(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Nederlandsch archief voor genees- en natuurkunde"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 



MEDÏCAL ^CM©©L 
LÜEIEAIIO' 




r 



NEDEELANDSCH AECfflEP 



VOOB 



GEUEES- EN MTÜURKÜNDE 



^sa 



NEDERLANDSen ARCHIEF 



YOOB 



GENEES-EN MTÜÜRKÜNDE 

ONDER MEDEWERKING VAN 

i P. Q. BRONDGEEST, M. IMANS, A. P. VAN MANSVELT 

' EN H. SNELLEN 

P. C. DONDERS EN W. KOSTER 



I>MEa3Bl JAARG-Aira-. 



UTRECHT. 

W. F. DANNENFELSER. 

1868. 



K3 









tjaY'I/:^^'^ -/./•/: .^ 



Snelperedrnkkerg. *rr. a. W^/WH.dtrWcgw. — Utrecht. 



rrfifTVorv-f vr ..,. !. ' ' r f ' ' ' i^ ' "v 






.0>^a:/>^- ^ T '-^.r.i vi 



jT 'I V 12']/ :; ;^ '" ." 'J 



INHOUD. 



OORSPRONKELIJKE BIJDRAGEN. 

Bladi. 

Mao €hlLl.AtBlr. De invloed van den nervuB ragns op de adem- 

haüngsbewegingen 1 

W. KoBTBB. Bijdragen tot de kennis van het mechanisme 

yan 't ligchaam 21 

I. De drakking der lacht op het henpgewricht. . 21 
XI. De draaiing van het hoofd in de articulatie 

aÜantioo-ocoipitalis 27 

m. De bepaling van het maximum der kracht van 

de levende spier 31 

IV, Het balanceeren van den romp op het bekken, 

en de musoulus psoas minor 47 

H. SsxLLSV en H. G. Millbb. Kan de cholera op dieren 
worden overgebracht? Eenige experimenten tijdens decho- 

leïa-epidemie van 1866 51 

!F. C. DoBDBBs. Onderzoek van den oardiograaf 71 

A. Tbsvê van DB& Hbül. De invloed der respiratie^hasen 

op den duur der hartsperioden 137 

T. Plaob. De oontractie-golf der willekeurige spieren. . . 177 

J. Q. TAK deb Lith. De desoensus testiculorum 242 

Th* W. Ehgbucank. De trilbeweging 304 

Dbzbëfbb. Over de uiteinden der smaakzenuwen in de tong 

van den kikvorsch 387 

W. Kostbb. Het uittreden der ongekleurde bloedcellen door 
de "vaatWanden en de ziekteprocessen, welke daarvan het 

l^evolg zijn 414 

F» O. DotoBBs. Over de innervatie van het hart» in verband 

' met die der adembeweging « 446 

L Invloed der adembewegingen op den duur der 
hartsperioden, en in 't bijzonder op dien van sys- 

tole en diastole 447 

II. Geassocieerde werking op het hart b^ diepe in- 
ademing 455 






▼I 

Bladi. 

III. Befleotorisoh onderdrukte werking yan het cen- 
trum der vertragende liartzenuwen 447 

lY. Twijfel omtrent de rerklaring Tan den invloed 
der adembewegingen op den duur der liartsperioden. . . 487 

KLEINE MEDEDEEDINGEN VAN GEMENGDEN AARD. 

Blads. 

J. C. Mooi/. Oogbolhonder, gescliikt als ophthalmophan- 

tóme, te plaatsen in een schedel 91 

A. Ilokbn. Een speekselsteen in den daotns Whartonianus. 98 
TAV DBB Lbb. Fractuur van het hielbeen, ten gevolge van 

sterke samentrekking der kuitspieren • 100 

W. Sostbb. Ontstaan van het aangeboren niercystoid. . . 103 
F. C. Dondbbs. Twee werktuigen tot bepaling van den tijd, 
voor psychische processen benoodigd 106 

F. C. DoKDBBS. Over de opstijgende beweging der plastische 
stoffen in de bladsteelen 109 

Th. W. £iraBLHAK2r. Over schijnbeweging bij nabeelden. . 114 
A. WiBTZ. Iets over de pathologische histologie der aandoe- 

ning van het darmkanaal bij de veepest . 357 

W. KosTBB. Fibroma aan de basis cerebri en langs de wor- 
tels van sommige hersenzenuwen ... * • 360 

G. S. LüOHTiUKs. Het verloop der zenuwbundels in de ge- 
mengde zenuwen .•......•.•.••.. 365 

Th. W. Engelicanit. Over de plaats van prikkeling in de 
spiervezel bij sluiting en opening van een constanten gal- 
vanischen stroom 493 

N. J. A. C. Stbhbebg. Over den invloed van nitras argenti 
op de levende vaten en op het doordringen van bloedli- 
chaampjes 496 

Dr. SiTGBLVANir eu Dr. Flagb. Methode tot het voorkomen 
van unipolaire stroomen bij prikkeling der zenuwen . • . 603 

Th. W. Ekgblillnh. Over warmte-metingen met Schultze's 
voorwerptafel 506 

F. C. DoKDBBs. Naschrift op mijn artikel: over de innervatie 
van het hart, in verband met die der adembeweging (zie 
boven blz. 446.) 613 

P. Q. BBOHDeBBST. Scu geval van darmstriotuur. • . • . 616 

C, H« D. Buts Ballot. Over disBOoiatie 623 



VII 

UITTREKSEL UIT DE NEDERLANDSGHE LITTERATUUR. 

BUdi. 

E. MuLDiB. Solieikxindige aanteekeningen 117 

C. H. TiBBouT Chz. De watenitof in statu nascenti. ... 121 
J>. HsLUMA. Eenige ontleedkondige afwijkingen, waargeno- 
men in de Bectie-zaal yan ket Marine-Hospitaal te Wil- 
lemsoord 125 

G. S. LuoHTHAirs. Het voorkomen yan groepen yan fijne 
senuwyezelen in de motorische of yoorste wortels der pars 
dorsalis medollae spinalis yan den mensok 126 

F. Zaaubb. üntersuckungen neber die Form des Beckens 
Javaniscker Franen 127 

J. C. DB Mak. Besckrijving van eenige in ket strand yan 
Walokeren gevonden sckedels en van een cranium osteo- 
Bcleroticnm 129 

JoBBFH Bbbnabdüs Davis. On the peculiar crania oftkein- 
kabitants of certain groups of islands in the Western Pacific. 131 

W. Xostbb. Over den. invloed der plooi van ket buikvlies^ 
door de arteria nmbilicalis in de foetale bnikkolte gevormd, 
bij den descensos testicnlorom 132 

H. S. Bbtz. De tkeorie der ontsteking 133 

W. Daiocank. Kleine bedrage tot de aetiologie van sokenrboik. 134 

J* A. Sachsb. Yersterving van vingers en teenen , voorafge- 
gaan door een opmerkelijk lange ontkonding van voedsel, 
waargenomen bij den scbipbrenkeling JoknCasey. .135 

W. Dahxahk. De kerkenning der vergroeiing van pericar- 
diom en plenra 136 

E. A. Mbxb, De trillingsriokting in ket recktlijnig gepolari- 
seerd lickt 366 

F. W. Kbboeb. De verkonding van wrjnsteenznnr tegenover 
gepolariseerd lickt 367 

B. MüLDBB. Sokeikundige aanteekeningen 368 

B« A. VAH DBB BüBG. Ondcrzoek van eenige wateren te Bot« 

terdam» enz 373 

Jl Bbobxbb. Onderzoekingen betreffende ket aqna Lanro-cerasi. 376 

J. Baabt DB IA Faillb. Graviditas tnbo-uterina 378 

D» Gahtvoobt. Amenorrkoea, door ontbreken der vagina, enz. 383 

P. HABTura. Over Middelbnrgscke kekers 526 

A« Hbhtsixts. Over kaemoglobine en de omzettingsprodao- 

ten daarvan. . • 527 



VIII 



Blads. 

Dr. A. A. G. GuYB. Over de bekercellen der membnna 
nictitans 628 

Dr. C. K. HoFPiiAiTK. Orer degeneratie van de gangliSneellen 
der hersenen 528 

Dr. C. "K. HoFFUisN. Over algemeene progressieve paralyae. 691 



BOEKAANKONDItiINGEN. 

Blftds. 

C. L. Dboqnat Landbê. De besmettelijkheid der Lepra Ara^ 
bum, bewezen door de geschiedenis dezer ziekte in Suriname. 381 

M, JüDA. Over de abnormale voortbeweging van het men- 
Bchenei 383 

H. W. MiDDBNDOBF. Het vliezig slakkenhuis, in zijn wording 
en in den ontwikkelden toestand 384 

D. HüiziKGA. Eenige onderzoekingen over Ozon 532 

J. VAN DBB HoBVEN. PhiloBOphica Zoölogica. Lugduni Bata- 

vorum. 1804 636 



NAAM-REGISTEB. 



Baart de la EaiUe, 378. 

Betz, 133. 

Broeker. 376. 

Brondgeest, 516. 

Burg (van den) 373. 

Buys Ballot, 623. 

Dammann, 134, 136. 

Davis, 131. 

Donders, 71. 105, 109, 446, 613. 

Drognat Landré, 881. 

Engelmann, 114, 304, 387, 493, 

603, 606. 
Gantvoort, 380, 
Guje, 52S. 
Harting, 526. 
Hellema, 125. 
Heynsius, 527, 
Hoeven, (van der) 536. 
Hofimann, 629, 531. 
Huizinga, 532. 
Ilcken, 98, 



Jnda, 383. 

Erecke, 367. 

E:oBter, 21, 103, 132, 860, 414. 

Lee, (van der) 100. 

Lith, (van der) 242. 

Luchtmans, 126, 366. 

Man, (de) 129. 

Mac Gillavry, 1. 

Mees, 366. 

Middendorp, 384. 

Mooi], 91. 

Mulder, 117, 868. 

Place, 177. 

Sachse, 135. 

Snellen en Miller, 51. 

Sternberg 496. 

Temé van der Houl, 137. 

Thiebout, 121. 

Wirtz, 367. 

Zaaijer, 127. 



DE INVLOED VAN DEN NERVU8 VA6U8 OP DE 
ADEMHAURfiSBEWEftlNOEN, 

Dr. MACGILLAVRY. 



In nqne eerste mededeeling heb ik doen opmerken, dat 
de door Bosenthal meegedeelde experimenten geen be- 
wijs leveren voor z^ne stellige uit^.^ caak : dat electrische 
prikkeling van het centrale uiteinde van den vagus geene 
contracties van het middelrif tot stand brengt bij dieren , 
wier ademhalingsbewegingen geheel stilstaan, ten gevolge 
van bovenmatigen zuurstofaanvoer in het bloed (dieren 
in den toestand van apnoe). Ik heb verder eigen proe- 
ven meegedeeld, waarbij de prikkeling der zenuw bij 
hetzelfde dier nu eens positieve en dan weer negatieve 
uitkomsten had gegeven, een resultaat geheel overeen- 
komstig met hetgeen Bosenthal ook wel eens heeft ge- 
vonden (zie Exp. III, pag. 190 en volgende der JÜem- 
bewegungen). Onder deze omstandigheden scheen het m^ 
niet overbodig na te gaan , aan welken storenden invloed 
dit wisselvallige in de gevolgen der vagus-prikkeling moet 
worden toegeschreven. Ik zal thans in de eerste plaats 
de methode beschrijven, waardoor het mij gelukt is, 
de gevolgen der vagus-prikkeling onveranderlijk dezelfde 

1 



te doen bleven. — ^In glazen luchtp^pbuiBJes werd een mime 
zydelingsche opening gedrild 1). Deze buisjes worden 
met een ligatuur luchtdicht in de trachea bevestigd, en 
wanneer de borstkas geopend wordt door een caoutchouc- 
slang met den blaasbalg verbonden. Deze eenvoudige 
toestel verdient verreweg de voorkeur boven een ven- 
tiel-inrichting, ten eerste , omdat hij geen schadelijke ruimte 
'heeft, die oorzaak is, dat reeds uitgeademde lucht op 

•*: .'. • niei^'W: t^ordt ingeblazen, ten anderen, omdat de drukking 
• *'' ' def 'iticli^ jn de long nu niet zoo hoog kan stijgen, dat 

! \'] *•':.' -ér ibeleróttneringen in den bloedstroom ontstaan, waardoor 
wederom de zuurstofaanvoer in het bloed zou verminde- 
ren. Bij voorkeur worden pas volwassen konijnen voor 
deze proeven uitgekozen. Jonge dieren bezitten, zooals 
bekend is, grooter longen-elasticiteit dan oude, en dit ver- 
schil is nog al aanmerkelijk. Een weinig veerkrachtige long 
heeft tamelijk veel tijd noodig, om de in haar bevatte 
lucht uit te drigven, en de langere duur der exspiratie 
belet groote frequentie der blaasbalgbewegingen. 

Herhaalt men met inachtneming dezer voorzorgen Bo- 
senthal's proef, zoo zal men zonder uitzondering vin- 
den, dat prikkeling van het centrale vagus-uiteinde het 
diaphragma en de over^e inspiratoren in den toestand 
van rust laat. (Zie Exp. II en III). Hiermee zijn twee 
toevallige storingen aangewezen, waarvan de een in onvol- 
komenheid van mijn vroeger gebruikten toestel en de tweede 
in onvolledige veerkracht der longen haren grond vindt. 
Het schijnt mij aannemelijk, dat dit laatste moment ook 



1) Voor boorwerktuig is een driekante vijl met scherp gesle- 
pen punt zeer doelmatig. Op de draaibank en onder be^oohti- 
ging met een oplossing van kamfer in terpentijn, rerkrijgt men 
in korte oogenblikken zuiver ronde boorgaten. 



aanleiding heeft gegeven tot de wisselvallige uitkomsten 
van Bosenthal's boven aangehaald experiment 

Terwigl thans nqne ervaringen geheel Bosenthal's 
uitspraak bevestigen, dat prikkelii^ van het centrale 
vagos-uiteinde b^ volledige apnoe onveranderlijk negatieve 
nitkomsten geeft, moet ik het hooMbezwaar ter sprake 
brengen tegen RosenthaTs verklaring der feiten. Op 
pag. 256 der Jihembewegungen zegt Bosenthal: *^IHe 
Athmbewegungen werden erregt dureh den Beiz des BhUe avf 
das respiraiarUcie Centralorgan^\ Vergelekt men hiermede 
hetgeen de schrijver zegt op pag. 156 en 239 en in de 
noot van pag. 109, zoo wordt het duideiyk, dat hg zich 
de toedracht der zaak ongeveer aldus voorstelt: het cen- 
trum bevat de stoffen, die door scheikundige omzetting 
het arbeidsvermogen voor de innervatie der inademings- 
zenuwen leveren ; een stof uit het bloed werkt als prik- 
kel op het centrum, i. e., z^ bewerkt het tot stand komen 
der scheikundige verbinding. Heeft men nu de prikke- 
lende stof uit het bloed geheel verwijderd, dan blijft er 
een centrum over, dat dien ten gevolge wel tijdelijk on- 
werkzaam is , maar overigens alle voorwaarden voor inner- 
vatie der inspiratoren in zich bevat. Prikkeling van den 
n. vagus geeft gedurende dien toestand negatieve resulta- 
ten; derhalve is bewezen, dat de vagus niet in staat is, 
de werkzaamheid van het centrum te verhoogen of, an- 
ders gezegd, reflectorisch inademingsbeweging tot stand te 
brengen. 

De prikkelende stof in het bloed werkt, vergelgkender- 
wijs gesproken, bg deze opvatting evenals een droppel 
zoutoplpssing, die met bepaalde organen van hersenen 
of ruggemerg in aanraking gebracht wordt. De praemisse 
van Bosenthal 's redeneering is echter geheel onbewezen. 
Men heeft, zoo als gereedelijk zal worden ingezien , even- 

1* 



veel recht om aan te nemen, dat de zunrstofarme stof 
op die wijze als prikkel werkt, dat z^ in het centraal- 
orgaan zuurstof onttrekt aan lichamen, die met haar 
slechts losse verbindingen hebben aangegaan. De oxydatie 
der zunrstofarme stof in questie wordt dan de bron voor 
het arbeidsvermogen van het centrum. Houdt die bron 
op te vloeien, dan zal de vagus geen reflexen in het 
ademhalingscentrum kunnen opwekken, al bezat . hij 
overigens het vermogen refiectorisch middélrif-contractie 
voort te brengen.- Zonder dieper in de zaak door te 
dringen, moet men, dunkt mij, reeds op logische gronden 
aan beide beschouwingen gelijke rechten toekennen. Ik 
wil echter verder gaan door te beweren, dat, zuiver 
speculatief opgevat, de laatst ontwikkelde hypothese het 
waarschijniykst is. Terwijl immers de eerste twee stoffen 
postuleert, waarvan de een zich scheikundig moet ver* 
binden en de ander de rol van praedisponeerend lichaam 
speelt, heeft de tweede genoeg aan éen scheikundig 
lichaam, is derhalve eenvoudiger en eo ipso waarschijn- 
lijker. Veel moeite heb ik mij gegeven, om een experi- 
ment te bedenken, dat noopt tusschen beide hypothesen 
te kiezen. In hoe verre ik geslaagd ben, zal het ver- 
volg leeren. Nemen w§ voorloopig aan, dat de feiten 
dwingen de tweede hypothese aan te houden en de eerste 
te verwerpen, dan is het negatieve resultaat der vagus- 
prikkeling bij apnoe gevolg van het onvermogen van het 
centrum, om hoegenaamd iets te doen, voortvloeiende uit 
ontstentenis van grondstof voor werkzaamheid. Verder 
zou dan dit negatieve resultaat niets bewijzen tegen de 
stelling, dat de vagus refiectorisch inspiratie-bewegingen 
van het diaphragma opwekt. 

De gang m^ner redeneering, zoo als ze zich aan de 
waarneming heeft aangesloten, is echter een omgekeerde 



geweest. Ik heb getracht direct aan te toonen, dat de 
vagus de werkzaamheid van het centrum verhoogt, of, 
anders gezegd, reflectorisch samentrekking van het mid- 
delrif opwekt Vindt men mijne argumentatie afdoende, 
dan zal het verwerpen der eerste en het aannemen der 
tweede hypothese van zelf moeten volgen. Na deze specu- 
latieve uitweiding geef ik weer het wooid aan de ervaring. 
Dr. Snellen deed in 1854 of 55 de ontdekking, dat 
kongnen met doorgesneden vagi door sporen chloroform 
gedood worden 1). Rosenthal heeft dezelfde ervaring 
opgedaan en spreekt er van als eene êonderbare Beobach" 
tung2). Brondgeest vermeldt eveneens, dat chloroform 
kon^nen met doorgesneden vagi zeer spoedig doodt, en 
heeft, in een vorig nummer van dit tijdschrift, uitvoerige , 
met behulp van registreer-methoden gewonnen opgaven 
meegedeeld omtrent het afiiemen van hartswerking en adem- 
haling bij de stervende dieren. Daartegenover staat vast, 
dat kon^nen met intacte vagi zonder gevaar door chloro- 
form gevoelloos kunnen worden gemaakt. De waarnemers 
zijn verder eenstemmig in hunne uitspraak, dat de dood 
door chloroformisatie na doorsnigding der vagi op rekening 
komt van stilstand van ademhaling en bloedsomloop, 
waarbij echter de eerstgenoemde verrichting eerder ophoudt 
dan de tweede. De hieronder meegedeelde proeven toonen 
nu met onbetwistbare zekerheid aan, dat men dieren 
met intacte of doorgesneden vagi ongestraft ruime hoe- 
veelheden chloroform kan toedienen, wanneer gelgktijdig 
een met een blaasbalg voorzien adsistent de functie van 
het ademhalingscentrum overneemt. Vooral wensch ik 



1) OnderzoeHngen , gedaan in het phyBiologisch laboratorium 
der IJtrechtsche Hoogesohool 1854—55 pag. 121 en Tolgende. 
^ DU Aikembewegumgent pag. 28» in de noot. 



6 

hier reeds te doen altkomen, dat, wanneer niet zeer 
groote qnantiteiten chloroform in het bloed worden 
gebracht, de bloedsomloop in stand blijft Bij energische 
kunstmatige ademhaling moet echter de hoeveelheid chlo- 
roform, benoodigd om anaesthesie voort te brengen, grooter 
zijn dan -wanneer het dier actief ademt. 

Uit deze feiten volgt noodzakelijk , dat chloroform het 
ademhalingscentrum van konijnen met doorgesneden vagi 
zoo volledig verlamt, dat de hevige prikkeling van dat orgaan, 
die den stikkingsdood vergezelt, onmachtig is ademhalings- 
bewegingen tot stand te brengen. De proeven lY en Y 
bewezen verder, dat, wanneer de verlamming van het cen« 
trum door chloroform eens is ingetreden, de vagns-prikke- 
ling steeds een negatief resultaat oplevert. Ezp. lY toont 
bovendien aan , dat kunstmatige ademhaling b^ nog voor- 
handen zwakke hartwerking het lethaal gevolg der para- 
lyse zeker voorkomt. 

Het vermoeden ligt nu voor de hand, dat de vagus 
het vermogen bezit de werkzaamheid van het centrum 
te verhoogen. Nemen wij dit voor een oogenblik als 
bewezen aan, dan volgt daaruit, in verband met de zoo 
even besproken feiten, dat de vagus door reflectorische 
inspiratie-bewegingen op te wekken, voorkomt, dat het 
centrum zoo volkomen verlamd wordt, dat het dier zonder 
eenige poging tot inspiratie den stikkingsdood sterft. Maar 
dan is het tevens waarschijnlgk geworden, dat men dit 
gevaar bg een konijn met doorgesneden vagi kan afwenden, 
met de normale reflexen van den vagus te vergoeden 
door bij tusschenpoozen het centrale vagus-uiteinde elec- 
trisch te prikkelen, althans wanneer het gelukt door de 
kunstmatige reflexen de normale te compenseeren. Wat 
er van dit alles is , leert nu de volgende proef. 

'Exf. I. Bij een pas volwassen » goed gevoed albino- 



kon^n (mannetje) woxdt een glazen lachtp9p*canule met 
groote z^delingscbe opening in de trachea bevestigd. 
Beide vagi worden oyer eene zoo groot mogelgke ruimte 
geïsoleerd y onderbonden en beneden de ligatuur door- 
geknipt. De sympathicus is niet mee begrepen in de 
ligatuur. Nadat de tweede yagus doorgesneden is, zinkt 
onmiddell^k de frequentie der ademhalingen aanzienlek 
en worden de inademingen zeer diep (zichtbaar aan de 
bew^ing van thorax en trachea-canule; eveneens hoor« 
baar aan het geluid, dat de luchtstroom in de canule 
doet ontstaan). £r wordt een acupunctuur-naald in het 
middelrif gestoken. 

11 u. O m. De trachea-canule wordt geschoven in 
een papieren tuit, die van binnen met ettelijke lagen 
linnen los bekleed is en een ruime hoeveelheid chloro- 
form bevat. Toen de beweging der naald minder exeur- 
sieve diaphragma-contracties aangaf, wordt de rechter 
vagus geprikkeld, dicht bij de ligatuur, een oogenblik 
later op nieuw, maar iets hooger op dan zoo even, en 
zoo vervolgens, totdat de geheele vrig liggende zenuw 
in aanraking is geweest' met de electroden. Op dezelfde 
w^ze worden daarna de prikkelingen op de linker zenuw 
aangebracht Mijn aandacht was te zeer op het behoor- 
lijk plaatsen der electroden gevestigd, om nauwkeurig 
den uitslag van elke prikkeling te kunnen aangeven. 
Op de uitspraken van nüjn helper durf ik mg niet ver- 
laten. Zooveel kan ik echter met zekerheid meedeelen, 
dat de beweging der naald bij voortduring tamelijk diepe 
diaphragma-contracties heeft aangegeven , zoowel gedu- 
rende de prikkeling, als tusschen de afzonderlijke prik- 
kelingen in, en dat de prikkeling op den duur niet 
krachtig genoeg wsa, om het middelrif in contractie te 
doen stilstaan. De afstand der rollen bedroeg 50 mm. 



8 

(zonder gzerkem) , de afstand der rollen O mm. genomen 
in den zin yan over elkander geschoven rollen. 

Toen de beschikbare mimte van beide zenuwen ver- 
bruikt was, werd de prikkeling gi^staakt. Het middelrif 
bligft zich regelmatig samentrekken. Prikken der comea 
met de punt van een scalpel heeft geene ooglidbeweging 
ten gevolge. De tuit met chloroform wordt verwijderd. 

Er was derialoe anaestieHe door chloroform verkregen bij 
een konijn met doorgeeneden vagi^ zander dat het ademhalingen 
eenirum verlamd foae. 

Thans wordt de borstkas geopend en de kunstmatige 
ademhaling begonnen. Gedurende de operatie geeft het 
dier geen teekenen van pijn. De linker art. mamm. int 
wordt Ntoevallig gekwetst. Met kracht spuit het bloed 
uit de wonde. Aanleggen van een schui^incet. Middel- 
rif- en hartwerking zwak, wakkeren echter spoedig aan. 
De gevoeligheid geheel teruggekeerd. 

11 u. 13 m. Het middelrif sedert eenige nünuten ge- 
heel rustig. 

Prikkeling 50 mm. zonder yzerkem , rechter vagus , 
negatief. Prikkeling als boven, linker vagus, negatief. 

11 u. 15 m. Een sponsje, ruim met chloroform bedeeld , 
wordt op het ventiel van den blaasbalg geplaatst Hart- 
werking neemt af in frequentie en kracht 

11 u. 16 Vs m. Anaesthesie (aangetoond door prikken 
in 't hoomvlies). De spons met chloroform wordt ver- 
w^derd. 

11 u. 17. m. Hartwerking neemt toe. 

11 u. 19Vs m. Beageert op prikken in 't hoomvlies. 
De kunstmatige ademhaling wordt krachtig doorgezet 
Het middelrif nog geheel rustig. 

11 u. 30 m. Ophouden met kunstmatige ademhaling. 
Na 7 seconden trekt het middelrif zich samen, komt ech- 



9 

ter door onverw^ld en energisch verrichte kunstmatige 
ademhaling bgna onmiddellijk weer tot rust. De harts- 
werking steeds uitmuntend. 

11 u. 35 KL. Spontane samentrekking van het middelrif. 

Prikkeling aOmm. , zonder ij zerkem, rechter vagus, negatief. 
19 fi n n ' n linker ,1 n 

waarsch^nlijk, doordien de zenuwen hare prikkelbaarheid 
reeds verloren hebben. 

11 u. 40 m. Ophouden met kunstmatige ademhaling. 
Onmiddellgk hevige middelrif-contracties en algemeene 
krampen. 

1 1 u. 41 m. Alle spieren in rust behalve het hart , dat nog 
samentrekkingen volbrengt, krachtig geno^, om een gering 
nuttig effect voor den bloedsomloop te doen verwachten. 

Energische kunstmatige ademhaling. Hartwerking neemt 
iets toe, doch spoedig voor goed af. Ophouden kunstma- 
tige ademhaling. Vernieuwde middelfif-contracties, 15 in 
getal , die steeds zwakker en zwakker worden. De laatste, 
die bgna onmerkbaar was, had plaats om 11 u. 43V2 m. 

In aanmerking nemende, dat, wanneer na vagus-door- 
sn^ding de verlamming van het centrum eens tot stand is 
gekomen, hetzg door het opnemen van kleine hoeveelheden 
chloroform door actieve inademing, hetzij door toediening 
van groote giften met behulp van kunstmatige ademha- 
ling, de vagus-prikkeling het diaphrama zonder uitzon- 
dering in verslapten toestand laat, blijkt derhalve: 

1® diU de vagus^ gedurende de eUorofarm-narcoee volledige 
verlamming van iel ademhaUngecenirfm vooriamtf en 

2^ dal hij deze werking uUoefenl door refiedoriêcA eamen- 
trekking van iel middelrif op te weiken. 

Er valt nog het een en ander omtrent deze proef op 
te merken , hetgeen echter later van zelf ter sprake zal 
komen. 



10 

Eeeren w§ thans terug tot het dilemma: doetdeznor- 
stofarme stof, die den prikkel van het ademhalingscen- 
trum daarstelt, enkel bijv. katalytiach of praedisponee- 
rend de scheikundige verbinding tot stand komen , óf is 
zg tevens de grondstof voor het arbeidsvermogen van dat 
orgaan, — dan blijkt, dat de eerste hjrpothese niet in staat 
is het hierboven meegedeeld experiment te verklaren, om- 
dat zij aan den vagus reflectorische werkzaamheid ont- 
zegt. De tweede is daarentegen geheel in overeenstem- 
ming met de oude en de nieuwe feiten en moet derhalve 
aangenomen worden. Besluit men echter deze aan te 
nemen, dan volgt noodzakelijk destelling: Bosenthal's 
cardinale proef bewijH^ dtU^ in den toestand van apnoe^ de 
grondetof^ benoodigd voor de werkzaamheid van het ademha- 
Ungecentmm^ ten eenen male ontbreekt. 

Met het aantoonen van het reflexie-vermogen van den 
n. vagus is slechts de eerste schrede gedaan op een on- 
afzienbaar gebied. Vragen komen er in menichte op, 
bi)v. hoe en door wat wordt die reflexie gedurende het 
normale leven opgewekt, vragen, waarop voorshands nog 
geen bevredigend antwoord te geven is. Een voorloopig 
onderzoek naar de plaats , waar de reflexie wordt opge- 
wekt, heeft mij slechts negatieve resultaten gegeven, zoo- 
dat ik reeds spoedig besloot een andere questie te behan- 
delen, die gunstige uitkomsten scheen te beloven. Ik 
was namelijk opmerkzaam geworden op een secundaire 
chloroformwerking, die, nader bestudeerd, kon dienen, 
om de stof op te sporen, die den prikkel voor hetadem- 
halingsoentrum daarstelt Bij de experimenteele analyse 
stuitte ik echter op grooter bezwaren, dan ik verwacht 
had te ontmoeten, en hoewel nu m^ne onderzoekingen 
slechts met zekeren graad van waarsch^nlijkheid aange- 
ven, dat deze stof de in het bloedplasma opgeloste haemo- 



Il 

globine is ; wil ik ze hier aansluiten , te meer , omdat zg 
te gelijkert^d de bewijsstukken leveren voor eenige feiten, 
die boven reeds meegedeeld, maar nog niet bewezen zijn. 

Wanneer de zuurstof uit het bloed verdwijnt en groote 
hoeveelheden koolzuur daarvoor in plaats treden, zien 
wg , dat het ademhalingscentrum zeer frequente en krach- 
tige inspiraties tot stand brengt, ergo veel arbeidsvermo- 
gen ontwikkelt. Omgekeerd leert de waarneming, dat 
wanneer CO* zoo volledig mogelijk door het longslijmvlies 
diffundeert en O in overmaat in het bloed aanwezig is, 
het centrum niet de minste werkzaamheid verricht. In 
mijn eerste stuk heb ik in korte trekken de feiten be- 
sproken, die ons dwingen tot de hjrpothese , dateenzuur- 
stofarme stof als prikkel voor het ademhalingscentrum 
optreedt. (Ik zal in 't vervolg deze stof, kortheidshalve, 
ademhalingsstof noemen). De conclusie luidt dan aldus: 
wanneer het Moed veel O en weinig C(f bevat, verdwijnt de 
ademkalin^êstof uit iet bloed, wanneer omgekeerd weinig O 
en veel tCf in het bloed voorhanden m, wordt de ademhalingê' 
stof in groote hoeveelheid gevormd. Nu heeft Pr eij er be- 
wezen : 

1® dat zoo volledig mogel^ke onttrekking van COj en 
mime O-aanvoer op de gekleurde bloedlichaampjes geen 
waarneembaren invloed uitoefenen, en 

2* dat overmaat van CO* en sporen van O in het stroo- 
mende bloed bewerken, dat het haemoglobine van een 
groot aantal bloedlichaampjes in het bloedplasma wordt 
opgelost 1). Pre ij er vond, dat het bloed uit de art. 
carotis en uit de vena jugul. ext. van een gestikten 



1) Ueber die Biodung and AuBscheidung der Blutkohlensaure 
bei der Lnngen-niid Gewebeathmung. Sitzungsber. i. kfus. Akad. 
der Wiafemchaftea. Bd. XLIZ. 



12 

hond hetzelfde voorkomen bezat, en dat eendrappel van 
beide bloedsoorten onder het mikroskoop binnen iets min- 
der dan twee minuten na de ontlasting uit de vaten rijke- 
lijk kristallen van haemoglobine afzette. Wanneer de 
kunstmatige ademhaling op een konijn wordt toegepast, 
dan heeft men het geheel in z^n macht te bewerken, 
dat in het bloed aanwezig zijn: 

in ffrootere hoeveelheid ^^ kleinere hoeveelheid, 

m grootere noeveelüeid, ^j ^ ^^^ ^j^^j ^^^^ 

COS O; 

opgelost haemoglo- 
bine, 
ademhalingsstof. 

óf O, CO, 

opgelost haemoglobine 
ademhalingsstof 

óf O, co«, 

opgelost haemoglo- 
bine, 

ademhalingsstof. 

De eerste toestand treedt in, wanneer de kunstmatige 
ademhaling zwak of in het geheel niet werkt, de tweede, 
bij zöo krachtig mogel^ke kunstmatige ademhaling , en de 
derde, wanneer krachtig wordt geademd , nadat de kunstma- 
tige ademhaling eenigen tijd zwak of niet gewerkt heeft. 

Nieuwere onderzoekingen van Preijer, meegedeeld in 
hetCentralblatt für dieMedicinischen Wissenschaften, 1866, 
No. 21, doen bovendien zien, dat opgelost haemoglobine 
zich met O verbindt, in verhouding van 1 gr. zuiver 
gekristalliseerd haemoglobine van den hond met 1,3 
Gcm. O , (gereduceerd op o» G. en 1 m. drukking) , waar- 
uit volgt, dat in ons derde geval het opgeloste haemo- 
globine waarsclqnlijk reeds met O verbonden is. Het in 



18 

verband brengen dezer feiten stelt tot eene geyolgtrék* 
king in staat, namel^k deze: de grootere of kleinere koe- 
veeUeid aiemhdlingestof in hei bloed gaat hand aan hand 
met eene grootere of kleinere hoeveelheid in het bloedplasma 
ppgeloete, niet met O verbonden haemoglobine. 

De vermeerdering der opgeloste haemoglobine was in 
bet schema van zoo even het gevolg van zuurstofonttrek- 
king aan de bloedlichaampjes. Nu kan de oplossing van 
haemoglobine in het plasma nog op vele andere wgzen 
verkregen worden, bijv. door het bloed te bedeelen met 
chloroform, aether, water of galzure zouten. Kan aange* 
toond worden , dat na het opnemen dier stoffen in het bloed 
ook steeds de ademhalingsstof in het bloed vermeerderd 
wordt, dan zou de coincidentie van zoo even reeds met 
eenige waarschgnlijkheid tot identiteit van haemoglobine 
en ademhalingsstof kunnen doen besluiten. Het bl^kt 
uit de experimenten, dat na krachtige chloroformisatie 
lo. de kunstmatige ademhaling zeer energisch moet zgn, 
om spontane contracties van het middelrif te voorkomen , 
en 2o. het staken der kunstmatige ademhaling na wei- 
nige secunden door middelrif-contractie gevolgd wordt; 
terwgl, ceteris paribus, een niet vooraf gechloroformeerd 
konijn ettelijke minuten met verslapt middelrif blijft lig- 
gen. De inwerking van chloroform op het dierlijk orga- 
nisme is echter zoo gecompliceerd en nog zoo onvolledig 
bekend, dat men niet dan in hoogen nood gevolgtrekkin- 
gen uit deze feiten zal maken. Ik hecht daarom meer 
waarde aan resultaten, die verkregen zijn door ini^puiting 
van water in de bloedvaten, sik geef hier twee experi- 
menten over de gevolgen van waterinspuiting, en voeg 
er enkele proeven met chloroform bij 1). 



1) Ter juistere beoordeeling der in deze bedrage medegedeelde 



14 

Exp. II. Volwassen mannelijk albino-kon^ni met goed 
veerkiachtige longen. 

Invoering der Inchtpijp-Ganule, doorsnyding der vagi; 
twee draden worden op eenigen afstand van elkander om 
de venajugol. ext. gelegd , doch de knoop niet toegehaald. 
Opening der borstkas, kunstmatige ademhaling. Het 
middelrif houdt zich spoedig geheel rustig. CDe zijde- 
lingsche opening voor de ezspiratie was bij deze en de 
volgende proef in de caoutchouc-slang dadelgk boven de 
canule aangebracht). 

11 u. 30 m. Prikkeling; afstand der rollen 64 mm., 
met ijzerkern , rechter vagus , negatief. Eveneens van den 
linker vagus, negatief. 

Afstand 44 mm. met gzerkem, rechter vagus, negatief. 

11 u. 35 m. Inspuiting van It k 12 ccm. lauwwarm 
gedestilleerd water in de vena jugul. ext. naar het hart 
toe. Be ader wordt boven en onder de wond onderbonden. 
De frequentie der hartslagen neemt toe. 

11 u. 41 m. Zwakke contracties der hals-inspiratoren. 

11 u. 42 m. Zwakke middelnf-contractie. 

11 u. 43 m« Idem. 

Hierop volgen nog eenige steeds sterkere contracties. 
De eerste samentrekkingen duurden kort, en verminder- 
den de welving van het middelrif slechts weinig. 

11 u. 50 m. Steeds krachtiger middelrif-contracties. 



experimenten diene, dat enkel de ToUedigBte en meest afdoende 
Toor den druk zijn uitgezocht. Aangezien ik meestal met onge- 
noegzame halp heb moeten arbeiden, is het mij Bomtyds, Tooral 
in den beginne, niet mogelijk geweest, de aandacht yolledig op 
een punt te conoentreeren, en wantrouw ik de juistheid van 
enkele observaties. Experimenten, die aan dit euvel mank gaan, 
heb ik ter zijde gelegd. Het getal genomen proeven (de in het 
eerste stukje meegedeelde niet meegerekend) bedraagt vijftien. 



15 

11 n. 57 m. Prikkeling, 44 mm. met ijzerkern ^ rechter 
vagus. Besultaat niet aan te geven, omdat hevige alge» 
meene krampen ontstatm, waardoor het middelrif sterk 
in de borstholte wordt gedreven. 

Prikkeling, 109 mm. met ijzerkem, linker vagns, con- 
tractie. 

12 n. 3 m. Frequente, sterke contracties. Zeer ver- 
snelde kunstmatige ademhaling. Hartwerking uitmuntend. 

12 n. 12 m. Middelrif wordt meer rustig. 

12 u. 14 m. Middelrif blijft geheel rustig. Ophouden 
met kunstmatige ademhaling. Ka 15 secunden samen- 
trekking van het middelrif; algemeene krampen. 

ïlzp. III. Volwassen mannelijk konijn met goed veer^ 
krachtige longen. 

Voorbereiding als boven. 

NB. Oedurende de geheele proef zeer energische kunst- 
matige ademhaling. 

11 u. 18 m. Opening der borstkas. 

Middelrif spoedig geheel rustig. 

11 u. 25 m. Prikkeling 109 mm., met ^zerkem, linker 
vagus, negatief. 

Prikkeling, 109mm., met ij2serkem, rechter vagus,negatief. 

11 u. 30 m. Zeer langzame inspuiting van 10 k lOVs 
ccm. lauwwarm. gedestilleerd water. 

11 u. 33 m. Beweging der neusvleugels* 

11 u. 34 m. Lichte krampen. 

11 u. 42 m. Nog geen samentrekkingen, noch der 
lialsspieren , noch van het middelrif. 

11 u. 52 m. Prikkeling, 109 nun., met ijzerkem , r^hter 
vagus, negatief. 

Prikkeling, 109 mm., met ij zerkem, linker vagus, negatief. 

JI u. 55 m. Ophouden met kunstmatige ademhaling. 



16 

Na 15 seconden middelrif-contracties. Vernieuwde, kunst- 
matige ademhaling; middelrif komt weer tot rost 

12 JL Ophouden met kunstmatige ademhaling. Na 10 
secunden middelrif-contractie. 

Exp. lY. Volwassen albino-kon^n , met goed veer- 
krachtige longen. 

Trachea-canule met gedrilde opening. Doorsn^ding van 
beide vagi. Naald in 't diaphragma. Een met chloroform 
gedrenkt, eenige keeren dubbel gevouwen lapje wordt 
los over de canule gelegd, zoodat de lucht bg in- en 
uitademing vr^ kan doorstroomen en zich met eene geringe 
hoeveelheid chloroform vermengt. De naald toont aan, 
dat het middelrif eerst diepere en daarna zeer irequente 
oppervlakkige samentrekkingen volvoert. De frequentie 
neemt af en spoedig staat de naald geheel siil. 

Prikkeling, 100 mm., zonder ijzerkem, rechter vagus, 
drie keeren herhaald, negatief. 

Prikkeling, 50 mm., zonder gzerkem, beide vagi naast 
elkander op de electroden, negatief. 

De gelijktijdige prikkeling van beide zenuwen wordt 
nog eens herhaald, negatief 1). 

Opening der borstkas, kunstmatige ademhaling. Hart- 
werking wordt beter. Middelrif maakt samentrekkingen, 
die echter spoedig ophouden. Door een wond in de vèna 
jugul. ext. wordt lucht in het hart geblazen en de ader 



1) Het verrolg dezer proef, hoewel niet direkt tot ons onder- 
werp beboorende, bob ik meegedeeld, omdat het een aanschou- 
welijk bewQs levert Toor de algemeen aangenomen verklaring 
Tan den dood na intrede van lucht in de aderen, en ook omdat 
het een gemakkelijk middel aan de hand geefl, om hyperaemieên 
en oedemata op te wekken. Het spreekt van telf, dat men voor 
dit doel slechts een Tniniynnm lucht mag inbrengen. 



17 

onder en boven de wond onderbonden. Eigenaardig bor« 
reiend geluid in het hart; rechter hart sterk uitgezet; 
de aderen, die in het rechter hart inmonden, tot berstens 
toe gevuld. Linker hart bloedleeg. Spoedig afnemen der 
hartwerking. Enkele zeer krachtige bewegbgen van 
middelrif en halsinspiratoren, algemeene krampen, dood. 
De kunstmatige ademhaling is tot het laatste oogenblik 
in gang gehouden. 

De borst-ingewanden worden in massa onderbonden b^ 
de bovenste borstkasopening en dadelijk boven het middel- 
rif , daarna een paar dagen in sterken spiritus bewaard. 
Sectie: in het sterk uitgezette rechter hart een groot 
coagulum met ruime luchtholten; in het linker hart een 
klein eoagulum zonder een enkel luchtblaasje. De long- 
slagader en hare takken vol lucht De hartaderen tot 
berstens toe gevuld; de hartslagaderen bloedleeg en 
samengevallen. 

Exp. V. Bijna volwassen konijn (mannetje). 

Luchtpijp-canule zonder zijdelingsehe opening. Toestel 
voor kunstmatige ademhaling met een ventiel voorzien. 
Schadelijke ruimte zoo klein mogelgk. 

3 u. 23 m. Opening der borstkas. Middebif komt 
niet volledig tot rust. 

Prikkeling, 50 mm. zonder ijzerkem, contractie. 

3 u. 31 m. Prikkeling 50 mm. zonder ijzerkern, rech- 
ter vagus, sterke contractie. 

Prikkeling, 50 mm. zonder ijzerkem, linker vagus, 
contractie. 

Prikkeling als boven, contractie. 

3 u. 37 m. Prikkeling als boven, negatief. 

3 u. 39 m. Prikkeling als boven, contractie. 

3 u. 41 m. Prikkeling als boven, negatief. 

2 



18 

Ghloroformisatie door opleggen eener met chloroform 
gedrenkte spons op het Tentiel van den blaasbalg. 

3 n. 46 m. Gevoelloos (aangetoond door prikken in 
het hoorn vlies). Ophouden mot chloroformeeren. 

Prikkeling, 50 mm. zonder ijzerkem, negatief. 

3 u. 47 m. Spontane contracties van het middelrif. 

3 n. 48 m. Hartslag frequent, longslagader verwijd. 

3 u. 49 m. Samentrekkingen van hals-inspiratoren en 
middelrif, zeer krachtig. 

3 u. 57 m. Prikkeling 50m.iii. zonder ijzerkem, rech« 
ter vagus, contractie. 

Prikkeling als boven, linker vagus, contractie. 

4 u. O m. Prikkeling als boven, rechter vagus, contractie. 
4 u. 5 m. Herhaalde chloroformisatie. Hartslag ver- 
snelt. Middelrif maakt nog spontane samentrekkingen. 

4 u. 6 m. Anaesthetisch (aangetoond door prikken 
in 't hoorn vlies). Hechter hart uitgezet Kramp der 
halsspieren. 

4 u. 7 m. Middelrif tot rust. 

4 u. 8 m. Prikkeling, 50 mm. zonder igzerkem , rech- 
ter vagus, negatief. 

Prikkeling als boven, linker vagus, negatief. 

4 u. 8V2 m. Prikkeling, O mm. zonder ijzerkem, rech- 
ter vagus, negatief. 

4 u. 9 m. Prikkeling als boven, linker vagus, negatief. 
' 4 u. 11 m. De spons met chloroform wordt verwijderd. 
Bechter hart sterk overvuld. Het diaphragma blijft rustig. 
De hartswerking neemt sterk af. Bij prikkeling van het 
peripherisch vagus-uiteinde blijft het hart in diastole stil- 
staan, begint daarna weer onvolkomen, doch frequente 
samentrekkingen te maken. 

UB. Bij de tweede chloroformisatie is een enorme hoe- 
veelheid van het anaestheticum toegediend. 



19 

Niemand is meer dan ik zelf overtuigd, dat deze waar- 
nemingen volstrekt niet afdoende zijn, om voor goed de 
haemoglobine te beschouwen als de grondstof, die door 
verbinding met zuurstof het arbeidsvermogen van het 
ademhalingscentrum produceert. Ik ken aan deze opvat- 
ting, zoo als reeds boven gezegd is, slechts een zekeren 
graad van waarschijnlijkheid toe. Voor het oogenblik 
stelt zij ons echter in staat de feiten te verklaren, en 
bovendien schijnt ze zeer geschikt, om experimenteel on- 
derzoek uit te lokken. Hieipi vind ik redenen, om ze 
voorloopig en onder voorbehoud aan te nemen, tot ons 
iets beters ten dienste sta. Ik moet nog toevoegen, 
dat men grond heeft, om aan te nemen, dat, wanneer 
haemoglobine zich in de weefsels met zuurstof verbindt, 
deze verbinding een geheel ander karakter zal hebben, 
dan de losse binding van zuurstof door opgelost haemo- 
globine 1). 

In korte trekken wil ik nog de hoofdpunten mijner 
beide mededeelingen over den vagus samenvatten: 

1. Het constant blijven der luchtshoeveelheid (Ath- 
mungs-grösse) na doorsnijding van beide vagi, bg een 
konijn, bewast niet, dat de werkzaamheid van het adem- 
halingscentrum even groot gebleven is, en bijgevolg niets 
tegen eene reflectorische werking van den vagus op de 
inademingspieren. 

2. Wanneer door electrische prikkeling van het cen- 
trale vagus-uiteinde gedurende de kunstmalige ademhaling 



1) Van eenig gewicht Toor dit onderwerp acht ik eene mikro- 
chemifiche stadie van het kon elig pigment, waarmee de met vele 
uitloopers yoorziene zenuwcellen der substantia fermginea op 
den bodem der roitvormige groeve gevuld zijn. Wanneer aan- 
getoond kan worden, dat dit pigment een derivaat van de bloed- 
kleurstof is , zou de waarschijnlijkheid mijner hypothese toenemen. 

2* 



20 

samentrekking van het middelrif ontstaat, bewijst deze 
samentrekking , dat de zuurstof-aanvoer onvoldoende is , om 
volledige apnoe voort te brengen. 

3. De negatieve resultaten van vagus prikkeling gedu- 
rende volledige apnoe worden veel waarschgnlijker ver- 
klaard, door aan het ademhalingscentrum gedurende dien 
toestand alle mogelijkheid tot werkzaamheid te ontzeggen, 
dan door ontkenning van het reflectorisch vermogen van 
den vagus. 

4. De vagus voorkomt volledige paralyse van het adem- 
halingscentrum gedurende de chloroformisatie van konij- 
nen , en wel doof reflectorisch inspiraties op te wekken. 

5. Het is zeer wel mogelijk en zelfs eenigzins waar- 
schijnlijk, dat in het bloedplasma opgeloste, niet met zuur- 
stof verbonden haemoglobine de grondstof is , die in het 
ademhalingscentrum door ozydatie het benoodigd schei- 
kundig arbeidsvermogen produceert. 



. BIJDRAftEN TOT DE KENNIS 
VAN HET MECHANISME VAN 'T LICHAAM, 

DOOB 

W. KOSTER. 



I. De drukking der lucii op het AeupgewriehL 

In eene uitvoerige verhandeling 1) heeft E. Bos e, 
docent in de chirurgie te Berlijn, op grond van een 
aantal oorspronkelijke onderzoekingen en scherpzinnige 
beschouwingen, de theorie der gebroeders Web er over 
de bevestiging van het heupgewricht door de drukking 
der lucht trachten te weerlozen. 

Schoon ik niet aarzel, in de hoofdzaak met de denk- 
beelden van Rosé in te stemmen, schenen mij zijne 
proeven met het heupgewricht zelve niet geheel juist, 
ten minste voor een deel in strijd met hetgeen ik zelf 
zoo dikwijls had gezien en aan anderen doen zien. In 
de laatste weken kpn ik over een tamelijk groot aantal 
versche praeparaten van het heupgewricht beschikken, 
en heb ik met de studenten, uitvoeriger dan gewoonlijk, 
het mechanisme van het heupgewricht bestudeerd. 

Volgens R o s e =— en dit is het experimentum crucis — 



1) Jrehio fut Anatomie, Fhysiologie u 8. w.TonBeicherta. 
du Boi6-£eymoxid 1865, Hfb. Y. 



22 

blgft het d^been ook dikwgls in de heupkom hangen, 
nadat men een groote opening in den wand gemaakt 
heeft, zonder dat men daarop den vinger zet. nlch 
tanchte beide Stücke des Gelenks, das noch überall 
gUnzte, in Wasser^ nnd — die Engelscfaale hing ohne 
Fingerdruck , selbst nachdem das Lig. teres abgeschnitten 
und der ganze Inhalt der fovea acetabuli entfemt, so 
dass die Lnft frei Zutritt hatte. Bald glückte es aber 
nicht mehr; ich legte es dann nnr wieder in 's Wasser. 
Blieb es zn lange liegen, so ging es danach aber auch 
nicht." 

Daar Bose volkomen geloofwaardig is, kan men 
moeielijk de genoemde feiten in twijfel trekken. Ik 
moet echter verzekeren, dat het m^ nooit gelnkt is, ze 
bevestigd te zien. Een enkele maal kwam het voor, dat 
het dijbeenshoofd, in de henpkom 'gebracht, nadat er 
een gat in geboord was , bleef hangen, nadat de vinger 
van de booropening genomen was, doch toen bleek het 
duidelijk, dat de opening uitkwam in het aanhechtings- 
weefsel van het ligamentum teres in de fovea acetabuli. 
Daarbij kan de opening licht verstopt raken door het 
synoviale weefsel, dat door het hoofd van het dijbeen zelf 
er in en tegenaan gedrukt wordt, en waardoor de lucht 
kan belet worden in te dringen. Nam ik al het weefsel 
uit de fovea acetabuli weg, zoodat de booropening geheel 
vrij was, dan bleef het dijbeen nimmer hangen, zonder 
dat ik van buiten de booropening met den vinger sloot. 

Ik kan echter, blijkens de aangehaalde woorden van 
Bose, deze verklaring op zijn geval niet toepassen, 
vooral ook daar hij een gat van V4 duim middellijn 
geboord had! 

't Wekt echter verwondering, dat vooraf met hetzelfde 
praeparaat proeven genomen waren, welke Bose aldus 



23 

beschrgft: „Nachdem ich alles Bohrpulver entfemt, 
drüokte ich jetzt den Eopf wieder hinein, und hielt 
auBsen den Finger anf dem Pfannenloch. Er sass fest; 
liess ich los, so fiel er, was ich mehrmals constatirte* 
Dieser Yersuch kann ja mit demselben Bein nach Belieben 
wiederholt werden, und gelingt immer. ^^ Waarom bleef het 
dgbeen ook nn niet door adhaesie een enkele maal hangen? 

De laatstgenoemde proeven bewijzen in elk geval de 
luchtdichte afsluiting door het labrum cartilagineum , 
en de bevestiging van 't gewricht door de luchtdrukking. 
Wel is waar hecht Rosé hier veel meer aan het indrin- 
gen van lucht door de booropening, welke met de sy- 
novia in aanraking gekomen, de werking van deze als 
klevende tusschenstof opheft, maar zgne eigene proeven 
met het half afgezaagde dgbeenshoofd bewezen ten over- 
vloede, dat werkelijk de luchtdrukking het dijbeenshoofd 
in de heupkom houdt. Of moet hier de adhaesie tusschen 
het labrum cartilagineum en den kleinen kring van het 
d^beenshoofd, die nu daarmede in aanraking is, het d^been 
dragen? Dat komt mij hoogst onwaarschijnlijk voor. De 
proeven met het half afgezaagde dijbeenshoofd zijn wer- 
kelijk zeer treffend. De heupkom is dan voor een groot 
deel met lucht gevuld. Toch blijft het dijbeen, als het 
hoofd goed aansluitend tusschen het labrum cartilagineum 
gebracht is, weer hangen, als men de booropening van 
buiten sluit, en valt onmiddel^k als men den vinger 
oplicht. 

Ik kan het verschil in Bose's resultaten en de mijne 
niet verklaren. Heeft er wellicht een vergissing plaats 
gehad, en hebben zijne proeven, waarbij het dijbeen, 
nadat er een gat in de heupkom geboord was, toch 
hangen bleef, op andere praeparaten betrekking, dan 
hetgeen ik straks vermeldde, en waarby dan andere ver- 



24 

houdingen in 't spel kunnen geweest z^n? Ik moet 
afwachten, of anderen Bose's ervaring bevestigen , en zal 
dan erkennen moeten, dat het toeval mij ongunstig is 
geweest Immers het blijkt, volgens Bos e, geheel van 
den toevalligen toestand der tusschenstof en de positie 
van dijbeenshoofd en heupkom af te hangen , of het eerste 
in 't laatste (door adhaesie) blijft hangen of niet 

Dat de luchtdmkking bij gesloten gewricht werkelijk 
het d^beenshoofd in de heupkom houdt, blijkt duidelg^ 
op de volgende wijze: Men snijdt den beursband om den 
hals van het dijbeen rondom los, ver van het gewricht 
af; men trekt vervolgens met groote kracht aan het 
dgbeen, zoodat het hoofd, bl^kens de verplaatsing, voor 
een groot gedeelte van het acetabulum verwgderd is. 
Men ziet daarbij het gedeelte van den beursband, dat nog 
aah de heupkom zit, boven het hoofd naar binnen geperst 
worden; maar laat men het d^been los, voor dat het 
geheel uit de holte van den beursband naar buiten 
getrokken is, dan glipt het met kracht terug, als een 
zuiger van een spuit, waarvan men de opening op den 
vinger geplaatst heeft, voor dat men den zuiger optrok. 

Overigens stem ik volkomen met Rosé overeen in de 
meening , dat de spierwerking en de adhaesie het dijbeen 
in de heupkom houden. Dat de mechanische inrichting 
van het gewricht noodzakelijk een luchtdichte afsluiting 
en een bevestiging door luchtdmkking ten gevolge moet 
hebben, is k priori duidel^k en blijkt door proeven. 
Doch gedurende het leven komt dat mechanisme wel 
nimmer in het spel (tenzij wellicht bij dreigende luxatio 
violenta, waar 't geweld het dijbeenshoofd reeds gedeel- 
telijk uit de heupkom gedreven heeft, maar waarbg 
't ontstaande vacuüm nu voor het tegengaan der luxatie 
medewerkt). De vele gevolgtrekkingen, uit de proeven 



25 

van Web er gemaakt, zoo als het moegelijker bewegen 
der onderste ledematen op hooge bergen (??) door de 
mindere Incbtdmkking, en hoogere eischen aan de spier- 
werking, enz., moeten vervallen. Zij zgn, in abstracto, 
afgeleid uit de mechanische inrichting van het heup- 
gewrioht, niet onjuist, maar zij hebben geen reëele betee- 
kenis. Terecht zegt Rosé: „Wie weit der Luftdruck 
mit der Adhaesion concurrirt, darüber habe ich keine 
directen Yersuche angestellt Sicher ist dass ihre Mitwir- 
kung überflüssig." — 't Is nu de vraag of bij volledige 
verlamming der heupspieren, ook een luxatio paralytica 
van de d^ ontstaan zou, zoo als die bij verlamming der 
schouderspieren (bij de atrophia muscularis progressiva) 
zich vormt? Ik meen van neen, en wel op grond der 
luchtdrukking op 't heupgewricht, mits natuurlijk de 
zwaarte der onderste extremiteit niet grooter zij dan 
de kracht uitgedrukt door r^ ;r X ^^ barometerhoogte 
(r= de straal van 't bolvormige dijbeenshoofd). De 
gevallen van willekeurige luxatio femoris (o. a. door 
Emmert en Stanley 1) waargenomen) zouden zeker 
voor een ontleedkundig onderzoek van het gewricht zeer 
belangrijk zijn. 

Bij deze gelegeuheid wil ik nog een paar bijzonder* 
heden vermelden, welke bij de Webersche proeven in 
het oog vallen. Wanneer alles tot de proef voorbereid 
is, en het darmbeen in de hand gehouden wordt, schijnt 
soms de proef te mislukken ; het dijbeenshoofd glipt naar 
buiten, terwijl de booropening gesloten was. Dit gebeurt 
wanneer men het darmbeen zóó houdt, dat het^ dijbeen 
ver naar buiten afgevoerd is. Het hoofd puilt dan aan 
de binnenzijde uit, en aan de buitenzijde is de hals in 



1) Emmert, Heelkunde, yert. door Polano, D.I. bldz.706. 



26 

het gewricht gedrongen. Het labrom caxtilaginenm van 
den henpkomsrand kan natuurlijk nu niet sluiten; er 
dringt lucht van buiten naar binnen. 

Het omgekeerde kan ook Toorkomen. Men kan het 
darmbeen in betrekking tot het dijbeen zóó houden, dat 
het, schoon er 6 kilogrammen aanhangen, als men den 
vinger van de booropening a&eemt, niet uit de heupkom 
glipt. In dat geval is de positie, gelijk zij gedurende 
het leven bij de uiterste strekking der dij is, waarby 
de zona orbicularis Weberi in sterke spanning komt, 
bij voorbeeld als wg, rechtop staande, het bekken zoo- 
veel mogelijk achterover buigen. £g de proef ziet men 
dan ook de spanning der zona; het dgbeenshoofd kan 
niet uit het gewricht, omdat het niet verder draaien 
kan ; het d^been met het gewicht hangen aan den band, 
en men hoort dien kraken als men de belasting nog ver- 
meerdert. 

Uit de beschreven proeven en de bekende anatomische 
en physische feiten mag het volgende afgeleid worden: 

V. De hermetische afsluiting van het dijbeenshoofd 
binnen het acetabulum maakt, dat, gelijk Web er leerde, 
wij zonder spierwerking in dat gewricht ongeveer 14 
kilogrammen zouden kunnen dragen (oppervlak van een 
groeten cirkeldoorsnede van 't dijbeenhoofd = r* ;;c = 
21 X 21 X 3,14= bijna 14 vierkante centimeters). 

2°. Bij sterke strekking der dij draagt de zona orbi- 
cularis Weberi, zonder den invloed der dampkringsdruk- 
king, hetzelfde en nog grooter gev^icht. 

Uit de physische proeven en de juiste redeneringen 
van Rosé volgt echter: 

3o. Dat gedurende het leven de spierspanning en de 
adhaesie der aaneensluitende vlakten van heupkom en dij- 
beenshoofd, de onderste ledematen reeds dragen , zoodat het 



27 

effect der dampkringsdrukking daarbij niet ia aanmer- 
king komt 

II. De draaiing van het hoofd in de arlieulatio atlantioo- 
ocdpitalis. 

Terwijl de mechanische inrichting van het gewicht tus- 
schen atlas en epistropheus, en de aanwezigheid van een 
b^zondere, krachtige draaispier (mnscnlus obliqnus capi- 
tis posticxis inferior) dit gewricht tot een zuivere articn- 
latio rotatoria stempelen, is het gewricht tusschen atlas 
en achterboofdsbeen meer samengesteld. Dat er in de 
eerste plaats de vóór- en achterwaartsche beweging van 
het hoofd in geschiedt, is bekend. Verder wordt er al- 
gemeen een zijwaarts-beweging van het hoofd (naar den 
schouder) in aangenomen, uit den aard der gewrichts- 
vlakten, de aanwezigheid van den musculus rectus capi- 
tis lateralis, en op grond van proeven met een praeparaat 
gemakkelijk te bewijzen. 

In de uitgebreide en degelijke onderzoekingen van 
W. Henk e )) werd het verband tusschen draaiing inde 
articulatio epistrophicoatlantica en de zijwaars-neiging 
in de articulatio atlantico-occipitalis , benevens het me- 
chanisme der banden , nauwkeurig onderzocht ; van een 
roiaiie in het laatstgenoemde gewricht, welke de rotatie 
in het eerstgenoemde ondersteunt , spreekt hij echter niet. 
Bg Hen Ie 2) vindt men vermeld, dat er, bij voorover- 
gebogen hoofd, eenige draaiing in de articulatio atlantico- 
occipitalis mogelijk is. Overigens is het mij niet bekend, 
dat er een draaiing in dat gewricht geconstateerd is. 



1) Handbuch der Anatomie uii4 M^ol^iuk de|r Gelenk^» S. 
92 u. f. 
S) Ba^^d^rlehre, S. 47* 



28 

Bij het demonstreeren der diepe spieren van den nek f 
welke het hoofd bewegen, en van de gewrichten en be- 
wegingen zelve, trof het m^ reeds meermalen, dat, aan 
een praeparaat met goed geïsoleerde spieren, waarvan 
men het achterhoofdbeen zooveel mogelijk naar ééne zïjde 
draait, bgv. naar rechts, niet alleen de musculns obliquus 
capitis inferior dexter sterk verkort wordt, maar bij het 
einde der draaiing ook de musculns obliquus capitis supe- 
rior der andere zijde. 

Met den student Schroeder van der Eolk, den 
zoon van mijn voorganger, heb ik de zaak thans verder 
onderzocht. Om den aard en approximatief de hoeveel- 
heid der draaiing in beide gewrichten te leeren kennen, 
gingen wij op de volgende wijze te werk. 

De diepe nekspieren werden zorgvuldig gepraepareerd 
en geïsoleerd. De schedel was, na het losmaken van 
slokdarm en keel van de voorvlakte der halswervelen , 
in de verlengde richting dezer voorvlakte afgezaagd. Het 
achterste schedelstuk werd nu ook, in de verlengde rich- 
ting van de processus spinosi der halswervelen, in 't fron- 
tale vlak afgezaagd, zoodat er van den schedel slechts 
een ring overbleef, welke met den atlas articuleerde. 
Deze ring werd op den rand van een tafel vastgespij- 
kerd, zoodat de atlas nog boven den rand der tafel lag, 
en op zijn beurt door krammen, om de uitstekende pro- 
cessus transversi heen, gemakkelijk op het tafelvlak on- 
bewegelijk kon gemaakt worden. In den processus spi- 
nosus epistrophei werd, loodrecht op den horizont, een lange 
naald gestoken* Yerder plaatsten wij een uit carton ge- 
sneden bord met de randen op de tafel , derwijze dat het 
midden van den onderrand een genoegzaam groote uit- 
snijding had, om de halswervelen op te nemen, 't Lood- 
recht staande vlak van het bord kwam dus langs de naald 



29 

te li^en , welke bij draaiing van den epistropliens er zich 
langs bewoog en met haar pnnt een cirkelboog beschreef. 

Nam men nn de halswervelen in de hand, dan kon 
men den epistrophens naar rechts en links draaijen. De 
pont der naald beschreef dan naar elke zijde, bij 
krachtige draaüng, een boog van ongeveer 41 graden. 

Maakte men nn op de straks gezegde wijze den atlas 
onbewegelijk, dan was de nitslag der naald steeds veel 
minder, naar elke zijde slechts ongeveer 33 graden. 

Men zou meenen kunnen , dat dit verschil wellicht 
van de kracht, waarmee de epistrophens gedraaid werd, 
afhing. De tegenwerping vervalt, doordien telkens zoo 
sterk moffelijk door dezelfde persoon gedraaid werd, en 
doordien het verschil constant bleef bij herhaling der 
proeven. Daarentegen gaf de draaiing van den epistro- 
phens alléén, bg herhaling, slechts verschillen van li2 
graden , evenzoo de draaiing met losgelaten atlas. Het 
verschil moet dns afhangen vaii een draaiing in de arti- 
cnlatio atlantico-occipitalis in 't ééne, en haar ontbreken 
in 't andere geval. 

Absolnnt mogen onze getallen (wegens de sterke krachts- 
aanwending bij doode doelen) iets te groot zijn, relatief 
z^n zg juist 

Men ziet bij deze proeven, wat men bg 't houden van 
het praeparaat in de hand reeds opmerkt, weder duide- 
Igk, hoe eerst de musculus obliquus inferior der zijde, 
waarheen gedraaid wordt, en aan 't einde der draaüng 
de musculus obliquus superior der andere zijde verkort 
wordt 

Wanneer derhalve het hoofd rechts naar achteren wordt 
gedraaid^ trekt zich eerst de musculus obliquus inferior 
samen en doet den atlas draaien ; als hier het uiterste 
bereikt is, wordt de door den obliquus inferior dext^r 



30 

vastgehouden atlas vast punt voor den musculus obliquus 
superior sinister, die het achterhoofdsbeen nog de laatste 
draaiing naar rechts doet ondergaan. 

Hierbg voegt ssich dan de door Henk e bestudeerde 
zijwaarts-buiging in 't zelfde gewricht (musculus rectus 
capitis lateralis, welke reeds van 't mechanisme der ban- 
den afgeleid kan worden en naar Henko's beschrijving 
„nicht ganz rein in frontalen Ebenen geschieht, sondem 
einige Drehung zur Seite hin einschliesst DerEopfwird 
bei Neigung nach rechts im Atlas ein wenig nach links 
gedreht, u. s. w." Dit is alles wat Henk e van de 
draaiing in de articulatie atlantico-occipitalis vermeldt. 
'tBesultaat onzer proeven bevestigt trouwens z^ne op- 
merking , en toont, dat de draaiing in 't genoemde gewricht 
ongeveer Vs van de geheele draaiing tusschen achterhoofds- 
been, atlas en epistropheus bedragen kan. De draaiing 
in de articulatie atlantico-occipitalis verbindt zich gedu- 
rende het leven echter steeds met de^zijwaarts-buiging, 
waardoor de schuin naar boven gerichte stand van het 
aangezicht, by ongedwongen omdraaiing van 't hoofd 
naar rechts of links, bewerkt wordt 

Wg beproefden ook de hoeveelheid der totale draaiing 
van alle halswervelen met ons werktuig te bepalen , door 
alleen met kracht den zevenden halswervel om te draaien 
waarbij de hooger gelegene moesten volgen. Dit geeft 
echter slechts gebrekkige resultaten. Men is niet zeker, 
dat alle wervelen hooger op zoover mogelijk gedraaid 
worden, de onderste worden bovenmatig uitgerekt, enz. 
Approximatief mag men de draaiing naar eene zijde op 
75 graden stellen , zoodat daarvan ongeveer V19 tusschen 
atlas en achterhoofdsbeen, '/ia — ^/lo tusschen epistropheus 
en atlas, en Vio — ^Iw tusschen de overige halswervelen 
zou geschieden. Schroeder van der Kolk maakte 



31 

terecht de opmerking, dat deze verdeeling der draaiing 
over de yerschUlende wervelen voor de gelijkmatige en 
niet op één plaats overmatige uitrekking der arteriae ver- 
tebrales wel hare bateekenis zal hebben. 

III. De èepaUnff van kei maximum der kracht van de 
levende spier. 

De vraag naar de grootste krachtsuiting , waartoe een 
levende spier van het menschel^k lichaam in staat is, 
moest van zelf gesteld worden, toen men de physische 
voorwaarden der spierwerking nauwkeuriger ging bestu- 
deeren. Het is bekend, welk een belangrijken invloed de 
denkbeelden van Eduard Weber 1), zijne beschou- 
wing der spieren als elastieke ligchamen , der spierzamen- 
trekkingen als wijzigingen der elastieke krachten, op 
den vooruitgang onzer kennis omtrent de spierwerking 
gehad hebben. In het aangehaalde opstel van E. Weber 
worden reeds proeven vermeld, welke door hem gedaan 
werden ter bepaling van het maximum der spierkracht, 
bij spieren (van den kikvorsch) , welke versch uit het 
levende lichaam genomen worden. 

Maar, gelijk Weber zelf terstond laat volgen, uit 
de kracht der zamentrekking van een spier, uit het 
ligchaam genomen en onder geheel kunstmatige omstan- 
digheden onderzocht, kan men geen besluit trekken 
omtrent de mate der kracht, waarmee zij in het levende 
lichaam werkt Ter bepaling der laatste nam Weber 
de bekende en in alle handboeken der physiologie telkens 
overgenomen proeven met de kuitspieren, welke bij het 



1) Wagner's Handwörterbuch der Physiologie, Thell III, 
Artikel: Moakelbewegung. 



32 

omhoog tillen van het lichaam op de teenen een beken- 
den last te torschen hebben. 

Zooveel mij bekend is, zijn er geene bedenkingen tegen 
de proeven van Web er gekomen vóór het vorige jaar, 
toen F. Knorz, onder de leiding van Prof. W. Henke, 
nieuwe proeven omtrent de bepaling der absolute spier- 
kracht bekend maakte, waarbij hij onjuistheden in 
Web er 's proeven aantoonde, en daaruit het groote ver- 
schil in beider resultaten trachtte te verklaren 1). Terwijl 
Web er nog geen kilogram voor één vierkanten centi- 
meter van de dwarse doorsnede eener spier gevonden 
had, voerden de proeven van Henke en Knorz voor 
de voorarm buigende spieren der regterz^de (musc. 
biceps, brachialis intemus en [supinator longus) tot 
8,991 kilogram (gemiddelde uit de proeven op regter en 
en linker voorarm 8,187 kilogr.). Geheel overeenkom- 
stige proeven met de buigspieren van den voet gaven 
echter slecht 5,9 kilogram (voor de regterzijde). 

Henke tracht uit de fouten in Web er 's handelwijze 
af te leiden, dat deze niet één maar eigenlijk vier kilo- 
grammen als grootste krachtsuiting van een vierkanten 
centimeter van de dwarse doorsnede der kuitspieren 
gevonden heeft Ik zal straks aantoonen, dat in de proe- 
ven van Weber nog andere dan de door Henke aan- 
getoonde aanleidingen tot het kleine getal bestaan , maar, 
wanneer men dit voorloopig ter zijde stelt, is het toch 
duidelijk , dat de verschillen van 5,9 en 8,9 kilogrammen 
te groot zijn om alleen aan toevallige wijzigingen van 
den toestand der spieren te worden toegeschreven. 

1) Ein Beitrag 2ur Bestimmnng der absoluten Muskelkraft. 
Inaugural-Dissertation von F. E nors. Die Grosse der absoluten 
Muskelkraft aua Tersuchen nea berecbnet. Dissert. t. En ore, 
mitgeiheilt vonW. Henke, inHenleundPfenfer.Bd.XXIV. 



33 

Henke tracht het groote verschil tosschen z^n getal 
en dat van Web er (het gecorrigeerde) uit het versciiil 
in de onderzochte personen, bij Web er meer bejaarde 
geleerden, bij Henke krachtigere studenten, te ver- 
klaren. Het verschil in z^n eigen resnltaat omtrent de 
kracht der voorarm- en die der voetbuigende spieren, 
zoekt hij eensdeels in de meerdere oefening der eerste (?), 
anderdeels in de omstandigheid, dat de spieren, welke 
den voet buigen, bg de proeven reeds meer tot de uiterste 
grens der verkorting genaderd zgn dan de tweede. De 
proeven toch werden, zoo als blijken zal, genomen bij 
rechthoekigen stand van voorarm en voet, respectieve- 
lijk op bovenarm en been. Verder is het bekend, en 
wordt het door Henke nog met een enkele proef be- 
vestigd, dat spieren, welke in reeds zeer verkorten 
toestand haar zamentrekking beginnen, minder kracht 
voortbrengen dan die van een gemiddelde lengte. 

Hoezeer er van deze verklaringen iets aan kan zgn, 
en ik allerminst den invloed van individuele, lokale, en 
toevallige toestanden op de grootte der spierkracht wil 
ontkennen, zoo bevredigden mij toch de beschouwingen 
van Henke niet geheel. Bij het bestudeeren van het onder- 
werp en het doen van eenige nieuwe proeven omtrent de 
absolute spierkracht, kwam ik tot de overtuiging, dat: 

1*. de uitkomst der proeven van Web er, bij juister 
beschouwing, nog meer nadett tot die van Henke, dan 
deze zelf meent, 

2o. dat in de proeven van den laatste enkele fouten 
zijn ingeslopen, na welker vermijding het verschil tus- 
schen de arm- en de beenspieren f eel geringer wordt. 

Om deze twee stellingen te bewijzen, zal ik echter 
de zaak wat breeder uiteenzetten, en zoowel de proeven 
van Weber als die van Henke beschouwen moeten, 

3 



34 

terwijl ik in de derde plaats mijn eigen resultaten samen- 
vatten en met die van Henk e vergelijken zal. 



1. Voor de wgze, waarop de proeven van Web er geno- 
men werden, verwas ik naar het aangeh&lde opstel in 
Wctgner's Handwörterbuch der Fhysiologie. Met volle 
recht noemde Henk e de redenering omtrent de hef- 
boomsarmen fontief. 

Het oplichten van het lichaam met een daaraan haa- 
genden last, op de teenen, kan slechts plaats hebben 
onder voorwaarde, dat de loodlgn uit het zwaartepunt 
van het lichaam valt op de draaiingsas gelegen in het 
kleine ondersteuningsvlak , dat de hoofdjes der ossa meta- 
tarsi op den bodem hebben. Onder die omstandigheden 
is het mechanisch problema geheel anders dan Web er 
het zich voorstelde. Henk e neemt als hefboomsarm 
voor de zwaarte (welke het lichaam' in het kootgewricht 
voorover dreigt te doen vallen) terecht de loodlijn aan, 
uit de draayingsas van het kootgewricht op de zwaarte- 
Ign getrokken. Maar minder juist neemt hij als hef- 
boomsarm voor de spierwerking den horizontalen afstand 
tusschen genoemde draaijingsaa en de pees van Achilles 
en wel Web er 's horizontale afimeting = 43 millimeters. 
Schoon Henke zelf duidelijk doet blijken, dat hij met 
bewustheid hier een minder juiste maat nam (h^ spreekt 
van ^den kürzesten, ettoa den horizontalen Abstand"), 
meen ik toch, dat het verschil van belang genoeg is, om 
in aanmerking te komen. Daar ik de proeven van 
Web er, gewijzigd, heb herhaald, moet ik verantwoor- 
den, waarom ik voor de spierwerking een nog korteren 
hefboomsarm dan Henke genomen heb, en daartoe het 
mechanisch probleem zelf kortelijk uiteenzetten. 



35 



De nevensgaande figunr vertegenwoordigt volkomen 
wat er bij het gaan staan op de teenen gebeurt. E stelt 
Fig. L het zwaartepunt van het 

lichaam voor, steeds lood- 
recht boven de draaiingsas 
in de hoofitjes der voorvoets- 
beenderen A gehouden, EB 
is de richting van schenn- 
en dijbeen, welke bij den 
opgerichten stand voorover 
hellen , B de draaiingsas in 
het kootgewricht f BC het 
hielbeen, DG de kuitspie- 
ren. Het is duidelijk , dat 
bg eene verkorting van 
DG draaiing in A en B 
volgen, en het zwaarte- 
punt E rijzen moet, terwijl 
hierbij de zwaarte van het 
aL---!!!^"''^ j J^^^C lichaam het scheenbeen in 

^ het kootgewricht B voor- 

over dreigt te doen vallen. De loodljgn, uit het draaipunt 
op de richting dier kracht getrokken is, ]^ = ABX 
sin. EAB, en moet met de werking der zwaarte ver- 
menigvuldigd worden. Daarentegen komt der spierwerking 
de Ujn Bx = BaX8in.BCD te goede. 

Terwijl dus als B^ de horizontale projectie van AB, 
dat is: de horizontale afstand der draaijingsas in 't koot- 
gewricht van de draaiingsas in de hoofdjes der ossa 
metatarsi (bij Web er 's en Henk e 's berekeningen 129 
millimeters), kan genomen worden, is de lijn Bx stellig veel 
kleiner dan de door Weber en Henke genomen lijnbG. 
Ik heb bij mijne berekening de lijn Bx ongeveer een 

3* 




36 



vijfde korter genomen dan de door Henk e gebruikte 
bC , hetgeen ook ongeveer met het resxQtaat van (trouwens 
zeer moeijelgk nauwkeurig te verrichten) metingen over- 
eenkomt, 35 in plaats van 43 millimeters. Verder deed 
ik, na het beproeven van enkele andere methoden, de 
proeven met de kuitspieren op de volgende wijze. Een ge- 
woon juk, waaraan de boeren hun melkemmers dragen, 
werd op de schouders gelegd. Aan de haken der afhan- 
gende kettingen, werden vierkante platte houten weeg- 
schalen gehangen, zoodat zij bg opgerichten stand van 
den {)er8oon juist op den grond stonden, terwigl touwen 
en ketting matig gespannen waren. Op de weegschalen 
konden nu verschillende gewichten geplaatst worden. De 
schalen stonden symmetrisch aan beide zijden van de 
voeten desgenen, die de proef deed. Door op de teenen 
te gaan staan moest deze nu, behalve zijn lichaam, ook 
het juk met de aanhangende gewicl\f»n van den grond 
lichten. Op een reeks van personen werden de proeven 
genomen, en het gewicht bepaald, dat zij, met groots 
moeite, nog even van den grond konden tillen. Juk, 
kettingen, schalen enz., benevens het lichaamsgewicht, 
vormden nu den door de kuitspieren een oogenblik opge- 
heven last. Ik laat hier de proeven in een tabel volgen. 





Lichaams- 


Opgetild 






gewicht in 


gewicht in 


Totaal. 




kilogramm. 


kilogramm. 




A 


63 


128 


191 


B 


91 


148 


239 


C 


73 


146 


219 


D 


70 


128 


198 


£ 


67 


140 


207 


F 


61 


136 


197 


G 


71 


140 


211 


H 


72 


136 


208 



dus gemiddeld =208 kilogranmien. 



37 

Volgens de formule Bx X S = B^ X P (lichaamsgewicht) 

• Q / • T_ ^,^^ ^X P , 129 X 208 _ 
18 S (spierkracht) = — :^ dus öt = 

766 kilogr. — Hierbg is de horizontale afstand der draai- 
ingsas in 't kootgewricht van de zwaartelijn, even als in 
de proeven van Web er, op 129 millimeters gesteld. 

Door de kuitspieren der beide zgden z^n dus 766 kilo« 
grammen opgelicht. Op elke groep komen dus 383 kilo« 
grammen. Om de maat voor één vierkanten centimeter 
der spierdoorsnede te- verkrijgen , zouden w^ nu nog door 
het getal, dat Web er voor de doorsnede der kuitspieren 
aan ééne z^de gevonden had, moeten deelen. Zoo zou 
men 2,5 kilogrammen verkrggen, dus veel minder dan 
het door Henke gerectificeerde Weber'sche getal. Jk 
had vermoed, vooral op grond der proeven van Henke 
met den voorarm, dat de spierkracl^t veel grooter zou 
zgn. Terwijl ik de verschillende getallen en verhoudingen 
nog eens overzag, viel mijn oog vooral op de 153 vier- 
kante centimeters welke, volgens Web er, de doorsnede 
der kuitspieren aan ééne zijde zouden zijn, en waardoor 
ik gedeeld had. Thans werd het mij duidelijk, dat hier 
een groote fout schuilde. Men stelle zich 153 als het 
quadraat van 12 voor, 't geen nog te weinig is, en teekene 
dit quadraat! Het is duidelijk, dat, al had Weber 
den sterkst gespierden misdadiger als voorwerp van 
onderzoek voor de kuitspier-doorsnede genomen, hij on- 
mogel^k een vlakte kon verkregen hebben, welke veel 
grooter is dan de dwarse doorsnede van een geheel tame- 
Igk dik onderbeen. 

De oorzaak, waardoor Weber tot zulk een buitenspo- 
rig getal voor de doorsnede der kuitspieren gekomen is, 
schgnt voor de hand te liggen. In zijne verhandeling 
vinden wij voor de gemiddelde lengte der gastrocne* 



38 

mius-vezels 5,45 voor den solens 3,76 centimeters. Deelt 
men deze lengte-getallen op het gevonden volamen der spie- 
ren, dan krijgt men het grondvlak van een parallelopipedon, 
en heeft zich dit laatste voor te stellen als een vereeniging 
van rechtl^nig naast elkander liggende vezels., elk van 
welke met evenveel kracht op de Achillespees werken. 
Om zich van de groote onjuistheid hiervan te overtnigen , 
behoeft men slechts een praeparaat van de knitspieren te 
beschouwen. Yoor den musculus gastrocnemius is de on- 
juistheid het geringst, omdat daaiVan betrekkel^k de 
meeste vezelen van de oorsprongspunten aan de digbeen- 
knokkels naar het breede bovenstuk der Achillespees 
loopen, de buitenste, lager de binnenste hooger daarin 
overgaande. Er komen echter ook vele vezelen van de 
peesvliezige uitbreiding welke de buitenvlakte der spier 
boven bedekt, en welke schuiner naar de Achillespees 
gaan. Het meten van al deze vezelen, zoodanig , dat men 
een eenigsins juiste gemiddelde verkrggt komt mij on- 
doenlijk voor. 

Maar vooral bg den musculus soleus komt het onjuiste 
der methode van Web er uit. H^ heeft hierbij voor de 
gemiddelde vezellengte 3,76 centimeter. Het is duidelgk 
hoe dit bijzonder kleine getal, en daardoor de kolossale 
dwarscoupe, verkregen werd. Bij de langere soleus-vezels 
welke van den peesachtigen, over de vaten en zenu- 
wen der kniekuil uitgespannen boog verloopen en recht 
naar beneden in de Achillespees overgaan, voegt zich 
namelijk een nog veel grooter getal langs scheen- en kuit- 
been ontspringende , en schuin naar de middell^n verloo- 
pende, korte vezelen, welke 6f in de eigenlijke Achilles- 
pees, óf in de peesvliezige voortzetting daarvan naar bo- 
ven overgaan, 't Is mogelgk, dat men door 't meten van 
vele, waaronder die korte, soleusvezels tot de kleine 



39 

gemiddelde van Web er komt; maar 't gaat niet aan, al 
die vezels als parallel naast elkander in het straks ge^ 
noemde parallelopipedon liggende, te beschouwen. Alle 
langs scheen en kuitbeen ontspringende vezels hebben bg 
hare werking blikbaar een belangrijke dwarse, voor de 
bew^;ing van den voet in het kootgewricht niet geldende, 
composante. Bij Weber's handelwijze krijgt men een 
kolossaal spierlichaam dat met de werkelijke spier vol- 
strekt niet overeenkomt 

Het is bl^kbaax niet mogelijk hier door het bepalen 
▼an een gemiddelde lengte der spiervezels tot een eenig- 
zins juiste uitkomst te geraken, nog veel minder: het 
nuttige effect van al die schuin verloopende vezels te 
bepalen. Ik heb daarom, om toch tot een bg benadering 
juiste werkzame doorsnede der kuitspieren te komen, de 
laatste direct gemeten. Aan het been zelve is dit niet 
wel mogelgk, maar men kan het aan nauwkeurige 
afbeeldingen van doorsneden van het dikste der kuit 
beproeven. Ik koos daartoe het zoo schoone en nauw- 
keurige werk van Nuhn, Figuur 4 van plaat XXVII 
der „Chirurgisch-anatomische Tafeln" geeft een dwarse 
doorsnede van een goed gespierd onderbeen in natuur- 
lijke grootte 1). Het is niet moegelijk den vierkanten 
inhoud der spiervlakten te bepalen, wanneer men die 
in vierhoeken en driehoeken, enz. verdeelt. Hierbij heeft 
men de werkelijke doorsnede der spieren op het dikste 
gedeelte. Er zullen reeds schuin verloopende vezels in 



1) Kuhn heeft zich juist Toor deze afbeeldingen de grootste 
moeite gegeven. Hij zegt er Tan: „Diese Darstellung ist bozüg* 
lich der Lage der Theile und hinsichtlich des verschiedenen 
Bildes, welches die durchschnittenen Muskeln gewahren, mit 
einer Genauigkeit ansgefahrt, wie man in keiner der bisher 
daraber vorhandenen Abbildungen sie findet. 



40 



zijn, welke niet met hare volle kracht in werking komen. 
Daarentegen voegen zich later bg de Achillespees nog 
vele schnin verloopende vezels van den soleus, welke 
nu niet in de dwarscoupe zich bevinden. Men maakt 
dos , afgezien van de niet volkomen nauwkenrige meting, 
een font, en wel zoodanig, dat er een iets grootere door- 
snede van een musculns solens moet worden aangenomen. 
Yoor den muscnlos plantaris heb ik Web er 's getal 
genomen. De door hem, zeer ten onregte, verzuimde 
mnscnli peronei, tibialis posticus ei\ flexor digitomm 
pedis, werden eveneens op de genoemde afbeelding 
gemeten. Daarb^ treft men echter niet het dikste gedeelte 
van den mnsculus flezor hallncis longns, en nanwel^ks 
den peronens brevis. Een bepaling van de dwarse door- 
snede dezer gevederde spieren, volgens de methode van 
Web er, beloofde echter nog minder juiste nitkomst, en 
hare beteekenis voor de opheffing van het lichaam op 
de teenen is zeer onbeduidend. Echter moet ook hierdoor 
de dwarse doorsnede van het geheel der werkzame spie- 
ren weder een weinig grooter worden genomen. 

Wanneer men nu met de op deze wgze verkregen 
getallen de absolute spierkracht berekent voor de door 
mij onderzochte personen, verkrggt men het volgende: 



SPIEREN. 


Hefboomsann. 


Dwarse doorsnede. 


Prodoki. 


Oafitrocnem. 


3,5 


31 


108,5 


Solens 


3,5 


30 


105,0 


Plantaris 


3,5 


1,41 


4,9 


Tibialis postic. 


0,5 


3,60 


1,8 


Peronei 


1,4 


7,00 


9,8 



Totaal dus 230,0. 



41 

Dit gedeeld op het vroeger verkregen getal voor de 

zvraarte van 't opgelichte gewricht en den hefboomsarm 

(208 kilogrammen en 12,9 centimeter) geeft 

12,9X208 ,,^^, 

23^r = 11,6 kilogrammen. 

Dit getal is, om zoo even genoemde redenen, te groot 
Wanneer men het op 9 jk 10 stelt is men echter zeker 
dichter bij de waarheid dan wanneer men het 4 neemt. 
Yeel waarde is aan deze nitkomst niet te hechten. Zij 
maakt het echter waarschijnlijk, dat men, zoo de bepa- 
ling nanwkenrig mogelijk ware, voor de knitspieren 
minstens even veel, misschien iets meer dan voor de 
armspieren zou vinden. 

2. De proeven van Henk e, met de buigers van den 
voorarm genomen, verdienen blijkbaar het meeste ver- 
tronwen. Hoeveel moegelijkheden het bepalen der afme- 
tingen, welke men noodig heeft, ook aanbiedt, bij den 
voorarm kan het met genoegzame nauwkenrigheid geschie- 
den; slechts de mnsculns supinator longns blijft groote 
bezwaren opleveren. Henke heeft dan ook tamelijk wille- 
keurig den hefboomsarm, waaraan die spier werkt, 
moeten aannemen. Wellicht mag men daarom zijn gevon- 
den getallen nog iets grooter nemen. Maar dit daar- 
gelaten, is het in elk geval geheel doelloos, gelgk 
Henke deed, een gemiddelde uit de proeven met rechter 
en linker voorarm te nemen. Ik vermoed dat dit niet 
zou geschied zijn, indien daardoor het getal, voor de 
armspieren gevonden , niet wat kon naderen tot het voor 
de beenspieren verkregen getal. Immers wat moet de 
gemiddelde hier beteekenen? Wordt daardoor het ver- 
kregen getal (8,187) met meer nauwkeurigheid een 
maat voor de absolute spierkracht in 't algemeen? 't Is 
duidelijk van neen. Men kan met proeven, zoo als de 



42 

door Henke en mij genomene, slechts de krachtsuiting 
voor de onderzochte spiergroep , onder de bestaande lokale 
en individuele omstandigheden bepalen; meer niet. Maar 
daarom is het ook alleen te doen. Ik zie niet in, welke 
andere bedoelingen men met het zoeken naar de zooge- 
noemde „absolute spierkracht" kan hebben, dan VQor de 
verschillende spieren, onder zooveel mogelijk gelijke, en 
voor dezelfde spieren onder allerlei gewgzigde omstandig- 
heden, de krachtsuiting te bepalen. 

Mogen wij dan aannemen, dat b^ de door Henke 
onderzochte personen de kracht van één vierkanten cen- 
timeter doorsnede van den musculus biceps en brachialis 
internus' bijna de helft grooter is dan die van een even 
groote hoeveelheid van den musculus tibialis anticus en 
extensor longus digitorum pedis ; en dat verschil op reke- 
ning stellen van de mindere oefening (?) derbeengpieren, 
en van hare, reeds bij rechthoekigen stand van den voet, 
sterkere verkorting? Ik wil aannemen, dat de absolute 
spierkracht der beenspieren verschilt van die der arm- 
spieren, maar het door Henke gevonden verschil is te 
groot, om vertrouwen in zgn proef in te boezemen, ter 
w^l zijne verklaringen eenigzins gezocht moeten heeten. 

Naar 't mij voorkomt^ zijn er twee aanleidingen , waar- 
door de kracht van de zoo even genoemde spieren zoo 
gering werd gevonden. De eerste is: dat nevens den 
musculus tibialis anticus ook de geheele extensor digito- 
rum en halluois longus in rekening zijn gebracht, terwijl 
met name de extensor digitorum slechts voor een gedeelte 
medewerkte. De tweede ligt in den hefboomsarm der 
spierwerkiDg, welke Henke te lang schijnt genomen te 
hebben. 

Naar de beschrijving, werd de lis, waaraan hetgewigt 
hing, bg Henke's proeven, om den voet, ter hoogte 



43 

der basis van den grooten teen gehangen. „IJeber den 
Eopf des Mittelfnssknocliens" — zegt Henk e, zonder 
dat wg nit z^ne beschrijying met jnistheid knnnen opma- 
ken, ioe de lis lag, waarop toch alles aankomt Immers 
de strekspieren der teenen knnnen eerst dan tot de dor- 
saalflexie van den voet meewerken, wanneer de teenen 
of in hnnne gewrichten met de voorvoetsbeenderen rigide, 
of tot den nitersten graad gestrekt z^n geworden. Maar 
in 't laatste geval z^n de spieren reeds sterk gecontra- 
heerd, en kan men hare verdere w;erking, welke nn den 
voet gaat bewegen , niet meer gelijk stellen met' die van 
den mnscnlns tibialis anticus. Hing het gewicht geheel 
aan de teenen, dan zon de samentrekking der mnscnli 
eztensor hallucis, en digitornm niets op den voet knnnen 
doen, (tenzg alweder het gewicht door de strekking der 
teenen tot den uitersten graad eerst opgeheven was ge- 
worden). Hing het achter de teenen op den voet zelven, 
dan zouden de strekspieren der teenen eveneens slechts 
onder de zoo even genoemde ongunstige omstandigheden 
tot de dorsaalflexie van den voet kunnen medewerken. 
Wat er bg de proeven van Henk e heeft plaats gehad, 
is met juistheid niet te bepalen. Maar 't is duidelijk, 
dat voor de dorsaalflexie van den voet slechts de muscu- 
lus tibialis anticus en het stuk van musculus eztensor 
digitornm, dat aan den voetrug vastzit (m. peronaeus 
tertius) met hun volle kracht in werking konden komen. 
De grootte van dit laatste stuk is met geen naauwkeurig- 
heid te bepalen; evenmin de font^ welke door het opnemen 
der geheele spierwerking van den eztensor digitornm com- 
munis en hallucis in H enke's formule is ingeslopen. 
Maar ongetwijfeld heeft hg te veel spieren op den voet 
en het daaraan hangende gewicht laten werken, zoodat 
hig te weinig krachtsuiting voor een spiergedeelte vond* 



44 

Wat, ten tweede, den hefboomsarm aangaat, ik geloof 
dat men dien volgens H enke's methode, op lijken be- 
paald, te groot neemt Bij rechthoekigen stand van den 
voet ten opzichte van het been loopen de strekspieren 
van den voet en de teenen schuin van de tibia en fibula af 
naar den voetrug, worden daarbg eerst door de onderste 
sterke strook van de fascia cruris, tusschen de enkels 
uitgespannen (lig. annulare) bevestigd, en gaan dan deels 
door het ligamentum fundiforme Betzii. De trekking aan 
dezen band en aan de verder naar voren plaats hebbende 
inplanting der spieren trekt den voet omhoog. Aan een 
praeparaat met losse spieren is de richting zoodanig, dat 
de door Henke getrokken loodlijn uit de draaüngsas 
ongeveer juist is. De loop van de pezen onder het liga- 
mentum annulare (niet op den voetrug, maar tusschen 
de voorvlakte der enkels) geeft haar echter reeds een iets 
schuinere richting dan de spieren hadden, zoodat niet de 
volle werking der spieren op den voetrug plaats heeft, 
welke voorondersteld wordt, wanneer de loodlijn, zoo als 
Henke deed, getrokken wordt uit de draaüngsas in 't 
kootgewricht naar de plaats, waar de extensor digitorom 
communis door het ligamentum fundiforme gaat. 

De loodlijn zou moeten vallen op de fichting der pezen 
tiUicAen het ligamenUm annulare en het ligamentum fundi- 
forme. Aan een praeparaat, zoo als Henke gebruikte 
bij zijne afbeelding en meting, waar de fascia niet meer 
strak gespannen zit, maar het lig. annulare een verplaats- 
bare strook is geworden, vallen deze verhoudingen niet 
meer in het oog. Zij zign daarenboven zoodanig, dat zg 
geene juistere bepaling der afmetingen toelaten ; maar 
ongetw^feld z^n zg door Henke iets te groot genomen. 
In 't algemeen komen de ontleedkundige verhoudingen 
van been en voet mg zóó ongeschikt voor de proef voor, 



45 

dat ik ze niet herhaald heb ; maar het aangeYoerde moge 
aantooneiif dat het verschil in de krachtsniting bij de 
spieren van den arm en het been , zoo het bestaati stellig 
minder groot is dan Henke vond. 

3. Naar de meest nauwkeurige bepalingen zou men 
dus de absolute spierkracht voor de buigers van den 
voorarm op Tl* k 8,9 kilogrammen (volgens Henke) 
voor de kuitspieren op 9 i. 10 kilogrammen (volgens 
mijne proeven) mogen stellen, 't Is nu de vraag, of 
hieruit in 't algemeen het besluit zou mogen getrokken 
worden: dat de kuitspieren sterker z^n dan de arm- 
spieren. Henke 's proeven zijn op Duitsche, de mijne 
op Hollandsche studenten, op 't anatomisch kabinet werk- 
zaam, gedaan, 't Scheen mij van eenig gewicht bij dezelfde 
personen de kracht der kuitspieren en der armspieren te 
vergelijken. Daartoe liet ik dezelfde personen die de 
proeven met de kuitspieren gedaan hadden , ffe&eel op de 
mjze van Henke, de proeven met de armspieren doen. 
Bij de berekening heb ik eveneens de getallen van 
Henke voor de dwarse doorsnede der spieren en voor 
de hefboomsarmen gebruikt. Men vindt de tabellen in 
Henke *s verhandeling opgegeven. De uitkomst daarvan 
is, dat de som van de produkten der doorsneden en hef- 
boomsarmen 93,3 bedraagt, waardoor dus h^t opgelichte 
gewicht moet gedeeld worden. Dezelfde acht personen , 
die de proeven met de kuitspieren gedaan hadden , lichtten 
de volgende, op de^ -weegschaal geplaatste, en daarmede 
' aan den stang hangende gewichten op: 



46 



A 


9 


B 


10 





10,3 


D 


11 


£ 


11,6 


F 


11,8 


G 


10 


H 


11,2 



gemiddeld dus 10,7 küogranunen. Dit getal moet nu 

45 

nog met — . vermenigvuldigd worden (de betrekking tns- 
23 

schen afstanden van weegschaal en aangrigpingspont der 

lis om de hand). Bg de uitkomst = 20,9 moet nog 

gevoegd worden 2 kilogrammen voor het gewicht van 

stang en weegschaal zelve, met inachtneining van den 

afstand van hun zwaartepunt tot het draaipunt Zoo 

verkrggt men: 

^ 22,9X30+13' ..,., 

X= ' 933 — =7,4 kilogrammen, 

waarbg de voorarm = 13 kilogrammen, de afstand tus- 
schen de draaiingsas in 't elleboogsgewricht en de plaats, 
waar de lis om de haud lag, = 30 centimeters gesteld is. 
Het resultaat komt opmerkel^k overeen met het door 
Enorz en Henke verkregene. De eerste vond van 
den linkerarm 7,38 kilogrammen. Yoor den rechterarm 
daarentegen bgna 9. Dit wordt toegeschreven aan de 
omstandigheid, dat alle onderzochte personen, door bijna 
dagelijks te schermen, den rechterarm zeer ontwikkeld 
hadden. Zulk een aanleiding bestond bij mijne proeven 
niet, en ik vond onder het proefnemen bij verschillende 
personen zoo weinig verschil tusschen de rechter- en 
linkerzijde, dat ik geen afzonderlijke proeven voor beide 



47 

ger^istxeerd heb. De bovengenoemde 7,4 kilogrammen 
hebben op den rechter arm betrekking. 

Voor zooveel dos de genomen proeven nauwkeurig 
zgn, mag men om een gemiddeld getal te hebben, de 
absolute spierkracht op ongeveer 8 kilogrammen per 
vierkanten centimeter van de dwarse doorsnede der spier 
stellen. Verder volgt er nog uit: 

l^ Dat bg dezelfde personen de kuitspieren waar- 
schgnl^k relatief sterker zgn dan de voorarmbnigende 
spieren , de laatste waarschijnlijk iets sterker dan de spieren 
welke den voet buigen. 

2°. Dat door eenz^dige oefening de eene spiergroep 
veel krachtiger kan worden dan de overeenkomstige andere. 

3\ Dat men eigenlijk van geen absolute spierkracht 
spreken, maar slechts onderzoeken kan , tot welke krachts- 
uiting een bepaalde spier onder bepaalde omstandigheden 
in staat is. 

4^ Dat slechts de methode van Henke met de voor- 
armspieren voor een bepaald onderzoek omtrent de spier- 
kracht vertrouwen verdient. 

Door verder onderzoek van de omstandigheden, waar- 
onder spieren werken, en het bepalen van uitersten (bij 
zeer zwakke en zeer sterke personen) in verband met 
het onderzoek der spieren zelve, kan de kennis der spier- 
kracht voor de physiologie nog van eenig meerder belang 
worden. 

lY. Het balanceeren van den romp op het bekken^ en ie 
musculuê psoas minor. 

Bij het praepareeren der spieren van een krachtig gespierd 
Igk vond ik onlangs een buitengewoon sterk ontwikkel- 
den musculus psoas minor. De spier was geheel zelf« 



' 48 

standig, kon van den psoas magnus Yolkomen geïsoleerd 
worden, en ontsprong van de zg vlakten van het lichaam 
des !■**" — i**" lendenwerwervels en van de cartilagines 
intervertebrales. De sterke, éenigzins platte pees liep, 
van den vierden lendenwervel af, naast het spiervleesch 
van den grooten psoas naar beneden, en hechtte zich geheel 
aan den ingang van het kleine beiken ^ aan de linea inno- 
minata, ongeveer drie centimeters achter het tuberctdim üeo- 
pubicum vast. Den naam van tensor fasciae iliacae ver- 
diende de spier in dit geval nauwelijks, daar de fascia 
iliaca de pees wel overdekte , en er zijdelings meê samen- 
hing, maar alle peesvezelen zich zeKstandig aan het 
bekken inplantten , zoodat er bij trekking geen zichtbare 
spanning der fascia iliaca ontstond. 

Wat er van aanhechting van den mnscnlns psoas minor 
aan het bekken bekend is, vindt men opgegeven bi] 
Henle (Muskellehre, blz. 243). Volgens dezen loopt 
de spier, ontsprongen gelijk ik hem zoo even beschreven 
heb, met een platte pees naar beneden, bevestigd in de 
ÜBuscia iliaca „nnd schiesslich über den vorderen Band 
des Beckens in dieselbe ausstrahlend." Yerder wordt de 
waarneming van The il e vermeld, die splitsing zag 
plaats hebben van de pees der spier in twee deelen, 
waarvan het ééne zich aan de synchondrose van den 
vijfden lendenwervel en het heiligbeen, het tweede aan 
de crista ileopectinea vasthechtte. 

Bij de overige schr^vers vindt men geene bijzonder- 
heden omtrent de spier vermeld, behalve de bekende: 
geheel ontbreken, of zeer geringe ontwikkeling der 
spier in vele gevallen. Hyrtl maakt ook nog meer 
opzetteligk gewag van de aanhechting der pees aan het 
bekken: „Er schickt seine lange platte Sehne, theils 
an ^ die Qrenzlinie des grossen nnd kleinen Beckens , 



49 

ÜieiLs iSsst er dieselbe mit der Fascia fliaca zusammen- 
fliesseiL" Quain eindelijk, die de spier verkeerdelgk 
psoas parvTLS noemt (een naam, welken Hyrtl voor een 
somtgds bestaand zelfstandig gedeelte yan den psoas 
major gebruikt) spreekt alleen van een aanhechting 
„into the ilio-pectineal line and eminence," zonder van 
de verhouding tot de fascia iliaca melding te maken. 

Het blijkt dus, dat de pees van den muscnlus psoas 
minor steeds aan het bekken ingeplant is. Ook in die 
gevallen, waar geen bepaalde vasthechting te zien is , waar 
uitstraling in de fascia iUaca plaats heeft, werkt de spier 
op het bekken , daar de fascia iliaca aan het tuberculum 
ilio-pubicum vastzit Zulk een geheel zelfstandige in- 
planting der pees aan de linea innominata, als inmgn 
geval, met zóó sterke ontwikkeling van het spiervleesch, 
scheut tot de zeldzaamheden te behooren. 

Yoor de beweging tusschen wervelkolom en bekken, 
en voor het equilibreeren ^an den romp op het bekken, 
verdient de inplanting van den psoas minor aan den bo- 
venrand van het kleine bekken zeker de aandacht Dat 
de spier, in het door mij beschreven geval, gedurende 
het leven een krachtig wakende spier moet geweest zgn, 
bleek uit hare sterke ontwikkeling en den toestand van 
het spiervleesch. En die werking kan geene andere ge- 
weest z^n dan een beweging van de lendenwervelen op kei 
belken , of omgekeerd. Die beweging is een zeer belangrijke , 
en behalve bij uitgebreide verplaatsing van den romp of 
het bekken zelve, vooral ook bg het staan en gaan, bg 
het equilibreeren van den romp , noodig. Terwgl voor de 
zgwaarts- en achterwaarts-buiging der lendenwervel-kolom 
sterke spieren bestaan (muscnlus quadratus lumborum, 
de lange rugspieren, enz.) vinden wig aan de voorvlakte 
der borst- en lendenwervelen geen spieren. De voorover- 

4 



50 

buiging moet middellqk (door de buikspieren) plaats 
hebben , en voor de lenden wervelen in 't bijzonder door 
den mnscnlns psoas major. Deze spier trekt (het been 
als vast pnnt genomen) de lendenwervelen, en, in ver- 
binding met den muscnlus iliacns intemns, het bekken 
naar voren en beneden. Maar een verplaatsing van de 
lendenwervelen op elkander, of van de geheele kolom op 
het heiligbeen, is hierbij ook slechts middellijk mogelijk, 
daar tnsschen het bekken en de lendenwervelen geen 
directe spiertrekking plaats beeft 

In dat opzicht verdient de mnscnlus psoas minor meer 
belangsteUing dan hem tot nn toe te beurt vieL Eg 
kan bekken en lendenwervelen ten opzichte van elkan- 
der dired verplaatsen, en wel zóó, dat bij het overeind- 
staan de lendenwervel-kolom naar voren, of, bij het han- 
gen aan de handen bijvoorbeeld, het bekken naar boven 
bewogen wordt Het is de vraag, of niet altijd, zelfs in 
gevallen , waar de psoas minor geheel schijnt te ontbreken, 
een spanning der fascia iliaca door spiervezelen, en dos 
directe werking tnsschen lendenwervelen en bekken mo- 
gel^k is. Ik zal, bij voorkomende gevallen, den mnscn- 
lus ilio -psoas en de fascia Uiaca, met het oog op deze 
vraag, bestudeeren. 

U TB ECHT, TeceiDbcr 18C6. 



KAN DE CHOLERA OP DIEREN WORDEN 
OVERftEBRACHT? 

mU EXPERIMENTEN ÏÏJDBÜS DB GHOLBEA BPIKIII VAN 18M 



Dr. H. SNELLEN en Dr. H. G. MILLER. 



Op het gebied der waarneming is ten aanzien der cho- 
lera Teel gedaan, ^i talrijke bouwstoffen zijn bgeengebracht, 
die tot de volledige kennis dezer ziekte het hare zullen 
bijdragen. Tot dusverre zgn echter vele punten onbeslist 
gebleven, en het schijnt, dat noch van de waarneming 
aan het ziekbed, noch van de statistieke g^vens de 
gewichtige vraag: „hoe geschiedt de voortplanting der ziekte 
en welke is de aard harer besmettelijkheid?" hare volledige 
beantwoording te wachten heeft. • 

Waar de waarneming te kort schiet, moet men tot 
het experiment zijne toevlucht nemen.' Intusschen, het 
experiment op den mensch is uit den aard der zaak 
aeer beperkt Ongetwigfeld ware het van hoog belang, 
indien men door proeven op dieren de vragen omtrent 
de besmettelgkheid der cholera kon toetsen. Alle grond 
scheen er te bestaan , dat wij op dieren de cholera zouden 

4* 



52 

kannen oyerbrengen. In de literatuur ontmoetten we overal 
mededeelingen van met cholera overeenkomende epizoötieën 
by de meest verscliillende diersoorten , en zelfs vonden 
we vele feiten vermeld, die er voor schenen te pleiten, 
dat de cholera van menschen op dieren kan overgeplant 
worden. 

Indien werkelijk het dier voor cholera vatbaar blijkt, 
schijnt het ons niet moeiel^k, door eene reeks van proeven 
de vraag te beantwoorden, welke stoffen wel de dragers 
der smetstof zgn en langs welken w^ de infecteerende 
stof indringt? En deze vragen z^n te belangrijker, 
omdat zg innig samenhangen met de vraag, hoe de 
verdere uitbreiding der epidemie te stuiten zg. 

In het vertrouwen, dat w^ door cholera aangetaste 
dieren zouden kunnen verkrijgen , begonnen wij onze proe- 
ven. Onze vdiwachting in dit opzicht werd deerlijk teleur- 
gesteld. Niet alleen poogden wij te vergeefs, dieren op 
te sporen, bij welke op eenigen plausibelen grond het be- 
staan der ziekte kon aangenomen worden, maar ook ge- 
lukte het ons op geenerlei wijze b^ eenig dier cholera 
te doen ontstaan. 

De uitkomst van ons onderzoek is bijgevolg een geheel 
andere geworden dan we ons hadden voorgesteld. Maar 
ook een stellig negatief antwoord op de vraag: „kan de 
cholera op dieren worden overgebracht?" schgnt 
ons niet geheel van wetenschappelijk belang ontbloot. 
In elk geval meenen we de mededeeling onzer proeven 
niet te moeten terughouden. 

Experiment I. 

Het eerste voorwerp van ons ondenoek was een jonge big. 
We vonden aanleiding tot deze keuze in eene mededeeling, dat 
een varken ziek was geworden in een huis, ynaar de cholera 



53 

hevig had gewoed. Bij v. d. B, in de Kerksteeg was behalve 
de vrouw het geheele gezin, man, grootmoeder en vier kinderen, 
door de cholera aangetast, en allen waren overleden. Gelijktijdig 
met den laatsten zieke was ook het varken, zoo verhaalde men, 
aangetast en dadelijk voor eene kleine som van de tiand gedaan. 
Het dier was dadelijk gedood, doch bleek voor het gebruik niet 
meer geschikt De verdere berichten omtrent den aard der ziekte 
vroren niet duidelijk 1). 

We plaatsten onmiddellijk in hetzelfde hok , zonder dit te doen 
reinigen, een jonge big en droegen de zorg daarvoor op aan 
vrouw V. d. B. Tevens werd dien zelfden dag aan het dier tot 
▼oedsel karnemelk voorgezet, waarin versche faeces van een 
cholera-mder gemengd waren. Het dier weigerde deze te eten, 
hetgeen echter niet aan den aard van het voorgezette was toe 
te schrijven. Aanvankelijk meenden wij dit, doch het weigerde 
ook zuivere melk, zeker ten gevolge van de nieuwe omgeving, 
waarin het zich bevond. 

Twee dagen later, den 28*^ Juli wordt op meer afdoende Mijze 
het ingeven bewerksteUigd. Een stukje afgebonden intestinum 
tenue met zijn inhoud, ongeveer ter lengte van 2 duim, af- 
komstig van een cholera-lijder, die dien zelfden morgen was over- 
leden, brengen wij zoover achter in de keel, dat het dier het 
doorslikken moet. Het varken wordt nu nauwkeurig geobser- 
veerd, maar bUjft volkomen gezond. 

3 Aug*. Op dezelfde vnjze als 28 Juli wordt thans een afge- 
bonden stuk dikke darm met inhoud aan het varken ingegeven. 
Het intestinum vros genomen van het S. romanum, bij een 
cholera-lijk, drie uren na den dood. Twee dagen later, 5Aug*« 
brengt men ons 's morgens het bericht, dat het dier 's nachts 
diarrhee heeft gekregen Wy constateeren het aanwezig-zijn van 
half-dunne licht-gryze faeces. Overigens is het dier gezond, 
het eet goed, en verder op den dag zijn de faeces ook weder 

1) Le^coaturier nam in het oanton Pernet eene siekte onder de 
Tarkens waar, die mot cholera overeenkwam. Annales de médeoine 
veterinaire , pabliëes h Bmzelles 1855. 



54 

normaal. Den 5*"» en den 8"*«* Augi, vertoont zich weder 
dezelfde lichte diarrhee, die echter beide malen van zelve wijkt, 
zonder dat eenige verdere verschynselen van ziekte worden waar- 
genomen. 

^ Den 11^» Ang<. moet het varkenshok ontruimd worden en 
verhuist onze big naar een wel afgesloten kelder, waar de 
proeven zullen worden voortgezet. 

13 Aug*. Het dier is welvarende en wordt gevoed met een 
stuk gekookte ossenpens, hetwelk gedoopt is in water, waarin 
sedert 8 Aug*. intestina van een choleralijk hebben gelegen. Vol- 
gens Thiers zou het cholera- vergift zich eerst door gisting 
ontvnkkelen, en v^j zijn vol belangstelling, hoe het beest de vijf 
dagen oude faeces verdragen zal. Het blijft volkomen welvarende. 

Den 23*^ Aug*. des morgens vroeg is de big uit het voor 
baar afgeschoten hok losgebroken en heeft in den kelder groote 
wanorde teweeggebracht. Daarbij komt zy terecht tusschen eene 
reeks glazen, waarin visschen geplaatst zijn, die ook met hetzelfde 
doel gevoed v^rden met faeces van cholera-lijders. Wij vinden 
de glazen omvergeworpen en de visschen verdwenen , zoodat deze 
ongetvnjfeld in de maag van de big zijn terecht gekomen. Ook 
na dit maal blyft zij volkomen gezond. 

27 Aug*. wordt eene hoeveelheid braaksel van een cholera-lijder 
hypodermatisch aan den hals ingespoten. 

Den 28**^ eet zij een geheelen pot vol braaksel , dat den vorigen 
dag door een Igder is opgegeven. 

Niet de minste verschijnselen van ongesteldheid. Als laatste 
proef willen vidj nu grootere hoeveelheden toedienen. VersohiOende 
overblijfselen van faeces en braaksel en intestina, die van ver- 
schillende lyders genomen zgn om tot andere proeven te dienen , 
worden bijeengedaan en, gemengd met voedsel, voorgezet. Met 
graagte wordt alles genuttigd, alleen met uitzonderinig van een 
gedeelte intestina, dat reeds zeer in ontbinding verkeerde. Tot 
onze verwondering wordt ook deze groote massa fecale stoffen 
goed verdragen. De big is nog steeds gezond en is onder deze 
proeven belangrijk gegroeid. 



66 

EXFERIMENT II. 

Een stolge dikke darm van een cbolera^mk, ongeveer ter 
lengte van 5 centimeters, aan beide zijden toegebonden, zoodat 
de geheele inhoud daarin is gebleven, wordt by een ouden 
poedelhond 1) achter in de keel gebracht, zoodat het onmiddellijk 
wordt doorgeslikt. Er volgt geen braking. Het dier wordt 
nauwkeurig geobserveerd. In alle opzichten blyfb het normaal. De 
temperatuur is den volgenden dag, evenals vóór de proef , 39 Vt C. 

Drie dagen later, d. i. 8 Aug., krijgt de hond eene hoeveelheid 
darminhoud, afkomstig van hetzelfde lyk als den 5^^ Aug*.; 
een hierin gedompeld stuk varken^ens eet hy vrgwilUg. Den 
'iO^n ^ug, krygt h\i nogmaals hetzelfde. Het l\jk is nu vyf 
dagen oud. Den 11^"» Aug*. eet hg een visch, die gestorven 
was in een glas water met cholerarfaeces. Den 16^**^ Aug>. 
eet hy twee stukken brood, gedoopt in faeces, die den 11 dan Aug«. 
van een cholera-lyder waren gekdmen. Den 27"^* Aug*« wordt 
ruim een drachme uitgebraakt vocht in de vena jugularis ge- 
spoten. Dit braaksel was van den vorigen dag van een cholera- 
leider, die dienzelfden dag stierf. 

Den 28*^*A Aug*. krygt de hond eene massa, welke bestaat 
uit een mengsel van faeces, braaksel en stukken intestina, die 
sedert den 11^*» Aug'. voor verschillende proeven waren bijeen- 
verzameld. Vermengd met vleesch wordt dit gretig genuttigd, 
en het vraatzuchtige dier heeft ook zelfs de reeds zeer in ont- 
binding verkeerende rottende menschelijke intestina opgeslikt. 

Het beest bleef altyd gezond en is eerst in November aan eene 
andere proef (vergiftiging, door croton-olie) opgeofferd. 

Experiment Hl. 

Aan een gelen hond van middelmatige grootte wordt den 6^^ 
Aug*. een stuk van een cholera-lijk ingegeven. Het is de 



1) Te Tunis (Djezid) kwam in het jaar 1850, gelijktijdig met de 
cholera onder de menseben, eene soortgelgke siekte onder de honden 
▼oor, waardoor een vierde van deze te gronde ging (Dr. Morgasoil , 
Gas. médicale N^ 29.) 



56 

onderlip in hare geheele dikte, en bevat dus huid, slijmvlies, 
spierweefsel en bloed. Hij blijft welvarende. 

Bij dit dier wordt nu nagegaan, of de inademing der smetstof 
de ziekte zou kunnen teweegbrengen. Het wordt geplaatst 
in een houten hok , aan alle kanten gesloten , aan de voorzijde al- 
leen met eene betrekkelijk kleine opening, waardoor de lucht toegang 
heeft. In dit hok worden potten geplaatst met faeces en braaksel 
van cholera-lijders en met intestina en andere gedeelten van 
cholera-lijken. Het beest blijft genoegzaam voortdurend van den 
8>ten tot den 27*^ Aug>. in dit hok aan de meest verpeste 
lucht blootgesteld. Het blijft steeds welvarend. Nu wordt llem 
een clysma gegeven van braaksel, den vorigen dag door een 
cholera-lijder opgegeven, die dezen dag gestorven is. Ook hierop 
zijn geene ziekteverschijnselen gevolgd, en het dier bleef steeds 
welvarende, totdat Ynj het, door hypodermatische injectie van gr. ij 
cjankalium^ hebben gedood 1). 

Experiment FV. 

Witte keeshond van middelmatige grootte. — Op den buik van 
een cholera-lijder in het algide stadium wordt eene warme witte- 
broodspap gelegd en blyft twee uren liggen. Deze wordt onmid- 
deimk door den hond opgegeten 2). Den 5^*^ Aug«« ontnemen 



1) Door bypodermatiBche aanwending van l k 2 grein cyankaliam 
sterft een bond, onder rerscbgnselen , die veel overeenkomst met 
cholera hebben. Het dier begint na eenige minnten hevig te braken; 
krggt diarrhee met witte dunne faeces, en de temperatanr daalt. Bg 
de autopsie vindt men dik teerachtig bloed met weinig fibrine-coagula; 
de arteria aorta sterk gevuld; de blaas absoluut ledig; het spiervleesch 
kleverig en de intestina uitwendig zeer geïnjiciëerd. 

Ik deel mgne observaties hieromtrent later uitvoeriger mede. 

Snellen. 

2) In bet Ned. Tgdachrift voor Geneeskunde J866, 2e Reeks bis. 530, 
sobrgft de Geneeskundige Inspecteur Ali Co hen: „Bg dese waar- 
,,neming voeg ik eene soortgelijke, in 1849 te Groningen gedaan en 
„door mg medegedeeld in bet Ned. Prakt. Tgdsohrift 1849, bis. 702, 
•en eene tweede, bg gelegenheid van de tegenwoordige oholera-epidemie 



57 

we bloed , door middel van bloedige koppen, aan een cholera«lijder. 
Van het vloeibare gedeelte hiervan wordt ruim een drachme 
met een spuilje onder de huid gebracht; tevens wordt een stukje 
coagulam door eene gesnedene huidwond onder de huid gebracht. 
6 Aug>: het dier is welvarend, het eet goed, heeft ruim gem*ineerd; 
de temperatuur is 40.1^ G. 

Den S*^^ Aug*. wordt de inhoud genomen van den dikken darm 
van een cholera-lijder, die gister gestorven is na eene ziekte 
van één dag. Het darmkanaal was sterk opgezet en gevuld met 
vloeistof en gassen. Deze inhoud is wel bezonken, en nu wordt 
van het bovenstaande vocht ruim een drachme hypodermatisch inge- 
spoten. Tot den i2^«B Aug*. blijft de hond welvarend. Den 12^'» 
en den id^^ is hij blijkbaar eenigszins onwel. Hij is niet vrolijk 
en eet minder dan gewoonlijk. Den 14<i«n Aug*. is hij steUig 
weder geheel gezond. Den i6^>^ Aug*. wordt zijn voedsel ver- 
ontreinigd met cholera-faeces van den 8"^*^ Aug*. Deze faeces 
waren dus acht dagen oud. Den 24*^" Aug*. krijgen wij geheel 
versche faeces van eene cholera-lijderesse in het stadium algidum, 
die denzelfden dag is gestorven. Wij geven hiervan onmiddellijk 
een gedeelte in, en van deze zelfde massa op nieuw den 25>*^ 
en den 26>teM, 

Den 21*^^ appliceeren w^jnog eene hypodermatische ii^jectie, 
thans ongeveer een drachme van braaksel. De hond blijft steeds 
welvarende. 

Den 30*^*<^ Aug. eet hij nog, zonder eenig ongeval, een beschuit, 
gedoopt in bijzonder stinkende faeces van 27 Augs. 

«te HoUandsche-veld (gemeente Hoogeveen) gedaan. Een hond aldaar 
„had namelijk gegeten van zuurdeeg , dat hem was toegeworpen en 
«dAt aan de voeten van een aan cholera overleden man gelegen had. 
«Kort daarna deden sich al de gewone verBchijnBelen van cholera voor 
„eu bezweek het dier eenige aren later. Hierbij dient nog te worden 
^opgemerkt — zoo voegt de plaatselyke geneeskandigo te HoUandache* 
«Tcld, die mij de mededeeling deed, er b^ — , dat het innrdecg zonder 
.mostaard was bereid, weshalve de oorzaak der schadelijke werking 
„Tan het snardeeg, zelfs niet voor een deel, aan die stof kan worden 
«toegeschreven/* * 



58 

Tot November hebben we het beest geobserveerd; het wordt 
daarna gedood door endermatische injeetiën van cyankalinm. 

EXPERIBIENT V. 

Een kleine, grijze mopshond. — 5 Aug*. Half-vloeibare inhoud 
van den dikken darm van een cholera-lijk , een halven dag na 
den dood, wordt bij den hond onder de huid gespoten, aan den 
rug, iets aan de linkerzijde, boven het schouderblad. 

Maandag 6 Aug«. De hond is blijkbaar onwel, hij is bangerig 
en vreesachtig. Hij weigert het hem aangeboden brood. De 
ooren zijn koud. De temperatuur in den anus is 40.1^ G. 

De twee volgende dagen wordt het dier nog meer onwel, het 
ziet er lijdende uit en zit meestal met den kop tusschen de 
voorpooten. Het eet weinig. De temperatuur was woensdag 
morgen 39.2° C, woensdag avond 40^ G. 

Donderdag 9 Aug*. Ter plaatse waar de injectie geschied is, 
is de huid plaatselijk gegangraenesceerd en veroorzaakt een 
ondragelijken stank, overeenkomende met de lucht van de 
geïnjidêerde massa. 

Ook den volgenden dag is de hond nog zeer ziek en blijkbaar 
pijnlijk; hij heeft geen alvus. De huid wond wordt allengs grooter 
en de gevormde etter verzakt onder de huid. 

14 Aug*. ontstaat eene tweede huid wond onder aan den buik, 
waardoor zich eene ruime hoeveelheid verzakte etter ontlast. ^ Het 
dier vertoont zich zoo ziek, dat het schijnt dit niet te boven 
te zullen komen. Na de ontlasting van den verzakten etter 
treedt echter allengs beterschap in en beginnen de wonden te 
genezen. 

Den 27*^1^ Aug«. is de hond geheel als hersteld te beschou- 
wen, de wonden zijn gecicatriseerd. Hij eet dien dag 's morgens 
weder ongestraft een stuk brood, in het braaksel van een cho- 
lera-lijder gedoopt 

Dienzelfden dag, 27 Aug*., wordt hij tevens aan 'eene zeker 
nog meer ingrijpende kuur onderworpen. Wg hadden faeces, 
welke wij den 24*^ Aug«. van eene patiënte in de Bekkersteeg 



59 

geheel Yerach hadden verkregen. De patiënte was den nacht te 
▼oren ziek geworden en stierf den volgenden dag. De foeces 
syn seer vloeibaar en vertoonen onder het microscoop eene 
menigte vibriones. Wij laten deze massa, met een weinig water 
nog verdond, bezinken en nemen nu van het bovenstaande vocht 
ongeveer 1 drachme. Met de vereischte voorzorgen wordt deze 
vloeistof ingespoten in de vena jugularis. De wond wordt zorg- 
vuldig voorzien. 

38 Angi. Het dier is misselijk geweest en heeft een weinig 
diarrhee, de nens is koel, de tong is warm, en het heeft niet 
het voorkomen van onwel-zijn. Met smaak wordt ook het aan- 
geboden voedsel genuttigd. 

De volgende dagen blijft het dier steeds welvarende; diarrhee 
en misselijkheid hebben zich niet herhaald. Wij hebben het dier 
nog twee maanden geobserveerd. 

Experiment VI. 

Bg een gr^s-bont konijn wordt 27 Aug*. ongeveer V2 drachme 
onder de huid gespoten van dezelfde^ hoeveelheid der van cholera- 
faeces afgeschonkene vloeistof, die bij den hond , in Experiment V, 
op denzelfden dag in de vena jugularis werd ingespoten. 

Het dier blijft al de volgende dagen volkomen welvarende. 

Experiment VU. 

Daar herhaaldeiyk mededeelingen z^jn voorgekomen, dat er bij 
vogels en bijzonder bij kippen i) tijdens cholera-epidemieën sterfte 
zou zgn waargenomen , wordt ook eene proef met twee kippen in 
het werk gesteld. Terw^l volgens Thiersch de cholera-foeces 
alleen in zekere periode van gisting vergiftigend zouden z^jn, wordt 
van eene en dezelfde hoeveelheid iaeces eiken dag op nieuw 
een gedeelte ingegeven. 



1) Wi) daobtea hierbg aan de bekende cholera-epidemie onder de 
kippen te Choisy-Ie-Roi (Note sar repiso^tie etc> Joornal de M^decine 
et de Cbirvr^ie, 1833, pag. 175)« 



hebben, doch door het wgken der eindemie ontbrak ons tot ons 
leedwezen de gelegenheid om deze proeven voort te zetten. 

Becapitnleeren wg mzB proeven , dan zien we, dat 
37maal met faeces verontxeüiigd voedsel is ingegeven. 
De fecale stoffen waien afkomstig van veisdiillende cho- 
lera-lijders en werden geheel versch of in verschillende 
tgdperken van ontbinding aangewend. We hebben 7maal 
braaksel toegediend, Smaal verschillende gedeelten van 
het Igk, éénmaal eene pap, die op een cbolera-lgder ge- 
legen had. Yerder hebben wij 5 maal faeces, braaksel 
of bloed van een cholera-lgder hypodermatisch aange- 
wend, 2 maal in de vena jngolaris ingespoten, éénmaal 
als clysma geappliceerd. Op één dier werden de inade- 
mingsproeven volledig ingesteld, op alle overige dieren 
ook eenigermate , omdat zij allen in een bedompten kelder 
voortdurend min of meer blootgesteld waren aan de nit- 
dampingen der toegediende stoffen. 

Met belangstelling zagen wy , dat gelgktijdig met ons 
ook te Amsterdam soortgelgke proeven zgn bewerkstel- 
ligd door Dr. Stokvip en Dr. Guye 1). Met inspni- 
ting in de maag werden 13 proeven genomen, die allen 
negatief uitvielen. Met inademing van de over cholera- 
faeces strijkende lucht 8 proeven, die allen evenzeer nega- 
tieve resultaten opleverden. Met inspuiting onder de 
huid 14 proeven, waarbg 13 negatieve; met inspuiting 
in het bloed eindelijk 6 proeven, waarvan 4 met nega- 
tief resultaat. Yan de 41 proeven leverden dus 38 eeii 
stellig negatief resultaat. Bg de drie overigen volgde 



1) Vergelijk Ned. Tijdschrift roor Geneeskunde 1866, 2. Afd., 
blz. 284: Infectie-proeven bq dieren met cholera-exorementen 
door Dr. B. J. Stokris. 



63 

na de inspuitiiig van faeces onder de huid en in het 
bloed wel een positief resultaat, in zooverre spoedige 
dood hiermede gemoeid was; ze leyerden een bepaald 
negatief resultaat in zooverre er sprake is van cholera 
of van cholerarachtige versch^nselen. Noch belangrijke 
diarrhee, nodi daling der temperatuur, noch vermindering 
der urine-secretie , noch pathologisch-anatomische veran- 
dering van de zijde van het darmkanaal na den dood 
werden hier gevond^i. Deze experimenten werden genomen 
op kozqnen, honden, duiven en kikvorschen. 

W§ verwgzen hier verder nog naar de proeven van 
Dr. F. Guttman en Dr. A. Baginsky 1), te Berl^n 
ook gedurende deze epidemie genomen. Z^ verkregen 
door het inbrengen van cholera«excrementen in de maag 
niet de minste ziekelijke verschijnselen. Daarentegen 
stierven drie kon^nen en een hond, nadat fecaal-massa. 
onder de huid was gebracht; deze dieren stierven intus* 
schen „nicht unter dem Symptomencomplex der Cholera, 
,^ondem, wenn man sich durchaus eines unklaren 
„B^riffes bedienen will, an Blutvergiftung." 

De vergelijking dezer verschillende proeven, allen 
gedurende deze epidemie genomen, leert ons wel met 
afdoende zekerheid, dat aan dieren, ten minste aan var- 
kens, honden, apen, konijnen, kippen, duiven, kikvor- 
schen en visschen, door infectie de ehdera niei kan overge-^ 
èraeÜ worden. 

Zgn de dieren inderdaad niet vatbaar voor de cholera, 
of is het wellicht niet langs den weg der infectie, dat 
deze ziekte wordt voortgeplant? Moeten wij terugkomen 
tot de voorstelling van de miasmatische natuur der 



1) Centralblatt 1866, N^ U, Seite 689. Znr Cholera. Elnige 
Yersnche an Thieren. 



64 

cholera? Zijn het cosmisch-tellurische momenten die 
hare ontwikkeling teweegbrengen? Z^n het, volgens 
de tegenwoordige voorstelling van Pettenkofer, de 
rottende stoffen in den bodem, die bij lagen stand van 
het grondwater door infectie van cholera-excrementen 
tot het werkend vergift worden ? * Het scheen ons van 
het hoogste gewicht, ook met het oog op deze vragen 
de vatbaarheid der dieren voor de cholera te toetsen. 
Het is duidelijk, dat wij, met het oog hierop, onze dieren 
slechts hebben blool te stellen aan dezelfde invloeden, 
waaronder het blgkt, dat menschen ziek zijn geworden. 
Utrecht bood ons daartoe de schoonste gelegenheid aan. 
W^ hebben een groot aantal dieren aangetroffen in of 
onmiddellijk nabg woningen, waar menschen door cho- 
lera waren aangetast. Onder zoodanige omstandigheden 
hebben we geobserveerd een groot aantal paarden, run- 
deren, varkens, geiten, schapen, honden, katten, konij- 
nen, kippen, duiven en inzonderheid kleine vogels. Wat 
de laatstgenoemden aangaat, vermelden we hier, dat we 
onder de door ons bezochte cholera-lgders verschillende 
duivenmelkers en vogelaars aantroffen, terwijl daaren- 
boven, vooral in den omtrek der Wittevrouwenstraat, vele 
huisgezinnen door het doen broeien van kanarievogels 
eene kleine vermeerdering hunner inkomsten zoeken. 
We vonden daar aan en somtgds zelfs in de bedstede, 
waar de zieke lag, de kootjes met vogels 1). Bij onze 



1) In het Eepertorinm, derde jaargang, 1849» leest men blz. 96: 
„Vermoedelijke invloed der nabijheid van cholera'Zieken op vogeU^' 
Door een geloofwaardig persoon wordt ons uit utrecht het 
Tolgende medegedeeld: „T^dens de jongste epidemie zijn een 
aantal cholera-lijders uit het hospitaal op het Begijnenhof aldaar, 
wegens plaatsgebrek, overgebracht naar het tot ziekenzaal ingerichte 
Passantenhuis op de Lange Nieuwstraat TuBschen deze straat en de 



65 

nasporingen hebbra wij deze dieren overal in den besten 
toestand aangetroffen. Alleen vonden w^ , behalve het 
reeds genoemde varken (zie Experiment I), in de Gtost- 
hnissteeg 166', den 7^» Angnstas twee jonge katten 
met diarrhee. Tevens had een kind aldaar dianhee. De 
man des hnizes was den 18^^ Juni door de cholera aan- 
getast, doch thans sedert lang hersteld. Sedert 6. Juli 
was in de geheele Gasthuissteeg geen cholera meer ont- 
staan. Den volgenden dag, 8 Aug«., was een der katten 
gestorven, de andere herstelde. Bij de door ons ingestelde 
autopsie bleek niets van cholera: de blaas was gevuld, 
de intestina niet rood, het bloed was niet teerachtig, maar 
vertoonde normale coagula; de oorzaak van den dood 
bleek niet. Een ander geval, dat hier vermelding ver- 
dient, betreft een oude cacatou, die zich bevond in 
dezelfde woning, waar onze proeven werden verricht. 
24 Augi. vertoont deze zich ziek: de veeren z^n niet 
glad ; hij weigert te eten ; de snavel en de tong zijn bui- 
tengewoon koud; iet dier braakt herhadldelijh ^ zoodat de 
snavel en de borst aanhoudend met braaksel verontreinigd 
zgn; de faeces zijn ongeveer als gewoonlijk; de stem is 
niet veranderd. Bg navragen blijkt — en we releveeren 
dit, omdat dit niet onwaarschijnlijk tijdens epidemieën 
wel eens meer oorzaak van schijnbare cholera onder huis- 
dieren is geweest — dat gedurende de laatste dagen door 
verzuim het vereischte drinken niet is gegeven. Het 



Kieuw^gracht bevindt 2ich de ingang tot dat gebouw in een Bteegje. 
In eenen onmiddellijk aan dit steegje grenzenden tuin wordt eene 
▼olière gehouden, met tralies voorzien en in de open lucht staande. 
Hierin bevonden zich 22 vogeltjes van verschillende soort, die 
tot dien t^'d volmaakt gezond schenen, waaronder althans inden 
laatsten tijd geen sterfte had plaats gegrepen. Van dit getal 
vond men er den dag na het transport 14 gestorven! 

