Veerstalblok en Stolwijk — 2,17 A. P. 

2. Molenslab van den polder Middelblok — 2,75 A. P. 

3. Uitwateringsluis van het stoomgemaal van den polder Stolwijk — 2,63 A . P. 

4. Molensluis van den polder Kattendijksblok — 3,28 A. P. 

5 . Inlaatsluis van den polder Achterbroek — 0,65 A. P. 

6. Molensluis van den Nessepolder — 2,60 A . P . 

7 . Inlaatsluis van den Nessepolder , — 2,87 A . P. 

8. Molenslub van den polder Berkenwoude — 3.20 A. P. 

9. Inlaatsluis van den polder Kromme Geer en Zijde — 1,93 A. P. 

10. Molensluis voor den polder Kromme Geer en Zijde — 3,36 A. P. 

11. Voormalige uitwateringsluis van den boezem van Lekker- 
kerk. (Doet geen dienst meer) — 2,85 A . P . 

12. Uitwateringsluis van het stoomgemaal van den polder Hoek 

en Schuwacht — 3,07 A. P. 

§ 9. HISTORISCHE OPMERKINGEN OVER DEN HOLLANDSCHEN IJSEL. 

Men vindt reeds melding gemaakt van den Hollandschen IJsel 
in een lijst van goederen, behoorende bij de Utrechtsche kerk, op- 
gemaakt in 860. Hierin wordt o. a. gezegd, dat het water van de 
Isla liep door bosschen, weiden en visscherijen, het vijfde deel van 
Su Maarten. 

Tot het laatst der 13e eeuw was de IJsel een bevaarbare rivier, 
gevormd door een zijtak van den Beneden-Rij n of Lek, welker 
wateren voor een gedeelte vrij langs den Hollandschen IJsel afstroom- 
den. Men acht het waarschijnlijk, dat na de verstopping of langzame 
verzwakking van den Rijnarm, die van Wijk bij Duurstede 
over Utrecht naar Katwijk liep, een aanzienlijker hoeveelheid 



Digitized by 



Google 



24 

water langs den IJsel gevoerd werd, waardoor er telkens overstroo- 
mingen van de oevers dezer rivier plaats hadden, zoodat men, om 
deze te voorkomen, in 1285 tot de afsluiting van dezen tak der 
Lek bij het Klaphek heeft besloten. 

Het belang van deze afsluiting blijkt daaruit, dat de Graaf van 
Holland in 1285 hiervoor eene som van 4500 pond aan den Bis- 
schop van Utrecht beloofde. 

In 1291 erlangde de afdamming hare voltooiing en door een 
duiker bleef er slechts eene geringe verbinding van den IJsel met 
den Rijn over. Aan den benedenmond ontving de IJsel nog voort- 
durend het in- en uitstroomend vloedwater en tevens werd hij gevoed 
door de omliggende polderwateren. 

In 167 1 werd de IJsel aan het boveneind door een gegraven kanaal 
in verbinding gebracht met den Vaartschen Rijn. Door een schut- 
sluis in genoemd kanaal kan bij hoogen waterstand van den 
Vaartschen Rijn het water gekeerd worden. 

Zoo werd de doorstrooming van den IJsel verhinderd en het vloed- 
water drong eiken dag van den benedenmond in den IJsel op om 
hier tot rust te komen. Daardoor bezonken de slibdeelen in deze 
rivier, en al spoedig begon de IJsel in een betreurenswaardigen 
toestand te geraken. Hij vernauwde steeds meer en meer en 
werd voortdurend ondieper. 

Al vroeg werden de nadeelen van dien toestand gevoeld. Reeds 
in 1425 werd uit Gouda eene commissie afgevaardigd naar de 
Regeering van Montfoort, om te onderhandelen over het uitdiepen 
van den, IJsel. In 1485 schijnen er werkelijk uitdiepingen tot stand 
gekomen te zijn, door de samenwerking der steden Gouda, IJsel- 
stein. Schoonhoven, Oudewater en Montfoort. 

In 1506 wendde zich de stad Gouda tot de Staten van Holland 
om het verlanden van den IJsel te voorkomen. Men meent, dat 
de Burggraaf van Montfoort destijds den IJsel afsloot met vlotdeuren. 

In 1445 onderhandelde Gouda er nogmaals over met de Staten 
van Utrecht en ook in 1662 en 1792 werden er onderhandelin- 
gen gevoerd over het uitdiepen van de rivier, doch resultaten 
hadden al die besprekingen niet. 



Digitized by 



Google 



25 

In deze eeuw werden er opnieuw verschillende plannen tot ver- 
betering van den IJsel ingediend. Een volledig plan, in 1 8 lo opge- 
maakt en aan het Gouvernement ingediend, was afkomstig van 
den Inspecteur van den Waterstaat J. Blanken Jz. Het behelsde 
eene volledige afsluiting van den IJsel te Krimpen benevens voor- 
stellen van uitdieping. 

Door politieke verwikkelingen kwam echter van dit plan niets 
terecht. 

In 1824 en 25 werden er nogmaals plannen ingediend, welke 
eveneens zonder gevolg bleven. Doch de klachten namen inmiddels 
zoo zeer toe, dat heeren Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland in 
1840 aan de provinciale hoofdingenieurs van den Waterstaat op- 
droegen een onderzoek naar den toestand des IJsels in te stellen. 

In hun rapport van October 1841 deelen zij o. a. als enkele 
voorbeelden van dien slechten toestand der rivier mede, dat aan 
de punten de Pleit en de Pot boven Oudewater bij gewonen vloed 
niet meer dan 10 3, 14 d.M. en bij gewone eb slechts 6^8 k 8,4 
d.M. water gevonden werd. Van den Doorslag tot bij jHaastrecht 
was de toestand over *t geheel zeer slecht, het overige gedeelte tot 
den benedenmond was evenwel nog vrij goed. 

De plannen der verbetering stuitten echter af op finantieele be- 
zwaren. In 1848 en 50 werden er nogmaals nieuwe plannen be- 
raamd, die eveneens onuitgevoerd bleven. 

Doch in 185 1 werd door de Staten van Zuid- Holland beweerd, 
dat de IJsel aan den Staat behoorde, »als zijnde een bevaarbare 
en vlotbare stroom in den zin van art. 577 van het Burgerl. Wet- 
boek. < Na rijp beraad vereenigde het Gouvernement zich hiermede. 
Eene commissie werd benoemd om plannen tot verbetering der 
rivier te ontwerpen, welke in Jan. 1853 rapport uitbracht i). 

Deze plannen werden van 1854 — 62 in den zin als boven be- 
schreven is, uitgevoerd. 



i) Verslag aan den Koning van de Openbare Werken, 1853, pag. 113. 



Digitized by 



Google 



26 

lO. HET GEBIED TEN WESTEN VAN DEN IJSEL DAT NAAR HET 
ZUIDEN AFWATERT. 

Ten westen van den HoUandschen IJsel, naar het noorden onge- 
veer tot de lijn Gouda— den Haag, loost het lage land met onder- 
scheidene droogmakerijen het overtollige water hoofdzakelijk op den 
IJsel en de Nieuwe Maas. (Delfland in den laatsten tijd ook door den 
Haag naar de Noordzee). De waterloozing van het land heeft eerst 
plaats op eenige boezems, die weder door sluizen met het buitenwater in 
verbinding staan en op natuurlijke en kunstmatige wijze daarop loozen. 

Va;n het oosten af heeft men hier achtereenvolgens de volgende 
boezems : 

A. De boezem van de ringvaart om den Zuidplas- 
polder. 

B. De boezem van den Prins Alexander polder. 

C. De Rotteboezem. 

D. De Schieboezem. 

Elk van deze boezems heeft een gebied, dat hierop, meestal op 
kunstmatige wijze, afwatert. 

In administratieven zin wordt dat geheele gebied in twee Hoog- 
heemraadschappen verdeeld. In het oosten, ongeveer tot de lijn 
Rotterdam-Zoetermeer, behooren de landen tot het Hoogheem- 
raadschap Schieland en ten westen van genoemde lijn tot het 
Hoogheemraadschap Delfland. 

Tot het Hoogheemraadschap Schieland behooren hoofdzakelijk de 
gebieden van den Zuidplaspolder en van den Prins Alexander 
polder,^ van den RotUhoezem^ benevens nog eenige polders, die op 
den Schieboezem loozen en enkele kleine gedeelten meer. Daarbij 
komen nog eenige polders, die langs de Maas- en IJseldijken recht- 
streeks op het buiten water uitslaan. 

Het Hoogheemraadschap DelAana omvat de landen tusschen 
Schieland en de Noordzee tot genoemde noordelijke grens. De 
meeste landen, welke op den Schieboezem loozen (eenige uitgezonderd, 
zie boven) behooren tot Delflands Hoogheemraadschap; daarnaar 
wordt de Schieboezem ook wel Delflands boezem genoemd. 



Digitized by 



Google 



27 

Zooals wij zien valt de grens der hoogheemraadschappen geens- 
zins samen met de hydrographische grenzen of die der boezem- 
gebieden. De Schieboezem behoort o. a. gedeeltelijk tot Delfland, 
gedeeltelijk tot Schielands hoogheemraadschap. Hieruit blijkt reeds, 
dat hoogheemraadschap geen geographisch^ doch een administra- 
tief begrip is: eene uitdrukking voor een toestand van bestuur ^ 
doch niet voor de gesteldheid des lands. 

Boezem en boezemgebied zijn daarentegen geographische begrippen 
(nader bepaald tot de oro-hydrographie behoorend) omdat zij den toe- 
stand van het geographisch object, van de aardoppervlakte uitdrukken. 

S II. HET BOEZEMGEBIED VAN DE RINGVAART VAN DEN 
.'iUIDPLASPOLDER. 

Wij zullen genoemde boezemgebieden afzonderlijk behandelen 
(dus de geographische gesteldheid) en vangen daarmede in het 
oosten aan. 

De boezem van de Ringvaart van den Zuidplaspolder en daar- 
mede gemeen liggende wateren wordt gevormd door de ringvaart^ 
welke den Zuidplaspolder aan alle kanten, behalve naar het N., be- 
grenst en verder door een zijtak naar de Rotte. De boezem zelf 
heeft eene oppervlakte van =1= 45 H. A., waar eene oppervlakte 
lands van =t 5430 H. A. op uitwatert. Dit land bestaat uit 
2 diepe droogmakerijen; de Zuidplaspolder^ groot 4355 H. A. met 
een zomerpeil van 5,6 M. — A. P. en de Eendrachtspolder groot 
970 H. A. met een zomerpeil van 5,65 M. — A. P. Verder wateren 
hier op uit de polder Kortland en de Kleinpolder, 

Ten Z. van Waddingsveen wordt het water uit de droogmakerij 
door een stoomgemaal (128 P. Kr.) op de ringvaart, den eigenlijken 
boezem, gevoerd. Deze heeft een maalp)eil van 1,54 M. — A. P.; de 
normale waterstand is er 1,65 k 1,70 M. — A. P. De ringdijk is 
0,45 M. — A. P. hoog. 

De boezem of ringvaart loost het water bij Kortenoord (gem. 
Nieuwerkerk) op den Holl. IJsèl (zie TI pag. 22) door een stoomge- 
maal van 128 P. kr. 

Verder wordt deze boezem afgemalen door drie windmolens te 



Digitized by 



Google 



28 

Zevenhuizen op de Rotte. Hoofdzakelijk geschiedt derhalve de af- 
watering op den IJsel. 

Verder kan, indien dit noodig is, een stoomschepradmolen het 
polderwater onder de ringvaart door op een afzonderlijken tusschen- 
boezem brengen, van welken het door een stoomgemaal van loo 
P. kr. op den IJsel wordt afgemalen. 

Historische opmerkingen. Waar nu de Zuidplaspolder ligt. 
vond men tot het begin der 14* eeuw meest woest bosch, afgewisseld 
door weiden. Sedert dien tijd werd dit oord door vervening in 
water herschapen. Aanvankelijk vond men er verscheidene plassen, 
die langzamerhand ineen liepen en eene vlakte van =fc 4000 H. A. 
bekwamen. 

Reeds in 1575 hadden de Staten van Holland bij plakkaat maat- 
regelen tegen het onregelmatig vervenen genomen. Het eerste plan 
tot bedijking van een deel der toen reeds bestaande plas werd 
gevormd in 1697 door het ambacht Zevenhuizen. Dit voornemen, 
evenals het octrooi in 1700 door de Staten van Holland en West- 
Friesland aan de steden Rotterdam en Gouda tot bedijking van 
een gedeelte der plas verleend, kwam niet tot uitvoering. 

In het begin van deze eeuw werden er eenige werken tot be- 
teugeling van de plas uitgevoerd, welke tevens bij eventueele droog- 
making dienst konden doen. Doch door het allengs gevaarlijker 
worden der zich uitbreidende plas werd in 1825 besloten op Rijks 
kosten de droogmaking uit te voeren i). 

Om het werk tot stand te brengen benoemde de Koning eene 
gemengde commissie, bestaande uit den Gouverneur der provincie 
Zuid -Holland, een lid van gedeputeerde staten, twee leden van 
het college van Schieland, den hoofdarabtenaar van het ministerie 
van binnenl. zaken afd. waterstaat en twee hoofdingenieurs van 
den waterstaat. 

De voorgenomen droogmakerij werd met allen ijver aangevangen 
doch eenige jaren daarna, tengevolge van den Belgischen opstand, 



l) J. A. Beijerinck, Geschied- en waterbouwkundige beschrijving van den 
Zuidplaspolder. (Verh. Kon. Instituut van Ing. 1185—52.) 



Digitized by 



Google 



29 

gestaakt. De bedijking, waarmede men in 1828 was aangevangen, 
was voltooid in 1830; van 1830 tot 1835 bleefde arbeid om boven- 
genoemde reden rusten, doch in 1835 werd hij weer krachtig hervat. 
Zoo kon de eerste afmaling beginnen in 1836 (April) en in 1839 
had de eerste bezaaiing plaats. De eerste bebouwing van den 
drooggemaakten grond geschiedde voor rekening van het Rijk. In 
1841 ving men aan met de verkooping van den grond. Dooreen 
genomen bracht deze / 180 de H. A. op. Aan het verkochte 
land werd verbonden: vrijdom van grondbelasting gedurende 25 
jaren, halve vrijdom van Schielands penninggeld en van het Wie- 
rikkerdijkgeld gedurende 20 jaren en voor de woningen en gebou- 
wen, die binnen 25 jaren hier werden gebouwd, gedurende 15 jaren 
vrijdom van grondbelasting i). 

§ 12. DE PRINS ALEXANDERPOLDER. 

De Prins Alexanderpolder is eene droogmakerij^ die de plassen 
in Schieland ten rioordoosten van Rotterdam vervangen heeft. Deze 
plassen vormden 14 door wegen en kaden afgescheiden kommen. 

Voor gemeenschappelijke rekening van het Rijk en de provincie 
Zuid-Holland is deze droogmakerij ondernomen en in 1874 vol- 
tooid. De oppervlakte bedraagt 2825 H. A. welke door een ring- 
dijk van 24410 M. wordt ingesloten. 

Het zomerpeil is 6,3 M. — A. P., zoodat dit het laagste gedeelte 
is van ons polderland. 

Deze polder, die natuurlijk geheel bemalen wordt, loost op een 
ringvaart, van welke het water door een stoomgemaal van 120 
P. kr. bij het Kralingsche veer op de Nieuwe Maas gevoerd wordt. 

§ 13. DE ROTTEBOEZEM EN ZIJN GEBIED. 

Deze boezem wordt hoofdzakelijk gevormd door het waterje de 

Eotte, De Rotte vangt aan ten W. van Moerkapelle uit een klein plasje, 

-verbreedt in het midden tot de Bleiswijksche meren^ waarschijnlijk 

uitgeveende plassen, en mondt uit bij Rotterdam in de Maas. Oor- 



l) Mr. W. F. Gevers Deynoot. Statistieke opgave en beschrijving van het 
Hoogheemraadschap Schieland (Nieuwe Verh. Bat. Gen. 1S50» pag. 39.) 



Digitized by 



Google 



30 

spronkelijk een vrij riviertje is de Rotte door den bouw van sluizen een 
boezem geworden, welke het water ontvangt van 1130 H. A. pol- 
derland en zelf ± 126 H. A. oppervlakte heeft. Het maalpeil van 
den Rotteboezem is 0,34 M. — A. P. hoewel hij gewoonlijk 0,15 k 0.20 
M. beneden dat peil gehouden wordt. Van 187 1 — 1880 was de 
hoogste stand 0,24 M. — A. P., de laagste 0,79 M. — A. P. 

Bij Rotterdam wordt de Rotteboezem door 8 schepradwatermolens 
afgemalen op een hoogen boezem, die door de hooge boezemsluis 
bij de Oost-poort te Rotterdam op de Maast loost. Hier kan verder 
de Rotte-boezem afgemalen worden op den hoogen boezem door 
een stoomgemaal van 120 P. kr. 

Het maalpeil van den hoogen boezem is 0,91 M. + A. P. en 
de bekading van deze 1,36 M. 4- A. P. 

Bij het stoomgemaal ligt in den hoogen boezem een keersluis, die 
dicht gezet kan worden, om aan het stoomgemaal gelegenheid te 
geven, het water tot boven het maalpeil op te voeren. 

Ook kan de Rotteboezem nog vrij loozen op den hoogen boezem 
en door deze op de Maas door een sluis, gelegen aan het N. W. 
einde van den hoogen boezem. 

Bij voortdurend hoogen waterstand kan de hooge boezem in ver- 
binding gebracht worden met een bergboezem door het openen van een 
sluisje en een hulpgat. De inlating van water in den Rotteboezem 
heeft plaats uit de Maas door een [sluis bij het Kralingsche veer. 

De landen, welke op den Rotteboezem loozen, behooren hoofd- 
zakelijk tot vier droogmakerijen van welke de Bleisvnjksche en 
HilUgersbergsche (droogmaking aangevangen in 1772) de grootste 
zijn. In de eerste is het zomerpeil in vele deelen 5 M — A. P., in 
de laatste voor enkele deelen 2,10 M. — A. P. 

Ook de Kralingsche polders ter grootte van 790 H. A. met een 
zomerpeil van — 1,85 A. P. loozen met een zijtak ten N. langs. 
Rotterdam op den Rotteboezem. 

g 14. DE SCHIEBOEZEM EN ZIJN GEBIED. 

Van Delft naar Overschie loopt een kanaal, dat waarschijnlijk 
reeds in Romeinschen tijd gegraven is en men tegenwoordig de 
Schie noemt. 



Digitized by 



Google 



31 

Bij laatstgenoemde plaats verdeelt de Schie zich in drie takken^ 
van welke ieder den naam ontvangt naar de plaats, waarheen hij 
loopt. Dit zijn de Rotterdamsche-^ de Delfshavensche- en de Schie- 
damsche Schie, Deze wateren vormen een deel van den Schie- 
boezem. 

Verder behooren hier o. a. nog toe : de vaart van Delft naar de 
Hoornbrug^ de Vliet van hier tot den Leidschen dam, de vaart 
van de Tolbrug naar den Haag en die van den Haag naar Sche- 
veningen, de vcutrt van Delft naar Vlaardingen^ de Boonenvliet 
en andere wateren in het Westland en verdere deelen van Delfland. 

De boezem heeft eene oppervlakte van ± 385 H. A., waarop 
± 28200 H. A. polderland en 8700 H. A. duinland en boezemland 
uitwateren. 

Het maalpeil van den boezem is 0,24 M. — A. P. (Delflands peil). 
De hoogste stand van 1871 — 1880 is geweest 0,06 + A. P., de 
laagste 0,44 — A. P. De kaden langs den boezem moeten eene 
hoogte hebben van 0,26 M. -f- A. P. 

Vergelijken wij nog met dezen waterstand de hoogte van het 
buitenwater. 





Gedurende de zes 


Gedurende de zes 








zomermaanden. 


wintermaanden. 


Over hci jaar. 




Bij vloed. 


Bij eb. 


Bij vloed. 


Bij eb. 


Bij vloed. 


Bij eb. 


Rotterdam . . . 


+ 1,3 


-0,15 


+ 1,06 


-0,11 


+ 1,04 


-0,13 


Vijf sluizen. . . 


+ 0,91 


-0,30 


+ 0,96 


-0,31 +0,93 


-0,31 


Vlaardingen . . 


+ 0,89 


-0,32 


+ 0,93 


-0,36 +0,91 


-0,34 


Maassluis 


+ 0,88 


-0,39 


+ 0,92 


-0,48 +0,90 


~o,43 


Rozenburg . . . 


+ 0,89 


-0,42 


+ 0,94 


-0,56 +0,92 


-0,49 


Hoek van 












Holland.. 


+ 1,02 


-o,S4 


+ 1,07 


-0,71 


+ I1O5 


— 0,62 



Hieruit blijkt, dat de gemiddelde ebbestand van het buitenwater 
aan de Vijfsluizen reeds lager is dan het maalpeil; te Rotterdam 
gemiddeld iets hooger. 



Digitized by 



Google 



33 

De Schieboezem kan loozen op de Nieuwe Maas^ i door de 
schutsluis onder de Vlasmarkt te Rotterdam, 2 door de schutsluis 
te Delfshaven, 3 de schutsluis te Schiedam, 4 de sluis aan de Vijf- 
sluizen tusschen Schiedam en Vlaardingen, 5 door drie sluizen te 
Vlaardingen. Verder op het Scheur door de Boonersluis bij Maas- 
sluis, door twee sluizen te Maassluis, en de Oranjesluis onder 
Naaldwijk. Het nieuw aangelegde kanaal tot waterverversching van 
den Haag geeft aan den Schieboezem loozing op de Noordzee. 

De afstrooming te Delfshaven heeft alleen plaats, als zij voor de 
scheepvaart niet hinderlijk is en op de sluis te Schiedam rust geen 
verplichting het boezemwater te doen afstroomen. Bij onvoldoende 
loozing wordt de boezem bij de Vijf sluizen afgemalen op de Maas 
door een stroomgemaal van 100 Pdkr. 

De inlating van water heeft hoofdzakelijk plaats aan Vijf sluizen 
en aan de Oranjesluis, 

In den laatsten tijd heeft Delfland eene nieuwe waterloozing ont- 
vangen door een kanaal, dat den Haag, hetwelk in dit gebied ligt, 
met de Noordzee verbindt. Deze loozing heeft hoofdzakelijk de 
spuiing van de stad ten doel doch kan mede tot verbetering der 
waterloozing van dit gebied dienen. (Zie hierover §15.) 

Behalve genoemde schutsluizen, die den Schieboezem met het 
buitenwater verbinden, kan men door de sluis aan den Leidschen- 
dam van Schielands boezem in Rijnlands boezem overvaren. Te 
Rotterdam vormt een schutsluisje aan de Delftsche vaart verbinding 
met den Rotteboezem. 

De invloed van den wind op het water doet zich bij den uitge- 
breiden Schieboezem dikwijls krachtig gevoelen door het opwaaien 
van het water. Bij Z.W. en W. wind kan dit te Delft sterk rijzen 
en ten einde de stad te beschutten heeft men hier in de Buiienwater- 
sloot en in de Kastanjewetering keersluizen met valschutten gemaakt, 
om het water te keeren. Ook bij Overschie heeft men in de Rotter- 
damsche Schie een schutsluisje, om bij een boezemstand van 2 d.M. 

In het westen van het Hoogheemraadschap Delfland ligt langs 
boven A. P. de stad Rotterdam voor het opwaaiende water te 
kunnen beschutten. 



Digitized by 



Google 



3.3 

de duinen een gebied, dat onbepolderd is en dus geheel eene 
natuurlijke afwatering heeft. 

Langs de Noordzee loopt een duinketen, die evenwel nabij den 
Hoek van Holland zoozeer is afgenomen (zie I pag. 20), d^t het 
aanleggen van een slaperdijk van strandpaal No. iio tot aan. het 
punt van* vereeniging van den Maasdijk met den Noprdlandschen 
dijk noodzakelijk wa& 

Volgens de oude kaarten van Delfland bedraagt de afneming der 
duinen van Terheide tot den i)older Nieuwland van 17 12 tot 1863 
van 528 tot 565 M. 

De duinketen van het kanaal van Katwijk tot de doorgraving 
van den Hoek van Holland is 32,350 KM. lang. De breedte is zeer 
verschillend. Zij bedraagt te Loosduinen gemiddeld 400 M. en op 
sommige plaatsen voor den slaperdijk niet meer dan 15 M. Van 
den Hoek van Holland af tot voorbij Loosduinen worden de dui- 
nen regelmatig tot eene hoogte van 6,50 M. + A. P. geslecht. 

Historische opmerki;*tg. De Schie^, naar welk het water hoogheem- 
raadschap Schieland den naam ontvangen heeft, is zeer waarschijn- 
lijk . een g^raven water of kanaal. Reeds van oudsher was het 
onder den naam SchU of Sc/tye^ oudtijds ook Mailing of d: 
Matting geheeten, bekend, maar liep oorspronkelijk alleen van 
Delft tot even buiten het dorp Ouderschie of Overschie. In 1343 
werd, volgens last van Graaf Jan van Henegouwen, op kosten en 
verzoek der stad Rotterdam het graven eener vagirt van deze stad 
tot de Delftsche Schie ondernomen, om Rotterdam gemeenschap 
met het binnenland te geven. Die vaart werd in 1348 voltopid. 
De groote sliAs te Rotterdam, het Spui genaamd, die misschien 
reeds als uitwateringsmiddel voor de Rotte bestond, werd tot uitwa- 
tering voor de Rotterdamsche Schie bepaald. In 15 10 werd zij op- 
nieuw hersteld. 

In 1389 eindelijk groef de stad Delft van Overschie naar. de 
Maas de Delfshavensche Schie. De Schie zelf moet destijds reeds 
gemeenschap met de rivier de Maas gehad hebben te Schiedam i). 

1) Zie Gevers Devoot, Statistieke opg'ave en beschrijving van het hoogheem- 
raadschap van Schieland (Nieuwe Verhandelingen van het Bat. Gen. X 1850.) 



Digitized by 



Google 



34 

§ 1$. I>E WATERVERVERSCHING IN DEN HAAG EN NIEUWE LOOZINCT 
VAN DELFLAND. 

Den Haag ligt in het noorden van het Hoogheemraadschap DelP 
land en loosde dus zijn overtollig water door den Schieboezenw 
(zie pag* 31) op de Nieuwe Maas en het Scheur. Daar den Haag- 
bijna in den noordwestelijksten uithoek van dit boezeragébied* 
ligt, is er geen water, dat door den Héiag stroomt en wórden de- 
grachten bijna uitsluitend gevuld met het water, dat op de plaats valt^* 

Door dezen toestand is de waterverversching in dé residen-' 
tie altijd slecht geweest. Hierbij komt nog, dat het grachtwater 
door allerlei faecaliën verontreinigd wordt. Reeds in de vorige- 
eeuw was men er op bedacht, hierin verbetering te brengen. In* 
175 1 werd door den kapitein-ingenieur Wiltschüt een plan- 
opgemaakt, om het stadswater door middel van molens, door paar-' 
den in beweging gebracht, aF te malen. In 1773 maakte Redelijk- 
heid een eenigszins gewijzigd plan op en in het begin dezer eeuw 
kwam de ingenieur Kros met het ontwerp voor den dag, om de 
geheele duinstreek ten westen van de Loosduinensche vaart en met' 
inbegrip van de Oranjesluis, van Delfland af te scheiden. In 1828' 
maakte de hoofdingenieur Thomeze een plan, om door een kanaal 
met 'slttieen naar Scheveningen waterverversching te verkrijgen. Dit^ 
plan' sloot niet alleen in, om waterverversching aan den Haag te 
schenken, maar tevens om Delfland verbeterde afwatering en den' 
Haag een haven te verschaffen. Verder ontwierpen'CoNRADin 1846- 
de heeren Stieltjes, Henket en de Brüijn Kops in 1868 nog: 
plannen, welke echter geen van alle tot uitvoering kwsftnen. 

Bij al die ontwerpen werden waterverversching van den Haag en^ 
2^erbeiering der afwatering van Delfland steeds als één gelieel he^ 
schouwd. Doch in 1878 begon men eene andere beschouwing te^ 
zijn toegedaan, toen het plan van een kanaal naar Scheveningei> 
speciaal voor waterverversching van den Haag werd ontworpen. 
Geschillen met Delfland over het beheer der skis deed dit plan» 
destijds in duigen vallen, doch na hervatting der onderhandelingen^» 
werd men het na 1883 eens. . . i 



Digitized by 



Google 



35 

De werken der waterver versching in den Haag bestaan in 
hoofdzaak uit een kanaal^ dat de Haagsche grachten met de zee* 
verbindt. Aan het einde van dit kanaal -is eene sluis noodig, 
om het zeewater te keeren bij hooger standen, dan voor Delflands' 
boezen toelaatbaar zijn. 

Hierdoor wordt verkr^en, dat een deel van het overtollige regen- 1 
w^er, op'Delflands gebied vallend, doon den: Haag naar zee wordt* 
afgevoerd^ zoodiat Delfland thans eén directe loozing'op' de Noord- ^ 
zee, verkrijgt.. Daar de. waterstand in ïee bij Schevëningen gewoon-, 
lijk lager valt dan op de^ IVüuis, zal de waterafvoer van Del^and > 
bovenal door den 'Haag plaats kunnen hebben. ;. 

.Verder kan in tijden,. dat er weinig regen valt, Delfiands boezem'» 
van • de Maéts ^ water inlaten, om dat '. telkens door den Haag > 
<^ fcee te loozèn^. zoodat óok in.'deie gevallen de water ververschingj 
der 'stad' doorgaat.' / j 

' Het nieuwe hiefvoor. gegraven kanaal heefl: op den bodem een/ 
breedte vaii 20 M, en oen diepte van -2,25 M; onder -Delflands^ 
peil. Zoolang , mogelijk volgt het van de gasf^bjqiek;^ den stoomt 
tramweg en doorsnijdt ten zuiden van Zegbroek de duinen. De 
zeesluis wordt gesloten door twee waterkeeringen, om bij hoogen 
waterstand in zee voor de veiligheid den druk over de ^ twee te.ver- 
deekn. Ook pp » een 300 M. van den binnenyp^ t der 4Aiïi^cn ligt.^ 
een sluis,' terwijl een stoomgemaal van 140 paarddcrachten* aldaar r 
bij hoogen waterstand op zee het water uit den boezem kan afmalen.* 

Tevens dient deze sluis voor' tweede waterkeering, om cfienst te 
doen, als de eerste mocht bezwijken. 

. Bij lagen waterstand in zee stroomt door dit kanaal nu het w>ater » 
uit Delflands boezem vrij af, en dieistroom^ welke door de Haag- 
sehe grachten 'gaat, brengt daar voortdurend 'f^^xifyt water aan' uit' 
Delfland. Rijst het water in zee, dan vermindert de üitstrooming • 
en de waterbeweging. De afmetingen van het (anaal zijn zoodanig' 
^kozen, dat, naar wordt verónderstetó,' zelfs iri minder gunstige ge- , 
vallen per getij 100,000 M' en per etmaal 200,000 M* water er. 
door- naar zee kan .stroomen. . Bij lang<)u]:igen hoogen waterstand ep 
zee bewerkt het stoomgemaal de afvoeüitig. Doch tevena moet het ' 



Digitized by 



Google 



3^ 

Stoomgemaal dienen, om, öok al is de eb in zee laag genoeg, het 
water uit het kanaal op dien voorboezem tusschen de beide sluizen, die 
aan zee en die binnen dè duinen, af te malen. Men vreesde namelijk, 
dat de : uitstrooming van het )x)e^m water op de wateren van het zee- 
bad te Scheveningen nadeelig zullen zijn. Daarom is het gedeelte van 
het kanaal tusschen 'de sluizen geschikt, om hier hét water, dat in 
15 uren uit den boezem gemalen wordt, tijdelijk té kunnen bergen. 
In den tijd, dat het voor de baden niét meer nadeelig is, of de 
zuidwaarts gaande ebstroom heerscht, laat men dan het water uit 
den voorboezem weer op zee afloopen 1). 

De Loosduinensche vaart wordt van deze waterloozing afgesloten 
door sluisjes, om het water niet telkens te verliezen tot nadeel van 
de scheepvaart. De Beek^ die tot afwatering van een deel der dui- 
nen dient en den Ho/vijver voedt, loopt door een duiker onder het 
nieuwe kanaal door en is er dus eveneens van afgesloten. De Hof* 
vijver wordt ververscht uit de Beek en dit blijft bestaan ; de loozing 
van den Hofvijver blijft als lixoeger op het Spui .plaats hebben 2). 

§ 16. HET GEBIED DER BOEZEMS VAN AMSTELLAND, VAN WOERDEN 
EN VAN RIJNLAND. 

(Algetneent beschouwing^ 
De grens van de .afwatering naar het zuiden ligt, zooals wij zeiden, 
ongeveer in de lijn Dé IJsel, Gouda, Den Haag. In deze lijn be- 
vindt zich derhalve de waterscheiding tusschen het gebied der 

1) De vraag, welken invloed het spuien van het Ilaagsche water op de zee 
Ie Scheveningen zal hebben, is verschiUend beantwoord. Aanvankelijk is zelfs 
in het badsaizoen het spuien, uit vrees voor nadeeligen invloed, uitgesteld. Dat 
dbor de bovengenoemde inrichting van de spuiing deze niet nadeelig kan wer- 
ken op het Mrater te Scheveningen, is o. a. betoogd door den heer E. H. Stiel- 
tjes, tegenover een artikel van den heer E. van Heurn, die het tegengestelde 
gevreesd had. (Zie ,yDe Ingenieur'* 1888 pag. 253 en 281). Door waarnemingen 
en onderzoekingen kwam Dr. W. F. Koppeschaar tot besluit, dat het spuien 
geen nadeeligen invloed op het .zeewater voor I/>osdttinen en Scheveningen 
zon hebben. (Bijlagen tot' de Handelingen van den gemeenteraad in den Haag 
1889 pag. 96.} Eeiiheid'van gevoelen bestaat hierover nog niet. 

2) Zie J. van der Vegt. De Haagsche waterverversching. (Haagsch Jaar- 
boeipe 1889.) 



Digitized by 



Google 



S7 

boezems van dë Schie, de Rotte en de Ringvaart van den Zuid* 
piaspolder en bet gebied der boezems van Rijnland en Woerden/ 

Die waterscbeiding is geheel kunstmatig ;^ zelfs was de natuurlijke 
gesteldheid des lands hierop van geen merkbaren invloed. Zij bestaat 
bij Delfland en Schieland uit verschillende kaden, welke in hoogte niet 
van de gewone polderkadën te onderscheiden zijn, en die zelfs beneden 
A.P. liggen. (Zie verder II pag. 51.) De hóoge noordelijke IJseldijk 
vormt een betere waterscheiding naar den kant van hetijselgebied. 
^Het ten noorden van genoemde lijn liggende land behoort in 
hydrographisch opzicht tot drie boezemgebieden : de boezem van 
\Rijtiland^ van Woerden en die van Amstelland. Ook administratief 
is het in drie deelen verdeeld: het Hoogheemraadschap Rijnland^ 
het Grootwaterschap Woerden en het Hoogheemraadschap AmsteU 
land. De grenzen van deze administratieve gedeelten worden be- 
paald door die der boezemgebieden. 

De boezems doorsnijden het boven aangeduide land met vei'schillen- 
de armen door een tal van hooger liggende wateren. Op. de gewone 
kaarten vindt men óver de grenzen dier boezems volstrekt geen inlich* 
tingen. Dit is een gevolg hiervan, dat de verschillende boezems in elkan- 
der overgaan en slechts door sluizen van elkander gescheiden worded. 
Amstelland's boezem staat bijv. door schutsluizen inet den Vecht* 
boezem, met den boezem van Woerden en met Rijtiland's boezem 
op verschillende plaatsen in verbinding. Wij zagen dergelijke velr* 
bindingen ook reeds bij de vroeger besproken boezems. Alleefï de 
oude rechten en de administratieve indeeling bepalen dus, waar in 
bet water de grens van een bepaalden boezem zal zijn en een 
schutsluis, die voor de scheepvaart de verbinding doet behouden, 
móét die watergrens tot stand brengen. 

De Oude Rijn van Utrecht naar Leiden levert óns een duidelijk 
voorbeeld op, hoe een volgens de gewone kaart schijnbaar door- 
*lcxipen4 water, tot verschillende boezems kan behoóreh. 

Bij: Utrecht maakt de Oude Rijn tot de sluis ZATcA^tTL Stadsdam 
(3,3 K:MJ ten W. van de Singelgracht) deel VL\X.\^Ti\ii\. Stadswater 
en loost aldps door de Weerdsluis te, Utrecht op de Vecht. 

Van de sluis in den Ouden Rijn aan den Stadsdam tot de sluis 



Digitized by 



Google 



ri8 

•tg 'den 'Htldam (5,2 K:.M: lengte), 'ónWangt hét tweede pand yafi 
dj^n Ouden .Rij!n het meeste water tiit.de omliggende. poMerlandéq. 
-Dit gedeelte van den .Rijii behoort tot den bpezem van de Heikop 
3of Lange, Vliei (zie II pag. x6), en: loost. dus op de iVecht bij Breu- 
jkélen en Niêuwerslifris. 0eze boezem, heeft een waterpeil van 0,15 M. 
1+ A.P., (feitelijke waterstand 0,20 M. +. A.P. tot 0,70 M.-^A. P.f) 
.dus ligt dit tweede^ pand Van. den^ Ouden Rijn lager dan het eerste. 
. Van de sluis aan den Heldam tot de Jiaanwijker . schutsluis 
^ij Harmeien (2,9 KM. laag), ligt het derde pand van den Ouden 
Rijn. Dit 'pand : behoort tot den boezem van Amsièlldnd en loost 
Idus het water door den Amstelboezem op het stadswater te Amsterdam 
,en op de Zuiderzee. De waterstand in dit gedeelte is gemiddeld 
*,40 M. — A.P. (0,3 tot 0,75 M. — A.P. 1880— 1884.) 
- Een vierde pand van den Ouden Rijn: ligt tusschen de Haan- 
wij ker sluis en de sluis bij Bodegraven en is 17,980 KM; lang. Dit 
•pand' maakt deel üit van den boezem van Woerden, en deze loost 
het water op don boezem van Rijnland. Gemiddeld staat het water 
-in den boezem, van Woerden, en dus ook in het vierde pand van 
<!en Ouden Rijn, 0,47 M. — A.P. - 

. Het vijfde pand Van den Ouden Rijn, 35 KM. lang:; ligt tusschen 
de sluis bij ^^//<^aT/^ en de binnenhaven te A^^/ze;^'^ aiz^ 2^^. 
Het behoort '■ tot denf boezem van Rijnland. Dit pand heeft eene 
•troombreedte van 13 tot .90 M. Het vierde pand van den Ouden 
Rijn stort djas het water uit. op het vijfde pand, dat te Bodegraven 
gemiddeld .0,5 5 M. — A.P.. staat i) Verder wordt het door de.'pol- 
ders van Rijhland gevoed. De waterloozing van dit pand geschiedt 
^Is die van Jlijnland's. boeizem, doch meest te Katwijk. (Zie pag. 46.) 
Terwijl men dus van Uttecht langs den Ouden Rijn naar Leiden 
ian'vaS-e» en doqr de' verschillende schutsluizen' van het eene pand 
^p het andere komt, stroomt geenszins het water van Utrecht naar 
Leiden. Wd blaten de schutsluizen bij schutting een weinig water 
floör; doch dit is van weihig beteekenis. Als scheepvaartkanaalloopt 
•dps de Oude Rijn nog .doqr, hoewel a^broken door schutsluijteh; 

i) Zie 'voor deze opgaven: Overzicht der scheepvaartkanalen in Nederland. 
(1888. De opgaven op.de waterstaatskdart wijken - een weiiiig hiervan af!' 



Digitized by 



Google 



39 

als afvoerweg van water is' de Oude Rijn van Utrecht geen gc^ieel 
meer, maar bestaat hij. uit een vijftal onverbonden naast ell^ander 
4iggende gedeelten, waarvan alleen het 4de en 5 de pand met elkander 
in verbinding kunnen gebracht worden. 

§ 17. HET GEBIED VAN DEN BOEZEM VAN RIJNLAND. 
ALGEMEEN OVERZICHT, 

Het land, dat op den boezem van Rijnland afwatcrt,* bestaat 
^oor het grootste gedeelte uit zeer lage gronden. Slechts langs de 
^Noordzee loopt de duinstreek, die zich aanzienlijk boven A. P. verheft. 

De gronden van dit gebred bestaan meest uit lage, ingepolderde 
landen en uit droogmakerijen. 

Van de hoogte dier polders geeft het volgend overzicht eenig 
Kienkbeeld. i) ' 



Hoogte van het zomerpeil boven of 
beneden A. P. 



Getal polders 
van die 
hoogte. 



Gezamen^jke 

grootte dier 

polders in 

H. A. 



I 

2 

-3 

4 

5' 

-6 

1 
S 

9 

TO 

II 

^ 12 

'3 
M 



Van I M + tot en met 0,50 M + A. P. 
0,50 + » '» » = > 

= A. P. » > > 0,50 — » 
0,50 — A.P. toten met i -^ ' » 
I — » 1 » » » 1,50 — » 
1,50— A.P. tot en met ff » 



2 

3 , 
3.50 
•4 

4i5o 
S 
5»So 






» 2,50 » 
» 3 > 

» 3^50- * 
» 4 » 
» 4,50 » 
* 5 » 
» 5^50 » 
> 6 » 



3 

38 
91 
45 



78 

907 

5 "5 

. 22629 

12420 



: r— ' 


.• -T- • 


10 

20 


• 1530 

2694 

26979 


3 
2 


2177 
3Ó67 


2I9 


«77626 



i) Deze tabel is ontleend aan Gevers van Endegeest. Zie over Rijnland ook • 
A. van Egmond. Beschrijving van den • waterstaat van het Hoogheemraadschap 



Digitized by 



Google 



40 

Hieruit blijkt, dat ongeveer % van de oppervlakte van Rijnland 
een zomerpeil heeft van — 4 tot 6 M. — A. P. Wanneer men 
hierbij 30 tot 50 cM. voegt, heeft men ongeveer de bodemhoogte 
van koepolders, en 50 tot 100 cM. boven het zomerpeil geeft de 
hoogte aan van landbouwpolders. 

Wel opmerkelijk is. de gaping in de tabel, die aanduidt, dat er 
tusschen — 2 en 3,50 M. — A. P. geene polders gevonden worden 
in dit gebied, terwijl er nog 41 polders tusschen — 3^$^^^ — ^M. 
worden aangetroffen. Dit verschijnsel doet ons direct vermoeden, 
dat de laatste droogmakerijen zijn en de eerste gewone in]x>lderingen. 
Hieruit besluiten wij, dat Rijnlands gebied voor ongeveer 34677 
H. A. uit droogmakerijen of drocggemaakte meren bestaat. De 
meeste van deze hebben eene zomerpeil van — 4,50 tot 5 M. — 
A. P. Wanneer wij nu verder de plaats dezer polders in verband 
met hunne diepten nagaan^ dan vinden wij, dat die van i tot en 
met 4 uit de rij', (taberpag. 39) "d. 1. die met een zomerpeil van 
+ I M. tot — I M., dus de hoogste polders, alle gelegen zijn 
aan den binnenkant van de duinstreek, zoodat men hier den hoog- 
sten bodem kan aannemen. 

De polders van de vijfde reeks beslaan de grootste oppervlakte 
en liggen meest in het oosten van Rijnland, terwijl die van de 
zesde reeks meestal' verspreid liggen. 

Aldus moet men in het algemeen een licht rijzen des bodems 
in Rijnland van het oosten naar het westen aannemen, terwijl 
verder de ondiepste polders langs de boorden der voormalige rivieren 
gevonden worden. De overige polders, dat drooggemaakte plassen 
zijn, liggen meestal verspreid. 

I^angs den zeekant ligt de duinenrij. De lengte van de duin* 
keten bedraagt van de grens der provincie Noord-Holland tot de 
sluis te Katwijk 14,750 KM. en van Katwijk tot den Hoek van 
Holland 32,350 KM. De breedte van de duinen is zeer verschillend. 

Rijnland (Nieuwe Ver]?. J^t. Gen. Rott^.. 1867). Eene«^phabetische lijst der 
polders in Rijnland, behoorende bij de kaart van Rijnland van 1884, is door 
het Hooghsemraadschap uitgegeven. Hierin vindt men tal van opgaven over 
hoogte, bekading, grootte der polders, eni. 



Digitized by 



Google 



4ï 

Kabij Noordwijk bedraagt de breedte gemiddeld d: 700 M., ten 
zuiden van Katwijk ^1500 M. en ten ^uii^en van Wassenaar. 3000 
M. Deze aaneengeschakelde duinketen beslaat ongeveer >/io van 
Rijnland. Ten noorden van den Rijnoever wordt 8093 H. A. en 
ten zuiden van den Rijnmond 2728 H. A. -van Rijnland door 
duinen bezet. 

De hoogte van het duin is zeer afwisselend, niet alleen op ver* 
schillende plaatsen doch eveneens op vefschillende tijden. Over 
't geheel is de duinenrij naar de landzijde het hoogst en eindigt hier 
met een hoogen duinregel, de voorloopcr of voorkanihopef genoemd. 
De langs de zee loopende rij, welke gewoonlijk de eigenlijke water- 
keering vormt, wordt de zeelooper of zeereep genoemd. Tusschen 
beide, die meestal de hoogste deelen van het duin vormen, liggen 
op de breedste plaatsen de duinvalleien, waarvan de laagste zelfs 
>^og 3 k 4 M. boven den beganen grond van Rijnland liggen. 

De Waterstaatskaart geeft slechts op enkele plaatsen de hoogte der 
duinen aan. In de nabijheid van Loosduinen vinden wij een hoogte 
van 2 M. + A. P. aangegeven. Langzaam neemt de hoogte naar 
het noorden toe ; langs het kanaal der Haagsche Duinwaterleiding, dat 
ten noorden van den Haag in de lengte door het duin gaat, vinden 
wij 3,50 M. + A. P- in het,jzuide^, verder noordelijk ho9gten, van 
3,90 en 6y40 M. + A. F. Ten Westen van Leiden tot nabij 
Katwijk heeft het duin eene hoogte van 10 k 11 M. + A. P. Door 
helmbeplantingen tracht Rijnland de duinen in goeden staat te 
houden en zijn enkele stuifgaten beteugeld. 

De droogmakerijen vormen de laagste gedeelten in het gebied van 
Rijnland. Men verstaat hieronder, zooals wij reeds zeiden, de vroegere 
plassen en meren, welke door bemaling enz. droog gemaakt zijo« 
Sommige van deze zijn ontstaan door het uitbaggeren van het lage 
veen, andere kunnen zeer zeker als overblijfselen van vroegere 
rivierarmen of wateren in dit moerastige land beschouwd worden. 
Door afslag nam^n «deze -meren dikwijls ƒ in omvang toe. 

De droogmakerijen liggen het meest aan de zuidoost- en oostzijde 
van Rijnland tegen Amstelland en Woerden en verder tegen Schieland 
en Delfland, welke eveneens hunne droogmakerijen hebben. Devoor- 



Digitized by 



Google 



4X 

naamste dier dr()ögrpakerijen zijn' : de ' Wasscnaarsdie polder^ de 
daaraan grenieiide polder Vieramhacht^ de Nieutokoopsclie droog- 
makerij^ de ytoeg^rt J^oordp/as (HazefRwoüde), alle uitgeveende 
plassen. Onder de drooggemalen rmeren zijn 'de voorn'aaitisté de 
HaarUmmerme^polder (z. p. — , 4^80) de Zoèicnmeersche polder 
( — 5,04) de Slotermeerpoldery de Luikemeer polder^ A^ Oosteinder - 
meer polder^ de Hemvuerpoldet enz. 

§ 18. DE BOEZEM VAN RIJNLAND. 

De boezem van Rijnland bestaat uit een tal van wateren en 
plassen die te zamen eene oppervlakte van 3700 H. A. beslaan, 
waarvan 3400 H. A. ten noorden en 300. H.A. ten zuiden van den 
Rijn gelegen 'zijn. (De boezem van Woerden is hierin niet begrepen) i). 
Éene volledige opgaaf van deze boezemwateren is opgemaakt in 
alphabetische volgorde door den ingenieur van Rijnland, Dr. van 
Dissel, als aanvulling van de kaart van Rijnland (schaal i : 50,000,) 
van 1884. 

Hiervan zijn de volgende de voornaamste. Ten noorden van den 
Rijn: de irekvaart van Amsferdam op Haarlem ^ het Spaarne^ de 
Liedey de ringvaart van dtn Haar lemmer meer polder^ de Schinkel^ 
de Drecht, liet Amstel- of Aar kanaal y de Does^ de Heimanswetering 
met het Paddegat en de Oude Wetering^ de R ij p^&e tering^ de 
wijde Aaj de Zijl^ de Ltede^ de trekvaart van Haarlem op 
Leiden met dé Mare^ de kanalen en wateringen naar de Kat- 
wijksche sluizen éaz, ' 

Ten zuiden van den Rijn : de Vrassenaarsche-^ de Vccn-^ de 
Meerpurger- en andere wateren, de Leidsche trckvliet^ de voorhoe- 
zems aan den Rijn en de Gouwe, Tot den boezem behoort ook de 
Oude Rijn van Bodegraven tot Katwijk. Verder behooren er toe 
tallooze vlieten, wateringen en slooten, welke 'de hoofd wateren ver- 
binden of er mede in gemeenschap staan. 

Volgens de tegenwoordige opvatting is de meest wenschelijke ^tand 
vaii den boezem eene hoogte tusschen — 50 en 60 cM. — A. P. 



* i) E. F. V. -Dissel, Alph'iSib'etische lijst der boezemwateren in Rijnland 1887 
pag. 3. .. y. .. . •/ - •■ 



Digitized by 



Google 



' A3 

Eene verbooging voor korten tijd tot '40 cM. — A. P. is echter 
in het algec^een niet schadelijk te achten ; eene verlaging tot 
lager dan 60 cM. — A. F. kan lastig worden voorde scheepvaart i). 

In den r^el zijn alle wateren van den boezem onderling in onge- 
hinderde gemeenschap met elkailder, zoodat zonder opwaaiing overal 
nageno^ een zelfde boezemstand wordt waargenomen. ' Evenwel is 
dit niet altijd het geval. 

Enkele kleinere of grootere gedeelten van den boezem kunnen in 
bepaalde omstandigheden lk)g van den hoofdboezem worden afge- 
sloten, o.a. i.deGouweboézem (76 H. A.) te Gouwesluis, zoodra het 
water in den Rijn tot het maalpeil (0,2772 cM. — A. P.) is ge- 
stegen. Bij vrije verbinding toch zou dan het water op. de Gpuwe 
te hoog worden, zoodat hare oeverlanden overstroomden. 

2. De gedeelten van den 'boezem ten 'zuiden van den Rijn. Deze 
gedeelten kunnen worden afgesloten door sluizen in den hoogen 
Rijndijk (de dijk langs den zuidelijken oever) zoodra de algemeene 
boezem het maalpeil (— 0,2 7 Vs c. M.) bereikt heeft. 

De Rijn zelf blijft dus altijd gemeen met het niet afgesloten 
gedeelte van den boezem ten noorden van den Rijn. Het geval, 
dat het maalpeil wordt bereikt, doet zich in de laatste jaren uiterst 
zelden voor. Alleen de Gouweboezem, die hij noordenwinden meer 
dan andere wordt opgezet, blijft nog meest alle jaren op enkele 
dagen eenige uren lang gesloten 2). 

3. De trekvaart van Haarlem op Amsterdam^ van dehoófdstad 
lot Jfalfkveg^ met hare nevenpoelen. Dit gedeelte' kan men den 
afsluitbaren boezetn van Sloten noemen. De afsluiting van dit ge- 
deelte des boezems bij Halfweg had vooral vroeger, vóór de droog- 
making van het Haarlemmermeer, veel waarde. Door den westen- 
wind toch kon het Haarlemmermeer hoog opgezet wórden aan 
dezen kant en dus ook het water in de trekifaart te hoog doen 
rijzen, waardoor de groote weg zou onderloppen.. Joeg daarentegen 



i) E. F. V. Dissel. Overzicht van Rijnlands waterstaat van 1859^01^1889 
pag. 24. 
2) V. JDissel. Alpbabetische lijst der boezemwateren van Rijnland 18S7. pag. 4. 



Digitized by 



Google 



44 

een aanhoudende noordenwind het water uit het Haarlemmermeer 
van hier naar het zuiden, dan zou dit gedeelte van den boezem 
als kanaal voor de scheepvaart te laag water hebben. Hoewel 
van minder beteekenis dan vroeger, dient toch de boezem nog tot 
hetzelfde doel. 

4. De boezem van OegstgeesU Deze boezem is gelegen in de 
omringing van Oegstgeest, eene omdijking, die van oude dagteeke- 
ning en van geheel plaatselijken aard is. Oorspronkelijk diende zij, 
om een gedeelte dier gemeente tegen het bij noordenwind in het 
zuiden oploopende Haarlemmèrmeerwater te beveiligen. Thans^ nu 
het Haarlemmermeer drooggemaakt is, heeft evenwel die afsluiting 
geen beteekenis meer. 

De volgende tabel geeft een overzicht van de waterstanden op 
ond^cheidene plaatsen van den boezem»^ van Rijnland over de jaren 
1875-1884. 



Gemidd. 
stand. 



Hoogste stand. 



Laagste stand. 



Oude Wetering 

Leiden 

Katwijk (van 1881— 

1884) 

I^idschendam 

Spaamdam 

Halfweg 

Gouda (Hanepraai- 

sluis) 



— 0,50 

— 0,52 

— o,S9 

— 0^46 

— o-.S* 

— 0.54 

— 0,51 



— 0,20 21 Nov. 1875 

— 0,17. Nov. '75 

'81 

'78 

'79 

'79 
•81 
'80 



f Dec. 

— 0,19 29 Nov. 

— 0,20 

— 0,20 



y 

— OJ\\ \ 2 



1 1 Febr. 
iiFebr. 
14 Juli 
5 Dec. 



-o,7o|'^^"«-'^76 
" I 23 Maart '83 



— 0,92 

— 1^30 

— i,ïS 

— 0,93 

— 0,82 



Jan. '84 

Jan. '84 

3 Maart '80 

6 Maart '83 

5 Maart '79 



— 0,87 22 Maart '83 



Wanneer wij hiermede vergelijken den stand van het water 
buiten de uitw$tefingss)uizen van den boezem yan^^ Rijnland, dah 
kunnen wij eenigszins eene voorstelling van den toestand dier loozing 
verkrijgen. 



Digitized by 



Google 



4S 

Standen van het buitenwater aan de uitwaterings- 
sluizen van Rijnlands boezem. 



Uitwatefiogsslaizen. 



Gemidd. 
stand. 



Hoogste stand. 



Laagste stand. 



Nom-dzcekanaal 

Spaarndam 

Halfweg 

Noordzee 

Katwijk (1881— 1884). 

Bij hoogwater 

Bij laagwater 

Hollandsche IJsel. . . . 
€k>uda (Hanepraai- 

sluis) 

Bij hoogwater. 

Bij laagwater 



0^6 



+ 0,10 20 Nov. 1875 
+ 0,12 20 Nov. '75 



+ 0^85 + 2,80 6 Maart '83 
— 0^74 ! + 2^00 24 Jan. '84 



+ 1,13 
— 0,27 



+ 3,08 12 Dec. '83 
+ 1,91 24 Jan. '84 



-0^84 30 Maart 1880 
■0,85 3 Maart '80 



•0,12 7 April *8x 
■ 1,81 30 Maart '83 



0,32 Jan. '75 
• i,f9 23 Maart '83 



Hieruit zien wij, dat te Spaarndam de gemiddelde stand van het 
buitenwater, waarop Rijnlands boezem moet loozen, o,i6M. hooger 
staat dan het water in den boezem, zoodat bemaling hier nood- 
zakelijk is. Hetzelfde is bij de overige afwateringsplaatsen het geval. 
Alleen bij Katwijk is de gemiddelde ebbestand lager dan het ge- 
midddde peil in den polder, zoodat hier bij ebbe geregeld op 
natuurlijke wijze kan geloosd worden. Toch vindt men ook hier 
een stoomgemaal tot bemaling van den boezem en wel het grootste 
van alle. 

Bij watergebrek in den boezem geschiedt de inlating door de 
sluizen te Gouda uit den IJsel. Door inlating en bemaling tracht 
men den boezem zooveel mogelijk te houden op 0,50 tot 0,55 
M. — ^ A.P. des zomers, 0,5^ tot 0,60 M. — A.P. des winters. De 
volgende label geeft een overzicht van den toestand der water- 
loozing en waterinlating in Rijnland. 



Digitized by 



Google 



46 . 
Looztng van water uit Rijnland in 1886. 





Natuurlijke. 


Kunstmatifj^e. - 


Totale 




Aantal 


Hoeveelheid 
in M». 


Aantal 
uren. 


Aant. etmalen. 


Geloosde hoe- 
veelheid 
inM» 


hoeveelheid 
in M». 


uren. 


101885 


in 1886 




Spaamdam- 
Halfweg... 
Gouda .... 
Katwijk . . . 


130 ' 
106 
294* 
1513 


13994400 

7813800 

3 963 800 

137758000 


"I 627} 

8SoJ 
360} 


77,4 
74,5 
45,9 
33,8 


67,8 
69 

35.5 


158 588 öoo 
742i2i oöo 
26 036 000 
31794000 


172582400 
82034800 
29999800 

169 507 000 


Tezamen . . 




163 530000 








290594000 


454124000 


Tez.ini88s 
^ > 1884 
» » 1883 
» > 1882 




143 417 900 
193789200 
2005570PO 
200 i6ó 500 








352 934 100 
236 701 100 
363 138 000 
462 591 700 


496352000 
430490300 
563695000 
67a 752000 i> 



Van de hoeveelheid te Katwijk op natuurlijke wijze geloosd werd ruim 

19 ooQ 000 M'. geloosd tijdens dat te Gouda waterinlating plaats had. 

Waterinlating in Rijnlands boezem te Gouda: 





Ten behoeve van 
Gouda i&,MS. 


Tot ververschiilg 

van den boezem 

in M». 


Tezamen in 


In 1886 


10 385 200 


118 769500 


129 154 700 


» 1885 


• .14 235 600 


146916800^ 


161 142 400 


> 1884 


.10556500 


146 919 000 


1574.75500 


> 1883 


13 095 200 


Ï09 613 500 


122 708700 


» 1882 


16.899300 


41335000 


5? 234 30Q 


1 1881 


15 602 500 


60 666 100 


76 268 600 


> 1880 


12 151 500 


96 260 500 


108312000 2) 



i) Versl. omtrent den toestand v. d. algem. waterstaat van Rijnland over 1887 tab. X^ 
2) Versl. omtrent den toestand v. d. algem. waterstaat „ „ over 1887 tab. XI. 



Digitized by 



Google 



Uit bovenstaande tabel der waterloozing blijkt het belangrijk ver- 
schijnsel, dat er meer op - kunstmatige danr op natuurlijke wijze 
geloosd wordt. Hieruit vooral zien wij, welk een kunstwerk dit 
groote gedeelte Holland is. Terwijl thans de kunstmatige water- 
loozingen in de meerderheid zijn, was dit vroeger juist omgekeerd. 

Een belangrijke invloed hierop is uitgeoefend door de afsluiting 
van het IJ. Bij die afsluiting werd van regeeringswege hier een 
kanaalpeil van 50 cM. -=- AB. toegezegd, dat ^venwernooit ge- 
handhaafd is. (Zie pag.^45). Zelfs werd er niet naar gestreefd dit 
peil te bereiken en altfjd'was de kahaalstand hooger. (^ — 0,36). * 

Hierdoor zijn de natuurlijke loozingen te Spaanidam en te Half- 
weg beperkt tot enkele dagen van zuidelijken en * zuid-westelijken 
storm I.) Terwijl er vroeger bij eb op het IJ natuurlijke loozing plaats 
had kan dit thans, door gemis van eb niet meer geschieden, doch 
heeft er dan kunstmatige loozing plaats. 

Echter is dit niet de eenige oorzaak. Want algemeen is in Rijn- 
land in de laatste jaren een verlangen levendig, om den boezen 
zooveel mogelijk op een laag peil te houden. Ook hierdoor vermin- 
derde de hoeveelheid natuurlijk geloosd water te Spaarndam en te 
Halfweg zeer in de jaren na de afsluiting van het IJ. Terwijl in 
1873 en 1874 nog 50 k 60 milL M*. water op laatstgenoemde 
plaatsen natuurlijk geloosd werd, bedroeg de hoeveelheid in 1884 — 
1885 slechts 20 k 30 mill. M'. De boezem werd in iden laatsten tijd 
zóó laag gehouden door bemaling, dat er hier voor natuurlijke 
loozing geen water overbleef. 

Evenwel zijn de natuurlijke loozingen te Katwijk niet gelijktijdig 
verminderd, maar eerder toegenomen. De jaarlijks te Katwijk na- 
ttttirlijk geloosde hoeveelheden bedroegen over de volgenÖe tijdper- 
ken in ronde cijfers: 

1859 — 1865 ...•...•.. 158 millioen M*. jaarlijks 
1866 — 1870.....,',.. 168 > » > 

1871—1875......... 158 » > > • 

1876— 1880 :.:.. i8i > »• > 

188^—1885..., 161 » > ». 

i) V. Dissel. Overzicht van Rijnlands waterstaat van 1859 tot 1885. pag. 12. 



Digitized by 



Google 



Dit schijnt in strijd mët het boven beweerde, dat die lagere 
boezemstanden ongunstig op de natuurlijke loozingen hebben ge- 
werkt. Evenwd is er in de laatste jaren door verbetering van het 
oude kanaal van Katwijk en het graven van een geheel nieuw 
kanaal daarheen van de Warmonderleede een groote verbetering in 
den toevoer van water naar de sluizen bij Katw^k aangebracht, 
waaruit dit verschijnsel te verklaren valt. Was de gemiddelde boe^ 
zemstand van Rijnland feitelijk niet zeer verlaagd, dan zou de 
natuurlijke loozbg bij Katwijk sterker zijn toegenomen; nu is 
die toeneming slechts gering. Die toeneming der natuurlijke loozing 
te Katwijk was als volgt: 

Aantal uren van natuurlijke loozing te Katwijk, 

1859 — 1865 gemiddeld per jaar 1423 uren 
1866 — i87o > > 1 1427 » 

1871 — 1875 1 » 1 1635 1 

1876 — 1880 > 1 » 1780 » 

1881— 1885 > » » 1610 » i). 

De waterinlating had vóór 1872 te Gouda en te Leidschendam 
plaats, na 1872 alleen te Gouda. Het water, dat te Leidschendam 
vroeger werd ingelaten, was vaak verontreinigd door de stoffen, die 
er bij het vloeien door Delft en Den Haag inkwamen en de pach- 
ter van het vischwater klaagde, dat de visschen er door gedood 
werden. Het water, dat te pouda wordt ingelaten, is veel frisscher 
en dient wezenlijk tot verversching van den boezem. 

S 19. HET WATER IN DE LANDEN TUSSCHEN DE NIEUWE MAAS 
EN DE VPOLDERS. 

Bij de beschrijving van de oro-hydrographischen gesteldheid van 
het Jand tusschen de Nieuwe Maas en de IJpolders tot den Utrechtsch- 
Gooischen heuvelrug in het oosten hebben wij reeds opgemerkt, dat 
geen enkele groote rivier dit gebied meer doorstroomt en dat er slechts 
weinig water uit de buitenrivieren wordt ingelaten. Wanneer wij hier- 
bij in aanmerking nemen, dat er ook van omliggende hooge gronden 

l) V. Dissel Overzicht van Rijnlands waterstaat van 1859 — 18851 pog. 18 en 
tabel VI. 



Digitized by 



Google 



4a 

(alleen vati de doinen en van den Utrechtsch-Gooischeh heuvelrug) 
betrekkelijk weinig water wórdt aangevoerd, dan komen wij tot het 
besluit, dat de natuurlijke watertóestanden aan de oppervlakte der 
aarde in liet besproken gebied zullen- af hangen v^n den atmospheri- 
sehen neerslag in verband met de verdamping, den orographischén 
YoriQ en de physischè gesteldheid 'des bodems. Dit zou namelijk 
het gev^I zijn, wanneer 'de molens' alle bleven ruften en demensch 
niet door waterinlating of andere middelen er wijzigingen in aan- 
bracht. Als de molens niét werkten en de sluizen niet op geschikte 
tijden geopend werden, zou er van afvoer des waters geen sprake zijn. 

In het. boven veronderstelde geval zou, in de eerste plaats, de 
watertoestand bepaald worden door den atmcKspherischen neerslag: 

Te UtrechtMjedraagt de gemiddelde jaarlijksche regènhoeveelheid 
over de laatste 37 jaren (met 1886) 703,9 m.M. én in 1886 bedroeg 
die hoeveelheid 702,3 m.M. *) 

Volgens de meteorologische waarnemingen in Rijnland is hier de 
gemiddelde jaarlIjksché regenval van 1743 'tot 1841, dus over 99 
jaren, 657,1 m.M. en bedroeg in 1886 'de regenval 69Ó m.M, *) 
Wanneer wij déze laatste- regenhoe v&slheid Voor Rijnland en Woerden 
in 1S86 aannemen^ vinden ivij,' dat hier^ op eene oppervlakte vaö 
121 677 H.A., in dat jaar 8^36 716 654 M« regen viel op het ge- 
heele gebied. - 

Deze hoeveelheid atmo'sph^isch water viel dus in 1886 binnen 
dè grenzen van Hijnlahd. Doch gaan wij thans na, welke omstan* 
digheden waterafvoerend werken voor hetzelfde gebied. In de eerste 
plaats noemen wij. de verdamping, het tegengestelde van den neerslag. 

De hoeveelheid regen, welke in een gfebied valt, is met vrij 
'gróote nauwkeurigheid 'waar te neméii, doch van de verdamping kan 
dat niet gezegd wóiden. De vefdampingsmetérs laten in dé méesté 
gevalleü nog veel te wenschen over. •) Dat de verdamping op Véél 



i) Mcteorol. jaarboek', 1886 pag. 265. 

2). Versl. van Rijnland over 1886. . - • • : . ', 

3j Zie hierover Buys Bajlot, Hoe. zal men de verdanipingshoevee|)ieid be.- 
palen van polders? (Versl. en Med. der Kon, Akad. van Wet. Nat. 1879 pa^ 
27 enz.) Verder de: meteorologische jaarboeken 1885 pag. 252, 1886 pag, 26S. 

I. 2. 4 



Digitized by 



Google 



50 

plaatsen en in vele gevallen grooter is dan de regenhoeveelheid, werd 
reeds sedert lang waargenomen, i) Ook de waarnemingen te Utrecht 
en te Den Helder bewijzen, dat in elk geval het verschil tusschen 
verdamping en regenhoeveelheid niet groot is. Doch men lette 
er wel op: de verdampingsmeter geeft de hoeveelheid regen aan, 
die er verdampen kan en niet de feitelijke verdamping in de 
natuur. Het water op het land bevindt zich in slooten, als grond- 
water in den bodem, in een plantendek enz., dus meestal in ge- 
heel andere toestanden, dan welke men bij den verdampingsmeter 
vindt. Daardoor is het vraagstuk der werkelijke waterverdamping 
in polderlanden als anderzins nog altijd onopgelost en hebben de 
cijfers slechts betrekkelijke waarde. 

Volgens de waarnemingen in Rijnland was hier de verdamping 
in 1886 als volgt: 

Verdamping van een wateroppervlakte 66 1, 6 m.M. 
1 » zwarte aarde 508,6 > 

» » begroeide aarde 867,4 > 

R^enval in 1886 690,2 » 

Naar deze opgave zou men kunnen vermoeden, daar het grootste 
gedeelte des lands begroeide aarde is, dat de verdamping den regenval 
overtrof en dus bemaling onnoodig was. Doch wij zien, dat in 1886 
in werkelijkheid nog 454 124 000 M' — 129 154 700 M« = 324 
969300 M* water meer geloosd is dan ingelaten. Dat laatste ge- 
loosde water moet dus van den neerslag afkomstig zijn. Men ziet 
hieruit, dat de afgevoerde hoeveelheid water ongeveer 38 pCt. van 
het gevallen water uitmaakt, zoodat er 62 pCt. voor verdamping 
en verbruik der planten overblijft. 

Het water in een poldergebied, waar de bodem meest uit klei of 
veen bestaat met gering doorlatend vermogen (zie I pag. 244) en de 
grond tot op geringe diepte met water verzadigd is, heeft hoofd- 
zakelijk een bovengrondschen afvoer. Daardoor zal zeer spoedig na 
aanzienlijke regens een hooge waterstand in de slooten volgen. De 
bodem vormt er niet, als in de hooge zandgronden, een reservoir tot 
bewaring van het water als grondwater. De afvoer heeft daardoor 

i) S. H. Miller, Prize essay on evaporation, 1878 pag. 7. 



Digitized by 



Google 



51 

meest bovengronds plaats en geschiedt aldus veel sneller, dan 
wanneer de grootste hoeveelheid water een benedengrondschen af- 
voer had. De regen, die in de polders snel de slooten doet wassen, 
wordt van deze veelal door bemaling weer op den boezem gebracht 
•en zal dus ook den boezem spoedig doen wassen. Doch alles heeft 
-er een snel verloop. Zoodra de toevoer van het afvloeiende regen- 
water heeft plaats gehad, zal die aanvoer niet zoo geregeld 
voortgaan, als dit in de zandgronden door het grondwater het 
^eval is. Hierdoor hebben de stoomgemalen slechts een klein ge 
<Ieelte des jaars noodig te werken, zooals uit de opgave op II pag. 
46 blijkt. 

i 20. BEDUKII^GEN IN KU^^LAND. 

Zooals wij uit de tabel van de hoogte der polders op II pag. 39 
usagen, hebben alle polders op 4 na een zomerpeil, dat lager is dan 
0,50 M. — A. P. Hieruit blijkt, dat meest bij alle polders bemaling 
Tioodig is. Het grootste gedeelte van den bodem ligt derhalve beneden 
het water van den boezem, waarop het overtollige water dus door 
imolens moet gebracht worden. Hierdoor is bijna het geheele gebied 
•door dijken en kaden in een groot aantal deelen verdeeld, terwijl 
de boezemkanalen tusschen dijken worden ingesloten en hooger 
dan het land liggen. Nog 14 500 H. A. boezemland loost op den 
ix>ezem zonder bemaling. Men moet zich verder wachten het ge- 
bied van Rijnland zich voor te stellen als geheel ingesloten door éen 
langen ringdijk, die het land daarbinnen voor goed van het daar buiten 
igelegen land en van het buitenwater afsluit. Wel vindt men op vele 
plaatsen nog gedeelten van dergelijke vroegere ringdijken tegen het 
buitenwater, bijv. de duinen^ de SpaarndamscJu zeedijk ruim 3 M. 
-f A. P. (vóór de afdamming van het IJ) de IJseldijk 3,50 M. + A.P. 
«en verschillende kaden. Doch naar Delfland en Schieland is die 
waterkeerende ringdijk van aard veranderd en ligt er zelfs beneden 
A. P. Hier is het een kade, die slechts dient, om de polders van 
Rijnland van die van Schieland «n Delfland te scheiden. Liepen 
derhalve die laatste onder, dan zou ook die scheidingskade over- 
loopen en het buitenwater langs dien weg in Rijnland stroomen. 



Digitized by 



Google 



"Wel lag hier öorsprohkeiijk een höoge dijk, doch die iand- 
s'cheidin^^ zooals hij toen gewoonlijk placht genoemd te woixien, 
bf stond in ideze veenrijke streek meest uit veen en rustte eveneens 
op een veenbeddihg. Naarmate er nu aan weerszijden polders ont- 
stonden en plas verveningen, welke later weer droog gemaakt werden, 
kromp het veen onder den dijk, waar het water er aan de kanten 
uit ontwijken kon én niet meer tegen drukte, in, en droogde uit. Zoo 
zonk' de dijk meer 'eri meer, en verloor zijn karakter als walerkee- 
ring tegeri het buiten water. Nu evenwel ook hier ^Delfland en 
Schieland) polders cn?itstaan waren, was een dergelijke dijk niet meer 
noodig en werd aan het onderhoud niet de noodige zorg besteed. 

Langs den zuidelijken, oiever vau. ^lep^ Oudeij Rijn van de Wie- 
rikkerschans tot bij Katwijk ligt een dijk, de HÓoge Rijndijk^ ge- 
noemd. Deze dijk lieéft éen hoogte van 0,25 tot i M.+ A. P., gemid- 
deld niet .méér dan :o,6M. + A. P, In het oosten sluit hij zich aan 
bij den Wierikkedijk bi Prinsendij k^ welke van Wiérikkeschans 
langs de Wierikke naar den HoUandschen ' IJseldijk loopt. De 
laatste wordt' op eeiie hoogte van 0,95 M. + A. P. onderhouden door 
Rijnland, Délflan(l en Schieland. . ' 

De W'ierikkedifk is gelegd in 1672. Reeds lang 'vóór dien tijd had 
men uitgezien haar eeine volmaking van deh * béschermenden ring 
dóór aansluiting ten oosten 'aan den Rijndijk in het Sticht. Op ver- 
deeldheid en de tegenstrijdige belangen stuitten de plannen telkens af. 
• Het Slicht was akijd in verzet tegen een aansluiting van den IJseldijk 
aan den RijndijL' Öet wilde hameiijk bij eene overstróoming van de 
Lek in zijn gebied' liever' het water op HoÜ^hd laten afloopen dan het. 
ophouden en duldde niét dan noode vreemde dijkere. Oók de be- 
langhebbende :stedeh Gouda, Delft, Leiden, Oudewatêr en Rotter- 
dam konden het niet eens worden. 'Doch in 1672 gelaste de Prins 
van Oranje de drie waterschappen den Wierikkedijk óp te werpen 
en als 'slaper te onderhouden i) • ' f ' • . 

Genoemde Üooge Rijfidijk heeft: evenwel zijn samenhang op ver- 
schillende plaatsen vefloren-doór afgravinijeh. De sluizen in dezen 

1) 'C.n. Deé. Memorie omtrent den Wicriqlcerdijk iS8j[. , (De,geschietleni^ 
van"dien dijW is hierin te vinden.) ' ^ ' -" * ' i' : .. ' " i 



Digitized by 



Google 



53 

dijk staap meestal open tot doorlating van het. water der landen 
van Rijnland ten zuiden- van den Rijn; zjj worden gesloten, zooals 
wij boven zagen, bij eene waterhoogte op den Rijn van 0,275 M. t A.P. 
' Het oorspronkelijk doel van dezen hoogen Rijndijk was zeer 
zeker, om de landen ten zuiden van den Rijn en ook Delfland en 
Schieland tegen overstrooming te beveiligen in den tijd, toen dé 
Spaarndamsche dijk nog niet bestond of nog niet genoeg afwerend 
vermogen tegen de zee bezat i) en dus Rijnland ten noorden van 
den Rijn bij hoogen waterstand op het IJ kon onder water loopen. Het 
eerst vindt men gewag gemaakt van dien dijk in eene Jceur van 
1330* Ook na den aanleg van, den Spaamdamschen dijk was de 
afsluiting van Rijnland in het noorden nog geenszins voldoende en 
bij overstrooming kon dus deHooge Rijndijk nog altijd dienst doen. 

Verder moest de Hoo.^e Rijndijk met de Wierikkckade dienst doen, 
om het zuidelijk Rijnland met Delfland en Schieland tegen överstroo- 
ming van hetLekwater in Utrecht te beschermen. (De instandhou» 
ding geschiedt nog door genoemde drie waterschappen). Vóór 1285 
was de IJsel nog ,^n tak van de Lek en de ncorder Lekdijk en de 
IJseldijk waren loen de eenige beveiliging voor Woerden. Nadat de 
IJsel in 1 285 bij het Klaphek was afgedamd, werd deze minder ge- 
vaarlijk^ doch deLek bleef nog altijd dreigend. Welk gevaar bij een 
doorbraak van den Lekdijk dreigt, blijkt, als wij weten, dat bij Vrees- 
wijk hét Lekwater gemiddeld eene hoogte heeft van + 2,86 M. doch 
o. a. in 1882 tot 6,24 M. -^ A. P. steeg. 

Na de afdamming van den IJsel verlandde deze rivier en vele 
landen, welke vroeger hierop uit waterden, wendden zich öu tot Rijn- 
land, om langs dezen boezem te mogen loozeti. Dientengevolge 
ontstonden er verschillende overeenkomsten, die thans nog van kracht 
zijn. Hierdoor kan o. a. verklaard worden, dat Woerden in 1363 
te Spaarndam een sluis bouwde, die het nog moet onderhouden. 
Langs noordelijk Rijnland had de waterafvoer v^n deze landen 
plaats. Doch het Zuidelijk' Rijnland bleef er van verschoond door 
den hoogen Rijndijk en de Wierikkedijken of Gouwekaden. 

i) C. II. Dee. Memorie betrekkelijk den hoogen Rijndijk i879'pag.3. (Hierin 
vindt men eene geschiedenis van den arbeid aan dien dijk verricht.) 



Digitized by 



Google 



54 

Of deze dijk nog behouden dient te worden? Gevers v. Ende- 
geest beantwoordt die vraag met ja. i) Voor den Spaamdam- 
schen dijk echter behoeft na de afsluiting van het IJ geen vrees 
meer te bestaan. Doch de Lekdijken baren voor Holland nog altijd 
zorg, en de verhooging van deze (zie I pag. 347) geeft geei> 
voldoende zekerheid. Ingevallen van overstrooming der Lek kunnei» 
de Wierikkedijk en de Hooge Rijndijk nog altijd dienst doen tot. 
bescherming van het zuidelijke Rijnland. Schieland en Delflandi 

§ 21. IETS UIT DE GESCHIEDENIS VAN RIJNLANDS BEDIJKING 
EN ZIJNE WATERLOOZING. {VerVOlg^ 

f Het waterschap Rijnland heeft ongetwijfeld zijn ontstaan te dan- 
ken, of beter gezegd zijn ontstaan te wijten, aan de verstopping 
van den Rijnmond bij Katwijk en aan de overstroomingen, die 
daarvan het onmiddelijke gevolg waren", zegt prof. Fruin. Met dit 
gevoelen stemmen wij volkomen in, mits men er niet uit wenscht af 
te leiden, dat zonder de verstopping van den Rijn een dergelijk 
waterschap niet zou ontstaan zijn. Want als wij de geheele ge- 
steldheid van het lage land, dat thans tot Rijnland behoort, nagaan, 
blijkt, dat ook zonder den Rijnstroom of met een geheel open* 
Rijnmond hier evenzoowel een waterschap moest ontstaan. Langs- 
de Nieuwe Maas, die toch geheel open bleef, ontstonden eveneens- 
de hoogheemraadschappen Delfland en Schieland. 

Doch dat de verstopping van den Rijnmond dit land reeds- 
vroeg naar middelen tot waterkeering deed uitzien, dat die gebeur- 
tenis een aanzienlijke factor in de ontwikkelingsgeschiedenis van* 
het Hoogheemraadschap is, heeft de hoogleeraar op heldere wijze 
aangetoond, 2) en zijne studie is ons hierbij dikwijls tot gids. 

De geschiedenis van de oro-hydrographische gesteldheid des lands- 
behandelen wij later in het algemeen. Thans bepalen wij ons enkel 
tot Rijnland en eenige zijner voornaamste werken. 



1) Gevers v. Endegeest. Het Hoogheemraadschap Rijnland I pag. 20. 

2) R. Fruin. De opkomst van Rijnland (Versl. en Med. der Kon. Akad. vaik 
Wetensch. 1888 pag. 275—356.) 



Digitized by 



Google 



55 

In Rijnland nu begon de eerste bedijking zeer zeker met een 
dam of dijk tegen het water uit het Sticht, benevens een dam aan 
den Rijn bij Zwammerdam, om het water van den Rijn te keeren. 
Deze dam was reeds vóór 1165 gelegd en werd later telkens 
weder gelegd en doorgestoken Uit 1226 blijkt ons reeds uit een 
handvest, dat de Vfendeldijk gelegd werd met zeven sluizen er 
in. Deze dijk slingerde zich ten zuiden van het Leidsche meer 
naar het oosten, waar hij waarschijnlijk in nauw verband stond 
met de andere op de grenzen van het Sticht. De Wendeldijk moest 
de landen langs den Rijn in Holland tegen het water uit de meren, 
die later het Haarlemmermeer vormden en andere, welke ook met 
de Zuiderzee in verbinding stonden, beschermen. De Wendeldijk 
had daardoor veel te lijden en was dus een belangrijke waterkeering. 
Doch het kon de aandacht der belanghebbenden en waterbouw- 
kundigen niet ontgaan, dat een veel geschikter verdedigingslinie te 
kiezen zou zijn ten noorden van de meren, waar langs het IJ reeds 
een zeedijk bestond. Hier behoefde men slechts het Spaame af te 
dammen en daar de noodige uitwateringssluizen aan te leggen. 
Achter deze waterkeering, zoo zij stevig gebouwd was en goed 
onderhouden werd, zou een veel uitgebreider streek voor overstroo- 
ming beschut liggen, dan die de Wendeldijk beveiligen kon. Geheel 
Rijnland en een stuk van Kennemerland zouden er door gebaat zijn. 

Dit geschiedde. Wanneer het werk werd uitgevoerd is niet met zeker- 
heid bekend, doch in 1253, in den tijd van Koning Willem, was 
bet Spaame reeds afgedamd en eeii nog gewichtiger werk in be- 
sprek, het bouwen namelijk van een schutsluis in den dam, ten 
gerieve van de scheepvaart, inzonderheid voor Haarlem. En uit een 
oorkonde van dien tijd, 1225, leidt Fruin verder af, dat de gansche 
streek, die later het waterschap Rijnland vormt, toen als gemeen 
land werd aangemerkt en dat de zorg voor haar waterkeeringen 
in dien tijd reeds aan een coUegie van Heemraden was toever- 
trouwd, evenals dit later het geval was. 

Tusschen 1255 en 1285 werd genoemde dam weder door een door- 
braak verwoest en Floris V beval in 1286 opnieuw deafdamming 
van het Spaame. Hierbij wordt de grens van het gemeene land 



Digitized by 



Google 



56 

omschreven en- daar de 'vroegere bepalingen van Koning Wiüem 
niet . ;genoemd zijn, werd later ten onrechte Floris V als de grond- 
vester van Rijnland beschouwd (Fruin).; ' 

Het was het streven van 'Rijnland gedurende al den tijd van zijn 
bestaan om te zorgen, dat er geen last was voor zijne landen Van 
het buitenwater en dat de boezem vsn zijn gebied zoo laag mogelijk 
kon afwateren. Verder moest ook het belang der scheepvaart daarbij 
in het oog gehouden worden; - - 

Om het eerste do^l zooveel mogelijk te bereiken was er naast 
de bedijking behoefte aan goede sluizen tot afwatering. Het bouwen 
van een schutsluis in den Spaarndam noemden wij boven reeds én 
dat die ook in 1^05 bestond, is zonder twijfel. 

Omstreeks 1360 werd er besloten nieuwe sluizen in dén Zeedijk 
bij Halfweg aan te leggen, zooals uit een paar oorkonden van 1364 
in het archief van Rijnland blijkt. £n een brief van 14 13 maakt 
melding van nieuwe sluizen in den Zeedijk voor gemeenelands 
rekening bij den Heiligenweg in de buurt van Amsterdam. ' • 

Ook werd er reeds vroeg eene afwatering door de Gouwe naar 
den IJsel 'gemaakt, welke o. a. in 1285 bestond. De Goitwe is zeer 
waarschijnlijk een gegraven waterloop, met dat doel gegraven. Nog 
volgens een' handvest van 1335 diende de sluis bij Gouda tot loozing 
van water van de Gouwe, doch in het begin dezer eeuw had die 
loozing niet meer dan 8 etmalen in het jaar plaats i), zoodat zij 
meer tot inlating dan tot loozing van water diende. Door de kaha^ 
lisatie van den Holbandschen IJsel is dit weder verbeterd in deze eeuw. 
, De afscheiding tusschen Rijnland ven Amsielland heeft langen 
tijd aanleiding gegeven tot vele onderhandelingen. In het archief 
van Rijnland zijn een groot aantal stukken betreffende de stheiding 
dezer beide Hoogreemraadschappen aanwezig, dagteekenende ' van 
1285*— 1442 en tot 1748. 

Er bestonden naar den kant van Amstelland vroegfer drie dam- 
men om de doorstrooming van water te beletten/ De een van deze 
staat bekend ak de Overtoom^ de twee andere vond men irt 'de 
Drechi en in de Aar. 

l) Conrad. Verspreide. bijdragen phg. 31. • 



Digitized by 



Google 



. 'De naam van het dorp de Overtoom duidt 'genoegzaam aan, dat 
daar- in vroeger tijden • een overtoom (een overhaal van schei)en 
o ver. een dam) bestond,- om de schepen uit het gebied van Rijnland 
naar Amsterdam en omgekeerd te voeren. Wanneer die dam gelegd 
werd is onzeker, doch hij bestond reeds in 1432- 

Genoemde overtoom . bestond nog in het begip van deze eeuw 
op de plaats, waar nu het dorp ligt. Het was natuurlijk zeer in 
het belang van de scheepvaart op Amsterdam, om hier een sluis 
in- plaats van den dam met den lastigen overtoom te hebben. Doch 
het laatste was in *t nadeel van Haarlem, dat hierdoor de vaart 
van vele schepen over Spaarndam en door de stad met de daarmede 
verbonden sluisgelden zou verliezen. Ook Rijnland verklaarde er 
zich tegen, daar- het vreesde, door een sluis meer water van het 
hooger gelegen Stadswater op zijn boezem te verkrijgen. 

Koning Lodewijk regelde deze zaak, door Amsterdam bij besluit 
van 31 Mei 1808 recht te geven tot het bouwen van een sluis aan 
den Overtoom, onder voorwaarde, dat Rijnland en Haarlem ieder 
\ van de brug- en sluisgelden zouden ontvangen. 

Dit had plaats tot 1866, toen Amsterdam de vaart door de sluis 
geheel vrijstelde. Hoewel Rijnland om zijn aandeel hiertegen pro- 
testeerde, werd. het door de rechtbank in 't ongelijk gesteld, daar 
het decreet van .1808 t Amsterdam wel tot de hefhng van brug- 
en sluisgelden rcchtigde^ maar niet Vx*r plicht te^^ i). 

De afsluiting van de Drecht en de Aar dagteekent van 1626. 
Tot op dat tijdstip schijnt het water van. Amstelland door die 
watertjes • in gemeenschap te hebben gestaan met een gedeelte van 
Rijnlands water. 

Toen nu door Rijnland beide watertjes werden afgedamd, ontstond 
hierover twist met Amsterdam, dewijl die dammen de scheepvaart 
stremden. Deze twist werd in 1679 geëindigd door een uitspraak 
van ïiet Hof van Holland, waarbij verklaard werd, >dat Rijnland 
in possessie vel quasi \yas om vreemd water te keeren en te stuiten 
mits daardoor geen derden werden benadeeld''. Daarop werden nu 



i) Gevers van Endegeest. Het Hoof>heeinraadschap Rijnland I pag. 353. . 



Digitized by 



Google 



s« 

twee verlaten gelegd in plaats van de dammen; het eene om de 
j4ar^ het andere om de Drecht af te sluiten van Rijnland. Deze 
verlaten lagen omstreeks Bilderdam in de Drecht en omstreeks 
Kaitenhruf^ in de Aar, Toen onder Koning Willem I in 1824 hier 
het Aarkanaal werd doorgegraven (eene rechtgraving van de Aar 
tot de Drecht) onder den naam Nietiwe Vaarf^' zijn beide verla- 
ten opgeruimd en door een steenen schutsluis bij het huis ten 
Drecht, de tegenwoordige afsluiting, vervangen. 1) 

Al zeer vroeg werd tusschen Rijnland en Delfland met Schie- 
land een lage dijk gevonden, die soms de Landscheiding^ maar 
meestal de Zijdwinde geheeten werdt. Deze dijk liep in 1394 van 
de duinzijde benoorden het Haagsche bosch, waar hij een aanvang 
nam, naar de Vliet, die hij ter plaatse van den Leidschendam door* 
sneed en liep verder over Zoetermeer, Zegwaard, Benthuizen, Hazers- 
woude en AVaddingsveen naar de Gouwe. Wanneer hij gelegd is 
weten wij niet. Daar de grond noordwaarts opliep, moest hij hoofd- 
zakelijk strekken om de zuidelijke landen (Delfland en Schieland) 
te beschermen en werd door deze dan ook onderhouden. In dien 
zin werd nl. in 1324 door den Graaf beslist 2). Eerst in 1857 is 
er in die grens eenige verandering gekomen 3). 

Reeds door Graaf Floris V schijnt het gebied, dat wij thans 
beschouwen, in vijf heemraad- of waterschappen: Rijnland^ Delf- 
land^ Schieland^ U Land van der Gouwen tn U Land van Woerden 
gescheiden te zijn, »ten einde met dijken, zijdwinden (waarschijnlijk 
= waterkeerende landscheiding), waterkeeren en kaden voor altijd 
van elkander afgescheiden te blijven, zonder elkander met des anders 
water te beschadigen, zoodat een iegelijk zijn water zeewaarts loozen 
zou op de bekwaamste plaats zonder den een op den ander uit te 
wateren" 4). 



i) Gevers van Endegeest t. a. p. pag. 7^ 

2) Fruin, Over de Qpkomst van Rijnland. (Versl. en Med. der Kon. Akad 
V. Wet. 1888) pag. 291. 

3) Gevers Deynoot, Statistieke beschrijving van Schieland. 

4) Van Mieris II pag. 767. Gevers en Endegeest t. a. p. pag. 9. 



Digitized by 



Google 



59 

i 22. HET KANAAL VAN KATWIJK. DOORGRAVING VAN DE DUINEN. 

Wel werden de uitwateringsluizen voortdurend verbeterd, maar 
toch bleef de afwatering van Rijnland's boezem, vooral door de 
vermeerdering van de polders die er op loosden en door hunne 
bemaling, niet voldoende. Al in de i6e eeuw bemerkte men een 
voortdurenden aanwas van het water in Rijnland. Die verhoo- 
ging van den waterstand meende men te moeten toeschrijven 
>aan eene daling der landen, die natuurlijk veroorzaakt wordt 
door de afslijting, teweeggebracht door het afloopen van het 
hemelwater langs beken, rivieren en watergraflen. Daarenboven 
zakken de landen uit hunne eigene natuur, waartegen het water 
wederom moet oprijzen door verhooging van den grond der zee, 
die in haren boezem allengskens de afgesletene landen ontvangt. 
Al deze samenloopende oorzaken zijn dan van die uitwerking, 
dat men de daling der landen of de opzwelling der zee in 't al- 
gemeen kan stellen op gemiddeld 20 duim in de 100 jaren." i) 

Verder werd ook de rijzing van den binnenboezem van Rijnland 
voortdurend met zorg waargenomen; de schrijver van den Tegen w. 
Staat vermeldt, »dat de daling van Rijnland met betrekking tot zijn 
waterboezem in ieder eeuw op 17 duim moet gerekend worden, 
waardoor de kaden in dien tijd zooveel verhoogd moesten worden, 
en de watermolens na verloop van 100 jaar het water 17 duim 
hooger tot den gemeenschappelijken boezem moesten opvoeren." 

Om aan dezen zorgwekkenden toestand een einde te maken, 
hadden de Dijkgraaf en Heemraden in 1537 den waterstand van de 
Noordzee, in vergelijking met dien van den boezem van Rijnland, doen 
onderzoeken. Hieruit bleek, dat de waterstand in Rijnland en in 
den Rijn aanmerkelijk hooger was dan in de Noordzee (nl. bij ebbe) 
Toen hierover in 1538 verslag werd uitgebracht, werd er tegelijk 
een ontwerp ingediend van den landmeter Maarten Corneliszoon, 
om het water van Rijnland door tonnen in de Noordzee af te lei- 
den. De buitengewone kosten, die Rijnland aan de verbetering der 
sluizen besteed had, deed dit plan uitstellen. 



i) Tegenw. Staat VI pag. 170. 



Digitized by 



Google 



6o 

. Telkens werden er nog weder vergelijkende waarnemingen om- 
trent den waterstand in den Ouden Rijn. en in de Noordzee herhaald, 
welke bevestigden, dat . de Noordzee de beste uitwalering aan 
Rijnland kon verschaffen. Zoo werd er eindelijk door het Hof van 
Holland verklaard^ »dat Rijnland eene betere afwatering noodig 

'had, en dat men, volgens de bekomen onderzoekingen, zonder 
gevaar en met voordeel en bate" eene goede afwatering door de 
duinen bij Katwijk naar zee kon maken. Vervolgens werd ér door 
den Dijkgraafen de Hoogheemraden besloten tot het graven van een 

'kanaal^ hoewel op kleiner schaal, dan in de ingediende ontwerpen 
werd aanbevolen. 

Den 26*5ten Maart 15 71 ving men den arbeid tot het graven van 
bovengenoemd kanaal aan en in Noveml^r 157 1 was men reeds tot 

'het strand genaderd. In April 1572 werd eindelijk de doorgraving 
voltooid en in tegenwoordigheid van. Dijkgraaf en Hoogheemraden 
van Rijnland, de Regeering van Leiden en ontelbare nieuwsgierigen 
geopend. Het water stroomde met zulk een snelheid door de 
opening, dat een schuit, die er in dreef, alleen met veel kracht kon 

'worden tegengehouden i). 

Deze eerste doorgraving van de duinen heeft niet lang bestaan. 
Wanneer ze weder verstopt is, weet men niet; men vindt vermeld, 
dat ze bij een hevig onweder toegeweld is. Dat dit evenwel niet 
in eens plaats had, valt gemakkelijk te begrijpen. En zij, die 
meenden, dat aan eene goede en standhoudende uitwatering van 
Rijnland door de duinen niet te denken viel, noemden het over- 
blijfsel van dit kanaal, om het als overblijfsel van een dwaas plan 
voor te stellen, het Malle:^at. Nog altijd is hiervan een gedeelte over. 
De oorlogen en .beroerten, die, zooals bijv. de belegering van 
Leiden 1573 — 74, somtijds het doorsteken van dijken tot over- 
stroomingen enz. noodig maakten, werkten de verdere plannen 
tot verbeterde afwatering tegen. Daarbij kwam, dat het land van 
Rijnland, hetwelk tot 1600 voor het grootste gedeelte nog onbe- 
fiolderd lag, na dien tijd meer en meer bedijkt werd. Tegelijk 
werden de kleinere i)ólders van vroeger vereenigd tot grootere met 
I) Tegenw. Staat VI pag. 174. 



Digitized by 



Google 



6i 

hooger kaden. Deze werken en het bouwen van zwaarder wind- 
molens ter bemaling veroorzaakten gróote onkosten, welke vooreerst ' 
de heropening van het afwateringskanaal bij Katwijk tegenhielden. . 

Na^vele klachten werd de zaak in 1627 en '28 eindelijk opnieuw 
op het touw gezet, doch zonder gevolg. Eveneens werden er in . 
1662, in 1737 — 1740 waterpassingéh en andere onderzoekingen 
ingesteld en ontwerpen gereed gemaakt, doch verder kwam het. 
niet i). Zelfs maakten in 1742 dè opzichters Nicolaas Cruquiüs, 
Jan Noppen en de landmeter Mëlchior Bolstra een ontwerp 
tot de droogmaking van het Haarlemmermeer en in verband daar- 
mede van eene Rijnuitwatering bij Katwijk. Deze ontwerpen en de 
daarbij opgemaakte stukken zijn zeer belangrijk, de kaarten van> 
Bolstra geven een helder overzicht van 'de plannen. De voorstel- 
len hadden evenwel geene gevolgen. 'Vooral Haarlein wierp ver- 
schillende bezwaren op tegen deze plannen. 

' De resultaten van verschillende onderzoekingen in 1766 r- 1767. 
gedaan, werden door Prof. v. d. Wijnperse onderzocht en in 177 1 • 
in eene Memorie besproken, waarbij deze Hoogleeraar aanraadt, 
eene . aanvankelijke doorgraving te Katwijk te l)eproeveh. Evenwel 
weder zonder gevolgen! ' - . • 

De klachten over de slechte afwatering vermeerderden intusschen. 
In 1802 gaf A. P. TwENT een werkje uit, getiteld: > Bedenkingen' 
en Aanmerkingen over den waterstaat van Rijnland en over eene 
uitwatering te Katwijk.'* Dit werkje kan als de aanleidende oorzaak' 
beschouwd worden, waardoor de zaak opnieuw te berde gebracht 
werd. Na den slechten tóestand van Rijnland geschetst te hebben,: 
kwam TwENT tot de vraag, hoe daarin verbetering aan te brengen 
was? Uit de vroeger gedane voorstellen noemde hij er drie, dieeene» 
nadere overweging verdienden: 

1. De vermeerdering van sluizen te Halfweg. 

i. Het aanleggen van een hoógen boezem naar het IJ. 

3- Eene uitwatering te Katwijk, 



i) De resultaten van die onderzoekingen zijn te vinden bij v. Leeuwen, Batavia 
lUustrata, pag. 105, i 



Digitized by 



Google 



62 

Na de beide eerste middelen onvoldoende genoemd te hebben^ 
kwam TwENT tot de conclusie, dat alleen van eeiie uitwatering te 
Katwijk heil te verwachten was. 

Op voorstel van den heer Brunings werden in 1802 door Dijk- 
graaf en Hoogheemraden drie deskundigen benoemd, om de plannen 
van Twent te onderzoeken. Dit waren de heeren F. W. Conrad, 
A. Blanken en S. Kros. 

Na een nauwkeurig onderzoek kwamen genoemde heeren tot een 
ontwerp van doorgraving. Den 2 en April 1803 werd een rapport 
ingediend, waarin het graven van een afwateringskanaal van 
Rijnland geheel op zichzelf en niet in verband met de droogma- 
king van het Haarlemmermeer hescJiouwd werd. 

Verschillende onderhandelingen en besprekingen volgden. Haar- 
lem toonde zich weder een tegenstander van de zaak, en opperde be- 
denkingen. Doch die zwarigheden werden grootendeels opgeheven. 
Den 12 en Maart 1804 deed het 'Gedeputeerd bestuur van Holland 
een gunstige voordracht aan het Staatsbewipd, waarop den 4den Mei 
1804 het decreet van het Wetgevend Lichaam der Bataafsche Repu- 
bliek volgde, hetwelk bepaalde: Ttdat eene uitwatering naar Kat- 
wijk aan Zee zou gemaakt wordetC^ i). 

. Den 25en Juni kwam men tot het besluit, dat de uitwatering ten 
koste van het Hoogheemraadschap zou worden uitgevoerd en onver- 
wijld moest aanvangen. Den yen Augustus 1804 werd met veel plech- 
tigheid de eerste spade gestoken om dit belangrijk werk te 
beginnen. Met ijver werd er aan voortgewerkt. Nauwelijks was 
men gereed, of bij een hevigen noordwesten storm en een hoögen 
vloed brak de buitendam door en de zee stond plotseling voor 
de pas voltooide sluis, die eene hoogte van 4,40 M. water 
moest keeren. Deze proef werd goed doorgestaan. Den 21 en Sep- 
tember 1807 werd ook de binnendam weggenomen enden 21 en Oc- 
tober 1807 kon het kanaal plechtig geopend worden. Op dien dag 
stroomde Rijnlands boeumwater 7)oor hel eerst na vele jaren weder 
in de Noordzee uit. 
': Wel was dit niet, zooals de dichters zich phantastisch wilden 

i) Conrad^ Verspreide Bijdragen 1849 pag. 47. 



Digitized by 



Google 



63 

uitdrukken, «den vroeger in het zand smorenden Rijn eene uitmon- 
ding geven, zijn grootschen oorsprong waardig", want eigenlijk is 
het geen tak van den Rijn meer, daar het Rijnwater, zooals wij 
zagen, niet verder kon komen dan op zijn hoogst tot bij Harme- 
ien, Doch het scheppen van een goede waterloozing van een zoo 
aanzienlijk gebied als Rijnland was eene niet minder groote gebeur- 
tenis^ die dan ook door eene gedenkpenning moest vereeuwigd 
worden. Rijnland toonde hierdoor zijne erkentelijkheid. Deze pen- 
ning stelt aan de eene zijde voor de buitenste sluis te Katwijk met 
het bijschrift: 

Opus 

mi Secul. Desider 

III Annis Perfectum. 

Fav. Summ. Holl. Imper. 

Impens. Agr. Renol. Posf. 
MDCCCVII. 
Aan de andere zijde wordt Neptunus voorgesteld, de wateren van 
den Rijn ontvangend, met het opschrift: 

Instaurato. Prisco. Rheni. Östio 
Feliciter. 
Hoewel te Katwijk bij ebbe op natuurlijke wijze het water van 
Rijnlandsboezem kan geloosd worden, is dit toch niet altijd vol- 
doende. De oprichting van een stoomgemaal moest het groote werk 
voltooien. In 1880 is eindelijk dit stoomgemaal gereed gekomen. 

Een tweetal sluizen dienden te Katwijk tot doorlating en tot tegen- 
houden van het water. De buitensluis of zeesluis bevat 5 openingen 
met schuiven, dk van 3,77 M. wijdte in den dag. De binnensluis bevat 
eveneens 5 openingen, elk met een paar hooge en lage deuren. Deze 
laatste slaan tegen bovenslagbalken met keermuren, zoodat ook 
2ij den vloed van zee kunnen keeren. Elke opening is 5,65 M. wijd. 

§ 23, HET HAARLEMMERMEER. 

De meest belangrijke droogmakerij van Rijnland is de Haar- 
lemmermeerpólder. Deze grootsche arbeid, waardoor 18 224 H. A. 
water in eene vruchtbare landouw veranderd werd, verdient eene 



Digitized by 



Google 



64 

nadere beschouwing. Daarom zullen wij iets over de geschiedenis 
van het Haarlemmermeer en over zijne droogmaking mededeelen. 

De meeste schrijvers over de geschiedenis vah het Haarlemmermeer 
vangen aan meteene kaart van het jaar it)3i i), waarop hoofdzakeiijk 
4 kleine meren voorkomen op de plaats, waar het latere Haarlem- 
mermeer was. Deze meren waren: het Oude Haarlemmermeer^ het 
Oude Leidsche mcer^ het Oude meer en het Spieringmeer, Vóór 
dien tijd moeten er nog meer meren in dit gebied geweest zijn. 

Genoemde meren nu waren smalle wateren, die wel met elkander 
en met andere plassen in den omtrek, als het Braasemermecr^ het 
Aaa^t^ermeer^ \\t\. Lntkcmeèr e. a. in verbinding waren, doch op zich 
zelve stonden en door meer of minder breede strooken lands ge- 
scheiden waren. 

Mr. Amersfoordt 2) zegt, >dat eene aandachtige studie van den 
loop der omliggende wateren eene bepaalde strekking aanduidt, die 
in overeenstemming is met de verhalen van den vroegeren loop 
van den Rijn. Hieruit besluit hij, dat het Haarlemmermeer (zeker wor- 
den genoemde meren en hunne verbindingen bedoeld; zie boven) de 
verbreeding is van het riviefbed van de Rijn, die na de verzan- 
ding van den ouden Rijnmond naar het noorden liep." Op deze 
zaak komen wij later terug. 

Dat hèt Haarlemmermeer tijdens het verblijf der Romeinen hier 
te lande een ongenaakbaar moeras was, leidt de heer Amersfoordt 
af. uit de omstandigheid, dat daarin nog nimmer voorwerpen uit 
tien tijd der Romeinen zijn gevonden en zelfs niet van Germaan- 
schen oorsprong. 

Toch lagen tusschen de enkele plassen ..voor den aanvang dei* 
i6de eeuw reeds uitgestrekte hooilanden, zooals o. a. ten opzichte van 
het Spieringmeer en Haarlemmermeer blijkt uit een stuk, betrekkelijk 



1) Volgens de kaart- van M. Bolstra, vermeld op •zijne Afbeelding van Rijn- 
lands . wr^terstaat ten opzichte van. het vergrooten der. Haarlemmermeer. In 4en 
Tegen w. Staat VI pag. 163 is eene kaart hiernaar vervaardigd, 
• -2) Mr. J. P. Amersfoordt, Het Maai lemmermecr, oorsprong, geschiedenis» 
ilroograaking (Voordr.. in Felix Meritis 1856, pag. 2). . . - 



Digitized by 



Google 



65 

den toestand van genoemde meren omstreeks 1500 i). Hierin wordt 
o. a. door zeker Claes Haegen verklaard, tdat de heerenweg van 
Haarlem naar Utrecht van ouds tusschen genoemde meren door- 
liep, dat er verschillende weilanden tusschen die meren lagen, welke 
eene zoo groote uitgestrektheid hadden, dat men, op de hoeken 
van *t land bij het eene meer staande, den anderen hoek moeielijk kon 
zien.» Verder verzekert genoemde persoon, dat hij heugenis had van het 
wegspoelen van deze landerijen tot den heerenweg toe, en dat 
vervolgens ook de dijk is doorgebroken, waarover de weg liep, 
zoodat daardoor beide meren met elkander in verbinding kwamen. 



Uitbreiding van het Haarlemmermeer. 
Dat de Rijnwateren na de verzanding van den mond te Katwijk 



l) Een manuscript, destijds toebehoorende aan C. A. van Sypestein, n -• 
deeld in de Algcmeene Konst- en Letterbode 1838 N». 37 pag. 113. 
I. 2. 5 



Digitized by 



Google 



66 

hun wég door de laagste streken naat het noorden genomen hebben^ 
waardoor er verschillende wateren ontstonden, valt zeker niet te 
betwijfelen. Dat men evenwel gerechtigd is deze oudste meren in^ 
een moerassig land, waar de vloed vrij kon binnendringen als uit- 
breidingen van rivierbeddingen te beschouwen, komt ons onwaar- 
schijnlijk voor. Juister dunkt het ons aan te nemen, dat een ge- 
deelte van het Rijnwater door deze plassen, hoe dan ooV on tstaan^ 
sommige waarschijnlijk nog overgebleven van het met veen dicht- 
groeiende water, zijn weg genomen heeft. Ten deele juist drukt Le 
Francq van Berkhey zich zeker uit als hij zegt, dat het Haarlem- 
mermeer vroeger een moeras was, dat naderhand door het aanwas» 
send Rijnwater een meer geworden is i). 

De bekende geschiedenis van het Haarlemmermeer is die van eene- 
uitbreiding der bestaande plassen. Deze uitbreiding kon gemakke- 
lijk plaats hebben, daar de oevers meestal uit moerassige veengronden 
bestonden. De oevers, welke voor de zuidwesten-, westen- en noord- 
westenwinden blootlagen, (dus de daaraan tegenovergestelde N.0. tot 
Z.0. oevers), hadden het meest van den afslag te lijden, daar uit deze- 
hoeken de hevigste stormen waaien. In een antwoord op de vraag naar 
debeste middelen, om het afnemen der oevers van het Haarlemmer- 
meer te beletten 2), leest men, dat in de laatste 20 jaren (1768) aan- 
de oostelijke oevers »vele der daaraan grenzende landen, hoven, 
huizen en erven door het water ingeslokt zijn en daardoor het 
meer alreeds met verscheidene veenplasjes vereenigd is en nog da- 
gelijks dreigt zich met grooter en uitgestrekter plassen te zullen ver- 
eenigen, wat zeer geweldig, gevaarlijk en nadeelig is." 

f De westelijke oever langs Lisse, Hillegom, Bennebroek en Heem- 
stede nam weinig af sedert eene lange reeks van jaren, doordien de 
grond hier harder en taaier was dan in het oosten^ en ook door 
het beter onderhoud der oevers. Van het Spaarne af langs Schalk- 
wijk tot aan den hoek van de Vijf Huizen spoelt het land jaarlijks- 
wel een roede weg,, doch de oevers van de Haarlemmer Liede, lig- 

i) Le Francq van Berkhey. Natuurlijke historie van Holland 1769 Ipag. 221.. 
2) Verhandelingen door de Holl. Maatschapp. van Wet. 1768 Xdc deel i*'* 
stuk pag. 7 enz. 



Digitized by 



Google 



47 

gende aan een opperwal tegen het westen, hebben geen afslijting'* i). 

Doch tiiet alleen was het de natuur, ook de mensch werkte mede 
tot uitbreiding van den grooten plas. Dit had namelijk plaats door 
uitvening. Door deze verschillende oorzaken had het Haarlemmer- 
meer in de laatste drie eeuwen ongeveer 12 770 HA. land ver-- 
zwolgen. De dorpen Vijf huizen, Nieuwerkerk, een zeer aanzienlijk 
dorp, dat twee predikanten had en Rijk, alle aan de oostzijde van 
het Meer, verdwenen daardoor in den loop der tijden geheel 2). 

Nevensgaand kaartje geeft een overzicht van die uitbreiding van 
her water. 

Volgens Bolstra Was de grootte van het meer achtereenvolgens 



in 153 1 5 600 HA. 

> 1591 ••• 10590 » 

» 1647 14450 » 



in 1687 15 400 HA. . 

1 1740 16600 » 

•- 1808 was zij. 17775 » 



Is het wonder, dat men er meer en meer aan begon te denken, 
den verslindenden iwaterwolf' te beteugelen? Het eerste plan 
daartoe is waarschijnlijk dat van 1617, toen, zooals uit de ge* 
drukte resolutiën van Holland blijkt, A.de Hoog octrooi vroeg 
tot bedijkingen van de Haarleinsche en Leidsche meren 3). 

Nadat in 1631 nog een verzoek daartoe gedaan was, verscheen 
in 1641 het Haarlemmermeerboek van J. Asz. Leegh water, waar- 
van de 13de druk^ 1838, bewerkt door Mr. v. Hasselt, voor ons ligt. 

Nadat Leeghwater daarin zijne bevindingen over de uitbreiding 
van het meer geschetst heeft, doet hij de vraag, hoe hieraan perken 
zijn te stellen ? Eindelijk komt hij tot het besluit, dat het beste is : 

Het water te malen uït de Meer, 
Dan ligt de vijand heel ter neer.'* 4) 

Het Haarlcunmermeerboek wekte de.algemeene belangstelling en 
hield de gedachte aan droogmaken levendig. Een ander ontwerp. 



1) Tegenwoordige Staat. 1746 VI pftg. 167. 

2) V. Hasselt: Historisch 'ove'rzicht en-aantéékenin^eh op" het Haarlemmer- 
boek 1838, pag. 7. . 

. 3) Tijdschrift voor Sti(a4bi|ishoiidkande van Sloet tot Oldhuis 1 855, XII p:^. 448. 
4) Haarlemmermeerboek, pag. 17. .-■ i - . , ' 



Digitized by 



Google 



68 

van J. Bartelsz Veeris, dat omstreeks dezen tijd verscheen, werd 
door Rijnland bestreden, omdat dit vreesde voor de verkltining van 
zijn boezem. Hoe kleiner toch de boezem werd, des te hooger zou 
het water, dat hierin opgemalen en tijdelijk geborgen wordt, stijgen 

In den vierden druk van zijn werl^ bestreed Leeghwater deze 
vrees en in 1727 werd dat gevoelen eveneens door C. Velsen 
bestreden. Dat Rijnland allengs ook tot andere gedachten kwam, 
bewijst de opdracht van den Dijkgraaf en de Hoogheemraden aan 
Cruquius, Noppen en Bolstra (zie pag. 61) in 1742, om een ont- 
werp tot droogmaking van het meer gereed te maken. 

Nog werden plannen hiervoor ontworpen in 1743, 1750, 1757, 
1768 en 1808. Nadat Koning Willem I in 18 19 zich een plan liet 
voorleggen door baron van Lijnden van Hemmen, Roèll en Repb- 
laar van Driel, werd de zaak eerst recht levendig. Verschillende 
ontwerpen en geschriften over dit werk verschenen nog sedert dien 
tijd, waarin de voor- en tegenstanders hunne argumenten ont- 
wikkelden. De stormen van November en December 1836, die door 
opstuwing van het water in veel polders schade aanrichtten, toonden 
opnieuw de hooge noodzakelijkheid, van de beteugeling van het 
Haarlemmermeer aan, en den 7<ien Augustus 1837 werd er eene 
staatscommissie benoemd, om de verschillende ontwerpen tot droog- 
making te onderzoeken en vóór November van datzelfde jaar een 
ontwerp met eene begrooting der kosten in te dienen. Reeds in 
October was de commissie met haren arbeid gereed. 

Het in Februari 1838 voorgedragen wetsontwerp werd door de 
Vertegenwoordiging afgestemd. Doch reeds hetzelfde jaar werd een 
nieuw ontwerp ingediend, dat den i9den Maart 1839 is aangeno- 
men. Volgens Koninklijk Besluit van 20 Mei, No. 12, werd de 
bedijking aangevangen. Jhr. Mr. D. T. Gevers van Endegeest 
werd tot voorzitter der commissie van uitvoering benoemd, i) 

Een doorloopende ringdijk van 59 500 KM. werd gelegd en over 
eene lengte van 2780 M. liep deze door het water. De eigenlijke 

1) Zie over de Geschiedenis der droogmaking en der ontwerpen Mr. 
Gevers van Endegeest, Over de droogmaking van het Haarlemmermeer 1843 — 
1861, I pag. 43 enz. 



Digitized by 



Google. 



•69 

droogmaking begon op den i9den April 1849 en met het einde van 
Juni 1852 klonk de mare door het land: >Dë Haarlemmermeer is 
droog!" De drie stoomtwerktuigen : ^^ Leeghwatcr^.ét Lijnden en 
de Cruquim hadden in 39 maanden 831 831 501 kub. M. water uit- 
gepompt. 

Daar lag nu de droge bodem van het meer, — de prooi aan 
den waterwolf ontrukt — als een ruim veld tot ontginning voorden 
Nederlan<jschen landbouw. Schoonér verovering 'kon een volk nim- 
mer maken! 

Met de droogmaking was evenwel de taak der commissie nog 
niet voltooid. Uit nauwkeurige opmeting bleek, dat de opper- 
vlakte van den bodem binnen den ringdijk 18 302* HA. bedroeg. 
Deze vlakte moest kunnen afwateren en verkaveld worden. 

Behalve kavelslooten moest een hoofd- en kruisvaart, met dwars- 
en lengtetochten gegraven en moesten tal van wegen aangelegd 
en bruggen gebouwd worden. 

Hierdoor nu werd de polder verdeeld in langwerpig vierkante 
blokken van 300 HA., samengesteld uit 15 stukken dk van 20 HA, 
van het Z.W. naar het N.t). zich uitstrekkende. Elk stuk heeft aan 
den eenen kant een weg en aan den anderen kant een vaart, i) 

De Haarlemmermeerpolder is eene droogmakerij. Een ringdijk 
•met eené hoogte van + 0,70 tot 1,70 M. 4- A. P. en een ringvaart om- 
sluit hem geheel. De bodemhoogte in de polders van het Haarlem- 
mermeer, volgens de laatste waterpassing in 1884 van den heer 
A. Elink Sterk, bedraagt van 3 M. — A. P. tot 4,65 M. — A. P. Het 
grootste gedeelte des lands heeft eene hoogte van 4 tot 4,50 M. — A.P. 
en de gemiddelde hoogte bedraagt 4,13 M. — A. P. Hetzomerpeil 
in den polder is 4,90 M. — A. P., doch als werkelijke waterstand kan 
men wel aannemen 5,13 M. — A. P., zoodat het water gemiddeld 
I M. beneden de oppervlakte des lands staat. 2) 

Daar de hoogte van het water in Rijnlands boezem zooveel mo* 



i) Beknopt overziclit van de droogmaking van het Haarlemmermeer. Tijd- 
schrift van Sloet, 1855 ^l^ P^S* 4^5 enz.) 

2) Verslagen en Med. der Kon. Akad. v. Wet. 1885, I pag. 364, 



Digitized by VjOOQIC 



70 

-gelijk op o,5S M. — A. P. wordt gehouden, kan men deze droog- 
. making beschouwen' als een van ± 2,45 M. tot 4,10 beneden het 
omringend boezemwater gelegen. 

§ 24. DE BOEZEM VAN WOERDEN OF VAN DE ENKELE EN DUBBELE 

WIERIKKE. 

De boezem vaii Rijnland dient tegelijkertijd tot ontlasting van 
den boezem van Woerden. Dit gebied loosde vroeger deels op den 
Rijn, en dus op Rijnlands boezem en gedeeltelijk op den IJsel, 
Nadat de IJsel in de 13de eeuw nabij Vreeswijk van de Lek was 
afgedamd en* meer en meer aanslibde, verkreeg Woerden bij af- 
zonderlijke overeenkomsten recht van afwatering door Rijnland. 
Hierom ook werd Woerden in 1363 verplicht de Woerdsche sluis 
te Spaarndam te bouwen, i) 

Tot dusverre is het steeds gebruikelijk geweest de boezem van 
Woerden, die hoofdzakelijk uit het gedeelte van den Rijn boven 
Zwammerdam bestaat, mede tot den boezem van Rijnland te reke- 
nen. Dit is evenwel onjuist, daar Woerden's boezem gewoonlijk, 
droge zomers uitgezonderd, hooger waterstand heeft dan Rijnland 
en er dus steeds op loost. Bij droge zomers kan de waterstand in 
den boezem van Woerden ook lager staan dan in die van Rijnland. 

De boezem van Woerden bestaat voornamelijk uit het gedeelte 
'^an den Rijn tusscJien Bodegraven en Harmeien en de daarmede 
in verband staande Enkele en Dubbele Wierikke. Hij heeft eene water- 
oppervlakte van 170 H.A., waarop ongeveer 17 190 H.A. polderland 
uit wateren. De ontlasting van den boezem heeft plaats door de 
sluis te Bodegraven op Rijnlands boezem. Bij watergebrek heeft de 
inlating van water plaats uit den IJsel door een duikersluis, ge- 
legen in de Enkele Wierikke te Goejanverwelle, tot een peil van 
0,30 M. — A.P. 

De Enkele Wierikke wordt afgesloten van den boezem van Woer- 
den bij een stand van 0,22 M. — A.P., de Dubbele Wierikke bij 



I) Gevers v. Endegeest. Het Hoogheemraadschap Rijnland pag. 16. 



Digitized by 



Google 



71 

-een stand van 0,17 M. — A.P., welke waterstanden tevens de 
«naalpeilen zijn van de boezems, die er op uitslaan. 

Het maalpeil van het deel van den boezem, gevormd door den 
Rijn^ de LinscJioten en enkele andere weteringen is = A.P. 

De boezem wordt ingesloten door kaden ter hoogte van 0,15 
tot 0,62 M. -f A.P. 5 de Enkele Wierikke van 0,04 M. — A.P., 
<!le Dubbele van 0,11 M. + A.P. 

De gemiddelde waterstand van den boezem was van 187 1 — 1880 
te Bodegraven 0,43 M. — A.P. De hoogste stand was in dien tijd 
c,i2 M. — A.P. (Nov. 1872), de laagste 0,64 M. — A.P. (Jan. 
1880). Het zomerpeil der polders, welke hierop uitwateren, loopt 
van — 1,25 tot 1,^0 M. — A.P. Hieruit blijkt, dat voor alle 
-polders bemaling noodzakelijk is, daar het water in de polderslooten 
gemiddeld ongeveer van 0,80 tot 1,35 M. beneden dat van den 
Rijn staat. Ook het land ligt aanzienlijk lager dan het boezemwater. 

§ 25. AMSTELLANDS BOEZEM EN ZIJN GEBIED. 

Een groot gebied van 30000 HA. ten oosten van Rijnland loost 
het overtollige water op den boezem van Amstelland. Deze boezem 
wordt gevormd door den Amstel in verbinding met een aantal wa- 
teren, als: de Drecht^ de Kromme Mijdrecht^ de Angstel^ het Ah- 
kouder f neer ^ de Ilolendrccht en de Bullewijky den Ouden- en den 
Rijken IVaver^ het Gein^ de IPinkei, de Gaaspy de IVcesper- en 
Muider trekvaar ten ^ de Dient en^ het Nieuwe Diep^ de ringslooten 
van de lUjlmer- en Diemermeerpolders en een deel van de Singelgracht 
van Amsterdam, Deze wateren beslaan eene vlakte van 600 HA. 

De uitwatering van den boezem geschiedt: A door het Stads- 
^vater te Amsterdam op het Noordzeekanaal^ B door de Ipenslooter 
sluis aan het einde van het Nieuwediep en door de Diemerdavnner- 
^luis,^ (aan het eind van de Diemen) beide op de Zuiderzee, 

Met het stadswater van Amsterdam staat Amstelland in ver- 
binding door de Amstelsluis (in den Amstel) en de waterkeering 
in het Weteringhek (voormalige Weteringpoort). In 1880 is na on. 
Verhandelingen bij onderlinge regeling tusschen Amstelland en d^ 



Digitized by 



Google 



72 

gemeente Amsterdam vastgesteld, dat de toldcurcn in de Am stel- 
sluis en die in de waierkecrin^ bij het Weterin^hek geopend 
wordeUy zoodra het stadswater te Amsterdam bij de Amstelsluis 
beneden den stand van 0,20 M, — A.P, is gedaald. Daarna wor- 
den de ebdeuren in de Amstelsluis geopend^ zoodra de waterstand 
wederzijds die deuren gelijk is^ of zoodra het waterver schil^ dat 
zij keeren^ zoo gering is, dat het openen zonder nadeel of besclia- 
di,qivg der deuren door middel van gewone windwerken kan ge- 
schieden. De Amstelsluis en de waterkeering bij het Weteringhek 
worden gesloten^ zoolang hei boezeimvater van Amstelland een la- 
geren stand heeft dan 0,5 M. — A. P. Bij inlating van water 
in Amsterdam uit het IJ tot vcrversching moeten vooraf de Am- 
stelsluis en dt waterkeering bij het Weteringhek gesloten worden. 
Ook mag er geen stadswater op Amstelland gebracht wordefi be- 
houdens het schut- en Ickwater i). 

Tusschen Amsterdam en enkele gemeenten uit Amstelland be- 
staat er nog al strijd o/er deze uitwatering. De laatste beweren 
nl. dat Amsterdam in 't belang van zijne waterverversching en 
van de scheepvaart, die belang heeft bij een hooger waterstand, 
zich niet altijd houdt aan deze bepalingen, wat van tegengestelde 
zijde ontkend wordt. Dr. H. P. Kapteijn te Abkoude meent op 
grond van onderzoek der waterbeweging in Angstel en Amstel te 
Abkoude en Ouderkerk te kunnen aantoonen, dat in den zomer 
van 1888 zich het water in Angstel en Amstel bewoog in de 
richting van Amsterdam naar Utrecht 2) en wijst in een adres 
op het bederf van het water in Amstellands boezem door het stads- 
water te Amsterdam, terwijl Amsterdam daartegenover volhoudt^ 
dat het verdrag van 1880 gehandhaafd wordt. In de verdere bij- 
zonderheden van deze quaestie kunnen wij ons niet begeven. 



i) Art. I — 4 van het verdrag van 1880 tusschen Amstelland en Amsterdam. 
Zie de notulen van den gemeenteraad van Amsterdam van de vergadering van 
28 April 1880. 

2) Schriftjsltjke mededeeling van Dr. Kapteijn. Zie over deze quaestie verder 
Nieu%vs van den Dag 26 April 1886 tweede blad. 



Digitized by 



Google 



73 

Een andere vraag, die vooral de belangen van Amstelland betreft, 
is de loozing op het Noordzee -kanaal. Vóór dat het Noordzee-kanaal 
tot stand kwam, had Amstelland zijn vrije uitwatering door Am- 
sterdam op het open IJ. Daar het IJ evenals de Zuiderzee aan 
eb onderworpen was, kon die loozing geregeld goed geschieden. 
Bij de afsluiting van het IJ werd de bepaling gemaakt, dat het Noord- 
zeekanaal een waterstand van 0,5 M. — A.P. zou verkrijgen, waardoor 
Amstellands waterloozing geen nadeel kon toegebracht worden. Doch 
weldra bleek, dat in het afgesloten IJ de waterstand van 0,50 M. 
— A. P. niet gehandhaafd werd en niet zelden was de waterstand = 
A. P. of zelfs daarboven. "Voor alle polders, die op het afgeslotjn 
IJ loosden, leverde dit nadeelige gevolgen op, doch bovenal voor 
Amstelland. Amstelland toch loost eerst op Amsterdams stads- 
water. Nu is Amsterdam gedwongen, ten einde zijn lijdelijk peil te 
handhaven, om bij eene rijzing van het Noordzee-kanaal tot 0,20 
M. — A. P. de sluizen naar het IJ (Noordzee-kanaal) te sluiten. 
Deze kanaalstand, hoewel te hoog, zou toch Amstelland nog gele- 
genheid geven op het afgesloten IJ te loozen, wat nu evenwel door 
het sluiten der sluizen van wege Amsterdam, niet kan geschieden. 1) 

Ware er eene uitwatering van Amstelland buiten Amsterdams 
stadswater om op het Noordzee-kanaal, dan zou laatstgenoemd 
nadeel verholpen zijn. Deze nu kon verkregen worden door het 
Nieuwe Merwede-kanaal. Het noordelijkst pand van dit kanaal 
ligt gemeen met Amstellands boezem. Doch dit kanaal staat door 
een schutsluis bij Zeeburg in verbinding met het afgesloten IJ en 
door deze sluis zal genoemde afwatering van Amstellands boezem 
niet geregeld kunnen plaats hebben. De zaak, om Amstelland 
eene betere afwatering te geven, is nog van regeeringswege in on- 
derzoek. 

Amstellands boezem wordt ingesloten door kaden met eene hoogte 
van 0,15 tot 0,30 M. 4- AP. De gemiddelde waterstand in den 
boezem bedroeg (1871— 1880) te Diemerbrug 0,39 M. — AP. (Hoogste 



i) Adres van het Bestuur van Amstelland aan de Tweede Kamer der Staten- 
Generaal, 17 Jan. I887. 



Digitized by 



Google 



74 

stand + 0,04 AP. Nov. '72; cle laagste — 0,90 Oct. '75). Het 
buitenwater op de Zuiderzee bereikte in dien tijd de volgende 
hoogten : 

Gemicld. jaarl. stand Gemidd. jaarl. stand. Laagste 

bij hoogwater bij laagwater standen (1888) 

Zeeburg (1888) + 0,06 — 0,29 — 1,78 

Muiden (buitenzijde) — 0,11 — 0,20 — 0^90 

Hieruit blijkt, dat de gemiddelde stand van het buitenwater hooger 
is dan die van den boezem. De waterloozing kan dan ook niet ge- 
regeld, doch alleen bij lage waterstanden vrij plaats hebben. 

De hoogte van het zomerpeil der verschillende polders, die op 
dezen boezemafwateren, wisselt af van — 1,20 tot 2,04 M. — AP. 
dus 0,81 tot 1,65 M. onder den gemiddelden boezemstand. £en 
klein deel van dit boezemgebied, dat zich ten zuiden van den Rijn 
uitstrekt heeft een zomerpeil van 1,10 M. — AP. 

Ook in Amstelland liggen een tal van droogmakerijen. De voor- 
naamste zijn: DeDiEMERMEER of WATERGRAAFSMEER-polder, groot 
530 HA. met een zomerpeil van 5,50 M. — AP. 

Het schijnt, dat door doorbraken van de Zuiderzee de alhier be- 
staande plassen werden uitgebreid tot de oppervlakte, welke ze in 
de i6de eeuw besloegen. In 1629 is het meer op kosten van Am- 
sterdam bedijkt en drooggemaakt i). Nadat de polder weder onder 
water liep, werd hij in 165 1 op nieuw bedijkt. In 1672 werd hij 
bij de nadering der Franschen onder water gezet, doch spoedig 
daarna weer droog gemaakt. 

De Bijlmermeerpolder, 540 HA. met een zomerpeil van 4 M. — AP. 
De droogmaking van dezen plas had plaats volgens octrooi der Staten 
van Dec. 1622. In 1672 werd de polder bij de nadering der Franschen 
onder water gezet, doch in 1678 weder drooggemaakt. Eene over- 
strooming van 1702 gaf het meer weder aan de golven prijs, en Am- 
sterdam liet bagger storten in den plas 2). Hierdoor werden de ran- 
den allengs in moesvelden hei^chapen. Eindelijk is het Bijlmermeer 
van 18 18 tot 1826 weder drooggemalen. 



i) Tegenw. Staat VIII pag. 148. 2) Tegcnw. Staat XIII pag. 148. 



Digitized by 



Google 



75 

Verder noemen wij de Bovenkerker»^ Thamer-^ Bom- en Stom* 
meer^ de Noorder- en Zuider Legmeerpolders^ alle ontstaan uit de 
drooggemaakte Legmeerplassen. Het Legmeer was oorspronkelijk een 
lange, smalle plas tusschen Nieuwer- Amstel, Thamen en Aalsmeer. 
Door vervening der aangrenzende landen verkregen deze plassen 
van de i6de tot de i8<le eeuw een aanzienlijke uitbreiding. 

Op de kaart van Tirion 1 769 (Tegenw. Staat VIII) zijn de Leg- 
meerplassen geteekend, met enkele wegen doorsneden, die duidelijk 
aantoonen, dat bij de vervening deze wegen waren blijven bestaan. 

Doch bovenal werden deze plassen vergroot door den storm, 
die den dijk tusschen Kudelstaart en de Kwakel wegsloeg den 
2osten November 1836. Den 2isten April 1873 werd de concessie 
tot droogmaking dier plassen verleend aan den heer J. R. M. Wiegel. 
De Noorder Legmeerpolder werd reeds in 1877 drooggemaakt; met 
de zuidelijke plassen is men eerst aangevangen in 1881. Gezamen- 
lijk hebben zij een grootte van 3340 H.A. i) 

De Mijdrechische droogmakerij heeft de vroegere Mijdrechtsche 
plassen vervangen. Deze plassen zijn eveneens voor het grootste ge- 
deelte ontstaan door vervening der lage landen. De eerste bedijking 
alhier is aangevangen volgens octrooi van Aug. 1789 i). Nadat 
eene eerste poging mislukt was, heeft het Rijk in 1838 de bedijking 
ondernomen. Er bestaan drie bedijkingen van de Mijdrechtsche 
plassen. De tweede had plaats van 1852—56; de derde van 1863 
tot 1864. 

Het zomerpeil dezer droogmakerijen wisselt af van 5,40 tot 6 M. — 
A. P. Dit zijn alzoo de laagste droogmakerijen van Amstelland. 

Dè Zevenhovensche piassen in Zuid-Holland zijn grootendeels door 
vervening ontstaan. Op het laatst der vorige eeuw (1795) is men 
met de droogmaking dier plassen aangevangen en zoo zijn ze in 
de Zevenhovensche droogmakerij veranderd. Deze droogmakerij, 
17 18 H.A., loost gedeeltelijk op Rijnland gedeeltelijk op Amstelland. 

1) Versl. der Openb. werken 1882, pag. 190. 

2) In de Bijlage tot den Nieuwen Post van den Neder-Rijn N<> 5, 1797 komt 
een art. voor, waarin aangedrongen wordt op het gebruik van stoommachines 
bij deze droogmakerij. 



Digitized by 



Google 



76 

§ 20. <}ESCH1EDKUNDIGE OPMERKINGEN OVER AMSTELLAND 
EN DEN AMSTEC. 

Bij het opnoemen van de droogmakerijen in het gebied vanAm- 
stelland hebben wij reeds iets medegedeeld over de veranderingen, 
die dit land in historischen tijd ondergaan heeft. Nog enkele bij. 
zonderheden uit de historie der hydrographie van Amstelland zul- 
len wij hieraan toevoegen. 

De Amstel is een water, dat in de oudste geschiedenis van deze 
gewesten niet genoemd wordt en dat zeker in dien tijd nog geen 
naam had. De oorzaak van het eerste ligt hierin, dat deze landri vier 
in Romeinschen tijd nóch een handelsweg opleverde, nóch een Rijnarm 
was en dus niet van den Rijn uit bevaren werd. De Vecht ver- 
keerde als Rijnarm in gunstiger omstandigheden en werd daar- 
door reeds vroeg een veel bevaren water. Doch de Amstel was 
eenvoudig het > IVater van het Gouw*\ het Gouwenwater, Dit 
water verkreeg later den naam van de gouw, die het doorstroomde. 
Deze heette Amestelle en het gouwewater werd hiernaar de Amstel 
genoemd. 

Het land aan beide zijden van den Amstel was, waarschijnlijk 
eenige eeuwen vóór tot weinige na den aanvang der Christelijke 
jaartelling, een moerassige streek met bosschen bedekt. Dat dit het 
geval moet geweest zijn, bewijst het kienhout, hetwelk in de lage 
venen van deze streken zöo overvloedig gevonden wordt i). 

Wanneer deze woeste en onbewoonde streek meer bewoonbaar 
geworden is, valt niet met zekerheid te zeggen. Wel weten wij, dat 
reeds in de 13de eeuw een tijdgenoot het land beschreef als leene 
aaneenschakeling van grasrijke weiden" en* dat een overblijfsel der 
wouden nog lang daarna bestond in het Rei^erboschXi^noosiQViy^n 
Ouder-Amstel (Annales Egmundani pag. 91 en 92). 

Het oude en eigenlijke Amestelle werd gevormd door twee 
strooken laag. veen op bfeide cmejis van den Wojvervtinden Amstel 
tot den mond. Uit het bericht van bovengenoemden beschrijver uit 



l] Staring. De bodem van Nederland I, pag. 70. 



Digitized by 



Google 



77 

de 13de eeuw blijkt ook, dat destijds Amestelle reeds bedijkt was 
en dat eene doorbraak het deed ondervloeien. Evenwel kan niet 
met zekerheid gezegd worden, waar die eerste dijk liep. Doch trots 
die bedijking was Amestelle zeker nog een waterachtig, moerassig 
land, dat toen wel eenigszins zal geleken hebben op het Over- 
IJsche Waterland. Men vond hier, evenals daar, meren en meertjes, 
kolken en braken, nessen en liesdellen. De naam Amestelle be- 
teekent ook eene i waterachtige gesteldheid, een waterrijk oord*' i). 

Het Hoogheemraadschap Amstelland bestond .reeds in de* 14de 
eeuw, zooals o. a. blijkt uit een brief van 1387, waarin van sluis- 
meesters en heemraden gesproken wordt 2). Het ontleent zijn naam 
aan den Amstel, die omstreeks de helft der 13de eeuw nog geheel 
vrij in het IJ uitstroomde en in verbinding stond met verschillende 
plassen en wateren van Holland, welke de ontlasting van hun over- 
tollig water door den Amstel volbrachten. 

Omstreeks de helft der 13de eeuw liet Gij sbr echt III ^^zxi KmsXA 
een dam en sluis, de Amsteldamme^ later de Middeldam of Vijgen- 
dam, iii den Amstel leggen. Op die sluizen verkregen de eigenaars 
der achterliggende landen, die recht van uitwatcring op den Am- 
stel hadden, het toezicht en reeds van 1387 vinden wij berichten 
omtrent reglementen op het openen en sluiten di^r sluizen. 

Door koop en traktaten werd het gebied, dat rechtens op den 
Amstel loozen mocht, uitgebreid. Gijsbrecht IV verkocht in het 
laatst der 13de eeuw aan de bezitters van Oüd-Kalslagen en Nieuw- 
veen het recht, om door een watergang de landen te doen uitwa- 
teren op den Amstel 3), onder voorwaarde, dat zij den Biidcrdam^ 
in de Drecht gelegen, gesloten zouden houden. 

In 1413 verkocht graaf IPillem van Beieren met goedvinden van 
Amsterdam en van allen die op Amstelland uit waterden, aan de 
landen van Rcinerskoop^ Bijleveld^ Achthaven tn Mastwijk^ gtltgtn 
in het Sticht, ten zuiden van den Rijn het recht om door Amstel- 



i) J. Ter Gouw. Geschiedenis van Amsterdam 1S79 J. jwg. 18 en 19. 

2) V. Mierik, in pag. 172. 

3) Wagenaar- Amsterdam in zijn opkomst III pag. 103. . 



Digitized by 



Google 



7» 

land uit te wateren of in het IJ. Later verkr^n ook Harmelen^ 
Rokkengen en Spengen hetzelfde recht. Doch hieraan was de 
voorwaarde verbonden, dat zij een watergang moesten graven van 
den Rijn tot Wilnis. Deze watergang moest voor vreemd water 
gesloten blijven en werd Bijleveld genaamd. Daarnaar werden de 
landen, welke door den Bijleveld op Amstelland uitmonden, ook 
eveneens Bijleveld genoemd i). 

Het handvest van Willem van Beieren verklaart, dat den »,goeden lieden, die 
geland zijn op Reijnerskoop en Bijleveld, tusschen den Meerendijk en Haan- 
w ijker Ka'* door. Hertog Albrecht brieven gegeven waren, om hun landen op 
den Rijn te doen afwateren, waarvan echter geen gebruik meer kon gemaakt 
worden. „Ende omdat wij niet en willen, dat die voorsz. goede luiden daarbij 
verderflijk beschadigt zouden blijven, soo hebben wij met goeden voorsien or& 
wel bedacht en beraden, bij goeddunken, consent en wille onzer stede van Am- 
sterdam en voorts allen onse ondersaten dergeene, die in der Waterschap van onsen 
Landen van Am sier land gewatert zijn, overdragen en voorwaarden gemaakt mij- 
ten goeden lieden, die geland zijn op Reijnerskoop ende op Bijlevelt voorsz. en 
voorts mitten goeden luden, die geland zijn in Achthoven ende in Mastwijk, 
gele<;en tusschen Merendijk en der Heerenvliet van St. Cathrijnen t' Utrecht ii> 
deser manieren en voorwaarden hierna beschreven. Dat te weten, dat wij de 
voorn, goeden luden verkocht, gegont en overgegeven hebben, verkopen, gonnen 
en overgeven mits desen onsen tegenwoordigen brieve om een zekere somma 
van gelde, die sij ons wettelijk en wel betaald hebben in ons zelfs handen, den 
lesten penning mitten eersten, als dat zij haar water van den voorst, lande 
sullen brengen en leyden mofen overal door den onsen^ tot haare oester oirbaar 
en profijt^ van uijtten Rhijn tot in die Amstel mtt eenen watergang^ die beginnen 
sal in den Rhijn tusschen Basterdam en de Haanwij ker kade en voort den ouden 
Rhijn langs tot aan den Bruedijk en voort door den Bruedijk der Hollander 
meenfe langs tot Kockengen en voort door Kockengen achter aan Spengen bij 
den Ruger gijdwinde en van daar voort door den Hollander weg op ^strekkende 
door Wilnisse en zoort van daar door die Waver in die ouden Rhijn en alsoo- 
voort op tot Coelbiers toe in die Amster ent. Verder wordt er in verklaard, dat 
verkocht is het recht over al de sluizen, meren en watergangen, welke dienen 
konden om het water op den Amstel te brengen. Doch de „goede luden" 
moesten daarbij verzekeren, te zorgen, dat geen water van de Heikoop in hun 
gebied kwam en alleen mochten zij des zomers bij watergebrek voor hun vee 

I) Zie hierover B. G. A. van Pabst. De Hydrarchia Bijleveld 1836. I>eze 
dissertatie (Utrecht) geeft veel over deze geschiedenis. 



Digitized by 



Google 



79 

water doen inloopen uit den IJsel. Dit handvest ^as gegeven den isten Oct. 

1413" O- 

De laatste vergrooting van het afstroomingsgebied op den Amstel- 
landschen boezem had plaats in de i6de eeuw. De bewoners van 
sommige ten westen de Vecht gelegen landen staken toen de dam- 
men, die hen van Amstelland scheidden, door, en brachten vervol- 
gens het water van hun land op den Amstel in plaats van op de 
Vecht, hetwelk aanleiding gaf tot veel twist met Amsterdam 2). 
Zoo werd langzamerhand het afstroomingsgebied van den Amstel 
uitgebreid 3). 

De landen aan beide zijden van den Amstel lagen, in 't begin 
der 17de eeuw nog onbepolderd of waren, «edert ongeveer eene eeuw 
slechts met zomerkaden omringd. Daardoor leden zij veel last van 
het winterwater, hetwelk zij, bij gebrek aan molens, niet konden 
loozen. Hoewel de landen ten westen van den Amstel door den 
Amsteldijk beschermd werden tegen hoog water in den Amstel, 
hadden zij hier toch overlast van het regenwater in den herfst en 
den winter, en zelfs van het water uit het Haarlemmermeer. Doch 
in het laatst der i6cle eeuw werden de landen aan beide zijden van 
den Amstel door zwaarder kaden of dijken ingesloten, welke pol- 
ders hun overtollig water in den Amstel of op 't IJ door de Ipen- 
slooter en Diemerdammersluizen loosden 4). Dat bemaling hierbij 
noodig was spreekt van zelf. 

Lang was de vaart op den Amstel alleen voor kleine schepen 
te gebruiken en alle vaartuigen, die van vaststaande masten voor- 
zien waren of een grootere breedte hadden dan ruim 4V2 M. moes- 
ten, evenals die, welke hooge bovenlasten hadden of eenigszins diep 
geladen waren, over het Haarlemmermeer en het IJ of over het 
Haarlemmermeer en den Overtoom naar Amsterdam komen. Waar 



i) Groot Placaatboek van Utrecht II pag. 138. 

