Skip to main content

Full text of "Nederlandsch Oost-Indië, beschreven en afgebeeld voor het Nederlandsche volk. 2. geheel omgewerkte druk, met 32 platen"

See other formats


Digitized by the Internet Archive 

in 2010 with funding from 

University of Toronto 



http://www.archive.org/details/nederlandschoost02lith 




JSTEDERLANDSOH OOST-INDIË. 



iöEBÜDSCH OOST- 




Tl 

^ 
iLi 



BESCHREVEN EN AFGEBEELD 



VOOR HET NEDERLANDSCHE VOLK 



P. A. VAN DER LITH, 

% 
Hoogleeraar te Leiden. 



TWEEDE GEHEEL OMGEWERKTE DRUK, 

MET 3a PLATEN 

waarvan 24 in lichtdruk en 8 in kleurendruk. 

TWEEDE DEEL. 



L E I D E N. — E. J. B R I L L. 

1894. 



AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN 
OP HET TWEEDE DEEL. 



Pag. 92 regel 1 v. b. De mededeeling, hier op gezag van den 
Heer v. Langen gegeven, is blijkens het werk van Dr. S. Hurgronje 
I. p. 63 niet geheel juist. Volgens dien schrijver berust de voor- 
stelling, dat de binasah eene onderafdeeling van den kampong en 
de tengkoe een soort van onder-dorpshoofd zou zijn op eene ver- 
gissing. Wel komt het voor dat een ketjik meer dan één kampong 
te administreeren heeft, maar binnen eiken kampong wordt dan 
toch de verhouding tusschen de beide autoriteiten aangeduid met 
de gelijkenis: „de ketjik is de vader, de tengkoe de moeder" en 
ieder van hen heeft zijn eigen terrein en eigen bevoegdheden. 

Pag. 184 regel 16 v. o. „Batavia, Samarang" lees: „Batavia, 
Bandong, Samarang." 

Pag. 456 regel 10 v. b. „In vele streken" lees: „In sommige 
streken , vooral in West- Java." 

ld. regel 14 v. b. achter „zonnestralen", in te voegen „In de 
meeste streken van Midden-Java behouden de snijders echter hunne 
gewone kleeding en zijn het alleen de vrouwen, die dit werk ver- 
richten. 



INHOUDSOPüAVE. 



TWEEDE BOEK. Schetsen uit de Geschiedenis 
van Ned.-lndië. 

HOOFDSTUK III. 

Insulinde onder het Staatsbestuur . . . . p. 1 

Java onder het Staatsbestuur ...» 5 

Sumatra onder hel Staatsbestuur » 60 

Borneo onder het Staatsbestuur .»124 

Celebes onder het Staatsbestuur .......... 146 

De Molukken onder het Staatsbestuur . . . ... . . . » 152 

Bali onder het Staatsbestuur .......... d 158 

Timor onder het Staatsbestuur » 162 

HOOFDSTUK IV. 

De inrichting van het bestuur in Ned.-lndië ...» 165 

Algemeen bestuur » 165 

Gewestelijk bestuur » 181 

De Regenten » 188 

DERDE BOEK. De bevolking. 

HOOFDSTUK I. 

De bestanddeelen der bevolking van Ned.-lndië » 194 

HOOFDSTUK II. 

Schetsen uit de huishouding der Moslemsche bevolking . . » 216 

De bewoners van Java «216 

De Maleiers der Padangsche bovenlanden » 332 . 

Maleiers » 357 

De Boegineezen en Makassaren » 363 

De Atjehers » 370 

HOOFDSTUK III. 

Tafereelen uit het volksleven onder de heidensche stammen . » 380 

De Bataks » 380 

De Dajaks » 394 

De Alfoeren » 415 

De Balineezen » 432 

Versc)iillende heidenscJie stammen » 440 

Wijze van krijgsvoeren » 443 



HOOFDSTUK IV. 

Landhoiiw m nijvetlirid .... p. 448 

Laiiilbouir iter liilancisclie. bevolking » 448 

Teelt van jn-oductcn voor ilc Europeesclic markt » 481 

Nijvcrhfid » 5'26 

Jacht en visscherij s 539 



Plaatsing der platen : 

Wajanfipoppen en maskuis tegenover ilen titel. 

Woningen » 220 

Huisraad «280 

Muziekinstruraenten » 290 

Wajang » 293 

Bedaja's » 330 

Bataks » 381 

Dajaks van Sambas o 397 

Bewoners van Ceram » 430 

Wapenen » 446 

Sawalis » 453 

Landbouwgereedschappen en huisraad » 457 

Thee-onderneming » 496 

Kina-tuin ...» 500 

Suikerriet » 503 

Koffie- en cacaoplanten » 518 



MD/IKK-INSTIUIMICNTKN (GAMRI.AN). 




1. lo. Gëndèr met hamertje. 2. 2a. Kënong met stok. 3. 3a. Dgmong met liamertje. 4. Kgtjèr. 
5. Tjalëmpoeng. 6. 6a. Gong met stok. 7. 7a. Hebab met strijkstok. 8. Soeliiig. 9. 9i. Bonaug 
ageng met stok. 



DERDE BOEK. 



SCHETSEN UIT DE GESCHIEDENIS VAN 
NEDERLANDSCH-INDIË. 



HOOFDSTUK III. 



INSULINDE ONDER HET STAATSBESTUUR. 



De Raad der Aziatische bezittingen, het Regeerings-coUege dat, 
zooals in het eerste deel (p. 542) werd medegedeeld, in 1800 was 
opgetreden , werd weldra tot eene allerbelangrijkste werkzaamheid 
geroepen. De vrede van Amiëns, tusschen Engeland en Frankrijk 
benevens de Bataafsche republiek gesloten (1802), had de koloniën, 
vroeger door ons bezeten , met uitzondering van Ceilon in de handen 
der Bataafsche Republiek gesteld en de vraag was nu, op welke 
wijze de Staat Indië zou besturen. De Raad zocht ter beantwoording 
dier vraag ook de voorlichting van hen , die door hunne vroegere 
loopbaan met de koloniale aangelegenheden bekend konden zijn en 
benoemde in November 1802 eene Staatscommissie , uit 7 leden 
bestaande, om advies te geven over de wijze, waarop de handel op 
's Lands bezittingen zou moeten worden gedreven en die bezittingen 
bestuurd moesten worden. Onder hen, die als leden der Commissie 
zitting namen, zijn vooral een tweetal mannen merkwaardig, die 
als vertegenwoordigers der meest uiteenloopende beginselen optraden. 
De eerste was de oud-Commissaris-Generaal Nederburgh. Spoedig 
na zijne terugkomst in het vaderland was hij door het Staatsbestuur 
over den Oost-Indischen handel geraadpleegd en in zijn advies stond 

II. 1 



2 mnift ONDEB HET staatsbestuuu. 

liij het stelsel van gedwongen arbeid fii contingenten vooi' en 
ontried eene ingrijpende bemoeiing met het Inlandsche bestuur, 
terwijl hij eenen uitshiitenden handel, niet van eene Compagnie maar 
van den Staat, aanbeval. Lijnrecht tegenover hem stond Dirk v. 
Hogendoi'p ^), de broeder van den beroemden Gijsbert Karel , die , 
als officier in Indië gekomen, het zwaard met de pen verwisselde 
en in Compagnie's dienst was getreden, waar hij weldra den rang 
van gezaghebber van Java's Oosthoek erlangde. Toen de tijding van 
de revolutie in Indië aankwam, betoonde hij zich eenen vurigen 
aanhanger der nieuwe begrippen en wekte zoodoende het ongenoegen 
van den Commissaris-Generaal op, die partij trok van eenige ver- 
keerde handelingen, welke v. Hogendorp zich op het voetspoor van 
bijna alle Compagnie's dienaren veroorloofd had, om hem te ontslaan 
en in de gevangenis te werpen; doch v. Hogendorp, die voor erger 
vreesde, onttrok zich door de vlucht aan zijn kerker. Naar zijne 
meening, die hij in tal van geschriften uiteenzette, behoorde in 
Indië te worden ingevoerd, vrijheid van persoon; eigendom van 
land, ook door den Inlander te verkrijgen; vrijheid van handel; 
afschaffing van heerendiensten en persoonlijke diensten, benevens 
goed en goedkoop recht voor allen. In den strijd der meeningen, 
die de Commissie verdeelde, overwon de aanhang van Nederburgh. 
Het rapport, door haar in Aug. 1803 uitgebracht^), vergelijkt den 
toestand van Java met dien van Hindostan en komt tot het besluit 
dat de Engelsche bezittingen, die slechts- korten tijd in Britsche 
handen waren, schatten opbrachten, terwijl op Java de territoriale 
inkomsten niet noemenswaard waren. Dit schreef de Commissie 
echter niet toe aan de instellingen, door de Engelschen ingevoerd, 
maar aan den grooten rijkdom van Britsch Indië, terwijl in Java 
niet kon beproefd worden, wat in Hindostan gemakkelijk kon worden 
ingevoerd. Want de Hindoe was zacht en gemakkelijk te leiden , 
doch de Javaan van eenen woesten aard, gewoon bij de minste 
strubbeling allen arbeid te laten varen en elke verongelijking met 
moord en brand te wreken. Deze, trouwens geheel onjuiste, beoor- 
deeling der beide volken leidde de Commissie er toe om het Staats- 
bewind in bedenking te geven geene ingrijpende hervormingen op 

') J. A. Sillem. Dirk v. Hogendorp, Amst. i890. D. v. Hogendorp. Memoires, 
La Haye 1887. 

■) P. Myer. Verzam. v. Instructiën enz. Bat. 1848. 



INDlft ONDFR HET STAATSBESTUUR. 3 

Java in te voeren die den Inlander zouden betreffen, maar integen- 
deel het leenstelsel te behouden en de contingenten benevens de 
heerendiensten te laten bestaan , ja zij stelde zelfs voor den koffie- 
en peperhandel als een monopolie aan den Staat te trekken. Deze 
voorstellen werden nader uitgewerkt in een ontwerp-Charter of 
Regeerings-reglement, dat tot grondslag van eene hervorming van 
het bestuur en rechtswezen zou strekken en de beginselen formu- 
leerde, volgens welken Indië zou bestuurd moeten worden. Dit 
ontwerp viel niet geheel in den smaak van het Staatsbewind . 
want ofschoon den 27en Sept. 1804 een Charter werd vastgesteld, 
dat bijna geheel eene weerkaatsing van het ontwerp was '), ver- 
schilde het echter in één opzicht van de voorstellen van de 
Commissie, daar ook de koffie- en peperhandel vrij verklaard 
en zoodoende met het monopolie-stelsel der Compagnie gebro- 
ken werd. 

Dit Charter, ofschoon later van grooten invloed op de inrichting 
van het Indische bestuur, trad nooit in werking, want zeer spoedig 
kwam in plaats van het oude Staatsbewind een éénhoofdig bestuur 
aan het roer van de republiek en de raadpensionaris Schimmel- 
peiniinck zond een tweetal Commissarissen-Generaal, v. Grasveld en 
Elout, naar Indië om daar het bestuur te hervormen. Maar vóór 
dat zij Indië hadden bereikt werden zij reeds teruggeroepen. De 
republiek werd tot een Koningrijk Holland gemaakt en Koning 
Lodewijk, die inzag hoe noodig het was dat een man aan het hoofd 
van het Indisch bestuur geplaatst werd, die voor geen tegenstand 
terugdeinsde om aan de misbruiken in de kolonie een eind te maken, 
benoemde den bekenden maarschalk Daendels tot Gouverneur-Ge- 
neraal van Indië (1807) en bekleedde hem met uitgebreide volmacht, 
zóó zelfs, dat zijne instructie hem machtigde de Hooge Regeering 
te ontbinden en dat de Minister van Koloniën hem schreef, „dat 
hier, zoo immer, de middelen geoordeeld zullen worden door het 
doel gerechtvaardigd te zijn." Dit was voor geene doove ooren 
gesproken en de patriot van gisteren werd in Indië de grootste 
despoot, die zich niet ontzag met ruw geweld alles te verbreken 
wat zich aan zijne macht in den weg stelde. Heimelijk uit Neder- 
land vertrokken kwam hij in het begin van 1808 te Batavia aan 



') Met latere Reg.-regleraenten uitgeg. door Mr. G. J. Grashuis. Leiden 1893, 



4 INDift ONDER HET STAATSBESTUUH. 

en nam onmiddellijk do teugels van liet bestuur uit handen van 
den Gouverneur-Generaal Wiese (1804 — 1808) over. Onderzoeken 
wij tlians, welken toestand Daendels in Indië aantrof. 

Die toestand was alles behalve gunstig '). Ol'schoüti v. Over- 
straaten zich beijverd had de verdedigingsmiddelen van Batavia in 
goeden staat te biengen en ook de levende strijdkrachten door 
Inlandsche hulptroepen aan te vullen . was de enkele komst van 
een vijandelijk eskader voldoende om de geheele stad in rep en roer 
te brengen en het onvoldoende der genomen maatregelen aan te 
toonen. Een oogenblik scheen het dat Indië onder den Gouverneur- 
Generaal Siberg (1801 — 1804) een tijdperk van herstel en vrede te 
gemoet ging. De vrede van Amiëns gaf, zooals wij weten, de ver- 
loren koloniën grootendeels aan bet moederland terug en de afgebro- 
ken betrekkingen tusschen Nederland en de overzeesche bezittingen 
werden op nieuw aangeknoopt. Maar die tijd van voorspoed duurde 
slechts kort! Een jaar later was de oorlog tusschen Engeland en 
Frankrijk met zijne bondgenooten weder uitgebroken, terwijl het in 
dien tusschentijd zelfs aan de gelegenheid ontbroken had om alle 
koloniën over te nemen, zoodat een aantal hunner (Sumatra's west- 
kust, de bezittingen in Vóór-Indië en Malakka) eenvoudig in 
Engelsche handen bleven. Zeer spoedig werd ook de Kaap de Goede 
Hoop weder buit gemaakt, zoodat bij het optreden van Daendels 
Java, de Molukken, Timor en een paar posten te Palembang en 
Makassar de eenige overblijfselen waren van het eenmaal zoo uit- 
gestrekte gebied der Compagnie. En zelfs duurde het niet lang, of 
ook de Molukken gingen verloren. Amboina werd door Filz, die 
door de rapporten zijner onderhoorigen misleid was, aan den veel 
minder sterken vijand overgeleverd, en ofschoon hierbij meer oner- 
varenheid en goed vertrouwen dan lafhartigheid in het spel waren 
liet Daendels, om een voorbeeld te stellen, de doodstraf aan Filz 
voltrekken. Het is dus hoofdzakelijk het eiland Java, dat ons onder 
het bestuur van Daendels zal bezig houden. Daar deze bezitting 
ook later het middenpunt van het Nederlandsche gezag bleef, willen 
wij thans in de eerste plaats de hoofdtrekken van de nieuwere 
geschiedenis van Java mededeelen. 



') Zoo moet, dunkt mij, het oordeel blijven luiden, ook na de belangrijke mede- 
deelingen van V. Deventer in het XlIIe deel van het werk van de Jonge. 



JAVA ONDER HET STAATSBESTUUR. DAENDELS. O 

Het rijk van Bantam, dat eene zekere onafbankelijklieid 
bewaard had , moest het eerst de kracht van Daendels leeren ken- 
nen '). Onder de aangelegenheden aan welken de Gouverneur- 
Generaal al zijne aandacht wijdde, bekleedde de verdediging van 
Java eene aanzienlijke plaats. Ten einde aan de westkust van Java 
eene veilige ligplaats voor eene vloot te bezitten besloot hij de 
Meeuwenbaai te versterken en verlangde dat de Sultan van Bantam 
het benoodigde aantal werklieden zou verschaffen voor het aanleggen 
van werken, die geen nut konden opleveren en schatten zouden 
verslinden. In den aanvang voldeed de vorst aan dien eisch, maar 
toen de ongezonde luchtstreek talrijke slachtoffers vorderde maakte 
hij, vooral op aanraden van zijnen rijksbestierder, zwarigheid die 
arbeiders langer toe te staan en zond een gezantschap aan den 
Gouverneur-Generaal om hem van zijn verlangen af te brengen. 
Maar deze sloeg een hoogen toon aan , zelfs nadat de Sultan in 
het ontslag van den rijksbestierder had toegestemd, eischte dat de 
vorst dien rijksgroote naar Batavia zenden zou, en verlangde boven- 
dien dat hij zijne hoofdplaats naar Anjer zou overbrengen. Du Puy 
werd naar Bantam gezonden om die eischen over te brengen, doch 
bij het verlaten van den Kraton door lieden van den rijksbestierder 
overvallen en vermoord. De wraak van Daendels was even snel 
als geweldig. Binnen 3 dagen bevond hij zich voor den Kraton; 
de Sultan, ofschoon door de meesten der zijnen verlaten, weigerde 
te onderhandelen, waarop Daendels den Kraton liet omsingelen, 
alleen den paseeban opreed en zich op den troon des Sultans 
plaatste, die spoedig daarna naar Amboina verbannen werd, terwijl 
de rijksbestierder werd gefusilleerd. Bantam werd tot domein van 
den Koning van Holland verklaard, de Lampongs in Sumatra en 
het oostelijk deel van het rijk langs de Tji-Dani en de Tji-Mundiri 
met Sading en Djasinga in het Buitenzorgsche werden aan de Gou- 
vernementslanden toegevoegd, en over het overige gedeelte werd 
een Sultan aangesteld, die geheel van Batavia afhankelijk was. 
Maar de nieuwe vorst voldeed niet aan de verwachtingen van 
Daendels. Onder zijn zwak bestuur was Bantam aan rooftochten 
van de aanhangers van den ouden vorst blootgesteld en reeds in 



') Mackay. De handhaving v. h. Eur. gezag onder het bestuur van Daendels. 
'sGrav. 1861. 



(■) HET BESTUUU VAN UAKNDELS. 

1810 stelde Daendels eenen anderen Sultan aan, die echter slechts 
con zeer klein gedeelte van het rijk ondei' zijn bestuur kreeg. De 
stranddistricten, door welken de groote weg liep, werden bij het 
('louveinements-grondgebied ingelijfd, zoodat hem slechts de boven- 
huiik'u (Pandeglang en Lcbak) overbleven. Niet lang duurde het oi' 
oük dit laatste overbliji'sel van het Bantainsclie Sultanaat verdween. 
Niet in staat de rust in zijne landen te bewaren deed de laatste Sul- 
tan in '1813 van zijn gezag afstand. Hij werd gepensioneerd met 
behoud van den Sultans-titel en Bantam werd daarna op denzelfden 
voet als de overige gewesten van Java bestuurd. 

Ook de Tjeribonsche rijken verloren weldra den laatsten schijn 
van onafhankelijkheid. Zij waren sedert geruimen tijd aan allerlei 
oidusten ten prooi, die voor een goed deel veroorzaakt waren door 
de harde onderdrukking van den minderen man , tengevolge van 
het bedorven bestuur in de Sultans-landen, waar de dorpsverhuur 
vooral wrange vruchten droeg en de bevolking, aan de knevelarijen 
der Chineezen overgeleverd, te vergeefs bij het Europeesche bestuur 
tot zelfs in Batavia om hulp smeekte. Daarbij kwam nog de om- 
standigheid dat eene onhandige inmenging der Compagnie in de 
erfopvolging van een der Tjeribonsche vorsten de bevolking ten 
zeerste verbitterd had. Het gebied van Tjeribon was sedert het laatste 
gedeelte der 18de eeuw onder twee, zelfs soms onder drie vorsten 
verdeeld; een dier vorsten. Sultan Sepoeh, had bij de Regeering te 
Batavia weten te bewerken dat niet zijn oudste, echte zoon Radja 
Kanoman, maar een jongere, onechte zoon als troonsopvolger 
werd erkend, die dan ook in 1797 den troon beklom. In stede van 
zijnen broeder met welwillendheid te bejegenen behandelde die Sul- 
tan Radja Kanoman met minachting en toen de bevolking, die in 
den miskenden prins den waren afstammeling van Sjech Noeroe 
'd-din (Dl I. p. 412) zag, zijne partij trok werd hij naar Batavia 
overgebracht. De bevolking liep hierop te wapen en in 1806 was 
het geheele land in vollen opstand, die ook in nauw verband met 
godsdienstige begrippen stond. Gelukkig was er een bekwaam man. 
Engelhard , als Gouverneur van Java aan het hoofd der zaken 
geplaatst; aan zijn beleid was het hoofdzakelijk te danken, dat de 
opstand langzamerhand bedwongen werd. Met voorzichtigheid maakte 
hij gebruik van Moslemsche priesters om den invloed van geest- 
drijvers, die een nieuwen godsdienst wilden invoeren, te keer te 



HET BESTUUR VAN DAENDELS. 7 

gaan on ook de terugkomst van Kanomaii, die op verzoek van 
Engelhard tot Sultan werd aangesteld en een gedeelte van het rijk 
als apanage ontving, bracht er niet weinig toe bij om de rust in 
Tjeribon te herstellen, ofschoon hier en daar de onlusten nog voort- 
duurden. Daeiulels had niet veel meer te doen dan een contract, 
door Engelhard met de beide oude Sultans gesloten, te bekrachtigen ; 
bij dat contract werden aan een aantal misbruiken een einde gemaakt 
en de vorsten van Tjeribon nog sterker aan het Nederlandsche gezag 
onderworpen. Eene latere maati'egel verminderde de macht der 
vorsten in nog hoogere mate; den 27sten Februari 1809 werd Tjeribon 
in 2 deelen gesplitst, waarvan de noordelijke streken de Sultans- 
landen omvatte en het Zuiden (Limbangan , Soekapoera en Galoe) 
bij het Gouvernements-gebied werd gevoegd, terwijl de vorsten als 
ambtenaren beschouwd werden. Zeer spoedig daarna werd hunne 
macht geheel vernietigd. Kanoman was reeds in 1810 afgezet en 
onder het Britsche bestuur werden de beide andere Sultans, die 
niet in staat waren rust en orde in hunne rijken te handhaven, 
gepensioneerd en werden hunne landen in 1813 en 1815 ingelijfd. 
Ofschoon de rust in de Vorstenlanden sedert de splitsing van 
Mataram in de rijken Soerakarta en Djokjakarta slechts zelden op 
eene ernstige wijze verstoord was geworden , waren er toch bij het 
optreden van Daendels een aantal omstandigheden die voor ernstige 
verwikkelingen deden vreezen. Op den troon van Solo zat de fana- 
tieke en wreede Soesoehoenan Pakoe Boewana IV, die voortdurend 
met zijn nabuur, den Sultan, op gespannen voet stond, en in zijn 
hart de Europeanen haatte. Ofschoon hij voor het uiterlijke den 
schijn van vriendschap bewaarde had hij in 1790 zulke blijken van 
vijandschap gegeven, dat de Gouverneur van Java, Greeve, op het punt 
stond hem als keizer af te zetten , toen de vorst nog ter elfder uur 
door de uitlevering zijner raadslieden dit gevaar wist te bezweren. 
De Sultan van Djokja, Amangkoe Boewana II, gewoonlijk Sepoeh 
(de oude) genaamd, die den eersten vorst van dat rijk in 1792 was 
opgevolgd, bezat een geheel ander karakter. Eveneens wreed en 
tyranniek van aard kon hij , ofschoon van list en geveinsdheid niet 
afkeerig, zijne hartstochten zelden zoo lang bedwingen, als voor 
het welslagen zijner ondernemingen noodzakelijk was en door diepe 
minachting voor de Europeanen bezield, waagde hij het vijandige 
plannen te smeden, die de sterke arm van Daendels in de geboorte 



8 HET rtESTi:UR VAN DAENDELS. 

vernietigde. De vroeger (Deel I p. 494) bosclireven ineenligging der 
Sülosche en Ojokjasche landen was een rijke bron voor aanlioiidonde 
twisten, terwijl de bevolking onder de afpersingen des Sultans en 
onder zijne biiitenspoiige bouwzucht diep gebukt ging. Bovendien 
bestond er verwijdering tusschen den Sultan en den vermoedelijken 
troonsopvolger, den Pangeran Adipati, die buiten alle regeeringszaken 
gehouden werd, welke meerendeels door de vrouwen van den vorst 
werden afgedaan. Onder haar bekleedde de Ratoe Kentjana Woelan 
de eerste plaats. Deze vrouw, uit eenen lagen stand afkomstig, 
had zich geheel van den Sultan meester gemaakt en schijnt het plan 
te hebben gekoesterd om ten koste van den Pangeran Adipati eenen 
anderen prins tot troonsopvolger te doen benoemen. Een broeder 
van den Soesoehoenan , die algemeen bemind was en vroeger voor 
den troon in aanmerking was gekomen, Nata Kesoema, had zijnen 
zoon Nata di Ningrat met eene dochter van de genoemde vorstin 
in het huwelijk doen ti:eden en nu werden er allerlei intrigues 
aangeknoopt om dezen Nata di Ningrat kroonprins te maken. De 
rijksbestierder, die met eene andere dochter van den Sultan gehuwd 
en de Europeanen gunstig gezind was. kantte zich tegen de partij 
van de Ratoe, maar werd geheel buiten de staatszaken gehouden, 
ja alleen de tusschenkomst van den Gouverneur-Generaal verhinderde 
dat hij van zijnen post werd ontslagen en voorkwam misschien nog 
ergere dingen. 

Het was te midden van deze intrigues, waarover nog altijd 
een sluier hangt, die wel nimmer geheel zal opgeheven worden, 
dat Daendels met kracht ingreep en, misschien eenzijdig ingelicht, 
de zwaarte van zijne macht deed gevoelen en wellicht onschuldigen 
aan valsche voorstellingen opofferde. Zijn eerste optreden verbitterde 
den Sultan geweldig, daar hij een nieuw ceremonieel vaststelde 
voor de vertegenwoordigers van het Nederlandsche gezag bij de 
vorstelijke hoven, dat hen met de vorsten gelijk stelde. De slechte 
verstandhouding, die daardoor tusschen den Gouverneur-Generaal en 
den Sultan ontstond , werd nog verergerd door allerlei rooftochten , 
die de onderdanen van dezen vorst op 't gebied van het Gouver- 
nement en van den Soesoehoenan deden , en onder welken de regent 
van Madioen, de Radhen Rongga Prawira Dirdja, een schoonzoon 
van den Sultan, vooral den toorn van den Gouverneur-Generaal 
opwekte. De Landvoogd werd door den rijksbestierder bovendien tegen 



HET BESTUUR VAN UAENDELS. 9 

den Sultan en tegen de prinsen Nata Kesoema en Nata di Ningrat 
opgezet, daar hij hen als de hoofdooizakeii van de vijandige stem- 
ming des Sultans afschilderde. Ten slotte eischte de Gouverneur- 
Generaal, die in 1810 een bezoek aan den Sultan gebracht had, de 
uitlevering van den Radhen Rongga, maar deze ontvluchtte, volgens 
de onbewezen bewering van Daendels, met medewerking van den 
Sultan , en ofschoon dat Inlandsche hoofd aanstonds vervolgd werd 
en bij eene poging om zich te verdedigen sneuvelde, verlangde 
Daendels grootere genoegdoening. Zelfs de uitlevering van Nata 
Kesoema en Nata di Ningrat kon hem niet bevredigen. Van eene 
aanzienlijke macht vergezeld trok hij naar Ojokja op en verlangde 
van den vorst, dat deze wegens zijne zwakheid in de hof-intrigues 
zijn gezag in handen van den Gouverneur-Generaal zou stellen en 
verzoeken zou dat de regeeriiig aan den Kroonprins mocht worden 
opgedragen. Na vele, doch vruchtelooze tegenwerpingen stemde de 
Sultan toe; en in de eerste dagen van 1811 legde Sepoeh het bestuur 
neder en trad de Pangeran Adipati als prins-regent op. Aan den 
ouden vorst werd de vergunning verleend zijne verblijfplaats in den 
Kraton te blijven houden, maar onder de uitdrukkelijke voorwaarde 
dat hij zich van alle inmenging in staatszaken zou onthouden. Met 
den prins-regent en den Soesoehoenan van Solo werden overeen- 
komsten gesloten, waarbij Kedoe aan het Gouvernement werd afgestaan 
en eenige streken op Nederlandsch grondgebied tegen Djokjasche 
en Solosche landen in ruil gegeven werden. Maar deze bepalingen 
werden niet nagekomen; Daendels legde weldra het bestuur neder 
en zijn opvolger werd door de vrees voor eenen inval der Engelschen 
belet, de noodige aandacht aan de betrekkingen met de Vorsten- 
landen te wijden. 

In het gedeelte van Java, dat reeds vroeger onder Nederlandsch 
bestuur gebracht was, werden groote hervormingen voorgenomen. 
De betrekking van Gouverneur van Java werd ingetrokken en Java's 
noordoostkust onmiddellijk onder het gezag van den Gouverneur- 
Generaal gebracht. Het Gouvernements-gebied werd in gewesten 
gesplitst, met prefecten of landdrosten aan het hoofd, die hunne 
bevelen terstond van den Gouverneur-Generaal ontvingen. Vooral in 
het Inlandsche bestuur werden diep ingrijpende veranderingen aange- 
bracht. Daendels bezocht daartoe de noordoostkust en in bijeenkomsten, 
in Juli en Augustus 1808 met de regenten gehouden, werden de hoofd- 



10 IIICT BESTUUR VAN DAENDELS. 

tivkken der nieuwe organisatie vastgesteld. De regenten werden tot 
ambtenaren des Konings vciklaard en zoodoende under don scliijn 
van rangsverliooging in werkelijkheid van hunne vrij onal'hankeHjke 
positie beroofd. De benoeming van lagere Inlandsche annbtenaren 
werd aan den landvoogd getrokken en het geheele raderwerk van 
het Inlandsch bestutu- in een gewest onder het oppertoezicht van den 
prefect gesteld. Vaste traktementen werden den regenten toegezegd en 
de levering der contingenten werd in de meeste gewesten afgeschaft 
en elders af koopbaar gesteld. Maar daarentegen werd de koffiecultuur, 
vroeger grootendeels in de Preanger gedreven (Dl. I p. 536), nu 
ook in het overige gedeelte van Java weder met kracht uitgebreid. 
Aan elk huisgezin werd gelast 500 vruchtdragende koffieboomen aan 
te kweeken en te onderhouden en de vruchten aan het Gouver- 
nement te leveren, dat een zekere belooning daarvoor uitkeerde, 
die niet aan de hoofden maar aan de bevolking zelve zou worden 
uitbetaald. Dit stelsel, in tegenstelling met het systeem der Com- 
pagnie het dwangarbeid-stelsel genaamd en waarbij de bevolking 
dus onmiddellijk met het Gouvernement in aanraking kwam, werd 
ook in de Preanger ingevoerd. Mocht daardoor het lot der Inlanders 
hier en daar misschien eenigszins verbeterd woiden, zoo stond daar- 
tegen over dat aan de regenten nieuwe lasten werden opgelegd, die 
weder zwaar op de bevolking drukten en dat de groote werken van 
openbaar nut, door Daendels met krachtige hand aangegrepen, haar 
met zwaren, soms doodelijken arbeid overlaadden. De aanleg vau 
den groeten weg over Java, in het eerste Boek beschreven, ver- 
dient daarbij vooral vermeld te worden. Ter kenschetsing van 
de krachtige wijze waarop Daendels de zaken aanpakte en van do 
groote vrees, die hij allerwegen inboezemde, moge de volgende anek- 
dote dienen die, zoo zij wellicht niet waar is, toch een indruk 
geeft van de voorstelling, welke de hoofden zich van den Toewau 
Besar Goentoer (de donderende landvoogd) maakten. De weg van 
Bandong naar Soemedang loopt aanvankelijk over een effen terrein 
en volgde vroeger een aantal bochten en kronkelingen, waarvoor 
geen de minste reden bestond. De aanleiding daartoe wordt volgen- 
derwijze verhaald. Een ingenieur, belast met het aanleggen van 
den weg tusschen Tjandjoer en Bandong, had dien op sommige 
plaatsen te steil naar boven laten loopen. De Gouverneur-Generaal, 
hierover geweldig vertoornd, beval dat de weg in kronkelingen langs 



HET BESTUUR VAN DAENDELS. 11 

de hellingen der bergen zou worden aangelegd, onder bedreiging 
„dat hij den vent anders zou laten doodschieten." Den regent van 
Bandong, die een ander gedeelte van den weg moest aanleggen, 
kwam dit bevel ter oore en in geweldigen doodsangst liet hij overal, 
ook daar, waar het terrein efTen en gelijk was, eenen weg aanleggen, 
die zich in kronkelingen over de vlakte uitstrekte! Maar niet alleen 
bij den Inlander, ook bij den hoogsten Europeeschen ambtenaar 
was de naam van Daendels in hooge mate gevreesd. Alles, ook de 
de Hooge Regeering moest voor zijnen wil bukken, ja zelfs de 
uitspraken van den rechter waren voor zijne willekeur niet veilig 
en wanneer wij Engelhard mogen gelooven , (die echter niet geheel 
onpartijdig is, daar zijne winstgevende betrekking van Gouverneur 
van Java door Daendels werd opgeheven) deinsde de Gouverneur- 
Generaal daarbij voor gruwelijke wreedheid niet terug. Ofschoon 
Daendels in hoofdzaken de rechterlijke organisatie der Compagnie 
behield en den Hoogen Raad benevens de rechtbank der schepenen 
liet bestaan, werd door de oprichting van eenen Raad van Justitie 
te Soerabaja een groot gemak aan de lechtzoekenden verschaft. 
Ook de rechtsbedeeling voor den Inlander werd door hem ter harte 
genomen. In elk gewest werd een landgericht ingesteld, uit Inlandsche 
hoofden bestaande met den landdrost als voorzitter, en in elk regent- 
schap een vredegericht gevestigd. Voor halsmisdaden diende de 
groote landraad te Samarang en Soerabaja , beiden door Europeanen 
voorgezeten. Vooral verdient de oprichting van een ambulant gericht 
vermelding; de landdrost in de Bataviasche ommelanden reisde op 
vaste tijden in zijn gewest rond om als voorzitter van eene recht- 
bank op te treden, die uit Inlandsche hoofden bestond en in zware 
strafzaken rechtspiak. 

De grootste moeilijkheid ondervond Daendels in het beheer der 
finantiën en vooral in de regeling van het muntwezen. Er was groot 
gebrek aan zilvergeld; koperen munten, benevens papier, hadden 
de plaats ingenomen , die de edele metalen in den geldsomloop 
behooren te vervullen. De gewone gevolgen bleven niet uit. Niet- 
tegenstaande de strenge bevelen daalde het papieren geld aanmer- 
kelijk in waarde , zoodat 100 rijksds. zilver te Batavia met 180 rksds. 
papier gelijk stonden, te Samarang zelfs met 230 rksds. Wel vei'- 
bood Daendels den uitvoer van zilver en schreef hij voor dat alle 
agio, zelfs van kopergeld, op straffe des doods verboden werd en 



12 HET BKSTUUR VAN DAENDELS. 

(lat alle bewoners van Batavia liun koper tegen papieren geld 
moesten wisselen, maar niets hielp en de Regeering moest eindelijk 
zelf een agio vaststellen. Ten einde aan geld te komen wilde de 
Gouverneur-Generaal de producten , door de Irdanders aan de Regee- 
ring geleverd, tegen zilvergeld verkoopen, maar de oorlog met 
Engeland belette de vaart op Europa en zelfs de Amerikanen, die 
vroeger nog handel dreven, verschenen niet meer te Batavia. Ten 
slotte besloot Daendels tot den verkoop van landen over te gaan. 
In de omstreken van Batavia, Samarang en Soerabaja, in Krawang, 
Besoeki en Probolinggo werden aanzienlijke uitgestrektheden lands 
verkocht, d. w. z. het Gouvernement stond zijne rechten op die landen 
met hunne bewoners af en vervreemdde zelfs het recht van belas- 
tingheffing , dat zoodoende op den landheer overging , die het recht 
kreeg de van oudsher gebruikelijke belastingen in producten en in 
arbeid van de Inlanders te heffen en nog andere souvereine rechten 
mocht uitoefenen. Bovendien werd ook het regentschap Buitenzorg 
verkocht, dat aan den regeerenden Gouverneur-Generaal behoorde, 
die het echter bij zijn aftreden tegen inkoopsprijs weder aan zijnen 
opvolger afstond. Daendels besloot daaraan een eind te maken. 
"Voor een kleine koopsom en tegen afstand van het tijdelijke bezit 
van Weltevreden kreeg hij Buitenzorg in volledig eigendom en 
daarna verkocht hij het weder, grootendeels in uitgestrekte per- 
ceelen, waarbij hij zichzelven eene buitensporige winst bezorgde. 
Eene geheel bijzondere toestand was het gevolg van deze en later 
gevolgde landverkoopingen. Wij komen daarop spoedig terug, 

Dat de maarschalk Daendels het krijgswezen niet verwaarloosde, 
spreekt wel van zelf. Maar de middelen om het leger uit zijn diep 
verval op te heffen ontbraken hem. Hoofdzakelijk waren het Inlanders 
en vrijgelaten slaven, met w^ien hij de rangen moest aanvullen, 
terwijl hij om in het incompleet van officieren te voorzien, tot 
matrozen en werkmansleerlingen moest afdalen, zoodat er menig 
hoofdofficier werd aangetroffen, die ternauwernood zijn naam kon 
teekenen. Eenen inval der Engelschen voorziende, besloot hij de 
nuttelooze werken van Batavia te slechten en het zwaartepunt der 
verdediging naar het fort te Meester Cornelis over te brengen , 
terwijl hij ook elders, zooals bij Soerabaja versterkingen deed 
oprichten. Met het zeewezen zag het er allerjammerlijkst uit; de 
vloot, die na de hernieuwing van den strijd met Engeland onder 



VEnOVEUING VAN MVA. 13 

Hartsinck naar Indië was gezonden, bleef aanvankelijk geheel 
werkeloos en werd in 1800 en 18Ü7 bij Batavia en Grissee bijna zonder 
tegenweer door de Engelschen vernield, zoodat Buijskes, die onder 
Daendels met het bevel over de zeemacht belast was, slechts een 
kleine vloot van Inlandsche vaartuigen aantrof, die tegen eene 
krachtige onderneming der Engelschen niet bestand kon zijn. 

En deze liet niet lang op zich wachten. Ternauwernood was 
Java eene Fransche kolonie geworden (Febr. 1811) en had Daendels 
zijne waardigheid in handen van Janssens nedergelegd, of eene 
Engelsche vloot was reeds op weg, om een lang gekoesterd voor- 
nemen te volvoeren en de laatste onzer bezittingen te vermeesteren i). 
De Gouverneur-Generaal van Britsch Indië, Lord Minto, vergezelde 
in eigen persoon de expeditie. Maar de ziel der onderneming was 
Stamford Raffles, die eenigen tijd in ondergeschikte betrekking te 
Poeloe Penang had doorgebracht, maar weldra de aandacht van 
den Gouverneur-Generaal op zich gevestigd had, een warm voor- 
stander was van eene verovering van Java en als politiek agent 
zich met een aantal Inlandsche vorsten in betrekking gesteld bad. 
Zonder eenigen tegenweer landde de bemanning der vloot den 4den 
Augustus 1811 op eenigen afstand van Batavia en een viertal dagen 
later was de vijand meester van die stad, die door de onzen verlaten 
was, daar zij zich bij Weltevreden en Meester Cornelis hadden 
saamgetrokken. De positie bij Weltevreden werd na korten tijd 
vermeesterd en ook het versterkte kamp bij Meester Cornelis werd 
bestormd en genomen, grootendeels tengevolge van de achteloosheid 
en onbekwaamheid van den Franschen generaal Jumel. Deze neder- 
laag deed het geheele koloniale leger uiteenspatten en ofschoon 
Janssens zich bij Samarang nog eenigen tijd trachtte staande te 
houden, waren zijne saamgeraapte benden, uit hulptroepen van 
den Soesoehoenan en Sultan bestaande, niet tegen de zegevierende 
strijders van Aiichmutij , den Engelschen opperbevelhebber, bestand 
en de Landvoogd zag zich genoodzaakt den 17den September 1811 
eene kapitulatie te onderteekenen , waarbij Java en onderhoorigheden 
aan den vijand werden afgestaan, zonder dat deze eenige verplich- 
ting ten opzichte van de administratie of de openbare schuld op 



') B. de Saxe Weimar Eisenach. Précis de la campagne de Java. La Haye 1834. 
Thorn. Memoir of the conquest of Java. London 1815. 



■14 HET nESTHUK VAN liAKI'I.RS. 

zich wilde nemen. Doch Loid Minlu had reeds vroeger daaromtrent 
beloften afgelegd. Hij zag het belang van Java voor Engeland zeer 
goed in en ofschoon de directeuren der Engelsche Compagnie gelast 
hadden , dat de Europeanen na de verovering van het eiland ont- 
wapend zouden worden en dat het Engelsche leger zich zou terug- 
trekken, de Nederlanders onbeschermd aan de genade der Inlanders 
overlatende, besloot Lord Minto, Java als eene Britsche kolonie 
te behouden en een geregeld bestuur in te voeren, aan welks hoofd 
hij RafHes als Luitenant-Gouverneur stelde. De administratie, door 
dezen staatsman op Java ingevoerd , — die ook op wetenschappelijk 
gebied in Indië een nieuw tijdperk inwijdde^), — vormt een keer- 
punt in de koloniale politiek en is ook nu nog in hare gevolgen 
van het uiterste gewicht '). 

Nog altijd stond Soerakarta onder Pakoe Boewana IV en regeerde 
in Djokja de prins-regent, terwijl zijn vader, Sultan Sepoeh, zich in 
den Kraton ophield. Bij het optreden der Engelschen meende deze 
de kans schoon te zien om weder aan 't bestuur te komen , en daar 
iiij door zijn verblijf in den Kraton in de oogen van den Javaan 
nog de wettige vorst was en zijn zoon den diepen, bijna godsdienstigen 
eerbied welke kinderen hunnen ouders op Java behooren te bewijzen , 
niet geheel ter zijde kon stellen , gelukte het den afgezetten Sultan 
weldra de oude macht te hernemen , ja zelfs deed hij het voor- 
komen alsof hij door het Engelsche Gouvernement in zijne waar- 
disheid hersteld was. Raffles, die de Inlandsche vorsten te vriend 
trachtte te houden, berustte daarin en sloot zelfs eene overeenkomst 
met den vorst, waarbij deze van enkele verplichtingen, door Daendels 
opgelegd, ontslagen werd. Doch Sepoeh zag hierin een teeken van 
zwakheid; zijn haat tegen de Europeanen kreeg de bovenhand en 
hij ging zelfs zoover, dat hij den rijksbestierder deed ombrengen en 
zijne woede ook aan de hoofden koelde, die de partij der Euro- 
peanen waren toegedaan, terwijl hij hardnekkig weigerde eenige 
landen over te geven , die hij aan de Engelschen moest afstaan. 
EindeUjk zag Raffles zich genoodzaakt naar het zwaard te grijpen, 



') Vooral ook door zijne baanbrekende ,,History of Java". Zie ook Memoir of the 
life etc. of Sir T. S. Raflles. London 1830. 

-) S. V. Deventer. Bijdr. t. d. kennis van het landehjk stelsel op Java. Zalt- 
Bommel i865. 3 dln. M. L. v. Deventer. Het Ned. gezag over Java en ond. 's Grav. 
1891. L. Norman. De Britsche heerschappij over Java en onderh. 's Grav. 18ü7 



HET BESTUUR VAN UAFFI.KS. 45 

ofschoon de omstandigheden daartoe alles behalve gunstig waren. 
De Engelsche legerbenden bevonden zich grooteiideels op Siiinatra 
ten einde Palenibang te veroveren en ter nauweriiood had hun 
aanvoerder Gillespie tijd genoeg om zonder leger naar Java terug te 
keeren. Met een gering aantal troepen waagde hij het, Djokjakarta 
aan te vallen (Juni 1812) en na eene hardnekkige verdediging viel 
de Kraton in zijne handen. Verraad van de zijde van den onttroonden 
prins-regent en diens zoon Anta Wiria, later als Di[)a Negara bekend, 
speelde hierbij de hoofdrol. Sepoeh werd afgezet en naar Poeloe 
Penang verbannen, terwijl de prins-regent tot Sultan benoemd werd. 
Met den nieuwen vorst werd eene overeenkomst aangegaan, waarbij 
deze zich tot den afstand van zijne bezittingen in Kedoe, Patjitan, 
Djapan (Madjakerta), Djipan (Bodjanegara) en Grobogan verplichtte 
en tegen een jaargeld eenigen van de inkomsten van zijn rijk afstond. 
Een aantal andere bepalingen moesten dienen om den vorst geheel 
en al onder den invloed van het Gouvernement te brengen, terwijl 
zelfs bepaald werd dat de rijksbestierder, die niet dan met de goed- 
keuring van het Europeesche gezag mocht worden benoemd en ont- 
slagen, in alles met den resident te rade moest gaan. Op het voor- 
beeld, door de Compagnie in 1757 gegeven, werd nu ook in het 
Djokjasche een van den Sultan onafhankelijke vorst aangesteld en 
de onder Daendels zoozeer vervolgde Nata Koesoema met den titel 
van Pangeran Adipati Aria Pakoe Alam tot die waardigheid ver- 
heven. Men zal zich herinneren dat Daendels de uitlevering van 
dezen prins en van zijnen zoon gevraagd en gekregen had. Zij 
werden naar Tjeribon vervoerd. De maarschalk vreesde dat zij 
later de Europeesche macht gevaarlijk zouden worden en gaf den 
resident van dat gewest den last, hen heimelijk uit den weg te 
ruimen. Zoo geweldig was de angst, dien Daendels zijnen onder- 
hoorigen inboezemde, dat dit bevel hoogst waarschijnlijk zou zijn 
uitgevoerd, doch de voorstellingen van eenen ambtenaar, den Hr. 
Nahuijs, bewogen den resident eenigen tijd daarmede te dralen en 
Janssens kwam nog tijdig genoeg om het leven dier vorsten te redden. 
Ook met den Soesoehoenan, die in dezelfde afhankelijke stelling als 
de Sultan verkeerde , trad Raffles in onderhandeling. Bij de vermees- 
tering van den Kraton was de verstandhouding van dezen vorst 
met Sultan Sepoeh gebleken en nu werd ook hij gedwongen zijne 
bezittingen in Kedoe en Patjitan benevens Blora en Wirasaba ( Madja- 



iG INVOERING DER LANDRENTE. 

apciig) aan fle Eiigelsclien af te staan, en werrlon op hem dezelfVlo 
bepalingen toegepast als die, welke voor den Sultan golden. Eenesamen- 
7,\vering van den Soesoehoenan met Britsche troepen, uit Inlanders 
van Vóór-Indiö (Sepoijs) samengesteld, bedreigde op het einde van 
4815 de rust. De vorst maakte daarbij gebruik van zijne beweerde 
afkomst van Rama, den grooten held van Vuór-Indië, om de Hindoes 
in de gelederen voor zich te winnen , terwijl de Moslems van zelf 
zijne partij waren toegedaan. Eene garnizoens- verandering was 
echter voldoende om het uitbreken der samenzwering te voorkomen. 

In de reeks der administratieve hervormingen, door Raffles 
ondernomen, staat de invoering van het landrente-stelsel bovenaan, 
zoowel door den grooten invloed dien het ook op andere takken van 
bestuur uitoefende, als om de plaats, die dat stelsel zelfs nu nog 
in de administratie inneemt. Het belastingstelsel der Compagnie, 
ook zooals dat door Daendels was gewijzigd, was volkomen in strijd 
met de beginselen van den Engelschen landvoogd. De hoofdspil, 
waarop het draaide, was de gedwongen arbeid van den Inlander 
en gedwongen afstand van de vruchten daarvan, gepaard aan eene 
zoo gering mogelijke inmenging in het Inlandsche bestuur. Tegen- 
over dit stelsel begeerde Raffles de invoering van geregelde belas- 
tingen, beperking van den invloed der Inlandsche hoofden en algeheele 
vrijheid voor den Inlander om over zijn tijd en arbeid te beschikken. 

Geen wonder dat Raffles, de dienaar der Engelsche O. I. Com- 
pagnie, bij de invoering van een nieuw belastingsysteem te rade 
ging met datgene, wat in Britsch Indië bestond. Hierbij had hij de 
keus tusschen drieërlei stelsels. Het eerste, Zemindaree- system of 
permanent-setllement genaamd , was door den Gouverneur-Generaal 
Lord Cornwallis in Bengalen ingevoerd en rustte op een uit- 
gebreid landbezit in handen van enkele groote landeigenaars, 
Zemindars genaamd. Deze personen waren onder het Inlandsche 
bestuur slechts schatgaarders geweest, die allengskens onder het 
zwakke beleid van den Mogol hunne betrekkingen erfelijk hadden 
gemaakt en die nu door Lord Cornwallis tot eigenaars van de dis- 
tricten verklaard werden, waar zij vroeger slechts de belastingen 
inden, terwijl de gevestigde bevolking, de landbouwer of rijot, tot 
hen in de betrekking van pachter geraakte en in de meeste gevallen 
geheel aan hunne willekeur werd overgelaten. Iets dergelijks bestond 
ook op Java in de particuliere landerijen, die door vorige Gouver- 




WAJANG-POPPEN EN MASKERS. 



PARTICULIERE LANDERIJEN. i? 

nementen en o. a. door Daendels verkocht werden. Gedeeltelijk volgde 
Raffles dit voorbeeld. Ofschoon Besoeki en Probolinggo, waar de 
eigenaar, een Chinees, door de bevolking vermoord was, weder 
werden ingekocht, vervreemdde Raffles daarentegen groote land- 
streken in Krawang, Tjeribon, de Preanger en bij de steden Soera- 
baja en Samarang gelegen , terwijl de eigenaars het recht verkregen 
om zekere heffingen van de bevolking te eischen. Deze landen 
bevinden zich ook thans nog in handen van particulieren , met uit- 
zondering van het landgoed Soekaboemi in de Preanger, dat onder 
V. d. Capellen weder van den eigenaar werd teruggekocht. In strijd 
met de bepalingen van het koopcontract wilde deze Gouverneur- 
Generaal den eigenaar de Wilde dwingen, de geoogste koffie aan 
het Gouvernement af te staan en ofschoon de Koning het verzoek 
van den eigenaar, om althans hoogere betaling te erlangen toestond, 
gaf V. d. Capellen daaraan geen gevolg en de Wilde, den strijd 
moede, verkocht zijne landen weder aan het Gouvernement, 't geen 
door V. d. Capellen gewenscht werd, die een afkeer van het parti- 
culier landbezit op Java had. De verplichtingen der ingezetenen en 
eigenaars op deze particuliere landerijen waren zeer slecht omschreven ; 
herhaalde malen eischten de laatsten meer, dan hun volgens de 
gewoonte toekwam, ja wij lezen dat zij zonder ontferming heere- 
diensten en verplichte leverantiën vorderden. Ten einde daarin te 
voorzien en aan de hoogloopende twisten een einde te maken werd 
in Februari 1836 (St. 19) een reglement uitgevaardigd, dat de rechten 
en verplichtingen der wederzijdsche partijen op de volgende wijze 
regelde ^). Zij , die de streken bezitten , indertijd door het Gou- 
vernement vervreemd, hebben slechts het volle eigendom van die 
gronden, welke onbebouwd zijn, of door hen zelven of hunne 
voorgangers ontgind werden. Maar de landen, door de Inlandsche 
ingezeten ontgonnen, zijn, ofschoon in naam aan den eigenaar behoo- 
rende, uitsluitend bij die Inlanders in gebruik. Zoolang dezen aan 
hunne verplichtingen voldoen mag hun het bezit dier velden niet 
ontnomen worden, terwijl het den eigenaar zelfs niet vrijstaat hen 
van het land te verwijderen. Daarentegen zijn deze opgezetenen 



')Eene omvangrijke literatuur is over de particuliere landerijen verschenen. Wij 
verwijzen hier slechts naar de verschillende brochures van C. H. F. Riesz en E. P. 
C. Sol. P. H. v. d. Kemp. Het Reglt. op de part. landerijen toegelicht Bat. 1890. 
Mr. H. C. Pennink. Het reglement enz. Gron. 1885. 

II. 2 



ié 



1'AUTICULIEIUC LANDEIUJKN. 



verplicht aan den landheer een zeker gedeelte van hun oogst 
af te staan, doch nimmer meer dan één vijfde van de geheele 
opbrengst, terwijl zij bovendien één dag arbeid in de week 
aan hem schuldig zijn; verplichtingen, waartoe de Inlander destijds 
ook elders op Java jegens het Gouvernement gehouden was, in welks 
plaats de landheer alzoo optreedt, die bovendien ook de politie-hoofden 
aanstelt. Ofschoon deze bepalingen, die voor de landerijen bewesten 
de Tji-Manoek gelden, — (welke verreweg de meerderheid uitmaken, 
daar zij ongev. 1.534.825 bouws ^) met 1.347.455 bewoners beslaan, 
tegen ongev. 33.794 bouws met 128.545 bewoners in Tegal , Sama- 
rang, Djapara, Soerabaja en Pasoeroean) — eenen vrij milden geest 
ademen , hebben zij niet alle bezwaren kunnen ophelTen. Met vele 
loffelijke uitzonderingen wordt ernstig over verwaarloozing van de 
belangen der bevolking geklaagd, vooral daar, waar de landheer 
zijne landen niet zelf beheert, maar aan anderen verhuurt, of waar 
de eigenaren vreemde Oosterlingen (Chineezen) of Inlanders zijn. 
Dezen maken toch dikwijls van hunne stelling misbruik, om hoogere 
eischen aan de bevolking te stellen, dan geoorloofd is, ten einde de 
opgezetenen door allerlei middelen geheel in hunne macht te krijgen. 
En nu zijn vele landen, vroeger in het bezit van Europeanen, in 
Chineesche handen overgegaan. Terwijl in 1850 ongeveer 1.290.854 
bouws aan Europeanen toebehoorden, en 282.738 bouws aan Chineezen 
en 44.693 bouws aan Inlanders waren afgestaan, waren deze getallen 
in 1891, 1.112.260, 435.628 en 20.731 bouws, door ongev. 867.000, 
547.000 en 60.000 personen bewoond. De Chineezen kunnen vaak 
meer geld besteden, dan de Europeanen, daar zij met lagen intrest 
zich tevreden stellen en meestal door den handel met hunne onder- 
hoorigen zich groote winsten weten te verschaffen, terwijl de gewoonte 
om bij overlijden de vaste goederen zooveel mogelijk in de familie 
te bewaren en ze niet te verkoopen, den overgang in vreemde handen 
belet. Dat het bezit door particulieren van uitgestrekte landen, soms 
door meer dan 10.000 Inlanders bewoond, groote bezwaren kan ople- 
veren , zelfs wanneer zij in handen van Europeanen zijn , spreekt wel 
van zelf. Zoo bleek dit nog betrekkelijk kort geleden (1886) toen op 
het land Tjiomas in Buitenzorg zulke verwikkelingen tusschen land- 
heer en bevolking ontstonden , dat zij de tusschenkomst der militaire 



') Een bouw wordt gesteld op 500 vierk. roeden. 



t)E LANDUENTE. iÖ 

macht noodzakelijk maakten en de Regeering er toe deden overgaan 
een tweetal Europeanen van dat land te verwijderen. Wij willen niet 
beslissen of de Regoering hier al of niet terecht heeft gehandeld, 
maar wijzen slechts op het verkeerde in toestanden, die dergelijke 
botsingen mogelijk maken. Eene commissie is thans werkzaam om 
eene herziening van het reglement van 1836 voor te bereiden. De 
verhouding tusschen Regeering, landheeren en opgezetenen op de 
landerijen, oostelijk van de Tji-Manoek gelegen i), wordt door de 
oude koopcontracten beheerscht en door enkele, weinig ingrijpende 
bepalingen, in 1880 (St. 150) en 1886 (St. 172) vastgesteld. 

Ofschoon Raffles in enkele gevallen tot dezen landverkoop over- 
ging, wilde hij dit stelsel niet over geheel .Tava uitbreiden daar 
vervreemding der rechten van het Gouvernement niet aanbevelens- 
waardig was. Ook na het bestuur van dezen Landvoogd zijn slechts 
een tweetal landen in het Bantamsche verkocht, ja in het Regee- 
rings-reglement (art. 62) lezen wij zelfs een verbod tot verkoop van 
landen, met uitzondering van kleine stukken gronds tot uitbreiding 
van bewoonde plaatsen en voor nijverheids-ondernemingen, waarbij 
dit bezwaar niet bestaat. De Lt. Gouverneur moest dus eenen 
anderen weg inslaan om zijn doel te bereiken en, met afschaffing 
van gedwongen leveringen, een stelsel van geregelde belasting in 
te voeren. In de noordwestelijke provinciën van Bengalen was een 
stelsel ingevoerd, pateedaree- of village-settlement-system genaamd. 
Het Gouvernement stelde daarbij den aanslag in de belasting niet 
voor eiken gebruiker van gronden vast, maar handelde met een 
geheel dorp als eenheid, het aan de belanghebbenden overlatende 
om het bedrag der heffing voor eiken belastingschuldige onder 
elkander vast te stellen. Deze dorpsaanslag, die in 1808 ook in 
Madras was ingevoerd, maakte daar in 1812 plaats voor het rijote- 
raree- of detailed-settlement-system , waarbij de landbezitter (rijot) 
hoofdelijk in de belasting werd aangeslagen. Voor beide stelsels 
was veel in te brengen. Voorzeker was het laatste het meest 
natuurlijke en absoluut goede, maar ten einde daarbij willekeur 
te voorkomen moest men eene meer dan oppervlakkige kennis 
van den bodem bezitten en de vruchtbaarheid en uitgestrektheid 
van elk stukje land kennen, dat zich in handen van lederen land- 



') V. Dissel in Tijdschr. N. I. Maatsch. v. landb. en nijv. Dl. XXII. 



^ 



De i.ANnuF.NTF:. 



bouwer bevond. Rij Viet stelsel van dorpsaanslag was willekeur 
onvermijdelijk , maar mocht men toch vertrouwen dat bij eene 
oppervlakkige kennis van de velden, aan een dorp toebehoorende, 
de aanslag in de belasting niet te drukkend zou zijn, terwijl, naar 
men meende, de verdeeling der lasten gerust aan de belangheb- 
benden in het dorp kon worden toevertrouwd. 

Raffles koos aanvankelijk (1813) het stelsel van dorpsaanslag. Bij 
bet algeheele gemis aan kennis van de vruchtbaarheid van den bodem 
meende hij , dat een invidueele aanslag slechts in schijn kon bestaan. 
Van de later te bespreken veronderstelling uitgaande, dat de Staat 
eigenaar van alle gronden was, zelfs van die, welken de Inlander 
bebouwde, bepaalde hij dat velden aan de dorpshoofden telkens 
voor niet langer dan één jaar verhuurd zouden worden, tegen een 
zeker gedeelte van de opbrengst, dat naar mate van de vrucht- 
baarheid van den grond verschilde en later in geld moest worden 
opgebracht, berekend naar de vermoedelijke waarde van het ver- 
schuldigde product. De hoofden, die voor het bedrag der huursom 
aansprakelijk waren, moesten weder op hunne beurt die velden 
verhuren aan de ingezetenen, die volgens de volksgebruiken recht 
op het bezit der landen hadden, tegen eene volgens Raffles niet te 
drukkende huur, die echter in werkelijkheid niet weinig bezwarend 
was en zelfs tot de helft van de opbrengst kon worden opgevoerd, 
en bij sawahs minstens één derde moest bedragen. Niet lang hield 
Raffles zich echter aan deze regeling. Reeds in 1814 voerde hij 
den individueelen aanslag in, waarbij de hoofden, wier knevelarijen 
hij vreesde, niet meer als tusschenpersonen optraden, maar elke 
landbouwer afzonderlijk in de belasting zou worden aangeslagen. 
Maar het eerste vereischte daarvoor , kennis van den grond , ontbrak , 
zoodat de hervorming niet dan zeer gebrekkig kon worden toegepast. 
Toen Java weder in Nederlandsche handen terug kwam, vond men 
allerwege dan ook de grootste verwarring, en de Commissarissen- 
Generaal keerden voorloopig tot het oude stelsel terug (St. 1819.5), 
ofschoon zij tegelijkertijd voorschreven dat eene geregelde opname 
der velden zou plaats hebben, en zoodoende de invoering van een 
betere regeling zou worden voorbereid. Maar de opname werd 
spoedig wegens geldgebrek gestaakt (1825) en het duurde langen 
tijd vóór dat men weder tot eene opmeting der velden overging; 
gedeeltelijk dewijl het Indische bestuur vreesde dat eene nauw- 



DE LANDRENTE. 21 

keurige opmeting verhooging der belasting tengevolge zou hebben, 
waarvoor men bij het drukkende cultuurstelsel terugdeinsde. In 
1864 zette men den eersten stap op een weg van welke men 
gunstige gevolgen verwachtte. Met behulp van ambtenaren bij het 
binnenlandsch bestuur zouden achtereenvolgens de verschillende 
gewesten van Java worden opgemeten en in kaart worden gebracht, 
en tevens gegevens worden verzameld omtrent bevolking, veestapel 
en alles wat op het bezit en gebruik van gronden betrekking had. 
Zoodoende zou een beeld worden gevormd van den toestand eener 
residentie op een gegeven tijdstip, terwijl het de taak zou zijn 
van een bureau , aan het residentie-kantoor toegevoegd , om aantee- 
keningen te houden van de veranderingen, in den loop der tijden 
voorkomende. 

Het denkbeeld, aan deze regeling ten grondslag liggende, was 
zeker zeer aanbevelenswaardig. Jammer maar, dat de uitvoering 
zooveel te wenschen overliet en de Regeering in 1878 verklaren 
moest , dat de metingen , door administratieve ambtenaren , geen 
technici zijnde, verricht, niet met die nauwkeurigheid hadden plaats 
gehad als noodig was om de juiste ligging, vorm en begrenzing der 
desa-gronden te bepalen ; de kaarten gaven geene juiste voorstelling 
van het terrein, terwijl eene nauwkeurige bijhouding op die kaarten 
onmogelijk werd geoordeeld. Dientengevolge werd in 1879 de opname 
gestaakt en zijn de bureau's weder ingetrokken , en was men dus 
even zoo ver als vóór de opname , die schatten heeft gekost en vele 
ambtenaren van hunnen eigenlijken werkkring verwijderd hield. 
De opname van Java is thans de taak van het kadaster geworden, 
dat echter slechts langzaam met de uitvoering kan vorderen. 

Zoolang nu de kennis van de uitgestrektheid en vruchtbaarheid 
der velden ontbrak, moest men zich wel met de voorloopige regeling 
van Commissarissen-Generaal vergenoegen. Men behielp zich dus 
maar met een stelsel van loven en bieden, admodiatie-sijsteem ge- 
naamd, waarbij de ambtenaren, met den jaarlijkschen voorloopigen 
aanslag der dorpen belast, met de dorpshoofden overeenkwamen 
omtrent de som, die het dorp in de belasting te betalen had. In 
den regel ontbraken daartoe de meest noodzakelijke gegevens, want 
ofschoon de ambtenaren met den werkelijken oogst en de waarde 
van het product te rade moesten gaan, was het zeer moeilijk, ja 
dikwijls onmogelijk de ware opbrengst te kennen. En zelfs wanneer 



22 DE I.ANDUENTE. 

die bekend was , mocht deze niet als uitsluitenden maatstaf dienen , 
daar men rekening moest houden met den aanslag over het vorige 
jaar, ten einde al te groote en plotselinge verschillen te voorkomen. 
Aan deze wijze van handelen waren voorzeker groote bezwaren ver- 
bonden, vooral gelegen in de willekeur, die bij dezen aanslag niet 
te vermijden was en waarbij het van allerlei bij-omstandigheden 
afhing of een dorp zwaarder dan wel lichter belast werd , — en de 
meerdere of mindere vasthoudendheid van hoofden en landbouwers, 
van de ambtenaren met den voorloopigen aanslag belast en van den 
resident, die het definitieve bedrag der landrente vaststelde, een 
hoofdrol speelde. Toch stond daartegenover het groote voordeel dat 
deze wijze van handelen , hoe gebrekkig ook . rekenschap kon houden 
met andere lasten, aan de bevolking opgelegd en met de bronnen 
.van welvaart die, behalve de rijstbouw, in het eene dorp meer 
aanwezig zijn dan in een andere desa. 

Zoolang de kennis der velden nog zoo gebrekkig was, moest 
eene betere regeling der landrente wel tot de vrome wenschen 
behooren. Dit bleek toen in 1872 (St. 66) eene verordening werd 
afgekondigd, die ten doel had om vaste regelen intevoeren in stede 
van de beginsellooze handelwijze, tot dusverre gevolgd. Voortaan 
zouden de velden slechts eens in de vijf jaren worden aangeslagen , 
en daarbij , met behoud van den dorpsgewijze aanslag , als maatstaf 
worden aangenomen de bruto-opbrengst ^) aan padi of andere hoofd- 
gewassen, door een dorp verkregen, berekend naar de gemiddelde 
oogst der 3 laatste jaren. De ambtenaren, met den voorloopigen 
aanslag belast, zouden zich op de hoogte van het bedrag van dien 
oogst moeten stellen en, met inachtneming van den prijs, waarop 
de resident de waarde van de rijst vaststelde, de velden van het 
dorp in eene klasse rangschikken, waarvan een vast aandeel, onge- 
veer met het vijfde van de opbrengst gelijk staande, als belasting 
geheven werd. Er werden 10 van deze klassen aangenomen, van 
welke de minste eene opbrengst van fiO — f20 per bouw verte- 
genwoordigde, terwijl velden, meer dan fiOO per bouw opbrengende, 
in de hoogste klasse werden gerangschikt. Wanneer nu de velden 
b. V. op eene opbrengst van f80 — f90 per bouw geschat werden, 
bedroeg de belasting f 18 per bouw. Deze regeling bood het schijn- 



') D. w. z. zonder aftrek van productie-kosten, snijloon enz. 



DE LANDRENTE. 23 

bare voordeel aan , dat de werkelijke opbrengst der velden als maat- 
staf werd aangenomen en dat zoodoende zij, die veel van hunne 
velden hadden getrokken, ook meer in de belasting moesten bijdragen 
dan zij , die minder vruchtbare velden bezaten. Maar in werkelijk- 
heid stuitte de aanslag op zulke bezwaren , dat in dit opzicht de 
regeling weldra moest worden ingetrokken. Gezwegen nog van het 
bezwaar dat de verordening aan de hoofden allerlei werkzaamheden 
oplegde, voor welken de meerderheid niet berekend is en van de 
moeilijkheid om den werkelijken oogst over 3 jaren te constateeren, 
kwamen de ambtenaren, met den aanslag belast, daarbij tot resul- 
taten zoozeer afwijkende van vorige aanslagen, dat men voor de 
toepassing daarvan terugdeinsde. Vóór de invoering der nieuwe 
regeling had men rekenschap kunnen houden met de grootere of 
kleinere draagkracht der bevolking, — het gevolg van cultuur- 
diensten, die hier zwaar drukken, elders voordeelen opleveren of 
in het geheel niet bestaan , van min of meer zware heerendiensten , 
van de gelegenheid om bij particulieren geld te verdienen enz. 
Dit alles mocht nu niet in aanmerking worden genomen zoodat men 
bij strenge toepassing der gestelde regelen tot aanslagen zou zijn 
gekomen, geheel verschillend van het bedrag der belasting in de vorige 
jaren, en dit, zonder dat die vermindering of verhooging in verre- 
weg de meeste gevallen billijk mocht heeten. Om aan dat bezwaar te 
gemoet te komen nam men de toevlucht tot enkele hulpmiddelen 
o. a. door de prijs van de rijst willekeurig hooger of lager te 
stellen, maar kwam daardoor van zelf weder tot het oude, zoozeer 
afgekeurde admodiatie-stelsel. Toen dan ook de aanslag in 1878 
voor de tweede maal moest worden vastgesteld, werd niet tot eene 
nieuwe classificatie der velden overgegaan, maar eenvoudig bepaald 
(St. 110) dat de aanslag over 1878 en volgende jaren gelijk zou 
blijven aan dien over 1877, behoudens de bevoegdheid van den 
resident om, in verband met verkregen betere gegevens omtrent 
de opbrengst en uitgestrektheid der gronden, elk jaar wijziging in 
den aanslag te brengen. Deze voorloopige toestand , die althans het 
voordeel oplevert, dat de landrente het karakter van eene vaste 
opbrengst heeft aangenomen, wordt nog steeds gehandhaafd; de 
Regeering is echter steeds werkzaam met het verzamelen van betere 
gegevens voor eene regeling der landrente en met het nemen van 
proeven op kleine schaal, waarvan telkens in de Regeerings- verslagen 



24 DE LANDRENTE. 

mi^lriing wordt gemaakt. Met name is dit laatste thans in de 
rivaiiger liet geval waar, ten gevolge van later te vermelden omstan- 
digheden , niet het dorp in de belasting wordt aangeslagen , maar 
elke landbezitter afzonderlijk belast woi'dt. Daar, waar de dorps- 
gewijze aanslag bestaat, wordt de verdeeling (repartitie) der belasting 
over de bezitters der gronden aan de belanghebbenden met het 
dorpsbestuur overgelaten; het dorpshoofd is met de inning der 
landrente belast en verplicht de betaalde sommen af te dragen aan 
een Inlandschen ambtenaar, de ondercollecteur, die de gelden weder 
in 's lands kas moet storten. 

Langen tijd was de landrente slechts een ondergeschikte bron 
van inkomst, daar men er tegen opzag bij de lasten, die het cultuur- 
stelsel aan de bevolking oplegde, ook nog eene verhooging van 
landrente te eischen. In 1850 bedroeg zij /' 8.564.906; na dien tijd 
is zij geruimen tijd aanhoudend gestegen , zoodat hare opbrengst 
voor 4888 op / 17.046.830 gesteld kon worden i). In dat jaar echter 
gaven de minder gunstige tijdsomstandigheden der Regeering aan- 
leiding om de residenten uit te noodigen , den aanslag meer in over- 
eenstemming te brengen met de verminderde draagkracht der 
bevolking, zoodat de opbrengst in 1889 tot f 15.831.567 terug ging 
en in 1890 zelfs tot f 14.950.693 daalde. Voor 1893 is het bedrag 
der landrente op f 15.500.000 geraamd , of / 500.000 minder dan op 
de begrooting voor 1892 was uitgetrokken. 

Maar niet alleen hen, die hun hoofdbedrijf van den landbouw 
maakten, wilde Raffles door eene belasting treffen. De Inlanders en 
vreemde Oosterlingen, welke buiten die klasse vielen, werden aan 
een huistaks onderworpen, die weldra den vorm van eene patent- 
belasting aannam en als belasting op het bedrijf bekend is. De ver- 
moedelijke winsten, in de uitoefening van het bedrijf verkregen, 
strekken als grondslag voor den aanslag, die voor Inlanders 2 percent, 
voor vreemde Oosterlingen 4 percent van het inkomen bedraagt. 
Dat deze belasting, die met inbegrip van de Buitenbezittingen, waar 



') Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de landrente sedert "1850 ook in 
de Preanger (1890 f 1.089.797), Madoera (1890 f 703.058) en in Banjoewangi 
werd ingevoerd, en dat de belasting der boomgaarden en woonerven, die vroeger 
gedeeltelijk met de belasting op de vischvijvers een afzonderlijk middel uitmaakte, 
met de landrente samengesmolten is. De belasting op de vischvijvers bracht in 1890 
f 311.754 op en is voor 1893 op f 320.000 geraamd. 



HET BESTUUR VAN RAFFLES. 25 

zij gedeeltelijk is ingevoerd, voor 1893 op /■ 2.640.000 geraamd wordt, 
in sommige gevallen zeer drukkend is, blijkt wel uit het feit dat 
de minimum-aanslag van f 4, berekend op een inkomen van ƒ 50, 
thans betaald wordt door een aantal belastingschuldigen die een veel 
geringer inkomen uit hun bedrijf trekken , en zelfs van inkomens 
van /■ 7, /■ 6 en / 1.50 geheven wordt. Het voornemen bestaat om 
alle inkomens beneden f 25 vrij te stellen, waartoe het geraamde 
bedrag voor 1893 op f 150.000 minder gesteld is dan in 1891 werd 
ontvangen. 

Tegelijk met de invoering van dit belastingstelsel zouden, volgens 
het plan van Raffles, niet alleen alle verplichte leveringen van 
producten tegen lage prijzen worden ingetrokken, maar ook alle 
heerendiensten worden afgeschaft, die het Gouvernement of de 
Inlandsche hoofden vorderden , met uitzondering van de zoodanigen , 
welke in het algemeen belang geëischt werden , zooals het arbei- 
den aan de wegen enz., en van die, welke in 's lands bosschen 
moesten verricht worden (zoogen. blandong-diensten). Jammer maar 
dat de bezoldiging in land, aan vele hoofden en ambtenaren gegeven, 
aanleiding gaf om dit verbod te overtreden. De gedwongen koffie- 
cultuur werd in de meeste streken van Java opgeheven en aan 
den Inlander vrijgelaten om zich al dan niet daarmede bezig te 
houden. Daar de koffie, tengevolge van het continentale stelsel, op 
het vaste land van Europa geen markt kon vinden en dus sterk 
in prijs daalde, was deze maatregel niet nadeelig voor de schatkist, 
maar een noodzakelijk gevolg daarvan was, dat de koffiecultuur 
zeer verviel. Ook de macht der Inlandsche hoofden werd ingekrompen; 
het Europeesche bestuur stelde zich onmiddellijk met den Inlander 
in betrekking en de werkkring der regenten werd hoofdzakelijk tot 
de politie en bemoeiingen met het rechtswezen beperkt. Ofschoon 
Raffles aan den anderen kant hunne ijdelheid door het toekennen 
van hooge titels trachtte te vleien en hen in het genot van jaar- 
wedden en ambtelijk landbezit stelde, verviel hun aanzien in vele 
gewesten geheel. Vrij algemeen ontstond het denkbeeld, dat men 
hen wel kon missen. Door vele residenten werden zij met minachting 
behandeld, ja sommigen hunner lieten hen bij de residents-woningen, 
onder Javaansche bedienden, volgelingen en gerechtsdienaars ver- 
mengd , op bevelen wachten. Eene diepe mismoedigheid maakte zich 
van hen meester, totdat v. d. Capellen hun aanzien verhoogde zonder 



26 HERSTEL VAN HET NEDERLANDSCHE GEZAG. 

hun echter de oude macht terug te geven. Van al deze hervormingen 
waren de Preanger-landen uitgesloten. Daar liet Rafllfts het oude 
Compagnie-stelsel bestaan, en de gedwongen korfiecultuur en de 
groote overmacht der Inland.sche hoofden werd er niet aangeroerd, 
hoofdzakelijk wegens de groote winsten, die het koffiemonopolie 
opleverde. 

Wat het rechtswezen betreft kunnen wij een onderscheid maken 
tusschen de maatregelen, welke slechts tijdelijk bleven gelden, zooals 
de invoering der jury en de gelijkstelling van Inlanders met Euro- 
peanen, en tusschen voorzieningen, die ook op latere regelingen 
invloed uitoefenden. Onder dezen behooren de instelling van omgaande 
rechters, belast met de rechtspraak over zware misdrijven, de 
opheffing van de schepensbank , en de organisatie van de rechtspraak 
in de verschillende gewesten. Ten einde een gemakkelijker overzicht 
te geven stellen wij ons voor die regeling later' in betrekking tot 
den tegen woordigen toestand van het rechtswezen te behandelen. 

Terwijl Raftles zich aldus met eene algeheele hervorming van de 
administratie van Java bezig hield, was Europa het tooneel van hoogst 
belangrijke gebeurtenissen die hem van de vruchten van zijnen 
arbeid zouden berooven. Nederland had zich aan de Fransche over- 
heersching ontworsteld; een vorst uit het stamhuis van Oranje, 
door de algemeene volksstem geroepen, had den troon beklommen 
en Engeland, dat het herstel van ons vaderland als een machtig 
bolwerk tegen Frankrijk krachtig begunstigd had, verklaarde zich 
bereid ons in het bezit der verloren koloniën te herstellen. Eene 
overeenkomst, den 13den Augustus 1814 te Londen gesloten, nam de 
vrede van Amiëns als grondslag aan en verzekerde ons de teruggave 
van alle bezittingen , die in 1803 in onze macht waren. Maar in een 
additioneel artikel deed Nederland afstand van de Kaap de Goede 
Hoop en eenige West-Indische bezittingen tegen eene aanzienlijke 
som gelds, door Engeland uit te keeren, terwijl de Nederlandsche 
bezitting Cochin en onderhoorigheden tegen het eiland Bangka in 
ruil werd gegeven. De onderhandelaars, die dit tractaat tot stand 
brachten, misten de noodige gegevens, om iets meer dan het aller- 
noodzakelijkste te regelen; men stelde zich dan ook voor, om minder 
gewichtige punten later te behandelen. 

De hoofdzaak was echter dat Nederland weder zijne overzeesche 
bezittingen herkreeg. Aanstonds sloeg men de handen aan het werk 



TRACTAAT VAN 17 MAAKT 1824. 27 

om ze uit Engelsche handen over te nemen '). Een drietal mannen 
werden als Commissarissen-Generaal in Nov. 1814 met die taak 
belast: Elout, v. d. Cappellen en Buyskes. Ernstig was er over 
gedacht de rechterhand van Raffles, den hoogst bekwamen Raad 
van Indië Muntinghe, als lid aan de Commissie toe te voegen, 
maar men meende dat hij te zeer in de laatste hervormingen 
betrokken was om een onbevangen oordeel uit te spreken. Door den 
terugkeer van Napoleon opgehouden, kwam de Commissie eerst in 
April 1816 op Java aan ; gebrek aan instructies van Britsche zijde , 
veroorzaakt door te late kennisgeving door de Ned. Regeering te 
Londen gedaan, vertraagde de overname op nieuw en zoo duurde 
het tot den 23sten Juli 1816 vóór dat de Lt. Gouv. Fendall , die aan 
Rafffes was opgevolgd, en de Ned. Comm. Gen. te Rijswijk de over- 
eenkomst teekenden, waarbij de overname geregeld werd. Een 
aantal punten van geschil, die zich daarbij hadden voorgedaan, 
konden toen nog niet uitgemaakt worden. Gedeeltelijk werden zij 
door eene suppletoire conventie van 24 Juni 1817 uit den weg 
geruimd, maar waar het gewichtige zaken betrof moesten dezen 
in Europa beslist worden. Dit geschiedde door het tractaat van 
17 Maart 1824 ^). De finantieële geschillen , die opgerezen waren , 
werden beslecht door eene uitkeering van 100.000 p. s. aan Engeland. 
Moeilijker was de bepaling van het grondgebied, dat aan beide 
partijen zou toebehooren. Engeland en Nederland maakten beiden 
aanspraak op het eiland Blitong. Wij grondden onzen eisch op de 
bewei'ing, dat dit eiland een onderhoorigheid van Bangka was en 
dus aan ons behoorde, waartegen de Engelschen aanvoerden dat 
wel de onderhoorigheden van Cochin doch niet die van Bangka 
waren afgestaan. Doch de grootste zwarigheid was gelegen in de 
aanspraken, die beide landen op Singapore maakten. 

Men zal zich herinneren (Dl I. p. 508) dat het rijk van Djohor 
eene plaats onder de leenstaten der Compagnie bekleedde en zich 
over een gedeelte van Achter-Indië en over den Rhiouw-Lmgga- 
archipel uitstrekte. Tot de bezittingen van dit rijk behoorde een 
klein eilandje, in de straat van Malakka gelegen, dat ter nauwer- 
nood voedsel opleverde voor de enkele behoeftige Inlanders, die er 



') J H. J. Hoek. Het herstel van het Nederl. gezag over Java en ond. 'sGrav. 1862. 
^) Smulders. Gesch. en verklaring van het tractaat van 17 Maart 1824. Utr. 1856. 



28 TRACTAAT VAN 17 MAART 1824. 

in een vijf- of zestal schamele hutten leefden en waar van tijd tot 
tijd do zeeroovers. die de Indische wateren onveilig maai<ten , zich 
vereenigden om hunnen buit te verdeelen en tijdeiijit verblijf te 
houden. Toen nu de Nederiandsche kolonii'-n in handen der oude 
bezitters geraakten en zelfs Malakka aan ons werd overgegeven, 
vreesde Raffles dat aan den Engelschen handel groote afbreuk zou 
worden gedaan, en dat de onzen zich met uitsluiting van ieder ander 
van de vaart meester zouden maken. De buitengewoon gunstige 
ligging van dat eiland , Singapore genaamd , dat als station tusschen 
China en Vóór-Indië voor de Engelschen van groot belang kon zijn 
en de vaart in Straat Malakka beheerschte, bleef hem niet ver- 
borgen en gretig greep hij het eerste het beste voorwendsel aan, 
om zich daarvan meester te maken. De vorst van Djohor, Mahmoed 
Sjah, was in 1811 overleden en had een tweetal zonen, Hoesein 
Mohammed, ook Tongkoe Long genaamd, en Abdoe'r-rahman nage- 
laten, van welken de laatstgenoemde den troon beklom daar hij, 
ofschoon jonger in jaren, uit een huwelijk met eene aanzienlijke 
vrouw was voortgesproten. Djohor, de oude hoofdplaats, tot een 
ellendig visschersdorp vervallen, stond onder een Inlandsch hoofd 
dat den titel van Tommengong voerde en van tijd tot tijd te 
Singapore verblijf hield. Op deze omstandigheden bouwde Raffles 
het volgende plan. Tegenover Abdoe'r-rahman erkende hij Tongkoe 
Long als Sultan, doch alleen om hem Singapore aan de Engelsche 
Compagnie te laten afstaan , daar hij zich verder niet om zijne 
aanspraken bekommerde. Op den loden Febr. 1819 ging Raffles met 
Tongkoe Long en den Tommengong een contract aan, waarbij zij, 
tegen genot van een vast jaargeld , aan de Engelschen het recht 
gaven om zich op Singapore neder te zetten. En toen de Engelschen 
daar eenmaal gevestigd waren verrichtte het genie van Raffles er 
wonderen. Binnen ongelooflijk korten tijd werd het onvruchtbare 
eiland eene bloeiende handelsplaats. Alle schepen werden er vrij van 
rechten binnengelaten, grootsche werken kwamen er ten behoeve 
van den handel tot stand , en toen de Nederlanders hunne stem 
tegen het gepleegde onrecht verhieven, was het belang van den 
Engelschen handel zoozeer met Singapore vereenzelvigd dat de 
Britsche Regeering, „met terzijdestelling van de grondbeginselen 
van Europeesche staatkunde of romantische gevoelens van zedelijk- 
heid" zich op het eiland bleef handhaven. Te vergeefs volgden wij , 



bE VORStENLANDEN ONDER V. D. CA PELLEN. Ö9 

schoon aarzelend en ten halve, het voorbeeld van Raffles na, en 
maakten ook Rhiouw tot eene vrijhaven; Singapore bleef het empo- 
rium van de Indische wateren en is dit tot nu toe gebleven, terwijl 
een goed deel van de producten onzer bezittingen naar die bloeiende 
handelsplaats worden toegevoerd. üe overige geschillen tusschen 
Engeland en Nederland werden door een ruil van landen opgelost; 
Nederland deed afstand van zijne bezittingen op het vaste land van 
Indië, doch Bengkoelen werd door Engeland aan ons in eigendom 
overgedragen, welk Rijk ook afzag van alle vertoogen tegen het 
bezetten van Blitong door de Nederlanders en de verplichting op 
zich nam, nimmer op Sumatra een Britsch kantoor op te richten 
noch op de Karimon-eilanden , Battam , Bintang of op eenige der 
andere eilanden liggende ten zuiden van Straat Singapore. Men 
hoopte daarmede aan alle geschillen een einde te maken; de toe- 
komst zou echter leeren dat dit noch op Sumatra, noch op Borneo 
het geval zou zijn. Hierover en over de belangrijke handelsbepa- 
lingen, in dat tractaat voorkomende, moeten wij elders handelen. 
Na deze uitwijding, die tot recht verstand van de plaats, door 
Nederland in Indië ingenomen, noodzakelijk was, keeren wij tot 
Java terug, waar de Commissarissen-Generaal zich met de overname 
der bezittingen bezig hielden. Op dat eiland ondervonden zij geene 
moeilijkheden, integendeel werden zij met open armen door de 
vorsten van Solo en Djokja ontvangen, die van Nederland herstel 
van den ouden luister verwachtten. Nog altijd regeerde Pakoe 
Boewana IV in het eerste rijk, doch spoedig na het vertrek van 
de Commissarissen-Generaal (1819) overleed deze vorst (1820). Zijn 
opvolger bleef slechts korten tijd aan het bestuur en na diens dood 
(1823) beklom Pakoe Boewana VI den troon, een jong en onder- 
nemend vorst die, zooals later bleek, ons gezag niet bijzonder 
genegen was. Ook in het Djokjasche rijk had herhaalde troonsver- 
wisseling plaats. Amangkoe Boewana III, de voormalige prins-regent, 
was reeds in 1814 overleden en door Amangkoe Boewana IV, Djarot 
bijgenaamd, opgevolgd. Niet zonder vermoeden van vergiftiging 
stierf deze vorst in 1822, eenen tweejarigen zoon nalatende, die 
onder zeer ongunstige omstandigheden Sultan werd. Diepe ellende 
heerschte bij de bevolking der Vorstenlanden, die door hare hoofden 
werd uitgezogen en bovendien door zware belastingen voor den 
vorst en het Gouvernement gedrukt werd. Zoo vinden wij vermeld 



^ DE VORSTENLANDEN OMDER V. IJ. CAPELLEI4. 

dat door den vorst geheven werden: het pakeplop, voor het recht 
om dansmeiden te zien dansen, maar dat ook geëischt werd van 
hen , die daarvan geen gebruik maakten ; de paiioentoel , belasting 
voor de kuiten, die zoowel betaald werd voor spillebeenen als door 
hen, die de natuur met fraaie kuiten gezegend had; de pasoembing 
of willekeurige verhooging van alle belastingen enz., te samen een 
getal van 34, de eene al dwazer en willekeuriger dan de andere. 
En niet minder bezwarend was de belasting door het Gouvt. geheven, 
en onder den naam van tolpoorten bekend , die van het vervoer van 
goederen op aangewezen afstanden geheven werd, zooals ook bij ons 
op de groote wegen hier en daar nog geschiedt. In de Vorstenlanden 
waren deze tollen verpacht en de pachters, Chineezen, knevelden 
de bevolking geweldig, daar deze te gedwee was om zich tegen 
hunne eischen te verzetten. Zelfs lieten zij meermalen Inlanders 
die niets bij zich hadden, voor hunne partes posteriores tolgeld 
betalen, waardoor een eigenaardig Javaansch woord gevormd werd, 
terwijl zelfs voor de lijken van gestorven Javanen de belasting 
geëischt werd. In 1827 werd eene poging gedaan om door het 
afschaffen van het pacht.stelsel die knevelarijen te voorkomen, 
doch toen ook dit niet mocht baten werd de belasting in 1830 
geheel ingetrokken. 

Volgens sommigen droeg ook de zoogenaamde landverhuur er 
toe bij, om de ellende der bevolking te vergrooten. De vorsten 
waren gewoon hunne ambtenaren en bedienden, van den rijks- 
bestierder tot den laagsten stalknecht niet in geld, maar in land te 
bezoldigen, d. w. z. zij stonden hunne rechten op den grond en de 
daarop gevestigde bevolking aan deze personen af. De belastingen 
in producten en de diensten, vroeger aan den vorst verschuldigd, 
kwamen nu ten goede van den ambtenaar. Daarvan maakte de 
industrie zich meester. Europeanen of andere vreemdelingen gingen 
met die ambtenaren overeenkomsten aan , waarbij dezen hunne 
rechten aan hen overdroegen. Zij trachtten nu de bevolking, op 
de landen gevestigd, waarover zij tijdelijk de beschikking hadden, 
te bewegen om in plaats van de producten die zij moest opbrengen , 
een evenredig deel van den bebouwden grond aan hen af te staan. 
Den arbeid, welke de bevolking voor den ambtenaar moest ver- 
richten, en die vroeger grootendeels voor staatsie, huiselijke werk- 
zaamheden enz. gebruikt werd, wendden de industrieelen aan om 



bE VORSTENl.ANDEN ONDKR V. D. CAPEl.l.EN. 3i 

producten voor' de Europeesche markt te teelen, zoowel op de 
landen van de bevolking gekregen , als op de woeste , nog niet ont- 
gonnen gronden, die zij thans voor de cultures geschikt maakten. 
Deze „landverhuur in de Vorstenlanden" had eene belangrijke ver- 
meerdering van productie ten gevolge , maar de Gouverneur Generaal 
V. d. Capellen , die ongaarne het particuliere element zag toenemen 
en hoogstens de toelating voorstond van Europeanen , benoodigd 
voor de burgerlijke en militaire dienst, zeevaart en handel, en voor 
ondernemingen die meer kapitaal en vernuft vereischen dan bij den 
Inlander werden aangetroffen , was dezen toestand niet genegen. 
Hij vreesde voor onderdrukking der bevolking door de landhuurders , 
die van hunne machtige stelling misbruik konden maken , 't geen 
misschien niet geheel ongegrond was, ofschoon het opmerking ver- 
dient dat in de onlusten, die kort daarna uitbraken, de bevolking 
op de landen van de HH. Dezentje en Stavers door getrouwheid 
uitmuntte. Op eene reis door den Gouverneur Generaal in 1819 
ondernomen viel hem de groote uitbreiding in het oog, die deze 
landverhuur verkregen had, en daarom beval hij in 1821 dat geene 
meerdere landen in huur zouden worden uitgegeven. Maar aan dat 
bevel werd niet voldaan en nu volgde er in 1823 (St. 27) eene 
publicatie, waarbij alle contracten, na 15 Nov. 1821 gesloten, van 
kracht beroofd werden, terwijl ditzelfde bepaald werd omtrent 
vroegere overeenkomsten, indien zij voor langeren tijd dan voor 3 
jaar waren aangegaan, welke termijn ook voor nieuwe contracten 
bepaald werd. Daardoor werd de landverhuur zoo goed als onmogelijk, 
omdat niemand het wagen durfde, groote ondernemingen voor zulk 
een korten tijd aan te vangen. In 1827 (St. 53) werd zij weder op 
den ouden voet toegestaan; nu nog berust de landbouw in de 
"Vorstenlanden voor een goed deel op dergelijke overeenkomsten, 
die wij later meer in het bijzonder zullen behandelen. 

Bij de intrekking der landverhuur begreep v. d. Capellen dat 
het noodzakelijk was de ondernemers schadeloos te stellen voor de 
gebouwen en aanplantingen, door hen op de gehuurde landen 
opgericht en aangelegd. Deze schadeloosstelling werd nu aan de 
verhuurders der landen in rekening gebracht, die dientengevolge 
groote schade leden en zeer misnoegd werden. En dit was ook het 
geval met den Sultan, die o. a. het land Bedaja aan den resident 
Nahuijs voor f 62.50 in huur gegeven had. Men eischte nu van 



32 OPSTAND VAN DIPA NEGARA. 

zijne voogden eene schadeloosstolling van f 100.000 en dwong hen 
werkelijk f Ü2.000 uit te betalen , 't geen hen zeer ontstemde , vooral 
toen het Gouvernement korten tijd daarna zelf landen in huur nam , 
en dus aanleiding tot de vrees gaf, dat eene inlijving van de Vor- 
stenlanden vóór de deur stond. Bij dit alles kwamen eene menigte 
intrigues, die den Kraton verdeelden, waar de zedeloosheid ten 
toppunt gestegen was. De voogdij over den jongen vorst bevond 
zich in handen van zijne moeder, zijne grootmoeder, zijnen oudoom 
Mangkoe Boemi en van zijnen oom, den vroeger (p. 15) genoemden 
Anta Wiria, die toen den titel van Pangeran Dipa Negara voerde. 
Met zijnen vader, den prins-regent, had laatstgenoemde mede- 
gewerkt om Sepoeh in 1812 van den troon te verjagen en naar 
't schijnt had hij daarbij de toezegging verkregen dat hij troonsop- 
volger zoude worden, niettegenstaande hij uit een huwelijk met 
eene bijzit geboren was. Hiervan was echter niets gekomen, en 
Dipa Negara, die door het Nederlandsch bestuur weinig geteld en 
algemeen als een zwakhoofd beschouwd werd, trok zich in de 
eenzaamheid terug en wijdde zich geheel aan godsdienstige over- 
peinzingen en boetedoening, zoodat hij weldra den roep van groote 
heiligheid verkreeg en bij de bevolking in groot aanzien kwam. 
En deze man die, zooals later bleek, uitstekende hoedanigheden 
bezat, werd door de Europeanen en ook door den rijksbestierder, 
die met den resident het bestuur over het rijk voerde, met min- 
achting behandeld, terwijl eindelijk de maat volgeraeten werd toen 
de assistent-resident het bevel gaf dat een weg zou woiden aange- 
legd, die gedeeltelijk over den grond van den prins en over een in 
de nabijheid liggend graf liep, zonder dat men Dipa Negara daarin 
kende. Nu maakte de prins openlijk toebereidselen tot den strijd; 
hij liet de stokken , die den weg afbakenden , uitrukken en door 
pieken vervangen, terwijl hij last gaf dat allen, die hem liefhadden, 
zich te Tegal radja om hem zouden verzamelen. De resident, die 
buiten de hoofdplaats zijn verblijf hield, en niets wist van 't geen 
in Djokja omging, moest door zijnen ambtgenoot te Solo gewaar- 
schuwd worden en toen hij eindelijk maatregelen nam, om Dipa 
Negara in handen te krijgen, was het te laat. (Juli 1825). Ook de 
andere voogd vereenigde zich met den opstandeling en in korten 
tijd was geheel Djokja in opstand , zoodat de muitelingen zelfs de 
hoofdplaats konden verwoesten, met uitzondering van het fort, de 



OPSTAND VAN niTA NKGARA. 33 

Kratons en de Europeesche en Chineesche wijken, en ook dezen 
werden niet dan met inspanning van alle krachten behouden ^). 
De opperbevelhebber van het leger, de Koek, snelde in allerijl naar 
het tooneel van den strijd en ofschoon het hem gelukte om den 
Soesoehoenan die, zooals later bleek, tot afval neigde, voor onze 
belangen te winnen, kon hij overigens niet krachtig optreden, 
daar het grootste gedeelte van het leger den veldtocht op Celebes 
bijwoonde. Eerst toen v. Geen uit Boni was teruggekeerd kon Djokja 
worden ontzet, maar daarentegen breidde de opstand zich in Kedoe 
en Rembang uit, en zelfs werd Samarang een oogenblik door de 
muitelingen bedreigd. Overal waar de vijand in het open veld 
stand hield, werd hij verslagen, maar meestal bepaalde hij zich tot 
eene soort van guerila-oorlog , waardoor hij ons groote afbreuk 
deed, terwijl elke nederlaag, den vijand toegebracht, hem slechts 
tijdelijk kon verzwakken, want na korten tijd vereenigden zijne 
verstrooide benden zich weder en barstte de opstand op nieuw in 
de streken uit, die men reeds onderworpen waande. Hierbij onder- 
scheidde zich vooral de AU Bassa Prawira Dirdja, gewoonlijk 
Sentot genaamd, een zoon van den vroeger vermelden Radhen 
Rongga, die door zijne stoutmoedige aanvallen onze troepen 
dikwijls het veld deed ruimen en vooral in het jaar 1826 den 
onzen zware slagen toebracht en o. a. een eskorte overviel, dat de 
beide voogden van den Sultan, in de plaats van Dipa Negara en 
Mangkoe Boemi benoemd, begeleidde. Met het meerendeel hunner 
volgelingen kwamen zij om het leven. Een ander persoon, die zich 
mede eenen grooten naam verwierf, was de fanatieke en wreede 
priester Kjaï Madja, die door zijne kennis van de godsdienstige 
voorschriften grooten invloed bij de bevolking verwierf en naar het 
schijnt de ziel van den opstand werd. Door voorspoed overmoedig 
geworden, waagde Dipa Negara het, aan zijne volgelingen hooge 
titels te geven en landen in de door hem bezette streken en zelfs 
in het Solosche aan te wijzen. Bijna dagelijks nam zijn aanhang 
toe, en het baatte weinig dat de Regeering den ouden Sultan 
Sepoeh uit Amboina, waar hij in ballingschap vertoefde, deed 
terugkeeren en weder tot vorst aanstelde, om te beproeven door 



') T. V. A. de Stuers. Mémoire sur la guerre de Java. Leide 1833. Nahuys. Ver- 
zameling van off. rapporten. Dev. 1835. — Bijdr. t. t. 1. en vlk. 2e S. III p. 140. 
II. 3 



34 OPSTAND VAN DII'A NEdAHA. 

zijt) gezag een tegenwicht tegen Dipa Negara te vormen. Zijn 
invloed bleef onbeduidend, ja zijn dood, die in 1827 plaats had, 
word bijna niet opgemerkt. Eindelijk nam Dipa Negara, zooals een 
Javaansch geschied veihaal zegt, door zelfverheffing aangeraakt, in 
1828 den titel van Sultan aan. Maar toen was zijn voorspoed reeds 
aan het tanen en de maatregelen waren genomen, die tot zijne 
geheele onderwerping leidden. 

Aan V. d. Capellen was de Commissaris-Generaal du Bus de 
Gisignies opgevolgd (1826) ^), terwijl het beleid van den oorlog 
bij de Koek berustte, die tevens als Luitenant-Gouverneur-Generaal 
aan het hoofd der Regeering stond en nu in 1827 eene handelwijze 
volgde, die langzaam maar zeker tot de onderdrukking van den 
opstand voerde. Men had de ondervinding opgedaan dat een enkele 
nederlaag voldoende was om in de streken, die men reeds onder- 
worpen had, de vlam van den opstand opnieuw aan te wakkeren, 
tenzij men er voor zorgde dat er eene krijgsmacht aanwezig was, 
sterk genoeg om dit aanstonds te beletten. Hiertoe diende het zoo- 
genaamde benting-stelsel. Het veroverd terrein werd met kleine 
sterkten, bentings genaamd, bedekt terwijl de troepen te velde in 
kleine corpsen verdeeld werden, vliegende colonnes geheeten, die de 
gemeenschap tusschen de bentings onderhielden en het vijandelijk 
land doortrokken. Telkens werd de keten dier forten nauwer om 
den vijand toegehaald en eindelijk (1828) gelukte het den onzen 
hem tusschen de rivieren de Praga en Bagawonta in te sluiten op een 
terrein , ten noorden door de bergen van Minoreh , en ten zuiden 
door de zee begrensd, en dat steenachtig of moerassig was en dus 
ongeschikt om den vijand te onderhouden. Aanvankelijk had de zuinige 
Commissaris-Generaal zich tegen dit plan verzet, omdat het veel 
soldaten vergde en vooral veel geld kostte. In het eerste bezwaar 
werd door de uitzending van een Nederlandsch expeditionair corps 
en door de aankomst van strijders uit de Molukken, Alfoeren, 
voorzien; de Koek hield vol, en du Bus was verstandig genoeg om 
zijne minderheid in krijgszaken te erkennen en toe te geven. De 
genomen maatregelen werden met gunstig gevolg bekroond. Ofschoon 
Dipa Negara en Sentot een paar malen den kring doorbraken, die 
om hen getrokken was, werden zij telkens weder teruggejaagd en 



') H. V. d. Wijck. De Ned. O.-I. bez. onder du Bus d. G. 's Grav. 1866. 



orsTANn VAN niPA nkhara. 35 

reeds in 1828 viel Kjaï Madja in onze handen, terwijl Sentot zich 
in October -1829 onderwierp. Dipa Negara zwierf, van alle macht 
beroofd, in het gebergte van Selarang rond; ook zijn rijksbestierder 
verliet hem in het begin van 1830 en berichtte den Generaal 
Cleerens dat Dipa Negara, van slechts drie personen van aanzien 
vergezeld, zich daar ophield en door zijne tusschenkomst werd de 
vorst overgehaald zich naar het hoofdkwartier van de Koek te 
begeven, ten einde over zijne onderwerping te onderhandelen. 
Maar daar zocht hij op allerlei wijze uitstel , terwijl een aantal 
Inlandsche hoofden zich om hem vereenigden en de Koek, die voor 
verraad vreesde, liet hem in hechtenis nemen en naar Batavia 
brengen. Hij werd in ballingschap naar Menado en later naar 
Makassar gezonden, waar hij in 1855 overleed. 

Zoodoende was een opstand geëindigd, die onbeschrijfelijke rampen 
over een groot gedeelte van Java verspreidde, zoodat men veertig 
jaar later nog in die streken verhaalde, dat men er in die dagen 
nauwelijks een handvol rijst voor f 1 kon krijgen en de menschen 
mager werden als hout. V. d. Bosch , die in 1830 als Gouverneur- 
Generaal was opgetreden, besloot van deze gunstige gelegenheid 
gebruik te maken om de macht der Inlandsche vorsten voor goed 
te breken. De zoogenaamde Montja Negarasche landen bewesten 
de Bagawonta en beoosten den berg Lawoe (de residentiën Ban- 
joemas, Bagelen, Madioen en Kediri met meer dan één millioen 
bewoners) werden aan de vorsten van Solo en Djokja ontnomen 
tegen eene schadeloosstelling voor het gemis van de inkomsten, 
die zij uit die provinciën trokken. Ook landen, aan den Soesoe- 
hoenan toebehoorende , waren in dien afstand begrepen. Deze vorst, 
die in den aanvang, volgens zijne eigen bekentenis, verraderlijke 
plannen koesterde , had later het Nederlandsch gezag met alle macht 
ondersteund, zoodat men hem ter belooning zelfs eene uitbreiding 
van zijn rijk had voorgespiegeld. En nu verlangde men integen- 
deel van hem afstand van grondgebied! Geen wonder dat de vorst 
hierover verbitterd was. Schijnbaar schikte hij zich in dien eisch, 
maar in Juni 1830 kregen de Commissarissen, met de regeling der 
aangelegenheden in de Vorstenlanden belast (de HH. Nahuijs, 
Merkus en v. Sevenhoven), het bericht dat de vorst heimelijk zijnen 
Kraton verlaten had en naar het zeestrand gegaan was, kennelijk 
met het doel om zich daar tot den opstand tegen ons gezag voor 



ée lAVA NA 1830. 

te bereiden. Onmidilellijk werd hij achtervolgd cii inderdaad vond 
men hem slapende aan het zuiderstrand, ten einde door Njaï Kidoel, 
dt> Godin van het Zuiden, mot profetische dronmon begunstigd te 
worden. Op eigen verantwoordelijkheid vorklaaiden de Comrnn. den 
Soesoehoenan vervallen van zijne waardigheid en stelden in zijne 
plaats een zoon van den voorlaatsten Soesoehoenan tot vorst aan. 
De Gouverneur-Generaal bekrachtigde deze maatregelen, de bevolen 
inlijving der Montjanegarasche landen had zonder verzet plaats en 
dientengevolge werd het gebied der vorsten tot de tegenwoordige 
residentiën Soerakarta en Djokjakarta bepaald. Later werd ook het 
district Nangoelan onder het onmiddellijk gezag van het Neder- 
landsche Gouvernement gebracht, toen de prins Wira Goena, die 
ter belooning voor zijne diensten bij de gevangenneming van Kjai 
Madja met dat land beleend was, zich ongetrouw betoonde en met 
afval en opstand dreigde (1833). De grensscheiding der beide rijken 
werd nu eindelijk geregeld. Aan de ineenlegging der landen (Dl. 1 
p. 494) werd een einde gemaakt; Solo verkreeg de provinciën Padjang 
en Soekawati , terwijl Mataram en Goenong Kidoel aan Djokja werd 
afgestaan. 

Na de onderwerping van Dipa Negara werd de rust op Java 
maar zelden op ernstige wijze verstoord ; meestal slechts door plaatse- 
lijke onlusten zooals in 1869 toen, even vóór de viering van het 250 
jarig bestaan van Batavia, ongeregeldheden in Bekaseh (omme- 
landen van Batavia) uitbraken, die bijna onmiddellijk werden onder- 
drukt. Van grooter belang was echter de opstand, die in Juli 1888 
in Tjilegon (Bantam) uitbrak ') en aan verscheidene Europeesche 
en Inlandsche ambtenaren het leven kostte. Deze opstand is daarom 
vooral de aandacht waard omdat zij, behalve door verkeerde maat- 
regelen der Regeering tegen de veepest, die West- Ja va teisterde en 
de ellende, door die ziekte verspreid, grootendeels veroorzaakt werd 
door fanatieke bewegingen onder de Javaansche bevolking, die niet 
alleen in Bantam werden waargenomen, en die door godsdienstige 
broederschappen en hadji's in het leven geroepen of aangewakkerd 
werden. Ofschoon het spoedig gelukte den opstand te onderdrukken 
en de hoofdleiders der moordaanslagen te straffen, blijven de Tjile- 
gonsche troebelen een waarschuwing om voortdurend op onze hoede 



') Ind. Gids 1802, p. 1137. R. A. v. Sandick. Lief en leed uit Bantam. Zutphen. 



JAVA NA 1830. 37 

te zijn tegen de opwekking van het fanatisme bij de Moslemsche 
bevolking in den archipel, die in Mekka steun vindt. Bij de be- 
schrijving van den maatschappelijken toestand der Javaansche be- 
volking komen wij op dit onderwerp terug. 

Biedt in dit opzicht, gelukkig, de geschiedenis van Java in de 
laatste 60 jaren weinig belangrijks aan, des te merkwaardiger waren 
de vele hervormingen, in dat tijdperk op administratief gebied 
ondernomen en van welken wij slechts enkelen hier kunnen behan- 
delen ')• Ofïi dezen in groote trekken te schetsen moeten wij weder 
tot de zending van Commissarissen-Generaal opklimmen. De Souve- 
reine Vorst had hun een Regeerings-reglement medegegeven, dat 
hoofdzakelijk op den voet van het Charter van 1804 geschoeid was, 
maar daar men de veranderingen niet kende, die onder het bestuur 
van Raffles waren ingevoerd, werd hun het recht gegeven om des 
noods daarvan af te wijken. Maar toen zij in Indië kwamen vonden 
zij den toestand geheel anders, dan zij zich dien hadden kunnen 
voorstellen. De Commissarissen-Generaal en vooral Elout, die de 
ziel der Commissie was, werden spoedig ijverige voorstanders van 
de hervormingen , door Raffles beraamd , die zij echter op meer 
beraden wijze wilden invoeren, dan onder het Britsche bestuur 
beproefd was. Het hun medegegeven Reglement voerden zij niet 
in, maar zij stelden een ander vast, dat geheel op het stelsel van 
Raffles gevestigd was. In de andere hervormingen , waartoe door 
hen eenstemmig besloten werden, betoonden zij zich voorstanders 
van eene natuurlijke ontwikkeling van Java's rijkdom , ook door de 
toelating van industrieëlen die hunne kapitalen voor de teelt van 
producten wilden besteden. Maar er was één punt, waarover men 
het niet eens was. Behalve de gronden, door de Inlanders bebouwd , 
waren er nog uitgestrekte landen , die woest en ongebruikt lagen 
en nu ontstond er tusschen Elout en v. d. Capellen verschil omtrent 
de voorwaarden, volgens welken die gronden aan particulieren ver- 
pacht zouden kunnen worden. Deze vraag was nog niet beslist toen 
Elout vertrok en v. d. Capellen, die nu als Gouverneur-Generaal 
alleen optrad , kwam weldra tot inzichten , die met het stelsel van 
Commissarissen-Generaal in vele punten verschilden en waarvan de 



') Voor staats- en administratief recht vgl. Mr. J. de Louter. Handleiding. 
3e druk. 'sGrav. 1884. 



38 V. I). CAPELLEN TEGENOVKH DK 1'AUTICULIERE INDUSTRIE. 

hoofdtrekken waren, het weren van particulier landbezit en de 
ontwikkeling van den Javaan zonder tusschenkoinst van Europeesche 
planters. Behalve in den wederinkoop van Soekaboemi en in de 
maatregelen omtrent de land verhuur in de Vorstenlanden , kwam 
deze veranderde meening hoofdzakelijk uit in eene proclamatie van 
9 Januari 1821 ter wering van opkoopers uit de binnenlanden. Men 
zal zich herinneren dat RafOes bij zijne hervormingen allen gedwon- 
gen arbeid wilde afschaffen en dus ook aan de verplichte koffie- 
cultuur een einde wilde maken. Maar zijne bevelen werden slecht 
nagekomen. Terwijl in sommige residentiën die teelt geheel vrij werd 
gelaten, werd zij elders als gedwongen cultuur gehandhaafd. De Com- 
missarissen-Generaal besloten hieraan een einde te maken en in 1817 
(St. 55) bepaalden zij, dat het den Inlander vrij zou staan, al dan 
niet koffie te teelen. Was hij daartoe wel geneigd, dan zou de 
Staat hem de bestaande koffietuinen voor 6 jaren verhuren, tegen 
opbrengst van 2/. van den oogst; over het overblijvende behield hij 
de vrije beschikking, ja zelfs beloofde het Gouvernement dit drie 
vijfden altijd tegen een vasten prijs te zullen aannemen, zoodat de 
Inlander van een uitweg voor zijne koffie verzekerd was, zonder 
tot levering verplicht te zijn. Ten einde dit stelsel te doen slagen 
was het natuurlijk noodig dat de Inlander opkoopers vond, om zijne 
koffie van hem over te nemen. Allerlei personen zetten zich dan 
ook bij de dorpen neder, maar het gemelde besluit maakte daaraan 
een einde. V. d. Gapellen vreesde, dat deze opkoopers op de een of 
andere wijze dwang op de bevolking zouden uitoefenen om zich 
tegen lage prijzen van de koffie meester te maken en hij verbood 
dat iemand, zonder speciale vergunning van het bestuur, op eenigen 
afstand van de verblijfplaatsen der residenten pakhuizen of handels- 
etablissementen zou vestigen. De vrije mededinging werd derhalve 
belet en bovendien ontving de Inlander, die gebruik wilde maken 
van zijn recht om de koffie tegen vrij hoogen prijs aan het Gou- 
vernement af te staan, dikwijls een weigerend antwoord van de 
ambtenaren, want de koffie was aanmerkelijk in prijs gedaald en 
het zou aan het Gouvernement schatten gekost hebben, wanneer 
de belofte getrouw w-as nagekomen. De Inlander was dus aan de 
genade van de enkele opkoopers overgelaten, die zich in zijne nabij- 
heid mochten ophouden, of ter sluiks de koffie opkochten, en zoo- 
doende werd de cultuur weldra zeer gehaat. Na verloop van den 



ZENDING VAN UU IWü DE GISIGNIES. 30 

zesjarigen termijn voor welke de tuinen verhuurd waren, was het te 
voorzien, dat zij door de l)uurders verlaten zouden worden. Om dit 
te voorkomen beval de Regeering eenvoudig, dat ook voor het ver- 
volg die tuinen op dezelfde voorwaarden zouden verhuurd worden, 
zoodat de cultuur slechts in schijn vrij was en de bevolking in 
werkelijkheid gedwongen werd, koffie te teelen en ^1-, van den oogst 
aan het Gouvernement af te staan. 