5 



66 

axme beest heeft (ian ook een ondiagei^ken dorst en 
drinkt met in het oog loopende graagte» Onder betere 
verzorging is bg den 28"^ geheel hersteld. 

In den zoSlogischen tuin te Botterdam noch in dien 
te Amsterdam is eenig afdoend bewys van het bestaan 
van cholera waargenomen. De heer Martin , Directenr 
van den tuin te Botterdam, had de welwillendheid ons 
mede te deden, dat, behalve het voorkomen vanmnder- 
pest, de gezondheidstoestand der dieren dit jaar buitra- 
gewoon gunstig was. B^ geene dierklasse is b^zondere 
peiging tot diarrhee waargenomen; daarentegen z^n eenige 
oppassers der dieren in den tuin zelven door de cholera 
aangetast. 

Deze nitkomst onzer naporingen is geheel in strgd 
met eene menigte nitspraken van de litteratanr der laatste 
jaren. Spinola zegt 1): „Die Beobachtongen, dass in 
„Gegenden, wo die Cholera nnter den Menschen grassirt, 
„die Yögeln selten werden, Zngvögeln spSrlicher sich 
„einfinden, tlberhanpt Ghol^ahre wenig bélebte Wftlder 
„nnd schlechte Feldjachten im (ïefolge zn haben pflegen, 
„Thierkrankheiten: Dorchfölle namenüich, h&ufige Er- 
„scheinnngen sind — > weisen znr Genüge anf die Beden- 
„tung hin, welche die Cholera auch fOr die Thierwelt 
„hat." Bg Her ing lezen wg 2): „In Gegenden, wo 
„die asiatische Cholera nnter den Menschen herrschte, 
„beobachtete man h&ufig ein anffallendes Erkranken nnter 
„den Hansthieren nnd den Geflügel, welches sogar in 
„einigw Fallen dem Ansbruche der Cholera bei Men- 



1) Dr. Werner Th. Joseph Spinola: Handbuch der Spe- 
dellen Pathologie tl Therapie iur Thierarzic, 2. Bd. Seite 406. 

S) Dr. E. Her ing I Spec Pathologie n« Terapie fur Thierarste 
1868. S. 421. 



67 

i^sdieii voxausgegangen sein soll;" en big Oriesingerl) 
„Die Möglichkeit Ton G^ererkrankiingen an Gholeia 
„überhaupt sobeinen übrigens dnrcb Tiéle EpizoStien 
i^erwiesen zn sein, welcbe besonders den ersten Epide* 
„mieenzng der Cholera begleiteten nnd welcbe bald Feder: 
„Tiehi bald Pferde, Eühe etc. mitnnter in sehr grosser 
^Anadehmmg nnd mit wobl cbarakterisirteni der mensch- 
„lichen Cholera höchst analogen Erkrankongen betrafen." 
Daarentegen zegt Gleisberg 2): ^Die Cholera kommt 
ttbei Thieren nicht Tor.'* 

Wg znllen hier niet alle b^zondere gevallen, die 
omtrent waarnemingen van ^cholera b§ dieren z^n mee- 
gedeeld, herhalen. Wij bevelen daartoe de lezing aan 
Tan den belangrijken arbeid van J. Marshal 3). In 
de zeedfl genoemde bijdrage van Dr. B. J. Stokvis 
vinden we eene volledige opsomming van alle vroegere 
mededeelingen hieromtrent Met belangstelling zal zeker 
een ieder kennis nemen van de aldaar nitvoerig aange- 
haalde literatanr. Intusschen , allerminst zonden we dnrven 
onderschrgven de conclnsie van Dr. Stokvis 4): „Ka 
„echter verschillentl^ epidemieën ons bonwstofien tot die 
„waamemix^en geleverd hebben, nn is eene overtuiging 



1) Tirehow*8 Handbueh for spec. Pathologie u. Terapie|2.Bd. 
8« Abt. S. 269. 

8) Dr. J. P. Gleisberg: LehrbachderTergl.Patbologie|S.68. 

8) J. Marshal: British and foreign Medical Cbirargioal Beriew 
1863. Men vindt deze bijdrage uitroerig gerefereerd: Beperto- 
rinm der Thierbeillnunde von Pro£ £. Bering, 14. Jabrg.i The 
Veterinarimn edited by Per oi val YoL XXYI, 1835; Canatatt'e 
Jahrbericht über die Fortschritte der geaammten Medioin im Jahre 
1863» Bd. TI» Thierheilkimde» 8. 16» en Bepertoriom van v. Has- 
telt en Hekmeyer, 8* deel» bis. 126. 

4) T. a. p., bl2. 286. 

5* 



68 

i,omtX6nt dit punt mogel^k. En welke is die overtui- 
nging? Ik geloof, dat zg eene positieve ssgn moet, die 
„den toets als afdoende erkent en de vatbaarheid van 
„dieren voor cholera niet langer in twgfel trekt." 

Het is in het oogloopend, dat de mededeelingen omtrent 
cholera bg dieren des te positiever en meer bewgzend sche- 
nen, naarmate ze van onder datum zijn en uit meer afge- 
legen streken komen. Uit Nederland hebben we slechts ééne 
wetenschappelgke bijdrage 1): „Waarnemingen omtrent 
„gel^kvormige zidkten bg verschillende diersoorten en over- 
„eenkomst derzelve in ziekteverschgnselen met de gelijk- 
„tgdig heerschende cholera bg den mensch, door J. A. 
„Dekker, Bijks Veearts der 1' klasse te Amsterdam." 
Dekker vond tijdens de cholera-epidemie 1848 — 1849 
meer algemeene dispositie der dieren tot doorloop, braken, 
ongevoeligheid, spoedig wegzinken der krachten en ver- 
magering. H§ nam dit waar in den zoölogischen tuin 
te Amsterdam en ook in zgne burgerpractyk. Eg geeft 
vijf ziekt^evallen bij apen aan, waar volgens hem de sym- 
ptomen geheel met die van cholera overeenkwamen en 
welke doodelgk eindigden. Hetzelfde beschrgft hij van 
vele andere dieren, waaronder herkauwende, honden, 
knaagdieren enz. Beeds destijds vonden de opgaven van 
Dekker krachtige tegenspraak 2). De door Dekker 
medegedeelde Igkopeningen geven ons al zeer weinig waar- 
borg voor de deugdelijkheid der gronden, waarop de ziekte- 
gevallen als cholera werden beschouwd. Wij deelen hier- 
omtrent het volgende mede: „Bg de lijkopening, door mij 
„in tegenwoordigheid van den Hoogleeraar Yrolik ver- 

1) Het Sepertorium, 2« jaargang, 1848, bh. 180. Aldaar bk. 254 
en 273. Derde deel, bla. 9i. 

2) Verg. Geneeak. Courant 10 Aug. 1848, K». 83: «Taai de 
eholera dieren aanP** 



69 

„ligt, weiden de hersenen en 'borstorganen in volkomen 
y,gezonden toestand gevonden; de bnikorganen insgel^ks, 
„behalve eenige zigtbare overbl^'&elen van vroeger bestaan 
„hebbende ontsteking, als: vergrooting der darmscheilklie* 
„ren, welke een geelroodaohtig aanzien hadden, en zich 
„als platliggende trossen voordeden; ziekelgke aaneenhech- 
„tingen door pseudo-membranen van de lever, gedeelten 
„van het darmkanaal aan de buikvliezen en onderling; 
„verw^ding van derzelver bloedvaten, enz. , terwijl overigens 
„in het algemeen alle teekenen van uitputting zich voorde- 
„den." Omtrent het ziekte-proces wordt o. a. medegedeeld: 
„De eigenaardige verandering in de huid, waardoor plooi- 
,Jen en vouwen in de huid gevormd en aanwezig big ven, 
„was niet duidel^k bij den chimpansé aanwezig. De 
„eigenaardige blik van den mensch, b§ de cholera aan- 
„wezig, was niet te bespeuren." Omtrent aütopsien lezen 
w^ verder: „De openingen der gestorvenen leverden wei- 
„nig b^zonders tot inlichting in dezen op, daar men niets 
„vond dan algemeene uittering en vermagering der in« 
„wendige deelen." 

Alvorens eene gelijktijdig voorkomende epizoötie als 
cholera mag worden opgevat, eischt eene gezonde kritiek: 
1^ dat er overeenkomst besta in het ziekte-proces, 2^ dat 
ook pathologisch-anatomiBoh bij de autopsie overeenkomst 
worde aangetoond, en 3^ dat ook het optreden der epide* 
mie de als eigenaardig erkende kenmerken niet misse; 
dit laatste ten opzichte van tijd en plaats van optreden, 
alsmede ten opzichte van den aard der besmettel^kheid. 

Thans heerscht gelijktigdig met de „cholera" als epi- 
zoötie de „runderpest." Niemand denkt daarbij aan ver- 
band tusschen cholera en runderpest. Waren de feiten 
hieromtrent ons minder bekend, zooals het geval ia met 
mededeelingen van vro^ren datum en van meer a%ele- 



70 

gen plaatsen I dan zon weUicht het gelgktgdig optreden 
als een krachtig bewgs gelden. 

De thans heersohende mnderpest heeft met de cholera 
slechts deze overeenkomst, dat de ziekte zich ook tot 
bijzondere dieren bepaalt 1). Alleen de herkanwende die- 
ren zijn voor de mnderpest vatbaar. De mensch wordt 
niet door de mnderpest besmet 2). Het is das niet een 
zoo geheel op zich zelf staand feit, dat de cholera van 
den mensch niet op andere dieren kan worden overge- 
bracht 

Utbecht» Jannari 1807. 



1) In December 1866 plaatste een van ons op een stal met 5 
koeien, waaronder de rondeipest zioh vertoonde» een ezel, zoo- 
dat deze tuflsolien de zieke koeien stond en onmiddeU^jk daar- 
mede in aanraking blee& De koeien stlerren achtereenvolgens 
en de ezel bleef yolkomen welvarend. 

In den aedisuiAisatie-tain in bet Bois de Boologne te Panjjs 
heeft O. Leblano waargenomen, dat» behalve het gewone nind, 
nog vatbaar z^n voor deze ziekte: de zebn, de yak, de aneros, 
de gazelle, de geit en het hert, maar niet het schaap. (Joomal 
de médecine vétérinaire, Decembre 1865. p. 564.) 

Door inenting heeft F. C. Hekmeijer de mnderpest ook 
op schi^en kannen overbrengen* (Magazgn voor Landbouw en 
Kraidkonde D. TL 1866—1867, bl. 105 ea Ved. Staats Courant 
11 Oet. 1865.) 

2) Ked. Tijdschr. van Geneeak., 2« Eecks, 3« Jaargang: F. C. 
Hekmeyer: «Gaat de smetstof der runderpest op den mensch 
overP* 



ONDERZOEK VAN OEN CARDIOBRAAF. 



BOOft 



F. C. DONDEBS. 



Bg het r^istreeren der werking Tan het kart bedienden 
Ghanvean en Marey zich van den cardiograaf, een 
werktuig, evenzeer geschikt om andere bewegingen in 
graphischen vorm te brengen. Terw^l ik het tot velerlei 
doeleinden gebmikt heb en verder denk te gebruiken, 
mocht ik niet nalatra te onderzoeken, in hoeverre zgne 
aanwijzingen op nauwkeurigheid kunnen aanspraak ma- 
ken. Ik laat hier de uitkomsten van zoodanig onderzoek 
volgen* 

Har e 7 onderscheidt aan den cardiograaf een appareil 
emréguirtur en een appareil ^phygmographique. 

Het eerste bestaat uit twee dunne cilinders, door een 
uurwerk in draaiing gebracht: door den eenen wordt het 
tusschen de beide cilinders uitgespannen papier af-, door 
d^i anderen opgerold, terwijl de hef boompjes van het 
appareil sphygmographique hunne beweging met inkt op 
het uitgespannen stuk noteeren. In plaats van het systeem 
vau twee cilinders, kan men een enkelen broederen 
cilinder gebruiken, bgv. dien van het kymographipu , 



72 

zooalB het door Brondgeest 1) werd gewgzigd. Die 
cylinder, met gUd papier bekleed, wordt dan bg hori- 
zontalen stand der as langzaam omgedraaid over een 
vlam van petroleum, en in de aldus verkr^en gelgkmatig 
zwarte laag schreven de hefboompjes met fijne aluminium- 
veertjes hunne scherpe witte lijnen: om het zwart te 
fixeeren, wordt het papier, na a%enomen te z^n, door 
met verms bedeelden alcohol heen getrokken en vervol- 
gens gedroogd. 

Yooral komt het aan op den sphygmographischen toestel. 
Fig. 1 levert daarvan een voorstelling. Men ziet hier 

Fig. 1. 

A 




drie hefboompjes A, A', A" met toebehooren, volkomen 
aan elkander gelijk en onafhankelijk van elkander wer- 
kende, zoodat zg in staat stellen, te gelgker tijd drie ver- 
schillende bewegingen regt onder elkander te registeeeren. 
Zoo schreven Ghauveau en Marey te gelgk de 
zamentrekking van boezem, van kamer en den hartslag 
bg het paard op. De sphygmographische inrichting is nauw- 
keuriger te zien op figuur 2. Het buisje E e wordt op 
de verticale stang geschoven en op de gewenschte hoogte 

1) YenL en meded. der Kon. Akad. van weiensch. 1863. D. 
XV. bL «67. 
9 PhytioL méd. de Ia oircolation. Paria 1863. p. 47. 



73 

door een zgdelingsche Bchrqef vastgezet. Nabij het boven- 
einde van het buisje is een horizontaal stuk bevestigd S , 




T 

aan welks voorste gedeelte zioh de as a van het hef boompje 
A bevindt. Dit hefboompje rust op een kleine houten 
kam of mesje, in het midden van het veerkrachtig vlies 
der trommel T vastgehecht Door draaiing der schroef v 
gaat het stuk S met het geheele hefboompje voor en 
achteruit, en kan dus het rustpunt op de kam op ver- 
schillende afstanden van de as a gebracht worden: hoe 
dichter bg de as, des te meer vergroot worden de bewe- 
gingen der kam aan het uiteinde van het hefboompje 
meegedeeld. De trommel T heeft 5 cent. middellijn en is 
slechts 5 mm. hoog. In die trommel, welker bovenvlakte 
alléén door een vlies van caoutchouc gesloten is, opent 
zich eene horizontale buis B , die , zooals verder op fig. 1 
te zien is, door een korte gutta-percha buis G met een 
tweede metalen stuk D verbonden is, bevestigd op een 
tweede verticale stang, en hiervan gaan nu verder de 
elastieke buizen E uit, welke in gemeenschap worden 
gebracht met de ruimte, die door de te registreeren be« 
weging wordt samengedrukt. 

Het beginsd, waarop de werking berust, is zeer een- 
voudig. De trommel en het geheele stelsel van buizen 
is met lucht gevuld: wordt nu dit stelsel op de een of 
andere plaats gedrukt, dan komt de daarin beslbtene lucht 
onder hoogere spanning, en het zeer uitrekbare vlies, 
waarmed de trommel is afgesloten , stijgt met de daarop 
geplaatste kam, die het hefboompje oplicht, om bg af- 



74 

nemende spanning der lacht weer te dalen. Men begrijpt, 
dat, om een geYoelige inrichting hebben, de mimte, in. 
verhouding tot de zamendmkking die zg ondergaat, niet 
al te groot mag zgn, dat het hef boompje bijzonder licht 
moet wezen en dat het bij het schrijven niet veel weer- 
stand mag ondervinden. 

Marey hecht groote waarde aan de lichtheid van het 
hef boompje, omdat de eigene bewegingen daardoor zou- 
den worden voorkomen. Die voorstelling is onvoldoende. 
Een licht lichaam kan de daaraan medegedeelde bewe- 
gingen even goed behouden als een zwaar. De lichtheid 
krggt eerst beteekenis, wanneer er een weerstand te 
overwinnen is, waardoor het geringe arbeidsvermogen der 
beweging van een licht lichaam spoedig wordt verbruikt. 
Om voordeel te hebben van de lichtheid, moet er dus 
een weerstand zgn. Marey heeft dit gevoeld big de 
constructie van zign sphygmograaf. „Pour que Ie lévier," 
zoo leest men hier, „ne soit pas projeté en l'air par les 
„soulévements brusques, et pour que, d'autre part, sa 
„descente ne soit plus entravée par les frottements qui 
„existent k son extrémité centre Ie papier: unpeiit ressort 
„appwie sur la iase du levier^ tendant constamment k Ie 
„faire descendre" 1). Op den cardiograaf had Marey dit 
aanvankelijk niet toegepast Het was mg echter gebleken 
noodig te z^n. Met voldoening vond ik dan ook op een 
later door Marey afgeleverd exemplaar een kleinen 
caoutchouc-ring aangebracht, die het hefboompje met de 
ivoren kam verbindt Hiermede is het dansen van het 
hefboompje op de kam voorkomen. Yolkomener nog 
bereikt men dit doel, door het hefboompje met een ge- 
leding aan de kam te bevestigen, helgeen door Mach 



1) FhTriologie médicale de la droolation, p. 192. 



76 

op den sphygmograaf en onlangs door Marey op den 
cardiograaf is toepast. 

Alvoiens tot de kritiek ran het werktuig over te 
gaan, wil ik zgn gebruik en zgne geschiedenis kort 
vermelden* 

Om b§ het paard een tracé van den haxtstoon te 
verkrggeni brachten Ghauvean en Marey een van 
alle B^den samendrukbaar zalge tusschen de mjn. inter- 
costales extemus en intemus, juist tegenover de kamer, 
aan welker afwisselende drukking het dus bestendig was 
blootgesteld. De oardiograaph nu, met het zakje in ver- 
binding gebracht, gaf onderstaand tracé: 

fig. 8. 




Verder brachten z% bij het paard eene sonde met twee 
kanalen voorzien, eindigende elk in eene veerkrachtige 
verwgding, tot in de holten van boezem en kamer; en 
bg het verbinden der sonde met den oardiograaph werd 
de drukking, resp. door boezem en kamer op de verwedde 
plaatsen uitgeoefend, doorloopend geregistreerd. Dat deze 
schignbaar avontuurlijke proef alle vertrouwen verdient, 
daarvan werden w^ overtuigd, toen Marey, op een ons 
gebracht bezoek, ze in de veeartsen^school alhier, in 
tegenwoordigheid van Professor Wellenberg en andere 
Leeraren, verrichtte. Wordt hierbij tevens naar de boven 
beschreven methode de hartslag geregistreerd, dan ver* 
krggt men drie iBochronische curven onder elkander 
(fig. 4): I vertegenwoordigt de werking van den rechter 



76 



boezem; II die van de rechter kamer (waarmede die der 
linker kamer overeeneenkomt) ; III, overeenkomstig met 
fig. 3y die van den hartslag. De stgging A (fig. 3) 
'"f/ 1 van den hartslag 

blijkt samen te val- 
len met de contrac- 
tie der boezems, en 
wordt door Marey 
uit de daarbij ont- 
staande vulling der 
kamers afgeleid. De 
groote steile stg- 
ging B beantwoordt 
aan de samentrek- 
king der kamer en 
vindt hare verkla- 
ring in de vormverandering die zij ondergaat De onmid- 
dellijk volgende daling valt samen met de omvangsver- 
mindering der kamer, t^dens hare samentrekking, die 
ondersteld wordt ten einde te z^n bij G, waar de curve 
bijzonder snel daalt, om nog slechts eene kleine golf te 
vertoonen, aan de sluiting der valvulae semilunares 
to^eschreven. 

Onlangs leverde Marey 1) een soortgelijk tracé van 
den hartslag bij den mensch. Beeds vroeger had het niet 
aan pogingen ontbroken, om dien te registreeren. De ge- 
schiedenis hiervan komt mij belangrgk voor, omdat zij 
samenvalt met die van den cardiograaf en met die der 
registreer-toestellen in het algemeen. De aanleiding tot 
de eerste pogingen werd gevonden in de verschijnselen^ 




1) Journal de ranatomie et de la physiologie^ publié par 
Charles Sobiiu 



77 

bg Engène Gronz 1), een Igder aan fissora sterni 
congenita, waargenomen. Bebalye den hartslag 2 op de 
gewone plaats neemt men bij dezen eene samentrekking 
a waar in de fissnra, en voelt boven a nog een pols- 
slag e. Klaarblijkelijk moest de beteekenis dezer bewe- 
gingen vooral uit hare volgorde worden afgeleid. Het 
eerst nn maakte de sphygmoscoop van Dr. Scott AUison 
a en i naast elkander gieiibaar in de bewegingen van 
een gekleurd vocht in twee glazen buisjes. Daarop 
maakte Dr. Upham te Boston het verschil in tijd 
hoorbaar met z^n sphygmosphone , dat de bewegingen a 
en i, langs electro- magnetischen weg, door twee klok- 
jes van verschillenden klank deed herhalen. Eindelgk, 
op aanv^zing van zijn vriend F armer, registreerde hij 
ook de tgden met de electrische klok en later zelfs met 
de chronoscopische toestellen van het observatorium van 
Gambridge, waarmede men zich te Boston in telegra- 
phische gemeenschap had gesteld. 

In al die gevallen werd de beweging van het hart 
overgenomen door een vliesje van caoutchouc, gespannen 
over een glazen klokje, waarvan aan de andere z^de 
een veerkrachtige buis uitgiag. Gaat nu die buis in een 
dun glazen buisje over, en is de geheele toestel tot in 
dit buisje met een gekleurd vocht gevuld, dan heeft men 
den sphygmoscoop van Allison. Brengt men daarentegen 
aan het einde der elastieke buis een tweede klokje, met 
een vlieqe van caoutchouc gesloten, dan herhaalt dit 
vliesje de bewegingen van het op de borst geplaatste , en 
kan tot sluiting en opening van een stroom worden aan- 

1) Fissura stemi oongenita. Kew obserrations and experiments» 
mado in America and Great Britain, with illastrationB of 
the case and instnunentsi bij Eu gêne Groux, 3. edition* 
Hamburg. 18d0. 



78 



gewend, aooals Farmer en üpham deden. Met 200- 
danigen stroom lieeft men nu slechts électro-magneten te 
maken en de momenten van aantrdkking te registreeren. 
De ruimte van den geheelen toestel werd bg de eerste 
proeven met lucht, bg de latoren met water gevold, 
waaraan men zich ten slotte hield. 

Deze proeven geschiedden in 1859. 

Nadat Marey nu zgn sphygmograaf aan de Académie 
des Sciences had aangeboden, stelde Gh. Buisson, in 
1860, een toestel samen, als die van Farmer enüpham, 
met dit onderscheid, dat hg, in plaats van de bewegingen 
van het tweede vlies tot sluiting en opening van een stroom 
aan te wenden , die bewegingen door bet hef boompje van 
den sphygmograaf van Marey liet registreeren. Het vliesje 
werd te dien einde met een uitstekende kam voorzien. 



Fig. 6. 




waarop dat hefboompje 
rustte. Den geheelen toe- 
stel vulde hij met lucht, en 
zoowerdBuissondesohep-* 
per der r^gistreer-methode 
door lucht-transport (car* 
diograaf). Op deze wgze 
verkrop Buisson al aan- 
stonds vrij voldoende cur- 
ven van den hartslag en 
van onderscheidene slaga- 
deren k zoo bg zich zelven 
als bg anderen. Zelfs bleek 
hem, dat het genoeg is, era 
wgden trechter met zgn 
mond in de hartstreek te 
plaatsen, om, bg verbin- 
ding met den cardiograaf , 



T9 

de hartslagen te doen opgchi^Ten. Zgne methode maakte 
ook aanschonwelgky dat de pols eener slagader des te 
later na den hartslag komt, hoe verder zg van het hart 
verwgderd is. 

Intnsfichen scheen van verbetering der methode nog 
grootere volkomenheid der curve te wachten* In de eerste 
plaats lag het voor de hand , den openen of door een plat 
vlies afgesloten trechter te vervangen door een toestel 
met bol uitgespannen ylies. Dezen nu vond Marey ver- 
wezenl^kt in den stethoscoop van König. Hy bestaat 
(fig. 5| doorsnede in natiterl^ke grootte) uit een koperen, 
horologevormig kastje A, waarin zich een ring bevindt B, 
die met twee caoutchouc-vliezen Ct en Ca is voorzien, m 
waarover nog een koperen deksel past, die er bg deaan- 
wending wordt afgenomen en hier niet is afgebeeld. Tus- 
schen de caoutdiouc-vliezen opent zich in den ring een 
buisje dy waardoor men lucht kan inblazen, zoodat de 
vliezen als G't en G'2 bol worden uitgespannen en ge- 
samenl^k den vorm eener bi-convexe lens aannemen: door 
sluiting der hxaan i^ onmiddell^k na het opblazen, be- 
houden nu G't. en Ca hunnen stand. Met het koperen 
kastje communiceert de buis a tot opneming der guttaper- 
cha-buis tf, die, wanneer men ausculteeren wil, wordtin 
het oor gebracht. Terw^l Marey nu den stethoscoop 
appliceerde ter plaatse , waar de hartstoot het sterkst w^ 
gevoeld, en de daarvan uitgaande buis met den cardio- 
graaf verbond, verkreeg hij reeds betere curven dan 
met een plat veerkrachtig vlies. De gevoeligheid werd 
nu nog aanzienlek verhoogd, door de ruimte tusschen de 
vliezen C't en G'a met water in plaats van met lucht te 
vullen. Zoodoende verkreeg Marey bg den mensch eene 
curve, voorgesteld door fig. 6. üit vergelgking met de 
hg het paard verkregene curve (fig. S) , leidt Marey af, 



80 

dat A beantwoordt aan de systole van den boezem, B aan 
die der kamer, dat de drie volgende golfjes zgn voort- 

Fig. 6. 




gebracht door de schommeling (Ie claqnement) van de 
valvnlae mitrales, eindelgk, dat de systole der kamer 
Yoortdaiirt tot G, waar zij met het sloiten der valvnlae 
semilunares eindigt. De nu volgende* langzame stijging 
brengt M a r e y weder in verband met de allengsche vnlling 
der kamer door het temgstroomende aderlijke bloed. Het 
kleine golfje D meent h^ te mogen toeschrijven aan het 
plotseling invallen van bloed in de kamer , op het oogenblik 
dat deze zich ontspant. 

Ik heb bg vele personen den cardiograaf aangewend. 
Gemakkel^k verkr^gt men b^ de meesten eene voldoende 
curve, waarop althans in iedere periode twee verheffingen 
(contracties van boezem en kamer?) duidel^k te herken- 
nen zijn. Om de uitslagen ecliter zoo groot en daarbij met 
zoo gecompliceerden vorm te verkrijgen, als door Marey 
wordt afgebeeld (verg. fig. 6), moet men een mager per- 
soon met sterken hartslag uitzoeken. Bg sommigen ver- 
krggt men geheel afwigkende vormen. Later zal ik ge- 
legenheid vinden, in verband met de hartstoonen, eenige 
curven af te beelden: ik. bepaal m^ thans tot het onderzoek 
van het werktuig zelf. 

De methode van onderzoek bestaat dddrin, dat én de 



81 

drukklDg, op den stethoscoop uitgeoefend, en de hierdoor 
voortgebrachte beweging van het hef boompje op denzelfden 
rol gelgktijdig geregistreerd worden. Werkt de cardio- 
^TLiaf nauwlvcuxig , dan moeten da t^iljhJPIffW!: 9|^ al- 
kander gelijk z^n. - ' 

a* Do tlrnkking op den iXL een klem bevestigden ste- 
thoficoop wordt plotseling voortgebracht door een kleine 
i^tttug, die bij het Bluiten van den stroom door een 
ck^tro^magtieet wordt aangetrokken. De stang draagt 
aan bnar ondervlalc nabij de as een ronde plaat, druk- 
kende op het caoutchouc- vlak van den daaronder geplaatsten 
stethoscoop, en aan haar uiteinde een fijn veertje, dat 
hare bewegingen opschrijft. Het blijkt nu, dat bij druk- 
king het hefboompje te hoog rijst, bij het wijken der 
drukking te laag daalt, en in beide gevallen, naargelang 
der grootte van den uitslag, twee, drie of meer natrillin- 
gen maakt van Ve tot Vis sekunde. Terwgl een caoutchouc- 
ringetje hefboom en kam samen verbindt, zijn de trillingen 
en het doorslaan niet aan het hefboompje alleen, maar 
aan het met kam en hefboompje belaste elastieke vlies 
toe te schrijven. 

i. Dezelfde stang wordt door rhythmisch sluiten en 
openen van den stroom rhythmisch aangetrokken en los- 
gel|!l(|iil||t:^ beweging, werkende op den stethos- 

coflj^^vm^ die van den cardiograaf 

^P^^jë^Nw* ^ïlodöénée verlxgg^ w$ ondefstaaiide figuur. 

S^i^,^ .% « '^. beweging dej: stift, « dj» van den car- 
diograaf. Wajir de lijn s daalt wordt de stift aangetrokken 



1) Dit geschiedde met yerschillenden duur der perioden en 
verschillende Tcrhoading tusBchen aantrekking en loslatiDg, met 
behulp van een metronoom naar eene vroeger beschrevene me- 
thode. Verg. mijn artikel over den rhythmus der hartstoonen. 
DL n. blz. 143 van dit Tijdschrift. 

6 



62 

en drukt op het vlies van den stethoscoop; waar i weder 
rgst wordt de stift weder losgelaten en houdt de drukking 

Fiff. 7. 




op. In plaats van de plotselinge beweging te volgen 
en overigens met de stift een horizontale lijn te beschry ven, 
zien wij bij drukking der, stift c merkelijk te hoog stijgen 
en nog eenige trillingen maken vóór ze tot rust komt, — 
en evenzoo bij het rijzen der stift te laag dalen en op 
nieuw in trilling geraken. De geheele periode bedraagt 
hierbij Vio minuut. Hieruit blijkt, dat de cardiograaf 
niet geschikt is voor het registreeren van plotselinge 
stoeten. 

Voor meer dan een jaar was ik reeds begonnen, den 
cardiograaf op deze wijze te onderzoeken. Ik kreeg toen 
een anderen vorm van curven, hier afgebeeld als fig. 8. 

Fig. 8. 




Blgkbaar is de beweging van het hef boompje hier 
trager, en de naschommeling kleiner en langzamer, waar- 
van wij de oorzaak nader zullen leeren kennen. 

e. Dè drukkings-veranderingen worden minder plotse- 
ling voortgebracht. In plaats van door afgebroken werking 
eener electro-magneet op en neer te gaan, wordt de stang 



83 



in een periodieke beweging gebracht door eene excentrisch 
werkende draaiende schijf. De rand dezer schgf, met 
bergen en dalen nitgevijld, dmkt op een op de stang 
nitsteekend knopje, en zoo wordt, bij draaiing der schijf 
om eene vaste as, de stang door eiken berg neergedrukt, 
om bij elk dal (door eene constante veer [naar boven 
gedrongen) weer te rijzen. Terwijl nu de bewegingen 
der stang door hare schrijfstift worden opgeteekend, worden 
zij in het klein aan den boven de stang bevestigden ste- 
thoscoop medegedeeld, en zoo verkrijgt men weder twee 
isochrone lijnen, s die van de schrijfstift, de drukking 
op den stethoscoop voorstellende en e die van den car- 
diograaf, de effecten dezer drukking aanwijzende. Ik heb 
schijven van onderscheiden vorm beproefd, en het is ge- 
bleken, dat de beweging der stang goed gevolgd wordt, 
mits er geene snelle stoeten in voorkomen. Onder anderen 
maakte ik gebruik van eene schijf, die den vorm van 
den hartstoot zeer goed imiteerde, en verkreeg daarmede, 
by 70 perioden in 1 , onderstaande figuren. 

Fig. 9. 




Fig. 9 is eene houtsneê naar een der volkomenste, 
Fig. 10 is eene oorspronkelijke, op den rol verkregen 

6* 



84 



m in ieder exemplaar ingeplakt. Op Fig. 9 is daarom 
e niet in alle exemplaren gelgk, en zeker in weinigen 
overeenkomstig met e van fig. 8. Kleine omstandigheden, 
die niet allen constant te houden zijn, hebben invloed 
op den vorm, zooalsdespanning van het vlies, de spanning 
der lucht in den cardiograaf , de wrijving vooral van het 
hef boompje op den rol, enz.; en bij voortgezette draaiing 
doet zich bovendien het verschillend interfereeren der 
verkregen trillingen met de bijkomende stoeten duidelijk 
gevoelen. Maar in het algemeen blijkt, dat de cardio- 
graaf de drukkiDgen op den stethoscoop, vooral in de 
stijgende lijn, vrg wel reproduceert, om eerst na de plot- 
selinge stijging eenige eigen trilling te vertoonen. 

Zooveel over het onderzoek in het algemeen. 

In het bijzonder heb ik nu verder, op de onder a, b 
en c vermelde wijzen, den invloed der wrijving van het 
hefboompje op den rol en der spanning van het vlies 
nagegaan. 

De uitkomsten, hierbij verkregen, zijn allen geregis-» 
treerd, en dus tot in de kleinste bijzonderheden bekend. 

drakloiïp^èrandeij^ geregii^|j^; j^i^ 
en talrijker zijn ook de natrillingen , en des te verder 
slaat de stift door, bij plotselinge stodten. Men moet 
-fty' 11« dus de wrijving wij- 

zigen naar den gang 
der curve, die men 
^^^^■i^^&^^^^K^^S^^H te registreeren heeft. 

Wordt de excentrische 
schijf slechts 10 of 20 




85 

malen in do minuut rondgedraaid , dan ver]5Tijgt men, bij 
geringe wrijving, twee schier volkomen gelijkvormige curven 
van cardiograaf en van stift (fig. 11), en bg dezelfde wrij- 
ving zijn 30 draaiingen in de minuut reeds minder vol- 
komen en geven 60 (fig. 12, eerste helft) en vooral 70 
draaiingen (tweede helft), wegens natrilling, geheel on- 
bruikbare curven. 




Bg sterker wrijving geeft dezelfde periode van Vio mi- 
nuut de boven als fig. 9 afgebeelde en als fig. 10 inge- 
plakte vrg voldoende curven. Daarentegen vallen bij 
dezelfde groote wrijving de curven van langere perioden 
van Vio minuut, V» minuut, enz. zeer onvolkomen uit 1). 

2\ Bij geringe spanning van het vlies slaat het hef- 
boompje sterker door en zijn de natrillingen in het alge- 
meen grooter, maar minder talrijk. Zij is daarom niet 
bruikbaar voor snelle perioden met sterke stooten. Bg 
langzame perioden levert zij het voordeel van grootere 
ulUliigiim^ ^oodat Iddue veranderingen jiauwkeuriger her- 
icead worden* Uit 1^ en 2^. vloeit voort dat, 

3^. de spanning in het algemeen des te grooter moet 
^Q^ hoe grooter de wrgving is en beide des te grooter, 
hm lievtg>er da etooten »gia. Bg groote wi^ving is geringe 

:'i-^_ • 

j " ■ 

Ij Om hij Tersckil In lengte der perioden, de yormen beter 
Vérvrfifijkbiiiir ie mukiii, hebben wij den cilinder des te langzamer ^ 
doen draaien hoe hinger do perioden waren. 



8 

spanning geheel onbruikbaar. Het weinig gespannen vlies 
kan ook bij snelle draaiing van den cylinder den weerstand 
alsdan niet overwinnen. Minder nog stoort sterke span- 
lung bij geringe wrijving: het gevolg is dan alleen, dat de 
uitslagen kleiner en daardoor iets minder nauwkeurig 
zgn. Spanning van het vlies door vulling van den toestel 
onder hoogere drukking voldoet niet De beste uitkom- 
sten verkrijgt men altijd, wanneer de spanning één at- 
mospheer bedraagt. 

4^ De drukking van het hef boompje op de kam. wordt 
dés te grooter, hoe dichter het rustpunt bg de* as is. 
DiMurom kunnen de uitslagen van het schrijvende treertje 
oclk niet in dezefde evenredigheid stagen als de afstand 
tiHschen rustpunt en as afneemt Met ireioEtndedqg van 
dien afstand wijzigt zich nu ook de snelheid der natril- 
lingen: die snelheid is des te grooter, hoe minder het 
elastieke vlies bezwaard is, dat is, hoe verder van zijne 
as het hefboompje op de kam rust. Bedraagt die aüstand 
8.5 mill., dan vinden wij natrillingen van V13 sec; bg 
3 miU. afstand slechts van ruim Ve secunde. Hierin 
vindt het verschil tusschen fig. 7 en fig. 8 zijnen grond. 
Zijn de eigen trillingen langzamer, dan is de bewe- 
ging bij snelle stoeten ook trager. Opmerkelijk is het, 
dat verschil in spanning van het veerkrachtige vlies 

Ftff. 13. 




87 

op de snelheid der natrilÜDgen slechts weinig vermag. 
Ik onderstelde daarom, dat de, in den toestel bevatte 
lucht invloed zou uitoefenen , en werkelijk werd het aldus 
gevonden: men behoeft slechts de lengte der buis te 
wgzigen, om de nateillingen in allen opzichte, in vorm, 
in snelheid en in duur, te veranderen. Bij het gebruik 
Tan zeer lange buizen compliceeren zij zich op eigenaardige 
wigze. Bovenstaande fig. 13 werd verkregen met eene 
buis van 4 meters lengte, terwijl, al het overige volkomen 
onveranderd gebleven, eene buis van 0.80 eene curve 
gaf| overeenkomstig met fig. 7. 

De uitkomst nu van het onderzoek is, dat vooreerst 
de cardiograaf tot het registreeren van langzame bewe- 
gingen met het beste gevolg kan worden aangewend. Is 
de periode niet te snel en zijn de bewegingen geleidelijk, 
dan wordt daarbig eene hooge mate van nauwkeurigheid 
bereikt (verg. fig. 11). Dit nu geldt voor de ademhalings* 
bew^^gen, hetzij geregistreerd met den cylindre elastique 
van Harey, ook bij den mensch aanwendbaar, hetzij 
door middel van een met lucht gevuld veerkrachtig zakje, 
bij dieren in de buikholte onder het diapkragma geschoven 
en aldus aan de £:ukkingsveranderingen in de buikholte 
blootgesteld, eene methode, die hier reeds vroeger door 
Dr. Brondgeest werd toegepast In de tweede plaats 
18 gebleken, dat voor snelle stoeten het registreeren van den 
cardiograaf niet bnükbaai is (verg. fig. 7 en 12). Wel kan 
men de eigen trillingen herkennen en de lijn corrigeeren ; 
maar het zal dan toch beter zijn, in dit geval naar een 
ander werktuig om te zien. Bg het registreeren der 
polsslagen bij den mensch wordt reeds eene groote om- 
zichtigheid vereischt. Hierbij komt het reeds aan op de 
regeling der spanning van het vlies en vooral op de 



88 

wrijving. Men moet in elk bijzonder geval, de naschom- 
melingen bepalen bij plotselinge stooten, en vervolgens 
bij verschillende wrgving experimenteeren, om zich te 
honden aan het minimum van wrijving, waarbij die 
eigen bewegingen genoegzaam verdwenen zijn. Bestaat er 
twijfel, dan heeft men nog eene controle in het experi- 
menteeren met verschil van afstand tusschen de as en 
het rustpunt van het hef boompje, waarmede, zooals wij 
zagen, ook de periode der naschommeling verschilt: de 
bewegingen der curve, die daarbij onveranderd blijven, 
hangen niet van eigen trilling af. 

Bij nauwkeurige beschouwing der figuren blijkt, dat 
eene flauw opst^gende lijn, met kleine golven, in den 
regel nauwkeurig is. Eerst big eene snelle stijging, zooals 
de contractie der kamer voortbrengt, is het doorslaan, 
met opvolgende schommelingen, moeielijk geheel te ver- 
mijden. Ik meen daarom, dat op de juistheid der kleine 
schommelingen van den top, door Marey verkregen en 
aan trilling der valvulae venosae toegeschreven, wel iets 
valt af te dingen. Het overige gedeelte der curve is 
zonder tegenspraak juist. 

Marey heeft den stethoscoop van^König gebruikt, 
om grootere en nauwkeurigere uitslagen van den hartstoot 
te verkrijgen. In dit opzicht moge hij aan het doel 
beantwoorden, — hij brengt het bezwaar mede, van 
bij beweging der vlakte, waarop hij rust, niet gelgk- 
jnatig te worden aangedrukt. Zoo wordt bij het regis- 
treeren der hartslagen tevens de ademhaling zichtbaar. 
In zekeren zin is dit eene welkome toegift. Maar het 
is zeer noodig te weten, dat men niet den invloed der 
ademhaling op de hartswerking, maar de ademhaling 
zelve registreert: zet bg de inademing de borst zich üit, 
dan wordt de stethoscoop sterker gedrukt, zwakker daar- 



89 

entegen, wanneer ze bij het inademen terugwijkt. Zoo 
stggt dan de lijn bij het inademen, om bij het uitademen 
te dalen, onafhankelijk van dehartstooten, — deze veeleer 
eenigszins in vorm wijzigende. Bij het legistreeren van 
de bewegingen der fontanellen bleek, wegens de beweging 
van het hoofd, de stethoscoop geheel onbruikbaar te zijn. 
Hier voldeed een vlakke glazen trechter, aan den rand 
met vet besmeerd, oneindig beter. 

Het bovenstaande was geschreven en in proef gezet, 
toen Marey ons weder bezocht. Hij deelde mij mede, 
den stethoscoop van Eönig thans weder met lucht, niet 
met water, gevuld te gebruiken. Hij gaf aan lucht de 
voorkeur, omdat het water tot veel naschommeling aan- 
leiding geeft. Bij vergelijkend onderzoek vond ik dit 
bevestigd. Ik heb nu verder de werking der verschil- 
lende excentrieken bij lucht en bij water vergeleken en 
ben tot het voor de praktijk gewichtig resultaat gekomen, 
dat lucht te weinig en water te veel geeft. Kleine be- 
wegingen in de curve worden door den lucht-houdenden 
stethoscoop volstrekt niet geregistreerd, maar eigen be- 
weging is er ook weinig in te zien. Daarentegen geeft 
de met water gevulde stethoscoop iedere kleine beweging 
der curve nauwkeurig aan; men heeft echter na krachtige 
«tooten veel schommeling te wachten. De conclusie is, 
dat, tot het registreeren van langzame perioden, zonder 
hevige schokken , het gebruik van water onvoorwaardelijk 
de voorkeur verdient; dat men daarentegen voor snelle 
perioden beide moet gebruiken: de met lucht verkregen 
curve geeft dan ongeveer den vorm aan, waaraan de 
kleine bewegingen der met water verkregene lijn, vooral 
van het opstijgende gedeelte zijn toe te voegen. 

Gaf de cardiograaf met zijn luchttransport ook niet 



90 

zoo nauwkeurige aanw^zing, toch zou het werktuig reeds 
groote diensten bewijzen, omdat het zich uitnemend leent 
tot het isochroon registreeren van een tal van versch^n- 
selen: den aanvang der verschijnselen wijst hij met juist- 
heid aan en bg gelijke lengte der toevoerende buis en 
gelijke wrijving is die aanvang voor ieder verschynsel 
dus vergelijkbaar. 



KLEINE MEDEDEELINfiEN VAN fiEMENQDEN AARD. 



I. Oogbolhouder geschiU aU op/Uialmopiantome^ te plaat- 
een in een echedel doorC. de Mooij, Officier van Gezond- 
heid der 2" klasse bij de landmagt te Maastricht. Onder 
het verrichten van eenige kunstbewerkingen op een aan 
ons tot oefening afgestaan ophthalmo-phantdme , is mg 
gebleken, dat dit werktuig nog wel voor verbetering 
vatbaar is. Zal men zich toch, met behulp van bo- 
vengenoemd werktuig, in de operatieve oogheelkunde 
met vrucht oefenen, dan moet het zoodanig worden in- 
gericht, dat men zooveel mogelijk dezelfde bezwaren 
en moeielijkheden ontmoete , waarmede men gewoonlijk 
in vivo onder het opereeren te kampen heeft: bewegelijk- 
heid van den oogbol, weerstandvan rekbare oogleden enz., 
zoodat alle instrumenten en hulpmiddelen, welke tot het 
doen gelukken eener operatie benoodigd zijn, ook hierbij 
dienen te worden aangewend. 

Derhalve stelde ik m^, alvorens tot het uitdenken van 
een verbeterd ophthalmo-phantdme over te gaan, de vraag, 
aan welke voorwaarden een deigelijk instrument zou 
moeten voldoen. Ik kwam dienaangaande tot het vol- 
gende besluit. 

1^. Het ophthalmo-phantdme moet zooveel mogelijk de 



92 

gedaante hebben van een menschengezicht , voorzien zijn 
van rekbare oogleden, welke zoo noodig door middel 
van de gewone in vivo gebruikte ooglidhouders of door 
de vingertoppen open gehouden kunnen worden. 

2^. Het voor de operatie bestemde oog moet in den 
ooffbolAouder alle bewegingen kunnen ondergaan, waaraan 
het levend oog gedurende* de kunstbewerking onderwor- 
pen is. 

3°. Aan het oog, hetwelk door verdamping der voch- 
ten een verslapt en ingeschrompeld voorkomen gekr^n 
heeft, dient zijne normale spanning weer teruggegeven 
te worden. 

In de onderstelling, dat een ophthalmo-phantöme , 
aan bovengenoemde voorwaarden volkomen beantwoor- 
dende, misschien iets zoude kunnen bijdragen tot betere 
beoefening der oogheelkundige kunstbewerkingen, heb ik 
getracht , om der wille van eenvoudigheid en goedkoopte, 
een oogholhouder naar een door mij vervaardigd model 
zoodanig te laten inrichten , dat hij , na het voor de 
operatie bestemde oog te hebben opgenomen, in de oog- 
holte van eenen schedel geplaatst, door middel van een 
koord langs den canalis opticus aan de sella turcica kan 
vastgemaakt worden. 

Zoo als hier boven reeds is gezegd, is hot overbo- 
dig, wanneer men in het bezit is van een gesceleteerd 
menschenhoofd , de uitgave te doen voor een 'uit caout- 
chouc of uit hout vervaardigd menschen-gezicht. Ik kan 
mij dus bepalen tot eene beschryviDg van den oogbol- 
houder en van de wijze, waarop het voor de operatie 
bestemde oog met het instrument in de oogholte van den 
voor phantöme dienenden schedel moet geplaatst en beves- 
tigd worden. 



93 



Fiff.l. 




Fig. 1. Ten einde dui- 
deligk te kunnen zien , op 
welke "wgze het komme- 
tje i, waarin het oog 
zal geplaatst worden, zich 
tot de overige deelen van 
het werktuig verhoudt, 
heb ik de voorvlakte van 
den oogbolhouder afge- 
beeld, vóór dat daarop 
de rekbare oogleden bevestigd waren. Dat kommetje k 
is in het midden van eene opening O ter doorlating van 
den nervus opticus voorzien, en zyn rand is ter hoogte 
van h , h\ waarlangs de /nusculus rectas in- en externus 
moet gevoerd werden, halfmaanswijs uitgesneden, ten 
einde, zooals nader beschreven moet worden, de operatie 
van het scheelzien te kunnen verrichten. In het midden 
om de opening O zijn eenige kleine gaatjes g gemaakt, 
om daarlangs de door de oogbol besloten lucht uit het 
kommetje te laten ontsnappen, 

Fig. 2. • Fig. 2. Stelt voor de 

i^^--^«?a^ voorzijde van den oog- 

bolhouder, waaraan de 
rekbare oogleden zijn 
vast gemaakt. 

a. is het voor de ope- 
ratie bestemde oog. 
^ ^^^^^^^^^ d en c zijn de uit caout* 

't chouc vervaardigde rek- 

bare oogleden. Zij behooren zoo lang te zijn, dat zij 
geheel gesloten kunnen worden. 

Om aan den oogbol de vereischte bewegel^kheid te 
geven, heb ik mij van twee zijner natuurlijke assen 




94 



bediend, nl. van de horizontale bb zs;^ fig. 1 en van de 
perpendiculaire pp*; zoodat de in het kommetje opgeno- 
men oogbol aan alle bewegingen , behalve aan die om 
zgne longitudinale as, kan onderworpen worden. 

^> 3. Pig. 3. De oogbolhou- 

der met den daarin opge- 
nomen oogbol 
a van boven gezien. 
bene rekbare oogleden; 
i het kommetje, waarin 
het varkensoog is opge- 
nomen, kan naar alle 
richtingen draaien , door- 
dien het in twee ringen is 
aangebracht, welke in te- 
genovergestelde richting 
bewegelijk zijn (pp en zz , fig. 1). « De nervus opticus, die 
door de opening o van het kommetje gevoerd naar verkiezing 
óf aan het haakje ikan vast gemaakt, óf door eene kleine 
speld of naald m , ter hoogte waar hg het kommetje verlaat, 
bevestigd worden. Aan het ringetje r bevindt zich een 




%. 4. 



koorde, welke men met 
behulp van eene lange 
naald door den canalis 
opticus voert en aan de 
*^sellaturcica vasthecht. 
Fig. 4. De oogbol- 
houder op zijde gezien. 

a is de oogbol, b en 
c de oogleden, i het 
bovenste gedeelte van het kommetje. 

Het varkensoog, dat wg gewoonlijk tot oefening 
gebruiken, is van voren naar achteren eenigzins plat 




96 

gedrukt. Be comea ovaal en dubbel zoo dik als die 
van een menscbenoog. De nervos opticns is niet in 
bet centrum van de acbtervlakte der scleroticaf maar 
bijna Vs dnim daarboven ingeplant , zoodat ik , om de comea, 
juist zoo als b^ fig. 2 is afgebeeld, in het midden tus- 
scben de beide rekbare oogleden van den oogbolbouder 
te kunnen plaatsen, verplicht ben geweest, de opening 
o fig. 1 van het kommetje Jt ook Vs duim boven het cen- 
trum aan te brengen. 

Is het voor de operatie bestemde oog in het kommetje 
van den oogbolhouder geplaatst, dan is het duidelijk, 
wanneer het oog niet te groot is, dat hier van geene 
zgdelingsche drukking, zooals bij andere ophthalmo- 
phantdmen het geval is, sprake kan zijn, daar het 
daarin gel^kmatig ondersteund en zwevend gehouden 
wordt. 

De gesceleteerde kop, waarin het ophthalmo-phantöme 
zal worden geplaatst, moet volgender wijze worden inge- 
richt: Na het afzagen des schedels bevestigt men het ach- 
terhoofdsgedeelte met eenen sp^ker op een vierkant 
plankje, of legt , ten einde den schedel op tafel vast te 
zetten , een zwaar stuk lood in de achterhoofdsholte en 
maakt nu door middel van kleine haken en oogjes, welke 
aan den rand van den schedel moeten aangebracht wor- 
den, deze weer op zgne plaats vast. Daarna gaat men 
over, om het voor de operatie bestemde varkensoog van 
vet en spieren te ontdoen , hetwelk voorzichtig moet ge- 
schieden, ten einde eenen minstens 1 duim langen nervus 
opticns te behouden. 

De gerimpelde en verslapte toestand des oogbols geeft 
te kennen, dat er vochten verdampt zijn, welke om het 
oog beter voor de operatie geschikt te maken, dienen 



96 

hersteld te worden. Om dat vocht te herstellen, gaat 
jnen volgender vrgze te werk: 

Daar het bekend is, dat de schuinsche rigting, waar- 
mede de ureteres de blaas doorboren, oorzaak is, dat 
het eenmaal in de blaas verzamelde vocht niet meer langs 
denzelfden weg kan terugvloeien, zoo heb ik ten einde 
het verdampte vocht van den oogbol te herstellen , zonder 
dat het uit de gemaakte opening kan terugvloeien, bo- 
vengenoemde voorwaarde in toepassing gebracht. Daarvoor 
gebruikt men een dergelijk spuitje als dat van Fravaz, 
steekt, na het met schoon water gevuld te hebben, de 
aan eene snijdende punt voorziene canule in eene 
schuinsche rigting, onverschillig op welke plaats, door 
de cornea tot in de oogkamer, spuit nu zooveel vocht 
in als noodig is, om het verdampte te herstellen, en 
trekt daarna voorzichtig de canule uit de gemaakte 
opening terug. Hetzelfde doet men op gelijke wijze ook 
in de selerotica , alwaar men naa^r evenredigheid meer vocht 
mag inspuiten dan in de oogkamer. Behalve met het 
spuitje van Fravaz kan men hetzelfde met een gewoon 
glazen injectie-spuitje, mits van eene fijn uitloopende 
canule voorzien, verrichten: b. v. men steekt een vaccinatie- 
lancet, in den vorm van eene lans, op dezelfde wijze in 
eene schuinsche richting voorzichtig door de cornea, dat 
slechts een klein gedeelte daarvan in de oogkamer zicht- 
baar wordt, trekt de lans terug en voert het spuitje in 
de gemaakte opening, tot dat zij deze geheel opvult en 
spuit nu zooveel vocht als noodig is naax binnen 1). 



1) Op nog eenvoudiger wijze kan de tensie hersteld worden 
door endosmose: men leggc het oog slechts in gedistilleerd water. 

Ten behoero van den operatieven cursus aan het Nederlandscli 
Gasthuis Toor oogiijders alhier, worden de oogen bewaard in 



97 

Een spuitje, nitslmtend voor dit doel ingericht, isb^ 
deiuselfflen instrumentmaker verkrggbaar gesteld. 

Hen kan den oogbolhouder ook gebruiken, om zich 
in het verrichten der 8trabismus*operatie te oefenen. Daar* 
voor dient het oog op de volgende wijze te worden inge- 
richt. Prepareer voorzichtig den musculus rectus in- en 
extemus van de overige zachte doelen, die het oog om- 
geven, los: knip de verdere spieren en den nervus opticus 
weg, zoodat bovengenoemde spieren geïsoleerd gemakke- 
l^k ieder aan eene naald en draad kunnen vastge- 
hecht worden, steek nu de naalden afzonderlijk door de 
halfmaanvormige insnijdingen A A Fig. I van het kom- 
metje i en maak die draden, terwijl men den oogbol tus- 
schen de oogleden in het kommetje laat dalen, aan den haak 
A Fig. III vast Daar tcc&xï natuurlijk het oog moet 
voorstellen als naar binnen- of naar buiten gedraaid te 
zijn, zoo bindt men óf den musculus rectus intemus óf 
m. rectus extemus korter aan en volvoert nu, na den 
toestel op de gewone wijze in den schedel te hebben be- 
vestigd, de operatie, zooals voorgeschreven is. 

De oogbolhouder kan zoowel in de rechter- als in de 
linker oogholte geplaatst worden. Mocht evenwel de 
opening der oogholte te nauw zijn, om dezen te kunnen 
doorlaten , dan kan men den bovenoogkuilsrand een 
weinig wegvglen. 

Daar het reeds bij den aanvang dezer beschrijving 
mgne bedoeling was, om een ieder, die zich in het ver- 



solphas zinoi; daardoor wordt tevens bederf het best tegen- 
gegaan. 

Men zorge vooral de varkens oogen te Torkr^'gen, alvorens 
bet varken met heet water behandeld wordt, omdat onder den 
invloed daarvan het hoomvlies troebel wordt. Red, 

7 



98 

richteii van oogheelkundige knnstbewerkingon wenscht te 
oefenen, daartoe op een eenvoudige en goedkoope wijs 
in de gelegenheid te stellen, heb ik, onderstellende, 
dat wel de meesten in het bezit van eenen schedel zullen 
zijn, dezen als een eenvoudig en minst kostbaar hulpmid- 
del aanbevolen. Is men echter niet in het bezit vaa 
eenen schedel en verlangt men liever een volkomen 
ophthalmo-phantöme , b.v. een menschen-gezicht uit hout 
of caoutchouc , dat op een halsstuk naar alle richtingen 
bewogen kan worden en waarin men even als in den 
schedel den oogbolhouder kan plaatsen, dan kan men dit 
werktuig bij denzeKden instrumentmaker bestellen. 

Deze oogbolhouder is voor ƒ 4,50 by den instrument- 
maker Sarolea alhier verkrijgbaar gesteld. 

IL Een speeisehteen in den ductus Whartonianus^ door 
A. Heken. In N«. 54, 1866, der „Wiener Wochen- 
schrift" wordt, als eene merkwaardigheid, het geval be- 
schreven van een speekselsteen, in het „Hdpital Lourcine,*' 
te Far^s, den 20"^®^ Februarij dezes jaars uit den ductus 
Whartonianus eener 24jarige vrouw verwgderd. De 
grootste afmeting van dezen steen bedroeg 1 centimeter. 

Ik leid uit deze mededeeling af, dat de speekselsteen , 
door mij uit den ductus Whartonianus getrokken, nog 
merkwaardiger is, dan ik aanvankelijk dacht. Immers, 

deze steen is 3Vs centimeter lang 
1^1^ en 1 centimetef breed. Hg 
weegt thans (den 2 Oct.), na 
van het aanhechtend slijm ontdaan en goed gedroogd te 
zijn, 2 scrupels, 1 grein. 

De lijderes, eene dame van 70 jaren, had eerst kort 
te voren bemerkt, dat er iets in haar mond niet naar 
behooren was. Haar voornaamste klagt betrof den zilten 




99 

smasik Tan een vocht, dat onder de tong opwelde. Den 
13. Jnn^ dezes jaars kwam zij bij mij. Ik vond. de ge- 
faeele rechterhelft van den bodem der mondholte, hard en 
deze hardheid was ook uitwendig , bij drukking achter 
den hoek der onderkaak, duidelijk te voelen. Naast het 
frenulum linguae, aan de rechter zijde, bevond zich eene 
opening, het verwijde ^rificium van den ductus Wharto- 
nianus, waaruit zich, bij drukking op den bodem der 
mondholte aan die zijde, een geelachtig, dun vocht ont- 
lastte, dat den zilten smaak teweeg bracht. De sonde 
stootte bij het inbrengen in deze opening aanstonds op 
een hard lichaam. Ik verwijdde de opening met de ge- 
knopte bistouri en kon nu ook de punt van den steen 
zien; doch vruchteloos was mijn trekken er aan. Ook 
bij het volgend bezoek, een paar dagen later, moest ik, 
na de zachte deelen op den steen met eene sterke Coo- 
per'sche schaar over eene vrg groote uitgestrektheid door- 
gesneden te hebben, nog van de verwijdering van den 
steen afzien , vooral uit hoofde der vrij hevige bloeding. 
Bij het derde bezoek, echter, weder een paar dagen later, 
kwam de steen, bij het eerste trekken, vrij gemakkelijk 
te voorschgn. 

Hij heeft de gedaante van den ductus Whartonianus , 
ifl dus een weinig gebogen. Het gedeelte, dat naar het 
firenulum gekeerd was, is het dikste. De oppervlakte 
is ruw, op een klein gedeelte van het buitenste uiteinde 
na. Om hem ongeschonden te bewaren, heb ik van een 
scheikundig onderzoek moeten afzien. Dat zou zeker 
ook geen ander resultaat gehad hebben, dan dat van 
andere speekselsteenen en van de kalkzouten, die 
sdch bij sommigen tegen de tanden afzetten (tandsteen). 
De Igderes is tandeloos en had vroeger last van kalk 
aan de tanden. — De laagswijze structuur van den steen 



100 

kan. men zien aan het binnenste uiteinde, waarvan, 
bij de pogingen tot extractie met bet pincet, stokjes af- 
gesprongen zijn« 

Een paar dagen na de verwgdering van den steen 
bespenrde deze dame niets bijzonders meer in baar mond. 
De ontstekingachtige hardheid in den omtrek der buis 
van Wh ar ton en der onderkaaksklier week spoedig. 

III. Fractuur van iet hielbeen ten gevolge van sterke zamenirei" 
Jking der iuüspieren^ door Dr. van der Lee te Felp. De 
volgende mededeeling betreft, naar mgn inzien, eene te 
zeldzame chirurgische ziekte, om er niet met een woord 
melding van te maken. ^ 

In den avond van 24 October 1866 werd ik bij eene 
60-jarige vrouw ontboden, die, den kleinen afstand van 
Velp naar Arnhem te voet hebbende afgelegd, in laatst- 
genoemde plaats, van een stoep stappende, dwars met 
den linker voet in eene goot is geraakt, en tevens het 
evenwicht verliezende, is neergevallen. Zg wil opstaan 
doch bemerkt, dat zij op den linker voet niet kan staan 
en dat deze zeer p^nlijk is. Een chirurg wordt ontbo- 
den, die schoen en kous moet lossnijden en na een een- 
voudig verband te hebben aangelegd , aan het verlangen 
der vrouw voldoet, door haar per as naar de plaats harer 
inwoning te doen vervoeren. 

Nadat het verband verwgderd is, wordt van het been 
en den voet geen ongewone stand gezien. Patiënte 
klaagt over pijn boven den hiel en aan den enkel. Op 
eerstgenoemde plaats is het volgende waar te nemen: 
ongeveer twee vingers breed boven het hielbeen bevindt 
zich eene harde halvemaanvormige massa, die afgescheiden 
blgkt te zijn van het hielbeen; de huid tusschen die 
massa en het hielbeen is naar binnen getrokken, deepi- 



101 

dennis ter plaatse, waar de huid sterk door diezelfde 
massa wordt gespannen^ opgelicht door bloeduitstortingen 
en zeer pijnlijk. 

Alle bewegingen van den voet zijn mogelgk-,- wanneer 
op de gewone wijze het onderbeen bevestigd ëfi met de ' 
andere hand de voet bewogen wordt: luxatie* is: dus hiel ' - 
aanwezig. Fractuur in den gewonen zin is niet te her- 
kennen, daar én de stand van den voet natuurlijk is, én 
de crepitatie geheel ontbreekt. 

Als diagnose stellen wij na dat alles: a&cheuring 
van den tendo Aohillis met een stuk van het hielbeen 
^ aan. 

De prognose werd in zooverre ongunstig gesteld , dat 
geheele vereeniging hoogst twijfelachtig zoude zijn, ter- 
vrijl de behandeling daarop gericht moest wezen, het tot 
stand -komen van vereeniging zooveel mogelijk te bevor- 
deren. Een vast sluitend verband kwam daarvoor in 
de eerste plaats in aanmerking. 

Dien eersten avond een gipsverband aan te leggen , 
scheen minder geschikt, daar wij vreesden, dat de huid 
de sterke spanning niet zoude verdragen. Wij bepaalden 
ons dus tot het aanleggen van een eenvoudig verband 
en lieten dit met . koud water-compressen bedekken. Den 
volgenden dag was de zwelling niet verminderd, en ook 
toen meenden wij geen recht te hebben een gipsverband 
aan te leggen, omdat dit ons verhinderen zou, den toe- 
stand der huid waar te nemen, zoo dikwijls zulks noodig 
zoude zijn. 

Yereeniging kon alleen mogelijk zijn, wanneer het hiel- 
been zoo digt mogelgk bij het uiteinde van de pees ge- 
bracht werd; verslapping van de kuitspieren was daartoe 
evenzeer noodig als een goede stand van den voet. Om 
dit alles te verkrijgen, lieten wij een toestel vervaardigen 




102 

(zie fig.), bestaande uit drie deelen, welke door schar- 
cc nieren aan elkander verbon-. 

^ ^ den zijn. Op a komt het bo- 

venbeen te rustra, op h het 
. V : :•• • -..' onderbeen, op c de voet. 

.: --Bet 0H4erJ)e.e;i "èn den voet zwachtelden vrij van boven 
luUcf *'betiêdt!ii'*ili,' om de pees zooveel mogelgk naar het 
hielbeen te brengen en plaatsten het geheele been in den 
gezegden toestel in de houding, zooals de fig. aanduidt. 
Op a rust de ondervlakte der knie terwijl ^ zoo stomp 
mogelijk gemaakt is, waardoor de hiel naar achteren en 
boven, de teenen naar beneden gebracht worden. 

Het verloop en de behandeling waren overigens vrij 
eenvoudig. Van tijd tot tijd vernieuwden wij 'het ver- 
band en eindelijk meenden wij een proef te kunnen nemen , 
in hoeverre patiënte het gebruik van haren voet herkregen 
had. In het begin van Januarij 1867 is zij zoover gevorderd, 
dat zij op het linkerbeen kan staan , schoon de steun van 
een stok haar onmisbaar is. Tusschen het hielbeen en 
de tendo heeft zich duidelijk eenige tusschenstof (band- 
massa) gevormd, die het mogelijk maakt het hielbeen 
naar boven te brengen, hoewel deze beweging belemmerd 
is. De harde massa is nog duidelijk te voelen. 

Ik onthoud mij van verdere beschouwingen over dit 
geval, dat ik alleen om de betrekkelijke zeldzaamheid 
der beleediging mededeel. Schoon men zich somtijds tot 
meer ingrijpende behandelingswgzen verplicht schgnt ge- 
zien te hebben (Poncelet sneed den tendo Achillis 
door, om de stukken van het hielbeen elkander te doen 
naderen 1), bewgst dit geval, dat bij de gewone een- 



1) Emmert, Heelkunde^ verU door Folano D, ÏV, Afl. 3 
bis. 233. 



103 

voudige behandeÜDg goede resultaten verkregen kunnen 
worden. Omtrent het ontstaan der beleediging stel ik mg 
Toor, dat twee oorzaken hebben samengewerkt: l*" een 
geweld van buiten op het breekbare, broze been (de 
vrouw was 60 jaar), en 2** de bij een misstap plaats 
hebbende sterke samentrekking der kuitspieren, welke 
wel de voornaamste zal geweest zijn. 

lY. Ouisiaanvanieiaan^eborenniercyêtaidiooTW. Koster, 
In den vorigen jaargang van dit Archief leverde ik een 
opstel over „piszuur-infarkt en niercystoid." Op grond 
van de aldaar (blz. 179 enz.) uiteengezette bezwaren, 
meende ik de beschouwing van Virchow: dat het aan- 
geboren niercystoid z^ ontstaan te danken heeft aan' 
een „foetale ontsteking der nierpapillen" onjuist te moe- 
ten noemen, en gaf ik eene andere voorstelling van den 
gang van zaken. Zij kwam daarop neder , dat het ont- 
staan der cystoide nieren werd afgeleid van een abnormale 
OfUwitkding, een evolutiestoomis, vergelijkbaar met atresia 
aoi, niet ontwikkelen der urethra, abnormale ontwikke- 
ling van het wervelkanaal, waardoor hydrocephalus, spina 
bifida ontstaan, enz. 

Al brengt deze voorstelling niet terstond veel meer 
licht over de bijzonderheden der ontwikkeling van het 
niercystoid, zoo is toch het verschil met Virchow'smee- 
ning groot; en voert zij een kleinen stap nader tot de 
waarheid , indien er feitelijke bewijzen voor hare juist- 
heid te vinden zijn. — Als zoodanig kon ik vroeger 
alleen noemen : het geheel ontbreken van de nierkelken , 
het nierbekken en de ureteres in vele gevallen van aan- 
geboren niercystoid , en het gemis van eigenlijke gronden 
voor de foetale ontsteking der niertepels. Deze laatste 
10 moer als postulaat der beschouwing van de niercysten 



106 

registreerende , hetzg eindel^k van de menschelijke stem, 
of eenig ander geluid, geregistreerd door een phonauto- 
graaf of liever door een yereenvondigd toestel, bestaande 
uit een gewijzigd stethoscoop van König, met elastiek 
vlies bespannen en door twee caoutchoucbuizen met twee 
mondstukken verbonden. 

Op den prikkel kan nu met verschillende signalen 
gereageerd worden: 

het sluiten van een stroom door drukking op een 
zoogenaamden sleutel, waarbij een electro-magneet eene 
stift in beweging brengt (minder doelmatig wegens het 
wankelbare retard) ; b. het aanslaan van eene stemvork of 
het procudeeren van een stemklank, bij sommige proeven, 
waaruit vele prikkels één te onderscheiden is noodzakelgk 
vereischt, e. het zijdelings wegslaan van een horizontaal 
stuk, onmiddellijk verbonden met een verticaal houten 
staaQe , aan welks bovenste gedeelte een horizontaal veertje 
verbonden is , schrijvende op een cilinder en het oogenblik 
aangevende , wanneer het houten staaQe door het zijdelings 
wegslaan van het horizontale i^tuk om zigne as gedraaid 
wordt: is het gezegde horizontale stuk tusschen twee vingers 
bevat , dan kan het in verband met een op te lossen dilemma , 
naar verkiezing links of rechts worden weggeslagen. 

Met de noematachograaf kan men nu 

a. Den physiologischen tgd bepalen bg indrukken op 
het oog, op het oor en op verschillende plaatsen van de 
huid. Het eenvoudigste en nauwkeurigste daarop te geven 
signaal is het verticale houten staalde. B^ prikkeling 
op verschillende plaatsen der huid den physiologischen 
tgd bepalende, verkrijgt men eenige kennis omtrent de 
geleidingssnelheid in def zenuwen, waarbij echter én op 
de sterkte van den prikkel én op den geleidingsweg in 
het centraalorgaan te letten is. 



107 

6. Kaa men daarmede onderzoeken, hoeveel tijdernoo- 
dig is, om een dilemma te besliBsen en in verband daar- 
mede een signaal te geven. Dat signaal kan dan z^n óf 
conventioneel óf natuurlijk; door oefening kan het con- 
ventioneele tot het natuurlijke naderen, en zoodoende de 
invloed van oefening worden onderzocht. Als conventio- 
neele signalen dienen : V. het links of rechts omslaan van 
het houten staafje, naar gelang de prikkel op symetrische 
plaatsen links of rechts ontvangen werd , naarmate zich 
rood of wit Kcht vertoonde, naarmate de vocalen a ol o 
gezien of gehoord worden enz.; 2°. het sluiten van den 
stroom door drukking, of op den sleutel in de rechter- óf 
op dien in de linkerhand gehouden, waarbij zoodanige 
inrichting getroffen is, dat, wanneer men op beide sleutels 
drukt, de stroom niet gesloten wordt (verg. de Jaag er. 
De phy Biologische tijd van psychische processen. Diss. inaug. 
Utrecht 1865). — Als nabiurlijk signaal werd gebezigd het 
herhalen van een gehoorden letterklank, een vocaal, al of 
niet van een slagconsonant voorafgegaan. — Als geoefend 
signaal diende het uitroepen van den klank van een door een 
inductievonk plotseling te voorschgn gebracht vocaalteeken. 
In verband hiermede kan de invloed van oefening met de 
bovengenoemde conventioneele signalen worden onderzocht. 

Er werd bewezen , dat de beslissing van een dilemma 
en de daaraan beantwoordende terugwerking meer tijd 
eischt, dan het eenvoudige terugwerken op een prikkel, 
en dat het verschil veel aanzienlijker is bg conventio- 
neele dan bij natuurlijke signalen, terw^'1 op de eerste 
de invloed van oefening zich al spoedig doet gevoelen. 
Het verschil in twee proeven, de eene met, de andere 
zonder beslissing van dilemma, leert den tijd kennen, voor 
het psychische proces van onderscheiding en onderscl^ei- 
dende wilsuiting benoodig^. 



108 

c. Ean met den noëmatachograaf de vereisohte 
worden bepaald, om uit meer dan twee prikkels één te 
onderscheiden en met een bepaald signaal te beantwoor-^ 
den. Hiertoe dient vooral het herhalen van den gehoor- 
den steenklank (natuurlek signaal) en van het uitspreken 
van den klank van een plotseling verlicht vocaalteeken 
(geoefend conventioneel teeken). Er kunnen ook proeven 
worden genomen met conventioneele signalen zonder oefe- 
ning te geven op een van meer dan twee vooraf vastge- 
stelde prikkels. 

d. Ean het werktuig worden gebezigd , om te bepalen , 
hoeveel tgdsverschil er noodig is, om van twee prikkels 
te beslissen, welke de prioriteit had. Hiertoe worden 
bij het draaien twee veeren, met een toonsverschil van 
een quint, door twee uitstekende stiften in trilling ge- 
bracht; de afstand dier stiften ^kan gewijzigd worden, 
en daarmede het tydsverschil. Evenzoo kunnen twee von- 
ken ter z^de van den cilinder met ^n tijdsverschil, dat 
men naar goedvinden wijzigen kan, overspringen. 

Wordt door vergelijking van de onder a. en i. of c. 
beschreven proeven , als verschil van den daarbig gevonden 
tijd, afgeleid, hoeveel tijd er noodig is voor de vereenigde 
dubbele werking van het onderscheiden van een prikkel 
uit twee of meerderen en van het terugwerken op de 
gemaakte onderscheiding, zoo kan men uit de onder d 
vermelde proeven vinden, hoeveel tijd eene voorstelling 
of eene gedachte alléén kost. Een gebrek bij deze laatste 
proeven is, dat de cilinder niet telkens met absoluut 
gelijke snelheid wordt gedraaid, en dat men dus met den 
afstand der stiften of der verbrekingen, die vonken geven, 
het tijdsverschil vóór de proef niet absoluut kan regelen , 
maar eerst në. de proef uit de trillingen van den ohro- 
noscoop tusschen de beide stiften leert kennen. Vooreerst 



109 

nu om deze reden en -— tevens om de indrukken op twee 
Yerschillende zintuigen ten aanzien hunner prioriteit te 
kunnen vergelijken, heb ik een tweede werktuig gecon- 
strueerd , den noëmatachometer. 

De Noemataehometer bestaat uit een prisma, dat, belast 
met een hoefijzer, achter eene verticale plank door het 
afbranden van een draad wordt losgelaten, en in zijn val 
door het verplaatsen van een kurken hefboompje zonder 
eenig geluid een stroom opent, waarvan men den vonk 
ziet, en een oogenblik te voren of daarna zijn hoef igzer op 
twee koperen staven verliest, van welken slag men den 
klank hoort Terwijl op het vallende prisma de plaats, 
waar het hoefijzer rust, en de stift, die het hefboompje 
beweegt, verschuifbaar zijn, kan men, kennende de juiste 
snelheid, waarmede het prisma tegenover de opening in de 
plank vallende is , met volkomen nauwkeurigheid regelen , 
hoeveel de slag vroeger of later dan de vonk zal worden 
voortgebracht. Met den tijd, vereischt: om de prioriteit 
te onderscheiden, meent spreker den tijd, voor eene een- 
voudige gedachte benoodigd, gevonden te hebben. Het 
verschil in tgd , om den prikkel door het gehoor en door 
het gezicht tot bewustzijn te brengen , vindt men hierbij 
tevens door afwisselend aan den eenen en aan den anderen 
prikkel de prioriteit te geven. 

YI. Over ie opstijgende beweging der ploètieehe staf en in 
de bladsieelen, door F. G. Donders. De in de planten 
gevormde organische stoffen worden langs verschillende 
wegen naar de plaatsen gevoerd , waar ze worden afgezet 
of tot cel vorming verbruikt. Reeds H. von Mohl hield 
sdch overtuigd , dat de in de chlorophyll-korrels door hem 
ontdekte amylum-kogeltjes de bladen in opgelosten toe- 
stand verlaten, om elders te worden a%ezet, en Sachs 



110 

bewees , dat we hier met eene continuëele fanctie te doen 
hebben, wordende het amylum op den duur weggevoerd, 
om telkens op nieuw onder den invloed van het licht , 
in de ontwikkelde bladeren gevormd te worden. Voor 
een deel wordt de aldus weggevoerde stof nuonmiddellgk 
tot celvorming gebruikt, voor een deel als reserve-voedsel 
afgezet, om in het voorjaar tot ontwikkeling van knop- 
pen en bladeren te dienen. Zoo krijgt de in het najaar 
neergedaalde stof met de lente eene opwaartsche beweging. 

Eeeds voor meer dan 5 jaren te Eoosendaal eenige 
weken doorbrengende, heb ik eenige proeven genomen 
op jeugdige bladsteelen van Ehus typhinum, die met 
die opstijgende stofverplaatsing in verband staan. "V^an 
het gebruikte exemplaar was de stam afgehouwen en 
bij gunstige weersgesteldheid * ontwikkelden zich de uit- 
loopende takken met verbazende snelheid. 

De proeven bestonden in het doorsnijden der halve 
dikte van den bladsteel op verschillende hoogte, toege- 
past op meer of minder ontwikkelde bladen. De normaal 
gevormde bladen zijn symmetrisch. Het was dus gemak- 
kelyk door vergelijking der tegenover elkander staande 
foliola te beoordeelen, welken invloed de doorsnijding van 
den bladsteel aan eene z^de op de ontwikkeling der foliola 
aan de doorgesneden en niet doorgesneden zijde uitoefende. 

Bij de insnijding van den bladsteel vloeit eene zekere 
hoeveelheid melksap uit, dat, aan de lucht blootgesteld, 
spoedig verdroogt en de gemaakte wond als met een 
caoutchouc-verband voorziet, waardoor de stevigheid op 
de plaats van insn^ding hersteld en verdere buiging en 
kneuzing der niet doorgesneden helft voorkomen wordt. 

De verkregene resultaten waren hoofdzakelijk de vol- 
gende: 

1°. Doorsnijdt men aan ééne zijde de halve dikte van 



111 



den stengel y onder het eerste foliolam (fig. 1| 2 en 3, 
al de figuren zijn op een vierde der natnnrl^ke grootte), 
dan ontwikkelen zich aan di^ zgde de foliola zoowel in 
lengte en breedte veel minder dan die der tegenoverge- 
Fig. 1. Fig. 3. 




stelde zgde. Het meest hlgven de 
onderste foliola achterlijk ; naar hoven 
worden z^ aan heide zijden gel^ker ; 
de bovenste z^n soms volkomen gelijk 
(fig. 2 en 3), en aan het foliolnm 
terminale is geen asymmetrie te zien. 
Het onderste folioliim blijft in het 



112 



algemeen des te meer in zgne ontwikkeling terug, hoe 
nader bij z^ne inhechting de doorsnijding plaats had. 

2"*. Doorsnijdt men de halve dikte van den stengel 
tusschen de foliola, zoodat eenige aan de boven-, andere 
Fig. 4. aan de benedenzijde voor- 

komen, dan geldt van de 
daarboven gelegene het* 
zelfde wat onder 1^ gezegd 
is. Daarentegen heeft voor 
de ondergelegene het om- 
gekeerde plaats: zg ont- 
wikkelen zich veel sterket 
dan die der tegenoverge- 
stelde zijde, en wel in die 
mate dat zig deze meer nog 
overtreffen, dan de boven 
de insnijding gelegene voor 
die der tegenovergestelde 
zgde moeten onderdoen. 

3**. Doorsnijdt men de 
halve dikte van den blad- 
steel tegelgk aan de eene 
zijde, bijv. aan de rechter 
onder de foliola , aan de andere (de linker) 
zijde dichter bij den kop tusschen de foliola, 
dan blgven aan de rechter zgde de onderste 
W^^ achterlgk, tot aan de tweede doorsngding, 
—^^ waar zich de verhouding op eens om- 
keert. 

4^ De invloed der insnijding zoowel op 
de boven als onder de insnijding gelegen 
foliola is des te sterker, hoe jeugdiger het 
blad was bij de insnijding. Hij doet zich 




^vg. 6. 




113 

echter nog gelden bg bladeren die nagenoeg de volkomen 
ontwikkeling bereikt hebben. 

5^ De stengel zelf en de daarop voorkomende haren 
z^n aan beide zijden genoegzaam gelijk ontwikkeld. 

In deze proeven ligt het bewijs, dat de ontwikkeling 
der foliola onder den invloed van opstijgende sappen 
plaats grijpt. Uit de mindere ontwikkeling der boven 
de insnijding gelegene foliola zon dit resultaat niet mogen 
worden afgeleid: gebrekkige toevoer van water en van 
zouten, die ongetwijfeld langs de wortels opstijgen, kan 
dat versch^nsel reeds voldoende verklaren. Maar het 
bewgs vinden we in de bijzonder sterke ontwikkeling 
der onder de plaats van insnijding gelegene foliola, die 
die der tegenovergestelde niet beschadigde zijde aanzien- 
lek in grootte overtreffen. Zij ontvangen blijkbaar een 
luimeren toevoer van sappen en wel onder hoogere druk- 
king, nu verder naar boven de toevoer gedeeltelijk ver- 
stopt is. Wg leeren hieruit tevens , dat voor deze sappen 
eene vis a tergo bestaat, die aan osmose, het gevolg 
van scheikundige omzetting, moet worden toegeschreven. 
Eerst later treedt de invloed van verdamping der bladeren 
meer op den voorgrond. Intusschen, zelfs wanneer de 
foliola b^na hare volkomen ontwikkeling hebben bereikt, 
worden onder de insnijding aan dezelfde zijde de foliola 
nog grooter dan aan de tegenovergestelde : de actieve toevoer 
van beneden schijnt dus tot de volkomen .ontwikkeling 
der bladen aan te houden. Ik wil hiermede niet be- 
weren, dat ook niet vroeger reeds voedingsstoffen uit de 
bladen zouden neerdalen : het eene proces sluit het andere 
niet uit 

Opmerkelijk is voorts, dat de invloed der insn^ding 
zicb naar boven gedeeltelijk, ten slotte geheel verliest* 
Men mag daaruit afleiden, dat de sappen zich in den 

8 



114 

stengel van de eene naar de andere zgde knnnen over- 
gaan. Wellicht komen de melksap-vaten daarbij in het 
spel, die niet slechts excretie -stoffen, maar ook eiwitstof , 
kool-hydraten en vetten bevatten (verg. J. Sachs, Hand- 
bnch der Experimentalphysiologie der Pflanzen. Leipzig 
1865. p. 386). 

De onvolkomenheid dezer onderzoekingen hield mij 
langen tijd van de mededeeling terug. Ik hoopte ze 
voort te zetten en te variëeren. De invloed van het 
afplakken van enkele foliola, van insnijding der nerven, enz. 
moet worden nagegaan. Ook leent deze plant zich zeer 
goed, om den invloed van gedeeltelijke doorsnijding van 
den stengel op geheele bladen vergelijkend te onderzoeken. 
Vooral echter moeten de proeven voor soortgelijke zamen 
gestelde bladen van niet melksap voerende planten worden 
gedaan. Daarbij zal men dan de anatomie der stengels 
niet mogen verwaarloozen en door mikroskopisch onder- 
zoek der bladen moeten bepalen, in hoeverre de invloed 
zich op de grootte, in hoeverre op het aantal der cellen 
doet gelden. Eindelijk zon ik ook wenschen bepaald te 
zien , of de verhouding tusschen organische en anorganische 
stoffen in de in hunne ontwikkeling bevorderde en temg- 
gehoudene foliola dezelfde gebleven is. Tijd en gelegenheid 
hiertoe zullen mij echter voor 's hands ontbreken, en ik 
heb daarom op de zamengestelde bladen, als bijzonder 
geschikt object voor deze soort van onderzoekingen, met 
deze korte mededeeling willen wijzen. 

VII. Over scAijnbewegipff bij nabeelden^ door Th. W. 
Engelmann. Bij gelegenheid eener spoorwegreis trachtte 
ik van uit den wagon nabeeldon te verkrijgen van de 
voorwerpen, die de trein voorbgsnelde. Dit gelukte het 
beste, wanneer ik, het gelaat naar een der vensters 



115 

keerende, de oogen gedurende eene halye minuut onge- 
veer sloot, ze dan voor een uiterst kort oogenblik opende 
en de weder geslotene oogen onmiddellijk met beide 
banden bedekte, om eene grootere verduistering van het 
gezichtsveld, en hiermede gunstiger voorwaarden tot het 
ontstaan van het positieve nabeeld te verkrijgeii. Binnen 
weinige secunden had zich een nabeeld gevormd: op den 
voorgrond vertoonde zich het venster met de gordijnen 
op zijde, en een gedeelte van het inwendige van den 
wagon zeer scherp; door het venster heen was de land- 
streek zichtbaar, en niet zelden konde ik daarin , hoewel 
ook meestal slechts met matig scherpe omtrekken, enkele 
voorwerpen onderscheiden, zooals boomen, huizen, een 
licht veld, een weg enz., waar de trein juist voorbij ge- 
komen was. Het trof mij terstond, dat ook in het 
nabeeld de landstreek zich scheen voort te bewegen, en 
wel in dezelfde richting als in werkelijkheid, dat is, 
omgekeerd aan die, waarin de trein voortging. In het 
nabeeld schenen ook het venster met de gordgnen en 
wat van het inwendige van den wagon te zien was, 
volkomen stil te staan. De schijnbeweging in het nabeeld 
onderscheidde zich didrdoor wezenlijk van de schijnbe- 
w^ing der werkelgke landstreek, dat z-j niet als deze, 
voor de dichterbij zijnde voorwerpen sneller, voor de 
verder afgelegene langzamer was. In het nabeeld bewoog 
'sdch de geheele landstreek veeleer met eene, naar het 
m^ toescheen, gelijkmatige snelheid. Yolgens mijne 
schatting kwam deze snelheid ongeveer overeen met die 
Tan voorwerpen, die zich op 20 d 30 pas ter zijde van 
den trein bevonden , en was dus vrij aanzienlijk. Was 
het nabeeld der landstreek scherp , zoodat men den omtrek 
der afzonderlijke voorwerpen, bijv. van boomen, die 
duidelijk tegen den helderen hemel uitkwamen, kon vol- 

•8* 



116 

gen, dan kwam de schijnbeweging minder goed tot stand, 
en vooral wanneer de opmerkzaamheid op die scherp 
begrensde voorwerpen was gericht. Het zinsbedrog was 
het verrassendste, wanneer de omtrek der voorwerpen in 
de landstreek zich in het nabeeld onduidelijk vertoonde. 
Het bleek, dat ook de snelheid, waarmede de trein voort- 
ging of beter gezegd, de voorstelling, die ik mij van 
deze snelheid maakte, invloed uitoefende op de snelheid 
der schijnbeweging in het nabeeld. Hoe grooter zij was, 
des te grooter scheen ook die , waarmede de landstreek in 
het nabeeld zich bewoog. Bij zeer geringe snelheid van 
den trein, bijv. kort voor het ophouden , kwam de schijn- 
beweging niet meer tot stand. Nog opmerkelijker echter 
was , dat de richting der beweging in het nabeeld bepaald 
werd door de voorstelling, die men had van de richting 
van den trein. Wanneer men , zoo als bij gesloten oogen 
het geval is, alléén door het gevoel en het gehoor de 
beweging van den trein gewaar wordt, valt het niet 
moeielijk aan deze beweging in de voorstelling hare wer- 
kelijke of wel de daaraan juist tegenovergestelde richting 
te geven. Ik verschafte mij nu, terwijl de trein in vollen 
gang was, een nabeeld der voorbijtrekkende landstreek, 
en verbeeldde mij toen plotseling, dat de trein zich in de 
tegenovergestelde richting bewoog. Onmiddellijk keerde 
ook in het nabeeld de richting der beweging van de 
landstreek om. Veranderde ik nu voor de tweede maal 
in mgne voorstelling de richting, zoo veranderde oogen- 
blikkelijk ook weder de richting der schijnbeweging in 
het nabeeld. De snelheid bleef dezelfde. Stelt men zich 
bij den aanvang van het onderzoek de richting terstond 
tegenovergesteld aan de ware voor, dan heeft ook de 
beweging der landstreek in het nabeeld van den beginne 
af de verkeerde richting. 



117 



UITTREKSELS UIT DE NEDERLANDSCHE 
LITTERATUUR. 



I. Scheiiundige aanteekeningen^ nitgegeves door E. Mulder, 
deel I. Aflevering 1, 2 en 3. De scheikundige onder- 
zoekingen van den schrijver hepalen ssich hoofdzakel^k 
tot de synthetische scheikunde van koolstofhoudende 
lichamen, en wel tot: 

Van acetan afgeleide lichamen. Laat men KHS inwerken 
op CJH4CI3O (dichlooraceton), zoo ontstaat CjH^SO, zwa- 
velaceton , eene lichtgeel gekleurde vloeistof. Voegt men 
bij eene alkoholische oplossing van CSH4SO neutraal azgn- 
zuur lood, zoo zet zich een amorph rood lichaam af van 
de formule CaH^PbaSO, = CjHA + Pb,S. Dit lichaam 
kan dus beschouwd worden als eene verbinding van eene 
stof isomeer met glucose en zwavellood. Werkelijk her- 
leidt dit lichaam indigokarmijn in alkalische oplossing, 
eene reactie, die zeer weinig lichamen met glucose ge- 
meen hebben. Het gelukte evenwel S. niet, om een 
lichaam isomeer met glucose van Fb^S af te zonderen. 
In verband hiermede is de vorming der volgende licha-, 
men van gewicht. Laat men, ter bereiding van 0,H4Cl2O, 
chloor in overmaat op aceton inwerken, en ontleedt het 
product met KHO in overmaat, voegt daarna zoutzuur 
in overmaat toe , en dampt in, zoo neemt men den reuk 
naar caramel waar. Het terugblijvende werd met alcohol 
uitgetrokken , de alcoholische oplossing ingedampt, en het 
terugblijvende met water uitgetrokken. Na ontkleuring 
der waterige oplossing met dierlijke kool, en praecipitatie 
met basisch azijnzuur lood, ontstaat een praecipitaat van 
de formule CHjPb204. De na behandeling met water 
teruggebleven massa werd opgelost in alcohol , en geprae- 
cipiteerd met eene alcoholische oplossing van az^nzuur 
lood , waarbij een rood praecipitaat ontstaat van de formule 
CHjPbOft. S. noemt het zuur CgHjoOs ieapoglueinezunr ^ 
wegens de overeenkomst in samenstelling en vele eigen- 
scl^ppen met apoglucinezuur, tot nog toe alleen van glucose 
afgeleid. 

Ontleedt men het product , erlangd door chloor in over- 



118 

maat te laten inwerken op aceton, met eene alcoholische 
oplossing van KHO, zoo ontstaat hierbij een zunr van de for- 
mule C7H10O5, waarvan S. het loodzout CyH^PbOs onder- 
zocht, daarenboven een lichaam van de waarschijnlijke 
formule OgHioOj, dat dus zeer nadert tot de formule van 
glucose CfiHisOfi = CcHioOj + H3O. CoHioOs is evenwel in 
water zeer weinig oplosbaar. S. toonde aan, dat bij in- 
werking in KHO op CsH^OljO geen melkzuur ontstaat, do 
ontleding zou namelijk deze kunnen zijn: 

C,Kfi\jD + 2 KHO = 2 CIK + O^HA, 

melkznnr 

maar meerendeels azgnzuur en mierenzuur. Bij inwerking 
van KHO op C3H4CIO, monochlooraceton, ontstaat naar S. 
geen propionzuur , terwijl hierbij eene schoonroode verkleu- 
ring plaats heeft, als gevolg der vorming van een weinig 
bestendig lichaam , dat in eenige eigenschappen , en waar- 
schijnlijk ook in samenstelling nadert tot karm^nzuur 
(dat evenwel een ander absorptie-spectrum bezit,) waarom 
S. het bestempelt met den naam van aceton-kannijnzuur. 

Tot nog toe waren C3H5CIO en CsHjBrO alleen langs elek- 
trolytischen weg verkregen; S. maakte deze lichamen 
tevens door directe inwerking van 01 en Br op aceton. 

Bij inwerking van CNK gaat naar S. C3H4CI3O over 
in vasten staat. Hierbij ontstaat een kleurloos, kris- 
tallijn ligchaam van de formule 3 C3H4CI2O, CN,NH4, dat 
bij behandeling met zoutzuur een kristallijn ligchaam 
geeft 3 C3H4CI2O = CsHisClgOa üodicAlooraceton. Bij in- 
werking van KHS op CaHBrsO ontstaat een geel amorph 
lichaam van de formule OgHBrSaO. 

S. bespreekt de omzetting van aceton in glycerine, die 
Linnemann meent verricht te hebben, eene ontdekking, 
die voor de synthetische en physiologische scheikunde van 
het meeste gewicht zou zijn , terwijl dan deze glycerine in 
glucose kan worden omgezet. S. toont evenwel aan, dat 
wat L. houdt voor epibroomhydrine (afgeleid van glyce- 
rine), is monobroomaceton CjHsBrO, en dat de omzetting 
van isobroompropyl CsHjBr in glycerine door L. , op eene 
dwaling berust. 

S. bevestigt verder de formule van acetoplatinum- 
chloruur door Zeis e gegeven, namelijk OjHioCljPtjO. 
Verder wordt gewezen op de vorming eener schoon groene 
oplossing, zoo op bruinsteen aanvankelijk eenig zoutzuur. 



119 

daaxna aceton wordt gevoegd, eene oplossing waar- 
achijnlijk van MuClj. 

Verband iusscAen hel soortelijk draaiingsvermogen bij kool- 
stoffen. Wet der veelvouden. 

Tot nog toe had men geen verband trachten aan te 
toonen tosschen het soortelijk draaiings vermogen bij kool- 
stoffen. S. heeft daartoe eene poging aangewend, en 
komt tot het volgende resultaat 

Het soortelijk draaiingsvermogen van koolstof houdende 
lichamen, staat in geene bepaalde verhouding tot die der 
grondstoffen daarin aanwezig, dus ook niet tot de hoe- 
veelheid koolstof daarin voorhanden, maar moet gezocht 
worden in de aanwezigheid van een of meer werkzame 
radicalen met of zonder onwerkzame of tijdelijk onwerk- 
zame radicalen. De werkzame radicalen kunnen onder 
sommige invloeden isomeerisch of geheel ontleed worden, 
en daarbij onwerkzaam worden, of omgezet worden in 
andere werkzame radicalen, wier soortelijk draaiings- 
vermogen om een veelvoud in geheele getallen verschilt 
van dat der oorspronkelijke radicalen. S. noemt deze 
wet „de wet der veelvouden" die bij aanwezigheid van 
meer werkzame radicalen, dikwerf in een meer samen- 
gestelden vorm optreedt. Somwijlen gaat het werkzame 
radicaal over in een ander, soms isomeerisch werkzaam 
radicaal, dat met dit eerste in geen direct genetisch ver- 
band staat, in welk geval zich de wet der veelvouden 
niet doet gelden. Alleen tasschen lichamen , die dezelfde 
draaiende radicalen bezitten , kan met betrekking tot het 
soortelijk draaiingsvermogen verband worden aangetoond. 

S. wijst eindelijk op het gewicht eener nadere analyse 
van het soortelijk draaiingsvermogen van koolstofhoudende 
lichamen, om dieper in «de constitutie dezer te kunnen 
indringen. 

Scheikundige beweging ^ scheikundige tijdmeier, S. behan- 
delt hier de scheikundige beweging en de wijze, waarop 
de voortplantingssnelheid veler scheikundige processen 
kan bepaald worden. De toestel hiertoe ingericht draagt 
den naam van „scheikundige tijdmeter.'' S. deed eenige 
proeven met een tijdmeter naar het volgende grondbe- 
ginsel ingericht. Door een cilinder (van verschillende stof 
vervaardigd) gevuld met eenig vast lichaam (eene vloei- 
stof of een gas)^ gaan op twee verschillende afstanden 



120 

een draad (haar enz.) in verband staande met twee looden 
kogeltjes, die kunnen vallen op een hefboomtje drakkende 
tegen een cilinder, met zwartsel bedekt, op welken 
cylinder de tijd met eene stemvork wordt geregistreerd. 
De draden branden af van het ligchaam, dat ontleed (of 
gemaakt) wordt, waarna de kogeltjes na elkander vallen, 
terwijl het verschil in snelheid op den cilinder aange- 
geven, de voortplantingssnelheid doet kennen. Naar S. 
schijnt de middellijn van geen invloed te zijn op de voort- 
plantingssnelheid, terw^l voor een zelfde lichaam, de 
snelheid meer dan waarsch^nlijk omgekeerd evenredig ia 
aan de dichtheid, Piobert, die vroeger eenige proeven 
deed met kraidkoek met een chronometer, hield tevens 
het bestaan dezer wetten voor waarschijnlijk. 

S. vindt tevens , dat bij kristallisatie , bijv. van eene over- 
verzadigde oplossing van zwavelzure soda, de middellijn 
van het vat op 'de snelheid van geen invloed is. 

Kortere mededeelingen. Voegt men roodrookend salpeter- 
zuur bij aceton , en wascht het erlangde product met water, 
lost het daarna op in alkohol, en voegt hierbij azijnzuur 
lood, zoo ontstaat een geel gekleurd lichaam, eene 
nitroloodverbinding. Wordt bij eene oplossing van phos- 
phorus in zwavelkootstof aceton gevoegd, en vervolgens 
eene oplossing van iodium in zwavelkoolstof, zoo zet zich 
in groote hoeveelheid een schoon oranjekleurig lichaam 
af, hetzij roode phosphorus of welligt ioodphosphorus- 
aceton. S. geeft eene methode aan, om stikstof in statu 
nascenti op koolstof houdende lichamen te doen inwerken , 
namelijk ammoniak en chloor. Leert den eudiometer 
kennen als middel ter analyse van vluchtige vloeibare en 
vluchtige vaste koolstoffen. Spreekt de meening uit, dat 
het spectrum der koolwaterstoffen wellicht aan eenige 
CN-vorming is toe te schrijven , daar bij verbranding eenig 
ondersalpeterzuur ontstaat, dat met zwaar- koolwaterstof 
cyaan geeft; wijst op de gevoeligheid der blauwe ver- 
kleuring van de vlam door zwavel , en de eigenschap dezer, 
om door eenigen aether te verdwijnen, reeds vroeger 
door S. voor de groene verkleuring der vlam door phos- 
phorus aangetoond, welke aether derhalve ook de spectra 
van zwavel- en phosphorusdamp opheft. 

S. geeft eene beschrijving eener burette voor overman- 
gaanzuur kalium; van een bad eener constante temperatuur, 



121 

van een zelfxegelenden gasoven ter elementair-aDalyse. 
Geeft eene nieuwe methode ter zwavelbepaling, daarin 
bestaande, om de zwavel in eenig koolstof houdende licha- 
men in een zelfde kroesje met salpeterzunr te oxydeeren, 
en als zwavelznur loodoxyde te bepalen. Deelt de analyse 
mede van een steenachtig af zetsel in eene zink-ijzerenpgp 
eener gaskachel, welk afzetsel bestaat uit zwavelzuur, 
zinkoxyde, gzeroxyde, ijzeroxydul en water; wijst op de 
vorming van fcrystaUijn ZnHO bij inwerking vaü zink 
op ammoniak. Geeft eene bereidingswijze van taurine, 
waarvan het grondbeginsel is, om gal met zoutzuur in 
een gesloten vat in een waterbad te verhitten. 

S. wijst op de grens voor de tegenwoordige synthetische 
scheikunde der koolstoffen, en de reeksen, die de schei- 
kunde beheerschen. Ten slotte handelt S. over de alcoholen 
van meer basische zuren , te onderscheiden in betrekkelijkö 
en volstreile alcoholen. 

II. „ De waierètof in êialu nascentV* Academisch proefêchrifi 
door C. H. Thiebout, CHz. — De werking der water- 
stof op het oogenblik van haar ontstaan, of zeer korten 
tgd daarna, is in de laatste jaren, door de schei- 
kundige wereld meer en meer bestudeerd. Zoo beweert 
Ozanu dat waterstof bereid door ontleding van verdund 
zwavelzuur, langs galvanischen weg, alleen het vermogen 
zoude hebben, AgO.SO,, in verdunde oplossing te redu- 
ceeren, of guajachars, blauw gekleurd door lood hyper- 
oxyde, te ontkleuren, dat waterstof op eene andere wijze 
ontwikkeld, uit natrium-amalgama of verdund zwavel- 
zuur en zink, die eigenschap niet zoude bezitten. Thie- 
bout bevond dat noch de laatste waterstof, noch de 
electrolytische, in AgO.SOs, na drie dagen onafgebroken 
werking, een afzetsel van zilver geeft. De uit hard, of 
nog beter uit vloeibaar natrium-amalgama bereide, onder 
dezelfde omstandigheden op de proef vochten inwerkende, 
waaronder Ozann de electrolytische doorvoerde, geeft na 
een dag duidelijke reductie van AgO.SOj en ontkleurt 
reeds na een è. twee uren het guajacproefvocht. Thiebout 
deed eene hoeveelheid vloeibaar natrium-amalgama, (8 gr. 
natrium bevattend) op oplossingen AgO.SOgen AgO-NOg, 
(gelgk in graad van verdunning) , insgelijks op diezelfde 
zouten in aequivalent verhouding, inwerken. Hij bevond 



122 

dat in beide gevallen de AgO.NOs veel sneller dan de 
AgO.SOj wordt gereduceerd. 

Hij bewees door voorafgaande reacties dat bij de AgO.SO, 
de G welke aan het natrium, in het amalgama, gebonden 
kan zijn, niet als de oorzaak van de ledactie kan be- 
schonwd worden. 

AgO.SOs wordt gereduceerd : door H uit natrium-amal- 
gama na een halven dag; 

door H uit Cn, Zn, met verdund zwavelzuur; 

door H uit gedestilleerd Zn en verdund zwavelzuur 
na drie k vier dagen; 

na langoren tijd door electrolytische waterstof en die 
welke bereid is, uit klavier ijzerdraad en verdunde zuren. 

De waterstof uit handelszink ontwikkeld, die volgens 
Brunner een sterk reduceerend vermogen heeft op AgO.SO, 
en gereinigd is door HO.SOa en HO.kaO, ontleent dit 
vermogen aan de zwavel en het antimoon. In het neer- 
slag door Thiebout in de AgO.SOj gevonden, hetwelk 
bestond uit AgO en Ag, werd insgelijks, door hem, S 
en Sb aangetoond. 

Ter bereiding van het natrium amalgama , in het groot 
is de methode van Dr. Beinecke boven alle andere 
aan te bevelen. Men verhit op een zandbad een kilogram 
kwik, en voegt na het heete kwik daarvan verwgderd te 
hebben, 40 gr. natrium bij kleine stukken toe. (Men 
wende de zuilvormige stukken handelsnatrium aan). Na 
bekoeling wordt een harde regulus verkregen, die uit 
het schaaltje wordt gelicht en in stukken wordt geslagen. 

Als zinkstrooken , die met tin aan koperplaten zijn 
vastgesoldeerd, in eene alcalische solutie, (b. v. 7 dl. 
water op 1 deel natron) met nitraten of uitriten van 
alcaliën in contact worden gelaten, wordt volgens Wolf 
de stikstof grootendeels in ammoniak omgezet. Deze 
methode is ecter niet geschikt tot stikstof-bepaling. 

De Wilde bevond dat de waterstof , uit natrium-amal- 
gama, zich volstrekt niet tot ammoniak met de stikstof 
verbindt, wanneer die op bovengenoemde nitraten of nitriten 
of op nitras ammoniae inwerkt. Alsdan ontstaan meng- 
sels van NO en N. 

Bij verdunning van de nitraten, vermeerdert het betrek- 
kelijk gehalte N, bij verdunning van de nitriten, de 
relatieve hoeveelheid NO. 



123 

Maly, privaatdocent aan de universiteit te 6rë,tz, 
bevond dat bij inwerking van na.-am. op NH4O.CO3, of 
bij combinatie van gegranuleerd Zn.NH4O.CO8 en heete 
geconcentreerde kaliloog, mierenzure potasch verkregen 
wordt. Thiebout verkreeg slechts het laatste eind- 
product, toen hij geconcentreerde CO2NH4O4 oplossing, 
met kristallen in overmaat, onderwierp aan de inwerking 
van eene dubbele hoeveelheid, vloeibaar natr.-am die 
1| p. c. natrium bevatte. 

Prof. E. Mulder bevond, dat wanneer in de veilig- 
heidfibuizen van Woulfsche flesschen waarin uit Zn. en 
verdund zwavelzuur waterstof wordt ontwikkeld, oplos- 
singen van koolzure alcaliën worden gebracht , de water- 
stof vlam plotseling blauw wordt gekleurd. Thiebout 
constateerde dit feit. Het blauw worden der vlam duidt 
op de wording van CO. Thiebout deed dezelfde hoe- 
veelheid natrium-amalgama inwerken, op bepaalde hoe- 
veelheden dubbel-koolzure soda, koolz. soda en koolz. 
potasch en bevond door absorbtie-proeven met koper- 
chloorzuur ammoniak-oplossing , dat de betrekkelijke hoe- 
veelheid CO welke ontstaat verreweg het grootste is bij 
het eerste zout, en het geringste bij de koolzure pot- 
asch. Bij de inwerking van het amalgama op sulphiten: 
NH4O.SO2.NaO.SO2.NaO. 2 (SO2) en NaO.SA werd slechts 
vorming van NaS waargenomen bij het laatste zout. De 
hoeveelheid is het grootst wanneer de zoutsolutie zeer 
geconcentreerd wordt genomen en het amalgama vloeibaar is. 

De meeste aldehyden worden door na.-am. in de cor- 
respondeerende alcoholen omgezet. Zoo als Würtz bij 
gewoon aldehyd, valeral, F ried el bij bitteramandelolie 
heeft aangetoond. Bij sommige geschiedt deze omzetting 
gemakkelijk door zoutzuur en zink. Linnemann ver- 
kreeg een mengsel van propyl- en allylalcohol, door gefrac- 
tooneerd en onder afkoeling een mengsel van aether , zout- 
zuur en acroleïn op Zn te doen inwerken. 

Oxaalaether geeft bij inwerking van het amalgama een 
nieuw zuur, desoxaalzuur. (Löwig). Uit ditdesoxaal- 
zuur kan appelzuur bereid worden, door het langen tijd 
in contact met zwavelzuur op een waterbad te verhitten. 
Dessaignes deed jodium en phosphorus op wijnsteenzuur 
inwerken en verkreeg barnsteenzuur. Lauteman, Smitt 
en Dessaignes wendden later JH oplossing aan met het- 



124 

zelfde resultaat. Yan famaarzuur komt men tot barnBteen- 
zuur door natrium-amalgama naar: 

CsHA + H, = CaHA. 
Dr. Max Hermann deed in een steeds znre oplossing 
na. am. inwerken op benzoëzunr. Bij de bewerking 
verkreeg hij drie producten: 
CmHbOj (alcohol van benzoëzunr) 

CuHA 

C14H9O3.HO (een nieuw zuur door hem benzoleïne-zuur 
genoemd). 

Hippuurzuur gaf hem op dergelijke wgze behandeld 
Benzoyl-alcohol. 

Bij volledige aanvoering van waterstof: een groot quan- 
tum bitteramandelolie en CuHyOj en CnHjOj.HO. 

De overvloed bitteramandelolie welke bij deze bewerking 
ontstaat, voert Hermann tot de meening dat deze eene 
geschikte methode zoude zijn om laatstgenoemde stoffe 
in het groot te bereiden. 

Hippuurzuur in alcalische solutie met het amalgama 
behandeld geeft aanleiding tot de wording van twee 
nieuwe zuren (Otto.) 

Hydrobenzuurzuur naar: 
2 (C«H,NO.) -h 6 H = 03.H24N,0„ 
en Hydrobenzyluurzuur naar: 

2 (C,sH,NOe) + 8 H = 03,H,,N0s + C,H,NO,. 

Voor korten tijd, gaf Linnemann op, dat glycose 
die door zwavelzuur geïnterverteerd was, door natrium 
amalgama in manniet wordt omgezet. Thiebout be- 
vond, dat bij glycose door verdund zoutzuur geïnter- 
verteerd, volgens Pelouse en Premy, in alcalische 
solutie die omzetting plaats heeft, maar niet bij glycose 
die door azijnzuur is bereid uit rietsuiker, waarbij de 
oplossing steeds zuur wordt gehouden. 

Hij bevond dat. nitrobenzol , blootgesteld aan de inwer- 
king van zink en koper in alcalische solutie, voor een 
deel wordt omgezet in anilin. 

Werigo behandelde nitrobenzol met alcohol, azijn- 
zuur en natr.-am. en verkreeg een mengsel van: 
azobenzid : en benzidin : 
C,4H,oN, C«H,,N, 

Thiebout bevond voorts dat bij de inwerking van 
het amalgama op geelbloedloogzout, geen vrije ammoniak 



125 

ontstaat. In eene neutrale PtCl, solutie verscheen name- 
lijk, na de inwerking van de gassen welke bij de bewer- 
king daardoor waren gestreken, geen neerslag na toevoeging 
van alcohol. 

Allantoïne wordt door natrium-amalgama omgezet in 
glycolnril (Rh e in eek) naar de volgende formule: 
Allantoïne : Glycoluril : 

CsHeN.O. + H, = C,H.N,0, + H,0, 

Azodinaphthyldiamin met zoutzuur en zink behandeld, 
levert twee zouten waarvan de basen zijn : naphthylamin 
en eene isomeer met naphthene-diamin : (CioH'^e) ^ 

Yoor de synthetische scheikunde, is van bijzonder 
gewicht, de methode waardoor Berthelot aan C4Ha ( Ace- 
tylene) twee at. H heeft toegevoegd. 

Hij deed op de koperverbinding C4HCU, Zn en NH4O 
inwerken * 

C^HCua + Zn + NH4O + 3 HO = 
C4H4 + CuaO + ZnONH40 + O. 
De methode waardoor G4H4 in CJI^ wordt omgezet, is 
ook eene algemeene, en verdient daarom insgelyks met 
een woord vermelding. / 

Broomaethylene, joodkalium, water en koper worden 
tot dit doel in aequivalent verhouding in een gesloten 
buis 15 uren bij 275'» verhit. 

Het proces dat plaats heeft kan aldus worden voorgesteld: 
, C4H4Br, + 2 KI + 8 Cu + HA = 
C4H« + 2 KBr + 2 Cttjl + 2 Cu,0. 

III. JEeniffe onileedhundige afwijkingen , ioaargemmen in de 
êeciiezaal van het marine-hospitaal ie Willemsoord, — Onder 
dezen titel geeft Dr. D. Heil erna in de Ie Afl. van 
den 5ii jaargang van het Geneeskundig Tijdschrift voor 
de Zeemagt, korte beschrijvingen van: 

l^ Een afzonderlijken musculus cleido-mastoïdeus. 

2^. Twee ongewone spieren in plaats van den gewonen 
musculus subclavius, ter weerszode, in hetzelfde lijk. 

S"*. Een gedeeltelijke zelfstandige inplanting van den 
musculus soleus, met een pees aan het hielbeen. 

4^ Een musculus biceps brachii, met een bijkomend 
hoofd, van het opperarmbeen. 

5^ Een meer links dan gewoonlijk gelegen oorsprong 



126 

der arteria anonyma, zoodat zij dwars voor de luchtpijp 
heen, naar rechts verloopt. 

6<». Een ongewoon verloop van de vijfde halszennw vóór 
den mnscnlns scalenus anticus heen. 

7». Een abnormale ligging der rechter capsula snpra- 
renalis, zoodat deze zich bij den hilus renalis, boven 
de nierader bevindt, en met de lever niet in aanraking 
komt. 

8^ Een dubbel nierbekken en dubbelen ureter ter 
linkerzijde, waarbij de laatsten, ooi gescheiden^ links in 
de blaas uitmonden. 

De meeste dezer anomalieën behoeven geene nadere toe- 
lichting, welke ook door den schrijver slechts omtrent 
enkele gegeven wordt. Zoo meent hij terecht, dat de 
sub 2o vermelde spieren zich van de tot nu toe beschre- 
venen onderscheiden. De eerste komt wel min of meer 
met den musculus supraclavicularis van Luschka over- 
een , maar toch niet geheel. Zij ontspringt van de achter- 
vlakte der articulatio sterno-clavicularis , loopt evenwijdig 
met het sleutelbeen, en plant zich in aan denbovenrand 
van het schouderblad, binnenwaarts van en naast het 
ligamentum transversum. De tweede der bedoelde spieren 
is een anormaal verloopende musculus subclavius, welke 
zich aan het ligamentum transversum scapulae vast- 
hechtte. 

IV. Bet voorkomen van groepen van fijne zenuwvezelen j» de 
moioruiche of voorste tooriele der pars dorsalis (tAoracica Bef.) 
medullae spinalie van den menscL Men vindt over dit onder- 
werp onderzoekingen medegedeeld door Dr. G. S. Lucht- 
mans in de ^.Aanteekeningen van het verhandelde op de 
Sectievergaderingen van het provinciaal Utrechtsche ge- 
nootschap, 1866, blz. 69 e. v." Eeeds vroeger had 
Luchtmans gevonden, dat de achterste wortels van 
het ruggemerg groepen van fijne zenuwvezels bevatten, 
die hij nevclvlekken noemde , omdat ze zich bij een onge- 
veer 300-malige vergrooting in fijne zenuwvezels oplossen, 
terwijl de voorste wortels die fijne vezels missen. Verder 
vond hij die groepen van fijne vezels in de cauda equina, 
in de ganglia spinalia, en in alle onderzochte gemengde 
zenuwen. 

Door Prof. Boogaard opmerkzaam gemaakt op de 



127 

ondeizoekingen vati Beissner, die dezelfde groepen van 
fijne sennwvezels ook in de vowrde wortels der pars 
dorsalis medxdlae spinalis had gevonden, stelde Lncht- 
mans nieuwe onderzoekingen in het werk. Hij had de 
voorste wortels der nervi thoracici spinales nooit onder- 
zocht, maar vond nu de opgaven van Beissner geheel 
bevestigd. Verder bleek het hem op nieuw dat de voorste 
wortels der overige ruggemergszenuwen wel eens enkele 
geïsoleerde fijnere vezels, maar nimmer die groepen be- 
vatten, welke zich op de dwarse coupe als zoogenoemde 
nevelvlekken. voordoen. Toch bestaat er tusschen de 
voorste en achterste zenuwwortels der borststreek nog een 
belangr^k verschil , volgens L. In de laatste vindt men 
namelijk de nevelvlekken klein en door den geheelen 
bundel verspreid, in de voorste daarentegen vormen zij 
grootere en scherp begrensde groepen. In den nervus 
oculomototius , trochlearis, ramus lingualis van den nervus 
hypoglossus , en in de motorische bundels der cauda equina 
vond L. bij een heniieuwd onderzoek gemis van groepen 
Jijne zenutavezels ; daarentegen toonden zijne fraaie praepa- 
raten die op nieuw duidel^k aan in den ramus ophthal- 
micus en maxillaris superior van den trigeminus, in den 
nervus vagas enz. 

Ten slotte heeft de Schrijver nog eenige bedenkingen 
en opmerkingen, welker beteekenis ons niet recht duide- 
Igk is geworden, waarom wij hem met zijne eigene 
woorden laten spreken: „Evenwel blijven er hier en 
daar duistere ponten ter opheldering over, zoo bijv., 
waarom blijven de motorische zenuwen der ledematen niet 
geïsoleerd zich als zoodanig naar de spieren begeven, 
maar zich in den nervus medianus, ulnaris, radialis en 
cruralis als gemengde zenuwen vertoonen? Men kan 
voorloopig dit punt niet oplossen, tenzij men eene ver- 
deeling en vertakking of ware anastomose der zenuwen , 
als bij de bloedvaten aanneme, dat ook, wanneer men 
praeparaat No. 11 van mijne tweede verzameling ziet, 
nog niet zoo geheel onmogelijk sch^nt." 

y. Dntersuckungen ueher die Form des Beciene Javaniecher 
Frauen^ von Dr. T. Zaaijer. Onder dezen titel is door 
de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haar- 
lem (Natuurk. Verhandelingen, Deel XXIV) een ver- 



128 

handeling van den Leidschen Hoogleeraar Zaaier nit- 
gegeven , welke een verdere voortzetting vormt van diens 
beschrijving der bekkens van Javaansche vronwen, in 
zijne dissertatie (1862). Vooreerst geeft de S. een 
hüstorisch overzicht van hetgeen omtrent den bekkenbonw 
en vorm van andere rassen, dan het Eankasische, be- 
kend is. G. Vrolik vestigde op het verschil in het 
bekken bij Europeanen, Negers en Javanen het eerst de 
aandacht. M. J. Web er gaf vervolgens in een wetk 
getiteld: Die Lehre von der TJr- nnd Eacenfonnen, 
eene afbeelding van het bekken eener Javaansche vrouw. 
E i 1 i a n ( 1835) beeldde eveneens het bekken eener Javaan- 
sche vrouw af, volgens Zaaijer een copie der afbeelding 
van Vrolik. 

De schrijver was in de gelegenheid thans 26 bekkens 
van Javaansche vrouwen te onderzoeken , welke deels door 
Dr. Swaving deels door Dr. Mens Fiers Smeding 
uit Oost-Indiën naar Leiden gezonden waren. Ook had 
hij de schedels van vele der personen, wier bekkens hy 
onderzocht, ter zijner beschikking. 

De verschillende bekkens worden vervolgens afzonder- 
lek beschreven. Wij vergenoegen ons met het vermelden 
der gevolgtrekkingen, waartoe de S. ten slotte komt, en 
welke de meeningen, vroeger in zijne dissertatie uitge» 
sproken, bevestigen, gelijk zg in de hoofdzaak met de 
reeds door Vrolik gemaakte opmerkingen overeenkomen. 

1^ De bekkenbeenderen der Javaansche vrouwen zijn 
teeder, fijn van bouw. 

2^. De oppervlakte der darmbeensvleugels is kleiner dan 
die van Europeesche bekkens. 

3^ De darmbeenderen zijn sterk naar buiten gebogen 
en zeer plat. 

4^ Bij de meeste bekkens vindt men een sulcus prae- 
auricularis, welke zeer zelden, en dan slechts zwak, bg 
Europeesche bekkens aangetrofifen wordt; z^ dienen tot 
aanhechting der ligamenta sacro-iliaca anteriora. 

ö"". De Unea arcuata interna vormt geen scherpen rand , 
maar is zeer afgerond. 

6*". De spinae ischii steken zeer sterk in het bekken uit. 

7*. Het heiligbeen is zeer verschillend van vorm, maar 
steeds minder breed dan dat van Europeesche bekkens. 

b\ De Javaansche bekkens kunnen in twee groepen 



129 

mdedd worden. Bg sommigen is de bekkeningang ïood , 
bg anderen eirond. 

9^. Het verschil tusschen de dwarse afmetingen en de 
a)njiigata van den ingang is steeds gering» dan bg 
Enropeesclie bekkens. 

10°. Het promontorinm pnilt weinig uit. 

11*. Tnsschen den schedelvorm en ^en van het bekken 
schijnt geen samenhang te bestaan. 

YI. Beichrijmng van eenige in het Hrand van Walcheren ge- 
vonden êehedele en van een eranium oêleoêelerotteum^ door 
Dr. J. G. de Man, te Middelburg. (Overgedmkt uit 
Archief YI van het Zeeawsch Genootschap der Weten« 
schappen.) 

De 22 schedels, die wi) hier beschreven vinden, z^n 
op verschillende t^dstippen opgedolven nit oude begraaf- 
plaatsen op Walcheren. De metingen aan de schedels 
zelf en de gesteldheid der plaatsen, waar zij gevonden 
zgn, brachten den schrijver tot de volgende gissingen en 
opmerkingen. 

De onaerzochte schedels zijn afkomstig uit het laatst 
van het frankische tijdvak of de grafel^ke regering, mis- 
schien van Noormannen, misschien van een voTk dat 
reeds lang met Friezen, Ylamingen, Franken en andere 
in betrekking had gestaan. 

De meesten zijn afkomstig van menschen in de kracht 
van het leven. Misschien wijst dit op malaria of anderen 
invloed, waaronder velen vóór den ouderdom bezweken. 

De gebitten zijn meestal sterk, effen en glad afgesleten, 
b^ enkelen zijn sommige tanden niet goed geplaatst, 
slechts aan één tand uit de geheele verzameling is een 
carieus plekje te vinden. Dit laatste is merkwaardig in 
een streek waar de scorbuut inheemsch is. 

De gevonden beenderen zijn gezond : één wand- en voor- 
hoofdsbeen echter is sterk geëxfoliëerd , specifiek licht en 
zeer spongieus. Het is niet in de overblijjbelen van eene 
kist gevonden. Is het zoo spongieus door den invloed 
van weer en water, of ten gevolge eener ziekte? Het 
antwoord is moeielljk te geven. De capaciteit en ver- 
schillende gelaatshoeken , voor zoover zij gemeten zijn, 
zonden niet tot een gunstig resultaat leiden omtrent de 
intellectnëele ontwikkeling der oorspronkelijke eigenaars. 

9 



130 

Onder de pfevonden schedels zijn er^ volgens de in- 
deeling van Vogt: 4 dolichocephalen , waar de lengte 
staat tot de breedte als 100 : 72 , 17 mesocephalen , 
waar die verhouding 100 : 72 & 81 , en 1 brachycephalus, 
waar de verhouding 100 : 82 is. De meeste hunner 
schijnen overeen te komen met die, welke onlangs als 
schedels uit den Merovingischen tijd door Eek er teFrei- 
burg beschreven zijn en volgens hem aan Franken en 
Alemannen zouden behooren. 

Afzonderlijk wordt een schedel beschreven, die volgens 
overlevering vóór omstreeks 80 jaar in de Westkapelschen 
dijk gevonden is; de diepte, en dus de gesteldheid van 
den bodem, waarin h^ gevonden werd, is onbekend. 
Hoewel er veel aan den schedel ontbreekt, weegt hij toch 
3100 grammen. Hg is dan ook veel grooter in alle af- 
metingen dan een normale schedel, het been is echter 
zoo dik dat de capaciteit niet in de vergrooting deelt. 
Wat de ziekelijke ontaarding betreft, deelt de schrijver 
de slotsom van zijn mikroskopisch onderzoek mede op 
deze wijze: 1^ substantia spongiosa aan gewoon been 
gelijk, maar met groote mazen en neiging hebbende om 
door ouderdom in kalk te veranderen ; 2*. subst. cort. en 
compacta, met vele beenelementen, maar de talrijke cellen 
veelal van gedaante veranderd, en verkleind, met afge- 
brokene of ontbrekende stralen, en duidelijke beenlamellen; 
3°. kalklaag, waarin vezels aan vroegere Haversche ka- 
naaltjes herinneren, terwijl er slechts zelden overblijfsels 
van cellen te zien zijn. De intercellulairstof zou dus 
van aard veranderd zijn en de vroegere organisatie ver- 
nietigd hebben. 

Het chemische onderzoek leverde de volgende resultaten: 

Spongiense Bcruil e Zoogenaamde 



Organische ) 
zelfstandigheden ) 

Phosphorzure kalk. 


27,77^/o 
65,40 


12,85 


30,37 


Koolzure kalk 


3,14 


1 57,15 


1 69,63 


Phosphorzure \ 
magnesia ) 


0,93 


[ 


> 


1^ 


\ 


1 


VerUes 


2,76 


j • 


j 



131 

Na vergel^king mot hetgeen de litteratuur over soort- 
gel^ke schedels, als de onderhavige, oplevert, komt de 
schrijver tot het besluit, dat deze door eene ziekte was 
aangetast, toen hij nog den kindertypus vertoonde, dat 
het product der aandoening overeenkomt met hetgeen 
men: hyperostosis cranii, craniosclerosis , ebumatio of 
enormitas cranii noemt, dat deze benaming wel aan den 
schedel iz^ne plaats in een pathologisch-anatonusch kabinet 
aanwijst, doch dat daardoor niet is aangewezen welke 
ziekte tot de misvorming aanleiding gaf. 

YII. On the pectdiar crania of the inkahitants of eertam groupe 
of iêlands in the Western Pacific^ bij Joseph Barnard 
Davis. — Deze verhandeling, door de Hollandsche 
Maatschappij van Wetenschstppen (Natuurkundige Ver- 
handelingen Deel XXIV) te Haarlem uitgegeven, bevat 
belangrijke craniologisch-ethnographische bijzonderheden. 
Davis levert daarin de eerste beschrgviag en de opgave 
van afmetingen van tot nog toe niet onderzochte schedels. 
Blumenbach en Prichard hadden wel op grond van 
berichten van reizigers een bijzonderen schedelvorm bij de 
bewoners van Nieuw-Caledoniën , de nieuwe Hebriden, en 
andere daarbg behoorende eilandgroepen aangenomen, doch 
Davis is de eerste, die in het bezit kwam van een 
aantal schedels der genoemde eiland-bewoners. Het resul- 
taat zijner metingen en vergeliikingen met schedels van 
andere menschenrassen is : dat de bewoners der genoemde 
eilandgroepen zich door een dolichocephalischen , maar 
lijzonder êmallen en hooien schedel onderscheiden , waarom 
daaraan de naam gegeven wordt van hypei-etenoeephali. 
De Nieuwe-Hebriden Archipel waarop deze hypsi-steno- 
cephali wonen , strekt zich noordelijk tot aan de Carolina- 
eilanden uit. De door J. van den Hoeven onlangs 
beschreven schedels van bewoners dezer laatste eilanden 
zijn, volgens Davis, ook hypsi-stenocephalisch , schoon 
niet typisch. Zuidelijk vormt Nieuw Caledoniën de grens. 
Oostelijk behooren er de Viti-eilanden toe. Noordwestelijk 
de Salomon-eilanden. De schedels der bewoners van 
Nieuw-Guinea, der eilanden van den Indischen Archipel, 
en van de Phüippijnsche eilanden behooren volstrekt niet 
meer tot de hypsi-stenocephali. 

Van de schedels der Australische negers onderscheiden 



132 

zicli de door Dayis beaehrevene^ doordien de eerste 
wel amal maar niet hoog zijn, terwijl hunne capaciteit 
veel minder is, tot die der laatste staat als 66,2 : 73,5. 

Evenmin komen, volgens Davis, de bewoners der 
Nieuw-Hebriden en van Nieuw-Oaledoniën met de A&i- 
kaansche negers overeen. Schoon ook de schedels van 
dezen hoog en lang zijn, onderscheiden zij zich door een 
grootere breedte, zooals zelfs met het bloote oog te 
bespeuren is, en door tabellen met afmetingen, welke 
wij hier niet kunnen overnemen, uitvoerig aangetoond 
wordt. 

In verband met zijne meening, dat de bewoners van 
de eilanden der westelijke stille zee , een ras vormen van 
de bewoners van Australië, zoowel als van de Afri- 
kaansche negers verschillend, acht de S. een uitvoerigere 
studie van hunne psychische eigenschappen, van hunne 
zeden en gewoonten belangrijk, ofschoon hij van hooga 
verwachtingen daaromtrent teruggehouden wordt, door de 
weinig troostrijke gedachte: „that, as European races, 
when they have visited these aboroginal peoples, always 
convey along with them pestilential influences that aie 
fatal to these children of nature, the period for such 
study of them wUl never be satisfactorily reached, — 
that they will perish, before they have been understood. 

YIII. Ouer den invloed der plooi van hel buikvliee , door de 
arterta umbilicalis in de foetale buikholte gevormd^ hij den 
deecensui teeticvlorvm werd door Prof. Koster in de 
koninklijke Akademie van Wetenschappen (Verslag der 
zitting van den 27 September 1866) eene mededeeling 
gedaan. Reeds tweemaal trof hij bij ontbreken der arteria 
umbilicalis aan ééne zijde, den bal dier zgde niet in de 
liesstreek, maar in de holte van het kleine bekken aan. 
Één dier gevallen is beschreven in de dissertatie van 
K. Snellen (zie ook dit Archief, Jaarg. lï, bl. 71 e. v.) 
het tweede nam hij later waar en werd nader onderzocht 
door J. 6. van der Lith. Het schijnt dat de plooi, 
welke arteria de umbilicalis doet ontstaan, een soort van 
dam vormt, waarover de bal niet heen kan gaan, om ia 
het kleine bekken te komen, maar waardoor hg in 
de liesstreek wordt gehouden. Zoo zou het mogelijk 
wezen, dat sommige gevallen van cryptorchismus unila- 



133 

teralis door het ontbreken van één der arteriae nmbili- 
cales, dat niet zoo zelden voorkomt, te verklaren waren. 
Bij de door Koster waargenomen gevallen was echter 
de bal aan de andere zijde ook niet in het scrotum neer- 
gedaald, ofischoon hij op de plaats van den toekomstigen 
inwendigen liesring lag. Er bestond daarenboven eea 
abnormale toestand van het systema uro-genitale. 

Het zou dns knnnen zijn, dat bij zulke abnormale 
ontwikkelingsprocessen de afwezigheid van een arteria 
umbilicalis slechts oorzaak was van het verzakken van 
den bal in bet kleine bekken, terwijl bij het ontbreken 
van een arteria umbilicalis , maar met overigens normalen 
gang der ontwikkeling, en van den descensus testiculorum, 
toch de bal naar buiten kon worden gevoerd. 

Uit latere onderzoekingen, in de dissertatie van J. Gr. 
van der Lith vervat, en waaromtrent ook in de vol- 
gende aflevering van dit archief mededeeliag zal gedaan 
worden, is echter gebleken dat werkelijk bij ontbreken 
ééner sïrteria umbilicalis de bal dier zijde in de buik- 
holte achterblijven kan tenoyl hij aan de andere zijde 
geheel in het scrotum neergedaald is, 

IX. De theorie der ontsteking, Akademisch proefschrift van 
H. S. Betz, Leiden 1866. — In dit met veel belezen- 
heid geschreven boekje geeft de schrijver een, grooten- 
deels kritisch, voor een deel ook door eigen proefnemingen 
toegelicht, overzicht van de historische ontwikkeling en 
de gronden der tegenwoordige ontstekings-theorie. Na 
een beschouwing der oudste denkbeelden over ontsteking, 
groepeert hij de nieuwere theorieën in twee af deelingen: 
de neuro-pathologische en de attractie-theoriën. 

De voornaamste vormen , welke de verschillende theorieën 
door bepaalde personen verkregen hebben, worden door 
hem nagegaan en kritisch beschouwd. Zijn uitkomst is: 
dat de voorstelling door Virchow van het ontstekings- 
proces gegeven , het best met de thans bekende feiten en 
met de stand der physiologisehe en pathologische weten- 
schap overeenstemmen. 

Het is natuurlijk niet mogelijk een meer in bijzonder- 
heden gaand verslag van den inhoud der dissertatie te 
geven, daar de schrijver slechts bekende feiten vermeldt, 
en geen voor nadere overweging vatbare meeningen, of 



134 

tot conclusiën leidende proeven meedeelt. De aard van 
des Schrijvers arbeid kon dit ook niet doen verwachten. 
Er zou op dit oogenblik moeijelijk een nienwe en betere 
ontstekingstheorie te geven zijn , dan die welke de Schrijver 
ten slotte ook als „zeitgemass" boven alle andere om- 
helzen moet; maar de wijze, waarop hij zich rekenschap 
heeft gegeven van de beteekenis, en het voor en tegen 
der verschillende denkbeelden, en zijne uiteenzetting der 
meening van Virchow, verder zijne kritiek, door enkele 
eigen proeven gestaafd, van Samuel's mislukte leer der 
trophische zenuwen als oorzaak der ontsteking — dat alles 
getuigt van zelfstandig oordeeL 

De proeven omtrent den trophischen invloed van zenuwen 
(blz. 124 — 129) werden onder de leiding van Prof, Heij n- 
s i u s genomen , en bevestigden geheel do reeds door anderen, 
Otto Weber enz., verkregen negatieve uitkomsten. 

Een eigenaardig, kort Hoofdstuk „Invloed der ont- 
stekings-theoneën op de praktijk" besluit het geschrift. 
Het bekende voorbeeld van Broussais en z^ne school 
wordt daarin vooral vermeld ter aantooning van den in- 
vloed, welke meer of minder juiste ziektekundige kennis, 
en goede waarneming op de praktijk der geneeskunde 
hebben kunnen. 

X. Kleine bijdrage tot de aeiiologie van echeurhuik door Dr. 
W. Dammann (Geneesk. Tijdschr. v. d. Zeemagt). Op 
het eiland Bonaire^ een der Curagaosche eilanden, worden 
zoutpannen geëxploiteerd door den arbeid van landslaven. 
Deze worden aangetast door den haemorrhagischen vorm 
van scheurbuik, waarvan de andere landslaven vrij big ven, 
hoewel zij, wat woning, kleeding, voedsel en dnnkwater 
betreft, in dezelfde omstandigheden leven. In de zout- 
pannen zet zich uit het zeewater aHens^s een neerslag af 
van eene gelatineuse massa, die spoedig in rotting geraakt. 
Uit de combinatie van een en ander meent de schiijver 
te moeten besluiten, dat de scheurbuik in casu veroor- 
zaakt wordt door inademing van lucht , waarmede schade- 
lijke gassoorten gemengd waren, welke zich uit dierlijke 
lichamen ontwikkeld hadden , die in ecne sterk verzadigde 
zoutoplossing in rotting waren overgegaan. Te Batavia 
meent de schrijver denzelfden vorm van scheurbuik te 
hebben zien ontstaan door te lang voortgezet gebruik van 



135 

indifferent yoedsel (rgst met melk gekookt). Aan boord 
van een schip, op de Noordkust van Sandelwood, ont- 
stond scheurbuik waarschgnlijk door het gebruik van oud 
spek en zout vleesch, waarvan de buitenste lagen be- 
gonnen te rotten. Uit een en ander blgkt , dcU lage tempero' 
twirgraden niet noodzakelijk zijn lol onlwikkeling van scheurbuik. 

XI. Ferslerving van vingers en leenen , voorafgegaan door eene 
opmerkelifk lange onthouding van voedsel^ waargenomen bij den 
schipbreukeling John Gasey, door J. D. Sachse (Ge- 
neesk. Tijdschr. v. d. Zeemagt). 