2) C. A. W. van Hoorn. Een woord over Amstelland. (Economist 1870 II 
pag. 1239). 

3) Zie J. Ter Gouw. Geschiedenis van Amsterdam IV pag. 61. 

4) Wagenaar. Amsterdam in zijn opkomst en aanwas 1767 III pag. 107. 



Digitized by 



Google 



8o 

de Amstel in Amsterdam komt, was destijds een steenen brug 
met gemetselde bogen, die den toegang voor hooge schepen be- 
lette. Ia 1822 zijn de twee middelste bogen weggebroken len 
dienste van de Eeulsche vaart die in genoemd jaar verlegd werd. 

In 1823 werd besloten ook den Amstel beter bevaarbaar te ma- 
ken in verbinding met* de Aar en de Drecht. (Zie II pag. 58). Bij 
Kon. Besluit van den s^en April 1823 werd de uitvoering van 
een ontwerp daartoe opgedragen aan het Collegie van Heemraden 
van Amstel en Nieuwer -Amstel i). Van den aanvang tot den 
Omval werd de Amstel bij i6 M. bodembreedte tot 3 M. — A.P. 
uitgediept, terwijl beneden den Omval tot bij de Hoogesluis de 
breedte 41 M. zou zijn.. 

Thans bedraagt boven den Omval de breedte van den Amstel 
op kanaalpeilso — 90 M. met eene verbreeding te Uithoorn tot 120 
M. en eene vernauwing beneden de brug te Vrouwenakker tot 32 
M. De bodemdiepte is 2,75 M. — AP. Van den Omval tot Am- 
sterdam bedraagt de breedte 125 tot 160 M. 2). 

Duidelijk blijkt hieruit ook weder, hoe weinig de bodem van het 
lage Holland en de loop der wateren en waterscheidingen een pro- 
dukt van natuurlijke ontwikkeling zijn. 

§ 27. HET STADSWATKK TE AMSTERDAM. 

Een afzonderlijke boezem vormt in het gebied ten zuiden van het 
IJ nog het Stadswater van Amsterdatn. Tot dezen boezem behooren 
o. a. de stadsgrachten^ de BinnenAmstel^ de Ovtrtoomsche vaart^ 
de Van Lennepsvaart en de Kostverloren Wetering, De waterop- 
pervlakte van den boezem bedraagt ruim 260 HA., waar ongeveer 
2000 HA. polderland geheel of gedeeltelijk op loozen. 

Het Ooster- en Wcsterdok liggen bijna altijd gemeen met het 
Stadswater en kunnen daarom ook tot den boezem gerekend worden. 
De gemiddelde waterstand van den boezem was (van 1873—1875) 
0,437 M. ■— A. P. 

i) Jacob de Jong. De Amstel, de Drecht en de Aar voor grootere schepen 
bevaarbaar gemaakt, 1825, pag. XIIT. 

2) Overzicht der scheepvaartkanalen in Nederland, ibS8, pag. 96 en 106. 



Digitized by 



Google 



8i 

Het stadswater ontlast zich door verschillende sluizen op het 
No&rdzcc'kanaal^ dat een kanaalpeil moet hebben van 0,50 M. — 
A. P. Evenwel was hier (aan de peilschaal in de Willenissluizen 
van 1873 — 1875) de gemiddelde waterstand 0,438 M. — A.P., zoo- 
dat het waterverschil slechts zeer gering is. En dikwijls is de water» 
stand er hooger, zooals wij zagen. 

Verder wordt door een stoomgemaal bij Zeeburg het overtollige 
water somtijds uit de stad afgemalen op de Zuiderzee. Bovenal 
wordt hier water ingelaten, teneinde de grachten met versch wa- 
ter te kunnen vullen. 

Dat Amstellands boezem op het Stadswater loost, hebben wij reeds 
gezien. De afscheiding kan geschieden door een schutsluis in den 
Amstel, die evenwel meestal openstaat, en door de waterkeering 
bij het Weteringhek. (Zie verder II pag. 71.) 

§ 28. HISTORISCHE OPMERKING OVER HET STADSWATER 
TE AMSTERDAM. 

Oorspronkelijk stond het water, ter plaatse waar thans Amsterdam 
ligt, in onverhinderde gemeenschap met den Amstel, die toen vrij in 
het IJ loosde. De afsluiting van het IJ had plaats in de 13de eeuw door 
het leggen van een dam met sluis in den Amstel, waarnaar Amster- 
dam den naam ontving. In het jaar 1306 lag er naast de groote sluis 
ook reeds een kleine sluis in den^Middeldam. Door deze beide sluizen 
konden aldus Amsterdam en Amstelland-op het IJ uitfilteren. Bij 
de uitbreiding der stad werden er telkens nieuwe sluizen bij ge- 
bouwd om water te keeren en te leiden. Hierdoor was in de 17 de 
eeuw- de stad Amsterdam in hydrographisch opzicht in vier pol- 
ders en boezems verdeeld. De grootste van deze lag met den Am- 
std gemeen. 

De verversching dezer boezems, vooral van dien. welke met <}^n 
Amstel gemeen lag, liet evenwel veel te wenschen over, daar.de Am* 
stel niet dan bij zeer lage ebbe, welke zelden bestond, eenigentijd 
werkelijk afvoer van water kon hebben. Daarom besloot mei>, om het 
IJwater, dat des zomers soms 3^4 voet hooger kwam te staan dair 

I. 1. 6 



Digitized by 



Google 



82 

het Amstelwater, van den Anistel geheel af te sluiten, waarneer 
men het in de stad liet. Tot dit doel werd de Amstelsluis ge- 
legd tusschen de Prinsengracht en Achtergracht (1670). Daardoor 
kon men vrij het IJwater in Amsterdam laten loopen, zonder dat 
de Amstel er brak water van verkreeg. Op die wijze werd het Stads- 
water van Amstelland afgescheiden. Men dro^ verder zorg, dat het 
intappen van IJwater in de stad door andere sluizen geschiedde dan 
het uitlaten, om aldus strooming te verkrijgen. Ook liet men toen 
reeds het water uit de stad wel eens een weinig lekken door de sluis 
op den Amstel. i) 

: De inlating van water uit het IJ vereischte, met het oog op de 
inrichting der huizen, der straten enz., een vast peil in Amsterdam 
ter bepaling der waterhoogte. Dit gaf aanleiding tot het vaststellen 
van een stedelijk peil, het Amsierdamsch /«7, zooals wij reeds 
vroeger zeiden. Dat dit peil ook elders in Nederland en zelfs in 
Pruisen tot nulpunt der hoogtebepaling werd aangenomen, merkten 
wij vroeger op (zie I pag. 39.; 

§ 29. DE VOORNAAMSTE KAN AALVERBINDINGEN TUSSCHEN 
LEK EN NIEUWE MAAS IN HET ZUIDEN EN DE ZUIDER- 
ZEE EN HET NOORDZEE-KANAAL IN HET NOORDEN. 

Iets anders dan de boven besproken afwaterings-kanalén en boe- 
zems, welke dienen tot loozing van het overtollige water en die 
daarom volgens wettige bepalingen tot bepaalde stelsels zijn afge- 
sloten, is de .scheepvaartverbinding van de voornaamste plaatsen 
langs waterwegen. Hoewel toch een boezem eene of meer bepaalde 
ttitwateringssluizéh heeft, waarlangs het water op het buitenwater 
of op een anderen boezem kan wegstroomen, vindt men tusschen 
de boezems niet zelden andere sluizen, ^elke niet bepaald dienen 
tot uitwatering, doch mede of zelfs alleen voor de scheepvaart. 
Dit iijn taamelijk de schutsluizen. Ieder, die een schutsluis gezien 
heeft, i^ëet, dat ze niet geheel het afwateren tegengaat, doch dit 



. .1) Zie over èen en ander uitvoerig in Wagenaar, Amsterdam in zijn opkomst 
'765 n, pag. 55- «2- 



Digitized by 



Google 



83 

tot een minimum beperkt. Bij iedere schutting toch stroomt slechts 
.-zooveel water van het hoogste naar het laagste pand, als er tus- 
«chen de sluisdeuren boven den laagsten stand kan instroomen. 
iDit is betrekkelijk zeer weinig en oefent op den waterstand van 
een tamelijk uitgebreiden boezem weinig invloed uit. £en schut- 
:sluis kan evenwel ook tegelijkertijd uitwateringsluis zijn. 
• Door dergelijke schutsluizen nu staan de gedeelten van verschu- 
ilende boezems in Holland met elkander in verbinding in het be- 
lang van de scheepvaart. De boven beschreven afscheiding van 
•de boezems en boezemgebieden, die uit een hydrographisch oogpunt 
veel waarde heeft, zal een reiziger te water in het lage gebied van 
•ons land niet gemakkelijk opmerken. De scheiding namelijk van 
twee boezemgebieden kan plaats hebben door hooge afsluitings- 
dijken, welke grooter hoogte hebben dan de overige kaden tusschen 
•de polders, doch volstrekt niet altijd is dit het geval. Er is een 
igrens voor den afloop van het overtollige regenwater in den polder, 
maar in gewone omstandigheden valt die niet in het oog. Men 
^aat van heteene boezemgebied over in het andere, bijna evenals 
enen van den eenen polder uit een bepaald gebied overgaat in den 
anderen polder van hetzelfde gebied. 

Met de boezemwateren zelve is meestal die overgang van den 
•èenen boezem in den anderen nog al te bemerken, door het verschil 
in waterhoogte bij de sluizen. Te Utrecht is namelijk het water- 
verschil van het Stadswater en van de Vecht bij de Weerdsluis + 
-0,64 M. Wanneer een schipper door de schutsluis aan den Leid- 
•schendam van de Vliet^ een deel van Rijnlandsboezem met eene 
gemiddelde hoogte van 0,55 M. — A. P., overgaat in den Schic' 
^oezem^ met een waterhoogte van 0,18 M. — A. P., valt die over- 
gang van den eeoen boezem in den anderen 2eer weinig in het 
oog. Zoo. maakt. h^ttgefiii andecen indruk, dan wanneer men op 
een gewoon^ kanaal in de hoogere gronden van het eene pand in 
liet andere overgaat. 

Op de gewone kaarten nu worden de algemeene waterverbin- 
dingen aangegeven, zonder te letten pp hun afstroomingsgebied of 
op hunne hydógraphische gréQzen..Bij een overzicht van het landschap. 



Digitized by 



Google 



84 

bij het zoeken naar een gezichtsbeeld of een landschapstype, zonder 
tot den grond der zaak of tot de oorzaken van het beslaande door 
te dringen, is dit voldoende. Ook de handel heeft daarin zijn voor- 
naamste belang. 

In dit overzicht nu willen wij, na den natuurlijken toestand in 
het vorenstaande geschetst te hebben, de voornaamste waterverbia- 
dingen behandelen zonder bepaald op de hydrographische bijzon- 
derheden te letten ; evenwel zullen enkele er bij worden aangegeven. 

A. De Waterweg Amsterdam— Rotterdam. Van Rotterdam 
uitgaande loopt de weg langs de Nieuwe-Maas en den Hollandschen 
IJsel tot Gouda. Bij het overgaan op de Gouwe begint het gekana- 
liseerde gedeelte van dien weg en komt men in Rijnlands boezem. 
Langs de Gouwe tot Alfen in den Ouden-Rijn gekomen zijnde, 
verdeelt zich de waterweg in twee takken. De oostelijkste tak 
loopt tegenover de Gouwsche sluis door de Nieuwe vaart en de Aaf 
tot het Huis te D recht op de grens van Noord-Holland. Van deze 
plaats loopt de waterweg verder door de Drecht naar het N.0. en 
gaat tegelijk uit \i^X gebied van Rijnlands boezem^ meteene waterhoogte 
van 0,55 M. — A. P , over tot den boezem van Ajnstelland^ met 
een gemiddelde waterhoogte van 0,40 M. — A. P. Aldus gaat het 
niveau hier =t 0,15 M. naar boven. Verder loopt de weg door de 
Drecht en gaat van deze vrij over in den Amstel^ die, zooals wij 
gezien hebben, bij de Amstelsluis te Amsterdam kan worden afge- 
sloten, doch welke gewoonlijk openstaat. 

Daar de Gouwsche sluis in de Gouwe bij Alfen meest openstaat 
(zie II pag. 43) kan het gedeelte van Gouda tot het Huis te Drecht 
als éen aaneengesloten pand beschouwd worden. 

De tweede tak loopt bij Alfen iets verder westelijk, eerst door 
den Ouden-Rijn en vervolgens door de Fieimans-WeteringnzsaYi'^ 
breede gedeelte van de Wijde Aa^ waar deze met het Braasemer- 
meer in verbinding staat. Door het Braasemtrmeer langs Oude We- 
tering gaat de weg vervolgens over de Ringvaart om den Haar- 
lemmermeer polder. Na deze in N. O. richting gevolgd te zijn, komt 
men op de breede plas, het NieuweMeer^ gaat van deze op ó&Schinhel 
over, en verlaat bij de schutsluis aan den C?ir/'/(È?t7;;x Rijnlands boer 



Digitized by 



Google 



«5 

zem, om op de Overioovischc vaar f ^ de van Lennepsvaart of de Kost- 
verloren Wcierin^^ alle tot het Stadswater van Amsterdam behoo- 
rend, over te gaan. Hier is de waterstand gemiddeld =*= 0,437 M, 
— A. P. Met Rijnland is dus het verschil ± 0,113 M. 

Eenige opgaven over de afmetingen van deze waterwegen mogen 
hier volgen. De waterweg van Amsterdam naar Rotterdam, bestaande 
uit Amsicl^ (van den Omval), Drecht^ Nieuwe vaari^ Aar^ Gouwe 
en Turfsingelgracht te Gouda tot den IJsel heeft eene lengte van 
51,640 KM. Het pand van den Omval tot het Huis te Drecht 
{Amsiei^ Drecht) is 24,600 KM. lang, op kanaalpeil 50 k 90 M. 
breed en 2,75 M. — A. • P. diep (de gemiddelde waterstand te 
Ouder-Amstel was (1880— 1884) = 0.40 M. — A. P.) Het tweede 
pand, van h;t Huis te Drecht, waar de Atostelsluis gevonden wordt, 
tot de Rijnbrug {^Nieuwe vaart en Aar) is 11,262 KM. lang, 21 
tot 27 M. breed en de bodem ligt 3 M. — A.P. Over eene lengte 
van 0,1 KM. loopt de waterweg vervolgens over den Ouden Rijn 
tot de Gouwcsluis. Van de Gouwesluis bij den Rijn tot de Malle- 
gatsluis bij den IJsel heeft de Gouwe eene lengte van 15,680 KM. 
eene bódemdiepte van 3 tot 4,5 M. — A.P. en een breedte (op 
kanaalpeil) van 20 tot 30 M. 

De Ovcrtoomsche vaart van den Singel bij de Leidsche gracht 
te Amsterdam tot de schutsluis aan den Ovjertoom is 1,8 KM. 
lang, 10 M. breed en de bodem ligt ;5 M. —A.P. De Kostiierloren 
vaart staat in Amsterdam door de Kattensloot in verbinding met 
de Singelgracht. De lengte van beide bedraagt 3,3 K.M., de 
breedte 12 M., en de diepte 3,5 M. - A,P. 

De Schinkel tusschen de Overtoomschc sluis en het Niemve 
vteer heeft een breedte van 15 tot 80 M, en in het Nieuwe meer 
is de breedte 100 tot 300 M., terwijl de diepte 3 M. — A.P. bedraagt. 
(De waterstand van Rijnland aan de Overtoomsche sluis was van 
1880 tot 1884 gemiddeld 0,57 M. — A.P.) Van de Overtoomsche 
sluis tot het fort Nieuwermeer is de lengte 4,800 K.M. Het ge- 
deelte van de Rin^ioart om de Haarlemmermeer is 38 è. 45 M. 
breed (op kanaalpeil). De vaart van Oude Weterih^ bij de Ring- 
vaart om de Haarlemmermeer tot de Molenaarshrug aan den Ouden 



Digitized by 



Google 



86 

Rijn loopt door het Braasemermeer, is 99250 K.M. lang, van 2,75 
M. — A.P. tot 4,50 M. — A.P.-diep en van 22 tot 76 M. breed ojv 
kanaalpeil. 

£. De waterweg van het Noordzebkanaal bij Haarlem 
TOT DE Nieuwe Maas. Deze waterweg 63,300 KM. lang, be- 
staat uit de verbinding van verschillende kanalen, die zich op- 
niet grooten afstand van de duinen in de hoofdrichting N.-Z. uit- 
strekken. Ten noorden van Spaamdam staat het Spaarne door 
twee monden, welke den driehoekigen Spaarndatnmer polder (bodem- 
hoogte — 1,20 tot 1,40 M. — A. P.) insluiten, met het Noordzee- 
kanaal in verbinding. Vroeger bevond zich de uitvvatering van het 
Spaarne bij Spaamdam op het IJ; sedert dit ingepolderd is zijn 
hier genoemde kanalen, het oostelijke een scheepvaartkanaal, en het 
westelijke een afwateringskanaal, aangelegd. 

Docm: de sluizen te Spaamdam komt men op het Spaarne^ een- 
breed water, dat tot Haarlem voert. Van Haarlem wordt de Leidschc 
irekvaari (gegraven 1656—57) gevolgd tot Leiden en van Leiden 
de Vliet tot den Leidschendam. Dit gedeelte van den water^veg: 
behoort, uitgezonderd de monden van het Spaarne in den IJpolder,. 
tot Rijnlands boezem. 

Bij Leidschendam heeft de overgang in den Schieboezem 
plaats. Van den Leidschendam tot de Hoornbrug heet het water 
Haagsche irekvliet^ en verder tot Delft de Vaart van Delft, Langs 
de Rotterdamsche Schie loopt de weg verder tot Rotterdam en 
Schiedam. Over het verschil in waterhoogte bij Leidschendam 
spraken wij reeds boven. 

C. De waterweg van Amsterdam naar de Lek en de Mer- 
wede. De Keulsche vaart. De waterweg van Amsterdam naar 
de Lek en de Merwede wordt de Keulsche vaart genoemd, omdat 
het de oude handelsweg is te water van Amsterdam naar Keuleni 
Evenwel de Keulsche vaart vormt niet éen water, maar bestaat 
uit een groot aantal wateren, welke met elkander verbonden zijn^ 
Vóór' 1822 moesten de schepen van het IJ tot Muiden de Zuiderzee 
passeeren om dan de^ Vecht te volgen. Na dien tijd is er van Am- 
sterdam tot de Vecht een binnenweg gevormd. Van Amsterdam. 



Digitized by 



Google 



«7 

uitgaande, wordt de Amsiel gevolgd^ tot den Omval ; vervolgens 
loopt de weg door de Rin^sloof om de Diemermeer en de W^sper 
trehvaart tot de schutsluis te Weesp (deze trekvaart loopt door de . 
Gaasp^ een eenigszins breeder water, en de Smalweesp bij Weesp). 
Genoemde wateren behooréft tot den boezem van Amstelland; door 
de sluizen bij Weesp gaat men in den Vechtboezem over. 

Van' Weesp loopt de weg de Vecht op tot Utrecht, waar men 
door de Weerdsluis overgaat in het Stadswater en van dit op. den 
Vaartschen Rijn* Van den VaartscKen Rijn komt men door de 
sluizen te Vreeswijk op de Lek en van Vianen voert eveneens een 
sluis weder op ïiet Zederik-Kanaal^ dat tot den Arkelschen dam ge* 
volgd wordt. Hier gaat men door een sluis over op de Lttt^e^nXe 
Gorkum mondt de Linge door eene sluis uit in de Merwede. Laatst- 
genoemde kanalen zijn reeds genoemd. Deel I, pag. 299. 

De lengte vr.n deze panden is de volgende: 

Van Amsterdam tot Weesp 13,400 K.M. 

^ » Weesp tot de Weerdsluis te Utrecht. 34,900 > 

> Utrecht tot de sluis te Vreeeswijk . . . 11,600 > 

""59,900 KM. 

Een dergelijke ellendige kanaalverbinding bestond er tusschen 
Neerlands hoofdstad en de hoofdrivier, den Rijn. 

Langen tijd werd er terecht geklaagd over den onvoldoenden 
toestand van genoemde Keulsche vaart voor het verkeer. Nadat het 
plan van een kanaal over Weesp door het Gooi en door de Gel- 
dersche vallei verworpen was doo'r de Tweede Kamer der Staten- 
Generaal en andere plannen, als het plan Kalf, van een kanaal 
Amsterdam, Amerongen, Boven-Waal niet in aanmerking kwam, 
werd een voorstel tot de verbetering van de Keulsche vaart, den 
29sten Juli i88i aangenomen. 

Het aanvankelijk ontwerp van 6 Januari 1881 bepaalde den aan- 
1^ van een kanaal van het Noordzeekanaal ten oosten van Am- 
sterdam bij 'den mond van het spoorwegbassin tot in de Merwede 
ten westen van Gorinchem. Met een reeks van bochten zou het, 
van Amsterdam af gebruik makende van gedeelten jder bestaande 
vaarten, zooals de ringvaart van de Watergraafsmeer^ de Wees- 



Digitized by 



Google 



88 

per trekvaari^ de Gaasp en het Gein^ in de Vecht bij Nichtevecht 
terecht moeten komen. De kronkelende Vecht zou men vervol- 
gens met enkele afkortingen volgen lot iets ten noorden van 
Utrecht. Met een bocht ten westen om deze stad zou men in 
den Vaartschen Rijn bezuiden de iniAdatie-sluizen komen en die 
volgen tot iets ten noorden van Vreeswijk, vanwaar een kort zij- 
kanaal ten westen langs Vreeswijk in de Lek moest voeren. Schuin 
tegenover dit eindpunt, oostelijk van Vianen, zou het kanaal voort- 
gezet worden door het Zederikkanaal tot aan. de Schotdeuren, 
om eerst aan de westzijde langs en door den staatsspoorweg heen 
ten westen van Gorinchem in de Merwede te komen. 

Gelukkig werd nog bijtijds ingezien, dat de uitvoering van dit 
plan een veel te bochtigen weg vormde, zoodat de verbetering van 
de Keulsche vaart zeer slecht aan de eischen van onzen tijd zou 
kunnen beantwoorden. Bedenkingen tegen deze richting hadden 
ten gevolge, dat reeds bij de wet van 29 Juli i88i (Staatsblad 
N^ 143) in het oorspronkelijk plan wijzigingen zijn gebracht. Zij 
bestonden voornamelijk in : 

A, Tot beginpunt bij Amsterdam werd de afsluitdijk naar Schel- 
lingwoude verkozen, 

B. Eene meer rechte richting tot Nichtevecht werd aangenomen. 
De Weespertrekvaart en het Gein werden daarom niet gevolgd. 

C. Belangrijke afsnijdingen van de Vecht tot Maarsen werden 
bepaald, 

D, Eene wijziging in de richting hij Utrecht en tusschen de 
schotdeuren en Gorinchem^ waar de kanaalrichting aan de oostzijde 
van den spoorweg iverd bepaald. 

De laatste wijziging in het plan had plaats bij de wet van 15 
Mei 1884 (Staatsblad N®. 106) op voorstel van Jhr. Mr. J. W. H. 
RüTGERS VAN ROZENBURG, waarbij bepaald werd, dat het Vecht- 
pand zal geheel vervallen en het kanaal van Nichtevecht tot Utrecht 
langs de oostzijde van den RijnspOotwég tot nabij Zuilen op Am- 
stcllands boezempeil zal worden doorgetrokken. 

Dit kanaal, hetwelk op dit oogenblik nog in uitvoering is, zal 
bestaan uit de volgende afdeelingen. 



Digitized by 



Google 



89 

A. De voorhaven bij Zeeburg in het open IJ bij de Stads-Riet- 
landen te Amsterdam, lang 1,3 KM. 

. I. Het kanaalpand van de dubbele schutsluis bij Zeeburg tot 
die bij den Groenendijk bewesten Utrecht, lang 35,420 KM. 
- 2, Het kanaalpand van de schutsluis bewesten Utrecht tot die 
te Vreeswijk, 10,327 KM. . 

B. De voorhavens aan de I-ek te Vreeswijk en Vianen ter weers- 
zijden van deze rivier. Die te Vreeswijk is lang 0^23 KM., en die 
te Vianen 0,710 KM. 

3. Het kanaalpand van de schutsluis te Vianen tot de Merwede- 
sluis te Gorinchem, lang 22,440 KM. 

C. De voorhaven aan de Merwede te Gorinchem, lang 0,470 KM. 
Het geheele kanaal met de voorhavens heeft een lengte vah ruim 
70 KM. De breedte van het kanaal op den bodem is op zijn minst 
20 M en de diepte, 3,10 M. beneden lage waterstanden. 

, De voorhaven van het nieuwe kanaal in het IJ wordt aan de 
oostzijde begrensd door een nieuwen afsluitdijk, aanvangende onge- 
veer in het midden van den bestaanden dijk te Schellingwoude en 
aansluitende aan. de schutsluizen nabij 'Zeeburg in het Nieuwe diep. 
Deze dijk is 3 M. + A. P. hoog en op de kruin 4 M. breed. 

De voorhaven ligt in gemeenschap met en heeft een waterstand 
als het afgesloten IJ, d. i. volgens de bepaling 0.50 M. — AP. (de 
werkelijkheid is hooger). Het eerste pand van het Noordzeekanaal 
tot Utrecht, heeft een peil = Amstellands-boezempeil d. i. =*^ 0,40 
M. — AP. Dit eerste pand, dat 1 1 cM. hooger moet liggen dan de 
noordelijke voorhaven, is door een schutsluis bij Zeeburg van deze 
gescheiden. Door een syphon of duiker wordt bij Zeeburg het 
stadswater, dat het stoomgemaal hier aanvoert, dwars onder het ka- 
naal door in de Zuiderzee gevoerd. 

Het EERSTE PAND loopt van de sluis bij Zeeburg door de plas Nieuwe 
diep^ en vervolgens op korten afstand van den zeedijk met dezen na- 
genoeg evenwijdig tot in den Overdiemer polder^ waar het kanaal zich 
naar het zuiden ombuigt. De polders, waardoor dit eerste pand loopt, 
zijn de volgende, van den mond af: de Diemerpoider (zomeq^eil =: 
1,60 M. — AP.) de Overdiemerpolder (Z, P. = 1,80 M. — AP.) 



Digitized by 



Google 



90 

de Gcmeenschapspolder (Z. P. = i,8o M. — AP.) de Aetsveldsche* 

polder (Z. P. = 1,80 M AP.) de Garsierpolder (Z. P. = 1,70 

M. — AP.) de Oostzijdschepolder (Z. P. = 1,85 M. — AP.) de 
de Voorburgschepolder (Z. P. = 1,70. M. — K^^^^^tHonderdsche^ 
polder (Z. P. = 1,70 M. — AP.),. de Breukeier Waard (Z. P. = 
1,50 M. — AP.), polder Otter spoorbroek (Z. P. = 1,15 M. — AP.), 
polder Madrsenbroek (Z. P. =. 1,00 M. — A.P.), de Hooge Neer- 
maten (Z. P. = 0,70 M. AP.) Waterschap de Hooge- en Lage Weide 
(Z. P. = 0,73 M. — AP.) De waterstand in het kanaal db 0,40 M. 
— AP. en staat dus bij Amsterdam ongeveer ly^o M. hooger dan het 
water en ongeveer i M. hooger dan het land van de omliggende 
polders. Ook bij Utrecht is het kanaalpeil nog hooger dan dat der 
nevenliggende polders. Hierdoor is het noodig, dat dit geheele pand 
door bedijkingen wordt ingesloten. De kanaaldijken hebben in dit 
pand eene hoogte van i M. + AP. De bodem van het kanaal ligt in 
dit pand 3,70 M. — A.P. Een groot aantal duikers loopen dwars 
onder het kanaal door, om de verschillende deelèn der polders, die 
het doorsnijdt, in watergemeenschap met elkander te houden. Waar 
nabij Weesp het kanaal den Oosterspoorweg kruist, is de laatste 
aanzienlijk opgehoogd, om de ^hepen steeds onder den brug door 
den doorgang te verschaffen. Dit eerste pand staat door schutsluizen 
of geheel vrij, nog met verschillende wateren in gemeenschap. De 
wateren, die er gemeenschap mede hebben, zijn: de Muidertrek- 
vaart onder Diemen, het Smal- Weesp ten oosten van deGeinbrug, 
de Oiide l^echt^ door de schutsluizen te Nichtevecht, de Binnenvaart 
naar Amsterdam te Nieuwersluis, de vaart van Breukelen naar 
Ter- Aar ^ door middel van de aan weerszijden in de kanaaldijken ge- 
legen schutsluizen, de VecfU^ door de in den oostelijken kanaaldijk 
gelegen schutsluis, en de Proostwetering door de schutsluis in den 
westelijken kanaaldijk. 

Het TWEEDB PAND, van Utrecht naar de rivier de Lek, heeft een 
kanaalpeil gelijk aan dat in den Vaartschen Rijn. Hier bedraagt 
de waterstand in den winter -r 0,60 en in den zomer 0,47 M. + AP. 
Het zomerpeil in de omringende landen loopt van 0,10 M. + AP. 
(Laag Raven) tot 0,47 M. + AP. (de Oude Geinpolder). Daaruit 



Digitized by 



Google 



91 

ll^kt ons, dat kanaaldijken ook hier notidig zijn. Zij hebben eene 
hoogte van 2 M. + AP. Het niveau-yers^fl van het tweede met 
het eerste pand zal ± i M. bedragen. 

De bodem ligt in dit pand 2,60 M. — AP. 

Het tweede pand staat in gemeenschap met dèn Leidstken Rijn^ 
(beide wateren kruisen elkander door een schutsluis in den weste^ 
lijken, en een schotbalk-sluis in den oostelijken kanaaldijk) met 
den Vaar tschen Rijn ten noorden van het huis »deLiesbosch"; met 
den Hollandschen Tfsel door de schutsluis aan de Doorslag te Jut< 
faas, met de Schalksche Wetering en met den Vaar tschen Ri/nhe* 
zuiden het huis de Wiers, 

Het DERDE PAND vau de Lek van Vianen tot den noordelijken dijk 
van het kanaal van Steenenhoek bij Gorinchem heeft een kanaal- 
peil gelijk aan dat van het kanaal van Steenenhoek. De omliggende 
landen hebben zomerpeilen van 1,12 M. + AP. (Polder Vianen be- 
oosten het Zederikkanaal) tot 0,86 M. — A. P. bij Gorinchem. De 
hoogte der kanaaldijken is in het noorden tot den Arkëlschen dam 
2 M. + AP., en verder zuidelijk 2,5 M. + AP. De bodem van het 
kanaal ligt in het noorden — 2,60, in het zuiden 3 M. — A. P* 

Dit pand heeft gemeenschap met den Ouden Zedertk door de schut- 
sluis bij Meerkerk, met het Zederikkanaal ten noorden van de 
schutsluis aan den Arkëlschen dam en met het kanaal aan Stee- 
nenhoek ten westen van Gorinchem. 

De voorhoven ten westen 7fan Gorinchem valt gedeeltelijk samen 
met de vestinggracht. Zij is ingesloten tusschen havendijken*, op zijn 
minst 6,60 M. + A.P. hoog. De diepte van den mond der haven 
is 3,20 M. — A. P. 1). 



■l) De opgaven in het bovenstaande zijn ontleend aan: 

a. Overzicht der Scheepvaartkanalen, in Nederland. Uitgegeven door het Mini- 
sterie van Waterstaat, Handel en Nijverheid 1888. 

ö, 'Wetsontwerp tot verbetering der Keulsche Vaart. Bijl. van de Handel der 
Si. Gen. 1881. 

c. Wet van 29 Juli 1S81 (Staatsbl. No. I43)« 

d. Wet van 15 Mei 18S4 (Staatsbl. No. 106). 

e. Kaart van het kanaal Amsterdam — Merwede, schaal i : 50,000. 



Digitized by 



Google 



92 

§ $0. VROEGERE ALGKMEENE TOESTAND VAN HST LAND TÜSSCHEN 
DE NIEUWE MAAS EN HET IJ. 

Geschiedenis van de Vecht ai den Ouden Rijn. 

Zeer moeilijk is^ het van de tegenwoordige oro-hydrographische ge- 
steldheid van het lage Holland cene juiste voorstelling te verkrijgen, 
doch nog veel moeielijker is het de geschiedenis van die gesteld- 
heid na te gaan en een eenigszins juist beeld van het oude Hol- 
land te geven. De bodemgesteldheid is er zoozeer veranderd, en 
de drassige, bewegelijke bodem levert zoo weinig natuurlijk vaste 
punten, dat men dikwijls niet met zekerheid meer weet, waar de wer- 
ken, die de vroegere geschiedenis ons noemt, te plaatsen zijn. Om- 
trent de ligging van dijken en wateren, welke oude schrijvers aan- 
halen, verkeert men veeltijds bijna geheel in onzekerheid, of men kan 
alleen door vergelijking hun plaats bepalen. Alleen in algemeene trekken 
kunnen wij beschrijven, hoe de gesteldheid van het vroegere Holland 
moet geweest zijn. Wanneer wij ons thans de dijken wegdenken, 
xoodat ook de bemaling moest ophouden, zou Ket land tusschen 
de IJpolders en de Nieuwe Maas sijoedig weer in een moerrassig 
gebied met tal van meren en vele onregelmatig er door kronke- 
lende plassen, wateren en slooten veranderen. Bij langdurige droogte 
zou het land eenigszins vaster zijn, doch door veelvuldige regens 
moest het een moerassig, slecht begaanbaar gebied, worden. 

Zoo zou de gesteldheid tegenwoordig zijn, nu zelfs geen enkele 
groote rivier het land doorstroomt en water van elders binnen de 
grenzen brengt. Hoeveel te meer zal het land met water be- 
dekt geweest zijn in den tijd, toen de Rijn bij Wijk bij Duurstede 
nog niet was afgesloten en langs den Krommen Rijn door dit land 
eèn tak naar zee leidde terwijl de Lek zich nog door den Hol- 
landschen IJsel ontlastte. 

De geschiedenis van den Rijnarm voorbij Utrecht beheerscht en be- 
paalt grootendeels de geschiedenis van het land, dat wij thans bespreken. 

/- Vergelijkende kaart van de Keulsche vaart en de verschillende kanaal- 
ontwerpen. Bijlage der Mem. van Toelichting van het wetsvoorstel Rutgers 
van Rozenburg. 



Digitized by 



Google 



93 

In den aanvang van onze t^drpkening vloeide een gedeelte van 
het Rijnwater omstreeks langs den Krommen Rijn naar Utrecht. 
Hier koos het zich twee wegen: gedeeltelijk door de Vecht naar het 
noorden, gedeeltel^k langs den Leidschen of Ouden Rijn naar het 
westen. 

ACKER Stüating meent, dat de Vecht oorspronkelijk geen tak 
van den Rijn is^ doch een zelfstandig watertje, dat ten oosten van 
Utrecht bij Oudewijk ontstond en bij Utrecht zich naar het noorden 
omboog. Dit riviertje zou dan later te Utrecht met den Rijn ver- 
bonden tijn geworden door een kanaal. ^) 

Deze meening komt ons al zeer onwaarschijnlijk voor. Hoe dit 
kleine riviertje in den zandgrond zou zijn ontstaan en water genoeg 
zou ontvangen hebben, om een stroom als de Vecht te worden, 
hoe dergelijk klein watertje de kleiafzettingen kon aanvoeren, die 
men langs de Vecht vindt, is al zeer raadselachtig. Staring noerat 
terecht de Vecht een tak des Rijns^ en het zoeken naar historische 
gronden voor het tegengestelde schijnt ons in strijd met de natuur. 

Van Asch van Wijck verdedigt het bestaan van eene verbinding 
der Vecht met den Rijn reeds in Romeinschen tijd op verschillende 
historische gronden. Het hoofdmotief vindt de schrijver hierin, dat 
het oude handelsverkeer reeds zeer vroeg van Utrecht langs de 
Vecht naar het noorden liep. 

Of de Vecht oorspronkelijk hij Utrecht zal aangevangen heb- 
ben, schijnt ons onzeker en niet waarschijnlijk. Volgens van Asch 
van Wijck scheidde zich omstreeks het buitengoed Nieuw-Amelis- 
weerd aan het Vossegat (waar thans een fort ligt) de Vecht af, liep 
in een sterk kronkelenden loop om het gerecht Abstede heen en 
stroomde langs Oudewijk in de richting van de Bildsche graft. Na aldus 
het noordwestelijk uiteinde der stad genaderd te zijn, verdeelde zij 
zich in verscheidene takken en vormde hier een eiland, de Waard 
geheelen. Van deze takken schijnen het Ooster- en Westerstroompje 
nog overblijfselen te zijn. Deze takken vereenigden zich weder, 
om vervolgens den loop naar Muiden voor te zetten. 

De andere of hoofdtak van den Rijn, die den naam behield 

i) Acker Stratingh. Aloude Staat I pag. 207. 



Digitized by 



Google 



94 

(OadeRijn), stroomde langs het zuidoostelijk.ui^einde der stad voorbij 
de Tollesteeg en voorts door het zoogenaamde Lijnpad^waarschijn- 
lijk een jaagpad langs den Rijn voorbij de Cather3menpoort. West- 
waarts van deze tot dicht aan den loop der Vfccht geaderd zijnde 
en waarschijnlijk zich weder met deze rivier vereenigd hebbende^ 
omsloten alzoo de Rijn en de Vecht den grond, 'Wa^arop thans de 
stad is gebouwd i). 

Wat de Vecht betreft, daarvan waren volgens Vaft Asch van 
Wijck, nog sporen van den vroegeren loop boven Utrecht in de 
aanwezige bedijkingen te vinden 2). 

Acker Stratingh bestrijdt deze verschillende splitsingen, door van 
Asch van Wijck volgens zijne mededeeling (Bijlage II deel- IV 
pag. 63) maar eigen onderzoek" opgegeven. Over de bijzonderheden 
in dezen durven wij geen oordeel vellen. Om dergelijke zaken in 
detail te kunnen nagaan, behoort men een locaal onderzoek in te 
stellen, dat veel zorg en kosten vereischt, en waarvan wij, bij het 
omvangrijke en reeds kostbare van onzen arbeid, hierbij >helaas 
moeten afzien. Na den tijd van Acker Stratingh e. a. schijnt de 
lust tot zelfstandig onderzoek naar den historischen toestand des 
lands ingesluimerd te zijn en allengs werden de onderzoekingen van 
bepaalde gedeelten minder, ^^wat zeer te betreuren valt. 

Zonder nu over de kleine bijzonderheden te willen beslisseif, ge- 
looven wij toch, zooals wij boven zeiden, op goeden grond de ver- 
binding van' de Vecht met den Krommen Rijn in de oudste tijden 
te kunnen aannemen. Dat er kleine riviertjes in dien' tak van den 
Rijn bij zijn oorsprong uitmondden, die hem tevens voedden, is zeer 
goed mogelijk. 3) 

De Vecht dan werd hoofdzakelijk met Rijnwater gevoed en 
zette de hieruit aangevoerde slibstofTen als kleilagen langs de oevers 
tusschen moerassige gronden af. Die aanvoer van klei- met het 



i) Van Asch 'vui Wijck.- Geschiedk. betcbouwing vatt bet oode handelsver- 
keer der stad Utrecht 1S3S I pag. 38. 

2) V. Asch van Wijck. t. a. p. I pag. 30; IV pag. 68. 

3) Tegenw. Staat XI pag. 8. 



Digitized by 



Google 



95 

Rijnwater kon alleen plaats hebben, vóór dat de Rijn bij Wijk- 
bij-Duurstede was afgesloten (Ziel pag. 405). Na die waterafslui- 
ting hield de wateraanvoer uit den Rijn op of was te gering, 
om de overstroomingen en kleiafzetting geregeld te doen ge- 
schieden. 

De Vecht onderging in den loop der tijden nog verschillende 
rechtgravingen en ook bedijkingen, waardoor zij in een vaste baan 
werd besloten. Wanneer die bedijkingen plaats hadden, kunnen wij 
niet zeggen. Van Asch v. Wijck meent, dat de Vecht reeds in den 
vroegen historischen tijd >een bepaalde stroombaan had; immers 
^ij wordt in alle tot haar betrekking hebbende charters vermeld als 
zijnde van Utrecht af tot Muiden eene doorloopende, bevaarbare 
rivier" i). Misschien was *s menschen band haar hierin wel behulpzaam 
geweest. Van de verdere en latere verbeteringen noemen wij het 
graven van een nieuw bed door het eiland de Waard heen buiten 
Utrecht in 1338 i) en de afsnijding van een bocht tusschen Vree- 
land en Nederhorst in de 17de eeuw 3). Daar te Muiden reeds in 
het begin der middeleeuwen een rijkstol gevestigd was,moet de Vecht 
*ene veel bevaren rivier geweest zijn 4). Van het toenemend verlanden 
van den Krommen Rijn zal zeer zeker ook 'de Vecht geleden heb- 
ben. Door het graven van den Vaartschen Rijn in 1373 echter werd 
er weder opnieuw water uit de Lek op de Vecht gebracht. Hoewel 
deze rivier hierdoor verbeterde, kon zij toch geenszins nog aan zich 
zelve worden overgelaten. In 1437 besloten de vijf capittelen, de 
Ridderschap en de stad Utrecht om een sluis in de Vecht aan 'den 
Hinderdam even bezuiden Nichtevecht te bouwen en een vaste schou- 
wing pp dit water in te voeren 5). De sluis te Muiden werd* ge- 
bouwd in het'-jaar 1674 in plaats van den Hinderdam, die toen 



1) V. Asch V. Wijck. t a. p. IV pag. 67. 

2) Zie de stokken bij Burman, Utrechtsche jaarboeken I pag. 521, 

3) V. Asch V. Wijck. t. a. p. IV pag. 67. 

4) Van den Bergb. Middel Ned. Geograpbie pag. 68. 

5; K. Barman. Utrecbtscbe jaarboeken I pag. 491. Utrechtsch placaatboek III 
pag. 215. 



Digitized by 



Google 



96 

opgeruimd is i). In 1875 is bij Nieuwersluis voor militaire inun- 
datiën een sluis in de Vecht gebouwd. 

Die beide stroomen, Oude Rijn (wij gebruiken de tegenwoordige 
namen om gemakkelijker aan te duiden wat wij bedoelen) en de 
Vecht, doorkronkelden het lage land van Holland. Afgesloten waren 
hunne stroombeddingen aanvankelijk zeer zeker niet, en ongetwijfeld 
stonden zij door spranken en takjes met de plassen en meren in ver- 
binding. Dit zal bovenal het geval geweest zijn, toen de monding van 
den Rijn te Katwijk begon te verzanden en het Rijnwater opstuwde. 

Die verzanding is zeer zeker niet, zooals dikwijls ten onrechte 
wordt voorgesteld, een verschijnsel, dat Jsich plotseling voordeed. 
Dat een stormachtige winter aanleiding tot eene verdere verzanding 
gegeven zal hebben, is niet onwaarschijnlijk. Nog dagelijks leert 
de geschiedenis der zeegaten ons, dat er verplaatsingen van zand* 
banken geschieden door stormen enz. En wij wezen er reeds 
vroeger op, dat daar, waar eens een ondiepte gevormd is, de ver- 
landing het meest doorgaat. Het vormen van een bocht van de 
rivier aan de kust tegenover de verzanding moest in de duinen 
juist tengevolge hebben, dat de gesteldheid der monding van kwaad 
tot erger werd. Want als de oever der rivier in de duinen werd 
ondermijnd, zou de geheele duin massa van boven zich spoedig in 
de diepte werpen, die aan den hollen oever ontstond. Hierdoor 
moest de rivier wel langzaam verstoppen. 

Wanneer die verstopping begonnen mag zijn en wanneer de uit- 
monding geheel of bijnia geheel gesloten was, valt niet met zeker- 
heid te zeggen. Doch dat door die verstopping niet alleen het land 
langs den Ouden Rijn de afwatering miste, maar ook het uit 
den Rijn van Wijk bij Duurstede nog altijd toestroomeade. water 
opstuwde en er overstroomingen ontstonden, is. zeker. Het water 
behoefde niet zeer hoog te rijzea of de bestaande plassen in het 
effene moerasland kwamen daardoor met * elkander in verbinding. 

Naar het noorden en naar het zuiden moest de afstrooming vaa 
het opstuwende water in den Rijn plaats hebben, daar de duinen 



1) V. der Aa. Woordenboek. Art. Muiden. 



Digitized by 



Google 



97 

het land in het westen afsloten. En zoo vormden zich aaneensluitende 
wateren en plassen in noordelijke en zuidelijke richting. Door uitvening 
van het land en door afslag werden die plassen vergroot en vervormd. 

Hoeveel Rijnwater er in deze wateren was, is moeielijk te beantwoor- 
den. Men heeft willen aannemen, dat de Rijn na genoemde verstopping 
van den mond naar het noorden stroomde. Door den Amstel en door 
de plassen van het latere Haarlemmermeer, vervolgens dwars door het 
IJ en verder door de Zaan, zou hij naar het noorden geloopen hebben, 
om bij Egmond of bij Petten in de Noordzee uit te monden. 

De strijd daarover is nog niet beslist. Ongetwijfeld zal er door 
de verstopping van den mond meer water uit den Rijn naar 
het noorden gestroomd zijn. Maar hoe ver dit water kwam, is niet 
uit te maken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat er van dit Rijnwater 
een gedeelte in het noorden van het toenmalige Noord-Holland 
kwam. Een buitengewone rijzing van het Rijnwater was in dit 
vlakke land daarvoor in 't geheel niet noodig. Dit blijkt bovenal, 
als wij weten, dat het water in den Rijn bij Bodegraven tegenwoordig 
ongeveer 0,55 M. — A. P. staat, terwijl het water van den Binnen- 
Zaan =t 0,58 M. — A. P. (Schermerboezempeil) hoog staat. Doch 
dat een geregelde uitmonding van den Rijn in Noord-Holland 
zal geweest zijn, is onzes inziens niet aan te nemen. 

Naar onze meening volkomen juist schetst Prof. Fruin den toe- 
stand aldus: »Het afkomende water, door niets meer gestuit, 
zocht voortaan een uitweg naar zee, dien het te Katwijk niet meer 
vond, over de lage landen langs den rechteroever in noordelijke 
richting, en splitste zich in die vele sprieten en tochten, die de 
I^idsche en Haarlerasche meren vulden en uitbreidden, zoo zij hen 
al niet gevormd mogen hebben, en vloeide door deze in het IJ en 
in de Zuiderzee af. Bij lagen waterstand en gunstigen wind was de 
toestand nog dragelijk; bij noordelijke winden echter en bij hooge 
zee werd het wegvloeien van het rivierwater in die richting belet, 
zoodat het land overstroomd en meer bedorven moest raken." i). 



l) Prof. Fruin. Over de opkomst van hel hoogheemraadschap van Rijnland. 
(Vcrsl. en Med. der Kon. Akad. van Wetenschappen, derde reeks, V 1888 paj;. 282). 
IL 7 



Digitized by 



Google 



98 

De geschiedenis bericht ons, dat er reeds in 1165 perken gesteld 
werden aan het landbederf, door de overstroomingen van den ver- 
stopten Rijn veroorzaakt. 

Van dat jaar dagteekent eene belangrijke oorkonde van keizer 
Frederik Barbarossa. Deze oorkohde handelt over een geschil, 
waarin de HoUandsche Graaf tegenover den Bisschop van Utrecht 
en de Graven van Gelderland en Kleef stond. De Graaf van Hol- 
land had namelijk op de grens tusschen zijn graafschap en het 
Sticht, bij het Stedeke Swadenburg (Zwammerdam), den afloop van 
den Rijn door een dam versperd, tengevolge waarvan de hooger 
gelegen streken (in Utrecht), die toch reeds veel van watersnood te 
lijden hadden, als in dagelijksch doodsgevaar verkeerden — quasi 
mors cotidiana imminebat — zooals de Keizer het uitdrukt. 

Hoewel niet gezegd wordt, met welk doel de Graaf van Holland 
dit deed, valt het toch gemakkelijk te begrijpen. Het was natuurlijk 
om zijn laag gelegen land tegen het water, dat uit het oosten den 
Rijn afkwam, te beschermen. Het zal dus wel niet enkel een dam 
in de rivier geweest zijn, zegt prof. Fruin, dien hij had gelegd, 
maar een uitgestrekte waterkeering langs de grens van zijn gebied, 
met dien dam in aansluiting. 

Door die daad beveiligde de Graaf zijn eigen land, doch belette 
hij de loozing van het overtollige water van Utrecht, en zijne na- 
buren kwamen klagen bij keizer Frederik Barbarossa, toen deze te 
Utrecht was. 

Deze gebood in bovengenoemden brief van 1165, dat de dam zou 
worden weggeruimd, opdat de rivier, zegt de Keizer, »als van ouds 
zonder eenige hindernis in vrijen en koninklijken loop zou afvloeien". 
Daarentegen mocht een dam, die bij Wijk bij Duurstede den Rijn 
(Krommen) afsloot, en den Rijn grootendeels in de Lek deed over- 
gaan, ten bate van het Sticht blijven liggen. Verder werd den Stich- 
tenaren verlof gegeven, om in het lage land bij de Node op de Gel- 
dersche grens (in de Geldersche vallei) een kanaal te delven, ten 
einde het water van hier naar de Zuiderzee af te leiden. (Zie I pag. 399). 

Dat de Graaf van Holland zich niet streng aan bovengenoemd 
verbod van den keizer zal gehouden hebben, valt te vermoeden uit 



Digitized by 



Google 



99 

het belang, dat Holland bij het leggen van dien dam had, en asin 
de weinige onderdanigheid, die de graven gewoonlijk tegenover den 
keizer betoonden. De dijken en kaden langs het Bisdom, waarvan 
in dit handvest gezwegen wordt, waren natuurlijk blijven bestaan; 
de verleiding, om deze weer aan te vullen door een dam dwars 
in de rivier, moet bij dringenden waternood haast onweerstaan- 
baar zijn geweest. De naamsverandering van Swadenburg, de plaats, 
waar de dam oorspronkelijk gelegd werd, in Swadenburgdam of 
Swademerdam, waaruit het hedendaagsche Zwammerdam is saam- 
getrokken, wettigt het vermoeden, dat de dam aldaar niet van 
korten duur zal geweest zijn. 

Dat bovenstaand vermoeden juist is, blijkt ook uit het verdrag, 
dat bisschop Dirk van Utrecht in 1204 met den gemaal van gravin 
Ada, I^dewijk, graaf van Loon, aanging. Deze zocht de hulp van 
den Bisschop tegen zijn mededinger in Holland, Willem I, en be- 
loofde daarvoor aan den Bisschop onder eede, >dat hij en zijn mannen 
niet weer den Rijn bij Swadenburg zouden afdammen — quod de 
cetero nuUa unquam occasione Rhenus apud Swathenburgh obstruc- 
tur. — Deze belofte was natuurlijk onnoodig geweest, als het bevel 
van Barbarossa was nageleefd ! En toen kort daarop Willem I door 
Utrecht nederlagen geleden had, onderschreef hij hetzelfde verdrag. 

Hieruit zien wij, dat reeds vóór 11 65 de Rijn opgehouden had 
een geregeld naar het westen doorloopende rivier te vormen, en dat 
dit sedert dien tijd alleen plaats had, als Utrecht machtig genoeg 
was om zijn recht te handhaven. Want reeds in 1226 was de zaak 
weer aan de orde, en werd er weder eene oorkonde opgemaakt, 
dat geen dam bij Swadenburg afvloeiend Rijnwater mag keeren. i) 
Maar hierbij wordt voor het eerst aan het Sticht de verplichting 
opgelegd, dat van de zeven afwateringssluizen, die in den Wendeldijk 
noodig zijn, de helft door den bisschop zal bekostigd worden, en 
dat, zoo hij in gebreke blijft, de dam weer hersteld zal worden. 
De Wendeldijk is, volgens Fruin, te zoeken in de buurt van 



I) Oorkondenboek van Holland. I. N. 294. (Volgens Fruin). 



Digitized by 



Google 



lOO 

Warmond en zeer waarschijnlijk ten zuiden van het Leidsche meer. i) 
In het oosten zou hij dan waarschijnlijk met den Swadenburger dijk 
in verband gestaan hebben. De reden, waarom de Bisschop tot 
onderhoud van eenige der sUiizen in dien dijk verplicht kon worden, 
is waarschijnlijk de volgende. Door het wegnemen van den dam 
te Zwammerdam stroomde de Rijn weer onverhinderd op Holland 
af. Evenwel moet men zich hierbij niet den oorspronkelijken Rijn- 
stroom denken, daar reeds door de afsluiting bij Wijk bij Duurstede 
een groot gedeelte van het Rijnwater in de I^k was afgeleid. Daar 
de mond van den Rijn bij Katwijk verstopt was, had hij langs 
talrijke watergangen, die noordwaarts naar de meren strekten, 
en waarvan de Aa^ de Heemswetering^ de Does, de Zijl en 
de Mare de voornaamste zijn, een heenkomen te zoeken. Maar 
de monden, waarmede deze wateren in de meren Hepen,'waren even 
zooveel gaten, waardoor bij noordewinden het opgestuwde meerwater 
het lage land binnendrong. Daarvoor nu was een dijk met talrijke 
uitwateringssluizen noodig. En het was billijk, dat het Sticht, hetwelk 
evenzeer als Holland hierbij gebaat was, in de kosten «r van bijdroeg. 

De legging van den Wendeldijk en de afsluiting van den Rijn 
zijn mede de oudste werken, welke hier het water binnen zekere 
grenzen besloten. Die arbeid werd steeds voortgezet. Hierdoor werden 
de onregelmatige, langwerpige plassen in een regelmatiger bedding 
beperkt, en zoo ontstonden langzamerhand eenige wateren, die op 
de kaart als rivieren geteekend werden. Wij noemen slechts den 
Amstel^ de Angstel^ het Spaarne enz. En deze zoogenaamde 
rivieren werden later bij verdere bedijkingen enz. weder in boezems 
veranderd. 

De Rijn beneden Utrecht, zonder voldoenden toevoer van water, 
zonder stroom, moest wel meer en meer verlanden. Telkens moesten 
er verbeteringen en verdiepingen in aangebracht worden. Aldus was 
hij o. a. in de eerste helft der i6de eeuw beneden Utrecht zoo 
verland, dat men hem na 1532 tot Woerden geheel uitdiepte. 2) 



1) Fruin. T. a. p. pag. 287. 

2) Groot Utrechtsch placaatboek. II. pag. 246. 



Digitized by 



Google 



lOl 

Na dien tijd schijnt dit water den naam van Leidsche vaart ver- 
kregen te hebben i). 

— Deverderegeschiedenis vandit gebied zullen wij niet nagaan; 
wij zouden ons daartoe te veel in plaatselijke bijzonderheden moeten 
verdiepen, en aldus de hier gestelde grenzen overschrijden. Bij de 
afzonderlijke bespreking van land en water hebben wij bovendien 
reeds enkele bijzonderheden medegedeeld. 

£en paar der watertjes in het HoUandsche laagland wenschen 
wij nog te noemen bij deze historische beschouwing, nl. de Liethe 
of Lede en de Flietha of Vliet, 

In een brief van 1063 wordt gewaagd van de kapel te Liethe- 
muthen^ die oudtijds door Karel en andere rechtzinnige vaderen aan 
de kerk van Epternach gegeven was. 2) Het is het tegenwoordige dorp 
I^imuiden bij het vroegere Leidsche meer, en de naam duidt aan, 
dat daar het riviertje de Liethe of I^e uitmondde, en dat dus ten tijde 
dier eerste schenking (de 8ste eeuw) de plas het Leidsche meer 
reeds bestond. Of deze Lede de Drecht is, die thans het dorp 
bespoelt, dan wel de Lede^ die voorbij Warmond loopt, is onzeker, 
doch wellicht is door de vele verveningen de oude loop ver- 
anderd. ») 

De Vliet is thans de benaming van het kanaal tusschen den 
Ouden Rijn bij Leiden en de Schie bij Delft. Deze laatste zet zich 
naar het zuiden voort tot de Maas. 

Zeer waarschijnlijk is dit kanaal voor het grootste gedeelte reeds 
door de Romeinen onder Corbulo laten graven, zoowel om den Rijn 
met de Maas te verbinden, als om het land achter de duinen eene 
afwatering te verschaffen. Dit laatste wordt dan ook door Dio 
Cassio uitdrukkelijk verzekerd. 

Prof. Fruin vermoedt, dat niet het geheele water gegraven zal 
zijn, maar dat de Romeinen eene verbinding tusschen de Vliet^ een 
klein watertje, dat bij Leiden in den Rijn uitmondde, en de Schie 



i) Tegenwoordige Staat. XI. pag. 7. 

2) Oorkondenboek I n. 85. — Van Mieris I pag. 65. 

«} V. d. Bergh I. c. pag 68. 



Digitized by 



Google 



I02 

bij Ouwerschie, welk watertje op de plaats van Schiedam in de 
Maas uitmondde, tot stand brachten, i) 

Deze uiteinden doen werkelijk minder aan een gegraven kanaal 
denken dan het midden-gedeelte, en ook de natuurlijke gesteldheid 
des lands pleit voor die veronderstelling. Dit vroeger doorloopende 
kanaal werd afgesloten door het aanleggen van den dijk de Zijd- 
winde^ 1394 (zie II pag 58), toen er bij Leidschendam een dam in 
gelegd werd. In den tijd der Hollandsche graven was hier een 
overtoom, die omstreeks 1578 op kosten van Delft door schutsluizen 
vervangen werd. Aan deze sluizen heeft het dorp Leidschendam 
zijn oorsprong te danken. 

Het Brasemermeer ^ thans een plas van ruim 300 H. A. opper- 
vlakte, was in het begin der 17 de eeuw nog slechts een watertje, 
door hetwelk het Haarlemmermeer met den Rijn in verbinding 
stond. 2) Door uitvening en afslag der lage venen is een gedeelte van 
het watertje tot een plas verwijd. 

§ 31. DE VERDEDIGING VAN HOLLAND IN BETREKKING TOT DE 
ORO-HYDROGRAPHISCHE GESTELDHEID. — DE NIEUWE HOLLANDSCHE 

WATERLINIE. 

De ontwikkeling der menschheid tot familiën en natiën, naast 
den doorloopenden strijd om uitbreiding van gezag en om de meer- 
derheid, dien de geschiedenis ons doet kennen, bracht van zelf mede, 
dat ieder er steeds op bedacht was, om zijn woonplaats op eene 
veilige en gemakkelijk te verdedigen plaats te vestigen. In de oudste 
tijden bouwden in enkele streken de menschen hunne woningen op 
palen boven het water, zooals uit de overblijfselen in de Zwitser- 
sche meren en elders gevonden, blijkt. In vele gedeelten van Afrika 



1) R. Fruin. Naar aanleiding der vereeniging van Delfshaven met Rotterdam. 
(Rotterdamsch jaarboekje 1890 pag. 5). Wij wijzen er hierbij op. dat deel II 
tot pag. 96 reeds in 1889 tot afdrukketi gegeven was, waardoor wij van deze 
stadie vroeger geen gebruik konden maken. 

2) V. d. Aa. Woordenboek. 



Digitized by 



Google 



103 

en elders stichten de bewoners hunne dorpen in de bosschen, omdat 
zij daar veiliger zijn tegen aanvallen. De ridders der middel- 
eeuwen bouwden hunne burgen op ontoegankelijke rotsen, en de poor- 
ters omringden met groote kosten en moeiten hunne steden met 
muren, wallen en grachten. In de lage gedeelten van Nederland 
heeft het water ongetwijfeld steeds tot bescherming tegen den vijand 
gediend, en verschillende steden hebben aan die bescherming hunne 
ontwikkeling te danken. Doch ook later en tot op onzen tijd heeft 
men van die natuurlijke gesteldheid des lands gebruik gemaakt, om 
de veiligheid te verzekeren. In het lage land van Holland is de 
natuurlijke terreinvorming gunstig, om voor een groot gebied van 
het water een belangrijk verdedigingsmiddel te maken. Dit gebruik 
des terreins tot verdediging wenschen wij thans nader te beschouwen ; 
niet uit het technisch oogpunt der verdediging, maar van ons geo- 
graphisch gezichtspunt. 

Het gebruik tot verdediging, dat men in Nederland van het ter- 
rein kan maken, bestaat bijna uitsluitend in onderwaterzetting der 
lage landen. Aanzienlijke verschillen in hoog en laag des bodems, 
gebergten, die elders gedeelten lands onneembaar maken voor den 
vijand, kunnen ons niet van dienst zijn. Alleen in zooverre heeft 
de orographische gesteldheid van ons land waarde, dat daardoor 
de grens der inundatie bepaald, en het in stand houden der inun- 
datiën verzekerd wordt. 

De waterverdediging van Holland bestaat daarin, dat naar de land- 
zijde eene breede strook lands onbegaanbaar gemaakt wordt, zoodat 
de vijand hierdoor bij den voortgang naar de provincie Holland tegen- 
gehouden wordt, en den bewoner de verdediging gemakkelijker valt. 
Hierbij is het niet onverschillig, hoe hoog het water op het land 
staat, want bij een te diepe inundatie zou van platbodemde schuiten 
en vlotten gebruik kunnen gemaakt worden. Zooals wij zeiden, het 
land moet onbegaanbaar gemaakt worden, en daartoe dient het 
lage terrein over een tamelijke breedte in een moerassige strook 
lands herschapen te worden. De grenzen voor de diepte eener 
militaire inundatie zijn dus vrij beperkt, want voor vlotten 
enz. is reeds weinig water tot bevaring voldoende. Gemiddeld 



Digitized by 



Google 



I04 

tracht men eene diepte van 0,25 tot 0,30 M. te verkrijgen. Doch 
hoe vlak dit land ook is, het is geenszins zoo effen, dat men over 
eene uitgestrektheid van eenige beteekenis regelmatig dergelijke 
inundatie kan verkrijgen. Zoo zal de feitelijke diepte van 0,1 tot 
0,5 M. moeten afwisselen. 

Het terrein, dat voor dergelijke inundatie geschikte gelegenheid 
aanbiedt, is een strook lands van Muiden en Naarden in het noorden, 
langs de Vecht naar Utrecht, en verder tot nabij Woudrichem in het zui- 
den. Dit terrein voor inundatie van ongeveer 1 2 uren gaans lengte, heet 
de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. In tegenstelling van een meer wes- 
telijk gelegen Waterlinie, die men in 1672 met vrucht gebruikte, de Oude 
Hollandsche Waterlinie, wordt eerstgenoemde de Nieuwe genoemd. 

Om land te kunnen inundeeren, is in de eerste plaats water 
noodig, dat gemakkelijk opgevoerd kan worden tot een grooter 
hoogte, dan het te inundeeren terrein. Reeds een blik op de kaart 
wijst aan, van waar hier het water verkregen moet worden. In 
het noorden is het de Zuiderzee. Dwars door de Waterlinie stroomt 
de Lek^ en in het zuiden strekt zij zich uit tot de Waal en de 
Merwede. Het valt te verwachten, dat van deze drie waterreservoirs 
de wateraan voer tot inundatie kan verkregen worden. 

Dat dit kan geschieden, bewijst ons eene vergelijking van den 
waterstand der rivieren met de hoogte des lands. Een blik op de 
algemeene hooglekaart zegt ons reeds, dat ten oosten van de Utrechtsche 
Vecht een strook lands ligt, welke meest overal al beneden A. P. 
hoog is ( — 0,5 M.) en die naar het oosten langzaam oploopt naar de 
Utrechtsche heuvelrij. Ten oosten van den Vaartschen Rijn ligt 
de bodem voor kleine gedeelten nog beneden A. P. doch wordt 
naar het oosten op korten afstand i M. + A. P. Ook ten oosten 
van den Diefdijk op de Betuwe ligt de bodem ruim i M. + A. P. 
hoog, en ten oosten van de beneden Linge wordt hij iets lager. 
Deze cijfers toonen aan, dat het inundatie-terrein in het noorden 
het laagst is, en naar het zuiden hooger wordt. 

In de Zuiderzee is de gemiddelde waterstand (187 1 — 1880) te 
Muiden bij vloed 0,11 M. +- A. P. en bij eb 0,20 M. — A. P. 
Hieruit ziet men, dat bij vloed het noordelijke gedeelte van de 



Digitized by 



Google 



105 

Nieuwe HoUandsche Waterlinie uit zee water kan ontvangen. Te 
Vreeswijk is de gemiddelde waterstand op de Lek in den zomer 



Schetskaart van de Vesting Holland. Het gearceerde duidt het terrein van inundatie aan. 

2,62 M. + A. P., en in den winter 3,09 M. + A. P. ; te Gorinchem 
is gedurende de zomermaanden de waterstand bij vloed gemiddeld 



Digitized by 



Google 



io6 

1,85 M. + A. P. en bij eb 1,45 M. + A. P., en gedurende de 
wintermaanden 2,26 M. -f A. P. bij vloed en 1,97 M. -f A. P. 
bij eb. Op deze punten is dus de waterstand op de rivieren ge- 
middeld altijd hooger dan het tusschenliggend land, en kan daar- 
door gewoonlijk het inundatie-water wel verkregen worden. 

Daar het terrein niet overal even hoog is, zouden, indien men het 
water vrij liet loopen, enkele gedeelten te diep onder water ko- 
men, terwijl andere daarentegen watergebrek zouden hebben. Om 
dit te voorkomen, is het geheele terrein van de Nieuwe Waterlinie 
in eenige afzonderlijke inundatie-bakken of -kommen verdeeld, die 
ieder een eigen hoogte van waterstand hebben. 

De eerste kom^ van het noorden af, strekt zich uit van de 
Zuiderzee tot nabij het fort de Klop en den Maartensdijkschen 
weg. Zij wordt nog weder verdeeld in twee deelen door de Tien- 
hovensche kade, die dwars door het geïnundeerde terrein gaat. 
In het westen gaat de inundatie tot den westelijken Vechtdijk en 
in het oosten zoover als het terrein dit toelaat. Wanneer nu bij 
het opkomen van den vloed de sluizen in de Vecht te Muiden 
geopend worden, zal het water in deze rivier rijzen tot aan de bij 
Nieuwersluis gebouwde sluis in de Vecht, die dan gesloten wordt 
gehouden. Daarna worden de uitwateringssluizen in den oostelij ken 
Vechtdijk geopend, en door deze stroomt het water het land binnen. 
Zoo wordt het eerste gedeelte van deze kom, d.i. ten noorden van de 
Tienhovensche kade, geïnundeerd. 

Het zuidelijke gedeelte van de eerste kom ontvangt het water uit de 
Lek. Dit water wordt door de sluizen te Vreeswijk en den Vaart- 
schen Rijn aangevoerd naar de Vecht, waarlangs het niet naar 
beneden kan afstroomen, daar de sluis bij Nieuwersluis gesloten is. 
Door den oostelijken Vechtdijk laat men het aldus aangevoerde 
water over het land loopen. Wanneer de wateraan voer van dezen 
kant voldoende is, kan het water uit dit tweede zuidelijke gedeelte 
der eerste kom ook in het lager gelegen eerste gedeelte gelaten 
worden, zoodat hier het uit zee aangevoerde zoute water door zoet 
rivierwater wordt vervangen. 

De tweede kom is veel kleiner dan de eerste. Zij ligt ten zui- 



Digitized by 



Google 



den der eerste kom, en eveneens ten noorden van en Utrecht aan 
de oostzijde van de Vecht, tot nabij den weg van het Oosterspoor 
Bij deze tweede kom buigt zich het inundatie-terrein ten oosten 
van de Vecht af, om ten oosten voorbij Utrecht te gaan. On- 
geveer in den hoek tusschen den Centraal-spoorweg en het Oos- 
terspoor ligt hier nog een zeer kleine zelfstandige inundatiekom, de 
derde kom. De vierde kom omvat het terrein ten oosten van den 
Vaartschen Rijn, van den Centraalspoorweg ten oosten van Utrecht 
in het noorden tot de Lek in het zuiden. 

De tweede kom wordt geïnundeerd door water uit de Lek. Dit 
water wordt aangevoerd van Wijk bij Duurstede, (dus van een 
hooger gelegen punt van den Rijn,) langs den Krommen Rijn tot 
Utrecht, waar het door middel eener afsluiting langs tal van sluis- 
jes, door het Vossegat, langs de Biltstraat en Blauwkapel naar 
de tweede kom geleid wordt. Is deze op de bepaalde hoogte 
gevuld, dan sluit men de sluis, welke het verder loopen van het 
water belet, zoodat het water zich in de kleine derde kom moet 
uitstorten. Wanneer ook deze gevuld is op de wenschelijke hoogte, 
dan wordt de duiker in den Centraalspoorweg gesloten, en het 
water is genoodzaakt zich van den Krommen Rijn tot aan den 
Spoorwegdijk uit te breiden, zoodat het noordelijk gedeelte der 
vierde kom wordt onder water gezet. 

De verdere voeding der vierde kom (tusschen den Centraalspoor- 
weg en de Lek) geschiedt uit de Lek door de sluis bij het fort Honswijk. 
Het hierdoor in het land gelaten water neemt zijn weg door twee, 
met dit doel daartoe gegraven afvoerkanalen, en door de Schalksche 
Wetering. Dit water verbreidt zich over het land tot den oostelijken 
dijk langs den Vaartschen Rijn, die gesloten blijft, opdat het water 
zich niet daarin uitstorten kan. Alle overige weteringen, welke het 
inundatie-water kunnen afvoeren, moeten vervolgens gedicht worden. 

Wanneer op deze wijze het terrein geïnundeerd is, vormen deze 
kommen in hunne hoogte eene trapvormige opklimming van de 
Zuiderzee naar de Lek. De eerste en noordelijkste kom ligt 0,30 
M. + A. P , de tweede 0,60 lyL + A. P., de derde 1,30 M. + A. P. 
en de vierde 1,55 M. -h A, P. Het peil van elk dezer kommen 
ligt dan beneden den gemiddelden waterstand, waaruit zij gevoed 



Digitized by 



Google 



io8 

moeten worden. Alleen de beide zuidelijkste kommen liggen wel 
lager dan den gemiddelden stand der Lek bij Honswijk en Vreeswijk, 
doch niet beneden den laagsien stand op deze plaatsen. (Laagste stand 
te Vreeswijk van 187 1 — 1880 13 Dec. 187 1 0.87 M. + A.P.) In dit geval 
zullen deze laatste kommen hoofdzakelijk gevoed moeten worden 
door de hooger gelegen sluis bij Wijk bij Duurstede en den Krom- 
men Rijn. De kanalisatie van den Krommen Rijn had dan ook 
hoofdzakelijk ten doel, de militaire inundatie te bevorderen. Een 
inundatiesluis werd daarvoor tot bijzondere verbinding met de Lek 
gelegd (zie II pag. 10), om bij zeer lagen waterstand tot inundatie te 
kunnen dienen. 

Nauwkeurig valt het natuurlijk niet te bepalen, hoeveel water voor 
de boven besproken inundatie benoodigd is. Dat de weersgesteld- 
heid en het jaargetijde hierop van grooten invloed zijn, is natuurlijk. 
Doch in 't algemeen schat men de benoodigde hoeveelheid: 
van de iste kom 43 millioen M^. 
'i » 2de » I » » 

» » 3de , 0,75 » » 

> > 4de » 23 > > 

Totaal 67,75 ïnill- M». 

Voor de drie kommen, welke uitsluitend uit de Lek gevoed moeten 
worden, is ongeveer 25 millioen M'. water noodig. De Beneden 
Rijn heeft bij middelbaren rivierstand een water afvoer van ±410 M'. 
in de seconde i) of 34,424,000 M'. per dag. Hieruit blijkt, dat 
gemiddeld de wateraanvoer van de Lek ruim voldoende is voor 
de inundatie. Evenwel vergete men niet, dat geenszins den geheelen 
aanvoer van boven door de inundatiesluizen op het land geleid 
wordt. 

Het deel der verdedigingslinie tusschen de Lek en de Merwede 
wordt in drie inundatiekommen verdeeld. 

a. De kom tusschen den Zuider-Lekdijk en den Noorder-Lingedijk. 

b. De kom tusschen de Lingedijken. 

c. De kom tusschen den Zuider-Lingedijk en den Noorder-Waaldijk. 



i) Nederl. en zijne Bew. I. pag. 334. 



Digitized by 



Google 



I09 

De eerste kom wordt gevoed uit de Lek door het openzetten vap 
de Spoelsche inundatiesluis, benevens die, welke het fort Everdingen in 
gemeenschap brengt met de Lek. De tweede kom wordt gevoed 
uit de Linge, door het sluiten der sluizen in den bij A speren dwars 
door de rivier gelegden dam. De derde kom wordt gesteld uit de 
Waal, door de sluizen te Dalen, Vuren en Herwijnen. Om hier 
de inundatie beter tot stand te brengen, is ten zuiden van Tiel een 
inundatiekanaal gegraven, dat de Waal met de Linge verbindt. 

Het peil van deze kommen is het volgende: 

Voorloopig peil. Volledig peil. 

In de zuidelijke kom i M. + A. P. 1,50 M. -h A. P. 

» » middelste of T^ingekom . . 1,50 M. + A. P. 2,50 M. + A. P. 
> » noordelijkste kom lot de Lek 1,50 M. + A. P. 2,50 M. + A. P 

De mogelijkheid van het stellen dezer inundatie blijkt ons, als wij 
met deze peilen de water.standen op de rivieren vergelijken. Te Vrees- 
wijk bedraagt de gemiddelde zomer-rivierstand 2,62 M. + A. P. en 
te Gorinchem bij vloed 1,85 en bij eb 1,45 M. + A. P. (Zie I 
pag. 268 — 269.) 

De verschillende toegangswegen door deze waterlinie worden door 
de vestingen Naarden, Muiden e.a. en door tal van forten versperd. 

Behalve en binnen deze inundaties der Nieuwe HoUandsche wa- 
terlinie, kan uitsluitend de stelling Amsterdam in uitersten nood 
nog tot verdediging ingericht worden. Dit bestaat in inundatie der 
terreinen rondom Amsterdam in een wijden kring. Deze inundatie- 
kring loopt ongeveer van Edam langs Purmerend, Uitgeest, Spaarndam, 
ten oosten langs Haarlem, door het zuidelijk gedeelte van het Haar- 
lemmermeer, langs Aalsmeer naar Abkoude en van hier naar Weesp 
en Muiden. Een krans van forten in genoemden inundatiekring 
gelegen, omsluit Amsterdam. In het oosten sluit deze inundatie der 
stelling Amsterdam van het fort Tienhoven tot Muiden zich bij de 
Nieuwe HoUandsche waterlinie aan. 

In Noord-Brabant van Geertruidenberg langs het Oude Maasje 
naar 's Hertogenbosch en ten zuiden langs de Maas ligt nog een 
terrein, dat tot inundatie geschikt is, de Zuidelijke Waterlinie 
genoemd. (Zie voor een en ander het schetskaartje, pag. 105). 



Digitized by 



Google 



110 

§ 32. Invloed der oro-hydrographische gesteldheid van het 
besproken gebied op de verbreiding der bevolking. 

Wij wenschen op deze plaats geenszins de bevolking na te gaan 
in hare ontwikkeling, doch enkel aan te wijzen, in hoever de elementen 
der oro-hydrographische gesteldheid factoren zijn in de geschiedenis 
van de verbreiding der bewoners. De bevolking zelf is een onder- 
werp van latere beschrijving. 

Het ligt in den aard der zaak, dat de volksverbreiding in een 
moerassig, laag gebied als het boven beschrevene, dat voor een 
groot gedeelte door kunst bewoonbaar gemaakt is, sterk onder den 
invloed stond van het land Waar de bodem ongeschikt was om 
te bouwen, en niet veilig tegen het water om te wonen, konden de 
eerste vestigingen niet plaats hebben. Hierdoor wordt het verklaar- 
baar, dat de oudste plaatsen in dit gebied gevonden worden op de 
hoogere gedeelten, langs de duinen in het westen en op de hoogere 
gronden in het oosten. Evenwel moet tegelijker tijd hierbij rekening 
gehouden worden met de verkeerswegen te water, die reeds de oudste 
bewoners de plaatsen wezen, waar zij het meeste voordeel konden be- 
halen. Waar de waterwegen door dammen werden afgebroken, 
die tot overlading enz. aanleiding gaven, was dit niet zelden aan- 
leiding tot vestiging. Wij behoeven hierbij slechts te wijzen op 
Amsterdam, Rotterdam, Schiedam, enz. Door deze verschillende 
omstandigheden wordt hoofdzakelijk het ontstaan ^der eerste mid- 
delpunten van bewoning verklaard. 

De Romeinen waren in den oudsten tijd, waarvan de geschiedenis 
spreekt, reeds bewoners van deze landen, en hadden door het bou- 
wen van sterkten invloed op het ontstaan van centra der bevolking. 
Doch hun krijgskundig inzicht koos daarvoor natuurlijk bovenal 
strategisch belangrijke punten, bij splitsingen of mondingen van 
rivieren, of aan die rivieren, waar de vestiging gemakkelijk, en de 
bevolking reeds een woonplaats gekozen had. Zoo was Wijk bij Duur- 
stede een punt, aangewezen tot een vestiging. En werkelijk vindt 
men hier reeds in de vroegste oudheid eene stad. 

Den Rijn volgend, vond men in Romeinschen tijd een geheele rij 



Digitized by 



Google 



llt 

van sterkten tot aan de monding, die met elkander in verkeer 
stonden. Wij noemen Vechten (de plaats waar zich oorspronkelijk 
misschien de Vecht van den Rijn scheidde), Utrecht^ de Meern^ 
Woerden^ Al f en en Voorburg i). De mond van den Rijn werd 
beschermd door den Brittenburg, welks fundamenten thans door 
de zee bedekt zijn. 

Over de ligging van Utrecht, zegt v. Asch v. Wijck 2): i wanneer 
men de verhevenheid van den grond, op welken bijna de geheele 
stad gebouwd is, gadeslaat, oppert zich als van zelve de vraag, of 
bij de Romeinen, die zoo gelukkig de plaatsen wisten uit te kiezen 
voor hunne krijgskundige stellingen, dit punt wel onopgemerkt 
konde blijven. De ligging beneden en tusschen de splitsingen van 
den Rijn gaf hen gelegenheid tot verkeer naar drie richtingen, naar 
het land der Friezen langs de Vecht, den Rijn af en den Rijn op." 

Zoo zag men in de eerste plaats langs de rivieren rijen van steden 
of groote plaatsen ontstaan, langs de Lek, den Ouden Rijn en de 
Vecht; plaatsen, die door historische omstandigheden meestal in 
beteekenis verloren hebben. 

Verder noemden wij den rand der duin- en geestgronden als 
oro-hydrographisch voordeelige punten van vestiging. De meeste 
aanzienlijke dorpen aan dien kant zijn gelegen op gedeelten der 
binnenduinen en der geestgronden, die door hooger en droger ligging 
tot vestiging beter geschikt waren dan het lage, moerassige land. 
Denken wij hierbij slechts aan Naaldwijk en 's Gravezande, Monster, 
Loosduinen, Wassenaar en Voorschoten, Sassenheim, Lisse, Hille- 
gom, Bennebroek, Heemstede, Haarlem, Bloemendaal en Zandpoort. 
Niet zelden ziet men de dorjjen geheel op den rand der hoogere 
zandgronden gelegen. 

Dat de Nieuwe Maas de economische motieven tot vestiging der 
bevolking met zich voerde, spreekt van zelf. Een breede, bevaar- 
bare riviermond, die toegang verschafte tot de zee, en die een 



1) V. Asch van Wijck. Geschiedk. beschouwing van het oude handelsverkeer 
van Utrecht. L pag. 43. 

2) T. a. p. pag. 37. 



Digitized by 



Google 



112 

achterland bezit door de Lek, de Noord en de Merwede met hare 
voortzettingen, hij moest eene visschers-bevolking wel tot vestiging 
aanlokken. Op de visscherij volgde de handel. De steden Brielle, 
Rotterdam, Delfshaven, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis vinden 
gedeeltelijk hun ontstaan door bovengenoemde oorzaken verklaard. 
Bij Rotterdam en Schiedam werkten de afdamming van de Rotte 
en de Schie tot oorzaken mede. 

Van de binnenwateren gaf de IJsel aanleiding tot het ont- 
staan van een rij steden als IJselstein, Montfoort, Oudewater 
en Gouda, om van de dorpen niet te spreken. Van deze heeft 
Gouda, dat lag aan het eind van het best bevaarbare gedeelte 
dezer oude riviersprank, waar men ook eene verbinding met den 
Rijn tot stand bracht door de Gouwe, natuurlijke voordeelen 
gehad, die in de meerdere ontwikkeling van deze stad duidelijk 
zijn op te merken. 

De Vecht is een der binnenwateren, die door de nabijheid van 
Amsterdam, dat langs binnenwateren gemakkelijk te bereiken viel, 
en door de gemakkelijke verbinding met de oude bisschopsstad 
Utrecht, reeds vroeg aanleiding gaf tot het aanleggen van talrijke 
sierlijke buitenplaatsen en ridderhofsteden. Sedert de spoorwegen 
een gemakkelijk verkeer met de hooge gronden tot stand brengen, 
is de Vechtstreek niet zoo veel meer in trek. 

De plaatsen in dit lage land dragen bijna alle min of meer sporen 
van den invloed, dien het land op haar bouwtrant uitoefende. Waar 
het land lager ligt dan het peil der meeste wateren, moest men voor 
den bouw der huizen de hoogste gedeelten kiezen. Hiervoor waren 
de dijken als aangewezen, terwijl zij tevens het voordeel aanboden, 
verbindingswegen te vormen. Zoo ontstond er een bebouwing aan 
beide zijden onmiddellijk langs den dijk, en niet dan bij uiterste nood- 
zakelijkheid dacht men er aan, hieraan nog zijstraten, rechthoekig 
op de eerste staande, toe te voegen. Een gevolg hiervan was het 
ontstaan van lang uitgestrekte dorpen met weinig of geen dwars- 
straten, tenzij dijken elkander kruisen. 

Hierdoor onderscheiden zich de dorpen in het lage land duidelijk 
van die op de hoogere gronden. Vergelijk bijv. Huizen in het Gooi 



Digitized by 



Google 



ÏI3 

met zijn door elkander liggende huizen, Rijswijk, Voorschoten enz. 
met hun pleinen en verstrooide huizen op meer of minder afstand 
van den weg en met tuinen er voor, met Oudewetering, Wou- 
brugge, de dorpen langs den Ouden Rijn, de Lek, enz. De laatste 
bestaan hoofdzakelijk uit een rij huizen langs den dijk. Enkele steden 
dragen nog het kenmerk, dat zij aanvankelijk uit dergelijke dijken- 
bouw ontstaan zijn. In Rotterdam vormt de Hoogstraat kennelijk 
den hoogen dijk langs de Maas. Bij de uitbreiding der plaatsen 
geschiedde dit door kunstmatige ophooging der terreinen langs de 
dijken. Evenwel had die ophooging geenszins altijd tot zulk een 
hoogte plaats, dat de grond boven den hoogsten waterstand kwam te 
liggen, zoodat een gedeelte der steden dikwijls in de afsluiting door 
dijken zijn veiligheid moest vinden. 

Nog moeten wij het oog vestigen op de residentie, Den Haag. 
De ontwikkeling van deze stad staat in zoover onder den invloed 
van het land, dat de geest- en duingrond er gelegenheid gaven tot 
bouwen, en dat de schoone, boschrijke natuur den Staatslieden een 
aangenaam, rustig verblijf gaf. Dat de residentie zich juist daar 
ontwikkelde en niet elders in de duinstreek, is geheel een gevolg 
van historische zoogenaamde toevalligheden, waaraan geen berede- 
neerd plan tot grondslag lag. 



U- 



Digitized by 



Google 



XII. DE IJPOLDERS EN HOLLAND'S NOORDER 

KWARTIER, ORO-, HYDROGRAPHISCH 

BESCHOUWD. 



LITTERATUUR. 

1. Waterstaatskaart* Schaal i : 50000. 

2. Topographischc kaart. Schaal i : 500Ö0. , 

3. Overzicht der scheepvaart-kanalen in Nederland, 1888. 

4. D.- Swarts. Geschied- en natuurkundige verhandeling over- het IJ en deszelfs 
vroeger, bestaan als sprank van den Rijn, 1828. 

5. Lorié. Het dalen van den bodem in Nederland. (Handelingen van het 
Tweede Natuur- en Geneesk.- Congres, 1889). 

6. Drie verhandelingen over de verbetering der ontlasting van Rijnlands lx>e7.eni, 
en het project der doorgravinge uit het Wijkermeer naar de Noordzee, 1772. 

. 7. J. P. Amersfoordt. Een oud plan van doorgraving van Holland op zijn 
smalst, 1873. 

8. J. Blanken en R. Waltman. Verhandeling over de oorzaken van de toenemende 
opslibbing van het IJ. (Holl. Maatsch. der Wetensch., 1809. IV). 

9. D. Mentz. Verhandeling over de nfdamming van het IJ. (Holl. Maatsch. 
der Wetensch., 1824, XII). 

10. A. T. Goudriaan. Over de afdamming van het IJ. (Holl. Maatsch. der 
Wetensch., 1824, XII). 

11. P. J. Dirks. Het Amsterdamsche Noordzee-Kanaal. (Tijdschr. Kon. Aardr. 
Gen., 1882). 

12. P. Steenstra. Aanmerkingen op^ de verbetering der ontlasting van Rijnlands 
boezemwater op het IJ, en project van doorgraving uit de Wijkermeer naar 
dé Noordzee, 1774. 

13. A. Huet. De Noordzee voor Amsterdam, 1867. Eene memorie over de 
afdamming van Pampus en de indijking van het IJ, 1868. 

14. A. Galand. Historisch overzicht en opmerkingen betrekkelijk de ontwerpen 
tot verbinding van de Noord- en de Zuiderzee, 1869. 

15. V. Mieris. Groot Charterboek, 1753. 

16. G. de Vries Azn. De zeeweringen en waterschappen in Noord -Holland. 1864. 



Digitized by 



Google 



ïi5 

1 7. G. de Vries Azn. Het dijks- en molenbestuur in HoUand's Noorder kwartier 
onder de grafelijke regeering en gedurende de Republiek, (1876). 

18. G. de Vries Azn. .Kaart van Holland's Noorder kwartier in 1282. 

19. G. de Vries Azn. Nieuwe bijdrage tot de geschiedenis van het hoogheem- 
raadschap van den Hondsbossche en Duinen tot Petten. (Versl. en mededeel, 
der Kon. Akad. v. Wetensch. Gesch., 1869). 

20. G. de Vries Azn. Bedijking van de Diepsmeer en de Tjaarlingermeer door 
Johan van Oldenbamevéld. (Versl. en mcd. der Kon. Akad. v. Wetensch. 
Gesch., 1865). 

21. G. de Vries Azn. De Rijndijk in de duinen bij Petten. (Versl. en mededeel, 
der Kon. Akad. v. Wetensch;, 1887). 

22. G. de Vries Azn. Het hoogheemraadschap van den Hondsbossche en Duinen 
tot Petten. (Nieuwe Bijdr. v. Rechtsgel. V). 

23. J. G. A. Faber. De Hondsbossche en Duinen tot Petten, 1869. 

24. J. G. A. Faber. Gelijkmaking van het peil van het Noordzee- Kanaal en 
van den Schermerboezem, 1873. 

25. A. A. Beekman. Nederland als Polderland, en De strijd om het bestaan. 

26. Tegenwoordige Staat Holland. 1742. 

27. O. G. Heldring. De Anna Paulowna polder, 1847. 

28. O. G. Heldring. Korte beschrijving van den toestand van den Anna Pau- 
lowna polder, 185 1. 

29. P. V. d. Ster. Korte beschrijving van de Waard- en Groetgronden. (Bouw- 
kundige bijdragen, 1849). 

30. Geschiedenis der inpoldering en bebouwing van Waard en Groet.' (Weekblad 
van Haarlemmermeer, 1862, pag. 51, 77, 81 en 109). 

31. Abr. Sloos. Geschiedenis der inpoldermg en beschouwing van Waard en 
Groet, 1858. 

32. H. Hoefft Van Velsen. Verslag over het gebeurde gedurende 25 jaren bij de 
bedijk ing en bebouwing der Waard- en Groetgronden van 1844 — 1869. 
(Manuscript.) 

33. Algemeene statistiek van Nederland. 1870. 

34. J. Bouman. Bedijking, opkomst en bloei van de Beemster, 1857. 

35. J. F. W. Conrad. Verhandeling over de Hondsiwssche zeewering. (Be- 
kroonde prijsvraag, 1864). 

36. M. Bolstra. Oorzaken van het afnemen van het .strand te Petten en mid- 
delen om het tegen te gaan. (HoU. Maatsch. der Wetenschappen, 1755, II). 

37. J. Muntjewerf. De tegenwoordige en voormalige staat van den Hondsbossche 
en Duinen tot Petten, 1795. 

38. A. Roskam Kool. Het Hondsbosch en de duinen te Petten. (Holl. Maat- 
schappij der Wetensch., 1784, XI). 



Digitized by 



Google 



.ii6 

39. Mr. J. A. Kluppel. Verzameling van stukken van 1388 tot 1598 betrek- 
kelijk het hoogheemraadschap Hondsbossche en Duinen tot Petten. 

40. Resolutiën genomen bij Dijkgraai', Hoofdingelanden en Hoogheemraden van 
den Ilondsbossche in he^ laatst der x8do eeuw. 

41. Paludanus. Oudheid- en Natuurkundige verhandelingen, meestal betrekkelijk 
West-Friesland, 1776. 

42. J. v. Dam den Bouwmeester. Beschrijviiig van den Helder, 1847. 

43. J. F. de Bordes. De haven het Nieuwediep. (Tijdschr. der Maatschappij 
V. Nijverheid, 1860). 

44. Geschiedenis van de dokwerken op het Marine etablissement Willemsoord 
en Nieuwediep. (Verband. Kon. Inst. v. Ingenieurs, 1864 — 65, 1866 — 67). 

45. J. Le Francq van Berkhey. Natuurlijke historie van Holland, 1769. 

46. A. J. Lastdrager. Proeve eener geschiedenis van het Koninkrijk der 
Nederlanden, 1832. 

47.. D. J. Storm Buijsing, J. G. v. Gendt en J. Ort. Memorie aangaande de 
verbetering van het Noord- HoUandsch Kanaal. 1856. (Versl. der Openb. 
Werken 1855--56). 

48. Zach. l'Epie. Onderzoek over de oude en tegenwoordige natuurlijke ge- 
steldheid van Holland doch voornamelijk van West-Friesland, ten opzichte 
van rivieren en landen, aanwas, ophooging, zakking, dijkage, enz., 1734. 

49. A. Loosjes. Zaanlandsche dorpen, 1794. 

50. Simon Eikelenburg. Gesteldheid en gedaante van West-Friesland voor 
1300, 1714. 

51. Hendr. Soeteboom. Oudheden van Zaanland en Stavoren, 1702. 

§ I. HET NOORDZBE-K ANAAL EN ZIJN BOEZEMGEBIED. 

Dwars door Noord- Holland, van de Zuiderzee tot de Noordzee, 
loopt de boezem van het Noordzee- Kanaal. Deze boezem en zijn 
afvvateringsgebied zijn van jonge dagteekening. De vroegere breede 
waterplas het IJ, een open inham van de Zuiderzee in Noord- 
Holland, is gedeeltelijk in den afgesloten boezem het Noordzee- 
Kanaal veranderd. Het overige gedeelte van het IJ is ingepolderd 
tot de droogmakerijen der I/polders.^ die direct tot het boezemge- 
bied van het Noordzee-Kanaal behooren. 

De boezem van het Noordzee-Kanaal heeft in hydrographisch 
opzicht een dubbele beteekenis. In de eerste plaats dient hij tot 
waterberging en waterafvoer van de direct hiertoe behoorende 



Digitized by 



Google 



iï7 

IJpolders te zamen. Verder wateren rechtstreeks hierop af de polders, 
vroeger buitendijks langs het IJ gelegen, nl. : ten zuiden die, welke 
tot het hoogheemraadschap Rijnland behooren ; verder de landen ten 
westen van het vroegere Wijkerraeer, en de buitenpolders ten noorden 
van het IJ. Ook loozen direct op den boezem de polders tusschen 
de Zaan en het Twiske ten zuiden van de Wormsr. De polders 
tusschen de Zaan en het vroegere Wijkerraeer loozen gedeeltelijk 
direct op dezen boezem, gedeeltelijk op den Schermerboezem, en 
het Waterland, tusschen het Twiske en de Zuiderzee en ten zuiden 
van de Purmer, loost deels direct op den boezem van het Noordzee- 
Kanaal, deels direct op de Zuiderzee. 

In de tweede plaats is het Noordzee-Kanaal een voorboezem, 
waarop de boezems van Rijnland, van Amstelland, van het Stads- 
water te Amsterdam en de Schermerboezem gedeeltelijk hun water 
loozen. 

De boezem van hei Noordzee-Kanaal heeft een oppervlakte van 
I020 H. A. en dient tot waterloozing, geheel of gedeeltelijk, van 
24,250 H. A. polderland. Hij is in het oosten van de Zuiderzee 
gescheiden door den dam bij Schellingwoude met de Oranje-sluizen^ 
in het westen van de Noordzee door de sluizen bij IJmuiden. De 
afstand tusschen deze eindpunten bedraagt 27 K. M. Door ge- 
noemde sluizen heeft de boezem zijn natuurlijke loozing. Daaren- 
boven is er bij de Oranjesluizen nog een stoomgemaal van 225 
paardekracht geplaatst, om bij onvoldoende natuurlijke loozing den 
boezem te kunnen afmalen. Volgens de concessie der kanaal- 
maatschappij moet het peil van den boezem 0,50 M. — A. P. zijn. 
Dit peil wordt in werkelijkheid nimmer bereikt, gedeeltelijk niet, 
wegens het onvoldoende vermogen van het stoomgemaal, gedeeltelijk, 
om de scheepvaart op het kanaal meerderen diepgang teverleenen. 
De gemiddelde waterstand op het kanaal voor Amsterdam van 1880 
tot 1884 bedroeg 0,43 M. — A. P. i), doch dikwijls is de waterstand 
hooger 2). De hoogste stand van 1880— 1884 was 0,01 M. + A. P., 



i) Overricht der scheepvaartkanalen 1888, pag. iii. 
2) Nederland en zijne Bewoners. II, pag. 73 enz. 



Digitized by 



Google 



ii8 

de laagste 0,71 M. — A. P. De bodem van het kanaal ligt 8,20 
M. — A. P. en de breedte van het kanaal bedraagt op kanaal- 
peil 125 M Evenwel is het in het oosten door het IJ aanzienlijk 
breeder. Van Amsterdam naar het oosten wisselt de breedte af van 275 
tot II 00 M.; ten westen van Amsterdam wordt het kanaal smaller tot 
125 M. en in de doorgraving van Buitenhuizen is het 68 M. breed. 
De drempel der groote schutsluis bij Schellingwoude ligt 4,50 M. — 
A. P.; die van de groote schutsluis te IJmuiden 7,90 M. — A. P.; 
terwijl ten noorden der bestaande, een nieuwe schutsluis met een 
drempelhoogte van 10 M. — A. P. aangelegd wordt. 

Het Noordzee-Kanaal loopt voor het grootste gedeelte door de 
^polders, en alleen in het westen door de geest- en duingronden. 
Naar het noorden en zuiden strekken zich nog zij kanalen als d wars- 
armen van het hoofdkanaal door de polders uit. Die 'zijkanalen 
staan in vrije gemeenschap met het hoofdkanaal. Zij zijn : 

A. Noordelijke zijkanalen. 

I. Het Hij kanaal A naar Beverwijk^ 2 c K. M. lang, 2oè.25M. 
breed en 2,50 M. — A. P. diep;2. Zijkanaal D naar Nauerna^ 1,2 
K. M. lang, dat te Nauema door een schutsluis met de Nauernasche- 
vaart in verbinding staat, 85 M. breed ; 3. Zij kanaal E naar Westza^n^ 
0,5 K. M. lang, tusschen het Noordzee-Kanaal en den Westzaanpolder, 
60 M. breed; 4. Zij kanaal G naar Zaandam^ 2,6 K. M. lang, tot 
de sluis te Zaandam, waar dit met de Zaan in verbinding staat, en 
van 75 tot 200 M. breed; 5. Zijkanaal H tiaar de Molensluis^ 1,7 
K. M. lang; 6. Zijkanaal I naar Oostzaan^ 3 K. M.;7. Zijkanaal 
naar Nieuwendam 0,5 K. M. 

B. Zuidelijke zijkanalen. 

I. Zijkanalen B ^n C naar Spaarndam resp. 4 en 3,6 K. M. 
lang, 75 M. breed en 4 M. — A. P. diep; 2. Zij kanaal F naar 
Halfweg^ 4,9 K. M. lang, 60 M. breed en 3y4 M. — A. P. diep. 

— Het grootste gedeelte der IJ polders heeft eene bodemhoogte van 
— 1,20 tot 1,90 M. — A. P. Slechts kleinere gedeelten liggen lager, 
tot — 2,90 A. P. toe, en enkele hooger, zooals de vroegere eilandjes 
de Horn en Ruigoord. In het vroegere Zuid-Wijkermeer vinden 
wij diepten van — 0,60 tot 1,00 M. — A. P. Gemiddeld zal der- 



Digitized by 



Google 



119 

halve het water in den boezem ongeveer 0,70 tot 1,40 M. boven 
het niveau des bodems staan. De zomerpeilen der polders wisselen 
af van — 2,00 tot 3,40 M. — A. P. Uit dit alles blijkt, dat alle 
polders bemalen moeten worden, wat trouwens ook niet anders te 
verwachten valt van eene droogmakerij. 

§ 2. HISTORISCH OVERZICHT VAN HET IJ EN HET NOORDZEE-KANAAL. 

Het IJ was tot voor korten tijd een breede inham der Zuiderzee 
in Noord-Holland, die zich tot de duinen uitstrekte. Door som- 
migen wordt beweerd, dat het IJ in de 12de eeuw op sommige 
plaatsen door eilandjes de breedte van slechts een sloot had, welke 
de Haarlemmers gemakkelijk konden overtrekken i). Beslist zeggen 
enkelen, dat het Binnen-IJ oudtijds grootendeels land 2) of in 
elk geval veel smaller was. Deze historische mededeelingen, hoewel 
door anderen bestreden, zijn zeer waarschijnlijk in hoofdzaak juist. 
Vóór dat het meer Flevo tot de Zuiderzee was uitgebreid, had on- 
getwijfeld het IJ niet dien omvang, waarmede wij het later leeren 
kennen. Dat eene positieve niveau- verandering, (de rijzing van het 
niveau der zee ten opzichte van het land), waardoor de uitbreiding 
van de Zuiderzee het Haarlemmermeer en andere meren waar* 
schijnlijk bevorderd werd, van invloed geweest is op de uitbreiding 
van het IJ, daaraan valt onzes inziens niet te twijfelen. Dergelijke 
positieve niveau-verandering is o. a. door Dr. Lorié bij zijn onder- 
zoek der resultaten van verschillende putboringen geconstateerd en 
tevens uit andere zaken afgeleid 3). Bij die rijzing des waters 
deed de golfslag, waardoor de veen-oevers werden aangetast, het 
verdere. Zoo verkreeg de inham allengs grooter uitgebreidheid, 
waaraan eindelijk door bedijking en andere kunstwerken een grens 
werd gesteld. Was de monding bij de Zuiderzee dicht gebleven of 



1) Beudeker. Geciteerd door v. d. Aa. 

2) F, Halma. Toneel der Vereenigde Nederlanden. II, pag. 377. — Soeteboom . 
Oudheden van Zaanland. pag. 2i. — A. Loosjes. Zaanlandsche dorpen, pag. 13. 

3) J. Lorié. Het dalen van den bodem van Nederland. (Handelingen van 
het Tweede Natuur- en Geneesk. Congres, 1889.) 



Digitized by 



Google 



120 



smaller geweest, het IJ zou een meer geworden zijn, evenals het 
Spieringmeer, de Beemster e. a. Door sommige schrijvers i) wordt 
het ontstaan van het IJ nog in verband gebracht met de ver- 
stopping van den Rijn te Katwijk, en als rivier genoemd, een 
gevoelen, dat wij, na het gezegde over den Rijn, niét verder be- 
hoeven te bestrijden, daar het geheel met de natuur in strijd is. 
Wij ontkennen hiermede geenszins, dat er Rijnwater in het IJ kan 
gestroomd zijn. (Zie II pag. 97.) 

In het droogmakende Holland, waar zulk een aanzienlijk gedeelte 
des bodems aan de zee ontwoekerd is, kon het wel niet anders, of 
ook de inham van de Zuiderzee moest in droog land veranderd 
worden. Het eerste plan tot droogmaking werd gemaakt door Jan 
PiETERSzooN Doü landmeter van Rijnland, in 1619, en had hoofd- 
zakelijk ten doel. Rijnland eent* betere afwatering te verschaffen 
door de Breesaap (bij Velzen). 

Voorzeker, het was een stout plan in een tijd, toen men nog over zoo 
beperkte technische middelen kon beschikken. De heeren van Rijnland, 
in wier vergadering Dou zijn plan had blootgelegd, waren er dan 
ook zeer mede tevreden, zoo tevreden zelfs, dat ze hem, volgens 
Dou's eigen mededeelingen, i inviteerden om bij de dienstboden, in 
de keuken te blijven eten." 3) 

Lang duurde het evenwel nog, vóór een dergelijk plan met ernst 
overwogen werd. De voortgaande aanslibbing van het IJ echter 
veroorzaakte aan de scheepvaart veel ongerief, en gaf aanleiding 
tot een tal van besprekingen door meer of minder deskundigen. 
Wij behoeven hier slechts te herinneren aan de prijsvraag, door de 



1) D. Swarts. Geschied en natuurkundige verhandeling over het IJ, deszelfs 
vroeger bestaan als sprank van den Rijn, 1828. 

2) Z. 1'Epie. Onderzoek naar de oude en tegenwoordige gesteldheid van 
Holland, voornamelijk West-Friesland, 1734, pag. 27. 

3) Zie Mr. Amersfoordt. Een oud plan van doorgraving van Holland op 
zijn smalst, met bijdragen tol de levensgeschiedenis van Jan Pieterszoon Dou, 
1873. (Tijdschr. Kon. Inst. v. Ingenieurs, 1872 — 73). 

V, J. Dirks. Het Amsterdamsche Noordzce-kanaal. (Tijdschr. Aardr. Gen., 
1882, pag. 154). 



Digitized by 



Google 



121 

HoUandsche Maatschappij van Wetenschappen in 1824 uitgeschreven 
over de verbetering van het IJ. Twee antwoorden kwamen hierop 
in, die uitgegeven werden 5 een van den heer A. F. Goüdriaan, 
Inspecteur-Generaal, en een door D. Mentz i), hoofd-ingenieur van 
's Rijks waterstaat. 

Beiden kwamen daarin overeen, dat de aanslibbing van het IJ 
was toe te schrijven aan de vrije gemeenschap met de Zuiderzee, 
die met den vloed slib aanvoert, welke bij de kentering der getijden 
en gedurende de ebbe bezinkt, en dus de bedding voortdurend ver- 
hoogt. De tot nu toe daar tegen aangewende middelen waren onvol- 
doende. Rijnland was sedert lang bezorgd voor zijne uitwatering 
bij het dichtslibben van het IJ 2) en Amsterdam vreesde voor het 
verloop der scheepvaart. 

Door versmalling van het IJ op enkele plaatsen wilde menschu^ 
ring van het doorloopende ebbe- en vloedwater veroorzaken 3), om 
hierdoor de ondiepten met natuurlijke werking te doen wegnemen. Ook 
het plan eener doorgraving van de duinen was reeds gemaakt. 

De heer Goüdriaan gaf in zijn antwoord verschillende voordeelen 
op, die de afdamming van het IJ zou opleveren. Hierdoor zou o. a. 
de diepte van het IJ meer bestendig blijven, het onderhoud van 
kostbare zeeweringen zou veel verminderd worden, de groote schepen 
zouden niet zooveel op het droge komen, waardoor zij minder te 
lijden hadden. 

De heer Mentz wees bovenal op de volgende voordeelen : Eene 
bestendige diepte van de Amsterdamsche haven en van de water- 
wegen van Amsterdam naar Spaarndam, Zaandam enz. : meer vei- 
ligheid voor de scheepvaart ; vrijwaring tegen overstrooming van 

i) HoUandsche Maatschappij van wetenschappen, 12de deel, 1824, psg. 
I en pag. 87. 

2) Zie: Drie verhandelingen over de verbeterinjg der ontlastinge van Rijnland 's 
boezemwater en het project der doorgravingen uit het Wijkermeer naar de 
Noordzee, 1772. 

3) P. Steenstra. Aanmerkingen op de verbetering der ontlasting van Rijnland 's 
boezemwater op het IJ, en het project van doorgraving uit de Wijkermeer naar 
de Noordzee, 1774, 



Digitized by 



Google 



122 

Amsterdam; mogelijkheid van het afbreken der waterkeerende sluizen 
voor Amsterdam, en de daaruit volgende toegang der groote schepen 
tot de pakhuizen; de droogmaking van een groot gedeelte van het 
IJ enz. 

Verder stemden beiden hierin overeen, dat de drooglegging van 
het IJ de droogmaking van het Haarlemmermeer zou bevorderen. 
Wel vreesden zij, dat de verdere aanslibbing van den Pampus, 
door afdamming van het IJ zou toenemen, maar zij meenden 
tevens, dat hiertegen genoegzame maatregelen te nemen waren. 

Overigens liepen hunne plannen nog eenigszins uit elkander. 

De heer Gk)udriaan wilde de afdamming van het IJ geheel buiten 
het IJ brengen, zoodat de verbinding van het eiland Marken met 
den vasten wal hiermede kon vereenigd worden. Hoewel in de onder- 
deelen verschillend, wilde pok de heer Mentz hier de afsluiting. 
Doch verder wilde deze eene uitwatering van het IJ tot stand 
brengen door een kanaal van het Wijkermeer naar de Noordzee. 

Beide verhandelingen werden bekroond; evenwel kwam slechts 
het eerste tot uitvoering in aanmerking, en werkelijk ving men 
aan met de voorbereiding, om de Gouwzee af te dammen. 

Doch het machtige Amsterdam verhief met kracht zijn stem tegen 
deze plannen. In de afdamming van het IJ zag het gevaar voor 
de scheepvaart, door het oponthoud en het tijdverlies, dat de sluizen 
zouden veroorzaken. De handel zag met vrees, dat Amsterdam 
weldra een landstad zoude worden. £n eene commissie, door den 
Koning benoemd, om de betoogen van Amsterdam in deze zaak te 
onderzoeken, ontraadde het geheele plan, bij haar besluit van ii 
Dec. 1824. Wel was de zaak hiermede nog niet geheel uit, doch 
toen de Kamer van Koophandel te Amsterdam zich in Januari 
1828 nogmaals tot den Koning wendde, met verzoek de afdamming 
niet te doen plaats hebben, werd het werk eindelijk opgegeven i). 



i) Zie A. Hufet. De Noordzee vóór Amsterdam, IV. Eene memorie over de 
afdamming van Pampus en de indijking van het IJ, 1868. 

(Met de rijke litteratuur over het Noordzee-Kanaal moesten wij ons nood- 
wendig beperken.) 



Digitized by 



Google 



123 

Toen het evenwel meer en meer bleek, dat het Noord-HoUandsche 
Kanaal (in 1824 voltooid) niet langer aan de eischen van de scheep- 
vaart kon voldoen, kwam de doorgraying van Holland telkens 
weder ter sprake. In 1852 werd deze zaak aanhangig gemaakt 
door den gemeenteraad van Amsterdam, die eene technische com^ 
missie benoemde, om de zaak te onderzoeken. Nog hetzelfde jaar 
werd er een verslag uitgebracht, waarbij het ontwerp van een kanaal 
was gevoegd. 

Sedert volgden rapporten en geschriften elkander in menigte 
op, en den loen December 1861 werd den heer de Jaeger concessie 
verleend voor een ontwerp, waarvan het bestaande kanaal eene wij- 
ziging is i). 

Finantieele moeielijkheden hielden de uitvoering der plannen nog 
eenigen tijd tegen, en eerst den 8en Maart 1865 werd de eerste spade 
in den grond gestoken voor het groote werk. Den len November 
1876 werd eindelijk onder het gedonder van het geschut de haven 
van IJmuiden en het Noordzee-Kanaal door den Koning der Neder- 
landen voor de scheepvaart geopend. 

§ 3. NOORD-HOLLAND TEN NOORDEN VAN DE IJPOLDERS. 
DUINEN, ZEEWERINGEN EN NATUURLIJKE GRENZEN. 

Het noordelijk gedeelte van Noord-Holland vormt bijna een eiland. 
Behalve in het zuiden wordt het aan alle zijden door de wateren 
der zee bespoeld. Evenwel heeft de droogmaking van het IJ voor 
dit gedeelte van Holland het karakter van een eiland meer doen 
verloren gaan. 

Het grootste gedeelte des bodems ligt, zooals wij bij de nadere 
beschouwing der deelen zullen opmerken, beneden den spiegel der 
omringende zee, zoodat het land aan alle zijden door dijken legen 
het water beschermd moet worden. Langs de westkust loopt de 



i) Al Caland. Historisch overzicht en opmerkingen betrekkelijk de ontwerpen 
tot verbinding van de Noord < en de Zuiderzee, 1869. 



Digitized by 



Google 



124 

duinenrij, die, behalve van Kamperduin tot het dorp Petten, de 
aanvallen van de Noordzee tegenhoudt. 

Van de grens der provincie Zuid-Holland tot Kamperduin 
loopt met afwisselende breedte de duinketen bijna onafgebroken 
door, over eene lengte van 45,392 K. ^I. De doorgraving van Hol- 
land op zijn smalst heeft alleen bij IJmuiden een smalle opening 
in het duin gevormd. 

Ten noorden van Kamperduin ligt over eene lengte van 4,556 
K. M. de Hondsbossche zeewering^ van Kamperduin tot de Pettemer 
zeewering. Zij bestaat uit een kunstmatig aangelegden zanddijk, de 
Waker dijk genoemd, en een daarvoor ^zxïgtl^g^ paalschermwerk^ dat 
aan de zeezijde beschermd is door een met steen bezet rijsheslag^ waar- 
van op het strand 29 hoofden gelegd zijn. (Zie de schetskaart pag. 125). 

Achter den Wakerdijk ligt de korte Droomerdijk ± 500 M. lang, 
zich uitstrekkende van den Wakerdijk tot den on^en Schoorlschen 
zeedijk. Verder landwaarts ten zuid-oosten van deze ligt de bijna 
2000 M. lange Slaper dij k^ van de duinen bij Har gen tot den ouden 
Schoorlschen teedijk. 

De oude Schoorlsche zeedijk strekt zich uit van den Droomerdijk 
tot den Slai^erdijk en verder tot het Noord- Hollandsche Kanaal 
naar het zuid-oosten. 

Ten noorden van de Hondsbossche zeewering is de Pettemer 
zee7uering er mede verbonden., Zij strekt zich uit van de aanslui- 
ting aan den Wakerdijk (ten noorden van de aansluiting aan den 
Hazedwarsdijk) tot ten noorden van hel dorp Petten, waar hij 
zich bij de duinen aansluit. Deze zeewering bestaat uit een kunst- 
matig aangelegden zanddijk met een paalschermwerk er voor. Aan 
de zeezijde is hij beschermd door een met steen bezet rijsbeslag, 
waarvoor zes besteende rijshoofden op het strand gelegd zijn. 

De Hondsbossche zeewering wordt onderhouden door het Hoog- 
heemraadschap van den Hondsbossche, de Pettemer door het Rijk 
(de Provincie). 

Bij de Pettemer zeewering sluit zich de duin keten weder aan, die 
zich tot het zuideinde van de Helderscl\e zeewering bij het fort 
Kijkduin over eene lengte van 20,830 K. M. onafgebroken uitstrekt. 



Digitized by 



Google 



Gedeeltelijk is hier het duin kunstmatig gevormd, zooals wij later 

zien zullen. De provincie is met het onderhoud van de duinketen belast. 

De breedte van de duinketen is zeer afwisselend. Bij Wijk aan 



^ 




Groet 



C/in^periiutn ^jj^ r^S;-^ * " .,^i". ,^^ ' *** 



^:;.y ••■ ^ y^^ ^'"^^^ '■ 



zee bedraagt de breedte =t 1800 M., vervolgens neemt ze toe tot bij 
Kastricum, waar zij ± 3000 M. beloopt, om daarna te versmallen tot 
1500 M. bij Egmond aan Zee. Ten noorden van Egmond aan Zee 



Digitized by 



Google 



1^6 

verbreeden zich de duinen weder, en bereiken te Bergen eene breedte 
van 3000 M. en te Schoorl van 4000 M. Daarna houden ze spoedig 
bijna geheel op, om plaats te maken voor de Hondsbossche zeewering. 
Van Petten tot Kallantsoog is verder de duinbreedte gemiddeld 1000 M. 
en van Kallantsoog versmalt zij weder tot gemiddeld 420 M. breedte. 
' De hoogte der duinen is op verschillende plaatsen en tevens op 
de verschillende tijden zeer afwisselend. Hoogtemetingen in de 
duinen zijn evenwel nog bijna niet verricht, zoodat wij daaromtrent 
weinig kunnen opgeven. 

Hoewel wij reeds vroeger gezien hebben (I, pag. 1 1 enz.) en bij de 
geschiedenis van den Hondsbossche zien zullen, dat de natuurlijke 
westgrens niet constant gebleven is, heeft toch de oostelijke grens 
van land en water in dit gebied de meeste verandering ondergaan. 
Aanvankelijk is dit geschied door de verovering, welke de uitbreiding 
der Zuiderzee op het land maakte. Hierop volgde eerst de be- 
teugeling der zee, en vervolgens de verovering van den mensch op 
de zee. Door verschillende bedijkingen, als het Koegras, de Anna 
Paulowna polder, de Zijpe, de Wieringerwaard, de Waard- en 
Groetpolder, werd de landgrens in den loop der tijden zeewaarts 
verplaatst. En waar zij niet werd uitgezet, moest evenwel door 
kunstmatige middelen de bestaande grens van land en zee be- 
waard worden. 

Zoo is de geheele oostkust van dit gebied bedijkt. In het noorden 
begint bij Kijkduin de Heldersche zeeivering^ die zich langs de 
noordelijke punt tot het Nieuwediep in het oosten voortzet. Van 
hier loopt de Havendijk tot het fort Oostoever, en verder naar het 
zuiden ligt de dijk van het Koegras. Deze beide dijken behooren 
tot de werken van het Noord- Hollandsch Kanaal, en zijn in onder- 
houd bij het Rijk. Zuidelijker vindt men de zeedijken der bedijkingen 
Anna Pauiawna polder^ Wieringerwaard en Waard en Groet^ die 
door deze zelf worden onderhouden. Van hier maakt de zeedijk, 
die over Medemblik, Enkhuizen en Hoorn loopt, deel uit van den 
Wesi-Frieschen zeedijk. Het noordelijk gedeelte daarvan heet 
Noorder 'Koggen zeedijk.^ en langs Drechterland de Dr echter landsche 
zeedijk. Door de ambachten der Vier Noorder-Koggen en Drechter- 



Digitized by 



Google 



t27 

land worden deze beide dijken onderhouden, terwijl de kosten 
daarvan ten laste van. geheel West-Friesland komen i). 

De West-Friesche zeedijk is van oude dagteekening. Hij moet reeds 
gelegd zijn vóór het jaar 1288, want in handvesten van Floris V aan 
Medemblik en Drechterland verleend, wordt die dijk genoemd 2). 
Het is een ringdijk, die het oude West-Friesland, oudtijds geheel 
door buitenwater omringd, omsloot. Door verdere bedijkingen in 
Holland is hij voor een groot gedeelte binnendijk geworden. 

Ten zuiden van Lutje Schardam tot de Assendelverdijk ligt de 
Vereeniging van den Noorder IJ- en Zeedijk^ die de dijken langs 
de Zuiderzee en ten noorden langs het ÏJ omvat. De noordelijke 
IJdijk is, sedert de inpoldering van dit water, een binnendijk ge- 
worden tot Schéllingwoude. Van het noorden af draagt deze weder 
verschillende namen. Aanvankelijk vinden wij in het noorden den 
Schardamschendijk en den Keukendijk, De naam Kenkendijk is 
hiervan afkotnstig, djtt de bewoners der huizen oï keukens^ dien 
dijk moesten onderhouden. In 1775 werd deze dijk op zes plaatsen 
tot den grond toe weggeslagen. — Verder zuidelijk volgen de Zeevangs 
Kenkendijk en de Zeevan^s Zeedijk^ de Katwouder Zeedijk^ de 
Zuidpolder Zeedijk^ de Nieuwendam bij Monnikendam en de 
Waterlandsche Zeedijk, 

Terwijl elk deel in onderhoud staat bij de besturen der aangren- 
zende deelen, was het noodig, dat een algemeen bestuur het 
toezicht op den geheelen dijk ten zuiden van den West-Frieschen 
Zeedijk hield, omdat het niet onderhouden van éen deel van den 
dijk nadeelig zou zijn voor al het land. Daarom werd in 1845 de 
Vereeniging van den Noorder IJ- en Zeedijk opgericht, die zich 
tot een algemeen toezicht bepaalt. De kosten van huitengeutoon 
onderhoud worden dan ook gedragen door alle landen ten zuiden 
van West- Friesland, die beneden A. P. liggen. 

De hoogte der dijken is aan den Helder en het Nieuwediep 
+ 2,5 il 2,75 M. + A. P.; van den Helder tot de Wieringer- 



1) Zie 1>eslif«ingen van den Hoogen Raad 164* 1657, 1695. 

2) V. Mieris, I, 478. 



Digitized by 



Google 



128 

waard 3,7 M. + A. P.; van de Wieringer waard tot Enkhuizen 
+ 4 è 5 M. + A. P.; en van Enkhuizen tot Schellingwoude + 
2,25 tot 4 M. + A. P. i). De waterstand in de omringende zee 
i-J als volgt (187 1 — 1880). 





Gemiddelde 

jaarlijksche stand 

bij vloed. 


Gemiddelde 

jaarlijksche stand 

bij eb. 


Hoogste standen. 


IJ muiden 


+ 0,83" 


— 0,82 


+ 2,60 Dec. 1877. 


Petten 


+ o,S4 


— 0,88 


+ 2,30 Jan. 1877. 


Helder 


+ 0.23 


— 0,92 


+ 1,74 Jan. 1877. 


Medemblik 


+ 0^23 


- 0,38 


+ 2,50 Jan. 1877. 


Hoorn 


+ 0,01 


— 0,31 


+ 2^1 Jan. 1877. 


Durgerdam 


+ 0,15 


— o,so 


+ 2,47 Jan. 1877. 



§ 4. Algemeen overzicht van de hoogte des bodems. 

De bodem van het noordelijk gedeelte van Noord-Holland is 
alleen in de duinstreek oneffen en hier tevens het hoogst, doch 
overigens laag en vlak. Het lage veen, dat het grootste gedeelte 
van het vasteland van Zuid-Holland inneemt, zet zich over het IJ 
voort, ongeveer tot de lijn Hoorn — Alkmaar. Die bedekking der 
oppervlakte met laagveen wordt afgebroken door kleigronden, 
welke men in de droogmakerijen vindt. Hier is niet zelden de 
klei gevormd na wegslag van het lage veen óf vormt den onder- 
grond er van. 

De lage venen waren het, die in dit gebied zeer veel hebben 
bijgedragen tot de vorming van land achter de duinen. Vóór dat 
de plassen waren drooggemaakt, was het laagveen door tal van 
wateren en meren afgebroken. Om dit land bij hooge waterstanden 
bewoonbaar te houden, werden er reeds vroeg bedijkingen op aan- 
gelegd, en zoo vormen zij het ot/dc land. Dit oude land werd 

1) Zie over dit onderwerp: De Vries. De zeeweringen en waterschappen van 
Noord Holland. 



Digitized by 



Google 



129 

later door de droogmaking der tusschenliggende plassen uitgebreid. 

In een nog vroegeren tijd, vóór de uitbreiding van het meer 
Flevo tot de Zuiderzee, had zeer zeker het land grooter uitbreiding. 
Doch door vervening, afslag en positieve niveauverandering werd 
de watervlakte vergroot. 

De oude landen hebben zomerpeilen van — 0,9 M. tot 2 M. — 
A. P. Zij liggen het laagst in het noorden langs den West- Frieschen 
ringdijk; langs de duinen liggen peilen van 0,8 M. — A. P. De terreins- 
hoogte bedraagt ongeveer 0,30 M. 4- A. P. tot 0,4 M. — A. P. 

Doch te midden van deze oudste terreinen, of liever van de 
gedeelten, welke het vroegst boven water lagen, vindt men de droog- 
makerijen, met een diepte van — 3,5 tot 4 M. — A. P. De 
drooggemaakte Berger-^ Egmonder-^ Heillooèr (thans Kooimeer en 
Groenewater) en Boekelermeren^ aanvankelijk ondiepe waterplassen, 
die niet met de zee in verbinding stonden, doch waarin het water 
van duinen en geestgronden samenliep, liggen niet dieper dan het 
oude land ten O. der Schermer (zomerpeilen van — 1,45 tot 2,25 
M. — A. P.) 

Ten noorden ongeveer van de lijn Hoorn — Alkmaar bestaat de 
bodem meest uit zeeklei en zand. In het gebied binnen den West- 
Frieschen dijk ligt de bodem zeer laag ; men vindt er zomerpeilen van 
0,65 M. — A. P. (Geestmer Ambacht in 't W.) en 2,10 M. — A. 
P. (de Polder Noorder Koggen in *t O.) 

Het noordelijkst gedeelte van Noord-Holland bestaat meest uit 
bedijkingen van gedeelten der zee ten oosten langs de duin-eilandjes 
en reeds ingedijkte polders Kallantsoog en Huisduinen. Men vindt 
hier de Zijte^ 6755 H. A., hoog + i M. — A. P.; de Wieringer- 
waard^ 1859 H. A., hoog + 1,5 M. — A. P.; de Waard- en 
Groetpolder 1529 H. A., hoog + i M. — A. P.; de Anna 
Fauloivnapolder^ 5180 H. A., hoog Hh 0,50 M. — A. P. ; het Koe- 
^as^ 3967 H. A. en ± 0,3 M. + A. P. hoog. Deze bedijkingen (van 
gedeelten der zee) liggen veel hooger dan de droogmakerijen (droog- 
gemaakte plassen). Doch als bedijkingen liggen zij, in vergelijking 
met die in Zeeland, laag. Terwijl men in Zeelèmd kan wachten 
met bedijking, totdat de hoogte een natuurlijke afwatering bij ebbe 

II. 9 



Digitized by 



Google 



130 

toelaat, was dat hier niet mogelijk, daar het verschil tusschenebbe 
en vloed er te gering is. Alleen het Koegras heeft geene bemaling 
doch natuurlijke afwatering. 

Die lage ligging maakt, dat bepoldering voor bijna het geheele 
gebied noodig was, alleen de duinsireek met de geestgronden uit- 
gezonderd. Bij de meeste polders is daarenboven bemaling een 
vereischte. De polders sluiten dicht aan elkander, en boezemland, 
(land dat onbedijkt langs den boezem ligt), vindt men hier zeer 
weinig. Alleen van Alkmaar naar het zuiden over Heiloo strekt 
zich een hooger liggende strook boezemland uit. 

De afwatering des lands heeft hoofdzakelijk plaats op boezems^ 
die weder met het Marsdiep, de Zuiderzee en het Noordzee-ka- 
naal in verbinding staan. Doch van eenige gedeelten geschiedt de 
afwatering rechtstreeks door sluizen op de Zuiderzee. Dit heeft 
o. a. plaats met een deel van Waterland^ een groot deel van H^^esi- 
Friesland^ (nl. Drechterland, Vier Noorder Koggen) en de Wie- 
r invoerwaard. Deze laatste is de eenige bedijking, die na opmaling 
uitsluitend direct op zee afwatert. De Anna Faulawna-poider en de 
Zeevang loozen gedeeltelijk direct op zee, gedeeltelijk op den 
Schermerboezem. Op het Noordzee- Kanaal wordt direct geloosd 
door een deel van Waterland en door den polder Oostzaan. 
Aldus blijkt, dat de waterafvoer naar het zuiden, oosten en noorden 
en niet direct naar het westen plaats heeft. (Zie kaart VUL) 

De boezems in dit gebied zijn de volgende: 

A. De Schermerboezem. 

6. De Raakmaatsboezem. 

C. De Mient of Niedorperkoggeboezem. 

D. De Skagerkoggeboezem. 

E. De boezem van het Kolhornerdiep. 

Van deze boezems is de Schermerboezem verreweg de belangrijkste^ 
door zijne groote uitgebreidheid en zijn aanzienlijk boezemgebied. 
Hij neemt het afvoerwater op van geheel het westen (van het 
Noordzee-Kanaal tot het Marsdiep), en strekt zijn gebied ten noor- 
den van Waterland tot den West-Frieschen ringdijk (ongeveer de lijn 
Hoorn— Alkmaar) en de Zuiderzee uit. Hierdoor is de Scher- 



Digitized by 



Google 



131 

merboezem een onderwerp van gemeenschappelijk belang voor. het 
grootste gedeelte van Holland's Noorderkwartier. 

In historisch opzicht kan men het land van Holland ten noorden 
van het IJ in vier deelen of kavels verdeelen, en de tegenwoordige 
toestanden sluiten zich vrij goed hierbij aan. Evenwel de hydro- 
graphische indeeling wijkt hiervan nog al af. Die historische deelen 
dan zijn: i. de Duinkavel^ 2. de Kavel van Waterland^ 3. West- 
Friesland^ 4. de Kavel der aangedijkte landen. Onder deze laatste 
afdeeling vat men de nieuwe landen samen, die door bedijkingen 
op de zee veroverd zijn, als: de Zijpe^ de Wieringerwaard^ het 
Koegras ^ de Anna Paulownapolder en de Waard- en Groetpolder. 
Verder komen hierbij de deelen, welke vroeger eilanden waren, als 
Kallantsoog en Huisduinen. 

Wij behandelen thans het Noordelijk Holland volgens de boezem- 
gebieden, doch zullen hierbij op die historische indeeling achtslaan. 

§ 5. DE SCHERMERBOEZEM. 

De Schermerboezem bestaat uit een tal van wateren, die het 
gedeelte van Noord-Holland ten noorden van het Noordzee-kanaal 
doorsnijden. Het voornaamste water hiervan, waarop de meeste 
andere wateren uitloopen, is het Noord- Hollandse h Kanaal van de 
stad Purmerend tot aan den Helder. Het zuidelijkste deel van dit 
kanaal, van Purmerend tot Buiksloot, ligt met Waterlands polder- 
water gemeen, en wordt door een schutsluis te Purmerend van het 
noordelijke deel gescheiden. Het noordelijke deel van het Noord- 
Hollandsch Kanaal, dat geheel tot den Schermerboezem behoort, 
loopt van Purmerend langs de Beemster, het Starnmeer en de 
Schermer, langs Geestmerambacht, midden door de Zijpe en langs 
het Koegras. 

De overige wateren van den Schermerboezem zijn : de Schermer- 
ringvaart (doch niet langs de Heer-Hugowaard), de Ursemer- 
vaart langs den Waligsdijk (deel van de trekvaart van Alkmaar 
op Hoorn), het Zwet bij Schermerhorn, de Beemster ringvaart.^ de 
uitwatering van de Beemster^ de uitwatering van Kennemerlandof 



Digitized by 



Google 



132 

Korssloot^ het gedeelte van de ireki^aart van Edam op Hoorn (van 
Oosthuizen tot Oudendijk), de stadsgrachten van Furmerend^ de 
Weere^ de Furmer-ringvaart^ de stadsgrachten en binnenhaven te 
Edam^ de trekvaart tusschen Edam en Monnikendam^ het Stinke- 
vuil of de Furmer-Ee^ de Wijdewormer-ringvaart (zoover die niet is 
afgedarad), de Braaksloot^ de Zaan^ de Knollendammervaart^ de 
JN auernaschevaart^ de Markervaari^ de Stierop^ het Langemeer 
met de daarmede vei bonden meren, ^'t stadsgrachten van Alkmaar^ 
de trekvaart van die stad af tot de sluis aan de Zes wielen en de 
vaart van die sluis tot aan het Huiswaardergat ; verder in de 
gemeente Heiloo, Egmond-Binnen en Bergen: de vaart van Alkmaar 
naar Egmond-Binnen en Egmond op den Hoef^ de Wimmenum' 
mervaart en de ringvaart rondom het Bergermeer en den Monni- 
kenpolder (deze vaarten kunnen door twee sluisjes van den Scher- 
merboezem worden afgesloten); verder de scheidingssloot tusschen 
Bergen en Schoort en de Hondsbossche vaart tot over en langs den 
Hondsbosschen Slaperdijk. 

Wij zijn in de opnoeming dezer wateren vrij uitvoerig geweest ; 
minder om de details van den hydrographischen toestand te on- 
derzoeken, dan wel om het geographische beeld van het uitgebreide 
waternet van den Schermerboezem door Hollands Noorderkwartier, 
zij het ook al vaag, toch eenigszins te voltooien. 

Vóór het graven van het Noord-HoUandsche Kanaal (i 8 19) hield 
de Schermerboezem in het noorden op aan den Schoor Isc hendij k^ en 
werd daar door de Jacob-Klaassensluis van de wateren in den 
polder de Zijpe afgescheiden. 

De doorsnijding van den Schoorlschendijk ten behoeve van het 
Kanaal heeft niet alleen aan den Schermerboezem het geheele 
verdere kanaal tot Nieuwediep toegevoegd, maar ook • de wateren 
van de Zijpe met dien boezem vereenigd. Hierdoor werd de water- 
oppervlakte van den boezem van 1700 H. A. tot 2000 H. A. uit- 
gebreid. 

Een groot aantal polders loozen hun water op den Schermer- 
boezem. 

I. De polders van den Duinkavel, uitgezonderd het Wijkerbroek. 



Digitized by 



Google 



133 

2. Al de polders waarvan enkele gedeeltelijk, van den kavel Wa- 
terland^ behalve de polder Oostzaan, die uitsluitend op het 
Noordzee-Kanaal uitwatert. 

3. De polders Beschoot en Westerkogge in Drechterland. 

4. Al de polders van Geestmerambacht en enkele behoedende tot 
de Vier Noorder koggen ^ welke polders uitmalen op den 
Raakmaatsboezera, terwijl deze weder op twee plaatsen te 
Oudorp en te Rustenburg, op den Schermerboezem kan wor- 
den afgemalen. 

5. De polder Kallantsoog en de Helder sche polder^ die daarop 
zonder bemaling afwateren ij. 

De gezamenlijke landen, welke op den Schermerboezem uitwateren, 
beslaan een oppervlakte van 77500 H. A. 2). Hierbij is niet ge- 
rekend het gebied van den Raakmaatsboezem, die, zooals wij reeds 
zagen, ook op den Schermerboezera kan uitwateren. Dit laatste 
heeft namelijk plaats, wanneer door hoogen buiten-waterstand deze 
boezem niet op de Zuiderzee kan loozen. 

De Schermerboezem heeft een zomerpeil van 0,58 M. — A. P., 
een maalpeil = A. P. terwijl het noodpeil 0,08 + A. P. is. De 
waterstanden van 1872 — 1883 waren: 

te Alkmaar \ te Pur merend 

Gemiddelde zomerstand 0,53 — A. P. 
„ winterstand 0,43 — A. P. 

Laagste stand 22 April 73' 0,77 — A. P. 



Gemiddelde zomerstand 0,53 — A. P. 

„ >nnterstand 0,43 — A. P. 

Laagste stand 15 April 73' 0,75 — A. P. 



De hoogte der boezemkaden is Ji 0,10 tot 0,50 M. + A. P. ; 
van enkele polders bedraagt die hoogte niet meer dan = A. P., 
terwijl zij voor den Beemster reikt tot 1,75 + A. P. 

De Schermerboezem watert uit door vijf sluizen op het Noordzee- 
Kanaal en door vijf sluizen op de Zuiderzee en aan het Nieuwediep. 
Deze sluizen zijn: 

a. Naar het Noordzee-Kanaal: 



i) Mr. G. de Viies Azn. De zeeweringen en waterschappen van Noord- 
IloUand, 1864, pag. 230 enz. 

2) Mr. J. G. A. Faber. (üelijkmaking van het peil van het Noordzee-Kanaal 
en van den Schermerboezera, 1873; noemt 79000 H. A. 



Digitized by 



Google 



134 

1. de Nauernasche schutsluis. 

2. de duikersluis bij Nauerna. 

3. de groote schutsluis te Zaandam. 

4. de kleine schutsluis te Zaandam. 

5. de duikersluis te Zaandam. 
b. Naar de Zuiderzee : 

I. de Graven- of Grafelijkheidsluis te Monnikendam, 
a. de schutsluis te Edam. 

3. de Zuidersluis te Schardam. 

4. de Noordersluis te Schardam, 

5. de Homsluis te Lutje Schardam. 

Op pag. 12» zagen wij reeds, dat de gemiddelde ebbestand te 
den Helder ± 0,92 M. — A. P. bedraagt, en dus lager is dan op 
de Zuiderzee (Medemblik — 0,31). Hierdoor kan men verwach- 
ten, dat ook aan den Helder de aanzienlijkste uitwatering van 
den Schermerboezem zal plaats hebben, sedert dit noordelijk ge- 
deelte door het Noord-HoUandsch Kanaal er mede verbonden is. 
Voor een belangrijk deel heeft dan ook de loozing hier plaats door 
de aan het Rijk behoorende schutsluis in het Nieuwe werk en door 
de Marineschutsluis, beide te Nieuwediep aan het einde van het 
Noord-HoUandsch Kanaal gelegen. 

In zeer zeldzaam voorkomende gevallen kan, krachtens contract 
van 21 October 1853 tusschen de Zijpe en den Anna Paulowna 
polder, de loozing ook geschieden door de Van Ewijkssluism^tn 
zeedijk van den Anna-Paulownapolder, aan het einde van de uit- 
watering van de Zijpe door het Oude Veer gelegen. Volgens genoemd 
contract mag de Jacob-Klaassensluis (tusschen het water van de 
Zijpe en het Noord-Hollandsch Kanaal) enkele omstandigheden 
uitgezonderd, steeds openstaan. 

S 6. HET HOOGHEEMRAADSCHAP WATERLAND. 

Men moet wel onderscheid maken tusschen den Kavel Waterland 
en het Hoogheemraadschap Waterland, De Kavel Waterland is 
een historische naam, die toegekend wordt aan het land, grenzende 



Digitized by 



Google 



'35 

aan West- Friesland in het noorden, den Duin-Kavel in het westen, 
de IJpolders in het zuiden en de Zuiderzee in het oosten. De 
polders van dit gebied vormen noch in administratief, noch in hy- 
drc^raphisch opzicht een zelfstandig geheel. De eenige gemeen- 
schappelijke band, een zeer losse, is, dat zij een gemeenschappelijke 
vertegenwoordiging in het Hoogheemraadschap van den Honds- 
bossche bezitten. 

Doch in het zuid-oosten van den Kavel Waterland zijn een tiental 
polders vereenigd tot het Hoogheemraadschap Waterland, De af- 
watering der tot dit Hoogheemraadschap behoorende landen wen- 
schen wij thans te bespreken. 

Het Hoogheemraadschap Waterland omvat het gebied tusschen 
het TJ in het zuiden, de Zuiderzee in het oosten, de lijn van Mon- 
nikendam westwaarts gaande in het noorden en de Twisk (de 
oostelijke grens van den polder Oostzaan) in het westen. 

Door Waterland loopt het eerste pand yzxiYitl Noord- Hoiiandsch 
Kanaal^ van de Willemsluizen tot Purmerend, over eene lengte van 
14,968 K. M. Dit kanaal ligt in vrije watergemeenschap met het 
polderwaler der slooten en der wateren van Waterland, en heeft het- 
zelfde zomerpeil van 1,30 M. — A. P. Daar het tweede pand met 
den Schermerboezem gemeen ligt, en een zomerpeil van — 0,58 M. 
A. P. heeft, zal dus bij de sluizen te Purmerend de waterspiegel 
1,30 — 0,58 = 0,72 M. rijzen. 

De loozing van water uit Waterland heeft plaats met bemaling, 
door twee sluizen direct op de Zuiderzee, de Foelsluis en de Rij- 
persluis en door een stoomgemaal bij Kadoelen op het Noordzee- 
kanaal. De drooggemaakte meren uit dit gebied loozen hun water 
op het polderwater van Waterland. Men vindt hier o. a. de Buik- 
sloter meer-polder^ z. p. — 4,50, de Broekermeer-polder z. p. — 
S,io, de Belmermeer-polder^ z. p. — 4,44, de Noordmeer-polder^ 
z. p. — 4,30 drooggemaakt 1865 en de Monnikenmeer ^ z. p. — 
4,10, drooggemaakt 1864. Het Blijkmeer is in 1875 drooggemaakt, 
en loost direct op de zee. 



Digitized by 



Google 



136 ^ 

§ 7. WEST-FRIESLAND. 

Het gedeelte van het Noorder Kwartier, dat onder den historischen 
naam West-Friesland bekend is, wordt geheel door een ringdijk 
ingesloten. Het land, dat binnen dezen dijk gelegen is, wordt in 
vier ambachten verdeeld: Drechterland^ de Vier Noorder-Koggen^ 
Geestmerambacht en de Schager- en Niedorper- Koggen, 

De polders van Drechierlandy het oostelijkste gedeelte, hebben geen 
gemeenschappelijken boezem en evenmin een gemeenschappelijk 
gemaal. De afwatering van dit land heeft plaats door verschil- 
lende sluizen op de Zuiderzee. In het westelijk gedeelte, in de 
banne Berkhout^ liggen nog eenige landen met den polder Ursem 
vereenigd, die op dtn Raakmaatsboezem afwatert. 

De polders van het ambacht der Vier Noor der- Koggen hebben 
voor het grootste gedeelte een gemeenschappelijken boezem en een 
gemeenschappelijk stoomgemaal. De waterloozing van dezen boe- 
zem heeft plaats door sluizen op de Zuiderzee. 

A. De Raakmaatsboezem en zijn gebied. 

De polders en droogmakerijen van het Geestmerambacht hebben 
een gemeenschappelijke waterbergplaats en een uitwateringsmiddel in 
den Raakmaatsboezem. Deze boezem wordt gevormd door onder- 
scheidene wateren, meest ringslooten om de droogmakerijen, in het 
Geestmerambacht. De Raakmaatsboezem loost zijn water door de 
Geestmerambachtsluis in den West-Frieschendijk bij Aartswoud op 
een uitwateringskanaal, dat langs den binnenberm van den zeedijk 
van den Groetpolder loopt, en door een sluis in dien zeedijk bij 
het Kolhomerdiep op de Zuiderzee kan afstroomen. 

Verder kan deze boezem afstroomen op den Schermerboezem door 
de schutsluis aan de Zes Wielen bij Alkmaar, en door de uitwate- 
ringsluis te Rustenburg. Bij onvoldoende natuurlijke loozing door 
genoemde drie sluizen wordt de boezem afgemalen op den Sc her- 
merboezem. Ook de inlating van water heeft van den Schermer- 
boezem plaats. 

Het zomerpeil van den Raakmaatsboezem is 0,65 M. — A. P.; 



Digitized by 



Google 



137 

de hoogte der boezemkaden is van + 0,08 tot 0,25 M. + A P.; 
bij den polder Veenhuizen tot 1,00 M. + A. P. Ongeveer 16000 H.A. 
polderland brengt zijn water op dezen boezem. De polders heb- 
ben zomerpeilen van — 1,18 tot 2,13 M. — A. P. Daarenbo- 
ven liggen er vele droogmakerijen in dit gebied, met zomerpeilen 
van — 1,87 tot M. — 3,49 A. P. Onder deze is de Heer-Hu- 
gowaard van de meeste beteekenis. 

B. De Mient of Niedorper-Koggeboezem en zijn gebied. 

De wateren in de Niedor per-Kogge^ het gebied ten noorden van 
Geestmerambacht, vormen den Niedorper-Koggeboezem^ die wordt 
afgemalen bij Lutjewinkel op den boezem van het Kolhornerdiep, 
Het zomerpeil van dezen boezem is 0,65 M. — A. P. Ongeveer 
3700 H. A. polderland watert hierop af. 

De boezem kan door de schutsluis aan de Niedorperveriaat mtX. 
den Raakmaatshoezem^ en door de Verlaaisluis^ een schutsluis in 
de Kromme Gouw, bij Kolhorn met den Schdger-Koggehoezem in 
gemeenschap gebracht worden. 

Het zomerpeil der hierop loozende polders wisselt af van — 1,42 
tot 2,51 M. — A. P. zoodat bemaling noodzakelijk is. 

C. De Schager-Koggeboezem en zijn gebied. 

Deze boezem wordt gevormd door verschillende wateren, waarop 
± 3300 H. A. polderland uitwateren. De boezem wordt afgemalen 
bij Kolhorn op den boezem het Kolhornerdiep, Het zomerpeil van 
den boezem is M. — A. P. 0,60, dat van de polders van M. — 
A. P. 0,90 in het westen tot M. — A. P. 1,90. 