Terwijl v. d. Capellen zich deze afwijkingen van het stelsel van 
de Commissarissen-Generaal veroorloofde, was zijn bestuur ook op 
andere punten minder gelukkig. Vooral op finantiëel gebied. De 
administratie was op kostbaren voet geschoeid ; de oorlogen , op 
Java, Sumatra, Borneo en Celebes gevoerd, verslonden ontzaglijke 
geldsommen, terwijl de inkomsten geenszins met de uitgaven gelijken 
tred hielden. Men stond voor een tekort, en om dit aan te vullen 
en ook de middelen te verkrijgen, om het geheel bedorven munt- 
wezen te herstellen, besloot v. d. Capellen eene leening te sluiten, 
die in hare gevolgen voor Indië uiterst gewichtig was. Op vrij 
nadeelige voorwaarden werd met een handelshuis te Calcutta over 
die leening onderhandeld; zij werd echter door den Koning niet 
goedgekeurd en in hare plaats werd eene leening gesloten, die 
onder waarborg van Nederland tot stand kwam en waartoe de mede- 
werking der Staten-Generaal gevorderd werd, terwijl dezen te voren 
zich niet met Indische zaken ingelaten hadden, daar de Grondwet 
van 1815 het uitsluitend opperbestuur over de koloniën aan den 
Koning opdroeg^). V. d. Capellen, die ook door andere handelingen 
de ontevredenheid van den Koning had opgewekt, kreeg vergunning 
om zijn bestuur neder te leggen en zijn opvolger, du Bus de Gi- 
signies (1826 — 1830) , die den hoogen titel van Commissaris-Generaal 
erlangde en met uitgebreide macht bekleed was, kreeg de opdracht 
de meest mogelijke bezuinigingen in te voeren en tevens een onder- 
zoek in te stellen naar de stelsels, achtereenvolgens in Indië inge- 
voerd en daaromtrent aan den Koning verslag te doen. Den uitslag 
van dat onderzoek legde du Bus neder in zijn beroemd rapport van 
1 Mei 1827 '). Daarin kwam hij tot het besluit dat de Javaan , aan 
zijn eigen initiatief overgelaten, zich geheel aan de rijstcultuur 



1) E. de Waal. Ned. Indië in de Staten-Gen. 's Grav. 1860. 

-) Te vinden bij D. C. Steyn Parvé. Het kol. monopoliestelsel. Zalt-Bommel 1851. 



40 UAI'l'OHT VAN UU DUS. 

wijden zal en niets meer zal voortbrengen , dan zooveel als noodig 
was om ziclizelven en de zijnen voor gebrek te vrijwaren, zonder 
dat de buitenlandsciie handel kon bloeien en zonder dat liet eiland 
eenig voordeel zou opleveren, dan uit de belasting op het rijstgewas 
verkregen werd. Wilde men dus dat Java vruchten zou afwerpen 
voor den handel van Nederland en het bestuur aldaar in staat gesteld 
worden zijne geldelijke verplichtingen jegens het moederland te 
voldoen, dan moest er eene aansporing van buiten komen, en deze 
zocht du Bus in het Europeesche kapitaal en vernuft. Op groote 
schaal moesten landen worden uitgegeven, die nog onbebouwd waren 
en Europeesche industrieelen moesten aangemoedigd worden om die 
woeste gronden met behulp van Inlandsche arbeiders te ontginnen 
en voortbrengselen aan te kweeken waardoor, wat hier te lande zwaar 
woog, de Nederlandsche handel gevoed zou worden en, ofschoon lang- 
zamerhand , groote welvaart ontstaan zou en ook de schatkist aanmer- 
kelijk gebaat zou worden. Het rapport bereikte den Koning onder 
alleszins gunstige omstandigheden; Elout was als Minister van Koloniën 
opgetreden en deze, de plannen van du Bus gunstig gestemd, stelde 
den Koning voor, eene proefneming op groote schaal met dat stelsel 
te nemen. De Vorst scheen daartoe niet ongeneigd, maar wilde vooral 
het gevoelen inwinnen van een man, die groot gezag had in kolo- 
niale vraagstukken, den Generaal v. d. Bosch, die in het begin 
dezer eeuw op Java gediend had, doch onder het bestuur van Daendels 
weder naar het moederland was teruggekeerd. Toen de plaimen 
van du Bus aan den Koning werden voorgelegd, was v. d. Bosch 
uit West-Indië teruggekeerd, werwaarts hij met eene zending belast 
geweest was en nu besloot de Koning zijnen raad in te roepen. In 
den aanvang luidde deze niet geheel ongunstig. Hoofdzakelijk vreesde 
hij voor eene te zware mededinging van den vrijen arbeid op Java 
met den slavenarbeid in West-Indië. Maar toch raadde hij , een 
proef met het stelsel op onbekrompen wijze te nemen en eenen 
man daarmede te belasten, die dit zonder partijzucht doen zou. 
Op voorstel van Elout werd hij tot Gouverneur-Generaal benoemd. 
Intusschen was de veege staat der Indische fmantiën niet veel ver- 
beterd en de bijstand van het moederland, dat tot nog toe slechts 
als borg was opgetreden , zou , vreesde men , ook in werkelijkheid 
noodig zijn, tenzij men middelen mocht vinden om de inkomsten 
in Indië op te voeren. De Koning verlangde, dat Indië ten spoe- 



INVOERING VAN IIKT CULTUURSTKLSEL. 41 

digste in staat zou worden gesteld , zich zelf te helpen en v. d. Bosch 
nam aan, Hem daarbij terzijde te staan. Maar dit was met Let 
stelsel van du Bus niet mogelijk, immers dit beloofde wel rijke 
vruchten , maar alleen in de toekomst. Maar men kon den tijd niet 
afwachten, dat die vruchten op natuurlijke wijze rijpten en zoo 
moest men wel op kunstmatige middelen bedacht zijn. En ofschoon 
v. d. Bosch, naar het ons toeschijnt ter goedertrouw, nog verzekerde 
dat dwang daarbij geen rol zou spelen, voorzag Elout dat men, 
eenmaal op de heUing geplaatst, die wel zou moeten afglijden en 
nadat v. d. Bosch zijne plannen in een tweede rapport had bloot- 
gelegd, nam de Minister van Koloniën zijn ontslag. 

V. d. Bosch werd nu geheel vrijgelaten in de keus der middelen 
om zijne plannen te verwezenlijken. Welke waren dezen? Ziehier hoe 
hij het systeem voorstelt, dat onder den naam van cultuurstelsel 
zulk eene groote beroemdheid gekregen heeft. Ook hij was van 
meening dat de Javaan, aan zich zelven overgelaten, nimmer op 
groote schaal producten voor de Europeesche markt zou voortbren- 
gen. Maar terwijl du Bus hem daartoe wilde brengen door particu- 
lier initiatief, gepaard aan vrijen arbeid , meende v. d. Bosch dat de 
Staat zelf zich daarmede moest belasten en als industrieel optreden. 
De Regeering, zoo redeneerde hij, heeft recht op eene belasting, 
door den Inlander te voldoen , die bestaat in de opbrengst van een 
gedeelte zijner producten, landrente genaamd. Stellen wij dat aan- 
deel op twee vijfden. Laten wij nu den Inlander overhalen, in 
plaats van dat twee vijfden een gedeelte van zijnen grond af te staan, 
dat wij op slechts één vijfde bepalen. Den arbeid, dien hij den 
Staat verschuldigd is, zullen wij aanwenden om op die gronden 
producten te teelen, die voor de Europeesche markt geschikt zijn. 
Mochten die producten eene grootere geldswaarde vertegenwoor- 
digen, dan de vroeger door den Inlander verschuldigde belasting, 
welnu , dat meerdere zal hem moeten worden uitbetaald. 

Deze beginselen verdienen zeker uit staathuishoudkundig oog- 
punt weinig aanbeveling. De staat werd nij verheidsondernemer, 
blootgesteld aan alle kansen van winst en verlies, door ambtenaren 
gediend , die geen belang bij het welslagen der onderneming hadden 
en bovendien van hunnen eigenlijken werkkring werden afgetrokken. 
Maar den naam van dwangcultuur verdiende dat stelsel, ware het 
volgens deze beginselen uitgevoerd, in geenen deele. Doch het was 



42 HET CULTUURöTELSIiL. 

vooruit te zien dat dit onmogelijk was, indien men groote en snelle 
winsten wilde behalen. En werkelijk week de uitvoering in alle 
opzichten af van de plannen, door v. d. Bosch openlijk verkondigd. 
In plaats van overeenkomsten kwamen er bevelen; in stede van de 
kwijtschelding der landrente kwam een plantloon, dat ongeëven- 
redigd was aan den verrichten arbeid , ja in vele gevallen eerder 
een aalmoes dan eene belooning kon heeten en soms zelfs in het 
geheel niet werd uitgereikt; niet één vijfde der velden van een 
dorp werd in beslag genomen, maar gewoonlijk veel meer, soms 
werd zelfs over alle gronden beschikt, terwijl de meerdere waarde 
der producten nimmer werd uitgekeerd. Niets werd meer ontzien en 
zelfs de gebruiken en gewoonten der Inlanders, die v. d. Bosch als 
grondslag van zijn stelsel wilde doen dienen, werden dikwijls openlijk 
vertrapt. Wij zullen gelegenheid hebben, dit alles later aan te 
toonen; immers, willen wij ons een goed denkbeeld maken van den 
druk, dien sommige cultures in vele streken op den Inlander uitoe- 
fenden en van de voordeden , die zij hem elders bezorgden , dan is 
het noodig met de wijze, waarop die voortbrengselen verkregen 
worden, althans in hoofdtrekken bekend te zijn. Wij bepalen ons 
dus hier tot het geven van een overzicht van het cultuurstelsel als 
geheel beschouwd '). 

Hoofdzakelijk waren de genoemde afwijkingen het gevolg van 
de ongunstige omstandigheden waarin het moederland sedert 1830 
verkeerde. De oorlog met België verslond millioenen en het uitge- 
putte Nederland was niet in staat die op te brengen. Indië moest 
daarin voorzien en alles werd aan dat doel opgeofferd. En zóó ont- 
stond, juist op het oogenblik dat de Staat de groote cultuur bijna 
geheel in handen nam, de noodzakelijkheid om de draagkracht van 
den Inlander op het sterkste te spannen. Was het wonder, dat men 
voor de verzoeking bezweek en dat men , eenmaal op den verkeerden 
weg geraakt, weldra niet meer tevreden was indien Indië in hare 
eigene behoeften voorzag maar ook batige saldo's, van altijd hooger 
bedrag, van Java eischte? Doch men schelde het cultuurstelsel wel 
van de politiek van het batig saldo, en stelle niet op rekening van 
het eerste, wat alleen aan overdrijving moet worden toegeschreven. 

Het was vooral tijdens het bestuur van J. C. Baud , de Eerens 

1) G. H. V. Soest. Gesch. v. h. cultuurstelsel. Rott. 1869. N. G. Pierson. Kol. 
politiek. Amst. 1877. 



HET CULTUURSTELSEL. 43 

en Merkus dat de overdrijving van het cultuurstelsel zich open- 
baarde. De eerste dezer Landvoogden was een veelbeteekenende 
figuur 1). De hem opgedragen betrekkingen gaven hem gelegen- 
heid zoowel de hervormingen door Raffles ingevoerd van nabij gade 
te slaan, als zich met de administratie der Commissarissen-Generaal 
bekend te maken. In 1821 keerde hij naar het moederland terug 
en werd weldra de rechterhand van Elout. Maar spoedig moest hij 
kiezen tusschen de vrijzinnige beginselen, die hij met hart en ziel 
toegedaan was, en tusschen de plannen van v. d. Bosch, die naar 
zijne meening door de eischen van het oogenblik en het overwegend 
belang van het moederland gevorderd werden. Hij trad tot het stelsel 
van V. d. Bosch toe en toen aan deze, om den tegenstand in Indië 
te overwinnen , de uitgebreide macht van eenen Commissaris-Gene- 
raal gegeven werd, verkreeg Baud, die weigerde als Landvoogd op 
te treden, de betrekking van Gouverneur-Generaal ad interim (1833) 
en bleef die waardigheid tot Febr. 1836 bekleeden. Zooveel hij kon 
streefde hij er naar, de scherpe punten van het cultuurstelsel te 
verzachten. Maar de aandrang uit Nederland, waar v. d. Bosch als 
Minister van Koloniën was opgetreden, werd voortdurend sterker. 
Alles moest bij de behoefte aan geld in Nederland achterstaan, zoo 
zelfs dat, toen Baud schreef dat met moeite 10 millioen zouden 
kunnen worden overgezonden, hij bevel kreeg om te zorgen dat 18 
millioen gestuurd werden. De Eerens, die een jaar naast Baud als 
Luitenant-Gouverneur-Generaal werkzaam was, kon ook als Gou- 
verneur-Generaal (1836—1840) niet meer zijn dan een werktuig in 
de hand van v. d. Bosch, die niet schroomde hem op harden toon 
zijn ongenoegen te kennen te geven , watmeer hij niet geheel in 
zijne richting werkzaam was. Merkus, die door groote geestesgaven 
en beminnelijk karakter uitmuntte . had als Raad van Indië vaak 
heftigen tegenstand aan de plannen van v. d. Bosch geboden en 
was daarvoor gestraft geworden , daar hij bij de reorganisatie van 
den Raad van Indië in 1836 niet herbenoemd werd. In dat jaar werd 
een einde gemaakt aan de regeering, door den Gouverneur-Generaal 
met den Raad van Indië uitgeoefend. De Landvoogd bestuurde voor- 
taan alleen en de Raad mocht hem slechts met zijn advies bijstaan. 
Korten tijd daarna erkende Merkus de juistheid van de plannen 



') P. Mijer. J. C. Baud geschetst. Utr. 1878. 



44 HKT CULTUUUSTliLSEL. 

van V. d. Bosch; op nieuw werd hij tot Raad van Indii' benoemd, 
en naar Sumatra gezonden, waar hij bij den dood van de Eerens 
nog vertoefde. Van Ilogendorp, die het oudste hd van den Raad 
van Iiidië te Batavia was, nam eenigen tijd de landvoogdij waar, 
maar toen Merkus tot vice-president van dien Raad benoemd was, 
•werd hem het bestuur afgestaan dat hij tot 1844, en sedert 1843 
als Gouverneur-Generaal uitoefende. Ondertusschen had v. d. Bosch 
den ministerieelen zetel verlaten en was Baud hem opgevolgd en, 
merkwaardige speling van het lot, zij, die vroeger in de gelederen 
van de voorstanders van vrijen arbeid gestaan hadden , moesten nu , 
door den drang der omstandigheden gedwongen, samenwerken om 
een stelsel te bevestigen dat, zooals Baud zeide, met terzijdestelling 
van politieke en commerciëele bedenkingen was ingevoerd. Eene geheime 
instructie bond Merkus geheel aan de geldelijke belangen van het 
moederland en schreef hem voor dat hij allereerst zou hebben mede 
te werken tot gestadige vermeerdering van het batig slot. Om die steeds 
stijgende batige saldo's te kunnen verkrijgen, moesten alle krach- 
ten worden ingespannen en bij den druk, in vele streken door de 
cultures op de bevolking gelegd, kwamen nog allerlei persoonlijke, 
vaak onbezoldigde diensten, die men van haar vergde, terwijl ook 
de macht der Inlandsche hoofden, die door toekenning van cultuur- 
procenten voor het stelsel werden gewonnen, met oogluiking der 
Regeering eene aanzienlijke uitbreiding verkreeg. Reeds geruimen 
tijd te voren waren de regenten uit het diep verval opgeheven, waarin zij 
onder Raffles verkeerden. V. d. Capellen had hun weder een grooter 
aandeel in het bestuur gegeven en gelast dat zij in alle zaken, den 
Inlander betreflende , zouden gehoord worden , terwijl zij den resi- 
dent als hunnen ouderen broeder hadden te beschouwen, die wel 
met hen gemeenzaam moest omgaan en hen zooveel mogelijk raad- 
plegen , maar wien zij als het hoofd des huisgezins te gehoorzamen 
en te eerbiedigen hadden. En tijdens den opstand van Dipa Negara 
had men hun de verzekering gegeven dat hunne waardigheid, zoo 
het maar eenigzins mogelijk was, in hunne familie erfelijk zou zijn 
en hun daardoor eene geheel eigenaardige stelling gegeven, die van 
de positie eens ambtenaars aanmerkelijk verschilt en door het thans 
bestaande Regeerings-reglement (art. 69) bekrachtigd is. Maar men 
ging na 1830 nog verder. Want dit was een der zwartste schaduw- 
zijden van de overdrijving, w'aaraan men zich schuldig maakte, dat 



tlET CULTUUnSTRI-SKL. 45 

men de Inlandsche hoofden volstrekt noodig had om de hoeveelheid 
producten te verkrijgen, die men verlangde, terwijl men hen aan 
den anderen kant niet zoo hoog bezoldigen wilde, als noodig zou zijn 
geweest om hen voor de verzoeking tot knevelarij te vrijwaren. Men 
moest dus wel in vele gevallen de oogen toedrukken en misbruik 
van gezag toelaten , en een aantal dier hoofden , verstoken van 
degelijk onderwijs, onder vrouwen en bijzitten opgevoed, door tal- 
rijke familieleden omringd, die ten hunnen laste kwamen, en 
gewoon den minderen man als verre beneden zich te beschouwen, 
volgden het voorbeeld van bet Nederlandsche Gouvernement en zochten 
zich ten koste van den Inlander te verrijken. Gelukkig waren er 
echter eervolle uitzonderingen, onder welken wij slechts den regent 
van Koedoes, later van Demak te noemen hebben, die tot een 
geslacht behoort waarin bekwaamheid, eerlijkheid en getrouwheid 
erfelijk schijnen te zijn. 

In vele streken begon de overdrijving wrange vruchten te 
dragen. In sommige gedeelten van Java, waar de grond minder 
geschikt was voor de cultures, die men er wilde invoeren, of daardoor 
te veel werd uitgeput; waar de velden of tuinen te ver van de bewoonde 
plaatsen verwijderd waren ; waar de belooning voor den arbeid te 
gering was, of waar andere werkzaamheden aan de bewoners opgelegd 
waren, leed de bevolking veel. Maar niet overal. In een niet onaan- 
zienlijk gedeelte van het eiland, en vooral in het Oosten , verspreidde 
het cultuurstelsel groote welvaart, terwijl het de bevolking aan 
anderen arbeid dan de rijstcultuur gewendde. Het is waar, ook hier 
werd in den aanvang dwang uitgeoefend en zette men zich over de 
rechten der bevolking heen , maar waar het bestuur in goede handen 
was, waar de grond er zich toe leende en de ingevoerde cultures 
aan de bevolking een goed loon verschaften, daar schikte zich de 
bevolking in den nieuwen toestand en ontstond zelfs op vele plaatsen 
een ware volkscultuur. Maar zou dit op den weg van particuliere 
industrie en vrijen arbeid ook niet verkregen zijn? Eene proef- 
neming op groote schaal ware voorzeker niet overbodig geweest. 
Wij komen hierop later terug. Maar dit moeten wij nu reeds doen 
uitkomen dat men nimmer het cultuurstelsel als belasting kan ver- 
dedigen, daar het hier voordeel afwierp, maar elders zware lasten 
oplegde en dus eene groote ongelijkheid in het leven riep. 

Ondertusscheu begon men hier te lande zich eenigszins met de 



46 HKT CUI.TUIIRSTRLSEL. 

koloniën te bemoeien. De groote geldelijl<e voordeelen kwamen slechts 
gedeeltelijk ten bate van het moederland, dewijl zij strekken moesten 
om den Koning tot volharding tegen België in staat te stellen. En 
daarvoor waren de inkomsten van Indië niet toereikend. V. d. Bosch, 
die zich verjjlicht gevoelde de grootsche voorstellingen, welken hij 
van het welslagen zijner plannen bij den Koning had opgewekt, 
te verwezenlijken, gebruikte niet alleen de hulpmiddelen , waarover 
hij terstond kon beschikken, maar bezwaarde de toekomst, spoedig 
op buitensporige wijze. Hij bediende zich daarbij van de Handel- 
maatschappij. Hit lichaam, opgericht om den vervallen handel van 
Nederland te herstellen en vooral ook om de vaart op Indië in 
Nederlandsche handen te brengen , had groote voorschotten gegeven 
op producten, die nog geoogst moesten worden. Eindelijk weigerde 
de Handelmaatschappij op dien weg voort te gaan en de Koning 
moest de Staten-Generaal voorstellen, eene leening te sluiten, om 
de haar toekomende gelden te betalen. Doch het daartoe strek- 
kende wetsontwerp werd verworpen : v. d. Bosch trad af, en Baud 
wist de Handelmaatschappij over te halen met eene afbetaling in 
termijnen genoegen te nemen , onder voorwaarde, dat zij voor geruimen 
tijd het uitsluitend recht verkreeg om alle Gouvernements-producten 
uit Indië naar Nederland te vervoeren en voor rekening der Regee- 
ring te gelde te maken, waardoor zij groote sommen aan commis- 
sieloon enz. verdiende. Deze overeenkomst is later in vele opzichten 
gewijzigd en o. a. bepaald dat het Gouvernement vrij is, om zijne 
producten al dan niet naar Nederland te zenden, maar nog altijd is de 
Handelmaatschappij , ook nadat de schuld door de Regeering geheel 
is afbetaald, de bevoorrechte commissionair der Regeering, al is 
het niet meer onder zulke voordeelige voorwaarden als vroeger het 
geval was. 

De indiening en verwerping van de leenings-voorstellen hadden 
de oogen doen open gaan voor de vele gebreken, die in het beheer 
der Indische geldmiddelen bestonden en niet lang daarna deed eene 
vreeselijke ramp een sterk licht vallen op zooveel, wat in het stelsel 
van bestuur, in Indië gevolgd, groote afkeuring verdiende. Zooals 
wij elders (Deel I. p. 128) mededeelden, verkeerden de afdeelingen 
Demak en Grobogan, in het Samarangsche , vroeger in min gunstige 
omstandigheden en was de uitkomst van den rijstoogst hoofdzakelijk 
van den regen afhankelijk. De toenmalige Gouverneur-Generaal 






HET CULTUURSTELSEL. 47 

Rochussen (1845—185!) had reeds vroeger getoond een open oog 
te hebben voor de belangen der bevolking en gewaarschuwd tegen 
de richting, die meer op vermeerdering van producten, voor de 
Europeesche markt geschikt, lette, dan op eene ruimere voortbrenging 
van de gewone levensbehoeften. Op grond daarvan had de Regeering 
den resident van Samarang gelast alle nevenbezwaren, die voor de be- 
volking hinderlijk moesten zijn, uit den weg te ruimen. Maar deze beve- 
len waren niet nagekomen, ja zelfs was de landrente, niettegenstaande 
de vermindering van welvaart, opgedreven, zoodat de bevolking 
een gedeelte van haren veestapel had moeten verkoopen en dus hare 
landen niet had kunnen beploegen. En vooral drukten haar de 
zware diensten, die de cultures en de verdedigingswerken eischten. 
Want V. d. Bosch had een nieuw verdedigingsstelsel voor Java 
ontworpen en nu werden bij Soerabaja, Samarang en elders groote 
versterkingen opgericht , die thans voor het meerendeel als onnut 
beschouwd worden. En dezen werden hoofdzakelijk door den gedwon- 
gen arbeid der Inlandsche bevolking tot stand gebracht, eerst door 
de bewoners der omliggende streken en toen dezen uitgeput raakten 
werden arbeiders van ver afgelegen gewesten opgeroepen die, ter 
nauwernood van levensmiddelen voorzien , geruimen tijd van hunne 
velden verwijderd bleven en zoodoende genoodzaakt waren, zoo zij 
al gelegenheid vonden om hunne landen te bebouwen , eene mindere 
rijstsoort te planten die snel rijpt, maar weinig voedsel bevat. 
Misgewas overviel de uitgeputte bevolking; zij bezat geene middelen 
om zich zelve te helpen en de Regeering kreeg het bericht dat er 
gebrek aan levensmiddelen heerschte en dat er menschen van honger 
stierven, terwijl men een aantal Inlanders van het eene district 
naar het andere zag trekken om voedsel te zoeken. Wel beval de 
Gouverneur-Generaal onmiddellijk maatregelen ter ondersteuning 
van de bevolking en tot herstel van het doorgestane leed , maar het 
gebeurde was niet ongedaan te maken en, zooals Rochussen schrijft, 
was het getal dergenen, die als slachtoffers van de ellende en de 
geheerscht hebbende epidemische ziekten gevallen zijn, ofschoon 
niet met juistheid op te geven en dikwijls schromelijk overdreven, 
ontwijfelbaar aanzienlijk ^). 

•) Rochussen. Toelichting en verdediging, 's Grav. 1853. Aan de welwillendheid 
van den oud-resident, den heer Kleijn v. d. Poll, wien de eervolle taak werd opge- 
dragen om als assistent-resident in Demak en Grobogan de sporen der geleden 



48 HET CUI.TUURSTEI.SEL. 

Toen de tijding van deze ramp in Nederland verspreid werd 
had de grondwetsherziening van 4848 aan de Staten-Generaal een 
ruimer aanficcl in de koloniale aangelegenheden verschaft en moest 
o. a. een nieuw Regeerings-reglement ter vervanging van dat van 
1836 door den Rijkswetgever worden vastgesteld. De indruk der 
gebeurtenissen van Demak en Grobogan was nog geenszins uitge- 
wischt toen dit Reglement in de Tweede Kamer behandeld werd. 
Maar een andere omstandigheid oefende een niet minder grooten 
invloed uit. Tegenover Baud , die sedert 1848 als Minister afgetreden 
was en eene benoeming tot lid der Tweede Kamer aangenomen 
had en als voornaamste koloniale specialiteit het oor der vergadering 
bezat, trad een uitstekend redenaar op, met schitterende talenten 
begaafd en met groote kennis van Java toegerust. Het was de 
gewezen predikant te Batavia , van Hoëvell , die door de oprichting 
van het met uitstekend talent geschreven, schoon meermalen 
eenzijdige Tijdschrift van Nederlandsch Indië, zeer veel er toe 
bijbracht om de kennis van Indië ook in het moederland te ver- 
spreiden. Maar de Regeering waakte angstvallig dat er geene ge- 
schriften verschenen , die haar stelsel in een slecht daglicht stelden 
en daardoor zag v. Hoëvell zich zeer bemoeilijkt in zijnen werkkring. 
En de tegenwerking van het bestuur nam toe , toen de tijding van 
de Fransclie omwenteling van 1848 in Indië bekend werd en er in 
Mei te Batavia eene vergadering gehouden werd die, hoe onschuldig 
zij ook was. toch velen in Indië den angst om het hart joeg. In den 
aanvang bijeengeroepen om in het algemeen over de politiek van 
Nederland tegenover Indië te beraadslagen, hadden zij, die de ver- 



rampen uit te wisschen, ben ik de volgende cijfers verschuldigd, welken een over- 
zicht geven van de beweging, die in 1847 — 1852 onder de Inlandsche bevolking dier 
streken door sterfgeval en verhuizing plaats greep : 





Zielen. 


Deraak. 


Grobogan. 


1847. 


332.310. 


232.670. 


99.640. 


1848. 


334.706. 


236.128. 


98.578. 


1849. 


260.240. 


207.651. 


52.589. 


1850. 


203.574. 


151.348. 


52.226. 


1851. 


221.741. 


166.494. 


55.247. 


1852. 


233.677. 


174.114. 


59.563. 



In 1848 waren ongeveer 80.000 buffels aanwezig, die in 1849 tot 49.000 vermin- 
derden, maar in 1852 reeds weder 62.000 in getal waren. In 1848 waren 116.000 
bouws beplant met eene productie van meer dan één millioen pikols, in 1849 108.000, 
die slechts 673.000 pikols ongeveer opleverden. 




CS 

z 
< 

< 



OPltEFFlNG VAN IIET CUI.TUURSTF.I.SKL 49 

gadering belegden, met het oog op de hartstochtelijke stemming, 
waarin velen te Datavia verkeerden, wijselijk besloten zich te bepalen 
tot één punt, de wenschelijkheid dat ook in Indië voor de opvoeding 
der Europeesche kinderen gezorgd zou worden en dat daar de 
gelegenheid zou worden opengesteld zich voor den staatsdienst te 
bekwamen, zoodat de ouders niet meer gedwongen zouden worden 
hunne kinderen daartoe, dikwijls reeds op jeugdigen leeftijd, naar 
Nederland te zenden. De vergadering liep in goede orde af, maar 
de Gouverneur-Generaal was voor uitspattingen bevreesd en verbood 
dergelijke bijeenkomsten. V. Hoëvell, die als voorzitter de vergade- 
ring geleid had , vertrok naar Nederland en ontwikkelde als lid 
der Volksvertegenwoordiging beginselen, die met het gevolgde regee- 
riiigsstelsel in lijnrechte tegenstelling stonden. Vooral bij de behan- 
deling van het Regeerings-reglement trad hij met kracht op, en 
mocht het hem al niet gelukken zijne denkbeelden in de Tweede 
Kamer, na de Aprilbeweging gekozen, geheel te doen zegevieren, 
zoo werden toch vele scherpe kanten verzacht en legde hij hier en 
daar de grondslagen voor eene eindelijke zegepraal zijner beginselen. 
Ook met het cultuurstelsel was dit het geval , want ofschoon art. 56 
R. R. in den aanhef beveelt, dat de op hoog gezag ingevoerde cultures 
in stand zullen blijven, verwijst datzelfde artikel naar eene ver- 
andering dier cultures in een teelt, gedreven door particulieren en 
steunende op vrijen arbeid. 

Reeds onder Rochussen was men tot eene gedeeltelijke ver- 
mindering der cultures overgegaan, waar het bleek dat zij voor 
de bevolking te drukkend waren. Eenmaal op dien weg zijnde moest 
men daarop voortgaan , wanneer men althans de bepalingen van 
het Regeerings-reglement wilde nakomen en vooral het voorschrift 
in het oog houden, dat de bevolking bij gelijken arbeid ten minste 
gelijke voordeden uit de Gouvernements-cultuur moest trekken als 
bij de vrije of rijst-teelt. Spoedig verdwenen bijna alle Gouverne- 
ments-cultures en ten slotte werd door de opheffing der gedwongen 
suikerteelt de laatste slag aan het cultuur-stelsel toegebracht, daar 
thans nog alleen de gedwongen koffie-cultuur bestaat, die eigenlijk 
niet tot het cultuurstelsel van v. d. Bosch behoort. Want geen 
van de vroeger vermelde grondslagen kon bij die cultuur worden 
aangewend , daar zij niet op gronden der bevolking plaats heeft en 
er dus van afstand der velden geen sprake is. Men zal zich herin- 
II. 4 



60 ONtWlKKEt.ING VAK DE PARTICUI.IF.rtE iNDtlSTRIE. 

neren dat reeds onder v. d. Capellen die cultuur inderdaad niet 
meer vrij was en dat de bevoliting gedwongen werd koffie te plan- 
ten, ofschoon zij een gedeelte der vruchten voor zich mocht behouden. 
V. d. Bosch beval nu dat ook het aandeel, 't geen de bevolking 
vroeger voor zich behield, maar voor spotprijzen verkocht, tegen 
eenen vasten prijs aan het Gouvernement moest geleverd worden , 
en deze bepaling vormt, zooals wij later nader zullen aantoonen, 
nog altijd den grondslag van de Gouvernements-koffiecultuur. 

Terwijl de Gouvernements-cultures in gedwongen arbeid lang- 
zamerhand werden ingekrompen om eindelijk voor het grootste 
gedeelte te verdwijnen, breidde zich het veld voor de particuliere 
teelt meer en meer uit. Tijdens den bloei van het cultuurstelsel 
was daarvoor weinig plaats. Zij werd in vele streken opzettelijk 
tegengewerkt, en in het algemeen was bij het bestuur eene haar 
vijandelijke richting niet te miskennen. En geen wonder. Het cul- 
tuurstelsel streefde naar de vereeniging van alle productieve krach- 
ten in één hand, — in die van den Staat, — en daarmede was 
eene mededinging van particulieren niet overeen te brengen, die 
arbeidskrachten aan de Gouvernements-cultures onttrekken en de 
prijzen der producten drukken moest. En ofschoon het Regeerings- 
reglement van 1829, door v. d. Bosch in 1830 afgekondigd, wel 
degelijk den particulieren landbouw wilde aanmoedigen , was in de 
praktijk juist het tegendeel het geval. Men weet, dat het plan van 
du Bus, om die industrie door uitgifte van woeste gronden te bevor- 
deren, mislukte. En daar aankoop van landen onmogelijk was, (want 
de Regeering, die zich eigenaar van alle gronden op Java noemde 
en den aankoop uit handen van de Inlanders belette, wilde zelf 
geen uitgestrekte landen verkoopen) zoo bleven der vrije industrie 
buiten de Vorstenlanden en de particuliere landerijen slechts twee 
wegen over om zich te ontwikkelen. Zij kon landen in huur nemen, — 
niet van Inlanders, want dit verbood het bestuur, maar van de 
Regeering zelve, die daartoe woeste gronden beschikbaar stelde, of 
zij kon trachten den Inlander over te halen, zijn grond zelf te 
bebouwen met de producten, die de industrieel verlangde, en ze 
hem te leveren. Wij zullen met deze laatste overeenkomsten in het 
derde Boek kennis maken, doch merken reeds op dat in dit geval 
de industrieel geheel afhankelijk was van den goeden wil en den 
ijver van den Inlander, terwijl bovendien allerlei moeilijkheden hem 



CULTUURWET VAN F. V. D. PUTTE. M 

daarbij in den weg gelegd werden. Datzelfde was het geval met de 
huur van woeste gronden, die met zoovele formaliteiten omringd 
werd, dat slechts weinigen den moed hadden zich daaraan te wagen. 
Voor betrekkelijk korten tijd (in den regel hoogstens 20 jaren) ver- 
leend, was ook de aard van het recht weinig geschikt om zekerheid 
aan geldschieters te geven, daar het voor hypotheek niet vatbaar 
was, zoodat er met deze voorschriften aan eene natuurlijke ontwik- 
keling van den landbouw op Java niet te denken viel. Eindelijk 
begreep men dat het vaststellen der bepalingen daaromtrent zóó diep 
in den oeconomischen toestand van Java ingreep, dat men daarbij 
de tusschenkomst van den Rijkswetgever moest inroepen. Het was 
het tweede Ministerie Thorbecke dat in 1862 de zaak in de Staten- 
Generaal inleidde. Schroomvallig betrad men den nieuwen weg, 
zoodat de Minister Uhlenbeck in het door hem ingediende wetsont- 
werp (1862) slechts regels aan de hand gaf voor den landbouw op 
gronden, door Inlanders ontgind en bezeten, daar hij hun de ver- 
gunning wilde schenken hunne gronden aan Europeanen te verhuren 
en tevens voorschriften gaf, onder welke voorwaarden Inlanders als 
arbeiders konden gehuurd worden. Maar de Minister trad af, vóór 
dat zijn ontwerp in de Staten-Generaal behandeld was, en zijn op- 
volger, Fransen van de Putte, diende een ander, met uitnemend 
talent bewerkt wetsontwerp in (1865) , dat in het hart van het 
koloniale vraagstuk greep en de meest belangrijke punten regelde, 
die de verhouding van de particuliere teelt tot den Staatslandbouw 
op Java betroffen. Ofschoon het cultuurstelsel, voor zooverre het 
nog bestond, voorloopig behouden bleef, zou de particuliere industrie 
kunnen beschikken over woeste gronden , die in erfpacht zouden 
worden uitgegeven , terwijl ook de verhuur van gronden , door 
Inlanders ontgonnen, werd toegestaan. Maar ook in een ander op- 
zicht was dit wetsontwerp hoogst belangrijk. De basis, waarop het 
rustte, was de toekenning van eigendom aan den Inlander van den 
grond, dien hij bebouwde. Door Raffles was het denkbeeld gehul- 
digd dat de Inlander dien grond slechts bezat en dat de Staat 
eigenaar daarvan was, met dien verstande dat deze eigendom zich 
oploste in het recht op een gedeelte der vruchten van den grond 
of de geldswaarde daarvan (landiente), terwijl de Inlander, die aan 
deze verplichting voldeed, het volkomen recht bad om zijne landen 
te bebouwen, ze aan andere Inlanders te verhuren ofte verkoopen, 



52 AGUAHISOIIE WET. 

waar de Inlandsche gebruiken dit toelieten ; in één woord zich , be- 
houdens die gebruii<en, als eigenaar te gedragen. Het besproken 
wetsontwerp gaf nu regels aan de liand , hoe dit bezitsreclit in een 
eenigszins beperkt eigendom kon overgaan. Wij moeten ons voorbe- 
houden, later op deze onderwerpen terugtekoraen , als wij in het 
derde Boek met den maatschappelijken toestand van den Javaan 
kennis maken. Nu zij het voldoende mede te deelen, dat juist op 
die toekenning van eigendom het wetsontwerp schipbreuk leed, 
daar een amendement werd aangenomen dat slechts het gebruiksrecht 
aan den Inlander waarborgde en dus den grondslag, waarop de 
Minister wilde voortbouwen, aan het ontwerp onttrok, dat dien- 
tengevolge werd ingetrokken (1866). Een paar andere ontwerpen 
volgden, die door de HH. Mijer en Trakanen werden ingediend, 
maar ook zij werden niet tot wet verheven. Eindelijk trad de 
Minister de Waal met een wetsontwerp op dat door de Staten- 
Generaal werd goedgekeurd en onder den naam van „Agrarische 
Wet" thans den landbouw in Nederlandsch-Indië behcerscht. Uit- 
gaande van het zóó juiste denkbeeld dat wettelijke regeling van 
koloniale aangelegenheden zich tot hoofdbeginselen moet bepalen, 
die door het bestuur, beter met de details bekend, moeten worden 
uitgewerkt, bevat deze wet slechts weinige voorschriften, hoofdza- 
kelijk hierop neerkomende, dat particulieren woeste gronden in 
erfpacht voor 75 jaar zullen kunnen verkrijgen en dat Inlanders, die 
het verlangen, hunne landen in beperkten eigendom kunnen erlangen, 
mits zij zelven die gronden bezitten en het niet hun dorp is, waaraan 
dat bezitsrecht toekomt. Vele voorschriften , die deze hoofdbeginselen 
uitwerkten, zijn later gevolgd; gedeeltelijk zullen wij ze in het 
derde Boek leeren kennen. 

Nog een paar onderwerpen blijven ons hier ter bespreking over. 
Zij betreffen de finantiën en het rechtswezen, die beiden vooral 
onder het bestuur van Rochussen ernstig ter hand werden genomen. 
Na het bestuur van Daendels was er in den toestand van het munt- 
wezen weinig verbetering gekomen. Ook sedert Commissarissen- 
Generaal was er overvloed van koper, dat weldra de edele metalen 
verdrong en desniettegenstaande ging men voort, op nieuw koper- 
geld in te voeren , ja zelfs bracht men weder de zoogenaamde bonken 
in omloop , waaronder men staaf koper verstond , dat in onregelmatige 
stukken gekapt en van een stempel voorzien werd en dan als be- 



MUNTWEZEN. 53 

taalmiddel werd uitgegeven. Weinig liii'l|i het of de Regeering op 
stralï'e van kiievelarij verbood, dat er eenig onderscheid gemaakt 
zou worden tusschen betalingen in zilver, koper of papier, want bij 
de massa koper, die in omloop was en bij de geringe hoeveelheid 
zilvergeld die voorhanden was, steeg dit laatste aanhoudend in prijs 
en werd bij uitsluiting voor den uitvoer gebruikt. De maatregelen 
van den Commissaris-Generaal du Bus, die eenen nieuwen zilveren 
standpenning invoerde, vermochten daartegen niets, want de Regee- 
ring hier te lande, die verkeerd was ingelicht en meende dat er te 
weinig kopergeld was, had last gegeven om voor zes millioen koper 
aan te munten , en toe zij beter werd onderricht was het te laat. De 
verwarring in het muntwezen steeg tot eene bedenkelijke hoogte. 
De Regeering, die in 1826 bepaald had dat niemand voor meer dan 
f 10 in koper behoefde aan te nemen, zag zich weinigen tijd later 
genoodzaakt de traktementen voor de helft of twee derden in koper 
uit te betalen. Bovendien ging men voort, in Indië koper aan te 
munten, terwijl ook ter sluiks, vooral uit Birmingham, groote 
massa's kopergeld werden ingevoerd. Ten slotte werd de toestand 
zoo erg, dat zilvergeld eigenlijk slechts als rekeningsmunt bestond, 
en bijna niet meer in omloop was, terwijl men moest vaststellen, 
dat alle betalingen in koper konden gedaan worden, met dien ver- 
stande dat, waar /'S zilver verschuldigd was, fó koper moest worden 
uitbetaald. Dit was een geweldig bezwaar, want het koper was door 
zijne zwaarte voor groote betalingen ongeschikt; het vervoer daar- 
van, dat in heerendienst geschiedde, was eene groote last voor de 
bevolking, terwijl de ambtenaar, die grootendeels in koper betaald 
werd, aan zware verliezen was blootgesteld en met dat onhandel- 
baar betaalmiddel zeer veel moeite had. Gedeeltelijk moest de Java- 
sche bank, die in 1827 werd opgericht, hierbij te hulp komen, daar 
zij gemachtigd werd om papier uit te geven, dat tegen koper ver- 
wisselbaar was, terwijl er bovendien een aantal bankbiljetten in 
omloop waren , die in zilvergeld zouden kunnen worden omgewisseld. 
Maar zeer spoedig was dit laatste eene onmogelijkheid en ofschoon 
de handel met groote loyauteit die bankbiljetten aannam en in om- 
loop hield, was het toch te voorzien dat dit niet altijd kon duren, 
omdat het edel metaal ontbrak, dat tot zekerheid strekken moest. 
Eindelijk kwam het tot eene uitbarsting. Een zeker persoon had 
eene assignatie weten te verkrijgen , door de Javasche bank uitge- 



54 MUNTWEZEN. 

geven . die den houder op betaling in zilver recht gaf. Hij eischte 
die betaling in rechten en de hoogste rechter wees zijne vordering 
toe. De waarnemende Gouverneur-Generaal Reijnst, die voor een 
faillissement der bank vreesde, vaardigde onmiddellijk (1845) het 
bevel uit, dat geen rechter in het eerste jaar van dergelijke vorde- 
ringen kennis mocht nemen. Zelfs voor dien korten tijd bedreigde 
deze maatregel het crediet van de bank op eene ernstige wijze; 
zonder groote gevaren kon hij niet verlengd worden. Rochussen 
moest dus in de eerste plaats zijne zorgen op het muntwezen richten 
en althans tijdelijke voorzieningen treffen. Dit deed hij door het 
recepissen-stelsel. Als standpenning voerde hij de zoogenaamde 
recepissen in, waaronder men papieren geld verstond dat allerlei 
waarde tot f \ toe vertegenwoordigde en dat met zilver gelijk ge- 
steld werd , zoodat f 5 recepis met f 6 koper overeenkwam. Daar 
het papier geen inwendige waarde heeft, bedacht men het volgende 
middel om de recepissen in waarde te houden. De Regeering voorzag 
in de behoefte aan geld in Indië door wissels op het Ministerie van 
Koloniën in Nederland af te geven, die door kooplieden en particu- 
lieren in Indië werden opgekocht. Nu bepaalde de Gouverneur- 
Generaal dat deze wissels ook tegen betaling in recepissen, tot hunne 
volle waarde berekend , zouden uitgegeven worden zoodat zij , die 
in Indië papieren geld kregen, hier te lande er zilver voor in de 
plaats erlangden. Inderdaad gelukte het hem, de recepissen in 
omloop te houden, totdat de rijkswetgever nieuwe bepalingen voor 
het Indische muntwezen kon uitvaardigen. Dit geschiedde bij de 
Wet van 1 Mei 1854, die het muntwezen in Indië op denzelfden 
voet schoeide als voor Nederland was vastgesteld en den enkelen 
zilveren standaard aannam. Toen in Nederland ook de gouden stan- 
daard werd ingevoerd, volgde de wet van 28 Maart 1877 dit voor- 
beeld voor de kolonie, waar thans, evenals in het moederland, de 
zoogenaamde hinkende standaard bestaat. Bij de geweldige, steeds 
toenemende daling der waarde van het zilver heeft men namelijk 
de vrije aanmunting van zilveren standpenningen voor rekening van 
particulieren geschorscht, zoodat dezen thans alleen gouden munten 
kunnen laten slaan, daar ook de pasmunten niet anders dan voor 
rekening der Regeering mogen worden aangemaakt. De standpen- 
ningen zijn thans het gouden tien-gulden stuk, — dat in den omloop 
niet gezien wordt en zeker wel hoofdzakelijk voor betalingen buiten's 



MUNTWEZEN. 55 

lands dient, — de rijksdaalder, gulden en liet lien-sttiiversstuk, die 
sleciits zeer weinig in uiterlijk van de Nederlaudsclie afwijken, met 
welken zij in inwendige waarde gelijk staan. De mindere munten , — 
pasmunten, die men slechts tot een zeker bedrag behoeft aante- 
nemen, — zijn ook dezelfde als de Nederlandsche en van gelijke 
waarde, doch hebben eenen eigen beeldenaar met de aanduiding 
der geldswaarde in de Javaansche en Maleische talen. De recepissen 
werden voor hunne volle waarde tegen de nieuwe munten inge- 
trokken terwijl ook de oude munten binnen zeker tijdsverloop konden 
worden ingewisseld en daarna hun kaïakter als wettig betaalmiddel 
verloren. Opmerking verdient het verschijnsel dat desniettegen- 
staande nog altijd in sommige gewesten de oude koperen duiten in 
het verkeer een hoofdrol spelen, ofschoon zij natuurlijk niet meer 
in 's lands kassen worden aangenomen en de Regeering door ver- 
schillende middelen, o. a. door ruime uitgifte der wettige pasmunt, 
den omloop dier duiten tracht tegen te gaan. In enkele Buitenbe- 
zittingen verdringen vreemde muntspeciën de Nederlandsche, zooals 
op Sumatra's Oostkust, waar de Mexicaansche dollar bijna uitsluitend 
in het verkeer wordt gebruikt. ^) 

Wat het rechtswezen betreft zoo trad dit onder het bestuur 
van Rochussen een geheel nieuw tijdperk in. Tot 1848 bleef hoofd- 
zakelijk de regeling in werking, die Raffles had ingevoerd, met de 
wijzigingen door de Commissarissen-Generaal daarin gebracht. Aan 
het hoofd der rechtspraak stond het Hoog Gerechtshof van Neder- 
landsch-Indië, terwijl na 1816 de Europeanen voor die rechtbank 
en voor de Raden van Justitie terecht stonden, die te Samarang, 
Soerabaja en sedert de Commissarissen-Generaal ook te Batavia 
zitting hielden. De resident werd door Raffles tot opperrechter in 
zijne residentie gemaakt, die in districten (thans regentschappen) 
verdeeld was , welke weder in divisiën (nu districten) gesplitst waren. 
In elke divisie was de rechtspraak in geringe burgerlijke en strafzaken 
aan een Inlandsch hoofd, den Wedana opgedragen, terwijl gewichtiger 
zaken door den regent werden beslist. Zaken van hoog belang 
werden onder Raffles berecht door den resident, bijgestaan door 
Inlandsche adviseurs, met uitzondering van misdrijven, waarop de 
doodstraf stond, daar dezen voor den omgaanden rechter gebracht 



•) Willinck. Het N. I. muntwezen. Leiden 1889. 



56 RECHTSWEZEN OP JAVA. 

moesten worden, die op p;eregelile tijden in zijne afdeelinpf moest 
rondreizen. De rechtsmacht van den resident werd nu door de 
Commissarissen-Generaal grootendeels bij den landraad overgebracht, 
waarin de resident met eenige Inlandsche hoofden zitting had. De 
Bataviasche statuten, benevens het oud-Hollandsch en Romeinsch 
recht werden nog altijd voorloopig door deze rechters toegepast en 
waar het Inlanders gold , ook voorschriften aan Inlandsche of Mos- 
lemsche rechtsbronnen ontleend, in afwachting van eene nieuwe 
Nederlandsche wetgeving, die dan als model voor eene codificatie 
in Indië kon gebruikt worden. In 1838 kwam die wetgeving voor 
Nederland tot stand en aanstonds sloeg men de handen aan het 
werk om haar voor Indië om te werken en zoodoende kon men in 
1848 eene reeks wetboeken invoeren, die het burgerlijk en handels- 
recht voor Europeanen op denzelfden voet schoeiden, als voor 
Nederland was aangenomen, terwijl eenigen tijd later (1866) het 
strafrecht geregeld werd volgens de beginselen van den Code penal, 
zooals die toen in Nederland van kracht was. Na de invoering van 
de nieuwe strafwetgeving voor Nederland is door eene Commissie 
een strafwetboek voor Indië ontworpen, dat echter nog niet is inge- 
voerd. Voor den Inlander moet men ook nu nog, wat het burgerlijk 
en handelsrecht betreft, grootendeels zijne eigene rechtsbegrippen 
en gebruiken volgen, maar voor het strafrecht heeft men sedert 
1872 eene omwerking van den Code penal op hem toegepast, terwijl 
een afzondeilijk reglement de rechts- en strafvordering voor den 
Inlander op Java regelt. Eindelijk is het politie-strafrecht voor Euro- 
peanen en voor Inlanders in een tweetal verordeningen geregeld 
en bovendien mogen de hoofden van gewestelijk bestuur op dat 
gebied keuren en reglementen maken. De rechters, die vooral voor 
de Europeanen de justitie op Java uitoefenen, zijn ook nu nog het 
Hoog Gerechtshof, de Raden van Justitie te Batavia, Samarang en 
Soerabaja en de residentie-gerechten , terwijl meer bijzonder met de 
rechtspraak over Inlanders belast zijn de rechtbanken van omgang, 
de landraden , — beiden door Europeesche rechtsgeleerden voorge- 
zeten met Inlandsche hoofden als leden, — de regentschaps- en 
districtsgerechten, waar Inlandsche hoofden recht spreken, — en 
eindelijk de resident als alleensprekend rechter in politiezaken 
(rechtspraak ter politierol). Terwijl vóór 1869 de rechtspraak over 
den Inlander grootendeels in handen was van den resident of 



DE OPVOLGERS VAN RÜCHUSSEN. 57 

assistent-resident, die als voorzitters der landraden optraden, is 
men sedert dat jaar begonnen aan die vereeniging van rechterlijke 
en administratieve functiën een einde te maken door de aanstelling 
van rechtsgeleerde ambtenaren die de rechterlijke werkzaamheden 
van den resident, met uitzondering van de rechtspraak in politie- 
zaken , hebben overgenomen , zoodat thans bijna alle landraden op 
Java door rechtsgeleerde voorzitters gepresideerd worden. 

Tijdens het bestuur van den opvolger van Rochussen, den 
Gouverneur-Generaal Duymaer v. Twist (1851 — 1856), — een der 
meest nobele figuren onder Nederland's staatslieden ^), — begint het 
nieuwste tijdperk onzer koloniale geschiedenis waarin, niettegen- 
staande vele tekortkomingen en ernstige misslagen, over het alge- 
meen ernstig gestreefd wordt Indië rechtvaardiger te behandelen , 
met het exploitatie-stelsel te breken en de kolonie te besturen 
niet hoofdzakelijk met het oog op het moederland, maar ook in het 
belang van de ontwikkeling harer eigen bevolking. D. v. Twist, 
die door de afschaffing der passer-belasting aan de Javaansche be- 
volking eene onwaardeerbare weldaad bewees, — zag zich te zeer 
de handen gebonden om zooveel tot stand te brengen als men 
anders van hem had mogen verwachten. Na hem traden nog ver- 
scheidene landvoogden op.') Pahud (tot 1861), Sloet v. d. Beele (tot 
1866), Mijer (tot 1872), Loudon (tot 1875), v. Lansberge (tot 1881), 
's Jacob (tot 1884), v. Rees (tot 1888) en Pijnacker Hordijk die 
weldra door den onlangs benoemden Gouverneur-Generaal v. d. Wyck 
zal vervangen worden. Ofschoon vele gewichtige maatregelen , ook 
Java betreffende, onder hun bestuur genomen werden, kunnen wij 
dezen deels later ter sprake brengen , — zooals de intrekking van 
bijna alle Gouvernements-cultures, de uitvoering der agrarische wet, 
de opheffing der slavernij en van het pandelingschap , de verminde- 
ring der heerendiensten enz. , — of laat ons bestek niet toe dat wij 
er ons mede bezighouden. Een tweetal dezer willen wij echter nog 
hier behandelen: de hervorming in de Preangerlanden ingevoerd, 
en de afkondiging van het Regeerings-reglement van 1854, die van 
zulk een overwegend belang voor Indië is geweest dat eene afzon- 
derlijke vermelding zelfs in een werk van beperkten omvang alles 
zins gerechtvaardigd is. 

') P. A. V. d. Lith in Levensber. v. d. Maatsch. v. Ned. Letteik. 1891. 
-) Rhede v. d. Kloot. De Gouv.-6en. en Comm. gen. 'sHage. 1891. 



85 HERVORMING DER PREANGER. 

lil (Ie Preangerregentscliappen waren de hervormingen van 
f^alllcs niet ingevoerd, zoodat in 1870 daar een toestand gevonden 
werd , in veel opzichten overeenkomende met dien , welke er ten 
tijde der Compagnie en Daendels bestond. De regenten , die elders 
op Java door het Gouvernement bezoldigd werden, ontvingen er geene 
traktementen van Gouvernementswege, maar zij hadden het recht 
om van de bevolking zekere belastingen te hefTen, in de opbrengst 
van een gedeelte der rijstoogst en in andere heffingen bestaande; 
daarentegen waren zij verplicht het geheele ondergeschikte Inland- 
sche bestuur te bezoldigen. Bovendien rekende de bevolking zich 
verplicht, bepaalde diensten bij hare hoofden te verrichten, die 
in de andere gewesten, vooral sedert 1866 aanmerkelijk beperkt 
waren. De gedwongen Gouvernements-koffiecultuur bestond ook daar, 
evenals in andere residentiën , maar de koffieplanters ontvingen er 
slechts de helft van de belooning, die elders werd uitgekeerd, omdat 
er van Gouvernementswege geene belasting (landrente) geheven 
werd, terwijl men vergat, dat eene dergelijke heffing wel degelijk 
door de regenten werd geëischt. Bovendien zag men over het hoofd 
dat de Preanger-man verplicht was aan zijne priesters een gedeelte 
van zijn oogst enz. af te staan, eene verplichting die wel is waar 
door den Islam algemeen wordt voorgeschreven, maar elders op 
Java niet door het wereldlijk gezag gehandhaafd werd. Sedert 
1 Juni 1871 is aan dien toestand een einde gemaakt en werd in 
de Preanger dezelfde organisatie ingevoerd als in de andere resi- 
dentiën bestaat. De regenten worden thans door het Gouvernement 
bezoldigd , maar mogen geene belasting van de bevolking eischen , 
terwijl het onbeperkte recht om diensten van den kleinen man te 
vergen in 1871 aanmerkelijk werd bekort en thans zelfs geheel is 
afgeschaft. De landrente is ook hier ingevoerd geworden, maar 
daarentegen werd de belooning voor de geleverde koffie op hetzelfde 
bedrag gesteld, als elders genoten wordt. Ook aan de priesters is 
het recht ontnomen de bevolking tot het betalen van opbrengsten 
te dwingen, ofschoon het iedereen vrijgelaten wordt zooveel hij wil 
aan de geestelijken uit te keeren ; om den Inlander daartoe in staat 
te stellen, wordt de landrente voorloopig tot een lager bedrag inge- 
vorderd, dan elders op Java geëischt wordt. De bezwaren, die tegen 
deze hervormingen zijn ingebracht, zooals vrees voor opruiing door 
de priesters en voor ontevredenheid der hoofden , zijn niet bevestigd, 



REGEEKINGS-HEGI.EMENT VAN 185i 59 

integendeel roemen de Regeeringsberichten den vooruitgang, die in 
de Preanger wordt waargenomen. 

Wij liebben de aandacht onzer lezers reeds bepaald bij de vast- 
stelling van het Regeerings-reglement van 1854, dat het eerste was, 
't welk krachtens het voorschrift van de grondwet van 1848 door 
den Rijkswetgever vastgesteld werd , en dat in menig opzicht een 
hoogst merkwaardig staatsstuk is, waarvan de studie onmisbaar is 
voor de kennis van het Nederlandsch Staatsbestuur in Indiëi). 
Belangrijk in dit opzicht is vooral de Memorie van Toelichting, die 
het tweede ontwerp, in 1853 door den Minister Pahud aangeboden, 
vergezelt, op menige plaats de meesterhand van Baud verraadt en 
door, toen vooral zeldzame kennis van Indië uitmunt. De wet zelve 
levert vaak het bewijs dat zij geboren werd te midden van een 
strijd van twee partijen, van welke de eene het bestaande wilde 
behouden, terwijl de andere de beginselen van Dirk v. Hogendorp 
wilde doen zegevieren. Zij mag dan ook eerder een wet van trans- 
actie dan van beginselen genoemd worden, o. a. ook daar, waar 
het de vraag gold hoe groot het aandeel zou wezen dat de Rijks- 
gever in de wetgeving voor Indië zou hebben naast den Koning en 
het bestuur in Indië; eene vraag die niet opgelost, maar ter zijde 
geschoven werd, daar het Reglement in bijna alle gevallen den 
wetgever niet bepaaldelijk aanwees, maar voorschreef dat het een 
of ander onderwerp bij „algemeene verordering" zou worden gere- 
geld; eene uitdrukking, die de verschillende trappen van wetgeving 
voor Indië omvat. Zeer juist heeft v. Hoëvell eenmaal deze onbe- 
stemdheid van het Regeerings-reglement gekenmerkt. De „amende- 
menten" zoo zeide hij, „door mij vastgesteld zijn bijna allen, altijd 
door dezelfde leden , verworpen ; toch werden zeer dikwijls daarvoor 
verbeteringen in de plaats gesteld, wel in onze richting maar zonder 
de waarborgen voor zekerheid van uitvoering." Dat desniettegen- 
staande het Regeerings-reglement, vergeleken met dat van 1836, 
een stap vooruit was, wordt vrij algemeen erkend; niet gering zijn 
de hervormingen in het Indische bestuur die het voorbereidde of 
mogelijk maakte. Maar dat het, nu bijna veertig jaar na zijne 
afkondiging, op vele punten verouderd is, en dat menige verbetering 



') L. W. C. Keucheniiis. Handel, der Reg. en der St.-Gen. betr. het R.-R. Utr. 
1857. H. J. Bool. Wet houdende vaststell. van het R.-R. Zalt-Bommel 1876. 



00 SUMATRA ONDEU 11 KT STAATSBESTUUR. 

in liot Indische Staatsbestuur zou kunnen worden aangebracht, 
voor welke het thans een beletsel is, dit mag, dunkt mij, gerust 
worden aangenomen. Op enkelen dier punten zal de aandacht ge- 
vestigd worden bij de korte uiteenzetting van de organisatie het 
bestuur over Indië, die eene plaats zal vindon na de behandeling 
van de geschiedenis van de Buitenbezittingen, welke in de eerste 
plaats onze aandacht vordert. 

De geschiedenis dier Buitenbezittingen moet ons dus thans nog 
eenigen tijd bezig houden. Wij wenden ons daartoe het eerst tot 
Sumatra en wel tot dat gedeelte van het eiland, dat onder den 
naam Gouvernement van Sumatra's westkust bekend is. ^) Toen wij 
in 1819 onze bezittingen aldaar terugkregen, 't geen met groots 
moeilijkheden gepaard ging, daar Raffles, tot Luitenant-Gouverneur 
van Bengkoelen benoemd, ons allerlei hinderpalen in den weglegde, 
bepaalden onze nederzettingen zich tot Padang en eenige plaatsen 
aan de kuststreken . die zelfs geene gemeenschap met elkander over 
land hadden. De binnenlanden, die thans onder den naam van 
Padangsche bovenlanden het belangrijkste en bloeiendste gedeelte 
van het Gouvernement uitmaken, waren toen ter tijde geheel onaf- 
hankelijk, ja geen Europeaan had het nog gewaagd, ver daarin 
door te dringen. 

Sedert het begin van deze eeuw had daar een reeks van gebeur- 
tenissen plaats gehad, die tot de eindelijke onderwerping dier landen 
aan Nederland leidden. De bevolking, die tot den godsdienst van 
Mohammed was overgegaan , had een aantal harer oude volksin- 
stellingen behouden, welken met de voorschriften van den Islam 
in openbaren strijd waren , terwijl er een groot zedebederf heerschte 
en de godsdienstige plichten bijna niet werden nagekomen, ja zelfs 
werden de Moskeeën door hanengevechten en dobbelpartijen veront- 
reinigd. Toch ontbrak het niet aan mannen die, vol ijver voor de 
leer van den profeet, niets liever wilden dan des noods met geweld 
de instellingen van den Islam in te voeren, en de adats of volks- 
gebruiken daarvoor wilden laten bukken. Hoofdzakelijk waren het 
de Toeangkoe's, de priesters, die bij eene dergelijke verandering 



'"l E. B. Kielstra. Bijdr. t. t. 1. en vlk. Ve S. Deel II en volg. en de daar 
aangehaalde werken van de Stuers en Lange. 



bK VADiu's. 6i 

^n-oot belang hadden, terwijl de volkshoofden, de Pengoeloe's, daaren- 
tegen groote voordeeleu uit den bestaanden toestand trokken. De 
ijver der eerstgenoemden werd vergroot en levendig gehouden door 
de scholen voor godsdienstig onderwijs onder welken vooral de 
school van den Toeangkoe van Kota ïoewah in het Agamsche 
genoemd moet worden, omdat uit haar de voornaamste geestdrijvers 
voortkwamen, niettegenstaande de gematigdheid van den leeraar, 
die de vreedzame verkondiging eener gezuiverde leer verstond. Het 
fanatisme, op deze scholen gevoed, behoefde slechts even aange- 
moedigd te worden om in lichtelaaie vlammen uit te barsten. Hadji 
Miskin belastte zich met de taak, de lont aan het kruit te brengen. 
Een drietal Sumatranen , Miskin van Padang sekat in Agam , 
Soemanik uit de VIIl Kota's en Piabang uit Tanah datar zouden, 
naar verhaald wordt, zich omstreeks 1803 naar Mekka begeven 
hebben, ten einde den pelgrimstocht te verrichten, die door den 
Islam wordt voorgeschreven, en den titel van Hadji te verkrijgen. 
In dien tijd was Arabië, en ook Mekka, getuige van eene merk- 
waardige beweging op godsdienstig gebied die, naar men vermoedt, 
op deze pelgrims niet geheel zonder invloed is gebleven. De gods- 
dienstleer en het recht van den Islam berust, volgens de opvatting 
der rechtzinnigen (Sonniten), op den door Allah zelf geopenbaarden 
Koran ; — op de wel bewezen handelingen en gezegden van den 
profeet en op datgene wat hij als het ware zwijgend gewettigd 
heeft (Sonna); — op de overeenstemming der Moslemsche ge- 
meente , vertegenwoordigd door de geleerden die recht hebben in 
dezen te beslissen (idjm'a) ; — en op de redeneering bij analogie (qyas), 
die uit de drie eerstgenoemde bronnen andere bepalingen afleidt, i) 
Naar mate van de autoriteit , die de gemeente aan Moslemsche 
geleerden toekent, hebben zij recht over min of meer gewichtige 
vraagstukken te beslissen ; bovenaan staan o. a. de stichters der 
vier scholen, die de rechtzinnige Moslemsche gemeente thans als 
wettig erkent: de Hanefitische, Hanbalitische , Malekitische en de 
in den Indischen archipel meest gezaghebbende Sjafeïtische school. 
Zij , die minder autoriteit bezitten , behooren de uitspraken der hooger 
staanden te eerbiedigen terwijl de groote menigte zich moet onder- 
werpen aan de voorschriften der school, die in hun land de geldige 



') C. Snouck Hui'gronje. Bijdr. t. t. 1. en vlk. IVe volgr. VI. 



6'2 DE WAirADITKN. 

is. Tegen deze „autoriteiten-leer" nu trad Abd-al-Wahab op, omstreeks 
1720 in Nedjd (Arabië) geboren die, streng godsdienstig van aard, 
door ernstige studie tot de overtuiging kwam dat praktijken welken 
de aangenomen wet toeliet, met de bronnen in strijd waren en 
eindelijk verkondigde, dat men zelf behoort te onderzoeken en geen 
menschelijk gezag als onfeilbaar moest aannemen. Maar daardoor 
kwam hij in botsing met de rechtzinnige leer en bovendien op 
andere wijzen in strijd met de belangen van velen , en ofschoon 
inderdaad in veel opzichten de leer van Abt-al- Wahab met den 
geest van den Islam overeenkwam werden hij en zijne volgelingen, — 
de Wahabiten , — toch als ketters beschouwd en bestreden. Desniet- 
tegenstaande breidde onder zijne opvolgers, en vooral onder Abd- 
al-Aziz de invloed der Wahabiten zich steeds verder uit en in 1803 
viel zelfs Mekka in hunne handen. Nu is het wel niet waarschijn- 
lijk dat onze Sumatraansche pelgrims voor de dogmatische vraag- 
stukken, door Abd-al-Wahab behandeld, genoegzaam toegankelijk 
zullen geweest zijn, maar er was een andere kant aan de Waha- 
bitische hervorming die ook het gemoed van minder ontwikkelden 
moet hebben getroffen. Tal van misbruiken waren in de Moslemsche 
wereld, en ook te Mekka, ingeslopen; vereering van heiligen en 
heilige graven speelde een groote rol in het leven van vele Moslems 
en groot zedenbederf viel overal op te merken, terwijl de vervulling 
der godsdienstig plichten bij menigeen veel te wenschen overliet. 
De streng godsdienstige Wahabiten gingen deze misbruiken met 
kracht te keer; strenger dan vroeger werden de Mekkanen gedwon- 
gen de voorschriften van den Islam op te volgen ; zij werden genood- 
zaakt regelmatiger te bidden , dan zij gewoon waren , hunne zijden 
kleederen af te leggen en niet meer in het openbaar te rooken, 
terwijl de gevonden pijpen openlijk verbrand werden. Diep schijnt 
de indruk geweest te zijn dien dit alles op de drie pelgrims 
maakte; — vervuld van het voornemen om in de voetstappen der 
hervormers te wandelen, betraden zij hun geboorteland weder. Miskin 
begaf zich naar Pandei-Siké en trad daar met ernst op tegen 
zoovele volksgebruiken, die met de streng Moslemsche levensop- 
vatting in strijd waren, zooals de hanengevechten, het dobbelspel 
en het gebruik van opium, maar zijne landgenooten gaven aan zijn 
woorden geen gehoor en verjoegen hem uit hun midden toen hij, 
uit wraak over de mislukking zijner plannen, het raadhuis van zijn 



DE PADRl's. 63 

(iorp in brand had gestoken. Van plaats tot plaats zwervende kwam 
hij eindelijk te Boekit kamang in Agam, waar hij Nan Rintjé aan- 
trof, eenen leerling van den Toeangkoe van Kota Lawas, die be- 
stemd was om een hoofdrol te spelen in den godsdienst-oorlog, welke 
de Padangsche bovenlanden jaren lang zou teisteren. Door Miskin 
aangespoord, wendde hij zich tot meerdere priesters in het landschap 
Agam , en een zevental hunner vereenigde zich met hem tot een 
bondgenootschap , waarvan de leden den veelbeteekenenden naam 
van de 8 tijgers verkregen. Aan hun hoofd plaatsen zij den Toeangkoe 
van Mensiangan , die grooten invloed bezat maar geenszins door 
den ijver uitmuntte, die de ziel der beweging, Nan Rintjé, vervulde. 
Gesterkt door den steun , dien de predikers eener gezuiverde gods- 
dienst reeds op vele plaatsen ondervonden, zooals te Soengei-Poea, 
waar zij zelfs in een gevecht de overhand behielden, noodigde hij 
de hoofden van Agam tot eene vergadering uit waarin hij hun de 
verwaarloozing van de leer van Mohammed verweet en op de zede- 
loosheid wees, die meer en meer toenam. Hij en zijne medestanders 
hadden besloten, dit niet meer te dulden. Zij eischten derhalve dat 
de voorgeschreven gebeden nauwgezet zouden verricht worden, 
verboden het gebruik van prikkelende middelen zooals betel , opium 
en sterke dranken , en verlangden dat geene hanengevechten of 
dobbelspelen geduld zouden worden. De vrouwen, zoo bevalen zij, 
zouden hare losse gewaden afleggen, lange kleederen dragen en 
zich het hoofd met den sluier bedekken , terwijl de mannen , die 
hunne partij volgden, zich door een witte kleeding moesten onder- 
scheiden. Zware straffen bedreigde Nan Rintjé tegen de overtreding 
van deze voorschriften , en dat het hem daarmede ernst was bewees 
de doodstraf, die hij eigenhandig aan een zijner vrouwelijke bloed- 
verwanten voltrok, toen hij haar overviel terwijl zij zich aan het 
gebruik van betel schuldig maakte. Deze strafoefening verwekte 
geweldige geestdrift; de hoofden, welken zich tegen de nieuwe 
leer, die vooral tegen hun gezag gericht was, wel niet verzet 
hadden, maar haar toch in het geheim tegenwerkten, werden 
gedwongen Nan Rintjé te ondersteunen en deze zag zich in staat 
gesteld zijne leer met geweld van wapenen uit te breiden. Weldra 
werd de nieuwe leer door geheel Agam en de IV en VI Kota's 
aangenomen en in iederen kampong stelden de Padri's , (onder welke 
benaming de hervormers weldra algemeen bekend werden,) in plaats 






1)4 DE PADRi's. 

van de oude volkshoofden een tweetal hoofden aan: den Toeangkoe 
Imam, die in de uitoefening der godsdienstige pleclitighcden voorging, 
en den Toeangkoe Kalie, met het tegengaan en bestiallen van over- 
tredingen belast, terwijl de macht der volkshoofden gebroken werd. 
De nieuwe bestuurders gingen dikwijls zeer streng en wreed, somtijds 
zelfs willekeurig en onrechtvaardig te werk en ontzagen daarbij de 
meest onschuldige gewoonten der bevolking niet, zoodat zelfs Nan 
Rintjé zich terugtrok en in afzondering ging leven . totdat hij in 
4832 overleed. Eene machtige partij bleef bestaan die, in tegen- 
stelling met de Padri's, Maleiers genaamd werd en de oude volks- 
instellingen, en dikwijls ook de oude volkszonden, trachtte te hand- 
haven en bij de afgezette hoofden krachtige ondersteuning vond. 
Niettegenstaande hun verzet werd de leer der Padri's naar alle 
kanten verspreid. Batipoe bood tegenstand, maar na eenen slag bij 
Goenoeng bangoe werden ook daar de voorstanders van het oude 
onderworpen, ofschoon de Padri-leer er nimmer diepe wortelen 
uitschoot. De Limapoeloe volgde gemakkelijk, vooral door toedoen 
van den Toeangkoe van Loeah , die door eenen priester van Pasaman 
werd bijgestaan. Deze laatste , die onder de namen Toeangkoe Pasa- 
man en Toeangkoe di Lintau groote beruchtheid verkreeg, en de 
zoon van eenen eenvoudigen landbouwer was, waagde het tegen 
de zoo vereerde vorsten van Menangkabau op te treden , en werkelijk 
gelukte het hem een eind te maken aan hunne, trouwens reeds 
zeer verminderde macht. Na eenen hardnekkigen strijd , waarbij de 
Padri's niet altijd de overhand behielden , werden de vorsten over- 
gehaald eene vergadering te Kota-tengah bij te wonen , ten einde 
over de middelen te spreken om den godsdienstoorlog te doen 
ophouden. Doch de uitnoodiging was slechts een valstrik, door het 
verraderlijke Padri-hoofd gelegd. Te midden der beraadslaging nam 
Toeangkoe Pasaman het woord. Godsverzaking en zedeloosheid werden 
door hem aan de verbaasde vorsten verweten en het doodvonnis 
over hen uitgesproken, dat de aanwezige Padri's zich haastten te 
voltrekken , zonder dat de verzamelde menigte er aan dacht , tegen- 
stand te bieden. En ofschoon een der vorsten, de Radja Alam 
Moening Sjah, in de verwarring ontkwam was toch het doel der 
Padri's bereikt en de geheele vallei van Tanah datar onderwierp 
zich aan hunne macht. 

Een aantal Maleische hoofden, ontevreden over deze hervor- 



DE PADRI-OORLO&. 65 

mingen, die hen van |hun aanzien beroofden, was naar Padang 
gevlucht. Begeerig weder in hunne vroegere macht hersteld te 
worden, zochten zij naar eenen bondgenoot, in staat hen bij te 
staan. Zij meenden deze in Raffles te vinden, die als Luitenant- 
Gouverneur van Bengkoelen was opgetreden en trachtten hem over 
te halen, eenen tocht in de bovenlanden te ondernemen, onder 
voorgeven, dat de bevolking van Tanah datar niets liever wenschte, 
dan van de Padri's ontslagen te zijn en als één man zou opstaan, 
om hem te helpen, die dit wilde ondernemen. Raffles voldeed niet 
geheel aan hun verzoek. Wel drong hij tot Soeroeasso en Pagger- 
roejong door, maar daarna bepaalde hij er zich toe om Semawang, 
aan het meer van Singkarah, te bezetten en te trachten met de 
Padri's betrekkingen aan te knoopen. Maar dezen, die geen Euro- 
peaan in hun gebied duldden, lieten hem door middel van eenen 
brief, dien zij aan eenen in den grond gestoken stok bevestigden, 
weten, dat zij in vrede met de Compagnie wilden leven, indien 
deze hen hielp het ware geloof in te voeren. Het bleek derhalve, 
dat er weinig met hen was aan te vangen en Raffles, die slechts 
van den tijd verandering hoopte, liet hen voorloopig met rust. 

Het Nederlandsche bestuur, dat den Britschen Luitenant-Gou- 
verneur opvolgde, trad krachtiger op. Om een eind te maken aan 
den staat van verwarring in de binnenlanden, die voor Padang 
zeer nadeelig was, en de reeds tot aan het Gouverneraentsgebied 
doorgedrongen heerschappij der Padri's te stuiten, besloot de resi- 
dent Du Puy niet slechts Semawang door Nederlandsche soldaten 
te doen bezetten, maar sloot bovendien met machtiging der Regee- 
ring te Batavia, den lOden Februari 1821 een verdrag met deze 
hoofden, waarbij zij de landen afstonden, die vroeger tot het rijk 
van Menangkabau behoorden, — eene handeling waartoe zij vol- 
strekt niet bevoegd waren, daar alle hoofden tot zoodanigen afstand 
moesten medewerken en niet, zooals hier het geval was, slechts 
enkelen , die nog bovendien voortvluchtig waren. Te gemakkelijker 
konden zij die landen afstaan, daar dezen niet in hunne handen 
waren maar door hunne vijanden bezet werden. Wilden wij dus de 
afgestane landen bezitten dan moesten wij de Padri's eerst uit die 
streken verdrijven. De eerste poging daartoe mislukte geheel en 
gaf de overtuiging, dat men op de hulp der Inlanders niet kon 
rekenen. Eenmaal in den strijd gewikkeld, moest men dien wel 

II. 5 



(ki DlC PADRl-OORI,0(i. 

voortzetten en een jong krijgsman, de Luiteiiant-Knloncl Raalf. <\ie 
in (Ie scliool van Napoleon den oorlog bad loeren kennen, werd 
met de leiding belast. Werkelijk gelukte het hem zich van de vallei 
van Tanah datar meester te maken. Maar het doel der tocht was 
daarmede niet bereikt; ook Lintau, dat als het hoofdkwartier van 
Toeangkoe Pasaman werd beschouwd, moest in onze handen vallen. 
Twee paden voerden naar die vallei over het gebergte, dat haar 
van Tanah datar scheidde. Raaff koos den weg over Tandjong 
Beroelaq, maar na vergeefsche pogingen om de Padri's te verjagen 
moesten de onzen den terugtocht ondernemen. De weg over den 
Marapalm bleef over, doch zonder versterking uit Batavia was het 
niet mogelijk, dien te vermeesteren. Ondertusschen trachtte Raaff, 
door de bewegingen der Padri's daartoe gedwongen, in de vrucht- 
bare vlakte der Limapoeloe door te dringen en den Merapi om te 
trekken, maar deze onderneming, in den aanvang met goed gevolg 
bekroond, mislukte grootendeels en ook de tocht over den Mara- 
palm, in April 1823 ondernomen om tot Lintau door te dringen, 
liep niettegenstaande den groeten moed, door Raaff en de zijnen 
betoond, op een nederlaag uit, terwijl de bevelhebber door de ver- 
woede aanvallen der Padri's zelfs genoodzaakt werd eenigen zijner 
kanonnen in den steek te laten. Ofschoon deze gebeurtenis eenen 
ongunstigen indruk moest maken bleef het vertrouwen der Regee- 
ring in Raaff ongeschokt; naar Batavia opontboden, verleende hij 
zijn medewerking tot het ontwerpen van een reglement op het 
binnenlandsch bestuur en de fmaiitiën en weldra werd hij weder 
naar Sumatra gezonden, om daar het burgerlijk en militair gezag 
uit te oefenen. In den aanvang volgde hij eene vredelievende poli- 
tiek en zocht met de Padri's van Bondjol in betrekking te komen , 
ten einde door het sluiten van een verdrag de kust tegen hunne 
invallen te beveiligen en den zoogenaamden smokkelhandel te be- 
letten. Ofschoon wij slechts te Padang, Priaman, Ajer Iladji en 
Poeloe Tjinko gevestigd waren wilden wij de Inlandsche vaartuigen 
dwingen, alleen op de door ons bezette plaatsen te landen, ten 
einde de zekerheid te hebben dat de rechten, die wij in Sumatra 
hadden ingevoerd, zouden voldaan worden. Maar daar wij geene 
macht bezaten om de kusten behoorlijk te bewaken, sprak het wel 
van zelf dat de handelaars daar aan wal kwamen, waar -dit voor 
hen het voordeeligste was, zonder zich veel om het Nederlandsche 



DE PADRI-OORI.OG. 67 

Gouvernement te bekreunen. Maar wij noemden hen smokkelaars 
en deden aan dien handel zooveel afbreuk, als ons slechts moge- 
lijk was. 

Op die kuststreken maakten ook de Padri's van Bondjol aan- 
spraak. Terwijl de invloed van de nieuwe leer in Tanah datar en 
elders afnam had zij nieuwe krachten gekregen in het noordelijk 
gedeelte der Padangsche bovenlanden. De vallei van Alahan pan- 
djang werd het middenpunt der Padri-beweging, die zich van daar 
zelfs over de Batak-landen uitbreidde. Reeds spoedig na het optre- 
den van Nan Rintjé hadden eenige hoofden van Alahan pandjang 
zich bij hem gevoegd en de nieuwe leer omhelsd. Onder hen be- 
kleedde Datoe Bendara de voornaamste plaats. Dit hoofd keerde 
naar zijne geboorteplaats terug en verkondigde daar de Padri- 
leer, waarin hij krachtig ondersteund werd door een jongeling, 
Malim Basa genaamd. Maar hunne woorden vonden weinig ingang 
en de Maleiers dwongen hen hun heil in de vlucht te zoeken , en 
zij begaven zich naar Bondjol , dat zij versterkten en waar zij aan 
de aanvallen hunner tegenstanders zegevierend het hoofd boden. 
Eene school, door hen gesticht, verwierf grooten naam, vooral toen 
Datoe Bendara overleed en door Malim Basa werd opgevolgd. Onder 
den titel Toeangkoe Imam werd deze priester algemeen als het 
hoofd der Padri's erkend en langen tijd was hij de ziel van de 
partij die de Nederlanders weerstond. Het gelukte Raaff, dezen 
Padri's over te halen met hem over de vrede te onderhandelen. 
Den 22sten Jan. 1824 werd een verbond te Masang aangegaan, 
waarbij de beide partijen beloften deden, die zij onmogelijk konden 
nakomen. De onzen namen o. a. aan, zich nimmer met de godsdien- 
stige beginselen en het bestuur der landen van Bondjol en onder- 
hoorigheden te bemoeien, maar te zorgen dat de gebruiken en ge- 
woonten der Padri's over het geheele Ned. gebied van Sumatra 
zouden geëerbiedigd worden, terwijl de Padri's beloofden dat zij het 
Gouvernement behulpzaam zouden zijn in het tegengaan van den 
smokkelhandel en dat zij al het mogelijke zouden aanwenden om 
de bewoners van Rau naar Padang voor den handel te doen afkomen , 
en dit met voorbijgang van andere, veel beter gelegen plaatsen. 
Ter nauwernood was deze overeenkomst gesloten of Raaff richtte 
zijne wapenen tegen Kota lawas (VI Kota), dat reeds eenmaal in 
onze handen was geweest, doch zich onder den invloed van den 



(38 DE PADRI-OOHLOG. 

Toeangkoe van Mensiangan weder tegen ons had verklaard. Spoedig 
was deze streek in onze macht (Maart 1824) , maar na den weldra 
daarop (17 April) gevolgden dood van Raall' zonden de Padri's van 
Bondjol het contract terug, daar zij voorgaven dat de herovering 
der VI Kota's een inbreuk op het met hen gesloten verbond van 
vrede en vriendschap was. 

De opvolger van Raafi', de Stuers, die ten gevolge van het 
tractaat van Maart 1824 verscheidene posten op de westkust onder 
zijn bestuur kreeg, volgde een andere gedragslijn. Daar het grootste 
gedeelte zijner troepen op Java tegen Dipa Negara gebruikt moest 
worden, zoodat de Stuers zelfs soldaten uit veroordeelde misdadigers 
(kettinggangers) moest aanwerven, was hij wel genoodzaakt zich 
van krachtige maatregelen te onthouden en trachtte hij de Padri's 
te winnen door eene vredelievende politiek, die in hem een warmen 
voorstander vond. Dit gelukte hem in zooverre dat de Padri-hoofden 
van Lintau, Limapoeloe en Agam in November 1825 met hem te 
Padang eene overeenkomst troffen, waarbij de wederzijdsche par- 
tijen beloofden elkander met rust te zullen laten. Maar ofschoon de 
Stuers, in de gegeven omstandigheden, niet ten onrechte zich er 
op kon beroemen dat gedurende zijn bestuur geen man tegen de 
Padri's verloren was en dat onze forten nimmer door den vijand 
waren aangevallen, moest zijn opvolger weder getuigen, dat van 
lieverlede aan ons gezag den bodem was ingeslagen en alle districten 
tot onder het bereik van ons geschut door de Padri's in bezit waren 
genomen. Met het vertrek van de Stuers brak weder een nieuw 
tijdperk aan. Onder den resident Mac Gillavry, maar vooral onder 
diens opvolger, den militairen en burgerlijken gezaghebber Elout 
(1831), werd een krachtige politiek gevolgd. De Padri's waren door 
onderlinge twisten verdeeld en Elout, bijgestaan door mannen als 
de Quay, Veltman, Vermeulen Krieger, Schenck, van der Hart, 
Poland e. a , trok daarvan op bekwame wijze partij. De stelling 
aan den Marapalm, die slechts door enkele Padri's bewaakt werd, 
viel in onze handen en daarmede de sleutel tot Lintau, terwijl ook 
een deel van Agam zich onderwierp. Zelfs ondernam Michiels een 
tocht langs de kust tot Baros toe, om de Atjehers te tuchtigen, 
die in 1829 het eilandje Pontjan in de baai van Tapanoeli hadden 
aangevallen en een deel der kleine bezetting omgebracht hadden. 
De Gouverneur-Generaal v. d. Bosch, die lang geaarzeld had Elout 's 



DE PADRI-OORLOG. 69 

plannen te ondersteunen , werd nu overtuigd van de wenschelijkheid 
ons gezag in de Bovenlanden te vestigen en uittebreiden. Een aan- 
zienlijke versterking werd in 1832 naar Sumatra gezonden en o. a. 
ook het legioen van Sentot, de rechterhand van Dipa Negara, die 
zich met zijne volgelingen aan het Gouvernement onderworpen had 
en, daar men hem te Batavia niet geheel vertrouwde, nu naar het 
oorlogstooneel op Sumatra werd overgebracht. De linie van Lintau, 
het voornaamste bolwerk der Padri's, werd met groote dapperheid, 
doch ten koste van den dood van Schenck, genomen en dienten- 
gevolge onderwierpen zich Lintau en Boea, terwijl ook geheel Agam, 
tot aan de grenzen van de Limapoeloe en Bondjol, in onze macht 
geraakte. Ook Bondjol, de hoofdvestiging der Padri's, volgde. Na 
eene overwinning bij Andalas, die de onderwerping van de districten 
langs het meer van Manindjoe met zich medesleepte, rukten onze 
troepen deze plaats binnen die door de voornaamste hoofden der 
Padri's, de Toeangkoe Imam en de Toeangkoe Moeda, reeds ver- 
laten was (September 1832). Beiden boden echter spoedig hunne 
onderwerping aan en met instemming van eerstgenoemd hoofd werd 
Toeangkoe Moeda voorloopig tot regent van Bondjol aangesteld. 
Ook in Rau nam de bevolking er genoegen mede dat ons gezag 
daar gevestigd zou worden, iets waarop Elout grooten prijs stelde 
omdat hij uit die streek op de heidensche Batak-landen invloed 
kon verkrijgen. Maar daardoor kwam hij weder in botsing met den 
Toeangkoe van Tamboesei, die tegen die heidenen den heiligen 
oorlog voerde en daarvan, niettegenstaande de vertoogen van Elout, 
niet wilde afzien en slechts met moeite uit Rau verwijderd kon 
worden. Eindelijk viel in October 1832 zonder veel moeite de Lima- 
poeloe in onze handen terwijl het laatste gedeelte van het gebied 
der Padri's in de Bovenlanden, Alaban, na den beslissendeu strijd 
bij Gadoei in onze macht viel en ook de Bataks van Mandaïling, 
ja zelfs die van Angkola en Toba zich bij ons aansloten en onze 
bescherming tegen Padri's en Atjehers inriepen. 

Zoo was de toestand van de Padangsche bovenlanden op het 
einde van 1832, schijnbaar althans, alleszins bevredigend. De vraag 
was nu of wij behoorlijk partij zouden trekken van de voordeden, 
door ons behaald, en de onderworpen bevolking door zachtheid en 
rechtvaardigheid met onze overheersching zouden verzoenen. En tot 
onze schande moet erkend worden, juist het tegendeel was het 



70 DE PADRI-OORLOG. 

geval. Allerlei zware en lastige diensten werden aan de vrijheid- 
lievende bevolking opgelegd; do troepen, die uit allerlei bestaiid- 
deelen waren samengesteld, maakten zich dikwijls aan knevelarijen 
schuldig; de invoering der opiumpacht en van de belasting op de 
markten verbitterde de Inlanders in liooge mate, terwijl wij ten 
slotte de bevolking tegen ons innamen door de verheffing en hand- 
having, met miskenning der Inlandsche instellingen, van hoofden 
die misbruik maakten van de macht, hun toevertrouwd, en van 
welken verscheidenen later toch onze ergste vijanden werden, terwijl 
andere volkshoofden door ons met minachting werden behandeld. 
De strenge en willekeurige handelingen onzer troepen verwekten 
algemeene ontevredenheid in Alahan pandjang. Eene vergadering 
werd te Tandiké belegd en de aanwezige hoofden besloten liever 
te sterven . dan dit langer te dulden. Naar alle landschappen werden 
brieven gezonden en dientengevolge besloten de Padri's met een deel 
der Maleiers in Januari 1833 gemeene zaak te maken en onder 
beleid van Toeangkoe Imam den opstand te beginnen. Het bestuur 
te Fort de Koek was geheel onbekend met het dreigende gevaar. 
Op de tijding dat eenige soldaten, die met verlof de hoofdplaats 
verlaten hadden, niet op de plaats hunner bestemming waren aan- 
gekomen trok de luitenant kolonel Vermeulen Krieger met een 
honderdtal manschappen uit, maar te Pisang aangekomen, vond 
hij de streek verlaten , en weldra verrastte hem de tijding dat de 
bezetting van Bondjol in de Moskee overvallen en tot den laatsten 
man vermoord was. Duizenden gewapende Padri's omringden weldra 
het kleine hoopje en gedurende meer dan 21 uren moesten Krieger 
en zijne soldaten zich door den overmachtigen vijand eenen weg 
banen, tot zij eindelijk uitgeput Fort de Koek bereikten. Daar ver- 
namen zij , hoe algemeen de oproerige beweging was. Verscheidene 
posten waren uitgemoord; Agam en de Limapoeloe waren weldra 
in vollen opstand , ja zelfs werd het fort Amerongen in Rau door 
de Padri's belegerd, maar gelukkig met hulp van eenen Batakschen 
vorst ontzet, doch om spoedig na den mislukten aanval der onzen 
op Bondjol weder in handen des vijands te vallen. Elout, door den 
plotselingen opstand ontsteld, zag in bijna elk hoofd eenen verrader; 
een aantal aanzienlijke Inlanders werden in hechtenis genomen en 
ook Sentot, die ons belangrijke diensten bewezen had, maar den 
argwaan van Elout opwekte , toen hij eene vergadering van Inlandsche 



EINDE VAN DEN PADIÜ-OÜULOG. 71 

lioofden opriep en niet onduidelijk op zijne toel<omstige verheffing 
zinspeelde, werd uilgenoodigd naar Batavia te gaan, ten einde 
eene zending bij den Gouverneur-Generaal op zich te nemen, en 
toen hij eens de Padaiigsche bovenlanden veilaten had zorgde men 
wel, dat hij die niet meer betrad. 

Na eenen feilen kamp gelukte het aan Riesz, die als Regee- 
rings-Commissaris het bevel overnam, het verzet in Agam en de 
Limapoeloe te fnuiken, maar de hoofdmacht der muitelingen trok 
zich in Bondjol terug, en het kostte nog menigen strijd, vóór dat 
dit bolwerk van den opstand veroverd was. Weinig baatte het, dat 
v. d. Bosch Suraatra bezocht en eenen krachtigen aanval gelastte 
(Sept. 1833). Deze mislukte toch volkomen en daar van den Bosch 
ook daarna niet instemde met de inzichten van den Regeerings- 
Commissaris van Sevenhoven, die veel van den tijd en van onder- 
handelingen verwachtte, maar integendeel geweld wilde gebruiken 
werd het eindelijk noodzakelijk de plaats op geregelde wijze te 
belegeren, waarmede onder Bauer werd aangevangen (Juni 4835). 
Eerst in Augustus 1837 gelukte het aan de vereenigde pogingen 
van Cochius en Michiels Bondjol te vermeesteren, maar hiermede 
was dan ook de kracht van den opstand gebroken. De Toeangkoe 
Imam onderwierp zich; de in de nabijheid van Padang gelegen 
XllI Kota's werden door Michiels veroverd en ook de IX Kota's 
boden hunne onderwerping aan. Eindelijk viel de laatste der Padri's, 
de Toeangkoe van Tamboesei, in den slag van Daloe-daloe (1838) 
die de uiterste stuiptrekking van de stervende macht der muitelingen 
was. Baros, Tapoes en Singkel werden in 1839 en 1840 aan den 
invloed van Atjeh ontrukt en zoodoende was Nederlands Souver- 
einiteit gevestigd , zoowel in de binnenlanden , als aan de stranden 
der westkust, totdat slechts Troemon ons gebied van Atjeh scheidde. 
Slechts eens werd de rust in de onderworpen streken op ernstige 
wijze verstoord toen de regent van Batipoe, — waar de bevolking 
groote voordeelen had getrokken uit den onrustigen toestand tijdens 
den Padri-oorlog, — teleurgesteld in de hoop op de uitbreiding van 
zijn gezag, in Februari 1841 de vaan van den opstand verhief. Het 
krachtig optreden van den resident Steinmetz, die zich te midden 
der oproerige bevolking van Priaman naar Fort de Koek begaf, 
voorkwam eene uitbreiding der beweging en reeds in Maart bevond 
de regent zich in handen van het bestuur en waren de laatste sporen 



72 ORGANISATIE VAN HET BESTUUR IN DE BOVENLANDEN. 

van bet veraet door Michiels uitgewischt, die in 1837 als civiel en 
militair Gouverneur was opgetreden. Met roem bedekte zich de kleine 
bezetting van Goegoeh Malintang, die gedurende eenige dagen tegen 
duizenden stand hield en, toen de verdediging onmogelijk werd, onder 
allerlei gevaren gelukkig wist te ontkomen , met achterlating echter 
van een drietal zwaar gekwetsten die , in stede van zich overtegeven, 
de lont in het kruit staken en met de aanvallers in de lucht vlogen. 
Bijna onmiddellijk na de vermeestering der bovenlanden had de 
Regeering zich bezig gehouden met het beramen van plannen om de 
onderworpen districten aan een geregeld bestuur te onderwerpen, 
en de hervormingen in te voeren, die zij zoowel in het belang van 
het moederland als van den Inlander noodzakelijk oordeelde. De 
grondslag werd gelegd door het besluit van den Commissaris-Gene- 
raal V. d. Bosch van 11 Oct. 1833, waarbij als beginsel werd aan- 
genomen dat de bevolking in het volkomen bezit van hare politieke 
en huishoudelijke rechten zou gelaten worden, zoodanig, dat het 
Gouvernement zich niet bemoeien zou , noch met het benoemen der 
hoofden, noch met de rechtspleging, noch met eenige andere huis- 
houdelijke aangelegenheid, terwijl het zich alleen het recht voor- 
behield, de bevolking des noods op te roepen om vijandelijke aan- 
vallen te weren en om bepaalde misdrijven, door Inlanders begaan, 
voor een Raad van Justitie te brengen, die te Padang werd opge- 
richt. In overeenstemming met dit besluit werd door de Regeerings- 
Coramissarissen v. Sevenhoven en Riesz den 25sten October 1833 eene 
hoogst belangrijke publicatie uitgevaardigd, algemeen als plakaat- 
pandjang (het lange plakkaat) bekend i) en waarin de plechtige 
belofte werd afgelegd dat deze beginselen door het bestuur getrouw 
zouden worden in acht genomen. Maar de natuurlijke loop der 
omstandigheden, en soms ook de wensch der bevolking zelve, deden 
hier en daar van dit besluit afwijken. Merkus, die na zijne ver- 
zoening met V. d. Bosch weder tot Raad van Indië was aangesteld, 
vertrok naar Sumatra om als Gouvernements-Commissaris het bestuur 
te organiseeren. De ontelbare versterkingen die, van oudsher bestaande, 
landschap van landschap, gehucht van gehucht scheidden en elk 
dorp in eene vesting veranderden , verdwenen overal , uitstekende 
wegen werden aangelegd en in de verschillende streken ambtenaren 



') De Stuers. De vestiging en uitbreiding der Ned. ter Westk. v. Sum. II. p. 8. 



GOUVERNEMENTS-KOFFIECULTUUR OP SUMATRA's WESTKUST. 73 

aangesteld, met het toezicht over de Inlandsche hoofden belast. 
Onder hunnen invloed werd het Inlandsche bestuur allengskens 
aanmerkelijk gewijzigd, daar nevens de eigenlijke volkshoofden, die 
in elk dorp in grooten getale worden aangetroffen , andere Inlandsche 
ambtenaren als vertegenwoordigers der Regeering werden aangesteld. 
Ook in het rechtswezen werden als het ware ongevoelig groote 
wijzigingen aangebracht, die wij in het derde Boek willen bespreken , 
daar zij nauw samenhangen met eigenaardige instellingen van de 
Maleiers der Padangsche bovenlanden. Maar vooral maakte de invoe- 
ring der gedwongen koffiecultuur inbreuk op de beginselen , in het 
plakaat-pandjang bevat ^). Na het herstel van het Nederlandsche 
gezag was de teelt en de handel in koffie geheel vrij ; bij den 
uitvoer van dat product uit onze bezittingen werd echter een vrij 
hoog uitvoerrecht geheven. Onder dit stelsel ontwikkelde de cultuur 
zich aanvankelijk voortdurend, wat te meer opmerking verdient 
omdat de afvoerwegen waarover de koffie, meestal op het hoofd 
van menschen gedragen, vervoerd moest worden, in zeer slechten 
toestand verkeerden en dikwijls onveilig waren en het product 
bovendien door de handen van opkoopers moest gaan, zoodat de 
verdiensten van den landbouwer gering waren. V. d. Bosch trachtte 
het product voor het Gouvernement te verkrijgen door de toezeg- 
ging van een vrij hoogen, zoogen. beschermenden prijs voor de koffie, 
die aan de Regeering werd geleverd en door het vorderen van een 
hoog recht van alle andere koffie, die werd uitgevoerd. De resul- 
taten dier regeling waren echter weinig bevredigend en ook met 
de cultuur zelve ging het niet naar wensch, niettegenstaande de 
maatregelen, door Merkus in het belang van eenen beteren aan- 
plant genomen. En toch was het noodzakelijk dat de koffiecultuur 
voor het Gouvernement groote winsten afwierp ter bestrijding van 
de kosten onzer vestiging, die ook tot nut van het land zelf 
strekte, waar orde en welvaart in stede van de geweldenarijen der 
Padri's heerschten. Eindelijk besloot Michiels op eigen gezag, doch 
na een onderhoud met den Gouverneur-Generaal Rochussen, de 
koffie-cultuur geheel voor rekening van het Gouvernement te nemen 
en bepaalde bij publicatie van 20 Sept. 1847 dat alle koffie, door 
de bevolking geteeld , aan den lande moest worden geleverd , terwijl 



') E. B. Kielstra. Ind. Gids 1888. II. 



74 INLIJVING DlCli MATAK-I.ANDKN. 

ii October van dat jaar regels op den inkoop der koffie werden 
gesteld, die ook de verpliclite cultuui' invoerden. Wel is waar was 
door liet plakaat-pandjang der bevolking de volkomen vrije beschik- 
king over de door haar geteelde producten verzekerd, maar daar 
de hoofden der bevolking, die voortaan percenten van de geleverde 
koffie zouden ontvangen, in het nemen van den maatregel hadden 
toegestemd, meende Michiels daartoe gerechtigd te zijn. Hiermede 
was ook op Sumatra's westkust de dwangcultuur ingevoerd die 
echter daar niet de bezwaren heeft opgeleverd , welke men in som- 
mige streken van Java ondervond, en die daar ook niet gepaard 
ging met de heffing van andere belastingen , zooals op Java met de 
landrente het geval was. 

Het ligt natuurlijk niet in het plan van dit werk, dat slechts 
enkele hoofdtrekken uit de geschiedenis van Insulinde den lezer 
voor oogen kan stellen, om de min of meer ernstige onlusten te 
schetsen , die sedert onze vestiging in de bovenlanden hier en daar 
in het gebied van Sumatra's westkust uitbraken. Alleen moet hier 
nog de aandacht gevestigd worden op de uitbreiding van het Neder- 
landsche gezag in de Batak-landen die, in 1879 begonnen, menig- 
maal het gevolg was van het aanzoek der bevolking zelve, welke 
de rust en vrede onder ons bestuur verkoos boven het handhaven 
eener onafhankelijkheid, duur gekocht door onderlinge twisten en 
veten, welken alle welvaart vernietigde. In die landen, door heidenen 
bewoond, had het Rijnsche genootschap sedert 1861 zijne zende- 
lingen in het Silindoengsche post doen vatten. Betrekkelijk spoedig 
konden zij op niet onbelangrijke resultaten bogen. Toen hunne veilig- 
heid in 1871 door een binnenlandschen oorlog gevaar liep, werd de 
resident van Tapanoeli naar Silindoeng gezonden, dat toen nog 
buiten het Nederlandsche gebied lag en door zijne tusschenkomst 
gelukte het hier en daar de gerezen geschillen bij te leggen, terwijl 
het tevens bleek dat in vele streken de vestiging van Nederlandsche 
ambtenaren door de bevolking gewenscht werd. Maar de Regeering, 
geen uitbreiding van gezag begeerende, gaf aan dat verlangen niet 
toe, totdat nieuwe verwikkelingen haar dwongen zich weder met 
die landschappen bezig te houden. Onder de hoofden der heidensche 
Bataks nam de vorst van Bakara, aan het meer van Toba, een 
voorname plaats in. Dit hoofd, dat slechts weinig gezag uitoefende, 
maar een soort van priesterlijke waardigheid bezat, werd door de 



INLIJVING DER BATAK-LANDKN. 75 

bevolking onder den verbasterden Hindoeschen titel Si Singa Manga- 
radja (Maharadja) hoog vereerd en zou , volgens de verhalen der 
Bataks, het bij hen zóó geliefde varkens- en hondenvleesch niet 
eten en haar op de tong hebben. De Heer v. der Tuuk, die den 
Maharadja met levensgevaar een bezoek bracht, verhaalt echter dat 
de vorst beide dieren bezat, maar zeide dat hij hun vleesch niet 
lustte, terwijl hij den mond zooveel mogelijk gesloten hield om zijne 
tong niet te laten zien. In 1875 was de vorst, over wien deze ver- 
halen in omloop waren, door zijn jongsten zoon opgevolgd, die 
weinig bij de bevolking in tel was. Naar het schijnt was hij beducht 
voor den invloed der zendehngen, die reeds te Bahal batoe, op 
twee dagreizen van het Toba-meer, een post hadden gevestigd. 
Geruchten, dat hij een aanval op de Christenen in den zin had, 
noopten het bestuur troepen naar Silindoeng te zenden, (Februari 
1878), die zich gemakkelijk tegen de Bataks konden handhaven en 
zelfs Bakara vermeesterden. Singa Maharadja was gevlucht, maar de 
overige hoofden onderwierpen zich , zoodat in 1879 Silindoeng bij 
ons gebied kon worden gevoegd en door de vestiging van een con- 
troleur te Taroetong onder geregeld bestuur werd gebracht, zeer tot 
genoegen van een groot deel der bevolking, dat zich vroeger meer- 
malen in dien geest tot het bestuur had gewend. Dit voorbeeld 
werd spoedig door meerderen gevolgd ; in 1881, 1882 en 1883 werden, 
steeds op verzoek der bevolking, op nieuw verscheidene Bataksche 
landschappen ingelijfd , zoodat in dat jaar ons gezag zich tot het 
Toba-meer deed gelden en zich over de geheele landstreek uitstrekte, 
die tusschen dat meer en Silindoeng gelegen is. In het belang van 
de afronding van ons gebied en ter verlichting van het bestuur 
werden eindelijk in 1888, weder in overeenstemming met de wen- 
schen der hoofden en bevolking, op nieuw eenige landschappen 
ingelijfd en bij de Tobalanden gevoegd en zoo de afdeeling Toba 
en Silindoeng gevormd die, zooals wij in het eerste deel (p. 218) 
mededeelden , in 1890 in het leven werd geroepen. Het spreekt van 
zelf dat deze uitbreiding van ons gebied zeer weinig naar den zin 
was van Si Singa Maharadja, en evenmin van andere hoofden, die 
voordeel getrokken hadden uit de verwarde toestanden, vóór onze 
inmenging bestaande, terwijl ook een deel der bevolking niet op 
onze hand bleek te zijn. Herhaalde malen (1883, 1884, 1887 en 
1889) werden invallen in ons gebied gedaan, die vooral tegen de 



76 UITBREIDING V. II. NED. GEZAG OP SUMATIU'S WESTKUST. 

zendeliiigsposten gericht waren en hier en daar vrij veel schade 
aanrichtten, maar door kleine expeditiën gemakkelijk tegengegaan 
en gestraft werden. Na dien tijd is de rust niet meer op ernstige 
wijze verstoord geworden ; de Regeeringsberichten getuigen van de 
vorderingen, die het Christendom onder de Bataks maakt en van 
de toenemende welvaart der bevolking. 

Ook elders werd het Gouvernement van Sumatra's Westkust 
vergroot, o. a. door de inlijving, tegelijker tijd met de vestiging 
van ons gezag te Silindoeng, van een aantal landschappen, die te 
samen de afdeeling Padang lawas vormen. Het was ook hier op 
verlangen der bevolking dat tot dien stap werd overgegaan (Dl. I. 
p. 213); om diezelfde reden werden toen nog de XII Kota Kampar 
en de VI Kota Pangkalan onder ons gebied gebracht (Dl. I. p. 490) 
en bij de assistent-residentie 50 Kota's (Limapoeloe) gevoegd, terwijl 
nog later in 1881 en 1882 door enkele aangrenzende landschappen 
dat voorbeeld gevolgd werd. Eindelijk herinneren wij nog aan de 
inlijving van Troemon (Dl I. p. 218), dat vroeger in naam tot Atjeh 
behoorde, doch feitelijk onafhankelijk was en ons als voormuur 
tegen dat land diende. Na de vestiging van ons gezag te Atjeh 
werd Troemon gerekend tot dat gewest te behooren , maar daar de 
geregelde betrekkingen met het rijkje gemakkelijker uit Singkel 
dan uit Melaboeh konden worden onderhouden, werd op verzoek 
van den vorst Troemon bij het Gouvernement van Sumatra's West- 
kust gevoegd. 

Wij hebben eenigszins langer stilgestaan bij de uitbreiding van 
ons gezag op Sumatra's westkust dan het gestelde bestek wel toe- 
liet. Maar wij rekenden ons daartoe verplicht omdat slechts zelden 
in den archipel een zóó treffend voorbeeld is gegeven van den heil- 
zamen invloed dien het Nederlandsche gezag kan uitoefenen, dan 
juist in dat Gouvernement. Daar, waar vroeger regeeringloosheid 
en wanorde heerschten, gelukte het aan onze ambtenaren, die de 
bevolking wel leidden maar hare instellingen eerbiedigden, rust en 
orde te handhaven en welvaart te verspreiden, in zoo hooge mate 
dat, zooals wij zagen, herhaalde malen de bevolking uit eigen 
beweging hare onafhankelijkheid prijs gaf, en ook nu het ver- 
schil tusschen het Gouvernements-gebied en de onafhankelijke 
streken terstond in het oog valt. Maar tevens leert de geschiedenis 
van datzelfde land ons, hoe door verkeerde handelingen van het 



GEBEURTENISSEN IN PALEMBANG. 77 

bestuur de schoonste resultaten kunnen te loor gaan en hoe gemak- 
kelijk het valt de onderworpen en vreedzame bevolking weder tegen 
ons in het harnas te jagen. Die lessen zijn op Sumatra duur gekocht; 
mogen zij aan volgende besturen tot leering en voorbeeld strekken. 
Met Bengkoelen en de Lampongs ') kunnen wij ons niet opzet- 
telijk bezighouden. In het eerstgenoemd gewest, waar enkele 
onlusten van plaatselijken aard spoedig werden onderdrukt, werd 
de gedwongen pepercultuur, die uit den Engelschen tijd dagteekende, 
maar tijdelijk door Raffles was afgeschaft, in 1872 ingetrokken 
tegelijk met de Gouvernements koffiecultuur, die op enkele plaatsen 
in stede der pepercultuur was ingevoerd. De Lampongs, die van 
oudsher het gewone toevluchtsoord van misdadigers en politieke 
vluchtelingen uit Bantam waren , en die aan allerlei ongeregeld- 
heden en woelingen ten prooi strekten, werden in 1856 door eene 
expeditie van een aantal slechte elementen gezuiverd en genoten 
sedert dien tijd welvaart en vrede, terwijl de Regeeringsberichten 
menigmaal den goeden geest der bevolking roeraden. 

In Palembang hadden sedert den val der Compagnie een aantal 
belangrijke gebeurtenissen plaats, die in de vernietiging van het 
Sultans-bestuur en de inlijving van dat rijk bij het Nederlandsche 
grondgebied eindigden^). Bij de verovering van Java was Mahmoed 
Badroe'd-din Sultan van Palembang, een vorst, die zich door wreed- 
heid en verraderlijk gedrag berucht maakte en niets liever wilde, 
dan zich van de Nederlanders te ontslaan. Raffles, die als politiek 
agent met de taak belast was om zich met de Inlandsche vorsten 
in betrekking te stellen en hen tegen het Nederlandsch gezag op 
te zetten, was ook met dien Sultan in onderhandeling getreden en 
had hem zelfs aangeraden zich van de Nederlanders te ontdoen. 
De Sultan nam dezen dubbelzinnigen raad maar al te letterlijk ter 
harte en toen hij de tijding van den slag bij Meester Cornelis ver- 
nomen had , liet hij de bezetting van het fort verraderlijk overvallen 
en bijna alle Nederlanders vermoorden. Raffles, die daarmede onbe- 
kend was, zond eene commissie naar Palembang ten einde op die 



1) Zie ook in het algeraeen over de Buitenbezittingen: E. de Waal. Onze Indische 
Financiën. 'sGrav. -1882-1883. 

2) E. B. Kielstra. Gids 1892. Ind. mil. Tijdschr. 1889. 