John Gasey, kapitein van het Engelsche koopvaardy • 
schip Jane Londen^ werd door het Nederl. koopvaardijschip 
Jda ElisabelA , «gezagvoerder van Doorn, opgenomen na 
aeht-en'ivnnlig dagen lang geheel verstoken te zijn geweest van 
voedsel y en al dien tijd op zee rondgedreven te hebben op 
een gedeelte van het wrak. Al wat hij kon bekomen 
was regenwater, dat hij uit een stuk zeildoek zoog. Bij 
z^ne opname op de Ida Elisabelh werd hij liefderijk ver- 
pleegd onder leiding van een geneeskundige (H. A. 
Schreuder, voormalig Off. v. Gez.) Bij zijne opname 
in het Marine hospitasi te Nieuwe Diep, was zijn alge- 
meene toestand weder goed , • treurig zag het er echter 
uit met zijne vingers en teenen; hunne toppen waren 
bgna allen in toestand van drooge versterving. Deze 
toestand was het gevolg van den invloed van koude en 
vochtigheid , van uiterst geringe stofwisseling door inanitie 
en van de drukking, die de uiterste extremiteiten hadden 
ondergaan gedurende al den tijd, welken de schipbreuke- 
ling aan het want geklemd , had doorgebracht. De voeten 
z^n roosachtig, oedemateus gezwollen. Dit laatste ver- 
schijnsel was sterker geweest, maar door bestrijking met 
collodion reeds veel verminderd. Verder bestond de be- 
handeling hoofdzakelijk in: voeding en versterking, was- 
schingen met chlor. calc. liq., inwrijving van ol. terebinth. 
cum sol. camphor. alcoholica, en het bedekken van het 
verstorvene met wieken, bestreken met ung. elemi cum 
camphora. Later pappen, hand en voetbaden met mf. 
flor. chamom. vuig. Waar het voor de genezing noodig was 
werden hinderiyke verstorvene deelen door operatie ver- 
wyderd. De genezing maakte geregelde vorderingen, de 
man kon weder schrijven en, vooral met aan de punten 



136 

opgevulde schoenen , loopen. De teerheid der nieuwe huid- 
plekken, roosachtige zwelling dientengevolge, kwelden 
hem het langst. Den 10 Juni verliet hg het hospitaal, 
waar hij den 1 Februari was opgenomen , later vermelde 
nog een brief van hem uit Engeland, dat hij daar weder 
voor de meergemelde zwelling in behandeUug was geweest. 

XII. Be herkenning der vergroeiing van perieardium en 
pleura zou, volgens Dr. Dammann (Geneesk. Tijdschr. 
voor de Zeemagt, 1866, 4^ aflev.) daardoor mogelijk 
zijn, dat de hartstoot zich alsdan b^ diepe inademiog 
niet uit de vijfde tusschenribsruimte naar beneden ver- 
plaatst. Als men een gezond individu, met boven het 
hoofd samen gevouwen handen diep laat inademen, ver- 
plaatst zich de punt van het hart uit de 5«. tusschen- 
ribsruimte tot onder den processus ensiformis. (!) In 10 
gevallen kon de heer D. die abnorme vergroeiing consta- 
teëren. Hoe hij die geconstateerd heeft blijkt echter niet; 
alleen zegt hij , dat hij het niet verplaatsen der hartstoot 
waarnam. -^ 

Wij zouden van deze* onjuiste waarneming en be- 
schouwing geen melding maken, indien zij niet door 
Dr. J. Hanlo, zonder eenig protest in het Nederland- 
sche tijdschrift voor geneeskunde gerefereerd ware; men 
schijnt er dus eenige waarde aan te hechten. 

't Zou de grenzen van een referaat overschreden, uit- 
voerig aan te toonen, waarom de denkbeelden van Dr. 
Dammann onjuist zijn. Wij maken alleen de opmerking, 
dat alle , ook de meest gezonde mcnschen , aan vergroeiing 
van perieardium en pleura lijden, waarvan een lijkopening, 
of een anatomisch handboek den schrijver terstond zullen 
overtuigen. Zijn waarneming, dat bij sommige menschen 
na diepe inademing de hartstoot niet lager gevoeld wordt, 
moge juist zijn — de beteekenis, welke hij er aan 
hecht heeft zij niet. Wellicht heeft de S. vergroeiing 
van de pariëtale en viscerale plaat van het perieardium , 
of andere organische veranderingen in de hartstreek op 
het oog? 



DE INVLOED DER RESPIRATIE-PHASEN OP DEN 
DUUR DER HARTSPERiOOEN. 



DOOR 



D*. A. TERNE VAN DER HEUL. 



De hier medegedeelde onderzoekiogen z^n in het phy- 
Biologisch laboratorium der TTtréchtsche Hoogeschool onder 
de leiding en medewerking van Prof. Donders yerricht. 

Onze arbeid zal hoofdzakelijk nit drie deelen bestaan , 
handelende : 

I. Over het registreeren der ademhalingsbewegingen 
II. Over het r^istreeren der polsbewegingen ; 
III. Over den invloed der ademhalingsphasen op den 
pols, meer bepaaldel^k op den dunr der harts- 
perioden. 

L 

HET REGISTilEEREN DER ADEMHALINGS-BEWEGINGEN. 
A. Onderzoekingen van anderen. 

Om het verloop eener ademhalingsbeweging goed te 
leeren kennen, is het noodig de graphische methode aan 
te wenden. Verschillende wegen zijn daartoe ingeslagen. 

10 



13Ö 

Sibson ^) onderzocht met een bijzonder werktuig ^ ti<h 
racomeler genoemd , de bewegings-hoeveelheid der sagittale 
middellijn van borst en buik. De bewegingen werden zoo- 
doende aan den wijzer eener wijzerplaat medegedeeld, 
waarop ze nauwkeurig konden worden afgelezen ; maar ze 
werden niet geregistreerd. Valentin ') paste het eigen- 
lijke registreeren toe. Daarbij werden niet de ademhalings- 
bewegingen als zoodanig opgeschreven, maar wel de af- 
wisselende spanjtiing der ademhalingslucht. Dit geschiedde , 
door zijdelings in de luchtpijp een manometer te brengen, 
waarin zich een drijver bevond, die de bewegingen van 
het kwikzilver op het kymographion opteekende. Hetzelfde 
had ook Prof. Donders verricht bij zijne onderzoekin- 
gen over de drukkingsverhoudingen bij de ademhaling. 

De ademhalingsbewegingen zelve leerde Vierordt 
registreeren. Kort nadat hij met een sphygmograaf den 
slagaderlijken pols bij den mensch gedurende het leven 
had doen opschrijven , deed hij hetzelfde voor de adem< 
halingsbewegingen, wat voor deze voorzeker gemakke- 
lijker te verwezenlijken was. Wij vinden die onderzoe- 
kingen door K. Vierordt en G. Ludwig uitvoerig 
medegedeeld in het Archiv fiir physiologische Heükunde , 
Jahrgang XIV. S. 253. 

Zij bedienden zich van een eenvoudigen hefboom, die 
niet nader beschreven wordt De onderzochte persoon 
lag op den rug met het bovenligchaam iets hooger. De 
korte arm van den hefboom , 260 mm. lang , rustte op 
de huid van den buik in de linea alba, een weinig onder 
den navel, terwijl de andere arm, 36Ó mm. lang, de 



«) Mèdico-chirurgical Tranaactionfl. Vol. XXXI. p. 363. 
^ GnmdiisB der Physiologie, 1845. S. 211. 



139 

bewegingen met een penseel op het kymographion no- 
teerde: de bewegingen werden dos 1.4 maal vergroot. 

Uit de waarnemingen wordt afgeleid, dat de exspiratie 
langer dnnrt dan de inspiratie: de inspiratie :=10 aan- 
genomen, was de exspiratie, de pauze daaronder 'begre- 
pen , = 24.1, = 20.5, = 19.1, = 14.1. 

In deze verhouding (24.1 : 10, = 20.5 : 10, enz.) ligt 
de eelerüeit der respiratie opgesloten, die dus blijkt zeer 
verschillend te zijn. 

Tusschen in- en exspiratie werdt slechts zelden eene 
pauze gevonden , die na de exspiratie alléén bij frequente 
adepihaling zou ontbreken en ongeveer een vijfde van den 
duur innemen. — Vierordt en G. Ludwig meenen, 
dat de luchtverplaatsingen voortdurend aan de bewegin- 
gen van den buikwand geëvenredigd zign, hetgeen zeker 
slechts binnen zekere grenzen gelden kan ^). 

Kog in datzelfde jaar deed Liebmann '), onder de 
leiding van Vierordt, een nader onderzoek omtrent 
de ademhalings-bewegingen bij dieren. Hij bezigde twee 
honden en twee konijnen en onderzocht de ademhaling 
in Qormalen toestand bij verschillende ligging, en voorts 
in den toestand' van dyspnoe, van aether-narcose, van 
cUoroform-narcose en na doorsnijding der nn. vagi. De 
resultaten zijn in een tabel vereenigd en laten zich 
moeiel^k in weinig woorden samenvatten. Terw^l w^ 
ons meer b^zonder met de ademhalings-bewegingen bij 
den mensch bezig houden, gaan wij ze met stilzwijgen 
Toorbig, alléén nog opmerkende, dat de hefboom-toestel, 



<} Terg. Donders, Physiologie des Mensohen. 2ta AuflL 
1859. B. IL 8. 402. 

3) Liebmann. Yersuche über die Bhythmik «der Athembe' 
wegungen. Tübingen. 1856. 

10* 



140 

daarbij op het voorbeeld van Vierordt gebruikt^ ook 
hier niet nader beschreven wordt 

Met een woord maken wij hier nog gewag van 
het onderzoek der adembewegingen bij hersendrnkking*; 
drie jaren later door Friedreich Hegelmeijer 
almede in het laboratorium van Tübingen verricht. 
Hij kwam tot het resultaat, dat de exspiratie-bewegin- 
gen, evenals de ademhalings-bewegingen in haar geheel, 
bij hersendrukking minder frequent en gelijkmatiger van 
duur zijn, dat daarentegen de duur der inspiraties daarbij 
ongelijker en de celeriteit dus zeer uiteenloopend is. — 
Reeds vroeger had Vierordt *) den invloed der adem- 
haliog op den pols onderzocht, maar, zooals wij zien 
zullen, de ademhaling daarbij nog niet geregistreerd. Dit 
nu is geschied, onder Ludwig's leiding door Dr. Ein- 
brodt *). Somtgds werden met een hefboom de bewe- 
gingen van den thorax, somtiyds de spanningsveranderingen 
der lucht geregistreerd , „In das eine Nasenloch des Thiers" 
zoo lezen wij : „wurde n&mlich eine Glasröhre von ent- 
sprechender Weite eingeführt und daselbst mittelst 
einer eigenen Vorrichtung fixirt; durch einen mit Wasser 
gefüUten Kaoutscl^ukslauch stand diese Böhre met einem 
kleinen leichten Manometer in Yerbindung, dessen Schwim- 
mer die durch das Athmen erzeugten Schwankungen im 
Luftdrucke an der Kymographion-trommel vetzeichnete". 
Om den invloed op de hartswerking te leeren kennen, 
werd gelijktijdig de beweging van het kwikzilver van 
een iu de art cruralis gebrachten haemodynamoter op 



1) De Lehre vom Arterienpnls. Braunscliweig. 1855. S. 201. 
') Uber d^^ £influ«B der Athembewegang auf Herzschlag und 
BJutdruck. Wien 1860 (Sitzingaber. B. XL. S. 361). 



141 

het kymographion geregistreerd. Op de verkregen uit- 
komsten komen wij later terug. 

Ook bij het onderzoek naar den invloed van prikkeling 
van den ^n. vagus op de ademhaling, heeft men op verschil- 
lende wgzen getracht de bewegingen zichtbaar te maken. 
Zoo bracht H. Snellen, nog student zijnde, in het oude 
laboratorium alhier, eene lange naald in het diaphragma , 
door den buik wand ingestoken, waarvan BosenthaP) 
getuigt, dat zij het voordeel biedt, van het dier zeer 
weinig te verwonden. Bosenthal zelf wenddci waar 
het slechts om demonstratie te doen was, nog eene andere 
methode aan. Hij bracht, hamelgk, een caoutchouc- 
zakje, met korte glazen buis en caoutchouc-buis voor- 
zien, in de buikholte tusschen lever en diaphragma, en 
verbond aan deze een fijne glazen buis: was de geheels 
ruimte nu met een gekleurd vocht gevuld, dan kon men 
de bewegingen der in- en exspiratie in de buis herhaald 
zien. — Naar deze beide methoden kan men de bewegingen 
tevens regislreeren. Aan de in het diaphragma gestoken 
naald behoeft men slechts een draad te bevestigen, die, 
• over een katrol loopende , een door een zwakke veer 
teruggehouden hef boompje opheffc, dat met zijn uiteinde 
de bew^ngen op een draaienden cylinder opteekent 
( B r o n d g e e s t) . En om de drukking , op het caoutchouc- 
zakje uitgeoefend , zichtbaar te maken , heeft men de buis 
slechts met den schrijftoestel van den cardiograaf (fig. 1) 
te verbinden, die dan de drukkings veranderingen in de 
buikholte zeer nauwkeurig registreert. — Het komt mij 
voor, dat met het samengestelde werktuig, door Bosen- 



1) Die Atbembewegnngen und ibre Beisiehungen zum K, 
vagus. Berlin 1863. 



142 

thal geconstrueerd en onder den naam van phrenograaf 
beschreven, geene betere resultaten te verkregen zijn* 

Kg. 1. 
K 




Aan Marey, die den sphygmograaf tot een even 
nauwkeurig als practisch bruikbaar werktuig wist te 
verbefifen, bebben wij ook een yoortreffel^ke methode 
tot het registreeren der ademhalings-bewegingen te dan- 
ken , door hem pneumographie genaamd. 

Z^n pneumograaf bestaat uit een veerhraehtigen eylinder^ 
aan weerszijde door een metalen plaatje gesloten, elk 
plaatje vooriden met een haak, wakraan een band bevestigd 
wordt, die om de borst wordt toegebonden. Bij de inade- 
ming wordt die cylinder dus uitgerekt, om zich bij de 
uitademing weer te verkorten. Aan de eene zijde gaat 
nu verder van de holte van den cyUnder een klein buisje 
uit, dat men door middel van een caoutchouc-buis met 
den schrijftoestel (fig. 1) van den cardiograaf verbindt. 
De veerkrachtige cylinder bestaat uit eene lange spiraals- 
gew^s gewonden veer, door een koker van dun caoutchouo 
bekleed. De werking van het werktuig begrijpt zich nu 
vaii zelf. Bij de inademing, wanneer de ruimte van den 
veerkrachtigen cylinder toeneemt, wordt in den geheelen 
toestel de lucht verdund , en het hef boompje van den 
schrijftoestel moet bijgevolg dalen, om bij de daaropvol- 
gende uitademing, terwgl de cylinder tot zgne vorige 
lengte terugkeert, weder te rijzen. — Aldus vinden wg 
den pneumograaf beschreven in het joumal de Tanatomie 
et de la physiologie de l'homme et des animaux , in het 
Nummer van April 1865. 



143 

Een eerste voordeel van Marey's methode is, dat het 
onderzoek in iedere houding van het lichaam kan geschie- 
den. Voorts heeft het werktuig eene groote mate van ge- 
voeligheid en werkt zeer nauwkeurig. Mare 7 vond 
geiyke curven bij applicatie op de borst en op den buik: 
alléén vond hij de uitslagen bij applicatie op den buik iets 
sterker. Hij onderzocht verder, in hoever de bewegings- 
curven aan de verplaatste luchthoeveelheden beantwoor- 
den. Te dien einde liet hij in- en uitademen in een groot 
reservoir van ongeveer 200 kub. decimeters inhoud, voorzien 
met twee openingen: eene grootere voor den mond; eene 
kleinere voor den schrijftoestel van den cardiograaf. Hg 
verkreeg hiermede curven, overeenkomende met die der 
ademhalingsbewegingen, en trekt hieruit het besluit, dat 
de curven dezer laatsten de verplaatste luchthoeveelheden 
met voldoende juistheid uitdrukken. Boven zagen wij, 
dat ook Yierordt tot hetzelfde besluit gekomen was , 
maar konden ons niet onthouden daaromtrent eenigen twgfel 
te opperen. Yoor gewone ademhalingsbewegingen zullen 
evenwel de beide curven niet veel van elkander afwgken, 
en wij willen dus wel toegeven, dat de graphische me- 
thode binnen zeker grenzen kan worden aangewend, om 
de in- en uitgeademde luchtvolununa bij benadering te 
bepalen. 

Wat de curven betreft, wordt zoowel na de uitademing 
als na de inademing de pauze door Mar e 7 ontkend. 
De verhouding van den duur der in- en uitademing 
vindt Mar 07, evenals Vierordt, zeer verschillend. 
Bij de grootste celeriteit staan de gemiddelden van 
eene geheele minuut = 213 : 87 ; bij de geringste celeri- 
teit = 152 : 148 , gemiddeld , in eene reeks van proeven 
op 15 personen = 186: 114, in eene tweede reeks z=: 
169 : 131. Daarentegen vindt hij veel meer gelijkheid 



J144 

dan Yierordt voor eene reeks van respiraties van dezelfde 
persoon, achtereenvolgens geregistreerd. — Marey onder- 
zocht verder den invloed van vernauwing der luchtwegen , 
waaxbg h§ een kleiner aantal diepere ademhalingen en 
minder celeriteit aantrof. Bij belemmering der respiratie 
vond hn de hartslagen frequenter. 

B. Eigen onderzoek. 

In de eerste plaats hebben wg de methode van Marey 
gebezigd. Omtrent de methode zelve viel weinig te on- 
derzoeken. Wij hebben echter willen nagaan, in hoever 
de bewegingen van het hefboompje van den schrijf toestel 
geëvenredigd waren aan de uitrekking en inkrimping van 
den daarmede verbonden cylinder. Te dien einde werd 
de met een gewicht van 130 grammen gespannen cylin- 
der verder uitgerekt door draaiing eener schroef van 
0.725 mm. draad en bij iedere omdraaiing de stand van 
het hefboompje bepaald. 

Aldus vonden wi) : 



L 


IL 


UL 


IV. 


SehrMfgng. 


Bönng TUI hef- 
boompje. 


Oitrekkenae 
gewichten, in gram- 
men. 


Spuaing derlndit, 
in mm. water. 








130 


— 


1 


11 mm. 


192 


— 6 


2 


22.7 


254 


— 11 


3 


33.6 


317 


— 17 


4 


40.2 


. 384 


— 26 


5 


58.1 


540 


— 35 



In de derde kolom vindt men de gewichten opgetee- 
kend, waardoor b$ eene tweede bepaling gelgke uitrek- 



145 

king yan den elastUchen cylinder verkregen werd. In 
de vierde eindel^k is de spanning der lucht in den toestel 
sumg^even , zooals die werd gevonden bg verbinding van 
een manometer met de ruimte van den scbr^ftoesteli bg 
de correspondeerende standen van het hefboompje. Deze 
bepalingen hebben natuurlijk geene absolute waarde. De 
ruimte van den cylinderi in verhouding tot de ruimte van 
den geheelen toestel, bepaalt den invloed der betrekke- 
l^ke uitrekking, en de meerdere of mindere weerstand van 
het met het hefboompje belaste elastische vlies der trom- 
mel van den cardiograaf is beslissend voor de spanning 
der lucht b^ de verschillende standen van het hefboompje. 
De getallen geven evenwel eene voorstelling van de 
verhouding, waaronder wg onze proeven deden. Wat 
de nauwkeurigheid aangaat, waarmede de schrijftoestel 
van den cardiograaf registreert, deze is onlangs door 
Prof. Donders •) onderzocht, en voor niet al te snelle 
bewegingen alleszins voldoende bevonden. Zeker laat 
deze voor het registreeren der langzame respiratie van 
den mensch , bg het in acht nemen der aanbevolen voor- 
zorgen, niets te wenschen over. 

Het werktuig van Uarey scheen nog aan een onvol- 
komenheid te l^den. De cylinder wordt namelijk niet 
in de richting zigner as uilgerekt, en het gevolg hier- 
van is, dat de tegen de borst gekeerde vlakte van den 
cylinder onveranderd blijft, terwijl alléén de van de borst 
afgewende vlakte langer en korter wordt, zoodat de 
sluitende plaatjes aan de uiteinden eene divergeerende 
richting aannemen. Om hieraan te gemoet te komen, heeft 
Marey eene, voor zoover wij weten, nog niet beschre- 



I) Nederlandfloh Archief voor Natuur- en Geneeskuud^, 
P. m, bL 71. 1887. 



146 

ven wijziging aan z^n werktnig gebracht, en had de 
vriendeiykheidf een aldus gewijzigd exemplaar aan het 
physiologisch laboratorium alhier te zenden, zoodat de 
gelegenheid het te onderzoeken voor mg openstond. 

De veerkrachtige cylinder is daarbij uitgespannen tus- 
schen twee horizontale staafjes, loodrecht staande op een 
langer staafje, dat dwars op de borst gelegd wordt. 
Midden tujsschen de inhechting der beide korte staafjes, 
kan het langere in een scharnier doorbuigen , zoodat de twee 
korte naar voren divei^eeren en de daartusschen uitge- 
spannen elastische cylinder wordt uitgerekt. Aan de beide 
einden van het lange staafje bevestigt men nu de banden, 
die om de , borst worden geslagen en aan de voorzijde weder 
vastgemaakt. Zoodoende werken de banden direct op dit 
staafje en behoeven niet op de borstkas te verschuiven. 
Men begrijpt, dat op deze wijze schier alleen door ver- 
grooting der sagittale middellijn van ^orst of buik het 
staafje gebogen en de elastische cylinder in de richting 
z^ner as uitgerekt wordt. Die uitrekking is bij gelijke 
buiging des te sterker, hoe meer naar voren de elastische 
cylinder tusschen de twee divergeerende staafjes is uit- 
gespannen: men kan dus door verschuiving der ringen, 
waarin de haakjes worden gehecht, de werking op den 
elastischen cylinder, en hiermede de gevoeligheid van het 
werktuig, regelen. 

Wg hebben nu door middel van een elastischen cylin- 
der, onmiddellijk om de borst gebonden, en van een' 
tweeden, met het beschreven schamier-toestel voorzien, 
met twee schrgftoestellen de bewegingen van den thorax 
tegel^k doen opschrijven. Fig. 2 geeft een voorbeeld 
van de aldus verkregen curven. A stelt de ademhalings- 
beweging voor bg directe applicatie van den elastischen 
cylinder; A' b^ applicatie met den schamier-toestel; T 



147 

isdet^'d, — waarbg de afstand van iedeire daling der Ign 
tot de volgende daling = 2 seconden is. B^ vergelgking 

Fig. 2. 
A 




van A en A' springt terstond in het oog, dat op A' meer 
bijzonderheden zijn geregistreerd , die, zooals w^ later 
zullen zien, met de hartslagen in verband staan. Het 
verschil is zeker slechts ten deele afhanhelgk van den 
schrijf toestel en van de plaats van aanwending op den 
thorax. Wij hebben , namel^k, bij onveranderde plaatsing 
der elastische cylinders, de schrijftoestellen verwisseld, en 
verder de cylinders verplaatst, zonder verandering der 
Bchrig f toestellen , en telkens hetzelfde verschil in meer- 
deren of minderen graad teruggevon^n. Alleen regis- 
treert de laatst ontvangen cylinder ook op zich zelven 
nauwkeuriger dan de eerste, die zonder schamier-toestel 
was afgeleverd. Verder hebben wij op te merken, dat, 
om groote uitslagen te krijgen, de cylinder, zonder schar- 
nier-toestel , stevig om de borst moet gebonden worden, 
waardoor de ademhaling wel eenige belemmering ondervindt. 
In beide curven vertegenwoordigt het dalende gedeelte 
der Ign de inademing, het rgzende de uitademing. Is 
het om niets anders te doen, dan om de ademhalings- 
bew^ingen te kennen , dan is het verkieslijk, eene plaats 
op te zoeken, waar het effect der hartslagen zich minder 
afteekent, bijv. de regio umbilicalis, misschien ook, een 
minder gevoeligen toestel te gebruiken. Immers het punt 
van dalen en r^zen der l^n is in A in het algemeen 



148 

Bog juister en zekerder te bepalen dan in A': de fijnere 
bijkomende golven van A' zijn daarbij storend. In (fig. 3) 
zijn ze grootendeels vermeden: men kan deze als de type 
eener normale adembalings-beweging beschouwen. 

Fig. 3. 




Eene tweede door ons aangewende methode is eenvou* 
diger nog dan de beschrevene. Men heeft daarbij geen 
elastischen cylinder noodig, maar alléén den schrijf- 
toestel van den cardiograaf en den cylinder, waarop 
hij registreert. Met den schr^ftoestel communiceert een 
caoutchouc-buis. Brengt men aan deze een kleinen 
trechter en houdt men dien voor neus en mond, terw^l 
men ademt, dan ziet men het hefboompje van den schrijf- 
toestel bij de inademing regelmatig dalen, bij de T;iit- 
ademing rijzen. Deze methode is in het physiologischo 
laboratorium alhier reeds vroeger aangewend, om bg 
prikkeling van den n. vagus, bij het registreeren der 
bewegiDgen van fontanellen, enz., tevens den rhythmus 
der ademhaling op te teekenen: de trechter wordt dan 
eenvoudig voor neus en mond van het dier neêi^elegd. 
Klaarbl^ keiijk neemt men hiermede iets anders waar 
dan met den pneumograaf van Marey. Mar^y's werk- 
tuig leert ons de bewegingen van den thorax kennen, 
het hier gebruikte, even als de beschreven methode van 
Einbrodt, de spanning der lucht, zoo als die bij den 
rhythmus der ademhaling gewijzigd wordt: het zou dus 
meer dan dat van Marey den naam van pneumograaf 
Terdieaen. 



14§ 

Deze methode is op de ademhaling van den menschsseer 
goed aanwendbaar, en wel .met verschillende wijzigingen. 

Vooreerst kan men een kleinen trechter, aan de caout- 
choncbnis van den schrijf toestel bevestigd, eenvoudig 
ffoar den mond honden. Men ademt dan door den mond, 
maar tevens door den neus. Het is ons namelgk gebleken, 
dat, wanneer men iemand zegt, door den mond te 
ademen^ h^ niet gewoon is, den nens daarbij af te 
slniten. Aan het ademhalingsgeruisch zelf kan men ook 
kooren, of de nens is afgesloten: het geroisch krijgt dan 
het karakter eener vocaal, meestal van a, en men 
behoeft ook slechts bg het willekeurig ademen een fluiste- 
rend vocaal-geruisch voort te brengen, om onmiddellijk, 
zonder het te willen, den neus af te sluiten. Blijft de 
weg naar den neus geopend, zoo als b^ het natuurlijke 
ademen, dan heeft het ademhalingsgeruisch in de mond- 
holte een onbestemd karakter. Wil men bij ademhaling 
langs de mondholte met afsluiting van den neus regis- 
treeren, dan doet men beter, den neus door een klem 
te sluiten dan met vocaalgeruisch te ademen, hetgeen 
lichteligk iets gedwongens krggt 

Ten tweede kan men den schrijftoestel met den neus 
verbinden, en wel op verschillende wijzen. Men kan, 
namelijk,' de veerkrachtige buis met een dpp voorzien, 
die om den neus past, of wel in het eene neusgat de 
elastische buis met een doorboorden stop bevestigen , terwgl 
gelijktijdig door den mond en het andere neusgat geademd 
wordt. Eindelijk kan men den mond hierbij gesloten 
houden en slechts door het eene neusgat ademen. 

Voldoende curven nu verkrggt men met den trechter 
voor den mond, terwijl men door ^nond en neus ademt, 
en evenzeer met den dop om den neus of een stop 
in het eene neusgat bij ademing door den mond. Bij het 



150 

ademen door een enkel neusgat met een stop in het an- 
dere, wordt by vele menschen de ademhaling minder 
zuiver en vrij , en worden de uitslagen te groot Meer 
voldoende is het resultaat, wanneer een dun caoutchouc- 
buisje in het eene neusgat wordt gebracht en zoodoende 
bij sluiting van den mond nog door beide kan geademd 
worden. 

Van al de hier aangegevene methoden hebben wjj tal- 
rgke curven gemaakt, bij verschillende personen. Het 
zal echter voldoende zijn, hiervan enkele op te nemen , — 
in verband met de gelijktijdig naar de methode van 
M a r e y verkregene, opdat de uitkomsten van beide metho- 
den onmiddellijk met elkander zouden kunnen worden 
vergeleken. 

In fig. 4 en 5 is A' door den cylinder met het schar- 
nier-toestel verkregen; Ad (fig. 4) is de curve der adem* 
halingsdrukking met mondtrechter , bg ademhaling door 
neus en mond verkregen. A'd (fig. 5) de ademhaling^druk- 
king bij een stop in het ééne neusgat en ademen door het 
andere en den mond; T is weder de tijd, in perioden van 
2, secunden afgebeeld. In A' is het begin der inspiratie 
i en van exspiratie «, wegens de kleine van het hart af han- 

Fig. 4. 




kelijke bewegingen, die de curven der achtereenvolgende 
perioden ook eenigszins ongelijk maken, niet volkomen 



151 

zeker te zien. Scherper en in allen deele belangrijker 
is Ad van fig. 4. Hier beginnen inspiratie en exspiratie 
in f en «, juist op de lijnaa, die als abscisse de' curve 

Fig. 5. 




Ad 

T 

sn^dt Deze abscisse is getrokken buiten den invloed der 
respiratie, dus bij o drukking. Zoolang de curve boven 
deze abscisse is, duurt de uitademing voort en is ^de 
drukking positief, d. i. van e tot i; zoolang ze ond^r de 
abscisse is, duurt de inademing en is de drukking nega- 
tief. Uit het snelle dalen der lijn bij 'i en het snelle 
stijgen bij e blijkt, dat zoowel de negatieve als de 
positieve drukking spoedig haar maximum bereiken, van 
waar zg naar de abscisse respectievelijk weder rijzen en 
dalen , om deze te bereiken , wanneer de drukking weder 
o is, dat is onmiddell^k vóór den aanvang der inspi- 
ratie en der exspiratie. 

Niet alt^d echter vangen in- en uitademing zoo volko* 
men op de abscisse aan« In fig. 5 bijv. is de aanvang 
der inspiratie in het jügemeen scherp te zien op de ab- 
scisse, maar ten Aanzien der exspiratie zou men kunnen 
twffelen , of men ze in « of in / zoeken moet. Voor een 
ded ontstaat die onzekérhl^d wel uit de complicatie der 
bekomende polsgolven, die zich ook bg het registreeren 
der lucbtdrukking laten.- geilen ; voor een deel echter 
kan ook de oorzaak liggen in den schrg f toestel, die niet 
geheel zonder wrijving werkt en daarom den stand van 
o drukking niet zoo onmiddellijk juist zal aannemen. 



152 

Uit de curven leert men verder , dat de negatieve span- 
ning, bij iaademiDg, de positieve bij uitademing vrij aan- 
zienlijk overtreft. 

A^ en Ad alsmede A' en A'd zijn geheel in overeen- 
stemming met elkander. Men ziet, namelijk, dat in A' 
de inspiratie eene naar boven bolle, de exspiratie ook 
weldra eene bolle curve geeft, waaruit blijkt, dat de 
eerste reeds bij * den aanvang, de laatste ook al spoedig 
met de grootste snelheid plaats grijpt, en zoo bereiken de 
positieve en negatieve drukking in Ad en vooral in A'd 
schier aanstonds hun maximum, om, in overeenstemming 
met de verlangzaamde beweging, weder af te nemen en 
aan het einde zoowel van in- als van uitademing de ab- 
scissen van o drukking te bereiken. 

Wg laten hier nog eene figuur volgen, die, wegens 
de grootere uitslagen, geschikt is, aan te toonen,hoewy 
de correspondeerende punten der twee gelijktijdig geregis- 




treerde curven gevonden hebben. In deze figuur 6 heb- 
ben A', A'd en a a weder dezelfde beteekenis als in fig. 5. 



15S 

In S vindt men de golven eener stemvork van 35.6 tril- 
lingen in de secnndOf die hier de plaats der dubbele 
secnnden van fig. 3 innemen: de stemvork kondm wg 
hier gebruiken, omdat wij den cylbder sneller lieten 
draaien. Grootere uitslagen van Ad verkrijgt men door 
wijziging van den schrijftoestel, door, namelijk, het hef- 
boompje dichter bij de as op de kam der trommel te doen 
rusten, — vanA' daarenboven, door deringen, waaraan de 
haken van den veerkrachtigen cylinder bevestigd zijn, meer 
naar voren te verschuiven (vergelijk blz. 12). In A' is 
het begin van inspiratie i altijd duidelijk te zien, het 
begin van exspiratie e daarentegen ndnder scherp. Omge- 
keerd is in A'd de aanvang der exspiratie e doorgaans scherp 
genoeg te herkennen , die der jjispiratie daarentegen twijfel- 
achtig. Nu is bij den aanvang der curve met elk der 
beide schr^ftoestellen , terw^l de cylinder in rust was, 
een boog getrokken, en, waar de beide bogen elkander 
overkruiBen , de abscis o o. Wil men nu het correspon- 
deerende (isochrone) punt van de curve A' op de andere 
A'd vinden , zoo trekt men van het punt van A' een boog 
bb door 00, met een straal, gelijk aan de lengte van het 
schr^vende hef boompje, en trekt door hetzelfde punt van 
00 een tweeden boog W, loopende door de andere curve 
A^d. De middelpunten, waaruit men deze bogen trekt, 
moeten ter hoogte der assen van de beide hefboompjes 
gelegeo zijn, het eene op de lijn A' A' het andere op Ak. 
Zoo blijkt, dat de punten i en i alsmede e en e van A' 
en A'd isochroon zijn. 

In betrekking tot A'd valt hier verder op te merken, 
dat de positieve uitademingsdrukking zeker niet kleiner, 
misschien grooter is dan de negatieve inademingsdruk- 
king, en dat de inademing telkens begint, vóór nog de 
abseisse van o drukking is bereikt 

11 



154 

Zulke yerscliillen zijn deels van het individu, deels 
van kleine modificatiën der methode afhankelijk. 

Wij hebhen verder slechts vv^einig toe te voegen. Het 
algemeene resullaat m, dai^ zoo als ook Marey verklaarde, 
eene eigenlyie pauze ^ een volkomen stilêland, nergens wordi 
gezien. Tegen het einde geschiedt de uiiademing teel hoogst 
langzaam , maar schier altijd ziet men de lyn nog stijgen , tot 
vrij plotseling de inspiratie invalt^ schier onmiddellijk mei 
haar maximum van snelheid. Na de inspiratie kan volstrekt 
van geen pauze sprake zijn: zij gaat schier ongemerkt in de 
uiiademing over^ die even langzaam begint als de inademing 
eindigt (verg. fig. 3). — De celeriteit loopt te veel uiteen 
om groote v^aarde te kunnen hechten aan talrijke bepa- 
lingen, waartoe overigens curven als fig 2, waar in- en 
uitademing telkens op de abscisse beginnen, zich zeer 
gemakkelijk leenen. Het zou nog wel der moeite waard 
zijn, onder verschillende omstandigheden, na rust en na 
inspanning, bij slapen en bij waken, bij ledige en ge- 
vulde maag, enz., die celeriteit, Ie gelijk met de grootte 
van in- en uitademing , door pneumographie te bepalen. 
Dit lag echter voor het oogenblik buiten ons doel. 



IL 



HET EEGISTEEEBEN VAN DEN POLS. 

Om den invloed der ademhalingsphasen op den duur 
der hartsperioden te leeren kennen, wordt met die 
bewegingen tevens de hartslag of wel de pols gere- 
gistreerd. Den hartslag te registreeren heeft eenige 
zwarigheid. Vooreerst is het bij vele personen moeilijk, 
ook naar de beste methoden , den aanvang of een corres- 
pondeerend deel eener reeks van hartstooten bij de ver- 



155 

schillende phasen der ademhaling stellig te herkennen. 
Ten anderen beperkt ons het daarhg noodige aanleggen 
van den stethoscoop van König in de keuze der plaats 
iMor êm pueimmgig af. €eniabl»lgk nu zonden wg mefc 
den sphygmograaf den pols der art. radialis kunnen op- 
schreven ; doch de sphygmograaf is weinig geschikt, om 
de curve op den cylinder van het kymographion te schre- 
ven , en terwijl voor de ademhalingsbewegingen de schrgf- 
toestel van den cardiograaf wordt gebezigd, is het ver- 
kieslijk, een gelijken toestel, die ook gelijke vertraging 
geeft , voor deif pols aan te wenden. Het groote voordeel der 
trommels en schrijftoesteilen van den cardiograaf (fig. 1) is , 
zooals men weet, dat men daarme'de zoo gemakkelijk ver- 
schillende 'bewegingen gelijktijdig onder elkander kan 
doen opschrijven. Het meest geschikt nu vonden wg de 
arteria carotis. Zij teekent haren pols voldoende op by 
applicatie van den stethoscoop van König, op gelijke 
wgze als door Marey de hartstoot verkregen werd. 
Maar volkomener curven nog verkrijgt men bg de toe- 
passing eener wgziging der oorspronkelijke methode van 
Buisson. Men neme een borologie-glas , doorbore het 
in het midden, bevestige met gesmolten gutta percha in 
de opening een glazen buisje, sla hieromheen een caout- 
chouc-buis, die naar den schrijf toestel van den cardiograaf 
geleidt, en kleve over den geheelen rand van het horo- 

Fig. 7. 



''fm^iiiMmmmmm^''^'ié>w}mmmi^^ 



logie-glas een buigzamen caoutchouc-zoom, die b^ zachte 

drukking op de huid de lucht goed afsluit. Drukt men 

11* 



166 

dan dat horologie-glas ter zijde tegen het onderste gedeelte 
van den larynx of de luchtpijp, dan worden de slagen 

Fig. 8. 



der carotis geregistreerd, zooals bovenstaande figuren 7 
en 8 aangeven. 

Op zich zelvenzgn dezecurveA, die altijd eenduidelgk 
dicrotisme (fig. 7), soms een tricrotisme (fig. 8) ver- 
toonen, helangrgk genoeg. Maar voor ons doel hebben 
wij slechts te doen opmerken , dat de aanvang van lederen 
polsslag scherp te herkennen is. Dit immers is voldoende, 
om den duur van iedere hartsperiode nauwkeurig te meten, 
en dus te zien, of de phasen eener ademhaling daarop 
invloed hebben. 

Enkele malen hebben wij, in weerwil der bovenge- 
noemde bezwaren, ook den hartslag doen opschrijven. 
Wij zullen later zien, dat het a priori niet onverschillig 
kon worden geacht, of men de art. carotis dan wel den 
hartslag registreert: met den hartslag registreert men 
den aanvang der samentrekking, met de carotis de aan- 
komst der bloedgolf, en het was de vraag, of bij de 
verschillende phasen eener ademhaling de valvulae semi- 
lunares even lang na het begin der samentrekking ge- 
opend worden. 



157 

III. 

INVLOED DER ADEÏHALIN6S-PHASEN OP DEN DUUR 
DER PERIODEN VAN HET HART. 

A. Methoden en resultaten van anderen. 

De invloed der ademhaling op den pols is veelvuldig 
onderzocht. Dat onderzoek geldt vooral de gevolgen 
van diepe in- en nitademing en van gewijzigde druk- 
king. Zoo had Joh. Muller ') bij zich zei ven waar- 
genomen , dat bij eene diepe aangehoudene inspiratie 
de pols geheel verdwijnt., hetgeen hij later ') aan druk- 
king der art. subclavia door de opgestegene eerste rib 
toeschreef. Terzelfder plaatse uitte Frey het vermoeden , 
dat hierbij directe zenuwinvloed op het hart in het spel is. 

Intusschen had Prof. Donders') aangetoond , dat zoo- 
wel bij verminderde als vermeerderde ademhalingfsdrukking 
de werking van het hart belemmerd is, terwijl E. Web er 
had gbvonden, dat door sterke uitademingsdrukking het hart 
geheel tot 8tilstë.nd kan worden gebragt. Tevens ontkende 
Web er den invloed van verminderde drukking, ook bij 
diepe lang voortgezette inademing; maar die invloed was 
door Prof. Donders, naar wiens opmerking de sterk 
uitgezette longen een gedeelte der luchtsdrukking torschen, 
reeds in vele gevallen ontwijfelbaar bewezen. Thans beeldt 
M a r e y *) ook eene polscurve van Chau veau af, waarbg. 



>) Handbuch der Physiologie. B. 1 S. 198. 
3) Archiv f. Anat. eto. 1845 S. 222. 
>) I^ederl. lancet D. Y. bl. 354. 

^ Physiologie médicale de la oiroulation da sang. Paris 1865. 
p. 23L 



158 

onder den invloed eener diepe inademing, de pols plotseling 
ophondt, als ware het door prikkeling van den n. vagas. 
Yeel minder nauwkeurig is, althans bij den mensch, de 
invloed der normale ademhaling, in hare verschillende pha- 
sen , waarmede wij ons hoofdzakelijk zullen bezig houden , 
onderzocht In zijn belangrijk artikel over pneumographie 
wgdt Marey een paragraaf aan het „"Rapport de fré- 
quence des battements du coeur avec la respiration"; 
maar hierin wordt alleen het verband tusschen de frequentie 
der ademhaling en ^er hartslagen, — niet de invloed 
der verschillende phasen , nagegaan. Vroeger had hij daar- 
entegen dien invloed met den sphygmograaf getracht te be- 
palen, en ook werkelijk, althans bij tamelijk diepe in- en 
exspiratie en bij belemmering in den doorgang der lucht, een 
invloed herkend. Of echter de gang van den sphygmograaf 
regelmatig genoeg is , om daarmede ook den invloed eener 
normale ademhaling te constateeren , moeten wij betwg- 
felen. — Zeker zijn ook de methoden, door Vierordt 
aangewend*), niet boven bedenking verheven. Hij voorzag, 
den cylinder van een zeker aantal lijnen, op gelijke afstan- 
den van elkander, en maakte, bij het draaien van den 
cylinder, voor eiken doorgang van het penseel tusschen 
twee lijnen eene ademhaling. Zoo evenwel was de rhyth- 
mus willekeurig en dus zeker niet ongedwongen. Om 
den invloed sterker te doen uitkomen, ademde hij ook 
wel opzettelijk sterker in en uit. Yieirordt erkent te 
dezer plaatse, dat het wenschelijk zou geweest z^n, 
met de polsslageur tevens de vrije ademhaling te re- 
gistreeren, zijn leedwezen betuigende, dat dit niet 
geschied was. Intusschen onthoudt hij ons de door hem 
verkregen resultaten niet. Vooreerst vond hg den inspi- 



1) Die Lehre vom Arterienpuls 1845. S. 190. 



159 

ratie-pols iets lange): dan den exspiratie^pols in de ver- 
houdiog van 1000:987. Bij snelle ademtochten verdwijnt 
dit verschil bgna geheel en vond hij ook wel het teged- 
gestelde; big langzame kwam het duidelijker te voor- 
schijn, en wel in de verhouding van 100:98. Het ver- 
schil zou bestaan tusschen de eerste helften der in- en 
exspiratie: tusschen de tweede helft der inspiratie en 
de eerste der exspiratie zou geen verschil in den duur 
van den pols voorkomen. Bij de onvolkomenheid van 
den sphygmograaf van Yierordt, moet het moeielijk 
geweest zijn , zoo kleine verschillen met zekerheid vast te 
stellen. In elk geval strekt het onderzoek zich niet over 
de normale vrije ademhaling uit. Yierordt herinnert ons 
echter nog, dat Ludwig met den haemodynamometer 
bg honden den exspiratie-pols dikwijls veel korter vond 
dan den inspitatiepols , en voegt daarbij , dat hij zelf 
curven verkregen heeft, die nog grootere afwijkingen 
vertoonen dan de door Ludwig gevondene. 

Later, en wel in 1860 liet Ludwig het vraagstuk 
nitvoerig onderzoeken door Einbrodt >). Deze begon 
z^n onderzoek met het nasporen van den invloed van 
kunstmatig verhoogde en verminderde respiratie-drukking 
zoowel op de bloedsdrukkiDg als op het aantal hartslagen, 
om voorts de verkregen resultaten ten gronde te leggen 
aan de verklaring van den invloed der normale ademhalings- 
be wegingen, die hij in de derde plaats naspoorde. Hoe hij 
bierbij de ademhaling en tevens de werking van het hart 
registreerde, hebben wij boven reeds vermeld. Bij zeer 
frequente, oppervlakkige ademhaling kon nu van den 
gezochten invloed niets blijken. Maar was de ademhaling 



<) SiizangBberichte der math. naturw. Classe der Eaiserl* Aka- 
demie der WiBsenschaften. B. XL. S. 861. 



162 

Om nu den invloed der ademhaling op den duur der 
perioden te leeren kennen , werden rechte lijnen (zoo noodig, 
ook bogen als in fig. 6) neergelaten uit de punten van stg- 
ging van C op S, en het aantal trillingen in tienden eener 
trilling, dat is in SöCsten van secunden afgelezen. De 
aldus verkregen tijden voor lederen polsslag werden nu , 
als zoovele ordinaten, op een abscis getrokken (zie plaat I, 
fig. 1 , tl , t,, en t,, en volgende figuren.) Zoo vertegenwoor- 
digt de lijn Pd den duur der op elkander volgende hartspe- 
noden, welke duur uit het aantal trillingen, vóór de lijn 
op de plaat aangegeven, kan worden afgelezen. Onder de 
curve Pd werd vervolgens de den pols vergezellende adem- 
halingscurve A van het kymographion gecopiëerd. De 
ademhalingscurve werd zoo getrokken , dat de ordinaten 
van den polsduur (plaat I, fig. 1 , t|, t,, t, enz.) aan 
het midden van den tijd tusschen t^vee polsslagen op de 
ademhalingscurve beantwoordden. Op A zijn dus 1, 2, 
i8, enz. de momenten der polsslagen, en ti is het tijds- 
verloop tusschen polsslag 1 en 2, t, tusschen polsslag 2 
en 3, 1^ tusschen polsslag 3 en 4. 

Een enkele blik op plaat I doet nu het verband tus- 
schen de phasen der ademhaling en den duur der hartspe- 
rioden uitkomen. De beide curven stggen en dalen namelijk 
ongeveer gelijktgdig. Dit leert ons, dat in het algemeen 
bij het begin der inademing de polsslag het langst , 
bij het b^^ der uitademing het kortst duurt Het 
regelmatigst zijn fig. 2 en 3, van mij zelven afkomstig. 
Telkens valt hier de langste polsduur 1, T, l" bij het 
begin der inademing, en de kortste k k' bij het begin 
der uitademing. £r komen evenwel nog onregelmatig- 
hedan voor. Zoo zou k"" in fig. 2 de kortste moeten sgn 
en niet k', waardoor ook de onregelmatigheid in de curve 
Pd zou wegvallen. — Minder regelmatig is fig. 1, van 



163 

Dr. E. afkomstig* Blijkbaar staat die ooregelmatigheid 
echter in verband met het ongelgke ademhalen. Intus- 
schen vallen 1, T en V' altijd nog in het begin der inade- 
ming en liggen k , k' , k" en k"' in de nitademingsphase. — 
Fig. 4, van Prof. D. afkomstig, onderscheidt zich daar- 
door, dat 1, r en T, die zich op A respectievelijk tas- 
schen 3 en 4, tusschen 8 en 9 en tusschen 13 en 
14 uitstrekken, allen reeds vóór de inademing liggen, 
en hetzelfde gold van eenige andere figuren, van Prof. D. 
afkomstig. 

Het resultaat is: dat bij rustige ademhaling, gedurende 
het uitademen de hartsperioden in duur toenemen, met 
dien verstande, dat de langste tot in het begin der inade- 
ming vallen kan , en dat ze van nu af tot het begin der 
nitademing in duur afnemen. 

Het verschil in duur der polsslagen , voor dezelfde 
persoon in dezelfde reeks, is vrij aanzienlijk. 

Wg vonden bij de gewone ademhaling, in trillingen: 



Muimiuii. 


Minimam. 


VtnehiL 


Verboading s: lOOi 


Fig. 1 , 27.7 


23.2 


4.5 


119.4 


r, 2, 28.9 


24.8 


4.1^ 


116.5 


„ 3, 27. 


24. 


3. • 


112.5 


, 4, 35.9 


32.6 


3.3 


110.1 



Voor de verschillende phasen eener enkele ademhaling 
veerden minder groote, maar nog altgd vrij aanzienlijke 
verschillen tusschen de correspondeerende hartslagen ge- 
vonden. Gemiddeld waren, namelijk, die verschillen, 
TOOT de respiratie-perioden eener zelfde serie : 

Maximam. Miaimam. VenohiL Verhoadiag lOO: 

bg Prof. D. 34.75 32.85 

„ Dr: E. 26.76 24.72 

.. , ( 28.36 25.7 
„ mg zelven ^ ^^^^ ^^^^ 



1.90 


105.8 


2.04 


108.2 


2.66 


110.3 


3.2 


113.8 



164 

Wij moeten echter opmerken , dat bier de verscliillen iets 
grooter zijn uitgevallen dan hg sommige andere personen , 
waarvan wij ook de curven genomen en uitgeteld hebben. 

Reeds vóór wij onze onderzoekingen begonnen, waren 
door Prof. Donders curven gemaakt van het hart van 
het konijn , en wel door middel eener in het hart gesto- 
ken naald, waaraan een draad was bevestigd, die, over 
een katrol loopende, een licht veerend hef boompje deed 
op en neer gaan. In de curve der hartslagen was tevens 
die der ademhaling te zien. Wij constateerden op deze 
curve eenen zeer geringen, maar toch ontwijfelbaren in- 
vloed der ademhaling op den duur der hartsperioden. 
Op den hond hoopten wij door applicatie van den pneu- 
mograaf en van den cardiograaf hartslagen en ademhaling 
beide te registreeren ; maar onze pogingen mislukten, 
zoowel op het gebondene als op het vrij staande dier, 
misschien wegens groote onhandelbaarheid: gebrek aan 
tijd verbood ons deze proeven langer voort te zetten'). 

üit het medegedeelde volgt ontwijfelbaar, dat de phasen 
der gewone ademhaling den duur der hartsperioden bij den 
mensch reeds wijzigen. Zijn tevens andere oorzaken van 
onregelmatigheid in het spel , dan kan bij eenvoudige be- 
schouwing der getallen , die men bij het uittellen der trillin- 
gen voor iedere periode verkregen heeft, die invloed nog 
verborgen blijven ; maar de twijfel wgkt , zoodra wij die ge- 
tallen tot ordinaten maken van eene curve en dan de adem- 
halingscurve er onder plaatsen, zooals op plaat I geschied ia. 

Op onderscheidene plaatsen, onder anderen bij Vier- 
ordt en Marey, vindt men vermeld, dat de invloed 
der ademhaling, nauwlgks merkbaar in den normalen 



1) Onlangs zijn se uitnemend gelukt, — de resultaten later 
mede te deelen. 



165 

toestand, bij diepere en minder frequente ademtochten 
duidelijker te voorschijn komt. Wij hebben hierover 
slechts weinig proeven genomen. Eene enkele curve, 
bg het ademen van Prof. D. verkregen, deelen wij mede op 
plaat II, fig. 5. Opmerkelijk is het, dat hier de gang 
"" van den duur der hartsperioden eene dubbele kromming 
vertoont tegenover één ademtocht, en dat de langste 
periode reeds bg de uitademing voorkomt, om bij het 
b^gin der inademing door eene tweede betrekkelijk kleine 
verlenging van duur gevolgd te worden. — Altijd blijft 
bet waar, dat, even als bij de gewone ademhaling, de 
perioden in het begin der uitademing anger, in het 
begin der inademing korter worden. 

0£9choon het niet in onze bedoeling lag, ook voor de 
willekeurige wijzigingen der ademhaling den invloed op den 
polsduur te onderzoeken, hebben wg in 8 gevallen na een 
paar gewone ademtochten zeer diep en aanhoudend laten 
in- of uitademen, en de in- of uitademing 15 of 20 pols- 
slagen laten aanhouden. Het resultaat was Tmalen het- 
zelfde: bij de sterke inademing ontstond al spoedig 
eene aanzienlijke vertraging der hartslagen, om echter 
onder het aanhouden al weder voor kortere perioden 
plaats te maken , terwijl voor diepe en aanhoudende uit- 
ademing in allen deele het tegengestelde werd gevonden. 
Éénmaal echter gaf ook eene diepe uitademing vertraging. 

Wij zouden gaarne de diepe uit- en inademing met de 
vergezellende positieve en negatieve drukking tot in het 
uiterste gedreven en onderzocht hebben, in hoever daarbij 
de hartslagen geheel tot stilstand worden gebracht. Maar 
het bleek onmogelijk te zijn, alsdan hetzij van het hart, 
hetzij van de art. carotis de slagen met zekerheid te 
registreeren : — de door ons gebezigde methoden zijn 
voor dat doel niet aanwendbaar. 



166 



LaDg was het bekend, dat men b^ het registreeren 
der hartslagen, hetzg onmiddellijk van het hart, hetzg 

van de slagaderen, in het op- 
en neergaan der totale lijnen 
met hare kleine golven tevens 
den rhythmns dei respiratie ver* 
krijgt. Wij hebben nu gevonden, 
dat men, omgekeerd, in de cnrve 
der ademhalingsbewegingen on- 
der zekere omstandigheden ook 
de polsslagen duidelijk herken- 
nen kan. Het verschgnsel was 
Marey niet geheel ontgaan, en 
werkelijk is het in fig. 13 op 
bladz. 41 zijner verhandeling 
over pneulhographie eenigszins te 
zien. In eene noot lezen wij hier 
dan ook: „dans la figure 13 on 
„rémarque des dentelores nom- 
„breuses, snrtont pendant la 
„période d'ezpiration; des sacca- 
„des de la courbe sont prodoites 
„par rébranlement qne les batte- 
„ments du coeur amènent dans 
y,leB parois du thorax et de l'ab- 
„domen." Wij hebben het ver- 
sclqnael in sommige gevallen 
zoo sterk uitgedrukt gevonden, 
dat het geheel overbodig scheen, 
den pols afzonderlijk te regis- 
treeren. Fig. 10 geeft hiervan 
een afbeelding: zij stelt eene 
enkele ademhaling voor; bi) e 




167 

en e' begint de exspiratie, bij i de inspiratie. Zooals men 
ziet, beantwoorden aan deze ademhaling 4 polsslagen. 

Vooreerst hebben wij nn onderzocht, op welke gedeelten 
van borst en bnik het verschijnsel zich het duidelijkst 
vertoont. Daarbij is gebleken, dat de ademhalingsbewe- 
gingen, bij den man, van boven tot in de hartstreek een 
veiüig in uitgebreidheid toenemen, vervolgens wel iets 
verminderen, om toch een weinig boven den navel de 
grootste excursies te verl( rijgen, die dan lager aan den 
buik weer allengs kleiner en boven de regio pubis schier 
onzichtbaar worden. Boven aan de borst nu wordt in 
deze curve de hartswerking reeds herkend; maar het 
sterkst komt zg uit in de hartstreek, om in de meeste 
gevallen aan den buik te verdwijnen, 

In den regel begint de polsbeweging der respiratie- 
curve met eene vrij snelle rgzing, enkele malen met 
eene daling, waarna dikwijls nauwelijks rijzing te zien is. 
Begint de polscurve met eene daling, dan valt deze juist 
vóór de contractie van het hart, op het oogenblik dus , dat 
de grootste hoeveelheid bloed in den thorax voorhanden is. 
Het begin eener rijzing valt daarentegen volkomen samen 
met den slag der art. carotis (fig. 11) , die op hare beurt 



Fig. 11. 




samenvalt met het maximum vaii rgzing bij den hartslag 
(verg. fig. 12 H). Kort voor dit maximum hebben zich de 



168 

yalvulae semilonaxes geopend en treedt de bloedgolf in 
de art aorta, om al zeer spoedig de art. carotis te be- 
reiken, welker slag nu met het maximum der harts- 
werking samenvalt Het stijgen nu der lijn is verminde- 
ring van den omvang der borstkas. De hypothese, dat 
net uittreden eener bloedgolf uit de borst, zonder even 



Fig. 12. 




snelle aanvulling door aderlijk bloed, tot die stijging 
aanleiding geeft, ligt voor de hand. Bevestigd wordt 
deze hypothese, door het telkens gebleken stellige feit, 
dat de verheffing niet coïncideert met den hartsslag, die 
wel ongeveer Vw secunde vroeger invalt, zoodat de directe 
inwerking van het hart is uitgesloten: fig. 12 moge dit 
verzinnelijken. — Is de hypothese juist , dan moet het efiect 
der hartslagen niet slechts bij applicatie van den elas- 
tischen cylinder om den thorax, maar evenzeer in de 
luchtsdrukking langs neus of mond zijn waar te nemen. 
En werkelijk is ook dit het geval. Dat de oorzaak hier- 
van niet in den neus of in den mond zelven te zoeken is , 
laat zich gemakkelijk bewijzen. Sluit men namelijk, door 
een vocaal fluisterend voort te brengen of een mondstel- 
ling aan te nemen , om de letter p uit te spreken , den neus 
van de longen af, dan biyft langs den neus het verschijnsel 



169 

uit, — zooals het langs den mond verdwijnt, wanneer 
men de glottis sluit of een mondstelling aanneemt voor 
het uitspreken der letter k. De polsbeweging wordt dus 
uit de luchtwegen aan de lucht in den neus en in den 
mond med^edeeld. Het was nu* verder de vraag, of aan 
het rijzen der curve, bij applicatie op den thorax ver- 
kregen, het dalen der curve in de ademhalingsdrukking 
zou beantwoorden. Men had recht dit te onderstellen. 
Immers, indien de thorax, bij het uittreden der bloedgolf 
uit z^ne holte, een weinig inzinkt en daardoor de curve 
plotseling doet rijzen, zou tevens de lucht een weinig 
oj^zogen en dus langs neus en mond eene daling gere- 
gistreerd moeten worden. En toch is dit niet het geval. 
Wel ontstaat de rijzing, in de thorax-curve ongeveer Vts 
Fig. 13. secunde vroeger, zooals op 

fig. 13 , die bij ingehouden 
adem verkregen werd, te 
zien is ; maar een dalen juist 
tegenover het rijzen , zooals 
onze hypothese deed voor- 
8 IPHMBHHHHHBH^ zien, bestaat niet. Zou 

ze hiermede onvereenigbaar 
z^n? Een nader onderzoek der quaestie is zeker nood- 
zakelgk. ') 

Nu de invloed van de phasen der ademhaling op den 
duur der vergezellende hartsperioden buiten twijfel is ge- 
steld, hebben wij te vragen naar de oorzaak van dit 




(] Onder het afdrukken zien Tqj, dat Carl Yoit (ZeitBohrift 
t Biologie. B. 1. S. 390) op MDrackschwankuDgen imLungenranm 
in Folge der Herzbewegangen" heeft oplettend gemaakt. H^ 
heeft alléén eene directe werking van het hart op de longen aan- 
genomen, ronder te onderzoeken, of het yerBchijnsel met de 
contractie van het hart Tolkomen coïncideert 

12 



170 

verband. Verschillende hypothesen kunnen hieromtrent 
worden geopperd. Vooreerst komt de drukking, waaronder 
het hart bij in- en uitademing staat, in aanmerking. Op 
dit verschil van drukking, en meer nog op datgene wat 
van de meer of minder uitgezette longen afhankelgk is^ 
heeft Prof. Donders vóór vele jaren reeds opmerkzaam 
gemaakt, en hij was geneigd eene door positieve druk- 
king belemmerde uitzetting en eene door negatieve druk- 
king belemmerde samentrekking als den grond van 
stoornis der hartswerking op te vatten. Thans echter 
ziet hij meer bezwaar in deze direct mechanische ver- 
klaring. Ook voor den door ons gevonden invloed van 
het normale ademen scheut ze hem minder aannemelijk. 
Vooreerst wordt de duur der hartsperiode het grootst, 
vóór nog de negatieve drukking op het hart haar maxi- 
mum heeft bereikt, en zeKs blijkt, in het algemeen, het 
onderstelde verband te ontbreken. Maar bovendien kan 
men de negatieve drukking toch niet anders opvatten dan 
als een grooteren last, dien het hart zou hebben te over- 
winnen, waaruit niet wel een later begin der hartswer- 
king, maar alléén een tragere voortgang — en dus een lan- 
gere duur zou te wachten zijn, alvorens de kracht van 
het hart toereikend ware, om de valvulae semilunares te 
openen. Trouwens ook hierop heeft, zooals nauwkeurige 
metingen van het tijdsverloop tusschen den aanvang van 
de geregistreerde hartstooten en van den pols der art. 
carotis op tal van curven ons geleerd hebben, de adem- 
haliagsphase geen invloed. Die tijdsverschillen , alsmede 
de hoogst geringe afwijkingen tusschen de toppen der 
hartstooten en den aanvang der carotis-slagen , hebben 
wij in curven gebracht, op gelijke wijze als den duur 
der hartsperioden op plaat I en plaat II, en de adem- 
halingscurve mede daaronder geteekend, waarbij het ver- 



171 

band, indien het bestond, stellig zou zijn aan den dag 
gekomen; maar er bleek niets yan hoegenaamd. 

Eene tweede verklaringswijze zon in den meer of min- 
der mimen en gemakkelijken toevoer van bloed naar het 
hart, en zoodoende middellijk in de drukkingsverhonding 
binnen den thorax bniten de longen, knnnen gevonden 
worden. Deze toevoer is zeker niet zonder invloed ; maar 
de wijze van werking is zoo gecompliceerd en de toevoer 
én nit de longen én van buiten de borstkas, bij de 
verschillende phasen der ademhaUng, is zoo moeilijk te 
berekenen, dat wij van eene nadere toetsing dier hypo- 
these moeten afzien. 

Een derde hypothese onderstelt eene onmiddellgke tus- 
schenkomst van het zenuwstelsel. Hierbij wordt het mecha- 
nisme nog veel gecompliceerder. Vooreerst weten wij, dat 
centrale prikkeling van den n. vagas de perioden verlengt, 
en het mag thans wel bewezen heeten, dat nit het cen- 
traal-zenuwstelsel eveneens vezelen voortkomen, wier prik- 
keling deels direct , deels indirect , als vasomotorische zenu- 
wen , den duur der hartsperioden verkort. Beide nu kunnen 
hierbg in het spel zijn. En of zich dan 'eene zekere 
synei^e der innervatie van het hart en van de ademha- 
lingsbewegingen regtstreeks doet gelden, of wel het 
mechanisme der ademhaling enkel het bloedgehalte der 
medulla oblongata wijzigt ^), waardoor de ademhaling 
alléén indirect op de innervatie van het hart zou kunnen 
werken, blijft dan nog onbeslist Yoor het eerste pleit, 
dat, bij geopende bostkas, zoolang de kunstmatige adem- 
haling wordt voortgezet , de hartslagen regelmate volgen, 
maar bij het ophouden der kunstmatige ademhaling, reeds 



>) Yergelïjk Einbrodt. IJeber den EinfluBS der Athembewe* 
gnngen aof HerzBohlag and BlutdruoL S. 19. Wien 1860. 

12* 



172 

na eenige seconden, jnist wanneer zich automatische adem- 
halingsbewegingen ontwikkelen, zeer vertraagd worden, 
niettegenstaande de ademhaligsbewegingen bij geopende 
borstkas op de dilatatie der longen niets vermogen en ook 
in de circulatie geene wijziging kunnen brengen. Voor de 
laatste opvatting zou daarentegen pleiten , dat ook wille- 
keurig gewijzigde ademhaling haren invloed op den duur 
der hartsperioden doet gelden, waarbij dan trouwens de 
gewijzigde bloedstoevoer naar den thorax de hoofdrol 
zou kunnen spelen. — Twee verschijnselen, die tot 
deze verklaring betrekking hebben, nam Einbrodt 
bij honden waar. Vooreerst zag hij den invloed* der 
respiratie-phasen op de hartsperioden met de doorsnij- 
ding der nn. vagi geheel ophouden , en ten anderen 
vond hij bij drukking van aderlij k bloed in de sinus der 
dura mater aanzienlijke vertraging der hartslagen, die bij 
ontlasting van bloed uit de vena jngularis dan weer fre- 
quenter worden. Deze verschijnselen verdienen zeker al 
onze aandacht. Maar of de bewegingen van het kwik- 
zilver in den manometer een kleinen invloed der adem- 
halingsbewegingen , bijaldien deze na doorsnijding der nn. 
vagi overgebleven ware, nog zouden doen herkennen , 
komt ons twijfelachtig voor, en drukking van aderlijk 
bloed eenvoudig als prikkeling der nn. vagi op te vatten, 
achten wij bedenkelijk. Het schijnt daarom, dat, hoe 
eenvoudig het verschijnsel zij, de verklaring een nog 
onopgelost problema blijven moet. Op de proeven tot 
verklaring wezen wij alleen, omdat zij misschien het 
uitgangspunt tot nader onderzoek worden kunnen. 

Ten slotte zij het ons geoorloofd , nog op twee punten 
opmerkzaam te maken. 
Het eerste betreft de toepassing der aangewende methode 



173 

ter demonstratie van het mecliaDisine van sommige spraak- 
klanken. Wij hebben boven reeds enkele malen gebruik 
gemaakt van dat mechanisme , om de glottis en den weg 
naar neus- en mondholte bij onze proeven geopend of 
gesloten te hebben. Als contrdle voor de afsluiting, bijv. 
van den neus, diende ons daarbij de schrijftoestel van 
den cardiograaf. Deze is zoo gevoelig, dat men bij de 
verbinding van het werktuig met den neus, onder het 
spreken, telkens aan de rijzing van het hef boompje zien 
kan, of de weg tot de neusholte is geopend geworden. 
Op die wijze dus laat zich aantoonen, dat zulks alleen 
plaats heeft bij het uitspreken der resonanten m, n, ng, en 
tevens ziet men , dat onder het spreken niet slechts langs 
den mond, maar alt^d ook langs den neus wordt inge- 
ademd. Het is zeker niet onbelangrijk en belooft wel 
eenige toepassing, bij het spreken de curven langs den 
neus te doen schrijven , waarbij niet slechts iedere inade- 
ming, maar ook iedere uitgesproken resonant met de 
vergezellende uitademingsdrukking geregistreerd wordt. 
Bij de vocalen is de neus volkomen afgesloten en blijkt, 
wanneer men het voornemen heeft een resonant te doen 
volgen, gesloten te blijven tot de resonant zelve daar is; 
bij de uitspraak van Fransche woorden daarentegen is, 
zoodra de vocaal gehoord wordt, waarop een resonant volgen 
moet, de neus al aanstonds een weinig open. In gevallen 
van paraese van het zacht verhemelte, zooals na angina diph- 
fherina niet zelden wordt waargenomen , kan men met dit 
werktuig onderzoeken , of en bij welke vocalen de neus 
wordt afgesloten , en niet slechts hoeren maar ook zien , in 
hoeverre de klinkende slagconsonanten voor resonanten 
plaats maken. 

Eindelgk eigent zich onze methode tot het onderzoek der - 
bewQging van het zachte gehemelte, die naar de methodoi 



174 

door Debrou tooi de beweging bij het slikken aange- 
wend, door Gzermack yoor de vocalen is onderzocht. 
Men moet hierbij een doorboorden stop in het ééne neusgat 
steken en het andere sluiten. Bij het rijzen van het den 
neus afsluitend gehemelte moet dan de spanning der lucht 
in de neusholte stijgen en zich in de beweging van het 
hefboompje te kennen geven. Bij eenige voorloopige onder- 
zoekingen, werd evenwel niet alt^d hetzelfde resultaat 
verkregen, en wij onthouden ons daarom van de mede- 
deeling: waarschijnlijk zal prof. Donders later daarop 
wel terugkomen. 

Het tweede punt geldt een pathologisch geval. Het 
ligt kennelijk in de bedoeling van Marey, naast de 
sphygmographie de pneumographie in de pathologie in 
' te voeren : het geval , dat wij wenschten mede te deelen , 
gaat nog verder en betreft een pathologischen invloed 
der ademhalingsphasen op den duur der hartsperioden. 
Deze kwam voor big eene jonge dame , onder behandeling 
voor hevige kramp van den musculus orbicularis , gepaard 
met lichtschuwheid. Hevige spinaal-pijnen waren voor- 
afgegaan, en er bestond algemeene neurose, waarvan de 
spierkramp slechts een der meest in het oogloopende ver- 
sch^nselen was. Bij deze patiënte merkte Prof. Donders 
een zeer onregelmatigen pols op, dien men pulsus 
intermittens zou willen noemen. Onderstellende, dat de 
ademhaling hierop niet zonder invloed was , wenschte hy 
de respiratie-bewegingen tegelijk met den pols der art. 
carotis te registreeren. Toen dit geschiedde, was de irre- 
gulariteit voor den tastenden vinger grootendeels verdwenen 
en had niet meer het karakter van intermissie. Intusschen 
kwamen nog eenige zeer lange perioden voor, zooals op 
. fig. 6 en 7 , plaat II te zien is. In het algemeen nu blijkt 
hier weder de invloed der ademhaling, en duidelgk ziet 



175 

men, dat de langste liartsperiode in den regel bij den 
aanvang der inademing, de kortste in het verloop der 
nitademing ligt. Onder de hartsperioden , die gemiddeld 
slechts 18 tot 20 trillingen duurden, komt er in 
figuur 6 eene voor van 28, in fig. 7 eene van 27 : zoo 
groote verlenging wordt inderdaad als intermissie gevoeld. 
Opmerkelijk is het nu, dat deze buitengewoon lange 
perioden aan dezelfde phasen der ademhaling beantwoorden, 
waarin ook gewoonlgk de periode langer is, dat is aan 
het einde der uitademing of het begin der inademing. De 
ademhaling vertoont tegenover de buitengewone lange 
hartsperioden niets ongewoons. — Willekeurige diepe in- 
en nitademing, die wij deze patiënte lieten bewerkstel- 
ligen, gaven ook tot groote schommelingen van den duur 
der hartsperioden aanleiding, waarbij in den regel aan het 
einde der diepe exspiratie of den aanvang der diepe inspi- 
ratie de langste perioden voorkwamen. 

Wg hebben eenige dagen later het onderzoek op dezelfde 
patiënte herhaald en daarbij geheel overeenkomstige resul- 
taten verkregen. Een paar dagen voor het eerste onder- 
zoek was hypodermatisch murias morphii aangewend. 
Aanvankelijk achtten wij het mogelijk, dat de onregel- 
matigheid van den pols hiermede zou in verband staan. 
Toen echter 10 k 12 dagen later, terwijl inmiddels 
geen morphium was aangewend , het verschijnsel onveran- 
derd gebleven was, bleek de onderstelling ongegrond te 
zgn geweest. Bovendien hebben wg bij eene soortgelijke 
patiënte den duur der hartsperioden, tegelijk met de 
ademhaling, geregistreerd, én onmiddellijk voor de hypo- 
dermatische aanwending van morphine, én slechts 25 mi- 
nuten daarna, éénmaal, terwijl zij op den stoel in slaap 
viel , maar ten aanzien van den invloed der respiratie op 
de hartsperioden niets bijzonders opgemerkt. 



176 

De medegedeelde waarneming komt ons belangrijk 
voor: het verband der zoogenoemde intermissie tot eene 
bepaalde phase der ademhaling verplaatst den grond van 
den invloed met groote waarschijnlijkheid in de mednlla 
oblongata, en zet aan de hypothese, dat de genoemde 
invloed, ook in normalen toestand , mede van de mednlla 
oblongata nitgaat, nog grootere waarschijnlijkheid bg. 
Het is de vraag, of in gevallen, waarbij de oorzaak der 
intermissie in hartsgebreken te zoeken is, wel evenzeer 
de invloed der respiratie zon te constateeren zijn. — In 
het medegedeelde geval ligt zeker wel een wenk, om 
niet alleen de pnenmographie, maar deze ook in verband 
met de hartsperioden , in de pathologie in te voeren. 



Stemvoii 



Tl 1 




i- "•'••• 



DE C0NTRACTIE-60LF OER WILLEKEURIBE SPIEREN. 

DOOR 

D\ T. P L A C E, , 



IKLBIOING. 

De onder den invloed van prikkels tot stand komende 
contractie der levende spieren berust op eene moleculaire 
wigziging, die eene gelijktgdige verkorting en verdik- 
king der primitiefbundels ten gevolge heeft. Die wijzi- 
ging bereikt allengs een maximum , om daarna weer 
langzamerhand te w^ken. Z§ begint op de plaats der 
prikkeling en breidt zich van daar naar beide zijden uit, 
zoodat hetzelfde moleculaire proces zioh in al de overige 
gedeelten van den primitief bundel herhaalt met een gering 
tgdsverschil. 

Wg zien dus eene verandering in een stof ontstaan en 
weer verdwijnen, die zich voortplant van uit de plaats, 
waar zg werd opgewekt, en we hebben dus het volste 
redit, hiervoor den naam van golf, of meer specieéldien 
van contractiegolf , te bezigen. 

üit de definitie volgt, dat wg ook dan nog van een 
contractiegolf mogen spreken , wanneer het effect der mole- 
culaire wgziging, namelgk de vormverandering, uitblgft, 
omdat de weerstand, die aan de verkorting der spier in 



178 

den weg staat, te groot was. In het algemeen echter 
zal, waar de vormverandering zich kan vertoonen, haar 
tijdelijk verloop met dat der moleculaire wijziging moeten 
samenvallen en kunnen wij dus in de beschouwing van 
dit verloop aan het begrip der wijziging dat der vorm- 
verandering substitueeren , waardoor zonder nadeel van de 
juistheid der redenering de helderheid zal worden be- 
vorderd. 

De duur der spiercontractie zal dus bg plaatselijke 
prikkeling, bv. na irritatie der beweegzenuw, van twee 
momenten afhangen: ten eerste van den tijd, waarin op 
een gegeven punt het maximum van verdikking is bereikt 
en ten tweede van den tijd, noodig om den pnkkel de 
geheele lengte van den primitief bundel te laten doorloopen, 
of, met ^dere woorden, van den duur der contractiegolf , 
van de snelheid harer voortplanting en van de lengte 
der primitiefbundels. Prikkelt men daarentegen den ge- 
heelen primitiefbundel tegelijk, dan leeren w^ uit het 
tijdelijk verloop der contractie direct dat der golf kennen, 
want er ontstaat dan slechts eene golf in de geheele 
spiervezel, en de curven, die men de spier bij hare ver- 
korting kan doen opschreven, zullen verschillend zgn, 
al naarmate plaatselijke of algemeene prikkeling heeft 
plaats gehad. 

Eene nadere beschouwing intusschen leert, dat dit 
verschil niet groot kan z^n, althans niet in het oogloo- 
pend, waar men gebruik moet maken van ^ikvorsch- 
spieren, die voor physiologische proefnemingen van dien 
aard de eenigste objecten zijn. 

De geleidingssnelheid is immers vrij aanzienlijk , en bg 
de geringe lengte dezer spieren verdwijnt de tgd, waarin 
de golf den primitief bundel doorloopt, schier geheel tegen 
dien, waarin zij haar maximum bereikt. Ook b^ locale 



179 

prikkeling zal dus b^ deze korte spieren de contractie 
bgna op hetzelfde moment in den geheelen primitief bnndel 
een aanvang nemen en de carven znllen dus tamelgk 
wel met elkander overeenkomen. 

De lengte der contractiegolf wordt bepaald door haren 
l^deligken dnnr en door hare geleidingssnelheid , want zg 
zal geligk moeten z^n aan den weg, dien de prikkel 
doorloopt in den tijd, waarin op een gegeven punt de 
verdikking ontstaat en weer verdwijnt. 

De duur der golf laat zich niet nauwkeurig aangeven. 
Voor den t^d, dien zij noodig heeft om haar maximum 
te bereiken, vonden wij ongeveer 0.1 secunde, en indien 
wg dus voor beide phasen der golf denzelfden tijd in 
rekening brengen, wat intusschen niet geheel juist is, 
kunnen w^ de gevraagde grootheid op 0.2 secunde 
schatten. De geleidingssnelheid bedraagt ongeveer 1 meter 
in de secunde. 

Door een eenvoudigen regel van drieën kunnen wij dus 
de lengte der golf berekenen , en w^ vinden daarvoor de 
vraarde van 2 decimeters. Hieruit volgt, dat de primitief- 
bundels der kikvorschspieren nooit meer dan een klein 
gedeelte eener golf kunnen bevatten. 

Hoe geringe verschillen in de curven dus ook proef- 
ondervindelijk kunnen worden aangetoond, uit de vooraf- 
gegane beschouwing bl^kt , dat het bestaan dier verschillen 
toch boven allen twijfel verheven is en by zeer lange 
spieren of bij spieren waarin óf de voortplantingssnelheid der 
contractiegolf, óf de duur der golf geringer zijn, zullen zij 
zich in de verkregene curven duidelijk moeten vertoonen. 

Stellen wig bij voorbeeld, dat de golflengte geringer 
wordt dan de lengte van den primitiefbundel, dan zal, 
terwgl de golf langs de spiervezel afloopt de verkorting 
niet meer toenemen en de top der beschrevene curve 



180 

zal in eene horizontale Ign veranderen, mits de amplitude 
der golf gel^k bl^ve. 

Door een experimenteel onderzoek nu heb ik trachten 
aan te toonen, in hoe verre de vorm der contractie bg 
prikkeling der zennw verschilt van die bij prikkeling 
der spier en had daarbg voornamelijk de ontwikkeling 
der elastische kracht en den verrichten mechanischen arbeid 
in het oog. 

Het eerste gedeelte van het onderzoek , waaxbg de spier 
direct werd geprikkeld, had weinig bezwaren, doch daar 
waar het gold de zenuw te irriteeren, had ik met zoo 
vele hinderpalen te kampen, dat ik geene resultaten ver- 
kreeg, op wier absolute nauwkeurigheid men staat 
maken kan. 

Alhoewel ik dus hierin niet zoo ben geslaagd, als ik 
wel had gewenscht, zal ik toch over deze proeven het 
een en ander mededeelen, vooral omdat in verband met 
deze experimenten eenige andere onderzoekingen werden 
in *twerk gesteld, die ik in mijn proefschrift vermelden 
wUde, en die, op zich zelf staande, allen samenhang met 
de eerste helft van dezen kleinen arbeid zouden missen. 

Ik bedoel hier eenige bepalingen van de geleidingssnel- 
heid der spieren en een microscopisch onderzoek van het 
aantal zenuwvezels, dat in een enkelen primitief bundd 
eindigt. 



HOOFDSTUK I. 



De kracht, die de oorzaak is van de contractie der 
spier is de .elastische. De onderzoekLogen van Ed. 
Web er hebben deze voorstelling algemeen ingang doen 



181 

vinden. Volgens hem moet men de geprikkelde spier 
beschouwen als eene gespannen elastische koord met 
veranderlijke yeêrkracht. 

Men stelt zich das hare elastische kracht voor als het 
gevolg van uitrekking en heeft zich voor iederen graad 
van spanning eene daaraan evenredige uitrekking te den* 
ken. Hoe grooter dus de elastische spanning , des te meer 
zal de spier zich trachten te verkorten , of des te geriüger 
zal de lengte zijn, die de spier aannemen wil. 

De eigenaardige verandering echter, die de elastische 
kracht der spier bij de verkorting ondergaat eischt , dat men 
den gang van het con^a|^;tij9rpi:oce8. nades onderzoeken 
Waht^ teïwiji* bij eené gesp^nnoh elastische koord op het 
oogenblik, waarop het spannend gewigt wordt weggeno- 
men, het maximum van elastische kracht is gegeven en 
deze b^ de verkorting allengs te gelijk met de lengte 
afaeemt, tot dat zij op nieuw met den verminderden 
weerstand evenwicht maakt, ziet men big de contractie 
der spieren geheel andere wijzigingen in die spanning 
optreden. 

Het is dus van het hoogste belang, de ontwikkeling 
der elastische kracht in de spieren na te gaan. 

Beeds in het jaar 1850 werd door Helmholtz') 
een belangiijk onderzoek hieromtrent in het werk gesteld, 
dat onze aandacht overwaardig is. Helmholtz stelde 
de vraag: „In welchen Zeitraumen und Stadiën steigt 
und sinkt die Energie des Muskels nach momeutaner 
Reizung" en heeft, om tot de beantwoording daarvan te 
geraken , twee verschillende wegen ingeslagen. Het geldt 
hier uiterst kleine tijden te meten, waarvoor de directe 



1) Archir fur Anat. und Phys. von Jolu.Müller. Jahrgang 
1860. Seite 276. 



182 

waarneming ten eenenmale ontoereikend is en men moest 
dns naar eene indirecte methode nitzien. 

De eerste methode die Helmholtz gebrnikte is die 
der zelfregistreering , de tweede is die van Fouillet. 

Bij de eerste laat men door een daarvoor geschikt 
mechanisme de bewegingen, wier tijdelijk verloop men 
wil leeren kennen, op een vlak opteekenen, dat met 
gelijkmatige snelheid wordt voortbewogen. Eene bepaalde 
doorloopen ruimte is dan aan een zekeren verloopen 
tgd evenredig. 

De methode van Fouillet berust daarop, dat de 
afwijking van de naald eens galvanometers afhankelijk 
is van den duur van den galvanischen stroom, die de 
windingen van het instrument doorloopt. Is men dus in 
staat juist aan het b^in der periode , wier duur men 
bepalen wil, den stroom te sluiten en aan haar slot te 
verbreken, dan zal men den verloopen tijd uit de afwijking 
der naald kunnen vinden. 

Helmholtz heeft het eerst de registreermethode gebe- 
zigd, doch heeft daarmede slechts enkele voorloopige 
proefnemingen gedaan , daar zij niet de vereischte nauw- 
keurigheid bezat. Aan een uitgesneden gastrocnemius 
van een kikvorsch werd door ndddel van een stalen 
staafje een gewicht oj^hangen. Loodrecht op hpt staalde 
was een stalen pennetje bevestigd, dat op een met rook- 
zwart bedekt glasplaatje eene fijne lijn teekende. Het 
glasplaatje werd door een vallend gewigt voortbewogen 
en hoewel dus die beweging eene eenparig versndde 
was, kon ze toch binnen de grenzen van den duureener 
contractie als gelijkmatig worden aangezien. Werd de 
spier niet geprikkeld, dan beschreef natuurlijk het pen- 
netje eene horizontale lijn, terwijl er bij prikkelingeene 
curve ontstond. Als prikkel werd gebezigd de openings- 



183 

slag van een electromotor van Neef, die stellig veel 
korter dnnrde dan Vsoo seconde en dns als momentaan kon 
beschouwd worden. Die inductieslag doorliep de geheele 
spier; de prikkel was dus overal tegelijk aanwe2dg. 

Van de op die wijze verkregene curve vinden wg in 
het werk van Helmholtz een door middel van het 
microscoop vergroote afbeelding. 

Hare ordinaten geven de hoogte, waartoe het gewicht 
opgeheven was gedurende den t^d , door de daarbg behoo- 
rende absciseen uitgedrukt. Intusschen bestaat er op 
de hoogte , door de curve aangeduid , niet noodzakelijk even- 
wicht tusschen de elastische kracht der spier en het opge- 
heven gewicht. Immers indien wij de oorzaken nagaan, 
die den vorm der curve bepalen, vinden wg er drie, te 
weten: V de elastische kracht der spier, 2**. de zwaarte 
van het gewicht en 3"^ de eigenbeweging , die aan het gewicht 
wordt medegedeeld. Aanvankelijk is de eigenbeweging 
gelgk nul. Zoodra het gewicht echter eene zekere snel- 
heid heeft verkregen , zal het trachten zich in de eenmaal 
verkregene richting met die snelheid voort te bewegen. 

Het pennetje zal dus bij de verkorting der spier eene 
schuinsche naar boven loopende rechte Ign schrgven , zoo- 
lang de elastische kracht der spier en de zwaarte van 
het gewicht, die in tegengestelden zin werken, elkander 
neutraUseeren. Heeft echter eene van deze beide krachten 
de overhand , dan zal de rechte lijn in eene curve moeten 
veranderen, en ze zal dan óf naar boven, 6f naar beneden 
van de rechte Ign moeten afwijken. Daar waar de curve 
concaaf is van boven , was de elastische kracht der spier 
grooter dan de zwaarte van het gewicht; waar de curve 
convex is, was ze geringer. Voor het neerdalende deel der 
curve geldt juist het omgekeerde. 

Op • al de plaatsen waar een concaaf gedeelte in een 



184 

convex gedeelte overgaat, wordt das de elastische kracht 
door de zwaarte van het gewicht gemeten. 

In het geheele verloop der curve ziet men convexe ge- 
deelten met concave afwisselen en men heeft dus reeds 
eene reeks van punten, aan bepaalde tijden beantwoor- 
dende, waar de grootte der elastische kracht der spier 
bekend is: waar ze evenwicht maakt met het opgeheven 
gewicht Blijkbaar zijn er echter tusschen deze punten 
nog andere te vinden , waar eveneens dat evenwicht bestaat; 
en uit hetgeen boven gezegd is volgt, dat men ze aan 
de convexe .^gefleelten. onder, aan de concave boven de 
curve» te zoeken heeft. 

Intusschen laat zich de curve, die de punten van 
evenwicht verbindt, niet construeeren: eene oppervlakkige 
beschouwing leert echter reeds, dat ook zij, juist zooals 
die, welke de spier b^ hare verkorting opschreef, met 
geringe schommelingen stijgende , een hoogste punt berei- 
ken zal, om van daar allengs weer neer. te dalen tot de 
abscis. 

Hieruit volgt, dat de geprikkelde spier. bij verschillende 
lengte^ dezelfde elastische spanning kan bezitten. Wij 
moeten dus aannemen, dat er gedurende de contractie nog 
elastische kracht wordt in het leven geroepen, want 
indien het TnaTitnnn^ van spanning b^ den aanvang der 
verkorting reeds gegeven was, dan zou de elastische 
kracht gedurende de verkorting stellig moeten afnemen, 
zooals wij dat bij elastische koorden zien plaats hebben. 

Bij deze methode van proefneming leert men echter 
slechts de veranderingen in spanning der spier kennen ^ 
tegelijk met de verandering in lengte, om dus de ont- 
wikkeling der elastische kracht in de werkende spier 
nauwkeuriger te bestuderen, was het noodig daarbij de 
verandering in lengte buiten te sluiten. 



186 

Dit bereikte Helmholtz door de „methode der Ueber- 
lastong'', waarbg hg den tijd bepaalde op de wgze,door 
Fouillet aangegeven. 

Hiervoor werd een tamelijk gecompliceerd toestel gebe- 
zigd, waarvan het eigenaardige dddrin ligt, dat aan 
de spier een gewicht zoodanig werd bevestigd, dat de 
spier in rust het niet behoefde te dragen, doch zich niet 
verkorten kon zonder het gewicht op te heffen. De proef 
werd nu zoo ingericht, dat tegelijk met de prikkeling 
der spier de tijdmetende stroom gesloten werd en juist 
op dat oogenblik werd verbroken, waarop het gewicht 
werd opgeheven. 

De contractie kon dus eerst dan aanvangen, wanneer 
de elastische spanning der spier begon grooter te worden 
dan het gewicht; en de tgd, hiervoor benoodigd , kan uit 
de afw^king der magneetnaald worden gevonden. Helm- 
holtz noemde dien tgd de periode der latente prikkeling. 

Op deze wijze deed hg een tal van proeven, wlaarbij 
hg achtereenvolgens steeds grootere en dan weder kleinere 
overgewichten bezigde, en de uitkomst hiervan was , dat de 
duur der latente periode klimt met de overgewichten. Voor 
het ontstaan van eene grootere elastische kracht is dus 
meer tijd noodig: een resultaat, dat uit de beschouwing 
der curve reeds was te vooronderstellen. Buitendien bleek 
de vermoeienis op den duur der latente periode niet 
zonder in'vloed te zijn. 

Deze proeven brachten echter nog een nieuw feit aan 
't licht, dat namelijk ook dan, wanneer de spier geen 
overgewicht behoefde op te heffen, een zekere tijd ver- 
Hep eer de verkorting begon. Gemiddeld bedroeg die 
tgd 0,01 seconde. Er is dus na de prikkeling eene 
periode, waarin de elastische kracht der spier nog niet 
begint te stijgen. 

13 



186 

Helmholtz zag hierin eene volkomene analogie tns- 
Bchen het willekeurige en het onwillekeurige spierweefsel: 
bij het laatste ontstaat immers de contractie eerst gerui- 
men tijd na de prikkeling. 

Wanneer men de resultaten van deze experimenten 
graphisch voorstelt, en door de lengte der ordinaten de 
vermeerdering in spanniüg, door de abscissen den ver- 
loopen tijd voorstelt , heeft men een gedeelte eener curve, 
die aanvankelijk met toenemende, later met afnemende 
snelheid st^'gt. Ze is eerst concaaf, daarna convex naar 
boven. Zij moet eenige overeenkomst hebben met de 
besprokene curve van evenwicht. Deze gaf echter den 
graad van verkorttog bij gelijke spanning, terwijl 
gene de toename in spanning bij onveranderde lengte 
aangeeft. 

Helmholtz kende aan de tweede hier beschrevene 
methode van experimenteeren eene veel grootere nauw- 
keurigheid toe, dan aan de eerste, en heeft van haar 
dus bij voorkeur gebruikt gemaakt. Zij heeft eöhter een 
nadeel. Hoe juist zij ons ook den duur der latente 
periode leeren moge, zij doet ons niets anders kennen. 
Zij stelt ons niet in staat de hef hoogte te bepalen, noch 
den tijd , waarin de geheele contractie is afgeloopen of het 
maximum van verkorting is bereikt Ook over den ver- 
richten arbeid laat zij ons in het onzekere, en het ligt voor 
de hand, dat, juist in verband beschouwd met den duur 
der latente periode, het bestudeeren van deze punten niet 
van belang is ontbloot. 

Om nu echter tot de kennis van al deze grootheden 
te geraken, staat ons geen andere weg open dan de spier 
haar contractie te laten registreeren. Uit de curve kunnen 
wij dan de gevraagde waarden afleiden, mits w$ maar 
de noodige voorzorgen nemen, dat geenerlei storende 



187 

invloed aan de nauwkeurigheid der bepalingen te veel 
afbreuk doe. 

Wg zagen boven, dat de vorm der curve ten deele 
afhangt van de eigen beweging van het opgeheven ge- 
wicht. Blikbaar zal daardoor niet alleen de top der 
curve te veel naar rechts en te hoog gevonden worden, 
maar ook het verloop wordt daardoor gewgzigd. 

Die fout moet men trachten te ontwgken. Prof. 
Donders raadde daarom aan, de spier bij hare contractie 
eene stalen veer te laten spannen in plaats van een ge- 
wicht te laten opheffen. Hierdoor wordt een groot voor- 
deel bereikt. Immers de veer zal bijna geen eigen 
beweging verkrijgen; zg zal de spier in hare beweging 
volgen, doch zal, zoodra de spier te werken ophoudt, 
onmiddellgk tot rust komen. Dit kan gemakkelgk worden 
bewezen. De beweging toch zal dan ophouden, wanneer 
al het arbeidsvermogen van beweging (lebendige Kraft) , 
dat by de spiercontractie in de veer of in het gewicht is 
weggelegd in arbeidsvermogen van rust (Spannkraft) is 
overgegaan, en noodzakelijk zal dit veel spoediger het 
geval zyn bg de veer, wier spanning steeds klimmende 
iB. Hoe sneller dus de spanning der veer toeneemt, des 
te beter zal ze aan de eischen voldoen. 
\ Men meene intusschen niet, dat de curve op die wgze 
verkregen, een absoluut waar beeld geeft van den gang 
der elastische krachten der spier, want het spreekt van 
zelf, dat iedere • wijziging in die elastische kracht wel 
invloed hebben zal op den vorm der curve, maar even 
duidelgk is het, dat die invloed zich eerst een oogenblik 
daarna zal kunnen doen kennen. De oorzaak voor de 
beweging gaat de beweging altijd vooraf. 

Het vrij langzame stijgen der curve is echter een be- 
wgs, dat de spanning der spier « dat der veer slechts 

13* 



188 

weinig overtreft, want indien liet maximum van elastiflchd 
kracht reeds bij liet begin der verkorting voorhanden was , 
eoude de stgging veel sneller moeten plaats hebben. 

Proeven hieromtrent genomen hebben dit bewezen. Wan* 
neer in plaats van de spier een uitgerekt elastiekje aan 
den hefboom werd bevestigd, dat plotseling werd losge- 
laten, was de geregistreerde curve Teel steiler. Haar 
top was doorgaans in Vto sec. bereikt, terwijl bg de 
spiercontractie daarvoor ongeveer Vio jbcc noodig is. 

Hoe langzamer de klimming is, des te geringer sal het 
verschil moeten zijn tusschen het gewicht der last en de 
kracht der spier en daar men de spiercurve des te con- 
vexer worden ziet, hoe meer men den top nadert, wat 
eene vertraagde stijging aantoont, zoo zal aan den top 
der curve het verschil in spanning van veêt en spier 
moeten verdwijnen. 

Ook bij die curven hebben wi) dus slechts enkele 
punten, waarop wij de elastische kracht der spier kunnen 
schatten. Er zijn ten minste drie zulke te vbiden, 
namelyk daar, waar de curve de abscis verlaat, waars» 
de abscis weer bereikt en aan haar top. Uit de overige 
gedeelten der curve kunnen wg wel besluiten of de span- 
ning op een zeker tijdstip toe- of afgenomen heeft, doch 
de elastische kracht der spier laat zich daar niet bepalen. 
Yoor de oplossing der in dit hoofdstuk te beantwoorden 
vraag , betrekkelijk de ontwikkeling der elastische kracht, 
kan echter alleen het eerste der drie vermelde punten in 
aanmerking komen, want wij willen immers het aan- 
groeien der elastische spanning leeren kennen, onafhankelijk 
van de verandering in lengte of van verrichten arbeid. 

Helmholtz heeft zijne experimenten gedaan op een 
uitgesneden spier, en hoewel hg zorg droeg het praepa- 
raat in eene geslotene, met waterdamp verzadigde mimta 



189 

op te haDgen en zoodoende de uitdrooging voorkwam , 
zoo I^dt liet toch geen twgfel , of de spier moest spoedig 
eigenaardige veranderingen ondergaan. De stofwisseling 
is immers te eenenmale belet en de invloed der ver- 
moeienis moet zich dus niet alleen veel sneller, maar 
ook op andere wijze doen gevoelen , dan wanneer de spier 
nog met het levende lichaam is verbonden. De uitwen- 
dige gedeelten der spier sterven waarschijnlijk vrij spoedig 
af, en uit de snelle vermindering der hef hoogten bg de con- 
tracties der uitgesneden spier ziet men, dat spoedig een 
belangrgk gedeelte harer levenseigenschappen verloren gaat. 

Bij de bepaling van de uitrekbaarheid der levende spieren 
vond Wundt^) dan ook aanmerkelijke verschillen, al 
naarmate die bepalingen geschiedden op de uitgesnedene 
of niet uitgesnedene spier. 

Wij meenden dus onze proeven op den m. gastrocnemius 
van den levenden kikvorsch te moeten verrichten, en 
bezigden daarbij een apparaat, dat wij zullen beschreven. 

Op de twee voorste hoeken van een houten voetstuk, 
dat bij eene lengte van circa 20 eene breedte van 8 
centimeters bezit, z^n twee koperen stellen bevestigd, 
ter hoogte van ongeveer 15 centimeters, boven door 
een dwarsstuk verbonden. Tusschen deze stellen is 
een plankje aangebracht , dat door middel van een schroef 
op en neer kan bewogen worden, dat echter wrigving 
geno^ bezit, om gedurende de proeven een onveran- 
derl^ken stand te kunnen bewaren. Op dit plankje 
kan door middel van een grendel een ander soortgelijk 
aan de voorzijde met kurk bekleed plankje, waarop de 
kikvorsch bevestigd wordt, gemakkelijk worden vast- 
gemaakt. 



I) Dr. Wllh Wundt. Die Lekre von der MoBkelbewegung. 



190 

Tussclien de twee vermelde stellen zijn er op het 
Yoetstok twee kleine koperen pilaartjes, van stalen tapjes 
voorzien, waarin de goed gepolijste uiteinden van een 
klein, horizontaal stalen asje rusten, dat schier zonder 
wrgving draaibaar is.< 

Op dit asje is een zeer licht houten hefhoompje met 
het eene einde onbewegelgk bevestigd, dat dus in een 
verticaal vlak beweegbaar is. Het vrije uiteinde drai^ 
een fijn puntig penneschachtje , waardoor zijne bewegin* 
gen op den draaienden cylinder van het kymographion 
kunnen worden opgeteekend. Hét aangrijpingspunt van 
den hefboom ligt zeer dicht b^ de as en juist midden 
onder den daarboven bevestigden kikvorschpoot , zoodat 
de contractie der spier aanmerkelijk vergroot wordt 
afgebeeld. 

Het met de as verbonden uiteinde van den hefboom 
is aan het eene einde van de stalen veer door middel 
van eene schroef stevig verbonden, zoodat as, hefboom 
en veer een geheel uitmaken. 

Die stalen veer loopt over het voetstuk naar achteren 
en rust met haar uiteinde op den rand eener excentri- 
sche schijf, waardoor aan die veer eene willekeurige 
spanning kan worden gegeven. Aan het achtereinde van 
het voetstuk bevindt zich, namelgk, eene excentrische 
metalen schgf, die om een vast punt draaibaar is. 

Bij haar omdraaiing zal zg de veer oplichten; het 
voorste uiteinde van den hefboom zal dan echter door 
draaiing om het asje eene evenredige daling ondergaan 
en de spanning der veer zal niet veranderen., indien de 
de hefboom niet denzelfden stand bl^ft innemen. Is dit 
het geval, dan beantwoordt aan eiken stand van het 
excentriek een bepaalde graad van spanning der veör, 
die empirisch moest woréen bepaald. Dit geschiedde op 



191 

de volgende wijze. Bij den laagsten stand van het excen- 
triek lieten w^ het pennetje op den cylinder van het 
kymographion eene abscis beschrijven. De eene arm 
eener gevoelige balans werd door middel van een koord 
aan het aangr^pingspnnt van den hefboom bevestigd en 
op de schaal aan den anderen arm werden achtereenvol- 
gens verschillende ge\^chten gelegd,, die den hefboom 
omhoog trokken. Voor ieder gewicht was een andere 
stand van het excentriek noodig, om den hefboom weer 
op de abscis te brengen. 

Langs dezen weg werd eene scala vervaardigd, waarop 
men de spanning der veer aflezen kan voor iederen stand 
der excentrische schijf. Op gelijke wijze werd ook be- 
paald, hoeveel de spanning der veer toenam bg iedere 
r^zing van den hefboom, en het bleek, dat de vermeer- 
dering in spanning aan de oplichting tamelijk evenredig was. 

Om de wrijving der veer op den rand van het excen* 
triek te verminderen was aan hare ondervlakte een stalen 
mesje aangebragt; intusschen was er bij grooter spannin- 
gen nog zoo veel vrrijving, dat na elke draaiing van 
het excentriek de veer moest worden opgelicht, om zeker 
te zijn, dat zg haren normalen stand hernam. 

De methode, om door een excentriek de spanning eener 
veêi te regelen, is door M ar e 7 in de physiologie ingevoerd. 

Aan de voorzijde van het voetstnk is een klein metalen 
snpport aangebracht, dat door eene schroef hooger en 
lager kon worden gebracht en waarop de hefboom steunen 
kan. Hierdoor zgn wij in staat , de belasting als overge- 
wicht te laten werken; want van den stand van het 
sapport zal het afhangen, of de elastische kracht der veer 
al of niet door de spier gedragen wordt. 

Na deze beschrgving blijft ons nog over te vermelden, op 
welke wijze het moment van prikkeling werd geregistreerd. 



192 

Wij bedienden ons hiertoe van een' kleinen electro- 
motor, waarvan het ankertje van een schrijfpennetje was 
voorzien, en die dus hg het aantrekken van den mi^eet 
en bij het weer loslaten een verticaal lijntje en bij ge- 
sloten of geopenden stroom eene horizontale lijn beschreef. 

Door het aantrekken van het ankertje werd een tweede 
galvanische stroom geopend, die.de primaire spiraal door- 
liep van een Schlittenapparat van dn Bois-Reymond. 

Indien men dus den stroom van den electromotor slnit, 
heeft men in de secundaire een openings^inductieslag te 
wachten, bij het openen een sluitingsslag. Alleen de 
eerstgenoemde werd voor de prikkeling gebruikt, omdat 
die wegens den uiterst geringen duur verkiesl^k is. 

Het afbreken en het sluiten van den induceerenden 
stroom was, zooals men ziet, direct afhankelijk van de 
bewegingen van het ankertje, die geregistreerd werden, 
en de waarschijnlijke onregelmatigheid in het ontstaan van 
het magnetisme in den electromotor kon dus geen scha* 
delijken invloed hebben op onze tijdsbepaling. 

Eet moment der prikkeling werd alzoo op het kymogra- 
phien aangegeven door het punt, vóór de pen van den electro- 
motor de abscis verliet en naar beneden begon af te wijken. 

De tijd werd geregistreerd door een stemvork , die 263 
trillingen in de seconde volbracht. 

De apparaten werden nu zoo geplaatst, dat de drie 
pennetjes juist loodrecht boven elka&r den cylinder van 
het kymographion , bekleed met over de lamp zwart ge- 
maakt papier, aanraakten, en daarmede was alles voor 
de proeven bereid. In de nevenstaande figuur is eene 
schematische voorstelling gegeven van de plaatsing der 
apparaten, die ter nauwemood nadere toelichting be- 
hoeft Het doel was alleen een gemakkel^k overzicht 
te verschaffen van den gang der proefneming, en daarom 



Pin. 




193 

is alles in de teekening weggelaten , wat overbodig 
scheen. Zoo is op het blok A, waarop wij de beschre* 
Tone veer B in haar hoogsten stand en dus bg haar 
grootste spanning zien afgebeeld, dat gedeelte niet ge- 
teekend, waaraan de kikvorseh wordt bevestigd. 

Den loop der galvanische stroomen, van de twee voor- 
gestelde batterijen afkomstig, zal men zonder moeite 
knnnen volgen. De keten van den eleetromotor E is ge- 
sloten en het ankertje a dns. aangetrokken. De andere 
keten, waarin de primaire spiraal van het inductietoestel I 
is opgenomen, is daarentegen geopend, want de eene 
harer pooldraden is met het ankertje, de andere meteen 
stift 6 verbonden , dien wij op geringen afstand boven den 
hefboom zien, die het ankertje draagt Wordt na de 
stroom van den eleetromotor afgebroken, dan zal >de 
hefboom door het veertje v opgelicht en tegen de stift 
gedrukt worden. Hiermede is dan de induceerende stroom 
gesloten, en men ziet hoe iedere sluiting en opening van 
den eersigenoemden stroom eene opening en sluiting van 
den laatstgenoemden ten gevolge heeft. 

De draden der secundaire spiraal zien w^ in eene Pohl'sohe 
wip P eindigen, van waar twee draden loopen naar de 
spier M en twee naar de zenuw «. De stand der wip bepaalt 
nu, of de spier dan wel de zenuw zal worden geïrriteerd. 

Waar wij den gang der contractie onderzochten bij 
directe prikkeling , hadden wij de laatste inrichting natuur* 
lijk niet noodig, doch hg het zoeken naar een verschü, in 
de curven bij directe en indirecte prikkeling verkregen, 
moesten w^ die afwisselend doen plaats hebben, daar 
alleen op die wgze resultaten te wachten waren , die eene 
onderlinge vergelijking toelieten. 

Wg zien eindelijk, dat de drie pennetjes, dat i^n den? 
hefboom der spier l, dat aan het ankertje vaa den electro* 



194 

motor 2 en dat 3 der stemvork T met hunne pnnten in eene 
lijn boven elkander li^en, en dat de hefboom Tan de 
spier op het snpport 8 steunt. De spanning der yeêr wordt 
dus niet door de spier gedragen en werkt als overgewicht. 

Op het met kurk bedekte plankje werd een levende 
kikvorsch door middel van eenige spelden vastgemaakt 
en het ondereinde van het femur van den voor de proef 
bestemden poot werd met eene stevige naald onwrikbaar 
op het plankje bevestigd. Aan den hiel werd de huid 
opengesneden en de Achilles-pees van het omliggende 
weefsel losgemaakt en afgeknipt. Hiermede gaat bijna 
geen bloedverlies gepaard; ook de vaten van den gas- 
trocnemius worden niet gekwetst, daar beide zoo wel 
ader als slagader zeer hoog in de spier indringen. Men 
is dus zeker, dat de stofwisseling in de spier geenenoe* 
menswaardige stoornissen ondervindt. 

Na afloop der proeven , al werden die ook soms gedu- 
rende eenige uren voortgezet, was de kikvorsch altijd 
nog volkomen normaal, en ook de spier, die toch voor 
de helft was los gepraepareerd, had na eenige dagen nog 
het licht rood, doorschijnend aanzien der gezonde, levende 
spieren. Om alle willekeurige contracties te voorkomen, werd 
de nervus ischiadicus aan de achterz^de der dij afgebonden. 

Het plankje met den kikvorsch werd daarop op z^ne 
plaats gebracht in den toestel en door middel van een in 
de Achilles-pees gestoken haakje, werd deze aan den 
hefboom bevestigd. De eene der electroden werd met 
dit haakje verbonden, de andere met de naald, die uit het 
dijbeen uitsteekt. In het verloop der geleid-draden, die 
van de secundaire spiraal uitgingen, was een kwikbakje 
geplaatst, om door het uitnemen van den draad de spier 
•vdcir::d^n: sluitingsinductieslag te vrgwaren, die bij het 
af bVel^ea vda den stroom van den electromotor ontstond. 



195 

De klossen van het inductietoestel werden over elka&r 
geschoven en de indnceeiende stroom werd geleverd door 
twee Groye'sche elementen. De daardoor verkr^ene ope- 
ningsslag was dan als een maximale prikkel te he« 
schouwen , daar de hef hoogte hg het gehruik maken van 
drie cellen niet grooter werd en ook hg niet geheel over 
elkaslr geschoven klossen nog niet verminderde. 

B^ het doel, dat wij hier trachtten te hereiken, was 
het noodig , de spanning der veer als overgewicht te laten 
werken. Aan het support werd derhalve de daarvoor 
vereischte stand gegeven. De spier had dus de kracht 
der veer niet te dragen. Het is intusschen noodig, dat 
z^ in den toestand van rust eene zekere elastische kracht 
hehhe en wel altijd dezelfde. Wij gaven haar daarom 
eene hepaalde geringe spanning en wel doorgaans die, 
welke z^ hy hare natunrl^ke lengte hleek te hezitten. 

Dit werd op de volgende wijze bewerkstelligd. De pees 
werd van een haakje voorzien, doch werd nog niet a%e- 
knipt. Het haakje werd aan den hefboom bevestigd, en 
daarop werd de kikvorsch zoo lang omhoog geschroefd, 
totdat het hefboompje even van de abcis begon opgelicht 
te worden. Nu werd de pees doorgesneden en door het 
terugtrekken der spier sprong het hefboompje omhoog. 

Door omdraaiing van het excentriek werd het pennetje 
op nieuw op de abscis gebracht. De spanning der veer, 
die hiervoor werd vereischt, bleek zeer gering te zijnen 
bedroeg nooit meer dan 10 grammen. Het was onnoodig 
voor iedere contractie de spanning der spier op nieuw te 
regelen , daar ééne contractie in de lengte der spier eene 
te geringe verandering teweeg bracht, om in aanmerking 
genomen te worden. 

In plaats van uit te gaan van eene bepaalde spanning, 
kan men aan de spier voor iedere contractie eene bepaalde 



196 

lengte geven: dit scheen echter minder doelmatig, daar 
dan de aanyangsspanning Terandorlijk geworden ware. 
Het hest ware het dan nog, van de natuurlijke lengte uit 
te gaan; doch ook deze is eene yeranderlijke grootheid, 
zoodat hiermede geen wezentlijk voordeel wordt bereikt* 

Wij lieten nu de spier bij verschillende aanvangsspan* 
ning der veer zich contraheren, — aanvankelijk bij afwis- 
selende later bij klimmende en dan weer dalende spanning. 
In de volgende bladzijden deelen w^ eenige reeksen vai^ 
op deze wijze verkregene uitkomsten mede. 

Alhoewel in dit hoofdstuk alleen de ontwikkeling der 
elastische kracht ter sprake komt, en dus ook alleen de 
duur der latente periode, in verband met de grootte van 
het overgewicht van belang is, meenden wij toch reeds 
nu die resultaten uitvoerig te mogen mededeelen. Da 
tabellen behoeven eigentlijk geene nadere verklaring: alleen 
E^ oj^emerkt, dat wij uit de hoogte der curve de ware 
hef hoogte konden berekenen door de vergrooting, die de 
hefboom aanbracht, in aanmerking te nemen. De eind* 
spanning der veer, bg het maximum der contractie was 
bekend, want, zooals w^ boven zagen, voor bepaalde 
spanningsvermeerderingen der veer waren de daarvoor 
noodige oplichtingen van den hefboom bepaald. Over het 
berekenen van den verrichten mechanischen arbeid wordt 
later gesproken. Bij de eerste tabellen hebben wy den 
tgd in trillingen der stemvork en in f|^ seconden aan- 
gegeven, bij de volgende hebben wij den tijd alleen in 
seconden aangegeven , uit de trillingen berekend. N^et de 
geheele spanning der veer werkte als overgewicht, daar de 
rustende gastrocnemius eene geringe spanning bezat. De 
graad dier spanning is voor iedere reeks aangegeven: 
door aftrekking kan men dus de grootte van het overge- 
gewicht vinden, 



197 



(3 

Q 
Q 

08 

o 

M 

u 



OQ 

Cd 

u 

u 

a 

08 

OQ 
O 
« 



iii, 

Ë B u 

Ijl' 


i 




fc^fH^CqiOeQCDaQOOCO 

t> oó t^ QÓ i> t« t«* 00 »' ad »' 





203 

2126 

19.6 

21.76 

19.8 

19.26 

20.1 

23 26 

23.0 

21.0 

22.6 


Dunr der latente 
periode. 


§ 

g 




s pH OÓ r-i ^ r-i -^ fH <Ó Oi «> « 


1 




>0(<*0>00»Or-lOO>0»0 
iH r-l iH f-l 


Mechaniiche 
arbeid 

in Centim.- 
gram. 


eóoóo!icóc<ir-i«ÖpHdÖ 


Hefhoogte 
in ' 
mm. 


dödcsooocicSöC) , 


Hoogte 

der carré 

in 

mm. 


^kboÓuD^OQpHrHGddcQ g 


4^ï i 

«2^ 1 


ga§§3ö3ö3S8Si 

rH iH r-l pH r-f © 




SSS8S8S8JS838 

^^ f"^ ^^ ^H ^H pH 


^ 
S 




vravo 


K 


fHe«ee4iaet»ao»Q>HCii 



198 



o«K@fe5MO«DOD«40»CR^ooSMOQDOD^o&oii^oobOM 1 Komn«r, 



SS n^ 



«O OO^Oö 0X1^09 60 o " ' ^ " ^ 



ü 

O» 
er- 

» 

Hf 

Cr- 



•T3 

8» 


►-• 

< 

8» 



oq 

8» 

B 
5 



g88gggg§8g88!§gg888§88888S 



hnt 
nu 



SSSSSSSSS?S3SSS8SS;S8^Së$; 












ooooooooooooooooooooopopp 

8 00 Q Erf»' S9QS&QCÖCCOO«0»«Dh^^O«l->Q0»-i»-'«0i>' M 



? ^ 






HU 



I 



fcob«obobto(oó»b«^b«c;«^b^óo^ggb«^öbgo 






S 

S 



) 



r 



8geSSSSg2gS2K8S8SëS8SSSSlSS 



Q0p0p00D^00GO0D0D0DpD5O^00^pD,«9Q0^Q0MQO;^Q0M 

iE^koi0C«coMMb«b9O«b9ÓocDC!O*4Mcnbï<CMb«c»S^coi^ 



I 



8 



«8 



199 



-3- 

>>i:£l 



8 



t 
f 

I 

I 



8 



II I 



s 



f 8 5 i 

n s n 



«SI I 



s|l i 



00 M eoeo«>«>t<*a»Qq 00 a>oo^a»eoc«a»c<-<*;ioiOo9e«-'pM-40oo 



ieooooiooooiooooooooioo»eootf)ioooooo 
i9eoiqie)^>Joo»t<;t«oeo<^-^OGOU3a»ioeoooioe«oootoo 









"^aoqcnr-aoaoofei-^eotooo^eO^feo^ao^iOeoooieoooc^ioooo 



000 000 ooödödcödööödööoöcödöóö 



g050e«0'*«'*ap«ccoO'*Qoo 



SS?£?^'^$'^®ccooo<^QOOao«oe«<^Qoe«iocoooo^e«'^ 
«o«>q»^o;qeo*tioqoOi5»^eJoSt^«oeSSwo^§SS« 
^•2^a»c«o»QOioo90«c^dió^'it'^eóiAo«Dt-^oÓQÓo»^.^ocó'^'4t 



^0l0«o^•oo^<-co900l9o^toco^ ^ooc^(N^ooo»aooc--»«i 



^'S S S2SS.PS55® O oooooooooooooooM 



>«d r« è» O ^ è<i O» ^ tba» 
i -^ <^ <^ iQ IA o lO >o m lO 



I ^ ^ ^ 1^ ^ ^ ^ f^ ^ ^Q^ 



•--ie4eo^iotDt<-oooo^e4ooi4'»o«Dt*aoo»o^e<io9<4<««i<*QOA 



200 



1 



a 

M 

•c 

P« 



ë" 






lil 

211 












aDt>aóaDO>ooooaDoóa6aoaDOioiaóa6a»a6AOOïa»a6< 



aot*a>ao99eot«QOcoi-4e90(i»oo»aQ^C9aoo«Da»ca9i( 



o>09qc^iocq«DC>t«qoeoiOkOi>;COb*fc«td<<«fe«oe3i 



d Ö Ó Ór-i iHpHrHrHGJ«iGiGiiodOÓadOÓeÓ0»G4ie«ioiC 



I 









^^ 



li'i 




^ 



•iavinoji 



iH iH 1-i d O* ö o' d ö d ö d ö ö d ö o" o' ö O ö ö < 






,Hi-lrHiHC^<N0909eoeQOOCQ 



00 A ö pH G<l ^lo 09 k« 00 oS Ö ^ C^ 
r-liHrHfHiHrHr-lfHrHG*«09G9 




<c<ioo-^»o«Ofc*oo»OfHeQeO'^«o«Dt*oo»Oi-He«fle 

i-^r-lrHrHrHr-lr-li-|i-«r-IO$0^e^9 



201 






>oaoaoaoAaoaoaoQoaoa&QOogbQda»a6oöaoo>QOa&ac)QÖaÓQ6adQdQdQÖaöa()QdQd 






5'^^^«^«^^«0«0q»^q00lOrH0f5C0t^»*lO«0Xt*00iH^i-lOlOlOlQiHrHO 






>OOiHiHiHrHiHrSö40iJe40Ó«c4cÖCQ0QCÓ0ÓGQiW0^«f-ïfHrHiHC>O< 



oia>oiocDoeooQ^ooo«< 






s kö eo ^ co »s 01 1« << 






^ r-lfHpHr-l©50ilC«C^««COC0COeQCO3«c5l«s!ifHfH-i?^ 



41 



>aOOO*He9eO^aO«t<.GQOlO'-^O90SJ»Q«Dfc2QQAO»^OqeO^iOCOb»QOO»O'H 



14 



202 



V. 

Be spier had voor de contractie O grammen 
spanning. 

De contractiea gescldedden om de halye minuut. 















TUd in 0.01 


MC. van bet 




AftBranc»- 


Bind 


EoogtH 


Hefhoogte 


AriMid 






mnning 
der tc«r 


Bpannittff 












6 


der »eeï 


dercnrra 


in 


in 






i 


In 


in 








tot aan het 


tot aan hel 


R 


grammen. 


grammea. 


Inmm. 


mm. 


Clentim.-gr. 


einde 
periode. 


maiimum 

▼an 
eontraetie. 


1 





220 


18.40 


0.92 


10 12 


0.61 


«.16 


2 


25 


256 


18.86 


1.02 


14.38. 


0.68 


6.16 


3 


60 


256 


16.78 


0.90 


13.77 


1.10 


6.17 


4 


76 


284 


16.62 


090 


16 16 


1.86 


6.88 


6 


mo 


282 


14.40 


78 


14.90 


1.56 


6.17 


6 


125 


294 


13.46 


0.73 


15.29 


1.71 


6.17 


7 


150 


810 


1?.60 


0.68 


15.64 


1.90 


6.54 


8 


175 


324 


11.30 


061 


15^2 


2.18 


6.50 


9 


200 


833 


9.86 


0.58 


14 02 


2.28 


6.46 


10 


225 


823 


7.36 


0.39 


1069 


2.70 


5.24 


11 


250 


335 


6.48 


0.35 


10 24 


8.00 


5.51 


12 


275 


355 


6.00 


0.32 


1008 


3.12 


6.39 


13 


800 


863 


4.38 


0.24 


7 95 


8.42 


6.05 


14 


825 


363 


2.76 


0.15 


5 61 


4 00 


6.50 


15 


850 


388 


2.66 


0.14 


5.17 


4 18 


6.46 


16 


875 


383 


O 70 


0.04 


1.52 


4.94 


6.46 


17 


400 




( 


Seene c 


oDtrac t 


ie. 




18 


876 


380 


0.80 


0.016 


60 


5 32 


6.17 


19 


850 


873 


1.50 


0.08 


2.89 


4 94 


7.15 


20 


325 


841 


1.36 


0.07 


2.24 


4 37 


6.46 


21 


300 


841 


3.00 


0.16 


6.13 


3.80 


6.16 


22 


275 


298 


1.84 


0.090 


2.84 


4.18 


6.17 


23 


250 


275 


1.96 


0.105 


2.7Ö 


3.95 


6.16 


24 


225 


273 


8 70 


0.19 


4.73 


3 88 


5.70 


25 


200 


271 


5.34 


028 


659 


2.75 


5.17 


26 


175 


262 


6.16 


038 


7.21 


2.41 


6.01 


27 


150 


248 


7.56 


041 


8.12 


2.36 


6.92 


28 


125 


225 


8.00 


043 


7.53 


2.20 


676 


29 


100 


230 


10.40 


0.66 


9 24 


1.75 


6.58 


80 


75 


226 


12.20 


0.66 


9 93 


1.59 


6.65 


31 


50 


208 


13 20 


0.71 


9.16 


1.18 


6.17 


82 


25 


154 


10 90 


O 59 


5.28 


0.91 


6.01 


88 





148 


12.60 


0.68 


5.03 


0.68 


6.01 



riiv. 





1 






-- 










— 






— 


"-- 







1 

1 












— 








- 








— 






— , 


r *. 
1 — 




\ 






— 










. ' 


[■ 




k\ 




















. ^ 








k\^ 


k 


























w 


\ 
























• 


r\ 1 

1 \ 


\\ 




























1 \\ 


\ 






















! 


— ^ — X^ 


\\ 


/ 


k. 


















j 




\^ 


/ 


s 


y 
















1 


•• 


V 





s^_ 


1 — w ■ 
















1 


1 


\ 




^ 


V \ 




I 
1 








, , -i 


^ I 




\ 




\\ 










* 1 


! 1 




N 


^!\ 


k\ 












\ 


j 1 
1 i 








\ 


V 




i 








1 

1 


I 1 








> 


\\ 








— 


! 


1 ' 1 




— 




\ 




s\ 




1 


1 




\ 


\, 


^^KJ 


1 

1 








' 1 








1 . 

1 


\ 


\ x\ 






1 




















\ 


> 


w 




1 














1 \ 


^ 


X 




1 














1 

t 


1 ^ 


^ 


^_ 




1 . 


1 ■ 




1 


1 


1 


^ 


















j 

1 




N 


^! 










1 




1 






^ 


, 


i 




1 




1 
1 






^ 












I 


1 








1 


h 

1 








1 1 
i '- 


1 1 

! 












1 


I 


■ 




' 1 
\ \ 1 


1 




i 





s 



o 
o 



t 

i 

4 



203 

De resTiltaten zgn in het algemeen dezelfde als de 
door Helmholtz yerkregene. Met de grootte der aan- 
yangspanning der veer is de duur der latente periode 
veranderl^kf en het l^dt dus geen twijfel , of het ontstaan 
van eene hoogere elastische spanning is aan het verloop 
van een zekeren t^d gehouden. 

In de eerste reeksen vinden wij voor de latente perioden 
in het algemeen grootere waarden dan in de volgende, 
misschien omdat voor de proeven, in de eerste tahellen 
vermeld, kikvorschen werden gebruikt, die reeds den 
geheelen winter waren gevangen en dus slechter gevoed, 
in één woord minder normaal waren. Voor den abso- 
laten duur der latente periode zijn die proeven daarom 
minder geschikt, voor de onderlinge vergelijking, in 
verband met de aanvangsspanning der veer, blijven zg 
van waarde. 

Vooral daarom hebben die twéé eerste reeksen betee- 
kenis, omdat er vele proeven met dezelfde spanning in 
voorkomen en wg dus door vergelijking de verandering 
4er latente periode kunnen vinden in den tijd voor 
hetzelfde overgewicht. In de eerste reeks neemt voor 
beide spanningen, de duur der latente periode toe, in de 
tweede neemt ze af. Te gelijkert^d zien wij de hefhoogten 
juist de omgekeerde verandering ondergaan, waarop wg 
in het volgende hoofdstuk terugkomen. Blijkbaar hangt 
het verschijnsel in de eerste reeks af van vermoeinis, in 
de tweede van toenemende prikkelbaarheid. 

In de volgende reeksen zien wij hiervan niets; de 
punten van vergelijking zijn daar echter ook te spaar- 
zaam gegeven. 

Dat echter na zoovele contracties (in de vierde reeks 
61) de vermoeienis zich nog weinig doet gelden, heeft 
zgnen grond voornamelijk daarin, dat bij onze methode 

14* 



204 

van pToefheming de stofwisseling in de spier behouden 
biyft en de normale voeding geene stoondssen ondervindt. 
Ook de in 't algemeen geringere duur, dien wij voor de 
latente periode vonden , is wellicht van dezelfde omstandig- 
heid afhankelijk. Vooral verdienen de proeven in de 
laatste tabellen onze aandacht, waarbij de veer geene 
aanvangsspanning had en dus geen overgewicht werd ge- 
bezigd. Daar is de latente periode bijzonder kort. Zg 
wordt nergens grooter dan 0.006 seconde en is eenmaal 
slechts 0.0038 secunde, terwijl het geringste door Helm- 
holtz gevondene cijfer 0.0073 bedroeg. In plaats van 
0.01 secunde zouden wij dus 0.005 sec. als gemiddeld 
moeten aannemen. 

In de vijfde reeks werd de aanvangsspanning der veer 
opgevoerd tot 400 grammen , bij welke spanning de spier 
zich niet meer kon verkorten. 

Het maximum van elastische kracht, dat zich in de 
spier kon ontwikkelen, was dus bereikt en wig zijn der- 
halve in staat het tijdelijk verloop van het aangroeien 
der elastische kracht tot aan het maximum na te gaan, 

In de nevenstaande figuur geven wij hiervan eene gra- 
phische voorstelling. 

De getallen op de ordinaten wijzen de elastische kracht 
in grammen , die langs de abscis den tijd in Vtoo seconden 
aan. Yoor ieder punt in de curven stelt de lengte der 
abscis den duur der latente periode en de hoogte der 
ordinaat de spanning voor, waarmede de verkorting begon. 

Wij zien drie curven geteekend , de eerste beantwoordt 
aan de proeven uit de eerste helft van tabel V, de derde 
aan die der tweede helft. De abscissen zijn bij de laatste 
allen grooter dan die der eerste, daar de spier door de 
vele contracties vermoeid g:eworden was. 

Tusschen deze twee curven zien wij eene door 



206 

eene dikkexe lijn voorgesteld, die de gemiddelde van 
beide is. 

Na de prikkeling verloopt er eerst een zekere tijd, 
waarin de elastische kracht nog niet begint te stijgen en 
daarom verlaten de curven de absois eerst bij de derde 
ordinaat. Zij stijgen vervolgens, kleine schommelingen 
vertoonende, met gelijkmatige snelheid on beginnen eerst 
aan haar einde langzamer te klimmen. 

Hieroit volgt, dat de elastische kracht aanvankelijk 
evenredig met den t^d toeneemt, doch dat nabg het 
maximum, voor dezelfde spanningsvermeerdeting meer 
tgd wordt gevorderd dan aan het begin. 

Het verder neerdalende verloop der curve kennen 
wig niet, daar de proeven geen licht verspreiden over de 
w^ze waarop de spanning der spier verdwignt. Waar- 
sch^Dltjk echter is het, dat de curve veel langzamer dalen 
eal, dan zig geklommen is. 

Immers b^ de geregistreerde spiercurven ziet men , dat 
het neerdalende gedeelte veel langer is, dan het opstij* 
gende en men mag daaruit besluiten, dat er meer tijd 
noodig is om de elastische kracht te doen wijken, dan 
er voor haar ontstaan werd gevorderd. 

De in de figuur voorgestelde curven mogen echter niet 
met de geregistreerde curven worden vergeleken , daar de 
eersten het stagen der spanning hg gelijk blijvende lengte, 
de anderen dat gedurende de verkorting aangeven , waarbg 
bovendien nog arbeid werd verricht. 

Wg zagen boven, dat daar, waar de aanvangsspanning 
nnl was, de latente periode slechts zeer kort duurde en 
het is nu de vraag of zg onder de gunstigste omstandig- 
heden , niet nog kleiner worden kan of zelfs tot nul kan 
worden gereduceerd. 

Beedfl had Helmholtz op de moogl^kheid gewezen, 



206 

dat de elastische kracht in de spier wel terstond na in- 
werking van den prikkel ging toenemen, doch aanvan* 
keiijk in zoo geringe mate, dat ze door het experiment 
niet kon worden aangetoond. Om ons hieromtrent zeker* 
heid te verschaffen , hehhen wij in verschillende richtingen 
proeven genomen. Eer wij die echter gaan beschreven, 
is het noodig, de verschillende momenten, die hierbij 
in aanmerking komen, nader te overwegen. Wanneer 
wij van een gering toenemen in spanning reeds beweging 
willen wachten , moeten wij zorgen , dat de spier den ge- 
heelen last, dien zij bg hare contractie zal moeten opheffen, 
ook in den toestand van rast te dragen heeft, zoodat 
hare elastische kracht gelijk is aan den te overwinnen 
weerstand. Met andere woorden, wij moeten eiken 
weerstand, die als overgewicht werkt, trachten te ver- 
mijden. De wrijving speelt hierbij de voornaamste rol. 
Haar ontstaan heeft z^ aan de beweging te danken: 
zij kan dns de spanning der metende spier niet vermeer- 
deren en moet bij de verkorting toch worden overwonnen. 

Die wrijving wordt aangetroffen vooreerst in ons toestel 
aan het asje van den hefboom en aan het pennetje op den 
cylinder, maar buitendien in de spier zelve. Immers bg 
hare vormverandering hebben er belangrijke verschuivin- 
gen harer elementen plaats. 

Het onderzoek moest dos aan het licht brengen, in 
hoeverre de duur der latende periode ook daar nog door 
het bestaan van een overgewicht kon worden veroorzaakt, 
waar wij meenden , dat de spier zich zonder overgewicht 
had verkort en of dus de latente periode niet geheel en 
al te elimineeren was, wanneer wg de spier lieten con- 
traheeren bij een minimum van weerstand. 

Er* was echter nog een punt te beschouwen , de moge- 
lykheid nameli}kf dat eene uiterst geringe vermeerdering 



207 

in spamung onopgemerkt blijven kan, bij eene reeds 
bestaande groote spanniog in de spier. Is dit waar , dan 
moet ook 9 wanneer men de verschillende spanningen der 
veer niet als overgewicht laat werken , doch door de spier 
laat gedragen worden, een verschil in de latente perioden 
worden gevonden. 

Bleek dat zoo te zijn , dan zouden wij eenig recht krij- 
gen tot het vermoeden, dat de aangroeiing, der elastische 
spanning onmiddelijk na de prikkeling begiat. Een stellig 
bewijs is het echter nog niet. Bleef daarentegen bij de ver- 
schillende belastingen de duur der latente perioden ge- 
lijk, dan verloren wg voor dat vermoeden allen grond. 

Wij trachtten dus bij de eerste reeks van proeven den 
weerstand, dien de spier te overwinnen had, op een mi- 
nimum te reduceeren en gingen daarbg op de volgende 
wgze te werk. 

De levende kikvorsch werd op eene horizontale plank 
bevestigd en de los-gepraepareerde en van het hielbeen 
afgeknipte pees van den gastrocnemius, werd doormiddel 
van een dun, kort, zijden draadje bevest^d aan een hef- 
boom, die een verticalen stand innam en om een hori- 
zontaal asje draaibaar was. Het aangrgpingspunt van 
den hefboom lag dicht bij het draaipunt en ter zelfder 
hoogte en in de onmiddelgke nabyheid van de pees. 

De hefboom had een labiel evenwicht en moest bij de 
minste contractie overhellen. Hij had een gering ge- 
vocht en schier geene' wrijving. Aan zgn top was een 
fijn pennetje bevestigd, dat op een horizontalen cylinder 
achrigven kon. De tijd werd geregistreerd door middel 
eener stemvork en het moment der prikkeling werd op 
zeer eenvoudige, mechanische w^ze aangegeven. Met de 
hand kon men namel^k een wipje omslaan , waardoor én 
de induceerende stroom werd afgebroken, én een pennetje 



208 

ter zgie werd geslagen, dat mede op den cylinder 
schreef. 

De prikkeling geschiedde op de hoven heschreven wijze. 
De eene der electroden was aan de naald verhonden, 
waarmede het dijheen was hevestigd, de andere liep in 
een zeer dnn koperdraadje uit, dat in het henedeneinde 
van de spier was gestoken. 

Hierh^ was schier alle wrgving voorkomen, de spier 
lag in de gladde huid en had hgna geen arheid te verrichten. 

De nitkomst van deze proeven was echter voor onze 
meening niet gunstig. De latente periode had namelgk 
een nog langeren duur, dan wij hij de straks heschreven 
methode' hadden gevonden. Z^ kon niet verder worden 
gerednceerd dan tot 0.008 seconden. Ook de proef met 
een nog lichter hefhoompje, dat niet meer woog dan 0.08 
gram. had geen heter resultaat. 

De latente periode was ook hij de verschillende op elka&r 
volgende contracties zeer ongeluk. Haar grootte hedroeg 
van 0.008 tot 0.016 seconde en het hleek, dat men langs 
dezen weg op geene hmikhare resultaten rekenen kon. 

Yoomamelijk was die ongunstige uitkomst wel daaraan 
te wijten f dat de spier nu inderdaad in den toestand 
van rust geene spanning had hoegenaamd. Na elke ver- 
korting moest ze met de hand worden uitgerekt. Wel* 
licht was ze dus vóór de prikkeling reeds korter dan 
het onderling evenwicht harer deeltjes vereischte en hegon 
dus het proces van contractie zich eerst te uiten, nadat 
de elastische kracht reeds eenigen tgd gestegen was. 

Wij gingen nu tot de tweede soort van proeven over, 
waarh^ wij de spier verschillende helastingen lieten dragen. 

Hiervoor werd de hovenheschreven toestel gehezigd. 
Het support werd verw^derd , daar w^ de spanning der 
veer niet als overgewicht mochten laten werken. 



209 

Wg lieten de spier achteieenvolgens met klimmende 
en daarna weer afnemende aanvangsspanningen contraheeren 
en geven de resultaten dier proeven in de volgende tabel. 
Ook Mer veroorloven w^ oüs de nitkomsten reeds nu 
in extenso mede te deelen. 



210 






Oi 1^ 1^ ^ 1^ *k ». ^ 1^ 1^ 00 00 09 ee o» ee co 09 o» o» to |s ie lo m m lo ko 



^^i.rfNrf»oio»0(Ooeooo9oeoeo90oioiON>»ONrfi->^^ 

IO€;>«CIO»OCI^OIOV«->IOIOC7*<^U« lOO •aC7*K>O^C2«rOO«4U«IO 

ocioo«oo<ooiOP«oo<oa<ou«oo«ootOO»oo«oc^og(Ou«o 









l^»i«Nrfl^lO|o^8tolOloooo»oooooo|^Ooeeo90eooOo»o^9lOtOlOle^9lo^ 
to^ïGo «o^olOl^a»o»co^lo^•>3moooODC}1|»k.^aooDoooDu«coc^lo»-'^^ 
^aDi^*4a»ODo»u»«oo900»iooeQD^o«co9«co»^too»«c;^cefeoaooDaD 



i-m 



0»tO>^0»*aa»GO-«^i-'GDi^OIOQOtO«QU«V^O)00»^C0009fOO<D-<lcO 






90^bftVb^bi<Dtooóo»oi^oa>bioao^bto»^QDioUbóoiOfOciib 
oo^*o«toood-QOoiK»- «ca»l^>^9u<»^o»o»-^^GotoM^9lou«QD•aoo 



^-1 



ooooooooooooooooooooooooooooooo 


li 


6«M»oMCOMcoó»ó^^^^ba»bè)^oö(»^óoeiiüi09M feo«o^« 


1 



•Di^eek9^öó<ob^<oü<a»^ ci^i^ b^bï^ b^b^b»o<oGob^b 






•^«OQDODQoppaDjDOpQOGOQDpT'T'Oeoe^^lOfeoooiooa^opT^T^ 
bb«o<(0bbibVbob^<ióoVbtfvö«&sQD^v«ioiikuitoQoö*#hó*b 



II 

■8 8- 



211 

Wg zien, dat de duur der latente periode vrij con- 
stant blijft. Zg varieert van 0.004 tot 0,007 sec. De 
kleine verscliillen , die hier worden opgemerkt zgn 
kleine schommelingen , die waarschijnlijk van de tijdelijke 
verandering der prikkelbaarheid of van andere niet nader 
te bepalen invloeden afhangen. Althans door de ver- 
schillen in spanning zijn zg niet te verklaren. Ook hier 
was dus ons vermoeden, dat ons tot het doen dezer 
proeven had geleid, gelogenstraft, en het schijnt bewezen 
te zgn, dat er tusschen de prikkeling en het begin der 
spanningsvermeerdering in de spier een zekere tijd ver- 
loopen moet. 