D. De boezem het Kolhornerdiep en zijn gebied. 

Het hoofdwater van dezen boezem is het Kolhornerdiep met het 
BoerensluiskanaaL Op dezen boezem loozen in het geheel ongeveer 
8500 H.A. polderland. De Niedorper-Koggeboezem en de Schager- 
Koggeboezem malen hun water af op het Kolhornerdiep, zooals 



Digitized by 



Google 



13» 

wij zagen. Verder is dit de waterbergplaats van den Waard- en 
Groetpolder. De boezem loost zelf het water door een schutsluis 
op de Zuiderzee. Het maalpeil van den boezem is + A. P. 0,70 
M. + A. P. en hij wordt door wallen van + i M. ingesloten. 

£. De voorboezem van de Wieringerwaard. 

Bij de bedijking van den Anna Paulowna polder is tot water- 
loozing van den polder de Wieringerwaard een voorboezem ge- 
graven, waarop, behalve de Wieringerwaard ook de Oostpolder, een 
deel van den Anna Paulownapolder, loost. Deze voorboezem loost 
door een duikersluis gelegen in den dijk aan den Oosthoek van den 
Anna Paulownapolder op de Zuiderzee. 

§ 8. DE KAVEL VAN DE AANGEDIJKTE LANDEN. 

Onder de aangedijkte landen verstaat men de bedijkingen in het 
noordelijk gedeelte van Noord-Holland, nl. de Zijpe^ den Wie- 
ringerivaard of Nieuwe Zijpe, het Koegras^ den Anna Paulowna- 
polder en den polder Waard en Groet^ met de vroegere eilanden 
Kallanisoog en Huisduinen, Deze bedijkingen zullen wij achtereen- 
volgens afzonderlijk bespreken en de geschiedenis er van kortelijk 
vermelden. 

A. De Zijpe. 

De Zijpe is de oudste van ^tz^ bedijkingen in het noordelijk 
Noord- Holland. Hare geschiedenis wordt op pag. 153 besproken; 
alleen vermelden wij, dat zij sedert 1597 droog ligt. 

De bedijking de Zijpe ligt in het zuid-westen en zuiden tegen 
den Schoorlschendijk, in het Z. O. en O. tegen den West- Frieschen 
zeedijk en heeft ten N. en N. W. eigen bedijkingen. Tusschen den 
Spreeuwendijk en Kallantsoog is de oorspronkelijk gelegde dijk tot 
binnenduin vervormd. De hoogte der dijken is 2,25 tot 5,28 M. 
4- A. P. In de lengte wordt deze polder doorsneden door het 
Noord'Hollandsch Kanaal^ waarop hij loost. De Oude sluis is 



Digitized by 



Google 



'39 

na de indijking van den Anna Paulownapolder van een schutsluis 
in een doorvaartsluis veranderd. Ingevolge overeenkomst 28 Oct. 
1853 mag de binnen-boezem van den Anna Paulownapolder alleen 
dan van de gemeenschap met het Zij per boezem water worden afge- 
sloten^ als het boezemwater van den Anna Paulownapolder hooger 
staat dan in de Zijpe, of de ebdeuren in de Ewijkssluis niet gesloten 
gehouden worden. 

De Zijpe is verdeeld in 21 polders, die elk hun eigen bemaling 
hebben, waarmede het water wordt uitgemalen op de Groote Sloot^ 
de Egalement vaarten en het Kanaal^ alle gemeen liggende met 
den Schermerboezem. 

De winterpeilen in de Zijpe loopen van — 0,50 tot 1,70 M. 
— A. P. De polder heeft een oppervlakte van =t 6755 H. A. i). 

B. De Wieringerwaard* 

Ten noord-oosten van de bedijking der Zijpe lagen langs den 
noordelijken West-Frieschen zeedijk slijkgronden. In 1597 werd 
aan Adriaan Maartensz. Koetenburg octrooi verleend deze gronden 
te mogen bedijken 2). Eerst in 1608 werd er met kracht aan be- 
gonnen te werken. In 161 o liep de bedijking weer onder water, 
doch werd ook hetzelfde jaar weder drooggemaakt 3). Men noemt 
deze bedijking de Wieringerv^aard of ook wel Nieuwe Zijpe^ als 
aansluiting bij deze. 

Ten Z. tegen den West-Frieschen zeedijk^ ten Z.-W. tegen den 
Zijpschen Slijkerdijk gelegen, is de polder ten N.-W., N. en O. 
dooreen eigen dijk ingesloten, die vroeger geheel zeedijk was, doch 
nu slechts voor 890 M. waterkeerend is. Ten noorden toch heeft 
sedert, de inpoldering van den Anna Paulownapolder en ten oos- 
ten van den Waardpolder plaats gehad. De dijk ligt 3,41 M. -r 
A. P. De polder heeft eene oppervlakte van 1859 H. A* 

1) De Vries. Zeeweringen en waterschappen in Noord- HoUand, 1864, 
png. 585. 

2) Groot plakkaat boek II. D. Kol. 1691. 
l\ Tegenw. Staat VIII, pag. 425. 



Digitized by 



Google 



140 

Het zomerpeil is 2,14 M. — A. P. De polder wordt bemalen. 
Eerst wordt het water uit den polder op een kanaal of sloot, strek- 
kende langs den noord west en noorddijk opgemalen. Uit dit kanaal 
wordt het vervolgens overgemalen in een kolk, die zich, door een 
duikersluis in den noorddijk ontlast op een voorboezem. (Zie 
pag. 138 E.) I). 

C. Het Koegras. 

Het Koegras is eene bedijking (groot 3967 H. A.) in 18 17 door 
het aanleggen van het Noord-HoUandsch Kanaal tot stand gekomen. 
Vóór dien tijd bestond het Koegras uit bewassen slik- en zand- 
gronden, die door schapen en koeien beweid werden. Meer dan 
2000 schapen en veel jong vee onder opzicht van huislieden in 
de zoogenaamde keeten, twee groote boerenwoningen in het midden 
van het Koegras, zwierven hier rond. Doch met plotseling op- 
komend hoog water kwamen niet zelden vele dieren om, soms 500 
k 600 in éen nacht. 

Van tijd tot tijd werden er plannen tot bedijking ontworpen, 
die op de hooge kosten afstuitten. In 1610 werd de Zanddijk of 
Oldenbarneveldsdijk ten westen langs het Koegras gelegd, om het 
tegen de Noordzee te beschutten. In April 1629 werd octrooi tot 
bedijking van het Koegras verleend, doch zonder gevolg; in 1663 
beloofden de Staten zelfs 200,000 gulden van den Staat als sub- 
sidie, doch eveneens vruchteloos. In 1666 en 1759 werd het on- 
derwerp weder ter sprake gebracht, doch niet voor 181 7 kwam de 
zaak tot uitvoering 2). 

Het Koegras is een dorre bodem van weinig waarde. De hoogte 
is gemiddeld 0,80 M. f A. P. Bemaling is hierdoor niet noodig. 
De afwatering geschiedt door éen houten duiker en twee schut- 
sluizen op het Kanaal 3). 



i) De Vries. De zeeweringen en waterschappen van Noord-Holland, pag. 595. 

2) Tegenwoordige Staat VIII, pag. 374. — Van der Aa, art. ^^Koegrasy 

3) De Vries. t. a. p. pag. 597. 



Digitized by 



Google 



141 
D. De Anna Paulownapolder. 

Tusschen den Koegras-zeedijk, den Zijpschen dijk en den noord- 
west en noorddijk van de Wieringerwaard lagen schorgronden, van 
eenige diepere geulen doorsneden. In 1844 (29 Juli Stbl. N. 134) 
werd concessie tot bedijking dezer gronden verleend, en in 1845 — 47 
werd zij werkelijk uitgevoerd. Een hechte zeedijk + 3,40 tot 3,70 
M. + A. P. sluit dit deel thans van de zee af. Aan deze bedijking 
werd de naam Anna Paulownapolder gegeven. 

Midden door den polder is nog de oude diepere geul als een bree- 
der water onder den naam Oude Veer achtergebleven. Op de kaart 
van Tirion (Tegenw. Staat) heet die geul het Veer of Ouddieper 
Swin i). 

Dit Oude Veer met de Van Ewijksvaarl (die evenwijdig langs 
het laatste gedeelte van het Oude Veer loopt) deelen de bedijkiog 
in twee deelen; in een Oostelijk en Westelijk deel. De noordelijkste 
helft van het Oude Veer ligt in den Oostdijken polder. De uit- 
watering van de Zijpe door de Oude sluis geschiedt op het zuidelijk 
deel van het Oude Veer, waardoor het water op de Van Ewijks- 
vaart gevoerd wordt en door de Van Ewijkssluis op de zee afloopt. 
(Zie pag. 134 en 139). Oude Veer en v. Ewijksvaart vormen dus 
een voorboezem van de Zijpe, 

Het stoomgemaal van de Westelijke helft van den Anna Paulowna- 
polder maalt af op het Oude Veer, dat zich onmiddellijk door de 
Van Ewijksvaart en -sluis op zee kan ontlasten. De hoogere 
zandgronden in het noorden van den polder loozen op hetdijkska- 
naal en verder door een duikersluis nabij de van Ewijkssluis op de zee. 

De geheele grootte van de bedijking bedraagt 5180 H. A. 87 
H. A. van den polder zijn vrij van dijklasten, omdat zij behoor- 
den tot eene schor, die reeds omkaad en in bebouwing was vóór 
de algemeene bedijking. 

De waterstanden in den polder zijn niet overal gelijk. In den 
Westpolder bevinden zich 4 verschillende waterstanden van — 0,80 



i) Tegenwoordige Staat VIII, pag. 395. 



Digitized by 



Google 



142 

tot i,8o M. — A. P. De bodem is er 0,20 tot 0,60 M. — A. P 
In de oostelijke helft zijn de zomerpeilen 1,30 tot 1,60 M. — 
A. P. i). 

E. Waard en Groet. 

De Waard is eene bedijking ten oosten van de Wieringerwaard 
en ten zuiden tegen een gedeelte van den West-Frieschen dijk gele- 
gen. De Groeipolder ligt ten oosten legen den West-Frieschen zee- 
dijk. De bedijking dezer gronden is geschied volgens concessie van 
5 Juli 1843 (Stbl. N. 42). Deze bedijking wordt bemalen. Het zo- 
merpeil is 1,65 M. — A. P. De oppervlakte van de Waard en de 
Groet is 1526 H. A. 

De Waard en Groet zijn gescheiden door eene kreek, he^ Kol- 
hornerdiep^ die vroeger op de diepte werd gehouden door het waler^ 
dat bij vloed en ebbe op en afstroomde, en den schepen bij Kolhorn 
een soort van veilige haven verschafte. 

Langs den binnenberm van den zeedijk loopt door den Groet- 
polder een uitwateringskanaal van Geestmerambacht tot het Kol- 
hornerdiep. (zie pag. 136 A.) 

Deze bedijking is evenals de voorgaande een gedeelte van de 
waterplas, welke zich gevormd heeft bij de uitbreiding van het 
meer Flevo tot de Zuiderzee. Vóór de 13de eeuw werd hier reeds 
droge, bewoonbare bodem gevonden. Ongeveer een M. beneden 
de oppervlakte des terreins werd bij het graven der slooten overal 
een laag veen of derrie van verschillende dikte (20 è 80 cM.) ge- 
vonden. Hetzelfde was in de Wieringerwaard het geval. Daarin wer- 
den doodsbeenderen en stukken elzenhout aangetroffen; ook vond 
men er overblijfselen van een put en van een ouden steenen weg. 
Van dien weg vond men eveneens gedeelten in de Wieringer- 
waard 2). Al deze overblijfselen wijzen er op, dat die veenlaag eens de 

i) Zie: Mr. G. A. de Vries, De zeeweringen en waterschappen van Noord- 
Ilolland, 1864, pag. 599. 

O. G. Heldring. De Anna Paulowna polder, 1847. 
„ „ Korte beschouwing van den toestand van den Anna Paulowna 

polder, 1851. 

2) Zie over dien weg Paludanus, Oudheid- en natuurkundige verhandelin- 
gen, 1776. 



Digitized by 



Google 



143 

begane grond zal geweest zijn. Door afslag in verband met posi- 
tieve niveauverandering, waarop wij reeds vroeger wezen, heeft 
de Zuiderzee zich over dit land uitgebreid. Vervolgens had er op 
vele plaatsen weder aanslibbing van klei over de overgebleven 
veenlaag plaats. Zoo werd de bodem weder door de natuur op- 
gehoogd, totdat de bedijking hem aan het water onttrok i). 



§ 9. DROOGMAKERIJEN IN HOLLANDS NOORDERKWARTIER. 

Het noordelijk deel van Noord-Holland was in de 13de eeuw 
geheel met breede wateren doorsneden, zooals de kaart van de Vries 
aantoont. Die wateren werden successievelijk afgedamd en van het 
buitenwater afgesloten. Na de afdamming volgde vooral in de 
17de eeuw, de eeuw der droogmakerijen, het droogmaken der ach- 
tergebleven meren en plassen in het land. Wij zullen een tabella- 
risch overzicht geven van de droogmakerijen, welke in dit gebied 
gevonden worden met opgaven der jaren van droogmaking, der 
zomerpeilen en der grootte 2). 



i) P. V. d. Ster. Korte beschrijving van de Waard- en Groetgronden (met 
kaart.); (Bouwkundige bijdragen, 1849 pag. 117.) 

De Vries. De Zeeweringen, pag. 597. 

H. Hoeufit van Velsen. Verslag over de geschiedenis der indijking van 
Waard en Groet gedurende 2$ jaren. Dit en nog een ander nrjanuscript hierop 
l)etrekking hebbende, werd ons door den schrijver welwillend ten gebruike 
afgestaan. 

Geschiedenis der inpoldering en bebouwing van Waard en Groet. (Weekblad 
van Haarlemmermeer, 1862.) 

Abr. Sioos. Geschiedenis der inpoldering van Waard en (Broet. (1858, pag. 
51. 77, 81 en 109). 

2) Zie Algemeene Statistiek I, pag. 57. Verder: de Waterstaatskaart en de 
Prov. Ve slagen. In het Jaarboekje voor de Provincie Noord-Holland vindt 
men opgave^ van de belastbare oppervlakten. Niet altijd kloppen de opgaven 
der grootte. Die der Waterstaatskaart zijn gemeten op de kaart. Wij volgen 
meestal de opgaven uit de .M^ern. Statistiek. 



Digitized by 



Google 



144 

Tabellarisch overzicht der belangrijkste droogmakerijen 
in Noord-Holland ten noorden van het IJ. 



I Jaar van eer- 
I ste of her- 
Namen der droogmakerijen, i nieuwde in- 
I poldering na 
overstrooming 



Gemiddelde hoogte in 
M. ± A.P. van 



Groote 
in H.A. 



den bodem I het zomerpeil , 

1 



1 



Schager- en Niedor 
per Koggen. 

Het Tjaddingskrijtje . . 

Braakpolder 

Het Oudedijkje 

Nederlandspolder 

Het Kerkerijtje 

Geestmerambacht. 

Dergmeer 

Kerkmeer 

Vroonermeer 

Zwijiismeertje 

Kleimeer 

Daalmeer 

De Slootgaard 

Diepsmeer en Tjaar- 

lingertneer 

Wogmeer 

Heer Hugowaard 

Berkmeer 

Schagerwaard 

De Greb 

Rekerkoog 

Schoulsbraakje 

Bleekmeer 

Schaapskuümeer 

Warmerhuizen-Kerk- 

meertje 

Woudraeer 

Het Kromwater 

Vier Noorder- 
Koggen. 

Neschmeer 



1632 

1634 

1642 

+ 1650 

1857 



+ 1520 

1547 
1561 

1567 
1567 
1575 
1590 

1594 
1607 
1625 
1626,1633 
1630 
163 1 

1631 
1632 
1632 

1632 

1635 
vóór 1650 



1440 



2,62 - AP. 

2,12 

1^95 
2,78 



I,02-AP.| 

0,90- AP. I 



2,05 
i 2,10 



1,84 
'1,58 

|2,II 
,2,24 

:3i07 
2,91 
,2,60 
' 1,20 
11,82 

1,75 
2,72 
2,10 
2,10 



2,24 
2,05 



25,10 
72,50 
27,60 
26,40 
19,70 



67,25 

66,17 

104,70 

16,30 

66,30 

131,00 

238,80 

230,10 

685,80 

3337,40 
287,60 

540,70 
91,90 
17.90 
6,00 
80,80 
51,30 

12,60 

233^70 
16,70 



28,00 



Digitized by 



Google 



145 



Jaar van eer- 
I ste of her- 
in- 



I o**, xn 

Namen der droogmakerijen. I nieuwde 

' poldering na 
I overstrooming 



Gemiddelde hoogte in 
M. ± A. P van 



I den bodem 



Bennemeer 

De Brake, Poel en 
Wijmers en het Lich- 
tewater 

Braakpolder 

Weel en Braken onder 

Obdam 

Zandwervens-braak . . . 

Kolk van Dussen 

Het Groote Hop 

Weelpolder 

Bedijkte boezem 

Drechterland. 

Baarsdorpermeer. . . . 

Groote Waal 

Twee braakjes bezuiden 

Scharwoude 

Noordbraak 

Bedijkte Leek 

Kleine Waal 

Oude Moer 

Waterland. 

Beemster 

Purmer 

Drie waterlandsche me 
ren (Belraermeer, 
Buikslootermeer, 
Broekermeer) 

Wijde Wormer 

Schermer 

Etersheimerbraak 

Noordeindermeer 

Sapmeer 

Schaalsmeer 

II. 



het zomerpeil i 



Grootte 
in H.A. 



1629 




1 
3,oo- 


AP. 


69,10 

1 


1630 




2,70 


» 


163,40 


1631 










(vergr.1851) 




2.35 


» 


63,20 


1632 


2,80 


» 


76,60 


1634 




1 




8,30 


I64I 




2,50 


» 


97,80 


1854 




3,60 


» 


5,60 


1856 




2,15 


» 


45i4o 


? 








18,00 


1624 




3^54 


» 


209,30 


1627 




4,02 


» 


57,10 


1630 
1631 

1633 
18.. 




3,54 

3,1$ 

4,20 


> 


10,60 
5,20 
9,40 


2,85-AP. 






1,9^ 
12,20 


I607-I6I2 




4,05 


» 


7174,00 


16I7-I622 




4 


» 


2680,30 


I623-I628 

ll624-'25.'26 

11825,1826 




4,89 
4,32 




759,70 
1661,40 


I63I-1635 


3,98 


» 


4828,20 


163 1 


3,90 


» 


48,2 


1631,1647 


1 4,49 


» 


218 


1631,1644 


1 4,49 


» 


26,10 


I63I 


1 3.4 


» 


54,70 








] 


[O 



Digitized by 



Google 



I4t 



Namen der droogmakerijen 



Gemiddelde hoogte in I 
M. — A. P. van 

I Grootte 
— r--=^^ -r-_..-.-^j in H.A. 



Jaar van eer- 
ste of her- 
nieuwde in- 
poldering na 
overstrooming den bodem |het zomerpeil 



1 



Volendammer meer 1631 

Starnmeer en Kamer- 
hop 1632-1643 

Wilmkebreek 1633 

Enge Wormer 1634-1638 

De Vliet 1638 

Graftermeer 1842,1845 

Assendel ver Veenpol- 

der 1845 

Monnikenmeer 1 863 

Burgerdammer Dee.. . 1881 

Heintjes Broek 188 1 

Duinkavel. 

Bergermeer 1564 

Egmondermeer 1 5 64 

Boekelermeer 1580 

Zwaansmeer 1879 



3,15-AP. 



: 3i95 


» 


621,4a 


4,72 


» 


28,00 


3,50 


> 


i6o,6a 


2,28 


» 


19-.30 


3^88 3,90 


> 


1 1 0,00 


, 2,86 


» 


3^3^30 


3.10 


» 


145,00 
32,00 


2,90 


> 


10 


1,58 


» 


636,00 


i'.SÖ 


9 


587,10 


1,80 


» 


338,80 
6,5 



25 



§ 10. GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT VAN DE GESTELDHEID DES LANDS 
IN HOLLANDS NOORDER-KWARTIER IN HISTORISCHEN TIJD. 

Het gedeelte van Holland ten noorden van het IJ heeft in histo- 
rischen tijd groote veranderingen ondergaan. In het bovenstaande 
moesten wij van tijd tot tijd reeds op deze veranderingen in de ver- 
houding van het land tot het water wijzen. Thans wenschen wij 
die geschiedenis in een beknopt overzicht samen te vatten. Wij 
doen dit, wat de historische feiten betreft, hoofdzakelijk aan de 
hand der werken van Mr. G. de Vries Azn., aan wiens historische 
onderzoekingen het te danken is, dat de geschiedenis der hydrogra- 
phische gesteldheid van dit deel van ons land zeer goed bekend 



Digitized by 



Google 



147 

werd. Naar zijn kaart van Hollands Noorder-Kwartier in 1288 
is ook ons kaartje IX bewerkt i). 

In de eerste eeuwen onzer jaartelling bestond het noordelijk 
gedeelte van Noord-Holland uit een meer of minder gesloten 
duinstrook, met een gebied van lage venen en kleibezinkingen daar 
achter. De lage venen vormden zeker een waterig, drassig gebied, 
en waren op vele plaatsen met lichte bosschen en struiken bedekt. 
De overlevering wil, dat dit laagveengebied zich door de tegen- 
woordige' Zuiderzee tot Friesland uitstrekte, en dat ten westen van 
Stavoren het zoogenaamde Kreilerbosch moet gelegen hebben, eene 
plek, waar thans de golven der zee klotsen. Het eiland Marken, 
thans door de Gouwzee van het land gescheiden, was destijds met 
het land verbonden evenals het eiland Wieringen. 

Na de eerste eeuwen onzer jaartelling kwam hierin verande- 
ring. Ons land was nog in wording, en vóór dat de vorming 
voltooid was, volgde er een tijdperk van teruggang. De zee nam 
van het verloren gebied terug. 

>Vóór het einde der 13de eeuw hebben onze voorouders de ver- 



ij Mr. G. de Vries .\zn. Het dijks- en molenbestuur in Hollands Noorder 
Kwartier onder de grafelijke regeering en gedurende de Republiek. (Uitgeg. 
door de Kon. Akad. v. Wetensch. 1876.) 

Mr. G. de Vries Azn. Nieuwe bijdrage tot de geschiedenis van het Hoog- 
heemraadschap van den Hondsbossche en duinen tot Petten. (Versl. en Med. 
der Kon. Akad. v. Wet. 1869, pag. 337.) 

Mr. G. de Vries Azn. Bedijking van den Diepsmeer en den Tjaarlingermeer 
door Johan van Oldenbarneveld. (Versl. en Med. der K. Ak v. W. 1885 P*g- 29.) 

Mr. G. de Vries Azn. De Rijndijk en de duinen bij Petten, (Versl. en Med. 
der Kon. Akad. van Wetensch. 1887, pag. 7.) 

Mr, G. de Vries Azn. Het Hoogheemraadschap van den Hondsbosschc en 
duinen tot PeUen. Oorsprong en inrichting des bestuurs. (Nieuwe Bijdr. voor 
Rechtsgeleerdheid en Wetgeving. V stuk 3, pag. 401.) 

Mr. G. de Vries Azn. Kaart van Hollauds Noorder Kwartier in 1288. (Verh. 
der Kon. Akad. van Wetensch.) 

Mr. J. G A. Faber. De Hondsbosschc en duinen tot Petten, 1869. 

Verzameling van de stukken betrekkelijk den Hondsbosschc en duinen tot 
Petten. (Gedrukt op last van het bestuur des Hoogheemraadschaps.) 



Digitized by 



Google 



14» 

woestingen aanschouwd door den Kimbrischen en andere vloeden 
aangericht ; hebben zij hunne landen in de Zuiderzee zien wegzinken, 
het vaste land tot eilanden zien vaneen scheuren en dit zelf in 
vele kleinere stukken zien verdeden, vaneen gescheiden door bin- 
nenlandsche meren en stroomen, die met onstuimige woede rusteloos 
de omliggende oevers afsloegen en hun eigen gebied vergrootten,* 
zegt de Vries i). 

De zoogenaamde Kimbrische vloed wordt veelal door de historici 
als een catastrophe beschouwd, welke het begin der veranderingen in de 
gesteldheid van ons land zou tot stand gebracht hebben. Van een 
geologisch of een natuurkundig standpunt valt die overstrooming, 
welke door duistere overleveringen in herinnering schijnt gebleven 
te zijn, niet als de oorzaak der veranderingen te beschouwen. Dat 
de veranderingen plaats grepen, daaraan valt niet te twijfelen, ook 
al zijn zij niet door een enkelen water vloed veroorzaakt, en al 
moeten zij in eene positieve niveauverandering hun grond vinden. 
Dat overstroomingen er een eigenaardige uitdrukking aan gaven 
en de veranderingen beter deden uitkomen, is wel waarschijnlijk. 

Na dien achteruitgang volgde een periode van aanwinst van land, 
hoofdzakelijk door kunst. En het Noorder-Kwartier is aldus uit 
den toestand, dien het volgens de kaart van 1288 had, langzaam 
geworden zooals het nu is. 

Volgen wij thans het overzicht van de Vries. 

Het Noorder-Kwarlier van Holland bestond onder de grafelijke 
regeering uit de volgende deelen : een gedeelte van Kennemerland^ 
Waterland en Zeevang^ Wesi-Friesland en eenige eilanden. 
Doch ten opzichte van den waterstaat verdeelt men het gebied in 
kavels (= gedeelten), nl. : den Duinkavcl^ den kavel Waterland^ 
West-Friesland en een vierden kavel^ die ten tijde der graven slechts 
eilanden omvatte^ doch thans die der Aangedijkte landen heet. 

De Duinkavel maakte een deel uit van het vasteland van Ken- 
nemerland, en eindigde ten noorden tegen de Zijpe bij het dorp 
Petten. Het gat in de duinen, dat de Noordzee met de Zijpe ver- 

I) Kaart van Hollands Noorder-Kwaiticr, pag. 4. 



Digitized by 



Google 



149 

bond, bestond uit vlakke schorgronden met geulen. Langs den 
inham van de Zijpe (Zipe) vond men aan den oostkant van den 
Duinkavel den Schoor Ischendijk (Scoirle-dijc) om het lage land 
tegen de Zijpe te beschermen. 

De oostelijke grens van den Duinkavel werd in het noorden 
gevormd door de Bekere^ een smal water, dat van de Zijpe naar 
Alkmaar liep, en daar met de Schermer en zijne uitbreiding ver- 
bonden was. Dit water volgde nagenoeg denzelfden weg, dien thans 
het Noord-Hollandsch Kanaal van Alkmaar tot voorbij Schoorldam 
volgt. Ten oosten van de Rekere lag West-Triesland, 

Genoemde Schoorlschedijk liep ten westen langs de Rekere nog 
een eind naar het zuiden, en aan den westkant op West-Frieslands 
gebied liep een dijk geheel langs de Rekere. De Schoorlschedijk 
langs de Rekere moest dienen, om het water, dat uit de Zijpe 
hierin opjoeg, van de lage landen aan den voet der duinen af te 
houden. Toen de Rekere in het noorden door den Rekerdam werd 
afgedamd, verviel de beteekenis van dien dijk gedeeltelijk. (Zie de kaart.) 

Langs de Schermer en het Langemeer waren de geestgronden 
van den Duinkavel op vele plaatsen hoog genoeg, om het watei 
zonder dijken te keeren, hoewel ook gedeeltelijk bedijking noodig 
was. Die dijken verbonden de hoogere gedeelten. In het zuiden werden 
de Kennemer dorpen door een dijk beschermd, die in de nabijheid 
van Beverwijk zich bij de hooge gronden aansloot, langs de Krommenye 
en het I,angemeer liep, en zich bij Uitgeest weer met de hooge 
gronden vereenigde. Vermoedelijk heeft die geheele dijk of het 
grootste gedeelte daarvan den naam van St Aagiendijk gedragen, 
totdat de afdamming van de Krommenye dien naam tot het buiten 
gebleven gedeelte van de zeewering beperkte. 

De kavel Waterland bestond uit verscheidene eilanden, die, wat 
den waterstaat betreft, niets met elkander gemeen hadden. 

Tusschen de Krommenye en de Zaan lag een eiland. Tegen 
deze beide wateren, tegen het IJ ten zuiden en tegen de binnen- 
meren ten noorden, waren dijkages om dat eiland opgeworpen. 

Dit land werd dus door een dijkring ingesloten, en het binnen- 
üggende land had een gemeenen waterstand. 



Digitized by 



Google 



Tusschen de twee heerlijkheden, waarin het land verdeeld lag, 
vormde het Twiske de grensscheiding. Ten westen van dit water 
lag de heerlijkheid van Assemiel/i en aan de oostzijde die van 
Westzaan en Krommenie, 

Ten oosten van de Zaan lag een ander eiland, dat in een dijks- 
ring het land van Oostzaan met het daarachter gelegen Hadei^ddX 
van fFormery Jisp en Nek en Waterland omvatte. Vermoedelijk 
liep vóór de afdamming van de Zaan de dijk aan de oostzijde van 
dat water even onafgebroken door als aan de westzijde. De 
mond van de Wormer^ die op de kaart open is, was destijds vol- 
gens van Mieris aan den Zaankant afgedamd. 

Tusschen Oostzaan en Waterland vormde een water, het Twiske 
genaamd, de grens. Oostzaan^ het eiland Hadel of Halerbroek^ 
Wormer en Jisp behoorden tot Kennemtrland, Waterland maakte 
van ouds met Zeevang en het bezuiden het IJ gelegen Amstellana 
één baljuwschap uit. Purmerend^ Purmerland en Ilpendam echter 
vormden met Nek eene afzonderlijke heerlijkheid. 

Een derde eiland, tusschen de Zuiderzee ten oosten en de Beemster 
en Purmer ten westen gelegen, was het land van Zeevang^ waarmede 
in het zuiden het land van Katwoude vereenigd was. Ten noorden 
van Zeevang lag eenig buitendijksch land, dat later de Westerkoog 
is geworden. Het buitendijksch land tegen de Beemster is de 
Hobreederkoog geworden, terwijl het land bezuiden Kwadijk, tusschen 
Beemster en Purmer, thans de Kwadijkerkoog en den Overweerschen 
polder vormt. 

De Zeevang zelf was door den Ovensloot van Katwoude gescheiden 
en rondom door een dijk omgeven. De IJe^ die van de zee dit 
land binnenliep, was oorspronkelijk op eenigen afstand van de zee 
toegedamd. Aan de oostzijde dier watering behoorde het land tot 
den Warderban, aan de westzijde tot den ban van Middelie en 
dien van Kwadijk, De beide eersten strekten zich tot den tegen- 
woordigen Zuidpolder uit. Aan den dam, waar een tol van schepen 
geheven werd, ontstond een dorp, dat door het vertier, hetwelk de 
scheepvaart gaf, zich weldra uitbreidde en de rechten van een stad 
verkreeg, IJedam^ Adam of Edam genaamd. 



Digitized by 



Google 



Vooral na het graven van een nieuwe haven in 1357, waardoor 
de Zuidpolder van het overige land van de Zeevang werd geschei- 
den, is de vrijheid der stad ten koste der beide naburige bannen 
herhaaldelijk vergroot. 

Het graven der nieuwe haven ging met de geheele afdamming 
van het IJe gepaard. Aan den mond van dien dam ontstond het 
dorp Volendam, 

Tusschen de Beemster en Schermer lag het Schermereiland^ dat 
slechts voor het noord-oostelijk deel door een ringdijk omsloten was. 
Eerst in het midden der 14de eeuw is ook het oorspronkelijk 
buitendijks gesloten land omdijkt. 

In de bannen Akersloct en Uitgeest vond men verder nog ver- 
scheiden eilandjes, waarvan de grootste het land besloegen, dat later 
in den JFestwouder- en Oostwoudcrpolder is gesplitst. 

Ten noorden der boven beschouwde eilanden en ten oosten van 
de Rekere lag de derde kavel, die van West-Friesland. Dit gebied 
was geheel door dijken omgeven, die voor een groot gedeelte zee- 
wering vormden, de Vriesendijk^ later West-Trieschedijk geheeten. 
Naar het zuiden lagen de Slimdijk^ de Waligsdijk en de Huigendijk 
tegen de wateren van Beemster en Schermer. De dijk om de 
Rekere werd door het leggen van den Rekerdam^ binnendijk. 

JFest'Friesland was met den aanvang van het eerste tijdperk,, 
evenals thans, in vier ambachten verdeeld, die ieder afzondei lijk 
bedijking hadden. 

Ten noorden van Duinkavely aan de overzijde van de Zijpe, begon 
met Kallantsoog de reeks der eilanden, die de Zuiderzee van de 
Noordzee scheidden. Op Kallantsoog volgde Huisduinen^ die beide 
in het oosten en op de noord- en zuideinden bedijking noodig 
hadden. I,ater is door bedijking dit gebied naar het oosten sterk 
uitgebreid, en in den kavel der aangedijkte landen veranderd " 

— Het boven beschreven door wateren verdeelde land, waarvan de 
kaart een afbeelding geeft, is hoofdzakelijk door den invloed van 
den raensch op den bodem tot een aaneengesloten geheel geworden. 
De bewoner heeft hier een belangrijk aandeel gehad in de vorming 
des lands. Zijn eerste werk was, zooals wij reeds zagen, de 



Digitized by 



Google 



Ï52 

moerassige lage eilanden te bedijken. Maar tevens moest hij den 
strijd met de binnenwateren voortzetten. Bij storm drong de zee 
door de verschillende verbindingswegen in het land, en bedreigde 
zijne woonplaats. Daarom besloot hij de binnenwateren zelf af te 
sluiten. De Rekerdam en de Zaandam waren de eerste werken 
dier afsluiting, en spoedig volgde het leggen van den Schardam en 
den Kr(nnmenyerdam\ de laatste in 1357. In 1400 of 1401 werd 
de Purmer-Ee bij Monnikendam afgedamd, waardoor al de aan 
zee gelegen eilanden van den kavel ^«/'^r/öw^ aan elkander gehecht 
en tevens met den Duinkavel en West-Friesland verbonden werden. 
Deze laatste dam gaf aanleiding tot het ontstaan van Monnikendam. 
Zoo waren dus toen de drie kavels een samenhangend geheel, doch 
met een tal van afgesloten binnenwateren. 

Nu kwam de beurt aan de afgesloten meren, die het land veel last 
veroorzaakten. Vooral de Heer^Hugawaard in West-Friesland was 
lastig. De Huigendijk sloot haar af van de Schermer, en het in 
standhouden van dien dijk kostte veel moeite. Verder bleef de 
afwatering van deze plas langen tijd een bron van veel zorg. 

Toen de uitvinding der watermolens om het water af te malen 
bekend werd, maakte men hiervan al spoedig gebruik. In de 15de 
eeuw bracht men ze hier in toepassing, en in de i6dc eeuw werden 
ze meer en meer algemeen. Nu bedijkte men de plassen, welke 
voor niets dan tot vischwater dienden, en maakte ze door bemaling 
droog. Zoo ontstonden er aanvankelijk kleine droogmakerijen en 
eindelijk werden ook de groote plassen tot drogen, bebouwbaren 
bodem gemaakt. 

In de i6de eeuw ving de bedijking der groote meren aan, doch de 
17de eeuw kon met recht de eeuw der droogmaking genoemd worden. 
De eerste van de groote meren was de Beemster^ waarmede men reeds 
in 1570 aanving te bedijken, welk werk echter na een klein begin 
door den oorlog tot de volgende eeuw werd uitgesteld. In 1607 
werd er opnieuw octrooi toe verleend, waartoe men te lichter over- 
ging, daar het meer somtijds wel 25 morgen lands wegnam i). 

i) Tegen w. Staat VIII, pag. 560. 



Digitized by 



Google 



153 

Zelfs wil men, dat deze breede plas door langzame uitbreiding van 
een smal water, de Barnes tra zal ontstaan zijn i). Na eenige 
tegenspoeden werd de arbeid der droogmaking voltooid in 1612. 

Tot het bedijken van de Purmer werd in 16 17 octrooi verleend, 
en in 1622 werd de arbeid voltooid. De Warmer volgde in 1625, 
de Heer-Hugowaard in 1626 — 1631, en de Schermer in 1631. 

Een groote huUenwaard was er, waarop langen tijd de blik 
gevestigd bleef. Dit was de Zijpe^ die, zooals de kaart aanwijst, 
een inham van de zee was. Levendig werd de noodzakelijkheid 
gevoeld, om het Zijpergat te dichten en de Noordzee te beletten 
zich over de Zijpsche waardgronden te storten, van waar zij zoo 
fel den Frieschendijk bestookten. 

De plannen, om dit ondiepe zeegat met zijne gorzen te bedijken, 
zijn reeds zeer oud, en ook reeds vroeg werd er uitvoering aange- 
geven. Door sommigen wordt vermeld, dat de eerste bedijking in 
1388 plaats had door Willem, eerste heer van Schagen, bastaard- 
zoon van hertog Albrecht 2). 

Zeer waarschijnlijk was deze bedijking niet zoo omvangrijk als 
de tegenwoordige. Doch na weinige jaren brak de zee het afge- 
dijkte land weder binnen, waarna het land gedurende langen tijd 
met de zee gemeen bleef liggen. 

Voor Noord- Hollands noordelijk gedeelte bleef men de bedijking 
der Zijpe steeds noodzakelijk houden. Filips van Bourgondiê 
gaf in 1443 octrooi tot bedijking, zeggende: » tevreden te zijn, dat 
de Zijpe bedijkt wordt, hetzij door ons of op onze kosten, hetzij 
zij bedijkt wordt door anderen, zooals het door onze gouverneurs 
en raaden gevoegelijkst en voordeeligst zal gevonden worden.» Er 
bestaat reden te vermoeden, dat er toen werkelijk iets verricht is, 
daar er melding gemaakt wordt van een latere doorbraak. Karel V 
verleende octrooi tot bedijking der Zijpe, hetwelk niet werd uitgevoerd, 
doch nadat een voordeeliger octrooi door de Staten in 1560 verleend 



i) Zie over de geschiedenis van de Beemster verder: J. Bouman, Bedijking, 
opkomst en bloei van de Beemster. 1857. 
2) Van der Aa. 



Digitized by 



Google 



154 

werd, is de Zijpe werkelijk drooggemaakt,- en een tijd lang met 
goed succes bebouwd. 

In 1570 had er een groote watervloed plaats, waardoor de Honds- 
bossche op drie plaatsen doorbrak en de bedijking weder onder- 
liep. Wel werd in 1571 een nieuw en voordeeliger octrooi voor 
de bedijking verleend, en werkelijk een gedeelte van het werk der 
herbedijking uitgevoerd, zoodat in 1572 de dijken eenigermate tot 
zeewering konden dienen, doch Sonov liet, om de Spanjaarden, die 
Haarlem bemachtigd hadden, te beletten in het Noorder-Kwartier 
door te dringen, de dijken doorsteken, waardoor alles weder onder 
water liep. 

In dien toestand bleef het tot 1596, toen de Staten van Holland 
en West-Friesland opnieuw octrooi tot bedijking verleenden, met de 
verplichting, dat deze het volgende jaar moest worden aangevangen, 
en zoo mogelijk volbracht. Doch de hevige noordwest-storm van 
1597 (15 Aug.) scheurde de bedijking op veel plaatsen weder. Toch 
werd de arbeid voortgezet en in 1598 was eindelijk het werk 
voltooid i). 

De strijd van den bewoner met het water spreekt duidelijk uit 
de geschiedenis van deze bedijkingen. De geschiedenis der verdere 
bedijkingen is reeds vroeger besproken. Alleen van enkele deelen 
des lands willen wij de historische ontwikkeling verder nagaan. 

§ II. GESCHIEDENIS VAN DE HONDSBOSSCHE ZEEWERING. 

De Bondsbossche Zeewering is een der meest bekende zeedijken in 
ons land. Op de plaats, waar zij ligt, waren de duinen meer en meer 
weggeslagen of hadden zij nimmer volledig bestaan, en bedreigde 
de zee telkens het land. De meening van sommigen, dat de Rijn 
hier eene uitmonding in zee had, is, zooals wij vroeger reeds cp- 

I) G. de Vries Azn. Zeeweringen en waterschappen van Noord-Holland. 
1864, pag. 585. 

Ociroye en Ordonnantie des Conings van .Spangiön tot vorderinge van de 
dijckagie van de landen in de 7ijpe. 23 Mei 1561. 

Tegenwoordige S'taat van Holland, VIII. pag. 409. 



Digitized by 



Google 



155 

merkten, ongegrond. Wel is het niet onwaarschijnlijk, dat er tus- 
schen Pelten en Kamp in den oudsten tijd een water in zee liep, dat 
de Zaane genoemd wordt. De schetskaart van de Zaane^ zooals 
haar loop was in iioo, 1250 en later (uitgegeven als bijlage van 
het verhandelde in de vergadering van Hoofdingelanden van den 
Hondsbossche en duinen tot Petten, 25 Apr. 1854), geeft dat water 
de Zaane aan als in eene noord-westelijke richting, evenwijdig met 
het van Schoorl versmallende duin naar Petten loopende i). 

Wat er van dit water zij, de duinen tusschen Petten en Kamp 
verstoven of werden door golfslag weggenomen, en de kunst moest 
middelen zoeken om het land tegen de zee te beschermen. In 
1422 spoelde de kerk van Petten weg, en in 1432 werd een dijk 
tusschen de twee dorpen van Petten aangelegd, dien men liet be- 
stuiven om de zeewering op deze wijze te versterken 2). 

In 1446 werd door Philips van Boürgondiè een keur gegeven 
om het vee, dat in de duinen tusschen Petten en Kamp kwam, 
te mogen schutten, daar de helmplant hierdoor werd vernield, en het 
duin meer verstoof. In 1464 werd door G. v. Berkenrode ineen 
Verslag aan de Raden van Holland, Zeeland en Friesland mede- 
gedeeld, dat nabij Petten een gat in de duinen geslagen was, 
waardoor zij tot op 3 roeden na waren doorgebroken, en in 1466 
gelastte Philips van Bourgondië een slaperdijk te leggen, tusschen den 
Pettemer molen en het oude Hondshosch (een voormalig dorp, 
waarnaar de zeewering haar naam ontving), opdat daaruit door 
bestuiving een nieuw duin zou gevormd worden (stuifduin). 

De bepalingen en verorderingen om verbetering in de duinen als 
zeewering te brengen, volgden snel elkander op 3). Evenwel de 
maatregelen, zoover zij genomen werden, waren onvoldoende. In 
1501 was de duinregel geheel weggespoeld en werd door paalwerk 
vervangen Zelfs werd door het grafelijk gezag de hulp van Am- 

i) Eene afbeelding dezer kaart is te vinden in J. F. W. Conrad, Verhande- 
ling over de Hondsbossche zeewering. Bekroonde prijsvraag. 

2) Van Mieris IV, pag. 640. 

3) Conrad. t. a. p. pag. 8 enz. 



Digitized by 



Google 



156 

stelland en Rijnland ingeroepen, om op dit gevaarlijk punt de zee 
te helpen bekampen. Rijnland o. a. legde in 1532 in dit gebied 
een slaperdijk aan, die naar den aanlegger de Rijndijk genoemd 
werd. Deze Rijndijk^ waarover de geschiedenis sprak, gaf later, 
toen de oorsprong van den naam verloren ging, aanleiding om hier 
ten onrechte een uitloop van den Rijn aan te nemen i). 

Wegens afneming der duinen door golfslag en doorbraken als in 
1570 en 1573 drong de zee hier voortdurend verder landwaarts, en 
zelfs belette de gouverneur van het Noorder Kwartier, Diederik 
VAN Senov, de herstelling der zeewering door zijne soldaten, omdat 
hij de opening voor de verdediging noodig achtte. In 1579 gaf de 
Prins van Oranje vergunning het gat te dichten. 

Evenwel bleef het, doordien de werken niet voldoende of niet volgens 
een geregeld stelsel van verdediging werden uitgevoerd, altijd een 
gevaarlijk punt. In het begin der 17de eeuw ging men echter met 
meer ijver aan 't werk. De eeuw der droogmakingen moest met 
meer zorg zich wijden aan de bescherming en bewaking van het 
eens verkregen terrein. Zoo werd in 16 14 in deze zeewering de 
Droomerdijk gelegd. Het plan, dat er bestond, om Petten buiten 
te dijken, werd door de Staten van Holland voorkomen, en zij 
gelastten het aanleggen van een Schenkeldij k tot behoud van Pelten, 
Tevens werd verlof gegeven tot het leggen van een nieuwen dijk, 
buiten de zeewering van het Hondsbosch. Die nieuwe dijk werd 
in 1624 gelegd. Dit was de nieuwe Bondsbosschedijk oï Wakerdijk^ 
in aanleg 75,24 M. en op de kruin 10,26 M. breed. De oude 
zeedijk werd toen verlaten en een groot deel van Petten met het 
Gemeentehuis binnenwaarts gebracht. 

Zoo bestond thans de Hondsbossche zeewering uit een onverdedigd 
strand met den ffakerdijk, die evenmin verdedigd was^ en daar- 
achter lagen nog de Droomerdijk en de in 1526 aangelegde Sla- 
perdijk. Deze laatste liep oorspronkelijk van den Zijpdijk tot de 



i) De Vries. De Rijndijk in de duinen te Petten. (Verh. der Kon. Akad. 
V. Wetensch. Letterk. 1869). 



Digitized by 



Google 



157 

duinen bij Hargen^ en werd in 1694 tot het Schoorlsche duin ver- 
lengd en tevens verhoogd. 

De zeewering was echter nog geenszins voldoende om de kracht der 
golven te weerstaan, en men moest het stelsel van terugtrekking 
volgen. Van 1555 tot 1793 werd de Wakerdijk voortdurend verder 
landwaarts verplaatst, en men waande zich ten onrechte veilig achter 
de Slaperdijken. Van 1730 tot 1790 werd de duinregel tusschen 
het Hondsbosch en Kamp geheel vernield, terwijl de Droomerdijk 
535 M. en de Wakerdijk 270 M. waren afgenomen. De laagwater- 
lijn was in dien tijd gemiddeld 220 M. landwaarts verplaatst. De 
oude Schoorl schedijk, die, aan de westzijde van den Hargerpolder 
gelegen, in 1730 nog een binnendijk was, maakte in 1793 reeds 
deel uit van den Hondsbosschen Wakerdijk. Het oude Petten, 
in 1730 nog een dorp van vrij aanzienlijke grootte, bestond 
in 1793 niet meer. Bij het verder binnen waarts brengen der zee- 
wering in 1745 werden hier 50 huizen en het raadhuis afgebroken i). 

Die treurige geschiedenis moest steeds de aandacht op dit ge- 
vaarlijk punt vestigen. Toen in 1754 het strand bij Petten en de 
Hondsbossche meer dan gewoonlijk begon af te nemen, schreef de 
Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen eene prijsvraag uit 
van den volgenden inhoud: 

1. Welke zijn de ware oorzaken, dat het strand bij Petten en 

den Hondsbossche sedert eenige jaren zoo aanmerkelijk is 
afgenomen ? 

2. Wat is het beste middel om het strand te dier plaatse te 

bewaren en te doen aanwinnen ? 
Van de ingekomen antwoorden werd dat van Melchior Bolstra 
21 Dec. T754 gegeven, bekroond 2). Zijn plannen van verbetering 
werden echter niet uitgevoerd. Nog tot 1793 duurde het, vóór men 
tot werkelijke verbetering overging. In 1792 hadden de storm- 
vloeden van December weer belangrijke schade aan de zeewering 
toegebracht, zoodat zij op enkele plaatsen van lo roeden breedte 

i) Conrad. t. a. p. pag. 17. 

2) V'erh. der Holl. Maatsch. van Wetensch. te Haarlem. II. 



Digitized by 



Google 



'58 

tot iV« roede was ingekrompen. Door Dijkgraaf, Hoogheemraden 
en Iloofdingelanden weid nu in April 1793 ^^^ ^^^ directeur van 
'slands rivier- en zeewerken, C. Brunings, aan L. den Berger, 
inspecteur van 'slands zeeweringen aan den Helder, en aan de 
landmeters J. Sabrier en J. Nierop opgedragen, de zeewering op te 
nemen, omtrent den toestand verslag uit te brengen en middelen tot 
verbetering aan te wijzen. Het verslag werd door Sabrier en Nierop 
uitgebracht. Van de voorstellen tot verbetering noemen wij den aanleg 
van 8 met steen bezette rijshoofden, rechthoekig op het strand tot 
verdediging van de kust. Na veel twisten over het nut der voorstellen 
kwam men toch in 1796 tot uitvoering van dergelijke plannen. 

Toch was deze kustverdediging nog niet voldoende, en men was 
nog altijd genoodzaakt voor de zee landwaarts ie wijken. De 
steenen hoofden werden niet behoorlijk onderhouden, en waren op 
te grooten afstand van elkander gelegen om den dijk te beschermen. 
Doch in 1836 werd op aanbeveling van den ingenieur Van Gendt 
tot eene plaatsing van paalwerk als dijkbescherming overgegaan. 
Door verschillende verbeteringen daarbij aangebracht, kon in 1849 
de dijkgraaf in zijn jaarverslag mededeelen, dat de Hondsbos- 
sche, wat de hoofden, het paalwerk en den zanddijk 
aangaan, thans in een staat gebracht zijn, dat er voor 
dat bolwerk van Noord-Holland weinig meer te duch- 
ten is. Zoo zal het stelsel van terugtrekken sedert dien tijd tot 
de geschiedenis behooren. 

De Inrichting dezer zeewering beschreven wij reeds vroeger. (II, 
pag. 124) i), 

i) Behalve naar genoemde werken, en bovenal nair dat van Conrad, verwijzen 
wij voor dit onderwerp naar de volgende werken. 

J. Muntjewerf. De tegenwoordige en voormalige slaat van den Hondsbossche 
en duinen tot Pelten. 1795. 

Resolutien, genomen bij Dijkgraaf, Hoofdingelanden en Hoogheemraden van 
den Hondsbossche in het laatst der 18de eeuw. 

Verbalen van het verhandelde in de vergaderingen van Hoofd ingelanden 
van den Hondsbossche en duinen tot Pelten van 1S38 — 1864. 

Mr. J. A. Kluppel. Verzameling van stukken van 1388 tot 1598 betrekkelijk, 
het Hoogheemraadschap van den Hondsbossche en duinen tot Petien. 



Digitized by 



Google 



159 



§ 12. GESCHIEDENIS DER NOORDELIJKE PUNT VAN NOORD-HOLLAND, 
VAN HUISDUINEN, DEN HELDER EN HET NIEUWEDIEP. 

Het noordelijk gedeelte van Noord-Holland wordt van Tessel 
gescheiden door het Marsdiep^ een zeegat, dat zich in de duinen 
gevormd heefc of is blijven bestaan. Het is zeer waarschijnlijk, 
dat in den tijd, toen de positieve niveau verandering Holland nog 
niet van het land in het oosten beroofd had, Tessel bij laag water met 
Huisduinen verbonden was door droge zandplaten. Verschillende 
geschiedschrijvers hebben getracht te bewijzen, dat het in de eerste 
eeuwen onzer jaartelling mogelijk was, droogvoets van Huisduinen 
(de Helder bestaat eerst sedert 1500, Huisduinen reeds in 723) 
naar Tessel te gaan. 

Met voldoende historische zekerheid is evenwel de geschiedenis 
van het Marsdiep niet na te gaan. Wat Paludanus, Huydecoper, 
Alting, Acker Stratingh en Van den Bergh hierover zeggen, geeft het 
bewijs, dat de nauwkeurige gegevens uit den oudsten tijd ontbreken. 
Evenwel, in verband met de natuurlijke verschijnselen in dit land 
en met de uitbreiding der Zuiderzee, valt zeer wel aan te nemen, 
dat het Marsdiep in den aanvang onzer tijdrekening niet bestond, 
of slechts een schor was, die bij ebbe droog lag. Door de verhef- 
fing van het niveau der zee ten opzichte van het land, werd de 
aandrang van het zeewater bij vloed krachtiger, en toen de Zuiderzee 
in omvang toenam en een reservoir werd, waarin zich het vloed- 
water kon uitstorten, had dit een krachtigen vloedstroom over die 
schor tengevolge, waardoor zij werd geërodeerd en aldus na ver- 
loop van tijd tot een zeegat als het tegenwoordige verdiept. Op 
den vloedstroom volgde telkens de ebstroom, die denzelfden arbeid 
verrichtte. 



A. Koskam Kool. Het Hondsbosch en de duinen te Petten. (Holl. Maatsch. 
der Wetensch. 1784. XXI). 

Hondslx)ssche duinen te Petten. (Historische Gen. Kroniek. 1848, pag. 163). 
A. Huet. De zeeweringen aan de Hondsbossche en bij Petten. 1872. 
J. G. A. Faber. De Hondsl)OSSche en duinen tot Petten. 1872. 



Digitized by 



Google 



In welk jaar die verandering plaats had, valt niet op te geven. 
• Het is onwaarschijnlijk, dat dit ook in één jaar geschiedde. Mis- 
schien heeft een storm en water vloed het proces, dat langzaam was 
voorbereid, verhaast; maar in een periode van jaren heeft het zich 
voltooid. Van den Bergh loont aan, dat in de 8ste eeuw het 
Maresdiep reeds bestond i). Evenwel was dat niet het Marsdiep 
van thans, want voortdurend hebben stroom en wind de kusten 
van dit diep veranderd. 

Toen het Marsdiep eenmaal een bevaarbaar water was, lagen de 
duinen van Huisduinen, welke hier als een hoeksteen vooruitstaken, 
meer bloot aan den wind en den golfslag. De geschiedenis leert 
met zekerder feiten, dat hier sedert de 13de eeuw belangrijke afslag 
des lands heeft plaats gehad. De duinen werden weggenomen en 
tevens verder landwaarts verplaatst. 

In eene authentieke verklaring van; 1592 wordt gezegd, »dat zij 
(de bedoelde personen) van haere voorouders wel hebben verstaan 
en hooren seggen, dat haere dorp zooveel landen bewesten ende 
noordwesten de kerck hadden leggen, dat sij maar twee wagens 
met hoeij mochten thuis halen« 2). Aldus zal het land daar in 
dien tijd reeds een paar uren afgenomen zijn, en waren de Noorder- 
en Zuiderhaaks vóór dien tijd droog land. De oude stukken spreken 
dan ook telkens van het inleggen der dijken, welke het land van Huis- 
duinen en den Helder aan de noordwest- en noordzijde beschermden. 
Op het Rijksarchief zagen wij eenige kaarten, welke die verplaat- 
sing der dijken landwaarts voorstellen. Verder wordt vermeld, dat 
in 1648 de kerk van Huisduinen verder landwaarts verplaatst moest 
worden, en in 1679 moest men ook de kerk van den Helder, die 
in 1500 gebouwd was, achteruit brengen 3). Volgens eene kaart 
uit de 17de eeuw bestonden er toen nog duinen ten westen van 
den Helder tot het Kaaphoofd, doch in 1774 waren die geheel 



1) Van den Bergh. Middel.-Ned. Geogr. pag. 50. — Oorkondenboek I, N. 9. f 59. 

2) J. van Dam den Bouwmeester. Beschrijving van den Helder. 1847, pag. 21. 
— Paludanus. Oudheid- en Natuurk. Verh. 1776, I. 

3, Tegenwoordige Staat. XVIII, pag. 376 enz. 



Digitized by 



Google 



i6i 

verdwenen. Van het Kaaphoofd tot Kijkduin waren in 1750 vele 
slooten, die vroeger binnendijks gelegen hadden, buitendijks komen 
te liggen i). 

Huisduinen vormde in de 13de eeuw een eiland, dat door het 
Heersdiep van Kallantsoog gescheiden was, en nog in de i6de eeuw 
bestond dat diep. Het was een geul of kreek door de schorgron- 
den, welke later gedeeltelijk door het Koegras werden ingenomen, 
en aan locale omstandigheden was het slechts te danken, dat dit 
water zich niet tot een zeegat verwijdde, gelijk met het Marsdiep 
het geval was. Door kunst werd dit geheel verhinderd, toen in 
1610 Huisduinen door den aangelegden Zanddijk (Zie II pag. 140 
en pag. 172) met Kallantsoog vereenigd werd. 

Door den oudsten dijk ten westen van den Helder was het 
Oudeland ingedijkt, door den tweeden de Koog en door den derden 
dijk, den Nieuwlandschen-^ Ooster- of Sluisdijk, beginnende bij het 
Nieuwediep, werd het Nieuweland ingedijkt 2). Eindelijk werd in 
18 19 het Koegras aan de baren ontrukt. 

Het water het Nieuwe diep^ langs de oostkust, was aanvankelijk 
een kreek en ligplaats van visschersschuiten. Die kreek kwam uit 
het onbedijkte Koegras voort. Vóór den aanleg van den Zanddijk 
in 1610, welke Huisduinen met Kallantsoog verbindt, was dit diep 
van zoo weinig beteekenis, dat men er droogvoets door kon gaan. 
Door den aanleg van genoemden dijk en de daarop volgende ver- 
hooging der ten oosten hiervan liggende schorren, werd de ebbe- 
stroom meer genoodzaakt door het Nieuwe diep te loopen. Hierdoor 
had het in 1648 aan den ingang van het Marsdiep reeds 12 voet diepte. 
De Harssens liepen bij gewone tijden niet onder, en het water, dat 
bij eb uit de Zuiderzee ten zuiden langs Wieringen naar de Noordzee 
liep, moest voor een gedeelte door het Nieuwe diep stroomen. Deze 
ebstroom had door erozie genoemde verdieping bewerkt. In 1750 



1) Tegenwoordige Staat XVIII, pag. 376 enz. 

2) Zie : De kaerte van 't Koegras, gemeeten en geteekent door Dirck Ab- 
bestee, in het koper gebracht door Frederick de Wit in 1672. 

II. II 



Digitized by 



Google 



102 

vormde daardoor het Nieuwe diep reeds een »schoone haven voor 
kleine schepen* i). 

In 1647 bestonden er reeds plannen een haven in het Nieuwe diep 
aan te leggen, evenwel zonder tot uitvoering te komen. Doch de 
toenemende verondieping van de Maasmonden deed de aandacht 
meer op het Nieuwe diep vestigen. In 1780 werd daarom door de 
Staten van Holland en West-Friesland eene commissie benoemd, 
om te onderzoeken, wat er gedaan kon worden >om van de kreek 
of geul, die tusschen de punt van Noord-Holland aan de zijde van 
de Zuiderzee en den zoogenaamden Zuid wal was gevormd, het 
Nieuwe diep^ een oorlogshaven te maken € 2). 

Volgens de voorstellen dezer commissie werd er een leidam langs 
de oostzijde van de geul gelegd, zoodat deze geul geheel in een kanaal 
in de lengte langs de kust veranderd werd. Verder werd het zuid- 
einde van dien leidam verbonden met een vnngdam^ die over de 
Harssens (eene ondiepte ten oosten van het Nieuwediep in de Zui- 
derzee) naar zee insprong. De richting van dien vangdam was 
naar het oost-zuidoosten. Men had hiermede ten doel om het 
vloedwater, dat van de Noordzee de Zuiderzee als een stroom bin- 
nendringt, wanneer het als ebbestroom uit de Zuiderzee weer te- 
rugkeert naar de Noordzee, op te vangen en door het Nieuwe- 
diep te leiden. Die strooming zou hier de haven uitdiepen. Wer- 
kelijk voldeed dat alles aan de verwachting, want reeds in 1785 
had men hierdoor eene diepte van 5 II 6 M. verkregen. De vangdam 
werd later verlengd en aan het uiteinde nog voor een gedeelte 
zuidwaarts omgebogen. 

Ook aan de landzijde was intusschen een leidam aangelegd over 
de Schootervlakte,^ die later verlengd werd, terwijl men door 5 
hoofden de havenwijdte beperkte. Een groote vermeerdering van 
diepte was hiervan het gevolg, zoodat in den winter van 1788 — 89 
de haven reeds voor zeer diep gaande schepen toegankelijk was. 

1) Tegenw. Staat XVII I, pag. 376. 

2) De Jonge. Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen. V, pag. 547; VI, pag. 
288 enz. 



Digitized by 



Google 



163 

In 1792 werd de oostelijke leidam voorbij het punt van aanslui- 
ting van den vangdam tot tegenover het zoogenaamde Nieuwe 
Werk naar het zuiden verlengd, opdat de ebbestroom ook dit ge- 
deelte zou uitdiepen. De oostelijke leidam, die aanvankelijk de 
hoogte van den dagelijkschen vloed verkregen had, is in 1829 ver- 
hoogd tot 2,56 M. + A, P. (De vloedhoogte is gemiddeld 0,23 M. 
+ A. P). De kruinsbreedte is 1,5 M. Aan het noordeinde daalt 
de dam over 100 M. tot de hoogte van den dagelijkschen vloed. 

De vangdam is thans in 't geheel 3360 M. lang; de breedte 
tusschen de kieltuinen is 8,5 M. en de hoogte van de westelijke 
1200 M. in het midden 0,56 M. + A. P., van de overige 2160 M^ 
in het midden, 0,26 M. + A. P. 

Reeds in de vorige eeuw was de aandacht op het Nieuwe diep ge- 
vestigd als oorlogshaven. Evenwel waren er hiervoor inrichtingen 
noodig, om schepen te herstellen enz. Eene commissie in 1783 
door Hunne Hoogmogenden met dit doel benoemd, onderzocht deze 
zaak, en in 1789 stelde zij aan Prins Willem V voor om' aan het 
Nieuwe diep eene kielplaats te maken. Om geen tegenwerking van 
de zijde van Amsterdam, alwaar groote werven waren, te onder- 
vinden, voegde zij er bij, dat zij daarmede geenszins bedoelde eene 
werf om schepen te bouwen of te repareeren, maar eene plaats om 
de schepen schoon te maken, te kielen, en daaraan slechts die her- 
stellingen te doen, welke bij het kielen werden noodig geacht, en om 
ze verder op en af te tuigen. De slag bij Doggersbank strekte hun 
tot een middel, om het voordeel hiervan aan te toonen; had er te 
Nieuwediep destijds een dergelijke kielplaats bestaan, dan hadden 
de schepen reeds na enkele weken weder in zee kunnen stekt^. 

Dergelijke kielplaats met de noodige sluis werd in 1790 aanbe- 
steed. Het was een ruitvormige, door dijken afgesloten oppervlakte, 
gelegen aan de westzijde en aan het einde van het Nieuwe diep, op 
de plaats, waar thans de kanaalforten zijn gelegen. De sluis, thans 
inundatiesluis, gaf aan de schepen toegang uit het Nieuwe diep. 

Tijdens de vereeniging van Nederland met Frankrijk van 181 2 
tot 18 15 werden er plannen ontworpen, om aan deze haven een 
volledig maritiem etablissement te verbinden. Langs de westzijde 



Digitized by 



Google 



104 

der haven is toen, evenwijdig met den oostelijken leidam, een rijzen 
kade gemaakt met een havendijk daar achter, die thans 2,73 M. 
+ A. P. hoog is. En achter dien havendijk werd een kanaal of 
binnenhaven gegraven, de Kaapvaarders hinnenJiaven genoemd, die 
ook de specie voor den dijk leverde. 

Verder werden het natte en het droge dok gegraven. Het 
natte dak of bassin verkreeg den vorm van een rechthoek met eene 
diepte van 7 M. onder volzee, terwijl het terrein daaromheen werd 
opgehoogd tot i M. boven volzee. 

De Zeedokstuis dient tot gemeenschap van het Nieuwediep met 
het bassin; de Maritieme sluis geeft toegang uit het Nieuwe diep 
naar de Maritieme- en Koopvaarders binnenhaven, en verder naar 
het groot Noord-Hollandsch kanaal, terwijl een keersluis in de 
zuidzijde van het bassin gelegen, gemeenschap geeft tusschen het 
bassin en de Maritieme binnenhaven. Verder geven de Koopvaar- 
ders schutsluis en de sluis in het Nieuwe Werk onmiddellijk toegang 
uit de haven tot het Groot Noord-Hollandsch kanaal. 

Tegenover de Zeedoksluis ligt een droog dok-, in 1858 — 1866 is 
in den zuidwestelijken hoek van het bassin een tweede droog dok 
gebouwd. Beide dokken worden door een vast stoomwerktuig droog 
gepompt i). 

§ 13. HET GROOT NOORD-HOLLANDSCH KANAAL. 

Voor den handel van Amsterdam was de ondiepte tusschen de 
Zuiderzee en het IJ, de Pampus^ altijd een blijvende en steeds toe- 
nemende hindernis. Diepgaande schepen konden deze stad niet 
bereiken, en maakten het gebruik van lichters noodig, wat het 



I) Zie: J. P. de Bordes, De haven het Nieuwediep. (Tijdschr. der Ned, 
MaaUch. v. Nijverheid. 1860, pag. 131). 

Geschiedenis van de dok werken op het marine établissement Willemsoord en 
Nieuwediep. (Verh. Kon. Inst. v. Ing. 1864 — 65, 1866—67.) 

Keek. Der Bau des ncuen Trockendocks im Hafen WiUemsortzu Nieuwediep. 
(Zeitschr. des Archit. und Ingenieurs-Verein zu Hannover. 1869, pag, 371). 



Digitized by 



Google 



i65 

vervoer kostbaar en langdurig deed worden. Voor *s Lands zeewezen 
leverde genoemde ondiepte zulke groote bezwaren op, dat men zich 
verwonderen mocht, de grootste werf des lands en het kostbaarste 
tuighuis te Amsterdam geplaatst te zien, en de vaart op de Zuiderzee 
kon door hare ondiepten en slechte bevaarbaarheid veel moeiten 
veroorzaken voor het spoedig gereed maken van oorlogsschepen in 
tijden van dringenden nood. Dit laatste vooral maakte het denk- 
beeld, om eene vaart voor lichtere schepen tusschen Amsterdam en 
het Nieuwediep aan te leggen, zeer aannemelijk. Doch Amsterdam, 
vreezende dat groote koopvaardijbodems zich aan het Nieuwediep 
zouden ontladen, en gewoon aan de vaart op de Zuiderzee, ver- 
zette zich hiertegen. De stedelijke regeering wenschte, indien 
er ten dienste der zeemacht een kanaal moest gegraven worden, 
het op die afmetingen gebracht te zien, dat ook de grootste koop- 
vaardijschepen door dit kanaal Amsterdam konden bereiken. Zij 
gaf aan Koning Willem I deze meening te kennen, met het aanbod, 
daartoe i mill. gulden in de kosten te zullen bijdragen. De Vorst 
was dadelijk met dit plan ingenomen, deed de mogelijkheid er van 
onderzoeken, en droeg, op het gunstig bericht van den heer J. 
Blanken Jzn., Inspecteur-Generaal van den Waterstaat, aan dezen 
de uitvoering op i). Een wetsontwerp tot het graven van dit kanaal 
en de bedijking van het Koegras door den Koning ingediend bij 
de Staten-Generaal, werd met eenparige stemmen aangenomen 2). 
In 18 19 werd met den aanleg van het kanaal begonnen, en in 1825 
was het voltooid. De kosten van den aanleg hebben in het geheel 
12,5 raill. bedragen. 

Het kanaal was gegraven met het oog op de toenmalige behoeften. 
Er waren 5 schutsluizen in het kanaal (de Willemsluis aan den 
mond, de Buikslootersluis, de schutsluis tePurmerend, de schutsluis 
aan het noordeinde der Zijpe en de schutsluis te Nieuwediep) die 
een diepgang van 5,2 M. toelieten. De vooruitgang van den scheeps- 



1) A. J. Lastdrager. Proeve eener geschiedenis van het Konirkrijk der 
Nederlanden. 1832 I, pag. 288. 

2) Staatscourant 181 7. N. 14, 15 17, 22, 28 of 29. 



Digitized by 



Google 



i66 

bouw stelde weldra hooger eischen, en spoedig bleek het, dat de 
afmetingen van het kanaal te gering waren i). Daarom heeft het 
van tijd tot tijd verschillende verbeteringen ondergaan. 

De lengte van het kanaal bedraagt 80,410 K. M. tusschen het 
Noordzee-Kanaal bij Amsterdam en de Rijkszeehaven het Nieuwe- 
diep. Het bestaat uit 2 voorhavens, 3 panden (gewoonlijk 2) en 
de met het 3de pand gemeen liggende Koopvaarders binnenhaven. 

Het Groot Noord-Hollandsch kanaal staat in gemeenschap met: 
het kanaal van 't Schouw naar Monnikendam en Edam, het ka- 
naal van £dam naar Purmerend, de vaart van Purmerend naar 
Oudendijk, het Heldersch kanaal, de Markervaart en het Kooger 
polderkanaal, de vaart van Westgraftdijk naar Ursem, de Knollen- 
dammervaart en de vaart naar Avenhorn, en de Hoornsche trek- 
vaart. 

Het eerste pand van de schutsluis Willem III te Amsterdam tot 
de schutsluis te Purmerend is 15,170 K. M. lang. Het heeft een 
kanaalpeil van 1,30 M. — A. P. d. i. = Nieuw Waterlands zoraer- 
peil, waarmede het gemeen ligt. De diepte is 5,5 M. onder kanaalpeil 
en de breedte + 37 M. Dit pand loost met Walerland het water 
op het Noordzee-Kanaal en de Zuiderzee door opmaling. 

Het tweede pand van de schutsluis te Purmerend tot de Zijper 
schutsluis is 51,425 K.M. lang, en ongeveer van gelijke breedte en 
diepte als het eerste pand. Het derde pand van de Zijper schut- 
sluis tot de Koopvaarder schutsluis is 12,035 K. M. lang 2). De 
laatstgenoemde twee gedeelten, als behoorende tot den Schermer- 
boezem, bespraken wij reeds (Zie II pag. 131 § 5)' 



I) D. J. Storm Buysing, J. G. v. Gendt en J. Ortt. Memorie aangaande de 
verbetering van het Noord- HoUandsch Kanaal. Verslagen der Openb. werken 
1855-56. 

3) Overzicht der Scheepvaartkanalen. 1888, pag. 115. 



Digitized by 



Google 



XIII. DE HOLLANDSCHE DUINEN. 



LITTERATUUR. 

1. Jan Kops. Tegenwoordige staat der duinen van het voormalig gewest 
Holland (zijnde het eerste deel van het algemeen rapport der commissie 
van superintendentie over het onderzoek der Duinen. 1798). 

2. D. F. Gevers. Verhandeling over het toegangbaar maken van de duin- 
valleien langs de kust van Holland. 1826. (Verhandelingen der Maatsch. 
tot bevordering van Landbouw te Amsterdam. XVHI). 

3. W. van den Huil. Over den oorsprong en geschiedenis der duinen. 1838. 

4. Friedr. Arends. Geschiedenis der kusten van de Noordzee. (Vert. door 
AVesterhoff.) 1835, ^- P^* 47- Aantcekeningen v. Westerhoff. II, pag. 430. 

5. Ackcr Stratingh. Aloude staat. 1847, !• P^- '4- 

6. Conrad. Over de duinen en stranden. (Vriend d. Vaderlands. 1832). 

7. Van den Bergh. Middel-Nederl. Geographie. 1872, pag. 28. 

8. T. C. Winkler. Zand en duinen. 1865. 

9. T. C. Winkler. Considérations géologiques sur TOrigine du Zand-diluvium, 
du sable Campinien et des Dunes maritimes des Pays-Bas. (Archives du 
Musée Teyler. V, 1878). 

10. F. W. van Eeden. Duinen en duinbeplanting. (Volks-Almanak van het 
Nut. 1875). 

11. W. C. H. Staring. De bodem van Nederland. 1856, I. pag. 310. 

12. Algemeene statistiek van Nederland. I, hoofdst. V; bewerkt door Hartogh 
Heys van Zoute veen. 1870, 

13. J. F. Niermeyer. De duinen. (De Natuur 1887). 

14. J. Lorié. Les dunes intérieures, les tourbières basses et les oscillations du 
sol.^ (Archives du Musée Teyler, serie II, T. III, 1890). Dit werk is 
verschenen, nadat het onze reeds eenige maanden geschreven was. 



Digitized by 



Google 



i68 



§ I. OROGRAPHISCHE BESCHRIJVING DER DUINEN. 

Reeds hebben wij terloops gedeelten der duinen van ons va- 
derland genoemd en eenige gegevens dienaangaande medegedeeld. 
Thans willen wij de duinen als een geheel behandelen, en aan- 
vangen met haar verticalen en horizontalen vorm te beschrijven. 
Onder duinen verstaat men in het algemeen zandheuvels. Het 
woord duin (Eng. down^ Duitsch Düne^ Fr. dune^ It. en Sp. duncy 
Friesch duné) is van Keltischen oorsprong en luidt in het oud-Iersch 
dun — burg en in het Welsch din = versterkte heuvel, in welke 
beteekenis het nog in plaatsnamen als Lugdunum e. a. is overge- 
bleven i). 

Meer bepaald worden met duinen thans de heuvels aangeduid, 
die door den wind gevormd zijn uit fijn zand. Wanneer deze langs 
het strand liggen, noemt men ze zeeduinen ; liggen ze dieper land- 
waarts, geheel buiten het bereik der zee, dan spreekt men van 
landduinen. 

Tot de duinformatie worden ook gerekend de vlakke zandgronden, 
welke zich midden in de duinen, en dus zoo goed als aan alle zijden 
door deze omringd, of aan delandzijde langs de duinen uitstrekken. 
De lang uitgestrekte vlakten van aanzienlijken omvang meest parallel 
met de hoofdrichting midden in de duinen loopend, heeten duinvalleien^ 
bekkenvormige vlakten van geringen omvang en van alle zijden door 
duinen omsloten heeten duinpannen. De lagere, vlakke zandgronden 
aan den binnenkant der duinen, die gedeeltelijk door de natuur, 
gedeeltelijk door kunst van de duinen gevormd zijn, heeten geest- 
gronden. Niet zelden zijn de laatste eene vermenging van zand, 
veen, humus enz. 

De zeeduinen hebben het eigenaardige voorkomen, dat zij in 
eenige meer of minder regelmatige rijen liggen en gezamenlijk als 
een zoom het land langs de zee omsluiten. Alleen langs den 
zeekant is die heuvelreeks gewoonlijk goed aaneengesloten ; aan den 

l) Zie Franck, Etymologisch woordenboek; eveneens Kluge, Etymologisches 
Wörterbuch. 



Digitized by 



Google 



169 

landkant is de grens der duinen minder regelmatig. De rij der 
duinheuvels langs de zee noemt men zeelooper oï strandrecp. Wan- 
neer dieper landwaarts ook regelmatige rijen gevonden worden, dan 
heeten die middenlooper en voorlooper, (deze laatste, welke het diepst 
landwaarts ligt). Doch over 't geheel valt het dikwijls moeielijk ach- 
ter den zeelooper nog regelmatige rijen te vinden, en liggen de 
heuvels zonder orde door elkander. 

De Nederlandsche duinenrij bestaat uit een S-vormig gebogen 
lijn, die zich van Rottum met kleine tusschenruimten tot in Zeeuwsch 
Vlaanderen voortzet. De duinen beslaan in Nederland eene lengte 
van 276 K. M. (de zeegaten en tusschenruimten er afgerekend) en 
hunne oppervlakte wordt op 43000 H. A., met de geestgronden 
er bij op 93580 H. A. gerekend. 

De breedte der duinen is zeer afwisselend. Bepalen wij ons alleen 
tot die op het vasteland van Holland. Van .Huisduinen lot Kal- 
lantsoog is de duinbreedte gemiddeld 420 meter, en van Kallantsoog 
tot Petten 1000 meter. 

Ten zuiden van de Hondsbossche zeewering dringt bij Schoorl 
en Bergen het duin met aanzienlijke breedte naar het land in. Bij 
Schoorl bedraagt de duinbreedte 4000 M. en bij Bergen 3000 M. 
Ten zuiden van Bergen heeft weder eene versmalling plaats, zoodat 
te Ëgmond aan Zee de breedte slechts 1500 M. is. Ten zuiden 
van Egmond Binnen verbreeden de duinen weder; te Kastrikum 
zijn ze + 3000 M. breed en te Wijk aan Zee 1800 M. Met eene 
vrij aanzienlijke breedte zetten zij zich vervolgens naar de grens 
van Zuid-Holland voort. Te Haarlem bedraagt de breedte 3000 M. 
Doch in Zuid- Holland vindt men langzaam toenemende versmalling 
van de duinen, zoodat ze bij Noordwijk niet meer dan 700 M. 
breed zijn. Ten zuiden van Katwijk neemt de breedte weer toe, eerst 
tot gemiddeld 1500 M. en bij Wassenaar tot 3000 M. om vervolgens 
weder langzaam te versmallen tot 2500 M. breedte bij Scheveningen, en 
tot 1800 M. bij Eik-en-Duinen. Ten zuiden van Eik-en Duinen neemt 
de duinzoom zeer snel af in breedte, zoodat zij bij Loosduinen slechts 
40 M. en te 'sGravezande niet meer dan 14 M. breedte heeft. 
Bij den Hoek van Holland beslaan zij nog weder een groote op- 



Digitized by 



Google 



pervlakte bij het Spanjaardsduin. Doch de Rotterdamsche waterweg 
snijdt hier het zuidelijk gedeelte der duinen af i). 

In horizontalen vorm zijn dus de duinen een strook van afwis- 
selende breedte, doch die op zijn hoogst 3000 k 4000 meter be- 
draagt. Die onregelmatige uitbreiding der duinen vindt men hoofd- 
zakelijk aan de landzijde. Langs de zee vormt de duingrens in 
het strand een zacht gebogen lijn zonder onregelmatigheden van 
eenige beteekenis. Het is de zee met hare vrij regelmatige eb- en 
vloedstroomen langs de kust, die in verband met den heerschen- 
den wind de onregelmatigheden van de duinen als het ware heeft 
afgeschaafd Doch aan de landzijde is de uitbreiding der duinen, 
voor zoover de mensch hierop geen invloed heeft uitgeoefend, een 
produkt van locale invloeden op den wind. Aan de vrije, effene 
zee zijn die locaal afwisselende invloeden op den wind gering. 

De invloed van den mensch op de uitbreiding der duinen be- 
paalt zich hoofdzakelijk hiertoe, dat hij door het planten van helm- 
gras verplaatsing en verstuiving tracht tegen te gaan en door het 
stellen van schermen nieuwe duinen doet bijeenstuiven. Verder heeft hij 
door afzanderijen op vele plaatsen de duinen weggenomen aan deland- 
zijde. Men heeft door afkarringen van de binnen gelegen duin- 
heuvels veel zand vervoerd tot ophooging van bouwterrein, tot het 
vormen van spoorwegdammen enz. Hierdoor is de uitgebreidheid 
van het duin verminderd en de strook geestgronden, welke het 
duin landwaarts in vergezelt, verbreed. 

De binnenkant van de duinen vertoont nog het eigenaardig ver- 
schijnsel, dat op verschillende plaatsen een hoog binnenduin breede 
duinvlakten afsluit, zooals tusschen Noorddorp en Egmond, of dat een 
binnen duin meer of minder geïsoleerd, parallel met de hoofdduinen 
loopt, en er gewoonlijk op een enkele plaats mede verbonden is. 
Op eenige plaatsen bestaan deze strooken zandgrond uit vlakke 
terreinen, zooals van Alkmaar tot Limmen, van Schoten langs 
Haarlem tot Heemstede en van Voorschoten tot Rijswijk, die dan 
door diepere geulen, dikwijls eveneens uit zandgrond bestaande, 

i) Deze cijfers der breedte zijn volgens de Waterstaat skaart. 



Digitized by 



Google 



171 

van de hoofdduinen zijn afgescheiden. Elders bestaan zij uit wer- 
kelijk heuvelachtige duinen, zooals bij Bennebroek en Hillegom, 
bij Noordwijkerhout en elders. Het is, of de duinen met eenige 
lange bogen in de hoofdrichting der duinen zich uitstrekkend, aan 
den oostkant smalle strooken laag land hebben afgesneden. Bij de 
bijzondere beschrijving zien wij dit alles nader i). 

Aan den zeekant gaan de duinen met tamelijk steile helling over 
in het vlakke naar zee zacht afloopende strand. Dit strand heeft 
in Noord- Holland (1887) eene gemiddelde breedte van 115,37 M. 
bij laagwater en van 51 M. bij hoogwater 2). 

De hoogte der duinen is zeer afwisselend, en daar er weinig 
hoogtemetingen verricht zijn, ook niet met juistheid bekend. Zelden 
bereiken zij eene hoogte van meer dan 60 M. + A. P. De Blinkerd 
bij Haarlem is =tz 60 M. hoog, doch het grootste gedeelte der duinen 
ligt veel lager. Langs het kanaal van IJmuiden is de grootste 
hoogte ongeveer 10 M. -h A. P. Bij Katwijk zijn zij 8 tot 11 M., 
bij Wassenaar 8 tot 13 M. hoog en van hier dalen zij naar den 
Haag af tot 6 M., 5 en 4 M. om ten zuiden van den Haag 
nog meer te dalen. De gemiddelde hoogte blijft beneden 10 
M. + A. P. 

Reeds hebben wij opgemerkt, dat men bij de duinen de steilste 
hellingen van onzen bodem vindt. Gewoonlijk hebben de duinglooi- 
ingen eene helling van 1V2 op i, zelden is het beloop aan zeezijde 
flauwer dan 2 op i. Het lage strand helt gewoonlijk onder 40 
op I. Na stormvloeden is de gemiddelde helling van het strand 
meestal 31 op i, waarvan het lage gedeelte beneden laagwater eene 
gemiddelde helling van ongeveer 40 op i aanneemt en het hoogere 
gedeelte tot den duinvoet van ongeveer 22 op i 3). 

Gaan wij thans tot de meer bijzondere beschrijving der duinen 
over en vangen wij daartoe aan in het noorden. 



i) Op de kaart bij Lorié's studie: Les dunes inlérieures etc. (Teylers Archief 
1890) wordt die liggiiig der binnenduincn zeer duidelijk aangetoond. 

2) Prov. Verslag, 1887 pag. 41. 

3) Verwey. Waterbouwkunde. I, 1887, pag. 63. 



Digitized by 



Google 



172 

De noordelijke spits van het tej?en woord ige Noord-Holland wordt 
door dijken beschermd, die te Huisduinen zich bij de duinen aan- 
sluiten. Tusschen Huisduinen en het begin van den Zanddijk (zie 
II, pag. i6o) ligt eene breedere duin massa, op welks grootste hoogte 
in 181 1 — 1813 het fort Kijkduin gebouwd is. Het dorp Huisduinen 
ligt hier aan den voet van het duin. 

Ten zuiden van de hier besproken gedeelten vindt men een regel- 
matige duinmassa tot nabij Kallantsoog^ welke gemiddeld 420 M. 
breed is. Aan den landkant is hier het duin volgens eene rechte lijn 
zeer steil afgesneden, zoodat het eenigszins aan een dijk doet denken^ 

Werkelijk vindt men hier een ouden dijk, die aanleiding gegeven 
heeft tot de duinvorming. Dit is de zoogenaamde Zanddijk of de 
Dijk van Oldenbarneveld^ ook wel Statendijk genoemd. 

Het is bekend, dat tusschen Huisduinen en Kallantsoog bij hooge 
vloeden het water der Noordzee over het vlakke strand heenliep, 
de slijkgronden van het Koegras binnenstroomde en zich ver- 
volgens in de Zuiderzee stortte. Om dit te verhinderen werd 
in 1610 door de Staten van Holland en West-Friesland het besluit 
genomen, om langs dit strand een dijk te leggen tot aan de woning 
de Groote Keet (ten W. van Zijpersluis) i). Deze dijk was binnen 
twee maanden voltooid, en werd de oorzaak dat het zand van het 
strand hier samenstoof, en ten westen van den dijk een duin deed 
ontstaan. Aan den kant van het Koegras, waar de Zanddijk door 
overstuiving werd opgehoogd, is dit duin het hoogst, en naar zee 
toe loopt het langzaam af. 

Ten zuiden van Kallantsoog neemt de breedte der duinen toe tot 
gemiddeld 1000 M. Midden in het duin vindt men hier een lang- 
werpig van het noorden naar het zuiden zich uitstrekkend meer, 
van 20 H. A. grootte met zoet water, het Zwanenivater geheeten. 
Wilgenstruiken, biezen en grassen langs den oever maken dit 
water tot eene geliefde verblijfplaats van duizenden watervogels. De 
plannen, die van tijd tot tijd ontworpen werden om het droog 
te maken, kwamen nimmer tot uitvoering. 

1) Velius. Chroniek van Hoorn, pag. 539, 



Digitized by 



Google 



173 

De opening in de duinen tusschen Petten en Kamp wordt aan- 
gevuld door de Pettemer en Hondsbossche zeewering, die wij op 
pag. 124 en 154 van dit deel reeds beschreven. 

Ten zuiden van Kamperduin en Hargen begint de duinenrij 
weder, en heeft er spoedig de aanzienlijke breedte van 4000 M. 
Het Kamperduin^ dat ten zuiden van den Hondsbosschen zeedijk 
ligt, verheft zich door het verschil met genoemden dijk als een uit 
zee gemakkelijk op te merken baak tot eene aanzienlijke hoogte. 
In 't gezicht van dit duin had in 1797 de zeeslag plaats, waarbij 
de admiraal de Winter zich aan den Engelschen vlootvoogd Duncan 
moest overgeven. 

Tusschen Schoorl en Bergen beslaan de duinen niet alleen de 
grootste breedte, doch hebben zij ook de aanzienlijkste hoogte. 
Aan den landkant rijzen zij dikwijls tot 50 è 60 M. hoogte vrij 
steil op uit de vlakte. Het prachtige houtgewas, dat men hier lan^s 
de duinen vindt, houdt het zand vast en bewaart het voorliggende 
land voor overstuiving. Het zand, waaruit hier de duinen opge- 
bouwd zijn, is reeds sedert lang bekend door zijne bijzondere fijnheid 
en witheid, zoodat het in de vorige eeuw zelfs naar Engeland ver- 
voerd werd tot gebruik in glasblazerijen en als schuurzand. Het 
Continentaal-stelsel maakte ook hieraan het eerst een einde. 

De breede duinstreek is overigens een slecht toegankelijke woestenij, 
waar kleine, meest afgezonderd liggende duinpannen, duinvalleien 
en duintoppen in grillige orde elkander afwisselen. De duinvalleien 
zijn meestal bijzonder droog, zoodat men er geen of weinig water 
aan de oppervlakte in aantreft. 

Ten zuiden van de Berger duinen wordt de rij in de Wimme- 
nummer duinen weer smaller, totdat bij Egmond de rij tot minder 
dan 1500 M. breedte is ingekrompen. In de Wimmenummer duinen 
liggen in het midden nog vlakten, die met hakhout begroeid zijn. 

De duinen ten zuiden van Egmond zijn smal, zonder duinvalleien 
van ecnige beteekenis. Door helmbeplanting worden ze zooveel 
mogelijk tegen verplaatsing en afstuiving bewaard. 

Ten zuiden van Egmond Binnen vindt men weder verbreeding 
der duinen naar de landzijde. Hier vangt ook de eigenaardige 



Digitized by 



Google 



174 

formatie der duinvalleien aan, welke zich bijna onafgebroken tot 
de Breesaap bij het Noordzee-Kanaal voortzetten. Slechts een smal 
binnenduin scheidt het vlakke land der geestgronden van de val- 
leien. Midden door het duin, in het westen door de naakte, blin- 
kende duinketens, in het oosten door de meest met bosschen 
begroeide duinen langs de geestgronden, als door randgeberg- 
ten begrensd, strekt zich hier een rij van eenzame vlakten 
in de duinen uit, meestal langwerpig van gedaante. Aan den 
landkant rijzen deze vlakten langzaam en eenigszins golvend tot 
het boschrijke duin op, over welks kruinen op meer of minder ver- 
ren afstand eenige torenspitsen de aanwezigheid der dorpen op den 
rand der geestgronden verraden Op vele plaatsen zijn deze duinval- 
leien wel een kwartier uur gaans breed (van oost naar west). 

Onder Egmond vangen de duinvalleien aan met de valleien 
van Groot' en Klein Vogelwater en het Galgevlak, Ten westen van 
Bakkum sluiten zij zich aan bij de valleien langs de zoogenaamde 
floepbeek^ welke zich uitstrekken tot nabij Noorddorp. Te zamen 
vormen zij een langwerpig dal midden in het duin, dat in het Vo- 
gelwater ± 5 M. -I- A. P., in het midden 3,5 M. + A. P. en in 
het zuiden ± 4 M. -r A. P. hoog is i). 

Met de valleien aan de Hoepbeek ten westen van Noorddorp 
eindigt de aaneengesloten rij duinvalleien. Hier verheft zich een 
smal duin tot een hooge scheidingswand, en de valleien, welke men 
verder naar het zuiden vindt tot aan Wijk aan Zee, liggen geheel 
door hooge duinen ingesloten. Doch van het duin aan den zuidkant 
van de Hoepbeek-valleiën kan het oog bijna ongestoord degeheele 
langwerpige vlakte in de lengte door de duinen tot voorbij Groot 
Vogelwater overzien. Heel in de verte verheft de toren van Egmond 
zijn spits boven die golvende vlakte. 

De Hoepbeek was vroeger een watertje, dat ten westen van 
Noorddorp in de duinen ontstond, een rij valleien doorsneed en 

1) Deze cijfers zijn te danken aan waterpassingen, door den heer Kempees 
verricht op verzoek van Dr. Lorié, die ze ons welwillend afstond. Thans zijn 
ze ook in genoemd werk van Lorié verechenen. 



Digitized by 



Google 



175 

met een half cirkel vormigen loop dwars door de duinen zich naar 
Bakkum richtte, waar het zich in de Schulpvaart uitstortte. Of zij 
oorspronkelijk door de natuur ontstond of door menschen gegraven 
werd, is niet te zeggen. Door de ontginningen van den heer 
Gevers in de duinen is deze beek zeer veel vergraven. Den be- 
woners dezer streken is zelfs de naam Hoepbeek niet bekend, doch 
zij spreken eenvoudig van het Kanaal^ door den heer Gevers laten 
graven tot afvoer van het water. Ook op de topographische- en 
de waterstaatskaart vinden wij den naam Hoepheek niet, doch slechts 
dien van Kanaal. Vóór eene eeuw toch waren de duinvalleien 
veel meer met water bezwaard dan thans. De heer Gevers schreef 
in 1823: tHet Watervlak, het Groot Vogel water het Halve Galge- 
vlak, vele gedeelten van de vallei aan de Hoepbeek en van het 
Klein Vogelwater leveren doorgaans in den winter even zooveel, 
meren op; inzonderheid beide eerstgenoemde plaatsen. Niettegen- 
staande de droogte van den afgeloopen winter en van dit voorjaar 
(1823) stonden zij in het laatst van Mei nog voor een gedeelte 
blank en meermalen gebeurt het, dat ze den geheelen zomer haar 
water niet kwijt raken. Dit is aan het slecht onderhoud der beken 
toe te schrijven. € Zelfs was het toen noodig enkele gedeelten door 
bemaling droog te houden. 

Om dien toestand te verbeteren en de duinvalleien voor ontgin- 
ning geschikt te maken werd o. a. de Hoepbeek in haar beneden 
gedeelte dwars door het Koningsduin verbreed. 

Doch geheel anders is thans de toestand. In den natten zomer 
van 1888 bevonden wij ons in het midden dier valleien van de Hoep- 
beek, doch nergens was er overlast van vochtigheid. De Hoepbeek, 
niets meer dan een sloot, lag daar zoo goed als droog, en de enkele 
bewoners klaagden over gebrek aan drinkwater. De bewoner van 
den iBrabantschen Landbouw* (een boerderij aan de Hoepbeek in 
de vorige eeuw gebouwd, de eerste in deze vallei) die hier meer 
dan 40 jaren woonde, verzekerde ons, dat de duinen hoe langer 
hoe droger worden, en dat men nooit meer last had van het 
water. Daarom was dan ook de Hoepbeek op verschillende plaatsen 
afgedamd, zoodat zij geen doorstroomend water meer vormt. 



Digitized by 



Google 



176 

De duinvalleien langs de Hoepbeek zijn het best te bereiken van 
den straatweg bij Bakkum, waar de sloot van de Hoepbeek dwars 
uit het duin naar het oosten loopt, en de valleien zich naar den 
landkant openen. Ook van den straatweg bij Noorddorp, waar de 
valleien slechts door een smal duin van den hoofdweg gescheiden 
zijn, is de toegang gemakkelijk. Doch daar de moeielijk door te 
komen landduinen (het binnenduin aan de landzijde) ze van het 
overige land afscheiden, liggen deze vlakten er eenzaam en verlaten. 
Eenige boerderijen zijn er in deze eeuw gebouwd, doch de ont- 
ginningen dragen in de droge gronden niet de gewenschte vrucht. 

Ten zuiden der Hoepbeekvalleiën liggen eenige afgesloten pannen 
midden in het duin, zooals wij zeiden. Doch tusschen Beverwijk 
en Wijk aan Zee vindt men weer een uitgestrekter lage duinstreek, 
welke van Beverwijk, waar zij een aanzienlijke breedte heeft, spits 
in het duin doordringt naar Wijk aan Zee. Dit zijn de zoogenaamde 
Vlakke- of Lage Kr o f ten ^ waarmede de Kaag éen geheel uitmaakt. 
Verschillende wegen van Wijk aan Zee naar Beverwijk, naar de 
Breesaap en naar Heemskerk, loopen door de Lage Kroften. Deze 
landen zijn meest alle ontgonnen en worden gedeeltelijk tot bouw- 
en weiland, gedeeltelijk tot boschgrond gebruikt. 

In de Lage Kroften ligt ook Wijk aan Zee. Het dorp ligt schil- 
derachtig in een kom achter een groep der hoogste duinen van de 
geheele kust, die niet meer dan 10 minuten breed is. Het water 
uit de Vlakke Kroften vloeit grootendeels langs een beekje, de Rel 
genaamd, af naar de Noordzee. Langs dit beekje heeft ook Wijk 
aan Zee door een gleuf in het duin den weg naar het strand. 
Somtijds kan het gebeuren, dat deze beek dicht stuift, zoodat men 
het water te hulp moet komen. Het oostelijk gedeelte der Lage 
Kroften watert af op Noord-HoUandsche wateren. 

Nadat ten zuiden van den weg van Beverwijk tot Wijk aan Zee 
het duin zich weder voor een kleine lengte aanzienlijk verbreed 
heeft, vindt men vervolgens een vrij uitgebreide vlakte in het duin 
vooruitgeschoven. Dit is de Breesaap^ een duin vlakte van niet 
minder dan 243 H. A. oppervlakte en ± 2 M. hoog. De Breesaap 
is door een golvend duinland van het achterland gescheiden, doch 



Digitized by 



Google 



177 

aan den zeekant zijn de duinen hooger. Langen tijd lag deze 
duinvallei woest, doch bedekt met een tal van zeldzame planten- 
soorten, zooals reeds door Gorter in zijn Flora (1767) wordt op- 
gemerkt i). In het midden der vorige eeuw is men met goed 
gevolg aangevangen, de Breesaap te ontginnen, wat in deze eeuw 
werd voortgezet. Vroeger had de Breesaap eene afwatering door 
de verdere duinen naar zee langs een duinbeek, welke evenwel 
veelvuldig aan dichtstuiving was blootgesteld 2). Sedert het kanaal 
van Velzen hier de Breesaap doorsnijdt vindt zij gedeeltelijk in dit 
kanaal hare afwatering, terwijl de hoogere gronden verder oostelijk 
gelegen naar het oosten afwateren. 

Ten zuiden van het kanaal van Velzen tot nabij Vogelenzang 
hebben de duinen de aanzienlijke breedte van =t 3000 M. De binnen- 
kant van de duinen is er met bosschen begroeid, waardoor dit gebied 
wegens natuurschoon beroemd is, en tot het aanleggen van tal van 
schoone buitenplaatsen aanleiding gegeven heeft. 

Van Alkmaar tot den Haag strekt zich die boschzoom langs de 
duinen uit, hoewel zij hier en daar door open plekken wordt afge- 
broken. De streek van Velzen naar Vogelenzang en Hillegom maakt 
wel het schoonste gedeelte daarvan uit. Misschien is diewoudzoom 
der duinen nog eene herinnering aan het oude Schakerbosch, het 
Woud zonder Genade en andere bosschen. 

Ook hier waren de duinen niet in rust, en vooral nabij Velzen 
hebben zij door o verstuiving aan het achterliggende land veel ver- 
woesting aangericht. De heer Kops vermeldt, dat volgens over- 
levering 40 morgen van den Kruitberg (een aanzienlijk buiten 
aldaar) onder het hooge duin zoude liggen. Men vindt in dit 
gebied tot Vogelenzang den meest lypischen bouw der duinen. Zij 
bestaan hier uit eenige achter elkander liggende ketenen van hooge 



i) Zie ook F. W. van Eed en, De bosschen in Kennemerland. (Alb. dei Natuur, 
1867, pag. 204.) 

2) Sommige schrijvers spreken zelfs van eene uitmonding des Rijns op deze 
plaats, o. a. de heer St. Simon. Dat wij hiermede niet instemmen, behoeven wij 
na het geschrevene op pag. 97 niet te zeggen. 

II. 12 



Digitized by 



Google 



,78 

duinen, waardoor zij in roor-, Midden- en Zeeduinen onderscheiden 
worden. Voorbij Zandpoort langs de ruïne Brederode en Meerenberg 
naar Duinendaal en Zomerlust dringt hier een duinvallei met de 
opening naar het noorden in het duin door. Bij Bloemendaal vindt 
men het duin de Blauwe trappen en achter Overveen verheft zich 
de 60 M. hooge Blinkerd^ een der hoogste naakte duintoppen. In 
het algemeen worden de naakte witte duintopi^en wel met den naam 
> blinkerd « aangedu id . 

Tusschen deze duinketens in de Middenduinen liggen verschillende 
pannen en valleien, evenwel niet van groote uitgestrektheid. Door 
de verstuiving van de omliggende hooge blinkerds zijn deze pannen 
in hun bestaan ook geenszins standvastig, zoodat sommige duin- 
pannen op oudere kaarten worden aangegeven, welke thans niet 
meer te vinden zijn. Zoo zal men ten zuiden van Kraantje Lek 
(achter Overveen) te vergeefs het Volmeer zoeken, een vlakte met 
een meer, op Rijnlands oude kaarten afgebeeld, doch die in 1739 
geheel onder gestoven werd, en thans onder hooge duinen, welke 
zelfs begroeid zijn, begraven ligt. 

Van de vlakten in deze duinen noemen wij de Soersaap dicht 
bij Velzen, het MolenveldtnYittGijzenveld. De rijweg door het duin 
naar Zandvoort loopt door de boschrijke duinvlakte van het Befi*- 
veld. Evenwel hebben de meeste valleien en pannen in dit duin 
weinig uitgestrektheid. 

De duinvalleien achter Velzen en Bloemendaal zijn voor een deel 
begroeid met boschjes, wier witte berkenstammen reeds in de verte 
zichtbaar zijn i). 

Achter Overveen vindt men in de duinen een ronde kolk, welke 
gegraven werd om den bierbrouwers in Haarlem van goed water, 
dat uit de duinen hierin sijpelt, te voorzien. Daarnaar heet die 
kolk de Brouwerskolk, Dcor een kanaal, de Brouwersvaart^ is 
genoemde kolk met Haarlem verbonden. 

De bekende herberg Kraantje Lek aan den voet van den Blinkerd 
heeft zijn naam waarschijnlijk te danken aan het uitsijpelen van 



i) Van Eeden. De duinen en bosschen van Kennemerland. 1868, pag. 13. 



Digitized by 



Google 



179 

het water uit den bodem op deze plaats i). Sommigen meenen, 
dat vroeger hier een dorp moet gelegen hebben, waarvan nog sporen 
bij gravingen in het duin zouden gevonden zijn 2). Hier lag 
vroeger een uitgestrekte duin vlakte, waartoe ook het bovengenoemde 
Volmeer behoorde, doch die allengs voor een groot gedeelte onder 
het voortstuivende duin begraven is. 

Ten zuiden van den rijweg door het duin naar Zandvoort vindt 
men de duinvalleien of pannen van de Renbaan^ die herinnert aan 
de Engelsche spelen, welke hier ingevoerd zouden worden, en het 
Rozenwater. De vlakte van het Rozenwater wordt gedeeltelijk 
tot bouwland (aardappelen), gedeeltelijk als weideland gebruikt. 
Hoewel schraal van bodem is toch het Rozenwater de groeiplaats 
van vele zeldzame planten 3). 

De waterontlasting der duinen en duinpannen ten zuiden van 
Zandvoort heeft plaats in de kanalen, die door de Amsterdamsche 
duinwaterleiding in het duin gegraven zijn. Hierdoor zijn de 
duinvalleien veel droger geworden, dan ze vroeger waren, zoodat 
er thans nimmer overlast van water bestaat, wat vroeger wel het 
geval was. Het water, dat op de droge duinen valt, zinkt meest 
als grondwater in den bodem, en wordt dus voor ondergrondschen 
regelmatigen afvoer naar die kanalen bewaard. Hierdoor is de 
watertoevoer zeer aanzienlijk doch regelmatig over het geheele jaar 
verdeeld, zoodat de maxima- en minima-afvoeren weinig van 
elkander verschillen. De ervaring heeft geleerd, dat van de duinen 
onder Zandvoort 5,5 M». water per minuut en per 1000 H. A., 
overeenkomende met eene waterhoogte van ongeveer 290 mM. ])er 
jaar, wordt opgevangen als minimum, wat een zeer gering verschil 
met de minimum-regenhoogte oplevert. 

De waterspiegel in deze waterleidingskanalen heefl eene hoogte 
van =t 2 M. boven Rijnlands boezemwater. 

Ten zuiden van Haarlem tot Warmond vindt men een zeer eigen- 
aardige duinformatie. Hier ligt een onafgebroken reeks van geest. 

i) Le Francq van Berkhcy. Natuurlijke historie van Holland. 1769, 1, pag. 243. 
2} Van den Bergh. Nederlandschc volksopvoeding en godenleer, pag. 68. 
3) Van Eeden. De duinen en bosschen van Kennemerlaud. pag. 54. 



Digitized by 



Google 



i8o 

gronden, die onder Heemstede, Bennebroek en Hillegom met hooger 
duinen bezet is, geheel afzonderlijk ten oosten van de zeeduinen, 
en is van deze gescheiden door een strook lage veengronden. Alleen 
bij het station Vogelenzang vormt eenige duingrond eene korte 
verbinding tusschen genoemde binnenduinen met de zeeduinen. 

Wanneer men met het spoor van Haarlem naar Leiden rijdt, 
valt deze formatie gemakkelijk waar te nemen. Het spoor loopt 
gedeeltelijk tusschen deze beide gescheiden duinrijen door, endoor- 
snijdt bij Vogelenzang het kleine verbindingsduin. 

Op kleiner schaal vindt men dezelfde gesteldheid bij Noordwijker- 
hout en Noordwijk. Een weinig ten noorden van Noordwijk zijn 
de duinen als het ware in twee ketens gescheiden. De eene, de 
Zeeduinen^ vormt de hoogste keten terwijl de oostelijke, de Ooster- 
duinen genaamd, uit een strook lage duinen of geestgronden bestaat. 
De laatste neemt bij Noordwijk in het zuiden een aanvang en 
vereenigt zich ± V4 uur ten noorden van Noordwijkerhout weder 
met de hoofdduinen. Het is een tong van het duin, die zich naar 
het Z.W. tot Noordwijk in den lagen grond uitstrekt. Tusschen deze 
beide evenwijdig loopende duinstreken ligt een lage strook weiland, 
de Noordzij de rpolder^ met verschillende wateren doorsneden. Deze 
polder heeft een zomerpeil van 0,20 tot 0.25 M. — A. P., terwijl de 
bodem ongeveer 0,15 — o,4oM-l- A.P. ligt. Door de Schipper ssloot^ 
die dwars door de Oosterduinen loopt, wordt het overtollige water 
van hier afgevoerd op de Haarlemmer trekvaart en dus op Rijn- 
lands boezem. 

Het ontstaan van bovengenoemde geheel afzonderlijk liggende 
duinen te midden van lage venen was lang moeielijk te verklaren. 
De meening, dat door een voormalige Rijnarm het duinzand in het 
midden zou weggespoeld zijn, wordt door Staring onzes inziens 
terecht verworpen, i) Zeer waarschijnlijk moet het binnenduin als 
een voormalig zeeduin beschouwd worden. Op eenigen afstand 
daarbuiten werd later een nieuw zeeduin gevormd, dat zich op 
enkele plaatsen bij het vroegere aansloot. 

i) Staring. De bodem van Nederland. J, pag. 314. 



Digitized by 



Google 



i8i 

De meening van Staring alsmede de beschouwingen van Dr. 
Lorié over dit onderwerp, behandelen wij laler bij het bespreken 
der geologische gesteldheid van ons land. 

Ten zuiden van Noordwijk tot Katwijk l)estaan de duinen uit 
eene eenvoudige formatie ; zij vormen een smalle heuvelrij zonder duin- 
])annen of valleien van eenige beteekenis. Bij Katwijk vindt men 
de duinen doorsneden door het Kanaal van Katwijk, het kanaal 
dat gegraven is om Rijnlands boezem een betere afwatering te 
geven. (Zie II pag. 59). Ten zuiden van het Kanaal van Katwijk 
vindt men nog de overblijfselen van het vroeger met hetzelfde doel 
gegraven kanaal, het Mallegat^ in het duin. 

Tusschen Katwijk en den Haag verbreeden de duinen weder tot 
ongeveer 3000 M. bij Wassenaar. Over *t geheel nemen ze naar 
het zuiden in hoogte af; bij Katwijk zijn ze meestal 9 k 11 M. 
hoog en nabij den Haag ongeveer 4 M. + A. P. 

Ten noorden van den weg, die van Wassenaar dwars door de 
duinen naar het strand voert, liggen eenige duinpannen, o. a. die 
van Groot-Berkhey\ waar genoemde weg in het zuiden doorloopt, 
die van Kletn-Berk/iey, de pan van Fersijn^ de Bruinspan^ de 
Driepiassen e. a. Gedeeltelijk zijn deze pannen bebouwd, gedeel- 
telijk liggen ze woest of zijn met hakhout begroeid. De Berkheysche 
l)annen hebben hun naam te danken aan het voormalige dorp 
Berkhey, dat hier aan zee lag en vermoedelijk door overstrooming 
en afslag van het strand in de ly^^e eeuw verdwenen is. In het 
laatst der vorige eeuw werden in het strand nog overblijfselen der 
fondamenten gevonden. 

Ten noorden van het dorp Waalsdarp (bij den Haag) vindt men 
aan den landkant in de duinen de Vlakte van Waalsdorp^ die eene 
oppervlakte van ± 25 H. A. beslaat. Het is een duinvallei groo- 
tendeels met gras begroeid, die lot exercitieveld dient voor de 
artillerie in den Haag. Een weg van den Haag naar het noorden 
geeft toegang tot deze vallei. In het oosten ligt het terrein 
=t: 3 M. + A. P. 

Ten westen van den Haag worden de duinen beter toegankelijk. 

Van den Haag naar Scheveningen is een kanaal dwars door de 



Digitized by 



Google 



l82 

duinen gegraven met nog een zijkanaaltje naar het noorden in het 
duin. De bekende Scheveningsche weg werd in 1664 volgens het 
plan van Constantun Huygens dwars door het dorre duin aan- 
gelegd. (Zie Huygens. Korenbloemen). Van deze wegen af zijn ver- 
schillende tot bouwland gebezigde duinpannen, ten noorden er van 
gelegen, te genaken. Om de Haagsche waterleiding van water te 
voorzien is een kanaal midden in het duin door verschillende 
duinvalleien en pannen naar het noorden lot bij den Wassenaar- 
schen zeeweg gegraven. De duinen bij den Haag zijn met prachtige 
bosschen bedekt. 

Ten zuiden van den Haag versmalt het duin snel. Bij Zegbroek 
is het nog ± 1800 M. breed en bij Loosduinen niet meer dan 40 M. 
Langs den binnenkant der duinen loopt van Loosduinen af een 
stroompje naar het noorden, //<f j5^^^ genoemd, hetwelk hoofdzakelijk 
door het wegvloeiende duinwater en dat van het Zegbroek gevoed 
wordt. De Beek stroomt over het landgoed Zorgvlied en door 
Buitenrust naar den Haag, waar het water gebezigd wordt tot 
waterverversching van den stadsvijver en van enkele grachten. 

Als de Beek geen voldoende waterhoeveelheid hiervoor bezit, wordt 
bij Hanenburg door een stoomgemaal uit Delflandsboezem water op 
de Beek gemalen. Van i Oct. tot i April mag het water der 
Beek, dat zonder opmaling er op afvloeit, niet worden opgehouden. 

Ten zuidwesten van het dorp Scheveningen, niet ver van den 
Scheveningschen weg, vindt men hier nog eenige duinpannen, als 
de Danièlspan^ de Vuurbaakspan^ de Watcrdel en het Hooiveld. 
Ta] zijn voor een klein gedeelte bebouwd en liggen vrij hoog. 

Het smalle duin ten zuiden van Loosduinen was niet meer als 
uitsluitende zeewering te vertrouwen. Daarom zijn er langs het 
strand een aantal dwarshoofden in zee gemaakt, om den golfslag te 
breken en vloed- en ebstroom van den duin voet af te houden. 

Tusschen Monster en Terheide ligt het Copierduin^ eene duin- 
vallei met eene oppervlakte van ± 20 H. A., die sedert de vorige 
eeuw bebouwd wordt. Langs den binnenkant der duinen van Loos- 
duinen tot Monster ligt een vlakke, vrij hooge streek, welke aan den 
landkant langzaam in de kleilanden overgaat. Hierdoor is deze 



Digitized by 



Google 



i83 

Strook^ die niet door duinen omsloten is, geen eigenlijke duinvallei, 
maar komt meer met de geestgronden overeen. Ten zuiden van 
Terheide neemt de beteekenis van het duin nog af, en zelfs moet 
een slaperdij k als zeewering de vrees voor een doorbraak van het 
duin wegnemen. 

In het Westland is de binnenkant van het over 't geheel vlakke 
duin meestal in cultuur genomen. Te midden van den duingrond 
heeft men hier enkele gedeelten lands met een aarden wal afgesloten 
en tot den aardappelbouw of tuinbouw gecultiveerd. 

De mensch heeft veel invloed uitgeoefend op de uitbreiding van 
het duin landwaarts. Niet alleen heeft hij het voor den westen- 
wind landwaarts waaiende duinzand door beplanting en andere 
middelen trachten vast te leggen, doch ook heeft hij door afzanding en 
wegkarring hier en daar gedeelten van het duin afgegraven. Bij Hargen 
werd vroeger het duinzand afgekard, zooals wij op pag. 173 zeiden. 
Te Kastrikum heeft de heer Gevers duinen doen afzanden voor 
de aardappelteelt. Ook bij Bloemendaal en Overveen is er veel 
duin afgezand, dat wel meest in Haarlem zal gebruikt zijn. De 
afzandingen van Ben nebroek, Vogelenzang, Hillegom en Lisse 
hebben vroeger veel zand geleverd voor het vastleggen der oevers 
van het Haarlemmermeer en later voor het aanleggen der dijken. 

Te Lisse wordt elk jaar ± 0,50 H. A duinen afgekard; ook te 
Hillegom geschiedt dit nog. i) • 

§ 2. HYDROGRAPHISCHE GESTELDHEID VAN DE DUINEN. 

De duingronden verkeeren in zulk een physischen toestand, dat 
het regenwater, hetwelk niet direct verdampt, door ondergrondsche 
afstrooming zich een weg baant. De helling des terreins aan de 
oppervlakte zou op de meeste plaatsen een sterke bovengrondsche 
afstrooming bevorderen, doch de poriën van het duinzand geven 
het water gelegenheid, om meer direct en langs korteren weg aan 
den invloed van de aantrekkingskracht gevolg te geven. Het duin- 



i; Verslagen van den Landbouw. 



Digitized by 



Google 



t84 

zand, dat uit korreltjes bestaat, laat bij ophooping holten achter, 
en deze dienen in de eerste plaats tot directe berging van het ge- 
vallen regenwater. Doch door deze holten, welke met elkander 
correspondeeren, zinkt het dieper weg in het duin. Hier blijft het 
op dichtere aardlagen, zooals bijv. oerbanken in de duinpannen, 
op veenlagen, of op het grondwater van de duinen rusten. Ook vindt 
men op enkele plaatsen onder de duinen dichte kleilagen, zooals o. a. 
bij het graven van het Kanaal van Katwijk ontdekt werd. 

Dicht samengeperste veenlagen of derrie zijn ook geenszins zeld- 
zaam onder de duinen. Men vond ze bij het doorgraven van den 
Hoek van Holland en men vindt ze nog op verschillende plaatsen 
aan den zeekant der duinen te voorschijn komen. Bij eene zanderij 
achter Overveen zagen wij, hoe het water op veenlagen in de 
duinen bleef staan en er over geleid werd. 

Het doorlatend vermogen van zand is grooter, naarmate de korrels, 
waaruit het bestaat, grooter omvang hebben. (Zie over een en ander 
de algemeene beschouwingen op I pag. 251 enz.) Hierdoor zal de 
snelheid van waterbezinking ook verschillen in de onderscheidene 
deelen der duinen. Het fijne duinzand bij Hargen zal bijv. minder 
waterdoorlatend zijn dan het grovere, dat men elders vindt. Slechts 
enkele methodische zandanalyses naar de grootte zijn ons bekend. Het 
zijn die, welke verricht zijn door Dr. J. Bosscha. Met een zandbuiler 
van prof. Harting, waarbij het zand door zes zeven met mazen van ver- 
schillende wijdte ging, werden zandsoorten van verschillende afkomst 
onderzocht. De wijdte der mazen in die zes zeven was als volgt: 

N. I = 1,52 mM. I N. 4 = 0,249 ™M- 
N. 2 = 1,03 > I N. 5 = 0,188 > 

N. 3 ~ 0,64 > ; N. 6 = 0,116 » 

Met dezen toestel werd het zand onderzocht dat wij naar den 
oorsprong aldus aanduiden: 

A. Zand verzameld bij Nunspeet. 

B. Zand van de Hilversumsche heide. 

C. Zand van den top van een stuivend duin uit de duinen ten 
noorden van den Haag. 



Digitized by 



Google 



i8s 

D. Zand van den zuidwest voet van hetzelfde duin. 

E. Zand van een in rust zijnd duin aan de noordzijde van den 
Haag. (Het was genomen van den boven rand van de steile 
helling van de laatste rij duinen landwaarts). 

F. Zand van het strand te Scheveningen bij eb. 

De uitkomsten van dit onderzoek waren de volgende : 



Nummer 
der Zeef. 


A. 


B. 


i '■ 


D. 


E. 


F. 


I. 


0,4 


2,1 


1 











II. 


0,1 


0^3 


1 ; 











III. 


1,9 


2,4 


Sporen. 


0,1 


0,2 


0,28 


IV. 


9,0 


19^9 


3.7 


6,5 


19,0 


8,5 


V. 


",5 


32.3 


41,4 , 


50,5 


32.1 


72,9 


VI. 


56,2 


31,2 


1 49'0 


42,1 


31,1 


i 18,3 


VIL 


20,8 


11,9 


; 6,2 


0,8 


17,6 


, 0,02 1) 



Bovenstaande cijfers wijzen in procenten aan, hoeveel zand van 
de verschillende soorten op elke zeef bleef liggen. De mazen der 
zeven nemen van I tot VI in wijdte af. Zoo blijkt dan, dat zan- 
den der Hilversumsche heide en van Nunspeet 0,4 en 2,1 pCt. op 
de eerste, wijdste zeef achterlieten, doch van het duinzand bleef 
niets. Zand van den top van een stuivend duin bij den Haag was 
zoo fijn, dat er slechts sporen van bleven liggen op zeef III met 
mazen van 0,64 mM. wijd, terwijl het zand van het strand en van 
een in rust zijnd duin hier 0,28 en 0,2 pCt. lieten liggen. De cijfers 
duiden verder aan, dat de top van een stuivend duin het fijnste 
zand bevat. Voor eene vergelijking van de verschillende deelen 
der duinen hebben wij hierdoor echter nog niets. Evenwel blijkt er uit, 
datduinzand fijner is dan dat der andere zandgronden, 
en bovenal aan de toppen het fijnst is. Hieruit kunnen 
wij afleiden, dat het waterdoorlatend vermogen in de 

I) Dr. J. Bosscha. Beschouwingen over het /and-diluvium in Nederland. 
1879. pag- 47. 



Digitized by 



Google 



i86 

duingronden minder groot is dan bij genoemde an- 
dere gronden, en dat het beneden in het duin, onder anders ge- 
lijke omstandigheden, grooter is in het vaste duin dan van de 
blinkerds. 

Evenwel kan in de diepte ook het duin uit fijne zandkorrels 
bestaan of door andere oorzaken in een toestand van waterdichtheid 
komen. Bij de doorgraving van het kanaal van IJmuiden toch lag 
de sluisput dicht bij de Noordzee op een diepte van 1 1 M. — A. P., 
zonder dat het zeewater hierin doordrong, zoodat men er volkomen 
zoetwater vond i). 

Door deze gesteldheid des bodems zal in het duin meer een zelf- 
standige waterstand bestaan dan in de grint- en zandheuvels van de 
Velu we, welke het water beter doorlaten. In de laatste is, tenzij leemlagen 
enz. het beletten, eenigen tijd na den regen de waterstand weinig hooger 
dan aan den voet, doordien als gevolg van het sterk doorlatend vermo- 
gen des bodems het water spoedig nivelleert. In de duinen met minder 
doorlatend vermogen zal dat nivelleeren langer aanhouden en het 
komt er zelfs niet of bijna nooit tot stand. Ook de groote opper- 
vlakte der duinen werkt hiertoe mede. Zoo is er altijd een aan- 
zienlijke watervoorraad in de duinen aanwezig, die bij veelvuldige 
regens sterk vermeerdert, en die langzaam doch regelmatig onder- 
gronds afvloeit. Het niveau van het grondwater in de duinen zal 
daardoor hooger staan dan aan beide zijden van de duinen. 

In de duinen bij Zandvoort is de waterspiegel in de kanalen der 
duin waterleiding ongeveer 2 M. boven Rijnlands boezemwater. 
Het niveau van het grondwater aan den voet der duinen wordt 
hierdoor bepaald, en men kan aannemen, dat uit het midden der 
duinen naar den voet er aldus een verval van ruim 2 M. in het 
grondwater-niveau plaats heeft. Wij zeggen ruim 2 M., omdat in 
genoemde kanalen het water. natuurlijk lager staat dan in het hart 
der 'duinen. Van deze kanalen zal de grondwaterspiegel in de 
duinen naar beide zijden langzaam rijzen. 

De hoogleeraar Henket verrichtte in Juli en in Nov. 1866 waier- 



I) Vcrsl. en Med. der Kon. Akad. v. Wet. Nat. 1878, pag. 224. 



Digitized by 



Google 



i87 

passingen in de duinpannen tusschen Scheveningen en Wassenaar, 
en liet daarbij onderzoekingen naar den stand van het grondwater 
doen (met het oog op de Haagsche waterleiding), iets wat in 1868 
werd herhaald. In het natte jaar 1866 en in het droge jaar 1868 
werd een nagenoeg gelijke grondwaterstand gevonden. Men vond 
het hier van i tot 7 M. onder de golvende oppervlakte en van 2**^ 
tot 8,5 M. boven den stand van Rijnlands boezem, al naar de 
hoogte des terreins en naar den afstand i). 

Zelfs in de droogste tijden van 1876 daalde de waterstand inde 
Haagsche duinwaterleidingkanalen niet lager dan i M. + A. P., 
terwijl Delflands boezempeil tegelijkertijd 0,40 k 0,50 M. — A. P. 
stond. Dit leverde aldus een verval van 1,40 k 1,50 M. 

Gemakkelijk valt uit een en ander af te leiden^ dat het niveau 
van het grondwater in de duinen op zijn minst 1 ^ 3 M. boven 
dat der boezems van Holland zal liggen, terwijl het op vele plaatsen 
locaal hooger ligt door oer- en veenlagen. Uit het midden van de 
duinen moet dit niveau noodwendig hellen naar beide zijden ; naar 
de zee zoowel als naar het land. Werkelijk werd dit waargenomen 
bij het onderzoek der duinen voor de Amsterdamsche duinwater- 
leiding. Men vond toen eene scheiding of rug van hoogsten water- 
stand in de duinen; ten oosten van dien rug vloeide het water 
naar Holland en ten westen er van naar de Noordzee. Aan dit 
laatste is het zoete water in de duinen nabij de zee te danken. 

Het naar het oosten ondergronds afvloeiende water komt door 
diepere zandlagen niet zelden op verren afstand als w^/ weder aan 
de oppervlakte. Zoo vindt men o. a. in de Haarlemmermeer wellen 
of bronnen, die blijkbaar met het duin water in verbinding staan. 
Een geruimen tijd na veel regens beginnen de wellen in den polder 
heviger te werken 2), wat aan den langzamen ondergrondschen 
afvoer in de duinen moet worden toegeschreven. 



i) Verwey. Waterbouwkunde, pag. 267. 

Ort. Iets over kwel en verdamping. (Versl. en Med. der Kon. Akad, van 
Wet. Nat. 18781. 

2) Ort. Iets over kwel en verdamping, (t. a. p. pag. 7). 



Digitized by 



Google 



iS8 

De afvoer van het water in de duinen heeft ook plaats op de 
duinenpannen en valleien. In de vorige eeuw waren deze over 
't geheel veel moerassiger dan thans. Reeds zegt Kops i), dat bij 
zijn toenmalige inspectie door ervaren lieden algemeen verzekerd 
was, dat de duinen van jaar tot jaar droger werden. De oorzaak 
'er van weet hij niet op te geven; daar het peil der rivieren ver- 
hoogde, scheen het hem te meer vreemd. Door den heer Twent 
van Raaphorst, die in 1805 de duinen tusschen Wassenaar en 
Scheveningen bezocht, wordt iets dergelijks verzekerd 2). Zoo is 
het opmerkelijk, wat de heer Gevers bericht, dat na den drogen 
zomer en herfst van 1822, waardoor de boezemstanden buitengewoon 
laag waren, vele duinvalleien blank stonden, o. a. de vlakte van 
Waalsdorp (zie pag. 181), het Watervlak aan het begin der Hoepbeek, 
het Vogelenveld enz. 3). De heer Gevers laat er op volgen, dat 
dit was vóór den hevigen regen van het voorjaar 1823, als wilde hij 
verband hiertusschen zoeken. Ons komt het waarschijnlijker voor, 
dat de droge zomer en herfst invloed op het doorlatend vermogen 
van de zandgronden zullen gehad hebben, waardoor het water uit 
het duin naar genoemde vlakten wegvloeide. 

Toch was de vochtigheid in de duinvalleien nog nadeelig voor 
de ontginning, toen de heer Gevers de duinen onderzocht. En wij 
zeiden reeds vroeger, dat thans de droogte er algemeen hinderlijk 
is voor den landbouw. 

Waaraan dat verminderen van den watervoorraad der duinen 
moet worden toegeschreven, is moeielijk te zeggen. Tegenwoordig 
moeten de verschillende duinwaterleidingen er invloed op uitoefe- 
nen. Ook de betere waterlossing van Rijnlands boezem en andere 
boezems door de stoomgemalen in deze eeuw zal niet zonder invloed 
daarop geweest zijn. 

i) J. Kops. Tegenwoordige staat der duinen. 1798, pag. 114. 

2) Twent van Raaphorst. Wandeling door de duinen. 1805. 

3) Mr. D. T, Gevers. Verhandeling over het toegangbaar maken van de 
duinvalleien. 1826, pag. 21. 



Digitized by 



Google 



XIV. HET LAND TUSSCHEN DEN IJSEL, DEN RIJN, 
DEN KROMMEN RIJN, DE VECHT 
EN DE ZUIDERZEE. 



§ I. OVERZICHT. 

Tusschen den Gelderschen IJsel, den Rijn, den Krommen Rijn, 
de Vecht en de Zuiderzee ligt een groolendeels hoog terrein, waarop 
in het oosten en in het westen zich heuvelrijen, de hoogere Vduwe 
heuvelrij en de lagere Ütrechtsch-Gooische heuvels^ in een noordelijke 
en noord-westelijke richting als randheuvelketens uitstrekken, en dat in 
het midden (hoewel dichter naar den westkant) door eene vallei, de 
Gelder sche z'^e/Z^t/, doorsneden wordt. Het is als een diluviale delta, welke 
hier voor den Rijn is gevormd, en waarom deze rivier zich uitwegen 
moest zoeken. In het oosten en westen daalt dit plateau met steiler 
randen af en helt in het midden zacht naar de Vallei. Zeer zeker 
hebben de wateren des Rijns de Geldersche Vallei eenmaal door- 
stroomd, en zelfs gedeeltelijk de vallei gevormd. De genoemde 
rivieren omsluiten dit gebied met zoomen van jongere rivier 
afzettingen, waar de oudere en hoogere formaties zich scherp van 
de lagere, jongere vormingen onderscheiden, en de schoonheid der 
heuvelachtige terreinen van vruchtbare landouwen vergezeld gaat. 

Dadelijk blijkt, dat wij thans het polderland verlaten hebben. 
De hydrographische gesteldheid kent hierdoor in dit land over 
't geheel niet die scherp begrensde indeelingen in boezemgebieden 



Digitized by 



Google 



190 

of afwateringsterreinen, welke in het polderland door wetten, reg- 
lementen en contracten zijn omschreven, en door kunst tot stand 
worden gebracht. Hoewel veel geleid door den mensch, heeft toch de 
natuur de afwatering des lands meest bepaald door de orographische 
gesteldheid van de terreinen. Daarom verbinden wij thans de 
beschrijving der afwatering aan laatstgenoemde, en niet, analoog 
aan het polderland, aan die van rivieren of boezems. 

Wij zullen dit gebied oro-hydrographisch in de drie deelen be- 
handelen, waarin de natuur het verdeeld heeft, nl. : 

A. Het Utrechtsch-Gooische heuvelgebied. 

B. De Geldersche vallei. 

C. Het Veluwe gebied. 

Hiernevens geven wij een tweetal doorsneden van dit terrein, welke 
deze indeeling en orographische gesteldheid duidelijk doen uitkomen. 



SOM^AÏ. 



AP£ 




Lengteschaal der beide figuren i : 600.000. — Hoogteschaal i : 5000. 

Verklaring: De figuur geeft eene doorsnede van den IJseloever bij Deventer A, 
over den Aardmansberg B, langs het Uddelermeer C, doos het Eemdal nabij 
den mond D, over de hoogte tusschen Laren en Hilversu m E, naar V GravelandY, 



50M*4E 



AP 




Verklaring : De figuur geeft eene doorsnede evenwijdig aan de eerste figuur en 
eveneens in rechte lijn van het oosten naar het westen genomen, van den lysehever 
hl] Doesburg D f over den Tonberg H, door de Geldersche Vallei h\] Venendaal C. 
over den Darthuizerberg A, en naar de landen aan den Krommen Rijn E. 



Digitized by 



Google 



191 



§ 2. HET UTRECHTSCH-GOOISCHE HEUVELLAND. 

Het Utrechtsch-Gooische heuvelland wordt in het westen begrensd 
door de kleilanden ten oosten van den Krommen Rijn en de lage- 
venen (ten noorden van Weesp de kleilanden) ten oosten van de 
Vecht, en in het oosten door de inzinking der Geldersche Vallei. 

Van den Heimenberg bij Renen aan den Rijn tot Naarden en 
Huizen aan de Zuiderzee strekt zich door die streek een heuvelrij 
in een noord- westelijke en vervolgens meer noordelijke richting uit 
over eene lengte van ± 44 K.M., die in het zuiden het meest 
aaneengesloten is, terwijl in het noorden de heuvels meer geïsoleerd 
op den hoogen zandgrond voorkomen. In het Z.-O. begint de heuvelrij 
met den Heimenberg of Grebbenberg^ die met eene hoogte van 40 M. 
steil uit de Geldersche Vallei verrijst, terwijl de Rijn bijna onmiddellijk 
den voet van den heuvel bespoelt. Daarop volgen de hoogten Z//V/<?/^- 
Ing bij Renen 52 M., de BuurdscJuberg 67 M., de Elsierberg 66 M., 
hoogten ten noorden van Amerongen 66 M., de Dar thuizer berg ^^ M., 
en noordelijk van deze hoogten bij Maarsbergcn 49 M. Verder 
vindt men minder regelmatig de geïsoleerde hoogten als de Pyramide 
van Austerlitz 65 M. (deze is kunstmatig gevormd), ^t Zeis ter berg 
42 M., het hoogste der Soe%terbergen 64 M., de Galgenher g bij 
Amersfoort 40 M., de Lazarusberg bij Soestdijk 20 M , de Boomberg 
bij Hilversum 26 M.. het Larenschebosch en de Steenberg bij Laren 
32 M., de Leeuwenberg bij Huizen 18 M. + A. P. 

In het zuiden tot de Bilt daalt van de hoogste heuvelrij het 
terrein aan beide zijden af tot een smalle zoom van 10 — 25 M. 
+ A. P., en dit terrein wordt weder omringd door een zoom van 
5 — 10 M. + A. P., welke hoogte ook in het zuidelijk deel der 
Geldersche Vallei tot Scherpenzeel gevonden wordt. 

In het N. daalt het terrein van genoemd gebied successievelijk eerst 
tot 5 è. 10 M. + A. P. en daarna tot eene hoogte van i ^ 5 M. 
+ A. P. Langs de zee vindt men hier bij Oud-Naarden en Huizen 
geen dijken. Uit dat laatste gebied verheffen zich de geïsoleerde 
heuvels of hoogere gedeelten, o. a. ten Z. van Hilversum, waar op 
een eiland vormige plek van 10 tot 25 M. hoogte enkele grootere 



Digitized by 



Google 



192 

hoogten verrijzen. De Trompenberg en de Eoomberg zijn 26 M. hoog. 
De Steenberg 32 en de Leeuwenberg 18 M.. liggen in het terrein 
van 1 k 5 M. + A. P. 

In het zuidelijk gedeelte van dit terrein, ongeveer tot Driebergen, 
vormt de heuvelrij de waterscheiding tusschen het gebied der Gel- 
dersche Vallei met de Luntersche beek en den Krommen Rijn. 
Die waterscheiding ligt het dichtst naar den kant van den Krommen 
Rijn, aan welken kant ook de helling des terreins het steilst is. 
In het midden ligt een terrein, omstreeks bij het Kamp van Zeist, 
waar de afwatering niet duidelijk is aangewezen en hoofdzakelijk 
ondergronds plaats heeft. Evenwel ook hier en verder naar het 
noorden ligt de waterscheiding het dichtst naar den westkant, in 
overeenstemming met de terreinshelling. In het noorden vindt 
men een terrein, dat op de Zuiderzee afwatert. Ook hier is niet 
altijd de afwatering zichtbaar. 

Een gedeelte van deze laatste landen loost mede het water op 
den boezem van de Naarder vaart^ die van Naarden naar Muiden 
loopt, en zich hier op de Buiten Vecht-ontlast door de Oostsluis 
en door de kokers in de steenen beer ten noorden van het Muiderslot. 

De zandheuvels van Muider ber^ vormen eene geïsoleerde hoogte 
van 1,20 k 1,60 M. 4- A. P. te midden van terreinen van — 0,20 
k 0,60 M. — A. P.. De zeedijk is hier op korten afstand afge 
broken door een stellen oever met smal strand. 

§ 3. DE GELDERSCHE VALLEI. 

De Geldersche Vallei is het breede in het noorden trechtervormig 
verwijdende dal, dat van den Rijn tot de Zuiderzee zich tusschen 
de Utrechtsche heuvels en de westelijke Velu we van het zuid- 
oosten naar het noord-westen uitstrekt. Sommigen rekenen alleen 
het gedeelte ten zuiden van de lijn van Lunteren naar Amersfoort 
tot de Geldersche Vallei ; doch uit een oro-hydrographisch oogpunt 
valt deze indeeling niet te verdedigen. Ook de heer Hartog be- 
schouwt in eene landhuishoudkundige beschrijving dit dal als één 
geheel, hetwelk in het oosten begrensd wordt door eene lijn, die van 
Wageningen langs den voet der heuvelen tot Bennekom, Ede en 



Digitized by 



Google 



193 

Lun leren, vervolgens om den I^unterschen berg loopt en verder de 
grens der Wekeromsche en Otterloosche, Hartskamper, Kootwijksche 
en Garderensche zandverstuivingen volgt tot de heuvelreeks van 
Garderen naar Putten en van hier naar de Zuiderzee. 

De westelijke grens bestaat uit eene lijn, getrokken langs de 
Utrechtsche heuvelen, over de Grebsche, Renensche, Amerongsche, 
I^ersumsche, Darthuizer en Doornsche bergen, door Maarn en 
Leusden tot xAmersfoort, alwaar de rivier de Eem de verdere 
westelijke grens tot de Zuiderzee uitmaakt i). Binnen deze grenzen 
heeft de Geldersche Vallei eene oppervlakte van i 80,000 H. A. 

In het zuiden, aan den Rijnkant, wordt de toegang tot de Vallei 
verleend door eene laagte van 7 ^ 8 M. -I- A. P., die tusschen de 
Wageningsche hoogten van 35 è. 40 M. + A. P. en den Heitnenberg 
bij Renen van 40 M. 4- A. P. een sterk in het oogspringende poort 
vormt. Deze zuidelijke mond heeft eene breedte van ruim 5 K.M. 
Daar te Wageningen de gemiddelde waterstand in den Rijn reeds 
7,38 M. + A. P. bedraagt, doch bij hoogen stand tot ruim 11 M. + 
A. P. kan stijgen, blijkt hieruit de noodzakelijkheid van de bedijking 
des Rijns langs de Vallei. Een hooge dijk, de Grebbedijk, 12,80 M, 
4- A. P. te Wageningen en 12,10 M. + A. P. op de Utrechtsche 
grens aan de Grebbe hoog, sluit de Vallei naar het zuiden af. 

De Geldersche Vallei daalt naar het noorden langzaam hellende. 
Reeds in de Bennekommermeente vindt men eene hoogte ongeveer 
van 5,65 M. 4- A. P. Bij Venendaal ligt het terrein nog 6 è. 7 M. 
hoog, doch is ook hier nabij de Grift ongeveer 1/2 è. i M. lager. 
Tusschen Venendaal en Renswoude ligt midden in de Vallei de 
Emmikhuizer berg^ een geheel alleenstaande diluviale heuvel, die 
een ruim vergezicht biedt. Verder is de hoogte bij Scherpenzeel 5, 
bij Hoevelaken 4, bij Amersfoort 2 è, 3 M. en bij den Ham, (ongeveer 
73 uur beneden Amersfoort,) 2 M. 4- A. P. Naar het noorden 
daalt vervolgens de bodem snel tot 0,5 M. 4- A. P. è.o,2M. — A. P. 



l) H. M. Hartog. Landhuishoudkundige beschrijving der Geldersche Vallei, 
bekroond prijsschrift . (Tijdschrift van de Maatschappij van Nijverheid. 1866, 
pag. 76.) — H. W. Groeneveld. De Geldersche Vallei. (Vragen van den Dag 
III, pag. 44S^. 

II. 13 



Digitized by 



Google 



194 

Hoewel de helling des terreins vrij regelmatig is, vindt men er 
toch enkele kommen, waarin het water, toen het uit den Rijn hier 
nog van tijd tot tijd vrij een weg naar het noorden koos, moest 
blijven staan. Hier zijn in den loop der tijden venen ontstaan, 
die in de Vallei veelvuldig werden aangetroffen. Nabij Venendaal 
vindt men een dergelijke kom, waarin het water bleef staan, zooals 
dat ook bij de overstrooming in 1855 het geval was. Daar lag 
in ouden tijd waarschijnlijk een groot meer, het Agilmare^ dat in 
950 genoemd wordt, en waaraan misschien het in die streken nog 
bestaande Egelmeertje zijn naam heeft ontleend. Op de plaats 
van dit meer vond men later de Manensche, Renensche, Amerong- 
sche, Ginkelsche en andere venen. 

Verder vindt men een groot meer beschreven, dat zich bij de 
abdij van St. Paulus (nabij Amersfoort) zou bevonden hebben i). 
Ook wordt gewag gemaakt van een meer, dat na 777 in een 
moeras overging, en de Grauwe venen genaamd was. Hiermede 
wordt waarschijnlijk de hooge veenstreek tusschen Hoevelaken, het 
Zwartebroek, Nijkerk en Hoogland bedoeld 2). 

Ten oosten van de Eem liggen de gronden, noordelijk van de 
lijn van Soest naar de Nijkerker haven, heneden A. P. En ten 
westen van de Eem naderen de hoogere gronden van Soest en 
Baam dit water op korten afstand. Doch ten noorden van 
Baarn verkrijgt het gebied der lage gronden van. ongeveer = A. P. 
ook hier een grooter breedte, en strekt zich uit tot aan de grens 
van Noord-Holland, waar zij eindigen bij de hoogere gronden van 
Laren, Blarikum en Huizen. 

De Geldersche Vallei vangt in het zuiden aan, zooals wij reeds 
zeiden, met een smalle opening tusschen vrij steile hoogten. Verder 
noordelijk, vooral ten noorden van Lun teren, verbreedt zij zich 
naar het oosten. Het land van de Midden Velu we ten westen van 
de hooge waterscheiding der Veluwe heuvels, behoort in hydrogra- 
phisch opzicht nog tot de Vallei, Verschillende beken stroomen 



i) Bondam. Charterboek van Gelderland. 2de st. pag. 180. 
2) Martog. t. a. p. pag. 86. 



Digitized by 



Google 



195 

van hier langs de naar het westen zacht dalende helling to^ in de 
Vallei, waar zich de meeste bij Amersfoort vereenigen en de 
Rem voeden. De voornaamste van deze zijn de Groote beek^ de 
Esveldsche beek^ de Barneveldsche beek en de Luntersche beek. 

De Geldersche Vallei is in geologisch opzicht een diluviale Rijnarm, 
welke riviertak hx*t land erodeerde, en die te gronde ging na het tijdperk 
der zandafzetting. Nog zou een aanzienlijk gedeelte der Vallei 
gemakkelijk weder door Rijnwater bevloeid kunnen worden, wat 
bij goede waterloozing van veel economisch belang zou zijn. Daar 
de oostelijke afhelling van den Utrechtschen heuvelrug vrij steil is, 
kunnen zich aan dien kant geene belangrijke stroompjes ontwikkelen. 

§ 4. DE AFWATERING VAN HET ZUIDELIJK DEEL DER GELDERSCHE VALLEI. 

Eene voldoende afwatering van de Geldersche Vallei zelf is nog 
altijd een open vraagstuk. Wel blijkt uit de helling des terreins 
naar het noorden, (tot Amersfoort =t 0,2 M. per K. M.), dat in die 
richting de afwatering moet plaats hebben. De waterstand op den 
Rijn is gewoonlijk hooger dan het lage terrein van de Vallei. Doch 
verschillende bezwaren zijn er nog aan het tot stand komen van 
eene geregelde afwatering in N. richting verbonden. 

De Rijndijk aan de Grebbe is bij hoogen waterstand de eenige 
schutsmuur voor de geheele Vallei. Wat er zou geschieden, als 
deze doorbreekt, leert niet alleen een vergelijking der waterstanden 
door de theorie, doch ook de geschiedenis door voorbeelden. In 
1595 bijv. brak de Wageningsche dijk door, waardoor het water 
met zooveel kracht naar Amersfoort stroomde, dat het wachthuis 
en de brug aan de Slijkpoort van die stad instortten, een gedeelte 
der poort en stadswallen wegspoelde, en men met schuiten door 
meest alle straten van Amersfoort voer i). De overstrooming van 
1643 bij eene doorbraak in denzelfden dijk berokkende eveneens 
aan Amersfoort groote schade, zoodat o. a. de Koppelpoort bijna 
geheel en al vernieuwd moest worden. Ook in 1 651 liep Amersfoort 
door eene dergelijke overstrooming onder water. 



i) Abr. V. Bemmel. Beschrijving van Amersfoort. 1760. II, pag. 942. 



Digitized by 



Google 



196 

Om het noordelijk gedeelte der Geldersche Vallei bij doorbraak 
van den Grebbedijk tegen het overstroomingswater te beschermen, 
werd in 1652 den ingezetenen van Eemland en Amersfoort door 
de Staten van Utrecht octrooi verleend, om dwars door de Gel- 
dersche Vallei, van het Egelmeer tot den Rooden Haan en van 
het fort aan de Buursteeg tot aan de hooge gronden achter Rens- 
woude, een slaperdijk te leggen i). Hierdoor werd de Vallei in 
twee deelen verdeeld. Door dezen dijk moest het zuidelijk gedeelte der 
Geldersche Vallei voortaan alleen loozen op den Rijn bij Wagenin- 
gen, hetgeen door de lage ligging der Vallei evenwel niet geregeld 
kon plaats hebben. Dit gaf aanleiding tot tal van onderhandelingen. 