78 PAI.KMBANG NA IIKT ITF.ÜSTKI. VAN IIKT NKD. fiF.ZAG. 

plaats iii de recliten der Nederlanders te treden, krachtens de kapi- 
tulatie, die tusschen Janssens en Aucliinuty gesloten was. Maar de 
Sultan, die den gepleegden moord voor Raffles trachtte te verbergen , 
weigerde de Engelschen toe te laten want, zoo redeneerde hij, de 
Nederlanders waren reeds vóór die kapitulatie weggezonden en hij 
was dus vóór de overgave van Java een onafhankelijk vorst geworden. 
Maar Raffles, die van de gepleegde wreedheden oiiderriclit werd, 
zij het dan ook slechts door onbestemde geruchten , liet het hierbij 
niet rusten; eene expeditie onder Giilespie begaf zich naar Palembang 
(1812) en binnen korten tijd was de hoofdplaats in de macht der 
Engelschen en de Sultan op de vlucht naar de binnenlanden. De 
vorst werd van zijne waardigheid ontzet en zijn jongere broeder, 
Achmed Nadjmoe'd-din, tot Sultan aangesteld, onder voorwaarde 
dat de Souvereiniteit over Bangka en Blitong aan Engeland zou 
worden overgedragen. Maar Badroe'd-din maakte het de Engelschen 
in de bovenlanden zeer lastig, en de resident Robinson meende op 
geen betere wijze daaraan een einde te kunnen maken, dan door 
hem onder drukkende voorwaarden op nieuw op den troon te plaatsen 
(1813). Doch Raffles, die beweerde, dat Robinson dit slechts wegens 
wichtige redenen zou gedaan hebben, vernietigde de overeenkomst, 
en Nadjmoe'd-din beklom weder den vorstelijken zetel, terwijl aan 
Badroe'd-din eenige landen tot levensonderhoud werden afgestaan. 
Toen nu Nederland zijne bezittingen terugkreeg en ook Palembang 
door ons werd overgenomen , geraakte de resident spoedig in onmin 
met den Sultan , die niet bij machte was de rooverijen van zijne 
onderdanen in Bengkoelen en de Lampongs tegen te gaan. Muntinghe, 
die als Commissaris naar Palembang werd gezonden , besloot daaraan 
een einde te maken en dwong den vorst om een contract te sluiten 
waarbij alle rechten van oppermacht over de boven- en binnenlanden 
van het rijk aan Nederland werden afgestaan (1818). Maar weldra 
had er een gebeurtenis plaats, die den Commissaris noodzaakte 
verder te gaan. Raffles, die slechts noode zag dat Nederland zijne 
oude macht in de Indische wateren herkreeg en waar hij kon ons 
hinderpalen in den weg legde , trachtte ons Palembang te ontrukken. 
Als Luitenant-Gouverneur te Bengkoelen opgetreden zond hij een 
gezantschap onder Kapitein Salmond aan Nadjmoe'd-din, die zich 
om hulp tot hem bad gewend, ten einde dien vorst voortestellen 
zich onder de bescherming der Engelschen te plaatsen. Werkelijk 



EXl'KDITIKN TEGEN I'ALEMBANG. 79 

liet de Sultan zich daartoe overreden; hij teekende een contract, 
waarbij hij hot Britsche gezag erkende en zich verbond eene Engelsche 
bezetting te ontvangen; ja zelfs waagde Salmond het de Britsche 
vlag te hijschen. Muntinghe beijverde zich deze aanmatiging te keer 
te gaan; Salmond werd verzocht Palembang te verlaten en toen hij 
dit niet goedschiks deed , naar Batavia gezonden, terwijl een Engelsch 
detachement, dat reeds in het Palembangsche was doorgedrongen, 
op het gerucht van de nadering van Muntinghe naar Bengkoelen 
terugtrok. Nadjmoe'd-din werd nu door den Commissaris afgezet 
en door de Regeering naar de Preanger verbannen. Was Muntinghe 
tot nu toe met kracht en beleid opgetreden, in de keuze van den 
nieuwen Sultan handelde hij met weinig overleg. De verraderlijke 
Badroe'd-din werd op nieuw met het bestuur belast en Muntinghe 
was onvoorzichtig genoeg om terstond daarop naar de binnenlanden 
te vertrekken, waar Engelsche troepen zich ophielden. Daar werd 
hij vier maanden opgehouden, zoodat Badroe'd-din geruimen tijd 
zonder toezicht gelaten werd. 

De gevolgen dier onvoorzichtigheid bleven niet uit. Ter nauwer- 
nood was Muntinghe in de hoofdplaats teruggekeerd of het bleek 
hem, dat er verraad broedde. Op zijnen eisch, dat de Sultan gijzelaars 
voor zijne goede trouw zou stellen , ontving de Commissaris een 
weigerend antwoord en korten tijd daarna, (Juni 4819) werd onze 
bezetting in het zwakke fort door eenen overmachtigen vijand aan- 
gevallen. Wel werd hij afgeslagen , maar de positie was voor de 
onzen onhoudbaar geworden. Muntinghe besloot Palembang te ver- 
laten en naar Bangka te gaan , in afwachting van hetgeen de 
Regeering te Batavia besluiten zou. Onmiddellijk werd eene expeditie 
onder Wolterbeek uitgezonden om den Sultan te onttronen , maar 
zij leidde tot geene resultaten daar de verdedigingswerken bij 
Gombora voor onze vloot te sterk bleken. Deze nederlaag deed ook 
Bangka in verzet komen en niet dan met de grootste inspanning 
gelukte het den resident Keer dat eiland weder te onderwerpen. 
Eene tweede expeditie was noodzakelijk, maar zij werd tot 1821 uit- 
gesteld, daar men tot dien tijd de hoop koesterde dat aangeknoopte 
onderhandelingen over den afstand van Bengkoelen ons zouden toe- 
laten, de vijandelijke hoofdplaats over land aan te vallen. Onder 
zeer ongunstige omstandigheden bereikte de vloot de rivier van 
Palembang, want de cholera, die plotseling voor het eerst op Java 



80 INLIJVING VAN PAI.EMBANfi. 

verschenen was, teisterde de troepen op vreesclijkc wijze. Toch liet 
de opperbevelhebber, de Koek, zich niet ontmoedigen en aan den 
heldonmoed onzer krijgslieden geliikto het de hinderpalen bij Gom- 
bora en in de Peladjoe te verbreken, zoodat de vloot tot l'aieniljang 
kon opvaren. Met de vermeestering van Gombora was alles beslist. 
Badroe'd-din onderwierp zich terstond. Hij werd afgezet en naar 
Ternate verbannen, terwijl de zoon van Nadjinoe'd-din , Achmed 
Nadjinoe'd-din, tot Sultan werd aangesteld (28 April 1821). Aan 
Nadjmoe'din werd de toestemming gegeven om zich, onder den 
titel van Soesoehoenan , in stille afzondering in de nabijheid van 
Palembang op te houden. Maar het duurde niet lang of hij matigde 
zich ook de uitoefening van gezag aan en de moeilijkheden, daaruit 
ontstaande, benevens de regeeringsloosheid in de bovenlanden en 
de ellende der daar gevestigde bevolking noopten den Commissaris 
van Sevenhoven om, met toestemming der Regeering, Palembang 
intelijven en de beide vorsten te pensioneeren (18 Augustus 1823). 
Schijnbaar namen dezen met dien maatregel genoegen, maar weldra 
bleek de wrok, dien zij en de van macht en aanzien beroofde, en 
slechts karig schadeloos gestelde rijksgrooten het Nederlandsche gezag 
toedroegen, toen zij in November 1824 plotseling een aanslag op 
het fort ondernamen, die echter zonder veel moeite werd afgeslagen. 
Den dag na den aanval viel Nadjmoe'd-din reeds in onze handen 
en korten tijd daarna werd ook de jonge Sultan genoodzaakt zich 
te onderwerpen. Beiden werden verbannen en het rijk werd geplaatst 
onder het onmiddellijk gezag van den resident, die in het bestuur door 
eenen rijksbestierder, den Ferdana mantri, werd bijgestaan. Maar 
spoedig bleek het dat men in dat hoofd geenen getrouwen dienaar 
had gevonden. Onder den schijn van groote aanhankelijkheid aan ons 
bestuur misbruikte hij zijne macht, om de bevolking in de binnen- 
landen uit te zuigen, terwijl hij de knevelarijen , aan welken hij 
zich schuldig maakte, voor bevelen van den resident deed doorgaan. 
Geen wonder dat de bevolking tegen het Nederlandsch gezag werd 
ingenomen; de invoering eener hoofdelijke belasting, die aan de 
hoofden ruime gelegenheid voor willekeur gaf, verbitterde haar nog 
meer, terwijl ten slotte de invallen van eenige niet onderworpen 
stammen, die door ons bestuur niet belet werden, ons gezag in 
minachting brachten. Reeds in 1849 waren er in de binnenlanden 
onlusten uitgebroken, die door den resident op rekening van den 




C3 

UI 

z 

LU 
Q 



I 
t- 



INLIJVING DER REDJANG- EN PASOE>fA H-LANDEN. 81 

rijksbestierder werden gesteld, maar de Regeering te Batavia was 
van eeiie andere meening en liandhaafde dat hoofd in het bestuur, 
en weigerde ook niedetegaan met het voorstel van den resident om 
Europeesche ambtenaren, met gezag bekleed, in de binnenlanden 
aan te stellen, en zoo aan de anarchie, die daar heerschte, een 
einde te maken; iets dat hij reeds op kleine schaal met goed gevolg 
beproefd had. Doch een ernstige opstand, die van 1851 — 1856 de 
bovenlanden teisterde, deed de oogen der Regeering opengaan. 
Aan den Luitenant-Kolonel de Brauw gelukte het, den hoofd- 
rauiteling Tiang Alam tot onderwerping te noodzaken; de Ferdana 
mantri werd verbannen en een geregeld bestuur van Inlandsche 
hoofden in de binnenlanden ingevoerd , die onder het toezicht van 
Europeesche ambtenaren gesteld werden, terwijl te Tebing-Tinggi 
een assistent-resident werd aangesteld, met het bestuur over die 
landen belast. Weldra moest men overgaan tot uitbreiding van 
grondgebied. Want nog altijd werd de rust in de Gouvernements- 
landen verstoord door de invallen van naburige stammen, de Redjangs 
en de Pasoemahs, die nooit volkomen aan het gezag van den Sultan 
waren onderworpen, maar in eene eigenaardige betrekking tot 
Palerabang stonden. Zij waren namelijk als vrije grensbewakers 
van dat rijk erkend en belast met de taak om hen, die uit het 
Palembangsche vluchtten, weder naar de hoofdplaats terug te 
brengen, terwijl zij verplicht waren om in tijden van gevaar den 
Sultan bij te staan, dien zij als hunnen opperheer erkende. Na de 
inlijving van Palembang waren zij zoo goed als onafhankelijk ge- 
bleven; herhaalde malen hadden zij strooptochten op het Neder- 
landsch gebied ondernomen, terwijl hunne landen het toevluchtsoord 
van misdadigers geworden waren. In 1858 besloot de Regeering tot 
de inlijving van Redjang Ampat-Lawang en Redjang Ampat-Petoelaï 
over te gaan en onder de uitmuntende leiding van den majoor 
Cobet had dit in 1859 plaats. Ook Redjang Lebong, waar de hoofden 
niet in staat waren de orde te handhaven, volgde, terwijl in 
1864 de landschappen Semindo , Kisam , Makakau en Belalau op 
verzoek der hoofden onder het Nederlandsche gezag werden gebracht. 
Maar de inlijving der Pasoemahs ging met meerdere moeite gepaard. 
Ook de bewoners dier streken maakten zich aan herhaalde roof- 
tochten schuldig, terwijl zij de contracten, die met hen gesloten 
waren, telkens verbraken. In 1866 werd derhalve tot eene expeditie 
II. 6 



82 UlTPUEiniNO VAN HET NED. GEZAG OP DE OOSTKUST. 

op Imn gebied besloten. Ihirdiiekkig was de tegenstand, door deze 
bergbewoners geboden, vooral toen de slavernij door ons bestuur 
werd afgeschaft en de hoofden daardoor aanzienhjke verliezen leden. 
Eerst in 18ü8 kon men de onderwerping dier stammen als voltooid 
beschouwen; de bevolking, die de goede bedoelingen van het Neder- 
landsche bestuur heeft leeren waardeeren, mag zich, ten gevolge 
van vrede en rust, in vroeger ongekende welvaart verheugen. 

Hun, die zich onze beschrijving van Sumatra's oostkust herin- 
neren, zal het wel niet bevreemden dat het Nederlandsche gezag, 
meester van de Padangsche bovenlanden zijnde, zich ook aan de 
belangrijkste handelswegen dier gewesten zocht te vestigen en daar 
de voornaamste rivieren trachtte te bezetten. Belangrijke maatregelen 
werden in die richting genomen toen de Koning in 1837 Zijne goed- 
keuring gaf aan eene politiek , die tot einddoel had de onderwerping 
van geheel Sumatra buiten het gebied van Atjeh ; eene politiek 
welke door v. d. Bosch in 1833 als Regeerings-beginsel was aanbe- 
volen, terwijl hij zelfs een termijn van 25 jaar voor het bereiken 
van dit doel had gesteld. En de omstandigheden schenen in het jaar 
1840 deze plannen op buitengewone wijze te begunstigen. Verschei- 
dene rijken aan dé oostkust waren door binnenlandsche twisten den 
ondergang nabij en zochten hunne redding in de tusschenkomst 
van het Nederlandsche bestuur. De Sultan van Djambi moest in 
1832 bij ons Gouvernement om hulp smeeken tegen zeeroovers, die 
zich in zijn rijk hadden gevestigd, maar tot loon voor den toen 
verleenden bijstand viel hij het volgende jaar ons gebied in het 
Palembangsche aan. Michiels kreeg nu last om zich van een punt 
in Djambi meester te maken. De expeditie onder zijn bevel slaagde 
volkomen; een post werd te Moeara kompei gevestigd en reeds 
in 1833 erkende de Sultan onze Souvereiniteit, terwijl een tweede 
contract, op 15 December 1834 gesloten, ons o. a. het recht gaf in 
het rijk in- en uitvoerrechten te heffen. In het Rijk van Indragiri 
w^aren omstreeks denzelfden tijd binnenlandsche onlusten uitgebroken, 
die het gevolg waren van de eigenaardige inrichting van het bestuur 
van dat land. Het opperbestuur berust er bij een Soetan, die den 
titel voert van Jang di pertoean besar, en wiens opvolger door de 
bevolking uit zijn geslacht wordt gekozen, terwijl de Sultan van 
Lingga wiens vasal, zooals wij weten (Dl I p. 249), de vorst van 



INTREKKING VAN EENIGK POSTEN OP DE OOSTKUST. 83 

Indragiri is, die keuze moet bekrachtigen. Het eigenlijk bestuur van 
Indragiri wunlt echter uitgeoefend door den rijksbestierder, Soetan 
moeda of Jaiig di pertoean moeda, wiens waardigheid eveneens erfelijk 
is in zijn geslacht, doch met dien verstande dat de bevolking het 
recht van keuze heeft en de Soetan de keuze bekrachtigen moet. 
De vorst nu was in onmin met den rijksbestierder; uit vrees voor 
diens invloed riep hij de tusschenkomst van ons bestuur in en het 
gelukte eene commissie , met medewerking van den Onderkoning van 
Rhiouw, niet alleen die twisten bij te leggen maar zelfs, (26 Sep- 
tember 1838) , een contract te sluiten waarbij Indragiri zich onder 
het oppergezag van het Nederlandsche Gouvernement stelde en 
eene strook lands voor eene vestiging aan ons afstond. Ook Siak, 
dat aan regeeringsloosheid ten prooi was, stond op het punt een 
contract met ons te sluiten, daar eene menigte bijna onafhankelijke 
hoofden en o. a. die van Kwantan, hunne onderwerping hadden 
aangeboden. Zelfs was ons gezag er in 1838 toe over gegaan, 
om zich in de onafhankelijke Bataklanden te Kota-Pinang te vestigen 
en eene benting bij de samenvloeiing der Bila en Pané op te werpen, 
zoodat eene geregelde verbinding tusschen de west- en oostkust 
verzekerd scheen, toen de naijver der Engelschen en onze onver- 
standige staatkunde die schoone toekomst verstoorden. Een niet 
onbelangrijk deel van den liandel te Singapore bestond uit de pro- 
ducten, die langs de wateren der oostkust werden afgevoerd, en 
de voordeelen, die de Engelsche kooplieden behaalden, werden be- 
dreigd door de hooge rechten, welken wij eischten toen wij meester 
van de rivieren geworden waren. De Engelsche handelaars, die te 
Singapore gevestigd waren en onzen uitsluitenden handelsgeest 
vreesden, dienden heftige klachten bij de Britsche Regeering in en 
deze, welke ons toen niet bijzonder gunstig gestemd was, protes- 
teerde tegen de uitbreiding van het Nederlandsche gezag op Sumatra 
die, volgens de bewering der Engelsche belanghebbenden, in strijd 
zou zijn met het tractaat van 1824, en klaagde over de vijandige 
gezindheid , welke de Nederlandsche autoriteiten tegen den Engelschen 
handel bezielde. Deels om der Engelsche Regeering ter wille te zijn, 
maar deels ook omdat men in eene vestiging aan de oostkust zonder 
beschermende rechten weinig voordeel zag en omdat men zich daar 
met de beschikbare militaire macht toch niet zou kunnen hand- 
haven, besloot het Opperbestuur de Indische Regeering te gelasten 



84 ONZE NEDERZETTING TE DJAMHI. 

allo militaire en civiele posten op de oostkust te verlaten; — geens- 
zins echter om het Regeerings-beginsel , door v. d. Bosch op den 
voorgrond gesteld, geheel op te geven, maar met de bedoeling een 
langeren tijd, b. v. een eeuw, voor de bereiking van dat einddoel 
te bestemmen. Dit bevel werd door Merkus uitgevoerd; de afdeeling 
Pertibi werd verlaten en de nederzetting aan de Bila en Pané opge- 
broken, terwijl aan den vorst van Siak werd medegedeeld dat wij 
slechts eene vriendschappelijke verhouding met hem begeerden, 
doch geene vestiging in zijn lijk wenschten. Te Djambi werd echter 
een andere gedragslijn gevolgd; de Sultan van dat rijk verklaarde 
toch dat hij zonder onze hulp zich niet zou kunnen staande houden, 
en daar men in dat geval voor nieuwe ongeregeldheden in het 
Palembangsche vreesde bleef ons gezag, met goedkeuring van het 
Opperbestuur, in Djambi gevestigd. Om echter aan de bezwaren 
der Engelsche handelaren tegemoet te komen werd een tarief van 
rechten te Moeara kompei ingevoerd, dat geen onderscheid maakte 
tusschen vreemde en Nederlandsche handelaren en goederen. Langen 
tijd was Djambi het tooneel van binnenlandsche twisten. In 1855 
overleed de Sultan en werd door zijn neef, Taha Tsafi'oe-d-din 
opgevolgd, die weigerde een nieuw contract met ons te teekenen, 
en tengevolge van eene expeditie werd de vorst van den troon ver- 
jaagd (1858) en zijn oom in zijne plaats aangesteld. De nieuwe 
vorst, wien een politiek agent als raadgever en leidsman werd 
toegevoegd, oefende echter slechts in de benedenlanden invloed uit; 
de afgezette Sultan Taha vertoefde in de bovenlanden, weigerde 
ons gezag te erkennen en had daar grooten aanhang, zoodat de 
Sumatra-expeditie , zooals wij weten (Dl I. p. 251), niet in die streken 
kon doordringen. Ofschoon de onttroonde vorst nog altijd in de 
bovenlanden verblijf houdt, legt hij ons thans geene moeilijkheden 
meer in den weg, grootendeels wel tengevolge van eene overeen- 
komst, in October 1886 getroffen, toen zijn half broeder, die reeds 
in 1881 als kroonprins erkend was, tot Sultan verheven werd, 
terwijl een zoon van Taha tot kroonprins werd aangesteld. Dat de 
toestand in die bovenlanden, hoewel veel beter dan te voren, nog 
niet in alle opzichten bevredigend is, bleek ons reeds vroeger (Dl. 
I. t. a. p.). 

Ofschoon gedwongen onze posten te Indragiri in 1841 te ver- 
laten braken wij daarom toch niet alle betrekkingen met dat rijkje 



INDRAGIRI EN SIAK NA 1840. 85 

af. De vorst verkreeg toch , als vergoeding voor de schade die deze 
handelwijze hem toebracht, een jaariijksche uitkeering. Reeds in 
1846 verzocht de Soetan dat een Nederlandsch ambtenaar in zijn 
rijk zou geplaatst worden , doch eerst in 1879 werd tot dien maat- 
regel overgegaan en een controleur te Ringat aangesteld. Na dien 
tijd had ons bestuur nog moeilijkheden uit den weg te ruimen, 
die het gevolg waren van twisten in de vorstelijke familie, daar 
een gedeelte der binnenlanden eenen anderen vorst erkende dan 
den Soetan, die met goedkeuring der Regeering was opgetreden. 
Door eene overeenkomst op 20 Augustus 1890 getroffen werd de 
rust hersteld , daar de pretendent zich bereid verklaarde den wettigen 
vorst te erkennen en tot rijksbestierder (Radja moeda) in de 
bovenlanden werd aangesteld , terwijl een andere rijksbestierder 
onder den titel van Soetan moeda namens den Soetan in de beneden- 
streken het bestuur voert. Verlevendiging van handel en vaart was 
het onmiddellijk gevolg dier pacificatie. Een nader contract (21 Maart 
1892) heeft de onderlinge verhouding dier grooten geregeld en aan 
ons bestuur het recht van tolheffing enz. toegekend. 

Met Siak knoopten wij reeds vroeger nauwere betrekkingen 
aan, die eveneens hunne aanleiding in binnenlandsche twisten 
vonden, welke tusschen den Sultan en zijnen broeder, den Onder- 
koning, tevens rijksbestierder, uitbraken en die hiermede eindigden 
dat de Sultan door dezen verdreven werd. Hij vluchtte naar Singa- 
pore en riep daar de ondersteuning in van het Engelsché bestuur, 
onder belofte zijn rijk aan Engeland te zullen opdragen, indien hij 
op zijnen troon hersteld werd. Doch dat bestuur weigerde zijne 
hulp (1857). De vorst moest dus naar anderen bijstand uitzien en 
werkelijk vond hij dien op eene onverwachte wijze. Sedert het aan 
Brooke gelukt was een onafhankelijk rijk op Borneo te stichten, 
ontbrak het niet aan avonturiers, die datzelfde elders in den Indi- 
schen archipel wilden beproeven. Zoo was reeds in 1853 zekere 
Gibson, een Amerikaansche schipper, te Palembang aangekomen 
en had zijnen stuurman met eene zending naar den Sultan van 
Djambi belast, om dezen onder valsche beloften van bijstand door 
het Amerikaansche Gouvernement tegen het Nederlandsche gezag 
op te zetten „en" zoo schreef hij „alle Hollanders te vernielen, 
indien het mogelijk was", terwijl hij tegelijkertijd de vriendelijke 
aanbieding deed om binnen weinige dagen over te komen en het 



86 ONZE VESTIGING TE SIAK. 

rijk over te nemen ! üe zendeling werd achterhaald en Gibson door 
den rechter tot lanjiduripo frevangenisstraf veroordeeld, waaraan hij 
echter door de vlucht ontkwam. De Sultan van Siak maakte nu 
te Singapore met eenen dergelijken gelukzoeker, Wilson genaamd, 
kennis en deze nam aan, hem op den troon te herstellen. Met 
behulp van eenige Inlanders, die hij in dienst genomen had, ver- 
dreef Wilson inderdaad den Onderkoning, maar weldra kreeg hij met 
den Sultan twist, en nu verjoeg hij ook dezen en maakte zich 
gereed het rijk zelf te besturen. Doch de verjaagde vorsten riepen nu 
beiden de tusschenkomst in van den resident van Rhiouw en diens 
komst was voldoende, om Wilson het hazenpad te doen kiezen. 
Een verbond van vriendschap werd met Siak gesloten, maar ter 
nauwernood was de resident vertrokken of Wilson keerde terug, 
zoodat het Nederlandsche gezag op nieuw tusschen beiden moest 
komen, en nu werd, om dergelijke tooneelen te voorkomen, den 
Isten Februari 1858 een contract met Siak gesloten, waarbij dat 
rijk de Souvereiniteit van Nederland erkende, en wij ons verbonden 
de rechten van Siak op zijne onderhoorigheden tot aan de Tamiang- 
rivier te helpen handhaven. Maar daarmede waren de binnenlandsche 
onlusten geenszins beëindigd. Op nieuw brak er oneenigheid uit 
tusschen den Sultan en zijne bloedverwanten die, na allerlei gebeur- 
tenissen, waarvan het eentonig verhaal alle aantrekkelijkheid mist, 
door de afzetting van den Sultan werd beslecht, in wiens plaats 
een jongere broeder tot vorst werd aangesteld (1864). De betrekking 
van Onderkoning was reeds in 1863 afgeschaft, zoodat deze voortaan 
slechts als rijksbestierder (Mangkoe boemi) erkend werd. Ook na 
deze gebeurtenissen bleef het rijk het tooneel van twisten tusschen 
den vorst en zijne grooten, die in eenige afgelegen deelen van het 
rijk tot volslagen regeeringsloosheid leidden. Door het optreden van 
eenen nieuwen Sultan (1890) en den spoedig daarop gevolgden dood van 
den vroegeren rijksbestierder schijnt er thans meerdere kans op rust 
en vrede te bestaan in een land, dat daaraan groote behoefte heeft, 
't geen misschien ook ten goede zal kunnen komen van Euro- 
peesche ondernemingen van landbouw en nijverheid die, tot nog 
toe althans, niet tot bloei konden geraken. 

Dat dit laatste wel het geval was in sommigen der overige 
rijkjes aan de oostku.st van Sumatra is ons reeds bekend (Dl I. p. 
231). De heerschappij van den Sultan van Siak over die Maleische 



DE ONDERHOORIGHEDEN VAN SIAK. 87 

staatjes aan ile straat van Malakka werd hem lan^'en tijd door 
Atjeh betwist; de onlusten in het eerstgenoemde rijk brachten er 
veel toe bij, om enkelen der vasalvorsten afkeerig te maken van de 
suprematie van dien Sultan. In 1862 kwam de vorst van Langkat 
te Slak, om de hulp van den Sultan in te roepen tegen de aan- 
matiging der Atjehschc grooten en de resident van Rhiouw kreeg 
daarop last, om de verschillende staatjes bezuiden Kaap Tamiang 
te bezoeken en ze, zoo mogelijk op vredelievende wijze, tot erkenning 
van het gezag van Siak te brengen, iets waartoe wij door het 
contract van 1858 gehouden waren. Een aantal dier rijkjes voldeed 
aan dit verlangen; Pané, Bila, Batoe bara, Deli en Langkat erken- 
den de opperheerschappij van Nederland, maar Assahan ') en Ser- 
dang, — die geheel onder den invloed van Atjeh stonden, dat zelfs 
op de geheele oostkust tot Tanah poetih aanspraak maakte, — 
weigerden alle toenadering en maakten zich aan allerlei feitelijk- 
heden tegen onze bondgenooten schuldig. Ook Tamiang, waar 
Chineezen van Poeloe Penang vermoord waren , weigerde zich 
daaromtrent te verantwoorden. Eene expeditie was onvermijdelijk 
(1865). Zij werd met het gewenschte gevolg bekroond. Assahan 
en Serdang onderwierpen zich zonder bloedstorting en ons gezag 
werd, met inbegrip van Tamiang, tot de grenzen van Atjeh uitge- 
breid, zonder dat het den Atjehers later gelukken mocht, daar weder 
vasten voet te krijgen. In 1884 deed Siak, — waar wij, evenals in 
de meesten der genoemde staatjes het recht van belastingheffing van 
de vorsten geheel of gedeeltelijk hebben afgekocht, — tegen eene 
jaarlijksche schadeloosstelling en de kwijtschelding eener schuld, 
afstand van zijne rechten op de kuststaten, die dus thans onmiddellijk 
aan onze suprematie onderworpen zijn en van welken, zooals wij 
weten, enkelen een ruim arbeidsveld voor den Europeeschen land- 
bouw opleveren. Met name is dit het geval in Deli waar de vorst, 
die zich gunstig van vele andere Maleische hoofden onderscheidde, 
spoedig na de erkenning onzer Souvereiniteit uitgestrekte woeste 
gronden in huur uitgaf (1866). In het derde Boek komen wij terug 
op de daar en in de overige staatjes gedreven teelt van producten 
voor de Europeesche markt; hier worde slechts opgemerkt dat 
vooral Deli zich sterk ontwikkelde , dank zij ook aan de rust die 



1) Kroesen in T. B. G. XXXI. 



88 VERWIKKELINGEN MET ATJEH. 

daar heerscht, sedert in 1873 een tweetal hoofden (datoe's) onder- 
worpen werden, die zich tegen den Sultan verzet hadden, daar zij 
voor zich en andere hoofden een ruimer aandeel verlangden in de 
voordeelen, door den Sultan van de Europeesche ondernemingen 
getrokken '). Dat de streken aan de oostkust, die aan de Atjehsche 
landen palen, in dit voorrecht niet deelen, heeft de inval van 
Atjehsche benden in het Tamiangsche nog dit jaar (1893) bewezen. 
Gelukkig dat het laatste Regeeringsverslag (1892) weder getuigen 
mag, dat de aanraking met de hoofden en bevolking der Bataksche 
landen immer menigvuldiger wordt, terwijl aan alles te bespeuren 
is dat men in die streken onze bemoeiingen op hoogen prijs stelt, 
en de goede gezindheid dier bevolking nog in 1891 bleek, toen zij 
onze militairen ondersteunden bij de verdrijving van eene bende 
Atjehers, die door de Bataklanden wilde trekken. Men mag dan 
ook de hoop koesteren dat de invallen in de reeds lang aan ons 
gezag onderworpen landen (Dl. I. p. 232), die reeds sedert eenigen 
tijd niet meer voorkomen , geheel tot het verleden zullen behooren. 

Grootendeels zal dit zeker wel afhangen van den loop, dien de 
strijd in Atjeh zal nemen omdat belangrijke nederlagen, daarin door 
ons geleden, zeker ook in de aangrenzende landen terugslag zullen 
vinden. Sedert 1800 (Dl. I. p. 501) was de toestand in dat rijk er 
niet op verbeterd; geschillen over de troonsopvolging vernielden er 
allen welvaart, totdat in 1818 de Engelschen zich met de aangele- 
genheden van Atjeh bemoeiden, uit vrees voor de uitbreiding van 
den Nederlandschen invloed , die vooral na de teruggave van Malakka 
door Raffles gevreesd werd. Zij erkenden Djauhar, een der kroon- 
pretendenten, als Sultan en sloten met hem een contract, waarbij 
zij dezelfde handelwijze volgden, die zij ons elders zoo heftig ver- 
weten, daar zij het recht bedongen om zich te Atjeh te vestigen, 
met uitsluiting van alle andere natiën (1819). Maar het tractaat van 
17 Maart 1824 hief deze onbillijkheid op, daar het in art. 3 bepaalde 
dat geene overeenkomst tusschen Engeland of Nederland met eenen 
Staat in de oostersche zeeën eenige bepaling mocht behelzen waar- 
van de strekking was om, hetzij rechtstreeks, hetzij door het opleggen 
van ongelijke rechten, den koophandel der andere partij van de 



') Een overzicht van die gebeurtenissen geeft o. a. Prof. Veth. T. aardr. Gen. II. 



VERWIKKELINGEN MET ATJEH. 89 

havens van dien Inlandschen Staat uit te sluiten. Het Engelsche 
verdrag met Atjeh werd dus veranderd in eene eenvoudige scliikking 
voor de gastvrije ontvangst van Britsclie schepen en onderdanen , 
maar daarentegen beloofden de Nederlandsche gevolmachtigden in 
eene nota, bij het tractaat gevoegd, dat hun Gouvernement zorgen 
zou zijne betrekkingen met Atjeh in dier voege te regelen dat die 
Staat, zonder iels van zijne onafhankelijkheid te verliezen, den zee- 
vaarder en handelaar die bestendige veiligheid zou aanbieden , welke 
er niet scheen te kunnen bestaan zonder eene gematigde uitoefening 
van den Europeeschen invloed. Voor hen, die de Inlandsche Staten 
kent, is het duidelijk dat Nederland hiermede eene bezwaarlijk te 
vervullen taak op zich nam, dewijl eene uitoefening van Europeeschen 
invloed daar wel nimmer te verkrijgen is zonder de mogelijkheid, 
dien door krachtdadige middelen te verzekeren. Gedurig hadden er 
dan ook botsingen tusschen Atjeh en ons bestuur plaats, gedeeltelijk 
ontstaande uit de sympathie , die de Moslemsche Atjehers aan de 
Padri's toedroegen, en uit den slavenhandel en de rooftochten, 
welken zij zich ongestraft in onze bezittingen veroorloofden, maar 
die voor een deel ook veroorzaakt werden door de onredelijke eischen, 
welke wij aan den handel op Sumatra's westkust stelden. Vooral 
werden de Atjehers verbitterd door de bezetting van Baros, Tapoes 
en Singkel , daar zij op die plaatsen aanspraak maakten en herhaalde 
malen werden door hen rooverijen gepleegd, die Nederland, door 
het tractaat van 1824 gebonden, niet op eene afdoende wijze te 
keer kon gaan. Wel scheen het een oogenblik dat eene overeen- 
komst, op 30 Maart 1857 door den Gouverneur van Sumatra's west- 
kust, generaal van Swieten, met den Sultan gesloten, een einde 
aan alle twisten zou maken , daar van weerszijden werd afgezien 
van alle vorderingen en aanspraken en de Sultan zich verbond den 
zee-, strand- en menschenroof tegen te gaan. Maar spoedig daarna 
werd de verhouding tusschen Atjeh en ons gezag op nieuw zeer 
gespannen , de boven (p. 87) vermelde onderwerping der Siaksche 
onderhoorigheden aan de oostkust verbitterde de Atjehers in hooge 
mate, en niet minder de expeditiën tegen Nias gezonden (1863), met 
het doel aan den gruwelijken en onzedelijken slavenhandel der 
Atjehers op dat eiland een einde te maken. Zelfs kwam het in 1865 
tot een strijd tusschen onze marine en eenige Atjehsche vrijbuiters, 
die zich bij de rivier van Singkel versterkt hadden, terwijl de 



00 IIKT SUMATRA-TRACTAAT. 

onveiligheid der noordkust van Sumatra door de zeerooverijen en 
biiuitmlandsclie twisten der Atjehors en van do bevolkinj^ dorondor- 
liourige staten moer en meer toenam. Maar nog altijd bond het 
tractaat van 1824 onze handen, toen de gelegenheid zich aanbood 
om ontslagen te worden van het voorbehoud, dat dit tractaat ten 
opzichte van onze betrekkingen met Atjch bevatte. Op nieuw hadden, 
ditmaal geheel ongegronde, klachten van Britsche kooplieden hunne 
Regeering aanleiding gegeven vertoogen in te brengen tegen de 
uitbreiding van ons gezag op Sumatra's oostkust. Op verlangen dier 
Regeering werden nu onderhandelingen geopend over het sluiten 
van een tractaat, waarbij de bestaande geschillen zouden worden 
opgelost en werkelijk gelukte het eene dergelijke overeenkomst te 
trelTen, nadat de eerste poging daartoe door een votum der Tweede 
Kamer in Juli 1871 verijdeld was. Bij het zoogen. Sumatra-tractaat, 
op 2 November 1872 tusschen Nederland en Groot-Brittanië aange- 
gaan en door de Staten-Generaal bekrachtigd, verplichtte onze 
Regeering zich in Siak en alle nog te verkrijgen landen op Sumatra 
aan den handel en scheepvaart van Britsche onderdanen dezelfde 
rechten en voordeelen te zullen verleenen als aan de Nederlandsche 
onderdanen en scheepvaart daar werden toegekend. Daarentegen 
zag hare Britsche Majesteit af van alle vertoogen tegen de uitbrei- 
ding van het Nederlandsche gezag in eenig gedeelte van het eiland 
Sumatra en mitsdien ook van het voorbehoud, voorkomende in de 
nota's, uitgewisseld bij het sluiten van het tractaat van 17 Maart 
1824. Hiermede kregen wij dus de handen vrij tegen Atjeh, maar 
werd ons tevens de zedelijke verplichting opgelegd om de veiligheid 
in de Indische wateren tegen de aanslagen der Atjehers te verzekeren. 
Aanvankelijk streefde de Regeering er naar dit door vredelievende 
middelen te verkrijgen, zooals het bezoeken der Atjehsche wateren 
door onze schepen, zonder tot agressieve politiek over te gaan. Deze 
handelwijze had reeds in zooverre gunstige gevolgen, dat enkele 
Atjehsche vasalstaatjes, zooals Edi, Pasei en Pedir verzochten in 
dezelfde betrekking tot ons te komen als met Deli het geval was. 
Dit verzoek werd echter afgeslagen, daar men nog hoopte langs 
den weg van onderhandelingen Atjeh te kunnen winnen en evenmin 
werd een aanbod aangenomen van den Radja van Troemon , die naar 
Atjeh wilde gaan om de rijksgrooten over te halen onze Souverei- 
niteit te erkennen. Men zag nog steeds heil in het slepend houden 



INRICHTING VAN HRT INLANDSCH BESTUUR TE ATJEH. 91 

der betrekkingen met Atjeh, des noods gepaard aan een optreden 
der marine, toen onverwachte gebeurtenissen de Regeering noopten 
krachtig te handelen en eene sterk agressieve staatkunde te volgen. 

Om de nu volgende feiten wel te begrijpen moeten wij een oogen- 
blik stilstaan bij de organisatie van het bestuur in Atjeh en onder- 
hoorigheden tijdens het Sultanaat '). Volgens de overleveringen zou 
de bevolking van Groot-Atjeh, na de Hindoe-kolonisatie, verdeeld 
zijn geweest in een viertal stammen , soekee's of kaoems ; — de 
Kaoem Léeretoes, die de oorspronkelijke, Mantirsch-Bataksche be- 
volking omvatte; de K. Imampët, uit de Hindoe's bestaande; de K. 
Toek Batée met de van her- en derwaarts toegestroomde bevolking; 
en de later gevormde K. Dja Sandang, die zijn naam zou hebben 
ontleend aan een Mantirsch-Bataksche vasalvorst uit de XXII Moe- 
kims. De K. Imampët was de machtigste stam; om tegen dezen een 
tegenwicht te vormen vereenigden zich de 3 overige kaoems, die 
dan ook dikwijls „de 3 kaoems" genoemd worden, en vaak bloedigen 
strijd voerden met de K. Imampët, die ook als „de 4 kaoems" betiteld 
wordt. Deze kaoems vormen nu nog den grondslag van de Atjehsche 
maatschappij ; hare loden wonen gewoonlijk vermengd in verschil- 
lende kampongs onder hoofden (panglima kaoem) en oudsten, die 
gehoord moeten worden vóór dat geschillen op duurzame wijze 
kunnen beslist worden. Elke kampong of vereeniging van woningen , 
die de volkseenheid der oorspronkelijke bestuursinrichting uitmaakte, 
stond weder onder één hoofd, ketjihik (ketjik) genaamd. 

Op deze organisatie van het volksbestuur, welke in boofdtrekken 
ook elders in den Indischen archipel wordt aangetroffen , entte 
Iskander Moeda (Dl. I. p. 499) eene andere in, die ten doel schijnt 
gehad te hebben de bevolking in grootere groepen te vereenigen en 
daardoor het bestuur krachtiger te maken. Hij bepaalde namelijk 
dat de kampongs, wier inwoners hun Vrijdagsdienst in dezelfde 
mesdjid of moskee verrichtten, één geheel zouden vormen, dat den 
Arabischen naam Moekirn ^) droeg. Daar ook de kampongs zich ont- 
wikkelden en uitbreidden, kwam daar vaak eene onderverdeeling 



1) K. F. H. V. Langen in Bijdr. t. t. 1. en vlk. Ve. Ser. III. 

-) Moekim beteekent; inwoner eener plaats. Een vast getal moekims is noodig 
voor het houden van eenen geldigen Vrijdagsdienst. In Atjeh is die uitdrukking nu 
toegepast op het gebied, bewoond door de ingezetenen eener streek, die onder één 
hoofdmoskee ressorteert. 



92 INRICHTING VAN HET INl.ANDSCH BESTUUU TE ATJKH. 

in binasah's (wijken) tot stand, welken dien naam droegen naar 
het bedehuis, waar de bewoners der wijk hunne dagelijksche gebeden 
verrichtten en hunne kinderen onderwijs ontvingen, üet hoofd eener 
zoodanige wijk heette Tengkoe binasah, in de XXII Moekims ketjik. 

Aan het hoofd der Moekim stond nu de Imam, de voorganger 
in het gebed in de mesdjid, die weldra gezag verkreeg over de 
bevolking, tot zijne Moekim behoorende. Maar daardoor konden 
de Imams zich vaak minder met hunne godsdienstige verplichtingen 
inlaten, die zij nu aan een ander persoon, den Imam sembahjang, 
overlieten, terwijl zij dan ter onderscheiding Imam Moekim of Adat 
genoemd werden. Daar aanvankelijk als bevolkingsbasis eener Moekim 
een duizendtal weerbare mannen was aangenomen, splitsten de 
Moekims zich, bij het toenemen der bevolking, in meerderen, die 
echter het oppergezag van den Imam der moedermoekim bleven 
erkennen, en eene confederatie (VIII Moekims, IX M. enz.) vormden 
met dien Imam als hoofd, die dan den titel voert van Oeleebalang 
(aanvoerder in den strijd). Sommigen dezer Moekims traden niet tot 
eene confederatie toe; hunne Imams voeren dan ook niet den titel 
van Oeleebalang. Daarentegen hebben sommige Imams aanspraak 
op den titel Oeleebalang, niettegenstaande zij aan een anderen 
Oeleebalang ondergeschikt zijn. Naar het schijnt was deze centrali- 
satie niet voldoende ; de Sultane Noeroe'1-alam Nafiatoe-d-din (1675 — 
4677) toch verdeelde het rijk, — buiten het eigenlijke Sultans- 
gebied, dat de mesdjid van den Kraton en de groote moskee met 
de omliggende landen omvatte, — in drie groote afdeelingen, Sagi's 
(zijde van een drie- of veelhoek) genaamd, die onder Panglima's 
(krijgsoversten) gesteld werden , welken niet uit de Oeleebalangs 
gekozen werden maar uit de omgeving der vorsten. Zoo ontstonden 
dus de Sagi's der XXV, XXVI en XXII Moekims, naar het getal 
der mesdjids, welken zij bevatten. De Oeleebalangs stelden soms 
van hunnen kant Panglima's aan; ter onderscheiding met dezen 
worden de eerstgenoemden dan het best Pangliraa Sagi geheeten. 

Was de wensch naar grootere centralisatie en versterking van 
het Sultansbestuur waarschijnlijk wel de reden dezer hervormingen, 
bij de toepassing bleek het dat het resultaat geheel anders zou zijn. 
De hoofden , met name de Panglima's en vooral die der XXII 
Moekims, verwierven steeds meerdere macht, vooral toen zij hun 
ambt erfelijk in hun geslacht wisten te maken, zoodat de Sultans, 



INRICHTING VAN HET INIANDSCH BESTUUR TE ATJEH. 93 

die door de hoofden en bevolking naar willekeur werden afgezet en 
aangesteld, niet veel meer hadden te doen, dan hen in hun ambt 
te bevestigen en volslagen anarchie in het geheele rijk heerschte. 
Want eveneens als de Sagi-hoofden tegen de Sultans naar onaf- 
hankelijkheid streefden, deden dit de Oeleebalangs en Imams onder- 
ling en zelfs de mindere hoofden en bevolking, zoodat de mate 
van hunne macht hoofdzakelijk door de meer of minder krachtige 
persoonlijkheid van het hoofd, of het aanzien van zijn geslacht 
bepaald werd. Buiten het gebied der Sagi's stonden, zooals wij 
weten, de Kraton en de groote Moskee. Over den Kraton met de 
daaraan grenzende kampongs heerschte de Sultan zelf; de Moskee 
met hare kampongs werd vroeger door een Pangiima Mesdjid Raja 
bestuurd, doch kort voor het uitbreken van den oorlog was dit 
gebied in tweeen gesplitst en het deel , dat aan den rechteroever 
der rivier gelegen was, onder het bestuur geplaatst van den erfelijken 
opperrechter Tekoe ^) Kadli Malikoe-1-adil , de voorzitter van het 
Hooge Gerechtshof, waarin verscheidene rijksgrooten en hoofden 
zitting hadden. Daar de hoofden in de door hen bestuurde streken 
de rechtsmacht aan zich hadden getrokken, kwamen alleen die 
zaken voor dat gerechtshof, waartegen zij zich niet opgewassen 
gevoelden. 

Met deze, onderling verdeelde en door binnenlandsche oorlogen 
verscheurde, maar tevens bij uitstek krijgshaftige bevolking zouden 
wij spoedig in ernstige botsing komen *). In September 1872 kwam 
de Sjah-bandar van Atjeh bij den resident van Rhiouw, naar hij 
beweerde met een opdracht van den Sultan, die een tractaat met 
ons wenschte te sluiten en ontslagen te worden van de Arabische 
partij welke, onder de leiding van den rijksbestierder, een Arabier 
Habib Abdoe-r-Rahman Al Zahir genaamd ^) , vijandig tegenover de 

') De uitdrukking sTekoe" komt het meest overeen met ons «Mijnheer". Vorsten- 
telgen dragen in Atjeh den titel «Toeankoe", en de in verdere linie met hen ver- 
wante hoofden dien van Poh Tjoet. De Sultan en de Toeankoe's worden meest aan- 
gesproken met sToeankoe Poh". De hoofden op de noord- en oostkust hebben, even 
als de geestelijke hoofden in geheel Atjeh, aanspraak op den titel «Teungkoe". 
Afstammelingen van den profeet dragen de titels van Teungkoe Said, Teungkoe 
Habib en Pangoelé (Boutmy). 

-) E. B. Kielstra. Beschrijving van den Atjeh-oorlog. 3 dln. 's Grav. d883. W. L. 
de Petit. La conquéte de la vallée d'Atchin. Paris. La Haye. 1891. Een populair 
gesteld overzicht gaf ook P. Brooshooft. Gesch. v. d. Atjeh-oorlog. Utr. 1687. 

^) Zie zijne levensschets in Ind. Gids 1880. IL 



94 VERWIKKELINGEN MET ATJEH. 

Inlandsche partij stond. Op de verzekering van den resident, dat 
de Nederlandsche Regeering gaarne den Sultan steunen zou, ver- 
trok de Sjah-bandar, docli kwam spoedig terug, vergezeld van een 
viertal Oeleebalangs. Zij brachten een schrijven van den Sultan over 
die verzocht dat de hem aangekondigde zending eener commissie 
naar Atjeh nog zou worden uitgesteld, omdat de vorst een brief 
naar den Sultan van Turkije gezonden had en daarop antwoord 
wenschte aftewachten, alvorens nader met ons in onderhandeling 
te treden. Volgens de bewering der gezanten was dit slechts een voor- 
wendsel om de Arabische partij gerust te stellen; in waarheid wilde 
de vorst, naar zij voorgaven, tijd winnen om zijn aanhang door 
brieven aan enkele staatjes, en vooral aan Troemon, tegen die 
partij te versterken. Het gezantschap, minzaam ontvangen, nam de 
terugreis aan en begaf zich over Singapore naar Atjeh terug. Men 
mocht dus verwachten dat onze betrekkingen met dat rijk op bevre- 
digende wijze zouden worden geregeld, toen tijdingen uit Singapore 
een geheel ander licht over de zending dier rij ksgrooten verspreidden 
en onze Regeering tot krachtig handelen deden overgaan. 

Naar het schijnt had Atjeh, vermoedende dat de beslissende 
strijd aanstaande was, zich tot vreemde Mogendheden gewend om 
hare hulp tegen ons interoepen, desnoods met opoffering van de 
zelfstandigheid van het rijk. In de eerste plaats bestonden er reeds 
sedert langen tijd betrekkingen tusschen Atjeh en het hoofd van de 
rechtzinnige Moslems, den Sultan van Roem, ons beter als Turkije 
bekend. Reeds in 1562 had Sultan Alaoe-d-din van Atjeh een gezant- 
schap naar Turkije gezonden, om door de erkenning van het gezag 
van den Sultan van Roem den Islam in zijn lijk te versterken. Ook 
later werden die betrekkingen onderhouden; in 1851 aanvaardde 
Turkije zelfs bij firmam op nieuw de Souvereiniteit over Atjeh, terwijl 
de reeds vroeger genoemde Habib Abdoe-r-Rahman een brief van den 
Sultan van Atjeh aan den Grooten Heer overbracht , waarin die vorst 
verklaarde onderdaan te zijn van Turkije en dit te willen blijven , 
en zich ook te zullen gedragen naar de bevelen van den persoon, 
dien Turkije mocht willen zenden om Atjeh te besturen. Maar de 
Groote Heer bepaalde zich tot het aanbieden zijner welwillende 
tusschenkomst en men had krachtiger hulp noodig in den aanstaanden 
strijd met de Hollanders, en daartoe versmaadde men het niet, 
zelfs bij ongeloovigen ter markt te gaan. In Februari 1873 kreeg 



EERSTE EXPEDITIE TEGEN ATJEH. 95 

het bestuur te Batavia tijding van onzen consul te Singapore dat 
de Atjehsche gezanten op hunne terugreis daar betrei<i<ingen hadden 
aangeknoopt met de Italiaansche en Amerikaansche consuls, en dat 
dezen niet ongeneigd schenen daarvan partij te trekken in het 
belang eener vestiging hunner natie te Atjeh. 

Het bestuur te Batavia, en ook het Opperbestuur, dat terstond 
van deze feiten kennis kreeg, stond voor groote moeilijkheden. Het 
was toch gebleken dat door Atjeh stappen waren gedaan, die leiden 
konden tot de vestiging van een vreemd, Europeesch gezag op 
Sumatra, waardoor op nieuw al de verwikkelingen dreigden te 
ontstaan , die vroeger zoo dikwijls de goede verstandhouding tusschen 
Engeland en Nederland hadden bedreigd. En ofschoon weldra bleek, 
dat Italië zich niet in onze aangelegenheden wilde mengen, boezemde, 
in den aanvang althans, de houding van den Amerikaanschen consul 
minder vertrouwen in en was het te vreezen dat vroeger of later 
Atjeh, dat zich ook tot Frankrijk schijnt gewend te hebben, de 
begeerde hulp zou hebben gekregen vóór het tot een oorlog met 
Nederland gekomen was en dus op een tijdstip, waarop vestiging in 
Atjeh aan iedere vreemde Mogendheid zou hebben vrijgestaan. Wij 
zien dan ook niet in dat men recht heeft het af te keuren, dat 
Nederland zijne mededingers wilde voorkomen en de erkenning van 
zijn Souvereiniteit door Atjeh eischte als waarborg tegen dergelijke 
handelingen en ter vervulling van de pas aanvaardde taak om rust 
en veiligheid in de Oostersche wateren te handhaven. Misschien mag 
het nu betreurd worden dat men zich niet tot een oorlogsverklaring 
bepaalde en de kusten door onze marine liet blokkeeren , in afwach- 
ting van eene toenadering van den vijand, die door belemmering 
van in- en uitvoer in zijn hartader zou zijn aangetast, en nog niet 
door hardnekkigen strijd verbitterd was. Maar gezwegen van de vrij 
groote kans dat de strijd , slepend gehouden , niet minder lang zou 
hebben geduurd dan nu het geval is, behoort men bij de beoordee- 
ling der feiten de omstandigheid in aanmerking te nemen dat in 
4872 niemand een zoo goed toegeruste en dappere tegenpartij kon 
vermoeden, als de Atjehers bleken te zijn en dat goede verwach- 
tingen mochten worden gekoesterd van den indruk, dien een krachtig 
optreden zou maken. Maar wat zeker wel te betreuren was, het is 
dit, dat de leiding der eerste expeditie, deels tengevolge van de per- 
soonlijkheid van den aanvoerder, deels ook door de gebrekkige kennis 



96 r)E OORLOG MET AT.IEH. 

die men van Atjeh had, zooveel te wenschen overliet dat zij, wel 
verre van ons aanzien te verhoogen, daaraan een gevoeligen slag 
toebracht. 

Met machtiging van het Opperbestuur werd besloten, een Regee- 
rings-Commissaris naar Atjeh te zenden, van eene voldoende zee- 
ën landmacht vergezeld, ten einde de bestuurders van dat rijk 
opheldering te vragen over hun trouweloos ^) gedrag en van hen bij 
tractaat waarborgen te eischen tegen herhaling van zulke hande- 
lingen en voor duurzame, regelmatige betrekkingen. Tot die betrek- 
king werd de vice-president van den Raad van Indië, Nieuwenhuyzen, 
gekozen die in 1858 een groot aandeel had in het sluiten van het 
tractaat met Atjeh. Den 22sten Maart 1873 verscheen de Commissaris 
ter rcede van Atjeh; een schrijven aan den Sultan, waarbij hem 
opheldering van zijn gedrag werd gevraagd, werd op ontwijkende 
wijze beantwoord en daar het bleek dat de Sultan slechts tijd zocht 
te winnen maakte de Commissaris gebruik van de bevoegdheid, 
hem verleend , en verklaarde op den 26sten Maart den oorlog aan 
Atjeh. De expeditionaire macht, die met het oog op de mogelijk- 
heid dezer gebeurtenis reeds was uitgerust en op weg gegaan, 
kwam den 5™ April ter reede aan; de landing der troepen had 
zonder verzet plaats, maar toen zij tegen den Kraton optrokken 
wachtte hun een felle tegenstand, waarop niet was gerekend. 
Nadat de mesdjid tweemalen genomen was , werd een aanval op den 
Kraton afgeslagen; de dood van den aanvoerder, Generaal Kohier, 
en de naderende slechte moesson maakten het terugtrekken der troepen 
noodzakelijk en ofschoon een eskader werd achtergelaten om de kust 
te blokkeeren, kon het niet worden ontkend dat onze troepen tegen 
Atjeh eene geduchte nederlaag hadden geleden. Diep was de indruk 
dien de tijding van de mislukking der onderneming in Indië en 
Nederland maakte, maar algemeen was de overtuiging dat, nu 
vooral, voor de handhaving van ons gezag, ook in het overige deel 
van den archipel, de onderwerping van Atjeh dringend noodzakelijk 
was. Een tweede expeditie werd met kracht voorbereid en aan het 
hoofd daarvan als opperbevelhebber en Regeerings-Commissaris de 
gepensioneerde Luitenant-Generaal van Swieten gesteld die, zooals 

1) De uitdrukking «trouweloos" gebruikte de Regeering in de overtuiging, dat 
de handelingen der gezanten te Singapore door den Sultan waren uitgelokt, iets 
wat niet geheel boven twijfel verheven schijnt. 



WAPENS. 




1 . Dajaksche koppensneller met la. Sipet (blaasroerl. 2. Knods (Papoea's). .S. Pedang. 4. ia. 4b. 
Pijlen (Uajaks). 5. 5a. 56. 5c. Krissen. 6. 6a. Hom (kleine dolk) Dajaks. 7. Dievcnvanger. 
8. Verklikker. 9. Beenbreker. 10. Zwaard (Solor). 11. Voorvecliterszwaard (Sangi). 12. 12a. 
12i. Mandau (koppensneller) met scheede eu poeai. 



TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJEH. 97 

wij weten, reeds vroeger Atjeh bad leeren kennen en nu het staat- 
kundig en militair gezag in lianden kreeg, en aan wien de Generaal 
Verspijck als tweede bevelhebber werd toegevoegd. Het was het 
doel der expeditie ora den Kraton te veroveren, met het plan van 
daar uit tot de onderwerping van het land te komen, zonder te 
streven naar de onmiddellijke verovering van geheel Atjeh, waartoe, 
naar men oordeelile , eene macht vereischt werd die wij niet bezaten. 
Men hoopte dat de verovering van den Kraton het mogelijk zou 
maken een tractaat, in den geest van het verdrag met Siak, te 
sluiten met den jongen en zwakken Sultan die, naar men vernomen 
had , vredelievend gezind was , maar zich niet kon onttrekken aan 
den invloed der Panglima's en Oeleebalangs, welken vreesden door 
eene onderwerping aan ons gezag macht en voordeelen te zullen 
verliezen. Dat het hoofddoel, der expeditie gesteld, bereikt werd 
is bekend. Onder zeer ongunstige omstandigheden vertrokken, daar 
cholera de troepen teisterde en hevige regens het terrein ongeschikt 
tot handelen maakten , kwam onze macht den 29sten November 
1873 op de reede van Atjeh te samen en gelukte het den 9den De- 
cember en volgende dagen, zonder ernstigen tegenstand, het leger 
te doen landen en bij Moesapi een strandbivak te betrekken. 
Eenige dagen later kon men het bivak reeds meer landwaarts in 
naar Penajoeng verleggen en van daar uit de operatiën tegen de 
Mesdjid en den Kraton aanvangen. Nadat eene poging met den 
vijand te onderhandelen was mislukt, daar zij slechts het vermoor- 
den van onzen moedigen zendeling Mas Soema Widikdja ten gevolge 
had , werd met kracht opgetreden. Na eenige gevechten viel de 
Mesdjid den 6den Januari 1874 weder in onze handen en waren wij 
slechts 300 meters verwijderd van het hoofddoel der onderneming, 
de Kraton. Maar het dicht begroeide, met dikke, bijna ondoordring- 
bare stekelachtige bamboeheggen doorsneden terrein was zóó on- 
gunstig voor de operatiën en de Kraton zóó sterk bevestigd , dat 
het tot 24 Januari duurde vóór dat deze verblijfplaats van den Sultan 
in onze macht was. Hare bestorming zou zeker zware offers hebben 
gekost, ware het niet dat de vijand, door vorige gevechten ontmoe- 
digd, haar verlaten had vóór dat het tot een ernstigen strijd kwam. 
Zooals vroeger (Dl 1. p. 223) gedeeltelijk is medegedeeld, was de 
Kraton niets anders dan eene groote ommuurde, boschrijke vlakte, 
waar een aantal bamboezen huisjes en verhoogde begraafplaatsen 
II. 7 



98 TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJEIl. 

gevonden werden, hier en daar tusschen het geboomte verscholen 
met een kleine mesdjid. Het vervallen, onzindelijke en verwaarloosde 
houten woonhuis van den Sultan stund op een plein , waar zich ook 
het raadhuis en een steenen buskruitmagazijn bevond. Een zware 
aarden wal. hier en daar met steenen muren afgewisseld, omringde 
de vlakte en was door eene beplanting met bamboe-doeri en eene 
gracht behoorlijk tegen een aanval versterkt, terwijl niet minder 
dan 35 stukken geschut tegen ons gebruikt waren. 

Terecht was de vreugde groot, die de tijding van deze zegepraal 
in Indië en in het moederland verwekte. Door de inname van zijne 
hoofdstelling vvas toch den vijand een zwaren slag toegebracht, en 
het aanzien der Konipagnie, zooals het Nederlandsche Gouvernement 
nog dikwijls genoemd wordt, in het oog der Inlanders weder her- 
steld. Maar overdreven waren de verwachtingen, die men hier te 
lande van de overwinning koesterde , alsof daarmede den vijand 
de doodswonde zou zijn toegebracht en alsof de Kraton een soort 
van Parijs ware, met de verovering waarvan ook het geheele land 
aan de voeten van den overwinnaar lag. Slechts algeheele onkunde 
van de geschiedenis van Indië, hier te lande helaas! een zoo alge- 
meen verschijnsel, kon dit doen verw-achten en verklaart de reactie 
die intrad, toen men bemerkte dat de vijand ook na de vermeeste- 
ring van den Kraton niet stil zat, maar zich aangordde om den 
strijd voorttezetten. Het was nu de taak van bestuur en leger samen 
om dezen zóó kort mogelijk te doen duren. Naast heldenmoed en 
doodsverachting, die van ons Indisch leger nooit te vergeefs is ver- 
wacht, was daartoe noodig beleidvol optreden tegenover de bevol- 
king die, evenals elders zoo dikwijls het geval was, overtuigd 
moest worden dat veiligheid, orde en gepaste vrijheid onder de 
Nederlandsche vlag verre te verkiezen was boven de onderlinge 
twisten en rooftochten , die vroeger het land teisterden. Daartoe was 
een verstandig en gematigd, doch tevens krachtig optreden noodig, 
dat de ons vijandelijk gezinden de overmacht onzer wapenen zonder 
verschooning deed voelen , maar tegelijk bescherming verleende aan 
hen, die onze partij kozen. En bovenal werd daartoe gevorderd een 
vaste, consequente politiek, die rekening hield met de beschikbare 
krachten en niet heden afbrak, wat gisteren werd opgebouwd, 
maar, steunende op het verkregen, rustig en kalm en zonder zich 
aan tijdelijke opwellingen te storen , op den ingeslagen weg voort- 



Inlijving van atjeh. 99 

ging. Of dit de gedragslijn was, door onze bestuurders tegenover 
Atjeh gevolgd, mogen onze lezers beslissen! 

Met de inname van den Kraton was het hoofddoel, der expe- 
ditie aangewezen, bereikt en daarmede de taak van den opper- 
bevelhebber bijna geëindigd, wien slechts overbleef het nemen van 
maatregelen om de veroverde vestiging te versterken en de te vol- 
gen staatkundige gedragslijn in hoofdtrekken vasttestellen. Deze 
laatste moest afwijken van de plannen, die aanvankelijk waren 
vastgesteld. Het was toch gebleken dat het sluiten van een verdrag 
met een Sultan, die geen den minsten invloed op hoofden en be- 
volking uitoefende, weinig waarborg opleverde en toen het bericht 
bevestigd werd dat de jonge Sultan een paar dagen na de ver- 
meestering van den Kraton overleden was, besloot de opperbevel- 
hebber zijne plaats niet te vervullen. Dientengevolge vaardigde hij 
eene proclamatie uit waarin verklaard werd dat Atjeh , krachtens 
het recht van verovering, bij Nederlandsch Indië werd ingelijfd en 
dat eene keuze door de hoofden van eenen nieuwen Sultan als on- 
wettig zou worden beschouwd. Van het Opperbestuur, dat zich met 
deze beslissing vereenigde, was intusschen het telegraphische be- 
richt ontvangen dat naar zijn oordeel het er op aankwam in 
Groot-Atjeh eene versterking opterichten en zich op eene zoodanige 
wijze daar te vestigen dat ieder zien kon, dat het voor altoos was. 
Tevens werd aanbevolen de onderhoorigheden van Atjeh te bezoe- 
ken, de bestuurders daar te nopen, zich onder onze onmiddellijke 
heerschappij te stellen en de Nederlandsche vlag te voeren, en hen 
als bewijs daarvan acten te laten teeken, waarin de voorwaarden 
werden vermeld onder welken zij in hun gezag gehandhaafd zouden 
worden. Waar zij daartoe niet bereid waren moesten wij , indien 
wij daartoe in staat waren, het bestuur zelf op ons nemen. 

De laatste handelingen van den opperbevelhebber strekten nu 
om aan deze besluiten gevolg te geven. De Kraton werd in vol- 
doenden staat van tegenweer gebracht en alle krachten werden aan- 
gewend voor de inrichting onzer militaire stellingen aan de Atjeh- 
rivier, die de verbinding van den Kraton met de zee moesten ver- 
zekeren. Met de hoofden van Groot-Atjeh trachtte v. Swieten door 
het schrijven van brieven in aanraking te komen; toen hij echter 
bemerkte dat deze stappen weinig resultaten opleverden, werd eene 
nieuwe proclamatie uitgevaardigd (12 Febr. 1874), waarin hij ver- 



iOO POGINGEN TEU I'ACll'lCATIi:. 

klaarde het gezag over de 3 Sagi's te hebben aanvaard, en de hoof- 
den, die vóór het einde dier maand zich niet hadden onderworpen, 
van hunne waardigheid vervallen verklaarde. De bevolking, wier 
instellingen, naar hij verzekerde, geëerbiedigd zouden worden , mocht 
in hunne plaats nieuwe hoofden kiezen , die op de bescherming van 
Nederland zouden kunnen rekenen. Maar tot de uitvoering van dit 
besluit werd niet krachtig opgetreden ; v. Swieten verlangde dat 
hoofden en bevolking zooveel mogelijk met rust zouden worden 
gelaten en deze „pacificatie" werd door hem zóó streng toegepast dat 
eene vijandelijke sterkte, voor welke eenige (latrouilles het hoofd 
hadden gestooten , niet mocht worden aangevallen. Den 26sten April 
verliet v. Swieten Atjeh, het bevel aan Kol. Pel overlatende, met 
aanbeveling zich, buiten hooge noodzakelijkheid, niet tot offensieve 
maatregelen te laten verlokken. 

Reeds vóór het vertrek van den opperbevelhebber hadden enkele 
hoofden blijken van toenadering gegeven. Vóór de verovering van 
den Kraton, — die nu Kota radja gedoopt werd, — bleek slechts 
één hoofd onze zaak toegedaan, Tekoe Nek, bestuurder van Merasa, 
die reeds lang in onmin was met de VI Moekims, waartoe zijn 
landschap vroeger behoord had, en die zelfs aanspraak kon maken 
als Oeleebalang dier Moekims erkend te worden. Reeds gedurende 
de eerste expeditie, die nabij zijne hoofdkampong geland was, had 
hij blijken van toenadering gegeven en was daarvoor door Atjeh 
gestraft. Nu volgden ook enkele hoofden uit de XXV Moekims en 
uit de XXVI Moekims zijn voorbeeld. Maar in de XXII Moekims 
werd, met een enkele uitzondering, die later echter bleek niet 
oprecht gemeend te zijn, geen spoor van toenadering bespeurd; 
het hoofd dier Sagi, de bekende Panglima Polim, bleef de ziel van 
den strijd, waarin hij door de andere hoofden, vooral ook door 
T. Imam Longbatta, getrouw gesteund werd. Ook spoorde de zoo- 
genaamde Raad van achten, uit even zoovele hoofden bestaande en 
te Penang gevestigd, de bevolking tot verzet aan, o. a. door het 
verspreiden van berichten over onze onmacht den strijd voort te 
zetten. In de onderhooiigheden van Atjeh schenen de onzen geluk- 
kiger; aan de marine, derwaarts gezonden, gelukte het verscheidene 
vorsten te bewegen acten van onderwerping te teekenen, zoodat in 
April 1875 verkondigd kon worden dat 24 staatjes aan de west-, 
noord- en oostkust onze heerschappij hadden erkend. Zooals later 



DE TOESTAND IN AT.IKH NA DE VEUOVEUING VAN DEN KRATON. 101 

bleek, was deze onderwerping niet bij allen oprecht gemeend, en 
liadden sommigen zicli slechts aan ons gezag aangesloten om te 
ontkomen aan de blokkade, die op de vijandige staatjes werd toe- 
gepast, of zelfs ook om gelden in handen te krijgen, waarmede de 
oorlogspartij in Groot-Atjeh ondersteund werd. 

Toen Kolonel Pel het bevel overnam bestond het bezette terrein 
slechts uit den Kraton en enkele stellingen, door ons ingenomen 
om het verkeer van die hoofdvestiging met de zee te verzekeren 
en het gebied van Tekoe Nek te beschermen. Men hoopte nu dat 
de toenadering van den vijand van zelf zou komen, maar deze, die 
aanvankelijk de meening scheen te koesteren, dat wij ons zouden 
bepalen tot de verovering van den Kraton en daarna Atjeh weer 
zouden verlaten , was besloten zich met alle macht tegen onze duur- 
zame vestiging te verzetten. Onze posten werden herhaaldelijk aan- 
gevallen en zelfs bijna onmiddellijk na het vertrek van v. Swieten 
werd een inval in het gebied van Tekoe Nek gedaan en werden daar 
eenige kampongs verbrand. Daarom werd o. a. Oleh-leh, dat reeds 
bezet was, tot vast verblijf voor de onzen ingericht en daardoor 
een begin gemaakt met de ontwikkeling dier plaats, wier reede beter 
beschut was dan de monding der Atjeh-rivier en die langzamerhand 
de voorhaven van Kota radja geworden is. Een behoorlijk zeehoofd 
werd daar reeds op 1 September 1876 in dienst gesteld ; door den 
tramweg, die 12 November 1876 bereden kon worden, werd eene 
snellere en veiligere verbinding met de zee verkregen, dan langs 
de kronkelende Atjeh-rivier. 

Doch vóór dat wij zoover gekomen waren hadden er nog tal 
van krijgsbedrijven in Groot-Atjeh plaats. De Kraton, die door 
struikgewas en wildernis omgeven was, dat aanhoudend moest 
worden opengekapt, bood ternauwernood veilige beschutting aan 
voor de bezetting, die van uit de nabijheid door een voor ons 
onzichtbaren vijand kon worden beschoten. Yan daar dat de nieuwe 
bevelhebber zich reeds in Juni 1874 genoodzaakt zag tot krachtiger 
offensieve operatiën, ten einde de stelling te Kota radja te bevei- 
ligen en de gemeenschap met de zee open te houden. Zij werden 
met goed gevolg bekroond, maar om het behaalde resultaat niet 
te loor te doen gaan oordeelde Pel het noodig, dat de kring der 
versterkingen werd uitgebreid om het beschieten van den Kraton 
te voorkomen en de bevolking van Merasa gelegenheid te geven 



102 BEVESTIGING DKT! STKI.UNG TE KOTA RADJA. 

hare rijstvelden te bebouwen. Maar naar gelang wij onzen kring 
van versterkingen uitbreidden, legde de vijand daarom heen weder 
nieuwe bentings aan, en zoo doende was er in November nog veel 
te doen om de veiligheid in het door ons bezette gebied te hand- 
haven. Zware ziekten teisterden ondertusschen onze troepen, wier 
toestand door de plotselinge overstrooming der Atjeh-vallei op 3 Dec. 
1874 zeer verergerde, zoodat op het einde van dat jaar te Atjeh 
reeds 902 personen gestorven en 1917 tot herstel naar andere plaatsen 
gezonden waren, en dit op eene troepenmacht van ongeveer 3300 
man , onder welken echter de dwangarbeiders niet zijn medegerekend. 
Allerlei omstandigheden werkten tot deze groote sterfte mede: het 
slechte drinkwater, de uitgestrekte, grootendeels braakliggende rijst- 
velden, de groote moerassen, de omwerking van den bodem en de 
onvoldoende beschutting tegen het wisselend klimaat van Atjeh. 
Ook de slechte toestand der kazernen, die in der haast waren opge- 
trokken , leverde een aandeel in het zieken-contingent, terwijl de 
hospitalen meermalen er eerder toe bijbrachten de ziekten doodelijk 
te maken, dan hare genezing te bevorderen. Dat in dit laatste 
opzicht vooral groote en afdoende verbetering is gekomen heeft de 
beschrijving van Atjeh ons reeds vroeger geleerd. 

Niettegenstaande dezen ongunstigen toestand meende Pel dat 
de uitvoering van het plan van van S wieten zich niet alleen moest 
bepalen tot het openhouden van het terrein om den Kraton en het 
vestigen van posten ter verdediging der bevriende bevolking, maar 
dat het ook noodig was de positie van Kota radja door een keten 
van posten te beveiligen. Doch ter volvoering dier plannen was de 
aanwezige troepenmacht niet voldoende. Eene versterking van de 
legermacht onder zijn bevel, hem in December 1874 toegezonden, 
stelde hem echter daartoe in staat, en reeds in April 1875 kon hij 
schrijven dat onze positie nu genoegzaam beveiligd was, en waren 
de bezette posten in Juli van dat jaar tot 40 aangegroeid, maar 
was ook het totaal der in Atjeh aanwezige manschappen tot 5600 
gestegen. Harden kamp had die zegepraal ons gekost, daar het ter- 
rein als het ware voet voor voet op een dapperen vijand moest 
veroverd worden ; de namen Soerian , Lamkroet , Lemboe , Kota 
alam en Longbatta roepen de herinnering wakker van daden van 
waren heldenmoed en onvermoeide inspanningen onzer, door ziekten 
voortdurend geteisterde, troepen. 



OPEIUTIE-PLAN VAN PEL. 103 

Maar nog altijd rustte hunne bevelhebber niet. Van een ver- 
blijf te Batavia maakte hij gebruik om de Regeering te winnen 
voor een plan , dat weder meerdere uitbreiding onzer macht ten 
gevolge moest hebben, en dat ten doel had de kuststrook van 
Kroeng raja tot Kroeng raba en daarbij ook de VI Moekims te 
veroveren en in het bijzonder de toegangen naar zee te bezetten 
en Groot-Atjeh geheel van de zee af te snijden , het volk van dit 
gebied zijne beteekenis naar buiten te ontnemen en het daardoor 
te dwingen, zich in het onvermijdelijke te schikken. Het was toch 
gebleken dat de uitbreiding van onze stelling op staatkundig gebied 
nagenoeg geene resultaten had opgeleverd, daar de vijand, door 
ons teruggedrongen , zich telkens weder tegenover ons vestigde en 
er geen spoor van ontmoediging bij hem was waar te nemen. Door 
de uitvoering van zijne plannen hoopte Pel dat het gelukken zou 
in geheel Groot-Atjeh te verkrijgen, wat reeds in Juli 1875 hier en 
daar in het door ons bezette gebied bestond; een staat van zaken, 
eenigszins gelijkende op den toestand in andere plaatsen van den 
archipel. De Regeering keurde deze plannen goed en Pel ontving 
16 Nov. 1875 de instructie, dat allereerst gestreefd moest worden 
naar de onderwerping van de VI Moekins uit de Sagi XXV Moekim. 
Indien na den val der VI Moekims het district der IV Moekims 
niet vrijwillig in onderwerping kwam, moest ook dit veroverd en 
Kroeng raba aan de westkust bezet worden. Daarna moesten de 
IX Moekims geheel in bezit worden genomen en alsdan worden 
overgegaan tot het verdrijven der vijanden uit het ten oosten der 
Atjeh-rivier aan zee gelegen terrein. Aan te vangen met Kwala Gigen 
(bij Kota pohama, en niet te verwarren met het rijkje Gighen aan 
de noordkust van Atjeh) moest daarna Kwala Loë en ten slotte 
Kroeng Raja, dat voorloopig de uiterste post aan de zee ten oosten 
moest blijven, in bezit worden genomen. Tot bereiking van dat 
doel werd de troepenmacht op 8300 man gebracht. 

Spoedig na de terugkomst van Pel werden de operatiën aan- 
gevangen en reeds op het einde van December 1875 was de sterke 
vijandelijke linie tegenover onze posten ten zuiden van Kota radja 
doorgebroken en door den vijand verlaten en waren wij meester 
van de VI Moekims. Door het bezetten van Pakan badak was een 
gewichtig punt gewonnen voor de onderneming tegen de IV Moekims, 
die zich ten westen van de VI Moekims tot aan de zee uitstrekken. 



104 UITVOERING VAN IIFT OPKÜATIK-PI.AN VAN PEI,. 

Den 15den Januari 1876 werd ook derwaarts opgetrokken en de uit- 
gestrekte vlakte der IV Moekims reeds 2 dagen later bereikt, en 
zelfs werd den 18den Januari tot Kroeng raba en daarmede tot de 
westkust doorgedrongen. Di'uii boden de hoorden der iV Moekims 
hunne onderwerping aan , en dewijl hiermede het doel der tocht 
bereikt was werden de bezochte streken verlaten, nadat een post 
te Boekit seboen ter bezetting was aangewezen. Maar ook de IX 
Moekims moesten worden genomen; dit geschiedde reeds den 
6den Februari 1876 en daarmede was men meester van de geheele 
Sagi der XXV Moekims. 

Een gedeelte van het programma , door Pel gesteld , mocht 
aldus door hem worden uitgevoerd, maar het was hem niet gegeven 
verder te gaan. Zijn plotselinge dood, die 24 Februari 1876 plaats 
greep, verrastte hem te midden van de operatiën, ondernomen om 
het terrein , ten oosten der Atjeh-rivier gelegen , van vijanden te 
zuiveren en op het gebied der XXVI Moekins tot Kroeng raja 
doortedringen. Onder de leiding van zijn tijdelijken vervanger. Engel, 
werd de tocht echter voortgezet en door eene vestiging te Kwala 
Gigen en Kota pohama kwam de lagune , daar gelegen , in onze 
macht. Een onmiddellijk verder doordringen had ook niet in het 
plan van Pel gelegen ; de beschikbare middelen lieten dit niet toe 
daar het leger door de vele gevechten uitgeput en door ziekten zoo 
geteisterd was, dat er niet minder dan 1200 lijders in de hospita- 
len waren. Als opvolger van Pel trad de generaal-majoor Wiggers 
van Kerchem op ; daar hij verzocht dat hem een hoofdofficier als 
bevelhebber over een deel der verspreide posten toegevoegd zou 
worden werd de kolonel van der Heijden naar Atjeh gezonden. 

Ofschoon door het aanleggen der posten-linie de vestiging te 
Kota radja behoorlijk beveiligd kon heeten was het er echter nog 
verre van af dat de bevrediging, naar welke steeds gestreefd werd, 
verkregen zou zijn. Onze posten werden in Juni en volgende maan- 
den voortdurend bestookt; ook in het bezette gebied drongen vijan- 
delijke benden door, die in het bedekte en doorsneden terrein der 
Atjeh-vallei een uitmuntend veld voor eenen hardnekkigen guerila- 
oorlog vonden. Maar ook van onzen kant werd in September aan- 
vallenderwijze opgetreden en ofschoon de operatiën in October 1876, 
ten gevolge van ziekten en weersgesteldheid tijdelijk moesten ge- 
staakt worden, was in Januari 1877 de kustlijn van Kwala Gigen 



UITVOERING VAN HET ÖPRHATI E-PLAN VAN PEL. 105 

tot Kwala Loë in onze handen. Daarmede had de nieuwe bevel- 
hebber, generaal-majoor Diemotit, die in November was opgetreden 
het plan van Pel geheel ten uitvoer gelegd, waarbij de versterking 
van het leger tot meer dan 10 000 man hem uitstekend te stade 
kwam. Zoodoende was de kust van Kroeng raba tot aan het ge- 
bergte bij Kwala Loë bezet; in de IV en IX Moekims leunden onze 
uiterste posten tegen de uitloopers van het Barisan-gebergte, maar 
van Biloel-zuid tot Kwala Loë doorsneed onze buitenste linie met 
eene groote kromming de Atjeh-vallei en vereischte een groot aantal 
posten tot verdediging van ons gebied. Ook in de onderhoorigheden 
hadden wij veld gewonnen; in het laatst van 1876 had de val van 
Simpang Olim en Tandjong Semantok groeten indruk gemaakt, 
terwijl wij ons reeds in Februari van dat jaar te Pedir hadden 
gevestigd, dat tijdelijk de standplaats van eenen assistent-resident 
werd, totdat deze naar Segli werd overgebracht, dat als neutraal 
punt tusschen Pedir en Gighen zeer gunstig voor dat doel gelegen 
was. Onze nederzetting in het eerstgenoemde rijk werd niet door de 
geheele bevolking goedgekeurd; vooral toonden de volgelingen van 
Teungkoe Sjech Saman, gewoonlijk door ons Tengkoe di Tirou^) ge- 
naamd , zich ons gezag vijandig. Deze T. di Tirou was een gewoon 
bendehoofd, die door zijne slimheid een groeten aanhang verwierf 
en vooral door zijne huwelijken aanzienlijke rijkdommen verkreeg. 

In dezen staat van zaken meende de Gouverneur-Generaal van 
Lansberge dat het wenschelijk was zich in persoon van den toestand 
te Atjeh te overtuigen ; een bezoek , in Maart 1877 te Kota radja 
gebracht, gaf hem de overtuiging dat de onderworpen Atjehsche 
bevolking zich met ons gezag begon te verzoenen, terwijl ook, naar 
berichten onzer spionnen te oordeelen, de bevolking buiten onze 
posten den oorlog moede begon te worden. Een aantal hoofden uit 
de XXV Moekins en de kuststaten woonden eene vergadering bij, 
waarin de Gouverneur-Generaal hen toesprak en hunne medewer- 
king inriep om tot vrede en rust te komen, en de belofte gaf, 
dat eene nieuwe mesdjid zou worden gebouwd; eene belofte die, 
zooals wij weten , getrouw is nagekomen. In den waan dat onze 
posten-linie het ingesloten gebied genoegzaam zou beveiligen beval 



') Te Tirou bevindt zich een vermaarde school voor moslemsch onderwijs, aan 
het hoofd waarvan langen tijd stond Tengkoe di Tirou Tjihik, wel te onderscheiden 
van den boven genoemden T. di Tirou. 



10G V. n. IIRI.IDEN TK AT.IKII. 

hij den bevelhebber om zich van verdere agressieve politiek in 
Groot-Atjeh te onthouden en naar verzoening te streven , daar nieuwe 
krijgstochten te veel zouden vergen èn van 's lands middelen èn 
van de aanwezige krijgsmacht. Deze laatste kon echter niet ver- 
minderd worden daar elke vijandelijke aanval buiten onze linie met 
kracht moest worden tegengegaan en ook enkele kuststaatjes, on- 
derhoorigheden van Atjeh , de kracht onzer wapenen moesten voelen 
vóór zij hun verzet tegen ons opgaven, iets, waartoe de blokkade 
niet voldoende was gebleken. Onder de leiding vooral van generaal 
van der Heijden , die den BOsten Juni 1877 als tijdelijk bevelhebber 
optrad, en sedert Januari d878 als civiel en militair Gouverneur 
het bestuur voerde, werden verscheidene kuststaten onderworpen. 
Door de vestiging te Melaboeh hoopte men een centraalpunt voor 
ons bestuur aan de westkust te verkrijgen , maar ofschoon het 
hoofd van dat rijkje in onze vestiging had toegestemd bleek het, 
dat hij bij de bevolking weinig aanhang had en was zelfs in 1879 
de toestand daar nog niet zeer gunstig, dewijl de zoon van den 
Radja ons vijandig bleef en de veiligheid daar gedurig bedreigde. 
De moord op een tweetal Franschen in 1880 te Tenom gepleegd, bewees 
dat in de landen op de westkust, vooral die welken meer binnen- 
waarts waren gelegen, ons gezag toen, evenmin als nu, geenzins 
algemeen geëerbiedigd werd. Reter was de toestand aan de oost- 
kust, die door de onderwerping van Langsar en Madjapahit (Mei 
1877) geheel aan ons gezag werd onderworpen. Eene schitterende 
daad was de expeditie tegen Samalanga, die onder persoonlijke 
leiding van den bevelhebber plaats had (Augustus 1877), en waar- 
door de bij uitnemendheid krijgshaftige bevolking dier streek, doch 
niet dan na wanhopigen strijd, gedwongen werd zich te onder- 
werpen. Merdoe en Gighen volgden ; de ons getrouwe vorst van 
Edi werd tegen vijandelijke benden ondersteund en ook Gedong 
onderwierp zich (Mei en Juni 1878), en v. d. Heijden stond reeds 
gereed naar Pasangan optetrekken, toen ongunstige berichten uit 
Groot-Atjeh hem dwongen dat voornemen optegeven en spoedig 
naar onze hoofdvestiging terug te keeren. 

In het begin van 1878 meende men dat daar de toestand alles- 
zins bevredigend was. Wel bleef de stemming in de XXH en XXVI 
Moekims ons voortdurend vijandig en werd het bezette gebied door 
enkele benden verontrust, maar over het geheel genomen dacht 



UITBREiniNO VAN ONZE STELLING IN ATJEH. 107 

men, dat de gewapende tegenstand had opgehouden. De stap- 
pen tot toenadering, gedaan door een der aanzieiiHjkste Atjehers, 
Tekoe Moeda Baïd, hoofd der VII Moekims Baid. deden de hoop 
koesteren dat de politiek der verzoening goede vruchten diagen 
zou, toen het optreden van den ons reeds bekenden Habib Abdoe'r- 
rahman aan die verwachting den bodem insloeg. Deze rijksgroote, 
die in 1874 uit Mekka naar Singapore en Penang was teruggekeerd, 
wist van daar naar Edi te komen en bereikte weldra met eene 
steeds aangroeiende macht Pedir. Van die plaats begaf hij zich 
naar de XXII Moekims, organiseerde daar te Mentasik op nieuw 
het verzet tegen de onzen, en door herhaalde invallen in de weldra 
bijna ontvolkte XXVI en IV Moekims bedreigde hij ernstig onze 
stellingen. Maar hij werd niet voldoende ondersteund en spoedig 
na den terugkeer van v. d. Heijden zag Abdoe'r-rahman zich door 
de vermeestering van Senelop en Mentasik gedwongen zijne onder- 
werping aan te bieden (üctober 1878). Onder belofte niet meer te 
Atjeh te zullen komen noch iets tegen ons te ondernemen, werd 
hij op zijn verzoek naar Arabië vervoerd, waar hij zich te Mekka 
vestigde. Ook Tekoe Baïd en eenige andere hoofden onderwierpen zich. 
Zoo waren wij, door den vijand genoodzaakt, tot in de XXII 
Moekims doorgedrongen. Reeds in 1877 had de majoor Gey v. Pittius 
er op aangedrongen de linie langs de Atjeh-rivier te verleggen en 
het genoemde landschap binnen te rukken. Door expeditiën naar 
de kuststaten toch , meende hij , kon het einde van den oorlog niet 
verkregen worden; in Groot-Atjeh moest de vijand worden aange- 
tast en vervolgd, totdat zijne benden geheel uiteen waren gejaagd. 
Ter uitvoering van dit plan, door de voortdurende vijandelijkheden 
onzer tegenstanders noodzakelijk geworden, werd 23 Maart 1879, 
op machtiging van den Gouv.-Generaal , de tocht in de XXII Moekims 
voortgezet; den volgenden dag werd reeds een der hoofdstellingen 
van den vijand, de mesdjid van Indrapoeri genomen. Van daar 
werd de zetel van Panglima Polim, Gléièng aangetast en 9 Juni 
vermeesterd en de streek tusschen beide plaatsen getuchtigd. Nu 
volgden ook de XXVI Moekims; na feilen tegenstand moest de 
vijand al zijne versterkingen prijs geven en zich naar alle rich- 
tingen verspreiden. De voornaamste hoofden kwamen te Selimoen 
bij Gléièng te samen; onze troepen, die daarheen werden gezonden, 
(Augustus) , werden er goed ontvangen door een onzer hardnekkigste 



108 nEVKSTiniNO onzer stelling in groot-atjeit. 

vijanden. Tekoe Daoed. die later inot een broediT van Panorlima 
Polim, T. Jer Alang, den eed van getrouwheid te Kota Radja allegde. 
De troepen keerden naar Indrapoeri terug „als liot ware in zege- 
tocht, door de hoofden vergezeld en door de bevolking opgewacht 
en onthaald." Nog waren er wel een aantal hoofden, die in hun 
verzet volhardden, — Imam Longbatta, Panglima Polim e. a. , — 
maar hunne krachten schenen uitge[)ut en zij zagen zich genood- 
zaakt naar het binnenland te Kemala achter Pedir te vluchten. 
Daar bevond zich ook Teungkoe Mohammed Daoed, die door de 
oorlogspartij als de wettige opvolger van den gestorven Sultan 
erkend was en onder de hoede en bewaking van zijnen stiefvader 
en voogd, Teungkoe Hasjim stond. 

Hiermede rekende de Gouverneur, die een doordringen naar 
Kemala niet raadzaam oordeelde, Groot-Atjeh ten onder gebracht. 
Naar zijn oordeel, dat door den Gouverneur-Generaal gedeeld werd, 
zouden geene krijgsbewegingen van groeten omvang meer noodig 
zijn, en zou het burgerlijk bestuur meer handelend kunnen optreden 
en met andere middelen dan het zwaard naar volledige onderwerping 
moeten streven en trachten te herstellen, wat door den oorlog was 
vernield. Maar toch, zoo werd terecht gezegd, zouden nog lang 
van het leger te Atjeh meer dan gewone diensten worden gevorderd 
om onze vestiging tegen rooftochten te beveiligen en tegen aan- 
vallen van vijandelijke hoofden. Ofschoon de troepenmacht dus 
aanmerkelijk werd ingekort bleef zij toch nog op 6675 man bepaald ; 
een aantal posten in de linie van Pel werden opgeheven, rnaar 
eenige nieuwe in de XXII en XXVI Moekims gevestigd, om daar 
de voornaamste strategische punten te bezetten en de goedgezinde 
bevolking te beschermen. Vele hoofden kwamen hunne onderwerping 
aanbieden; eigenlijke vijandelijkheden werden niet meer gepleegd 
maar in sommige gedeelten van de pas onderworpen streken ver- 
toonden zich van tijd tot tijd vijandelijke benden, die zich echter 
tot enkele rooftochten bepaalden. Over het algemeen genomen 
heerschte in Groot-Atjeh een toestand van vrede en veiligheid, die 
naderhand daar niet meer heeft bestaan. De rondzwervende benden , 
die geene schuilplaats meer konden vinden in de XXII en XXVI 
Moekims, moesten Groot-Atjeh wel verlaten en naar de kuststaatjes 
uitwijken. Ambtenaren konden zich zonder geleide van den Kraton 
naar generaal v. d. Heijden te Anagaloeng begeven; controleurs 



INVOERING VAN HET CIVIEL BESTUUR. 409 

uit de IV en VI Moekims bezochten herhaaldelijk geheel alleen de 
IV Moekims en Kroeng raba, en men kon officieren en ambtenaren 
dikwijls in het veld zien jagen, slechts vergezeld van een of twee 
Atjehers om den weg te wijzen. 

In dezen stand van zaken meende de Regeering dat tot organi- 
satie van het bestuur kon worden overgegaan. De generaal v. d. 
Heyden werd met den oud-resident van Palembang, Pruijs v. d. 
Hoeven, in commissie gesteld om het plan daartoe te ontwerpen. 
Weldra werd nu de inrichting van het Europeesch en Inlaiidsch 
bestuur vastgesteld , terwijl op voorstel van den Gouvernements- 
Commissaris der Kinderen ook het rechtswezen georganiseerd werd. 
Maar bovendien nam de Gouverneur-Generaal een hoogst gewichtig 
besluit door de splitsing te bevelen van het civiel en militair 
bestuur, dat tot nog toe in één hand had berust. De generaal 
V. d. Heijden werd op de meest eervolle wijze van het bevel ont- 
heven , en de heer A. Pruijs v. d. Hoeven tot civiel Gouverneur 
aangesteld, terwijl het commando der troepen aan den Kolonel 
Haus werd opgedragen (April 1881). Hiermede was Atjeh een nieuw 
tijdperk ingetreden. 

Aanvankelijk scheen de toestand gunstig te blijven. Wel had 
de bevolking hier en daar nog last van rooverbenden, die o. a. 
onder Tengkoe di Tirou de XXVI en XXII Moekims onveilig 
maakten en die voor een deel door het nieuw opgerichte corps 
gewapende politie-dienaren moesten worden tegengegaan, — maar 
van een georganiseerd verzet onzer tegenpartij , de orang Moslemin 
(Mohamedanen), was: volgens de mededeelingen van het bestuur in 
den eersten tijd geen spoor meer te bespeuren. De bevolking kwam 
meer en meer in de bezette streken terug; enkele hoofden onder- 
wierpen zich en zelfs voorzag het bestuur de mogelijkheid dat de 
jonge pretendent-Sultan zich zou onderwerpen wanneer hij zich aan 
den invloed van T. Hasjim kon onttrekken. Ook in de onderhoorig- 
heden van Atjeh scheen de staat van zaken vrij bevredigend; de 
Gouverneur gaf althans gevolg aan den last tot opheffing van de 
verplichting, in 1879 als oorlogsmaatregel opgelegd aan alle vaar- 
tuigen in het Gouvernement en onderli. aankomende om , vóór dat 
zij eenige haven aandeden , te Oleh-leh te lossen en zich daar te 
laten visiteeren. Die maatregel had groote bezwaren ten gevolge 
gehad; zeilschepen moesten soms weken lang kruisen alvorens 



110 TOESTAND IN DE ONDERHOORIGHEDEN. 

Olch-leh te bereiken, terwijl zeer geklaagd werd over ongelijke 
behandeling door onze ambtenaren te üleh-leh, en het smok- 
kelen van contrabande toch niet belet werd. De opheffing van 
dat voorschrift (Sept. 1881) had de openstelling van de geheele kust 
voor het handelsverkeer ten gevolge, met uitzondering van den 
invoer van opium en krijgsbehoeften. Voor Groot-Atjeh werd echter 
slechts de haven Oleh-leh opengesteld. Inderdaad liet echter de 
toestand in verscheidene onderhoorige staatjes nog veel te wenschen 
over. De Radja's, die zich door het teekenen der acten o. a. ver- 
bonden hadden met hunne naburen in vrede te leven, en die het 
aandeel in de door hen geheven rechten , dat vroeger aan den Sultan 
kwam, nu aan het Gouvernement moesten opbrengen, wisten zich 
onder allerlei voorwendsels aan die verplichting te onttrekken , en 
voerden onderling dikwijls hevigen krijg. Meermalen werden Chi- 
neesche handelaars door hen aangevallen en beroofd; meestal straf- 
feloos, daar men niet licht tot den uitersten maatregel van blokkade 
of bombardement overging. Zóó moest Samalanga, (waarheen reeds 
in 1880 een expeditie, doch zonder veel succes, gezonden was om 
een dorp te tuchtigen, waaruit een verraderlijken aanval op eene 
patrouille gewaagd was) wegens een daar gepleegden moord, voor 
in- en uitvoer gesloten worden tot dat de Radja de hem opgelegde 
boete betaald had. En daar de noordkust het middelpunt bleef 
waaruit strijders en wapenen naar Groot-Atjeh toestroomden werd 
zij van Oleh-leh tot Diamant-punt voor in- en uitvoer en visch- 
vangst gesloten en mochten de schepen daar slechts in sommige 
plaatsen, onder strenge visitatie binnenvallen. (Augustus 188-2). 
Deze maatregel was hoofdzakelijk genomen om den machtigen vorst 
van Pasaiigan tot rede te brengen, die in openbaren oorlog was 
met ons getrouwe hoofden en zich reeds had toegerust om hun land 
te veroveren. De maatregel werd met goed gevolg bekroond, daar 
de grenzen van Pasangan beperkt werden tot het gebied, vóór 1877 
!n 

Maar vooral in 1883 bleek het, dat het georganiseerd verzet 
wel degelijk bestond en dat de oorlogspartij te Kemala het hoofd 
op nieuw durfde opsteken. Misschien was dit het gevolg van de 
invoering van het civiel bestuur en van het vertrek van v. d. 
Heijden, wiens naam den vijand groot ontzag inboezemde; misschien 
ook van de omstandigheid dat juist in dien tijd de 1300ste jaarkring der 



TOESTAND IN DE ONDERHOORIGHEDEN. lil 

Moslemsche tijdrekening aanbrak en met de verwisseling eener eeuw 
bij de Moslems de hoop op zegepraal verlevendigd wordt. Hoe dit 
ook zij, de rooverbenden groeiden tot legerbenden, die herhaalde malen 
onze transporten overvielen en door sterke patrouilles ter nauwer- 
nood konden worden tekeer gegaan. Tengkoe di Tirou en T. Nja 
Hasan maakten het ons vooral in de XXll Moekims lastig; en zelfs 
werden de pasars te Kota radja en Oleh-leh door kleine benden 
onzeker gemaakt. Onder onze vijanden onderscheidde zich toen reeds 
Tekoe Oemar, wiens vader een oudere broeder was van T. Nanta 
of T. Lampadang, het hoofd der VI Moekims, met wiens dochter, 
Tjoet Din, T. Oemar gehuwd is, en die den steun genoot van den 
Oeleebalang der IV Moekims, die in Lepong als de Panglima Sagi 
erkend werd. Door zijne huwelijken met Tjoet Din en met de 
dochters van den Panglima Sagi XXV en van Potjoet Toewang van 
Rigas is hij met zeer invloedrijke hoofden verwant; het bezit van 
groote pepertuinen op de westkust versterkt zijn aanzien, maar is 
tevens een kwetsbaar punt, daar sluiting van die kust voor uitvoer 
hem aanzienlijke nadeelen toebrengt. Ook de onderhoorigheden van 
Atjeh ondervonden den terugslag van de gebeurtenissen in onze 
hoofdvestiging. In Samalanga werd de benting door de orang 
Moslemin aangevallen (Sept. 1883), en toen de Radja van dat rijkje 
weigerde, hen Ie ondersteunen en de aanvallers moesten afdeinzen 
namen zij wraak en vermeesterden met behulp van andere vorsten 
zijn gebied en sloten hem in eene benting in. Slechts door de tijdige 
hulp, verleend door met ons verbonden hoofden, gelukte het zijn 
gebied van vijanden te zuiveren. De Gouverneur P. v. d. Hoeven, 
die in December 1883 zijne betrekking nederlegde en in Maart 1884 
door den rest van Palembang, Laging Tobias, werd opgevolgd, 
meende echter nog dat van algemeen of nationaal verzet geen sprake 
meer was; inderdaad kozen weder enkele hoofden onze partij en 
keerde hier en daar de bevolking terug. 

Maar steeds bleef de toestand zorgwekkend. T. Nja Hasan en 
Tekoe Oemar hielden de IV en VI Moekins bezet, waar wij onze 
post te Pakan badak verlaten hadden, en bedreigden vandaar onze 
vestiging te Oleh-leh, die zelfs in Mei 1884 werd aangevallen. Of- 
schoon de aanval werd afgeslagen bleef de vijand toch in de IV 
en VI Moekims genesteld; patrouilles verdreven hem ten laatste 
wel uit die streken, maar wij zagen ons toch genoodzaakt de ver- 



142 ACHTERUITGANG DEll ZAKEN IN ATJEII. 

latfii posten weder te bezetten. Doch wanneer de vijand van de 
ecne plaats verdreven was, stak hij ehlers het hoofd weder op en 
brak de guerila-oorlog met vernieuwde kracht uit, die onze troepen 
in hooge mate afmatte en waarbij zij toch geen afdoend resultaat 
konden behalen. Verscheidene hoofden vielen weder van ons af; 
Tekoe Oemar, die zich onderworpen had, werd ons spoedig daarna 
ontrouw, naar men verzekert tengevolge eener krenkende be- 
jegening door hem ondervonden, nadat hij zijne bemiddeling tu.s- 
schen ons en den Radja van Tenom had aangeboden. ■") Te Tenom 
was eene gebeurtenis voorgevallen , die groote bezorgdheid inboe- 
zemde en zelfs voor internationale verwikkelingen deed vreezen. 
Het Engelsche schip Nisero strandde in November 4883 voor 
Pangah, in het gebied van Tenom; de bemanning, door het hoofd 
van dien kampong in bescherming genomen, werd door den Radja 
van Tenom gevankelijk medegevoerd en het schip door lieden 
van Tenom en Pangah grootendeels uitgeplunderd. Tegenover 
onzen aandrang, de gevangenen in vrijheid te stellen, stelde de 
Radja weldra zulke overdreven eischen dat ons bestuur daarin niet 
kon treden. Vooral was dit het geval toen een Engelsch schip in 
de wateren van Atjeh verscheen, daar de Radja er openlijk voor 
uit kwam, dat hij door zijne hooge eischen ons in oorlog met En- 
geland wikkelen wilde. Nu ontvirig de commandant van het Engelsch 
schip het bevel naar Tenom te gaan en onmiddellijk met den Radja 
te onderhandelen. Ofschoon deze handelwijze niet door de gebruiken 
van het volkenrecht gebillijkt werd, ondersteunde ons bestuur toch 
den gedanen stap; toen ook deze onderhandelingen mislukten werd 



') Daar T. Oemar thans weder eene groote rol speelt, is het niet onbelangrijk de 
volgende mededeeling optenemen, die ik den Heer Boutmij dank. T. Oemar, die zich 
kort te voren onderworpen had, zou, als blijk zijner goede gezindheid, van Melaboeh 
uit naar Tenom gaan en de gevangen gehouden schipbreukelingen van den Nisero 
verlossen. Hij had zich daartoe met enkele hoofden verzoend en met hen een verbond 
gesloten. Door het oorlogschip Benkoelen naar Rigas overgebracht werden T. Oemar 
en zijne hoofden aan boord van het schip onheusch bejegend. Men was gewaarschuwd 
dat T. Oemars volgelingen daarover wraak zouden nemen. Toen zij te Rigas weder 
aan boord kwamen bleek bij een onderzoek aan den lijve dat de meesten hunner in 
hunne wijde broeken wapenen hadden verborgen die hun werden afgenomen. T. Oemar 
werd met zijn volk aan wal gezet en daarna werd de gewapende sloep, die de laatste 
Atjehers naar den wal overbracht, door dezen afgeloopen. Dat T. Oemar zelf daaraan 
zou hebben medegedaan is nimmer bewezen. 



DE NlSERO-KWESTIE. 113 

door ons eene expeditie naar Tenom gezonden; de hoofdplaats en Sim- 
pang Olim werden plat geschoten, terwijl de kust streng geblokkeerd 
werd. Maar de gevangenen bleven in hechtenis, met uitzondering 
van een drietal hunner die reeds te voren waren losgelaten, en 
pogingen tot bevrijding der anderen , door met ons bevriende hoofden 
gedaan, leidden tot geen resultaat. Eveneens mislukte de zending 
van een lid van den Kolonialen Raad te Singapore, Maxwell, zoodat 
de Engelsche Regeering, waarschijnlijk overtuigd van onze onmacht, 
hare tusschenkomst aanbood niet alleen ter bevrijding der gevan- 
genen, maar ook ter verkrijging van het einde van den oorlogs- 
toestand. Natuurlijk werd deze inmenging in onze aangelegenheden 
afgeslagen, maar toch leidde zij tot een gemeenschappelijke hande- 
ling der beide Gouvernementen, die gezamenlijk aan den Radja den 
eisch tot uitlevering der gevangenen stelden. Onder deze omstan- 
digheden matigde dat hoofd zijne vorderingen; tegen een aanzienlijk 
losgeld werden de gevangenen vrijgelaten (September 1884) terwijl 
ook de andere voorwaarde, opheffing der blokkade, voor Tenom 
werd toegestaan en op de andere staatjes ter westkust uitgestrekt werd, 
Intusschen hadden zoowel de Gouverneur-Generaal 's Jacob 
(Augustus 1883) , als zijn opvolger v. Rees vóór het aanvaarden van 
het bestuur, zich persoonlijk van den staat van zaken te Atjeh 
overtuigd. Hoogst gewichtige maatregelen waren het gevolg van de 
gedachtenwisseling, die toen plaats greep. De Regeering kwam tot 
de overtuiging dat het verzet tegen onze wapenen eerder toe- dan 
afnam; dat al onze krachtsinspanning slechts leidde tot verlies 
van menschenlevens, verzwakking van ons leger en uitputting van 
de schatkist, maar aan niets en niemand ten goede was gekomen. 
Naar hare meening lag dit in de omstandigheid dat wij een te 
groot aantal versterkte posten hadden , verspreid over een terrein 
dat niet geheel in onze macht was, zoodat de troepen, buiten de 
versterking gaande, veelal dadelijk aan aanvallen blootstonden van 
vijanden, die onverwachts kwamen opdagen en zich aan vervolging 
wisten te onttrekken. Diensvolgens werd het „stelsel van concentratie" 
aangenomen, hierin bestaande dat voor de verspreide posten in de 
plaats kwam een linie van versterkingen welken in een beperkten 
kring onze hoofdvestiging omringden (Vgl. Deel I p. 224). De linie 
zou uit 16 posten bestaan , omgeven door een 1000 M. breede vrije 

strook , die geheel van kampongs, boomen en struikgewas zou worden 
II. 8 



e 



-114 STELSEL VAN CONCENTRATIE. 

gezuiverd. Zij zou zicli uitstrekken van Lamtih , ten westen van 
Oleh-leh, over Ketapan doea, Lambaroe, Lamperinei, Lamjong en 
Pakan kreet tjoet naar Kota poliama, en grootendeels door een 
stoomtram verbonden worden. In de maand Augustus 1884 werd 
met het in orde brengen der nieuwe linie aangevangen ; zonder 
noemenswaardig verzet werden de daartoe noodige versterkingen 
opgericht, zoodat den 25sten Februari 1885 de geheele linie gesloten 
was, en weinigen tijd daarna (19 Augustus) de laatste post buiten 
onze linie verlaten werd. Daarmede was wel is waar een kleiner en 
daardoor gemakkelijker te verdedigen gebied bezet, maar daaren- 
tegen door het verlaten onzer posten op nieuw de indruk van 
zwakheid gegeven. De bevolking buiten de linie, — die gedeeltelijk 
onderworpen was, doch trouwens onder ons bestuur weinig rust 
genoot, — werd weder geheel aan de genade van den vijand 
overgelaten en moest dus wel, willens of onwillens, zijne partij 
kiezen. Daar het overvloedig gebleken was dat het verzet in Groot- 
Atjeh vooral uit de onderhoorigheden gevoed werd , oordeelde de 
Regeering het noodig, de Atjehsche havens voor allen in- en uitvoer 
te sluiten, althans zoolang de posten-linie niet geheel voltooid was 
(Juli 1884). Reeds in Mei 1883 had de Gouverneur van Atjeh een 
besluit geteekend, waarbij de beperkende bepalingen van Augustus 
1882, doch met gewichtige wijzigingen, tot de geheele kust van 
Atjeh werden uitgebreid en slechts enkele havens te Groot-Atjeh 
en aan de noord- oost- en westkust voor den in- en uitvoer geopend 
bleven. Dit was de eerste proef met de zoogenaamde scheepvaart- 
regeling, die dezer dagen zooveel besproken werd en thans weder 
gedeeltelijk in werking is getreden, i) Naar de overtuiging van den 
heer Scherer was tegenover de staatjes op de kusten slechts drieërlei 
politiek mogelijk. In de eerste plaats eene consequente politiek van 
non-interventie , waarbij men slechts zorgde voor erkenning van onze 
Souvereiniteit , en de vorsten vrij liet elkander te beoorlogen, maar 
die dan ook den toevoer naar Groot-Atjeh niet afsneed, zeerooverij 
en anarchie welig zou doen voorttelen, en voor het tegenwoordige 
en de toekomst weinig voordeel zou opleveren. De tweede wijze 



') De hoofdtrekken eener dergelijke scheepvaart-regeling werden in de vergade- 
ring van het Ind. Gen. van 20 Januari 1891 zeer helder uiteengezet door den Heer 
Scherer, aan wien men het denkbeeld eener dergelijke regeling verschuldigd is. 



SCHEEPVAART-REGELING. Ii5 

ZOU zijn die van „straffende interventie", waarbij elke inbreuk op 
de gesloten contracten streng zou worden gestraft door sluiting der 
kust en zoo noodig door bombardement, en dus wel vrees zou worden 
verwekt maar geene toenadering verkregen, terwijl de staatjes door 
dien maatregel voortdurend zouden verarmen en van opbrengst aan 
het Gouvernement geen sprake zou zijn. De heer Scherer stelde 
nu een derden weg voor, die tot hoofddoel had de vorsten dier 
staten bij onwil in hunne inkomsten te trelTen zonder de ontwikke- 
ling van Atjeh te beletten. Daartoe moesten op de kusten slechts enkele 
goed gelegen plaatsen voor den algemeenen handel worden openge- 
steld, waar een militaire post en een civiel ambtenaar gevestigd 
waren. Groote schepen zouden alleen op die plaatsen mogen komen, 
en daar kunnen lossen in loodsen, beheerd door douanen-personeel. 
De handel met de overige gedeelten der kust zou nu alleen uit 
die havens mogen plaats hebben en slechts door kleinere vaartuigen 
gedreven worden, die gemakkelijk konden worden gecontroleerd, in 
tegenstelling met de bepalingen van Augustus 1882, toen de schepen 
zelve uit de opengestelde havens, na visitatie, naar de andere havens 
konden worden uitgeklaard. In die havens zou nu het Gouvernement 
de in- en uitvoerrechten heffen voor de Radja's en de opbrengst 
aan de rechthebbende vorsten uitkeeren , maar deze hun ont- 
houden zoodra het bleek dat zij zich niet aan de met hen gesloten 
overeenkomsten hielden, waardoor wij, zooals meermalen gezegd 
is, „op hunne geldkist zouden zitten" en hen spoedig tot reden 
zouden brengen. Een belioorlijk spionnen-stelsel te Singapore en 
Penang zou de controle op de schepen, in de havens aankomende, 
gemakkelijk maken, vooral ook omdat die handel slechts door een 
betrekkelijk klein getal groote vaartuigen gedreven wordt en men 
dus spoedig op de hoogte zou zijn, als invoer van contrabande 
beoogd werd. 

Volgens de mededeelingen van den heer Scherer werkte deze 
regeling uitmuntend. De Regeering handhaafde haar echter niet 
na de invoering van het concentratie-stelsel en verbond daaraan, 
althans aanvankelijk, een stelsel van strenge sluiting van het geheele 
kustgebied van Tamiang tot Troemon toe. Maar de nieuwe Gouver- 
neur Demmeni matigde dit stelsel in zijne toepassing en „liet 
slechts sommige gedeelten van de kust sluiten en blokkeeren, en 
dit niet eens consequent, terwijl hij voor andere gedeelten reeds 



ii6 OPHEFFING DER BLOKKADE. 

bij besluit van 13 October 1884 een soort scheepvaart-regeling in- 
voerde, waarbij bepaald werd dat alle van buiten Atjeli komende 
schepen, alvorens zich met hare lading naar een der niet gesloten 
punten van de kust te mogen begeven , eerst een der plaatsen 
moesten aandoen , waar ons bestuur gevestigd was." ^) Daar met 
het stelsel van concentratie gepaard ging de opheffing onzer posten 
in de onderhoorigheden , voor zoover zij niet om bijzondere redenen 
behouden moesten worden, en Samalanga en Telok Semawé dus 
verlaten werden , bepaalden die plaatsen zich tot Edi , Segli en 
Oleh-leh voor de geheele noord- en oostkust. Met deze halfslachtige 
regeling kon de Regeering zich echter in het geheel niet vereenigen; 
naar het schijnt verwachtte zij ook weinig van eene strenge blok- 
kade, omdat daardoor het einddoel: „bedwingen van het verzet in 
Groot-Atjeh door het uitoefenen van dwang op de kuststaten" toch 
niet bereikt zou kunnen worden, dewijl zij meende dat in het bin- 
nenland genoegzame voedingsmiddelen verkregen werden om den 
vijand in staat te stellen in zijn verzet te volhaiden. Een geheel 
andere gedragslijn werd nu aangenomen; de „politioneele blokkade" 
werd na de sluiting onzer postenlinie in Groot-Atjeh , op d Maart 
1885 grootendeels en op 28 Maart geheel opgeheven, terwijl ook de 
zoo even vermelde scheepvaart-regeling niet bestendigd werd daar, 
zooals de Regeering verklaarde „de beperkende bepalingen, die reeds 
meer dan vijf jaren bestonden, den eerlijken handel zeer bemoei- 
lijkten, zonder dat ons gezag er in het minst door gebaat was, terwijl 
er volstrekt geen zekerheid was verkregen dat de invoer van opium 
en krijgsmateriaal werd tegengegaan." Geene belemmeringen zouden 
meer aan den handel op de Atjehsche kusten in den weg worden 
gelegd dan alleen voor zoover zij noodig waren om den invoer dier 
beide artikelen te beletten. En zoo werd eene politiek ingewijd die 
door den heer v. Heutsz terecht wordt omschreven als: „in de ge- 
concentreerde stelling van Groot-Atjeh, — zonder eenigen dwang, — 
geduldig afwachten dat de Kemala-partij hare onderwerping zou 
aanbieden." Dat èn door de concentratie èn door de opheffing der 
blokkade aanmerkelijke bezuinigingen werden verkregen, spreekt 
wel van zelf; maar niet minder natuurlijk was het, dat de Atjehers — 
en zelfs zij , die reeds onderworpen waren , — dit alles als een 



') J. B. V. Heutsz. De onderwerping van Atjeh. 's Grav. 1893. 



OPHEFFING VAN HET CIVIEI, BESTUUR. 417 

teeken van onze zwakheid beschouwden. De taak van het bestuur, 
dat geen dwang kon uitoefenen, maar er zich toe bepalen moest 
om op vredehevende wijze door overreding onze vijanden te nopen 
ons bestuur te verkiezen boven dat van den Sultan , mocht dan ook 
eene zeer ondankbare genoemd worden. 

Bij de samentrekking van ons gezag in een beperkt gebied was 
er geen plaats meer voor een afzonderlijk civiel bestuur, dat nu 
aan den bevelhebber der troepen, Kolonel Demmeni, werd opge- 
dragen, die in September 1884 als civiel en militair Gouverneur 
optrad. Na zijn dood (Dec. 1886) werd hij opgevolgd door de KoU. 
V. Teijn (tot April 1891), Pompe v. Meerdervoort (tot Januari 1892) 
en DeijkerholT, welke laatste hoofdofficier nu nog het burgerlijk en 
militair gezag in handen heeft. Voor zoover de beperkte ruimte het 
toelaat zullen wij thans een overzicht trachten te geven van het 
meest belangrijke, wat sedert de opheffing van het civiel bestuur 
te Atjeh voorviel. 