Intosschen meenen wg recht te hebben tot de verkla- 
ring, dat, zoo die tijd al bestaan moge,eene juiste bepa- 
ling er van onmogelgk is en tevens — zonder waarde. 
De resultaten zijn te zeer uiteenloopend en wg hebben 
geen waarborg of de graad van fijnheid van onze instru- 
menten niet hiervan de hoofdoorzaak is. 

Overal , waar er tgdsbepalingen worden vereischt omtrent 
de wgziging van een toestand, die schier onmerkbaar 
b^int, hebben wij met dezen hinderpaal te kampen. 

Zoo is het meten van de snelheid van den galvanischen 
stroom daardoor onmogelijk geworden. Het gold daar 
immers op eene bepaalde plaats in een geleiddraad de 
geringste vermeerdering in electrische spanning aan te 
wgzen en wg zijn slechts in staat den tijd te meten, 
waarin ze tot eene hoogte is gestegen, wier waarneming 
binnen het bereik ligt van onze hulpmiddelen. 

Zoo is het ook bij onze proeven , en het is te wachten, 
dat eene fijnere methode, bij voorbeeld met behulp van 
het licht, voor den duur der latente periode eene gerin- 
gere waarde vinden zal. 



212 



HOOFDSTUK II. 



In het vorige hoofdstuk hielden wij ons bezig met de 
ontwikkeling der elastische kracht in de spier: thans zal 
het onze taak zijn, op te sporen, in hoeverre de bij de 
contractie verrichte werktuigelijke arbeid afhankeljjk is 
van de grootte van den opgeheven Üsust. 

Niet alleen de absolute grootte van dien arbeid behoort 
daarbij te worden nagegaan, maar ook de tijd, waarin 
h^ wordt verricht; want, zoolang de last opgeheven blij ft, 
zal er chemisch arbeidsvermogen in de spier worden ver* 
bruikt, om de spanning te doen voortduren. Met het oog 
op den inwendigen arbeid der spier ia dus de duur der 
contractie geenszins onverschillig. 

Over deze punten kunnen de medegedeelde resulta- 
ten onzer proeven eenig licht verspreiden. Eer w^ echter 
tot de beschouwing dier uitkomsten overgaan, moeten 
wij nog vermelden, op welke wijze de verrichte arbeid 
werd berekend. 

In het algemeen wordt de arbeid bepaald door het 
product van hef hoogte en opgeheven gewicht. Daar w^ 
echter niet gewichten, maar eene elastisch gespannen 
veer lieten oplichten, wier spanning bij de opheffing 
stijgt, is het de vraag, welke spanning wij met de hef- 
hoogte moeten vermenigvuldigen. Het ligt voor de hand, 
dat wij de gemiddelde spanning moeten kiezen, en eene 
eenvoudige beschouwing zal de juistheid hiervan aan het 
licht brengen. 

Stellen w^ ons voor, dat aan eene veer, die eene 



«ia 

\rillekenrige spanniiig = c moge bezitten, door aan het 
spannend gewicht achtereenvolgens oneindig kleine ge- 
-wichten r=: p toe te voegen, eene grootere spanning 
^ordt verschaft, dan zal de elongatie der veer telkens 
met eene oneindig kleine grootheid e vermeerderen. Ten 
slotte zal dos het gewicht geUjk zijn aan c + np en de 
elongatie =? ne. De arbeid, die hierbij telkens wordt ver- 
bruikt, is gelgk aan het spannende gewicht maal de hef- 
hoogte en dns e (c + p) , e (c + 2p) , . . . e (c + np). De 
geheele arbeid is gel^k aan de som hiervan, waarvoor wg 
kunnen schrgven nee + ep (1 + 2 + 3 . . . + (n — 1) +n) 

, , ,.-1 • . /ii'+ïi\ «ne(2c+np)+nep. 
hetgeen gehjk is aan nee + ep [ — — | of — ^ ^ ^ 

Door —^ wordt een oneindig kleine arbeid voorge- 

steld, dien wij kunnen verwaarloozen en het overige 
der formule, in woorden uitgedrukt, beteekent: het 
product der hefhoogte met de spanning bij de halve 
hefhoogte. 

Katuurlgk geldt dit alleen, omdat de elongatie even< 
redig klimt met de elastische kracht en de elasticiteit 
eene volkomene is. 

Werpen wij thans een blik op de resultaten, die inde 
boven medegedeelde tabellen zijn samengevat. Yoor iedere 
contractie vinden wij daarin de waarden in getallen 
aaag^even, die wij voor onze beschouwing noodig 
hebben. 

Yooreerst de spanning der veer in grammen by den 
aanvang en bij het maximum van contractie, voorts de 
hefhoogte in millim. en den uit die drie grootheden be« 
rekenden arbeid in centimeter-grammen. Ten slotte de 
tyden, die er verloopen z^n van het moment der prik- 
keling tot den aanvang der contractie (latente periode) 



214 

en tot dat het mazmnm van verkorting is bereikt In 
tabel lY en YI is baarenboven de tijd aangegeven tiu- 
schen de prikkeling en het oogenblik, waarop de last 
zich op 0.9 der hef hoogte bevindt, én voor én na het 
mazimum van contractie, terwijl eindelijk in tabel lY 
ook nog aangegeven ia hoe lang de geheele contractie 
dunrde, de latente periode er onder begrepen. 

Bij de proeven, in de eerste vier tabellen med^;edeeld, 
had de spier een overgewicht op te lichten, hetgeen bg 
reeks YI niet het geval was. 

Yoorts zien wij, dat in de twee eerste reeksen de 
spier slechts twee afwisselende lasten behoefde op te 
heffen, terwijl in de drie anderen de spanning der veer 
voor iedere volgende contractie met eene even groote hoe- 
veelheid werd vermeerderd, tot op een maximum en dan 
weer op dezelfde wigze verminderd. Eindelijk valt nog 
op te merken, dat in de drie eerste reeksen eene zwak- 
kere veer werd gebezigd, waarmede geen grootere aan- 
vangsspanning te bereiken was dan 140 grammen. Yoor 
de twee laatste werd een veer aangewend , wier aanvangs- 
spanning tot op 375 grammen kon worden gebracht. Yoor 
iedere contractie is de tijd aangegeven, waarop zg plaats 
had, om te laten oordeelen over de snelheid, waarin de 
verkortingen elkander volgden. 

Terstond valt in het oog, dat de hef hoogte met het 
klimmen der aanvangsspanning afneemt Dit afnemen heeft 
echter niet regelmatig plaats en er zijn zelfs nitzonde- 
ringen opr dien regel te vinden. Niettegenstaande de 
hef hoogten afnemen, big ven de eindspanningen klimmen, 
hoewel ook hierop uitzonderingen voorkomen, hetgeen 
geene verwondering baren kan, want die eindspanning 
hangt van de hef hoogte en van de aanvangsspanning af. 
De mechanische arbeid, die door deze drie grootheden 



215 

wordt bepaald, vertoont eene andere w^ziging. Zg klimt, 
zooals wij in de drie laatste tabellen zien, aanvankel^k 
met de aanvangsspanning , doch neemt weldra af. Vooral 
is dat in de drie laatsten duidelijk, daar in de derde 
de spanningen der veer minder variëeren. 

Dat de eindspanning der veer de aanvangsspanning 
steeds overtreft, wijst op eene belangrijke toename van 
elastische kracht in de spier. 

Want bij het maximum van verkorting heeft deze 
eene veel geringere lengte en zonde dus, ware de lengte 
onveranderd gebleven, een nog grootere kracht vertoond 
hebben. Hoe groot die kracht zijn zoude , laat zich niet 
berekenen , waarschijnlgk is zij echter niet zoo groot als 
het gewicht, dat door de spier, zonder dat zij arbeid 
uitoefende, nog slechts even of juist niet meer kon worden 
opgelicht. Opmerkelijk ia het, dat bij de verkorting voor 
het ontstaan der elastische kracht meer tijd noodig is; 
want die tijd overtreft zelfs de langste latente periode zooals 
in tabel V te zien is. 

Ook uit de twee eerste tabellen volgt, dat de hef hoogte 
bij eene groote aanvangsspanning geringer is, doch dat 
daarbij nog geene noodzakelijkheid bestaat, om den ver- 
richten arbeid kleiner te doen uitvallen. Deze tabellen 
leeren ons echter nog iets, dat uit de andere niet kan 
blgken en hetgeen niet onbelangrijk schijnt, namel^k de 
verandering, die hef hoogte en verrichte arbeid ondergaan 
in den tijd bij telkens dezelfde aanvangsspanning. In de 
eerste reeks zien wij beiden voortdurend afnëlnen in de 
tweede aanhoudend stijgen. In de eerste tabel zien wij , 
dat bij de eerste contractie met een aanvangsspanning van 
15 grammen een arbeid van ruim 3 centimeter-grammen 
werd verricht, terwijl de arbeid bij de laatste contractie 
onder dezelfde omstandigheden slechts 0.5 centimeter- 



216 

grammen 'bedrog. Evenjsoo voor de aaDvangMipaiming 
van 100 gram. waarbij de arbeid gednxende tien con- 
tracties van 3 tot op 0.3 centimetergrammen daalde. 
Tevens zien wij» dat de latente periode, die voor beide 
spanningen natnnrlyk aanmerkelijk verschillen moet, voor 
iedere volgende proef, bij dezelfde spanning verricht, eene 
andere wordt en dat, terwijl hef hoogte en arbeid geringer 
worden, de latente periode toenemen gaat. 

In de tweede tabel zien wij jnist het omgekeerde van 
hetgeen wg in de eerste waarnamen. Daar stggt de 
hefhoogte en de arbeid biy beide aanvangsspanningen. 
B^ de eerste en de laatste contractie, die big eene spanning 
van 30 gram plaats hadden, zijn de hoeveelheden arbeid 
2.6 en 4.7 centim.-gr. terwijl zij voor die, welke b^ 
120 gram tot stand kwamen, 2.8 en 6.2 bedragen. — 
De latente perioden nemen daarbij af en verminderen 
voor de respectieve spanningen van 1.9 en 4.3 tot 1.5 
en 3.1 honderdste seconden. Wij zien hiemit ten duide- 
lijkste, dat de duur der latente periode veranderl^k is, 
en dat dan , wanneer de coDtractie later intreedt ook 
minder arbeid wordt verricht bij de verkorting. 

Wat nu de eerste reeks aangaat, zoo is die verminde» 
ring in hefhoogte waarschijnlgk te verklaren door de 
groote uitputting van het dier. Gedurende geruimen 
tgd waren er proeven gedaan met den anderen gastro* 
cnemius en hoewel in het algemeen de kikvorseben onder 
de proeven zeer weinig schenen te Igden, was juist in 
dit geval een langzaam doch vrij aanmerkelijk bloedver- 
lies, door verscheuring van kleine vaatstammetjes by 
het praepareeren , zeker daarvan de oorzaak. De stof- 
wisseling was derhalve op een minimum gereduceerd ea 
de verhoudingen, waaronder de spier werken moest, waien 
dus niet veel beter, dan die eener uitgesnedene, en 



217 

w§ weten, hoe snel daar de uitputting pleegt in te 
treden. 

De proeyen der tweede reeks werden onder gunstiger 
condities verricht. Niet alleen was al het bloedverlies 
vermeden, de kikvorsch was ook geheel versch en de 25 
in de tabel vermelde contracties waren de eersten, die van 
de spier werden gevergd. Het toenemen in den verrichten 
arbeid moet hier stellig op rekening worden gebragt van 
stagende prikkelbaarheid. 

Bg proeven met uitgesneden spieren ziet men eveneens 
aanvankel^k de hef hoogte stijgen, doch nadat eenige 
contracties hebben plaats gegrepen, gaat de hef hoogte 
afnemen, omdat de uitputting zich ras doet gevoelen, en 
juist in de gunstige verhoudingen, waaronder bij onze 
proeven de spier werken kan, licht de grond, dat de 
prikkelbaarheid zoolang blijft toenemen. 

Om van de resultaten, die hier besproken zijn een * 
gemakkelijk overzicht te verschaffen, hebben wij ereene 
graphische voorstelling van gegeven, die op de bijgevoegde 
platen te vinden is. De vgfde plaat heeft betrekking 
op reeks lY , de zesde op reeks YI. Letten wij vooreerst 
op de benedenste helft der platen. 

ledere ordinaat beantwoordt aan eene contractie en 
door verschillende hoogten der ordinaat van de abscis af 
gerekend zijn de waarden voorgesteld van de aanvangs- 
spanning en van de eindspanning der veer, van de hef- 
hoogte en van den verrichten arbeid. De afstand der hori- 
zontale lignen beantwoordt aan 100 grammen spanning, 
aan een centim.-gram arbeid en aan 0.2 mm. heflioogte. 
Door de correspondeerende punten in de ordinaten te ver- 
binden ontstaan curven van allerlei vorm. 

De twee roode stellen den gang der spanning voor; 
de benedenste, die de aanvangsspanning representeert, 

15 



218 

st^gt en daalt natuurlek gelijkmatig en moet dus eene 
rechte lijn worden, de andere stijgt en daalt eveneens, 
doch minder snel en ongel^kmatig. 

De blaauwe doet de verandering in hef hoogte kennen 
en wij zien, dat daar, waar de roode l^nen het meest 
naar de abscis naderen, de ordinaten door de blaauwe 
curve bepaald het langst zijn en omgekeerd , hetgeen vrg 
natuurlijk is, wanneer wg bedenken, dat bg groote aan- 
vangsspanning de hefhoogte kleiner blijft. 

De hoogten der ordinaten, door de zwarte curve bepaald, 
geven ons een beeld van den bij iedere verkorting ver- 
richten werktuigelijken arbeid. In die curve zien vt^ de 
grootste sprongen. Te meer vallen die in het oog, omdat 
vr^ voor de arbeids-éénheid eene vrij groote lengte- éénheid 
moesten kiezen , daar anders de curven te veel in elkander 
waren geloopen en een verward beeld hadden gegeven. 

Onmiddellijk blijkt ten eerste, dat de arbeid met groote 
schommelingen aanvankelijk met de aanvangsspanning 
st^gt en een hoogste punt bereikt, om daarna weef af te 
nemen, zoodat met de grootste spanning de geringste 
arbeid samenvalt, ten tweede, dat in de geheele curve 
eene helling van links naar rechts bestaat. In het begin 
komen de grootste arbeidshoeveelheden voor; later worden 
die ook bij gelgken last niet meer zoo groot. Dit is een 
noodzakelijk gevolg van de vermoeienis. Indien nu echter 
de arbeid afneemt, moeten natuurlijk ook de hef hoogten 
en de gemiddelde spanning kleiner worden (en dus ook 
de eindspanning), en de roode en blaauwe curve moeten 
dus dezelfde helling vertoonen. Bij nauwkeurige be- 
schouwing blijkt dit ook zoo te zijn: alleen valt het 
daar minder in het oog. 

Over de groote schonmielingen in de curve van den 
arbeid mogen vr§ ons niet verwonderen, afgezien daarvan 



219 

dat z§, zooals wig straks zeiden, zichtbaarder worden 
wegens de grootere hoogte der ordinaten, want, daar de 
arl^eid afhankelijk is van spanning en hef hoogte, znllen 
kleine schommelingen in gelijken zin in de andere curven 
alreeds groote in de curve van den arbeid ten gevolge 
moeten hebben. Maar tevens zal de laatste met die der 
hef hoogten meer overeenkomst moeten vertoonen, omdat de 
hef hoogte niet alleen direct maar ook indirect, door de 
spanning der veer te vermeerderen, op de grootte van 
den arbeid van invloed is. De curven op beide platen 
komen zeer goed met elka&r overeen; zij hebben volko- 
men denzeKden gang ten opzichte van de vermeerdering 
der. aan vangBspanniBg , en w^ ssien hieruit , dat de invloed 
der belasting op hef hoogte en arbeid dezelfde blijft, indien 
de last als ovei^ewicht werkt, of door de spier wordt ge- 
dra||[en reeds vóór de verkorting. Op de tweede plaat zijn 
al ie ordinaten van hefhoogte en arbeid wel is waar iets 
gerimger; doch dit zal stellig afhangen van de grootte en 
van de voeding der spier: absoluut gelgke resultaten zgn 
bij verschillende spieren nooit te wachten. 

Gaan wij thans na, wat er op te merken valt over 
het tydelijk verloop der contractie. In de tabellen vin- 
.^'êea wij de daarvoor noodige gegevens. 

Eeeds eene vluchtige beschouwing der geregistreerde 
- curven kan ons een denkbeeld geven van de groote verschil- 
len, die in dat verloop te vinden zijn, bij verschil van 
belasting, vooral naarmate zij als overgewicht werd aan- 
gewend of niet. Daarom geven wij in de volgende vier 
figuren eenige afbeeldingen van die curven, te meer, 
4aa3r hiermede gelegenheid gegeven is , over den graad der 
te bereiken nauwkeurigheid te oordeelen. 

Fig. 1 stelt eene curve voor, verkregen zonder aan- 
vangsspanning der veer; zij is ontleend aan de vierde 

15* 



Fig. L 




teeks, fig. 2 eene andere uit dezelfde reeks bij een 

Fig. 2. 




"ISinyangsspanning der veer van 375 grammen, terw^l 
'fig. 3 en 4, uit de zesde reeks genomen, curven voor* 

Fig. 3. 




stellen met eene aanvangsspanning van 50 en 375 gram« 
men. Bij de tweede was er dus oyergewicht, bij de 
drie anderen niei 



321 






Onder de ^ieronrven ê sien w^ de lijn ^ , 
4ie het peoneljje van den deotromotor 
schreef en tusschen deze twee de trillingen t 
der stemyork. Het moment der prikkeling 
beantwoordt aan het punt p waar w^ de 
benedenste Uj n naar beneden zien afweken. 

De wgze , waarop de verschillende waar- 
den , die wij noodig hadden, uit de gere- 
gistreerde curven werden afgeleid is een- 
voudig. 

Om den aanvang der contractiecurve 
nauwkeurig to/ bepalen, werd eenelineaal 
langs de abscis gelegd en met eene scherpe 
naald het punt aangeschrapt, waar de 
abscis in de curve overging. 

Op gelijke w^ze werd voor de lijn e het 
punt p bepaald, dat aan het moment der 
prikkeling beantwoordt 

Voorts werden er uit de gevonden punten 
loodlijnen op de absdssen getrokken, die 
de trillingen der stemvork sneden. Het 
aantal trillingen tusschen deze twee lood- 
Ignen bevat, stelt den duur der latente 
periode voor. Met eene loupe kon 0.1 
trilling worden geschat. 

Eindelijk moest de hoogte der curve 
worden bepaald en de tgd worden gemeten , 
waarin het maximum van contractie was 
bereikt. 

Hiervoor was het noodig den top der 
curve te kennen, welke met behulp van 
twee winkelhaken werd gevonden. De eene 
werd met een been langs de abscis ge* 



222 

legd en langs het andere been werd de tweede wisfftel- 
haak zoolang verschoven, tot dat diens aan de abtois 
evenwigdig been een niterst klein topje van de curve 
afsneed. Door dit topje midden door te deelen, werd 
de ware top bepaald. 

Onder de cnrve werd de abscis doorgetrokken, die 
het pennetje van den hefboom geschreven hebben zou, 
indien de spier zich niet had verkort. Uit den top 
werd eene loodlijn neergelaten op de abscis en met 
een schuif passer , waaraan een nonius is aangebracht, 
werd de hoogte der cnrve nauwkeurig gemeten. Voorts 
werd met de leugte van den hefboom als straal uit 
den top der curve een cirkelboog getrokken. Het 
middelpunt van dien cirkelboog lag in de abscis, daar 
de hefboom der spier een horizontalen stand innam. Uit 
het punt waar de boog de abscis sneed werd een loodlijn 
getrokken tot in de trillingen der stemvork. Zoodoende 
was het moment gevonden, dat aan den top der curve 
juist beantwoordde. 

Op soortgel^ke wijze werden de punten bepaald, die 
aan 0.9 der hefhoogte in het opstiggend en het neerda- 
lend gedeelte der curve beantwoorden en, met behulp 
van daaruit neêrgelatene loodlijnen , werd de da^bg be- 
hoerende tijd gevonden. 

In al de curven zien wij, vooral in het opstijgende 
gedeelte eigenaardige bochten, die van wrgving in het 
gebezigde toestel afhankeligk zijn. Wanneer wij de spier 
in plaats van de stalen veer een elastiekje lieten spannen 
bij de contractie , dan had de geregistreerde curve altijd een 
veel regelmatiger vorm, hoe groot de kracht van het 
elastiekje ook geweest z^n moge: een duiddijk bewijs, 
dat die bochten in onze curven niet door ^Mseimge 
wgzigingen in de spanning der spier veroorzaakt worden. 



/ 



223 

r-i, 

Fig. 5 geeft eene afbeelding van eene curve verkregen 
met aanwending van een elastiekje, 
dat eene spanning bezat van 17 
grammen. Zg behoorde tot een 
reeks proeven , vroeger in het phy- 
siologisch laboratorium genomen 
en werd ons door Prof. Donders 
welwillend afgestaan. 

De wrijving in het apparaat was 
op geenerlei wijze weg te nemen 
en de proeven op eene andere wgze 
in te richten was niet doenl^k, 
daar alleen deze methode, met de 
stalen veer en het exentriek, ons 
in staat stelde de contracties met 
verschillende belasting regelmatig 
en snel op elka&r te doen volgen. 
Dit gaf ons immers het recht de 
resultaten onderling te vergelijken, 
daar in zoo korten tijd geene be- 
langrijke wigzigingen in de spier 
tot stand kunnen komen en wij 
dus alleen met de allengs intre- 
dende vermoeienis te maken hadden. 
Daar die door de wrijving ontstane 
bochten echter den top der curve 
niet onbruikbaar maakten , konden 
^ ^^^^^^191^^1 ^ ^^^^ ^^ juistheid onzer resulta- 

ten geen afbreuk doen. 

De curven zijn zeer verschil- 
^ ^g^^^^^ lend in hoogte. Vooral in figuur 

' 2 ©n 4 zien wij, dat de hefhoogte zeer gering was. 

"Voorts zien wg bewaarheid, hetgeen omtrent den duur 




/ 



224 

der latente periode in het eerste hoofdstuk is gezQgd: . 
in figuur 1 bedraagt zg slechts eene trilling, terw^l zg 
in fig. 2 in het oogloopend lang is en voor fig. 3 en 4 
nauwelijks verschilt. Tevens merken wij een groot yer- 
scbil op in den vorm en de lengte der curven. Verge- 
lijken wij de curven, in fig. 2 en 4 voorgesteld, waar de 
veer in beide gevallen eene gelijke en wel eene groote 
aanvangsspanning had, is dit b^zonder duidelijk, want 
terwijl in de eerste de verkorting der spier slechts ge- 
ringen tijd aanhield en de pen weldra weer daalde tot 
de abscis, zien wij in de tweede, dat de verkorting 
een' aanmerkelijken tijd bleef voortduren en slechts lang- 
zaam week, waardoor het neerdalend gedeelte der curve 
slechts eene zeer geringe helling verkreeg. Het einde 
der curve is in de fig. zelfs niet te zien en om het af 
te beelden zoude stellig eene geheele en wel eene zeer 
langzame omdraaiing van den cylinder van het kymo- 
graphion noodig geweest zgn, waarmede dan ook alle 
tijdsbepaling in het opstijgende gedeelte der curven on- 
mogelijk ware geworden. 

Maar ook dan zoude het einde der contractie moeielgk 
te bepalen z^n geweest, omdat de lengte der spier bij 
iedere contractie verandert. Zoo vinden wij ook jn fig. 1 , 
waar de aanvangsspanning der veer gelijk nul was, en 
in fig. 3, waar zg slechts 50 gr. bedroeg, dat de curve 
de abscis niet weer bereikt. Daarentegen in fig. 2 , waar- 
aan eene contractie met groote aanvangsspanning als 
overgewicht te gronde lag, zien wij de curven in haar 
geheel tot stand komen. De geringere lengte dier curve, 
vergeleken met die in fig. 4 , is vooreerst af hankel^k van 
den grooteren duur der latente periode en voorts daarvan , 
dat de spier slechts een deel der elastische kracht behoefde 
te verUeaen, om de normale lengte we6r aan te nemen, terwgl 



225 

in fig. 4 de Moor den prikkel veroorzaakte spanningsver* 
meerdering geheel geweken moest zijn, om de verkorting 
te tennineeren. " 

Ook na afloop der curve in fig. 2 is er dus een tijd, 
dien men met de latente periode vei^elijken mag, waar 
namel^k verhoogde elastische kracht bestaat, die zich 
echter niet kan doen gelden, omdat zig door de spanning 
der veer wordt overtroffen* 

In al de curven ziet men dat de spanning langzaam 
-wigkt; want anders zoude de veer den hef boom plotseling 
naar beneden hebben gedrukt Het duidel^kst blijkt dat 
in fig. 4. 

Alleen waar een groot overgewicht gebezigd was, kun- 
nen wg dus het einde der verkorting bepalen. Daarmede 
is echter nog niet de ti)d gevonden, waarop de molecu- 
laire wigziging, die de verkorting veroorzaakte, een einde 
neemt, en uit hetgeen gezegd is volgt, dat dit tijdstip 
niet te bepalen is, maar dat het zeker een geruimentgd 
dnuit voordat de elastische kracht, door den prikkel 
in het leven geroepen, geheel is geweken. 

De phasen der golf zijn dus niet gelijk en de golflengte 
is derhalve ook niet nauwkeurig te bepalen. 

Gaan nfij nu de in de tabellen vermelde tijdsbepalingen na. 

Het begrip der contractiegolf , dat aan de geheele be- 
schouwing te gronde ligt, eischt, dat de gevraagde tijden 
gemeten worden van het moment der prikkeling af en 
niet van het b^in der verkorting. 

Dat is dan ook geschied. Alleen zou ons kunnen wor- 
den tegengeworpen, dat de golf eerst begint na het einde 
der absolute latente periode. Dit doet echter niets ter 
zake, want, zoo die al bestaan moge, is zij toch zeer 
klein , zoodat z$ verwaarloosd worden kan , waar het de 
b^müng geldt van veel grootere tgden zoo als die, waarin 



226 

het maximum van contractie is bereikt of de verkorting 
afgeloopen is. 

In de eerste tabellen, waar overgewicht werd gebezigd 
en de kracht der veer tusschen twee grootten afwisselde, 
ziet men , dat in het algemeen aan de grootste spanningen 
de langste tijden beantwoorden, noodig voor het bereiken 
van het maximum van contractie. 

De vermoeienis en de toenemende prikkelbaarheid schenen 
hierop weinig invloed te hebben: althans de verschillen 
in de getallen zijn te onr^elmatig, om eenig besluit te 
kunnen trekken. 

In de twee volgende reeksen van proeven , waar even- 
eens overgewicht werd gebezigd, waaxbi} echter de span- 
ning der veer regelmatig vermeerderd en verminderd 
werd, zien wij het in de eerste tabellen gevondene nog 
duidelijker: met de spanning der veer neemt de tgd toe, 
waarin zich de spier gaat verkorten. 

Ook de tgden, van het moment der prikkeling tot dat 
de last zich op 0.9 der hef hoogte bevindt, voor en na 
het maximum van contractie, die in tabel lY berekend 
zijn, klimmen en dalen met het overgewicht. Daarentegen 
zien wij in de laatste kolom, waar de t^d gemeten is 
tot aan het einde der verkorting, die verschillen niet 
Bg geringe aanvangsspanning zgn daar juist de grootste 
getallen te vinden, doch die verdienen het minste 
vertrouwen, want het einde der curve, was in die ge- 
valleu moeielijk te bepalen. Bij de 'geringste spanning 
was het zelfs onmogelijk, zoo als in al de proeven van 
reeks YI, waar geen overgewicht werd gebezigd. 

In de laatste reeks, waar de spier het gewicht te 
dragen had, zien wij de spanning der veer op de tgden 
geen invloed uitoefenen. In de eerste kolom zijn de ge- 
tallen nagenoeg gelijk, doch in de twee andere zien w^ 



227 

in de eerste helft yeel grootere waaiden, dan in de 
tweede, hetgeen met yexandeiing in prikkelbaarheid in 
verband moet staan. 

Ook van dit tgdsverloop geven w^ op de reeds ver- 
melde platen eene graphische voorstelling, en wg hebben 
daarvoor dezelfde reeksen van proeven gekozen als voor die 
van de hefhoogte en den arbeid. De b^ elkaar hoerende 
zgn jnist boven elkander geplaatst, zoodat iedere verticale 
l^n in haar benedenste helft de hefhoogte en den arbeid, 
in haar bovenste van dezelfde contractie het tgdelgk ver- 
loop leert kennen. 

De tgden zijn op de plaat aang^even door de hoogten 
der ordinaten. De afstanden tasschen de horizontale l^nen 
beantwoorden aan Vim sec. De beteekenis der curven be- 
hoeft schier geen nadere verklaring. De eerste geeft het 
einde der latente perioden, en w^ zien dat zg op de vijfde 
plaat (reeks lY) stggt en daalt met de aanvangs -spanning, 
doch dat zig op de zesde (reeks Y) in een rechte lijn 
is veranderd, wanneer men ten minste van kleine schom- 
melingen Inzien wil. Op de eerste plaat hebben de drie 
volgende cnrven dezelfde bocht als de eerste, doch min- 
der sterk uitgedrukt, terwijl de vijfde een tamelijk recht 
verloop heeft. De afstand der tweede en derde curve is 
groot er, dan die tusschen de derde en vierde, waaruit 
volgt, dat de spiercurve sneller rijst dan daalt 

Op de tweede plaat zien wij in de derde en vierde 
curve na de vijfde contractie eene snelle stijging, waarna 
beide curven een horizontaal verloop kragen en na de 
twaalfde contractie weer dalen tot op haar eerste hoogte. 
Haar verder verloop is parallel aan de abscis evenzoo 
als dat der tweede curve in hfsx geheel. 

De gevondene resultaten laten wig in 't kort volgenen 
merken hierbij op, dat bij de proeven, waaruit zij zijn 



238 

afgeleid, steeds een maximaJe inductde-slag als prikkel 
werd gebruikt. 

V. Met ket klimmen der belasting vermindert de 
hefhoogte. 

2^ Wordt de spier belet sick te verkorten, dan be- 
reikt de elastische kracht den hoogsten graad. Bg ver- 
korting stijgt zij , tot dat het maximum van contractie i« 
bereikt. 

3"". De mechanische arbeid stggt aanvankelgk met de 
belasting en bereikt bij ongeveer een derde van het op- 
hefbare maximum zijn grootste waarde, weldra neemt 
hig af en is bij de grootste belasting het geringst. 

4^ De tgd verloopende tusschen de prikkeling en het 
bereiken van het maximum van contractie is vrij constant , 
wanneer de last niet als overgewicht werkt. Is het laatste 
het geval, dan neemt die t^d toe met de belasting, doch 
in veel geringere mate dan de latente periode. 

5"". De tgd , waarin de elastische kracht der spier stggt, 
is geringer, dan die, waarin zg weer verdw^nt 

Eer wig dit hoofdstuk sluiten, zij ons nog eene korte 
beschouwing vergund. Het is namelijk de vraag of de 
grootere arbeid bij grootere belasting daarvan afhanke- 
lijk is, dat er meer elastisch arbeidsvermogen in de spier 
wordt opgewekt, dan wel daarvan, dat er van dat ar- 
beidsvermogen een grooter deel in mechanischen arbeid 
omgezet wordt. Met zekerheid laat zich dit niet uit- 
maken: onze proeven zijn er althans geheel ontoereikend 
voor. De moeielgkheid ligt daarin , dat men het elastisch 
arbeidsvermogen nooit bepalen kan. Het éénige wat men 
doen kan is te bepalen , hoeveel chemisch arbeidsvermogen 
verbruikt is , door na te gaan, hoeveel mechanische arbeid 
en warmte, die beiden hun ontstaan daaraan te danken 
J^ebben, b^ de contractie zijn ontwikkeld. Heiden- 



229 

haim) vond, dat de som van deze beiden klom met de 
spanning der spier en had dns alle recht te stellen, dat 
dezelfde prikkel meer chemisch arbeidsvermogen omzet, 
indien de belasting grooter is. Het is door hem echter 
nog niet bewezen , dat er meer chemisch arbeidsvermc^n 
in elastisch overging. 

In het algemeen wordt bij de verkorting van elastisch 
gespannen lichamen, waardoor een gewicht wordt opge* 
beven, niet al het arbeidsvermogen verbrmkt. Stellen 
wg ons een uitgerekte veerkrachtige koord voor, die plot- 
seling wordt losgelaten en daarbij verschillende lasten 
heeft op te lichten, dan zal de last, zoo deze geen eigen 
bewegii^ heeft, tot eene hoogte stggen, waar z^ even- 
wicht maakt met de spanning der koord. De meeste 
arbeid wordt dan verricht met een gewicht half zoo zwaar 
als de spanning der koord: b^ kleinere gewichten wordt 
het gewicht, bij grootere de hef hoogte te gering. Wg 
zien dns ongeveer dezelfde verhouding tusschen arbeid 
en last als wij bg de spier vonden. 

Bij de elastische koord gaan wij intusschen altgd van de- 
selfde spanning uit, terw^l bij de spier de graad der 
elastische spanning bg den aanvang der verkorting door 
het gewicht wordt «bepaald ; bg grootere lasten zal dus 
ook de spanning aanzienl^ker wezen, waaronder de con- 
tractie intreedt. Hiervoor behoeft echter niet meer che- 
misch arbeidsvermogen ten koste gelegd te worden; want 
v^ kunnen ons de zaak gemakkelijk zoo voorstellen, als 
volgt. De lengte, die de spier tracht aan te nemen na 
prikkeling, is voor iedere irritatie dezelfde, wat ook de 
last 2s^n moge. De graad van uitrekking is dus alt^d 



1) MechaniBche Leistang» Warmeentwieklung und Stoffamsai^ 
bei der Mnskelthëtigkeit. 1864. 



280 

dezelfde , maar de kracht, waardoor wij die uitrekking ons 
moeten denken geworden te zgn, is afhankelijk van het ge- 
wicht, dat opgelicht wordt, en daar het elastisch arbeids- 
yermogen het prodnct is van den graad dier uitrekking en 
van de kracht, waarmede zij tot stand kwam, zoo is de 
hoeveelheid van dat arbeidsvermogen ook van den last 
afhankel^k. Ook de overeenkomst in de curven, die op 
de platen de wijziging in den mechanischen arbeid aan- 
toonen, kan ons niet vreemd schenen. Of de last als 
overgewicht werkte of niet is inderdaad onverschillig. 
Immers bij den aanvang der contractie is hg gelyke 
aanvangsspanning der veer in beide gevallen ook de 
elastische kracht der veer gelijk en voor de grootte van 
den arbeid is alleen de kracht van de geprikkelde spier, 
niet die der rustende van belang. De arbeid zal dus bg 
verschil van belasting bg de spier nog meer verschillen 
dan bij de koord, maar toch denzelfden gang moeten 
vertoonen in die verandering. 

Dat de warmteontwikkeling klimt met de belasting, 
kan ons niet bevreemden, daar wg zelfs niet weten, in 
welk verband de warmteontwikkeling staat tot de wording 
van het elastisch arbeidsvermogen. Het is zeer wel moge- 
lijk, dat beide processen aan verfijphillende wetten zgn 
gebonden. Volgens de meening van Prof. Donders,') 
moet de elastische spanning , die na het maximum van 
contractie nog bestaat , in warmte overgaan , en in zooverre 
is dus het ontstaan van warmte onafscheidelijk aan dat 
van het elastisch arbeidsvermogen gebonden, doch behalve 
deze hoeveelheid warmte wordt er nog veel meer bg de 
contractie in 't leven geroepen, want anders zoude juist 



1) I^ederL Archief voor Genees* en I^atnnrkonde door F. C. 
Donders en W. Koster, Deel I, pag« 82. 



231 

bg grooten mechanisclien arbeid een kleine temperatnurs- 
verhooging in de spier worden waargenomen, en het ver- 
band tnsschen die overige warmte en de elastische kracht 
kunnen wij niet gissen. 

Heidenhain had dns volgens onze overtuiging geen 
recht in zijn resultaten een bewijs te zien voor de onjuist- 
heid van het gevoelen van Web er, en hij gaat te ver 
waar hij zegt: 

„Alles drangt mich also zu der Behauptung, dass die 
KrUfte vermöge deren der Muskei aus der unthatigen in 
die thSltige Form übergeht, andrer Natur und andem 
Ursprungs sind, als die elastische Kraft, vermöge deren 
ein gedehnter Gummifaden zusammenschnellt, wenn die 
dehnende Kraft zu wirken aufhört. Web er 's Theorie, 
die so vielen Thatsachen gerecht geworden, ist unver- 
einbar mit einer Reihe andrer Thatsachen und verliert 
desshalb ihren bisher uneingeschrankten Werth." 

Immers de physische definitie van veerkracht big ft van 
toepassing op de kracht , die aan de verkorting te gronde 
ligt, al is deze ook veranderlijk en al heeft zg voor haar 
ontstaan chemische omzetting noodig. 

Het duidelijkst blijkt dit uit de woorden van Wilh. 
Weber, die door Volkmann') worden aangehaald: 

„Man nennt Elasticit^t bei einem festen Körper die 
Ursache der inneren KrSfte, welche den aüssem auf den 
Körper wirkenden Kraften (Anziehung der Erde, Druck- 
und Zugkrafte an der Oberflache) Widerstand leisten. 
Hiemach hë^ngen alle inneren KrSlfte zun&chst von der 
Elasticiteit ab, was nicht hindert, dass die Elasticitat 
selbst, wieder von andem XJrsachen abhangig gemacht 
werde z. B. van den Reizen. Beize modificiren dieElas- 



I) Archiy für Anat. und Phyi. ron Joh. Muller, 1868. 



ticit&t und darch dieselbe die elastischen Er&fte ebenso, 
wie die Temperator. Sowie man aber bei eiaem elaati* 
scben Drahte nicht nnterecheiden kann zwischen Tempe- 
laturspannung und elastischer Spannnng des Drahtes, 
sondem die ganze Kiaft der Spannnng znnachst anf 
Kechnung der Elasticitat setzen muss, die aber selbst 
wieder in Abh^gigkeit von der Temperatnr steht, 
ebenso darf man nicht beim Mnskel zwischen contrac- 
tiler nnd elastischer Eraffc nnterscheiden , sondem mnss 
stets die ganze Eraft der Mnskelspannnng znnachst anf 
Bechnnng seiner Elasticitat setzen, kann letztere aber 
sehr wohl nach gewissen Gesetzen der Contractilit&t von 
der Keiznng der Mnskeln abhtogig denken." 

Men zal dns altgd goed doen, om de krachten, die in 
de spier hnisvesten , elastische te noemen , om niet door 
eene geheel willekenrige onderscheiding in de grond- 
begrippen, waarop onze kennis der spierwerking is ge- 
bouwd, onnoodig verwarring te brengen. 



HOOFDSTUK III. 



Het lag in ons plan , de verschillen aan te toonen 
in de contractie-cnxven , die men b^ totale en b]| plaat- 
selijke prikkeling der primitiefbnndels verkrijgt en te 
dien einde zonden de beschreven proeven worden herhaald 
met dit verschil, dat, in plaats van de spier zelf, haar 
beweegzennw werd geïrriteerd. Zooals wy reeds in de 
inleiding zeiden, kwam dit plan niet tot nitvoering, om- 
dat het aan te groote bezwaren verbonden was. 



883 

Die bezwaren lagen ten eerste in de onbestendigheid 
der galvanische batterij en ten tweede in het gevaar van 
nnipolaire ontladingen. 

De proeven werden naar dezelfde methode ingericht. 
Zooals op de teekening te zien is, liepen de draden der 
secnndaire spiraal van het inductietoestel naar eene 
Pohl'sche wip, van waar dan twee draden naar de spier 
en twee andere naar de zenuw gingen. De twee laatsten 
eindigden in dunne platinadraden , waar men den nervys 
ischiadicus op leggen kon. 

Door het omleggen der wip kon dus, 6f de zenuw, óf 
de spier worden geprikkeld, om zoodoende achtereenvol- 
gens telkens twee, onder overigens gelijke condities vol- 
brachte contracties te kunnen registreeren. 

Zoodra nu echter de wip den voor de zenuw-irritatie 
vereischten stand innam , begon de spier zich voortdurend 
te -verkorten, en er ontstond zelü nu en dan voorbijgaande 
tetanus. Zoodra de wip omgelegd werd, kwam de spier 
tot rust — een bewijs , dat de oorzaak der contracties 
in den galvanischen stroom moest worden gezocht. De 
primaire keten was natuurlek vóór de proef altyd ge- 
sloten, omdat voor de prikkeling een openingsslag noo- 
dig was. 

De Grove'sche elementen bleken dus onvoldoende te 
zqn en wij namen onze toevlucht tot cellen van Daniell 
en daarna tot die van Meidinger, die echter allen even 
inconstant waren. 

Bij de gevoeligheid eener kikvorschspier zgn er dan 
ook uiterst geringe stroomschommelingen noodig, om in- 
ductiestroomen te weeg te brengen, die contracties ten 
gevolge hebben. 

Die aanhoudende verkortingen verdwenen eerst bij ^ 
groeten afstand der klossen, waarbij de prikkel te zwak 

16 



234 

was, om groote overgewichten te doen opheffen en die dus 
voor ons doel niet kon worden aangewend. 

Blijkbaar waren er, zoolang die stroomschommelingen 
aanhielden geene proeven te doen, want al was de spier 
eens een oogenblik rustig, zoo wist men toch niet, of zij 
niet juist op het oogenblik, waarop de induceerende 
stroom geopend werd , reeds in een geprikkelden toestand 
verkeerde en dus reeds elastische spanning bezat. Die 
njiuwkeurigheid , welke het doel vereischte, was dus 
niet te bereiken en wij moesten van die experimenten 
afzien. 

Het tweede bezwaar waren de unipolaire werkingen. 

Deze berusten daarop, dat de spauning der elec- 
triciteit aan de einden der electroden bij het ontstaan 
van den inductiestroom te groot wordt, omdat de slecht 
geleidende zenuw een te groeten weerstand biedt. De 
electriciteit vloeit dan langs de zenuw en de spier af 
naar den grond en werkt als een directe prikkel. Om 
zich van het bestaan dier unipolaire werkingen te over- 
tuigen snijdt men de zenuw door tusschen de electroden 
en de spier en kleeft de einden weer aan elkander. De 
prikkel kan zich nu niet meer voortplanten; iedere con- 
tractie, die dus nog ontstaat, is het gevolg van het 
afvloeien van electriciteit. 

In het algemeen geldt de regel, dat het praeparaat, 
om die storende unipolaire werkingen te vermijden, vol- 
komen geïsoleerd moet zijn. Waar men gebruik maakt 
van uitgesneden spieren is dit vry gemakkelijk; in ons 
geval kon dit echter niet in genoegzame mate plaats vin- 
den, omdat de geheele kikvorsch werd gebruikt en deze 
onmiddellijk aan het hout van het toestel was bevestigd. 
, Wij plaatsten nu het geheele apparaat op glas en beves- 
tigden de pees door middel van een glazen haakje aan 



336 

den hef booDL Dit was echter nog niet voldoende en 
daarom beproefden ¥rg na een diaad» die met de water* 
leidingsbnizen van het laboratorium in verband werd 
gebracht tegen het afgesneden stok der zenuw aan te 
leggen j naast de electroden, om de naar de spier afvloeiende 
electriciteit af te leiden, en behaalden hiermede reeds 
een groot voordeeL Het bleek echter , dat het doel even 
goed werd bereikt, door dien draad direct met eene der 
electroden te verbinden. Zonder het apparaat goed te 
isoleeren , voorkwam die inrichting de unipolaire contracties 
nog niet, en alleen dan bleek het voldoende geïsoleerd 
te zijn, wanneer het op een verwarmd glas stond. 

Sij nauwkeurig onderzoek was ook bg geheel versche 
praeparaten geen spoor van eene unipolaire contractie 
meer te bespeuren; men behoefde echter den kikvorsch, 
of eenig deel van den toestel slechts aan te raken, om 
ze terstond te zien verschijnen. 

De prikkel had bij die inrichting niets van zijne sterkte 
verloren en de methode had goede diensten kunnen be- 
wezen, wanneer ook het andere straks vermelde bezwaar 
had kunnen uit den weg geruimd worden. 

Wij gingen uit van de voorstelling, dat de prikkeling der 
bewe^zenuwen eene locale prikkeling der primitief bundels 
ten gevolge had, van waar uit het contractieproces zich 
moest uitbreiden. Yoor den vorm der curve is het echter 
geenszins onverschillig of ieder primitiefbundel één of 
meer zenuweindigingen bevat, en daar hieromtrent slechts 
weinig was bekend, hebben wij eenige microscopische 
onderzoekingen in het werk gesteld. 

Door de onderzoekingen van Bouget, Kühne, £n- 
gelmann, en anderen is de w^ze, waarop de zenuw 
in de spieren eindigt, nauwkeurig aan 't licht gekomen. 

Bij de onderscheidene diersoorten bestaan er in die 

16* 



236 

wijze van eindigiiig aanmerkelijke verschillen : het essen- 
tiëele echter, het karakteristieke, is overal één en hetzelfde, 
dat namel^k de zennwvezel het sarcolemma doorboort 
en direct met den inhoud van den primitiefbnndel in 
aanraking komt. 

Alléén door Kühne schijnt onderzocht te zijn hoeveel 
zennweindigingen in eenen primitiefbundel worden waar- 
genomen. Hij spreekt van 7—9 en geeft daarvan ook af- 
beeldingen. De vergrooting, die door hem hiervoor werd 
gebezigd, was uiterst gering, slechts 20 maal, en daar- 
mede is het volstrekt onmogelijk een zenuwvezel van een 
bloedvat met absolute zekerheid te onderscheiden, en het 
schijnt ons het waarschijnlijkst toe, dat zulke vei^ssia- 
gen bij Kühne dikwijls hebben plaats gegrepen. 

Voor dit onderzoek is het noodig de primitiefbundels 
volkomen te isoleren en wel op eene wijze, waarbg de 
zenuwen zoo weinig mogelijk worden veranderd. Alleen 
die praeparaten verdienen natuurlijk vertrouwen, waar 
men aan de spiervezel twee natuurlijke einden waar- 
neemt. 

Vooral bij warmbloedige dieren breken de vezels licht 
af en tevens zgn zg veel minder gemakkelijk te isoleeren. 
De groote fijnheid van die vezels maakt, dat zij met de 
uiterste omzichtigheid moeten worden behandeld. 

Het meest hebben wij van kikvorschspieren gebruik 
gemaakt, doch ook eenige spieren van ratten en muizen 
zijn door ons onderzocht. 

De methode, die wij het doelmatigst vonden, was de 
volgende. De spieren bleven 24 uren in eene ruime 
hoeveelheid verdund zuur liggen en werden daarna ge- 
durende één of twee dagen in gedestilleerd water op 
Sb"" Celsius verwarmd. Doorgaans werd zwavelzuur 
gebezigd en wel volgens het voorschnffc van Kühne: 



237 

een deel op 10000 deelen water. Het bleek echter, dat 
eene verhouding van 1 op 4000 meestal betere resultaten 
gaf. Ook verdund azijnzuur werd aangewend; dit was 
echter minder doelmatig. De spieren werden, na zoo 
behandeld te zijn , geschud en de primitief bundels werden 
daardoor vrg goed geisoleerd en de zenuwen waren dui- 
delijk te zien. Deze laatsten werden nog duidelijker , 
wanneer de geisoleerde vezelen nog 24 uren in zoutzuur 
(1 op 1000 deelen water) gelegen hadden. 

Voor het onderzoek gebruikten wg eene vergrooting 
van 300 maal. De uitkomsten waren de volgende: 

40 onderzochte vezelen van den musc. sartorius van den 
kikvorsch hadden allen slechts ééne zenuweindiging, die 
in het midden van den primitiefbundel lag, met uitzon- 
dering van vier vezels, waar de zenuw vier mm. van het 
niteinde in den vezel indrong. 

17 Primitief bundels van den musc. gastrocnemius had- 
den eveneens slechts eene zenuweindiging, die altijd dicht 
bg het uiteinde werd gevonden. 

Daarentegen bij den musc. adductor werd 33 maal ééne 
en 31 maal 2 zenuweindigingen waargenomen. 

Was er maar ééne, dan lag die in het midden, waren 
er twee, dan werden zij op ongeveer Vs en '/3 der lengte 
van den primitief bundel gezien. Hierbij verdient opge- 
merkt te worden, dat de voor deze spier bestaande zenuw- 
stam zich in twee deelen verdeelt, die elk afzonderlek 
op verschillende plaatsen in de spier indringen. 

Bij de warmbloedige dieren is het onderzoek minder 
gemakkelijk. Slechts kleine dieren zijn voor het doel 
geschikt. Bij grootere zijn de primitief bundels te lang, 
om ze goed te isoleeren, zonder ze te scheuren. 

Ook hierbij werd dezelfde methode gevolgd. Bg 22 
volkomen Qnbeschadi|;de priipitief bundels uit den musc. 



240 

ongeveer Va der lengte vasthoudt; aan het ondereinde is 
de spier door middel van een glazen haakje A aan een zeer 
licht hef boompje verbonden. De tijd en de prikkel wor- 
den geregistreerd op de boven beschreven wijze. De eene 
der electroden c is met de bovenste klem verbonden , die 
door tusschenvoeging van een stuk ivoor i van het metalen 
pilaartje is geïsoleerd , de andere d wordt in de spier inge- 
stoken op ongeveer 1 mm. afstand van de klem. De I 
prikkel moet dus tot aan de benedenste klem zijn voort- 
gegaan, om het onderste gedeelte der spier te doen con- 
traheeren. Op de scala kan men dien afstand aflezen. 
Bij de verschillende proeven kan men de onderste klem 
telkens een anderen stand geven, zoodat het stuk spier, 
dat aan de verkorting geen deel neemt en den prikkel 
geleidt, een andere lengte verkrijgt. Het geldt dus lè 
bepalen, hoeveel tijd er verloopt tusschen de prikkeling J 
en het begin der contractie en uit de verschillen van die 
tijden de geleidingssnelheid te berekenen. [ 

Het bleek, dat men ook hier veel gevaar loopt door j 
unipolaire werkingen onbruikbare resultaten te verkrij- 
gen, en dat hier ook de toestel zoo volkomen mogel^k 
moest worden geiaoleerd, en ten tweede dat de prikkel ! 
zeer zwak moest genomen worden. j 

Indien maar altijd dezelfde prikkel werd aangewend, 
had dit weinig bezwaar. De latente periode bleek bij 
zwakkere prikkels aanmerkelijk in duur toe te nemen. 

De eerste proeven mislukten allen, omdat niet de 
noodige zorg besteed was, om de unipolaire prikkeling te 
voorkomen, en voor een uitgestrekt ondeizoek bleef ons 
te weinig tijd over. Wij bepalen ons derhalve tot het 
mededeelen der resultaten van ééne reeks experimenten, 
die met den musculus sartorius van den kikvorsch ziji^ 
genomen. 




'^ «•• m"m 



--i 1 _T 

1^* 100 » 50 Zi 



241 

De getallen geven de trillingen der stemvork aan ge- 
durende de latente periode. 

De onderste klem werd nu eens geheel opengeschroefd , 
en dan weder werd de spier er ingeklemd op 1 centim. 
afstand van de in de spier gestokene electrode. De spier 
kan zich dus in het eerste geval vrij verkorten en in het 
laatste moest de prikkel eerst een weg van een duim 
lengte doorloopen , eer hij het onderste vrije gedeelte der 
spier bereikte. De kleinere getallen beantwoorden dus 
aan de eerste, de groote aan de tweede methode: 
1). 5.3 4). 5.4 

2). 3.— 5). 3.25 

3). 5.75 6). 3.5 

7). 3.65 
. Het gemiddelde verschil bedraagt dus 2.13 trillingen 
en daar 263 trillingen in de seconde werden volbracht, 
is dus voor de geleiding in een centimeter ongeveer 0.01 
seconde noodig, wat met de resultaten van Aeby vrij 
wel overeenstemt. 



VERKLAEING DER PLATEN. 



Iedere ordinaat beantwoordt aan eene contractie. 

In de benedenste helft der platen zijn de lengten der ordinaten , 
door de verschillende curven bepaald, van de abscis afgerekend, 
de uitdrukking voor de aanvangs- en eindspanning der veór , voor 
de hefboogte en voor den arbeid, terwijl in de bovenste helft 
der platen , waarvoor de dikkere horizontale lijn als abscis geldt, 
door de curven op iedere ordinaat verschillende momenten van 
bet contractieprocc^ worden bepaald* 



242 

De beteekenis van iedere curve is ter zijde van de plaat aan- 
gegeven. 

De aanvangsspanning der veer, die op Let verloop van al de 
curven van invloed is, is aan den voet van iedere ordinaat voor 
elke contractie in getallen uitgedrukt, zij ^ is echter ook door de 
benedenste roodc lijn voorgesteld en de onderlinge afstand der 
twee roode lijnen beantwoordt dus voor elke contractie aan de 
spanningsvermeerdering, die gedurende de verkorting plaats had. 

In de eerste plaat, die naar de vierde tabel is vervaardigd, 
werkt de spanning der veer als overgewicht, in de tweede, 
waaraan de zesde tabel te gronde ligt, had ook de rustende 
spier de spanning der veer te dragen. 



DE DESCENSUS TESTICULORUM. 

DOOB 

Dr. J. G. VAN DEE LITH. 



{Met Plaat. 7.) 

De descensus testiculorani is^een onderwerp i waarover 
reeds gedurende meer dan eene eeuw vele meeningen ge- 
uit en talr^ke onderzoekingen in het werk gesteld zijn, 
zonder dat het laatste woord daarover nog gesproken is. 
Keeds bij een oppervlakkig onderzoek omtrent dit proces 
blijkt het, dat de geopperde meeningen en resultaten te 
veel verschillen, dan dat zij met de waarheid overeen- 
komstig zouden kunnen zijn. Eenige onderzoekingen , 
omtrent den descensus testiculorum in het werk gesteld, 
gaven mij de overtuiging, dat de klassieke nasporingen 



243 

en beschouwingen van hem, die voor meer dan eene 
eeuw hierover zijne denkbeelden bekend maakte van 
Hun ter, bijna geheel met de waarheid overeenkwamen. 
Zij schijnen echter grootendeels vergeten te zijn, terwijl 
nieuwere onderzoekingen en hypothesen die van Hun ter 
verdrongen hebben. Zoo maakte voor twintig jaren 
E. H. Web er eenige onderzoekingen bekend, die, evenals 
zgne proeve van verklaring van dit proces, in vele 
opzigten nieuw mogen genoemd worden. Een ander in 
den laatsten tijd verrigt onderzoek is dat van G lel and, 
dat door Kolliker meer algemeen bekend is geworden, 
maar van Web er' s theorie zeer afwijkt; terwijl eindelijk 
Curling eene, op langdurige waarnemingen gegronde, 
hypothese heeft verdedigd, die noch met Web er* s noch 
met Gleland's hypothese overeenkomt; van Hun ter 
hoeren wij echter slechts den naam in het gubemaculum 
Hunteri, terwijl zijne beschouwingen niet vermeld, doch 
ook niet weerlegd worden. 

Het is mijn doel, hier in het kort uiteen te zetten, 
tot welke uitkomsten eenige onderzoekingen door mij onder 
leiding van Prof. Koster ondernomen, en die in mijn 
academisch proefschrift uitgebreider zijn medegedeeld, 
hebben geleid. Een kritisch onderzoek der belangrijkste 
hypothesen, een op nieuw ter sprake brengen der hypo- 
these van Hun ter en een onderzoek omtrent den oor- 
sprong van het gubemaculum, waren het hoofddoel van 
dezen arbeid. Niemand dan ik kan er sterker van over- 
tuigd zijn, dat een uitgebreider onderzoek, vooral naar 
het eerst ontstaan van het gubemaculum , nog zeer noodig 
is, om tot een juist inzigt te geraken, doch men zal 
inzien dat hiertoe een lange rij van embryogenetische . 
onderzoekingen noodig zijn, waartoe doordien zij levendba- 
lende dieren betreffen, een aantal jaren zouden noodig zijn. 



244 

Wij zullen hier slechts de drie voornaamste nog ver- 
dedigd wordende hypothesen, die van Weber , Gleland- 
Kölliker en Curling, beschouwen; na die van Hunter, 
vermeld te hebben. Wij moeten over het algemeen kort 
zijn , zoodat wij vele zaken als bekend of bewezen veronder- 
stellen 1) die in ons proefschrift, uitvoeriger zijn behandeld. 

Voordat wg tot de beschouwing der hypothesen over- 
gaan, zullen wij eerst eenige minder bekende organen, 
en in de eerste plaats het gubemaculum , nader beschouwen, 
om ten slotte het proces zel^ zooals het ons waarschijnl^k 
voorkomt, nader uiteen te zetten. 

A. Vergelijkend-anat<miich$ opmerkingen: antwüieling van 
iet gubemaculum^ van het ecrotumf enz. 

De mannelijke geslachtsklier, bal genaamd, ontstaat in 
de buikholte, terwijl hij bij pasgeborenen en volwassenen 
buiten deze, in een zakvormig orgaan is gelegen; deze 
verandering van ligging van den bal wordt met den naam 
van descénsus testiculorum bestempeld. 

De naam is niet juist; de bal toch daalt niet neer, 
maar stijgt in de meeste gevallen naax boven, daar het 
foetus meestal met het hoofd naar beneden is gelegen. 
Andere gebruikte benamingen, zooals „plaats verandering,*' 
„locomotion ," „passage of the testicle into the scrotum'' zijn 
evenmin juist, omdat een actief proces aangeduidt wordt, 
hetgeen evenwel in de meeste gevallen niet plaats vindt. Wg 
zouden hierom het woord „liggingsverandering" verkiezen, 
ofschoon wij het woord „descénsus", neerdaling, dat reeds 
door het gebruik recht van bestaan heeft, zullen behouden. 



1) Bijdragen tot de kennis van de aiekelijke ontwikkeling der 
orgona uro^enitalia en den normalen deacenaus teaticulorom 1867. 



245 

De deelen die bij den descensus in aanmerking komen, 
zgn de bal, met bijbal en vas deferens, het gubema- 
cnlum Hunteri, het lieskanaal en het scrotum. Een dezer 
organen, het gubemaculnm Eunteri, wordt bg een foetus 
met neei^edaalden bal niet meer aangetroffen. Het is door 
Hun ter het eerst beschreven en door bijna al de latere 
schrijvers in verband met den descensus gebracht. Het is 
echter zeer te bejammeren dat wij er zoo weinig van 
vorsten, daar een juist inzigt, in zgne ontwikkeling ons 
eene groote schrede verder zou brengen. Wij laten hier 
volgen , hetgeen wij er van hebben nagegaan , waarbij de 
ontwikkelingsgeschiedenis van de geslachtsorganen als be- 
kend verondersteld wordt, waarvoor wg naar Kölliker's 
„Entwicklungsgeschichte" verwgzen; slechts het scrotum 
zal ook nader behandeld worden. 

Wij brengen hier vooraf in herinnering welke de lagen 
zgn, die bg eene doorsnede door het scrotum en den bal 
worden aangetroffen en welke de oorsprong dezer lagen is. 

1 De opperhuid. 

2 Het coriutJt, 

3 Het onderiuidsiindweefsel ; dit bestaat bijna geheel 
uit ongestreepte spieren (tunica dartos) ; eene dunne 
laag bindweefsel treft men aan de binnenzijde aan. 

4 Een zeer dun peewlies (fascia Cooperi). 

5 Eene laag dwarsgestreepteapierbundeh (m. cremaster). 

6 Een duidelijk peesvlies (tunica vaginalis communis). 

7 Een teeivlies (tunica vaginalis propria parietalis.) 

8 Een weivlies (tunica vaginalis propria visceralis). 

9 De albuginea en de bal zelf. 

De tunica vaginalis propria visceralis en parietalis is 
een deel van het peritonaeum; tusschen beide bevindt 
zich eene holte, die geheel overeenstemt met de holte die 
tusschen de pleura costalis en visceralis, het peritonaeum 



246 

parietale en viscerale enz. bestaat. Zij communiceert bij 
een 7 maanden oud foetus nog met de buikholte door 
middel van een eng, buisachtig verlengsel van het buik- 
vlies. Bij pasgeborenen is dit verlengsel meestal volkomen 
gesloten, zoodat de communicatie tusschen beide holten 
niet meer bestaat. De tunica vaginalis communis is een 
verlengsel van de fascia transversa abdominis, die even 
als het peritonaeum ook het buisvormig verlengsel om- 
geeft. De m, cremaster is een verlengsel van den m. 
obliquus intemus (en transversus?). De fascia Cooperi 
is bij den volwassene meestal slechts bij het aanwezig 
zijn eener hernia duidelijk zichtbaar; het is een verlengsel 
van het peesvlies van den m. obliquus extemus. 

De bal, door zijne hier gemelde lagen omgeven , ligt by 
het 7 maanden oude foetus los in de nu volgende lagen, 
welke laatste by een 5 maanden oud foetus alleen worden 
aangetroflfen , terwijl de bal en de gemelde lagen zich 
alsdan nog in de buikholte bevinden, en hunne plaats 
door eene sterke ontwikkeling van bindweefeel — dat 
later tot eene kleine laag inschrompelt — wordt inge- 
nomen. Bij den volwassene vindt men strookjes bind- 
weefsel tusschen de fascia Cooperi en het bindweefsel der 
nu volgende laag uitgespannen. 

Het onderhuidsbindweefsel is een vervolg van dat der 
huid van het onderlijf; het kenschetst zich, doordien 
het spierweefsel zeer op den voorgrond, het bindweefsel 
zeer op den achtergrond geplaatst z^n. Het corium en 
de opperhuid is evenzoo een vervolg van de huid van het 
onderlijf. 

Het scrotum is dus morphologisch niets anders dan een 
aanhangsel der bekleedselen van het onderlijf; hare holte 
een aanhangsel van de buikholte. 

Gaan wij nu na in hoever wij hetzelfde bij de overige 



247 

dieren derzelfde type» bij de gewervelde dieren vinden. 
Dit is echter minder gemakkelijk dan men oppervlakkig 
meenen zon, daar in de voor mij toegankelijke werken 
vele elkaar tegensprekende meeningen zijn opgeteekend, 
waamit het mij veeltijds moeijelijk was te kiezen ; eenige 
eigene onderzoekingen gaven mij echter hier en daar 
een, zooals ik geloof, jnister inzigt. 

Met den man komen eenige (vele?) soorten der Quadru- 
manaj de Aond^ de iaiery de hengêt^ de 9iier^ e. a. 
overeen, d. i. dat de ballen in een scrotum liggen, met 
dit onderscheid , dat het bnisachtig verlengsel , processus 
vaginalis, gedurende het geheele leven open blijft. Men 
heeft hierin weder een onderscheid tusschen mensch en dier 
gezien, doch geheel ten onregte, daar bij den chimpanzee 
(Owen),den«i^<?fetf (Camper), eenen anderen aap (CkJiw 
Apella) (Hunter) en zelfs bij den opoMtm (Hunter), de 
processus vaginalis volkomen gesloten is en dus niet van 
Homo sapienê verschilt. Vele soorten van Quadrumana zoo- 
wel van de eigenlijke apen als van de halfapen hebben geen 
scrotum; de ballen liggen nog binnen de buikholte, of er 
buiten, bij den annulus extemus. Bij den oiUr^ civethat^ 
zeeiond^ is evenzoo geen scrotum, maar liggen zij bij den 
penis onder de huid van het perinaeum, of in het lies- 
kanaal ; de kameel, dromedaris en lama zouden evenzoo geen 
scrotum bezitten, ofschoon Emmert bij den eerste een 
scrotum gevonden heeft Het varken heeft de ballen 
onder de huid van het perinaeum, en bezit evenals do 
geheele orde, met uitzondering van den iapir^ geen 
scrotum. 

Deze zoogdieren hebben dus eenen bal die zich buiten 
de buikholte bevindt, en of in een scrotum is bevat, of, 
waar dit ontbreekt, onder de algemeene huid of in het 
lieskanaal is gelegen. Wij vonden slechts bij één aap 



248 

opgegeven dat de bal binnen de buikholte lag; er zijn 
echter verscheidene zoogdieren waarbij dit laatste voor- 
komt. Als zoodanig worden opgegeven: de MonoiremaUi^ 
Mentata^ Cetacea^ Sirenia, Minoeeros, MepAoê, Byrax en 
de Pinnipedia. Van de laatste betwijfel ik het; van de 
Edentaia komen zekerlijk verscheidene soorten met eenen 
buiten de buikholte zich bevindenden bal voor. Bg hen, 
alwaar de ballen niet buiten de buikholte treden, komt 
geen scrotum voor. Eindelijk komen de 3 andere klassen 
van gewervelde met deze laatste zoogdieren overeen , daar zij 
alleden bal in de buikholte hebben en geen scrotum bezitten. 
De behandelde zoogdieren onderscheiden zich wat de 
geslachtsorganen betreft van de nu volgende, door een 
algemeen kenmerk: dat de ballen gedurende het geslachts- 
rijpe leven niet van plaats veranderen. Bg de Olireê^ 
Inseciivoraj ChiropUra (en Marsupialia? 1) veranderen de 
ballen van ligging, een proces dat met het foetale der ge- 
noemde zoogdieren (behalve gelgk van zelf spreekt van die, 
waarbij de ballen voortdurend in de buikholte big ven) 
overeenkomt, m. a. w. de descensus testiculorum heeft 
bij die dieren meermalen plaats. Gedurende den brons- 
tijd 2) treden de ballen zij naar buiten , om na afloop dezer 

1) Voor zoover wij in de, trouwens niet ruime, gelegenheid 
waren, genitalia van Marsupialia te onderzoeken, en uit hetgeen 
uit de literatuur mij bekend werd, is het mij zeer onwaarschijnlijk 
geworden dat bij die zoogdieren deze Terhouding zou bestaan; 
Gegenbaur geeft het echter op. Dat het bij den opotMum 
onmogelijk is, zal duidelijk zijn; wij zoudon ^^ MannpialiaMeyeT 
plaatsen naast den kater en de andere, boTcn gemelde zoogdieren. 

2) Omtrent het konijn heerscht nog Terachil ran meening of 
de ballen gedurende den bronstijd naar binnen of naar buiten 
gaan; de in den tekst vermelde meening is mij het waarschijnlgkat» 
wanneer men er slechts bij in aanmerking neemt, dat bij zeer jonge 
konijnen de bal reeds naar buiten treedt. Zie m^ne Disaert. p. 73. 



249 

periode in het onderligf terug te keeren. Zij komen ge- 
durende den bronstijd in een zoogenaamd scrotum of onder 
de huid van het perinaeum te leggen; bij het eenige we- 
ken oud kon^n liggen zij in de liesstreek. 

Wg hebben zoo even de uitdrukking „zoogenaamd 
scrotum" gebruikt, en moeten de reden daarvan op- 
geven. Het scrotum van den meusch is een verleugsel 
van de bekleedselen van de buikholte en komt als zoo- 
danig met dat van het konijn overeen, zoodat men mor 
phologisch het regt heeft in beide gevallen van een waar 
scrotum te spreken. Genetisch komen echter beiden in 
geenen deele overeen, waarop zoover ik weet door Gegen- 
baur het eerst gewezen is 1). Hij onderscheidt een 
scrotum , dat eene uitstulping der ligchaamsbekleedsels bij 
den annulus extemus van het lieskanaal is en een scrotum, 
dat door de verder ontwikkelde, bij het embryo voor- 
komende geslachtsplooijen is gevormd. 

Bi} de Marsvpialia zou het eerste voorkomen. Het 
scrotum dezer dieren bevindt zich voor den penis , bij den 
annulus extemus, geheel van den penis afgescheiden, 
welke laatste vlak voor den anus is gelegen. Dit is 
echter slechts een toevallig verschil, en hangt daarvan af 
of de penis naar voren groeit en zich onder de symphysis 
pubis vasthecht zooals bij den meiiscA^ hond^ êiier e. a., 
dan wel of h^ de oorspronkelijke achterwaartsche rigting 
bl^ft behouden, hetgeen bij de glires en marsupialia plaats 
heeft 2) , terwijl de geslachtsplooi bij alle oorspronkelijk 
vóór den penis is gelegen. Het eenigste waarop het aan- 
komt ^ is: bestaat er eene geslachtsplooi bij de Marsupialia? 



1) Grnindzüge der Tergleichenden Anatomie p, 697» 
^ G.Cu vier Levens d'anatomie comparée, 2>ne édition VIII 
p. 196. 

17 



250 

Zoo ja, dan behooren zij tot de tweede afdeeling. Het 
onderzoek van 2 embiyonen van THdelphys (lengte van het 
achterhoofd tot den staartwortel 10'"; van het achterhoofd tot 
de punt van den neus 4"') en van een foetus van Hahna- 
turus Benetti (lengte 4" — 1"), mij tot onderzoek door Prof. 
Koster afgestaan, bewezen mij, dat er geslachtsplooijen 
voorkomen, daar bij het mannelijke embryo, wiens ballen 
in de buikhglte waren, reeds eene ^"^ lange, \^^ breede 
verhevenheid voorkwam, die gedeeltelijk door de huid 
omgeven was; zij stak c. |"' naar buiten uit; b^ het 
vrouwelijke was van deze verhevenheid niets te zien J ). Dit 
bewijst genoegzaam, dat de meening van Carus, dat 
die verhevenheid eene soort van navel is, ongegrond is, 
daar zij alsdan ook bij het vrouwelijke embryo moest 
voorkomen. Bij het andere foetus waren de ballen reeds 
in het 4|'" lange scrotum, waarbij men moeijelijk aan 
eene vorming door den bal zelf kon denken, O wen 
spreekt niet over het ons bezig houdend onderwerp^ doch 
het blijkt, dat hij eene nederdaling van den bal in een. 
scrotum aanneemt , en dus moet het scrotum reeds vooraf 
gevormd zijn. 

Wij zijn het dus in dit opzigt niet met Gegenbaur 
eens, al erkennen wij de juistheid der verdeeling. Bij de Glireê 
komt, gelijk wij zagen, slechts zelden een scrotum voor; • 
waar dit voorkomt (konijn^ kaas) wordt het door den bal 
gevormd, want bij pasgeborenen is er niets van te ont- 
dekken. Dit bewijst, dat het scrotum van het ianijn^ 
en de oplichting der huid waaronder de ballen van de 
overige glires , en van vele andere zoogdieren liggen, slechts 
in graad verschilt, terw^l daarentegen er een essentieel 
verschil tusschen deze en tusschen het scrotum van den 

l)Fig. 6. 



251 

mensch, hengst enz. bestaat, daar het laatste reeds bij 
het embryo -voorkomt, en zonder hulp van den bal wordt 
gevormd. 

Het medegedeelde leert ons, dat het scrotum voor de 
neerdaling van den bal niet noodig is , maar dat de bal bij 
gemis van een waar scrotum, vroeger (bij den annulus 
extemus), of later (perinaeum) liggen blijft en als nu in 
sommige gevallen (o. a. bij het konijn) de huid uitstulpten 
een oneigenlijk scrotum vormt, waarin de mensch nu en dan 
met de genoemde dieren overeenkomt, wanneer de bal, 
zooalssomt^ds plaats heeft, in het perinaeum komt te liggen. 

Bij het varken liggen de ballen niet in een scrotum; 
Kathke 1) heeft echter aangetoond dat bij het embryo 
geslachtsplooijen voorkomen, terwijl ik vond dat bij het 
konijn hetzelfde plaats heeft; bij 6'' lange embryonenwas 
er slechts eene kegelvormige geslachtsverhevenheid, maar 
bij 10" en 11'" lange waren de plooijen duidelijk aanwe- 
zig. Zg verdwenen echter , evenals bij het varken , zoodat 
bij bijna voldragene foetus geen spoor over is. De ge- 
slachtsplooijen evenals de geslachtsverhevenheid bestaan 
uit embryonaal bindweefsel (slijmstof Rathke); zij zijn 
uitgroegingen van het bindweefsel dat den buikwand vormt 
waardoor de opperhuid en het corium worden opgeligt. 
De dunne laag bindweefsel die men bij den volwassene 
aantreft is een overblijfsel van dit weefsel. 

Gaan wij nu over tot een ander orgaan, het gubema- 
culum. Bij een embryo, dat het Wolffsch ligchaam en de ge- 
slachts klier bezit, vindt men eenige plooijen van het buik- 
vlies, dat nog uit eene laag cellen bestaat. Bij een 10''' lang 
konijnenembryo kan men met Eölliker onderscheiden 2) : 



1) Abbandlung zur Büdang»>nnd Entwicldnngsgeschiclite I p. 67. 

2) Entwicklnngsgescliichte p. 438. 

17* 



252 

het mesenterium van het Wolffsche ligchaam, dat als 
bovenste grens op het middelrif uitloopt, aldus de middel- 
rifsplooi vormende ; het mesenterium van de geslachtsklier 
(mesorchium , mesovarium) , dat als bovenste grens in het 
middelrif uitloopt, weder eene middelrifsplooi vormende, 
na vooraf met die van het Wolffsche ligchaam te zijn 
zamengekomen , terwijl de onderste grens zich tot op den 
Wolffschen gang uitstrekt en eene zeer duidelijke plooi 
vormt, welke zich aan dezen gang vasthecht, juist boven 
de plaats alwaar het zoogenaamde gubernaculum Hunteri 
zich op dezen gang inplant. Eindelijk onderscheidt 
Kölliker de liesplooi van den Wolffschen gang, dat is 
het latere gubernaculum Hunteri, die wij echter om de 
volgende reden niet als eene op zich zelf staande plooi 
van het baikvlies beschouwen. Het peritonaeum ontstaat 
eerst nadat de darmen leeds gevormd zijn, als eene 
„Differenzirung" der inwendige cellagen der gespletene 
zijplaten 1). Hieruit vloeit voort, dat eene plooi van 
het peritonaeum nimmer ontstaat, wanneer niet vooraf 
een orgaan, dat door de inwendige lagen der gespletene 
zijplaten bekleed is, zich ontwikkeld heeft, óf ook, zooals 
bij de boven vermelde middelrifsplooi van het Wolffsche 
ligchaam wordt waargenomen, dat bij het achterblijven 
in groei van het Wolffsche ligchaam het mesenterium 
dezer klier, die zich tot het diaphragma had uitgestrekt , 
zich even ver blijft uitstrekken, ofschoon de. klier niet 
meer zoo ver reikt. Dit heeft echter niet plaats met de 
plooi die naar het lieskanaal loopt Deze bestaat reeds 
zeer vroeg, wanneer het Wolffsche ligchaam nog niet 
verkort is, en verschilt ook in dikte van de dunnere 
middelrifsplooi. Om welk orgaan het peritonaeum zich 



1) Zie Kölliker. O. o. p. 366. 



253 

ontwikkelt is echter zeer moeielijk te zeggen, omdat 
omtrent het ontstaan der liesplooi zeer weinig bekend is. 
Bathke zag de liesplooi, m. a. w. het gnbemacnlum 
Hunteri, bij zeer. jonge embryonen van het TarJcen. aan 
het Wolffsche ligchaam vastgehecht 1) ; hij beschrijft het 
aldus: „op het tijdstip dat de geslachtsklier ontstaat of 
iets later, vormt zich ter weerszijde van het embryo eene 
buikvliesplooi ; deze plooi hecht zich met het eene einde 
aan den buitenkant van het Wolffsche ligchaam vast,- op 
eenen kleinen afstand van het eind van dit ligchaam, 
terw^l het andere einde tot aan de aanduiding van den 
arcus pubis reikt en bijna aan de uitwendige zijde der 
arteria umbilicalis grenst. Spoedig hecht zich deze plooi 
op den Wolffschen gang vast, en ontstaat er binnen het 
bovenste gedeelte dier plooi een vezelachtig weefsel, terwijl 
binnen het onderste gedeelte zich slijmstof ophoopt ; beide 
deelen gaan echter onmerkbaar in elkaar over." Joh. 
Muller beschouwde het gubemaculum als eene buikvlies- 
plooi die zich aan het Wolffsche ligchaam en den over 
dezen loopenden gang vasthecht; de plooi zou eenen 
bundel vezelen binnen zich bevatten 2). Jacobson, 
zag het gubemaculum slechts als eene buikvliesplooi 
aan 3). Valentin eveneens 4) ; doch doordien volgens 
hem de geslachtsklier uit eene buikvliesplooi ontstaat i 
geeft hij aan het woord buikvlies eene andere beteekenis 
dan bij het volwassen ligchaam; er kan in die liesplooi, 
die aeussere Falte, evenals in de andere, die Falte der 



1) Beitrage zur Oeschichte der Thierwelt. lY. p. 76. Abhand* 
longen zur Bildungi- und SntwickelungsgeBchichte. I. p. 69. 

2) BildungsgeBchichte der Genitaliën p. 69. 

3) Die Okensche Körper oder die Primordialnieren. 1830. p. 11 
aangehaald in Valentin' s Entwickelungsgeschichte p. 370. 

4) Entwickolnngsgeschichte. p. 387. 



254 

keimbereitenden Geschlechtsoi^ane , de aanleg van eenig 
ander orgaan gevonden worden. Bischoff zag het 
gubernaculum aanwezig terwijl het Wolfifsche ligchaam 
nog in volle ontwikkeling was, de geslachtsklieren nog 
weinig ontwikkeld waren 1); hij beschrijft het als eene 
buikvliesplooi die tnsschen zich eenige vormingsstof be- 
vat, en wijst er op, dat de natuur van dit orgaan niet 
bekende is; in zijne latere onderzoekingen is dit orgaan 
door dezen schrijver echter niet verder onderzocht 
Kölliker beschouwt dit orgaan, gelijk wij hebben ge- 
zegd, als eene buikvliesplooi; doch later zegt hij, dat 
in de derde maand het gubernaculum eene vezelige streng 
is, die eene plooi van het buikvlies bezit 2). Daar het 
gewone buikvlies nimmer eene vezelachtige streng vormt, 
bewijst dit al weder dat er een ander orgaan aanwezig 
is geweest, dat ten tijde van het 18" lang vrouwelijk 
rundembryo nog niet gevormd was, maar waarvoor de voor- 
waarden (de cellen) reeds aanwezig moeten geweest z^n. 

Dit is, voor zoover ik weet, het hoofdzakelijke van 
hetgeen bekend is, daar men over het algemeen weinig 
op het gubernaculum schijnt gelet te hebben. Bischoff, 
zeide ik reeds, heeft bij zgne speciële onderzoekingen er 
geene bepaalde opmerkzaamheid aan geschonken f) ; 

1) Entwiokelungsgoschichte dor Saugethiere und des Me^ischen. 
p. 858. 

2) O. c. p. 4i54. 

t) Hot volgondo kan o. a, het gezegde bewijzen. Terwgl 
Kölliker het gubernaculum bij een 18'" lang rundembryo af« 
beeldt 1), beeldt Joh Muller het bij een even lang schaapem- 
bryo niet af 2). Op grond van de laatste ^beelding zou men al 
lichtelijk beweren, dat het bij een zoo groot embryo niet bestond, 
ofschoon geheel ten onregte. 

1) O. e. p. 438, fig. 215, 1. 

2) O. o. PI. UI, fig. 3, 4. 



255 

C 08 te ^ die bij het onderzoek van het Wolffsche ligchaam 
goede gelegenheid gehad heeft, deed het evenmin. Bij 
den MenscA is over de eerste vorming nieta bekend ; bij 
het 35 dagen ond embryo door Cos te beschreven is het 
niet vermeld , doch bij het 8 weken ond , door Kölliker 
afgebeeld, menschelijk embryo komt het duidelijk voor 1). 
Bij het onderzoek van e. 6'" lange konijnenembryonen 
trof ik het gnbernaculum Hunteri reeds aan. Het Wolflf- 
sche ligchaam strekte zich tot het middelrif uit, doch 
het bovenste gedeelte was dunner dan het overige, dat 
met de gesla^htsklier was bezet. De lijnvormige geslachts- 
klier was jj'" lang. De Wolffsche en MüUersche gangen 
waren gescheiden door een weefsel, dat van eene andere 
kleur dan het Wolffsche ligchaam was; zij liepen in eene 
halve spiraal aan den ' achterkant van het Wolffsche 
ligchaam. De laag cellen , die de buikholte en de overige 
ingewanden bekleedt — het latere peritonaeum — be- 
kleedde nog niet het geheele Wolffsche ligchaam. Het 
digst bij den staart gelegen gedeelte en de beide gangen 
nadat zij het Wolffsche ligchaam verlaten hebben — die 
alsdan éénen stam, de genitaal streng, vormen — lagen 
naakt. De plaats alwaar het peritonaeum — zooals wij 
deze cellaag zullen noemen — zich van onderen van het 
Wolffsche ligchaam begeeft en op den buikwand over- 
slaat , ligt digt bij de arteria umbilicalis , terwijl de beide 
gangen aan de binnenzijde der arteria umbilicalis ver- 
loopen 2). Wanneer men nu het peritonaeum tracht te 
verwijderen, gelukt het overal, behalve juist aan de 
buitenzijde van de arteria umbilicalis, daar men bij die 
poging den buikwand mede opheft. Het geheel heeft 



1) O. o. fig. 213. 

2) Men Torgelijke fig, 4 der Plaat. 



256 

alsdan met eenen zandlooper overeenkomst; de eene helft 
wordt door het trechtervormig toeloopend peritonaeum 
gevormd , de andere door den evenzoo trechtervormig toe- 
loopenden bnikwand. De geheele lengte van dezen zand- 
looper is c. Y". Deze verhouding bewijst, dat het peri- 
tonaeum op die plaats veel steviger met den buikwand 
verbonden is dan op eenige andere plaats; dit moet plaats 
hebben door cellen, die in allen geval van de omliggende 
verschillen, en dus de aanleg van een bepaald orgaan 
kunnen zijn. Daar wij nu bij 10'" lange embryonen een 
orgaan aantreflFen, meer ontwikkeld, doch nog op dezelfde 
plaats gelegen alwaar de gemelde vasthechting zich be- 
vond en dit laatrte duidelijk het gubemaculum Hunteri 
is, mogen wij hetgeen wij bij het 6'" lang embryo zagen 
als het eerste begin van het gubemaculum aanzien. 

Het gubemaculum Hunteri hechtte zich bij de door 
ons onderzochte 10"' lange embryonen aan den Wolfschen 
gang vast; bij de 6"' lange embryonen bestond die vast- 
hechting niet. 

Bij de 10*' lange konijn-embryonen bleek het duidelijk, 
dat het gubemaculum op dien leeftijd (ruim 14 dagen) 
geene liesplooi is, zoo als Kölliker van een 18"' 
lang, waarschijnlijk ouder 1), embryo beweert 2). Bg 
eene trekking aan het gubemaculum ontstond de in 
figiT 3 11 en 11 afgebeelde figuur ; ware het eene plooi van 
het peritonaeum, zoo zoude zij in het midden gescheurd 
zgn, doch nimmer zoude de Wolflfsche gang overlangs 
gespleten kunnen worden en hierdoor de in de figuur 
afgebeelde verhouding opleveren. Het gubemaculum ont- 

1) Dezo uitspraak berust niet op de lengte, maar op de ver- 
houding van het Wolffsche ligchaam, de geslachtsklieren en de 
nieren, zooals uit onze afbeelding genoegzaam blijkt. 

2) O. c. fig. 215, i. 



257 

sprong kegelvormig uit de buikspieren , liep strengvormig 
naar den Wolffschen gang, alwaar het omgekeerd kegel- 
vormig eindigde. Nog zij hier opgemerkt, dat bij de 
meeste embryonen bij trekking het gubemaculum tusschen 
beide kegelvormige uiteinden vaneen scheurde. Bij deze 
oudere embryonen was duidelijk eene buikvliesplooi van 
het gubernaculum aanwezig, zich verhoudende als een 
mesenterium (mesorchiagogos). 

Wij hebben reeds gezegd ons niet te kunnen voorstellen , 
dat eene plooi van het peritonaeum van zelf ontstaat, 
maar dat of het er door omkleed deel in groei is achter- 
gebleven, waardoor het peritonaeum eene plooi zal be- 
zitten naar die zijde waar vroeger het deel zich bevond, 
of dat het peritonaeum zich om eed ander orgaan ont- 
wikkelt. Bij een G"* lang embryo is echter van atrophie 
van het Wolffsche ligchaam als oorzaak geene sprake; 
integendeel breidt zich het peritonaeum later nog meer 
naar de staartzijde, over het geheele Wolffsche ligchaam , 
het gubernaculum en een gedeelte der gangen, uit 

De Wolffsche gang is, volgens His, van het hoornblad 
afkomstig; volgens de vroegere schrijvers ontwikkelt zich 
die gang uit het motorisch-germinatieve blad, doch ook 
volgens deze hypothese bevindt zich die gang — en het 
Wolffsche ligchaam — in het eerste ontwikkelingstijdperk 
onder het hoornblad. Later begeeft zich het Wolffsche 
ligchaam met zijnen gang meer naar het darmklierblad 1) , 
wordende door de middelplaten omgeven 2). Ten slotte 
steken zij , even als eene darm , door peritonaeum omhuld , 
in de cavitas peritonaei uit. 

Wij keeren tot het 6'" lang embryo terug, alwaar wij 



1) Köllikor. O. c. p. 100. as. 

2) Ibidem, p. 55. 



258 

constateren, dat het peritonaeum niet het geheele WolflF- 
sche ligchaam omkleedt , en slechts op ééne plaats , oveiv 
eenkomende met het latere gubernaculum Hunteri, met 
de buikbekleedselen stevig verbonden isj verder vinden 
wij een klein deel van het Wolffsche ligchaam en de 
genitaalstreng door geenerlei omkleedsel van den buik- 
wand afgescheiden. lÏQt geslachtslid is eene uitgroeijing 
van den ligchaamswand ; digt daarbij bevindt zich eene 
andere nitgroeging, de achterste extremiteiten. Boven 
hebben wij vermeld) dat de geslachtsploo^en bij het 
embryo van het konijn voorkwamen; nu schijnt het, dat 
deze bij al de tot nu onderzochte dieren, welke een 
gabemacnlam bezitten, voorkomen. Hier is het vooral 
te betrenren, dat AuBn weinig of niets omtrent de ont' 
wikkeling van de geslachtsplooijen en het gabemacalum 
bij de meeste zoogdieren weet. Het volgende kunnen wij 
echter zonder bezwaar als bewezen aannemen : bij de drie 
lagere klassen der Vertebrata liggen de ballen binnen de 
buikholte en komt er geen gubernaculum voor. Bg vele 
Bepüliën en bij de fogeh komt eene kleine geslachtsver- 
hevenheid (of 2 verhevenheden) voor, maar nog nimmer 
ia het bestaan van geslachtsplooijeix of een scrotum waar- 
genomen. Bij OrnithorhynchuB en Behidna bestaat dezelfde 
verhouding; bij een reeds vermeld foetus van ISyrmeech 
pAaga kon ik geene geslachtsplooi waarnemen; er bestaat 
bij dat dier geen gubernaculum. Van Manis^ Dasjfpus^ 
Bradypuê is niets bekend ; evenzoo van de meeste overige 
zoogdieren. Verder zagen wij , dat bij het Konijn in den 
embryonalen toestand gedurende korten tijd geslachts- 
plooijen voorkomen; hetzelfde heeft, volgens Bathke, 
bij het Varken plaats , terwijl bij het Schaap , Bund^ Paard 
en MenicAj die plooijen, gelijk bekend is, blijven be- 
staan, en ook bij DidelpAys door ons een waar scrotum 



259 

is aangetroffen. Nu komt bij al deze dieren die een, 
hetzij rudimentair f hetzij- volkomen ontwikkeld waar 
scrotum bezitten, een gubernaculum voor. De geslachts- 
plooijen zijn eene uitgroeijing van den buikwand, evenals 
het geslachtslid en de extremiteiten. Wij stellen op grond 
van deze feiten, als hypothese: dai het gubernaculum eene 
woekering van een deel dee buikêwande is^ die naar buiten 
tot geslacAtêlid en geelaeAtsplooijen wordt en naar binnen iet 
genoemde orgaan vormi. Het is eene hypothese, doch zy 
verklaart de tot nu toe bekende feiten, en schynt niet 
met eene andere, beter vaststaande, in strijd. Zij 
bevestigt heldeen Burdach vroeger heeft gezegd 
dat het gubernaculum de uitdrukking is van het verband 
tusschen den bal en het scrotum; wanneer het laatste 
niet bestaat is ook het gubernaculum niet aanwezig 1). 

De buikwand bestaat oorspronkelijk uit de hoorn- en 
huidplaat; de spierplaat, de zenuwen en wervelboogen 
groeijen eerst later in de huidplaat. Ten slotte vinden 
wij den buikwand aldus zamengesteld : van buiten bevindt 
zich de hoomplaat; hierop volgt eene dikke laag van de 
huidplaat (later corium en onderhuidsbindweefsel) , de 
spierplaat, de aanleg der zenuwen (n. intercostales) en 
beenachtige vormsels (ribben) , en eindelijk eene dunne 
inwendige laag, de aanleg van het peritonaeum 2). Het 
geslachtslid en de geslachtsploogen zijn eene, zich naar 
buiten verheffende woekering van het weefsel, dat later 
het onderhuidbindweefsel vormt. Wanneer eene dergelijke 
woekering naar de buikholte toe plaats heeft, zal een 
ander orgaan ontstaan dan bij eene woekering naar buiten » 
in het laatste geval worden hoornplaat en corium uitge- 



1) Die Physiologie als Srfateraiigs wissenschaft, II. p. 588. 

2) Zie EöUiker, O. o. p. 64. 



260 

stulpt, terwijl in het éérste spierplaat, zenuwen en been , 
d. i. de buikwand zonder de huid, uitgestulpt zullen 
worden. Daar echter, zooals bekend is, in de buikstreek 
bij de zoogdieren geene ribben voorkomen, althans niet 
meer ontwikkeld dan als een peesachtig rudiment, zullen 
wij deze laag niet kunnen aantreffen. Wanneer men het 
onderzoek van het gubernaculum van buiten af begint, 
treft men de volgende lagen aan: het peritouaeum, een 
peesvlies, de spierlaag, een zeer dun peesvlies en de uit 
bindweefsel bestaande inwendige laag; deze laatste zet 
zich onmiddelijk in het onderhuidsbindweefsel voort, dat 
is in het onder de hoomplaat gelegen gedeelte der huid- 
plaat, dat het langst van al de andere platen den embryo- 
nalen toestand bl^ft behouden ; het komt dus geheel over- 
een met den buikwand , daar die uit dezelfde lagen bestaat: 
peritonaeum , fascia transversa , m. m. transversus en obli- 
quus intemus , en de m. obliquus extemus , die voor een 
deel slechts een peesvlies is. Bij het 6* lang konijnen- 
embryo zagen wij het gubernaculum in het ontstaan ; het 
schijnt zich reeds te vormen, voordat het gedeelte van 
het Wolffsche ligchaam, waarmede die uitstulping zich 
verbindt, door peritonaeum bekleed is en zich in de cavitas 
peritonaei verheft; daarmede overeenkomstig krijgt het 
gubernaculum, evenals dit deel van het Wolffsche lig- 
chaam, later een mesenterium, zoodat het peritonaeum 
niet als een kapje wordt opgeheven, gelijk bij de andere 
verhouding zoude moeten plaats hebben 1). 



1) De spieren Terkrijgen niet voor de vierde maand eenige 
aanduiding van dwarse streepjes, hetgeen tot eene juiste beoor- 
dceling van het gezegde niet moet vergeten worden. (KöUiker, 
Handbuch der Gewebelehre. 4te Auflage. p. 211.) 



261 



B. Beèchoutoing der Aypotiesen van Hanter, Weber, 
üleland-EöUiker en Curling. 

Hypothese va» Hanter. De bal ligt bij het foetus in 
de buikholte^ hij is door het peritonaeum , evenals de 
darm door het mesenterium , ingehald en aan den m. 
psoas bevestigd. Een band loopt van de grens tusschen 
vas deferens en epididymis naar het scrotum, in wiens 
huid hij zich verliest; Hun ter noemde dezen het liga- 
mentum of gubemaculum testis 1). Het vreefsel dat die 
band vormde, was moeijelijk te bepalen; het bestond uit 
vaten en vezelen, welke laatste in de lengterigting ver- 
liepen , terwijl de band zeK door het peritonaeum omhuld 
was. Uit Plaat XXV. fig. 1 blijkt duidelijk, dat volgens 
dezen schrijver het gubemaculum zich niet tot den bodem 
van het scrotum voortzet, maar bij den wortel van den 
penis eindigt 2). 

Bij de dieren wier ballen van ligging veranderen , heeft 
de m. cremaster — die door Hunter m. testis werd 
genoemd — bij het foetus en het volwassen dier eene 
verschillende ligging ; b^ het foetus is die dezelfde als bij 
dieren, wier ballen altgd in de buikholte blijven 3), m. 
a. w. , de spier bedekt het gubemaculum tot digt bij den 
bal 4). Deze spier bestaat uit vezelen, die van den m. 
obliquus intemus en transversus ontspringen. 



1) J o h n H u n t e r's Bemerkusgen über die thierische oekonomie 
Dentsch ven Scheller 19 ene Anflage. p. 1 bs. In deze editie 
ontbreken de platen, die echter voorkomen in de door O wen 
bezorgde Engelsche editie: On animal oeconomy 1837. 

2) Men vindt deze Plaat overgenomen in Loder« Tabnlae 
anatomicae. Tab. LXXVm. 

3) O. e. p. 9. 

4) O. c. p. 10, 12. 



262 

Tot het aanwezen van den m. cremaster bij het men- 
schelijke foetus besluit hij uit analogie met andere zoog- 
dieren, omdat hij zelf dien niet vinden kon 1). 

Het peritonaeum dat den bal en bijbal bekleedt, is 
met die organen vast verbonden, doch is met de omlig- 
gende organen — nieren, m. psoas, m. iliacus intemua 
en onderste gedeelte der buikspieren — slechts los ver- 
eenigd. Op de plaats alwaar het gubemaculum uit de 
buikholte treedt, schijnt het alsof het peritonaeum de 
laatste verlaat, ^doordien dit een grooter deel van het 
gubemaculum bekleedt dan zich binnen de buikholte be- 
vindt. Spant men de buikspieren zoo is dit zeer duide- 
lijk, doordien het peritonaeum met het gubemaculum 
stevig verbonden is , maar op de plaats alwaar het schijn- 
baar de buikholte verlaat, zeer los aan de omliggende 
deelen gehecht is. 

Wanneer de bal tot den annulus inguinalis is genaderd, 
ligt het gubemaculum in den doorgang van de buikholte 
naar het scrotum 2) ; is de bal eens in het scrotum, zoo 
is het gubemaculum nog aanwezig, hoewel verkort en 
zamengedrukt 3). De bal valt echter niet, evenals de 
darmen bij hemia acquisita inguinalis in den breukzak, 
in het verlengsel van het peritonaeum, maar plijdi uit 
het onderlijf laDgs den buikwand, zoodat h^ nimmer van 
alle kanten vrij hangt 4), De uittrekbaarheid van het 
peritonaeum en de losse verbinding met de omliggende 
organen begunstigen de verlenging 'en medeneerdaling van 
het peritonaeum in het scrotum. Wij laten hier eindelijk 



1) O. c. p. 13. 

2) O. c. p. 16. 

3) O. c. p. 17 en Plaat XXVI. 

4) O. c. p. 18. 



263 

de eigene woorden van Hnnter volgen 1). „If we can 
imagine a common hemial sac, reaching to the bottom 
of the scrotum f covered hy the cremaster muscle, and 
that the posterior half of the sac covers and is nnited 
with the testis, epididymis, spermatic vessels and vas 
deferens , and that the anterior half of the sac lies loose 
before all those parts, it will give a perfect idea of the 
state of the peritonenm, and of the testis when it comes 
first down into the scrotum." 

De vraag, welke de naaste oorzaak van de neerdaling 
is, wordt door Hunter niet beantwoord. Dat de m. 
cremaster de oorzaak zou kunnen zijn, meent hij te 
moeten ontkennen, zoowel op grond van het aanwezen 
van deze spier bg dieren met alt^d in de buikholte 
blijvende ballen, als omdat de bal in alle geval niet 
lager dan de buikring zou kunnen komen 2). Het guber- 
naculum testis zou de bal bg den neerdaling 3) door den 
buikring leiden on vooraf plaats maken 4). 

Wij moeten bekennen, dat ons onderzoek een resultaat 
heeft geleverd, hetgeen van Hun ter 's voorstelling 
weinig afwijkt. Het verschil bestaat hoofdzakelijk in 
het volgende. Dat op het gubemaculum Hunteri bij het 
foetus dwarsgestreepte spiervezelen voorkomen, kan, vol- 
gens de latere onderzoekingen, aan geen twijfel onder- 
hevig zijn; wij troffen ze bij de in meer verschen toe- 
stand onderzochte altijd aan; Hunter kon ze, gelijk 
wij zeiden, niet vinden, doch eischte hun bestaan uit 
analogie. Het is, zooals Donders heeft aangemerkt, 
soml^ds zeer moeijelijk om bij versche organen dwars- 

1) O. e. edited by O wen. p. 10. 

2) O. c. p. 22. 

3) O. c. p. 11. 

4) O. e. p. 16. 



264^ 

gestreepte spiervezelen te vinden; hieraan mag wellicht 
worden toegeschreven, dat Hun ter deze niet vond. 
Dat hij meende, dat in de spierwerking de oorzaak niet 
kon gezocht worden en hierdoor van ons verschilt, is 
e&n punt dat later wordt behandeld; de anatomische 
feiten komen, wij herhalen het, overeen met die, welke 
men bij het onderzoek aantreft. — Wij moeten nog op 
het gebruik van het woord gubernaculum wijzen, omdat 
dit niet door allen in gelijke beteekenis wordt opgevat. Wan-, 
neer men een orgaan gubernaculum Hunteri noemt 
behoorde men er mede hetzelfde te bedoelen als H unter; 
wij zagen dat deze het als eene streng beschouwde, 
waarop zich de m. cremaster omslaat. De stryd kan dos 
slechts de vraag betreffen , of op het gubernaculum Hun- 
teri spiervezelen voorkomen. Kölliker e, a. gebruiken 
ten onregte den naam gubernaculum (Hunteri) voor een 
orgaan, waaraan H unter twee namen, gubernaculum 
en m. testis, gaf. Wij zullen dus in het vervolg aan 
het woord guberDaculum testis H, de door Hun ter er 
aan gegevene beteekenis hechten, d. i. als de uit bind- 
en elastisch weefsel bestaande binnenste laag , terwgl wg , 
tot voorkoming van verwarring, bij het gebruik van het 
woord gubernaculum Hunteri, als collectief voor guber- 
naculum en m. testis, er „auctorum" bijvoegen of alleen 
het woord „gubernaculum" gebruiken zullen t)« De 



t) Bij de Tertaling van het werk Tan H n n t e r door Seheller, 
stelde de laatste als hypothese, dat de ballen nit de buikholte 
in het scrotum kwamen doordien bij de geboorte het onderlijf 
van het foetus eene sterke drukking ondergaat 1), Wg ver- 
melden dit slechts als een voorbeeld van het miabruik dat 
men van Let stellen van nieuwe hypothesen heeft gemaakt. 
Scheller had Hunter's werk vertaald en kende dus de 

1) O. c. p. 15. 



265 

laatste benaming kan bij zeer jonge embryonen , alwaar 
yan spiervezelen nog geene sprake is, zeer goed gebruikt 
worden. Hnnter heeft tot deze verwarrirg aanleiding 
gegeven door het ligamentum testis met het ligamentam 
rotnndnm te identificeren, hetgeen onjuist is, omdat het 
laatste spiervezelen bevat, die homoloog zijn met den 
m. testis; het ligamentum rotundum is homoloog met 
het gubemaculum Hunteri der schrijvers, niet met het 
ligamentum testis H. 

Eypoiie^e van Web er. In de door E. H. Web er 
bezorgde uitgave van Hildebrand's Anatomie , v^ door 
dien schrijver de meening geuit, dat Qunter's hypothese 
volkomen met de waarheid overeenstemde , en dat na de vele 
onderzoekingen moeijelijk nog eenigverschil over dit proces 
zou kunnen bestaan 1). Wij zien echter 15 jaren later dien 
schrijver met een nieuw onderzoek voor den dag komen dat 
tot eene hypothese leidde, welke van die van Hun ter in 
vele opzigten verschilde. De schrijver heeft zijne naspo- 
ringen slechts in een kort opstel vermeld 2) , terwijl 
zijn voornemen was geweest het later meer uitgebreid te 
publiceren; doch hij werd er in verhinderd. 

Het belangrijkste punt in die hypothese, en waardoor 
zij van al de overige afwijkt, is de aanneming van eenen 
sereusen zak , bursa inguinalis genaamd , die op de plaats 

daarin Yoorkomende waarnemingen; nu komt op dezelfde blad- 
zijde Toor, dat de bal vóór de geboorte neerdaalt, en iets 
verdere), dat de procesBOB vaginalis bij de geboorte reeds geslo- 
ten is, beide feiten, die met Scheller 's Hypothese nietje 
rijmen zijn. Scheller geeft zich echter zelfs de moeite niet 
om deze feiten te bespreken. 
2) o. c p. 20. 

1) O. o. IV, p. 396. 

2) Müller's Archi^ 184.7, p. 403 ss. Bericht über die Ver- 
handlnngen der königlich sachsischen Gesellschaft I« p. 247. 

18 



266 

van bet latere lieskanaal zou ontstaan. Deze zak zou 
voor een gedeelte naar boven groegen, waarbij hij de 
bundels der buikspieren zon doen uiteenwijken, en hierna, 
tusachen de twee ploogen van het peritonaeum dat den 
bal bedekt dringende, zich aan den bal vasthechten; 
eenige vezelen van den m. obliquus intemus zouden 
hierbij worden medegesleept. Dit (d, i. het bovenste) 
gedeelte van den zak wordt later in het onderste inge- 
stulpt, dat echter vooraf naar beneden groeit en tot in 
het scrotum dringt, aldus „den weg voor den bal berei- 
dende." Het gubernaculum is dus geen solide streng, 
maar is 'een zak , eene blaas , met spieren bedekt. 

Deze bursa inguinalis ontwikkelt zich zoowel bij den 
mensch als bij het konijn , evenals de descensus bij beiden 
op gelyke wijze plaats vindt. Deze geschiedt: 1^ Door het 
ontwikkelingsprocea zelf {iildende Thatigldt) , waardoor de 
zak in de gemelde rigtingen groeit, zoodat, na absorptie 
der in dien zak bevatte vloeistof, de weg voor den bal 
gereed is. 2** Door de spiervezelen die, van den m. obli- 
quus intemus afstammende, op den zak in dwarse en 
scheeve rigting loopen; zij zijn echter oorspronkelijk 
eveneens door het ontwikkelingsproces zelf gevormd. Door 
deze wordt de bal in het lieskanaal getrokken, 3*" Door 
het liquor periionaei dat de blaas eenigzins in stulpt, waarna 
de verdere instulping door spierwerking plaats heeft. 
Ten slotte zegt Web er: eene mechanische drukking kan 
het niet verklaren , waarom de bal uit de buikholte treedt. 

Web er waarschuwt er voor, geene foetus te gebruikea 
die in spiritus gelegen hebben, omdat alsdan het vocht 
dat binnen de holte van den zak ligt, verdwenen is^ 
waardoor de beide wanden tegen elkaar komen te liggen, 
zoodat men zoude meenen geenen zak voor zich te hebben. 

Deze hypothese, die in 't begin vele aanhangers heeft 



267 

gevonden, vond den laatsten tgd vele bestrijders. De 
hoofdvraag: bestaat er al of niet eene barsa inguinalis, 
wordt veelal ontkennend beantwoord. Zoo zegt Gleland 1), 
dat eene borsa ingoinalis slechts nu en dan wordt gevon- 
den, maar niet coxy^tant voorkomt; Kölliker ontkent 
evenzeer haar bestaan 2) ; Linhart beschonwt haar 
als eene anomalie 3). Bij het onderzoek van mensche- 
lijke foetus en bij dat van kongnen, die hierin geheel 
met den mensch zonden overeenkomen, en die bijzonder 
geschikt zyn omdat de descensns bij die dieren meer- 
malen in 't leven plaats vindt, werd noch door Prof. 
Koster, noch door mij eene bursa gevonden. Bij een 
paar, in spiritus bewaarere foetus, trof ik eene holte aan, 
die bij den eersten oogopslag als bursa inguinalis kon 
geduid worden; zij bleek echter slechts veroorzaakt te 
worden door het praepareren met naalden; zij is geen 
wezenlijk iets, geen blaas, maar wordt gemakkelijk in 
het vroeger oedemateuse bindweefsel gemaakt Web er 
vond de bursa zeer duidelgk als hij lucht inblies; het 
is echter bekend dat men op die wijze in bindweefsel 
zeer gemakkelijk eenen door lucht gevulden zak kan 
vormen. Wij konden aldus verschillende zakken maken, 
die nu eens in het scrotum, dan weder in de djjstreek 
uitkwamen. 

Tegen het indringen van eene blaas pleit ook het vol- 
gende: bij een 8 weken oud menschelijk embryo en bij 
een 6'" lang konijnen-embryo, wordt het gubernaculum 
Hunteri (auct.) reeds gevonden. Bij het 6'" lange konijnen- 
embryo kan dit orgaan onmogelijk eene buikvliesplooi 

1) The mechanigm of the gnbemacolam testis. In Schmidt's 
Jahrbücher XCYII, p. 13L 

2) O. c. p. 467. 

3) Vorlesungen über Ünterleibs-Homien 1866» p. 53. 

18* 



268 

zijn; de blaas die eerst later ontstaat, zou dus moeten 
dringen binnen dat — oorspronkelijk — gubemacnlum , 
om alsdan het orgaan te vormen dat Web er als gfuber- 
nacnlum beschouwt. 

HjfpolAeêe van Kölliker 1). Er ontstaat in de derde 
maand eene uitstulping van het peritonaeum , die ten slotte 
tot in het scrotum reikt; alsdan loopt ze als een kanaal 
door het lieskanaal: de processus vaginalis peritonaei. 
Eeeds vroeger was eene vezelige, door peritonaeum be- 
kleede streng gevormd, die van den Wolffschen gang, 
thans vas deferens, ter zijde van den processus vaginalis 
naar den liesstreek liep : het gubernaculum Hunteri. Deze 
ontwikkelt zich te gelijk met genen, en komt ten slotte 
in het scrotum te land , waarin zijne vezelen zich ver- 
liezen. Wanneer dit alles gereed is, begeeft zich de bal, 
vergezeld door zijn peritonaeaal bekleedsel, naar den in- 
gang van den processus vaginalis , en treedt nu omstreeks 
de zevende maand binnen de holte van dit orgaan ; lang- 
zamerhand verdwijnt de bal, en komt eindelijk in het 
scrotum aan. Van het gubernaculum Hunteri blijft de inwen- 
dige spierhuid van den bal over, doch het verdwijnt overigens 
geheel. Terwijl het gubernaculum in het begin uit cel- 
lige elementen bestaat, vindt men er later in: gladde 
spieren, dwarsgestreepte spieren en bindweefselbundels. 
De dwarsgestreepte spieren begeven zich van af het lies- 
kanaal zoowel naar boven (d. i. : naar den bal) , als naar 
onderen (de latere m. ciemaster). Deze spieren kunnen 
bij den descensus geene gewigtige rol spelen, zoowel 
omdat slechts een gering gedeelte van dit proces er door 
verklaard wordt , als omdat eene spierwerking in het ge- 
heel niet bewezen is. De Weber'sche hypothese ver- 



1) Entwick]ang8geschichte p. 453* u. 



269 

werpt Kölliker 1* op grond van het onbewezene van 
spierwerking, 2"" omdat hij geenen hollen zak kon vinden. 
Doch ook al ware een spiervezelige zak aanwezig, zou 
deze schrijver het onmogelijk vinden, dat de descensus 
er door verklaard werd. Hg neemt de hypothese van 
G lel and aan, datl"* een verschil in groei der doelen, 
T eene inkrimping van het gubernaculum de oorzaak 
is. Als een met het eerste analoog voorbeeld wijst 
Kölliker op den ascensus ' medullae spinalis , terwijl 
hij op de verlenging der arteriae spermaticae wgst, als 
een feit dat tegen eene spierwerking pleit, terwijl het 
tevens «zou bewijzen, dat de boven den bal gelegene 
deelen sterker groeijen dan de onder dezen gelegene. 
Voor den doorgang door het lieskanaal eischt deze schrij- 
ver een orgaan, dat den bal vasthoudt en leidt, en ziet 
als zoodanig het gubernaculum aan. Deze band geeft 
l"" eene bepaalde rigting aan de beweging van den bal, 
2"" verkort hij zich door eene eigendommelijke ontwik- 
keling zijner bestanddeelen , overeenkomende met do ver- 
andering van jong bindweefsel in likteekens. Eene con- 
tractie der spieren van het gubernaculum! sluit Kölliker 
echter niet geheel buiten. 

Cleland's IgpotAese sluit zich hieraan; ^j hebben 
het werk zelf niet kunnen krijgen, zoodat wij met de 
mededeeling van Kölliker moeten volstaan. Wij merken 
echter nog het volgende op: T heil e heeft eene kritiek 
van het werk gegeven, doch vermeldt niets omtrent een 
verschil in groei 1) ; hij zegt slechts, dat die schrijver 
geene voorwerpen genoeg heeft onderzocht en de teeke- 
ningen slecht zijn. G Ie land ontkent het bestaan eener 



1) The meclianism of the gubemaculam tesÜB. 1857. In 
Schmidt'B Jahrbucher. XCVII. p. 131« 



272 

Bij de cicatrisatie van dit orgaan zullen beide einden naar 
elkaar to^bra^ worden, tenzij het ééne onbewegelijke 
is. De bal moet door het lieskanaal worden getrokken, 
terwgl de liesring eenen sterken weerstand biedt en het 
scrotum eene losse, door huid bekleedde massa is. Bg 
de cicatrisatie zal dus het scrotum tot de uitwendige lies- 
opening naderen; eerst hierna zal het gubemaculum ge- 
noegzamen steun kunnen vinden en kan de bal doortreden. 
Deze verhouding is echter noch door anderen — waaronder 
wij vooral Blumenbach noemen — noch door ons bij 
den Man, den Hond, het Hert, het Konijn gezien 1). 
Dat met de hypothese volkomen in tegenspraak is, dat, 
terwgl het gubernaculum Hunteri (auctorum) hoe langer 
hoe steviger moest worden, dit bij oudere foetus (5, 6 
maanden) integendeel meer en meer moeijelijk wordt om 
waar te nemen — en bij den paó uit de buikholte ge- 
tredenen bal slechts een gering overblijÜBel (Hun ter), 
uit hydropisch bindweefsel bestaande (zooals wij het von- 
den) , voorkomt, behoeft geen verder betoog. 

Het is echter iets anders , wanneer men aan het guber- 
naculum eene passieve werking toekent Terwgl men moek 
eischen, dat, wanneer men aan het gubemaculum eene 
werking toeschrijft, die overeenkomt met hetgeen door 
jong bindweefsel in likteekens plaats heeft, het gubema- 
culum vaster en vaster zal worden , is het niet het geval , 
wanneer het gubemaculum eenvoudig niet verder groeit, 
waarbij het meer en meer zal atrophiëren, doch hierbij 
voor de deelen, waaraan het is vastgehecht, eene ver- 



1) Wig kannen ons hier slechts op waarneming beroepen, en 
zeggen met Beek, dat niemand die deze deelen onbevooroordeeld 
onderzoekt er toe zal kunnen komen, om de genoemde hypothese 
te stellen. 



273 

andering in ligging moeijelijk (of onmogelijk) zal maken ; 
wij gelooven, dat dit duidelijk genoeg is. KöUiker 
verwerpt de mogelijkheid, dat er spierwerking bij in het 
spel is, niet geheel, ofschoon hij meent, dat die niet ge- 
noegzaam is. Bij het Konijn is er echter geene andere 
mogelijkheid, en dit bewijst, dat het althans door spier- 
werking gebeuren kan. 

Eypothese van Curling. Deze hypothese verdient eene 
nadere beschouwing, daar die eenen meer algemeenen 
ingang dan vele andere heeft gevonden. Ook mogen wij 
verwachten, dat eene hypothese van dien schrijver, die 
zich langen tijd met de anatomie van de testes heeft bezig 
gehouden , eene verklaring der anatomische feiten zal be- 
vatten, terwijl hij ook, beter dan vele andere, in staat 
was die feiten zelf te verzamelen. 

Curling 1) vermeldt eerst de ligging des bals onder 
de nier, doch niets omtrent het eerste ontstaan van het 
gubemaculum; hierna het mesorchium, het mesorchiagogos 
en het gubemaculum, dat volgens dien schrijver inwendig 
uit embryonaal bindweefsel bestaat, terwijl de uitwendige 
laag uit dwars gestreepte spierbundels is gevormd; een 
dun laagje embryonaal bindweefsel verbindt de laatste 
met het peritonaeum (mesorchiagogos). Het gubemaculum 
loopt in 3 bundels uit; de uitwendige bundel is binnen 
den canalis inguinalis met het ligamentum Foupartii ver- 
bonden; de middelste met den bodem van het scrotum; 
de inwendige hecht zich op het os pubis en de scheede 
van den m. rectus vast. Ook zendt de m. obliquus inter- 
nus een aantal spiervëzelen op de voorzijde van dit orgaan. 

Tusschen de vijfde en zesde maand begint de bal zich 
van de nier naar den inwendigen liesring te bewegen, 



1) Todd'8 Gfclopaedia. lY. p. 982, 



274 

alwaar hij in de zevende maand aankomt; in de achtste 
gaat hij door het liéskanaal, en komt op het einde van 
de negende op den bodem van het scrotum te liggen. De 
bal .komt niet in een vooraf door het peritonaeum gevormd 
zakje te liggen , maar behoudt in dit opzicht de verhouding 
als toen hij nog onder de nier lag. 

De doorgang (passage) naar het scrotum geschiedt op 
dezelfde wijze als bij de Glires in den bronstgd; de uit- 
wendige bundels van den m. cremaster trekken den bal 
in den canalis inguinalis ; de inwendige buiten het kanaal, 
de middelste naar den bodem van het scrotum; als dit 
laatste plaats heefit, wordt de m, cremaster langzamer- 
hand ten binnenste buiten gekeerd (éverted). Is de bal 
tot het scrotum genaderd, zoo vermindert de omvang 
van het uit bindweefsel bestaand gedeelte van het guber- 
naculum, terwijl de spieren, met uitzondering der scro- 
tale bundels, blijven bestaan (latere m. cremaster). Ten 
slotte neemt het bindweefsel aandeel aan de vorming van 
het weefsel, dat men later in het scrotum aantreft. De 
middelste spierbundels naar den bodem van het scrotum 
verdwijnen geheel of ^ bijna geheel. 

Deze voorstelling is helder en eenvoudig. Gray is 
het geheel met die beschouwing eens, doch het schijnt, 
dat hij zelf geene onderzoekingen heeft in het werk 
gesteld 1 ) . In eene nieuwe uitgave van Curling 's 
werk 2) is door dien schrijver dezelfde hypothese vol- 
gehouden , hetgeen de oorzaak is , dat wij haar later dan 
die van Kölliker opnoemden. 

Hetgeen wij in deze hypothese als onjuist aanzien, is 
voornamentlijk, dat zij aanneemt, dat er scrotale spier- 

1) O. c. p. 713. 

2) A practical treatise on the diseases of the testis. 3*^ edition. 
1866. In: Britsch medico-chirurgical review. LX^VI. p. 408. 



275 

vezelen aanwezig zgn, die — wij herhalen het nog- 
maals — niet bestaan. Doordien Curling het proces 
bij de Glires met dat bij den mensch vergelijkt, kunnen 
wg ook op de eerste zoogdieren wijzen, alwaar niemand 
die het nagaat zal willen beweren, dat er scrotale vezelen 
bestaan; wij verwijzen dus naai een konijn in verschen 
.toestand, naar onze Plaat, fig. 2, alwaar dit evenzoo 
duidelijk is, en naar het reeds vroeger medegedeelde. 

De laatste schrijver, die over ons onderwerp onderzoe' 
Ungen. in het werk gesteld heeft, is Linhart- Deze is 
het gedeeltelijk met Curling eens, daar hij dezelfde 
inhechting der spieren van het gubertiaculum aanneemt; 
doch verschilt er van, doordien hij een reeds vooraf 
bestaand lieskanaal en zakje van het buikvlies aanneemt 
en de oorzaak der uittrede uit de buikholte niet in spier- 
werking ziet, omdat de spieren atrophiëren. Wij zijn, 
volgens Linhart, over de oorzaak nog geheel in het duister y 
en kennen slechts eene rij van anatomische veranderingen 1). 

G. Beschouwing van hét mechanisme. 

De geslachtsklier ontstaat als een lijnvormig orgaan 
aan de binnenzijde van het Wolffsche ligchaam, terwijl 
de WolfiFsche en «de MüUersche gangen aan de buitenzijde 
liggen. Gelijk bekend is , verbindt de geslachtsklier zich 
met een der beide gangen, waarvan zij echter door de 
geheele breedte van het Wolffsche ligchaam gescheiden 
is. Deze verbinding kan plaats hebben, doordien de ge- 
slachtsklier tot den gang nadert, of kan het omgekeerde 
plaats hebben. Het ee?:ste schijnt plaats te hebben; men 



J) O. C. p. 62 88. 



276 

vindt namenÜijk dat bij jon^e embryonen het gubema- 
culum Hunteri , de arteria umbilicalis en de beide gangen 
elkaar op één punt kruisen, terwijl die verhouding ook 
wordt aangetroffen bg oudere embryonen , waarbij de ge- 
slachtsklier zich met den gang verbonden heeft. De oor- 
zaak van deze eerste liggingsverandering is niet juist 
bekend; men kan zich zoowel voorstellen dat het door 
de atrophie van het Wolffsche ligchaam wordt veroorzaakt, 
als dat de sterke toename in breedte van de geslachts- 
klier de oorzaak zou zijn zoowel van het genoemde proces 
als van de atrophie van het Wolffsche ligchaam. Het 
eerste is waarschijn^ker , omdat bij het Konijn het bovenste 
gedeelte van het Wolffsche ligchaam atrophieert , niettegen- 
staande hier geene geslachtsklier voorkomt , en omdat bij 
de kikvorschlarve de atrophie van het Wolffsche ligchaam 
in geen verband met de ontwikkeling der geslachtsklier 
staat. 

Bij 3 maanden oude embryonen is van het Wolffsche 
ligchaam reeds niet meer over dan men bij het volwassen 
individu er van vindt 1). De bal ligt juist onder de 
niöT 2) , op dezelfde wijze als de bijnier er boven ligt. De 
bijbal ligt aan de buitenzijde van den bal ; het vas defe- 
rens loopt in eene bogt boven de arteria umbilicalis naar 
het kleine bekken, terwijl het gubernaculum als eëne 
regte streng zeer duidelijk is en zich in den buikwand 
in de liesstreek verliest. Bij jongere embryonen ligt de 
nier achter den bal; de laatste schijnt dus reeds nu eenen 
descensus te ondergaan. Doch als men de verhouding 
juister nagaat, blijkt het dat de bal liggen blijft, terwijl 
de nier meer naar de kopzijde komt te liggen. Na den 



1) Zie Eölliker O. o. fig. 221. 

2) Wij stollen ons het foetus als staande voor. 



277 

afloop der atrophie van het Wolffsche ligcliaam is de gé- 
lieele geslachtsklier naast den Wolffschen gang gelegen, 
waarbg de onderste grens van die klier (bal) jnist tot 
de plaats, alwaar het gübemacnlnm in den Wolffschen 
gang nitloopt, zich nitstrekt. Dit pnnt behondt dezelfde 
plaats, hetgeen blgkt nit de kruising met de arteria 
mnbilicalis, daar die in den bnikwand bevestigd is en 
dus op dezelfde plaats moet blijven liggen. 

Bij de oudere foetus bemerkt men dat de nier verder 
en verder van den bal komt te liggen, doch dat zij 
niet van plaats verandert. 

De bal is door het mesorchium zeer los aan den lig* 
chaamswand verbonden ; desniettegenstaande komt h^ niet 
in het kleine bekken, maar blijft in het groote, niettegen- 
staande hij zeer digt bij het kleine ligt. Gaan wij na 
wat er omtrent dit proces, dat overal over het hoofd «ge- 
zien is, bekend is. 

In het voor 2 jaren verschenen proefschrift van Dr. 
K. Snellen 1) was het eerst de meening van Prof. Koster 
vermeld , dat het ontbreken eener arteria umbilicalis aan- 
leiding zou kunnen geven, dat een bal in het kleine 
bekken komt te liggen. Het in dat proefschrift beschreven 
foetus was voldragen doch had, behalve andere merk- 
waardige •anomaliën, beide ballen in de buikholte, waar- 
van de regter digt bij den inwendigen liesring lag, de 
de linker daarentegen in het kleine bekken zich bevond; 
aan die zijde was de arteria umbilicalis afwezig. Toen 
in het in mijn academisch proefschrift beschreven foetus 
dezelfde verhouding werd aangetroffen, en bij een 9^1*' 



1) Over abnonnale ontwikkeling van het systema urogenitalé 
en van het intestinum rectum » p. 83. 



a78 

lang foetus met ééne arteria umbilicalis alweder eene 
overeenkomstige verhouding werd gevonden, meende ik 
genoegzamen grond te hebben de meening van Prof. Koster 
als zeer waarsch^nlijk te kunnen verdedigen. / 

De ingewanden die zeer in grootte toenemen — waar- 
onder ik slechts de lever behoef te vermelden — zoodat 
de buik van het foetus naar voren gewelfd is, zullen 
de ballen noodzaken zich naar plaatsen te begeven, al- 
waar men weinige organen vindt. De sterk uitsprin- 
gende buikvlies-plooi, waarin de arteria umbilicalis zich 
bevindt, sluit het kleine bekken ter zijde geheel, terwijl 
van voren en achteren de toegang van zelf is afgeslo- 
ten; het kleine bekken, dat in het begin niet geheel gevuld 
is , zal dus nimmer den bal kunnen bevatten. Yóór eenige 
dagen ontving het anatomisch kabinet van de kraamzaal 
een tweeling- foetus , dat na een levend, voldragen man- 
nelijk kind, dood ter wereld was gekomen. Het was 2V2 
pond zwaar , en had ook verder de kenteekenen van een 
ongeveer 7 maanden oud foetus, ofschoon het (zoo men 
ten minste geen superfoetatie aanneemt) wel, even als 
het andere , bijna 9 maanden oud moet geweest zijn. B^ de 
opening bleek, dat slechts ééne arteria umbilicalis aan- 
wezig was, doch dat beide ballen in het scrotum waren. 
De processus vaginales waren nog geheel open, terwijl 
het kleine bekken zeer weinig ontwikkeld was. Dit 
schijnt tegen de gemelde hypothese te pleiten doch wy 
moeten hierbij niet uit het oog verliezen dat het hier 
een zeer slecht ontwikkeld foetus betreft. Wij hebben 
bij de beoordeeling dezer quaestie er op te letten, dat 
het kleine bekken slechts in de eerste maanden genoeg- 
zame ruimte heeft om den bal op te nemen, doch later 
geheel gevuld is. Bij het gemelde foetus heeft er eene 
zeer langzame ontwikkeling plaats gehad, die niet nood- 



279 

zakelijk van het gemis ééner arteria umbilicalis afhangt 1 }. 
Verder was vooral de onderste lichaamshelft zeer weinig 
ontwikkeld, zoodat er naanwelijks eene kleine bekken- 
holte bestond. De gevulde pisblaas lag als 't ware boven 
het kleine hekken, en het peiitonaeum vormde van den 
z^wand der buikholte af naar de pisblaas eene plooi, welke 
wel den, anders door de arteria umbilicalis gevormden 
dam, kan vervangen hebben. Betrof deze waarneming 
een goed ontwikkeld foetus, dan zou onze hypothese 
onjuist, en gebleken zijn: dat ook bg het ontbreken eener 
arteria umbilicalis de bal niet in het kleine bekken be- 
hoeft te geraken, maar normaal naar buiten kan gaan. 

Dat tot staving onzer hypothese, zelfs na het geval 
dat Sandifort 2) beschreef, nog meerdere gevallen 
Doodig zijn, stemmen wij gaarne toe; het vermelde vin- 
den wij niet beslissend om onze hypothese te verwerpen. 

Vestigen wij thans de aandacht op de verhouding zooals 
die bij een O'/a" lang foetus werd gevonden. Het ver- 
toonde niets abnormaals, behalve dat slechts ééne arteria 
umbilicalis werd gevonden en de ballen eene van elkaar 
verschillende ligging aanboden. Aan de zijde alwaar de 
arteria umbilicalis ontbrak, lag de bal op de grens tus- 
schen het groote en kleine bekken, terwijl de bijbal zich 
aan de buitenzijde van den bal bevond; aan de andere 
zijde was de bal in het groote bekken digt bij den 
annulus intemus, gelegen, terwijl de bijbal zich aan de 



1) Het door K. Snellen beschreyen foetus bewijst dit genoeg, 
daar dit voldragen en goed ontwikkeld was, terwijl door het ge* 
mis der nieren, de ééne arteria umbilicalis alle producten der 
stofwisseling, welke anders Toor een deel in het amniosrocht 
geraken, wegvoeren moest naar de placenta. 

2) I^ieuwe Verhandelingen der I"*" klasse van het £oninklijk 
Institunt VII, p. 166. 



280 

binnenzgde van den bal bevond. De ligging was dus 
aan deze zijde zooals die bij foetus van dezen leeftijd 
gevonden wordt. Bij een ander even oud foetus met eene 
groote hernia umbüicalis lagen beide bijballen aan de 
buitenzgde van den bal. Deze beide gevallen bewezen 
weder, dat de arteria umbilicalis een hoofdmoment is die 
de verhuizing van den bal uit het groote naar het kleine 
bekken tegengaat. Immers, wij vinden dat de bal bij 
het eerste foetus aan de zgde, alwaar de arteria ontbrak, 
zich reeds bijna in het kleine bekken bevindt, doch niet 
gewenteld is. Tot het laatste was dan ook geene oorzaak 
aanwezig, want de drukking der meer en meer in omvang 
toenemende ingewanden zal den geheelen bal en bijbal in 
het kleine bekken duwen, waartoe de ingang bij het 
aanwezen eener arteria umbilicalis afgesloten is. Bij 
hernia umbilicalis met ectopia viscerum oefenen de darmen 
volstrekt geene drukking uit, zoodat wij dan ook bij 
deze de verhouding als bg het drie maand oud embryo 
vinden, dat is op den leeftijd dat de ingewanden, die 
nog slechts korten tijd geheel in de buikholte zijn opge- 
nomen, slechts weinig drukking hebben kunnen uitoefenen. 
De bal, die los met den buikwand verbonden is, onder- 
gaat eene drukking van de boven- en achterzgde, waar- 
door de bal , die niet naar het kleine bekken kan uit- 
wijken , naar de buitenzijde uitwijkt ; hierdoor moet hij om 
den bijbal wentelen. Deze verhouding wordt bij het 5 
maanden oud foetus gevonden. Het gubernaculum is 
kegelvormig en eindigt, of beter verdwijnt, als zeer 
dunne draden in het allerbovenste gedeelte van het scro- 
tum, bij het os pnbis; het is grootendeels buiten de 
buikholte gelegen. De bal is door het buikvlies zeer 
los omkleed en ligt in de buikholte op eenige lijnen van 
den annulus inguinalis verwijderd ; hy ligt in eene eenig- 



281 

zins trechtervormige, in den annnlns inguinalis nitloo* 
pecde holte, die door de buikspieren gevormd wordt; 
bij een sterk aantrekken van den buikwand verdwijnt 
deze holte. Geen der schrijvers vermelden deze, nood- 
zakel^k plaats hebbende wenteling van den bal om den 
bgbal. Kö 11 ik er die bij een 3 maanden oud embryo 
de bal aan de binnenzijde van den bijbal afbeeldt, spreekt 
hier niet van 1), evenmin als Blumenbach, die bij 
een 4 maanden oud embryo de ballen voor een gedeelte 
op den bijbal liggende heeft afgebeeld 2). Hiermede komen 
mijne waarnemingen overeen , daar ik bij 7" lange (c. 4V« 
maand oude) embryonen de ballen boven op den bijbal 
liggende gevonden heb , hetgeen men slechts als het begin 
der wenteling kan duiden. 

Op het eind der vijfde maand kan men zonder geweld 
te gebruiken den bal niet aan de binnenzijde van den 
bijbal brengen, en neemt hij alsdan terstond weder zijne oude 
plaats in ; het omgekeerde heeft bij 3 maanden oude foetus 
plaats, terwijl bij de vermelde, 4 maanden oude, de bal 
niet ter zijde van den bijbal kon gebragt worden, 

Bg een ouder foetus (lOj' lang) was het gedeelte van 
het gubemaculum dat zich nog binnen de buikholte be- 
vond iets verminderd, doch was nu zeer duidelijk door 
eene laag dwarsgestreepte spieren omgeven, zoodat het 
geheel eene grootere afmeting had dan de breedte van 
den bal bedroeg. De spiervezelen gingen duidelijk op den 
m. obliquus internus over. Het gubernaculum zelf was 
onmogelijk tot het einde te vervolgen; eene verhouding 
waarin het geheel overeenkomt met het ligamentum rotun- 



1) EntwicklungsgeBchichte p. 362. 

2) Grondbeginselen der Natuurkunde v. d. Mensch. Vertaald 
door v. d. Br eg gen. 4e Druk. Plaat III, fig. 2, 

19 



282 

dum der volwassene vrouw. Bij foetus van dezen leeftijd 
vindt men aan de buitenzijde van het gubemaculum den 
kleinen processus vaginalis, sacculusBlumenbachiis. Seileri. 
Bij het 10}" lang foetus was het 2" diep, zoodat het in 
belrekking tot het 4 maanden oud foetus zeer gering is. 
Wij vinden dus in deze periode van den descensus , dat 
het gubemaculum Hunteri (auct) meer en meer uit de 
buikholte verdwijnt. Dit kan slechts aan de diktegroei 
van de buikspieren worden toegeschreven , want de lengte 
neemt niet af, terwijl het orgaan zelf meer en meer buiten 
de buikholte komt te liggen en door de buikspieren omgeven 
wordt. Hierbij verandert tevens de vorm van den buik- 
wand, want het kleine bekken neemt thans sterk in om- 
vang toe , zooöat, terwijl vroeger de penis met het scrotum 
aan de voorzijde van den buikwand liggen, zij later meer 
naar onderen zijn gelegen, waardoor de afstand tusschen 
bal en scrotum vergroot is,* Doordien het gubemaculum 
juist boven het scrotum eindigt , zal dus een grooter deel 
van het gubemaculum zich buiten de buikholte moeten 
bevinden en tusschen de buikspieren en in het onder- 
huidsbindweefsel liggen. De bal behoudt zijne buikvlies- 
omhulling (mesorchium, later tunica vaginalis propria), 
terwijl het gubemaculum haar meer en meer verliest, 
zich als het ware achter het peritonaeum schuivende. 
Doordien dit niet volkomen plaats vindt, ontstaat de 
sacculus Seileri; wij zagen echter dat deze bij een 3| 
maanden oud foetus relatief veel grooter is dan bg het 
6 maanden oud foetus. Behalve dit feit kan reeds eene 
oppervlakkige beschouwing ons overtuigen, dat de meening 
dat de bal in dezen sacculus zou vallen, geheel onjuist 
is. Bij vele zoogdieren schijnt het gubemaculum de ge- 
heele buikvliesomhuUung (mesorchiagogos) te behouden ^ 
hetgeen in verband staat met iets waarop door Vrolik 



283 

en Web er de aandacht is gevestigd, namentlgk dat bg 
het Konijn de vaten van den bal in het mesorchium even- 
als in den radix mesenterii der dunne darmen zijn bevat, 
terw^l de verhouding bij denMensch meer met het mesocolon 
overeen komt. In een menschelijk embryo , dat ik voor mij 
heb , zie ik, dat het mesorchiagogos hierin met het mesor- 
chium overeen komt, terwijl dit bij een konijnenembryo 
van 10" met het mesorchium van dit dier overeenkomt. 
Hieruit vloeit voort dat bij de meeste zoogdieren een 
grootere sacculus Seileri voorkomt, zooals bij hetkon^nen- 
embryo zeer duidelijk is, terwgl vele schrijvers het bij 
andere zoogdieren vermelden. 