Na de doorbraak van den Grebbedijk in 171 1 werden op 11 Jan. 1714 2) 
en op 25 Jan. 1727 3) conventiën tusschen Utrecht en Gelderland gesloten, 
waarbij getracht werd de verschillende belangen van de onderscheidene deelen 
der Vallei zooveel mogelijk in overeenstemming te l)rengen. Aan de eene zijde 
werd aan de landen boven den genoemden slaperdijk^ d. i. aan den Rijnkant 
er van, die de cxonorecrende /tfWöVw (e xonerare = ontlasten, ontledigen) genoemd 
werden, het recht toegekend, om hun water door middel van heulen in genoemden 
slaperdijk af te voeren naar het land benedenwaarts, terwijl aan den anderen 
kant de landen beneden (ten N. van) den Slaperdijk gewaarborgd werden tegen 
te grooten wateraan voer van de hooger liggende landen. 

Door deze conventiCn wordt nog thans de rechtsbetrekking van den waterafvoer 
in de Geldersche Vallei beheerscht. Slechts enkele malen is er van afgeweken, 
zooals o. a. in 1829, toen de Gouverneur van Utrecht, begaan met de bewoners 
boven den Slaperdijk, het openen van meer doorlatingen in den Slaperdijk 
gelastte. 

Van tijd tot tijd werden er klachten ingediend over het niet juist nakomen van 
de bepalingen in genoemde conventiën, zoowel door de belanghebbenden boven 
als beneden den Slaperdijk. De belanghebbenden boven den Slaperdijk beweerden ^ 
dat den Slaperdijk gelegd is in het belang der lager gelegen landen ten noorden 
van den dijk, en dat deze dus ook een evenredig grooter aandeel in de kosten 
van eene verbeterde waterloozing moesten betalen. Verder bestreden zij de 



1) Utrechtsch Plakkaatboek II, pag. 172. Hierin vindt men verschillende 
plakkaten omtrent den Slaperdijk. 

2) Groot Geldersch Plakkaatboek III, pag. 266. 

3) Groot Geldersch Plakkaatboek III, pag. 444. 



Digitized by 



Google 



197 

conventiën, die het natuurlijk recht van waterloozing der hoogere op de lagere 
gronden krenken. 

Doch de belanghebbenden heneden den Slaperdijk beweerden, dat door de 
heulen meer en ander water geloosd werd, dan bij de conventien was bepaald, 
en dat zij, zoo de bepalingen der conventien trouw werden nageleefd, geen last 
zouden hebben van het water. Wilde men nu een betere waterloozing op de 
Eem, dan gaf de conventie den landen boven den Slaperdijk daartoe het recht, 
om de Schoonderbeeksche Grift, (zie pag. 199), de Broeksloot en de Luntersche 
beek naar welgevallen te verwijden, doch op eigen kosten en zonder nadeel 
der landen beneden den Slaperdijk i). 

Zoo had een eenvoudige slaperdijk de bewoners der Geldersche Vallei in twee 
elkander vijandige partijen verdeeld. 

Verschillende plannen werden er gemaakt, om deze moeielijke quaeslie op te 
lossen. Hoe zwaar dat viel blijkt reeds hieruit, dat in en na 1740 gedurende 
9 jaren vruchteloos tusschen Gelderland en Utrecht onderhandeld werd, om deze 
gemeenschappelijke waterloozing beier te regelen. Toen in 18 16 de ingelanden 
van Venendaal de heulen in den Slaperdijk aan den Rooden Haan wederrechte- 
lijk hadden opengebroken, om het water beter te kunnen doorlaten, en deze heulen 
door de Staten van Utrecht onder bescherming der gewapende macht waren 
hersteld en gedicht, werd de zaak weder ernstig ter sprake gebracht. Zoo werd 
in 181 7 door gecommitteerden van Gelderland en Utrecht op conferentiön be- 
sloten, dat de Luntersche beek zou worden uitgediept. Evenwel werd dit slechts 
ten halve uitgevoerd. 

In 1817 bracht de inspecteur van den Waterstaat, A.F. Goüdriaan op last des 
Konings een verslag uit, (No. 54) waarin betoogd werd, dat het wel moeielijk doch 
niet onmogelijk was de afwatering van de Geldersche Vallei te verbeteren, en dat 
dit kon samengaan met het reeds vroeger gemaakte plan, om Amsterdam van zoet 
water uit den Rijn te voorzien. In de Grebbe zou dan het zoet water van den 
Rijn afgetapt, en van hier door een kanaal naar Amsterdam gevoerd worden. 

Niet alle tot verbetering ingediende ontwerpen zullen wij nagaan. Wij wijzen 
alleen nog op het ontwerp van den inspecteur-generaal Blanken, om een be- 
vaarbaar kanaal van de Grebbe naar Amersfoort te graven, 1822, en op de 
memorie door Mr. H. M. A. J. Van Asch van Wijck in 1870 2) aan de Staten van 

i) Zie: Verslag over den toestand der waterloozing in de Geldersche Vallei, 
opgemaakt door de Afdeeling Neder Veluwe der Geldersche Maatschappij van 
landbouw, 1861. (Mededeel, en berichten der Geldersche Maatschappij van 
landbouw 1861, pag. 2 enz.) 

2) Van Asch van Wijck. De verbetering der waterafleiding in de Geldersche 
Vallei in verband met eene kanaal vaart in deze landstreek. 1842. 



Digitized by 



Google 



198 

Utrecht ingediend, waarin werd voorgesteld, om een kanaal te graven door de 
Vallei, dat behalve voor afwatering ook voor bevloeiing zou dienen. De scheep- 
vaart maakte in zijn plan een punt van ondergeschikt belang uit. 

Geen van al die plannen kwam tot uitvoering en ook door de in 1852 benoemde 
Staatscommissie, die de verschillende plannen en ontwerpen beoordeelde, werd niets 
tot stand gebracht. Nog- werd voor een korten tijd de hoop gevestigd op het door 
Amsterdam gewenschte kanaal van den Rijn door de Geldersche Vallei. Doch dit 
ontwerp moest vallen voor de heerschappij der politiek (Zie I, pag. 399 ; II pag. 87). 

De plannen omtrent de oprichting van een groot waterschap in de Vallei, die 
in 1887 aanhangig waren, werden uit vrees voor de kosten door de ingelanden 
zelf bestreden, en toen werd het besluit genomen, de bestaande uitwateringen 
te verbeteren. Evenwel zal hiermede het vraagstuk niet opgelost zijn. 

De waterloozing van het deel der Geldersche Vallei ten zuiden 
van genoemden Slaperdijk of der exonoreerende landen, geschiedt 
thans op de Grift^ die het water bij den Rooden Haan door den 
Slaperdijk op de Broekersloot brengt, en langs deze wordt het water 
verder naar de Luntersche heek gevoerd. Door de Luntersche beek 
komt dit afvoerwater te Amersfoort op de Eem. 

Die afwatering is dikwijls in het voorjaar niet voldoende, daar 
genoemde beken geen genoegzame diepte en breedte bezitten, en 
dikwijls door de landen onder Ede en Lunteren bij de uitbrei- 
ding der ontginning en verdeeling der markegronden meer met 
water belast worden, dan zij kunnen afvoeren. Dan blijven de 
exonoreerende landen dras liggen. Bij lage waterstanden op den 
Rijn voeren de lage landen onder Bennekom en W^ageningen in 
het zuidelijk gedeelte der Valleiooknog water af door de Z^^'^^rdrd?/, 
een breede sloot, die langs de grachten van Wageningen op den 
Rijn loost. 

De Grift watert thans bijna in 't geheel niet meer af op den 
Rijn, waarmede zij in het zuiden door de Grebbesluis in verbinding 
staat. In 1885 geschiedde dit slechts gedurende 5 dagen (in Jan. 
3 en in Febr. 2 dagen) met een verval van 0,16 en 0,24 M. In 
1886 had die loozing maar op 2 dagen in October plaats, meteen 
verval van 0,035 M. i). 

i) Prov. Verslagen van Utrecht, 1885 Bijlage B. pag. 5, en 1886 B, pag. 5. 



Digitized by 



Google 



199 

De Grebbe of Grift. Historie en tegenwoordige toestand. De 

Bisschop Davids Grift of Grebbe is gevormd door kanalisatie van een 
stroompje in de Geldersche Vallei. De venen tusschen de Amerongsche 
en Eister bergen tot aan de Geldersche grenzen waren het eigendom 
van de Utrechtsche bisschoppen. Tot hunne ontginning liet bisschop 
David van Bourgondië tusschen de jaren 1473 — ^4^^ ^^^^ ^^ift 
graven, welke nog zijn naam draagt. Zij begint bij het tegenwoordig 
Venendaal, en vereenigt zich met de Kromme Eem en de Grebbe^ die 
te zamen naar den Rijn liepen. In het midden der i6de eeuw verleende 
Keizer Karel aan de veengenooten octrooi, om de Grift, die men ver- 
waarloosd scheen te hebben, weder op te maken, en den 28sten Nov. 
1553 vaardigde hij eene ordonnantie op het gebruik der vaart uit i). 

De meer westelijk gelegen venen werden door hem voor een 
bepaalden tijd afgestaan aan den ondernemenden Antwerpenaar 
Gil bert van Schonerbeke. Tothet vervoer van de turf naar Amersfoort 
begon deze een kanaal te graven van de Bisschop Davids Grift 
naar de Luntersche beek. Dit kanaal werd wel niet door hem 
voltooid, maar verkreeg toch den naam van Sc hoonder beker Weterinj^ 
of Grift Op de vereenigingsplaats der Bisschop Davids Grift met de 
Schoonderbeker Grift ontstonden Geldersch en Stichtsch Venendaal 2). 

De Bisschop Davids Grift is door eene militaire inundatiesluis 
aan den Grebbedijk afgesloten. Oorspronkelijk was hier een uitwate- 
ringsluis, waarvan de deuren bij laag Rijnwater van zelf opengingen 
naar den Rijn toe, zoodat dan het water der Vallei uitliep in den 
Rijn. Doch bij hoog Rijnwater moest de turf, welke men afvoerde, 
hier overgeladen worden, omdat dan het varen uit de Grift in den 
Rijn niet kon geschieden 3). 

De Grebbe-linie. Toen in het jaar 1629 de Spanjaarden in de Veluwe 
drongen, gaven de Staten van Utrecht, vermoedelijk tengevolge van den raad 
door prins Maurits gegeven, bevel om de sluizen van de Grebbe te openen ten 
einde het water naar Amersfoort en Bunschoten te laten loopen, en verder om eene 



i) Groot Geld. Plakkaatboek I, pag. 141. 

2) Sloet. Bijdragen tot de kennis van Gelderland, pag. 184. 

3 Tegenw. Staat XII, pag. 80. 



Digitized by 



Google 



200 

schans bij Woudenberg en een retranchement te Amersfoort aan te leggen. 
Hieruit is waarschijnlijk het denkbeeld ontstaan, om eene blijvende waterlinie 
tot verdediging door de Geldersche Vallei aan te leggen. 

In de jaren 1671 en 1731 werd de mogelijkheid daarvan onderzocht, entusschen 
1750 en 1754 werd het werk van den Rijn tot de Zuiderzee tot stand gebracht. 
Tot leiding van het water werden keerdammen met grachten er langs aangelegd, 
op onderscheiden punten verbonden door dammen, met sluizen en heulen voorzien, 
waardoor de kommen, door die keersluizen en de dammen gevormd, onderling 
gemeenschap konden verkrijgen. 

Het schijnt dat de werken, ook na herhaalde veranderingen, niet voldeden ; 
althans, bij besluit van Koning Lodewijk van 15 Febr. 1809 w^erd de linie 
als verdedigingsmiddel opgeheven. 

Door het slechten der verdedigingswerken van Arnhem en bij Geldersoord 
achtte de militaire genie het noodig, dat de Grebbe-linie weer in verdedigbaren 
toestand gebracht werd. Met dit doel werd in Febr. 1843 ^^ne commissie tot 
onderzoek van het ontwerp der werken voor de inundatie der Geldersche Vallei 
benoemd. Zoo werd deze linie weder hersteld. Om de inundatie der Vallei 
snel te doen plaats hebljen, is de bodembreedte van de sluis vóór de Grift in 
den Grebbedijk 8 M. breed en ligt de drempel 4 M. -f A. P. hoog. 

§ 5. DE WATERAFVOER DER NOORDELIJKE HELFT VAN DE 
GELDERSCHE VALLEI. 

a. De Barneveldsche of Flierbeek. De Barneveldsche beek 
ontstaat uit de vereeniging van de Groote en Kleine Valksche beken^ 
die voortkomen uit verschillende waterloopen bij Wekerom, Otterloo, 
Hartskamp (gemeente Ede) en Essen (gem. Barneveld). Onder 
Barneveld wordt deze beek opgestuwd tot het drijven van 2 water- 
molens. Daarna neemt de Barna^eldsche beek achtereenvolgens aan 
den rechterkant op : de Kleine Barnei^eldsche beek^ de Esvelder beek 
en de /loci^elakensche beek^ die aanvankelijk Klaarwater beek heet. 
Aan de linkerzijde ontvangt de Barneveldsche beek water van: de 
Modderbeek^ die achtereenvolgens de Aschatter of Moerster beek 
en de Hamersveldsche wetering opneemt. Waar de Grebbe-linie de 
Barneveldsche beek, de Hamersveldsche wetering en de Aschatter 

I) Sloet. |{ij(lra;^en t»)t de kennis v.in Geldcrl.ind. ])nrr. 186. 



Digitized by 



Google 



20I 

beek snijdt, zijn militaire inundatie-sluizen aangelegd. De Barneveld- 
sche beek kan door een vrije afwatering, benevens na vereeniging 
met de Luntersche beek door sluizen, op de Eem bij Amersfoort 
loozen. 

b. De Luntersche beek. De Heiligenberger oi Luntersche beek 
ontstaat op de hooge gronden bij I.unteren, en wordt vervolgens 
door een tal van kleine wateren gevoed. Zoo ontvangt zij rechts: 
de Overwoudsche beeK de Modderbeek (ontstaan uit de samenvloeiing 
van de Buzensche en Nederwoudsche beken), de Leusbroekcr wetering 
en de Grift. Aan de linker zijde ontvangt zij: de Veenderbeek^ 
de Fliertsche beek en de Munnike beek (welke beide het water 
uit de Doesburger (gem. Ede) en Edér venen afvoeren), de ^r^^>^^r 
sloot bij de Lambalge brug (die het water van de Grift afvoert, dat 
hij bij de Roode Haan ontvangt), en de Leisloot^ die water van de 
Laagerfsche wetering afvoert. Verschillende sluizen, militaire inun- 
datie-sluizen en andere, zijn in deze beken aangelegd. 

Boven Amersfoort verdeelt zich de Luntersche beek in drie takken, 
waarvan de eerste noordwaarts loopt naar de Barneveldsche beek, 
en zich met deze ontlast op de Eem door de schotbalksluis in den 
mond van de oostelijke Singelgracht, genaamd de Groote Koppel. 
De tweede tak loopt door de stad en ontlast zich door de schut- 
sluis bij de Koppelpoort op de Eem. De derde tak stroomt ten 
zuidwesten van Amersfoort en ontlast zich door de schotbalksluis 
in den mond van de zuid- westelijke Singelgracht, genaamd de 
Kleine Koppel of Geldersche balken., op de Eem. Bovendien be- 
staat er eene kleine vrije uitstrooming van de oostelijke Singelgracht 
op de Eem. 

DE EEM. ^De Eem is eene vrije, open rivier, die het water van 
genoemde beekjes benevens uit de landen langs de rivier zelf van 
Amersfoort naar de Zuiderzee afvoert. Door die vrije verbinding 
met de Zuiderzee is haar waterstand van de zee afhankelijk, en 
hierdoor wisselt hij af met de getijden. De hoogte van den water- 
stand op de Eem leert ons de tabel op pag. 204 kennen. De Eem 
stroomt in de noordelijkste helft door landen met een hoogte van 
== A. P. of daar l^neden. Daar de gemiddelde jaarlijksche stand 



Digitized by 



Google 



202 

(1887) hier 0,09 M. + A. P. bedroeg, doch in genoemd jaar de 
hoogste stand 1,07 M. + A. P. was, blijkt hieruit de noodzakelijk- 
heid van bedijking of bekading. 

Ten oosten strekt zich in de geheele lengte van Amersfoort af 
een dijk langs de Eem uit naar zee; ten westen vangt de bedijking 
aan ten noorden van Baarn, waar tusschen de Eem en de hooge 
gronden van het Gooiland eenige polders, de Heinellen polder^ de 
Noordpolder ^ de Maatpolder en de Zuidpolder ^ liggen. 

De afwatering van deze landen beneden Amersfoort heeft meestal 
rechtstreeks op het buitenwater plaats, d. i. op de Eem of op de 
Zuiderzee^ gedeeltelijk door natuurlijke afloozing, gedeeltelijk door 
l^emaling. Verder voeren de Drakenburger wetering^ de Praam- 
gracht en de Eemnesser vaart nog water af op de Eem. 

Historische opmerkingen. De Eem is eene rivier, die al vroeg in de 
historie genoemd wordt. Reeds in 776 is er sprake van de „Hemus" in een brief' 
waarbij Karel de Groote Lisidana of Leusden, in 't land op de Eem „aan de 
kerk van ?t. Maarten schonk*' i). Reeds vroeg werd deze rivier ook bevaren 
en zeer zeker heeft Amersfoort aan deze rivier zijn ontstaan te danken. Door 
het belang van de Eem voor de scheepvaart van Amersfoort werd zij in den 
loop der lijden telkens verbeterd en uitgediept 2). In 1555 werd de Eem bij 
Amersfoort verlegd en de Nieuwe Eem gegraven van de Koppelpoort bij 
Amersfoort af lot de Drie sluizen. Na 1613 had er een aanzienlijke verbreeding 
en verdieping van de Eem alsmede van de Oude Eem plaats, en in 161 6 werden 
de Eem en de bijslroomen, die haar vormen, aan schouw onderworpen 3). De 
diepte van de Eem werd hierbij bepaald op 61/2 voet. 

De mond van de Eem loopt als tusschen twee dijken een eindweegs in zee 
vooruit. De reden van dit uitbouwen der monding is eene ondiepte, w^elkezich 
in het midden der 17de eeuw vóór den mond van de Eem in zee vastzette. 
Deze ondiepte belette, dat de veerschepen bij laagwater de rivier konden binnen- 
of uit varen, zoodat zij zelfs somtijds tot 14 dagen moesten wachten. Na vele 
adressen van de gilden, en vooral van het schippersgilde in Amersfoort, werd 
in 1670 besloten aan het eind der rivier, zeewaarts in, eene uitpaling te maken 



i) Heda. pag. 41. — Tegenw. Staat, van Utrecht, pag. 241. 

2) Archief van kerkelijke en wereldsche geschiedenissen inzonderheid van 
Utrecht, door J. Dodt van Flensburg. III, 1843 pag. 67. 

3) Groot Plakkaatlioek van Utrecht. II, papf. 178. 



Digitized by 



Google 



203 

ter lengte van 80 & 90 roeden alsmede een schephoofd ter lengte van 27 roeden. 
Sedert dien tijd is de monding werkelijk verbeterd, hoewel nog altijd op verdere 
verbetering der rivier wordt aangedrongen, zooals o. a. blijkt uit dejaarlijksche 
Versl. der Prov. Utrecht. Daar de provincie deze taak aan Amersfoort als 
eerste belanghebbende wenscht op te dragen, blijft verbetering tot hiertoe 
achterwege. 

Over den waarschijnlijk oudsten loop van de Eem als tak van den Rijn hebben 
wij reeds gesproken. 

Wij geven hierbij een overzicht van de waterstanden i) in de 
verschillende stroompjes over 1886, om hieruit den loop en betrek- 
king dezer afwatering tot het land eenigszins af te leiden. 

i) Zie: Verslag der Prov. Utrecht over 1886. 



Digitized by 



Google 



o 



« 


ri 










«u 






V 


Ti 


^ 






P 


T, 


V 


^ 


O 


't: 



c ;« 



CI4 



in 

O 









O 






bn 



c c c c 



Ö C3 C 



VO 



O O CO •-" 

inoq^vo N 

^ ^ ^ fT cT 






c c c c 

rt S3 D ei 



c c c c 



N o 00 
w in co 

M^ O O 



c c c 

3 rt 



c c c 



o 

c 

S 

.2 



o 



o 



I 



t*» o 00 1000 
m co O fo t^ 

VO vovO ^ «o 



VO 00 00 P< 

VO 00 m o 



00 

M 

10 



00 O 



^ to ro 
00 O VO 






^ 

^ 



o 
o 

X 



-O • c 

.s • > 

^ BK 
g ^ o 

> ^ 



. bO 

. ^ bo . t^ 



w 3 g^2 fl 



bo^ 

« 'S 

■ > 

O) 

Cl ö 
> t^ 

C4 c« 

PQPQ 



.2 »2 



O 

■e. 



o ö b '^ 



I . 

00 o 

'^tOO^ 






co M 

't '^ 
o" o 



c 
a 



o 

00^ 

o 

'S 

3 



r^ in 
N O 



O 
co 



co 
CO 

o" 



P-I 

< 
I " 

M VO 

O N 

6 d 



co ^ in 
d o_ . cT 
o ^P 



lü 3 eS 

•1 Ë^ 



bo 






<W 



S S S 1 



WW c 



4) ü '5 



T3 OJ 
'3 ■•-» 



Digitized by 



Google 



205 

Nog voegen wij hieraan toe eene opgave van den waterafvoer, 
zooals die door de heeren van Idsinga en van Rijn wordt mede- 
gedeeld in hunne nota betreffende de ontwerpen tot verbetering van 
den waterafvoer in de Geldersche Vallei i). 

Als gevolg van regen en sneeuw in Januari j88ó was de water- 
afvoer de volgende: 



Plaats vaii waarneming. 



Afvoer j^er i* Stroomgebied 
in M'. in Il.A. 



Afvoer per i 

en per 

looo H.A. 



1 . Broekersloot (beneden 
Roode Haan) 

2. Luntersche beek (beneden I 
Lambalgen brug) 

3. Luntersche beek (boven 
Amersfoort) 

4. Barneveldsche beek (boven 
Modderbeek) 

5. Modderbeek 



6,135(2 ijan.) 
ii,356(2oJan.) 
14,535(2 ijan.) 



12,430 

2J(,l8o 

32,275 



10,781 (2oJan.) 32,460 
2,539(1 2jan.), 4,325 



29% 
32 

27 

20 
35 



§ 5. DE VELUWE. OROGRAPHISCHE GESTELDHEID. 
ALGEMEEN OVERZICHT. 

De Veluwe neemt het oostelijk deel van het thans te bespreken 
gebied in. Hier bereikt het terrein zijne grootste verheffing, onge- 
veer in eene naar het westen gebogen lijn van Arnhem naar HaUum» 
Eene heuvelrij strekt zich hier van het zuiden naar het noorden 
uit. In die heuvelrij bereikt de bodem eene hoogte van 50 tot 
100 M. + A. P., hoewel enkele gedeelten hiervan een grootere 
hoogte bereiken. De voornaamste afzonderlijke verheffingen in die 
heuvelrij zijn van het zuiden af de volgende: 

De Galgenberg bij Arnhem ruim 80 M., de Tonberg\l\) Beekhuizen 
86 M., de Zijpenherg 100 M., het Imbosch 1 10 M., de Prins Willems- 



i) Ontleend aan Vcrvvey, Waterstaatsbeschrijving, die haar in een noot 
mededeelt. 



Digitized by 



Google 



2o6 

bers^ ten oosten van het Imbosch 70 M., de Postberg 104 M., de 
Philipsbcrg 107 M., het GrooU Engelander zand%o M., de IVaterberg 
bij Ikekbergen 70 M , in het Soerenschebosch hoogten van 107 M., 
en de Aardmansber^ 107 M. Ten noorden van de Soerensche 
bosschen daalt deze heuvelrij naar het noorden af tot minder dan 
50 M. + A. P. In de lijn der hoogste verheffingen ligt de water- 
scheiding tusschen het Eemgebied en Zuiderzee gebied aan den 
eenen, en het IJsclgebied aan den anderen kant. In het zuiden 
strekt zich in aansluiting bij genoemde rij een heuvelreeks van 
Dieren naar Wageningen langs den IJsel en den Rijn uit. Deze 
heuvels vormen den schoonen Veluwenzoom, die met een steilen rand 
van zand- en grintdiluvium de rivierkleilanden begrenst. De hoogte 
van deze heuvels is bij Dieren 70 M. + A. P. (de Prins Willems- 
berg), ten noorden van Arnhem d- 70 M, de Zilverberg bij Doren- 
werd 60 M. en de Wageningsche berg op het hoogste punt 46 M. 

Ten W. van het Uddeler meer strekt zich nog een heuveltak 
in N.-W. richting naar Harderwijk uit. De hoogste punten hiervan 
zijn: de ZoUenberg 47 M., ten O. van Putten 46 M. en de Galgen- 
berg 37 M. 4- A. P. Ten oosten van deze heuvelrij loopt de 
Hierdensche beek van het Uddeler meer naar het noorden. 

In zijn geheel vormt de Veluwe aldus een plateau, dat van den 
voet der hoogste heuvelrij zacht naar het westen afhelt, terwijl in 
het oosten de heuvels na een smalle overgangsstrook op het effene 
terrein ten oosten van het Apeldoornsche kanaal rusten. 

De westelijke helling vormt in het midden een komvormige depressie, 
welke naar den kant van de Geldersche Vallei geopend is, en hierop 
door de Groote beek en de Barneveldsche beek afwatert. Hier 
bedraagt de terreinshelling op 30 K. M. van Kootwijk naar Amers- 
foort ± 23 M., d. i. 0,76 M. per K. M. Van Hoenderloo (ten 
zuiden van het dorp) in een westelijke richting naar Scherpenzeel 
daalt het terrein op 30 K. M. db 30 M., d. i. i M. per K. M. 
Doch aan den oostkant der hoogste heuvelrij vindt men terreins- 
hellingen als van 2 ^ 4 M. per K. M. en meer, deze hellingen 
sluiten zich hier dus spoedig aan bij het vlakke terrein. 

De afwatering van het Veluwe-plateau geschiedt naar alle kanten. 



Digitized by 



Google 



207 

Het zuidelijk gedeelte heeft afwatering op den Rijn, liet oostelijk 
gedeelte op den IJsel, het noord-westelijk gedeelte op de Zuiderzee 
en de westelijke af helling op de bij stroompjes, welke de Eera voeden. 
In het midden van de Veluwe vormen de uitgestrekte zandgronden 
een groot gebied, waar de afwatering niet op zichtbare wijze plaats 
heeft. De poreuse zandgrond laat het regenwater spoedig door en 
van een bovengrondschen afvoer is hier bijna geen sprake. Daardoor 
wordt hier de bodem gevoed niet grondwater, dat op de leemlagen 
in den bodem dikwijls blijft rusten. Ondergrondsche bekkens van het 
water niet doorlatende leemlagen zijnhier reservoirs van grondwater. 
Waar deze van een afvoerkanaal voorzien worden, heeft men beken 
of sprengen^ gelijk ze hier genoemd worden, die rijk zijn aan zuiver 
water. Het Apeldoornsch kanaal wordt door dergelijke sprengen 
gevoed. 

De beekjes, door sprengen gevoed, leverden vroeger vooral de 
beweegkracht der talrijke papiermolens op de Veluwe. Ook het 
levende water in de beekjes aan den Veluwenzoom is hieraan te danken. 

Wij zullen de verschillende afwateringen van het Veluwe-plateau 
afzonderlijk beschouwen. 

§ 6. DE AFWATERING VAN DEN VELUWENZOOM. 

De hooge steile rand der Veluwe-hoogten naar het dal van den 
Rijn en den IJsel van Wageningen tot Doesburg wordt de Veluwen- 
zoom genaamd. Door de afwisseling van laag en hoog is het een 
schilderachtig gebied. 

De Veluwenzoom behoort tot het afwateringsgebied van den 
Rijn en den IJsel. Belangrijke riviertjes kunnen zich evenwel hier 
niet ontwikkelen. De waterscheiding van het Eemgebied loopt op 
niet verren afstand ten noorden van den Rijn, ongeveer langs de 
lijn Ede— Dieren naar het oosten tot aan de waterscheiding der 
Veluwe heuvels, en van Ede naar Wageningen naar het zuiden. 
De meeste der stroompjes, welke hier op den Rijn afwateren, dienen 
tot het drijven van molens. Zij zijn, van het westen af te beginnen : 

A. De Molenbeek en Kortenburgsche beek vormen beide 



Digitized by 



Google 



2o8 

de natuurlijke afwatering der hooge gronden ten N. van Renkum, 
en looiden evenwijdig op korten afstand van elkander naar het zuiden, 
waar zij zich te W. van Renkum in den Rijn storten. Een drietal 
watermolens worden door hunne wateren gedreven. 

B. De Heelsummer- of Papiermolenbeek. Zij ontstaat in 
de hooge gronden bij Hoog Wolfhezen, wordt op onderscheidene 
plaatsen tot het drijven van watermolens opgestuwd en stort zich 
tusschen Renkum en Dorenwerd in den Rijn. 

C. De Sonsbeek. Deze beek ontspringt bij Zijpendaal (ge- 
meente Arnhem) en stort zich over eenige stuwen op de buiten- 
plaatsen Zijpendaal en Sonsbeek. Bij laatstgenoemd buiten drijft 
zij achtereenvolgens drie korenmolens, en vloeit door een duiker 
onder den vereenigden Staats- en vroegeren Rijnspoorweg. Daarna 
ontvangt zij den naam Stadsbeek^ en ontlast zich door de riolen 
van Arnhem bij het Eusebius-plein in den Rijn. Bij hoogen water- 
stand op den Rijn en bij grooten toevoer van water stroomt zij 
ook langs den kortsten weg naar het loozingspunt. 

D. De Riete of Molenbeek. Aan den voet van den Paasch- 
bcr^ loopen eenige kleine beekjes samen, die op de buitengoederen 
Angerenstein en Klarenheek (bij Arnhem) hoofdzakelijk door bronnen 
ontspringen. Uit deze vereenigde beekjes ontstaat de Riete- of 
Molenbeek, Zij kruist verder den Rijksweg van Arnhem naar Velp, 
loopt aan de oostzijde langs dien weg naar den kant van Arnhem, 
en vormt op de buitenplaats Molenbeke een kunstmatigen waterval 
van 3 M. hoogte. Vervolgens stroomt zij door een duiker onder den 
vereenigden Staats- en (vroegeren) Rijnspoorweg door, en bereikt over 
het voormalig landgoed Geldersch Spijker de riolen van Arnhem, waar- 
door zij zich aan de Oosterstraat in den Rijn stort. Bij hooge 
rivierstanden ontlast zich de beek beneden Molenbeke rechtstreeks 
op het door Rijnwater geïnundeerde Velpsche Broek en worden de 
riolen afgesloten. In Arnhem dient een stoomgemaal om bij hooge 
waterstanden het water uit de stad af te voeren op den Rijn, en 
verder om de Lauwersgracht, die vroeger uit de Rietebeek gevoed 
werd, van versch water te voorzien. 

De Rozendaalsche en Beekhuizer beek. De Rozendaalschc 



Digitized by 



Google 



209 

beek ontspringt op den Tonberg en stort zich over eenige stuwen 
op de buitenplaats Rozen daal. Zij wordt gebruikt om een vijftal 
watermolens te drijven. Bij het vroegere kasteel Bilioen vereenigt 
zij zich met de Beekhuizcr beek^ die bij Kerkhuizen ontspringt 
en een paar molens drijft. De vereenigde beken storten haar water 
uit in den IJsel, na vooraf nog het water, dat van het Arnhemsche 
en Velpsche broek door de Velpsche sluis loost, te hebben opge- 
nomen. 

§ 7. HET OOSTELIJKE VELUWE TERREIN. 

Ten oosten van de hoogste heuvelrij over de Veluwe ligt een effen 
terrein, enkel met lichte golvingen, dat zich tusschen het kanaal 
Dieren — Apeldoorn — Hattem en den IJsel uitstrekt. Eigenlijk be- 
hoort dit terrein niet tot de Veluwe, maar orographisch vormt het 
éen geheel met de terreinen ten oosten van den IJsel. Over dit 
gebied, ongeveer tot de lijn Doetinchem — Lochem in het oosten, heeft 
in de laatste tijden van het diluvium de destijds breede, erodeerende 
en zandafzettende (geen klei) Rijntak gestroomd. Daardoor is dit 
effene terrein gevormd. Van die breede rivier is enkel de smalle vallei 
van het tegenwoordige IJselbed overgebleven. (Zie verder pag. 243.) 

Met een steile helling gaat de heuvelrij der Veluwe in dit vlakke 
terrein over. Opmerkelijk is het, dat op de helling der Veluwe- 
heuvels een rij van dorpen gevonden wordt, als lagen zij langs den 
oever eener rivier. Toch is de rivier reeds vóór den historischen 
tijd tot haar engere bedding ingekrompen. 

Het terrein, dat wij thans bespreken, heeft in hét zuiden eene 
hoogte van it 10 M. + A. P. Hier helt het land zacht af naar den 
IJsel, en de stroompjes hebben in het zuidelijk gedeelte, tot de lijn 
Apeldoorn— Gorsel, een oostelijke richting. Ten noorden van deze 
lijn helt het terrein tevens naar het noorden. Van 8 ^ 9 M. 4- A. P. 
ten oosten van Apeldoorn daalt de oppervlakte des lands tot ± 2 
è. 3 M. ten zuiden van Hattem. 

Voor de kennis van den hydrographischen toestand van dit terrein 
is het belangrijk te weten, dat de meeste beekjes gevoed worden 

II. 14 



Digitized by 



Google 



2IO 

door sprengen of bronnen op de oostelijke helling der Veliiwe- 
heuvels. Die bronnen onstaan door het atmospherisch water, het- 
welk voor een groot gedeelte spoedig in den poreuzen zandgrond 
wegzinkt (vergel. deel I pag. 256) en op voor het water ondoordringbare 
leemlagen blijft staan. Door ondergrondsche afvloeiing komt het 
als bronnen aan de oppervlakte. De eigenlijke ondergrondsche 
waterscheiding in de Veluwe-heuvels is niet nauwkeurig aan te geven. 
De afwatering van het boven omschreven terrein geschiedt in 
het zuiden door: 

A. De Soerensche beek. Dit watertje ontstaat uit eenige 
sprengen onder Laag Soeren^ welke het water door een grondduiker 
onder het Apeldoornsch kanaal door voeren. Bij Brummen stort 
de Soerensche beek zich in den IJsel, terwijl ook een gedeelte van 
haar water wordt afgevoerd naar de Leuvenheimsche beek. Op 
verschillende plaatsen wordt deze beek opgestuwd tot het drijven 
van watermolens. 

B. De Leuvenheimsche beek voert het water van een groot 
gedeelte der gemeente Brummen, benevens een deel van het water 
der Soerensche beek af. Door een sluis, de Koppelbrug geheeten, 
stort zij zich in een buitendijkschen polder. 

C. De Riendersche en Oekensche beken. Deze beide 
beken voeren een gedeelte van het water der gemeente Brummen 
af en storten het langs sluizen door den straatweg Arnhem — Zutfen in 
den Oekenveldschen polder. Deze sluizen dienen, om bij over- 
strooming het water te keeren. 

D. De Voorstondensche beek. De Voorstondensche beek 
(naar het huis te Voorstonden), heet in het begin Eerheeksche heek 
(naar het huis te Eerbeek), Zij ontstaat uit sprengen bij Kolden- 
have (gem. Brummen) en wordt op onderscheidene (6) plaatsen tot 
het drijven van watermolens opgestuwd. De verst naar beneden 
gelegen watermolen, de Haar,^ heeft een stuwpeil van 10,85 M. -I- 
A. P. Door een grondduiker loopt de beek onder het Apeldoom- 
sche kanaal door en valt in den polder de (^z'^rwörjr^, welke door 
den Hoendernestersluis op den IJsel loost. 

E. De Boven Voorsterbeek. Uit de samenvloeiing van de Beek- 



Digitized by 



Google 



2ii 

bergsche beek^ die bij Beekbergen^ en van de Loenensche beek^ die 
bij Loenen ontspringt, ontstaat de Boven Voorsterbeek. Door een 
grondduiker loopt deze beek onder het Apeldoornsche kanaal door. 
Bij het kasteel Nieuwenbeek stort zij haar water in den IJsel uit. 
Op verschillende plaatsen wordt het water dezer beken opgestuwd 
tot het drijven van molens. Te Voorst worden o. a. twee achter 
elkander gelegen onderslagradmolens door dit water bewogen. Het 
stuwpeil bedraagt hier 6,20 M. 4- A. P. 

— De Oude beek valt in het Apeldoornsche kanaal en voert het 
water van 230 H. A. hooge gronden af. — De Veldhuizer- 
spreng is, evenals de Vrljenberger sprengt gegraven tot voeding 
van het Apeldoornsche kanaal. De gezamenlijke lengte dezer spren- 
gen bedraagt 6,238 K. M. Het water loopt over vijf gedeeltelijk 
gekoppelde vervallen in de beek, terwijl tevens nog op enkele plaatsen 
het water kan worden opgestuwd. 

— Het noordelijk gedeelte der oostelijke Veluwe wordt in het westen 
begrensd door de heuvelhellingen, hoewel de waterscheiding verder 
in het land ligt. In het oosten wordt het bepaald door den linker 
IJseldijk, met eene hoogte van 7 M. in het zuiden bij Voorst en 
2 M. + A. P. in het noorden. Door de helling des terreins naar het 
noorden wordt de richting aangewezen, in welke het water afstroomt. 
Langs nagenoeg evenwijdige geulen stroomt het water naar het noorden, 
waar zij, als gevolg van het smaller worden des terreins, in elkander 
vloeien tot ééne uitmonding. De Grift is de westelijkste dier 
beekjes, en stroomt in de lengte langs den voet van de heuvelreeks 
naar het noorden. De heuvels zenden haar van den westkant 
een tal van kleine, doorloopende afwateringssprenkjes toe, welke 
alle onder rechte hoeken zich in de Grift storten. Zij toch stroomen 
snel van de heuvels naar het oosten, terwijl de Grift aan den voet 
dier heuvels de algemeene helling naar het noorden volgt. 

De Grift ontleent zijn oorsprong aan de samenvloeiing van ver- 
schillende sprengen en beekjes tusschen Apeldoorn en Beekbergen. 
Zij stroomt langs den voet van de Veluwe heuvelrij, zooals wij 
reeds opmerkten, en ontvangt hiervan onderscheidene beekjes. 
Doordien deze watertjes, dwars van de heuvelrij afvloeien, hebben 



Digitized by 



Google 



212 

zij een aanzienlijk verval. Hiervan is partij getrokken door de 
bewoners. Tal van papiermolens zijn er gebouwd, die hunne be- 
weegkracht aan het vallende water ontkenen. Ook de Grift wordt 
op verschillende plaatsen tot het drijven van watermolens opgestuwd. 

De Grift staat door sluizen met het derde en vierde pand van 
het Apeldoornsche kanaal in verbinding, dat door haar gevoed 
wordt. Doch het overtollige water kan van het 4de pand door een 
sluis lager op de Grift terug worden gebracht. Nabij Heerde ver- 
eenigt zich het Apeldoornsche kanaal met de Grift en volgt deze 
tot bij Hattem in den IJsel. Bij de Hezenherqer schutsluis echter 
wordt het overtollige water van het bovenpand nog door de bed- 
ding der Oude Grift geleid, en dient er tot het drijven van een 
watermolen. Beneden de sluis vereenigt zich dit water weder met 
het benedenpand. 

Ten oosten van de Grift stroomen de Nieuwe Wetering^ de 
Grooie Wetering en de Terwoldsche Wetering daarmede evenwij- 
dig naar het noorden. Naar het oosten toe ligt het stroomgebied 
van elke volgende beek lager dan dat van de voorgaande. Nemen 
wij tot voorbeeld eene doorsnede van Vaassen naar Terwolde (ten 
noorden van Deventer aan den IJsel) dan vinden wij, dat ten 
westen van de Grift en het Apeldoornsch kanaal de bodem on- 
geveer 12 k 14 M. hoog is. Dit gebied behoort hier tot de 
Grift. Ten oosten van het kanaal, waar tot de Nieuwe Wetering 
het land op dit riviertje afstroomt, is de bodemhoogte ongeveer 
8 M. + A. P. en daalt naar de Nieuwe Wetering tot 4,30 a 
4,50 M. + A. P. Ten oosten van de Nieuwe Wetering begint het 
land, dat afwatert naar de Groote Wetering. Dit land heeft eene 
hoogte van ongeveer 3,80 è. 3,90 M. -f A. P., terwijl ten westen 
van Terwolde de bodem ongeveer 3,70 tot 3,10 M. -i- A. P. hoog 
is. Nabij den IJsel neemt die hoogte, zooals gewoonlijk bij rivieren 
het geval is, weder iets toe. Doch uit een en ander blijkt duidelijk, 
hoe het land, ook in het meer effene terrein, in trappen afdaalt 
naar den IJsel. 

De Nieuwe Wetering is een boezem, die door de Evergeune- 
sluis op de Groote Wetering buiten de sluizen loost, en langs dezen 



Digitized by 



Google 



213 

weg zich verder in het Apeldoornsche kanaal en den IJsel uitstort. 
Ongeveer 3455 H.A. hooge gronden wateren hierop af. De water- 
standen waren gemiddeld bij Kapel in den bovenloop 4 M. -f- A. P. 
en binnen de Evergeunesluis 1,89 M. + A. P. De hoogste stan- 
den waren hier 4,74 en 3,69 M. + A. P. 

De Groote Wetering. De Groote betering loost door de 
Groote sluis op den IJsel. Ongeveer 16070 H.A. polderland en 
hooge gronden wateren hierop af en ook de boezems^ de Kromme 
beek en de Blinde beek storten op haar hun wateren uit. De 
Kromme heek stort het afstroomingswater van 680 H.A. polderland 
en hooge gronden bij Adelaarshof op de Groote Wetering. De 
Blinde beek loost op de Terwoldsche beek en gezamenlijk storten 
zij het water in de Groote Wetering uit. De gemiddelde water- 
stand bij Adelaarshof bedraagt 2,78 M. + A. P. en binnen de 
Groote sluis 1,37 + A. P. 

Het land, waarvan deze beekjes de afleiding vormen, is voor 
een gedeelte bedijkt en maakt het polderdistrict Veluwe uit. 

§ 8. HET APELDOORNSCHE EN DIERENSCHE KANAAL. 

Van Dieren strekt zich een kanaal uit naar 4^<f///(7^r«, dat zich verder 
voortzet naar Hattem en den IJsel. Dit is het Dierensche en Apeldoorn- 
sche kanaal^ dat geheel den oostelijken voet der Veluwe-heuvelrij 
volgt. Te Dieren staat het met den IJsel in verbinding en te 
Hattem mondt het weder in den IJsel uit. Het Apeldoornsche 
kanaal heeft met de voorhaven van Dieren eene lengte van 54,630 
K. M. Het is in één voorhaven en zes panden verdeeld, welke 
door schutsluizen van elkander gescheiden zijn. 

Bij Dieren is de voorhaven van 44 M. lengte, waarin de water- 
stand met den IJsel op en neder gaat. De middelbare rivierstand 
op den IJsel bedraagt hier 6,31 M. -f A. P. Het eerste pand van 
het Apeldoornsche kanaal strekt zich uit tusschen de schutsluis 
van Dieren en die van Apeldoorn. Dit pand heeft eene lengte 
van 23,214 K. M. *) en kanaalpeil van 13,42 M. + A. P. Hieruit 



i) Zie het : Overyicht der Scheepvaartkanalen in Nederland, 1888. 



Digitized by 



Google 



214 

blijkt, dat dit pand geen voeding kan ontvangen uit den IJsel bij 
Dieren. De voeding van dit pand geschiedt door de Oude heek^ 
de Veldhuizer- en Vrijenberger sprengen^ de Oosierhuizer sprengen^ 
de Zwaansprengen en de Kraijers- of Keizerssprengen^ die een 
tak van de Apeldoornsche dorpsbeek opnemen. 

In de Verslagen der Openbare werken wordt jaarlijks opgegeven, 
hoeveel water deze verschillende beekjes en sprengen aan het 
Apeldoornsche kanaal toevoeren. 

In 1883 vinden wij daarvoor gemiddeld in M» per etmaal. 

Watervoeding van het Apeldoornsche kanaal door 

verschillende sprengen en beken in M* per 

etmaal in 1883. 





i 




1^ 


erhuizer 
reiig. 

nspreng. 

1 


■j 

E 


's,.. 






> 


l^ 


1 '^ 


3 


1 


e2^ 


Zes zomermaanden 
















(Mei— Nov.) 


506 


6168 


5486 


939 


7871 


5248,26218 


Zes wintermaanden. 


2698 


3901 


4023 


1458 


8247 


3476 


23830 


Gemiddeld over het jaar. 


1602 


5034 


4754 


1212 


8059 


4362 


25024 



Het tweede pand^ van de Apeldoornsche tot de Koudhoornsche 
sluis, lang 2,524 K. M. met een kanaalpeil van 11 M. 4- A. P., 
wordt gevoed uit het eerste pand door de sluis bij Apeldoorn. 

Het derde pand^ van de Koudhoornsche tot de Vaassensche sluis, 
6,322 K. M. lang met een kanaalpeil van 8,45 M. 4- A. P., en 
het vierde pand van de Vaassensche tot de Bonenberger sluis, lang 
10,141 K. M. met een kanaalpeil van 5,75 M. + A. P., worden 
gevoed uit de Grift, die ten westen langs het kanaal loopt. 

In het vijfde pand^ van de Bonenberger tot de Hezenberger sluis 
lang 9,134 K. M. met een kanaalpeil van 4,30 tot 4, 12 M. -f A. P., 
mondt de Grift uit beneden de Bonenberger sluis, en dus is dit 
gedeeltelijk een stroomend water. Daardoor is het kanaalpeil aan 
het boven- en benedeneind niet gelijk, doch vindt men er eenig 



Digitized by 



Google 



215 

verval, zooals de cijfers aanwijzen. Ook de Vosberger beek watert 
op dit pand af. 

Het zesde pand bij Hattem ligt gemeen met den IJsel. Het heeft 
eene lengte van 3,246 K. M. terwijl de gemiddelde rivierstand 
1,04 M. + A. P. bedraagt. (Gemiddeld aan de Hattemsche brug 
gedurende de zomermanden 1875 — ^4) ^P ^^^ pand watert ook 
de Groote Veluwsche Wetering af. 

Om het overtollig kanaalwater af te leiden is er onder Oosterhuizen 
een duiker gelegd, teneinde uit het eerste pand het water op de 
Beekbergensche beek en Blinde beek af te voeren, terwijl het ver- 
volgens in de Grift komt. Ook in andere panden heeft men voor 
waterafvoer werken aangelegd. 

De breedte van het kanaal loopt van 10,50 tot 12,90 M. en de 
diepte van 2 tot 1,61 M. onder kanaalpeil. 

Historische opmerkingen over het Apeldoomsche kanaal. Het 

Apeldoornsche kanaal wordt ook wel het Griftkanaal genoemd naar het riviertje 
de Grift, dat het van Apeldoorn naar het noorden nagenoeg geheel volgt. Reeds 
sedert overoude tijden was de aandacht van velen op dat riviertje de Grift ge- 
vestigd geworden. De milde en zuivere bronnen maakten het zeer geschikt, 
om er fabrieken en bovenal papiermolens langs te plaatsen. Hierdoor werden 
er reeds vroeg vele aanzienlijke fabrieken gebouwd. Vooral in den tijd, toen 
de sloom nog niet als be weegkracht gebezigd werd, had die van het stroomende 
water veel waarde. 

Doch ook uit een ander oogpunt werd hierop de aandacht gevestigd. Men 
hield de Grift voor een watertje, dat aangewezen was om bij den aanleg van 
een kanaal door de Veluwe te gebruiken. 

In een streek, waar zoovele fabrieken bloeiden, moest eene goede kanaalvaart 
van groot belang geacht worden. Vooral was dit het geval in den tijd, toen 
de overige middelen van verkeer nog veel te wenschen overlieten. 

Zoo vindt men aangeteekend, dat reeds in het midden der 1 7de eeuw ernstig 
over de kanalisatie van dit watertje gedacht werd. Bij Landschaps besluit van 
den I5den Aug. 1640 werd het Hof van Gelderland hiertoe gemachtigd i). 
Evenwel kwam het niet tot eene uitvoering. Tal van bezwaren waren toch 
aan de uitvoering van dit plan verbonden. De talrijke papiermolens, welke 
door het water van de Grift gedreven werden, hoeveel belang zij ook bij een 



i) Sloet. Bijdragen tot de kennis van Gelderland 1852 — 55 pag. 177. 



Digitized by 



Google 



2l6 

kanaal hadden, wilden geen droppel water missen. De stuwen bij lederen 
muien waren zoovele hinderpalen voor de scheepvaart. Er bestond bezorgdheid, 
of er, naast het benoodigde voor de fabrieken, nog genoegzaam water voor een 
ten allen tijde bevaarbaar kanaal overbleef. 

Toen Koning Lodewijk Napoleon, die soms het Loo bewoonde, op het be- 
lang van dergelijk kanaal opmerkzaam gemaakt werd, gelastte hij eene opne- 
ming en het indienen van een rapport. De Heer Daendels, destijds baljuw 
van de Velu we, vervulde deze opdracht. Evenwel bleef de zaak onuitgevoerd, 
misschien doordien de staatkundige toestand weldra veranderde. Koning Wil- 
lem I, onder wiens regeering zoo vele belangrijke kanaalwerken tot stand 
kwamen, was het weggelegd ook dezen arbeid te voltooien. Op nieuw werd 
een nauwkeurig onderzoek ingesteld, en in een rapport werden als nieuwe 
plannen nu voorgesteld : 

1. Om een nieuw kanaal van Apeldoorn ten oosten langs de Grift te laten 
graven tot beneden de laatste fabriek onder Heerde, en verder de Grift te volgen. 

2. Om dit kanaal te voeden met nieuwe bronnen nabij Beekbergen, welke 
in een beekje onder de Grift door geleid konden worden, en verder met over- 
tollig water van de Grift zelve. 

Deze plannen werden nader onderzocht en uitgewerkt, en in 1824 werd bij 
Koninklijk besluit van i October bepaald, dat de Grift van Apeldoorn tot bij 
Hattem in den IJsel bevaarbaar zou worden gemaakt. In het voorjaar van 
1829 was dit allerbelangrijkst werk voltooid, en op den lyden April van dat 
jaar begroetten de hooggelegen dorpen op de Velu we met vreugde voor het 
eerst de Nederlandsche vlag op den mast van een schip te midden van hunne 
heuvelen i). 

Evenwel liep het Griftkanaal te Apeldoorn dood midden op de V'eluwe. 
Dat was maar half werk, en daarom werd er van vele zijden op aangedrongen, 
dit kanaal ook aan het andere eind met den IJsel te verbinden, bijv. tusschen 
Brummen en Dieren. Hierdoor zou het kanaal, vroeger van plaatselijk nut, 
meer van algemeen belang worden. Het zou een spoediger en zekerder water- 
verbinding geven van Zwolle met den Rijn enz. 

Met dit doel deed de heer Sloct, Districts-commiss.aris van de Vel uwe, in 
1846 reeds een voorstel dienaangaande 2). Voor de voeding zou men het water 
uit de kanaalbeek van hel Grift-kanaal, die te overvloedig water gaf voor dat 

i) Zie Memorie van den Districtscommissaris van de Veluwe J. A. J, Sloet, 
wegens eene voorgestelde verlenging van het Grift-kanaal van Apeldoorn tot 
in den IJsel tusschen Dieren en Brummen. (In Sloet's Tijdschrift voor Staat- 
huishoudkunde V, 1850 pag. 429). 

2) Sloet, 1. c. pag. 432. 



Digitized by 



Google 



217 

kanaal, gebruiken, terwijl men tevens gebruik zou kunnen maken van de sprengen 
bij Oosterhuizen in het Soerensche en Dierensche veld aanwezig. Ook het belang 
van dit gedeelte werd erkend, en in 1869 werd het Dierensche kanaal, zooals 
men dit gedeelte wel noemt, voltooid. 

§ 9. DE NOORD-WESTELIJKE AFHELLING VAN DE VELÜWE. 

De noord-westelijke af helling van de Veluwe is naar de Zuiderzee 
gericht en vindt hier ook hare afwatering. Bij de meestal hooge 
gronden, die geen dijken behoeven legen overstrooming, heeft die 
afwatering direct op zee plaats. 

Ook vindt men op deze af helling nog eenige kleine, weinig be- 
teekenende watertjes, die in de zee uitmonden. Ten oosten van 
de Eem vindt men als zoodanig in de eerste plaats de T^aak een 
afwateringskanaal, dat het water van 630 H. A. lage gronden onder 
Nijkerk en Hoevelaken door den Laakschen duiker in den Zuiderzee- 
dijk loost. 

Een weinig verder oostelijk ligt de Nijkerksche haven, een 
boezem, die het water van 1270 H. A. hooge gronden ontvangt. 
Dit water heeft zich eerst in de Breede heek verzameld, welke te 
Nijkerk, na nog door twee stuwsluisjes te zijn opgehouden, in de 
Haven loost. De boezem van den Nijkerkschen haven loost verder 
door een schutsluis op de Zuiderzee. 

Ten oosten van Nijkerk loopt van het midden der Veluwe nog 
een heuvelrij in de richting van Harderwijk naar het N.-W. Tusschen 
deze heuvelrij en de westelijke helling der reeds vroeger genoemde 
Veluwe heuvels ligt eene vallei, die ongeveei van het Uddelermeer 
zich uitstrekt naar het N.-W., een weinig ten oosten van Harderwijk. 
Deze vallei was door de natuur aangewezen om het afvloeiings- 
water van het Uddeler meer en het verdere gebied naar zee te 
voeren. Hierdoor is de Hierdensche beek ontstaan. 

De Hierdensche beek wordt gevoed door het overtollige water 
van het Uddeler tneer^ waarbij zich dat van eenige hooge gronden 
voegt. Te Sta verden wordt deze beek tot het drijven van een 
bovenslagrad water molen opgestuwd. Het stuwpeil ligt 19,70 M. 
-f A. P. Nog op verschillende andere plaatsen wordt deze beek 



Digitized by 



Google 



2l8 

opgestuwd. Dit heeft plaats te Leuvenum tot 12,24 M. -f A. P., 
bij den Hulshorst tot 5,68 M. + A. P. en bij denEssenburg tot 
3,23 M. -f A. P. Van hier loopt zij vrij in de Zuiderzee uit. 

De PüTTEMERBEEK wordt gevoed door verschillende kleine beekjes 
en weteringen, die het water van de lage gronden der Veluwe ten 
Z. en O. van Elburg, van de broeklanden van Oldebroek en van 
een paar polders ten N. van Elburg afvoeren. Zij ontlast zich 
onder den naam van El door een sluis in de haven van Elburg, 

Ten noorden van de Veluwe in Overijsel loost het land op den 
Boezem van de Geldersche gracht, die door verschillende wete- 
ringen gevoed wordt, en die door de Drontensche- of Geldersche- 
sluis (ten Z. W. van Kampen) in de Zuiderzee afwatert. De Gelder- 
sche gracht is waarschijnlijk in 1377 gegraven, i) 



i) Bijdragen tot de Gesch. van Overijssel VII, 1883 pag. 259. 



Digitized by 



Google 



XV. DE RIVIER DE IJSEL EN HET OOSTELIJK 
IJSELGEBIED. 



LITTERATUUR. 

1. De rivierkaart van den Gelderschen IJsel, schaal i : 10,000. 1888. 

2. Verder: De Topographische kaart en de Waterstaatskaart. 

3. J. A. V. DooRNiNCK. Welke zou de hoofdoorzaak van het verval der 
bevaarbaarheid van den IJsel zijn. (Overijselsche Almanak. 1839). 

4. J. A. V. DoORNiNCK. Iets over het verbeteren der handelscommunicatie 
van Overijsel met Duitschland. (Overijs. Almanak. 1841). 

5. E. A. JORDENS. De IJsel als handelsweg. (Overijselsche Almanak. 1852). 

6. R. W. Tadema. Over den ouden loop van den IJsel tusschen Westervoort 
en Deventer. (Overijs. Almanak. 1852). 

7. F. W. VAN Ma RLE. Welsum en Marie. (Overijs. Almanak. 1841). 

8. R. P. J. Tütein Nolthenius. Onderzoek naar de bruikbaarheid der oude 
stroommetingen. (Tijdschr. Inst. v. Ing. 1885—86). 

9. Tienjarig overzicht der waterstanden. (1871 — 1880). 

10. Tegenwoordige staat van Overijsel (1790) en van Gelderland (1741). 

11. C. Lely. Rivieren en rivierwerken. (Waterbouwkunde) 1885. 

12. C. R. F. Kraijenhoff. Proeve van een ontwerp tot sluiting van den 
Neder- ^hijn en de Lek en tot het storten van derzelver water op den IJsel. 1822. 

13. M. V. DoORNiNCK. Aanmerkingen op het ontwerp van afleiding van den 
Rijn langs den IJsel. 1828. 

14. J. G. W. FijNjE. Beschouwingen over eenige rivieren, waaronder ook 
Nederlandsche. 1888. 

15. Register VIII bevattende de beschrijving der peilschalen, hakkelbouten en 
verdere verken werken langs den IJsel. 1852. 

16. J. H. Frrrand. De Lijmersche Overlaat. (Verh. Inst. van Ingenieurs. 
1853—54). 



Digitized by 



Google 



17. P. J. W. Teding van Berkhout. Aanmerkingen op de wijze van ten 
uitvoerlegging van het decreet van Lodewijk Napoleon van i8 Juli 1809 
met betrekking tot de Snippelings Overlaat. 1849. 

18. Nota van den ingenieur Ferrand over den Snippelings dijk. (Versl. der 
Opcnb. Werken. 1854). 

19. De Overlaten in Nederland. (Versl. d. Openb. Werken. 1865). 

20. J, II. Ferrand. Over de verdeeling der wateren van den Boven-Rijn 
tusschen de Waal, den Neder-Rijn en den IJsel. 1847. 

21. Toelichting van de vergelijking der uitkomsten van de peilingen in 1844 — 
1847 in den Gelderschen IJsel verricht, met die van 1874. (Versl. v. d. 
Openb. Werken. 1874). 

22. Lengteprofiel en breedten der rivier de Geldersche IJsel, 1844 en 1874. 
(Versl. V. d. Openb. Werken. 1874). 

23. L. A. J. W. Sloet. Bijdragen lot de kennis van Gelderland. 1855. 

24. W. Staring. Verslag over den toestand der rivieren en der afwatering in 
het Zutfensche. 1847. 

25. F. E. L. Veeren. De invloed van het grondwater op den waterstand der 
Boven-Slingebeken. (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 1888). 

26. F. E. L. Veeren. Het waterschap van de Berkel en Wehmerbeek. (Win- 
terwijksche Courant 17—20 Jan. 1888). 

§ I. DE NATUURKUNDIGE TOESTAND VAN DEN IJSEL. 

(Verhouding tot het land^ waterstand^ horizontale uitbreiding^ 
bedijking ^ verhang^ stroomsnelheid^ waterafvoer^ diepte). 

De rivier de IJsel is als een tak van den Rijn te beschouwen, 
die ongeveer Vo van het water uit het Pannerdensche kanaal van 
Westervoort naar Kampen voert, en het voorbij deze stad in zee 
uitstort (Zie I. pag. 345). Aan den mond heeft de IJsel eene 
delta gebouwd van typischen vorm 

Het land, dat de IJsel doorstroomt, heeft in het zuiden eene 
hoogte van 10 è, 25 meter + A. P. en daalt vervolgens trapswijze 
tot hoogten van 5 ^ 10 M. en i ^ 5 M. af. Nabij de monding 
beneden Hattem heeft het land eene hoogte = A. P. Wanneer 
men van den IJsel naar het oosten gaat, vindt men, dat de bodem 
slechts langzaam rijst. Ten westen van de rivier zet zich aanvan- 
kelijk hetzelfde terrein voort en wordt eindelijk begrensd door de 
Veluwe-heuvels. 



Digitized by 



Google 



221 

Behalve als tak van den Rijn is de IJsel vallei ook te beschou- 
wen als een door de natuur aangewezen geul voor het afvloeiïngs- 
water, dat hoofdzakelijk van het oostelijke gebied komt. Als een 
naar het westen zacht afbellend vlak daalt de Geldersche Achter- 
hoek naar den IJsel af, en de rivieren, welke de IJsel hier op- 
neemt, staan in den benedenloop dan ook bijna rechthoekig op 
de hoofdrichting van den IJsel. De Oude Ifsel, de Vordensche 
beek, de Berkel en de Schipbeek zijn in haar benedenloop vol- 
komen de uitdrukking van dien vorm des terreins. Ten noorden 
van de Schipbeek is de algemeene af helling des terreins meer naar 
het noordwesten gericht, en daardoor loopen hier de afwaterings- 
beken ten O. der rivier meer evenwijdig met den IJsel, zoodat zij 
niet in den IJsel uitmonden, doch, na bij Zwolle zich vereenigd te 
hebben, een zelfstandige uitmonding vormen in het Zwarte Water, 
Wij zullen ons thans evenwel alleen met den IJsel bezighouden. 

De rivier de IJsel heeft in tweeërlei opzicht hydrographische be- 
teekenis voor het gebied, dat zij doorstroomt. In de eerste plaats 
is zij als een tak van den Rijn te beschouwen, die een gedeelte 
van het Rijnwater afvoert, en in de tweede plaats neemt zij het 
afvoerwater op van de genoemde stroompjes uit het oosten en van 
de Veluwe. Door deze laatste komen hare waterverhoudingen dan 
ook niet altijd met den Beneden Rijn overeen, die bijna uitsluitend 
met water van den Boven Rijn gevoed wordt. 

De gemiddelde breedte van den IJsel bedraagt volgens metingen 
in 1874 in het vak Wester voort— Doesburg 109 M. bij 2,84 M. 
diepte, in het vak Doesburg— Dieren 120 M. bij 2,74 M. diepte, 
in het vak Dieren— Zutfen 106 M. bij 2,66 M. diepte, in het vak 
Zutfen — Deventer 116 M. bij 2,75 M. diepte, in het vak Deventer 
— Wijhe 135 M. bij 2,73 M. diepte i). 

De rivier heeft deze geul te midden van hare kleiafzettingen 
open i) gehouden. De rivierklei weggedacht zou het IJseldal eene 
vallei vormen van gemiddeld 4 K. M. breedte. 



1) Tutein Nolthenius. Oudere stroommetingen op den Boven Rijn en zijne 
takken (Tijdschr. Kon. Inst. v. Ing. 1885 — 86 pag. 302.) 
I) Zie deel I pag. 309. 



Digitized by 



Google 





(» 


• 


»-^ 


ü 


HH 


etf 


a 




S 


0^ 


^ 


n3 




S 


£ 


CS 


4^ 


bn 


•Ö 


u 




fl 


a> 


S 


Ü 


ë 


fl 




0) 


e 


•d 






;jj» 

^ 


§• 


s 


a 


'S 


1 


> 


iS 




tn 


c 


u 


0) 


Q) 


^3 


'*^ 


C 


Ctf 


CA 


^ 


Urn 


4> 


CÖ 


•O 


^ 


a 


Ë 


? 


TS 






•♦-» 


a 


^ 


(u 


o 






o^ 


g 


o 


4^ 


43 


> 


a 


o 


T3 




fi 




o; 
















-fl 




g 




a> 




> 




a> 




Q 





a 



wp 9)3ooi{ 



•3881 «ï 







3pU9J99J)Sl39J 



s -1 



O 

00 

00 



o 


o 


00 


00 


00 


00 



lo o 

in ocT 



o o 

vo 00 vd vcT vcT 



o o o 

ro O^ 00 



^ Os t^ 
00^ VO m 
fO m" cT 



o 00 



M 00 



t^OO «^ Onvom OnvO 

o^ocrt^^fir^cofTcr 



t-^t^iovo^i-oo N «o 



N o 

(> OO" 



%0 M M o^ fO ro 
N fO t^ <o ^O Os 



+ -f + + 



p^ 
N 



> JJ i=l 



-}- + 4- 






?: CS q 



P Q Q c3 Q O ^ 



o 


in 




e« 


in 










lO 


«O 




M 


O 




N 


N 










Tf 


w 


'6 


+ 


f- 


is 




— . 


-3 


NO 


t^ 


U 


►H 


ro 




M 


O 


CL, 


H- 


4- 


(4 

> 


ON 


t^ 


w, 


N 


in 










!•« 


O 


« 


-f 


-f- 


Ö 


— — 


— 




\n 


t^ 


G 


Tf 


«O 


O 








M 


o 


2 


+ 


+ 


S 


00 


to 


g 


ir> 


vo 


> 






c 


»-« 


O 


s 


+ 


4- 


,a 


t^ 


o 


5" 

00 


00 


t<^ 


o 





1 


+ 


■f 


1 


- - 


— 


00 


o 


M 


^ 




in 
d 


1 


+ 


r 


g 




- 


> 
c 


Pi 


P4 


tUD 


tsi 


N 



ü s 

CU c« 

Ui Ui 



Digitized by 



Google 



223 

Bij Westervoort heeft de IJsel aanvankelijk geheel een kanaal- 
vormig uiterlijk, en zooals wij reeds zagen, is dit eerste gedeelte 
ook ten deele door kunst gevormd i). De rivier, welke gemiddeld 
niet breeder is dan 109 M., loopt in het eerste gedeelte door oever- 
landen met eene hoogte van meestal 9 tot 12 M. + A. P. Daar 
de gemiddelde waterstand gedurende de zomermaanden -f 9,42 M. 
te Westervoort bedraagt en te de Steeg 8,20 M. -f A. P., blijkt hier- 
uit de noodzakelijkheid van bedijking. 

Op den rechter oever sluit de IJseldijk te Westervoort zich bij 
den. oostenHjken Rijndijk aan, en loopt onafgebroken door tot 
Doesburg, waar hij door den Ouden IJsel wordt afgebroken. Na 
nog een kleine voortzetting tot Dieren vindt men vervolgens aan 
dien kant bijna geene hooge dijken (alleen tusschen Zutfen en 
Deventer vier kleine afgebroken gedeelten) tot een weinig ten noorden 
van Deventer. Langs den westelijken oever vindt men aanvankelijk 
bedijking tot Velp. Vervolgens vangt ze, na een lange tusschenruimte, 
weder aan bij Brummen, welke dijk zich met een kleine onderbre- 
king bij Zutfen voortzet tot Voorst, waar het dal der Molenbeek 
den dijk afbreekt. Ten noorden van Voorst vangt de Veluwsche 
bandijk aan, die onafgebroken voortloopt tot bij Werven ten Z. 
van Hattem. Hier stroomen de Veluwe-weteringen de uiterwaarden 
van den IJsel binnen Ten N. van Hattem zetten de dijken zich 
op korten afstand van de rivier voort. 

Beneden Deventer heeft de IJsel dus bijna vrij regelmatig bedijking 
aan beide oevers. De hooge bandijken omsluiten aan den mond de ge- 
heele delta van het Kampereiland^ die zich tusschen en langs verschil- 
lende IJselmonden gevormd heeft. Vroeger stortte zich de IJsel hier 
door 5 monden in de Zuiderzee. Zij waren : het Keieldiep^ het Rech- 
terdiep^ het Noorderdiepy het Ganzediep en de Goot. Thans is het 
J^ oor der diep afgesloten tot 2,20 M. + A. P. en \i<ti Rechter diep tn 
het Ganzediep zijn in den bovenmond beteugeld, (zie II pag. 238). 
Het Keteldiep is tegenwoordig als de eigenlijke mond van den 
IJsel te beschouwen. Tusschen twee leidammen van ongeveer 4100 M. 



i) Zie deel I pag. 309. 



Digitized by 



Google 



224 

engte en op een onderlingen afstand van aanvankelijk 158 M., 
doch naar den mond vernauwend tot 100 M. wordt het Keteldiep 
bijna een uur in zee gevoerd. De hoogte van den Noorderleidara 
bedraagt om het landeinde 3,10 M. + A. P. en verder 2,00 en 
1,30 M. -f A. P., terwijl de kop 1.50 M. -f A. P. ligt. De Zui- 
derleidam is aan het landeinde 2 M. + A. P. hoog, wordt verder 
2,10 M. en ligt met den kop 2,50 M. + A. P. hoog. De gemid- 
delde waterstand was te Dronten aan de Zuiderzee bij vloed 
0,32 M. + A. P. en bij ebbe 0,14 M. + A. P. Hieruit blijkt, 
dat genoemde leidammen bij gewonen waterstand boven water 
uitsteken. Doch bij hooge waterstanden, als van 31 Jan. 1877, 
toen het water hier 3,70 M. + A. P. stond, werden zij er door bedekt. 

Verhang, stroomsnelheid, waterafvoer en diepte zijn vervolgens 
belangrijke elementen voor de kennis van den natuurkundigen toe- 
stand eener rivier. Wij zullen deze achtereenvolgens behandelen. 

Verhang van den IJseh 



Bij een lagen 
rivierstand. 



Bij een middelbaren 
rivierstand. ; 



Bij een hoogen 
rivierstand. 



Plaatsen. 






Im. 



+A.P, 






I U) 



I 



vO 



^ « c 

iigS ïr>. :5 i o g 

, N V ^ 4> 



vO 



2 C es 

•.'S ö°2<»^ 

IM. + A.P 






g ^ 

«u's. 



I 



Pannerden . 
Westervoort 
Doesburg . 

Dieren 

Zutfen 

Deventer . . 

Wijhe 

Katerveer. L, 
Kampen. L. 



W.j 

w. 



8,35 
7,49 
5,26 
4,11 
2,67 

1,44 
0,70 

0,54 
0,39 



0,000091 
099 
128 
089 
072 
037 

OIIi 

0091 



10,46 

9,49 
7i30 ! 
6,39 I 
4,73 , 
3,44 I 



1,93 
0,79 
0,37 



o,cx>oi03 

1 098 

III 

' 102 

076 
076 

077 
027 

I 



14,60 

ï3,34 

ïo,43 

9,92 

8,62 

6,97 
5,92 

3,90 
2,11 



0,000133 
I 129 

057 

080 
097 
072 

ÏOI 

i "3 



Uit die verhangcijfers blijkt, dat bij een lagen rivierstand het 
verhang in den bovenmond van den IJsel (Westervoort — Doesburg) 



Digitized by 



Google 



kleiner is dan in het volgende pand, en dat hetzelfde bij een mid- 
delbaren rivierstand het geval is, terwijl bij een hoogen rivierstand 
integendeel hier het verhang het grootst is. Reeds hebben wij er 
vroeger op gewezen i), dat bij hoogen rivierstand de IJsel een 
evenredig grooter aandeel van de waterverdeeling bij Wesiervoort 
van den Rijn ontvangt dan bij lagen en middelbaren rivierstand, 
iets wat overeenkomt met hetgeen wij hier opmerken. 

Het verhang van den IJsel neemt naar beneden af en eveneens 
hiermede de stroomsnelheid. De grootste oppervlakte-snelheid van 
den IJsel werd waargenomen den 17 Juli 1875 bij een waterstand 
van 10,05 M. + A. P. te Westervoort. Boven eene diepte van 
2,75 M. bedroeg hier de oppervlakte-snelheid 1,55 M. in de seconde. 

De waterafvoer van den IJsel vinden wij in het volgende over- 
zicht, bij verschillende rivierstanden gerekend. 





Hoogte van den 

waterstand 
te Westervoort. 


Afvoer per sec. 
in M8 


I M. 


M. R. 
boven » 


1871- 


-1880 


9,42 
10,42 


210 
360 


3 M. 


» * 


* 


> 


11,42 


520 


3 M. 
I M. 


beneden » 






12,42 
8,42 


700 
IOC 



De slibafvoer van den IJsel is reeds besproken in verband met 
den Rijn I, pag. 338. Zij bedraagt per jaar gemiddeld 470 mill. 
K.G. (N.B. In de tabel op pag. 338 deel I moet toegevoegd 
worden : millioetun). 



i) Zie deel I pag. 346. 

II. 



15 



Digitized by 



Google 



226 

Omtrent de afwisseling van de diepte der rivier vindt men 
belangrijke opgaven in onderstaande tabel. 



Plants der ondiepte. 



Diepten in M. beneden M. R. i86i — 1870. 
1875 '1876 



1873I1874 



1877 



1878 



187911880 1881 



1882 



Schommel, 
in diepte. 



1863— 1882 



Bovenmond 

Westervoortsche spoorwegbrug 

Grooten Durk 

Aan de Steeg 

Doesburg 

Dierensche Hank 

Geldersche toren 

Bronkhorster veer 

Groene jager 

Bronsbergen 

Zutfen 

Zaagmolen beneden Zutfen 
Voliehand beneden Deventer 

Blokhuis 

Doornewaard 

Veer te Olst 

Bij het Veersener rak 



1,65 i,96;2,09' 1,77 
2,101,94 



1,92 2,06' 



i,82|i,9i 
2,04 2,06 
2,10 



1^94 



1 
2,32 



i,96]2,32 

— 2,67 
2,02 2,47 
2,032,17 
1.77 1.87 
1,95:^97 

— 2.06 

— 2,09 

— 2,17 

— '2,12 

— ii,86 



1,82 
1,62 



1^53 



1,86 
1.73 



2,00 2,oiji,8o 1,921, 80 

2,092,232,182,052,13 

— 1,881,891,76 1,89 
1,902,152,152,002,14 

2.19 2,09'2,I2 2,32 2,23 

— — I — 12,252,42 
2,252,331,912,121,98 

2.20 2,16 2,00 2,07 2,06 
2,091,851,801,701,76 
1,89 2,08 1,98 1,82 1,87 

2.02 i,9i'i,9oi,86'i,87 

2.03 2,11 2,001,96 1,96 
2,11 2,08 1,94 i,96|i,95 
2,08 2,04 — 2,06 2,05 
1,87 2,ooli,77 2,02 1,90 



i»94|i,72 
M5|i.72 



1,78 
2,38 
2,05 
2,11 
2,22 
2,26 

2,18 
1,722,02 

1.93 — 
1,92 1,80 

2,09 1,95 

2.151.90 
2,021,85 

-11,85 



1.74 

1,88 
2,24 



2,06 
2.22 



2,07 
1,72 
i.76| 
1.74 
1,76 
2,06 



2,27 

2,23 
1,92 

1,80 

1.95 
1,78 

1,84 



0.44 
0.57 
0,27 
0,64 

0.34 
0,42 

0.36 
0,42 

0.56 
0.23 
0.39 
0,16 
0,26 
0,16 
0.39 

0,2« 
0.25 



De bovenstaande tabel geeft ons een overzicht van de ondiepten 
in den IJsel en van de veranderingen, welke deze in eenige jaren 
ondergaan hebben. (In de Versl. der Openbare Werken vindt men 
voor elk jaar de opgaven van die ondiepten.) Over 't geheel vinden 
wij hierin de grootste schommelingen nabij den bovenmond, verder 
aan de Steeg en bij den Groenen Jager. Deze ondiepten in den IJsel 
worden ook reeds genoemd door Huvgens en Hudde na hun on- 
derzoek van den Rijn en van deze rivier in 1671. Zij schrijven 
hierover: tVorders aengaende dese ondieptens van den IJsel, die 
vallen meest alle seer cort en dikwijls geen steenwurp langh; haar 
grond is meest wit sand en daerom verloopen ze ook gedurich. 
Die in de mond van den IJsel is wel de slimste, soo ten aanzien van 
de meeste ondiepte als ten aensien van haar grond, die grindigh is 2)." 

i) Deze tabel is ontleend aan Tutein Noltheniiis. 

2) Geciteerd bij Tutein Nolthenius. — Zie Deel I. Ned.en zijn Bew. pag.315. 



I) 



Digitized by 



Google 



d 
•d 

p< 

o 

a 
a> 
•d 
d 
ctf 

co 

<u 

bo 
<u 

O 

> 



& 




SuiUIdUJCBAX UTSA 



00* 








00 ir> »o in 


M OO vo t^ 


M OO 00 

'Sc.. 


gOS 


r}^ c3 a o 


^ •— » 


>■->»—> 


t^ 


00 w 


00 N lO 


M co W W^ 






lo r«- '«t 


00 o o N 


•H VO o 


•^ O^ fO 'T 




»^ ï^vo 


t^ r^ t>» r^ 


OO M 


tO O M t^ 


vo t-^vO 


t^ lo «oin 






o^ o^ ^ 


OOs o O 


00 00 M 


^VO N to 


00 00 o^ 


Ov Ttvo t^ 






0^ o o 


o^ c» o^ o^ 






fO m o^ M 
tn in o^ "^ 



^ Ó^ C^ O^ O^OO o^ 



co 



o ? 00 



«** . ►H 



- " IS 



e 



O 00. 



00 O § 
i-l 00 "^ 



in 



cd c 

^ « s 



(ü OO ;? 

M Qv vO "^ M vO 

M iH Ï^M___^ tnrr)i^ 

Tf M r^\o O. t^ O >0 
VO. ^ cj^ rO<J 00^ O fO 
fó to fO co to T? có 



O O O O OOG 
N co ^ in vo r^oo 

00 00 00 00 00 OO 00 



— Il 



I I 



Tf M « »M 

M N co -^ 

00 00 00 00 



invo t^ 

00 00 00 



•4iOOAi9ÏS3^V\ 



in « 

TfOO 


•^ 


•^ 


00 


in 


in in 


M 


00 \o 


r^ 




M 


00 00 


u 




M 


>H 


JU 


h. 








S 


§ 






►— »h-» 


t^ 








M 


N 


N 


^ 


V— ' 


S—^ 




Vw/ 


Tf o o 


M 


O^ in O 


■^ 



■^ Tf in in 



O "^ Tj- co in invo O ro N 
00^ 00^ inq^ONO^N w H* Tf 

vcTvcTvo t^vcT r^ tC tC t^ r^ 



t-* M N t-* O N i^vo inoo 
*^ O t^TfcO"T^M «^in 



c< i^f>»0 O^O^ininOvo 
T-^ covq^ ^^^ O N 00 M 
vo vo vd vcTvd vcT rC tCvcT r^ 



'^oo 52. o> r^ co Tl- w->^ 00 
«^ «^ 2^-S 92 00 00 00 °2 ^ 



oi cj 



Im ■<-* 4-* 4^ I* Im 

. ft »2 »M H b eö 



*^ t^ in ^vo 

N co N «-1 « "^vC \0 - M 



vO co covo r^ t^ N O CO vO 
^ *^ ^ "^ 'Tt "^ r»vO w -^ 

o^ M o^ I-T O cT d^ cT cT ö 



OOOOinooOOO 

00 On o «-**.« ^ invo t*-00 
«^ r^oo 00 00 00 00 00 00 00 

»H.-l«M,HI-ll-l»-l-,M 

I I I I I I I I I I 

r*oo O^ o M co ^ invo r-» 
*^ «^ r-oo oo co 00 OO OO 00 



'SinqssoQ 



Digitized by 



Google 






CS 
CIS 



'O 

c 



73 

i 

o» 

o 



S 



O 
O 



H 

SuiUldUJBCAV UCA 



. to ^: oo" ^ 

o -f^ -00 tl 

ON ro o A. 

N ^ N fO ^ Jy 

00 «o N o o ^ 

\0 vooO N N vO 
e»r cT cT w cT N 



■^ N co "^ w 00 On lOOO r- «^ lO 
tT ro co H* in Tj- co tJ-oO r^vO On 



t^ Tl- ^ ^ On '«*• \OVO VO 00 •"• ON 

Tf vo^ iO Tt^ Onoo NO^OO i- r^ o M 



o 

00 

M 

>■ 

o 



^ 00 o-^.2> . 

? S .^00 • S 






On o 






O.M..,, ^ 

O mr^"«tONM ONW 

O^OO W VO tn On M Tl- 
OQmmmOmm 



m M 



N o 



I ro mvO "^ l" ONNO 
' CO O M M O iD r- 



O ONVO 
ON On •-• 



ON ON t^ N M 






?^ ^ S ^ 2"'^oo''^'ï}^'^ 

- «^ iTrS 'S ^ <» 12 <» ^ 



«5 (>:.«* bT ^. .eö r?: «ir^ T 



I ^ PiH ACx, 12; « px, j| f£, 
I W 00 vo o ^ o 

I Tl-h- l-H M (««lOl-lVO 



o lo 

- . ^ ^ , j:^^ 

oc oó ÖN ön ó^ Ónoc oo^od^oo' ocTocT 



MVO N •-• N MVOVONO 



OnOOOOOOOOOOO 
NOooONO'-'wtO'<i' lONO r»co 

r^ r^ r-00 oooooooocooooooo 



I I I I I I I I II I I 

vO 1--00 ON o M e< ro "^ mvO «^ 
t^ t^ r» r^oo 00 00 00 00 00 00 00 



•uajmz 



N N rorororO«OcO 



fO rO "^ m t- rO r^OO 



>0 CO O N NOO TfON 
"^nO O^OO^ '^^ ^9 ^ '^ 
cT cT eT rT fó CO w* co 



co 2"<^ 

. 00 "^ - 



O 



;<S"2'^~' 



O^ M 

O 00 >u. 

00 ^ o »-• 
»^ Z 'T 

4Si,px, y j| pl, ^ fiH S 

00 *^ o M t^oo 

l-lMCIVOl-"*^'-''-' 



M 00 VO •"< ^00 VO O 
\oMvo O o *^»7;*^ 
r^oo vo «^ r^ r^o r* 

oooooooo 

M M «o ^ tr>^ r^oo 
oooooooocooooooo 



I I II II I I 

MH4MMMMIHM 
o M «M «o -t lOVO «^ 

oooooooocooooooo 



•J95U9A9Q 



Digitized by 



Google 



229 

Wat de laatste ondiepte nu betreft, deze is sedert veel verbeterd, 
aangezien de vaardiepte bijna verdubbelde. Wenden wij thans een 
blik op de vroegere waterstanden. 

Uit de bovenstaande tabellen blijkt, dat op de rivier de IJsel de ^ 
gemiddelde waterstand verhoogd is gedurende den tijd van geregelde 
waarnemingen. Evenwel is die verhooging niet regelmatig geschied, 
zooals men ziet uit eene vergelijking van het verval van peilschaal 
tot peilschaal in verschillende perioden. 

Terwijl toch in de periode 18 ii — 1820 (de waarnemingen liepen 
hier helaas maar van 18 14 tot 1820; ook bij andere hadden wij 
niet de volledige waarnemingen) van Westervoort tot Doesburg een 
gemiddeld jaarlijksch verval bestond van 9,69 — 6,95 =■ 2,74 M., vindt 
men tusschen beide plaatsen in de periode 187 1 —1880 een verval van 
9,57 — 7,42 = 2,15 M. Aldus was het verval tusschen beide plaatsen 
afgenomen^ m. a. w. : te Doesburg was de waterstand meer 
verhoogd dan te Westervoort gedurende dien tijd. 

Van Doesburg naar Zutfen bedroeg het verval in de periode 
181 1 — 1820 over het jaar gerekend gemiddeld 6,95 — 4,48 = 2,47 M., 
en in de periode 187 1 — 1880 was het verval er 7,42 — 4,95 = 2,47 M. 
Tusschen deze beide plaatsen bleef dus het gemiddeld verval het- 
zelfde. Voor den afstand Zutfen — Deventer was in de periode 
1811 — 1821 het verval 4,48 — 2,99 — 1,49 M. en in de periode 
1871 — 1880 4,95 — 3,62 = 1,33 M., zoodat hier weer eene afneming 
van verval is te bespeuren. 

Terwijl dus van Westervoort naar Doesburg het verval afnam, 
bleef het van Doesburg tot Zutfen stationnair, en nam het van Zutfen 
tot Deventer weder af. De perioden, welke wij namen, liepen niet 
over een gelijk aantal jaren, zoodat de cijfers geenszins absoluut 
juist zijn, doch zij geven eene algemeene waarheid aan. Deze 
waarheid is, dat de waterstanden op den Midden-IJsel 
sterker gestegen zijn dan die bij Westervoort. In 
het vak van Doesburg naar Zutfen had eene vrij regelmatige 
rijzing der waterstanden plaats, terwijl blijkbaar te Deventer de 
waterstand weer sterker steeg dan te Zutfen, waardoor het verhang 
afnam tusschen deze beide plaatsen. 



Digitized by 



Google 



230 

Op dit verschijnsel werd reeds in 1847 de aandacht gevestigd 
door Ferrand, en ook Tutein Nolthenius maakte het tot een 
onderwerp van eenige beschouwingen i). Deze vond eene ver- 
hooging van Doesburg tot bij Katerveer. 

Uit verschillende oorzaken kan het ontstaan van dit verschijnsel 
verklaard worden, zonder dat men tegelijk daarmede nog tot de 
ware oorzaak mag besluiten. 

De vrij evenredige rijzing van den waterspiegel tusschen Doesburg 
en Deventer kan het gevolg zijn van eene gelijke regelmatige ver- 
hooging der bedding over deze lengte. 

Raadplegen wij nu de peilingen en metingen dezer rivier, zooals 
die in 1844 en in 1874 plaats hadden. In het Verslag der Openb. 
Werken van 1874 2) vinden wij eene opgave van de profiels- inhouden 
des IJsels in genoemde jaren bij eiken kilometerraai. Hieruit zien wg, 
dat de 3 1 dwarsprofielen van Westervoort tot het Veer bij Dieren bij een 
waterstand van 9,54 M. + A. P. te Westervoort in 1844 te zamen 
een inhoud hadden van 8,89061 Al^. en in 1874 van 10034,30 M*. 
zoodat deze 31 dwarsprofielen in dat tijdperk 1143,69 M*. vergroot 
waren. Voor elk dwarsprofiel geeft dit in dien tijd eene gemiddelde 

vergrooting van — 1?!-?- M^. = bijna 37 M*. 

In het gedeelte van Dieren tot de Schipbrug te Deventer was in 
dienzelfden tijd van 1844 tot 1874 de gezamenlijke inhoud van 35 
dwarsprofielen op elke kilometerraai van 10895 M^. tot 9403 M*. 
verminderd en dus met 1492 M^. afgenomen. Dit geeft voor elk 
dier dwarsprofielen gemiddeld eene vermindering van inhoud van 

-^5_-= niim 42 M«. 
35 
Hoewel men hieruit nog geenszins met volstrekte zekerheid tot «ene 

verdieping van den bovenmond des IJsels en eene veron dieping in den 
Midden-IJsel kan besluiten, daar de normalisatie misschien ook door 



i) Tutein Nolthenius. Onderzoek naar de bruikbaarheid der oude stroomme- 
tingen. (Tijdschrift Inst. v. Ing. 1885—86, pag. 289.) 
2) Vcrsl. der Openb. Werken. 1874, pag. 207. 



Digitized by 



Google 



231 

wijzigingen in breedte veranderingen in de inhouden der profielen 
gebracht heeft, geeft toch het gelijktijdig voorkomen van het ver- 
schijnsel der verhooging van den waterstand op den Midden-I /sel 
en de vermindering van het verval in den bovenmond, aanleiding, 
om het verhoogen der bedding van den Midden-IJsel 
met zeer veel grond te vermoeden. 

Wat de omstandigheden van hoog en laag water betreft, deze 
komen met die bij den Rijn overeen. Ook hier zien wij de hoogste 
standen en de laagste waterstanden bij ijs en door dezelfde oorzaken? 
als wij op pag. 324 van deel I leerden kennen. 

§ 2. GESCHIEDENIS VAN DEN IJSEL. 

A. De Midden-I/sel. 

De vraag, of de IJsel een tak van den Rijn is, hebben wij reeds 
vroeger besproken in verband met den Rijn. (Deel I. pag. 373). 
Thans wenschen wij ons te bepalen tot de hoofdzaken van de ge- 
schiedenis dezer rivier in lateren tijd. 

Hoewel niet door verplaatsingen buiten de IJsel-vallei (zie pag. 
209, II) heeft toch de rivier binnen deze grenzen in historischen tijd 
vele veranderingen ondergaan, zooals uit tal van verlamde rivier- 
gedeelten of armen blijkt. Gedeeltelijk zijn deze met laagveen 
gevuld, zooals bijv. het Velperbroek bij Arnhem, de moerassen aan 
den voormaligen IJselarm bij Ëmpe tegenover Zutfen en elders, 
gedeeltelijk met klei. Waar de mensch den bodem niet geëffend 
heeft zijn die oude rivierbedden nog te herkennen aan de laagten 
en sluiken, welke vooral in de weidelanden worden aangetroffen. 
Tegenover Zutfen en de Bronsbergen, zegt Staring, kon men dui- 
delijk 3^5 oude rivierbedden onderscheiden i). De rivier ver- 
plaatst zich ook bij Zutfen door oorzaken, als wij in deel I pag. 23 1 
§ II leerden kennen. Zoo werden zelfs de St. Walburgskerk en 
het slot bedreigd, en om dit tegen te gaan werd een andere loop 



i) De bodem van Nederland I, pag. 374. 



Digitized by 



Google 



232 

van den IJsel door het Helbergen heen noodzakelijk geacht. Tot 
dit doel verkochten de gebroeders van Helbergen hun goed van 
dien naam aan Zutfen in 1356. Spoedig daarna ving de verlegging 
der rivier aan i). 

Tusschen Zutfen en Deventer heeft de IJsel vóór de 15de eeuw, 
wel niet regelmatig maar toch dikwijls, over groote gedeelten door 
twee beddingen gestroomd. De westelijke van deze takken heette 
de Oude IJsel en de oostelijke werd de Nieuwe I/sel genoemd. 
Beide takken waren bevaarbaar. De Oude IJsel echter, welke thans 
nog een gedeelte der stadslanden van Zutfen omringt, onder de 
Empersche brug doorstroomt en daarna even beneden Zutfen in 
den Nieuwen of tegenwoordigen IJsel valt, was reeds in het laatst 
der i4cle eeuw aan het verlanden, en men kan zijne bevaarbaarheid 
moeielijk verder aanwijzen dan tot 1456. Vóór dien tijd heeft zich 
de Oude IJsel waarschijnlijk tusschen de Emperbrug en zijne ver- 
eeniging met den tegenwoordigen IJsel beneden Zutfen weder in 
tweeën gespHtst, waarvan de eene tak, na de Voorster beek door- 
sneden te hebben, langs het huis te Wilp en achter de Stads Marsch 
van Deventer om, zich naar deze laatste stad heeft gericht. Hij kon 
door schepen van beide steden bevaren worden. Van Deventer af 
loopt een sloot, die tegenwoordig nog den naam van Ouden IJsel 
draagt 2). 

Ook beneden Deventer schijnen de thans nog aanwezige menig- 
vuldige hankefiy d. i. lange, smalle en diepe kolken of geulen 
(waarvan er o. a. bij het dorp Welsum op den linker IJseloever 
eene van minstens V4 uur gaans lang bestaat), die dan eens aan 
den Gelderschen, dan weder aan den Overijselschen kant aanwezig 
zijn, het bestaan van twee of meer beddingen aan te toonen 3). Het 



i) R. \V. Tadama. Gesch. v. Zutfen, pag. 92. 

2) J. A. van Doorninck. Welke zou de hoofdoorzaak van het verval der 
bevaarbaarheid van den IJsel zijn? (Overijselsche Almanak voor oudheid en 
letteren. 1839, pag. 65). 

3) L. A.J.W. Sloet van den Beele. De hof te Voorst. (Verh. der Kon. Akademie 
van Wetensch. 1865, pag. 28). 



Digitized by 



Google 



233 

is evenwel mogelijk, dat die verschillende beddingen een gevolg waren 
van het oorspronkelijk gemis van dijken, zoodat spoedig na den 
aanleg der bedijkingen het water in een bedding samenliep i). 

Vóór den tijd der bedijking heeft aldus de loop des IJsels ver- 
schillende veranderingen ondergaan. Bovenal het winterwater der 
rivier, dat met groot vermogen werkte, groef niet zelden op enkele 
plaatsen eene nieuwe bedding uit. Nijhoff zegt, dat >tot het gees- 
telijk gebied van den Bisschop van Munster alles behoorde, wat 
aan de overzijde van den IJsel lag (de oostzijde) benevens dat ge- 
deelte van de Veluwe, hetwelk tengevolge van str oomveranderingen 
in den loop der eeuwen voorgevalleny van den rechter naar den 
linker oever der rivier verplaatst was 2)." Hierdoor is het ook te 
verklaren, dat nog in den tegenwoordigen tijd de kerkdorpen fFelsum 
en Marie, hoewel aan de Veluwsche IJselzijde gelegen, toch tot 
de provincie Overijsel behooren 3). 

Kampen lag vroeger aan den rechter oever van een IJseltak 4). 
Sedert deze arm der rivier, die ten zuiden langs de stad liep, verland is, 
kwam het op den linker oever des IJsels te liggen. Die oude, ten 
zuiden langs Kampen loopende rivierarm, is nog geteekend, hoewel 
verland, op de kaart van de Veluwe in de Geldersche geschiedenis 
van Slichtenhorst. 

Behalve bovengenoemde veranderingen wijst ook het riviervak 
bij Doesburg, waar onderscheidene beddingen voorkomen, op ver- 
leggingen des strooms 5). 

De bedijking van den IJsel werd door de natuur vergemakkelijkt 
door de hoogten, die op sommige plaatsen langs de oevers gevonden 
worden. Zoo vindt men tusschen Zutfen en Deventer op den rechter 
IJseloever een hoog zandterrein zonder veel kleigronden. Hierdoor 

i) Zie: Mr. E. A. Jordens. De IJsel als handelsweg. (Overijselsche Almanak 
voor oudheid en letteren. 1852, pag. 133). 

2) Nijhoff. Gedenkwaardigheden uit de Geld. Gesch. I, pag. 61. 

3) F. \V. V. Marie. Welsum en Marie. (Overijselsche Volksalmanak. 1841, 
pag' 134). 

4) Nanninga Uitterdijk. Kampen, Geschiedkundig overzicht. 1878, pag. 2. 

5) V. Marie. T. a. p. pag. 135. — - Staring. De bodem van Ned. I, pag. 374, 



Digitized by 



Google 



234 

waren in dit gedeelte ook weinig kunstmatige dijken noodig. Ook 
de Sallandsche dijken in Overijsel werden aanvankelijk aaneen 
verbonden door eene reeks van natuurlijke hoogten. Daardoor 
bracht men in Overijsel in 1308 reeds de algemeene bedijking des 
IJsels tot stand, ruim 60 jaren vroeger dan aan de Veluwsche zijde. 
Door Bisschop Guido werd in 1308 bij den landdag op Spoolderberg 
bij Zwolle een dijkrecht verleend, nog thans onder den naam van 
»Guijendijkbrier* bekend, om de schade te verhoeden, die uithoofde 
van de slechte dijken door het overloopende IJselwater tin onsen 
lande plach gescien, dat gheleghen is tusschen der Honnepe (bij 
Deventer) en der zee uppe der side van der IJsele daer Deventer 
uppe steet." 

Wij zien dus, dat de dijk, eerst bekend onder den naam van 
Douvelder of Douweler dijk, later onder dien van Snippelings dijk 
en sedert 1809 als Snippelings overlaat^ reeds zeer vroeg bestond. 
Daar de dijk loodrecht op de stroomrichting stond, werd door dien dijk 
het water boven Deventer sterk tegengehouden en opgestuwd. Deventer 
had hierdoor veel te vreezen en wilde steeds den dijk verlagen, 
om het water hierover te doen wegloopen, doch dewijl Salland 
daardoor met het overloopende water zoude bezwaard worden, 
waren de Staten van Overijsel, integendeel vóór verhooging van 
dien dijk. Dit gaf aanleiding tot langdurige twisten, waarin Deventer 
de overhand behield. 

Toen nu na 1308 aan de Zutfensche zijde door natuurlijke 
hoogten en aan de Overijselsche zijde door de Sallandsche bedij- 
king het water werd tegengehouden, moest het met des te meer 
kracht, wanneer het Rijnwater in groote hoeveelheid afkwam, de 
slechts partieel bedijkte Velu we instroomen. Daardoor gingdeijsel 
voort tot het jaar 1370, (toen de Veluwsche bedijking tot stand 
kwam,) het overstroomde dal met vruchtbare klei op te hoogen. Zoo 
werd aan den Veluwschen kant aldus van Voorst tot Hattem en 
de buurtschap Wapenveld onder Heerde toe, een uitmuntende streek 
vruchtbare grond gevormd. 

Van tijd tot tijd werd de bedijking des IJsels voor kleine 
gedeelten voortgezet. In 13 14 werd op den IJseloever bij het 



Digitized by 



Google 



235 

kasteel Nijenbeek, niet ver van het dorp Voorst, een dijk of water- 
keering aangelegd. De Dremptsche IJseldijk bij Doesburg bestond 
stellig reeds in 13 14, ten minste hij brak toen reeds door. In 
1340 g^^ Reinold, destijds hertog, een dijkbrief aan de gemeene 
erfgenamen van Hattem, die zich verbonden een dijk te onderhouden 
van den nieuwen Gravendijk bij Hattem tot den Bukhorster dijk. 
Met 1366 kan men de bedijking van het Arnhemmer broek 
vaststellen. Eerst nadat op 31 Oct. 1370 Hertog Eduard een alge- 
meenen dijkbrief aan de Veluwe langs den IJsel gegeven had, ver- 
kreeg de geheele bedijking haar beslag. Aldus was met het begin 
der 15de eeuw de bedijking van den IJsel voltooid. 

De IJsel schijnt aanvankelijk een goed bevaarbare stroom ge- 
weest te zijn, zooals blijkt uit de geschiedenis van den vroegeren 
handel op deze rivier. Drie belangrijke handelssteden, Zutfen, 
Deventer en Kampen, ontstonden aan dezen verkeersweg. Doch 
sedert de i5<le eeuw nam de IJsel belangrijk in vermogen af. 

De oorzaak van deze verandering hangt ontegensprekelijk samen 
met de veranderingen in den Rijn boven Westervoort. Wij hebben 
reeds vroeger gezien, dat de Oude Rijn verzandde, en dat de Waal 
in vermogen toenam. Naarmate nu de Beneden Rijn minder water 
ontving en daardoor slechter bevaarbaar werd, moest ook de IJsel in 
dien toestand deelen, zooals wij reeds vroeger zagen. Wij kunnen voor 
het leeren kennen der oorzaken van de verslechtering van den IJsel 
dus verwijzen naar hetgeen hierover op pag. 385 enz. deel I, gezegd is. 

B. De monden van den IJsel. 

Wij wenschen de geschiedenis van den IJsel te vervolgen met 
die van zijne monden, en vangen aan met de beneden-monden. 
De verschillende monden van den IJsel door en om het Kamper- 
eiland zijn zeer waarschijnlijk ontstaan na de vorming of uitbreiding 
van de Zuiderzee, tegelijk met die delta zelve. In het jaar 1334 
vinden wij reeds het Ganzediep vermeld. Dat de Kampereilanden 
in de 14de eeuw zich nog niet lang boven het water hadden ver- 
heven, blijkt hieruit, dat in het jaar 1364, toen de Bisschop van 



Digitized by 



Google 



236 

Utrecht het recht van aanwas aan Kampen schonk, zij nog slechts 
Va voet boven dagelijksch water lagen i). 

De aanslibbing vóór den IJselmond, die de eilanden en deltavor- 
mingen deed ontstaan, veroorzaakte ook, dat de monden, welke de 
IJsel tusschen deze alluviên open hield, verzandden. Zoo werd 
reeds in het laatst der 15de eeuw het binnenkomen van den IJsel 
door een zandbank belemmerd. Daarom damde men in 1479 
het Zuidtrdiep achter Brunnepe af, een water dat 23 roeden wijd 
en meer dan 2 vademen diep was. Een andere streng, tusschen 
de Greente en Zuiderweerd naar zee loopende, onderging hetzelfde 
lot, terwijl men verder door het aanleggen van dijkwerken den 
stroom zocht te dwingen. Maar zware ijsgang en overstroomingen 
beschadigden dikwijls deze werken. In 148 1 was echter het 
Dankers' of Rechterdiep aan het einde van de Ruidenhoop tot 
eene diepte van 2 ellen uitgeschuurd, terwijl het kort te voren, even- 
min als het Noorderdiep, Rijnschepen had kunnen binnenlaten. Men 
liet nu 7 i 8 morgen opgewassen buitenzanden bepoten, ten- 
einde ook het Noorderdiep te laten verzanden en tevens land te 
winnen. Dit had hec gelukkig gevolg, dat in den herfst van 148 1 
vele uit de Oostzee te huis komende schepen geladen binnenliepen, 
en tot vóór de stad zeilden, hetgeen sedert langen tijd niet ge- 
beurd was 2). 

Dat Kampen vroeger aan den rechter oever van een IJseltak lag, 
doch door het verlanden van die riviertak geheel aan den linker 
oever kwam te liggen, zeiden wij reeds boven. 

Hoewel er tijdelijk eenige verbeteringen in de diepte van den IJsel- 
mond werd opgemerkt, ging toch de diepte aan den mond van deze rivier 
naar zee gedurende de i6de en 17 de eeuw over 't geheel achteruit. 
De middelen, welke men tot verdieping er van aanwendde, werden 
niet altijd op denzelfden tak toegepast, en bleven onvoldoende. De 
IJselsteden hadden alle belang bij deze zaak, en droegen dan ook 
dikwijls gezamenlijk iets bij in de kosten, doch niet voldoende. 



i) Hist. Kamp. Kron. I pag. 144. 
2) Hist. Kamp. Kron. I pag. 272. 



Digitized by 



Google 



Zelts de Admiraliteit van Arasterdam ondersteunde deze zaak soms 
geldelijk i). 

De hoop op verbetering van den toestand aan de beneden IJsel- 
monden, evenals van de geheele rivier, was gevestigd op het Pan- 
nerdensche Kanaal. Evenwel, al werd hierdoor de bevaarbaarheid 
van den Neder-Rijn verbeterd, voor den IJsel baatte dit nog weinig. 
De IJselmond bij Westervoort toch was zoo slecht geworden, dat 
daardoor de rivier niet voldoende water uit den Rijn kon ontvangen. 
De heer van Doominck heeft aangetoond 2) dat die verzanding van 
den boven-IJselmond hoofdzakelijk na 1623 plaats had. » Er vormden 
zich zandbanken aan den bovenmond van den IJsel, die hoe langer 
zoo meer <yver laten waren geworden, welke alleen bij middelbaar 
en hoog water den aanvoer van den Neder-Rijn toelieten." 

Het Pannerdensch kanaal kon aldus voor den IJsel niet baten 
en de bevaarbaarheid van de rivier nam nog steeds meer af. 
Zoo verklaarden de gecommitteerden van het quartier Zutfen den 
3osten Juni 1761 aan de overige afgevaardigden, ter beneficeering 
van Neder-Rijn en IJsel: »dat het bekend was, dat de 
mond van den IJsel hoe langer hoe meer quam te versanden, dat 
daardoor werd veroorzaakt, dat die Rivier genoegsaam het grootste 
gedeelte van het jaar onbevaarbaar was, en dat geen Schepen, hoe 
klein die ook waren, op en af konden komen" 3). 

In dezen toestand werd eindelijk verbetering gebracht, toen in 
1771 (10 April) door de afgevaardigden van Holland, Gelderland 
en Pruisen eene conventie gesloten werd, waarbij men tot het 
graven van een nieuwen IJselmond door de uiterwaard de Pley be- 
sloot, die in 1775 ^^^ stand kwam. Tijdens de uitvoering was de 
oude IJselmond nagenoeg geheel afgesloten, zoodat de IJsel gedu- 
rende dien tijd van den Neder-Rijn was afgescheiden. 

Het profiel van dien nieuwen IJselmond werd geheel kunstmatig 



i) Besognes van de Admiraliteit te Amsterdam 19 Aug. 1670 en 12 Sept. 1687. 

2) J. V. Doominck. Iets over het verbeteren der handelscommunicatie van Over- 
ijsel met Duitschland (Overijselsche Alm. voor Oudheid en Letteren 1841 pag. 258.) 

3) Ned. jaarboeken voor 1767 pag. 794 — 797. 



Digitized by 



Google 



238 

gevormd, de oevers werden door rijsbeslag tegen afslag voorzien. 
De bodem verkreeg eene breedte van ongeveer 57 M. en werd ge- 
legd ter hoogte van + 0,45 M. Amhemsch peil. De breedte op 
het maaiveld was ongeveer iio M. en de afstand der wederzijdsche 
leidijken 240 M. Evenwel beklaagde Overijsel zich nog altijd, 
dat de IJsel bij lagen en gemiddelden rivierstand te weinig water 
ontving en bij hoogen rivierstand te veel water. 

Keeren wij weder terug tot de benedenmonden. Niet altijd had men 
aan dezelfde benedenmonden van den IJsel gearbeid tot bevaar- 
baarmaking. Zoo o. a. besloot men in 1733, ^^^^^ opgemerkt 
was, dat het zand vóór dezen mond afnam, het Gatizendiep bevaarbaar 
te maken, waartoe Kampen en Deventer zich verbonden. Echter 
bleek spoedig, dat dit niet aan de verwachting beantwoordde en dus 
ging men weder tot het Keteldiep over. 

In deze eeuw drong men van tijd tot tijd weder ernstig aan 
op verbetering der afwatering van het IJselwater en verdieping van 
den mond voor de scheepvaart. Verschillende werken werden daartoe 
verricht. Door normaliseering werd het zomerbed meer bepaald^ 
en in 1874 kon de ingenieur Tutein Nolthenius getuigen, >dat de 
IJsel van 1844, zooals hij destijds in kaart gebracht was, met de 
tegenwoordige weinig meer dan de lengte gemeen heeft*' i). 

Met de verbetering van den benedenmond van den IJsel is 
men aangevangen in 1869. Deze had hoofdzakelijk ten doel 
Zwolle een beteren waterweg naar de Zuiderzee te schenken. 
Daartoe moest de geheele Beneden-IJsel van Katerveer af, waar 
de Willemsvaart met den IJsel in verbinding staat, tot een goeden 
waterweg gemaakt worden. Daarvoor wilde men de rivier alhier 
eene vaardiepte van 3 M. geven, waarvoor de bedding te Katerveer 
2,65 M. — A. P., te Kampen 2,75 M. — A. P. en aan den mond 
van den Ketel 2,72 M. — A. P. diep moest zijn. 

Die vereischte diepte is verkregen, gedeeltelijk door beperking van 
het dwarsprofiel, waardoor de stroom versnelde en dus grooter 

i) Tijdschr. K. Inst. van Ingenieurs, 1885 — 86 pag. 299 



Digitized by 



Google 



239 

erosievermogen verkreeg, gedeeltelijk door uitbaggering. De normaal- 
breedte, waartoe de rivier beperkt is, bedroeg 155 M. teKaterveer, 
verwijdende tot 170 M. te Kampen. Beneden Kampen tot aan den 
benedenmond van het Rechterdiep is eene normaalbreedte van 
150 M. bewaard, terwijl aan het KeUldiep eene breedte is gegeven 
van 150 M. bij het begin, en van 100 M. aan het zeeeinde. 

De geschiedenis van den IJselmond is dezelfde als van vele 
Nederlandsche rivieren; een stelsel van proefnemingen, zonder dat 
vooraf met wiskundige zekerheid het resultaat kon worden aangegeven. 

Toen in 1869 de leidammen in het Keteldiep op onderlingen 
afstand van 100 M. gelegd werden was het overige gedeelte van 
het Keteldiep slechts 40 tot 100 M. wijd. Toch ontstond hierin 
nog herhaaldelijk verondieping., Vooral was dit het geval in het 
voorjaar van 1873, toen van het zeeeinde der dammen de in 1872 
gebaggerde geul over eene lengte van 1600 M. weer geheel verzandde. 

Door versterking van den stroom alleen kon dit gebrek verholpen 
worden, en om deze te verkrijgen moest een der andere IJselmonden 
meer afgesloten of beteugeld worden. Reeds was in 187 1 van het Gan- 
zendiep aan den boven mond het dwarsprofiel beneden A. P. van 
270 M*^. tot 212 M*. verkleind, zoodat deze arm reeds minder water 
ontving. Daar dit diep voor de kleine scheepvaart behouden moest 
blijven, was verdere vernauwing niet wenschelijk. 

Dewijl het Rechterdiep onmiddellijk boven het Keteldiep ligt, was 
de vernauwing van dezen arm het meest vruchtbaar voor het doel. 
In 1873—74 werd die beteugeling uitgevoerd en het dwarsprofiel in 
den bovenmond van het Rechterdiep door afdamming van 330 M*. 
tot 57 M". beneden A. P. verminderd. Het water, dat vroeger door 
het Rechterdiep naar zee stroomde, moest nu bijna geheel door het 
Keteldiep, Daardoor ontstond in het laatste een grooter stroomsnelheid, 
en het Keteldiep zelf kon nu ook vrij verwijd worden, zoodat het eene 
breedte van 150 M. verkreeg, terwijl aan het zeeeinde de dammen een 
wijdte van 100 M. behielden. Verder werd in 1870 beneden den 
mond van het Rechterdiep eene afsnijding door den Kattenwaard 
gemaakt, om de richting van den IJselmond te verbeteren. Zoo werd 
deze, aanvankelijk 60 M. thans 94 M. wijd. Thans houdt de sterkere 



Digitized by 



Google 



±4^ 

stroom door verhoogde erosie het Keteldiep op voldoende diepte; 
zelfs wordt het bij hooge rivierstanden dieper. Zoo verkreeg het 
in Dec. 1882 en Jan. 1883 over eene lengte van 400 M. in het 
benedengedeelte zelfs diepten van 7,60 tot 17 M. onder A. P., 
waardoor de zuidelijke leidam verzakte i). 

Aldus is voor de scheepvaart zoowel als voor den waterafvoer 
het KeUtdiep of de Ketel de hoofdmond van den IJsel geworden. 

C. Geschiedenis van den I Jsel in betrekking tot den waterafvoer 
bij hoogen waterstand op den Rijn, 

Na het tot stand komen van het Pannerdensche kanaal werd de 
Beneden Rijn meer met water bezwaard, en het gevolg hiervan 
was, dat de Lekdijken, die hiertegen niet waren gebouwd, aan groot 
gevaar voor doorbraak blootstonden, waardoor een aanzienlijk gedeelte 
van Utrecht en Holland bij hoog water voortdurend in gevaar 
verkeerde. (Zie deel I Ned. en zijn Bew. pag. 347). Verschillende 
plannen werden tot verbetering van dien toestand ontworpen, en 
bij eenige ontwerpen werd het oog gevestigd op den IJsel. Generaal 
Krayenhoff ging in dit opzicht zeker het verst, toen hij eene 
geheele afsluiting van den Neder Rijn en Lek voorstelde en het 
plan ontwierp, om een nieuwen IJselmond te maken, die in staat 
was evenveel water af te voeren als Neder Rijn en IJsel gezamen- 
lijk 2). Anderen gingen niet zoo ver. Brunings sprak alleen van 
een grooter aandeel, dat de IJsel van het Rijnwater moest afvoeren, 
en in denzelfden zin luidden de Rapporten der Inspecteurs van 
1861 en de nota der Hoofdingenieurs van den Waterstaat van 
Noord- en Zuid-Holland en Utrecht van 1877. 

Eene poging om den IJsel zwaarder te belasten, werd in 1809 
aangewend, door het leggen van de Lijmersche en andere overlaten, 
op voorstel van het Comité Central van den Waterstaat. De 



i) Lely. Rivieren en Rivierwerken. 1885, pag. 361. Aan dit werk is de 
jongste geschiedenis ontleend. 

2) Krayenhoff. Proeve van een ontwerp lot sluiting van de rivier den Neder- 
Rhijn en Leek en het storten van derzelven water op den IJsel. 1822. 



Digitized by 



Google 



24t 

Lijmersche overlaat moest dienen, om het hooge water van den 
Rijn noordwaarts op den IJsel te leiden. In 1852 werd deze opge- 
heven, zoodat tegenwoordig alleen door de werking van den Ouden 
Rijnmond een dergelijke verbinding plaats heeft. (Zie Ned. en zijn 
Bew. I, pag. 273). De Bingerdsche overlaat bevorderde hetzelfde 
doel. De Ellekomsche overlaat en die van den Kanon sdijk moesten 
de rivier de IJsel zelve ontlasten door afstrooming van het water 
op het land. De Snippelings overlaat bij Deventer, eveneens in 
1809 verlaagd, voerde het hooge IJsel water Salland binnen, waar 
het door de verschillende weteringen een weg moest vinden naar 
Zwolle, zoodat dit water niet weer op den IJsel terugkwam. Waar 
aldus uitgestrekte landstreken aan het water werden prijs gegeven, 
is het geen wonder, dat de ontevredenheid hierover zich telkens 
uitte. Zoo zijn dan ook deze overlaten alle in ^^ut eeuw weder 
opgeheven, het laatst die van den Snippelingsdijk in 1865 i). 

Toch werd ook in deze eeuw nog telkens eene poging door de 
regeering aangewend, om den IJsel bij hoogen waterstand meer tot 
afvoer van het Rijnwater te doen dienen. Doch de voorstellen 
dienaangaande in 1851 en in 1877 gedaan, stuitten af op den tegen- 
stand der afgevaardigden van dit gewest. En toen in 1879 ^^"^ 
verbetering van het vaarwater van den IJsel door de regeering werd 
voorgesteld, vond zij het zelfs noodig plechtig te verklaren, dat 



1} Zie over deze overlaten aan den IJsel: 

1. Verslag der openb. werken aan den Koning. 1865, pag. 278. 

2. Register VIII bevattende de beschrijving der peilschalen, hakkelbouten 
en verdere verkenwerken langs den IJsel, verzameld door de Inspecteurs 
van den Waterstaat. 1852. 

3. Ferrand. De Lijmersche overlaat. (Verh, Inst. v. Ing. 1853 — 54» P^g- **)• 

4. Teding v. Berkhout. Aanmerkingen op de wijze van ten uitvoerlegging 
van het decreet van Lod. Nap. van 18 Juli 1809 met betrekking tot den 
Snippelings overlaat. 1849. 

5. Nota van den Ingenieur Ferrand over den Snippelings dijk. (Versl. der 
Op. Werken. 1854, pag. 159.) 

6. C. Lely. Rivieren en rivierwerken. pag. 332. 

7. J. G. W. Fijnje. Beschouwingen over eenige rivieren waaronder ook 
Nederlandsche. 1888. 

II. 16 



Digitized by 



Google 



^4^ 

geene verruiming van den boven-IJselmond bedoeld werd, die invloed 
op den afvoer van Rijnwater langs den IJsel zou hebben 2). 

§ 3. HET OOSTELIJKE IJSELGEBIED. 

Wij hebben het terrein tusschen de Veluwe-heuvels en den IJsel 
reeds beschreven, en er de aandacht op gevestigd, dat dit orogra- 
phisch met de terreinen ten oosten van den IJsel één geheel uit- 
maakt. De rivier de IJsel snijdt in het westen door haar tegen- 
woordig dal het Veluwe-gedeelte van dit terrein af, dat blijkens de 
hoogte er een geheel mede uitmaakt. 

Ten O. van de Velu we heuvels, ongeveer met het kanaal van 
Dieren over Apeldoorn naar Hattem als grens, strekt zich tot de 
oostelijke grens van ons vaderland een hoofdzakelijk vlak terrein 
uit met lichte golvingen. Dit terrein daalt van het oosten naar 
het westen en van het zuiden naar het noorden. Evenwel is de 
eerstgenoemde helling iets sterker dan de laatstgenoemde. Langs 
den IJsel van Doesburg (op ± lo M. + A. P.) naar het noorden 
daalt het terrein op een afstand van 50 K. M. rechts van den 
IJsel slechts 8,5 M., d. i. 0,17 M. per K. M. Van Doesburg 
tot de grens ten oosten van Winterswijk rijst de bodem op 45 K. M. 
met minder dan 30 M., d. i. 0,66 M. per K. M. 

Het terrein van Varseveld naar Markeloo heeft in noordelijke 
richting op een afstand van 32 K. M. een verschil in hoogte van 
8 M., d. i. eene helling van 0,25 M. per K. M. Van Roerdink 
(ten Z. van Winterswijk op de grens) daalt het terrein tot Haaks- 
bergen over een afstand van 26 K. M. naar het N. 16 M., d. i. 
0,61 M. per K. M. 

Uit deze cijfers blijkt, dat de helling des terreins in het algemeen 
aanzienlijker is naar het westen dan naar het noorden, doch 
dat in het oosten ook de helling naar het noorden toeneemt, voor 
zoover dit het Geldersche land betreft, en ongeveer aan die naar 
het westen gelijk komt. Deze gesteldheid zet zich in Overijsel aanvan- 



2) Tutein Nolthenius. Watervrede. 1880, pag. 11. 



Digitized by 



Google 



keiijk tot nabij de Vecht voort in het oosten, echter niet in het 
westen. De grens, waar die helling van het oostelijk deel naar het 
noorden sterker wordt, ligt ongeveer in de lijn van den Hetten-heuvel 
over den Lochemschen berg, den Markelooschen berg, den Holten- 
berg, den Haarler berg en den Leraelerberg. Ten oosten van deze 
lijn hebben de riviertjes meest een sterk uitkomende N.W. richting, 
terwijl zij in deze lijn een kniebocht vormen, om in meer weste- 
lijke richting den IJsel te naderen. Men ziet dit verschijnsel bij 
de Vordensche beek, de Berkel en de Slink en de Schipbeek. In 
Overijsel herhaalt het zich bij de Regge en de Vecht met de Dinkel. 

Het terrein tusschen genoemde lijn Hettenheuvel, Lochemschen 
berg enz. en het kanaal Dieren — Apeldoorn, Hattem wordt door 
Dr. Lorié beschouwd als het breede dal van den IJsel uit het 
diluviale tijdvak, een tegenhanger van de Geldersche Vallei i). 
Wij kunnen ons na onze nadere onderzoekingen der terreinshoogten 
en der gesteldheid des lands hiermede volkomen vereenigen. IJseldal 
(in den zin als boven opgevat) en Geldersche Vallei zijn de breede 
stroomdalen van krachtig stroomend water. Beide zijn gevormd in 
den tijd, toen het water genoeg vermogen bezat om te erodeeren en 
zand af te zetten, en toen het te sterk stroomde om klei te doen bezin- 
ken. Toen de periode der kleiafzetting aanbrak had de Geldersche 
Vallei reeds opgehouden een tak van den Rijn te zijn. In het breede 
IJseldal hield de stroom nog een geul in het midden open en deze 
werd later met kleibezinking aangevuld^ terwijl er voor den stroom 
zelf slechts een smal bed overbleef (zie II pag. 221). 

Thans bepalen wij ons alleen tot het terrein, dat tot het stroom- 
gebied van den IJsel behoort. Over 't geheel vormt dit een zacht 
golvend land, hetwelk in het oosten ongeveer 40 M. + A. P. (bij 
Winterswijk) hoog is, en langs den IJsel tot 10 ^ 8 M. 4- A. P. daalt. 

Enkele hoogten verheffen zich uit dat gebied nog tot aanzienlijker 
afmetingen. Dit zijn de Elienber^^ de Montferlandsche heuvels 



1) Lorié. Beschouwingen over het diluvium in Nederland (Tijdschr. v. h. 
K. Ned. A. Cïen. 1887 pag. 445. — Lorié, Contributions A lalgeologie des Pays 
Bas. (Archives du Musée Teyler 1887 pag. 39.) 



Digitized by 



Google 



H4 

en de Hettenheuvel in het zuiden tusschen den Rijn en den Ouden 
IJsel, en de Loc/iemsche berg bij Lochem. 

De zuidelijke hoogten, tusschen den Rijn en den Ouden IJsel, 
verheffen zich in den Hulzenbcrg onder de buurtschap Stokkum 
tot 96 M. of omstreeks 80 M. boven de oeverlanden van den Rijn. 
Zij zijn te beschouwen als twee groepen van heuvels, die beide in 
gelijke richting van het N. O. naar het Z. W. uitgestrekt, nevens 
elkander liggen. Het Montferland, 83 M. + A. P., bij Zeddam en 
'sHeerenberg eindigende, is de kleinste, oostelijke groep. De wes- 
telijke begint met den Heiten luuvel^ 105 M. -f A. P., waarop 
voor eene halve eeuw het signaal geplaatst was voor de trigono- 
metrische opneming van het Rijk door den generaal Krayenhoff, 
en is, door den Rijsberg, 80 M. + A. P., en den Hulzenberg met 
den Eltenberg vereenigd, waar de heuvels in eene steile helling 
tegen de Rijnvlakte eindigen. 

Wanneer men hier zulk een steilte door het Rijnwater bij zijne 
overstroomingen bespoeld ziet; daar tegenover, tusschen Nijmegen 
en Wilderen, bij Kleef, bij Calcar en aan den voet van den Fürsten- 
berg bij Xanten juist zulke steilten opmerkt, ze eveneens Dieren 
en aan de Steeg, tusschen Arnhem en Wageningen en aan de 
Grebbe terugvindt, en dan bedenkt, dat nergens hier te lande zulk 
een plotseling eindigen der diluviale heuvels voorkomt dan alleen 
in de nabijheid en onder het bereik van het Rijnwater, dan is men 
wel gedwongen een verband tusschen beide aan te nemen. Deze 
steile hellingen zijn voorzeker door afspoelingen van den snelstroo- 
menden diluvialen Rijn teweeggebracht, die toen zijn kronkelenden 
loop langs de heuvels nam. i) 

Dr. Staring en Dr. Lorié nemen aan, dat de heuvels van 
Montferland in het zuiden met die van Kleef één geheel heb- 
ben uitgemaakt, en door erosie van den Rijn er van geschei- 
den zijn. Verder veronderstelt Dr. Lorié, dat van den Hetten- 
heuvel zich in voorhistorische tijden uitloopers veel verder noorde- 
lijk hebben uitgestrekt tot aan den Lochemer berg. Het terrein 



i) Staring. De bodem van Nederland II pag. 39. 



Digitized by 



Google 



245 

tusschenbeide zou door denudatie verlaagd zijn geworden i)* Het 
komt ons voor, dat wij hier een diluviale plooiïng vinden (zie de lijn 
boven pag. 243 genoemd), een tegenhanger van de Utrechtsche en 
de Veluwe heuvels, welke gedeeltelijk door denudatie is weggenomen. 

Het oostelijk IJselgebied is met tal van kleine stroompjes door- 
sneden, die, de algemeene helling des terreins volgende, tot water- 
loopen dienen, waarop het omringende land afwatert. Die afwate- 
ring hefft, als gevolg van de hooge ligging, op natuurlijke wijze 
plaats en wordt bevorderd door greppels en slooten, welke met de 
stroompjes in verbinding staan. 

De stroompjes vloeien door lange smalle dalen, welke hoofdzakelijk 
van diluvialen oorsprong zijn, en misschien voor een gedeelte gevormd 
werden door de sterke erosie van het afsmelteiide landijs tijdens en 
aan het einde van het ijstijdperk. Die dalen werden later door het 
afvloeiende regenwater tot weg gekozen en langs de laagste punten 
vormde de verdere erosie de beddingen der beken. Dat de erosie 
hier gearbeid heeft valt op sommige plaatsen nog duidelijk te zien. 

Verder voerde het afstrooraende water van dit land van de 
hoogere gedeelten de gemakkelijkst oplosbare stoffen mede, om ze 
in de dalen te laten bezinken. Op die wijze werden de diluviale 
dalen aangevuld met jongere vormingen, met alluviën van verschil- 
lende samenstelling, die men beekbezinking noemt. 

De beekbezinkingen liggen meestal betrekkelijk laag, waardoor zij in 
den winter en bij hoog water des zomers overstroomd worden. Zij vor- 
men meer of minder breede effene zoomen langs de stroompjes, en 
gaan verder van de beek in het diluviale terrein, dat zich hier naar 
boven buigt, over. Het zijn als het ware alluviale terrassen in de 
diluviale dalen. De invloed van het grondwater op den waterstand 
dezer rivieren alhier werd door den heer Veeren aangetoond en 
wordt nader door dezen onderzocht 2). 

Gaan wij thans over tot de beschrijving der rivieren. 

i) Lorié, Beschouwingen over het diluvinm van Nederland. (Tijdschr. Ned. 
Aardr. Gen. 1887 N 2 pag. 411.) 

2) F. E. L. Veeren. De invloed van het grondwater op den waterstand der 
Boven-Slingebeken. (Tijdschr. Ned. A. Gen. 1888). 



Digitized by 



Google 



246 



§ 4* I>K OUDE IJS EL. 

De rivier de Oude Ifsel vangt aan bij het dorp Raesfeld in de 
kreis Berken in Pruisen, loopteerst in Z.W. daarna in N.W. richting, 
en komt, na een korten afstand over de Rijksgrens geloopen te 
hebben, een weinig beneden het dorp Gendringen geheel opNeder- 
landsch staatsgebied. Zij stroomt daarna, met een kronkelenden loop 
de algemeene helling des terreins volgend, naar het N.W. Bij Laag 
Keppel splitst zij zich in twee takken, die later weer samenvloeien, 
en te Doesburg mondt zij in den Gelderschen IJsel uit. Het 
stroomgebied van den Ouden IJsel is 1 15000 H. A. waarvan Ys 
in Pruisen ligt. 

Van Gendringen tot Doesburg heeft de Oude IJsel eene lengte 
van 36295 K. M. Waar hij in ons land komt ligt de bedding 
13,70 M. -f A. P., en bij Doesburg 5,10 M. -h A. P. Bij 
gewonen waterstand is de breedte te Gendringen 9, te Ulft 17, 
te Terborg 19, te Doetinchem 80, te Keppel 28 en bij Doesburg 
80 M. i). 

De Oude IJsel is in Gelderland vooral aan de zuidzijde door een 
breede zoom van alluviale gronden en wel van rivierklei omgeven, 
die op de oostelijke grens in beekklei overgaat. Wij wezen er reeds 
vroeger op, dat daaruit, in verband met andere gronden, het besluit 
getrokken wordt, dat de Oude IJsel in Gelderland grootendeels als 
een oude tak des Rijns beschouwd moet worden, en dat aan het Rijn- 
water die kleilagen te danken zijn. In dien Rijntak heeft zeer zeker 
het genoemde riviertje de Oude IJsel op Pruisisch gebied uitgemond. 

De voornaamste zijtakken op Nederlandsch gebied zijn: links: 
de Kleef sche graven^ Riezc graven en het Waalsche water (hooger 
op Vethuizer en Gr 00 te wetering geheeten), rechts : de Regenieter 
of Hardenbcrgsche beek^ de Deurvorstcr beek^ de Aa of Priester- 
beek (die boven Ramsdorp in Pruisen ontspringend, langs Borken 

i) Deze opgaven zijn ontleend aan Sloet, Bijdragen tot de kennis van 
Gelderland. 



Digitized by 



Google 



247 

en Bocholt loopt, de Keizersbeek opneemt, en op onderscheiden 
plaatsen tot het drijven van watermolens wordt opgestuwd) de 
Levinkbeek^ de Bielheimer beek en de Slinge, 

De Aaliensche Slinge^ zooals het laatstgenoemd riviertje in haar 
geheel dikwijls genoemd wordt, ontstaat bij Siidlohn in Pruisen, komt 
in de gemeente Winterswijk op Nederlandsch grondgebied, loopt 
eerst onder den naam van Oedingsche beek of Groote beek en vervol- 
gens onder dien van Slingerbeek ten zuiden langs Winterswijk en naar 
Aalten. Niet ver van Varseveld verdeelt zij zich in twee armen. De 
noordelijke loopt onder den naam van Slinge naar Doetinchem, 
waar zij in den Ouden IJsel mondt. De zuidelijke, de Bielheimer 
beek^ mondt verder oostelijk boven de Pol in den IJsel uit. 

De Oude IJsel wordt tusschen Doesburg en UI ft (op de Prui- 
sische grens) met aken bevaren; bij hoogen waterstand wordt ook 
de Aa tot Bocholt bevaren. 

Op vijf plaatsen op Pruisisch gebied, verder te Ulft, Terborg, Laag 
Keppel en te Doesburg, wordt de Oude IJsel tot het drijven van 
watermolens opgestuwd. Het stuwpeil bedraagt te Terborg 12,49 
M. + A. P. (twee onderslagraderen der ijzerfabriek Vulkaansoord 
worden hier door het water gedreven) te Laag Keppel van i Febr. 
tot I Dec. 10,27 M. -f A. P. en overigens 10,35 M. + A. P. en 
te Doesburg 8,62 M. + A. P. i). 

Na een regenval van ii,i m.M. per etmaal werd bij het binnen- 
stroomen van Nederlandsch grondgebied een gemiddelde waterafvoer 
van 33 M» per minuut en per 1000 H. A. stroomgebied gevonden, 
en de afvloeiïngscoefficient werd op 55 pet bepaald 2). 



i) De molen Ie Doesburg staat stil, sedert het sluisje, door de gemeente 
Doesburg gebouwd om het water op te stuwen ten behoeve van den molen en 
tot verversching van de grachten, in den winter van 1881 — 82 bezweken is, en 
in afwachting der aanhangige plannen tot verbetering van den IJsel niet weder 
werd opgebouwd. (De Ingenieur 1888 N. 4.) 

2) Verwey. Waterstaatkundige beschrijving van Nederland 1887, pag. 318. 
In het artikel: „de Oude IJsel en zijne plannen tot verbetering", (De Inge- 
nieur 1888 N. 5) noemt men een afvoervermogen van 36 M' per minuut en 
per 1000 H. A, 



Digitized by 



Google 



248 

Iets ttit de geschiedenis van den Ouden IJsel. Al langen tijd 
maakt het een punt van ernstige overwegingen uit, om den Ouden IJsel beter 
bevaarbaar te maken, en zelfs werd hiertoe reeds in 1593 octrooi verleend. 
Ook in de jaren 1752 en 1786 werd hierover in de vergaderingen van het 
kwartier Zutfen beraadslaagd. Koning Lodewijk wilde in 1809 aan het gemis 
van doorschutting tegemoet komen. Willem I gelastte in 1823 het maken van 
een bruikbare schutsluis, door welke de vaartuigen bij Doesburg van den eenen 
IJsel op den anderen konden komen, i) 

Hoewel algemeen erkend wordt, dat verbetering van den IJsel dringend 
noodzakelijk is, bleef het tot nog toe altijd bij plannen. Wel is door den 
aanleg van den Geldersch-Overijselschen locaalspoorweg en den tramweg Ter- 
borg- Dieren de behoefte aan een scheepvaartkanaal door den Achterhoek zeer 
verminderd, maar toch eischen landbouwbelangen dringend verbetering van deze 
rivier. Telkens hebben overstroomingen in den zomer het mislukken van den 
hooioogst tengevolge en dikwijls gaan er maanden in het voorjaar voorbij, waarin 
de hooge rivierstanden de bewerking des lands aan de oevers niet toelaten. 

De eerste plannen tot aanzienlijke verbetering van den IJsel in deze eeuw 
dagteekenen van 1835, ^^^ ^^^^ ^^^ ingenieur Van Loon op last der regeering 
een ontwerp werd gemaakt, dat hoofdzakelijk de belangen der scheepvaart op 
het oog had. Aanvankelijk vond dergelijk plan instemming bij de betrokken 
gemeenten, doch weldra zagen zij de zaak anders in. Doesburg vreesde de 
voordeelen als stapelplaats van het IJselgebied te zullen verliezen; de landbou- 
wers van Hummeloo en Keppel zagen er gevaar in, met bovenwater overstelpt 
te worden, terwijl de ijzergieterij te Keppel vreesde, door gebrek aan water als 
beweegkracht te niet te zullen gaan. Zoo kwam er niets van eene verbetering 
van eenig belang. 

In 1840 werd door de heeren Willink Ketjen en drie anderen concessie 
gevraagd, om op hunne kosten de rivier van Doesburg tot Doetinchem voor 
de vaart van gewone beurtschepen geschikt te maken. Wel werden de plannen 
opgemaakt, doch tot uitvoering kwam het niet. 

Inmiddels werd de toestand steeds ongunstiger, de verwildering der rivier 
nam steeds toe, en het regenwater werd, door het in cultuur brengen van nieuwe 
terreinen en de verdeeling der markegronden, door het verbeteren der afwatering 
des lands enz., steeds sneller naar het stroomdal gevoerd. Bij hevige regens 
werd de rivier spoedig daarop over-vervuld met water. Daar behalve de Oude 
IJsel in het oosten des lands nog een aantal andere kleine rivieren onder der- 
gelijke ongunstige omstandigheden waren, werd door Gedcp. Staten van Gel- 
derland in 1843 aan den isten Luitenant der Artillerie W. A. C. Staring op- 



1} Sloet, 1, c. 



Digitized by 



Google 



249 

gedragen, een onderzoek in te stellen naar alle rivieren en afftrateringen in het 
Zutfensche, om plannen tot verbetering te beramen. Hieraan hebben wij een 
belangrijk rapport over deze rivieren te danken, i) 

Een plan tot verbetering van den Ouden IJsel was ook in dit rapport be- 
grepen. Nog andere plannen werden er vervolgens opgemaakt, die wel geen van 
alle tot uitvoering kwamen, doch welke de rivier beter leerden kennen. Een plan 
tot verbetering werd in 1883 door de Ingenieurs de Koning en van Hasselt 
ontworpen, dat in hoofdzaak werd goedgekeurd, doch daar de kosten hooger 
liepen dan men aanvankelijk verwacht had, kon het waterschapsbestnur van 
den Ouden IJsel, (welk waterschap in 1882 was opgericht) aan wien de uit- 
voering was opgedragen, daartoe niet overgaan. Terwijl over hooger subsidie 
met de Regeering onderhandeld werd, kwamen de Geldersche stoomtram en 
de Geldersch-Overijselsche locaalspoorweg tot stand, wat de behoefte aan een 
scheepvaartkanaal verminderde. Het vroeger hier steeds geliefkoosde denk- 
beeld, om door deze streken een scheepvaartkanaal tot den Rijn bij Rees of 
bij Wezel door te trekken, kwam op den achtergrond, dewijl vele ingelanden 
protesteerden tegen de groote kosten van dergelijk plan. Evenwel gaf de on- 
houdbare toestand der rivier in het voorjaar van 1887 aanleiding tot eene 
nieuwe poging van verbetering, door het waterschapsbestnur aangewend. Er 
werd onderzocht, welke vei beteringen in den waterafvoer met de aanwezige 
middelen waren aan te b engen. Een nieuw plan werd ontworpen, wijzigingen 
werden hierin aangebracht, doch over de uitvoering kunnen wij nog niets 
zeggen. 2) 

§ 5. VERDERE BIJSTROOMEN VAN DEN GELDERSCHKN IJSEL. 

De Groote beek. In de gemeente Zelheim vangt een watertje aan, dat 
de Vloedbeek heet. Vervolgens krijgt het de namen : Witter burgsche-t ffumme- 
loosche en Groote beek. De zijwatertjes der Groote beek zijn: de Letniet- 
water leiding^ het Middelbeekje en de Luursche laaky terwijl de Kleine beek en 
de Heeckeren laak er door middel van sluizen op afwateren. 

De Groote beek (onder dien naam zullen wij haar geheel aanduiden) staat 
reeds in het bovengedeelte (in de Hummeloosche beek) in vrije verbinding 
met de Hengeloosche beek, een bijstroompje van de Hackfortsche beek. Aldus 
loost het water, dat de Groote beek afvoert, gedeeltelijk door hare uitmonding 
bij het kasteel Ikonkhorst op den IJsel, gedeeltelijk door de Hengeloosche en 
Hackfortsche beek. 

i) W. Staring. Verslag over den toestand der rivieren in het Zutfensche 1847. 
2) De Oude IJsel en de plannen tot zijne verbetering. (De Ingenieur 1888 
N. 4 en 5, pag. 25 en 33.) 



Digitized by 



Google 



25© 

De Hackfortsche beek. De afwatering der landen onder Lichtenvoorde 
heeft plaats in de richting der algemeene terreinhelling : das eerst naar het N.W. en 
vervolgens meer W. Die afwatering geschiedt op een beekje, dat bij Vragender 
(gem. Lichtenvoorde) ontstaat onder den naam van Vragender beek, In haar 
verderen loop neemt het de namen Nieuwe beek. Molenbeek^ Ruurlooscke beek 
Vordensche beek en Hackfartsche beek aan, en stort zich onder den naam Zwarte- 
tvater in den IJsel, niet ver van de Baaksche brug (Baak een kasteel). Op de 
meeste kleine kaarten vinden wij dit watertje als Vordensche en Hackfortsche 
beek aangegeven. 

De beek wordt door stuwen op het peil der grachten van de huizen 
Ruurloo en Wierse gehouden, en wordt bij Vorden en Hackfort tot het drijven 
van watermolens respectievelijk tot ii,8S M. en 10,13 M. + A. P. opgestuwd. 

De voornaamste beekjes, die erop uitwa teren, zijn ; rechts : de Oude beek, 
en de Windenbergsche laak\ links: de LUhtenvoordescke beek^ de Harveldscke 
beek, de Hissink beek (die de V eengoot opneemt), de Lindensche laak (die de 
Holler laak en de Deldensche broeklaak opneemt), de Baaksche beek^ de Hen- 
geloosche beek, (die, zooals wij boven zagen, een deel van het water der Hum-, 
meloosche beek afvoert) en de Leigraaf. 

De Vierakkersche en Onderlaatsche beek. Deze beken voeren het 
water van een groot gedeelte der gemeenten Vorden en Warnsveld af, en 
storten zich vereenigd ten zuiden der stad Zutfen vrij in den IJsel. 

De Berkel. De Berkel ontstaat bij Osterwick in de Kreis 
Koesfdd (Pruisen), komt bij Oldenkotte op Nederlandsch grondge- 
bied en vereenigt zich te Zutfen met den IfseL Op Nederlandsch 
gebied wordt zij achtereenvolgens opgestuwd tot het drijven van den 
stadsmolen te Zutfen (stuwpeil 7,19 M. -I- A. P.), den LocJiemschen 
molen (stuwpeil 12,13 M. + A. P.), den Borkulooschenvao^itXil^Xyx^f' 
peil 16,29 M. -f A. P.), den Nieuwen molen (stuwpeil 19,36 
M. + A. P.), en den Mallemschen molen boven Eibergen, terwijl te 
Velhorst^ gem. Laren, en te Rekken stuwen ten behoeve van de 
scheepvaart bestaan. 

De Berkel heeft op Nederlandsch gebied een lengte van 61700 
K. M. en een stroomgebied van 24940 H. A. Tot ontlasting van 
den Berkel kan het water door de Avinksluis zijdelings worden 
afgeleid naar de Bolksbeek^ die het verder naar de Schipbeek af- 
voert. Behalve door de Avinksluis heeft het Berkelwater bij hoogen 
waterstand nog eene afleiding door het overloopen van den rechter- 



Digitized by 



Google 



251 

oever naar de Bolksbeek, Het water overstroomt dan de lage lan- 
den onder Neede, het zoogenaamde Spilbroek^ en komt door de 
Ruskemorsgoot bij de Nieuwe brug in den grintweg Neede-Borkuloo, 
in de Bolksbeek, De hoogte, waartoe het water uit de Berkel door 
de Avinksluis kan worden afgetapt, wordt geregeld door eene com- 
missie uit de besturen der waterschappen van de Berkel, de Schip- 
beek en de Dortherbeek. Te Lochem en te Borkuloo^ bij den 
Nieuwen molen en bij den Mallemschen molen bestaan schutsluizen 
op de Berkel. De rivier is tusschen Zutfen en Vreden (Pruisen) 
bevaarbaar voor zompen van op zijn hoogst lo ton. 

De voornaamste beken, welke op Nederlandsch gebied in de Berkel 
uitmonden, zijn: de Ramsbeek, de Leerinkbeek^ de Lebbinkbeek 
(meer bovenwaarts Groenloosche Slinge genoemd), de Kaüebeek, de 
Oude beek^ de Tenkhorster beek^ de Aalsvoord en de Nieuwe beek 
met de Veengooi, 

De Groenloosche Slinge ontstaat bij Winterswijk, neemt aan den 
rechteroever eenige beken op, welke van de Pruisische grens komen 
(de Henxelsche beek met de Ratumsche beek en de Eerdensch^ beek\ en 
valt onder den naam van Lebbinkbeek beneden Borkuloo in de Berkel. 

De gemiddelde waterstanden op de Berkel waren boven de stuwen in 
1881 als volgt: te Rekken 24,28, te Mallem 22,59,bij den Nieuwen 
molen 19,04, te Borkuloo 16,25, *^ Lochem 12,9 en te Velhorst 
9,55 M. + A. P. De hoogste standen waren hier respectievelijk : 
25»39 — 22.75 — 19^14 — 16,39 — 12,38 en 10,52 M. + A. P. 

Bij regenrijke zomers hebben de Berkellanden wegens onvoldoend 
afvoervermogen der rivier veel van het water te lijden, zoodat er 
dringend naar verbetering gevraagd wordt. 

De Eefsche beek. De Ee/sche en Jfarfsensche öeek ontstaat onder den 
naam Ve; woldsche molenbeek bij de hofstede DamshuUe, gemeente Laren, neemt 
de Huurnerbeek met de Haarbroeksgoot^ en dicht bij den mond de Polbeek op, 
valt vervolgens bij het fort de Pol in den IJsel, Het gebied der Eefsche beek 
is van dat der Berkel gescheiden door eene kade, de Dochterensche waterkee- 
ring genoemd. Wanneer deze doorbreekt of overloopt ontlast zich een ge- 
deelte van het Berkelwater op de Haarbroeksgooi en verder wordt het door dg 
Harfsensche beek afgevoerd. 