In Groot-Atjeh bleef de toestand grootendeels dezelfde. Binnen 
de postenlinie betrekkelijke veiligheid, van tijd tot tijd verstoord 
door invallen van kleine rooverbenden , die aan onze werken enz. 
schade toebrachten , den stoomtram beschoten en , waar zij konden , 
roofden en plunderden. Soms werd de rust zelfs bedreigd door 
grootere troepen, die onze posten aanvielen, dezen uit hunne ben- 
tings beschoten en enkele malen zelfs binnen de postenlinie door- 
drongen en zich daar nestelden, maar spoedig verjaagd werden. Zoo 
kwamen in April 1887 vrij talrijke benden Atjehers binnen de lijn 
om bij een heilig graf een godsdienstig feest te vieren en konden zij 
slechts met moeite verdreven worden. In October van 't zelfde jaar 
moesten op nieuw vijanden van daar verjaagd worden , terwijl in 
Juli 1889 onze post te Kota pohama heftig uit een sterke benting 
beschoten werd, die niet zonder verlies van onzen kant en na krachtig 
verzet genomen werd. Ook de eilanden Bras en Way (beter Web) 
werden herhaaldelijk door onze vijanden bezet. De taak onzer 
troepen, die vooral door de vreeselijke berri-berri geweldig geteis- 
terd werden , bleef zeer afmattend ; om hen althans in de uitoefening 
der politie te vervangen werd in 1890 een corps marechaussee opge- 
richt dat, volgens de mededeelingen der Regeering, goede diensten 
verricht, zoodat het beschadigen onzer werken thans veel minder 
dan vroeger voorkomt. En te Oleh-leh èn te Kota radja heeft zich 



H8 GROOT-ATJEH NA 1884. 

eene vrij talrijke bevolking nedergezet ') , die onder geregeld bestuur 
is gebracht en betrekkelijke welvaart geniet. Ook heeft zich elders 
binnen de lijn op verscheidene plaatsen eene bevolking gevestigd, 
die hare sawahs voor den rijstbouw en suikerteelt gebruikt, ofschoon 
nog menige akker woest en onbebouwd nederligt. Volgens het laatste 
Regeerings- verslag ^) was de partij van verzet, door de strenge afslui- 
ting der linie en de controle op allen in- en uitvoei', minder bedrijvig 
dan vroeger, en verliepen hare benden vóór dat zij iets noemens- 
waardig hadden kunnen uitrichten. Maar toch werden onze posten, 
tramwagens en de met het kappen enz. van het terrein belaste 
detachementen voortdurend beschoten , terwijl pogingen om ons op 
andere wijze, b. v. door beschadigen van den trambaan, vernielen 
van bruggen enz. afbreuk te doen nog steeds voorkomen, alhoewel 
in mindere mate dan vroeger. 

Waar zelfs in het betrekkelijk kleine gebied , door onze posten- 
linie ingesloten, de toestand zoo veel te wenschen overlaat, daar 
spreekt het wel van zelf dat in het gedeelte van Groot-Atjeh, 
't geen daar buiten is gelegen, de toestand nog minder bevredigend 
is. Het is onmogelijk hier in bijzonderheden medetedeelen hoe nu 
eens het eene hoofd zijn onderwerping aanbood, en dan weder een 
ander onze zaak ontrouw werd. Tengkoe di Tirou, die ook bij 
de invallen binnen de lijn betrokken was, en Tekoe Oemar gingen 
voort ons zooveel mogelijk te bestoken, zoowel in Groot-Atjeh als 
in de onderhoorigheden ; daarentegen bleven andere hoofden , en 
o. a. Tekoe Moeda Baïd , onze partij kiezen en traden soms zelfs 
vijandelijk tegen de orang Moslemin ^) op. Een der voornaamste 
maatregelen , tegen de oorlogspartij aangewend , was de min of meer 
afdoende sluiting der kusthavens, over welken voorraad en krijgs- 
materiaal aan haar werd toegevoerd. Een vaste gedragslijn werd nu 
in dit opzicht evenmin als vroeger gevolgd. Herhaalde malen werden 
enkele gedeelten der kust voor prauwen-vaart en visch vangst ge- 
sloten, zooals in October 1886 voor de noordkust van Koewala Segli 
tot Koewala Merdoe (later gedeeltelijk weder opgeheven. September 



1) Te Kota radja uit». -1891: 20&4 inw., onder welken 161 Eur. en H78 Chin. 

-) Over 1893, dat onder het afdrukken dezer bladzijden gedeeltelijk verscheen. 

') Het bestuur heeft, naar gemeld wordt, verboden dat aan onze tegenpartij 
dien naam wordt gegeven daar de ons getrouwe Atjehers niet minder recht hebben 
op den naam Moslemen dan de ons vijandig gezinden. 



INVOKRING DER SCHKEPVAART-REGRMNG IN 1892. 149 

1887), en van de westkust bezuiden Soesoeh tot Troemon in Oct. 
1887. En toen, in verband met een plan van herstel van het 
Sultanaat, de Gouverneur van Teijn krachtiger wilde optreden, 
doch de gewenschte schcepvaartregeling niet mocht invoeren , wer- 
den bij wijze van straf in Februari en December 1886 verscheidene 
staatjes aan de westkust geblokkeerd. Op grond van de daardoor 
verkregen resultaten werd deze maatregel in de volgende jaren 
verder uitgebreid, totdat de sluiting zich eindelijk over de geheele 
noord- en westkust uitstrekte. Voor Telok Seraawé en Kerti op de 
noordkust en voor Telok Kroet op de westkust werd echter eene 
beperkte invoer van levensmiddelen door middel van licenties toe- 
gestaan. Dit alles bracht, volgens de mededeelingen der Regee- 
riiig, er veel toe bij om het verzet tegen ons bestuur in kracht te 
doen afnemen, terwijl de goede werking dier maatregelen ook ge- 
bleken zou zijn uit de omstandigheid dat de hoofden en bevolking 
herhaaldelijk verzochten hun gebied weder voor de scheepvaart 
open te stellen en uit de meerdere volgzaamheid hunner hoofden; — 
en zulks ofschoon de blokkade, volgens bevoegde beoordeelaars, 
wegens gebrek aan schepen , nimmer geheel afdoende is geweest. 

Tot de invoering eener blokkade op de oostkust wilde de Regee- 
ring echter niet overgaan, omdat daardoor ook streken in de 
residentie-Oostkust van Sumatra zouden getroffen worden, die met 
het verzet van Atjeh niets te maken hebben. Eene gedeeltelijke 
afsluiting der kust kon niet afdoende zijn ; naar het oordeel der 
Regeering kon eene blokkade, die den oorlogstoestand nadert en 
vriend en vijand gelijkelijk treft, slechts een tijdelijke maatregel zijn, 
te meer ook omdat, bij langen duur, de blokkade geen uitwerking 
meer heeft, daar de bevolking er zich aan gewent en vreedzame 
visschers en landbouwers gedwongen worden zich bij den vijand 
aan te sluiten. Daarom werd in October 1892 eene scheepvaart- 
regeling op de oostkust in werking gebracht, en daar alleen Edi 
voor den algemeenen handel opengesteld, zoodat groote schepen 
slechts in die haven mogen lossen en laden , terwijl zware straffen 
tegen overtreding dezer bepaling bedreigd zijn. De andere havens, — 
die ten allen tijde door den Gouverneur geheel kunnen worden 
gesloten , — mogen echter wel door kleine Inlandsche vaartuigen 
worden bezocht, ten einde de goedgezinde bevolking, die door de 
blokkade zeer getroffen werd, te steunen en haren handel en nij- 



120 DE SULTANS-PARTIJ TE KFMALA. 

verheid gelegenheid te geven zich te ontwil<kelen. Dit jaar is ook 
op het overige kustgebied van Atjeh dezelfde maatregel toepasselijk 
verklaard, daar in Maart 1893, behalve Oleh-leh, alleen de havens 
van Telok Semawé op de noordkust en Poeloe raija op de west- 
kust voor den algemeenen handel werden opengesteld, terwijl de 
overige havens slechts door kleine Inlandsche vaartuigen bezocht 
raogen worden, — althans voor zoover de blokkade daar niet wordt 
toegepast. Eene zeer zware taak wacht hierbij onze marine, die nu 
niet alleen heeft toetezien, dat de vreemde schepen nergens binnen 
vallen dan in de aangewezen havens, maar ook smokkelhandel van 
Inlandsche vaartuigen moet tegengaan , zonder de handelaren lastig 
te vallen, die gebruik maken van de gelegenheid tot vrije vaart, 
hun door deze bepalingen geopend. 

Eene belangrijke omstandigheid, die zich in dit tijdperk voor- 
deed, was de oneenigheid die zich in 1888 bij de oorlogspartij te 
Kemala openbaarde. De pretendent-Sultan was in 1883 meerderjarig 
geworden en aanvaardde het bestuur, bijgestaan door een Raad 
van welke T. Hasjim, T. Mahmoed en T. Imam Longbattah de 
voornaamste leden waren. T. di Tirou Tjihik werd hoofd der gees- 
telijken van Atjeh, terwijl de ons bekende Tengkoe di Tirou zijn 
vervanger in Groot-Atjeh werd. Maar tegen den invloed der priester- 
partij kwam reactie bij de volkshoofden ; een hunner , het hoofd 
van Kemala, meende zelfs dat de Sultan zich in zijn land te veel 
rechten aanmatigde. Heftige twisten braken tusschen de aanhangers 
van den Sultan uit, totdat deze het besluit nam naar Groot-Atjeh 
te verhuizen. In Augustus 1888 kwam hij te Indrapoeri aan, waar 
T. di Tirou zich bij hem voegde, maar ook Panglima Polim volgde 
hem en beide rijksgrooten geraakten spoedig met elkander in onmin, 
daar de Panglima het eerstgenoemde hoofd van aanmatiging van 
gezag beschuldigde, en bovendien ontstemd was door de benoeming 
van T. Oemar, — die zijn verklaarde tegenstander geworden was, — 
tot Panglima prang amir al bahar. Ook te Kemala, werwaarts de 
pretendent weder terugkeerde, vond hij de vijandelijke of adat-partij 
aan het werk, en ofschoon het hem gelukte het hoofd van Kemala 
te verjagen en zelfs eenige twistende hoofden met elkander verzoend 
werden , was de invloed van Tengkoe di Tirou toch sterk afgeno- 
men, en scheen deze niet ongeneigd te zijn zich te onderwerpen 
en ook den Sultan overtehalen daartoe overtegaan (1889). Maar 



ONDERWEnriNO VAN TEKOE OEMAR. 121 

daarvan zou niets komen. Wel gaf een bezoek, dat door sommige 
aanzienlijken , — o. a. ook door het ons getrouwe hoofd T. Nek van 
Merasa, — aan den Sultan gebracht vi'erd,i) den indruk dat de vorst 
verlaten en betrekkelijk armoedig leefde, maar toch leverde deze 
poging tot toenadering, door P. Polim uitgelokt, geen ander resultaat 
op dan de vergunning aan de hoofden, binnen de linie gevestigd, ora 
weder te Kemala te komen, waarheen vroeger zelfs geen brief van 
het Gouvernement mocht worden overgebracht. T. di Tirou die zich, 
uit vrees voor de adat-partij, tegen dat bezoek had verzet, stierf 
kort daarna (Januari 1891), en zijn tegenstander P. Polim volgde 
hem een dag later in het graf. De dood dier beide hoofden heeft 
echter, voor zoover wij weten, geen onmiddellijken invloed uitgeoe- 
fend. Wel wordt telkens het gerucht verspreid dat de Sultan voor- 
nemens is zich te onderwerpen , maar zoo dikwijls hebben dergelijke 
geruchten tot teleurstelling geleid, dat het verstandig schijnt daarop 
niet te veel te rekenen, te meer omdat een invloedrijk persoon in 
zijn omgeving, de Oeiema Tekoe Koeta Karang nog steeds den 
heiligen oorlog predikt. Van uiterst belang is echter het onver- 
wachte optreden van T. Oemar, dat dezer dagen heeft plaats gehad, 
daar dit invloedrijk hoofd, nog vóór dat hij zich aan ons gezag 
onderworpen had, in vereeniging met T. Panglima Mesdjid Raja de 
vijandelijke Atjehers uit de IV en VI Moekins verdreef en hen tot 
de III Moekims Daroeh terugdrong. Daardoor werd aan onze troepen 
gelegenheid gegeven om de strook van 1000 Meter langs de zuid- 
westerlinie tot aan Ketapang doea open te kappen. In Augustus 1893 
behaalde hij nieuwe voordeelen en verdreef, door ons geschutvuur 
gesteund, den vijand nog verder en veroverde zelfs het sterke 
Kaloet, dat schuins tegenover onze versterking Lamreng lag op 
eenen afstand van ongeveer 900 Meter, en dus binnen de strook, 
die vrij moest worden gehouden. Het vorige jaar hadden wij twee- 
malen voor Kaloet het hoofd gestooten, de laatste maal zelfs met 



') Men liet zelfs toe dat zij door den pretendent-Sultan tegen betaling van acten 
van aanstelling werden voorzien. Een tijdlang was het ons streven, den pretendent 
tot onderwerping te brengen en hem dan, onder onze Souvereiniteit, als Sultan te 
erkennen. Of hierdoor veel gewonnen zou worden mag men met v. Heutsz betwijfe- 
len, daar het jonge geslacht aan het Sultans-bestuur ontgroeid schijnt, de aanspraken 
van den pretendent niet boven twijfel verheven zijn en door zijne erkenning de be- 
langen van menig vorst van een kuststaatje gevoelig gekrenkt zouden worden. 



122 DE ONDERHOORIGMEOEN VAN ATJEII NA 1884. 

betrekkelijk groot verlies. Onze troepen hebben van de veroverde 
positiën bezit genomen ten einde bet tei-rcin, dat Kaloet van de cein- 
tuurbaan scbeidt, open te kappen en de benting te slechten. Daardoor 
hoopt men elke vijandelijke onderneming tegen onze linie onmoge- 
lijk te maken; onze troepen kunnen zich thans ongehinderd in de 
IV en VI Moekins bewegen. Dit voorbeeld heeft, naar het schijnt, 
ook onze bondgenooten moed gegeven tegen den vijand optetreden; 
in het laatst van September toch werd door bevriende Atjehsche 
hoofden, onder welken ook T. Nek, de vijandelijke versterking Toeng- 
koep in het gebied der XXVI Moekims aangevallen en veroverd. 

De onderhoorigheden van Atjeh moeten ons nog eenige oogen- 
blikken bezighouden. Veel is over die streken, ook bij den dikwijls 
wisselenden toestand in de kuststaatjes, niet te zeggen, zonder te zeer 
in bijzonderheden af te dalen. Terwijl ons gezag in verscheidene 
dier onderhoorigheden vrij goed wordt geëerbiedigd is dit elders 
slechts het geval zoover ons geschut reikt, of wordt dit zelf geheel 
miskend. Zoo is de Pedir-federatie ons vijandig gezind omdat wij 
haar niet tegen Gighen willen bijstaan, en zijn de onderhandelingen 
met haar geheel afgebroken en blijft de Pedir-streek voor allen in- 
en uitvoer gesloten. Dit is te meer noodzakelijk omdat door dat 
gebied de eenige wegen loopen die van de noordkust naar Kemala 
leiden, terwijl men die streek ook moet doortrekken om van het 
overige gedeelte der noord-, en van de oostkust naar Groot-Atjeh 
te komen. In Edi, waar de ons getrouwe vorst onlangs overleed, 
en de houding der bevolking thans weinig te wenschen overlaat, 
werd in 1887 onze versterking herhaaldelijk aangevallen en was in 
April en Mei 1889 zelfs eene expeditie noodig tegen vijandelijke 
benden, die de gemeenschap van onzen post met de reede dreigden 
af te snijden, terwijl in 1890 op nieuw vijandelijke troepen daar 
moesten worden bestreden. Zoolang Groot-Atjeh niet geheel onder- 
worpen is zullen dergelijke invallen van vijandelijke benden wel 
steeds voorkomen, en zich somtijds zelfs buiten de grenzen van 
Atjeh uitstrekken. In 1885 en 1886 hadden zoodanige strooptochten 
van Atjehers en Gajoe's in het Tamiangsche plaats; zooals wij weten 
werd in het begin van dit jaar (1893) door den Imam van Lamnga 
(Groot-Atjeh) Nja Makam een inval in Tamiang gedaan en onze 
post te Seroeway aangevallen, terwijl later in Mei vijandelijke 
benden zich zelfs in beneden-Langkat vertoonden. Te Simpang 



DE ONDERHOORIGIIKDEN VAN ATJFH NA 1884. 123 

Olim door de bevolking vriendschappelijk ontvangen zag Nja Makam 
zich echter door verscheidene hoofden , — o. a. die van Edi-ketjil 
en Djolok-besar, — den toegang door hunne landen geweigerd, 
zoodat hij zich genoodzaakt zag over moeilijk begaanbare voetpaden 
door de bosschen naar de hem goedgezinde streken van Perlak te 
trekken, van waar hij den inval in Tamiang deed. Is dus de toestand 
op de noord- en oostkust weinig bevredigend, ook op de westkust 
is deze ver van voldoende, dewijl o. a. te Melaboeh binnenlandsche 
onlusten heerschen, en een daar gevestigd handels-établissement 
nog in Juni 1892 werd aangevallen en onze troepen van tijd tot tijd 
tegen vijandelijke benden moeten uitrukken. Internationale verwik- 
kelingen hadden het gevolg kunnen zijn van eene gebeurtenis, in 
1886 te Rigas voorgevallen , toen T. Oemar zich van het daar voor 
anker liggend stoomschip Hok Canton meester maakte, en enkelen 
der bemanning vermoord werden en anderen in gevangenschap 
gehouden. Eene tuchtiging van Rigas leverde geene resultaten op; 
eerst na de betaling van een groot losgeld werden de gevangenen 
vrijgelaten. Nog in het laatste koloniaal verslag wordt verzekerd dat 
in een gedeelte der westkust de toestand geheel door T. Oemar's 
invloed beheerscht wordt. Is dit zóó dan mag men hopen dat door 
zijne onderwerping ook daar een betere toekomst zal aanbreken. 

Uit het weinige, wat wij hier in het midden konden brengen, 
blijkt zeker wel voldoende dat wij in Atjeh nog alles behalve meester 
zijn en dat ons gezag, niettegenstaande een strijd van twintig jaren, 
geenszins op vasten grondslag steunt. Binnen de linie wordt te 
Groot-Atjeh dat gezag vrij goed geëerbiedigd ; de aanvallen , van 
tijd tot tijd daar gedaan , zijn grootendeels het werk van roover- 
benden, klein in getal en moeilijk te bedwingen omdat zij zich 
onmiddellijk na het gelukken hunner aanslagen verstrooien. Buiten 
de linie een vijand, die nu wel ontmoedigd schijnt maar die, zooals 
de ondervinding geleerd heeft, met weinig moeite weder tegen ons 
in het veld kan worden gebracht, omdat hij aan godsdiensthaat 
tegen de ongeloovige Hollanders paart de ongeregelde natuur van 
den vrijbuiter en er voor hem geen voordeeliger en aangenamer 
loopbaan te vinden is, en hij ruimschoots ondersteuning geniet zelfs 
van verscheidene hoofden, die in naam onze zaak zijn toegedaan. 
Want het merkwaardige feit, dat een betrekkelijk klein Inlandsch 
volk onze macht zoo lang heeft wederstaan , vindt voor een deel wel 



124 NOODZAKELIJKHEID RENER VASTE POLITIEK IN ATJEH. 

zijne verklaring hierin , dat een aanzienlijk gedeelte der bevolking 
in en van den wapenhandel leeft en in een gnerilla-oorlog is opge- 
groeid, terwijl verscheidene der meest invloedrijke hoofden bij een 
geregelden toestand weinig te hopen, doch veel te verliezen hebben. 
Maar voor een goed deel is dit feit ook wel het gevolg van de 
afwisselende inzichten van ons bestuur, heden afbrekende wat gisteren 
was opgetrokken, 't geen den Atjeher wel den indruk moet geven 
dat , wanneer wij krachtig tegen hem optreden dit toch maar tijdelijk 
zal zijn en er wel spoedig betere dagen voor hem zullen aanbreken. ^) 
De onderwerping van T. Oemar en het optreden van de ons goed- 
gezinde bevolking geeft thans hoop op bevestiging van onze macht, 
althans wanneer dit alles oprecht gemeend is. Want het behoeft 
■wel geen betoog dat, waar ons bestuur terecht gaarne gebruik 
maakt van de ons geboden hulp, nauwgezette waakzaamheid ook 
tegenover onze nieuwe bondgenooten plicht is, opdat wij niet plotse- 
ling voor verrassingen staan die ons gezag zware slagen zouden 
kunnen toebrengen. En waar nu eenmaal de scheepvaartregeling is 
ingevoerd, daar wijke men daarvan dan ook niet af, vóór men er 
ten volle de proef mede genomen heeft en verstrekke met ruime 
hand alles, wat voor eene krachtige uitvoering daarvan noodig is, 
en late, nu ten minste, de zuinigheid de wijsheid niet bedriegen. 
Tegenover de Atjehers, die ons onderworpen zijn, past ons een recht- 
vaardig bestuur, dat hen vertrouwen inboezemt en steunt tegen 
aanvallen van onze vijanden : tegenover hen , die ons belagen of onze 
zaak verraden is een krachtig optreden noodig, dat met alle ons ten 
dienst staande middelen wordt ondersteund en bewijst dat Neder- 
land, nu althans, ernstig wil dat rust en vrede gaan heerschen in 
die streken, waar zij te lang hebben ontbroken en dat onder de 
bescherming van onze vlag welvaart zich ontwikkele die onder het 
Inlandsche bestuur en in den strijd tegen onze macht te vergeefs 
wordt gezocht. 

Ook op Borneo vormden de jaren, na het herstel van het 



') Merkwaardig is in dit opzicht de mededeeling van den heer v. Heutsz dat 
tijdens de sluiting de hoofden en ouden van dagen zeiden: «Laten wij volhouden en 
ons in geen geval vóór de ophanden zijnde bestuursverandering onderwerpen; de 
ondervinding toch leerde ons dat bij de Hollanders iedere bestuursverandering wijzi- 
ging brengt in de bestuursinzichten." 



DE CHINEEZEN OP nORNEO's WESTKUST. 425 

Nedeiiandsche gezag verloopen, een tijdperk van langdurigen strijd 
die echter ten slotte geheel ten onzen voordeele werd beslist. Spoedig 
na de overname der koloniën keerden de onzen op Borneo's west- 
kust terug (1818) , waar zij vooral door den Sultan van Pontianak 
met vreugde werden ontvangen. De toestand , dien zij daar vonden , 
was niet zeer gunstig. In de laatste helft der 18de eeuw had er 
zich een element gevestigd, dat wel is waar door vele goede eigen- 
schappen uitmuntte, en door noesten arbeidszin den Maleischen 
vorsten groote diensten had bewezen, maar dezen weldra boven het 
hoofd groeide en feitelijk op sommige streken der westkust de 
oppermacht uitoefende en daardoor in botsing met het Nederlandsche 
Gouvernement kwam. Het waren de Chineesche mijnwerkers die 
in den beginne door de vorsten naar Borneo's westkust waren 
gelokt en zich vooral in de rijken Sambas , Mempawa, Landak en 
Pontianak in het noordwestelijk gedeelte der residentie hadden 
gevestigd en te Larah en Montrado bij duizenden geteld werden 
die, met enkele uitzonderingen, allen afkomstig waren uit Kwan- 
toeng, de zuidelijkste provincie van China. In dit gewest baanden 
tweeërlei immigratie-stroomen zich een weg en verdrongen de oor- 
spronkelijke bevolking. In de eerste plaats waren het de Hakka- 
Chineezen, welke de groote meerderheid uitmaakten van de Chi- 
neesche mijnwerkers te Mandor en die, in den zwaren strijd om 
het bestaan gehard en gestaald, als model eener koloniseerende 
natie beschouwd mogen worden. De vooral als zeevaarders bekende 
Hoklo's vormden den tweeden stroom ; aan hen heeft menig deel 
onzer Buitenbezittingen allen welvaart te danken. Slechts in gerin- 
ger aantal worden dezen in de raijndistricten, en dan nog meest 
als handelaars aangetroffen, terwijl zij ook elders, b. v. in het 
Rijk van Pontianak, meestal landbouwers, handelaars , werklieden en 
zeelieden zijn. Met hen kwam ons Gouvernement niet in vijandige 
aanraking en evenmin met de vooral voor den landbouw geschikte 
Foekiëneezen , van wie zoo goed als alle Java-Chineezen afstammen 
en die in Borneo's westerafdeeling slechts op de hoofdplaats in 
aanzienlijk aantal samenwonen. In Sambas bestond de groote 
meerderheid uit Pan-San-Hok's , eene gemengde bevolking, ontstaan 
op de grenzen van het Hakka- en Hoklogebied in China en die, 
in ongunstige omstandigheden geplaatst, zoo gehard werden dat 
zij de „zoo stoere Hakka-Chineezen dikwijls als een verwijfd volk 



42G DE CHINEEZEN OP BORNEO's WESTKUST. 

beschouwden." ') Hakka- en Hoklo-Chineezen droegen elkander reeds 
in bet vaderland geen goed hart toe; oneenigheid en twisten tus- 
schen beide stammen waren ook op Borneo geene zeldzaamheid. 
De Chineesche mijnwerkers vereenigden zich daar in kongsi's, een 
woord dat eigenlijk beteekent: „beheer van wat gemeenschappelijke 
zaak is", en dat dus ook op groote corporaties of firma's toe- 
passelijk is, maar als naam der politieke lichamen van Boineo moet 
worden opgevat in den zin van „vereeniging ter wille van het 
beheer der algemeene zaak," en ter bevordering van onderling 
hulpbetoon. Op den voet der dorpsinrichtingen in China vorm- 
den zij ware republieken, doch met oligarchischen regeeringsvorm , 
daar de vermogende en invloedrijke lieden in verschillende neder- 
zettingen met stilzwijgende goedkeuring der bevolking den boven- 
toon voerden en, al dan niet met verkiezings-formaliteiten, de 
districtshoofden aanwezen, waarvan één aan de spits der gansche 
kongsi stond. Dit laatstgenoemde hoofd is meestal onder den titel 
„kap-thai" bekend, die echter niet aan het Chineesch ontleend is. 
De titel kapitan (kapitein) werd onder Maleischen of Nederland- 
schen invloed voor de voornaamste districtshoofden ingevoerd ; de 
Maleiers noemden nu het opperhoofd der kongsi, kapitan toewa 
(oude kapitein). Van dat toewa maakten de Hoklo's toa, groot, en 
vormden door samentrekking het woord kap-toa, en daar toa in de 
taal der Hakka's het volkomen gelijkbeteekenende thai wordt, ont- 
stond de titel kap-thai, die weldra het burgerrecht verkreeg. Deze 
hoofden, die in hun openbaar karakter door de overige leden der 
kongsi geëerbiedigd werden , genoten overigens bij hen geen bijzon- 
der aanzien en waren van den volksgeest afhankelijk, zoodat zij 
gevaar liepen bij overschrijding hunner bevoegdheid door eene volks- 
beweging ter zijde te worden gesteld. Het punt van vereeniging 
was de thang, het groote raadhuis ter plaatse waar zich de zetel 
van het bestuur bevond, en dat tegelijkertijd diende als dooden- 
tempel of bewaarplaats der houten zielbordjes of geesten-tabletten, 
zichtbare en tastbare zinnebeelden , waaronder de geesten der over- 
ledenen worden vereerd, en die den naam der overledenen droegen. 
Terwijl aan den huiselijken haard de tabletten der voorouders uit 



') Dr. J. J. M. de Groot. Het Kongsiwezen van Boineo. 's Grav. -1885. S. H. 
Schaank in T. B. G. XXXV. Veth. Borneo's Westerafdeeling. 



I 



DE CIIINEEZEN OP BORNEo's WESTKUST. 1Ö7 

de familie worden bewaard, worden in de thang slechts de zielbordjes 
opgezet dergenen, die volgens de bestaande bepalingen zich de alge- 
meene vereering waardig hebben gemaakt. 

De hier geschetste krachtige organisatie verschafte aan de 
geharde Chineezen spoedig het overwicht boven de zwakke, onder- 
ling verdeelde Maleische vorsten, zooals de vorst van Sambas 
spoedig moest ondervinden. Deze Sultan had hunne vestiging slechts 
onder strenge bepalingen toegestaan en hun eene schatting opge- 
legd, terwijl aan de hoofden der Dajaks was opgedragen, hen te 
bewaken en in toom te houden. Zoodra de Chineezen zich daartoe 
sterk genoeg rekenden, ontsloegen zij zich van dat toezicht. De 
Chineezen van Montrado, zoo wordt althans verhaald, noodigden de 
naburige Dajaks tot het bijwonen van een hunner feesten uit, 
maar te midden van de feestvreugde overvielen zij hunne gasten 
en brachten het grootste gedeelte om. Hunne macht werd nu 
allengskens over de omwonende Dajaks uitgebreid, die van hen 
geene mindere knevelingen hadden te verduren dan die, welken zij 
onder het Maleische Sultans-bestuur hadden moeten dulden. Toen 
de Nederlanders zich weder op de westkust vestigden waren er 
zeven kongsi's van mijnwerkers in Montrado gevestigd, die althans 
voor politieke doeleinden tot twee samensmolten, de kongsi's Thai- 
kwong (Groote rivier, Soengei raja) en Sam-thiao-keeuw (drie 
stuks kanalen). Een achtste kongsi, Lanfong (orchidaeëngeur) , 
was te Mandor in Mempawa gevestigd en bestond oorspronkelijk 
uit Chineezen die tengevolge van oneenigheden met hunne land- 
genooten (Hoklo's van Pontianak) uit Montrado en Larah gevlucht 
waren. Het duurde niet lang of ons bestuur kwam met die kongsi's 
in botsing. 

Bij de organisatie van het bestuur op de westkust was de hr. 
Muller tot resident van Sambas aangesteld geworden en deze haalde 
den Sultan over een contract te sluiten , waarbij tegen een gelde- 
lijke vergoeding het recht van belastingheffing aan het Ned. Gou- 
vernement werd afgestaan , zoodat wij het recht kregen om van de 
Chineezen een zeker hoofdgeld te vorderen. Muller ging naar Mon- 
trado op reis en werkelijk gelukte het hem de Chineezen over te 
halen , zich aan het Ned. gezag te onderwerpen. Maar ongelukkig 
had Mempawa indertijd aanspraken op Montrado gemaakt en bijna 
onmiddellijk na het vertrek van Muller verscheen de waarnemende 



128 MET NEDERLANDSCIIE GEZAG IN STRIJD MET DE CHINEEZEN. 

resident van dat rijk, Prediger, op zijne beurt te Montrado, en 
eischte dat de Chineezen met hem een verdi'ag zouden sluiten. 
Miiller, daarover ten hoogste verbitterd, begaf zich op nieuw naar 
die plaats, haalde de Nederlandsche vlag neder, die door Prediger 
was geheschen en stelde daarvoor eene soortgelijke in de plaats. 
Men kan begrijpen dat deze handeling weinig geschikt was om den 
Chineezen achting voor ons in te boezemen! En toen daarbij de 
invoering van een zout- en opium-monopolie kwam en het hoofdgeld 
scherper geeischt werd dan de Maleische vorsten dit ooit gewaagd 
hadden, besloten de Chineezen de Europeesche indringers van Borneo 
te verjagen. Een aanval, door die van Mandor op Pontianak onder- 
nomen (1819), mislukte echter geheel; zij waagden zich dan ook 
niet meer aan de kans der wapenen, en zelfs gelukte het aan eene 
legermacht onder de Stuers in 1822 die plaats zonder tegenstand te 
bezetten. Minder gelukkig waren wij met de Chineezen van Montrado. 
Tusschen Thai-kwong en Sara-thiao-keeuw was tweespalt ontstaan, 
daar de gronden van Montrado grootendeels uitgegraven waren en 
beide partijen het voor rijk gehouden Sepawang begeerden. Sam- 
thiao-keeuw delfde het onderspit, en toen wij ons in den strijd 
wilden mengen en die kongsi bijstonden leden wij de nederlaag. 
De hr. Tobias, die als Commissaris plannen moest beramen om de 
ontwikkeling van Borneo te bevorderen, meende deze twisten te 
kunnen bijleggen door eene verdeeling voor te slaan van de land- 
streken, waarop beide partijen aanspraak maakten. Werkelijk 
namen de hoofden der kongsi's deze voorstellen aan , maar toen zij 
ten uitvoer gelegd moesten worden bleek het, dat de meerderheid 
der Chineezen van Thai-kwong daarmede geen genoegen nam en 
men moest naar de wapenen grijpen om hen te dwingen, de 
gestelde voorwaarden na te komen. Doch toen men in 1824 besloot 
Montrado bij voortduring te bezetten , ten einde de belastingheffing 
op geregelde grondslagen te vestigen, ondervond men eenen onver- 
wachten tegenstand. De krijgsmacht, met die taak belast, werd te 
Sinkawang overvallen en door gebrek aan voorraad gedwongen in 
de stilte van den nacht naar Sambas terug te trekken. Tot eene 
tuchtiging der Chineezen werd besloten ; de troepen op Celebes , die 
Boni vermeesterd hadden , werden daarvoor bestemd , maar plotse- 
ling brak de opstand op Java uit en de geheele beschikbare krijgs- 
macht werd naar dat eiland gezonden en de onderneming tegen 



Verwaarloozing der buitenbezittingen. 129 

Montrado tot later uitgesteld. Geen wonder dat de Chineezen allen 
ontzag voor het Nedeilandsche Gouvernomont verloren en zich 
weinig om onze ambtenaren bekreunden. En deze overmoed werd 
versterkt door de staatkunde, die du Bus en zijne opvolgers tegen- 
over Borneo volgden. De aandacht der Regeering werd bijna uit- 
sluitend op Java en Sumatra gevestigd; evenals alle Buitenbezittingen 
kwijnde ook Borneo's westkust onder het systeem van bezuiniging. 
Eene nieuwe organisatie van het bestuur, onder du Bus ingevoerd, 
schafte de hoofdgelden af maar verhoogde de inkomende en uit- 
gaande rechten , waartegen de Chineezen zich echter door smokkel- 
handel op groote schaal schadeloos stelden. Het cultuurstelsel 
concentreerde alle krachten op Java; de beperkende voorschriften 
van du Bus werden in 1833 binnen nog engere grenzen ingekrompen 
door V. d. Bosch, „die noch nut, noch voordeel in het bezit en het 
oppergezag over Borneo erkende en uitging van de stelling dat, 
behalve Sumatra, Bangka en Banda, het beheer der bezittingen 
buiten Java tot den minst mogelijken omslag en de geringst 
mogelijke kosten moest worden teruggebracht, de handel aldaar vrij 
gegeven en alle krachten aangewend behoorden te worden om Java, 
Sumatra en Bangka wel te exploiteeren en te beschermen." Deze 
bevelen werden streng gehandhaafd; zoover ging zelfs de zucht tot 
onthouding van het Ned. Gouvernement, dat in 1838 aan de Euro- 
peesche ambtenaren op de westkust verboden werd, de binnenlanden 
te bezoeken. En terwijl dit systeem in volle kracht was verscheen 
een man op Borneo, die bestemd was om eenen grooten invloed op 
een aanzienlijk gedeelte van dat eiland uit te oefenen. 

Reeds in 1834 hadden Engelschen uit Singapore getracht 
handelsbetrekkingen met Borneo aan te knoopen, doch de ijver- 
zucht van onze ambtenaren had dit belet. Maar het stond hun vrij 
zich met het onafhankelijke Broenei in verbinding te stellen, want 
ofschoon de assistent-resident van Sambas het denkbeeld geopperd 
had een handelstractaat met dat rijk te sluiten, waarvoor de tijds- 
omstandigheden alleszins gunstig waren, sloeg de Regeering zijne 
voorstellen herhaaldelijk van de hand, ja wees hem zelfs op harden 
toon terecht over zijne bemoeiingen met de inwendige aangelegen- 
heden van Borneo. Deze gelegenheid benuttigde James Brooke om 
zich op Borneo te vestigen , onder den schijn van wetenschappelijke 
onderzoekingen, die hem zelfs eene aanbeveling van den Gouver- 

II. 9 



130 BROOKE TE SEUAWAK. 

neur-Generaal in het belang der wetenschap verschafte, maar in 
werkelijkheid, althans volgens zijne latere verklaring, ten einde 
beschaving oj) IJorneo te brengen en den slavenhandel te keer te 
gaan. Hij maakte gebruik van binnenlandsche twisten in Serawak, 
eene onderhoorigheid van Broenei, uitgebroken, om zich de gunst 
te verwerven van den rijksbestierder die naar Serawak gezonden 
was en een einde moest maken aan eenen opstand van de Dajaks 
in de binnenlanden. Als belooniiig voor de hulp, bij de onderwer- 
ping der opstandelingen verleend, werd aan Brooke de vergunning 
gegeven om zich in Serawak te vestigen , en spoedig daarna gelukte 
het hem den afstand van dit gebied te verkiijgen, eerst in leen, 
daarna in vollen eigendom. Omstreeks dienzelfden tijd vatte hij het 
plan op om het eilandje Laboean voor Engeland te verwerven , en 
ofschoon niet zonder aarzeling benoemde de Britsche Regeering hem 
tot haren agent bij den Sultan van Broenei. De bewering, dat die 
vorst aan gepleegde rooftochten zou hebben deelgenomen , gaf eene 
geschikte aanleiding om Broenei door eene zeemacht te doen tuch- 
tigen en den Sultan te dwingen , Laboean aan Engeland af te staan 
(1846), en daarmede was verkregen hetgeen verlangd werd, een 
kolendepót en station voor Engelsche schepen tusschen Singapore 
en China. Met krachtige hand bestuurde Brooke het door hem ver- 
worven gebied. De zeeroof werd op eene wijze te keer gegaan die, 
ofschoon zij van groote wreedheid niet is vrij te pleiten, toch afdoende 
was en Serawak voor langen tijd van dien overlast bevrijdde. 
Zijn rijk nam in bloei toe, doch een opstand onder de Chineezen, 
die in 1857 uitbrak, vernietigde veel van het goede, dat Brooke tot 
stand gebracht had, en deed hem zelfs er toe besluiten ten behoeve 
van een zijner neven van het bestuur afstand te doen , nadat hij 
vruchteloos stappen had gedaan om zijn gebied aan Engeland en 
Nederland te verkoopen. Na zijn aftreden voerden bloedverwanten 
het bestuur over Serawak, dat door verscheidene Mogendheden als 
onafhankelijke staat erkend werd, maar sedert 14 Juni 1888 zich onder 
protectoraat van Engeland gesteld heeft, evenals Broenei, waar de 
Sultan dat voorbeeld den ilden September van dat jaar gevolgd heeft. 
Wij moeten ons thans weder met de Chineezen van Sambas 
bezig houden , die wij een oogenblik uit het oog verloren. ^) Verder- 



1) E. B. Kielstra. Ind. Gids. 1889. 1890. 



STRIJD MET DE CHINEK7.F.N VAN SAMBAS. 131 

felijk werkte de politiek van onthouding op het prestige van het 
Nederlandsche gezag , zoodat zij het nieernialen waagden onze ambte- 
naren grovelijk te beleedigen, ja zelfs te mishandelen. Maar onder 
het bestuur van Rochussen werd met dit stelsel gebroken . grooten- 
deels wel onder den invloed van vrees voor verdere uitbreiding van 
het Britsche gezag op Borneo. Op het einde toch van 1845 verklaarde 
het üpperbestuur het stelsel van niet-uitbreiding te willen laten 
varen en gaf het zijn verlangen te kennen om de Ned. opperheer- 
schappij op Borneo te bevestigen. Daartoe zou een centraal bestuur 
op het eiland moeten worden gevestigd, en gestreefd worden naar 
vermeerdering van kennis van land en volk , naar bescherming der 
onderdrukte Dajaks en naar uitbreiding der Chineesche kolonisatie, 
terwijl centrale zendeling-etablissementen in het binnenste des lands 
zouden worden gevestigd, goud- en zilverraijnen op wetenschappe- 
lijke grondslagen worden geëxploiteerd en eindelijk eene vaart van 
kleine stoomvaartuigen op de groote livieren worden geopend. 
Grootsch programma inderdaad, eene aanzienlijke koloniale mogend- 
heid waardig, maar dat eerst langzamerhand kon worden verwezen- 
lijkt, en in de uitvoering groote moeilijkheden zou aanbieden. En 
onder dezen mocht vooral niet gering geacht worden het bezwaar 
eener regeling onzer verhouding tegenover de Chineezen, die wel- 
is waar onze heerschappij erkenden en , hoewel noode , bereid waren 
zich aan onze drukkende belastingen te onderwerpen, maar zich met 
kracht verzetten toen zij meenden dat wij de hand wilden slaan aan 
het stelsel van zelfregeering , bij hen bestaande. De invoer van zout, 
opium , wapenen en kruit was op de westkust door ons bestuur 
verboden, doch steeds hadden de Chineezen door den sluikhandel 
dit verbod weten te ontduiken, totdat zij in 1850 zelfs de stout- 
moedigheid hadden een geladen vaartuig met geweld de rivier van 
Sedouw in te voeren en de uitlevering daarvan te weigeren. Het 
waren hoofdzakelijk de Chineezen van de kongsi Thai-kwong, met 
een tweetal andere kongsi's verbonden, die zich aan deze handeling 
schuldig maakten, want die van Sam-tiao-keeuw, welke met Thai- 
kwong in oorlog waren, trachtten de bescherming van het Gouver- 
nement te verkrijgen.. Eene krijgsmacht onder Lt. Kol. Sorg nam de 
Chineesche werken bij Pamangkat, maar latere aanvallen, na den 
dood van dien aanvoerder ondernomen, mislukten volkomen, en 
reeds was het voornemen opgevat om eene grootere macht naar de 



i32 ONTBINDING DEU KONGSi's. 

westkust te zenden, toen er tegen het einde van Deo. 1850 een vijftal 
Cliincezen te Pontianak verschenen, die zich afgevaardigden van 
de kongsi Thai-kwong en hare bondgenooten noemden en op plechtige 
wijze hunne onderwerping aanboden. Alvorens zij het Gouverneraents- 
huis binnentraden bonden zij een stuk roode zijde aan den vlagge- 
stok, plantten kaarsen aan zijnen voet, ontstaken een reukolTer, 
knielden en baden, waardoor zij hun voornemen te kennen gaven 
om zich met goed en bloed te verbinden aan de Mogendheid, wier 
vlag zij erkenden beleedigd te hebben. Men haastte zich om van 
deze gunstige gezindheid gebruik te maken, die waarschijnlijk het 
gevolg was van de strenge blokkade, door ons onderhouden, welke 
gebrek aan zout en andere benoodigdheden veroorzaakt had. De 
aangeknoopte onderhandelingen leidden op 27 Jan. 4851 tot eene 
overeenkomst tusschen de afgevaardigden der drie kongsi's en den 
resident Willer, waarbij den Cliineezen eene boete en «ene vaste 
schatting werd opgelegd en aan het onafhankelijke kongsi-bestuur 
in Sambas een einde werd gemaakt. De kongsi's, daar gevestigd, 
zouden zich ontbinden en oplossen in een nieuw lichaam, Fo-sjoew- 
tjing-thang (algemeene hal van eendracht en meegaandheid). De 
dorpshoofden zouden door de bevolking worden verkozen, en op 
hunne beurt een viertal mannen aanwijzen, uit welken het Ned. 
bestuur een regent (kap-thai) zou kiezen over de landen Montrado , 
Boedok, Loemar en het gebied der voormalige kongsi Sam-tiao- 
keeuw, dat in 1850 door de drie verbonden kongsi's veroverd en 
bezet was. Doch de Regeering te Batavia kon zich niet met deze 
overeenkomst vereenigen, vooral ook omdat zij meende dat door het 
vestigen van eene aaneengesloten , rechtstreeks onder Ned. gezag 
staande Chineesche maatschappij de rechten van den Sultan van 
Sambas zouden worden aangetast en omdat zij het bestuur van den 
kap-thai niet wilde uitstrekken tot de landen, waar vroeger de 
kongsi Sam-tiao-keeuw gevestigd was. Dit besluit werd door Rochussen 
aan de Chineesche afgevaardigden medegedeeld die naar Batavia 
waren vertrokken, en nu werd door den resident overgegaan tot 
de aanstelling van den kap-thai, terwijl ook het bedrag werd vast- 
gesteld der boete, die de Chineezen tot straf moesten betalen, en 
er voor gezorgd werd dat Montrado geene aanspraken meer maakte 
op het land van Sam-tiao-keeuw. Maar nog altijd bleef de Regeering 
huiverig om in de voorstellen van den resident te treden, die deze 



DK ONZEN TE SEPAWANG OVERVALLEN. 133 

eindelijk te Batavia ging verdedigen en met een en ander ging een 
kostbaren tijd verloren vóór dat de Regeering eeiie beslissing nam. 
Eerst den 6den October 4852 besloot zij het landschap Sepa- 
vvang, dat aan de ontbonden kongsi Sam-tiao-keeuw had behoord, 
maar in handen harer tegenpartij was, voorloopig tot Gouvernements- 
grondgebied te verklaren, waar Chineezen van alle kongsi's zouden 
worden toegelaten, en den kap-thai in staat te stellen zijn gezag uit- 
teoefenen. Maar daar het bleek dat er tusschen den resident en den 
kommandant, majoor Andresen, verschil van inzichten bestond, werd 
het beleid aan een Gouvernements-Commissaris, den heer Prins, toe- 
vertrouwd. Deze stond weldra voor een taak die veel moeilijker was 
dan men had kunnen bevroeden. Welwas de kap-thai naar Pontianak 
gekomen met den stempel van Thai-kwong, die nu vernietigd kon 
worden als zichtbaar teeken van de ontbinding dier kongsi, maar het 
bleek toen tevens dat eene groote partij onder de Chineezen ons vijandig 
was en geene inmenging in hunne bestuurs-aangelegenheden wilde 
dulden, terwijl ook de naam van Thai-kwong nog wel degelijk 
gebruikt werd. Een dei' eerste handelingen van den heer Prins was 
het aannemen van het ontslag van den kap-thai , die tusschen de 
beide partijen beklemd was geraakt, terwijl de Commissaris daarna 
overging tot den tocht naar Sepawang, dat zonder tegenstand bezet 
werd en waar de onzen vriendelijk ontvangen werden. Maar weldra 
keerde het blaadje; plotseling werd de plaats door de Chineezen 
verlaten en toen Prins, slechts van enkelen vergezeld, den terug- 
tocht ondernam werd hij overvallen en gedwongen naar Sepawang 
terug te keeren en weldra was hij door een aantal vijandelijke 
Chineezen ingesloten (April 1853). Ter nauwernood gelukte het aan 
de aansnellende macht onder v. d. Kasteelen en v. Houten om de 
bezetting te ontzetten en den terugtocht naar de kust te verzekeren. 
Maar nu werd er tot krachtige maatregelen besloten. Onder leiding 
van Andresen werd Singkawang bezet (Mei 1854), en geraakte zelfs 
Montrado in onze macht. Den 2den Juni rukte de Nederlandsche 
macht die stad binnen , ingehaald door 30 der voornaamste , in het 
wit gekleede inwoners, terwijl de ingezetenen voor hunne woningen 
geknield lagen en daar anderhalf uur bleven liggen, totdat de laatste 
man voorbij was. De kongsi Thai-kwong en de andere mijnwerkers- 
vereenigingen werden als vernietigd beschouwd en Montrado en 
onderhoorigheden zouden gesteld worden onder hoofden, door het 



134 DK SAM-TJAM-KOEI. 

Gouvernement aantestellen en onmiddellijk onder de Ned. ambte- 
naren geplaatst, feiwijl de uitlevoritig der voornaamste leiders van 
bet verzet gelast werd. Inderdaad scbeen bet dat biermede de rust 
bersteld was, en zelfs werd een der voornaamste boofden van den 
opstand door de Cbineezen uitgeleverd, docb spoedig bleek bet dat 
de gebeele vernietiging van bun zelfbestuur, en de drukkende koelie- 
diensten , van ben gevergd , bij vele Cbineezen kwaad bloed gezet 
bad , die bovendien ook over misbaiideling en berooving klaagden. 
Vele aanbangers van Tbai-kwong badden zicb tocb te Larab verza- 
meld, maar den naam bunner kongsi, die door de acbtereen- 
volgende nederlagen in minacbting geraakt was, badden zij in 
dien van Kioe-liong (verbond der negen, — of der tallooze, — 
draken) veranderd. Door ben werden onze troepen te Montrado 
overvallen (18 Juli 1854), en ofscboon de aanval werd afgeslagen 
en de Cbineescbe versterkingen in de buurt vermeesterd werden , 
werd kort daarna de pasar van Montrado door de ontevredenen 
verbrand. Een tocht naar Larab maakte wel een einde aan het 
gewapend verzet, maar nu beproefden zij ons langs geheime wegen 
afbreuk te doen , waarbij zij zelfs voor sluipmoord niet terugdeinsden. 
Hoofdzakelijk was dit bet werk van eene geheime vereeniging, de 
Sam-tjam-foei of het drievinger- verbond, die over een groot deel 
der Cbineescbe districten bare vertakkingen had en die, naar men 
vermoedde, ook de hand bad in het verbranden van den pasar te 
Montrado. Onder leiding van Kapitein Verspijck, die tot waarnemend 
assistent- resident benoemd was, stelde men alle pogingen in bet 
werk om achter bet geheim dier vereeniging te komen, doch te 
vergeefs doorzocht men alle verdachte plaatsen en doorkruiste bet 
gebeele gebied van Montrado, toen een toeval ons den draad in 
banden speelde, dien men anders misschien jaren lang had moeten 
zoeken. Op den terugtocht van eene verdachte plaats ontmoette 
Verspijck een Chinees en vroeg hem volgens gewoonte bet hoofd- 
briefje af, dat ieder zijner landgenooten bij zich moest dragen. 
Terwijl de Chinees dit uit zijn zak haalde, bemerkte de kapitein 
nog een ander papier en ontrukte bet hem, vóór dat gene bet kon 
verbergen, en weldra zag bij dat dit briefje van den stempel der 
Sam-tjam-foei voorzien was, en dat men dus met eenen ingewijde 
te doen bad. Spoedig verkreeg men meerdere aanwijzingen en met 
behulp van eenen verrader gelukte het, de boofden in hunne bijna 



ONDF.RWKRPING OKR CIIINEEZEN VAN SAMBAS. 435 

ongenaakbare schuilplaats te overvallen. Overdag werd deze bewaakt 
door eene keten van schildwachten, op hoog uitstekende boomen 
geposteerd, en bij nacht beschermd door dicliter bijeen getrokken 
wachten, terwijl het huis, dat tot schuilplaats diende, van achteren 
open was. Te midden van den nacht door Verspijck verrast, konden 
de verbondenen zich ter nauwernood met achterlating van eenige 
dooden door de vlucht redden , maar de gelegenheid ontbrak hun 
om hunne geheime boeken en schriften te bergen , en zoodoende 
was hun geheim verraden en de kracht van het eedgenootschap 
gebroken. De voornaamsten hunner verstrooiden zich naar alle 
kanten; sommigen kwamen van gebrek om, anderen werden in de 
bosschen door de Dajaks omgebracht en slechts weinigen gelukte 
het om het onafhankelijk gebied van Borneo te bereiken en zich 
aan de hand van het Nederlandsche bestuur te onttrekken. Eene 
laatste stuiptrekking was een onverwachte aanval op Loemar (Juni 
4856), die door onachtzaamheid van den Nederlandschen bevel- 
hebber bijna gelukt was, maar door spoedige hulp verijdeld werd. 
Groote wegen werden onder het bestuur van Andresen en diens 
opvolger, majoor Kroesen, aangelegd en ofschoon de mijn dist rieten 
deels door volksverloop, deels echter ook door de toenemende uit- 
putting der goudgronden een groot deel van hare welvaart inboetten 
en tot arme landbouw-districten zonder veel vertier vervielen , bleef 
de rust onder de Chineezen op de westkust gedurende verscheidene 
jaren gehandhaafd. Doch in 4884 braken , doch nu in eene andere 
streek, onlusten onder hen uit. 

Terwijl de gebetirtenissen van 4854 de opheffing van het kongsi- 
bestuur in Montrado tengevolge hadden gehad , was de kongsi Lan- 
fong in Mandor, wegens hare onpartijdige houding en hare over- 
vloedig gebleken gunstige gezindheid jegens het Europeesche gezag, 
in haar zelfbestuur gehandhaafd, met dien verstande dat in stede 
van een overeenkomst als van gelijke tot gelijke, thans een bevelschrift 
van ons bestuur den omvang harer rechten regelde. Zoolang dit 
zelfbestuur gehandhaafd werd gaven de Chineezen te Mandor 
geene aanleiding tot eenige klachten, totdat ons bestuur plotseling 
verrast werd door de tijding van den moord, gepleegd op den pas 
aangestelden controleur met eenigen van zijne politieoppassers (Octo- 
ber 4884), In den aanvang geloofde onze Regeering dat dit op 
rekening gesteld moest worden van een geheim verbond, de Sam- 



136 VERZET DER CMINEEZEN VAN MANDÖR. 

tjam, maar weldra verkreeg het de zekerheid, dat de euveldaad 
het gevolg was van de ontevredenheid, door de opheffing van dat 
zelfbestuur op de westkust veroorzaakt. Toen de kap-thai der 
kongsi Lanfong in September van dat jaar gestorven was, 
meende de resident dat de tijd gekomen was om den last 
optevolgen, hem door de Regeering in dat geval gegeven, en 
een einde te maken aan het zelfbestuur dier kongsi, en Mandor, 
evenals de andere Chineesche districten, onder rechtstreeksch 
bestuur van het Gouvernement te brengen. Op zeer doortastende 
wijze w'erd door hem te werk gegaan ; het verzoek van de nage- 
laten betrekkingen van den kap-thai om de beschikking over den 
„thang" te mogen behouden werd geweigerd en zelfs zou hij ver- 
langd hebben dat de geesten-tabletten uit de zich daar bevindende 
offerplaats zouden verwijderd worden. Ofschoon aan die bevelen 
voldaan werd en zelfs de invoering van het directe bestuur zonder 
verzet plaats had, bleek de ontevredenheid der Chineezen over onze 
inmenging in hunne bestuurs-aangelegenheden door de reeds ver- 
melde moorden en zelfs door gewapend verzet, dat naar Montrado 
oversloeg, en waaraan ook Dajaksche benden uit Landak deel- 
namen. Dit verzet werd echter reeds in 1885 door onze troepen, 
eerst onder Luitenant-Kolonel Vetter en later onder den civielen en 
militairen gezaghebber. Kolonel Haga, bedwongen. In September 
van dat jaar kon dan ook worden overgegaan tot de voorloopige 
invoering eener organisatie van het bestuur, die Mandor, evenals 
de overige Chineesche districten, van zelfbestuur beroofde en 
de door het Gouvernement bezoldigde Chineesche districts-hoofden 
(kapitans) en kampong-hoofden (lo-thai's) onmiddellijk onder het 
gezag der Europeesche ambtenaren heeft geplaatst. Van verdere 
ernstige rustverstooring onder de Chineezen ter westkust wordt in 
de Regeerings-verslagen der laatste jaren geen melding meer gemaakt; 
des te meer was het van tijd tot tijd noodig tegen de Dajaks op te 
treden, die zich, zooals wij weten, (Dl. I. p. 292), nog somwijlen 
aan sneltochten schuldig maken en met wie wij sedert onze vesti- 
ging te Sintang (Maart 1855) meer en meer in aanraking kwamen.. 
Onze nederzetting op die plaats, welke wij in 1826 verlaten hadden, 
was hoofdzakelijk het gevolg van den wensch om den Engelschen 
invloed en handel uit Serawak tegen te gaan, vooral in die arti- 
kelen, waarvan het Gouvernement het monopolie wilde uitoefenen, 



POGINGEN TOT ONTWIKKELING VAN SOEKADANA. 137 

en van het verlangen om de immigratie der Dajaksche stammen op 
ons gebied zooveel mogelijk te bevorderen. In verband daarmede 
mag het zeker eigenaardig heeten dat wij in 1886 in vereeniging met 
datzelfde Serawak de Dajaks hebben moeten straffen , en toestaan 
dat benden van dat rijkje onze grenzen overschreden om onze eigen 
onderdanen te tuchtigen , die aan sneltochten in Serawak hadden 
deelgenomen. Het zal trouwens lang duren vóór dat de strenge 
regels van het volkenrecht in die schaars bewoonde streken hunne 
toepassing kunnen vinden. Slechts door de bevordering van hunne 
geestelijke en materieele ontwikkeling zullen de Dajaks , die daarvoor 
alleszins vatbaar schijnen te zijn, eenmaal nuttige en vredelievende 
onderdanen van Nederland worden en kunnen medewerken tot de 
ontwikkeling van Borneo, dat dan eene betere toekomst te gemoet 
kan gaan. 

Vóór dat wij van Borneo's westkust afstappen, moeten wij ons 
met eene gebeurtenis bezig houden, die veel voor de ontwikkeling 
van den handel beloofde, maar in werkelijkheid uiterst geringe resul- 
taten opleverde. Tijdens het bestuur van du Bus was er te Matan 
een vorst gevestigd, die met de talrijke zeeroovers heulde, welken 
toen de Indische zeeën onveilig maakten, en zich aan Nederlandsch 
eigendom vergreep. Eene expeditie veroverde zijn rijk (1827) en in 
zijne plaats werd Radja Akil aangesteld, een afstammeling van 
het vorstenhuis, dat in het einde der vorige eeuw van den troon 
van Slak verdreven was. (Dl. I. p. 507.) Geruimen tijd had dit hoofd 
met een Inlandsche vloot her- en derwaarts gekruisd, zijne diensten 
aan hen aanbiedende, die ze betalen wilden, en als loon voor de 
hulp, bij deze expeditie verleend, werd hij door het Nederlandsch 
Gouvernement tot vorst van Nieuw-Brussel (Soekadana) aangesteld. 
Maar de verwachtingen, die men van den nieuwen bestuurder 
koesterde, werden jammerlijk teleurgesteld; hij bleek ten eene- 
male ongeschikt voor zijne taak, en zelfs de openstelling van Soe- 
kadana als vrijhaven (1837), op het voorbeeld van Pontianak (1833) 
en Sambas (1835), kon dat rijk niet opheffen uit het verval, waarin 
het verkeerde. Het bestuur over een gedeelte van het rijkje werd 
dan ook reeds in 1829, onder het oppergezag van Soekadana, aan 
eenen Panembahan van Matan toevertrouwd. 

Niet gering waren de verwikkelingen, die tusschen de Engel- 



138 HARE TE HANJErtMASlN. 

schen en ons ontstonden bij de overname van de bezittingen op 
Borneo's zuidkust. Tijdens de Britsche overheerschinp; voerde daar 
zelvere Elaie als resident liet bestuur, die van den Sultan van Ban- 
jermasin een stuli land in leen gekregen had, dat echter schaars 
bevolkt was, en veel handen vereischte oin vourdeelen op te 
leveren.^). Dezen wist Hare op eene wijze te verkrijgen, die som- 
tijds weinig van slavenhandel verschilde. Door tusschenkomst van 
Rallies werden meer dan 5000 nienschen van beider kunne, deels 
als bannelingen, deels onder den naam van vrijwilligers naar Ban- 
jermasin gezonden, waarbij dikwijls hoogst willekeurig te werk werd 
gegaan. Zoo werd aan de Inlandsche ambtenaren last gegeven om, 
hetzij door kleine geschenken , hetzij door allossing van schulden , 
jonge vrouwen over te halen vrijwillig naar Banjermasin te vertrek- 
ken die dan, evenals de andere bannelingen, geheel aan de wille- 
keur van Hare waren overgegeven. Vrouwen van losse zeden waren, 
volgens een voorschrift, door den Luitenant-Gouverneur gewettigd, 
geschikte voorwerpen om te worden weggezonden, terwijl vagebonden 
en personen, schuldig aan kleine diefstallen of aan herhaalde kleine 
overtredingen , eveneens in die termen vielen. Terecht roept Baud 
uit dat men te vergeefs een tweede land zal zoeken , waar het 
vermoeden van onkuischheid met zulke strenge straffen bezocht 
wordt! Bij het herstel van het Nederlandsche gezag weigerde de 
gemachtigde van Hare dit landgoed af te staan, voorgevende dat 
het diens persoonlijk eigendom was, maar daar de Sultan volhield 
dat het slechts in leen was uitgegeven, stoorde men zich niet aan 
die bewering en keerde slechts eene kleine schadeloosstelling uit. 
Ofschoon men overeengekomen was, dat eene gemengde commissie 
onderzoek zou doen naar de redenen , die tot de verbanning van 
zoovelen hadden geleid, wachtten de Engelschen dat onderzoek niet 
af, maar stuurden de bannelingen grootendeels naar Java terug, 
zoodat het in vele gevallen niet mogelijk was om te ontdekken in 
hoeverre men met schuldigen of onschuldigen te doen had. 

Gedurende geruimen tijd heerschte de beste verstandhouding 
tusschen den Sultan en de Nederlandsche regeering, die zelfs na de 
troonsbeklimming van Sultan Adam (1825) nog versterkt werd door 
een contract (1826), waarbij uitgestrekte landen (o. a. de bezittingen 



') J. C. Baud in B. t. d. t. 1. en vlk. Nieuwe Ser. III. 



TWISTEN OVER DE TROONSOPVOLGING TE BANJERMASIN. 139 

van liet rijk op Borneo's oostkust) in vollen eigondom aan Neder- 
land werden afgestaan en de keuze van eeneii troonsopvolger en 
van den rijksbestierder aan het Gouvernement werd overgelaten. 
In 1852 was de Nederlandsche regeering verplicht van die rechten 
gebruik te maken '). Evenals zoovele andere Inlandsche vorsten was 
ook Sultan Adam met een talrijk kroost gezegend, en de verschil- 
lende aanspraken en belangen dier kinderen veroorzaakten allerlei 
intriges, waarin de vrouw des Sultans, de gewezen bijzit van 
zijnen vader, den hoofdrol speelde. Door hare heerschzucht en 
gierigheid was Ratoe Kamala Sari, die haren gemaal geheel 
beheerschte, de geesel van het rijk. Haar oudste zoon, Abdoe'1 
Rachman, die geenszins tot hare lievelingen behoorde, bekleedde de 
waardigheid van troonsopvolger, maar zijn plotselinge dood, die in 
1852 plaats had en aan vergiftiging werd toegeschreven , bracht het 
Gouvernement in de noodzakelijkheid eenen anderen Pangeran Moeda 
te kiezen. Die keuze werd door de volgende omstandigheden zeer 
bemoeilijkt. Abdoe'1 Rachman liet verscheidene zonen na, maar 
onder hen kon slechts een tweetal aanspraak op den troon maken: 
de oudste zoon, Tamdjid' illah, die echter het kind was van eene 
Chineesche bijzit en buiten huwelijk verwekt , en Hidajat oe'Uah , 
wiens moeder van vorstelijken bloede was. Volgens de oude instel- 
lingen moest de troonsopvolger door den Sultan worden aangewezen 
en kon daarvoor slechts een zoon van eene vorstelijke moeder in 
aanmerking komen. Sedert de reeds vroeger (Dl. I. p. 509) vermelde 
troonsbeklimming van eenen overweldiger in 1787 waren deze instel- 
lingen in onbruik geraakt, daar de vorsten geene vrouwen van 
vorstelijke afkomst tot zich genomen hadden. Maar nu Abdoe'1 
Rachman met eene prinses een huwelijk had gesloten , verlangde 
Sultan Adam dat haar zoon, Hidajat, na den dood van Abdoe'1 
Rachman den troon zou bestijgen en werd deze van zijne geboorte af 
als aanstaande Sultan beschouwd. De prins, die niet door een 
vast karakter uitmuntte, was echter door zijne mildheid en gods- 
vrucht bij de bevolking zeer in aanzien, terwijl Tamdjid' illah, die 
zeer slechte eigenschappen bezat, zeer weinig bij haar in tel was. 
En toch werd juist deze prins de candidaat van den resident, die een 
onjuisten indruk had gekregen van den teruggetrokken, ver van de 



1) E. B. Kielstra in de Ind. Gids. 1891. 



440 IIIDAJAT KN TAMn.Tin' II.I.AH. 

hoofdplaats levenden Hidajat, on naar hot scliijnt hoopte dat het 
bestuur van den zwakken Tamdjid' illah grootere voordeelen voor het 
Gouvernemont zou opleveren, vooral ook met betrekkhig tot de 
steenkolen-mijnen in de buurt van Martapoera, die aanzienlijke 
inkomsten aan het Gouvernement schenen te beloven. Door den 
resident geheel eenzijdig ingelicht, benoemde de Regeering te Batavia 
Tamdjid' illah niet alleen tot Sultan Moeda, maar liet hem zelfs in 
de uitoefening en de voordeelen van het ambt van rijksbestierder, 
zoodat naast den zwakken Sultan een even zwakke vizier stond, 
die het zelfs niet waagde naar de residentie van den Sultan, Marta- 
poera, te vertrekken. En de Regeering bleef bij deze beslissing, 
niettegenstaande de ernstige protesten van Sultan Adam, die de 
benoeming van Tamdjid' illah ten hoogste afkeurde en Hidajat, of 
zóó dit niet werd toegestaan, een ander zijner zonen, Praboe Anom, 
tot opvolger verlangde, en eindelijk zelfs bij testament Hidajat als 
Sultan aanwees. Dat deze miskenning zijner rechten , die zelfs door 
de openlijke installatie van Tamdjid' illah nog verergerd werd, den 
algemeen geliefden prins ten diepste moest krenken , spreekt wel 
van zelf; zij kon dan ook niet worden goed gemaakt door zijne 
benoeming (23 Aug. 1856) tot rijksbestierder, en dit te minder toen 
na den dood van Sultan Adam (1 Nov. 1857) de naijver van den 
nieuwen Sultan hem belette, van zijn macht gebruik te maken. 

Het overlijden van Sultan Adam had nieuwe brandstof in het 
smeulende vuur der ontevredenheid geworpen. Aan Hidajat was 
opgedragen Praboe Anom, die te Banjermasin onder toezicht van 
het bestuur gesteld was , maar zijn stervenden vader naar Marta- 
poera vergezeld had, weder naar de hoofdplaats terug te brengen. 
Toen deze w^eigerde dit bevel aan het sterfbed van hunnen vader ten 
uitvoer te brengen, werd dit in zijn nadeel uitgelegd, en werden 
troepen gezonden om Praboe Anom te grijpen. Doch deze wist hen 
te ontkomen ; later keerde hij echter op aandrang van Hidajat 
naar Banjermasin terug, en ofschoon de rijksbestierder hem beloofd 
had, dat hem geen leed zou wedervaren, werd hij in hechtenis 
genomen en naar Java overgevoerd. Zoo waren dus in het rijk van 
Banjermasin allerlei elementen voor ontevredenheid voorhanden : een 
onbekwame, ruwe en hebzuchtige Sultan, in het bestuur gehand- 
haafd tegen den wil der bevolking, die hem van verwaarloozing 
zijner godsdienstige plichten beschuldigde en groote minachting 



OPSTAND IN DK WNNENLANüEk. 141 

koesterde voor zijne diepbedorven omgeving; een bekwame en 
geliefde rijksbestierder, die door ons bestuur voortdurend gekrenkt 
werd; en berhaaldelijk afwisselende hooiden van gewestelijke bestuur, 
die vervangen werden wanneer zij ternauwernood op de hoogte van 
de toestanden in het rijk waren gekomen. Geen wonder, dat al deze 
opgehoopte brandstoffen plotseling vuur vatten en in een opstand 
eindigden, die deels tegen de misbruiken van het Sultansbestuur 
gericht was, maar zeer spoedig zich ook tegen het Europeesch gezag 
keerde. 

De resident droeg geen kennis van wat er in de binnenlanden 
broedde, ofschoon er uit Borneo's westkust gewaarschuwd werd 
tegen dreigende onheilen. De Regeering te Batavia meende echter, 
dat eene krachtige hand noodig was en zond den Kol. Andresen 
naar Banjermasin, om daar tijdelijk het civiel gezag overtenemen. 
Doch te nauwernood had deze voet aan wal gezet (29 April 1859), 
of de lang voorbereide opstand brak met volle kracht uit. Reeds in 
Maart was de tijding vernomen dat een blinde en hoog bejaarde 
Inlander, Aling, uit Moening, niet ver van Pengaron, door allerlei 
godsdienstige handelingen een grooten invloed op de bevolking ver- 
worven had, zoodat zij vast overtuigd was, dat hij dooden kon 
opwekken! Volgens ontvangen mededeelingen had zich een aanzienlijk 
Inlander met hem in betrekking gesteld : Antassari , die als klein- 
zoon van den in 1787 verjaagden Sultan Amir de rechthebbende 
op den troon was. Door hem aangevuurd begon Aling de Inlan- 
ders tegen den Sultan optezetten , maar toen zijn aanhang veld 
won en de bevolking slechts op den naam van den nieuwen 
Sultan wachtte , wees Aling niet Antassari aan , zooals afgesproken 
was, maar riep zijn eigen zoon als Sultan Koening tot vorst uit. 
Weldra verzamelde deze eenen grooten aanhang, allerlei middelen 
werden aangewend om de bevolking tot eenen hoogen trap van 
godsdienstijver op te wekken. Verscheidene Europeanen bevonden 
zich, hetzij als zendelingen, hetzij als beambten bij de verschillende 
mijnwerken in de binnenlanden; bijna gelijktijdig werden zij over- 
vallen en voor het meerendeel vermoord, (April en Mei) terwijl het 
later bleek dat én de partij van den Sultan , én die van Hidajat in 
dien Sultan Koening en zijn aanhang het middel gezocht hadden 
om elkander te benadeelen, zonder echter, naar het schijnt, te 
vermoeden dat de beweging een zoo grooten omvang zou nemen. 



142 TROONSAFSTAND VAN TAMDJin'lI.I.AIt. 

Andresen, die nu tot Gouvernements-Comraissaris benoemd werd 
en een grootere troepenmacht onder zijne bevelen i<reeg, trad met 
kracht op en verdreef de muitelingen uit Martapoera. Naar zijne 
overtuiging zou de benoeming van Hidajat tot Sultan een grooten 
invloed ten goede op de bevolking hebben , maar daar er geruch- 
ten liepen, dat deze betrokken was bij den moord der Europeanen te 
Kalangari noodigde Andresen hem uit cene vergadering te Martapoera 
bij te wonen, ten einde hem in de gelegenheid te stellen zich daarom- 
trent te verantwoorden. Inderdaad voldeed Hidajat aan deze uitnoo- 
diging, maar door een ongelukkig misverstand werd hij in den waan 
gebracht dat men hem wilde aanhouden en verbannen, en zoo nam 
hij plotseling de vlucht (21 Juni 1859). Op aandrang van Andresen 
deed Tamdjid' illah kort daarna vrijwillig afstand van den troon en 
daar de Commissaris nog altijd de hoop koesterde dat Hidajat terug 
zou keeren , benoemde hij voorloopig eene Commissie tot bestuur 
van het rijk. Herhaalde pogingen werden nu in het werk gesteld om 
Hidajat tot terugkeer over te halen, en werd zelfs op eene groote 
vergadering van Inlandsche hoofden en geestelijken eene deputatie 
benoemd om daarop bij hem aan te dringen. Waarschijnlijk zou hij 
voor dien aandrang bezweken zijn, toen Andresen door den Gouver- 
neur-Generaal werd teruggeroepen en de rest. Nieuwenhuyzen als 
Gouvernements-Commissaris werd aangesteld, aan wien de majoor 
"Verspijck werd toegevoegd. Misschien was een der redenen waarom 
Hidajat niet terugkeerde vrees voor slecht onthaal bij den nieuwen 
bestuurder. Hoe dit zij , hij bleef zich in de bovenlanden ophouden 
en werd nu meer en meer in den opstand verwikkeld, zoodat het 
weldra onmogelijk bleek, hem de waardigheid van Sultan op te 
dragen. Den 5den Februari 1860 werd hij als rijksbestierder afgezet 
en daar er, naar het oordeel van den Commissaris, niemand was, 
die als Sultan kon optreden werd op diens voorstel bij geheim 
besluit van 17 Dec. 1859 door de Regeering besloten, dat het Rijk 
van Banjermasin voortaan niet meer in leen aan een Inlandschen 
vorst zou worden afgestaan. 

Intusschen woedde de strijd in de binnenlanden, die meermalen 
ten nadeele der onzen gevoerd werd, en waarin een Inlandsch 
hoofd, de Demang Lehman, een vertrouweling van Hidajat, eenen 
grooten rol speelde. Zelfs gelukte het aan de opstandelingen onder 
Soerapati zich van een Nederlandsch stoomschip, de Onrust, 



Inlijving van het iujk van ëanjermasin. 143 

meester te maken en de bemanning tot den laatsten schepeling om 
te brengen (27 Dec. 1859). Maar in het begin van 18üü had Ver- 
spijck de opstand reeds in zooverre weten te bedwingen dat het 
verzet meer geleek op de laatste stuiptrekkingen van een verslagen 
tegenpartij , dan op de handelingen van een energieken , goed geor- 
ganiseerden vijand. In dezen staat van zaken oordeelde de Commis- 
saris het wenschelijk uitvoering te geven aan het Regeeringsbesluit 
en verklaarde bij publicatie van 11 Juni dat het Rijk van Banjer- 
masin opgehouden had te bestaan en dat de landen , die tot dat 
rijk hadden behoord , gehecht zouden worden aan het rechtstreeksche 
Gouvernements-gebied. Uit was olie in het vuur geworpen ; vele 
hoofden voegden zich bij de opstandelingen en het fanatisme, dat 
door de priesters kunstmatig was opgewekt, werd op nieuw ge- 
voed en steeg tot eene ware razernij , die zich in het „beratib 
beamaal" lucht gaf. De priesters vereenigden de dorpsbewoners 
en gingen hen voor in het gebed en dsikirs (aanroeping van Allahs 
naam). Allengs namen de toebehoorders deel aan de godsdienst- 
oefening, wonden zich op door dweepzieke gezangen, en dachten 
niet meer aan eindigen. Dagen lang bleven zij in gebed en dsikirs 
vereenigd; hun gezang ontaardde langzamerhand in een woest, een- 
tonig geschreeuw, de geest geraakte in een toestand van krank- 
zinnigheid, het lichaam, door gedurig vasten, tot zekeren graad van 
ongevoeligheid. Misleid door hunne voorgangers waanden zij zich 
onkwetsbaar en wierpen zich in de bajonetten der ongeloovigen, 
die immers hen , de door Allah bezielden , niet konden deren ! 

Het jaar 1861 verliep en nog was men slechts weinig met het 
onderdrukken van den opstand gevorderd. Maar ter nauwernood 
trad men eenen nieuwen jaarkring in, of eene verandering ten 
goede openbaarde zich. Hidajat, door de vruchtelooze worsteling 
afgemat, bood door tusschenkomst van Demang Lehman zijne 
onderwerping aan en verscheen zelfs te Martapoera om zijn lot in 
handen van Verspijck te stellen. Deze eischte, dat hij naar Batavia 
zou gaan. Hidajat maakte zich daartoe gereed , en was reeds in het 
vaartuig gestapt, dat hem aan boord van het transport-schip zou 
brengen, toen hij plotseling berouw kreeg, den steven deed wenden 
en te midden van de menigte verdween, die aan den wal stond om 
haren geliefden vorst het laatste vaarwel toe te roepen. Maar niet 
lang kon hij zich staande houden; vóór dat er eene maand ver- 



\H ftiNnE VAN DEN OPStAND IN nAN.IERMASlJ4, 

loopen was moest hij weder de genade van Verspijck afsmeeken. 
Niet liij zelf, maar de Demang Lehman was het, zóó beweerde 
Hidajat, die tot de vlucht last gegeven had en hem had medege- 
sleept; nu was hij bereid naar Java te vertrekken. Inderdaad 
onderwierp de prins zich aan de verbanning, die over hem werd 
uitgesproken en vertrok don 3^" Maart 1862 naar Java. En hier- 
mede trad de opstand zijn laatste tijdperk in. Wel bleven Lehman, 
Soerapati en Antassari het verzet aanmoedigen, maar de pest 
wierp het laatstgenoemde hoofd ter neder, terwijl Demang Lehman 
in 18G4 ter dood gebracht werd. Tot in 1865 moesten nu hier, dan 
elders krijgstochten worden ondernomen, die sedert 1863 niet meer 
onder de leiding van Verspijck stonden. Deze, diep gekrenkt door 
de terugzending van een Inlandsch hoofd, dien hij als verrader uit 
Banjermasin had verwijderd, legde het bevel neder en werd door 
Happé opgevolgd. En ofschoon de kracht van den opstand gebroken 
was, bleef hier en daar, en vooral in de ontoegankelijke bovenlanden, 
het vuur der ontevredenheid smeulen, om soms weder krachtig op 
te flikkeren , zooals in 1870 het geval was toen Banjermasin plotse- 
ling door een aanhanger van Soerapati werd aangevallen en ter 
nauwernood behouden werd. De boofdmuiteling vluchtte, maar 
door Soeta Ana, het ons getrouwe hoofd der Dajaks, vervolgd en 
ingehaald kwam hij in den strijd om het leven. En zelfs nu zijn 
de laatste sporen van het verzet nog niet geheel uitgewischt. In 
1882 werd de Boven-Doesson door een zoon van Antassari, die zich 
onder den naam van Goesti Mohammed Seman als Sultan van Ban- 
jermasin had opgeworpen, in beweging gebracht, waarbij gebruik 
gemaakt werd van den opgewekten godsdienstzin onder de Moslem- 
sche bevolking, die door de gebeurtenissen in Egypte gevoed was. 
Wel werd hem een zware slag toegebracht door de gevangenne- 
ming van zijn behuwdzoon en voornaamsteii aanhanger, Pangeran 
Perbatasari, maar de pretendent, hoewel van alle macht beroofd, 
houdt zich nog steeds in de bovenlanden op. 

Met een enkel woord moeten wij nog terugkomen op het 
vroeger (Dl. I. p. 9) vermelde tractaat, in 1891 tusschen Engeland 
en Nederland gesloten. ■■). Zooals wij weten behoort onder de 
staatjes, die op Borneo ons gezag erkennen, ook Boelongan, dat op 



') P. A. V. d. Lith in de Gids. 1891. 



GRENSREGELING OP BORNEO. 445 

28 Februari 1846 met al de Berousche landen tot onderhoorigheid 
van Nedeilaiul werd verklaard. In de toen uitgevaardigde publi- 
catie werd eene groote fout begaan, daar de Atas-rivier als grens- 
scheiding van ons gebied werd opgegeven en de monding dier rivier 
verkeerdelijk op 3° 20' N. B. gesteld werd. Wel kwamen onze 
ambtenaren op Borneo terstond tegen die dwaling op en gaven de 
juiste ligging (4° 20') aan, maar onze Regeering bekreunde zich 
daarover niet en herstelde de fout niet op officieele wijze. Zij gaf 
zelfs geen kennis aan het Engelsche Gouvernement van een con- 
tract met Boelongan, den 12 Nov. 1850 gesloten, waarbij de Tawao, 
die inderdaad op 4°. 20' gelegen is, benevens de Boekit Tinagat, 
op die hoogte aan zee uitstekende, als grens werd aangenomen. Wel 
gaf zij kennis van een later contract, den 2den Juni 1878 met Boe- 
longan gesloten , waarbij de bepalingen van 1850 bevestigd werden. 
De Britsche Compagnie van Noord-Borneo had echter reeds den 
22sten Januari 1878 de Sultans van Broenei en Soeloe overgehaald 
haar de oostkust aftestaan tot aan de Siboekoe, een rivier, zuide- 
lijker dan de Tawao gelegen en maakte nu op hetzelfde gebied 
aans[)raak, waarop wij rechten deden gelden. Onze Regeering 
liet in 1879 de Nederlandsche vlag op Boekit Tinagat hijschen, 
maar onze tegenpartij protesteerde uitdrukkelijk tegen onze in bezit 
neming van die streek en heesch hare vlag op een punt ongev. 4°. 
N. B. gelegen, zich beroepende op de grenslijn, door ons in 1846 
aangenomen en die door geene officieele kennisgeving gewijzigd 
was, vóór dat het betwiste gebied haar was afgestaan. Dit geschil 
dreigde ingewikkelder te worden toen Engeland het protectoraat over 
Noord-Borneo aanvaard had, omdat wij reeds vroeger, en vooral 
tijdens de nederzetting van Brooke op Boineo, beweerd hadden dat 
dit rijk zich niet op dat eiland mocht vestigen, dewijl het tractaat 
van 17 Maait 1824 verbood dat eenig Britsch kantoor zou worden 
opgericht op de eilanden, liggende ten zuiden van straat Singapore; 
eene bewering, die echter van Engelsche zijde met kracht werd 
tegengesproken. Het tractaat van 1891 heeft nu ten doel, die 
twisten op te lossen daar beide partijen iets van hunne beweerde 
rechten opgeven en eene grenslijn vaststellen, die vroeger reeds 
vermeld werd. Ofschoon dit zeker een niet te versmaden voordeel 
is, mag wel bedacht worden dat wij aanspiakelijk woiden voor de 
handelingen der woeste horden, welke binnen ons gebied op Borneo 
II. 10 



140 HKTREKKINGEN MET FiONI. 

vertoeven, zoodra die grenzen zullen zijn omschreven, iets dat niet 
in die mate het geval is zoolang de omvang van ons gebied in de 
binnenlanden niet wordt gekend. 

Op Celebes trekt het rijk Boni hoofdzakelijk de aandacht. Even 
snel als de macht van Gowa vervallen was, even spoedig was de 
invloed van Boni gestegen. De bestuurders van dat rijk matigden 
zich een groot gezag aan over de vorsten, die tot het Bongaaisch 
tractaat waren toegetreden , en zij waagden het daarbij zelfs de 
Europeesche wapenen te trotseeren, meermalen met gelukkigen 
uitslag, zooals de Engelschen tijdens hunne vestiging te Makassar 
moesten ondervinden. Ook tegen Nedeiiand voerde de vorst van 
Boni eenen hoogen toon, en toen men het voornemen koesterde, 
het Bongaaisch tractaat te herzien en daarbij als beginsel aannam, 
dat geene andere meerderheid tusschen de vorsten van het bond- 
genootschap zou bestaan dan die van ouderen en jongeren broeder, 
weigerde Boni tot die wijziging zijne toestemming te geven , en een 
aantal andere rijkjes volgden dit voorbeeld. Boni maakte aanspraak op 
den voorrang boven alle andere staten en eischte zelfs het recht tot 
introductie der gezanten van de vorsten van Celebes bij den gezag- 
voerder te Makassar, zoodat geen hunner tot dien ambtenaar zou 
mogen worden toegelaten dan door tusschenkomst van Boni. De 
dood van Aroe Palakka, die in 1823 plaats had, bracht daarin 
geene verandering. Zijne zuster, de Aroe Datoe, die hem in het 
bestuur opvolgde , bleef weigeren tot het vernieuwde contract toe te 
treden, ja, toen de Gouverneur Generaal v. d. Capellen op zijne 
terugreis van de Molukkeii Makassar bezocht (1824) , en daar eene 
vergadering bijeen riep, om over de vernieuwing van dat contract 
te beraadslagen, en de meeste vorsten tot eene herziening hunne 
toestemming gaven, verklaarden de gezanten van Boni (want de 
vorstin was niet verschenen) dat zij daartoe niet gemachtigd waren, 
en uitstel verzochten, terwijl de vorsten van Tanette en Soepa, die 
geheel onder den invloed van Boni stonden , slechts eene schrifte- 
lijke weigering zonden. Wel verdreef de bevolking van Tanette, op 
de nadering eener krijgsmacht, haren vorst en zette zijne zuster op 
den troon , die zich terstond onderwierp , maar voor Soepa leden 
onze troepen herhaaldelijk de nederlaag en ook Boni wierp na 
het vertrek van v. d. Capellen het masker af, en bracht ons ge- 



BOTSINGEN TL'SSCHEN ONS BESTUUR EN BONI. 447 

voelige verliezen toe^). Eene krachtige expeditie onder v. Geen 
vertrol< naar Boni (1825) , om de vorstin tot rede te brengen , maar 
ofschoon zelfs de hoofdplaats , die door den vijand verlaten was , 
in onze handen viel en in de asch gelegd werd, onderwierp 
de vorstin, die naar Wadjo gevlucht was, zich niet, en door den 
slechten moesson gedwongen, moesten de troepen zich weder 
inschepen en met eene halve overwinning zich vergenoegen. Nadat 
Soepa voor de tweede maal was aangetast en zich onderworpen 
had, zou ook tegen Boni op nieuw eene expeditie gezonden worden, 
maar de zóó plotseling uitgebroken opstand op Java vereischte de 
hulp van alle beschikbare troepen en Boni werd ongedeerd gelaten. 
Eerst na langdurige onderhandelingen trad dit rijk in 1838 tot het 
nieuwe Bongaaische contract toe, en beëedigde het in 1846, zoodat 
de goede verstandhouding tusschen Nederland en Boni verzekerd 
scheen. Het tegendeel zou echter spoedig blijken -). Op nieuw 
was het eene vorstin, Basse Kadjoeare, die door hare uittartende 
houding het Gouvernement noodzaakte naar de wapens te grijpen. 
Reeds voor hare troonsbeklimming, die in 1857 plaats had, waren 
er allerlei twisten tusschen Boni en den Gouverneur van Makassar 
gerezen, daar haar voorganger aanspraak op landen maakte, die 
reeds bij het Bongaaisch tractaat aan ons waren afgestaan, en voort- 
ging rechten van oppermacht tegenover andere vorsten uit te 
oefenen, onder bewering dat hij geen afstand had gedaan van 
vroegere voorrechten, en dat het nieuwe contract alleen moest 
geëerbiedigd worden, als het niet met de rijkswetten streed; — ja 
zelfs beschuldigde hij den Gouverneur op ingewikkelde wijze van 
eene poging tot vergiftiging. De nieuwe vorstin gmg nog verder; 
zij beval, dat alle handelsvaartuigen in Boni de Nederlandsche vlag 
omgekeerd moesten voeren, en op de vertoogen, door onze zende- 
lingen ingebracht, werd geantwoord, dat het voeren van de vlag 
eene huishoudelijke zaak was en dat de Gouverneur zich daarmede 
niet te bemoeien had. Als laatste poging om de vorstin tot onder- 
werping over te halen , werd de vice-president van den Raad v. 
Indië, de Perez, die als oud-gouverneur van Makkassar met den 
toestand te Boni bekend was, naar dat rijk gezonden, en hem een 



') V. Rijneveldt. Celebes of veldtocht der Neds. enz. Breda '1840, vgl. met v. 
Staden ten "Brink. ^) M. T. H. Perelaer. De Bonische expeditiën Leiden. 1872. 2 dln. 



448 ONnERWEnpiNG van bonm. 

legermacht toegevoegd, om bij ln-f mislukken der niulcrliandelingeii 
de vorstin tot toegeven te dwingen (1859). Maar deze poging tot 
toenadering werd door Boni van de hand gewezen; de oorlog werd 
verklaard en na korten doch hevigen strijd viel de hoofdplaats in 
onze macht. Maar op nieuw overviel het slechte jaargetijde de 
krijgsmacht; het leger moest Boni verlaten, maar eene bezetting, 
te Badjoa achtergelaten, bewees den Bonieren, dat het ditmaal 
ernst was, en dat men de onderneming niet zou opgeven vóói- dat 
hun rijk onderworpen was. De nieuwe expeditie behaalde onder 
Luitenant-Generaal v. Swieten een schitterend succes; Boni werd 
voor de tweede maal genomen, en ook de nieuwe verblijiplaats der 
vorstin, Pasempah, viel in onze handen, zoodat Basse Kadjoeare 
genoodzaakt was naar de binnenlanden te vluchten. Daar verlieten 
de rijksgrooten hare partij ; zij boden hunne onderwerping aan en 
op verlangen van onzen legeraanvoerder zetten zij de vorstin af 
en stelden een onzer bondgenooten , Aroe Palakka, tot vorst aan, 
nadat de rijkssieraden , het zinnebeeld der vorstelijke waardigheid, 
in onze handen gesteld waren. Met den nieuwen bestuurder werd 
een contract gesloten , waarbij Boni van den rang eens bondge- 
noots afdaalde en de Souvereiniteit van Nederland erkende. Een 
gedeelte van het rijk tot aan de rivier Tangka werd bij het 
Gouvernements grondgebied ingelijfd, terwijl eenige staatjes, die 
Boni gevolgd waren, blijken van toenadering gaven en zich met 
het Gouvernement verzoenden. Zelfs de gevluchte heerscheresse van 
Boni onderwierp zich geheel zoodat, toen zij in 1861 tot vorstin van 
Soepa gekozen werd, er van onzentwege geen bezwaar werd gemaakt 
om die keuze te bekrachtigen, terwijl ook thans nog, blijkens de 
laatste Regeerings-verslagen , de goede verstandhouding tusschen het 
Gouvernement en Boni over het algemeen ongestoord is gebleven. 
Dat er echter bij de groote mate van onafhankelijkheid, die velen 
der bondgenootschappelijke en leenroerige staten genieten , aan stof 
voor binnenlandsche onlusten op Celebes geen gebrek is , spreekt 
wel van zelf. Maar ook in de streken , onmiddellijk onder ons 
bestuur geplaatst, wordt de rust van tijd tot tijd op min of meer 
ernstige wijze verstoord. Zoo brak in de Noorderdistricten in 1868 
een opstand uit ten gevolge van een twist tusschen den regent van 
Lebakkang (Pankadjene) en zijn broeder, Kraëng Bonto-Bonto, over 
de nalatenschap van hunnen vader, en werden die afdeeling en de 



ZUID-CKUCBES NA 1877. 149 

aangrenzende landen herhaalde malen het tooneel van onlusten welken 
door tusscheiikomst diM' gewaijeiidc macht moesten worden bedwonpjen. 
De opstand werd eerst in 1877 beëindigd door de onderwerping van 
Kraëng Bonto-Bonto, inaar liet nog lang sporen na in veeten tus- 
schen twee partijen, in het regentschap bestaande en die in 1892 
tot de afzetting en verbanning van den toennialigen regent hebben 
geleid. Ook elders kwamen plaatselijke onlusten voor; zoo werd 
Bonthain in 1891 plotseling overvallen door een 300 tal lieden uit 
de naburige bergstreek , die opgezet waren door een Gowaschen prins 
en gewapenderhand de vrijstelling kwamen eischen van eenigen 
zijner volgelingen, die door den rechter tot dwangarbeid waren ver- 
oordeeld. Over het algemeen is het bestuur der vorsten en groeten, 
wier macht tegenover de minderen zoo goed als onbeperkt is, een 
groote hinderpaal tegen de ontwikkeling van Zuid-Celebes, en zal 
het eerst langzamerhand kunnen gelukken daar betere toestanden 
in het leven te roepen. In dit opzicht zijn ook van belang de 
vroeger (Dl. I. p. 326. 548) vermelde contracten, gesloten met de 
vijf landen, onder den naam Masinrimpoeloe bekend, en de over- 
eenkomsten met de Kaëlische landstreken Sigi, Dolo ^) en Belomaroe 
aangegaan, waar in 1891 een blijvend Europeesch toezicht werd 
ingevoerd door de aanstelling van eenen posthouder, die te Dong- 
gala zijn woonplaats heeft. 

Biedt dus de politieke toestand van Zuid-Celebes weinig waar- 
borgen aan dat daar, vooreerst althans, die rust en vrede zullen 
heerschen zonder welken aan eene ontwikkeling der volkswelvaart 
niet te denken valt, zoo zijn in de Minahasa de elementen daartoe 
voorzeker in booge mate aanwezig en hangt het grootendeels van 
ons bestuur af, of daarvan op voldoende wijze partij zal worden 
getrokken. Groot toch is de verandering, door de prediking van 
het Christendom in deze streken gebracht, die ten gevolge gehad 
heeft dat eene bevolking welke zich vijftig jaar geleden in niets 
van de oorspronkelijke bevolking van den archipel onderscheidde, 
thans een vrij hoogen trap van ontwikkeling heeft bereikt en het 



') Het is gebleken dat Dolo eigenlijk uit twee staatjes bestaat, die geheel onaf- 
hankelijk van elkander zijn. Slechts een van beiden, Dolo Kotta Rindaoe, heeft zich 
bij contract niet ons verbonden. 



150 UF. MINAIIASA NA 1810. 

schoonste bewijs oplevert van den weldadigen invloed, dien Wester- 
sche beschaving op den Inlander kan uitoefenen. Dat zich daardoor 
ook een gevoel van grootere zelfstandigheid bij haar heeft ontwik- 
keld , en dat voor haar allengskens andere Regeerings-begiiiselen 
moeten worden gevolgd dan tegenover minder ontwikkelde Inlanders 
past, dit kon wel worden voorzien, al wordt het ook nu nog, naar 
het schijnt, niet door ieder ingezien. De ontevredenheid, in de 
laatste jaren in de Minahasa heerschende, kan misschien wel voor 
een deel hieruit verklaard worden dat men wel de Kerstening en 
daaruit voortvloeiende ontwikkeling der bevolking verlangt maar 
niet bereid is, de nu ook noodwendige veranderingen in het 
Regeerings-systeem te aanvaarden. 

Tijdens de Compagnie werd de verhouding der Minahasa tot ons 
gezag beheerscht door een contract van 19 Januari 1679, waarin de 
hoofden verklaarden te willen zijn de trouwe onderdanen en onder- 
zaten van de Compagnie en haar steeds als hun Heer en Meester, 
als hun Souverein te zullen gehoorzamen. Maar aan die verklaring 
werd bij contract van 10 September 1699 de verzekering toegevoegd 
dat de Compagnie de dorpen erkende als hare bondgenooten , en 
daaruit leidden velen het recht op zelfbestuur van de bewoners der 
Minahasa af. In de praktijk werd met dien eisch echter geene rekening 
gehouden'); in het rechtswezen, belastingstelsel en de regeling der 
heerendiensten trad ons bestuur als volstrekte meester op en ook de 
invoering der verplichte koffiecultuur') bewees, dat onze Regeering 
zich weinig om de aanspraken der bevolking op zelfstandigheid 
bekommerde. Ook in de Minahasa was bij het herstel van het 
Nederlandsche gezag (1817) de koffiecultuur geheel vrij en werden 
er op verscheidene plaatsen koffieheesters aangetroffen. De uitbrei- 
ding, toen vrijwillig aan de teelt gegeven, trok de aandacht van 
het bestuur en reeds in 1822 werd bepaald dat alle koffie, in de 
geheele uitgestrektheid van Menado en onderhoorigheden gekweekt, 
aan het Gouvernement moest worden geleverd, terwijl tevens de 
verplichte teelt van koffie werd ingevoerd , waartoe Javanen als leer- 
meesters naar de Minahasa werden gestuurd, die bij hun onderwijs 
den rotting niet spaarden. De betaling van de bevolking zou redelijk 



') Zie o. a. Swaving in T. v. N. I. 1879. I. ■) Bijlage H. van het Rapport der 
Staatscommissie v. d. Gouvernements-koffiecultuur. 



ONTKVRKDENHEID IN DE MINAHASA. 151 

moeten zijn, maar was inderdaad zeer gering en werd zelfs een 
paar jaar in lijnwaden uitgekeerd, waarbij menigeen zulk een klein 
stukje kreeg dat er niets mede was aan te vangen. Geen wonder 
dat de bevolking der cultuur weinig genegen was; toen du Bus de 
verplichte levering ophief (1827), met behoud echter van de ver- 
plichte cultuur, liet de bevolking, die ook geen voorschotten meer 
ontving, liever de vruchten aan de boomen verrotten, dan ze aan 
de particuliere handelaars te leveren tegen de geringe prijzen , die 
bij de lage marktwaarde der koffie konden worden bedongen. In 
1832 werd de gedwongen levering weder ingevoerd, die tot heden 
is blijven bestaan, zoodat ook nu nog onder eene Christen-bevolking 
de dwangcultuur bestaat die zich , trots de van tijd tot tijd aange- 
wende pogingen, niet tot volkscultuur heeft kunnen ontwikkelen, 
en voortdurend groeten tegenzin inboezemde, hier en daar zelfs tot 
verzet aanleiding gaf. De ontevredenheid der bevolking werd ver- 
sterkt door de bepaling, in 1877 gemaakt, dat alle woeste grond, 
waarop door de Inlanders geene door ontginning verkregen rechten 
worden uitgeoefend, gerekend werd tot het Staatsdomein te be- 
hooren. Deze bepaling gaf aanleiding tot misverstand, daar vele 
Inlanders vreesden dat gemeenschappelijk bezeten gronden tot het 
staatsdomein zouden getrokken worden, terwijl zij daarin ook de 
bedoeling zagen, gronden, waarop de bevolking aanspraak maakte, 
aan industrieelen uittegeven zonder dat zij in de voordeelen daarvan 
zou deelen. Gaf dit reeds aanleiding tot groote ontevredenheid bij 
de bevolking, die niet meer blindelings aanneemt wat ten haren 
opzichte beslist wordt, zoo werd deze nog vermeerderd door den 
zwaren last van de werkzaamheden voor de koffiecultuur, die in 
de jaren 1890 en 1891 in sommige tuinen niets opbracht, zoodat de 
arbeid onbeloond bleef. En hierbij kwam nog de druk der vele 
heerendiensten, van de bevolking geëischt, die niet altijd goed waren 
geregeld en waarbij zeer willekeurige afwijkingen der bepalingen 
ten nadeele der bevolking voorkwamen. Ook de regeling der belasting, 
van de bevolking gevraagd, scheen veel te wenschen overtelaten 
daar de vroegere toegevendheid van het bestuur plotseling voor eene 
nauwkeurigheid plaats maakte, welke der bevolking als eene opdrij- 
ving dier belasting moest voorkomen. Van deze en andere, niet 
zelden rechtmatige grieven werd door sommige personen misbruik 
gemaakt om de bevolking optezetten; naar het schijnt ook door 



152 V. D. CAl'ELLEN IN DK MuLUKKICN. 

enkele hoofden die, op grond der vroegere contracten, zich eene 
verkeerde voorstelling maakten van hunne verhouding tot het Gou- 
vernement. De ontevredenheid gaf zich op allerlei wijze lucht en 
leidde in 1892 tot de zending van het lid van den Raad van Indië, 
Gallois, naar de Minahasa, die een belangrijk rajiport^) uitbracht 
waarin velen der grieven als gegrond werden erkend en middelen 
aan de hand werden gedaan om „met inachtneming van het tegen- 
woordig peil der bevolking en met vermijding van alle overdrijving, 
bij te dragen tot de welvaart en ontwikkeling van dit daarvoor bij 
uitnemendheid vatbare gedeelte der Ned. Oost-Indische bezittingen". 
Met enkelen dier voorstellen zullen wij later kennis maken. 

Niet zonder tevredenheid kunnen wij terugzien op de groote 
hervormingen , die in de tweede helft dezer eeuw in de Molukken 
zijn ingevoerd. Met verbeten woede werd in die eilanden de mare 
vernomen, dat Nederland weder in het bezit zijner koloniën zou 
gesteld worden. Een opstand , die bijna onmiddellijk na de over- 
name op de üeliassers uitbrak (1817), bewees dit. Met groote opof- 
feringen werd hij gedempt, maar de redenen tot ontevredenheid 
werden niet opgeheven. Want nog altijd bleef de handhaving van 
het monopolie den grondslag, waarop het geheele bestuur rustte, 
zoodat zelfs in het tractaat van 17 Maart 1824 de uitdrukkelijke 
bepaling werd opgenomen , dat de Molukken niet voor het algemeen 
handelsverkeer zouden geopend worden. Diepe ellende was daarvan 
op Amboina het gevolg, zonder dat eenigszins gewichtige uitkomsten 
verkregen werden. Niet beter kon de vervallen toestand der bevol- 
king geschetst worden, dan in de proclamatie, die de Gouverneur- 
Generaal V. d. Capellen bij zijn bezoek aan die eilanden (1824) 
uitvaardigde. „Wij hebben" zoo zeide hij „tot ons diep leedwezen 
uw lot beklagenswaardiger gevonden, dan wij ons hadden kunnen 
voorstellen. Gij zijt arm, terwijl de Voorzienigheid de rijkste voort- 
brengselen aan uwen grond geschonken heeft; gij zijt afhankelijk 
van alle andere volken, dewijl gij de vruchten van eigen nijverheid 
en vlijt niet hebt leeren kermen;... gij drijft een gevaarlijken en 
schadelijken sluikhandel, omdat gij de veiligheid en voordeelen van 
eenen vrijen handel niet hebt ondervonden ; gij hebt een afkeer 



') Rapport nopens den staat van zaken in de Minahassa. Bat. 1892. 



HERVOKMINGEN IN DE MOLUKKEN. 453 

van allen arbeid , omdat gij hot denkbeeld van dwang en verplichting 
daarvan niet kunt al'scheideti. Menigvuldig en groot zijn deze rampen; 
vele oorzaken hebben daartoe bijgedragen, waaraan gij zelve grooten- 
deels onschuldig zijt." Dat deze woorden uit volle overtuiging gesproken 
werden bewees eene reeks van bepalingen, die ten doel hadden het 
monopolie te verzachten, maar die, helaas, niet in hun geheel, maar 
slechts gedeeltelijk wei'den ingevoerd. De grootste plaag der bevol- 
king, de hongi- en extirpatie-tochten , werden afgeschaft; de grond- 
slavernij , die de inboorlingen belette hunne dorpen metterwoon 
te verlaten zonder toestemming hunner hoofden of van het bestuur, 
werd ingetrokken, terwijl vrije cultuur van alle voortbrengselen 
werd toegezegd onder belofte, dat de wijze waarop de bevolking 
over de vruchten der nagelboomen zou kunnen beschikken nader 
zou worden geregeld, of dat ten minste, wanneer geene vrije be- 
schikking kon worden gegeven, de prijzen voor de nagelen zouden 
worden verhoogd. Maar de maatregelen van v. d. Capellen vonden 
geen bijval in het moederland, en ofschoon de overige hervormingen 
bleven bestaan werd de grondslavernij weder hersteld en bepaald, 
dat de verplichte teelt en levering in stand moest worden gehouden , 
terwijl kort daarna het Regeerings-Reglement van 1830 uitdrukkelijk 
voorschreef dat in dit stelsel zonder 's Konings machtiging geene ver- 
andering mocht worden gebracht. In één opzicht week men van de 
handelwijze der Compagnie af, daar men de voortbrenging niet zocht 
te beperken, maar integendeel de grootst mogeUjke hoeveelheid nagelen 
trachtte te verkrijgen en van tijd tot tijd de betaling verhoogd werd, 
ofschoon deze nog altijd onvoldoende bleef. Maar weldra stuitte men 
op een groot bezwaar. De gedwongen cultuur leverde geen voordeel 
op, maar kwam den lande op toenemend verlies te staan, zoodat, naar 
men berekende , het pikol nagelen , dat te Amsterdam voor f 16.49^ 
verkocht werd, in 1855 f 34.02^ in 1863 zelfs f 40 aan het Gou- 
vernement kostte. Toch werd uit vooroordeel en gehechtheid aan 
den ouden sleur nog altijd het monopolie vastgehouden , ofschoon 
in 1854 reeds een eerste inbreuk op het oude stelsel gemaakt 
werd, toen het verbod van de vaart op de Molukken werd opge- 
heven. Praktisch nut leverde deze openstelling der Moluksche havens 
niet op , omdat er door het onttrekken van het voornaamste product 
aan den vrijen handel geene beduidende retourladingen konden 
verkregen worden, maar het was de eerste stap op den goeden 



154 OPHEFFING DER GEDWONGEN NAGELCULTUUR. 

.weg, die in 1863 door een anderen beslissenden zou worden gevolgd. 
In dat jaar werd bepaald dat met den aanvang van 1864 de 
verplichte teelt en levering der nagelen voor goed zou zijn afgescliaft. 
Maar om de bevolking niet plotseling uit eenen toestand van 
dwang in dien van onbeperkte vrijheid van cultuur te plaatsen, 
zonder haar daarbij de beschermende hand toe te reiken, nam de 
Regeering de verplichting op zich om tot December 1808 de nagelen 
voor den ouden prijs aan te nemen, indien de bevolking die vrij- 
willig leverde, terwijl zij daarentegen aan eene belasting werd 
onderworpen. Op de gevolgen, welke deze opheffing der gedwongen 
cultuur voor de nagelteelt had, komen wij later terug; hier zij het 
voldoende mede te deelen , dat het verval waarin deze cultuur in 
de eerste tijden na de afschaffing van het monopolie verkeerde, 
aanvankelijk voor een tijdperk van niet onbeteekenenden vooruit- 
gang plaats scheen te zullen maken. Naar het oordeel echter van 
den resident van Amboina, Bn v. HoëvelP), zijn die verwachtingen 
zeer beschaamt geworden. „Het kan," zoo ongeveer drukt hij zich 
uit, „niet gezegd worden dat de welvaart der bevolking op Amboina, 
de Üeliassérs, Ceram en Boeroe in de laatste tientallen van jaren 
merkbaar is vooruitgegaan. Alle middelen zijn tot dusverre te ver- 
geefs beproefd om de bevolking tot meer welvaart te brengen: 
opheffing van het specerij-monopolie; openstelling van de havens 
en de aanneming van een vrijhandelstelsel; afschaffing van alten 
gedwongen cultuur-arbeid; beperking der heerendiensten tot een 
minimum ; aanmoediging op allerlei wijze van den landbouw en 
van nuttige cultures, zelfs door het geven van voorschotten; een 
vrijzinnig passenstelsel, waardoor de Inlander niet meer in zijne 
vrijheid van beweging zou worden belemmerd; een verlicht, bescha- 
vend ondeiwijs met tal van scholen , waar hun geleerd wordt dat 
„arbeid verhoogt" — toch alles zonder vrucht. Alle pogingen tot 
verbeteringen stuiten af op de inertie van den Amboinees, een 
gevolg van de weinige behoeften die hij kent en de gemakkelijkheid 
waarmede hij in die behoeften voorzien kan." Deze mededeelingen 
van een bij uitstek tot oordeelen bevoegd ambtenaar geven zeker 
niet veel hoop voor de toekomst; de vraag is echter, of niet veel 



') In het rapport over Amboina, behoorende bij de verslagen der hoofden van 
gew. bestuur, gevoegd bij het Kol. verslag over 1892. Bijl. C. 



BANUA NA 1816. 155 

daarvan op rekening gesteld moet worden van de nawerking der 
ontzenuwende politiek der Compagnie, en of de overproductie in 
nagelen, die ook buiten de Moluksche eilanden welig voorttelen, en 
de daarmede gepaard gaande lage prijzen, niet als een der oor- 
zaken van dezen betreurenswaardigen toestand moet beschouwd 
worden. 

Toen men ook op de Banda-eilanden een einde aan het mono- 
polie der notenteelt wilde maken, stond men voor grootere bezwaren. 
De Regeering had, met behoud van het monopolie, tegenover de 
daar gevestigde perkeniers tal van verplichtingen op zich genomen , 
waarvan zij zich zonder hunne toestemming niet ontslaan kon. 
Allerlei rampen hadden de Banda-eilanden getroffen; in 1787 had 
een orkaan de meeste notenmuskaatboomen ontworteld en dus de 
bestaansmiddelen der perkeniers in den hartader getroffen , terwijl 
de Gouverneur v. Boekholz deze ramp nog verzwaarde, door in 
1795 te bepalen dat aan de perkeniers, die groote sommen aan de 
Compagnie schuldig waren,, het eigendom der perken ontnomen zou 
worden. Terstond daarna gaf hij ze weder in leen uit aan dezelfde 
perkeniers of aan anderen, die hij zelf uitkoos. Het was weder aan 
v. d. Capellen voorbehouden, om den eersten stap op den goeden 
weg te zetten; bij zijn bezoek aan de Banda-eilanden (1824) viel 
het hem in het oog, dat van de „eenmaal bloeiende eilanden niets 
was overgebleven dan verwaarloosde tuinen en eene verachterde 
bevolking." Onmiddellijke voorziening was dringend noodig, en daar 
het hem niet vrijstond om op eigen gezag met het monopolie te 
breken , haastte hij zich om althans in andere opzichten den toestand 
der ingezetenen te verbeteren. Behalve de hervorming van het rechts- 
wezen, tengevolge waarvan een Raad van Justitie op de eilanden 
gevestigd werd, bepaalde v. d. Capellen dat de perkeniers, die in 
het wettig bezit der perken waren, den vollen en onverdeelden 
eigendom hunner tuinen zouden bekomen , terwijl bovendien de ver- 
plichting van het Gouvernement gehandhaafd werd om levensmiddelen 
en andere benoodigdheden voor de perkslaven tegen vaste prijzen 
uit de pakhuizen te verschaffen. Deze toestand bleef tot 1860 bestaan. 
De Regeering behield het uitsluitend recht op de geheele productie 
der notentuinen, tegen eene vastgestelde betaling, en oefende het 
toezicht uit op den aankweek der boomen, het onderhoud der perken, 
den ijver der arbeiders en de vlijt der perkeniers. Ziehier de gevolgen 



156 IIERVORMINT.EN OP DE BANnA-ICILANUEN. 

van dat stelsel zooals een alleszins bevoegd beoordeelaar, de heer 
Bleeker, ') die beschreef: „De eigenlijke Inlandsche bevolking leeft 
in armoede, terwijl zij in wolvaart zou kiuinen vei koeren; de perke- 
niers genieten een sober bestaan, terwijl zij in bctiekkelijke weelde 
zouden kunnen leven, en het voornaamste en bijna eenige uitvoer- 
artikel woidt ten voordeele van het Gouvernement weggevoerd, 
zonder andere voordeelen voor de perkeniers en de overige bevolking, 
dan de sommen en waarden, door het Gouvernement besteed ter 
erlanging van de muskaatnoten en foelie." 