Terwijl het gubernaculum aldus meer en meer de buik- 
holte verlaat, blijft het zelf in groei achter. Met de ge- 
slachtsklier heeft hetzelfde plaats , daar de grootte bij een 
3 maanden oud foetus niet veel van die bij een 7 maanden 
oud verschilt. Hierdoor nadert de bal, achter het peritonaeum 
glijdende , schijnbaar den annulus inguinalis. Ik zeg schijn- 
baar, want in waarheid zijn het de omliggende deelen die 
door hunne sterke toeneming in groei eene veranderde ligging 
veroorzaken. Het glijden moet men zich alzoo voorstellen, 
dat de bal zijn peritonaeum geheel behoudt , doch dat, ter- 
wgl het gedeelte van den wand van het onderlijf waaraan 
het mesorchium gehecht is meer en meer groeit , de bal door 
het gubernaculum vastgehouden wordt, waardoor voort- 
durend andere plaatsen van den wand van het onderlijf 
tegenover den bal komen te liggen. Dit proces wordt 
begunstigd door de losse verbinding van het peritonaeum 
met den buikwand , waarop H u n t e r met recht de aandacht 
gevestigd heeft. 

Nu zal eindelijk de bal in het lieskanaal moeten gera- 
ken, om ten slotte buiten de buikholte te komen; deze 
verhouding is echter bij foetus zeer zelden waargenomen. 

19* 



284 

Blnmenbach tref die verhouding onder een groot getal 
onderzochte foetus slechts éénmaal aan 1); Hunter noch 
een der door mij nageslagene schrgvers vermelden haar. 
Het is te betreuren, dat Blumenbach de door hem 
waargenomene verhouding niet naauwkeuriger mededeelt; 
het schijnt echter, dat de verhouding van den m. cremaster 
overeenstemde met die, welke op lateren leeftijd wordt 
gevonden. De annulus ingiunalis is slechts als een duide- 
lijk omschrevene ruimte aanwezig, terwijl het lieskanaal 
naauwelijks bestaat. 

Het schijnt dus dat de bal nagenoeg altijd of binnen 
of buiten de buikholte wordt gevonden, zoodat de door- 
treding door het lieskanaal zeer snel gaan moet. Ik 
kon een 7 tot 8 maanden oud foetus onderzoeken, waarbij 
de ballen juist buiten het lieskanaal lagen. Kaar de zijde 
van het scrotum bevond zich eene massa, bestaande uit 
hydropisch bindweefsel met vele elastische elementen; 
het sloot zich aan het even zoo hydropische bindweefsel 
van het scrotum aan, terwgl het gedeelte van den m. 
cremaster, dat zich aan den bijbal vasthechte, in geringen 
graad hydropisch was. De m. cremaster omgaf den bal 
als een zakje; er was geen spoor van een gubernaculum, 
dat zich in het scrotum voortzetten zou. De geheele ver- 
houding kwam overeen met de door Hunter op Plaat 
XXVI gegevene figuur; slechts het overblijfsel van het 
gubemaculum was in ons geval minder duidelijk. De 
canalis vaginalis was ruim open; de bal lag duidelijk 
ter zijde door eene buikvliesplooi, mesorchium, verbon- 
den, doch lag niet als een breuk, in welk geval het 
mesorchium van boven zoude komen. Het lieskanaal was 
nog zeer weinig ontwikkeld; in verband hiermede is door 



1) O. c. Pi. IIL fig. 1. 



285 

Hun ter terecht opgemerkt, dat de annnlas externus som- 
tijds een hinderpaal voor den descensus is; zooals het 
nit de opgegevene verhouding hlijkt, is er geen goed 
omschrevene annnlns intemus voor dat de bal reeds door 
den annnlas externus is getreden; hij kan dus geen hinder- 
paal zijn. 

De bal treedt dus vrij plotseling door het lieskanaal 
uit de buikholte en overwint hierbij eenen vrij sterken 
hinderpaal (den annulus inguinalis). Wij kunnen ons dit 
niet anders dan door spierwerking denken; het te boven ko- 
men van den genoemden hinderpaal doch vooral het plotse- 
linge van het proces wgzen hierop ; het laatste sluit eene 
plaatsverandering door het verschil van groei van de 
omliggende deelen en van het gubemaculum uit. Eindelijk 
pleit tegen eene werking door likteekenvorming , dat het 
gubemaculum verdwijnt. 

Wij raken hierbij echter een punt aan, waarover men 
altijd de meest tegenstrijdige meeningen gehad heeft. 
Hun ter heeft, gelijk wij zagen, reeds eene spierwerking 
aangenomen , ofschoon hij geene spiervezelen vinden kon ; 
de laatste hypothesen van Weber en Curling nemen 
haar aan, terwijl zelfs Kölliker, ofschoon eene andere 
meening aanklevende, haar niet geheel verwerpt Bur- 
dach verwierp eene spierwerking, omdat de descensus 
reeds bij een foetus van 6 maaiiden begint, doch alsdan 
door hem geene spieren gevonden werden. Dit bezwaar 
vervalt, omdat wij eerst bij oudere eene ware plaats- 
verandering zien en wij slechts tot doortreding door het 
lieskanaal spicrwerking eischen. Het is lange tijd bestreden , 
dat er spieren • op het gubemaculum zouden voor- 
komeD, en men beschouwde den m. cremaster als mede- 
gesleepte bundels van den m. obliquus intemus- Dat op 
het ligamentum testis bij het foetus dwarsgestreepte spier- 



286 

vezselen loopen kan thans niet meer betw^feld worden; 
de vergel^kende ontleedkunde leert dit ook omtrent de 
andere zoogdieren, terwijl bepaaldel^k bij bet kongn en 
de overige zoogdieren wier ballen gedurende den brons- 
tijd naar buiten treden , een uit dwarsgestreepte spieren 
bestaand gubemaculum wordt aangetroffen. B^ deze dieren 
is de m. testis van het foetus en de m. cremaster van 
het volwassene dier dezelfde spier, die slechts hierin 
verschilt, dat de binnenvlakte van den m. testis tot buiten- 
vlakte is geworden ; ditzelfde heeft bij den mensch plaats. 
Het door Snellen beschreven foetus, dat wij in de 
gelegenheid waren nader te onderzoeken, is tot ophelde- 
ring van dit proces zeer gewichtig daar bg het achter- 
blijven der ballen in de buikholte, b^ overigens goed 
ontwikkeld foetus, het gubemaculum nog in de foetale 
verhoudingen en sterk ontwikkeld gevonden wordt; wij 
laten hier de beschrijving dezer deelen volgen, doordien 
hieruit de volkomene gelijkheid van het gabernaculum 
van den mensch en van het konijn blykt 1). 

Het gubemaculum was schijnbaar blaasvormig; de blaas 
bestond uit bind weefsel met bundels dwarsgestreepte spieren, 
terwijl binnen den wand zich zeer los bindweefsel bevond; 
er was eene dunne fascia aan de binnenzijde van den 
wand dezer blaas, terwijl het duidelijk was, dat eenige 
spierbundels van den m. obliquus internus op het guber- 
naculum overgingen, geheel gelijk aan den m. cremaster 
bij volwassene personen. Aan de buitenzijde van den 
m. rectus, iets naar voren, ontsprong het gubemaculum 
als eene dunne, 3'' lange fascia, die zich in spierbundels 
voortzette. Eenige bundels liepen in eenen halven cirkel 
(fig. 1. U') en gingen in den m. obliquus internus over , 



1) Zie de Claat» fig. 1. 



287 

ofschoon de bundels tot aan het ligamentum Foupartii 
afzonderlek te vervolgen waren, terwijl andere bun- 
dels , die denzelfden oorsprong hadden, naar boven naar 
den bal liepen en aldus het reeds vermelde , blaasachtige 
orgaan hielpen vormen (fig. 1. 11), Van buiten uit 
d. L uit het onderhuidsbind weefsel indringende, kon 
ik met een stylet binnen den spierachtigen wand komen ; 
het bindweefsel dat zich daar binnen bevond, bood weinig 
weerstand. 

Bij het konijn keert het gubernaculum zich ten binnenste 
buiten, om later gedeeltelijk weder tot de foetale ver- 
houding terug te keeren. Dit kan onmogelijk door iets 
anders, dan door spierwerking worden verklaard. Het 
prelum abdominale kan de oorzaak niet zijn, daar het 
alsdan niet te begrijpen is, waarom de bal niet altijd 
binnen de buikholte liggen blijft, maar juist bij eenen 
grooteren omvang — d. i. meerderen weerstand — den 
invloed van het prelum abdominale zal ondervinden. 
Wanneer men meent, dat het proces door tusschenkomst 
van het, meestal (altijd?) aanwezige liquor peritonaei 
zal plaats hebben, bestaan dezelfde bezwaren, waarbij 
nog dit komt; de volgens hydrostatische wetten naar alle 
zgden plaats hebbende drukking zal het gubernaculum toe- 
drukken, waardoor de bal onmogelijk er in zal kunnen treden. 

Eindelgk mogen wij niet met stilzwijgen voorbijgaan, 
dat bg een prelum abdominale, waardoor de bal naar 
buiten wordt geduwd , de darmen noodzakelgk mede zullen 
moeten gaan, eene hernia congenita dus ontstaan zal; bij 
drukking door liquor peritonaei vervalt dit bezwaar, 
omdat de drukking alsdan ook op de darmen plaats heeft. 
Ofschoon, volgens Hausmann, dit gebrek meermalen 
bij het Paard en het Varken voorkomt, zou het echter 
altijd moeten voorkomen; bij het Konijn zagen wij het 



288 

nimmer, ofschoon bij die dieren ruime gelegenheid hiar* 
toe zou bestaan. Owen gaf eene verklaring van den 
descensus bij eenige oneigenlijke phanerorchische zoogdie- 
ren 1); de m. cremaster zou den bal naar den uitwen- 
digen liesring .trekken , waarna de m. cremaster door de 
werking van het draphragma en de buikspieren zou wor- 
den omgekeerd; na afloop van den bronstijd wordt de 
alsnu kleiner gewordene bal door den m. cremaster in 
den buik teruggetrokken; doordien hij hier slechts van 
den Egel en Mol spreekt, en deze niet door mij on- 
derzocht zijn, kan ik hierover niet oordeelen; bij het 
Konijn kan het niet op die wijze plaats hebben. Men 
ziet namentlijk, dat wanneer de bal zich voor een ge- 
deelte in het lieskanaal bevindt, alsdan de door den m. 
cremaster gevormde zak reeds gedeeltelijk gevormd is; 
het onderste gedeelte van den bal en de globus minor 
van den bijbal zijn reeds voor een gedeelte door den m. 
cremaster omgeven , als het ware door een naauw sluitend 
kapje overdekt. Dit kapje vergroot zich meer en meer, 
totdat ten slotte, na volkomen afloop van het proces, de 
bal van alle zijden door eenen zak (den m. cremaster) 
omringd is; volgens O wen 's voorstelling zou het kapje 
bij eenen slechts gedeeltelijk van ligging veranderden bal 
niet moeten voorkomen. Wij kunnen ons dit proces niet 
anders verklaren dan door eene contractie, die in het 
digst bij den bijbal (en bal) gelegene gedeelte begint. 
De globus minor is namentlijk door de spiervezelen van 
het gubemaculum gedurende Jiei geheele leven kringsgewgze 
omgeven, en zal dus bij eene contractie van deze spier 
zich binnen de holte van het gubemaculum begeven. De 
globus minor verheft zich buiten den bal, die aldaar 



1) Hun tor, O, c. p, 7. Nót©, 



289 

eenigzins puntig emdigt, waardoor de omtrek geleidelijk 
in breedte toeneemt. Het gubernaculum neemt nu even- 
zeer in breedte toe; bij elke contractie van eene hooger 
liggende doorsnede zal de bal dieper worden gedrongen? 
men zou het met hetgeen bij de invaginatio intestinorum 
plaats heeft kunnen vergelijken. Is nu eenmaal de bal 
geheel ingestulpt, zoo zal bij eene contractie die aan de, 
het verst van den bal verwijderde zijde begint, het tegen- 
overgestelde plaats hebben. — De vroeger vermelde hypo- 
these van Web er heeft met die van O wen veel over- 
eenkomst en dezelfde bezwaren. 

Dat hierbij het prelum abdominale (O wen) of het 
liquor peritonaei (Cooper, Weber) medehelpt, is 
niet te ontkennen, zooals o. a. blijkt uit het feit, dat 
een achtergeblevene bal van een kind somtijds bij het 
schreeuwen te voorschijn komt, doch — en dit is in ver- 
band met het gezegde gewigtig — deze is alsdan van 
eene hernia congenita (sit venia verbo) vergezeld. Het kan 
echter] de gewone oorzaak niet zgn; het medegedeelde 
sch^nt ons als zoodanig het waarschijnlijkst, ofschoon wij 
niet verzwijgen r dat het niet experimenteel bewezen is. 
Prof. Koster verschafte mij de gelegenheid, bij een levend 
Konijn te beproeven, de ballen, welke fbuiten de buik- 
holte lagen, door galvanische prikkeling v n het guber- 
naculum binnen de buikholte te doen terugkeeren; doch, 
ofschoon vrij sterke contractie zagen, gelukte het niet. 
Echter moeten wij aanmerken , ^dat het niet gelukken a 
priori waarschijnlijk was, daar natuurlgk eene zoo grove 
prikkeling van het gubernaculum niet te vergelijken is 
met het proces, dat, in bepaalde levenstijdperken van 
het dier, onder bepaalde omstandigheden van zenuwwer- 
king ontstaat. Welligt zou de irritatie van sommige 
zenuwen of van een centraal punt hier betere resultaten 



290 

kunnen geven, waaromtrent wg echter geene verdere 
onderzoekingen konden doen. Eindelijk m3rken wij aan, 
dat Donders bij eenen Hond eene sterke contractie van 
het gubemacnlom testis retenti heeft gezien 1). 

Bg den Mensch schgnt hetzelfde plaats te hebben. Vele 
van hen, die het aanwezen van spieren erkennen, aarzelen 
echter hierin de oorzaak te zoeken. Hun ter gaf reeds 
de reden hiervan op ; omdat , zegt hij , de bal alsdan niet 
verder dan tot den annulus extemus gaan kan 2). Hiermede 
stemmen Meckel e. a. in, en slechts Curling, die 
scrotale spiervezelen aanneemt, neemt kortweg eene bloote 
spierw^rking aan. Het is hierbij gewigtig, dat Meckel, 
die naauwkeurige onderzoeker, niettegenstaande het ge- 
noemde bezwaar zonder aarzelen eene spierwerking aan- 
neemt, ofschoon hij zich niet uitlaat hoe de bal verder 
gaat. Zg , die eene spierwerking niet aannemen o. a. 
Eölliker, vervallen echter allen in hetzelfde bezwaar 
als Hun ter, omdat in het scrotum zich geen eigentlijk 
gubemaculum Hunteri bevindt. 

Nu is de verhouding dezer deelen bij den Mensch min- 
der goed dan bg het Konijn bekend. Er is echter gecon- 
stateerd, dat bij het 6 of 7 maanden oud (en zelfs jonger) 
foetus spiervezelen op het ligamentum testis H. loopen, 
(d. i. dat het gubemaculum Hunteri auclorum spiervezelen 
bevat) en dat de bal zich op den top van het gubema- 
culum Hunteri auct. bevindt, hetgeen broeder is dan de 
diameter van den bal en dat den globus minor geheel omvat. 
Bij het 8 maanden oude foetus vinden wij den bal even 
buiten den annulus inguinalis, gelegen in een omhulsel 



1) Ncderlandsch Lancet, uitgegeven door Donders on Jansen 
2dc Serie, 5^e Jaargang, p. 380. 

2) O. c. p. 13. 



291 

uit bindweefsel en uit spierbundels gevormd, welke laatste 
zich op dezelfde plaats als de m. cremaster (m. testis) 
van den pas geborenen en als de m. testis (m. cremaster) 
van het foetus inplanten; en, terwijl bij het 6 maanden 
oud foetus het kegelvormig ligamentum testis H. wordt 
gevonden, vindt men bij het 8 maanden oude slechts 
hydropisch bindweefsel onder den bal. Wanneer men 
onze Plaat, fig: 1 en 2 vergelgkt, valt de overeenkomst 
van het gubernaculum bij den Mensch en het Konijn 
duidelijk in het oog; bij beiden is het een spierachtig 
orgaan, terwijl wij er ook op wijzen, dat bij dit foetus 
de spiervezelea volkomen denzelfden loop en oorsprong 
hebben als de m. cremaster bij een goed ontwikkeld, 
volwassen individu. 

Wij hebben dus hier in waarheid hetzelfde als bg het 
Konijn; slechts het eigenlijke ligamentum testis, d. i. de 
binnen den m. testis bevatte massa van bind- en elastiek- 
weefeel, vonden wij niet bij het reeds geborene Konijn, 
wiens ballen nog niet naar buiten getreden waren. Bij 
een nog niet geboren, 3''8"' lang Kongn, vonden wij echter 
eene bindweeüsellaag. In hoofzaak komen beiden overeen., 
en wij mogen dus wel tot gelijke oorzaken van den des* 
census testis b^ Mensch en Konijn besluiten. 

Ook is het niet van gewicht ontbloot, dat men uiterst 
zelden de bal in den annulus inguinalis vond (d. i. in het 
korte lieskanaal) , hetgeen met onze beschouwing overeen- 
komt, omdat als de spierwerking eens begonnen is, dit 
proces snel gaan zal. De annulus extemus is eindelijk 
de eenigste plaats die sterker weerstand biedt ; wij eischon 
om dezen te overwinnen spierwerking. Doordien onge- 
streepte spiervezeleu in het gubernaculum voorkomen, kan 
men ook hieraan eene rol toekennen, doch schijnt die 
mij niet genoegzaam te zgn om er degeheele uittreding 



292 

aan toe te schrijven ; het is dan ook vooral door hen gesteld , 
die begrepen, dat de eenigste verklaring eene spierwer- 
king ware , maar die geene dwarsgestreepte spieren zagen. 

Hier zij ook aangemerkt, dat de verschillende betee- 
kenissen die men aan het woord gubemacnlnm Hnnteri 
heeft gegeven, eene oorzaak van dwaling zijn geworden. 
Seiler, Bnrdach e. a. zeggen te regt, dat het guber- 
naculum niet hol is, en zich dus niet omstulpen kan ; doch 
ofschoon de laatste niet van eene omstulping van den 
m. testis spreekt, blijkt uit de beschrijving, dat hij eene 
omstulping aanneemt. Nu meenden zij , die onder guber- 
naculum Hunteri ook de spierlaag verstaan en eene 
omstu]ping hiervan aannemen, dat Burdach e. a. onge- 
lijk hadden; beide meenden hetzelfde. Het gubernaculum 
testis stulpt zich niet om ; het spierachtig bekleedsel , 
m. testis, daarentegen wel. 

Eindelijk bewijst de descensus retardatus, die somtijds 
in de puberteit eerst plaats heeft en alwaar van verschil 
in groei geene sprake is, dat er spierwerking moet bestaan. 
Terwijl dit nog eenig bezwaar bij den Mensch kan geven, 
daar men zou kunnen denken aan het te voorsch^n treden 
van eenen in het lieskanaal zittenden bal door het prelum 
abdominale, is het bij het Paard, dat overigens geheel 
met den Mensch hierin overkomt, bepaald aangetoond, 
dat de ba^ uit de buikholte kwam. Doordien eindelijk 
bij het Paard de ballen eerst na de geboorte te voor- 
schijn komen, kan men hier onmogelijk aan een verschil 
in groei denken. 

Ten slotte z^ hier nog aangevoerd, dat het voor eene 
pas plaats gehad hebbende werkzaamheid van den m. 
cremaster pleit, dat de spier bij pasgeborene menschen, even- 
als bij het jonge paard, veel gevoeliger is en voortdurend 
sterker werkt dan bij den volwassene. 



293 

Ons besluit na het gezegde is dus, dat de eigenlijke 
plaatsverandering van den bal d. i. het uittreden uit de 
buikholte , veroorzaakt wordt door de zamentrekking van 
de op het ligamentum testis loopende spieren , die een 
vervolg zijn van de buikspieren. Na de beschouwing dor 
verschillende hypothesen schijnt ons deze de eenige toe, 
die met de waarneming overeenkomt 

Wanneer de bal de buikholte verlaten heeft, bevindt 
hij zich by den annulus inguinalis externus, om nu 
binnen eenige weken op den bodem van het scrotum te 
komen. Dit heeft op eene zuiver mechanische wijze plaats. 
Het scrotum toch is gevuld met bindweefsel, dat door 
de voortdurende drukking van den bal langzamerhand 
atrophiëert. Bij de vele foetus, die door mij met Prof. 
Koster onderzocht zijn, kwamen ninmier scrotale spier- 
bundels voor; Hun ter heeft deze ook nooit gezien, en 
wij zeggen met Beek; dat wanneer men foetus onder- 
zoekt, de hypothese niet kan gesteld worden. 

De boven aangegevene, schoon onvolledige ontwikke- 
lingsgeschiedenis van het gubemaculum, pleit ook tegen 
bet voorkomen van dit deel in het scrotum, tenzij 
later eene uitgroeijing — zooals door sommigen, o. a. 
Bathke 1), is aangenomen — naar het scrotum plaats 
heeft. Het gubemaculum ontstaat op de plaats van de 
latere uitwendige liesopening , doordien van het zich hier 
bevindend embryonaal-, later onderhuidsbindweefsel, de 
woekering tot gubemaculum en scrotum uitgaat. Wij 
vinden dan ook, gelijk wij zeiden, dat het gubemaculum 
bij het os pubis, d. i. bij den annulus externus, met 
het onderhuidsbindweefsel der ligchaamsbekleedselen ver- 



1) Abhandlung 2ur Bildung^nnd Entwickelongfigeschichte. I p,71. 



294 

bonden is, terwijl het scrotum op dezelfde plaats er mede 
verbonden is. 

Pe gevallen, zooals onlangs een door Bar werd mede- 
gedeeld, waarbij een zich in de liesstreek bevindende bal 
plotseling naar het perinaeum werd verplaatst, en een ander 
waar de bal in de dijstreek lag, terwijl de zaadstreng 
op de gewone wijze door het lieskanaal liep, maar zich 
nu naar de dijstreek begaf 1) , zouden volgens Curling 's 
hypothese niet anders te verklaren zijn, dan door crurale 
en perinaeale vezelen, die echter nimmer gezien zijn en 
althans voor het eerste door Bar medegedeelde geval van 
eene plotselinge verplaatsing der testiculi bij eenen jon- 
geling niet te hulp kunnen geroepen worden. 

Door eene ligte drukking, zelfs door het inblazen van 
lucht, kan men uit het lieskanaal zeer gemakkelijk zich 
in het scrotum een weg banen , waarbij men voortdurend 
in het onderhuidsbindweefsel blijft. Verder is het bekend , 
dat in niet zeer zeldzame gevallen een gedeelte der dar- 
men in de labia majora (homologa van het scrotum) 
worden gevonden, waartoe zij het in de laatste zich 
bevindend vetweefsel moeten verdringen. De darmen 
worden door geenerlei andere kracht naar de labia gestuwd, 
dan door de drukking waaronder de geheele buikholte 
zich bevindt; bij den bal vinden wij hetzelfde. Zg staan 
door den openen processus vaginalis onder dezelfde druk- 
king als de zich in de buikholte bevindende darmen, 
en het met de labia overeenkomende scrotum is door een 
weefsel gevuld, dat veel minder weerstand zal bieden 
dan vetweefsel. Ku laten genoemde gevallen zich onge- 
dwongener verklaren door aan te nemen, dat de onder 
het prelum abdominalo staande ballen zich langzamerhand 



1) Frager Vierteljahrachrift 1866 p. 91. 



295 

eenen weg banen naar de plaats , alwaar de minste weer- 
stand is, dan aan te nemen dat er perinaeale en crurale 
spiervezelen van het gnbemaculum bestaan. De eerste 
verklaring kan er op wijzen, dat bij hernia labialis, 
alwAar dezelfde verhouding voorkomt, ook hetzelfde 
plaats heeft, terwijl de laatste zich op het voorkomen 
van scTotale spiervezelen beroept, die zelve minstens 
twijfelachtig zijn. De vergelijkende ontleedkunde wijst 
voorbeelden genoeg aan, dat het zakje, waarin de bal 
hangt, door den bal zelf gevormd is zonder het bestaan 
van scrotale vezelen; wij hebben die boven reeds ver- 
meld. Dit bewgst, dat de bal bij vele dieren zijnen 
eigenen weg baant, en is dus eene vingerwgzing dat 
het bij den mensch ook zoo zgn kan; na het gezegde 
is het naar onze meening zeer waarschgnlijk, dat het- 
zelfde bg den Mensch — en Hond, Paard, Kund — plaats 
grijpt Doordien de bal in eenige, hoewel uiterst zeld- 
zame gevallen, in het perinaeum gekomen een eigen 
zakje vormt, blijkt het, dat ook hierin de bal van den 
Mensch met die van vele andere Zoogdieren overeen- 
komen kan. 

Het is misschien overvloedig hier aan te merken, dat 
hoewel de bal van den Mensch aldus zijnen eigenen weg 
baant, er eenig verschil is met hetgeen bg het Konijn 
plaats grijpt. Terwijl bij dit dier de bal op dezelfde 
wgze de algemeene bekleedselen moet uitstulpen, als het 
bij eenen in het perinaeum liggenden bal van den Mensch 
plaats grijpt, baant de bal zich bij den laatsten eenen 
weg in een orgaan, dat reeds in zgn ontstaan, in zijne 
verdere ontwikkeling en in zijnen zamenhang met den 
buikwand ter plaatse waar het gubernaculum Hunteri 
(auct.) ontspringt, de voorwaarden tot het opnemen en 
blijvend bevatten van den bal bezit, en dat gevormd is 



296 

zonder hulp van den bal , dio slechts den weg behoeft 
te maken, waarbij hij somtijds verdwaalt. Waarom het 
scrotum reeds vooraf bestaat is eene vraag, waarin wg 
niet nader kunnen indringen; uit het boven gezegde is 
het echter duidelijk, dat, daar het scrotum en gubenra- 
culum van dezelfde plaats ontspringen, zij hierdoor met 
elkaar in verband staan, hetgeen ook uit de wijze van 
ontstaan noodzakelijk voortvloeit. 

De bal is aldus op den bodem van het scrotum aan- 
gekomen , hetgeen meestal eenige weken voor de geboorte 
plaats heeft. Doch de bal is in het begin niet rustig, 
maar heeft groote neiging weder naar het lieskanaal en 
binnen de buikholte te komen ; het is alsof de m. cremas- 
ter na zijnen verrigten arbeid nog niet rusten kan, iets 
dat ons niet bevreemden zal; eene spier die gearbeid heeft is 
sterker dan eene spier die, zooals de m. cremaster op 
volwassen leeftijd, jaren bijna volkomene rust gehad 
heeft. Bij het jonge paard zien wij hetzelfde, doch in 
heviger graad dan bij den mensch, zoodat de bal som- 
tijds plotseling weder binnen de buikholte treedt 1) ; de 
dcscensus geschiedt bij dat dier dan ook later. De oorzaak, 
dat bij vele pasgeborenen slechts één of gééne der ballen 
in het goed ontwikkeld scrotum zich bevinden, kan 
welligt aan eene uitwendige drukking van de ballen bg 
de geboorte worden toegeschreven. 

Het is mij onbekend, of de bal die eenmaal naar de 
buikholte is teruggekeerd, evenals bij het paard later 
weder in het scrotum terugkeert. Eene waarneming van 
Marchall, dat vele personen de ballen willekeurig 
kunnen optrekken doch niet naar beneden terugbrengen ^ 



1) Hausmann, über die Zengung und Entatebung des wahren 
weiblichen Eies bei den Sangethiercn nnd Menschen p. B, 



297 

zoude tegen het laatste pleiten. Het vruchteloos aan- 
-wenden van eenen electrischen of galvanischen stroom 
op het scrotum tot het te voorsch^n brengen van den 
bal was uit . het ontbreken van scrotale vezelen te ver- 
wachten, doch met Gurling's hypothese is dit niet 
te rgmen. 

Dit laatste bewijst hoe gewigtig het ook uit een prac- 
tisch oogpunt ware, wanneer men het proces der liggings- 
verandering jtuster kende; zonder de hypothese van 
scrotale spiervezelen ware men waarsch^nlijk nimmer 
tot de genoemde genezingswigze gekomen, en men had 
zoowel aan den patiënt als aan zich zelven eene teleur- 
stelling bespaard. 

W^ vermelden hier nog ten slotte eene abnormaliteit, 
die men als bewijs zou kunnen aanvoeren , dat het guber- 
naculum den descensus niet kan veroorzaken. G^iyk be- 
kend is, is er een tijdperk in de ontwikkeling van de 
zoogdieren dat zg tot geene sexe behooren; bij de ont- 
wikkeling der sexe verdwignt een der beide Wolffsche of 
Müllersche gangen , en verbindt de geslachtsklier er zich 
later mede. Er is echter altijd slechts één gubemaculum 
Hunteri aanwezig 1) dat zich, naarmate het een manne- 
lijk of vrouwelijk individu wordt, tot het gubemaculum 
testis of het ligamentum rotundum ontwikkelt. In zeld- 
zame gevallen blijven beide gangen bestaan, en ontstaat 
een hermaphroditisch individu. Zoo onderzocht Wrany 
onlangs een lateraal hermaphroditisch individu en vond 
dat aan eene zgde een lig. rotundum te gelijk met eenen 
neergedaalden bal voorkwam , terwijl aan de andere zgde 



1) Door Buysch wordt een geval Tan dubbelde ligamenta 
rotunda aan eene zijde opgegeven , ' doch zijne beschrgving ia 
onroUedig (opera omnia p. 82). 

20 



298 

een gabemacnlom Honteri en ligamentum testis te gelijk 
Toorkwamen , het ligamentumrotandam en testis zouden dus 
niet hetzelfde orgaan zijn. In mgn academisch proefschrift 
kon ik het geyal niet vermelden, omdat, het mij eerst 
onder het afdrukken onder de oogen kwam; die tegen- 
werping had ik echter mij reeds voorgesteld zoodat ik 
eenige andere gevallen had behandeld, waarb^ neerge- 
naalde ballen en ligamenta rotunda gevonden werden. Zg 
leidden nq tot het besluit, dat men tot eene dergelgke 
duiding zeer ligtel^k zonder genoegzamen grond overgaat. 
Förster heeft bij het copieren eener door Berthold 
medegedeelde teekening eigendimkel^k aan een deel den 
naam van ligamentum rotundum gegeven, niettegenstaande 
Berthold uitdrukkel^k zegt, dat dit orgaan ontbrak. 
Evenzoo kwamen andere gevallen door Förster en 
May er vermeld,, mg niet bewijzend voor; zoo geeft de 
laatste den naam van ligamentum Hunteri of rotundum 
aan strengen, die slechts in plaatsing er eenigzins mede 
overeenkomen; eene streng, waarvan wij de zamenstelling 
niet weten, en vooral als het onbekend is, of er al of 
niet spiervezelen in voorkomen, mag niet genoegzaam 
karakteristiek beschouwd worden. Hetzelfde moet naar 
mgne meening omtrent Wrany's geval worden gezegd 1), 
daar die schrijver slechts van eenen bundel vezelen 
spreekt. Eene verdubbeling van het peritonaeum, waar tus- 
schen vaten en zenuwen loopen , kan zich als eene streng 
voordoen , tegen welke benaming niets in te brengen zou 
zgn, doch men heeft het regt niet er den naam guber- 
naculum Hunteri of ligitmentum rotundum aan te geven. 
De door Wrany bijgevoegde teekening is niet bewijzend ; 



1) Prager Vierteljahrschrift XCIII, p. 67. 



299 

terwgl voor onze opvattiDg, dat de bundels vezelen niet 
aan een bepaald orgaan beantwoorden, pleit, dat in bet 
lig. latam eveneens vezelen voorkwamen , die deels in bet 
lig. tereSi deels in de rudimentaire tuba overging; bet 
lig. teres en Hunteri ontvangen nimmer vezelen van bet 
ligamentum latum. 

Als de bal niet naar buiten treedt, treft men een 
gubemaculum Hunteri (auct) aan; dit kanecbter,gelgk 
Meckel zeer jxdst opmerkte, niets tegen de functie van 
dit orgaan bewijzen. In een dergelijk door Gloquet 
besebreven geval bg een GOjarig individu beeft waat- 
Bcbgnligk de contractie plaats gebad, maar de normaal 
ontwikkelde bal werd mecbaniscb — door vergroeiing 
met eene darmlis — tegengebouden. ' In de meeste ge- 
vallen dat men een binderpaal van de z^de van den bal 
of van den annulus inguinalis niet kan aannemen, scbignt 
de contractie van den m. testis niet te bebben plaats 
gebad. Eene spierwerking is trouwens beter te rijmen 
met de gevondene verbouding, dan bet aannemen eener 
likteekenvorming; als bet gubemaculum aanwezig is, 
moet de likteekenvorming en dus ook de descensus* 
plaats bebben, zoodat de oorzaak dat de bal acbter^ 
bl^ft alsdan zeer duister is. Yolgens onze bypotbese 
daarentegen moet er eene actieve, plotselinge werking 
bekomen; wg vinden dan ook in de gevallen van re- 
tentio testiquli bet gubemaculum in den toestand als b§ 
een 7 maanden ouct foetus, voor dat de m. testis zicb 
zamentrekt. Dit is o. a. zeer duidelijk in bet reeds ver- 
melde, door Snellen besebreven, bijna voldragen foetus ; 
bet gubemaculum is goed ontwikkeld docb de duidelijk 
aanwezige spieren bebben zicb niet genoeg ontwikkeld, 
of niet gecontrabeerd ? De oorzaak hiervan is ecbter 
onbekend, en zal bet nog bligven zoo lang men bet cen- 

20* 



300 

trnm van waar de beweging van den m. testis, m. cie- 
master, uitgaat, niet kent. 

W^ eindigen met optemerken, dat de descensus ovari- 
orum slechts in de eerste tijdperken van het embryonale 
leven met den descensus testiculorum te vergeleken is; 
de eijerstokken komen in het kleine bekken te liggen 
doordien in de puberteit het kleine bekken zeer sterk in 
grootte toeneemt, terwijl de uterus met tuba en ovaria 
alsdan weinig groeijen. Ik verwgs hieromtrent naar mgn 
proefschrift, alwaar dit breedvoerig behandeld is en ver- 
meld het hier alleen , omdat men het als een bewijs voor 
den descensus testiculorum door likteekenvorming heeft 
heeft opgevat. De liggingsverandering der mannelgke en 
vrouwelijke geslachtsklier van den mensch is slechts in 
de eerste perioden dezelfde; later is het een zeer ver- 
schillend proces. • 



VERKLARING DER PLAAT. 

Fig. 1. Stelt het ondereinde van het, door R skellsn in lyne 
dissertatie: Bover abnormale ontwikkeling van het 9ystema uro^ 
genitale en van hel intestinum redum" beschreven, foetus voon 
Aan de regterzyde liggen de organen , zooals zy op Plaat II van 
die verhandeling zijn afgebeeld ; ten einde den loop der spier- 
vezelen op het gubemaculum testis H. duidelijk te maken, is 
dit orgaan aan de linkerzyde gespannen^ waartoe het vasdeferens 
doorgesneden en de bal naar boven gebragt is. Het geheel is 
van het peritonaeum ontdaan. Natuurlijke grootte. 

1'. Aorta abdominalis. 

4. Arteria iliaca communis dextra. 

5. Arteria iliaca communis sinistra. 
7. Arteria spèrmatica sinistra. 

15', i5'. Arteria umbilicalis dextra. 
r. Door meconium uitgezet darmstuk. 



301 

g. Vezellge streng, waarin het darmkanaal uitloopt. 

br. Regter bal. 

bL Linker bal. 

zr. Regter Tas deferens. 

^, 2^. Linker vas deferens, doorgesneden. Van het onderste 
gedeelte, zZ, zet zich 

è' eene bindweefselstrook voort, die zich tot het gabemaculum 
toe uitstrekt. 

q\ Cioaca, die uit eene vezelige* streng bestaat. 

Ir, Regter gubemaculum Hunteri. 

ü^ IP. Linker gubemaculum Hunteri, gespannen. By {{ ziet 
men de overlangs loopende spiervezelen , die zich naar den bal 
begeven ; bij W de in eene kromme lijn loopende ; zg gaan in de 
buikspieren aU over. 

mr. Omgeslagene regter buikwand. 

aU. Omgeslagene linker buikwand. 

Fig. 2. Stelt het onderste gedeelte van een volwassen man- 
nelijk konijn voor; de buikwand is ter zijde geslagen en de huid 
iveggenomen. Ten einde de overeenkomst met het in de vorige 
figuur afgebeelde gubernaculum bij retentio testis in het oog te 
doen vallen, is de regter bal uit het zoogenaamde scrotum gehaald 
en naar boven getrokken , zoodat het gubemaculum is gespannen 
geworden. Er is een stylet^an uit het onderhuids-bindweefsel 
in de holte van het omgestulpte gubernaculum gebragt. De ligging 
als bij pasgeborene mannelijke konynen. Natuurlijke grootte. 

6. Afgesnedene arteria spermatica dextra. 
, 15', 15'. Sterk uitspringende plooi, gevormd door de overblijf- 
selen der arteria umbilicalis dextra (plica vesico-umbilicalis late- 
ralis dextra). 

r. Rectum. 

V. Blaas, uitloopende in den rudimentairen urachus* 

br. Regter bal. 

er, Regter bijbal, in eene laag vet gehuld, uitloopendeinden 

gr. globus minor epididymidis. 

zr» Regter vas deferens. 



302 

Ir, Regier gubernaculum. 

lr\ Knop van het binnen de holte van het gubernaculum ge- 
bragt stylet. 

X. Stylet. 

6. Radix peritonaei vasis deferentis , zich op het gubemaqilum 
omslaande en in het, dit orgaan bekleedend, buikvlies overgaande. 

j3«r.Regter m. psoas. 

pd. Linker m. psoas. 

Fig. 3. De geslachtsorganen van een iO lijn lang konijnen- 
embryo. Aan de regterzijde liggen de organen onveranderd, terwijl 
aan de linkerzijde door trekking van het gubernaculum Hunteri een 
gedeelte van den Wolffsche gang in tweeën gespleten is waarvan 
een gedeelte met het gubernaculum verbonden is gebleven ; daaren- 
tegen is het laatste bij de aanhechting aan den Wolffschen gang 
afgescheurd. De vorm der gesiachtsklier is niet juist. Tergroot. 

hd. De plooi van het peritonaeum van het WoliFsche ligchaam , 
die naar het middelrif loopt. 

n. Nier. 

w. WollTsdi ligchaam. 

g, Qeslachtsklier.' 

wg, Wolffsche gang. 

mg, Müllersche gang. 

hg. De plooi van het peritonaeum*van het Wolffsche ligchaam, die 
van de gesiachtsklier naar den Wolffschen en Müllerschen gang loopt. 

Ir. Ligamentum Hunteri dextrum. 

IL Ligamentum Hunteri sinistrum, afgescheurd van den Wolff- 
schen gang. Bij 

n ziet men het nog met den Wolffschen gang verbonden gedeelte. 

r. Rectum. 

uv. Urachus naar voren geslagen. 

15. Arteria umbilicalis sinistra. 

De regterzyde komt met de linker overeen. 

Fig. 4. Een embryo van het konijn, van ter zijde gezien, 
lang 6 lijn. De extremiteiten en do buikwand aan de linker- 
zijde, benevens de navelblaas zyn grootendeels verwijderd. De 



vir 




9 

fa 

l 
r 

i 

s 

a 



15: 






303 

navelslagader is een weinig van het Wolifsche ligchaam verwQderd. 
ten einde het gubernaculum Hunteri duidelyker te doen uitkomen. 
4maal vergroot. 

a. De uitwendige oppervlakte van het embryo. 

/3. De huitplaat van de opperhuid ontdaan. 

eal. Linker voorste extremiteit, die op de plaats, alwaar zy 
uit het ligchaam ontspringt, is afgesneden. 

0p/. Linker achterste extremiteit, die op do plaats, alwaar z\j 
uit het ligchaam ontspringt, is afgesneden. 

a. Oor. 

ge. Uitwendig kegelvormig geslachtsdeel (de nog niet geschei- 
dene geslachtsverhevenheid en geslachtsplooijen). 

he, Lever- 

t. Darmen. 

i' Maag. 

d. Middehrif. 

22. Sinus venosus communis en ductus Cuvieri sinister door- 
schemerende door een, hen nog bedekkend, dun laagje van den 
lateren borstwand. 

21. Navelader. 

15. Het gedeelte van de linker navelslagader, dat vrij buiten 
den buikwand ligt. 

15*. (Donkere tint). Het gedeelte van de linker navelslag-ader, 
dat tegen den buikwand ligt, en ter z^jde er door omgeven wordt. 
De buikwand is grootendeels verwijderd, zoodat slechts een dun 
laagje is achtergebleven hetgeen door de donkere tint is aange- 
duid. Dit strekt zich uit tot II, aan welke zijde de geheele 
buikwand is verwijderd, terwijl aan de andere zijde, by |3', de 
van de hoomplaat ontdane buikwand tegen de slagader aanligt. 

w. Het Wolffsche ligchaam, door peritonaeum overdekt. 

wmg.De Wolffsche en Müllersche gangen, naast elkaar ver- 
loopende, waartusschen zich een, van het Wolffsche ligchaam 
▼erschillend, weefsel bevindt. 

X, Gedeelte van het Wolffsche ligchaam, dat niet door peri- 
tonaeum bekleed is. 



304 

IL Ligamentum Hunieri, door verwijdering der navelslagader 
van het Wolffsche ligchaam eenigzins uitgerekt. 

Fig. 5. Onderste helft van een mannelyk embryo van Didel- 
phys, in den tekst vermeld. Ruim 4maal vergroot. Men aet 
duidelijk het scrotum , dat gedeeltelyk in eene huidplooi is 
gezonken , den penis , ^ die nog eene aanduiding der splitsdng 
vertoont, en den onmiddelijk achter den penis gelegenen anus. 



OVER DE TRILBEWEBINS, 



D». Th. W. ENGELMANN, 

AsBiiUnt in hot Phyiiologiich Lftboratoriam der Utreclitiche HoogetcbooL 

(Met Plaat VnX) 



De voorv^aarden, waaronder de trilbeweging plaats 
heeft, en de veranderingen, die zij bij w^ziging dezer 
voorwaarden ondergaat, zijn slechts ten deele bekend. 
Valentin en Purkin je onderzochten den invloed, 
dien verschillende organische en anorganische stoffen op de 
trilbeweging uitoefenen ; ook trachtten zij , evenals later 
Oalliburoes en Kistiakowsky, den invloed der 
temperaluur en der electriciteit te leeren kennen; Vir- 
chow ontdekte de werkingswijze van alkaliën, en Kühne 
onderzocht vóór korten tijd den invloed van gassen. 

Het scheen echteri dat men talrijke, door deze en 
andere onderzoekers bgééngebrachte feiten nog niet onder 
een gemeenschappelijk gezichtspunt vereenigen kon. Bijna 
nergens herkent men een streven, de verandenngen , 
waarop de werkingswijze der verschillende agentia berust, 
nader te bepalen. Zoo zijn nog vele feiten als curiosa 
op zich zelf staande gebleven. Wellicht zijn er in de 
volgende proeven eenige punten , die tot grondslag dienen 



305 

kunnen eener vrij voldoende voorstelling der elementaire 
voorwaarden tot trilbeweging. 

De eerste aanleiding tot het Mer medegedeelde onder- 
zoek was het constateeren van een feit^ dat met het tot 
hiertoe gevondene niet overeen te brengen was. Ik vond, 
namel^k , dat trilharen , die van het slijmvlies der mond- 
holte van een pas gedooden kikvorsch genomen , en in 
versdi serum van kikvorschenbloed door waterstof tot 
rust gebracht waren , b^ toevoer van zuiver koolzuur op 
eens in hevige trilling geraakten. Deze waarneming ver- 
raste mij des te meer, naardien , volgens de mededeelin- 
gen van Eühne, koolzuur onder alle omstandigheden 
vernietigend op de trilbeweging zou werken, en zelfs 
niet zou in staat zijn een door alkaliën veroorzaakten 
stilstand op te heffen. Om nu de werkingsw^ze van 
koolzuur te begrijpen, was hét noodig, zooveel mogelijk 
de voorwaarden te leeren kennen, onder welke de tril- 
beweging onderhouden of veranderd wordt Met. dit doel 
w^en de hier medegedeelde proeven door mij genomen. 

Bg het grootste deel dezer proeven behoefde ik een 
toestel, die de inwerkirg van gassen op het in het 
gezichtsveld van het microscoop geplaatste object ver- 
oorloofde. HiertoOv liet ik eene gaskamer vervaardigen , 
zoodanig ingericht, dat zij, zoowel alléén, als in verbin- 
ding met de tot verwarming ingerichte voorwerptafel kan 
worden gebruikt en tegelijkertijd, onder de meest ver- 
schillende omstandigheden electrische prikkeling toelaat. 
Bg dezen toestel kunnen de sterkste objectieven gebruikt 
worden, en het kan, wijl het zoo klein is, zonder de 
minste voorbereiding bij elk mikroskoop worden aange- 
wend. Men vindt er eene nauwkeurige beschrgving van 
in de hier achter gevoegde verklaring der plaat. Hier 
^sta slechts het noodige. De gaskamer dan, bestaat uit 



306 

een plat kistje, 80 mm. lang, 42 mm. breed en 8 mm. 
hoog. De zijwaifden zijn van geel koper; de bodem 
wordt gevormd door eène glasplaat, die met moeieligk 
smeltbaar cement hermetisch daarin is vastgekleefd. Het 
deksel van het kistje rust op een nitstekenden rand 
der zijwanden en kan worden afgenomen. Wanneer men 
het gebrnikt , worden de randen met eenig vet bestreken 
en vast opgedrukt, en, zoo noodig, er met twee geel 
koperen klemmen op bevestigd. Ik gebruik onderschei- 
dene deksels, allen van dezelfde afmetingen: de lengte 
is 77.5 mm., de breedte S6 mm., de dikte 1.5 mm. 
Wensch ik niet electrisch te prikkelen, noch tempera- 
tuursbepalingen op de tot verwarming ingerichte voor- 
werptafel te doen , zoo bezig ik een geel koperen deksel, 
in welks midden zich eene ringvormige openlig van 
15 mm. middellijn bevindt. Deze opening wordt gesloten 
door een aan de binnenz^de van het deksel, op gelgke 
w^ze als de bodem, vastgekleefd dekglas, naar verkie- 
zing van verschillende dikte. Het object wordt in een 
droppel aan die zgde van het dekglas gelegd, die bg 
het opleggen van het deksel naar het inwendige der 
gaskamer wordt ' toegekeerd. De afst^d tusschen het 
object en de oppervlakte der voorwerptafel bedraagt dan 
ongeveer 5 & 6 mm. Wel is waar, neemt de helderheid 
van het gezichtsveld hierb§ eenigszins af, doch zoo 
weinig, dat men den spiegel niet hooger behoeft te 
brengen, en dat men bij matige verlichting zelfs nauwe 
diaphragmata in de voorwerptafel kan gebruiken. Wil 
men echter de gaskamer op de tot verwarming ingerichte 
voorwerptafel van Schultze, die slechts een dunnen 
straalbundel door laat, gebruiken, dan wordt het wen- 
schelgk, hoewel in de meeste gevallen nog niet nood- 
zakelgk, het object dichter bg den spiegel te biengeiu 



307 

Hiertoe dient een deksel met wgder opening, aan welks 
binnenzijde een 2.5 mm. hooge glasiing is gecementeerd, 
die van onderen door het dekglas wordt gesloten. De 
afstand van het in den droppel, aan de ondervlakte van 
het dekglas zwevende object tot de oppervlakte der voor- 
werptafel bedraagt dan slechts 2.5 è. 3 mm. Wil men 
alleen bij zwakke vergrooting waarnemen, dan kan men 
den droppel met het voorwerp ook op de glasplaat bren- 
gen, die den bodem van de gaskamer vormt Ook zou 
men, hoewel znlks minder praktisch ware, den glasring 
en het dekglas knnnen achterwege laten, aan den tubus 
van het microscoop eene vochtige kamer naar de con- 
stmctie van Recklinghansen aanbrengen en deze 
bniten op het deksel der gaskamer plaatsen. Het object 
komt dan op den bodem der gaskamer. In dit geval 
bevindt het objectief stelsel zich in eene met de gas- 
kamer commnniceerende ruimte en kan door de opening 
in het deksel naar verkiezing daarin worden neergelaten. 
Door de grootere middellgn der opening in het deksel 
heeft men, zelfs wanneer het objectief zeer ver naar 
beneden gebracht is, toch voldoende zijdelingsche excur- 
sies. Bij objectief-stelsels met niet te breede bussen is 
het reeds voldoende, wanneer de middell^n der opening 
in het deksel 20 mm. bedraagt. 

Om in de gaskamer electrisch te kunnen prikkelen, 
bedien ik mij van een glazen deksel, van de boven aan- 
g^vene afmetingen, in welks midden weder eene ronde 
15 mm. w^de opening, van onderen door een dekglas 
gesloten. Aan beide zgden van deze opening wordt het 
deksel door de geleiddraden doorboord, die op deze wgze 
in het binnenste der gaskamer komen. Over de inrichting 
der electroden spreek ik bg eene andere gelegenheid. 
Hierbg bevindt zich het object in een droppel aan de 



308 

ondervlakte van het dekglaasje. Prikkelt men op de tot 
verwarming ingerichte voorwerptafel dan is het beter een 
glazen deksel met w^der opening te gebmiken, en mea 
kan, zooals boven, het dekglas door een glasring lager 
brengen of wel eene kamer naar Becklinghausen 
aanbrengen, en het object op den bodem der gafikamer 
plaatsen. 

Om de gassen door het apparaat te kunnen voer^i, 
is in het midden der beide kortere geel koperen zg wanden 
een geel koperen buisje van 5 mm. dikte en 3 mm; 
lumen ingeschroefd , waar een caoutchouc-buis wordt 
overheen getrokken. Gebruikt men het met de tot ver- 
warming ingerichte voorwerptafel, dan is het wenschelgk, 
wegens het warm worden der caoutchouc-buizen , dat de 
uiteinden der geel koperen buisjes tot over den rand 
dezer voorwerptafel uitsteken: eene lengte van 35 mm. 
is hiertoe voldoende. Natuurlijk kan men er, wanneer 
de langere buizen hinderlijk mochten zign, voor 't gewone 
gebruik kortere aanschroeven. 

Men kan, zooals reeds gebleken is, de gaskamer ook 
als gewone vochtige kamer gebruiken , wanneer men b^v. 
aan de geel koperen aanzetbuizen kleine met glazen 
proppen geslotene caoutchouc-buizen aanzet. Eénige drop- 
pels water of bevochtigd vloeipapier, op den bodem der 
gaskamer gelegd, houden de ruimte vochtig. Men heeft 
daarbij dit vóór bij de vochtige kamer naar Keckling- 
hausen, dat het microscoop en het object niet in vaste 
verbinding met elkander staan. Men kan elk oogenblik, 
zonder dat daarom het onderzoek gestoord wordt, de 
vochtige kamer wegzetten en het microscoop voor andere 
doeleinden gebruiken. 

Voor bet grootste deel werden de proeven gedaan met 



309 

tiüliaaTcellen, die van het Blijmvlies der mondliolte van 
den, levenden of pas gedooden kikvorsch (Sana tempo- 
laria en escnlenta) genomen waren^ In den regel werd 
een stnkje van ongeveer 0,5 mm. breedte en 2 mm. leng- 
te uit het sl^mvlies in de lengte nitgesneden en in. een 
droppel der gewenschte vloeistof gelegd. Het is onnoodig, 
hierbij het epithelium te isoleeren: aan de randen van 
het stok van het slijmvlies kan men de trilbeweging 
zeer goed waarnemen en buitendien zijn er altijd losse 
groepen van trilhaarcellen in het praeparaat. Het is van 
groot gewicht, zich big de voorbereiding van zorgvuldig 
gereinigde werktuigen te bedienen. Het geringste spoor 
van alkalisch of zuur vocht aan de punten der schaar of 
van het pincet kan het resultaat der proefneming omkeeren. 

Behalve trilhaarcellen van het slijmvlies der mond- 
holte van den kikvorsch , gebruikte ik ook enkele malen 
trilhaarcellen van het hartezakje van den kikvorsch, en 
van het slijmvlies der luchtwegen van het konign. De 
verschgnselen komen in alle hoofdpunten geheel overeen. 

Ook werd nog eene andere reeks van proeven genomen 
met het trilhaarepithelium van verschillende zoetwater- 
mollusken en wel in 't bijzonder met het epithelium dat 
de voeUiorens van Flanorbis overdekt en met tnlhaiur- 
epithelium van Anodonta. 

Eindelijk werd de trilbeweging by verschillende infu- 
soriën, in 't bijzonder bij Faramaecium, Balantidium, 
Plagiotoma en Opalina big gelegenheid in aanpierking 
genomen. De bewegmg der spermatozoën, die onder 
dezelfde invloeden gelijksoortige veranderingen ondergaat 
als de beweging der gewone trilhaarcellen , zal het onder- 
werp eener latere mededeeling z^n. Ook zullen dan 
proeven over de eigenlijke Frotoplasmabewegingen en 
hare voorwaarden volgen. 



310 

Vóór yry overgaan tot de beschouwing der verande- 
ringen, die de trilbeweging onder verschillende agentia 
ondergaat, is het noodig, eenige opmerkingen over de 
trilbeweging, zooals zij onder normale omstandigheden 
plaats grgpt, te doen voorafgaan. Zoowel hare snelheid 
als haar vorm komt mg voor geheel anders te zijn als 
algemeen wordt aangegeven. Verscheidene malen heeft 
men de snelheid gemeten. Krans e geeft voor de frequen- 
tie der trillingen (b^ den mensch?) 190 — 320 slagen 
in de minuut op, terw^l Yalentin 1) er bg Anodonia 
slechts 100 — 150 vond, en zegt: „dass jedes Haar bei 
„normaler Flimmerbewegung 2 — 3, seltner, wie es 
„scheint, mehr vollendete Bewegungen in der Secunde 
„vollenden dürfte." 

Ik vind bg trilhaarcellen, die zich onder normale of 
ten minste onder zooveel mogelgk met de normale over- 
eenkomstige voorwaarden bevinden de bewegingen in den 
beginne ontelbaar snel, en zelfs volgen de heen en terug- 
slag van het trilhaar elkander zoo spoedig op dat men 
een voortdurenden gezichtsindruk ontvangt. Afzonder- 
Igke trillingen zijn dus volstrekt niet te onderscheiden. 
In profil gezien, vertoont zich de trilhaarzoom als een 
lichte schaduwstreep, overal van gel^ke hoogte, die zich 
over de buitenste oppervlakte der epitheliumcellen uit- 
strekt. Hij schijnt zelf volkomen stil te staan en ver« 
raadt de beweging alléén door den stroom, dien hg in 
het hem omringende vocht te we^ brengt. Het lang- 
zamer worden der bew^ing wordt het eerst merkbaar 
door kleine schaduwen, die zich van tijd tot tgd even 
met bUksemsnelheid in den homogeen schgnenden zoom 



1) Yalentin, Art Flinmierbewegong in B» W. Handwortei^ 
buch der Fhjüologie, Bd. I» pag. 603. 



311 

veitoonen. Eerst komen ze maar zelden en op enkele 
plaatsen voor, langzamerhand echter volgen ze elkander 
sneller op en ontstaan ook op meer plaatsen — en ein- 
delijk vertoont het grootste deel van den trilhaarzoom 
dat trillende golven en wemelen, dat der tnlbeweging 
eigen is. Men kan de afzonderlijke trilharen echter nog 
laDg niet onderscheiden , veel minder hunne trillingen 
tellen. Alleen is de eerst schijnbaar voortdurende gezichts- 
indruk nn duidelijk een intermitteerende geworden. Spoe- 
dt evenwel worden de trillingen nu langzamer en lang- 
zamer, en na eenigen tijd is het mogelijk, ze te tellen. 
Met zekerheid kan ik dit eerst doen, wanneer het getal 
trillingen in de secunde tot op 8 is verminderd. Hoe- 
ver dit getal dat van de bovengenoemde onderzoekers 
ook reeds moge overtreffen, toch geldt het, zooals uit 
het bovenstaande blgkt, slechts voor eene bereids aan- 
merkelijk verlangzaamde beweging. Ik moet zelfs dan 
reeds de beweging voor langzamer geworden houden, 
wanneer de indruk van trilling in het algemeen ont- 
staat, waaraan het verschijnsel zijn naam te danken 
heeft. Het is in vele gevallen zeer moeiel^k den graad 
der snelheid nog waar te nemen, die een voortdurenden 
gezichtsindruk geeft, vooral dan wanneer de trilhaar- 
cellen niet aan het levende dier kunnen worden onder- 
zocht De waarneming gelukt echter zeer goed bij kleine 
larven van Batrachien of by slakken, die men in toto 
levend onderzoekt in het water waarin zig voorkomen. 
Infusoria zijn ook zeer goede objecten; in 't bijzonder 
z^n daartoe de adorale trilhaarspiralen van de vastzit- 
tende Vorticellina (EpistyEs, Carchesium, Vorticella 
6. a.) zeer geschikt. Hier maakt de in volle beweging 
zignde trilhaarzoom den indruk van een stilstaande scha- 
duw, waarin hoegenaamd geene trilbeweging te zien is. 



312 

't Qelukte mg echter soms ook bg trilhaarcellen van een 
kikvorsclien, die versch in serum en bg eenigzins ver- 
hoogde temperatnur (25 — 30 C) werden onderzocht, de 
beweging zóó versneld te vinden, dat zg niet meer den 
indrok van trilling maakte. 

Het zon van gewicht zijn, te onderzoeken hoe groot 
het getal trillingen is, dat een trilhaar gedurende het 
maximum zgner beweging in de sècunde maakt 1) ; het 
is de vraag, of dit getal verschillend of wel gelijk is 
bij trilhaarcellen van verschillende organen en organis- 
men, of ook wellicht eene afhankelgkheid van dit getal 
van bekende eigenschappen der trilharen zou te bewgzen 
zijn. Hierover kan ik nog niets met zekerheid mede- 
deelen. Intusschen zal het wel mogelijk zgn — wel- 
licht met behulp van zeer kortstondige verlichting — 
het getal trillingen te bepalen dat een trilhaar, in volle 
bewegin]^ zijnde, in de secunde maakt Ik meen echter 
nu reeds te mogen beweren, dat dit getal grooter is 
dan 12. 

Een tweede punt, waarvan ik van vroegere onderzoe- 
kers moet afwijken, betreft den vorm der beweging van 
het trilhaar. Val en tin, wiens opgaven in de hand- 
boeken voor Fhysiologie zgn overgegaan, onderscheidt 
vier verschillende typen 2): de haakvormige, de trech- 



1) Hier kunnen, 200 als van self spreekt, slechts de in regel- 
matige perioden en van den wil onafhankelgk schommelende 
trilharen in aanmerking komen. Het schijnt, dat deze tot de 
willekeuiig beweegbare en zonder regelmatigen rhjthmus tril- 
lende organen, die men bij de Infusoriên, bijv. bij haast alle Hj 
potricha, rindt, in eene dergelgke verhouding staan als de j^or- 
ganische** spierrezels tot de ^animale." 

2) B. Wagner's Handwörterbuch der Phyaiologie* Bd. L 
pag. 602. 1842. Hier heet het: ,yDie Bewegungsart der Wiih- 



313 

teiyoTinigef de schommelende (slingervormige) en de 
golvende beweging. Van deze vier zon de haakvormige 
verreweg het meest voorkomen (bij alle gewervelde die- 
xen, Gastropoden, Schelpdieren,' enz.) De schommelende 
beweging zon eerst dan ontstaan wanneer de trilbeweging 
in snelheid a&eemt , en dan zelfs nog maar bij nitzonde^ 
ring. Even zelden en slechts wanneer het verschijnsel 
nagenoeg ophield, meenen Pnrkinje en Yalentin bij 
hunne eerste onderzoekingen de golvende beweging bi) 
enkele gewervelde dieren te hebben gezien. Yalentin 
had haar later niet meer waargenomen. De trechtervor- 
mige beweging zou bij de meer rondachtige trilharen 
niet zelden worden aangetroflfen. Het schijnt dus, alsof 
de haakvormige bewegiDg door hen voor de normale 



„pem kann auf folgende vier Typen reducirt werden: 1) 

»die hakenförmige Bewegong (motus ancinatoB). Hier macht 
yjedea einzelne Haar Bewegnngen gleich einem Finger, welchor 
9,abwechBelnd gebeugt irnd gestreckt wird. Bei kürzeren Haaren 
«oder Lappohen xeigt sich bei dieser Bewegnngsweise nnr eine 
«einfache Entwioklong; bei langeren dagegen, z. B. an denen 
„der Kiemen von Anodonta bisweiien anch eine doppelte, gans 
„wie bei einem mit drei Phalangen yersehenen Finger. Die 
„Bealisation dieser Bcwegnng scheint nar denkbar, indem wir 
„wns eine oontractile, in dem Haare gelegene Substanz, oder 
„indem wir eine analoge Einrichtung, wie dorch Fingersehnen 
„rcalisiTt wird, una yorstellen. 2) die trichterformige Bewegnng 
„(motus isfandibalifornds). Hier dreht sioh das Haar um seine 
„Basis als den Mittelpnnkt nnd beschreibt mit der Spitze einen 
„Tolhtandigen Ereis, so dass es im Ganzen eine Kegeloberflacbe 
„bei ieder einmaligen Drehung durchlaoft. 3) die schwankende 
„Bewegnng (motns yacillans). Hier schwankt das Haar nnr mekr 
„pendelartig von einer Seite znr andem. Endlich 4) die wellen- 
„formige Bewegung (motus undulatus). Hier schlangelt sicU das 
„Haar, ungefahr wie ein im Wasser sohwimmender Vibrio oder 
„wie der Faden eines Spermatozoon." 

21 



314 

werd gehouden. Hierin ligt opgesloten, dat zg ook aan- 
nemen , dat het trilhaar slechts op enkele plaatsen zgner 
geheele lengte actief bewegeligk is. In de meeste ge- 
vallen van haakvormige beweging zoude een gedeelte van 
het trilhaar, en wel hetgeen het dichtst bij de basis 
gelegen is, actief bewegelijk zijn, het overige gedeelte 
tot aan de punt toe echter stil en slechts passief bewe- 
gelijk. De lengte van het passief bewegelijke gedeelte 
kan nu echter, zooals bij waarneming blijkt, ze]& hg 
trilharen van naast elkander gelegen cellen, zeer ver- 
schillend zgn. Soms is slechts het uiterste puntje, soms 
is integendeel het haar nagenoeg in zign volle lengte stgf. 
Ook komen, zooals Yalentin reeds vermeldt, wel ge- 
vallen voor, waarin een trilhaar eene dubbele haakvormige 
beweging maakt, zooals bij een met drie phalangen voor- 
zienen vinger.. Hier zou men, van de basis van den vin- 
ger uitgaande^ eerst een bewegelgk, dan een styf stuk, dan 
nog een bewegelijk en na dit weder een stgf stuk hebben. 
Maar dit alles is slechts waar te nemen bij trilharen, die 
zich niet meer onder normale omstandigheden bevinden. 
Neemt men aan , dat alle trilharen van een en dezelfde plaats 
in alle hoofdpunten gelijk gevormd zijn , — en hiertegen 
zal wel niemand iets wezenlijks kunneïi inbrengen , — dan 
moet men uit bovengenoemde feiten besluiten, dat onder 
normale omstandigheden elk trilhaar , op alle plaatsen zgner 
lengte, actieve bewegelijkheid bezit, dat echter, onder 
tot nog toe onbekende omstandigheden, dan het eene, 
dan het andere , dan een korter en dan weder een langer 
gedeelte er van deze actieve bewegelijkheid verliest, en 
stijf wordt. Is dit toegegeven, dan mag men wel be- 
weren, dat ook werkelgk, onder normale verhoudingen^ 
op alle plaatsen der geheele haarlengte eene actieve be- 
weging plaats grijpt, en het is dan slechts de vraag, of 



B16 

dit op alle plaatsen der haarlengte tegelijk geschiedt, of 
wel op verschillende plaatsen op yersehillenden t^d, en 
dan in welke opvolging. De waarneming leert , dat de 
beweging zich golfswijze van de basis van het haar 
naar de pnnt toe voortplant. Men ziet dit nog al eens 
bij trilhaarcellen van gewervelde dieren of weekdieren , 
wanneer de trillingen langzamer worden, vooral wanneer 
dit langzamer worden in zeer verdunde oplossingen van 
kanstische alkaliën plaats heeft. Datzelfde heb ik ook 
dikw^ls bij trilhaarcellen van den kikvorsch waargeno- 
men , wanneer zij door koolznnr of andere znren nit den 
stilstand door waterstof werden opgewekt De eerste 
beweging ving dan aan met eene boogvormige kromming 
van het haar, die even als een golf in een tonw, van de 
basis naar de pnnt toe liep. Uit den vorm der krom- 
mingen, die hierbg het geheele trilhaar achtereenvolgens 
aannam , kon men opmaken , dat de golf ongeveer in dat 
oc^nblik de pnnt van het haar bereikt had, waarineen 
aan de basis gelegen pnnt voor het eerst weer in z^n 
evenwichtsstand was teruggekomen. De lengte van het 
haar was dus ongeveer gelijk aan de halve golflengte. 
Op het oogenblik, waarin de golf aan de punt komt, 
begint het haar aan de basis zich opnieuw boogvormig 
te krommen, en wel in eene richting, tegenovergesteld 
aan die der eerste kromming. Ook deze kromming gaat 
naèr de punt van het haar toe als een golf, wier lengte 
nagenoeg gelgk is aan de dubbele lengte van het geheele 
haar, doch met grootere gemiddelde snelheid dan de 
eerste 1). Elke geheele schommeling van een trilhaar 



1) Neemt men aan, dat een trilhaar yan 0.01 mm. lengte in 
bet maximnm zijner beweging 12 geheele Bchommelingen in de 
•econde maakt, dan yolgt daaruit, dat de gemiddelde Yoortplan- 

21* 



316 

is dus uit twee halve schommelingen samengesteld , vaa 
welke de eerste langer dnurt dan de tweede. — Hierbg 
Yslt nog op te merken, dat de jtrillingen van dk haar, 
ten minste b^ trillende dierl^ke vliezen , in een plat vlak 
plaats hebben, dat men zich loodrecht op de oppervlakte 
door de lengteas van het trilhaar gelegd kan denken. 
Ook is de richting der schommeling xan naast elkander 
gelegen trilhaarcellen parallel. Daar nu ook die- halve 
schommelingen, die met de grootere snelheid plaats grg 
pen , door alle trilharen naar dezelfde richting worden 
gemaakt, komt er eene gelijkmatige voortbeweging vaa 
de vloeistof, die de trillende oppervlakte bedekt 

Van de wgze, hoe de vorm der beweging van het 
trilhaar tot 'stand komt, kan men zich de volgende voor- 
stelling maken. Men denke zich een trilhaar in twes 
leogtebelften verdeeld door een vlak, dat loodrecht op 
het schommelingsvlak door de lengteas van het haar ge- 
legen is. Na begint de eene lengtehelffe zich aan hara 
basis in de richting der lengteas te vérkorten, en dit 
verkorten plant zich, altyd tot die eene len^helft be* 
perkt tot aan de punt toe voort. Zy bereikt die, wan- 
neer de deeltjes aan de basis juist in hare eerste liggingf 
zijn teruggekeerd. Op dit oogenbUk begint aan deba^ 
der andere lengtehelft de verkorting in de richtiDg der 
lengteas 1), en plant zich even zoo, echter met grootere 
gemiddelde snelheid tot aan de punt voort. Door rhyt- 
misch afwisselen van deze twee, de beide lengtehelftea 



tingssnelHeid ran hei bswegingsproces = 0.24 m.m. in de seconde 
ia. Deze kan bij het langzaam worden der beweging door alle 
tusschengetallen tot op 0.006 dalen. 

1) Of, wat hetzelfde ia, nitetrekking in de baaiB der eerate 
lengiehelft. 



817 

doorloopende golven, moet de boven beschrevene bewe* 
ging tot stand komen, aangenomen sdjnde, dat in elk 
oogenblik de resnltante van alle afzonderlijke de ver- 
korting bepalende krachten in het vlak der schommeling 
gelegen zg. 

Nog is de vraag, waarom alle trilharffli juist constant 
naar eene richting toe met grootere snelheid schommelen 
als naar de daaraan tegenovergestelde. Hierover kan 
het onderzoek van stilstaande trilharen wel eenig licht 
verspreiden. Men neme uit een met trilhaarcellen be- 
ldeed slijmvlies, bv. van dat van den oesophagus van 
den kikvorsch, eene smalle in de lengte uitgesneden 
strook, brenge die in serum of keukenzoutoplossing van 
0.57g in de vochtige kamer, en wachte tot de tiilbewe- 
ging ophoudt. Na eenigen tgd, bg het aanwenden der 
keukenzoutoplossing dikwijls reeds na verloop van eenige 
minuten , vindt men bg het onderzoeken van den 
tnlhaarzoom onder het microscoop rijen van cellen , 
waarvan de trilharen deels nog langzame en kleine be- 
wegingen maken, deels reeds geheel met Inrillen hebben 
opgehouden. Beziet men de nog in matige beweging 
zgnde trilharen bg sterke vergrooting, dan bligkt, dat 
meestal de punten der haren stigf zijn en slechts pasdef 
worden bewogen, dat de basis-gedeelten daarentegen zich 
kronunen en uitstrekken. De excurne-breedte der schom- 
melingen is thans in meerdere of mindere mate afgeno- 
men, gewoonlijk big alle haren van dezelfde cel in gelijke 
mate. Terwijl een Irilhaar in levendige trilling, een 
sector van 90'' k^n bestrgken, bedraagt hier de excursie- 
breedte slechts 20 \ Het valt terstond in het oog, dat 
de haren allen naar ééne zgde toestaan en ook slechts 
aan deze z^de heen en weer schommelen. Z^ kunnen 
moh niet meer verticaal oprichten, veel minder in een 



318 

ander quadrant overschommelen. Zij oscilleeren om eene 
scheve eTenwichtsliggiBg. Deze helt, zoo als bg waar- 
neming bligkt, over naar die zgde, waarheen de stroom 
gericht is. 

Beschouwt men thans de volkomen tot rost gekomen 
trÜharen dan valt ook hier dadelijk in het oog^ dat 
deze niet verticaal recht zijn uitgestrekt , maar allen 
schuin naar een en dezelfde zigde toestaan en meestal 
zeer zwak concaaf zijn gebogen , en het blgkt ook hier 
dat de punten der haren naar die zijde overhellen, waar- 
heen, gedurende het leven, de stroom op de trillende 
oppervlakte gericht is. Op het slijmvlies van den oeso- 
phagus van den kikvorsch bijv., zijn dus alle stilstaande 
trilharen schuinsch naar de z^de der cardia gericht De 
afwijking van het trilhaar van den verticalen stand kan 
s6ms meer bedragen dan 30^ Meestal echter vond ik 
20** k 25^ Het is natuurlgk noodig bij deze metingen 
dat het trillingsvlak der haren loodrecht op de as van 
het microscoop gericht zij. — Men neemt dezelfde schmn- 
sche ligging ook waar big trilharen, die in eene water- 
stof of koolzuut-atmospheer tot rust zgn gebracht. 

Door mechanische middelen, bijv. met behulp van een 
microskopisch fijn afgepunt glasstaa^e, kan men de 
schuins staande trilharen ook oprichten en achteruit om- 
buigen. Zoodra men ze echter loslaat, springen zg in 
hunne eerste schuinsche ligging terag. Duidelijk heeft 
dus elk stUstaand — en , zooals w^ uit de med^edeelde 
waarneming wel mogen opmerken, ook elk trillend haar, 
de neiging om , krachtens* zijne elasticiteit in dien schuin- 
schen stand terug te keeren. De krachten, die het in 
dezen toestand trachten vast te houden, zullen aan de 
terugbeweging van het haar eenigen weerstand bieden , 
en db voorwaartsche bew^ing dus ook bevorderen. Hier 



319 

mede is veiklaard waarom de tnlharen naar de eene 
richtiDg sneller sohommelen dan naar de andere, en het 
is dnidel^k, dat zij jnist naar die richting het snelst 
moeten schommelen, naar welke het haar, door zgne 
elasticiteit heen gericht is. 

Uit de omstandigheid, dat de rustende trilharen in 
hnnne geheele lengte schnin naar eene zgde staan, 
daarbg echter uitgestrekt, of slechts zeer weinig naar 
deze z^de toe concaaf zgn gebogen, mag men wel op- 
maken, dat de krachten, die zich tegen de temgbewe* 
ging van het haar verzetten , hoofdzakel^k aan den basis 
van het haar werkzaam zijn , en niet bijy. over de geheele 
lengte daarvan verdeeld. Men mag dus aannemen, dat 
de grootere snelheid, waarmede het haar in de richting 
van den stroom schommelt, daaraan voornamelijk wordt 
g^^ven, op het oogenblik wanneer de basis van het haar, 
daarin geholpen door genoemde elastische krachten, snel 
verslapt. 1) Door de geheele overige lengte van het haar 
plant de beweging zich waarsch^nlijk langzamer voort 
dan aan de basis. Dit komfc wellicht doordien hier zoo 
als de uitgestrekte ligging der trilharen gedurende den 
stilstand bewgst, geen werkelijk overmcht der elas- 
tische krachten naar de eene of de andere zijde bestaat. 
Men zou zich dus hiernaar moeten voorstellen, dat de 
grootere gemiddelde voortplantingssnelheid der verslap- 
pingsgolf voomamel^k op rekening van het aanvangs- 



1) Wij willen de acte, waarmede het haar uit de naar voren -^ 
d. L in de richting van den stroom — orerhellende ligging in de 
temggebogen ligging overgaat, contractie, de andere acte, die 
het in de eerste ligging terugbrengt yerslapping noemen. Het 
spreekt van zelf dat hiermede orer het mechanisme deser be- 
wegingen niets gesegd is. 



820 

gedeelte komt Op denzelfden grond mag men vermoe- 
den, dat de contractie-golf aan de basis van het haar 
w^ns de grootere elastische weerstanden, die hier te 
overwinnen zijn, zich het langzaamst voortplant. 1) 

Het waarnemen van langzaam trillende hazen met zéér 
sterke vergrootingen heeft niets geleerd , wat met de hier 
aangegeven voorstelling zou in strgd zijn. Haar toch 
moet er hier op worden gewezen, dat men meestal slechts 
weinig trilharen vindt, die b^ aanmerkelijk vertraagde 
beweging nog in hnnne volle lengte samentrekbaar zgn, 
en dos de golfvormige beweging hebben, die ik voor de 



1) Nog eene andere omstandigheid sou bij de de yerUaring 
Tan de grootere snelheid der Terslappingsgolf kunnen in aanmer- 
king komen. Neemt men men de door Ho fm eister gemaakte 
hypothese over de mechaniek der protoplasma- en trilhaarbeire- 
ging aan, dan heeft men de hier contractie en verslap^ng ge* 
noemde beweging op te vatten als het resultaat van perio- 
dieke, in eene sekere orde op elkander Tolgende schommelingen 
van de capaciteit der protoplasma-moleculen voor water. De 
contractie bestaat dan d4arin, dat naast elkander gelegen mole- 
culen eensklaps de capaciteit hunner waterhulsels aanmerkeli|k 
verminderen, water uitstooten en sich daardoor dieht» aaneen, 
•luiten. Wat wij verslapping noemden berust op het omgekeerde 
proces. Daar nu bij de protoplasmarmoleculen, soo als het onder* 
soek der contractiele yacuolen in het protoplasma leert, de ver- 
hooging der capaciteit voor water sneller pleegt in te treden dan 
de vermindering daarvan, zoo zou, neemt men een dergelijk proces 
voor de trilhaar-moleculen aib, verklaard zijn, waarom de door ons 
contractie genoemde beweging langzamer geschiedt dan de verslap* 
ping. Intosschen zou, zoo als de waarneming der ia slingervormige 
beweging (zie later) yerkeerende trilharen aantoont, het versblul 
in snelheid tnssehen water opnemen en a^even Tan de Terder 
Tan de basis gelden gedeelten van het trilhaar niet noemens. 
waard z^n. Verg. hierover Hofmeister, Die Lehre von der 
Fflansenzelle 12 u. f. 67. 



321 

normale moet houden. Dit is hoofdzakelijk het geyal 
bg trilhaaroellen van gewerrelde dieren, die in kenken* 
Bontqplossing of in serum tot rost komen. Maar ook 
die trilharen^ die gedurende het leven door water be- 
spoeld z^n, Tertoonen b^ het afsterven in water de golf- 
vormige beweging zeldzamer dan bijv. de haakvormige. 
Dit geldt evenzeer voor de trilharen van de vr^e opper- 
vUJcten der mollnsken. 

Hoe komt het nu, dat deze trilharen, diOf gel^k wij 
aannamen, in normalen toestand golfswijs schommelen, 
later eene haakvormige of slingerbew^ing vertoonen? 
Hoe komt het, dat nu de punten, dan de basisgedeelten, 
dan weder het haar in bijna zijne geheele lengte, z^ne 
actieve bewegelijkheid verliest? Dit alles sch^nt gemak* 
keiijk verklaarbaar, wanneer men in het trilhaar de 
-vorming eener spontaan stollende zel&tandigheid , dat is 
een dergelijk proces aanneemt, als zich bij het bloed en 
andere dierlgke vochten als stoUing, bij de spier als 
I^kst^fheid vertoont Neemt men de principiëele over- 
eenkomst in aanmerking, die, volgens de onderzoekingen 
van Eühne, in de chemische samenstelling der samen- 
trekbare substanties bestaat, dan doet het aan onze voor- 
stelling slechts weinig afbreuk, dat zg niet op het 
isoleeren eener dei^l^ke zelilstandigheid als fibrine of 
xnyosine kan berusten. Het ontbrekende zullen eenige in 
den loop van het hier volgende onderzoek voorkomende 
feiten wellicht eenigszins kunnen aanvullen. 

Nemen wg voorloopig aan, dat, bij het afsterven 
der trilbew^Dg in zooveel mogelök indifferente vloei- 
stoffen (onder overigens normale uitwendige voor- 
waarden) een langzaam stollingsproces in de samentrek- 
bare zelfstandigheid van het trilhaar plaats heeft, en 
trachten wg hieruit de verschillende vormen te vwklaren, 



322 

die de trilbeweging, bg het afaterven in die vloeistofien , 
aanneemt. Het is te begrijpen, dat op die plaatsen, 
waar de stolling geschiedt, de cohaesie toeneemt, de 
Yerschnif baarheid der moleculen afneemt. De krachten, 
die op deze plaatsen de liggingsverandering der mole- 
culen, die de contractie uitmaakt, te weeg brengen, 
kunnen dit, door den verhoogden weerstand nu niet meer 
doen ; de eerst samentrekbare plaatsen z^n stgf geworden. 
Strekt zich nu de stolling over de geheele lengte van het 
trUhaar, tot op een klein gedeelte aan de basis na, uit, 
dan moet de boyengenoemde haakvormige beweging tot 
stand komen, en zal, om genoemde redenen, de con* 
tractie langzamer geschieden dan de verslapping. Deze 
haakvormige beweging zal dus, zelfs wanneer de excur- 
siebreedte zeer verminderd is, nog altijd een gel^kmatigen 
stroom moeten te weeg brengen. Bij waarneming over- 
tuigt men zich hiervan gemakkelgk. Zooals reeds werd 
gezegd komt de haakvorm verreweg het meest voor bg 
het afsterven der trilbeweging. Anders is het, wanneer 
de stolling zoowel aan de basis als aan de punt plaats 
heeft en er slechts een samentrekbaar middenstuk over- 
blijft. Dan treedt de slingerbeweging in: contractie en 
verslapping verloopen, naar 't schgnt, met nageno^ 
gelijke snelheid; het komt, ten minste wanneer de schom- 
melingen niet meer in parallelle richting plaats hebben, 
ook niet meer tot een gelgkmatigen stroom in de vloei- 
stof aan de oppervlakte. Soms blijft slechts de punt met 
een grooter of kleiner gedeelte van het haar samentrek- 
baar. Buitendien komen ook alle overgangsvormen tus- 
sohen de genoemde soorten van beweging voor. 

De ligging van het schommelingsvlak verandert ook 
veelal. Trilhaarcellen , die aanvankel^k in parallelle 
vlakken schonunelden, trillen bij het afsterven in ver- 



323 

schillende richtingen. Bit is , in het bgzonder, bg de slin- 
gervormige beweging niet zelden het geval, zooals ook dan 
•wanneer slechts de niteinden nog trillen, in 't algemeen 
wanneer het gedeelte aan de basis stgf geworden is. 

De verklaring hiervan is eenvoudig: eene verandering 
der trillingsrichting moet wel het gevolg zijn, wanneer 
de stolling in het trilhaar asymmetrisch in betrekking 
tot het door de lengteas van het haar gelegd normaal 
trillingsvlak plaats heeft. Hierdoor verandert de ligging 
der resultante van de krachten, die de verkorting te 
weeg brengen. Hebben de van de stolling vrijgebleven 
gedeelten eene spiraalvormige living om de lengteas van 
het trilhaar, dan ontstaat de trechtervormige beweging, 
die echter zelden b^ 't afsterven van dierlijke trilhaar- 
cellen voorkomt. De lange borstelvomüge eindharen van 
vele infasoriën (Stylonychia en de daarmede verwante 
soorten, Enplotes) hebben onder normale omstandigheden 
dikwijls dezen bewegingsvorm. Naar Ho fm eister 's!) 
mededeelingen zou ze hg lagere plantaardige organismen 
(bij de zwermsporen van vele algen en fungi, bij sper^ 
matozoiden der Gharaceen, Mnscinee en kryptogamen) 
onder normale omstandigheden zeer algemeen voorkomen. 



FSOEVKN OP TKILHAABCSLLEN VAN BIN KIKVOKSOH SN 
ANBBBB OEWEBVELDB BIEBEN. 



I. Invloed van waiersiofffos op de trübeweging, 

Kühne 2) heeft onlangs medegedeeld dat de beweging 
der trilharen van Anodonta in zuivere waterstof ophield. 



1) Hofm'eister, die Lehre von der Pflanzensello. Leipzig 
1867, pag. 28. 
8) Schultie's Arohiv f. mikr. Anat. Bnd. II, 1866, p. 878. 



324 

Bij het afsluiten van zuurstof, en vooral in eene water- 
stofatmospheer had hg vroeger reeds de Protoplasma- 
bewegingen van Amoeben, van Actinophrys, van Myxo- 
myceten en in de cellen van de haren der meeldraden 
van Tradescantia zien ophouden 1). Toevoer van zuurstof 
had dan zoowel Frotoplasma- als trilbeweging weder doen 
ontwaken. De waarneming, waarvan ik i>oven reeds 
melding maakte, dat, namelijk, trilharen van het slgm* 
vlies der mondholte van den kikvorsch, die in een 
waterstofstroom tot rust gebracht waren, door zuiver 
koolzuur in de hevigste beweging geraakten, bracht er 
mij toe, den stilstand door waterstof nader te onder- 
zoeken. In dit geval ten minste scheen het duidelgk, 
dat de werking van de waterstof niet enkel het gevolg 
was van de verwgdering der stof. Het was nu de vraag, 
onder welke voorwaarden de stilstand door waterstof in 
't algemeen intreedt en onder welke omstandigheden die, 
hetz^ met, hetzij zonder voora%eganen toevoer van zuur- 
stof, is op te heffen. 

De bij deze proeven gebruikte waterstof werd door de 
inwerking van verdund zwavelzuur op stukken zinkblik 
gevormd, vóAr het intreden der gaskamer in salpeterzuur 
zilver en potaschloog gewasschen en na het uittreden van 
tijd tot tijd de zuiverheid er van onderzocht. Yan de 
luchtdichte sluiting der gasleidingsbuizen en van de gas- 
kamer overtuigde ik mij telkens door het toedrukken 
van de uitvoerbuis der kamer: de vloeistof in de flesch, 
waar het gas ontwikkeld wordt, rees dan oogenblik- 
keiijk in de lange trechtervormige buis , en in de wasch- 
flesschen stegen geen gasbellen meer op. 



1) üntenuohungen über das Frotoplasma und die Goniiaoti- 
litÜU Leipsig 1864. 



325 

Meestal werdea de trilhaarcellen op de boven aanga- 
ge¥en wgze van het sl^mvlies der mondholte van den 
levenden of pas gedooden kikvorsch genomen en in ver- 
schillende vloeistoffen onderzocht: in kikvorschenbloed, 
in senun van kikvorschenbloed , in lympha, in humor 
aqneus van den kikvorsch, in serum en jodium-serum 
van ossenbloed, in hoendereiwit, in keukenzoutoplossing 
van 0.5 tot l^.o, in rietsuikeroplossing van 2.5"/9, in 
druivensuikeroplossing van B^lo. Allereerst werd on- 
derzocht welke veranderingen de trUbeweging in deze 
vloeistoffen ondergaat, terwijl een stroom atmos« 
phaerische lucht door de gaskamar gebracht wordt. 
Vroegere onderzoekingen hebben reeds geleerd, dat 
de beweging der trilhaarcellen van gewervelde dieren 
in de genoemde oplossingen geruimen tijd bl^ft 
voortbestaan. In het bloed, en in serum van het 
bloed van den kikvorsch of van zoogdieren, en ook 
in jodium-serum vindt men dikwijls na24, ja zelfs 
na 48 uren de beweging nog weinig verminderd. De 
afzonderlgke trillingen zijn veelal nog niet te tellen, 
en hunne excursie-breedte is niet noemenswaard kleiner 
geworden. De beweging kan ook in humor aqueus en 
hoendereiwit uren lang zonder belangrijke verandering 
voortduren. In keukenzoutoplossing van 0.5 tot IVo wordt 
zg in het eerste half uur na de praeparatie een weinig 
langzamer, maar blgft dan, indien ze aanvankelijk sterk 
was, nog vele uren, soms een of twee dagen op eene 
slechts zeer langzaam afnemende hoogte. Yele trilharen 
vertoonen in het eerste uur reeds de haakvormige be- 
weging. Hier heeft de beweging in den regel, zoowel 
b^ trilharen van een en dezelfde cel, als bij eenegroote 
tg naast elkander gelegde cellen, synchronisch in den- 
zelfden rhythmus plaats. De schommelingsrichtingen z^n 



326 

meestal niet veiandeid. — Slechts een klein gedeelte der 
trilhaien vertoont nog slingerbew^ingen. Deze hebben 
meestal, zelft b§ eene en dezelfde cel in yerachillende 
richtingen en niet synchronisch plaats, over het algemeen 
echter met grootere snelheid dan de haakvormige en golf- 
Yormige, die men ook nog gel^ktijdig waarneemt De 
laatsten worden spoedig zeldzamer in keokenzoutoplos- 
singen van 0.5 tot IVo en in suikeroplossingen Tan2.5Vo; 
z^ honden echter lang staijd in eene dinivensoikeroplo»- 
sing van S^/o, waarin een spoor zeer verdonde potasch- 
loog gemengd is. 

In welke der genoemde vloeistoffen men nn de tril- 
haarcellen ook moge onderzoeken, altijd vindt men reeds 
onmiddellijk na het maken van het praeparaat, een 
grooter of kleiner aantal cellen, waarvan de bew^^g 
geheel of nagenoeg geheel heeft opgehouden. Hoe sneller 
en voorzichtiger het praeparaat gemaakt werd, dat is 
hoe meer men mechanische beleedigingen vermeed, des 
te kleiner was dit aantal. Heeft men echter bijv. het 
epithelinm van het slijmvlies geïsoleerd, dan staat bg 
vele afzonderl^ke celgroepen de beweging geheel stiL 
Zelden ontstaat zij hier weder zonder eenig ingrgpen. 
Zooals later blijken zal, kan men haar echter door zeer 
verschillende middelen weer te voorschijn roepen. 

Gewoonlijk zocht ik, ten einde den invloed van water- 
stof op de trilbeweging waar te nemen, znlke cellen op, 
waarbij de beweging, wel is waar langzamer geworden, 
maar to^ch nog levendig was. De nitgezochte cellen wer^ 
den steeds vooraf gedurende 5 tot 15 minuten waarge- 
nomen, terwijl de gaskamer met atmosphaensche lucht 
gevuld was. Was de beweging dan niet merkbaar ver- 
anderd, zoo werd met het invoeren van waterstofgas een 
aanvang gemaakt. 



327 

Zooala bleek, was het gevolg der behandeling met 
waterstof in de hoofdzaak hetzelfde, hetzg de trilhaar- 
cellen in bloed, of bloedsemm, in hnmor aqneus of in 
keukenzoutoplossing van 0.5 tot l*/o lagen. Alt^d treedt 
afneming der beweging in en bij voortgezette inperking 
volkomen stilstand. In den regel is gedurende de eerste 
minuten geene verandering in de beweging te bespeuren. 
Het moment, waarin de waterstof toetreedt, wordt noch 
door een versnellen noch door een vertragen der beweging 
merkbaar. Ha 3 tot 5 minuten, soms zelfs nog later, 
in 't algemeen des te vroeger, naarmate de waterstof de 
atmosphaerische lucht in de gaskamer sneller verdringt, 
vangt het langzamer worden der beweging aan. Nooit 
geschiedt dit plotseling, maar langzaam en gaat even 
langzaam in den stilstand over. Yaak duurt het een 
half uur en langer eer het grootste deel der trilharen 
heeft opgehouden te bewegen. — Het afnemen der be- 
weging heeft niet bg alle cellen op dezelfde w^ze plaats. 
B§ het grootste deel daarvan gaat het langzamer worden 
hand aan hand met vermindering van de amplitude der 
schommelingen. De meeste trilharen hebben de haak- 
vormige beweging met steeds kleiner wordende excursies 
aangenomen. Hier trillen de haren, die tot eene en de- 
zelfde cel behooren, in den regel tot aan het eind toe 
synchronisch en in parallelle richtingen. Bij een ander 
gedeelte trilhaarcellen vertoont zich de meer slingervor- 
mige beweging, waarin, zooals boven werd gezegd, het 
basisgedeelte niet deelt. De trillingen zijn tot op een 
voortdurend kleiner wordend gedeelte van 'de punt van 
het haar beperkt, waarb^ de excursie-breedte afneemt, 
maar de snelheid niet zelden toeneemt. De trillingen van 
naast elkander gelegen haren hebben hier niet meer in 
parallelle maar in veelvuldig elkaar doorkruisende rich* 



328 

tingen en niet meer Bynchronisch bg eene cal plaats. 
Eindel^k ziet men nu nog sleohts de uiterste punten der 
haren kleine, sidderende bewegingen maken. Deze wor* 
den al spoedig onmeetbaar klein, en eindel^k niet meer 
'waarneembaar. — Een zeer klein aantal trilhaien blgft 
tot op het laatst de golfyormige beweging behouden. Bg 
deze schommelen alle trilharen derzelfde cel tot aan het 
einde toe synchronisch en in parallelle richtingen. De 
snelheid vermindert echter langzamerhand, zoodat kort 
vóór het ophouden der beweging^, wellicht slechts elke 
yyf seconden eene schommeling plaats heeft. Dan komen 
nog langere pauzen voor, van een kwart minuut en meer, 
ten slotte nog een laatste trilling, eindelijk niets meer. 
Is de bew^ing reeds vóór het inbrengen van het gas 
merkbaar langzamer geworden dan verhaast de waterstof 
het intreden van den stilstand. 

Het komt ook voor, dat bg sommige cellen de bewe- 
ging zelfs dan niet geheel ophoudt, wanneer de water- 
sto&troom een uur en langer in gelijke kracht door 
de kamer gevoerd is, en wanneer zoowel bg de daarnaast 
als de verder afgel^ne plaatsen van het praeparaat de 
beweging reeds lang geheel heeft opgehouden. Dit z^n 
meestal, maar toch volstrekt niet altijd, cellen, die bg 
den aanvcmg van het onderzoek zeer sterk en snel schom- 
melden. Men treft ze vooral aan bij 't gebruik van bloed 
of bloedserum als onderzoekingsvloeistof, maar ook hier 
zijn ze zeldzaam. Bg die cellen is de beweging ten 
minste altijd aanmerkel^k verlangzaamd en zij houdt toch 
ook eindelgk op, na een verblijf van eenige uren in eene 
atmospheer van zuiver wat^rstofgas. 

Aan de lichamen der trilhaarceUen z^n gedurende 
de inwerking van waterstofgas geene karakteristieke ver- 
anderingen te bespeuren. Soms worden ze iets meer 



329 

lichtbrekend, meer homogeen. De intercellolaire ruimten 
yertoonen zich dan als smalle glinsterende spleten; de 
celkernen zgn niet te onderscheiden. Deze veranderingen 
echter, die klaarbligkel^k slechts op eene zwakke gelijk- 
matige samenschrompeling der cellen, door verlies van 
vocht naar buiten berusten, komen soms ook voor, wan- 
neer de gaskamer met atmosphaerische lucht gevuld blgft, 
en, natuurlijk in veel hoogeren graad bij het aanwenden 
van wateronttrekkende vochten. Bij alle hier medege- 
deelde proeven was echter de lucht der gaskamer met 
vocht verzadigd, zoodat aan eene vermeerdering van de 
concentratie der onderzoekingsvloeistof door verdamping 
niet te denken viel. 

Daar bij de samenschrompeling de oppervlakte der cellen 
kleiner wordt, komen ook de insertiepunten der haren 
dichter bij elkander. Het ziet er dan inderdaad niet 
zelden uit , alsof de haren dichter bij elkander stonden. — 
Yerandenng in het aanzien en de dimensies dertnlharen 
is niet waar te nemen. In elk geval zouden, de klein- 
heid der trilharen in aanmerking genomen, deze veran- 
deringen al zeer aanmerkel^k moeten zijn, wilde men er 
in 't geheel iets van waarnemen. De veranderingen, die 
aan de cellen waargenomen werden op de trilharen over 
te brengen is daarom niet geoorloofd, omdat de zelfstan- 
digheid, waaruit het trilhaar bestaat, moge zij ook den 
naam van protoplasma verdienen, toch geheel anders 
moet gevormd zijn als het protoplasma der cel, waarop 
het haar is ingeplant. De hier beschreven veranderingen 
der trilbeweging bij de cellen van het slijmvlies der 
mondholte van den kikvorsch, onder den invloed van 
waterstof, worden, bij onderzoek in dezelfde vloeistoffen 
ook waargenomen bij de trilbeweging b^ cellen van den 
den oesophagus en van het hartzakje van den kikvorsch , 

22 



330 

van het tracheaal slijmylies en het sl^'mvlies der nenfi- 
holte van het konijn. In oyereenstemming met de nit- 
komsten yanKühne bij Anodonta, en met hetgeen men 
van andefe dierlijke bewegingen weet , luidt het resultaat : 
In zuiver foaterëiofgaê houdt de irilbeweffing op. 

Het is thans de vraag, of de trUbeweging in waterstof 
slechts ophoudt doordien aan de cellen de zuurstof ont* 
trokken wordt die zij tot het voortbrengen van levei^id 
kracht behoeven. Dit beweert bgv. Kühne op grond 
z^ner proeven op Anodonta. Het is intusschen uit andere 
straks mede te deelen feiten gebleken, dat de zaak zoo 
eenvoudig niet is: bij den stilstand door waterstof komen 
verscheidene factoren in 't spel , waarvan de zuurstofont- 
trekking slechts eene is. W^ komen hierop terug na 
eerst den invloed der zuurstof onderzocht te hebben. 

II. Invloed der zuurstof op de trilbeweging. 

Vermengt men den waterstofstroom vóör het invoeren 
in de gaskamer voortdurend met een spoor van zuurstof , 
dan blgft de beweging veel langer aanhouden dan ia 
zuivere waterstof. De hoeveelheid bijgemengde zuurstof 
heeft duidelijk invloed op den duur der beweging. In 
het algemeen houdt de beweging des te langer aan, naar- 
mate meer zuurstof is bijgemengd, doch kleine hoeveel- 
heden zijn reeds toereikend, om het intreden van dea 
stilstand lang terug te houden. Is de hoeveelheid der 
zuurstof in betrekking tot die der waterstof zeer klein ^ 
een volumen-procent of nog minder, dan volgt de stil- 
stand bij verreweg de meeste cellen spoediger dan onder 
overigens gelijke omstandigheden, b^ toevoer van enkel 
atmosphaerische lucht. Reeds na één tot twee uren kan 
men het grootste deel der cellen in rust vinden. Het ia 
miy echter nooit gelukt, alle cellen tot stilstand tebren- 



831 

gen , zoolang nog een spoor yan zuurstof in de gaskamer 
kwam. In zuivere waterstof blijven ook, zoo als reeds 
werd aangemerkt, eenige cellen veel langer in beweging 
dan de meeste anderen. — Wordt eer e grootere hoeveel- 
heid zuurstof, bgv. verscheidene volumen-procenten in 
den waterstofstroom gemengd, dan houdeo de cellen zich 
als in atmosphaerische lucht. Zij sterven na denzelfden 
tijd, op dezelfde wijze en onder dezelfde veranderingen 
der beweging, als boven werd beschreven van cellen, 
die zich in atmosphaerische lucht bevinden. 

Heeft men door een stroom zuivere waterstof de tril- 
beweging verlangzaamd en voert men nu eenige zuurstof 
toe, dan begint alras op alle plaatsen de beweging te 
versnellen, met vergrooting van de amplitude der schom- 
melingen. Is de toegevoerde hoeveelheid zuurstof zeer 
gering, dan duurt het vaak eene halve minuut en langer, 
eer de versnelling merkbaar wordt. Ook treedt zij dan 
niet plotseling, maar langzamerhand in. Het kan één 
minuut en nog langer duren, eer de trilharen weder 
even snel schommelen als vóór het invoeren der water- 
stof. — Is de toegevoerde hoeveelheid zuurstof groot, 
dan ziet men reeds na tien sekunden eene vrij plotselinge 
versnelling en versterking der beweging ontstaan. Wei- 
nige sekunden later, kan dan de beweging haar maxi- 
mum hebben bereikt, en zij blijft dan, mits slechts 
voortdurend eene voldoende quantiteit zuurstof worde 
toegevoerd, lang op deze hoogte. Bg den aanvang van 
de werking der zuurstof neemt men tegelijkertijd eene 
vergrooting der excursie, en eene verhooging der fre- 
quentie waar. Trilharen, die bij de verlangzaming in 
waterstof eene haakvormige beweging vertoonden , nemen 
dan somt^ds nog weer de normale golfvormige beweging 
aan. Het aanzien der cellen verandert niet. 

22* 



332 

Wanneer de trUbeweging door een waterstofistroom 
geheel is tot rust gebracht, hangt de snelheid der weder- 
opwekking door zuurstof van yerschillende omstandig- 
heden a£ In de eerste plaats van den tijd, dien de 
stilstand door waterstof reeds geduurd heeft, voorts yan 
de hoeveelheid der toegevoerde zuurstof. Staan de tril- 
haren pas korten tijd (eenige minuten, een half uur) in 
den waterstofistroom stil, dan is er maar zeer weinig 
zuurstof noodig, om ze weer in beweging te brengen. 
Ze komen echter des te later en des te langzamer weer 
in beweging, naarmate zij langer in de waterstof heb- 
ben stil gestaan en de hoeveelheid zuurstof kleiner is. 
Voert men eerst zuurstof in , wanneer de stilstand door 
waterstof reeds eenige uren heeft geduurd, dan moet 
men vaak eenige minuten wachten, vóór de beweging 
weder begint. Wordt slechts zeer weinig zuurstof toe- 
gevoerd dan kan het zelfs voorkomen, dat de beweging 
in het eerste kwartier, of ook in het geheel niet meer 
terugkeert. Verdringt men plotseling de waterstof door 
zuivere zuurstof, dan kan men zeker zijn, ook na lan- 
gen duur van den stilstand door waterstof, dat de meeste 
cellen weder in beweging geraken. Men moet ook hier 
echter wel eens minuten lang wachten. Alle trilharen 
beginnen dan niet te gelijk zich weder te bewegen. 
Sommigen vangen met eene zeer langzame groote schom- 
meling aan, andere met zeer kleine haakvormige bewe- 
gingen, die allengs grooter en sneller worden. Zelden 
echter bereiken zij eene belangrijke snelheid, wanneer 
ze langen tijd in waterstof hebben stilgestaan. Bij niet 
weinig cellen houdt een paar minuten na het intreden 
der zuurstof de beweging reeds weder op. Zonder uit- 
zondering wordt bij eenige weinige cellen zelfs in zuivere 
zuurstof geene beweging gezien. 



333 

Evenals de zuurstof werkt ook koolzuurvrije atmos- 
phaerische lucht op den stilstand door waterstof. 

De gunstige invloed der zuurstof is dan zelfs nog 
merkbaar, wanneer de trilbeweging in atmosphaerische 
lucht begint te verlangzamen. Heeft men gedurende 
eenigen tijd een stroom van atmosphaerische lucht door 
de gaskamer heengevoerd, dan vertraagt, zoo als reeds 
werd gezegd, de beweging langzamerhand bg alle cellen. 
Leidt men nu een stroom van zuivere zuurstof door de 
gaskamer, dan versnellen en versterken alle bewegingen 
binnen weinige sekunden, en kunnen zich dan lang op 
eene aanmerkel^ke hoogte staande houden. Ook b§ cellen 
die onmiddellijk na het maken van het praeparaat reeds 
eene vertraagde beweging hebben, brengt het verdringen 
der atmosphaerische lucht door zuivere zuurstof versnelling 
te weeg. Cellen wier beweging gedurende de praeparatie 
geheel ophield, worden op dezelfde wijze niet zelden 
weder in matig sterke beweging gebracht. Bg deze houdt 
ze echter ook in zuivere zuurstof na eenigen tijd geheel op. 

In een atmospheer van zuivere zuurstof sch^nt de 
trilbeweging niet zoo lang te kunnen voortbestaan als 
bijv. in atmosphaerische lucht. Bracht ik cellen van het 
* sl^mvlies der mondholte van den kikvorsch in eene 
keukenzout-oplossing van 0.5 ^/o in de gaskamer en voerde 
ik er nu onophoudelgk zuivere zuurstof door heen, dan 
had na eenige uren de beweging meestal bij veel meer 
cellen opgehouden dan het geval pleegt te zijn , wanneer 
atmosphaerische lucht over het praeparaat werd geleid. 
Daar nu zelfs onder gelgke uitwendige voorwaarden de 
beweging bg alle praeparaten niet met gel^ke snelheid 
afneemt, maar al naar de zoi^vuldigheid en den spoed 
der praeparatie iets sneller of iets langzamer, is het 
noodig, het praeparaat eerst gedurende eenigen tijd, b^v. 



334 

15 tot 30 minuten, in atmosphaerische lucht waar te 
nemen. Blijkt dan dat de beweging niet merkbaar ver- 
traagd, dan kan men tamelijk zeker zijn, zoo als bepaalde 
proeven mij leerden, dat men, bij voortdurend intreden 
van atmosphaerische lucht, ook na eenige uren,' de 
meeste cellen nog in vrij levendige beweging vinden zal. 
Een langer verblijf in zuitere zuurstof schijnt] daarentegen 
bij zulke praeparaten den stilstand eerder te doen intre- 
den. Intusschen schijnt het verschil niet aanzienlek te 
zijn. Werd bloed of bloed-serum als onderzoekingsvloeistof 
aangewend, dan bleef de beweging^ gelijkelijk voort- 
bestasm, hetzij zuivere zuurstof uren lang door de gas- 
kamer werd heengevoerd. 

Staat de beweging eenmaal in zuivere zuurstof stil , 
dan wordt ze door koolzuurvrge lucht niet weer oj^je- 
wekt; natuurlijk evenmin door waterstof. 

Heeft men de trilbeweging uit den stilstand door water- 
stof , met zuurstof of atmosphaerische lucht weder doen 
herleven, en voert men nu op nieuw waterstof toe, dan 
tieedt de stilstand altijd binnen korteren tijd in dan de 
eerste maal. Na eenige minuten reeds zijn gewoonlijk 
alle trilharen tot rust gekomen. Vaak gelukt het, eene 
en dezelfde cel meermalen na elkander door waterstof 
tot rust, en door zuurstof weer in beweging te brengen. 
Hoe meermalen men echter de proef reeds herhaald heeft, 
des te spoediger treedt dan de stilstand door waterstof 
in , des te langzamer komt de werking der zuurstof tot 
stand , en des te kleiner is de hoogte , waartoe de bewe- 
ging zich verheft. Eindelijk wordt bij verscheiden cellen 
reeds na ééne, bij velen pas na drie, vier en meermalen 
herhaalde afwisseling, de beweging door zuurstof niet 
meer opgewekt. 

De trilharen en trilhaarcellen, die in zuivere zuurstof 



835 

tot rust gekomen zijn^ hebben betzelfde aanzien als die 
onder overigens gelijke voorwaarden in waterstof of 
atmospbaerische Incbt tot stilstand zijn gebraobt. De 
trilbaren . be]len schnins naar die zijde over, waarheen 
de stroom gericht is, zijn dus verslapt (of uitgestrekt). 
De lichamen der trilhaarceUen hebben veelal een eenigs ! 
zins glinsterend en homogeen , , soms licht geelachtig aan-^ 
zien, evenals bij den stilstand door waterstof. Blijkbaar 
heeft in deze gevallen slechts een kleine vermindering 
van het volumen door vochtverlies plaats gehad. Bg vele 
cellen bemerkt men hiervan niets, hoegenaamd. 

III. Invloed van loohtofzuur qp de ifÜbeweging. 

Volgens vroegere opgaven van Sharpey, wier juist- 
heid door Yalentinl) bevestigd wordt, zou de tril- 
beweging van de kieuwen der kikvorschlarven in water, 
dat met koolstofzuur verzadigd is, ongestoord big ven 
voortbestaan. Nieuwere waarnemingen van Kühne 2) 
op het trilhaarepithelium der kieuwen van Anodonta leer- 
den, dat de beweging niet alleen in zuiver koolstofzuur, 
maar ook in eene matig koolzuur-houdende atmospheer, 
spoedig ophoudt Vroeger had Kühne hetzelfde voor 
de protoplasma-bewegingen van verschillende organismen 
gevonden. 

In de eerste plaats deel ik die proeven mede, die ik 
op de trilhaarceUen van gewervelde dieren, bepaaldelijk 
op die van den kikvorsch heb genomen. Even als in 
de tot hiertoe medegedeelde proeven, werden de cellen 



1) Valentin, Artikel Flimmerbewegong in B. Wagners 
Handworterbaoh der Phytiologie» Bd. L p. 512. 

2) L. 0. pag. 874. 



336 

in keukenzoutoplossing van 0.5 tot l^/o, in bloed, in 
serum van bloed of in andere der bovengenoemde be- 
trekkelijk indifferente vloeistoffen onderzocht Het maken 
van het praeparaat geschiedde op gelijke wgze als vroeger. 

Beeds in den aanvang van deze verhandeling werd 
gezegd , dat de stilstand door waterstof door zuiver kool- 
zuur zonder het toetreden van zuurstof kan worden op- 
geheven. Dit feit moge als uitgangspunt voor onze 
mededeelingen over den invloed van koolstofzuur dienen. 
De zaak is aldus gelegen. 

Voert men zuivere waterstof zoolang over de trilhaar- 
cellen, tot de beweging op de meeste plaatsen heeft op- 
gehouden, sluit men dan den toegang tot de gaskamer 
voor de waterstof en laat uit eene communiceerende buis 
plotseling een stroom zuiver koolstofzuur binnendringen, 
dan begint de beweging na weinig secunden weder in 
het geheele preparaat. Het beste is dit te zien bij 't ge- 
bruik van bloed of bloedserum. Hier ontwaakt de be- 
weging vaak bij alle cellen te gelijkertijd als door een 
tooverslag. De eerste bewegingen onderscheiden zich 
meestal reeds door groote amplitude en de snelheid neemt 
zoo spoedig toe, dat in 5 tot 10 secunden na de weder- 
opwekking de schommelingen niet meer te tellen z^n. 
Het in den droppel hangende stuk van het sl^mvlies 
wordt door het trillen der haren voortbewogen; geïso- 
leerde groepen der trilhaarcellen geraken bigna plotseling 
in draaiende beweging. De beweging ontwaakt des te 
spoediger en bereikt des te eerder haar maximum, naar- 
mate het koolstofzuur in grootere quantiteit is binnen- 
gedrongen, en de waterstofstilstand korter geduurd heeft. 
Wanneer de cellen eerst korten tijd stilstonden, dan is 
eene zeer kleine hoeveelheid koolstofzuur, die men in 
den waterstofstroom mengt, reeds toereikend, om de be- 



337 

weging op nieuw te doen ontstaan, en zelfs na een stil- 
stand van eenige tuen, behoeft men niet altgd een groote 
qnantiteit koolstofznur om hetzelfde resultaat te verkre- 
gen. — Evenals de reeds ingetreden waterstofnstilstand 
door koolstofznur wordt opgeheven kan men ook het 
intreden er van vertragen, door eenig koofstofzuur met 
den waterstofstroom te vermengen. In een mengsel van 
5 volumen-procenten koolstofznur en 95 waterstof, bijv. 
bl^ffc de trilbeweging wel drie maal zoo lang en langer 
voortbestaan dan in zuivere waterstof. Niet zelden ver- 
loopen er eenige uren, eer alsnu de beweging van de 
meeste cellen heeft opgehouden. 

Niet minder duidelijk bl^kt de opwekkende invloed 
van koolstofznur bg cellen, die in de genoemde vochten 
in atmosphaerische lucht zijn tot rust gekomen. Boven 
werd reeds vermeld, dat niet weinig cellen reeds onmid- 
dellijk na de praeparatie geene of slechts eene zeer lang- 
zame beweging vertoonen , zonder dat daarbij haar uiter- 
lijk aanzien veranderd was. Ook werd opgemerkt, dat 
men bg deze cellen door toevoer van zuivere zuurstof 
de beweging voor korten tijd weder kan herstellen of de 
vertrai^de beweging verlevendigen. Op deze cellen werkt 
koolzuur nu veel kracbliger opwekkend dan zuurstof. 
Vooral wanneer men een snellen stroom zuiver koolstof- 
znur door de gaskamer voert is binnen weinige secunden 
in het gansche praeparaat de beweging in vollen gang. 
Trilharen, die eerst geheel stilstonden, schommelen na 
een kwart minuut soms met eene frequentie van acht en 
meer slagen in de secunde. Zelfs een klein koolstofzuur- 
gehalte der lucht is toereikend, om alle bewegingen 
weer op te wekken en te versnellen. Neemt men het 
eene einde der caoutchouobuis , die naar de gaskamer 
voert, in den mond, terwijl men tegel^k door het mU 



338 

kroskoop ziet, dan behoeft men slechts langzaam door 
de kamer uit te ademen , om overal de beweging krachtig 
verlevendigd te zien. De proef gelakt ook met tamel^k 
sterk afgekoelde exspiratie-lucht, en het best wanneer 
men den adem wat lang heeft ingehouden. — Ademt 
men nu in door de kamer, en zuigt men zoodoende het 
koolstofzuur terug dan houdt na weinige minuten de 
beweging weder op of wordt althans vertraagd. Een 
nieuwe exspiratie-stroom wekt haar weder op en zoo kan 
men, al naardat men in« en uitademt, verlangzaming en 
versnelling doen afwisselen. 

Trilharén , wier beweging in zuivere zuurstof is tot 
rust gekomen, worden ook door koolstofzuur weder op- 
gewekt, en wel in den regel zeer snel, binnen weinige 
secunden. Mengt men dan in den zuurstofstroom of in 
de atmosphaerische lucht, vóór het binnendringen in de 
gaskamer, bestendig een kleine hoeveelheid koolstofzuur 
dan blgft de beweging uren lang voortbestaan ea de 
ontbinding maakt er eerst een einde aan. — Evenzoo 
ontwaakt bg trilharén, die zoolang in eene waterstof- 
atmospheer zijn verbleven, dat z^ door zuivere zuurstof 
niet weer kunnen worden in trilling gebracht, de be- 
weging weer terstond , zoodra koolstofzuur met de zuurstof 
vermengd wordt, en deze beweging kan dan ook in een 
mengsel van atmosphaerische lucht met eenig koolzuur 
gedurende langen tijd worden onderhouden. 

Over den vorm der bewegingen bg het wederontwaken 
uit den waterstof- of zuurstofstilstand door koolstofzuur, 
valt niet veel te zeggen. In vele gevallen zgn de eerste 
bewegingen al aanstonds gol&gewijs, en de volgende 
behouden den vorm. Vele trilharén echter beginnen met 
haakvormige bewegingen , die óf aanvankelijk reeds zeer 
groot zgn, óf het toch spoedig worden: deze kunnen 



339 

allengs in golfvormige bewegingen overgaan. Weder 
andere trilharen maken slechts kleine haakvormige be- 
wegingen ^ die geene groote amplitude bereiken. Het 
tempo der bewegingen bij het wederontwaken is evenzeer 
verschillend. In den regel hebben de eerste schomme- 
lingen plaats, volgen elkander dan sneller en sneller op, 
zoodat na 5 tot 10 secnnden reeds het maximum kan 
bereikt z^n. Soms ook begint de beweging reeds in een 
tempo van twee a drie trillingen in de secunde. 

Eet uiterlijk aanzien der cellen verandert b^ het weder 
intreden der beweging niet. Het celprotoplasma wordt 
niet troebel; evenmin worden de celkernen zichtbaar, ook 
is geene zwelling noch inschrompeling der geheele cel 
waar te nemen. B^ voortgezetten ruimeren toevoer van 
koólstofzuur ziet men daarentegen weldra veranderingen 
ontstaan, die met afneming der bewegingen hand aan 
hand gaan. 

In een atmospheer van zuiver koolzuur, houdt detril- 
be weging binnen korten tijd op. Brengt men trilhaar- 
ceUen in eene keukenzoutoplossing of in serum in de 
gaskamer, en verdringt men de atmosphaerische lucht 
door een stroom zuiver koólstofzuur, dan neemt, na één 
of twee minuten, de beweging in het gansche praeparaat 
af: het tempo wordt langzamer en de amplitude der 
schommelingen bij de meeste trilharen kleiner. Bgna 
allen hebben de haakvormige beweging aangenomen. 
Ongeveer tien minuten later staan alle trilharen stil en 
wel in dezelfde schuinsche richting als bij den stilstand 
door waterstof. De cellen hebben nu een geelachtig 
troebel aanzien verkregen; de celkernen vertoonen zich 
met donkere omtrekken , en ook de trilharen schijnen 
geelachtig en minder doorschijnend geworden te zgn. 
Deze veranderingen z^n meestal reeds eenigen tgd aan- 



340 

werig voor de beweging geheel ophoudt. EveD als in 
zoiver koolstofzuur houdt ook de beweging op ineene 
sterk met koolzuur vermengde atmospheer, maar des 
te later, naarmate het koolstofzuur^gehalte kleiner is. 
B^ zeer gering koolstofzuur-gehalte der atmosphaerische 
lucht daarentegen blijft de beweging, zooals reeds werd 
vermeld, veel langer voortbestaan dan in zuivere lucht. 
Zijn de trilhaarcellen door waterstof tot rust gebracht 
en door koolstofzuur weder opgewekt, dan houdt bg 
voortgezetten doorvoer van zuiver koolstofzuur of in een 
mengsel van waterstof met zeer veel koolstofzuur, de 
beweging ook spoedig op, — in zuiver koolstofzuur 
somwglen reeds na weinige minuten. In den regel ver- 
sterkt en versnelt de beweging, bij het weder ontwaken 
uit den waterstofstilstand door koolstofzuur, in de eerste 
halve of geheele minuut in hooge mate , neemt gedurende 
de tweede minuut weder langzaam af, zoodat dan na 
drie minuten, dikwijls ook later, de meeste cellen weer 
in rust zijn. Ook hierbg worden de cellen troebel en 
de kernen zichtbaar. Verdringt men nu het koolstofzuur 
weder door zuivere waterstof, dan komen na eene halve 
minuut ongeveer, of iets later, bij vele cellen weder 
langzame, meestal kleine bewegingen tot stand, die aan- 
vankelijk eenigszins sneller en sterker worden, spoedig 
echter weder ophouden. Na drie minuten heeft de water- 
stof gewoonlijk weder volkomen stilstand bewerkt. Nieuwe 
toevoer van zuiver koolstofzuur roept terstond weder 
krachtige bewegingen te voorschijn, die eveneens onge* 
veer tegen het einde der eerste of gedurende de tweede 
minuut haar maximum bereiken. Een of twee minuten 
later staat alles weder stil. Hernieuwd verdringen van 
het koolstofzuur door zuivere waterstof brengt op nieuw 
menige zwakke, en spoedig weer wgkende trillingen te 



341 

n^eegf en nieuw koolstofznnr bewerkt hierop ook weder 
het ontwaken van sterke bewegingen. Zoo kan men, 
door afwisselend koolstofzunr en znivere waterstof door 
de gaskamer heen te voeren, rust en beweging laten 
afwisselen. Hoe meermalen men de proef met dezelfde 
cel herhaalt, des te zwakker worden de bewegingen bij 
de inwerking van koolstofznur, en des te spoediger treedt 
zoowel de stilstand door waterstof als die door koolstof- 
zuur in. Toch heb ik cellen die binnen een uur tijds 
acht malen aan de afwisseling onderworpen waren, nog 
uit den waterstof-stilstand kunnen doen ontwaken, toen 
ik voor de negende maal zuiver koolstofzunr toevoerde. 
Om de proef echter zoo dikwijls met eene en dezelfde 
cel te kunnen herhalen, mag elke a£zonderl^ke stilstand 
door waterstof en door koolstofzunr niet langer dan Va 
tot 2 minuten duren. Wordt eindelijk, de beweging noch 
door waterstof, noch door koolstofzunr meer te voor- 
schgn geroepen, dan is er slechts een stroom atmos- 
pbaerische lucht of zuurstof noodig, om haar weer op 
te wekken, en zelfe wordt zij door zuivere lucht of 
zuurstof uit den stilstand door koolstofzunr veel zekerder 
dan uit dien door waterstof opgewekt, wanneer bg dezen 
laatsten elk spoor van koolstofzunr uit de gaskamer was 
verdrongen geworden. 

Versch gepraepareerde trilhaarcellen , die in koolstof- 
zuur zijn tot rust gebracht, komen bij het verdringen 
van het koolstofzunr door atmosphaerische lucht weder 
langzaam in beweging en deze beweging kan, wanneer 
de stilstand door koolstofzunr' niet te lang heeft aange- 
houden, binnen eenige minuten weder even levendig zijn 
als vóór het doorvoeren van het koolstofzunr. Zij blijft 
dan bij voldoenden zuurstof-toevoer langen t^d voort- 
bestaan, en het schijnt niet, dat de voorbijgaande stil- 



342 

stand door koolstofzunr belangrgke blgvende stoornis 
heeft achtergelaten. Eet weder ontstaan der bewegingen 
bg het yerdringen yan het koolstofznnr door atmosphae- 
rische lucht of door waterstof heeft nooit zóó plotseling 
plaats, als bijv. het opwekken der beweging nit den 
waterstofstilstand door toevoer van koolstofzunr. 

Het is nu zeer opmerkenswaardig, dat de beschreven 
yeranderingen in het aanzien der cellen, die bij het 
naderen van den stilstand door koolstofzunr intreden, 
bij het verdringen van het kodLstofzuur door waterstof 
of atmosphaerische lucht op nieuw verdwenen. Zoodra 
de beweging weder aanvangt, verliezen de cellen haar 
troebel geelachtig aanzien, de kernen worden weder 
onduidelgk of wel geheel onzichtba^ en de haren sche- 
nen ook lichter te worden. Deze wisseling in het aanzien 
der cellen herhaalt zich even vaak als men bew^ing en 
stilstand door koolstofzunr met elkander laat afwisselen. 
Na al te vaak herhaalde of al te langdurige koolstofzunr- 
inwerking wordt het aanzien der cellen door waterstof 
of lucht niet weder als vroeger. Op overeenkomstige 
veranderingen der bloedlichaampjes van den kikvorsch, 
maakte Professor Donders mg opmerkzaam. Hier worden 
eveneens bij toevoer van koolstofzunr de kernen plotse- 
ling duidelijk zichtbaar, en verdwijnen weder, of worden 
toch schier onzichtbaar, wanneer het koolstofzunr door 
waterstof of atmosphaerische lucht wordt uitgespoeld. 
In elk praeparaat nu van trilhaarcellen zijn geno^ roode 
bloedlichaampjes aanwezig. De waarneming leert, dat 
de versnelling der trilbeweging door koolstofzunr in den 
regel iets vroeger begint dan het zichtbaar worden der 
kernen in de roode bloedlichaampjes. Dit is het best te 
constateeren, wanneer genoemde bloedlichaampjes dicht 
bij de waargenomen trilhaarcellen liggen. Het verschil 



343 

in tyd bedraagt dikwijls slechts weinige secnnden, soms 
ook wel meer. Bg vele cellen echter wordt de versnel- 
ling eerst merkbaar, nadat de kernen der nab^ gelegen 
bloedlichaampjes reeds zijn zichtbaar geworden. 

Onderzoekt men de reactie van het praeparaat gedu- 
rende de verschillende tijdperken der koolzunr-inwerking, 
bijv. door in den droppel een stuk blauw lakmoes-papier 
te leggen, of fijne lakmoes-korreltjes in de vloeistof te 
verdeelen, dan begint in de meeste gevallen het weder- 
ontwaken of wat hetzelfde is de versnelling der beweging 
door koolstofzuur vroeger dan de roode verkleuring van 
het lakmoes. Maar de beweging bereikt ook dikwijls 
eerst dan haar maximum, nadat het lakmoes-papier in 
den droppel reeds eene sterk roode kleur heeft aange- 
nomen, en in elk geval kan de droppel reeds eenige 
minuten lang zuur reageeren , alvorens de laatste beweging 
ophoudt. Men denkt hierbij aan het feit, dat de spier 
soms toch nog prikkelbaar is, wanneer zij reeds zuur 
reageert Zelden herstelt zich de beweging na den stil- 
stand door koolstofzuur, vóór dat de reactie weder 
neutraal is. 

De invloed van koolstofzuur op de irilheweffing is dus een 
dubbele. Kleine gmniiteiien er van beletten niet alleen het 
ifiUreden van den stilstand^ maar doen ook de in zuurstof^ 
in atmosphaerische lucht , in waterstof tot rust gekotnen be' 
wegingen weder ontwaken, In grootere hoeveelheid brengt hei 
koolstofzuur stilstand te weeg^ gepaard met de vorming van 
een coagulum in het binnenste der cellen. Verdringen van 
het koolstofzuur door zuurstof of waterstof heft den stilstand 
op, terwijl het coagulum wordt opgelost. 1) 



1) In 't Toorbiijgaan rij hier vermeld, dat de inyloed van kool- 
itofznur op de beweging der spermatozoën ran gewervelde dieren in 



344 

Het was nu van belang, te onderzoeken, hoe de tril- 
beweging door de werking yan andere znren wordt ge- 



lY. Invloed van andere zuren op de irMeweging. 

Purkinje en Valentinl) hebben over den invloed 
van verschillende zuren op de trilbeweging reeds mede- 
deelingen gedaan. Door inwerking der door hen onder- 
zochte znren zagen zij de trilbeweging ophouden. Azijn- 
zuur werkte nog in 10000- voudige verdunning, zoutzuur 
en salpeterzuur in 1000-voudige, benzoëzuur, oxaalzuur 
en verdund zwavelzuur der pruissische pharmacopoea nog 



alle hoofdzaken met dien op de trilbeweging overeenkomt. — De vol- 
gende feiten , die ik bij gelegenheid waarnam aign Ook niet van be- 
lang ontbloot. De dwarsgestreepte darm-apierveaelen yan yliegen, in 
eene keukenzontoplossing van 0.6<'/o gelegd, geraken bij het in- 
treden ran zoirer koolstofznur in de gaskamer in herige rhyth- 
mische trekkingen. In atmosphaeriache lucht of in waterstof 
verdwijnen deze trekkingen tot op een minimum. Nieuw .kool- 
stofzuur roept ze terstond weer te yoorschijn. Big Toortgeietten 
toevoer van zuiver koohtofzuur komen ze tot rust, terwql de 
inhoud der spier troebel wordt. Bij 't verdringen van het koolstof- 
zuur door atmosphaerische lucht ontstaan de trekkingen weder 
voor een korten tijd, en gaan gepaard met een helder worden 
van den inhoud der spier. — Worden kikvorschlarven van on- 
geveer 5 mm. lengte in de gaskamer gebracht, dan beginnen aq 
bij het doorvoeren van zuiver koolstofznur te trekken en zich 
te krommen. In waterstof of atmosphaerische lucht houden de 
trekkingen dan op, om bij vernieuwd toetreden van koolstofzuur 
weder te beginnen. 

1) Purkinje et Yalentin, De phaenomeno genèrali et 
fundamentali motus vibratorii 1833 p. 74—76. 

Talentin, Art. Flimmerbewegung in B. Wagners H. derPh* 
Bd. I p. 512. 



345 

in 100-voudige yerdtmning. In 100000-vondige werkt 
geen der onderzochte lichamen. Nieuwe waarnemingen 
van K. Sothi) bevestigen deze uitkomsten. Both 
zag een yan zeer verdund azijnzuur of chroomzuur af- 
hankeiyken stilstand wyken, door een stroom van jodium- 
serum of keukenzoutoplossing van O.ö^/^ door het praepa- 
raat heen te leiden. Hij spreekt eene vroegere bewering 
van Hannover2) tegen, dat, nl. in verdund chroom- 
zuur de trilbeweging zou k;unnen blgven voortbestaan. — 
Kühne 3) eindelijk, die proeven met Anodonta nam, 
deelt mede, dat men de door ammoniacdampen tot rust 
gebrachte trilbeweging door az^nzuurdampen weer kan 
doen herleven. G-roote hoeveelheid van deze laatsten 
zou dan stilstand teweeg brengen, die weder door alka- 
liën kan worden opgeheven. 

Mijne eigene proeven , die voornamelijk met trilhaarcellen 
van het slijmvlies der mondholte van den kikvorsch ge- 
nomen werden, hebben betrekking tot den invloed van 
zoutzuur, chroomzuur, oxaalzuur, azijnzuur en melkzuur. 
Vooreerst onderzocht ik, op welke wgze deze zuren in- 
vloed oefenen op trilhaarcellen, wier bewegingen in at- 
mosphaerische lucht vertraagd zijn of reeds hebben op- 
gehouden. De cellen lagen , even als bij de vroegere proe- 
ven, meestal in eene keukenzoütoplossing van O.öVo of 
in bloed-serum. 

Voerde ik een stroom atmosphaerische lucht door de 
gaskamer, waarin zich het praeparaat bevond, dan ver- 
anderde de beweging niet. De trilharen, die reeds tot 

1) Both über einige Beziehungen des Himmerepithels zum 
contractilen Protoplasma. In Virchow'a Arohiy. Bd. 37 186d 
pag. 184. 

2) Hannoyer in Müller's Arch* 1840 pag. 557. 

3) Kühne id M. Schultze'a Arch. 1866 p. 375. 

23 



346 

mst gekomen waren, bleven stilstaan, de vertraagde be- 
wegingen van anderen versnelden niets hoegenaamd. Nu 
liet ik de lucht, kort voor haar binnendringen in de 
gaskamer voorbij een met rookend zoutzuur bevochtigd 
glasstaa^e strijken. Weinige secunden later worden de 
bewegingen op alle plaatsen van het praeparaat sneller 
en sterker. Trilharen, die eerst stilstonden, schommel- 
den na verloop van een kwart-minuut met èene frequen- 
tie van meer dan acht trillingen in de secunde, en op 
vele plekken volgden de bewegingen elkander zoo snel 
op, dat de indruk van trUling niet eens meer ontstond. 
Bij het herleven namen de trilharen dikwijls terstond 
de golfvormige beweging aan, en niet zelden ook gingen 
trillingen die bij den aanvang der werking van het zout- 
zuur klein en haakvormig waren, in groote golfvormige 
over. Bij voortgezette inwerking van zoutzuurdampen 
vertraagt de beweging weder en houdt vroeger of later 
op, al naar de hoeveelheid van het toegevoerde zout- 
zuur — soms reeds na 6 tot 10 secunden. 

Az^nzuurdampen hebben eene gelgke werking. De 
versnelling komt even spoedig tot stand, en wanneer 
slechts eene zeer kleine hoeveelheid azijnzuur met de 
lucht vermengd blijft, kan de beweging langen tijd ble- 
ven voortbestaan, ook al had zij leeds* opgehouden vóór 
het binnendringen van het zuur. Grootere hoeveel- 
heid van het zuur doet meestal spoedig stilstand intreden. 
Bij den overgang tot stilstand verlangzaamt niet alleen 
het tempo, maar ook de amplitude der trillingen wordt 
in den regel veel kleiner en de haakvormige beweging 
de heerschende. De cellen worden tegelijker tg d geel- 
achtig, fijn korrelig troebel, de kernen vertoonen zich 
met donkere onregelmatige omtrekken ; ook schynen de 
trilharen donkerder omschreven en geelachtig, en staan 



347 

eindelgk schuins en uitgestrekt stil, zoo als dit vro^r 
reeds werd beschreven. De beweging versnelt nog vóór 
dat de kernen der in het praeparaat aanwezige roode 
bloedlichaampjes door het zuur zijn zichtbaar gemaakt. 
Ook heeft de versnelling vroeger plaats aan een in den 
droppel gelegd stuk blauw lakmoespapier rood wordt. 
De stilstand is ook gewoonlgk reeds ddar, wanneer de 
kleur zich vertoont. 

Heeft men den stilstand in zoutzuur of azijnzuur met 
groote omzichtigheid teweeggebracht en laat men terstond 
na het intreden van dien stilstand een sterken stroom 
zuivere atmosphaerische lucht door de gaskamer gaan, 
dan herleven de bewegingen soms na eenige oogenblik- 
ken (na eene halve tot eenige minuten). Het komt 
meer voor, dat de stilstand bl^ft aanhouden. 

Om de inwerking van het chroomzuur te onderzoeken 
bediende ik mij van een haarfijn uitgetrokken glasbuisje 
waarvan de mikroskopisch fijne eindopening (de middel- 
lijn bedroeg 0.06 mm.) in het midden van het gezichts- 
veld van het mikroskoop dicht voor de waar te nemen 
trilhaarcellen werd gebracht. Dit glazen buisje nu werd 
met het zuur gevuld, totdat het tot ongeveer V4 mm. 
van de capillaire opening stond. Dompelt men nu de 
punt van het haarbuisje in den droppel, waarin zich de 
trilhaarcellen bevinden , dan sluit een luchtbel van V4 mm. 
lengte , de opening van het buisje , en belet het zuur zich 
met den droppel te vermcDgen. Is nu het haarbuisje op 
de juiste plaats gefixeerd, wat met eene naar alle zijden 
beweegbare klem gemakkelijk te bereiken is, dan drijft 
men door het blazen in eene caoutchoucbuis , die over 
het andere uiteinde van het glazen buiqe heen getrokken 
is de kleine luchtbel uit de opening, waarop de vloeistof 
onmiddellijk volgt. Al naarmate men nu harder of zachter 

23* 



348 

blaajst, vloeit het vocht er sneller of langzamer uit en 
kan ook zoolang het niet te ver gekomen is^ door op- 
zuigen terstond weder in het haarbuisje worden terug- 
gebracht. Zoo kan men het toetreden van het zuur 
tamelijk nauwkeurig localiseeren en alle tijdperken der 
inwerking gemakkelijk waarnemen. 

Ik bracht nu de opening van het haarbuisje voor eene 
groep van cellen^ wier beweging deels vertraagd, deels 
reeds geheel tot rust gekomen was. Voerde ik keuken- 
zoutoplossing van 0.5 % of serum door het buisje op 
de cellen, dan versnelde de beweging niet merkbaar. 
Anders was het, wanneer ik het buisje met chroomzuur 
van 0.1 °/o gevuld had. Op het oogenblik, waarin het 
licht geelachtig vocht uit de opening van het buisje 
toetrad, werd de beweging bij de voor de opening lig- 
gende cellen aanmerkelijk sneller en sterker en sommigen 
ontwaakten uit den stilstand. Hierop volgde stUstand, 
gepaard met geelachtig verkleuren en troebel worden der 
cellen. Werd de kleine hoeveelheid chroomzuur, die uit 
het buisje gekomen was, weder daarin teruggezogen , 
dan begon de beweging op nieuw, maar noch sterk, 
noch snel. De geelachtige verkleuring der cellen nam 
daarbij eenigszins af. 

Nam men oxaalzuur of melkzuur in plaats van chroom- 
zuur, dan merkte men volkomen dezelfde wijzigingen 
der bewegiDg op: eerst versnelling, dan vertraging, 
gevolgd door stilstand, waarbij de cellen troebel en de 
kernen zichtbaar werden. Zijn de zuren te geconcen- 
treerd of drijft men ze zeer snel uit de opening, dan 
wordt somtijds het stadium der versnelling onderdrukt 
en volgt de stilstand oimiiddellijk. 

Men kan zich op de hier aangegeven wijze ook over* 
tuigen van de verlevendigende werking van koolstofzuur 



349 

eene aanmerkelijke versnelling en versterking is waar 
te nemen, wanneer men een met koolstofzuur gevulde 
luchtbel door de opening van het haarbuisje tot aan de 
cellen brengt. 

Hiemit blijkt, dat ook andere znren, evenals koolstof- 
zuur, de in indifferente vochten en in atmosphaerische 
lucht tot rust gekomen trilbeweging weder opwekken, 
en eerst bij aanwending in overvloed stilstand te weeg 
brengen, gepaard met de vorming van een coagulum in 
het binnenste der cellen. 