Digitized by 



Google 



252 

De Dorther beek. In het Ampsensche broek^ gemeente Laren, ontstaat de 
Oortherbeek. Aanvankelijk heet zij Voorste Broekbeek en Voorste beek, loopt 
vervolgens langs het kasteel Dorth^ neemt rechts de Zaalbeek en links de 
Il aar beek op, en vereenigt zich met de Koerhuisbeek^ die bij het verlaat van 
de Schipbeek begint, terwijl zij even boven Deventer in den IJsel uitmondt. 

De Boven-Schipbeek of Buurser beek. De Butirserbeek 
of Bovcn-Schipheek begint in het Almsieckcrbroek een uur boven 
Ahaus, loopt onder den naam van Aa langs Alstatte, en komt bij 
de Haarmolenbrug (gem. Haaksbergen) op Nederlandsch grondge- 
bied. Hier stroomt zij vervolgens langs Buurse^ Haaksbergen 
en Markvelde. Zij wordt op Nederlandsch gebied opgestuwd tot 
het drijven van den Oostendorpschen molen onder Haaksbergen, en 
van den Markveldschen molen onder Diepenheim (stuwpeil 17,18 
M. -h A. P.) Beneden den Markveldschen molen verdeelt de Schip- 
beek zich in twee armen; de rechterarm stroomt onder den naam 
van Molenbeek naar den Diepenheimschcn watermolen (stuwpeil 
14,38 M + A. P.), en vereenigt zich benedenwaarts met é^ Boven 
Regge, De linkerarm ontlast zich door de Niewve sluis^ welke 
het water tot 14,90 M. 4- A. P. kan opstuwen, in de Beneden 
Schipbeek, 

Bij hoogen waterstand heeft de Buurserbeek nog eene zijde- 
lingsche afleiding bij de Oortjesbrug onder Buurse (gem. Haaks- 
bergen.) Het water vloeit daar over 'den rechteroever heen naar de 
Ruibeek en de Hagmolenbeek^ die het op de Regge loozen. 

De Buurserbeek heeft van de Nieuwe Sluis tot de grens een lengte 
van ±- 27,8 K. M. Het gebied, dat op deze beek afwatert, beslaat 
in Pruisen eene oppervlakte van 13770 H.A. en in Nederland 
5390 H. A. 

De Beneden-Schipbeek. Het benedenste gedeelte van de boven 
beschreven rivier wordt dikwijls meer speciaal met den naam 5<:^/^- 
beck aangeduid. Meer juist is het evenwel dit gedeelte Beneden- 
Schipbeek te noemen. 

De Beneden- Schipbeek loopt van de Nieuwe Sluis (beneden 
Diepenheim) door de gemeenten Diepenheim, Markeloo, Holten, 
Batmen en Diepenveen naar Deventer, waar zij in den IJsel valt. 



Digitized by 



Google 



^53 

Die loozing geschiedt door verscheidene monden, welke alle kun- 
nen afgesloten worden. De voornaamste arm loopt te Deventer 
in de Vetkolk en drijft een watermolen (stuwpeil 5,50 M. + A. P.), 
waarnaast een ^floozingsluis ligt. De tweede arm loopt door de 
hoofdgracht ten noorden van Deventer, en kan zich ontlasten óf op 
den IJsel door een sluis bij het bastion Graaf van Buren^öïóooT 
een tweede sluis op de binnengracht, die door stuwen in verband 
kan gebracht worden met de haven en met de kolk boven den 
watermolen. 

Verder kan het water van de Schipbeek door de hulpsluis 
M Verlaat op de Koerhuisbeek^ en daardoor op den IJsel gebracht 
worden, terwijl eindelijk de schutsluis aan het Pothoofd ook tot 
uit watering kan gebruikt worden. 

Het beneden gedeelte van de Schipbeek, van de Snippelingsluis 
tot de Pothoofdsltiis (± 2,4 K. M. lang), is gekanaliseerd en maakt 
deel uit van het Overijseisch kanaal van Deventer en van Zwolle 
naar Almeloo. In het belang van dit kanaal moet de beek hier 
op een peil van minstens 5,50 M. -f A. P. gehouden worden. Als 
het water beneden dat peil komt, moet de sluis aan den bovenmond 
van de Koerhuisbeek gesloten worden. 

De lengte van de Beneden Schipbeek bedraagt 35,3 K. M. Onge- 
veer 12550 H. A. lands wateren er op af. Die afwatering geschiedt 
gedeeltelijk direct, gedeeltelijk door bijstroompjes, waarvan de vol- 
gende de voornaamste zijn \ links : het Noor dijker kanaal en de 
Bolksbeek ^ en rechts: de Bensberger ivaterleiding^ de Boter beek 
(die het water van het Holterbroek afvoert), de Spildijks waterleiding 
en de waterleiding van Kolmschate. Het Noordijker kanaal voert 
het water van de hooge gronden onder Neede en Gelselaar af en 
heeft geen geregelden beneden mond, zoodat het water zich groolen- 
deels over de lage gronden van het Gelselaarsche en Stokkummer 
broek verbreidt. De Bolksbeek begint bij de Avinksluis onder de 
gemeente Neede, en valt door twee armen, (waarvan de oostelijkste 
den naam draagt van Lindemans beek), in de Schipbeek. Daar de 
Bolksbeek aan beide oevers bekaad is, voert zij gewoonlijk weinig 
water af. Bij hoogen waterstand op de Berkel wordt evenwel een 



Digitized by 



Google 



2^4 

gedeelte van het Berkelwater door de Avinksluis op de Bolksbeek 
gebracht, zooals wij zeiden. (Zie boven pag. 250). 

In de kaden langs de Bolksbeek liggen een aantal inlaatsluisjes, 
die dienen om de achterliggende landen met Berkelwater te be- 
vloeien. Tusschen de Berkel en de Schipbeek zijn vele lage landen 
gelegen, als het Gelselaarsche broek^ het Stokkummer broek^ en het 
Markeloosche broek^ welke bij eenigszins hooge waterstanden op de 
Schipbeek (12 M. 4- A. P. aan de Rozendamsbrug) en bij de veel- 
vuldige doorbraken der kaden van de Bolksbeek, onder water wor- 
den gezet. In 1870 was de hoogste waterstand op de Bolksbeek 
bij de brug in den grintweg van Lochem naar Diepenheim 13,57 
M. + A. P. en de laagste 12,33 M. + A. P. Het Gelselaarsche 
broek, dat er aan grenst, is op vele plaatsen niet hoogerdan 13,20 
\ 13,45 M. -f A; P. (men vindt er ook grooler hoogten) en het 
Stokkummerbroek (dat ten noorden van den grintweg Lochem-Die- 
penheim ligt) met het Voorster broek, 11,90 ^ 12,30 M. + A. P., 
zoodat het ontstaan van overstroomingen bij hoogen waterstand 
hieruit blijkt. 

De scheepvaart op de Schipbeek, die vroeger vrij belangrijk was, 
bepaalt zich slechts tot enkele zompen. De beek stond vroeger met 
de Boven Regge in verbinding door een schutsluis te Wesiervlier, 
Deze is thans opgenrimd en vervangen door een sluisje, waardoor 
de lage landen langs den rechter oever van de Schipbeek op de Regge 
af wateren. 

De waterafvoeren van de Schipbeek werden in Jan. 1884 door den 
Ingenieur Lely onderzocht. Volgens dezen had de Boven Schipbeek 
onder Buurse van een afwateringsgebied van 14000 H. A. een 
maximum waterafvoer van 16 M' per i'' of ongeveer 68 M* per 
i' en per 1000 H. A., welke een gevolg was van een regenval van 
ii,i \ 11,3 mM. per etmaal gedurende 4 è. 5 dagen. 

Op de Beneden Schipbeek bedroeg de maximum-afvoer te Batmen 
ruim 13 M* per i', derhalve minder dan bovenwaarts, zooals ook 
elders werd waargenomen en overeenkomende met 27 M* per i' 
en per 1000 H. A. Als de afvloeiingscoëfficient dezelfde geble- 
ven was, zou de grootste afvoer hier ter plaatse op Tfo M» per 



Digitizèd by 



Google 



^55 

i' en over looo H. A. berekend moeten zijn. Aldus is het karakter 
der Schipbeek geheel veranderd in haar loop, en het verschijnsel 
der vermindering in vermogen is voorzeker belangrijk. 

Waaraan dit is toe te schrijven ? 

De heer Verwey deelt nog een dergelijk geval mede bij de Dender 
in België waargenomen. Dit riviertje, dat in den bovenloop door 
weinig croordringbare en hooge terreinen stroomt, doch in den 
benedenloop in het zanddiluvium is ingesneden, had eveneens in 
Dec. 1880 eene sterke vermindering in de absolute afvoercijfers 
naar beneden, trots de toeneming van zijn afwateringsgebied in 
oppervlakte. 

Of wij hier dus met een ondergrondsche ontlasting der rivier te 
maken hebben ? Of dat de overstroomingen der rivier in den mid- 
denloop eene groote hoeveelheid water bergen? Wij durven hier- 
omtrent niet te beslissen, daar wij den toestand gedurende de waar- 
nemingen niet kennen. De heer Verwey, aan wien wij bovenge- 
noemde opgave ontleenen, zegt er niets van. Het laatste komt ons 
waarschijnlijk voor. 

De Schipbeek is reeds vroeg gekanaliseerd om eene verbinding 
tusschen den IJsel en de Regge tot stand te brengen. In eene re- 
kening van 1353 wordt er reeds melding van gemaakt, en in 1366 
en 1368 wordt er van geschreven als van »die Weteringhe die 
naar ter Honnepe graven solde." In 1399 maakte Deventer het 
plan, de vaart van Ter Honnepe tot Arkelstein en van hier tot de 
Regge voort te zetten. In 1404 schijnt zij van Deventer tot Die- 
penheim voltooid te zijn. i) Het komt ons voor, dat hierbij aan 
eene kanalisatie van het stroompje moet gedacht worden, dat later 
Schipbeek heette. De beekbezinking langs de oevers wijst er toch 
op, dat hier een natuurlijke waterafvoeringsvallei in de richting 
van den IJsel bestond. Evenwel van de Boven Schipbeek loopt 
ook naar het noorden in vereeniging met de Regge een derge- 
lijke vallei, terwijl ook hier de waterverbinding nog bestaat. 

l) Van der Aa. — Dumbar, Kerlcelijk en wereldlijk Deventer. 



Digitized by 



Google 



XVI. HET LAND TEN NOORDEN VAN DEN IJSEL, 
ORO-HYDROGRAPHISCH BESCHOUWD. 



§ I. ALGEMEEN OVERZICHT EN INDEELING. 

Het land ten noorden van den IJsel tot de kusten wordt oro- 
hydrographisch door de natuur in twee deelen ingedeeld, ieder met 
eigenaardige hydrographische toestanden. Het zuidelijkste gedeelte 
strekt zich uit van de Schipbeek in het zuiden, tot de lijn der rivier 
de Linde en hare voortzetting ongeveer over Appelscha, Hooger- 
Smilde naar het noordoosten. Deze lijn, voortgezet langs het Oranje- 
kanaal tot nabij de oostelijke grens van ons vaderland, vormt de 
natuurlijke scheiding tusschen beide deelen. 

Het gebied ten zuiden dezer lijn Linde- Appelscha-Oranje-kanaal 
tot de Schipbeek in het Z. watert af op de kom van de Zuiderzee, 
en de rivieren vloeien alle in d\Q nchiing cofiv^r^^erémf ssLtnen. Het 
terrein ten noorden van genoemde lijn, Friesland, Groningen en het 
noordelijk deel van Drente omvattend, watert af op de omringende 
zeëen: de Zuiderzee en de Wadden, en de afwateringen loopen hier 
uit het middengedeelte, ongeveer het noordelijk Drente beslaande, 
divergeerend naar alle kanten. 

Wij zullen het eerste gedeelte het Overijselsch-Drenische Zuider- 
zeegebied noemen, en het laatste het Friesche en Groninger zee- 
gebied. Tot dit laatste behoort ook het noordelijk gedeelte van 
Drente, zooals wij zeiden. 

Wij willen trachten vooraf een algemeen beeld van de oro-hydro- 
graphische gesteldheid dezer beide deelen te geven. 



Digitized by 



Google 



257 

Van de rfselmonden tot de Linde in Friesland, met de Zuiderzee 
als westelijke grens, vindt men, naar het oosten gaande, eene vrij 
regelmatige verheffing der terreinen: Terwijl een smalle strook langs 
de kust hier een gemiddelde hoogte van = A. P. of daar beneden 
heeft, ziet men verder landwaarts in eenige boogvormige strooken 
van eenigszins grootere hoogte daarop volgen De terreinen van 
o è I M. + A. P., van I è 5 M. + A. R, van 5 ^ lo M. + A. P. 
en van 10 ^ 24 M. 4- A. P. vormen als het ware concentrische 
bogen, die in het zuiden door den IJsel en de Schipbeek en in het 
noorden door de lijn der Linde en de voortzetting van deze lijn 
over Assen enz. begrensd worden. De hoogten door het oosten van 
Drente vormen de oostelijke grens. Het middelpunt dier cirkel- 
bogen zal ongeveer bij Urk in de Zuiderzee liggen. Van dit punt 
uitgaande heeft dit geheele gebied den horizontalen vorm van een 
cirkelsector. 

Men kan aldus dit geheele terrein des lands als een van de kust 
der Zuiderzee, tusschen de IJselmonden en de Tjonger aanvan- 
gend, en naar het oosten, noordoosten en zuidoosten amphithea- 
ters-gewijze zacht oploopend land voorstellen. De afzonderlijke 
hoogten en kommen, welke zich op en in dit terrein bevinden, zijn 
hierbij natuurlijk buiten beschouwing gelaten. Uit de hiermede 
aangeduide orographische gesteldheid volgt, dat het afstroomende 
water van dit gebied in zijne geulen als zoovele stralen naar één 
middelpunt moet vloeien. Werkelijk zien wij op eene gewone 
kaart reeds, dat dit het geval is. 

De Weteringen^ die bij Zwolle in het Zwartewater samenkomen, 
hebben over 't geheel eene N. W. richting, en de Regge eveneens. 
De verder noordelijk stroomende Vecht loopt naar het W. De Reest 
stroomt eveneens hoofdzakelijk in westelijke richting. DocK de 
Drentsche wateren, die ten westen van den Hondsrug stroomen, vloeien 
hoofdzakelijk in Z. W. richting. Het Echtensche diep en zijne 
voortzetting, de tegenwoordige Hoogeveensche vaart^ de Koekanger 
Aa, de Ruineruwldsche Aa en de Beilerstroom^ die bij Meppel in 
het Meppe Ier diep samenloopen, de Steenwijker Aa en verder de 
Linde (in Friesland), zij alle hebben, als gevolg der beschreven 

IL 17 



Digitized by 



Google 



2S8 

terreinshelling, eene richting naar het Z. W. Het Zwartewater van 
Zwartsluis naar zee is als het ware de trechterpijp, waardoor het 
meeste van het overvloedige en afstroomende water van ditgeheele 
gebied naar zee stroomt. De Steenwijker Aa en de Linde alleen 
monden noordelijker uit, de Beilerstroom vroeger ook. (Zie pag. 278). 

Het terrein in Friesland en Groningen met Noordelijk Drente, 
ten noorden van het hier beschrevene, vormt een tegenhanger van 
het Overijselsche-Drentsche-Zuiderzeegebied. Terwijl in het laatste 
de wateren naar een middelpunt samenloopen, verwijderen zij zich in 
Friesland en Groningen naar hunne monding meer en meer van 
elkander. 

Van de zeekust, die een boog vormt van Stavoren tot den 
Dollart, rijst het terrein over 't geheel naar het binnenland. Langs 
de Zuiderzee en de Wadden heeft het terrein over een breede strook 
een hoogte van o ^ i M. -f A. P. Naar het binnenland gaat dat 
terrein in een strook van i k 5 M. + A. P. over, en verder in een 
smalle strook van 5 ^ 10 M. + A. P. In Drente rijst daarna het 
land nog tot 10 k 24 M. -h A. P. 

Het gedeelte van Drente ten noorden van de boven op pag. 256 
aangewezen grens (de lijn over Emmen — Assen naar de Linde), 
vormt als het ware het centrale gebied, vanwaar in alle richtingen 
het water wegstroomt naar de omringende buitenwateren, Dollart^ 
Eems^ Wadden en Zuiderzee, Van het oosten af te beginnen stroo- 
men of stroomden hier: de Rutien Aa en Mussei Aa (vereenigd 
heeten zij Wesierwoldsche Aa) in noordelijke richting, de Ooster- 
moersche vaart en de Drentsche Aa in N. W. richting, het Eelder- 
en Peizerdiep in N. richting, de Boorn en de Tjonger in Z. W. 
richting. Wij noemen hierbij de richting van deze rivieren hoofd- 
zakelijk in het diluvium, omdat zij in het lage polderland langs 
de kust geheel door kunst geregeld wordt. 

Ook dit laatste gebied maakt aldus orographisch een geheel uit. 
Men kan dit in oro-hydrographisch opzicht het Friesche-Gronin^- 
sche Zeegebied noemen. Dat een gedeelte van Drente er ook toe 
behoort, zagen wij boven. 

Bij beide gedeelten, het Overijselsche-Drentsche Zuiderzeegebied en 



Digitized by 



Google 



259 

het Groningsche-Friesche Zeegebied kunnen wij weder onderschei- 
den het land met natuurlijke afwatering en dat met kunstmatige 
afwatering. Bij het eerste gebied, waar de afwatering naar een 
centrum plaats heeft, is de opi^ervlakte met kunstmatige afwatering 
of het laagste gedeelte natuurlijk klein in verhouding tot de hooge 
terreinen. Bij het laatste gedeelte vormt het hooge land 'een cen- 
traal gebied, en neemt dus het omringende land met kunstmatige 
afwatering het grootste gedeelte in beslag. 

A. Het Overijselsche-Drentsche Zuiderzeégebied.' 

§ 2. NADERE BESCHRIJVING DER ORO-HYDROGRAPHISCHE GESTELDHEID. 

Onder het Overijselsche-Drentsche Zuiderzeegebied verstaat men in 
hydrographischen zin het land, dat hier langs convergeerende lijnen 
direct of indirect op de Zuiderzee afwatert. Het omvat bijna de ge- 
heeleprovincie Overijsel en een groot gedeelte der provincie Drente. 

De algemeene helling des terreins gaven wij reeds aan in de 
vorige §. In verband hiermede kan men in de details nog eenige 
eigenaardigheden onderscheiden, welke het overzicht van de hydro- 
graphische gesteldheid gemakkelijk maken. 

Hoewel toch de algemeene helling en afwatering naar de kom 
der Zuiderzee wijst, vindt men in dit gebied eenige natuurlijke 
kommen, die wel niet door groote niveauverschillen, maar bovenal 
door het samenvloeien der afwateringsbeken in eenige centrale pun- 
ten in 't oog springen. Als zoodanig vinden wij, van het Z. W. 
aanvangende : 

I. De kom van de Sallandsche weteringen, 
n. De kom van het Reggedal. 

III. De kom van Alraeloo. 

IV. De Dinkelvallei. 

V. De kom van Koevorden. 

VI. De Vechtvallei met het Zwartewater. 
VIL De kom van Meppel. 

De Vechtvallei vormt geen eigenlijke kom doch een vallei, welke de 



Digitized by 



Google 



200 

centrale Hjn is, waarop verschillende kommen uitwateren. Al 
deze kommen enz zullen wij achtereenvolgens behandelen. 

I. De kom der Sallandsche weteringen, 

Tusschen de Schipbeek, den IJsel, de Vecht en de Holter-, Haarler- 
en Hellendoornsche heuvelrij ligt een effen, licht golvend terrein, 
dat zacht naar het westen en noorden afhelt. Zeer waarschijnlijk 
behoort dit nog tot het gebied van de quatemaire IJsel-vallei. 
De hoogte in het zuiden, iets ten N. van Deventer, bedraagt .-t 12 
M + A, P. in het O., en 7 M. 4- A. P. in het W. aan den IJsel, 
d.i. eene helling van 0,31 M. per K. M. Tegenover Wijhe is de 
hoogte in het O. 10 M. + A. P. en in het W. 4 M. f- A. P. wat 
een helling geeft van 0,5 M. per K. M. Tegenover Hattem is in 
het O. aan den voet van den Lemeler berg de hoogte 6 M. en in 
het W. I è 2 M. + A. P. , d. i. een helling van 0,3 M. per K. M. 
Door deze helling der terreins heeft de afwatering eerst in een W. 
richting plaats, terwijl de stroompjes zich vervolgens met een kniebocht 
naar het noorden wenden, en in naar het noorden convergeerende 
lijnen ten zuiden van Zwolle samenloopen. Het terrein is zoowel 
in hydrographisch opzicht, als wat de hoogte en geologische vorming 
betreft, een tegenhanger van dat ten W. van den IJsel. 

De afwatering van dit terrein geschiedt door verschillende weterin- 
gen, die naar het land Sallandsche weteringen genoemd worden en 
in het Zwartewater uitloozen. Zij hebben een afwateringsgebied 
in het geheel 182 17 H. A. groot. Het zijn ondiepe waterloopen, 
welke hoofdzakelijk door het bovengrondsche afvloeiingswater ge- 
voed worden. Hierdoor onderscheiden zij zich kenmerkend van 
de beekjes aan den linker IJseloever op de Velu we. Terwijl deze 
veel door sprengen gevoed worden en bijna nooit droog zijn, is dat 
met de Sallandsche weteringen wel het geval. 

Van de Sallandsche weteringen is de JNieuwe Wetering de voor- 
naamste, omdat gerekend wordt, dat in deze de overige uitloopen. 
Zij ontstaat onder Wezepe in de gemeente Olst en loopt eerst langs 
de grens tusschen Wijhe en Heinoo^ verder door Zwoller ker spel ^n 



Digitized by 



Google 



201 

ZwolUj waar zij zich door de stadsgrachten in het Zwartewater 
stort. De voornaamste bijstroomen zijn: rechts: de Rechtersche 
waterleiding^ de Rammeler vloedgraven^ de Stobbebroeks waterlei- 
ding^ de Raalter wetering^ welke er vrij in vallen, en de Kolkwete- 
ring^ de Nieuwe Kolkwetering^ het 2e pand van het kanaal ^/m^- 
loo-Zwolle^ de waterleiding ten noorden van dit kanaal^ en de 
Mars Wetering^ die door sluizen er van zijn afgescheiden. Links 
ontvangt de Nieuwe Wetering vrij : de Oude Wetering^ de Zeegraven 
(door eene sluis er van gescheiden) en de Soest Wetering. 

Het beneden-gedeelte van de Nieuwe Wetering is gekanaliseerd 
en vormt mede het i^^e pand van het kanaal Zwolle- Almelco. Beneden 
de Linthorsterbrug is de Nieuwe Wetering geregeld bedijkt, terwijl 
verder naar boven nog kaden bestaan tot aan de hooge gronden 
bij Heinoo. 

De Oude Wetering ontstaat bij Middeloo, gem. Olst, loopt over Wijhe, Heinoo 
ZwoUerkerspel en valt bij Laag-Zutem in de Nieuwe Wetering. De Soest Wete- 
ring is de voornaamste der genoemde bijstroompjes. Zij bestaat thans uit twee 
deelen. Het bovenste gedeelte ontstaat bij Holten, loopt door Diepenveen, waar 
het zich vrij in het kanaal naar Deventer stort. Tegenover dezen mond wordt 
het overtollige kanaalwater door eene overlaatsluis in het beneden gedeelte van de 
Soest Wetering geleid. (Vroeger was zij een geheel.) Dit laatste gedeelte loopt 
door Diepenveen, Olst, Wijhe, Heinoo en ZwoUerkerspel en valt onder Zwolle 
in de Nieuwe Wetering. De voornaamste bijstroompjes, die zich in de Soest- 
Wetering uitstorten, zijn: de Averloosche Groote Leide, benevens een paar water- 
leidingen, die zich beneden de Soestbnig door sluizen er in ontlasten, en verder 
de Zand Wetering. Tieneden de buitenplaats Zandkoven is deze wetering bedijkt; 
verder naar boven vindt men er nog kaden langs tot aan de Soestbrug. 

De Zand Wetering ontstaat onder de gemeente Diepenveen, loopt verder door 
de gemeente Olst, Wijhe en ZwoUerkerspel, ec valt bij Hoog Zutem in de 
Soest Wetering. De Nieuwe Kolkwetering ontlast door een sluis nabij sluis i 
van het kanaal Zwolle — Almeloo op de Nieuwe Wetering het afvloeiingswater 
van 1335 H. A. hooge gronden. De Waterleiding ten noorden van het kanaal 
van Almeloo naar Zwolle ontlast zich ook nabij sluis i op de Nieuwe Wete- 
ring, en verder door een sluisje nabij de Kluizenaarsbrug op het 2de pand van 
bovengenoemd kanaal. De Mars Wetering brengt door de Linker Zijl het 
overtollige water van 1335 H. A. hooge landen op de Nieuwe Wetering. 



Digitized by 



Google 



202 



II. De kom van het Reggedal. 

Het gebied der Sallandsche weteringen wordt in het oosten be- 
grensd door een heuvelrij, welke zich van het zuiden naar het 
noorden uitstrekt. Ten noorden van de Schipbeek liggen eerst de 
Markeloosche^ Hulpe^ Heumel en H er iker bergen^ en iets noordelijker 
de 41 M. hooge Triezenberg^ welke zich in de Rijsensche hoogten 
voortzet. Naar het N. W sluit de Friezenberg zich met een rij 
hoogten aan bij de reeks der Holterbergen (hoogste 68 M. + A. P ) 
die zich noordwaarts voortzet als Haarlerberg^ (76 M. + A. P.) en 
Hellendoornsche bergen^ met hoogten van 50 en 66 M. + A. P. 
Na een korte onderbreking der rij, waarvan partij getrokken is om 
hier het Overijselsche kanaal dwars door te graven, verheft de 
heuvelreeks zich noorderlijker nog weder in den Lemelerben^ tot 
80 M + A. P. 

Deze heuvelrij is misschien eene voortzetting van den diluvialen- 
rug, die zich in de Lochemsche en Montferlandsche bergen doet 
kennen, en die ook in de Kleefsche hoogten zich openbaart. Het 
dal van de Regge wordt door genoemde heuvelrij naar het westen 
afgesloten. In het oosten mist het Reggedal dergelijke afsluitingen 
loopt langzaam op. 

Het dal van de Regge is eene voortzetting van het type der 
N. W. loopende rivierdalen, dat wij in den bovenloop van de 
Groenloosche Slinge enz. (zie II pag. 243) leerden kennen. Naar het 
uiterlijk heeft het het voorkomen van eene vallei, door het smelt- 
water van het oostwaarts terugtrekkende landijs gevormd, en dat 
ten oosten langs de heuvelrij naar het noorden afliep, om zich ver- 
volgens met de grootere watermassa van het Vechtdal te vereenigen. In 
het zuiden vormt het Reggedal een kleine ondiepe kom ten O. van 
Rijsen, waar verschillende bijstroompjes samenloojDen en rivierklei heb- 
ben afgezet. De hoogte van het rivierdal is in het Z. i 16 M. + A. P., 
bij Rijsen ±10 M., bij Lemele 8 M. en aan den mond ^ 6 M. 

De Regge. De Regge begint bij het huis Westervlier in de 
gemeente Diepenheim^ en neemt meer benedenwaarts aan den rechter- 
oever de Diepenheimsche molenbeek op, die een deel van het water 



Digitized by 



Google 



203 

der Boven Schipbeek of Buur ser beek afvoert (zie II pag. 252). De 
rivier stroomt verder langs Goor, waar zij ten behoeve van eene 
stoombleekerij wordt opgestuwd, langs Enter ^ en vereenigt zich bij 
de hofstede V Exo met de Almeloosche Aa. De aldus ontstane 
rivier behoudt den naam van Regge, stroomt verder langs Rij- 
sen^ Nijverdal^ Hellendoorn^ Egede en Archem, en vereenigt zich 
bij de hofstede Dunnewoud beneden Ommen met de Vecht. 

Bij Hankate beneden Egede wordt de Regge opgestuwd ten 
behoeve van het Overijselsche kanaal, (stuwpeil 5,7oM -f A. P.)en 
boven de stuw volgt het kanaal een korten afstand de rivier, die 
hier gekanaliseerd is. 

De Regge voert het afvloeiings water af van ongeveer 120000 
H. A. lands, meest hooge gronden. Bovendien ontvangt de Regge 
nog een deel van het water der Boven Schipbeek (zie pag. 252) 
die een gebied van -h 23000 H.A. heeft. 

Bij hoogwater wordt de Regge, hoewel gebrekkig, door zompen 
tot Goor bevaren. De waterstanden op de Regge waren in 1880 
de volgende: 

Waterstanden op de Regge in 1880. 



Plaatsen. 



'S 55 

rt 4)' 

< s 



Gemiddelde Stand 



«'S 7 



dg 

'S £ 

a 



Hoogste Stand. 



Goor (boven de stuwen) 57,720 + 10,14 

Rijsen 41^520 + 8,08 

Nijverdal 32,280 + 7,04 

Schuilenburg , 24,260;+ 6,58 

Hankate (bovendestuw) 17,600+ 5,85 

Nieuwe brug bij Ommen I 6,480+ 3,69 



4- 
-h 
+ 
+ 
+ 
4,87.+ 



10,59 

8,95 
8,06 

7,15 
6,41 



10,86 (27 Dec.) 

9,41 (29 Dec.) 

8,70 (29 Dec.) 

7,62 (29 Dec.) 

6,80 (31 Dec.) 

5,46 (31 Dec.) 



Het gedeelte der Regge boven de vereeniging met diQAlmelosche Aah\]'t Exo 
wordt gewoonlijk de Boven Regge genoeird, en het gedeelte, dat daar beneden 
ligt. Beneden Regge. De aanvoer van water uit de Aa is zoo aanzienlijk, dat 
het karakter der rivier er geheel door veranderd wordt. De Beneden-Regge 
is daardoor beter bevaarbaar. 

De Regge ontvangt in haar loop water van onderscheidene bijstroomen, 



Digitized by 



Google 



264 

welke meest van den rechterkant komen. Dit is een gevolg hiervan, dat aan 
dien kant het terrein zacht oploopt, en aan den anderen kant de rivier langs 
de heuvelrij stroomt. 

De voornaamste bijstroomen van de Boven-Regge zijn: 

De Holdijksbeek links, die zich boven den dam bij Goor met de Oude Beek 
vercenigt. 

Rechts ontvangt de Regge: de Zeldammerbeek^ de Hagmolenbeek en de 
Twikkelsche vaart. De Zeldammerbeek en de Hagmolenbeek ontstaan uit 
de samenvloeiing van verschillende waterleidingen, die onder Plaaksbergen, 
dicht bij den rechteroever van de Buurserbeek (zie pag. 252), haar oorsprong 
nemen. De Twikkelsche vaart^ ook Schipvaart^ aan het benedeneinde Nieuwe 
beek geheeten, is grootendeels een gegraven kanaal, dat in 1774 ten behoeve 
van de scheepvaart werd aangelegd, doch als zoodanig geheel is vervallen. Zij 
begint te Karelshaven bij Delden en loopt tot aan de Boven-Regge tegenover 
Enter. Slechts een vaste stuw is er in dit kanaal aanwezig. 

De Twikkelsche vaart dient thans tot afwatering van de belendende gronden. 
Zij neemt even beneden Karelshaven de Tochtsloot op, die het water van het 
Deldenervlier afvoert, en door een sluisje met stuwplanken van de vaart ge- 
scheiden is. 

Bij Karelshaven is de Twikkelsche vaart door een dam van de Aselerbeek 
gescheiden. Door middel van een duiker met een schuif kan zij evenwel 
hieruit nog water ontvangen. 

III. De wateren in de kom van Almeloo en de Almeloosche Aa, 

Ten oosten van Almeloo vormt het terrein een soort van kom, 
waarvan de Twentsche heuvelrij, van Enschede naar Ootmarsum, 
den oostelij ken rand uitmaakt. Langs de westelijke helling van ge- 
noemde heuvelrij loopt van Haaksbergen in het zuiden tot de 
noordelijke grens van Twente toe het water uit verschillende rich- 
tingen van het N., N.O., O., Z.O., en Z. naar één middelpunt 
bij Almeloo samen. De hoogte aan de oostelijke randen dier kom 
is + 25 k 30 M. H- A. P. De waterscheiding naar den kant der 
Regge is 25 M. -f A. P. in het Z. bij Steppeloo, en 22 M. hoog 
op de Delder esch. Bij Almeloo daalt het terrein tot 12 M. + A.P. 
De zuidelijkste beken hebben door genoemde helling eene N.W. 
en de noordelijkste eene Z. W. richting. Boven Almeloo vereeni- 
gen zich die verschillende stroompjes tot een water, de Loolee^ 



Digitized by 



Google 



205 

dat weder onderscheidene splitsingen ondergaat en gedeeltelijk naar 
het W. op de Regge uit watert. De kom van Almeloo heeft een 
afwateringsgebied van 61,300 H. A. 

De voornaamste van deze stroompjes zijn, van het zuiden af te 
beginnen, de volgende: 

De Aselerbeek. Dit watertje ontspringt onder den naam van IJegebeek 
bij de Pruisische grens tasschen Haaksbergen en Enschede en neemt verder 
benedenwaarts achtereenvolgens de namen Rutheek en Oelerbeek aan, terwijl 
alleen het benedenste gedeelte den naam van Aselerbeek draagt. Zij stroomt 
langs de buurtschappen Boekeloo en Oele en langs het landgoed TwikkeL Be- 
neden Zenderen vcrcenigt zij zich met de Loolee^ en de vereenigde rivier 
behoudt dezen laatsten naam. Dat zij bij Karelshaven door een dam van de 
Twikkelsche vaart gescheiden is, merkten wij reeds op. Bij Oele en Karelsha- 
ven wordt de beek opgestuwd tot het drijven van molens. 

Dat de Rutbeek bij hoogen waterstand nog water van de Buurserbeek of 
Bovenschipbeek door overstrooming der landerijen ontvangt, hebben wij reeds 
gezien (II, pag. 252). 

De Gammelkerbeek en de beken van Borne en Hengeloo. Van 
de beken van Borne en Hengeloo is de Barjloosche beek de voornaamste. Zij 
ontspringt op de hoogten benoorden Enschede, loopt oisAtx ^'tisskvasxL Koekkoeks- 
beek en Ehbeek naar Hengeloo, en komt daar samen met de Drienerbeek^ die 
de Sikbeek en andere waterleidingen heeft opgenomen. Te Hengeloo wordt de 
Barfloosche beek op twee plaatsen ten behoeve van bleekerijen en de Driener- 
beek eenmaal ten behoeve eener fabriek opgestuwd. Beneden Hengeloo wordt 
deze beek nogmaals opgestuwd ten behoeve van de omliggende weilanden, en 
neemt links de Woolderbeek en rechts de Bornetche beek op. Boven Borne 
verdeelt zij zich in twee armen. De rechterarm voert het meeste water af, 
stroomt ten oosten van Borne, en neemt rechts de ffasseUrbeek en de Deurnin- 
gerbeek op. De linkerarm stroomt door het dorp Borne en vereenigt zich daar 
beneden weder met den anderen arm. 

Deze vereenigde beek wordt hier ten behoeve van de scheepvaart opgestuwd, 
en neemt daar beneden den naam aan van Aa of Oude beek. Deze verdeelt 
zich bij het Weleveld weder in twee armen, de Oude Beek en de Nieuwe beek^ 
die zich verder met de Loclee en de Aselerbeek vereenigen. De Loolee en de 
Oude beek worden bij hoogen waterstand van Almeloo tot aan het Loo en 
Borne met turfschuiten bevaren. 

— Ten noorden van de Aselerbeek vindt men een groep van beken, welke even- 
eens in de Loolee uitmonden, en die wij onder bovenstaanden naam samen- 
vatten. 



Digitized by 



Google 



266 

De Gammelkerbeek ontspringt op de hoogten ten zuiden van Oldenzaal en 
vereenigt zich bij het Loo met de Loolee, 

De beken van Weerseloo. Bij de buurtschap het Loo (ten O. van Al- 
loo) komen verschillende beken samen. De voornaamste zijn : de Spriekersbeek 
met de Lemseler en de Saasvelderbeek^ de Rossummerbeek, benedenwaarts Stou- 
webeek en Weerseler Loolee of enkel LooUe geheeten, en de Fleringer Molen- 
beek, De Molenbeek komt van de hoogten van Ootmsrsum en Tubbergen, de 
andere komen van die bij Oldenzaal. Het water van deze beken wordt op 
verschillende plaatsen gebruikt tot bevloeiing van groenlanden, en het is daar- 
door somtijds moeielijk cene bepaalde bedding te herkennen. 

De Loolee. De Loolee wordt aldus gevormd door de samen- 
vloeiing van de boven beschreven drie groepen van beken : de Ase- 
lerheek,^ de Gammelkerbeek met de beken van Borne en Hengeloo 
en de beken van Weerseloo, Bij de buurtschap het Loo (ten O. van 
Almeloo) vangt zij aan uit de vereeniging der Weer seloosche beken,^ 
en neemt vervolgens de Gammelkerbeek,^ de Aa of Oude Beek en 
de Aselerbeek op. Boven Almeloo verdeelt zich de Loolee in twee 
armen. De linkerarm stroomt met drie takken, die alle worden op- 
gestuwd, door Almeloo^ en neemt beneden deze stad de namen van 
Almeloosche Aa en Nieuwe graven aan. Vervolgens vereenigt zij 
zich met de van Wierden komende Aa en stort zich bij V Exo in de 
Bo7)en'Regge, De vereenigde rivier heet vervolgens Beneden-Regge. 

De rechterarm van de Loolee blijft dien naam behouden en 
stroomt noordwaarts. Zij neemt de van Tubbergen komende ^ör/J/- 
graven op, vereenigt zich bij Pieter-Nardus met de Schipslóot van 
Friezenveen, en vormt met deze de Hollander graven. De Hol- 
lander graven mondt vrij uit in het zesde pand van het kanaal 
van Almeloo naar Zwolle, dat hierdoor gevoed wordt. Het over- 
tollige water wordt door een ontlastsluis op het benedengedeelte 
der Hollander graven gebracht, dat beneden Wierden den naam 
van Aa aanneemt (zie boven), en in de Nieuwe graven uitmondt. 

Verder heeft het water der Ij>olee nog eene afleiding bezuiden 
Almeloo, even voor de Almeloosche Aa. Door eene waterleiding, en 
bij hoogen waterstand ook over lage gronden heen, stroomt het 
naar de Weesebeek,^ die benedenwaarts den naam van Molenbeek 



Digitized by 



Google 



267 

aanneemt, en zich met de Almeloosche Aa tot de Nieuwe graven 
vereenigt. 

IV. De Dinkelvallei en de Tiventsche heuvels, 

In de lijn van Enschede naar Ootmarsum liggen eenige heuvel- 
groepen, welke een tegenhanger vormen van die ten westen der 
Regge, en ook, evenals de laatste, aan den oostkant door een 
rivierdal begrensd worden. Ten Z. O. van Enschede bij Esch- 
marke vindt men hier een zacht oploopende hoogte van 52 M. 4- 
A. P., iets noordelijker ligt de Lonnekerberg van 61 M. 4- A. P. 
en na een korte onderbreking verrijst ten O. van Oldenzaal de 
Tankenberg (de grootste hoogte 82 M.) als een eiland met veel 
terreinsafwisseling en schoone valleien uit de vlakke velden. 
Eene heidevlakte breekt de rij weder af, terwijl zij zich ten noorden 
van Ootmarsum weder verheft tot een heuvelland, waarvan enkele 
deelen tot 75 M. + A. P. reiken. 

Deze heuvelrij vormt de waterscheiding tusschen de beken uit de 
kom van Almeloo en de Dinkelvallei, welke laatste het diluviale 
terrein met een strook jongere rivierbezinksels heeft doorsneden. 
Bij het binnenloopen van Twente ligt het Dinkeldal 40M. -f A.P., 
en bij het verlaten van ons land 20 M. 4- A. P. 

De Dinkel ontspringt in de buurtschap Holtwick ten N. W. 
van de stad Koesfeld in Pruisen, op de noordelijke helling der 
hoogten, waarop ook de Berkel en de Vecht met de Steinfurter Aa 
ontstaan. Door vele bronnen gevoed is de Dinkel reeds spoedig 
in staat watermolens te drijven. Beneden het stadje Gronau komt 
de Dinkel op Nederlandsch gebied, loopt eerst dicht langs de grens 
door de gemeente Losser^ vervolgens door de gemeente Denekatnp^ 
en verlaat bij het Stokkenspik, een vonder in het voetpad van 
Brekelenkamp naar Ootmarsum, het Nederlandsch gebied weder. Zij 
loopt verder langs Lage en Neuenhaus en stort beneden laatstge- 
noemde plaats haar water in de Vecht. De Dinkel kronkelt met 
haar bochtigen loop in Nederland door vrij hooge groengronden, 
terwijl zich de hoogere bouwlanden ook hier en daar tot nabij de 
oevers uitstrekken. 



Digitized by 



Google 



268 

De Dinkel wordt op Nederlandsch gebied opgestuwd tot het 
drijven van een watermolen bij het landgoed Singraven onder De- 
nekamp (stuwpeil 24,80 M. + A. P.). Bij hoog water heeft hier 
de Dinkel nog eene afleiding naar het lager gelegen pand door 
het overloopen van den linkeroever boven Singraven. Het over- 
strooraingswater komt dan op de Voltherbeek en wordt door de 
Hollandsche graven even binnen de grens weer op de Dinkel ge- 
bracht. 

Op Duitsch gebied wordt de Dinkel verder nog tot het drijven 
van watermolens opgestuwd te Lage (stuwpeil 18,72 M. + A. P.) 
en te Neuenhaus (stuwpeil 17 M. -f A. P.). 

De lengte van de Dinkel is ongeveer 81 K. M., waarvan onge- 
veer 36 K. M. van den bovenloop op Duitsch gebied, verder 38,8 
K. M. op Nederlandsch gebied, en in den benedenloop weer 9,3 
K. M. in Duitschland liggen. Het watertje heeft een stroomgebied 
van 84,200 H. A., waarvan er 22,200 tot Nederland behooren. 

De voornaamste bijstroomen van de Dinkel zijn: rechts: de 
Ruenberger beek en de Gek beek en links: de Glaner beek en de 
Hollandsche graven. 

De Gele deek, die in haar bovenloop eerst Puntbeek en later Sombeek heet, 
ontstaat aan de Daitsche giens bij den spoorweg Oldenzaal— Salzbergen. Zij 
neemt rechts nog de Rammelbeek op, die in het Bentheimer woud ontspringt. 
Even beneden de grens vereenigt zij zich met de Dinkel. 

De Glaner beek ontstaat in het Amsveen op de Rijksgrens, dat grootendeels 
hierop afwatert. Verder neemt zij aan den linkerkant het water op, dat door ver- 
schillende beekjes van de oostelijke helling der hooge gronden bij Enschede afvloeit. 

De Hollandsche graven ontstaat uit de samenvloeiing van een aantal beken 
en waterleidingen, waarvan de voornaamste de Voltherbeek is. Deze laatste 
ontstaat onder den naam van Linderbeek op de hoogte tusschen Oldenzaal en 
Denekamp, loopt door het Ang;eler broek, neemt links de Roelinkbeek op en 
vereenigt zich benedenwaarts met het Vree. De aldus ontstane beek neemt 
vervolgens de namen aan van Tilligter beek^ Hamburger beek en Hollandsche 
graven^ en valt onder den naam Lange Voord even boven het Stokkenspik 
(zie boven pag. 267) in de Dinkel. 

Boven zagen wij, hoe het water van de Dinkel boven den molen van Sin- 
graven links wordt afgeleid. Nog eene andere afleiding heeft de Dinkel iets 



Digitized by 



Google 



209 

hooger op aan den rechter oever boven de Beuninger brug. Het water over- 
stroomt hier soms de lage landen bij de Mekkelhorst en wordt vervolgens door 
de Sombeek boven den molen van Singraven weer op de Dinkel gebracht. 

De hoogste waterstand op de Dinkel is in de brug bij Den Vis- 
scher (in den weg van Denekamp naar Oldenzaal) ± 25,65 M. 4- 
A. P., en aan de Penninksbrug (in den weg van Denekamp naar 
Ooimarsum) ongeveer 22,05 M. + A. P. 

V. De Kom van Koevorden en haar afwatering. 

Door de zuidelijke afbelling van het zuidelijk deel van den 
Hondsrug in Drente en door de terreinhelling ten zuiden van het 
bovenste gedeelte van het Oranjekanaal tot nabij Westerbork in 
de richting van Koevorden, wordt op deze plaats een trechter- 
vormige ondiepe kom gevormd, waarin verschillende stroompjes naar 
Koevorden samenloopen, en die gezamenlijk loozen door het Koe- 
vordensch kanaal op de Vecht. De randen van deze vlakke kom 
hebben eene hoogte van 17 M. + A. P. bij Zweeloo, bij Noordsleen 
van 16 M. 4- A. P., en bij Emmen van 22 M. 4- A. P. Naar 
het zuiden daalt het terrein, dat bij Koevorden 9 ^ 10 M. -f A. 
P. hoog is. Hierdoor is de richting naar Koevorden aangewezen 
voor afwatering van het terrein, en daar vloeien ook de verschil- 
lende stroompjes samen met het Schoonebeeker diep, dat over de 
Rijksgrens stroomt. Door kanalisatie is evenwel veel verandering 
in de natuurlijke afwatering gebracht. 

De voornaamste beekjes in de Koevordensche kom zijn de volgende : 

Het Loodiep. Het Loodiep ontstaat onder Zweeloo en heeft een loop 
naar het zuiden voorbij Zwinderen naar Koevorden. Door het verlengen van 
de Hoogeveensche vaart naar het oosten is het Loodiep in twee deelen ver- 
deeld. Het noordelijk deel loopt door eene doorlaatbrug in den noordelijken 
kanaaldijk uit in de Hoogeveensche vaart. Het beneden gedeelte van het Loo- 
diep, ten zuiden van de Hoogeveensche vaart, mondt uit in de buitengracht van 
Koevorden. Dit gedeelte moet thans het water afvoeren, dat uit de Hooge- 
veensche vaart door het openen der schutten in den kanaaldijk er op wordt 
geloosd. In het beneden gedeelte van het Loodiep zijn twee stuwen geplaatst, 



Digitized by 



Google 



270 

die .in het voorjaar gedurende eenigen tijd gesloten worden, om de gronden 
van het waterschap Zwinderen te bevloeien. 

Het Drostendlep. Tusschen Westerbork en Zweeloo ontstaat heiDroiien- 
diep. Het wordt met een grondduiker onder de Hoogeveensche vaart door- 
gevoerd, neemt links het Hoolslootsdièp op, en mondt thans uit in het beneden - 
pand van het Stieltjes kanaal. Het water van het bovengedeelte van het 
Drostendiep wordt in den regel door de waterleiding van de Klenke naar de 
Hoogeveensche vaart afgevoerd. Gedurende het voorjaar wordt het water 
eenigen tijd op het benedengedeelte van het Drostendiep gebracht, om gebruikt 
te worden tot bevloeitng. 

Het Hoolslootsdiep begint onder den naam van SUenerstroom ten zuiden 
van het Oranjekanaal, wordt door een grondduiker onder de Hoogeveensche 
vaart door geleid, en vereenigt zich met het Drostendiep. Het overtollige water, 
dat uit het vierde pand van het Oranjekanaal door den overlaat bij Zuid 
Barge en door de ontlastsluis boven sluis 4 wordt geloosd, moet dit diep af- 
voeren. Het Drostendiep en het Loodiep ontvangen het overtollige water, dat 
bij het openen der schutten uit het 7de pand van de Hoogeveensche vaart 
wordt geloosd. 

Het Schoonebeeker diep. Het Schoonebeeker diepy dat in Pruisen meer 
bekend is als Aa, begint in de venen ten oosten van de Drentsche grenzen en 
neemt verschillende afwateringen van de veenkoloniën op. Beneden grenspaal 
156 vormt het de grensscheiding tusschen Nederland en Pruisen. Vroeger 
mondde dit diep in de buitengracht van Koevorden uit, doch thans wordt zijn 
water door middel van een doorlaatbrug in den noordelijken kanaaldijk door 
het benedenpand van het kanaal Koevorden — Picardië opgenomen. Het be. 
neden gedeelte is bij den aanleg van dit kanaal afgesloten en gedeeltelijk 
vergraven. 

Het Koevorden — Vechtkanaal. Vroeger waterden boven- 
genoemde stroompjes alle uit op de gracht te Koevorden, die op haar 
beurt het water door de Kleine Vecht weder op de Vecht loosde. 
In 1860 is door de Koevorder Kanaalmaatschappij het kanaal van 
Koevorden naar de Vecht voltooid. Dit kanaal wordt thans ge- 
bruikt zoowel voor de scheepvaart als om het water af te voeren. 

Het kanaal is 4,89 K. M. lang en wordt door een keer- en schut- 
sluis in twee panden verdeeld. Het bovenste pand van de gracht 
te Koevorden tot de schutsluis is 4322 M. lang en heeft een breedte 
van 14,40 M. Het ligt op een kanaalpeil van 9,30 M. + A* P. 



Digitized by 



Google 



271 

Het benedenste pand is 568 M. lang, 16,80 M. breed en heefteen 
kanaalpeil van 9,30 M. -f A. P. (Soms voor de afwatering tijdelijk 8,8.). 

De keer- en schutsluis in dit kanaal staat open, als de Vecht 
aan de Haandrik het stuwjDeil bereikt heeft. Bij lagen Vechtstand 
wordt zij gesloten om het wegvloeien van het water te beletten; 
bij hoogen waterstand op de Vecht eveneens, om het binnenloopen 
van het Vechtwater naar Koevorden tegen te gaan. In dit geval kan 
dus het water van Koevorden niet afloopen. Om de opstuwing 
in dit geval te voorkomen, is boven de sluis een overlaat in den 
westelijken kanaaldijk gemaakt, waarover het water op het Afwa- 
teringskanaal stroomt, dat verder boven Ane weder op de Vecht 
loost. Vroeger was er aan den bovenmond van dit Afwaterings- 
kanaal een sluis, doch nadat deze bezweken is, werd er een over- 
laat voor in de plaats gesteld, die een hoogte heeft van 9,45 M. 
H- A. P., en verlengd werd tot 400 M. 

Bij hoogen waterstand op de Vecht te Ane wordt ook hier de 
afstrooming soms verhinderd. In dit geval worden hier groote 
gedeelten lands overstroomd. De overstrooming strekt zich dan 
ten noorden van de Dedemsvaart uit tot de hooge gronden be- 
noorden Ane, den Stouwedijk bij Anerveen, den ouden zandweg 
van Ane naar Koevorden en den verhoogden weg door Steenwijks- 
moer. Voor het geval dat deze waterkeeringen bezwijken, moeten 
de keersluizen in de Dedemsvaart en in de Lutterhoofdwijk in ver- 
band met den Lutterkerkdijk en de hooge gronden van Lutten 
dienen, om het overstroomingswater uit het westelijk deel dier ka- 
nalen te weren. Niet zelden wordt dan deReest zwaar met water 
belast. 

VI. De Vechivalleu 

Men kan het dal, dat de Vecht in eene richting O. — W. in 
Overijsel doorstroomt, als de centrale lijn beschouwen, welke het 
Overijselsche — Drentsche Zuiderzeegebied in nagenoeg gelijke deelen 
verdeelt. De rivier de Vecht doorstroomt een diluviaal dal, zeer 
zeker gevormd door het smeltwater van het diluviale landijs. Doch 
de rivier is sedert dien tijd verzwakt en dit had tengevolge, dat 



Digitized by 



Google 



272 

zij het dal aan beide oevers met alluviale kleigronden heeft aange- 
vuld. Hierdoor doorsnijdt zij het diluvium met een smalle strook 
kleigronden van ± 4000 M. breedte. 

De Vechtvallei was door die omstandigheden aangewezen, om 
het afstroomingswater van vele der kleinere kommen ten noorden 
en ten zuiden te ontvangen. Zooals wij reeds zagen voeren de 
Regge met de beken uit de kom van Almeloo, de Dinkel en de 
stroompjes uit de kom van Koevorden het water op de Vecht af. 
Hierdoor wordt in tijden van grooten waterafvoer de Vecht een 
geduchte rivier, die voor de afwatering van dit gebied van veel 
belang is. 

De rivier de ^ecA/ ontspringt ten noorden van Osterwick in de 
Kreis Koesfeld in Pruisen uit de westelijke afhelling der hoogten 
van Schoppinken en Billerbeck^ uit welken bergrug meer zuidelijk 
de Berkel, en ten oosten de Steinfurter Aa ontstaat. De laatst- 
genoemde is een bijstroom van de Vecht en bijna even belangrijk 
als deze. Alvorens zij zich bij Raddrup met den hoofdstroom ver- 
eenigt, drijft zij zelfs een negental watermolens. 

De Vecht stroomt voorbij Nordhorn^ ten oosten voorbij Neuen- 
haus^ langs Emblicheim en Laar^ en komt beneden laatstgenoemde 
plaats op Nederlandsch gebied. Verder stroomt zij langs Grams- 
bergen^ Ommen en Dalfsen^ en vereenigt zich tusschen Hasselt en 
Zwolle met het Zwartewater. De vereenigde stroom behoudt ver- 
volgens den naam van Zwartewater.^ en stroomt voorbij Hasselt.^ 
Zwartsluis en Genemuiden.^ en mondt onder den naam van Zwolsche 
diep tusschen twee leidammen in de Zuiderzee uit. Eigenlijk is het 
benedendeel van het Zwartewater de mond van de Vecht. 

In den bovenloop wordt de Vecht op verschillende plaatsen 
opgestuwd tot het drijven van watermolens enz. Beneden den water- 
molen van Schüttorf wordt de Vecht nog opgestuwd te Nordhorn 
tot het drijven van twee watermolens, beneden Yrenswegen 
door een stuw ten behoeve van de scheepvaart en tot bevloeiing 
der landerijen, bij de Haandrik boven Gramsbergen tot voeding 
van het Overijselsche kanaal^ het Koevordensche kanaal en de 
Luttersche hoofdwij k, stuwpeil 9.40 M. -f A. P., en bij Ane be- 



Digitized by 



Google 



neden Gramsbergen tot voeding van de Dedemsvaart^ stuwpeil 
8 M. + A. P. 

Bij hoog water vloeit de Vecht tusschen Ane en Hardenherg o^ 
verschillende plaatsen over den rechteroever. Het Vechtwater over- 
stroomt dan de lage landen ten noorden van Hardenberg en moet 
door de Oeler veerbrug in den grintweg naar Ommen beneden Har- 
denberg op de Vecht terug worden gebracht. Wanneer bij zomer- 
vloed de rechteroever beneden Hardenberg overloopt of de kaden 
bezwijken, stroomt het water door de Oeler veerbrug noordwaarts, 
en zet eveneens de landen ten noorden van Hardenberg onder. 
De overstrooming strekt zich dan uit tot aan den zuidelijken 
kanaaldijk van de Dedemsvaart^ die als keerkade is ingericht om 
het water uit dit kanaal te weren. 

Eene tweede afleiding heeft links plaats bij Zeeze (boven Ommen). 
Bij eene doorbraak in den weg naar Junne (ten O. van Zeeze), 
overstroomt het Vechtwater de lage landen van 7 Laar (Ambt 
Ommen) en vloeit over den grintweg heen beneden Omtnen weder 
op de hoofdrivier. 

Bij hoogen waterstand wordt de Vecht beneden waarts tot bij 
Nordhom door kleine schepen bevaren. Op Duitsch gebied heeft 
deze rivier eene lengte van 95 K. M., en van de Rijksgrens tot het 
Zwartewater 87,5 K. M. Het geheele gebied, dat op de Vecht en 
hare bijstroomen water loost, beslaat eene oppervlakte van 39x500 
H. A. Hiervan behooren ± 84,200 H. A. tot het gebied van de 
Dinkel en ±l 120000 H. A. tot het afwateringsgebied op de Regge. 



IL 18 



Digitized by 



Google 



274 

De gemiddelde waterstanden op de Vecht voor 1880 waren de 
volgende. 

Waterstanden op de Vecht. 



Plaats van waarneming. 




Afstand 

tot den 

mond van 

de Vecht 

in K. M. 



Laarwolde . (boven de grens) 
Haandrik . . (boven de stuw) ' 
Ane (boven de stuw) ! 

Hardenberg 

I 

Ommen | 

Dalfsen 

Sluis te Berkum (aan het eind 
van het Lichtmiskanaal) 

Mond van de Vecht (Zwarte- 
water) 



-f 9^25 ; + 9.71 

+ 8,07 + 9iio 

-h 6,83 + 8,25 

+ 3,08 i + 4,54 

+ 0,88 j -h 2,38 

■f 0,36 + 1,31 

.^ 0,16 I -h 0,61 



-f 11,66 
(24 Dec.) 

+ 10,50 
(23 Nov.) 

+ 9,83 
(27 Dec) 

+ 8,87 
(27 Dec.) 

+ 5»7o 
(28 Dec.) 

+ 3,77 
(29 Dec.) 

H- 2,24 
(29 Dec.) 

I + 1,76 I 
I (26 Dec.)! 



88,650 
84,300 
79,880 
72,200 

39,950 
16,180 

6,680 



Uit deze opgaven blijkt, dat de Vecht over 't geheel in de 
wintermaanden den hoogsten waterstand heeft. Dit is een natuurlijk 
gevolg hiervan, dat in den winter er een grooter hoeveelheid water 
tot afvloeiing overblijft dan in den zomer. (Zie I. pag. 204 enz.) 

In het beneden-gedeelte van de Vecht is de invloed van het 
hoogwater in de zee nog bemerkbaar. Vooral wanneer de N.W. 
winden het water van de Zuiderzee naar het Zwolsche diep opdrijven, 
stuwt het Zwartewater, dat dan niet kan uitloozen, op, en ook de 
Vecht wordt in hare uitloozing belemmerd. Tot boven Dalfsen is 
deze opstuwing dan somtijds te bemerken. In gewone gevallen doet 
de invloed van den vloed zich echter niet verder dan tot de 
Berkumer brug (Zwollerkerspel) gevoelen. 



Digitized by 



Google 



275 

Van den mond tot boven Dalfsen is de rivier bedijkt, doch de 
dijken liggen zeer onregelmatig, nu eens zeer ver van de oevers, 
dan weer dicht er bij. Bij den mond is de onderlinge afstand van 
kruin tot kruin ± looo M., bij de Berkumerbrug 400 M., bij 
Vechterweerd 80 M., bij Leemkule (Dalfsen) 420 M. Boven Dalfsen 
bestaan nog wel bedijkingen, doch deze hangen niet geregeld samen 
en beschutten alleen de laagste gedeelten der oeverlanden. 

Omtrent den waterafvoer van de Vecht en de Regge hebben 
wij de volgende cijfers te danken aan de onderzoekingen van De- 
king Dura. i) 











Grootste afvoer 




Grootte van 

het 
stroomgebied 


S 


te afvoer 

bij 

ervloed 


te afvoer 
ld 


per 1000 H.A. 

11 


Naam der rivier. 


in 


?. 


8 S 











duizendtallen 


'S 





C 




^•2 




H A 


u 








13 ? 








M» per . 


seconde. 


Boven- Vecht 


194 


1 
1^15 1 37 


145 


1 
0,190 1 0,750 


Vecht bij Ommen . . 


269 


1,17 60 


140 


0,223 1 0^520 


Regge bij den mond 


IOC 


0,54 ' 13 


80 


0,140 , 0,800 


Vecht bij Dalfsen... 


370 


^71 


. 65 


220 


0,176 


0,600 



De afvoer-coëfficient van de Vecht te Ommen blijkt bij zomer- 
vloed grooter te zijn dan voor de Boven- Vecht. Bij winter vloed is 
echter het omgekeerde het geval. In den winter is, niettegenstaande 
den toevoer langs de Koevorder diepen, die dan ± 35 M' per sec. 
bedraagt, en die langs de kleine zijtakken, als de Bruchterbeek, de 
Bergentheimerbeek enz., de maximum-afvoer te Ommen kleiner dan 
die te Laarwoude, Dit is een gevolg van de groote inundatiekom 
tusschen Laarwoud en Hardenberg, die bij zomervloed slechts voor 
een klein gedeelte, maar bij wintervloed geheel volloopt en als 
r^ulator voor de beneden-rivier werkt. 

Het groote maximum van de Regge bij wintervloed wordt ver- 
klaard door den aanvoer uit de Buurserbeek, (zie II, pag. 263) 

I) Tijdschrift v. h. Inst. v. Ingenieurs, 1889, pag. 35 Notulen, 



Digitized by 



Google 



2^(> 

die bij eiken hoogen winter vloed plaats heeft en ongeveer 15 il 
16 M' per seconde kan bedragen. Deze watermassa buiten reke- 
ning gelaten daalt de maximum-afvoer voor het gebied der Regge 
zelf tot 65* en de afvloeiings-coëfficient tot 0.65. 

Vn. Het zuidwe%telijke afwateringsgebied 7'an Drente 
of de Kam van Meppel, 

In het Z. W. van Drente, ten noordoosten ongeveer begrensd 
door het Oranje kanaal, helt het terrein zacht af in de richting van 
Meppel, en de verschillende stroompjes uit dit gebied loopen in die 
richting samen. Hierdoor is ook in economisch opzicht Meppel het 
centrale punt van Z. W. Drente geworden. Wij noemen dit gebied 
het Zuidwestelijke afwateringsgebied van Drente of de kom van 
Meppel. Een eigenlijke kom is het wel niet; het vormt meer een 
trechter, welks pijp bij Meppel aanvangt en die door hetMeppeler- 
diep naar Zwartsluis loopt. De hoogste rand van dit terrein ligt 
bij het Oranjekanaal op 14 è. 17 M. -|- A. P., en loopt van Wester- 
bork, 17 M. 4- A. P., naar Nieuweroord aan de Hoogeveensche vaart, 
waar het terrein rb 15 M. + A. P. is, en vervolgens naar Slag- 
haren in Overijsel met ± 10 M. 4- A. P. Te Meppel^ waarheen de 
hellingen van alle zijden gericht zijn, is de hoogte i M. + A. P. 

De riviertjes, welke van dit terrein afstroomen, zijn: de Reest^ de 
Echtin^er stroom of het Oude Diep met de Hoogeveensche vaart^ 
de Ruiner Aa met de Koekanger Aa^ en de Beilerstroom of het 
Oude Diep, 

De Reest. Vroeger ontstond de Reest in de venen van Slagharen en Lut- 
ten, en diende om het water van genoemde venen en van die van Avereest 
af te voeren. Door den aanleg van kanalen is de hydrographische toestand 
hier geheel veranderd. Thans begint de Reest bij de Ongelukswij k. Zij loopt 
over de grens tusschen Overijsel en 'Drente in eene westelijke richting naar 
Meppel; waar zij zich in het Meppelerdiep uitstort. Aan beide oevers is zij 
door strooken veenachtige oeverlanden begrensd, die verderop in diluviale gron- 
den overgaan. 

De waterstanden op de Reest waren in 1884 in den zomer (bij hoogen water- 
stand) de volgende: 

Rij de Ongelukswijk....... 6,95 M. -|- A. P. 



Digitized by 



Google 



277 

Bij de brug in den straatweg 
Zuidwolde — Dedemsvaart. 5,50 M. -|- A. P. 

Bij de buurt Pieperij 3fio „ „ „ 

Op een paar plaatsen, boven en beneden de Wijk, wordt zij opgestuwd, ge 
deeltelijk tot bevloeiing der lage oeverlanden. Soms voert de Keest het over- 
tollige water van het 5de pand der Dedemsvaart en van het 2de pand der 
Hoogeveenscbe vaart af. 

Oudtijds werd de Reest beneden de Wijk nog tot scheepvaart gebezigd, zij het 
ook al op kleine schaal l). Langs de Reest werd o. a. turf afgescheept naar 
Meppel, om van hier verder naar Zwartsluis vervoerd te worden. 

Het Oude Diep of de Echtlng^er stroom. Dit watertje ontstaat in de 
gemeente Westerbork in een terrein dat 16 & 17 M. + A. P. hoog ligt. Het 
stroomt in eene Z. W. richting en loopt over een vasten drempel bij Echten 
uit in het 3e pand van de Hoogeveenscbe vaart. Vroeger liep de Echtinger 
stroom naar Meppel voort ; het benedengedeelte evenwel is tot de Hoogeveenscbe 
vaart vergraven. In het beneden gedeelte zijn eenige stuwschutten geplaatst, die 
in het voorjaar worden gesloten om de aangrenzende lage groenlanden te bevloeien. 

De Ruiner Aa. I^e Ruiner Aa, in het beneden gedeelte fVoid Aa ge 
heeten, ontstaat uit het Zwartewaicr, een plas of meertje in de mark van Drijber, 
dat tusschen Hoogeveen en Beilen door den spoorweg doorsneden wordt. Zij 
stroomt in zuidwestelijke richting, neemt links nog de kleine watertjes At Riete 
Aa, de RUfe en de Koekanger Aa op, en vereenigt zich bij Meppel met de 
Oude Smildervaart, waarna zij zich gezamenlijk in het Meppeler diep uitstorten. 
In den bovenloop ligt het terrein, dat zij doorstroomt, ongeveer 14 M. -|- A. 
P., in het benedengedeelte i a 2 M. -{- A. P. Zij voert het water af van onge- 
veer 12,390 H. A. lands. 

De Beilerstroom, Dwingelerstroom of Oude Smildervaart Deze 
rivier ontstaat onder Westerbork uit verschillende waterloopen, die het afetroo- 
mingswater uit het midden van Drente van een terrein dat 17 a 19 M. + A. 
P. hoog is, afvoeren. Ook het overtollige water van het 2e tot en met het 4e 
pand van het Oranjekanaal voert zij af. Eerst neemt zij eene meer westelijke 
richting, om zich voorbij Dwingeloo naar het zuid-zuidwesten om te buigen. Bij 
Meppel vereenigt zij zich met de Wold Aa en stroomt uit in het Meppeler diep. 

In den stroom en in verschillende neven stroompjes zijn een aantal keerschut- 
ten geplaatst, die in het voorjaar gedurende eenigen tijd worden gesloten om 
het water op te stuwen ter bevloeiing der lage oeverlanden, welke genoemden stroom 
omzoomen. Voor kleine schuiten is de Beilerstroom in het gedeelte beneden 
Dwingeloo bij hoog water bevaarbaar. Daar de Drentsche hoofd vaart op korten 

i) Magnin. Kloosters in Drente 1846. — P. A. Derks. Meppel en omstreken, 
1887 pag. 31, 



Digitized by 



Google 



278 

afstand hiervan ligt, wordt daarvan natuurlijk weinig gebruik gemaakt. Vroeger 
was hierop meer scheepvaart, en ze heeft daarnaar nog den naam van Oude Vaart 
behouden. 

De Beilerstroom wordt nog gebezigd om de Drentsche hoofd vaart te voeden. 
Met dit doel is te Beilen een keerschut geplaatst, om het water daar boven op 
te stuwen. Door de Beihrvaart^ die in 1790 gegraven en in 1845 verruimd is, 
wordt dit water dan afgeleid op het bovenpand van de Drentsche hoofdvaart, 
waarmede zij gemeen ligt. 

Beneden Dwingeloo is een tweede schut geplaatst, het Koningsschut, Dit 
dient om het water op te stuwen en door het Van Holthesvaartje op het vierde 
pand der hoofd vaart te voeren. Door een schutsluis, die in 1885 aan den mond 
van genoemd vaartje gelegd is, staat dit gedeelte van den stroom, dat bij hoog- 
water bevaren wordt, met de Hoofd vaart in verbinding. 

Deze stroom heeft een afwateringsgebied van 20,900 HA. waarvan 11,100 
HA. boven het Koningsschut. (Zie over de geschiedenis dezer rivier lï pag. 298.) 

Het Meppelerdiep. De vereeniging van bovengenoemde wate- 
ren uit de Meppeler kom met de Reest vormde vroeger het Mep- 
pelerdiep^ een stroom, die door lage, moerassige oeverlanden van 
Meppel naar Zwartsluis stroomde. Door den aanleg van de kanalen 
in Drente wordt het diep ook nog gevoed met het water, dat deze 
afvoeren. Om beter voor de afwatering en de scheepvaart te die- 
nen is het diep geheel vergraven en gekanaliseerd. 

Het Meppelerdiep strekt zich thans uit van de Galgenkamps- 
brug te Meppel, tot de sluizen, waardoor het diep op het Zwarte- 
water loost bij Zwartsluis. "" 

Het benedenpand van de Drentsche Hoofdvaart is bij Meppel 
vrij met het Meppelerdiep verbonden ; de Hoogeveensche vaart 
loost er op door de Meppelersluis, en de Reest staat er in vrije 
verbinding mede. Enkele kleine watertjes, uit het N. W. van Over- 
ijsel, staan nog met het Meppelerdiep door sluisjes in verbinding, 
als de Kolderveensche Grift^ de Embers- of Haagjesgracht en de 
Beukers grift. 

Het Meppelerdiep vormt één pand, dat 11,767 K, M. lang is. 
Men tracht den waterstand te Zwartsluis door uitstrooming en inla- 
ting op 0,15 M. -— A. P. te houden. De geringste diepte onder ka- 
naalpeil is 1,85 M. De breedte op kanaalpeil bedraagt 21 è 32 M. 



Digitized by 



Google 



279 

De waterstanden staan in het Meppelerdiep bij westenwind, als 
het opgestuwde water bij Zwartsluis de loozing tegengaat en al 
het afgevoerde water der Meppeler kom hier verzameld wordt, 
hooger dan het kanaalpeil. De hoogste waterstanden van 187 1 — 
1880 waren: aan de Paradijssluis boven Meppel, benedenzijds 1,58 
M. 4- A. P. (15 Maart 1876;, aan de Kaapbrug beneden Meppel 
1,57 M. + A. F. (15 Maart i876),en te Zwartsluis 1,28 M. + A. P. 
(i Mei 1877). 

Aan beide zijden wordt het Meppelerdiep op eenigen afstand 
door dijken ingesloten. Aan den rechterkant ligt de weg naar Zwart- 
sluis, de Zomer dijk^ 1,10 tot 1,50 M. + A. P. hoog. Aan den linker- 
kant ligt de Staphorster stouw^ eveneens van Meppel naar Zwart- 
sluis, een kade van 0,80 tot 1,05 M. 4- A. P. hoog. 

Tusschen beide vindt men meest aan den linkeroever van het 
kanaal laag, drassig land, door verschillende slooten en afgesneden 
gedeelten van het vroegere Meppelerdiep doorsneden. Het is gras- 
land, dat een groot gedeelte des jaars onder water staat, en waar- 
van men alleen bij oostenwind het hooi kan winnen. 

De verbetering der afwatering van het Meppelerdiep is reeds 
langen tijd een belangrijk vraagpunt geweest en heeft aanleiding 
gegeven tot verschillende plannen. In 1774 werd de rivier met de 
daarop uitvloeiende Drentsche wateren opgenomen door den Kap. 
Lt. Ingenieur C. J. KrayenhofF, die in de daaruit voortvloeiende 
memoriën (1775) voorstelt . het Diep een zijdelingsche ontlasting te 
geven aan den rechteroever, en door een kanaal het water naar 
den Vollenhovenschen zeedijk af te voeren, waar het door een 
sluis zou loozen. Later heeft men er dikwijls aan gedacht, om van 
de Drentsche grens recht naar het westen een kanaal te graven i). 
Doch geen dezer plannen kwam tot uitvoering. Ook het plan, om 
een grooten polder te vormen, die door een stoomgemaal bemalen 
zou worden, dat in den laatsten tijd aanhangig was, is nog niet 
tot uitvoering gekomen. 



i) Staring en Stieltjes. De Overijselsche wateren; 1848, pag. 127. 



Digitized by 



Google 



28o 



§ 3. Het Zwartewater. 

Van Zwolle langs Hasselt tot Zwartsluis naar het noorden en 
vervolgens naar het westen, loopt het Zwariewater, Het neemt een 
aanvang bij Zwolle, waar de verschillende Sallandsche weteringen 
(zie II pag. 260) zich tot een water vereenigen. Bij het gehucht Genne 
stort zich het Vechtwater in het Zwartewater uit en vorrat eene 
zandafzetting, die steeds moet opgeruimd worden i). Bij Hasselt 
staat de Dedemsvaart er mede in verbinding (door een sluis) en 
bij Zwartsluis loost het Meppelerdiep het water, dat het hoofd- 
zakelijk uit Drente en voor een deel uit Overijsel afvoert, door 
sluizen op het Zwartewater. 

In den inham van de Overijselsche kust tusschen Vollenhove en 
het Kampereiland tot nabij Genemuiden mondt het Zwartewater 
uit. Dezen inham noemt men het Zwolsche diep. Tusschen twee lei- 
dammen, waarvan de zuidelijke bijna 6000 meter lang is, wordt 
hier het rivierwater een eind in zee gebracht. Beneden bespreken 
wij deze uitmonding nader. 

De gemiddelde waterstanden vindt men in de volgende tabel. 

Waterstand op het Zwartewater in M. ten opzichte A. P. 



Hoogste 
stand. 



Gem. stand. 



.S-S 



Laagste stand. 



I 

ZwoUe ]2,42 (31 Jan. ' 

Mond der Vecht I2 43 (3 1 Jan. ' 

Hasselt (Jaagbrug.) 2,37 (31 Jan. ' 

Zwartsluis :2,S7(3I Jan. ' 

Genemuiden 12,75 (3* J^"- 

Kraggenburg (bij hgw,) vloed.\2,$4{^ i Jan. ' 
Kraggenbrug (bij /^v.) ebbe . . i ,9 1 ( 1 3 üec. 



77.) 
77.) 
77.) 



0,230,510,37 
o,23|0,52;o.38 
0,2310,360,29 
77.) 0,24 0.30,0,27 
77.)o,23jo,28o,26 

77.) 
80) 



o,44|o,24jo,24 - 
0,090,430,44!— 



o,53(i3Nov.'76) 
0,49 (23 Oct. '76.J 
o,6$(i3Nov. '76.) 
o,68{i3Nov. '76 ) 
0,58 (23 Oct. '76.) 2) 
i,o6(i7Apr.'77.) 
0,50(27 Mrt. '79.) 3) 



Deze cijfers van de waterstanden duiden belangrijke verschijnselen 
aan. Zoo zien wij o. a. dat te Zwartsluis de gemiddelde stand in 



i) Over de verbetering van het Zwolsche Diep en het Zwarte "Water 1843 P*g- 6* 

2) Bovenstaande cijfers zijn gemiddelden over 1876 — 1880; 

3) De^e „ „ „ „ 1879— 1880. 



Digitized by 



Google 



28l 

de 6 zomermaanden hooger is dan hooger op bij Zwolle. Hieruit 
blijkt, dat er gedurende den zomer dikwijls geen sprake is van een 
strooming van het Zwartewater naar den mond toe, doch dat in- 
tegendeel somtijds het water de rivier oploopt. Dit is ook het ge- 
val in de zee, waar bij Krnggenburg in de zomermaanden de 
gemiddelde stand hooger is dan op het Zwartewater. Dat er hier- 
door op het Zwartewater sporen van eb en vloed zijn waar te 
nemen door opstuwing van het water is duidelijk. Geregelde opgaven 
kunnen wij hiervan niet mededeelen. 

Dat in den zomer te Zwartsluis de waterstand gemiddeld hooger 
staat dan te Zwolle, moet zeer zeker ook aan de uitmonding van 
het Meppelerdiep worden toegeschreven. Wij vermoeden, dat ook de 
plaats, waar hier de peilschaal staat, onder den invloed ligt van het 
afvloeiïngswater uit genoemd diep, zoodat daardoor de waterstand 
hier hooger is dan aan den tegengestelden oever van het breede water. 
In dit vermoeden worden wij versterkt door de waarnemingen van 
Genemuiden, die een gelijken zomerstand als Zwolle aangeven. 

Dat de winterwaterstand bij den mond van de Vecht gemiddeld 
hooger is dan te Zwolle, is zeer wel verklaarbaar uit den sterken 
afvoer van water, dien deze rivier des winters heeft. Hierdoor, be- 
nevens door opwaaiïng van het water met N. W. en W. winden, 
staan niet zelden gedeelten der stad Zwolle onder water. 

Het land, dat het Zwartewater doorloopt, ligt meestal = A. P. 
of iets daar beneden. Op korten afstand ten O. van het Zwartewater 
ligt een strook land van ongeveer 8 K. M. breedte o èt i M. -f- 
A. P. hoog. Hieruit blijkt, dat bij de hoogste standen, als van 
2,42 M. -j- A. P. te Zwolle, het land zou overstroomen, indien er 
geen bedijking was. Daarom is dan ook het Zwartewater geheel 
bedijkt 

Wij wezen er reeds op, dat het grootste gedeelte van het Zwarte- 
water eerder als de monding van de Vecht dan als zelfstandig 
water moet beschouwd worden. Zeer waarschijnlijk heeft ook een 
IJselarm hier aanvankelijk langs gestroomd, waardoor de rivierklei 
!S afgezet. 

Boven zeiden wij, dat de Vecht eene zandafzetting aan haar mond 



Digitized by 



Google 



282 

in het Zwarte water vormt. Overigens is de uitstrooming van het 
Vechtwater voordeelig voor het Zwartewater. De kaart en het 
register der peilingen toch bewijzen ons, dat het vaarwater van de 
uitstrooming der Vecht af allengs dieper wordt, zoodat zelfs tusschen 
de Aardenbergersluis tot boven en beneden Genemuiden de gemid- 
delde diepte tusschen 4 en 5 M. bedraagt. Kennelijk wordt dit 
door de erosie van het water der Vecht, der Dedemsvaart en van 
het Meppelerdiep veroorzaakt. Waar deze schuring tusschen de groene 
boorden ophoudt, en die watermassa zich verspreidde in de wijde 
kom van het Zwolsche Diep, daar vermindert die diepte. 

§.4. DE WILLEMSVAART. 

De Willemsvaart is een gegraven kanaal om de stad Zwolle met 
den IJsel te verbinden. Het kanaal is van den IJsel door eene 
groote en eene kleine schutsluis gescheiden, en ligt in gewone om- 
standigheden open naar het Zwartewater, doch kan daarvan worden 
gescheiden door een keersluis te Zwolle, die gesloten wordt bij een 
waterstand van 1,30 M. + A. P. Het kanaalpeil iso,i5M. + AP. 

De Willemsvaart heeft eene lengte van 2,05 K. M. en de kleinste 
breedte op het kanaalpeil bedraagt 18,23 M. De kleinste diepte 
onder het kanaalpeil is 3,15 M. 

Op de Willemsvaart wateren nog 1000 H. A. polderland af. 
Daar de waterstand op den IJsel (te Katerveer 1,7 M. -j- A. P.) 
gemiddeld hooger Ls dan op het Zwartewater, is het natuurlijk, dat 
de afvoer op laatstgenoemd water moet plaats hebben. 

Historische opmerkingen over de Willemsvaart. Dat bij de uitbreiding van 
zijn handel Zwolle er op bedacht moest zijn eene waterverbinding met den 
IJsel te bekomen, ligt voor de hand. Reeds in de 14de eeuw was hier eene 
waterleiding gegraven, en in 1480 begon men deze uit te diepen, teneinde baar 
voor de scheepvaart geschikt te maken. Doch de wedcrzijdsche naijver der 
IJseLsteden hield dit plan tegen. Vooral Kampen en Deventer waren bevreesd 
voor de benadeeling hunner handelsbelangen, als men van Zwolle op den IJsel 
kon varen, en Zwolle dus hun concurrent werd. Zoo duurde het lot 1809, toen Zwolle 
eerst concessie tot den aanleg van een dergelijk kanaal mocht erlangen. Doch 
daar Keizer Napoleon het plan van zijn broeder, den Koning van Holland, niet 



Digitized by 



Google 



283 

goedkeurde, bleef het reeds begonnen werk na de inlijving van Holland bij 
Frankrijk liggen, zonder dat iemand het zich aantrok, terwijl Zwolle onvermo- 
gend scheen het te voltooien. Na de herstelling van Nederlands onafhankelijk- 
heid werd op initiatief van den Baron van Ded?m tot den Berg (den aan- 
legger van de Dedemsvaart) de zaak weder opgevat, en deze mocht den bijval des 
Konings ondervinden. Zoo kwam het tot eene uitvoering, en in 1820 werd de 
vaart geopend, die naar Neerlands eersten Koning den naam van WilUmsvaari 
verkreeg. Na de verbetering van de IJselmonden is de Willemsvaart de hoofd- 
verkeersweg van Zwolle met de Zuiderzee geworden. 

§ 5. DE UITMONDING VAN HET ZWARTEWATER. — HET ZWOLSCHE DIEP. 

Het ZwoUche Diep is de naam van een ondiepen inham van de 
Zuiderzee in de Overijselsche kust. Het wordt ten noorden be- 
grensd door de Kaap van VoUenhoven, de Voorst geheeten, een 
uit diluviaal zand bestaande landpunt van =b 3 M. hoog, die in 
het oosten door Ambt-Vollenhove zich voortzet als een weg van 7 
k 8 M. hoog door het lagere land. Ten oosten van Kaap Vollen- 
hove ligt er ten zuiden van genoemden weg in Ambt-Vollenhove nog 
een lager gebied van weinig uitgestrektheid, dat door dijken naar 
den kant van het Zwolsche Diep omringd wordt. 

Ten oosten en zuiden vindt het Zwolsche Diep zijn grens in de 
alluviale gemeentegronden van Genemuiden en Kampen, en ten 
westen grenst het aan de Zuiderzee. Deze inham beslaat een opper- 
vlakte van =t 3000 H.A. 

Ongetwijfeld dankt hij' zijn ontstaan aan de verwijding van de 
zeegaten en het binnenstroomen van de Noordzee, waardoor het 
vroegere lage veenland is weggeslagen, en de Zuiderzee gevormd werd. 
Nog beukt de zee voortdurend met kracht op Kaap de Voorst, 
die door haar diluviale vorming uit leem, zand en rolsteenen, deze 
aanvallen slechts gedeeltelijk weerstand heefl geboden en met steile 
helling, door den golfslag ontstaan, in zee is blijven vooruitsteken. 

De bodem van het Zwolsche Diep bestaat aan de VoUenhoofsche 
kust meestal uit eene harde zandkorst. Naar het zuiden en oosten 
is de grond meer zacht en slibberig. In het midden van dit water 
treft men twee ondiepten aan, welke bij de schipperij vroeger als 



Digitized by 



Google 



284 

de Binnen- en de Buitendroogte bekend waren, en waar gemid- 
deld niet meer dan 1,65 M. water gevonden werd. 

Aanvankelijk werd de naam Zwolsche Diep alleen aan de geul 
gegeven, dcx)r welke in 'dezen inham het Zwartewater naar zee kron- 
kelde. Doch sedert lang is men reeds gewoon den geheelen imham 
met den geenszins eigenaardigen naam van Zwolsche Diep te be- 
stempelen. Dat dit water den naam naar Zwolle ontving is een 
gevolg van het overwegend belang, dat Zwolle vroeger bij deze 
eenige verbindingsweg met de zee had. Destijds belastte Zwolle 
zich dan ook hoofdzakelijk met betonningen enz. 

In het Zwolsche Diep ontlastten zich vroeger drie stroomen: de 
Goot^ het Ganzediep en het Zwartewater, De Goot en het Game- 
diep zijn takken van den IJsel, die, zooals wij op pag. 239 zagen, be- 
teugeld of afgedamd zijn aan den bovenraond. Toch hebben beide 
gedurende tal van jaren hun slik in het Zwolsche Diep uitgestort 
en langs de zuidelijke kust van het Zwolsche Diep aanslibbingen 
doen ontstaan, die nog onbedijkt, onder den naam vanger/ ^»//^;2- 
land bekend zijn. Door die aanwassen loopen diepere geulen van 
genoemde monden. Deze aanslibbing was eene voortzetting van het 
proces, dat het Kampereiland deed ontstaan. Daar, waar het niet 
diep is, en deze aanslibbingen nog onder water liggen, steken 
welig de biezen hare slanke stengels uit het water. Zij houden het 
slib uit het water tegen en bevorderen daardoor de aanslibbing. Langs 
de kust van het Zwolsche Diep groeien die biezen welig en geven 
er aanleiding tot tal van mattenmakerijeh. Wanneer de biezen den 
aanwas zoover bevorderd hebben, dat er geen genoegzame hoeveel- 
heid water meer is, wordt de bies vervangen door riet^ en een 
biesveld gaat aldus door verdere aanslibbing in een rietveld over. 
Op het rietveld volgt na voortgaande aanslibbing de groei van 
waterscheren en hanebollen. Dan volgt er eindelijk de wording 
van land, dat geschikt is om op greppels gelegd te worden, waarna 
het spoedig in grasland wordt veranderd. 

Voor de scheepvaart van Drente en van het noorden van Overijsel 
is het Zwolsche Diep van groote beteekenis. Zooals wij reeds zeiden 
stroomt het grootste gedeelte van het Drentsche afvloeiïngswater 



Digitized by 



Google 



285 

door het Meppelerdiep uit op het Zwartewater, en ook de Drentsche 
kanalen staan hiermede in verbinding. Doch de ondiepte van het 
Zwolsche Diep was steeds hinderlijk voor de scheepvaart. Bij af- 
landingen wind toch wordt het water van die kust weggedreven en 
daalt zeer. (Zie de tabel op pag. 280). Tot verdieping van de geul 
in het Zwolsche Diep, waardoor het Zwartewater uitliep, was sedert 
eeuwen zoo goed als niets gedaan. Alleen Zwolle had in 't belang 
van haar scheepvaart voor betonning gezorgd. Maar dagen en soms 
weken moesten de schippers wachten, om bij O. wind van de on- 
diepten op het Zwolsche diep los te raken. 

>De Overijselsche Verecniging tot ontwikkeling van Provinciale 
welvaart" trok zich deze zaak aan en er werd eene Maatschappij 
opgericht tot verbetering van het Zwolsche Diep, welke mede de 
landaanwinning als haar doel stelde, i) Door deze werden de beide 
leidammen gelegd, tusschen welke thans het Zwartewater een eind 
in zee geleid wordt. In 1845 — 47 werden deze dammen gelegd, 
terwijl de zuider leidam in 1875 — 77 ^oor ^^^ ï^Ü^ op nieuw werd 
opgemaakt en verbeterd. 2) 

De zuider leidam is 5950 M. lang en tot 2000 M. van de kust, 
0,80 M. + A.P. hoog, terwijl hij verder 0,90 M. + A.P. ligt. 
Aan het zeeuiteinde van dien zuider leidam ligt de haven van 
Kraggenburgy die zoo goed als niet in gebruik is. 

De noordelijke leidam is 5680 M. lang. Deze dam is thans 
grootendeels vervallen en ligt voor het grootste gedeelte onder water, 
terwijl alleen bakens hem aanwijzen. Zijne hoogte is gemiddeld 0,56 
M. — A. P. Op 2800 M. van het zeeeinde is eene opening in dien 
dam, waardoor de schepen ook in- en uitvaren kunnen. De onder- 
linge afstand dier dammen is nabij het land 250 M., op 900 M. 
afstand van de kust 200 M., en verder vermindert hij regelmatig 
tot iio M. 

De haven van Kraggenburg aan den zuidelijken leidam werd 



i) Verslag der Staatscommissie tot het instellen van een onderzoek omtrent 
de verbetering van het Zwolsche Diep 1879. 

2) Zie over de eerste plannen tot verbetering ook, Stieltjes: De Overijselsche 
waterwegen 1855. 



Digitized by 



Google 



286 

aangelegd om 70 schepen te kunnen bevatten. Midden in zee ligt 
hier de woning van den havenmeester. De naam Kraggenhurg is 
ontleend aan de stof, welke men bij het leggen der leidammen bezigde. 
De heer van Diggelen toch kwam op het denkbeeld om, kraggen 
of rietzoden als vullingstof bij de kribwerken te gebruiken, i) 

Door de boven beschreven werken trachtte men den stroom te 
leiden en te gebruiken, om het vaarwater door erosie te verdiepen. 
Alleen aan den stroom kon men dit niet overlaten, en baggerwerken 
werden van tijd tot tijd met hetzelfde doel uitgevoerd. Nog voortdurend 
worden die baggeringen voortgezet» en toch is het Zwolsche Diep 
dikwijls nog onderscheidene dagen in 't jaar bij O. wind onbe- 
vaarbaar. In 1883 moesten de Meppeler stoorabooten op Amster- 
dam gedurende 31 dagen (in Jan., Febr., Maart en April) hun 
tocht over Zwolle en Kampen maken, daar het Zwolsche Diepeen 
te lagen waterstand had. In 1884 moest dit 19 maal geschieden 
en in 1885 en in '86 elk jaar gedurende 4 dagen. 2) 

§ 6. DE POLDER MASTENBROEK. 

Ten westen van het Zwartewater tot aan het Kampereiland en 
den IJsel ligt een laag terrein, dat in het midden uit laagveen bestaat 
en aan de kanten met rivierklei omzoomd is. Dit gebied vormt 
den polder Mastenbroek^ met een oppervlakte van 8800 H. A. Het 
zomerpeil bedraagt er 0,26 M. — A. P. Van de IJselklei-oevers is 
deze polder gescheiden door den rechter IJseldijk, zoodat de zoom 
van rivierklei om den polder zeer zeker aan deze rivier moet te 
danken zijn, die vóór de beslijking ook dit land korter of langer 
tijd met een tak omsloot. In geologisch opzicht behoort Mastenbroek 
dus mede tot den IJsel-delta. De polder loost rechtstreeks op den 
IJsel, het Ganzediep, de Goot en het Zwartewater. Deze loozing 
heeft plaats door uitwateringssluizen, waarvan die te Kampen, Gene- 
muiden en Zwolle tevens schutsluizen zijn. Gedeeltelijk wordt het 
water vooraf opgemalen met stoomgemalen. 



i) Zie over het Zwolsche diep: Sloet's Tijdschrift voor Staathuishoudkunde, 
1856 pag. 21, en verder bovengenoemd Verslag van 1879. 
2) Prov. versl. van Overijsel. 



Digitized by 



Google 



287 

In de 14^^ eeuw was dit land nog een moerassig, onbewoond 
gebied, dat voortdurend voor overstroomingen openlag. Doch in 
1362 liet Jan van Arkel, bisschop van Utrecht, den ringdijk om 
Mastenbroek opwerpen, en in 1390 werd een dijkrecht voor dezen 
polder ingesteld. 

§ 7. HET LAND TEN WESTEN VAN DE DRENTSCHE HOOFDVAART 
EN HET MEPPELERDIEP. 

Het land ten noorden van het Meppelerdiep en de Drentsche 
hoofdvaart tot de Linde en hun verlengde naar Assen hebben wij 
nog tot het Overijselsche-Drentsche Zuiderzeegebied gebracht. Het 
land vormt een smalle naar het zuiden breeder wordende strook, 
die zich naar het Z. W. uitstrekt en van het N. O. naar het Z. W. 
in hoogte afneemt. Dit blijkt ook uit de richting der beide ri- 
viertjes uit dit gebied, het Steenwijkerdiep en de Linde, die, door 
hooger ruggen gescheiden, de helling des terreins volgen. 

In het midden, ongeveer van Havelte naar Steenwijk en Steen- 
wijkerwold, zet zich een heuvelrij van op zijn meest 14 M. + A. P. 
hoog, dwars door dit terrein. De hoogste gedeelten hiervan zijn de 
Havelterberg en de Woldbergen bij Steenwijk. Ten zuiden van 
genoemde heuvelrij daalt de bodem spoedig tot ongeveer i M. + 
A. P. en lager. Het is een over 't geheel effen terrein, dat langzaam 
afdaalt naar de kust, waar de hoogte ongeveer = A. P. is of iets 
daar beneden. De effene ligging van dit terrein is te danken aan de 
lage- en moerasvenen, welke hier aan de oppervlakte liggen. Met 
een kruisnet van grachten en slooten is dit lage land doorsneden. 
De waterwegen zijn er schier de eenige verkeerswegen. Het uit- 
baggeren der venen heeft hier eenige plassen doen ontstaan. Men 
vindt er o. a. het Belterwijde^ het Beulakerwijde^ het Grootewijde 
en het Giethoornsche meer^ die een diepte van 1,5 M. è 3 M. — 
A. P. hebben. 

Het land, waar thans deze meertjes gevonden worden, en verder 
noord-oostelijk tot nabij Steenwijk en de landen van Nijeveen, 
Kolderveen, Wanneperveen en Dingsterveen, was eertijds geheel met 



Digitized by 



Google 



288 

hoogveen bedekt. In 'de omstreken van Ruinerwold, de Wijk, Stap- 
horst en Rouveen zette zich dat veen voort. De afgraving van hoog- 
veen had te Giethoorn reeds in de 14de eeuw plaats, i) Toen bleef 
er nog laagveen over en de uitbaggering van laagveen was de eerste 
oorzaak voor het ontstaan van genoemde plassen, die zich vervolgens 
door afslag vergrootten tot de tegenwoordige meren. Op de kaart in 
de X Tegenwoordige Staat" van 1781 komen deze meren nog niet voor. 

Bij VoUenhove vindt men de oudere gronden nog aan de opper- 
vlakte komen, en daardoor grootere verheffingen. Hier liggen nog 
grint- en zandhoogien van 6 M. -t- A. P. en de verst in zee uit- 
stekende punt is 5 M. -h A. P. hoog. 

De stroompjes, die het water van het hoogste gedeelte van dit 
terrein afvoeren, zijn de Sieenwijker Aa en de Linde, De laatste 
loost haar water op de Zuiderzee; de eerste stort zich uit in den 
boezem van het i*'« dijkdistrict van Overijsel. 

Het geheele lage gedeelte van dit gebied behoort in hydrogra- 
phischen zin tot dezen boezem, die het land met een net van wa- 
teren doorsnijdt, welke alle gemeen liggen en gemeenschappelijke 
afwatering hebben. 

De zeekust moet wegens hare lage ligging door dijken beschermd 
worden. Van Ambt \ollenhove strekt zich de hooge zeedijk onaf- 
gebroken naar het noorden uit. Zij heeft een hoogte ongeveer van 
4,50 M. + A. P. 

De Steenwijker Aa. De SUenwijker Aa wordt gevormd door 
de vereeniging van de Wapserveensche Aa met het Vledderdiep, 
Deze vereeniging heeft dicht bij Wapserveen plaats. 

In het voorjaar wordt het Vledderdiep op drie en de Steenwijker 
Aa op twee plaatsen opgestuwd door valschutten, om het water tot 
bevloeïing van de laag gelegen oeverlanden te gebruiken. De 
Steenwijker Aa staat bij Steenwijk door een schutsluis in verbinding 
met het Steenwijker diep. 



i) Zie hierover Ebbinge Wubben. Geschiedkundige herinneringen van Giet- 
hourn. (Overijselsche Alm. 1837, P^- ^)' 



Digitized by 



Google 



2&g 

Het Steemvijker diep loopt van Steenwijk naar Blokzijl en heeft 
eene lengte van 14,5 K. M. De kleinste breedte is op kanaalpeil 
22 M. en de waterdiepte 1,26 M. Het water in het diep ligt ge- 
meen met den boezem van het Eerste Dijkdistrict van Overijsel, 
(0,20 M. — A.P.) Hierdoor is dit gedeelte geen afgesloten diep, doch 
een water, dat met vele andere in verband staat. 

De Linde. De Linde was eertijds eene vrije rivier, die haar 
loop begon bij Trond: in Friesland, een buurt onder Elsloo, en in 
Z. W. richting naar de Zuiderzee stroomde, waar zij zich bij Slij- 
kenburg met de Tjonger vereenigde. Thans is zij, door den af- 
sluitdam bij Slijkenburg, geheel van de Tjonger gescheiden, en dus 
mondt de Linde bij Kuinre zelfstandig door eene sluis in zee uit. 

De Linde is thans gekanaliseerd en door sluizen in drie panden 
verdeeld. Het bovenste pand is dat gedeelte, hetwelk boven het 
Koniermans verlaat {^\i\€) ligt. Het heeft een peil van 1,54 M. + A. P. 
en eene gemiddelde diepte van 0,90 M. Eene oppervlakte van 
6395 H. A. lands, polders en hooge gronden, watert hierop af. Het 
bovenpand der Linde staat nog in verbinding met de Noordwol- 
dervaart naar Frederiksoord, een kanaal van 4 panden. 

Het middelste pand strekt zich uit van het Kontermans verlaat 
lot de Litidesluis, Hierop wateren 6470 H. A. hooge gronden 
en polders af De diepte is i k 1,20 M. 

Het benedenpand loopt van de Lindesluis tot de uitmonding bij 
Kuinre. Nabij Oldemarkt heeft dit deel over een lengte van 17 15 
M. eene verbreeding, het Wijde genaamd. Dit gedeelte staat met 
Frieslands boezem in gemeenschap door een schutsluis aan het 
einde van de Helomavaari^ die in de Tjonger uitkomt. Tevens 
staat het met den boezem van het iste Dijkdistrict van Overijsel 
in verbinding door de Ossenzijl. 

De boezem van het iste Dijkdistrict van Overijsel. Het 
gedeelte van de strook lands, die wij thans bespreken, ongeveer 
ten zuidwesten van den spoorweg Meppel-Steenwijk, behoort in 
hydrographischen zin tot den Boezem van het Eerste Dijkdistrict 
van Overijsel, Die boezem bestaat uit een tal van grachten 
en plassen in het lage land, waarvan wij op pag. 287 en 288 
IL 19 



Digitized by 



Google 



290 

reeds de voornaamste opnoemden. Te Steenwijk loost de Steen- 
wijker Aa op dien boezem door een schutsluis. Ongeveer 27800 
H. A. lands, gedeeltelijk polderland, gedeeltelijk boezemlaftd, loost 
op dezen boezem. Hij ontlast zijn water door de Aremberger 
schutsluis te Zwartsluis op het Zwartewater. De Aremberger gracht 
verbindt hier het Beulakerwijde en het Belterwijde met het 
Zwartewater. Verder heeft de ontlasting plaats door twee sluizen 
op de Zuiderzee, eene te Blokzijl en eene ten zuiden van die plaats, 
en door de Ossenzijl op de Linde. Enkele kleine schutsluizen, 
die voor de afwatering weinig belang hebben, verbinden dezen 
boezem nog met het Meppelerdiep. De gemiddelde waterstand in dezen 
boezem is 0,20 M. — A. P. Van Blokzijl loopt een vaart door 
dit gebied naar de Linde en verder naar Friesland^ die in het 
eerste gedeelte gemeen ligt met den boezem van het Eerste Dijk- 
district. Dit vaarwater heeft van het Steenwijker diep tot de Linde 
de volgende namen: Kalember^ergracht, Heer van Dieren vaart 
en Romsloot. De breedte bedraagt 24 M. op het peil. Het Steen- 
wijker diep, van Steenwijk naar Blokzijl, hebben wij reeds als deel 
van den boezem aangewezen. 

§ 8. DE KANALEN IN OVERIJSEL. 

Het Overijselsche Kanaal en zijkanalen. Overijsel is in 
deze eeuw met een net van kanalen doorsneden, die gedeeltelijk 
voor afwatering, doch hoofdzakelijk voor het verkeer moesten dienen. 
De zich ontwikkelende nijverheid in het oosten van deze provincie 
had, in den tijd toen spoorwegen nog niet bekend waren, behoefte 
aan betere verkeersmiddelen, en ook voor de ontginning der veen- 
gronden waren kanalen een vereischte. 

Ten zuiden van de Vecht ligt het Overijselsche Kanaal, dat als 
hoofdkanaal Almeloo met Zwolle verbindt. Dit kanaal heeft eene lengte 
van 48,060 K.M. tusschen genoemde steden. Door 5 sluizen is het in 
6 panden verdeeld. De hoogte van het kanaalpeil in het bovenste 
pand (bij Almeloo) is 9,40 M. + A. P. en daalt in de volgende 
panden successievelijk tot 7,50 — 5,70 — 4,20 — 2,20 en 0,20 M. 



Digitized by 



Google 



291 

+ A. P. Het Kanaal heeft eene breedte van 12,60 tot 14,70 M. 
op het kanaalpeil en de diepte onder kanaalpeil, dus de hoogte 
van het water, loopt van 1,80 tot 2 M. 

Naar dit kanaal loopt van het zuiden een zijkanaal van Deventer 

voorbij Raalté. Dit zijkanaal is 27,300 K. M. lang en wordt door 

twee schutsluizen in drie panden verdeeld. Het noordelijk pand 

' ligt het hoogst en heeft een kanaalpeil van 5,70 M. + A. P., terwijl 

het zuidelijkste een kanaalpeil van 5,30 M. + A. P. heeft 

Het zuidelijke deel van dit kanaal is het benedenste gedeelte van 
de Schipbeek. (Zie II pag. 253). 

Verder staat het Overijselsche Kanaal in het noorden nog door 
een voedings- en scheepvaartkanaal met de Vecht {Froomshoop — 
Haandrik) in verbinding. Dit zijkanaal is aangelegd, om de voe- 
ding der andere kanalen uit de Vecht mogelijk te maken, en 
tevens met het oog op de vervening van de veenvlakte ten zuiden 
van de Vecht. Deze tak heeft eene lengte van 21,350 K. M., en 
bestaat uit één pand, dat gemeen ligt met het zesde pand van het 
hoofdkanaal. Dus is het kanaalpeil op dit pand 9,40 M. + A. P. 
Bij de Haandrik y boven Gramsbergen, is het van de Vecht ge- 
scheiden door een keer- of schutsluis, de JJaandriksluis. Door 
middel van een stuw wordt het water in de Vecht bij de Haan- 
drik opgestuwd, om het Overijselsche Kanaal te kunnen voeden. 
Verder wordt het Kanaal nog gevoed door verschillende beken en 
waterleidingen, die er in uitloopen. 

Het verbindingskanaal met de Vecht heeft nog een paar zijtak- 
ken: de Van Royen wijk en de Bruchter wijk. De eerste is de 
hoofdwijk der vervening van het Bergentheimer veen, die de ver- 
vallen Bergentheimer turfvaart vervangt, en tot de Duitsche grens 
is voortgezet. Deze hoofdwijk is 5,9 K. M. lang en door 3 sluizen 
in 4 panden verdeeld. Het kanaalpeil van het vierde pand (nabij 
de grens), ligt 15,90 M. 4- A. P. en van het eerste pand, dat ge- 
meen ligt met het Overijselsche kanaal, 9,40 M. + A. P. 

De Bruchterwijk is de hoofdwijk der vervening in het Bruchterveen. 
en vormt een tak van het Overijselsche Kanaal. 

Beneden sluis 4 wordt het Overijselsche Kanaal nog gevoed 



Digitized by 



Google 



29^ 

door de jRe^^€^ die met dit doel bij Honkate wordt opgestuwd. 
Te Zwolle hebben deze kanalen gemeenschap met het Zwarte- 
water, te Deventer met den IJsel^ bij de Haandrik met de Vecht, 
en daardoor met de Dedenisvaart en het Koevordensche kanaal. 
Bovendien is een kanaal in aanleg, dat het Overijselsche kanaal 
van Almeloo met de Vecht bij Noordhorn zal verbinden, en verder 
zal aansluiten aan het Pruisische kanaalnet aan den linkeroever 
van de Eems. 

Deze kanalen zijn tot stand gebracht door de Overijselsche Kanaliscttis' Maat- 
schappij y volgens concessie, verleend bij Koninklijk besluit van 13 Oct. 1850, 
nadat reeds sedert 1830 verschillende pogingen waren aangewend tot het ver- 
krijgen eener scheepvaartverbinding van Almeloo met Zwolle en met Hengeloo 
en de Dinkel. 

tn Januari 1851 werd met de voorloopige werkzaamheden begonnen, i) De 
vaaxt van Zwolle naar de Regge werd opengesteld in 1853, naar Almeloo in 
1855, het tijkanaal naar de Vecht kwam voor de scheepvaart gereed in 1856, 
en naar Deventer in 1858. 

De Binnen Vecht. De Binnen Vecht of Nieuwe Vecht is een 
kanaal, dat gegraven is om Zwolle met de Vecht te verbinden. Het 
heeft eene richting van Zwolle naar het N O. De lengte van dit 
kanaal 'vs 3^6 K. M., de breedte op het kanaalpeil 16 M. en de 
diepte onder 't kanaalpeil 1,8 M. Het kanaalpeil ligt 0,18 M. + 
A. P. en het omliggende land ongeveer i M. + A. P. hoog. 

De Dedemsvaart. Tusschen de Vecht en het riviertje de Reest, 
nabij' de grens' tusschen van Drente, ligt in Overijsel eene naar het 
westen zacht afbellende vlakte van zandgronden, die in het oosten bij 
Hardenberg ongeveer 9 M. + A. P., bij Ommen 6 M. + A. P., 
en nabij het Zwartewater en het Meppelerdiep ongeveer i M. + A. P. 
en iets lager ligt. Op deze vlakte was in den loop der tijden een zware 
laag boogveen gevormd, die in het westen eerst werd afgegraven. 
Teneinde de oostelijke venen te exploitèeren en de woeste landen te 



i) Zie: Algemeen Verslag van Commissarissen der Overijselsche Kanalisatie- 
Maatschappij 1852. 



Digitized by 



Google 



293 

ontginnen, werd er in 1809 besloten een kanaal te graven van de venen 
onder Avereest naar het Zwartewater. De man, die hiettoe het 
initiatief nam, was Willem Jan baron van Dkdem tot den Berg 
EN Rollecate, en naar dezen werd ook het gegraven kanaal en 
de hierdoor gestichte veenkolonie genoemd. 

De Dedemsvaart, oorspronkelijk slechts tot Avereest gegraven, 
werd in den loop der tijden telkens bij de voortgaande verveningen 
verlengd en strekt zich thans uit tot bij Ane aan de Vecht. Bij 
dtzt plaats wordt de Vecht opgestuwd tot een stuwpeil van 8 M. 
-f- A. P. De Vecht boven Ane ligt hier gemeen met het bovenste 
gedeelte van de Dedemsvaart. 

Van Ane tot Hasselt heeft de Dedemsvaart eene lengte van 
39,870 K. M. Een 6tal sluizen verdeelt de Dedemsvaart in 7 pan- 
den. Het bovenste pand, Ane Heemse, heeft, zooals wij zeiden, een 
kanaalpeil van 8 M. -^ A. P. ; dat van Heemse naar Rheeze 7,12 
M. + A. P., van Rheeze naar het Veneschut van 6,33 M. + A. P. 
van het Veneschut naar het Huizingerveld 4,54 M. + A. P., 
van het Huizingerveld naar den Hulst 3,11 M. + A. P., van den 
Hulst naar de Lichtmis 1,61 M. + A. P. en van de Lichtmis naar 
Streukel van 0,10 M. H- A. P. De breedte van het kanaal is 
van 11,30 tot 13,50 M. op het kanaalpeil en de waterdiepte loopt 
van 1,50 tot 1,80 M. 

Wij zagen boven reeds, dat de Dedemsvaart gevoed wordt uit 
de Vecht bij Ane. Verder ontvangt zij het water van verschillende 
waterleidingen, die er in uitmonden. Het overtollige water op de 
Dedemsvaart kan afgeleid worden van het zesde pand door een 
Af water ini^skanaal naar de Vecht bij Otnmen^ in 1866 gereed ge- 
komen, dat tevens voor de scheepvaart gebruikt wordt. Dit kanaal 
is 10,280 K. M. lang, heeft een kanaalpeil van 6,33 M. + A. P. 
en loost door een duikersluis te Ommen op de Vecht. Van i tot 
15 April kan het 6^** pand ook naar het noorden door de Spon- 
turf swijk op de Reest af wateren. Uit het tweede pand voert het 
Lichtmiskanaal nog het overtollige water op het Zwartewater af. 

De Dedemsvaart is in de venen ten oosten van de Ommerschans 
door gegraven kleine zijtakken, wijken genoemd, tot een geheel 



Digitized by 



Google 



294 

net van kanalen uitgebreid. Verder is het .7 de pand van de De* 
demsvaart naar het oosten door de Lutkr-hoofdwijk nog verbon- 
den met Koevorden. 

De Lutter-hoofdwijk. Van Koevorden naar het 7de pand van 
de Dedemsvaart strekt zich langs het Anerveen door de gemeente 
Luiten de Lutter-hoofdwijk uit. In 1867 kwam deze gereed. Het 
kanaal heeft een lengte van 16 K. M. Door drie sluizen wordt het 
in 4 panden verdeeld. Door middel van het Koevorden-Vecht- 
kanaal wordt de Lutter-hoofdwijk uit de Vecht gevoed (zie pag. 270). 

Het Lichtmis-kanaal. Van de Lichtmis aan de Dedemsvaart 
naar de Vecht bij Berkum is van 1830 — 35 het Lichtmis-kanaal 
gegraven. De doortrekking van het hoofdkanaal tot in de Vecht 
kwam eerst in 1853 gereed. Het kanaal heeft eene lengte van 7,134 
K. M. en wordt door de Berkunaersluis in twee panden verdeeld. 
Het kanaalpeil bedraagt bij de Lichtmis 0,10 M. -f A. P. en in 
het pand bij de Vecht 0,36 M. + A. P. 

Historische opmerkingen. Dedemsvaart. Het plan, om de bovenge 
noemde hooge venen in Overijsel te cxploiteeren, werd het eerst met eenige 
grondigheid ontworpen door Gerrit Willem van Marle in 1791, die zelf 
eigenaar van de meeste dier venen was. In plaats van aanmoediging onder- 
vond hij hierin tegenwerking, zoodat bij zijn dood in 1799 te vreezen stond, 
dat zijne plannen geheel in duigen zouden vallen. Zijn schoonzoon, baron van 
Dedem, die daarop eigenaar van vele dier heiden werd, werkte gelukkig die 
plannen verder uit, doch moest eveneens veel tegenstand ondervinden. De stad 
Zwolle vreesde vooral voor belangrijke handelsnadeel en, daar het nieuwe kanaal 
te Hasselt in het Zwartewater zou vallen. Evenwel wist de voortvarende en 
volhoudende Baron van Dedem te l)ewerken, dat Koning Lodewijk in 1809 de 
concessie tot het graven van de vaart verleende, die hij onder Slchimmelpenninck 
vruchteloos gevraagd had. Toch wist bekrompen naijver het nog zoover te 
brengen, dat de heer van Dedem met Zwolle een contract moest sluiten, waarbij 
bepaald werd, „</<// de vaart een turfvaart en geen handelsvaari zou mogen 
worden^^ Deze bepaling werd natuurlijk in latere tijden krachteloos. 

Na het verkrijgen der concessie was het onteigenen der onverdeelde markte- 
gronden nog eene groote moeielijkheid, doch ook deze kwam hij te boven, 
zoodat in 1809 de arbeid werd aangevangen, die in 181 1 tot 5 uren gaans lengte 
gevorderd was. 

De Dedemsvaart met aanhooren werd in 1826 aan het Rijk verkocht. Later 



Digitized by 



Google 



295 

werd zij weer door vroegere eigenaren teruggekocht, totdat zij eindelijk in 1845 in 
openbare veiling door de Provincie Overijsel werd aangekocht, met verplichting 
tot uitvoering van eenige nog onvoltooid gebleven werken, als: de voltooiing 
van het Lichtmiskanaal en de doortrekking van het hoofdkanaal naar Ane. 
Het Lichtmiskanaal is gegraven van 1830 tot 35 en voltooid in 1853. De 
doortrekking van het hoofdkanaal tot de Vecht kwam in 1853 gereed; het 
Afwateringskanaal naar Ommen werd in 1866 en de Lutter hoofd wijk werd in 
1867 voltooid. 

Door deze verschillende werken is een streek lands, die in den aanvang onzer 
eeuw nog woest lag en bijna geheel met heide begroeid was, in eene welva- 
rende landouw herschapen, i) 

§ 9. Kanalen in het zuidwesten van Drente. 

De Hoogeveensche vaart. Van het Barger Oosterveen langs 
Hoogeveen naar Meppel, loopt de Hoogn^eensche vaart over eene 
lengte van 55,806 K. M. Dit kanaal is door schutsluizen verdeeld 
in 9 panden, die van boven af gerekend de volgende waterstanden 
van kanaalpeil hebben: 16 — i4>50 — 13 — 11,54 — 9,36 — 
7,18 — 5,00 — 2,90 en 0,79 M. + A. P. ; dezen laatsten stand 
boven Meppel. Het staat in gemeenschap met het Oranjekanaal en het 
Stieltjeskanaal, en heeft boven Hoogeveen een aanzienlijke vertakking 
door een net van wijken in de veenderijen gegraven. De verbinding 
met de Eems, waarop plan liestaat, is nog niet voltooid. 

De breedte bedraagt op kanaalpeil 12 è 13 M. en de water- 
diepte 1,60 M. 

Het kanaal wordt gevoed uit de venen en door enkele kleine 
waterleidingen. Het 7de pand ontvangt (zie pag. 269) water van 
het bovendeel van het Loodiep en een deel van het water van het 
Drostendiep, dat door de waterloop van de Klenke naar het 
kanaal wordt gevoerd. Het 3de pand ontvangt het water van het 
Echtinger diep. De ontlasting van het overtollige water heeft, be- 
halve van het bovenliggend op een benedenliggend pand, ook plaats 



i) Zie over de Dedems vaart ; v. Senden, Bijvoegsels tot de leerrede ter inwij- 
ding van het kerkgebouw aan de Dedemsvaart, 1834. — De Dedemsvaart, 
Sloet's Tijdschrift voor Staathuishoudkunde 1844, pag. 308. 



Digitized by 



Google 



296 

van het 7de pand op het Drostendiep, Loodiep en het Hoolsloots- 
diep naar die diepen en verder naar Koevorden. Van het 6de en 
van het 3e pand kan het overtollige water ook door de Veniger 
wijk (die ten zuiden van het kanaal een eind weegs er bijna even- 
wijdig mede loopt,) op het 2de pand afgevoerd worden, en van 15 
Nov. tot 15 April door deze wijk op de Reest. 

Historische opmerkingen. Het beneden gedeelte van de Hoogeveensche 
vaart, van het dorpje Echten tot Meppel, is, zooals wij reeds vroeger zeiden, 
eene vergraving van een stroompje, het Oude Diep of Echtinger diep. Den 
30sten December 1625 ko9ht heer Roelof van Echten van de gezamenlijke 
eigenaren der Marke Steenbergen en Ten Arioo (onder Zuidwolde) eene uitgestrekt- 
heid veen, onder verplichting tot het maken van een scheepvaartkanaal naar 
Meppel. Het octrooi op dit contract werd verleend bij besluit van Drost en 
Gedeputeerden van 30 Maart 1626. 

De Heer van Echten droeg een deel der venen bij contract van 12 Maart 
1631 aan eene compagnie van Hollandsche heeren over ( HoUandscheveld), 
die tevens de verplichting tot het maken en onderhouden der vaart op zich 
namen. Het in orde brengen dier vaart bestond grootendeels in het plaatsen 
van schutten of sluizen in het diep. In 1627 was deze vaart reeds in orde, 
doch eerst in 1631 werd zij tot de venen doorgetrokken. Boven Meppel 
werd de vaart destijds in 12 panden verdeeld. Van tijd tot tijd werden ver- 
schillende zijkanalen met de hoofdvaart verbonden, en zoo drong men verder 
in de venen door. 

Doch deze vaart was bij het toenemend verkeer en bij de behoefte aan 
waterwegen geenszins meer in staat aan de eischen des tijds te voldoen. 
En toen de handelsgeest en ondernemingsgeest zich in het midden dezer eeuw 
krachtig ontwikkelde, toen overal maatschappijen ontstonden om groote werken 
uit te voeren, werd in Drentede DrenUche A'auaaimaa/seAappij opgericht (iSso)^ 
die zich eene algemeene kolonisatie van Drente ten doel stelde. Het Kon. 
Besl. van 12 Maart 1850, verleende aan eenige personen concessie tot het verbeteren 
der Hoogeveensche vaart en het verlengen er van tot in de venen onder Emmen, 
benevens tot het maken van een zijkanaal naar Koevorden en van een waterleiding 
naar Beilen tot voeding der Drentsche Hoofd vaart. Deze concessie werd door 
concessionarissen in ditzelfde jaar aan de naamlooze vennootschap der Drentsche 
Kanaalmaatschappij overgedragen, i) 



x) Zie L. Üldenhuis Gratama. De Drentsche Kanaal maatschappij (Sloet\s 
Tljdschr. voor Staathuishoudkunde, 1860 pag. 142.) 



Digitized by 



Google 



297 

De verbetering kwam spoedig tot stand, en in 1852 werd de verbeterde Hoo- 
geveensche vaart, waarin men het aantal sluizen ook verminderd had, voor de 
scheepvaart opengesteld. Sedert dien tijd is de Hoogeveensche vaart naar hel 
oosten toe veel verlengd, en door zijtakken omvat zij een uitgebreider gebied. 
Tbans strekt zij zich uit tot voorbij Nieuw-Amsterdam in het Barger Ooster- 
veen. De verlenging der Hoogeveensche vaart tot de Pruisische grens, volgens 
het tractaat van 1876 {ziepag.300) en waartoe concessie werd verleend in 1880, is 
in uitvoering. 

De Drentsche Hoofdvaart of Smildervaart. De Smilder- 
vaart of Drentscïie Hoofdvaart strekt zich uit bijna in eene rechte 
lijn van Assen naar Meppel, en wel meer speciaal van de haven- 
kom te Assen tot aan de Galgekampsbrug te Mej^l. Het kanaal 
heeft eene lengte van 43,842 K. M. en eene breedte van 11,50 tot 
16,20 M. op het kanaalpeil. De waterdiepte bedraagt 1,80 M. 
Door 6 sluizen wordt het kanaal in 7 panden verdeeld, die, van 
Assen te beginnen, de volgende hoogten als kanaalpeil hebben: 
11,83 — 10,09 — 8,04 — 5,99 — 3,94 — 2,08 en ongeveer = A. P. 
Uit deze kanaalpeilen blijkt ook het verval van den bodem van 
Assen naar Meppel. Bij Assen ligt de waterscheiding tusschen 
de Drentsche Hoofdvaart en de Noord-Willemsvaart, die van Assen 
naar Groningen loopt. Het eerste pand van de Drentsche Hoofd- 
vaart bij Assen ligt gemeen met het bovenpand van de Noord-Wil- 
lemsvaart, met de Norgervaart, de benedenpanden van de Molen- 
wijk en het Oranjekanaal, de Beilervaart en vele wijken. Om bij 
de Noord- Willemsvaart te blijven : in dit kanaal daalt de waterspiegel 
van Assen naar Groningen. Dit blijkt uit de hoogte der kanaalpeilen 
in de panden van dit kanaal, die van Assen naar Groningen achtereen- 
volgens de volgende zijn : 1 1,83 — 9,33 — 6,83 — 3,83 — 0,81 M. + 
A. P. — Assen ligt dus op de waterscheiding van het Overijselsche — 
Drentsche Zuiderzeegebied en het Drentsche — Groningsche zeegebied. 

Voor de directe afwatering heeft de Drentsche Hoofdvaart weinig 
beteekenis, doch indirect door de wijken en kanalen, die er in uit- 
monden. De voeding van het bovenpand der Drentsche hoofdvaart met 
hare verbindingen moet plaats hebben op de hooge rug, die de water- 
scheiding tusschen beide gebieden uitmaakt. Hier is, uit den aard 



Digitized by 



Google 



298 

der zaak, de voeding moeielijk en daarom moesten verschillende 
kunstmiddelen gebruikt worden, om deze voeding te doen plaats 
hebben. Zoo heeft de voeding plaats uit het Punterdiep door 
opmaling met de stoomgemalen bij de Viersluizen van het Noord- 
Willemskanaal. Verder kan het bovenpand door de BeiUrvaart 
uit den Beiier stroom gevoed worden (zie pag. 278). De lager ge- 
legen panden worden gevoed uit het bovenpand. Het 4de pand 
kan bovendien gevoed worden uit den Beiler- of DwingcUrstroom.^ 
door middel van het Koningsschut en het Van Holihesvaartje 
(zie pag. 277). 

Historische opmerkingen over den Beilerstroom en de Drent- 
Sche Hoofdvaart. Dè Beüei^troom (zie pag. 277) had in de vroegste tijden 
in zijn benedenloop, van dt i uur boven Meppel af, een westelijker richting. 
Hij liep Z. "W. naar Nijeveen en van hier verder, misschien wel door de venen 
van Wanneperveen naar het westen. Een tweetal te Nijeveen opgegraven kano's 
duiden aan, dat dt rivier in* zeer ouden tijd bevaren werd, terwijl hier in de 
landen de oude kronkelende loop nog sporen heeft achtergelaten. 

Daar men behoefte had aan eene verbinding van Dwingeloo en den boven- 
loop van den Beilerstroom met Meppel, ten einde turf en andere produkten 
af te voeren, werd een kanaal van Meppel in N. W. richting naar Nijentap 
(aan den Beilerstroom op zh i uur boven Meppel) gegraven. Dit kanaal kreeg 
aanvankelijk den naam van Nieuwe vaart en later van Oude vaarl, en daarnaar werd 
de stroom ook voor grootere gedeelten wel Oude vaart genoemd. Hierdoor 
werd de benedenloop dier rivier veranderd, daar de oude mond verlandde. De 
Oude vaart en Beilerstroom werden inde 17de eeuw door een kanaal van Diever- 
brug naar het noorden met de Leggeler venen verbonden. In welk jaar dit 
geschiedde is niet bekend. Dat vaartje geraakte weldra in verval, en de turf- 
afvoer uit deze venen kon bijna niet plaats hebben i). 

WoLTER Hendrik Hofstede wist evenwel in 1767 de Staten van Drente 
te bewegen, een algemeen plan van vervening der Smilder venen aan te ne- 
men, en tot afvoer van de turf een geheel nieuw kanaal naar het Meppeler- 
diep te doen graven. Aldus kwam de Smildervaart tot stand, die in 1774 lot 
Assen werd doorgetrokken. De Smildervaart, later Drentsche Hoofd vaart ge- 
heeten, werd sedert telkei.s verbeterd. Aanvankelijk eigendom van het land- 
schap, later van de Provincie, werd zij in 1876 Rijkseigendom. Dit kanaal is 
van veel invloed geweest op de ontwikkeling en den bloei van Drente. 

i) P. A. Derks. Meppel en omstreken, pag. 25. 

A. Kommers Pzn. De ontworpen kanalisatie van Drenthe 1847. pag. 17. 



Digitized by 



Google 



299 

Het Oranjekanaal. De aanzienlijkste tak van de Drentsche 
Hoofdvaart is het Oranjekanaal^ dat Drente in een richting van 
het N.W. naar het Z.0. in bijna twee gelijke deelen verdeelt. Het 
Oranjekanaal behoort nog tot het orographische gebied, dat wij 
thans bespreken, en loopt bijna evenwijdig met de waterscheidende 
grens van het Drentsche Zuiderzee-gebied en het Groningsche zee- 
gebied. 

De aanleg van het Oranjekanaal geschiedde, om de venen in 
het hart van Drente te kunnen exploiteeren. Bij Koninklijk Besluit 
van den 23sten Dec. 1852 werd er concessie verleend tot het graven 
van dit kanaal van de Drentsche Hoofdvaart te Smilde naar 
het oosten. In 1858 werd het kanaal geopend. De oorspronkelijke 
concessie gold voor een kanaal door de venen van Odoorn tot in 
de Noord- en Zuid-Barger venen, met twee zijtakken in de gemeente 
Odoorn, en eene wijk naar het Barger meer. In 1880 is aan de 
> Drentsche Veen- en Midden-Kanaalmaatschappij", in wiens eigen- 
dom thans het Oranjekanaal is, concessie verleend tot het ver- 
lengen van dit kanaal, en om het te verbinden met de Verlengde 
Hoogeveensche vaart, wat geschied is. 

Het Oranjekanaal (zonder de verlenging) is 48,126 K. M. lang. 
Vier sluizen verdeelen het kanaal in 5 panden, die van boven af 
de volgende kanaalpeilen hebben: 18,23 — 16,93 — 155I3 — 
13,48 en 11,83 M. + A. P. De breedte op kanaalpeil loopt van 
11,45 ^o^ 12,40 M. en de waterdiepte 1,80 M. 

De voeding van het Oranjekanaal geschiedt zooveel mogelijk door 
water uit de venen, alsmede door de stroompjes, die er in uitloopen. 
Het 4^6 pand kan door vele wellen steeds voldoende op peil ge- 
houden worden. Bij het 5 «Ie pand heeft nog opmaling met een 
stoomgemaal plaats. 

Het Stieltjes kanaal. Aan de Stieltjes-kanaalmaatschappij 
werd in 1880 concessie verleend om een kanaal van de binnen- 
gracht van Koevorden naar de Verlengde Hoogeveensche vaart te 
graven. Dit is het Stieltjes Kanaal^ dat van Nieuw- Amsterdam aan 
de Verlengde Hoogeveensche vaart naar Koevorden loopt. In Nov. 
1884 werd het voor de scheepvaart geopend. 



Digitized by 



Google 



300 

Het kanaal heeft eene lengte van 9,8 K. M. en wordt door twee 
schutsluizen in 3 panden verdeeld. Het bovenpand bij Nieuw- 
Amsterdam heeft een kanaalpeil van 13 M. -f A. P., het volgende 
van 11,15 M. 4- A. P. en het laagste bij Koevorden van 9,30 M. 
+ A. P. Het bovengedeelte ligt in een terrein van ± 18 M. + A. P. 
hoog', het benedengedeelte van 11 M. -f A. P. De bodembreedte 
is 7 M. en de waterdiepte 2 è, 2,30 M. 

Het kanaal Koevorden— AltePicardië. Bij de wet van den 
28sten Maart 1877 (Staatsbl. No. 34) werd een tractaat tusschen 
Nederland en Duitschland door onze wetgevende macht goedge- 
keurd, dat bepalingen omtrent de verbindingen tusschen de Neder- 
landsche en Pruisische kanalen aan de linkerzijde van de Eems 
inhield. Hierin werd bepaald, dat de verbinding tusschen de 
volgende kanalen in overweging zou worden genomen: 

1. tusschen het Groninger Stadskanaal bij Ter Apel en het 
Pruisisch ZuidrNoordkanaal in de richting van Haren aan de 
Eems. 

2. tusschen het Almeloosche kanaal bij Almeloo en het Pruisische 
Eems — Vechlkanaal boven Nordhorn. 

3. tusschen de Overijselsche kanalen bij Koevorden en het 
Pruisische Zuid- Noordkanaal bij de kolonie Alte Picardië. 

4. tusschen de Hoogeveensche vaart in de Nederlandsche pro- 
vincie Drente en het Zuid-Noordkanaal in de richting naarMeppel 
aan de Eems. 

Voor den aanleg van het onder 3 genoemde kanaal, Koexwrden — 
Alte Picardië^ werd' concessie verleend in 1878. Dit kanaal ver- 
bindt de binnengracht te Koevorden met het Pruisische Noord- 
Zuidkanaal bij Georgsdorf, en is ongeveer 25 K. M. lang, waarvan 
slechts 2,2 K. M. op Nederlandsch gebied liggen. Het wordt door 4 
sluizen in 5 panden verdeeld, waarvan de peilen zijn, bij Koevorden 
te beginnen: 9,30 — 11,50 — ^Z^^ — 5 en 16 M. -*• A. P. 
Het bovenpand in Pruisen wordt gevoed door de Eems. Van de 
panden boven sluis III wordt het overtollige water geloosd op de 
Vecht boven Emblicheim door middel van een afwateringskanaal, 
dat aan den boven mond door een sluis is afgesloten. Het beneden - 



Digitized by 



Google 



30I 

pand neemt het Schoonebeeker diep op; overigens heeft het kanaal 
geene belangrijke afwateringen. 

Hiermede hebben wij de belangrijkste wateren uit het behandeld 
gebied besproken. 

B. Het Friesche-Groningsche zeegebied, oro-hydrogra- 
phisch beschouwd. 

I. Het Friese he zee§^ebied. 

§ I. DE HOOGE GRONDEN IN HET ZUIDOOSTEN VAN FRIESLAND EN 
HUNNE AFWATERING. 

De oro-hydrographische gesteldheid geeft aanleiding Friesland in 
twee gedeelten te verdeelen: in hei hooge gedeelte van het oosten 
en het lagere westelijke en noordelijke gedeelte, In het oosten 
vindt men stroomende riviertjes^ die uit de natuurlijke afwatering 
deslands, bier meest hooge venen, welke gedeeltelijk zijn afgegraven, 
ontstaan zijn ; in het westen en noorden, waar het land geheel een 
polderland en boezem land vormt, zijn de wateren boezems ^^\t\Q!^%\. 
alle deel uitmaken van één grooten boezem, Frieslands boezem 
geheeten. Ten westen van de lijn Peperga — Oldeholtpade — Hee- 
renveen — Gorredijk, ten noorden van den Opsterlander veenpolder 
om, van Oldeboorn noordwaarts op tot de trek vaart van Leeuwar- 
den naar Dokkum, en vervolgens ten noorden van die vaart en het 
Dokkummer diep, bestaat het land vrijwel uit een aangesloten pol- 
derland en boezemland. Wel komen ook ten oosten van deze lijn 
nog enkele polders voor, op zich zelf staande of in enkele groepen, 
en eveneens vindt men ten zuiden van de Lauwerszee nog enkele bedij- 
kingen, doch in hoofdzaak kan men zeggen, dat genoemde lijn de 
oostelijke en naar het noorden de zuidelijke grens van het polder- 
land uitmaakt. 

Het oostelijke hoogste gedeelte van Friesland, dat zich bij de ter- 
reinen in Drente ten westen van de Drentsche Hoofdvaart aansluit, 
heeft eene hoogte van lo è ii M. + A. P. in de venen van Ap- 
pelscha, en daalt naar het Z. W. af. In de lijn van Drachten tot 



Digitized by 



Google 



302 

Oude Horne vinden wij ongeveer 2 è, 3 M. + A. P. En verder 
naar het westen daalt de bodem nog lager, totdat ongeveer op de 
lijn Heerenveen, Gorredijk, Bergum en vervolgens met een bocht 
naar het westen tot Dokkum het lage westelijke terrein van i M. 
+ A. P. aanvangt, dat op vele plaatsen niet hooger isdan = A.P. 
of 0.50 — A. P. 

De hooge gronden in het zuidoosten kenmerken zich dooreenige 
hoogere ruggen, door lagere rivierdalen gescheiden, welke zich in 
N. O. richting uitstrekken. De ruggen bestaan meest uit zanddi- 
luvium, terwijl de dalen met laag- en moerasveen zijn aangevuld, 
waardoor groenlanden gevormd worden, die de zoomen der kron- 
kelende beekjes uitmaken. Door de hoogere ligging zijn de dorpen 
meest tot genoemde ruggen bepaald. 

Van het zuiden af kan men hier vinden: 

1. Een rug met: Appelscha, Noordwolde, Finkega, Steggerda, 

Peperga en Blesdijke. 

2. Een rug met de dorpen Makkinga, Nijeberkoop, Oldeberkoop, 

Nije- en Oude Holtpade, Wolvega en Sonnega. 

3. Een rug met de dorpen Haule, Donkerbroek, Hoornsterzwaag, 

Jubbega, Schurega, Oude Schoot en Nije Schoot. 

4. Een rug met Duurswoude, Wijnjeterp en Lippenhuizen naar 

Gorredijk. 

5. Een rug van de grens met Siegerswoude, Ureterp en Beet- 

sterzwaag. 
De stroompjes, waarop het oostelijke gedeelte afwatert, vloeien, de 
helling des terreins volgend, in het zuidelijk gedeelte naar het Z. W. 
Men vindt hier : de Linde (die wij reeds vroeger beschreven) de 
Kuinder of Tjonger en de Boorne of het Koningsdiep, Naar het 
noorden stroomt van dit gebied de Lauwer s. 

De Kuinder of Tjonger. Dit watertje ontstaat in de hoogevenen nabij 
de Drentsche grenzen onder Haule en stroomt naar het Z. W. Jn zijn 
bovenloop neemt het nog een paar kleine stroompjes op, nl. het Grootdiep uit 
de venen van Fochteloo, en het Kleindiep uit de venen van Appelscha. Het 
terrein, waarin aanvankelijk deze riviertjes stroomen, ligt 7 1 8 M. -|- A. P. 
en daalt vervolgens tot ■= A. P. bij den mond. 



Digitized by 



Google 



303 

Het riviertje de Tjonger stond vroeger geheel in vrije gemeenschap met het 
water van Frieslands boezem. Natuurlijk kwam alleen op het benedengedeelte 
de waterstand met die van Frieslands boezem overeen, terwijl zij verder boven- 
waarts hooger waterstand had, 

Van het watertje de Tjonger is evenwel thans weinig meer als vrijstroomende 
rivier overgebleven. Daar de Tjonger bij regenrijke jaargetijden niet zelden 
zeer veel water op Frieslands boezem afvoerde en deze zwaar belastte, werd de 
kanalisatie van de Tjonger in de plannen tot verbetering van Frieslands water, 
stand opgenomen. Evenwel werden tegelijk met de waterstaatsbelangen ook 
de belangen der scheepvaart hierdoor behartigd. Van de sterk kronkelende 
rivier is hierbij weinig partij getrokken, en een kanaal, hoofdzakelijk ten noor- 
den van de Tjonger, werd nieuw aangelegd. 

In 1886 werd het benedengedeelte der Tjonger volgens de wet van 1880 
verbeterd van de Pier-Christiaansloot tot de grens der gemeente Oost- en 
WeststeUingwerf. De bodemdiepte van dit gedeelte werd gebracht op 2,12 M. 
— A. P., en de bodembreedte in het benedengedeelte op 17 M., in het boven- 
gedeelte op 7,50 M. Dit benedengedeelte ligt gemeen met Frieslands boezem. 

Het tweede gedeelte der verbetering van de Tjonger werd in 1887 uitge- 
voerd. Dit deel strekt zich uit van de grens der gemeente Oost- en Weststel- 
lingwerf tot de Opsterlandsche Compagnonsvaart. Door drie sluizen, waarvan 
de eerste aan het beneden- en de laatste aan het boveneinde, wordt dit gedeelte 
in twee panden verdeeld. Het benedenpand, van genoemde eerste sluis tot de 
tweede sluis bij den Zandweg van Makkinga naar Gorredijk is 6045 M. ^*ng 
en heeft een peil van 0,65 M. -|- A. P. Het tweede pand van hier totde sluis 
van de Opsterlandsche Compagnonsvaart is 7965 M. lang en heeft een peil van 
2,35 M. + A. P. De bodemdiepte bedraagt beneden de eerste sluis 1,70 M., 
tusschen de sluizen 1,80 M., en boven de derde sluis 2 M. beneden genoemde 
peilen; de bodembreedte is 7,5 M. Aan weerszijden van het kanaal zijn 
bermslooten gegraven, welke dienen tot afwatering der daar liggende landen, en 
die telkens tot bevloeiing dienstbaar gemaakt kunnen worden, i) 

Aan het benedeneind van de Tjonger ligt bij Sch^terzijl een uit watering- en 
schutsluis, die de Tjonger en hierdoor ook Frieslands boezem, die wij vervol- 
gens bespreken zullen, gemeenschap geeft met de Zuiderzee. 

De Boom. Het Koningsdiep ontstaat in de venen onder Opsterland op de 
grenzen van Groningen, niet ver van Bakkeveen in gronden van 4 tot 7 M. 
-f A. P. Nabij den Veenpolder van het 6de en 7de district neemt dit watertje 
den naam Boorn aan en ontvangt hier ook reeds het water van polders, die 



l) Verslagen der -Openb. Werken van den Koning over 1886 pag. 66 en 
1887 pag. 67. 



Digitized by 



Google 



304 

bemalen worden. Zooals o. a. van den grooten Veenpolder van Opsterland en 
Engwirden, Hier begint het water in de Boorn gemiddeld de hoogte te ver- 
krijgen van Frieslands boezem, waarmede zij gemeen ligt. Verder behoudt ook 
nog over eenigen afstand in het aaneensluitende Friesche polderland het zich 
voortzettende water den naam van Boorn. Zoo strekt de Boorne zich voorbij 
Oldeboorne naar het westen uit, waar zij geheel in het polderland komt, en loopt 
voort tot Oude Schouw, waar zij in verbinding staat met de noordelijke uit- 
watering van het Sneeker meer, de Wetering. Hier verliest de Boorn zich 
vervolgens geheel in de wateren van Frieslands boezem. 

Van de hooge gronden onder Beetsterzwaag tot aan Irnsummerzijl, waar hij 
aansluit bij den Groenendijk, ligt op korten afstand ten noorden langs de Boorne 
Nieuwe Leppedijk. Deze dijk diende, om, indien de westen- en zuidwestenwin- 
den het water van Frieslands boezem naar het oosten drijven of opwaaien en 
doen opstuwen, de ten noorden van den dijk gelegen landen tegen het opge- 
waaide boezemwater te beschermen. Sedert de Z^y>^^//(7/6 in 1828 door de provincie 
verlegd is, kon hij een uitgebreider landgebied tegen het water beschermen. 

De Lauwers. Nog een derde riviertje hebben wij in het hooge oostelijke 
gedeelte van Friesland, dat eene geheel andere richting, nl. naar het noor- 
den neemt. Dit is de Lauwers. Vroeger was de Lauwers (in 't Lat. Laubachus 
of Laubacus, later tijdens Karel den Groote Laubach of Laubeke geheeten) eene 
bekende rivier, doch thans is het niet meer dan een weinig beteekenende waterloop. 

De Lauwers vangt zijn loop aan nabij Surhuisterveen op de grens van Gro- 
ningen, en loopt geheel over de grens naar het noorden. Bij Stroobos snijdt 
de Lauwers de vaart van Gerbenallesverlaat (de plaats waar de vaart van Dok- 
kum en die uit het Bergummermeer zich vereenigen) naar Groningen en loopt 
langs Monnikenzijl, waar zij vroeger in de Lauwerszee ontmondde. Sedert even- 
wel een zeedijk gelegd is over de slikken van het zuidelijke gedeelte der 
Lauwerszee, en er dus een voorland van inpolderingen voor den mond van de 
Lauwers ontstond, is de uitmond ing van genoemd watertje naar het N. O. tot 
bij den mond van het Reitdiep geleid, waar de Lauwer ten zuiden van hetReit- 
diep door een uitwateringsluis in den gelegden zeedijk, de Friesche zijlen ge- 
noemd, in de Lauwerszee loost. Daar de Lauwers met de wateren van Frieslands 
boezem gemeen ligt, heeft hier dus ook de gedeeltelijke loozing van het water 
uit dien boezem plaats. 

Zoo zijn de Friesche stroompjes eigenlijk alleen in den bovenloop 
rivieren gebleven, terwijl zij zich vrij uitstorten in die groote aan- 
eenschakeling van wateren, welke het lage land van Friesland door- 
snijden, in Frieslands boezem. Deze wordt alzoo gevoed door ge- 
noemde stroompjes en door den regen binnen het gebied zelve. 



Digitized by 



Google 



305 

§ 2. FRIBSLANDS BOEZEM EN HET BOEZEMGEBIED. 

Het afwateringsgebied op Frieslands boezem vindt zijn grens in 
het noorden in West-Dongeradeel^ dat gedeeltelijk, en Oost-Donge- 
radeel^ dat geheel op de zee afwatert. De eerstgenoemde polder 
watert ook nog gedeeltelijk op den Frieschen boezem af. Verder 
wordt naar het noorden het gebied van den Frieschen boezem 
begrensd door de oude zeedijken langs de Lauwerszee, waar de 
Engwierumer polder, de Eskes polder, de Cats polder en de 
oostelijke indijkingen langs Groningen direct op het buitenwater af- 
wateren. De polder Nieuw Kr uisland, eveneens eene bedijking van de 
Lauwerszee in het zuiden i), behoort tot Frieslands boezem. Ook ten 
oosten van de Lauwers in Groningen tot aan den voormaligen zee- 
dijk van Munnikezijl en Kommerzijl in 't noorden en het gebied 
van den boezem van Groningens Westerkwartier in het oosten (tot 
het Wouddiep, Grijpskerk en het Kommerzij Isterdiep), wateren de 
landen op Frieslands boezem af. 

Indirect wateren ook de hooge gronden uit het oosten van Fries- 
land op dien boezem af, zooals wij boven zagen, want genoemde 
riviertjes zijn eigenlijk takken van dien boezem in het hoogere 
land. Dat de afwatering der Tjongerlanden niet meer geheel vrij 
is, zeiden wij. De grens, waar het aaneengeschakelde polderland 
begint, gaven wij reeds op pag. 301. Daar ongeveer vangt ook het 
eigenlijke directe gebied van dien Frieschen boezem aan, hoewel het 
moeielijk is de grens juist te trekken. Hiertoe zou men de water- 
standen op genoemde riviertjes moeten raadplegen. Waar de hoogste 
winterwaterstand overeenkomt met dien van Frieslands boezem, 
kan men met recht zeggen, dat het eigenlijk boezemgebied aanvangt. 
Dewijl ons geen juiste opgaven hierover bekend zijn, kunnen wij 
die lijn niet met volkomen juistheid aangeven. Zeker zal de lijn 
Oldeboorn — Oude Schoot niet ver van de waarheid zijn. 

i) Zie: A. J. Andrae. Geschiedenis der Lauwerszee^ 1881. 

„ „ „ „ Kollumerland en Nieuw Kruisland geschiedkundig l)e- 
schreven pag. 10. 