In 18(JU bracht de afschalïïng der slavernij, welke ook die der 
perkhoorigheid in zich sloot , in dezen toestand eenige verandering. 
In de behoefte aan aibeiders moest nu door vrijwilligers worden 
voorzien. De lesident der Banda-eilaiiden werd derhalve gemachtigd 
om , naar gelang van de behoefte voor de verschillende perken , 
vrije arbeiders op de eilanden onder zijn gebied aan te werven, 
't zij uit de in viijheid gestelde peikhoorigen , 't zij uit andere vrije 
Inlander.s, terwijl de Regeering aannam hen uit 's lands kas een 
zeker loon te betalen. Voor huisvesting, voedsel en kleeding moest 
door de perkeniers gezorgd worden. Maar weldra bleek het dat de 
winsten aanmerkelijk begonnen te verminderen, ja, Banda dreigde 
zelfs een lastpost te worden , en ook de perkeniers klaagden over 
de ontoereikende verdiensten, die het stelsel hun opleverde. Beide 
partijen waren dus ontevreden, en nu meende het Gouvernement 
in 1864 gerust een stap te kunnen doen ten einde tot afschaffing 
van het monopolie te kunnen geraken. De eigenaars der peiken, die 
wilden afzien van alle aanspraken op het Gouvernement voor het 
bekomen of onderhouden der arbeiders, en de overeenkomsten der 
Regeering tegenover die arbeiders op zich namen, werden ontheven 
van de verplichting om in hunne perken specerijen te telen en de 
producten aan het Gouvernement te leveren , terwijl zij bovendien 
ontslagen werden van de geldelijke vorderingen die het Gouverne- 
ment wegens voorschotten enz. tegen hen kon doen gelden. Bij 
wijze van overgangs-maatregel werd hun het recht gegeven gedu- 
rende een drietal jaren hoogstens de helft van hunne producten 
tegen den ouden prijs aan het Gouvernement te leveren , ten einde 
hen in de gelegenheid te stellen zich van geld te voorzien en 



') P. Bleeker. Reis door de Minahasa en den Mol. archipel. Bat. 1856. 



OPIlEri'-lNG VAN HET MONOPOLIE TE HANDA. i57 

handelsbetrekkingen aan te knoopen. In den aanvang scheen deze 
maatregel weinig kans van slagen op te leveren. Want in 1865 
traden slechts 14 van de 34 perkeniers tot deze voorwaarden toe, 
en ofschoon in 1869 stellig verzekerd werd, dat geene noten meer 
aan het Gouvernement zouden geleverd worden, bleek deze meening 
op eene dwaling te berusten en bleef aanvankelijk hetzelfde aantal 
perkeniers ongeneigd om zich van de banden van het monopolie te 
ontslaan. Geen wonder! Behalve de zucht, aan velen eigen, om 
zich in het oude vaarwater te laten voortdrijven en zich met een 
sober, doch gemakkelijk verkregen winstje tevreden te stellen, 
liever dan nieuwe wegen te openen, die krachtsinspanning en 
wilskracht vereischten, werkte daartoe de omstandigheid mede, dat 
gedurende eenige jaren zij , die tot de nieuwe regeling waren toege- 
treden, minder voordeel genoten dan de perkeniers, die onder het 
monopolie gebleven waren. De hoofdoorzaak daarvan was gelegen 
in het gemis van eene specerij-markt op de eilanden , daar er zich 
niet terstond opkoopers vestigden, ja zelfs de Handelmaatschappij 
haren agent had teruggeroepen, zoodat de noten naar Singapore 
moesten worden gebracht, waar zij niet bekend waren en de markt 
overvoerd raakte en dus mindere winsten werden behaald. Maar 
mettertijd verandei'de dit alles; meer en meer vestigden er zich 
handelaren op de Banda-eilanden , zoodat weldra de opkoopers, met 
de door haar kapitaal machtige Handelmaatschappij aan het hoofd 
zich op het kleine eiland Neira als het ware verdrongen, terwijl 
de deugdelijkheid der Banda-noot algemeen erkend en zelfs boven 
die van Ceilon en Penang gesteld wordt en dit product overal 
aftrek vindt. Reeds in 1869 wendden zich de eigenaars van 8 perken 
tot het Gouvernement om op dezelfde voorwaarden als hunne voor- 
gangers van het monopolie te worden ontslagen , en toen de Regeering 
in 1870 daartoe hare toestemming gaf, traden ook de overige 20 
perkeniers toe, zoodat in December 1871 de laatste voorraad „Gouver- 
nements-specerijen" uit Banda vervoerd werd. Aanmerkelijk was 
de vooruitgang, die hieruit voortsproot. Ofschoon aan eene grondbe- 
lasting onderworpen, genoten de perkeniers veel grootere inkomsten 
dan vroeger, hunne ondernemings-geest werd tot handelen geprik- 
keld en zij „die vroeger even weinig tot een nijver leven konden 
worden opgewekt als een casuaris om den arend na te vliegen," 
zorgden uit eigen middelen voor eene geiegelde stoomverbinding 



458 fiALi NA 1816. 

van liunne eilanden met Amboina en Makassar, terwijl belangrijke 
sommen voor het onderwijs door hen besteed werden. Thans schijnt 
de welvaart der perkenicrs niet meer zóó groot te zijn als destijds het 
geval was, 't geen door den Heer v. Hoëvell wordt toegeschreven 
aan de versnippering der perken onder kinderen en kleinkinderen, 
terwijl enkele groote fortuinen ook niet meer, zooals vroeger, in 
Banda verteerd worden, daar de eigenaars naar Europa vertrokken 
zijn. Van de weelde, twintig jaar geleden te Banda heerschende, 
wordt dan ook thans weinig meer bespeurd. 

Terwijl de Oost-Indische Compagnie met Bali niet onbelangrijke 
handelsbetrekkingen onderhield , bepaalden onze aanrakingen met 
dat eiland, sedert het herstel van het Ned. gezag in Indië, zich 
hoofdzakelijk tot de plaatsing van een agent in Badoeng, die belast 
was met de werving van rekruten voor het leger, iets, dat niet 
veel anders dan eene vermomde slavenhandel was. Slechts zelden 
kwam onze Regeering in betrekking met de vorsten van het eiland, 
dat onder 8 Staten verdeeld was, dewijl Djembrana door Boeleleng 
onderworpen was. Onder deze vorsten genoot de Dewa Agong van 
Kloenkoeng groot aanzien, daar hij tot eene hoogere kaste dan de 
anderen behoorde , en geruimen tijd als geestelijk en wereldlijk 
opperhoofd erkend werd. Later was zijne macht echter verminderd , 
zoodat hij tijdens de oorlogen, door ons op Bali gevoerd, hoofdza- 
kelijk door zijne geestelijke waardigheid eenigen invloed uitoefende. 
In 1841 strandde een Nederlandsch vaartuig op de kusten van Bali 
en de vorsten maakten gebruik van een oud recht, het kliprecht 
genaamd, dat vroeger ook in Europa bekend was en zelfs nu nog 
hier en daar door de bewoners der stranden wordt uitgeoefend, 
om alles, wat aan de woede der elementen ontkomen was, te plun- 
deren en voor goeden prijs te verklaren , in de meening dat een 
schipbreuk een wraak der Godheid was, en er slechts recht 
geschiedde wanneer aan de ellendige schepelingen hunne laatste 
bezittingen ontnomen werden. Maar het Ned. Gouvernement nam 
daarmede geen genoegen; een Commissaris, Koopmans, werd naar 
de vorsten van Bali gezonden, en zijne zending scheen uitnemend 
geslaagd te zijn, daar hij eene overeenkomst sloot, waarbij de 
vorsten niet alleen beloofden van het kliprecht afstand te zullen 
doen, maar zelfs Nederlands Souvereiniteit erkenden. Doch weldra 



EXPEDITIËN TEGEN BALl. 159 

bleek het, dat men zich met ongegronde verwachtingen gevleid had. 
De vorsten weigerden het gesloten verdrag na te komen, bewerende 
dat zij door eenen valschen kunstgreep van den onderhandelaar 
bedrogen waren, die hen omtrent de beteekenis van het woord 
Souvereiniteit misleid had. Het waren voornamelijk de radja's van 
Boeleleng en Karangasem die de eischen tot erkenning onzer Sou- 
vereiniteit afsloegen, en de raadgevingen volgden van Goesti Dje- 
lantik, den energieken en bekwamen rijksbestierder van Boeleleng, 
die liever zijn laatsten droppel bloed wilde vergieten, dan eenen 
vreemden meester over zijn vaderland erkennen. Op nieuw werd 
een Nederlandsch vaartuig te Djembrana geplunderd; de beide 
vorsten weigerden de tractaten te bekrachtigen en behandelden onze 
zendelingen met groote minachting. Eene expeditie, in 1846 onder 
V. d. Bosch en Bakker naar Boeleleng gezonden, vermeesterde de 
hoofdplaats van dat rijk en begaf zich naar Singaradja, dat in het 
binnenland gelegen was, en volgens geruchten geducht versterkt 
was. 1) Doch bij de nadering van onze troepen verlieten de Balineezen 
de versterking en weldra boden de vorsten hunne onderwerping 
aan, erkenden de Nedei'landsche Souvereiniteit en beloofden zelfs 
eene aanzienlijke schadeloosstelling te zullen uitkeeren. Maar ter 
nauwernood had onze krijgsmacht Bali verlaten en slechts een gar- 
nizoen te Boeleleng achtergelaten , of het oude spel werd hernieuwd. 
De vorsten, die niet in staat waren de geëischte sommen te betalen, 
pasten weder het kliprecht toe op een gestrand vaartuig en begonnen 
de bezetting in het fort, die zij van levensmiddelen moesten voorzien, 
ten nauwste in te sluiten, terwijl zij ophielden voorraad aan te 
voeren en op de eischen om schadeloosstelling 't zij in geld, 't zij 
in afstand van grondgebied, op hoogen toon een weigerend ant- 
woord gaven. Eene expeditie werd onder v. d. Wijck in 1848 uit- 
gezonden, maar daar men met het oog op de politieke gebeurtenissen 
in Europa Java niet van te veel troepen durfde ontblooten, was 
zij niet krachtig genoeg om den tegenstand des vijands te breken, 
en onze troepen leden eene nederlaag voor het sterke Djaga 
raga. Eene derde onderneming (1849) werd onder de leiding van 
Michiels met beter gevolg bekroond, niettegenstaande nu ook de 



') Booms. Précis des expéditions contie les princes de Bali. Breda 1850. A. W. P. 
Weitzel. De derde Balische expeditie. Zalt-Bommel 1859. 



1()0 ONDERWERPING DER BALINEESCHE VORSTEN. 

vorst van Meiigvvi tot onze vijanden was toefretreden. De vermces- 
teiiiig van Ojajia raj^a, die niet zonder groote kraclitsinspanning 
gelukte, biak den tegenstand van Boeleleng en met behulp van 
bondgenooten uit Lombok werd Karangasem onderworpen, terwijl 
de vorst van dat rijk door de bevolking vermoord werd, welk lot 
ook weldra den radja van Boeleleng en Goesti Djelantik trof. Alleen 
Kloengkoeng hield nog stand. Een hevig gevecht, te Kasoemba 
geleverd, verdreef den vijand uit die plaats, maar des nachts 
keerde hij terug en in den wanliopigen kamp, die in de nederlaag 
der Balineezen eindigde, verloor do aanvoerder der expeditie het 
leven. Zijn opvolger, v. Swieten, trok uit Ka.soemba terug, in de 
hoop dat de geleden nederlaag den vijand tot onderwerping zou 
brengen, maar deze hoop bleek ijdel en een tweede worsteling was 
noodig om het reeds veroverde Kasoemba op nieuw te bezetten. 
Maar daarmede was de zaak beslist. De Dewa Agong werd door de 
vorsten van Badoeng en ïabanan gedwongen, zijn gezag aan hen 
over te dragen en toen de nieuwe opperbevelhebber, de Hertog 
van Saxen-Weimar, op het tooneel van den oorlog kwam, waren 
er slechts onderhandelingen noodig om de verkregen voordeelen te 
bevestigen. De dynastiën van Boeleleng en Karangasem werden van 
den troon vervallen verklaard; het bestuur over het eerstgenoemde 
rijk werd toevertrouwd aan Bangli en het gezag over den ande- 
ren staat aan den vorst van Mataram op Lombok opgedragen, terwijl 
de vorsten onze Souvereiniteit erkenden en beloofden zeeroof en 
slavenhandel te zullen beletten en het kliprecht te laten varen. Daar 
de bevolking van Boeleleng ongeneigd was, onder eenen vreemden 
vorst te staan, werd dit gebied in 1854 ingelijfd, terwijl Djem- 
brana, dat sedert 1849 weder door een eigen vorst bestuurd werd, 
in 1856 ditzelfde lot onderging, toen het bleek dat deze bestuurder tot 
regeeren onbekwaam was en door de bevolking gehaat werd, die hem 
zelfs verdreef, waarop de vorst de akte van overeenkomst van 1849 
teruggaf. Na dien tijd hadden wij slechts plaatselijke onlusten te 
bestrijden, die echter soms niet dan met moeite konden onderdrukt 
worden. Zoo werd in 1857 door den gewezen vorst van Djembrana 
getracht, zijn vorigen invloed weder in die streek te verkrijgen, 
en ofschoon hij werd uitgeleverd en buiten Bali verbannen, bleef 
door toedoen van een rijksgroote, Njoman Gempol, de toestand in 
Boeleleng nog verre van bevredigend , totdat het aan eene kleine 



WONINGKN. 




1. la. IS. Hut, rijstscliunr on stal op Java. 2. Huis op de Oostkust van Bornoo. 3. Woning 
op Eugano. 4. Huis in de Padangsclie bovenlanden. 



ONl.USTKN (.)!' liM.I. LOMnoK KN FI.ORES. i(51 

expeditie gelukte zijnen kampong te veroveren en hem zelven in 
handen te krijgen. En nog in ISüS bleek het, hoe weinig er noodig 
was om in die streek de smeulende vonken weder op te laladen , 
toen de bij de bevolking geliefde Ida Madeh Rahi als districtshoofd 
ontslagen werd en een ander persoon in zijn plaats benoemd werd, 
en dientengevolge een opstand uitbrak. Slechts na hevige gevechten 
kon het expeditionair corps, aangevoerd door v. Heemskerk en de 
Brabant, bijgestaan door de zeemacht onder v. Boneval Faure, de 
rust weder herstellen. Na dien tijd kan men ons gezag in de inge- 
lijfde streken als gevestigd beschouwen en werd in 1882, zonder 
verzet der bevolking, het voorloopig gezag, door raden uitgeoefend, 
vervangen door een rechtstreeksch bestuur van onze ambtenaren, door 
poenggawa's of districtshoofden bijgestaan. Voor den kleinen man 
was dit alles een groote weldaad; in de vorstenlandeu is hij bloot- 
gesteld aan allerlei wreedheden en knevelarijen zijner vorsten die, 
zooals wij weten, onderling gedurig in strijd zijn, zoodat er nog in 
1891 en 1892 een formeele oorlog gevoerd werd tusschen Mengwi, 
dat zich van een der Gianjarsche landschappen poogde meester te 
maken, en Badoeng, waaruit een strijd ontstond, waarin zich bijna 
al de andere vorsten mengden. Zelfs Lombok weid in dien strijd 
betrokken. De toestand op dat eiland is een zeer eigenaardige 
daar de vorst, een Hindoe, dia tevens bestuurder is van Karangasem 
op Bali, over eene bevolking heei'scht die voor het grootste gedeelte 
uit Sasaks bestaat, welke Mohamedanen zijn. In de laatste jaren 
schijnen dezen, vooral door toedoen van een onechten zoon van 
den vorst, aan groote knevelarij en willekeur bloot gestaan te hebben 
zoodat de voorn lamsten der Sasaksche landschap) en in opstand kwa- 
men en een strijd uitbarstte, die ook nu nog niet is beslecht. 

Met de kleine Soenda-eilanden kunnen wij ons niet in bijzon- 
derheden inlaten; wat daar geschiedde was groutendeels slechts van 
plaatselijk belang, zoodat de vermelding daarvan niet in ons bestek 
past. Dat ons gezag op sommigen dier eilanden weinig wordt 
geëerbiedigd blijkt o. a. uit het mislukken der pogingen, in 1889 
en 1890 gedaan om op Flores een onderzoek intestellen naar het 
voorkomen van tin in de binnenlanden van dat eiland, die door den 
stam der Rokka's bewoond worden. De mijnbouwkundige expeditie, 
derwaarts gezonden, werd door de bevoiking overvallen en genood- 
zaakt het onderzoek te staken; eene hernieuwde tocht, ditmaal 
II. 11 



16'i HAZAEhT Of' TIMOR. 

ondor militair jroUMrie eerst van de Zuidkust eti lator uit liet Noorden 
ondenioiiien, leverde geen betere resultati'M op, daar de expeditie! op 
het hardnekkig verzet der bevolking stuitte, en zelfs genoodzaakt 
werd terugtetrekken, zonder de streek bereikt te hebben waar, naar 
men toen allluuis geloüfde, de aan tin rijke gronden gelegen waren. 

Timor, waar Hazaert door Daendels als landdrost met het 
bestuur belast werd, was ten prooi aan allerlei binnenlandsche 
twisten, die gedurig tusschen de Poitugeesche en Nederlandsche 
onderdanen uitbraken en eindelijk de tusscht^nkomst van de Regee- 
rir:gen in het moederland noodzakelijk maakten. Met eer had Hazaert 
zich in zijne stelling gehandhaafd en de Nederlandsche vlag gevoerd, 
zoodat hij het hem toevertrouwde eiland niet vroeger in Rritsche handen 
stelde, dan nadat de caiiituiatie van Janssens hem daartoe nood- 
zaakte. Ook onder het Biitsche tusschenbestuur bleef hij aan het 
hoofd van Timor geplaatst, en de Commn Generaal lieten hem die 
betrekking behouden. Maar in het Portugeesche gedeelte van het 
eiland was een nieuwe Gouverneur opgetreden, en deze maakte 
gebruik van oude aanspiaken op het regentschap Fialarang om 
Atapoepoe te bezetten en er tollen te heffen. Doch Hazaert 
ging op zijne gewone krachtige wijze deze aanmatigingen te 
keer, haalde de Portugeesche vlag -omlaag en liet eenige Inlan- 
ders, die om zijne wachten slopen en die hij van poging tot diefstal 
verdacht, opvatten en kastijden. Maar de Portugeesche Gouverneur 
nam deze handeling hoog op ; de gestrafte personen , — 3 of 4 
naakte inboorlingen, zonder eenig onderscheidingsteeken, — waren, 
naar hij beweerde, Portugeesche soldaten en hij dreigde met geweldige 
wraak. Hazaert werd terug geroepen , maar toen het bleek , dat hij 
slechts geweld met geweld had beantwoord, in zijne waardigheid 
hersteld, en de Portugeezen moesten het wel bij dreigementen laten. 
Maar telkens rezen er nieuwe geschillen, terwijl het contract 
van 1756 door den loop der omstandigheden geheel gewijzigd was, 
daar een aantal vorsten , die toen onder onze opperheerschappij 
geplaatst waren, Portugal getrouw bleven en in werkelijkheid nimmer 
ons gezag hadden erkend. Eerbied voor oude herinneringen deed 
Portugal het aanbod van de hand wijzen, om het Portugeesche 
gebied van Timor aan Nederland te verkoopen, maar tegen eene 
afdoende regeling der grensscheiding bestond geen bezwaar. Een 



TRACTATEN MF,T I'ORTUGAI.. i&ó 

tractaat, in 4854 gesloten, stelde Nederland in het onbetwist bezit 
van alle eilanden buitfii Tinioi-, n)ct uilzondeiing van Poeloe Katn- 
bing, terwijl Fialaiang ons weid afgestaan, en zoodoende een eind 
gemaakt aan alle twisten over Atapoepoe. Dit verdrag, dat door 
de Staten-Generaal moest worden goedgekeurd, daar het ruiling 
van grondgebied bevatte, werd afgestemd, omdat van onzen kant 
vrijheid van godsdienst was toegezegd , doch Portugal datzelfde 
voorrecht aan zijne nieuwe onderdanen had onthouden. Doch dit 
bezwaar werd spoedig opgeheven, en het gewijzigde tractaat, dat 
den 2üsten April 1859 te Lissabon gesloten werd, maakt ook nu nog 
den grondslag uit van de betrekkingen tusschen Nederland en Por- 
tugal in den Indischen archipel. Vermoedelijk zal dit echter weldra 
niet tneer het geval zijn, daar onlangs aan de Tweede Kamer der 
Staten-Generaal een wetsontwerp is ingediend ter goedkeuring van 
een tractaat, den lOden Juni 1893 te Lissabon tusschen Portugal en 
Nederland gesloten tot regeling van de verhouding tusschen beide 
landen in den archipel van ïmior en iSolor. 

De aanleiding tot het sluiten van dit tractaat is gelegen in de 
moeilijkheden, ontstaan door het feit dat thans enkele deelen van 
het gebied van de rijkjes, op Timor tot een der beide Staten behoo- 
rende, ingesloten worden door het territuir van den anderen Staat, 
waardoor dikwijls geschillen ontstonden, terwijl wij ons ook beklaagden 
over de behandeling, door Portugeesche ambtenaren aan Nederland- 
sche leenvorsten aangedaan. In het laeuwe tractaat wordt nu bepaald, 
dat aan eene Commissie van deskundigen zal worden opgedragen, 
voorstellen betreffende eene nadere regeling der grenzen te doen. 
En terwijl van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt werd om 
enkele bepalingen vasttestellen betreifenile visscheiijen , handel en 
scheepvaart en den in- en uitvoer van wapenen, is tevens het hoogst 
belangiijke beginsel in het tractaat opgenomen, dat beide partijen 
zich veibinden om aan scheidslieden de beslissmg op te dragen in 
geschillen, die betrekking hebben op het wederzijdsche gebied in 
den Timor- of Solor-archipel of op de uitlegging van het tractaat 
zelf. Niet minder van belang is de daarbij gevoegde verklaring van 
1 Juli 1893, waarbij beide Staten overeenkomen elkander een recht 
van voorkeur toe te kennen bij geheelen of gedeeltelijken afstand 
van hun grondgebied of van hunne Souvereiiuteits-rechten in dien 
archipel, op voorwaarden, die gelijk zijn aan, of een equivalent 



dé4 TRACTATKN MET I'ORTUOAL. 

vonnon met do voorwaarden, die door derden worden aangeboden. Ook 
voor gescliillen, bij de uitlegging dezer verklaring oprij/ende, zal de 
beslissing van sclicidsliedeii nuicten woiden ingeroepen. Uitdrukkelijk 
wordt daarbij gezegd, dat geen dei' beide Staten er aan denkt, zijn 
gebied af' te staan; het liooi'ddoel der veiklaiing ligt dan ook, volgens 
do mededeeling der Uegeering, in de OMislaiidiglieid dat „de ontwik- 
keiiiig van bandel en nijverheid op de beide deelen van Timer zeker- 
heid eischte, dat de behartiging der daarmede samenhangende 
belangen zooveel mogelijk aan dezelfde handen toevertrouwd of 
altliaiis door dezelfde beginselen beheerscht zal blijven." Maar ook 
daarnevens mag het van niet gering belang voor Nederland geacht 
worden, dat voortaan, tegen zijnen wensch , geen mededinger zich 
op Timor zal vestigen en dat ook in dit gedeelte van den archipel 
weldra vaste grenslijnen de bestaande geschillen zuilen beëindigen 
en nieuwe twisten voorkomen, en daardoor een stap nader gedaan 
is in de richting van bevestiging van ons gezag in den archipel die, 
naar wij willen hopen, ook elders niet zal uitblijven. 



Zoo mochten wij in korte trekken de geschiedenis van Neder- 
landsch Oost-lndië schetsen. Uit handels-nedeizettingen voortge- 
komen rees de Nederlandsche macht steeds hooger, tot zij het 
grootste gedeelte van den Indischen archipel besloeg. Maar hare 
afkomst vermocht zij niet te loochenen. Handelsgeest en koele 
winstberekening waren hare kenmerken, ook toen de Compagnie de 
schoone taak van Souverein op zich nam, en dwongen haar om, 
met tei zijdestelling van het belang van den Inlander, hoofzakelijk 
de baatzucht van het moederland te dienen. Smadelijk ging zij te 
gronde, gebukt onder den dubbelen last eener mislukte handels- 
speculatie en van eene verwaarloosde roeping als bestuurder van 
millioenen onderdanen. Maar uit de asch eener Compagnies-bezit- 
ting rees de Staatskolonie omhoog. Gewichtig keerpunt in de 
verhouding van Nederland en Indië! Doch begreep Nederland het 
gewicht dier gebeurtenis? Helaas, niet volkomen. Gedeeltelijk werd 
het oude pad gevolgd, en de nood, later de eigenbaat van het 
moederland deed in vele opzichten vergeten, dat Nedeiland geen 
handelslichaam, maar de Nederlandsche Staat, de Souverein is, die 
edeler doel nastreeft, dan een koopman kan najagen. Uoch gelukkig 



DE INRICHTING VAN HET BESTUUR. '165 

mochten wij op meer dan één feit wijzen , waaruit eene meer waar- 
dige opvatting der rcgeeiiiip;staai< bij onze staatslieden bleek en worilt, 
trots menigen misslag, vooral in de laatste jaren ook in het moeder- 
land de overtuiging meer en meer levendig dat Indië in haar eigen 
belang beheerd moet worden, en dat de taak onzer ambtenaren niet 
meer is die van administrateurs eener lijke plantage, maar dat zij 
moeten zijti regeerders van een groot gebied, geroepen om de be- 
volking rechtvaardig te besturen en te beschaven , en de brormen 
van welvaart te openen en te ontwikkelen, vooral ten bate der be- 
volking zelve, al mag men hopen dat op dien weg ook het belang 
van het moederland zal worden gediend. Reeds nu was de invoering 
van het Nederlandsche bestuur voor vele streken een ware weldaad; 
op dien weg vooi'tgaande moge de Nederlandsche Staat zijne roe|)irig 
weten na te komen en werkzaam zijn in het belang zijner Inlandsche 
onderdanen, goed doende zonder om te zien. 



HOOFDSTUK IV. 



DE INRICHTING VAN HET BESTUUR IN NEDERLANDSCH-INDIË. 



„De regeering der koloniën en bezittingen van het Rijk in Azië, 
uitmakende het gebied van Nederlandsch Indië, wordt in naam des 
Konings uitgeoetend door eenen Gouverneur-Generaal." Zoo spreekt 
het Regeerings-reglement in zijn eerste artikel en geeft daardoor te 
kennen dat het bestuur over Indië niet meer, zooals tijdens de 
Compagnie (Dl I. p. 518), door een college wordt uitgeoefend, maar 
in handen van één persoon berust, de eenige, die verantwoordelijk 
is voor het gevoerde regeeiings-beleid. De wet stelt geene andere 
eischen voor de benoembaarheid tot dit ambt, dan die van Neder- 
landerschap en dertigjarigen leeftijd; de persoonlijke eigenschappen, 
die in den Landvoogd gevorderd worden, kunnen dan ook niet in 
eene wet worden omschreven, en zullen ook gedeeltelijk moeten 
afwisselen naar mate van de eischen van het tijdstip, waarin de 



166 DE GOUVERNEUR-GENRRAAL. 

Gouverneur-Gpneraal optroeflt. Maar ton allen Hjfln zal wel eene 
groote mate van zeU'staniliplieid in den Landvdogd gevoideifl worden, 
en vooral thans nu er, o. a. tengevolge van de verbeterde gemeen- 
schap tusschen moederland en Indië, — vooral ook door de telegraaf 
die beiden voibindt, — allicht groote neiging bij het Opperbesluiir 
wordt opgewekt, om in den gang van zaken in Indië in te grijpen 
en, zooals men wel eens zegt, Indië van uit het Plein te besturen. 
Die neiging is zeker zeer begrijpelijk, waar de Minister tegenover 
Koningin en Staten-Generaal eveneens voor den gang van het bestuur 
in Indië verantwoordelijk is, en de lust maar al te zeer bestaat 
om die verantwoordelijkheid ook tot betrekkelijk ondergeschikte aan- 
gelegenheden uittestrekken. Zij is echter geenszins uitsluitend eigen 
aan eene bemoeiing der Staten-Generaal met de koloniale aange- 
legenheden, daar de tijd van de diepste onderworpenheid van het 
Indische bestuur aan den Minister van koloniën ligt in de dagen 
van het cultuurstelsel tijdens de Eerens, en vooral gedurende het 
bestuur van Merkus, toen de instructie, aan dien Laridvoogd gege- 
ven , hem slechts uiterst geringe vrijheid van handelen verleende. 
En toch is die neiging eene miskeiming van het feit, dat het 
zwaartepunt van de regeering over een streek in dat land zelf be- 
hoort te liggen en niet in een Rijk. geographisch reeds ver van 
de kolonie gelegen , maar ethnographisch nog oneindig verder daar- 
van verwijderd. 

In zijn regeeringsbeleid wordt de Gouverneur-Generaal ter zijde 
gestaan door den Raad van Ned. Indië, uit een vice-president en 
vier leden bestaande. De werkkring van dien Raad is een zuiver 
raadgevende. De Landvoogd kan het gevoelen van den Raad inwinnen 
over alle zaken van algemeen of bijzonder belang, en legt hem de 
verplichting op, den Raad te hooren over sommige aangelegenheden, 
die in art. 28 van het Regeerings-reglement met name genoemd 
zijn. Maar in sommige gevallen, die bijna allen eveneens in die 
wet worden opgesomd, moet er bestaan overeenstemming tusschen 
den Gouverneur-Generaal en den Raad; d. w. z. dat eerstgenoemde 
aan het advies van de meerderheid van dat college gebonden is. 
Doch daar niet die Raad, maar hij alleen voor het regeeringsbeleid 
aansprakelijk is, staat het den Gouverneur-Generaal vrij, niette 
handelen overeenkomstig dat advies, maar de beslissing der Koningin 
in te roepen, waardoor zijne verantwoordelijkheid gedekt wordt; ja 



WKTGEVING IN INDifi. 167 

hij is zelfs bevoegd, — en daardoor ook verplicht, — om de door 
hem gewetischte maatregelen te^en het advies van den Raad in 
te nemen, wanneer hij oonicelt dat langer verwijl de veiliglieid of 
de rust van Ned. Indië of andere gewichtige algemeene belangen 
in gevaar zou brengen. Daarbij moet hij zekere formaliteiten in acht 
nemen, die in art. 30 R. R. zijn opgenoemd en tot waarborg voor 
eene grondige behandeling van de betrokken aangelegenheid moeten 
strekken, — maar de eindbeslissing berust bij hem, zonder dat hij 
door een beroep op het advies van den Raad zijne verantwoordelijk- 
heid kan dekken, die dus even groot is of hij al dan niet in over- 
eenstemming met deti Raad heeft gehandeld. 

Een der gewichtigste onderwerpen van het regeeringsbeleid, 
aan den Landvoogd toeverti'ouwd , is de wetgeving voor Indië. In 
de bevoegdheid daartoe is hij beperkt door de beide hoogere wet- 
gevers: de StatenGeneraal met de Koningin, en de Koningin alleen, 
in beide gevallen door Haren Minister van koloniën bijci;estaan. In 
het algemeen gesproken mag de Gouverneur-Generaal alles regelen, 
wat niet door een dier beide wetgevers is geregeld, of aan hen ter 
regeling is voorbehouden. Maar met het oog op den verren afstand 
der kolonie, waar zich omstandigheden kunnen voordoen die een 
onmiddellijke regeling eischen, of opheffing eener bestaande rege- 
ling vordeien , heeft de Gouverneur-Generaal, in diingende ge- 
vallen, het recht bindende voorschriften te geven betrelfende onder- 
werpen, die in gewone omstandigheden door de Wetgevende Macht 
of de Koningin zouden moeten worden geregeld, zoolang die rege- 
ling nog niet is getroffen. Maar de Landvoogd kan nog verder gaan 
en, wanneer er reeds wetten of Kon. besluiten gemaakt zijnen dezen 
hem ter afkondiging worden toegezonden, die afkondiging niet 
doen plaats vinden, waardoor de wet of het Kon. besluit niet in 
werking treden. Ja zelfs kan hij onder dezelfde voorwaarde wetten 
of Koninklijk besluiten, die reeds zijn afgekondigd, tijdelijk buiten 
werking stellen, met uitzondering van de bepalingen van het 
Regeerings-reglement, die hij alleen in geval van ooilog mag schor- 
schen. In dit laatste geval heeft hij een zeer uitgebreide macht. 
Hij kan dan zelfs Nederlandsch Indië geheel of gedeeltelijk in staat 
van oorlog of beleg stellen, waardoor de krijgswet ruimer toepassing 
verkiijgt, dan anders het geval is, en mag dan ook autoriteiten 
opheffen, d. w. z. het ambt zelf tijdelijk ter zijde stellen, zoodat dan 



108 WETGEVING IN INDIË. 

ook flfi al,£;cmeen verhindoride voorschriften, rlio dat ambt instoldon 
en ivfrelden , krachteloos worden petnaakt. Maar daar de/e maat- 
regelen ingrijpen op het gebied van een hoogere macht, moet deze 
in de gelcgerdieid worden gesteld haar eindoordeel uittespreken en, 
zoo noodig, er voor te zorgen dat hare wil worde uitgevoerd. Geldt 
de genomen maatregel dus 'een wet, dan moeten de Stateii-Generaal 
daarvan keruiis krijgen. Kn daar d(^ Gouverneur-Generaal verplicht 
is der Koningin van alle gewichtige maatregelen, door hem geno- 
men, kermis te geven, wordt het üppeibestuur van zelf in de gele- 
genheid gesteld, de eindbeslissing aan zich te houden. 

Alle algemeen verbindende voorschriften, die door den Gou- 
verneur-Generaal worden uitgevaardigd, heeten ordonnantiën, in 
tegenstelling met de wetten en Koninklijke besluiten, door de 
wetgevende macht in het moederland of door de Koningin vast- 
gesteld, terwijl zij gezamenlijk met de benaming „algemeene ver- 
ordeningen" worden aangeduid. Zij moeten door plaatsing in het 
Staatsblad van Nederlandsch-Indië worden afgekondigd en zoo ter 
algemeene kermis worden gebracht; na een, in het Regeerings- 
reglement aangegeven termijn zijn zij verbindend en woi'dt aan- 
genomen dat ieder, die zich in Nederlandsch-Indië bevindt, ze 
kent; — iets dat natunilijk dikwijls slechts eene fictie is, vooral 
waar het de Inlander-s geldt, die de Nedei'laridsche taal niet machtig 
zijn en niet lezen kunnen. Geldt het echter eene zaak, waarbij de 
Inlandsche of Chineesche bevolking bijzonder betrokken is, dan 
worden vertalingen in de Inlandsche en Chineesche talen gemaakt 
en aangeplakt. 

Bij de uitoefening van de wetgevende bevoegdheid van den 
Gouverneui'-Generaal speelt de Raad van Indië eene groote rol, 
daar deze geschieden moet in overeenstemming met dien Raad, 
volgens de regels, zoo even medegedeeld. Dewijl deze bevoegdheid 
zich over alle takken van dienst uitstrekt en ook vele bestuursaan- 
gelegenheden aan het oordeel van den Raad worden onderworpen, 
is het van hoog belang dat althans de voornaamste takken van 
dienst in den Raad worden vei'tegenwooi'digd , opdat de voorlichting 
van den Gouverneur-Generaal zóó veelzijdig mogelijk zij. Want 
ofschoon het de taak van dien Raad is, om de zaken niet van een 
specialen kant te beschouwen , maar bij het geven van het advies 
een hoog standpunt in te nemen , spreekt het wel van zelf, dat ook 



DE RAAD VAN INDIÉ. 169 

daartoe speciale kennis nnodzalcelijk is en dat er veel kans bestaat 
voor minder grondige boliandeling van die onderwerpen, waarmede 
geen der leden in liet bijzonder vertrouwd is. En nu vereisciit het 
wel geen betoog dat het, bij een zóó klein getal leden, als de 
Raad bevat, zelfs bij de meest zorgvuldige keuze onmogelijk is alle 
groote takken van dienst behoorlijk in dat lichaam te vertegen- 
woordigen. Wel is waar kan de Raad zich de voorlichting verschaffen 
van officieren en ambtenaren, maar daar dezen niet persoonlijk 
verschijnen en slechts gehoord mogen worden over zaken, door den 
Gouverneur-Generaal bij den Raad aanhangig gemaakt, is ook dit 
slechts een gebrekkig middel en kan zelfs het recht, aan den Gou- 
verneur-Generaal toegekend, om ambtenaren en officieren te gelasten 
de vergaderingen van den Raad bij te wonen om mondelinge inlich- 
tingen te geven, evenmin afdoende heeten, daar dit slechts in 
bijzondere gevallen geschieden zal en dus alleen bij uitzondering 
invloed kan uitoefenen op de behandeling der zaken. En daar de 
leden van den Raad uitsluitend uit Indische ambtenaren worden 
gekozen, bestaat er geen gering gevaar dat de zaken daar uit een 
uitsluitend ambtelijk oogpunt worden bezien, terwijl er ook in dat col- 
lege geen plaats is voor personen, die zich in het moederland in of buiten 
den staatsdienst hebben onderscheiden, en een ruimer gezichtsveld 
hebben verkregen, dan in Indië mogelijk is en daardoor, zooals het 
voorbeeld van Rritsch-Indië aantoont, groote diensten aan de kolonie 
kunnen bewijzen. Voor een deel wordt aan deze bezwaren tegemoet 
gekomen door een wetsontwerp, den Isten November 18'.)3 aan de 
Tweede Kamer toegezonden, dat het mogelijk zal maken een zeker 
getal buitengewone leden aan den Raad toe te voegen , ten einde 
deel te nemen aan enkele werkzaandieden van dat lichaam en met 
name aan den wetgevenden arbeid. Door deze bepaling, die aan 
het Britsch Indische staatsrecht ontleend is'), zullen ook personen, 
in Indië buiten de ambtelijke wereld geplaatst, hunne meening 
kunnen doen gelden in de regeling van aangelegenheden, waarbij 
particuliere belangen zoo dikwijls betrokken zijn en over welken 
tot nu toe „voor hen, doch zonder hen" werd beslist. Dat deze 



1) A. W. P. Verkerk Pistorius en P. A. V; d. Lith. De gronfJslapren van het Britsch 
Indische heheer. 'sGravenhage ISTG. Mr. J. He Louter in de Gids 1887, I. Zie ook de 
voordrachten in het Ind. Genootschap van Mr. J. de Louter (25 Sept. 1888) en van 
mij zelven (27 Nov. 1888, 28 Fehr. 1889). 



470 BESTUURSMAniT VAN UEN (.OUVERNEUR-GENERAAL. 

bescheiden st;ip in eene poede richting ool< in Indiö bijval en vooral 
ki'aclitige toepiissiiifr moge vinden, is zeer te hny)en ; zonder de 
medewerking van de boste elementen uit de particuliere ingezetenen 
aldaar blijft deze bepaling, met de beste bedoeling genomen, een 
doode letter, terwijl zij, met ingenomenheid uitgevoerd, het begin 
kan worden van eene betere regeling van zaken, die de opolTeiing 
van tijd, welke zij vordert, wel waard is. 

Het bestuur in ilmi eigenlijken zin des woords, — de uitvoering 
van de door deti weigever gesteMe regelen, — berust, wat de 
hoofdleiding betreft, in handen van den Gouveineur-Geiieraal, die 
zijne zorgen niet alleen over onderwerpen van algemeen bestuur 
uitstrekt, maar zich ook met gewestelijke aangelegenheden moet 
bezighouden, ja zelfs ook in plaatselijke belangen gemoeid wordt. 
Zijn gezag gaat over tallooze aangelegenheden van staatsbestuur; 
rechtswezen en politie, finantiën en cultures, bestuur en adminis- 
tratie, onderwijs en godsdienst; — in één woord alle eenigszins 
belangrijke onderdeelen der staatszorg moeten door den Landvoogd 
worden behartigd, die bovenal er voor waken moet dat de Inlander 
beschermd worde tegen de willekeur van wien ook, en vrijelijk 
over verdrukking en onrecht klagen kan. Het zou onmogelijk zijn, 
hier de verschillende onderwerpen op te noemen , die aan den Gou- 
verneur-Generaal ter behartiging zijn opgedi'agen; het doel van deze 
bladzijden is geen ander, dan de hoofdtrekken van de oiganisatie 
van het Indische bestuur te schetsen; voor bijzonderheden moeten 
wij naar de speciale werken verwijzen. Slechts enkelen dier onder- 
werpen mogen hier eene korte bespreking vinden. Zoo is de 
Landvoogd opperbevelhebber van de in Indië aanwezige zee- en 
landmacht; naar de letter der wet zou hij dus het kommando over 
de troepen op zich kunnen nemen. Het spreekt echter wel van 
zelf, dat een niet-militair Gouverneur-Generaal de aanvoering 
van de legermacht aan anderen zal overlaten, maar door die 
bepaling bezit hij de bevoegdheid om zich tegenover de militaire 
autoriteit te doen gelden, iets dat noodzakelijk is, zoolang hij alleen 
het bestuur voert en daarvoor de verantwoordelijkheid moet dragen, 
wat niet mogelijk zou zijn, wanneer hij zelfs maar in zuiver militaire 
aangelegenheden onderworpen was aan het goedvinden van een 
gezag, dat niet voor den gang van het bestuur aansprakelijk is. 
Met uitzondering van de generaal-oificieren en van hen , die hier 



BESTUURSMACHT VAN DEN GOUVEHNEUU-GENERAAL. 17i 

te lande voor het eerst tot officier worden aangesteld, en die allen 
door de Koningin worden benoemd, ontvangen alle officieren van 
de landmacht hnnne benoeming en bevordering nit handen van 
den Landvoogd. In Nederland vertoevende kunnen zij echter ook 
door de Koningin worden ontslagen. Met de officieren van de zee- 
macht is liet anders gesteld. Dezen behooren tot de Nederlandsche 
marine en worden dus door de Koningin aangesteld, bevorderd en 
ontslagen; ook een deel der oorlogsschepen (4 in getal), in Iridië 
aanwezig en onder den naam van auxiliair eskader bekend, behoort 
tot de Ned. scheepsmacht. De overige oorlogschepen echter vormen 
de Indische militaire marine; zij worden, wat de Europeesche beman- 
ning betreft, vooizien van officieren en matrozen der Nederlandsche 
marine, doch de uitgaven, daai'door veroorzaakt, zijn voor rekening 
der Indische geldmiddelen. In geval van nood heeft de Gouverneur- 
Generaal de beschikking over de land- en zeemacht; hij heeft even- 
eens het recht, oorlog te verklaren aan, en vredes- en andere ver- 
dragen te sluiten met Indische vorsten en volkeren, voor zooverre 
dezen onze Souvereiniteit erkennen en dus niet tot de „vreemde 
Mogendheden" behooren , daar de Grondwet (art. 59) het recht om 
met dezen verdragen te sluiten aan de Koningin heeft opgedragen. 
Heeft de Landvoogd dus de macht om bij oorlogsgevaar krachtig op 
te treden, ook dan, wanneer er buitendien vrees bestaat voor ver- 
storing van de openbare rust en orde, kan hij, in overeenstemming 
met den Raad van Indië, preventief o[)treden door hen, die in dit 
opzicht gevaarlijk worden geacht, hetzij buiten een bepaald gedeelte 
van Nederlandsch Indië te verbannen; — hetzij hun, als zij in 
Indië geboren zijn, een verblijfplaats aldaar aan te wijzen, die zij 
niet mogen verlaten (interneering); — of hun, die niet in Indië 
geboren zijn, het verblijf aldaar geheel te ontzeggen (uitzetting). 
Enkele waarborgen zijn aan de bewoners van Nederlandsch Indië 
gegeven om te voorkomen dat de Gouverneur-Generaal lichtvaardig 
van zijn macht gebruik zal maken, zooals de verplichting, hem 
opgelegd, om den betrokken persoon in de gelegenheid te stellen zich 
te verdedigen, terwijl tegenover niet-Inlanders van den genomen maat- 
regel kennis aan den Minister van koloniën moet worden gegeven en, 
waar het Nederlanders geldt, ook aan de Staten-Generaal daarvan 
mededeeling moet geschieden. En dewijl in eene kolonie, bewoond 
door allerlei elementen, die in godsdienst en beschaving zoozeer 



172 COMMISSARISSEN-GENERAAL. 

uitoenloopon, ja dikwijls vijarKlplijic togenovor elkander staan, steeds 
groot fjovaar bestaat voor rustv('istorinf;eii tfiigevolge van n|iiniingen, 
door de drukpers gepleegd, is in Indlë niet alleen een prevent lef' toe- 
zicht ingevoerd op alles, wat daar wordt uitgegeven, maar heeft het 
Opperbestuur den i.andvoogd zelfs de m;iclit g(^geven om, in oveieen- 
stemming met den Raad van Indië, di'ukkerijen te sluiten on de uitoefe- 
ning van het beroep van drukker aan bepaalde personen te verbieden. 

Niet altijd stond een Gouverneur-Generaal in Indië aan het 
hoofd van het bestuur; soms werd de hoofdleiding der zaken aan 
een of moer Commissarissen-Goneraal toevertrouwd. Deze bestuurders 
waren slechts door hunne instructie gebonden en hadden oveiigens, 
in het algemeen gesproken, dezelfde bevoegdheid als de Koning, 
ware deze ter plaatse aanwezig geweest. Het tegenwoordige Regee- 
riiigs-reglement kent zulke bestuurders niet; waar de wet regelen 
voor het bestuur gesteld heeft, is er geene plaats voor zulke, met 
buitengewone macht bekleede regeerders, die slechts dan kunnen 
worden gezonden wanneer eene wet daartoe vergunning verleent. 
Dit heeft echter slechts betrekking op Commissarissen-Generaal die 
boven den Gouverneur-Generaal zouden staan; de Koningin bezit 
natuurlijk de bevoegdheid ambtenaren onder eiken, door Haar 
goedgekeurden titel naar Indië te zenden, mits zij geen regeerings- 
macht uitoefenen en onder den Gouverneur-Generaal zijn geplaatst. 
Aan den Gouverneur-Generaal kan ook een Luitenant-Gouverneur- 
Generaal worden toegevoegd, die bestemd is om den Landvoogd 
optevolgen, maar intusschen werkzaam is zooals deze aanwijst, met 
het doel om hem in staat te stellen zich met de regeerings-aangele- 
genheden vertrouwd te maken vóór hij als Gouverneur-Generaal 
optreedt. Jammer genoeg is van deze bevoegdheid sedert de vast- 
stelling van het Regeerings-reglement nimmer gebruik gemaakt, 
ofschoon juist daarin het middel zou kunnen worden gevonden om 
de bezwaren te overwinnen, verbonden aan het optreden van een 
Gouverneur-Generaal, die te voren Indië niet heeft bezocht. 

Voor verschillende onderdeelen van het staatsbestuur wordt de 
Gouverrreur-Generaal door tal van ambtenaren, — Europeesche en 
Inlandsche, — ter zijde gestaan. Met uitzondering van slechts enkele 
hooggeplaatste ambteiraren, die door de Konirigiir worden benoemd, — 
de leden van den Raad van Indië en van de Rekenkamer, benevens 
de President van het Hoog Gerechtshof, — worden zij door den 



ALGEkEENE SECUETARIE. 173 

Landvoogd aangesteld, die ecliter liet recht van benoeming van 
mindere ambtenaren aan andere autoriteiten lieeft overgedragen. 
Zij zijn over tal varr dieirsttakken verdeeld. Wij kunnen orrs hier 
alleen bezig houderr met de ambtenaren, bij het algemeerr en ge- 
westelijk bestuur werkzaam. Den Gouverrreur-Generaai staat als het 
ware orrmiddellijk ter zijde de Algemeene Secretar-is, die het hoofd 
is der Algemeeire Secr-etarie, het Kabinet varr derr Landvoogd, dat 
sedert eenige jaren te LUritenzorg gevestigd is, eir giouteir invloed 
op den gang van zaken uitoefent, liet ligt voor de haird dat dit 
vooral het geval moet zijn met den Algemeerren Secretaris, die dagelijks 
met den Larrdvoogd verkeert, derr irieuw benoemderr Gouverneur- 
Geireraal irr de zaken inleidt, en de uit vaardiger- en berichtgever is 
van al, wat door de handteekening varr deze kracht bekomt; — die 
hem inlichtingen en opmei'kingen geeft, hem aanteekeningen en 
nota's aanbiedt, en een aangerrame of onaangename wending aan 
de stukken kan geven. Hierbij speelt de persoonlijkheid van den 
Gouverrreur-Generaai en van den Algemeenen Secretaris natuurlijk 
geen kleine rol, maar ook door de wijze, waarop de Algemeene 
Secretarie werkt, ontstaat groote neigirrg om het zwaartepunt 
van het gezag bij haar over te brengen. De voor-stellen toch, die 
aan den Gouverrieur-Gener-aal door de hoofden der Departementen 
schriitelijk zijn ingedierrd, worderr op de bureau's der- Secretarie, 
door hare met zui'g gekozerr err meestal hoogst bekwame ambtenaren 
gewogen en vaak rdet zeer zacht beoordeeld, err daarna nog aan het 
oordeel van derr Raad van Irrdië orrderworpi;n. Zoodoende wordt het 
gevoel varr verarrtwoordelijkheid en zelfstandigheid der hooge amb- 
tenaren niet weinig verzwakt, die licht geneigd wor-ilen op den 
Raad en de Algemeene Secretarie te leurrerr, terwijl bovendierr de 
kwaal der admirristratie in Indië, „het zoeken van kracht in veel- 
heid van adviezerr ," daardoor maar al te zeer in de hand wor'dt 
gewerkt. Ook bij de verhouding tusschen de Directeuren der Depai'te- 
menteir, den Raad van Indië en de Algemeene Seci'etarie wordt, 
schijnt het, de gulden regel vergeten dat een goed en krachtig 
bestuur- slechts ver kregen wordt door voor elkeir belangr ijken bestuurs- 
daad , onder algemeene leidirrg varr den Landvoogd , een bepaald 
persoon aansprakelijk te stellerr, die zooveel mogelijk zelfstandig 
optreedt, maar wiens geheele reputatie en ambtelijke toekomst 
daarbij dan ook ia volle mate betrokken zijn. 



174 DK DEPARTEMENTEN. 

De hoüfiiaiiibteiiaren, over wicn wij zooeven spraken, iJirecteuren 
genoemd, kunnen in zoover met Miiiisteis vergeleken worden, dat 
zij aan het lioolii van IJe|iai tciiii'nti'U van algemeen bfsluur zijn 
geplaatst, docli nemen overigens eene geheel andere stelling in dan 
die hooggeplaatste personen, daar zij geene paiieinentaire weik- 
zaamheid hebben, en evenmin eenen geheel zelfstandigen werkki ing, 
omdat zij niet voor het legeeiingsbeleid aansprakelijk zijn, dewijl de 
verantwoording daarvoor alleen bij den üouverneur-Generaal berust. 
Wel zijn zij tegenover hem vuor hunne handelingen aanspiakelijk, 
maar zij zijn dit even als ieder ander ambtenaar, zonder dat zij 
door hunne verantwoordelijkheid die van den Landvoogd dekken. 
In dit opzicht kunnen zij zeU's meer beheerende, dan besturende 
ambtenaren genoemd worden, daar zij, ofschoon ambtelijk boven 
de gewestelijke bestuurders geplaatst, toch niet de eigenlijke supe- 
rieuren dier hool'dambtenaren zijn, die niet direct onder hunne 
bevelen gesteld worden. Toch is den Directeuren het recht gegeven, 
hun aanschrijvingen of wenken te doen toekomen. Zelden schijnen 
zij met den Gouverneur-Generaal persoonlijk samen te werken; van 
het recht, den Landvoogd toegekend, hen tot een Raad van Directeuren 
te vereenigen, wordt ook, naar het voorkomt, weinig gebruik gemaakt. 
Toch zou zoowel het een als het ander heilzame vruchten kunnen 
diagen, vooral ook als een zoodanige Raad onder de leiding van 
den Gouverneur-Generaal vergaderde. 

Gewoonlijk onderscheidt men het Indisch beheer in drie onder- 
deelen; het beheer der landmacht, der zeemacht en het burgerlijk 
beheer. Het eerste is toevertrouwd aan het Departement van oorlog, 
aan het hoofd waarvan de Luitenant-Generaal, kommandant van 
het leger, geplaatst is, terwijl een Nederlandsch vlagoilicier, die 
daartoe uit Nederland tijdelijk gedetacheerd wordt, aan het hoofd van 
het De[)artemeiit van Marine optreedt. Het burgerlijk beheer wordt 
gevoerd door een vijltal Directeuren. De depai tementen van „Binnen- 
landsch Bestuur," van „Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid", van 
„Burgerlijke openbare werken," en van „Finantiën," zijn allen in 
18GÜ opgericht, terwijl aan dezen in 1869 nog een Departement 
van Justitie is toegevoegd. Het is niet onbelangrijk op te merken 
dat deze organisatie, vergeleken met die, welke daaraan vooralging, 
getuigenis allegt van eene zuiverder opvatting der staatstaak. De 
organisatie toch, door du Bus ingevoerd, stelde eene Generale 



ÖR DEPARTEMENTEN. 475 

Directie van finaiiticn in, aan wier hoofd de Directeur-Generaal van 
fiiianliën stond, aan wien twee diiecteuren waren toegevoegd: een 
van 's Latids middiden en donicineii en een van 's Lands producten 
en civiele magazijnen. Daarbij stond dus de zorg voor liet helieer 
der finantiën op den voorgrond. In 1832, tijdons de heerschappij 
van het cultuurstelsel, werd daarbij gevoegd een „directeur 
van cultures," die weldra een hoofdrol speelde. Toen echter ook 
aan andere volksbelangen werd gedaciit, werd in 1854 eene directie 
der Burgerlijke openbare werken opgericht, terwijl bij de invoering 
van het Regeerings-reglement de betr^ekking van Directeur'-Generaal 
wer'd ingetrokken en aan de Directeuren een van elkander onaf- 
hankelijke stelling wer'd gegeven. En toen, tengevolge van de irrvoe- 
rirrg der Comptabiliteits-wet, de Departementen irr 180(5 werden 
gereor-ganiseerd , bleek de ver-anderde zienswijze voornamelijk wel 
daar^door, dat de werkzaamheden van den Directeur der Cultures 
giootendeels als onderdeel aan het nieuw opgericht Departement 
van Binrrenlandsch Bestuur werden toegevoegd, teneinde te doerr 
uitkomen dat de regeer ingstaak meer op besturen, ook in het be- 
larrg der Inlarrdsche bevolkirrg, behoorde te worden gericht, dan 
op hare exploitatie in het belarrg der Neder larrdsche schatkist. Eene 
uiting van denzelfden gedachtengang was de oprichting van het 
Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid, waardoor 
werd uitgesproken dat iir de richting der oirtwikkeling van de 
Inlandsche bevolkirrg zooveel behoorde gedaan te worden, dat daar- 
voor een afzonderlijk Ministerie korr worden opger'icht; voorzeker 
een edel denkbeeld, al heeft het misschien in de toepassing tot 
niet geringe teleuisteilingefr geleid. 

De werkkr-ing der verschillende Departementen wordt in hoofd- 
zaak aangeduid door de benamingen, aan herr gegeverr. Het Departe- 
ment varr Justitie heeft de zorg voor alles, wat inet de rechtsbedeelirrg 
en wetgeving in verband staat; het Departement v. Burg. operrbare 
werken heeft het toezicht over de werken in het algemeen belang 
daargesteld , — ook de post- en telegraafdienst, spoorwegen en 
tramwegen, — voor zoover zij niet door de militaire genie worden 
beheerd of, bij wijze van uitzondering, aarr het toezicht van andere 
Departementen zijn opgedragen. Het Departemeirt van Finarrtiën 
heeft vooral de zor'g voor het muntwezen, de comptabiliteit en voor 
de belastirrgen, voor zoover dezen niet bij een ander Departement 



17<5 l)K DEPAKTKMKNTICN. 

zijn ingedeeld, zooals met liet Departement van Binnetilandscii Bestuur 
het geval is. Dat Depaitement lieelt een zeer onuattenden wei kkring, 
daar het niet alleen het toezicht uitoelent op het gewestelijk en 
plaatselijk hestuur en de schutterijen, maar ook op alles wat met den 
landbouw samenhangt, zoowel de üouvernements- als de parliculiere 
cultures, de heerendienslen en sominige middelen van vervoer, terwijl 
ook de landelijke inkom>^ten (landrente), als nauw verbonden met 
den Inlandschen landbouw, onder het beheer van dit Departement 
zijn ge|)laatst. Menigmaal heeft men aangedrongen op splitsing dezer 
werkzaamheden door de oprichting van een afzonderlijk Departement 
voor de Buitenbezillingen. Een dergelijke maatregel zou zeker het 
groote voordeel aatibieden, dat de belangen der eilanden buiten 
Java en Madoera beheerd zouden kunnen worden door ambtenaren, 
met die bezittingen vertrouwd en niet, zooals men thans wel zegt 
dat het geval is, door gemis aan kennis en belangstelling worden 
achtergesteld bij de behartiging der belangen van Java. Het Departe- 
ment van Onderwijs eindelijk vertoont een zonderling mengsel van 
attributen, daar niet alleen de betrekkingen van den Staat tot de 
eerediensten, Inlandsche zoowel als Euiopeesche , door dat Ministerie 
worden beheerd en liet onderwijs en de behartiging der weten- 
schappelijke belangen aan hetzelve zijn opgedragen, en de instel- 
lingen van liefdadigheid tot zijn ressort belmoren, — maar ook de 
nijverheid, het mijnwezen en het beheer van het zoutmonopolie tot 
zijn weikkring zijn gebracht. Deze vieemde samenvoeging schijnt het 
gevolg te zijn geweest van de overweging, dat andere Departementen 
reeds met werk waien overladen, terwijl men meende dat de zorg 
voor de hoofdzaken, aan dat Departement opgedragen, nog wel 
gelegenheid overliet ook andere, overigens zeer uiteenloopende aan- 
gelegenheden daarbij te behartigen. 

De Directeuren oefenen, ieder voor zijn Departement, het toezicht 
uit op het ambtelijk personeel, bij de verschillende takken van 
dienst aangesteld, en op de wijze waarop dit de algemeene verorde- 
ningen en Gouvernements-aanschrijvingen en bevelen ten uitvoer 
legt. Bovendien bereiden zij de bestuursmaatregelen voor ter beslissing 
van den Uouverneur-Geneiaal, of nemen zelven eene beslissing, wan- 
neer die aan hen is opgedragen. Een voornaam deel van Imnnen 
werkkring bestaat echter in het finantiëel beheer, dat hun is toever- 
trouwd. Zij voeren dat volgens de regels, gegeven in de Compta- 



DE BEGROOTING VOOri NF.D. INDift. 1^7 

biliteitswet, en in de verordeningen enz., dio daaruit zijn voort- 
gevloeid. Deze wet, — eigenlijk „wet tot regeling van de wijze van 
beheer en verantwoording der geldmiddelen van Nederlandsch 
Indië," — werd in 186i vastgesteld en bevatte, behalve tal van 
soms zeer belangrijke technische voorschriften, ook het beginsel dat 
de begrooting van Nederlandsch Indië bij de wet zou worden vast- 
gesteld. IMeiisvolgens wordt jaarlijks door de Wetgevende Macht in 
Nederland het maximum bepaald zoowel van het geheel der uit- 
gaven, die gedurende het dienstjaar voor Indië mogen worden gedaan, 
als voor elk der groote onderdeelen, (afdeelingen en onderafdeelingen) 
waarin de begrooting van uitgaven gesplitst is, terwijl tevens door 
haar wordt aangewezen, welke middelen mogen dienen om die uit- 
gaven te bestrijden. Die uitgaven worden niet allen in Indië gedaan; 
een deel der uitgaven voor den Indischen dienst wordt hier te lande 
besteed, zooals voor pensioenen, verlofstraktementen, aanschaffing 
van benoodigdheden voor den dienst enz. , zoodat op de begrooting 
voor 1894 op het totaalcijfer van f 138.895.682 niet minder dan 
f 24.406.489 aan uitgaven in Nederland worden geraamd. Maar in 
Nederland worden ook groote sommen ten behoeve van den Indi- 
schen dienst ontvangen , die voor een groot deel te danken zijn aan 
de opbrengst der Indische producten, welken in Nederland voor 
's lands rekening verkocht worden. Voor 1894 worden die middelen 
in Nederland geraamd op f 21.193.134, tegen een totaal ontvangst 
van f 124.951.594. "Vroeger werd er in den regel meer in Nederland 
ontvangen dan daar werd uitgegeven ; daarentegen bedroeg het 
geraamde totaal der ontvangsten in Indië veel minder, dan het 
totaal der sommen die men meende, dat daar zouden moeten worden 
uitgegeven. Hierdoor ontstond het zoogenaamde Indisch tekort, 
dat zich voordeed zelfs wanneer de geheele begrooting met een 
batig saldo sloot. Om daarin tegemoet te komen werden door het 
Gouvernement in Indië wissels op het Ministerie van Koloniën uit- 
gegeven; personen, in Indië gevestigd, die geld in Nederland wenschten 
te bekomen, konden het bedrag voor die wissels te Batavia storten, 
en ontvingen dan die som, met berekening van het disconto, in 
het moederland. Voor zoover de aldus ontvangen sommen niet 
toereikende zijn, kan door uitzending van specie in dat te kort wor- 
den voorzien. 

Minder gemakkelijk is het echter het tekort op de geheele 
II. 12 



i^8 De begrooting voor ned. indiê. 

Indische administratie te dekken. Dit ontstaat, wanneer er voor 
Indië over een dienstjaar meer \vüi<it uitgegeven dan ontvangen. 
Bij de begrootingen dor laatste jaren moest telkens een dergelijk 
tekort worden geraamd, en ook voor 1894 is dit op f -14.128.088 
gesteld. Nu is wel, in den regel althans, de werkelijke uilkomst 
der administratie voordeeliger dan die der raming, omdat het 
maximum der uitgaven op de begrooting geraamd wordt en de 
uitgaven gewoonlijk beneden dat bedrag blijven, terwijl men ook in 
den regel de opbrengst der middelen lager raamt dan de sommen, 
die worden opgebracht. Het tegenovergestelde kan echter ook ge- 
beuren, terwijl ook somtijds in den loop van het dienstjaar plotseling 
in opkomende behoeften moet worden voonjien en dan de begroo- 
ting van uitgaven verhoogd moet worden. Sedert het uitbreken 
van den oorlog met Atjeh heeft de Indische administratie herhaal- 
delijk nadeelige saldo's opgeleverd, die deels door de overschotten 
van vroegere dienstjaren zijn gedekt, maar deels door geleende 
gelden moesten worden aangevuld ^). Waar zulke leeningen strekken 
voor productieve uitgaven die of onmiddellijk voordeelen afwerpen, 
zooals spoorwegen enz., of de draagkracht der bevolking verhoogen, 
zooals doelmatige irrigatie-werken, bestaat daartegen wel geen 
bezwaar; waar dit echter niet het geval is, daar wordt het een 
leunen op de toekomst, dat mettertijd wrange vruchten zal opleveren. 
"Wanneer het dienstjaar is afgeloopen moet een overzicht worden 
opgemaakt van het gehouden beheer, de „koloniale rekening" 
genaamd. Deze volgt de begrooting op den voet en wijst aan, wat 
werkelijk ontvangen, wat uitgegeven is. Die rekening wordt in Indië 
en in Nederland nauwkeurig onderzocht o. a. door de betrokken 
Rekenkamers en eindelijk aan de Staten-Generaal aangeboden, met 
een wetsvoorstel tot vaststelling van het slot dier rekening. Hier- 
door worden de Staten-Generaal in staat gesteld een overzicht te 
verkrijgen van het beheer, in Nederland en Indië voor de kolonie 
gevoerd en, zoo noodig, door hun votum over dat wetsvoorstel een 
afkeurend oordeel daarover uittespreken. 

Ten gevolge van het verdwijnen der batige saldo's uit de In- 
dische administratie is een onderwerp van koloniale politiek van 



') Bij de begrooting voor 1893 werd het vermoedelijk tekort over de jaren 1867 
tot en met 189:i geraamd op f 48.606.000, of ongev. 3.449.000 meer dan het bedrag 
van f45.157.365, dat in 1883 voor Indië is geleend. 



DE BIJDRAGE. 179 

veel minder belang geworden, dan vroeger het geval was: de bij- 
drage, namelijk, van Nederlandsch Iiidië in de middelen tot dekking 
van 's Rijks uitgaven. Zooals wij bij de bespreking van het cuituur- 
stelsel zagen (p. 42) werd dit dienstbaar gemaakt aan de veiki ijging 
van batige saldo's ten behoeve van Nederland. Zonder zich om de 
behoeften van Indië te bekommeren zocht men slechts zooveel mo- 
gelijk voor het moederland te verwerven door de voortbrengende 
kracht der bevolking van Java tot op het uiterste te sparnien en 
het oor te sluiten voor voorstellen ter verbetering van haren toe- 
stand, zoodra dit belangrijke uitgaven ten gevolge zou hebben. 
En zóó gelukte het de batige saldo's voortdurend optedrijven en 
hier te lande o. a. spoorwegen te bouwen, die door Indisch geld 
werden betaald, zonder dat de bewoners van het moederland, 
dat alleen daarvan de vruchten trok, daartoe bijdroegen. Geluk- 
kig kwam daartegen eindelijk reactie; de overtuiging werd meer 
en meer algemeen dat het geld, in Indië opgebracht, in de eerste 
plaats moest strekken om de behoeften van Indië te bevredigen en 
dat daar ook geen hoogere lasten mogen worden opgelegd dan voor 
dat doel noodzakelijk zijn, terwijl het moederland zich tevreden 
behoort te stellen met de teruggave van datgene, wat het voor 
Indië uitgeeft en geen andere voordeelen uit Indië moet trekken 
dan die, welke indirect uit het bezit van koloniën voortvloeien. Op 
allerlei wijze heeft men getracht die denkbeelden in wetsvoorstellen 
uit te drukken ; daarbij is vooral het denkbeeld van eene vaste 
uitkeering op den voorgrond getreden, waarbij Indië jaarlijks een 
bepaalde som aan Nederland zou moeten opbrengen , als het ware 
bij abonnement voor de in haar belang gedane uitgaven, zonder 
dat men angstvallig elk postje dier uitgaven zou naiekenen. De 
daartoe aangewende pogingen zijn echter allen mislukt; voor een 
deel wel ten gevolge van de overweging, dat er in Indië geene batige 
saldo's meer zijn en dat dus eene dergelijke regeling in de praktijk 
er toe zou moeten leiden voor Indië geld te leenen om die jaarlijk- 
sche bijdrage uit te keeren, wat niet weinig gevaarlijk zou zijn, 
omdat dit geld, onder waarborg van Nederland geleend, inderdaad 
wel besteed zou worden ter bestrijding van dagelijksche uitgaven, 
die dus door geleend geld betaald zouden worden. Voor een ander 
deel stuitten zij ook wel op de moeilijkheid een juisten maatstaf te 
vinden voor het bedrag der bijdrage, dat zeer verschillend zal zijn 



iso 



UITVOERING DEH BEGROOTING. 



naar mate men zich stolt op het standpunt, dat Nederland niets 
meer mag terugvragen dan de sommen, die het werkelijk voor Indië 
uitgeeft, dan wel aanneemt, — wat mij althans billijk toeschijnt, — 
dat Indië, even goed als Nederland, een deel der Rijks-uitgaven te 
dragen heeft, zooals die voor de Kroon, voor de Marine enz. Maar 
ofschoon dus de wijze van uitvoering bezwaren kan opleveren, zoo 
kunnen die toch niet bestaan tegen eene rondborstige verklaring 
van den Rijkswetgever, dat Nederland voortaan geene directe voor- 
deden meer uit Indië wil trekken. Het is waar, wettelijke waar- 
borgen kunnen niet gesteld worden tegen de mogelijkheid dat die- 
zelfde wetgever in latere jaren , als de saldo's misschien op nieuw 
beginnen te vloeien, op die verklaring weder terugkomt, maar een 
zoodanige verklaring zou toch zedelijke kracht bezitten en zeker 
beter beschutten tegen terugkeer tot eene enghartige en baatzuch- 
tige politiek, dan de thans bestaande bepaling der Comptabiliteits- 
wet, die uitgaat van het beginsel dat bijdragen zullen worden 
gevorderd. In dat opzicht is de wetsvoordracht van den Minister 
van koloniën. Mr. W. K. Baron v. Dedem, — reeds als lid der Tweede 
kamer een warm voorstander van een eerlijke fniantieele politiek 
tegenover Indië, — zeer toe te juichen, daar hij op de begrooting 
van Nedeiiandsch Indië slechts vergoedingen wil uittrekken aan het 
Rijk voor uitgaven in het belang van Ned. Indië, welke ten laste 
van de Staatsbegrooting komen. 

De Directeuren der Departementen nu zijn belast met het uitvoe- 
ren der begrooting, ieder voor zoover het de uitgaven betreft, tot 
zijn Departement behoorende. In dat beheer worden zij voornamelijk 
bijgestaan door de hoofden van gewestelijk bestuur; de hoofden 
der militaire Departementen ook door officieren. Deze ambtenaren 
zijn ordonnateurs ; d. w. z. zij hebben het recht om , ieder binnen 
zijne wel omschreven bevoegdheid, het land geldelijk te verbinden 
en last te geven dat wettig aangegane schulden van den lande 
betaald worden. Tal van voorschriften zijn gegeven om te zorgen 
dat zij daarbij den Staat geen schade zullen berokken en dat zij de 
grenzen, door de begrooting gesteld, niet zullen overschrijden. 
Vooral dient daartoe het toezicht der Algemeene Rekenkamer, een 
college uit een voorzitter en zes leden bestaande, 't welk waken 
moet dat de regelen voor het beheer en de verantwoording der geld- 
middelen van Ned. Indië getrouw worden nagekomen, en dat onaf han- 



HET GEWESTELIJK BESTUUR. 181 

keiijk van de Indische Regeering belioort te zijn, daar de Rekenkamer 
ook haar moet controleeren. Daarom worden de leden der Rekenkamer, 
den voorzitter ingesloten , door de Koningin benoemd en ontslagen. 
Het college onderzoekt de meeste vorderingen op den lande, vóór 
dat deze voldaan mogen worden; slechts bepaald aangewezen vorde- 
ringen kunnen betaald worden op enkele lastgeving van den ordon- 
nateur, maar zij worden na de betaling door de Rekenkamer gecon- 
troleerd, die dan kan nagaan of er aanleiding bestaat tegen den 
ordonnateur op te treden. Het betalen der vorderingen geschiedt 
door andere ambtenaren , comptabelen genaamd , die gelden of goe- 
deren voor den lande ontvangen, bewaren en uitbetalen of uitgeven, 
en geen uitgaaf mogen doen dan alleen op bevel van een ordonna- 
teur, zoodat de beide ambtenaren elkander als het ware controleeren, 
en het toezicht der Rekenkamer vergemakkelijken, aan wie alle 
comptabele ambtenaren rekenplichtig zijn. Zulke comptabelen zijn 
o. a. de ontvangers van 's lands kassen ; vroeger werd die betrek- 
king veelal als bijbetrekking door de secretarissen der gewesten 
waargenomen; thans zijn beide ambten in den regel gescheiden. 

Wij komen thans tot een der gewichtigste onderdeden van het 
Indische bestuur; het gewestelijk bestuur met zijne vertakkingen. 
Zooals wij reeds weten is het grondgebied van Ned. Indië verdeeld 
in provinciën , gewesten genaamd , die staan onder Hoofden van 
gewestelijk bestuur, welke gewoonlijk den ambtstitel van resident 
voeren. Over enkele gewesten zijn echter Gouverneurs aangesteld, 
die dezelfde macht hebben, als de resident, maar hoogere bezoldi- 
ging genieten; thans dragen de bestuurders van Sumatra's West- 
kust, Atjeh en onderh., en Celebes en onderh. dien titel. Een der 
provinciale bestuurders voert een minderen ambtstitel, waaraan ook 
geringere bezoldiging is verbonden: de assistent-resident namelijk 
van Billiton, waar een Hoofd van gew. bestuur is geplaatst, wegens 
de aanraking met de Billiton-maatschappij, terwijl toch het gewest 
te onbeduidend is om onder een resident te staan. Een tweetal resi- 
denten, — die van de Padangsche bovenlanden en van Tapanoeli, — 
zijn geene Hoofden van gewestelijk bestuur, daar zij onder den Gou- 
verneur te Padang staan; zij zijn dus niet bevoegd enkele functiën 
uit te oefenen, die het Reg.-reglement aan de gewestelijke bestuur- 
ders opdraagt. Een enkele maal worden ook wel ambtenaren, met 
den rang en titel van resident, aan een Gouverneur toegevoegd, 



182 DE HOOFDEN VAN GEWESTELIJK BESTUUR. 

zooals nu b. v. te Atjeh, of met bijzondere dienstverricbtingen belast. 

De stelling van de Hoofden van gew. bestuur is eene zeer gewich- 
tige, waaraan groote verantwoordelijkheid is verbonden. Zij vertegen- 
woordigen den Gouverneur-Generaal in Inin gewest in alle aange- 
legenheden , met het binnenlandsch bestuur in verband staande en 
voeren gezag soms over meer dan een miilioen Inlanders, wier wel of 
wee voor een deel van de bekwaamdheid en energie van den geweste- 
lijken bestuurder afhangen. Vooral is dit laatste het geval in de 
Buitenbezittingen, waar veel minder geordende toestanden bestaan 
dan op Java worden aangetroffen en waar de leiding der politieke aan- 
gelegenheden vaak een belangrijk onderdeel van hunnen werkkring 
uitmaakt. Wij komen welhaast op dit onderwerp terug; vooreerst 
bepalen wij ons tot de residenten op Java, wier werkzaamheden 
door eene instructie geregeld is. Hunne werkkring laat zich in 
finantieele, rechterlijke, wetgevende en besturende werkzaamheden 
verdeelen. De eerstgenoemde werkzaamheden hebben wij reeds in 
voor ons doel voldoende mate leeren kennen; hunne rechterlijke 
werkzaamheden bepalen zich sedert de in dienst stelling der rechts- 
geleerde voorzitters der landraden tot de rechtspraak ter politierol, 
die zich slechts over politie- en andere kleine zaken uitstrekt, waarbij 
Inlanders of vreemde Oosterlingen als beklaagden betrokken zijn. 
Hunne wetgevende bevoegdheid is beperkt tot het maken van keu- 
ren en reglementen van politie , voor zooverre het geen onderwerpen 
geldt, door hoogere wetgevers geregeld. Daar het algemeene politie- 
recht in de vroeger (p. 56) vermelde politie-strafreglementen geregeld 
is, mogen zij slechts regelen wat, met het oog op de belangen van 
hun gewest, aanvulling vereischt. 

Hun bestuur, in den eigenlijken zin des woords genomen, strekt 
zich over een zóó groot aantal onderwerpen uit dat het onmogelijk 
is hier meer dan enkelen der voornaamsten te noemen. Zij hebben 
te zorgen voor de uitvoering der algemeene verorderingen en aan- 
schrijvingen en bevelen van den Gouverneur-Generaal, wanneer 
geen andere autoriteit daarvoor bepaaldelijk is aangewezen en waken 
er voor, dat de ondergeschikte ambtenaren ze nakomen, voor 
zooverre dezen niet onder de bevelen van anderen gesteld zijn. 
Zij zijn verantwoordelijk voor de handhaving van rust en orde in 
hun gewest, waartoe zij de beschikking hebben over de schutte- 
rijen en andere niet tot het leger behoorende gewapende corpsen 



I)F, HOOFDKN VAN GEWESTELIJK BESTUUR. 483 

en over de vaartuigen der Gouvernements-marine. Wanneer er 
samenwerking noodig is van civiel en militair gezag, dan is het 
eerste het hoogste, tenzij anders bepaald wordt. De residenten 
hebben echter niet de beschikking over land- en zeemacht, maar 
moeten handelen in overleg met de kommandeerende officieren; bij 
de uitoefening der politie hebben zij echter de bevoegdheid, de 
gewapende macht te requireeren. Met tal van onderwerpen, de volks- 
ontwikkeling of welvaart betreffende, zooals het onderwijs, den 
handel en nijverheid, de wegen en andere openbare werken hebben 
zij verschillende bemoeiingen; met de aangelegenheden der godsdiens- 
tige gezindten laten zij zich echter slechts in, voor zooverre dit 
gevorderd wordt in het belang der openbare orde en rust. Zij zijn 
het hoofd der politie in hun gewest, waarbij zij echter in verschil- 
lende verhouding staan tegenover de Europeanen en de overige 
bewoners van hunne provincie. Want terwijl bij de eerstgenoemden 
de tusschenkomst van den rechter vereischt wordt om hen in pre- 
ventieve hechtenis te brengen of te houden, bestaat die waarborg 
niet voor de Inlanders en vreemde Oosterlingen. En terwijl, wat 
dezen betreft, de ambtenaren der politie allen aan den resident 
ondergeschikt zijn, zijn de Hoofden van gewestelijk bestuur hulp- 
officieren van justitie waar het Europeanen geldt, en dus geplaatst 
in eene bijzondere verhouding tegenover de officieren van justitie 
bij de Raden van justitie die, ambtelijk hunne minderen, in deze 
aangelegenheid boven hen geplaatst zijn; eene verhouding, die 
wederkeerig veel tact vereischt. De wijze waarop zij het bestuur 
voeren over de Inlandsche bevolking, is eene zeer eigenaardige, ten 
gevolge van de verplichte tusschenkomst van het Inlandsch bestuur, 
waarop wij weldra de aandacht zullen vestigen. Thans zij het voldoende 
mede te deelen dat de residenten met alle zaken, dat bestuur betref- 
fende , als hoofdbestuurders in aanraking komen , en hunne zorgen 
uitstrekken zoowel over de Gouvernements-cultures als over den par- 
ticulieren en den volks-landbouw; dat zij te zorgen hebben voor de 
regeling en zoo mogelijk vermindering der heereiidiensten , door den 
Staat van de Inlanders gevergd; dat zij hen beschermen moeten 
tegen willekeur van wien ook en hun recht van vrije klachte moeten 
handhaven en eindelijk ook te zorgen hebben voor de handhaving 
van het recht der bevolking om hare eigen dorpsbestuurders te 
verkiezen. 



184 DE CONTROLEURS BIJ HET BINNENLANDSCH BESTUUR. 

Onder de ambtenaren , aan het Hoofd van gewostolijk bestuur 
toegevoegd, staat de gewestelijke secretaiis bem oiiiniiidcllijk ter 
zijde, en vervangt hem in den regel bij ontstentenis. De secretaris 
is het hoofd yan het residentie-kantoor, dat als gewestelijk archief 
dient, waar de inkomende stukken en afschriften der afgezonden 
schrifturen worden bewaard. Bijgestaan door een meer of minder 
uitgebreid ondergeschikt personeel zorgt hij voor de redactie der 
stukken, die van wege den resident worden verzonden, en is hij tevens 
ambtenaar van den burgerlijken stand, terwijl hij ook algemeen ont- 
vanger, notaris en vendumeester is, wanneer voor die betrekkingen 
geene afzonderlijke ambtenaren zijn aangesteld. In sommige gewesten 
is een lager ambtenaar, met den rang van commies, belast met de 
functiën van den secretaris. Voorts worden de Hoofden van gewestelijk 
bestuur bijgestaan door assistent-residenten, die gevestigd zijn in 
de afdeelingen van het gewest, — met uitzondering der afdeeling, 
waar de resident verblijf houdt, — en daar Hoofden van plaatselijk 
bestuur zijn. Zij besturen hunne afdeelingen onder toezicht en ver- 
antwoordelijkheid van den resident; in het algemeen gesproken kan 
men zeggen dat zij, wat dat bestuur aangaat, in hunne afdeeling 
hem vertegen^A'oordigen en zijne functiën uitoefenen. Zij zijn daar 
tevens ambtenaar van den burgerlijken stand en belast met de be- 
trekking van notaris, wanneer daarvoor geen afzonderlijke ambtenaar 
is aangesteld. In Batavia, Saraarang, Soerabaja, Padang, Palembang 
en Makassar zijn aan het Hoofd van gewestelijk bestuur afzonderlijke 
assistent-residenten toegevoegd om hem bij te staan in het ver- 
vullen der werkzaamheden , op de politie betrekking hebbende. 
Eindelijk wordt ook wel op de Buitenbezittingen somtijds een assistent- 
resident voor speciale diensten aangesteld. 

De controleurs bij het binnenlandsch bestuur zijn aan de resi- 
denten en assistent-residenten toegevoegd voor het bestuur der 
afdeelingen, die daartoe weder in controle-afdeelingen gesplitst zijn. 
Men kan hen eenigszins beschouwen als de voelhorens van het 
hooger bestuur, daar zij voortdurend in aanraking zijn met de hoofden 
der Inlanders en met de Inlandsche bevolking zelve, en de schakel 
uitmaken, die het Inlandsch aan het Europeesch bestuur verbindt. 
Zonder met eenig gezag te zijn bekleed, hebben zij te waken voor 
de belangen der Inlandsche bevolking en toe te zien op de wijze, 
"waarop het Inlandsch bestuur zich van zijne taak kwijt. Tal van 



DE CONTROLEURS BIJ HET BINNENLANDSCH BESTUUR. 185 

onderwerpen zijn aan hunne zorg toevertrouwd; zóó wijden zij 
hunne aandacht aan den landbouw en veeteelt der bevolking en 
waken er voor, dat de bepalingen op het stuk der Gouvernements- 
cultures en der heerendiensten getrouw worden nagekomen, en letten 
op de toepassing der voorschriften omtrent de landrente , waarbij 
zij ook in het bijzonder de dorpshoofden en de ondercollecteurs 
moeten nagaan. Zij zijn geroepen om in alles, wat het bestuur der 
Inlandsche bevolking, de cultures enz. betreft, hunne superieuren 
in te lichten. Zij moeten daartoe zorgen, op de hoogte te zijn van 
den toestand der Inlandsche bevolking in hunne contróle-afdeeling, 
en acht geven op alles wat de welvaart onder haar bevorderen of 
verminderen kan. Van datgene, wat zij in dit opzicht belangrijks 
waarnemen, moeten zij den boven hen gestelden ambtenaar kennis 
geven , zoodat het van groot belang is dat zij zich door persoonlijk 
onderzoek voortdurend op de hoogte houden van den toestand in 
hunne afdeeling, zonder echter eigenmachtig tot der bevolking hin- 
derende onderzoekingen over te gaan. Met eigenlijke politie-werk- 
zaamheden zijn zij niet belast, behalve waar het betreft de opsporing 
van overtredingen ter zake der wettelijke bepalingen op de opium- 
pacht; zij moeten echter van alle misdrijven en overtredingen, van 
welken zij kennis bekomen, aangifte doen, terwijl in moeilijke zaken 
hun een nader onderzoek kan worden opgedragen. Zooals hun ambts- 
titel reeds aanduidt zijn zij, op Java althans, alleen met toezicht en 
leiding belast, zonder bestuur uit te oefenen. Maar daarbij hebben 
zij een uiterst belangrijken werkkring, die op het welzijn der Inlandsche 
bevolking groeten invloed kan uitoefenen, daar een bekwaam, energiek 
controleur menigmaal groote verbeteringen kan voorbereiden, rampen 
voorkomen en door zijn invloed op de Inlandsche hoofden vaak 
indirect ten nutte der bevolking werkzaam kan zijn. Het is den 
controleurs dan ook aanbevolen zich te beijveren die hoofden goed 
te leiden en hun achting en vertrouwen in te boezemen door een 
onbesproken gedrag, ingetogen leefwijze, zachtzinnigheid en ver- 
standige eerbiediging van de voorvaderlijke instellingen, begrippen 
en zelfs vooroordeelen der bevolking. In den omgang met de hoofden 
moeten zij zich beleefd , ernstig en deftig gedragen , met geheele 
vermijding van onvoegzamen bitsen of hoogen toon en vooral zorg 
dragen hen nimmer onheusch toe te spreke'n of in tegenwoordigheid 
hunner ondergeschikten te berispen. Mocht eene vermaning noodig 



186 DE ADSPIRANT-CONTROLEURS. 

zijn, dan moeten de controleurs hen op minzame wijze onderhouden, 
en zóó rioodig. van verkeerde handelinfriMi dier hooiden aan den 
resident of assistent-resident verslag doen. Zeer veel tact en toe- 
wijding is voor de goede vervulling van dit ambt noodig; kennis 
der volkstaal, een eerste vereischte tot het leeren kennen der be- 
volking, is vooral ook voor den controleur noodig. Jammer maar dat 
herhaalde overplaatsingen en het vele schrijfwerk, hun zonder veel 
nut opgedragen, zoo dikwijls den controleurs beletten, zich op de hoogte 
te stellen van den toestand in hunne afdeeling of hen dwingen, deze 
te verlaten, wanneer zij juist in hooge mate voor de vervulling hunner 
taak in die streek geschikt zijn geworden. 

Als leerschool voor de betrekking van controleur dient het 
ambt van adspirant-controleur, waartoe de ambtenaar benoemd kan 
worden die, na te 's Gravenhage ofte Batavia een welgeslaagd examen 
voor den Indischen dienst te hebben afgelegd, ter beschikking van 
den Gouverneur- Generaal staat. De adspirant-controleur wordt aan 
een hoogeren ambtenaar bij het binnenlandsch bestuur toegevoegd, 
ten einde bij hem werkzaam te zijn, zooals deze noodig oordeelt en 
om voor de taak, die hem wacht, te worden voorbereid en tevens 
opdat de Regeering zal kunnen beoordeelen of hij voor eene betrek- 
king bij het binnenlandsch bestuur geschikt is. Het spreekt wel 
van zelf dat het in hooge mate afhangt van den ambtenaar, aan 
wien de adspirant-controleur is toegevoegd, of aan de goede bedoe- 
lingen der bestaande organisatie wordt voldaan, en of de jonge 
ambtenaar praktisch voor zijn taak wordt voorbereid. Geen beter 
middel kan de chef daartoe aanwenden, dan den adspirant-controleur 
mede te nemen op zijne „tournees", of reizen in de afdeeling, en 
hem veel op het veld en in de dorpen met de bevolking te laten 
verkeeren. Jammer maar dat menig hooger ambtenaar niet inziet 
hoe noodzakelijk dit alles is, en den adspirant-controleur aan de 
schrijftafel vastkluistert, in stede van hem de afdeeling te laten 
doorkruisen. Erkend moet het echter worden dat hij daartoe maar 
al te vaak genoodzaakt wordt door de overgroote neiging der Regeering 
om rapporten en staten te verlangen; eene richting, die vaak ver- 
lammend op het bestuur werkt en meer kwaad sticht dan algemeen 
wordt ingezien. 

De organisatie van het bestuur op de Buitenbezittingen is, in 
hoofdzaak althans, ingericht volgens het model, op Java gevolgd; 



HKT GEWESTELIJK BESTUUR OP DE PUITENCEZITTINGEN. 187 

ook daar vindt men de verdeeling in gewesten en afdeelingen. 
Maar toch is de werkkring der ambtenaren, tengevolge van plaatse- 
lijke omstandigheden, in menig punt zeer uiteenloopend van dien 
hunner ambtgenooten op Java. Zoo hebben de Hoofden van gewestelijk 
bestuur op de Buitenbezittingen deels eerie grootere zelfstandigheid, 
ook tengevolge van den afstand tusschen hun gewest en Batavia, 
maar zijn weder velen hunner in veel mindere mate met eigenlijke 
bestuursaangelegenheden belast. Verscheidenen hunner zijn vooral 
belast met de leiding der vorsten, die eene minder of meerdere 
mate van onafhankelijkheid genieten , en met de zorg dat dezen zich 
van de verplichtingen kwijten, hun bij contract opgelegd; — iets, 
dat ook de taak van de residenten der Vorstenlanden op Java is. 
Ook in de rechtsbedeeling hebben zij een grooter aandeel , dan aan 
de residenten op Java thans is toegekend. Vooral is de werkkring 
der lagere ambtenaren in de Buitenbezittingen vaak veel zelfstan- 
diger en uitgebreider dan die van hunne ranggenooten op Java. 
Niet zelden toch wordt daar een controleur, vaak op jeugdigen 
leeftijd, aan het hoofd van het bestuur eener uitgestrekte landstreek 
geplaatst, op grooten afstand van den zetel van het Hoofd van 
gewestelijk bestuur gelegen, om dikwijls zelfstandig op te treden, 
en niet slechts als belast met de controle onder de onmiddellijke lei- 
ding van een ouderen ambtenaar. Maar niet alleen het bestuur, ook 
de rechtsbedeeling is dan dikwijls in vele opzichten aan zijne zorgen 
toevertrouwd; als voorzitter van Inlandsche rechtbanken spreekt 
hij dan recht zelfs over de zwaarste misdrijven en meest ingewik- 
kelde civiele zaken, voor zooverre Inlanders uitsluitend daarin betrok- 
ken zijn. Het ligt voor de hand dat zulke ambtenaren vaak een 
onwaardeerbare zegen voor land en volk kunnen zijn, maar eveneens 
dat zij, soms de eenige Europeanen te midden eener onderdanige 
Inlandsche bevolking, door verkeerde of onberaden handelingen 
veel kwaad kunnen stichten, een geheele landstreek in beweging 
brengen, en ons gezag groote schade toebrengen. Uitbreiding van 
het Europeesche bestuurspersoneel is dan ook niet altijd een onver- 
deelde weldaad voor de bevolking; vóór men daartoe overgaat behoort 
wel te worden overwogen, in hoeverre de geschikte ambtenaren 
aanwezig, en ook voor het vervolg te verkrijgen zijn. In sommige 
gevallen kan het zelfs de voorkeur verdienen , aan posthouders en 
civiele gezaghebbers (Dl I p. 361) het bestuur eener streek toe te 



188 HET INLANDSCH BESTUUR. 

vertrouwen en dit niet aan ambtenaren uit het kader van het 
biniioiilandsch bestuur op te drapen, die gecne plaatselijke onder- 
vinding bezitten en na korten tijd kunnen worden overgeplaatst. 
Zooals uit het weinige, wat wij hierboven mededeelden, blijkt, 
is de werkkiing der Hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur 
een zeer omvangrijke, en worden zij uitsluitend door ambtenaren 
daarin bijgestaan. Ook de zorg voor de plaatselijke aangelegenheden 
is hun opgedragen, voor zooverre het niet de dorpen der Iidanders 
betreft, over welken later zal gesproken worden. Kti ditzelfde geldt 
ook van den Gouverneur-Generaal en het algemeen bestuur, dat 
zich de aangelegeidieden aantrekt, die bij ons te lande door de provin- 
ciale staten en gemeenteraden worden behartigd. Met name is dit 
het geval met het beheer der finantiën; in dit opzicht bestaat er 
geene afscheiding tusschen het algemeen en het gewestelijk en 
plaatselijk bestuur en worden b. v. de uitgaven voor de verlichting 
van Batavia op de algeraeene begrooting uitgetrokken. Kort vóór 
het schrijven dezer regels is de eerste stap gedaan op den weg, 
die tot ontheffing van den Gouverneur-Generaal van dergelijke 
zorgen kan leiden en tot decentralisatie moet voeren, — en dit door 
de indiening op 1 November 1893 van een wetsontwerp tot wijziging 
van art. 68 van het Regeerings-reglement en van art. 4 der Compta- 
biliteitswet. Wordt dit ontwerp tot wet verheven, dan zullen ge- 
westelijke en plaatselijke raden kunnen worden ingesteld, aan wien 
ook het beheer over zekere geldmiddelen zal kunnen worden toe- 
vertrouwd. 

Reeds meermalen werd in deze bladzijden gesproken van het 
Inlandsch bestuur, dat een der meest karakteristieke trekken van ons 
koloniaal beleid in Indië uitmaakt. Want terwijl ook Inlanders, 
althans volgens de wettelijke bepalingen, totde besproken betrek- 
kingen bij het binnenlandsch bestuur kunnen worden benoemd, 
bestaan er bij het gewestelijk bestuur nog bedieningen , die alleen 
voor Inlanders toegankelijk zijn. Wij denken hierbij niet aan de 
vroeger reeds besproken hoofden en vorsten, die een zeker recht 
van zelfbestuur hebben, waarvan de omvang door de met hen 
gesloten contracten bepaald wordt, maar hebben vooral het oog op 
de Javaansche regenten met de hun ondergeschikte hoofden, die 
weliswaar door den Gouverneur-Generaal benoemde ambtenaren zijn , 



Ï)K REGENTEN. 489 

maar toch eene stelling innemen, welke in menig opzicht van die 
eens ambtenaars verschilt. Ofschoon ook op sommige Buitenbezit- 
tingen hier en daar eene bestuursinrichting voorkomt, die aan deze 
organisatie doet denken, wijkt zij echter in vele opzichten daarvan 
af. Er bestaat echter daar een zoo groot plaatselijk verschil, dat het 
onmogelijk is hier in bijzonderheden over dat Inlandsch bestuur op 
de Buitenbezittingen te treden, terwijl ook later nog welgelegenheid 
zal zijn, op dit onderwerp voor enkele streken terug te komen. 
Wij willen ons dus hier uitsluitend bepalen tot het Inlandsch bestuur 
op Java. 

Dit heeft zich historisch ontwikkeld. Voortgesproten uit het 
leenstelsel, in de Inlandsche rijken op Java heerschende, is de 
regent als het ware de afstammeling van de leenmannen van Mata- 
ram , wier macht onder de Compagnie en Daendels ingekrompen 
en onder Raffles tot een minimum teruggebracht werd, maar die 
onder v. d. Capellen weder een deel van hun aanzien herwonnen. 
De invoering en handhaving van het cultuurstelsel had plaats met 
hunne medewerking; om hen voor het stelsel te winnen werd hun 
ambtelijk landbezit en andere voordeelen toegekend, en werden 
maar al te vaak de oogen gesloten voor misbruik van gezag, door 
hen begaan. Reeds vóór dien tijd was hun een groot voorrecht 
toegezegd: de erfelijkheid van hun gezag in hunne familie, — een 
beginsel dat tijdens het zelfbestuur der Javaansche Staten voort- 
durend heeft gegolden en ook nu nog in de Vorstenlanden voor 
bijna alle ambten wordt toegepast. Tijdens den opstand van Dipa 
Negara schijnt de Regeering de getrouwe regenten die toezegging 
gedaan te hebben om hen in het goede spoor te houden, en de 
later gevolgde politiek bevond er zich wel bij die belofte te houden, 
daar de bevolking zich in den regel veel gemakkelijker liet leiden 
door een regent, gesproten uit een aanzienlijk geslacht, bekend en 
geëerd in de streek, waar hij moest optreden, dan het geval zou zijn 
geweest met iemand, uit lagen rang opgeklommen of uit een ander 
gedeelte van het eiland overgeplaatst. Voorbeelden kunnen worden 
bijgebracht van onlusten, die door de aanstelling van vreemdelingen 
tot regent ontstaan zijn. Er is dus veel te zeggen voor de toepassing 
van het beginsel dat de regent zooveel mogelijk gekozen wordt uit de 
familiën, in de streek zelve in hoog aanzien, ofschoon het aan den 
anderen kant niet ontkend kan worden dat de verzoeking om mis- 



i9Ö t)E REGENTEN. 

biiiik te maken van de hooge stelling, waarin liij gejjlaatst is, zooveel 
te grooter wordt naarmate de bevolking meer tegen hem opziet. Dit 
bezwaar wordt nog verhoogd als de regent dour huwelijk enz. met 
aanzienlijke families in naburige regentschappen verwant is en vele 
onbemiddelde bloedverwanten ten zijnen laste heeft, die meenen 
zich en den regent te zullen vernederen, wanneer zij door werken 
den kost verdienen en die , evenals zoovele andere hoofden , ge- 
looven dat de bevolking hoofdzakelijk ten hunnen nutte geschapen 
is. Het Regeerings-regiement (art. 69) heeft bepaald dat bij het 
openvallen der betrekking van regent zooveel doenlijk tot opvolger 
moet gekozen worden een der zonen of nabestaanden van den 
laatsten titularis. Wel worden daarbij de voorwaarden gesteld van 
bekwaamheid, ijver, eerlijkheid en trouw, maar bij eene eerlijke 
toepassing van dit artikel zal toch een minder bekwaam en minder 
geschikt hoofd de betrekking moeten verkrijgen, ofschoon een beter 
man, ook door de bevolking gewenscht, daarvoor beschikbaar is. 

Het eigenaardige in het Inlandsche bestuur nu is dit, dat de 
regent niet alleen de onmiddellijke leiding der inlandsche bevolking 
heeft, maar ook dat de resident verplicht is zijn raad in te winnen in 
alle gevallen, waarbij de belangen dier bevolking betrokken zijn. De 
regent is dus de vertrouwde raadsman van den resident, wien hij dan 
zelfstandig ter zijde moet staan, om hem met zijne kennis der Inland- 
sche toestanden in zijn regentschap voor te lichten. Maar wanneer 
de raad gegeven is en de resident beslist heeft, dan wordt de raads- 
man ondergeschikt ambtenaar en is verplicht de bevelen van den 
resident op te volgen, behoudens zijn bevoegdheid om ook in de 
uitvoering daarvan hem met zijn raad te dienen. De ambtelijke bevelen 
en voorschriften bereiken dan ook de lagere Inlandsche hoofden 
en de bevolking door tusschenkomst van den regent; deze is daar- 
entegen verplicht, den resident of assistent-resident op de hoogte 
te houden van den gang van zaken in alle takken van bestuur en 
van gewichtige handelingen van Inlandsche hoofden of private 
personen in zijn regentschap. Hij moet hen opmerkzaam maken op 
de behoefte, die bestaat aan de regeling van verschillende onder- 
werpen en hun kennis geven van de werking van reeds gegeven 
regels, van de bezwaren, waarop hunne uitvoering stuit en zijn 
advies geven over de vraag, of die regels bestaanbaar zijn met de 
volksinstellingen. Zeer eigenaardig is deze verhouding uitgedrukt 



DE REGENTEl^. i94 

als die van een jongeren broeder tegenover een ouderen. Deze 
omschrijving zou in onze maatschappij niet veel beteekenen, maar 
op Java heeft zij wel degelijk zin omdat daar de oudere broeder, 
bij ontstentenis van den vader, in den regel als het hoofd der fami- 
lie beschouwd wordt en met eerbied en ontzag door zijne jongeren 
wordt ontzien en behandeld, maar voor hen toch altijd de broeder 
blijft en niet de ambtelijke chef is. 

Om den werkkring van den regent in het kort te schetsen kan 
men in het algemeen zeggen dat hij de leidsman der bevolking is 
in alle zaken, waarmede het bestuur te maken heeft en dat hij 
als zoodanig zijne zorgen uitstrekt over dezelfde aangelegenheden 
als die, welke aan den resident of assistent-resident ter behartisina 
zijn aanbevolen. "Wetgevende macht bezit hij echter niet; evenmin 
is hem de bevoegdheid gegeven over de militaire macht te beschik- 
ken, terwijl hij ook geen bemoeiingen met het beheer der finan- 
tiën heeft en zich zelfs moet onthouden van inmenging in belasting- 
zaken. Voor het overige komt alles, wat de Inlandsche bevolking 
betreft, door zijne tusschenkomst tot stand; hij is daartoe geplaatst 
naast den resident of assistent-resident, die onmiddellijk met hem 
handelen evenals het districtshoofd naast den controleur is geplaatst. 
Op dezen regel zijn enkele uizonderingen waar o. a. soms lagere 
Inlandsche hoofden, patihs, naast een assistent-resident geplaatst 
zijn. Onnoodig is het, hier verder de verschillende onderdeelen van 
het Inlandsche bestuur op te sommen, die aan de zorgen van den 
regent zijn toevertrouwd, ook daarom dewijl zij grootendeels dezelfde 
zijn als die, welken onder de leiding van het Europeesch bestuur 
geplaatst zijn, terwijl op enkelen dezer, zooals het toezicht over de 
uitoefening van den Moslemschen eeredienst, nader kan worden 
teruggekomen. ;Als rechter in het regentschapsgerecht heeft de 
regent rechtspraak over kleine civiele zaken en overtredingen; in 
den regel is hij ook lid van den landraad. 

Verschillende lagere ambtenaren zijn aan den regent toegevoegd, 
die allen door den Gouverneur-Generaal worden benoemd. In de 
eerste plaats staat den regent, in den regel althans, een patih ter 
zijde, die zijne bevelen overbrengt, hem in alles vertegenwoordigt, 
bij ontstentenis van den regent zijne betrekking waarneemt, en 
overigens de werkzaamheden verricht die deze hem opdraagt. Voor 
de politie is den regent een djaksa of hoofddjaksa toegevoegd, een 



192 OPLEIDING DER INLANDSCHE HOOFDEN. 

soort van fiscaal die, — docli geheel oiider de bevelen en de ver- 
antwoordelijklieid van den resident oi' assistent-resident en van den 
regent, — het voorloopig onderzoek hij gepleegde misdrijven leidt, 
wanneer geerie Europeanen daarbij betrokken zijn, en als adviseur 
bij den landraad en reclitbank van omgang steeds moet gehoord 
worden. Voor het eigenlijk bestuur is liet regentschap in districten 
verdeeld, die onder het toezicht staan van districts-hoofden, wedana's, 
wier werkkring eene afsciiaduwing is van de taak, aan den regent 
opgedragen, en die ook in kleine zaken, als rechter in het districts- 
gerecht, beslissingen kunnen nemen. Het district is weder verdeeld 
in onder-districten, geplaatst onder assistent-wedana's, die hoofd- 
zakelijk ter verbetering der politie werden aangesteld. Het spreekt 
van zelf' dat bovendien nog allerlei beambten als schrijvers, politie- 
oppassers enz. bij het Europeesch en Inlandsch bestuur werkzaam 
zijn. Ofschoon dezen vaak een niet onbelaiigrijken, soms weinig heil- 
zamen invloed op den minderen man uitoefenen, kunnen wij ons hier 
niet met hen bezig houden, evenmin ais met het hoogst belangrijke 
dorpsbestuur, daar wij dit later, bij de beschrijving van den maat- 
schappelijken toestand der Javaansche bevolking nader zullen leeren 
kennen. Alleen moge hier nog een enkel woord gewijd worden aan 
de wijze, waarop de aanzienlijke Inlanders geschikt worden gemaakt 
voor de taak , die hen wacht. Vioeger geschiedde dit in den regel 
door de opleiding bij de hoofden zei ven bij wien de jonge aanzienlijke 
Inlander, meestal door familiebanden met hem verbonden, als magang 
(vrijwilliger) in dienst trad, en dan praktisch bekend gemaakt werd met 
de werkzaamheden bij het Inlandsch bestuur. Het kan niet ontkend 
worden, dat er veel goeds in die opleiding was, althans wanneer 
de magang geplaatst was bij een hoofd, dat zijn taak als bestuurder 
goed opvatte en den jongen bloedverwant inderdaad voor bestuurder 
opleidde en ook de Europeesche ambtenaren hunne medewerking 
verleenden. Maar al te vaak echter leerde de magang niet veel meer, 
dan de routine van het werk en maakte hij zich de beschouwing 
van vele hoofden eigen, dat de mindere man ten hunnen bate bestaat, 
terwijl met Europeesche beschaving en kennis geen rekening werd 
gehouden. Als eerste stap op den weg ter verbetering werden scholen 
voor zonen van Inlandsche hoofden opgericht, die te Bandong, 
Magelang, Probolinggo en Tondano (Minahasa) gevestigd zijn. Thans 
is het plan in overweging om aan een dier scholen onderwijs te 



OPLEIDING DER INLANDSCHE HOOFDEN. 193 

geven in sommige vakken , o. a. de beginselen der rechtswetenschap 
en zoodoende, zij het ook aanvankelijk op bescheiden voet, een 
soort van cursus voor de betrekking van Inlaiidsch hoofd in te 
richten, üp zich zelf verdient die stap zeker toejuiching; veel zal 
echter van de toepassing afhangen. Groote toewijding en zedelijk 
overwicht zal deze taak vorderen van hen , die met de opleiding 
belast worden en wel mogen zij zich rekenschap geven van het 
feit, dat men geene half-Europeesche hoofden verlangt die zich in 
hunne omgeving niet te huis zullen voelen , maar ontwikkelde 
Inlanders, vertrouwd met de zeden en gebruiken hunner onder- 
hoorigen, doch bezield met de overtuiging, dat het uitoefenen 
van rechten ook plichten met zich medebrengt, zooals dit in de 
Europeesche maatschappij wordt begrepen. Wanneer die zienswijze 
gevolgd wordt dan kan de opleiding voor hoofden en bevolking 
gelijkelijk ten zegen zijn, en het zoo juiste beginsel worden gehand- 
haafd dat de Inlandsche bevolking moet worden gelaten onder de 
leiding van hare eigen hoofden, mits niet uit haren kring gerukt en 
daarvan vervreemd, maar met haar levende en medevoelende, en tevens 
toegerust met die beschaving en die rechtsbegrippen welken, naar 
ons inzien, den grondslag moeten uitmaken voor een billijk en 
rechtvaardig bestuur van den Inlander. Wordt dit verkregen dan 
zal de geschiedenis van Indië onder het Staatsbestuur weder op een 
feit te meer kunnen wijzen dat ons bestuur over den Inlander 
rechtvaardigt en dat, als de balans van ons bestuur wordt opge- 
maakt, gesteld zal kunnen worden tegenover de misslagen en 
misdrijven tegen den Inlander begaan, zooals die maar al te vaak 
in de geschiedenis van Nederlandsch Indië moesten worden opge- 
teekend. 



II. iS 



DERDE HOEK. 



DE BEVOLKING. 



HOOFDSTUK I. 



DE BESTANDDEELEN DER BEVOLKING VAN NEDERLANDSCH INDIË. 



Wanneer wij ons in het uitgestrekt gebied van Insulinde op 
reis begaven en de verschillende eilanden doorkruisten , die de Indi- 
sche archipel bevat, dan zouden wij een groot aantal stammen 
aantreffen welken, oppervlakkig beschouwd, hemelsbreed van elkander 
verschillen ; ja zelfs zouden wij op één eiland een zoodanig onder- 
scheid tusschen de bewoners der kust- en binnenlanden kunnen 
waarnemen, dat wij allicht geneigd zouden zijn, ze tot verschillende 
menschen-rassen te brengen die, door ons onbekende oorzaken, op 
deze eilanden-groep bijeengebracht zijn. Maar inderdaad is dit het 
geval niet, en ofschoon de bewoners van de Philippijnen, Borneo, 
Celebes, Nieuw-Guinea, Sumatra en Java voor den oppervlakkigen 
beschouwer onderling weinig gemeens schijnen te hebben, bestaat 
er toch groote waarschijnlijkheid, dat al die volkeren tot één ras 
behooren, het Maleisch-Polynesische genaamd, dat ook de eilanden 
in de Stille Zuidzee, met inbegrip van N. Zeeland bewoont en ook 
in de Hova's van Madagascar zijne vertegenwoordigers vindt. De 
onderzoekingen van Kern ^) en anderen hebben de nauwe verwant- 



1) Kern. De Fidji-taal vergeleken met hare verwanten in Indonesië en Polyne- 
sië. Verh. der Kon. Ak. v. Wetensch. Afd. Letterk. XVI. Amst. 1886. 



DE MALAlO-PüLYNESIËRS. i95 

schap der talen, gesproken door de bewoners dier verscliillende 
eilanden, in een lielder dagliclit gesteld, terwijl het dien/eltdeii 
geleerde gelukt is, aan te toonen dat het stanilat;d der Maieisch- 
Polynesische volkeren hoogst waarschijnlijk in Tsjainpa, Cochin- 
China, Kambodja en aangrenzende streken langs de zee moet worden 
gezocht. 1) Op scherpzinnige wijze werd dit door hem aangetoond 
uit enkele benamingen voor voedingsmiddelen en dieien, in de 
talen dier volkeren voorkomende en die uit het gemeenschappelijke 
stamland afkomstig moeten zijn, en onder welken vooral de bena- 
mingen, aan de rijst gegeven, zeer leerrijk zijn. Het blijkt toch 
uit die thans nog gebruikelijke namen van de rijstplant dat men 
dit gewas in het stamland vóór de verhuizing der Malaio-Polynesiërs 
kende en de rijst als voedsel gebruikte, terwijl ook de onderschei- 
ding van rijst te velde, (padi enz.) en ontbolsterde rijst, (bëras 
enz.) tot de grondtaal terug gebracht moet worden. Later, na de 
verhuizing, kunnen die benamingen niet overgenomen zijn, daar 
de vormen, waarin die woorden in Indonesische talen voorkomen, 
geheel in overeenstemming zijn met de eigenaardige ontwikkeling 
van haar klankstelsel, wat niet het geval is bij woorden, die later 
zijn overgenomen. Dit alles wijst op één stamland, waar de rijst 
als belangrijk voedingsmiddel diende, 't geen in Achter-lndië in hooge 
mate het geval is. 

Mag men dus veilig tot de oorspronkelijke verwantschap van 
die volkeren besluiten, zoo laten zij zich echter, met het oog op 
zeden en gewoonten , uiterlijk voorkomen , — soms zelfs van nau- 
were taal verwantschap , — in groepen verdeelen, die echter niet 
altijd scherp van elkander gescheiden zijn. Zoo spreekt men van 
de Maleische of Indonesische groep, waartoe de overgroote meer- 
derheid der bevolking van den Indischen archipel behoort, benevens 
die van Madagascar ; en van de Polynesische , Mikronesische en Mela- 
nesische groepen , waartoe de bewoners der Stille Zuidzee-eilanden 
gerekend worden ^). Tot de Melanesische groep rekenen sommige 
anthropologen ook de Papoea's, die o. a. Nieuw-Guinea en de nabu- 
rige eilanden bewonen, en zoozeer van de Maleiers verschillen 



I) Kern in Versl. en Med. Kon. Ak. v. Wet. Afd. Letteik. 3e. R. VI. 

■) Over deze vraagstukken verg. men de werken over algemeene volkenkunde 
van Waitz-Gerland. Anthropolügie der Naturvölker. Muller. Allgetueine Ethnogiaphie. 
Peschel. Völkerkunde. Ratzel. Völkerkunde. de Quatrefages. Le genre humain enz. 



496 MAI.EIEUS EN PAPOEA 's. 

dat men ze nog kort f^'clcdcn tot een afzonderlijk ras meende te 
moeten brengen. DatzeliVle werd een tijdhinf,', op liet voetspoor van 
Junj^luihn, ook voor de Bataks gedaan; thans wordt echter alge- 
meen erkend dat het verschil, tusschen die bewoners van Sumatra 
en de overige Maleiers bestaande, hoofdzakelijk op hunnen maat- 
schappelijken toestand betrekking heeft, en geenszins zóó groot is, 
dat er aan ras-verscheideidieid moet worden gedacht. Maar tus- 
schen de Papoea's en de eigenlijke Maleiers is het verschil in vele 
opzichten zóó belangrijk, dat het voor de hand schijnt te liggen 
aan te nemen dat beiden tot geheel velschillende rassen behooren. 
Niet beter kan dit verschil worden geschetst dan met de woorden 
van Wallace. „Het Papoesche ras" zoo drukt hij zich uit, „is in 
vele opzichten het ware tegenbeeld van het Maleische. De kleur 
van het lichaam is een donker, roetachtig bruin, soms op zwart af, 
maar nooit geheel gelijk aan het gitzwart van enkele negerstammen. 
De afwisseling in tint is echter sterker dan bij de Maleiers; en 
dikwijls is de kleur niet meer dan bruin. Het haar heeft iets zeer 
bijzonders; het is stug, dor en kroezig, en groeit in kleine bundels of 
krullen i), die in de jeugd zeer kort en gedrongen zijn, maar op later 
leeftijd tot eene aanzienlijke lengte uitgroeien en den dichten, kroezigen 
raagbol vormen, die den trots en den roem van den Papoea uit- 
maakt. Onder hen zijn er, die deze krulletjes een voet lang laten 
groeien , waarna deze of afgesneden worden om , op kapjes van 
matwerk vastgemaakt, als pruiken te dienen, óf met de hand los- 
gerold en dan door het veelvuldig gebruik van een lange zestandige 
vork, die zij als kam bezigen, uit elkaar gehouden worden, zoodat 
deze wilden letterlijk hoofden als raagbollen hebben. Het gelaat 
prijkt met een baard van denzelfden kroezigen aard. De armen, 
beenen en borst zijn ook min of meer met soortgelijk haar bekleed. 
In gestalte overtreft de Papoea den Maleier en staat hij gelijk met 
de gemiddelde lengte der Europeanen , zoo hij die niet overtreft. 
De beenen zijn lang en dun, en de handen en voeten grooter, dan 
bij de Maleiers. Het aangezicht is eenigszins gerekt, het voorhoofd 
heeft eenen platten vorm, de wenkbrauwen steken sterk naar voren; 
de neus is groot, eenigszins gebogen en hoog. dik aan den wortel, 
met bieede neusgaten, doch waarvan de opening door de overhan- 



') Dus niet, zooals bij de negers, gelijkmatig over den schedel verspreid. 