Het was nu waarschijnlijk geworden, dat ook de in 
waterstof tot rust gekomen beweging, door andere zuren, 
evenals door koolstofzuur, zou kunnen worden opgewekt. 
Dit is ook inderdaad het geval. Onder alle omstandig- 
heden, waarin koolstofzuur den waterstof stilstand opheft, 
kan dit ook door andere zuren geschieden, wanneer zij 
slechts in de vereischte verdunning worden aangewend. 
Oni herhalingen te vermijden, kan ik naar het by het 
koolstofzuur gezegde verwgzen. 

Zoo als al verder te verwachten was, is het, zelfs 
met de meeste omzichtigheid, niet mogel^k, een stilstand, 
die door het eene zuur is te weeg gebracht door 
het toevoeren van een ander zuur weder op te heffen. 
Heeft men echter, bgv. een koolstofzuurstilstand door 
atmosphaerische lucht opgeheven, en beginnen na eenigen 
tgd de bewegingen daarin te vertragen , dan veroorzaakt 
toevoer van zoutzuur of azijnzuur even goed versnelling 
en versterking als koolstofzuur. 

Uit al het medegedeelde volgt, dat er in den invloed 
van de genoemde zuren op de trilbeweging geene princi- 
pieele verschillen bestaan. 



350 



YI. Invloed van alkaliën op de trübeweging. 

Virchow 1) ontdekte bij het onderzoek dermensche- 
lijke trachea, dat potassa en soda de tot rust gekomen 
trilbeweging weder te voorschgn roepen kunnen. Werd 
bij een object, waarvan de aanvankelijk zeer levendige 
beweging deels geheel had opgehouden, deels zeer ver- 
flauwd was, potassa gebracht, dan zag h^ „an allen 
„Stellen die Bewegung sich wiederbeleben und so lange 
„andauem, bis eine Zerstörung der Theile selbst durch 
„Corrosion eintrat." Evenals potassa is, volgens Vir- 
chow, de werking van soda; ammonia daarentegen zou 
de beweging terstond doen ophouden. Pur kin je en 
Valentin 2) hadden vroeger reeds gevonden, datkaus- 
tische ammonia nog in 10000-voudige verdunning de be- 
weging stremde. 

Later ij3 een bevorderende invloed der vaste alkaliëQ 
van vele zgden bevestigd geworden, onlangs weder door 
M. Roth 3). Afzonderlijke vermelding verdienen nog 
de^ opgaven van Kühne 4), die bij de trilhaarcellen van 
Anodonta de door zwakke azignzuurdampen uitgedoofde 
beweging, met alkaliën weder kon opwekken. Omge- 
keerd gelukte het hem ook, den door koolzure am- 
monia veroorzaakten stilstand met azijnzuurdampen weder 
te doen eindigen. Door toevoer van koolstofzuur de be- 
weging, onder den invloed van ammonia uitgedoofd , kon 
hg de beweging niet weder te voorschgn roepen. 



1) Virchow, über die Erregbarkeit der Flimmensellen. In 
Virohow's Archv. Bd. YI. 1854 pag. 1^3. 

2) Yalentin in £. Wagner's Handwörterbach der Fhysiolo- 
gie. Bd. I. pag. 612. 

3) Virchow's Arohiv. Bd. 36 p. 145 en Bd. 37. pag. 129. 

4) 1. c. pag. 375. 



351 

De proeven met trilhaarcellen van gewervelde dieren, 
in het bijzonder met die van den kikvorsch, waarbij ik, 
even als vroeger, keukenzoutoplossing van 0.5Vo, serum 
of dergelijke zooveel mogel^k indifferente vloeistoffen als 
media voor de cellen gebruikte, leerden het volgende. 
Bij trilhaarcellen, die in atmosphaerische lucht of in 
zuivere zuurstof zijn tot rust gekomen, wordt de bewe^ 
ging weer opgewekt bij toevoer van potassa of soda-op» 
lossing, en wanneer deze zeer verdund wordt aangewend, 
kan de beweging langen tgd blgven voortbestaan. Bij 
het wederkeeren zijn de bewegingen bijna uitsluitend 
golfvormig en zeer groot; het tempo, aanvankelijk door- 
gaans langzaam, kan spoedig tot die snelheid stijgen, 
die wy bij de inwerking van koolzuur en andere zuren 
vonden. Hoe minder veranderingen bij het herleven der 
beweging in het aanzien der cellen zijn waar te nemen, 
des te langer duurt dan de beweging voort. Is echter 
de toegevoegde potassa of soda niet zeer verdund, 
dan ziet men deels reeds by het weder ontstaan der 
beweging, deels spoedig daarna, eene aanmerkelijke im- 
bibitie. De cellen zwellen op en worden geheel door- 
schonend; duidelgk worden ook de trilharen dikker en 
lichter van kleur; eindelijk kunnen ook de. cellen bersten 
en alles gaat in oplossing over. Eaustische ammonia nu 
werkt geheel overeenkomstig op de in zuurstof of atmos- 
phaerische lucht opgehouden beweging. Alle cellen in 
het praeparaat geraken in de levendigste trilling, wan- 
neer een luchtstroom met ammonia-dampen door de gas- 
kamer wordt heengevoerd 1), De droppel neemt te ge- 



1) Ten overvloede kan meu zich hier ook vóór do proef over- 
tuigen, dat het doorvoeren van een stroom zuivere atmoBphaeri« 
Bohe lucht de bewegingen niet weder te voorsohrjn roept. 



852 

Igker tgd eene alkalisohe reactie aan. De vorm en de 
overige eigenaardigheden der beweging zgn bij het weder- 
ontstaan door ammonia gel^k aan die bij de inwerking 
van de vaste alkaliën. Bij voortgezet doorvoeren van 
ammoniacgas treedt dan stilstand in, nog voor dat de 
cellen aanmerkelijk zijn gezwollen. Eindelgk kunnen 
evenals de cellen in potassa en soda, de trilharen daarbg 
worden opgelost. 

Evenals in eene weinig koolstofznnrhondende atmos- 
pheer blijft de trilbeweging bij een gering gehalte der 
vloeistof aan alkaliën langer voortbestaan dan by ge- 
breke daarvan. Eene dmivensuikeroplossing van S^'/o die 
met een spoor uiterst verdunde potaschloog is vermengd, 
bijv. is veel gunstiger voor het instandhouden der be- 
weging dan zuivere druivensuikeroplossing van dezelfde 
concentratie. 

Evenals de stilstand in atmosphaerische lucht of zuur- 
stof, kan ook die in waterstof, zonder voora%^anen 
zuurstoftoevoer, door alkaliën worden opgeheven. Naast 
den droppel keukenzoutoplossing of serum, die de tril- 
haarcellen bevatte, bracht ik een tweeden droppel zeer 
verdunde potassa of soda-oplossing, en wel zoo dicht, 
dat de randen der beide droppels elkander bijna raakten. 
Nu werd zoolang waterstof door de gaskamer gevoerd, 
totdat de bew^ng overal of ten minste op de meeste 
plaatsen had opgehouden. Daarna hield ik het mikros- 
koop met de gaskamer eenigszins schuin , zoodat de drop- 
pel potassaoplossing met den anderen ineenvloeide. Ter- 
stond ving op alle plaatsen waar de potassa toetrad, de 
beweging weder aan , en wanneer de potassa geno^ ver- 
dund was geworden duurde het geruimen tgd, eer de 
waterstofstilstand weder volgde. Laat men onder dezelfde 
omstandigheden een druppel serum of keukenzoutoplossing 



353 

met dien van het praeparaat ineenvloeien , dan wordt in 
den regel geen spoor van verlevendiging gezien. 

Men kan ook door het vermengen van de waterstof 
met ammonia den reeds ingetreden waterstofstilstand snel 
opheffen , en wanneer de bijgevoegde hoeveelheid ammonia 
klein genoeg is, kan hg er lang door worden tegenge- 
honden, even als door het vermengen van de waterstof 
met eenig koolstofzaor. 

Bij het weder ontstaan der bewegingen uit den water- 
stofstilstand door alkalën z^n zij meestal golfvormig en 
groot. Het tempo kan reeds binnen vigf secunden eene 
aanmerkelijke snelheid bereikt hebben. — Heeft de water- 
stofstilstand vóór het bijvoegen van het alkali reeds lang 
geduurd, dan ontwaakt in den regel de beweging niet 
weder, hetzij ook zuurstof worde toegevoerd. In dit 
geval kan zij, hoewel niet de normale, toch eene aan- 
merkelijke hoogte bereiken. 

Trilharen, die door zuren voorzichtig zgn tot rust 
gebracht, kunnen door de vaste alkaliën en door am- 
monia weder in trilling geraken. Zijn bijv. zoutzuur- 
dampen zoolang door de gaskamer heengevoerd, tot de 
beweging juist ophoudt , hetgeen tameligk geligktgdig op de 
meeste plaatsen van het praeparaat pleegt te geschieden, 
dan begint zij weder zeer spoedig, zoodra een stroom 
ammoniagas door de kamer wordt heengevoerd. Leidt 
men in plaats van ammonia zuivere atmosphaerische lucht 
door de kamer, dan blijft alles stil. Oplossingen van 
potassa of soda, die men in het praeparaat laat vloeien, 
werken evenals ammoniadampen. — Wanneer de alkaliën 
in grootere hoeveelheden worden toegevoegd, houdt de 
beweging spoedig op en de stilstand kan dan door elk 
zulir zonder onderscheid weder worden opgeheven. De 
cellen worden bg eiken stilstand door een zuur troebel 



354 

en geelachtig, met zichtbare kernen b^ het toetreden van 
het alkali weder helder, z^ zwellen eenigszins op, de 
kernen verbleeken weder. Worden de proeven met zorg 
genomen, dan kan men dezelfde wel vijf en meermalen 
afwisselend door alkaliën (het best door ammonia) en 
door zuren tot stilstand en weder in beweging brengen; 
en het schgnt zelfs ook onverschillig te zijn, of men 
altijd weer hetzelfde zuur kiest, dan telkens een ander 
zuur tot het opheffen van den alkali-stilstand gebruike. 
Wordt koolstofzuur in genoegzame hoeveelheid toege- 
voerd, dan heft het den door alkaliën te we^ gebrach- 
ten stilstand even goed op als andere zuren. De stilstand 
door koolstofzuur, daarentegen is, zooals boven werd 
gezegd, door een enkelen luchtstroom op te heffen, ter- 
wgl hg dien door andere zuren alkali tot wederopwekking 
noodzakelijk is. — Het gelukt nimmer een stilstand ^ 
door een alkali veroorzaakt , door een ander alkali weder 
op te heffen of eene onder den invloed van een alkali 
ontstane verlangzaming der beweging door een tweede 
alkali tegen te houden of zelfs de alreeds verlangzaamde 
beweging te versnellen. De stilstand treedt hierdoor altijd 
slechts des te vroeger in. 

fFervolff hierna). 



YEBKLABING DEB PLAAT. 

Fig. I. Gaskamer van boven gezien. 

<ui.... Het deksel met de centrale opening b , die van binnen 
door het dekglaasje wordt gesloten (verg. Fig. Il en IV). 

0^.... De klemmen met de sohroeven, waardoor het deksel 
op de geel koperen zijwanden wordt gedrukt. Zij zgn dan 
alleen noodig, wanneer de lachtdrukking in het binnenste 
der kamer zoo sterk werd dat het deksel er door werd opge- 



355 

licht. Meestal ie het genoeg, de randen van het deksel met 
eenig yet te bestrijken en dan vast op te drukken. 

d^, Eene insnijjding in het deksel die het vooruit trekken 
en hiermede het afnemen gemakkelijk maakt. 

«0.... De geel )coperen aanzetbuizen, tot het bevestigen 
der caoutchoucbuis. Gebruikt men de kamer met de ver- 
warmbare voorwerptafel van M. Schultze worden aanzet- 
buizen van 35 mm. lengte ingeschroefd. 
Fig. n. Verticale overlangsehe doorsnede door het midden der 
gaskamer. ^ 

aa^t. Het deksel. 

b„„ Het dekglaasje, dat de centrale opening van onderen 
sluit en aan welks ondervlakte de droppel met het object 
gebracht wordt. 
Cf d, e. Als in Fig. I. 

/. De glasplaat die den bodem der gaskamer vormt. 
Fig. in. Verticale dwarse doorsnede door de kamer op de hoogte 
van een der beide klemmen. Toont de bevestiging van den 
glazen bodem / in de zigwanden, en die van de klem ee. 
Fig. rV. Verticale overlangsehe doorsnede door het glazen 
deksel, bestemd voor eleotrische prikkeling. 

jT^r.... De met cement gesloten openingen in het deksel, 
waar de metaaldraden door in het binnenste der kamer komen. 
AA,„. Twee glazen beschuttingslijsten in dwarse doorsnee. 
De Fig. I — IV zijn in natuurlijke grootte geteekend. De afine- 
tingen der afzonderlijke gedeelten zijn in den text opgegeven. 
Fig. V en VI. Curven tot opheldering van den invloed van 
waterstof, zuurstof en koolzuur op de trilbeweging. De abscisse 
drukt den tijd uit; de c^'fers geven de minuten aan* 
De ordinaten drukken nagenoeg de grootte van den weg 
uit, die de punt van het waargenomen trilhaar in de tgd- 
éénheid aflegde. Deze grootte kan tamelijk nauwkeurig worden 
aangegeven, daar men het getal en de excursie-breedte der 
schommelingen onder het microscoop kan bepalen. Het pro- 
dukt uit beiden wordt door de ordinaten uitgedrukt. 
Fig. V. Gang der trilbeweging bg een in serum liggend praepa- 
raat van het sl^mvlies der mondholte van den kikvorsch. 
Gedurende de eerste 8 minuten gaat een stroom atmosphaeri- 



356 

8che luoht door de kamer. De beweging blijft op eene aan- 
merkelijke hoogte» Bq 4 wordt coiyer watersto^aa ingoToerd. 
Aanyankelijk geen merkbare invloed. Na 3 minuten begint 
verlangzaming 9 binnen 8 minuten gevolgd door bijna volkomen 
stilstand. B^ 14 wordt de waterstofstroom afgebroken en zuiver 
koolzuur door het praeparaat heengevoerd. Eeeds na V4 minuut 
ontwaakt de beweging weder en versnelt en versterkt zoo 
aanmerkelijk binnen eene minuut, dat z^ haast weder de 
hoogte bereikt, waarop zij bq den aanvang der proef stond* 
Daarop vertraagt z^ weder %n heeft bij 18 bgna geheel opge> 
houden. Nu wordt zuivere waterstof ingevoerd : in de eerste 
minuut geen invloed, in de tweede voorbijgaand herleven, 
daarop weör rust. Bij 20.6 wordt atmosphaerische lucht inge* 
voerd: de beweging vertoont zioh weder, en wordt langzamer- 
hand sneller. Koolzuur veroorzaakt hierop eene plotselinge 
toename der versnelling, die spoedig door eene tot stilstand 
voerende verlangzaming wordt gevolgd. 
Fig. YI. Gang der trilbeweging b^ een in keukenzoutoplossing 
van 0.6 ^/o liggend praeparaat van het slijmvlies der mond- 
holte van den kikvorsch. De aanvankelijk in waterstof tot 
rust gebrachte beweging wordt door koolzuur weder opgewekt. 
Waterstof brengt hierop binnen 7 minuten stüstand te weeg- 
Bj 10 wordt bij de waterstof eene uiterst kleine hoeveelheid 
koolzuur gemengd: de beweging komt weer langzaam tot 
stand. Van 14 af wordt meer koolzuur met den waterstofttroom 
vermengd, de beweging versterkt sneller; van 18 af wordt 
weder een spoor koolzuur bij de waterstof gevoegd, waarna 
eene kleine verlangzaming is waar te nemen. Van 22 af gaat 
zuivere waterstof door het apparaat: binnen 6 minuten volko- 
men stilstand. Zuiver koolzuur roept hierop (b j 29) plot* 
seling sterke, snel haar maximum bereikende bewegingen 
te voorschijn. 



■ Ir 



:scz 



— ^ 



c 



pi.vni. 



r-^ 



Q 



O/ 



lis'- 



( 




-^ 



3 



J 






-^^^^ ^'■w^ 



_flL_ 



JVyX 



JI 






LUI 



%./K 



/ly.T: 



f(?. 



II i.ij 



I I 



I I I I I 1 I II 11. I I FH.t M ■ f ' ^ ' ■ ' ' ' 




j-^rrTi ■ I . : . 1 . 1 ■ I . I 



j ' J'--'-^ '^ '-i-'J"^ ■ ^ 'j^^li 'ji 'ji 'l^'jS jj if 18 u 10 11 « tS W t* « « M 



356 

Bche lucht door de kamer. De beweging blijft op eene aan- 
merkel^'ke hoogte» Bq 4 wordt znirer watersto^aa ingeyoerd. 
Aanyankelijk geen merkbare invloed. Na 8 minuten begint 
verlangzamingf binnen 8 minuten gevolgd door bijna volkomen 
stilstand. B^ 14 wordt de waterstofstroom afgebroken en zuiver 
koolzuur door het praeparaat heengevoerd. Beeds na V4 minuut 
ontwaakt de beweging weder en versnelt en versterkt zoo 
aanmerkelijk binnen eene minuut, dat z^ haast weder de 
hoogte bereikt, waarop zij bq den aanvang der proef stond* 
Daarop vertraagt zj weder %n heeft bij 18 bijna geheel opge> 
houden. Nu wordt zuivere waterstof ingevoerd : in de eerste 
minuut geen invloed, in de tweede voorbijgaand herleven, 
daarop weör rust. Bij 20.5 wordt atmosphaerisohe lucht inge- 
voerd: de beweging vertoont zich weder, en wordt langzamer- 
hand sneller. Koolzuur veroorzaakt hierop eene plotselinge 
toename der versnelling, die spoedig door eene tot stilstand 
voerende verlangzaming wordt gevolgd. 
Fig. YI. Gang der trilbeweging bj een in keukenzoutoplossing 
van 0.6 % liggend praeparaat van het slijmvlies der mond< 
holte van den kikvorsch. De aanvankelijk in waterstof tot 
rust gebrachte beweging wordt door koolzuur weder opgewekt. 
Waterstof brengt hierop binnen 7 minuten stilstand te weeg- 
B j 10 wordt bij de waterstof eene uiterst kleine hoeveelheid 
koolzuur gemengd: de beweging komt weer langzaam tot 
stand. Van 14 af wordt meer koolzuur met den waterstofttroom 
vermengd, de beweging versterkt sneller; van 18 af wordt 
weder een spoor koolzuur bij de waterstof gevoegd, waarna 
eene kleine verlangzaming is waar te nemen. Van 22 af gaat 
zuivere waterstof door het apparaat: binnen 6 minuten volko- 
men stilstand. Zuiver koolzuur roept hierop (bQ 29) plot* 
seling sterke, snel haar maximum bereikende bewegingen 
te voorschijn. 






pi.yjii. 



»^v— ~^^^ 



L-^ 



d 



Q 



€L 



liS.l 




(V 



J 






.Ml- 



- ^rryrr 



%x 



-j«^__n 






LIZL 



%./K 



nüL. 



^y- 



co. 



. » I i . t .l.l.t.l.l. l . l.l.l.l.l. l I I l>4 - ^ l I I I 1 I ; ^ .i.i.i.i. T>r->^ I 4^-Os ■ i ^ * -T I I M 1.1 i,rT ~4^ I 
o 1 t 5 4 S < 7 8 • iO U U 13 U iS li ir IS 1» 10 21 tl 23 U U 26 27 28 




fig. TL 



COj^ M 



ICO, 



. :/: 



. l .l.l.l. 




co^ 



lil: lil i^j-p-t--rr I I II i;i.:.i.i. i.i.i. i.!.:.i.i.i>-h-4- 44 -^, ! i. . / 

o 1 Z 3 i i «7 8 9 JO a U IS 1^ a 16 il 18 J9 «O U XI 13 14 25 It 27 28 21 



3B7 



KLEINE MEDEDEELINGEN VAN GEMEN6DEN AARD. 



I. Iets over de palhologUeie hidologie der aandoeningen 
tan het darmkanaal by de zoogenaamde FeepeHy door A. 
Wirtz, leeraar aan de B^ks-Veeartsenig school. — Reeds 
in het vorige jaarverzochtdeHoogleeraar Koster mij om 
inlichtingen omtrent sommige pnnten betreffende de pa- 
thologische anatomie van de toen heerschende veepest en 
om voorwerpen voor eigen onderzoek , voomamelgk deelen 
van het darmkanaal. Het voornemen bestond, een meer 
uitgebreid histologisch onderzoek te doen plaats hebben. 
Door allerlei omstandigheden, vooral in ambstbezigheden 
gelegen, werd ons voornemen slechts voor een zeer klein 
gedeelte ten uitvoer gebracht. De literatische en histori- 
sche feiten^ welke ik reeds bijeenverzameld had, zijn 
voor eene mededeeling in dit tgdschrift minder geschikt; 
maar ik meende, dat het eenig belang kon hebben, een 
enkel punt: de histogenesis der processen in dePeijersche 
en solitaire follikels, naar aanleiding der resultaten van 
het onderzoek, dat op het anatomisch kabinet alhier heeft 
plaats gehad, met een enkel woord toe te lichten. Twee 
redenen mochten daartoe leiden: 1^ de omstandigheid, dat 
twee autoriteiten op het gebied der veterinaire pathologie 
Brauell 1) en Kavitsch 2), omtrent dat punt geheel 
van meening verschillen, 2^. de vraag, of de aard der 



1) Nene Untersuchongen , betreffend die pathologische Anato< 
mie der Einderpest. Dorpat» 1862. 

2) Magazin fdr die geaammte Thierheilknnde von Gnrlt 
Her my. Berlin, 1864. SOter Band. Ster Heft. p. 313—66. 



359 

dannaandoening bij den typhus van den menachalofniet 
met dien b^ de veepest overeenkomt 

Branell meent, dat het lokale proces in bet darm- 
sl^mvlies hoofdzakelijk bestaat, behalve in vetontaarding 
en afstooting van het epithelium , in eene nieuwvorming , 
woekering van de cellenlaag der slijmklieren , waarvan het 
produkt evenzoo meer of minder spoedig in vetmetamor» 
phose overgaat. Intusschen wordt het echter ook nit de 
klieropeningen ontlast en vormt dan op de oppervlakte 
der macosa, de naar mate van den voortgang van het 
ontaardingsproces der nieuw gevormde cellen meer en meer 
weeke stof, die zoo dikwijls ten onregte als exsudaat is 
beschreven geworden 

Bavitsch daarentegen neemt op grond van uitgebreide 
nasporingen aan , dat de slijmklieren niet de hoofdzitplaats 
der stoornissen zijn. Hij wijst bovenal op het bind- (fol- 
likulair en adenoïd) weefsel der mucosa als het uitgangs- 
punt der veranderingen. Deze bestaan in eene proliferatie 
der bindweefselligchaampjes en meer of minder rijkel^ke 
produktie van kleine, ronde lymphoïde cellen in de folli- 
kels van den darmwand, het slijmvliesweefsel datdiefol- 
likels omgeeft, en grootendeels ook in het onderslijmvlies- 
bindweefsel, De nieuw gevormde elementen vergaan meer 
of minder spoedig tot molekulairen detritus , waarmede eene 
verstoring van het slijmvliesweefsel gepaard gaat. Deze 
ontaarding, zoo wel van de weefselelementen als van de 
cellen treedt te eer en te uitgebreider op, naar mate de 
laatste in grooter hoeveelheid zijn opgehoopt , zoodat men 
deze ook buitengemeen rijkelijk aanwezig vindt op die plaat 
sen, waar reeds verlies van zelfstandigheid te bespeuren is. 

De Peijersche en solitaire klieren zijn in het begin der 
ziekte altijd gezwollen en overvuld met lymphecellen , 
waarmede ook het interfollikulairweefsel in dier mate ge- 



359 

geïnfiltreerd is , dat het slechts aan zijne vezelbnndels kan 
herkend worden. Bovendien bestaat overal eene zeer in- 
tensieve proliferatie der bindweeüsellichaampjes , vooral 
dnidel^k in de submucosa en tusschen de Lieberkühnsche 
klieren. In een later tijdperk der ziekte zijn de follikels 
grootendeels, vooral in hun midden, gevold met geele mo- 
leknlairmassa en aan hun gewelfd gedeelte gebarsten. De 
deels uitgetreden inhoud vormt dan grootere of kleinere, 
vaste of ten deele reeds verweekte , geelachtig witte pla- 
ten van verschillende dikte. Sommige foUikels zijn ook 
zeer rood gekleurd en met extravasaten of zwartroode 
korsten belegd. De ontaarding van het follikulair weefsel 
breidt zich bovendien naar den omtrek uit, zoodat na 
verwgdering der platen of korsten , de geareoleerde klier 
achter blijft met ruwe, gecorrodeerde f oUikelwanden , of, 
meer zeldzaam met groot verlies van zelfstandigheid in 
den vorm van ulcera. De aandoening der buisvormige 
klieren is secundair en evenredig aan de intensiteit van 
het beschreven proces; zig z^n of nog aanwezig, of, ten 
gevolge van de veranderingen in hunne omgeving, meer 
of minder , ten laatste geheel verwoest en in molekulair- 
massa veranderd. 

Het mikroskopisch onderzoek, op het ontleedkundig 
kabinet alhier, van solitaire en Peijersche klieren, waar 
het proces pas begon, bevestigde geheel de juistheid der 
meeningen van Bavitsch. Er werden gezwollen plaat- 
sen gevonden, waar het slijmvlies nog geheel over de op- 
pervlakte doorliep en de nog onveranderde Lieberkühn- 
sche klieren duidelgk vertoonde; terwijl daaronder en tus- 
schen de basis der klieren eene gezwollen en met lym- 
phoïde cellen geïnfiltreerde bindweefselmassa (adenoid 
weefsel) zich bevond. Is het proces iets verder gevor- 
derd, zoodat in het centrum der gewoekerde massa de 



360 

eerste spoxen van a&tearven en detritasvorming reeds be- 
ginnen, dan is ook het sl^mvlies abnormaal, vertoont de 
klierlaag naauweligks meer ea wordt weldra in het infil- 
tratie- en verwoestingi^oces opgenomen, zoodat er of eene 
opening ontstaat waardoor de detritasmassa nit de diepte 
zich ontlast of grootere stukjes van het sl^mvlies als eene 
a%estorvene massa met de onderliggende laag worden 



Fathologisch-histologisch zou men dus de darmaandoe- 
ningen bij de zoogenaamde veepest en den typhus van 
den mensch op ééne lijn mogen stellen. Het zou echter 
zeker minsteus zeer gewaagd zijn, wanneer men, alleen 
op grond dezer analogia, ten deze eene stellige uitspraak 
wüde doen. 

utrecht 12 September 1867. 

II. Fibrcma aan de iasiê cerebri e» langt d& toortelivan 
sommiffe hersemenmoen door W. Koster. — In het midden 
van de maand Augustus van dit jaar, verrichtte ik in 
het ziekenhuis alfaier de l^kopening van een sterk ge- 
bouwden, krachtig gespierden man vanSSjaren, b§ wien 
gedurenden zijn leven de versch^nselen van een „tumor in 
cerebro" waren waargenomen. Die versch^nselen , zoomin 
als het ziekte-verloop in 't algemeen, vereischen hier een 
meer uitvoerige mededeeling, daar z^ geen noemenswaarde 
by zonderheden aanboden. Alleen verdient vermelding dat 
de man in de laatste twee maanden v%n z^n l^den doof 
begon te worden. De doofheid nam zoozeer toe, dat zg 
weldra volkomen was. Daardoor werd de reeds gemaakte 
diagnose omtrent den zitplaats van den tumor aan het 
achterste gedeelte van de basis cerebri zeer bevestigd. 
Verschijnselen van gezichtsstoomis ontbraken. Nuendaa 
ontstaande hersen-hyperaemien dreigden telkens den dood ^ 



361 

die eindeiyk onder kennelijke verschijnselen van verlam 
tning der mednlla oblongata volgde. 

In het lijk werden geene ziekelijke veranderingen, be- 
halve binnen de schedelholte, aangetrofifen. Bloedovervnl- 
ling van groote en kleine vaten , hydropische uitzetting 
van alle kamers, vooral van de derde, en eenbelangrijk 
gezwel aan de ondervlakte en den voorrand van het ce- 
rebellnm vielen terstond in het oog. De aard en uit- 
breiding van dit gezwel zijn het met name, welke mij 
een korte vermelding waard schenen. Het gezwel bestond, 
even als de kleine hersenen , uit twee z^helften , welke 
door middel van een dwars verbindingstnk, vóór den pons 
Yarolii heen, samenhingen. Aan de linkerzgde was het 
gezwel het grootst, puilde vóór en boven de kleine her- 
senhelft dier zijde uit, als het ware een tweede kleinere 
hemispheer vormende. Het hing echter met de hersen- 
massa vast zamen, daar het geheele gezwel onder, o/* Am 
tninsle in de pia mater, ontstaan, en zóó ook in de massa 
der kleine hersenen gedrongen was, echter niet diep. 
Bechts puilde het gezwel minder uit, vormde als het 
ware de vóór- en ondervlakte der kleine hersenhemispheer 
zelve, waarvan de substantie, even als aan de andere 
z^de voor een gedeelte in den tumor was opgenomen. 
Deze bijzonderheden zag men natuurlijk eerst na het weg- 
nemen van het tentorium cerebelli. Het middenstuk van 
hel gezwel lag plat vóór den pons Varolii en strekte zich 
langs den clivus Blumenbachii door de groote opening 
van het tentorium naar voren uit tot aan het tuber cine- 
reum. De vlakte van den clivus en het dorsum ephipphii 
waren uitgehold door de drukking van den tumor, ter- 
wigl daardoor tevens de holte voor de glandula pituitaria 
verkleind, en de laatste zelve geatrophiëerd was. Naar 
achteren hadden de zghelften van het gezwel afgeronde 

24 



362 

randen, welke in de kuilen van het achterhoofdsbeen la- 
gen, en ook daar eenige meerdere uitholling en usuur van 
het been hadden teweeggebracht. Naar voren zetten zich 
aanhangsels van den tumor langs sommige zenuwoorspron- 
gen voort, voornamelijk langs den nervus trigeminus, en 
langs den nervus acusticus en facialis in den meatusau- 
ditorius intemus. De nervus vagus en glossopharyngeus 
waren slechts ter zijde gedrongen. De nervus abducens 
viel bij het uitnemen der hersenen, toen de tumor langs 
den clivus Blumenbachii voor den dag kwam, niet in het 
oog. Ook na het uitnemen der hersenen kon ik den oor- 
sprong der zenuw niet herkennen, daar het middenstuk 
van den tumor vast tegen de voorste afdeeling van den 
pons Varolii aangedrukt lag. Ik vermoed dat de zenuw 
naar voren en boven geschoven heeft gelegen. 

Om een denkbeeld te geven van de voortwoekering van 
het gezwel in den gehoorgang geef ik hier een afbeelding 
vaif de achtervlakte van het os petrosum aan eene zijde. 
De meatus auditorius is tot een kanaal van 2 centimeters 
middell^n door het ingegroeide gezwel verwijd. De nervus 
acusticus en facialis, geheel in de woekerende massa van 
het gezwel bevat, zijn temaauwemood te herkennen (links 
van de woekering in de schets nog iets te duidelijk voorge- 
steld) . B en C geven de plaatsen van den nervus glossopharyn- 
geus en vagus aan, A de woekerende massa in den gehoorgang. 




363 

Het gezwel yormde binnen den uitgezetten meatus au- 
ditorins intemns een afgerond eindigende massa, welker 
vlakte men na het openen der trommelholte van boven 
in den schedel zag, zoodat het vestibulum geheel verdron- 
gen was. Gaarne had ik de vormverandering van de 
overige deelen des schedels nauwkeuriger afgebeeld, maar 
de lijkopening had in het geheim plaats^ en het uitge-- 
beitelde rotsbeen, was alles wat ik, niet zonder moeite, 
kon verkregen. Belangrijk zou vooral een naauwkeuriger 
onderzoek, in [situ, van de voortwoekering van het ge- 
zwel langs den nervus trigeminus en het ganglion Gas- 
seri geweest zijn. De dura mater, welke het zoogenoemde 
cavum Meckelii overdekt, was opgelicht, en de uiteenge- 
drongen en nauwelijks te herkennen massa der zenuwen 
van het ganglion was vervat in de woekerende massa, 
welke zich tot aan de fissura orbitalis superior nog liet 
aantoonen. 

Toen ik het nader onderzoek van de uitgenomen deelen 
van het gezwel begon, meende ik weder een Sarcoma te 
zullen vinden, zooals zij zoo dikwijls in de schedelholte 
voorkomen, en ook vroeger (dit Archief , Deel I blz. 429) 
en later herhaaldelijk door mij werden waargenomen. 
Echter hadden het hobbelige der oppervlakte , en de hard- 
heid van het gezwel aan de linkerzgde, reeds mijn aan- 
dacht getrokken. Het bleek mij bij het mikroskopisch on- 
derzoek dat het gezwel een fibroid, of liever (om zijn 
groei en uitbreiding) een fibroma diffusum moest heeten. 
Het meest vrij uitpuilende linker gedeelte had geheel het 
voorkomen, ook op de doorsnede, van een dier kleine 
fibreuse gezwellen, welke men zoo veelvuldig aan den 
uterus vindt. De meer zachte deelen van het gezwel be- 
stonden ook geheel uit vezelig bindweefsel, maar met 

amelijk veel bloedvaten. Bij het onderzoek der deelen van 

24* 



364 

bet gezwel welke langs de zenuwoorsprongen gewoekerd 
waien, trof men in vele stukjes, zoo als te yerwachten 
was, zenuwweefsel aan. 

Slechts op enkele plaatsen was er in den tumor een 
neiging tot celformatie zichtbaar. In plaats van de ronde 
of een weinig verlengde kernen van het bindweefsel zag 
men namelijk groepjes van grootere onregelmatig liggende 
cellen, doch zóó spaarzaam en zóó weinig karakteristiek , dat 
ik den tumor geen carcinoma fibrosum zou durven noemen- 
Behalve door zitplaats en uitbreiding onderscheidt zich 
dus de tumor ook zeer door zijn samenstelling. Wezen- 
lek fibreuse vormsels, zgn in de hersenvliezen en herse- 
nen zeldzaam. Behalve van enkele in de literatuur ver- 
spreide gevallen , maakt F ö r s t e r gewag van een waame 
ming van Eokitansky, een cavemeuzen tumor der pia 
mater betreffende, en van een geval van Thilenius: 
„ein Pibroid von Hühnereigrösse in der Pia mater; die 
Geschwulst war aussen höckrig und innen gleichmèlssig 
fibrös." (Förster, Handbuch, I, pag. 604.) 

Terwijl de door Virch o w vooral naauwkeurigbestuur- 
deerde hersengezwellen, als sarcoma fusocellulare en glio- 
sarcoma, een eigenaardigen groep van neoplasmata der 
zenuwmiddenpunten vormen , tegenover de fibromata (nen- 
romata) van het peripherische zenuwstelsel, maken de 
gezwellen, zoo als het beschrevene, blijkbaar den ove]> 
gang, wat de zitplaats aai^aat. In dit opzicht, en in 
verband met de voortwoekering van het door mij beschre- 
ven fibroma langs den nervustrigeminusenacusticus, zijn 
de woorden van Förster opmerkelijk „Die Neuromata 
kommen meist an den peripherischen Stammen der Spi- 
nalnerven vor, zuweilen auch an den Himerven itu* 
iesondere am Jcuêticuê.^* 
UtrecHt , 1 September 1867 



365 

m. Het verloop der zennwbundels in de gemengde zenuwen^ 
door Dr. G. S. Luchtmans. — Tot opheldering van 
de onduidelijke zinsnede in m^ne mededeeling in de sec- 
tie-vergadering van het TTtrechtsch Frov. genootschap v. 
kunsten en wetenschappen. (Zie dit Archief. Deel III, blz. 
127) moge dienen, dat de bnndels der dwarse coupes van ge- 
mengde zenuwen, zoo als de nervus medianus , radialis en 
ulnaris, toen door mij vervaardigd, zich voordeden als gevoel- 
zenuwbundels. Ik moest daaruit besluiten , dat de beweeg- 
zenuw-vezels in die bundels bevat waren, en zich daaruit 
moesten isoleren om naar de spieren te gaan. Dit zoude 
op geene andere wijze mogel^k zijn geweest, dan dat de 
dikke vezels, uit verschillende bundels samengetreden, 
de hoofdstammen verlieten , hetgeen ik meende te mogen 
vergelijken met de vertakking der bloedvaten. Hierop 
doelde het praeparaat N». 11 in genoemde mededeeling 
vermeld. 

Latere pogingen, door mij ter beslissing en oplossing 
van dit punt in het werk gesteld, hebben mij zeer duide- 
ligke en schoone praeparaten doen verkrijgen, die bewe- 
zen, dat in de gemengde zenuwen de beweegzenuw-bundels 
wel degelijk afgescheiden van de gevoebsenuw-bundels 
voorkomen. 



366 



UITREKSELS UIT DE NEDERLANDSCHE 
LITERATUUR. 



^ I. De trüUngwichting in het recUlynig gepolarUeerdc 
licht. Academisch proefschrift \an E. A. Mees. — Schrg- 
ver vangt aan met te herinneren aan de hoofdeigenschap- 
pen aan den ether toegekend. Afgaande op de bekende 
verschijnselen neemt men aan, dat in gewoon licht de tril- 
lingen transversaal f als in gepolariseerd licht) , in alle 
richtingen loodregt op ae straal plaats hebben, bij rechtlijnig 
gepolariseerd licht daarentegen slechts in eene zelfde rich- 
ting. De eigenschappen van eene rechtlijnig gepolariseerde 
straal, (rechtlijnig, omdat de beweging in eene rechte lijn 
plaats heeft) , zijn symmetrisch ten opzigte van een be- 
paald vlak , polarisatie-vlak , door die straal gelegd, de rich- 
ting van welk vlak ten opzigte van een ander door de 
straal gaand vlak wordt bepaald. £r blijft dus over na 
te gaan, in welke richting de ether trilt, namelijk lood- 
recht op, of in dit polarisatie-vlak. Het is dit onderwerp , dat 
de schnjver behandelt. De hypothese die aanneemt, dat 
de ether loodregt trilt op het polarisatie-vlak noemt S. 
Fresnel's hypothese, en die welke aanneemt, dat die 
trilling geschiedt in genoemd vlak, Neumann's hy- 
pothese. 

Schrijver voert geene nieuwe daadzaken aan , om deze 
of gene hypothese waarschijnlijker te maken , maar tracht 
tusschen het bekende wat meer verband aan te toonen, 
en de bekende verschijnselen nader aan beide hypothesen 
te toetsen. S. wgst er op, hoe men langs twee ver- 
schillende wegen zou kunnen komen tot eene keuze tus- 
schen deze hypothesen , en wel 1*. door uitgaande van eene 
dezer hypothesen vooraf te bepalen , welke verschijnselen 
zich moeten voordoen , zoo men het licht aan eenige proef 
onderwerpt, en dan het resultaat der theoretische beschou- 
wingen aan de proef te toetsen, en 2*. zooveel mogelgk 
te dringen in de constitutie van den ether in verschillende 
stoffen, welke constitutie in een nauw verband staat 
met de trillingsrichting. 

Het resultaat, waartoe schrijver meent gekomen te zgn, 



367 

is, dat de verschgnselea der gewone terugkaatsing met 
knstall^ne stofiEen meerdere waarschijnl^kheid geeft aan de 
theorie van Fresnel boven die van Nenmanni dat 
het geval niet is met betrekking tot de verschijnselen 
van dubbele straalbreking , buiging en diffusie. De aber- 
ratieverschijnselen en proeven van Pr e snel , omtrent 
de snelheid van het licht in stroomend water, leiden, naar 
S. tot het besluit , dat de dichtheid van den ether in alle 
ligchamen niet dezelfde is. Daar nu het al of niet 
kunnen bestaan der hypothese van Neumann de aan- 
neming in zich sluit, dat deze dichtheid wel dezelfde is , 
dat niet het geval is met de hypothese van Fresnel| 
zoo komt S. tot het besluit, dat de hypothese van Fres- 
nel te verkiezen is boven die van Neumann. 

Ten slotte waarschuwt S. tegen het gevaarlijke, om 
aan den ether eigenschappen toe te kennen, waartoe 
door de bekende feiten geene noodzakelijkheid bestaat 

n. De verh&uding van wijtuteemuuT tegenover gepolarueerd 
lieM'\ Academisch proefschrift van F. W. Krecke. 
Schrijver behandelt hierin in de eerste plaats de verschil- 
lende methoden ter bepaling van het soortelijk draaiend 
,vermogen van vloeistoffen, en geeft eene uitvoerige be- 
schrijving van de methoden door hem aangewend. Het 
meerendeel der bepalingen zijn door Schrgver verricht op 
de gele natriumstreep, deels ook op strepen van het 
zonnespectum, en de cijfers daarmede erlangd laten 
niets te wenschen overig, in vergelijking namelijk met die 
naar deze en andere methoden door Pasteur enz. be- 
komen. De waarnemingen werden aangevangen op het schei- 
kundig Laboratorium dezer Hoogeschool, onder de leiding 
van Prof. E. Mulder, en wel hoofdzakelijk met het doel, 
om aan de „wet der veelvouden" meer uitbreiding te geven. 

Schr^ver trekt uit zijne onderzoekingen het volgende 
besluit: 

1®. Het soortelijk draaiend vermogen van wgnsteen- 
zuur neemt voor de verschillende lichtstralen en bij elk 
watergehalte toe met de temperatuur. 

2^ De formule [q] = A + Be van Biot (waarin 
[q\ het soortelijk dr aaij endvermogen, A en È twee 
constanten, het watergehalte aanduidt), moet als eene 
benaderings-formiüe beschouwd worden. 



368 

3^ Bij toeneming van temperatuur verandert A. niet , 
maar neemt B. toe. 

4". Voor zeer geconcentreerde oplossingen van wgn- 
steenzuur , verplaatst zich het maximum van draaiing, 
bij verwarming, van het groene deel naar de meer breek- 
bare zijde van het spectnun. Verhooging van temperatuur 
oefent denzelfden invloed uit, als vermeerdering van water- 
gehalte. 

5°. Alle door Schrijver onderzochte wijnsteenzure 
zouten, namelijk 2 (C4 H4 K, 0^) + H^ O, C4 H4 Na- 
O, + 2 H, O, C4 E, (N HOa O. C, H^ K Na O^-h 
4 H, O, C4 H4 (C H^)^ O., 2 C4 H4 K (Sb O) 0^ H- 
H3 O, volgen de vierde wet van Biot, in dien zin 
evenwel, dat [q] X2 niet toeneemt naar de violette zgde 
van het spectrum, maar een maximum heeft in de groene • 
stralen. 

6^. Bij de onderzochte neutrale zouten, is het soor- 
delijk draaiend vermogen constant bij verschillende tem- 
peraturen, alleen neemt dit bij tartras potassae et sodae 
bij verhooging der temperatuur een weinig toe , bij braak- 
wynsteen daarentegen af. 

7». Treedt wijnsteenzuur in verbinding met bases, 
dan wordt het soortelijk draaiend vermogen bij de neutrale 
zouten der alkaliën driemaal grooter. 

III. Scheikundige aanteekeningen uitgegeven door E. 
Mulder, Deel I. aflevering 4. De onderzoekingen van den 
schrijver hebben hoofdzakelijk betrekking tot het gebied 
der synthetische scheikunde van koolstofhoudende licha- 
men, namelijk tot: 

Triêulfocarbonzuur aceionium. Hlasiwetz erlangde 
door inwerking van ammoniak en zwavelkoolstof op aceton 
een geelgekleurd kristallijn ligchaam volgens hem van de 
verhoudingsformule C30 Hjj Nj S,, en de groeperings- 
formule 2 Cs H„ S, C, H4 N, S, + 4 (C, H„ ONS). 
Naar Stadeier zou de verhoudingsformule z^n C|o Hjo 
N2 Sj, en de groeperingsformuJe C,o H,8 N, Sj, Hj S. 
Stadeier noemt Cio U» Ns S,, earbolAiacetanine ^ en der- 
halve C,o H,8 N, Sj Hj S, zwavelwaterstofzure carbothiace- 
tonine. 

Teneinde de constitutie van dit Ugchaam nader te 
onderzoeken, vroeg Schrijver ^ich in de eerste plaats af, 



369 

welke lichamen onstaan bij inwerking van ammoniak op 
zwavelkoolstof. Hierbij nu ontstaat (NH4) 2 S, CS2, dat 
onder verlies van Hj S kan overgaan in: 

(NH,)2 S, CS, — H, S= CH, (NH,) NS^. 
Dit laatste kan onder verlies van Ha S overgaan in: 
CH3 (NH,) NSa — H, S = (CNS, NH,). 

Schrijver ging dus de inwerking na van (NH4)2 S, 
CSj tnsulfocarbonzuur ammonium, CH, (NH4) NSj 
sulfocarbaminezuur ammonium, en CNS, NH4 rhodaan- 
ammonium , op aceton na. 

Rhodaanammonium werkt niet in op aceton. Sulfocar- 
baminezuur ammonium vormt daarmede een nieuw lig- 
chaam, terwijl trisulfocarbonzuur ammonium en aceton 
het ligchaam vormen van Hlasiwetz, en wel aldus: 
(NHO, S, CS, + 3 C, H, O = Co H20 NS3 + 3 H2 O. 

Bij inwerking van verdunde zuren bij gewone tempe- 
ratuur op dit Cio Hjo N2 Sj, komt geen Hj S vrij, dus 
kan het niet zijn Cio H,8 Nj S2, Hn S, zoo als Stadeier 
meent. Bij verwarming evenwel ontwijkt Ho S , en ontstaat 
een zout, zoutzure acetonine C, Hig N,, 2 H Cl -h H, O, 
zoodat zich de vorming in verband met de constitutie al- 
dus laat voorstellen: 

(N H,)2 S, CSa + 3 C3 H, O = (O, H,o N,) S,CS2 
-h 3 Hj O. Het ligchaam van Hlasiwetz zou dus zgn 
trisulfocarbonzuur acetonium; acetonium is namelijk C, 
Hjo Nj en dus acetoinne C, Hjs N,. Bij inwerking van 
zuringzuur erlangde schrijver dan ook zuringzure acetonine. 
üit de groeperingsformule van Halsiwetz blijkt, dat 
deze scheikundige de aanwezigheid aannam van rhodaan 
in z^n ligchaam. Na behandeling onder verwarming met 
K H O en toevoeging later van een zuur , en vervolgens 
van ijzer-chloride, treedt dan ook werkelijk de rhodaan* 
reactie te voorschijn. Alvorens dus te besluiten tot de 
groeperingsformule (Cg H20 Ng) S, CS2, moet aan deze 
rhodaanvorming eene verklaring gegeven worden. Schrij- 
ver bepaalde deze hoeveelheid rhodaan, door oplossing 
van eene bekende hoeveelheid van het ligchaam van 
H. in K H O, toevoeging van Cl N H4, indamping, 
oplossing in water, filtratie en praecipitatie met zwa- 
venzuur koperoxydul; met andere woorden, het rhodaan 
werd bepaald als koperrhodanzuur. Op Cjo H20 N3 S3 
werd 1 C N S erlangd. Was de formule werkelijk C, Hj^ 



370 

(C N S) N Sj = Cio Hjo Nj S,, zoo was de vorming 
van acetonine C, H,8 N3 niet te verklaren, terwijl het 
ontstaan van rhodaan. zeer wel voor verklaring vatbaar 
is. (N H4)3 S, CSa geeft namelijk bij behandeling met 
K H O rhodaankalium , terw^l het eerste reeds b^ staan aan 
de lucht langzamerhand overgaat in rhodaanammonium : 
(N HO, S, C S, — 2 H2 S = C N S, N H,. 
Men mag dns voor de groeperingsformule van het lig- 
chaam van H, aannemen (C, H,o N,) S, CS,, 

) • ■ 

CS ( 

= " \ s,. 

C, H„ N, ^ 
Naar schrgver in de afiiidteits-formale : 
O S 



S S 

I 
H 



i 



C.N. 



3C Hj. 3C Ha* 

Sulfocarbaminezuur acelonium. Dit lichaam ontstaat bg 
inwerking van aceton op sulfocarbaminezuur acetonium , 
en wel aldus: 

2 CH, (NHO NS2 + 3 C, H. O = 2 CH^ NS,, C, 
H-^ N3 -h 3 Hj O. 

De nadere groeperingsformule van dit ligchaam (krys- 
talliseert in licht geel gekleurde kristallen, oplosbaar in 
water) is: 

(CS), > 

" s, 

. . C, H« N J 
CarbotAialdine is naar de ontdekkers LiebigenRedten* 
bacher eene basis. Schrijver wijst evenwel op de ver- 
houding tusschen N en S in verbanct met de bereidings- 



371 

wijze. De formule namelijk van carbothialdine is naar 
L. en B. Cj Hio Nj S,, en sulfocarbarminezuur ammo- 
nium is CHg (N H4) NSj. Werkelijk geeft ook car- 
bothialdine op Cs Hio Na Sj , 1 ONS , . en vertoont het 
in alkoholische oplossing en na koking met water , alle 
reacties van CH, (N H4) NS,, terwijl bij inwerking van 
aethaldehyd op CH3 (N H4) N 83, carbothialdine ont- 
staat. Naar schrijver is dus carbothialdine CH2(NC4 H8)NS8. 

Het lichaam van QuadraL B^ inwerking van CS3 
en anunoniek op benzaldehyd erlangde Quadrat een kleur- 
loos, krystallijn lichaam naar hem Cg H5 NS = CNS, 
C7 H5. Schrgver vond evenwel , aangenomen dat de vor- 
ming plaats heeft als bg carbothialdine: 
2 C;HeO + 2NH, + CS, = C„HuN3S3 + 2 H,0, op 
Ci5 Hi4 Nj S2, 1 C N S , overeenkomende met 18 p. c. rho- 
daan, terwijl de formule CNS, C7 Hj eischt 39, 4p.c. rhodaan. 

In alkoholische oplossing bezit dan ook dit lichaam 
de reactiën van sulfocarbaminezuur, terwgl het naar 
schrijver tot groeperingsformule heeft: Cu H14 Nj Sg =r 
CH, (NC14 H«) NS3. f 

(NH4) 4 S , Cö, geeft met benzaldyd een ligchaam met gele 
kleur, waarschijnlijk van de constitutie als dat van Hlasiwetz. 

In de inwerking van acetonen en aldehyden op NH4)2 
N, CS2 en CH, (NH4) NS,, heeft men, als uit het 
medegedeelde blgkt, eene nieuwe bron ter bereiding van 
stikstof houdende bases. 

Na de ontleding van amylsulfocarbaminezuur amyl- 
ammine onder den invloed van warmte besproken te 
hebben , gaat schrijver over tot het geven eener verklaring 
van het geringe verschil in kookpunt tasschen mono- 
chlooraceton C3 H5 CIO 116**— 119'' en dichlooraceton C, H4 
Cl, O 120^ Schrijver zette C,^ H5 CIO door chloor om in 
C,H4C1, 0, en erlangde grootendeels gewoon dichloor- 
aceton, daarenboven in kleine hoeveelheid een ligchaam 
dat hiermede isomeer is. Het gewone dichlooraceton wordt 
C, H4 Cl, O, het andere fi C3 H4 Cl, O genoemd. Naar 
schr^ver is de affiniteits-formule van a C, H4 Cl, O = 
C H Cl, 



io 



.i 



H, 



372 

en die van |J C, H^ Clj O = 
C H, 01 

Ao 

C H, Cl. 
Wat het geringe verschil betreft in kookpunt tusschen 
C3 Hg Cl O en a Cj H4 Clj O , hetzelfde treft men ook aan 
tusschen C, H, Cl O, Cl; C» HCl, O, Cl en C^ Cl, O, 
Cl , terwijl C3 H5 Cl O en |? Cs H4 Clj O kunnen beschouwd 
worden als C, H, Cl O, C H, en Cj H Cl, Q, CH,. 
(C3 Hj O kan namelijk beschouwd worden als :=: C 
H3 + CO.) 

Naar schrijver ontstaat bij inwerking van zinkaethyl 
op aceton in overmaat, geen pkaron; bij inwerking van 
zinkaethyl op a C3 H4 CI5 O , wordt het chloor niet ver- 
plaatst door aethyl. Vervolgens geeft S. eenige wgzin- 
gen in de methode ter bereiding van zinkaethyl naar 
Alexeijeff, Rieth en Beilsteig. 

VehtreUe en hetreihelijhe alioholen van meerbadsche zuren. 
Schrijver ontwikkelt hierin nader zijne methode, ommeer- 
basische zuren tot hunne alkoholen terug te brengen , en 
onderscheidt betrekkelyhe en vohireUe alkoholen. Zoo is 
bgv. van: 

zuringzuur Ca H, O4 + 2 H — O = 
aethylenzuur C^ H4 O3 + 2 H — O = 
aethylenalokhol Ca Hj O,. 
Aethylenzuur is de betrekkelijke en aethylenalkohol de 
volstrekte alkohol van zuringzuur. 

Zijn er meer betrekkelijke alkoholen, zoo benoemt S. 
die met de eerste letters vanhetGxiekschealphabet, b^v. 
Chinazuur C, Hu O5 
betrekkelijke a alkohol C7 H14 O5 
II ? n ^1 H16 O4 

W y Jf Cy H18 Os 

volstrekte alkohol C7 H«, Oj. 

De betrekkelijke en volstrekte alkoholen kunnen in iso- 
meriën optreden. 

Schrijver eindigt deze aflevering met het geven eener 
nieuwe methode ter nadere toetsing der leer van Ber- 
thoUet, waarvan het grondbeginsel hier op neder komt, 
dat het draaiend vermogen van eenige koolstofhoudende 



37» 

znren en bases, afhankelijk kan zgn van de natunr der bases 
en znren , waarmede beide tot zouten z^n vereenigd. 

lY. Onderzoek van eenige wateren , te Rotterdam ah 
drinkwater in gebruik , en van duinwater, uit een Aygiënieeh 
oogpunt en in betrekking tot Cholera. Academisch proefschrift 
door E. A. van der Burg. — Deze verhandeling heeft 
haar ontstaan te danken aan het Koninklijk besluit van 
16 Juli 1866 waarbij eene commissie is benoemd , om het 
drinkwater in Nederland in verband met de Gholerate onder- 
zoeken. Door de Gezondheidscommissie der stad Eotterdam 
werd dit onderzoek van het drinkwater aan den heer E. A. 
van der Burg opgedragen die reeds vroeger een twaalftal 
analysen van het water van Eotterdam hsid verrigt. 

De heer van der Burg verzocht aan de Gezondheids- 
commissie verlof, de resultaten van dit onderzoek tot on- 
derwerp eener dissertatie te mogen bezigen, hetgeen hem 
werd toegestaan. 

Zoo kwam dit proefschrift tot stand, dat voor de ken- 
nis van de wateren van Eotterdam van groot belang moet 
worden geacht, en dat in vele opzigten voortrefiFelijk mag 
worden genoemd , niet alleen wegens de groote nauw- 
keurigheid waarmede de analysen verricht, en de moeielijke 
bepalingen van salpeterzuur en anunonia in organische stoffen 
werden ten uitvoer gebracht, maar ook wegens de onpar- 
tgdige en onbevooroordeelde waarheidsliefde waarmede de 
gevolgen , die uit het onderzoek zijn af te leiden , in 
verband met de Cholera, worden beschouwd. 

Een dertigtal wateranalysen werden verricht van wate- 
ren uit de buitenstad , van de polder- en binnenstad, ter- 
wgl voor vergelijking het regenwater (dit laatste alleen 
voor ammoniao en salpeterzuur) en het duinwater, dat 
in Amsterdam gedronken wordt, mede aan het onderzoek 
werden onderworpen. 

Het onderzoek strekte zich uit op de bepaling van de 
vaste stoffen, koolzure kalk, zwavelzuur, salpeterzuur, 
ammonia, het verlies bij glooiing, en de hoeveelheid gere- 
duceerden permanganas potassae; deze beide laatste metho- 
den ter bepaling van de hoeveelheden organische stoffen 
in de wateren. Volgens de methoden van Clark e werd 
de hardheid bepaald. De bezinksels der wateren werden 
met het mikroskoop onderzocht. 



374 

Na de analysen der onderzochte waters te hebben ge- 
geven, behandelt de schrijver eenige by zonderheden nit 
het onderzoek voortvloeiende die wg kortelijk zullen ver- 
melden. 

In de eerste plaats nam h^ geen verband waar tns- 
schen het verlies bg gloeiing en de hoeveelheid geredn- 
ceerden permanganas potassae, zoo als de schrgver aan- 
vankelijk gehoopt had te zullen vinden, waarom hij dan 
ook de methode van bepaling der organische stoffen door 
middel van gereduceerd permanganas potassae bezigde, 
hoewel hij op hare nauwkeurigheid veel heeft aan te 
merken. Wanneer men verschillende waters onderzoekt, 
die eene grootere hoeveelheid perm. potass. reduceren, 
derhalve een grooter gehalte aan organische stoffen ver- 
raden, treft men geen regelmatig grooter vérlies bij gloei- 
ing aan. Dit wordt teweeggebragt door de verschillende 
geaardheid en hoeveelheid der organische stoffen , endoor 
LPi verschillende verhouding bij gloeiing der anorganische, 
waarvan zoo als bekend is, sommige zich ontleden en 
vervlugtigen. 

Tusschen het ammonia en salpeterzuurge-halte vond de 
schrgver insgelgks geen verband, evenmin als tusschen 
df cijfers die het gloeiverlies , gezuiverd permanganas po- 
tassae, ammonia en salpeterzuur-gehalte vertegenwoordi- 
gen en tuschen organische stoffen en zwavelzuur. Tus- 
schen de hardheid in het gehalte aan koolzure kalk kon de 
schrijver, zoo als a priori reeds was op te maken, wel 
verband aantoonen. 

De onderlinge vergelijking van de wateren van de bui- 
tenstad met het Maaswater, leerde dat deze laatste bij 
vloed verzameld boven de stad, de geringste hoeveelhe- 
den vaste stof, koolzuren kalk en zwavelzuur bevatten. 
Het water van de Nieuwehaven bevat iets meer kalk, 
zwavelzuur en ammonia, iets minder salpeterzuur dan 
dat van de Leuve-haven. 

Het water uit de Maas bevat eenige klei- en slibdeel- 
tjes; na bezinken en Altereren is dit water echter 
volkomen helder. Wegens de eigenschappen die het onder- 
zoek van het Maaswater aan den schrijver hebben doen 
kennen: gering gehalte aan opgeloste vaste stoffen, kool- 
zure kalk, en ammonia (het zwavelzuur gehalte is be- 
trekkelijk groot bij de geringe quantiteit vaste stoffen) 



375 

zoude de schrijver het wenschelijk achten, dat Eotterdam 
voorzien werd van eene waterleiding van gefiltreerd Maas- 
water boven Eotterdam in de buurt van Kralingen aan 
de Maas ontleend. Dit water acht hij om zijne mmdere 
hardheid en geringer gehalte aan ammonia nog te verkie- 
zen boven dat van de Amsterdamscbe duinwaterleiding. 

De wateren van de polder- en binnenstad verschillen 
zeer van elkander. Het Schiewater bevatte driemaal meer 
vaste stoffen dan het Delftsche vaarwater, dat echter met 
Maaswater vermengd wordt. Het bezit echter toch een 
zeer sterke reuk naar fecale stoffen, terwijl het Schiewa- 
ter eene groote hoeveelheid plantaardige stoffen bevat en 
in het Schiedamsche Vestwater eene geringe^ hoeveelheid 
vaste stoffen aanwezig is, zoodat dit in alle opzigten zich 
van de beide vorige gunstig onderscheidt. 

Het welwater der polder- en binnenstad bevat weder 
eene grootere hoeveelheid vaste stoffen, vooral koolzure 
kalk, dan het water in de Schiedamsche Vest en de Delftsche 
va^ en eene zeer geringe hoeveelheid zwavelzuur. Het 
bevat hiervan veel minder dan het Maaswater. Deschrg- 
ver vermoedt als oorzaak van dit vreemde verschijnsel dat 
de sulfaten van het Maaswater, dat den bodem doordringt 
en zoodoende het welwater vormt, door de organische 
stoffen in den bodem, tot onoplosbare zwavelmetalen wor- 
den gereduceerd, tot zwavelcalcium of zwavelijzer. 

Volgens den schrijver bestaat er verband tusschen de 
wateren der buiten- en die der polder en binnenstad. Het 
water namel^k uit de Schiedamsche Vest is op ééne lijn 
te stellen met dat van de Nieuwe en Leuvehaven en komt 
behalve een weinig hooger gehalte aan ammonia en or- 
ganische stoffen vrij wel met Maaswater overeen. 

Het water van de Delftsche vaart is veel onreiner ter- 
wijl het welwater van de Zeevischmarkt even als dat van 
de polder- en binnenstad moet beschouwd worden als Maas- 
water met iets meer koolzure kalk, veel meer ammonia 
en eene geringe hoeveelheid zwavelzuur. 

Het Schiewater is een geheel ander water. Het bevat 
van al de onderzochte wateren de grootste hoeveelheid 
vaste stoffen, koolzure kalk, zwavelzuur, salpeterzuur, 
en organische stoffen, echter een minimum ammonia. In 
vele opzigten komt het met het welwater van het huis van 
Arrest overeen. Volgens den schrijver zoude men geneigd 



376 

zyn te beweren dat ze vooral plantaardige stoffen opge- 
lost honden. 

In het laatste gedeelte van zijn arbeid treedt de schrij- 
ver in beschouwingen omtrent de onderzochte wateren uit 
een hygiënisch oogpunt en met betrekking tot de Cholera ^ 
waarvan wij nog eenige belangrijke punten willen mede- 
deelen. De schrijver meent op grond van het onderzochte 
gegevens genoeg te hebben om het gebruik van het Maas- 
water aan te bevelen, mits het gefiltreerd zij, als het beste 
water voor Rotterdam, Het bevat geene schadelijke be- 
standdeelen, en de bijzondere purgerende werking door velen 
aan dit water toegeschreven, komt hem voor bij nauwkeu- 
rig onderzoek overdreven te zijn, en door de bestanddee- 
len van het water geenszins verklaard te worden. 

Tevens wijst hi] op het opmerkelijk feit door de cholera- 
commissie vermeld , dat toen in Eotterdam de Cholera het 
hevigst heerschte en zich in de vier eerste weken verba- 
zend snel uitbreidde, er terstond eene aanmerkelgke ver- 
mindering in de ziekte was op te merken, zoodra er al- 
gemeen gelegenheid bestond zuiver drinkwater te verkrg- 
gen — en dit drinkwater was Maaswater. 

Aan het gehalte van drinkwater aan ammonia, dat 
volgens Prof. Mulder, zoo het eenigzins aanzienlijk is, 
ons moet doen besluiten het te verwerpen, meent de schrg- 
ver dat men zich niet uitsluitend moet vasthouden bij het 
afkeuren van het water. Zoo vindt hij , dat het water van 
het huis van Arrest, waarin vele slagtoffers der Cholera 
voorkwamen, een zeer onzuiver en slecht drinkwater is, 
wegens de vele onreinheden die het bevat, dat echter dit 
water een zeer gering gehalte aan ammonia bezit 

Met betrekking tot de Cholera vond de schrijver in 
geene der wateren iets bijzonders, wat de karigheid van 
haar voorkomen in sommige buurten verklaarde. Wel wa- 
ren er in sommige wateren sterke bezinksels op te merken » 
deze bestonden echter uit geene bijzondere stoffen. Het 
waren bekende wiersoorten, infusorien, rotatorien, crus- 
taceën, die in vele wateren gevonden worden. 

V. Onderzoehingen betreffende het aqua laurocesan, door J. 
Broek er, müitair apotheker. Dit stuk bevat opgaven 
betreffende het Aq. laurocerasi uit verschillende schrijvers 
en pharmacopaeae ; en onderzoekingen van B. zelven. Bg 



377 



deze stelde hg zich ter beantwoording: de vraag welken 
invloed de tgd van inzameling der bladen op het gehalte 
aan blauwzunr hebben kan. Om die vraag te beantwoor- 
den zamelde hij gedurende een geheel jaar iedere maand 
versche bladeren van Fmnus Laurocerasus in, en be- 
reidde daaruit telkens naar het voorschrift der Ned. Apo- 
theek, het Aq. laurocerasi. De resultaten dezer reeks 
van proefiaemingen luiden aldus. 



Maanden. 




op 1 vae (1 ttne) 




Villlgr. 


Greinen (Hh) 


Nov. 1864. 

Dec. H 
Jaa. 1866 
Febr. „ 
Maart „ 
April n 

Junii „ 

JV^ M 

Septl l 
Oct 


6 dr. folia laurooraai ^Jijn gesneden, 
met 12 dr. water 24 uren gedige- 
reerd bij 15*C hiervan afgedeBtill. 
uit glazen retort metontr.6dr. 

MM M M M M 
MM M M M M 

MM M M M M 

MM M M M M 
MM M M M M 

MM M M M M 
M M M MM M 


260 
170 
170 
120 
220 
170 
200 
260 
300 
240 
280 


f''' 

O 

4V3 



Uit deze opgaven blgkt dat in 1865 1 eenjaar, waarin 
de zomer zeer warm en de plantengroei buitengewoon 
vroegtijdig en voordeelig plaats had , de bladen in Juli 
geplukt de grootste hoeveelheid cyanzilver in het Aq. 
Uuroc. leverden. In het volgende jaar bleken de October- 
bladen het sterkste water te leveren. Natuurlek zuUen 
bodem en weder deze uitkomsten steeds kunnen wijzigen. 
Wat de bereidingswijze aangaat leerde de ervaring aan 
B. dat men het sterkste water verkrijgt door de bladeren 
Jlfn ie snijden en daarop onmiddellijk te destilleeren. De 
bladeren geheel te destilleeren is eene vluggere methode, 
die gewoonl^k een water levert, dat nog sterker is, dan 
de Nederl. Apotheek verlangt. 

25 



378 

yi. Verianiding over gravidituÈ tubthuterina, naar aan" 
leiding van een waargenomen geval, door J. Baart de la 
Faille Jr., med. chir. Aart. obsi doet te GroAingen. 
Het geval, door den schrijver waargenomen, was de vierde 
zwangerschap eener' 28jarige vrouw. De vorige zwanger- 
schappen waren ongestoord verloopen. De waarneming 
begon toen de laatste zwangerschap 3 maanden bestond ; 
de ziekteverschgnselen waren: groote pijnlijkheid opeene 
kleine plaats in de regio hypochondriaca dextra, niet toe- 
nemend bij urineren of defaecatie. De p^n week aanvan- 
kelijk na toediening van hirudines, pnlv. Doveri, later 
calomel , opium en een clysma laxans. — - Zonder bekende 
aanleiding kwam de pijn plotseling hevig terug, de vrouw 
verloor hare bewustheid. Thans was de buik papachtig op 
het aanvoelen, met matten percussietoon, niet opgezet; 
geene metrorrhagie. Het coUum uteri normaal, het onficium 
week, het scheidde een weinig bloedig sl^m af; pols 
langzaam, bleek gelaat; hals, extremiteiten koud en bleek; 
lippen en tandvleesch wit; oogen gesloten; op voorhoofd 
en neus koud zweet. Deze versch^nselen wezen op st^k 
bloedverlies. Dit, nam blgkbaar gedurende het volgende 
etmaal toe, de klachten betroffen afgematheid en neiging 
tot braken. Zonder noemenswaardige verandering in de 
verschgnselen overleed de patiënt 42 uren na de eerste 
flauwte. — De lijkopening^ 14 uren na den dood verricht, 
gaf de volgende resultaten : 

Geene lijkverstijving en geene teekenen van ontbinding. De 
buik was deegachtig opgezet, zeer weinig tympaniüsch. Bij ope- 
ning der buikholte waren de intesüna zeer bleek , met gas gevuld. 
Onder in de buikholte waren vele bloedklonters, maar eene nog 
grooter hoeveelheid duii bloed, dat er uitgenomen werd en bg 
approximatie 6 ponden bedroeg. Terstond hierop kwam een foetus 
zonder vliezen voor den dag, dat nog met de navelstreng verbon- 
den was, maar van de placenta afgescheurd, misschien het ge- 
volg van het verwijderen van de bloedcoagula. — Daarop viel ons 
de uterus in het oog, die aan de rechter zijde van den fundos 
geheel uitpuilde in den vorm van een vrij grooten tumor, en op 
die plaats aan de zijde gescheurd en met coagula bedekt was: 
de uterus had dezelfde grootte als in de vierde maand der zwan- 
gerschap. Ook het foetus scheen ruim drie maanden oud te zijn. 
Het orifidum uteri was langwerpig, een weinig geopend en met 
eene taaie, van bloedstrepen voorziene, dunne slijmprop opgevuld. 

De lengte van den uterus vms ii,5 Ned. duim 



379 

De breedte van den fundus, uteri. . . : 13,0 Ned. duim 
De breedte van den üindus , zonder de uitge- 
zette plaats ter rechter zijde ••••.. 7,0 )> b 
De voor- achterwaartsche diameter van den » » 

uterus • 5,0 

De dikte der wanden van den uterus • . 0,7 » j> 
De lengte van de navelstreng • • • ; • 7,0 » » 

De lengte van het foetus 9,0 » b 

Bij doorsnijding van de holte van den uterus, bleek deze met 
eene vrij dikke laag decidua bekleed te zijn, en hier en daar 
waren, vooral in het onderste gedeelte, eenige slijmpolypen te 
zien. Tot het uitpuilende gedeelte van den fundus aan de rech- 
terzijde, zette de decidua zich voort; hier waren de gescheurde 
overblijfselen der eivliezen duidelijk zichtbaar. De placenta was 
aan het voorste gedeelte van de uitgezette plaats gehecht, en 
werd door de in die plaats gemaakte dwarse snede juist in twee 
helften verdeeld. De eene helft der placenta voorzichtig losma- 
kende zag ik de cotyledon- vormige oppervlakte, aan deze helft 
was nog een zeer klein gedeelte der streng te vinden. De wan- 
den van de uitgezette plaats waren zeer dun, vooral waar zij 
meer de scheur naderden. Achter de placenta was de holte te 
zien, vmarin het foetus gelegen baden de eivliezen nog aanwe- 
zig waren. Van een tusschenschot tusschen de uterusholte en den 
vmchtzak was een gering spoor voorhanden. — De beide tubae 
waren gesloten en lieten geen lucht bij inblazing door, waar- 
schijnlijk door dat het praeparaat eenigen tijd in spiritus gelegen 
had , vóór dat ik het onderzoek dezer kanalen verrichtte ; de blaas 
was ledig even als het intestinum rectum, en vertoonde geene 
bijzonderheden, evenmin als de andere organen der buikholte. 
(Achter de verhandeling z\)n 2 platen in kleurendruk gevoegd.) 

Nn de beschrijving van zijn geval , geeft de Schr. nog 
een kritisch overzicht van 24 gevallen, zijnde al degene 
welke hij nit de litteratuur kon opzamelen. Hg geeft den 
naam van gravidUas tubo-iUerina aan al die gevallen, waar 
het ovnlnm zich ontwikkelde in dat gedeelte der tuba, 
dat door de uterus-zelfstandigheid heen loopt. — 'Van 
de opgenoemde gevallen behooren 17 tot deze soort, hier- 
van had 9 malen de zwangerschap in de rechterzijde van 
den fandus nteri plaats, in 1 geval was de fandns uteri 
in twee boven elkander liggende verdiepingen gescheiden 
en wordt er niet van rechter- of linkerzijde gewaagd. 
Onder de 17 vrouwen. waren 2 primiparae, bi] 11 had de 
baring reeds meermalen plaats gehad , van de 4 anderen 
wordt dit niet vermeld. In alle gevallen was de afloop 



380 

doodelijk, de dood volgde in twee gevallen plotseling, in 
een geval na 11 jaren. De zwangerschap dunrde in 1 ge- 
val 6 weken, in 1 geval 8 weken, in 6 gevallen 10 — 12 
weken , in 1 geval 16 weken , in 3 gevallen langer dan 
16 weken, zelfs negen maanden. — De schrijver ver- 
klaart zich voor de verdeeliug der graviditaa extra-nte- 
rina in 3 soorten (aangenomen door Rosshirt, de 
Wees en Scanzon i) ovarialis, tubaria en abdominaüs , 
waarbij de tubo-uterina eene ODcLer afdeeling der tubaria 
is. Braun en T) e zeim ei ïb noemen fframdiloêtuio-ute' 
rina den vorm, waarbij het ovnlum na eenige ontwikke- 
ling in de tuba langzamerhand in het cavnm nteri komt. 
Dezen vorm noemt de schrijver, even als Behse gravi- 
dUas uterina abnormalU^ indien men recht heeft het voor- 
komen er van aan te nemen. 

Als oorzaak voor het ontstaan van g, tubo-iUerina moet 
men aannemen, dat het ost. uterinum tnbae door de 
eene of andere pathologische oorzaak zoo vemanwd is dat 
wel de spermatozoiden , doch geen bevmcht ovnlum er 
door heen kan komen. 

Wanneer de g. tubo-uterina vóór de ruptuur herkend 
kan worden, zou de eenige rationeele therapie bestaan in 
doeden van het foetus door injecties, punctuur of op 
eenige andere w^ze. 

YII. Jmenorrioea ten gevolge van het ontbreken der t»- 
gina , kunstmatige daarstelling van deze en punctie van den 
uterus , genezing , door D. Gantvoort geneesheer te Neede. 
Bg een meisje van 14 jaren hadden zich sedert eenige 
maanden periodiek terugkeeren pijnen in buik en lende- 
streek vertoond. De geheele lendestreek was bij drukking 
gevoelig. Bij lokaal onderzoek bleken de uitwendige ge- 
nitalia goed ontwikkeld te zijn: in plaats echter van een va- 
gina was er slechts een zeer ondiep groefje. Boven de 
pubis vond men in de buikholte een hard, rond gezwel, 
(uterus) bg exploratie door het rectum bleek de bekken- 
holte door een rond gezwel gevuld te zijn, waarin de 
uitwendige openiog een rond kuiltje vormde. Dit laatste 
gezwel was blijkbaar het verkorte collum uteri. — Ope- 
ratief ingrijpen was noodig. Om urethra of rectum niet 
te kwetsen besloot men zooveel mogelijk met stompe in- 
strumenten te werken. Men begon met een catheter in 



381 

de blaas te brengen om tot richtsnoer te dienen. Daarna 
werd in het groe^e^ dat als rudiment van ingang kon 
gelden, met de sonde en het hecht van een scalpel de 
mncosa verschenrd, en, langzaam voorwaarts gaande, het 
celweefsél, dat de wanden van de urethra en het rectum 
stevig verbond, vaneen gescheiden. Tot op 2 & 2V,dnim 
ingedrongen, stootte de vinger op eene spierlaag mét ^ 
overlangsche vezelen, die door een stomp werktuig niet 
kon worden gescheiden, terw^l de gemaakte opening te 
naaaw was om eene bistonrie op geleide van den vinger 
in te brengen. Ook was de Igderes zoo geagiteerd, dat 
haar vooreerst rust moest gegeven worden. Nadafc 3 da- 
sen het gemaakte kanaal door dmkspons was opengehou- 
den, werd de spierlaag, benevens de uterus, dïe er ter- 
stond achter lag, met een troicart door gestoken, waarop 
aanstonds eene siroopachtige, teerkleurige massa in ruime 
hoeveelheid uitvloeide. Door de canule werd nu lauw wa- 
ter ingespoten en de opening door drukspons opengehou- 
den. Een paar maanden later traden de menses tevoor- 
schgn, en keerden geregeld weder, onder verbetering vaa 
den geheelen habitus der patiënt. Lokaal onderzoek werd 
niet verder toegestaan. 



BOEKAANKONDIGINGEN. 



G. L. Drognat Landré, JDe heêmettélijkheid der Lepra 
Arabum , bewezen door de feseiiedeniê dezer ziekte Jn SuH- 
name. Akademisch proefschrift, Utrecht, bij J. L, Begers. 
(Ook in den handel verkrijgbaar). 

De schr^ver was door toevallige omstandigheden in de 
gelegenheid, zeer belangr^ke lustorische en statistieke 
bedragen tot de kennis der Lepra in West-Indië te le- 
veren. Z^n vader, die lang als geneesheer in Suriname 



382 

werkzaam was^ en vooral zijn studie aan het ontstaan en 
de yerspreiding der Lepra w^dde, stelde hem daartoe in 
staat. Hij heeft van de in zijn handen gestelde stukken 
een uitstekend gebruik gemaakt, en daarover, in verband 
met een ruime studie van het vraagstuk omtrent de be* 
smettelijkheid der Lepra ook in andere landen, een ge* 
wichtige bijdrage tot onze nadere kennis dezer vreesselgke 
ziekte in het licht gegeven. 

In het eerste Hoofdstuk geeft de S een overzicht van 

jSie geschiedenis der melaatschheid in de kolonie Suriname. 

Het tweede draagt ten titel: Beschouwingen over de 

aetiologie der Lepra Arabum, waarin achtereenvolgens 

behandeld worden: 

1®. De Lepra in het Noorden van Europa; 
2^. De Lepra in het Zuiden van Europa; 
3<>. De Lepra in Amerika; de vraag omtrent de mo- 
gelijkheid van spontane ontwikkeling; contagiositeit en 
herediteit 'der ziekte. 

De slotsom van des schrijvers beschouwingen is: „En 
zoo omhelzen wij weder de meening der middeleeuwen , 
dat de Lepra Antbum zich slechts door contagium ver- 
breidt". 

Deze uitspraak is het gevolg van een zeer ruime, en 
van scherpzinnigheid getuigende vergelijking en kritiek 
der meeningen en statistieke bewijsgronden van de voor- 
standers der hereditaire voortplanting der ziekte eensdeels , 
van een naauwkeurige studie harer ontwikkeling en ver- 
breiding in de kolonie Suriname andersdeels. Dit laatste 
gedeelte van het betoog is vooral klemmend. De Lepra 
was onbekend onder de inboorlingen onzer West-Indische 
koloniën, en men kan, volgens den schrijver, historisch 
aantoonen, dat zij eerst door den invoer van ïnelaatsche 
Afrikaansche negers ontstond, en later zoowel op de in- 
boorlingen als de Europeanen overging. De laatste kunnen 
de ziekte niet uit Europa hebben medegebracht, daar de 
Lepra in Suriname ontstond in een t^d toen zg in de 
meeste deelen van Europa reeds zoo goed als uitgeroeid > 
was. — Doch wij kunnen den schrijver niet verder in 
zijn betoog volgen, daar een volledig referaat of een eigen- 
Igke beoordeeling van zijn geschrift onze grenzen over* 
schrijdt , en een uitvoerigen opzettelijken arbeid zou verei- 
schen. Wij moeten het dus bij deze korte aankondiging 



383 



laten, onze lezers verzekerende, dat hetzy hun de uit- 
spraak van Dr. Landré bewezen schijnt of niet, z^in 
elk geval zijn goed geschreven boekje met genoegen zul- 
len lezen. 



M. Ju da. Over de abnormale voortbeweging van hei men- 
sciefi'ei. Academisch proefschrift. Utrecht, J. de Kruij ff, 
1867. 

Ofschoon de schrijver dezer verhandeling geen eigen 
waarnemingen , of nieuwe onderzoekingen meedeelt , ves- 
tigen vrij met een enkel woord de aandacht op het 
boelge, omdat het een volledige opgave der verspreide 
gevallen van zoogenoemde „TJeberwanderung des Eies'* 
bevat, en omdat er aan het slot een kritiek, der be- 
schouwingen omtrent de krachten weD^e het ei voort- 
bewegen, in voorkomt. De schrijver vindt in geen der 
door hem verzamelde gevallen aanleiding' om een eigen- 
lijke „TJeberwanderung", dat is, een voortleiden van het 
eitje uit de ééne tuba Fallopii door de uterusholte in de 
tuba der andere zijde, en zóó graviditas tubaria aldaar, 
aan te nemen. Ook het laatst gepubliceerde geval van 
Bernhard S. Schultze, waarin door denwaarnemer 
de genoemde zonderlinge reis van het ovulum verdedigd 
wordt , kan volgens den schrijver, ongedwongener verklaaïd 
worden; door aan te nemen: dat hei ei van hei ovarium 
der ééne zijde direct naar de tuba der nndere zijde kan ge- 
voerd worden , of dat de tuba der ééne met het evarium der 
andere zijde in aanraking komen han. Zulk een zooge- 
noemde extraiUerine abnormale voortbeweging van het eitje 
wordt door den schrijver verdedigd in al .die gevallen, 
waar de aard der zwangerschap blijkbaar de normale 
voortleiding van het ei door de tuba der gelijknamige 
z^de naar de uterus-holte buitensloot. 



386 

nenste haarcellen" van Deiters, tossclien welke h^ 
fijne glasheldere vezelen verloopenzagimetdeeindvezelen 
der skkkenhuiszennw niet aantoonen, maar is, even als 
Deiters, om de verhonding tot de genoemde fijne veze- 
len , en om de gedaante der cellen zeer geneigd die aan 
te nemen. 

Het boek van Middendorp zal zeker als een nitmxm- 
tende monographie, en niet minder om de zeer instmc- 
tive afbeeldjngen naar eigen praeparaten vervaardigd, door 
ieder gewaardeerd worden, die zich met de ontleedkunde 
der zintuigen meer in b^zonderheden wil bezig houden. 



sssee 



/-/i 





K 



OVER DE UITEINDEN DER SMAAKZENUWEN 
IN DE TONG VAN DEN KIKVORSCH. 

DOOB 

Th. W, ENGELMANN, 

Assistent bg het phyBioIogiscb laboratorium to Utrecht. 

Met Plaat. 



Weinige maanden geleden heb ik, onder medewerking 
van den Heer Scliroeder van der Kolk med. cand., 
een onderzoek ondernomen aangaande de uiteinden der 
smaakzonuwen in de tong van den kikvorsch. De resultaten 
hiervan zijn in de volgende bladzijden opgeteekend. 

Billroth 1) had gevonden, dat slechts de papillae 
fungiformes der tong met zenuwen zijn voorzien. Vol- 
gens hem treedt in iedere papilla een bundel zenuw- 
vezelen, die nabij de oppervlakte, onder het epithe- 
lium, hare donkere randen verliezen en smaller worden. 
Tevens constateerde hij een feit, reeds vroeger door 
Leydig opgemerkt, dat, namelijk, de eindvlakte der 
papillae fungiformes met een eigenaardig epithelium be- 
kleed is. Naar aanleiding van de onderzoekingen over 
de uiteinden der reukzenuwen in het slijmvlies van den 



1) Billroth in JVtüUer'a Archiv. 1868. png. 159. 

26 



388 

neus, weinige jaren geleden door M. Schalt ze gedaan, 
achtte hij een samenhang tusschen de zenuwen èn dé 
epitheliumcellen van de eindvlakte der papillae niet 
onwaarschijnlijk. Hij kon de zenuwen echter niet tot 
in het epithelium vervolgen; evenmin gelukte het hem 
analoga der reukcellen van Schultze te vinden. 

Ook Pixsen 1) kon de zenuwen slechts tot in het hind- 
weefsel der papilla nagaan : hier eindigen zij , volgens 
hem, plotseling, somtijds met knoestige aanzwelling. 
Pixsen beweert zelfs, dat er geen verschil bestaat 
tusschen de epitheliumcellen van de eindvlakte der 
papillae fungiformes en de overige epitheliumcellen der 
tong (behalve de trilhaarcellen). Volgens Hoyer 2), 
die weinige jaren later de tong van den kikvorsch 
onderzocht, eindigen de zenuwen stomp in het bind- 
weefsel, waarop het epithelium van de eindvlakte der 
papilla rust. Hoewel toegevende, dat dit epithelium 
bijzondere eigenschappen bezit, ontkent hij evenwel een 
samenhang tusschen deze cellen en de zenuwen, 

E.A. Key3) deed eene gewichtige schrede voorwaarts. 
Hij ontdekte niet alleen in het epithelium der papilla 
eigenaardige cellen, door hem smaakcellen genoemd; 
maar hij zag ook de donker gerande zenuwen zich voort- 
zetten in fijne varikeuse vezelen, die in het epithelium 
opstegen. Elke smaakcel bezit, volgens hem, aan haar 
centraal einde een dunnen varikeusen uitlooper, die in 
een fijne zenuwvezel overgaat. 

Deze gewichtige uitkomsten, onder de leiding van 
M. Schultze verkregen, zgn later door E, Hart- 



1) C a r ol. F i z B e n. De lingoae raninae teztora. Dorpat 1857. 

2) Hoyer in Arch. f. Anat u. PhyBiol. 1859. pag. 481. 
3j £ e y in Arcli. f. Anat. u. Phyfliol. 1861, pag. 329. 



389 

mann 4) betwist geworden. Deze, niet in staat de smaak- 
cellen en de fijne zenuwvezelen van Key te vinden, 
verklaarde ze voor artefacta. — In den laatsten tijd 
zijn, voor zoover mij bekend is, geene nieuwe onder- 
zoekingen over de uiteinden der smaakzenuwen van den 
kikvoisch gedaan. 

De volgende mededeelingen hebben betrekking op vol- 
wassene exemplaren van Rana temporaria. 

Van den groveren bouw der papillae, van het verloop 
der donker gerande zenuwen in de papillae , en van eenige 
eigenschappen van het epithelium, dat de papilla be- 
kleedt, kan men zich door zeer verschillende methoden 
van onderzoek spoedig eenige kennis verschaffen. Hetzij 
men in serum of in zout-oplossing, in zuren of alka- 
liën onderzoekt, men ziet, dat de kringvormige eind- 
vlakte der papilla door een auder soort van epithelium 
is bekleed dan de zijvlakten der papilla en de overige 
oppervlakte der tong. Men ziet verder, dat, nog in 
het bindweefsel, dicht onder deze eigenaardige epithe- 
liumschijf, de donker gerande zenuwvezelen hare merg- 
scheede verliezen en daardoor schijnbaar eindigen. Maar 
bij de twee punten, waarop het klaarblijkelijk vóór alles 
aankomt, het lot, namelijk, der zenuwen , nadat zij haar 
merg hebben verloren , en in de tweede plaats , het maak- 
sel der elementen, waaruit het epithelium der eindvlakte 
is samengesteld, — bij deze twee punten is, om toteene 
beslissende uitkomst te geraken , de methode van onderzoek 
niet onverschillig. Wij zullen de door ons aangewende 
methoden in den loop van het onderzoek meêdeelen. 

Beginnen wij met eene schildering van het epithelium, 
dat de kringvormige eindvlakte der papilla bedekt. Het 



4) Hartmann ibii. 1863. pag. 63-1. 

26^ 



390 

bestaat uit drie soorten van cellen, die wij kelkcellen, 
cylindercellen en vorkcellen noemen willen. Alle drie 
soorten zijn kenmerkend voor de eindvlakte der papUla; 
men treft ze op gcene andere plaats van de oppervlakte 
der tong aan. Ze zijn tevens scherp van elkander onder- 
scheiden; er komen geene overgangsvormen tusschen 
voor. Zoolang de cellen nog in samenhang op de papilla 
zitten — reeds naar vroegere waarnemers zitten zij hierop 
met groote hardnekkigheid vast — kan men, de papilla 
in profiel diende, hoogstens twee soorten onderscheiden. 
Vooral vallen de kelkcellen in het oog, waaruit verre- 
weg de grootste massa van het epithelium bestaat. Tus- 
schen deze herkent men echter al spoedig meer of minder 
duidelijk, talrijke andere vormen, die elk uit een 
diep gelegen, klein ellipsoidisch lichaam schijnen te be- 
staan, dat zich in een smallen, cylindrischen en tot 
aan de oppervlakte van het epithelium reil^cnden nit- 
looper voortzet. Dit kan men b. v. gemakkelijk zien 
bij cellen, die uit eene versche tong gesneden en in 
water, beter nog in speeksel, onderzocht worden. De 
lichamen met den smallen uitlooper treden dan vaak 
reeds na weinige minuten als glinsterende, fleschvormige 
holten tusschen de meer troebele kelkcellen te voor- 
schijn. Men ziet ook wel, dat de cylindrische buik der 
flesch bijna geheel met een blaasvormige kern, die een 
duidelijk centraal kerntje bevat, is opgevuld, en soms 
neemt men zelfs fijne uitloopers waar, die de richting 
naar het binnenste der papilla inslaan, zonder ze echter 
tot daartoe te kunnen vervolgen. Met andere methoden, 
waarbij het epithelium in samenhang blijft, komt men 
niet verder. Het gelukte ons niet, een middel te vin- 
den, dat slechts een van de drie celsoorten kleurjje. 
Goudchlorid kleurde alle cellen; osmiumzuur hadden wij 



391 

niet tot onze bescliikldng. Ook is van dergelijke mid- 
delen bij de papilla der tong slechts weinig hulp te ver- 
wachten, Ladiea het gebruik daarvan niet met isolatie 
der elementen gepaard gaat. Want altijd wordt de 
waarneming door de dikte van het epithelium belemmerd. 
Het is niet mogelijk dwarse doorsneden te maken, wegens 
de kleinheid en de bewegelijkheid der papillae. Om 
die reden hebben wij getracht de cellen te isoleeren, 
natuurlijk in een zooveel mogelijk onbeschadigden toe- 
stand. De vaak beproefde eigenschappen vanhetjodium- 
serum kwamen ons hierbij te pas. Legt men daarin de 
tong van een kikvorsch, dan vermindert reeds binnen 
de eerste 2-4 uren de samenhang tusschen de epithelium- 
cellen dermate, dat, na herhaald schudden der tong 
in een glas, de meeste cellen van de oppervlakte der 
tong hebben losgelaten en het bindweefeel van het slijm- 
vlies bloot ligt. Maar in den regel blijft het epithelium 
op de eindvlakte der papillae fungiformes vastzitten en 
is door enkel schudden niet te verwijderen. Laat men 
de tong een of meer dagen in het jodiumserum liggen, 
dan kan het gebeuren, dat het epithelium in zijnen 
geheelen samenhang als eene k ringvormige schijf van 
de papilla loslaat. Bijzonder instructief zijn echter die 
gevallen, waarvan wij er een in fig. 5 hebben afgebeeld. 
Hier zijn namelijk onder den invloed van het jodium- 
serum alle door ons kelk- en vorkcellen genoemde 
epitheliumcellen weggevallen, terwijl de cylindercellen 
zijn blijven zitten. Het is echter niet altijd' mogelijk, 
de epitheliumcellen zonder bijzondere mechanische hulp- 
middelen te isoleeren. Meestal moet het epithelium 
met fijne naalden nader worden verdeeld. Ten dien einde 
gebruikte ik met goed gevolg fijne glasnaalden. Ik ver-' 
schafte mij die, door glasstaafjes fijn uit te trekken en 



392 

kon op deze wijze punten verkrijgen , die naauwelijks 
dikker dan een epitheliumcel en niettemin voldoende stevig 
waren. Somtijds verkrijgt de punt bij de uittrekking 
van het glas eene kleine haakachtige kromming, waar- 
mede vele deelen gemakkelijk kunnen worden geïso- 
leeid. Behalve de buitengewone fijnheid der punten zijn 
ook de gladheid en reinheid van het glas van groot voor- 
deel: de geïsoleerde elementen blijven daaraan bijna 
nooit kleven. Gewoonlijk bezig ik twee glasnaalden 
vkn verschillende dikte: een grovere vaste, waarmede 
de papilla wordt gefixeerd en een zeer fijne buig- 
zamere tot het isoleeren der cellen. De praeparatie ge- 
schiedde in dier voege, dat eerst eenige papillae onder 
een enkelvoudig microscoop met behulp van stalen naal- 
den werden geïsoleerd en zooveel mogelijk van het daar 
aan hangend weefsel bevrijd. Dan brachten wij ze op 
een nieuw objectglas in een zuiveren droppel en begon- 
nen dan het epithelium bij ongeveer twintig-malige ver- 
grooting onder het enkelvoudig mikroskoop met glas- 
punten te bewerken. Op zoodanige wijze konden wij 
het epithelium in drie soorten van cellen verdeelen en 
niet enkel bij tongen, die gedurende eenigen tijd in 
jodium-serum hadden gelegen, maar ook bij versche 
papillae, waarbij slechts eenig speeksel gevoegd was ge- 
worden. In beide gevallen kwamen de resultaten over- 
een. Insgelijks zijn papillae aan te bevelen, die weinige 
minuten in bichromas kalicus van 0. 47o hebben ge- 
legen. Buitengewoon volkomen kon ik de cellen met 
glasstaafjes isoleeren bij tongen, die een of meerdere 
dagen in een mengsel van sterke glycerine en bichromas 
kalicus van O, 4°/o, gelijke deelen , hadden verwijld. Min- 
der dienstig vond ik de door Key aangewende oplos- 
singen van chroomzuur en bichromas kalicus. Daarentegen 



393 

verkreeg ik gunstige resultaten van jodium-serum, waar 
chroomzuur (1 ccm. zuur van 2. 7o op 20 ccm. serum) 
mede was vermengd. — In al deze gevallen berust de 
voordeelige invloed van het chroomzuur op het vaster 
worden der cellen. Het misvormt ze, weliswaar, ook, 
zoo als bij vergelijking met versche cellen blijkt. Ik 
heb mij echter overtuigd, dat bij de boven aanbevolene 
methoden, de misvorming schier bij uitsluiting de kelk- 
cellen treft, terwijl de cylinder- en vorkcellen meer 
door drukken en trekken worden beschadigd, hetgeen 
bij het isoleeren met de naalden onvermijdelijk is* 

De ielkcellen. Elk van deze, door Key als „modi- 
ficirte Epithelzellen" onderscheiden elementen bestaat uit 
een cylindrisch lichaam , 0.02 — 0.024 nmi. lang en 0.01 — 
0.012 mm. breed, loodrecht op de oppervlakte der papilla 
staande. In het onderste derde deel van dezen cylinder 
ligt de kern, een kogelrond blaasje van ongeveer 0.008 
mm. , waarin een centraal kemtje van 0.001 mm. middel- 
lijn. Ylak onder de kern wordt de cel smaller en zet 
zich in een uitlooper van onregelmatigen vorm voort. 
Het cylindrisch cellichaam is ter zgde door eene vaste, 
naar boven met scherpe begrenzing geopende membraan 
als door een kelk omsloten. Deze kelk is tot aan zijn 
rand gevuld met uiterst fijn korrelig, doorzichtig proto- 
plasma van een bijna homogeen aanzien. Naar beneden 
zet de. membraan zich, allengs dunner wordend, ein- 
delijk geheel onzichtbaar, op den uitlooper voort, die 
even als de cel zelve uit zeer fijn korrelig protoplasma 
bestaat. 

De kelkcellen, die ten getale van meerdere honderden 
op grootere papillae zitten, vormen de buitenste laag 
van het epithelium, dat de eindvlakte der papilla be- 
kleedt. De uitloopers er van reiken tot in de binnenste 



394 

laag, wier hoofdmassa uit de lichamen der beide andere 
celsoorten bestaat. Al de kelkcellen eener zelfde papilla 
hebben gelijke afmetingen: ten minste geldt dit voor de 
cylindrische lichamen der cellen. Door de wederzijdsche 
afplatting vertoonen zij zich vijf- of zeshoekig op de 
dwarse doorsnede (fig 2). Hare kernen liggen allen 
nagenoeg in hetzelfde vlak, 0.018 mm. ongeveer onder 
de vrije oppervlakte van het epithelium. De buiten- 
gewoon fijne korreligheid en de kleurloosheid van het 
protoplasma der kelkcellen is oorzaak, dat het epithelium 
van de eindvlakte der papilla zich, bij doorvallend licht, 
aanmerkelijk helderder vertoont dan zelfs veel dunnere 
lagen van het gewone tong-epithelium, en ook van dat, 
waarmede de zijden der papilla bekleed zijn. 

De hier gegeven beschrijving betreft de geheel versche 
kelkcellen. Onder den invloed van verschillende reagen- 
tia ondergaan zij eene reeks van veranderingen, waar- 
van wij de meest kenmerkende moeten vermelden. Een 
der meefet gewone en belangrijkste bestaat daarin, 
dat het protoplasma uit het bovenste cylindrische deel 
der cel, den eigenlijken kelk, wegvloeit (fig. 7, 8); de 
kern blijft geregeld onderin zitten. De dikke celmem- 
braan vouwt zich hierbij samen en vormt lengteplooien , 
meestal drie of vier, die vaak sterk vooruitspringen. 
De vroeger kringvormige dwarse doorsnede der cel wordt 
nu kruisvormig, ook wel zooals in fig. 9 is afgebeeld. 
Ik heb bijv. bij cellen, die twaalf uren in jodium-serum 
hadden gelegen, het ledigloopen van den protoplasma- 
cylinder van den aanvang tot aan het einde toe gevolgd. 
Ten slotte ligt het protoplasma als een kogelvormige 
droppel voor de nu feamengevallene opening der cel. De 
vormverandering , die hierdoor de cel ondergaat , is der- 
mate groot (zooals uit de bijgevoegde figuren 6—9 blgkt), 



395 

dat men bij den eersten blik, en zonder de overgangs- 
vormen te kennen, zou meenen eene geheel nieuwe cel- 
soort vóór zich te zien. Eene dergelijke vormveran- 
dering treft men bij geene andere celsoort van het tong-e- 
pithelium aan. Bij de kelkcellen komt zij intusschen 
als gevolg van zeer verschillende behandelingswijzen 
voor , soms zelfs bij het gebruik van zeer verdunde op- 
lossingen van chroomzuur of van bichromas kalicus, 
wanneer deze in de boven aangegeven verbinding met 
jodium-serum, of ook wel alleen worden aangewend. In 
den regel belet echter het chroomzuur het wegvloeien 
van het protoplasma , daar het de stolling er van te weeg 
brengt, terwijl het nog in den membraneusen kelk is 
bevat. 

Door verschillende zuren en in het bijzonder door azijn- 
zuur wordt het protoplasma der kelkcellen zeer troebel , 
en terwijl het eerst lichter was dan de gewone epithe- 
lium- cellen wordt het dan veel donkerder dan deze. 

Eene vrij moeielijk te beslissen vraag is die naar den 
vorm en de wederzijdsche ligging der uitloopers van de 
kelkcellen, die zich naar beneden, naar de papilla toe 
uitstrekken. Bij de in jodium-serum en in de andere 
bovengenoemde vloeistoffen geïsoleerde cellen is de uit- 
looper nu eens een langere, onregelmatige, kegelvormige 
protoplasma-streng, die aan de punt enkelvoudig of ook 
wel in verscheidene korte takken is verdeeld, dan weder 
heeft hij meer den vorm van een breeden, korten met 
verscheiden slippen voorzienen band. Zijn voim is altijd 
onregelmatig en zijne optische en chemische eigen- 
schappen zijn die van fijn korrelig protoplasma. Moge 
hij ook soms door den invlo'ed van het chioomzuur, en 
meer nog door het trekken met de praepareemaalden 
op vreemde wijze worden misvormd, zooveel althans leert 



396 

het onderzoek der cellen, die in jodium-serum en zonder 
behulp van naalden zijn geïsoleerd, dat zijn vorm, ook 
reeds in verschen toestand, onregelmatig is, en in *tbg- 
zonder, dat de aan de uitloopers waar te nemen ver- 
takkingen niet enkel kunstprodukten zijn. 

Fijne vezelachtige uitloopers, die het aanzien hadden 
van bleeke zenuwvezelen heb ik aan de kelkcellen nooit 
opgemerkt. Het schijnt nu, alsof de protoplasmatische 
voortzettingen van de kelkcellen aan hare uiteinden 
inéénsmelten en zoo een netwerk van protoplasma-zelf- 
standigheid in de onderste laag van het epithelium vor- 
men. Bij de maceratie in jodium-serum verkrijgt men 
soms geïsoleerde groepen van drie, vier kelkcellen, wier 
uitloopers in elkander schijnen over te gaan. Vaker 
nog ziet men dit aan chroomzuur-praeparaten , die met 
naalden fijn verdeeld zijn. Maar het is ook mogelijk, 
dat de uitloopers der kelkcellen slechts dicht aanéén- 
liggen en bij het isoleeren aan elkander blijven kleven. 
Kernen heb ik in het protoplasma der uitloopers nooit 
opgemerkt. 

Het lijdt geen twijfel» dat de kelkcellen niet de uit- 
einden der zenuwen, maar slechts eigenaardige, trou- 
wens voor de smaakpapilla wezenlijke karakteristieke 
epitheliumcellen zijn. 

Be cylindercellen. Deze bestaan uit een ellipsoïdisch , 
in de diepste laag van het epithelium zittend lichaam, 
waarvan de grootste as eene lengte van 0.006 — 0.008 
mm., de kleinste van 0.004 mm. heeft. Het lichaam 
zet zich voort in een rechten cylindrischen uitlooper, 
ongeveer 0.032 nun. lang en 0.002 mm. breed, die tot 
aan de buitenste oppervlakte van het epithelium reikt 
(fig. 2 en 3). Het lichaam is bijna geheel opgevuld 
met een ellipsoïdisch blaasje, de kern, in welks centrum 



397 

een klein kerntje ligt (fig. 10). Slechts eene dunne 
protoplasmalaag omgeeft de kern. De lange cylindrische 
nitlooper bestaat uit een buitengewoon fijn korrelig, 
doorzichtig protoplasnia en schijnt eene dunne membraan 
te bezitten. De cylindercel zelve zit vast op het bind- 
weefselachtig stratum der papilla; hier breidt zich ook 
zijn protoplasma een weinig uit, meestal in den vorm 
van eenige zoer korte, horizontaal gerichte voortzettingen. 

De lichamen der cylindercellen staan, ten getale van 
meerdere honderden, zeer dicht bij één ; de smalle tusschen- 
ruimten tusschen hen worden door de straks te beschrij- 
ven centrale uitloopers der vorkcellen aangevuld. In 
de breedere ruimten die tusschen de lange cylindrische 
uitloopers der cylindercellen openblijven, liggen onderin 
de lichamen der vorkcellen en de protoplasmatische uit- 
loopers der kelkcellen, meer bovenin de lichamen der 
kelkcellen en de tanden der vorkcellen. Van boven ge- 
zien, verkrijgt men dus een beeld als in fig. 2. Hier 
vertoonen zich de vrije uiteinden der cylindercellen op 
de optische doorsnede als matte kringen, met een mid- 
dellijn van ongeveer 0.002 mm. tusschen de groote hoe- 
kige kelkcellen. 

De veranderingen , die de cylindercellen onder den in- 
vloed van reagentia ondergaan , zijn niet zoo in 't oog 
vallend als die der kelkcellen. Zuren, b. v. azijnzuur 
en chroomzuur , brengen een korrelig praecipitaat in het 
protoplasma te weeg en maken het daardoor ondoor- 
schgnender. Ook de kernen worden troebeler en het 
kerntje meestal onzichtbaar; zij verkrggen echter een 
vrij sterken glans', die, onder gelijke omstandigheden, 
de kernen der kelkcellen missen , de lichamen der vork- 
cellen daarentegen in nog eenigszins hoogeren graad be- 
zitten. Bij jodium-serum praeparaten heb ik herhaalde 



!iitTl>rlï«z. i»:o al* -iit r:'Z Trr! iz. "l -yzg ri ^'r^' .-^ zq 

Lire linz^ zizIz'z^tT^ c:-:r ee^e dir^r. :«:TrC e*^ ^■^^- 
cr<fr:rg: Tr-irzir-e n-^zi'^n^zi r7- ozz^rTrZ- 

Tercreied ■:•:' .>:k ■£ :•: r trrürii crLZj.tz.izr'- k szziller «"orifï:. 
IV krrte L:rii:z:ile zIü^ztis, iif, Ilil* crifr ir 

rers .Itz Tcrkr-fl'fz. rizr^z. die eilt^r ü:i Lzzme :f- 
roniTr? fjz'zri:, sa- >.zz. rr^fkziiii^ cylindzzscjL^n Tcm 
en 5trikfr^n irl^zs te lerkr'z^ïi zrz. 

^^-i^^^^r is--^ cz^e beTirHzr»n «azzez^T^ttr:: . f ju k'> 

n-n wi; te: Le: rf^nltüt, Ji: c-:k de cylinifr.-IIf:! zie: 

rfz cp te T^^rrai als iczz^-arzitciri-rz. ziz^xr zls ce^s 

ei^T^^zi^ STcrt rzitie'^-rzr^llrz . die, £::r h^retiz^x:- 

s^'ha.'re:t a-srTz.-rrkTi-k taz azifrr et itiielizzz zwellen rer- 

sclilie:!: rf r^^ ^telüz T>:r h-t ^.ctite d^el de ^sUaI- 

je<^v.IIri** Ti- Kev cpE-^rfst. IV d:cr dexezi ^^tc-, 

a:>?^:dircei:, Toonl £^, 5. 7. 10, 11 b. c, 5, ^^z: 

bes waarscb^^nlrk dit ^7 re g^e- en Yo:-r de cbid-r- 

sraix.n eer 2Denw-e-i g^rbrzifi: heefl E'f wierzi « eci- 

ter a.>awn c,: ^e tez-tcri te lesclr:=Ve- Torkcdkn. 

^pra;«nrux: 1,:^ .v,^,^ ex^nrl^en, die t-: c^Iedei: tii- 



399 

den , schijnen onder de oogen gekomen te zijn (verg. fig. 
7b, 10b en e, en 11 a, d, e bij Key). Wij hebben het 
aan de door ons toegepaste methoden te danken die 
eene gemakkelijker en met minder nadeel voor de 
elementen verbonden isolatie toelaten , dan die van Key, 
dat wij tot een nauwkeuriger onderscheiding gekomen zijn. 

Ve voriceUeti, Deze opmerkelijke apparaten, die naau- 
welijks meer den naam van cel verdienen, «ijn, 
niettegenstaande menigvuldige onderlinge verschillen , 
toch naar één en denzelfden typns gevormd. Zij bestaan 
allen uit een lichaam, met vezelachtige uitloopers voorzien 
(verg. fig. 3, 4, 12 — 19). Het lichaam heeft den vorm 
van een gestrekten ellipsoïd, met eene groote as van 
0.006—0.008 mm., eene kleine van 0.003—0.004 mm., 
en is bijna geheel gevuld met een kern van deti vorm 
van een blaasje, met nagenoeg centraal kemtje. De 
uitloopers ontspringen aan de beide polen van den ellip- 
soïd, welke laatsten wij als peripherische en centrale 
pool willen onderscheiden. 

Aan de peripherische pool ontspringt een over 't alge- 
meen gafFelvormige uitlooper , wiens gezamenlijke lengte 
0.021 — 0.030 mm. bedraagt, en wiens vrije uiteinden 
juist de oppervlakte van het epitheliura bereiken. Men 
kan dezen vorkuitlooper in tweeën verdeelen: den steel 
van de vork en de tanden. Den steel noem ik de onver- 
deelde, kegelvormige of cylindrische voortzetting van het 
ellipsoïdische cellichaam, waaruit de vorktanden ont- 
springen. De lengte van den steel is bij verschillende 
cellen derzelfde papilla zeer ongelijk. Hoe langer hij 
is, des te korter zijn de van hem uitgaande tanden, en 
omgekeerd. Zijne lengte kan 0.008 bedragen (fig. 13); 
in het meerendeel der gevallen echter is hij 0.004 tot 
0.006' mm. lang (fig. 3, 16, 17), niet zelden is hij nog 




400 

sd&y en dan ontspringen de tanden 
'^-2i€nscae pool van hetcellïchaani- Hoe 
I is, des te breeder is hg aan ^ii ™^- 
<i^r larg oTg stoelen bedraagt op 0O36 
de pool meestal O.OOl — OOQ2; op 
•^ mineer, op kleineien afiitand meesc 
'^g'-fr^^itf Todeelt de steel aic^ in den xegd. 
in drie azmen (fig- 16) , die als 
Toik niteen^w^ken. Soms (fig- l^i 
order he^ niteinde vmn den sted, 
j:i-1 Tin de p«:x>l ^¥^n 't cellichaam, eai 
^xr? I&c^er« "^y^r gevroonl^k: minder 
i--r^ 2:'>?:it;iiiden- Deze prioiaire tandes 
ozr'I^?r^5«Ae£ien hocgten ipreder vexdeelea, 
«sre Torken vennen. Meestal verdeelt 
^:? eec ier bei Ie pximaixe tanden xich 
-r?:zi . terw^l de ander onverdedd bl^ft. 
•£-e!r-I« orie Heb ik niet opgemerkL 
•-L=i=ir Tassge&onden f dat de vrge uit- 
«w-xz-EsraBroen in een vlak:, namelqk de 
^<r ^rriieliTiz:^. H^S^^ («S- 3» 4), Alle 
LJ-'^-^ï^si cxnne cylindiiscbe staaQes; zg 
-:=r i-= ^- •'-^ ^frl^rciits vreinig of niet toege- 
^ ^* J ^ » üocit ^Txwter dan O.OOl mm. 
=: -=ï^^-^ii slecLrs ongeveer C.0005 mm. 
-if-ri^a^ilec x^n . is bnnne dikte in 
'=^ '-'- - ^-->^*^ cr?--:^: de tanden der tweede 
,_;: -j_-jLr«r ^jji cie eer eerste. — De op- 
=» ^"-^^ '^^^ v-risteel en de tanden zgn 
—^ V<e^i^ s;^^:=^wvexels: ze hebben bet 
-^""^ -^^a »^:^^ S^axuK als b. v.gevon- 
- ^^"5^ *^^ ia de achterste lagen 
_. -.^.cr-^i v-vrrioiaoiu Ook chemisch 



V 



401 

schijnen zij bijna geheel overeenkomstig mét deze. Zi] 
zijn verder bnigzam en vrg elastisch. 

Zooals reeds opgemerkt werd, ontspringen nn ook 
uitloopers aan de centrale pool van het lichaam der vork- 
cellen. Het meest vindt men een enkelvoudig en met 
een eenigzins verhreede basis ontspringenden cylindrischen 
nitlooper, die een dikte van ongeveer 0.001 tot 0.002 
mm. heeft, en zich op onderscheidene afstand van de 
pool dichotomisch verdeelt. Zijne lengte kan tot 0.025 
mm. bedragen, echter ook bijna gelijk O zijn (fig. 14) ; 
zeer dikwijls stemt deze met de gemiddelde lengte van 
den vorkstecl (0.006 mm.) overeen (fig. 3, 4, 13). 
Over 't algemeen zijn de door de verdeeling der enkel- 
voudige voortzetting ontstane takken des te langer, 
naarmate de verdeelin^ dichter nabij de pool plaats 
had. Doorgaans verdeelt zich ook deze weder in kleine 
takken der tweede en deze soms weder in nog kortere 
takken der derde orde. De verdeeling is steeds dicho- 
tomisch. De figuren 3, 4, 12, 13, 14, 15, 18, 19 
geven hiervan eenige voorbeelden. 

Minder vaak komt het voor, dat twee of drie uitloo- 
pers, van gelijke of verschillende dikte , onmiddellijk aan 
de centrale pool van het vorkcellichaam ontspringen. 
Het verdient wel de aandacht, dat vorkcellen wier periphe- 
rische vertakking gelijk is, in hare centrale vertakking 
zeer veel van elkander kunnen verschillen. Slechts hoogst 
zelden vindt men twee geheel met elkander overeen- 
komende cellen. — De dikte der over *t algemeen cylin- 
drische uitloopers neemt allengs af met het toenemen van 
den afstand van de pool, zoodat de takken der tweede 
en derde orde de dunsten zijn. Vaak bereiken deze 
naauweligks eene 'dikte van 0.0005 mm. Ook de centrale 
uitloopers der vorkcellen komen in hunne physische en 



402 

chemische eigenschappen met fijne as-cylinders overeen. 

De vorkcellen , wier aantal wellicht dubbel zoo groot 
is als dat der kelkcellen, vullen met hare lichamen de 
ruimten tusschen de lichamen der cylindercellen aan de 
eene, en die der kelkcellen aan de andere zijde aan. 
Hare peripherische voortzettingen, de vorken met hare 
tanden, stijgen tusschen de kelkcellen en recht naar bo- 
ven , tot aan de oppervlakte van het epitheliura. Hare 
•centrale voortzettingen met de dichotomische verdeelingen 
liggen in de ruimten tusschen de lichamen der cylinder- 
cellen, en bereiken met hare uiteinden de oppervlakte 
van het bindweefselaclitig stratum der papilla. Dit bezit 
op deze plaats eene weldra te beschrijven schy&chtige 
verdichting, die door een rijk tak werk van zeer fijne 
bleeke zenuwvezels wordt doorboord. 

Gecompliceerde methoden zijn geon vereischte om alles 
te zien, wat hier over de vorkcellen en hare betrekking 
tot de andere elementen van het zenuw-epithelium is 
medegedeeld. Reeds bij geheel versche papillae, waarby 
een droppel bloedwei is gevoegd, kan men eenige der 
gewichtigste verhoudingen leeren kennen. Beziet men, 
namelijk, zulk eene papilla recht van boven, bij 300- 
malige of nog sterker vergrooting, dan herkent men, 
zooals in fig. 2 is afgebeeld, de tanden der vorkcellen 
op de optische doorsnede als talrijke, uiterst kleine en 
glansrijke kringen tusschen de hoekig afgeplatte kelk- 
cellen. Men kan ze niet verwarren met de veel grootere 
en minder talrijke matte kringen, die de optische door- 
sneden van de uitloopers der cylindercellen zijn. Ziet 
men schuin op de papilla, dan neemt men den staafjes- 
vorm der vorktanden waar , en kan ze ook wel tot in 
de binnenste laag van het epithelium vervolgen. Men 
ziet dit echter niet altijd even goed : dikwijls gcuft men 



403 

zieh vergeefsche moeite om de kleine kringen te Tinden; 
dan weder zgn zij b^na bij alle papillae duideligk.. Ook 
bij toevoeging van jodium-serum of speeksel bg versche 
papillae gelnkt het dan eens beter, dan eens minder goed, 
in den regel echter vrij gemakkelijk , de vorktanden op 
de dwarse doorsnede waar te nemen. Zij worden het 
dnidelijkst, wanneer de papillae eerst gedurende eenige 
minnten in den sernm-droppel gelegen hebben, en kan- 
nen dan uren lang zichtbaar bligven. Brengt men den 
focus op verschillende hoogten, dan merkt men op, dat 
het getal der kleine kringen het grootst aan de opper- 
vlakte van het epithelium, en, iets daar beneden, ge- 
ringer is. Dit stemt overeen met wat boven over de 
verdeeling der vorken werd gezegd. Beziet men eene 
versche, in serum liggende papilla van ter zgde, dat is 
in de optische overlangsche doorsnede, dan vertoonen 
zich vaak tusschen de kelkcellen vele heldere strepen, 
die, parallel aan elkander, van de binnenste epithelium- 
laag tot naar de oppervlakte loepen. Het is echter on- 
mogelijk, uit deze beelden met zekerheid op te maken, 
of men vezels dan wel overlangsche spleten tusschen 
de kelkcellen voor zich heeft. Duidelijker herkent 
men soms, wegens hunne grootere breedte, de uit- 
loopers der cylindercellen. Nergens ziet men uitloopers 
buiten de vrije oppervlakte van het epithelium uitsteken. 
In de binnenste epitheliumlaag vertoonen zich de kernen 
der vorkcellen en daar beneden die der cylindercellen 
als fijn omschreven matte blaasjes. Buitendien ontdekt 
men hoogstens nog eenige fijne glinsterende uitloopers, die 
van uit de kernen der vorkcellen recht of schuin naar 
beneden, naar de papilla toe loopen en zich op dezen 
weg ook wel verdeelen. 
Meer nauwkeurige kennis omtrent de vorkcellen en 

27 



404 

hare Tiitioopers verkrijgt men eerst bij het isoleeren. Dit 
geschiedt soms geheel van zelf, wanneer de tongen ge- 
ruimen tijd in jodinm-serum vertoeven. Maar ook bg 
geheel versche papillae kan men met behulp van glaas- 
staaQes de cellen zonder groote moeite isoleeren en zich 
omtrent hare hoofdeigenschappen kennis verschaffen. Wel 
Igden, wegens hunne groote weekheid in den verschen 
toestand de uitloopers der cellen hierbg dikwijls veel. 
Vaak scheuren alle voortzettingen bg het praepareeren 
af en behoudt men dus slechts de cellen met de keruen. 
Met eenige volhardiug echter vindt men een genoegzaam 
aantal onbeschadigde cellen, en deze stemmen in vorm en 
in getal der uitloopers zoo volkomen overeen met de cel- 
len, die men bg aanwending van het mengsel van glyce- 
rine met bichromas kalicus verkrijgt dat zij een waar- 
borg geven voor de geschiktheid dezer laatste vloeistof. 
Dit boven reeds aanbevolen mengsel levert het voordeel 
op, dat de cellen in al hare deelen vaster en , ten minste 
voor naalden, gemakkelgk isoleerbaar worden. Het heeft 
dit voor boven oplossingen van zuiver chroomzunr en 
bichromas kalicus , dat het de deelen niet bros maakt 
De kernen schrompelen daarin een weinig samen en het 
kemtje wordt meestal onduidelijk; de peripherische zoo- 
wel als de centrale uitloopers verkrijgen een vrij sterken 
glans, die het gemakkelijker maakt ze van de meer 
korrelige troebele protoplasma-voortzettingen te onder- 
scheiden. Wat reeds aan geheel versch geïsoleerde vork- 
cellen is waar te nemen, valt ook hier in 't oog, dat, 
namelijk, de vrije einden van de centrale uitloopers der vork- 
cellen niet zoo recht en cyUndrisch eindigen als de peripheri- 
sche, devorkuitloopers, maar dat zg meestal kleine knoop- 
achtige aanzwellingen hebben, even als zeer fijne zenuw- 
vezels ze krijgen op die plaatsen waar ze zijn doorgescheurd. 



405 

Wg behoeven nanwelgks op te merken, dat bij het praepa- 
reeien met naalden vele van deze cellen worden bescha* 
digd, hoofdzakel^k dddrdoor, dat de centrale enperiphe- 
rische nitloopers op de verschillendste plaatsen afbreken. 
Het valt niet moeigelijk, aan dos beschadigde vorkcellen 
de plaatsen te herkennen, waar een uitlooper afgebroken 
is. B^zonder dikwijls komt het voor, dat één der twee 
vorktanden afbreekt , en dan ziet het er bij oppervlakkige 
beschouwiog uit, alsof de cellen slechts één onverdeel- 
den peripherischen uitlooper hadden, die nit een dikker 
onder- en een dunner bovengedeelte bestond. Key nu 
schijnt ook vorkcellen gezien te hebben, die op deze wijze 
waren verminkt geworden; de figuren 7b, 11 a, d, e, 
op zijne afbeeldingen maken dit ten minste waarschijn- 
lijk 1). Bolt men nu zulke cellen om hare lengte-as, 
dan neemt men tweederlei waar: vooreerst dat het dun- 
nere bovengedeelte van den uitlooper niet in de verlen- 
ging der as van het dikker ondergedeelte ligt, maar ter 
z^de afwijkt, en in de tweede plaats, dat, vlak naast de 
plek, waar hij uit denvorksteel ontspringt, deze nog eene 
kleinere oneflTenheid vertoont, soms zelfs een zeer korte 
uitlooper bezit, het overschot van den afgebroken vork- 
tand. Men vindt inderdaad alle overgangen van deze 
cellen tot die, waarvan de beide vorktanden in hunne volle 
lengte zijn bewaard gebleven. In de bijgevoegde figuren 
12, 15, 16, 18, 19 heb ik eenige voorbeelden gegeven 
van vorkcellen, die door het praepareeren waren ver- 
minkt geworden. 

De vraag , of de centrale nitloopers van verschillende 
vorkcellen in elkander overgaan, dan wel elk afzonder- 



1) Ook Tan de figuren taü Billroth (1. e. Tab. VU fig. 12) 
kunnen er een of twee yorkcelleu geweest zign. 

27* 



406 

Igk tot op: het buuLweefEielacIitig stratam der papilk 
neerdalen I waag ik niet te beslissen. In élk geval vox- 
men deze müoopers met hnnne dichotomisohe vertak- 
kingen een buitengewoon dicht vezelvlechtwerk, dat do 
raimte tusschen de lichamen der cylinder- en der onder- 
ste Yorkcellen bijna volkomen aénvult Bg de over* 
groote fijnheid, die deze vezels, ten minste in honne tak- 
ken der tweede en derde orde, bezitten, is het niet uit 
te maken , of de anastomosen die men niet zelden aan 
geïsoleerde kleine celgroepen opmerkt, werkelijk of slechtB 
schijnbaar anastomosen z^n. Het schijnt, dat tusschen 
de takken der eerste orde geene anastomosen voorkomen; 
evenmin tusschen vorkcellen en uiÜoopers der kelk- en 
cylindercellen. 

Terwijl wij na in de beide laatstgenoemde ceLsooiten 
lechts eigenaardig gebouwde epitheliumcellen hebben her- 
kend, kunnen wig van de vorkcellen reeds hier uitspre- 
ken wat uit de weldra volgende beschrijving der zenu- 
wen nog duidelijker blgken zal: dat zij de uiteinden 
zijn der smaakzenuwen. — Buiten de kelk-, de cylin- 
der- en de vorkcellen met hare uitloopers komen 
geene andere elementen in het epitheUum van de 
eindvlakte der papilla voor. Kleine gangUënceladhtige 
lichaampjes, die ik aanvankelijk in groeten getale in 
de . diepere laag van het epithelium vermoedde en en- 
kele malen meende geïsoleerd te hebben, zgn geble- 
ken misvormde vork- of cylindercellen te zijn. De ver- 
deeling der drie celsoorten op de eindvlakte der papilla 
is vrg gelijkmatig; zij zijn in het centrum der epi- 
theliumschgf in dezelfde verhoudingen geplaatst als 
aan de peripherie; misschien staan de cylinder- en voik- 
cellen in het centrum iets dichter inéén dan aan den 
rand. 



407 

Nog een paar wootden over het epitiielram, dat de 
overige oppervlakte der papilla bekleedt. Het bestaat 
uit trilbaarcellen en tnlbaarvrge cylinder^pithelinmcellen. 
De trilbaarcelleil vormen , als een smalle gordel, een krans 
om de ronde schijf van het zennw-epithelium, een ge- 
sloten ring, als 't ware, die de breedte van één, hoog- 
stens twee trilhaarcellen heeft. Het trilhaar-epithelium 
strekt sdch derhalve niet, zooals vroegere waarnemers be- 
weerden, nit over de geheele oppervlakte der papiUa, 
die niet door zennw-epithelium is ingenomen. De z^den 
der papilla zign bedekt met gewoon , trilhaarvrij cylinder- 
epithélinm. Zoowel de trilhaar- als de cylinder-epithe- 
liumcellen onderscheiden zich , behalve door andere eigen- 
schappen, reeds door hare aanmerkeligkè grootte van de 
elementen van het zennw-epithelium. 

De zenufovezels der emaaiptqnllae. De loop der zenuw- 
vezels in het bindweefiselstroma der paplla is gemak- 
kel^k te vatten , wanneer w^ eerst den bouw dezer laatste 
zullen hebben beschouwd. Het KndweeffeUuAUg stratum der 
papilla heeft den vorm van een lagen cylinder. Men kon 
aan dezen een grooter ondergedeelte , dat uit losser bind- 
weefsel is gevormd , onderscheiden en een kleiner boven- 
deel, sch^fvormig, dat uit diohter bindweefsel bestaat. 
Het ondergedeelte bevat de bloedvaten, de uiteinden der 
verdeelte spiervezels en de donker begrensde zenuwhuizen. 
Zijn bindweefsel is zeer overeenkomstig aan dat, wathdt 
stratum van het overige slijmvlies der tong vormt, los; 
vezelachtig, bevat vrg veel bindweefsel-Uchaampjes en 
is door weinige elastieke vezels doorvlochten. Het boven- 
deel van het stroma der papilla, eene vaste schijf, 0.01 
tot 0.015 mm. dik, die wij het fsenutchuuen noemen wil- 
len, bestaat uit zeer dicht, b^'na homogeen schijnend 
bindweefsel, dat in zijne veranderingen door reagentia 



408 

de meeste oyereenkomst heeft met de gewoonlijk als elas- 
tica anterior aangeduide voorste lamelle der comea yao 
den kikvorsch. Het staat dus met het oog op zijn weêi- 
standsvermogen tegenover zuren en alkaliën ongeveer in 
het midden tusschen elastiek weefsel en fibrillaire bind* 
stof, Naar beneden toe is het zenuwkussen vrij vast 
met het andere bindweefsel der papilla verbonden, naar 
boven en naar buiten , naar het epithelium toe is het 
scherp begrensd. Er liggen noch bindweefsel-lichaampjes, 
noch kernen, noch uitloopers der spiervezels , noch bloed- 
vaten, noch elastieke vezels in, wel echter eene verras- 
send groote hoeveelheid uiterst fijne bleeke zenuwvezels, 
tot welker beschouwing w^ terstond zullen overgaan 
Het zenuwkussen vormt den bodem, waarop hetgezamen 
Igke zenuw-epitheUum rust. 

De v^f tot tien merghoudende zenuwvezels der papilla 
loopen in de as van deze, onverdeeld tot aan de onder- 
vlakte van het zenuwkussen. Bij haar intreden^ hierin , 
of kort te voren, worden zij spitser en verliezen zy plot- 
seling hare donkere omtrekken ; haar neurilemma echter 
smelt samen met het vaste weefsel van het zenuwkussen. 
Onmiddellijk na haar intreden verdeelen zich de thans 
reeds zeer dun (ongeveer 0.002 tot 0.003 mm.) en bleek 
geworden zenuwvezels en vormen onder herhaalde dicho- 
tomische verdeeling een fijn zenuwvlechtwerk, dat zich 
horizontaal door de geheele onderste helft van het zenuw- 
kussen verbreidt en waaruit zeer talrijke, uiterst fijne 
takken, die zich zelven gewoonlgk weder verdeelen, 
tamelijk recht tot op de vrge oppervlakte van het zenuw- 
kussen opstggen (fig. 1). De voortzettingen in het epi- 
thelium van deze takken, die het zenuwkussen doorbooren, 
zijn de boven beschreven centrale uitloopers der vork- 
cellen. 



409 

De voorstelling , die wij hier van den bouw van het 
bindweefselstroma der papilla, en in 't b^ zonder van 
het zenuwkussen hebben gegeven, berust op het onder- 
zoek, zoowel van versche papiUae als van zoodanige, 
die met de verschillendste reagentia waren behandeld 
geworden. Vroegere waarnemers hebben reeds het zenuw- 
kussen gezien, doch z^n bouw anders opgevat. Key 
hield het voor eene kolossale verbreeding van het neuri- 
lemma, en noemde het „Nervenschale." Ik heb deze be* 
naming verworpen, w^l hij een verkeerden vorm aan- 
geeft; wij hebben hier niet met een uitgehold, maar met 
een vast, vr^' dik, schijfvormig lichaam te doen. — De 
zenuwen en hare verbreiding in het zenuwkussen heb ik 
beschreven naar praeparaten van papillae, die versch in 
serum zooveel mogelijk van het epithelium waren ont- 
daan en daarna 48 uren in vrij sterke glycerine hadden 
gelegen. Eig. 1 is naar zulk een praeparaat geteekend 
en bevat niets wat schematisch heeten kan. Bg ge- 
heel versche, in serum liggende papillae is het bgzonder 
moeijelijk, de zenuwen verder te vervolgen dan hare 
donkere omtrekken reiken. Juist die plaatsen, waar zg 
bleek worden, zijn in den regel nog door bloedvaten be- 
dekt. Men doet derhalve wel, de kikvorschen aan 
verbloeding te laten sterven, zoodat de capillairvaten 
hunne gekleurde bloedlichaampjes verliezen. Dit gelukt 
ook geregeld. — Bij papillae die langer in serum heb- 
ben gelegen, ziet men dan somtijds een deel der bleeke 
vezels in het zenuwkussen; zij vertoonen zich als zwak 
glinsterende vezels zonder varicositeiten , of als uiterst 
fijne sterker glinsterende parelsnoeren, zoo als men onder 
gelgke omstandigheden ook bg de bleeke zenuwvezels 
van het voorste epithelium der comea van denkikvorsch 
waarneemt Zg schgnen door reagentia geheel overeen- 



410 

komstige Teranderingen te ondergaan als deze. Hieruit 
zoowel als uit de beschouwing van haren oorsprong uit 
de donker gerande vezels, van hare karakteristieke uit- 
breiding en vertakking, in verband met haren vorm en 
hare afinetingen, blgkt, dat zg in der daad zenuwvezels 
zgn. Key heeft ze gezien; hg neemt echter een meer 
penseelvormig uiteenvallen der zenuwvezels in allerfijnste 
varikeuse talges aan en heeft de rijke dichotonusohe ver- 
deelingen niet bemerkt Beelden, zooals Key op Tab. 
YIII, fig. 4 en 5 geeft, heb ik nooit aangetroffen. In 
den verschen toestand zijn de vezels, zooals over 't alge- 
meen alle fijne zenuwvezels, zeker niet vankeus, 
zg kunnen het echter binnen eenigen tijd worden. Of 
er ware anastomosen tusschen de bleeke vezels in het 
zenuwkussen voorkomen, is ook hier, uithoofde van de 
kleinheid van 't object niet uit te maken: na al wat ik 
gezien heb, komt het mg echter onwaarschgnlgk voor. 
De verreweg gewichtigste vraag, wat, namel^k, uit 
de zenuwvezels wordt, wanneer zg het epithelium hebben 
bereikt, kan naar aanleiding van het boven medege- 
deelde, zoo niet met zekerheid, dan toch met uiterst 
groote waarschijnlijkheid, aldus worden beantwoord: dat 
er een samenhang bestaat tusfichen de zenuwen en de 
vorkcellen. Somtgds meent men dezen samenhang waar 
te nemen, wanneer bij pogingen tot isoleeren enkele vork* 
cellen op de papilla blijven zitten. Zulke waamemingea 
liggen intusschen zoo dicht aan de grenzen van het ver- 
mogen onzer optische hulpmiddelen, dat zg niet als over- 
tuigend gelden kunnen. Hierbij voegt zich nog de onge- 
lukkige omstandigheid , dat de methoden, waarbij de zenu- 
wen het duidelijkst z^n waar te nemen , niet dezelfde 
zgn als die, welke voor de vorkcellen de beste resul- 
taten geven. Wg worden echter, naar mgne meeuing 



411 

hiervoor schadeloos gesteld door de feiten, die w^ 
bij afzonderlek onderzoo van zenuwen en epithelium 
hebben kunnen vaststellen. Wig zien fijne bleeke zenuw* 
veisels op zéér vele punten de oppervlakte van het zenuw- 
kussen bereiken , wg zien van deze oppervlakte even fijnoi 
uiterst talrijke vezels , die dezelfde eigenschappen hebben 
als bleeke zenuwvezels, uitgaan, en zich direct in de 
zelfstandigheid der vorkcellen voortzetten. Nemen wg 
nu een samenhang aan tusschen de eerste vezels met 
deze laatste, dan doen wi) slechte het noodige: w§ 
nemen aan, heldeen verreweg het waarschijnlijkste is. 
Hiermede doen zich nu verder eenige nieuwe, voor 
de physiologie der zintuigen zeer gewichtige vragen op- 
Hangt, zoo vraagt men vooreerst, elke vorkcel samen met 
één of met verscheidene donker gerande zenuwvezels? 
De dichotomische vertakkingen van de centrale tdtloo- 
pers der vorkcellen maken het laatste waarschijnlgker. 
Ook de verdeeling der zenuwvezels in het zenuwkussen 
pleit hiervoor; want z^ sohignt dusdanig te zgn, dat 
op alle punten takken van verschillende donker gerande 
zenuwen dicht nevens elkander de oppervlakte van het 
zenuwkussen bereiken. Eene vorkcel wier centrale uit- 
looper zich in zes takken verdeelt (meer schenen er 
niet voor te komen) zou dus wel met zes verschillende 
zenuwvezels kunnen samenhangen. Of zoo iete werkelijk 
voorkomt, is echter met onze hulpmiddelen niet uit te 
maken. Hing zulk eene cel slechte met ééne of weinig 
zenuwprimitiefvezels samen, dan zouden de bleeke zenuw- 
vezels, zich eerst verdeelende en dan weder in één een* 
tralen uiüooper van eene vorkcel samenloopende , ner- 
veuse wondemetten vormen* Het mikroskopisch onder- 
zoek beslist ook hieromtrent niete. — Wg hebben gezien, 
dat de vorkoellen eene grooto verscheidenheid beaitten. 



él2 

V7at het getal, den oorsprong en de afmetingen van hare peii- 
pherische uitloopers aangaat. Men zou dus verder kan- 
nen vragen, of vorkcellen van een bepaalden bouw ook 
aan bepaalde zennwvezels beantwoorden , of bijv. de eene 
zennwvezel slechts niet cellen samenhing die twee vork- 
tanden hebben, de andere slechts met zulke, die in drie 
tanden uitloopen. Bij de onmogelijkheid echter, om elke 
zenuwvezel tot in al hare eindorganen to volgen, moet 
ook deze vraag onbeantwoord blijven. Wij stellen ons 
derhalve voorloopig te vreden met het resultaat, dat de 
peripherische uiteinden der smaakzenuwen eigenaardig 
gebouwde organen zijn, de vorkcellen, die zich op 
kenmerkende w^ze onderscheiden van de peripherische 
eind-apparaten van andere zenuwen , — een nieuw bewgs 
voor de stelling, dat specifieke functies aan specifieke 
vormen zgn gebonden. 