20 



Digitized by 



Google 



3o6 

Het directe gebied van Frieslands boezem heeft eene gemiddelde 
hoogte van 0,50 — A. P. tot i M. -f A. P. Opmerkelijk is het wel, 
dat over 't geheel de landen, in het noorden aan de zee gelegen, iets 
hooger liggen dan de meer binnenwaarts gelegen kleilanden. Dat 
verschijnsel wordt langs het geheele noorden van ons land waar- 
genomen. Ook bij Zeeland en aan de rivieren hadden wij reeds 
aanleiding, om op dit verschijnsel te wijzen. Het is, zooals wij 
reeds opmerkten, een gevolg van de aanslibbing, die aan zee langer 
voortduurde en bij hooger waterstand plaats had, terwijl de inklin- 
king der gronden verder landwaarts grooter beteekenis verkreeg. 

De BiltpoUen bijv., het meest noordelijk gelegen aangeslikte land, 
ingedijkt in 17 15, liggen hooger dan het Nieuwe Bilt in 1600 inge- 
dijkt, en dit wederom hooger dan het Oude Bilt, dat reeds in 1508 
door dijken omringd was. In het midden der provincie is de bodem 
het laagst gelegen. 

De laagste streken liggen ten zuiden van eene lijn van Stavoren 
tot Stroobos, en reikende naar het zuiden tot de hoogere gronden 
van Gaasterland, Doniawerstal, Schoterland, West- en Oost-Stel- 
lingwerf en Opsterland. In deze kom, meest met laagveen gevuld, 
vindt men ook alle meren en groote waterplassen, behalve het 
droogemaakte Workummer- en het Bergummermeer. 

Enkele hoogten breken het lage, effene gebied nog af. In de 
eerste plaats moeten wij hierbij wijzen op de kunstmatige heuvels, 
die in ouden tijd zijn gevormd om in het lage land veilige woon- 
plaatsen te kunnen bouwen, n.1. de terpen. Deze terpen zijn kunst- 
matige kleiheuvels, die zich met zacht oploopende hellingen slechts 
enkele meters boven het omringende land verheffen. Men vond 
de hoogste dier terpen te Midlum, Winsum, Dronrijp, Beetgum, 
Finkum, Hooge Beintum, Holwerd, Anjum. Enkele van deze zijn 
evenwel reeds geheel of gedeeltelijk weder afgegraven. Want thans 
wordt weder vernietigd, wat voor eeuwen met veel moeite tot stand 
werd gebracht. 

Het omgekeerde van die kunstmatige veheffingen zijn de kunst- 
matige verlagingen des terreins. Deze vonden plaats in de lage 
veenstreken, waar de plantenformatie, waarmede de natuur de laagten 



Digitized by 



Google 



307 

had aangevuld, werden uitgebaggerd of door overstroomingen zijn 
weggeslagen. Het Fluesen-meer zou, volgens oude kronieken, vroeger 
een bosch zijn geweest, dat in den drogen zomer 1209 met den 
veenigen ondergrond in brand geraakte en hierdoor een klein meertje 
deed ontstaan, hetwelk zich later door overstroomingen uitbreidde, i) 
Welk aandeel boschbrand en overstrooming hierin hadden, valt 
niet met zekerheid te zeggen. Wij gelooven meer dat uitbaggering 
van het veen tot turf, waarin de Friesche monniken zoo bedreven 
waren, de eerste oorzaak was van het ontstaan der plassen, die door 
afslag zich uitbreidden. Op die wijze ontstonden er meren, die in 
Friesland evenwel, daar het lage veen geen zwaarder lagen dan 
1V2 M. heeft, niet zeer diep zijn. Waar deze plassen droog gemaakt 
werden, ontstonden dus droogmakerijen, die evenmin zeer diep ge- 
legen zijn. Zoo liggen de Stavorensche N. en Z. meerpolders ten 
oosten van Stavoren op 0,30 M. — A. P. ( — 0^05 tot — 0,54). 
De Lauwsermeerpolder ligt op 1,5 M. — A.P., en de Jornahuister- 
polder op i ,85 M. — A. P. De diepte van deze droogmakerijen 
is dus gering in vergelijking bij die in Holland, waar de Zuidplas- 
polder i 5 M. — A. P. en de Haarlemmermeerpolder 4,13 M. — 
A. P. liggen (zie II, pag. 27 en 69.) 

De Workummer-, Makkummer- en Parregastermeren zijn droog- 
makerijen van den laatsten tijd. 2) Deze laatste liggen midden in 
de zeeklei, terwijl de eerste in het laagveen gevonden wordt. 

In het Z. O. van Friesland in de omstreken van Heerenveen 
bijv. vindt men groote verveningen van laagveen uit latere tijden, 
welke daardoor in ondiepe plassen veranderd worden. Verschillende 
van deze zijn ingepolderd en drooggemaakt en daardoor in veen- 
polders veranderd. Wij noemen hiervan slechts de Haskerveen- 
polder (3220 H.A.), de Groote St. Johannesgaasterveenpolder i^^^^ 
H.A.), de Polder van het vierde en vijfde veendistrict onder Eng- 
wirden (3578 H.A.), de Polder van het zesde en zevende veen- 
district onder O ps ter land en Engwirden (3096 H.A.) 

i) J. J. Bruinsma. De Fluessen (Nieuwe Friesche Volksalmanak 1862 pag. 151.) 
2) Welcker. Eenige terreinveranderingen. (Tijdschr. Ned. Aardr. Gen. 1882, 
pag. 50.) 



Digitized by 



Google 



3o8 

Verder vindt men van ongeveer i uur ten oosten van Stavoren 
angs de Zuiderzee-kust nog een geïsoleerd hoog golvend terrein, het 
Gaasierland, Dit is eene voortzetting van den zandriig 3 op pag. 302 
genoemd. De diluviale gronden verheffen zich hier te midden van 
het lage veen tot ongeveer 1 1 M. -I- A. P. op enkele plaatsen. Ten 
noorden en zuiden van Warns strekt zich een hooge rug uit, die 
in het midden i 6 M. + A. P. is, en naar het noorden en zuiden 
daalt. In het Roode Klif, aan zee op i uur van Stavoren, verheft 
de grond zich nog tot een geïsoleerden heuvel van 11 M. + A. P. 

Het Roode Klifdaaltdoor de afknaging van den golfslag met steile 
helling naar zee af, terwijl het landwaarts met zachte helling afloopt. 
Om het tegen verdere afspoeling te beschermen is er na 1829 een 
rij paalwerken voor geplaatst, en is men sedert tot het aanleggen 
van een dijk overgegaan. Het eigenlijk gezegde Klif is ongeveer 
100 M. lang en 30 M. breed. Den naam Klif (= klip) heeft het 
te danken aan zijn vorm; waarom men het Roode Klif noemt is 
niet bekend, i) 

Van Hemelum naar Mims strekt zich een heuvelrug uit van op 
zijn hoogst ± 8 M. + A. P. Verder oostelijk verbreeden zich de 
heuvelgronden van het strand, waar hier bij Oude Mirdum geen 
bedijking noodig is, tot bij Balk aan het Slotermeer. Gedeeltelijk 
eindigen zij hier bij het meer, gedeeltelijk gaat het heuvelland 
snel over in de lage venen aan den kant van Noordwolde. Tus- 
schen het Sloter- en Tjeukemeer vindt men een terrein van onge- 
veer 0,5 M. — A. P. 

Het lage land van Friesland is voor het grootste gedeelte polder- 
land. De polders in Friesland kunnen in drie soorten onderscheiden 
worden, in zeepolders^ veenpolders en hinnenpolders. De zeepolders 
zijn aanwassen langs de zee, die successievelijk ingepolderd zijn, 
zooals het Nieuwe Bilt, de Biltpollen, het Nieuwe Monniken Bilt, 
het Noorderleeg, de polder ten westen en oosten van Holwerd en 
Ternaard, de Anjumer en Lioessens-polder enz., alle langs de N. O. 
en N. kust gelegen. Aan de westkust vormen alleen het Workumer 

I) J. J. Bruinsma. Het Roode Klif. ^Nieuwe Friesche Volksalmanak 1863 
pag. \^). 



Digitized by 



Google 



309 

Nieuwland en aan de zuidkust de Wielpolder zulk eene bedijking. 

De veenpolders worden gevormd door het droogmaken van uit- 
geveende plassen. Sedert 1835 had dit veel plaats, o. a. inHeme- 
luraer-Oldefaart en Noordwolde, Lemsterland, Schoterland, Has 
kerland, Engwirden, Opsterland, Weststellingwerf enz. 

De binnenpglders omvatten de lagere streken, die door dijken be- 
schut, het water binnen den dijk door molens op lager peil houden 
dan het boezemwater. Oost- en West-Dongeradeel geven hiervan 
bijv. het grootste voorbeeld. 

Doch niet geheel is het land polderland. Tusschen de polders langs 
de boezemwateren komen in Friesland vele grootere of kleinere uitge- 
strektheden voor, die niet door kaden zijn omsloten, en waar de water- 
stand geheel met den boezem gemeen ligt. Dit land heet, zooals wij 
reeds vroeger (zie deel I pag. 51) zeiden, ^^^2:^w /<»«//. Het is kenmerkend, 
dat in Friesland dit boezemland veel grooter oppervlakte beslaat 
dan in Holland. Dit boezemland staat in den winter veelal onder 
water en vergroot dan de bergruimte des boezems, evenals de 
winterbedding bij eene rivier. Dat er dus in den winter groote 
gedeelten van Friesland onder water staan, is niet vreemd. 

Men vindt dit boezemland voornamelijk in het Nieuwe Bilt, 
en in het Oude Bilt^ dat grootendeels oningepolderd ligt. Ten 
westen van Leeuwarden vindt men het in het Nieuwland derMid- 
delzee tot aan de Sneekervaart en ten N. en Z. van die stad, ten 
Z. tot Wirdum ; in Westergoo, in een breede strook langs den N. en 
O. Slachtedijk tot Oosterwierum in het Z. ; verder ten N. van Franeker ; 
ten N. van en tusschen het Sneekermeer en de Goëngarijpsterpoelen 
en ten Z. daarvan tusschen de talrijke poelen en breede wateren 
ten Z. van die meren, tot aan en ten Z. van de Langweerder 
Wielen; ten O. van Boomzwaag en ten W. van het Koevorder 
meer; ten O. en ten Z. van de Terhorster- en Terkaplesterpoelen 
en in'tN. van het 4de en 5de Veendistrict van Engwirden. Voorts 
ten Z. en ten O. van het Slotermeer en de groote Brekken, alles 
ten N. en N. O. van Gaasterland. i) 



I) Beekman. De strijd om 't bestaan $13. — De Waterstaatskaart geeft dit alles aan. 



Digitized by 



Google 



3IO 

§ 3- FRIESLANDS BOEZEM EN ZIJNE LOOZING. 

Het uitgebreide net van wateren, vaarten, plassen, meren en poelen, 
dat in het lage land van Friesland met elkander in vrije verbinding 
staat, vormt door die verbindingen in hydrographisch opzicht één 
geheel, dat men Frieslands boezem noemt. De boezem zelf heeft 
daardoor de aanzienlijke oppervlakte van ongeveer 27 200 H.A., 
waarop ongeveer 266 700 H.A. lands afwateren. In den winter 
staan geregeld nog 33 000 H.A. boezemlanden, ^groene landen*^ 
genoemd, onder water. 

Frieslands boezem wordt bijna uitsluitend gevoed met het water, 
dat in Friesland als regen valt. Nemen wij tot voorbeeld het jaar 
1884. In dit jaar viel er in Friesland 632,4 m.M. regen, terwijl 
gerekend kan worden, dat er gemiddeld 499,29 m.M. verdampte 
in het boezemgebied, i) Aldus bleef er in ditjaar, het verbruik door 
de planten enz. buiten rekening gelaten, een batig saldo tot afwatering 
over van 133,11 m.M. Dit geeft over een gebied van 293 900 H.A. 
(boezemoppervlakte + boezemgebied) eene afwatering van 2901 10290 
M* per jaar. 

Dit afvoerwater uit Frieslands boezem loost geheel op natuurlijke 
wijze op de Wadden en de Zuiderzee door 12 sluizen, nl.de JV/VjM^ 
sluis^ de Dokkumtner Nieuwe zijlen^ de Roptazijl^ en de sluizen te 
Harlingen^ Makkutn^ Workum^ Hindeloopen^ Molkwerum^ Stavoren^ 
Takozijl^ de Lemmer en SchoterzijL Doch men bedenke wel, dat, 
hoewel de loozing van den boezem op natuurlijke wijze geschiedt, daar- 
entegen vele polders door bemaling hun water op den boezem brengen. 

Dat die loozing des boezems op natuurlijke wijze kan plaats hebben 
blijkt uit een vergelijking der waterstanden van het buitenwater met het 
boezemwater. Volgens de waterstaatskaarten is het boezempeil in 
den Frieschen boezem 0,42 M. — A. P. Dit peil is aanvankelijk 
naar de onderzoekingen van Prof. Epey in 1784 voorloopig als 
een zomerpeil aangenomen, en werd later als de grondslag of het 
nulpunt voor het boezemwater behouden. Het is verbeterd over- 



i) Zie Prov. Versl. over 1884 pag. 6. 



Digitized by 



Google 



311 

gebracht naar verschillende punten door de waterpassingen van 
1870 — 72. i) 

Buitenwaterstanden van Friesland. 



Plaats van waar- 
neming. 



Hoog water, (vloed) 



85 



Gemidd. stand. 



i-S I'S 



Jaar. 



a 



Laagste 
stand. 



Laag water, (ebbe) 



81 



Gemidd. stand. 



'S 
Si 

a 



.S 'O 



a 



Jaar. 



Laagste 
stand. 



Lemmer 

Stavoren 

Harlingen . . . . 

Nieuwe Bilt 

Ezumazijl 

Zoutkamp (Wad- 
den). 



12,39 
2,52 
2,60 

2,95 
3»2o 

3,58 



0,33! 0,26 
o,44| 0,38 
0,68 
0,81 
1,02 



0,81 

0^97 
1,19 

1,23 



1,07 



0^30 
0,41 

0,74 
0,89 
i,ii 

1,15 



— 0,94 

-0,58 
•1,54 

— 0,60 

— 0,42 

— 0,40 



2,61 
1,42 — 0,07 
1,10 — 4,49 
1,00 — 0,65 
1,02 — 1,29 



0,18! 0,20 
— 0,10 — 0,08 



1,57 



— 1,25 



— 0,49 

— 0,64 

— i,ï7 

— 1,21 



-0,49 

— 0,64 

— 1,23 

— 1,23 



— 1,09 

— 1,10 
-1,65 

— 1,33 

— 1,94 

— 2,52 



(Waar geen teeken voor staat is het + A. P.) 



Wij zien hieruit, dat het peil van den Frieschen boezem hooger 
is dan de meeste gemiddelde standen van het buitenwater bij ebbe, 
alleen de Lemmer en Stavoren uitgezonderd. Hierdoor kan de loo- 
zing bij gemiddeld laagwater vrij geschieden, behalve in het Z. W. 
De Makkumer sluis is van den zuidkant de eerste, waar de gewone 
ebbe lager staat dan het water van Frieslands boezem, en die dus 
vrij kan uitstroomen. 

Nog tot andere belangrijke opmerkingen geven de standen van 
het buitenwater aanleiding. Reeds oogenblikkelijk valt in het oog, 
dat de lage waterstanden of ebben langs het noorden van Fries- 
land veel lager afloopen dan ten Z. W. en W. Te de Lemmer is 
bij laag water de gemiddelde waterstand in de wintermaanden 
0,18 M. + A. P., te Stavoren 0,10 M. — A. P., en vervolgens 
neemt hij af naar Harlingen tot 0,49 M. — A. P., en te Nieuwe 

i) De herkomst van het Friesch zomerpeil (Friesche volksalmanak 1888 
pag. 185). 



Digitized by 



Google 



312 

Bilt en Zoutkamp tot 1,21 M. — A. P. Hieruit volgt, dat het 
water uit den boezem door de noordelijke sluizen beter kan afloopen 
dan door die in het zuidwesten. 

Ten einde van deze omstandigheid partij te trekken, moesten de 
uitwateringsluizen van de Dokkummerzijlen.^ die in het N. O. van 
den boezem liggen, ook wel het meeste vermogen hebben, om den 
meesten invloed op de afwatering te kunnen uitoefenen. Dit is 
dan ook werkelijk het geval. Deze sluizen zijn in 1729 gebouwd, 
toen ook de afsluitdijk van den inham, waaraan Dokkum lag, hier 
gelegd werd. Vóór dien tijd liep de vloed vrij in het Dokkumer 
diep op tot Dokkum. 

Ook de sluizen te Roptazijl en te Harlingen zijn van veel be- 
lang voor de uitwatering, zooals blijkt uit de vergelijking der wa- 
terstanden. Doch de verder zuidelijk gelegen uitwateringsluizen in 
den zeedijk kunnen slechts korten tijd loozen, daar het buitenwater 
hier gewoonlijk ie hoog staat. Die hooge waterstand op zee is mede 
een gevolg van de heerschende westenwinden, die het zeewater 
langs de kust opjagen. De volgende tabel geeft een overzicht van 
de werking der sluizen. 



Aantal uren in elke maand dat de zeesluizen van Frieslands 
boezem water loosden in 1884. 



Plaatsen. 



t 






ai^ 



~W ' 



-^ I 4» UI'*' 



M 






lx 



1 i 3 



Wijdte 

der 
sluizen. 



Diepte van 

den 
slagdrempel. 



Friesche sluis 

T^ , , (Zuid. koker 

Nieuwe Zijlen jjj^^ " 

Roptazijl 

Harlingen 

Makkum 

Workum 

Hindeloopen 

Molkwerum 

Stavoren 

Takozijl 

Lemmer 

Schoterzijl 



I 



244! 292' 202 
282316 212 



2031339 
200|355 
185 361 



113 
120 
120 
124 

95 

104 

86 



2340 
7743i 



344 



196 
212 

1931 

_ 165 
317J1661 
2981 146 92; 
2971169 

357,1411 
3"ii5«88 
273I 91 78 



56 9 

I ! 



! I 



I I I 



'147 948 

169 10998, 

IOC 851 

116 ^ 

106 

106 

III 

114 

117 

121 

122 



9486, 

845 

7287 

7144 

6785 

707 

806 

6866, 



49 577 



6,00 M 
4,72 „ 

29 » 
4.74 » 
4»i3 » 

75 » 
734 , 

•40 „ 

75 » 
_ 34 » 
7.60 „ 

5,45 .» 
,15 » 

4,41 H 



2,49 M. 

2,57 
2,46 
2,50 
1,07 
245 
2,10 
2,09 

1,49 
1,16 
2,30 

1,49 
2,10 
1,48 



A.r. 



Digitized by 



Google 



3^3 

Uit het bovenstaande blijkt, dat de Dokkummer Nieuwe Zijlen 
het grootste aantal uren in 1884 loosden. Dit is in alle jaren het 
geval. Evenwel moet men zich wachten voor de conclusie, dat de 
verhouding van het uitgeloosde water evenredig is aan het aantal 
uren, dat de sluizen werkten. Dit zou misschien plaats hebben, indien de 
sluizen alle hetzelfde vermogen bezaten, wat niet het geval is, zoo- 
als tevens uit de opgave der sluiswijdte in de tabel blijkt. De sluis 
van de Dokkummer Nieuwe Zijlen bezit grooter vermogen, dan de 
andere, en dus loost zij in evenredigheid grooter hoeveelheid water. 
Niet alleen is de sluiswijdte bij deze sluizen, nl. de middelste ko- 
ker, het grootst en ligt de slagdrempel hier het laagst, doch deze 
sluis kan werken door drie kokers, een groote in het midden en 
nog twee kleinere ten noorden en zuiden daarvan. 

Aldus moet tot het verkrijgen van een goeden waterstand het 
streven zijn, om het overtollige water uit Frieslands boezem zoo- 
veel en zoo spoedig mogelijk naar het N. O. te voeren, waar men 
de meeste gelegenheid tot loozing heeft. In het Z. W. daarentegen 
zal door de slechte loozing het water steeds opgestuwd worden. 
Dit opgestuwde water ontvangt aldus eene stroomrichting naar 
het N. O. Die stroomrichting in de verschillende boezemwateren 
wordt weder bevorderd door de heerschende westenwinden, die het 
water naar het oosten van Friesland opjagen. 

Welken invloed de wind op het niveau van het boezemwater 
heeft, leert de volgende tabel. 



Digitized by 



Google 



314 



O 






S 

O 
os 

> 



S 

% 

ja 

(O 

d 

Si 

'C 



B 'S 

o» 

a 

§ 
i 

o 
co 

a> 

a 



o 



> 
O 



a 







O 


^ d . 




d 


z'^^^5 


do 


d^ 




u 






G 


^' 


-d 


.z^ . ^ . 


^ 


si 


^zd 


^z^jg^d ^ 






^'o'o' 


N 12^ '^^ •^^^' N ^ N 




^' 


N^s; 




si 


NZO 


^ :^ ^ :^ N ^ :^ ^' 




o 


ONr-OOOTt \0 


•j^o UI a;3ooH 


r 


+ 1 1 


1 1 1 1 1 1 1 1 


Ti 








1 


^ 




^ 


laagste s 
enomen. 




co 


1 




• »^ 


CA 


ts waar de 
is waarg 


s 
1 


SI ^' 
'S! w 


Si sis fc 


1 


1 


C/3 to !> 


S Ö 2 ^ S .2 




co 


t^ O ON O xo Tt\0 Tt co to co 


•J^D UI 3ï30OH 


M 


OincoiOM wco co 

M 




+ 


+ +++ + + + +++ + 


u 


IH -^ 




2 










lë 




.2 .2 ^ ^ 


waar 
and is 
nomen 


o 




P 3 ** ** 




P 




1 1 ! 8» 




. 


t 


1 
C/3 


«5 




•j^o UI puB^saa^BiA 


co 


MOONOOr*»-«vOTtcot^ <*< 


UI i(qosJ3A a^sjoojQ 


M 






■uin^Ba 




'^NO 


^ cv» Tj- r* r-oo 00 00 

C^ M C« C^ 


Maand 




4^ 

^ rt ^ ..M «^ bDii. ^ > tS 



Digitized by 



Google 



3IS 

Uit nevcDStaand overzicht blijkt ons duidelijk de invloed van 
den wind op den stand des waters in de verschillende deelen van 
den Frieschen boezem. Een Z. W. en W. wind zet het water op 
naar het N. O. en O. en doet daar hooge standen ontstaan, waar- 
mede het water hier gemakkelijk loost ; een N. O. wind jaagt het 
water naar het Z. W. van Friesland, zoodat bij dezen wind de 
sluizen in dit gedeelte het best kunnen werken. Niveauverschillen 
van 1,43 ^- kwamen zelfs voor in den boezem. De windrichting 
in 1884 was als volgt over het jaar verdeeld: 292 uren Z., 487 
uren Z.Z.W., 917 uren Z.W., 1105 uren W.Z.W., 696 uren W., 
561 uren W.N.W., 412 uren N.W., 402 uren N.N.W., 570 uren N., 
329 uren N.N.O., 328 uren N.O., 640 uren O.N.O., 563 uren O., 
449 O.Z.O., 522 uren Z.O., 488 uren Z.Z.0. wind. i) Die groote 
meerderheid van het aantal uren, dat er Z.W., W.Z.W. en W. wind 
waait in Friesland, doet in verband met het bovenstaande de be- 
teekenis van de afwatering van PMeslands boezem in het N.0. 
duidelijk in het oog springen. Daarbij komt nog, dat de Z.W. en 
W. winden over 't geheel grooter kracht bezitten dan de N.0. en 
O. winden. In genoemd jaar 1884 nl. was de gemiddelde wind- 
kracht der W.Z.W. winden 0,61 en der O.Z.0. winden 0,09 K.G. 
per M«. 

g 4. IETS UIT DE GESCHIEDENIS DER LOOZING VAN 
FRIESLANDS BOEZEM. 

De afwatering van Friesland en het laag houden van den 
Frieschen boezem is langen tijd een brandende quaestie geweest 
voor deze provincie. De verschillende particuliere belangen kwamen 
in dit uitgestrekte boezemgebied dikwijls met elkander in strijd, en 
daar er geen centraal gezag was, dat het geheel beheerschte, belette 
dit dikwijls de verbetering. 

Reeds een blik op de kaart en ook het bovenstaande leert, dat 
Frieslands boezem de grootste oppervlakte heeft in het zuidwesten 



I) Prov. Verslag 1884 pag. 5. 



Digitized by 



Google 



3i6 

van zijn gebied, waar de groote plassen en meren uitstekende berg- 
plaatsen voor boezemwater zijn. Doch in het Z. W. is juist de 
waterloozing van den boezem het slechtst. Zoo moet het boezem- 
water een langen weg door de kanalen en wateren van Friesland 
maken, om in het N. O., waar de loozing het laagst kan geschieden, 
aan te komen. Wel jaagt over 't geheel de wind het water in die 
richting, doch niet altijd en niet voldoende. 

Evenwel hadden reeds voor eeuwen de gemeenten van Ooster- 
goo, (West en Oost Dongeradeel, Achtkarspelen en Kollummerland 
uitgezonderd, omdat zij afzonderlijke boezems hadden) een verbond 
gesloten tot gemeenschappelijke verdediging tegen het buitenwater 
en vooral tegen het water uit de Zeven wouden. Dit verbond heette 
het Leppe verbond^ en was gesloten bij den Leppebrief van 1477. 
Voor dat doel werd hier een dijk gelegd ten noorden van de 
Boorne, de Leppedijk genoemd. Deze dijk strekt zich uit van de 
hooge gronden bij Beets westwaarts tot de Boorne en loopt van 
Poppenhuizen tot Irnsummerzijl langs den noordelijken oever van dit 
water. De oorspronkelijke Leppedijk lag verder noordelijk, doch 
in 1828 werd een . nieuwe Leppedijk in plaats van den vervallen 
ouden aangelegd (Zie pag. 304). Naar het westen sluit die Leppe- 
dijk zich aan bij den Groenendijk^ die langs den westelijken oever 
van het Sneekermeer naar het Z. W. loopt tot Sneek, waar hij zich 
als Hemdijk voortzet. In den Leppedijk waren in het beneden ge- 
deelte twee schutsluizen : bij Irnsummerzijl ten noorden van Irnsum 
en de Nesserzijl bij Nes aan de Boorne, terwijl tusschen Akkrum 
en Irnsum nog 3 valschutten bestonden. Door deze sluizen bestond- 
dus uitsluitend de verbinding tusschen de wateren van Westergoo 
en Zevenwouden ten Z, met die Oostergoo ten N. van den dijk. 
Doch volgens het reglement mochten deze sluizen enz. slechts ge- 
opend worden, als het water ten noorden van den dijk tot zomer- 
peil was afgestroomd, en dan nog slechts na speciale machtiging 
van den Commissaris des Konings. Hierdoor was de Leppedijk van 
veel belang voor Oostergoo. 

Hoewel dit reglement niet trouw werd nageleefd, werkte het toch 
de geregelde afwatering van Westergoo en de Wouden tegen. 



Digitized by 



Google 



3^7 

Daarenboven waren de sluizen en zijlen in den Leppedijk te nauw 
om genoegzaam water door te laten. Bij Z. W. wind zette het 
water ten zuiden van den Leppedijk op, en overstroomde hier het 
land. Te gelijker tijd konden de Dokkumer Nieuwe zijlen dikwijls 
niet langer dan 3 uren aaneen stroomen uit gebrek aan water. 
Want het door den Leppedijk ten zuiden tegengehouden water 
moest door Westergoo eerst naar het noorden stroomen, en kon dan 
langs dien omweg in gunstige windomstandigheden door het Ver- 
laat bij Leeuwarden in Oostergoo komen. En wanneer de wind 
dan naar het N. draaide zette dit water, na zulk een langen 
weg eindelijk in Oostergoo gekomen, niet zelden nog het land ten 
noorden van den Leppedijk onder water, zonder dat het van hier 
wegstroomde. 

Deze toestand eischte dringend verbetering, en eindelijk werd 
door de Provinciale Staten van Friesland bij Besluit van Mei 1879 
een algemeen plan tot verbetering van den waterstaat aangenomen. 
Volgens dit plan is in de eerste plaats de Lep1>edijk als water- 
keering vervallen verklaard, en werden de sluizen en zijlen indien 
dijk opgeruimd. Hierdoor werd de toevoerweg van het water naar 
het N. O. veel verbeterd. Verschillende andere verbeteringen, be- 
staande in het verwijden en verdiepen der waterwegen, werden 
vervolgens hiermede vereenigd. 

Bij wet van 2den Augustus 1880 werd door het Rijk tot het 
verleenen van rijkssubsidie voor de volgende verbeteringen in den 
waterstaat van Friesland besloten, i) 

a. Het maken en verbeteren van eene doorgaande waterkeering, hoog 1,80 
tot 2 M, boven zomerpeil, tusschen den straatweg van Sneek naar Leeuwarden, 
bij Sneek tot den Vegelins-weg van Joure naar Akkrum. 

b. Het verbeteren van het stroomkanaal van de Smalle Kesterzanding naar 
de Dokkummer Nieuwe Zijlen, door verruiming van bestaande en het graven 
van nieuwe kanalen. 

d. Het verbeteren van het sti oomkanaal van het Gerben- Al les- Verlaat tot 
de Nieuwe rijt, door Groningen gegraven. 



Staatsblad 1880 No. 136. 



Digitized by 



Google 



3i8 

e. Het verbeteren van de vaarten en kanalen tot de vorming van een 
onafgebroken groot scheepsvaanyater, diep 2 M. onder zomerpeil, (2,42 M. — 
A. P.) van Stroobos naar Stavoren, met een zijtak van Oudhof langs de Schar- 
sterrijn door het Tjeukemeer naar de Lemmer en diep 1,7 M. onder zomerpeil. 

/. De inrichting van de Lemstersluis voor het gebruik van het groot 
scheepsvaarwater, onder e genoemd, door verlaging van de slagdrempels en het 
aanbrengen van ebdearen. 

g. Het verbeteren van het vaarwater van de Bolswarder-Workumer trek- 
vaarty in verbinding met het vaarwater van Stroobos naar Stavoren, ter diepte 
van 1,70 M. onder zomerpeil. 

h. Het verbeteren van de Koudummervaart en de Zwartewouden in aanslui- 
ting met het vaarwater van Stroobos tot Stavoren door verdieping tot 1,50 M. 
onder zomerpeil. 

/'. Het maken eener afsnijding van de Dokkumer £e uit tot in de stads- 
gracht te Dokkum, met een bodembreedte van 16,60 en diepte van 2,10 M. 
onder zomerpeil. 

j. Het kanaliseeren en verbeteren van de Tjonger voor eene vaardiepte 
van 1,50 M. (Zie pag. 303). 

k. Het verbeteren van de Linde op Friesch grondgebied tusschen de Heioma- 
vaart en de vaart naar Ossenzijl op een diepte van 1,50 M. onder zomerpeil 
bij een bodembreedte van 30 M. 

Verder werd hierin bepaald het in onderhoud en in beheer bij het Rijk 
overnemen van het stroomkanaal van het Bergummermeer tot de Nieuwe zijlen, 
het stroomkanaal de Lauwers tot de Munniken zijlen; het kanaal van Stroobos 
tot üerben- Alles- Verlaat, deel uitmakende van het kanaal Stroobos- Dokkum, en 
het Kolonels diep van Gerben- Alles- Verlaat tot het Bergummermeer. 

De uitvoering dezer werken is evenwel nog niet geheel voltooid, 
doch wordt jaarlijks voortgezet, i) 

§ 5. DE VERSCHILLENDE WATEREN VAN FRIESLANDS BOEZEM. 

Werpen wij thans een blik op de voornaamste wateren van 
Frieslands boezem, om de bergplaatsen van het water te leeren 
kennen, alsmede de wegen, waarlangs zich het water beweegt, en 
die voor een gedeelte mede wegen voor de scheepvaart zijn. 



i) Zie over de uitvoering dezer werken de Verslagen der Openbare werken 
aan den Koning 1880 — 1887. 



Digitized by 



Google 



319 

In het Z. W. ligt eene groote waterplas, die zich in de richting 
N. O.—Z. W. uitstrekt. Het zuidelijk gedeelte van deze plas heet 
de Morra^ en is door een smal water met het Fluesen meer 
verbonden. Het Nr O. deel van dit meer heet het Hteger meer. 

Ten noorden van genoemd meer liggen nog tal van kleinere 
plassen als het Groote Gaastmeer^ het Zandmeer^ het Ringwiel, 
de Vlakke Brekken en de Oudegaaster Brekken^ de Idsegaaster- 
poelen^ de Rintjepoel^ Palsepoel en Schuttepoel^ het Sipkemeer^ het 
Vliet' en het Riedmeer^ het Hissemeer en het Frekemeer. 

Ten oosten van de Fluesen vinden wij het Slotermeer^ de Groote 
Brekken en het Tjeukemeer. Verder noordelijk htX Koevor der meer ^ 
de Langweerder wielen en de Oude iveg^ de Zwarte en Witte 
Brekken^ en ten oosten van Sneek het Sneeker meer met de 
Goëngarijpsterpoelen. Ten Z. O. hiervan liggen nog de Terkaplester 
en Ter hor ns ter poelen. 

Deze meertjes en plassen staan alle met elkander in verbinding 
en daardoor staan zij ook indirect of direct in verbinding met de 
uitwateringssluizen aan zee. 

Het Tjeukemeer staat door de Vierhuistervaart en de Pier 
Christiaansloot met de Kuinder in verbinding, en loost door deze 
bij Schoterzijl. 

Uit het Tjeukemeer loopt verder een vaarwater, de Rijn^ naar 
de Lemmer en eveneens loopt van de Groote Brekken een water 
naar de Lemmer om hier te loozen. Uit het Slotermeer loopt de 
Ee naar het zuiden tot Takozijl, waar zij loozen kan. Uit de 
Morra leidt de Warnservaart naar de sluis te Stavoren. 

Doch het water, dat door genoemde sluizen niet uit het Z. W. 
van Friesland kan afloopen, moet zijn weg naar het N. O. kiezen. 
De hoofdweg, dien het hierbij doorloopen moet, is de volgende: 

Van het Sneeker meer gaat het door de Wetering naar de be- 
nedenloop van de Boorne bij Oude Schouw en uit de Terkaplester, 
en Terhornster poelen door een water naar de Boom bij Akkrum. 
Uit de Boorn komt het water bij Irnsummerzijl op de Grouw tot 
tot Grouw, en van hier loopt het naar het oosten door eene aan- 
eenschakeling van meertjes, plassen en breedere wateren, als de 



Digitized by 



Google 



320 

Wijde Ee, de Kromme Ee^ de Munneke Ee enz., tot voorbij Oudega. 
Door vaarten en slooten der boezemlanden staan deze wateren ver- 
volgens weder in verbinding met de plas ten zuiden van het Ber- 
gummermeer, de Leijen, en van hier komt het water verder op het 
Bergummermeer . 

Het grootste deel van het water loopt echter langs de Grafi^ 
de Meersloot en de Wijde Ee in het Bergummermeer, 

Uit het Bergummermeer wordt het water afgevoerd naar de Lau- 
wer szee en wel langs twee wegen. 

A. naar het noorden door de Vaart van Kuikhorne^ die verder 
Nieuwe vaart heet. De Nieuwe vaart kruist bij Langebrug de 
vaart van Dokkum naar Stroobos. Onder den naam Zwemmer 
gaat de Nieuwe Vaart verder, en loost vervolgens in het Oude 
Dokkummer Diep^ dat door de Dokkummer zijlen het water op 
de Lauwerszee brengt. 

B. verder loost het Bergummermeer naar het oosten op het 
Casper Robles of Kolonels diep naar Stroobos en van hier door de 
Lauwers naar de Friesche sluis bij Zoutkamp. 

§ 6. UIT DE GESCHIEDENIS VAN FRIESLANDS BODEM. 

A. Algemeen e beschouwingen, 

In historiscben tijd heeft Friesland*s bodem, nl. het gebied der 
kleistreken en der lage venen, groote veranderingen ondergaan. 
Die veranderingen bestaan hoofdzakelijk in de verplaatsing der kust- 
lijn, de lijn waar het water de grens vormt. De natuurlijke grens 
van dit gebied wordt gevormd door de duinen, die zich over de 
Wadden-eilanden voortzetten. Die n^ituurlijke grens was eenmaal 
ook zeer zeker de werkelijke grens van Friesland*s bodem. Buiten 
de tegenwoordige dijken strekte zich voor eeuwen het land onge- 
twijfeld door de Wadden tot de duinen uit. Welk land dit was 
valt nauwelijks te betwijfelen, ook al zegt de geschiedenis het ons 
niet duidelijk. Wij behoeven daarvoor slechts te zien naar het zuid- 
westen van Friesland, naar de bodemgesteldheid in Holland achter 



Digitized by 



Google 



321 

de duinen. Wij behoeven daarvoor slechts te vragen, welke bodem 
kan door de kracht des waters tot groote plassen weggespoeld wor- 
den? £n dan komen wij reeds langs natuurlijken weg er toe, om aan 
te nemen, dat eenmaal Friesland van zijn tegenwoordige zeegrens 
uitgebreid was naar het westen en noorden met moerassige, lage 
veengronden, die door tal van wateren en plassen doorsneden zullen 
geweest zijn, zooals het Z. W. van Friesland ons daarvan nog thans 
een voorbeeld oplevert. 

In deze gronden vermocht het water bij stormvloeden ver- 
overingen te maken en gedeelten lands weg te slaan. Zeer zeker 
werkte in dezen ook de daling des bodems, of liever, eene rijzing 
van het niveau der zee ten opzichte van het land, mede; waarop 
wij reeds vroeger wezen. (ZieII,pag. 119). Doch de bewoner stelde 
tegelijker tijd door het aanleggen van dijken perken aan de uit- 
breiding der zee. Mag hij zich aanvankelijk tevreden gesteld hebben 
met eene woonplaats op kunstmatig gevormde hoogten of terpen, hij 
wenschte thans zijn land geheel tegen de zee beschermd. De uit- 
breiding der Friesche zeegrens is het resultaat van dien arbeid van 
de zee en van den mensch. De eerste werkte daarbij van ons 
standpunt beschouwd meest negatief of afbrekend, doch in enkele 
gevallen ook opbouwend, nl. door de aanslibbing. 

De geschiedenis van de Wadden en de Zuiderzee zullen wij af- 
zonderlijk behandelen; thans wenschen wij ons te bepalen tot de 
geschiedenis van het bestaande Friesland. 

In historischen tijd werd Friesland onderscheidene malen door 
watervloeden geteisterd, die er groote verwoestingen aanrichtten. 
Geschiedenissen en kronieken spreken van groote watervloeden in 
516, toen volgens Occo Scarlensis geheel Friesland zou zijn onder- 
geloopen door de Noordzee, in 584, 755 en 792. Verder worden 
genoemd als zware overstrooraingen die van 1003, 1014, 1016, 1017, 
T020, 1041, 1042, 1086 en iioo. Nog tal van verschrikkelijke 
watervloeden noemt vervolgens de geschiedenis, die wij niet zullen 
opsommen. Dat die overstroomingen reeds vroeg aanleiding zullen 
gegeven hebben om gedeelten lands door bedijking t^en het water te 
beschermen, ligt voor de hand. Wanneer het eerst dijken aangel^d 
II 21 



Digitized by 



Google 



322 

ssijn, of van wie onze voorouders die kunst geleerd hebben, daar^ 
over zijn de onderscheidene schrijvers het zeer oneeos. Acker 
Stratingh zegt, dat de bedijking tegen de zee eerst voornamelijk 
en algemeen zal tot stand gekomen zijn na de io<*« eeuw, en 
dat de vroegere dijken weinig meer dan zomerdijken zullen geweest 
zijn i). R. WesterhoflF meende daarentegen op gezag van tal van 
schrijvers te kunnen betoogen, dat de bedijking veel vroeger en reeds 
in zeer oude tijden was aangevangen, en dat het eene dwaling is, 
die eerste dijken slechts als zomerdijken te beschouwen 2). Hier- 
tegen kwam Acker Stratingh weder op in een uitvoerig artikel, dat 
onzes inziens de bedenkingen van WesterhofiF op goede gronden 
weerlegt 3). 

Al was er reeds in vroeger tijden een aanvang gemaakt met het 
leggen van bedijkingen, de onvoldoende toestand derzelve maakte, 
dat zij bij eenigszins hoogen waterstand niet baatten, en hieraan 
moeten de veelvuldige overstroomingen worden toegeschreven. Zoo- 
lang telkens de overstroomingen het land teisterden, was de grens 
tusschen water en land onzeker en onbepaald, doch met het versterken 
der dijken werd dit anders. Eerst in de 1 5<i« eeuw eindigde het 
tijdperk van landverlies en overstroomingen in Friesland voorgoed, 
nadat de zee reeds vroeger gedeeltelijk beteugeld was. Voor den Span- 
jaard Gaspar Robles, wiens krachtige arm het Friesche volk tot 
verbetering der bedijking dwong, en waarvan men later het voordeel 
inzag, richtte het dankbaar nageslacht een standbeeld op, op den 
zeedijk te Harlingen. Na dezen kwam er een keerpunt in de geschiede- 
nis van den strijd tusschen de zee en den bewoner. Ontwikkeling der 
wetenschap, verbetering van staatkundige toestanden waardoor het 
gezag meer gecentraliseerd werd, dit waren de grootste factoren, die 
den mensch overwinnaar deden worden. En na dien tijd ging 



i) Acker Stratingh. Aloude Staat. I, 45 — ^66. 

2) R. Westerhoff. Twee hoofdstukken uit de geschiedenis van ons dijkwezen. 

1865, pag. 38 enz. 

3) Acker Stratingh. Twee hoofdstukken uit de geschiedenis van ons dijk- 
wezen herzien. (Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde van Groningen. 

1866. III, pag. 173.) 



Digitized by 



Google 



323 

de bewoner in plaats van defensief, offensief te werk. Van lijdelijke 
bescherming tegen de zee kwam hij tot het maken van veroverfngen, 
tot het indijken en aanwinnen van land. 

B. De Middelzee en haar geschiedenis. 

Gedurende het grootste gedeelte der middeleeuwen drong er van 
het noorden een diepe zeeboezem tot het hart van Friesland door, 
de Middelzee geheeten. Tusschen de tegenwoordige eilanden Ter- 
schelling en Ameland drong zij Friesland binnen en omvatte met 
een breeden mond de geheele oppervlakte van het Bilt. Van hier 
ging zij zuidwaarts tusschen Oostergoo en Westergoo door, welke 
gouwen zij, met eene gemiddelde breedte van '/^ uur, van elkander 
scheidde. Aan den oostkant werd zij begrensd door de lijn van 
Hallum over Stiens, Leeuwarden en Roordahuizum tot Rauwerd, en 
aan den westelijken kant lagen de dorpen Wier, Berlikum, Beet- 
gum, Engelum, Marssum, Deinum, Boxum, Weidum, Mantgum en 
Oosterwierum langs den oever. 

Dit gedeelte vormde de noordelijke helft der Middelzee. Het 
riviertje de Boorne mondde hierin uit, en daardoor komt die inham 
ook onder den h^oscl Borndtep^ Boerdiep oi Burdinus soox. Evenwel 
is het onjuist de Middelzee als den mond van de Boorne te be- 
schouwen, zooals somtijds geschiedt. Een klein riviertje kan onmo- 
gelijk dergelijken breeden mond hebben. Het was een inham der 
zee, waarin de Boorne haar water loosde. Evenwel is het mogelijk, 
dat langs den mond van de Boorne de zee door afslag dien inham 
gevormd heeft, zoodat daarom voor den inham de naam van het 
riviertje behouden bleef. 

Zuidwestwaarts van het bovengenoemde gedeelte der Middelzee 
lag volgens de oude kronijken een uitgestrekt meer, Tjerkwerder 
meer geheeten. Dit meer was in het midden der i4«*« eeuw reeds 
opgeslibt, zooals blijkt uit een charter van i6 Oct. 1331, waarin 
melding gemaakt wordt van iden nuwen lande van Kercwervec 
Het was aldus in dien tijd nog als nieuw land bekend, en het dorp 
Nijland (O. van Bolsward) ontstond op dien grond. Dit meer was 



Digitized by 



Google 



De voormalige Middelzee in Friesland en hare indijkingen, met de 
tegenwoordige gesteldheid vergeleken. 




Uitgestrektheid der eigenlijke Middelzee. 

Uitbreiding der zuidelijke kom van de Middelzee. 

Tegenwoordige buitendijken. 
Vroegere buitendijken. 



Digitized by 



Google 



325 

tusschen Rauwerd en Oosterwierum, Deersum en Bosum door een 
hals van 800 meter, thans nog Krinserarm geheeten, met den 
boezem van de Middelzee verbonden, en stond met het bovenge- 
noemde deel ook onder den algemeenen naam van Middelzee bekend. 
Het zuidelijke gedeelte heeft door afslag en latere dichtslibbmg ver- 
schiUende uitgestrektheid gehad. De eigenlijke kom werd hier gevormd 
door het water tusschen den Slachtedijk in het noorden en de Tjaard-, 
Ring-, Albada- en Sleepsterdijken in het zuiden en oosten. Doch 
door afslag zal het meer zich hier tot den Hetndijk (hemmen = 
tegenhouden) hebben uitgebreid. Brouwer en Eekhoff nemen als 
de grootste Z.O. uitbreiding van de Middelzee den Groenendijk 
(ten N.W. van het Sneeker meer) aan. Mr. Blom bestrijdt deze 
verre uitbreiding op grond, dat hier geen klei is afgezet, zoodat de 
grens daar geweest moet zijn, waar de kleiafzetting ophoudt, waar- 
door deze grens iets gewijzigd wordt i). 

Nadat de Middelzee haar grootste uitbreiding verkregen had, vond 
ook de dichtslibbing en bedijking van het zuiden af successievelijk 
plaats. Telkens werd er weder een nieuw gedeelte ingedijkt en bij 
het land gevoegd. Eekhoff meent, dat die aanslibbing in oorzakelijk 
verband stond met het verloren gaan van het land tusschen Hol- 
land en Friesland 2). Wanneer de opslibbing en bedijking dier 
verschillende deelen heeft plaats gehad, valt niet altijd met zekerheid 
te zeggen. iVan het bestaan des wijden zeeboezems in zijne gansche 
uitgestrektheid in de V^^ eeuw, evenzeer als van zijne geheele op- 
vulling en landwording door het opwerpen van het Bilt in de 
i6<*« eeuw volkomen overtuigd, behoeft het alzoo geen betoog, dat 
deze aangronding allengskens en van tijd tot tijd heeft plaats gehadi^ 
hetwelk tevens geen onwaarschijnlijke reden is geweest van de ge- 
ringe aandacht, welke deze merkwaardige landaanwinning heeft tot 



1) Brouwer en Eekhoif. Nasporingen betrekkelijk de geschiedenis der Mid- 
delzee in Friesland, 1854. Hieraan hebben wij de eerste en volledigste kennis 
omtrent de Middelzee te danken. Verder maakten wij gebruik van . Mr. Ph. 
van Blom, De Middelzee, brokstukken uit Frieslands geschiedenis (Friesche 
Volksalmanak 18S9). 

2) 1. c. pag. 68. 



Digitized by 



Google 



326 

zich getrokken, zoodat men het nauwelijks de moeite waard achtte^ 
deswege eenige aanteekening te houden, van welke er althans zeer 
weinige tot ons zijn gekomen», zegt Eekhofif i). Zoo was het ge- 
deelte van Wymbritseradeel en Rauwerderhem in de eerste eeuwen 
onzer jaartelling zeker bedijkt (zie de kaart), zoodat met het begin 
der ï$^^ eeuw de kom van genoemden boezem naar het noorden 
was gedrongen, die zich als een meertje door een smalle hab met 
de eigenlijke Middelzee vereenigde. Met de opslibbing van het zuide- 
lijk gedeelte der Middelzee werd ook de mond ondieper en door 
aanwas langs de kusten vernauwde hij meer en meer. Door deze 
opslibbing van den breeden mond der Middelzee in het N. wer- 
den de Biltlanden gevormd. 

Het eerst had hier de bedijking plaats van het Oude Bilt, eene 
oppervlakte van 5161 H.A. beslaande. Reeds in 1398 maakte 
men melding van den Bilt-aanwas, doch niet voor 1505 tot 
1508 geschiedde door het leggeü van den Ouden Biltdijk de 
afsluiting. Deze dijk, die hoog, breed en sterk is, maakt de schei- 
ding tusschen Oude- en Nieuwe Bilt uit. 

De bedijking van het Bilt geschiedde door HoUandsche edelen 
en de oorspronkelijke bewoners waren ook van HoUandsche afkomst. 
Daardoor onderscheiden zij zich nog altijd in hunne kleeding en 
tongval, die meer naar het Hollandsch zweemt dan de spraak der 
Friesche stedelingen, van de echte Friezen. Oorspronkelijk waren 
dus de Biltenaars kolonisten in Friesland, doch reeds in 1579 
werden zij in het lichaam der provincie Friesland ingelijfd 2). 

Buiten den ouden Biltdijk ging vervolgens de aanwas nog voort, 
en in 1600 werden hier weder ruim 1600 H.A. lands, het Nieuwe 
Bilt^ ingedijkt. Een nieuwe dijk, de Nieuwe Biltdijk^ werd in 
genoemd jaar gelegd om het aangewassen gedeelte tegen de zee te 



i) t. a. p. pag. 61. 

2) A. Wassenbergh. Geschiedenis van het Bildt (Friesche Volksalmanak 1843» 
pag. 68). — V. d. Aa. Aardr. Woordenboek, art. Bildt. 

Tegenwoordige Staat van Friesland. III, pag. 411. 

In vroegere staatsstukken werd de provincie soms de ,jMnden en Steden van 
Frieslandy mitsgaders van der Bildt** genoemd. Charterboek. II, pag. 435. 



Digitized by 



Google 



327 

beschermen. Buiten dezen dijk had in 1 7 1 5 nog weder eene bedijking 
plaats van de C7«//^--5//^^/^«, ongeveer 408 H.A. groot Nog in 1754 
hadden hier bedijkingen plaats van het Noor der leeg ^ en buiten de dijken 
liggen thans de onbedijkte BiltpoUen. Waar eens de Middelzee lag, 
waar Noormannen en Friezen met hunne schepen de baren doorklief- 
den, vindt men thans het vruchtbare Bilt-land. Opmerkelijk is ook 
hier het rijzen des bodems, naarmate men in jongere aanwassen komt. 

C. Geschiedenis der waierloozin^ in Friesland, 

Die opslibbing en bedijking van de Middelzee bracht groote ver- 
andering in Frieslands waterloozing. Bij het bestaan van dien binnen- 
boezem was het toch natuurlijk, dat hierop de waterloozing van het 
omringende land plaats had. In de Middelzee ontlastte zich in de 
eerste plaats de Boorne. De uitmonding van genoemd watertje in de 
Middelzee had in den tijd, toen deze zich tot den Hemdijk uitstrekte, 
d. i. in de eerste eeuwen onzer jaartelling, plaats bij Oude Schouw. 
Bij de dichtslibbing der Middelzee verdeelde de Boorne zich vervol- 
gens in twee takken, waarvan de Oude IV e tering westwaarts naar 
het Sneeker meer liep, en de andere tak door de Moezel^ de Grou en 
het Swin zich een afwatering in de vernauwde hals van de Middelzee 
zocht. Zoo was de toestand in de i2^« eeuw. 

In den oostelijken dijk van de Middelzee lag de Leiezijl^ een 
duilenslms bij de buurt de Leie. Door deze zijl hadden Ferwerde- 
radeel en I.^eeuwarderadeel hunne uitwatering op de Middelzee. Na 
de bedijking van het Oude Bilt in 1508 werd door het leggen van 
de ouden Biltdijk de Leiezijl een binnensluh. Doch tot uitwate- 
ring van den Biltpolder werd daarbij gebouwd de Oude-Biltzijl 
(zijl = sluis). Bij de bedijking van het Nieuwe Bilt werd met het- 
zelfde doel de Nieuwe-Bilizijl gebouwd. Hierdoor kon Oostergoo 
zijn water nog op de Wadden ontlasten. Evenwel ging de aanslib- 
bing in de Wadden voort, en weldra werd daardoor de Nieuwe 
Biltzijl onbruikbaar. Zoo werd zij reeds in 1664 afgedamd, en bij 
de indijking van de Nieuwe BiltpoUen en het Noorderleeg in 1754 
heeft men haar ook niet weder hersteld, hoewel de Staten dit reeds 
in 17 18 bevolen haddea (Zie de kaart op pag. 324.) 



Digitized by 



Google 



328 • 

Daar, zooals wij boven opmerkten, de nieuw aangedijkte gronden 
hooger liggen dan de oude, moest de waterloozing van dit land wel 
eene t^;engestelde richting van vroeger nemen, en in plaats van 
naar het noorden naar het zuiden gaan. 2k)0 moest de Oude Bilt- 
zijl zelfs dienen om het water van het Nieuwe Bilt naar het zuiden 
te voeren, dat door de Leiezijl op Oostergoo en door de Wierzijl 
en Bolkezijl naar de Ried op Westergoo liep. 

Vóór den tijd, dat het Biltwater door de Leiezijl op Oostergoo 
en door de Bolke- en Wierzijlen op Westergoo afstroomde, was 
Friesland in van elkander afgescheiden boezemgebieden verdeeld. 
Thans hield dit op en daardoor werd inbreuk gemaakt op de rechten 
van de Leppe, (zie pag. 316), wantin plaats van de Leiezijl als uitwate- 
ring^VL\% te behouden, nam zij integendeel het Biltwater op. De sluis- 
deuren zullen zeker ook wel spoedig opgeruimd zijn geworden, daar zij 
door die veranderde richting der strooming een verkeerden stand hadden. 
Of het Leppe-verbond tegen die verandering ook bezwaren indiende 
dan wel of het zich deze liet welgevallen, is ons onbekend. Uit vele 
zaken blijkt evenwel, dat de rechten van het Leppe-verbond niet 
voldoende bevestigd zijn geweest om ze te handhaven en deze 
verandering te voorkomen. 

De LeppCy vroeger een afgesloten boezem, was dit thans niet meer, 
maar door tusschenkomst van het Oude Bilt met Westergoo ver- 
eenigd en omgekeerd. In Oostergoo bestonden nog de volgende oï> 
zich zelve staande boezems: Oost-Dongeradeel^ met een deel van 
West'Dongeradeel (dit deel tapte zijn water af door het Jaarlagat 
op Oost-Dongeradeel) en Kollummerland^ voor zoo verre afgesloten van 
den boezem in Oostergoo door het KoUummer-verlaat, Gerben-AUes- 
verlaat, de oude Kollummer- en Oudwouder zijlen. 

Achikarspelen was afgesloten door het Schuilenburger- en Gerben- 
AUes-verlaat van den boezem van Oostergoo, en door het Stroobosser- 
verlaat met denkelijk met nog een verlaat in de Oude vaart bij 
Gerkesklooster, van de provincie Groningen, of het Zijlvest van de 
Munnikezijl. 

Deze verlaten zijn met of kort na de afsluiting van het Dok- 
kummerdiep door de groote sluis, de Dokkummer Nieuwe Zijlen^ itt 



Digitized by 



Google 



329 

1729) langzamerhand vervallen en buiten werking gesteld, terwijl het 
Schuilenburger-verlaat in stand bleef, om met opwaaiende winden 
den aandrang van het water uit het Bergummer-meer door hetKo- 
lonelsdiep in Achtkarspelen te keeren. 

KoUummerland en Achtkarspelen waren dus nu blijkbaar met den 
boezem van Oostergoo vereenigd en de afscheiding was vervallen. 

In Westergoo vond men in dien tijd het gebied van de Slachte 
of Vijfdeelen binnen Slachtedijken, omringd door den Slachtedijk* 
De Slachtedijk is een binnendijk, die waarschijnlijk het allereerst 
is aangelegd, toen het zeegat tusschen Vlieland en Terschelling zich 
begon te verwijden, en Westergoo dus meer voor het zeewater begon 
te vreezen, vooral nadat de Middelzee door verlanding reeds een 
groot deel van haar kracht verloren had. De ligging van den 
Slachtedijk vindt men op de kaart. Over 't geheel zijn de landen 
binnen den Slachtedijk hooger gelegen dan de lage landen van 
Westergoo en Zevenwouden. Hoewel door latere bedijkingen de 
Slachtedijk in een binnendijk of slaperdijk is veranderd, bleef hij 
toch nog behouden om bij doorbraak der zeedijken het binnenlig- 
gende land te beschermen. Daartoe zijn in de kanalen enz., welke 
dien dijk snijden, sluizen en keerbalken aangebracht om ze af te 
sluiten. In het Reglement op het onderhoud van het waterschap 
de Vijfdeelen Zeedijken Binnendijks, regelende tevens het Bestuur 
der Vijfdeelen Slachtedijken, vastgesteld 22 April 1868, komt in 
art. 79 letter m^ handelende over de werkzaamheden van hetdijks- 
bestuur voor: >de zorg, dat ingeval van doorbraak der zeedijken 
de in den Slachtedijk gelegen zijlen en pompen dadelijk worden 
gesloten." Het westelijk gedeelte van den Slachtedijk van de breedte 
van Rauwerd, westelijk langs Franeker tot aan den zeedijk bij Ooster- 
bierum, wordt met dit doel nog onderhouden. Hierdoor wordt Wes- 
tergoo in twee deelen gescheiden: de Vijfdeelen Binnendijks en 
de Vijfdeelen BuiUndijks (naar de 5 grietenijen) i). 

De ontwikkelingsgeschiedenis van Frieslands wa- 
terstaat is geweest het opruimen der verschillende 



i) J. A. Lycklema ^ Nijeholt. Verbetering van Frieslands watertoestand 1869. 



Digitized by 



Google 



33^ 

binnenlandsche afscheidingen en afsluitingen en het 
vormen van één boezem, zooals wij dien reeds beschreven 
hebben. 

Het vraagpunt van de verbetering der ontlasting van dien uit- 
^ebreiden boezem bespraken wij reeds op pag. 315, en wij deelden 
daarbij de uitvoering er van volgens de wet van Augustus 1880 
mede. Niet dan na langdurige en menigvuldige overwegingen en tal 
van rapporten kwam men tot dit plan i). 

Bij het onderzoek naar verbetering van den waterafvoer kwamen 



i) De volgende rapporten werden o. a. over de verbetering van Frieslands 
waterstaat uitgebracht: 

I. Rapport van eene speciale Commissie op last van Z. M. den Koning den 
II den Juni 1826 door den Heer Gouverneur van Friesland benoemd, welk 
rapport is uitgebracht 16 Sept. 1828. 

II. Rapport van den Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat, Ferrand, ge- 
vraagd door het Departement van Binnenl. Zaken, den 29sten Nov. 1830, N<^. 
39, uitgebracht 21 Maart 1832, N''. 11, met 6 Bijlagen. 

III. Rapport van de Gedeputeerde Staten van Friesland van den 2den Juli 
1835, vergezeld van 8 memorien van den Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat 
P. Wellrnberg. 

IV. Rapport van de Commissie uit de Prov. Staten, benoemd bij besluit van 
7 Juli 1835. (I^cze Waterstaatsstukken zijn in folio gedrukt en in 1855 in 
octavo herdrukt). 

V. Memorie omtrent den tegen woord igen toestand van den binnenlandschen 
waterstaat in de provincie Friesland met opgaaf der nog vereischte of nuttig 
geacht wordende verbeteringen aan de kanalen van algemeene afstrooming en 
scheepvaart, in 1860 door den Hoofd-Ingenieur C. J. Bolten aan de Staten 
ingediend. Met vijf bijlagen. 

VI. Rapport van Heeren Gedeputeerde Stalen van 28sten October 1869, 
N". 45, aangaande de stukken rakende den boezemwaterstand der provincie en 
nopens het voorstel van den Heer Lycklema k Nijeholt, tot vaststelling van 
«en algemeen plan van verbetering der afstrooming van het boezemwater. (Zie 
-de gedrukte notulen van den 2dea Nov. 1869, pag. 54). 

VII. Missive van den Hoofd-Ingenieur Hayward van den 8«en Juni 1869, 
N**. 894/2, uitgebracht in de vergadering der Staten den 6den Juli 1869, N9. 28. 

VIII. Advies van den Hoofd-Ingenieur Hayward van 7 Sept. 1869, N*. 
1623/2 van Gedeputeerde Staten, nopens het voorstel van een algemeen plaa 
van verbetering der afstrooming van het boezemwater. 



Digitized by 



Google 



33^ 

vooral in aanmerking de vragen^ of de baitensluizen voldoend af- 
voeringsvermogen hadden, en of het water wel genoeg door de 
kanalen naar de uitwateringssluizen vervoerd kon worden. De eerste 
vraag werd bevestigend beantwoord (Zie Memorie X van de noot). 
De heeren Brunings en Galand berekenden, dat de sluizen, zelfs 
in de ongunstigste tijden, voldoend vermogen bezaten. iWat echter 
noodig is, is aanzienlijke verruiming der toevoerkanalen naar de 
sluizen, althans naar de Nieuwe- en Munnekezijlen", oordeelden 
genoemde deskundigen i). Dat op grond van dit beginsel vele ver- 
beteringen worden aangebracht, zagen wij op pag. 317. 

Een ander voorstel luidde, om den boezem met zijn groote opper- 
vlakte van boezemlanden (zie pag. 309) te beperken, door alle lage 
iDoezemlanden in te polderen. Volgens Brunings en Galand zouden 
<ie voordeden daarvan hierin bestaan, dat de afstrooming geleidelijk 
kon geschieden, terwijl de stand van het water op den aldus inge- 
<lijkten boezem hooger kon worden gehouden voor de scheepvaart. 

Dit plan evenwel had groote bezwaren, daar de boezemlanden 
-dan niet meer overstroomd zouden worden, ên dus de bemesting door 
het water zouden missen. Dat dit laatste geen gunstig onthaal vond 
bij het bestuur der provincie, valt te begrijpen 2). 

§ 7. GESCHIEDENIS VAN HET WATERSCHAP OOST- EN 
WEST-DONGERADEEL. 

Reeds zeiden wij op pag. 305, dat bijna geheel Friesland afwatert 
op de grooten Frieschen boezem, alleen het waterschap Oost- en 

IX. Rapport van de Commissie uit de Staten, bestaande uit de beeren J. 
Kingma, J. JE. A. van Panbuys, J. S. Bokma, P. K. Bakker en Herman 
Albada, omtrent rapport VI, uitgebracbt 9 Nov. 1869. 

X. Memorie over den toestand van den binnenlandschen waterstaat derpro- 
-vincie Friesland van 31 sten Oct. 1870, opgemaakt door den Inspecteur en den 
Hooffl-Inspectear van den Waterstaat C. Brunings en P. Galand, met 11 bijla- 
^ea, gedrukt in 1871. 

i) t. a. p., pag. 23. 

2} J. A. Lycklema 4 Nijeholt, Iets over Frieslands waterstaat en landbouw 1871. 



Digitized by 



Google 



332 

West-Dongeradeel uitgezonderd. Dit waterschap beslaat een gebied 
in het noord-oosten van Friesland en bestaat uit de polders Oost- 
en West-Dongeradeel. De meeste polders in Friesland hebben hun 
ontstaan te danken aan het verlangen om de laag gelegen landen een 
droge ligging te verschaffen of om uitgeveende plassen droog te 
maken en te doen afwateren op den gemeenschappelijken boezem. 

Niet aldus is het met bovetigenoemden polder gesteld. Door het 
achtereenvolgens verleggen der zeesluis in de Dokkumer Ee en 
het Dokkumerdiep werden Oost- en West-Dongeradeel tot inpolde- 
ring genoodzaakt. 

Nadat Friesland door dijken beveiligd was tegen het geweld der 
zee, en er sluizen waren gelegd zoowel tot het doorlaten van schepen 
als tot loozing van overtollig boezemwater, bleef het laag gelegen 
zuidwestelijke gedeelte van Oost-Dongeradeel met een deel van 
West-Dongeradeel steeds lijdende aan overlast van toevloeiend boe- 
zemwater uit de provincie. 

Vóór het jaar 1580 lag op. een half uur gaans ten westen van 
Dokkum te Damzijl eene sluis, die het water van West-Dongeradeel 
toegang gaf naar de Dokkumer £e, dat langs deze £e door de Oude 
Zijl i), een kwartier ten westen van Dokkum gelegen, op de zee 
loosde. Beneden laatstgenoemde sluis toch stond de Dokkumer Ee door 
het Dokkumer Grootdiep in vrije verbinding met deLauwerszee en 
er waren langs genoemd water zware zeedijken aangelegd, waarvan 
de noordelijke zich om Oost- en West-Dongeradeel, de zuidelijke 
zich om Kollumerland boog. Dokkum was dus in dien tijd een 
zeestad, die aan deze ligging haar opkomst te danken had, en 
reeds in 755 bekend was. Door die ligging kon Dokkum in i6oa 
nog de hoofdzetel van het zeewezen en van 's lands werven worden. 

Zoo werden Oost- en West-Dongeradeel aan de zuid-, oost-, en 
noordzijde door zeedijken ingesloten. Aan de westzijde vormde de 
hoog gelegen rug van Oudezijl naar Holwerd zich uitstrekkend gedeel- 
telijk een natuurlijke beveiliging tegen het binnenwater van Friesland. 



i) Foeke Sjoerds. Algemeene beschrijving van Oud- en Nieuiw -Friesland I, 
pag. 227. 



Digitized by 



Google 



333 

Slechts bij zeer hooge standen van het binnenwater vloeide het 
hierover naar West-Dongeradeel. 

In dien tijd loosde het aldus afgesloten gebied van Oost- en 
West-Dongeradeel het overtollig water door drie sluizen op zee: 
bij Pesens aan het noordelijk einde van een watertje van dien 
naam, (ook Donger geheeten, waarnaar de namen Oost- en West- 
Dongeradeet) i), in het N.-O. deel bij Ezumazijl door een sluis 
175 M. noordelijker dan de tegenwoordige, en door eein sluis onder 
Oosirum, die van het Z.-O. land het water op het toen nog vrij 
met de zee verbonden Cxrootdiep bracht. 

In 1580 werd genoemde Damzijl afgedamd en later, in 1600, de 
Oudezijl tot binnen Dokkum verlegd. West-Dongeradeel kon hierdoor 
niet meer op de Ee afwateren, en het gedeelte der Ee boven Dok- 
kum werd van de vrije verbinding met de zee afgesloten. Hierdoor 
hadden de zeedijken langs genoemd water boven Dokkum ook niet 
meer de beteekenis van vroeger, en zij schijnen verlaagd te zijn. 
Een gevolg hiervan was, dat Oost- en West-Dongeradeel langs dien 
weg hoe langer hoe meer last kregen van het water uit de pro- 
vincie. Daarbij kwam nog, dat door de aanslibbing in de Wadden 
<le sluis te Pesens werd afgesloten en eindelijk afgedamd moest 
worden. Het juiste jaar, wanneer dit geschiedde, is niet bekend. Zoo 
bleven er slechts twee sluizen tot uitwatering van Oost- en West- 
Dongeradeel over, die te Ezumazijl en te Oostrum, welke beide 
gebrekkig waren. Daarom werd in 1666 voorgesteld en in 1672 
besloten een nieuwe en betere sluis te bouwen in plaats van de 
beide bestaande. Zoo werd in 1672 de thans nog bestaande ^;?f/f»tf- 
zijl gebouwd, en door een kanaal werd nu de uitwatering, welke 
vroeger te Oostrum geschiedde, hierheen geleid. Aldus was de Ezuma- 
zijl de eenige afwateringsluis van Oost- en West-Dongeradeel 
geworden. 

In 1729 werd ook het Grootdiep afgesloten door de sluizen de 
Dokkumerzijlen. Hierdoor werd Dokkum geheel een binnenstad, 
-en de dijken beneden Dokkum hielden op zeedijken te zijn. Van 

i) Foeke Sjocrds, Algemeene beschrijving van Oud- en Nieuw-Friesland, I, 
pag. 238. 



Digitized by 



Google 



334 

tijd tot tijd werden die dijken verlaagd of geslecht, en hierdoor 
kwam ook Oost-Dongeradeel met het boezemwater der provincie 
meer en meer in aanraking. Hiertegen wendde het echter verschillende 
middelen aan, het sloot o. a. de Pesens af door een skiis enz.^ 
en tusschen het lager gelegen Oost-Dongeradeel en het hooger gelegen 
West-Dongeraded ontstonden langdurige geschillen over de rechten 
van afwatering. Eerst in 1820 kwam er eene regeling tot stand. 
Hierbij werd besloten om het water uit de provincie door het aan- 
leggen van een dijk af te sluiten en de verbindingswateren te 
stoppen. Zoö ontstond de inpoldering van Oost- en West-Dongeradeel 
In 182 1 werd die inpoldering tot stand gebracht. Het nut dier be- 
dijking bleek reeds in 1825, toen bij doorbraak van vele zeedijken 
in Friesland het water door den polderdijk van Oost- en West- 
Dongeradeel werd gekeerd, i) 

De oppervlakte lands van dit waterschap bedraagt ii48<>' 
H. A. waarvan 6601 H. A., in Oost- en 4888 H. A. in West- 
Dongeradeel. 

De Pesens^ oudtijds Danger geheeten, die van het dorp van 
dien naam naar het zuiden kronkelt, vormt met zijne waterkeeringen^ 
de scheiding van Oost- en West-Dongeradeel. Het zomerpeil van 
Oost-Dongeradeel is 1,08 M. — A.P. en dat van het hooger gele- 
gen West-Dongeradeel 0,33 M. — A.P. De Pesens ligt gemeen 
met het polderwater van West-Dongeradeel. West-Dongeradeel 
loost zijn water deels op Oost-Dongeradeel en tevens op Frieslands 
boezem. Oost-Dongeradeel loost op de Lauwerszee door de Ezumazijl^ 
eene uitwaterings- en schutsluis aan het einde der Zuider Ee. 

Eenige polders liggen nog langs de zee, die niet tot genoemd 
waterschap behooren. Zij zijn: de Holwerder Ooster- en ]^f ester- 
polders, bedijkt in 1580; de Temaar derpolder, bedijkt in 1590; de 
Anjumer* en Lioessenspolder, bedijkt in 1592; de Buitenlanden 
onder Engwierum bij de Nieuwezijleu, bedijkt in 1729-, en A^Eng- 
wierumer polder^ bedijkt in 1752. 



i) Zie A. O. van den Santheuvel, Het waterschap Oost- en West-DongeradeeU 
(Vcrh. Kon. Inst. v. Ing. 1876—77, pog. 8.'^ 



Digitized by 



Google 



335 

§ 8. GESCHIEDEKIS VAN DE LAUWERS EN DE LAUWERSZEE. 

A. Hare horizontale uitbreiding. 

De breede inham van de Wadden, die tusschen Groningen en 
Friesland zich naar het zuiden uitstrekt, wordt de Lauwerszee ge- 
noemd, een tegenhanger van de vroegere Middelzee. Evenals de 
Wadden is ook dit water eene herovering van de zee op het land. 
Aanvankelijk zal dit land zeer zeker ondiep met water bedekt zijn 
geweest, zoodat zich in deze streken eene laagveenformatie kon vormen, 
die evenwel door eene waarschijnlijke latere rijzing der zee ten op- 
zichte van het land, bij hooger waterstanden en verwijding der 
zeegaten in de duinenrij, werd weggeslagen. Niet in eens had dit 
proces der landafneming plaats. Terwijl hooge watervloeden den weg 
baanden voor de zee, ging de gewone golfslag, van tijd tot tijd 
versterkt door stormen, het verdere doen. Zoo was het land der 
Wadden in den tijd der Romeinen reeds weggeslagen ; zij noemden dit 
gebied Mare Vadosa of Vada, en ondervonden niet zelden het gevaar- 
lijke van deze doorwaadbare maar tevens onbevaarbare slikgronden. 

In den aanvang onzer jaartelling was de Lauwerszee waarschijnlijk 
nog niet in den tegenwoordigen omvang aanwezig. Een gedeelte 
der kust van Kolluromerland, en wel bepaaldelijk die van Nieuw- 
Kniisland, moet zich destijds noordwaarts aanzienlijk verder hebben 
uitgestrekt, ongeveer tot de breedte van het tegenwoordige Ezuma- 
zijl, terwijl het eiland Schiermonnikoog aan de zuidzijde een gfooter 
uitgebreidheid zal hebben gehad. 

Van het zuiden stroomde hier het riviertje de Lauwers nagenoeg 
in dezelfde richting als thans naar het noorden. Uit het oosten 
ontving de Lauwers nog het water van de Hunze uit Drente en 
Groningen in het oostelijk deel der tegenwoordige Lauwerszee. Zoo- 
vereenigd liep de Lauwers door de lage, moerassige platen der Wad- 
den naar het noorden en mondde ten oosten van het tegenwoordige 
eiland Schiermonnikoog in zee. Deze vroegere, nu bijna verzande 
monding, behield nog lang den naam van Oude Lauwers, 



Digitized by 



Google 



336 

De Dokkummer £e liep langs een zelfstandige geul door den bodem 
der tegenwoordige Lauwerszee en de Wadden, en bereikte ten westen 
van Schiermonnikoog de zee. Eerst later schijnt dit water zich met 
de Lauwers vereenigd te hebben. De uitmonding van de Ee komt 
in de i$^^ en i6**« eeuw voor onder den naam van Schülhalch. 
Thans ligt het Friesche Gat nagenoeg op deze plaats. 

In het midden der tegenwoordige Lauwerszee strekte zich 
omstreeks den aanvang van onze tijdrekening zeer waarschijnlijk 
ten noorden van Nieuw Kruisland een landtong naar het noorden 
uit tusschen de stroomende wateren van de Hunze in het oosten en 
de Dokkumer Ee in het westen. Tegenwoordig vindt men hier on- 
geveer de Blikplaat in de Lauwerszee. Aan beide zijden strekten 
Groningen en Friesland zich met een voorland buiten de tegen- 
woordige dijken naar de geulen van Hunze en Ee uit. Hierop lag 
aan de Friesche zijde de oude, later verdwenen stad Eztim of 
Ezonstad^ waarvan Ezumazijl de naam bewaart. 

Het tegenwoordig weinig beteekenende watertje de Lauwers wordt 
door verschillende schrijvers i) in de oudheid als eene belangrijke 
rivier beschouwd. Of de Lauwers dit werkelijk zal geweest zijn, 
meenen wij te moeten betwijfelen, daar voor eene rivier een voe- 
dingsgebied moet bestaan, terwijl niets op een dergelijk aanzienlijk 
voedingsgebied alhier wijst. Of het moet zijn, dat alleen de monding 
der Lauwers eene aanzienlijke breedte had, niet als riviermond, doch 
als getijdenwater, als een geul, misschien langs het riviertje ge- 
vormd, door afslag des lands verbreed, en die door den oploopen- 
den vloedstroom en de afioopende ebstroom opengehouden werd. 
De schrijvers vereenzelvigden de getijdengeul met het riviertje. Dit 
getijdenwater dan, door het water der Hunze en der Lauwers ver- 
sterkt, kronkelde door de moerassige Waddenlanden, waar thans 
oog geulen in die richting bestaan. 

De geschiedenis van het ontstaan der Lauwerszee is die der uit- 
breiding van genoemd getijdenwater. Niet in eens, doch langzaam 



i) Alting, Hist. Lofrede, pag. 92 van het bijvoegsel, zegt, „dat hij oudtijds 
groote schepen ver landwaarts konde dragen." 



Digitized by 



Google 



337 

De tegenwoordige Lauwerszee en hare vroegere uitbreiding 

volgens ANDREiE. 



Vermoedelijke zuidelijke boezemlijn tusschen de 8e en iide eeuw. 

— . Vermoedelijke grens der Frie che en Groninger kusten vóór de water- 
vloeden in de 13de eeuw. 
•fMifiifVf Tegenwoordige buitendijken. 



Vroegere buitendijken. 



II 22 



Digitized by 



Google 



33» 

had die uitbreiding plaats. Stormen en hoogwaterstanden gaven van 
tijd tot tijd een grootere uitbreiding aan dezen inham. Even- 
wel de geschiedenis dier uitbreiding is niet nauwkeurig na te gaan. 
Andreas i) zegt, >dat met genoegzamen grond aan te nemen is, dat 
zij omstreeks de io<*« of ii<*« eeuw hare grootste uitgebreidheid in 
zuidelijke richting heeft gehad, terwijl zij eerst later door opvolgende 
stormvloeden meer in de breedte is toegenomen, vooral, naar het 
schijnt, door de vloeden der 13^® eeuwt. Bovenal de verwijding der 
gaten in de duinen zal tot de verwijding der Lauwerszee medege- 
werkt hebben, omdat een groote toevoer van zeewater met noorden- 
winden hiervan het gevolg was. 

In de io<le en ride eeuw, toen de Lauwerszee hare grootste uit- 
gebreidheid naar de zuidzijde had, strekte zij zich uit tot de hoogte 
van het dorp Gerkesklooster in Achtkarspelen. Hare wateren be- 
dekten niet alleen de later ingedijkte landen van Burummerland 
(waarvan een deel nog de Keegen 2) wordt genoemd) en het Nieuw- 
Kruisland, maar bovendien een gedeelte van Achtkarspelen, hetwelk 
nog heden ten dage als het Uitland bekend is, alsmede de vrucht- 
bare landstreek de Waarden in het Westerkwartier van Groningen. 

De watervloed van 1230 heeft waarschijnlijk aan de Friesche 
kust in het noorden van de Lauwerszee een groote strook lands 
vernield, en het 339 n. Chr. gestichte Ëzum, een destijds bloeiende 
plaats, ging hierbij geheel ten gronde. 3) 

De grenzen van de Lauwerszee werden, sedert men dijken aan- 
legde, meer bepaald- Werd hierdoor de uitbreiding van het water 
tegengegaan, tenzij overstroomingen de dijken vernielden, ook ging 
men verder, door gedeelten van het water, die voldoende waren dicht- 
geslibd, in te dijken en tot droog land te maken. 

De oudste dijken langs de Lauwerszee, die het verder indringen 
van de golven hebben belet, dagteekenen waarschijnlijk uit de ude 
eeuw. Sporen hiervan treft men nog aan van Dokkum zuidwaarts 

1 ) A. J. Andreae. De Lauwerszee, nagespoord in hare wording, haren omvang 
en verschillende bedijkingen. 1881, pag. 8. 

2) Keeg (oudt. Ka^) of Koog beteekent aangespoeld land. 

3) Andreae t. a. p. pag. 10. 



Digitized by 



Google 



339 

laogs de £e, langs KoUum, Buitenpost, ten noorden van Gerkes- 
klooster naar de Lauwers en aan de oostzijde van dit riviertje langs 
de Westerhorn, Grijpskerk, Niezijl en Oldehove, langs deHunzetot 
Groningen. Later ging men verder en won land aan door bedijking. 
Vermoedelijk in de 13de eeuw legde men dijken aan van Kollum 
naar Burum en van Grijpskerk langs Visvliet, beide naar de Lau- 
wers, waar zij door middel van den Schalkedam zullen zijn ver- 
eenigd. 

Belangrijk was de aanleg eener zeewering van ter Luine in Kol- 
lummerland, oostwaarts in aansluiting met den Langewoldsterdijk, die 
de stichting der Kollummer- en Lambers of Pieterzijlen tengevolge 
had. Zonder twijfel werd dit werk in de i4(le eeuw tot stand ge- 
bracht; waarschijnlijk omstreeks 13 15. Nadat men vervolgens het 
Oech onder Burum met een dijk had omgeven, werd omstreeks 
147 1 van den noordoosthoek dezer zeewering een dijk aangelegd, 
waardoor de Ruigewaarden aan • zee werden ontwoekerd, en waarin 
de tegenwoordige Munnekezijl werd aangelegd. Van 1529 tot 1542 
werd het Kruisland in KoUummerland ingedijkt, terwijl later in 1660 
de Noorderwaard en in 1795 het Ruigezand in de provincie Gro- 
jiingen werden aangewonnen door bedijking. Behalve in het zuiden 
hadden ook aan beide zijden der Lauwerszee, zoowel in Friesland als 
in Groningen, indijkingen plaats, hoewel minder aanzienlijk. Evenwel 
belangrijk waren de afsluitingen van het Dokkummerdiep in 1729 
en van het Reitdiep in 1877, waardoor vele H.A. aan de vloeden 
werden onttrokken, i) Sedert de 13de eeuw zijn om de Lauwerszee 
=t 14500 H.A. lands door bedijking gewonnen. 2) 

Plannen om de geheele Lauwerszee door een dijk van de Wad- 
den af te sluiten en in te dijken zijn van tijd tot tijd ontworpen. 
Een dergelijk plan werd in 1849 door den Rijks-Ingenieur van Dig- 
gelen gevormd, die in eene beschrijving het nut betoogde en de 
middelen aanwees om de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerszee 



i) Andreae t. a. p. pag. 80. 
2) Andrese U a* p. pag. 154. 



Digitized by 



Google 



340 

droog te maken, i) Evenwel reeds twee jaren te voren waren door 
F. Groet en daarna door H. V. Geerligs concessies aangevraagd 
om de Lauwerszee door verbinding van Schiermonnikoog ten 
oosten met Groningen en ten westen met Friesland droog te maken 
en te ontginnen. Noch de Rijkswaterstaat, noch de Staten van 
Friesland keurden deze plannen goed. De nadeelen, welke men 
vermoedde dat voor Frieslands waterloozing hieruit zouden voort^ 
vloeien, alsmede de vermeende onvruchtbaarheid der in te dijken 
gronden, gaven aanleiding tot deze beslissing. De Staten van Gronin- 
gen waren evenwel van een juist tegengesteld gevoelen, zoowel 
wat betreft de waterloozing als de gesteldheid der gronden. Eene 
Rijkscommissie onderzocht een en ander in 1850, en deze achtte 
in haar verslag van 9 Nov. de uitvoering van het werk geheel on- 
raadzaam en financieel onmogelijk. Van de 29690 H.A., die zouden 
worden ingedijkt, bleek, dat 22000 H.A. zonder waarde was, terwijl 
er slechts 7690 H.A. bruikbare grond overbleven. Eene bedijking 
op kleine schaal evenwel zou vruchtbaar kunnen zijn en eene nieuw 
ingestelde Rijkscommissie bracht hierover 26 Juni 1853 een verslag 



i) P. P. G. V. Diggelen, De Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwers- 
zee, hare bedijking en droogmaking beschouwd. 1849. 

Als verdere litteratuur over dit onderwerp gebruikten wij : 

Verslag der Commissie benoemd bij Z. M. besluit van 9 Nov. 1849 ter onder- 
zoeking van het ontwerp tot indijking der Lauwerszee, waarvoor coneessie is ge- 
vraagd door F. Groet en later door H. V. Geerligs. 1851. 

Gemeenschappelijk rapport en voorstel der samengestelde Conmiissie uit de 
Staten der prov. Friesland en Groningen in zake inpoldering der Lauwerszee, 1854. 

Stukken betreffende het nader verslag, uitgebracht door de Staatscommissie 
tot onderzoek en overweging der doelmatigheid en uitvoerbaarheid der indijking 
van de Lauwerszee. 1853. 

Mr. A. J. V. Roijen, De voordeelen van de geprojecteerde inpoldering van 
een gedeelte der Lauwerszee. 1853. 

De Lauwerszee. Friesche Courant 26 Juli 1855 enz. 

De Lauwerszee. Friesch Volksblad 8 Aug. 1855 enz. 

Mr. C. J. van der Veen, Redevoering in de Staten van Friesland van 8 Mei 
1854, betrekkelijk het door de gewezen Rijkscommissie voorgestelde plan van 
gedeeltelijke bedijking der Lauwerszee. (Bijv. Leeuwarder Couraat 2 Juni 1854). 



Digitized by 



Google 



341 

uit, waarin werd voorgesteld >om de Lauwerszee af te sluiten, niet 
in eene rechte lijn, die zoude getrokken worden tusschen den hoek 
van den Band of Oostmahom en Vierhuizen of Zoutkamp, maar 
langs den zuidelijken band van het Reitdiep buitenst. Zoutkamp.» 
Deze richting werd gekozen om de weinige waarde der gronden buiten 
die lijn. Bij de Staten van Groningen vond dit plan bijval, doch 
in Friesland stuitte het op hevige tegenkanting en in eene buiten- 
gewone zitting der Staten van Friesland, 8 Mei 1854, verklaarde 
zich de meerderheid hier tegen. Het plan werd nu voorloopig ter 
zijde gelegd, doch de afdamming van het Reitdiep kwam tot stand. 
Wel werd de droogmaking nog weder te berde gebracht en ook 
maakt zij deel uit van de groote plannen tot droogmaking der 
Zuiderzee, waartoe de Zuiderzee-Vereeniging onderzoekingen instelt, 
doch of de uitvoering in de eerste eeuw zal tot stand komen, is 
zeer twijfelachtig. 

B. Geschiedenis der natuurlijke gesteldheid van de Lauwerszee, 

Hebben de grenzen van de Lauwerszee in den loop der tijden 
groote veranderingen ondergaan, zoodat de horizontale uitbreiding 
van dat water eene belangrijke geschiedenis heeft, ook heeft de na- 
tuurlijke gesteldheid dezer watervlakte zich gedtu'ende historischen 
tijd gewijzigd in verticalen vorm. 

Uit gemis aan waarnemingen is er omtrent de diepte der Lauwers- 
zee in de oudste tijden niets te zeggen. De oudste zeekaarten, 
waarop eenigszins te vertrouwen valt, zooals de zeekaart van Hulst 
van Keulen en die van Schotanus in 17 18 vervaardigd, i) beelden 
de I^auwerszee bij laagwater af als grootendeels droog land, met uit- 
zondering van de uitwateringsgeulen van Oostdongeradeel, Friesland, 
en Groningen. Dezelfde geulen van toen vindt men ook thans nog 
in den Lauwerszee-bodem. 



i) Nieuwe groote lichtende zeefakkel. 1714. (Kaart van de Zuiderzee met al 
deszelfs inkomende gaaten, sooals die op 't zekerst kunnen bezeilt worden, met 
ondiepten enz. 

B. Schotanus è Stéringa. UitbeekUnge der Heerlijkheit Friesland. 1718. 



Digitized by 



Google 



342 

Evenwel uit eene vergelijking van bovengenoemde kaart met de 
tegenwoordige hydrographische kaarten blijkt, dat zij sedert dien 
lijd in vorm en ligging veranderd zijn. 

De vaargeulen der Lauwerszee in het begin der achttiende 
eeuw na af damming van het Dokkummer Grootdiep. 



Bij het Dokkummer Grootdiep is de verandering misschien het 
grootst. Tegenwoordig is dat diep een smalle, lange, bochtige geul 
die zich buiten de Nieuwe Zijlen bijna onmiddellijk naar het noorden 
heeft omgebogen. (Zie de kaart pag. 337). Voor schepen is die geul 
zelfs moeielijk te bevaren. Doch in 17 18 liep hetzelfde diep van de 
sluis te Dokkum zich regelmatig verwijdend recht naar zee, om 
zich ongeveer 4000 M. ten noordoosten van Ezumazijl met de Slenk 
van van het Reitdiep te vereenigen, en met deze op ± 2500 M. 
noord-oostelijk van Oostmahom in het Friesche Gat uit te storten 

De geul van Ezumazijl was ruimer en regelmatiger van vorm. 
De Slenk d.i. de geul waardoor het Reitdiep ofdeHunze in de Lau- 
werszee liep, naderde de Friesche kust niet dichter dan op ^ 1600 



Digitized by 



Google 



343 

M. ten O. van Oostmahorn, zoodat deze plaats met laagwater 
niet voor schepen te bereiken was. 

Volgens de hydrographische kaart van 1874 i) vindt men tegen- 
i¥Oordig eene belangrijke geul in de Lauwerszee, ter breedte van 
200 M. op laagwater en =^ 24 d.M. beneden laagwater diep, welke 
van de afdamming van het Reitdiep bij Zoutkamp in de rich- 
ting van Oostmahorn voortloopt, en zich trechtervormig in breedte 
en diepte verwijdt. Hierin loopen van de Nieuwe en Ezumazijlen 
smalle bochtige geulen uit, bij laagwater 20 k 40 M. breed en 12 
tot 30 d.M. diep. Waar Schotanus ten oosten van Oostmahorn met 
iaagwater eene 1600 M. breede droogte aantoont, wordt thans bij 
laagwater 28 k 53 d.M. water gevonden; de dieptegeul heeft hier 
zich naar de kust verplaatst. Eveneens heeft er ten N.0. van den 
Anjummer- en Lioessenspolder sedert het begin der i8de eeuw afne- 
ming van land plaats gehad. (Zie de kaart op pag. 337). 

De vraag, of deze verplaatsing der geulen in de Lauwerszee aan 
een bekende oorzaak valt toe te schrijven,, is zeker gerechtvaardigd. 
De geulen in de ondiepe watervlakten zijn meestal een gevolg 
van stroomen, die dat gedeelte des waters voor aanslibbing bewaar- 
den, zoodat er een geul overbleef, of die zelf in den bodem een geul 
erodeerden. Deze stroomen kunnen een gevolg zijn van de werking 
der getijden, van de uitmonding der rivieren, of van beide te zamen. 
• Wat de rivieren betreft, of liever de waterloozingen op de Lau- 
werszee, zien wij, dat hier vroeger de Dokkummer Ee, het Reit- 
diep en de Lauwers in uitmondden. De beide eerste van deze 
wateren bezaten het grootste afvoervermogen uit zich zelve, en wel 
bovenal het Reitdiep voerde het meeste water af. 

Vóór 1729 was het Dokkummerdiep beneden Dokkum een open 
water, waar de vloed van de Lauwerszee binnenliep tot Dokkum, 
en de eb met het afstroomingswater, dat op de Ee loosde, een 
krachtigen stroom naar de Lauwerszee vormde. Hierdoor werd er in 
de Lauwerszee voor de uitmonding een diepe geul gevormd en bewaard. 



i) Kaart van het Friesche zeegat .en een gedeelte der Wadden, opgenomen 
in 1873 en 1874 door P. J. Buyskes en T. E. de Brauw. 



Digitized by 



Google 



344 

Op dezelfde wijze werkte het Reitdiep. Ook hier liq[) het vloed- 
water op tot Groningen en zel& verder, en versterkt met het land- 
water der Drentsche en Groningsche riviertjes stroomde het als een 
krachtige ebstroom periodiek terug. Deze beide wateren, die zich in 
de Lauwerszee ontlastten, bewaarden ieder een geul vóór de uitmon- 
ding, liepen op elkander toe in een N.0. en N.W. richting, om 
ongeveer het midden elkander te ontmoeten, en als één geul naar 
het noorden te loopen. Een naar het noorden spits toeloopende en 
naar het zuiden verbreedende ondiepte of plaat, de Blikplaat, lag 
daartusschen. (Zie de fig. op pag. 342). 

Wij wezen er reeds vroeger op (zie I, pag. 425), hoe bij de aan- 
slibbing in breede wateren de diepste geulen daar bewaard worden, 
waar de stroom het snelst is, terwijl de krachtige stroomen de klei- 
nere verdringen. Zoo was het ook hier. Het landwater uit Friesland 
door de £e afgevoerd naar Dokkum was betrekkelijk gering en stroomde 
in droge tijden langzaam of geheel niet. Daarbij kwam, dat het Reit- 
diep een veel omvangrijker, ruim 3 maal zoo groot bekken vormde voor 
het opnemen van vloedwater als het Dokkummer Grootdiep. Een 
gevolg hiervan was, dat de afstrooming bij het Reitdiep veel krach- 
tiger was, en dat nabij en in het Dokkummer Grootdiep door dien 
zwakken stroom aanslibbing volgde. Tusschen de dijken, die bij 
Dokkum 125 M. en bij Engwierum ongeveer 2000 M. van elkander 
lagen, had dan ook weldra de vorming van kostbaar kleiland 
plaats, waarin het Dokkummerdiep als een kronkelende uitwaterings- 
geul achterbleef, i) Deze aanslibbing heette het Dokkummer slijk. 

Reeds in 1584 werd het plan geopperd, het Dokkummerdiep aan 
den mond af te sluiten, 2) waaraan echter geen uitvoering gegeven 
werd. Bij eene resolutie van 27 Juni 1638 besloten de Staten om 
>het slijck bij Dokkum met den aanwas" enz. tot indijking te ver- 
koopen 3) en eene opmeting van het slijk geschiedde. 



i) S. J. Vermaes. De Lauwerszee en hare geulen in verband met den water- 
staat van Friesland 1879. 

2) Charterboek van Friesland. Dl. IV, pag. 456. 

3) , „ V, „ 445. . 



Digitized by 



Google 



345 

Door een proces tusschen de Staten en de personen, die recht 
op den aanwas meenden te hebben, bleef de zaak hangende. Bovenal 
door de gebrekkige waterloozing van Oost-Dongeradeel kwamen 
er van tijd tot tijd vele klachten, waarin op verbetering van den 
toestand werd aangedrongen. De stormvloeden in den aanvang 
der I^^ eeuw, en vooral die van het jaar 1717, deden de behoefte 
aan a&luiting van het Dokkummer diep algemeen gevoelen, en 
door het kwartier Oostergoo werd aan de Staten het voorstel ge* 
daan f tot bedtjking van het land buitendijks aan het Dokkummer 
diep en genoemd het Dokkummer Slyck," waarbij de groote voor- 
deelen, welke men daarvan verwachtte, werden uiteengezet. Bij on- 
derzoeking van dit plan schijnt Dokkum, dat vreesde voor spoedi- 
ger dichtslibbing van het Dokkummer diep, zich tegen eene afslui- 
ting verzet te hebben, maar eindelijk werd er toch toe besloten, en 
in 1729 werd het werk voltooid, i) 

Door die afdamming van het Dokkummer Grootdiep werd het vloed- 
water reeds bij de afdamming tot rust gebracht, en bij eb ontstond 
er geen stroom meer uit dat diep, om een geul open te houden. 
Buiten de sluis nam dan ook reeds spoedig de aanslibbing zoodanig 
toe, dat in 1752 de Engwierummer polder werd ingedijkt. Ook de 
buitengeul van het Dokkummer diep vernauwde daarop en behield 
afmetingen evenredig aan het vermogen van het af te voeren land- 
water van Friesland door de Nieuwe zijlen. Doch daar hetstroom- 
vermogen van het Dokkummer diep verminderd was, drong de stroom 
van het Reitdiep, hierdoor niet langer tegengehouden, meer naar 
de Friesche kust, en verlegde ook de geul in die richting. 

Evenwel werd later ook het Reitdiep afgedamd en thans wordt 
het water niet uit Groningen meer naar de Lauwerszee gevoerd. 
Dat dit invloed zal uitoefenen op de plaats der geulen in de 
Lauwerszee, dat ook zij meer en meer zullen dichtslibben, is zeer 
waarschijnlijk. Welke de gevolgen thans reeds zijn, kunnen wij niet 
zeggen uit gemis aan gegevens. 



i) Zie Andrese, De ÜAuwerszee pag. 73. 



Digitized by 



Google 



346 
C. Het Drentsche— Groningsche Noordzeegebied. 

f I. ALGEMEEN OVERZICHT DER ORO-HYDROGRAPHISCHE GESTELDHEID. 

Wij hebben reeds op pag. 256 enz. de natuurlijke grens tusschen 
het Overijselsche — Drentsche Zuiderzeegebied en het Drentsche — 
Groningsche Noordzeegebied aangewezen. Deze grens loopt in 
•een lijn op ongeveer 3 K. M. afstand ten noorden van het Oranje- 
kanaal en hiermede evenwijdig. Ten Z. van Assen zou de natuur- 
lijke waterscheiding ongeveer midden tusschen deze plaats en het 
Oranje kanaal door naar het westen loopen. Evenwel is door het 
graven van de Drentsche hoofdvaart hier de grens kunstmatig naar 
het noorden verplaatst tot Assen, dat thans ligt op het pand der 
waterscheiding van het Noordwillemskanaal, dat naar het noorden, 
en de Drentsche hoofdvaart, die naar het zuiden afwatert. 

De hoogte dezer lijn van waterscheiding bedraagt in het zuid- 
oosten bij Nieuw Dordrecht 23 M. -f- A. P., te Ëmmen 22 M., ten 
westen van Odoom 19 M., in de Marke van Elp 19 M., in de 
Marke van Zwiggelte en Hooghalen 15 M., te Smilde 15 M., te 
Assen 10 M. en ten westen van Assen 10 è. 12 M. + A. P. 

Wanneer men van de stad Groningen een lijn over Winschoten 
trekt, dan vormt deze ongeveer de noordelijke grens der hoogere 
gronden van dit gebied. Ten noorden van die lijn liggen terreinen, 
<wij geven hier geenszins nauwkeurig de grens aan doch algemeen) 
welke meest alle lager dan i M. + A. P. zijn, alleen de hooge 
zoom van jongbedijkte landen langs de Wadden ui^zonderd, die 
op enkele plaatsen hooger ligt, o. a. tot 2 M. + A. P. Ten zuiden 
van genoemde lijn nu ligt een oneffen terrein, waar zand- en grint- 
gronden, op enkele plaatsen nog met hooge venen, de overblijfselen 
van grootere hooge venen, bedekt, aan de oppervlakte liggen. 
Kleine stroompjes vormden vroeger de natuurlijke waterloozings- 
middelen van dit terrein. Zij stroomen door breedere geulen in 
de diluviale zandgronden, welke' voor een gedeelte met moeras- 
veen en eenige beekbezinking zijn aangevuld, waarin de stroompjes 



Digitized by 



Google 



347 

liun zomerbedding hebben bewaard, doch welke formaties in den 
winter of bij hoogwater nog tot stroombedding moeten dienen. 

De algemeene terreinhelling van dit zuidelijke gedeelte leeren wij 
tiit het volgende hoogte-cijfers kennen. 

Ten westen van Assen in de kolonie Veen en Veld bedraagt de 
fioogte ongever ii M. -f A. P. en in de omstreken van Oldekerk 
aan het Gaspar Robles diep in Groningen, op een afstand van ± 
25 K, M. ten noorden hiervan, is de hoogte = A. P., dat is 0,44 M. 
verhang des bodems per K.. M. Ten oosten van Emmen, halfweg 
tusschen deze plaats en de rijksgrens, zal de hoogte ± 20 M. 
4- A. P. bedragen, en in een rechte lijn naar het noorden gaande 
komt men te Winschoten, waar de bodem in de omstreken onge- 
veer = A. P. is. De rechte afstand zal ongeveer 40 K. M. bedra- 
gen, hetwelk een verhang geeft van 0,5 M. per K. M. Als abso- 
luut juist mag men deze cijfers niet beschouwen, daar de terreinen 
golvend zijn en de opgaven slechts voor enkele bepaalde punten 
de hoogte aanwijzen, die zeker meer of minder verschillen met de 
daarnaast gelegene. Wij bemerken echter uit die cijfers eene vrij 
regelmatige daling tot genoemde lijn Groningen — ^Winschoten naar 
Tiet noorden. 

Beschouwen wij thans het land ten noorden van genoemde lijn. 
Eene lijn van Groningen naar het westen getrokken kan men, zonder 
groote onnauwkeurigheden te begaan^ beschouwen als te liggen 
= A. P. Gaan wij nu van Groningen recht naar het noorden, dan 
Icomen wij aan de kust in den Noordpolder, waarvoor op de 
waterstaatskaart het hoogste terrein is aangegeven als 2,25 M. 
4- A. P. In deze aangeslibde gronden verschilt de hoogte der 
terreinen wel een weinig, doch niet veel. Hoogten van 2 M. + A. P., 
-enkele een weinig daar beneden of daar boven, vinden wij in de 
jongst bedijkte landen langs de kust veel. Wil men deze hoogte nu als 
gemiddelde nemen, dan vindt men bij Groningen op een afstand 
van ± 22 K. M. een zachte rijzing der bodems naar het noorden 
van 2 M., d. i. ongeveer 0,09 M. per K. M. Wij zien dus, dat 
te Groningen en ten westen van deze stad twee verschillend hel- 
lende vlakken samenkomen, waarvan het zuidelijkste, dat het sterkst 



Digitized by 



Google 



34» 

helt, naar het noorden afdaalt en het noordelijke naar het zuide» 
afloopt. 

Ten oosten van Groningen loopt de lijn = A. P. ongeveer in- 
rechte lijn naar Winschoten. Ten noorden van die lijn, ongeveer 
tot de lijn Groningen — Delfzijl, ligt een driehoekig gebied dat 
lager is, en als met een spits in het land doordringt. De water- 
staatskaart geeft hier als hoogte aan i M. — A. P. op zijn 
laagst, doch meest tusschen i M. — A. P. en = A. P. Alleen 
langs de kust vindt men ook hier voor een smalle strook een hoogte 
boven A. P., meestal 0,50 M. -r A. P., en ten oosten van Termun- 
terzijl 0,70 k 0,80 M. + A. P. Men bemerkt hier aldus eene- 
merkwaardige kom van = A. P. tot i M. — A. P,, ongeveer in- 
gesloten door de rechte lijnen die Groningen, Winschoten, Ter- 
munterzijl en Delfieijl verbinden. Langs de Ëems sluit een smalle 
rand, die ^ 0,75 M. hooger ligt, deze kom af. Evenwel is die af- 
sluiting van jongeren datum en bestaat uit de jongst ingepolderde 
landen, zoodat zij vroeger niet bestond. 

Ten oosten van de lijn Winschoten — Termunterzijl geeft de al- 
gemeene hoogtekaart naar die van Staring ten onrechte terreinen 
aan beneden A. P. gelegen. De lijn van Winschoten recht naar 
het oosten ligt ongeveer — A. P. De terreinen van de polders^ 
onmiddellijk ten zuiden van den DoUart liggen meestal 1,5 M. + 
A. P. (Reiderwolder polder); op enkele plaatsen 1,9 M. + A, P. 
Op een afstand van ± 10 K. M. vindt men hier dus eene rijzing^ 
van 1,5 M., d. i. 0,15 M. per K. M. Ten oosten van Winschoten 
komt het terrein aldus met dat bij Groningen overeen. Bij Win- 
schoten evenals bij Groningen (de stad zelf is voor een gedeelte op 
den Hondsrug gebouwd,) bestaan dus natuurlijke kommen in het land. 

De lijn Groningen — Delfzijl ligt ongeveer = A. P. Van hier 
vormt de bodem een langzaam naar het noordwesten oprijzend 
hellend vlak. De polders langs de zee hebben eene hoogte van 
meest 2 M. (de Noordpolder), in het noordoosten van den in* 
1840 ingedijkten Oostpolder zelfs van 2,3 M. + A. P. In zachte 
overgangen is de rijzing van den bodem in die richting waar te 
nemen. De jongst bedijkte landen liggen steeds hooger dan de 



Digitized by 



Google 



349 

inroeger bedijkte. Wordt het gedeelte beneden A. P. ten zuiden 
van de lijn Groningen— Delfzijl slechts door een smallen rand van 
liet buitenwater gescheiden, in het noordelijk gedeelte van Groningen 
langs de Wadden vindt men eene algemeene rijzing desterreins. i) 

Door de bovengestelde algemeene orographische gesteldheid wordt 
ons de hydrographie van het thans te bespreken gebied verklaard. 
Het zuidelijk gedeelte van het Drentsche — Groningsche Noordzee- 
gebied vindt zijn natuurlijke afwatering naar het noorden en wel 
naar het noordwesten op het Reitdiep en de Lauwerszee, naar het 
noordoosten op de Ëems. 

Dit blijkt ook uit de verschillende stroompjes, als de Ruiten-Aa 
en Mussel-Aa die naar het N. O., de Hunze, de Drentsche Aa, het 
Eelderdiep en het Peizerdiep, welke voor eene eeuw hoofdzakelijk 
het water afvoerden naar het N. W. Hoe thans die waterloozing 
-door kunst veranderd is, zien wij bij de bijzondere beschrijving. 

In het noordelijk gedeelte werd door de rijzing des lands de 
richting der wateren gewijzigd. De WesUrwoldsche Aa, die uit 
<le vereeniging van Ruiten Aa en Mussel Aa ontstond, boog zich 
voor den hooger wordenden bodem ten noorden van Winschoten 
oostwaarts om, en bereikte op de Nederlandsche grens den Dollart. 
Het vroegere Reitdiep^ dat de afloozing van de bij Groningen samen- 
komende Drentsche wateren vormde, volgde eerst eene noordelijke 
richting, doch boog zich voor de noordelijk hooger wordende gronden 
om naar het westen, en bereikte aldus de Lauwerszee. Reitdiep en 
Westerwoldsche Aa vormen analogieën. £n langs de Waddenkust van 
Oroningen vindt men nergens eenige uitwatering, wat ook in strijd zou 
zijn met de eenvoudigste waterloopkundige wet. Een eigenaardigen 
indruk maakt eene kanalenkaart van Groningen, wanneer wij daar 
uit het noorden van deze provincie vele kanalen op korten afetand 
van zee zien aanvangen en in de richting van Groningen con- 
vergeeren. In geen enkele andere provincie is de hoofdstad zoo 
zeer het hydrographisch en economisch centrum des lands als hier. 

i) Zie hierover G. A. Venema, Over het dalen van de noordelijke kuststre- 
ken van ons land, 1854 pag. 14 enz. 



Digitized by 



Google 



350 

Te midden van deze algemeene helling der terreinen vindt mei> 
nog meer of minder op zich zelfstaande hooge ruggen. De aan- 
zienlijkste van deze is wel de Hondsrug^ die door Drente langs- 
Ëmmen, Borger, Zuidlaren, Noordlaren en Haren in N. W. richting 
naar Groningen loopt. De Hondsrug is de hooge oostelijke rand 
van het Drentsche plateau, die in het noorden vooral als een heu- 
velrug uitkomt, omdat hij daar tusschen lagere gronden tot Gro- 
ningen vooruitsteekt. Tusschen Haren en Groningen bijv. is de 
Hondsrug ± 6 M. + A. P. hoog, terwijl van beide zijden aanbel 
Hoomsche diep en Schuitendiep de landen beneden i M. + A. P, 
hoog zijn. Hier is het verschil betrekkelijk in 't oog vallend. In 
het zuiden bij Emmen valt die rug veel minder op te merken ea 
langs de Hunze valt bovenal zijn oostrand in 't oog. Dikwijls 
maakt men zich eene onjuiste voorstelling van den Hondsrug^ 
zooals hieruit blijkt. 

In het noordwesten van Drente en het zuidwesten van Groningen 
vindt men tusschen de riviertjes lage zandruggen, die met zachte 
helling uit de rivierdalen oploopen en de waterscheiding vormen^ 
Tusschen het Eelderdiep en het Peizerdiep en tusschen het Peizer- 
diep en de Leek, (een watertje op de grens van Groningen- 
en Drente) vindt men dergelijke ruggen, de laatste bij Roden* 
3 ^ 4 M. + A. P. hoog. Tusschen de Leek en het Ouddiepje ei> 
Wolddiepje ligt een lage rug als waterscheiding, welke in Z. W. 
richting zich uitstrekt. De dorpen Midwolde, Tolbert, Niebert, 
Nuis en Marum liggen op de hoogste punten van dien rug, die 
ongeveer 3 è. 5 M. + A. P. hoog zal zijn, terwijl langs het Wold- 
diepje de hoogte van = A. P. tot i M. 4- A. P. loopt. 

Ten noorden van Noordhorn komt een zandrug van op zijn 
hoogst 4 è. 5 M. + A. P. met zachte glooiing uit de klei te voor- 
schijn, welke rug alhier ongeveer 3 ^ 4 M. boven het omringende 
land ligt. Deze rug loopt zuidwaarts tot ten zuiden van Zuidhom, 
waar hij zich weder onder de klei verliest, i) De dorpen Noordhom* 



i) Westerhoff en Acker Stratingh. Natuurlijke historie der Prov. Groningeik 
1839, I pag- 280. 



Digitized by 



Google 



351 

en Zuidhorn, die op den noordelijken en zuidelijken horn of hoek 
van dezen gaastgrond gelegen zijn, zouden naar die ligging den 
naam ontvangen hebben, i) 

Het Hoogezand is zeer waarschijnlijk voor een zandrug te hou- 
den, die zich oudtijds uit het veen verhief. Van dien aard is ook 
de lange maar smalle zandstreek in Fivelingoo, die in eene N. O. 
richting de dorpen Kolham, Slochteren, Schildwolde, Helium en 
Wagenborgen draagt, en hier gewoonlijk de Woudstreek wordt 
geheecen. Zoo vindt men aan de noordzijde van Kolham eenige 
kleinere zandheuvels, gelijk duinen ongeveer 2 M. boven het om- 
ringend terrein zich verheffend, eene hoogte ten Z. O. van Schild- 
wolde, die =t: 3 M. boven het land ligt, een zandbank, van oost 
naar west loopend ten zuiden van Helium, en een hoogte, de Gaast 
genoemd, in Wagenborgen. Deze Woudstreek . onderscheidt zich 
daardoor van die in het Westerkwartier, dat het zand hier minder 
grof is en geen keien bevat zooals daar. 2) 

Het dorp Noordbroek is op een zandhoogte gebouwd, die onge- 
veer I k 2 M. boven het omringende land ligt. Ten N. O. van 
Zuidbroek rijst de bodem en daalt vervolgens plotseling tot den 
lagen kleigrond. 

Een groot gedeelte der provincie Groningen ligt niet in polders 
doch vormt boezemland. Het noordelijk deel van Hunsingoo (oy^ è. 
2 M. + A. P.) ten N. van Onderdendam, Middelstum, ten Boer 
en het Damsterdiep is boezemland. In het Westerkwartier is het 
land ten N. der lijn Grijpskerk — Aduard tot de dijken van het 
oude Reitdiep eveneens boezemland; ten Z. dier lijn vindt men 
aaneengeschakelde molenpolders, die zich tot Haren en ongeveer op 
de Drentsche grens uitstrekken. In het Z. O. van Westerwolde 
komen geen polders voor dan de 2200 H. A., die met molens op 
de Westerwoldsche Aa afwateren. De dalgronden der veenderijen 
van Oude en Nieuwe Pekela, Wildervank, Veendam, Muntendam,. 
Hoogezand en Sappemeer bestaan bijna geheel uit polders. 



1) Westendorp. Leerrede pag. 82. 

2) Westerhoff en Acker Stratingh. Nat. Kist. v. Gr. I pag. 283. 



Digitized by 



Google 



352 

Evenwel, de Groningsche polders verschillen veel van die in 
Holland en Friesland. De bedijkingen langs de Wadden, den Dollart 
-en het Reitdiep komen ongeveer met de bedijkingen elders overeen, 
doch de overige polders zijn dikwijls niet omkaad, daar het water 
in de slooten en boezems meest altijd beneden het terrein blijft. Enkel 
<loor dammen in de slooten worden de wateren van elkander ge- 
scheiden. Toch worden de meeste landen bemalen; het water der 
slooten in het land wordt door bemaling op den boezem gebracht. 
Daarom heeten ze molenpolders. Bij enkele hooggelegen landen 
loost het water op natuurlijke wijze. 

§ 2. De rivieren, kanalen en boezems in verband met de 
afwatering. 

I. Terreinen van afwatering over Pruisisch gebied. 

Gaan wij thans de afwatering des lands na en de middelen welke 
•daartoe dienen. Wij vangen hiermede in het oosten aan. 

In het oosten van Drente ligt in het oosten van Barger CompascuQm (compas- 
cuüm^ gemeenschappelijke weide) op Nederlandsch gebied een terrein, dat ± 
20 M. + A. P. hoog is. Langzaam daalt hier de bodem naar de Pruisische 
grens en in die richting heeft ook de waterontlasting plaats. Van eene op> 
pervlakte van 400 H.A. stroomt het overtollige water af op de Meersbeek of 
Meerslooty een stroompje dat hier aanvangt, en in N.O. richting over Pruisisch 
grondgebied naar de Eems loopt, waarin het zich beneden Haren ontlast. Door 
grondduikers gaat de Meersbeek onder het Zuid-Noordkanaal en onder het 
kanaal van Haren naar Rtttenbroek door. Op twee plaatsen wordt zij tot het 
drijven van watermolens opgestuwd. 

Ten noorden van bovengenoemd gebied ligt op de grens van Drente, 
Groningen en Pruisen een terrein van 13 k 14 M. + A. P. hoog, dat op 
de Oude Sloot afwatert. De Oude sloot stroomt in noordelijke richting 
eerst over Pruisisch gebied, doch loopt, na het snijden van het Raten- 
broeker kanaal, de rijksgrens over en richt zich naar de Ruiten Aa in de 
Provincie Groningen.. Het water van de Oude Sloot wordt met een grond- 
duiker onder het kanaal Haren— Ratenbroek door geleid, hoewel de water- 
stand bij dén grondduiker in den regel hooger is dan die van bet kanaal. 
Het wordt vervolgens voor een deel door den Rijksduiker in den Leidijk 



Digitized by 



Google 



353 

bij het Ossenschot naar de Ruiten-Aa afgevoerd, voor een ander deel stroomt 
het van de Hanetange af noordwaarts, en wordt dan door de waterleiding langs 
de grens naar de Bakovenpomp en verder naar de Eems gevoerd. In den zomer 
heeft de afvoer grootendeels plaats naar de Ruiten- Aa. Bovendien kan bij hoogen 
stand het water van de Oude Sloot ook op het eerste pand van het kanaal 
Rütenbroek-Haren worden afgevoerd, door het wegnemen van schotbalken uit 
de overlaten in de kanaaldijken boven den grondduiker. Ongeveer 2650 H.A. 
lands wateren in Nederland hierop af. De afwatering is geregeld bij grenstractaat 
van 1824 tusschen Nederland en Hannover. 

Door het bovengenoemde afwateringsgebied van de Oude Sloot wordt nog een 
terrein ingesloten, dat afwatert op het bovenpand van het kanaal Rütendroek'Haren. 
In Nederland behooren hiertoe 685 H.A. met eene hoogte van 13 & 14 M. -)- 
A. P. Aan den mond is dit kanaal op Nederlandsch gebied door een keer- en 
-schutsluis verbonden met het kanaal van Ter-Apel, Dat pand ligt gemeen met 
het Noord-Zuidkanaal in Pruisen en heeft een peil van 11,40 M. -f A. P. De 
keer- en schutsluis aan den mond is geregeld gesloten. In dit pand ligt op 
Pruisisch gebied nog een keersluis, die naar beide zijden het water kankeeren, 
doch gewoonlijk open staat. Deze sluis kan dienen om den afvoer van water 
uit de Pruisische kanalen naar het Stadskanaal te beletten, en het hoogere water 
van het laatste zoo noodig te keeren. Het overtollige water van het pand wordt 
^oor de deuren van sluis I naar het 2<i« pand van het kanaal Rütenbroek- 
Haren, en verder naar de Eems afgevoerd. 

Ten noorden van boven beschreven gebied ligt een smalle terreinstrook in 
Nederland langs de grens tot Boertange, die afwatert op het Modder mafudiep 
of de Nieuwe Ruiten-Aa boven de Bakovenpomp bij Boertange« Het gebied 
dat hierop uitwatert is ongeveer 5995 H.A. groot, doch in de venen kan niet 
juist de grens bepaald worden. De hoogte des terreins is 12 M. -f- A. P. in 
het zuiden, en 6 M. -f A. P. in het noorden. Het water wordt door de Bak- 
ovenpomp, een open steenen duiker, afgevoerd op de Rille^ en verder op het 
Oude diep en de Danefluss in Pruisen, waarna het door de Danesiel te Rhede 
op de Eems wordt geloosd. De Bakovenpomp kan des zomers door een schuif 
worden afgesloten, om water in de slooten te behouden. 

De boven beschreven terreinen vormen dus een smalle^ grensstrook, meest uit 
hooge venen bestaande, die grootendeels of geheel over Pruisisch gebied en wel 
op de Eems afwatert. 



n. «3 



Digitized by 



Google 



354 



2. Het StadskanaaL 



Naar het westen voortgaande komen wij eerst aan het afwate- 
ringsgebied op het StadskanaaL Vóór dat wij dit afwateringsgebied 
beschrijven, zullen wij het kanaal zelf behandelen. 

Het Stadskanaal vormt thans de verbinding van het Oosterdiep 
te Wildervank met de Emmervenen en met het Kanaal Rüten- 
broek-Haren. (Zie pag. 353.) De stadsregeering van Groningen 
(hiernaar den naam ^/^^jkanaal) besloot in 1765 om een kanaal 
te laten graven, te beginnen omstreeks het verlaat (sluis) van de 
Boven-Wildervank in de nabijheid van Bareveld en over de grenzen 
van Drente naar het Z.0. Het doel hiermede was, om de venen 
onder Wildervank en Pekela tot afgraving en ontginning geschikt 
te maken ; misschien ook wel om de ontvening der aangrenzende 
Drentsche venen van Gieten, Bonnen en Gasselte te bevorderen, en 
de daaruit ontstaande scheepvaart door de stad Groningen te leiden. 
Of het plan ook ten doel had den handel van Groningen (de stad) 
over Ter-Apel met Munsterland te bevorderen, wordt betwijfeld, 
doch is niet onmogelijk. De aanleg van het kanaal begon in 1766 
of 67, doch werd in 1800 gestaakt. In 1818 ving men er echter 
weder mede aan, ten gevolge van een convenant van den i7denMei 
18 17, aangegaan tusschen de stad Groningen en eenige Drentsche 
marken van het Oostermoer en Zuidenveld, behoorende tot Eekst, 
Gieten, Bonnen, Gasselter Boerveen, Gasselter Nijeveen, Drouwen, 
Buinen, Ëksloo en Vake. Deze marken hadden hier uitgestrekte 
venen liggen, en zij zochten deze af te graven. Sedert werd nu het 
graven van dit kanaal, hoewel met een eenigszins gewijzigd plan, 
langzaam voortgezet. In 1858 was het kanaal gereed tot den weg 
van Ter-Apel naar Roswinkel. Bij Koninklijk Besluit van 30 Mei 
1876 werd aan de gemeente Groningen concessie verleend voor de 
verlenging van het Stadskanaal tot de noordoostelijke grens van 
het Emmer Compascuüm. Van 1877 tot 1880 werd dit werk uit- 
gevoerd. 

De verbinding van het Stadskanaal bij Ter-Apel met het Noord- 
Zuidkanaal bij Rütenbroek en met het op Pruisisch gebied aange- 



Digitized by 



Google 



355 

legd kanaal van daar naar Haren, waartoe in de overeenkomst met 
Pruisen van 12 Oct. 1876 is besloten, en waarvoor de gemeente 
Groningen concessie is verleend bij Koninkl. Besl. van 25 Maart 
1880, is in 1881 tot stand gekomen. 

De voortzetting van het Stadskanaal in zuidelijke richting ge- 
schiedt door de naamlooze vennootschap Emmer Compascuüm. 

Het gedeelte van het kanaal tusschen het 4^^ en 6de verlaat 
(= sluis) is bekend onder den naam S^ads Musselkanaal^ van het 
6de verlaat tot Ter Apel noemt men het Stads Ter-Apel-kanaal 
en daarboven spreekt men van Stads Compascuüm kanaal. 

Het Stadskanaal met de kunstwerken en de valschutten bij Ter- 
Apel is eigendom van en in beheer bij de gemeente Groningen. 

De lengte van het Stadskanaal bedraagt 34 K.M. Door 8 schut- 
sluizen is het in 9 panden verdeeld. 



PANDEN. 






CS 
o* 

1-2 



6 B 



.2gS 



5 2^ 



i«te pand van het Boven- Wildervank- 

ster verlaat tot het i'te verlaat 

2de pand. !«« verlaat tot 2de verlaat. 



5de 

6de 

yde 
8«e 
gde 



2de 
3de 
^.de 
5de 
6de 
yde 



boven 



^de 
^de 
5de 
6de 
7de 
8»te 
8ste 



4187 
2687 
3673 
3277 
3078 

3997 
6185 

1358 
4942 



3,02 

3,72 

4,76 

6,04 

7,52 

8,89 

10,29 

11,40 

12,50 



7 


1,60 


8 


1,50 


8 


i»55 


7 


1,50 


7 


1,50 


7 


1,50 


7 


2,10 


9 


1,80 


9 


1,80 



12,50 

i4,co 
14,00 
11,50 
11,50 
ii>5o 
11,50 
13^00 
13,00 



De voeding van het kanaal geschiedt zooveel mogelijk door water 
uit de venen. Het 7de pand ontvangt het water uit de Ruiten Aa 
of Runde^ en het 6d« pand van de Musset Aa of het Valterdiep^ 
welke beide stroomen bij den aanleg door het kanaal gesneden wer- 
den, doch wier bovengedeelten thans daarin uitloopen, daar zij 
beneden de snijpunten zijn afgesloten. 

De afvoer van overtollig water langs eenige kanalen in Gronin- 



Digitized by 



Google 



3S6 

gen is geregeld door eene verordening, vastgesteld bij Besluit der 
Provinciale Staten van 12 Juli 1883 No. 6, goedgekeurd bij Kon. 
Besl. van 7 Oct. 1883 No. 17, welke verordening is gewijzigd 
bij Besl. van 11 Nov. 1886, goedgekeurd bij K. Besl. van 21 Jan. 
1887 No. 10. Hierbij wordt o. a. bepaald, dat tusschen den 31 sten 
Oct. en den isten April op elk pand van Stadskanaal het water 
door regelmatige afstrooming met de verlaten en de valschutten bij 
Ter-Apel op peil zal worden gehouden. Het toezicht op de afstroo- 
ming wordt uitgeoefend door opzichters, die door Gedep. Staten worden 
benoemd, en wier instructie bij besluit dier Staten is vastgesteld. 

Het overtollige water wordt afgevoerd door te stroomen met de 
schutsluizen en met de valschutten bij Ter-Ai)el, waartoe bij de 
schutsluizen in elke deur 2 schuiven van i M. wijdte zijn aange- 
bracht. Met het 5de verlaat mag eerst ges.troomd worden als de 
afvoer door den overlaat naar de Mussel Aa niet voldoende is om 
de stijging van het water in het 6de pand te beletten- Met het 
6de verlaat mag eveneens slechts gestroomd worden als het water 
op het 7de pand stijgende blijft, niettegenstaande het valschut bij 
Ter-Apel met vol vermogen afvoert, 

3. De voeding en loozing van het Stadskanaal en zijn 
voedingsgebied. 

Werpen wij thans een blik op de voeding van het Stadskanaal en vangen 
wij daartoe met het bovenpand aan. 

Her 9^ pand van het Stadskanaal ontvangt thans. het afstroomingswater van 
eene oppervlakte van 1185 H.A. land in het Munstersche Veld en Emmer Com- 
pascutlm^ welke 14 & 15 M. -f A. P. hoog ligt, en met eene laag hoogveen op zijn 
hoogst 35 cM. dik bedekt is. Het overtollige water wordt van het 9de pand 
afgevoerd door schuiven in de deuren op het 8st« pand. 

Het %f** pand is niet lang (zie de tabel pag. 355) en heeft geen gebied van 
beteekenis dat er op afwatert. Het overtollige water ||oert dit pand af op pand 7, 
terwijl er door de sluisjes in elk der kanaaldijken eenig water op de Nietate 
Molen Aa in het westen, en de Molen Aa in het oosten geloosd kan worden. 
Een damsluis in dit pand moet dienen om het overstroomingswater uit Pruisen 
te weren. 

Het ld* kanaalpand ontvangt het afstroomingswatef van 10855 H.A. land 



Digitized by 



Google 



357 

in de Weerdinger-, Roswinkeler- en Erfseheiden venen gelegen. De hoogte dier 
terreinen is van ii tot 15 M. -f- A. P. en zij zijn met eene yeenlaag van 23 
d.M. dikte op vele plaatsen bedekt. Uit dit gebied voert d* Runde of het 
RundUp, een stroomend watertje dat vroeger zijn oorsprong nam uit het Zwarte 
Meer, doch thans ten noorden van de verlengde Hoogeveensche vaart beging 
het water af! Vroeger, vóór de verlenging van het Stadskanaal, zette de Rnnde 
zich voort als Molen Aa en als Ruiien Aa langs Ter-Apel, om zich destijds 
bij Wedde met de Mossel Aa te vereenigen tot de Westerwoldsche Aa. Na 
1877 ^ ^^^ beneden gedeelte van de Rnnde door de Nieuwe Molen Aa^ een 
gegraven afleidingssloot, in het 7de pand van het Stadskanaal geleid. De Runde 
alleen bezit een afwateringsgebied van 9170 H.A. 

Het overtollige water van het 7de pand wordt afgevoerd naar de Ruiten Aa 
door een ontlastsluis met 4 openingen, gelegen in de Ruiten Aa beneden de 
snijding met dit kanaal. Is deze afvoer niet voldoende, dan wordt het water op 
het 6de pand gevoerd door de schuiven in de sluisdeuren. 

Het *esde pand van het Stadskanaal ontvangt het water uit het Valterdiep, in 
den bovenloop Mussel Aa geheeten. Wordt hierdoor te veel water op het kanaal 
aangevoerd, dan loopt het over een overlaat in den noordelijken kanaaldijk, 
waarvan de bovenkant 8,57 M. -(- A. P. ligt, naar het gedeelte van de Mussel Aa 
beneden de snijding met het kanaal. Is de afvoer van den overlaat niet vol- 
doende om dit pand op het gewenschte peil te houden, dan wordt het water 
door het verlaat ook op het 5de pand van het kanaal gevoerd. De bovenkant 
der tusschenliggende sluisdeuren, waarover gestroomd wordt, ligt 8,92 M. -(- 
A. P. Het hierop loozende afvoergebied is groot 8155 H. A. 

De Mussel Aa ontstaat in het Weerdingerveen in Drente. Aanvankel^k stroomt 
dit water onder den naam Mussel Aa en vervolgens onder dien van Valterdiep 
noordwaarts door het Valterveen. Vroeger werd zij door het Stadskanaal door- 
sneden, doch thans mondt het bovengedeelte in dit kanaal uit. Alleen bij te 
hoogen waterstand op het kanaalpand bestaat de afvoerverbinding van het zui- 
delijke gedeelte nog met het noordelijke, zooals wij boven zagen. 

Het vijfde pand van het Stadskanaal heeft een afvoergebied van 2010 H.A. , 
welk water het op het 4de pand afvoert. Die terreinen, aan beide zijden van 
het kanaal gelegen, hebben eene hoogte van 8 4 9 M. -|- A. P. — Het vierde 
pand heeft watertoevoer van 1385 H.A. lands, dat 7 & 8 M. -(- A. P. ligt. Dit 
pand voert het overtollige water op het lager liggende 3de pand. — Het derde 
pand heeft een afvoergebied van 3480 H.A. lands aan beide zijden van het ka- 
naal, welk land 6 & 7 M. -}- A. P. hoog ligt. Het overtollige water wordt 
afgevoerd op het tweede pand. — Het tweede pand wordt gevoed door het 
afstroomingswater van 1695 ^-A* lands, aan beide zijden van het kanaal gelegen 
(ineest ten westen). De terreinen van het gebied liggen 4 & 5 M. -}- ^ p 



Digitized by 



Google 



35» 

Het water wordt afgevoerd op het eerste pand. — Het eerste pand van het 
Stadskanaal ligt gemeen met het bovenpand van het Annerveensch kanaal, dat 
er gedeeltelijk evenwijdig mede loopt. Het ontvangt afstroomingswater van 
II 15 H.A. lands. Dit pand loost het overtollige water door het Boven Wilder^ 
wanksier verlaat op het Oosterdiepy dat langs Wildervank en Veendam loopt. 
Het Stadskanaal ontvangt het grootste^ gedeelte van het water nit de Drent- 
sche venen ten oosten van den Hondsnig. Die landen zijn met tal van elkander 
regelmatig kruisende wijken en slooten doorsneden, welke het water op het kanaal 
afvoeren. Deze wijken zijn gegraven om den afvoer van turf te vergemakkelijken. 
De meeste dier venen zijn echter thans reeds afgegraven. 

4. Hei Oosterdiep en het IFinschoterdiep. 

Vervolgen wij thans den afvoerweg van het water uit het Stads- 
kanaal en knoopen wij daaraan de bespreking des terreins vast. 

Tusschen het Winschoterdiep en het Stadskanaal is van Bareveld 
tot Zuidbroek een verbindingskanaal gegraven. Dit kanaal draagt 
van het Stadskanaal af achtereenvolgens de volgende namen: het 
Oosterdiep en Westerdiep^ vervolgens: Beneden Dwarsdiep^ het 
Meedemer diep oi Dwarsdiep, en \\sX Muniendatntnerdiep, Het kanaal 
is in 't geheel 13,5 K.M. lang en door twee schutsluizen in 3 pan- 
den verdeeld: 



PANDEN. 


r 


1'^ 

.-=< 
^ 


1 


U'S 




Ie Pand. Winschoterdiep tot Veen- 
danuner Benedenverlaat 

2e Pand. Veend. Ben. Verl. tot Wil- 
dervankster Participanten verlaat. . . 

3e Pand. Wild. Part. Verl. tot Boven 
Wildervankster verlaat 


4,956 

4,<583 
4,562 


0,81 
0,81 
2,01 


8 
7 
7 


2,00 
2,00 
1,10 


14 
II 
12 







Op het 3de pand wateren, behalve het Stadskanaal, nog 985 H.A. 
boezemland af, terwijl van 1 230 H.A. polderland van 2 tot 3,50 M. 
-j- A. P. hoog er het overtollige water op kan worden afgemalen. 
De loozing van het water heeft plaats op het 2de pand. 

Het 2de pand heeft de afwatering van 11 70 H.A. boezemland 



Digitized by 



Google 



359 

-en 21 20 H.A. polderland, terwijl bovendien twee polders, groot 
1230 H.A. te zamen, in den regel hun water op dezen boezem 
brengen. De afvoer van water heeft plaats op bet eerste pand, het 
Muntendammerdiep^ dat met het 2de pand van het Winschoterdiep 
gemeen ligt. 

Het Winschoterdiep is ontstaan door de voortzetting van het 
Schuitendiep naar het oosten tot Winschoten. Het oorspronkelijk 
doel met dit kanaal was de verbinding van de stad Groningen met 
de hooge venen. In het benedengedeelte wordt het Winschoterdiep 
ook Schuitendiep genoemd, een naam, die op de vele turfschuiten 
wijst, welke hier vroeger voeren. Door verschillende verbindingen, 
hoewel met schutsluizen afgesloten, staat het in het oosten in in- 
directe verbinding met de Statenzijl. Het kanaalpeil van het pand 
bij Groningen is 0,81 -f- A. P. Dit peil noemt men het Winschoter 
peil (W. P.), waarnaar in Groningen nog dikwijls gerekend wordt, 
doch dat thans meer en meer door A. P. vervangen wordt. 

5. Het Kielsterdiep en het Annerveensch kanctal. 

Behalve de bovengenoemde bestaat er nog een tweede verbinding tusschen 
het Stadskanaal en Winschoterdiep, nl. een kanaal tusschen Bareveld (aan het 
Stadskanaal) en Hoogezand. Dit kanaal heeft een lengte van 15 K.M. en is 
door twee schutsluizen in drie panden verdeeld. 



PANDEN. 


Lengte in ' 
K. M. j 


Peil boven 
A. P. in M. 


21 


Minste diepte 
onder K. P. in M. 




ie Pand. Winschoterdiep tothetKiel- 
ster verlaat 

2e Pand. Kiebter verlaat tot Eexter- 
veensch verlaat 


9.150 

2,356 


0,81 
1,63 
3.02 


7 
7 
7 


1,50 
'.50 

1,75 


9»— 
11,50 
12,50 


3c Pand. Eexterveensch verlaat tot 
Stadskanaal 



Het Kielsterdiep werd gegraven tusschen de jaren 1637 — '^47 van het Hooge- 
land zuidwaarts. Het Annerveensch kanaal werd gegraven volgens eene over- 



Digitized by 



Google 



360 

eenkomst van 17 Mei 181 7 tusschen de stad Groningen en Drentsche markge- 
nooten, en is door de marken van Eekst en Gieten voortgezet In 1872 is de 
scheiding van het Stadskanaal, welke er nog altijd door den dam bij Bareveld 
bestond, weggeruimd, en een verbindingskanaal gegraven. 

Het derdt pand ligt, zooals wij boven opmerkten, gemeen met het eerste pand 
van het StadskanaaL Het tweede pand wordt gevoed door inlating van eenig 
water uit het derde pand en dos ook uit het Stadskanaal. Bovendien heeft het 
'de afwatering van ^ 1835 H.A. lands, 2 A 3 M. + A. P. hoog gelegen. Het 
eerste pand ligt gemeen met het Winschoterdiep. 

Langs het Winschoterdiep wordt dus het water der beneden panden van het 
Stadskanaal naar Groningen gevoerd, en van hier vindt het door het Eems- 
kanaal zijn weg naar de Eems en de zee. Deze beide verdere verbindingen 
bespreken wij later, 

6. De Hunze of Oosiermoersche vaart en haar gebied. 

Van het Stadskanaal naar het westen gaande rijst de bodem eerst langzaam, 
en weldra meer snel tot een hooge rug, die zich nagenoeg evenwijdig met het 
Stadskanaal in N. W. richting uitstrekt. Dit is de Hondsrug, die van Ëmmen 
tot Groningen loopt. De Hondsrug is in het zuiden bij Emmen 25 M. -(- A. 
P. hoog, bij Drouwen 20 M., te Gieten 20 M. en daalt vervolgens tot 15 M. 
te Aonen, 8 M. te Noordlaren, en is ten zuiden van Groningen nog d: 6 M.. 
+ A. P. hoog, terwijl hij zich onder deze stad verliest, i) Deze geologisch 
merkwaardige hoogterug is zeker ontstaan door erosie van het Hunzedal in het 
ijstijdperk. 

Langs de oostelijke helling van dezen rug strekten zich oudtijds de thans 
grootendeels afgegraven hooge venen uit, welke tot het graven van het Stads- 
kanaal en andere vaarten en wijken alhier aanleiding gaven. Op den westrand 
dier venen en ten oosten van het plateau, waarvan de Hondsnig de rand is, volgde 
het afstroomingswater de natuurlijke helling des terreins, en zoo vormde zich 
hier een stroompje, de Hunne of Oostermoersche vaart. Aldus heeft het smelt- 
water van het landijs de vallei gevormd waardoor de Hunze stroomt. 

Ten westen van den Hondsrug volgde het afstroomingswater dezelfde N. W. 
richting naar het N. W. Hier vereenigde het zich uit verschillende stroompjes 
in de Drentsche Aa, De Hondsrug vormt de natuurlijke waterscheiding tusschen 



i) Zie hierover: L. Ali Cohen, Geognostische beschrijving van den Hondsrug. 
(Tijdschr. v. Natuurl. Gesch. IX pag. 262). — L. Ali Cohen, Korte beschou- 
wing van den Groninger Hondsrug. (Gron. Volksalm. 1846). 



Digitized by 



Google 



361 

den benedenloop van deze watertjes. In het zuidelijke gedeelte ligt de Hond»- 
rog tusschen twee takken van de Hunze. 

De Oostermotrsehe vaari, die langs de oostelijke venen (moeren) liep, ook 
Drentsche diep of Hunze genoemd , wordt gevormd door de vereeniging van 
bet Vo&rsie- of BorgerdUp en bet Groote- of Ackterstediept waarvan bet eerste 
onder Scboonloo aan de westzijde, en bet tweede in bet Valterveen aan de 
oostzijde van den Hondsnig begint. Deze beide armen omsluiten het zuidelijk 
gedeelte van den . Hondsrug. De Oostermoeiscbe vaart stroomt verder langs- 
den noordoostelijken voet van den Hondsmg en door bet Zuidlaarder meer 
naar Groningen. Het beneden gedeelte is gekanaliseerd en maakt deel uit 
van bet Scbuitendiep, dat naar Groningen loopt. 

Het Zuidlaarder, meer, oudtijds als Noordlaarder meer bekend, is waarschijn- 
lijk door uitgraving van veen en afslag ontstaan. Merkwaardig is bet, dat dit 
meer in bet westen aangroeit met laag en moerasveen, terwijl bet in bet oosten 
door afslag van bet zanddiluvium vergroot. Het verplaatst zicb zeer langzaam 
vóór de richting van de heerschende winden naar bet oosten, i) 

Behalve de rechtgraving van de kronkelingen, die de Hunze van Waterhui- 
zen tot de Roodebaan maakte, is. baar benedenloop verlegd. De oude stroom 
liep van de Roodebaan af langs Euvelgunne, voorbij bet voormalige kasteel 
Groenenberg en ten oosten op ongeveer '/^ uur afstand om de stad Groningea 
heen. Verder stroomde de Hunze om het kasteel Cortinghuis bij Rorgham, 
langs bet kasteel en klooster van Selwerd, waarop zij, na nog een paar aanzien- 
lijke bochten langs de Koningslaagte gemaakt te hebben, bij Harsens de Aa 
opnam. De voormalige loop der Hunze is in de sporen van de bedding nog op- 
vele plaatsen te herkennen. Het Selwerder diepje maakt er nog een gedeelte van uit. 

Wanneer de verlegging der Hunze van Waterhuizen naar en door de stad 
Groningen geschied is, valt niet met zekerheid te zeggen. Men beeft dit naar 
Emmius wel op het midden der 13de eeuw gesteld, bepaaldelijk op 1259. 
Doch uit de bier bedoelde plaats bij Emmius blijkt, dat deze rivier veel 
later en misschien nog gedurende de gebeele 14de eeuw haren loop om de- 
stad heeft behouden. Misschien beeft men den ouden loop nog lang bewaard 
voor waterafleiding, terwijl toch bet Scbuitendiep reeds door de stad liep. 2) 

Die afleiding van de Hunze naar Groningen was voor de stad van groot 



i) H. Blink. De lage venen in Nederland. (Tijdschr. v. h. K. N. Aardr. 
Gen. 1891). 

2) Acker Stratingh. Aloude staat I pag. 295. — Tegenw. Staat XX pag. 13 
en 78. — Driessen. Monumenta Groningana pag. 282. — Acker Stratingh. De- 
oude loop der Aa beneden Groningen en hare vereeniging met de Hunze» 
(Gron. Volksalmanak 1844 pag. 50). 



Digitized by 



Google 



302 

lielang. De drukke scheepvaart op het gekanaliseerde gedeelte gaf het den 
naam van Schuitendiep. 

De Oostermoersche vaart werd nog in 1830 beneden Gasselter Nijeveen door 
kleine schepen bevaren. Zij werd hoofdzakelijk gebruikt om de turf, die langs 
-de oevers gegraven werd, af te voeren. Na heit graven van het Stadskanaal 
geraakte zij echter in verval. Van de keerschutten, welke in de vaart beston- 
den, is de laatste in 1884 opgeruimd. Tot Spijkerboor wordt zij thans nog 
bevaren. Tot 1667 werd zij door de stad Groningen onderhouden en daarna 
^oor de participanten van Gasselter-Nijeveen. Bij Kon. Besl. van 17 Dec. 
1819 werd deze vaart tegelijk met andere werken aan de Provincie Drente in 
-beheer en onderhoud afgestaan, en bij Kon. Besl. van 27en Mei 1876 (Staatsbl. 
No. 109) ging zij over in beheer en onderhoud van het Rijk. In de Staten- 
<jeneraal en in de Provinciale Staten wordt er telkens op aangedrongen om de 
Oostermoersche vaart en de overige kleine Drentsche stroompjes beter voorden 
waterafvoer geschikt te maken, i) 

7. De Drentsche Aa. 

De Drentsche Aa vormt met de Hunze een tweelingstroom. Zij wordt ge- 
vormd door de samenvloeiing van het Taarlooscke- en het Gasterensche diep. 
Het eerste ontstaat onder de gemeente Wersterbork in de Marke van Zwiggelte, 
•een weinig ten noorden van het Oranjekacaal, op een terrein, dat 17 & 19 M. 
H- A. P. ligt en de zuidgrens van het Drentsche-Gronlngsche Noordzecgebied 
vormt. Onder de opvolgende namen Amerdiep^ DuurserdUp^ Loonerdiep en 
Taarlooscke diep kronkelt dit watertje door het midden van Drente naar het 
noorden, verschillende kleinere stroompjes opnemend. Het Gasterensche diep 
neemt bij Grolloo zijn oorsprong op een terrein dat ±: 18 M. + A. P. hoog 
ligt Onder de opvolgende namen Anderscke diep^ Polderdiep en Gasterensch 
4liep stroomt het naar het noorden. De samenvloeiing heeft een weinig beneden 
Taarloo plaats in een terrein van ±: 8 M. -f A. P. 

De vereenigde stroom is achtereenvolgens bekend als Oudemolensche diep^ 
JSckipborgsche diepy Westerdiep, Punierdiep en Hoormche diep. Deze laatste 
naam is misschien afkomstig van het vroeger onder Helpen gelegen nonnen- 
klooster Maria op den Hoome, 2) Het beneden gedeelte is bij den aanleg 
van het Noord-Willemskanaal in 1861 gekanaliseerd en gedeeltelijk vergraven. 
Thans maakt dat deel uit van het 5de pand van dit kanaal. Het water wordt 



i) Vergader, van de 2de Kamer der St. Gen. 19 Dec. 1888. — Notulen der 
-vergadering van de Prov. Staten 1888. 
2) Van der Aa. Aardrijksk. woordenboek. 



Digitized by 



Google 



3^3 

te Groningen door het verbindingskanaal ten zuiden van de stad op het Eems- 
Jéanaal gevoerd. 