MALEIERS EN PAPOEa's. 197 

gende spits van den neus bedekt is. Die groote neus geeft aan het 
geheele gelaat een veel meer Europeesch voorkomen , dan de Maleier 
bezit, en de bijzondere vorm van dat lichaamsdeel, gevoegd bij de 
uitstekende wenkbrauwen en den aard van het haar op het hoofd, 
gelaat en lichaam stellen ons in staat, de beide rassen met één 
oogopslag te onderkennen." De Maleier daarentegen is geel van 
huidkieur, veelal roodachtig bruin, met eene min of meer olijf- 
kleurige tint. Zijn gestalte is vrij gelijkmatig, en altijd beneden het 
gemiddelde van die der Europeanen. Het lichaam is sterk gebouwd, 
de borst wel ontwikkeld, de voet klein, dik en kort, de banden 
zijn klein en mogen fijn genoemd worden. Het gelaat is eenigszins 
breed en helt over tot het platte; het voorhoofd is niet hoog en 
ietwat achteruit wijkende; de wangbeenderen zijn uitstekend; de 
oogen, met platte wenkbrauwen voorzien, zijn zwart of bruin en 
in zeer geringe mate schuin van stand ; de neus is vrij klein , van 
boven plat, recht en wel gevormd, doch altijd met breede neus- 
vleugels en wijde neusgaten; de mond is groot met dikke lippen, 
bij den eenen stam meer, bij den anderen minder, bij enkelen de 
bovenlip opgekruld. Het haar is zwart en sluik en van eenigszins 
grof weefsel. Volgens de bewering van Wallace, die echter niet altijd 
met de feiten ovei'eenstemt, zou eene lichtere tint of eenig spoor 
van golving of krullen bij den Maleier als een bijna zeker bewijs 
van de bijmenging van vreemd bloed beschouwd moeten worden. 
Het gelaat is bijna geheel zonder baard, en de borst en ledematen 
zijn niet behaard. Ook wat karakter betreft bestaat er groot verschil 
tusschen den Papoea en den Maleier. De eerste is boud, onstuimig, 
prikkelbaar en luidruchtig; de Maleier schroomvallig, koel, inge- 
trokken, rustig. De Maleier is ernstig en lacht zelden; de Papoea 
is vroolijk en lacht veel; — de een verbergt zijne aandoeningen, 
de ander spreidt ze ten toon. ') Duidelijk komt dit verschil uit in 
de beschrijving, die Wallace geeft van zijne eerste ontmoeting met 
de bewoners der Kei-eilanden. „Dit was de eerste maal, dat ik 
Papoea's te zien kreeg in hun eigen land, en geen vijf minuten 



1) Bij deze, overigens zóó juiste beschrijving, raoet men niet uit het oog ver- 
liezen dat niet alle Indonesische volkstammen een zóó teruggetrokken karakter ver- 
toonen; op de Bataks en vele anderen past die beschrijving niet. Het is zelfs moeilijk 
uit te maken of de door Wallace geschetste karaktertrekken van sommige Maleische 
staramen zich al dan niet onder vreemden invloed hebben ontwikkeld. 



-198 MALKIERS EN PAPOEA'S. 

waren rioodig om mij te overtuigen dat rle lieden, die ik nu in de 
gelegeidioid was persooidijk tegeniivcr elkander te stellen , beliooiden 
tot twee der meest verschillende en scherpst geteekende menschen- 
rassen, dlo op den aardbodem gevonden worden. Al ware ik blind 
geweest, dan nog kon ik geen oogenblik getwijfeld hebben, dat deze 
eilanders geene Maleiers zijn. In hunne luide, snelle, driftige spraak, 
hunne rustelooze bewegelijkheid, de krachtige levensweikzaamheid, 
die zich in hunne woorden en daden openbaart, zijn zij de volkomen 
tegenvoeters van de kalme, vadzige en onverschillige Maleiers. De 
Kei-eilanders kwamen al zingende en juichende naar ons toe, plasten 
met hurme pagaaien diep in het water en wierpen wolken van schuim 
in de lucht. Naderbij komende stonden zij oi) in hunne kano's, 
onder steeds toenemend geraas en gebarenspel; en toen zij ons op 
zijde gekomen waren, klonterden de meesten, zonder verlof te vragen, 
en zonder een oogenblik te aarzelen, op ons dek, even alsof zij 
gekomen waren om van een veroverd vaartuig bezit te nemen. 
Daarop richtten zij een tooneel aan van onbeschrijfelijke verwarring. 
Die veertig of vijftig zwarte, naakte, kroesharige wilden waren als 
dronken van vreugde en opgewondenheid. Niemand hunner kon zich 
een oogenblik rustig houden. Onze manschappen werden ieder op 
hunne beurt omringd en gadegeslagen , om tabak of arak aange- 
sproken, toegegrijnsd, en voor een ander verlaten. Allen kakelden 
te gelijk; en onze kapitein was geheel van zijn stuk gebracht door 
hunne hoofden, die hem hunne diensten opdrongen om ons te boeg- 
seeren, en met luid geschreeuw vroegen om vooraf betaald te worden. 
Eenige geschenken van tabak deden hunne oogen glinsteren, en 
door gegiijns of geschieeuw, door over het dek te rollen, en hals 
over kop van boord te springen, drukten zij hunne tevredenheid 
uit. Schoolknapen op een ongehoopten vacantiedag, leren op eene 
kermis, of adelborsten aan wal kunnen van de krachtige opbruising 
der levensgeesten, waarvoor dit volk vatbaar is, slechts een flauw 
denkbeeld geven. Zich onder soortgelijke omstandigheden zoo te 
gedragen , als deze Papoea's deden , zou den Maleiers onmogelijk zijn. 
Waren dezen aan boord van een schip, (wat zij niet zonder verlof 
zouden doen) dan zou er in het eerst niets gezegd worden, behalve 
eenige plichtplegingen, en niet dan na eenig tijdsverloop zouden ze 
met de grootste voorziclitigheid de eerste schreden doen , om tot de 
behandeling van zaken te komen. Zij zouden één voor één spreken, 



TAAI.VERWANTSCIIAP TUSSCHEN MAI. EIKIJS EN PAPOEA'S. 199 

met zachte stem en groote bedaclitzaamlieid, en de wijze van een 
koop te sluiten zou daarin bestaan, dat zij bedaard ieder aanbod 
verwierpen , of zich verwijderden , zonder een woord meer aan de 
zaak te verspillen, tenzij het bod werd verhoogd tot het bedrag, 
dat zij bereid waren aan te nemen. Ons volk, waarvan velen deze 
reis nooit te voren gemaakt hadden, scheen door de voorbeeldeloos 
slechte manieren der eilanders zeer geërgerd te zijn, en kon slechts 
langzamerhand tot de eerste schreden ter verbroedering met die 
zwarte kerels gebracht worden. Zij deden mij denken aan een gezel- 
schap van heel zoete, ordentelijke kinderen, plotseling overvallen 
door een troep onstuimige en tierende knapen, wier gedrag ze erg 
buitensporig en ondeugend vonden. Deze trekken van geaardheid 
zijn treffender en bewijzen meer voor volstrekt verschil , dan zelfs 
de zóó uiteenloopende physische eigenaardigheden der beide rassen". 
Maar terwijl er dus aan den eenen kant veel is, wat schijnbaar 
krachtig pleit voor het aannemen van een onderscheid in ras tus- 
schen Maleiers en Papoea's, kan men echter een zeer gewichtig 
argument daar tegen aanvoeren, t. w. de groote overeenkomst die 
bestaat tusschen de talen , door Maleiers en Papoea's enz. gesproken. 
Het is weder Prof. Kern ^), die door vergelijking tusschen het Mafoorsch 
en andere Papoesche talen van Nieuw-Guinea met talen van Indo- 
en Polynesië ten duidelijkste heeft aangetoond dat, ten opzichte van 
verreweg de meeste woorden, — en met name die welken de een- 
voudigste begrippen aanduiden, zooals de termen voor eten, drin- 
ken , slapen , tel- en voornaamwoorden , vuur enz. , — de overeen- 
komst uit eene oorspronkelijke taaiverwantschap dier volkeren ver- 
klaard moet worden, zoodat die woorden reeds van den aanvang af 
aan de Malaio-Polynesiërs en Papoea's gemeen moeten zijn geweest. 
Daar dit nu bij alle onderzochte talen, uit ver van elkander ver- 
wijderde streken van Nieuw-Guinea het geval is , moet men , zegt 
Kern , „wel toegeven , dat de Papoesche talen met de Maleisch-Poly- 
nesische verwant zijn , tenzij men wil aannemen , dat de Papoea's 
hunne woorden voor eten en drinken, voor vuur en water en derge- 
lijke allereenvoudigste begrippen meer, van elders ontleend hebben 
en wel na onderlinge afspraak, want anders zou er niet zulk eene 
eenstemmigheid onder de dialecten heerschen." Merkwaardig is het 



') Kern in de Acles du VI"« Congr. intern, des Orientalistes. Sect. V. Leide 1885. 



200 MALEIERS EN PAPOEA'S. 

dat in de talen dor oigeiilijko Papoea's en die der meer oostelijke 
eilanden des Indischen aicliipels de wijze van samenstelling anders 
is dan én in de meer westelijke én in alle oostelijk van Nieuw- 
Guinea gesproken talen (Polynesische, Melanesisclie en Mikrone- 
sische). Zóó is „traan" in liet Mafoorscli iyën mani, d. w. z. „visch 
olie," terwijl in het Maleisch enz. datzelfde begiip wordt uitgedrukt 
door minjak ikan „olie (van) visch." ') 

Met dat al blijven er, niettegenstaande de hooge waarschijn- 
lijkheid eener rasverwantscliap tusschen Maleiers enz. en Papoea's, 
zulke groote verschilpunten tusschen hen bestaan dat, zooals wij 
zagen, er geen oogenblik over getwijfeld kan worden tot welk van 
beiden het een of ander individu behoort, indien dit althans de 
gewone kenteekenen van zijnen landaard vertoont. Het spreekt echter 
van zelf dat vermenging met een ander volk die eigenaardige ken- 
teekenen voor een deel kan doen verdwijnen; verscheidene Mela- 
nesische stammen vertoonen die trekken in veel mindere mate dan 
de bewoners van Nieuw-Guinea, de Aroe- en de Papoesche eilanden , 
die het zuivere type der Papoea's vertegenwoordigen. Zoo zijn de 
bewoners der Molukken, van Oost- en Midden-Flores, van Timor, 
Solor, Alor en Roti waarschijrdijk een gemengde bevolkingen naderen 
de Timoreezen weder meer de oorspronkelijke type der Papoea's 
dan de Alfoeren van Boeroe. En terwijl, zooals wij weten, in den 
regel althans, de bevolking der oostelijke eilanden Papoea's zijn, 
vindt men echter ook elders volkeren, die in vele opzichten met 
de Papoea's overeenkomen, zooals de Negrito's der Philippijnen, de 
Semangs in de binnenlanden van Malakka (Kedah), en de Mincopies 
der Andaman-eilanden. Merkwaardig is het echter dat deze laatst- 
genoemde volken veel kleiner van gestalte zijn en dat de neus bij 
hen een geheel anderen vorm heeft dan dat lichaamsdeel bij de 
Papoea's vertoont*). Met deze Papoea's kunnen wij ons hier niet in 



1) J. L. A. Brandes. Bijdr. t. d. vergelijkende klankleer der west. afd. der Mal. 
Polyn. taalfamilie. Utr. 1884 en in T. B. G. XXXI. 

") Vlgs Dr. A. B. Meyer zouden de Kalangs op Java met deze Negrito's ver- 
want zijn. Die Kalangs vormen eene, over geheel Midden-Java verspreide klasse 
der bevolking, en leidden vroeger een zwervend leven, maar werden door Sultan 
Ageng gedwongen, vaste woonplaatsen te kiezen. Zij leefden voorheen afgezonderd 
van de Jav. bevolking, oefenden bij voorkeur zekere beroepen, ca. het houthakken 
uit, onderscheidden zich door enkele gewoonten en gebruiken en zouden, volgens 
Jav. verhalen, van een hond afstammen. Zie Ketjcn, T. B. G. XXIV. G. Winter, 



DE MALEIERS. 201 

het bijzonHer bozighouden i) ; de beperktboid dor ruimte, die ons 
overblijft, dwingt ons sleclits de voor onze lezers belangrijkste starn- 
nnen te bespreken, die grootendeels tot de Maleiers behooren, zooals 
de eigenlijke Maleiers van het schiereiland Malakka, den Riouw- 
Lingga- Archipel , Sumatra, de kusten van Borneo en de Molukken; 
de Javanen, die ook een deel van Sumatra en Borneo bewonen; 
de Atjehers; de Boegineezen en Makassarcn van Zuid-Celebes; de 
Balaks van Sumatra ; de Dajaks van Borneo ; de Bcdjangs , Pasoemahs 
en Korintji's van Midden-Suraatra enz. 

Vroeger (Dl I. p. 504) is reeds opgemerkt dat de eigenlijk gezegde 
Maleiers volgens de Inlandsche kronieken van Sumatra afkomstig 
zouden zijn , daar Sri Tri Boewana met een aantal kolonisten 
Palembang verliet, Singapoera (Singapore, Leeuwenstad) stichtte 
en er eene groote handelsplaats vestigde. Door Madjapahit bekampt 
en verdreven , vond de bevolking een toevluchtsoord op het Maleische 
schiereiland en stichtte er Malakka. Niet onwaarschijnlijk is het, 
dat dit verhaal in zooverre eenen historischen grondslag heeft, dat 
Hindoe-Sumatranen zich over Padang en de Padangsche bovenlanden 
verspreidden, daarna noordwaarts zich uitbreidden en langs de 
rivieren, die in het oosten van Sumatra uitmonden, afzakten en 
van daar den Riouw-Lingga- Archipel en het Maleische schiereiland 
bevolkten. Naar de meening van Dr. N. v. d. Tuuk zouden zij den 
naam Maleier door hunnen overgang tot den Islam hebben ver- 
worven, daar zij door hunne stamgenooten, die den ouden gods- 
dienst bleven behouden, wong melajoe (overloopers) genaamd werden. 
Van uit het schiereiland en de omliggende eilanden stichtten hunne 
kolonisten handels-nederzettingen en volkplantingen, die er zeer 
veel toe bijbrachten om den Islam te verbreiden , en zich op de 
kusten van Borneo en elders vestigden, zoodat thans de naam 
Maleier bijna gelijkluidend met dien van Moslem is en althans 
voor de westkust van bet laatstgenoemde eiland met kustbewoner 
gelijk staat. 

Ind. Gids 1881. I. Prof. "Veth (Java III 579) heeft reeds aangetoond, dat de bewe- 
ring van Dr. Meyer, steunende op de photogr. afbeelding van één persoon, die 
misschien geen Kalang was, niet op afdoende gronden steunde. Ook vlgs Winter 
onderscheiden de Kalangs zich in uiterlijk voorkomen, thans ten minste, niet van 
de Javanen. 

') Voor bijzonderheden vgl. men, behalve de werken vroeger (Dl. I p. 373) 
aangehaald, F. S. A. de Clercq in T. aardr. Gen. Jaarg. 1893. 



2ü2 DE MALKIERS. 

Het karal<tor dezer Maleier? wordt dikwijls als hoo^fst nnp;unstig 
voorgesteld. Wreed, trouweloos, wraakzuchtig, slechts g(!schikt urn 
de wegen te volgen, door anderen geopend, maar voor eigen ont- 
wikkeling ongeschikt, diplomatisch en hoofsch, zoodat gebrek aan 
vormen in hun oog onvergeeflijk is, bij den dag levend en onbezorgd 
voor de toekomst, aan spel, misbruik van opium en wellust over- 
gegeven en in de hoogste mate lui, ziedaar het weinig aantrekkelijk 
beeld . dat menigmaal van hen is opgehangen. Maar indien deze 
schets, hoe overdreven ook, gedeeltelijk waar is, zou men toch 
onbillijk oordeelen, indien men dit als het aangeboren karakter van 
den Maleier beschouwde. Eeuwenlange onderdrukking en het despo- 
tisch bestuur hunner vorsten, van wier luim alles afhankelijk was, 
die alleen hun eigen belang op het oog hadden en als het voorbeeld 
van de meest ellendige regeering kunnen beschouwd worden; de 
aanraking met de Europeanen , tegen wier overmacht zij zich slechts 
door de wapenen van de zwakkeren, list en verraad, konden be- 
schermen, en het belijden van eenen godsdienst, die, hoe veel 
beter ook dan de eeredienst der natuurvolkeren, toch vooruitgang, 
in Westerschen zin opgevat, niet bevordert, maakten hen tot wat zij 
thans zijn. En wanneer het al waar is, dat zij alle elementen van 
beschaving van anderen, Hindoe's, Arabieren en Europeanen ont- 
vingen en daarop weinig voortbouwden, dan is het niet minder 
zeker, dat men hen ook bitter weinig in de gelegenheid stelde, om 
zich zelven te ontwikkelen , en hen van goed onderwijs verstoken 
hield. En toch ontbreekt het desniettemin bij hen niet aan voor- 
beelden van hoogere ontwikkeling en zucht naar kennis, wordt de 
landbouw door hen met voorliefde gedreven, en hadden de zeevaart en 
handel eenen viij grooten trap van bloei bereikt, toen ons monopolie- 
stelsel beiden belemmerde, ja dikwijls vernietigde, terwijl ook het 
Inlandsche recht hier en daar zich tot zekere hoogte zelfstandig bij hen 
ontwikkeld heeft, en sommige takken van Inlandsche industrie niet 
onverdienstelijk beoefend worden. En waar bijna geheel gemis aan 
rechtszekerheid bestond en alles aan de willekeur van den vorst 
was overgelaten, daar kan het ons niet verwonderen dat het leven 
bij den dag regel werd en men zich haastte om te genieten van 
hetgeen men had; — eene neiging, die door de voortdurende oor- 
logen, waarin de bevolking onderling gewikkeld was, maar altezeer 
bevorderd werd. En met dit al vinden wij toch hier en daar sporen 



HET MALEISCH, 203 

van spaarzaamheid en arbeidzaamheid, gepaard aan de algemeene 
matigheid en onthouding die den Maleiei' in den regel kenmeikt, 
en waardoor hij zich zóó gunstig van vele Europeanen onderscheidt. 
Mochten eenmaal deze ongunstige omstandigheden geheel worden 
verwijderd , en door Nedeilandschen invloed rust en vrede hersteld , 
rechtszekerheid bevestigd en het onderwijs in practische richting 
bevorderd worden , dan vertrouwen wij dat ook de Maleier zal 
blijken voor hoogere beschaving en voortgaande ontwikkeling niet 
onvatbaar te zijn. 

Het voertuig, waarvan de Maleier zich bedient om zijne ge- 
dachten uit te drukken , is de bekende Maleische taal , een tak van 
den grooten Maleischen taaistam, die zich over de meeste eilanden 
van den Indischen archipel uitstrekt. Woordvorming en taalbouw 
bewijzen, zooals wij weten, de onderlinge verwantschap dier tong- 
vallen, ook met de talen van Polynesië en Melanesië. Het Ma- 
leisch , dat vroeger misschien rijker was dan thans, werd door 
den omgang met vreemde volken , onder welken in de eerste plaats 
de Hindoe's en Arabieren genoemd moeten worden, met vele vreemde, 
Sanskrit of Arabische woorden verrijkt. Vooral oefende het Ara- 
bisch grooten invloed uit, daar dit de taal was van het heilige boek, 
den Koran , dat als grondslag voor recht en voor godsdienstig en 
maatschappelijk onderricht strekte, zoodat zelfs het Arabische schrift 
(dat van de rechter- naar de linkerhand geschreven wordt) met 
enkele kleine wijzigingen door de Maleiers is overgenomen. Ook 
andere talen oefenden een zekeren invloed op het Maleisch uit, 
zooals het Javaansch , en zelfs werden verscheidene Europeesche 
woorden door de Maleiers overgenomen , waar zij met Portugeezen , 
Engelschen of Nederlanders in nauwere aanraking kwamen. Het 
zuiverst wordt het Maleisch in den Riouw-Lingga-archipel en op 
het Maleische schiereiland gesproken, terwijl in de Padangsche 
bovenlanden een in vele opzichten daarvan belangrijk afwijkende 
tongval gebruikt woi'dt. 

Op een aantal eilanden is het Maleisch geenszins de volkstaal, 
en wordt het door de groote meerderheid der bevolking niet gesproken 
noch verstaan. Wil men met haar omgaan en haar kennen, dan 
moet men hare eigen taal aanleeren. Maar als van zelf vormde 
zich door den invloed der Europeanen een patois, dat den naam 
van Laag-Maleisch erlangde en door de ambtenaren, die de volks- 



204 HET LAAG-MALEISCH. 

taal niet machtipf zijn . in hunnen omj^ang met de hoofden gebniiitt 
wordt, — (ul'sclioon niet overal, daar liiei' en daar, zuoals in Celebes 
en onderhoorigheden, zelfs bij de vorsten geen sprake is van kennis 
der Maleische taal), — en ook door particulieren met bedienden 
enz. gesproken wordt, en in die plaatsen, waar veel Europeanen 
gevestigd zijn, zooals de groote handelscentra, de lingua iVanca van 
den archipel geworden is. Groote eenvoudigheid, ja zelfs slordigheid 
in stijl en woordvoeging, benevens verwaarloozing van de voor- 
voegsels en aanhangsels, die het karakteristieke der Maleische taal 
uitmaken, zijn hare hoofdkenmerken; allerlei woorden worden in 
haar opgenomen , die niet in het Maleisch te huis behooren , en 
zoodoende wordt een taal gevormd welke, wetenschappelijk van 
geene de minste waarde, althans dit praktische nut heeft, dat zij 
in Indië binnen uiterst korten tijd en als het ware van zelf kan 
worden aangeleerd, zoodat dan ook bijna ieder Europeaan in Indië 
zich van haar in meerdere of mindere mate weet te bedienen. 
Ofschoon hier en daar plaatselijk verschil valt op te merken , dat 
soms vrij aanzienlijk is, zoodat b. v. het Bataviaasch-Maleisch niet 
weinig verschilt van het Maleisch dat te Soeiabaja of in de Molukken 
gesproken wordt, zoo zijn toch de hoofdtrekken van dit Laag-Maleisch 
ongeveer dezelfden. Men heeft dezen tongval wel eens de spreektaal 
genoemd, en de zuivere taal het literarisch Maleisch willen noemen, 
doch geheel ten onrechte, daar de laatstgenoemde taal in enkele 
deelen van den archipel en op het Maleische schiereiland wel degelijk 
de gewone taal van het volk is. Het spreekt nu wel van zelf dat 
de kennis van het Laag-Maleisch van zeer weinig nut is voor hem, 
die tot het eigenlijke volk moet doordringen, en dat bestuur of 
rechtspraak, uitgeoefend door ambtenaren welken slechts met die taal 
bekend zijn, op Java b. v. nimmer aan rechtmatige eischen voldoen 
kan en hen een speelbal maakt in de handen der hoofden , die van 
hunne onwetendheid partij trekken. 

Dezelfde ongunstige schets, die men van den eigenlijken Maleier 
ophing, heeft men ook van de bewoners van Java gegeven. Zoo 
lezen wij bij Valentijn dat de mans doorgaans moorddadige, trouw- 
looze en wreede menschen zijn, op wie zeer weinig staat te maken 
is en die iemand om een schelling of wat zouden doodslaan, daar 
het anders de bloodste en lafhartigste guilen zijn, die de aardbodem 
draagt; — terwijl, zooals wij zagen, ook de Staatscommisie van 



DE BEWONKRS VAN JAVA. 205 

1803 eene weinig vleiende getuigenis van hen aflegt. Voorzeker, 
menigeen die met den goedaardigen Javaan heeft verkeerd en hem 
lief heeft gekregen, zal over dit oordeel verbaasd staan, want niet 
gering is het aantal dergenen, die hem hoog stellen, en in vele 
opzichten boven de lagere klassen in Europa verkiezen. Neemt men 
echter in aanmerking dat onze voorvaderen zich niet van een 
bekrompen standpunt konden losmaken en geneigd waren over den 
„Machometaenschen" Javaan een hard oordeel te vellen, hoofdza- 
kelijk slechts met de hoofden in aanraking kwamen en den minde- 
ren man niet leerden kennen, daar zij zijne taal niet machtig waren, 
dan zullen wij niet aarzelen aan dit oordeel alle gezag te betwisten 
en in den Javaan een mensch zien die, evenals anderen, zijne groote 
gebreken heeft en door eeuwenlange onderdrukking en willekeur 
van energie beroofd en met slaafschen geest bezield is, maar wien 
een aantal goede eigenschappen niet ontzegd kunnen worden. En 
daarbij hebben wij wel te onderscheiden tusschen de verschillende 
stammen , die Java bewonen en zich in Soendaneezen, eigenlijke Java- 
nen en Madoereezen laten verdeelen, welke in zeden en gewoonten, 
ja zelfs in algemeene karaktertrekken aanmerkelijk van elkander 
verschillen. De Soendaneezen, die zich als de djêlma boemi, de 
oorspronkelijke bewoners van het land , beschouwen , komen het 
meest met het algemeene type van het Maleische ras overeen ; de 
Hindoe-kolonisatie, die op den Javaan eenen zoo hoogst belangrijken 
invloed uitoefende, heeft bij hen, naar het schijnt, slechts een 
betrekkelijk geringen indruk achtergelaten. De Madoereezen bleven 
langen tijd binnen de grenzen van een klein en weinig vruchtbaar 
eiland beperkt, waar geene ruime gelegenheid tot den landbouw 
bestond, zoodat zij gedwongen werden hunnen toevlucht tot handel 
en visscherij te nemen, bezigheden die, naar men weet, op de 
bevolking, die er zich mede onledig houdt, eenen eigenaardigeu 
stempel drukken. Ofschoon zij later in groote menigte naar Oost- 
Ja va verhuisden verloochende hun aard zich niet, ook toen zij 
zich later aan den landbouw wijdden. Naar de zoo juiste beschrij- 
ving door Prof. Veth in zijn „Java" gegeven, onderscheiden zij zich 
van de beide andere stammen door meerdere energie , grootere 
zelfstandigheid van karakter, onafhankelijkheid en zelfgevoel tegen- 
over hunne meerderen. Zij zijn stoute visschers en zeevaarders; 
ook als landbouwers munten zij door ijver en bekwaamheid uit. 



206 DE BEWONERS VAN JAVA. 

Ondernemingen, op liet beginsel van vrijen aibeid berustende, 
slaagden aanvankelijk het best in ile Madoereesche districten. 
Behalve iu hun eigenlijk stamland, op het eiland Madoera, vindt 
men hen in aanzieidijken getale in de residentiën oostwaarts van 
Kediri en Madioon , waar zij veri'eweg het grootste gedeelte der 
bevolking uitmaken. De Soendanees mist een groot deel van de 
eigenaardige beschaving van den Javaan, — wij zouden bijna zeggen, 
hij is meer boersch dan deze, — en staat in het algemeen op eenen 
lageren trap van ontwikkeling. In hooge mate bijgeloovig leeft de 
Soendanees onder den invloed van de oude godsdienstige begrippen 
van de tijden vóór den Islam , niettegenstaande de uiterlijke plech- 
tigheden van den godsdienst van den profeet in den regel nauw- 
gezet door hem in acht worden genomen , en de Moslemsche gees- 
telijkheid een groot gezag uitoefent. Naar men wel eens beweerd 
heeft zou de Soendanees in zedelijkheid boven den Javaan staan, 
terwijl hij ook in matigheid, eenvoud, hulpvaardigheid, eerlijkheid 
en werkzaamheid boven hem gesteld wordt. Ofschoon hij evenveel 
eerbied voor zijne meerderen heeft, als de Javaan, schijnt hij toch 
minder kruipend en slaafsch , een verschil , dat vooral ook in de 
taal uitkomt, waarvan beide volken zich bedienen. De Tji Losari en 
de Tji Tandoewi maken de grens uit tusschen de Soenda-landen 
en het eigenlijke Java, met dien verstande dat ook bewcsten die 
beide rivieren zich hier en daar enkele Javaansche elementen hebben 
nedergezet. Dat ook op andere eilanden van den Indischen archipel 
Javaansche koloniën worden aangetroffen , zooals op de oostkust van 
Sumatra en de zuid- en oostkust van Borneo merkten wij reeds te 
voren op. 

De Javaansche taal , die evenals verscheidene andere Inlandsche 
talen met karakters geschreven wordt, welke uit Voor-lndië afkom- 
stig zijn, en van links naar rechts wordt geschreven, vertoont het 
voor den Europeaan zeer eigenaardige en lastige verschijnsel, dat 
de Javanen in vele gevallen woorden gebiuiken, die verschillen 
naar mate van den rang van den persoon , tegen wien men het 
woord voert. Dit verschil openbaart zich niet slechts, zooals bij 
ons, door het gebruik van enkele verschillende woorden b. v. u en 
jij, maar vooral in de keuze van tal van woorden, ja zelfs in het 
aanwenden van onderscheidene vormen. Geen Javaan zal het wagen 
tegen een hoogere in rang of leeftijd eene andere taal dan het 



MET JAVAANSCH. 207 

beleefde, eerbiedige krama te gebruilien, terwijl daarentegen het 
ngoko door den hooggeplaatste tegenover den lagere gesproken 
wordt. Nauwkeurig wordt dit onderscheid in het oog gehouden , 
en het gebruik der zoogenaamde lage taaisoort, waar het krama 
te pas kwam, geldt als een bewijs van gebrekkige opvoeding, 
koerang adjar, of als eene poging tot zelfverlielTnig en onbeleefd- 
heid, niet het minst tegenover hem, wiens kennis van de taal men 
gering schat. Ofschoon deze beide zoogenaamde taaisoorten het 
meest in gebruik zijn, hebben zich van lieverlede nog anderen in 
het Javaansch ontwikkeld , die echter weinig van de genoemden 
verschillen. Zij zijn het madija, dat gesproken wordt tusschen per- 
sonen van gelijken rang, of door eenen meerdere tegenover eenen 
mindere, die wegens ouderdom of andere redenen aanspraak op 
bijzondere achting kan maken, en enkele bijzondere woorden en 
vormen heeft, doch overigens uit krama en ngoko bestaat; de basa 
kedaton of hoftaal , in tegenwoordigheid van den vorst ges[)roken , 
en die uit krama bestaat met enkele woorden gemengd , welk eene 
hooge mate van eerbied te kennen geven ; het krama inggil of 
hoog krama, dat bij het spreken van ngoko of krama gebruikt 
wordt als men van, of over aanzienlijken handelt, en eindelijk het 
laag-ngoko, dat zich van het gewone ngoko slechts door enkele 
woorden onderscheidt, zooals kerel voor man enz. 

Van waar dit verschil? Vrij algemeen werd nog onlangs aange- 
nomen, dat het onderscheid tusschen ngoko en krama verklaard 
moest worden uit den invloed, door de Hiiidoe's uitgeoefend, die 
met verachting op de oorspronkelijke bewoners van het land zouden 
nedergezien hebben. Terwijl, zoo veronderstelde men, de Hindoe 
zich in den omgang met zijne stamgenooten van het edele Sanskrit 
bediende, moest hij tegen de oorspronkelijke bevolking in de volks- 
taal spreken, terwijl de onderworpen Javanen daarentegen, zooveel 
hun mogelijk was, gebruik maakten van de taal hunner over- 
heerschers, waardoor het krama geboren werd, dat rijk aan Sans- 
kritsche woorden is, terwijl het ngoko meer tot de oude volkstaal 
zou naderen. Ook de taal, door de vreemde kolonisten gesproken, 
werd in den loop der tijden verbasterd, en zoodoende zou de oude 
dichtertaal, het kawi, ontstaan zijn dat weldra slechts als schrijftaal 
voortleefde , zoodat het reeds bij de immigratie der Hindoe-Javanen 
naar Bali eene doode taal geworden was. Op het laatstgenoemde 



SOS IIKT JAVAANSCH. 

eilaiiii , dat den ouden godsdienst getrouw gebleven is, werden ook 
de kawi-gedicliten bewaard, en ook daar vindt men een hooge taai, 
die uit iigüko- en krama-woorden zou bestaan, en eene lage taal- 
sooit die, naar men beweert, tot het Soendaneesch zou naderen. — 
Maar nu heeft Prof. Kern ') aangetoond , dat ook in andere Poly- 
nesische talen, die den invloed der Hindoo's niet hebben ondergaan, 
iets dergelijks als eene hooge en lage taal kan worden opgemerkt. 
Het Javaansche gebruik" zoo zegt hij „komt daarop neder dat men 
sprekende over of tot meerderen zekere woorden vermijdt en wel 
deels door een synoniem te gebruiken, deels door het woord 
eenigszins te veranderen , deels door woorden aan een ander dialect 
of een andere taal te ontleenen." De Dajak nu neemt ook diezelfde 
hulpmiddelen te baat, maar alleen wanneer eene persoonlijke reden 
hem daartoe noopt; de hedendaagsche Javaan doet dit echter niet 
als bijzonder persoon, maar bezigt die hulpmiddelen ten einde, als 
lid van een bepaalden stand in de maatschappij , geen aanstoot 
aan anderen te geven. Ook bij andere stammen, die sedert onheu- 
gelijke tijden geen gemeenschap met de Javanen hebben gehad , 
o. a. bij de Samoanen bestaat verschil in taaisoort. Prof. Kern zoekt 
dan ook de aanleiding daartoe in het zoogen. pamali of taboe; — 
het later te bespreken verbod om in bepaalde omstandigheden be- 
paalde handelingen te verrichten of zekere uitdrukkingen te bezigen, 
zoodat men genoodzaakt werd tegenover hooge personen geheel andere 
woorden te gebruiken , dan tegenover minderen geoorloofd was. 

Het Madoereesch komt in hoofdtrekken met het Javaansch over- 
een, waarmede het zijn alfabet gemeen heeft, en is wel is waar 
met het Javaansch verwant, doch kan niet als een dialect daarvan 
worden aangemerkt. Daar de Madoereezen reeds sedert eeuwen 
onder Javaanschen invloed gestaan hebben, bezit hun taal vele in 
het Javaansch verouderde woorden, en onderscheidt zij zich daarvan- 
door eene geheel bijzorrdere uitspraak. Eene hooge taal heeft zich 
onder de Madoereezen niet gevormd, ofschoon hier en daar Javaansche 
krama- vormen worden gebruikt. Het Soendaneesch, dat misschien 
van het oorspronkelijk Javaansch weinig verschilde, geraakte minder 
dan dit onder den invloed der Hindoe-beschaving en bleef meer 
de taal der lagere volksklasse, daar aan de hoven en onder de 



') Kern in BijHr. t. t. 1. t-n vik. 1S93. p. 120. 



DE MAKASSAREN EN BOEGINEEZEN. 209 

grooten het Javaansch de meest gebruikelijke taal werd en ook als 
schiijftaal zich verspreidde. Meer en meer binnen enge grenzen 
teruggedrongen, wordt het zuivere Soendaneesch hoofdzakelijk slechts 
in de Preanger en aangrenzende districten gesproken, terwijl zelfs 
daar door den invloed van Mataram, Javaansche eletnetiten inslopen, 
zoodat de briefwisseling der hoofden onderling in liet Javaansch 
gevoerd werd. Eene eigeidijke hooge taal weid dientengevolge niet 
gevormd. Wel zijn een aantal woorden uit het Javaansche krama 
in liet Soendaneesch overgegaan, die men als basa menak aan- 
duidt, maar zij zijn betrekkelijk gering in getal en hebben hoofd- 
zakelijk op den mensch, zijne lichaahnsdeelen , verrichtingen en 
toestanden betrekking, terwijl de zoogenaamde lage taal, als koering 
bekend, de gewone Soendaneesche spreektaal is, en een zóó groot 
verschil als dat tusschen ngoko en krama in het Soendaneesch niet 
wordt aangetrotl'en. 

Onder de stammen van het Maleische ras, die tot den Islam zijn 
overgegaan, nemen de Makassaren en Boegineezen van Zuid-Celebes 
eene belangrijke plaats in. Nauw aan elkander verwant bezitten zij 
een eigen vorm van 't Indische letterschrift en spreken eene afzon- 
derlijke taal die, hoewel vrij ontwikkeld en rijk aan woorden, toch 
voor het Javaansch moet onderdoen. De Boegineezen of Taoe-Woegie, 
(menschen van Woegie, eene plaats in Wadjo), zijn veel talrijker dan 
de Makassaren, daar zij de Wadjureezen, de Loewoereezen, Soppengers, 
Mandareezen, Sidenrengers en andere volkstammen van Adjatappa- 
rang, de bewoners van Barroe, Tanette en van een groot deel der 
noorder- en oosterdistiicten bevatten. De Makassaren worden mee- 
rendeels in liet rijk Makassar aangetroffen, ofschoon ook in de 
Zuiderdistricten en op Saleier eene nagenoeg geheel Makassaarsche 
bevolking wordt gevonden. Tei-wijl ook hier het despotisch vorsten- 
bestuur, op Celebes misschien zelfs erger dan elders, zijnen storen- 
den invloed heelt uitgeoefend, en beide volken als verslaafd aan 
het spel en achterlijk in den landbouw worden beschreven, is er 
echter een hoofdtrek in hun karakter, die gunstig op hen werkte; 
hunne liefde tot zeevaart en handel, die hen tot stoute onderne- 
mingen en verre tochten verleidt, en waardoor zij in vele opzichten 
van den landbouwenden Javaan verschillen. Vooral onder de Boeai- 
neezen treedt deze neiging zeer sterk op den voorgrond en de 
bewoners van Wadjo zijn zelfs ware kolonisten, zoodat men slechts 

II. 14 



2lü MOSLEMSCHE STAMMF.N. 

weinige kustpliialseu in den arcliipul zal aantrelïen , waai' geen 
Boegineesche handelaren, voor het meerendeel uit Wadjo afkom- 
stig, gevestigd zijn. Zij worden geschetst als ondernemcüid, schran- 
der en met goeden aanlog begaafd, terwijl zij zelfs, in tegenstelling 
met de gewone voorstelling die men zich van de Maleiers maakt, 
als vroolijk, vriendelijk en wel te vertrouwen worden beschreven. 
Moed in den strijd, eene eigenschap die de Javaan slechts onder 
uitstekende leiding bezit, wordt hun vrij algemeen toegeschreven; 
reeds onder Daendels waren de Boegineesche soldaten wegens huime 
dapperheid bekend, ofschoon het hoogst raoeielijk viel hen aan tucht 
te gewennen. 

Behalve de hier genoemde stammen vindt men in den Indischen 
archipel nog een aantal andere volkeren, die den Islam hebben 
aangenomen. Wanneer wij de mate van den invloed, dien de 
Islam op zijne belijders heeft uitgeoefend, als uitgangspunt aan- 
nemen, mogen wij zeker de Atjehers wel in de eerste plaats noe- 
men. Hunne naburen, de orang Alas en Gajoe, ofschoon eveneens 
Moslemen, ondervonden, schijnt het, dien invloed in veel mindere 
mate, evenals de oorspronkelijke bevolking der Lampongs, de orang 
Lampong en de orang Abang, die overigens in veel opzichten den 
invloed der Soendaneezen hebben ondergaan. Onder de Bataks op 
Sumatra en de Alfoeren van Celebes en verscheidene andere ooste- 
lijke eilanden wint de Islam voortdurend veld; zooals later zal 
worden medegedeeld heeft het Christendom hier en daar gelukkig 
een dam daartegen opgeworpen. Ook elders in den archipel vindt 
men een aantal Moslemen verspreid, zooals de Sasaks op Lombok, 
de bewoners van Soembawa enz. Het spreekt van zelf dat de Islam 
niet bij al zijne belijders even diep is doorgedrongen; wij zullen in 
ruime mate gelegenheid hebben om aan te toonen dat in hunne 
zeden en gebruiken, rechtsinstellingen en zelfs in hunne godsdienstige 
begrippen de oude heidensche voorstellingen nog een groote rol 
spelen en nog niet uit het hart van verreweg de meeste Inlanders 
verbannen zijn. Maar dit is niet uitsluitend aan den bewoner 
van den Indischen archipel eigen i) ; ook elders vindt men 
voorbeelden te over van het feit dat een nieuwe, zuiverder 



') Dr. C. S. Hurgionje. De beteekenis v. d. Islam voor zijne belijders in O. I. 
Leiden 1883. 



HEIDENSCHE STAMMEN. 211 

godsdienst de indrukken van den oorspronkelijken eeredienst niet 
geliecl uit de harten zijner belijders kan verwijderen en soms zelfs 
na eeuwen lange heerschappij daartoe niet in staat was. Maar des- 
niettegenstaande oefent de Islam , zelfs bij eene bevolking die de 
leer van den profeet schijnbaar zoo goed als niet iieeft aangenomen, 
eenen niet onbeiangrijken invloed uit, en neemt hij, eenmaal post 
gevat hebbende, steeds in kracht toe; een kracht die, uit den aard 
der leer zelve, vijandig tegen de belijders van het Christendom 
gekant is. In dit opzicht mogen onze staatslieden zich inderdaad, 
wel afvragen , of algeheele onthouding zelfs staatkundig te verde- 
digen zij , en mogen vooral ook zij , die in eene uitbreiding van het 
Christendom een heilzamen maatregel zien , wel overwegen of aan- 
eensluiting en medewerking van allen niet hoog noodig is tegenover 
de eenheid en kracht van den Islam. 

Wanneer wij nu tot de stammen overgaan, die heidenen 
bleven, dan moeten wij, zonder vooreerst tot bijzonderheden af te 
dalen, toch reeds dadelijk opmerken, dat bij hen allen het zooge- 
naamde animisme i) de hoofdrol in de godsdienstige denkbeelden 
speelt. Onder dezen naam verstaat de nieuwere godsdienstweten- 
schap de voorstelling, die bij de natuurvolkeren algemeen heerscht, 
dat de beweging en werking, die de raensch in de natuur waarneemt, 
uitgaat van persoonlijke, denkende, willende wezens, zoodat o. a. 
alle natuurverschijnselen uitingen van dergelijke wezens zijn. Een 
tweetal leerstukken spelen daarbij, vaak onbewust, de hoofdrol. 
Volgens het eene heeft alles in de natuur, in dieren- en planten- 
wereld, in bewerktuigde of onbewerktuigde en levenlooze voorwer- 
pen, een eigen ziel, terwijl volgens het tweede dogma de zielen, 
of geesten, in die voorwerpen huizende, het vermogen hebben die 
te verlaten en vrij rond te gaan. Deze beide leerstukken leiden 
nu tot allerlei godsdienstige voorstellingen, zooals het fetisisme, of 
vereering van het een of ander vaak zeer eenvoudige voorwerp 
(steenen, dieren enz.) als bezield door hoogere wezens; het sjama- 
nisme, of de bezieüng van sommige personen door dergelijke wezens; 
de vereering van geesten, met name ook van de zielen van dier- 
bare afgestorvenen, zooals voorouders enz. Op deze verschillende 
vormen van het animisme komen wij later terug; hier zij het vol- 



') Dr. G. A. Wüken in I. Gids "1884. 1885. 



242 llK ItATAKS. 

doende deze hoofdtrekkeii te liebberi aangegeven . en mede te dee- 
len dat ook in de godsdienstige voorstellingen van verreweg de 
meeste Inlanders, die den Islam belijden, de invloed dier oude 
geesten-vereering nog een groote rol speelt. 

Onder de verschillende heidensche stammen noemen wij in de 
eerste plaats de Bataks van Sumatra. Zeer juist in vele opzichten 
werden zij dooi' Junghuhn met de volgende trekken geschetst. „Zij 
zijn een volk, dat op een eigenaardiger! trap van beschaving staat, 
dien men, otschoon hij niet met den toestand der natiën van Eu- 
ropa kan vergeleken worden , niet laag zou kunnen noemen zonder 
aan de waarheid te kort te doen. Zij hebben een eigen schrift, zij 
vervaardigen boeken, zij hebben vaste, ten deele zeer doeltreffende 
wetten, die streng worden in acht genomen; zij zijn zacht van 
karakter, zeer goedaardig en dankbaar voor genoten weldaden, vat- 
baar voor vriendschap en onkreukbaar in hunne trouw; zij beminnen 
de muziek en hebben geneigdheid tot stille bezigheden en de kun- 
sten des vredes; zij weven fraaie kleederen en bouwen groote, sterke 
huizen , met kunstig snijwerk aan de balken ; zij verstaan de kunst 
om metaal te bearbeiden, verschillende metalen met elkander te 
versmelten , en om allerlei voorwerpen uit elpenbeen te draaien , 
zij zijn vrij gematigd in hunne hartstochten en handelen schier 
nimmer zonder voorafgaand overleg; zij laten elke gewichtige han- 
deling door eene gepaste rede vergezeld gaan; zij beraadslagen over 
alle gemeenschappelijke belangen in openbare volksvergaderingen 
en — eten menschenvleesch !" Daar, waar ons gezag meer gevestigd 
is, en het Christendom of de Islam onder onze hoede toeneemt, 
verminderen deze eigenaardigheden in groote mate zoodat men, om 
hen goed te leeren kennen, de pas ingelijfde of de nog onafhanke- 
lijke Bataklanden moet bezoeken. Gewoonlijk verdeelt men de 
Bataks naar de hoofddialecten, die bij hen voorkomen, in Mandaï- 
lingers, Toba's en Daïri's; er bestaan echter nog tal van onder- 
verdeelingen, die o. a. door v. Brenner ') worden medegedeeld. Het 
verschil tusschen de genoemde dialecten schijnt vooral te bestaan 
in veranderingen, die de woorden volgens vaste regels ondergaan. 
Een eigenaardig verschijnsel , dat zich ook elders in den archipel 
voordoet, is het bestaan eener afzonderlijke taal bij godsdienstige 



') J. V. Bienner. Besuch bei den Kannibalen Sumatras. Würzburg 1893. 



DE DAJAKS. 213 

plechtigheden. Bij de Bataks onderscheidde v. d. Tuuk er niet 
minder dan vijf: de hata andoeng of taal dm' vrouwen die over een 
lijk weeklagen; de hata ni begoe sijar of de taal van geesten, die 
in sommige menschen gevaren zijn; de hata poda, gebruikt, in 
boeken , die over wichelarij handelen ; de hata tabas of de taal der 
gebeds- en tooverformulieren en de hata ni partodoeng of taal der 
kaniferhalers. Deze taaisoorten onderscheiden zich door het gebruik 
van bijzondere woorden en overdrachtelijke spreekwijzen, en wijken 
düs in de toepassing aanmerkelijk van het ngoko en krama in het 
hedendaagsch gebruik af. liet alfabet der Bataks, dat met het 
letterschrift der Redjangers, Korintji's en Lampongers verwant is 
wordt, evenals in de Indische schriftsoorten steeds het geval is, 
van de linker- naar de rechterzijde geschreven , maar daar bamboe- 
stokken hun gewoon schrijfmateriaal zijn, en de letters dus het 
gemakkelijkst in de lengte geteekend worden, altijd van onderen 
naar boven. 

De oorspronkelijke bevolking der uitgestrekte binnenlanden van 
Borneo wordt met den algemeenen naam van Dajaks aangeduid, 
die echter door hen zelven niet schijnt gebruikt te worden, daar 
zij zich noemen naar de streek, waar zij gevestigd zijn, zooals de 
oeloe ngadjoe, wat zou beteekenen menschen die stroomopwaarts of 
in de binnenlanden gevestigd zijn. Zij zijn weder in vele onderver- 
deelingen of stammen gesplitst, wier getal niet met juistheid op te 
geven is, doch die onderling trekken van nauwe verwantschap aan- 
bieden. De talen, door hen gesproken, zijn onderling zeer verschil- 
lend, zóó zelfs dat leden van naburige stammen elkander vaak niet 
kunnen verstaan. Dat zij op lageren trap van ontwikkeling staan 
dan de Bataks bewijst het ontbreken van letterschrift, 't welk vol- 
gens de legende wel eenmaal aan de Dajaks geopenbaard was, maar 
door hen werd ingeslikt en in geheugen veranderde. Eigen letter- 
kunde wordt dan ook onder hen niet gevonden. Ofschoon de algemeene 
trekken van het Maleische ras teruggevende, onderscheiden zich vele 
Dajaksche stammen door hunne lichtere kleur, die bij de vrouwen 
soms aan blankheid nabijkomt. Over het algemeen worden zij wegens 
huime vatbaarheid voor ontwikkeling, eerlijkheid, matigheid, zachtheid 
en lijdzaamheid geroemd, maar ook zij zijn tengevolge der voort- 
durende bijna grenzenlooze onderdrukking, waaraan zij van den kant 
der Maleiers zijn blootgesteld, zorgeloos en traag, in de hoogste mate 



214 ALFOEHEN. BALINEEZEN. 

zedeloos en staan meestal op een uiterst lagen trap van beschaving. 

Onder den naam Alfooren vat men een aantal stammen te 
samen, die de noordelijke schiereilanden van Celebes bewonen en 
bovendien op Ceram, Boeroe en eenigen der oostelijke eilanden 
gevonden worden, en in vele opzichten zeer van elkander verschillen, 
zoodat aan deze benaming geene ethnografische beteekenis kan 
worden gehecht, nog minder zelfs dan met de Dajaks het geval is. 
Bij eene zóó ongelijksoortige bevolking kan van kenmerkende eigen- 
schappen wel geen sprake zijn; bovendien hebben de Alfoeren van 
de Minahasa, die ons het best bekend zijn, door de aanneming van 
het Christendom eene groote verandering in leefwijze enz. onder- 
gaan. Ook hunne taal is in een uiterst groot getal van dialecten 
gesplitst; in de Minahasa alleen vindt men er zeker niet minder 
dan zeven , terwijl men op sommigen van de door hen bewoonde 
eilanden zelfs van dorp tot dorp een geheel ander dialect ver- 
neemt. Eigen letterschrift ontbreekt ook hun. 

Dat ook de Balineezen tot de heidensche volkeren behooren 
bleek reeds vroeger. Als dragers van den ouden Hindoe-godsdienst 
nemen zij eene geheele bijzondere plaats in, maar kunnen overigens 
niet gezegd worden eenen afzonderlijken stam uit te maken. In de 
binnenlanden van het eiland vindt men de zoogen. Bali aga, die 
met de overige Balineezen noch taal , noch godsdienst gemeen 
hebben, maar het animisme belijden, met enkele Hindoesche bestand- 
deelen vermengd. Maar behalve- de hier genoemde volkeren treft 
men nog een aantal verstrooide stammen aan, die zich hoofdzakelijk 
hierdoor onderscheiden, dat zij zelfs de geringe beschaving missen, 
welke den eerstgemelden eigen is. Tot hen behooren o. a. de Oeloe 
en Loeboe van Manda'iling op Sumatra, de orang Loeboe in 
Palembang, de orang Benoewa en orang Laut van den Riouw- 
archipel, de orang Laut en orang Goenoeng van Banka, en de 
Djakoens van het Maleische schiereiland. Andere stammen, zooals 
de Toradja's en Badjo's van Zuid-Celebes en de Bantiks van de 
Minahasa onderscheiden zich weder in andere opzichten van de hen 
omringende volkstammen. Wij zullen enkelen hunner later leeren 
kennen. 

Eene opgave van het getal der Inlanders, die Insulinde bewo- 
nen heeft, naar wij weten, slechts zeer geringe waarde. Alleen 
daar, waar ons gezag sinds langen tijd geheel gevestigd is, kunnen 



STERKTE DER BEVOLKING. 215 

de cijfers, die van Regeeringswege openbaar worden gemaakt, eenig 
vertrouwen inboezemen , terwijl zij in de meeste andere eilanden 
slechts op louter gissingen berusten , zoodat men hoogst omzichtig 
moet zijn in de gevolgtrekkingen , die men daaruit maakt. Volgens 
de officieele opgaven, in den Reg. almanak voor 1893 voorkomende, 
bestond de Inlandsche bevolking van Java bij het eind van het jaar 
1891 uit 24.133.576 zielen, een getal, dat de waarheid wel nabij zal 
komen, en in doorsnede 10.178 zielen per v. g. mijl bedraagt. 
Voor het Gouvernement van Sumatra's westkust wordt het getal 
der inwoners gesteld op 1.275.951; Bengkoelen 157.952; de Lam- 
pongs 130.690; Palembang 664.295; Oostk. v. Sumatra 306.381 
Atjeh en ond. 444.759; Riouw 97.878; Bangka 83.416; Blitong 40.430 
Borneo's Wester-afdeeling 419.359; Rorneo's Z. en O. afdeeling 763.097 
Gouvernement van Celebes 387.444; Menado588.460; Amboina 255.949 
Ternate 108.459; Timor en ond. 37.175; Bali en Lombok 1.358.247. 
Waarschijnlijk kan dit totaal van ong. 31 millioen bewoners wel 
wat hooger genomen worden, daar in den regel de opgaven eerder 
te gering dan te hoog worden gesteld. 

Maar behalve uit de Inlanders bestaat de bevolking van Insu- 
linde ook nog uit andere bestanddeelen die, ofschoon betrekkelijk 
gering in aantal, toch groote beteekenis voor de Inlandsche huis- 
houding hebben. Wanneer wij de Europeanen en met hen gelijk- 
gestelden (Java en Madoera 46.619; Buitenbezittingen 11.636), tot 
welken alle vreemde Christenen gerekend worden, niet medetellen, 
dan spelen onder de vreemdelingen (261.203 op Java en Madoera, 
238.396 op de Buitenbezittingen) de Chineezen ('243.486 op Java en 
M. 207.347 op de BB.) en de Arabieren (J. en M. 14.806. BB. 7395) 
de hoofdrol. De invloed, door hen uitgeoefend, is dikwijls diepingrij- 
pend, maar strekte zelden ten voordeeie der Inlandsche bevolking. 

Wij willen nu in de volgende bladzijden kennis maken met de 
volkeren, welken wij reeds oppervlakkig hebben geschetst. De gods- 
dienst, dien zij belijden, oefende ook op hunne huishouding eenen 
gewichtigen invloed uit, welke eene verdeeling in een tweetal 
groepen mogelijk maakt. Zij toch, die het heidendom aankleven, 
bleven op een lagen trap van beschaving staan, en kunnen tot de 
natuurvolkeren gerekend worden, althans voor zooverre die heiden- 
sche godsdienst niet van een beschaafd ras afkomstig was, zooals 



246 DE DESA. 

op Baü het geval is. De Islam , hoe slecht vaak begrepen en hoe 
weinig ook dikwijls tot het innerlijke leven van het volk doürgedrongen, 
vereenigde toch de Moslemsclie stammen met eenen sterken band 
en drukte eenen eigenaardigen stempel op de bevolking, die Allah 
en den profeet vereerde. Het Chiistendom had tot heden toe eene 
minder krachtige uitwerking, behalve in enkele streken, zooals in 
de Minahasa, waar een groot deel der Inlandsche bevolking zich 
tot dien godsdienst bekeerde. Wij stellen ons nu voor in de beide 
volgende hoofdstukken de voornaamste Moslemsclie en heidensche 
stammen te beschrijven en daarbij elk dier stammen in het bijzonder 
te behandelen. 



HOOFDSTUK II. 



SCHETSEN UIT DE HUISHOUDING DER MOSLEMSCHE BEVOLKING. 



Wij zullen wel geen onjuist oordeel uitspreken wanneer wij 
aannemen , dat onder de bewoners van Insulinde de Javaan onzen 
lezers het meeste belang inboezemt. Willen wij hem goed leeren 
kennen, dan moeten wij ons naar de binnenlanden begeven en het 
volksleven in de desa — het dorp — gadeslaan, maar ons niet in 
de groote kustplaatsen ophouden, waar de invloed der Europeanen 
eene aanmerkelijke, doch zelden weldadige wijziging in de leefwijze 
der Inlanders tengevolge had. Zelfs moeten wij ons daartoe nie't 
aan de hoven der Vorstenlanden ophouden, want af zullen wij bij 
een bezoek bij de vorsten aldaar een aantal eigenaardige Inlandsche 
gewoonten en gebruiken aantreffen, zoo vindt men toch het eigen- 
lijke volksleven vooral in de rustige, eenzame dorpen, waar de 
Javaansche landbouwer in vrede en kalmte zijn leven slijt. Wij 
noodigen derhalve onze lezers uit, ons naar eene desa op Midden- 
Java te vergezellen. Vóór wij die echter betreden, mogen eenige 
mededeeiingen voorafgaan omtrent de wijze, waarop nieuwe neder- 



ONTGINNINGEN. 217 

zettingen op Java ontstaan, i) Allerlei omstanriiglieden kiinnen 
daartoe aanleiding geven; meestal is overbevolking in eene desa 
de voornaamste reden tot verhuizing, maar ook andere oorzaken 
kunnen daartoe bijdragen, zooals epidemiën, oneenigheden enz. 
Want ofschoon de Javaan in den regel zeer aan zijne gebooi'teplaats 
gehecht is, zijn verhuizingen op Java volstrekt niet zoo zeldzaam 
als meermalen beweerd werd. De bekwame kenner der Javaansche 
maatschappij, Prof. C. Poensen, verzekert ons dan ook dat betrek- 
kelijk zeer weinig erven in grootere desa's nog door de nakome- 
lingen der aanleggers van het dorp bewoond woiden. De veihui- 
zenden stellen zich in den regel onder den oudste of energiekste 
en gaan het gebaande pad op, totdat dit ophoudt en een weg in de 
wildernis moet worden gemaakt. Dicht bij de plaats gekomen , die 
voor de nederzetting werd uitgekozen, gaat de aanvoerder vooruit 
en roept Ilias, Salomo's zoon aan die over de bosschen heerscht, 
om zijn zegen af te smeeken , of hij richt een gebed tot Karoeng 
Kala, den vorst der jagers en jongeren broeder van Penoehoen, 
den Koning der landbouwers. Zoo veel mogelijk wordt voor de 
woonplaatsen een hoog gelegen terrein gekozen , dat het minst 
begroeid is, maar ook het best tegen wilde dieren verdedigd kan 
worden. Gemeenschappelijk wordt het werk der ontginning ter hand 
genomen; allereerst wordt voorloopig voor de woningen gezorgd en 
daarna tot de ontginning overgegaan, waai'bij de sterkeren de hoo- 
rnen op stomp hakken , terwijl de ouderen en jongeren de struiken 
en grassen wegkappen. Daarna wordt het van hout bevrijde land 
onder de ontginners in der minne verdeeld; hij, die het slechtste stuk 
land ontvangt, krijgt daarentegen een grooter aandeel. In den regel gaat 
alles zonder twist en is de beslissing van den aanvoerder voldoende 
om aan alle oneenigheid een einde te maken. Aanvankelijk wordt 
slechts zooveel gronds ontgonnen, als groot genoeg is voorde behoefte 
van één jaar; het gevelde hout wordt verbrand , de takken opgestapeld 
voor eene omheining en het oifermaal gehouden , waarbij de kinde- 
ren de bamboezen horden, die voor etenschalen dienen, moeten 
vullen om de boschgeesten te bevredigen. Dan moet aan het dorp 
een naam gegeven worden , waarbij vaak eene onbeduidende om- 
standigheid den doorslag geeft. Zoo werd langen tijd in Banjoe- 



') Sollewijn Gelpke in -de Gids. 1874. I. 



218 ONTGINNINGEN. 

mas vruchteloos gezocht naar Je beteekenis van den naam Tajem , 
aan een grensdesa gegeven , totdat een stokoud man verzekerde 
dat de stichter het eerste woord gekozen had, dat zijn kind op die 
plaats zou uitspreken. Dit had honger en vroeg om rijsteineel-pap, 
en „minta pajem" was in zijn gebroken taal tajem geworden ! Met de 
beschreven werkzaamheden is de voorloopige ontginning afgeloopen ; 
de huizen worden nu afgewerkt, de erven daar omheen worden 
afgeperkt en met gewassen beplant, die spoedig vruchten geven, 
en verder wordt zooveel grond ontgonnen , als voor de behoefte der 
bevolking noodig is. Gewoordijk blijft er een nauwe band bestaan 
tusschen de moederdesa en het nieuwe gehucht, en vormen zij te 
samen een politieke eenheid, iets dat ook op de andere eilanden 
van den archipel bij de stichting van nieuwe nederzettingen het 
geval is. Soms echter scheidt het nieuwe dorp zich af en vormt 
een op zich zelf staand geheel. 

Voor alle ontginningen van woeste gronden door Inlanders is 
thans vergunning van het bestuur noodig, die gegeven wordt 
volgens de regels in St. 1874.79 vermeld. Vóór dien tijd werd wel 
is waar ook eene dergelijke vergunning vereischt, maar daar er 
geene straffen gesteld waren op overtreding van die bepaling 
werd dit voorschrift maar al te vaak overtreden en op roekelooze 
wijze een ware roofbouw gedreven. Op de helUngen der bergen 
werd een stuk grond uitgekozen en met de minst mogelijke inspan- 
ning geschikt gemaakt om daaruit een of twee oogsten te trekken, 
waarna de plaats weder werd verlaten. Van duurzame ontgiiming 
was geen sprake; tegen de wegspoeling der kostbare teelaarde 
werd niet gewaakt, zoodat millioenen kubieke meters daarvan naar 
zee werden gespoeld en voor goed verloren gingen. En vaak werd 
eenvoudig een stuk woud in brand gestoken om op de vrij gekomen 
plek eenige oogsten te verkrijgen, waarna de uitgemergelde bodem 
verlaten werd en aan de wildernis prijs gegeven. Het spreekt van 
zelf dat op de Buitenbezittingen , waar wij geen toezicht uitoefenen , 
dit kwaad het ergste voortwoekert. Prof. Wichman verhaalt, dat 
hij den eersten dag na zijne aankomst te Loka (Celebes. Dl. I. 
p. 322) den Lompo Battang s'avonds als het ware in lichterlaaie 
vlammen zag opgaan, daar uitgestrekte wouden aan het vuur 
werden prijs gegeven, alleen om enkele oogsten van de ma'isplant 
te verkrijgen. Maar ook op Java is dit kwaad niet geheel uitge- 



WONINGEN OP JAVA. 219 

roeid; in 4802 moesten niet minder dan 2785 personen wegens eigen- 
machtige oiitgiimingen worden gestraft, teiwijl liet euvel in enkele 
desa's in Tjeribon zoo algemeen was, dat van eene strafrechtelijke 
vervolging daar moest worden afgezien. De kale wanden van menigen 
berg op Java en elders leggen welsprekende bewijzen af van de 
mishandeling die de hand des menschen hen deed ondergaan , — 
doch ook de Europeesche industrie heeft hier en daar krachtig 
medegewerkt om den oorspronkelijken plantentooi van Insulinde te 
vernietigen. De gemelde verordening tracht tegen dit misbruik te 
waken, althans voor zoover het door Inlanders wordt gepleegd, 
door bepalingen omtrent den tijd, binnen welken de ontginning 
moet zijn afgeloopen en door voorschriften omtrent duurzame 
afperking en behoorlijken aanleg der velden, ten einde de afspoe- 
ling der bouwkruin tegen te gaan. De ontginner, die aan deze 
voorwaarden voldoet, krijgt den grond in „erfelijk, individueel 
bezit". Wij stellen ons voor, spoedig medetedeelen wat onder die 
uitdrukking verstaan wordt, en willen ons nu haasten den weg in 
te slaan, die ons eene desa zal binnenleiden. 

Ons pad , door de rijstvelden zich slingerende, brengt ons weldra 
in de nabijheid van de desa, die wij willen bezoeken, maar tien 
tegen één dat gij, indien ge op Java vreemd zijt, dit niet bemerkt 
en ongeloovig glimlacht , wanneer wij u verzekeren dat gij weldra 
een Javaansch dorp zult betreden. Want gij ziet te midden der 
rijstvelden niets vóór u dan een boschje, met eene levende heining 
van bamboe omringd, die eenen ondoordringbaren muur vormt, 
waarin slechts hier en daar openingen gemaakt zijn. En toch zijn 
wij hier bij het middenpunt van het Javaansche volksleven, want 
in die boschjes verbergen zich de hutten der Inlanders, al doet 
niets op eenigen afstand u vermoeden, dat gij eene bewoonde plaats 
nadert, vooral niet op het midden van den dag, als de hitte 
overal doodsche stilte veroorzaakt. Dringen wij nu verder door, 
dan zien wij dat deze hutten hoogst eenvoudig zijn. meestal van 
bamboe vervaardigd of slechts van houten latten samengesteld, welken 
door matten wanden van gevlochten nipah verbonden zijn, die een 
slechts weinig beteekenenden hinderpaal vormen voor boosdoeners, 
daar dezen gemakkelijk eene opening in de wanden kunnen maken 
en zoo binnensluipen. Dikwijls wordt de wand aan de binnenzijde 
bekleed met aan elkander geregen bladeren, die langwerpig, glad 



2'20 WONINGEN 01' JAVA. 

en vrij stevig zijn , terwijl soms , bij gegoede personen , de wanden 
van binnen met de een of andere stol' behangen zijn. Men oiidi'r- 
acheidt de Javaansche huizen naar hunne bouworde in een vijftal 
soorten, ') waarvan het verschil in vormen bepaald wordt door het 
dak, dat eenigszins naar voren uitsteekt en met nipah-bladeren of 
alang-alang gedekt is, of ook somstijds uit gespleten bamboe- 
latten bestaat, die in twee lagen boven elkander gestapeld worden, 
waarvan de onderste met de holle zijde en de andere met den 
bollen kant naar boven gelegd is. Meermalen rust het uitstekend 
gedeelte van het dak op palen en vormt een soort van gaanderij , 
die gewoonlijk voor huishoudelijke doeleinden gebruikt wordt en 
soms aan twee zijden ter halver hoogte van een gevlochten wand 
voorzien is. Vaak vindt men er de kooi, waarin eene tortelduif 
bewaard wordt, die van tijd tot tijd haar klagend gekir aanheft, 
en door meiiigen Javaan op hoogen prijs gesteld wordt, niet het 
minst dewijl hij gelooft dat de vogel, honderd jaar oud geworden, 
hem met een gouden ei zal verrassen! Zeer eenvoudige woningen 
bestaan uit slechts eene afdeeling; veelal echter is de woonplaats 
uit twee of drie samenhangende huizen samengesteld, waarvan 
de daken door een houten goot met elkander verbonden zijn. 
Soms, — en in de Soenda-landen is dit de regel, — is de vloer, 
uit uitgeslagen bamboe bestaande, een paar voeten boven den 
beganen grond verheven met de stijlen op riviersteenen bevestigd 
en dient de tusscheiiruimte dan voor verblijf van kippen en geiten. 
Een afzonderlijk bamboehuisje, zoo dicht mogelijk bij de woning 
geplaatst en dat er vaak smerig genoeg uitziet, wordt als keuken 
gebruikt; een van steenen met aarde en zemelen gemetseld for- 
nuisje, een rustbank en eenige bamboe-toestellen om eetwaren en 
potten op te zetten of te bewaren vormt met het kookgereedschap 
den eenvoudigen inboedel van de keuken, die onze huisvrouwen 
zeker weinig zou aanstaan. 

Maar ook als wij de woning zelve binnentreden zullen wij weinig 
aanti'effen, wat ons aantrekkelijk voorkomt. Laten wij beginnen met 
de deur te openen, die van bamboe gemaakt is, en soms niet 
meer is dan een schuif in den voorwand, maar ook wel een soort 
van klapdeur is, die wij bij den onderrand moeten opnemen en 



') Poensen in Med. v. w. h. Ned. Zendeling gen. XIX. 



WONINGEN OP JAVA. 224 

neerlaten. Draaiende deuren worden echter ook aangetroffen. Wij 
treden nu het eerste huis, de saloe binnen, dat bestemd is om 
gasten te ontvangen, en dat soms een vierl<ant gat in den wand 
heeft, met een klapluik, en waardoor dus licht en lucht kunnen 
binnentreden; soms staat zelfs de wand slechts ter halver hoogte 
vast en is de bovenhelft als luik opgehangen , zoodat men die op 
en neer kan laten. Het eigenlijke voorhuis, dat achter aan ligt, 
ontvangt op geen andere wijze licht en lucht dan door de deur en 
de scheuren en gaten in den wand. In de 'saloe vindt men gewoonlijk 
een groote rustbank. 

Wanneer wij deze ruimte zijn doorgegaan dan komen wij , 
althans in eene woning, uit drie huizen bestaande, in de kampong, 
een soort van doorgang, die meestal slechts gedeeltelijk door ge- 
vlochten wanden van de saloe is afgescheiden en waar bij aanzien- 
lijken de wajang vertoond wordt. Wij houden ons hier niet op, 
maar gaan de kampong teistond door en komen door een deur in 
het eigenlijke woonhuis en bevinden ons in het grootste der zes 
vertrekken, waaruit dit gewoonlijk bestaat. Daar bevindt zich een 
rustbank, gewoonlijk de slaapplaats der ouders, terwijl de kinderen 
in een van het tweetal vertrekjes slapen, die zich aan onze rechter- 
hand bevinden en waar ook de jonggehuwden den nacht doorbrengen 
wanneer zij bij de ouders der vrouw hun intrek nemen. Aan de 
achterzijde der woning zijn nog een drietal vei'trekken, die door een 
doorloopenden wand van de genoemde kamers gescheiden zijn. Het 
middelste dier vertrekken dient bij beperkte ruimte tot slaapplaats, 
zoodat daar dan ook een rustbank geplaatst is. Bij rijkeren wordt 
die ruimte echter hoofdzakelijk gebruikt als staatsievertrek bij brui- 
loften. Aan weerszijden van deze kamer, en dus evenzeer aan den 
achterwand van het huis, vindt men twee vertrekken, dienende als 
bewaarplaatsen voor 't geen men dagelijks voor eten en drinken 
noodig heeft, — kopjes, borden enz.; — en voor de gereedschappen, 
als spinnewiel enz. 

Al zijn deze woningen niet weelderig te noemen, zoo hebben 
zij toch het niet onbelangrijke voordeel , dat zij gemakkelijk ver- 
plaatst kunnen worden, immers, men behoeft het huis slechts af 
te breken, de verschillende vakken van de wanden in hun geheel 
over te dragen en de stijlen te verplaatsen, en 's avonds woont men 
vaak reeds in het nieuwe huis. Ook zijn zij goedkoop; soms worden 



222 WONINGEN 0I> JAVA. 

de, trouwens dan zeer armzalige hutjes voor f\0. — en /15. — , maar 
ook wel voor f 80. — en meer verkoclit, al naar mate van de hoe- 
daniglieid van het liouten geraamte. Het verblijf daarbinnen zou 
ons zeker niet bevallen, vooral niet, wanneer de steenen pot met 
brandend stroo en kaf gevuld wordt om de muskieten en andere 
insecten door den rook te verdrijven, die zich door de half openge- 
schoven deur een uitweg baant, terwijl er ter nauwernood licht 
genoeg binnen komt om het een en ander in de woning te kunnen 
onderscheiden. Vooral bij oudere huizen kan het er echter vaak 
tochtig genoeg binnen's huis zijn ; dit en de bij nat weder vochtige 
en kleverige vloer, die slechts uit de een weinig opgehoogde beganen 
grond bestaat, schijnen voor een deel de oorzaak te zijn van de 
koortsen en verkoudheden, aan welken de Javanen dikwijls lijden, 
s' Avonds vooral is de woning, naar onze begrippen althans, zeer 
ongezellig. Een enkel pitje in een oliebakje, dat op een houten 
standaard geplaatst is, of een petroleum-lampje verlicht te nauwer- 
nood de omgeving; bij nat weder wordt een vuurtje gestookt, dat 
het vertrek met rook vervult, terwijl de bewoners, om het vuur 
gehurkt den tijd met zalig nietsdoen doorbrengen of zich vermaken 
met op zangerigen toon uit een Javaansch geschrift hardop te lezen. 
Ook het huisraad, dat men in die hutten aantreft, is niet veel bijzonders 
en geheel in overeenstemming met de woning zelve. De hoofdplaats 
vervult de baié-balé of rustbank , van bamboe gevlochten , de gelief- 
koosde verblijfplaats van den heer des huizes , wanneer hij niet in 
het veld is, — tevens de plaats waar men eet. Het bed bestaat uit 
een mat en een kussen, met kapok gevuld; dikwijls wordt dit door 
een katoenen voorhangsel van het overige gedeelte van het vertrek 
gescheiden. In sommige streken wordt de slaapkamer bijna geheel 
door de rustbank ingenomen ; jong en oud slaapt dan door elkander. 
Ook de overige meubelen, — als wij ze althans zóó mogen noemen, — 
zijn hoogst eenvoudig. In de eerste plaats noemen wij de grobok 
of groote kist op rollen ter berging van kleedingstukken , althans 
indien de bewoner zoo'n voorwerp bezit, daar hij gewoonlijk zijne 
bezittingen eenvoudig in een bonten zakdoek knoopt. Bij rijkeren 
vindt men ook de pethi, een kleinere, bont geschilderde en vergulde 
kist, voor kleederen, byouteriën en geld bestemd, en tevens als 
reisvalies dienende. Voorts vindt men er de kwispedoor, bij rijken 
van koper, bij geringen van aarde of slechts een bamboezen 



■Woningen op ja va. 22Ji 

koker, het lampje, mandjes van allerlei soort enz., die behalve het 
koukengereedschap en de werktuigen op den landbouw oi' nijverheid 
betrekking hebbende, de voornaamste voorwerpen zijn, welke in 
de woning van den Javaanschen landbouwer gevonden worden. 
Het spreekt van zelf dat dit alles verschilt naarmate van het meerder 
of' minder aanzien en den rijkdom van den bewoner, ofschoon ook 
bij rijkeren dikwijls dezelfde voorwerpen, doch van kostbaarder stoffen 
worden aangetroffen. De woningen (dalem) der regenten en andere 
aanzienlijke hoofden , die hun door het Gouvernement verstrekt 
worden, bestaan uit eenige meest steenen gebouwen, waarbinnen 
ook de woonplaatsen van hun gevolg zich bevinden. De plaats der 
saloe wordt bij hen ingenomen door de ons reeds bekende pendapa, 
die geheel open is en uit een op palen rustend dak bestaat, en dat 
in stede van wanden , bamboezen jaloeziën heeft die tot den grond 
neerhangen. Daar houdt de regent zich over dag vaak op , wacht 
er bezoeken af en geeft er gehoor. Betreedt men de pendapa, en 
ook de woning van den regent, dan vindt men ze vaak rijkelijk 
met Europeesche meubelen versierd; vroeger vooral werd daarbij 
dikwijls te veel aan praalzucht toegegeven en maakte het geheel 
een zonderlingen indruk. „Opgepropt met Europeesche meubelen" 
zegt de hr. Ritter, „zijn deze gebouwen, in allerlei stijl van de vroegste 
tijden tot op heden , doch vaak in de grootste wanorde geschikt en 
oppervlakkig wel zindelijk, doch bij eene nauwkeurige opname niet 
veel over hebbende. In de pendapa prijken prachtige mahonie-houten 
tafels, stoelen en rustbanken, de schoonste schilderijen versieren de 
bijna geheel uit jaloeziën bestaande wanden en van de vergulde 
zoldering dalen de grootste bronzen lampen neder; maar alles, tot zelfs 
het draaiorgel, dat daar in een hoek staat en geen geluid meer geeft 
en het eens zoo sierlijke buffet, dat nu beduimeld, een tegenhanger 
daarvan uitmaakt; alles heeft een zweem van onoogelijkheid en 
wanorde , en draagt het kenmerk van veronachtzaming in de hoogste 
mate." Meer en meer begint dit echter uitzondering te worden en 
weten de regenten in dit opzicht met de Europeanen te wedijveren. 
Dat ook woningen van particulieren zich somtijds gunstig van de 
gewone hutten der Iidanders onderscheiden, hebben wij bij de be- 
schrijving van Koedoes gezien (Dl. 1. p. 132), terwijl ook elders in 
vele desa's de verblijven van meer gegoeden van het gegeven voor- 
beeld afwijken, door fraai snijwerk uitmunten en soms massief 



224 ERVKN Ol' JAVA. 

houtfn (Ipiiren hobben , met fraaie omlijstinp van snij- of heeldboiiw 
wt'iic, — maar dan ouk vele liondenien guldens icosten, sunis zeli's 
f 2Ü00 vorderden. 

De woningen in de desa zijn in den regel door erven omgeven, 
die zorgvuldig door heggen vazi bamboe van elkander zijn geschei- 
den, terwijl smalle voet[)aden de wegen zijn, welken er tusschen 
doorloopen. Grooter of' kleiner, naarmate van de welvaait van den 
bewoner, zijn /.ij met vruchtboomen en andere gewassen beplant, 
terwijl zij bij vele meer gegoeden gedeeltelijk in gebruik aan anderen 
zijn afgestaan, die dan van den bezitter van het erf afhankelijk zijn. 
Niet overal echter is dit het geval. Zoo vindt men in Banjoewangi 
vaak de woonhuizen en rijstschuren van de geheele desa op een 
algemeen groot erf, dicht bij elkander, en onregelmatig, zonder 
eenige zichtbare afbakening van erfjes zoodat men langs de ruimte, 
die tusschen de huizen gelaten wordt en gewoonlijk niet met boomen 
beplant is, in alle richtingen vrij door het dorp kan gaan. Meestal 
bezitten de welgestelde ingezetenen aldaar stukken gronds buiten 
de desa, die zij met de gewassen beplanten, welke elders op de 
erven gevonden worden; vruchtboomen, en vooral pisangs, bamboe 
en aardvruchten. Zijn de erven , die wij buiten Banjoewangi aan- 
trelTen, ruim genoeg dan wordt er zelfs suikerriet en padi op ge- 
teeld; zooveel mogelijk tracht het bestuur den bezitter overtehalen 
langs de heining van het erf katoen , kokos- en andere boomen aan 
te planten, waarvan de vruchten ter zijner beschikking zijn. Gaat 
hij er echter toe over om op deze wijze zoogenaamde pagger-koflie 
op zijn erf te kweeken dan moet hij de vruchten daarvan aan het 
Gouvernement tegen betaling leveren. Dat ook de groote palmen niet 
ontbreken spreekt wel van zelf; vooral de kokos-palmen, die hunne 
kruinen verheffen boven alles wat hen omringt, maken een voor- 
name bron van welvaart voor den Javaanschen landbouwer uit. 
Bloemen worden slechts zeer zelden gekweekt; de ^org voor het 
onderhoud van een en ander laat ook dikwijls veel te wenschen over. 

Gewoonlijk vindt men eenige gebouwtjes op het erf en zonder 
uitzondering is dit het geval met de loemboeng of rijstschuur die 
door haren vreemden vorm in het oog valt. Meestal toch is het een 
langwerpig vierkant gebouwtje van bamboe vervaardigd, dat in de 
hoogte breeder is dan van onderen, en de deur in de hoogte, boven 
den verbindingsbalk heeft, zoodat de rijst er langs een ladder inge- 



iiuisuAAii i:n/. 




1. Weefgetouw om sarongs te weven. 2. 2a. Eijstblok met stamper. 3. 3a. 3b. Gereedschap 
voor het sago kloppen. 4. 4a. Gereedschap voor het batikken. 5. Opiumpijp. G. Gendoet met 
pijpenkop (Bataks). 7. Javaanseh spinnewiel. 8. 8a. Gereedschap voor het plukken van kruid- 
nagelen. 9. 9a. 96. Gereedschap voor het winnen van sagoweer. 10. Draagbare gaarkeuken. 
11. Sirilidoos (Timor). 12. Drinkbeker (Timor). 13. Tampajan (Dajaks). 



ERVEN OP JAVA. 225 

dragen moet worden of ook wel van beneden af er wordt ingeworpen. 
Zeer juist weet de eigenaar u optegcven , hoeveel lijst de schuur 
inhoudt en, vol zijnde, bevatten kan. Wanneer de desa geen gemeen- 
schappelijke stalling voor bulTels of koeien heeft, ontbreekt ook de 
buffelkraal niet, een met balken afgeschutte modderpoel, soms 
zóó diep dat de buffel er zich geheel in kan wentelen en over zijn 
geheele lichaam met een dikke modderlaag tfedekt is wat, naar 
men beweert, een goed middel tegen de muskieten zou zijn. Voor 
de sapi's of koeien moet men echter een droge plek uitzoeken, 
daar de dieren anders wegkwijnen. Is de bezitter van het erf een 
paard rijk, dan vindt men er ook den zeer eenvoudigen stal, gedekt 
door een laag afhangend dak van alang-alang zonder wanden, maar 
met stevige houten latten omgeven. De ruif is gewoonlijk een ge- 
bogen bamboe-vlechtwerk en een uitgeholde balk of boom dient 
voor drinkbak. Wij mogen ook den put niet vergeten die , wanneer 
er geen rivier of beek in de buurt is, ook gebruikt wordt om op 
de Indische wijze te baden , d. w. z. door het water over het lichaam 
te gieten (siram). Wanneer er geen zware boomen op het erf 
staan vindt men meestal op het erf nog een alang-alang dakje op 
vier stijltjes, waaronder een boomstam ligt, met een rond gat aan 
het uiteinde, en dat dient om de rijst in te stampen. Hiermede 
hebben wij wel het voornaamste aanschouwd wat het erf ons te 
zien geeft. Ook wanneer wij verder het dorp ingaan trekt niets 
onze bijzondere aandacht, tenzij het de begraafplaats mocht zijn, 
die op hooge en droog gelegen gronden wordt aangelegd, en ge- 
woonlijk, doch niet altijd, met zorg is onderhouden. Zij is gemak- 
kelijk te herkennen aan den kambodja, een boom die eigenaardig 
op deze laatste rustplaats te huis behoort, daar zij gedurende den 
bloeitijd bladerloos is, maar dan met groote witte, sterk riekende 
bloesems prijkt, en dezen voortdurend over de graven strooit. Ook 
andere welriekende bloemen worden daar dikwijls geplant. Een 
viertal houten paaltjes en eene kleine verhevenheid wijzen de plaats 
aan, waar een lijk is begraven. In de desa's op West-Java treffen 
wij gewoonlijk eene open ruimte aan, de aloen-aloen, die met een 
waringin prijkt en waar vaak de langgar, het bedehuis, gelegen is. 
Dergelijke aloen-aloen's ziet men eldeis op Java alleen vóór de 
woningen der legenten. Tusschen de heggen der dorpen en de 
omliggende akkers vindt men de grasvelden, die tot weideplaats 
II. 15 



226 COMMUNAAL HE'/IT. 

voor ileii bulTel dienen en met een aantal schoone en schitterende 
bloemen, hier en daar zelfs met een enkelen vruchtboom beplant 
zijn, maar die geen gras opleveren, dut tot voedsel voor paarden 
van Europeanen en hoofden geschikt wordt geoordeeld, zoodat men 
dit op vochtige, beschaduwde plaatsen zoeken en snijden moet. 
Behalve de rijstvelden, die de desa's omgeven , behooren tot het 
grondgebied van vele dorpen nog de bosschen, moerassen en de 
zoogenaamde woeste gronden , onder welke benaming men de niet 
ontgonnen landen verstaat of ook die gronden welken, vroeger 
bebouwd, daarna weder verlaten werden, en metalang-alang, glagah 
en laag struikgewas begroeid zijn. Ten opzichte nu van de rechten, 
welke de bevolking op deze verschillende gronden uitoefent, moeten 
wij hier het volgende in het midden brengen. 

Niet enkel als een politiek lichaam heeft de desa een zelfstandig 
bestaan, evenals bij ons de gemeente, maar een aantal banden van 
zuiver burgerrechtelijken aard houden de bewoners der dorpen op 
Java te samen. Een groote, ofschoon niet de eenige rol speelt hier- 
bij het communaal bezit, een uitdrukking die te kennen geeft dat 
de bebouwde gronden aan de geheele desa behooren, en niet aan 
bepaald aangewezen personen'). Dit wil nu niet zeggen, dat de 
gronden door de dorpsbewoners gemeenschappelijk gebruikt worden; 
integendeel, zij worden vaak jaarlijks, dikwijls ook met langere 
tusschenrumiten, verdeeld onder de rechthebbenden, (want niet iedere 
dorpsbewoner heeft aanspraak op een aandeel in de gronden), die 
nu elk hun aandeel ontvangen , waarvan de uitgestrektheid door de 
volksgebruiken , niet zelden echter ook door de gunst der dorps- 
hoofden geregeld wordt. De opbrengst van dat stuk land komt ten 
bate van hem, aan wien het is toegedeeld. Niet alle gronden echter 
verkeeren in denzelfden toestand. De gemeene weiden en bosschen 
strekken, evenals zulks in Nederland met de marken wel het geval 
is, ten algemeene nutte van de dorpsbewoners, die hun vee aldaar 
kunnen laten grazen , hout en bamboe vellen enz. De erven , welken 
wij vroeger beschreven, zijn daarentegen in den regel in handen van 
individueele bezitters, die met uitsluiting van ieder ander de eenige 



') Eindresumé v. h. onderzoek n. d. rechten v. d. Inl. op den grond op Java en 
M. Bat. 1876, 1880. Volgens het laatste kol. versl. bedraagt het aantal bouwgronden 
op Java, buiten de Vorstenlanden, in communaal bezit 1.901.844; in individueel bezit 
1.918.219 bouws. 



COMMUNAAL BEZIT. 227 

rechthebbenden op huis en erf zijn. Het zijn dus hoofdzakelijk de 
rijstvehlen, die in communaal bezit zijn, maar zelfs dit is niet overal 
het geval. In Madoera, Besocki, de Pi'eanger, Krawaiig, Batavia en 
Bantam , waar Madoereezen en Soendaneezen de meerderheid der 
bevolking uitmaken, bestaat het individueele bezitsrecht bijna uit- 
sluitend en behoort elk ontgonnen stuk land aan eenen afzonder- 
lijken bezitter, die alleen meester over den grond is. Maar zelfs op 
Midden-Java, waar het communaal landbezit overheerschend is en 
bijna 60% der bebouwde gronden bevat, vindt men een aantal rijst- 
velden (970.Ü60 bouws), die niet tot de desagronden behooren, 
maar door bijzondere [lersonen bezeten worden. Op vele plaatsen 
toch doet de ontginning van woeste gronden een recht op den ont- 
gonnen bodem geboren worden, dat erfelijk individueel gebruiksrecht 
genoemd wordt en hierin bestaat, dat de grond in het uitsluitend 
bezit blijft van den ontginner en zijne rechtverkiijgenden door erfenis 
enz. Maar niet overal wordt dat recht, uit eerste ontginning voort- 
spruitende, erkend; dikwijls komt ook de nieuw ontgonnen grond, 
na verloop van zekeren termijn, tot de gemeenschap. Hierbij heerscht 
veel plaatselijk verschil; in sommige dorpen b. v. blijft een gedeelte 
van den ontgonnen grond in het bezit van den ontginner en zijne 
rechtverkrijgenden en wordt een ander gedeelte communaal gemaakt. 
In het algemeen gesproken kan men wel aannemen dat daar, waar 
communaal bezit heerscht, de gemeente ongaarne ziet dat er velden 
in individueel bezit worden gehouden, en dit wel omdat de dorps- 
lasten, met name de heerendiensten, dan niet meer gelijkelijk over 
de bezitters der velden kunnen worden ingeslagen, en men dan 
niet meer het beginsel „gelijke lusten, gelijke lasten" kan toepassen, 
zoodat niet zelden hooggaande twisten ontstaan in desa's waar, 
tengevolge van de vroeger besproken ordonnantie van 1874 5.79 indi- 
vidueel gebruiksrecht aan het ontginnen van gronden verbonden 
isi). Het is zeer moeilijk uittemaken, wat de oorsprong van het 
communaal bezit op Java is. Het is bekend dat men dat recht thans 
nog in Rusland aantreft, terwijl in verschillende deelen der aarde, 
Duitschland, Italië, Engeland en Indië de dorpseenheid de oorspron- 
kelijke wijze van grondbezit was. Het lag dan ook voor de hand 



') H. E. B. Schmalhausen. Voorstel tot afschaffing der heerendiensten enz. Soera- 
baja. 1889. 



Ö2Ö COMMUNAAL UE'/Af. 

om te meenen dat het communaal-bezit op Java uit Voor-lndië 
afkomstig was on door de Ilindoe's op dat eiland was inpo,vof;rd. 
Het auiigeliaald Resumé heeft echter aangctuoiid dat dit recht, zooals 
het thans bestaat, in verreweg de meeste streken van Java ontstond 
door de invoering van het cultuurstelsel en door den druk der 
heerendiensten, zoodat het daar het vroeger bestaande iridividueele 
recht heeft vervangen. Het moet echter vreemd genoemd worden 
dat door dergelijke uitwendige oorzaken een geheel nieuwe bezits- 
vorm op Java zou zijn ingevoerd; dit schijnt te pleiten voor de 
meening van Prof. Wilken '), dat men hier te doen heeft met eene 
herleving van vroeger bestaande rechtstoestanden. 

Nu kan het zeker niet ontkend worden dat het communaal 
bezit van den grond eigenaardige bezwaren oplevert, zoodat du Bus 
den gebrekkigen oeconomischen toestand op Java grootendeels aan 
dit bezit toeschreef. Wel is waar waarborgt het, zoo niet aan alle, 
dan toch aan een groot deel der dorpsgenooten een aandeel in de 
velden en verhindert het de vereeniging van groote stukken land 
in één hand, en voorkomt aldus de gevaren aan een uitgebreid 
landbezit in handen van enkelen verbonden. Maar de machtige 
spoorslag van het eigenbelang wordt hier geheel gemist. Wanneer 
de gronden in handen van individueele bezitters zijn, hebben dezen 
belang bij de verbetering hunner akkers, maar die prikkel wordt 
weggenomen als zij de zekerheid missen, dat die verbeteringen ten 
hunnen voordeele zullen strekken en verwachten moeten dat bij 
eene aanstaande verdeeling hun stukje land in handen van een 
ander zal vallen. Bovendien is de verdeeling een ruime bron voor 
knevelarij en gunstbetoon, daar het meestal in de macht der dorps- 
hoofden ligt min of meer goede stukken gronds aan dezen of genen 
dorpsgenoot toetewijzen. En bovendien geeft het communaal bezit 
maar al te vaak aanleiding tot opeenhooping van de bevolking in 
eene desa, omdat de deelgerechtigden zich tevreden stellen met de 
stukjes land, die zij verkrijgen, al wordt hun aandeel zóó klein, dat 
het ternauwernood toereikend is voor het onderhoud van hen en 
hun gezin. Het is zelfs in sommige desa's voorgekomen dat de deel- 
gerechtigden beurtelings, met tusschenpoozen van één jaar of langer, 
aandeel in de velden verkregen, en dus een tijdlang van het grond- 



') Dr. G. A. Wilken. Handleiding uitg. door C. M. Pieijte. Leiden 1893. 



CONVERSIE VAN HET COMMUNAAL BEZIT. 229 

bezit werden uitgesloten, terwijl men toch nog voortging te ver- 
deelen, hoe klein het aandeel ook werd. Het zal ons dan ook niet 
bevreemden te vernemen, dat meermalen van regeeringswege pogin- 
gen zijn aangewend om aan dien toestand een eind te maken en 
het individueel grondbezit te bevorderen. In de vroeger (p. 51) ge- 
noemde cultuurwet van den Minister F. v. d. Putte werd aan de 
meerderheid van de bevolking der desa de vrijheid gegeven, het 
communaal bezit in individueel bezit te veranderen (converteeren). 
De agrarische wet bevatte in dit opzicht geene voorschriften, daar 
de Minister de Waal dit aan den tijd en de vrije verkiezing der 
gemeente wilde overlaten. Van tijd tot tijd kwamen nu conversies 
voor; in 1874 scheen het zelfs, dat de bevolking van een groot deel 
van Java overtuigd was van de voordeelen, die het individueel bezit 
boven communaal bezit aanbiedt. De Algemeene Secretaris, de Hr, 
Levysohn Norman, was door den Gouv. Generaal Loudon belast met 
het instellen van een onderzoek naar de werking der agrarische 
verordeningen, en overal waar hij zich vertoonde vond hij de bevol- 
king geneigd haar communaal bezit prijs geven. Maar deze bewe- 
ging werd plotseling gestuit toen het Opperbestuur telegraphisch 
last gaf, dat de reis van den Algemeene Secretaris zou gestaakt 
worden; nieuwe conversies op eenigszins belangrijke schaal bleven 
daarna uit en zelfs kwam de bevolking van verscheidene desa's, 
waar de conversie reeds had plaats gegrepen, op haar besluit terug 
en herstelde het communaal bezit. 

Dit behoeft ons niet te verwonderen. De bevolking was toch 
plotseling verplaatst in een geheel nieuwen toestand, zonder dat 
er eenige voorschriften gegeven waren, welken dien toestand be- 
heerschten. De geheele volkshuishouding in de desa, en met name 
de regeling der heerendiensten, was gevestigd op het communaal 
bezit, en toen dit had opgehouden te bestaan stond zij telkens 
voor vragen, die haar in verlegenheid brachten, daar het oude 
verband tusschen grondbezit en dienstprestatie , belastingplicht, 
familie- en erfrecht geheel verbroken was. De conversies waren 
dan ook klaarblijkelijk niet uit haar eigen initiatief voortgeko- 
men; — wat natuurlijk niet zeggen wil dat zij niet vrijwillig 
hadden plaats gehad. Waar de bevolking aan haar zelve was 
overgelaten had het communaal bezit met periodieke verdeelingen 
meermalen plaats gemaakt voor communaal bezit met vaste aan- 



230 CONVERSIF. VAN HKT COMMUNAAL BEZIT. 

deelen, waarbij de dosa wol de bezitter bleef, maar hetzelfde aan- 
deel in handen van donzelfden dcolfj^erpclitigde biocf, zoolanp; hij 
leefde en in de desa vertoefde, en soms zelfs op zijne erfgenamen 
overging. 

In dezen staat van zaken zou het de taaii der Regeering 
ge\yeest zijn om regels te stellen volgens welken de conversie zou 
kunnen plaats hebben en de gevolgen dier conversie zouden bepaald 
worden. Eene circulaire, den iSiien Aug. 1880 uitgevaardigd, ging 
echter uit van het beginsel dat de Staat daardoor op het gebied 
van het Inlandsch recht zou ingrijpen, en bepaalde de zorg der 
Regeering tot de taak om de hinderpalen, die tegen vrijwillige 
conversie mochten bestaan, zooveel mogelijk op te ruimen. Doch 
deze circulaire werd getroffen door een votum der Tweede Kamer 
(3 Mei 1882) waarbij verklaard werd dat zij belemmerend zou werken 
op de vrije uitoefening van het recht der Inlandsche bevolking op 
Java, om voor haar grondbezit den vorm te verkiezen dien zij zelve 
begeert en dat dus spoedig eene verordening moest worden uitge- 
vaardigd , waarbij dat recht erkend werd en bevestigd en de uitoe- 
fening daarvan mogelijk gemaakt. Ter voldoening aan dat verlangen 
verscheen in 1885 (S. 102) een Kon. besluit, waarbij wel de wijze 
van conversie geregeld werd, maar waarin geene bepalingen voor- 
komen omtrent de gevolgen, aan de conversie verbonden. Voor 
eene conversie wordt thans de toestemming van minstens drie 
vierden der deelgerechtigden vereischt, die instemmen in de ver- 
andering en de wijze waarop zij zal plaats hebben. Er moet voor 
gezorgd worden dat elk deelgerechtigde een deel der velden in 
individueel bezit verkrijgt, en dat ook daar, waar dit gebruikelijk 
is, gronden tot ambtsvelden voor de dorpsbestuurders gereserveerd 
worden. Het plan ter conversie moet aan den resident worden 
medegedeeld, die eene commissie, uit een Europeesch en een 
Inlandsch lid bestaande, benoemt om na te gaan of aan deze voor- 
waarden is voldaan. Is dit het geval, dan wordt de conversie 
goedgekeurd; het besluit daartoe en het procesverbaal van het 
onderzoek moeten in de Inlandsche taal worden overgebracht en 
aan het districts- of onderdistrictshoofd en aan het desahoofd worden 
uitgereikt. Dezen moeten dit afschrift bewaren, zoodat in dit geval 
althans een schriftelijk bewijs voor het individueel gebruiksrecht 
bestaat. Van de gelegenheid tot conversie in individueel gebruiks- 



i 



GRONDEIGENDOM VAN DEN STAAT. 231 

recht door dit Kon. besluit geopend, is slechts weinig gebruik 
gemaakt; in 1892 kwam geen enkel geval voor van eene der- 
gelijke conversie. Zelfs werden in menige desa door onderlinge 
overeenkomsten der bevolking de gronden, ontgonnen volgens de 
voorschriften van S. 1874 n". 79, weder in de gemeenschap gebracht. 
De lezer zal hebben opgemerkt, dat wij bij het behandelen van 
de rechten op den grond van Java steeds van bezit spraken,' en 
het woord „eigendom" niet bezigden. De reden daarvan ligt in de 
omstandigheid dat de Staat, als vervanger van den Inlandschen 
vorst, zich den eigendom van alle gronden op Java toekent, althans 
voor zooverre hij zelf dien niet aan anderen heeft afgestaan, zooals 
met de particuliere landerijen (p. 17) het geval was. Wij kunnen 
hier niet stilstaafii bij de moeilijke en nog niet geheel opgeloste 
vraag hoe dit beweerde eigendomsrecht van den Javaanschen vorst 
zou zijn ontstaan^), en kunnen evenmin de vraag beantwoorden of 
de Javaan, die het Gouvernement den eigenaar van den grond 
noemt , inderdaad aan de Regeering een absoluut recht op den grond 
toekent. De thans gevolgde beschouwing, die Raffles na een onder- 
zoek, door hem in de Vorstenlanden naar de rechten der bevolking 
ingesteld, meende te mogen aannemen, heeft in zooverre minder 
practische waarde omdat steeds tegenover dat eigendomsrecht van 
den Staat een recht der bevolking erkend werd, hierin bestaande 
dat zij gelaten moest worden in het genot harer velden, zoolang 
zij de opbrengsten , door den Staat gevorderd , behoorlijk uitkeert 
en de overige verplichtingen (heerendiensten enz.) nakomt, die 
op haar gelegd zijn. Die opbrengsten bestaan in de betaling der 
landrente welke dan ook oorspronkelijk als een huur beschouwd 
werd (p. 20); het hooge bedrag dier belasting kan dan ook uit 
die beschouwing worden verklaard. Misschien kan het absolute 
verbod aan den Inlander om zijne gronden aan niet-Inlanders te 
vervreemden of ten hunnen behoeve zakelijke rechten op zijne 
velden te vestigen als een uiting van dat eigendomsrecht van den 
Staat worden beschouwd. Maar voor het overige oefent de Staat 
daadwerkelijk geene andere rechten van eigenaar uit en is zelfs 
in de agrarische wet uitdrukkelijk bepaald dat over de gronden, 



') Een belangrijke bijdrage daartoe gaf Prof. Mr. L. W. C. v. d. Berg in B t. t. 
1. e. vlk. Ve S. "VI. 



232 AGRARISCH EIGENDOM. 

door InlandiM's ontgonnen, op geene andere wijze mag worden 
beschikt dan volgens de regels voor onteigening ten algemeene 
nutte vastgesteld. In zooverre is echter het Inlandsch gebruiks- 
recht onderscheiden van het uitgebreide eigendomsrecht volgens 
westersche begrippen . dat het bepaald wordt door het Inlandsche 
gewoonterecht, dat plaatselijk zeer verschilt, en in verscheidene 
streken zelfs geen vervreemding van het gebruiksrecht zonder 
toestemming der desa toelaat; het recht aan allerlei beperkingen 
onderwerpt o. a. met het oog op de heerendiensten, en ook op 
den overgang van dat recht bij erfenis enz. vaak belemmerend 
optreedt. 

De Inlander echter, die erfelijk individueele bezitsrechten op 
den grond uitoefent kan dezen in een beter omschreven recht con- 
verteeren , dat agrarisch eigendom genoemd wordt. De agrarische 
wet bevatte dit beginsel; de Kon. besl. van 1870 S. 118 en 1872 
117 werkten dit nader uit en bepaalden dat daartoe noodig was 
een uitspraak van den landraad, waarbij het individueel erfelijk 
gebruiksrecht van den aanvrager werd geconstateerd. Die aanvrage 
moet vooraf in de betrokken desa tweemalen bekend worden gemaakt 
om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen , in verzet te 
komen tegen de beweering van den aanvrager, dat hij dit indivi- 
dueel gebruiksrecht bezit. Heeft er binnen den bepaalden tijd geen 
verzet plaats of wordt het verzet door den landraad ongegrond 
verklaard, dan draagt de Staat die, zooals wij weten, zich eigenaar 
van den grond noemt, zijn recht aan den aanvrager over, die nu 
agrarische eigenaar geworden is. Maar daardoor heeft hij geenszins 
de onbeperkte beschikking over zijn grond gekregen; hij blijft onder- 
worpen aan dezelfde verplichtingen jegens den Staat en de gemeente 
als de gebruiker en mag, evenmin als deze, zijn grond aan niet-In- 
landers vervreemden. Het verschil tusschen den individueelen bezitter 
en den agrarischen eigenaar bestaat hoofdzakelijk hierin, dat de laatste 
een schriftelijken titel voor zijn recht ontvangt, waardoor hij dit 
ten allen tijde kan bewijzen, en dat hij zijn grond voor langeren 
tiid aan niet-Inlanders kan verhuren. Ook kan hij, zelfs ten name 
van niet-Inlanders, hypotheek op zijn grond vestigen, en zoodoende, 
naar men hoopte, voor lagere rente geld op zijn grond krijgen dan 
anders het geval zou zijn , en dit ter verbetering van zijne velden 
aanwenden. Ware dit inderdaad het gevolg dier bepaling geweest, 



STANDEN IN DE DESA. 233 

dan zou men reden tot dankbaarheid hebben, daar thans woeker 
op groote schaal door Arabieren , Cliineezen , helaas ! vaak ook door 
Europeanen wordt gedreven, en gelden worden uitgeleend op uiterst 
bezwarende voorwaarden zoodat niet zelden eene rente van 6% 
'smaands, bij goede zakelijke zekerheid, bedongen wordt. Maar daar 
de grond , bij niet-betaling der verschuldigde aflossing en renten , 
slechts door Inlanders kan worden gekocht, geeft deze soort van 
hypotheek weinig zekerheid en wordt dus ook niet genomen. En 
waar nu het agrarisch eigendom zoo beperkte rechten geeft, en boven- 
dien enkele onkosten aan de conversie verbonden zijn, spreekt het 
wel van zelf dat zulke aanvragen niet vaak voorkomen. In het 
geheel werden tot 1893 toe slechts 2220 aanvragen gedaan , die zich 
over 45.519 bouws uitstrekten, terwijl slechts 1181 aanvragen over 
5.089 bouws zijn toegewezen. En van deze aanvragen is zeker nog 
een goed deel gedaan op aansporing van Europeesche ondernemers, 
die den grond voor langeren tijd wenschten te huren, dan bij indi- 
vidueel gebruik geoorloofd zou zijn geweest. 

Na deze uitwijding keeren wij weder tot de desa terug ten 
einde kennis te maken met hen die haar bewonen. Spoedig zullen 
wij bemerken dat ook in een .Tavaansche desa verschillende standen 
voorkomen, die vrij scherp van elkander zijn afgescheiden. De kern 
der bevolking maken zij uit, die een huis met erf bezitten en aan- 
deel in de rijstvelden hebben, en uit welken de bestuurders van 
het dorp gekozen worden. Tegenover deze lusten staan echter ook 
lasten ; de landrente , die het dorp moet betalen , wordt door hen 
opgebracht en de verplichte arbeid, die in het belang van den 
Staat of de gemeente van den Javaan geëischt wordt, rust in de 
allereerste plaats op hen. Zij zijn onder verschillende namen bekend, 
van welken die van gogol of sikep de meest verspreide zijn; onder 
hen vindt men nog soms een min of meer groot verschil zooals in 
het Soerabajasche , waar de gogol ing ngarëp tegenover den gogol 
ing boeri de voorkeur heeft bij liet uitkiezen der gronden, maar 
daarentegen het zwaarste aandeel in de heerendiensten krijgt. Hier 
en daar vindt men ook de satengah gogol , die slechts de helft van 
een aandeel erlangen , met een evenredig aandeel in de heeren- 
diensten , terwijl het ook wel voorkomt dat men slechts om het jaar 
gogol is, ten einde „van de diensten uit te rusten." De eerste plaats 



234 DORPSBESTUUR. 

bekleedt onder de dorpsbewoners het desabestuur, ') waarvan de 
samenstelling in de veischeidenc declen van Java zeer verschilt, 
maar toch vaak met het volgende type overeenkomt. Aan het hoofd 
staat de petinggi, loerah , bököl, koewoe etiz., die in liet grootste 
gedeelte van Java door de bevolking gekozen wordt, en van wien 
de overige leden van het dorpsbestuur afhankelijk zijn en die als 
vertegenwoordiger der desa optreedt, maar tevens in vele opzichten 
verantwoordelijk is voor de nakoming der bevelen van de Regeering. 
Gewoonlijk is hem een plaatsvervanger toegevoegd, de kami-toewa, 
die echter in den regel weinig te doen heeft. Des te zwaarder is 
de taak van den kabajan , die de dienstplichtigen tot den arbeid 
oproept en hunne werkzaamheden bepaalt, hen tot het betalen 
der landrente aanmaant, en de bevelen van het hoofd aan de be- 
volking overbrengt, en dus dikwijls in haar oog de zondebok is, 
aan wien alle onaangename bevelen geweten worden ; — ofschoon 
het ook voorkomt dat hij de vertrouweling van den kleinen man 
is. Geen sinecuur is, voorwaar! de betrekking van schrijver, tjarik 
of djoeroetoelis, — althans wanneer hij de schrijfkunst machtig is, 
wat niet altijd het geval schijnt te zijn. Hij is belast met het aan- 
houden van verschillende registers, en neemt vaak de werkzaam- 
heden waar, die aan het dorpshoofd voor de landrente zijn opge- 
dragen. Eindelijk wordt ook de dorpspriester tot het dorpsbestuur 
gerekend, en worden hem vaak politiediensten en andere werk- 
zaamheden, zooals het toezicht op de vaccinatie opgedragen. Be- 
staat het dorp uit verschillende gehuchten dan staan dezen onder 
bestuurders, die aan het desahoofd ondergeschikt zijn. Ook wordt 
een kapetengan in sommige dorpen gevonden , wien de zorg 
voor de politie is toevertrouwd. Eigenaardig is de werkkring van 
den djagabaja, die belast is met het opsporen van diefstallen, 
vooral van vee, en die vaak gekozen wordt juist omdat hij in geene 
goede reputatie staat, zoodat het spreekwoord dat men „dieven het 
best met dieven vangt", ook op Java bekend schijnt te zijn. Daarom 
moet hij dan ook door een vloekeed beloven niet in de desa zelve 
te zullen stelen , noch er gestolen goed te zullen helen ! 



1) Zie o. a. Bijl. N. van het Kol. verslag over 1877. Mr. S. C. H. Nederburgh 
in T. V. N.-I. 1877. I. S. Gelpke Ind. Gids. 1879. II. v. Oosterzee. Ind. Gids. 188-2. II 
Esche. Ind. Gids. 1891. II. 



DORPSBESTUUR. 2B5 

Behalve deze hoofden , die het eigenlijke desabestuur uitmaken 
vindt men in vele dorpen nog andere, aan wien bepaalde werk- 
zaamheden zijn opgedragen. Het komt ook vaak voor dat personen , 
die een zeker aanzien genieten dat zij door rijkdom , familiebetrek- 
kingen, vroegere bedieningen bij het desabestuur enz. verworven 
hebben, eene bevoorrechte stelling innemen en in zooverre tot het 
desabestuur gerekend worden dat zij vrijgesteld zijn van heeren- 
diensten en ambtelijk landbezit ontvangen. Groot zijn vaak de mis- 
bruiken die hierbij voorkomen; in sommige dorpen behooren meer 
dan één vierde, soms de helft der sawahbewerkers tot dat be- 
stuur, en worden er wel 50 hoofden in eene desa gevonden; ja, het 
is in eene desa voorgekomen, dat het bestuur uit 19 leden bestond, 
terwijl er maar zes heerendienstplichtigen waren. In regeeringsbe- 
scheiden worden zij soms met den naam „oudsten en hoofden" 
aangeduid, ofschoon men in den regel daardoor het eigenlijke dorps- 
bestuur verstaat, terwijl in sommige streken aan de oudsten in 
jaren zekeren invloed wordt toegekend. Elders daarentegen kreeg 
men op vragen naar de oudsten ten antwoord „hier zijn geen oudsten", 
met de bedoeling: „de oudsten hebben hier niets meer te zeggen 
dan de overigen." Daar art. 71 R.-R. de gemeente in de regeling 
harer huishoudelijke aangelegenheden vrijlaat is het vaak moeilijk 
in dezen toestand verbetering aan te brengen ; toch is het reeds 
hier en daar aan onze ambtenaren gelukt hunnen invloed aan te 
wenden om het getal der „honoraire bestuurders" te verminderen. 
Behalve de eigengeërfden vindt men in de desa nog een zeker 
aantal personen, die geen aandeel in de velden hebben en door 
handenarbeid den kost verdienen , maar in den regel ook van de 
lasten bevrijd zijn of althans in mindere mate daarin deelen. Vaak 
vat men hen onder den naam orang menoempang samen, maar 
ook onder dezen zijn weder verscheidene standen , die verschillende 
lasten dragen. Zoo vindt men in de residentie Soerabaja een onder- 
scheid in anggoerans, eigenaren van een erf; menoempangs, eige- 
naren van een huis op het erf van een ander; koempoelans of 
rangkëppans, gehuwden die bij anderen inwonen en sinoraans, 
jongens ouder dan veertien jaar die nog niet gehuwd zijn. In 
grootere dorpen vindt men bovendien eenige personen, die een 
ambacht uitoefenen en als het de tijd van het jaar is evengoed 
als de anderen aan den veldarbeid meedoen. Wij willen nu trachten 



236 GEBOORTE. NAAMGEVING. 

in korte trekken het leven te schetsen van den Javaanschen land- 
bouwer, zooals dat in den regel rustig en zonder groote .schokken 
daarheenvloeit. Vangen wij daartoe met zijne geboorte aan. 