• VEEKLARING DER PLAAT. 

Al de figuren zijn by 450-maUge, aUeen fig. 3 bij 600- en 
fig. 5 bij 400-voudige vergrooting geteekend. 
f. De zenuwen der smaakpapUla en hare uitbreiding io de bind- 
weefselacbtige dekschijf der papilla (zenuwkussen). Vóór 
of bij haar intreden verliezen zij plotseling hare donkere 
omtrekken, en zetten zich^ met talrijke dichotomische ver- 
takkingen, als Qjne bleeke vezels voort, die allen op de 
oppervlakte der dekschijf uitloopen. Enkele bleeke vezels 
ziet men er vrij uitsteken. — De papilla was versch in 
jodium-serum van haar epithelium ontdaan en daarna 48 
uren in verdunde glycerine bewaard. 

Om de figuur niet al te zeer te compliceeren, is hier 
slechts de uitbreiding van twee zenuvnrezels geteekend, en 
ook deze alleen in zooverre zy nagenoeg in hetzelfde vlak Ugt. 



413 

2. Een gedeelte van het zenuwepithelium , van boven gezien, 
versch, na inwerking van jodium-senim gedurende 5 minu- 
ten. Men ziet hier in eene optische dwarae doorsnede de 
lichamen der kelkcellen als vijf- of zeshoeken; daartusschen, 
als kleine kringen, de uitloopers van verscheidene cylinder- 
ceUen, en buitendien in grooten gftale zeer kleine heldere 
kringen, de tanden der vorkcellen. 

3. Twee kelkceUen, één cylindercel en twee vorkcellen, in 
samenhang met elkander geïsoleerd. Yan eene tong, die 
twee dagen in het in den tekst aangegeven mengsel van 
glycerine met chroomzuur had gelegen. — Zet men fig. 3 
op fig. 1 , dan vertoonen als van zelf de onderste uitloo« 
pers der vorkcellen zich als de voortzetting der bleeke 
zenuwvezels , zoo als in werkelijkheid ongetwijfeld het geval is. 

4. Eene kelkcel en eene daaraan vastzittende vorkcel. Yan de- 
zelfde tong. 

5. Gedeelte eener smaakpapilla , van welke door maceratie in 
jodium-serum alle kelk- en vorkcellen weggevallen , en slechts 
de cylindercellen gebleven waren. Door uitvloeien van 
protoplasma is de cylindervorm van den uitlooper hier in 
een band- of lineaalvorm overgegaan. 

6. Eene kelkcel, versch, in jodium-serum. 

7. Kelkcel, waaruit het protoplasma wegvloeit, terwgl de 
membraan zich samenvouwt. 

8. Kelkcel, uit wier bovengedeelte het protoplasma geheel is 
weggevloeid. 

9. Gel als in 8, van boven gezien. Jodium-serum-praeparaat. 

10. Cylindercel, versch in speeksel geïsoleerd. 

11. Cylindercel uit een glycerine-chroomzuur praeparaat. 

12. Yorkcel, versch in jodium-serum geïsoleerd. 

15-19. Yorkcellen van verschillenden vorm, door middel van 
glasstaaQes geïsoleerd uit papillae, die eenige dagen in het 
genoemde mengsel van glycerine met bichromas kalicus 
hadden gelegen» 15, 16, 18 en 19 zijn bij de praepa- 
ratie, door het afbreken van uitloopers, misvormd geworden. 



HET UITTREDEN DEfi ONeEKLEURDE BLOEDCELLEN 

DOOR DE VAATWANDEN EN DE ZIEKTEPROCESSEN. 

WELKE DAARVAN HET GEVOLS ZIJN. 



DOOB 

W. KOSTEB. 



Door eene ontdekkiiig van Gohnheim in Berlijn, is 
de pathologie met een belangrijk feit verrijkt geworden, 
dat reeds nu van invloed op onze kennis der ziekelgke 
voedingsverandeiingen is, en in nog grootere mate belooft 
te worden 1). 

De beteekenis van dat feit voor de beschouwing der 
ettervorming in het algemeen is door Gohnheim genoeg- 
zaam aangetoond ; ik wil in de volgende bladzgden eenige 
waarnemingen en onderzoekingen mededeelen, welke den 
invloed daarvan op de beoordeeUng van enkele andere 
ziekteprocessen, en van de ettervorming in de lever kun- 
nen in het licht stellen. 

Ik mag den inhoud der verhandeling van Gohnheim 
als bekend veronderstellen, en zal dus alleen het feit, 
waarop het aankomt, zoover het voor de inleiding tot 
mgn eigen beschouwing noodig is, kort omschrgven. 



1) Zie de rerhandeling: üeber Bntzfindtmg und Eiterong» in 
Yirohow's Arohiv, Bd* XI^ bis. 1. 



4kl$ 

Boor een eenvoudige en gemakkelijk te herlialen proef 
met het mesenteriam van een kikyorsck, kan men zich 
overtuigen dat b^ het begin van een ontstekingsjproces , 
terwijl de roode bloedcellen nog met groote snelheid door 
de as van het vat voortbewogen worden , de ongekleurde 
bloedcellen aan de binnenvlakte der kleinste aderen en 
haarvaten blgven vastkleven. Spoedig ziet men, vooral 
aan de kleinste aderen , de ongekleurde bloedcellen in en 
weldra door den wand heendringen, en zich langzamerhand 
in het tusschenliggende weefsel verder begeven* Daarbg 
veranderen zij nu en dan, als amoebae, haren vorm, 
verkrijgen een of meer spitse uitloopers, toonen in één 
woord duidelijk hare contractiliteit. 

Schoon men ook hier en daar, vooral als het mesen- 
terium langer bloot gelegen en het ontstekingsproces zich 
9 verder onwikkeld heeft, enkele roode bloedcellen uit de 
vaten getreden ziet, berust het proces van naar buiten 
gaan der ongekleurde cellen volstrekt niet op een eigen- 
ügke ruptuur van den vaatwand. Terw^l er op een be- 
paald punt 10 tot 20 ongekleurde cellen in het weefsel 
rondom de vaten liggen , ziet men de kolom der gekleurde 
cellen regelmatig met groote snelheid daar voorbij gaan. 
Men ziet verder werkelgk den vaatwand na het uittreden 
▼an een cel, welke men in het oog hield, weder zich 
sluiten, als het ware zich dicht knapen achter de naar 
buiten gedrongen cel. 

Dit feit moet blikbaar in verband gebracht worden 
met den aggregatie-toestand van het protoplasma, in het 
algemeen met dien der levende dierlgke deelen , bepaalde- 
lijk ook met de stomata 1) van dunne epithelium-lagen 



1) Door Oohnheim ook in de epitheliumlaag der vaatwandeti 
aangetoond» 1. o. p» 68« 



416 

en de stmctanr van het bindweefsel, en verder met de 
reeds bekende verschijnselen van cellen welke zich door 
sclqnhaar vaste 'weefsels heen voortbewegen 1). 

Over deze verschijnselen , welker nanwkenriger kennis 
voor physiologie en pathologie beide zeker zeer belang- 
rgk worden zal , wil ik niet verder nitwgden. Eveneens 
honden wij ons niet op bg de wigzigingen in de beschon- 
wing, omtrent de knnstmatig in de. comea opgewekte 
ontsteking, welke door Gohnheim's proeven ontstaan 
zgn. Zij zijn in de reeds aangehaalde verhandeliog uit- 
voerig te vinden. Het feit staat vast: dat, zonder rup- 
tuur van vaatwanden, big irritatie van een lichaamsdeel, 
de ongekleurde bloedcellen in groote hoeveelheid door de 
vaten naar buiten dringen. Het belangrijke gevolg, door 
Gohnheim natuurlijk terstond hieruit afgeleid, luidde: 
de etter na ontsteking ontstaan, is, wat de daarin be- 
vatte cellen aangaat, zoo niet geheel, dan toch zeker 
voor het grootste gedeelte, het produkt van de onge- 
kleurde bloedcellen. 

Een onverwacht licht komt deze uitspraak op eens op 
sommige pathologische feiten werpen: de overeenkomst 
tusschen ettercellen en ongekleurde bloedcellen , de onmoge- 
lijkheid der zoo veel geschrgf opgewekt hebbende onder- 
scheiding van beide in het bloed, de morphologische 
overeenkomst tusschen een versch ezsudaat (bg een pneu- 
monie of een pleuritis bijvoorbeeld) en het etterige 
verweekings-produkt daarvan, bij mikroskopi^h onder- 
zoek, enz. 

Een onverwachten schok komt verder üohnheim^s 



1) Zie: de vroegere waarnemingen vanr.Eeoklinghausen, 
éni die Hornhaut dei Auges» von Th. W. Engelmann, L«iip- 
rig, 1867» bl2. 2. 



417 

ontdekking toebrengen aan de algemeen aangenomen ont- 
stekings-theorie , volgens welke de nieuwgevormde cellen 
bg ontsteking, en later de ettercellen, bet produkt zijn 
van eene proliferatie der bindweefsellichaampjes , of, in 
het algemeen, der weefselbestanddeelen. Ook over deze 
zgde van het vraagstuk verwijs ik naar Cohnheim's 
opstel, terwijl zij aan het einde mijner verhandeling van 
zelve nog ter sprake zal moeten komen. Ik zal deze in 
vier deelen splitsen waarvan de laatste m^n onderzoe- 
kingen over ettervorming in de lever bevatten zal. 



L In Januari 1866 was ik in de gelegenheid het lijk 
te onderzoeken van een lijder aan sterk ontwikkelde 
leukaemie. Nog nimmer had ik zulk een duidelijk, zelf- 
standig voorbeeld dier ziekte gezien. Gedurende het leven 
was de lijder een bg den eersten oogopslag te herkennen 
type ; en het was niet moeielijfc , reeds toen waar te nemen , 
dat er een gemengde, lymphatisch-Uenale, vorm der ziekte 
bestond. Een uittreksel der ziektegeschiedenis laat ik 
hier volgen. 

De man was 25 jaren oud , gehuwd , van beroep timmer- 
man. Den 16. October 1865 kwam hg in het ziekenhuis. 
Hg had een tamelgk krachtigen lichaamsbouw, donker 
haar en bruine oogen. Hij leed in zijn jeugd aan scrofu' 
leuêe aandoeningen^ was overigens later gezond, en wist 
het begin zijner tegenwoordige ziekte niet nauwkeurig op 
te geven. Ongeveer 1\ jaar voor zgn opname in het 
ziekenhuis schgnen de ganglia Ijrmphatica aan den hals 
te zgn gaan zwellen, en ontstonden er verschijnselen van 
zwakte en oligaemie. Bij de opname waren de ganglia 
lymphatica aan de linkerzijde van den hals zeer sterk, 
de ganglia submazillaria, axillaria en inguinalia eveneens 



418 

gezwollen en pgnlgk b$ drukking. De milt Ueek b§ 
percussie meer dan het dubbele van den normalen omvaog 
te hebben. De huidkleur was bleek-wasachtig. Er be- 
stond een sterk gastricismus, waarvoor de l^der in de 
eerste plaats doelmatig behandeld werd. 

Aanvankelijk kwam er verbetering , en weldra kon men 
tot de toediening van jodetum kalicum inwendig, van 
unguentum hydrargyri uitwendig overgaan. Spoedig moest 
men echter met het gebruik dier geneesmiddelen ophouden: 
het eerste veroorzaakte irritatie van de maag, het laatste 
zeer spoedig aaadoening van het tandvleesch. G^ruimen 
tyd werd nu de lijder, bij een doelmatig dieet, met sulpbas 
chinicus behandeld. Tot in het begin van December ging 
het vrij goed. Toen echter nam de eetlust weer af, en 
namen de versch^nselen van hydraemie en verzwakkiug 
zichtbaar toe. Martialia werden in het geheel niet ve^ 
dragen; wijn in ^en geschikt vehikel werd voortdurend 
gebruikt Den 18. December ontstond er oedema pedum, 
den 25. ascites, eenige dagen daarna vertoonden zich 
versch^'nselen van hydrotorax aan de linkerzgde. In de 
urine volstrekt geen albumen. Half Januari nam de 
hydrops ascites zeer toe. De lijder moest voortdurend 
overeind in het bed zitten, werd gekweld door hoest- 
buien, met opgeven van schuimende sputa; voedsel werd 
bijna niet meer verdragen, met uitzondering van wat 
soep en een ei. De pols werd steeds leêger en kleiner, 
en onder toenemende versch^nselen van uitputting stierf 
de man den 23. Januari. 

Yan het onderzoek van het lijk deel ik slechts 
mede wat op ons onderwerp betrekking heeft. Het 
bloed bevatte b^na evenveel ongekleurde als gekleurde 
cellen. De weeke fibrine-coagula in het rechter hart 
waren ook buitengewoon vol ongekleurde bloedcellea. 



419 

De milt was buitengewoon vergroot, en bevatte ver- 
Bcheidene witte plekken, voor een deel reeds aan de 
oppervlakte zichtbaar , ter grootte van hazelnoten, en 
andere nog grooter en meer wigvormig, met de breedste 
afdeeling aan de oppervlakte. De okselklieren der rechter 
z^de vormden één sterk gezwollen massa, door hyper- 
trophie van het wee£3el der klieren zelve. Links waren 
de okselklieren ook gezwollen, maar vormden nog afzon- 
derlijke tumoren. De glandulae mesaraicae waren weinig 
gezwollen. De overige plaatsen waar lytnphatische klieren 
gezwollen waren, z^n uit de ziektegeschiedenis bekend. 
Het onderzoek der milt en der hypertrophische ganglia 
Ijrmphatica leverde niets op, dan de bekende verande- 
ringen bij leukaemie. 

In de beide pleura-holten was eene kleine hoeveelheid 
kleverig serum, met enkele fibrineuse vlokken, vervat. 
Ook de buikholte bevatte een grootere hoeveelheid serum 
van dezelfde opaliserende geaardheid. De onderste lede- 
maten waren gezwollen door infiltratie van het bind- 
weefsel met een lymphatisch vocht, geen gewoon helder 
of licht geelachtig serum. 

De weivliezen, zoowel de pleurae, als het peritonaetmi 
war,en glad van oppervlakte. Nergens sporen van ont- 
steking. De darmen waren zeer samengetrokken, met 
een bleeke mucosa en een melkachtig witte serosa. Dezelfde 
melkachtig witte kleur had het geheele peritonaeum parie- 
tale, het bekleedsel der lever, enz. Ook de onderste ge- 
deelten der pleurae hadden die witte kleur. Verdikt kon 
men de serosae nauwelijks noemen ; de verandering hing meer 
af van een witachtig ondoorschijnend worden van het sereuse 
en subsereuse bindweefsel, dat ook iets vaster en dichter 
dan normaal was, terwijl er tusschen het sereuse vlies en 
het subsereuse bindweefsel geen scherpe grens bestond. 

28 



420 

Het vocht uit de buikholte , dat, OTen als het perito- 
ju^um verder meer bepaald onderzocht werd, was dun ge- 
Jatineus, half doorschijnend, en bevatte gestolde dradea 
eu vlokken gesuspendeerd. Hier én daar hingen die 
vlokken ook los aan het, overigens geheel gladde, bloede- 
looze peritonaeum. 

Sij het mikroslopisch onderzoek vonden wij in die etoheli^ 
zoowel alê in iet vocht ^ en eveneens in het weef tel van hel 
peritonaeum een ongeloofelyke hoeveelheid ongekleurde bloed- 
cellen. Het was alsof er een groote hoeveelheid, aan 
cellen rijke, ware lympha in de buikholte opgehoopt was. 

Het vocht dat in de pleura-holten zich bevond, bevatte 
eveneens eene groote hoeveelheid ongekleurde bloedcellen 
of lympha-lichaampjes. 

De Fe^ersche kliergroepen van het darmkanaal waren 
duidelijk zichtbaar, een weinig uitpuilende boven de 
mucosa. 

Het peritonaeum parietale werd, met het oog op de 
veranderingen welke het aanbood, en op de in de buik- 
holte zich bevindende vloeistof, nauwkeuriger onderzocht. 
Het epithelium was op de onderzochte plaatsen duidelgk 
aanwezig, en deed geene veranderingen waarnemen. Het 
weefisel der serosa en en der subserosa waren ook vol- 
strekt niet ziekelijk veranderd ; slechte vonden wij heide vol 
lympha-edlen. Deze lagen tusschen de biadweefselvezels 
overal verspreid. Vergrooting van de bindweefsellichaampjes 
veelmin nieuwvormig van cellen daarin, was niet duiddgk 
waar te nemen. Een onderzoek meer in bijzonderheden 
naar de verhouding tusschen lymphvaten, bindweefsel en 
de hierin in zoo groote hoeveelheid opgehoopte cellen 
kon, zoo als begrijpel^k is, niet plaats hebben. 

B^ het demonstreren van de leerrgke bijzonderheden , 
welke deze l^kopening opleverde, heb ik toenmaals reeds 



421 

de meening verdedigd, dat de cellen, in liet voclit der 
buikholte en der plenxae, aanwezig, ongehleurdelloedeellefi 
waren in dien zin, dat z^ beschouwd moesten worden 
als a&omstig uit het bloed. De eenige weg, langs 
welken dit kon geschied zijn was blgkhaar, daar er geen 
enkele roode bloedcel uitgetreden was, dat de ongekleurde 
bloedcellen door de vaatwanden waren heengedrongen , en 
verder tut het bindweefsel en tusschen de epithelium- 
cellen door in de cavitas peritonaei en pleurae waren ge- 
raakt. De mogel^kheid eener nieuwvorming in het bind- 
w;ee£sel der serosae werd wel niet uit het. oog verloren ; 
maar om vele redenen scheen m^ die onwaarschijnlijk , 
gelijk weldra bligken zal. In elk geval moest ook dan 
het dringen der cellen door het epithelium der serosae 
heen worden aangenomen. 

Bet sch^nt dat zulke hydropische ophoopingen bg 
leukaemie niet dikwijls zijn waargenomen. Slechts oedema 
pedum et crurum wordt dikwijls vermeld 1). 

Toch ontbreekt het niet aan waarnemingen van ver- 
anderingen der serosae, met name der pleurae, welke 
met de door mg beschrevene overeenstemmen, maar in 
minder ontwikkelden graad. Onder velen, verwig sik naar 
een geval van Friedreich 2) waarbij eveneens in de 
buikholte „etwa ein Maass einer gelblich-opalescirenden 
Elüssigkeit'' werd aangetroffen. Een mikroskopisch onder- 
zoek van dit vocht schgnt echter niet te hebben plaats 
gehad. Friedreich meende tevens de in de serosa op- 
gehoopte cellen welke geheel met ongekleurde bloedcellen 



1) Zie o. a. de dissertatie Tan A. O. vanBwgks leis over 
Leukaemie, enz., Leiden 1863, waar een zeer volledig oTendoht 
over de in de literatuor verspreide gevallen wordt gevonden. 

2) Yirchow's Archiv, Bd. XU, 1856. 

28* 



422 

overeen kwamen, te mogen afleiden ,,yon einer Wnche- 
mng der praeëxistirendèn Bindegewebskörper der Pleuia." 
Zoo werd ook algemeen aangenomen, dat de groote hoeyeel* 
heden ongekleurde bloedcellen, welke b^' lenkaemie in 
het interstitieële bindweefsel van vele organen (lever, 
nieren) worden aangetroffen, in dat bindweefisél gevormd 
werden. Ook in het door mij medegedeelde geval ont* 
braken die celophoopingen in lever en nieren niet. Ik 
heb mig echter van een proliferatie der bindweefsellichaamp- 
jes, evenmin als in het peritonaeum, kunnen overtuigen. 

Bij andere waarnemingen, te vele in getal om ze af- 
zonderlek hier na te gaan, wordt van de witte vlekken 
,,Milchflecke'' op de pleurae en het peritonaeum dikw^ls 
melding gemaakt. De meeste onderzoekers hebben echter 
omtrent de histiogenese geen zoo stellige meening als 
Friedreich uitgesproken. Sommigen, zoo als Mosier 
(Berliner Klin. Wochenschrift No. 12 — 15, 1864) noemen 
ze slechts onbepaald „lymphatische Neubildungen." In 
het geval van Mosier werd wegens den hoogen graad 
der ascites gedurende het leven paracentese gedaan. Yan 
het vocht wordt niets vermeld ; ook na den dood schijnt 
er geen mikroskopisch onderzoek van het peritonaeum of 
den inhoud daarvan te hebben plaats gehad. 

Het is de vraag of er veel waarde aan de meening 
der nieuwvorming in het bindweefsel, op zóó verspreide 
plaatsen, bij leukaemie moet gehecht worden. De heer- 
schende theorie der produktie van ettercellen, door de 
weefsels zelve, heeft ook in de comea de vorming van 
ettercellen uit de woekerende hoomvliescellen doen aan- 
nemen. Hier was ten minste de vergrooting en de ver- 
meerdering van het protoplasina duidelgk te zien, en 
toch heeft Gohnheim onweerlegbaar aangetoond, dat 
de cellen in het hoomvUes, bg ontsteking, niet van de 



423 

geirriteerde plaats in het midden, maar van den rand 
der comea, waar de bloedvaten loopen, afkomstig zijn. 

Zonder hier , evenmin als bij het vraagstak der etter- 
vorming, dat thans eene nieuwe phase ingetreden is, een 
volkomen beslissende uitspraak te kunnen doen , meen ik 
met grond te mogen aannemen , dat bij de overlading van 
het bloed met ongekleurde cellen {in de milt en de watervaats' 
klieren gevormd) die cellen in groote hoeveelheid door de vaaU 
wanden naar buiten gaan. Yooral de door mij, bij het 
geval van van leukaemie beschreven ophoopingen in de 
cavitas peritonaei et pleurae schijnen mg niet anders 
verklaard te kunnen worden. Die ophoopingen zijn blijk- 
baar van geheel anderen aard dan bij dd gewone vormen 
van hydrops ascites, met een helder, geelachtig, dun 
vloeibaar serum, dikwijls zonder een spoor van vormbe- 
standdeelen. Ook van produkten eener chronische ont- 
steking onderscheidt zich het vocht zeer. Het is geen 
sero-fibrineus vocht; veel minder is er etter (in den 
makroskopischen zin van het woord) gevormd. Waarom 
het vocht nu geen etter geworden is en welke voorwaarden 
er bij een „ontstekingsproces" in het peritonaeum be- 
staan, waardoor de uitzweetingsprodukten etter worden | 
laten wg voor het oogenblik in het midden. Opmerkelgk 
is dé volkomen overeenkomst, bg nukroskopisoh onder- 
zoek, tusschen het „leukaemisohe vocht" en een versch 
fibrineus ezsudaat (van de pleura bijvoorbeeld). Maar 
het laatste is ontstaan onder voorwaarden , welke verdere 
organisatie of vorming van etter ten gevolge hebben, 
terwijl het leukaemische vocht maanden lang onveranderd 
in de sereuse holten ligt. 

Ik onthoud mij hier opzettelijk, vooral met het oog op 
de ridmte die er voor noodig zou zijn, van een vol- 
ledige discussie over alle vragen welke omtrent den oor- 



424 

sprong van het „leukaemische vocht" nog zouden kunnea 
opgeworpen worden. Indien de waarneming van Pried- 
reich hevestigd werd, zon het blijken dat er werkelijk 
„lymphatiscfie Neubildongen" tot stand kannen komen. 
Ik vind het echter onwaarschgnlijk , en moet het, op 
grond van mgn onderzoek van het peritonaenmi in m^n 
geval, ontkennen. Ik houd de milt en de watervaats- 
klieren b^ leukaemie voor de bron der ongekleurde bloed- 
cellen; misschien mogen ook sommige slgmvliezen, met 
name het darmslgmvlies die beteekenis hebben. Maar de 
aandoeningen van het bindweefsel houd ik voor secundair, 
voor eene infiltratie vau het bloed uit, even als den 
„leukaemischen hydrops.'* Yerder onderzoek zal echter 
ook hier, even als omtrent ettervorming, menige vraag 
moeten beantwoorden. Ik wil er alleen nog op wgzen 
dat ook onze physiologische kennis met^jn voorstelling 
geheel overeenkomt. Het is bekend dat de lympha, 
welke door de watervaatsklieren gegaan is, eerst rijk aan 
cellen wordt gevonden, terwijl van oene vorming in het 
bindweefsel, waaruit de lymphvaten voortkomen, niets 
bekend is. Men zou kunnen tegenwerpen dat de lymphe , 
alvorens de watervaatsklieren gepasseerd te zijn, toch 
somtijds enkele cellen bevat. Maar het is de vraag of 
die niet ook in normalen toestand uit het bloed afkomstig 
z^n. Het is volstrekt niet onwaarsch^nlgk dat, ook bij 
den physiologischen bloedsomloop, of bg die wigzigingen 
welke binnen de grenzen van het normale vallen, enkele 
ongekleurde bloedcellen door de vaatwanden naar buiten 
dringen, en dooir de lympha weder worden meegevoerd. 
De onderzoekingen van von Becklinghausen kunnen 
dit bewezen 1)» Hg vond ong^eurde bloedcellen, met 

1) Centnlbl. för die medio. WiBtenschaften, von Dr. L. Her- 
mann» 1807» No. 81. 



425 

cinnaber gevuld , in het bindweefsel van gezonde organen , 
nadat h^ cinnaber in de lympha-zakken van kikvorschen 
gebracht had. 



II. Een andere waarneming, op ziekteknndig terrein, 
welke met de emigratie der ongekleurde bloedcellen uit 
de vaten samenhangt, betreft een geval van typhus ab- 
dominalis b^ een meisje van 16 jaren, eenige weken ge- 
leden in het ziekenhuis alhier overleden. Het verloop 
der ziekte was langzaam geweest, en eerst in de zevende 
week volgde de dood. Het is overbodig een uitvoerige 
ziektegeschiedenis te geven. 'Slechts merk ik op dat de 
eigenlgke koortsverschignselen reeds eenige dagen lang 
vóór den dood geweken schenen, maar het meisje bleef 
zwak, hield diarrhoea en stierf meer aan uitputting, dan 
aan den direkten invloed van het typhus-proces. 

B^ de Igkopening vonden wij: oligaemie, zeer onbe- 
duidende stelsels in het hart, geringen graad van stedr 
tosis hepatis et renum, en in het onderste gedeelte van 
het intestinum ileum 7 of 8 nog niet genezene niet groote 
zweren, beantwoordende aan Pegerache kliergroepen. De 
zweren waren ^blijkbaar ouder dan typhus-zweren uit 
de derde of vierde week; met weinig verhev^i rand^, 
zonder belaogrijke vaatinjectie in de omgeving, met een 
vlakken grigs-roodachtigen bodem , door de onderste lagen 
der tunica mucosa of de muscolaris gevormd. De darm- 
scheilsklieren waren merkbaar, maar niet belangrgk ge- 
zwollen. De milt was groot , bleekrood van kleur en 
vast van wee&eL 

Tot zooverre scheen de Igkopening niets bgzondem op 
te leveren. Na het uitnemen en insngden der rechter 
long vonden wig echter de onderkwab doorzaaid met 



426 

melkachtig witte of iets meer grijsachtige punten, ter 
grootte van speldenknoppen of hennipzaad-korrels, slechts 
enkele ter grootte eener erwt. De eerste indmk van een 
„tabercolosis acnta," onder het beeld van een typhus 
verloopen, verdween terstond, t9en w^ de overige doelen 
der long en de geheele linker long normaal vonden; en 
bij het nauwkeuriger onderzoek der onderste rechter long- 
kwab. Verder vonden wg op de bovenste afdeelisg van 
de voorvlakte der rechter nier een rijk net van uitgezette 
fijne bloedvaten, aan de oppervlakte onder de tunica 
albuginea^, en langs het verloop dier vaatjes talrgke witte 
knobbeltjes zoo groot als gierstkorrels en iets grooter; 
benevens enkele witachtige puntjes in de corticale stof 
dier zelfde nier. 

De linker nier vertoonde van deze aandoening niets, 
maar slechts de reeds bovengemelde lichte steatosis van 
de epitheliumcellen. 

Het weefsel der rechter onderste longkwab was tusschen 
de verspreide witte knobbeltjes normaal luchthoudend en 
knetterend. Nergens vond men sporen van hepatisatie. 
Op lobulaire pneumoniën geleken de genoemde knobbeltjes 
in het minst niet. Deze laatste waren matig week hadden 
allen hetzelfde voorkomen en denzelfden graad van ont- 
wikkeling, mët uitzondering der grootste die in het 
midden veel woeker waren. De mikroskopische bestand- 
doelen der knobbeltjes waren kleine ronde cellen, geligkende 
op ongekleurde bloedcellen , en , vooral in de meest weeke , 
korrelige massa en vetbolletjes. Enkele grootere proto- 
plasma-klompjes van onregelmatigen vorm, en met eea 
kern in het midden werden hier en daar aangetroflTen. 

In de witte punten op de nier vonden wij dezelfde be- 
standdeelen. Karakteristiek was het voorkomen der punten 
langs het uitgezette vaatnet Zg hingen als het ware 



427 

hier en daar aan een bloedvat. De lymphoide cellen 
waren in de mazen van het perivascolaire bindweefsel 
vervat. 

Een weefselwoekering, een ontstekingachtige prolife- 
ratie, kon nergens waargenomen worden, tenzij men de 
zeer enkele grootere, onregelmatige cellen of klompjes als 
een bew^s ^daarvan wilde laten gelden. 

Bondom de darmzweren, wier nader onderzoek niets 
belangr^ks opleverde, was de mucosa nog een weinig 
hobbelig van oppervlakte, doch zoo dat de afzonderlijke 
knobbeltjes ter nauwemood in het oog vielen , terwijl de 
oppervlakte zelve geen ziekelijke verandering, maar een 
gewoon slijmvliesvlak vertoonde. Een later mikroskopisch 
onderzoek leerde op die plaatsen een vergrooting van het 
adenoide weefsel, een infiltratie met lymphoide cellen, 
kennen. 

Het is bekend , hoezeer , op zekeren t^d der ontwik- 
keling, de typheuse, tnbercnleuse en leukaemische pro- 
ducten op elkander gelijken. Het verloop van het proces 
in zijn geheel is echter , vooral voor de typheuse verande- 
ringen, karakteristiek genoeg. Minder scherp is dikwijls 
onderscheiden geworden tusschen tuberculeuse en leukae- 
mische produkten,'en men moet bekennen dat de onder- 
scheiding, vooral door het histologisch onderzoek alleen, 
dikwijls niet mogeiyk is 1). 



1) In typische gevallen kan men, big onze vermeerderde kennis 
der processen, misschien tot groote waarsohignlijkheid komen. Ik 
verwijs 9 behalve naar een aantal in den laatsten t^d bekend ge* 
maakte waarnemingen, naar die van A. Bottoher in YirchoVs 
Archiv, Bd. XXX VIL Door het onderzoek van het l^k kwam 
B. er toe, de vermeende longtuberknlose tot een lenkaemisch 
proces terug te brengen. Hij vond in het bloed belangrijke ver- 
meerdering der ongekleurde cellen» de miliaire knobbeltjes «reine 



428 

Wat ik in dit geval aan de oppervlakte der nier , en 
in de omgeving der darmzweren vond (en wat ik niet 
voor „tubercnleus*' houd) stemt zoo volkomen overeen 
met beschr^'ving van naauwkenrige waarnemingen omtrent 
het begin der tubercnlose bij Bindfleisch 1) dat ik 
niet nalaten kan zijne woorden aan te halen : 

„Dieselben Localitë.ten , an welchen die typhösen Yer- 
ftnderungen Platz greifen , sind auch der Hauptsitz der 
Tuberculose. Nur dass sich der Frocess nicht in der 
Weise des Typhus auf die lynphatischen Drüsen und ihre 
nSchste ümgebung beschrankt sondem diese zur Aus- 
gangspunkt hat, um spë-ter einen besonderen Verbreitungs- 
gezetze zu folgen (langs de bloedvaten namelijk — van 
daar de latere gordelvorm der tuberculeuse zweren). 



Anhftüfangen lymphaÜBcher Elementen," en vennoedtdat de 
„relatiy oft bei Leac&mie ak oomplioirende Krankheit erwahnte 
Longentuberculose Tielleicht haüfiger auf specififieh leucamische 
FroceBse zuruokzufohren seL*' — Hoe ontataan dan echter die 
LeukaemiBohe proceBsenP Door nieuwrorming in hei longweef- 
Bel zelTe, of door infiltratie , van het bloed uitP Böttcher 
rond in het slijmvlieB der bronehiën „eine Wuchenmg, die aua 
dicht gedrangten lymphoiden zeilen besteht** In het darmBlijm- 
vlies, zoo als uit zijn afbeelding blijkt, vond hij ook vergrooting 
der bindweeftellichaampjesr Schoon hij de histiogenese niet op- 
zettelijk ter sprake brengt, neemt hij blijkbaar de nieuwvorming 
der lymphoïde cellen in het geproformeerde bindweefsel aan. Doch 
zelfs voor den darmwand (waar die nieuwvorming om vele redenen 
waarschijnlijk is) zal men zijn afbeelding niet als een duidefijk 
bewQs kunnen laten gelden. En voor het overige blijfb de queestie 
onopgelost. De pogingen door Bindfleisch gedaan om ,,mit 
Hülfe der neueren Untersuehungsmethoden in das anatomische 
Wesen des ^hus einzudringen" vindt men met min of «leer 
wanhopige bewoordingen beschreven in zijn: Lehrbuch der pih 
thologisohen Gewebelehre, S. 303. 
I> Lehrbueh der patfadog. Gewebelefare, Seite 309. 



429 

Und gerade diese primëxen Affectionen smd nichi tuher- 
eulöêer Art. Die graue Intumescenz , welche den einzelnen 
Follikel etwa nm das Dreifache seines normalen Yolnmens 
Tergrössert , beruht anf derselben einseitigen Neubildung 
von Lymplikörperclien in den Lymphbahnen und dem reti- 
cul&ren Parencbym der Follikel , welche wir als TJrsache 
der scropbulösen Bubo kennen lemten n. s. w. 

Toch geloof ik — zoo als ik reeds zeide — dat de 
beschreven verandering in de onderkwab der rechter long 
en aan de oppervlakte der rechter nier, als leukaemische, 
niet als tnbercnlense , moeten worden beschonwd. Ik kan 
uit den aard der zaak geen voldingend bewijs hiervoor 
leveren ; maar meen dat de zaak , zonder eenlang gerekt 
betoog, duidelijk genoeg is. Het is bekend dat , juist 
na typhus, zich lichtelgk leukaemie ontwikkelt. Het bloed 
dat gedurende het leven niet onderzocht was , bevatte veel 
ongekleurde cellen, echter niet zoo bovenmatig als in sterk 
ontwikkelde gevallen van leukaemie. Een naauwkeuri^ 
telling heeft niet plaats gehad. Ook de groote vaste milt 
was zeer rijk aan Ijmphoide cellen. 

Ook in dit geval meen ik , dat die zoogenoemde „leu- 
kaemische Heubildungen'' beschouwd moeten worden ah 
produiten van uittreding der ongeklmtrde bleedcellen, In ver- 
band met deze hypothese is het uitgezette vaatnet aan de 
oppervlakte der rechter nier , langs hetwelk de witte plek- 
ken voorkwamen , van gewicht Er is geen enkelereden 
om in het bind weefsel ^ daar ter plaatse, een nieuwvor- 
ming van lymphoide cellen aan te nemen. 

mit, darmsl^mvlies en darmscheilsklieren zijn in dit 
geval blikbaar de bron der overmatige vorming van 
ongekleurde bloedcellen geweest. Omtrent de milt en 
de darmscheilsklieren vond ik geen vermeldingswaar- 
dige mikroskopische bigzonderhede& De fdliculair ge- 



430 

zwollen doelen van het dannsl^mYlies werden nog opzette- 
lijk later onderzocht. Wij vonden de overvulling van het 
bindweefsel met lymphoide cellen, maar zonder merk- 
bare afwijking , de hoeveelheid der cellen uitgezonderd , 
van den normalen toestand eens follikels. Omtrent de 
nog zoo weinig gekende bijzonderheden van het ontstaan 
der lymphoide cellen in het „adenoide'' weefsel, kon ik 
hier , zooals te begrijpen is , geen b^zoDderheden waar- 
nemen, met uitzondering der bekende vergrooting der 
bindweefseUichaampjes , doch zonder dat nieuwvorming 
van cellen daarin geconstateerd kon worden. 

Het schijnt dat men aan de emigratie van ongekleurde 
bloedcellen bij leukaemie niet gedacht heeft, b&choon er 
toch in enkele gevallen wel aanleiding toe bestond. Ik 
bedoel niet alleen de infiltratie van het bindweefsel , op 
plaatsen waar in normalen toestand geen lymphbide cellen 
gevormd worden, of de hydropische verschgnsels, waarb^ 
het mikroskopische onderzoek tot nog toe verzuimd schijnt 
te zijn , maar ook het voorkomen vap zoogenoemde etter- 
cellen in de urine, waarvan in sommige waarnemingen 
gesproken wordt. 

Zoo vindt men in waarnemingen van Mosier en Kör- 
ner 1) vermeld, dat de urine van een lijder aan leukae- 
mie, tijdens den koortsigen toestand een ,,reichliches Se- 
diment von hamsaurem Natron mit zahlreichen EUer* 
und Epithelialzellen" bevatte. Gedurende den koorts- 
vrijen toestand was dit niet het geval. Van ettervorming 
in den gewonen zin , in de nieren, was hier geen sprake. 
Zouden deze zoogenoemde ettercellen, niet uit de glome- 
ruli afkomstige ongekleurde bloedcellen zgn? 



1) Zxa Blui- und Hamanaijse bei Leukamie, in Virohow*! 
ArohiT, Bd. XXY, S. 142. 



431 

IIL Aan de niteenzettmg mgner meening omtrent de 
emigratie der ongeklenrde bloedcellen bij leukaemie sluit 
zich vam zelf nog een korte beschonwing van den zoo- 
genoemden hydrops lymphaticns van Virchow. Schoon 
ik er zelf geen waarnemingen over doen kon, bieden de 
bekende feiten enkele b^'zonderheden aan, welke hier 
even opgemerkt, en misschien onder een nieuw gezichts* 
punt gebracht mogen worden. 

Virchow heeft dien naam gegeven 1) aan de half 
gelatineuse, en door bijvoeging van fibrinoplastische stof- 
fen nog verder stollende vochtophoopingen, welke somtijds 
in de pleura- en peritonaeum-holte, en vooral bij hydro- 
cele in de tunica vaginalis voorkomen. Ook het vocht, 
dat bg de induratio telae cellulosae neonatorum, het scle- 
rema, en bij de Elephantiasis 2) in het bindweefsel 
voorkomt, beschouwt h^ overeenkomstig. Meer bijzonder 
worden nog onderzoekingen medegedeeld over den hydrops 
lymphaticns, zooals die bij zoogenoemde hydrocele, dik- 
wijls door Virchow is waargenomen 3). 

Nergens echter vindt men vermeld of dat vocht in het 
begin reeds lymphoide cellen bevat. Bg de uitvoerige 
beschouwingen der laatstgenoemde gevallen wordt van 
een proliferatie der weefselbestanddeelen der serosa in 
een later tijdperk gesproken, waarvan de verdikking der 
tunica vaginalis afhankelijk is , en waardoor ook vorm- 
bestanddeelen in het vocht komen kunnen. Bij het in 
't „Handbuch der speciellen Pathologie" t. a. p., over 
den hydrops Isrmphaticus gezegde , wordt de toestand als 



1) Handbuch iet Bpéciellen Pathologie tmd Therapie, redigirt 
von Virchow, Bd. I, S. 217. 

2) Die krankhaften Geschwülste, Bd. I, S. 300 u. 8. w. 
8) Die krankhaften Geschwülate, Bd. I, S. 168. 



432 

em «^laiclit entzündliclie" gekarakteriseerd, en gewaar- 
schuwd, dat men „wenn sich bei der Faracentese eine 
Bolche Iflüssigkeit enüeert, der baldigen Wiedererzengnng 
der Flüssigkeit entgegen sehen kann". 

Doch een nukroskopisch onderzoek van zulk een vocht 
schgnt niet te hebben plaats gehad« Het moet ongetw^* 
feld, wg mogen het na Gohnheim's ontdekking, en op 
grond van de aanwezigheid der cellen in versche fibxinense 
exsndaten voor zeker houden een groote hoeveelheid on- 
gekleurde bloedcellen bevatten. Toekomstig onderzoek 
van „hydrops Isrmphaticus der sereuse holten" zal het 
moeten leeren. Wat in mijn eerste waarneming in de 
buik- en borstholte gevonden werd, herinnert aan het 
vocht, dat Virchow bij zijn „hydrops lymphaticus" 
beschryft. Dat in zulk een vocht bij het sclerema, en 
by de elephantiasis de lymphoide cellen niet ontbreken 
zullen , is duidelijk , daar , vooral bg het laatste zeer sa- 
mengestelde proces, werkelijke vermeerdering van lymph- 
vaten, vergrooting van lymphklieren en verstopping van 
grootere lymphvaatstammen plaats hebben. Latere onder- 
zoekingen hebben ook bij het sclerema de overgroote hoe- 
veelheid Ijrmphoide cellen aangetoond. Y. Rasmussen 1) 
vond de kleine bloedvaten „wie eingebettet in eiuer Scheidé' 
von lymphoiden Zeilen", wat door den Duitschen refe- 
rent als een „neuer Befund" vermeld wordt. 



tv. t)e voorafgaande Waarnemingen en beschonwin* 
gen staan in nauw verband met de gewichtige ontdek- 
king van Cohnheim, en voor de pyogenesis zoowel als 



1) On Bclerodermift and ito relation to Elephantiieis Anbum. 
Gerefereerd in het Centralblatt fur die medio. WisBensbh. n. ■• w. 
1867, No. 49. 



43S 

voor het ontstaan der zoogenoemde lympliomata (Yir- 
chow) zal fhans verder onderzoek moeten uitmaken , 
hoeveel op rekening /der emigratie van ongekleurde bloed- 
cellen moet komen, en wat er misschien nog van nieuw- 
vorming in de .weefsels afhangt. 

Terwijl door Gohnheim's proef de mogelijkheid der 
vorming van etter onmiddeligk uit de geëxsudeerde en 
geëmigreerde hloedbestanddeelen positief aangetoond kan 
worden, is het natuurlijk onmogelijk voor het ontstaan 
der lymphoide cellen in de serosae enz. bij leukaemie 
zulk een direkt bewijs te leveren. Ofschoon ik reeds 
b^na twee jaren geleden het doortreden der ongekleurde 
bloedcellen door de vaatwanden aangenomen en betoogd 
heb, werd ik van een openbaarmaking dier meening te- 
ruggehouden door de zucht om, zoo mogelijk, tot meer 
zekerheid te komen. Thans, nu zooveel positieve feiten 
omtrent zelfstandige voortbeweging van contractiele cellen 
in het lichaam bekend zijn, en de vorming der ettercel- 
len in de weefsels, minstens twijfelachtig is geworden, 
scheen de tijd gekomen, om het vraagstuk der leukae- 
mische nieuwvorming naast dat der pyogenesis te plaat- 
sen. 1) 



1) Het behoefl geen betoog dat het mij door de mededeeling 
xn^ner waarnemingen over leokaemie, niet in het minat te doen 
kan E^n, om eenige aanspraak te maken op de prioriteit der ont- 
dekking dat de ongekleurde bloedcellen Eonder raptnnr der raat- 
wanden naar bniten kannen gaan, al heb ik zelfstandig die 
xneening uitgesproken. Trouwens, indien het aannemen van het 
feit op de prioriteit recht kon geven, eou die nog eer aan Ad- 
dison toekomen, wiens opmerkelijke beschrijying door Gohn- 
lieim 2elf wordt aangehaald (blads. 57 in de noot). Doch de 
^lukkige vondst van Oohnheim geeft aan het feit eerst a^n 
eigenl^ke beteekenis, en hem komt de eer der ontdekking onge* 
twijfeld toe. 



434 

Voor beide vragen heb ik, zooveel ik kon, naar een 
vollediger antwoord gezocht 

Zoo als het bij alle belangnjke ontdekkingen gaat, ia het niet 
moeilijk de daardoor bewezen meening, ala hypothese reeds vroeger 
te vinden. Zonder nog aan de diatheaia pnmlenta primariavan 
Bedillot, of aan de Haemitis en de ettercellen in de ontste- 
kingskorst van Piorry, gewioht te hechten» kan ik niet nalaten 
in 't voorb^'gaan op de waarnemingen van Gendrin te wjsen» 
die, zoo hj de ongekleurde bloedcellen gekend had, wellicht tot 
een jnistere nitkomst zon geraakt zijn. Men vindt die waarne- 
mingen in: „k. N. Gendrin, Histoire anatomiqne des inflam- 
mations. Paris, 1826, Tomé second, page 480 etc." Zijne wijze 
van onderzoek bestond o. a. daarin, dat hij eerst door eenseton 
ontsteking en ettervonning(P) opwekte in een kikyorsch-zwemTlies. 
Was er met het bloote oog etter waar te nemen, dan débd hij. 
het volgende: „Une lancette tres poliè passée soos nne lamelle 
excessivement fine dn bord de la plaie, sert d'objectif ponr exa- 
miner oette lamelle; on yoit alors Ie sang ralentir son cours en 
s'approchant de l'aréole dans les capillaires dilatës; ses globnlet 
se décolorent progressivement, et se convertissent en globnlesde 
pus. Le sang, ainsi altéré yient enfin aveo one extreme lentenr 
Bortir par la plaie sous la forme de pus." — In het werk vsn 
Miescher, (De inflaminatione ossium, Berolini 1836) waar (op 
blz. 179) over ettervorming in 't algemeen gehandeld en naar de 
Dnitsche vertaling van Gendrin verwezen wordt, vindt men 
een bestrijding van de mogelijkheid der uittreding van bloedcel-* 
len uit de vaten, en een blijkbaren achteruitgang, zoo als volgt 
uit de woorden: „Obstat praeterea, quod, uti notum est omnibua 
et experiri quotidie Heet, in vulneri simplici suppurante pua 
primum secretum non puris speciem, sed liquorem tenuem, ela* 
rum refert.'* Gendrin heeft de moeielijkheid wel gevoeld ran 
het uittreden van het bloed of een gedeelte daarvan uit het ge- 
sloten vaatstelseL Doch veel duidelijks zegt hij daarvan niet. 
Zijne voorstellingen blijken nog het meest uit hetgeen op bis. 
483 gevonden wordt: „Il s'opère dono dans les tissus enflamméa 
une yéritable sécrétion morbide interstitiell^, soit par des voiea 
exhalantes que nous ne pouvons voir, soit par celles que déter- 
mine la violence de Tinflammation en produisantlarupturespoii» 



485 r ' n 

Wat de leukaamie betreft, heb ik m^n negatieve uit* 
komsten omtrent bet onderzoek naar de yorming in de 
serosae enz. reeds boven vermeld. Men zou nog alleen 
knnnen vragen of er , behalve de eveneens reeds vermelde 
waarneming van Friedreich, dan geen andere positieve 
feiten gevonden zijn. Yan zelf richt zich dan onze blik 
naar Virchow, die de grondlegger is der leer van de 
vorming der cellen, bij lenkaemische produkten en big 
ettering , in de weefsels. In de „Pathogenie der leukae- 
mischen Lymphome 1) vinden wg de positieve uitspraak: 
„Die directe Beobachtung lehrt, dass die Elemente der 
metastatischen Lymphome sich in loco aus demBindege- 
webe entwicklen, dass es sich also nicht um Ablagemn- 
•gen handelt, sondem nm ganz nnzweifelhaften Neubil- 
dungen". Voor het nadere bewgs dezer uitspraak wordt 
verwezen naar:^ Gesammelten Abhandlungen , S. 208. 
Wanneer men echter de daar te vinden verhandeling over 



tanée des capillaires, Boit par celles que la catise de la maladie 
a produites en diyisant elle-même les capillaireB." 

De ongekleurde bloedcellen schijnt Gendrin niet gekend te 
hebben, schoon zij toch reeds in 1773 door een Engelsch onder- 
soeker, Hewson, bekend geworden waren (zie Milne Ed- 
war ds» Lefons sur la physiologie et l'anatomie comparéCyTome 
I, page 71). 

Grondiger dan in het aangehaalde werk vim Miescher wordt 
de theorie van Gendrin onderzocht en weerlegd in de mono- 
graphie van Julius Vogel: Physiologisch-pathologische Unter- 
aachungen ueber Eiter, Eiterung, nnd die damit yerwandten 
Vorgange; Erlangen, 18b8, bladz. 179 e. v. — Vogel strijdt 
echter ook weder tegen den overganger van gekleurde bloedcellen 
in ettercellen, éti schijnt op de ongekleurde cellen volstrekt niet 
gelet te hebben, zooals vooral blijkt nit zijne beschouwing van 
het onderscheid tusschen bloed en etter, en de herkenning van 
etter in het bloed. 

1) Die Krankhaften GeachwiUste, Bd. H, blz. 676. 

29 



436 

lenkaemie raadpleegt ^ zal men bezwaarlgk de zaak voor 
bewezen houden; vooral omdat de scheiding tusschen or- 
ganen, waar ook in normalen toestand ODgetwijfeld lymph- 
cellen gevormd worden , (milt, ganglia) en die, waarvan 
wg dit niet met grond aannemen kannen (serosae, orgaan- 
interstitia) nog niet in het oog is gehouden. Op. sommige 
plaatsen zou men zelfs eerder aan een bewijs voor de 
emigratie uit het bloed denken ; zoo als op blz. 207, waar wg 
bg de beschrijving van „lymphatischen Neubildungen" in 
een lever, lezen: „Diese Infiltration schienvon derPfort- 
ader auszugehen, da hauptsë^chlich von ihr aus die granen 
Streife sich ausbreiteten". Overigens rust de meening 
der vorming in de weefsels, even als voor de ettervor- 
ming, meer op de algemeene theorie; die hier zelfs, om 
consequent te worden toegepast een eenigzins mystieken 
vorm moet aannemen: „Man kann daher nicht umhin, 
neben der lymphatischen Dyscrasie, noch eine Art von 
lymphatischer Diathese, eine progressive Neigung der 
Organe zur Hervorbringung lymphatischer Elemente zu- 
zulassen" (1. c. pag. 208). 

Verder is door nog een nieuweren onderzoeker, Wal- 
deijer (Virchow's Archiv. Bd. XXXV, blz. 214) de 
groote hoeveelheid lymphcellen , welke hij in de intercel- 
lulaire gangen der lever vond, in een geval van lenkae- 
mie, als een proces van nieuwvorming beschreven. „Der 
Befand an Leber und Nieren lasst den Ausgangspunkt 
zweifellos erkennen. Die im Bindegewebe als nicht durch 
den Pinsel entfembar erkannten Zeilen zeigten hatifige 
Theüungsformen ; dazu kommen die stufenweise Ueber- 
gange zwischen kleinen mit Zeilen gefüUten Interstitien 
zü den grös^n Hohlraumen. Beides weist darauf hin, 
dass die Bindegewebszellen die lymphatischen Elemente 
erzeugten.'' Vergelekt men echter hiermee de zeer dui- 



437 

del^ke afbeeldingen, dan is een tegenstelling tnsschen 
deze en het gesclirevene niet te miskennen. Tnsschen de 
rijen van levercellen ziet men hier ophoopingen van gelijk- 
matig groote, ronde cellen, waarvan sommige groepen 
zeer gelijken op hetgeen ik later hg ettervorming in de 
lever zal beschrijven. 

Intusschen heb ik te weinig positieve waarnemingen 
om de zaak voor beslist te houden, maar de y^directe 
Beobachtnng" waarop Virchow wijst, schijnt mij toe 
nog geenszins bewezen te hebben dat de ongekleurde 
bloedcellen in de weefsels bij leukaemie, allen in die 
weefsels gevormd zijn. 

Wat de ettervorming aangaat, heb ik door talrgke 
proeven getracht nog meer bijzonderheden omtrent den 
gang van zaken in verschillende weefsels waar te nemen. 
De herhaling der proeven van Cohnhaim door opwek- 
king van peritonitis bij konijnen, een onderzoek omtrent 
de epitheliale ettfirvorming en de etiervormng in iet Und" 
weefsel bij ontsteking der serosae, zoo als Rindfleisch 
die beschrijft 1) doen mij geheel met de uitspraken van 
Cohnheim instemmen. Ik kon mij van eenwezenlgke 
celvorming en celverdeeling in het bindweefsel niet over- 
tuigen , en geloof dat de kolossale hoeveelheid lymphoide 
cellen, waaruit de versche pseudomembranen reeds be- 
staan genoegzaam de aanwezigheid der cellen in den lateren 
etter verklaren. En men zal het nu wel niet meer be- 
twijfelen dat die lymphoide cellen reeds van het begin af 
bij het ontstekingsproces uit de vaten zijn geëmigreerd. 
Niettemin neemt het bindweefsel zeer belangrj}k in om- 
vang toe, deels door vocht, deels door vrij verspreide 
lymphoide cellen, deels door de toch werkelgk bestaande 



1) Lehrbuch der pathologiBohéü Gewebelehte, S« 211'-217. 

29* 



488 

veigrooting der bindweefsel-lichaampjes. Nu in het moeie* 
Igk met zekerheid te bewijzen, dat de laatste volstrekt 
geen vormbestanddeelen in het ezsndaat (den lateren etter) 
leyeren, maar — ook zoo dit nog bewezen mocht wor- 
den — treedt de beteekenis daarvan zeer op den achter- 
grond. Voor latere weefselveranderingen bg ontsteking 
zal het proces van nieuwvorming in het weefsel echter 
stellig in het oog moeten gehouden worden, waarop ik 
aan het slot dezer verhandeling nog terugkom. 

Van groot belang scheen het mij, verder na te gaan, 
hoe het proces van ontsteking in meer samengestelde 
deelen, organen met parenchyma en interstitieel bind- 
weefsel, verloopt. Het best leende zich tot dit onderzoek 
de lever van konijnen. Door het openen der J^uikholte 
en het trekken van draden met tinctura cantharidum 
gedrenkt, of doo]: het insteken van gloeiende naalden op 
verschillende plaatsen, werd een peritonitis en hepatitis 
acuta opgewekt, en konden de ontstekingachtige verande- 
ringen in geheel verschen toestand, en later aan de in 
wgngeest' geharde levers worden onderzocht 

Terstond blijkt het, dat het proces hier geheel anders 
verloopt dan bij de ontsteking eener serosa , bij het bloot- 
liggende mesenterium van een konijn. In de twee eerste 
dagen na de irritatie, terwijl op en in het weefsel van 
het peritonaeum reeds ontelbare ongekleurde bloedcellen 
in het fibrineuse exsudaat zich bevinden, treft men het 
leverweefsel weinig veranderd aan. Het beeld dat men 
van versche of geharde praeparaten verkrijgt, is volkomen, 
wat Virchow als „trtibe Schwellung" bg de'parenchy- 
mateuse ontsteking beschrgft. De levercellen zgn ont- 
zaggelijk vergroot, haar inhoud is fijnkorrelig troebel; 
het interlobulaire bindweefsel is ook troebel en gezwollen. 
Dit ziet men ; aan plekken waar, makroskopisch, reeds 



439 

ontwgfelbaar „ontsteking" Kestaat; waar rondom de ge- 
irriteerde plaats zwelling, ontklenring der lever, een 
eindweegs doorloopend , of meer als omschreyen plekken , 
is te zien. Ziüke plekken steken, vooral als zij aan de 
oppervlakte gelegen zijn, st^rk tegen de onveranderde 
bruine omgeving af. 

Op den derden, en beter nog op den vierden dag der 
ontsteking, zijn er echter belangrijker verap^eringen waar 
te nemen. De ontstoken plekken, tot nog toe in vast- 
heid weinig van het omgevende normale weefsel verschil- 
lende, slechts iets broozer, z^n nu weeker, breiachtig 
geworden. Nog later vloeit op doorsnede een gedeelte 
dier weeke massa (etter, schoon nog wemig gel^kende 
op het pus bonum et laudabile uit een phlegmoneus abs- 
ces weg, zoodat er kleine holten in het leverwee&el be- 
staan. Die plekken zijn voor het onderzoek het best. Men 
maakt doorsneden, zoodanig dat men den rand, die aan 
de verweekte massa grensde en het aanliggende lever- 
weefsel kan onderzoeken. De sneden moeten zeer dun zign, 
van in spiritus gelegde leverstukken; anders is het beeld 
niet te ontwarren. Na afspoelen met water is bijvoeging 
van glycerine met een spoor van azijnzuur het meest 
geschikt. Carmijn-inbibitie gaf geen voordeelen. 

Men kan nu, van den verweekten rand uit, gemakke- 
lijk plekken vinden , waar de bloedvaten in het interlo- 
bulaire weefsel dwars of meer schuin zijn doorsneden. Men 
vindt daarom heen het bindweefsel gezwollen, en dat| 
even als de onmiddelijke omgeving der vaatwanden, opge- 
propt vol lymphoide cellen. De verweekte massa bevat deze 
ook in groote hoeveelheid, benevens geheele levercellen, 
fragmenten daarvan, en een groote hoeveelheid korrelige 
stol De groepen van lymphoide cellen zetten zich, hier 
meer daar minder ver, tusschen rgen van leveroelltta 



440 

voort f echter nooit tot in hèt midden , zoodat ik rondom 
een vena intralobularis nooit lymphoide cellen, maar slechts 
dicht opeengepakte, troebele levercellen vond. Ook daar, 
waar geen lymphoide cellen aan den rand der. lobnli tns- 
schen rijen van levercellen liggen, zijn toch de intercel- 
lulaire gangen sterk uitgezet, en van afstand tot afstand 
weder ingesnoerd, hetgeen het beeld van bleeke cellen met 
een vloeibaren, inhoud kan teweeg brengen. 1) De lever- 
cellen hebben intusschen een nog troebeler voorkomen 
verkregen , zeer onduidelijke omtrekken, waar zij tegen 
elkander aanli^en, maar zijn in grootte op vele plaat- 
sen weder eer af- dan toegenomen. £en verdere voortgang 
van dit tijdperk der exsudatie en emigratie, met verdrin- 
ging en regressieve veranderingen der levercellen moet 
spoedig de weeke „etterige" plekken leveren, waaraan het 
zoo veranderde weefsel grenst. 

Het blijkt dus, dat in de eerste tijdperken der acute 
traumatische leverontsteking, anders dan bij de peritoni- 
tis , geen noemenswaarde emigratie van ongekleurde bloed- 
cellen plaats heeft. De laatste zijn ten minste dan nog 
niet te vinden; maar weldra bg het begin der verwee- 
king welke het gevolg van de ontstekingachtige voedings- 
verandering zgn moet, zijn het bindweefsel rondom de 
vasa interlobularia en enkele ruimten tusschen de rgen le- 
vercellen met lymphoide cellen gevuld. Er is wel geea 
twijfel aan, of die lymphoide cellen moeten als exsuda- 
tie en emigratie-produkten worden beschouwd. Men zou 
kunnen vragen , of zij niet van de „bindweefselwoekering" 



1) Omtrent het haarvaatnet ben ik thans bezig, door injectie 
van ontstoken leren , nog nasporingen te doen. Voor m^n 
tegenwoordig doel kon dit achterwege blijven, en moest iksélik 
aan het histologisoh ondersoek der geheel onveranderde loFer 
de Yoorkeor geven. 



441 

afhangen, maar ik geloof niet dat iemand, die de zaak 
onderzoekt, thans nog die meening zal verdedigen. Men 
vindt wel het bindweefsel in omvang toegenomen, de 
spoelvormige cellen daarvan duidelijk en gezwollen, maar 
het blijkt niet dat daarin ronde cellen nieuw gevormd 
worden. De laatste liggen verspreid, dicht opeengehoopt 
om den wand van de doorgesneden vaten, of meer diffuus 
in het bindweefseL 

Eerst na het opteekenen dezer bijzonderheden kwam 
de verhandeling van F. Holm „Experimentelle Unter- 
suchungen über die traumatische Leberentzündubg" 1) 
in mijn hajiden. De schrijver heeft op dezelfde wijze 
proeven genomen, blijbbaar veel overeenkomstigs gezien, 
maar meent, dat de ettercellen vooral het produkt zijn der 
zich verdeelende kernen van de levercellen. Hij maakt 
melding van korrelig- vettige verandering der levercellen , 
die hare kleur verliezen, eivormig of meer rond worden, 
en waarin hij meent dat de kleine „Rundzellen" gevormd 
worden, die ook in groote hoeveelheid in hét ontstoken 
weefsel voorkomen. Verder beweert hij kernen van 
levercellen in verschillende tijdperken van verdeeling te 
hebben gevonden. Dit alles kon echter de schrgver eerst 
op den zesden dag na de irritatie waarnemen , terwigl het 
ontstoken weefsel op den vierden dag „ein schwer zu 
entwirrendes blasses Gewebe darstellt, mit grossen Zel« 
ligen Gebilden.'' Hierin zal de verklaring van Holm's 
onjuiste resultaten wel liggen. Mgn praeparaten van den 
derden en het begin van den vierden dag zijn, als de 
doorsneden dun genoeg zijn, gemakkelijk te ontwarren, 
en men overtuigt zich lichtelijk dat dan van een celvor- 



1) Wiener Acad. SitEungsberichte, Mathem. lï'atarw. Cl. 2. 
Abth. LY; en Centrabl, for die medio. Wissensoh. 1867. No. 42. 



442 

ming in levercellen geen sprake kan z^n. Men vindt de 
boven beschrevene groote hoeveelheden „Hundzellen" 
(ongekleurde bloedcellen) rondom de vasa interlobnlaria, 
en hier en daar in verwijde intercelluXaire gangen van 
het leverkwabje. De lever cellen liggen dan nog geheel 
regelmatig en zijn, met uitzondering van de zweUing en 
het troebele van den inhoud, geheel onveranderd. Hier- 
door wordt reeds voldingend bewezen, dat de „Rund- 
zeilen" van Ho lm niet door de levercellen worden ge- 
leverd. Verder vermoed ik dat zijne „bleek gewor- 
den levercellen'' niets anders zgn dan de boven door 
mij beschreven, met 3 of 4 lymphoide cellen gevulden 
ruimten tusschen levercellen-rijen. Vooral in latere 
stadiën, als de etterige verweeking begonnen is, vindt 
men die lymphoide cellen in een half doorschgnende , of 
licht korrelige massa van ronden of meer eironden vorm 
besloten, welke mij zelven soms een oogenblik aan 
endogene vorming van cellen deden denken. De massa 
welke de lymphoide cellen omgeeft heeft echter geen 
duidelijke eigen grenzen,- is niets dan een „gestolde plas- 
matische stof" of misschien veranderd bindweefsel 1). 
Wanneer men de eerste tijdperken van ophooping der 
lymphoide cellen om de vasa interlobularia , en daarbg 
dezelfde figuren, welke men later als de levercellen uit- 
eenvallen, vrij ziet ronddrgven, tusschen de rijen van 
levercellen ziet, soms met kleine ronde cellen, meestal 
nog zonder, zal wel niemand er de beteekenis aan hechten , 
welke Ho lm er aan toekende. Ik moet echter natuurlijk 
toegeven dat in den „leveretter" wel vormbestanddeelen 



1) Vergelijk met deze beschrijying de vroeger reeds geciteerde 
afbeelding van een leukaemiBche lerer door Waldeyer (Vir- 
chow's Archiv, Bd. XXXV, pL VH). 



443 

van de levercellen en kernen gevonden worden, doch als 
prodokten van regressieve verandering, niet als die van 
proliferatie. 

Zoo zal het ook wel, mutatis mutandis, gaan in andere 
samengestelde organen, waaromtrent ik nog geen eigen 
waarnemingen heb. Men denke slechts aan de elastische 
vezelen in longetter , aan het vet in de ahscessen op vet- 
rgke plaatsen. De typische etter zoo als die door exsndatie 
en emigratie in en op een sereus vlies ontstaat 1) moet 
in een samengesteld deel met de bestanddeelen daarvan 
vermengd zijn, hetzij die nog als zoodanig aan hun vorm 
te herkennen, hetzij zg vervloeid of korrelig uiteenge- 
vallen zijn. Belangrijk zal het zijn thans ook de etter- 
vorming in andere samengestelde organen , de spieren bgv. , 
met het oog op Gohnheim's ontdekking , te bestaderen. 



1) In 't Yoorbijgaan moet ik hier wijzen op de leerrijke en 
zaakrijke verhandeling van W. His, Die Haute nnd Hohlendes 
Körperi, Basel, 1866. Men vindt er een beBchouwing van de 
histiogenetische beteekenis der drie embryonale kiembladen in, 
welke een tal van feiten verbindt, en onder een algemeen gezichts- 
punt brengt. Indien, zoo als waarschijnlijk is, de theorie van 
Cohnheim over het ontstaan van etter zich beyes tigt , sluit ziy zich 
geheel aan de beschouwing van His aan, welke een gansch ander 
uitgangspunt heeft. Hij onderscheidt, als een eigenaardigheid van 
het nüddelste kiemblad, de MSpaltbildungen". De daardoor ge- 
vormde holten doen zich voor als: lo. seröse und synoviale 
Höblen, 2o. vasculare Baüme, So. Bindegewebsinterstitien, 4i>.Ya- 
cuolen der Lymphdrüsen, 5o. auf pathologischen Gebiete : Aèseesi- 
kohlen. Natuurlijk zou de beschouwing niet veranderen, al werd, 
200 als His zelf voor de comea verdedigde, etter in de bind- 
weefselcellen gevormd. Maar ik heb het oog op de tegenstelling 
van ettervorming alleen als functie van het middenste kiemblad, 
en nooit ab produkt van verandering der weefsels, welke uit het 
sensoriële of het trophische z^'n voortgekomen, b^v. als produkt 
van levercellen, of zenuwbuisjes , of lensvezels. 



4U 

Wanneer ik^nu mgn voorstelling omtrent do ettervor- 
xning in de konijnenlever nog kortelijk mag samenvatten, 
verkrijgt men het volgende : 

lo. In de twee eerste dagen zwelling der vormbestand- 
deelen , door vloeibaar of gestold vockt , met belangrijke 
wgziging van bloedsomloop en voeding, maar zonder dat 
men nog nieuwe vormbestanddeelen aantreft. 

2°, Op den derde en vierden dag in het interlobulaire 
bindweefsel rondom de doorgesneden vaten , dicht opeen- 
gedrongen , soms als een epithelium aaneenliggende , op 
ongekleurde bloedlichaampjes gelijkende cellen; uitzetting 
der intercellulaire gangen en verspreiding der nieuwe kleine 
cellen daarin. 

3o. Door verdere ontwikkeling van dit proces en re- 
gressieve verandering der levercellen verweeking , en etter- 
vorming. Eondom zulke „etterfoci" vindt men dan vooral 
een groote hoeveelheid bindweefsel , waarin alweder vele 
kleine ronde (etter) cellen. Door verderen voortgang van 
dit proces en vermeerderingen verdichting van het om- 
grenzende bindweefsel ontstaat blikbaar de eigene soms 
tamelijk dikke membraan „de membrana pyogenetica der 
ouden" welke men om leverabscessen en andere etterhol* 
ten bij den mensch dikwijls vindt 

De gang van zaken bij deze. bindweefsel- woekering , 
welke rondom suppurerende plekken , of in een chronisch 
ontstoken deel, ook zonder ettering, «oo bekend is, ligt 
nog als een moeielijk probleem voor ons; voor welks op- 
lossing onze kennis der normale bindweefselvorming even- 
eens naauwkeuriger moet worden. Terstond rgst daarbg 
de vraag op naar de beteekenis der ongekleurde bloed- 
cellen, en het aandeel van het reeds bestaande bind- 
weefsel, welks protoplasmatische bestanddeelen ongetwijfeld 
in omvang toenemen. De bindweefsel-woekering, schoon 



445 

voor de ontsteking en ettering in engeren zin van haar hy- 
pothetiscli gewicht beroofd, blijft Toor het ontstaan van 
de I, nieuwvorming", waartoe de ontsteking aanleiding kan 
geven, zeker van groot belang. Zoo zon door Cohn- 
heim's theorie der pyogenesis, tusschen hetgeen Vir- 
chow nntritieve en fonnatieve ziekteprocessen noemde, 
een veel duidelijker grens bestaan, dan tot nog toe kon 
aangewezen worden. 

Zoo het weldra gelukt om nog een meer positieve en 
duidelijke verklaring van het ontstaan der verandering 
van den bloedsomloop, als uitgangspunt der ontsteking, 
te verkrijgen, zal zonder twijfel door de feiten, in de 
laatste jaren ontdekt, een groot licht verspreid worden 
over een proces, waarvan men in het algemeen mag be- 
weren wat Cruveilhier van de phlebitis in 't bijzon- 
der zeide: „qu'elle domine toute la pathologie." 

Utrecht, 6 December 1867. 



NASCHRIFT. 



Ter bevestiging der meening, dat ongekleurde bloed- 
cellen uit de bloedvaten emigreren en dan door de lympha- 
vaten weer voortgevoerd worden kunnen, hetgeen door 
de medegedeelde waarneming van V on E ecklinghau se n 
reeds zoo goed als zeker was, moet ik nog wijzen op 
latere onderzoekingen van He ring (Sitzungsberichte der 
KaiserL Akad., Wien 1867). 

H e r in g heeft het feit gezien , en brengt het , zeer terecht, 
in verband met de zwelling der lymphatische klieren in 
de omgeving van ontstoken deelen. 



OVER DE INNERVATIE VAN HET HART, IN VER- 
BAND MET DIE DER ADEMBEWEGING, 



DOOB 

F- C. DONDERS. 



Vóór ettelijke jaren leverde ik eenige bijdragen over 
den invloed der ademhaling op den bloedsomloop 1). Op- 
merkzaam geworden op de beteekenis van den weerstand 
der veerkrachtige longen, die het overdragen van de 
spanning der lucht op de buiten de longen gelegen deelen 
verminderen met het bedrag van dien weerstand zelven, 
had ik dezen bij verschillende graden van uitzetting der 
longen gemeten en de drukking op het hart en de vaten 
der borstholte hieruit afgeleid. Zoodoende was gebleken, 
dat zelfs tgdens de uitademiug de drukking op het hart 
en de groote vaten negatief blijft, om allééu bi] sterke 
uitademingsdrukking, wanneer de spanning der lacht in 
de longen meer toeneemt dan de longen er van dragen 
kuimen, grooter dan één atmospheer, dat is positief, 
te worden. 



1) Zij zijn opgenomen in het NederlandBch Lanceti 1848 tot 
1851, 2« Ber. D, Y en YI, en voor een deel in ZeiUchrift fcLr 
rationelle Medecin» yon Heale «• Pfeufer, uit dieselfde jaren. 



447 

Uit dit gezichtspunt werd de invloed der ademhaling 
op den bloedsomloop onderzocht en trachtte ik van vele 
versch^nselen, onder anderen, van de diastolische zuiging 
van het hart, van de veranderingen der hartsperioden 
h^ diepe in- efn uitademing, van de met de ademhalings- 
phasen fluctueerende bloedsdrukking en van de hersen- 
bewegingen rekenschap te geven. 

lüjn uitnemende vriend Garl Ludwig toonde aan, 
dat tot verklaring van sommige dierversch^nselendew^- 
zigingen in drukking, als zoodanig, niet toereikend zijn, 
dat deze althans, bepaaldelijk op den duur der hartspe- 
rioden en de bloedsdrukking, haren invloed ook op indi- 
recte wijze doen gelden, en wel, naar hij aanneemt, door 
wigziging der circulatie in de medulla oblongata en eene 
hiervan af hankelijke prikkeling der nn. vagi. Mocht Lud- 
wigs verklaring nog betwistbaar zgn, zooveel was met 
zekerheid gebleken, dat de genoemde zenuwen in het 
verband der verschgnselen van bloedsomloop en adem- 
haling eene rol spelen, en hierin vond ik aanleiding, 
om dat verband met de betere hulpmiddelen, die ons 
thans ten dienste staan, op nieuw te onderzoeken. Bg 
dit onderzoek nu ontdekte ik eepige feiten, die voor de 
innervatie van het hart , in verband met die der adem* 
beweging, van genoegzaam gewicht z^n, om ze hier mede 
te deelen. 

I. Invloed der adenAewegingen op den duur der hartiperioden^ 
en in H hy»onder op dien van systole en diaetole. 

In mijn bovenbedoeld onderzoek handelde ik alleen 
over den invloed van diepe in- en uitademing. Die der 
gewone ademhaling liet zich met de hulpmiddelen, die 
m^ ten dienst stonden, bij den mensch althans, niet vast- 



448 

tellen. Geheel anders was het bij den hond, waar die in- 
vloed meestal zeer sterk is en bij het waarnemen yan 
den hartslag met de hand reeds was opgemerkt, vóór h^ 
in de curven der bloedsdrokking, door L ad wig het eerst 
geregistreerd, in volle klaarheid aan het licht kwam. De 
betrekking tot de ademhalingsphasen , die hierbg nog on- 
zeker gebleven was, werd eenige jaren later door Ein- 
brodt vastgesteld, die bij een nader onderzoek, op aan- 
sporing van Lndwig ondernomen, tot nitkomst ver- 
kreeg: dat in den regel de frequentie t^dens het inademen 
toeneemt, tijdens het uitademen afneemt. 

Toen Marey een gemakkelijk middel had aan de hand 
gedaan , om de adembewegingen te registreeren, wenschte 
ik nu ook bij den mensch haar verband tot den duur der 
hartsperioden te leeren kennen. Het onderzoek , waaraan 
ik zelf deel nam, droeg ik op aan den Heer van der 
Heul 1.) De lezer zal zich herinneren, dat de hartslagen 
en de adembewegingen gelijktgdig geregistreerd werden, 
en dat de vergezellende trillingen eener stemvork daarbg 
dienden als chronoscoop. Tegen de methode is, meen ik, 
niets in te brengen. Het resultaat nu was: dat, bij rus- 
tige ademhaling, de hartsperioden tijdens het uitademen 
allengs langer worden, met dien verstande, dat de langste 
tot in het begin der inademing vallen kan , en dat zg van 
hier tot aan. het begin der uitademing steeds in duur 
afnemen. 

Bij onze eerste pogingen gaf deze methode bg den hond 
geene resultaten. Maar het onderzoek voortzettende, ver- 
kreeg ik juist bij dezen de schoonste en leerrijkste cur- 
ven. Om den hartstoot goed te registreeren, moet men 
aan de vivisectie-tafel, waarop de hond gebonden is. 



1) Zie dit TijdachrifU D. m. bl. 137. 



449 

eene zoodanige helling geven, dat het hart tegen den 
borstwand rust. Hier appliceerden wij nu een klein 
werktuig, eigenlijk een vereenvoudigden stethoscoop van 
ISlönig, dat wij hehtkusien noemen zullen. Het be- 
staat uit een metalen schoteltje , van den vorm van een 
diep horologieglas, waarover twee lagen zacht caoutchouc 
gespannen worden. Tusschen deze lagen wordt ónder zekere 
spanning lucht gebracht, zoodat ze een luchtkussen vor- 
men, dat de gedaante heeft eener biconvexe lens. In den 
bodem van het schotelije opent zich een kort buisje, tot 
verbinding met de caoutchouc-buis van den cardiograaph. 
Om de hartslagen te registreeren, appliceert men dit kus- 
sen ter plaatse, waar ze met de hand het duidelijkst te voelen 
zijn. Tevens kan men de adembewegingen op een der bg 
van der Heul beschreven vrijzen laten opschrijven. Bij 
zwakke honden , en vooral bij konijnen, biedt de pneumo- 
graaph van Marey, die wij bij den mensch gebruikten , 
te veel weerstand en belemmert de adembeweging. Hier 
nu voldeed ons luchtkussen voor de adembeweging schier 
even goed als voor den hartstoot : 't is voldoende , dit op 
eenigerlei wijze tegen den borst- of buikwand te bevestigen. 
Bg applicatie op de borst worden niet zelden hartstoot 
en adembeweging door hetzelfde luchtkussen voldoende 
geregisteerdl). Op deze wijze verkregen wg een tal van 
curven, als onderstaande fig. 1. 

E is de curve der respiratie (waarop ook van de hart- 
slagen iets te zien is); H. die der hartslagen, 5, 6, 7 
enz. ; S de trillingen eener stemvork (33.6 trillingen in 1''). 

Om den invloed der respiratie-phase aanschouwelijk VQor 
te stellen, werden de in tienden van trillingen uitgemeten 



1) Het luchtkussen met veerkrachtige buis, die tot in het 
oor reikt, is ook zeer geschikt, om bij zich zelven en anderen 
het spiergerTiisch te hoorén. 



450 



hartsperioden als oidinatea op eene absdsBe gebtaeht, 
(fig.2) 

Fig. L 




boven de vergezellende adembew^ng B. De nnmmers 5» 
ö , enz, op de abacisse zijn de hartslagen ; de orditial 




5\ 6', en2. vert^nwoordigen den dnnr der hartsperioden, 

respectieveligk tnsschen de hartslagen 5 en 6, 6 en 7, enz. 

Terw^l in dit geval 7 hartsperioden P op ééne adem- 



451 



halii^ B komen, volgt de kortste periode op den eeoaten, 
de langste op den derden slag aa het begin der ini^irtttiey 
on nn worden de periodea weör korter en korter, Bonder 
dat het b^;m der inspiratie op den gang ingrijpt 

Een tweede geval, waarvan' wg hier de eorve laten 
volgen, betreft een hond, waarbg vier weken te voren 

JB||4iMakaroiBaii 
en #A de kortste periode met het begin 
ling samen ; de langste (meestal reeds de vol- 
gde, soms de tweede) ging, evenals boven, aan de 
inademing vooiaf (verg, fig. 3 en 4 , analoog aan 1 en 2.) 

Fig. 3. 




^cuw.'■^^\N^^'^^\'Hm 



Op fig. 2 en 4 komen tegenover a eene tweede reeks 
van pnnten 5", 6", enz. voor. Hunne afistanden van de 
abscisse vertegenwoordigen den dnnr der contracties van 
het hart. Men lette op den vorm der hartscurve van fig. 
1 en 3: dnidel^k is in een plotseling stagen en in een 
even plotseling dalen voor iederen hartslag het begin en 
het eind der contractie te zien. De duur a der contractie 
kon dus voor iedere periode ^piden uitgétdd (na het trek- 
ken van bogen uit de aanvanga-f unten van stgging en 

30 



452 



daling naar de atemvorklgn, zooals op figuixr 3 geschied 
is) en weid als 1\ 8" enz. op de fig. gebracht Wg zien 
nUi dat a voor alle perioden genoegzaam even lang is, 
zoodat het verschil in dunr de pauzen treft Een gering 
VBESohil levert echter ook a op. Van een geheelen om- 
IKg.4.1) 




gang namen wij de 5 langste en de 5 kortste periodw, 
en vonden nu gemiddeld: 



Trilli 
P 


ingen 

a 


1. Langste periode 12.7 


. 5.08 


Kortste „ 9.1 


;4.84 


2. Langste . 20.83 


6.18 


Kortste „ 14.8 


6.10 



1) Dese fignur is ingekort: het aantal trillingen^ er TÓór ge- 
plaatst, geeft de ware lengte der ordinaten aan. 



453 

Opmerkelgk is het, dat a en «, bg den eenen en b§ 
den anderen hond, veel minder verschillen dan A en A 
(de dnnr der palizen) of P en P (die der geheele perio- 
den): dit strookt met hetgeen ik bij den mensch zoowel 
voo| verschillende personen als bij dezelfde persoon onder 
verschillende omstandigheden^nit de hartstoonen afleidde l), 
Wg zouden van talr^ke proeven van gelijken aard hier 
nog de uitkomsten kunnen mededeelen ; maar wij zien er 
van af, omdat z^ in de hoofdzaak met de reeds vermelde 
en, wat den invloed op de geheele periode betreft, met die 
van Einbrodt overeenstemmen. Bovendien zullen wg 
later , bg het onderzoek van den iavloed der adembe* 
wegingen op de bloedsdmkking, gel^nheid hebben, een 
tal van curven te zien, waaruit ook het verband der 
adembewegingen tot den duur der hartsperioden blgken 
zal. Yoorloopig vermelden wg hiervan alleen, dat bg 
zeer lange respiraties, waarop 20 en meer hartsperioden 
voorkomen, deze nauwelgks eenig verschil ia duur op- 
leveren. Ook Einbrodt had dit reeds gevonden, en 
wanneer wg vroeger de juistheid dezer uitkomst betwg- 
felden, omdat die duur op de curve van den kwikzilver- 
manometer gemeten was, thans hebben wg, door gelgk- 
tgdig de hartslagen te registreeren met den cardiograaph, 
ons overtuigd, dat de aanwgzingen van den manometer in 
dit opzicht nauwkeurig genoeg zijn. Yoor het oogenblik 
behoeven wg niet in nadere bgzonderheden omtrekt die 
curven te treden. 

De vraag deed zich nu voor, hoe de invloed der 
adembeweging op den duur der hartsperioden te verkla- 
ren zg. In mgne oude bgdragen heb ik medegedeeld en 



1) Verg. dit Igdschnfli O. I, bis. 189. 

80« 



454 

nu teelal beyefitigd {gevonden , dat b§ diepe inademing de 
polMlagen zeldzaiber worden, doms 2el& geheel yerdw^- 
nen. Dien invloed meende ik direct te mogen afleiden 
liit de drukkingsverandering op het hart Thans is echter 
gebleken, dat, in zoover de gewone adembeweging de 
freq^aentie wijzigt , die invloed een tegengestelde is. 
Hy is dus zeker niet direct uit de dmkkmgsverhonding 
te verklaren. Einbrodt nu trachtte aan te toonen, 
d^t prikkeling van den n. vagns daarbg in het spel 
is. Deze zon door het tem^ehonden venense bloed bg 
de nitademing ontstaan, om bij de inademiog weder te 
verdwenen. Stellig bewezen is het door de beweging 
van ontbloote hersenen en zeKs van groote fontanellen, 
— beide door mg ook met het luchtknssen geregis- 
tteerd, — dat tijdens het uitademen de drukking in 
de hersenen toeneemt en de bloedsomloop dus gewijzigd 
#ordt, en men heeft daarom alle recht, daarbij aan eene 
gewijzigde prikkeling der op het hart werkende zenuwen te 
denken. Wanneer Einbrodt nu verder vond, dat, na 
doorsnigding der nn. vagi, de invloed der adembewegingen 
op de hartsperioden geheel heeft opgehouden , en dat bg 
honden de stilstand van het hart, door veriioogde 
luöhtsdrukkmg in de longen teweeggebracht, bg ontlasting 
van aderlgk bloed uit de venae jugulares verdwgnt, 
dan ligt het voor de hand » tot de tusschenkomst der nn. 
tagi lid besMten. — Maar hoe hiermede dan te rgmen, dat 
bg diepe, lang voortgezette inademing de hartsperioden 
langer worden en de slagen soms geheel uitblyven? 

Met het óog op deze vraag, scheen het mg van gewicht 
te onderzoeken, of adembewegingen bij geopenden thorax, — 
koze adembewegingen wil ik ze noemen, — ook invloed 
bebben op den duur der hartsperioden, of, algemeener 
gezegd, daarmede in verband staan. 



455 

Big de looze adembewegingen ontbreekt vooreerst de 
invloed van de aspiratie der boratkas. Verwedt zdch de 
thorax, de lucbt dringt vrg van buiten in , ssonder n^erk- 
bare verdunning te ondergaan, en de longen blgvei^ £|a- 
mengekrompen liggen. Ook de werking op de hersenen 
is uitgesloten, doordien noch de slagaderlijke bloedsdmk- 
king, noch de texngvoer van het aderl^ke bloed nit de 
hersenen worden gew^zigd« In weerwil hiervan kwam een 
verband der hartsperioden tot de adembewegingen te 
voorschgni dat ons zeer verraste. Het w^st op eene 

II, OeassociSèrde toerUng op het hart^ ig dig>e inademing. 

't Was niet moeielijk de verschijnselen, die wg wenschten 
te kennen, te registreeren. De borstkas werd, door het 
wegnemen van het middelste tnsschen twee ligaturen be- 
vatte gedeelte van het stemum en van een gedeelte der, 
ribben, ruim geopend. De ligaturen maakten het bloedverlies 
gering. Bij de eerste proeven werd ook het hartezakje 
verwijderd en het luchtkussen op het ontbloote hart ge- 
plaatst, bij latere proeven op het hartezakje zelfl 't Gelukte 
daarby, het luchtkussen zóó aan te leggen , dat bevestiging 
met de hand overbodig was, en dat de uitzetting der 
longen bij de kunstmatige respiratie geen belemmering 
ondervond. Een tweede luchtkussen, met een om ^et li^f 
geslagen veerkrachtigen band op de onderste ribben aaaor 
gelegd , registreerde de looze adembewegingen. 

In den regel werd nu het diei in den tQestw4 TW 
apnoea gebracht en de kunstmatige ademhaling onderhou- 
den tot het oogenblik , dat de cylinder werd in beweging 
gezet en het registreeren begon. De hartslagen volgden 
nu elkander gelijkmatig op, in perioden, bg de eerste proe- 
ven van 8 , later van 10, 12 ep meer tril)ingeiij De 



456 



apnoea dnnide meeetal 5 tot 12 sectinden: hierop volgdea 
adembewegingen, aanvankeligk klein, maar zeer r^elma« 
tig in grootte toenemende , aan het eind ook met afne- 
mende frequentie. Bg de eerste kleine adembewegingen 
bleef de rhjrthmns der hartsperioden nog onveranderd, maar 
allengs, dikwgls eerst na de achtste of tiende, werden de 
pauzen langer en langer. Hierbg deed zich nu het 
merkwaardige verschijnsel op, dat, na den hartslag, samen- 
vallende ongeveer met het begin der uitademing, de pauze 
buitengewoon verlengd werd. Die verlenging werd grooter 
en grooter bij iedere volgende adembeweging, en soms 
ontstond hieruit eene vaste verhouding tusschen het aantal 
adembewegingen en hartsperioden: zoo kwamen vaak twee 
hartsperioden op ééne ademhaling, een lange, nagenoeg 
aan het begin der uitademing, een korte aan hét begin 
der inademing beantwoordende ; in andere gevallen bleef, 
ten slotte, voor elke ademhaling slechts één hartslag over, 
samenvallende met de inademing of met den overgang van 
in- en uitademing, en deze verhouding duurde voort, 
tot er convulsies ontstonden, die noodzaaken de kunst- 
matige respiratie te hervatten: zelfs kon nog wel eens 
een hartslag wegvallen, zoodat voor twee adembewe- 
gingen slechts één hartslag overbleef. Ewam er onderde 
ademperioden door onbekende oorzaken eene bijzonder lange 
voor, dan was het aantal correspondeerende hartsperioden 
ook grooter, — altijd intusschen met de langste pauze bg 
het begin der uitademing, om van hier tot de volgende 
nitademing in duur af te nemen. Er was dus niets nood- 
zakelijks in die vaste verhouding, die slechts daarom vaak 
een tgd lang stand hield, omdat er na de lange pauze óf 
slechts voor één of zelfi9 voor géén hartslag tgd overbleef, 
alvorens de volgende inspiratie inviel, waarmede dan weder 
een lange pauze was voorbereid. — Doorsngding van een 



467 

der im.vagi had betrekkel^k weinig invloed ;doQr8ngding 
van beiden hief het verband tnsschende adembewegingen 
en de hartsperioden , die nn allen. even kort bleven, ten 
eenenmale op. Welke verandering overigens de dnnr der 
harts- en ademperioden daarb^ ondergaan had, 2sal nader 
worden gezegd. 

Wig laten hier nn de beschrgving van eenige proeven 
volgen, sommigen met afbeelding der cnrven, die de niikom- 
stien aanschouwelijk maken. Zij znllen mg ook gelegen- 
heid geven, op eenige uitkomsten te wgzen, die daarbij tevens 
verkregen werden. Omtrent die curven (FL IX) hebben 
wg slechts weinig op te merken. Zij werden getrouw 
gecopiëerd. Alléén werd, ia plaats van de stemvork-tril- 
lingen af te beelden, zooals hij 't begin van fig. 1 ge- 
schied is, slechts het aantal trillingen op eene rechte lijn 
S vermeld: in fig. 1 tot 10 zijn 100 trillingen nage- 
no^ = 3 secunden ; van fig. 10 tot 15 werd een andere 
stemvork gebruikt van slechts 15 trillingen in de secunde. 
H zgn de hartsperioden , B de respiraties: het stagende 
deel der lijn is de inspiratie , het dalende de exspiratie, 
welker begin scherp te zien is. De lijnen H, B enz. 
staan niet altijd juist onder elkander : de isochrone punten 
kunnen van de aanvangsbogen O, die met het registree- 
rend hef boompje zijn getrokken, met een passer worden 
uitgemeten; bovendien zijn hier en daar op de Ign der 
hartsperioden de punten i en e geplaatst, die isoohroon 
zijn met het begin van inspiratie en exspiratie. 

Proef L Bij een groot konijn, op den toestel van Giermak 
bevestigd, wordt een glazen buis in de trachea gebracht; de 
beide nn. Tagi met omringend celweefsel gepraepareerd en be- 
dekt gehouden; de thorax, na afbinding Tan hetstemnm boven 
en beneden , geopend , en de kunstmatige ademhaling onder- 
houden. Aanvankelijk wordt gemakkelgk, later moeiel^ker apnoea 



468 

Tolregeii. Hét ludiikiifsen wordt omniddeBök op het hart 
geplaatst en de bartsperioden worden tegelijk met de adembe- 
w^gingea door middel van den cardlograaph op het IgrmGgra* 
l^hioa geregistreerd, achtereenvolgens op vier bladen. 
. Blad h Omgang 1 en 2 dienen tot regeling van de grootte 
der uitslage»: door een zijdelings aangebrachte buis werd de 
kunstmatige ademhaling geregistreerd, hetgeen later bleek over- 
bodig te zyn. 

Omgang 3. Onvolkomen apnoea. 
> 4 Apnoea volkomen. 

Bij de eerste kleine adembeweging reeds eene verlenging van 
de pauze der hartsperiode. Later op iedere ademhaling slechts 
één hartslag, 7 maal achtereen ^ tot convulsies volgden. 

Blad IL Omgang 1 en S zgn merkwaardig, doordien sidi al 
^spoedig op iedere ademhaling twee bartsperioden vertoonden, 
«en lange samenvallende met de nit-, een korte samenvaUende 
.met de inademing. 

Omgang 2 is afgebeeld als Fig. 1 (zie PLIX). Het blykt, dat 
geene apnoea verkregen was; want reeds b\i het begin van den 
(Hngaagi waar. de kunstmatige respiratie werd gestaakt, zyn 
adembewegingen te zien, aanvankelijk klein, maar regelmatig 
grooter wordende , met verlenging ook der perioden : de eersten 
'duren slechts 20, de laatsten bijna 70 trillingen. Eerst na de 
negende ademhaling worden de bartsperioden van ongelyken duur. 
Afwisselend verschilt ook de vorm der hartslagen; maar dit ver- 
schil is uit den onmiddellijken invloed der thorax*beweging op het 
iuditkussen, dat in deze proef nog met de hand bevestigd werd, 
4e verklaren. 

Omgang. Z f 4 ea 5 hehoeven geen bgiondere vermelding. 

Blad EL Omgang 1. Spoedig na de apnoea zwakike respira- 
ties, met göringen invloed op de bartsperioden. In het midden 
van den omgang 'worden plotseling de beide nn. vagi doorge- 
sneden: onmiddellijk, verki^gen de ademperioden de dubbele 
lengte en worden de bartsperioden onregelmatig. In 

Omgang 2 zijn ze reeds volkomen regelmatig geworden, fre- 
quent en van geleken duur: de trage adembewegingen hebben, 



459 

• • 

na doorsnijding der nu. vagi, daarq> geen in?l0ed meer hoe- 
genaamd. 

In omgang 3, 4, 5 en 6, die telkens door kunstmatige respi- 
ratie waren voorafgegaan, vertoonen zich geen adembewegingen 
meer, en worden de hartslagen zwakker en zwakker, eindelijk 
ook langzamer en langzamer. 

Blad IV levert in een tal van omgangen verder een merkwaardig 
beeld van het stervende hart. De hartslagen worden al zwak- 
ker en zwakker en volgen elkander steeds trager op. Weldra 
ziet men tusschen twee contracties van boezem en kamer, twee, 
drie en meer samentrekkingen enkel van de boezems; ten slotte 
bleven alléén samentrekkingen der boezems over, die verder en 
verder uit elkander liggen en kleiner en ^kleiner worden: de 
laatste volgt acht seconden op de voorlaatste* 

Zoo Bterft het hart 6if dowrgesneim tfogi. 

Proef II. Kongn, op gelijke wgze behandeld; de nn. vagi 
eenigszins gepraepareerd, maar gedekt. De borstkas geopend; 
geen bloedverlies. Het luchtkussen wordt op het hartezalge ga- 
pbMtst en eenigszins geklemd onder de ribben, zonder te worden 
vastgehondeo. Een tweede luchtkussen wordt met een band om 
het bovenste deel van' den buik bevestigd tot het registreeren 
der adembewegingen. In den aanvang is gemakkelyk, bg de 
Isrtere omgangen moeielijker apnoea te verkrygen. 

Blad I. Omgang 1. Eerste gedeelte, langzame draai- 
ing. Apnoea, lang aanhoudende na het begin der draaiing, 
vraarmede de kunstmatige ademhaling gestaakt werd. Aanvan- 
kel^ kleine adembewegingen zonder eifeet op de hartsperiode; 
allengs grootere met sterke verlenging van die pauzen welke in het 
begin der extpiraüe valt. Tweede gedeelte. Op nieuw lange 
apnoea. Onder de sterke adembewegingen is eene enkele van 
langoren duur, waarin nu twee hartslagen vallen na dien met de 
lange pauze* Een paar malen is die pauze reeds verlengd , welke 
isochtoon is mét hei begin der extptraüe. 

Omgang 8. Lange apnoea verkregen. De derde adembewa- 



460 

ging toont reeds effect op het verlengen der hartspanse bij het 
begin der uitademing. 

Omgang 3. Wij vnüen dezen, in verband met F!g. 2, vrat 
nauwkeuriger beschreven. 

De vóór dezen omgang verkregen apnoea duurt slechts 3 
secunden; de respiraties beginnen zeer klein en stijgen met 
een groote regelmatigheid. De duur der ademhalingspoioden 
neemt eerst langzaam, daarna sneller (van minder dan éën tot 
ruim twee secunden) toe; daarbij wordt, merkwaardiger wijze, 
de duur der inademing niet alleen relatief, maar zelfs absoluut 
korter. Na de zevende inademing is de pauze der hartsperioden 
aanzienlijk verlengd , — juist waar de adembeweging de sterkste 
stijging heeft ondergaan. Nu vallen 6 malen achtereen op éën 
adembeweging regelmatig twee hartsperioden , een met lange pauze 
in het begin der exspiratie , een met korte pauze in de inspiratie. 
Eenmaal komen op twee adembewegingen slechts drie hartslagen , 
waaronder twee met langere pauzen achter elkander. Hierop 
herstelt zich weder de orde van twee P op R, telkens met 
kortere, maar toch ook verlengde pauze bij de inspiratie, lan- 
gere by de exspiratie. Eindelijk bij de laatste zeer verlengde 
en diepe adembeweging volgen, op éën hartslag met lange, twee 
hartslagen met kortere pauzen , en hierbij valt het begin der 
uitademing e ' reeds iu de lange pauze , — een bewijs , dat zij 
haren grond niet in de exspiratie vinden kan. Uit dezen omgang 
blijkt weder de neiging tot ontwikkeling van 2 P op R, maar 
tevens, — dat deze verhouding niet noodzakelyk is. 

Omgang 4. Deze geschiedde met snellere draaiing van den 
cylinder, waaruit het effect der eerste respiraties nauwkeuriger 
kon worden uitgemeten, maar waarbij de wenteling ten einde 
was, vóór dyspnoea met sterke adembewegingen v?as gevolgd. 
Het uitmeten leert, dat de zes eerste adembewegingen geen effect 
hebben op verlenging der pauzen. 

Omgang 5. Verg. Fig. 3. Het begin der curve is w^ge- 
laten, als genoegzaam overeenstemmend met Fig. 2. Merkwaar- 
dig is in fig. 3, dat de vijfde hier afgebeelde adembeweging 
eene zonder bekende oorzaak verlengde exspiratie heef);, waarin 



461 

nu, op de periode met lange panze, drie perioden met allengs in 
duur afoem^de pauzen volgen. Ook de eerste, achtste en negende 
respiratie hebben drie perioden met afoemenden duur der pauzen. 

Deze omgang toont bijzonder duideügki dat bepaal- 
delgk de eerste hartspanze , na het maTrimiiTn der inade- 
ming, de langste is, en dat bij lange hartsperioden dat 
TnaTinrmTn zelfs in het begin dier pauze vallen kan. 

Blad II. Omgang 1. Bijna geheel overeenkomstig met om- 
gang 3 van blad I, fig. 2. Lange apnoea. Eerst met de tiende 
ademhaling verlenging te zien der eerste hartspanze na 't maximum 
der inademing. Doorgaans 3 P op R met regelmatig afnemenden 
duur der pauzen, gerekend van het begin der uitademing. 

Omgang 2, met snellere draaiing. De apnoea duurt 36 
hartsperioden ; eerst van de elfde inspiratie is effect op verlen- 
ging der pauze te zien. 

Omgang 3. Er was geen apnoea verkregen. Nu werd de 
kunstmatige ademhaling gedurende de proef onderhouden, waar- 
van de beweging zich zoowel aan de curve der respiratie als 
aan die der hartsperiode direct mededeelde. De polsslagen zijn 
daardoor moeielijk te tellen, en de snelle golven der kunstmatige re- 
spiratie compliceeren de langzame looze adembewegingen van het 
dier, zoodat begin van in- en exspiratie niet scherp genoeg 
te zien zijn* , 

Omgang 4 en 5. Vergee^he poging, om de kunstmatige 
respiratie onzichtbaar te maken op de curven H en R. 

Blad ni. Omgang 1, Fig. 4. Geene apnoea te verkrijgen. 
Maar het was gelukt, de kunstmatige ademhaling zóó te onder- 
houden, dat er matige looze adembewegingen ontstonden, zon- 
der dyspnoea, en deze bewegingen te registreeren , zonder dat de 
kunstmatige ademhaling zich mechanisch aan de curve mede- 
deelde* De adembewegingen bleven van het begin tot het einde 
aan elkander gelijk , — ongeveer overeenkomende met de zevende 
ademhaling na apnoea, in de vroegere proeven, waarby de duur 
der inademing genoegzaam aan dien der uitademing gelyk is. 



462 

Van een effect der c^demhaling^hasen op den duur der hart»- 
perioden is b^deisneigenoeg normale adembevi}egingen niets te zien* 

Omgang 9. Geheel OTereenkomstig met omgang 1. 

Omgang 3. De aanvang gelijk aan omgang I en 2. Na de 
▼ijfde ademhaling worden de beide nn. vagi op eenmaal doorge- 
sneden. De hartslagen, die, bij het onderhouden van de kunst- 
> matige respiratie met kleine slagen, reeds regelmatig geworden 
waren, ondergaan hierdoor geene zichtbare verandering. De 
ademhaling wordt onregelmatig en het dier krijgt een paar 
schokken. Maar na W hartsperioden , ieder van 21 trillingen , 
d« i. na 12 secunden, is zij weder regelmatig geworden, aUéën 
nog iets versneld. Zij wordt na allengs een weinig langzamer : vóór 
het doorsnijden der nn. vagi duurde de periode 51 trillingen; de twee 
eerste regelmatige na de doorsnyding 89 en 42 trillingen ; in de 
vijftiende na de doorsnijding was de duur tot 64 trillingen gestegen. 

Omgang 4. De kunstmatige ademhaling wordt onderhouden 
tot het begin der draaiing van den cylinder. Er volgen 24 
ademhalingen en 60 hartslagen; hierop ontstaan hevige oon- 
vulsies, waarin het dier sterft: er zijn door artificiëele respiratie 
geene adembewegingen meer op te wekken, en de hartslagen 
verdwijnen op de wijze, boven beschreven. De hartslagen zija 
daarbij tot het oogenblik, waarop de convulsies ontstaan, volko- 
men onveranderd gebleven , zoowel in kracht als in duur der 
perioden. De respiraties daarentegen z\jn regelmatig dieper en 
dieper geworden, even als bij asphyxie, zonder doorsnijding der 
nn. vagi, insgelijks met steeds afnemenden duur der inspiraties, 
maar toch met dit onderscheid, dat de perioden van de 1* tot 
de 17« korter en korter en van de 17* tot de 24« langer en 
langer werden: de ,8* is van 68 trillingen, de 17* van 46, de 
de 24* van 73 trillingen. 

Proef ni. Het kon^^ gebonden op de vivi8ectie4afel , had 
vóór den aanvang der proef op iedere secunde ééne adembaliog 
en op éëne ademhaling byna vier pcdsslagen, 

De borstkas wordt geopend en de ademhaling kunstmatig on- 
derhouden. 



468 

Blad 1. Omgtmg I* Mtet het be^^n van den omgang irordt 
de kanstmatige t*espiratie gestaakt Er is geene apndea ver- 
kregen. De invloed der respiratie-phasen <^ den dunr der harts- 
perioden komt niet duidelijk aan den dag: de oorzaak blijkt te 
zijn, dat brj de eerste respiratie-phasen de dyspnoea ontbreekt 
en dat bij de laatsten op elke R slechts ëën P voorkomt ; eene 
buitengewoon lange R heeft echter 3 P met telkens kortere pauzen. 
De respiraties worden regelmatig dieper exk dieper en al spoedig 
ook minder frequent ^ de polsslagen steeds minder frequent. 

Omgang 2. Overeenkomst^^ met omgang I. Opmexkelijk 
bl^ft de geringe frequentie van den pols, waaraan het is toe te 
schrijven, dat in de laatste zes R, die de convulsies voorafgaan, 
door verlenging der pauzen aan elke R slechts ëën P beant- 
woordt, de eerste daarvan met 28, de laatste met 85 trillingen. 
Het begin vaa den hartslag valt samen met het begin der 
ini^iratie, die sledits 9 trillingen duurt 

Omgang 3. Al weder geeue apnoea. Even als 2« Aan de 
laatste elf adembewegingen beantwoordt telkens weder juist één 
hartslag, samenvallende met het begin der inspiratie. De kunst- 
matige ademhaling wordt nu hervat, vóór nog convulsies zyn inge- 
treden. Hierdoor worden spoedig de hartslagen weder frequenter. 

Veel heUwgr^ker is 

Blad n. Door sterker kunstmatige ademhaling wordt apnoea 
veriur^en. * 

Omgang 1. De kunstmatige ademhaling is met het begin 
van den omgang gestaakt Na 20 hartslagen beginnen de adem* 
bewegmgen, regelmatig sterker en sterker VTordende, aanvanke- 
lijk met perioden van afnemenden duur, bij het begin der dys- 
pnoea met perioden van toenemenden duur, zonder verlenging 
der inspiraties. Bij de dyspnoea komt op iedere adembeweging 
weinig meer dan één hartslag en van alle hartslagen zyn nu de 
perioden verlengd. 

Omgang 2, 3 en 4 zijn afgebedd als Fig. 5, 6 en 7. 

Omgang 9 (Fig. 5) komt genoegzaam overeen met omgang 1. 
Bij vergelijking met flg« 2 ea 3 wordt het duidelyk , dat hier de 
betrekkelijk geringe frequentie der hartslagen, reeds byhetbegia 



464 

der dyspnoea, tot byna gelijkmatige verlenging der hartsperio-" 
den onder den invloed der ademhalingsphasen moet aanleiding 
geven, zoodat de hartsperioden van het begin tot het einde 
regelmatig langer en langer worden: de 9 laatste adembewegin- 
gen, hoezeer van perioden met stygenden duur, hebben toch 
ieder slechts éën correspondeerenden hartslag, die weder nage- 
noeg met het begin der korte inademing samenvalt* In de 
voorafgaanden, waarin ongeveer S P op 2 R komen, is bg 
nauwkeurige analyse nog wel te zien, hoe de periode, die met 
het einde der inademing begint, het meest verlengd is. 

W^ zullen dezen omgang nog nader vexgelgken met 
omgang 3 en 4. 

Omgang 3. (Fig. 6). De linker n. vagus is doorgesneden. 
Na de apnoea ziet men eenige onregelmatige schommeling in 
de curve der adembewegingen, alvorens deze met regelmatig 
stijgende kracht aanvangen. De duur der adeihperioden, aan- 
vankelijk*^ gelijk aan dien van omgang 3 (Fig 4), wordt weldra 
grooter dan deze. Het aantal hartsperioden overtreft dan ook 
overal dat der adembewegingen, en de invloed der inspiratie 
op de verlenging der onmiddellijk volgende hartsperiode is 
daarom hier wedec meer dan eens duidelyk te zien. 

Omgang 4. (fig. 7). De beide nn. vagi zijn dooi^:esneden. 
Op den aanvang der respiratie-lijn ziet men nog de laatste kxcasU 
matige ademhaling (merkbaar ook op H) met de daarop vol- 
gende apnoea. . De eerste looze adembeweging na de apnoea is 
reeds betrekkelijk groot, en van de tweede af nemen zij zeer lang- 
zaam in grootte, en met toenemende snelheid in duur toe. De 
adembewegingen karakteriseeren zich bijzonder door snelle in- en 
uitademing en door lange uitademingspauzen. Zeer kenmeriiend is 
de gelijkmatige duur der hartsperioden, die door de adembevre- 
gingen volstrekt niet worden aangedaan en naar het einde, — 
na kleine onregelmatige bewegingen van het dier, die minder de 
hartslagen zelven dan den geregistreerden vorm wijzigen, en 
daarop gevolgde convnlsies, — slechts weinig langer zijn dan by 
den aanvang. 



465 

üit vergel^kiiig van fig. 5, 6 en 7 blijkt: 

1^ Gednrende de apnoea worden de hartsperioden in fig. 6 
een weinig, in fig. 7 aanzienlek korter dan in fig 5. Dit 
bewijst, dat de doorsnijding van één nervns vagus de harts- 
beweging een weinig, die van beiden in hoogeren graad 
frequenter maakt, — geheel onafhankelijk van de adembewe- 
ging en evenzeer van drükkingsverandering in de borst- 
holte door de kunstmatige ademhaling, zoo als bg niet 
geopenden thorax zou te wachten zgn. 

2^ Bg den overgang van apnoea in dyspnoea nemen 
de adembewegingen in kracht toe, maar in frequentie af, 
na doorsngding van één en vooral van beide nn. vagL 

8°. Na doorsngding van één der^beide nn. vagi (fig. 6) 
vertoont zich enkele malen nog de invloed eener diepe 
inspiratie in verlenging der pauze van den volgenden hart- 
slag, evenwel minder dan bij ongestoorde nn. vagi (fig. 5); 
van het samenvallen van P met B, zooals in fig. 5 
aan het eind 9 malen voorkomt, is nu geen sprake meer. 

4°. Na doorsngding der beide nn. vagi is de invloed 
der adembewegingen op den duur der hartsperioden geheel 
verdwenen, en nemen gedurende den omgang de hartspe- 
rioden slechts een weinig in duur toe, zooals ze in het 
geheele verloop der proef, ook bg oagakrenkte nn. vagi, 
plegen te doen. 

De invloed van doorsnijding der nn. vagi gedurende 
apnoea wordt aanschouwelijk in fig. 5. De ordinaten 
op eene abscisse (8 trillingen onder de figuur te zoeken) 
stellen den duur der hartslagen voor. De curven 1^ 2, 3, 4 
zgn de resultaten der omgangen 1 , 2, 3, 4 ; curve 1 b zonder 
doorgesneden vagi, 2 insgelijks, maar reeds ^ijn^ wegens 
het verloop van eenige minuten en de bij omgang 1 door- 
gestane dyspnoeai de hartslagen ndnder frequent geworden; 
3 is de curve na doorsngding van'ëéiit 4 die na door- 



466 



snijding van beide nn. vagL Indien de mu végi niet door- 
gesneden wai^o, aonden de perioden in 8 en 4 nog langer 
Fig. 5. geweest zgn dan die van 2, waarop sg 

volgd^i: de invloed van dooisn^ding 
op de verkorting der periode is dos 
onmiskenbaar. Opmerkeligk is het in- 
tosschen, dat in 't begin der apnoea 
de verschillen ved geringer ssqn en 
eerst duidelijk voor den dag komen, 
wanneer de period^i van 1 en 3 tegen 
't einde der apnoea wat langer gewor- 
den sgn» 



In bovenstaande proeven lag het 
bewgs, dat bg iedere adempeijode een 
prikkel uit het zenuwcentrum in de 
baan der nn. vagi naar het bart ge- 
leid wordt, die tot verlenging vooral 
van ééne hartspauze voor iedere adem- 
beweging aanleiding geeft. Die lange 
pauze valt , zooals wïg zagen , door- 
gaans in het begin der uitademing; 
'somtgds echter was z^ reeds vóór het 
begin der uitademing aangevangen. In 
verband met een vroeger onderzoek, 
waarbij gebleken was, dat prikke- 
ling van den n. vagus niet op het- 
zelfde oogenblik het hart tot stilstand 
brengt, kon hieruit worden cqigemaakt, 
dat de prikkeling der nn. vagi in het 
centraal-orgaan reeds tgdens de in- 
ademing" plaats greep. Wg besifeten 
nu, ons hiervan te vergewissen, door» 



467 

sa doorsnijding der beide nn. yagi , het peripherisohé stok 
door inductie-slagen te prikkelen, op het oc^nbUk, dat 
bij de dyspnoea de inademing begon. Dit geschiedde reeds 
op het konign, dat ons de bovenstaande resultaten van Blad I 
en van 4 omgangen van Blad II gegeven had, en wel in 
omgang 5 en verder op Blad III en IV. Terwijl het dier 
in apnoea verkeerde , werd alles voor de proef ingericht. 
De zenuw werd op de electroden gebracht , en aan den 
interrupteur van den slede-toestel was een haartje beves- 
tigd , dat z^ne 102 trillingen, d. i. 204 inductie-slagen, 
in de secunde registreerde. De primaire stroom was ge- 
opend, en die behoefde slechts gesloten te worden, om 
terstond den interrupteur in bew^ing te stellen 2): bij 



1) Op het Toorbeeld van Fflüger (üntersnohnngen aus dem 
pbysiologischen Laboratorium zu Bonn, 1865 S. 26 n. f.) werd de 
eerste werking van yagnsprikkeling op de hartslagen hier reeds 
vóór gemimen tijd onderzocht. De methode was eene andere» ik 
mag wel zeggen meer nauwkeurige, de tijd werd juister gemeten 
en . het resultaat werd verkregen, zonder dat het hart door een 
naald verwond werd, eenvoudig door applicatie van hetluohtkus- 
sen, uitwendig op den thorax. De uitkomst verschilde nu ook van 
die vanPflüger: altijd was, bij het konijn, de pauze, volgende op 
den eersten hartslag na de prikkeling reeds verlengd (verg. Pro* 
ces-verbaal van de gewone vergadering dor Slon. Acad. van 
Wetenschappen, Afd. Natuurkunde. 26 April 1867). De Heer P rahl 
med. cand heeft dit onderzoek voortgezet en zal daarvan het onder- 
werp maken zijner dissertatie. D: zal er daarom hier niet meer van 
zeggen dan ten goeden verstande mijner proeven wordt vereischt, 

2) Het openen en sluiten geschiedde in den primairen stroom , 
om de triUingen van den stroombreker te kunnen registreeren. 
Big voorkeur brengen wij anders den sleutel in den seoundairen 
stroom, hoofdzakelijk, om den buitengewonen sterken openings 
slag te vermijden, die big de laatste opening ontstaat: de Helm 
holtz'sche modificatie is voor dien slag illusoir. Thans hebben 
we een inrichting getroffen, om de beide draden van den seoon* 

31 



M8 

opening kwam hg dan weer in mat Wanneer nn de 
Ikdembew^ingen na de apnoea aanyingen , werd by h^ 
b^in van iedere inademing die primaire stroom een 
oogenblik gesloten: hierdoor werden telkens ongeveer 30 
trillingen y d* L 60 indnctie-slagen verkregen, waarvan 
vterke verlenging van eene pauze, a&emende in de vol- 
gende, het gevolg was. De verlengde pauze kwam echter 
aanmerkel^k vroeger dan Uj de adembewegingen, zonder 
vagn8-doox8n|ding: blijkbaar viel de prikkeling in het 
oentraal*orgaan dos niet samen met het begin der inade* 
ming. Zooveel was op omgang 5 van Blad II gebleken. 
De proeven werden nu voortgezet op 

Blad III, in de verschillende omgangen, met een ve^ 
schil van afstand tusschen seonndairen en primairen rol 
van 21 tot 29 centimeters. Het effect was daarbij steeds 
afnemende, maar toch ook in omgang 5, bij een rolafstand 
van 29 centimeters (er werd maar één Grove'sche cel 
gebmikt) , nog zeer merkbaar, zooals fig. 8, pi. IX aantoont 
De Hjn Y is de stroombrekende veer, waarop de verkregen 
trillingen, tot gemak van den graveur, slechts als ver- 
dikking der lijn zijn afgebeeld. 

Bij vergelijking met fig. 2 en 3 blgkt, dat het effect 
ook hier te vroeg komt : het begin der uitademing valt 
namelijk ongeveer in het midden der verlengde pauze , 
niettegenstaande de prikkeling soms eerst na het begin 
der inademing aanvangt. Men ziet verder, dat door deze 
kortstondige prikkeling (eindigende trouwens met een 
kraohtigen opeuingsslag, verg. noot 2 van bl. 467) ook 
de pauze van den tweeden hartslag nog verlengd is. 



dairen stroom gel^ktijdig af te breken en het moment te regi«- 
treoren: een anker, dat den Beoondairen stroom alnit, wordt 
door de eleotromagneet van een tweeden stroom opgeheren en 
teekent het oogenblik van stijging op. 



469 

Ik ging nn uit van de onderstelling, dat de prikkeling 
in het centraal-oigaan blijvend is, maar eerst bij heè 
einde der inademing tot eene belangrijke hoogte stijgt, 
en om het efifect hiervan na te bootsen, werd en bleef 
de primaire stroom gesloten bij een rolafstand van 35 
cent. , waarbij het effect op vermindering der hartslagen 
nog niet of nauwelijks merkbaar was. Zoodra nn na de 
apnoea sterke adembewegingen tot stand kwamen , ver: 
schoof ik den secundairen rol tijdens het inadeiyxen meft 
toenemende snelheid naar den primairen, tot op een zeker 
punt, om hem tegen het uitademen plotseling op 35 
centimeter terug te trekken. 

Op blad in, omgang 1 , geschiedde de verschuiving tossebeh 
35 en 29 centimeters, en werd nauwelijks eenig eifect hierTati 
waargenomen. 

Omgang 2. Roherschuivuig van 35 op SU cent. vertoonde 
eene verlenging der pauze, tamelijk overeenkomstig met de b|j 
geassocieerde prikkeling in het centraalorgaan vvaargenomene 
(bijv. met fig. 3). 

In omgang 3 gelakte mij de verschuiving van den rol, in 
verband met de adembeweging, nog volkomener, en verkreeg 
ik een resultaat (PI. I üg, 9), dat zich in geenerlei opzicht on- 
derscheidt van het directe physiologisch effect bij niet doorge- 
sneden^nn. vagi. 

Hiermede was bewezen, dat de prikkeling der nn. 
vagi in het centraalorgaan tegen het einde der inademing 
haar nuudmum bereikt. 

Omgang 4 was gelijk aan omgang 3, maar minder goed gelukt. 

In omgang 5 werd, om de twee adembewegingen, de rol S 
cent. ingeschoven en telkens slechts bij het begin der inademing 
de primaire stroom een oogenblik gesloten. Zoo bleek het effect 
van verschillende intensiteit der inductie-slagen, waarvan vrij de 
nadere uiteenzetting aan den Heer Prahl overlaten. 

31* 



470 

Het konijn had ons meer dan voldaan. Het werd verder ge- 
bezigd , om nog eens de wijze van sterven van het hart door 
asphyxie bg doorgesneden nn« vagi te registreeren. 

Dezelfde resnltaten werden nog op tal van konijnen ver- 
kregen : zij bleken geheel constant te zijn. De proeven wer- 
den vervolgens op honden verricht, waarop gelijktijdig ook 
nog de bloedsdrakking werd geregistreerd. Het bleek, 
dat bij honden niet gemakkelijk apnoea te verkrijgen is* 
Ook wad het vertragend effect der inademing minder sterk 
dan bij konijnen, maar toch even zeker en regelmatig. 
Kanwkenriger nog dan bij konijnen konden wij opmerken, 
dat eerst bij samentrekking der halsspieren , bepaaldelijk 
b^ die van den stemo-mastoidens, de vertragende werking 
op de hartspauze een aanvang nam. Wij meenen ook een 
dezer proeven op honden te moeten mededeelen. 

£ Blad I. Bij een kleinen hond , gebonden op de vivisectie-tafel, 
schommelt het kwik zilver in den manometer, verbonden met 
de arteria cruralis, in verband met de ademhaling, tusschen 
80 en 137 mill. drukking. Die schommelingen worden geregis- 
treerd op het kymographion en tevens, op de gewone wijze, 
de adembewegingen. De inspiratie geschiedt snel, de exspiratie 
langzaam, onder medewerking der uitademingsspieren en na- 
genoeg gesloten stemspleet (het dier kreunt). Op iedere adem- 
haling komen eerst 12, later 15 hartslagen. De stijging van het 
kwikzilver begint een oogenblik vóór de exspiratie onder den in- 
vloed der bij de inspiratie ontstaande kortere perioden, en daalt 
op het midden tusschen exspiratie en inspiratie , om bij het be- 
gin der inspiratie nog sneller te dalen en even vóór de volgende 
exspiratie weder te stijgen. In een anderen omgang wordt kort 
na het begin der exspiratie een buitengewoon lange pauze waar- 
genomen, waarbij de manometer aanzienlijk daalt. 

Thans wordt een tubus in de trachea gebragt, zoodat de 
stemspleet niet meer kan vernaauwd worden en sterke uitade- 



471 

mingsdrakking onmogelijk is. Tegenover het sternnm is de 
huid reeds verwijderd en het dier geeft teekenen van pijm 

Blad 2. Omgang 1. De adembeweging is na firequent: zij 
duurt slechts 8 trillingen (van 15 trillingen in de secunde); 
de duur der inspiratie staat tot dien der ezspiratie ssa 5 : 3Vs* Op 
twee adembewegingen komen 5 hartslagen voor. De blDedsdruk- 
king schommelt slechts tusschen 116 en 122 mill.: zij rijst hij 
de uitademing en daalt bij de inademing. 

Omgang % De wijde luchtbuis wordt met den vinger gedeeltelijk ge- 
sloten. Terstond wordt de periode der adembewegingen langer =13 
trillingen ; duur der inspiratie staat tot die der exspiratie =s7.7 : 5.3. 
Op iedere ademperiode 3 tot Si/, hartsperioden. Het kwikzilver 
schommelt tusschen 126 en 143, stijgende juist bij de exspiratie , 
dalende juist bij de inspiratie. Op de tweede helft van den omgang 
wordt de aderobuis weer vrijgelaten , en schier onmiddellijk herstelt 
zich de rhythmus van de adembewegingen van omgang 1. 

Omgang 3. De borstholte is geopend: de kunstmatige respi* 
ratie wordt bij het begin van den omgang gestaakt. Er is 
apnoea verkregen. De bloedsdrukking is aanzienlijk gedaald, 
blijft op gelijke hoogte in de apnoea, maar stijgt, zoodra de 
adembewegingen beginnen, allengs 40 millimeters. De looze 
adembewegingen, die onmiddellijk na de apnoea reeds groot 
zijn, hebben geen invloed op de bloedsdrukking; ook de hart- 
slagen blijven aanvankelijk zeer gelijk. Dyspnöea wordt ook niet 
bereikt, omdat wegens het in elkander vervtrarren der schrijvende 
hefboompjes, de kunstmatige ademhaling hervat wordt. Op het 
zelfde oogenblik komt het schrijfpennelje van den manometer ' 
weder vrij, en dit daalt thans, onder het voortzetten der kunst- 
matige ademhaling, met merkwaardige gelijkmatigheid tot aan 
het einde van den omgang. 

Omgang 4. De apnoea duurt slechts twee seconden; De 
bloedsdrukking is weder laag , maar begint met of zelfs iets 
vóór de eerste adembeweging te stijgen. De eerste adembe« 
weging is reeds groot, even als in omgang 3. In het tweede 
gedeelte van dezen omgang wordt de kunstmatige ademhaling 
in matigen graad onderbonden, zoodat er looze adembewegingen 



412 

ootstwi yaa 19 trillingen, bij bartsperiodea van 4 trillingen. 
De bloedsdrukking blyfl luerbij op gelyke hoogte met merkwaar- 
de regelmatigheid^ de hartaperiodea ala kleine golven regis- 
treerende : de l\jn der bloedsdrukking komt overeen met die 
eenex' langzaam trillende stemvork. 

Blad IQ. Omgang 1. B^j^het onderhouden der kunstmatige 
ademhaling komen regelmatige looze adembeveegingen voor van 
23 trillingen, waarvan 13 op de inspiratie, 10 op de exspiratie, 
met hartslagen onveranderlijk van byna 5 trillingen, en eene 
gelijkmatige bloedsdrukking, waarvan de golven weder als de 
trillingen eener stemvork geregistreerd worden. 

Omgang 2» Er is eene korte apnoea verkregen ; weldra ont- 
staan looze adembewegingen. Deze worden sterker en sterker, 
waarb\i de hartsperioden zoo goed als onveranderd blijven, totdat 
op eenmaal aan het einde eener sterke inademing eene zeer lange 
pauze verkregen wordt, gevolgd door kortere perioden, die even- 
wel allen langer zijn dan de voorafgaande. , Bij eene tweede diepe 
inademing herhaalt zich hetzelfde. Intusschen was de bloedsdruk- 
king reeds stijgende geweest, vóór de diepe inademing met ver^ 
lenging der hartspauze zich voordeed. 

Omgang 3. Verschilt van omgang 2 hoofdzakelijk door allengs 
toenemende verlenging der pauzen aan het einde der inspiratie 
(fig. 10.) De artifidëele respiratie is aangehouden tot bet begin 
van den omgang. Er z\jn terstond looze adembewegingen zicht- 
baar , die regelmatig sterker en trager worden , — met lange 
nademing ea korte uitademing, by de laatste ad'emperioden 
|door eene pauze gevolgd. Sterker en sterker herkent men den 
invloed der diepe inademing op de verlenging van eenige peri- 
oden, vooral van de eerstvolgende. Hetzelfde is beter nog zicht^ 
baar in de bloedsdrukking, die met de djspnoea gestegen was, 
maar telkens by de lange hartspauze een sterken val doet. Om- 
trent de hartslagen moet worden opgemerkt, dat de sterke 
uitslagen tegenover de inademing zoo niet geheel, toch grooten- 
deels onmiddellijk afhangen van het mechanisme der adembe- 
weging^ dat lichtel\p|; een kleine drukking op het luchtkossen 
van het hivrt ten gevolge had. 



«3 

Omgang 4 ia merkwaardig door de gelijkmaiiga stQging der 
bloedsdrukking als kleine polsgolven op eeoe rechte lyn, zeer 
kort nadat de kunstmatige ademhaling, waarmede de omgang 
was aangevangen , werd gestaakt. Hetzelfde is bij herhaling 
opgemerkt. De bloedsdrukking y die het Itiagst is hj^apnoea^kan 
reeds stjjgen, vóór de adembewegingen beginnen ^ siygt verder 
met deze^ vooral bij hei ontstaan van dyspnoea^ om b^ hd toif- 
ken hiervan , onder den invloed van kunstmatige ademhaJting , 
Moeder zeer regelmatig te dalen ^ tot op nieuw apnoea verkregen is^ 

Deze proeven werden op vele andere dieren herhaald, 
zooveel mogelijk met omkeering der orde, en zondeir 
nitzondering werden daarb^ dezelfde resultaten verkregen. 

Wij zien hierdoor met zekerheid vaalgesteld, dat tegen 
het einde eener diepe inademing eene vertragende werking 
op het hart wordt uitgeoefend, en dat deze het gevolg 
is eener prikkeling, die de nervos vagns in hetoentraal- 
orgaan ondervindt op hetzelfde oogenblik, dat daarvan 
de impulsie tot diepe inademing ni^aat. De werking 
is gebonden aan de impulsie, als zoodanig, geheel on*» 
afhankelijk van eenig effect, dat de bewegingen te wee^ 
brengen. Zij moet dus beschouwd worden, als geassocieerd 
aan die bewegingen zelve, alvast wanneer die bewegin- 
gen het gevolg zijn van een toestand van dyspaoea. 

Het is bekend, dat de vertragende zenuwen van het 
hart, die in de baan van den n. vagus verloopen, uit 
den n. acceasorius Willisü afkomstig zijn. Schiff was 
reeds tot dit resultaat gekomen, en de ondexzoekingen 
van Heidenhain laten hieromtrent geen twgfól over» 
De n. aocessorius nu geeft, behalve de vezelen, die in 
den n. vagus ovei^aan om het hart te bereiken, takken 
af aan verschillende spieren, die bj diepe inademing ia 
werking treden. Bepaaldel^k by het kongn worden^ be^ 
halve de spieren van pharynx en larynxi de nmi». atorne- 



474 

mastoidei, cleido-mastoidei en cacallariis door den n. ac- 
cessorins van takken voorzien. Opmerkelijk nu is het, dat, 
jnist wanneer deze spieren zich bij stggende dyspnoea samen- 
trekken, de vertragende werking op het hart wordt waar- 
genomen. Dit is ons gebleken bij het kon^n en niet minder 
dnidel^k big den hond. Wij hebben ons ook overtuigd, dat 
het niet de samentrekking dezer spieren is, die de pauzen 
van het hart verlengt, hetzij door drukking op de vaten 
of zenuwen van den hals , hetzg op andere w^ze: het effect 
op het hart vertoonde zich even duidelijk, wanneer w| 
de spieren hadden doorgesneden, en eene indirecte wer- 
king, uitgaande van hare contractie, zoodoende volkomen 
zeker hadden uitgesloten. W^ kunnen dus het verkr^en 
resultaat eenvoudig formuleeren , als volgt : dat bg sterke 
dyspnoea de geheele n. accessorius in de periodieke im- 
pulsie tot inademing begrepen wordt, en dat derhalve 
de vertragende werking op het hart in allen deele ïb 
gelijk te stellen met eene geassocieerde beweging. Wg 
vinden hier een voorbeeld eener aan de werking van 
willekeurige spieren verbondene associatie in het voe- 
dingsleven. 

III. Befleetoriêci' onderdrukte noerUng van het centrum 
der vertragende hartzenuioen. 

In zijn belangrgk onderzoek over de adembewegingen, 
heeffcBosenthal aangetoond, dat bij prikkeling van het 
centraal-einde van den n. vagus tetanische samentrek- 
king van zekere inademingsspieren wordt verkregen. Die 
tetanus zou echter niet in alle inademingsspieren tot stand 
komen, maar slechts in diegenen, waarop de impulsie tot 
inademing reeds werkzaam was. In den toestand van 
dyspnoea moet die tetanus dus alle inspiratores treffen. 



475 

Bosenthal noemt niet in het b^zonder de spieren, die 
door den n. accessorins worden beheerscht. Maar ik 
meende te mogen aannemen, dat de door hem gevonden 
regel ook op deze zou van toepassing zijn. Daarom wUde 
ik beproeven, of, in den toestand van dyspnoea, bij 
prikkeling van het centraaleinde van den nervus vagas, 
met de contractie dezer spieren de vertragende werking 
van het hart zich insgel^ks zou doen gevoelen. 

Bg deze proeven stuitte ik op één bezwaar: de onze- 
kerheid van den invloed der genoemde prikkeling op de 
ademhalingsspieren, Bosenthal heeft vooral gewaar- 
schuwd tegen stroomlissen en unipolaire ontlading. Doch 
hiervan kon in onze proeven geene sprake zijn: de 
afleiding van de onderste electrode naar de ijzermassa van 
het gebouw, waarop Dr. Place in zgne dissertatie (1) 
reeds met een woord heeft opmerkzaam gemaakt, waar- 
borgde ons hiertegen ten volle. Intusschen het bezwaar 
viel weg; want, welk eflPect wg bg het tetaniseeren 
mochten verkrggen , hetzij stilstand der adembewegingen, 
in diepe, in oppervlakkige, of in twijfelachtige inspi- 
ratie, hetzg voortduring der adembewegingen met ver- 
traging of versnelling, hetzij de borst in tetanus werd 
opgeheven en alléén het diaphragma kleine bewegingen 
voortzette, — het eflfect op de hartsperioden was onver- 
anderlijk hetzelfde: was er door dyspnoea vertraging 
ontstaan, prikkeling van het centraal-einde van den n. 
vagus maakte ze terstond frequenter. In meer dan vgftig 
omgangen bij verschillende dieren, zoowel bg honden als 
konijnen, werd zonder uitzondering die uitkomst verkre^ 
gen. In denzelfden omgang kon drie tot zesmalen de 
vertraging en de versnelling, resp. na het beginnen en 



1) Over de contraotie-golf der spieren. 1866. 



476 

het eindigen van prikkeling, worden opgemerkt. Werd 
de prikkeling lang voortgezet, en steeg daarbg, wegens 
onvoldoende adembeweging, de dyspnoea, dan werden de 
pauzen regelmatig weer iets langer, om eerst bij de krachtige 
adembewegingen, die met het ophouden der prikkeling 
ontstaan, de vroeger beschrevene buitengewone verlen- 
ging der pauze tegen h^t einde der inspiratie te doen volgen* 

Deze proeven leiden tot het merkwaardig resultaat: dat 
in den nervus vagus vezelen voorkomen , die door reflectie 
de werking der centrifugaal werkende vertragende hart- 
zenuwen in dezelfde baan onderdrukken. In den toestand 
van apnoea en zelfs bij de gewone adembewegingen, zoo- 
lang niet door een begin van dyspnoea de hartslagen 
verlangzaamd z^n« heeft de prikkeling van het centraal 
einde van den n. vagus geen invloed hoegenaamd op de 
frequentie der hartslagen. Het is dus eerst de verhoogde 
werking, in het centraalorgaan der vertragende ssenuwen 
ontstaan, die. door de aangewende prikkeling cmderdrukt 
wordt Had de invloed op andere wijze plaats, bgv. door 
tusschenkomst der vaatzenuwen, dan ware hij evenzeer 
te wachten, waar ook geene vertraging der hartswerking 
was voorafgegaan, en dan zou ook de invloed niet uit- 
blijven, wanneer de tweede n. vagus was doorgesneden. 

B^ het resultaat, dat in de baan van den n. vagus 
vezelen verloopen, die door centripetale werking de haxt< 
slagen versnellen, zoowel als vezelen, die ze door cen- 
trifugale werking vertragen, lag het vopr de hand te 
onderzoeken, of het effect van prikkeling der laatste ook 
^door die der eerste kon worden opgeheven. Na dooi^ 
snijding dus der zenuw, werd het onderste einde zwak 
geprikkeld, zoodat eene duidelgke vertraging ontstond, 
en hiermede afwisselend krachtige prikkeling van het bo- 
venste uiteinde verbonden ; maar zoolang geeu spoor van 



477 

dyapnoea was gevolgd, altgd zonder merkbaren invloed. 
Die uiikomst bevreemdde ons niet. Integendeel wg 
hadden ze niet anders gewacht W^ stelden ons namelijk 
voor, dat door prikkeling van het centraal-einde de ver- 
hoogde werking in het centraalorgaan werd onderdrukt, 
maar geenszins de vertraagde werking in het hart zelf, 
en bij onze prikkeling van het peripherisch uiteinde van 
den n. vagus bestond slechts deze laatste, terwijl de 
perste geheel ontbrak. 

In geval de versnelling der door dyspnoea vertraagde . 
hartslagen alléén bij niet geopenden thorax voorkwam, 
was er nog eenige grond te vermoeden, dat de adembe- 
wegingen, hetz^ door drukkingsverandering in de borst- 
holte, hetzij door secundair den bloedsomloop in de her- 
senen te wijzigen, hierbij eene rol spelen. Maar duidelijk 
en standvastig vooral is het effect bij geopenden thorax , 
met z^ne looze adembewegingen, waarbij andere mode- 
ficeerende factoren zijn uitgesloten en de proeven gemak- 
kelijker bij alle graden van dyspnoea kunnen geregeld 
worden. Daarenboven hebben wig in onderscheiden curven 
verkorting der hartspauzen geconstateerd, vóór de prik- 
keling nog verandering in de adembew^ng had voort- 
gebracht. 

Al de genoemde resultaten werden met de grootste 
zekerheid verkregen , en wg zouden ze voor eiken graad 
van dyspnoea, en voor prikkeling in verschillenden graad, 
zoowel door blijvend als door intermitteerend tetaniseeren, 
alles met geopenden en gesloten thorax , met de verkregen 
curven kunnen staven , vreesden wg niet te uitvoerig te 
worden. Wij bepalen ons daarom bij de^ vermelding van 
eon. paar proeven en het afbeelden van enkele vormen. 



478 

Proef V. Groot konija; glazen buis in de luchtpijp, de nn. 
vagi gepraepareerd ^ de thorax geopend. 

Blad I. Omgang 1. Artificiëele respiratie toto; geen volkomen 
apnoea. De respiratie zeer frequent, en bij de allengs verlengde 
hartsperioden kan daarom de invloed der respiratie-phasen zich 
niet doen gelden. 