Oudtijds liep de Aa niet door de stad Groningen zooals thans, doch ten 
westen langs de stad. Even vóór zij de stad binnen liep, wendde zij zich 
destijds naar het westen, liep langs Donghom en vervolgens door het tegen- 
woordige Reitdiep naar Dorkwerd, waar zij zich met de Hunze vereenigde. Uit 
deze samenvloeiing ontstond het Reitdiep ^ dat, na de verlegging van de Hunze 
-door de stad Groningen, bij deze stad een aanvang nam. Zeer zeker zal hierdoor 
de Aa beneden Groningen verdiept en verbreed zijn. Wanneer de verlegging 
-der Aa door Groningen plaats had, weet men niet met zekerheid, doch zeer 
waarschijnlijk geschiedde dit nog vóór der verlegging der Hunze. i) 

De Drentsche Aa heeft een uitgebreid stroomgebied en bij hevige regens een 
■aanzienlijken waterafvoer. Een deel van het door het Drentsche Aa aange- 
voerde water wordt aan het 5de pand van het Noord-Willemskanaal onttrokken 
-en door middel van stoomgemalen bij de sluizen in dat kanaal tot voeding der 
hooger liggende kanaalpanden en van het bovenpand der Drentsche Hoofd- 
vaart gebruikt. Verder wordt een deel van het water bij de Punt opgepompt 
voor de Groninger waterleiding. 

In Drente is de Drentsche Aa niet bevaarbaar en was dat ook vroeger niet. 
Bij de Groningsche grens werd zij vroeger voor kleine schepen bevaarbaar. 

8. Het ReitdUp en zijne geschiedenis. 

Het Reitdiep is aldus oorspronkelijk gevormd door de samen- 
vloeiing van Hunze en Aa^ terwijl door de verlegging van deu 
l)enedenloop van beide riviertjes het Reitdiep tot de stad Groningen 
verlengd werd. Het uiterlijk van het Reitdiep was geheel dat van 
-een rivier met tal van kronkelende bochten. De eerste bocht, die 
recht gegraven werd, is die van Dorkwerd naar Wierum. Hier 
liep de Aa oorspronkelijk oostwaarts langs Paddepoel en Selwerd, 
bij welke laatste plaats zij zich met de oude Hunze vereenigde. 
Doch tot verkorting van den waterweg werd reeds zeer vroeg van 
Dorkwerd naar Wierum het Reitdiep gegraven. De tijd, wanneer 
•dat geschiedde, is evenwel niet juist bekend. 2) 

i) Acker Stratingh. Over den ouden loop der Aa beneden Groningen. (Gron. 
Volksalmanak 1848 pag. 50 en 1844 pag. 50). Acker Stratingh. Aloude Staat 
I pag. 302. 

2) Acker Stratingh. 1. c. 



Digitized by 



Google 



3^4 

Tegenover Feerwerd maakte het Reitdiep een aanzienlijke bocht 
met veel kronkelingen naar het oosten tot nabij Wetsinge en 
Schillingeham. De omweg was hier zoo groot, dat schippers een 
paar etmalen noodig hadden om een weg af te leggen, die later 
in V* ^^^ werd afgelegd. Dit gedeelte werd in 1629 tot verbete- 
ring van den waterloop en de scheepvaart door een recht kanaal 
a^esneden. Daar het Reitdiep de grens tusschen Westerkwartier 
en Hunsingoo vormde, kwam hier een gedeelte van Westerkwartier 
ten oosten van het Reitdiep te liggen. Dit land werd in 18 10 tot 
Hunsingoo gebracht. Door het land kronkelt hier nog het afgesloten 
Oude Reitdiep. 

Reeds vroeger heeft eene verplaatsing van het water plaats gehad 
ten oosten van het Ruigezand, waar de oude geul der Hunze ten 
zuiden van dezen aanwas lag, die ten westen van de Kampen ligt 

In den tijd, toen het Reitdiep nog een open rivier was, liep de 
vloed dit water op tot de stad Groningen en zelfs tot in het Zuid- 
laarder meer. Bij ebbe werd door den afvoer van het opgeloopen 
vloedwater of opgestuwde rivierwater de stroom zeer sterk, wat 
zeker de oorzaak was van de vorming der aanwezige bochten. 
Hierdoor nam het water steeds in breedte toe. i) 

In 't belang eener verbeterde afwatering begon men reeds voor twee eeuwen 
te denken aan de afdamming van het Reitdiep. Het eerste plan van afsluiting 
der Hunze of het Reitdiep aan den mond dagteekent van 1601, toen men het 
plan ontwierp de Hunze bij de „Soltkamp" af te sluiten en eene commissie 
„tot besicbting van de Soltkamp*^ benoemde. Tien jaren later werd er wederom 
eene commissie gekozen en afgezonden om de afdijking bij Zoutkamp of bij. 
Vierhuizen te onderzoeken, doch de zaak kwam hiermede niet verder, en in* 
lang kwam zij niet meer ter sprake. 

Tijdens het Franiche bestuur werd door toedoen der commissie van landbouw 
voor de prov. Groningen in 1809 weder de aandacht op de afsluiting van het 
Reitdiep gevestigd, en in 1825 schreef die Commissie een prijsvraag uit omtrent 
de afsluiting bij Zoutkamp. De heer H. D. Bos, later bouwmeester te Gro- 
ningen, beantwoordde deze, en sprak vóór de afsluiting. Dit had ten gevolge, 
dat de Provinciale regeering zich de zaak aantrok, en een gewijzigd plan werd 

i) A. J. Andreae. De Lauwerszee pag. 82. 



Digitized by 



Google 



3^5 

ontworpen. Volgens dit ontwerp had er reeds in 1827 eene uitbesteding plaats, 
-doch daar de aannemingskosten ver boven de begrooting kwamen, werd het 
werk niet uitgevoerd. 

Later werden nog andere plannen gemaakt, nl. om het Reitdiep af te dam- 
men bij het Ruigezand, en in 1844 om het een half uur binnenwaarts af te 
•dammen, i) Daarbij kwamen vervolgens nog de plannen, om de geheele Lauwers- 
.zee af te dammen, welke evenwel geene uitvoering erlangden. 

Den 21 en 22ftten Oct. 1856 werd in eene buitengewone vergadering der Prov. 
JStaten van Groningen tot verbetering van den toestand van verschillende ka- 
nalen besloten, en ook de afsluiting van het Reitdiep van de zee behoorde tot 
-dit plan. Deze werken zijn van 1873 tot 1876 voor rekening der Provincie met 
subsidie van het Rijk uitgevoerd. Zoo is het Reitdiep een door sluizen afge- 
sloten kanaal geworden. Het heeft eene lengte van de Noorderhaven te Gro- 
ningen tot de schut- en uitwateringsluis te Zoutkamp van 31 K. M. Door eeiv 
•sluis te Wetsinge is het in 2 panden verdeeld. 

Het eerste pand van de Noorderhaven te Groningen tot de sluis te Wetsinge 
is 9,700 K. M. lang, heeft een kanaalpeil van 0,81 M. -f A. P., is op zijn 
minst 2,50 M. beneden kanaalpeil diep, en heeft op kanaalpeil eene breedte op 
zijn minst van 20 M. Dit pand ligt gemeen met het Eemskanaal. 

Het 2de pand van de Wetsinge sluis tot die bij Zoutkamp is 21,300 K. M. 
lang, heeft een kanaalpeil van 0,74 M. — A. P. (het ligt dus 0,81 + 0,74 = 
1,55 M. lager dan het eerste pand), is op zijn minst 2,50 onder kanaalpeil 
-diep, en is 34 M. breed op kanaalpeil. De afsluitdijk heeft eene lengte van 3687 
M. Dit pand ontvangt het afvoerwater van het WesterkwartUr (zie pag. 369). 
Het overtollige water wordt door vijf sluizen te Zoutkamp afgevoerd op de 
Lauwerszee. De middelste van de sluizen is tevens schutsluis. Deze sluis 
heet de Groninger sluis ter onderscheiding van de Friesche sluis, een weinig 
westelijker in denzelfden dijk tot ontlasting van het water uit de Lauwers enz. 

Vóór de afsluiting moest het Reitdiep door hooge dijken tegen het buiten- 
vruter omringd zijn. Na de afsluiting zijn deze dijken binnendijken geworden, 
en daarom is de groote hoogte van vroeger niet meer noodzakelijk. Volgens 
besluit der Staten van Groningen van 13 Juli 1886 mogen de dijken in het 
Westerkwartier verlaagd worden tot 2,81 M. -\- A. P., wat op verschillende 
plaatsen reeds is geschied. (3) 



1) A. J. Andreae. De Lauwerszee pag. 75. 

2) De naam beteekent rie/diep. De uitspraak van dit woord alhier is „reit- 
diep." Misschien dat er oudtijds veel riet langs de oevers groeide. (Tegenw. 
5taat XX pag. 15.). — 3) Zie de Prov. Verslagen. 



Digitized by 



Google 



366 
9- Het Eemskanaal en zijn boezemgebied. 

De bovengenoemde afsluiting van het Reitdiep maakte een nieuw 
kanaal voor den afvoer van het te Groningen samenvloeiende 
water noodig, terwijl tevens de scheepvaart een beter waterweg 
voor de hoofdstad der provincie vereischte. Een gevolg hiervan was^ 
dat bij het reeds genoemd besluit der Staten van 1856 ook tot 
den aanleg van een nieuw kanaal van Groningen naar de Eems 
besloten werd, ter vervanging van het oude en onvoldoende Dam- 
sterdiep. Zoo werd het Eemskanaal voor dit tweeledige doel, de 
zeevaart op Groningen (die vroeger over Reitdiep geschiedde) e» 
den beteren waterafvoer^ van 1866 tot 1876 gegraven. Het kanaal be- 
staat uit één pand en heeft eene lengte van 26,550 K. M., van- 
den mond van het Winschoterdiep te Groningen tot de schut- 
sluis te Delfzijl. Het kanaalpeil is het Winschoter peil, waarnaar 
vroeger in deze provincie gerekend werd, d. i. 0,81 M. + A. P. 
De diepte is 4,50 M. onder kanaalpeil, en de breedte op peil 31 k 
40 M. Het zuidelijk verbindingskanaal te Groningen verbindt 
het Eemskanaal met het Noord- Willemskanaal en het Hoendiep^ 
en vormt met de Zuiderhaven eene verbinding tusschen eerstge- 
noemd kanaal en het bovenpand van het Reitdiep. 

Het Eemskanaal dient tevens tot waterafvoer, zeiden wij, e» 
vormt aldus een boezem. Tot dien boezem behooren ook het iste 
pand van het Winschoterdiep, het 5de pand van het Noord- Wil- 
lemskanaal en het bovenpand van het afgesloten Reitdiep. Op- 
dezen boezem komt het water van de Drentsche Aa en van de 
Hunze^ en verder het overtollige water van het Stadskanaal bene- 
den het 5de verlaat, terwijl alleen in sommige gevallen de hooger 
gelegen panden hierop afstroomen (zie pag. 356). In het geheet 
is het gebied, dat op dezem boezem loost, 84295 H. A. groot, 
waarbij nog 20195 H. A. kunnen komen van de bovenpanden- 
van het Stadskanaal boven het 5de verlaat. 

Deze boezem loost op de Eems door de schutsluis te Delfzijl. 
Het peil van den boezem is 0,81 M. H- A. P. ; tusschen 31 sten Oct. 
en den isten April moet het water zoo mogelijk en zoo noodig tot 



Digitized by 



Google 



3^7 

niet hooger dan 0,20 M. beneden dat peil worden gehouden. Te Gro- 
ningen kan, ten behoeve van de doorspuiïng van enkele grachten, 
water aan het pand worden onttrokken door twee sluisjes, die het 
op den boezem van Fivelingoo brengen. 

Het Eemskanaal loopt door het op pag. 348 aangeduide lage 
gedeelte in Groningen. De waterstand op dit kanaal (kanaalpeil 
0,81 M. + A. P.) is hooger dan die der omliggende landen, zelfs 
dan de terreinen zelf. Ten zuiden van het kanaal zien wij hoogten 
van 0,75 M. — A. P. tot 0,30 M. — A. P., eene hoogte die nabij 
de Eems iets toeneemt. De zomerpeilen zijn ten noorden 1,60 M. 
— A. P. tot 1,35 M. — A. P. Hierdoor is er van natuurlijke 
loozing van het belendende land op dit kanaal geen sprake en 
kunstmatige loozing is niet tot stand gebracht, daar het land 
elders beter het overtollig water kan loozen. Van het aan beide 
zijden liggende land ontvangt dus de boezem van het Eemskanaal 
geen water; het dient alleen om het water uit Drente en een 
deel van Z. W. Groningen naar zee te voeren. Aan beide zijden 
van het kanaal liggen dan ook zelfstandige boezemgebieden ; ten 
zuiden dat van den boezem van Duurswold^ (zie pag. 375), ten 
noorden van den boezem van Fivelingoo (zie pag. 370). 

10. Het Noord'WillemskanaaL 

Tot den aanleg van het Noord- Willemskanaal werd concessie ver- 
leend bij Kon. Besluit van lo Juni 1858. De Noord-Willemska- 
naalmaatschappij bracht dit werk tot stand, en in 186 1 werd het 
kanaal voor de scheepvaart opengesteld. Het dient tot verbinding 
van het bovenpand der Drentsche hoofdvaart met de stad Gronin- 
gen. Wij zeiden reeds boven, dat het Hoomschediep gedeeltelijk 
tot dit doel is vergraven. 

Het Noord-Willemskanaal heeft eene lengte van 28 K.M. Door 
4 schutsluizen wordt het in 5 panden verdeeld. Het benedenpand 
wordt voor een gedeelte gevormd door het gekanaliseerde Hoorn- 
sche diep. 



Digitized by 



Google 



368 



PANDEN. 




< 

SS 
|.s 

1 


S 

Js 

ei 
1 




Kleinste breedte II 
op K. P.inM. 


iste pand. Drentsche Hoofdvaart tot 
sluis I 


0,158 

»,995 
10,634 

2.215 
11.750 


",83 

9,33 
6,83 
3,83 

0,81 


7 
7 
7 
7 

7.6 


1 

1,0 1 I2.il 


a<i€ > Sluis I tot sluis 2 

3de > > 2 > > 3 

4^^ » > 3 » > 4 

5de 1 > 4 > verbindingka- 
naal te Groningen 


,7 

1,9 
1.9 
1,9 

«.9 


12,4 
12.4 
I2y» 

13,00 



Het 5 de of benedenpand van dit kanaal wordt gevoed door het 
water uit de Drentsche Aa. De overige, hooger liggende panden 
worden gevoed door opmaling uit het 5de pand met de stoomge- 
malen bij de schutsluizen, die tevens dienen om het bovenpand der 
Drentsche Hoofdvaart op het peil te houden. Het overtollige water 
moet door de schutsluizen van het hoogere pand naar de lagere 
afloopen. 

II. l/et PeizerdUp en Eelderdiep en hun gebied. 

Het gedeelte van Drente ten noorden van Assen en ten westen vaa het Noord- 
AVillemskanaal ligt in het zuiden ongeveer 12 M. -f A. P. en in h^t noorden 
2 ii 3 M. 4- A. P. Dit terrein vindt zijne natuurlijke afwatering hoofdzakelijk 
langs het PHner- en Eelderdiep naar het noorden. 

Het Eelderdiep wordt gevormd door de samenvloeiing van verschillende kleine 
waterloopen, waarvan de Westerloop en de Winderhop de grootste zijn. Rechts 
neemt het nog de Woldsloot op. Op de grens van Groningen en Drente ver- 
lenigt het zich met het Peiterdiep, 

Het PeiMerdiep wordt gevormd door de samenvloeiing van het Groote- of 
Steenbergerdiep en het Kleine- of Oostervaartsche diep. Het eerste, dat vóór 
den aanl^ der Kolonievaart in het Esmeer zijn oorsprong nam, begint thans 
ten noorden van dit kanaal en draagt ook de namen van Siokkert en Aa, Be- 
neden het vereenigingspunt verkrijgt de stxxK>m den naam van Zf^^rntfr 4f»^, dat 
nog eene afwatering uit het Steenbergerveen opneemt, en vervolgens Peizerdiep 
wordt genoemd. 



Digitized by 



Google 



3^9 

Met het Eelderdiep verecnigd heet het water vervolgens nog Peiterdiep oi 
KoningidUp, Het voert zijn water af op het HoendUf en daardoor op de« 
boezem van het waterschap Westerkwartier. Het afvoergebied op htt Peixerdiep 
bedraagt 14170 H.A., op het Eelderdiep 8310 H.A., waarbij 175 H.A. polder- 
land. Het Peizerdiep wordt tot nabij Peize bevaren. 

Zeer zeker hadden deze riviertjes oorspronkelijke een natuurlijke afwatering 
naar het Reitdiep. De sporen daarvan zijn nog gevonden. Volgens deze 
zou waarschijnlijk dit diep geloopen hebben ten oosten langs Hooge Meeden, 
Aduard, Fransum en Beswerd en tusschen Ezinge en Feerwerd door in het 
Reitdiep. i) Deze stroom liep dus ten westen van het Reitdiep op eenigen 
afstand daarmede evenwijdig. Thans vindt men bier het Aduarderdiep, dat 
evenwel blijkbaar een gegraven kanaal is. 

12. De boezem van het Waterschap Wester kwartier en zijn gebied. 

Het gedeelte van Groningen ten westen van het Reitdiep en van 
het Noord-Willemskanaal tot aan de Lauwers maakt in hydrogra- 
phisch opzicht het Waterschap Wester kwartier uit, * dat op een 
eigen boezem, den Boezem van Wester kwartier, loost. Evenwelloo- 
zen op dien boezem ook vele landen, welke niet tot genoemd water- 
schap behooren. Tot dezen boezem behooren het iste pand van 
het Hoendiep (het overige behoort tot Frieslands boezem) en eenige 
andere wateren. Het peil van dezen boezem is bepaald op 0,74 M. 
— A. P.; van den isten April tot en met i Oct. mag niet bene- 
den dit peil worden afgestroomd. 

Deze boezem brengt door drie sluizen: de Kotnmerzijl^ de Oude 
«n de I^ieuwe Aduarder zijl^ zijn water op het benedenpand van 
het afgesloten Reitdiep, dat eveneens een peil heeft van 0,74 M. — 
A. P. en door de sluizen te Zoutkamp op de Lauwerszee loost. 

Op dezen boezem watert een oppervlakte van 15150 H.A. polder- 
land en 36040 H.A. hooge gronden en boezemland af. Hiervan 
zijn 1165 H.A. polderland en 23625 H.A. boezemland en hooge 
gronden in Drente gelegen. 

De Aduarder- en de Kommerzijl zijn in de laatste jaren steeds 
geopend geweest, en moeten alleen worden gesloten, als de binnen- 
waterstand beneden peil is gedaald. 



i) Acker Stratingh, Aloade Staat. I, pag. 304. 
II. 



24 



Digitized by 



Google 



370 



13. Het Hoendiep. 

Het Hoendiep is een gegraven vaart in het Westerkwartier vai> 
Groningen, van deze stad naar de Friesche wateren bij Stroobos. 
Het ontving zijn naam naar de van ouds als de Hoen bekende 
streek buiten de stadsgracht te Groningen, waar het diep een begin 
nam. Het Hoendiep maakt een gedeelte uit van de trekvaart van 
Groningen op Leeuwarden en van den hoofdwaterweg naar Hol- 
land. Reeds in 1597 werd een gedeelte van dit kanaal gegraven, 
maar eerst in 1654 was het in zijn geheele lengte voltooid. In 1863. 
en 64 is dit kanaal voor rekening der Provincie verbeterd, terwijl 
onderscheidene sluizen zijn opgeruimd. Het Hoendiep is 26,5 K.M. 
lang en door het verlaat te Gaarkeuken in 2 panden verdeeld. 
'Het eerste pand, van Groningen tot Gaarkeuken, is 19,8 KM. lang 
en heeft een peil van 0,74 M. — A. P., terwijl de bodem 2 M. onder 
het kanaalpeil ligt. De minste breedte op het peil is 13 M. Dit ge- 
deelte van het kanaal behoort tot den boezem van het Westerkwartier. 

Het tweede pand^ van Gaarkeuken tot Stroobos, is 67,50 K.M. lang 
'en heeft een peil van 0,42 M. — A. P. Breedte en diepte zijn als 
bij het vorige pand. Dit pand ligt gemeen met Frieslands boezem. 

14. De boezem van Fiveiingoo en zijn gebied. 

Ten noorden van het Eemskanaal van Groningen naar de Eems 
strekt zich in een naar het oosten breeder wordende oppervlakte 
het gebied van den boezem van Fiveiingoo uit, beslaande 4205 H.A. 
polderland en 12 155 H.A. boezemland. In de lengte loopt door dit 
gebied het Damsterdiep^ dat wel het belangrijkste deel uitmaakt 
'van genoemden boezem. Deze boezem loost te Delfzijl op de Eems 
door twee sluizen aan den mond van het Damsterdiep, de Dorpster- 
zijl (zijl = sluis) en de Slofhter en ScharmerzijL Inlating van 
water in den boezem heeft niet plaats. Het peil van den boezem 
is bepaald op 0,74 M. — A. P. De afstrooming kan echter van 
I Mei tot I October door het hoofdbestuur van het waterschap 
beperkt worden tot 0,56 M. — A. P. De boezem staat in verbinding 



Digitized by 



Google 



371 

met den boezem van Hunsingoo door een schutsluis te Groningen, 
door de sluis aan de Rollen en door het Stedummer- en Oosterdijks- 
horner verlaat. Deze sluizen staan dikwijls geheel open. Daar het 
zomerpeil van vele polders in dit gebied lager ligt dan het boezem- 
peil moeten onderscheidene polders bemalen worden. 

Het Damsterdiep. Het Damsterdiep was vroeger een zeer belangrijk 
scheepvaartkanaal, dat gegraven is tot verbinding van Groningen met de Eems. 
Gedeeltelijk is het geheel gegraven, gedeeltelijk zijn er twee oude riviertjes, de 
Fivel en de Delf (de laatste een tak van de eerste) in opgenomen. Het heeft 
den naam ontvangen naar Appingadam, in den regel wel de Dam genoemd. 

In de laatste helft der i6de eeuw, bepaaldelijk in 1573, werd er reeds over 
het graven van dergelijk kanaal onderhandeld, alsmede om een sluis in de stad 
te leggen, ten einde het water uit de Hunze te verhinderen om naar Delfzijl te 
stroomen. Doch hoezeer de aanleg van dergelijk kanaal ook werd aanbevolen 
o. a. door Alva en Gaspar Robles, toch wisten de Ommelanden dien arbeid to^ 
1598 te vertragen, toen het werk eindelijk tot stand kwam. 

Dit kanaal liep door lage gronden, welke zeer waarschijnlijk verhinderden het 
op de noodige diepte te brengen. Zoo ontstond er spoedig belemmering voor 
scheepvaart en afwatering, zoodat een geheele verbetering en verdieping weldra 
noodig waren. Geschillen tusschen Stad en Ommelanden, welke blijken uit de 
Staatsbesluiten der jaren 1637, 1640, 1641, 1645 en 1646, deden telkens het 
werk tegenhouden, doch in 1653 kwam de verbetering tot stand. Ook later 
hielden geschillen de verbetering van het kanaal telkens tegen; in 1704 werd 
een gedeelte tot het Slochtérdiep en in 1791 en 92 het overige uitgediept. 

In 181 9 is (volgens Kon. Besluit ii Sept. 181 8 N<^. 54) het Damsterdiep van het 
westen van Appingedam door het graven van een nieuw kanaal ten zuiden langs 
deze stad gelegd en aldus vereenigd met de Groeve, een uitwateringskanaal van 
het Woldzijlvest. Dit geschiedde op kosten van het zijlvest de drie Delfzijlen^ 
die nn, dewijl het water niet meer in Appingedam gestuwd werd, beter kon- 
den loozen. De Groeve werd tegelijkertijd merkelijk verdiept. 

Het Damsterdiep verbindt Groningen met Delfzijl en de Eems. 
Het kanaal heeft eene lengte van 30,900 K.M. en bestaat uit een 
enkel pand. De kleinste diepte bedraagt 1,70 M. onder peil en 
de breedte op kanaal op het minst 10 M. De doorvaart door de 
sluizen te Delfzijl geschiedt bij gelijk binncnen buitenwater. 

Ten O. van Fivelingoo ligt nog het kleine waterschap de Vierburen 
met een eigen boezem (peil 0,05 M. + A» P.) die door de Bierum- 
merpomp op de Eems loost. 



Digitized by 



Google 



372 

Geschiedenis van de Fivel en de Delf. 

De Fivel is een voormalig water in het thans besproken gebied, dat zijm 
naam heeft achtergelaten in het kwartier Fvuelingoc* Doch het water zelf be- 
hoort tot de historie, en slechts met moeite is haar oude loop na te sporen. 
Zoover het de hooge gronden betreft, is haar voormalig bed nagegaan en in kaart 
gebracht door A. L. Wessels. Volgens dezen nam zij haar oorsprong uit eenige 
'wateren in de venen en moerassige landen in het zuidelijk gedeelte van Five- 
lingoo, of in de streek, die eertijds den naam Duurswolde droeg en thans nog 
6itWoudstreek\it!t\„ Hier werd de Fivel gevormd door eenige, nog thans bestaande 
snelvlietende stroompjes, de Scharmer en de Slachter Aa of Ee^ die zich evenals 
nu nog bij het in 1659 uit het Damsterdiep naar Slochteren gegraven SlochterdUp of 
Rengersdiep tot één stroom vereenigden i), welke verder noordelijk voorbij Wol- 
tersum en Wittewierum naar ten Post liep. De Woltersummer Maar of de Poster 
Me is zeker het recht gegraven overblijfsel van de vroegere Fivel. De Poster 
£e is oudtijds blijkbaar zeer breed geweest, en had ten noorden van het Slochter- 
diep wel 80 voet ' wijdte, terwijl de breedte thans niet meer dan I/4 hiervan 
bedraagt. De Fivel moet, zooals uit de Kronyk van de abten van Wittewierum 
uit de 13de eeuw blijkt, bij de abdij te Wittewierum, die nabij de tegenwoor- 
dige kerk gestaan heeft, een haven gehad hebben, welke na het verlanden van 
den mond der Fivel gedempt is. 

Van Ten Post tot aan Windeweer is het Damsterdiep waarschijnlijk eene 
vergraving van de Fivel, zooals blijkt uit den bochtigen loop. Verder liep zij 
waarschijnlijk noordwaarts naar Westeremden. Dit schijnt te blijken uit laagten 
in den bodem, uit bedijkingen, uit de zware kleiafzettingen, en uit eene rij 
van terpen, die langs de oude Fivel zich uitgestrekt zou hebben. Bij Wester- 
emden schijnt de Fivel uitgemond te hebben in een breede inham, die van de 
Eems hier in het land doordrong. Uit de gesteldheid der daar liggende bedïj- 
king blijkt, dat die inham successievelijk is verland en na de 12de eeuw lang- 
zaam geheel is dichtgeslibd. 

De Fivel was de natuurlijke afwateringsw^ van het omliggende land. Door 
de verlanding van dezen boezem en stroom moest men voor de afwatering andere 
wegen zoeken. De landen langs de kust behielpen zich aanvankelijk nog met 
de daaf aanwezige kleine waterloozingen, die werden verlengd door de aanwassen 
hoen langs de kust. Doch ook deze verbindden weldra, en konden sedert alle«» 
voor de uiterdijkscfae landen dienen. 



1) Acker Stratingh. Aloude Staat. I, pag. 315. 

A. Smith. Geschied, der prov. Groningen, 1849. pag. 102. 



Digitized by 



Google 



373 

Ten westen van Delfzijl kwam oudtijds een watertje uit het land, dat mis- 
schien van natuurlijken oorsprong was en later vergraven werd. Dit was de 
Delf^ aan welks monding Dtlfzijl ontstond. De Delf was het afwateringskanaal 
van het oostelijk gedeelte van Fivelingoo, evenals de Fivel dit was voor het 
westelijk gedeelte. Oorspronkelijk waren beide gescheiden, meent Acker Stratingh* 
Doch na het verlanden van den mond van de Fivel werden deze beide wateren 
met elkander verbonden, om de afwatering van het noordelijk Groningen langs 
de Delf te doen plaats hebben. Wanneer dit geschiedde, valt niet met zekerheid 
te zeggen, doch zeer waarschijnlijk had het vóór de elfde eeuw plaats. 

WesterhofT i) is het te dezen opzichte niet geheel eens met Acker Stratingh, 
Hij zegt, „dat de Fivel oudtijds haar oorsprong in de venen en moerassige 
landen van het zuidelijk deel van Fivelingoo zal genomen hebben, en al kron- 
kelend onder het opnemen van andere kleine stroompjes in de richting van 
Wittewierum liep, ten Z.W. van welke plaats zij zich in twee takken verdeelde, 
waarvan de eene naar ten Post en vervolgens naar Windeweer, de andere langs 
Wittewierum naar Garrelsweer liep. In de nabijheid van deze plaats verdeelde 
zij zich in twee takken, waarvan de noordelijkste en wellicht de voornaamste 
naar Windeweer en vervolgens tusschen Loppersum en Westeremden doorliep, en 
langs laatstgenoemde plaats zich in een aanzienlijken waterboezem, die aldaar door 
de zee gevoimdwas, uitstortte, terwijl de andere, naar 't schijnt kleinere tak in 
de nabijheid van Garrelsweer oostwaarts liep, het water van nog onderscheidene 
kleine stroompjes ontving, en bij Delfzijl in de Eems loosde. Dit is de tak, die 
later den naam verkreeg van Damsterdiep, nadat het op verschillende plaatsen 
vergraven was." 

Het komt ons met het oog op den aard des terreins waarschijnlijk voor, dat 
al reeds eene verbinding tusschen Fivel en Delf kan bestaan hebben, doch dat 
de Delf, nadat de noordelijke Fivelraond verlandde, toenam in vermogen. 

De Delf 'werd daardoor eene belangrijke waterloozing. De landen, welke 
hierop uitwaterden, vormden het waterschap van de Zijlvestenij der drie Delf- 
zijlen. Dit had overeenkomstig met zijn naam drie uitzijlen of sluizen in den 
mond der Delf: de Dorpster zijl, de Slochter zijl en de Scharmer zijl. Ook in 
deze zijlen of sluizen is verandering gekomen. De Slochter zijl is in 1569 ge» 
dempt, de Dorpster sijl behield haar naam, en de andere werd sedert Scharmer' 
<n Slochter zijl genoemd. 2) 

Dat bij het graven van het Damsterdiep van de Fivel voor een klein gedeelte 
en ook van de Delf gebruik gemaakt is, zagen wij boven. 



i) R. WesterhofT. Twee hoofdstukken uit de geschiedenis van ons dijkwezen. 
1865, pag. 321 enz. 

9) A>cker Stratingh. Aloude Staat. I, pag. 321. 



Digitized by 



Google 



374 



15- De boezem van Hunsingoo en zijn afwateringsgebied. 

Tusschen Fivelingoo en het Reitdiep ligt het gebied van den 
boezem van Hunsingoo. Van de wateren, die tot dezen boezem be- 
hooren, is het Boterdiep wel een der belangrijkste. Dit boezemgebied, 
alsook het oostelijk deel van Fivelingoo , wordt bijna geheel 
door een meer of minder smalle strook van jongere bedijkingen 
langs de Wadden, die hooger liggen, omzoomd. Deze laatste loozen op 
de Wadden\ de boezem van Hunsingoo loost zijn overtollig water 
op de Lauwerszee door een sluis te Zoutkamp, en op het beneden- 
pand van het afgesloten Reitdiep door de Schouwerzijl^ de Schap- 
halsterzijl^ de Winsummerzijl^ de Wetsingerzijl en de Noorderpomp 
onder Schillingeham. De sluizen naar het Reitdiep staan meestal open. 

De oppervlakte der polders, die op dezen boezem loozen, bedraagt 
II 135 H.A., die der boezemlanden 24890 H.A. Het peil van den 
boezem is 0,64 — A. P. Daar deze gronden hooger liggen dan die 
in Fivelingoo, kan het boezempeil hooger zijn. 

Het Boterdiep. Het Boterdiep verbindt Groningen met Onderdendam en 
de overige kanalen van Hunsingoo. Het heeft eene lengte van 13650 K.M. en 
bestaat uit een enkel pand, dat deel uitmaakt van den boezem van Hunsingoo, 
met een peil van 0,64 M. — A. P. De diepte is 1,60 M. onder peil, de minste 
breedte op kanaalpeil 10 M. 

x6. De rechtstreeks op zee uitwaterende landen. 

Door de aanslibbingen in de Wadden werd de bedijking langs 
de noordkust van Groningen in de laatste eeuwen telkens naar 
buiten gelegd. Daardoor ligt de oude zeedijk thans midden door 
het land en is in een slaperdijk veranderd. Op sommige plaatse» 
liggen zelfs drie zeedijken achter elkander. 

De Wadpolders zijn, van het westen bij de Lauwerszee af aan- 
vangend, de volgende: ét Pantserpolder ^ de Torringa-Polder^ix^ii 
—1838), de Vierhuister- of Midhuister Polder^ (gedeeltelijk 1770 
en 1807), de Hornhuister- of Zesboeren Polder (1806), de Zeven* 
boeren Polder (\Zo\\ de Pokummer Pr. {1809), de Ikawa Pr. (1815) 



Digitized by 



Google 



375 

•en de Feddema^s Pr, (1804). Buiten deze laatste drie bedijkingea 
werd in 1872 de Negenboeren polder (286 H. A.) ingedijkt, en 
vóór de Toringas-, Midhuister- en Zesboeren polders de Westpolder 
in 1875, groot 553 H. A. Verder oostelijk liggen de JN oordpolder 
2058 H. A. in 1811, de üithuizer polder 924 H. A. in 1827, de 
Oostpolder 1140 H. A. in 1841, en de Eemspolder (vóór de beide 
laatste) 390 H. A. in 1876 bedijkt. Deze polders loozen direct 
hun water door sluizen op de zee. Buiten de zeedijken van deze 
polders strekken zich langs de Wadden nog kwelderlanden uit. 

17. De boezem van Duurswold en zijn gebied. 

Ten zuiden van het Ëemskanaal watert eene oppervlakte van 
18225 H. A. polderland en 3775 H. A. boezemland en hooge 
gronden af op den boezem van Duurswold. Het valt in het oog, 
dat in Fivelingoo meer boezemland dan polderland ligt^ terwijl in 
Duurswold juist het omgekeerde bestaat. Dit verschijnsel is daaruit 
te verklaren, dat Duurswolds boezemgebied het laagste gedeelte 
van Groningen uitmaakt. De bodem ligt hier van = A. P. tot i 
M. — A. P. Daarom noemt men dit gebied ook het Lageland in 
tegenstelling van Hunsingoo en Fivelingoo dat het I/oogeland hett^ 
Aanzienlijke wateren behooren niet tot dezen boezem. Een afwa- 
teringskanaal 1869 — 1872 gegraven, loopt van het Slochterdiep door 
bet Schildmeer naar de Eems. De waterloozing heeft plaats te 
Farmsum, bij Delfzijl, op de Eems. Inlating van water heeft er 
niet plaats. Door drie schutsluizen, eene aan het Slochterdiep^ 
eene aan de Groeve en eene bij Delfzijl staat deze boezem met 
het Ëemskanaal in verbinding, evenwel niet om water te loozen. 
Om het lage afwateringsgebied is het peil van den boezem 1,09 M. — 
A. P. d. i. 1,90 M. lager dan op het Ëemskanaal. 

18. De Westerwoldschc Aa en haar gebied. 

Wenden wij ons thans weder naar het Z. O. gedeelte van Gro- 
ningen. Wi) zagen op pag. 355 dat van de Ruiten Aa en Mussel 



Digitized by 



Google 



376 

Aa thans de zuidelijkste gedeelten zijn afgesneden, en dat alleen in 
enkele gevallen nog water uit de bovengedeelten (op de beneden- 
deelen komt. 

De Ruiten Aa en Mussel Aa beneden de snijding van het Stads- 
kanaal loopen in noordelijke richting verder. Boven Vlagtwedde 
verdeelt de Ruiten Aa zich in twee takken, die beide den naam 
Ruiten Aa behouden, en waarvan de westelijke arm bij Wessing- 
huizen en de oostelijke, die ook Veelerdiep wordt genoemd, meer 
benedenwaarts met de Mussel Aa samenkomt. Uit deze samen- 
vloeiing van de Mussel Aa met de Ruiten Aa ontstaat de Wester- 
woldsche Aa, De Westerwoldsche Aa stroomt verder langs Wedde, 
Oudeschans en Nieuweschans, en loopt door de Nieuwe Statenzijt 
in den DoUart, waar haar water tusschen de bij laagwater droog- 
vallende gronden door de Buiten ^<z naar de Eems wordt afgevoerd» 
Na het ontstaan van den DoUart stroomde de Westerwoldsche Aa 
vrij uit in dezen inham. Zij werd het eerst afgesloten door de 
Bellinf^wolderzijl ter plaatse waar in 1593 de Oudeschans werd 
aangelegd. In 1657 werd bij de Nieuweschans de -4ö5^7 gebouwd, 
die in 1670 vervangen werd door de Oude- of Tien-Karspelen zijL 
In 1707 werd de Statenzijl gebouwd, waardoor de Oudezijl ver- 
viel; in 1878 kwam eindelijk de Nieuwe Statenzijl gereed, waar- 
door de Statenzijl^ die vroeger buitensluis was, in een binnensluis 
veranderde. 

De Westerwoldsche Aa heeft aan den linkeroever beneden Wedde 
en aan den rechteroever beneden Wedderbergen eene doorloopende 
bedijking. Tot Wedde is zij bevaarbaar. Van de Nieuwe Staten- 
zijl tot de Bult heeft zij een diepte van 3 M. beneden het Aa-peil 
en een bodembreedte van op zijn minst 10 M. Dit gedeelte is 
gekanaliseerd. Tusschen de Bult en Wedde is de diepte 1,50 onder 
genoemd peil, d. i. 0,44 M. + A. P. Bij verordening is bepaald^ 
dat tusschen den laatsten October en i April het water zoo mo- 
gelijk en zoo noodig beneden 0,14 M. -h A. P. moet gehouden 
worden. 

De Oude Statenzijl, die in den regel openstaat, wordt alleen^ 
gesloten om het riviervak tusschen deze sluis en de Nieuwe Statenzijl 



Digitized by 



Google 



377 

te kunnen opzetten, teneinde de Buiten Aa door spuien en ploegen 
open te houden. 

Het gehede afwateringsgebied op de Westerwoldsche Aa heeft 
een oppervlakte van 21300 H. A., waarvan 2930 H. A. bemalen 
worden, terwijl bovendien nog een gebied van 5150 H. A. ge- 
deeltelijk op de Ruiten Aa, gedeeltelijk langs Boertange naar de 
Eems afwatert. Dit afwateringsgebied ligt aan beide zijden van 
genoemde Aa en aan de Ruiten en Mussel Aa hoofdzakelijk boven 
Wedderbergen. Het land verder beneden waarts watert niet af op- 
de Westerwoldsche Aa. Hier liggen de afwaterings gebieden van 
den boezem van Retderland en die van den boezem van het water- 
schap de Vereeniging^ dit laatste langs den DoUart. 

19. Het gebied van den boezem van Retderland. 

De boezem van Reiderland wordt gevormd door onderscheidene 
kleine wateren, die het land doorsnijden. De Westerwoldsche Aa loopt 
door dit gebied, doch ontvangt hiervan geen water. Het zomerpeiL 
van den boezem is 0,49 M. — A. P. Inlating van water heeft 
er niet plaats. Het water van dezen boezem wordt dwars door 
den Reiderwolderpolder gevoerd en door de Reiderlander buiten- 
sluis op de buitengeul of mude gebracht, die het door de bij 
laagwater droogvallende gronden van den Dollart naar de Eems 
afvoert. De binnensluis in den Aegypterdijk wordt gesloten als 
het zomerpeil bereikt is, en ook als het kanaal tusschen beide 
sluizen moet worden opengezet ten behoeve van het spuien en 
ploegen der buitengeul. Beneden het zomerpeil mag van i Met 
tot I October niet worden afgestroomd. Om in dien tijd met 
ploegen der buitengeul te kunnen voortgaan, kan het kanaal 
tasseben de beide sluizen worden opgezet door middel van een 
vijzelmolen, binnen de Binnenzeesluis geplaatst, die het water uH 
den boezem opmaalt. De gezamenlijke polders, die op dien boezen^ 
afwateren, beslaan een oppervlakte van 13100H.A) die der boezem^ 
landen 60 H. A. De zomerwaterstand in de polders loopt van 
0,65 tot 1,55 M. — A. P., zoodat voor vele bemaling noodig is^ 



Digitized by 



Google 



378 
2 o. Dc boezem van hei waterschap de Vereeniging, 

Het waterschap de Vereeniging bestaat uit den Oosterwolder 
j>oIder^ den linsterwolder polder en den Reiderwolder polder^ inge- 
dijkt in 1769, 18 19 en 1874. Deze jong bedijkte terreinen liggen 
hooger dan die in het vorige gebied. De zomerpeilen loopen 0,70 
tot 0,80 M. — A. P. Het zomerpeil van den boezem is 0,70 M. 
— A. P. Het water van den Finsterwolder polder wordt door 
«en afwateringskanaal afgevoerd naar Fimel, waar het door een 
sluis op de Eems loost. De Reiderwolder polder loost op genoemd 
afwateringskanaal door eene sluis, terwijl de Oost wolder polder door 
•een sluis loost op den Finsterwolder polder en ook op dezen kan 
worden afgemalen. Inlating van water heeft niet plaats. In het 
geheel wateren 4120 H. A. landen door die sluis af, waartoe 
2840 H. A. polderland behoort. 

21. De boezem van Oldambt en zijn gebied en de boezem van 
het waterschap Oterdum. 

Ten westen van bovengenoemde boezemgebieden ligt nog dat 
van den boezem van Oldambt, bestaande uit 5905 H. A. boezem- 
land en 12950 H. A. polderland. Het voornaamste boezemkanaal 
is het Ter munter zij Idiep, Deze boezem loost op de Eems bij Ter- 
munten door twee sluizen, de Oude en Nieuwe TermunterzijL Het 
zomerpeil van den boezem is 1,13 M. — A. P. Beneden dit peil 
mag van den isten April tot den isten Oct. niet worden afge- 
stroomd. Het maalpeil is 0,44 M. — A. P. Het zomerpeil der 
pelders loopt tot 2,13 M. — A. P., zoodat de polders bemalen 
moeten worden. 

Binnen den Ëemsdijk tusschen Duurswold ten W. en het Ter- 
munterzijldiep ten O. ligt het kleine waterschap ö/^ri/ww, 1595 H.A. 
groot. De boezem wordt hoofdzakelijk gevormd door de Oier- 
dummer Maar^ peil 1,16 M. — A. P., die door de Oterdummerzijl 
op de Eems loost. 



Digitized by 



Google 



379 

§ 3- 1>£ ORO-HYDROGRAPHISCHB GESTELDHEID DER PROVINCIE 
GRONINGEN IN VERBAND MET DE VERDEDIGING. 

Evenals in Holland en Utrecht heeft men ook in de Provincie Groningen 
vroeger partij getrokken van het terrein om de provincie te verdedigen. Het 
is in het merkwaardige jaar 1672, dat eene aitgebreide inundatie in deze pro- 
vincie werd uitgevoerd om de Munstersch-Keulschc krijgsmacht in het noorden 
tegen te houden. De grenzen van deze inundatiCn vindt men aangegeven op 
eene kaart van den heer J. P. Koster in zijn werk „De provincie Groningen 
-en hare defensie in de laatste twee eeuwen/^ Hieruit blijkt, dat in genoemd 
jaar de inundatiegrens zich in het noorden uitstrekte tot het Reitdiep en het 
Damsterdiep. Ten zuiden aan deze beide wateren lag een meer of minder 
breed terrein onder water. Het lage gedeelte van Fivelingoo leende zich daar- 
toe uitstekend. Hier liep het gelnundeerde terrein tot aan het Zuid laarder meer 
-en verder tot de lijn Hoogezand, Sappemeer, Muntendam, Heiligerlee, Scheemda 
«n Oostwold naar het oosten, evenwel afgebroken door enkele hooge zand- 
niggen. Ten westen van Groningen lag het geTnundeerde terrein ten westen 
-en zuiden van het Reitdiep, en strekte zich met armen naar het Z. W. door de 
Tage terreinen tusschen de ruggen langs de Leek, het Wolddiep en het Kolonels- 
•diep uit. 

"Waar verkreeg men het water voor dergelijke inundatie? De heer Koster 
wijst in bovengenoemd werk aan, dat men in 1672 verplicht was geweest om tot 
het verkrijgen etner volledige inundatie gedurende meer dan drie maanden het 
Mnnenwa/er op te houden en bovendien gedurende ongeveer vier a nes weken 
het vloerioaier door 16 zee sluiten in ie laten, i) Het opstuwen van het water 
dat uit Drente komt, met het binnenlaten van zeewater konden vereenigd die 
•inundatie tot stand brengen, doch eerst na langen tijd. 

De oostelijke moeraslinie. In het oosten der provincie Groningen bood 
de natuur eene verdedigingslinie aan in de Boertanger moerassen. De strook 
lands van den DoUart tot Koevorden, ongeveer 12 4 13 uren lang en ongeveer 
3 & 4 uren breed, lag vroeger woest en onbebouwd zonder wegen en zonder 
goede afwatering. Door gemis van afwatering waren hier de planten gedurende 
•eenige eeuwen bewaard en tot venen opgehoopt, en deze venen smoorden op 
hun beurt de afwatering weder. Tal van poelen en meren strekten zich hier 
uit o. a. het Bellingwolder, Lyske, Sellinger, Emmer en Hebeier meer, het 
Zwarte meer en andere. 

Deze meren zijn meestal thans verdwenen. De riviertjes van vroeger vindt 
men er thans nog, de Ruiten Aa en Mussel Aa tot Westerwoldsche Aa ver- 



i) J. P. Koster. De provincie Groningen en hare defensie 1874 pag. 12. 



Digitized by 



Google 



38o 

eenigd, die naar het noorden vloeien, en het Drostendiep en Loodiep, dienaar 
het zuiden stroomen. Die streek was toen onbegaanbaar en „de conservatie- 
der moerassen was de natuurlijke sterkte van den Staat ter bescherming vai¥ 
het oostelijk frontier". Daarom trachtte men die grens in dien ontoegankelijken 
staat te houden. 

Tot dit doel werden vele maatregelen genomen. In 1672 werd bij Sellingen een 
rijsdam in de Ruiten Aa gelegd, waaruit de Nieuwe Ruiten Aa (zie pag. 353)- 
naar het fort Boertange loopende, gevormd werd. Hieruit kon men de moe- 
rassen dras zetten en den omtrek van het fort Boertange inundeeren. Het be- 
stendigen van den moerassigen toestand dier streek was eene der voorwaarden^ 
waarop de drie veroverde provinciën Gelderland, Utrecht en Overijsel na den 
oorlog 1672 — 1678 wederom in de Unie werden opgenomen. In 1687 en 88 
werden met hetzelfde doel de zoogenaamde Leidijken gelegd om de afvloeiing 
van water te belemmeren. Het doorsteken en vergraven van de dijken, het aftap- 
pen van de wateren, veenbranden, en boekweiten, weiden van vee, maken van 
paden en wegen werd, bij een plakkaat van de Staten Generaal der Vereenigde 
Nederlanden van 5den Juli 1694, ten scherpste verboden i). Het grens-tractaat 
in 1784 met de Hannoversche Kreits Meppen gesloten, verbood het aanleggen 
van vaste zandwegen door de moerassen ter weerszijden van de grenslinie» 
Zelfs de toelichtingen in 1836 en 1846 op het grensverdrag van 1824 gegeven 
bestendigden het verbod tegen het bouwen van nieuwe woningen met stook- 
plaatsen en stonden slechts het vergrooten van bestaande woningen, echter 
zonder het aanleggen van nieuwe haarden, toe. Gedurende twee eeuwen ijverden 
de militaire ingenieurs sterk voor het bewaren van den onbewoonden staat dezer 
grensmoerassen. Evenwel was men daarachter geenszins veilig, daar deze moeras- 
sen onderscheidene malen door legers werden doorgetrokken, zij het ook al, dat 
er groote moeielijkheden aan gepaard gingen. 

Zoo werd dan eindelijk met dit stelsel gebroken. Bij het grenstractaat van 
1824 (Staatsbl. 1846 No. 54) werd het drijven van landbouw en veeteelt, het 
vervoer van landbouwprodukten en de circulatie over de moerassen in enkele 
opzichten reeds vrij verklaard. De Sellingerdam werd kort daarna opgeruimd. 
Het tractaat van 1868 met Pruisen gesloten heeft de grootste belemmering voor 
de ontwikkeling dier streek ten laatste opgeheven, door het intrekken van het 
verbod op het bouwen van woningen met stookplaatsen. Daarmede ging ge- 
paard het graven van kanalen door de venen (zie pag. 354K het afgraven der 
venen en de ontwikkeling der veenkoloniën op de grenzen. 

De oostelijke moeraslinie sloot zich in het noorden aan bij den Dollart. Hier 
ontlastte de Westerwoldsche Aa zich door de Belling wolder zijl in den Eemsboezem. 

I) Groot placaatboek IV fol 547. 



Digitized by 



Google 



38i 

Deze sluis was toen „een bekwame plaats om de wegen naar Groningen te ver- 
-diinken en te verderven, hetzij door middel van het openen der zijlen bij hoo- 
^e vloeden water binnen te doen loopen of door het sluiten derzelve de uitwa- 
tering te beletten, welke van de Boertanger moerassen naar deze plaats geschiedt" 
aegt van Reid i). Daarom werd deze plaats in April 1593 door Graaf Willem 
Lodewijk van Nassau versterkt. Op den eenigen groolen weg, toen uit het 
noorden des lands naar Munsterland voerend, werd in Augustus van dat zelfde 
jaar door genoemden graaf Willem het fort Boertange gebouwd, dat weldra 
Verdugo tegenhield. 

Doch de Dollart werd door aanslibbing weldra tot enger grenzen beperkt, 
-en er ontstond aan den zuidkant van den Dollart een hoog kustland (zie pag. 
349) ten noorden van de moerasgrens. De Bellingwolderschaus log op den 
ouden DoUartdijk van 1545, tn aan het oostelijk uiteinde van dien dijk op de 
Oost-Friesche grens lag de Booneschans. Toen nu in 1626 door de inpoldering 
van 2364 H. A. lands aan den Dollart, dat van Beerta en Beertsterhamrik, 
werd ingedijkt, bleef genoemde schans met de sluis in het land liggen. Daarom 
werd in 1628 de Nieuwe Schans verder zeewaarts gebouwd. 

Maar de landaanwas ging steeds voort. Daarom werd reeds in 1681 aan 
prins Willem III het bouwen van een derde schans voorgesteld, en toen was 
reeds te voorzien, dat er spoedig een vierde zou worden gevorderd. Na de 
indijking van den Kroonpolder in 1696 werd in 1707 de Statenzijl tot uitwate- 
ringsluis gebouwd, en die beheerschte dus de inundatie aan de oostelijke grens. 
Ook deze moest toen weder versterkt worden. Dat deze zijl in 1878 door de 
Nieuwe Statenzijl in een binnensluis werd veranderd, merkten wij reeds vroeger 
■op. Door deze inpoldering werd de Aa-linie in het noorden aldus verlengd, 
•doch zij nam tevens af in beteekenis. 

Doch niet alleen deze oostelijke linie, de geheele inundatie van Groningen 
heeft haar beteekenis verloren. Een eigenlijk inundatiestelsel bestaat er in 
Groningen thans in het geheel niet meer. Wel zou men nog gedeelten lands 
onder water kunnen doen loopen, doch de onregelmatige overstrooming gelijkt 
in niets op een stelsel, waarvan de verdediging nut zou kunnen hebben 2). 



i) E. van Reid. Historie der Nederlandsche oorlogen 1650 pag. 198. 
2) Hoofdzakelijk gevolgd naar J. P. Koster. De provincie Groningen em 
hare defensie 1874. 



Digitized by 



Google 



XVII. DE WATEREN EN EILANDEN LANGS DE 

NEDERLANDSCHE KUSTEN, NATUURKUNDIG 

EN HISTORISCH BESCHOUWD. 



LITERATUUR. 

1. Kaart van de Monden van de Eems, i : 50000 (Departement van Marine 1889). 

2. Kaart van het Friesche Zeegat en een gedeelte der Wadden, i : 50000- 
(Departement van Marine 1887). 

3. Hydographische kaart der zeegaten van Vlieland, Terschelling en Ameland, 
met de vaarwaters naar Harlingen en de Zuiderzee tot de Middelgronden 
1 : 50000 (Departement van Marine 1886). 

4. Hydrographische kaart van Terschellinger bank en zeegat i : looooa 
(Departement van Marine 1881). 

5. Hydrographische kaart van de Zuiderzee i : 50000. In twee gedeelten elk 
van 2 bladen (Departement van Marine 1885). 

6. Hydrographische kaart der Zuiderzee l : looooo, op een blad, 1886. 

7. Hydrographische kaart der Texelsche zeegaten en vaarwaters 1:30000- 
(Departement van Marine, in 2 bladen, 1875). 

8. Zeegat van Texel i : 30000 (Departement van Marine 1886). 

9. Hydrograpische kaart van de Eijerlandsche gronden i : 50000 (Departement 
van Marine 1886). 

(Van de meeste der bovengenoemde kaarten bestaan ook vroegere 
dmkken; wij noemden de laatste die ons bekend zijn. Voor de. oudere 
kaarten der zeegaten zie men de : Catalogus der verzameling van kaarten 
van het Ministerie van Marine 1872). 

10. G. AcKER Stratingh en G. A. Vknema. De Dollard of geschied^ 
aardrijks- en natuurkundige beschrijving van dezen boezem der Eems 1855» 

11. G. AcKER Stratingh. Over het eerste ontstaan van den Dollard (Bijdr. 
tot de oudheidk. v. Groningen VII pag. 186.) 

12. G. AcKBR Stratingh. Aloude staat des vaderlands. 1847 — 52. 



Digitized by 



Google 



383 

)I3- G. A. Venema. Beschouwing, van de veelzijdige voordeelen van de inpol- 
dering van een gedeelte van den Dollart (Tijdschr. v. Nijverh. 1849). 
14. Tacitus. Annales I. 
.15. PoMPENius Mela. De Situ Orbia. 

16. Plinius. Historia naturalis. 

17. W.C.H. Staring. De bodem van Nederland I (vooral voor de beschrijving 
der Wadden). 

18. F. Arends. Natuurkundige geschiedenis van de kusten der Noordzee^ 
vertaald en met aanteekeningen voorzien door Dr. R. Westerhoff. 1835. 

19. R. Westerhoff en G. Acker Stratingh. Natuurlijke historie der provincie 
Groningen. 1839. 

.20. G. A. Venema. Over het dalen van den bodem van de noordelijke kust- 
streken van ons land. 1854. 
-21. G. A. Venema. Nieuwe en eenvoudige verklaring van de veranderinge» 

die de kusten van ons land langs de zee, de Wadden, de zeeboezems en 

de groote stroomen ondergaan. 1849. 
22. B. P. G. VAN Diggelen. De Zuiderzee, de Friesche Wadden en de 

Lauwerzee, 1849. 
^3. C. J. DE Jong Pzn. Beschrijvingen der Nederlandsche zeegaten. (Uitgegeven 

door de Nederlandsche Marine, 1890). 
24. T. J. Stieltjes. Ameland door landaanwinning op de Friesche Wadden 

(Gids 1869 I). 
.25. P. J. W. Teding van Berkhout. De landaanwinning op de Friesche 

Wadden. 1869. 

26. R. Westerhoff. De kwelderkwestie nader toegelicht. 1844. 

27. G. A. Venema. Over het eiland Rottum. (Bijdr. voor de kennis der prov^ 
Groningen IV.) 

28. N. Meursinge, Aanteekeningen over de natuurlijke geschiedenis van het 
eiland Rottum. (Versl. der Kon. Akad. v. Wetensch. Nat. I pag. 203.) 

29. W, W. BuMA. Schiermonnikoog, de Lauwers en de Schotbalg. (Vrije 
Fries XII 1873.) 

30. A. WiNKLER Prins. Geschiedenis en beschrijving van het eiland Schier- 
monnikoog, 1868. 

31. J. H. Halbertsma. De Friesche eilanden Schiermonnikoog, Ameland en* 
Terschelling (N. Friesche Volksalmanak 1856). 

32. M. de Haan Hettema. Het eiland Ameland (Nieuwe Friesche Volks- 
almanak 1855}. 

33. J. VAN der Vegt. Memorie over den tegenwoordigen toestand van Vlieland ^ 
van de Vliehors, het Eijerlandsche gat enz.(Versl. der Opcnb. werken 1865). 

34. P. Harting. Het eiland Urk, zijn bodem, voortbrengselen enz. 1853. 



Digitized by 



Google 



384 

35- F. Allan. Beschrijvingen van Texel, Vlieland, Wieringen, Marken (iM 
afzonderlijke deeltjes 1854 — 57). 

36. L. Ph. C. van den Bergh. Middel- Nederlandsche geographie. 1872. 

37. J. SCHELTEMA. Proevc eener geschiedenis der Zuiderzee (Mengelwerk 1836 VI). 

38. J. G. Ottkma. Redevoering over het ontstaan der Zuiderzee (Vrije Fries 
1846 IV). 

39. D. FocKEMA. Over de vorming der Zuiderzee (Vrije Fries 1846 IV). 

40. H. Blink. De lage venen in Nederland (Tijdschr. K. N.Aardr. Gen. 1891). 

41. H. BE&NEI.OT MoENS en R. P. J. Tutein Noltheniüs. Verslag over de 
waarnemingen in de Noordzee omtrent de stroomen langs de Nederland- 
sche kust in de jaren 1880 — 82. 

42. R* P. J. Tutein Noltheniüs. Onze westelijke nabuur de Noordzee (Gids 1886). 

43. C. Lely. Nota's over het „Onderzoek omtrent de afsluiting en droogmaking 
van de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerszee" van wege de Zuiderzee- 
Vereeniging. 

44. A. HcBT. Overzicht van de verschillende ontwerpen tot droogmaking vaa 
de Zuiderzee (Tijdschr. Inst. v. Ingenieurs 1879 — 80). 

45. Droogmaking van het zuidelijk deel der Zuiderzee. Verzameling officiCele 
bescheiden, uitgegeven door de Nederlandsche maatschappij van Grond- 
krediet, 1868. 

46. W. Verwey. Waterbouwkunde, 1887. 

47. Jahresberichte der Commission zur Untersuchung der Deutschen Meere. 1874. 

48. VoN BOGOSLAWSKI, Krqmmel. Handbttch der Ozeanographie, 1884—1887. 

49. Gczeitentafeln flir das Jahr 1892. 

8 I. DE DOLLART, NATUURKUNDIG EN HISTORISCH. 

A. Natuurlijke gesteldheid van den Dollar t. 

De Dollart met de Eemsmond vormen op de Rijksgrens in het 
oosten een inham in het land, die als een tegenhanger van de 
vroegere Middelzee en van de Lauwerszee kan beschouwd worden. 
De Dollart is in historisch en natuurkundig opzicht eigenlijk een 
boezem van den breeden Eemsmond. En het breede water, hetwelk 
naar de rivier de Eems in Duitschland den naam Eemsmond of 
Eems verkregen heeft, is een getijdenwater, evenals de Scheldemon- 
<len en de I^auwerszee, dat naar eene rivier is genoemd, omdat 
<leze er in uitmondt, maar uit zich zelf bestaat en blijft bestaan. 
De rivier heeft betrekkelijk weinig invloed op het getijdenwater« 



Digitized by 



Google 



385 

De Dollart dan is de cirkelvormige verbreeding en uitbreiding 
der Ëenis naar het zuiden. Het grootste gedeelte van den Dollart 
is tegenwoordig bij ebbe (0,73 M. A. P.) niet meer door water 
bedekt, doch bij vloed (1,36 M. 4- A. P.) vloeit het zeewater over 
deze vlakte. Het is een uitgestrekte zand- en slibvlakte, die bij hoog- 
water overstroomd wordt en van eenige geulen doorsneden is, 
waarlangs het water, dat de vloed achterlaat of het achterliggende 
land er op loost, bij het zinken van het getij wegvloeit. 

In het Z. O. loost op den Dollart de Westerwoldsche Aa (zie 
pag. 376) door de Nieuwe Statenzijl. Aanvankelijk met een smalle geul 
loopt die uitmonding met een zachte bocht door de slibgronden van 
de Oost- Friesche plaat en Moeplaat^ de Boo^eplaat e. a., naar het 
noorden, en draagt den naam van Schanserdiep of Buiten Aa, 
Nadat eenige > rieten c i) zich hiermede vereenigd hebben, wordt het 
water breeder en dieper, en eindigt in een klein getijdenwater het 
Groote Gat^ dat met de Eems in verbinding staat. Verder westelijk 
vindt men het Noorder Oude Riet^ dat in het noorden Onde Beerster 
Mude heet. De voornaamste platen in den Dollart ziji verder: de 
Noordwal^ de Reiderplaat^ de Heringsplaat^ de Maanplaat en het 
Hoogzand. Daar de aanslibbing van den Dollart steeds voortgaat, 
ver landen aan de 1 andzij de de geulen zeer licht, en hierdoor raken 
de uitwateringszijlen dikwijls verstopt, zoodat de buiten stroomen 
kunstmatig open gehouden moeten worden. Dit geschiedt o. a. door 
het vloedwater te laten binnenloopen en hiermede bij laagwater de 
uitwateringsstroora te versterken, (spuien). 

De kwelder- en slijkgronden van den Dollart vormen van den 
dijk gezien, een effene bruinachtige vlakte, zonder afwisseling, die 
den onkundige doet vermoeden, in de verte een waterspiegel voor 
zich te zien. De kleur van het slijkerige, troebele vloed water ver- 
schilt dan ook weinig van die des bodems, en is alleen iets don- 
kerder, zoodat men hoofdzakelijk aan de lijn van het voort- 

i) De wateren in den Dollart worden aangeduid bXs: gafen^ geulen, tieten^ 
rillen, overloopen, aders en hlainen. (Acker Stratingh en Venema, De Dollard 
pag. 181). 

II 25 



Digitized by 



Google 



386 

dringende water kan zien, of de vloed over de landen voortjaagt. 

De gronden van den Dollart zijn van zeer verschillenden aard. 
Men vindt er uiterst vette kleigronden, gemengde gronden, (in de 
Wadpolders >zavelgrondenc genoemd) uit vermenging van klei 
en zand bestaande, en gronden^ die uit zuiver zand of zeezand 
bestaan. In het algemeen kan men zeggen, dat de noordelijke ge- 
deelten der platen, langs de kusten uitgezonderd, uit onbruikbaar 
zand bestaan, terwijl zij verder naar land toe in gemengden grond 
en eindelijk in klei overgaan, zoodat over *t geheel langs de 
dijken de zuiverste klei gevonden wordt. Die afzetting van klei 
gaat nog steeds voort en moet wel het sterkst zijn langs de dijken, 
daar alleen het fijne slib tot hiertoe door het water wordt mede- 
gevoerd, terwijl de zwaardere bestanddeelen reeds vroeger bezonken 
zijn. De dikte der kleilagen bedraagt daardoor niet zelden 3 k 4 M. 
De Dollartklei wordt door de boeren langs de Buiten Aa veel uit- 
gegraven en vervoerd tot verbetering der schrale zandgronden. 

Onder de klei- en zavelafzettingen wordt op vele plaatsen nog 
veen gevonden, dat door de jongere lagen van aanslibbingen in 
elkander geperst is. Dat veen noemt men darg. Somtijds worden 
stukken darg door de golven losgewoeld, die dan op het water drij- 
ven en bij eb op de platen blijven liggen. Bij laag water heeft de 
Dollart daardoor een eigenaardig aanzien ; > die kale vlakte gelijkt op 
een woestijn met groote zwarte steenblokken als bezaaid, die zich 
geheimzinnig schijnen te verplaatsen, daar zij heden hier en bij een 
volgende eb daar worden aangetroffen. « ( Acker Stratingh en Venema). 

Wanneer de aanslibbing de hoogte van den gewonen vloed bereikt 
heeft, wordt zij droger en vaster, en weldra begint hierop de plan- 
tengroei. In de eerste plaats groeit er haneiwet iSalicornia herhacea 
Z.) waartusschen enkele suUe planten {Aster Tripolium Z.) groeien. 
Al spoedig verkrijgen de laatste de overhand, en de suite wordt 
op haar beurt weer verdrongen door het kweldergras (Glyceria 
maritima^ Koch\ dat doodelijk is voor de suite. Die met gras 
begroeide buitengronden noemt men kwelder gronden. Zij vormen 
dus de streek gronds, die tusschen de sulteaanwas en den dijk ligt. 
De kweldergronden hellen naar buiten gelijkmatig zacht af; waarde 



Digitized by 



Google 



38? 

suUestrook aan de slijkgronden grenst, is de helling grooter dan 
verder naar binnen of naar buiten. Tot op een afstand van 3000 M. 
bedraagt in eene richting loodrecht op den dijk de helling gemid- 
deld + 0,54 per 1000 M. 

De helling der aanwassen is evenwel niet overal gelijk. De 
steilste hellingen vindt men daar, waar de plantengroei ophoudt, 
naast de rauwe slijk. De planten toch, en bovenal de suite, welke 
een dicht bosch vormt, zijn krachtige middelen om de aanslibbing 
te bevorderen. Het slib der wateren wordt door de planten vast- 
gehouden, en de planten brengen het water tevens tot rust, waar- 
door het slib beter bezinken kan. Hierdoor zal een streek met suite 
begroeid sterker aanslijking hebben dan het daarachter liggende 
kwelderland. Bleef de sultestrook steeds op dezelfde plaats, dan 
zou zich hier een aanzienlijker ophooging vormen, doch met het 
toenemen der aanwassen schuift de sultestreek vooruit naar zee 
en wordt door het kweldergras gevolgd. 

De aanwas van den DoUart heeft niet in alle maanden des jaars 
even snel plaats. De naakte slijkgronden ontvangen in de laatste 
zes maanden des jaars meer slib dan in de eerste zes. Dit is 
een gevolg hiervan, dat in de laatste maanden des jaars de 
Z. W. winden, die hier slib aanvoeren, verhoudingswijze het meest 
waaien. Deze winden zijn niet zoo krachtig, dat zij het waterover 
't geheel naar de kweldergronden drijven, zoodat het slib vóór en 
op de strook der hanevoeten blijft. Doch in den naherfst, den 
winter en het voorjaar met meer N. W. winden, wordt tiet water 
verder landwaarts gedreven en het slib aldus over de kwelder- 
gronden gevoerd, die in deze maanden het sterkst ophoogen. 

De aanslibbing wordt in den Dollart niet geheel aan de natuur 
overgelaten, doch door den mensch op kunstmatige wijze bevor- 
derd, i) Het verschijnsel, dat de jongere aanslibbingen tot grooter 

I) Voor nadere kennis van den Dollart verwijzen wij naar het klassieke 
werk van Dr. G. Acker Stratingh en G. A. Venema, De Dollard of geschied-, 
aardrijks- en natuurkundige beschrijvinor van dezen boezem der Eems, 1855, 
waaraan wij veel ontleenden. Wanneer zal ook een dergelijke beschrijving der 
Zuiderzee het licht zien ? 



Digitized by 



Google 



388 

hoogte komen dan de oudere, vindt men ook hier. De oudere 
aanwassen langs den DoUart hebben eene hoogte van 0,2 M. — 
A. P., hoewel zij op sommige plaatsen lager gelegen zijn, bijv. in 
Oud Nieuwland 0,8 M. — A. P., in den Oostwolderpolder 0,72 
M. — A. P. De jongere liggen tot boven A. P. hoog. 

B. Geschiedenis van den Dollar t. 

Waar zich thans de DoUart uitstrekt, lag vóór het ontstaan van 
dit water een uitgestrekte vlakte, aan de oppervlakte meest uit laag 
veen bestaande. Dit landschap behoorde voor het aanzienlijkste 
gedeelte tot Reiderland, voor een kleiner deel tot Oldambt. De 
rivier de £ems stroomde destijds tusschen meer bepaalde oevers, en 
liep met een bocht naar het noorden voorbij Emden (zie het kaartje) 
tusschen die stad en het voormalige Nesserland door. Dit Nesser- 
land is thans aan de vaste kust van Oost-Friesland verbonden. 
Alles wat ten zuiden der Eemsmonding thans het water van den 
DoUart vormt, was vasteland, door een paar rivieren doorsneden. 

De aanzienlijkste van deze was de Ee of Reider Ee^ de voort- 
zetting der W ester woldsche Aa^ die van het oostelijk gedeelte in 
noordelijke richting naar het noorden stroomde, en tusschen Ooster- 
en Westerreide door zich met een breeden mond door de Reider 
zijl in de Eems ontlastte. Een bijstroom van de Ee was de 
Tjamme^ die westelijker liep. 

De TJÉfnme maakte voor een groot gedeelte de grensscheiding 
uit tusschen het oostelijk gelegen, later grootendeels verdronken, 
Reiderland^ en het westelijk gelegen Oldambt, In haar bovenloop 
werd de Tjamme door de Zijp of Sijpsloot gevormd, welke uit de 
Groningsche venen bij Meeden ontstond. Verder westelijk stroomde 
de Ter munter Aa,, die eveneens uit de venen ontstond en in N. O. 
richting naar Termunten liep, waar zij zich in de Eems ontlastte. 
Een bijstroom van deze was de Zijpe^ vroeger een vrij breede rivier. 
Slechts geringe of geene overblijfselen zijn er van deze watertjes 
bewaard gebleven. 

Het waren bloeiende, welvarende landstreken, die zich langs de 



Digitized by 



Google 



A 

Tegenwoordige buitendijken. 
Vroegere buitendijken. 
Binnendijken. 



F^/^'^ , V.x- Vroegere loop der Eems. 

Grootste uitbreiding van den Dollart. 



De vroegere uitgebreidheid van den Dollart in vergelijking met de 
tegenwoordige gesteldheid. 



Digitized by 



Google 



390 

oevers van deze stroompjes uitstrekten. Hoewel langs de Eems een 
zoom van klei was neergelegd, bestond verder landwaarts de bodem 
meest uit lage venen, zooals nog thans uit de darg in den Dollart (zie 
pag. 386) blijkt. Sommige geschiedschrijvers beweren, dat het de beste 
van de Friesche landen waren, waar de meeste edellieden woonden. 

In deze landstreek met een welvarende dichte bevolking, maakte 
het water zijn veroveringen. Emmius, de vader der Friesche ge- 
schiedenis, de beschrijver van de gebeurtenissen, welke den Dollart 
deden ontstaan, geeft als oorzaken hiervan op: >de ligging en de 
aard van het land, de oneenigheid tusschen de landzaten, waarvan het 
verzuim der dijken het gevolg was, en de kracht van het onstuimige 
water '^. Waar Emmius verder den bodem beschrijft als bestaande 
uit drijltillen >een grond die onder de voeten beeft en trilt en alzoo 
niet zeer bestand is tegen den aanslag van het water bij gewel- 
dige vloeden, c daar wordt het duidelijk, hoe het water eene zoo 
groote oppervlakte land kon wegslaan. 

Het ontstaan van den Dollart was evenwel geenszins een proces, 
dat aan een enkelen stormvloed te wijten is, zooals somtijds ten 
onrechte wordt voorgesteld. Echter stormvloeden en overstroomingen 
tastten de oevers het eerst en het sterkst aan, en zij gaven den stoot 
aan de beweging, die zich daarna langzaam voortzette. Zooals het 
Haarlemmermeer, het IJ en andere plassen zich uitbreidden, nam 
ook de Dollart gedurende een paar eeuwen in omvang toe. De 
positieve niveauverandering of de rijzing van den zeespiegel ten 
opzichte van het land gaf aan het water een grooter vermogen, 
waardoor het de vorming van lage venen tegenging, op plaatsen 
waar die vroeger ontstonden. Al deze oorzaken, welke ook elders in 
ons vaderland uitbreiding gaven aan het water, werkten hier samen. 

Acker Stratingh en Venema i) stellen het jaar 1277 als den aan- 
vang der uitbreiding van het water tot den Dollart. Bij een hevigen 

I) De DoUard pag. 70. — Ook later houdt Acker Stratingh tegenover eene 
kritiek van Möhlmann in de Ostfries. Zeitung 1861 vol, dat het jaar 1277 
als een begin van de uitbreiding der Eems tot den Dollart moet aangenomen 
worden. Van een ontstaan van den Dollart in dat jaar is echter geen sprake. 
(Kijdr. tot de geschied, en oudheidkunde van Groningen VII, pag. 186.} 



Digitized by 



Google 



391 

stormvloed van dat jaar (13 Jan.) zou de Eemsdijk tegenover Em- 
den bezweken zijn, waarmede de uitbreiding van het water begon. 
Anderen meenen den aanvang dier uitbreiding een eeuw later te 
moeten stellen, nl. in 1377 1). Sedert dien aanvang, onverschillig 
wanneer, breidden overstroomingen en gewone afslag bij N.W. 
winden de plas uit, nu sneller, dan weder langzamer. Er schijnt 
geen krachtig bestuur te hebben bestaan, dat door een centraal gezag 
de bewoners tot het aanleggen of instandhouden der dijken noodzaakte. 
Onderlinge twisten en oorlogen gaven aan het water vrij spel. Zelfs 
werden in de onderlinge oorlogen de sluizen soms vernield, om 
het land van de vijandelijke partij door onderwaterzetting te ver- 
woesten, zooals o.a. in 14 13 met de Reidersluis geschiedde. 

Op die wijze ging binnen ongeveer twee eeuwen de aanzienlijke 
landstreek met de stad Torum en ongeveer 40 kerkdorpen door het 
water verloren. De grootste uitbreiding van den DoUart, omstreeks 
1525, vindt men op het kaartje aangeduid. Dat woelige water, 
waar vooral bij N. W. winden de golven onstuimig binnendrongen, 
verkreeg daarnaar den naam van Dollari, 

Bij de grootste uitbreiding vormde de Dollart in het Zuiden twee 
inhammen, die de hoogere zand- en veengrond van Westerlee, 
Scheemda, Midwolde, Finsterwolde, Beerta en Winschoten omsloten, 
terwijl deze een schiereiland vormde in den Dollart. Vele dorpen 
op den rand van die uiterste grens moesten zelfs voor het voort- 
dringende water verder landwaarts verplaatst worden. Men ziet 
dit op het kaartje met de dorpen Noordbroek, Zuidbroek, Meeden, 
Scheemda, Midwolde, Finsterwolde, Vriescheloo en Bellingwolde, 
van welke het nieuwe dorp ±i Vi ^ Vs verder van de grens des 
waters ligt dan de plek waar het oude dorp gelegen heeft, (op de 
kaart door twee verbonden plaatsaanduidingen geteekend o — o). 

In het midden der 16 eeuw, nadat de uitbreiding van den Dollart 
was tot staan gebracht, begon men weder land te herwinnen. In 
de i6tle en 17de eeuw werden achtereenvolgens groote stukken 
ingedijkt. Aan den westelijken kant werden ingedijkt: 



1) Eigen Haard. i88i pag. 343. 



Digitized by 



Google 



392 



Namen der polders. 




Grootte in 
H.A. 



De eerst ingedijkte polder . . 
Westelijk van het Zijldiep . . 

Oudland 

Oud Nieuwland 

Nieuwland 

Oostworder polder 

Finsterwolder polder 

Reiderwolder polder 

Johannes Kerkhoven polder. 



IS45 


6789 


'597 


1112 


1626 


"39 


1665 


848 


1701 


621 


1769 


II89 


1819 


"53 


1862 


1180 


1877 


408 



In den oostelijken boezem werden in de i6de eeuw ± 1900 H.A. 
bij Winschoten en Blijham ingedijkt, verder in het laatst dier eeuw 
het Nijland, Tussendijkenland en Binnenland, (ten Z. W. en O. en 
N. O. van Oudeschans), het Oudbunder Nieuwland (D.) in 1605, de 
Binnenlanden en Uiterdijken in 1654, Charlottenpolder (D.) en 
Kroonpolder in 1682, de Achter Hamrik in 17 17, de Stadspolder 
in 1740, de Landschaftspolder (D.) in 1752, de Heinitzpolder (D.) 
in 1796, de Reiderwolderpolder N®. 2 in 1874 en de Kanaalpolder 
(D ), en de Internationale bedijking, voor een kleingedeelte tot 
Nederland behoorend, in 1874. (De met (D.) aangeduide behooren 
tot Duitschland). De geheele bedijking na 1597 zal ongeveer 1 1500 
H. A. beslaan. Het zijn vruchtbare kleigronden die aldus aan de 
baren ontwoekerd zijn. 

§ 2. DE EEMSMOND. 

Het getijdenwater, waarin de rivier de Eents uitmondt, draagt 
den naam van Eemsmond of de Eems^ en vormt de grens tusschen 
Oost-Friesland en Groningen. Als Amasia der Romeinen diende 
dit water reeds tot grensscheiding van tweeFriesche pagi of districten. 
De rivier de Eems ontstaat ten zuiden van het Teutoburgerwoud 
in Lippe, en ontvangt in haar bovenloop het water uit de in geolo- 



Digitized by 



Google 



393 

gisch opzicht bekende kom van Munster. Hoofdzakelijk stroomt 
zij in N. W. en N. richting en buigt zich dicht bij den mond 
naar het westen. In den benedenloop vindt men de steden 
Papenburg en Leer aan de rivier. Bij den Dollart houdt de rivier 
op, en verliest zij zich in het breede getijdenwater. Hier verkrijgt 
het water de aanzienlijke breedte van ± 5 K. M. en verbreedt zich 
bij den N. O. uithoek van Groningen tot di 9 K. M. Een lang 
uitgestrekte zandplaat, de Bond en de Paap, welke bij laag water 
droog ligt, strekt zich vervolgens midden in de Eems uit. Vervol- 
gens zet de Eems zich voort door de Wadden, en wordt door het 
eiland Borkum met de ten zuiden daarvan zich uitbreidende ondiepe 
gronden van de Ransel^ in twee armen gesplitst. De Ooster-Eems 
loopt meer recht door in N. richting, terwijl de Wcsier-Eems een 
breede geul vormt, die zich in N. W. richting ten W. van Borkum 
naar de Noordzee uitstrekt. De Ooster-Eems wordt weinig meer 
bevaren, en is niet geschikt voor schepen van eenigen diepgang, 
doch de Wester-Eems is een ruim en diep vaarwater. Evenwel 
wordt ook de laatste door verschillende ondiepten en zandbanken 
weder gesplitst, zoodat zij door drie zeegaten, het Hnibertsgat^ de 
Wester-Eems^ (welke het meest bevaren wordt), en het Rif gat in de 
Noordzee uitmondt. 

In de Wesler-Eems liggen nog de banken de Meeuwenstaari en 
verder zeewaarts de Huiberts plaat. De Meeuwenstaart ligt tus- 
schen het Ranselgat en de oude Wester-Eems, en strekt N. W. — Z.0. 
over een lengte van 10 K. M. uit, bij een breedte van 1,2 K. M, 
Naar beide einden loopt zij versmallend toe. Op verscheidene 
plekken valt deze bank bij laag water droog (in het noorden wel 
I M. hoog boven den waterstand), terwijl daartusschen diepten lig- 
gen met nog i M. water. Deze plaat ondergaat voortdurend ver- 
anderingen, hoewel de hoofdstrekking dezelfde bleef. Het noordelijk 
deel is in de laatste 20 jaren belangrijk teruggedrongen. 

De Huibertsplaat strekt zich eveneens hoofdzakelijk in N.W. — Z.0. 
richting uit. Door een smal doch vrij diep vloedgat is zij van den 
walkant ten O. van Rottummeroog gescheiden. Met laagwater 
igt deze plaat bijna droog, daar er dan slechts 5 d.M. en i d.M. 



Digitized by 



Google 



394 

water op blijft staan. Deze plaat strekte zich tot 1850 belangrijk 
verder zeewaarts uit dan thans 

§ 3. DE WADDEN. 

Ten noorden vap de provinciën Groningen en Friesland, tot de 
eilanden Vlieland, Terschelling, Araeland, Schiermonnikoog en 
Rottum, strekt zich eene over 't geheel ondiepe zee uit met talrijke 
zandplaten, waardoor verschillende slenken en gaten de geulen voo^ 
de bruikbare vaarwaters vormen. Bij hoogwater worden de Wadden 
geheel door de zee bedekt, maar bij eb blijven alleen de diepere balgen^ 
slenken, geulen en gaten als wateren over, waardoor de getijden 
naar vaste wetten afwisselend heen- en wedergaande stroomen 
onderhouden. Deze ondiepe zee, welke grootendeels > doorwaad- 
baar* is, werd door de Romeinen i) met den naam » Maria 
Vadosa« d. i. > doorwaadbare zeec aangeduid, en wordt thans de 
Wadden genoemd. Die Wadden strekken zich verder oostelijk uit 
ten noorden en westen van de kust van Oost-Friesland tot den 
mond der Elbe. Even als in ons land worden ook hier de Wadden 
gedeeltelijk door een rij van duineilanden aan de zeezijde be- 
grensd. Naar de landzijde gaan de Wadden in de naakte slikken 
en verder landwaarts in de kweldergronden over. 

De algemeene natuurlijke gesteldheid der Wadden met den afwisselende water- 
stand werden meesterlijk beschreven door Staring 2), waaraan wij het volgende 
ontleenen. 

„Vooral op de Wadden, welke bij ebbe met uitzondering van eenige smalle 
kanalen bijna geheel droog liggen, is het merkwaardig om het toestroomen en 
weder wegloopen van het vloed water waar te nemen. Bij ebbe is de vlakte 
zoo droog, dat men zich geregeld van den Groningschen wal naar Rottum zoude 
kunnen begeven, wanneer de korte tijd, waarin dit mogelijk is, zulks niet tot 
eene hoogst gewaagde onderneming maakte. Eveneens beletten eenige weinige 
geulen, dat niet telkens de overtocht van Kombuizen naar Schiermonnikoog en 
van Holwerd naar Ameland ondernomen wordt. Het jonge vee, dat men in het 
voorjaar van den vasten wal naar Rottum overbrengt, om daar geduremle den 



1) Tacitus. Ann. I, 70 en II, 8. 

2) Staring. De bodem van Nederland. I. pag. 230. 



Digitized by 



Google 



395 

zomer te weiden, moet bij den aanvang gedurende de ebbe met zorg bewaakt 
worden, omdat het steeds geneigdheid toont om over de Wadden weer naar 
huis terug te gaan, een pogen waardoor meermalen jong vee, door den vloed 
overvallen, is omgekomen. Begint het Wad droog te loopen. dan ontstaat daar 
weldra eene levendigheid, die geweldig afsteekt bij de doodsche stilte, welke 
nog voor weinig tijds op de oppervlakte heerschte. Ontelbare beekjes voeren 
kabbelend en ruischend het water door de kreken naar de grootere geulen. 
Van alle zijden wordt het geknetter gehoord der barstende luchtbellen van de 
botwormen. Visschen en zeehonden hebben zich met het water teruggetrokken 
en laten het rijk over aan vogels zonder tal, die onder gekrijt en gefluit het 
Voedsel opzoeken, dat hun de bodem der zee aanbiedt. Hier wandelt langzaam 
en traag een troep kokmeeuwen en zoekt achtergebleven visschen. Ginds spoedt 
zich een lieuw of scholekster langs de boorden der kreken, om schelpdieren uit 
hunne schalen en hoorns te pikken. Boven de weinige nog overgebleven water- 
plassen haasten zich zeezwaluwen of sterlingen heen en weder en vallen op de 
kleine visschjes neder, waarmede zij zich zelven en wellicht hunne jongen op 
Rottum voeden. Grutto's vervullen de lucht met hun eentonig gekrijt, dat 
weder elders vervangen wordt door den, ook in het binnenland bekenden roep 
van den regenwulp. Bij al dit leven gaat het de schippers als de visschen ; 
want voor de menigvuldige schepen, die of als vrachtvaarders, of als visschers 
de Wadden bevaren, is de ebbe een tijd van rust. Zoodra die invalt is alle 
varen gedaan ; het anker wordt uitgeworpen en rustig de terugkomst van den 
vloed afgewacht. Alleen voor den schel pvisbcher, die gedurende den vloed zijn 
schip zoo dicht mogelijk bij de schelpbanken heeft gebracht, is het thans tijd 
om zijne vracht bijeen te zoeken. Keert nu, na een drietal uren de vloed terug 
met een spoed die aanmerkelijk verschilt van de traagheid waarmede de ebbe 
afgevloeid is, dan verandert de toestand geheel. Eerst loopen de kreken bij 
een geweldigen aandrang van water vol, zij overstroomen welhaast hare boorden, 
de groote watermas:»a komt daarop over de vlakte henen, doch steeds in dezelfde 
richting aanschieten, en welhaast is alles, wat zoo even land scheen te zijn, 
eene opene zee, slechts in het verre verschiet door de kust of de eilanden 
begrensd. De vogels trekken zich terug naar het land, visschen en zeenetels 
zwemmen weder over de banken ; zeehonden vertoonen hier en daar hunne 
gladde koppen boven de golven of laten in de verte hun geblaf hooren, en de 
schepen, die in menigte op het droge liggend, of in de geulen geankerd den 
vloed hebben moeten afwachten, hervatten hunne vaart, wanneer zij bij geval 
niet door den invallenden nacht daarin verhinderd worden. De Wadden nl. leveren 
voor de scheepvaart het groote bezwaar op, dat zij noch bij ebbe, noch bij nacht te 
bevaren zijn. De bevaarbare, jaarlijks op nieuw door berkenrijzen afgehaakte 
geulen, zijn alleen bij vloed diep genoeg ; op de platen staat slechts bij uit- 



Digitized by 



Google 



39^ 

zondering voldoende water om het bevaren toe te laten, en wee den onvoor- 
zichtige, die zich bij hoog water op een bank vastzeilt; hij is genoodzaakt om 
daar, dagen lang, een springvloed af te wachten, die hem wellicht weder ver- 
lossen kan. Om het grootsche van het schouwspel volkomen te genieten, moet 
men de ebbe op de Wadden met helder zomerweder bij het opgaan der zon 
waarnemen; het opkomen van den vloed daarentegen bij stormachtig herfstweder, 
een sterk bewolkten hemel en het vallen van den avond." 

Bij de Wadden worden naar de plaats der ligging nog onder- 
scheiden het Groninger- en üiihuher Wad en het Friesche Wad. 

Onder het Groninger- en Uiihuizer Wad verstaat men de Wadden 
tusschen de kust van Groningen en het Simonszand, de Boschplaat, 
de Rottumraerplaat, het eiland Rottummeroog en het Horsbornzand 
gelegen. Het oostelijk gedeelte hiervan ten N. der Groningsche kust 
heet üithuizer Wad, en het westelijk gedeelte Groninger Wad, 
Meer in 't bijzonder wordt het gedeelte ten noorden van Pietersburen, 
waar het Wad het hoogste is, nog het Pieierbnren-Wad genoemd. 

Omtrent de belangrijkste platen, banken en eilanden, en de geu- 
len, zeegaten van de Wadden en langs de kust zullen wij iets naders 
mededeelen. 

§ 4. DE EILANDEN, PLATEN EN DE ZEEGATEN EN VERDERE WATEREN 
LANGS DE NOORDELIJKE KUST. 

De Ransel, de Visschersbalg, het Hornbornzand en het 
Üithuizer Wad. De Ransel is eene groote, droge vlakte die ten 
O. en Z.0. met het (Pruisische) eiland Borkum verbonden is, en zich 
tot een afstand van 17 K.M. daarvan naar het Z.0. uitstrekt. De 
bank bestaat *t geheel uit harden zandgrond en wordt meest met 
steile kanten afgesneden. Uitgezonderd eenige smalle inloopen en bal- 
gen valt bij laag water de Ransel geheel droog, en ligt dan zelfs 
db I M. boven laagwater. In het N. O. van de bank ligt een gedeelte, 
Lutje Hom genaamd, zelfs bij gewone springvloeden boven water. 

Aan den Westkant =b 4 K.M. ten Z. O. van Borkum vormt de 
Visschersbalg^ die in de verbreed ing van het Oude Boegsgaatje eindigt, 
een invaart in de Ransel. De Visschersbalg is voor de kleine scheep- 
vaart van belang en vooral ook voor het eiland Borkum. Bij alle 
winden is hier een goede reede voor kleinere vaartuigen. 



Digitized by 



Google 



397 

Ten westen van de Visschersbalg aan de overzijde der Wester- 
Eems ligt het Horsbornzand^ eene vooral aan den O.kant steileen 
hooge plaat, die met laag water geheel droog valt. In het O. deel 
alleen is een smalle strook van ±1,2 K.M. lengte, die ook bij hoog- 
water boven blijft liggen. Ten westen van deze plaat ligt het Zuid- 
Sparregat ^ een naar het Z loopende inham der Wester Eems, en in 
het Zuiden gaat het Horsbornzand in het Uithuizer Wad over. 

Op het Uithuizer Wad liggen bij laag water de hoogste gedeelten 
9 è. 10 d.M. boven water. 

Rottummeroog of Rottum. Ten N W. van het Uithuizer Wad 
ligt op een afstand van 22 K.M. ten N. van de kust het oostelijkste 
Nederlandsche eilandje der duineilanden, Rottummeroog. Het eilandje 
bestaat in het W. uit lage met helm begroeide duingronden, welke 
op zijn meest 3 K. M.' oppervlakte bezitten. Dat de duinen 
hier goed met helm begroeid zijn is mede een gevolg van de uit- 
roeiing der konijnen op dit eiland, waardoor het zand meer tot rust 
komt. i) In het O. loopt het eiland vlak af in een plaat, die zich 
langzaam naar het O. uitbreidt. De duineilanden vertoonen in het 
algemeen het verschijnsel, dat zij aan de westzijde afnemen en aan 
den oostkant aangroeien. Uit den invloed der heerschende westen- 
winden valt dat te verklaren. Ook bij Rottum valt dit in sterke 
mate waar te nemen. 2) Vooral in de laatste 25 jaar is het eiland 
in het W. in sterke mate afgenomen, zoodat het diepste gedeelte 
van het Schild^ (het water ten W. van Rottum,) onmiddelijk langs 
den afgebrokkelden en steilen duinrand stroomt. Het strand aan den 
westkant, dat in 1861 nog eene breedte had van 340 M., en in 
1886 nog 40 cl 50 M. breed was, is thans geheel verdwenen. De 
aanwas aan de oostzijde is veel geringer dan de afneming in het 
westen. Gedurende den winter 1887 — 88 moest de strandvoogd, de 

^1) G. A. Venema, Het eiland Rottum. (Bijdr. tot de kennis van den tegenw. 
Staat der prov. Groningen IV. pag. 391). 

2) Tegenw. staat van Stad en Lande II, pag. 398. Zie verder N. Meiirsinge. 
Aanteekeningen over de natuurlijke geschiedenis van het eiland Rottum (Versl. 
der Kon. Akad. v. Wetensch. Nat. I pag. 203.) C. J. de Jong Pzn. Beschrijving 
der Nederlandsche zeegaten ('uitj?egeven door het Ministerie van Marine, 1890). 



Digitized by 



Google 



39« 

eenige bewoner, wegens den afslag aan den westkant overhaast 
zijn woning verlaten. Het duinverlies bedroeg hier van- 1805 tot 
1861 ongeveer 300 M. en gedurende de eerste 25 jaar na 186 1 
ongeveer 350 M. De plek, waar in 1741 het huis van den strand- 
voogd gebouwd was (in 1799 werd dit verlaten), ongeveer 750 M« 
ten W. N. W. van de plek waar die tot 1887 stond, lag in 1805 
nog 50 M. binnen den duinrand, doch in 186 1 reeds 125 M. enin 
1888 ongeveer 500 M. daar buiten. Door het Rijk wordt de duin- 
vorming hier bevorderd. 

„Een beeld van het eiland verkrijgt men, als men zich voorstelt een blinkende , 
niet zeer uitgestrekte zandplaat, die de eb vergroot, de vloed verkleint en die 
bij hooge stormvloeden onder het watervlak wegduikt, waarop de wind stuif- 
heuvels heeft opgeworpen, die een eirond vormen, en welke heuvels aan de 
west-, noord- en oostzijde aan elkander sluiten, maar die aan de zuidzijde openingen 
laten, waarbuiten vlakten treden, die tot dicht naar de noorderduinen met gras 
en andere planten bedekt zijn. Deze aan elkander sluitende heuvelen, die zich 
op de plaat verheffen, vormen de buitenduinen, waar binnen lagere meer 
onregelmatige heuvels liggen, welke de binnenduinen uitmaken, en die van het 
stuifzand der buitenduinen zijn en steeds worden opgebouwd." Aldus beschrijft 
de heer Venema het uiterlijk des eilands. En omtrent het verblijf van den 
eenigen bewoner schrijft dezelfde het volgende. „In de binnenduinen van het 
westelijk deel van het eiland, ligt de eenzame woning van den voogd i). Op 
die afgelegen streek, omgeven door het nu effene, dan woelende water, dat 
het eiland omspoelt, afgescheiden van de maatschappij maar des te inniger ver- 
bonden aan de leden van het kleine geziii, vindt de voogd er een nuttigen 
werkkring, waarbinnen hem weinig rust gegund is. De betrekking van strand- 
vonder legt hem meer en gewichtiger plichten op, dan welke aan die post 
in de littorale gemeenten van de provincie zijn verbonden. Teistert storm de 
zee, dan onderzoekt hij van het observatorium, dat op het dek van zijn huis 
gebouwd is, het oog met een kijker gewapend, van den horizon af de zee, of 
hij een schip ontdekt dat de wind in de wit schuimende brandingen ver buiten 
het eiland gelegen voert. Houdt de storm op, dan ziet hij rond, of de storm 
wrakken of deelen van verbrijzelde schepen naar de kust voert. Hij vischt de 
stukken op en verzamelt ze op het eiland, om aan den rechtmatigen eigenaar 
te worden teruggegeven of om te worden verkocht. Heeft de storm den duinvoet 
teruggedrongen, heeft de wind het strand langs de duinen te veel verlaagd, dan 
plant hij helmgras. Maar buiten dien arbeid jiorgt hij voor de bebouwing van 



1) Nadat di* door Venema geschreven is, werd die woning verplaatst ; zie boven. 



Digitized by 



Google 



399 

zijn tuin, voor het doen zoeken van de eieren der vogels, die dit eiland tot 
broedplaats kiezen, voor de verzending der eieren, voor het aanvoeren van goederen, 
die zijn gezin noodig heeft van den vasten wal, en voor de verzorging van het 
vee dat óf hem toebehoort, óf van den vasten wal wordt gezonden om er 
des zomers te weiden", i) 

De Boschplaat, het Simonszand de Lauwers en het 
Schild. Ten Z.W. van Rottum ligt de Boschplaat^ die door het 
breede vaarwater de Lauwers van het westelijk gelegen 6^/w^«j^a«^/ 
gescheiden wordt. Met de Rotiummerplaat (ten N. van Rottum) 
vormen genoemde twee platen een hoogen rug, waarachter het uit- 
gestrekte Groninger Wad ligt. Hierdoor brengen die platen, welke 
bij laag water droog liggen, en die in de noordelijke gedeelten ook 
bij gewoon hoog water niet onderloopen, veel bij tot bescherming 
van de Groninger kust. Deze platen ondergaan door stroomen en 
golfslag voortdurend verandering. Op de Rottummerplaat bestond 
in 1872 duinvorming, waarvan in 1888 niets meer was te bemerken. 

De Lauwers is een breed gat dat zich tusschen de Boschplaat en 
het Simonszand naar het zuiden uitstrekt. Binnenwaarts verdeelt het 
water zich in twee hoofdtakken, de Zuidoost Lauwers en de Spruit 
(de westelijkste) benevens in eenige laagten van geringeren omvang, 
die te niet loopen in het Groninger en Pietersburensche Wad. 

De verandering van de Lauwers in den laatsten tijd bestaat hoofd- 
zakelijk in een verplaatsing van het eigenlijk diep naar het oosten, 
terwijl het Simonszand zich in die richting uitbreidde. De Lauwers 
staat door een ebgat en een vloedgat met de Noordzee in verbin- 
ding. Het vloedgat strekt zich in eene richting N.W. t. W. ten 
noorden van het Simonszand uit, en heeft een drogen binnendrem- 
pel. Het oostelijker gelegen ehgat heeft een nog ondieper buiten - 
drempel met op zijn minst 30 cM. diepte, een gedeelte der eigen- 
lijke > Gronden van de Lauwers", welke aan den noordkant steil 
afdalen en daardoor zeer gevaarlijk zijn. 

Het Schild is een smal diep tusschen de Rottum mer plaat en het 
eiland Rottum. Het verliest zich evenals de Lauwers met eenige 

1) Venema. Het eiland Rottum. 



Digitized by 



Google 



400 

laagten en geulen van verschillende diepte in het Uithuizer Wad. 
Het Schild verplaatst zich sterk naar het oosten. 

Het Groninger Wad, de Ballastplaat, de Zuid wal, de 
Blikplaat en het Braksand. De hier genoemde platen vormeu 
eene aaneengeschakelde rij van droogloopende gronden, door tus- 
schenloopende slenken gescheiden, van de Groninger kust naar 
Schiermonnikoog gelegen. Voor het grootste gedeelte bestaat de 
oppervlakte van deze uitgestrekte gronden uit harden zandgrond, 
grauw of wit duinzand, in meerdere of mindere mate met schelpen 
of schelpgruis vermengd. De schelpen worden op verschillende 
plaatsen uitgegraven voor de kalkbr anderijen. Op 'enkele plekken 
vindt men afzettingen van zacht slijk of klei, bovenal langs de kust 
en op onderscheiden plaatsen in de geulen. 

In het westen van deze gronden ligt het I'riesche gat^ dat in 
noordelijke richting ten westen langs Schiermonnikoog loopt, en 
bovengenoemde platen van de Engelschmanplaat en het Bierummer 
Wad scheidt. 

Het Friesche Gat. Onder het Friesche zeegat verstaat men de 
verschillende inloopen der zee en de slenken, die ten westen van Schier- 
monnikoog met een bocht zich naar de Lauwerszee uitstrekken. 
Eenige takken dringen van het Friesche Gat nog in de bovenge- 
noemde platen door. Soms ondergaat het Friesche zeegat een be- 
langrijke verplaatsing, door den invloed van de getij denstroomen 
en de stormen. Er bestaan voorbeelden, dat een enkele storm een 
geheel verloop van het vaarwater tengevolge had. 

Vroeger werd dit zeegat nog door kleine houtschepen bevaren, om 
langs Zoutkamp Groningen te bereiken. Voor de scheepvaart is het 
tegenwoordig van weinig belang; het wordt alleen door visschers 
nog gebruikt. 

Het eiland Schiermonnikoog. Het eiland Schiermonnikoog 
ligt als een hooge wachtpost voor de bovengenoemde ondiepten. In 
het westen van dit eiland hebben de duinen de grootste hoogte en 
breedte, terwijl zij oostwaarts in een smalle rij over het vlakke strand 
uitloopen. De duinenrij is ± 8000 meter lang. Het oostelijk ge- 
deelte van dit eiland is niets dan een zandvlakte, het Oosterstrand, 



Digitized by 



Google 



401 

waarop eenige stuifduinen liggen, die evenwel geenszins standvastig 
zijn. Die zandvlakte, welke in het strand overgaat, maakt het eiland 
bijzonder voor badplaats geschikt. In het zuidwesten van het eiland 
ligt de vruchtbare uit klei en zand bestaande Banckspolder (430 H.A.), 
die aan de zuidzijde door een zeedijk van 4,5 M. 4- volzee hoog, 
welke op beide einden bij de duinen aansluit, beschermd wordt. 
De hoogte van den polder bedraagt i k 2 M. -1- volzee. De be- 
dijking geschiedde door Mr. Banck, die in 1860 dit eiland kocht. 
Het eiland heeft eene oppervlakte van 5043 H.A. en telt 877 inw., 
die van de badgasten en van de scheepvaart, alsook van landbouw 
en veeteelt, bestaan. 

Het verplaatsen der zeegaten naar het oosten had ook voor Schiermonnikoog 
nadeelige gevolgen. De stormen en watervloeden van 1717 en 1720 tastten dit 
«iland in het westen sterk aan, zoodat de bewoners hunne woningen meer naar 
het oosten moesten verplaatsen. In 1736 vooral bemerkte men in het Z. W. 
sterke afneming van het strand, en in 1787 was het van dien kant wel dz 5,5 K.M. 
verminderd i). Sedert dien tijd werd het eiland hoe langer hoe meer bedreigd, 
en omstreeks 1825 begon men voor het behoud van het dorp op het eiland te 
vreezen. De duinen waren op vele plaatsen reeds weggeslagen, en de volle 
Noordzee rolde nu op het vlakke land aan, terwijl overstuiving van het zand 
het land bedierf. Daarna namen de zaken een keer. De diepe arm van het 
Friesche Gat, de Noorman genaamd, is langzaam dichtgespoeld, en in de plaat.s 
daarvan heeft er zich een zandplaat gevormd. De vorming van die plaat in het 
Z. W., ook de Noorman genaamd, hield omstreeks 1835 hier de verdere afspoe- 
ling tegen. Toch bleef de toestand nog gevaarlijk, totdat de in 1860 aange_ 
legde dijk het eiland bescherming bracht. 

De Engelschmanplaat, het Wierummerwad, het Friesche 
Wad, het Pinke Wad en hetPinkegat. Y^^ Engelschmanplaat 
ligt tusschen het Friesche Gat en het Pinkegat, en gaat naar het 
Z. in het Wiertimmer Wad en naar het Z.V^ .\n\i<tX.Yriesche Wad^ 
beide langs de kust gelegen, over. Ten oosten van den dam naar 
Ameland worden langs de kust uitgestrekte >dargvelden*' gevonden. 



Ij Tegenw. Staat van Friesland II pag. 402. — Zie ook: A. Winkler Prins, 
Geschiedenis en beschrijving van Schiermonnikoog, 1S6S. 

n. 26 



Digitized Öy 



Google 



402 

bij de schippers onder den naam het Heideveld bekend i), en als 
zoodanig op de kaart aangeduid. Ten N. van het Friesche Wad 
liggen het Pinke Wad^ de Scheve plaat en de Kikker ten Z. van 
Ameland. Het Friesche Wad valt spoedig droog. — In 1873 is een 
steenen dam van Ameland naar Holwerd door de Wadden gelegd, 
waarin later door stormen op vier plaatsen gaten geslagen zijn. 
Door dezen dam, die dienen zou om de aanslibbing te bevorderen., 
is de scheepvaart in het Friesche Wad zoo goed als opgehouden. 
De geulen, welke deze platen doorsnijden, vallen meestal met steile 
kanten af. Ten O. van Ameland strekt zich het Pinkegat naar het 
zuiden uit, en verliest zich in verschillende slenken en geulen in de 
Wadden. Het Oude Vinkegat en het Wier umm er gat liggen ten 
oosten van het Pmkegat en snijden de Bult en de Sipkeplaat nog af. 

Het eiland Ameland. Tusschen het Pinkegat en het Amelander 
zeegat strekt zich het eiland Ameland in de richting O.— W. uit 
over eene lengte van 21 K.M. Het eiland heeft eene oppervlakte 
van 5983 H.A. en telt 2246 inw. Een duinketen, die in het westen 
zich Baar het Z. ombuigt, loopt langs den noordkant in de lengte 
over het eiland lot de Blinkert, en buigt zich hier in Z.O. richting 
naar de zuidkust. 

Ten oosten hiervan loopt Ameland in een zandplaat uit, waarop 
de Pinke- of Oerderduinen zich verheffen. Daardoor bestaat de 
N. en N.W. kant van Ameland uit duinzand en stranden. In de 
laatste tien jaren zijn de stuifduinen kunstmatig meer vastgelegd 21. 
De kern van het eiland wordt gevormd door een paar afzonderlijk 
liggende langwerpige stukken zanddiluvium. Ten Z. hiervan zijn nog 
strooken zeeklei neergelegd. In het midden vindt men in de duinen 
van het eiland eveneens nog zeeklei in de Slenk, Hier werd in de 
17de eeuw door een nieuw zeegat het eiland in tweeën verdeeld, en 
zelfs verhaalt men, dat in 1685 bij storm een schip uit de Noordzee 
hierdoor naar de Wadden sloeg. Later werd dit gat gedicht. 

Het zuiden van het eiland sluit zich aan bij de schor- en waard- 

i) VV^esterhoff. De kwelderkwestie nader toegelicht, pag. 114. 
2) Zie de kaarten van den toestand der duinen van Ameland 1S79 — 1889, in 
het Versl. der Openb. Werken 1889, Bijlage XIV. 



Digitized by 



Google 



403 

gronden. Men vindt hier geen zeewering, doch de landen worden 
door kleine, zwakke dijkjes tegen het water beschermd, die bij hoog- 
water niet voldoende zijn. De gronden zelf liggen 0,3 k 0,7 + volzee. 

Ameland de«lde het lot van de meeste der Waddeneilanden, nl. het nam 
door stormvloeden, schuring der getij denstroomen, in verband met een positieve 
verandering van het niveau der 7.ee, af. Sommigen meenen, dat het wel viermaal 
200 groot geweest is als thans. De mond der Friese he Middelzee of der Boorne (zie 
pag. 323) lag vóór het ontstaan der Wadden aan de westzijde van dit eiland, en waar 
thans het diepe zeegat is, lag aan dien mond het dorp Sier met een vuurtoren. 
Ook in het oosten zijn dorpen verloren gegaan. W. Eekhoff verhaalt (Leeuwar- 
der Courant 24 Nov. en i — 15 Dec. 1835), dat bij menschenheugenis aan de zuidzijde 
door verleggen van het vaarwater het eiland wel een uur gaans was afgeslagen. 
Dat dit eiland evenals de overige eens met den vasten wal verbonden was, 
is als zeker aan te nemen. 

Het Amelander zeegat. Het Amelander zeegat tusschen Ame- 
land en de Bosch plaat ten O. van Terschelling, strekt zich naar 
het ZO. uit en verliest zich in verschillende balgen en geulen in 
de Wadden. Binnenwaarts neemt het hoofd vaar water den naam van 
Borndiep aan, en verdeelt zich spoedig in het vaarwater naar de 
reede van Ameland en verder op het Friesche Wad, en in dat naar 
de Friesche kust, Kromme Balg genaamd, waardoor men over de 
droogte van de Abt en de Vlakte van Oosterbierum naar Harlingen 
en verder naar de Zuiderzee kan varen. (Zie de geologische kaart.) 

Voor de scheepvaart heeft dit zeegat weinig beteeken is, daar al- 
leen vaartuigen van geringen diepgang hier langs naar Harlingen 
komen. Hoofdzakelijk wordt het door visschers gebruikt. Debuilen- 
gronden zijn aan veel verandering onderhevig. 

Het eiland Terschelling en de Waardgronden. Tusschen het 
Amelander Gat en den Vliestroom strekt zich het eiland Terschel- 
ling in eene Z.W. — N.0. richting over eene lengte van ± 28 K.M. 
uit (met de Boschplaat). De noordzijde is geheel door een duinenrij 
van ^ */2 uur breedte beschermd, welke duinen hooger zijn dan 
op Vlieland, en die op den westhoek het hoogst zijn. Sommige 
dezer duinen zijn niet begroeid en bestaan uit wit zand. In het 
oosten loopt die eiland in eene vlakte, de Boschplaat of Noord- 



Digitized by 



Google 



404 

oostpunt geheeten, uit, waarop eenige verspreide duintjes liggen, 
Smouseduintjcs geheelen. Aan den zuidkant van de duinen ligt 
nog bouwgrond en langs de Waardgronden eenige zeeklei. Onder 
het duinzand vindt men op enkele plaatsen nog laagveen, dat 
blijkbaar ondergestoven is. Op dit eiland liggen een zestal dor- 
pen. Ten zuiden wordt het vlakke land door een zeedijk, over het 
grootste gedeelte Zuiderdijkagie en in het W. Nieuwendij k ge- 
heeten, die 3 M. boven volzee hoog ligt, beschermd tegen het water. 
De afwatering des lands heeft op natuurlijke wijze plaats. West- 
Terschelling^ het voornaamste dorp, heeft een haven, waartoe men 
toegang verkrijgt uit het zeegat door het Schuitendiep. Verder vindt 
men er de dorpen Midsland en Hoorn. Het eiland heeft eene op- 
pervlakte van 10735 ^-A' ^" ^^^ 3730 i"w., die van landbouw, vee- 
teelt en visscherij bestaan. 

Ten zuiden van Terschelling liggen tot nabij de Friesche kust 
de uitgestrekte ondiepe zandvlakten de Waar dg ronden^ waarvan in 
het Z.W. een gedeelte door het water de Meep en de Oost-Meep 
is afgesneden. Dit afgesneden deel heet eveneens Waardgronden, 
welke gronden zich in de Ballastplaat of Kimster tot op 3 K.M. 
ten N.VV. van Roptazijl (ten N. van Harlingen) uitstrekken. De 
Grinderwaard is het zuidelijkste gedeelte van deze laatste Waard- 
gronden ; zij hebben in het onbewoonde eilandje Grind hun hoogste 
gedeelte. Dit eilandje bestaat uit eenige duinachtige zandhoogten. 
In het zuiden wordt deze plaat door de Blauwe Slenk (zie beneden), 
waarin zij steil afdaalt, begrensd. 

Grind. In de landen, die bij het vormen van de Zuiderzee wegsloegen, bleef 
Griftd het langst over door zijn hooj|Tere ligging. Even wol als klein eilandje wa> 
het niet tegen de aanvallen der zee l>estand. en werd voortdurend kleiner. M'^n 
von l hier oudtijds een dicht bebouwde buurt, die zelfs een 5/<i// werd genoemd, 
en volgens oude kronieken in 1222 voor rekening der abdij Lidlum, die deze 
buurt toebehoorde, mei grachten en muren werd omringd. In 1287 moet deze 
•>tad door een stormvloed vernield zijn 1 1. Toch werd er tot de i6de eeuw nog 

Il Winscniius. Chronyk ofte Historische geschieden isse van Friesland, f oi. 16. 
7.\M verder de aanteekeningen van Dr. WesterhofF op Arends, Xoordzeekusten. 
II, pag. 4»9 



Digitized by 



Google 



405 

veel vee geweid, dat de beroemde (irindsche kaas leverde. Meer en meer nam 
dit eilandje door den golfslag af, zobdat er in het begin der i8dc eeuw slechts 
nog éen huis gevonden werd. Sedert is het weldra verlaten en bleef het slechts 
door konijnen bewoond, die evenwel bij een stormvloed van 1825 verdronken. 
Thans wordt het alleen in den zomer bezocht om het gras, en in de lente om 
de eieren. 

De Vliestroom en de Meep. Tusschen Vlieland en Terschel- 
ling ligt het zeegat van den Vliestroom of het Vlie. Deze itroom zet 
zich bitinenlands door de Waardgronden in zuidelijke richting voort, 
en verdeelt zich aan de noordpunt van het Langezand in twee armen : 
de Blauwe Slenk^ de oostelijke, en de Inschot^ de zuidelijke arm. 
De Blauwe Slenk loopt eerst tusschen den W. en Z. kant van de 
Grinderwaard en den N. ü. kant van het Langezand door. Deze 
platen loopen alle gedeeltelijk droog bij laag water. 

De Meep is een breed en diep vaarwater dat O. ZO. van Vlieland 
uit den Vliestroom komt, tusschen de Caranan en de Pannenplaat 
doorloopt, en zich verder in twee takken, de Noord Meep en de 
Zuid Meep^ verdeelt. De Noord Meep heet verder oostelijk de 
Oost Meep^ welke in de vlakte nabij de Friesche kust uitloopt; de 
Zuid-Meep loopt teniet tegen de droogte der Meeuwenstaart. De 
noordzijde der Meep heeft een steile grens. 

(Zie over de geschiedenis van den Vliestroom pag. 413). 

Het eiland Vlieland. Tusschen het Vlie en het Eierlandsche 
gat strekt zich het eiland Vlieland (groot 5091 H.A.) over eene 
lengte van 19 K.M. in Z. W. en N. O. richting uit. De Z. W. 
helft ongeveer bestaat uit een vlakke, onbewoonde zandplaat. West- 
Vlieland of de Vliehors geheeten, die voor het grootste gedeelte 
=ï= 12 è, 15 d.M. boven hoogwater ligt. Het N. O.-deel bestaat 
grootendeels uit een duinketen, die bij het dorp Oost-Vlieland 
het hoogst is. Met de smalle Meeuwenduinen vangt de duin- 
keten in het Z. W. aan, en met die van Oosterlid eindigt ze. 
Ten oosten van het dorp ligt op den oosthoek van Vlieland een 
kleine haven, die bij laagwater nagenoeg droog valt. Zeevaart, 
loodswezen en visscherij zijn de hoofdbronnen van bestaan van de 
bijna 700 bewoneis. 



Digitized by 



Google 



4o6 

Oudtijds liepen de duinen op Vlieland door tot het vvesteinde van 
de Hors, en bestond er in het westen nog een dorp op Vlieland, H^esf- 
F/U/ani/ géheeten, dat in het laatst der 17de eeuw door de zeever- 
zwolgen werd In het W. is ook sedert dien tijd dit eiland sterk 
afgenomen ; men meent zelfs, dat het aanvankelijk met Eierland ver- 
bonden geweest is. i) De duinen van het eiland namen aan de 
buitenzijde successievelijk af, ook in het N. O., en de hoogwaterlijn 
werd binnenwaarts verplaatst, zooals kaart 8 van Van der Vegt dat 
voorstelt. De binnenzijde der duinen onderging evenwel weinig 
verandering, zoodat de duinen niet verplaatsten maar afnamen. 

De vermindering in lengte van de duinenrij blijkt uit de volgende 
opgaven. De lengte der duinen was in 1688 = 17000 M. ; in 
1722 z=. 17000 M. ; in 1756=14500 M. ; in 1795^:312500 M., en 
in 1864 = II 000 M. In 176 jaren was dus 6000 M. of Va van 
de lengte der duinen op dit eiland verloren gegaan 2). Na 1795 
was de afneming der duinen aanzienlijker dan in eenig tijdperk. 

Ten Z. O. van Vlieland strekken zich de uitgebreide IVaanf- 
gronden en platen als de Hengst naar de landzijde uit. Het zijn de 
treurige overblijfselen van het eenmaal bewoonde Waddengebied. 

Het eiland Texel met Eierland. Het eiland Texel (18355 
H.A. en 5878 inwoners) bestaat in het Z. W. uit een breede, Z.0. 
omgebogen duinenrij met eenige duinvalleien daartusschen, en een 
uitgestrekte zandvlakte, de Hors^ aan de Z. W. en W. zijde daarvan 
gelegen. In het noorden van Texel wordt die duinenrij smaller, 
maar op Eierland verbreedt zij weer. Op korten afstand ten 
noorden van het dorp de Koog hielden vroeger de duinen ge- 
heel op. Hier lag een zandvlakte met een zeegat, waardoor Texel 
van het verder noordoostelijk liggende kleine duineilandje Eierland 
gescheiden was In 1629 werd over die vlakte een zanddijk gelegd, 
waardoor Texel en Eierland verbonden zijn. Buiten dien zanddijk 
zijn later nieuwe duinen met enkele valleien er tusschen samenge- 

\) Zie over Vlieland de „Memorie nopens den tegenwoordigen toestand van 
Vlieland, van de Vliehors, van het Eijerlandsche gat enz*' door J. v. d. Vegt. 
(Versl. der Üpenb. Werken 1865, pag. 13S enz.) 

2) Van der Vegt, 1. c. pag. 149. 



Digitized by 



Google 



407 

stoven. Aan de oostzijde van dien dijk hadden aanslibbingen van 
zeeklei plaats, welke in 1835 ingedijkt werden tot den -£'/>r/ö«/^Mr« 
/(7/rt^^r, 3376 H.A. grooi. Verder werden in het oosten nog ingedijkt 
de Eendrachtspolder (247 H.A.) in 1846, de Vb/Aardtfi^y {16 H.A.) 
in 1846, de Prins Hendrik Polder in het Z. O. (460 H.A.) in 1846. 
Reeds in 1768 was dit laatste land bedijkt, doch in 1796 was het 
weder ondergeloopen. In 1876 werd de -P^Z/aVr //^/A^<?<?r//f« ingedijkt. 

De kern van het eiland bestaat uit diluviaal zand en grint, met 
keienleem, dat wij o.a. in de heuvelhelling tusschen het Oude Schild 
en den Burg ontdekten. Duidelijk vertoonden eenige keien de sporen 
van door gletschers gladgeslepen en gekrast te zijn, zoodat dit leem aan 
een grondmoraine doet denken. Hier vindt men een diluvialen heu- 
vel van ± 15 M. boven volzeehoog. Verder worden eenige strooken 
laagveen op het eiland aangetroffen. De hoogte der gronden van 
Texel binnen de duinen is ongeveer = A. P., de laagste landen 
liggen Jr 0,50 M. — A. P. 

De meeste polders loozen op natuurlijke wijze door sluizen op de 
zee. Reeds vroeger hebben wij er op gewezen, dat Texel eenmaal 
met de tegenwoordige noordpunt van Noord- Holland verbonden 
was. (Zie II pag. 159.) 

Landbouw, veeteelt, vooral schapenfokkerij, visscherij en scheep- 
vaart zijn er hoofdmiddelen van bestaan. Oude Schild heeft een 
haven. 

Het Eierlandsche Gat. Dit zeegat ligt tusschen de N.-punt 
van het eiland Texel of het Eierland en de Vliehors. Voor de 
zeevaart heeft het geen beteekenis en alleen enkele visschers, die 
plaatselijk goed bekend zijn, maken er gebruik van. Naar het 
oosten verliest dit gat zich met verschillende geulen in de Waard- 
gronden. Bij gewone getijden is de grens van den invloed van dit 
gat zeer beperkt, en doet zich de vloed hierdoor niet verder gevoelen 
dan tot de westelijke geulen in den Hengst. De breedte van dit 
gat nam na 1694 veel toe, de diepte niet. 

Het Zeegat van Texel. Tusschen Texel en den Helder ligt 
het Tcxelsche Zee^ai, dat den toegang geeft van de Noordzee tot 



Digitized by 



Google 



4o8 

de verschillende havens der Zuiderzee en het Nieuwediep. Ten 
westen van dit gat liggen de gevaarlijke driehoekige banken, de 
buitengronden de Noorder- en Zuiderhaaks^ waartusschen zich het 
Westgat bevindt, terwijl tusschen de Zuiderhaaks en den vasten wal 
zich het Schulpengat uitstrekt. Westgat en Schulpengat zijn de beide 
voornaamste vaarwaters van het zeegat van Texel. De Razende hol en 
de Onrust zijn twee droogvallende zandplaten van de Noorderhaaks. 
Verder is alleen het zuidelijk gedeelte der Noorderhaaks droog bij 
laagwater, hoewel verschillende ribben nagenoeg droogvallen. 

Verder oostwaarts neemt hel Texelsche zeegat den naam van Hels- 
deur aan, terwijl dit laatste diep zich oostelijk verbreedt tot het Mars- 
diepe dat verder oostelijk zich weer verdeelt in Texelstroom en Malzwin. 

De verandering in de grootte der zeegaten. Zijn de zeegaten in ver- 
mogen toegenomen of afgenomen gedurende de laatste twee eeuwen ? De heer 
Kerckhoff behandelde dit onderwerp in eene vergadering van het Kon. Inst. v. 
Ing. Juni 1887, Hierin gaf hij de volgende conclusiën van zijn onderzoek. 

Het Zeegat van Texel vertoont eene toeneming in breedte tot 1748. Na 
1774 nam de breedte bij laag%vater zeer aanmerkelijk af en dit had ook bij 
hoogere waterstanden, doch in geringer mate plaats. In den loop dezer eeuw 
schijnt de breedte geen belangrijke veranderingen te hebben ondergaan. 

V>^ profiel-inhouden zijn van 1695 tot 1748 belangrijk toegenomen, daarna 
is een tijdperk van groote vermindering ingetreden, terwijl in de jaren 1774 en 
1784 die inhouden ongeveer dezelfde grootte hadden. Hieruit volgt dus: 
1695 — 1748 algemeene verruiming van het zeegat, zoowel wat breedte als ver- 
mogen betreft; 1748 — 1774 vorming van zandbanken beneden laagwater. zoodat 
bij behoud der breedte het vermogen verminderde, na 1774 verhooging der 
zandbanken, waarbij het vermogen en de breedte bij volzee ongeveer gelijk 
bleven, de breedte bij laagwater verminderde en dus de geul grooter diepte 
verkreeg. 

Bij het Eierlandsche Gat was de toestand eenigszins anders. Daarbij bemerkte 
men in de eerste jaren der iS^c eeuw, 1694 — 1722, een belangrijke vergrooting 
in breedte en in vermogen, zoowel bij volzee als hooger. Van 1722 tot 1864 
zijn de breedte bij volzee en het profiel bij dat peil een weinig afgenomen, maar 
het profiel bij stormvloedshoogte is daarentegen nog aanmerkelijk vergroot, een 
gevolg van de afneming der duinen aan de westkust van Vlieland en van de 
uitbreiding der Vüehors. Het schijnt, dat het Eierlandsche Gat zich een weinig 
len koste van hel Texelsche Zeegat heeft uitgebreid. 



Digitized by 



Google 



409 

Wat het Vlie betreft, door gemis aan vertrouwbare oudere kaarten zijn de 
vroegere veranderingen niet na te gaan. In den loop dezer eeuw is de breedte 
zoowel bij volzee als tusschen de duinen met 1200 è 1300 M. vermeerderd J 
daarentegen is de profielsinhoud belangrijk afgenomen. 

Het eiland Wieringen. Ten oosten van het Koegras in Noord- 
Holland strekt zich een uitgebreide zandplaat naar het oosten uit., 
het Balgzand geheeten. Verder oostelijk vindt men de zandvlakte 
de Breehorn^ die door het Atnstcldiepy een water dat van het 
westelijkste punt van Wieringen recht naar het noorden loopt, van 
het Balgzand gescheiden is. De westelijke kant van het Amsteldiep 
is steil, de oostelijke kant loopt zacht tot de Breehorn op. Beide 
platen liggen slechts weinig onder waler en vallen bij laagwater 
grootendeels droog i). 

Het eiland Wieringen (2500 H.A. en 2642 inw.) sluit zich ten 
zuiden aan bij de plaat van de Breehorn^ welke door de Wierbalg 
en het Zwin^ twee vaargeulen, gescheiden wordt van de Lutje- 
waard. Door het Amsteldiep is Wieringen van het land gescheiden, 
en de westelijkste punt ligt niet meer dan 300 M. van de Ewijksluis 
in den Anna Paulowna- Polder. Midden door het eiland loopt van 
het Z.W. naar het N.O. een diluviale zand- en grintrug met gol- 
vende oppervlakte, op zijn meest 4,3 M. + A. P. hoog, die in het 
zuidwesten met steilen wand, door den afslag der zee gevormd, in 
zee afdaalt. Langs die vaste kern vindt men, vooral in het zuiden, 
nog geringe afzettingen van zeeklei en van zeezand. De laagste 
deelen van den bodem zullen ongeveer = A. P. liggen. 

Wieringen is reeds sedert lang bedijkt. De dijken liggen niet 
aan elkander, maar worden hier en daar door hooge gronden afge- 
broken. Op vele plaatsen vindt men nog dijken van zeewier. Aan 
de zuidkust hadden indijkingen plaats, o. a. in 1846 van de waard 
Nieuwland^ 473 H.A. Reeds vroeger was het Nieuivelattd\y^^\^X^ 
doch in 1683 was het weer ondergeloopen 2), en lag sedert met de 
zee gemeen. 

i) Zie over het droogvallen en de diepte dier platen: de Dieptekaart in Nota 
No. 4 van het onderzoek der Zuiderzee- Vereeniging. 
2) Tegen w. Staat van Holland XVIII pag. 616. 



Digitized by 



Google 



4IO 

Hypolitushoefy een net, welgebouwd dorp, is de aanzienlijkste 
plaats van dit eiland; verder vindt men er Westerland en Ooster- 
land en eenige gehuchten. Landbouw, veeteelt, visscherij en wier- 
maaien zijn hoofdbronnen van bestaan. 

Wieringen maakle in den aanvang onzer tijdrekening of omstreeks dien tijd 
deel uit van de landen, die later verzwolgen werden bij de uitbreiding van het 
Fle vomeer tot de Zuiderzee. Aldus hangt de wordingsgeschiedenis van dit 
eiland samen met de historie der Zuiderzee. Dewijl deze landen in den oudsten 
tijd geenszins een volkomen aaneengesloten vastland zullen gevormd hebben, maar 
grootendeels uit een laagveen gebied bestonden, met tal van wateren doorsneden, 
die bij de positieve niveauverandering gedurende den eersten historischen tijd zich 
uitbreidden, en waartoe enkele stormvloeden zeker kracht'g bijdroegen, had dit. 
proces der eilandvorming langzaam plaats, zoodat er geen bepaald jaar voor is 
op te geven. De overblijfselen van muurwerk, dijken en wegen ten N. en Z* 
van Wieringen in de zee gevonden bewijzen zeker, dat hier eenmaal bewoon<4 
land gevonden werd i). In een lijst van de goederen der Utrechtsche kerk uit 
de lode eeuw wordt dit land terra Wiron genoemd, deel uitmakende van de 
gouw Wironi 2). 

Het eiland Marken. Het eiland Marken (289 H.A., i2 74inw.) 
is een kleibank, die bij de vorming van de Gouwzee en de uitbrei- 
ding van het meer Flevo als eiland is achtergebleven. De wor- 
dingsgeschiedenis moet een soortgelijke geweest zijn als die van 
Wieringen. Volgens overleveringen was Marken vroeger met Water- 
land verbonden, doch in de 13de eeuw was het reeds een eiland. 
Door stormvloeden is in lateren tijd dit eiland veel verkleind, 
waardoor de dijken moesten ingelegd worden. In de 60 jaren vóór 
1750 moeten er, volgens den schrijver van den Tegen w. Staat, 16 
inlagen van den dijk gemaakt zijn. Op het einde der 17e eeuw 
waren er nog 16 buurten op het eiland, waarvan er in 1700 vier 
door de zee zijn weggespoeld 3). 



i) Scheltema, Geschiedenis der Zuiderzee (In; Geschied- en Letterk. Mengel- 
werk VI pag. 75). 

2) Van den Bergh. Middel-Ned. Geogr. pag. 24. Heda pag. 65. 
3i Tegenw. Staat XVIII pag. 624. 



Digitized by 



Google 



411 

Marken is door een dijk van i k 1,4 M. -f A. P. omringd. 
Daar de hoogste waterstanden der Zuiderzee hier 2,40 M. -f A. P. 
bedragen, kunnen die dijken alleen de zomervloeden tegenhouden 
en hierdoor vloeit het eiland des winters dikwijls onder water. 
Daarom zijn de woningen alle gebouwd op hoogten, terpen of wer- 
ven genoemd. Door sluizen wateren de landen op natuurlijke wijze 
op de zee af. Het hoofdbedrijf der bewoners is visscherij. 

Het eiland Urk. Dit eilandje, 80 H.A. groot en met 2596 
inwoners, bestaat in het westelijk gedeelte uit een diluvialen grint- 
heuvel, welke zich tot 8 Meter hoog boven de zee verheft, en waarop 
het dorp ligt. In het oosten is het eiland lager, het terrein 
wordt vlak en bestaat uit alluviaal zand, waarover een 15 ^ 35 M. 
breede zandrug loopt, die tot 2,2 M. boven volzee hoog is en in 
het N.0. in een smalle zandplaat, de Staart geheeten, eindigt. 
Deze plaat zou ontstaan zijn door de stormen van November 1775 
en 76. De huizen staan alle op het hoogere gedeelte, in grootere 
of kleinere groepen of geheel van elkander gescheiden. Vischvangst 
en eenige veeteelt zijn de bronnen van bestaan. Behalve in het 
Z.W. bij de huizen, waar steenglooiingen liggen, is het eiland om- 
geven door paalwerk, waarachter langs de lagere gronden in het 
oosten een zandkade ligt. 

Urk wordt reeds in 966 uitdrukkelijk een eiland genoemd i). 
Of het in vroeger jaren geheel met de Overijselsche kust verbonden 
was door -lage veenachtige landstreken, valt niet met volkomen 
zekerheid te zeggen, doch is zeer waarschijnlijk. 

Het eiland Schokland. Schokland is een lang smal eiland, 
ongeveer 140 H.A. groot, en bestaat uit drassigen veengrond. 
Het is een overblijfsel van een grooter landoppervlakte, welke hier 
in de Zuiderzee lag, en die in historischen tijd door afslag belang- 
rijk is afgenomen. Bij stormvloeden had het eiland voortdurend 
veel te lijden en eindelijk begon het gevaarlijk te worden voor 
bewoning, waarom het in 1859 op grond der wet van 18 Dec. 1858 



i) Oorkondenboek I, N. 39: „Cujusdam insulae medietatem in Almere, que 
Urch vocatur". Van den Bergh. 



Digitized by 



Google 



412 

ontruimd werd. Slechts enkele ambtenaren bleven hier achter. 
Sommigen meenen dat Urk en Schokland vroeger vereenigd 
waren. In 1132 wordt het eerst, zoover bekend is, van Emmel waarde 
of Emmeloord op Schokland melding gemaakt i). De genoemde 
vereeniging met Urk is geenszins onwaarschijnlijk, doch werd niet 
op historische gronden aangetoond. Misschien waren Urk en Schok- 
land vroeger wel tot eene heerlijkheid vereenigd, doch daarom waren 
zij nog geenszins éen eiland. 

§ 5. DE ZUIDERZEE EN HARE GESCHIEDENIS. 

A. Natuurlijke gesteldheid der Zuiderzee. 

Het gedeelte van de binnenzee ten zuiden van de lijn Enkhuizen' — 
Stavoren vormt de kom der Zuiderzee, meestal uitsluitend Zui- 
derzee geheeten. Met het oog op de beteekenis van den naam, die 
door de Friezen aan dit water gegeven werd wegens de ligging ten 
zuiden van Friesland, is het wenschelijk den naam Zuiderzee tot 
dit gedeelte te beperken. Evenwel wordt de naam Zuiderzee ook 
toegekend aan de watervlakte ten noorden van genoemde lijn tot 
Texel, Vlieland en Terschelling 2) In dit geval is het wenschelijk 
een noordelijk en een zuidelijk deel te onderscheiden, waarvan de 
grens door genoemde lijn gevormd wordt. De Zuiderzee gaat in 
het noordoosten zonder natuurlijke grens over in de Friesche Wad- 
den, die, zooals wij zeiden, door den dijk van Ameland kunstmatig 
in tweeën gescheiden werden. Thans is die scheiding gedeeltelijk 
weder opgeheven, daar de dijk is doorgeslagen. 

In het zuidelijk gedeelte of de kom der Zuiderzee ligt het diepste 
gedeelte ongeveer in het midden. Van + 3 KM. ten O. van Mar- 
ken, N. O. tot 2 K.M. ten W van Urk, is een terrein dat 40 a 45 dM. 
beneden gewoon laagwater diep is, en ten W. van Urk loo])t een 

1) V. d. Bergh, 1. c. pag. 54. 

2) Zoo o. a. de Algemeene Statistiek van Nederland 1 pag. 78 — Van der 
Aa, Woordenboek XMI pag. 290. 



Digitized by 



Google 



413 

geul in N.VV. richting tot bijna aan de lijn Enkhuizen — Stavoren, 
die 50 k 60 d.M. beneden gewoon laagwater diep is. Dit is het 
Fa/ van Urk, tusschen Urk en het Enkhuizer zand aanvangende. 
Van genoemd diepste gedeelte neemt de diepte naar de kanten 
over 't geheel vrij regelmatig af. Ten N. van Urk ligt in verbin- 
ding met dit eiland nog eene harde ondiepte. Het Enkhuizerzand^ 
waarvan het noordelijk gedeelte Staart van het Enkhuizer zand 
genoemd wordt, is een harde ondiepte ten O. van Enkhuizen, en 
bij Harderwijk dringt de Harderwijker bank of de Knar nog in 
zee vooruit. Ten O. van Harderwijk^ tot het- Zwolsche Diep loopt 
een harde rug langs den wal, die verschillende namen draagt, en 
in het Spijk bij Doornspij k en het Kamper zand het meest uitsteekt^ 
De belangrijkste gedeelten van de zuidelijke helft zijn: het Hoorn- 
sche Hop^ de bocht ten Z. van Hoorn, de Gouwzee ten W. van 
Marken, de Pampus^ eene ondiepte vóór het IJ met slechts 26 a 
29 d.M. water onder gewoon laagwater, het Muiderzand langs de 
kust bij Muiden, de Harderwijker bank^ het Zwolsche Diep (zie 
pag. 283) en de Nagel^ een diep gedeelte met zachten grond ten 
N.0. van Urk. (Zie de (Geologische kaart.) 

Het noordelijk gedeelte der Zuiderzee, of liever: de noordelijke 
toegang tot de kom van de Zuiderzee, bestaat uit tal van geulen 
en vaarwaters tusschen de zandplaten en ondiepten. Ten Z.0. van 
Texel loopt de Texelstroom ten zuiden langs de plaat de Hengst^ 
en door de Doove Balg komt men verder in de Middelgronden, 
waarlangs men over de Friesche Vlaak naar de zuidelijke Zuiderzee 
komt. Ten W. van laatstgenoemd water ligt de Wieringer Vlaak 
en ten zuiden van dit de Gammels, terwijl westelijker ten Z. van 
Wieringen het gedeelte der zee De Meer heet. Deze laatste heeft 
35 ^ 45 <^M. diepte in het midden, en loopt naar de kanten 
ondieper op. 

De gesteldheid van den bodem der Zuiderzee is zeer verschillend. 
Door de plannen tot droogmaking van dezen inham is de bodem nader 
onderzocht. Wat het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee betreft is de 
grondsgesteldheid in nevensgaand schetskaartje aangegeven naar de 
onderzoekingen van Dr. v. Bemmelen. 



Digitized by 



Google 



414 

Het noordelijk gedeelte werd in 1889 nader onderzocht i). Het 
resultaat van dit onderzoek was, dat dit gedeelte voor het grootste 
gedeelte uit zand bestaat en slechts voor enkele gedeelten meer 
sporadisch uit zavel of klei. Zoo vindt men langs de Friesche kust 
nog een kleistrook ten N. en ten Z. van Harlingen. Het zuidelijk 



Schetskaartje van de giondsgesteldheid der Zuiderzee. 

gedeelte der Zuiderzee bestaat meer uit klei en ook ten N.0. van 
Urk en in de Wieringer Meer vindt men kleilagen. Terwijl de 
Waddengronden grootendeels uit zand bestaan, vindt men toch ook 
hier enkele klei afzettingen, en wel het meest in de zuidelijke T^auwerszee. 

i) Nota X. 6 van het onderzoek der Zuiderzee, 1S91. 



Digitized by 



Google 



415 

B. Geschiedenis van het ontstaan der Zuiderzee en 
van de Wadden. 

Het is niet mogelijk een nauwkeurige geschiedenis van het ont- 
staan der Zuiderzee en der Wadden te schrijven, daar de voldoende 
bronnen hiervoor tot nog toe ontbreken. Wat men omtrent de 
enkele feiten uit die historie meent te weten, berust veelal op over- 
leveringen, welke veel later te boek gesteld werden, en die geens- 
zins in alle deelen vertrouwbaar zijn. Daarom moet de geschied- 
schrijver naast de kronieken de natuurlijke geschiedenis dezer wateren 
raadplegen bij zijn onderzoek, en hij kan dan door vergelijkingen wel 
geen détailbeeld, maar toch een algemeen overzicht van die geschie- 
denis verkrijgen. 

Algemeen wordt door de historieschrijvers aangenomen, dat in 
de kom der tegenwoordige Zuiderzee omstreeks den aanvang onzer 
tijdrekening een meer moet bestaan hebben, hetwelk door de Romei- 
nen met den naam Flevo werd aangeduid. Mela zegt, dat dit 
meer als gevolg der overstrooming van het lage land door den Rijn 
ontstaan is i). Tacitus spreekt van verschillende meren, rondom 
welke de Friezen woonden 2), en ook Plinius wijst hierop 3) Het 
valt niet te betwijfelen of allen hadden gelijk. Er zullen in het 
land, dat thans de kom der Zuiderzee inneemt, ongetwijfeld onder- 
scheidene meren of plassen geweest zijn, zooals nog uit de grootere 
diepte valt af te leiden, maar één dier meren, het Flcvo^ vormde 
de hoofdpias. Dit hoofdmeer werd in de eerste middeleeuwen met 
den Duitschen naam Almari of Almeri aangeduid. Het eerst werd 
hiervan melding gemaakt in de 8ste eeuw, toen in het leven van 
Bonifacius door Willibald werd verhaald, dat deze heilige, de water- 
achtige landen . der Friezen ingaande, over het stilstaande water 
(stagnum) Aelmerc getrokken is 4). 



i) Pomp. Mela. De Situ Orl)is II I, 2. 

2) Tacitas, Annales II, 8. 

3) Plinius. Historia Naturalis IV, 25. 

4) Wilibaldi, Vita S. Bonifacius c. II, bij Pertz Monumenta Germaniae IK 
349 ad a 755. Zie Van den Berg, Midd. Ned. Geogr. pag. 52. 



Digitized by 



Google 



4i6 

Dat hierbij bepaald gesproken wordt van een » stilstaand" water 
heeft een bijzondere beteekenis, omdat er uit valt af te leiden, 
zooals Van den Bergh terecht opmerkt, dat in dien tijd dit water 
nog niet door een breede inham tusschen Stavoren* en Enkhuizen 
met de Noordzee verbonden was. Omtrent de juiste plaats en de 
grenzen van dat meer valt niet veel met zekerheid te zeggen. Ook 
zal de uitbreiding van dat meer niet in alle tijden gelijk geweest 
zijn, maar door afslag ongetwijfeld in omvang zijn toegenomen. In 
het algemeen echter valt aan te nemen, dat het Flevo-meer in het 
diepste gedeelte der tegenwoordige Zuiderzee, d. i. ten Z.W. van 
Urk moet gezocht worden. 

Dat meer was omringd door lage veenlanden, zooals men ze in 
Z.W. Friesland, in W. Overijsel, en in Noord-Holland ten N. van 
liet IJ nog vindt. Het waren lage, drassige, onvaste landen, zeker 
met wateren doorsneden en hier en daar nog uit plassen bestaande. 
Bij een lageren waterstand, zooals er moet bestaan hebben in den 
tijd toen het Hollandsche laagveen zich begon te vormen i), was 
dit gebied evenals het overige in Holland met eene laagveen- formatie 
bedekt geworden. Alleen hielden de wateren van den Rijn, die 
sedert den diluvialen tijd hier door stroomden, in dit aangroeiende land 
bepaalde waterbanen open voor hunne loozing. De wegen daarvan 
zijn niet bepaald meer aan te wijzen, doch vallen eenigszins af te 
leiden uit den tegen woordigen loop der rivieren. En toen later het 
niveau van het buitenwater hooger werd ten opzichte van het land, 
(positieve niveau- verandering"), verkreeg de afslag de overhand op 
den aangroei van veen, en het gevolg was, dat de waterbanen der 
rivieren op daarvoor gunstige plaatsen zich tot plassen uitbreidden 
ten koste van het land. De grootste dier plassen werd het meer 
Flevo, in het diepste gedeelte gelegen. 

Dit meer Flevo was de centrale kom, waarin van het N.O., het 
O. tot het Z.W. verschillende kleine stroompjes uit het oostelijk 
gelegen land zich uitstortten. Maar daarenboven werd het gevoed 
door het water van een tweetal groote rivierarmen : de IJsel 

i) II. Rlink. De lage venen in Nederland (Tijdschr. K. Ned. Aardr. Gen. 1891). 



Digitized by 



Google 



417 

en de ütrechtsche Vecht^ twee armen van den Rijn, terwijl door 
de Geldersche Vallei en langs het Eemdal van tijd tot tijd nog 
Rijnwater naar het Flevomeer gevoerd werd. In den diluvialen 
tijd had hierlangs een geweldige massa water uit den Rijn gestroomd, 
maar sedert historischen tijd was die arm verland, zoodat zij alleen 
bij hoogen Rijnstand werkte. De IJsel, die reeds andere bijstroomen 
had opgenomen, vormde met de Overijselsche Vecht een gemeen- 
schappelijk mondingsgebied. Waar dit water in de eerste eeuwen 
onzer jaartelling langs gevloeid zal zijn beneden het tegenwoordige 
Zwolle ongeveer, valt niet te zeggen. De oude historieschrijvers, als 
Emmius, Schotanus, Foecke Sjoerds en Alting, van welke enkelen den 
IJsel door Friesland laten stroomen, deelen veel hieromtrent mede, 
wat bij nader inzien blijkt voldoenden grond te missen. Mela zegt 
uitdrukkelijk, dat de IJsel in het Flevo-meer uitmondde, en dit is 
ook zijn natuurlijke weg. Misschien had hij, met het Vechtwater 
vereenigd, in dit benedengedeelte een N.W. richting door lage veen- 
gronden. In een oorkonde van 815 wordt ook een veen of moer- 
grond in Salland vermeld, waardoor de stroom /f /0 in zee vloeide i). 
De sporen van dien weg zijn in de Zuiderzee echter verloren gegaan. 
Het meer Flevo, dat zooveel water ontving, moest een uitmon- 
ding hebben. Waar zou die te zoeken zijn? Sommige schrijvers 
(o. a. Alting en later Eekhoff en Ottema) 2), laten den IJsel 
of een tak der rivier bij Takozijl en de Lemmer door twee 
takken in Friesland stroomen, die te Sloten zich vereenigden en 
verder N.W. liepen. Emmius liet een dezer wateren den weg 
tot de Friesche Middelzee volgen 3). Wanneer men evenwel de 

i) Sloet. Oorkondenboek van Gelderland N. 27. 