Zoodra een vrouw zich 3 maanden in zwangeren toestand bevindt, 
wordt deze heugelijke gebeurtenis door een feest gevierd, uit een 
maal bestaande, waarbij gekookte rijst, van onderen geel en van 
boven wit, de hoofdrol speelt, terwijl het aan allerlei olfers gedu- 
rende den geheelen loop der zwangerschap niet ontbreekt, want er 
zijn bij den Moslemschen Javaan nog een aantal oude heidensche 
begrippen overgebleven, die bij elke plechtige gelegenheid naast 
de gebruiken , aan den Islam ontleend , op den voorgrond treden. 
Met de zevende maand wordt op nieuw een feestmaal gegeven en 
de vrouw aan een aantal symbolische handelingen onderworpen, 
die wij hier moeilijk beschrijven kunnen, terwijl zij zich gedurende 
den geheelen tijd harer zwangerschap van allerlei zaken moet ont- 
houden. ^) De geboorte heeft onder veel vreugde en gejuich plaats; 
zoo spoedig mogelijk moet de kraamvrouw, die onder de uiterst 
primitieve geneeskundige behandeling der doekoen , gewoonlijk eene 
oude vrouw, veel heeft moeten lijden, een bad nemen en zich 
gedurende 40 dagen van allen arbeid , en eveneens van het bezoek 
van het bedehuis onthouden. Zoodra het kind geboren is wordt 
het gereinigd , terwijl de navelstreng wordt afgesneden of afgebeten 
(om het kind onkwetsbaar te maken) en de nageboorte begraven, 
waarna men zorgvuldig de plaats verlicht waar deze zich bevindt, 
althans zoolang de navel niet afgevallen is, want tot dien tijd is 
het kind onderhevig aan het plagen van booze geesten , en de 
brandende lamp moet nu dienen om hunnen invloed af te wenden. 
Is het kind 5 dagen oud, dan ontvangt het eenen naam. ^) Dit is 
een hoogst gewichtige handeling; ook thans mag een feestmaal 
niet ontbreken, waarbij, als gewoonlijk, de vrouwen niet tegen- 
woordig zijn. De vader verklaart alsdan, welken naam hij aan zijn 
kind wil geven , en vraagt het oordeel der feestgenooten , die alleen 
dan, wanneer de naam als niet gepast beschouwd wordt, eenen 
anderen voorslaan. Want terwijl de namen , bij hooge standen in 
gebruik , in den regel eene verhevene beteekenis hebben , zou dat 



i) J. Kreemer, Ind. Gids 1882. II. Med. N. Zend. XXXVI. 
-) C. Poensen in Med. N. Zendelinggen. XIV. 



NAAMGEVING. OPVOEDING. 237 

bij de mindere klasse aanleiding tot bespotting geven. Allerlei om- 
standiglieden bepalen de keus van den naam , die dikwijls eene 
zeer zonderlinge, soms zelfs eene vrij onkiesclie beteekenis heeft. 
Zoo heeft het kind dan een naam, maar niet voor altijd. Het is 
toch de gewoonte dat de Javaan meermalen van naam verwisselt. 
Trouwt hij , dan krijgt hij in vele streken van zijne schoonouders 
eenen anderen naam. Bij de geboorte van het eerste kind verliezen 
de ouders hunne namen en worden nu naar den naam van hun 
kind genaamd, met bijvoeging van Pak (vader van) en Bok (moeder 
van) b. V. Pak Sidin, vader van Sidin en Bok Sidin, moeder van 
Sidin. Maar buitendien zijn er allerlei omstandigheden, die de 
Javanen tot naamsverandering bewegen, zooals ziekte, vertrek uit 
de desa, tegenspoeden, het sterven van de eerstgeborenen op jeug- 
digen leeftijd, huwelijk, enz. En bij rangsverliooging is het onge- 
past, den ouden naam te behouden, maar moet een nieuwe worden 
aangenomen, terwijl het ook wel gebeurt dat bij vermindering 
van rang een andere naam wordt verkregen. Wanneer men 
nu hierbij inachtneemt, dat de zoogenaamde „van" of familienaam 
bij den Javaan geheel ontbreekt, dan zal men kunnen begrijpen 
welke verwarring deze herhaalde verandering van namen doet geboren 
worden , en hoe moeilijk het is de identiteit van eenen Inlander 
vast te stellen. Hetzelfde kan van den ouderdom der Javanen gezegd 
worden, want ofschoon een kind onmiddellijk na de geboorte bij 
het hoofd van de desa wordt aangegeven, zoo geschiedt daarbij toch 
geene opgave van den naam van het kind of van dien der ouders, 
en in den regel leeft de gewone Javaan dan ook in algeheele 
onwetendheid van zijnen ouderdom, zoodat -men meestal bij proces- 
stukken enz. deze naar gissing moet opgeven, daar hij hoogstens 
weet onder het bestuur van welken resident zijne geboorte heeft 
plaats gehad. 

Van de opvoeding der kinderen wordt niet veel werk gemaakt. 
Tot hun 5de of 6de jaar loopen zij naakt door de desa rond, terwijl 
zij reeds spoedig hunne ouders de behulpzame hand moeten bieden, 
door hout te sprokkelen, water te halen, in huis of op het erf te 
helpen enz. Zoodra zij slechts eenigszins daartoe geschikt zijn, worden 
de jongens gebruikt als veehoeder, hetzij om de karbouwen van 
hunnen vader in de weide of het bosch te houden, hetzij om der- 
gelijke diensten bij anderen te verrichten. Het is geene onaardige 



238 ONDERWIJS IN DE LANGGAR. 

tegenstollinp; welke dez.e lompe, logge dieren opleveren, die eene 
geweldige kracht bezitten , zelfs den tijger durven staan en bij bet 
zien van eenen Europeaan van woede trillen en ontembaar schijnen , 
en toch door eenen kleinen jongen met gemak geleid worden, terwijl 
de houten klokken, die zij om den nek dragen, hunne verblij (plaats 
aanwijzen , of ook dienen om den tijger af te schrikken , indien deze 
zich in de buurt mocht ophouden. Jammer maar dat het eenzame 
leven van zulk eenon herdersjongen allerlei verkeerde neigingen in 
hem opwekt! Van geregeld onderricht kan bij hem wel geen 
sprake zijn, en ten hoogste bepaalt zich dit tot eenig onderwijs in 
de dorpsschool, waar weinig of niets geleeid wordt dat voor hart 
of hoofd nuttig is. 

Gelijk het volksonderwijs bij den Javaan ten nauwste met den 
door hem beleden godsdienst samenhangt, en grootendeels in handen 
der zoogen. geestelijken is, zoo is ook do plaats waar de school 
gehouden wordt geene andere dan de langgar, het bedehuis, dat 
in de meeste desa's bijna niet van de gewone hutten verschilt, zoo 
als wij zullen bemeikeri wanneer wij de school binnentreden. 
Gewoonlijk is echter de vloer eenige voeten boven den grond en 
van bamboe. Een opgang, die het midden houdt tusschen een trap 
en ladder voert naar binnen. De ingang, dikwijls ook venster der 
school, wordt door een klapluik, naar binnen opengeslagen en aan 
het dak bevestigd, gesloten. De meeste langgars zijn echter van 
voren geheel open, en men treedt aanstonds onder het laag over- 
hellend dak binnen. Ons hoofd reikt tot aan de afgaande zijde van 
het dak. Maar dit schaadt niet; de scholieren toch zijn gewoon in 
de beperkte ruimte van eenige vierkante voeten naar 's lands wijze 
met de beenen gekruist, op den vlakken grond te zitten. Wanneer 
wij rondzien ontdekken wij slechts het overtrokken zonnescherm 
met langen stok, dat boven de lijken wordt gedragen, welken de 
dorpspriester naar het kerkhof volgt; hier is nog een plankje, dat 
aan den wand hangt, waarop eenige beduimelde dunne boekjes, 
manuscriptfragmenten van den Koran, liggen en in het midden 
zien wij een keten van bamboeschakels, die uit den nok van het 
dak afdaalt, waaraan de aarden lamp, die op een voetstuk van 
bamboe rust, voor de avondschool wordt opgehangen. Ook de bedoek 
ontbreekt niet, een houten, holle, met karbouwen- of geitenvel over- 
spannen trommel, waarop de dorpspriester op den voorgeschreven 



ONDKRWIJS IN DE LANGGAR. 239 

tijd slaat, ten einde de desabewoners tot de deelneming aan het 
gebed opteroepen, althans wanneer dit gebeurt, daar de opioeping 
niet zelden verzuimd wordt en de langgar vaak uitsluitend voor 
school dient. Niet alle desa's hebben een langgar, maar dikwijls 
richten welgestelde Inlanders op hun erf een dergelijk bedehuis 
op , waar zij eenen eigen goeroe aanstellen , die met het onderwijs 
hunner kinderen belast is. Het onderricht wordt gewoonlijk 's mor- 
gens en in den namiddag gegeven en duurt dan telkens hoogstens 
een tweetal uren; maar zelfs die korte tijd wordt vaak slechts door 
de minsten benuttigd, daar vele scholieren willekeurig wegblijven 
of te laat komen; ja zelfs gebeurt het meermalen, dat de leer- 
meester, de goeroe, eerst na verloop van den halven schooltijd 
en soms in het geheel niet verschijnt, daar hij vaak nog den 
landbouw of den eenen of anderen handel uitoefent, die winstge- 
vender is dan zijne betrekking als onderwijzer. Het onderwijs, dat 
in die langgar gegeven wordt, bestaat hoofdzakelijk in het leeren 
lezen , of liever zingend opdreunen van gedeelten van den Koran, 
(ngadji) doch zonder die te verstaan, daar deze in het Arabisch ge- 
schreven is, en die taal vaak zoowel voor den onderwijzer als voor 
de leerlingen een gesloten boek is. Gewoonlijk dreunen de scho- 
lieren, — jongens van 7 — 9 jaar, dikwijls echter ook meisjes, — 
zoo luid mogelijk gezamenlijk hunne lessen op, terwijl de goeroe 
de kunst schijnt te verstaan om uit een twintigtal hem op te merken 
die, te midden van het algemeene gedruisch, zich aan de eene of 
andere fout schuldig maakt. In den regel is de tijd, gedurende 
welken dit onderricht genoten wordt, zeer beperkt; de meeste leer- 
lingen bezoeken slechts voor eenige maanden, hoogstens voor een 
jaar de school. Zij echter die voor volleerd, tammat ngadji, willen 
doorgaan d. w. z. den Koran geheel hebben doorgelezen, moeten 
daaraan 2 tot 4 jaar besteden. Daartoe bezoeken zij scholen waar, 
in tegenstelling met het onderwijs in de gewone dorpsschool, de 
geheele Koran kan geleerd worden, en ook wel Arabische werkjes 
over de uiterlijke godsdienstplichten en de eerste beginselen der 
geloofsleer behandeld worden. Van maatschappelijk onderricht, zooals 
in schrijven en rekenen, is in de dorpsschool geen sprake. 

Van zelf rijst thans de vraag op: welke zijn de vereischten om 
als goeroe optetreden , of met andere woorden : wat is er toe noodig , 
om als dorpsgeestelijke te worden aangesteld; want in den regel zijn 



240 DE DORPSGKEiSTELiJKE. 

beide betrekkingon met elkanfln r veibomloii. Daar de dorpsgeestelijken 
tot de leden van het desabesluur beliouren , worden zij op gelijke 
wijze als dezen benoennd, hetzij dat zij door de bevolking gekozen 
worden, hetzij dat zij door het dorpshoofd worden aangesteld. In 
enkele streken geschiedt de benoeming door lioogere geestelijken, 
in overleg met het dorpshoofd. Om als modin , lébé, amil, pékih , 
kaoem , merbot, — de meest gebruikelijke titels der dorpsgeestelij- 
ken, — op te treden is geen examen of diploma noodig; het is zelfs 
geen vereischte dat men eene bepaalde opleiding heeft genoten. Eigen 
wijsheid en heiligheid, door de faam uitgebazuind en het op een 
goeden voet staan met de hoofden of de oudsten der desa doen vaak 
iemand de achting en vereering zijner dorpsgenooten verkrijgen en 
bezorgen hem een standplaats als modin; waar de bevolking hem 
kiest wordt daarvan kennis gegeven aan het dorpshoofd en meestal 
ook aan den districts-geestelijke, aan wien hij ondergeschikt en 
verantwoordelijk is. Geen wonder dan ook dat soms personen 
gekozen worden, die geen de minste kennis bezitten, zelfs niet van 
de eerste voorschriften van den Islam. Maar meermalen kiest de 
bevolking iemand tot geestelijke die door het bezoeken van een 
pesantren een grooten roep van geleerdheid gekregen heeft, terwijl 
ook het verrichten der pelgrimstocht soms in de oogen der bevol- 
king eene krachtige aanbeveling is. 

De werkzaamheden , aan den modin opgedragen , zijn zeer ver- 
schillend *). Wanneer daartoe gelegenheid bestaat gaan zij vóór bij 
de dagelijksche gebeden, terwijl zij de partijen, die een huwelijk 
willen sluiten naar den hoogeren geestelijke vergezellen, om dezen in 
staat te stellen te beoordeelen of het huwelijk kan plaats hebben. 
Maar bovendien worden hun in tal van desa's verschillende werk- 
zaamheden opgedragen: zoo hebben zij hier en daar de zorg voor 
de verdeeling van het water over de rijstvelden, geleiden de kinderen 
ter vaccinatie, helpen bij het besnijden of het vijlen van tanden, 
verleenen hunne hulp bij begrafenissen en bij het slachten van 
beesten op de door den Islam voorgeschreven wijze; soms zijn zij 
zelfs de schrijvers van het desabestuur en opzichters der timmer- 
lieden bij werken in heeren- of gemeente-dienst verricht. Maar 
soms gaan zij ook vóór bij de godsdienstige feesten, waar zij de 



1) Zie voor de geestelijken op Java Mr. L. W. C. v. d. Berg in T. B. G. XXVII. 



DE DORPSGEESTELIJKE. 241 

dowa's uitspreken die, zooals wij weldra zullen zien, met heel wat 
lieidensche bestanddeelen vermengd zijn. In vele gevallen echter 
zijn het de goeroe's ot' ouden van dagen , die grooten naam van 
vroomheid bezitten, welken hierbij voorgaan. Maar terwijl zij in 
vele opzichten één zijn met de bewoners der desa, in wier bijge- 
loof zij vaak deelen, schijnt het dat in den laatsten tijd de 
hoogere geestelijken meer invloed op hen uitoefenen, en dat zij 
vaak „van den sawabewerker even als andere desalieden, van den 
onschadelijken kippenslachter, van den naleven voorganger bij Boed- 
dhistische gebruiken eenen fanatieken opvolger van Moslemsche voor- 
schriften gemaakt hebben die hij, zonder begrip van hare beteekenis, 
toch gebruikt om kwaad te doen." De voordeelen, aan hun ambt 
verbonden, zijn natuurlijk zeer verschillend. Daar, waar in de desa 
ambtelijk landbezit bestaat, deelt ook de modin in dat voorrecht; 
overigens bestaan zijn inkomsten in de geringe vergoeding, die hem 
verleend wordt voor de beschreven werkzaamheden en soms ook 
voor het onderwijs, door hem gegeven, en in het aandeel in de 
djakat en pitrah. 

Verreweg het grootste gedeelte der Javaansche bevolking geniet 
geen ander onderwijs, dan dat, wat in de langgar wordt gegeven. Wel 
is waar vindt men hier en daar een djoeroe-toelis, een schrijver van 
een Inlandsch hoofd, die in zijne ledige uren aan de kinderen van 
zijnen meester en van andere hoofden onderwijs geeft, dat zich tot 
lezen en schrijven, de beginselen der rekenkunde en het schrijven 
van Maieisch met Arabische karakters uitstrekt, maar dit onderwijs 
wordt slechts bij uitzondering gegeven en is niet voor den minderen 
man bestemd. En toch, dezen ontbreekt het vaak niet aan de lust 
om zich met lezen bezig te houden. Dit bewijzen de roeterige, smerige 
en gehavende geschriften, die in de desa van hand tot hand gaan, 
en de sporen dragen dat zij in het bezit geweest zijn van hen, 
voor wie de praktische raad, daarin bevat, niet overtollig was: 
„dat men geen sirih moet kauwen gedurende het lezen , opdat het 
roode speeksel niet op het boek valle en het bederve, en ook geen 
opium rooken, want het mocht eens gebeuren, dat het opiumpitje 
er op viel!" Dikwijls vindt men in de desa den eenen of anderen 
landbouwer, die lezen kan, en dan anderen zijne geleerdheid mede- 
deelt. De meesten dier boeken bevatten historiën van godsdienstigen 

of zedelijken aard, met allerlei wonderverhalen vermengd, die in 
II. i6 



24Ö VRIJE desa's. 

poëzie geschreven zijn, en niet gelezen, maar gezongen of liever 
met eenen eigenaardigen versklank opgedreund worden, meestal 
voor een kring van hoorders, die door het herhaalde voorzingen 
weldra in staat zijn geheele stukken te vertellen, zell's zonder te 
kunnen lezen. 

De leerling nu, die in de langgar geleerd heeft, wat de kjai 
modin hem kon rneedeelen, en die vlug den Koran kan lezen en 
eenige gebeden met de daarbij voorgeschreven verrichtingen zonder 
haperen kan opzeggen, voelt dikwijls de zucht in zich ontwaken 
om meerdere wetenscliap in zich op te netnen , en neigens meent 
hij daartoe eene betere gelegenheid te vinden dan aan de pesantren, 
de school voor onderwijs in de vakken welken de Islam het hoogste 
stelt: de kennis der wet, met de daarmede verwante wetenschappen. 
Deze pesantren is dikwijls eene vrome stichting, door vorsten of 
aanzienlijken met de inkomsten van eenige dorpen begiftigd. Zoo- 
danige dorpen worden vrije desa's genoemd i) ; d. w. z. vrijgesteld 
van belastingen en diensten voor het Gouvernement. Zij worden 
onderscheiden in perdikan-, midjin- en pakoentjen-desa's. De eerst- 
genoemde desa's zijn de zoodanigen , wier gronden geschonken zijn 
aan bepaald aangewezen personen met hunne afstammelingen, 
gewoonlijk onder de voorwaarde om eene school voor Moslemsch 
onderwijs te onderhouden of voor de bewaking van bepaalde graven 
te zorgen , waartegen zij de belastingen ontvangen en recht op de 
heerendiensten der bevolking hebben. Bij de midjin-desa's wordt 
geen grond afgestaan ; de vruchten of inkomsten van het dorp 
komen ten bate van een bepaald persoon. De pakoentjen-desa's 
eindelijk zijn vrijgesteld van belastingen of diensten, onder de ver- 
plichting zorg te dragen voor het onderhoud van eene godsdienstige 
instelling, of voor het onderhoud en de bewaking der graven van 
heiligen, vorsten en grooten. Soms worden ook wel gronden daartoe 
afgezonderd en eenige personen tegen vrijdom van lasten aange- 
wezen om die gronden te bewerken en uit de opbrengst daarvan 
de instelling of de graven te onderhouden. Afstand van grond aan 
een bepaald persoon heeft hierbij niet plaats. Vrije desa's, aan eene 
godsdienstige instelling verbonden, worden ook wel kepoetian-desa's 
genoemd, d. w. z. plaats voor het „witte volk", zooals de geestelijken 



1) F. Fokkens in T. B. G. XXXI. 



UK PlöSANTREN. 243 

eii zij die zich aan een godsdienstig leven wijden , vaak betiteld 
worden. Somtijds ontstaat een pesantren als het ware van zelf 
wanneer de een of andere goeroe door den loep van groote geleerd- 
lieid en schriftkennis een aantal personen om zich heen verzamelt. 
Meestal hebben deze onderwijzers geruimen tijd in Mekka vertoefd; 
vaak stichten zij geen bepaalde pesantien maar geven onderwijs in 
hun Inüs of in een der moskeeën. Volgens Prof. v. d. üerg i) is 
het onderwijs daar veel beter, dan aan de meeste inheemsche 
pesantrens, waar duidelijk sporen van achteruitgang vielen op te 
merken terwijl in sommigen dezer zelfs in het geheel geen onderwijs 
meer gegeven scheen te worden en de leeraars met hunne talrijke 
leerlingen er zich vooral bezig schenen te houden met het bestu- 
deeren der zwarte kunst en allerlei andere ngelmoe's. 

Wij willen thans een paar dier pesantrens bezoeken, en wel 
in de eerste plaats de beroemde school te Tegal sari in Probo- 
linggo''), die door Pakoe Boewana II gesticht werd. Op zijne 
vlucht voor Mas Grendi (Dl I p. 492) bezocht deze vorst den daar 
wonenden kluizenaar Kjai Agoeng ten einde van dezen voorbidding bij 
Allah af te smeeken. Na zijn herstel op den troon stond de vorst 
Tegal sari af aan Kjaï Agoeng en zijne nakomelingen, onder 
voorwaarde dat zij zich ten allen tijde zouden wijden aan het geven 
van onderwijs in den Islam. Een geruimen tijd was deze school, 
welke eenmaal meer dan 2Ü00 leerlingen telde, zeer in verval ; thans 
schijnt zij zich echter weder in meerderen bloei te verheugen. 
Behalve door de moskee, die den gewonen vorm dier bede- 
huizen vertoont, wordt onze aandacht vooral getrokken door eenige 
gebouwtjes van hout en bamboe en met sirappen gedekt, — de 
pondoks of veiblijfplaatsen der leerlingen of santri's. De ruimte 
in zoo'n pondok is links en rechts verdeeld in een aantal aan 
elkander grenzende hokjes, waarvan elk ongeveer een opper- 
vlakte van 8 voet in het vieikant beslaat bij eene hoogte van 
10 voet; een voet boven den vloer bevindt zich aan den buitenwand 
een met houten tralies voorziene opening, die door luiken gesloten 
kan worden. Deze hokjes, — 10 in eiken pondok, — zijn de studeer- 
cellen der leerUngen of santri's en dienen tot verblijfplaats van 



') Mr. L. W. C. V. d. Berg in T. B. G. XXXI. 
=) Fokkens in T. B. G. XXIV. 



244 DE PESANTREN. 

3 of 4, soms zelfs van 10 hunner, die echter zelden te samen daar 
zijn en 's nachts elders slapen, 't zij in de moskee of in den gang, 
die de beide rijen der pondoks afscheidt. In die hokjes ziet het er 
niet aanlokkelijk uit; de meubels toch bestaan alleen uit etin bam- 
boezen tafeltje, dat onder het venster geplaatst en een lialven voet 
boven den vloer verheven is, en waaraan de santri op den buik 
liggende leert of met de beenen onder het lijf zit te schrijven. 
Een bamboezen rek boven de tafel dient tot bergplaats voor 
boeken, papieren enz. In sonnuige pesantrens werden deze hokken, 
vroeger althans, tevens gebruikt als bergplaats voor de levens- 
middelen der bewoners , zoodat daar provisiën van gezouten visch , 
gedroogd vleesch, klappers, gambier, zout enz. voorhanden waren, 
die een ondragelijken reuk van zich gaven, en het geheele gebouw 
verpestten, zoodat het vei'blijf aldaar hoogst ongezond was i). De 
heer v. Sevenhoven, die meer dan een halve eeuw geleden een 
dergelijke pesantren bezocht, vernam echter van den hoofd leeraar, 
dat dit het eenige middel was, waardoor jongelingen konden leeren 
en onderwezen worden, omdat het lichaam mager en verzwakt 
moet zijn, ten einde de ziel onbelemmerd te doen werken, terwijl 
de leerlingen , daar zij meestal tot geestelijken opgeleid werden , 
een gezond en sterk lichaam niet noodig hadden , omdat zij toch niet 
behoefden te arbeiden. Met de medegedeelde beschrijving komt in 
de hoofdzaak overeen het tafereel, door den heer Grashuis') van 
eene dergelijke school in de Preangerlanden opgehangen, die even 
als de pas vermelde tot de groote pesantrens behoort, welken in 
het bezit zijn van logeergebouwen voor de santri's, die aan de 
kleine ontbreken. „In de verte zou men denken, dat het een 
gehucht was, zooals velen in den omtrek. Want tusschen het 
geboomte vertoonen zich eenige huizen en al naderende ontdekt 
het oog eenige aanplantingen, zooals de Inlander die dikwerf heeft 
in de nabijheid zijner woning. In zekeren zin is het dan ook een 
gehucht, maar slechts van eenigszins bijzonderen aard. Dat blijkt 
reeds dadelijk, nu wij er binnen gaan; er zijn eenige kleine wonin- 
gen , die zich door niets onderscheiden van de gewone Soendaneesche 
huizen. Daar vóór ons echter is eene vierkante ruimte, gedeeltelijk 



1) Brumund. Het volksonderwijs onder de Jav. Bat. 1857. Harthoorn. Toestand 
en behoeften van het onderwijs enz. Haarl. tSÖo. 
-) Bat. Zendingblad. 1864. 



DE SANTUl's. 245 

ingenomen door een vijver, gedeeltelijk open giond. Aan de eene 
zijde staat een woonhuis, eenigszins ruimer dan dat van den kleinen 
man, en geen wonder; hier woont de leeraar, en tegenover zijn 
huis staat de tadjoeg of langgar, dienende tot school en bidkapel 
tevens. Tusschen het huis en de school ligt de vijver, welke dient 
voor de Islamitische wasschingen. Langs eene andere zijde der 
open ruimte staan eenige gebouwen, afgedeeld in vertrekjes, 
bestemd voor 3 of 4 bewoners, die er nooit rechtop kunnen staan, 
maar, nadat zij, letterlijk gesproken, door de vierkante opening 
gekropen zijn, steeds in eene liggende houding moeten verkeeren, 
hetzij op den buik en dat wel des daags, hetzij op den rug of op 
de zijde en dat des nachts." 

Het onderwijs in de pesantren wordt gewoonlijk gegeven door 
het hoofd der school, die vaak tegelijkertijd het hoofd is der desa, 
welke voor de pesantren is afgezonderd , daarin bijgestaan door 
enkele helpers; te Tegal sari waren er twee, gekozen uit de oudste 
en knapste santri's, die geene bezoldiging genoten, maar 4 bouws 
sawah kregen , die door de bevolking bewerkt werden. Het onderv?ijs 
aan de pesantren is geheel vrij; men gaat en komt naar willekeur, 
vaak blijven de leerlingen dagen en weken weg, om dan weder 
terug te komen, zonder dat iemand naar hen vraagt. Die leerlingen 
komen uit allerlei klassen der maatschappij voort. Vaak vindt men 
onder hen zonen van aanzienlijken en hoofden; de bekende regent 
van Koedoes genoot een gedeelte zijner opleiding op de school te 
Sida sreraa bij Soerabaja. Maar de meerderheid der leerlingen bestaat 
uit geheel andere personen, en vaak uit behoeftigen die, daar de 
leerlingen zelven in hun onderhoud moeten voorzien, genoodzaakt zijn 
op allerlei wijze den kost te winnen en in den oogsttijd uit te gaan 
om rijst te snijden, koffie te plukken enz. Zoo vond de regent van 
Koedoes bij een bezoek te Sida srema, dat er van de 400 santri's 
slechts 150 aanwezig waren, dewijl de anderen zich op weg begeven 
hadden om snijloon te verdienen. Bij vele pesantrens gaan de santri's 
eiken Donderdag rond bij de ingezetenen, waar zij een gebed aan- 
heffen, en dan een gift van eenige centen ontvangen, die soms 
voor den goeroe bestemd is, om olie te koopen. De leeraar trekt 
dikwijls rijke inkomsten uit de opbrengst der akkers, die aan de 
pesantren geschonken zijn, zooals te Tegal sari, waar een vijftal 
gehuchten aan den kja'i goeroe behoort, zoodat het geen verwon- 



246 ONDERWIJS IN DE PESANTREN. 

riprinp bnait , wannoer wij lozen, dat de hoofd priester te Tooloeng 
agoeiig zijne betrekking vaarwel zegde, om aan liet lioofd van de 
pesantreii te Tegal sari te staan. Elders Iaat hij zich door de santri's 
in geld, rijst of arbeid betalen voor de huisvesting, die hij hen 
verleent, terwijl het ook wel gebeiiit, dat dezen een feestmaal bij 
sommige gelegenheden geven, b. v. wanneer zij den Koran geheel 
hebben doorgelezen. Over het algemeen genomen wordt er echter 
voor het onderwijs geene belooning verlangd; het is eene Allah 
welgevallige verrichting, die hiernamaals haar loon zal inbrengen. 
Daar velen der leerlingen geene voorbereidende opleiding ontvingen , 
zijn zij niet dadelijk in staat het eigenlijke onderwijs te volgen, dat 
bestaat in het voorlezen en uitleggen van Arabische geschriften, 
kitabs. Zij moeten vaak eerst nog Arabisch leeren lezen en schrijven; 
hiermede bemoeit de goeroe zich niet, en de leeilingen onderwijzen 
elkander en leeren schrijven hetzij door het copiëeren van stukken 
van den Koran , hetzij door het opstellen van kleine stukjes. Maar 
het eigenlijke onderwijs') omvat, behalve het zingende lezen van 
den Koran, dat evenals in de langgar door de leerlingen gezamenlijk 
geschiedt, de pëkih (de wet), de Arabische grammatica (nahoe) , 
de scholastieke theologie (oepoel), de mystieke theologie (tasaoep) 
en de uitlegging van den Koran (tapsir). Het onderwijs geschiedt 
door het voorlezen van het een of ander gezaghebbend Arabisch 
boek, zin voor zin, terwijl de goeroe het gelezene in de volkstaal 
verklaart; meestal eenvoudig door het voorlezen eener vertaling, 
soms echter met eene toelichting uit andere werken. Dit onderwijs, 
dat te Tegal sari althans nooit in de pondoks gegeven werd , heeft 
's morgens van 7 — 12 en 's middags van 1 — 4 uren plaats ; 's avonds 
komen de santri's gewoonlijk bij elkander, hetzij om inlichtingen 
aan den goeroe te vragen, die gedurende de les niet verstrekt 
worden , hetzij om met elkander te praten , waarbij vaak allerlei 
godsdienstige vraagstukken ter sprake komen, en ook de half-hei- 
densche, half-Moslemsche ngelmoe's niet vergeten worden. De grootste 
beteekenis van de pesantren wordt vaak aan het bijeenzijn dier 
santris toegeschreven; men zou dan ook verkeerd doen om aan deze 
school geen invloed toetekennen zoowel voor de ontwikkeling der 
daar onderwezenen , als voor de verbreiding van Moslemsche be- 



') Mr. L. W. C. V. d. Berg in T. B. G. XXXI. 



VEREERING VAN GEESTEN. 247 

grippen en vooroordeelen. Voor dit laatste zijn vooral de particu- 
liere nieuwere scholen van belang. Het onderwijs op de posantrens 
omvat niet overal de vijf genoemde leervakken; vaak worden er 
maar enkelen van onderwezen, en gaat de santri, nadat hij daar 
het onderricht heeft bijgewoond, naar een andere school, om nieuwe 
wetenschap te bestudeeren. Maar vaak is het hem slechts te doen 
om wetenschap, ngelmoe, in hare beteekenis van de zwarte kunst 
en tracht hij vele wonderspreuken deelachtig te worden, waartoe 
hij dan van de eene naar de andere pesantren trekt. Om dit wel 
te begrijpen moeten wij een blik werpen op den godsdienstigen toe- 
stand der Javanen , waarbij ons de gewichtige opmerkingen te stade 
zullen komen, die de H. H. Harthoorn en Poensen in de zoo hoogst 
belangrijke „Mededeelingen van het Ned. Zendelinggenootschap" ten 
beste gaven. 

Wandelen wij het pad, dat door de desa voert, een eindweegs 
op, dan zullen wij spoedig eenen grooten, schaduwrijken boom aan- 
treffen, die van onderen eenen vreemden, berookten, vuilgeelen 
tint heeft en door den Javaan met opvallenden eerbied wordt be- 
schouwd. Soms vindt men daarbij een soort van tafeltje , uit een 
drietal steenen bestaande, en door een hekwerk afgesloten. Niet 
lang behoeven wij te wachten, of wij zien een desabewoner den 
boom naderen , met reukwerk en bloemen voorzien , dezen als een 
offer op den steen leggen, den wierook ontsteken en een gebed 
prevelen: „O Danjang! mogt gij mij zegenen! Daarom, o Danjang, 
ontsteek ik u dit mijn offer van wierook !" Deze en tallooze andere 
offeranden , die de Javanen bij alle plechtige gelegenheden aan een 
groot aantal geesten brengen , bewijzen dat zij , ofschoon onder de 
belijders van den Islam geteld , in geenen deele de hoofdvoorschriften 
van dien godsdienst nauwgezet beoefenen. Wel is er bijna geen 
Javaan, die de hoofdbelijdenis van den Islam: „Er is geen God dan 
Allah en Mohammed is zijn gezant" niet kent, en telkenmale gebruikt; 
wel is de leer der voorbeschikking en volkomen onderwerping aan 
Gods wil ook bij hem doorgedrongen en ligt de uitdrukking: „Het 
zij zoo! God zal 't wel weten! Zijn wil alleen!" in zijnen mond be- 
storven, maar desniettegenstaande heeft hij een heir van andere 
goden niet uit zijn hart kunnen bannen, en nemen dezen zelfs de 
eerste plaats bij hem in. Zijne godsdienstige voorstellingen bevatten 
eene zonderlinge vermenging van het oud-heidensche animisme met 



'248 OI'FERANDEN. 

MoslomscliP begrippen. Bijna ell<e desa toch heeft haren eigen 
bescliermgeest, (danjang) , die zijn verljlijf' in een bnom, steenlioop, 
Hindoebeeldje, graf enz. kiest en door offeranden van rijst, eieren, 
bloemen en wierook vereerd wordt. Daarmede gaat eene vereering 
gepaard van de afgestorvenen, zoodat elke desa haren stichter, 
den akal bakal, hulde bewijst en ieder Javaan voor zich nog aan 
zijne eigen voorouders en beroemde personen offert. Merkwaardig 
is hierbij de omstandigheid, dat onder de overgroote menigte 
oiTers, die de Javaan brengt, er slechts weinigen voor Allah, 
den eenigen God, bestemd zijn en wel bij de sedekah kékah, een 
offer aan de geestelijken voor een kind, soms uit een stuk vee, 
maar meestal in lijst bestaande, opdat de geestelijke bij Allah 
om een lang en voorspoedig leven zou bidden. Zoo ook bij de 
eigenlijke sedekahs, (ook slamettan (heiloffer) genoemd en waaronder 
de Javaan in het algemeen eiken godsdienstigen offermaaltijd ver- 
staat), de offermalen op den 3den, 7den, 40sten, iOOsten en lOOOsten 
dag, en den isten en 8sten verjaardag na het overlijden van aanver- 
wanten , die wel met de vereering van de geesten der afgestorvenen 
samenhangen, maar onder den invloed der Moslemsche geestelijkheid 
als offers voor de gestorvenen beschouwd worden, teneinde Allah 
genadig jegens hen te stemmen. Voor het overige zijn het de over- 
ledenen , de voorvaderen , de profeten , de wali's of eerste predikers 
van den Islam op Java, allerlei geesten of goden, onbestemde denk- 
beelden, zooals lucht, water enz., die met godsdienstigen eerbied 
beschouwd worden, ja zelfs valt deze eer aan oude godenbeelden, 
oude verroeste ijzeren wapenen, bekers en bellen enz. te beurt, 
zooals aan die welken te Kwali in Tjeribon en elders bewaard 
en niet dan met schroom vertoond worden. Zoodanige offeranden 
worden bij allerlei gelegenheden gebracht. Is eene dreigende ramp 
afgewend, een verlangen vervuld, dan gaat men met de uitge- 
noodigde vrienden en familieleden bij de verblijfplaats van den 
danjang een maaltijd houden, bloemen strooien, wierook branden, 
en als het vermogen van den feestgever het lijden kan, laat men 
den gamelan met de danseressen optreden. Overigens zijn die 
feesten elkander vrij gelijk. Vrienden en betrekkingen, veelal 
ook de desagenooten , soms ook de bewoners der 4 of 5 naast- 
liggende dorpen, worden tot den maaltijd genoodigd, die altijd naar 
het vermogen des gastheers mild en ruim is. Vóór den aanvang 



dowa's. 249 

spreekt de gastheer of de oudste in zijnen naam de gasten toe, 
noemt het doel van het feest, en loept den zegen in van zoovelen 
als de dowa's, die hij kent, vermelden. Daarop geeft hij het woord 
aan den desageestelijke, of aan een door vroomheid enz. uitstekend 
persoon, die eene dowa uitspreekt, waarna men overgaat tot het 
nuttigen der spijzen. 

Deze dowa's zijn niets anders dan formulieren, aan welken de 
Javaan eene geheimzinnige kracht toekent en die bij allerlei gele- 
genheden worden opgezegd. Sommigen strekken slechts ter bevrediging 
van aardsche behoeften en lusten, zooals die, welken bij hetbeploegen 
van het rijstveld, het opstapelen van de rijst in de schuur enz. 
worden opgezegd. Zoo gebruikt men het volgende formulier bij het 
lezen der eerstelingen van het rijstveld. „Onzichtbare pertijan siloem- 
man (een ter kwader faam bekende geest) , verijdelt het werk aan 
mijn rijstveld niet. Indien gij het verijdelt, zal ik u den kop door- 
midden hakken. Embok Sri Dana, Embok Sri Loeloet, Embok Sri 
Penganten (vrouwelijke rijstgeesten), hoort! verzamelt al uwe kinderen 
en kleinkinderen , groote en kleine ! Ik ga de rijst snijden ! Wat ik 
tot snijden gebruik, is gewet ijzer! Schrikt, huivert niet en slaat 
het oog niet op! Al mijne aanroepingen vragen gunst en voorspraak. 
Ik heb het voornemen eenen offermaaltijd aanterichten voor de 
bêschermgeesten !" Andere dowa's hebben betrekking op het vermogen 
om te tooveren, wonderen te doen, zich onzichtbaar te maken, ja 
er zijn er zelfs, die voor de toekomende wereld nuttig zijn, om de 
zielen der afgestorvenen rust te verschaffen, of ook, om ze in het 
lichaam van den eenen of anderen hooggeplaatsten persoon haren intrek 
te doen nemen , want ook de leer der zielsverhuizing vindt op Java 
wijd verspreiden aanhang. In nauw verband met deze dowa's staat 
de leer der ngelmoe of ilmoe, die bijna door eiken Javaan gehuldigd 
wordt. Dit Arabische woord, dat eigenlijk weten beteekent, heeft 
in den mond des Javaans eene hoogst vreemdsoortige beteekenis 
verkregen. „Zij is een warboel, een eindeïooze doolhof, die het 
Javaansche verstand geen eer aandoet. Zij omvat allerlei: tooverfor- 
mulen tot onderscheiden einden, bezweringen, dubbelzinnige gezeg- 
den , vernuftsspelingen met klankverwante woorden , gebrekkige 
vertalingen van kawi-woorden en Arabische wijsgeerig- godsdienstige 
uitdrukkingen en begripsbepalingen ; de namen der letters van het 
Arabische alphabet met hare beteekenis ; wonderspreuken , raadsel- 



250 DE NGELMOE. 

spreuken, wijshoidspronken. wijpgoerige sfollingfin, goflgeleerde stel- 
liiigoii , nrahniaiiistisclio, Booddliistischo , Sivaitischo, Moslomsche en 
andere waarliedcn, maar dat alles zóó dooreerigemengd, saarnge- 
groeid en ineengesmolteri, dat men zicti over dat bont allerlei, over 
dat alles en nietmetal, niet genoeg verbazen kan." „llmoe is het 
een en alles van den Javaan, zijn hoogste schat, llmoe bevrijdt hem 
van alle onheil, bereidt hem alle mogelijke geluk. llmoe regeert en 
bedwingt de geesten, — verzekert de gunst der Godheid, eene nieuwe, 
hooge geboorte. Een man van ilmoe, die vele ilmoe's bezit, zijn 
uitdrukkingen voor den Javaan van gelijke kracht als voor ons de 
woorden: „een godvruchtige, deugdzame." De ngelmoe is de band, 
die den mensch met God verbindt; haar aantal is onnoemelijk; een 
Javaan zonder ngelmoe bijna ondenkbaar. Ieder ngelmoe heeft hare 
eigen benaming in rapal of spreuk. — Zoo vindt men b. v. de 
ngelmoe, die de kracht geeft om te reizen snel als de wind, als in 
den droom; de ngelmoe, die de begeerde vrouw tot echtgenoote ver- 
schaft; de ngelmoe, die in den strijd doet overwinnen, die een 
voorgenomen diefstal doet gelukken; de ngelmoe, om op water te 
wandelen, en een aantal ngelmoe's meer, te veel om hier op te 
noemen, velen van zeer onzedelijke strekking. Een paar voorbeelden 
mogen tot opheldering dienen: „Het huis van A. brandt af, dat 
van B., zijn buurman, niet; C. die dit opmerkt denkt: „B. heeft de 
ilmoe des Heeren , want hij kan de vlammen afweren; ik zal zien 
ze van hem te leeren. A. en B. hebben twist, verwenschen en 
vervloeken elkander, en A. of iemand der zijnen treft eenig onheil; 
C. begrijpt daaruit, dat de ilmoe van B. de ilmoe van Allah is en 
wordt begeerig ze van hem te verstaan." In de ngelmoe's spreken 
zich de verschillende godsdienstige richtingen uit die , even als elders 
in Moslemsche landen , ook op Java wortel hebben geschoten. Ons 
bestek laat ons niet toe, hier te doen uitkomen, hoe de Moslemsche 
wereld zich in verschillende secten verdeelde en in hoeverre ook op 
Java daarmede overeenkomende verschijnselen zich vertoonen. Wij 
moeten ons hier vergenoegen met een enkele van de hoofdrichtingen 
te doen uitkomen, die de Javaan in zijne beschouwingen over hoogere 
zaken volgt. 

Men onderscheidt onder de Javanen de ngelmoe's der ongods- 
dienstigen (tiang paseg) en de agami Islam (de rechtzinnige 
leer). Niet dat zij , die de eerstgenoemde ngelmoe volgen , zich 



DE NGELMOE. ASCETISME. 



251 



zelven tot de ongeloovigen zourien rekenen, integendeel, ook zij 
beweren, doch op hunne eigen manier, tot den Islam te behooren, 
maar zij wijken toch in de eene of andere richting van het grond- 
beginsel van den Islam af. Want ook bij den Javaan is het waar 
dat „het afgetrokken denkbeeld van een eenigen God , die zich met 
het doen en laten der menschheid niet bemoeit en door een onver- 
anderlijk noodlot alle pogingen der menschen eens voor altijd doelloos 
gemaakt heeft, noodzakelijk eene leegte in het hart moet open- 
laten, zoodat het menschelijk hart zich zelven hulp en troost zoekt 
te verschaffen." Hoogst waarschijnlijk onder den invloed der oude 
godsdienstige beg)ippen, volgt een deel der Javanen eene beschou- 
wing, die het bestaan van eenen God ontkent of weinig van een 
grof pantheïsme verschilt en God in den mensch en den mensch in 
de godheid doet opgaan. „Wie kent Allah?" zoo zeggen zij, „Wie 
maakte den naam Allah? Deze mijne lippen hier zijn Allah. En 
de hemel, wat is dat? Er is geen hemel! De hemel is hier! De hel 
is hier! Het eeuwige leven, de opstanding is hier! Het isnietnoodig 
die te zoeken! Nu goed — hiernamaals goed! Nu kwaad — hier- 
namaals kwaad!" Anderen ontkennen zelfs het bestaan van hetgeen 
zij zien. „Neen, er is geen berg, geen zee, geen rivier, geen water, 
dat alles is hier binnen in mij. Wat nut heeft het te onderzoeken, 
hetgeen zich aan de zinnen voordoet, de vormen der stof alleen. 
Met daaraan te denken , verlaagt de geest zich , en verwijdert zich 
van zijnen oorsprong. Weg met al dat denken, ik ben dood voor 
de stof. Hare vreugde en smart veracht ik. Het niet-zijn is mijn 
wezen." Hij, die het tot deze hoogte gebracht heeft , bezit de ngelmoe 
van het heldere water. Alles is hem onverschillig , geen der aardsche 
hartstochten beroert hem meer. 

In eene andere richting beweegt zich het ascetisme, dat ook 
op Java zijne vertegenwoordigers vindt, en evenzeer eene afwijking 
van den zuiveren Islam uitmaakt en tot de ilmoe paseg gerekend 
wordt. Zij, die deze richting volgen, zoeken door onthouding en 
kastijding den zinnelijken mensch te dooden, hetzij door als tapa 
(kluizenaar) te leven, hetzij doordat zij, hoezeer in de wereld en 
te midden van hun huisgezin zich ophoudende, een streng leven 
leiden en vooral zich van vele spijzen onthouden, terwijl zij zich 
met weinig, soms met de walgelijkste dingen tot voedsel verge- 
noegen. Bij velen hunner maakt zich eveneens de Boeddhistische 



252 KLUIZENAARS. 

voorstelling geldig, „dat het niet-zijn het ware wezen, God, is. 

Daartoe terug te keeren door den dood is het ware leven. Daarom 
moet men den zinnelijken mensch dooden." Anderen verwachten 
te kunnen worden nitis, d. w. z. in een ander lichaam overtegaan 
en het punt te bereiken, dat zij matang — het rijp zijn -■ noemen, 
waarop zij zich als het ware oplossen in God, de wereldziel, terwijl 
de geheimen van het leven en den dood hun geopenbaard zijn. 
Velen, die dit punt meenen bereikt te hebben, komen dan weder 
in de wereld terug als pandita, leeraar, — maar, zoo zegt de 
Javaan, „menigeen is als pandita opgetreden, vóór hij dat standpunt 
bereikt heeft, en dan is alles vergeefs, wat hij heeft uitge- 
staan. Hij doet zich dan voor als een ei, van buiten wit, maar 
van binnen niet onbesmet." Vroeger was het aantal tapa's. die 
zich geheel aan de samenleving onttrokken , zich in een rotsspleet 
of op eeiien hoogen bergtop ophielden en van eenige planten , 
verdord hout enz. leefden , veel grooter dan nu , daar er scherp 
wordt toegezien, dat niemand zich aan het bestaan als tapa wijdt, 
ofschoon ook nu nog hier en daar zulke tapa's worden gevonden, 
zooals de vuurtjes bewijzen, die te midden van den nacht op de 
hooge bergen worden gezien. Niet altijd leven die tapa's in strenge 
afzondering. De zendeling Smeding zag op de markt te Toeloeng 
agoeng in Kediri een klein gedeelte afgescheiden van de drukte 
door een neteldoek bedgordijn. Op zijn vragen vernam hij: „Hier 
leeft een tapa, reeds oud, zeer geleerd en vroom. Hij leeft van 
aahïioezen, die hij echter nooit afbedelt. Allen, die zijn onderwijs 
aannemen, voorspelt hij niet alleen een goede toekomst, maar hij 
bepaalt zelfs, welke hooge personen zij zullen worden bij opvolging 
zijner voorschriften." Merkwaardig is het, dat somtijds ook vrouwe- 
lijke tapa's, endang genaamd, voorkomen, en dat enkele tapa's 
hunne vrouwen medenemen, terwijl zich het ook elders aange- 
troffen verschijnsel voordoet, dat de tapa, die zich aan mystieke 
overpeinzingen overgeeft, een hoogst ontuchtig leven leidt, zonder 
zich daarover in het minst te schamen. Dit laatste is ook aan de 
santri birahi eigen, die niet gehuwd zijn, maar zich in gezelschap 
van dansmeiden en publieke vrouwen aan allerlei vleeschelijke 
lusten, spel enz. overgeven. Eene zeer eigenaardige sekte vormden 
de tiang driah in het Panaragasche, die hunne velden bebouwden 
tot het oogsttijd was, doch dan hunne woningen verlieten en de 



t)E NGËLMOË SANTRIAN. 25B 

opbrengst liuiiner akkers aan anderen overlieten, terwijl zij zich 
met planten, wortelen enz. voedden en den tijd niet bidden en vasten 
doorbracliten. 

Dit weinige zij voldoende om den lezer een blik te gunnen in 
de godsdienstige beweging die op Java buiten den kring van de 
aanhangers der rechtzinnige leer gevonden wordt. Tegenover deze 
afwijkingen staat de aganii Islam, die hoofdzakelijk in de pesantren 
wordt onderwezen en levendig gehouden, en ook wel de ngelmoe 
santrian genoemd wordt. Haar hoofdtrek is wel deze , dat zij vast- 
houdt aan de vier hoofdzuilen van den Islam (p. 61); eene ngelmoe, 
die dezen verlaat, leidt van zelf tot het verwaarloozen der gods- 
dienstige plichten, door Allah zelfden geloovige opgelegd: de reini- 
ging, de ritueele gebeden, de vasten, de gewijde gaven en de 
tocht naar Mekka. Wie zoodanige ngelmoe leert meent, dat hij niet 
meer noodig heeft dagelijks de 5 gebeden te doen en ten slotte 
zal hij geen der voorschriften van Allah rneer opvolgen. Het „witte 
volk" volgt deze voorschriften dan ook zoo trouw mogelijk op, en 
verricht vooral de ritueele gebeden, die door den minder godsdienstigen 
Javaan in den regel veel minder vaak worden verricht. Doet hij 
echter in dit opzicht zijn plicht dan behoort hij vijfmaal daags de 
salat of sembajang waartenemen, die in bepaalde lichaamsbewe- 
gingen bestaat, welken met het reciteeren van koranverzen gepaard 
gaan. Deze gebeden moeten binnen een bepaalde tijdsruimte (waktoe) 
worden veiricht; om de geloovigen aan hun plicht te heriimeren 
wordt de gebedstijd door de menschelijke stem aangekondigd , terwijl 
op Java gewoonlijk daarna nog op de bedoeg geslagen wordt, om 
beter de aandacht op te wekken. Op Java stelt men den tijd voor 
de soeboeh van 4 uur 's morgens af, zoodra men de schemeiing in 
oostelijke richting heeft bespeurd, tot vóór zonsopgang; de thlohor 
vangt aan, nadat de zon haren hoogsten stand heeft bereikt en 
begint te dalen, tot ongeveer half drie, of tot dat de zonneschaduw 
even lang is, als de persoon; de ngasar begint omstreeks drie uur 
of op het tijdstip dat de schaduw langer is dan de persoon , en 
duurt tot even vóór zonsondergang, ongeveer zes uur; de magrib 
na zonsondergang totdat het laatste avondrood verdwenen is, 
terwijl de ngisa aanvangt, zoodra de laatste schemering niet meer 
zichtbaar is en tot ongeveer twee uur des nachts duurt. Deze 
gebeden mogen ook buiten een moskee worden verricht ; de Vrijdags- 



254 DIC NGKLMOK SANTUIAN. 

diotist moet daarontcgcii iii liet bcdelmis worden gehouden en wel 
door minstens 40 perscjnen , bewoners der plaats en voldoende aan 
bepaalde eischen door de wet gesteld. Deze dienst, welke dien dag 
de thlohor vervangt en na den middag plaats heeft, bestaat uit 
eene godsdienstige toespraak tot de gemeente, gevolgd door een 
gemeenschappelijk gebed. De Vrijdag behoort eigenlijk niet als een 
rustdag te worden gevierd; op Java echter wordt hij door velen 
als zoodanig beschouwd en zijn, althans in sommige streken, de 
meeste werkplaatsen, vooral van godsdienstige personen, opdien 
dag gesloten , terwijl terechtzittingen dan ook niet gehouden worden ^). 
Ook bij andere gelegenheden worden nog gemeenschappelijke gebeden 
verricht; enkelen dezer zullen wij later bijwonen. 

Terwijl nu in de pesantrens de kitabs, die de godsdienstige en 
andere plichten aan de geloovigen leeren , in de eerste plaats onder- 
wezen worden , bevat de ilmoe santrian bovendien een aantal dowa's 
en is zij van de leer der tooverij niet geheel afkeerig, terwijl zelfs 
bij de behandeling der rechtzinnige leerstukken de speculatieve en 
haark lovende geest van de Javaansche wetenschap zich niet ver- 
loochent. Ook bij de santri's hebben vooral de ngelir.oe koen, noer 
en ghaib een beduidenden invloed verworven ; zij hebben betrekking 
op hetgeen is, het licht Gods, en het verborgene, begrippen die ook 
elders in de Moslemsche wereld aanleiding tot allerlei bespiegelingen 
hebben gegeven. Maar de Javaan, die daarvan niets begreep, heeft 
er allerlei zinledige formules van gemaakt. Zoo zegt hij „koen, 
koen, wat beteekent dat? Als je zult gaan schrijven dan is de 
inkt koen, als je een tafel gaat maken, dan is het hout koen, het 
materiaal is koen. De ilmoe koen luidt Koenwajakoen (het zij en 
het is er), keert terug tot koen, het keere terug wegens Allah; de 
wezenlijke koen is de wortel des levens!" Eene zeer diepzinnige 
ngelmoe is die, welke weet te zeggen, waarom nu eigenlijk de 
adem heet, zooals hij heet; die weet hoe de adem heet bij dag en 
bij nacht, bij het inademen en uitademen; die weet, waar de adem 
bij het sterven henengaat en waar hij zich blijvend ophoudt. Vol- 
gens den regent van Brebes beschouwen ingewijden deze ilmoe als 
de vrijzinnigste leer en als een samentrekking uit het Mohamme- 
daansche geloof, die in den Koran in beeldspraken en zinnebeeldige 



') R. M. Adipati Aria T. Negara (regent v. Brebes) in Bijblad T. aardr. Gen. n». 9. 



t)E SANTRi's. 255 

verhalen zeer bedekt in kleine stukjes beschreven wordt, doch voor 
oningewijden onverstaanbaar is. Slechts aan zeer enkelen mag deze 
leer worden onderwezen, uit vrees dat er anders misverstand zou 
ontstaan, de tempels vervallen zouden en de macht van den vorst 
zeer zou verzwakken. Ofschoon deze ilmoe zich dus op Moslemschen 
bodem plaatst schijnt zij ecliter tot voor de rechtzinnige leer gevaar- 
lijke gevolgen te leiden. 

De santri's nu, die zich op de godsdienstwetenschap toeleggen, 
volgen niet allen dezelfde loopbaan. Een aantal hunner bezoeken 
de pesantren slechts één jaar of niet veel langer ; velen trekken 
van den eenen leeraar naar den anderen , zoodra zij de ngelmoe's 
van den eersten machtig zijn. Dikwijls keeren zij in de desa terug 
en worden daar weder gewone landbouwers, terwijl zij zich slechts 
in enkele bijzonderheden van hunne buren onderscheiden , b. v. door 
het getrouw verrichten der voorgeschreven gebeden enz. Verschei- 
denen hunner wordeti echter santri lerës, d. w. z. dat zij zich geheel 
aan den godsdienst wijden, vaak als onderwijzers aan een pesantren, 
of als inwonende leerlingen bij een goeroe die santri's op zijn erf 
heeft. Zij behooren de voorschriften van den Islam stipt natekomen 
en vooral de gebeden te verrichten, maar velen hunner verwaar- 
loozen dit geheel, voorgevende dat Allah niet op het uiterlijke, 
maar alleen op het innerlijke ziet. Bij een aantal plechtigheden 
worden zij uitgenoodigd om uit den Koran voor te lezen of de dowa's 
te verrichten, waarvoor zij gewoonlijk eenige vergoeding ontvangen, 
terwijl zij dikwijls handel drijven in djimats'), amuletten of talis- 
mans, die den bezitter tegen ziekte en allerlei kwaad beschermen 
en zelfs kunnen beletten, dat misdrijven ontdekt worden! Opdat 
echter zoo'n talisman, — vaak een onbeteekenend voorwerp, zooals 
een nagel of iets anders van een tijger of krokodil , — de gewenschte 
uitwerking zal hebben , moet de daarbij behoorende spreuk worden 
gekend, alsmede de bijzondeie voorschriften, die moeten worden 
opgevolgd en het is natuurlijk de verkooper alleen, die dit alles 
den kooper kan leeren. Zoodanige santri's vertoonen zich zelden 
van een gunstigen kant. Op aardige wijze wordt met hen den spot 
gedreven in een Javaansch verhaal, de Gata-Lotja ^) , waar van hen 



') Poensen in Med. Ned. Zend. XXIII. 
-) Med. Ned. Zend. XVII. 



25ü DE SANTHi's. GEESTELIJKE BROEDERSCHAPPEN. 

gezegd wordt dat liiiii klcediiif^ lielder wit is en dat zij bidden 
met al de vüorgesciireveii lichaainsbewegiiigeri , — „maar hun witte 
tulband dient om aiiderer goed machtig te kunnen worden; ter- 
wijl zij hij de gebeden luiii licha;iiii steeds in beweging hebben 
berekenen zij de waarde van anderer menschen goed, dat zij niet 
machtig konden worden ! Zij zijn als de reiger die helder wit is in 
de lucht, maar 's morgens, als hij neerdaalt eet hij kikkers!" Het 
spreekt echter van zelf dat ook onder deze santri's werkelijk vrome 
lieden voorkomen. In hun uiterlijk ondeischeiden de santri's zich 
vooral door hun geschoren kruin en door een van rotan gevlochten 
kapje. Niet zeiden worden zij tot dorpsgeestelijken gekozen, althans 
wanneer zij zich bij de bevolking aangenaam weten te maken. 

Vaak gebeurt het dat de een of ander Javaan hooger onderwijs 
verlangt, dan de pesantren hem geven kan. Daartoe zal hij thans 
bij voorkeur zich eenigen tijd te Mekka ophouden, waar hij het 
onderwijs bijwoont, dat in de heilige moskee ook door leeraren uit 
den Ind. archipel gegeven wordt en dat door Dr. Snouck Hurgronje 
zóó uitstekend geschetst is'). Gewoonlijk wordt dit verblijf te Mekka 
verbonden aan de hadj of bedevaart naar de heilige stad , die door 
eiken Moslem, welke daartoe in staat is, minstens eenmaal gedu- 
rende zijn leven moet worden verricht, maar in landen, ver van 
Arabië verwijderd, slechts door een betiekkelijk klein getal geloo- 
vigen volbracht wordt. Het verrichten van zulk een pelgrimstocht, 
waar de Inlander met duizenden geloovigen samenkomt, zich in 
een echt Moslemsche omgeving ophoudt en de . kracht van den 
Islam leert kennen, oefent vaak een voor ons gezag hoogst ongun- 
stigen invloed uit en maakt dan den kal men, half-heidenschen 
Javaan tot een fanatieken Moslem en hater van de kafirs of onge- 
loovigen. Vooral draagt de kennismaking met de tariqa's of de 
geestelijke broederschappen *) in hooge mate daartoe bij. Dezen zijn 
vereenigingen van geloovigen, die zich ten doel stellen om, onder 
leiding van een hoogeren leidsman of Sjech, door godsdienstige 
oefeningen hare leden tot nadere gemeenschap met Allah te brengen 



') Dr. C. S. Hurgronje. Mekka. Haag '1889 en vooral de beide laatste hoofd- 
stukken van het 2de deel. Voor de bedevaart zie zijne Dissertatie: Het Mekkaansche 
feest. Leiden 1880. 

-) Behalve „Mekka' zie Mr. L. W. C. v. d. Berg in T. B. G. XXVIII. Holle in 
T. B. G. XXXI. V. d. Wall in T. B. G. XXXV. S. -Hurgronje. Med. N. Zend. XXXI. 



GEESTELIJKE BROEDERSCHAPPEN. 257 

en hun het eeuwige heil deelachtig te doen worden. Vooral spelen 
daarbij een groote rol de dsikir's: de ons reeds bekende vermelding 
van AUalis naam en eigoiischappeu, die VDoitdunMid woidt opge- 
zegd, totdat de geest in een soort van verrukking komt waardoor 
het lichaam ongevoelig wordt voor allerlei indrukken van buiten en 
de geloovigen geheel onder d(Mi invloed van den leidsman geraken. 
Verschillende graden worden in deze broederschappen aangetrotlen ; 
zij , die zich laten inwijden , leggen een eed van gehoorzaamheid aan 
den Sjech af dat zij in zijne handen zullen zijn „als lijken in de 
handen van den wasscher." De twee vereischten voor de devotie 
der Naqsjibendijah zijn dan ook, dat men het doen en laten van 
den profeet navolgt en zijn verheven wet behoorlijk nakomt; en niet 
minder dat men den meester, door wien men wordt ingewijd , bemint 
en eerbiedigt. Maar al te vaak worden deze broedersciiappen door de 
Sjechs gebruikt tot het verkrijgen van wereldlijke voordeden; maar 
zelfs dan, wanneer de orde zich strikt tot het godsdienstige bepaalt, 
spreekt het wel van zelf dat de opwekking van het fanatisme, dat 
van eene toetreding tot die broederschappen het gevolg is, gevaarlijk 
voor het gezag eener ongeloovige Regeering worden kan, zooals 
o. a. de Franschen in Afrika ondervonden hebben i). Dat ook in 
Nederlandsch Indië dit gevaar dreigt, is in de laatste jaren her- 
haaldelijk gebleken ; de broederschappen , die door zendelingen uit 
Mekka krachtig ontwikkeld zijn , waren niet vreemd o. a. aan den 
opstand die in 1888 Bantam geteisterd heeft. En maar al te vaak 
slepen zij anderen mede, bij wien de Islam schijnbaar niet is door- 
gedrongen. Want het zou zeer weinig kennis van den werkelij- 
ken toestand verraden indien men beweerde, dat de Islam op 
Java krachteloos is, en verkeerd zou men handelen door te zeggen 
dat de Javaan, op grond van de heidensche begrippen, die hij 
nevens den Islam aankleeft, niet tot fanatisme kan worden opge- 
wonden en tot den heiligen krijg tegen de ongeloovigen worden 
overgehaald. Geenszins toch is het zuiver begrip van de leerstel- 
lingen van een godsdienst de juiste maatstaf voor de inspanning 
die zijne belijders zullen aanwenden om dezen te verdedigen. En te 
minder is het raadzaam , zich aan zoete rust overtegeven , waar het 
blijkt dat in de laatste jaren de Islam krachtiger op Java optreedt 



') L. Rinn. Marabouts et Khouan. Alger. 1884. 

II. -17 



Ö58 ÜE lIADJi's. 

en tot kringen doordringt, walleen vroeger daarvoor weinig toegan- 
kelijk schenen. Do in den Indischen archipel meest bekende tariqa 
is die der Naqsjibendijah ; andereu zijn de Kedaiijali , Sjadilijah, 
Satarijah enz. 

De Javanen, die na den volbrachten tocht naar Mekka recht 
op den titel van hadji hebben en de Arabische kleeding mogen 
dragen, in tulband en tabbaard bestaande, vestigen zich thans in 
den regel als gewone Inlanders; sommigen hunner brengen het 
tot dorpsgeestelijke, of trachten door het geven van onderwijs 
inkomsten te verwerven, terwijl anderen handel drijven en enkelen 
ook door het verkoopen van djimats en het genezen van zieken 
door toovermiddelen ten koste der bevolking trachten te leven. 
Vroeger stonden de hadji's in groot aanzien bij de bevolking, die 
vaak in hunne plaats de heerendiensten verrichtte en hunne velden 
bebouwde , terwijl het thans in vele streken geen ongewoon schouw- 
spel is dat een getulbande hadji te midden der andere heerendienst- 
plichtigen aan wegen enz. werkt. Naar men zegt is deze verminde- 
ring in aanzien het gevolg van de toeneming van hun getal, die 
in de hand werd gewerkt door de wijziging in de politiek, welke de 
Regeering tegenover den hadji volgt. Vroeger toch trachtte zij de 
bedevaart zooveel mogelijk te bemoeilijken en vorderde sedert 1825 
van eiken bedevaartganger een pas, waarvoor f llü moest betaald 
worden. In 4852 werd deze heffing echter afgeschaft, daar zij in 
strijd scheen met de godsdienstvrijheid, die het Reg.-Reglement 
(art. 119) aan ieder in Indië toekent. Eene groote toename van 
het getal hadji's volgde daarop, gedeeltelijk zeker wel tengevolge 
dier vrijgevige bepalingen , maar voor een ander deel ook onder 
den invloed van den opgewekten Moslemschen geloofsijver, die zich 
sedert 1854 bijna overal vertoonde en van de zoozeer verbeterde 
middelen van vervoer. Ten einde althans een zeker toezicht te 
kunnen uitoefenen werd daarom in 1859 (St. 42) bepaald, dat 
alleen zij de bedevaart mochten ondernemen , die passen hadden 
erlangd, welken slechts werden gegeven indien de aanvragers op 
voldoende wijze voor hunne achtergebleven betrekkingen hadden 
gezorgd, terwijl zij bij hunne terugkomst een examen moesten 
afleggen ten overstaan van den regent. Alleen zij , die zoodoende 
bewezen, dat zij werkelijk Mekka bezocht hadden, kregen een 
certificaat, dat hun tot het dragen der hadj i-kleeding recht gaf en 



DE nADJi's. 259 

op de voordeelen daaraan verbonden. Dit examen was noodig , 
omdat het geljlekeii was dat verscheidene zoogeiKiaiiide pelgrims 
niet verder waren geweest dan Singapore; de oprichting van een 
Nederlandsch consulaat te Djeddah in Arabië (1872) , waar de 
passen moeten worden afgeteei<end , maakt dit echter thans over- 
bodig. Een groote afwisseling valt optemerken in het getaldergerien 
die jaarlijks naar Mekka vertrekken. Teivvijl dit getal in 1880 voor 
Java en M. 7327 en voor de Buitenbez. '2852 bedroeg, daalde het 
totaal in 188(3 en 1887 tot 2ü0ü a 2700, doch steeg daarna tot 
4431, 3406. 5785 en 6547, terwijl het in 1892 weder 7466 bedroeg, 
van welken 3160 uit .lava en M. veitrokken waren. AUeilei omstan- 
digheden oefenen hierop invloed uit; het grootste getal bedevaart- 
gangers veitrekt echter in de jaren waarin de voornaamste plechtig- 
heid van den hadj , het verblijf te Arafat, op een Vrijdag valt. Een 
niet gering aantal hunner keert niet dadelijk of zelfs in het geheel 
niet terug; zoo werden in 1892 ruim 13U0 bij het consulaat gede- 
poneerde passen niet teruggehaald, waarschijnlijk omdat de hadji's 
overleden waren of hun verblijf in Arabië verlengden. Wanneer 
men de bovenstaande cijfers vergelijkt met het aantal hadji's, dat 
in 1852 volgens officieele opgaven Java verliet, toen dit slechts 70 
bedroeg, dan is de toename beduidend te noemen, al neemt men 
dan ook aan , dat er vóór dat jaar alle aanleiding bestond om op eene 
slinksche wijze aan de bedevaart deeltenemen , ten einde de zware 
belasting te vermijden. Terwijl sommigen meenen, dat deze ver- 
meerdering toejuiching verdient, daar zij het aanzien van den hadji 
breekt, die nu niet meer zóó zeldzaam is als vroeger, gelooven wij, 
dat de toename veel beduidender zou moeten zijn, om dat gevolg 
te hebben , en dat in zulk een geval er door vermeerdering van 
fanatisme onder de bevolking veel meer verloren zou worden, dan 
er aan den anderen kant zou worden gewonnen. 

Niet zelden komt het voor dat onder de hoogere geestelijkheid 
zich personen bevinden, die de bedevaart hebben gedaan, dan 
Arabische namen aannemen en de Arabische kleeding dragen, iets 
dat aanleiding heeft gegeven tot de meening, dat zij Arabieren 
waren , ofschoon zij doorgaans Javanen zijn. Onder deze hoogere 
geestelijken staat de pengoeloe bovenaan. De Islam kent geen 
priesters of geestelijken ; zij , die daarvoor soms werden aangezien , 
zijn gewone moskee-beambten , zooals de Imam of voorganger in het 



060 I)K GKESTF.LI.IKKN 01' JAVA. 

gebed, en de Chatib, die de toespraak bij den Vrijdagsdienst houdt. 
Op Java, en ook elders in den Indisclieri archipel, worden echter 
aan de personen , aan een moskee verbonden , nog verscheidene 
andere functiën opgedragen, die volgens het theoretische Moslem- 
sche recht tot den werkkring van den rechter behooren , terwijl 
zij ook nog andere werkzaamheden verrichten zooals bij het sluiten 
van huwelijken en het administreeren van sommige fondsen. De 
organisatie dezer geestelijkheid hangt samen met de territoriale 
indeeling, door ons bestuur ingevoerd. In de hoofdplaatsen der 
afdeelingen en districten, — hoogst zelden daarbuiten, — vindt 
men moskeeën , in den regel logge vierkante gebouwen , die 
slechts door den vorm van het dak in het oog vallen , daar dit 
met een punt eindigt of wel uit drie, naar omhoog kleiner wor- 
dende daken bestaat. Bij zulk een moskee is nu op de hoofd- 
plaats eener afdeeling een pengoeloe aangesteld , die op de hoofd- 
plaats der residentie den titel van hoofdpengoeloe draagt. Op 
Midden-Java vindt men vaak twee pengoeloe's, van welken een als 
adviseur van de Inlandsche rechtbanken dienst doet en daarom ook 
wel pengoeloe-landraad genoemd wordt, en dan door het Euro- 
peesche bestuur wordt aangesteld en een bezoldiging ontvangt. De 
andere pengoeloe, — die op de hoofdplaats der residentie ook 
adviseur is van het regentschapsgerecht, en dan door den resident 
benoemd wordt, — treedt op bij het sluiten van huwelijken enz. 
terwijl hij ook daar, waar geen afzonderlijke Imam is aangesteld, 
in het gebed voorgaat. De voornaamste geestelijke bij eene moskee 
in eene districtshoofdplaats draagt gewoonlijk den titel van naïb of 
wakil, als vervanger van den pengoeloe. Verscheidene lagere 
moskee-beambten zijn den hoogeren geestelijke toegevoegd, zooals 
ketibs, die soms de toespraak houden, maar vaak met het voorgaan 
bij één of meer der dagelijksche gebeden belast zijn, of de adan 
afroepen; modins die gewoonlijk, maar niet altijd belast zijn met 
het afroepen der adan enz. Gewoonlijk wonen deze' personen met 
hunne gezinnen te samen in een wijk, kaoeman genaamd, die in 
de buurt der moskee gelegen is, en waar zich vaak ook andere 
personen nederzetten die zich min of meer aan een godsdienstig 
leven wijden en ook soms wel eene kleine tegemoetkoming ont- 
vangen, waartegen zij zoigen moeten ter Vrijdagdienst optekomen 
opdat het vereischte getal deelnemers aanwezig zij. 



DE GEESTKUJKEN OP JAVA. 261 

De inkomsten van welken deze personen leven vloeien uit ver- 
schillende bronnen voort. Meermalen hebben de moskeeën hunne 
eigen kassen , althans wanneer er ambtelijke velden aan verbonden 
zijn en wanneer er gelden voor het onderhoud der moskee worden 
gereserveerd. Voor het overige bestaan de inkomsten der geestelijken, 
behalve uit de traktementen hun als adviseurs toegelegd, uit beloo- 
ningen voor de werkzaamheden bij huwelijken, echtscheidingen, 
boedelscheidingen enz. en in de liefdegaven die zij ontvangen en 
met name de djakat en pitrah ^). De djakat is eene belasting, die 
de Islam op de geloovigen legde, welken in het bezit van zekere 
bezittingen zijn, en voor bepaalde categorieën van personen bestemd 
is, met name voor behoeftigen en armen. Onder het Nederlandsche 
bestuur heeft zij den vorm eener vrijwillige gave aangenomen, daar 
sedert de opheffing van het Preangerstelsel (blz. 85) bij de invor- 
dering der djakat in geen gewest op Java van de tusschenkomst 
der wereldlijke macht gebruik mag worden gemaakt. De djakat 
wordt gewoonlijk door den dorpsgeestelijke gëind; de hoogere geeste- 
lijkheid tracht hoe langer hoe meer de opbrengst der djakat aan 
zich te ^trekken en de verdeeling, na aftrek van bet aandeel voor 
den inner, aan zich voortebehouden. Grootendeels komt die opbrengst 
thans ten goede aan de moskee-geestelijkheid, die aan hadji's en 
santri's, welken als armen om Godswil beschouwd worden, een 
gedeelte uitkeert en ook soms een gedeelte voor andere, Gode wel- 
gevallige doeleinden gebruikt. Zelfs daar, waar de gave onmiddellijk 
door den dorpsgeestelijke wordt uitgekeerd ('t geen niet altijd het 
geval is), weet de Javaan de spreuk toe te passen: „avec Ie ciel il 
y a des accommodements" , want de slechtste en duurste schoof 
heeft op vele plaatsen den naam van priesterschoof erlangd, omdat 
zij in den regel aan den modin werd uitgekeerd. Maar in de 
Preanger, waar de geestelijken ontvangers der belastingen, ook voor 
de regenten waren, zorgden zij wel niet te kort te komen en zoo- 
doende werd deze residentie het beloofde land voor geestelijken en 
santri's , zoodat men er zelfs reizende geestelijken vond , die een 
verplaatsbaar bedeliuis met zich voerden. In sommige Moslemsche 
werkjes kon men dan ook lezen, dat onder de wachthuizen op den 
weg naar den hemel de djakat het 3de was; die goed gaf kwam 



') Poensen in Med. Ned. Zend. XVIII. 



262 DE GKESTELUKICN OP JAVA. 

or stellig door, maar de anderon rolden in de hel! De pitrah is 
eene opbi'ongst na het einde der vasten in geld en rijst opgebracht, 
die ten goede behoort te komen aan dezelfde personen als die voor 
welken de djakat bestemd is. Op Java wordt zij getronwer dan deze 
uitgekeerd; bij hare verdeeling schijnt inen zich nog minder aan 
vaste regels te houden dan bij de djakat het geval is. 

Met al deze zaken en met nog zoovele anderen, den godsdienst 
betreffende, laat de Ned. Regeering zich niet in, daar zij zooveel 
mogelijk eene onzijdige houding tegenover den Islam inneemt, die 
echter niet zelden groote bezwaren oplevert voor Inland.sche Christenen, 
welke te midden eener Moslemsche bevolking leven ^). Zij heeft het 
toezicht over de Moslemsche geestelijkheid aan den regent opge- 
dragen en bemoeit zich slechts in zooverre met de geestelijkheid 
dat het bestuur, zooals wij weten, eenige pengoeloe's aanstelt en 
bezoldigt, die als adviseurs den rechters ter zijde staan welken over 
Inlanders lechtspreken. Want het Reg. reglement (art. 75) eischt, 
dat in de rechtspraak over de Inlandsche bevolking zooveel mogelijk 
hare godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken moeten 
gevolgd worden, althans voor zooverre dit met algemeen erkende 
beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid kan worden overeen- 
gebracht. Voor het burgerlijk en handelsrecht geldt deze regel nog 
in zijnen vollen omvang. De rechtbanken, die deze gebruiken enz. 
moeten toepassen, en grootendeels uit Inlandsche hoofden zijn 
samengesteld, worden voorgelicht door het advies van eenen geeste- 
lijke, door het Gouvernement aangesteld en die, op straf van 
nietigheid , in elk geval moet vi^orden gehoord , waarin Moslemen 
zijn betrokken. Maar deze waarborg is der Regeering niet voldoende 
voorgekomen. Een gedeelte van het recht staat in zulk een nauw 
verband met de godsdienstige begrippen van den Moslem , dat men 
de beslissing over zaken, die daarmede in verband staan, niet aan 
wereldlijke hoofden , maar aan de geestelijken heeft willen overlaten. 
Het zijn geschillen omtrent het familie-recht, en met name in huwe- 
lijkszaken en nalatenschappen, die diep ingrijpen in het volksleven 
en derhalve door de zoogen. priesterraden moeten worden berecht. 
Groote misbruiken zijn echter, vaak niet ten onrechte, aan deze 
rechtspraak verweten. Om dezen tegentegaan werd o. a. bepaald, 



1) Mr. L. W. C. V. d. Berg in de Gids 18Ö0. 



INLANDSCH ONDERWIJS. 263 

dat geen vonnis van een priesterraad tegen den wil van partijen 
mag worden ten uitvoergelogd dan op last van den landraad, terwijl 
in S. .4882 n". 152 enkele bepalingen tot het tegengaan dier mis- 
bruiken zijn opgenomen. Nieuwe maatregelen in dien geest zijn bij 
de Regeering in overweging. 

Alvorens van het onderwijs voor den Inlander aftestappen 
willen wij nog een oogenblik stilstaan bij de maatregelen, door de 
Regeering ten dien opzichte genomen. De bemoeiing van harentwege 
met dit onderwerp dagteekent eerst van ongeveer een halve eeuw 
geleden, toen de Gouverneur Generaal in 1849 vergunning kreeg 
om f 25.000 voor het onderwijs onder de Javanen te besteden. De 
genoemde som, bespottelijk klein voor zooveel millioenen Javanen, 
werd telkens verhoogd, zoodat op de begrooting voor 1894 eene som 
van f 1.330.159 voor het Inlandsch onderwijs is uitgetrokken. Vooral 
werd sedert 1871 krachtig de hand aan het werk geslagen toen 
bij Kon. besluit van 3 Mei van dat jaar eene regeling voor het In- 
landsch onderwijs werd ingevoerd. Naast de reeds bestaande school 
te Bandong werden verscheidene kweekscholen voor Inlandsche 
onderwijzers opgericht; tal van volksscholen kwamen tot stand, en 
voor het onderwijs, daar gegeven, en voor het toezicht op dat onder- 
wijs werden allerlei regels gesteld en op onbekrompen wijze daar- 
voor gelden toegestaan. In dit opzicht kon men dus de Regeering 
niet langer van verzuim beschuldigen; jammer maar dat, zooals van 
verschillende zijden werd aangetoond'), nu weder juist in tegen- 
overgestelde richting werd gezondigd, daar de gelegenheden tot 
het ontvangen van onderwijs te veel werden uitgebreid, zonder met 
de beschikbare krachten te rade te gaan, en voorts aan dat onder- 
wijs een richting werd gegeven die weinig rekening hield met het 
praktische nut , dat het onderwijs voor Inlanders behoort opteleveren. 
Er werd dan ook vaak over geklaagd dat van dat onderwijs hoofd- 
zakelijk gebruik werd gemaakt door Inlanders, die eene aanstelling 
bij het bestuur verlangden, maar dat dit niet tot het eigenlijke 
volk doordrong, dat daarvan dan ook weinig nut trok, en de be- 
hoefte daaraan niet gevoelde. Niet het minst werd daarbij gestreden 



') N. Graanand in Med. Ned. Zend. XXIV. XXXIV en in Verg. Ind. Gen. 49 
Maart 1889. J. C. Neurdenburg in Verg. Ind. Gen. 11 Maart 1879. De Clercq in Verg. 
Ind. gen. 12 Febr. 1883. 



2(34 INLANDSell ÜNDKKWIJS. 

over het nut van het Nederlandsch , als vak van onderwijs aan de 
kweekscholtMi voor Inlandscho oiidoiwijzers , en over de vraag 
of het onderwijs in de volksscholen in sommige streken , b. v. in 
de Minahasa, in de landstaal, het Maleisch of het Nederlandsch 
moest worden gegeven '). Sedert 188G is de Nederlandsche taal uit 
het leerplan der kweekscholen verwijderd, hoofdzakelijk wel omdat 
het doel, aan de kweekelingeri de gelegenheid te verschalVen om 
zich later verder te ontwikkelen , toch niet bereikt werd , daar zij 
het in die taal niet ver genoeg brachten en zelfs vele overigens 
geschikte kweekelingen het onderwijs in de klassen, waar het 
Nederlandsch gebezigd moest worden , toch niet konden volgen. 
Eene geheele reorganisatie van het Inlandsch onderwijs zal het 
gevolg zijti van het Kon. Besluit van 28 Sept. 1892 (S. 1893 n». 125) 
waarbij gebroken werd met het verkeerde stelsel, dat voor alle 
personen, die een kweekschool verlaten met bevoegdheid om tot 
onderwijzer te worden benoemd, een nieuwe school moest opgericht 
worden, zonder rekening te houden met de geneigdheid van de 
bevolking om van het openbare onderwijs gebruik te maken. Boven- 
dien worden thans de Inlaiidsche openbare scholen in twee soorten 
verdeeld; die der eerste klasse zullen gevestigd worden op de hoofd- 
plaatsen der afdeelingen en in de centra van handel en verkeer. 
Het onderwijs, daar gegeven, omvat het lezen en schrijven der lands- 
taal, waar die bruikbaar is voor het onderwijs, en de Maleische 
taal; het rekenen, de aardrijkskunde van Ned. Indië, de geschiedenis 
van het gewest of eiland, de beginselen der kennis der natuur, het 
handteekenen en de beginselen van het landmeten. Op de scholen der 
tweede klasse, die op zeer eenvoudigen voet zullen worden ingericht, 
zal het onderwijs worden gegeven door personen , die niet aan eene 
kweekschool behoeven te zijn gevormd en zich tot de meest ele- 
mentaire vakken bepalen. Zoodoende hoopt men de gebreken te 
vermijden der vorige regeling, die slechts één school kende, welke 
te weinig gaf voor de zonen van aanzienlijken en te hoog stond 
voor de eigenlijke bevolking, wier kinderen grootendeels niet verder 
kwamen dan de laagste klasse. Een nieuwe kweekschool zal thans 



') J. H. J. Laats in Ind. Gids -1892 I. II. Prof. Kern in de Verg. v. h. Ind. Gen. 
•18 Nov. -1890 en de Nota's gewisseld tusschen hem en v. d. Kemp (Verslagen Ind. 
Gen. 1891 , 1893). 



DF, EERSTE KINDERJAREN. 



265 



voor Midden-Java te Djokjakarta worden opgericht; daarentegen is 
de kweekschool te Padang Sidempoeari (Tapanoeli) opgeheven , in 
verband met het gering aantal Gouvernements-scholen in de Batak- 
landen en het getal beschikbare onderwijzers. 

Wij zijn echter ver afgedwaald van den Javaanschen jongen, 
dien wij in de langgar bij zijnen goeroe verlieten en dien wij nu 
op zijnen loopbaan willen vergezellen, waar hij als man en vader 
optreedt. Voor hij echter in het huwelijk kan treden heeft hij van 
zijne eerste kinderjaren af verscheidene handelingen ondergaan, 
die een min of meer godsdienstig karakter vertoonen en waarbij 
het dan ook gewoonlijk aan sedekahs en slamettans niet ontbreekt. 
Zoo wordt hier en daar een offer gebracht als het kind 35 dagen, 
elders als het 7 maanden oud is, bij gelegenheid van den oedoen 
siti, de nederdaling op den grond, omdat eerst dan het kind met 
de voeten op den grond mag worden gezet om te leeren loopen. 
Soms wordt het kind daarbij in de kooi van den vechthaan opge- 
sloten en laat men het een soort van ladder bestijgen, van suiker- 
riet vervaardigd. Op den 35sten of 40sten dag na de geboorte knipt 
men het hoofd kaal en dit wordt bij de jongens voordurend her- 
haald, tot zij 15 a 16 jaar oud zijn geworden i). Gewoonlijk laat 
men enkele vlokjes haar staan, waarbij veel plaatselijk verschil 
voorkomt. Zoo worden de kinderen van voorname Inlanders meestal 
geschoren, bij anderen laat men vaak een staartje aan het achter- 
hoofd groeien, of een ronde plek boven op het hoofd, bestaande 
uit ietwat langere haren in het midden, door een kring van kor- 
teren omgeven. Dit laatste wordt ook bij meisjes gedaan; niet zelden 
echter laat men bij haar slechts vóór op het hoofd een weinig haar 
staan. Van meer belang echter is de besnijdenis, die bij jongens 
tusschen het 12de en 14de jaar plaats heeft en waardoor zij als het 
ware in den Islam worden ingewijd, daar deze handeling, ofschoon 
geenzins door de Moslemsche wet als verplichting aan de geloo- 
vigen opgelegd, maar veeleer als verdienstelijk (sonnat) beschouwd, 
in de meeste oostersche landen als een der hoofdvereischten voor 
den Moslem wordt aangemerkt en bij niet weinigen in den Indischen 
archipel, nevens den afkeer tegen het gebruik van varkensvleesch. 



') Over de beteekenis van het haarsnijden Dr. G. A. ■WilkeninRev.Col.intern.il. 



266 VOORBEREIDING TOT HET HUWELIJK. 

den hoofdinhoud hunner geloofs-artikelon uitmaakt. De wijze waarop 
de besnijdenis, die ook bij hcidensche stammen in den archipel 
voorkomt, verricht wordt, behoeven wij hier niet te beschrijven^); 
natuurUjk ontbreekt het dan weder niet aan offermalen, 't geen ook 
wel het geval is bij het vijlen der tanden ') dat gewoonlijk bij jon- 
gens tusschen de besnijdenis en het huwelijk verricht wordt, en 
soms eenige malen gedurende het leven herhaald wordt. Deze be- 
werking geldt voor den joiigeiing als teeken van manbaarheid of 
meerderjarigheid, en in 't algemeen als een bewijs dat de betrok- 
ken persoon een eerzaam en vroom Inlander is. Ook meisjes onder- 
gaan soms de besnijdenis, terwijl het vijlen der tanden bij haar 
in den regel leeds op het 12Je of 13Je jaar plaats heeft. 

Het wordt nu hoog tijd dat de jonge man zich voor goed vestigt. 
Vaak is het de vader alleen die rondziet of er een meisje te 
vinden is, dat hij voor zijtien zoon geschikt acht; naar het oordeel 
van den jongeling wordt dan vooreerst niet gevraagd, en bijna 
alles, wat het huwelijk voorafgaat, wordt buiten de aanstaande 
echtgenooten behandeld, die elkander soms nimmer gezien hebben. 
Toch komt het weder vaak voor, dat zij met elkander op de rijst- 
velden gedurende den oogsttijd kennis hebben gemaakt , en daar 
teedere banden hebben aangeknoopt; soms wordt zelfs wel een 
huwelijk gesloten tegen den wensch van den vader van den jongen, 
doch bijna nooit tegen den wil van den vader van het meisje, 
daar zij geheel onder de macht van haren vader staat. Men 
zegt echter dat hier en daar in zoo'n geval de toevlucht genomen 
wordt tot het vragen van de toestemming van een anderen bloed- 
verwant. Heeft de vader het meisje ontdekt, dat naar zijne mee- 
ning eene goede vrouw voor zijn zoon kan worden, dan vraagt 
hij aan een zijner vrienden om eens te gaan polsen, hoe hare 
ouders daarover zouden denken, en toonen dezen zich daartoe 
niet ongeneigd, dan wordt er op nieuw een tusschenpersoon ge- 
zonden om de hand van het meisje te vragen. Is het antwoord 
toestemmend , dan gaan vader en zoon , dikwijls van eenige bloed- 
verwanten vergezeld, eens een kijkje nemen, maar de aanstaande 
bruidegom mag met de reden van het bezoek niet bekend zijn, 



') Dr. G. A. Wilken in de B. t. d. t. 1. en vlk. IVe Vol?r. X. 
■) J. Kreemer in Med. Ned. Zend. XXV. Wilken in Bijdr. t. d. t. 1. en volk. 
Ve Volgr. III. 



VOORBEREIDING TOT IIRT HUWELIJK. 267 

althans geen blijken geven, dat hij dit woe^t. Alles gaat daarbij 
zeer in den vorm toe. Over allerlei wordt gesproken, behalve over 
het ware doel van de komst der gasten, maar de gastheer laat 
onder het een of ander voorwendsel zijne dochter komen , b. v. om 
zijn kris te halen of sirih te brengen. Te huis teruggekeerd maakt 
de vader zijnen zoon met het doel van het bezoek bekend. Mocht 
de jongen geen zin in het meisje hebben , dan gaat het huwelijk 
niet door; om den smaak der aanstaande vrouw bekommert zich 
niemand. Doch zelden is het eerste het geval , want het is terecht 
opgemerkt: de Javaan trouwt in den regel niet omdat hij dit of 
dat meisje wil huwen, maar omdat hij eene vrouw wil hebben. 
Onze vriend neemt dan in het voorgeslagen huwelijk genoegen en 
zoo spoedig mogelijk worden nu de noodige geschenken , vruchten , 
ringen, kleederen enz. als huwelijksgave door den vader van den 
bruidegom gezonden. Maar dit is niet voldoende. De dochter moet 
als het ware van haren vader gekocht worden; dit althans schijnt 
de beteekenis te zijn van den toembassan, die in eene som gelds 
bestaat, waarvan het bedrag bij schikking wordt vastgesteld. Inder- 
daad is het koopen der vrouw van hare ouders eene oud-polynesisch 
gebruik, dat vóór de invoering van den Islam ook op Java bekend 
was, maar thans op dat eiland hier en daar in onbruik schijnt te 
geraken. Eenige dagen later worden er op nieuw geschenken ge- 
zonden, en vaak brengt de gewoonte mede, dat de bloedverwanten 
en kennisen rijst, vleesch en lekkernijen van de aanstaande echt- 
genooten ontvangen , ja zelfs bestaat op vele plaatsen de verplichting 
dat zij aan het hoofd, dat onmiddellijk boven hen geplaatst is, 
geschenken zenden, die zeer verschillend zijn naar den rang en het 
vermogen der betrokken personen, en somtijds in buffels, groote 
hoeveelheden rijst enz., maar bij minderen gewoonlijk in een haan, 
een weinig rijst en andere minder kostbare zaken bestaan. Doch 
nu moet de dag van het huwelijk bepaald worden en dit is lang 
geen gemakkelijke zaak, want de Javaan gelooft aan goede en kwade 
dagen voor allerlei handelingen , — niet het minst voor het huwelijk — 
en eene vrij omslachtige berekening is daarbij noodig. De ver- 
schillende dagen der week hebben elk hun eigen cijfer. Maar behalve 
de week , die wij kennen , heeft de Javaan nog de zoogenaamde 
passer-week, die uit 5 dagen bestaat, welken elk weder hun eigen 
cijfer hebben. Deze beide getallen telt hij samen. Voor elke 



268 HET HUWKI.IJK. 

onderneming heeft hij nu eenige woorden, die eene bijzondere 
beteel<enis iiebben, en nu herhaalt hij die woorden achter elkander, 
totdat hij zooveel malen geteld heeft, als door het veikregen cijfer 
wordt uitgedrukt. Heeft het woord, waarbij hij nu stil huudt, eene 
gunstige beteekenis, dan is alles goed, anders moet de onderneming 
worden uitgesteld. B. v. : hij wil een paar koeien naar eene andere 
plaats drijven en op den maandag daar komen, welke dag met 
legi der passerweek samenvalt. Maandag heeft 4 en legi 5, dus te 
samen 9. Nu begint hij de volgende benamingen te tellen: soekoe 
(pooten), boeta (hoofd), gadjah (lichaam) en watoe (staart), en op 
dezelf'le wijze gaat hij voort tot hij 9 maal geteld heeft en dus op 
soekoe stil houdt. Dit is echter een ongunstig woord , want onfeil- 
baar breekt het beest dan zijn pooten. Maar gadjah en boeta zijn 
al even erg, want dan sterft het beest spoedig of. het wordt dol; 
hij moet dus de reis zoo aanleggen dat hij op eenen dag aankomt, 
die op watoe valt, b. v. dinsdag of pahing, die het getal 12 ver- 
tegenwoordigt. Maar behalve deze berekeningen zijn er nog meer 
kunstgrepen in gebruik, om een gelukkig huwelijk te verzekeren. 
Zoo heeft men in 't Solosche eene berekening uit den geboortedag 
en de voor- en achterletters van de namen der aanstaande echt- 
genooten , die omtrent huime toekomst beslissend is en , zoo zij 
ongunstig luidt, menig huwelijk verijdelt. 

Maar alle voorteekenen waren gunstig en het huwelijk kan dus 
voortgaan. Den dag vóór het huwelijk, bij rijken zelfs 2 of 3 achter- 
eenvolgende dagen te voren, wordt ten huize der ouders een feest 
gegeven. Bruigom en bruid brengen den laatsten nacht van hun 
ongehuwd leven wakende door; deden zij 't niet, zij zouden door 
't een of ander onheil getroffen worden. Om den tijd te korten 
waken eenige vrouwen dien nacht zoowel bij den jongeling als bij 
het meisje. Eindelijk is de groote dag daar, en de bruigom maakt 
zich gereed zijne taak bij de plechtigheid naar behooren te vervullen, 
want de bruid heeft met de voltrekking van het huwelijk niets te 
maken; zij blijft stilletjes tehuis om haren man aftewachten, terwijl 
hare plaats door haren wali of voogd wordt ingenomen, wiens toe- 
stemming tot een huwelijk noodig is; in de eerste plaats de vader, 
daarna de grootvader of de verdere mannelijke bloedverwanten in de 
mannelijke lijn; de eerstvolgende bij ontstentenis van den naaste. 
De beide eerstgenoemden hebben zelfs het recht eene maagd tegen 



tiET HUWELIJK. 269 

haren wil iiittohuwen. Volgons het Moslemsche recht is het huwelijk 
voltrokken door de wcderzijdsche toestemming der partijen, — 
waarbij de vrouw door haren wali wordt vertegenwoordigd, — uit- 
gesproken in tegenwoordigheid van twee getuigen, üp Java wordt 
de taak van den wali gewoonlijk vervuld door den districts-naïb, 
soms door den pengoeloe dan wel door hunne vervangers. Zij moeten 
daarbij ook zorgen, dat de voorschriften der wet worden in acht 
genomen , en dat b. v. geene personen in den echt verbonden 
worden, die elkander in den verboden graad van bloedverwant- 
schap, zwagerschap of zelfs zoogverwantschap bestaan ; welke laatste 
ontstaat tusschen het kind en zijne min en hare naaste bloedver- 
wanten. Eigenaardig is het dat in het oog van vele Javanen ook de 
betrekking, waarin de aanstaande schoonouders tegenover elkander 
zouden komen te staan, een hinderpaal voor een huwelijk kan 
uitmaken i). In plechtigen optocht gaat men naar de moskee , waar 
het huwelijk gewoonlijk gesloten wordt; bij regenten en grooten 
geschiedt dit echter in hunne pendapa's. De hoofdpersoon is de 
bruigom die, in de later te beschrijven hof kleeding getooid, zich 
te paard, te voet of in een versierd rijtuig derwaarts begeeft, ter- 
wijl een zonnescherm boven hem gehouden wordt en zijne bloed- 
verwanten hem vergezellen en vaak ook muziek den stoet opluistert. 
Ook de desa-geestelijke gaat met den bruigom , om den naïb enz. 
intelichten over datgene, wat deze van het echtpaar weten moet 
om het huwelijk te kunnen voltrekken 2). Duidelijk moet de wali, 
hierbij gewoonlijk door den naïb vervangen , aangeven , welke vrouw 
hij in het huwelijk met den bruidegom wil verbinden, terwijl daarbij 
tevens het bedrag der huwelij ksgift genoemd wordt, die door den 
man aan de vrouw gegeven wordt, en gewoonlijk in een stuk zilver 
of goud bestaat. De bruigom zegt van zijn kant, dat hij in het 
huwelijk wil treden met de genoemde vrouw en de huwelij ksgift 
tot het aangegeven bedrag hetzij geeft, hetzij als schuld erkent. 
Gewoonlijk houdt de naïb een der duimen van den bruigom vast 
om hem , door daaraan te trekken , het teeken te geven dat het 
zijne beurt is om te spreken. Hiermede is het huwelijk gesloten, maar 
in den regel wordt op Java door den bruigom nog de verklaring 



I) C. Poensen in Med. Ned. Zend. XXXI. 

■) Arminius in Ind. Gids 1889. II. — Mr. L. W. C. v. d. Berg in Bijdr. t. d. t. 
en volk. Ve volgr. VII. 



'270 IIKT IIUWEMJK. 

afgelegd, dat hij tofistemt in eene scheiding van zijne vrouw wan- 
neer hij haar verlaat, een jaar over zee ol' zeven maanden over land, 
cl" zijne echtelijke verpliclitingen niet nakomt. Bovendien worden 
ook door den naïb en een der getuigen stichtelijke toespraken ge- 
houden. De vervanging van den wali door den na'ib heeft ten doel 
te voorkomen, dat eerstgenoemde door onkunde met de wettelijke 
bepalingen fouten bij de voltrekking van het huwelijk maakt; zij 
is echter geen vereischte voor de wettigheid daarvan. Nu volgen 
nog een aantal feesten; niet licht zal de Javaan, door godsdienstig 
gevoel gedreven, verzuimen ze zoo luisterrijk mogelijk te vieren 
en velen zijn er die zich diep in schulden steken en alles ver- 
panden wat zij bezitten, om bij eene dergelijke gelegenheid niet 
achter te blijven. Maar al te dikwijls wordt daarvan door Chi- 
neezen en anderen misbruik gemaakt om hun tegen hooge renten 
geld voorteschieten of geld te leenen op den oogst van een vol- 
gend jaar, die dan voor een spotprijs in hunne handen valt. Een 
dergelijk feest is de sedekah walimah, na het sluiten van het 
huwelijk, wanneer de bruidegom van de moskee te huis komt. 
Gewoonlijk wordt de jonge man, nog fraaier uitgedost dan te 
voren, en het naakte bovenlijf thans met een geel kleursel, boréh , 
ingesmeerd, in den achtermiddag in plechtigen optocht naar het 
huis van de bruid gebracht, die ondertusschen eveneens prachtig 
is opgeschikt. In Soerakarta draagt zij een zijden kleedje, met 
een verguld overkleed , en een gelen zijden sjerp als buikband. 
Het haar is op eene bijzondere wijze opgemaakt en met bloemen 
versierd, die aan een draad geregen zijn. Haar voorhoofd wordt 
beschilderd, terwijl haar aangezicht met blanketsel en het bloote 
bovenlijf met boréh geverfd is. Een aantal symbolische handelin- 
gen worden nu door beiden verricht, die op een gelukkig huwelijk 
doelen en op den eerbied, dien de vrouw aan den man ver- 
schuldigd is. Tengevolge van het groote aantal feesten duurt het 
gewoonlijk 2 of meer dagen voordat de jonggehuwden bij elkander 
gebracht worden. Naarmate van den rang der jongelieden worden 
de beschreven plechtigheden uitgebreid of ingekort en met meer of 
minder staatsie gevierd. In de Soendalanden hebben enkele afwij- 
kingen plaats; zoo vergezelt daar de bruid somtijds den bruigom 
bij den optocht naar de moskee, en verschilt ook de kleediiig der 
jonggehuwden van den staatsie-dos in Oost-Java. 



ECHTSCHEIDING. POLYGAMIE. 271 

Ofschoon de Islam hem het huwelijk met 4 vrouwen veroor- 
looft, stelt de Javaan uit de mindere klasse zich gewoonlijk met 
één echtgenoote tevreden , maar vindt daarvoor eene ruime ver- 
goeding in de gemakkelijke echtscheiding. Ten allen tijde toch kan 
de man, zonder opgave van redenen, zijne vrouw verstoeten; hij 
behoeft daartoe slechts eene formule uittespreken waarin hij dit 
verklaart en beide partijen zijn gescheiden. Hij heeft echter het 
recht haar binnen zekeren termijn terug te nemen ; maar is die tijd 
verstreken of heeft de man driemaal de verstootingsformule uit- 
gesproken, dan is het huwelijk voor goed ontbonden. Tusschen de 
gescheiden echtgenooten kan echter weder een nieuw huwelijk 
worden gesloten mits, na de drievoudige verstooting, de vrouw 
een' huwelijk aangaat met een tusschenpersoon , let genaamd, die 
alle rechten van een echtgenoot verkrijgt en dezen zelfs behoort 
uitteoefenen , maar van wien men op Java aanneemt dat hij daarvan 
geen gebruik zal maken. Zoo spoedig mogelijk laat de vrouw zich 
van hem scheiden en huwt dan weder met haren eersten man. Eene 
vrouw kan slechts wegens bepaalde redenen echtscheiding ver- 
krijgen. Na het bovenstaande zal het wel geen verwondering baren 
wanneer wij vernemen dat er op Java mannen gevonden worden, 
die in korten tijd 20 en meer vrouwen huwden en weder verlieten, 
en dat er vrouwen van middelbaren leeftijd zijn , die met 10 en 
meer mannen verbonden zijn geweest. De onkosten voor het huis- 
houden behooren volgens de Moslemsche wet door den man te 
worden gedragen, die aan de vrouw onderhoud verschuldigd is, dat 
uit voeding, kleeding, huisvesting en soms uit bediening bestaan 
moet, volgens de plaatselijke gebruiken. In werkelijkheid draagt 
echter, vooral in de lagere standen, de vrouw even goed in het 
onderhoud van het huisgezin bij en wordt door haar vaak het 
zwaarste werk verricht, en laat de man zich door zijne vrouwen 
onderhouden. Toch brengt het huwelijk met meer dan eene vrouw 
vaak zijne bezwaren en onkosten mede; stijgt de landbouwer tot 
een hoogeren trap van welvaart dan gebeurt het desniettegenstaande 
niet zelden dat de man, — soms zelfs op verlangen van zijne vrouw 
die voor verstooting vreest, — eene tweede echtgenoote neemt en 
zelfs het geoorloofde maximum van 4 vrouwen bereikt, die dan 
vaak in afzonderlijke huisjes wonen. Hooger geplaatsten, zooals 
regenten, hebben ieder dikwijls een zeker getal vrouwen, die men 



272 ËUZITTEN. 

gewoonlijk bijzitten noemt, ofschoon rloze naam haren werkflijken 
toestand niet gelieel juist uitiiriikt. i?(?halvo met de padmi, die 
meest van hooge geboorte is, en als de echte vrouw beschouwd 
wordt, overal wiiar de regent enz. ui'ficieel optreedt, is hij dan nog 
met eenige vrouwen van lageren rang gehuwd, selir of' goeridik ge- 
naamd, die door hem verstoeten vvuiden wanneer hij weder eene 
andere vrouw wil huwen en daardoor het wettig getal echtgenooten 
overschreden zou wcudcn, teiwijl hij later, zoo hij dat wenscht. de 
verstootene weder terug neemt. Gewoonlijk wacht de man echter, 
in geval van zwangerschap, met de verstooting totdat de bevalling 
heeft plaats gehad ; terwijl het ook wel gebeurt dat het huwelijk 
eerst gesloten wordt als de bijzit zwanger wordt. Het lot dier selirs 
is vaak niet zeer benijdenswaardig. Terwijl de padmi in den regel 
den rang en stand van haren echtgenoot deelt, is dit niet het geval 
met de selirs, die bij plechtige gelegenheden ook niet met hem in 
het openbaar verschijnen en in den regel min of meer aan de 
padmi ondergeschikt zijn. Zelfs na de verstooting blijven zij in de 
woning van den echtgenoot; vaak worden zij streng afgezonderd 
gehouden en hebben haar verblijf in het achtergedeelte van den 
dalem, waar zij ieder een afzonderlijk vertrek bewonen. Hare 
kinderen staan niet gelijk met die, welken bij padmi's verwekt zijn, 
voeren lagere titels dan dezen , en zijn meestal van de opvolging in 
de waardigheden van den vader uitgesloten. Het huwelijk met zulk 
eene selir wordt vaak niet door den bruigom in persoon gesloten, 
daar deze soms slechts zijn kris of hoofddeksel als vertegenwoor- 
diger zendt. 

Eenmaal gehuwd zijnde, zoekt onze Javaan, die in den regel 
aanvankelijk met zijne vrouw bij zijne schoonouders inwoont en 
met hen en voor hen werkt, zoo spoedig mogelijk de voordeelen, 
aan den stand van gogol verbonden, te verkrijgen. Dikwijls gaat 
dit als van zelf, wanneer zijne ouders door ouderdom of gebreken 
tot den arbeid ongeschikt geworden zijn en zij hunne rechten aan 
hem overdragen, maar daarentegen ook de verplichtingen van den 
gogol verliezen. Deze erfelijkheid strekt zich ook wel op schoonzoons 
en aangenomen kinderen uit, zelfs al zijn zij minderjarig, mits er 
voor eenen plaatsvervanger in de heerendiensten gezorgd wordt; 
verdere aanverwanten behoeven eene erkenning door de gemeente. 
Maar ook dan. wanneer de ouders hunne akkers blijven bebouwen, 



Nieuwelingen in tiv. öesa. 273 

kunnen jonggehuwden, die bij hen inwonen, aandeel in de velden 
krijgen, vooral wanneer zij door den invloed hunner betrekkingen 
gesteund worden, en in den regel woiden hunne aanspraken alleen 
dan ter zijde geschoven, wanneer de uitgestrektheid bebouwde 
grond te gering is ora een behoorlijk aandeel aan elk der inge- 
zetenen te verschaffen. Dat dit aandeel soms zeer klein is, merkten 
wij reeds vroeger op; één bouw, hoogstens anderhalf, is in vele 
streken de gemiddelde hoeveelheid die aan den gewonen landbouwer 
behoort, 't geen ter nauwernood voldoende is om in de eerste 
levensbehoeften voor een gezin te voorzien, terwijl in sommige stre- 
ken slechts i/j of Vs bouw voor eiken gogol overblijft. Wanneer het 
aandeel al te klein zou worden, moeten onze jonggehuwden wachten, 
totdat er velden beschikbaar zijn of eldeis heentrekken, waar zij 
akkers kunnen huren. Zulke vreemdelingen worden in vele dorpen 
gevonden. In den regel begint de vreemdeling, die zich in de eene 
of andere desa wil vestigen, zijne diensten aan te bieden voor 
inwoning, voeding en kleeding. Daarvoor bewerkt hij de akkers 
en verricht de verplichte diensten van zijnen meester, en wanneer 
hij zich daarbij als een bruikbaar man heeft doen kennen , dan 
verkrijgt hij gemakkelijk de vergunning om op het erf van zijnen 
heer een hut neer te zetten, en een deel van diens velden te 
huren of het verlof om dezen met de zoogenaamde tweede gewassen 
te beplanten. Voor menigeen is dit het toppunt waartoe zijne 
eerzucht klimt. Hij is dan in den regel vrij van heerendiensten en 
kan in zijn ledigen tijd de velden van andere landbouwers bewerken 
tegen een deel der opbrengst, 't zij als memaro, waarbij de eigenaar 
en de bewerker elk een gelijk deel van den oogst verkrijgen, 't zij 
als neloe, waarbij de eerstgenoemde een dubbel aandeel erlangt. 
Wil hij echter hooger op, en ook een aandeel in de velden ver- 
werven, dan moet de toestemming der gemeente, — soms slechts 
van het dorpshoofd, — verkregen worden, en deze wordt in den 
regel gegeven, wanneer de vreemdeling door huwelijk als 't ware 
burger der desa geworden is, al is het dat de nieuwe gogol soms 
met de helft van het gewone aandeel tevreden moet zijn. Daarbij 
worden echter altijd de vereischten gesteld, dat men in staat en 
bereid is, de heeren- en cultuurdiensten te verrichten en dat men 
gehuwd is en bezitter van erf en woning. Vroeger trachtte de 
gemeente in den regel vreemdelingen te weren , zelfs wanneer de 
II. -18 



27l 



IIEKRENDIENSTKN. 



desa uitgebreide velden en weinig aandeelhouders liad. Thans 
echter is, vooral in Midden-Java, door den druk der "heerendiensten 
daarin groote verandering gebracht; in bijna elke desa met gemeen- 
sciiappelijk bezit kan elk van buiten komend individu als aandeel- 
hebber optreden en wordt men lechthebbende op den grond in de 
hoedanigheid van dienstplichtig ingezeten der gemeente. 

De druk der verplichte persoonlijke of heerendiensten welke, 
zooals wij weten, hoofdzakelijk op de gebruikers der gronden rust, 
was inderdaad zeer groot. Tot het verrichten van allerlei werk- 
heden werd de hulp der bevolking ingeroepen, die groote wegen 
moest aanleggen, bruggen bouwen enz., en bovendien werd opge- 
roepen voor hel onderhouden dier werken , het bewaken van gebou- 
wen en andere wachtdiensten, het overbrengen van brieven en 
gevangenen enz., en zonder eenige vergoeding tot een maximum 
van 52 dagen in het jaar aan het werk kon worden ge.steld. Het 
Reg.-Reglement (art. 57), schrijft voor dat de verordeningen, de 
persoonlijke diensten betrelTende, om de 5 jaren zouden worden 
herzien met het doel daarin trapsgewijze de vermindering te brengen 
met het algemeen belang bestaanbaar. Vooral in de latere jaren 
werd dit voorschrift getrouw nagekomen i) ; de achtereenvolgens 
uitgevaardigde voorschriften verminderden in niet geringe mate den 
bestaanden druk. Vooral kan dit gezegd worden van de zoogen. 
pantjensdiensten, die verricht moesten worden voor de Inlandsche 
hoofden en op zich zelven wel niet zwaar waren, maar voortdurend 
vele dienstplichtigen vereischten. Nadat eerst in 1867 het onbe- 
perkte recht dier hoofden was ingekort en aan elk hunner een 
maximum van dienstplichtigen was toegelegd, werd in 1882 een 
eind gemaakt aan de bevoegdheid dier hoofden om persoonlijke 
diensten van de bevolking te vragen , maar aan deze een hoofdgeld 
van /■ 1 voor eiken dienstplichtige opgelegd, dat strekken moest om 
de verhooging van bezoldiging te bestrijden, aan de hoofden als 
schadevergoeding toegelegd. Er bleef echter in vele gewesten een 
aanzienlijk overschot over, dat na eenigen tijd werd aangewend om 
de bevolking van verschillende diensten te bevrijden. Hierdoor is 
bet mogelijk geworden om bij de laatste algemeene regeling 
(1890 S. 248) de diensten te beperken tot het aanleggen , herstellen 



') C. F. Schoch. De heerendiensten op Java en M. 's Grav. 1891. 