Omgang 2. In het algemeen overeenkomstig met 1. Aan het 
einde der curve is het getal respiratie-perioden grooter zelfs dan 
dat der hartsperioden. 

Omgang 3. Bij de snelle respiratie-perioden ontwikkelt &ch 
hier al spoedig één hartsperiode op^iedere adembeweging, evenals 
vroeger bij de inspiratie invallende , en van tijd tot tijd blijft 
zelfs tegenover eene adembeweging *een polsslag weg. Om dit te 
doen zien, wordt een gedeelte dezer curve als fig. 11 afgebeeld, 
waarop dit bij 't begin en bij 't einde voorkomt. 

Omgang 4. Door artificiëele respiratie wordt de apnoea voort- 
durend onderhouden en daarbij een der nn. vagi doorgesneden: 
onmiddellijk na de doorsnijding komt eene veel en eene tweede 
weinig langere pauze voor, waarop dan weer frequente hartslagen 
volgen van gelijken duur als de voorafgaande. 

Omgang 5. (Het middelste gedeelte afgebeeld als fig. 12.) Kunst- 
matige respiratie tot o. Lange apnoea, regelmatige verlenging 
der respiratie- en der hartsperioden* Irritatie , met rolafstand 
van 24 centim. bij gevolgde verlenging: onmiddeü^k na den 
eerstvolgenden hartslag verkorting der pauzen en verlenging der 
ademperioden. 

Blad IL Omgang 1. Kunstmatige respiratie tot o; korte 
apnoea, aan het einde dyspnoea. In de dyspnoea prikkeling van 
het centraal-einde van den n. vagus, met 24 centimeters rolaf- 
stand: vertraagde^ onregelmatige adembewegingen, kortere harts- 
perioden, die bij voortgezette prikkeling allengs weder langer worden. 

Omgang 2. Prikkeling i^et rolafstand 16; overigens hetzelfde. 
Kort na de prikkeling eene groote adembeweging en daarop stil- 
stand, terwijl de hartsperioden aanzienlijk korter zijn dan vóór 
de prikkeling. 

Omgang 3. Prikkeling met rola&tand 13; overigens hetzelfde: 



479 

Kort na de prikkeling een groote adembeweging , en daarop stil- 
stand , terwijl de hartsperioden veel korter zijn dan vóór de 
prikkeling. 

Omgang 4. Kunstmatige respiratie tot 10 secunden vóór o; 
overigens hetzelfde: bij vergevorderde dyspnoea ziet men na den 
aanvang der prikkeling weder een groote snelle inspiratie, gevolgd 
door matige exspiratie en stilstand, de hartslagen tevens frequenter. 
Vóór de prikkeling kwamen op 4 respiraties slechts 3 hartspe- 
rioden, vmarbij, zooals van zelf spreekt, de invloed der respiratie- 
phasen op de verlenging eener pauze niet kan aan den dag komen. 

Omgang 5. Artifidëele respiratie gestaakt 20 secunden vóór 
o; overigens als omgang 4. Prikkeling van het centraal einde 
van den n. vagus, bij begonnen dyspnoea, geeft weder terstond 
verkorting der reeds verlengde hartsperioden en, na eene snelle 
respiratie-beweging, langdurigen stilstand, slechts door twee 
adembewegingen afgebroken , die geen invloed toonen op den duur 
der hartsperioden. Na het staken der prikkeling terstond weder 
langere hartsperioden en onregelmatige adembewegingen. 

Omgang 6. Het luchtkussen, dat de adembewegingen regis- 
treert , wordt bij deze proef van den buik op het bovenste ge- 
deelte van de borst verplaatst. Kunstmatige respiratie tot 20 secun* 
den vóór o. Met o z\jn de adembewegingen reeds aangevangen : 
zy zijn langzamer, en nu komen regelmatig weder twee hartslagen 
op ëéne ademperiode, eene met lange pauze, geïnduceerd door 
de inademing, eene met korte pauze. Kort na de prikkeling eene 
diepe snellere inademing, gevolgd door uitademing en daarop 
stilstand, afgebroken door eene enkele, later door onregelmatige 
adembewegingen. Bij het prikkelen worden de hartslagen ter- 
stond frequenter, en de eerste adembeweging na de prikkeling is 
reeds zonder vertragende werking op de hartsperiode. Aan het 
einde worden, in weerwil der voortgezette prikkeling, de harts- 
perioden onder het stijgen der dyspnoea allengs weder iets langer. 

Blad in. Omgang 1. Kunstmatige respuratie tot o ; lange 
apnoea, allengs adembewegingen met verlenging der hartsperioden. 
In dezen omgang wordt vooreerst geprikkeld bij de apnoea, zon- 
der eenig gevolg op de lengte der hartsperioden ; tweedens na 



480 

óé eente zichtbare req^ratia-bewegiiigeii , die daariiQ nordén 
oftderdrakt, maar in^geiyks londer eenigen invloed op den daar 
der hartsperioden; derdens na den terogkeer van sterke adem- 
bewegingen met eenige Terlen^g der hartspanzen , die na door 
de piikkeliag weder joiet tot haren oorsprankelijkai door wor- 
den teruggebracht; tierdens na krachtiger terogkeeren der 
adem-bewegingen , met nog sterker Terlenging der hartqperio- 
den, die nu by prikkeling weder onmiddellijk korter worden, 
hoezeer de adembewegingen niet meer zoo volkomen worden 

onderdrukt. 

« 

Omgang % In dezen omgang wordt 5 malen de prikkéfing 
gedurende 6 seconden hervat, telkens met eene pauze van 6 
secundi i en even duidelyk is telkens het effect der prikkeliog 
zoowel op het onderdrukken der adembewegingen ak op het ver- 
snellen der vertraagde hartsperioden. 

Omgang 3. Snellere en onregelmatig afwisselende prikkeling, 
die nu haren tweeledigen invloed slechts hier en daar duidelgk 
openbaart 

Omgang i. De hartslagen zijn zonder bekende redenen zeer 
langzaam geworden. De invloed der prikkeling is minder stand- 
vastig. 

Omgang 5. De tweede n. vagus wordt doorgesneden, 'zonder 
belangrijk efléct Prikkeling van het peripherische einde heeft 
nu ook geen werking meer. Het dier sterft 

Proef VI. Konijn ; glazen buis in de luch^^p ; nn. vagi ge- 
praepareerd ; thorax geopend , even als het vorige ; aanvankelijk 
met langzame draaiing van den cylinder, ten einde twee proe- 
ven op een omgang te kunnen registreeren. 

Blad L Omgang 1. Kunstmatige ademhaling tot o ; lange 
apnoea ; frequente adembewegingen, die allengs grooter en trager 
worden; gelijkmatige vertraging der hartslagen, waarvan ten 
slotte slechts één op elke adembeweging op de gewone plaats; 
convulsies. Het tweede gedeelte van dezen omgang, na her- 
nieuwde kunstmatige respiratie, toont weder apnoea, gevolgd 
door kleine frequente adembewegingeü , die van den beginne af 



481 

EtAb korter zijn dan de hartsperioden , en te gelijk met dese 
allengs langer worden* 

Omgang % Kunstmatige ademhaling tot o. Na de apnoea 
beginnen op nieuw zeer frequente adembewegingen (V3 Becunde)w 
Zij worden allengs langen Terwijl ze s/^ secunde bereikt heb- 
ben en de hartsperioden van 1/4 ^^^ Va secunde zijn voiengd, 
wordt ëén der nn. vagi doorgesneden, zonder blijkbaren invloed 
op de hartslagen; maar weldra worden de ademperioden langer, 
zoodat nu twee hartsperioden (een lange en een korte daaren- 
boven) op elke adembeweging voorkomen: in omgang 1, vóór 
het doorsnijden van den n. vagus, had bij de dyspnoea iedere 
adembeweging slechts ééne hartsperiode. — In het tweede gedeelte 
van dezen omgang vindt men ook weder langere ademperioden, 
hoezeer de omgang vóór het intreden van dyspnoea ten einde is. 

Omgang 3. Kunstmatige ademhaling tot o. Prikkeling van 
2V2 sek., met pauzen van 2Vs8ek. afgewisseld^ van het centraal- 
niteinde van den n. vagus, in de eerste helft met 17 , in de 
tweede met 13 cent* rolafstand: aanvankelijk zonder effect, maar 
regelmatig met verkorting der hartsperioden bij het prikkelen , 
nadat zij door het begin van dyspnoea verlengd waren; tevens 
neiging tot verlenging der ademperioden gedurende het prikkelen. 

Omgang 4. Dezelfde proef, rolafstand 13, maar met prikke- 
ling en prikkelingspauzen van 4 sec. : hetzelfde effect van versnel- 
ling der hartsperioden te constateeren bij de prikkeling ; verlang- 
zaming daarentegen van de ademperioden. 

Omgang 5. Dezelfde proef, met prikkeling en prikkelings- 
pauzen van slechts VI ^ sec; rolafstand 8: hoogst onregelmatige 
adembewegingen. Ook op den duur der hartsperioden is het effect 
van dit tetaniseeren met zeer korte intermissies diffuus geworden. 

Blad !!• Omgang i. Dezelfde proef. Kunstmatige ademhaling 
tot 8 sec vóór o; prikkeling en prikkeliugspauzen van 38 tril* 
lingen: gedurende het tetaniseeren telkens korte hartsperioden 
en onderdrukte adembewegingen , gevolgd door ééne zeer extensieve. 

Omgang 2. Dezelfde proef, by rolafstand 8 en met prikkeling 
en prikkelingspauzen van 50 trillingen : effect als boven. 

Omgang 3. Dezelfde proef, prikkeling en prikkelingspauzen 



482 

van 34 trillingen: zoolang de hartslagen niet vertraagd zgn, 
geen effect te zien ; maar onmiddelijk na de vertraging zes malen 
achtereenvolgens onderdrukking dei^. adembewegingen en ver- 
korting der hartslagen. 

Omgang 4. (Verg. fig. 13.) Kunstmatige respiratie tot 42 
sec. vóór o. Met o zijn de adembewegingen reeds begonnen. 
Prikkeling en prikkelingspauzen (tétaniseeren met 8 cent. rolaf- 
stand) van 3'/s sec, 7 malen op denzelfden omgang. De eerste 
maal worden de kleine adembewegingen onderdrukt, zonder invloed 
op de hartslagen ; de tweede maal, ademperioden verlengd en min- 
der extensief, met verkorting der hartsperioden , die vóór de 
prikkeling reeds iets verlengd waren. De derde maal, ééne krachtige 
snelle adembeweging onder het prikkelen en verkorting der 
hartsperioden. Voorts telkens bij elke prikkeling verkorting der 
hartsperioden, onderdrukking der adembewegingen en aan het 
einde der prikkeling een snelle diepe inademing. 

Omgang 5. In alle opzichten overeenkomstig met omgang 3. 

Omgang. 6. Nadat met het begin van dyspnoea de adembe- 
wegingen grooter en trager en de hartsperioden langer geworden 
waren, wordt de tweede n.vagus doorgesneden, met het gevolg, 
dat na de derde hartsperiode allen reeds aanzienlijk korter zyn, 
terwijl de ademperioden veel langere pauzen toonen, gedeeltelijk 
met meer extensieve beweging. 

Omgang 7. Na de apnoea zijn de adembewe^gen terstond 
grooter en langer dan in de vroegere omgangen (vóór de door- 
snijding), aanvankelijk vrij snel in grootte en duur toenemende, 
zeer weinig daarentegen in het tweede gedeelte van den omgang ; 
de hartsperioden zeer regelmatig, bij den aanvang van 5, aan 
het einde van den omgang 5V2 trillingen. 

Op het derde blad wordt de invloed van prikkeling van het 
peripherisch uiteinde^ >an den n. vagus onderzocht, waarover 
nader door den Heer Prahl. 

Proef Vu. Konijn; de rechter n. vagus gepraepareerd en 
laag doorgesneden, om het centraal uiteinde te prikkelen. De 



483 

adembewegingen worden midden op den buik R en boven op de 
borat R' met lachtkiusens geregistreerd ; in R waren tevens de 
hartslagen bijzonder duidelyk te lien, en hierom wordt het dier 
gebruikt voor proeven, zonder opening van den thorax. Als chro- 
noscoop dient de stemvork met i5 vibraties. Den eersten dag 
worden op dit dier 6 bladen verkregen, ieder van 6 of 7 om- 
gangen, en den volgenden dag, na doorsnijding van den tweeden 
n. vagus, op nieuw 6 bladen, bestemd tot vergelijking der effecten 
van prikkeling op verschillende w\jze en in verschillenden graad 
na doorsnijding van één en van de beide nn. vagL Het onder- 
zoek geschiedde vooral met het oog op de adembewegingen ; 
maar ook om den invloed van beginnende asphyxie (doorsluiting 
van mond en neus te weeg gebracht) en van prikkeling van het 
centraal uiteinde van den n. vagus bij gesloten thorax te leeren ken- 
nen. Voor de hartsperioden leverden deze proeven afdoende uit- 
komsten. In betrekking hiertoe kan ik mg bij de beschrijving 
van Blad Y van den eersten dag bepalen , en zal , om over de 
uitkomst juist te doen oordeelen , een der omgangen afbeelden. 
Blad V. Omgang i. Luchtwegen afgesloten by o. Adem- 
bewegingen allengs langzamer en intensiever, maar eenigzins on- 
regelmatig; hartsperioden zeer vertraagd. Prikkeling van het 
centraal-uiteinde, met 40 cent. rolafstand : adembewegingen zeer 
klein, hartsperioden veel korter, om by het eindigen der 10 sec. 
voortgezette prikkeling weder terstond langer te worden. Weldra 
volgen nu convulsies en worden de luchtwegen weder vrijgelaten. 
Omgang 2 Overeenkomstig met omgang i. In dezen omgang 
wordt eenmaal 7 en eenmaal 10 sec geprikkeld, telkens met het 
gevolg , dat de vertraagde hartslagen frequenter worden , en dat 
de adembewegingen byna geheel worden onderdrukt. 

Omgang 3. (fig. 15 stelt het begin van dezen omgang voor.) 
Na twee normale adembewegingen worden de luchtwegen 
gesloten , waarop de bewegingen trager en kleiner worden , om 
bij prikkeling met 10 cent. rolafstand (niet meer zichtbaar op 
de figuur) bijna geheel te worden onderdrukt, met daling der 
buiklijn R, en stijging der borstlyn R'. Bij den aanvang der 

32 



t 



4M 

prikkefing en 9 sec later, één kncklige 

wi den boiky gevolgd door onngolBWl 

loofauig de prikkefing nog dnort, bo het ophovden der prikkA» 

fing ipoedig voor regdmaUge plaats makende. De reedt icrtraagde 

hartslagen worden hq het begin der prikkeling frequenter, om 

hij de sterke ademhewegingen aan het eind veder te vertragen. 

Omgang 4. Overeenkomstig met oasgang 8, maar hg roia^ 
stand 12, waarbg flanwe adembewegingen voortiwstaaa, aoo- 
wel bij de eerste als bij de met eene pooae van 6 aec herhaalde 
prikkeling van 8 sec Bg ledere prikkeling, vooral bij de tweede, 
is verkorting der hartsperioden aeer in het oog loopend. 

Omgang 5. (Flg. 14) Van o af de Inchtweg^ afgesloten. 
De adembeweglogen sijn terstond trager en oppervlakkiger, met 
korte boikinademlng, waarbg de borst, waarscfaynlyk wegens 
negatieve drukking op de binnenvlakte, iminkt. De hartslagen 
worden al spoedig minder frequent, met buitengewoon verien|;de 
pausen op den slag na het maximum der huikinademing: Bij 
prikkeling terstond frequentere hartslagen , die na de prikkeliqg 
weder allengs vertragen, om door een tweede prikkeling op 
nieuw korter ie worden. Gedurende de prikkeling agn de adem» 
bewegingen kleiner en fi^equenter. R', de Ign der borstbeweging 
rijst bg de prikkeling hier minder dan in de volgende omgangen 
en vooral minder dan in 

Omgang 6. Prikkeling met rolalktand 67,. A^esloten hidit- 
wegen van o at Adembewegingen traag , hartsperioden wekira 
grooter. Bij de prikkeling terstond, met fi^uentere hartslagen, 
styging van R' en daling (passieve, door negatieve drukking 
op de bovenvlakta van het middelrif?) van R en daarop gelyk- 
tgdige, seer extensieve, snelle in- en uitadenüng, tegelijk op 
R en R' sichtbaar: de lucht wordt met een blaxend geruisdi 
uitgedreven. Zoodanige krampachtige adembewegingen komen 
ty sterke prikkeling van het centraal^inde der nn. vagi veel* 
vnldig voor en herhalen sicfa soms gedurende het prikkelen. 

Wy vingen de laatste reeks van proeven aan in de 



485 

onderstelling, dat prikkeling van het centraal-einde van 
den n. yagns, in den toestand van dyspnoea, te gelijk 
met contractie van de mm. cncullares , de sterno-mastoiiei 
en cleido-mastoidei, tot vertraging* der hartswerking zou 
aanleiding geven. Zooals men gezien heeft, was de uit- 
komst juist omgekeerd: bij alle graden en vormen vaü 
prikkeling en in alle graden van dyspnoea werden de 
hartsl^en frequenter. Zou hieruit volgen, dat aan dé 
samentrekking der genoemde spieren tot inademing bg 
dyspnoea geene werking op de vertragende vezelen van het 
hart zou zijn geassocieerd P In geenen deele. Wij kun- 
nen met dit laatste resultaat het eerste staande houden. 
Vooreerst gelukte het zeer zelden, door het tetaniseeren 
van het centrale uiteinde van den n. vagus de genoemde 
spieren in contractie te brengen: slechts éénmaal (onlangs 
een tweede maal) heb ik dit met zekerheid kunnen con- 
stateeren. Maar, ten anderen, kan juist door de thans 
gevondene onderdrukking der werkiug van het centraal- 
orgaan der hartsvertraging de invloed der vroeger gevon- 
dene associatie verborgen blijven. De beide feiten zgn 
dus onafhankelijk van elkander vastgesteld, weerspreken 
elkander niet en kunnen zelfs beide in verband staan 
met eene zelfregeling, omtrent welke ik mij voorshands 
van alle bespiegeling onthoude. 

In het bovenstaande komen eenige feiten en opmerkin- 
gen voor betrekkelijk den invloed van den n. vagus óp 
de adembewegingen. Hoezeer gaarne hulde brengende 
aan het verdienstelijke en nauwgezette onderzoek van 
Rosenthal, moet ik als mijn gevoelen uitspreken, dat 
daarmede onze kennis omtrent dit onderwerp nog geenszins 
tot rijpheid is gebracht. Ik zal daarom in een volgend ar- 
tikel mijne resultaten , die ik voor een deel ook nog nader 

ensch te controleeren, uitvoeriger mededeelen, terwijl 

32* 



4U6 

ik mij thans tot de yermelcling van een enkel feit bepaal: 
ik bedoel den invloed van periodieke prikkeling na door- 
snijding der beide nn. vagi. De adembewegingen zijn 
na de doorsn^ding langzaam en diep geworden: nu k&n 
men door jnist geregelde periodieke prikkeling van het 
centraal-einde van een der nn. vagi, ze zoodanig w^zi- 
gen, dat z^ in dnor en omvang weder gelijk worden 
aan hetgeen zij waren vóór de doorsnijding der zenuwen. 
Zijn dan ook, in normalen toestand, denn. vagi in hunne 
peripherische uitbreiding aan periodieke prikkeling onderwor- 
pen? — Op deze vraag hoop ik weldra het antwoord te geven. 

Nadat ik de associatie der vertragende hartzenuwen 
met de werking der meermalen genoemde spieren bij de 
aan dyspnoea eigene diepe automatische inspiratie had 
leeren kennen, kwam de vraag bg mij op, of willekeu- 
rige samentrekking dier spieren niet van gelgk effect zou 
vergezeld gaan; en, inderdaad, — bij de eerste krachtige 
contractie der mm. stemo-cleido-mastoidei verdween bij mij 
zei ven de pols geheel en al, nadat eenige zwakke, evenwel 
niet duidelijk vertraagde slagen waren voorafgegaan. Ver- 
scheidene mijner vrienden, o. a. Dr. Snellen en Dx. 
Engelmann, hebben zich b^ mij van dat effect over- 
tuigd. Toch is het niet constant. Vaak genoeg heb ik 
op alle wigzen getracht, het te weeg te brengen, door 
verschil in stand en houding van het hoofd enz., zonder 
dat het mij gelukte, en de grond van deze onbestendig- 
heid is mij verborgen gebleven. Thans herhaal ik de 
proef niet gaarne , omdat zij eenigen hinder bij m^ nalaat, 
en ik heb tot dusverre slechts een persoon gevonden, bij 
wien het effect even duidelijk was als bij mij zelven, 
maar nog inconstanter. Het feit interesseert mij genoeg, 
om het niet geheel uit het oog te verliezen. 



487 



IV. Twijfel omtrent de verklaring van den invloed der 
adembewegingen op den duur der Aarteperioden. 

Ons onderzoek ging uit van eene poging tot verklaring 
van bet verband tnsscben den duur der hartsperioden bij 
gewone en buitengewone adembewegingen. Zijn wij nu 
in staat daarvan rekenschap te geven P Ik durf het niet 
beweren. In den normalen toestand is die betrekking 
zeer gecompliceerd. Wij hebben niet enkel te doen met 
een direct verband tusschen de werking der betrokken 
zenuwen ; maar de ademhaling werkt eerstens mechanisch 
op den bloedsomloop door de longen en op den toevoer van 
bloed naar den thorax en naar het hart in het bijzonder, 
en tweedons brengt z^ eene wijziging mede in de circu- 
latie der hersenen, die haren invloed op de centraalor- 
ganen der in het spel tredende zenuwen kan doen gelden. 
Het is daarom niet vreemd, dat de buitengewone verlen- 
ging der hartspauze , aan de diepe inspiratie bij dyspnoea 
verbonden, zich in onze proeven bg niet geopenden tho« 
raz ook niet zoo regelmatig openbaarde. Trouwens gaan 
de' pogingen tot in- en uitademing, bij het afsluiten der 
luchtwegen, met buitengewoon sterke afwisseling van 
positieve en negatieve ademhalingsdrukking gepaard, en 
deze kan niet nalaten eiken anderen invloed meer of min- 
der te verbergen. Maar ook bij gewone zeer diepe inade- 
ming, zonder afsluiting der luchtwegen, moeten de effecten 
in de borstholte en wellicht in de hersenholte zich doen 
gevoelen ; en aan het gecompliceerde der hier werkzame 
factoren meen ik te mogen toeschrijven, dat de wijzigingen 
der hartsperioden bij diepe meer of minder aangehoudene 
adembewegingen zoo verschillend uitvallen. Dit is mij inder- 
daad gebleken het geval te zijn. Het vroeger hieromtrent 
door anderen zoowel als door mij zelven medegedeelde 



488 

moge in het algemeen juist zijn, de yerschijnselen moeten 
veel nauwkeuriger worden onderzocht en wel geregistreerd, 
tegeligk met de beweging van borst en buik en met de 
in* en uitademingsdrukking , om met goed gevolg tot 
eene analyse en verklaring over te gaan. Yind ik een 
mijner discipelen bereid, hieraan zijne krachten te wijden, 
dan hoop ik later hierop terug te komen. 

Inmiddels is ook de door Ludwig en Einbrodt 
gegeven verklaring van het verlengen der hartsperioden 
tijdens de exspiratie mij twijfelachtig geworden. Aan- 
vankelijk dacht ik aan eene geassocieerde zenuw werking, 
zoo als ik bij de diepe inademing in den toestand van 
dyspnoea gevonden had. Maar noch bij konijnen noch 
ook bij houden, wier hartsperioden in de onderscheidene 
respiratie phasen zoo verschillend van duur zijn, werd bij 
geopenden thorax eenige invloed van de gewone adem- 
beweging opgemerkt : eerst bij dyspnoea kwam die te voor- 
schijn en wel, zooals wij gezien hebben, op geheel eigen- 
aardige wijze. Terwijl nu bewezen is, dat bij niet geo- 
penden thorax de tusschenkomst der nu. vagi wordt 
vereischt, had de verklaring van Ludwig zeker veel 
aannemelijks. Het bloed wordt werkelijk bij de exspi- 
raiie eenigszins in de hersenholte teruggehouden, en veneus 
bloed heeft de eigenschap door prikkeling van het cen- 
traalorgaan der vertragende hartzenuwen de hartsperioden 
te verlengen. Maar hiertegenover stond, dat eene kleine 
uitademingsdrukking bij gesloten mond en neus, die nog 
veel sterker op het terughouden van het bloed in de 
schedelholte werkt dan de gewone exspiratie, op den duur 
der hartsperioden slechts weinig vermag, en dat, bg 
onze proeven met geopenden thorax , de hartslagen, wan- 
neer de adembewegingen reeds ^e normale grootte hebben 
verkrègea en bet bloed du8 reeds tamelijk veneus 



489 

was, meestal xu^ geene merkbare vertraging hebben 
ondergaan. Ik besloot daarom eenige proeven te nemen 
oret den invloed van periodiek terughonden van bet 
bloed in de hersenen , onafhankelijk van adembeweging, 
als op zich zelf staand verschgnseL Daartoe werd bg 
kon^nen onder de venae jugnlares extemae en intemae 
een don koord gebracht, hetgeen slechts even behoefde 
te worden opgelicht, om het Inmen geheel af te slniten. 
Terwigl nn de kimstmatige ademhaling werd onderbon- 
den, werd op deze wijze, zoowel in den toestand van 
apnoea als b^ meer of minder gevorderde looze adem* 
bewegingen, hetzij in bepaalde perioden van eenige se- 
cunden, hetzg in direct verband met die adembewegin- 
gen, de bloedstroom in de genoemde venae opgeheven, 
maar geen effect hoegenaamd op den dnur der hartspe- 
rioden hiervan gezien. Om allen afvoer van bloed uit 
de hersenen onmogel^k te maken, brachten wg op ge- 
l^ke wijze koorden om de beide venae cavae snperiores, 
hetgeen bij geopenden thorax zeer gemakkelijk geschie- 
den kan. Bg het verwgderen van het vetweefsel dat 
de rechter vens cava superior bedekt, werd vertra- 
ging der hartslagen waargenomen, zeker van irritatie 
der hier verloopende zenuwen afhankelgk; maar latere 
proeven op hetzelfde dier bewezen toch, dat de beide nn. 
vagi ongekrenkt hunnen vertragenden invloed deden gelden. 
Dezelfde proeven, op de venae jugnlares verricht, werden 
nu op deze groote venae cavae snperiores toegepast, en 
wel met hetzelfde negatieve gevolg. Was er dyspnoea, dan 
trad het gewone gevolg in der looze adembeweging ; was er 
geen , dan bleven de hartsperioden onveranderd. De ge- 
geven verklaring van het verlengen der hartsperioden bij 
de uitademing schijnt mg daarom nog eenigszins proble- 
matisch. Het ligt zeker voor de hand, aan eene inwer- 



490 

king te denken der adembewegingen op centripetaal gelei- 
dende vezelen in de borstholte, hetzij direct mechanisch, 
hetzg ingrijpend in de voeding, welke inwerking, door 
reflexie in de meduUa, zich op het hart zon kunnen 
doen gevoelen. Yan een veelzijdig onderzoek van alle 
factoren, zooveel mogel^k geïsoleerd, heeft men op deze 
en op vele andere vragen het antwoord te wachten. 

De slotsom is deze, dat het doel, waarmede het boven- 
staand onderzoek aanvankelijk werd ondernomen — de 
verklaring van het verband tnsschen de adembewegingen 
en den duur der hartsperioden — , in geenen deele is be- 
reikt ; maar dat inmiddels, onder anderen, twee niet ver- 
wachte feiten zijn gevonden, die voor het zenuwmecha- 
nisme van ademhaling en bloedsomloop niet zonder betee- 
kenis zijn: 

l^ Bij dyspnoea associeert zich eene met de inspiratie 
telkens sterk stijgende prikkeling van de vertragende 
zenuwen van het hart. 

2^ In de baan van den n. vagus verloopen centripetaal 
werkende zenuwvezelen, die de werkdadigheid van het 
centraalorgaan der vertragende zenuwen van het hart 
onderdrukken. 



PLAAT IX 

Verklaring der figuren. 

In alle figuren ii 
H, de curve der hartsperioden. 
B, ^ der ademperioden» 

8, de trillingen eener stemrorlc, fig. 1 — 9 van 83.6, fig. 9—15 
van J6 trillingen in 1/. 



491 

Y, de trillingen der Btroombrekende veer, door yerdikking der 
lijn aangegeven. (B^ alle proeven werd een Ghrore's oei gebmikt). 
t. Inspiratie. 
0, Exspiratie. 

Fig. 1. Konijn, thorax geopend, kunstmatige ademHaling ge- 
staakt bij den aanvang o der curven. Geen apnoea. Op 't laatst 
2 hartsperloden P op één ademperioden B. 

Fig 2. Zonijn, even als fig. 1. Apnoea verkregen. Eerste pauze na 
bet einde der inspiratie verlengd Op 't laatst veelal 2 F op B. 

Fig. 3. Kon^'n, even als fig. 1, maar 't begin der curve niet 
afgebeeld: er komt ééne lange ademperiode voor, die 4 hartsla- 
gen heeft, met afnemenden duur der pauzen, 

Fig. 4. Konijn, thorax geopend, kunstmatige ademhaling zaoht 
onderhouden, zoodat de looze adembewegingen in matigen 
graad gelijkmatig aanhouden, zonder wezenlijken invloed op 
den duur der hartspauzen. 

Fig. 6. Kon^n, thorax geopend, kunstmatige respiratie tot o: 
bij de verlenging der hartspauzen 1 P op B. 

Fig. 6. Hetzelfde konijn, na doorsnijding van één n. vagus, 4 
minuten later dan fig. 6: langere apnoea, tragere adembewe- 
gingen, met korte inspiraties, minder vertraagde hartsperioden. 

Fig. 7. Betzelfde konijn, na doorsnijding der beide nn. vagi, 
4 minuten later dan fig 6 : na de lange apnoea terstond groo- 
tere tragere adembewegingen met lange exspiratie-pauzen ; 
hartsperioden, hiervan geheel onafhankelijk en nauwelijks 
▼erlengd. 

Fig. 8. Hetzelfde konijn, alzoo na doorsnijding der beide nn. 
vagi. Kunstmatig verlengde hartspauze , door korte prikkeling 
van het peripherische einde van één der nn. vagi, met induc- 
tie-slagen, ongeveer bj 't begin van iedere inademing, na het 
ontstaan van djspnoea. 

Fig. 9. Hetzelfde konijn: voortdurende prikkeling van één der 
nn. vagi, met iedere inademing door verschuiving van den secun- 
dairen rol versterkt, tot nabootsing van den aan de inspiratie 
geassocieerden invloed der medulla oblongata op de niet door- 
gesneden nn. vagi. 

Fig. 10. Hond. Thorax geopend, kunstmatige respiratie, ge- 
staakt bg o. Onvolkomen apnoea. De sterk ^ hartslagen, nabg 



492 

]i6t einde vaix H> bq de groote adembewegingen • sgn Kip 

dmpte dnxklpog op bet Inobtkiusen toe te icbrijVen. 

B. de bloedtdruicking» weldra stijgende; na 't maximum der 

Toorlaatste inademing , b^' een seer lange pause» plaatiel^ke 

daling. 

Pig. 11. Eonyn. Tboraz geopend. Gedeelte eener cnrre, met 
frequente adembeweging bg dyspnoea, waarbg soms 2 BopP. 

Pig. 12. Eon^n. Gedeelte eener ourre, waarbij bet centraal- 
einde van een doorgesneden n. vagns geprikkeld is metindao> 
tte-slagen, nadat door djspnoea de bartsperioden zeer vertraagd 
waren (een vagus ongedeerd). 

Fig. 13. Konijn. Tboraz geopend. Kunstmatige respiratie tot 
12 sek. vóór o. AfWisselend tetaniseeren van bet centraal- 
eindo van een doorgesneden n. vagiu : b^ iedere prikkeling , 
na ontstane vertraging» versnelling der bartslagen, met onder- 
drukking der adembeweging (één vagos ongedeerd gebleven.) 

Fig. 14. Kon^n. Tboraz niet geopend; vr^e respiratie toto. 
waar neus en mond gesloten worden. Na ontstane vertraging 
tweemalen, met tusscbenpoozing, prikkeling van bet centraal- 
einde van één doorgesneden n. vagus. 

Fig. 15. Kon^n. Tboraz niet geopend. Na twee normale adem* 
bewegingen, bg | neus en mond gesloten, waardoor de adem- 
beweging en ook allengs d^bartslagen trager en langzamer 
worden, en de tboraz (B') invalt (door lucbtverdunning) bij de 
contractie van bet diapbragma. 



493 



KLEINE HEDEDEELINftEN VAN SEIENSDER AARD. 



T. Over de plaaiê van prikkeling in de 9f iervezel ^ hij 
duUing en opening van een eonetanien galvanieeien etroom^ 
door Th. W. Engelmann. Fflüger heeft aangetoond^ 
dat bg sluiting en opening van een constanten galvani- 
schen stroom, de irritatie niet op alle plaatsen van het 
intrapolaire zennwgedeelte tot stand komt, maar alléén 
aan de polen. De wet luidt aldus: de zenuw wordt 
geprikkeld door het ontstaan van katelectrotonus en het 
verdwenen van anelectrotonus. Het was de vraag, of 
ook in de spiervezel de irritatie b^ sluiting van den 
stroom slechts aan de negatieve pool, bij opening slechts 
aan de positieve plaats heeft Hierover zij n door v. B ez o 1 d 
en Aeby proeven genomen, v. Bezold kwam tot de 
conclusie, dat de wet, door Fflüger voor de zenuw 
vastgesteld, ook voor de spiervezel van toepassing is. 
Aeby daarentegen beweert, dat de irritatie én b^ slui- 
ting én bg opening van den stroom op alle plaatsen van 
het intrapolaire spiergedeelte geschiedt. 

Deze tegenstr^dige resultaten werden a%eleid uit proe- 
ven, dienaar slechts weinig verschillende methoden genomen 
werden, v. Bezold bepaalde den tgd, dien de contrac- 
tie-golf noodig heeft, om zich van een direct geprikkeld 
spiergedeelte naar een verder afgelegen stuk van dezelffle 
spiervezel voort te planten. Het oogenblik , waarop de 
contractie-golf hier aankwam, werd door de spiervezel 
zelve met een door de verkorting opgeheven hefboonqpje 
op den zwart gemaakten draaienden cylinder van het 
myographion van Helmholtz opgeschreven. Het moment 



494 

van sluiting of opening van den galvanisclien stroom 
werd op denzelfden cylinder geregistreerd. Wanneer 
nu de irritatie bij sluiting van den stroom aan de kathode, 
bg opening aan de anode plaats had, zoo moest, b^v. 
bg opening van den stroom, bet registreerend spierge- 
deelte zich vroeger contraheeren , als de kathode verder 
daarvan afgelegen was dan de anode, en wel zooveel 
vroeger, als de irritatie noodig had, om zich door het 
intrapolaire spiergedeelte voort te planten. Werd daar* 
entegen de spier op alle plaatsen van het intrapolaire 
gedeelte gelijktgdig geïrriteerd, dan moest bij sluiting 
en bij opening een gelijke tijd tusschen prikkeling en 
contractie verloopen , onafhankelijk van de richting van 
den stroom. Von Bezold vond het eerste; Aeby, 
die niet de verkorting maar de verdikking der spier door 
het hef boompje liet registreer en, nam het laatste waar. 
Ik ben in staat, eene proef mede te deelen, die op 
eenvoudige wijze het pleit beslist. 

De musculus sartorius van een kikvorsch wordt zuiver 
gepraepareerd , afgesneden, en aan het boveneinde, door 
middel van een klem, opgehangen. Plaatst men nu 
weinige millimeters beneden de klem eene electrode aan 
den rechter, de tweede aan den linker scherpen rand 
der spier, dan wijkt deze bij sluiting van den stroom 
naar de zijde der kathode, bij opening naar de zijde der 
anode af. Wanneer de stroom gericht is als in nevenstaande 
figuur, dan neemt de spier bij de 
sluitings-contractie de ligging S, b§ de 
openings-contractie de li^;ing O aan- 
De proef kan nog op eene andere 
wijze genomen worden. Men splitse 
de spier door eene snede, die weinige 
millimeters onder de klem eindigt, 




495 

in twee lengtehelften, en honde deze uitëén b. y. 
door middel van een glazen staafje, waarop de spier als 
een ruiter zit. B^ de sluiting van den stroom contra- 
beert zicb nu slecbts de aan de zijde der kathode , bij 
opening slecbts de aan de zijde der anode gelegene belft 
Verandert men door middel van een wip de ricbting van 
den stroom, dan verandert ook de sluitings- en de openings- 
contractie van plaats. — Men kan in stede van den m. 
sartorius ook andere spieren nemen, wier vezels parallel 
door bare gebeele lengte loopen. 

Op bet gelukken der proef heeft de plaatsing der 
electroden groeten invloed. Wel is waar kan men, ook 
wanneer de electroden op goed geluk aan de spier wor- 
den aangelegd, opmerken, dat de sluitings-contractie 
eene andere richting aan de spier geeft dan de openings- 
contractie; maar een overtuigend resultaat is slechts bij 
eene bepaalde ligging der electroden te verkrijgen. Deze 
wordt in de meeste gevallen spoedig gevonden, indien 
men slechts dddrop let, dat de electroden alléén den 
scherpen rand der spier, en zoo weinig mogelijk hare 
breede voor- of acbtervlakte raken. — Ten tweede 
mag de intenstiteit van den galvanischen stroom , ten 
minste bij spieren van booge prikkelbaarheid , niet te 
groot z^n. Meestal gebruikte ik één cel van Daniell, 
welker stroom door middel van een rheochord naar wel- 
gevallen nog verzwakt kon worden. Met een zwakken 
stroom verkrijgt men somtgds bij eene bepaalde ligging 
der electroden slechts de openingscontractie, en bij om- 
keering van den stroom de sluitingscontractie aan dezelfde 
zijde. Verschuift men dan de aan de andere zijde lig- 
gende electrode een weinig, dan komt weder sluitings- 
coD tractie aan ^q eene, opeoingscon tractie aan de andere 
zijde der spier tot stand. Dit wordt genoegzaam dddr- 



496 

door verklaard, dat van de oppervlakkig geldene spier- 
vezels enkele vroeger, andere later hare prikkelbaarheid 
verliezen. Raakt nu de eene electrode aan een groep van 
spier vezels, die reeds hare prikkelbaarheid hebben ver- 
loren , terwijl de aan de andere electrode gelegene vezels 
die nog hebben behonden, dan contraheeren zich ook 
slechts de laatste, en het hangt van de richting van den 
stroom af, of dit bij de slniting dan wel bij de opening daar- 
van geschiedt. 

De proeven gelnkken even goed bg normale spieren 
als bij zulke, die met curare zijn vergiftigd. Zij bewij- 
zen , dat de irritatie in de spiervezel bij slniting van een 
constanten galvanischen stroom aan de negatieve pool, 
bij opening aan de positieve pool plaats heeft. Wy be- 
zitten tevens in ons praeparaat een physiologisch rheos- 
koop, dat, even als de magneetnaald, niet alleen de aan- 
wezigheid, maar ook de richting van een electrischen 
stroom vermag aanjte toonen. 

II. Over den invloed van nürae argenti op de levende vaUn 
en op hel doordringen van bloedliehaampjeè , door N. J. A. C. 
Stemberg, med. cand. Bij prikkeling der cornea ziet men 
spoedig een tal van cellen in de cornea, overeenkomstig 
met ongekleurde bloedlichaampjes. Algemeen werd onder- 
steld, dat deze door cel ver meerdering in de cornea ont- 
staan. Onafhankelijk van elkander vonden nu onlangs 
Cohnheim en Becklinghausen met Hoffman, 
dat cellen uit de lymphatische vaten haren weg vinden 
tot in de geprikkelde cornea. Bij injectie , namelijk, van 
fijne cinnaber (Recklinghausen) of aniline (Cohn- 
beim) in lymphatische zakken van den kikvorschpoot 
treden deze moleculen, zoo als bekend is, in de lympha- 
cellen , en in de cornea werden , na prikkeling, nu weldra 



497 

cellen gezien, met klewstof kogeltjes bedeeld. Gohn- 
heim vond, dat m langs den weg d^ bloedyaten der- 
waarts worden gevoerd. Dit bracht hem tot de onder* 
stelling, dat zg .door de wanden der bloedvaten naar 
buiten treden. En^ werkelgk bleek, dat, wanneer het 
mesenterinm van den kikvorsch een tgd lang aan de 
lucht wordt blootgesteld, ongekleurde lichaampjes zich 
in de peripherische vaten ophoopen en al spoedig door 
de wanden der venae en zelfé van die der capillaria naar 
buiten treden. Later volgen gewoonlgk gekleurde li- 
chaampjes. Het geheele proces is door Cohnheim nauw- 
keurig beschreven en hoogst gemakkel^k te constateeren. 
Het werd ons, even als de overgang der kleurstofdeeltjes 
houdende cellen uit den lympha-zak in de geprikkelde 
comea, terstond na het bekend worden der resultaten 
van Cohnheim, door Dr. Engelmann getoond. 
Cohnheim is van meening, dat al de in het hoorn- 
vlies gevonden ettercellen uitgetreden bloedlichaampjes 
zgn; Becklinghausen zegt evenwel 'Dok eene vermeer- 
dering in loco, namelijk in de uitgesneden comea, gezien 
te hebben. 

Professor Donders vond het nu van gewicht, na te gaan, 
of de ettercellen bij syndesmitis mucipara eveneens di- 
rect uit de vaten afkomstig zgn, hetgeen hem a priori 
niet onwaarschijnlijk voorkwam. De merkwaardige invloed 
van nitras argenti, die eene gewone S3mdesmitis muci- 
para met slijmvermeerdering meestal spoedig bedwiogt, 
en, op een gezond bindvlies aangewend, tijdelijke pro- 
ductie van etter-slijm ten gevolge heeft, wenschte hg 
daarbg tevens onderzocht te zien. 

In de eerste plaats werd de inwerking van nitras 
argenti op de vaten van het mesenterium van den kik- 
vorsch nagegaan. Dit werd daartoe behandeld met op- 



498 

lossingen van één deel nitrasargenti in 4800, — 2400, — 480, 
48 en 12 deelen water. Wij merkten op, dat al de genoemde 
soluties, te beginnen met die van de sterkte van Vaisi 
(1 op 2400) contractie van den vaatwand voortbrengen. Het 
eerste effect, vooral waar te nemen bij behandeling met 
zwakke soluties, was verwijding van het vat, die slechts 
eenige oogenblik^en aanhield, om opgevolgd te worden 
door eene sterke samentrekking. Langzamerhand, vaak 
eerst na eenige uren, maakte deze dan weder plaats voor 
verwijding, zoodat ten slotte het oorspronkel^k lumen 

' doorgaans werd overschreden. De veranderingen golden- 
inzonderheid ^ de slagaderen ; de aderen werden meestal 
slechts weinig aangedaan. 

Bij slappe soluties werd de geringe contractie spoedig 
door verwijding opgevolgd. Over het algemeen waren de 
contracties, door sterke soluties verkregen, niet veel 
grooter; maar de vernauwing hield langer aan. Zeer 
sterke soluties, b. v. van V12, gaven bijzonder zwakke 
vernauwing, hetgeen waarschijnlijk is toe te schrijven 
aan den destrueerenden invloed van het zilverzout, op 
den vaatwand uitgeoefend. Hierbij werden de grenzen 
der epithelia op de bekende wijze zichtbaar. 

Behalve den invloed, dien nitras argenti op het lumen 
der vaten uitoefent, zagen wij, als onmiddellijk gevolg 
der contractie, een verminderd, zoo al niet geheel belem- 
merd uittreden der bloedlichaampjes : soluties van V«o en 
i/)0s beletten het nog niet geheel en al, maar beperkten 
het toch tot slechts enkele, terwijl eene oplossing van 
Viao het geheel en al opheft. 
Wij laten hier de uitkomsten van eenige proeven 

volgen. Het lumen werd b^ 150-malige vergrooting 

a doublé vue gemeten. 



499 

I. MeBenterinm yan den kikvorsch. Applicatie yan nitras 
argenti: b§ 1 deel op 4800 is de werking twijfelachtig. 



Tijd. Lumen der arterie. 


«nr. min. 






2 — 30 45 


millimeters : 150. 


2 — 32 45 


D 




2 — 35 45 


It 




2 — 33 45 


II 




2 — 40 45 


II 




2 — 45 47 


n 




2 — 48 49 


tl 




2 — 60 50 


n 




2 — 52 50 


n 




3 — 48 


n 




3 — 7 47 


II 




3— '13 48 


n 




3 — 25 50 


n 




3 — 45 50 


f» 




II. Ook bij 1 op 2400 i 


aog niet 


; dnidelgk. 


Tijd. Lnmen der arterie. 


au. Bia. 






3 — 49 


50 milL:150. 


3 — 51 


60 


II 


3 — 54 


48 


n 


3 — 57 


45 


n 


4 — 2 


45 


n 


4 — 15 


45 


9 


4 — 20 


45 


n 


Den volg. morgen 10^ — 40 


40 


II 


III. De -werking yan 1 op ! 


2400 is 


dnidel^ker b^ 


de volgende proef. 




Tgd. Lumen der arterie. 


Lumen der vena. 


■nr. ■!■■• 






10—5 70 mm. 




40 mm. : 150. 


10 — 10 70 „ 




40 „ 


10 — 15 73 „ 




38 „ 


10 — 20 80 „ 




40 „ 


10 — 25 83 „ 




43 „ 


10 — 30 81 „ 




45 „ 


10 — 32 81 „ 




45 „ 


10 — 33 78 „ 




50 „ 


10 — 36 73 „ 




55 „ 
33 



500 



Tgd. 


Lxuaen der arterie. 


Lumen der yena. 


mr. BÜB* 










10 — 88 


63 


mm. 


66 mm.: 160. 


10 — 40 


60 


n 


65 


ff 


10 — ,43 


20 


n 


46 


n 


10 — 44 


16 


n 


46 


t§ 


10 — 46 


16 


n 


40 


n 


10 — 48 


16 


n 


41 


tl 


10 — 49 


20 


n 


42 


n 


10 — 61 


28 


tt 


42 


9 


10 — 64 


44 


n 


43 


n 


10 — 67 


66 


y) 


44 


n 


11 — 3 


70 


n 


49 


fi 


11 — 10 


71 


ft 


62 


fi 


11 — 20 


88 


ff 


66 


n 


12 — 6 


86 


1) 


60 


1» 


2 — 40 


88 


» 


60 


» 



lY. Spoediger Tolgde contractie bg 1 op 1440, onmiddellijk 
na de eerste waarneming geappliceeixL 

Tijd. Lumen der arterie. 



2 — 2 


33 


mm. : 160. 


2 — 16 


33 


n 


2 — 16 


36 


n 


2 — 18 


36 


fy 


2—19 


36 


f) 


2 — 20 


34 


If 


2 — 21 


32 


tl 


2 — 22 


30 


II 


2 — 23 


28 


n 


2 — 24 


24 


» 


2 — 26 


20 


n 


2 — 27 


18 


19 


2 — 29 


16 


n 


2 — 33 


16 


n 


2 — 40 


16 


n 


2 — 46 


18 


it 


2 — 65 


20 


. 


3 


22 


n 


4 — 30 


24 


n 



&<H 





V. App; 


lioatae van 


1 op 480. 






Tgd. 




Lumen \m 


het vat. 




uur. niB. 












11 — 20 






?2 


mm. : 150. 




11 — 30 






45 


n 




11 — 35 






35 


)f 




11 — 40 






20 


fi 




11—45 






10 


it 




11 — 60 






10 


fi 




12 






13 


n 




12 — 5 






15 


tl 




12 — 16 






19 


19 




12 — 20 






22 


f) 




12 — 25 - 






25 


n 




12 — 30 






27 


n 




12 — 40 






30 


f) 




r 






32 


M 




1 — 10 






33 


19 




1 — 25 






34 


99 




1 — 35 






35 


99 




1 — 60 






35 


99 




2 — 6 






35 


99 


VI, 


. Applicatie van 1 op 48, onmiddellijk na < 


Ie eerste metinsf. 




Tijd. Arterie I. 


Arterie II. 


Arterie III. Arterie IV. 


uur. 


DtD. 










11 


— 20 32 mm 


t. 22 ] 


nm 


22 mm. 20 mm.: 150. 


11 


— 25 30 „ 


18 


n 


17 „ 


15 n 


11 


—30 25 „ 


14 


ff 


13 „ 


12 : 


11 


— 35 23 „ 


13 


j} 


11 » 


10 „ 


11 


— 40 16 „ 


10 


n 


11 „ 


8 „ 


11 


-45 13 „ 


9 


n 


10 „ 


7 n 


12 


12 „ 


8 


n 


9 „ 


7 ff 


12 


-15 12 „ 


8 


n 


9 » 


8 fT 


12 


-30 24 „ 


12 


ff 


11 » 


14 9, 


1 


— 20 30 „ 


18 


» 


18 „ 


17 „ 


VI] 


[. Applicatie van 1 deel nitras argenti op 12 deelen water. 




Tijd. Lumen der Arterie. Lumen der vena. 




■sr, min. 












2 — 45 


35 mm. 




28 mm. : 160. 




2 — 50 


30 „ 






20 „ 




2 — 51 


25 , 






20 „ 




3 — 10 


25 : 






20 : 




3 — 18 


25 „ 






25 „ 




4 — 25 


25 „ 






25 , 



33* 



502 

Een tweede punt van onderzoek gold den oorsprong 
der sl^mbollen b§ ontsteking der conjonctiva. Daartoe 
gebruikten wij het eerst de membrana nictitans Tan den 
kikvorsch, die wij plaatselijk met eene sterke solutie van 
nitras argenti behandelden. Hierdoor ontstonden echter 
geene duidelgke yersch^nselen van ontsteking, waaisch^n- 
Igk omdat de laag epithelium* cellen, waardoor de nitras 
argenti zich een weg moest banen, het slgmvlies beschermde. 
Daarop stipten w^ de membrana nictitans met nitras 
argenti in substantie aan, en vonden nu na een paar 
uren tusschen comea en membrana nictitans reeds vele 
ettercellen verzameld. De membrana nictitans, afgeknipt 
en onder het mikroskoop gebracht, vertoonde nu eene 
massa ongekleurde bloedlichaampjes en daarenboven eenige 
roode, in het weefsel verspreid , voomamelgk echter langs 
de vaten. Hier en daar zag men de bloedlichaampjes ook 
tusschen de epithelium-cellen in gelegen. Op de plaats, waar 
gecauteriseerd was , was geen enkel lichaampje uitgetreden. 

Wij hebben vervolgens bg kon^nen eene oplossing inge- 
druppeld van één deel nitras argenti op 480 deelen water 
en vonden nu na verloop van een half uur gewoonl^k 
reeds vele ongekleurde lichaampjes in de plica conjuno- 
tivae. Bg het onderzoek, of ook reeds zonder voorafgegane 
prikkeling zoodanige lichaampjes op de conjunctiva voor^ 
komen, kregen w^ eene positieve uitkomst: bij hetkongn 
en vooral bg den mensch ontbreken zg niet geheel, en 
het is dus niet onwaarsch^nlijk, dat ook in normalen 
toestand ongekleurde bloedlichaampjes tot op dit slgmvlies 
doordringen. Onlangs lazen w^, dat ook Hering het 
uittreden van ongekleurde lichaampjes in normalen toe* 
stand heeft aangenomen, die volgens hem in de lympha- 
zakken zouden te recht komen. Het is echter altgd slechts 
eene enkele cel, die men door aanraking met een zeer 



503 

klein dekglaasje van de gezonde conjunctiTa yerkrggt, 
terwijl er na voorafgegane prikkeling honderden worden 
gezien. Snijdt men in dezen toestand een stnk der conjnnc- 
tiva nit| dan vindt men ook weder ontelbare lichaampjes 
in het weefsel der conjunctiva verspreid, vooral rondom 
de vaten, daarbi] veel minder gekleurde dan bg den 
kikvorsch, — en ook eenige tosschen de epithelium-cellen. 

III. Methode tot hei voorhamen van unipolaire etroomen^ bif 
prikheling der zenuwen^ onderzocht door Dr. Engelmann 
en Dr.Flace. HieromtrentwerddoorF.G. Donders, in 
de zitting der Eoninkl^ke Academie van Wetenschappen van 
29 Febmarg 1868» het volgende medegedeeld. „Brengt men 
eene electrode onder een zenuwstam, die niet is doorgesneden 
en dus aan beide zgden met het dier sameniiangt, dan vormt 
het dier eene bijkomende sluiting, waardoor stellig een stroom 
gaat: daarom reeds moet altgd de zenuw zijn doorgesneden, 
hetgeen bovendien het voordeel levert, dat de verschijn- 
selen, van centripetale en van centrifugale geleiding afr 
hankel^k , afzonderlek worden verkregen. Maar ook bg 
prikkeling na doorsngding vormt het interpolsire stuk der 
zenuw, wegens zijn groeten weerstand , slechts een onvolko- 
men sluiting, die niet tegen unipolaire ontlading' vrg waart 
Alleen bij het volkomenste isoleeren van al wat met de 
zenuw samenhangt kan men tamelijk sterke inductie-slagen 
voortbrengen, zonder afleiding buiten het interpolaire «tuk. 
Dit is gebleken bg de in het physiologisch laboratorium 
verrichtte onderzoekingen van Dr. Place aangaande de con- 
tractie-golf der spieren (verg. dit ^dschrift D. IIL bl. 177). 
Het doel was o. a. de golf te vergeleken bg prikkeling 
der zenuw en bg die der spier zelve: bij prikkeling 
der zenuw moest deze laatste dus zorgvuldig vermeden 
worden. Om volkomen te isoleeren, werden de toestellen 



504 

op eene met bijna kokend water gevulde, hermetisck 
geslotene groote cylinder-flesch geplaatst, waarop nren lang 
uitwendig zich geen waterdamp afzette, en dit bleek dan 
voldoende te zijn voor de proeven met een afzonderlijke 
spier ('t gewone kikvorsch-praeparaat). Maar bleef de 
spier in samenhang met het dier, om de circulatie er 
in td onderhouden, dan deden zich in het afvloeien van 
bloed enz. praktische bezwaren op, die niet te over* 
'ivinnen waren. 

Dit nu bracht op het denkbeeld , om de electriciteit, die 
langs de zenuw afstroomde, onmiddellijk naar den grond 
te leiden. De Heer Place wilde daarbij uitgaan van de 
zenuw , de Heer Engelmann van de onderste elektrode , 
en de uitkomst leerde al aanstonds, dat op beide wijzen 
het doel werd bereikt. Om verschillende redenen is het 
echter beter, van de elektrode af te leiden, en deze methode 
werd door de beide Heeren nader onderzocht. De afleiding 
geschiedde naar de gasbuizen. Z^ was des te werkzamer, 
hoe dichter bij de zenuw zg van de elektrode uitging. 
Stroomen , veel sterker dan noodig waren , om door ééa 
inductieslag het maximum van contractie te verkregen, 
werkten nu uitsluitend op het interpolaire stuk: de gewone 
tgd voor de zenuw-geleiding en de latente prikkeling in 
de spier verliepen regelmatig , vóór de contractie intrad , 
6n eif ontstond geen spoor van contractie, wanneer de 
zenuw was doorgesneden en de beide stukken slechts 
tegen elkander gelegd waren. Werd nu de afleiding weg- 
genomen , dan volgde onmiddellgk, even als bij opzettelgke 
prikkeling der spier zelve, contractie der spier, even 
goed b$ doorgesneden zenuw met aaneengelegde stukken, 
als b^ ongedeerde zenuw. — Bg zeer sterke slagen bligft 
het intusschen, ook bg het afleiden der onderste electrode, 
nog iirénschelgk, het deel tatnelgk goed te isoleeren. 



505 

De verkkring ligt voor de hand: de electriciteit der 
onderste elektrode gaat nl. onmiddellgk in de gasbnizen 
OTer , zonder de zenuw te irriteeren ; die van de bovenste 
gaat door het interpolaire stak, om, aan de onderste 
electrode gekomen, daarin over te gaan en zich eveneens 
langs de gasbnizen te verliezen. Opmerkel^k nu is het^ 
zooals proeven met zwakke stroomen leerden, dat bg de 
afleiding van de onderste electrode naar de gasbnizen de 
prikkelende werking van den stroom op de zenuw, big- 
kende nit de hoeveelheid der spierverkorting, onveran- 
derd bl^ft. 

Greschiedde de afleiding van de bovenste electrode, dan 
was het effect juist omgekeerd: er vloeide veel meer 
electriciteit langs de zenuw af, en de unipolaire onÜading 
in het dier was veel sterker, dan zonder afleiding. Ook 
hiervan kan men zich de oorzaak gemakkel^k voor- 
stellen: de electriciteit der bovenste electrode vloeit nu 
onmiddellgk weg; maar die der onderste breidt zich ge- 
makkel^ker over de zenuw naar de spier uit, omdat haar 
in het interpolaire stuk geene tegengestelde electriciteit 
meer te gemoet komt — Overigens, zooals omkeering 
van den inductie-stroom leerde, is in 't algemeen bg 
neerdalenden stroom door de zenuw het contractie-effect 
grooter dan bij opstggenden. 

De stroom in de afleiding naar de gasbnizen liet zich 
aantoonen , door de zenuw van een kikvorsch-praeparaat 
op den draad te l^gen, waarvan de spier , liggende op een 
glasplaat, zich onmiddellijk samentrok, wanneer zg door 
aanraking met den grond werd verbonden, niet zonder die 
aanraking. Werd de afleidende draad doorgesneden en 
de zenuw in den stroom gelasoht, dan kreeg men door 
hare prikkeling altgd een sterke contractie. Hoewel door 
dit inlasschen der zenuw de weerstand in de afleiding 



506 

naar de gasbnizen zeer verhoogd werd, vrgwaarde tocli 
ook deze nu voldoende tegen onipolaire stroomen, langs de 
zenuw op liet dier afvloeiende, wanneer het dier slechts 
tamelgk goed geïsoleerd was." 

IV. Over foamU&^Miingen mei Schultze's voonoerpiafel^ 
door TL W. Engelmann. Bg het onderzoek van den 
invloed, dien hoogere warmtegraden op de trilbeweging 
uitoefenen, was ik meermalen verplicht, gebruik te maken 
van de verwarmbare voorwerptafel van Max Schultze. 
Dit gaf aanleiding tot het toetsen van de Ihermometer- 
opgaven van dit instrument, onder verschillende omstan- 
digheden. De verwarmbare voorwerptafel, wier samen- 
stelling wij hier als bekend willen onderstellen, liet 
Max Schultze vervaardigen met het doel, mikroskopi- 
sche voorwerpen, „bei beliebigen, messbaren, zu- und 
,.abnehmenden so wie auch constant zu erhaltenden Tem- 
„peraturgraden zu beobachten." Vroeger waren reeds 
verschillende apparaten gebruikt, die het verwarmen van 
het in het gezichtsveld van het mikroskoop liggende object 
toelieten; maar b^ geene enkele daarvan kon de tempe- 
ratuur worden gemeten. Een instrument, 't welk dit 
gebrek zou kunnen verhelpen, moest klaarblgkelgk, zou 
het volkomen zijn, zoodanig z^n ingericht, dat de tem- 
peratuur, die aan het instrument gemeten werd, aan de 
gelgktgdige temperatuur van het waargenomen object 
beantwoordde. In hoeverre nu de voorwerptafel van 
Schultze aan dezen eisch voldoet, heeft de uitvinder 
ervan zelf onderzocht. Schnitzel) vraagt: „Entspricht 
„die an der Scale abgelesene Temperatur wirklich dexje* 
„nigen der genauen Mitte des Objecttisches , also deije- 



1) AiohiT f. mikr. Anat. Bd. I, 1865. 



607 

„nigen des mittleren Theils des mikroskopischen Fraeparats, 
„welches jedesmal im G^sichtsfeld liegt?" Tot het be- 
antwoorden dezer vraag nam Schuit ze controleerende 
proeven. Hij bepaalde het smeltpunt van vetten (paraf- 
fine en stearine) onder het mikroskoop en vergeleek dit 
met het ware smeltpunt dier zelfde stofifen. Met het 
aanwenden nu van zekere voorzichtigheidsmaatregelen 
bleek, dat op het oogenblik, waarin de in het gezichts- 
veld van het mikroskoop liggende kristallijne vetko- 
geitjes vloeibaar werden, de thermometer van de ver- 
warmbare voorwerptafel het ware smeltpunt aangaf, nl. 
51^ tot 52'^ voor paraffine. De voorzichtigheidsmaatregelen 
bestonden voornamelijk in het langzaam verwarmen van 
het apparaat. Voor het brengen der temperatuur van 
40"* tot op 50* werden minstens 5 minuten gerekend. 
Eene glazen kamer, op den objectdrager geplaatst en 
den tubus van het mikroskoop omvattende, beschermde het 
praeparaat tegen luchtstroomen. Echter gaven niet al 
de door Schultze onderzochte exemplaren van de ver- 
warmbare voorwerptafel het smeltpunt juist aan. „Der 
„h&ufigere Fall war, dass das Thermometer die Tempe- 
„ratur etwas früher anzeigte, als das Fraeparat, so zu 
„sagen vorging." Omgekeerd gebeurde het ook, dat de 
paraffine reeds was gesmolten, terwijl de thermometer nog 
maar A&^ aanwees. Deze verschillen konden worden weg- 
genomen, door de thermometerspiraal, die zich in het 
binnenste der voorwerptafel in een geel koperen kastje 
bevindt, door middel van een stuk papier een weinig 
van den wand van het kastje te verwijderen of er dichter 
tegen aan te leggen. Naar dit alles, meent Schultze, 
zal men in de meeste gevallen in staat z^n, de wellicht 
voorkomende fouten der verwarmbare voorwerptafel te 
corrigeeren. — Intusschen is het appiuraat zeer verbreid 



508 

geworden; maar niemand schijnt na Sohnltze den graad 
van nauwkeurigheid er van onderzocht te hebhen. Het 
zal derhalve niet overhodig zijn, hier op eenige bronnen 
van dwaling bij het genoemde instrument opmerkzaam te 
maken, waarvan het verzuim, zoodra het temperatuur* 
meticgen betreft, tot de grofste fouten kan aanleiding 
geven. 

De verreweg gewichtigste bron van dwaling bestaat in 
de afkoeling, die het op de verwarmbare voorwerptafel 
liggende object door het objectief van het mikroskoop 
ondervindt. Deze invloed is zoo in het oog vallend, dat 
het nauwelijks te begrijpen is, hoe h^ niet terstond werd 
bemerkt. Hoe geringer de afstand is tusschen het object 
en de ondervlakte van het objectief, hoe broeder de me- 
talen rand der onderste lens, en hoe lager de temperatuur 
van het objectief, des te grooter moet, onder overigens 
gelijke omstandigheden, de afkoeling van het praeparaat 
zijn. De invloed, dien de afstand tusschen objectief en 
object op de temperatuur van dit laatste doet gelden, 
komt in de volgende proeven duidelgk aan het licht. Ik 
bepaalde het smeltpunt van geëmulsioneerde stearine op 
de verwarmbare voorwerptafel. Deze, meteen diaphragma 
van slechts 1 mill. wgdte, was op de voorwerptafel van 
een klein hoefijzer-mikroskoop van Hartnack bevestigd; 
de emulsie-droppel lag op een gewonen, 1.2 muL dikken 
glazen voorwerpdrager, was met een dekglasvanO.1 mm. 
dikte bedekt en werd met het objectief N^ 7 der nieuwe 
constructie waargenomen. Het vet werd vloeibaar bg een 
thermometerstand van 52'' C els. Door verder verschuiven 
der spirituslampen liet ik de temperatuur nu tot op 50» 
afdalen, en hield ze constant op deze hoogte. Het vet 
was weder gestold. Werd nu de tubus met het objectief 
2 mnu of meer opgeschoven en na een kwart-minuut of 



509 

nog eerder weder snel neêrgelateni dan bleek, dat het 
vet weder Tloeibaar was geworden. Weinig seconden 
later werd het dan stijf, om b^ herhaald omhoog brengen 
yan den tubns weder te smelten. Omgekeerd kon ook 
Tet, dat bij joisten brandpuntsafstand nog even vloeibaar 
bleef, door neerlaten van het objectief N°. 7 tot stolling 
worden gebracht, terwijl de thermometer onveranderl^k 
op 52''tot öS'' stond. Het was thans te wachten, dat, bg 
het aanwenden van verschillende objectiefsysiemen, de 
thermometer verschillende smeltpnnten zon aangeven. Deze 
moesten des te lager zijn, naarmate de brandpuntsafstand 
grooter was, en omgekeerd. Proeven, die met al de door 
Schnltze aanbevolen voorzichtigheidsmaatregelen werden 
genomen, gaven, voor verschillende objectieven, de vol- 
gende thermometerstanden bg het smelten van stearine aan : 
Objectief Thermometerstand 



4 


46'.5 — 47' 


5 


48°.5 


7 


54» — 55» 


8 


60'.5 


10 (immenie) 


60' — 70* 



Bij stelsels met correctie -apparaat verkrijgt men zelfs 
voor verschillende standen der correctie-schroef bg het- 
zelfde stelsel verschillende thermometer-opgaven als smelt- 
punt van stearine; b. v. voor objectief N®. 10 van Hart- 
nack, dat bg deze proeven droog gebruikt werd, 60** — 61" 
bg den hoogsten stand der schroef (grootste brandpunts- 
afstand) en 69' — 10> bij den laagsten stand der schroef 
(kleinste brandpuntsafstand). Maar ook verschillende 
exemplaren van hetzelfde objectiefstelsel veroorzaken an- 
dere thermometeropgaven , wanneer de metalen randen niet 
gelgk zijn. Zoo wees de thermometer bg verscheidene 
f roeven voor een nieuw objectief KT. 7, dat een breederen 



5ia 

rand bezat, het smeltpunt van stearine b§ 51» — 52^ aan, 
voor een oud, dat 2sich daarvan alleen maar door een 
eenigszins smalleren metalen rand onderscheidde, b§ 49"* — 
50°. De brandpuntsafstand der beide stelsels was gelijk. 
De mate der afkoeling van het praeparaat hangt nu 
verder, zooals reeds van zelf spreekt, zeer zeker af van 
de temperatuur van het objectief en dus ook, daar dit 
laatste met de groote metaalmassa van het mikroskoop 
in uitmuntend goed geleidende verbinding staat, van de 
temperatuur van het geheele mikroskoop. In 't algemeen 
nu is de temperatuur van het mikroskoop die der kamer. 
In een koud vertrek staat dus de thermometer der ver- 
warmbare voorwerptafel , bij gel^ke temperatuur van het 
praeparaat, hooger dan in een warm. Het objectief wordt 
gedurende de waarneming op de verwarmbare object-tafel 
gedurig van onderen verwarmd. De invloed dezer al- 
lengsche verwarming laat zich vooral bij het begin van 
vele proeven duidelgk gelden. Wordt b. v. de tafel ver- 
warmd, tot dat de op den voorwerpdrager liggende stea- 
rine juist gesmolten blijft, en laat men nu den tubus met 
het objectief, die beiden kamer-temperatuur hebben, snel 
neer tot op den brandpuntsafstand, dan stolt het vet bin- 
nen weinige secunden. De temperatuur moet nu nog veel 
stggen, om het weder te doen smelten. Langzamerhand 
echter, bij klimmende verwarming van het objectief, 
daalt het door den thermometer aangewezen smeltpunt, 
en blgft dan, bij zooveel mogelijk geligkmatigen warmte- 
toevoer, op eene zekere hoogte staan. Dit constante 
smeltpunt ligt, zooals uit bovengenoemde getallen reeds 
blijkt, des te hooger, naarmate de afistand tusschen prae- 
paraat en objectief geringer is, dus over het algemeen, 
hooger bg de sterkere objectiefstelsels. Zoo vond ik eens 
by objectief No. 7 van Hartnack het smeltpunt b$ de 



611 

eerste waarneming bg 56% na 10 minaten bij 52^ weder 
10 minuten later bij 50^ en hierop bleef het dan staan; 
bij objectief K^ 8 waren de aangegevene temperaturen 
590 — gQo^ i3,t6r constant bVb. Evenzoo bij andere objec- 
tieven. 

De temperatuur van het praeparaat hangt, behalve van 
het objectief, ook af van de dimensies en het materiaal 
van den voorwerpdrager, waarop het ligt. Twee glazen 
voorwerpdragers van verschillende dimensies en vooral 
van verschillende dikte geven verschillende resultaten. 
Bg het gebruiken van een metalen voorwerpdrager wor- 
den andere temperaturen aangegeven dan bij een glazen. 
Als voorbeeld hiervan kunnen de volgende proeven die- 
nen, bijj welke objectief N®. 7 van Hartnack werd 
gebruikt en de voorwerptafel zoo langzaam werd ver- 
warmd, dat, bg temperaturen boven de 40** graden, het 
stijgen van eiken graad minstens eene halve minuut 
duurde. De thermometer stond bg het smelten van stea- 
rine (emulsie in gom) op 55** — 56**, wanneer een glazen 
voorwerpdrager van 2 mm. dikte, 76 mm. lengte en 25 
mm. breedte werd gebruikt, op 53^ by een van 1.3 muL 
dikte met overigens gelgke dimensies, op 52'' bij een 
dergelijken van 1 mm. dikte. Was de voorwerpdrager 
slechts 25 mm. lang, 17 mm. breed, echter in het eene 
geval 2 mm. f in de beide andere 1 en 0.2 mm. dik, 
dan waren de daaraan beantwoordende thermometerstan- 
den 54**, 51**.5 en 47'. — Bij zeer dunne voorwerpdragers 
zijn de verschillen tusschen de thermometeropgaven bij 
verschillende objectieven niet zoo groot als bij de dikkere. 
Zoo smelt de stearine op een dekglaasje van 0.2 dikte 
by de volgende thermometerstanden : 



512 

Objectief. Thermometerstand. 

4 .450 

7 50o 

10 (grootste brandptmtaafstand) 52^—53^ 
10 (kleinste „ ) 60' 

Uit deze voorbeelden is genoegzaam op te maken, dat de 
verwarmbare voorwerptafel , zooals zij tot nog toe werd 
gebruikt, voor het meten van warmtegraden niet dienen 
kan. Zonder twijfel geldt ditzelfde van de apparaten 
die Thomé en Naegeli en Schwendener hebben 
aanbevolen. *t Blijkt nit de beschrijvingen, dat ook bg deze 
op de afkoeling door het objectief geen acht geslagen is. 

Uet is nu de vraag, óf en hoe men de hier aange- 
wezen gebreken zal kannen verhelpen, 't Spreekt van 
zelf, dat afkoeling door het objectief slechts alléén 
door het verwarmen er van kan worden vermeden. De 
van den verhitten voorwerpdrager uitgaande warmte doet 
dit duidelijk, maar in een nog veel te geringen graad. 
Het gebruiken van eene vochtige glazen kamer, die het 
objectief gedurig met verwarmde lucht doet omgeven zgn, 
verschaft slechts een gerirg voordeel: ik heb voor ver- 
schillende objectieven slechts zeer weinig verschillende 
thermometerstanden bij het smelten van stearine ge- 
vonden , hetzij nu het objectief met een glazen kamer was 
omringd of niet. 't Best zou natuurlijk zijn den voor- 
werpdrager en 't objectief altijd op gelijke temperatuur 
te brengen; dan zou het tusschen beiden liggende prae- 
paraat denzelfden warmtegraad aannemen. Het volkomen 
uitvoeren hiervan zou echter een geheel nieuw apparaat 
vereischen. Ik heb beproefd met het behouden der ver- 
warmbare taiel , hetzelfde doel te bereiken, door tusschen 
objectief en tubus van het mikroscoop een ivoren buis 
van 30 mm. lengte in te schroeven. Hierdoor worden 



513 

de van de afkoeling door het objectief afhankel^ke foa- 
ten aanzienlijk yerminderd, vooral wanneer het objectief 
gelijktgdig met een glazen kamer is omgeven. Het objec- 
tief neemt 'dan vr^ spoedig een hoogere temperatuur aan 
en behoudt die, wijl het slecht geleidende stuk ivoor het 
van de overige metaalmassa van het mikroskoop isoleert. 
Men spaart tijd, wanneer men het ivoren buisje onmid- 
dell^k vóór de proef warm maakt. Bij verscheidene proe- 
ven bedroeg het smeltpunt van stearine , onder het gebruik 
van een glazen voorwerpdrager van 2 mm. dikte, voor 
objectief N®. 10 (droog, mei gemiddelden stand der cor- 
rectie-schroef) 50^ — 52°; onder dezelfde omstandigheden, 
zonder ivoor, 65''. Voor objectief 4 waren de daaraan 
beantwoordende thermometerstanden 45** en '47^ Het ge- 
lijktijdig aanwenden van zeer dunne voorwerpdragers , b. 
V. van dunne dekglaasjes, verschafte geene meerdere voor- 
deden. De kleinste verschillen der thermometer-standen 
bedroegen, bij het smelten van stearine, voor objectief 
N*. 4 en objectief N^ 10, nog altijd 5^ Wanneer nu 
hiermede ook de grofste fouten zijn geweken, zoo blijft 
toch het apparaat voor nauwkeuriger temperatuursbe- 
palingen ontoereikend. De verdienste er van moet hoofd- 
zakelijk dddrin worden gezocht, dat het in staat stelt den 
invloed van verwarming over het algemeen op mikros- 
kopische voorwerpen in alle phasen waar te nemen. 

Y. Noiehrifl ojo mijn artikel: over de innervatie van het 
hart f in verband met die der adembeweging (zie boven, bl. 
446), door F. C. Donders. In de dissertatie van den 
Heer Terne van der Heul (de invloed der respiratie- 
phasen op den duur der hartsperioden, verg. dit Tijdschrift 
D. III bl. 171) wordt de proef: „dat, bij geopende borstkas, 
„zoolang de kunstmatige ademhaling wordt voortgezet 



514 

„de hartslagen regelmatig volgen ^ maar b^ het ophouden 
„der kunstmatige ademhaling , reeds na eenige seconden , 
„juist wanneer zich automatische adembewegingen ont- 
„ wikkelen, zeer vertraagd worden*', als bekend voorge- 
steld. Beeds vroeger maakte ik zelf ook al melding van 
die proef (Ned. Archief. D. II, bL 160). „Algemeen 
„genoeg bekend „zoo schreef ik*' is de uitkomst eemer 
„merkwaardige proef, die ik niet weet tot haren auteur 
„terug te brengen, maar die ik het eerst zag bg Pflü- 
„ger en jaarlijks op mijne lessen herhaal Zg is deze: 
„dat bij een konijn met geopende borst, zoolang de 
„kunstmatige ademhaling onderhouden wordt, de harts- 
„slagen regelmatig voortgaan, maar dat, wanneer de 
„kunstmatige ademhaling niet langer wordt voortgezet, 
„bij de nu ontstaande pogingen tot ademhalen, vóór nog 
„de asphyxie dreigt , het hart bijna stilstaat , of liever 
„zeer lange perioden van rust tusschen zijne samentrek- 
„kiDgen vertoont.'* 

In mijn boven (bl. 446 e. v.) medegedeeld stuk over 
de innervatie van het hart , in verband mei die der adem- 
beweging^ heb ik nu de adembewegingen en de hartslagen 
bij genoemde proef gelijktijdig geregistreerd, en daaruit 
is gebleken, dat de buitengewone verlenging der harts- 
pausen aan eene bepaalde phase der adembewegingen 
verbonden is: tot dus verre had ik mij voorgesteld, dat 
er slechts een regelmatige aan de toenemende dyspnoea 
geëvenredigde vertraging intrad, als gevolg eener gelijk- 
matig stijgende prikkeling in de meduUa oblongata. 

l^aar aanleiding van het door den Heer Prahl onder- 
nomen onderzoek over den invloed van den n. vagus op 
de hartswerking , waarvan boven werd melding gemaakt 
(bl. 467), doorliep ik op nieuw de „kritische und experi- 
i,mentelle Untersuchungen zur Theorie der Hemmunga* 



515 

„nerven van E. Pfiüger, opgenomen in de Untersu- 
„chungen aus dem pbysiol. Laboratorium zu Bonn, — 
en las aldaar S. 50 het volgende :„ Sehr schön kannman 
„für Vorlesungen, wie ich es seit Jahren thue , die hem- 
„mende Innervation bei jeder Inspiration folgendermaassen 
„ demons triren. Man befestigt ein Kaninchen auf den 
„ Yivisectionsbrett mit dem Rücken , eröffnet beide Plen- 
„rahöhlen dnrch Abtragen der vordern Thoraxwand und 
„instituirt die künstliche Respiration. Sobald man recht 
„rasch Luft einblast, vermindem sich bekanntlich die 
„Athembewegungen der Brustwand und des Zwerchfelles 
„sehr oder versch winden ganzlich; wenn man aber sehr 
^langsam und unzureichend die Luftströmung unterhalt, 
„beginnen alsbald ausserst tiefe, ja tetanische Inspiratie- 
„nen. Jetzt sieht man jedesmal unmittelbar naeh dem 
„Beginn der Inspiration das Herz aussetzen , ja bei sehr 
„energischen Innervationen vollkommen auf einige Zeit 
„stillstehen. Dieser Versuch lasst sich, wenn man die 
„künstliche Athmung nicht zu lange unterbricht, wodurch 
„das Herz paralysirt wird , of t wiederholen ; er gelingt 
„aber von dem Moment ab nicht mehr, wo die Vagi 
„zerschnitten sind." 

Uit deze woorden blijkt ten duidelijkste , dat de ver- 
traging der hartslagen bij de hier behandelde proef door 
Pfiüger reeds aan eene bepaalde pha^e der adembewe- 
ging verbonden werd. Terwijl Pfiüger de bewegingen 
niet registreerde, kon hij de phase niet nauwkeurig be- 
palen en de algemeene vertraging niet wel van de buiten- 
ge^Yone onderscheiden. Maar een verband tot zekere 
phase der adembeweging had Pfiüger opgemerkt, en 
ik acht mij gelukkig, dit hier nog onder de oogen der 
lezers te kunnen brengen, in hetzelfde nummer, waarin 
mijn onderzoek is opgenomen. 

34 



516 

VI. jS?i» peifal van dofputrietmr ^ waai^nomeii door 
Dr« F. Q. Brondgee^t. In het vorige jaar werd door 
mg een geval van eene strictuur van het colon waarge- 
nomen, dat wegens de moeijelijkhedeuy aan de diagnosis 
verbonden, en de vermoedelijke oorzaak van haar ontstaan 
ons voor de lezers van dit tgdschrift niet onbelangrgk 
voorkomt. De historia morbi, die wij hier platen volgen, 
is door ons aan Dr. de Boer voor de bewerking van 
zgne academische dissertatie (Bijdrage tot de pathogenie 
der darm-stricturen) medegedeeld. Zij is deze: 

In de laatste helft van December 1866 werd mijne 
hulp ingeroepen bg eene ongehuwde dame van 30 jaren. 
Vóór eenige jaren was zij Igdende geweest aan een em- 
stigen typhus abdominalis en had daarna weder eene goede 
gezondheid genoten. Twee jaren bleef zg gezond, waarna 
zi) aan een febris continua remittecs ziek werd en tege* 
Igkertyd door diarrhoea werd gekweld, die met veel bor- 
relen in den buik gepaard ging. Dit heeft 17 dagen 
geduurd. Toen zg reconvalescente was, herhaalden zich 
diezelfde verschijnselen van koorts en diarrhoe, evenwel 
in lichteren graad. Het scheen dus wel, dat er een 
relapsing f ever aanwezig was. £en paar jaren, vóórdat zg 
leed aan de ziekte , waarvoor op bovengemelden datum 
mgne hulp werd ingeroepen, heeft zij eenmaal eene As- 
caris lumbricoïdes uitgebraakt. 

In den laatsten tijd vóór hare ziekte klaagde zij er 
over, dat zg bg den afgang hevig moest persen. Overi- 
gens kon zg zich in het laatste jaar in den regel over 
eene goede gezondheid verheugen, doch was in het oog 
vallend bleek en mager. 

Ik vond de patiënte op het tijdstip, dat zg voor het 
laatst mijne hulp inriep, klagende over misselijkheid en 
een weinig pijn in de regio hypochondriaoa dextra. Bra- 



kingen hadden reeds den, gebeelen nacht geduurd en had- 
den tegen den morgen opgehouden. De opgebraakte massa, 
die men mij vertoonde, was waterachtig, licht groen gekleurd 
en bestond voornamelijk uit maagsap met een weinig gal. 
De- pols was normaal, ongeveer 80 slagen, de tong niet 
beslagen, ook niet bijzonder rood, terwijl er goede defi^ 
catie had plaats ge^jiad. Bij het onderzoek van den buik 
werd noch bij percussie^ noch bij palpatie iets b^ssonders 
waargenomen, terwgl ook p^n bg drukking ontbrak. 
Over het algemeen gaf de patiënte den indruk, dat haar 
toestand niet van ernstigen aard was. Ka het toedienen 
van poeders uit extr. opü en bicarb. sodae en het leggen 
van warme cataplasmata op den buik bleek b§ het avond- 
bezoek, dat zoowel de braking als de pijn waren gewe- 
ken. Onder het gebruik van licht verteerbaar voedsel was 
de patiënte na veiloop van twee k drie dagen weder ge- 
heel hersteld en verliet in het laatst van December voor 
eenige dagen de stad. liet scheen dus wel, alsof de' 
gebeele toest$Lnd het gevolg was geweest eener indigestie. 

Na eenige dagen uit de stad te zijn geweest, kreeg z^ 
een dergelijken aanval , die echter spoedig weder bedaarde, 
zoodat zij gezond huiswaarts keerde. 

Omstreeks de laatste helft van Januar^ ontstond een 
derde aanval, vergezeld van braken en buikpijn. De 
boven vermelde poeders vermochten dien echter niet te 
bedaren, waarom extr. bellad. werd toegediend, waarop 
de verschijnselen, nadat er nog een Ascaris lumbricoides 
was uitgebraakt, tot staan kwamen. 

By het toedienen van santonine met calomel werden 
geen ascariden uitgedreven. Het onderzoek der urine 
leverde niets op, behalve dat er een sterk sediment van 
urates in aanwezig was. 

Na eenige dagen gevoelde de patiënte zich weder geheel 

34* 



518 

hersteld, verdroeg voedfiel goed en nam op nieuw hare 
bezigheden waar. 

Dit duurde ongeveer 10 dagen , toen het braken zich 
herhaalde en de pijn in de regter regio hypochondriaca 
zeer hevig werd, niet alleen bij drukking, maar ook 
zonder deze. 

In de onderstelling, dat zich een. ontstekingstoestand 
zoude ontwikkelen, werden op de pijnlijke plaats 6 hiru- 
dines geappliceerd en opium met calomel toegediend, 
waarna de verschijnsels weken. Absolute rust werd 
aanbevolen, en de kamer niet verlatende, bevond patiënte 
zich aanvankelijk weder tamelijk wel. 

Nog geen acht dagen waren verloopen , of de versch^n- 
sels van braking en pijn vertoonden zich weder. De pols 
was zonder afw^king (80 -slagen in de minuut), de tong 
was ook niet rood.- Bij nogmaals zeer nauwkeurig inge- 
steld onderzoek van den buik, bleek alleen, dat de rechter 
]leo*coecaalstreek gezwollen was. De percussie-toon was 
overal tympanitisch. Bij oppervlakkige en diepere druk- 
king was nergens eene hardheid of tumor te voelen, ter- 
wgl op verschillende plaatsen bij zeer oppervlakkige druk- 
king pijn bestond. Dit deed denken aan eene hyperaes- 
fhesie van den buikwand. Tegen de braking en p^n werd 
nu 's morgens en 's avonds Ve gr. acet. Inorphii subcu- 
taan geinjiciëerd. De ontlasting van normaal aanzien, 
maar gering, volgde gemakkelijk na een clysma. De 
braking hield intusschen op, om naverloopvan vijf dagen 
temg te keeren. De patiënte begon nu over hevige aan- 
vallen van kramp te klagen, en onder een dergelijken 
aanval kon men duidelijk den krampachtig samengetrok- 
ken darm als eene harde streng voelen. — De diagnose 
bleef nog onzeker : men vermoedde spasmus van de inge- 
wanden, vergezeld van geringe locale peritonitis, waar- 



519 

tegen dan ook tinct. jodii uitwendig op den buik in de 
eoecaal- en colonstreek werd geappliceerd. Met de injectie 
yan acetas morphii werd intusschen 's morgens en 's avonds 
voortgegaan, en wel in] grootere doses, telkens een half 
grein. Bij afwezigheid van pyn en braking, bevond de 
patiënte zich redelijk wel. Pols nog steeds 80 slagen ; de 
tong niet beslagen. Ku begon het braken zich menig- 
vnldiger te herhalen, met vrije tnsschentgden van slechts 
twee, dan drie, somtijds ook wel v^f dagen. De pgn werd 
bg den aanval van kramp nog heviger en de' opzetting 
in de ileo-coecaalstreek nam aanmerkelijk toe , zoodat in 
het algemeen de toestand veel verergerde. 

Toen in het begin van Maart , terwijl de patiënte over 
hevige p^n klaagde, plotseling vrij krachtig op het uit- 
gezette coecum gedrukt werd , volgde onmiddellijk daarop 
braking en werd met kracht eene groote hoeveelheid half 
vloeibare stoffen ontlast. Kort te voren had de patiënte 
nog iets gebruikt: als voedsel nam zi) toen nog melk, 
zachte eijeren en 'kippenvleescL Dit hevig braken na 
plotseling drukken deed het vermoeden ontstaan, dat de 
geheele toestand afhankel^k zoude zign van eene stenosis 
waarschijnlijk niet ver onder het coecum in de dikke 
darmen te zoeken, — zeker vrij hoog, wijl de defaecatiei 
hoewel niet ruim, niets buitengewoons opleverde. De 
opzetting van het coecum was tgdens de kramp-aanvallen 
zoo sterk , dat men zou gemeend hebben , een tamelgk 
harden tumor te voelen , zooals dan ook door een genees- . 
heer, die uit vroegere betrekking de patiënte bezocht, een 
tumor ovarii werd gediagnosticeerd, waarvan overigens 
geen enkel verschignsel aanwezig was. De vermeende 
tumor was na het ophouden der kramp in weinige minu- 
ten geheel en al verdwenen. 

De toestand werd nu hoe langer hoe treuriger. Voort* 



520 

dnrehd werd de lijderes door hevige pijnen gekweld ; bgna 
geen dag ging voorbij zonder braking, meestal twee & 
drie nren na het gebruik van voedsel. De pols echter 
bleef nog vrij goed , werd alleen iets zwakker ; versch^n- 
sels van koorts deden zich niet voor; de tong was niet 
beslagen, hare randen niet rood. De patiënte vermagerde 
ftterk en werd terecht angstig over haren toestand. 

In het laatst van Maart begonnen de krachten snel te 
verminderen. De injeotiën met acetas morphii, bleven nu 
zonder effect, en alleen door clysmata met extr. bellad., 
tweemaal daags aangewend, konden de hevige brakings- 
versch^nselen en krampen voor ongeveer 12 nren gestild 
worden. Als voedsel werd alleen ezelinnemelk gebmikt. 
Onder deze behandeling gelnkte het nog drie dagen het 
braken te keeren. Daarna begon het weder: de pijn werd 
ondragelijk en de krachten namen spoedig af; de pols 
bereikte 120 slagen. 

Zij overleed eindeligk bewusteloos in de eerste dagen 
fan April, na een lijden van meer dan drie maanden. 

Bij de l^kopening ble^k, dat de biuk opgezet, de dar* 
inen met gas gevald waren. Het colon adscendens was 
üaar achteren gedrongen; de lever eveneens ter zijde en 
naar onderen geschoven, terwijl de overige deelen van 
den dikken darm in plooien , als het wéxe zigzagsgew^ze, 
óver de danne darmen uitgestrekt lagen. 

Het abnormaal verwijde coecum vernauwde zich trech- 
tervormig en werd bg den overgang van het coecum in 
het colon adscendens het nauwst : men bemerkt daar ter 
plaatse eene ringvormig het coecum omgevende strictuur, 
ter lengte van ongeveer 4 i 5 centimeters. Achter 
de vernauwing verwgdt zich het colon weder tot zgn 
normaal lumen en behoudt dit in het verdere verloop. 
In het begin van het verwijde gedeelte van het coecum 



521 

ziet men eene tamelijk gladde slgmvliesoppervlakte ^ waar 
het epiihelium i6 afgestooten ea hier en daar verspreide 
ronde likteekens , als overbl^fsels van yerzwering der 
solitaire kliertjes, traar de sl^myliesrand langzamerhand 
met de basis der zweer versmolten is. Op andere plaatsen 
vertoonen zich ronde uithollingen met opgezette randen ^ 
terwijl ook een of twee groepen van meesr of min elliptischen 
Vorm worden waargenomen. Zoodra het coecum zich 
trechtervormig begint te vernauwen , verdwgnt de gladde 
oppervlakte, ota voor een nu meer gestreept aanzien plaats 
te maken, hetgeen aètn eeüe zijd^ van het coecum echter 
reeds vroeger begonnen iö. Hce meer men de vernauwing 
üadert, des te meer wordt dit gestreepte aanzien vlokachtig. 
t)e darm is hier nu als bezaaid met Tonde lidteekenen 
en nog niet in. genezing overgegane zweertjes, waartus- 
schen zich enkele verheven plaatsen vertoonen. Niet al- 
leen deze verhevene plaatsen , welke waarschijnlijk geïn- 
filtreerde foUiculi zijn, maar ook het slijmvlies rondom 
der.o is geïnfiltreerd. Het lumen vernauwt zich daarna 
jsoodanig ^ dat AH op de meeH veruauwde plaaU weinig meer 
dan een peuê^êekaeht doorlaat. Het geheele weefsel is hier 
ringvormig samengesuoerd. Aan de voorzgde ziet men 
nog het weivliesbekleedsel, aan de andere zijde hier en 
daar bindweefselstrengen , die den darm in dwarse richting 
voor de helft omsnoeren. 

De mesenteriaalklieren z^n zeer gezwollen. Het mesen* 
terium is op de plaats der vernauwing tot eene samen* 
gepakte massa vergroeid , gehypertrophiëerd en aan den 
darm vastgehecht. — Verdere pathologische toestanden 
werden niet gezien. 

Zoo bleek dan, dat dit langdurig l^den veroorzaakt 
iras door het verergeren van êen toestand, die reeds lang 
bestaan had — vernauwing namelijk van het coecum, 



522 

ter plaatse waar het colon adscendons daarin overgaat 
Alle verschgnselen, bij het leven waargenomen, zijn door 
het vinden van dezen pathologischen toestand volkomen 
opgehelderd. De aanvallen van braking en pijn hadden 
in den aanvang der ziekte slechts dan plaats, wan- 
neer de doorgang door het vernauwde lumen werd belem- 
merd; de defaecatie bleef dan echter nog mogelijk wegens 
de hooge zitplaats der strictuur , en aan de uitgebraakte 
massa ontbrak de faecale lucht, w^l meestSed alleen de 
inhoud der maag werd opgegeven. Voeg hierbg, dat 
in den aanvang het physisch onderzoek negatieve resul* 
taten opleverde, dan zal men gemakkel^k begrijpen, dat 
er toen geen gegronde redenen waren, zulk een ernstig 
lijden te vermoeden : dit kon eerst geschieden , toen bg 
het later verrichte onderzoek de krampachtig gespannen 
en uitgezette darm kon worden gevoeld, de ileo-coecaal 
streek sterk uitpuilde en bij drukking op den uitgezetten 
darm eene groote hoeveelheid maag- en darminhoud werd 
uitgebraakt. Dat de vernauwing hoog in de darmen hare 
zitplaats had, kon daaruit worden opgemaakt, dat er nog 
defaecatie plaats had, hoewel in het laatste tijdperk der 
ziekte weinig. — Het sclignt overbodig, ook de verdere 
symptomen met de resultaten der lijkopening in verband 
te brengen. 

Bij de afwezigheid van tuberculosis en carcinoma komt 
het ons voor,| dat het proces, dat tot de vorming 
der strictuur aauleidiog gaf, oorspronkelijk eene uitge- 
breide typheuse of folliculaire verzweeriug van het slgm- 
vUes van het coecum is geweest, hetgeen later voor het 
grootste gedeelte tot genezing is overgegaan met het nood* 
lottige resultaat, dat ten gevolge daarvan eene nieuw- 
vorming van bind weefsel' en eene ringvormige strictuur 
is ontstaan. Vooral de korte boven medegedeelde anam- 



523 

nesoi waaruit blijkt, dat de patiënte lijdende is geweest 
aan typhns abdorm'alis en twee jaren later aan langda- 
rige diarrhoea^ gepaard met koortsen, maakt deze wijze 
yan ontstaan der strictuur waarschijnlijk. 

VII. Over dissociatie^ uit een schrijven van C. H. D. Buij s 
Ballot aan F.C. Donders, van 3 Febmarij 1867 1). Toen 
ik eenige exemplaren van nevensgaand uittreksel uit een brief 
van mij heden avond ontving en er u een van toedacht, 
meende ik ook nog een enkel woord te moeten zeggen over het 
beginsel, dat ik gisteren avond vermeldde, maar niet uitvoeri- 
ger wUde uiteenzetten, omdat ik reeds zoo lang gesproken had. 

Opmerkende, dat § 51 van mijne schets eener Physiologie 
van het onbewerktuigde rijk (Haeckel zou ze genoemd 
hebben schets der Abiologie) onjuist is — ik schijn, namelijk, 
toen niet begrepen te hebben, dat een ander timbre een ander- 
samenstel van tonen is, omdat ik door twee proeven van 
Melloni, die Knoblauch nog wel zegt herhaald 
en juist bevonden te hebben , op den dwaalweg geleid 
was, — verwees ik naar § 52 en 53 p. 27, naar § 54, naar de 
definiüe van temperatuur § 222 en naar de gevolgtrekkingen, 
daaruit afgeleid § 245 en 246. In Fogg.. Ann. GIII 
heb ik voor het eerst uitdrukkelijk gesproken over de 
mogelijkheid , dat op een zelfde temperatuur toch sommige 
deeltjes grooter amplituden kunnen hebben dan andere. 
Ik houd het zelfs voor onmogelijk, dat het anders zou 
zijn. Hoe zou een (voor een temperatuur T en een massa 
M = 3» 4- «»' -H I»" enz.) standvastige som 2 m vt 



1) In Fogg. Annalen B. CXXXI» 8. 66, 1867 komt «ene 
overeenkomstige besohoawing vo9r van C. P faun dl er. Op mijn 
▼erzoek fitond mijn vriend Burjs Ballot mij toe, zijn vroeger 
voor m\j alléén bestemd schreven te laten drakken. D. 



524 

l^èi^ óver élk deeltje «i, »\ rf»" ems. veüdé€fïdfeiiiM& K§h ? 
Niet alleèóf iaA het Van hhinié plaatèiin:^ M ifhai^n ën 
clus een hoogere of lagërè tempërathtir óp znlk ëëh {ilMtü 
zou kunnen teweeg brengen, maar wat meer zegt: benr- 
telings zal het eene deeltje, dan weder het andere grootere 
èxcnrsies maken. Juist de vele verschillende trillingen, 
die een zelfde deeltje moet maken, brengen te weeg, dat 
het zich de eene maal veel verder van het evenwichtsplunt 
verwijdert dan het andere; maar daarei^boven kunnen tt 
nioeten er interferenties plaats hebben, i) 

Welnu, zulke toevallig versnelde deeltjes springen daar** 
door juist over den labilen evenwichtsafstand heen, en 
veranderen van aggregatietoestand , als zij homogeen aijn , 
worden gebonden of ontbonden, als.z^ heterogeen waren: 
in zooverre vond ik, dat Deville ver genoeg gaat (in 
Vén opzigt te ver), als h^ verdamping en dissociatie pa« 
rellel stelt. 

Alléén doof de bovenstaande beschouwing kan ik ver- 
damping mogelijk rekeiien op alle temperaturen. Bg vaste 
Hchamen, althans de meeste, is zg toch al zeer gering. 
Maar, zóó ook geschiedt oniUnding bij alle mogelgke te.n* 
peraturen. Het Neptunisme ware zónder dit onmogelgk. 
De ongelijkheid der excursiën wordt nu nög bevorderd 
door bijkomende heterogene stoffen, vooral door platinnm, — 
eigenlek door alles wat heterogeen is, naar mgne 



1) Mij dunkt, alB CUusius (Pog^. Annalen V), in aat- 
woord op een van mijne in het bovenaangehaalde stuk aange- 
voerde bezwaren, reeds ran gemiddelde wegen der gas-deeltjea 
■preekt, op welk roettpoor Maxwell en O. E Meyer(Pogg. 
Ann. CXXV sn OXXVII) hem volgeti, dan sullen dese uitate- 
kende geleerden ook wel geen bezwaar kannen hebben tegei^ 
m^e Toorstelling. 



525 

§§ 8 8eg[q. Zoowel als goud verdampt in onse tempa»- 

tuur, zoowel kan men evensfoo aseggen, dat waterdamp 
ontleed wordt; .maar als het vrij geworden hydrogenium 
niet in een ander gaz ontwijkt, niet door een poreusen 
wand ontsnappen kan, niet door wat anders gegrepen 
wordt, schiet het weder in het naaste darap-atoom, en zoo 
gaat licM van deeltje tot deeltje dit H weder voort , tot 
dat het zijn O gevonden heeft, overeenkomstig met de 
theorie van Grothnss. Gel^k er echter een tempera- 
tuur is, waarop water damp wordt voor elke drukking , 
zoo is er ook een temperatuur, waarop water gescheiden 
wordt en hlijft in H en O. Ik geloof echter niet , zoo- 
als Deville, dat door drukking H en O noodzakelijk 
zouden moeien vereenigd worden i omdat ik zeer onbepaald 
de theorie van Dalton huldig. Er is* een klein onder- 
ècheid in de beide gevallen, en dus durf ik niet beslissen, 
of het zoo moei zijn , — alléén maar , dat het zoo tan wezen. 
Het voornaamste gevolg nu uit deze beschouwing is 
dit: dat , — evenals uit water in een gesloten toestel steeds 
nieuwe deeltjes tot damp overgaan en daarentegen weder 
dampdeeltjes zich tot water verdichten, tot dat er een 
equiliiriuM mobile tot stand komt , — zoo ook tusschen schei- 
ding en verbinding zoodanig een equilibrium mobile hexeïkt 
wordt, verschillend naar de drukking en de temperatuur, 
waaraan de stof is blootgesteld, de ruimte, waarin ze 
zich kan uitbreiden en de hoeveelheid van andere stoffen, 
die zich daarin tevens bevinden. Naar dat beginsel moe- 
ten dan ook de verschijnselen, door A. Wüllneren 
W. Muller beschreven (Pogg. Ann. CXXIX S. 353 
en 459), geheel anders voorgesteld en verklaard worden. 



526 



UITTREKSELS UIT DE NEOERLANDSCHE 
LITERATUUR. 



I. Over middelburgiche kykera^ door P. Harting. De 
Heer H. had gelegenheid de kekers te onderzoeken, door 
den Heer Snijders aan het Zeenwsch Genootschap ge- 
schonken, als vervaardigd door Zacharias Janssen. 
Zij bestaan uit twee lange blikken bnizen, aan het eene einde 
met eene trechtervormige verwijding. In deze trechter- 
vormige verwijding is een objectief bevat. Op het eene 
dezer objectiven leest men, met een diamant geschreven: 
10 voet^ op het andere 14 voet. Bg onderzoek bleek, 
dat de ware brandpuntsafstanden van beide glazen z^n 
3.21 en 3.96 meter. Oculairen zijn in de buizen niet 
aanwezig. Het vermoeden, dat een vroeger onderzocht 
werktuig ook een daarbij behoorend terrestrisch oculair 
kon zijn , werd bij beproeving niet bevestigd. Daarentegen 
voldeed het voorste glas van dit als oculair zeer goed. 
De hiermede verkregen vergrootingen bedroegen 3ö en 
en 42 maal. 

De Heer H. doet opmerken: dat in de getuigenissen 
van Joannes Zachariassen, den zoon, en van Sara 
Goedart, de zuster van Zacharias Janssen, melding 
wordt gemaakt van de uitvinding der lange kykera (eou- 
êpictlia longa^ tubi lon^i), waarmede men naar de maan, 
de planeten en de sterren ziet, als van eene bijzondere 
uitvinding, wel te onderscheiden van die der harte kijkere. 
Ook Boreel schrijft in zijnen brief de uitvinding der 
lange kijkers in 1610 aan Zacharias Janssen toe. 
Men kan nu bijna met zekerheid aannemen, dat de 
zoogenaamde korte kijkers, door Lippershey en door 
Metius in 1608 aan de Staten-Generaal aangeboden, nit 
een bol objectief en een hol oculair bestonden, terw^l 
de lange kijkers een bol oculair vorderden. Zeer waar- 
schijnlijk is het dus, dat Zacharias Janssen die het 
eerst daarvoor gebruikt heeft, evenals reeds vroeger voor 
het door hem en zijn vader uitgevonden zamengesteld 
microscoop. 

Uit een en ander besluit Spr. : dat V* Zacharias 



527 

JansseD, hetzij alleen of met zijn zoon Joannes Za- 
chariassen, zeer waarschijnlijk de eerste maker van 
kijkers met een bol oculair is geweest, en 2**. dat de 
thans aan het Zeeuwsch genootschap behoorende kijkers 
hetzij omstreeks 1655 of reeds vroeger vervaardigd zijn, 
en dat het zeer wel mogelijk is, dat de overlevering , 
volgens welke zij uit de werkplaats van Zacharias 
Janssen afkomstig ^ijn, op waarheid berust. (Proces- 
verbaal Kon. Akad. v. Wetenschappen. 29 Junij lb67). 

II. Over Aaemoglohine en de omzettingsproducten daarvan^ 
door A. Heynsius. In vereeniging met een zijner leer- 
lingen heeit H. de inwerking van koolzuur op verdunde 
haemoglobine-oplossing nagegaan en gevonden, dat na 
langdurige inwerking van dit gas de haemoglobine-strepen 
in het spectrum zwakker worden en ten slotte verdwijnen, 
terwijl gelijktijdig tusschen C en D de streep van zure 
haematine te voorschijn komt en allengs, naarmate de 
haemoglobine-strepen verminderen, in intensiteit toeneemt. 
Zijnde haemoglobine-strepen niet meer te zien, dan is de 
zure haematinestreep het sterkst ontwikkeld, hoewel, 
indien men van verdund bloed is uitgegaan , de vloeistof 
nog duidelijk alcalisch reageert. Toevoeging van alcali 
en toetreding van de lucht roept de haemoglobine-strepen 
dan wederom te voorschijn. 

Wordt haemoglobine in alcalische oplossing met redu- 
ceerende stoflfen behandeld, dan treedt bij matige inwerking 
gereduceerde haemoglobine op. Was de inwerkinj:^ van 
alcali heviger of is men van haematine uitgegaan, dan 
verkrijgt men door reduceerende stoffen gereduceerde 
haematine, kenbaar aan eene duidelijke, goed begrensde 
streep op de plaats tusschen de haemoglobine-strepen ge- 
legen en eene tweede minder scherpe streep aan gene 
zijde van de tweede haemoglobine streep. Een uitmun- 
tend middel tot reductie is druiven- of melksuiker met 
ammonia. £ookt men in ammonia opgeloste haematine 
met druivensuiker, dan verandert de kleur der oplossing 
in het oog vallend: zij wordt veel helderder bruinrood, 
en uit deze oplossing wordt nu door toevoeging vaa 
zoutzuur eene bruinroode kleurstof neergeslagen. Die 
kleurstof wordt thans nader onderzocht. (Proces-verbaal 
Kon. Akad. v. Wetenschappen. 28 December 1867). 



528 

III. Over de leJcerceUen der membrana nicêilam van den 
likvor^ck, door Dr. A. A,G. Gruye. Het gxonclweefsel van 
de membrana nictitaixs, waarin de bloedvaten verloopen, is 
zeer doorschijnend en heeft overeenkomst met het weefsel 
der cornea. Hier en daar vertoont het zeer schoone ver- 
takte pigmentcellen, die deels geel, deels zwart pigment 
bevatten. Andere pigmentcellen zijn niet vertakt, maar 
doen zich dan voor als^ ronde, regelmatig verspreide cel- 
len. Naar den vrijen rand nemen de zwarte pigmentceUen 
zoo in aantal toe, dat het vlies daardoor geheel ondoor- 
schijnend wordt. De beide oppervlakten nn der membrana 
zijn met epithelinm bekleed. Op de buitenste oppervlakte 
treft men eerst ééne, somtijds twee lagen groote, veel- 
hoekige cellen aan, wier diameter 0.020 — 0.024 millime- 
ters bedraagt; z^ bezitten eene meestal duidelijk zichtbare 
kern. Op de plaatsen, waar de grenslijnen dezer cellen 
elkander kruisen, of somtijds midden in de lijn, die twee 
epitheliumcellen van elkander scheidt, ziet men hier en 
daar. cirkelvormige openingen, van 0.002 — 004 milli- 
meters diameter, wier rand men duidelijk in de omtrek- 
ken der epitheliumcellen ziet overgaan. Wanneer men 
nu de mikroskoop-buis naar beneden beweegt, ziet men 
duidelijk, dat het de openingen zijn van kleine, ronde of 
eenigszins peervormige bekercellen. Enkele bekercellen 
treft men aan vlak onder eene der groote epitheliumcel- 
len; er is dan evenwel nog geene opening aan te her- 
kennen; zij bezitten dan dikwerf een eenigzins schuin- 
schen stand, hetgeen wel van het opzoeken van een locus 
minoria resistentiae tusschen de epitheliumcellen zal af- 
hangen. Beweegt men nu de mikroskoopbuis nog een 
weinig lager, dan vindt men iééne of somtijds twee lagen 
van cellen, welker diameter ongeveer 0,01 millimeter 
bedraagt, en die op den eersten aanblik wel eenige over- 
eenkomst met kraakbeencellen vertoonen; zij schijnen 
eene vrij groote holte te bezitten en kunnen volstrekt 
niet met de veel grootere, oppervlakkige epitheliumcellen 
verwisseld worden. Heeft men ze door maceratie in 
chroomzuur van 0.01 pCt. geïsoleerd, dan laten zij zich 
van deze nog altijd zeer duidelijk onderscheiden. Het 
onderzoek van versche praeparaten heeft hem tot de over- 
tuiging geleid, dat uit deze cellen de eigenlijke beker- 
cellen ontstaan en wel op de volgende wijze; van tijd 



529 

tot tgd fw^t de holt^ in eene dezer cellen op, en deze 
cel dringt tosschei^ de epitheliumcellen door tot aan de 
oppervlakte, waar zij dan eene openiog verkrijgt en nn 
aan al de kenmerken eener bekercel beantwoordt. Het 
komt hem waarschijnlijk voor, «dat, nadat zy haar slijm- 
achtigen inhoud heeft uitgestort, z^ in haar geheel naar 
de oppervlakte blijft voortdringea, of liever voortgedron- 
gen wordt, om ten slotte afgestooten te worden, terwijl 
de epitheliumcellen, die haar den doortocht hebben ver- 
leend, met hare randen weder tot elkander komen. 

De vraag blijft nu nog over, of de groote, oppervlak- 
kige epitheliumcellen ook afkomstig zijn van diezelfde 
cellen, waaruit die bekercellen ontstaan. 

Het verschil in grootte is belangrijk, de afscheiding 
scherp, maar niet belangrijker en niet scherper dan in 
de epidermis van den mensch, bijv. tusschen de eigenlijke 
epidermiscellen en de cellen van het rete Malpiojhii. G. 
gelooft derhalve, dat in de membrana nictitans epithelium- 
cellen en bekercellen uit dezelfde primitieve elementen 
ontstaan, en wellicht is dat ook in het algemeen waar, 
hoewel het op sommige plaatsen nog moeielijker is , 
deze opvatting vol te houden: zoo is in dat gedeelte van 
de epidermis van den aal, vanwaar de afgebeelde cellen 
afkomstig ?ijn, het verschil tusschen de bekercellen 
en de tusschenliggendo epidermiscellen, die er niet bij 
afgebeeld zijn, nog veel grooter. Hier zijn, in tegen- 
overstelling met hetgeen in de membrana nictitariS het 
geval is, de epidermiscellen, in verhouding tot de beker- 
cellen, uiterst klein, en men kan zich nauwelijks voor- 
stellen , dat zij met deze inderdaad reusachtige cellen eene 
gemeenschappelijke afkomst hebben. In het slijmvlies 
van het darmkanaal bestaat die moeielijkheid niet: daar 
z^n de afmetingen niet zeer verschillend. 

Wat de ondervlakte der membrana nictitans betreft, 
hier grenst de epitheliumlaag onmiddellijk aan de laag 
waarin de capillaria bevat z^n. Z\j is dunner dan de 
laag aan de boven vlakte, maar wijkt daarvan overigens 
in de hoofdzaak niet af. (Nederl. Tijdsch. v. geneeskunde. 
D. IV. afd. 2. bl. 135). 

IV, Over degeneratie van de ffangtiëneellen der iersenen , 
door Dr. C. E. Hoffmann. In de subst. corticalis van 



530 

aan chronische manie, melancholie, maar vooral aan de- 
► mentia lijdenden, zag H. glinsterende, ineenp^eschrorapelde, 
min of meer driehoekige O.OOQ'"— 0.015*' groote lig- 
chaampjes, die niets anders zijn dan de laatste term eeiier 
reeks van pathologisc h-anatomische veranderingen der 
gangliëncel. Hij beschrijft het proces, als volgt: 

„Nadat eerst de gangliëncel bijna e^eheel met vet en 
pigment-moleculen doortrokken was (waarbij echter de 
nncleus en nucleolus altijd intact bleven en de eerste 
alleen een weinig saamgedrongen zich voordeed) scheen 
er eene langzame resorptie dezer pigment- en vetmoleculen 
plaats te vinden. Hierbij trok zich het nog overgeblevene 
protoplasma al meer en meer om de kern samen e^ zoo- 
wel het aantal als de omvang der protoplasmanitloopers 
verminderde; eindelijk was het bijna niet meer mogelijk 
eene protoplasmalaag om de kern te onderscheiden, dan 
alleen daar, waar de zeer dun gewordene nitloopef'S uit- 
gingen. De kern begon nu meer eene peervormige ge- 
daante aan te nemen en kreeg een glinsterend uiterlijk. 
De zenuwdraad, die bij normale gangliëncellen slechts 
met de uiterste zorgvuldigheid te conserveeren is , scheen 
hier veel langer bewaard te bhiven. Ik vond althans 
dikwijls bij gargliëncellen, die zeer dun en smal geworden 
waren en de protoplasma uitloopers bijna allen verloren 
hadden, den zenuw- uitlooper nog zeer goed bewaard. 

De vorm van den nucleus werd nu al meer en meer 
driehoekig; de protoplasnia-uitloopers tot één è. twee uiterst 
dunne draden gereduceerd, gingen eindelijk geheel ver- 
loren; het protoplasma zelf verdween geheel en al; de 
nucleolus, die het langst aan de pathologische verande- 
ring weerstand scheen te bieden, deed zich op het laatst 
met moeite bij de sterkste vergrooting nog als een uiterst 
klein glinsterend stipje voor en verdween eindelijk geheel, 
en nu vond men de zoo even beschrevene driehoekige 
lichaampjes als de laatste schakel der keten van het 
proces der regressieve metamorphose. Zelfs dair, waar 
al het protoplasma verdwenen, de kern ineengeschrom- 
peld, maar de nucleolus nog bewaard was gebleven, vond 
ik enkele malen nog een zenuwdraad aan de kern hangen.'* 
Bij onderzoek van den normalen bouw der subst. cor- 
ticaiis cerebri vond H. eenige malen bij jonge dieren 
(konijnen) geïsoleerde gangliëncellen, waaraan de zenuw- 



631- 

uitlooper cog zeer duidelijk was waar te nemen. Bij 8terl:è 
vergrooting en nauwkeurige beschouwing kon hij den 
zenuw-uitlooper door het protoplasma en de kern tot aan 
den nucleolus vervolgen , zoodat ook bij de gangliëncellen 
der centraalorganen (van de konijnen ten minste) de 
zenuw-uitlooper van den nucleolus zijn oorsprong schijnt 
te nemen, even als Be al e en Arnold dit voor de gan- 
gliëncellen van den n. sympatbicus van den kikvorsch 
hebben aangetoond. — Hoe verder het degeneratie-proces 
gevorderd is, hoe bleelser de kleur der corticalis schijnt 
en hoe meer zij zich geatrophiëerd voordoet. (NederL 
.Tijdsch. V. geneeskunde. D. IV. afd. 2. bl. 111). 

V. Over algemeene progreêsieve parali/sey door Dr. C. K. 
E of f ma nn. Bij de autopsieën van aan algemeene para- 
lyse gestorvenen, die H. in de gelegenheid was te ver- 
richten , vond hij nu eens sterke verdikking van den vaat- 
wand (ook in de witte stof) , met bijna volkomen integri- 
teit der gangliëncellen, dan eens, vooral wanneer de 
dementia sterk uitgedrukt was, eene exquisiete , met verdik- 
king vanden vaatwand gepaarde, duidelijke vettig-pigmen- 
teuse degeneratie der gangliëncellen en regressieve meta- 
morphose. Tevens waren de gangliëncellen van den tha- 
lamus opticus en het corpus striatum zeer sterk vettig- 
pigmenteus gedegenereerd. 

Huogst interessant is de verhouding van hetruggemei^ 
bg de algemeene progressieve paraïyse. Nadat ^Vestphal 
er reeds vroeger opmerkzaam op gemaakt had, dat bij 
eenige aan algemeene paralyse gestorvenen (ten minste 
bij dien vorm, bij welken jaren lang van te voren hevige 
excentrische pijnen aan de motiliteilssioomissen der onder- 
ste extremiteiten voorafgingen en die een analoog karak- 
ter als de tabes dorsalis vertoonde) ook eene aandoening 
van het ruggemerg voorkomt, bestaande in eene degene- 
ratie der acnterjJte strengen, heeft hij hierop in den laat- 
sten tijd wederom de aandacht gevestigd (Virchow's 
Arcfiiv, lb67, Bd. XXXIX, pag. 90, 350, 6^»2), en is 
na een langdurig voortgezet onderzoek tot het resul- 
taat gekomen , dat niet alleen by den zoo even vermelden 
vorm, maar bij alle aan algemeene paralyse lijdenden, 
eene aandoening van het ruggemerg voorkomt Hij heeft 
niet alleen eene degeneratie der achterste strengen, maar 

35 



532 

ook der zgdelingsche strengen van het mggemerg aange- 
toond en deze pathologisch-anatomische verandering zdfs 
tot in de medulla oblongata en den pons kannen 
nagaan. 

Yoornameligk de laatste mededeelinffen van Westpkal 
spoorden Hoffmann aan, zijne onderzoekingen te her- 
halen. Slechts één geval van aJgemeene paralyse deed zich 
na dien t^d aan hem voor, en hier was hij in staat 
WestphaPs oi.derzoekingen volkomen bevestigd te vin- 
den :'ver8ch, zoowel als na behandeling in bichrom. pot., 
vertoonden zich in de achterste strengen talrijke corpuscula 
amylacea, Kömchenzellen en Körnchenhaufen , terwijl het 
onderzoek van doorsneden van verharde praeparaten zeer 
duidelijk verlies van zennw-elementen deed kennen. Boven- 
dien was hij in de gelegenheid, het mggemerg van aan 
algemeene paralyse gestorvenen, die van vroegere sectiën 
in eene oplossing van acid. chrom. bewaard waren, te on- 
derzoeken, en vond ook hier Westphal's mededeelingen 
over degeneratie in de achterste en gedeeltelijk ook in 
de zgdelingsche strengen volkomen bevestigd. (Nederl. 
Tijdflch. V. geneeskunde. D. IV. afd. 2. bl. 126). 



BOEKAANKOIIDIGIIIGEII. 



JEeni^e onderzoetingen over Ozon. Dissertatie van D. 
Huizinga, verdedigd 28 Juni 1867 te (Jroningen. 57 
bladz»; v^f Hoofdstukken en een Aanhangsel. 

In Hoofdstuk I levert de schrijver eene op het expe- 
riment gegrondveste kritiek der gebruikelijke wijzen om 
ozon te bereiden. Hij besluit tot de verwerping van vier 
•methoden en houdt zich aan eene vijfde, door hem ge- 
doemd: de bereidingswijze door electrische ontladingen. 
Zuuistofgas, zooveel mogelijk vrij van stikstof, en ont- 
staan door de verwarming bij 50> — 60'' van chloorkalk- 



533 

melk bedeeld met chloorkobalt-oplossing (Fleitmann 
en Stolba), wordt uit een gazometer geleid door eene 
reeks droogbuizen in den als ozoni»atieapparaat fungee- 
renden toestel van Siemens, waarin het gas aan den 
invloed van iDductie-electriciteit wordt blootgesteld. Rein 
en droog zuurstofgas (niet gewone lacht, want dan vormt 
zich acidnm nitrosum) bleek tot de bereiding van zuiver 
ozon een noodwendig vereischte. 

In Hoofdstuk II Imndelt de S. over de wijze, om ozon 
aan te toonen en in hoeveelheid te bepalen. Hij staat 
stil bij zes qualitatieve methoden: guajakhars, joodka- 
lium, vochtig zilver, zwavelzuur mangaanoxydul , zwa- 
vellood en indigo» die door verschillende geleerden zijn 
gebruikt Hij wijst op de gebreken, die ze aankleven, 
daar salpeterzuur, dat ozon in dea regel vergezelt, ge- 
noemde reagentiën eveneens ontleedt, en handelt uitvoe- 
riger over tAalliumoxydul j door Schönbein aanbevolen, 
doch niet beproefd. Genoemde verbinding bereidt H ui- 
zin ga uit thallium sulfaat-solutie door verwijdering van 
het zwavelzuur met barytwater. Het oxydul blijft in 
alcalische oplossing terug, waarin door ozon een bruin 
neerslag, of op papier, daarmede gedrenkt, eene bruine 
verkleuring ontstaat, door acidum nitrosum daarentegen 
niet. De door ozon gevormde hoogere ozydatietrap wordt 
echter door ac. nitrosum weder gereduceerd, zoodat ook 
deze methode gebrekkig is. Zg geeft goede uitkomsten, 
evenzoo vele der andere methoden, zoo salpeterzuur vooraf 
uit het gasmengsel .wordt verwijderd. — Ter gewichts- 
bepaling van ozon acht de S. het best uit te gaan van 
sulfas manganosus of van thalliumoxydul, mits geen ac. 
nitrosum voorhanden zg. Men bepaalt öf het quantum 
oxyde, door ozon gevormd, öf de hoeveelheid oxydul, 
na afloop der proef teruggebleven, waaruit de hoeveel- 
heid opgenomen zuurstof is af te leiden. De inwerking 
van het reagens op het met ozon bedeelde gas zou kun- 
nen geschieden in een glazen ballon, op bijzondere wijze 
hiertoe ingericht. De uitkomsten, langs dezen weg te 
verkrijgen, zijn echter niet boven bedenking verheven, 
zooals de S. zelf erkent Eene tweede methode, door 
van Kerckhoff aangegeven en berustende op de uit- 
zetting van ozon, wanneer het door verwarming in zuur- 
stof overgaat, heeft hij niet beproefd. 



534 

Hnizinga wijst in Hoofdstuk III op onze onvolle- 
dige kennis van Ael atmosphaerisch ozon en op het gebrek- 
kige zijner bepaling, volgens demethodevanSchönbein 
en Ho UZ eau, metjoodkalium-zetmeelpapier. Hij deelt een 
eigen onderzoek mede van ozon in den dampkring te 
Texel (Juli en Aug. 1866) met door thalliumoxydul- 
oplosaing gedrenkt Zweedsch filtreerpapier , elke vk. centm. 
houdende circa 1 mgr. Th^O. Ter bepaling van den graad 
vaiK bruinkleuring bedient de waarnemer zich van eene 
ruwe schaal, die hij nader omschrijft , beschouwt zijne 
uitkomsten in verband met de windkracht en de getallen 
met Schönbein's papier verkregen op hetmeteor. Insti- 
tuut aan den Helder, op IVa afstand, eu leidt uit zijne 
proeven af: Thallium-papier wordt bruin aan de lucht 
en wel door ozon, zoo er geen andere stoffe in de atmos- 
feer voorhanden is, die eveneens verkleuring teweeg brengt. 
De verkleuring is 's nachts minder dan over dag; zij is 
krachtiger, wanneer bij meer wind meer dampkring.^lucht 
in den zelfden tijd met het papier in aanraking komt; met 
de verkleuring van Schönbein's papier houdt zij geen 
gelijken tred, betgeen de schrijver verklaart uit het ac. 
nitrosum, dat in de atmosfeer in afwisselende hoeveelheid 
voorkomt en Schönbein's papier verkleurt, terwijl het 
op thalliumpapier eene ontkleurende werking uitoefent. 

Te Groningen had in dezelfde maanden geene verkleu- 
ring van thalliumpapier plaats. Wordt het geplaatst tus- 
schen de bladeren van welig groeiende planten, dan ver- 
kleurt Eet niet krachtiger dan in gewone lucht. Dit pleit 
niet voor eene afscheiding van ozon door groene planten- 
(deelen, zooals spmmigen hebben beweerd. 

„ Oison in het bloeéP^ is het onderwerp van het 4*^© Hoofdstuk. 
. De S. geeft een historiach overzicht der op dat gebied 
reeds verrichte proeven van His, Al. Schmidt, Lewis- 
son, Pokrowsky en anderen, vergelgkt^ze onderling 
en toetst hare waarde aan de uitkomsten van een nader on- 
derzoek. Door een druppel verdund bloed (van een mensch, 
hond, konijn, schaap, varken, met 10—15 vol. water) 
ontstaat op bijna droog filtreerpapier, gedrenkt met versoh 
bereide guajak-tinctuur, een blaauwe rand, duidende op 
oxydatie. "Usii^x guajak., uitgebreid op eene poreuse onder- 
laag (grof filtreerpapier, gebakken aarde enz.) wordt 
gonder bloed eveneens blauw , doch langzamer. Behake 



535 

dooi bloed verkr^gt men dezelfde verkleuring zoowel door 
reduceerende : suKas ferrosus , man gaanoxydul-hydraat , 
lijnolie, als door oxydeerende stoffen, chroomzuur, per- 
mangauas kalicns, bichromas kalicns enz. Haemoglobine 
(uit hondenbloed) verhoudt zich tegenover guajak even» 
als bloed zelf. Zuurstofvrije en oxyhaemoglobiae ver- 
kleuren guajak even snel en met dezelfde intensiteit. In 
welken toestand echter de zuurstof de blauwe verkleuring 
teweeg brengt, durft de S. niet beslissen: hg Acht twee- 
ërlei verklaring mogelijk. — De theorie van Schönbein 
(ozon en antozon) bevredigt hem niet. Hij meent, dat 
men vooralsnog geen recht heeft tot de uitspraak : ^^bloed 
bevat ozon", want dan dient men in vele andere stoffen, 
die evenzoo werken als bloed, ook ozon aan te nemen, 
waarvoor het bewijs ontbreekt. Evenmin bestaat er zeker- 
heid, of bloed de zuurstof ozoniseert, waarmede het in 
aanraking komt. Eindelijk durft de S., op grond van 
door hem genomen proeven, niet beslissen of bloed al 
dan niet een ozon* overdragend vermogen bezit. 

In het laatste Hoofdstuk deelt Huizinga een onder- 
zoek mede over de „Scheikundige verbindingen vapi ozon", 
verricht met den in Hoofdstuk I beschreven toestel, waarin 
de ozon-houdende zuurstof bereid en in een langzamen 
stroom (1 liter per Va uur) geleid werd door eene reeks 
van kolfjes, waarvan het eerste de door ozon te oxydeeren 
verbinding, de overige joodkalium, zoutzuur, kali enz. 
bevatten, om het niet opgenomen ozon, ammonia, kool- 
zuur enz. te absorbeeren. Hij. nam proeven met 1". ge* 
dUtilleerd uitgekookt water ^ geen waterstofperoxyde werd 
gevormd; slechts een spoor ac. nitrosum opgenomen. 2^ 
Ureum ^ in neutrale solutie niet veranderd; ook niet na 
toevoeging van een weinig kali (verschil met Gorup- 
Besanez). 3^ Glucose in getitreerde oplossing ; haar gehalte 
aan suiker blijft onveranderd, doch, met kali bedeeld, 
oxydeerde glucose ten deele tot koolzuur en mierenzuur. 
4'='. Mszuur wordt langzaam aano[eta8t in neutrale, sneller 
in alcalische solutie; ureum en allantoïne zijn geen ont- 
ledingsproducten; ook ontstaan geen alloxaanzuur en para- 
banzuur (verschil met G-orup-Besanez) ; wat er gevormd 
wordt, heeft de S. niet toegelicht, ö"*. Haemoglobine m 
oplossing, ook verdund bloed, wordt, bij doorvoeren 
van oaon,. aanvankelijk 4oi^l^^rood, ten slotte lichtval, 



536 

onder afscheiding van een vuilwit vlokkig neerslag. De 
ontÊlenrde vloeistof bevat onder anderen eiwit ^ ijzer door 
ferrocyankaUnm aanwijsbaar, en leucine. De spectraal- 
analyse leerde, dat haematine niet werd gevormd. De 
twee haemoglobine-streepen verdwijnen na lang doorvoe- 
ren. In verdund en haematine-houdend (door az^nzuur) 
bloed, met ozon bedeeld, blijft de haematine-streep langer 
zichtbaar, dan in gewoon bloed de haemaglobine-streepen. 
Waterstofperoxyde werkt op bloed evenals ozon, mits 
de oplossing zuur of alcalisch zij. 

In een Aanhangsel vermeldt de Schrijver een mihros- 
hopisch onderzoek van kikvorsch-bloedcellen, in eene 
opzettelijk daartoe vervaardigde gaskamer blootgesteld 
aan den invloed van ozon houdende zuurstof. De ovale 
bloedcellen zwellen op; hare kern wordt op eens zeer 
duidelijk; spoedig treedt ontkleuring in; ten slotte wordt 
het stroma aangetast en verdwijnt; de kern blijft over. 
De meer ronde en de witte bloedcellen worden minder snel 
veranderd. — Op de Flimmerbeweging der darmparasiten 
van den kikvorsch, de Opalinen, heeft ozon veel invloed. 
Hare beweging wordt gedurende een zeer kort oogenblik 
zeer versneld, daarna langzamer, en houdt ten slotte, 
na 1 — 3 minuten, geheel op. Dit gaat gepaard met een 
langzaam vervloeien der Opalina's. 

J. van der Hoeven. PAUoêopiia zoölogiea. Lugduni 
Batavorum, 1864. 

Beeds vroeger had van dit boek van onzen beroemden 
landgenoot eenige melding in dit tijdschrift gemaakt moeten 
worden. Door verschillende omstandigheden werd dit tel- 
kens uitgesteld. In het buitenland heeft men op de „phi- 
losophia zoölogica" meer de algemeene aandacht gevestigd 
dan in ons vaderland; zoodat er thans te Turijn een Ita- 
liaansche vertaling op het punt is van te verschijnen, terw^l 
Claparède een aankondiging van het boek geeft, welke 
van de grootste ingenomenheid getuigt, in de „Bibliothèque 
universelle et Revue Suisse'' (Archives des Sciences physi- 
ques et naturelles; Nr. 121, Janvier 1868). Desohrgver 
zal echter in dit alles wel geen bewys zien, dat zijn boek 
minder in ons vaderland op prijs gesteld wordt dan elders; 
de beperkte kring van lezers, welke het uit denaaxdder 



537 

zaak onder de geDeesknndigen vindt i verklaart het vol- 
doende, dat in de geneeskundige t^dschriften van de „phi- 
losophia zoölogica" tot heden geen aankondiging geschiedde. 

Wg meenen zelfs, dat het voor een eigenlijke heoordee- 
ling van het boek hier de plaats niet is, doch maken 
van deze gelegenheid gaarne gebruik, om de aandacht 
onzer landgenooten op de bovengenoemde beoordeeling 
van Claparède te vestigen, waarvan w^ enkele deelen 
willen overnemen. 

Na op de bekende overeenkomst van de philosophia 
zoölogica van van der Hoeven met de philosophia bo- 
tanica van Linnaeus gewezen, doch tevens het ruimere 
standpunt van onzen landgenoot bij de behandeling zgner 
stof in het licht gesteld te hebben, zegt Claparède: 
„Uoe compendieas het werk schijne, men beschouwe het 
toch niet als een handboek voor studeerenden, hoezeer 
het dezen van groot nut en een onuitputtelijke bron 
van nieuwe gezichtspunten zijn kan. Men herkent in 
den schrijver een geleerde, die een lange baan van ernstig 
onderzoek en onmeetbaren arbeid afgeloopen heeft. Aan 
het einde daarvan werpt hij een blik achterwaarts, en 
omvat met één oogopslag het veld van wetenschap dat hij 
heeft doorloopen. Zulk een blik „i vol d'oiseau," zulk 
een tafereel waarin de bijzondere feiten verdwijnen in de 
harmonie van het geheel, vinden wij in de Philosophia 
zoölogica. Ieder beminnaar der wetenschap, ieder ge- 
leerde van vak zal dit boek in handen nemen, langzaam 
doorbladeren, en het vervolgens zoodanig in zijn biblio- 
theek plaatsen, dat hij het zoo spoedig mogelijk weer 
vinden kan. Want het is een dier zeldzame werken, 
welke men zoo dikwijls moet raadplegen als de behoefte 
*aan een raadgever of een gids zich doet gevoelen." 

„Wij kunnen — zegt Claparède verder — de sober- 
heid en de verstandige keuze der stof uit de verschillende 
deelen der groote zoölogische wetenschap niet genoeg 
prgzen." 

„De nomenclatuur komt grootendeels, wat hare grond- 
slagen betreft, met die der philosophia botanica van 
Linnaeus overeen. Oüschoon wij hier liever de grootere 
nauwkeurigheid en zekerheid ontmoet hadden, welke de 
botanisten, naar het voorstel van Alph. de Can dolle, 
op het congres te Parijs vroeger aangenomen, thans be- 



538 

reiken kunnen , gelooven wij ^ dat die in de zoölogie nog 
niet mogelijk waren. De botanie is een betrekkelijk veel 
meer gevorderde wetenschap dan de zoölogie. Haar veld 
is minder omvangrijk , een poging tot een stelsel, gegrond 
op de natuurlijke verwantschap, en, in verband daarmee, 
een meer logische nomenclataur , is daardoor mogelijk. 
Het doel der zoölogie is echter ongetwijfeld hetzelfde. 
De ontleedkunde, de ontwikkelingsgeschiedenis en de 
physiologie, die zeker den sleutel vormen voor het ont- 
dekken van de natuurlijke verwantschap der deelea, zijn 
evenwel in veel opzichten nog in haar kindschheid, en 
studie van deze afzonderlijke deelen der wetenschap is 
voorloopig het streven der meeste onderzoekers, achter 
welk streven het ware doel : de samenstelling van het 
natuurlijk stelsel, nauwelijks gezien wordt. Vandaar ook, 
dat de nomenclatuur der zoölogie veel minder zeker is 
dan die der botanie, en in 't oog der meesten voor het 
oogenblik veeleer middel dan doel. De dag, waarop 
het zoölogische stelsel beschouwd zal kunnen worden als 
een volledige samenvatting der vergelijkende ontleed- 
kunde, zal tevens deze laatste, thans zelfstandi.:: zoo 
belangrijke wetenschap opheffen, om haar tot een deel te 
maken van de in haar waar karakter zich vertoonende 
zoölogie. Maar wij zijn nog zoo ver niet," 

Verder ontveinst Claparède ook niet, dat sommige 
bijzonderheden tot aanmerkingen aanleiding zouden kunnen 
geven. Zoo had hij gaarne, na de beschouwing van de 
longen der zoogdieren, der vogels en der amphibiën, de 
zwemblaas der visschen, die het analogon eener long is, 
behandeld gezien, terwijl van der Hoeven, bij de 
rangschikking der organen een physiologisch verderjlings- 
beginsel volgende, die zwemblaas in de comparatieve 
anatomie niet vermeldt, omdat zij, bij de visschen, met 
uilzonderii g der lepidosiren , met als iong functioneert 

Toch zijn deze en enkele overeenkomstige bezwaren, 
welke uit het verdeelingsbeginser'Syan van der Hoeven 
vcoitvlceien , van weinig belang, want „il est irapossible 
de trouver une distiibu'ion du sujet^'^rfaite è. toiis les 
egards. Le principal désideratum esl qthünWjjit pas 
de lacune tensible. A ce point de vue, lebêl ouvrage 
de M. van der Hoeven n*offre guère le flanc aux 
leproches." 



DATE DUE SLIP 

UmVKBSITT Or CAUrOBMIA UIOICAL SCHOOL UBBART 



TmS BOOK IS DTTE ON THE I.A8T DATE 
BTAMPED BEI.OW 



APR 1 3 1966 



l^i^.'LI8RARY LOAN 
.-Z-DAYS Xf3? RECBb(t 

RETURNEQ 

APK 2 2 1966 



7DAY 

OEC 18 1968 

RETURNED 



3mlO,'S4