2) Dr. J. G. OUema. Redevoering over het ontstaan der Zuiderzee (Vrije 
Fries IV pag. 183 enz.) Deze stelt voor, dat de IJsel van Kampen met zachte 
bochten lecht naar het Texelsche gat stroomde. In Texel zou men den naam 
IJsel terug vinden. Doch een tak van den IJsel, het Ganzediep, vereenigde 
zich met de Vecht, en deze tak was het, die ten zuiden langs de Friesche kust 
stroomde en zich hier in takken verdeelde. 

3) Zie over die verschillende meeningen : Acker Stratingh, Aloude Staat I, pag. 
250. Verder Arends, Natuurlijke geschiedenis van de kusten der Noordzee II pag. 33. 

II 27 



Digitized by 



Google 



4i8 

geologische gesteldheid van dit deel van Friesland raadpleegt, en 
ziet dat het Gaasterland het breede uiteinde is van een diluvialen 
rug, welke bij Sloten wel is waar smal wordt en aan de opper- 
vlakte op enkele plaatsen door laag veen is afgebroken, maar die 
toch bestaat, dan vragen wij, of de natuurlijke loop van het water 
over dien rug zal geweest zijn, waar verder westelijk een dergelijke 
barrière niet bestond? 

Die avontuurlijke rivierloopen, meestal op grond van naams- 
overeenkomsten opgediept, bevredigen niet. Waar ten westen van 
het Roode Klif de oudere gronden onderduiken, daar was de natuur- 
lijke weg voor het wegstroomende water in den laten diluvialen 
tijd., en er is geen motief, waarom het ook in alluvialen tijd niet 
daar langs zou stroomen. Hier, in de nabijheid van Stavoren, 
moet volgens van den Bergh i) Meremuda^ d. i. >de mond van 
het meer", hetwelk in een oorkonde van 877 genoemd wordt, gelegen 
hebben, en hier lag ook Sudermuda^ in 1344 genoemd 2). De 
naam »Meremuda" wijst er op, dat toen deze afvloeiing van het 
meer reeds vrij breed was, daar zij anders naar de in het meer 
stroomende rivier zou genoemd zijn, en niet naar het meer. 

Het natuurlijkst is aan te nemen, dat het Flevo-meer en de ri- 
vieren welke hierin uitvloeiden een afwatering ten westen van 
Stavoren naar het noorden hadden. Door de lage drassige landen, 
van plassen en wateren doorsneden, stroomde hier een rivier in 
hoofdzakelijk noordelijke richting, om door het gat in de duinen 
tusschen Vlieland en Terschelling in zee te loozen. Deze stroom 
werd als de Vliesiroom aangeduid. 

De Vliestroom was reeds den Romeinen bekend, en werd door 
hen FlevHS geheeten. Dat het een belangrijke stroom was, blijkt 
hieruit, dat de Lex Trisionum de Friezen in Oost- en West-Friezen 
onderscheidt, al naar zij ten O. of ten W. van het Fli of Flehi 
woonden. De Friesche kronieken, hoewel in de berichten omtrent 
den loop en uitbreiding van het Vlie en niet overeenstemmend. 



i) Middel-Ned. Geogr. pag 52. 

2) Schwartzenberg. Charterboek van Friesland I fol. 200. 



Digitized by 



Google 



419 

komen in de hoofdzaken van hunne beschrijving des lands toch vrij 
wel overeen. Hieruit blijkt, dat ten westen van het tegenwoordige 
Friesland meestal aaneengesloten land lag, hoewel door wateren 
doorsneden. Het kan niet anders dan een laag veengebied geweest 
zijn, zooals in Holland. Ten westen van Stavoren werd hierop 
waarschijnliik het »Kreiler bosch" gevonden. 

Dat dit land bewoond was, blijkt uit vele overblijfselen van 
bewoonde plaatsen, welke in de ondergeloopen landen ontdekt zijn, 
al zijn vele mededeelingen van oude wegen op den bodem der zee 
dikwijls niets meer dan fabelen. 

Het Vlie verdeelde zich hier ter hoogte van de Gammels in twee 
armen, die het vroegere eiland Ganc^ waarvan misschien de 
tegenwoordige plaat Breezand een overblijfsel is, omsloten. De 
oostelijke arm liep langs de Friesche kust, en de westelijke, Texel- 
stroom genaamd, liep langs de noordelijke kust van Texel, welk 
eiland zich destijds veel verder naar het oosten uitstrekte. Ten 
noorden van het Breezand vereenigden beide armen zich weder tot 
een gemeenschappelijken mond. 

Aan dien Vliestroom en de andere wateren in dit land had door 
positieve niveauverandering van het buitenwater, van tijd tot tijd 
ondersteund door stormvloeden en steeds bevorderd door de ver- 
wijding der zeegaten in de duinen, in *t verloop van vele jaren een 
land verlies op aanzienlijke schaal plaats. Men kan geen enkel 
jaar opgeven voor het ontstaan van den noordelijken toegang tot 
de Zuiderzee, noch van de zuidelijke kom. Het is een proces, dat 
zich over eeuwen heeft voltooid. Echter is het niet onwaarschijn- 
lijk, dat in de 12de eeuw die plas bijzonder is toegenomen. Ein- 
delijk werden door den mensch perken gesteld door het aanleggen 
van dijken. Zelfs hebben wij in Holland en Friesland gezien, hoe 
er allengs weer landen door indijking aan de uitbreiding der zee 
onttrokken werden. 

In de landstreken rondom de Zuiderzee leven nog tal van over- 
leveringen voort van vergane steden en stukken lands In het 
zuiden aan de Gooische kust wijst men nog op de grondslagen van 
Oud-Naarden, dat door de zee verzwolgen werd. Langs de Gel- 



Digitized by 



Google 



420 

dersche kust i), in Overijsel, Friesland en Noord -Holland, wijst 
men ondergegane landen langs het strand aan. Urk misschien en 
Schokland vrij zeker, waren eens met de kust van Overijssel ver- 
bonden. Urk was echter blijkens eene oorkonde van 966 toen 
reeds een eiland 2). 

Over het ontstaan der Wadden kunnen wij thans kort zijn. Het 
is hetzelfde proces, dat wij reeds beschreven. Uit de darglagen 
welke men hier vindt, blijkt, dat eenmaal laagveen het land tus- 
schen de kust en de eilanden bedekte. De positieve niveau-veran- 
dering zal het vormen van zeegaten in de duinen bevorderd hebben 
en mei deze nam de afslag van het land toe. Reeds zeer vroeg 
schijnt dit geschied te zijn, daar de Romeinen de Wadden al be- 
varen moeten hebben 3). 

C. Geschiedenis der ontwerpen tot droogmaking van 
de Zuiderzee. 

Het kon wel niet anders, of de goed geslaagde droograaking van de Zuidpla> 
en de Haarlemmermeer moesl ook de aandacht op de droogmaking van de 
Zuiderzee vestigen. De dijken langs deze binnenzee kosten jaarlijks veel geld, 
en welk gebied steeds aan overstjooming blootstaat wijst de kaart op pag. 423 
aan, waarop de overstroom ingen langs de Zuiderzee van 1825 zijn voorgesteld. 
Daarenboven koesterde men hoop, een aanzienlijke oppervlakte goed land te 
winnen. Toen dit onderwerp eenmaal aan de orde was, verschenen er van tijd 
tot tijd ontwerpen en werden er plannen gemaakt om dien arbeid te volbrengen. 
Wij zullen geenszins alle daarvan nagaan, noch de geschiedenis van de ontwer- 
pen uitvoerig behandelen, doch wenschen enkel in een overzicht de belangrijkste 
ontwerpen te vermelden. 

Wel gaf reeds in 1848 IV, A. Froger een ontwerp tot indijking van een 
deel der Zuiderzee uit, doch de eerste, die voor goed de aandacht op het vraag- 
punt vestigde, was de heer B. P. G. van Diggelen, Ingenieur van den Water- 
staat, die in ii>49 een uitvoerig werk: Beschouwingen over de Zuiderzee, de 
Friesche Wadden en de Lauwerszee in betrekking tot hare droogmaking"' uitgaf. 

1) Nijhoff. 

2) Van den Bergh. 1. c. pag. 53 

3) Tacitus. Annales H. 23. 



Digitized by 



Google 



421 

Zijn plan omvatte het volgende: Afleiding van den IJsel door stroombanen 
aan den rechteroever langs Overijsel en Friesland naar het Vlie^ aan den 
linkeroever langs Gelderland^ Utrecht, Xoord-Holland en bij Petten in zee. 
Afsluiting van het IJ bij Durgerdam, en een kanaal van Amsterdam naar de 
xVoordzee. Afsluiting van de Zuiderzee door dijken van Friesland naar Ter- 
schelling en van Terschelling, bezuiden Vlieland en Texel om., aansluitende 
aan Noord- Holland bezuiden het Nieuw ediep. Aanhechting van Ameland aan 
den vasten wal van Friesland en indijking van de Lauwerszee. Aaneenhechting 
van Vlieland en Texel en inpoldering van de gronden langs deze eilanden 
gelegen. Hierdoor zouden 475,000 n,A. ingedijkt worden. 

Dit ontwerp had aanvankelijk geen andere gevolgen, dan dat de^ aandacht 
meer op het vraagpunt werd gevestigd. Toch duurde het tot 1866, vóór een 
nieuw plan dienaangaande ontworpen werd. In 1865 werd door den heer 
J. J. kochussen, Minister van Staat, de aandacht der destijds opgerichte „Maat- 
schappij van Grondkrediet" op dat onderwerp gevestigd, en aan den heer J. A. 
Beyerinck werd de technische bewerking van een plan opgedragen. In 1866 
verscheen van diens hand eene „Proeve van een ontwerp tot afsluiten, bedijken, 
droogmaken en in cultuur brengen van een gedeelte der Zuiderzee." Dit plan 
omvatte het volgende: Een afsluitdijk Enkhuizen, Urk. Keteldiep. Een ring- 
vaart van Muiden over Naarden, de Eem, lan^s Nijkerk, Harderwijk^ Elburg 
naar de Ketel. Scheepvaartkanalen van Am^terdam.^ langs Enkhuizen naar 
de zet'; van Edam naar Harderwijk en van Enkhuizen naar Kampen. Op 
die wijze zou 195,000 H.A. ingedijkt 7V orden. 

Bij dit plan sloot zich de heer Stieltjes later in hoofdzaak aan. 

Door een Raad van den Waterstaat werd, in verband met aangevraagde con- 
cessie, het ontwerp Beyerinck overwogen, en hoewel deze „Raad'' de mogelijkheid 
van het plan bij eenige wijziging erkende, kwam hij tot het besluit, dat de droog- 
making volgens het plan geen voordeden zou opleveren. Daarenboven ontkende 
de Raad de nowlzakelijkheid van het plan voor het algemeen belang. Daarop gaf 
de heer Beyerinck een uitvoerig antwoord met eenige wijziging van zijne plannen, 
en ook de heer F. J. Stieltjes gaf een rapport aan de Nederlandsche Maat- 
schappij voor Grondkrediet naar aanleiding van het verslag van den Raad van 
Waterstaat. Verder werden van wege genoemde Maatschappij onder de leiding 
der heeren Stieltjes en Beyerinck, grondboringen in het gedeelte der Zuiderzee 
ten zuiden van de lijn Enk iiuizen- Kampen gedaan. De monsters aarde dezer 
grondboringen werden door Dr. J. M. van Bemmelen onderzocht, die hiervan 

I ) Deze verslagen en memoriön zijn te vinden in : Verzameling van officieele 
bescheiden over de droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee, uit- 
gegeven door de Nederlandsche Maatschappij van Grondkrediet, 1868. 



Digitized by 



Google 






-' "^ i*^ 'T. ;.: :.:.'- e . r ir • ^-i^i.-ir l^h ;ir-.. erti 'TLTrar^ r r :r. 

- ^ .. ,- 'T"'»-..:-. ,:-: iii:^ i=i " fii-:^ in :: • 4T:-i.*.-i^ i— n :c 

^. ^- ,.- . ^ ,- ^^ ,^,^^ jj^ .^ - .i.r ifü i^i..-:r m iri *.ir:a>L 1l» r ir; ■ %ü - 

'" • "- • 1 »f .'. r". 1 " Ir iT'j ^*«* iiuiri- ^ -•. V cri n r'*»^^ :*'• r te: 
V r •: -..;i -,-^ • ' r -rtt te T V ±;^'r >li.Tii-r r.^*r'..v:'z-z n u. / :. j:- 

• " -' '' ' f i : ' ,. • ' T 'M C' é t. t xu.ir _tw. ./-«.- ,t ^ . < t. t*^\ i-cr- 

' ' *f "^ m * ". . -^ .. ,»tn :*t » .*x'^atr^^\. \\^ .in ' «"?- -i 4'^ : "e « r.c: « 

. ' ' .-'f ' - /f - •- • • ■» .'f' 2 ,v-t ' - .* - r ^-^ . I • -« Z - 'T ^T .* • 1-r T - .- . . - 

r f"« ^; 1 '- » * ' i, tr. ^'. . "--r^- : t - - ^ 

2 /,^,-," f: *'■*'.-. otnit '.c' *"=-tt:i ü '=-: "^ •^"' --" -*=*• *^. *''. ' 1 c 



Digitized by 



Google 




AMSTERDAM 



Am^fijoont 



Landen in 1825 
langs de Zuiderzee 
overstroomd. 



"1 i> 2, 3, 4. Indijkingen vol- 

J gens de plannen op het jongste 
onderzoek berustend. 



Digitized by 



Google 



424 

lijn van Amsterdam in de richting naar Urk^ waar een breed vaaiivater zou 
open blijven en dat met een breeden mond het Zwarte water en den Jysel zou 
opnemen ; 3. ten Z, van Wieringen ew 4. eene droogmaking ten N, O, van Urk, 
Schokland tot de Lemmer en Vollenhove. Een groot IJselmeer zou er aldus ten 
N. W. van Urk tusschen Enkhuizen en Stavoren tot den dijk nog overblijven, 
dat door Sluizen in den dijk bij Wieringen looien kan i). (Zie het kaartje op 
pag. 423). 

§ 6. De gktijden-beweging des waters langs de 
nederlandsche- kusten. 

De beweging van het water in zee langs de kust heeft voor een 
land in verschillende opzichten groote beteekenis. In geologisch 
opzicht werkt die waterbeweging mede, om aan de kust, vooral als 
deze uit losse gesteenten bestaat, bepaalde vormen te geven, hetzij 
door erozie van het land, hetzij door afzetting van stoffen. Verder 
is de toegang tot het land van zee een belangrijke factor voor de 
bewoning en daarop oefent de waterbeweging veel invloed uit. Den 
geoloog moet die waterbeweging bekend zijn tot verklaring van ver- 
schillende feiten, en de zeeman moet haar nauwkeurig kennen voor 
de praktijk. 

Op deze plaats moeten wij ons, èn om het doel van onzen arbeid, 
èn om de ons gestelde ruimte, slechts tot een overzicht bepalen. 

De waterbeweging langs de Nederlandsche kusten vindt haar 
ontstaan in de werking van de wind en in vloed- en ebbe-verschijn- 
selen van den Ailaniischen Oceaan, De eerste is onregelmatig, de 
laatste zijn regelmatig. Daardoor kan alleen van de laatste een 
overzicht gegeven worden. Hierbij zal blijken, dat de getijden -be- 
weging des jwaters door de windbeweging steeds gewijzigd wordt. 

Vloed en ebbe zijn bewegingen des waters, die in het algemeen 
met den naam getijden worden aangeduid. Zij ontstaan door het 
verschil in aantrekkingskracht, dat de zon en de maan op het water 
van de onderscheidene, vooral tegengestelde deelen der aarde uit- 
oefent. Bij de maan is dat verschil in aantrekkingskracht ongeveer 
2,3 maal zoo groot als bij de zon, en daardoor is ook het vloed- 

i; Zie Nota N. 3 der Zuiderzee- Vereeniging. 



Digitized by 



Google 



425 

verwekkend vermogen der maan 2,3 maal zoo groot. De vloed 
ontstaat in de groote zeeën op lage breedte, waar zon en maan 
in het toppunt komen, en van hier plant de vloed zich voort. Aldus 
zijn vloed en ebbe in oorsprong astronomische verschijnselen bij 
het water der aarde. In het wezen bestaat de vloed in het ont- 
staan van een groote vloedgolf, een staande golf die bij geringe 
of geene horizontale verplaatsing der waterdeeltjes zich door den 
Oceaan beweegt. De ebbe is het gevolg van de vorming dezer 
vloedgolf, en dus een secondair verschijnsel. Maan en zon vormen 
ieder dergelijke golf, en die der maan is, zooals wij zeiden, theoretisch 
2,3 maal zoo groot als die der zon. Daardoor regelen zich de 
getijden hoofdzakelijk naar de maan. Doch als beide vloedgolven 
elkander versterken, hebben wij de hoogste vloedgolven, jr//7>/^?'/(^^// 
of gUrstroomiij geheeten. Dit heeft plaats bij volle en bij nieuwe 
maan. Gedurende eerste en laatste kwartier verzwakken beide elkan- 
der, en men heeft doode getijden. In den loop van een maand 
wisselen deze getij den vormen met hunne overgangen af. i) 

Doch door den vorm der vastelanden, den vorm en de verschillende 
diepte der zeeën en onderscheidene locale oorzaken wordt het astro- 
nomisch vlocdverschijnsel voortdurend gewijzigd, en ontstaan er in de 
randzeeën getijden, die wel van den astronomischen vloed in den 
Oceaan afkomstig zijn, maar daarvan in karakter dikwijls zeer veel 
verschillen. Deze hebben wij reeds elders (in Onze Planeet 1890) van 
de zuiver astronomische onderscheiden als geographische getijden^ 
omdat zij door de geographische toestanden beheerscht worden. Die 
geographische getijden worden langs onze kusten gevonden. Wij 
zullen trachten deze in hun hoofdkarakter te leeren kennen. 2) 

De vloedgolf van den Atlantischen Oceaan, en wij bedoelen hier- 
rhede de golf^ dringt langs twee wegen de Noordzee binnen. Een 

i) De deskundige lezer vergeve ons de populaire inleiding, die n.ituurlijk 
niet voor hen geschreven is. Enkele begrippen meenden wij hier te moeten 
geven om voor niet deskundigen, het verdere duidelijker te doen worden. 

2) Zie hierover het Verslag van Bernelot Moens en Tutein Nolthenius over 
de waarnemingen omtrent de stroomen langs de Nederlandsche kust in 1880 — 
1882. — Verder Tutein Nolthenius, Onze westelijke nabuur. (Gids 1886). 



Digitized by 



Google 



426 

tak van die golt plant zich door het Kanaal en het Nauw van 
Calais voort, en beweegt zich als een golf van het zuiden langs 
onze kusten naar het noorden. Doch eveneens dringt ten noorden 
langs Schotland een vloedgolfbeweging de Noordzee binnen. Deze 
laatste wordt door de Doggersbank als door een golfbreker tegen- 
gehouden, en kan alleen *door de ongeveer honderd kilometer breede 
geul tusschen deze bank en Engeland' s kust naar het zuiden voort- 
gaan. Dit heeft ten gevolge, dat de laatste beweging zich even- 
wijdig aan de kuststrekking tusschen Huil en Cromer moet voort- 
bewegen, en van hier de zee oversteekt naar het oosten, om onder 
een bijna rechten hoek op de Hollandsche kust te vallen. 

Deze twee vloedgolven, die uit het zuiden, welke het Zuidtij^ en 
die uit het noorden, welke het Noordtij genoemd wordt, beheerschen 
in de eerste plaats de vloedverschijnselen in de Noordzee. Van 
deze beide moet het Zuidtij, dat spoediger van de hoofd vloedgolf 
af onze kust bereikt, en daardoor minder verzwakt wordt dan het 
Noordtij op zijn langen weg om Schotland heen, (het laatste is 
24 uren ouder), in het zuidelijk deel der Noordzee het krachtigst 
zijn. Onder den uitsluitenden invloed van het Noordtij zou , 
de waterspiegel aan onze kust een halfdaagsche schommeling hebben 
niet grooter dan 0,70 M., terwijl die van het Zuidtij tot 1,30 M. 
zou bedragen. Hieruit blijkt, dat het Zuidtij, de van het zuiden 
de Noordzee binnendringende vloedgolf, hoofdzakelijk de getijden 
aan onze kust moet beheerschen. 

Toch oefent ook de vloedgolf uit het noorden, het Noordtij, er invloed 
op uit. De golf uit het noorden plant zich in ten deele zuidelijke rich- 
ting voort, die uit het zuiden in noordelijke. Beide golven kruisen 
elkander dus. Wanneer nu die noordgolf en de zuidgolf opeen plaats 
gelijktijdig aankomen, zullen zij elkander versterken, en de verheffing 
van het water is gelijk aan de som der hoogten van beide golven. 
Doch op een golf berg volgt een golfdal. Wanneer nu het golfdal van 
het eene tij samenvalt met de golf berg van het andere tij, dan is 
een dier hoogten negatief en de verheffing van het water dus 
geringer of ook negatief. Waren golf berg en golfdal even groot, dan 
zou er volkomen rust ontstaan. 



Digitized by 



Google 



427 

Nu het Noordtij zwakker is dan het Zuid tij, kan er langs onze kust 
nergens een punt van volkomen rust ontstaan. Doch te den Helder wordt 
in Nederland door dergelijke oorzaken het minimum der verheffing des 
waters gevonden. Het verschil tusschen hoog- en laagwater bedraagt 
hier bij springvloed slechts 1,30 M. Verder noordwaarts en zuidwaarts 
neemt, door een gunstiger samentrefFen der beide vloedgolven, het ver- 
schil toe. Voor het Vlie bedraagt dit verschil 1,9 M., bij het Amelander 
Gat 2,3 M., te IJ muiden 1,8 M. en aan den Hoek van Holland 2 M. 

Genoemde beide getijdengolven veroorzaken eene hoofdzakelijk ver- 
ticale waterschommeling langs onze kusten, welke ieder tweemaal 
per dag afwisselt. Doch daarnaast vindt men nog eene horizontale 
verplaatsing van het water door de getijden, d. i. werkelijke stroomen^ 
die men getij denstroomen kan noemen. Deze stroomen hebben ook 
tevens invloed op de verticale beweging des waters, op de waterhoogte, 
doch dat is bij deze een gevolg van andere omstandigheden. 

Waar een golf uit volle zee op het ondiepe strand komt, wordt 
door de ondiepte de verticale golfbeweging gedeeltelijk in eene 
horizontale omgezet. De golf wordt hierdoor lager en zwakker, maar 
verandert gedeeltelijk in een stroom^ zooals men dit in het voortbewe- 
gen van het water zien kan, wanneer een gewone golf op het strand 
loopt. Hetzelfde heeft er plaats met de waterbeweging van de vloedgolf. 

Op de ondiepten van het Nauw van Calais gaat de vloedgolf 
gedeeltelijk als golf verder (Zuidtij), doch gaat tevens gedeeltelijk 
in een stroom over, en deze stroom loopt langs onze kust naar het 
noorden. En wanneer die getij denstroom, die uit het zuiden de zee 
binnenkomt, zijn bewegingsvermogen heeft uitgeput, vloeit het water 
weder terug naar het zuiden. Dit terugvloeiende water noemt men 
den ebstroom. De stroom uit het zuiden vloeit zeer snel naar het 
noorden en verplaatst het water in die richting. Van den Hoek van 
Holland tot aan den Helder legt de stt oom dien weg af in i uur 
tijds, terwijl het Zuidtij of de zuidelijke vloed^^//" daarvoor 2J uur 
noodig heeft. Het Noordtij of de noordelijke wXo^^golf daarentegen 
verplaatst zich langs onze kust sneller dan het Zuidtij en doorloopt 
genoemden afstand in i uur. 

De getij denstrooming langs de kust loopt van den Hoek van 



Digitized by 



Google 



428 

Holland tot den Helder heen en terug. Op zich zelve zou door die 
verplaatsing van het water in horizontale richting het niveau niet 
rijzen, noch dalen. Doch wanneer op eenig punt door dien stroom 
het water sneller wordt aangevoerd dan het hier wegloopt, dan heeft 
er op dat punt rijzing van den waterstand door den getijden-stroom 
plaats. Het is als met het water, dat in eene rivier door een hindernis 
wordt opgestuwd. En waar ergens het water sneller wegvloeit dan 
de aanvoer geschiedt, veroorzaakt de getijdenstroom aldaar daling. 

Wanneer nu de getijdenstroom bijv. aan den Hoek van Holland 
aankomt bestaat hier de noordwaartsche waterbeweging nog niet, en 
dus zal er eene waterverhooging of opstuwing daardoor plaats heb- 
ben, tegelijk met een noordwaartsche strooming. Die opstuwing zal 
zoolang duren, totdat de snelheid der waterbeweging ten noorden 
van den Hoek van Holland gelijk is aan die ten zuiden daarvan. 
Daarop volgt er een stationnaire toestand met nog voortdurende 
noordelijke beweging, en eindelijk is de aanvoer uit het zuiden ge- 
ringer dan de afvoer naar het noorden. Dan volgt er zelfs bij noor- 
delijken getijdenstroom eene daling. 

Vloedstroom en ebstroom duren even lang ; te zamen beslaan zij 
eene tijdruimte van twaalf uren in » hoogwatertijd'' uitgedrukt, d. i. 
de tijd tusschen twee op elkander volgende oogenblikken van hoog- 
water. (Het ^'i2 van dezen tijd is een hoogwateruur, hetwelk iets 
langer is dan een gewoon uur). Langs de kust van den Hoek van 
Holland tot den Helder heeft de vloedstroom overal dezelfde kracht 
en den zelfden duur. Met den ebstroom is hetzelfde het geval. De 
gemiddelde raaxima-snelheid van den vloedstroom^ die nagenoeg met 
het tijdstip van hoogwater samenvalt, bedraagt 45 M. per minuut : 
bij springtij is zij ^/ö sterker, bij doodtij Va zwakker. De maxima- 
snelheid van den ebstroom bedraagt ^4 der maximumsnelheid van 
den vloedstroom. Een waterdeeltje legt van den Hoek van Holland 
gedurende de vloedrichting van den stroom gemiddeld 10,4 K.M. 
langs de kuststrekking in N. O. richting af, en wordt tijdens de 
ebrichting gemiddeld 7,6 K.M. langs de kuststrekking in Z. W. 
richting teruggevoerd, zoodat het gedurende één vloed- en ebgetijde 
slechts 2,8 K.M. in N. O. richting is voortgevoerd. 



Digitized by 



Google 



429 

Genoemde drie factoren: Zuidtij ^ Noordtij tn&t ge tij denstroomen 
stellen de verticale beweging, de rijzing en daling van het niveau 
des waters aan onze kusten samen, en geven daaraan, doordien stroo- 
mingen en getijdengolven elkander kruisen, het schijnbaar onregel- 
matig verloop, dat de getijlijnen op de peilschalen ons aanwijzen. 
Wanneer men op een bepaald punt de drie genoemde invloeden 
afzonderlijk kon waarnemen, dan zou de som dier resultaten ons 
de hoogte van den waterstand op dat punt aangeven. Door ontleding 
evenwel is het mogelijk die waarden te leeren kennen en wij geven 
deze, om het beeld duidelijk te maken. De opgave is ontleend 
aan genoemd opstel van Tutein Nolthenius. (Zie de tabel pag. 430.) 
Tot aanvangspunt der telling in deze tabel is gekozen het uur, 
waarop aan den Hoek van Holland hoogwater intreedt. Op dat 
uur heeft de waterverheffing door den stroom zijn maximum bereikt, 
(de stroom loopt sneller dan het Zuidtij zagen wij), doch die van 
het Zuidtij (-|- 59 c.M.) nog niet. Ook het Noordtij geeft op dit 
oogenblik nog eene geringe verheffing van -}- 6 cM. aldaar, en dien- 
tengevolge is de som der rijzingen 35 -|- 59 -f* 6 = 100 cM. d. i. 
de hoogste waterstand voor den Hoek van Holland. Het Zuidtij 
geeft op deze plaats de grootste rijzing eerst y^ en i uur later 
i-j- 63), doch dewijl de andere beide factoren op dat uur kleiner 
zijn, is de som geringer en heeft er dus reeds daling plaats. 

Zes uur later vindt men als de som van deze factoren — 61, en na 
een kleine rijzing daalt nog twee uren later het water tot het laagste 
niveau. Dit eerste laagwater wordt ook agger genoemd. Zooals 
wij zien ontstaat de agger uit de samenwerking dezer drie ele- 
menten, die hier een tijdelijke verlaging veroorzaken, gevolgd door 
eene rijzing. Ontstond het getijde uit één der elementen, dan 
zou er geen agger gevonden worden. Uit soortgelijke oorzaken 
ontstaat er te den Helder een eerste en een tweede hoogwater, 
door een geringe daling of agger gescheiden. Het eerste hoogwater 
ontstaat daar bovenal door de aanzienlijke verheffing van het Zuidtij, 
geholpen door den getijdenstroom. Doch nadat het Zuidtij en de 
invloed van den getijdenstroom reeds geringer worden en dus 
het water daalt, komt er 3 uren 22 nim. later nog een tweede 



Digitized by 



Google 



430 

gemiddelde verticale ivaier beweging van de drie elementen der 
getijden op hetzelfde oogenblik aan den Hoek van Holland. (De 
opgaven zijn in c.M. boven (r) of beneden ( — ) den gemiddelden 
zeespiegel.) 






1% 



t: ïT^.A 



S V rt C 
nP 






n 

n 



tn r! ai tri rt dJ '*^ cd lU 



^ • = 



.y ^ Sd .y J= ^ l.ïiJ -ö 

t: 



^ 5 g « S 



.= :::r» o» 

1^ H C 



o u > 



o 

oi 

I 

I.i 

II 

IIJ 

III 
Illi 

IV" 

\N\ 

V 

VJ 

VI 

vu 

VII' 
Vlli- 

viir 

VIII J 
IX 
IX} 
X 
Xi 
XI 
XI^ 



uur S 



o 


+ 


35 


o 


+ 


34 


t?; 


+ 


31 


^ 


+ 


26 


H 


-f 


22 



cS 
SS 

o 



o 
o 



na 



1 + 



-4- 

+ 

17 + 

12 + 

6 f 

I ° + 

'- 7 + 

— 131- 

— 18 — 

— 23- 

— 26 — 

— 28 — 
,- 28- 

— 26I— 



+ 6 = 



6 

o 
6 
II 
17 
23 
30 



59 
63 

63- 
60 — 

55i— 
49 — 
41 — 
32—36 = 




Hoogwater. 



19 — 

6 — 

7 — 
23 — 
37 — 
49 + 
59| + 

65 + 
69 + 



' X 

'Ho 

o is 

,lz: 



23 — 68 + 

19— 65 + 

13— 54; + 

6- 31 + 

3 — o + 

16 + 29 H- 

29I+ 48 + 



40 
38 

32; 

1' 

%\ 

30 
30 
30; 
28 

25 
21 

17 
13 

9 




Eerste laagw. 
of agger. 

63 

65 Tweede laag- 
water. 






> 

' X 

ka 






bO 



> 



X 

tweede 



= 1+ 861 

rijzing aan den Helder door de golf van het Noordtij. Het 
hoogwater komt dan ook van om de noord, en wordt Noordtij 
of naspui genoemd. Op andere plaatsen komen deze afwisselingen 
op eenigszins andere wij voor. 

Dit in het algemeen omtrent het wezen der getijden aan de kust. 



Digitized by 



Google 



431 

In hoofdzaak kan door de genoemde elementen der waterbeweging 
de rijzing en daling op eene bepaalde plaats verklaard worden. Dat 
de wind er veel invloed op uitoefent, en de regelmaat te wijzigt, 
spreekt van zelf. 

Nog op eene bijzonderheid moeten wij wijzen, wat de getijden- 
stroomen betreft. Langs de Vlaamsche kust en de Zeeuwsche en 
Zuid-HoUandsche eilanden is de waterverheffing door den getijden- 
stroom die van het Zuidtij altijd :+= i uur vóór, omdat de eerste 
sneller loopt, maar zij werken toch in hoofdzaak vrijwel samen, 
en ondersteunen dus meest elkander. Nu wordt de stroomin^if 
door de zeelieden beter opgemerkt dan de gewone w\oed^o/f of het 
Zuidtij. Vandaar ook, dat de schippers beide met elkander vereen- 
zelvigen. In de zeemansgidsen wordt daardoor ook veel gesproken van 
de getijden als van het trekken vanden > stroom.*' De noordstroom 
wordt 9 7'/o€d**en de zuidstroom >ed'' genoemd, omdat het rijzen 
en dalen van het water daarmede bijna overeenkomt. 

Dit is in zooverre juist, dat de stroom een element uitmaakt 
van het getijde, doch het is in werkelijkheid het kleinste element 
voor de verticale waterbeweging. 

Die getijdens^room nu heeft langs de kust tot dwars over Goe- 
dereede de eigenschap, tijdens het verloop van het getijde te draaien, 
en wel in eene richting N.O., N., N.W., W., Z.W., Z. of /e^'^ert de 
zon rond. De vloedstroom vangt aan in een noordoostelijke rich- 
ting, omstreeks een uur later is hij N.N.W. enz. en zoo gaat hij 
over in een stroom in tegengestelde richting, de ebstroom. (Zie de 
kaart op pag. 432.) In de zee heeft deze draaiing plaats, doch hoe 
dichter men voor de banken komt, des te ongeregelder geschiedt zij . 

Van den Hoek van Holland tot den Helder bewegen zich de 
vloedstroomen geregeld naar het noorden en de ebstroomen naar 
het zuiden, zonder eenige blijkbare draaiing. Doch ten noorden 
van den Helder tot aan en in het Amelander Gat heeft weder eene 
draaiing van den vloedstroom plaats, en hier wel in tegengestelde 
richting, nl. N.O., O., Z.O., Z. enz., dus met de zon rond. 

De oorzaak van deze verschijnselen is niet volkomen bekend. 
Het komt ons waarschijnlijk voor, dat de breede riviermonden in 



Digitized by 



Google 




De pijltjes en lijntjes duiden 
de richting en snelheden der 
stroomen aan op de uren na 
fhoogwater. 



I 1 J * J - ' Mefero^nMeidj^erttfiniui^ 



Schetskaart van de richting en het draaien der ge tijdenstroomen langs de 
Nederlandsche kust. 



Digitized by 



Google 



433 

het zuiden, die wel aanvankelijk vloedwater opnemen, maar tege- 
lijkertijd zelf door het afstroomende rivierwater opstuwen, een 
barrière vormen, waardoor de stroom zich niet naar het O. richt, 
terwijl het gelijktijdig voorkomen van eb aan de tegenovergestelde 
kust het water als het ware naar het westen doet afloopen. Daardoor 
moet de stroom zich in die richting, tegen de zon in, wenden. 

Ten noorden van den Helder ligt het bekken der Zuiderzee als 
een reservoir open, waarheen het vloedwater door de zeegaten vloeit, 
als buiten de eilanden hoogwater staat. Daardoor moet de vloed- 
stroom zich hier wel naar het O. en Z., d. i. met de zon om- 
draaien. Dit heeft dan ook plaats van den Helder tot het Vlie. 
Voor het Amelander gat, dat alleen de geulen in de Wadden voedt, 
heeft die draaiing niet plaats. Ook verder oostelijk wordt zij niet 
aangetroifen. 

Ten N. van den Helder is verder de invloed van het Noordtij, 
van de vloedgolf om Schotland heen, grooter dan die van het 
Zuidtij, dat allengs verzwakt is. En van den Helder af neemt 
nu vervolgens het getijde weder toe in vermogen, zooals blijkt uit 
de tabel op pag. 440. 

De waarnemingen in 1880 — 82 hadden plaats op afstanden van 
5000 tot 15000 M. van de kust. Dichter aan de kust werden in 
1890 waarnemingen verricht door de Commissie, belast door den 
Gemeenteraad in den Haag met een onderzoek naar den invloed 
der spuiing op het water bij Scheveningen. (Zie II pag. 36) i) . 
Hieruit bleek, dat de kentering van vloed op eb dichter onder den 
wal onder gewone omstandigheden een geruimen tijd eerder plaats 
heeft dan op 5000 M. van de kust, terwijl de wind dicht onder 
den wal meer invloed heeft op het tijdstip der kentering. De ken- 
tering van vloed op ebbe leverde minder verschil op, en heeft onder 
den wal iets vroeger plaats. Verder werd waargenomen, dat.de 
snelheid der stroomen nabij den wal aanzienlijk geringer is dan 
dieper in zee, (iets wat è, priori te vermoeden viel,) terwijl zij er 

i) Deze Commissie bestond uit de HH. H. E. de Bruyn, H. Beraelot Moens 
en Dr. H. W. Bakhuis Rooseboom, die in 1891 een belangrijk Rapport over 
hun onderzoek uitbrachten. 

II 28 



Digitized by 



Google 



434 

tevens meer afhankelijk zijn van den wind. Daarenboven werd 
geconstateerd, dat de stroom in gewone omstandigheden, wanneer 
hij eenige snelheid bezit, nimmer op den wal gericht is, terwijl de 
schommelingen in richting geheel afhankelijk waren van den wind. 2) 
De getijdengolven van het Zuidtij, Noordtij en de water verheffin- 
gen en dalingen der getijdenstroomingen doorkruisen elkander re- 
gelmatig in de zee langs onze westelijke kust. Wanneer er geen 
andere invloeden op werkten, zouden deze golven elkander met 
volkomen regelmaat afwisselen. Doch de wind is een factor, welke 
de getijdenverschijnselen belangrijk wijzigt. 

De westenwind jaagt over *t geheel het water op aan onze kusten, 
de oostenwind doet het afwaaien. Wanneer nu een krachtige 
oostenwind het zeewater aan onze kusten tijdelijk zeer laag doet 
zijn, zullen in dit lage water wel de verschijnselen der getijden- 
golven en -stroomen worden waargenomen, doch het kan zijn, dat 
het hoogwater in dit geval niet hooger komt te staan dan het 
gewone laagwater. In dit geval zal men het buitengewone ver- 
schijnsel van een langdurige ebbe hebben, meestal ten onrechte als 
dubbele ebbe bekend. 

Doch er kunnen ook andere oorzaken zijn, die de regelmaat 
verstoren. De windrichting kan eveneens op de snelheid en de 
vorming der genoemde getijdengolven en stroomen invloed hebben, 
hun snelheid en hoogte versterken en verzwakken. Daardoor kun- 
nen er hooge en lage getijdengolven ontstaan, daardoor kunnen 
de golven bij het kruisen onder bijzondere omstandigheden elkan- 
der op eenige wijze neutraliseeren of versterken. Dit heeft tenge- 
volge, dat er aan onze kust van tijd tot tijd bijzondere vloed- 
verschijnselen voorkomen, werkelijke dubbele ebben en dubbele vloe- 
den. Den 2 2sten Februari 1885 had er langs de Noord-Holland- 
sche kust een verschijnsel in de getijden plaats, dat in de dagbla- 
den met de historisch bekende » dubbele ebbe'*, welke in 1672 of 
1673 de landing der Engelschen zou belet hebben, vergeleken 
werd. Dit zijn abnormale verschijnselen door toevallige omstan- 

2) Zie genoemd Rapport 1891, pag. 4 — 7. 



Digitized by 



Google 



435 

digheden ontstaan. Ook binnen de zeegaten, in de Zuiderzee, 
komt somtijds dubbele ebbe en vloed voor. i) 

De getijden worden veroorzaakt door maan en zon. Hoewel de 
getijden in de Noordzee niet direct door dien astronomischen in- 
vloed ontstaan, maar uit de getijden in den Atlantischen Oceaan 
voortkomen, staan ook zij daardoor toch steeds met het vermogen 
dier hemellichamen om vloed voort te brengen in verband. Wan- 
neer bijv. de maan de grootste noorder-declinatie heeft, zal in den 
noordelijken Atlantischen Oceaan de vloed der maan volgende op 
hare bovenste culminatie, hooger zijn dan de vloed, welke op diezelfde 
dagen bij de benedenste culminatie der maan ontstaat, en die zich 
dan in het zuidelijk halfrond het volkomenst ontwikkelt. Hetzelfde 
is met de zon het geval. Op die wijze ontstaan er dagelijksche onge- 
lijkheden in de beide hoogwaters, nl. in dien zin, dat het eene hoog- 
water op een dag in bepaalde omstandigheden steeds hooger is dan 
het andere. Door het samenwerken van de verschillende factoren 
aan onze kust, welke vloed er doen ontstaan, wordt de ontleding en 
verklaring van het verschijnsel wel ingewikkelder, maar de ervaring 
leert, dat ook hier die dagelijksche ongelijkheid der beide getij- 
den wordt waargenomen. Uit de waarnemingen aan den Helder 
van 185 1 — 1880 blijkt, dat van half November tot half Mei de 
avond-vloed de hoogste is^ terwijl de avond-eb de laagste is van 
half December tot einde Mei ongeveer ; in den zomer zijn daaren- 
tegen de avond-vloeden de laagste en de avond-ebben de hoogste. De 
beide laagwaters op één dag verschillen het meest in Augustus^ 
wanneer de morgen-hoogwaters gemiddeld 146 m,M.^ en in Januari^ 
wanneer de avond-hoogwaters gemiddeld 122 m.M. hooger zijn dan 
de andere, In November en Mei zijn de verschillen het kleinst.^ 
resp. $ en ^ m.M. gemiddeld. De beide laagwaters op één dag 
verschillen minder ; in Augustus bedraagt het gemiddeld verschil 
44 m,M., in Februari 89 m.M.^ in November 6 m.M. en in Juli 
13 m.M. 

Wat de afwijking der getijden in elke maand van het gemid- 



i) Zie: Tijdschr. Kon. Inst. v. Ingenieurs 1884 — 85 Not. pag. 122. 



Digitized by 



Google 



43^ 

delde betreft, blijkt uit de waarnemingen aan den Helder, dat de 
^etijdetJ hier het krachtigst zijn in Juni^ het zwakst in Novem- 
ber^ en dat in het be^in van Januari en de helft van Juli de ge- 
middelde hoogte wordt bereikt. Het grootste verschil tusschen de 
gemiddelde hoogte der getijden per maand bedraagt 4 J^ c.M. Deze 
jaarlijksche schommeling moet aan astronomische oorzaken wor- 
den toegeschreven, nl. aan de declinatie van zon en maan. 

Ook in de algemeene hoogte van den waterstand bemerkt men 
een jaarlijksche periode, en wel met sterker schommelingen dan de 
hoogte der getijden. De jaarlijksche waterstand is gemiddeld in 
October aan den Helder het hoogst {\2i\c.M. boven het gemiddelde) 
en het laagst in April en Mei. De oorzaak van deze verschillen 
moet in de windkracht gevonden worden i). 

De getijden in de Wadden en in de Zuiderzee worden veroor- 
zaakt door die in de zee buitengaats. Buiten het Amelander gat, 
het Friesche gat, de Lauwers en de Wester Eems loopt de vloed- 
stroom ongeveer evenwijdig met de kust naar het O., doch bij 
die zeegaten iets binnenwaarts gericht. Door genoemde zeegaten 
loopt een aanzienlijke hoeveelheid vloedwater naar binnen, hetwelk 
door de geulen, balgen en slenken de Wadden instroomt, welke ver- 
volgens o verstroomen en deze ondiepten geheel of gedeeltelijk met 
water bedekken. Hier bestaan de getijden bijna uitsluitend uit 
stroomen. Waar van twee kanten dergelijke vloedstroomen omeene 
plaat tegen elkander stuiten, ontstaat een stilstand der stroombe- 
weging, het zoogenaamde wantij. Hier heeft eene neerlegging der 
medege voerde stoffen plaats, en aldus ontstaan er door het op- 
stuwen van het water de hoogste en droogste gedeelten der Wadden. 

Zoodra de kruin van de vloedgolf het zeegat voorbij getrokken 
is, volgt eerst in de zee de daling of ebbe, en vervolgens stroomt 
ook het water uit de geulen en gaten der Wadden weg. Lang- 
zaam komen dan de zandplaten weder droog te liggen, en en- 
kel blijven de diepere gedeelten met water bedekt. Zoo stroomt 
het vloedwater tweemaal per dag de geulen van de Wadden bin- 

I) Zie W. Vervvey, Waterbouwkunde 1887, pag. loi. 



Digitized by 



Google 



437 

nen, om ook tweemaal per dag door een stroom in tegengestelde 
richting^ hier ebstroom genoemd, vervangen te worden. In de Wadden 
zijn ebbe en vloed niets dan stroomen, die ontstaan door denhoo- 
geren en lageren stand van den waterspiegel bij vloed en ebbe bui- 
tengaats. Dat de richting en kracht van den wind hierop veel in- 
vloed heeft, spreekt van zelf. Met N. en W. winden dringt het meeste 
vloedwater in de Wadden door. Buiten deze onregelmatigheid door 
de winden kan men aannemen, dat het gemiddeld verval van 
vloed tot eb op de Groninger Wadden ±23 decimeter bedraagt. 

De Zuiderzee ontvangt het vloedwater door het Marsdiep en het 
Vlie. Door het Eierlandsche Gat komt er geen vloedwater in de 
Zuiderzee; de invloed van dit gat blijft slechts tot de naaste slenken 
beperkt, i) Langs verschillende buitengaten loopen de vloedstroomen 
het gat tusschen Texel en den Helder binnen, welke vereenigd door 
de Helsdeur (het gedeelte ten N. van den Helder), oostwaarts oploopen 
en zich dwars tegenover het Nieu wediep weer verdeelen, om ten N. O. 
den Texel stroom op, en O. over de Reede naar de Balg enz. te stroomen. 
Door het Eierlandsche gat volgt het binnenstroomen ^ \,i uur 
later, en door het Vlie nog iets later dan door het Texelsche Gat. 

Dit vloedwater verbreidt zich als stroomen door de verschillende 
geulen om de platen en eilandjes. Zoolang de stroomen tot die 
geulen beperkt blijven, zijn zij het krachtigst; wanneer de platen 
onderloopen verzwakken zij. De ebstroom volgt gewoonlijk den- 
zelfden weg maar in tegengestelde richting. 

Tusschen Medemblik en Stavoren trekt de vloedstroom meest 
Z.O., Z.Z.0. en Z.-waarts de Zuiderzee in; de van daar komende 
eb loopt in tegengestelde richting. De vloed van onder de Friesche 
kust loopt O,, O.Z.0. waarts ten N. langs Urk en daarna meer 
Z.O. en Z. door den Nagel en naar het Zwolsche Diep, om 
verder langs de kust tot Harderwijk te stroomen, waar hij zich 
vereenigt met den vloed, die door het Val van Urk kwam. 

Ten Z. V. Enkhuizen verbreidt de vloed zich waaiersgewijs in 
de Zuiderzee. Het gedeelte, dat langs Enkhuizen loopt, trekt Z. W. 

I Zie de studie van Van der Vegt, 1. c. 



Digitized by 



Google 



43» 

waarts en meest langs de kust van het Hoornsche Hop naar Edam, 
en stroomt dan, de kust volgend, op de Gouwzee aan. De vloed 
uit het grootscheepsraarwater loopt over het Enkhuizer zand en 
verder Z.W. en Z.Z.W. naar het Pampus, en de vloed door 
het Val van Urk loopt W.Z.W. en Z.W. de zuidelijke Zuiderzee- 
kom in, verder eveneens naar het Pampus en naar de Geldersche 
kust, om zich te Harderwijk met den vloed door den Nagel te ver- 
eenigen. Daarna loopt de stroom langs en over de Knar, in de 
bochten van Nijkerk en van de Eem, om gezamenlijk met het over 
het Enkhuizerzand loopend water het Pampus op te trekken. 

De ebstroom loopt meest in tegengestelde richting. Van Elburg 
af loopt de eb meest N. en N.N.O. langs de Ketel, ten N. langs 
Schokland en door den Nagel. Van het Pampus loopt de eb meest 
N.0. en N.N.O. naar het Enkhuizer zand, loopt van hier vooral 
door de geulen verder, en vervolgens meer N.W. 

In het bovenstaande is de richting der eb- en vloedstroomen in 
't algemeen aangegeven. Hieruit blijkt, dat in de verschillende 
deelen der Zuiderzee niet gelijktijdig eb- of vloedstroom loopen. 
Op een zelfde oogenblik loopt op de eene plaats vloedstroom, ter- 
wijl op andere plaatsen een ebstroom loopt of begint te loopen. 
Het volgende schema, volgens de waarnemingen in Nota 6 der 
Zuiderzee- Vereeniging gepubliceerd, geeft hiervan een overzicht voor 
het noordelijk deel der Zuiderzee. Met Zuiderzee wordt hierin be- 
doeld het gedeelte ten noorden van de lijn Enkhuizep — Kampen. 
De vloedstroom is die, welke de Zuiderzee binnenstroomt, de eb- 
stroom welke er uitstroomt. Langs de kust van Friesland is, ter 
voorkoming van misverstand, de stroom naar het zuiden of de vloed- 
stroom zuidgaand genoemd, die naar het noorden noordgaand. Er 
is geteld in laagwater-uren na laagwater te den Helder, i) (Laag- 
water-uur = ^^ van den tijd tusschen twee opvolgende laagwaters.) 

Perioden na laagwater te ^^^^^ ^^^ stroomen, 

den Helder in L. W. uren. "* 

o — 2 Ebstroom in de zeegaten en in de Zuiderzee, 

begin van noordgaandtij langs de Friesche kust. 

2—4 Begin van vloedstroom in de zeegaten, ebstroom 

i) Nota No. 6, der Zuiderzee- Vereeniging pag. 14. 



Digitized by 



Google 



439 

in de Zuiderzee, noordgaandtij langs de Friesche 

kust, 
4 — 6 Vloedstroom in de zeegaten, einde ebstroom 

in de Zuiderzee, einde noordgaandtij langs de 

Friesche kust. 
6 — 8 Vloedstroom in de zeegaten en in de Zuiderzee, 

begin van het zuidgaandtij langs de Friesche kust. 
8 — lo Begin van ebstroom in de zeegaten, vloed- 

stroom in de Zuiderzee, zuidgaandtij langs de 

Friesche kust. 
lo — 12 Ebstroom in de zeegaten, einde vloedstroom 

in de Zuiderzee, einde zuidgaandtij langs de 

Friesche kust. 

De snelheid der getijdenstroomingen is over *t geheel het grootst 
in de geulen. Hier komen snelheden van iVa M. per seconde 
voor. Doch over 't geheel is die snelheid geringer. In de lijn 
Wieringen — Friesland is zij bij gewoon tij o,8o k 0,90 M. per 
seconde. Verder zuidelijk vermindert die snelheid nog tot beneden 
0,60 M. per seconde. 

De invloed van den wind op de getijdenverschijnselen in de 
Zuiderzee is zeer groot, zoodat zij hierdoor feitelijk meestal van het 
boven geschetst verloop afwijken. Die invloed openbaart zich door 
het versnellen of verzwakken der getijdenstroomen, waardoor de 
vloed zich vroeger of later op een bepaald punt openbaart. Verder 
is de wind bovenal werkzaam in het opwaaien en afwaaien van 
het water aan eenig deel der kust. Zoo bestond er bij den storm 
van Januari 1884 eene opwaaing te Blankenham van 1,74 M., en 
tegelijkertijd eene afwaaiing te Durgerdam van 2,32 M., hetwelk het 
grootst bekende hoogteverschil van' 4,06 M. gaf. De opwaaiing 
bedroeg 43 ten honderd, de afwaaiing 57 ten honderd van het 
maximum hoogteverschil, i) 

Bij vele bewoners aan de kusten bestaat de meening, dat de 
getijden-verschijnselen op de Zuiderzee in vermogen zijn toegenomen, 
en dat de tijd der getijden in de zuidelijke Zuiderzee algemeen ver- 
vroegd is 2). Deze meening is door het wetenschappelijk onderzoek 

i> C. Lely. Nota der Zuiderzee- Verecniging 1887. pag. 10. 

2) B. P. G. van Diggelen. De Zuiderzee, de Friesche Wadden enz. 1849, pag. 22. 



Digitized by 



Google 



440 

niet bevestigd, zoodat de heer Welcker kon constateeren, dat van eene 
vervroeging der getijden op de Zuiderzee, zoomin bij gewone getij- 
den als bij stormvloeden, geen schijn of schaduw te ontdekken viel. i). 
Wij eindigen met eenige opgaven van den haventijd en van het 
waterverval bij hoog- en laagwater. 



HAVENTIJD. 



Uur. Min. 



VERVAL BIJ 
SPRINGVLOED, 

in Met. 



Ostende 

Antwerpen 

Terneuzen 

Vlissingen 

Westkappelle 

Zieriksee 

Brouwershaven ' 

Bruinisse 

Willemstad I 

Noord Hinder (lichtschip) 

Hoek van Holland 

IJmuiden 

Nieuwediep (reede) 

Zeegat voor Schulpengat. 

Zeegat van Texel ! 

Texelstroom (roode ton). . ; 

Vliegat i 

Vliereede ' 

West-Terschelling ' 

Amelander gat 

Delfzijl 

Medemblik ' 

Enkhuizen j 

Hoorn : 

Burgerdam ' 

Muiden i 

Nijkerk ' 

Kraggenburg 

Lemmer i 

Stavoren 

Harlingen ; 

Zoutkamp i 



0,25 
3^45 
ïi45 

I 

2 
2 
3 

2,9 

3 

7,25 
6.30 
6 

8,30 

7,10 

8 

8,40 

9 

11,31 
10,14 

12,38 
12,49 
12,50 
12,48 

12,47 

12,52 

9,20 

8,47 
10,17 



4,9 

4,9 
4,6 

3,2 
3,2 
2,9 
3,0 
2,5 



1,8 
1.4 
1,4 
1,4 
0,9 

1,9 
1,8 

1,9 
2,3 
3,1 

0,7 

o,S 
0^5 

0,4 

0,3 
0,6 
1,6 
2,7 



(Bij springvloed; bij 
doode getijden 1,7) 

(Bij zeewind stijgt het 
water tot 3,1 M. 
hooger , bij land- 
wind blijft het 1,1 
M. lager.) 



i) Tijdschr. Kon. Inst. v. Ingenieurs 1887 — 88. Not. pag. 16. 



Digitized by 



Google 



441 

§ 7- TEMPERATUUR EN ZOUTGEHALTE DER NOORDZEE 
EN DER ZUIDERZEE. % 

Langs de Nederlandsche kust voert de getijdenstroom het water, 
dat uit het Kanaal komt, naar het noorden. Aan de tegenovergestelde 
Engelsche kust komt water, dat door een tak van de vloedgolf ten 
noorden om Schotland heen, naar het zuiden bewogen wordt. Reeds 
a priori valt hieruit af te leiden, dat de temperatuur des waters 
aan de Nederlandsche kust hooger moet zijn dan aan de Engelsche 
kust op dezelfde breedte. Dit bleek ook uit de waarnemingen door 
de Duitschers in deze zee verricht. 

Gemiddeld werd bij de onderzoeking van Juli tot Sept. 1872 
gevonden: i) 

Engelsche kust Nederl. kust 
in graden Cels. in graden Cels. 

temperatuur van het water aan de oppervlakte 16", 7 18^, i 

» > » » op den bodem 15°, 3 17", 4 

Deze hoogere temperaturen worden langs de geheele oostelijke 
kust tot Jutland toe gevonden. Nabij de Hollandsche kust was het 
water ± 0,9"^ C. warmer dan nabij Jutland, zoodat eene afneming 
in temperatuur naar het noorden valt waar te nemen. Doch bij de 
Engelsche kust is het omgekeerd: te Cromer was de temperatuur 
des waters (15*4) zelfs 2^*5 C. kouder dan noorderlijker op de breedte 
van het Deensche eiland Sylt (17'', 9). Dadelijk spreekt hieruit het 
feit, dat het water van den Atlantischen Oceaan bij het binnen- 
dringen der Noordzee langs de Engelsche kust kouder wordt naar- 
mate het zuidelijker gaat, en eveneens neemt de temperatuur van 
het water, dat langs de Nederlandsche kust met den vloed naar 
het noorden stroomt, af. De hooge temperatuur van het water 
langs onze kust is dus niet een gevolg van verwarming op de 
plaats zelve, maar aan zuidelijker streken te danken. Ook het 
water van den Golfstroom, dat door den getijdenstroom wordt 
medegevoerd, zal daartoe misschien medewerken. 

I) Jahresbericht der Commission zur Untersuchung der Deutschen Meere. 
874. pag. 18. 



Digitized by 



Google 



442 

In het noorden is de Doggersbank behalve eene orographische 
scheiding tusschen het diepe noordelijke en ondiepe zuidelijke deel 
der zee ook eene klimaatscheiding, ten minste in den zomer. 
Gemiddeld is de temperatuur van het zeewater ten noorden van 
de bank aan de oppervlakte 1,6'', op 20 M. diepte 3**, op 40 M. 
diepte 9** en aan den bodem op 50 k 70 M. diepte 8, 5"* C. kouder 
dan ten zuiden van die bank. i) 

Het specifiek gewicht van het onverdunde Noordzeewater kan 
gemiddeld op 1,0265 — 1,0268 (3.47 % êi 3,50 % zoutgehalte) 
gesteld worden, doch onder den invloed van het rivierwater wordt 
het lager tot 1,0250 en 1,0258. 

In de Zuiderzee is, blijkens waarnemingen in 1885, 1889 en 1890, 
onder zeer verschillende omstandigheden en bij verschillende tempera- 
turen, (meest van 15** — 20® C.,) het soortgelijk gewicht des waters ten 
oosten en zuiden van een lijn van Stavoren met een bocht langs 
Urk van hier naar het zuiden tot op eenigen afstand van Harder- 
wijk en verder naar Muiderberg, (d. i. dus langs de zuidkust van 
Friesland, langs de kust van Överijsel, Gelderland en het Gooi), 
het specifiek gewicht des waters minder dan 1,008. 

Over 't geheel is ten zuiden der breedte van Wieringen het soor- 
telijk gewicht van het Zuiderzee-water beneden 1,026. 2) 



i) Von Boguslawski. Handbuch der Ozeanographie, I, 1884 pag. 362. 
2) Nota 6 der Zuiderzee- Vereeniging. 



Digitized by 



Google 



XVIII. DE GEOLOGISCHE GESTELDHEID VAN 
NEDERLAND. 

LITERATUUR. 



A. Alj^em^ene werken en werken over aangrenzende landstreken. 

1. M. Neumayer. Erdge?chichte, I en II. 1890. 

2. H. Credner. Elemente der Geologie. 1891. 

3. K. V. Fritsch. Allgemeine Geologie. 1888. 

4. V. GüMBEL. Grundzüge der Geologie. 1885 — 87. 

5. DE Lapparent. Traite de Geologie. 18S5. 

6. Ed. Scess. Das Antlitz der Erde I, II. 1888. 

7. L. Wkiss. Lehrbuch der Mineralogie und Chemie. 1891. 

8. Albr. Penck, Das Deutsche Reich (Lünderkunde des Erdteils Europa 1887). 

9. R. E. DE Haan. Beknopt leerboek der delfstof- en aardkunde. 1882. 

10. H.voN Dechen. Geologische und palaontologischeUebersicht der Rheinpro- 
vinz und der Provinz Westfalen, sowie einiger angrenzenden Gegenden. 1884. 

11. H. VON Dpxhen. Geologische Uebersichtskarte der Rheinprovinz und der 
Provinz Westfalen, schaal i : 500.000. 1883. 

12. MiCHEL MouRLON. Géologie de Ia Belgique I en II. 1880. i). 

13. C. Dewalquk. Carte géologique de Ia Belgique et des provinces voi- 
Aines, schaal i : 500.000. 

14. A. Chèvremont. Les mouvements du sol sur les cótes occidentales de 
la France. 1882. 

I) Eene uitvoerige geologische bibliographie van België tot 1881 vindt men 
in het tweede deel van dit werk. 



Digitized by 



Google 



444 

15- P. E, Muller. Studiën über die natürlichen Humusformen und deren 
Einwirkung auf Vegetation und Boden. 1887. 

16. Senft. Der Erdboden nach Entstehung, Eigenschaften und Verhalten zur 
Pflanzenwelt 1888. 

17. C. F. A. TuxEN. Einige chemische und phy?ikalische Untersuchungen des 
Bodens in Waldern und Haiden. 18S7. 

18. Dames. Die Glacialbildungen der norddeutschen Tiefebene. 1881. 

19. Fklix Wahnschaffe. Die ürsachen der Oberflflchengestaltung des nord- 
deutschen Flachlandes. 1891. 

B. Werken en artikelen speciaal over de geologie van Xederlaml. 

20. W. C. H. Staring. De Bodem van Nederland. 1856. 

21. W. C. H. Staring. Voormaals en thans. 1858. 

22. W. C. H. Staring. Geologische kaart van Nederland i : 200.000. Eerste 
druk 1858 — 1865 : tweede niet herziene druk 1889. 

(De overige werken van Staring vermelden wij niet, omdat het belang- 
rijkste zijner afzonderlijke studiën in het bovenstaande is samengevat). 

23. H. Hartogh Heys van Zouteveen. Geologie van Nederland. (Algemeene 
Statistiek 1870. — (Hierin vindt men een verkort overzicht van Starings 
Bodem van Nederland.) 

24. T. C. Winkler. De grond van ons land. (Album der Natuur. 1878}. 

25. R. Westerhoff en G. Acker Stratingh. Natuurlijke historie der pro- 
vincie Groningen 1839. 

26. André Dumont. Notice sur Ie nouveau bassin houiller du Limbourg Hol- 
landais. 1877. 

27. M. Bogaert. Notice sur Ie terrain houiUer du Limbourg Néerlandais 1877. 

28. E. VAN DER Elst. De steenkolenmijnen in Limburg f Tijdschrift van 
Nijverheid 1878.) 

29. A. V. Lasaulx. Das Erdbeben von 's Herzogenrath 1873. — 1873. 

30. Fauj'S de Saint Fonü. Natuurlijke historie van den St. Pietersberg bij 
Maastricht. Uit het Fransch door I. D. Pasteur. 1802 — 1804. 

31. Casimir Uhaghs. Description géologique et paléontologique du sol du 
Limbourg, avec Catalogue général des fossiles du terrain crétacé etc. 1S79. 

32. C. UUAGHS. Quelques considérations sur les depots crétacés de Maastricht 1S87. 

33. C. ÜBACJHS. Beobachtungen über die chemische und mechanische Zerselzung 
der Kreide Limburgs und Bemerkungen ül)er die Diluvial und Feuerstein 
Ablagerungen 1859. 

34. Van den BinkhorsT. Esquisse géologicjue et paléontologique des coaches 
crétacées du Limbourg. 1859. 



Digitized by 



Google 



445 

35- 1^. Harting. Een woord over eenige diepe putboringen te Utrecht (Versl. 
en Med. der Kon. Akad. v. Wet. Natuurk. 1871.) 

36. P. Hartini;. De bodem van het Eemdal (Vers], en Med. der Kon. Akad. 
V. Wet. Nat. 1874.) 

37. P. Harting. Bijdrage tot de kennis der geologische gesteldheid van den 
bodem onder Utrecht en het Eemdal (Versl. en Med. der Kon. Akad. v. 
Wet. Nat. 1876.) 

38. T. C. WiNKLER. Considérations géologiques sur Torigine du zand-diluvium, 
du sable campinien et des dunes maritimes des Pays-Bas (Archives du 
Musée Teyler 1880.) 

39. K. Marti .N'. Niederlaendische und nordwestdeutüche sedimentaergeschiebe. 
187S. 

40. K. Martin. Aanteekeningen over de erratische gesteenten van Overijsel, 1S83. 

41. K. Martin. Het eiland Urk benevens eenige algemeene beschouwingen 
over de geologie van Nederland (Tijdschr. K. Ned. Aardr. Gen. 18S9.) 

42. K. Martin. Ein neues untersilurisches Geschiebe aus Holland (Versl. en 
Med. der K. Ak. v. W. Nat. 1S88.) 

43. F. J. P. VAN Calker. Beitröge zur Kenntniss des (Groninger Diluviums 
(Zeitschr. der deutschen geologischcn Gesellsch. 1884.) 

44. F. J. P. van Calker. Diluviales aus der Gegend von Nieuw Amsterdam 
(Zeitschr. der deutschen geoi. (Jesellsch. 1S85.) 

45. F. J. P. VAN Calker. Ueber glaciale Erscheinungen im Groninger llondsrug. 
(Zeitschr. d. deutschen geol. (lesellsch. 1S89.) 

46. F. J. P. VA.N Calker. Die zerquetschten Geschiebe und die n&here Bestim- 
mung der Groninger Moranen-Ablagerung (Zeitschr. der Deutschen Geol. 
(Jesellsch. 1889.) 

47. J. LoRiÉ. De diepe putboringen in Twenthe. (Album der Natuur 1887.) 

48. J. Lorié. késultats géologiques et paléontologiques de forages des Puits ^ 
Utrecht, Goes et Gorkum. (Arch. du Musée Teyler. 1886.) 

49. J. LoRiK. Note sur Ie forage d' Arnhem (Bullet. des séances de la Société 
malacologique de Belgique 1886.) 

50. J. Lorié. Sur la distribution des cailloux de granite dans Ie Nord de la 
Belgique et Ie Sud des Pays-Has. '.-Vnn. de la Société beige de geologie 1886.) 

51. J. Ix>RiK. Contributions a la geologie des Pays Bas. H. Le Diluvium ancien 
OU graveleux. Hl. Le Diluvium j)lus récent ou sableux et le système Eemien 
(Archives du Musée Teyler 1887.» 

52 J. Lorié. Beschouwingen over het Diluvium van Nederland. (Tijdschr. 
Ned. Aardr. Gen. 1S87.) 



Digitized by 



Google 



446 

53- J» LoRiÉ. Les dunes intérieures, les toiirbières basses et les oscillations du 
sol (Arch. du Musée Teyler 1890.). 

54. J, LoRiF. Quelques considérations sur Ie sable Campinien et sur Ie dilu- 
vium sableux 1888. 

55. J. LoRIÉ. Les deux derniers forages d'Amsterdam. (Extract du buUet. de 
la Soc. Beige de géol. 1889.) 

56. J. LoRiÉ. Eenige opmerkingen naar aanleiding van het eiland Urk enz 
door K. Martin. (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 1889.) 

57. J. LoRiF. Wat eenige diepe putboringen ons geleerd hebben. (Tijdschr. 
Ned. Aardr. Gen. 1891). {Zie venier pag. 512 van dit deel.) 

58. H. V. Cappelle. Les escarpements du Gaasterland. (Extract du Bulletin 
de la Soc. Beige de géol. 1889.) 

59. H. V. Cappelle. Bijdrage tot de kennis van Frieslands bodem (Hand. 
Eerste Nat. en Geneesk. Congres 1887). 

60. H. V. Cappelle. Het roode Klif (Hand. Tweede Nat. en Gen. Congres 1889.) 

61. H. V. Cappelle. Geologische resultaten van eenige in West- Drente en 
bet oostelijk deel van Overijsel verrichte grondboringen. (Kon. Akad. v. 
Wetensch. 1890.) 

62. A. Erens. Note sur les roches cristallines recueillies dans les depots de 
transport situés dans la partie meridionale du Limbourg HoUandais, 1889. 

63. A. Erens. Recherches sur les formations diluviennes du Sud des Pays- 
Bas. (Arch. Musée Teyler 1891). 

64. J. L. C. SCHROEDER VAN DER KoLK. Bijdrage tot de kennis der versprei- 
ding onzer kristallijne zwervelingen. (Proefschr. 1891). 

Zie voor de duinen de litteratuur op pag. 167 van dit deel. 

65. G. A. Venema. De hooge venen en het veenbranden. 1856. 

66. W\ C. H. Staring. De veenen en de veenwording in Nederland. 1853. 

67. HUGO de Vriks. De Peel. (Onze Tijd 1874). 

68. A. Borgman. Bijdrage tot de kennis der geologische ontwikkeling van 
Nederlands Hoogvenen. (Proefschrift 1890). 

69. J. LORIÉ. Waarom zijn er hoogvenen. (Hand. v. h. Derde Natuur- en 
Geneesk. Congres. 1891). 

70. H. Blink. De lage venen in Nederland en het ontstaan der drijftillen. 
(Tijdschrift K. Ned. Aardr. Gen. 1891). 

71. F. Seelheim. Sur les tourbières d'eau saumdtre. (Arch. Neerl. 1878). 

72. P, R. Bos. Eenige mededeelingen over de Drentsche esschen. (Hand. v. h. 
Eerste Natuur- en Geneesk. Congres 1887). 

73. G. A. Venema. Nieuwe eenvoudige verklaring van de veranderingen die de 
kusten van ons land langs de Wadden, zeeboezems en de groote stroo- 
men ondergaan hebben. 1849. 



Digitized by 



Google 



447 

74- G. A. Venema, Over het dalen der noordelijke kuststreken van ons land 
en van de Dollardpolders in het bijzonder. 1854. 

75. J. LuLOFS. Aanmerkingen over het rijzen der zee en het zinken der landen 
aan de Nederlandsche kusten. (Holl. Maatsch. d. Wetenschap. I, 1754). 

76. F. W. CoNRAD, J. P. Delprat en F. J. Stamkart. Verslag over de maat- 
regelen tot bepaling van de daling des bodems in Ned. (Versl. der Kon. 
Akad. v. Wet. Nat. 1852). 

77. W. C. H. Staring. Het dalen van den bodem van Nederland uit het oog- 
punt der geologie beoordeeld. (Versl. der Kon. Akad. v. Wet. Nat. 1854) 

78. F. Seelhkim. De grondboringen in Zeeland. (Verb. der Kon. Akad. Wet. 1879). 

79. F. Seelheim. Verslag omtrent het onderzoek der grondsoorten in de 
Betuwe. 1883. 

80. J. VAN DER Toorn. Over de schorren, aanwassen en kwelders in Neder- 
land. (Tijdsch. der Ned. M. v. Nijverheid. 1865J. 

81. G. ACKER Stratingh en G. A. Venema. De Dollard 1855. 

82. J. M. VAN Bemmelen. Rapport van het landbou w-scheikundig onderzoek 
van den bodem der IJpolders, 1873 — '76. 

83. J. M. VAN Bemmelen. Bijdragen tot de kennis van den alluvialen bodem 
in Nederland. (Uitgeg. Kon. Akad. v. Wetensch. 1886). 

84. G. Reinders. De samenstelling en het ontstaan der zoogenaamde oerbanken 
in de Nederlandsche heidegronden. (Verh. der Kon. Akad. v. Wetensch. 1890.; 

§ I. INLEIDEND OVERZICHT EN ALGEMEENE BEGRIPPEN. 

In de beschrijving der geologische gesteldheid van Nederland gaan 
wij de samenstelling en de ontwikkelingsgeschiedenis na der aardlagen, 
waaruit de bodem in ons land is opgebouwd. Hierdoor behelst 
deze afdeeling niet enkel eene beschrijving van den vasten bodem 
zooals die thans is, en van de gesteenten, waaruit hij bestaat, maar 
daarenboven wordt de tijd aangewezen, waarin de onderscheidene 
lagen gevormd zijn, terwijl de natuurlijke factoren, die den bodem 
deden ontstaan, worden opgespoord. 

Om dit hoofdstuk ook voor hen, die van de geologie geen bepaalde 
studie maakten, duidelijk te doen worden, vangen wij aan met 
eenige algemeene begrippen uit de geologie, welke natuurlijk voor 
de beoefenaars dezer wetenschap overbodig zijn. 

De oppervlakte van onze aarde is niet altijd geweest, zooals zij zich thans 
n ons oog vertoont. Niet alleen is het hoog en laag ten opzichte van het 



Digitized by 



Google 



44» 

niveau der zeeön veelvuldig gewijzigd, maar ook de grondstoffen, waaruit de 
oppervlakte der aarde bestaat, ondergingen op de meeste plaatsen in den loop 
der tijden veranderingen. Waar thans kalkgebergten, leigesteenten, zand- en 
grintlagen of andere formaties aan de oppervlakte liggen, werden deze geens- 
zins altijd gevonden. De wordingsgeschiedenis der aardlagen en de opbouw van 
de vaste aardkorst is de taak van het geologisch onderzoek. En op grond van de 
hierdoor- verkregen resultaten wordt de geoloog dikwijls in staat gesteld met 
meer of minder juistheid een beeld te ontwerpen van de physische gesteld- 
heid van eenig deel der aarde in vroegere geologische tijdperken. 

De gesteenten aan de oppervlakte der aarde bestaan meest uil in het water 
bezonken of gevormde lagen, sedimentaire gesteenten. 

Een der belangrijke punten van onderzoek is te bepalen, in welken tijd 
eenige aardlaag gevormd is. Zooals wij zullen zien is het nog niet mogelijk 
^e geologische tijdperken in jaren aan te geven. Het belangrijkste gedeelte 
der aardgeschiedenis was afgeloopen vóór den historische n tijd. Doch wanneer 
er in eenig gesteente kenteekenen van een bepaald tijdperk gevonden worden, 
en men dezelfde kenteekenen in steenlagen elders vindt, w^ijst die overeenkomst 
er op, dat de beide steenlagen in dezelfde tijdperiode of onder dezelfde 
omstandigheden gevormd zijn. 

De geologen bezitten een hulpmiddel tot het bepalen van den betrekkelijk en 
ouderdom van eenige aardlaag in de palaeontologie , Hieronder verstaat men 
de keimis van de planten en dieren, welke in den vóórhistorischen tijd de 
aarde bewoond hebben. Vele dieren en planten uit den voortijd vindt men als 
versteening (als fossiel) of als afdruk terug in de aardlagen, en deze 
fossielen en afdrukken wijzen er dus op, dat de dieren en planten, waarvan zij 
afkomstig zijn, leefden in den tijd, toen die laag gevormd werd. Omj?e- 
keerd kan men zeggen, dat een aardlaag gevormd is in den tijd, toen de 
bepaalde dier- of plantensoort leefde, welke men als fossiel er in vindt of in 
vindt afgedrukt. 

De levende wereld, de dieren en planten op aarde, bieden aldus een hulp- 
middel aan om vergelijkenderwijze den tijd te leeren kennen, waarin eenige 
steenlaag gevormd is. Eu dit is to vollediger, daar die levende wereld van de 
oudste vormen tot de hedendaagsche eene langzaam voortgaande ontwikkel! ngs^ 
reeks vertoont. In de diepste en eerstgevormde aardlagen vindt men overblijf- 
selen van onontwikkelde vormen, die het leven in zijn eerste stadium vertoonen* 
Naarmate men in jongere lagen komt, ziet men dat de levende wereld zich 
meer en meer ontwikkeld heeft, zoowel in den vorm der individuen als in den 
rijkdom aan soorten. Dit verschijnsel, hetwelk de palaeontologen reeds vroeg op- 
merkten, gaf een middel om niet alleen \ïti gelijktijdig ontstaan van gesteenten te 
bepalen, doch ook het jonger of ouder van de aardla^ren aan te wijzen. Steen- 



Digitized by 



Google 



449 

lagen inet fossielen der onontwikkelde, d. i. der oudste dier- en plantenvormen> 
dagteekenea natuurlijk uit den vroegsten geologischen tijd der aardgeschiedenis ; 
steenlagen met volmaaktere, meer met de hedendaagsche dieren overeenkomende 
fossielen, zijn gevormd uit bezinksels in een tijdperk, dat het hedendaagsche niet 
ver voorafgaat. 

Verder geven die dieren- en plantenfossielen, welke als zoovele documenten 
uit de aardgeschiedenis in het archief der natuur zijn bewaard gebleven, ons 
inlichtingen omtrent de omstandigheden, waaronder die dieren en planten 
geleefd hebben, nl. of de temperatuur hoog of laag was, of er water of land 
bestond, of zij in zoet of in zout water leefden, enz. 

Wij gaven het algemeene beginsel, waarop de bepaling van den ouderdom van 
eenige steenlaag berust. In de praktijk doen zich evenwel nog moeielijkheden 
voor, welke de zaak ingewikkelder maken. Meende men toch vroeger, dat de 
dieren- en plantensoorten van eenig tijdperk produkten van eene bepaalde 
scheppingsdaad waren, vormen die in een volkomen begrensd tijdperk zonder 
verband met vroegere wezens voorkomen ; de onderzoekingen van Darwin e. a. 
gaven aan dit inzicht eene andere richting. Hierdoor leerde men, dat de soorten 
zich langzamerhand ontwikkelen en plaats maken voor andere van hoogere 
orde; dat al de bestaande levende wezens ontwikkelingsvormen zijn van vroe- 
ger bestaande, die door de levensomstandigheden gewijzigd werden ; dat de dieren- 
en plantenwereld, van het eerste stadium tot het tegenwoordige zich met bijna 
onmerkbare overgangen heeft vervormd. 

Hierdoor maakt de geschiedenis der levende wezens een aaneengesloten 
geheel uit, evenals de geschiedenis der menschheid. In den tijd. toen de i^alaeon- 
tologen nog aan afzonderlijke scheppingen in de opvolgende tijden geloofden, 
kwamen deze er toe de aardgeschiedenis ook in scherp begrensde, afgesloten 
tijdperken in te deelen. Die indeeling is ook later in hoofdzaak behouden 
gebleven, omdat zij het overzicht vergemakkelijkt. Evenwel men denke er [aan, 
dat zij kunstmatig is, en alleen op het beginsel berust, om de perioden uit de 
geschiedenis der levende wezens en der aardkorst, die ongeveer door eenzelfde 
karakter zich kenmerken, tot een geheel te vereenigen, doch dat binnen die 
periode zich geleidelijke overgangen vertoonen, en dat zij zich in het begin en 
einde bij de voorgaande en volgende perioden aansluit. 

De dieren- en planten-overblijfselen vormen aldus de grondslagen voor de 
chronologie der geschiedenis van den aardbodem. Die chronologie is zeer onvol- 
ledig, daar wij slechts een uiterst klein gedeelte der vormen van organismen 
uit de voorwereld kennen. Evenwel kan men op grond daarvan toch de indee- 
ling der aardgeschiedenis in perioden of tijdperken vaststellen. 

Een stelsel van aar diagen ^ (dus niet één laag), dat zich hoofdzakelijk door 
dezelfde soort van fossielen kenmerkt, noemt men eene formatie of ook wel een 
II. 29 



Digitized by 



Google 



450 

svsteem. Enkele dier fossielen zijn gewoonlijk voor eene bepaalde formatie ken- 
merkend, en deze noemt men leidfossieien^ dewijl zij bij het geologisch onderzoek 
leidende kenteekenen der formatie zijn. Evenwel houdt de geoloog ook rekening 
met de overige fossielen. De fossielen m eene formatie doen in de geologie 
denzelfden dienst als de munten, gedenkpenningen, opschriften en opgegraven 
voorwerpen in de archaeologie. 

Binnen de grenzen eener formatie vindt men tal van eigenaardigheden en 
kenteekenen in de ^teenlagen, welke op eene bijzondere wijze van vorming 
duiden. Verschil in klimaat, zeestroomingen, grqoter of geringer helderheid van 
het water, waarin de lagen bezinken, de afzetting in zout of in zoet water en 
andere locale omstandigheden doen verschillen in de lagen der formatie ont- 
staan, welke mexi facies-ver sckeidenheden noemt. Zoo spreekt men van marine 
en vastelands- of terrestre facies, van litorale- of kust-facies, enz. 

Wanneer alle formaties, van de oudste tot de jongste, op eene plaats onafge- 
broken boven elkander lagen, zouden in deze de overgangen van het palaeonto- 
logisch karakter, d. i. van de ingesloten fossielen en de ontwikkeling der wezens, 
waardoor zij ontstonden, bijna onmerkbaar zijn. Evenwel is dit nergens het geval. 
De verschillende formaties komen slechts locaal met een of meer lagen voor, 
en zijn telkens afgebroken. Hierdoor ontstaan er meest op dezelfde plaats 
sprongen van eene oudere formatie tot eene veel jongere, zonder dat de tusschen- 
liggende aangetroffen worden. Indien tusschentijd had op deze plaats geen afzet- 
ting van sedimenten plaats, of het afgezette materiaal werd door eenige oorzaak 
weder weggevoerd. Wij zullen daarvan in ons vaderland voorbeelden aantreffen. 

Eenige op elkander volgende formaties heeft men weer tot groepen ver- 
eenigd, die men formatie^groepen^ of naar den tijd der vorming perioden noemt. 
Nu is het eigenaardig in de geologie, dat de namen, welke eigenlijk gegeven 
zijn aan een of meer steenlagen^ ook dikwijls gebruikt werden om de tijden 
aan te duiden, waarin die gesteenten gevormd zijn. Zoo wordt met eene periode 
en eene formatie soms zoowel bedoeld het tijdperk der vorming als de steen- 
lageny welke gevormd zijn. 

Eene periode omvat een groot tijdperk, waarin eenige formaties gevormd zijn. 
En eene formatie bestaat uit een stelsel van lagen, kleiner tijdperken van vor- 
ming vertegenwoordigend. Ook wordt de formatie weer onderverdeeld in de 
lagen, waaruit zij i& samengesteld. Die onderdeelen noemt men étages of ver- 
diepingen, welke nog kleiner tijdperken van vorming aanduiden. 

De formatie is de grondslag dezer indeeling, en voor het gemak heeft men 
de talrijke formaties tot vier groepen of perioden vereenigd . In het onderstaande 
overzicht vindt men die indeeling in hoofdzaak voorgesteld, met eenige aandui- 
dingen omtrent de dierenwereld. Hoofdzakelijk is dit overzicht gevolgd naar 
V. Hochstetter en Credner. 



Digitized by 



Google 



Overzicht van de indeeling der sedimentaire gesteenten. 



! Etages of verdiepingen 

Perioden, i Formaties. I der ' 



I 



formaties. 



Organisch 

karakter der 

formaties. 



..va 



•S => 5 « 
5 .2 'C -a 

8 = ^1 

^ l! fli C 



Quartaire- 
formatie. 



Alluvium f recente zoet-' 
en zoutwater afzettin- 
gen, venen, duinen 
hedendaagsche koraal-| 

vormingen en vulka- Tijd van den mammouth 
nische produkten). i en den oermensch. 

Diluvium (Loss, leemj 
z werfsteenen,morainen, j 
grint- en zandafzettin- 
gen uit den ijstijd. 



Plioceen. 
Tertiaire- I Mioceen. 
formatie. « Oligoceen. 
! Eoceen. 



I Tijd der Mastodonten. 

J Tijd der Palaeotherien 
* en Nummulieten. 



^. 3 .^ -^ 

-^ a g S 

V^ co *« .2 'S 

"^^J c s « 
•ï -'o -c o 

^ -3 d S S 
N.g « tut 






Krijt- 
formatie. 



Jura-formatie. 



Trias- 
formatie. 



Senonisch. 

Turonisch. 

Cenomaan. 

Gault. 

Neocomisch. 

Wealden. 

Opper- of witte Jura. 
Middelste of bruine Jura 
Lias of zwarte Jura. 



I Tijd der Ilippurieten, der 
I uitstervende Ammononie- 
ten en der eerste loof- 
' boomen. 



Keuper. 
I Schelpenkalk. 
1 Bonte zandsteen. 



Tijd der Nerinefin, Ammo- 
. nieten,Belemnieten,visch- 
' hagedissen en der eerste 
I vogels. 

iTijd der eerste Ammo- 
nieten en zoogdieren. 



^3 ''S 'S 

^ *^ ii u 

^ b c fe , 



I Permsche- 
1 formatie. 

I Steenkolen- 
formatie. 



, Devonische- 
i formatie. 



Silurische- 
formatie. 



Zechsteen. 
Roodliggend. 

Produktief kolengeb. 
Onder- Karbonisch. 

Opper Devonisch. 
Middel Devonisch. 
Onder Devonisch. 

Opper Silurisch. 
Onder Silurisch. 
Kambrische formatie. 



Tijd der ongelijkstaartige, 
glansschubbige visschen. 

Tijd der kryptogamen, der 
' eerste amphibien, spin- 
nen en insecten. 

Tijd der eerste pantser- 
visschen en der eerste 
landpl anten. 

Tijd der Trilobieten, 
Cystideen en Grapto- 
lieten. 



.^ § > > 



m 






Kristallij ne 

schiefer-for- 

matie. 



Oer-gneis 
formatie. 



Phyllietvorming. 
Glimmerschiefer vorming. 



Gneisvorming. 



Tijd van den aanvang 
van het' organisch leven. 



Zonder spoor van orga- 
nische overblijfselen. 



Digitized by 



Google 



452 

Zooals wij zeiden, komt nergens op aarde de volledige opvolging van al deze 
étages en formaties voor, en ontbreken er overal eenige aan de rij. Evenwel, de 
volgorde blijft altijd bewaard, zoodat bijv. nooit de Jura-formatie boven de 
Krijtformatie voorkomt, tenzij door ombuiging of verplaatsing der lagen. Het 
is een vaste en natuurlijke regel bij alle sedimentaire gesteenten, dat steeds de 
jongere lagen op de oudere rusten. En wij wijzen er nogmaals uitdrukkelijk 
op, omdat in ons land dikwijls misverstand dienaangaande heerscht: de formaties 
enz, wijzen den ouderdom der steenlagen aan maar niet de steensoorten. Wel 
hebben enkele formaties haar naam aan eenige steeaf<?ö;V te danken, zooals bijv. 
de Krijtformatie, de Steenkolenformatie, e. a., maar dit is zonder beteekenis voor 
de indeeling. De Krijtformatie is naar het krijt genoemd, omdat dit op de 
plaatsen, waar men die formatie eerst onderscheidde, er een hoofdbestanddeel van 
uitmaakt, doch men denke zich daarom nog geenszins, dat in dien tijd alleen 
krijt gevormd werd, of dat krijt niet in andere tijdperken is ontstaan. Elk der 
genoemde formaties bestaat uit verschillende steensoorten, die alleen op grond 
van hun palaeontologisch karakter tot een formatie vereenigd zijn. De Silurische 
formatie bijv., de oudste der sedimentaire gesteenten, bestaat o. a. uit leem, 
leien, zandsteen, grauwakke en kalkgesteeuten ; steensoorten, die ook in onder- 
scheidene andere formaties voorkomen. Alleen de zandsteen met de palaeon- 
tologische of andere kenmerken dat hij in het Silurische tijdperk gevormd is, 
behoort tot de Silurische formatie. 

Wij kunnen ons de geschiedenis der aardkorst in het algemeen aldus voor- 
stellen. Dat de aarde eenmaal in een gloeiend vloeibaren toestand verkeerde, 
een toestand welke niet in bijzonderheden beschreven kan worden, is eene hypo- 
these, welke op goede gronden vrij algemeen door de geologen wordt aangenomen. 
Deze warme hemelbol straalde gedurende lange perioden zijn warmte vrij uit in 
de ruimte en koelde daardoor aan de oppervlakte af. De afgekoelde en aldus 
hard geworden aardkorst vormde de eerste vaste gesteenten in een tijd, toen 
de aardbol nog onbewoond door eenig levend organisme in de ruimte zweefde. 
Die oudste gesteenten kennen wij waarschijnlijk niet, maar hieruit is zeer zeker 
door eenigen invloed de oergneis-formatie ontstaan. Naarmate de aarde meer 
afkoelde, onderging de vaste aardkorst vele veranderingen. De vaste gesteenten 
vergruisden onder den invloed der warmte van den dampkring of van het 
water, dat de aardkorst toen grootendeels bedekte. In het water bezonken de 
verschillende stoffen weder en vormden na korter of langer tijdsperioden lagen, 
die later tot vaste steenlagen verhardden. In die lagen werden enkele der levende 
wezens, welke tijdens de bezinking bestonden, begraven, en zij leveren de 
fossielen of afdrukken. 

Niet overal gelijktijdig had die afzetting van nieuwe aardlagen in het water 
plaats. Locale omstandigheden deden nu hier, dan daar weder eene vorming 



Digitized by 



Google 



453 

ontstaan. Daardoor vindt men bijv. de Siluriscbe formatie, de Devonische for 
matie enz. geenszins over den geheelen aardbodem verbreid. Waar in de 
Siluriscbe, Devoniscbe en andere tijden geen aardlagen ontstonden, vindt men ook 
thans die formatie niet. Maar dikwijls vindt men op ver van elkander gelegen 
plaatsen locale sporen van gesteenten, welke in denzelfden tijd gevormd zijn. 

De bodem van ons vaderland is zeer arm aan produkten der 
oudere formaties. Uit het Archaeische tijdperk komen er slechts 
gneis- en granietstukken voor in het Diluvium, welke evenwel hier 
niet gevormd zijn, maar als zwerfsteenen in veel lateren tijd van 
elders werden aangevoerd. Uit het Palaeozoïsche tijdperk worden in 
Nederland de steenkolenlagen in het zuiden van Limburg aan- 
getroffen, die meer bepaald tot de Steenkolenformatie behooren. De 
aardvormingen uit de Mezozoïsche periode worden vertegenwoordigd 
door de Krijtformatie in Zuid-Limburg, benevens door de étages der 
Wealdvorming bij Winterswijk en de Neocomische vorming bij 
Losser, beide ook tot de Krijtformatie behoorend. 

Rijker is ons land aan vormingen uit de Kaenozoïsche periode. 
De Tertiaire formatie dezer periode is vertegenwoordigd door de 
zanden van Lethen, de Nederrijnsche bruinkool vorming, de gronden 
van Rupel, de Bolderberger gronden in Limburg de Sternberger 
gronden aan den Rijn en in Overijsel en de gronden der Beneden 
Elbe in Overijsel en Gelderland, bij Boekholt en Munsterland. 

Doch de jong:ste of Quartaire formatie met hare beide étages, het 
oudere Diluvium en het jongere Alluvium, vinden in Nederland de 
grootste verbreiding. Het Diluvium ligt meest in de oostelijke en 
zuidelijke gedeelten van ons land nabij de oppervlakte, en beslaat 
1338745 H.A. of 40,7 pCt. van het geheel, terwijl het Alluvium 
door het geheele land aanwezig is. 

Wij gaan thans de verschillende formaties van ons land afzon- 
derlijk beschrijven, om daaraan eenige opmerkingen over hare vor- 
ming en omtrent de physische gesteldheid van ons land in ver- 
band met die van Europa toe te voegen. 

§ 2. DE STEENKOLENFORMATIE IN NEDERLAND. 

Bij het overzicht van de hoogte des bodems in Nederland hebben 
wij opgemerkt, dat ons land eene algemeene terreinhelling van het 



Digitized by 



Google 



454 

Z.0. naar het N.W. en van het O. naar het VV. vertoont. Deze 
helling duidt meteen aan in welke richting de oudste gronden in 
Nederland gevonden worden. In de hoogste deelen van ons land, 
in het zuiden van Limburg, komen ook de oudste formaties voor. 
De oudste formatie, welke binnen het Nederlandsch staatsgebied 
voorkomt, is de Steenkolen vorming in de omstreken van Kerkrade, nabij 
de Pruisische grens, welke behoort tot de kolenformatie van Aken. 
Deze steenkolenlagen behooren tot eene geheele rij van dergelijke 
vormingen, welke zich aan den noordrand langs de Belgisch-Rijnsche 
gronden uit het Devonische tijdperk uitbreiden. In den vorm een 
betrekkelijk smalle strook, welke in de streken van Valenciennes 
(Noord-Frankrijk) aanvangt, zet deze formatie zich voorbij Bergen en 
Charleroi langs de noordelijke helling van de Ardennen en het 
Maasdal over Namen, Luik en Aken voort. Hier wordt de 
kolenformatie afgebroken door het Rijndal, om ten oosten van den 
Rijn in het Ruhrgebied aan den noordelijken rand van het West- 
faalsche Devonische gebergte weder uit de jongere gesteenten te 
voorschijn te komen. 

DE KOLENBEKKENS VAN DE WORM EN DE INDE. 











■ Ef 






„j 




}i 


do 


tp 


'Z 




2 


V 


tj 






c/: 


^ 


^ 


V 






c 


c 






'S 


o 


o 






u 




>-/ 


1 




ë 

u 


kolenbekkei 


1 van 




Steenkolenbekken 


de Worm. 






van 


de Inde. 




Devoni.sche lagen. 
In ie nabijheid van Aken, waar die kolengordel, naar het oosten 
wordt onderbroken, loopt hij in een tweetal bekkens uit, die naar 
de doorstroomende rivieren, de irorm en de /nde^ genoemd worden. 



Digitized by 



Google 



455 

Tusschen deze beide rivieren wordt de kolenformatie afgebroken 
door een mg van Devonische gesteenten, uit grauwakke en andere 
steensoorten bestaande, die bij Burtscheid en Verlautenheid aan de 
oppervlakte komen. (Zie de tig. op pag. 454). 

Het steenkolenbekken aan de Inde is het oostelijkste en zet zich 
langs deze rivier (een bijstroom van de bij Roermond uitmondende 
Roer) in N.0. richting voort, zoodat het geheel buiten de Neder- 
landsche grenzen blijft. Evenwel het steenkolenbekken van de Worm^ 
(eveneens een bijstroom van de Roer), zet zich bij Kerkrade ook op 
Nederlandsch gebied voort, hoewel door zware jongere lagen bedekt. 
Het is nog niet bekend, hoe ver zich die kolenformatie in Limburg 
uitstrekt, doch zeer vermoedelijk gaat zij veel verder dan men 
langen tijd aannam. 

In het zuiden en zuidoosten grenst deze steenkolenformatie aan 
Devonische gesteenten i), welke in de Rijnprovincie en zuidelijk 
België eene belangrijke uitbreiding hebben. Taunus, Hunsrück, 
Hochwald, Soonwald, Idarwald, Eifel, Sauerlandsgeb., Hohe Venn, 
en de Fransche en Belgische Ardennen behooren hiertoe. Deze ge- 
bergten vormden aan het einde van het Devonische tijdperk een 
groot eiland, terwijl het noordelijk België en ook Nederland toen 
geheel onder de zee bedolven waren. 

Op het Devonische tijdperk volgde het Steenkoleniijdperk. In 
de eerste tijden van het Steenkolentijdperk had er op de Devoni- 
sche lagen langs de zeekust eene vorming van zware lagen kolen- 
kalk plaats. Creen laag is rijker aan fossielen dan deze kolenkalk 
bij Luik en Bergen. In de mijnen bij Kerkrade bestaat de kolen- 
kalk uit lagen van wel 300 meter dikte. Het is hier eene dichte, 
fijnkorrelige, soms oölithische steensoort, blauw tot zwartgrauw van 
kleur, waarin zoo hier en daar kleine aders van witte kalkspaat 
voorkomen 2). De zoogenaamde culm^ eene vorming in het begin 

1 ) De naam Dcvonisch is aan deze formatie gegeven naar het Engelsche 
graafschap Devonshire^ waar Murchison de marine afzettingen van dit tijdperk 

'onderzocht, en deze typisch vond. 

2) E. V. der Eist (mijningenieur;. De steenkolenmijnen in Limburg. (Tijd- 
schrift voor Nijverheid 1878 pag. 50.) 



Digitized by 



Google 



456 

van het Karbonische tijdperk, bestaande uit afwisselende lagen 
leemlei, kiezellei, zandsteen, grauwakke en conglomeraten, welke 
men ten oosten van den Rijn aantreft, vindt men hier niet. 

De fossielen der kolenkalk bestaan uit Cephalopoden, Brachiopoden. Kora- 
len en Crinoideön, welke op eene vorming in zeewater wijzen. De vor- 
ming dezer lagen langs den rand van het land ging gepaard aan eene lang- 
zame verheffing van den bodem of van eene verlaging van den watei'stand, 
m. a. w. van eene negatieve-niveauverandering. Zoo ontstonden langs die 
kust meer of minder afgesloten bekkens of inhammen. In deze ontwikkelde 
zich eene weelderige moerasflora. De vochtige dampkring en het gelijkmatige 
klimaat, dat in die tijden zeer waarschijnlijk heerschte, bevorderden den planten- 
groei, die arm aan soorten maar rijk aan individuen van reusachtige grootte was. 

CalamUten (paardestaarlachtigen), van 12 en meer meters lengte en i meter 
in doorsnede, vormen eene der hoofdplantensoorten, die in verschillende varia- 
ties voorkomen. Verder werden er boomachtige Varens met waaiers van 3 meter 
lengte, Sigillarièn of zegelboomen en /.<f//V/öö'<f»öyö«j of schubboomen, welke tot 
2 meter dikte en tot 30 meter lengte bereikten, enkele /ö/wé% en vooral Cvrö^/p^^w 
en Coniferen gevonden. Met de dierenwereld gedurende de Steenkolenperiode 
/uilen wij ons niet bezighouden, als voor ons doel van minder belang. 

De plantenwereld langs het Devonische strand werd weder ver- 
nield, doordien de moerassige strandmeren dieper met water gevuld 
werden. Waar zich in dergelijk bekken, op welks bodem de over- 
blijfselen van den vroegeren plantenrijkdom nog lagen, rivieren 
uitstortten en er slib deden bezinken, werden de planten door 
een aardlaag begraven. Hierdoor werden deze van de lucht afge- 
sloten en ondergingen een verkolingsproces, d. i. zij ondergingen 
eene chemische ontleding, waardoor er betrekkelijk meer zuurstof, 
waterstof en stikstof aan werd onttrokken dan koolstof, zoodat het 
overblijvende betrekkelijk rijker aan koolstof was. Zoo ontstond de 
steenkool. De deklaag van slib werd in den loop der tijden een 
harde steenlaag, welke de steenkolenlaag bedekt. 

Dit proces heeft zich in den loop van millioenen jaren meer- 
malen herhaald. Afwisselend was dergelijk bekken langen tijd 
een meer en dan weer een moeras met planten bedekt. Hierdoor 
werd veroorzaakt, dat in de Steenkolen formatie kolenlagen met 



Digitized by 



Google 



457 

tusschenliggende lagen leemlei en zandsteen afwisselen. In die 
tusschenliggende lagen leemlei en zandsteen bleven de fossielen van 
planten en dieren bewaard, niet in de steenkoollagen zelve. De 
doorsnede der Domaniale Mijn in Limburg wijst die verschillende 
steenkolenlagen boven elkander aan, en doet zien, dat de tusschen- 
liggende gesteenten de grootste ruimte innemen. De laatste bestaan 
hier uit kolenzandsteen en kolenlei. 



Hoewel het proces der steenkolenvorming ongeveer plaats heeft 
als boven beschreven werd i), bestaan er vele bijkomende oorzaken 
en werken er krachten, die in de ligging der lagen verstoring ver- 
oorzaken. Het proces der bergvorming, der plooiing van de aard- 
korst, deed vooral in vroegere geologische perioden verzakkingen, 
verschuivingen en verspringingen der aardlagen ontstaan. De lagen 
der Steenkolenformatie, welke zich oorspronkelijk horizontaal uitbreid- 
den, zijn daardoor verbogen en verzakt en hier en daar geknikt. 
Wij zien dit duidelijk in de doorsnede van het bekken der Doma- 
niale mijn in Limburg. De lijnen der verschuiving of verzakking 
zijn in de figuur aangeduid. 

In het Wormbekken zijn de verzakkingen en de overbuigingen 

i) Zie hierover nader in een der bij de litteratuur opgegeven algemeene werken. 



Digitized by 



Google 



45» 

der lagen veel talrijker dan in het bekken van de Inde, zooals de 
fig. op pag. 454 dit aanduidt. In het Inde-bekken vormen de lagen 
regelmatige kommen. De grootste verzakking in het Wormbekken 
is die, welke onder den naam -^Feldbiss^ bekend staat, eene noor- 
delijke voortzetting der verzakking >Münstergewand« in het Esch- 
weiler bekken. Over eene lengte van meer dan 15 K. M. ten 
Z. O. van 's-Hertogenrade is deze verzakking nagegaan. Sedert 
1846 en 1847 worden ook de lagen ten oosten van de »Feldbiss€ 
geëxploiteerd i). 

Dat de krachten, welke verschuivingen en verzakkingen in de 
aardlagen ten gevolge hadden, nog niet geheel uitgewerkt hebben, 
blijkt uit de aardbevingen, welke in deze gewesten van tijd tot tijd 
worden waargenomen. Den 24sten Juni 1877 had er des morgens 6^ 
minuut vóór 9 eene vrij krachtige aardbeving plaats, welke bestond 
in een hevigen stoot van onder naar boven, met een zijdelingsche, 
golvende beweging, welke 4^5 minuten aanhield. De richting van 
den stoot was, volgens den heer v. der Eist, van het N. O. naar 
het Z. W. — De aardbeving van 22 October 1873 was de eerste 
schok van een tal van schuddingen, die in een tijdperk van 2^ 
maand elkander opvolgden. Volgens het journaal van Kloosterrade 
had er ook den i8en September 1692 eene hevige aardbeving in dit 
gebied plaats, waardoor verscheidene burchten omver geworpen werden, 
bronnen uitdroogden en weilanden in moerassen veranderden 2). 

De onderste laag der Steenkolenformatie, hier de kolenkalk, 
welke geen steenkool bevat, wordt gewoonlijk de subkarbonische 
formatie genoemd, terwijl de steenkoolbevattende lagen als de 
productieve Steenkolenformatie worden aangeduid. De productieve 
Steenkolenformatie bestaat in Limburg bij de Willemschacht uit 
eene opvolging van steenlagen, welke in loodrechte doorsnede eene 
dikte van it 300 M. hebben (zie de fig.). De opvolging der lagen 



i) Zie H. von Dechen. Geologische und palsiontologische Uebcrsicht der 
Rheinprovinz und der Provinz Westfalen, 1884 pag. 230. 

2) V. der Eist t. a. p. — Zie over de aardbevingen in dit gebied : A. v. 
Lasaulx, Das Erdbeben von 's Herzogenrath am 22 October 1873. 



Digitized by 



Google 



459 

steenkolen en tusschenliggende gesteenten der kolenformatie in de 
Willemschacht in hoofdzaak, is van boven af als volgt: 

Leien met een zandsteenlaag van 4 M 35. — M. 

Steenkolenlaag Senteweck 0,70 « 

Leien met kolenzandsteen 5, — » 

Steenkolenlaag Grauweck 0,80 » 

Leien met een zandsteenlaag van 6 M 30.00 » 

Steenkolenlaag Rauschenwerk met spaatijzersteen . ... 1,00 * 

Leien met een laag kolenzandsteen van 2 M 14, — * 

Steenkolenlaag Groot Athwerk % 1,10 > 

Leien met een laag kolenzandsteen van 9 M 18, — * 

Steenkolenlaag Klein Athwerk 0,6 » 

Leien met kolenzandsteenlagen van 2 è 3 M 20,8 » 

Steenkolenlaag Barsch 0,35 * 

Leien met een zandsteenlaag van 7 en twee van 2 M. 27, — * 

Steenkolenlaag M.erl 1,20 > 

Leien met een zandsteenlaag van 2 en twee van 3 M. 48,5 » 

Steenkolenlaag Klein Mnhlenbach 0,7 > 

Leien met twee zandsteenlagen van 10 M. ieder 65, — > 

Steinknipp^ de benedenste steenkolenlaag 0,9 ^. 

Leien en zandsteenlagen van minstens 167, — > 

De mijnschacht der Willemsmijn gaat tot 330 M. diepte onder 
de oppervlakte van het terrein of 159 M. — A. P. De steenkolen- 
lagen maken hier alle een hoek met het horizontale vlak van 25® 
en hellen naar het Z. O., zooals uit de doorsnede der mijn blijkt. 
Door deze helling der lagen liggen zij niet overal even diep 
onder de oppervlakte en op enkele plaatsen worden de steen- 
kolenlagen zelfs bij het diluviale dekkleed afgesneden, zooals de 
figuur doet zien. Hierdoor worden op enkele plaatsen lagen ge- 
mist, die elders aangetroffen worden, terwijl de knikkingen der 
lagen het mogelijk maken, dat bij eene boring dezelfde laag twee- 
maal doorsneden wordt. 

In het bovenstaand overzicht der lagen hebben wij geenszins 
alle genoemd. Niet minder dan 45 kolenlagen zijn in het weste- 
lijke Wormbekken bekend, waarvan de bovenste 11 ftgen grooten- 



Digitized by 



Gopgle 



460 

deels uitgewerkt zijn. De 34 lagen, welke dieper voorkomen, heb- 
ben te zamen niet minder dan 22 M. kool, doch niet alle lagen zijn 
waard ontgonnen te worden i). 

De uitbreiding der steenkolenlagen in Limburg is nog niet met 
zekerheid bekend. Het vermoeden, dat zij zich verder dan in de 
nabijheid van Kerkrade zouden uitstrekken, gaf aanleiding, dat van 
1858 tot 1876 tal van boringen in de omstreken van Heerlen, 
Voerendaal en andere plaatsen verricht zijn 2). Uit een 31 tal 
verrichte boringen, waarvan sommige in de jongere terreinen ge- 
staakt werden, bleek, dat bij Klimmen op 148 M. diepte (of 48 M. 
— A. P.) de Steenkolenformatie aanvangt, terwijl de eerste kolenlaag 
up 260 M. diepte gevonden wordt. Bij Kerkrade te Ham werd 
op 13 M. diepte of 116 M. -I- A. P. reeds de Steenkolenformatie 
aangetroffen, terwijl de eerste kolenlagen op 17 M. diepte gevonden 
werd. Deze enkele cijfers bewijzen, welke verschuivingen, ver- 
zakkingen en opbuigingen de steenkolenlagen hier moeten onder- 
gaan hebben om op korten afstand dergelijke hoogteverschillen te 
doen ontstaan. 

Toch zullen de hoogste gedeelten der opbuigingen zelfs niet 
meer bestaan. Het profiel der Domaniale mijnen wijst aan, dat 
verschillende steenkolenlagen bij het Diluvium plotseling eindigen, 
om op een korten afstand met een andere helling weder te voor- 
schijn te komen. De kolenlaag Furth bijv. met het tusschenliggend 
gesteente wordt op die wijze afgebroken. Er valt niet aan te twij- 
felen, of dat gedeelte der formatie, hetwelk een scherpe hoek naar 
boven vertoont, is door erozie van het stroomend water wegge- 
voerd. Zoo zijn ook de andere lagen afgesneden. 

Men moet zich dus voorstellen, dat in latere geologische tijd- 
perken, door hevig werkende zijdelings drukkende krachten er 
eene verschuiving en knikking der lagen plaats had. Dit moet 



i» Van der Eist, 1. c. 

2) De resultaten dezer boringen vindt men bij van der Eist 1. c. ; bij André 
Dumont, Notice sur Ie nouveau bassin houiller, 1877 — en M. Bogaert, Xotice 
sur Ie terrain houiller du Limbourg Xeerlandais 1877. 



Digitized by 



Google 



461 

geweest zijn na het einde der afzetting dezer formatie, omdat alle lagen 
dezelfde verplaatsing verbuiging en knikking vertoonen. En daarna 
werden door erozie en denudatie des waters de bovenste lagen of 
meest uitstekende gedeelten aangetast en afgeschuurd. Hoeveel dui- 
zendenjaren dit proces duurde, valt niet te zeggen. Wij zijn nog niet 
instaat de geologische perioden in jaren over te brengen. Doch vele 
honderdduizenden jaren zijn hier zeer zeker over verloopen. Want 
gedurende den tijd der afzetting van een drietal formaties, van de 
Permsche, de Trias, en de Jura-formatie, vinden wij in Zuid-Limburg 
geen nieuwe lagen gevormd. 

§ 3. De krijtformatie i) in Nederland. 
A. In het oosten van Gelderland en Overijsel. 

Gedurende eenige geologische tijdperken wordt de ontwikkelingsge- 
schiedenis van ons land afgebroken na het vormen der primaire lagen 
van de Steenkolenformatie. Wat er tijdens het ontstaan der Permsche 
formatie, der Trias- en der Jura-formatie van ons land bestond, hoe de 
gesteldheid hier in die tijdperken moet geweest zijn, valt niet te zeggen. 
Het archief der natuur, de aardlagen, heeft ons geene stukken 
leeren kennen, die ons daarover kunnen inlichten. Tenminste ge- 
steenten, welke in die tijdperken in ons land gevormd zijn, kent 
men niet. Zeer waarschijnlijk lag ons vaderland met eenige om- 
ringende gedeelten in deze tijdperken als een klein eiland boven 



i) De naam Krijtformatie is zeer ongelukkig gekozen voor de reeks der ge- 
steenten, welke hieronder verstaan worden, en die slechts voor een zeer gering 
gedeelte werkelijk uit krijt bestaan. Wii zagen reeds bij de beschouwing 
der Steenkolenformatie, dat hierbij zandsteen en leien de meest voorko- 
mende gesteenten zijn. Evenwel komen nog in alle horizons dezer forma- 
tie steenkolen voor. Doch in de Krijtformatie komt het gesteente, dat dén 
naam geeft aan de formatie, alleen in de bovenste verdiepingen voor. Leem. leien 
■en izandsteen hebben veel' meer aandeel in deze formatie dan het krijt. 
Wij maken ook hier ten overvloede deze opmerking, die voor deskundigen ge- 
heel overbodig is, om de onjuiste voorstellingen, waartoe de namen der for- 
maties in Nederland licht aanleiding geven, te bestrijden. 



Digitized by 



Google 



462 

de oppervlakte der wateren, zoodat er geen of geringe afzetting van 
aardlagen plaats vond. 

In den Juratijd was Midden-Europa door de zee bedekt, waarboven in Ier- 
land en Engeland, bij de Armorische eilanden, op de plaats van zuidelijk Neder- 
land, in Bohemen en elders geisoleerde kleine eilanden uitstaken i). 

Nog vóór de Juraformatie voltooid was, kort voor het einde van den Juratijd, 
had er echter een algemeene teruggang der zeeën uit Middel-Europa plaats. 
Een groot gedeelte der vroegere Jurazee werd droog land, terwijl van andere 
gedeelten groote meren met water van een gering zoutgehalte (brak water) 
overbleven, waarin eene gemengde bevolking van zee- en zoetwaterdieren leefde^ 
De afzettingen van lagen in dergelijke meren vinden wij het best vertegen- 
woordigd in N. W. Duitschland en in Engeland. 

De bezinkingen in deze binnenmeren vangen reeds aan tijdens de laatste 
phase van den Juratijd, en zetten zich voort in het tijdperk der Krijtformatie, 
gedurende de vorming der eerste étages, nl. tijdens de Wealden- en Neocomische 
afzettingen. Evenwel duurde deze vorming van gesteenten in de brak water- 
meren niet overal even lang, want dit gebied werd, hier vroeger, daar later, 
weder geheel door de zee bedekt, vooral sedert den Neocomischen tijd. Die 
vorming van brak waterafzettingen tusschen de Jura-formatie en de Krijtformatie 
heeft daardoor niet overal dezelfde beteekenis of dikte, maar wisselt locaal af 
naar den duur dat de brak watermeren bleven bestaan. Uit de fossielen der 
steenlagen blijkt verder, dat de zee niet in eens voor goed hare grootere uit- 
breiding aannam, doch dat met eene periode van schommelingen, waarbij zij zich 
nu eens uitbreidde en dan weder terugtrok, dit proces aanving, totdat eindelijk 
hare wateren het land weder geheel bedekten. 

De brak watervormingen in bovengenoemde meren, soort van tusschenvormin- 
gen op de grens van de Juraformatie en de Krijtformatie, noemt men naar 
eene plaats in Engeland, waar zij zeer goed ontwikkeld zijn, de Purbeck-lagen. 
De daarop volgende eerstgevormde lagen der Krijtformatie heet Wealden of 
woudenformatie, naar het woudrijke heuvelgebied in Zuid-Engeland, waar deze 
gesteenten veel voorkomen 2), De Wealden zijn als een moeras- en deltavorming 
te beschouwen, bij eene tijdelijke verheffing der bodems door genoemde schom- 
melingen ontstaan. 

Bij den aanvang van de Krijtformatie bestond er ten oosten van 
Gelderland in Westfalen, ongeveer ingesloten door het Teutoburger 

4) Zie de „Karte der geographischen Verbreitung des Jurameeres (Neumayer's 
Erdgeschichte II, pag. 336). — 2) Zie de kaart van Penck in „Das Deutsche 
Reich", pag. 104, over de verbreiding der Wealdformatie. 



Digitized by 



Google 



463 

woud in het N. O. — het Wiehengebergte in het Z. tot nabij de 
Nederlandsche grenzen in het W. een meer of kom, die naar de 
stad Munster, welke ongeveer in het midden daarvan ligt, de Kom 
van Munster genoemd wordt i). Aan de randen van deze kom 
had ook de bovengenoemde Wealdvorming plaats, welke hier nog 
op verschillende plaatsen aan den dag komt. 

Deze Wealden-vorming opent in Nederland de rij der gesteenten 
uit de Krijtformatie. De jongste lagen dezer Wealdvorming komen 
voor bij Winterswijk : in het Vosseveld, op het scholtegoed Willink, 
nabij de buurt Ratum, en aan de beek, die door genoemde buurtschap 
vloeit. Evenwel heeft deze vorming in ons land geene uitbreiding 
van beteekenis verkregen. Nabij de grenzen, o. a. bij Bentheim, 
aan de Glanerbeek, bij Epe en Gronau komt de Weald-vorming 
op enkele plaatsen aan de oppervlakte. 

Doch in den Neocomischen tijd der Krijtformatie breidde de zee 
zich weder uit, zooals wij zeiden. Hierdoor werd het brakwater- 
meer der Kom van Munster in het westen weder met de zee in 
verbinding gebracht, en deze vormde hier een inham in het land, 
waar vervolgens marine lagen werden afgezet. 

In de Kom vanMunsterkomenalle verdiepingen der Krijtformatie 
voor. Men vindt geen krijtgebied in Noord-Duitschland, zoo 
samenhangend en afgesloten als dit bekken. De verschillende 
etages der Krijtformatie rusten er op de meest verschillende vor- 
mingen : op middel- en boven-Devon, op alle afdeelingen der Steeij- 
kolenformatie, op Permsche formatiën, op enkele plaatsen op Jura- 
formatie, terwijl over een groot gebied de Wealden den ondergrond 
uitmaken. 

Vóór de afzettingen der Krijtformatie was deze zeebodem door 
die verschillende formaties gevormd, en het is onbekend, hoever 
zij zich onder de krijtlagen uitbreiden. 

Van de verdere vormingen der krijtformatie uit de Kom van 
Munster zijn voor ons van belang de Turonische kalk van Ahaus 

i) Zie hierover o. a. Ferd. Roemer, Die Kreidebildungen Westphalens 
(Z. der D. Geol. Ges. 1854, pag. 99. — H. Credner, Wealdenbildung'in N. W. 
Deutschl. 1863. 



Digitized by 



Google 



464 

«n Oding nabij de Nederlandsche grenzen liggend, de Neocomische 
zandsteen van Bentheim en van Losser ten Z. van Oldenzaal. 

B. Krijtformaiie in Limburg. 

De Krijtformatie heeft in Nederland hare grootste uitbreiding in 
het zuiden van Limburg. Gedurende den tijd dezer vorming lag 
dat gedeelte van ons land evenals het overige onder de wateren 
van de Krijtzee bedolven. In de oudste tijden van de Krijtformatie 
had hier nog geene vorming van aardlagen plaats. De gesteenten uit 
het Devonische en Steenkolentijdperk bevonden zich in Zuid-Limburg 
gedurende de eerste perioden der Krijtformatie nog aan de oppervlakte. 
Sedert die oudste tijden had hier geene afzetting van lagen plaats 
gehad, of deze waren weder door het stroomend water weggenomen. 
Doch met de jongste afdeeling der Krijtformatie, uit den Senoni- 
schen tijd^ begon in Zuid-Limburg de afzetting van aardlagen 
weder, langs en over genoemde oudere gesteenten. Van Aken 
langs de Ardennen door België zet zich de Krijtformatie voort. Op 
den rug van den iHohen Vennt heeft men zelfs sporen der Krijt- 
formatie gevonden op eene hoogte van 700 meter boven de zee, en 
A. Dumont wees reeds in 1847 ^r op? ^^i^ ^^ ver verbreide sporen 
der Krijtformatie in het gebied tusschen de Ardennen en den Rijn 
aantoonden, dat die formatie eenmaal zich hier verder heeft uit- 
gestrekt, doch door erozie is weggenomen i). Uit het voorkomen 
van deze afzettingen der Krijtformatie blijkt, dat het groote eiland, 
hetwelk in den Juratijd en gedurende de eerste tijden uit de Krijt- 
formatie bijna geheel Belojië, de Ardennen en een deel van westelijk 
Noord-Duitschland, het gebied van den Hunsrück, van den Eifel en 
van den Hohen Venn omvatte, en dat de kom van Parijs in het 
noordoosten afsloot, gedurende het laatste gedeelte der Krijtformatie 
door de zee bedolven werd. Op de grens tusschen de oudste en 
jongste vormingen uit de Krijtformatie hadden de meest vérgaande 
veranderingen in de uitbreiding van land en water plaats, en verkreeg 



I Dumont. Mémoire sur les terrains Ardennais et Rhenan 1847 pag. 105. 



Digitized by 



Google 



465 

de zee in verschillende gedeelten des lands eene uitbreiding, zooals 
uit geen anderen tijd bekend is. 

In die zoogenaamde Krijtzee hadden gedurende het Krijttijdperk de 
afzettingen en vormingen plaats, welke men tot de Krijtformatie brengt. 

De Krijtformatie in Limburg komt niet ouder voor dan door 
verschillende lagen uit de Senonische verdieping, d. i. de jongste af- 
deeling der Krijtformatie. In Engeland, Noord-Frankrijk en op de 
eilanden Rtigen en Moen, wordt deze étaoe gevormd door lagen 
wit schrijfkrijt. In Zuid-Limburg bij Maastricht en Aken bestaat 
deze krijtformatie uit lagen los zand, mergel en uit krijltuf. 

De leidfossielen, welke ons bovenal de Senonische krijt-étage 
doen kennen, zijn de Belemnitella quadrata (d'Orb) en Belemnitella 
mucronata (d'Orb.) De Belemnitella quadrata komt in de onderste, 
de Belemnitella mucronata in de bovenste lagen dezer verdieping voor, 
en op grond hiervan wordt die étage in eene bovenste en eene 
onderste afdeelin^ ingedeeld. Elk dezer afdeelingen bestaat weder 
uit verschillende lagen, die evenwel niet geregeld boven 
elkander, maar door plaatselijke omstandigheden naast elkander 
tot ontwikkeling kwamen, en dus ook locaal voorkomen. Doch 
door de fossielen in die lagen blijkt, tot welken tijd zij gerekend 
moeten worden. 

De onderste afdeeling van de Senonische Krijtformatie in Lim- 
burg (met de Belemnitella quadrata tot leidfossiel), bestaat uit een 
drietal vormingen: het Akensche zand^ het groenzand van Vaals 
met de groenzandbanken van Aken^ en het Hervensche zand. De 
bovenste en jongste afdeeling wordt gevormd door het Gulpensche 
krijt en het Maastrichtsche tuf krijt. Elk van deze vormingen 
bestaat nog weder uit onderscheidene lagen, die locaal ontwikkeld 
zijn en van de geologen verschillende namen ontvangen hebben 
of tot afdeelingen gegroepeerd worden. Voor ons doel volgen wij 
die speciale indeelingen niet, en wij zullen evenmin de verschillende 
benamingen en stelsels bespreken. Wij verwijzen daarvoor naar de 
litteratuur over de Krijtformatie. 

Het Zand van Aken. De oudste en eerstgevormde lagen der 
Krijtformatie in dit gebied bestaan uit los, fijnkorrelig, witoflicht- 
11 30 



Digitized by 



Google 



466 

geel kwartszand, waarin, vooral naar boven, vaste zandsteenbanken 
en leemlagen voorkomen. In 't geheel heeft deze afzetting eene dikte 
van ICO tot 130 meter 1). Men noemt deze vorming naar de ligging bij 
Aken uikensch Zand, In de Nederlandsche provincie Limburg werd 
het Akensch zand als een 83 M. dikke laag doorboord op de 
hoogvlakte tusschen Simpelveld en de Locht, bij Froschenhuischen, 
waar men 188 meter onder de oppervlakte in kolenzandsteen terecht 
kwam 2). Over 't geheel vertegenwoordigt het hier een laag van 
45 h. 95 M. M. dik 3). 

Het Akensch zand is arm aan fossielen, doch de ingesloten 
zandsteen bevat vooral in de bovenste lagen vele overblijfselen van 
verkoolde planten, die somtijds door eene korst ijzererts omhuld 
en fraai verkiezeld zijn. Hetleem, de »Aachener Thonlettem wisselt 
af in lag?n van enkele c.M. tot 8 meter dikte, en is nu eens week, 
dan weer steenhard. Het bevat eene menigte fossiele planten 4). 

Een andere en jongere afdeeling der bovengenoemde vorming is 
het Zand van Herve, hetwelk bestaat uit grauw-gr oenachtige, som- 
tijds geelachtige magnesia of kiezelhoudende mergels, afgewisseld 
door harde banken of lagen met nieren of klomi^en, welke weinig 
of geen kalk bevatten. Op verschillende plaatsen in Zuid-Limburg 
zijn deze lagen ontdekt 5;. Onder deze lagen volgt, o. a. bij 
Vaals op een diepte van 10 è. 15 M., nog een geel, groenachtig 
zand, met glaukonietkorrels vermengd, eveneens met dunne klei- 
laagjes en samengebakken nieren of klonters afgewisseld, welke 



i) H. V. Decben. Geologische und palaeontologische Uebersicht der Rhein- 
provinz und der Provinz Westfalen, 1884 pag. 426. 

2) C. Ubaghs. De geologische vormingen van Limburg, in het bijzonder 
de Maastrichtsche krijtvorming. (Handel, van het Eerste Natuur en Gen. 
Congres te Amsterdam 1887, pag. 250.) 

3) Staring. De bodem van Nederland. II pag. 354. — C, Ubaglis. Description 
géologique et paléontologique du sol du Limbourg, 1879, pag. 172. 

4) Zie over deze fossielen : Ubaghs. 1. c. — Dr. Debey en Von Ettinghausen. 
Les plantes fossiles des terrains crétacés. — Von Dechen, 1. c. pag. 427. 

51 Zie over de verbreiding. Staring en Ubaghs, 1. c. 



Digitized by 



Google 



467 

onregelmatig in dit zand verspreid zijn. Deze laatste laag noemt 
men het Groenzand van Vaals en Aken. 

In Nederland komen deze gronden nergens aan de oppervlakte, 
maar worden door de jongere krijtgronden bedekt. Alleen aan de 
geërodeerde valleien der rivierdalen worden zij zichtbaar. Buiten 
de grenzen komen zij te voorschijn of worden enkel door diluviale 
lagen bedekt. 

Het schijnt dat deze vormingen in een groote kom of langs een 
strand op de lagen uit de Steenkool- en Devonische formatie zijn 
nedergelegd. Het Zand van Aken ligt in het O. en Z. O. gedeelte 
van deze kom langs den rand en schiet noordwaarts onder het 
Zand van Herve weg. Dit laatste wordt door Staring beschouwd 
als een kalkgesteente, dat door uitspoeling zijn kalk heeft verloren i). 

Gulpensch Krijt 2) is de naam welke Staring geeft aan eenige 
lagen der Krijtformatie, welke o. a. de Belemnita mucronata bevat- 
ten, en die den overgang vormen van de bovengenoemde zanden 
en mergels tot het Maastrichtsche krijt. 

Ubaghs noemt die lagen eene Middenafdeeling van het Seno- 
nisch krijt in Limburg 3). Deze groep van lagen nu bestaat van 
onder af eerst uit glaukonietkrijt^ — uit krijtmergel zonder vuur- 
sieenen van Gulpen^ Slenaken en Vaals, — uit wit schrijf krijt van 
Haire Ie Romaine en krijt met zwart-blauwachtige vuursteenen 
van den Pietersberg en Lanaye. 

Het Glaukonietkrijt rust o. a. op het Zand van Herve 'en 
kenmerkt zich door een groote hoeveelheid sterk afgeronde glau- 
konietkorrels, waardoor het eene grijs, groenachtige kleur heeft. Men 
kan het in Limburg vinden in de vallei van de Gulp tusschen Galoppe 
en Slenaken, te Slenaken, op de helling van het plateau tusschen 
Slenaken en Teuven naar de Gulp, alsmede op verschillende plaatsen 
aan den linkeroever dezer rivier. 



i) Staring. De bodem v. Ned., II pag. 312. 

2) Staring 1. c. pag. 342. 

3) Ubaghs. Descr. géol. et pal., tabel pag. 196. — 4) Ubaghs 1. c. pag. 145, 



Digitized by 



Google 



468 

Op het glaukonietkrijt ligt het krijt zonder vuursieenen, dat te 
Slenaken, Gulpen en Vaals o. a. wordt aangetroffen. Evenwel gaat 
dit laatste ook wel zonder Glaukonietkrijt in het zand van Herve 
over. Men vindt het krijt zonder vuursteen aan den rechteroever van 
de Maas in de dalen van de Geul en de Gulp. Aan den linker 
Maasoever vertoont dit krijt zich aan den voet der hoogten van 
Hallembay, Wons, Haccourt, Villers, St. Simeon, enz. 

Het krijt zonder vuursteenen bestaat, bovenal in Limburg, uit 
een mergelaarde van grijze kleur. Het is eene vrij vaste, aard- 
achtige, soms korrelige massa, die in de bovenste gedeelten dikwijls 
gelaagd is. Aan de lucht blootgesteld, worden er geel-grijsachtige 
strepen in zichtbaar, welke dikwijls glaukonietkorrels bevatten. T^en 
weer en vorst is deze steen niet bestand en kan daarom niet als 
bouwsteen gebruikt worden; voor vloeren in bakkersovens wordt 
hij op enkele plaatsen uitgehakt, o. a. bij Vaals. 

Het ?£'///<? krijt met zwart blauwachtige vuursteenen^ dat thans 
volgt, heeft aan den linkeroever van de Maas aanzienlijke lagen. 
Men kan deze vorming zien aan de helling van den St. Pietersberg 
langs de Maas, een weinig boven Sla van te, waar het over een 
groote lengte te volgen is. Beneden het dorp St. Pieter is het waar 
te nemen onder de lagen van het Maastrichtsche krijt. 

Het krijt van deze vorming is grofkorrelig, ruw op het gevoel, 
sterk afgevend maar niet voor schrijven geschikt, witachtig van 
kleur, meer of minder snijdbaar en in regelmatige banken gelaagd. 
In het krijt liggen banken met grijs-zwarten vuursteen verspreid, 
waarvan sommige een aanzienlijken omvang hebben. 

De bovenste of jongste afdeeling der Krijtformatie in Limburg 
bestaat uit eenige lagen, welke door Dumont tot een groep, ihet 
Système Maastrichtien^ het Maastrichtsche krijt, vereenigd zijn. 
Ubaghs verdeelt het Maastrichtsche krijt nog weder in drie groepen 
of onderafdeelingen. 

De bovenste afdeeling bestaat uit tuf krijt met lagen Bryozoën, 
harde kalkbanken met boorschelpen en koralen, en uit de tufsteen - 
lagen, die in de onderaardsche gangen van den St. Pietersberg, 



Digitized by 



Google 



469 

Bemelen, Canne, Geulem eu Valkenburg als bouwsteen ontgonnen 
worden. Deze bovenste afdeeling heeft een dikte van 15 è. 24 meter. 

De middelste afdeeling wordt gevormd door een grijs, grof korrelig 
tuf krijt, met pijpvormige, knolvormige en plaatvormige grijze, ruwe 
vuursteen. Op eenige plaatsen binnen de Belgische grenzen, nl. bij 
Eben en Sussen, en in Nederland te Sibbe bij Valkenburg, worden 
deze lagen gedolven. De gemiddelde dikte dezer afdeeling be- 
draagt 3 — 16 meter. 

De onderste afdeeling begint bij Valkenburg, vormt hier den 
Schaasberg en strekt zich door de hoogten op den rechter Geuloever 
voorbij Wijlre tot Simpelveld, en van daar tot Vetschau en over 
Ubaghsberg tot Kunraad uit. De gemiddelde dikte dezer afdeeling 
bedraagt 15 — 25 meter, i) 

Deze onderste afdeeling bestaat hoofdzakelijk uit kalk- en kalk- 
mergellagen, welke naar de vindplaats door Staring als mergel van 
Kunraad wordt aangeduid. In het algemeen bestaat deze kalkmergel 
uit afwisselende V* ^ % M. dikke, geelwitte, grijze, vaste kalk- 
banken, welke met V* ^ Va M. dikke, weeke, grijze, geelachtige, 
tufachtige mergellagen afwisselen, en welke, door de hoeveelheid 
klei die zij bevatten, kleverig en vettig zijn. De kalkmergelbanken 
bevatten, evenals de harde banken, veelvuldig brokjes van zwarte 
steenkool, anthraciet. In deze kalkbanken vindt men de voor het 
Limburgsche krijt zeldzame plantenoverblijfsels der Krijtvorming. 

Deze onderste afdeeling wordt op voorstel van den heer E. van 
den Broeck, om eenvormigheid met de terminologie in België te 
verkrijgen, thans tot eene vroegere afdeeling gerekend, en dan wordt 
tot benedenste grens van het Maastrichtsche krijt een koprolieten- 
laagje in den St. Pietersberg te Maastricht aangenomen, dat den 
overgang vormt tusschen de kalkmergels van Kunraad en het tuf- 
krijt met grijzen vuursteen. 

Bij de bovenste afdeeling van het Maastrichtsche krijt, het tuf- 
krijt, moeten wij nader stilstaan. De kalk, waaruit de tufkrijtlagen 
grootendeels bestaan, is meer grofkorrelig en geler van kleur dan 

I) Zie Ubaghs. Hand. Eerste Nat. en Gen. Congres pag. 23Q, enz. 



Digitized by 



Google 



470 

die der andere afdeelingen van de krijtgroep. Nu eens zijn de korrels zoo 
fijn als die van het gewone krijt, dan weder hebben zij de grootte van 
gerstekorrels en zijn dan meer donkergeel van kleur. Naarmate ze meer 
of minder vast verbonden zijn, is de steen vaster of lichter uiteenvallend. 

Het tufkrijt behoort tot de zoögene of dierlijke sediment-gesteen- 
ten. Het is gevormd door bezinksels en opeenhooping van schelpen 
en koralen. De kalk is het hoofdbestanddeel van het tufkrijt, 
waarin evenwel ook enkele kwartskorrels voorkomen. 

In de bovenste afdeeling van het Maastrichtsche krijt bevinden 
zich drie Bryozoën lagen. De beide bovenste, welke eene dikte van 
Va è I M. bezitten, zijn door lagen tufkrijt van elkander geschei- 
den. Onder ieder dezer Bryozoënlagen bevindt zich een harde kalk- 
bank, waaraan vele Bryozoën en andere dieren zijn vastgehecht. 
Hieruit wordt afgeleid, dat die dieren op deze plaats geleefd heb- 
ben, en dus niet door het stroomend water van elders aangevoerd 
zijn. Met de onderste Bryozoënlaag is dat niet het geval. 

Bryozoën en Foraminiferen zijn het, die hoofdzakelijk metOstra- 
coden, Brachiopoden en Cormopoden de stoffen leverden, waaruit de 
Maastrichtsche krijtlagen zijn opgebouwd in de Krijtzee. Bryo- 
zoën en Brachiopoden zijn diepzee-bewoners in geologischen zin, 
(volgens welke diepzee reeds bij ± loo meter diepte aanvangt). Men 
kan hieruit afleiden, dat tijdens de vorming dezer lagen zich een 
zee over deze gewesten uitbreidde. 

De Maastrichtsche krijtlagen zijn in Zuid-Limburg op verschil- 
lende plaatsen ontdekt. Het gesteepte ligt te Maastricht in den 
ondergrond, op het glacis van het fort Willem ten noorden der stad 
komt het aan de oppervlakte. Zeer waarschijnlijk is de noordwaarts 
tot Smeermaas reikende Kaberg aan een in de diepte verborgen 
rug van tufkrijt zijn oorsprong verschuldigd. Het vormt de boven- 
lagen van den St. Pietersberg en komt langs het Maasdal en Jekerdal 
aan de hellingen veelvuldig voor den dag tot tegenover Lanaye, 
waar het door krijt met vuursteen vervangen wordt. Ten westen 
van het Jekerdal bestaan de hoogten eveneens uit tufkrijt, dat den 
linkeroever dezer rivier volgt. Ten oosten van de Maas ligt het 
tufkrijt bij Gronsveld, Kadier, Keer en Bemelen, en komt bij Groot- 



Digitized by 



Google 



471 

en Klein- Weisden aan de oppervlakte. Verder verschijnt het aan de 
linkerhelling van het Geuldal, van Berg en Geulem af tot bij 
Strucht, ten Z. O. van Valkenburg. Ook aan den noordkant van de 
Geul ligt dit krijt op verschillende plaatsen aan de oppervlakte: 
tusschen Meersen en Raar, tegenover Valkenburg aan den Schaas- 
berg, aan de Vogelenzang bij Crawbeck, bij Ransdaal en bij Kol- 
mont. Te Weert, aan den weg van Maastricht naar Sittard, werd 
het op 13 M. onder de oppervlakte gevonden en was er op 83 M. 
nog niet doorboord i). 

De oppervlakte van het tuf krijt ligt in de nabijheid van Aken 
± 335 M, + A. P. en in den Pietersberg ± 140 M. + A. P. Ten 
noorden dezer punten ligt het naar het westen en het noorden 
hellend plateau van Zuid-Liraburg ten zuiden van de Geul (Zie 
Ned. en zijn Bew. I pag. 75). 

In het westen wordt van dit plateau het gedeelte van den St. Pie- 
tersberg door het Maasdal, en het krijtgebied ten westen van de Jeker 
door deze laatste rivier afgesneden. In het oosten vormen de Geul 
en de Gulp daarin hare insnijdingen. De krijtlagen, thans door deze 
rivierdalen gescheiden, maakten oorspronkelijk een aaneengesloten 
geheel uit. Daar het krijt bij Weert op =t 25 M. + A. P. ligt, kan 
men aannemen, dat de Krijtformatie een van Aken (335 M. 4- A. P.) 
naar het N. W. hellend plateau vormde. Op het einde van de Krijt- 
formatie hebben er waarschijnlijk verheffingen en opplooiingen des 
bodems plaats gegrepen, waardoor de lagen hier gescheurd, elders 
tot hooger niveau gebracht werden. De aanzienlijkste verheffing had 
in het Z. O. plaats. Hier werd de Krijtzee ondieper, en zij behield 
hare grootste diepte naar het Z. W. De reusachtige reptiliën, de 
Mosasauriërs, Dinosauriërs en Chelonia's die hier leefden, vonden in 
de diepste gedeelten der tufkrijtzee de beste voorwaarden voor hun 
bestaan. Hieraan is het toe te schrijven, dat de meeste en best 
bewaarde overblijfselen dezer dieren in het Z. W., d. i. in het tuf- 
krijt ten westen van de Maas gevonden worden. Verder in noord- 
oostelijke richting, waar ^de overblijfselen dezer dieren meer aan 

i) Volgens Staring, 1. c. II pag, 320. 



Digitized by 



Google 



472 

branding en golfslag waren blootgesteld, bleven hunne skeletten 
slechts in stukken achter, (i) 

De opheffing der lagen aan het einde van het Krijttijdperk had 
scheuringen en verzakkingen tengevolge. En toen de Krijtzee zich 
teruggetrokken had, of het land in Zuid-Limburg en omgrenzende 
gewesten zich gedeeltelijk boven de wateren verhief, wezen die scheuren 
aan het stroomend water den weg. Wat de beweging der aardschors 
had aangevangen werd door het stroomend water thans voortgezet. 
De erozie des waters voltooide de configuratie van dit landschap, 
in de Tertiaire en Diluviale tijden. 

Waarschijnlijk werden aldus het Maasdal en het Jekerdal ge- 
vormd en vergroot. Het stroomend water voerde van hier brok- 
stukken uit het Maastrichtsche krijt mede noordwaarts, waar deze 
in overgroote hoeveelheid in het Maasdiluvium verspreid zijn. 

Het Geuldal vormt eene scheiding tusschen de twee orographische 
plateaux, waarin Zuid-Limburg verdeeld kan worden, zooals wij 
vroeger opmerkten (Ned. en zijn Bew. I. pag. 75). Ten noorden 
van de Geul begint het noordelijkst plateau, dat daar hooger is dan 
de noordaf helling van het zuidelijkst plateau, ten zuiden langs het 
Geuldal. Dat het Geuldal niet enkel door erozie in de krijtlagen 
gevormd is, doch dat een breuk met verzakking de eerste oorzaak van 
dit dal was, blijkt uit de ligging der lagen bij Valkenburg o. a. De 
laag tuf krijt met blauwe vuursteenen ligt hier op den rechter Geul- 
oever, d. i. ten noorden er van, wel 20 meter hooger dan op den 
zuidelijken tegenoverliggenden oever, bij een afstand van 700 meten). 
Dit verschijnsel is alleen uit de verzakking van den zuidelijken 
oever te verklaren, en deze spiegelt zich nog thans af in den oro- 
graphischen vorm des lands. Erens meent, dat die kloven vooral in 
den middel-Oligocenen tijd ontstonden 2). Kloven en scheuren in 
de kalkgesteenten vindt men hier veelvuldig, die meest op de verzak- 
kingen en verschuivingen wijzen. Slechts enkele er van lagen gunstig 
om door het stroomend water geërodeerd te worden. 

1) Ubaghs. Handel. Nat. en Gen. Congr. 1888, pag. 247. 

2) Erens. De jongste tertiaire gronden van Limburg. (Hand. Derde Nal. en 
Gen. Congres. 1891, pag. 371.) 



Digitized by 



Google 



473 

Het ontstaan der aardpijpen en der orgelpijpen. Enkele bijzon 
derheden van de Limburgsche . krijt-formatie mogen hier niet onvermeld 
blijven. Merkwaardige verschijnselen zijn de aardpijpen of orgelpijpen^ die 
in het tufkrijt van den St. Pietersberg en elders kunnen worden waarge- 
nomen. Hieronder verstaat men ronde kokers of schoorsteenen, die in een 
verticale richting het tufkrijt doorboren en zich tot het vuursteenkrijt 
naar onder voortzetten. Enkele meent men ontdekt te hebben, die tot in het 
vuursteenkrijt zijn doorgedrongen. De middellijn dier pijpen wisselt af van Va 
tot 2 meter, doch elke pijp heeft bijna overal, boven en beneden, dezelfde mid- 
dellijn. De pijpen in den St. Pietersberg en aan de westzijde der Maas zijn gevuld 
met stoffen van het Maas-diluvum en met loss, dat hier het tufkrijt bedekt. 
Waar de onderaardschc gangen der steengroeven dergelijke pijpen treffen, valt 
het aanvullende grint enz. naar beneden, en worden de ledige pijpen als schoor- 
steenen boven die gangen zichtbaar. De wanden dier pijpen bestaan soms uit 
zwarte leem of zijn ook wel met kalktuf, welke door uit het water afgezette 
koolzure kalk gevormd is, bedekt. 

De heer Ubaghs verklaarde het ontstaan dezer pijpen door de werking van' 
het atmospherisch water. Het regenwater, dat reeds in de atmospheer koolzuur 
opneemt en op de aardoppervlakte door de planten-overblijfselen eveneens 
koolzuur ontvangt, dringt door locale omstandigheden in de tuf kalk door en 
lost de kalkzouten op. Daardoor vormt zich een kleine loodrechte buis. Door 
de gemakkelijke oplosbaarheid der tufkalk toch volgt het water hoofdzakelijk 
den weg loodrecht naar beneden. 

De grootere pijpen moeten evenwel niet aan de directe werking van het 
regenwater worden toegeschreven. Terwijl die kleinere nog tegenwoordig ontstaan 
kunnen, zullen de grootere in de Tertiaire tijden en gedurende het Diluvium 
gevormd zijn. In den tijd toen het Maasdal en andere dalen in deze krijtforma- 
tie door stroomend water geradeerd werden, en dat water dus de kalkgron. 
den overstroomde, werden door locale dwarrelende bewegingen in hel stroomend 
water vaste steenen in wervelbeweging rondgevoerd. Deze steenen schuurden 
aldus loodrechte pijpen in den bodem uit. Men ziet dit verschijnsel ook in 
de beddingen van snelstroomende rivieren. De gletscherbeken onder de glet- 
schers hebben dergelijke pijpen in de hardste rotsen uitgeschuurd, die onder 
den naam van retizenketels (wij noemden ze in ons werk „Onze Aarde" erosie- 
ketels)^ bekend staan. In het zachte tufkrijt ontstonden dergelijke uitschuringen 
gemakkelijker dan in de hardere gesteenten, vandaar dat men ze hier zoo veel- 
vuldig vindt. Staring zegt, „dat men de vraag niet voldoende weet te beant- 
woorden, waarom ze niet in het vuursteenkrijt zijn doorgedrongen." i) Toch 



i) De Bodem van Nederla