IIKKRKNDIKNSTEN. 275 

en onderhouden van groote post- en binnenwegen , bruggen en 
duikers, dammen enz.; het bezetten van wachthuizen; het bewaken 
van waterwerken en het vervoeren van personen en troepen , terwijl 
het maximum aantal dagen, waarop diensten kunnen worden gevor- 
derd , tot 42 in het jaar is teruggebraclit. Maar bovendien zijn voor 
verscheidene gewesten afzonderlijke regelingen gemaakt, en wel 
het eerst voor Kedoe'), en mocht het gelukken het maximum der 
dagen, gedurende welken de dienstplichtige verplichten arbeid moet 
verrichten, in de meesten dier residentiën tot 24 in het jaar te 
beperken. De duur van één dag arbeid bedraagt hoogstens 12 uren, 
daaronder begrepen den tijd , noodig voor het afleggen van den 
afstand tusschen de woning van den dienstplichtige en het werk, 
waarvoor hij is opgeroepen, heen en terug, benevens den noodigen 
rusttijd. Geene levering, betaald of onbetaald, mag daarbij van de 
bevolking worden gevorderd, behoudens het geval van onteigening 
ten algemeene nutte, terwijl bij rampen van hooger hand of ter 
afwending van algemeen gevaar van de gestelde regels kan worden 
afgeweken. Men heeft wel eens het plan geopperd, de heerendien- 
sten hier en daar geheel afteschaffen tegen verhooging van het 
hoofdgeld ; tot nu toe is men tot dezen , op zich zelf zeker aanbe- 
velenswaardigen maatregel nog niet overgegaan omdat de econo- 
mische toestand der bevolking dit niet toeliet; zóó zoude in dat 
geval in Kedoe een hoofdgeld van f 2.49 moeten worden geëischt 
dat men voor haar te drukkend oordeelde. Bij de laatste regeling 
echter van den aanslag enz. in dat hoofdgeld (1893 S. 68) is de 
gelegenheid opengesteld om dit te verhoogen, wanneer de tijd 
gekomen is om de bevolking geheel of gedeeltelijk van de nog 
overgebleven diensten te verlossen , wat voor Pasoeroean het geval 
schijnt te zijn. Ook heeft men wel eens aanbevolen van Regeerings- 
wege aan ieder Inlander, die het wilde, de vrijheid te geven de 
verplichting tot het verrichten der diensten af te koopen; dit stuit 
echter af op de vrees, dat de hoofden de gelden zouden ontvangen 
maar dezen voor zich zelven zouden behouden en aan de andere grond- 
bezitters het werk zouden opleggen. Onderlinge schikkingen komen 
echter vaak bij de bevolking eener desa voor; zoo koopen hier en 
daar heerendienstplichtigen alle of sommige diensten van de desa af, 



') L. Norraan in Ind. Gids 1890. I. 



'27(') rtRMF.ENTEI.IJKK hlKNSTEM. 

üt' huurt deze werklieden om he|i;iiil(ie diensten te verrichten. Vaaic 
komt het ook voor dat men plaatsvervangers stelt; in dit geval 
wordt dan f 0.10 — f 0.40 voor het verrichten van een dagdienst, 
en f 0.15 — /' 0.50 voor eene nachtdienst betaald, terwijl voor het 
verrichten van alle verplichte diensten voor den Staat f 5 — f 40 
's jaars wordt betaald. 

Deze diensten voor den Staat zijn echter, thans vooral, op 
vele plaatsen niet de meest drukkende, daar in vele gevallen de 
diensten, door de gemeente gevraagd, buitenmate velen zijn. De 
controleur Schmalhausen verhaalt ons dat een energiek, spaarzaam 
Inlander zich tot hem vervoegde en hem mededeelde dat de dien- 
sten, welke de desa in verband met zijn individueel grondbezit 
van hem eischte, zóó drukkend waren dat, werd dit niet veranderd, 
hij van zijne bezitting ten behoeve der desa afstand wilde doen. 
Dit gaf de controleur aanleiding in zijne afdeeling Djombang (Soe- 
rabaja) onderzoekingen intestellen, die weldra de overtuiging gaven 
dat de gemeentelijke diensten een der ergste kwellingen voor de 
bevolking waren. Zij bestaan hoofdzakelijk in patrouillediensten in 
de desa zelve en tusschen de desa en de nabijgelegen dorpen, in 
het onderhoud der desawegen en vooral in de pantjensdiensten ten 
behoeve der dorpshoofden. In de 3 districten der afdeeling kon het 
getal dier dagdiensten op 134, 98 en 113 's jaars worden gesteld; 
in sommige desa's zelfs op 190 en 224 's jaars. Voor een deel was 
dit het gevolg van eene slechte regeling der diensten ; bij eene 
betere organisatie konden, naar berekend werd, 1.300.000 dagdien- 
sten worden uitgespaard, zonder dat de veiligheid er iets onder 
leed en kon het getal dagen , gedurende welken een gogol gemiddeld 
jaarlijks moest „uitkomen" van IIIV2 tot 54^2 worden teruggebracht. 
Maar tevens was dit te wijten aan de vroeger (p. 234) besproken 
inrichting van het desabestuur, en met het oog op art. 71 Reg.- 
Reglement, dat aan de gemeenten de regeling harer huishoudelijke 
belangen overlaat, scheen ingrijpen hier niet zonder bezwaar. 
Gelukkig liet de resident van Soerabaja zich niet door deze over- 
weging terughouden; in een tweetal besluiten, door den heer Schmal- 
hausen in zijn vroeger aangehaald werk medegedeeld, werd o. a. 
het maximum vastgesteld van het getal hoofden in eene desa, in 
verhouding tot het aantal gogols daar aanwezig, terwijl ook het 
getal pantjens, aan de dorpsbestuurders toekomende, beperkt werd. 



ATOERAN SINOMAN. 277 

Ook elders werd dit voorbeeld gevolgd en dus zonder veel omslag 
en bezwaar aan de bevolking een der grootste weldaden bewezen, 
die men haar verschaffen kon. 

Komt de desagemeenschap door het communale landbezit en 
door de heerendiensten in aanraking met allerlei belangen, aan 
welken de gemeente bij ons vreemd blijft, zoo is ditzelfde het geval 
bij sommige aangelegenheden die bij ons tot de sfeer van het 
particulier belang behooren. In gewone omstandigheden heeft iedere 
familie in de desa wel niet te veel, maar toch genoeg om van te 
leven, doch bij buitengewone omstandigheden, zooals huwelijken 
en sterfgevallen, schieten de middelen vaak te kort om de feesten 
te vieren of plechtigheden te verrichten, die door den adat gevor- 
derd worden. Ten einde elkander te hulp te komen dient op vele 
plaatsen de „atoeran sinoman"'), elders ook arisan genaamd; eene 
vereeniging van ingezetenen, waaraan gewoonlijk de gogols en 
hunne vrouwen moeten deelnemen, terwijl de anggoeran's vrij zijn. 
De huwbare meisjes moeten ook mededoen bij het stampen van de 
rijst en het bereiden der spijzen, terwijl de sinomans behulpzaam 
zijn bij den voorbereidenden arbeid en het aanbrengen van het brand- 
hout. Het werk bestaat in het maken van toebereidselen voor de 
huwelijksfeesten, het begeleiden van den bruigom, het bedienen 
der feestgenooten enz.; bij het afleggen en begraven der lijken 
maken zij de lijkbaar. De vereeniging is in het bezit van de voor- 
werpen , die bij plechtigheden en feesten noodig zijn , zooals de 
groote serviezen, zitmatjes enz. De gelden, daarvoor noodig, ver- 
krijgen zij uit de boeten van hen die, opgeroepen, niet komen of 
hunne taak maar half verrichten en uit heffingen van den bruigom, 
wanneer deze uit een andere desa afkomstig is. Waar zelfs bij 
dergelijke particuliere feesten de verplichting tot deelname bestaat, 
daar geldt dit in nog hoogere mate van algemeene desafeesten, 
zooals de feesten voor de afgestorvenen ; die welken na afloop van de 
beplanting der velden worden gehouden; de feesten in den vasten- 
maand en na afloop van de vergadering der desabewoners, waarin 
het dorpsbestuur gekozen wordt enz. Het geval heeft zich zelfs 
voorgedaan dat aan een Christen-Inlander, die aan dergelijke feesten 
niet wilde mededoen, zijn gogolschap ontnomen werd; zelfs zou 



') Ind. Gids 1891. II p. 1905 vlgde. 



'278 ATOERAN SINOMAN. 

hij van zijn orf zijn bornnfd inrlion het bestuur dit niet helet liad. 
Ook in een ander opziclit bestaat er groote solidariteit tussclien 
de bewoners eener desa. Volgens de Javaansche wetten is de ge- 
meente aansprakelijk voor de veiligheid van vreemdelingen en gehou- 
den de van hen gestolen goederen te vergoeden , mits zij zekere 
bepalingen nakomen en o. a. bij het desa-hoofd hunnen intrek nemen. 
Niet zelden worden in eene desa straffen opgelegd, onafhankelijk 
van die welken door den rechter worden uitgesproken. Bij nalatig- 
heid in het vervullen van den dienstitlicht wordt dan dikwijls een 
dubbele taak aan den nalatige opgelegd; soms wordt hij zelfs van 
zijn gogolschap vervallen verklaard. Bewoners der desa, die zich 
aan eene onrechtmatige daad schuldig maken, ontvangen dikwijls, 
behalve de straf bij rechterlijk vonnis uitgesproken, nog eene straf in 
de desa; zoo wordt overspel soms met eene boete van /" 5 bestraft, 
en wordt hem, die zich aan kleine diefstallen schuldig maakt, eene 
dubbele taak in de dienstplicht toegewezen en plaatst men hem, 
bij wijze van onteerende straf, onderaan op den rooster der gogols, 
iets waarvoor de Javaan zeer gevoelig is. Na een straf, door den 
politie-rechter uitgesproken, volgt vaak nog eene straf in de desa, 
aan welke de overtreder zich gewoonlijk gewillig onderwerpt. Toen 
men echter in eene desa, na vrijspraak voor den rechter, de betrok- 
ken desabewoner toch nog in het dorp straf wilde opleggen, ont- 
stond daartegen verzet. Naar men zegt bestaat er thans wel eenig 
gevaar dat dit gevoel van gemeenschap dreigt af te stompen tenge- 
volge van de vele bemoeiingen van politie en rechter met allerlei 
zaken, die vroeger huishoudelijk in de desa werden afgedaan. 

Wanneer wij den gehuwden Javaan in zijn huiselijk leven gade 
slaan , dan zal ons de bijzondere eenvoud treffen , die daarvan het 
hoofdkenmerk uitmaakt. Uiterst zindelijk op zijn lijf, begeeft hij 
zich zoo spoedig mogelijk na zijn ontwaken, dat in den regel met 
zonsopgang samenvalt, naar de naaste beek om daar te baden, 
't geen hij niet zelden ook later op den dag herhaalt. Op hunne 
kleeding en woning zijn de Javanen minder net; de wijze, waarop 
zij elkander in het reinigen van hunne hoofdharen helpen, heeft 
voor ons zelfs iets terugstootends. Het ontbijt bestaat gewoonlijk 
uit een kop w'arm water met een koekje van kleefrijst; begeeft hij 
zich op weg dan verschaft hij het zich soms op eenvoudige wijs 



WARONGS. 



279 



door zich in een warong van het noodige tn voorzien. Zulk een 
warong is niets anders dan eene soort van gaarkeuken, die in 
allerlei verscheidenheden op Java langs de wegen en in de dorpen 
gevonden worden. Er zijn warongs, die in gewone woonhuizen ge- 
houden worden, waarvan het voorste gedeelte voor den verkoop 
is ingericht, maar men heeft ook draagbare warongs, 2 ronde of 
vierkante kastjes, waar in tal van mandjes eenige spijzen worden 
bewaard en zelfs vuur gevonden wordt om dezen warm te houden. 
Soms bieden vrouwen of kinderen de eetwaren eenvoudig op een 
bak of mand ter verkoop aan. Maar de gewone warongs bestaan 
uit eenige stijlen van bamboe, van boven met een dak bedekt en 
somtijds aan een der zijden van een ouden doek voorzien; terwijl 
een paar banken aan de bezoekers de gelegenheid geven de spijzen 
op hun gemak te nuttigen. Men vindt in een goed voorzienen warong 
bijna alles wat de Javaan voor zijn dagelijksch gebruik noodig heeft: 
rijst, gebraden visch , gebraden kippenvleesch met tamarinden toe- 
bereid , gebraden uien , soep van allerlei groenten , gezouten vischjes , 
spaansche peper, kerri, komkommers, toespijs bij de rijst, zooals 
lalap, peté en jenkol, verder gekookte rijst, gedroogd vleesch, 
kwee-kwee of Inlandsch gebak, bijzonder bij den snoepzieken Javaan 
in tel, allerlei vruchten, koffie met Javaansche suiker, sirih, Inlandsche 
sigaren enz. te veel om op te noemen. Ook dranken kan men in 
de warongs bekomen zooals het verfiisschende water van half rijpe 
kokosnoten ; een verwarmenden drank getrokken op gember en andere 
kruiden; citroenwater met suiker; versche palmwijn, ook koffie en 
het aftreksel van de bladeren der koffieboom. Zulke warongs spelen 
een groote rol in het Javaansche volksleven; zij vormen een ver- 
eenigingspunt voor allerlei soort van Inlanders, en zelfs de Europeaan 
versmaadt het niet op reis zulk een warong te bezoeken en zich 
met een versche klappernoot of wat hem anders aanstaat te ver- 
frisschen. Nadat hij zich aldus ontnuchterd heeft, begeeft de land- 
bouwer zich ten arbeid naar de rijstvelden, werwaarts wij hem later 
zullen vergezellen. Zijne vrouw is hem hierbij dikwijls behulpzaam, 
vooral als het oogsttijd is, wanneer allen, vrouwen zoowel als kin- 
deren , naar de akkers trekken , om te zorgen dat de rijst gesneden 
wordt, vóórdat zij te rijp is geworden. Over het algemeen genomen 
heeft de vrouw op Java een drukker en werkzamer leven, dan de 
man. Want terwijl deze na het werk op de velden den avond ge- 



280 HET BATIKKEN. 

woonlijk iti lodiplicid of met allerlei vermaken doorbrengt, heeft de 
vrouw voor den pot te zorgen, de rijst in het blok te stampen, om 
die van het stroo te ontdoen, en op de jonge kinderen te passen. 
Dit laatste vereischt vaak heel wat zorg, want overal, waar de 
moeder gaat neemt zij haar jongste kind mede, liefst in den 
slendang gedragen, zelfs nadat het reeds kruipen en loopen kan. 
Zoolang mogelijk krijgt het kind de borst, daarna, vaak tegelijkertijd, 
wordt het met rijst en pisang gevoed waarbij het kind zooveel rijst, 
als het kan inslikken, in den mond wordt gestopt, ja letterlijk 
ingeduwd, of het wil of niet, 't geen aan de arme schepsels de 
dikke buikjes verschaft, die de Javaansche kinderen zoozeer ont- 
sieren. Den avond brengt zij dikwijls door met huiselijken arbeid, 
hetzij door het weven van katoenen stofYen voor eigen gebruik 
geschikt, hetzij door het beteekenen en verven van kleedjes op de 
omslachtige wijze, die onder den naam van batikken bekend is. 
Slaan wij haar daarbij gade. Het kleedje, dat geheel ongeverfd 
geweven is, hangt zij aan het daartoe bestemde rek op, en bevestigt 
dit met een bamboezen knijper. Daarna neemt zij eenige was, dat 
zij in een pannetje heeft gesmolten, en doet dit in een koperen 
dopje met fijne tuitjes. De figuren, die zij volgens een onder het 
dunne doek liggend model op het kleedje wil aanbrengen, bedekt 
zij aan beide zijden van het doek met het was, en verft nu de stof 
met de kleur, die zij aan den grond wil geven. De met was bedekte 
figuren blijven dus ongekleurd. Daarna A^erwijdert zij het was door 
middel van heet water, en verft nu de uitgespaarde figuren met 
een andere kleur, terwijl zij het overige gedeelte met was bedekt. 
Telkens wanneer met eene andere kleur moet worden gewerkt, hoe 
klein de figuur ook zij die men daarmede wil betinten, moet zij 
diezelfde handelwijze herhalen, zoodat er geruimen tijd verloopt, 
vóórdat een kleedje geheel gebatikt is. Vroeger was deze tak van 
industrie eene zeer bloeiende, maar de Europeesche nijverheid, die 
goedkooper gekleurde kleedjes kan leveren, is als eene gevaarlijke 
mededingster opgetreden , vooral sedeit zij er zich op toelegt om 
den smaak der Javanen te volgen; ja zelfs is in sommige streken 
van Java het drukken van katoenen stoffen eene zelfstandige industrie 
geworden. Toch zijn de gebatikte kleedjes meer in trek, dan die 
welken de Europeesche fabrieken leveren, terwijl het niet moeilijk 
is ze van elkander te onderscheiden, en de gebatikte stoffen bij de 



DAGELIJKSCH LEVEN VAN DEN JAVAAN. 



281 



gedrukte dit voor hebben, dat de iridividueele smaak en kunstzin 
van den teekenaar zich vrij kan ontwikkelen, terwijl bij de fabriek- 
matige vervaardiging der kleedingstukken meestal hetzelfde type , — 
en dit niet altijd bijzonder fraai, — terugkeert. Zelfs hooggeplaatste 
Javaansche vrouwen houden zich met dit werk bezig, terwijl ook 
hier en daar batiksters gevonden worden , die tegen loon , dat ge- 
middeld op /■ 4 's maands voor 8 uur arbeid per dag gesteld wordt, 
bij anderen werkzaam zijn. Zij , die recepten hebben tot bereiding 
van gewilde kleuren en dezen geheim weten te houden , kunnen een 
eenigszins hooger loon krijgen. Sommige modellen van gebatikte 
goederen mogen alleen door vorstelijke personen gedragen worden. 
Na den veldarbeid, tegen 11 uur gewoonlijk, wordt de maaltijd 
door het huisgezin gebruikt, die in den regel hoogst eenvoudig is 
en hoofdzakelijk uit rijst bestaat, dikwijls met eenige toespijzen 
gekruid, zooals een stukje gedroogd vleesch, een kruimel van een 
half vergaan vischje , wat spaansche peper en zout , benevens sajoran 
of groenten ; ziedaar de gewone bestanddeelen van den dagelijkschen 
pot van den .Tavaanschen landbouwer. De rijst wordt daarbij niet 
zooals bij ons gekookt, maar gaar gestoomd. Een koperen waterketel 
wordt daartoe tot zekere hoogte met water gevuld , dat gekookt 
wordt, waarna de koekoesan, een kegelvormig gevlochten mandje, 
met rijst gevuld, er op gezet en met een deksel toegedekt wordt. 
Veel gereedschap wordt bij den maaltijd niet gebruikt. Met gekruiste 
beenen op een matje gezeten , bedient de Javaan zich van zijne 
vingers, om de spijzen naar den mond te brengen; lepels en messen 
bezit hij, maar vorken zijn hem overbodig en slechts zelden gebruikt 
hij thans een pisang of ander boomblad voor bord , daar borden , 
kopjes en schoteltjes in bijna iedere desa aanwezig zijn. Bij rijkeren 
zijn natuurlijk meerdere keukengereedschappen aanwezig; wij noemen 
slechts de sambalwrijvers om spaansche peper en andere kruiderijen 
fijn te wrijven, rijstscheppers, waterkannen, het raam van gevlochten 
bamboe, waarop de gekookte rijst gespreid en koel gewaaid wordt, 
de specerijmand enz. Na den eten , en dus op het heetste van den 
dag, houdt het huisgezin de middagrust, om daarna weder tot den 
arbeid terug te keeren, terwijl de avond, zooals wij zagen, door 
den man in ledigheid of vermaak wordt doorgebracht, tenzij hij 
van een leergierigen aard is en bij het zwakke licht van het lampje 
over het een of ander manuscript gebogen zit, om zich met de 



2S-2 PASSERS, 

wonfloi'vorhalon uit don niuleii tijil to. vcilustigeri. 's Avonds tffren 
zonsondergang wordt de tweetle maalt ijil gcbiuikt. De gewone drank 
is water; bedwelmende dranken worden gelukkig in de desa nog 
niet genoten. Koffie kan de desa-man voor zich zelvcn bereiden, 
daar het hem geoorloofd is dit pioduct in den vorm van poeder 
voor eigen gebruik te behouden. 

Een der voornaamste afwisselingen in het beschreven eentonige 
leven van den Javaan is het bezoeken der passers (bazars) of markten, 
die op een bepaalden dag in de week in bijna elke desa gehouden 
worden en waar de huisvrouw de benoodigdheden voor de huis- 
houding opdoet '). Nergens kan men den Inlander beter in zijn 
doen en laten gadeslaan, dan daar te midden der marktdrukte, 
soms van duizenden menschen. Behalve de vaste kooplieden, die 
hunne waren in kramen en winkels te koop hebben opgeslagen, 
vindt men er allerlei andere personen, die eenig geld noodig hebben, 
waarvoor zij een kip, wat rijst of iets dergelijks verkoopen. „Men 
loopt ronil , of zet zich eenvoudig langs den weg neer. Om een 
kwaitje of dubbeltje, ook wel minder, te verdienen, blijft men den 
geheelen morgen met wat rijst, turksche tarwe, pisang of andere 
vruchten, Javaansche sigaartjes, dranken enz. zitten. Ook kleeren 
en gereedschappen, wapenen, bloemen, benoodigdheden voor het 
sirih-kauwen enz. biedt men te koop aan, evenals tegen den namiddag 
en avond gras voor paarden en vee ten behoeve van karrevoerders, 
reizigers en Europeanen." Allerhande groepjes vormen zich. Hier is 
het een Chinees, die lijnwaad en gekleurde sarongs uitvent; daar 
staan eenige vrouwen die met veel misbaar de een of andere huise- 
lijke benoodigdheid voor een minderen prijs willen verkrijgen, dan 
de verkooper vraagt; ginds vindt men een warong, waar de Javaan 
zijne kleine winst zoo spoedig mogelijk versnoept, elders eene koop- 
vrouw, die in gouden vooiwerpen en goedkoope edelgesteenten 
handelt en meestal de handlangster van een Chineesch koopman is, 
of de openbare dansers en muziekanten, die hunne kunsten voor 
de verzamelde menigte ten toon spreiden. Deze en zoovele andere 
handelaren en winstzoekenden maken eenen Javaanschen passer tot 
een levendig en aantrekkelijk tooneel, waar ook de gelegenheden 
tot vermaak niet ontbreken. De passers, die bijna den geheelen 



') C. Poensen in Med. Ned. Zend. XXVI. 



DE PASSERBELASTING. 



283 



binrienlanrischen handel van Java vertegeriwonrdicrpn en als het ware 
den polsslag van de welvaart, der bevolking zijn, hebben vooral 
sedert 1852 eene groote ontwikkeling gekregen, ten gevolge van de 
afschaffing der passer-belasting, die door den Gouverneur Gene- 
raal Duyinaer van Twist werd bevolen. Dit recht, dat verpacht 
werd, bestond in de heffing van eene zekere belasting van alles, 
wat op de markten en in waroiigs ten verkoop werd aangeboden. 
Reeds op zich zelve was deze belasting zeer drukkend en belem- 
merend voor den binnenlandschen handel , maar dat bezwaar werd 
aanmerkelijk verhoogd door de omstandigheid, dat de pachters bijna 
altijd Chineezen waren, die zich weinig om het belang der bevolking 
bekreunden en zich zelden of nooit aan de tarieven hielden, die de 
Regeering had vastgesteld. Tot in de kleinste dorpen drongen zij 
door, om de belasting te heffen, en zelfs bij eene goede politie, 
die echter gewoonlijk ontbrak , was het onmogelijk te midden van 
de drukte een scherp toezicht uitteoefenen, terwijl de Javaan, die 
in den handlanger van den pachter een Gouvernementsdienaar zag, 
het niet waagde zich tegen zijne eischen te verzetten, „zich gedwee 
liet uitkleeden, ja zelfs in den waren zin des woords, zich naakt 
nog belasten liet." Reeds lang waren de oogen der Regeering, 
zoowel in Nederland als te Batavia, voor de ongerechtigheden dezer 
passer-pacht geopend , maar men deinsde er voor terug om ongeveer 
2 millioen gulden zonder vergoeding opteofferen, ofschoon men wel 
mocht aannemen dat minstens het dubbele dier som door de bevol- 
king werd opgebracht. De G. G. Duymaer van Twist zette zich 
echter over deze bedenking heen , en bij publicatie van 16 December 
1851 werd de belasting over het grootste gedeelte van Java afge- 
schaft, terwijl in 1853 en 1855 de afschaffing ook tot de andere 
streken van het eiland werd uitgestrekt, behalve op de particuliere 
landerijen, waar de landeigenaars de passerbelasting hieven, en in 
de Preanger, waar de opbrengst ten bate der regenten kwam, en 
het Gouvernement dus niet bevoegd was haar in te trekken. Bij de 
reorgardsatie van de Preangerlanden werd ook daar de passer-pacht 
ingetrokken, en zoo bestaat deze hatelijke belasting nu slechts op 
sommige particuliere landerijen, waar zij vóór 1851 geheven werd, 
want het oprichten van nieuwe markten is ook daar alleen geoor- 
loofd, wanneer er geene belastingen geheven worden. Zelden is 
een maatregel genomen, waarvan de gevolgen zoo heilzaam waren 



Züt DE JAVAAN OP WEG. 

voor do geheele Javaanschn bcvolkinp; als dezo publicatie, en al 
mocht liet den ü. G. niet gchikkcn in cene verlioogiiig van andere 
belastingen eene afdoende vergoeding te vinden voor het gemis der 
baten van de passer-pacht, zoo werd toch in de vermeerderde welvaart 
en in de bevrijding van tallooze knevelarijen een tegenwicht govon 
den, dat wel opwoog tegen het verlies, door de schatkist geleden 
Zonderling is het schouwspel in de oogen van den westerling 
als hij de Javanen gadeslaat wanneer zij zich in grooten getale 
't zij naar de markten, 't zij naar andere plaatsen op weg begeven 
Niet in groepjes, die met elkander redekavelen, over allerlei wat zij 
opmerken van gedachten wisselen , en zich haasten om ter bestemder 
plaats te komen, maar ernstig, met langzamen, gelijken stap zich 
voortbewegende en in lange rijen , de vrouwen voorop en de mannen 
achter haar gaan zij voort. Al is de afstand nog zoo ver en de tijd 
nog zoo kort, niemand denkt er aan om zich eenigszins te haasten, 
niemand toont eenige drukte of gejaagdheid; integendeel, zij doen 
alles op hun gemak af, zitten onderweg nog eens neder om zich 
bij een warong wat te versterken , en zetten daarna in kalmte en 
stilte hunnen weg voort. Komt een Europeaan hun te gemoet, dan 
hurken zij aan den kant van den weg neder, ja op vele plaatsen 
wenden zij hun gelaat van hem af, als teeken van diepen eerbied 
('t geen op hen, die met die gewoonte onbekend zijn, soms den 
tegenovergestelden indruk maakt), en wanneer zij te paard gezeten 
zijn, stijgen zij af en blijven in eene houding van diepen eerbied 
wachten tot dat de blanke voorbij getrokken is. Zoo althans was 
het vroeger; in vele streken van Java wordt dit eerbetoon niet meer 
aan arabtelooze Europeanen gegeven , en ter nauwernood aan amb- 
tenaren betoond. Te midden van deze kalme menigte hebben wij de 
gelegenheid ons met de kleeding van den Javaan bekend te maken i). 
Hier merken wij den koeli op, den lastdrager, die met een langen 
bamboe en een touw gewapend, slechts een doek om de lendenen 
slaat, ten einde zijne naaktheid te bedekken, terwijl zijn hoofd 
beschut wordt door een soort van ronden bak , van bamboe gevlochten 
en zwart geverfd. Een weinig verder zien wij den gewonen land- 
bouwer, zooals bij zich buiten zijn huis uitdost. Zijn voornaamste 
kleedingstuk bestaat uit den badjoe (baatje), — eigenlijk koelambi, — 



') C. Poensen in Med. N. Zend. XX. XXI. 



KLEEDING DER JAVANEN. 285 

een wijd buis van sits, of bij rijkeren van laken en fluweel met 
wijde mouwen, van voren open en tot aan de iieupen reikende, 
en meestal met gouden, zilveren of glazen knoopen bezet, benevens 
de bëbëd, een stuk doek, gebatikt of gedrukt, dat om de lendenen 
en beenen geslagen wordt, en boven de heup wordt vastgehecht, 
't zij met een breeden buikband, 't zij door het uiteinde eenvoudig 
intesteken. De sarong, die ook wel gedragen wordt, is aan de 
beide einden tot een rok toegenaaid, zoodat men er de beenen in 
moet steken. Schoeisel of kousen zijn den minderen Javaan onbekend; 
zijne breede voeten, die nimmer door een onnatuurlijk windsel be- 
kleed zijn geworden, zijn zoo lenig en buigzaam dat het hem gemak- 
kelijk valt kleine voorwerpen van den grond optenemen en die door 
eene kniebuiging naar de hand te brengen. Slechts bij buitengewone 
gelegenheden steekt hij zijne voeten in muilen of sandalen, die 
anders alleen door aanzienlijken of priesters gedragen worden ; zelfs 
de Javaansche soldaten bij ons leger zijn ongeschoeid. Eene soort 
van borstrok van wit linnen of gekleurd sits wordt gewoonlijk onder 
de badjoe gedragen; ook verbergt de bëbëd een korten, wijden 
broek, die tot aan de knieën komt. De lange haren worden met een 
hoofddoek bedekt, dien de drager zwierig zonder knoop om het hoofd 
weet te bevestigen. Tegen de zonnehitte beschermt hij zijn gelaat 
door eene breede, meestal van laken vervaardigde klep, die met een 
band om het hoofd wordt vastgemaakt, of ook wel door een breed- 
geranden hoed van gevlochten stroo. Sommigen dragen korte buisjes 
met knoopen aan den kraag, anderen hebben, — en vooral in de 
Soendalanden is dit het geval, — als eenig kleedingstuk een tot 
aan de knieën reikenden broek, of slechts de bëbëd zonder badjoe. 
Den Madoerees herkent gij allicht aan het zeer eigenaardig model 
van broek , dat hij draagt ; van onderen af tot boven de knie zeer 
nauw, wordt deze hooger op wijder en vastgehouden door een lang 
wit of groen koord met kwasten, dat door eene ruime schuif gaat. 
Bij weinigen ontbreekt de kris, meestal van slangvormig maaksel, 
en in eene schede bevat, welke bij rijken somtijds in pracht uit- 
munt, van goud of zilver vervaardigd en met diamanten versierd 
is, en meer waarde heeft, dan de geheele verdere uitrusting van 
den drager. De kris wordt in den gordel gestoken; wanneer dit aan 
de rechterzijde geschiedt dan staat het handvat achter den rechter- 
arm in schuinsafloopende richting met het einde aan den linkerrug; 



Ö86 KLKKDING DER lAVANKN. 

draagt men ilcii kris links, dan staat ln-t handvat tepon den rug 
zoodanig, dat lu't einde eenigsziiis onder den iiidvcrarrn uitsteekt. 
Het is niet beleefd een kris te dragen met liet liandvat links vooiuit 
of onder den arm. Als reis- of oorlogsdi-acht wordt een tweede kris 
wel gestoken ineen riem aan de linkerzijde. Met één kiis in een riem 
mag men niet voor zijn meerdere verschijnen. Gemakshalve dragen 
thans vele regenten den kiis in een liem. Sommigen dier \va[)enen 
zijn van groote waarde omdat zij als erfstukken in eene familie 
tehuis behooren en ilaaiiüt niet vervreemd mogen worden. Deftig 
en statig beweegt zich de geestelijke te midden der bonte menigte. 
Zijne rozenkrans, die aan een doek over den schouder hangt, wijst 
hem terstond als zoodanig aan; ook zijne kleeding oiulei.scheidt hem 
van de overige Inlanders. Een tulband bedekt zijn meestal kaalge- 
schoren hoofd, althans wanneer hij hadji is; een lang wit onder- 
kleed, zonder mouwen, daalt van den hals tot aan de enkels af en 
wordt gedeeltelijk door een even lang bovenkleed verborgen, dat 
van voren open is en uit gekleurd of wit laken of katoen bestaat. 
Een paar zware muilen voltooit zijn kleeding, welke grootendeels 
eene nabootsing is van die der Arabieren. De dorpsgeestelijke draagt 
vaak slechts een eenigszins langer baadje, dan dat der oveiige dorps- 
bewoners; sik en knevel ontbreken, zoo dit mogelijk is, niet bij hen 
die zich aan den geestelijken stand wijden.- 

Doch ziet, daar opent zich de menigte; alles hurkt eerbiedig 
neder en maakt plaats voor een persoon, door een talrijk gevolg 
vergezeld, wien een prachtig zonnescherm (pajong) wordt nage- 
dragen. Het moet een voornaam hoofd zijn, zooals wij aan dien 
pajong kunnen zien , want de kleuren van het zonnescherm wijzen 
nauwkeurig de waardigheid van den persoon aan, die gerechtigd 
is dit te voeren , evenals bij de Europeesche ambtenaren de breedte 
van het galon. Enkelen der laatstgenoemden hebben ook het recht 
zich door een pajong te laten beschutten. De half witte, half 
groene kleur van het zonnescherm , de drie vergulde randen en de 
vergulde knop wijzen aan , dat wij hier met een regent te doen 
hebben. Bij den half op Europeesche wijze, half op Inlandsche manier 
uitgedosten regent wordt het baatje vervangen door een soort van 
buis van blauw of zwart laken of fluweel , met nauwe mouwen en 
slippen van voren, en rijk met gouddraad of galon afgezet; de 
bëbëd, die van de fijnste soort is, wordt door eenen prachtigen 



KLEEDING UKR VHOUWEN. 287 

buikband opgenomen en vertoont den broek, van Europeesch maak- 
sel, terwijl de voeten met fijne stoffen laarzen geschoeid zijn. 

Maar het woidt tijd dat wij ook met het schoone geslacht 
kennis maken , waarvan zich een aantal leden onder de menigte 
bevinden. Misschien glimlacht ge bij deze uitdrukking, die u zoo 
weinig passend toeschijnt voor eene Javaansche vrouw! Maar inder- 
daad, ofschoon vrouwen van rijperen leeftijd op Java alle aantrek- 
kelijkheid verliezen en reeds op haar dertigste jaar geheel verouderd 
zijn, is een Javaansch meisje, klein van gestalte maar meestal van 
geëvenredigde lichaamsbouw, zelfs in de oogen van vele Europeanen 
een schouwspel, dat niet zonder bekoorlijkheid is. Ook bij haar 
bestaat de kleeding hoofdzakelijk uit de badjoe, meest van donker- 
blauwe stof, die tot aan de knieën reikt, aan den hals open en 
met lange mouwen voorzien is, alsmede uit de tapih, eveneens 
gewoonlijk donkerblauw gekleurd en tot aan de voeten afhangende, 
en die in vorm met den bébéd overeenkomt. Eene strook lijnwaad, 
onder de armen om het bovenlijf gewikkeld, bedekt vaak de borst. 
Een lange smalle doek, de slendang. die over een der schouders 
geslagen wordt en aan de tegenovergestelde zijde afhangt, voltooit 
hare kleeding; wanneer zij een jeugdig kind heeft wordt dit gewoon- 
lijk in den slendang gedragen; is dit wat ouder dan draagt zij het 
daarin op de heup, zoodat de voeten van het kind vrij hangen aan 
weerszijden van het lichaam der moeder. Niet altijd is de Javaansche 
vrouw aldus opgetooid; soms treft men haar aan, terwijl de sarong 
of tapih het eenige kleedingstuk uitmaakt en het bovenlijf geheel 
ontbloot is. Vooral in de Soendalanden is dit het geval ; daar worden 
overigens vroolijker kleuren voor de kleeding der vrouw gebruikt, 
dan de sombere tinten, op Midden-Java in zwang i). Doch ook in 
vele streken van Midden-Java verkiezen jongeren van dagen vaak 
roode, groene en geele kleuren voor de kleeding. Het hoofd wordt 
gewoonlijk onbedekt gelaten , maar het haar woidt op allerlei wijze 
opgemaakt, meest in een knoopvorraige vlecht of breed in den hals 
opgeslagen en met bloemen versierd , onder welken vooral de melatti, 
een liefelijk geurende, kleine witte jasmijn, en de geele, sterk rie- 
kende tjampaka bijzonder geliefd zijn. Gouden oorknoppen en 



') S. Coolsma. West-Java. Rott. 1881. Het dragen der Arabische kleederdracht 
neemt ook onder vrouwen toe; vrouwelijke hadji's kleeden zich thans vaak in Arabisch- 
Javaansch kostuum terwijl gegoede vrouwen op reis niet zelden gesluierd zijn. 



288 I)K lilCTEI.lMiUlM. 

andere sieraden worden pebruikt; ook bij kinderen ontbreken zulke 
versierselen niet. Jaininer maar dat veel van het aantrekkelijke van 
den aanblik dien eene Javaanscbe vrouw oplevert, voor ons verloren 
gaat zoodra zij haren mond opent. Afgebrokkelde, onregelmatige, 
zwarte tanden vertoonen zich in bet meer dan bloedroode tandvleesch , 
dat omgeven wordt door nog breeder donkerroode lippen, naar de 
zijden meer donker, tot zij zich in de zwarte hoeken vereenigen. Dit 
voor den westerling zoo weinig aantrekkelijk schouwspel brengt den 
Inlander in verrukking. Zijne dichters vergelijken zulk een mond bij 
een opengebarsten granaatappel, waaruit de zwarte pitten tusschen 
het bloedroode vleesch der schil afsteken. Onze witte, glinsterende 
tanden noemen zij een hondenmuil! ümotendeels is deze ontsiering 
van den mond een gevolg van het afvijlen der tanden; ten oni'echte 
schijnt het, wordt zij vaak geweten aan het gebruik van de 
sirih-pruim, waaraan bijna alle Javanen, mannen zoowel als vrou- 
wen , zich overgeven. Deze pruim bestaat uit de bladeren van de 
sirib of betel, een peperplant, die over den ganschen archipel ver- 
spreid is en ook op Java in de tuintjes der Inlanders gekweekt 
wordt, uit een stuk van de noot van den pinangpalm en zuivere 
kalk. In den regel worden daarbij nog gambierkoekjes gevoegd , 
vervaardigd uit het sap dat door koking verkregen wordt uit de 
bladeren en takken van de gambier-plant, en soms nog een weinig 
fijn gesneden tabak, die echter dikwijls als toegift genoten wordt. 
De siribpruimer neemt een stuk van de noot, legt daarop een 
beetje kalk, ongeveer ter grootte van een erwt en rolt dit te samen 
in een sirih-blad. Het rolletje wordt nu met duim en voorvinger 
vastgehouden en tegen het tandvleesch gewreven, terwijl de tanden 
gesloten en de lippen wijd open gehouden woiden , dan een oogen- 
blik gekauwd en daarna tusschen de tanden en lippen gehouden 
zoodat het gedeeltelijk buiten den mond uitsteekt. Een rood steen- 
kleurig speeksel vloeit weldra uit den mond, en wanneer er tabak 
bij gebruikt wordt, hangen de lange, draderige einden evenzoo bij 
den mond neer, 't geen een vrij vies gezicht oplevert. De geurige 
en scherpe smaak van de pruim is bij den Inlander in den geheelen 
archipel bijzonder gehefd; geen gezelschap komt bij elkander of de 
sirihdoos wordt te voorschijn gehaald, die alle bestanddeelen voor 
de pruim bevat, en het eerste is wat den vreemdeling wordt aan- 
geboden. Een groot voordeel van het gebruik van de betel is, dat 



> 




DE GAMELAN. 289 

het den mond zuiver houdt; betelpruiiners hebben, zoo zegt men, 
nimmer een slecht riekenden adem. 

Wij willen ons thans met de menigte op weg begeven en met 
haar eenige plaatsen van vermaak bezoeken, waar wij zeker kunnen 
zijn eene talrijke massa menschen aan te treffen. Reeds uit de 
verte vernemen wij de klanken eener eentonige, droefgeestige, maar 
niet onwelluidende muziek. Het is de gamelan '), het Javaansche 
orkest, dat zelden ontbreekt waar het eene openbare vermakelijk- 
heid geldt, voor den Inlander groote aantrekkelijkheid bezit en, 
hoewel in geenen deele overeenkomende met Europeesche muziek- 
instrumenten en in den aanvang voor onze ooren vreemd klin- 
kende, somtijds ook westerlingen kan boeien. Door de uitdrukking 
„gamelan" verstaat men een stel instrumenten, die bij elkaar be- 
hooren. Men kent een groot aantal zoodanige gamelans, zoodat de 
heer Poensen ^) er niet minder dan '20 opgeeft, die wel is waar de 
voornaamste instrumenten gemeen hebben , maar waarvan sommigen 
uit veel meer instrumenten bestaan dan andere gamelans. Bovendien 
heeft men nog een onderscheiding der gamelans, die zich gedeeltelijk 
op het verschil in timbre der instrumenten en gedeeltelijk op een 
verschil in toonschaal grondt. De gamelan salendra, met heldere en 
hooge tonen, wordt door den Javaan somtijds met den klank van 
glas; de gamelan pelog, die lagere tonen heeft, met dien van metaal 
vergeleken. Daarbij komt nog een 3de toonsoort, de miring, d. i. 
overhellende toonsoort; de gelegenheid bepaalt, welke soort en welk 
aantal instrumenten het orkest bevatten moet. Een volledige gamelan 
vereischt ongeveer 24 spelers, die alles uit het geheugen spelen 
zonder noten te gebruiken. 

Tot de gamelan behooren zoowel blaas- en strijk-, als schud- en 
slaginstrumenten, welke afzonderlijke namen dragen. Gewoonlijk 
bespeelt de orkestmeester de rebab, eene soort van viool, die slechts 
2 snaren heeft, welke onderling een kwint verschillen. In de desa 
gebruikt men voor de rebab de pompoenen van nangkahout; de 
beste rebabs echter worden gemaakt van een zeer grooten doorge- 
sneden klapperdop. Dit instrument wordt met een zeer breeden 
strijkstok aangestreken en als de violoncel bespeeld, met dien ver- 



') Dr. J. Groneman en Dr. J. P. N. Land in Verh. Kon. Ak. v. Wet. Afd. Lett. 
XIX (1890). 

-) C. Poensen. De wajang in Med. Ned. Zend. XVI. XVII. 

II. 19 



290 DE GAMELAN. 

stande, dat de vingers de snaren aanraken maar niet tegen den 
hals diui<ken. Op de rebah wordt de eigenlijke melodie gespeeld, 
die de andere instrumenten navolgen De tjalempoeng bestaat uit een 
raam, dat met snaren bespannen wordt, die door sleutels aan de 
laagste zijde gespannen en met de beide duimnagels bespeeld worden, 
terwijl de wijs- en middelste vinger den toon, zoo noodig, dempen. 
Onze fluit wordt door de soeling vervangen, die uit een lid van fijne 
bamboe bestaat. Het mondstuk is een weinig schuins bijgesneden , 
met een stukje hout er in, dat niet aan de bamboe sluit maar 
een kleine ruimte vrij laat. Een ring sluit om het mondstuk, dicht 
daarbij is in de bamboe een gaatje gemaakt. Over de lengte der 
soeling, die niet als dwarsfluit maar als klarinet bespeeld wordt, 
zijn 4 of 6 gaatjes ingesneden , al naar mate van de soort van 
muziek, waarbij ze gebruikt wordt. De selompret, een speeltuig, dat 
naar onzen trompet zijnen naam verkreeg, doch van hout gemaakt 
is, heeft een mondstuk, 't welk met dat van onze instrumenten 
vergeleken kan worden; aan de onderzijde is eene opening, waarop 
de duim gehouden wordt, terwijl een zestal gaatjes hoogerop zijn 
aangebracht. Het ondereinde loopt wijd uit. 

Belangrijker zijn de slaginstrumenten en wel in de eerste plaats 
de bonang. Dit speeltuig bestaat uit een langwerpig vierkant rak 
op pooten , waarin tien tot veertien ketels in 2 rijen op twee slap 
gespannen koorden rusten. Het wordt met zware houten stokken 
bespeeld, die aan het dikste einde met een lederen of garen om- 
kleedsel voorzien zijn. De kenong is een soort van bonang, die 
slechts uit één ketel bestaat, welke in een raam op touwen rust. 
De gong bestaat uit 2 klankbekkens van gelijken vorm als de ketel 
der bonang, maar veel grooter en platter, die aan een staand rak 
zijn opgehangen , evenals de kompoel die kleiner dan de gong is. De 
trommel of kendang wordt van een uitgehold blok van den nangka- 
boom gemaakt, dat met bokken- of schapenvel bespannen is en 
met de losse hand en vinger bespeeld wordt. Gewoonlijk rust hij 
op een voetstukje of ligt op de knieën van den trommelslager. De 
kentjer of ketjer bestaat uit twee paar bekkens; het eene paar is 
in een uitgehold stuk hout geplaatst, terwijl het tweede paar, die 
met elkander verbonden zijn, dienen om de beide anderen te treffen. 
Merkwaardig is de gender, misschien het beste der Javaansche 
instrumenten. Het is een langwerpig vierkanten houten bak, waarin 



DE GAMET.AN. .291 

naast elkander twaalf tot veertien bannboezen kokers recht overeind 
staan, leder dier kokers, welke omstreeks 2 voet lang zijn, is bij 
het boven- en benedencinde van eene ingekerlde opening voorzien, 
terwijl een koperen plaatje boven eiken koker hangt, dat van boven 
vlak is, docli met eene kleine inbuiging en naar de beide zijden 
afhelt. leder dezer plaatjes of toetsen heelt aan de beide einden 
een gaatje, waardoor een steik koord gaat, dat die toetsen spant 
en ze juist boven de kokers doet liangen. De bak staat op den 
grond; de muziekant huikt er nevens en bespeelt de toetsen in het 
midden met 2 hamertjes, terwijl hij ileii neventoets naar beneden 
drukt om het doorklinken te vooricomen. Üpmeikelijk zijn ook een 
viertal instrumenten, die onderling veel oveieenkomst hebben; de 
gambang kajoe, de gambang gangsa ook wel saron genaamd, de 
demong en de selanlam. De eerstgenoemde gelijkt in vorm op onze 
glasharmonica's en bestaat uit een langwerpig vierkanten houten bak, 
die aan de bovenzijde geheel open is en naar den rechterkant 
smaller toeloopt. Een zeker aantal langwerpige blokjes of toetsen 
van djatihout rusten in dien bak op koorden , van stroo gemaakt en 
met doek omwonden, die in de lengte gespannen worden. De blokjes 
worden met 2 hamertjes bespeeld. De gambang gangsa is geheel 
gelijkvormig aan de gambang kajoe, maar de toetsen zijn bij dit 
speeltuig van metaal. De eigenlijke naam van dat instrument is de 
saron , maar meermalen wordt onder die benaming de saron peneroes 
verstaan, die niets anders is dan een kleiner soort van gambang 
gangsa. Ook de demong bestaat uit een dergelijken bak; op de lange 
zijde zijn pennen vastgehecht, waarop grootere uitgebogen metalen 
toetsen zijn aangebracht, die zóó los liggen, dat de trilling niet 
belemmerd wordt. De selantam komt in de hoofdzaak met den 
demong overeen. 

Van zelf brengt de gamelan ons op het geliefkoosde volksver- 
maak der Javanen , de wajang of tooneel-voorstelling i) , waarbij het 
orkest nooit ontbreekt. Ten einde daarmede kennis te maken begeven 
wij ons naar dezen of genen desabewoner, ten wiens huize de wajang 
gespeeld zal worden, want schouwburgen bezit de Javaan niet, en 
het is in den regel de een of ander particulier die het tooneel bij 
zich laat spelen en de kosten van het feest draagt. Dikwijls komt 



') Behalve het opstel van Poensen zie te Meclielen in T. B, G. XXV. 



292 DE WA.IANG. 

eene godsdienstige drijfveer daarbij iii het spel: 't zij om eene ge- 
vaarlijke ziekte af te weren, 't zij om zegen op een aangevangen 
onderneming. Hij huwelijkon, besnijdenissen en deigelijke plechtig- 
heden mag de wajaiig niet ontbreken, niet alleen omdat die vooi- 
stelling de vreugde verhoogt, maar ook omdat liel zoo hoort. De 
heer Poensen deelt ons mede dat (!en huwelijk weldra door eene 
echtscheiding gevolgd werd, omdat de wajang niet gespeeld was 
en de jongelieden dus van den beginne niets van elkander wilden 
weten! Hij, die de wajangpartij geeft, moet zorgen dat de èen of 
andere geschikte plaats afgezonderd gehouden wordt. Gewoonlijk 
wordt daartoe de ons bekende kampong gebruikt of ook wel een 
schuurtje opgetrokken vóór het huis van den gastheer en onmiddellijk 
daarmede verbonden, en dit 's avonds verlicht door eenige lichtjes 
in glazen of bakken met olie gevuld. In het midden is een zeil 
(kelir) gespannen , wit van kleur met rooden rand ; aan den eenen 
kant scharen zich de vrouwen, aan de andere zijde van de kelir 
nemen de mannen en kinderen plaats, benevens de muziekanten 
en de vertooner, de dalang, want bij de wajang treedt in den regel 
slechts één persoon op, die zelf niet acteert, daar de rol van de 
tooneelspelers door poppen vervuld wordt. Deze poppen worden uit 
bereid bulfelleer gesneden, althans wanneer men met de wajang- 
poerwa te doen heeft. Want de wajang draagt een afzonderlijken 
naam en wordt met andere poppen en een andere gamelan gespeeld , 
naarmate van den tijd, dien zij voorstellen. De wajang-poerwa 
behandelt onderwerpen uit de Hindoesche overleveringen zooals de 
Ramajana en de Mahabharata; de wajang-gedog heeft meestal 
betrekking op de echt Javaansche overleveringen uit den tijd van 
Pandji tot aan het tijdvak van Madjapahit en speelt dus in een 
later tijdperk. De wajang-karoetjil, die op Madjapahit, Padjadjaran 
en Mataram betrekking heeft, en zonder kelir gespeeld wordt, 
zoodat men niet de schaduwen maar de poppen zei ven ziet, behoort 
alleen over dag gespeeld te worden; tegenwoordig wordt dit voor- 
schrift niet meer opgevolgd. De poppen van de wajang-gedog worden 
van hout, met handen van bufïelleer vervaardigd, zooals ook die 
van de wajang-karoetjil, maar terwijl de poppen van de beide eerst- 
genoemde wajaiigs plat zijn, hebben de koppen der poppen van de 
wajang-karoetjil een ronden vorm. Gewoonlijk zijn de poppen der 
wajang met allerlei kleuren beschilderd, soms zijn zij zelfs verguld 



DE WAJANG. 



293 



en met beweegbare gewrichten voorzien, maar zij munten in 
geenen deele door schoonheid uit, en zijn gewoonHjk gedrochte- 
lijlte figuren. Sommigen hunner hebben een buitengewoon langen 
hals, anderen een leelijken dikken buik, of misvormden rug. De 
gezichten loopen allen spits uit, met langwerpige nauwe of zeer 
groote ronde oogen , of wel afgerond met vervaarlijk groote neuzen 
en leelijke slagtanden. De poppen zijn met pennen voorzien, waar- 
mede zij in een paar latten of stammen gestoken worden, die onder 
aan het zeil zijn aangebracht, zoodat de vrouwen, die aan den 
anderen kant van dat zeil zitten , niets dan de schaduw der poppen 
te zien krijgen. Een lamp hangt boven den vertooner, om het geheel 
te verlichten , terwijl een peervormig stuk leer voor hem geplaatst 
is, waarin hoornen en dieren uitgebeiteld zijn, en dat een tuin of 
begroeiden berg moet verbeelden. Bovendien heeft de dalang nog 
een soort van triangel bij zich, waarop hij slaat als het verhaal tot 
een gevecht is gekomen, en houdt hij in de hand een soort van 
hamer, om het spel der gamelan-spelers en van de zangers, zoo die 
er zijn, te leiden. Nog valt onze aandacht op een soort van platte 
kom , en op een geel koperen bakje , die beiden bij den dalang op 
den grond staan. In het eerste wordt het reukoffer ontstoken , dat 
als godsdienstige voorbereiding voor het spel dient, het tweede 
bevat ook een offer, maar uit spijzen bestaande, die eveneens 
voor de hoogere machten bestemd zijn, maar dewijl dezen zich 
slechts met den geest der spijzen vergenoegen, zorgt de dalang of 
de muziekant, die daarna op het offer recht heeft, wel, dit bij het 
einde der voorstelling mede te nemen, al meent de gewone Javaan 
dat de kracht en de smaak er af zijn. In West-Java heeft men nog 
de wajang beber, zonder poppen of gamelan; de dalang ontrolt 
daarbij slechts rollen papier, waarop de geschiedenis staat afge- 
teekend, die op het tijdperk der wajang-gedog betrekking heeft. Hij 
begeleidt zijn verhaal met de rebab. 

De hoofdpersoon, op wien de geheele voorstelling rust, is de 
dalang, die bij de bevolking in hoog aanzien staat en zelfs hier 
en daar het voorwerp van zeker bijgeloof is. Verschillend is de 
opleiding, die de dalangs genoten hebben. Sommigen hunner hebben 
zich zelven gevormd , eenige wajangverhalen van buiten geleerd 
door de voorstellingen van andere dalangs trouw bij te wonen en 
treden nu in de desa als dalang op , zoodra zij in het bezit van 



'294 Dl-; WAJANG. 

een stel poppen zijn. Dit valt hun echter niet gemakkelijk, daar 
een goed stel van 200 poppon, naar mate van de mindere of meer- 
dere versiering, ƒ 480- /" 700 kost; de Soesoehoenan van Solo bezit 
zelfs een stel, dat op f 3000 geschat wordt. Zulk een beginner 
weet vaak weinig van het verhaal af en moet, wanneer zijn geheu- 
gen te kort schiet, door aardigheden, en soms door zeer onkiesche 
zinspelingen, het gebrek aan voldoend onderricht goed maken. 
Anderen hebben eene betere opleiding gehad, daar zij als tjantrik 
in dienst van eenen dalang treden en van hem onderricht genieten; 
deze maakt hen bekend met de verhalen, de gezangen, de muziek 
en alles wat tot het beroep van eenen dalang behoort, en leert 
hun de boeken kennen, waarin de wajangverhaien bevat zijn. Maar 
ook dezen ontbreekt het dikwijls aan de noodige kennis, vooral van 
de kawi-woorden. die menigmaal voorkomen, en dan nemen zij tot 
allerlei vreemde uitleggingen hun toevlucht, terwijl ook zij het aan 
vuile en platte aardigheden niet laten ontbreken. Trouwens, de 
inlioud dier wajangverhaien is voor onzen Europeeschen smaak buiten- 
gemeen plastisch en moeielijk zou het vallen, de meesten voor een 
eenigszins kiesch oor te vertolken. Er worden echter ook dalangs 
gevonden, die van de gelegenheid gebruik maken om wijze lessen 
en raadgevingen te midden van den gang van het verhaal op te 
disschen. De taak van den dalang is dikwijls uiterst zwaar. Geheele 
nachten moet hij opzitten om zijne geschiedenis voor te dragen en 
met gezang af te wisselen, ja er zijn wajangverhaien die 7 tot 9 
nachten vereischen. In dien tijd blijft de aandacht van het publiek 
even gespannen, met geheel zijn ziel volgt de toeschouwer het 
voor ons zóó eentonige verhaal, dat voor den Javaanschen toeschou- 
wer de geschiedenis der oudste tijden bevat, toen Java nog een 
vrij land was en de goden met de menschen verkeerden. Ten einde 
de aandacht levendig te houden weet de dalang, die zijn taak goed 
verstaat , van tijd tot tijd een gevecht in het verhaal te vlechten ; 
bovendien behoort elke goede wajang met een flinken strijd besloten 
te worden. In den regel blijven de toeschouwers stil en bedaard; 
tusschenbeiden barst echter de opgewondenheid uit, of verwekt 
de een of andere geestige, d. i. vaak hoogst onkiesche zet, een 
geweldig gelach. De verdiensten van den dalang zijn zeer ver- 
schillend. Speelt hij in zijne eigen desa, dan vordert hij geene 
belooning, maar daarentegen is hij van andere diensten vrijgesteld, 



DK WAJANG. HüNGüENüS. 295 

terwijl hij ook geene landreiite betaalt, maar in de belasting op het 
bedrijf wordt aangeslagen. Elders krijgt hij een vaste som gelds; 
vóór J8G7 werd zijne werkzaamheid door de hoofden soms als heeren- 
dienst zonder belooiiing gevorderd, en slechts met vrij eten, drinken 
en opium beloond. Het oordeel over de meeste wajangspelen kan, 
't blijkt reeds uit 't geen boven gezegd is, niet gunstig zijn. Vol- 
komen waar is de volgende uitspraak over de wajang: „Zij ver- 
heft niet de ziel, veredelt niet het hart, zij stort geene reine 
gevoelens van vaderlandsliefde, heldenmoed, huiselijke en familie- 
deugd, burgerdeugd en waren zielenadel in; zij verlicht het ver- 
stand noch loutert de verbeelding. Alles blijft zich in het platte 
proza der zinnelijke genietingen vermeien, zonder schroom in de 
meest plompe en naakte bewoordingen voorgedragen. Van het volk 
wordt niet gesproken. De helden behalen hunne overwinningen niet 
door dapperheid of beleid , maar door een pijl of zwaard van boven- 
natuurlijk vermogen, of door den schrik hunner vijanden. Hun 
hoofdstreven is het vermeerderen der bewoonsters hunner harems. 
Zelfs de goden en geesten zijn niet beter dan de menschen; „alles 
eindigt in 't slaapsalet." ^) 

Wanneer de wajang in de desa speelt is de dalang vaak de 
eenige persoon, die optreedt. Maar niet zelden vergezelt hem eene 
zangeres, die in den regel tot de diepstgevallenen harer sekse 
behoort, en door hem, bij wien zij haren intrek neemt, in zang en 
dans geoefend wordt, en bij de wajangpartijen verhuurd wordt, om 
den dalang te begeleiden of te vervangen , en in de korte pauze 
het publiek bezig te houden. Daarbij heeft zij alleen op de zangwijze 
te letten, die de dalang aangeeft; op de woorden komt het niet 
aan, ja dikwijls zingt zij slechts de melodie zonder woorden te ge- 
bruiken. Tot dezelfde klasse van vrouwen behooren de taledeks, 
beter onder den Soendaneeschen naam ronggengs bekend die, meestal 
op eigen hand, door een paar muzikanten begeleid, op wegen en 
straten haar beroep van zangster en danseres uitoefenen, en de 
pest der Javaansche maatschappij zijn, en toch niet geminacht 
worden, ja zelfs even goed als andere vrouwen een huwelijk doen 
kunnen. Den slendang vóór den mond met beide handen uitbrei- 



') Een overzicht van een wajang-verhaal vindt men in de Abiasa, met Holland- 
sche vertaling uitgeg. door H. C. Humme. 's Grav. 1878. 



206 RÜNGGENGS. 

deniie, stoot of schreeuwt zij liaro liederen, die meestal van zeer 
diibbelziriiiigen aard zijn, uit, soms niet of bijna niet verstaanbaar 
door den doek, die baren nuHid bedekt; eene gewoonte, welke in 
de Gouvernements-landen door de welvoegelijkheid geboden wordt, 
doch in de Vorstenlanden niet bestaat. Uiterst moeielijk is hare 
dans of tandak. Het is de kunst der verwrikkingen van alle leden, 
waarbij het licliaam steeds de meest hoekige standen moet aan- 
nemen. „De knieën staart gebogen als doorgezakt, terwijl de armen, 
als langzaam vooitged reven molenwieken, nu eens ter zijde uit, dan 
weder naar boven of beneden hunne hoeken beschrijven en de hand 
even als kramptrekkende vingers op hare gewrichten draait. De 
armen en het lichaam buigen door; de voet wordt binnenwaarts 
gezet. Zie, langzaam schuivende, terwijl het hoofd op de halswer- 
vels en het gansche lichaam op de beengewrichten zich wringt, 
wrikt, draait, dringt zij ter zijde uit!" Hoe hoekiger, des te schooner 
in de oogen van den Javaan. Allerlei figuren zijn bij dit tandakken 
gebruikelijk, waarbij sommige zaken zeer plastisch worden voorge- 
steld, zooals een kip, die eieren legt enz. Soms vereenigen de 
omstanders zich met haar tot den dans, en niet zelden ziet men 
Europeanen zich met deze ronggengs in den rei begeven. Vrouwen, 
die haren man moede zijn, en zich willen laten scheiden, behoeven 
daartoe slechts het beroep van ronggeng uit te oefenen. Geheel 
andere danseressen zijn de serimpi's, die alleen aan de vorstelijke 
hoven van Solo en Djokja gevonden worden en tot de hoogge- 
plaatste vrouwen van het hof behooren , en de bedaja's die ook aan 
die hoven en bij sommige regenten worden aangetroffen. Wij zullen 
later met beiden kennis maken. Hier en. daar in de Preanger, 
misschien ook elders, wordt de rol van danseres ook wel vervuld 
door vrouwen uit de desa , die daarvan geen beroep maken en een 
eerbaar leven leiden. 

Behalve de wajang, kunnen wij op Java ook tooneel voorstel- 
lingen bijwonen, die door menschen worden opgevoerd , de topeng i) , 
die door gemaskerde personen gespeeld wordt en vooial in de 
Soenda-landen te huis behoort, doch ook in het overige gedeelte 
van Java is doorgedrongen. Iets dergelijks is de wajang wong van 
het Oosten , die echter zelden wordt opgevoerd. Evenals bij de wajang 



') De Serière in T. v. N. I. -1873 II. 1874 I. 



BE TOPRNG. DE ANGKl.OENG. 297 

is het de dalang, die bij de topeng de hoofdrol speelt; hij reciteert 
het verhaal, terwijl de gemaskerden de rol van de poppen vervullen 
en zich even als dezen moeten hewegen. Gewoonlijk zijn er een paar 
potsenmakers bij, wien het vrij staat, zich in het verhaal van den 
dalang te mengen en er allerlei opmerkingen tusschen te werpen, 
die dikwijls niet vleiend voor de betrokkenen zijn, en soms zelfs 
hooggeplaatste personen aantasten. Vreemd ziet zulk een topeng- 
speler er uit. De maskers, die uit fijn hout gesneden zijn en sterk 
sprekende trekken vertoonen , worden door middel van een pennetje 
met de tanden vastgehouden. De lioofd-acteur heeft een groote kopjah 
op, een hoofddeksel dat den vorm van een halven maan heeft en 
met het vel van een zwarten aap of geit overtrokken is, terwijl aan 
de benedenzijde rosetten van kleurige kralen vastgemaakt zijn, met 
lange snoeren met kwastjes of melati-bloemen, die tot op de borst 
afhangen. Een eigenaardig soort van straattooneel is de topeng 
babakan, die door twee of meer gemaskerden wordt uitgevoerd. 
Onder begeleiding van trom en bekkens dansen zij en zingen liedjes 
die zeer onbeduidend en dikwijls vrij onzedelijk zijn. Bestaat het 
gezelschap uit meer personen . dan wordt er vaak een tooneelver- 
tooning opgevoerd, die menigmaal niet van geest ontbloot is, en 
waarbij Arabieren , Chineezen , ja zelfs geestelijken en Europeesche 
beambten niet gespaaid worden. Hetzelfde kan gezegd worden van 
de loedroegs of badoets, eveneens straatkunstenaars, die geheel met 
de eerstgenoemden overeenkomen, dezelfde vrijheid van spreken 
genieten , maar daarbij goochelen , en inderdaad sterke toeren ver- 
richten. Zoo bericht Poensen ons, dat enkelen hunner een kom of 
bak nemen, met rijst gevuld en daarin een kippenei leggen, omgeven 
van zekere noten, en daarna de plant uit het ei te voorschijn doen 
komen , die door een der toeschouwers wordt opgegeven , met takken 
en bladeren , juist zooals dat in de natuur plaats heeft. 

De plaats van de gamelan wordt bij de Soendaneezen door 
een corps muziekanten ingenomen, die de angkloeng bespelen. Dit 
speeltuig is geheel van bamboe gemaakt. Een bamboekoker, die 
aan beide zijden gesloten is, en waarin van 5 tot 6 gaten geboord 
zijn, dient als bodem, en is aan de beide uiteinden met een lange 
rechtopstaande bamboezen lat voorzien, die dus 2 stijlen vormen 
met een hoog aan de bovenzijde, welke met vederen kwastjes enz. 
versierd is. Aan de beide latten is een dwarslat vastgehecht, die 



298 HANENGEVECHTEN. 

• 

evernvijdifT rnpt don bodem loopt, en daaraan worden naast elkander 
5 ot' O baiiiboelvukers geregen, die allengskeiis in breedte en lengte 
verminderen. Deze kokers zijn in de gaten van den bodem vastge- 
maakt met dien verstande dat zij, wanneer bet instrument gescbud 
wordt, wel naar voren en naar acbteren kunnen slingeren, maar 
zich niet zijwaarts kunnen bewegen. Het spelen van het instrument 
geschiedt door het in slingerende beweging te brengen, en nu komt 
het er vooral op aan dat de bamboezen kokers zoo gekozen zijn, dat 
zij bij de schudding een hai'monisch geluid geven. Een corps ang- 
kloengers, gewoonlijk 15 a 20 man steik, wordt voorafgegaan door 
eenige voordansers, van welken er een met een kleine trom gewapend 
is, terwijl de anderen kleine angkloengs in hunne handen hebbenen 
al zingende allerlei bewegingen maken. De eigenlijke muziekanten, 
die de grootere angkloengs dragen, loopen zeer bedaard en onver- 
schillig daaiheen en hebben alleen te zorgen, dat zij de maat, door 
de voordansers aangegeven, nauwkeurig volgen. Ook in enkele 
Javaansche gamelans is de angkloeng opgenomen. 

Wanneer wij nu de desa verlaten en een afgelegen, rustig 
plaatsje opzoeken , om na te denken over 't geen wij zagen , dan zal 
het misschien gebeuren dat wij gestoord worden door de komst van 
eenige mannen, met een draagstok voorzien, waaraan zij eenige 
kooien van klapperbladen dragen, die elk een pracbtigen haan 
bevatten, terwijl anderen slechts een haan medebrengen, dien zij 
in de hand medevoeren en daarbij zorgen dat hij zoo gemakkelijk 
mogelijk geplaatst is. Allicht meent gij , dat ge hier bij de kippen- 
markt der desa zijt gekomen, maar het schouwspel, dat gij gaat 
bijwonen, is een geheel ander en voor den Javaan van hoog belang. 
Het geldt hier niets minder dan het zoo geliefde hanengevecht. De 
Javaan is uiterst verzot op allerlei dierengevechten; zelfs aan de 
hoven der Vorstenlanden behoort de strijd van den tijger met 
een kaïbouw of met gewapende mannen tot de meest gezochte 
uitspanningen. Maar de eenvoudige desabewoner moet zich met 
minder kostbaar spel vergenoegen, en hanen, kwartels of andere 
dieren tegen elkander opzetten. En daar de hanengevechten door 
het Gouvernement verboden zijn, hoofdzakelijk wegens de wedding- 
schappen , die daarbij worden aangegaan , moeten de liefhebbers 
wel een verscholen plekje uitkiezen om aan hunnen lust bot te 
vieren; want zoolang er vechthanen gevonden worden, zoolang zal 



HANENGEVECHTEN. Ü99 

de Javaan zich er op toelegden hen af te richten en te laten strijden , 
en eenmaal aan dat verleidelijk spel overgegeven, wordt het bij 
hem licht een alles overheerscheiide hartstocht, zoodat de fokkers 
van vechthaiien dikwijls alleen voor de gevechten leven en slechts 
daarin hun geluk, eer en voordeel zoeken. Het africhten der hanen 
kost veel moeite en tijd. „De fokkers" zoo verhaalt ons de Hr. de 
Serière „hebben het grootste gedeelte van hunnen tijd een hunner 
kweekelingen onderhanden om hen door masseeren en strijken mak, 
lenig en sterk te maken. De noodige geneesmiddelen worden niet 
gespaard, zooals zalf voor de pooten, gehakt vleesch met verwar- 
mende kruiden tot pillen gekneed enz. Als de fokker van amfioen 
gebruik maakt dan krijgen zijne kweekelingen inblazingen van den 
bedwelmenden rook. De kroon of kam wordt kort boven het hoofd 
afgesneden, om bij het gevecht zoo min mogelijk vat op den kop 
te geven. De natuurlijke sporen worden kort afgesneden om vrije 
beweging aan de pooten te laten en ook ruimte te laten voor een 
ijzeren spoor of mesje." Want niet tevreden met de aandoeningen, 
die het gevecht der hanen opwekt, wanneer zij van hunne natuur- 
lijke verdedingsmiddelen gebruik maken , doen de eigenaars hen 
dikwijls ijzeren spoien aan , die den vorm van kleine krissen hebben , 
en naar de mate van de krachten der wederpartij hooger of lager 
aangebonden worden. Voor deze soort van gevechten, die naar het 
schijnt van vreemden oorsprong zijn, gebruikt men den djago; voor 
den strijd met de natuurlijke sporen wordt de poepoeh gebezigd, 
die veel hooger op de pooten en sterker dan de djago is, maar 
voor minder vlug gehouden wordt. Ademloos volgen de toeschouwers 
den strijd; in stilte bespieden zij hoe de beide strijdenden over 
elkander springen of vliegen, en zich pijlsnel omkeeren, om de 
slagen van de tegenpartij af te wachten. Weldra begint de eigenlijke 
strijd; de hanen vliegen tegen elkander op en brengen elkander 
hevige en snelle slagen toe, die zelden missen; meer en meer wordt 
de aandacht gespannen en elke slag, die raak is, wordt met luide 
aanmoediging en goedkeuring begroet, en eerst dan is het gevecht 
beslist, wanneer een der beide partijen stervende ter neder ligt; 
althans bij den gewapenden strijd, daar de poepoehs soms uren 
met. elkander kunnen vechten, tot zij van afmatting schier bezwijken 
en door besproeiing met koud water moeten worden bijgebracht. 
Niet minder brengt het gevecht van den kwartel den hartstocht van 



300 KREKELGEVECHTEN. 

den Javaan in bewepinp. Deze dieren, die uiterst schuw zijn, worden 
met groute moeite in zooverre getemd, dat zij het gezicht van den 
mensch ivunnen verdragen, en dan in een grooten bamboezen kooi 
met eli<ander willen strijden. Alleen de wijfjes worden daarvoor 
gebruikt. Zelfs de djangkrik, een soort van grooten krekel, wordt 
tot den strijd afgericht; daartoe wordt hij in eene bamboe-geleding 
geplaatst, waarin een klein gaatje is opengelaten en daai'tia zorgvuldig 
gevoed totdat hij een doordringend, trillend geluid met de vleugels 
laat hooren, waaruit men opmaakt dat hij stiijdlustig is. Daarna 
wordt hij herhaalde malen in water gedompeld en weder aan de 
zon blootgesteld waardoor hij, naar men zegt, van zijnen lust tot 
vrijheid genezen, en voor het gevecht geschikt zou zijn. De kamp- 
plaats is een kuiltje zoo groot als een kopje, en van boven nauwer, 
om het wegspringen der diertjes te beletten. Zij worden op bijzondere 
wijze gevoed en vaak door het kriewelen met een kwastje aan den 
kop tot het gevecht aangevuurd; om hen woedend te maken worden 
zij wel eens kort vóór het gevecht heimelijk gevoed met de pitten 
van den datura of doornappel. Valsche spelers doopen het kwastje 
in trassi (gezouten vischjes) en raken daarmede ongemerkt den 
snuit van den anderen krekel aan , die daardoor buiten gevecht 
wordt gesteld. Is de strijd geëindigd, dan krijgt de krekel eenige 
jonge blaadjes onder zijn voedsel tegen de pijn in zijne tandjes. 

Wanneer wij in den drogen moesson naar de desa terugkeeren 
over de sawahs, waar de oogst reeds binnengehaald is, dan treffen 
wij dikwijls een vreemd schouwspel aan. Een aantal liefhebbers 
zijn daar bezig hunne vliegers op te laten, maar het zijn niet, 
zooals bij ons, alleen jongens, die zich met dat spel bezighouden, 
maar volwassen personen , soms van vrij hoogen leeftijd , maken 
verreweg de meerderheid van de verzamelde menigte uit. Sommigen 
hunner hebben buitengewoon prachtige voorwerpen, van allerlei 
vormen, vogels, schepen enz. voorstellende en met een bamboeboog 
voorzien, waarop een band van dun bamboe gespannen is, die door 
de trilling van de lucht gestadig geluid geeft; ja er zijn vliegers, 
welke met een bamboezen fluitje voorzien zijn, zoodat de vlieger 
zingt en fluit. Maar ofschoon het voor den Javaan een groot 
genoegen is, om naar dit geluid te luisteren en den mooien vlieger 
te bekijken, zoo is dat toch nog niet het ware genot. Het meest 
aanlokkelijke van het spel bestaat in de weddingschappen, die men 



SPEI-EN. 301 

aangaat, welke vlieger het in den strijd zal winnen, wanneer het 
touw, waaraan hij bevestigd is, tegen dat van eenen anderen 
worden gestreken. Ten einde aan het vliegerkoord de noodige 
vastheid te geven, bestrijkt men het met een soort van pap, die 
uit tot poeder gestampt glas, vuursteen of scherven van fijn aarde- 
werk bestaat, met een stijfsel van gekookte rijst vermengd, waar- 
door het touw op het gevoel zoo stijf en hard als ijzerdraad wordt. 
Met groote behendigheid en volgens vaste regels , die niet over- 
treden mogen worden , weten de partijen , welken hunne vliegers 
tegen elkander beproeven , den strijd te leiden. Van weerszijden 
worden weddingschappen aangegaan, soms van geen onaanzienlijk 
bedrag, totdat ten laatste het glastouw van den eenen vlieger door 
dat van den anderen is doorgesneden, waarmede de stiijd beslist 
is. Ook andere spelen geven aanleiding tot weddingschappen: het 
werpen met dobbelsteenen en met geldstukken , het beproeven van 
de hardheid van kokosnoten en dergelijke meer. Andere spelen zijn 
een soort van kaatsspel , bestaande in het opvangen of afweeren 
van eenen uit bamboe of rotan gevlochten bal, het damspel, het 
knikkeren, het spelen met tollen enz. Ook het kaartspel is onder de 
Javanen niet onbekend; meestal zijn het echter Chineesche kaarten, 
die daarbij gebruikt worden. Een eigenaardig vermaak is het hard- 
rijden met buffels, dat op Madoera in gebruik is. 

Ofschoon deze hazardspelen onheil genoeg veroorzaken en menig 
Javaan er zijn geheele vermogen bij verliest, — dat nu juist niet 
veel zeggen wil, — zoo komt dit niet in aanmerking bij het kwaad, 
dat door het misbruik van amfioen of opium gesticht wordt ^). 
Zooals men weet, verstaat men onder opium het verdikte sap van 
den papaver, dat verkregen wordt door de bollen van de plant te 
kerven. De voornaamste streken, waar het opium verkregen wordt, 
dat de bewoner van den Indischen archipel verbruikt, zijn Bengalen 
en de Levant, dat eerst tegen het einde der vorige eeuw een uitweg 
voor zijn opium op Java begon te vinden, maar thans niet minder 
dan Bengalen in de behoefte voorziet. Het opium wordt in bollen 



1) J. L. Zegers. Het opium-vraagstuk in N. O. I. Nijmegen 1890, en de daar 
aangehaalde liteiatuur. Rapport v. het lid in d. Raad v. Indië W. P. Groeneveldt, 
opgenomen als Bijlage van de Mem. v. Beantw. v. d. Ind. hegroot. voor 1892. 
Verslag, der vergad. v. h. Ind. Gen. 5 en 26 Nov. 1889 en 18 Febr. 1890. De opium- 
vloek. Tijdschr. v. d. anti-opium-bond. 



3lt2 uur OPIUM. 

verpakt en ii itge voord , cii is dan zacht en roodbruin van kleur, 
met een sterken, oMaanjionanien iviik en van eenen biliiTcri . walge- 
lijken smaak. Op de plaats gekomen, waar het gebruikt wordt, 
ondergaat het eene zekere bereiding, die dienen moet om het van 
bladeren, houtdeelen enz. te reinigen. Daartoe breekt men de 
bollen in tweeën en neemt het binnenste gedeelte, dat zacht is, 
er uit. De hardere korst , die voor een groot deel uit de bladeren 
van de plant bestaat, waarin liet opium gepakt was wordt, met 
uitzondering van liet allerbuitenste bekleedsel , gebroken en in 
water geweekt, om daarna evenals het andere opium behamleld te 
worden. Alles gaat nu te samen in een grooten ijzeren pot en 
wordt dan tot een dikke stroop gekookt die, als zij vast genoeg 
is, in kleine stukken verdeeld op een liijiia jilatten ijzeren pot gedaan 
wordt, en daarin over het vuur wordt gekookt, ten einde het opium 
te branden. Daarna wordt het weder in water opgelost, gekookt, 
somtijds met fijn gekorven tabak vermengd en tot kleine pillen 
gekneed en is dan onder den naam tjandoe voor het gebruik geschikt. 
De Nederlandsche Regeering heeft zich het uitsluitend recht tot den 
invoer en verkoop van opium op Java voorbehouden , maar stond 
tot voor korten tijd het recht tot den verkoop in het klein aan 
diegenen af, welke bereid zijn haar de hoogste som uit te betalen , 
die bij openbare veiling bedongen kan worden. Deze pachters ver- 
krijgen daardoor het recht, om op aangewezen plaatsen localen 
voor den verkoop van opium te openen en daar, met uitsluiting 
van ieder ander,* het opium, dat het Gouvernement invoerde en 
hun leverde, in kleine hoeveelheden te verkoopen. Groot zijn de 
bezwaren aan dat stelsel verbonden , dat niet alleen den bloei van 
'slands finantiën doet afhangen van het minder of meerder debiet 
van het verderfelijk genotmiddel, maar ook tot handlangers bezigt 
personen , zonder uitzondering vreemdelingen (Chineezen) , die er 
een direct belang bij hebben om de bevolking aantézetten tot het 
gebruik van een vergif, dat menigeen naar ziel en lichaam ten 
gronde doet gaan. Want al mogen misschien door sommigen het 
onheil, door het opium op Java veroorzaakt, met te schelle kleuren 
zijn geschilderd en zelfs toegegeven kunnen worden dat een gebruik 
in zeer geringe mate geen gevaar oplevert, ontkend kan het niet 
worden dat het misbruik van het opium onnoemelijke ellende heeft 
gesticht. Het Gouvernement is daarvoor niet blind maar heeft, tot 



DE OPIUMPACHT. 303 

voor korten tijd, slechts getracht als het ware water en vuur te 
verzoenen dooi' middelen te beramen om met behoud der pacht en 
van de voonleelen, die deze opleverde, toch het gebruik tegentegaan. 
En dit moest wel mislukken! Wij willen niet eens spreken van de 
donkere tijden vóór 1850, en zelfs eenigen tijd daarna, toen de 
ambtenaren de pachters naar de oogen moesten zien en de belangen 
der schatkist in de allereerste plaats in aanmerking kwamen. Maar 
ook later, toen de Regeering inderdaad wel degelijk weiischte het 
gebruik althans eenigszins te beperken , kon zij dat doel niet berei- 
ken zelfs niet door verhooging der prijzen , omdat het bleek dat de 
pachters, in wien men vroeger de ijverigste bestrijders van den 
sluikhandel zag, vaak tot de grootste smokkelaars moesten gerekend 
worden. Geen wonder! Immers, daar zij de eenigen waren die 
opium in beduidende hoeveelheid in hun bezit mochten hebben, 
viel het hun gemakkelijker dan anderen, om ter sluiks opium 
intevoeren en dus óf meerder opium van de hand te zetten , dan 
het Gouvernement hun had toegestaan óf, als dit de prijs hoog 
stelde, tot lagere prijzen opium te verkoopen , ja zelfs op het gebied 
van een anderen pachter opium te verkoopen. Allerlei stelsels 
werden uitgedacht om dit te keer te gaan , of althans te maken 
dat de pachter alleen door het Gouvernement verschafte opium 
verkocht. Zoo had men vóór 1855 het zoogenaamde tiban- en siram- 
stelsel; onder tiban verstond men de hoeveelheid opium, die de 
pachter nemen moest, gewoonlijk tegen hoogen prijs, en siram werd 
het opium genoemd, dat hij bovendien tegen lageren prijs nemen 
kon. Sedert dat jaar heeft men bij afwisseling een stelsel van 
beperkte en onbeperkte verstrekking gevolgd. 

Bij het eerstgenoemde stelsel kon de pachter niets meer dan 
eene, door de Regeering vooraf vastgestelde hoeveelheid opium 
krijgen; het spreekt echter van zelf dat de pachter, die kans zag 
meerder opium te slijten en voor de ellende, die dit verspreidde, 
volkomen ongevoelig was, door den smokkelhandel aan grootere 
hoeveelheden zocht te komen. Het stelsel van onbeperkte verstrek- 
king bestond hierin, dat de pachter van het Gouvernement zooveel 
opium kon krijgen, als hij noodig had, tegen lagen, vaak tegen 
niet veel meer dan den inkoopsprijs, om te voorkomen dat hij elders 
zich van opium voorzag; — terwijl de Regeering daarbij tevens het 
doel had, achter de werkelijke behoefte aan opium te komen, om 



30i DE OnUMI'ACIIT. 

op dut resultaat latere regelingen te vestigen. Maar, — zooals 
trouwens ook van zelf sprak, — vermeerderde bij dat stelsel de 
hoeveelheid opium, die de pachters aanvroegen, in zeer beduidende, 
vaak verontrustende mate. Vooreerst wel, omdat zij nu niet meer 
tot den toch altijd gevaarlijken smokkelhandel de tuevUicht behoef- 
den te nemen, maar bovendien ook omdat zij, nu zij zoo gemak- 
kelijk opium konden krijgen, het debiet daarvan op allerlei wijze 
zochten te vermeerderen en zelfs opium in de nabuiige pacht- 
districten invoerden. Zoo steeg in het tijdperk der onbeperkte 
verstrekking van '1855 — 1862 de hoeveelheid verstrekte opium van 
48.660 katti's (185i) tot 10.-).537 k. (1800), en dit niettegenstaande 
men den pachters de veiplicliting had opgelegd, ten genoegc der 
hoofden van gew. bestuur, de behoefte aan opium aantetoonen. Van 
1862 tot 1869 werd slechts eene vaste hoeveelheid opium verstrekt, 
die zelfs jaien achter elkander steeds verminderd werd (1861 77.110 k., 
1865 67.762 1t. , 1860 70.478 k.) , alsof de wensch der Regeering vol- 
doende was om het gebruik in even groote mate te verminderen. 
Maar het tegendeel was het geval ; het debiet bleek zich uittebreiden 
en de smokkelhandel nam toe. Toen werd weder tot het middel 
van onbeperkte verstrekking de toevlucht genomen, maar nu nam 
de verstrekte hoeveelheid zóó onrustbaiend toe (in 1872 zelfs tot 
266.489 k.) dat men op dien weg niet durfde voortgaan, te minder 
omdat het bedrag der pachtsom geweldig was afgenomen. Het 
stelsel van beperkte verstrekking of maximum-stelsel werd daarna 
weder ingevoerd (1873) en in hoofdzaak tot nu behouden, zij het 
dan ook dat enkele minder gewichtige wijzigingen werden inge- 
voerd, zooals de verandering der jaarlijksche verpachting in eene 
om de 3 jaren , ten einde den pachter de zekerheid van een langeren 
termijn te geven, 't geen ook op de pachtsom invloed kon uitoefe- 
nen. Onder de werking van het maximum-stelsel kon verlevendi- 
ging van den smokkelhandel niet uitblijven. Had men tot bestrijding 
daarvan in 1863 behalve boeten , ook gevangenisstraf op den sluik- 
handel gesteld, zoo nam men nu op nieuw krachtige maatregelen 
tegen den invoer en den clandestienen verkoop en stelde zelfs 
een hoofdinspecteur voor de opium-aangelegenheden aan die, met 
ruime middelen en groote macht toegerust, de te nemen maat- 
regelen leiden zou. Maar dit alles heeft den smokkelhandel niet 
kunnen vernietigen : het opium toch vertegenwoordigt in eene kleine 



DE OPIUMPACHT. 305 

hoeveelheid een betrekkelijk grooto waarde, en kan gemakkelijk 
verborgen worden , zoodat men daartoe van de meest vreemdsoortige 
voorwerpen gebruik heeft gemaakt en opium binnenbracht in kisten, 
potten, vaten, flesschen bier, blikken sardijntjes, zolen van Chi- 
neesche muilen, afgodsbeelden, duiven, ja zelfs in het menschelijke 
lichaam verborgen. Om die reden zal, meenen wij, een algemeen 
verbod tegen het gebruik van opium, vooreerst althans, op een 
eiland als Java, dat van alle kanten toegankelijk is, onmogelijk 
kunnen gehandhaafd worden, zoodat men ter bestrijding van het 
kwaad wel tot minder krasse maatregelen de toevlucht moet nemen. 
Een dezer maatregelen is het verbod om opium te verkoopen buiten 
de van Regeeringswege daartoe aangewezen vQi'koopplaatsen , kitten 
genaamd, wier getal thans zooveel mogelijk wordt verminderd, 
zoodat dit van 2664 in 1851 tot 662 in 1869 werd teruggebracht, 
doch later weder werd vermeerderd en voor 1894 op 895 is gesteld. ') 
Jammer maar dat ook dit verbod zoo moeilijk te handhaven is zoodat 
ook buiten de kitten, tot zelfs in warongs, opium verkregen kan 
worden, en sommigen het getal der geheime kitten op wel 10.000 
stellen. Vooral werkte het zoogenaamde patoengan-stelsel , dat thans 
echter wordt tegengegaan, daartoe mede. Er werd namelijk aan 
Inlanders, met toestemming van den resident, de vergunning ge- 
geven gezamenlijk bet door een hunner ingekochte opium te gebrui- 
ken , en zoodoende werden met medewerking van den pachter zoo- 
genaamde „erkende geheime kitten" in het leven geroepen. Een 
meer afdoend middel om het verbruik tegentegaan is de invoering 
der zoogenaamde verboden kringen : streken , waar alle invoer en 
verbruik van opium op zware straffen verboden is. Deze bepa- 
lingen konden worden gehandhaafd daar, waar de bevolking geene 
neiging tot gebruik van opium aan den dag legde en weinig of 
geene Chineezen te vinden waren zooals in de Preanger, waar 
sedert 1824 dit verbod bestaat en zeer goed gehandhaafd werd. 
Later werd dit verbod ook tot andere streken van Java uitgestrekt, 
doch de sluikhandel stak daar het hoofd op, zoodat de Regee- 
ring de meeste verboden kringen weder moest intrekken , met uit- 
zondering van de Preanger en enkele weinig belangrijke distric- 



o 



') Thans wordt de verkoop van opium weder voor één jaar verpacht; de hoe- 
veelheid, die genomen kan worden, is voor 1894 op 175.980 k. gesteld. 

II. 20 



300 DK OPirM-UECIE. 

ten, die sedert 1800 weder met eeriifje anderen vermeerderd zijn. 

Een der meest gegronde besclnildigitigen tegen het thans ge- 
volgde stelsel is wel deze, dat het de Regeering voordeel doet 
genieten uit vermeerdering van debiet en dat het den verkoop in 
handen stelt van pachters, die een overvv'egend belang hebben bij 
de toeneming van het gebruik. Om dit laatste element uittesluiten 
wordt thans de regie aanbevolen, waarbij Gouvernements-ambte- 
nareii met den verkoop belast zijn, zonder uit het debiet voor zich 
zelven eenig voordeel te trekken. Een groot bezwaar was daarbij 
de moeilijkheid om wel te controleeren of de verkochte opium door 
het Gouvernement verstrekt was, daar er natuuilijk gevaar bestaat, 
dat de verkoopers weder aan den smokkelhandel voor eigen reke- 
ning zullen deelnemen. Naar men hoopt is dit vraagstuk voor een 
groot deel opgelost door de vervaardiging van tubes, waarin de 
tjandoe gedaan wordt en die door het gebruik vernietigd worden , 
zoodat het niet mogelijk zal zijn ze opnieuw te vullen, terwijl door 
waarmerken tegen namaak zal worden gewaakt. Met de regie die 
ook door den Heer Groeneveldt, op grond van een onderzoek in 
Fransch Indo-China werd aanbevolen, zal thans een proef worden 
genomen in een der gewesten van Java. Ofschoon het zeker te 
hopen is dat zij goed gelukken zal , mag toch wel worden opgemerkt 
dat eene mislukking van een proef op kleine schaal , die zeker door 
de pachters zooveel mogelijk zal worden tegengewerkt, geene afdoende 
bewijzen zou opleveren tegen de wenschelijkheid van de invoering 
der regie over geheel Java, met algeheele afschaffing van het pacht- 
stelsel, die ons althans verlossen zou van de beschuldiging baat te 
zoeken bij de toeneming van het debiet van een genotmiddel, dat 
groote rampen veroorzaakt. 

Zij , die van het opium gebruik maken , kunnen zich , zooals 
wij weten, van dat heulsap voorzien in door de Regeering aangewezen 
verkoopplaatsen , kitten genaamd. In de groote kuststeden en hier 
en daar ook op andere plaatsen zijn dezen zoodanig ingericht, dat; 
de klant zijn opium in het lokaal gebruiken kan; daartoe worden 
dan bamboezen hokjes afgeschoten en van een rustbank met eenige 
kussens voorzien, ten einde hem de gelegenheid te geven zijne 
neiging bot te vieren. Soms zijn deze kitten dan ook tempels, aan; 
de ontucht gewijd. Maar in den regel is zulk een kit niets anders 
dan een gewone verkoopplaats van opium, waar de liefhebbers 



DE OPIUM-SCHUIVER. 307 

zich van het noodige opium voorzien om dat tehuis te gebruiken. 
Soms ontmoet men langs de wegen kitten, als warongs ingericht, 
waar de voorbijgangers uitrusten en zich voor de vermoeienis van 
de reis met eenige trekken aan de opiumpijp schadeloos stellen. 
Want terwijl het opium in vele streken gekauwd wordt, is dit op 
Java niet gebruikelijk; daar wordt het gerookt of, zooals men 
gewoonlijk zegt, geschoven. De opiumschuiver bedient zich daartoe 
van een pijp, die ongeveer een voet lang en een duim breed is, 
en aan het einde eenen breeden kop heeft, van eene kleine holte 
voorzien. Hij doet nu een der pillen, die de pachter hem levert, 
in die holte en brengt den kop van de pijp in de vlam van een 
lampje, dat in zijne nabijheid staat, en zuigt den rook met eenige 
trekken naar binnen, totdat het opium verteerd is, waarna hij deze 
beweging zoolang herhaalt, totdat hij in eene soort van bewuste- 
loosheid neerzinkt. Allerlei aangename gewaarwordingen worden 
door het gebruik van het opium opgewekt, maar zij worden bij 
het ontwaken door eene geweldige afmatting en lusteloosheid opge- 
volgd en bijna zonder uitzondering grijpt hij, die zich eenmaal aan 
het gebruik van opium heeft overgegeven, zoo spoedig mogelijk weder 
naar de opiumpijp om zich in den staat van gelukzaligheid te ver- 
plaatsen, waaruit hij zoo droevig ontwaakte. En hierin ligt het gevaar 
van het opium. Terwijl een matig gebruik volgens het oordeel van 
vele deskundigen niet gevaarlijk is, wordt het den opiumschuiver 
weldra meestal onmogelijk eenige maat te houden. Ten einde het 
volle genot van het opium te verkrijgen heeft hij telkens grootere 
hoeveelheden noodig, totdat hij zich zelven vergiftigt, en zijn lichaam 
vermagerd en uitgeput is, en hij een geraamte gelijkt; de oogen 
verliezen hunnen glans, en de gang wordt wankelend, een onfeil- 
baar teeken, waaraan men den verstokten schuiver herkent. Al de 
vermogens van lichaam en geest gaan onder den verderfelijken 
invloed van het vergift ten gronde en eindelijk volgt de dood, 
meestal ten gevolge van longen- en hartlijden. 

Maar niet alleen het lichaam gaat bij den opiumschuiver den 
ondergang te gemoet, ook de zedelijke eigenschappen van den 
mensch loopen bij misbruik van opium groot gevaar. Zij , die in 
staat zijn, zich uit eigen middelen het noodige opium aanteschaffen , 
verliezen alle geestkracht en opgewektheid tot inspanning van geest 
of lichaam , en leven alleen gedurende den tijd , dien zij onder den 



308 gardoe's. 

invloed van het opium zijn , terwijl zij de overige oogenblikken ten 
prooi zijn aan allerlei kwalen en pijnen. Maar erger nog zijn zij er 
aan toe die. aan liet opium verslaafd, te behoeftig zijn om zich op 
eene eerlijke wijze dat bedwelmend middel te ver.sclial1i'n. Eenmaal 
onder den invloed van den opiumdiüvcl achten zij geen middel te 
slecht, om zich het vurig begeerde genot te ver-schafTen , en aarzelen 
zij niet om alles, wat zij bezitten, te verkoopen of te verpanden, 
ja zelfs hunne dochters en vrouwen opteofferen ten einde aan liuiine 
lusten te kunnen voldoen. En is dit niet meer voldoende, welnu zij 
zullen niet aarzelen tot misdrijf hun toevlucht te nemen, zoodat 
een niet gering deel van de aanslagen tegen het eigendomsrecht op 
,Iava aan het opium geweten moet worden. En niet klein is het aantal 
dier misdrijven, en vooral is de veediefstal een der voornaamste 
plagen van den landbouw op Java. Ten einde tegen deze en der- 
gelijke misdaden te waken heeft men op Java de zoogenaamde 
gardoe's ingesteld. Op de bevolking des desa's rust namelijk de 
verplichting om des nachts, soms ook des daags, een zeker aantal 
mannen de wachthuisjes te laten betrekken , die langs de wegen 
geplaatst zijn, ten einde de voorbijgangers optenemen en verdachte 
personen aantehouden. Zij zijn daartoe met eene eigenaardige soort 
van dievenvanger gewapend, die uit een houten vork bestaat, aan 
de beide uiteinden met scherpe dorens voorzien, welken met hunne 
punten binnenwaarts steken , zoodat het gemakkelijk valt den hals 
van den verdachte in den vork te klemmen , tei'wijl de dorens dezen 
bij de minste beweging om zich te bevrijden in het vleesch dringen 
en allen tegenweer onmogelijk maken. Jammer maar dat de meesten 
dier wachters juist het tegendeel doen van hetgeen zij behoorden te 
verrichten en vaak den nacht slapend doorbrengen, terwijl eenigs- 
zins aanzienlijke benden in den regel ongemoeid de gardoe's voor- 
bijtrekken. Zoodanige gewapende benden , die des nachts met open- 
lijk geweld, dikwijls van fakkellicht voorzien, een huis, soms een 
geheel dorp overvallen, noemt men ketjoe's; zij zijn een der ge- 
duchtste plagen van Java, en verdwijnen wieder even plotseling als 
zij gekomen zijn. Moord is zelden hun doel; met veel leven en 
geweld naderen zij in den regel het huis, dat zij berooven willen, 
ten einde den bewoners den tijd te laten, zich met de vlucht te 
redden , terwijl zij soms den grond in den omtrek met voetangels 
beplanten, om vervolging te voorkomen. Somtijds wordt hun doel 



AMOK. MATA (il.AP. 1509 

verijdeld en alarm gemaakt, 't geen in den regel geschiedt door 
het slaan in de rijstblokken, dat een teekeu van onraad voor alle 
desabewoners is. Andere roovers gaan minder openlijk te werk; 
zij trachten eene opening in de bamboezen wanden der hutten te 
maken of een gat onder de deur te graven en zoo binnen te sluipen. 
Sommigen hunner gebruiken een eigenaardig soort van dievenlan- 
taarntjes, daar zij vuuivliegjes met lijm in een doosje vasthechten 
en bij het licht, dat dezen verschaiTen, hun werk verrichten. Niet 
op het eigendom, maar op het leven hunner naasten leggen de 
amok-makers het toe. Door de eene of andere beleediging verwoed, 
en gewoonlijk door het gebruik van opium opgewonden, heeft een 
zoodanige alle heerschappij over zich zelven verloren; met de bloote 
kris gewapend werpt hij zich op allen, die hij ontmoet, onverschillig 
of zij vriend of vijand zijn en houdt niet op te moorden , vóór hij 
den doodsteek ontvangen heeft of op eene andere wijze onschadelijk 
gemaakt is. Iets dergelijks is het mata glap, een soort van zins- 
verbijstering, die den Javaan plotseling overvalt en hem soms zelfs 
zijne meest geliefde panden doet vermoorden, onder den invloed 
van visioenen, die hem dezen als schadelijke wezens doen beschou- 
wen. De jaarboeken der rechtspraak op Java bevatten tal van voor- 
beelden dezer tijdelijke krankzinnigheid. 

Maar onze Javaan ontwijkt gelukkig al de verzoekingen , waar- 
mede zijn pad bezet is, en houdt zich aan zijnen dagelijkschen 
arbeid, die, naar wij willen aannemen, hem ruim het noodige 
verschaft, ja hem in betrekkelijke welvaart doet leven. Aan sparen 
zal hij echter niet licht denken. Zóó beschaafd is hij niet, dat hij 
zich met de kansen van het beursspel zal inlaten, en als hij geld 
overlegt, zal hij zich vergenoegen het metaal te bewaren en op 
eene veilige plaats te verbergen , of nog liever zal hij het in sieraden 
voor vrouw en kinderen omzetten, en vooral de laatsten worden 
zooveel mogelijk met zilveren ornamenten, zooals been- en armbanden, 
opgetooid. Waar communaal landbezit bestaat, kan hij geen bouw- 
land aankoopen en wanneer hij de spannen kaïbouwen bezit, die hij 
voor het bebouwen van zijn land behoeft, dan zijn de vooinaamste 
nuttige uitgaven opgenoemd, welken hij zich veroorlooft. Voor het 
overige streeft hij meer naar een lui en gemakkelijk leven; hij 
neemt het geoorloofde getal vrouwen en huurt een of meer menoem- 
pangs, ten einde dezen den veldarbeid en de heerendiensten voor 



310 VERDIENSTEN VAN DEN LANDBOUWER. 

zich te laten veniclitcti. Het zijn echter maar weinige desabewoners 
die Let tot zulk een trap van welvaart weten te brongen. Immers, 
de overgroote meerderheid zelfs der sawahhezitters leeft als het 
ware van den hand op den tand; de bouwgronden van den land- 
bouwer leveren ternauwernood genoeg op voor voeding voor zich 
en zijn gezin; het overige, wat hij noodig heeft, hoe weinig dit 
ook zij, zooals voor kleeding, de gebruikelijke feesten, — vaak ook 
de landrente, — moet hij zich uit de opbrengst van zijn erf ver- 
schaffen, of uit nevenverdiensten; terwijl hij van geluk mag spreken 
indien geene slechte oogsten hem zoozeer achteruitzetten, dat hij 
zich genoodzaakt ziet geld tegen woekerrente optenemen ^). Vaak 
geraakt hij ook zonder dergelijke buitengewone omstandigheden in 
de schuld hij den een of anderen waronghouder en bij dezen en 
genen voor een kleinigheid in geld of padi, vooral gedurende den 
tijd tusschen het planten en rijpen van de rijst; is de rijst geoogst 
dan volgt weder eene periode van betrekkelijken overvloed. Gelukkig 
de landbouwer die gelegenheid heeft om aan eene onderneming van 
nijverheid, bv. een suikerfabriek, geld te verdienen; groote sommen 
worden daardoor onder de bevolking verspreid, die niet alteen de 
zoogenaamde koelies ten goede komen, maar ook vaak aan geves- 
tigde landbouwers de gelegenheid verschaffen de landrente te betalen. 
Voor bet overige trachten sommigen hunner door het inzamelen van 
boschproducten, door vlechtwerk enz. een kleinigheid te verdienen. 
Ook moeder de vrouw helpt daarbij vaak een handje door spinnen 
en weven, soms ook door batikken, en niet het minst door het 
maken en verkoopen van zoetrgheden en andere eetwaren. Tal van 
nevenbedrijveri worden door verschillende landbouwers uitgeoefend; 
wij komen hierop nader terug bij de beschrijving van landbouw en 
nijverheid. Met ongeloofelijk kleine winsten stelt een Javaan zich 
vaak tevreden ; in vele gevallen is het hem genoeg wanneer hij door 
den , trouwens niet zeer afmattenden dagelijkschen arbeid maar 
verzadigd wordt. Zoo verhaalt Arminius, dat de meeste eigenaars 
van kleine warongs langs de wegen niet meer verdienen dan dage- 
lijks vrij gebruik van de daarin te koop gestelde artikelen benevens 



') Zeer belangrijke bijdragen omtrent den econoraischen toestand van den 
Javaanschen landbouwer zijn o.a. te vinden in: Sollewijn Gelpke. Gegevens voor 
eene nieuwe landrente-regeling Bat 1885 en in Ind. Gids ISSO II. Arminius in Ind. 
Gids 1889 II en het aangehaalde werk van den heer Schmalhausen. 



BELASTING OP HET BKDHUF. 311 

eenige duiten. „Zoo zal iemand, die palen ver van huis rauwe 
cassave opkoopt ter waarde van f 1 daarvan zekei'en smakelijken 
koek bakken op brandhout, dat hij weer palen ver gehaald heeft, 
met 6 duiten suiker en 10 duiten klapper, en den volgenden dag, 
na voor ieder van zijn 5 kinderen daarvan 1 bol voor ontbijt afge- 
houden te hebben, de rest voor niet meer dan f 1.20 verkoopen." 
Het spreekt van zelf dat niet alle warong-houders zich met zulke 
sobere inkomsten tevreden stellen, maar zelfs dan wanneer meerdere 
winsten uit den een of anderen tak van nijverheid worden gemaakt 
moet men rekening houden met het bedrag dat de fiscus eischt, 
hoe gering de voordeelen ook zijn, die uit een of ander bedrijf 
verkregen werden. Welk een zwaren druk deze belasting op het 
bedrijf uitoefende, die voor Inlanders 2 percent van het inkomen 
bedraagt, blijkt wel hieruit dat, ofschoon men uitging van de ver- 
onderstelling, dat het geringste inkomen, uit de uitoefening van 
een bedrijf verkregen, op / 50 'sjaars kon worden gesteld, het 
inderdaad gebleken is dat het minimum der belasting, één gulden 
'sjaars bedragende, geheven werd van inkomens niet hooger dan 
f 7.50, f 6, ja zelfs van f 1.50! Thans is deze onbillijkheid in zoo- 
verre opgeheven , dat inkomens beneden f 25 's jaars vrij zullen 
zijn en het minimum vervallen zal. Ofschoon deze maatregel zeker 
toejuiching verdient, wijst deze geheele zaak op de zwakke zijde 
van ons bestuur in Indië dat, hoewel zeker in menig opzicht veel 
weldadiger voor de Inlanders dan het gezag, door hunne eigen 
vorsten uitgeoefend , op Europeesche wijze geschoeid is en te duur 
is voor de geringe draagkracht der Inlandsche bevolking. Ook 
andere koloniale mogendheden hebben met dit bezwaar te worstelen 
en staan evenzeer voor het schijnbaar onoplosbaar raadsel, hoe aan 
de Inlanders de zegeningen te verschaffen van een rechtvaardig en 
verlicht bestuur, zonder dat de weldaden, die dit verschaft, een 
te grooten fmancieelen druk op de bevolking leggen! 

Wij keeren weder tot onzen landbouwer terug, die zich lang- 
zamerhand grooter aanzien in de desa verwerft, zoodat er eene 
partij over begint te denken, hem tot dorpshoofd te kiezen, zoodra 
die betrekking openvalt. Wanneer dit het geval is moet, volgens 
de bepalingen van S. 1878.47, — waarin regels voor de verkie- 
zingen der dorpshoofden op Java gesteld werden , — het districts- 
hoofd , na overleg met den controleur , binnen een maand eene ver- 



312 VERKIEZING VAN EKN DESAHOOFD. 

gaderinp beleggen, waartoe alle kiesgeroelitigdeii wuiden opgeroepen. 
Het komt ei' nu voor de candidaten op aan in dien tiisschientijd 
de gunst der kiezers te winnen ')• Allerlei middelen worden daartoe 
aangewend, die ons overtuigen dat de menschen onder alle hemel- 
streken, bij veel verschil, toch veel overeenkomst met elkander hebben. 
Een der machtigste helbuomeii is liet gezag van hooggeplaatste 
Inlandsche ambtenaren, van den regent b. v., die soms al zijn 
invloed aanwendt om den een ot' anderen candidaat te doen zege- 
vieren; niet altijd uit zuivere beweegiedenen , maar vaak om een 
oiiderdanigen handlanger in het dorpsbestuur te hebben. Maar dit 
doorzien de dorpsbewoners ook en het gebeurt wel dat zij een candi- 
daat niet kirzen, juist omdat de regent hem begunstigt. Anderen 
werken meer direct op de kiezers en zoeken hunne stemmen te winnen 
door het geven van feesten enz. . waarbij de wajang en de gamelan 
niet mogen ontbreken, zoodat de tijd vóór de veikiezing tot de 
aangenaamste dagen van den desaman behoort en menigeen wel 
elk jaar zoo'n verkiezing zou willen hebben. Velen geven allerlei 
beloften ten beste, dat zij hunne begunstigers overal zullen voor- 
tiekken, hen vrijstellen van heeiendiensten, hunne belastingen 
verminderen; ja er zijn er, die beloven, de belasting gedeeltelijk 
te zullen overnemen, alles onder voorbehoud dit later weder te 
vergeten, tenzij zij beseffen dat zij den steun hunner partij behoe- 
ven, want wanneer deze hun ontvalt zijn zij geen oogenblik van 
hunne plaats zeker. De tegenstanders vatten dan weer moed , en 
daar er weinige hoofden zijn die niet iets op hunne zondenregisters 
hebben, valt het der tegenpartij gemakkelijk hen, die door weinigen 
gesteund worden, bij het bestuur zwart te maken en te doen vallen. 



o 



Merkwaardig is de neiging van niet weinige Javanen om minder 
bekwamen tot hoofd te kiezen , uit viees dat de schranderen uit 
hun midden al te goed voor hun eigen belang zouden zorgen. 
Daartegenover staat het vroeger meermalen waargenomen feit, dat 
uit verbanning teruggekeerde misdadigers enz., door de bevolking 
tot hoofd gekozen werden „omdat zij veel van de wereld gezien 
hebben ," terwijl het misdrijf door het ondergaan der straf geboet 
en de misdadiger dus weder gereinigd is. Thans is echter bepaald 



1) Zie mijn opstel in de Volksalman. van de Maatsch. tot Nut van 't alp;emeen. 
1876. A. P. Stoorvogel in Ind. Gids 1889. I. C. Poensen. Med. N. Zend. XXXVII. 



VERKIEZING VAN ICKN DESAHOOFD. 313 

dat de resident, die de keuze moet goedkeuren, dit niet doen mag 
wanneer de verkozene reeds wegens wangedrag als dorpsliool'd of 
uit 'slands dienst ontslagen is of wanneer hij vroeger tot sommige, 
zelfs vrij lichte straffen was veroordeeld. 

Eindelijk is de groote dag aangebroken , en de kiezers begeven 
zich nu naar de voor de verkiezing aangewezen plaats, die zooveel 
mogelijk binnen den kring der gemeente, en nooit buiten het onder- 
district gelegen moet zijn. Vroeger moesten zij dikwijls naar de hoofd- 
plaats van het regentschap komen en werd de keuze in de woning 
van den regent of het distiictshoofd uitgebracht , wat een ongun- 
stigen invloed had op de opkomst der kiezers en allerlei kuiperijen 
bevorderde. De keuze moet worden uitgebracht ten overstaan eener 
commissie, uit den controleur en het districtshoofd of onderdis- 
trictshoofd bestaande. Wanneer zij zitting heeft genomen heeft de 
stemming gewoonlijk op uiterst eenvoudige wijze plaats. Geen ge- 
heime stemming, geen stembus of stembriefjes, maar de menigte 
hurkt in eerbiedige houding .neder, terwijl ieder kiezer plaats neemt 
achter den candidaat, wiens partij hij volgt Men weet toch te 
voren, wie zich candidaat zullen stellen en de verschillende mede- 
dingers nemen hunne plaatsen zooveel mogelijk vooraan, opdat zij 
goed in het oog zullen vallen. Allerlei dwaze tooneelen komen hierbij 
voor. Hier is het een landbouwer, die zijn stem aan een candidaat 
beloofd heeft, maar op het laatste oogenblik overloopt en zich 
achter een ander plaatst en koddig is de verontwaardiging die deze 
handeling bij de aanhangers van den eersten candidaat opwekt. 
Soms trachten de leden van de eene partij hunnen aanhang te 
vergrooten door kennissen of vrienden, die elders neêrhurken , toe 
te roepen zich bij hen te plaatsen of, zoo zij daarin verhinderd 
worden door den eerbied, dien de tegenwoordigheid der commissie 
inboezemt, werpen zij hen in het geniep met steentjes om hunne 
aandacht te trekken en hen dan te wenken, hunnen candidaat te 
verlaten. Soms zitten er tot tien candidaten, enkelen zonder één 
volgeling, die dan onder het gelach der anderen spoedig afdruipen. 
In den aanvang bemoeit de commissie zich niet met hetgeen onder 
de menigte omgaat en dikwijls komt de zaak van zelf terecht, 
wanneer een der candidaten zoovele kiezers op zijn hand heeft, dat 
hij de meerderheid op zich vereenigt. Maar wanneer dit het geval 
niet is en er zich een aantal partijen vormen dan raadt zij weleens 



344 IIKT DKSAIIOOFD. 

aan dat de candidateii, die slechts zeer weiiiip;e volfrelingen hebben, 
zich zullen teru|^trekken en dat al hunne aanhangers zich achter de 
overblijvenden zullen scharen. Bij staking van stemmen wordt hij 
als gekozen beschouwd, die in liet oog der commissie de meeste 
waarborgen schijnt aantebieden. De keuze moet nu nog door den 
resident worden goedgekeurd, die echter slechts in bepaald aange- 
wezen gevallen die goedkeuring mag weigeren Dit alles geldt 
natuurlijk alleen van die desa's, waar het recht van verkiezen der 
hoofden door de bevolking bestaat; waar de volksgebruiken dit niet 
medebrengen of het met verkregen rechten van anderen strijdt, 
zooals op de particuliere landen en in de vrije desa's, wordt het 
recht tot kiezen niet ingevoerd. 

Ziedaar nu onze landbouwer hoofd van zijn dorp, soms met 
niet onaardige verdiensten. Want in de eerste plaats is het aandeel 
in de velden, dat hem wordt toegewezen, grooter dan dat van de 
overige desabewoners, (soms wel 10% der gezamenlijke sawahs), en 
bovendien worden zijne akkers door zijne ondergeschikten voor hem 
bebouwd en heeft hij het recht van hunne diensten ook voor andere, 
huishoudelijke doeleinden gebruik te maken. Waar de Gouverne- 
mentskoffiecultuur bestaat, is hij in het genot van cultuurprocenten 
terwijl hij voor de inning der landrenten en andere belastingen 
insgelijks zekere procenten van het Gouvernement krijgt, en soms 
ook een aandeel in de djakat en pitrah geniet, zoodat er desa- 
hoofden zijn, die meer dan f 300 's maands verdienen, ofschoon 
in den regel de inkomsten veel minder en soms zeer gering zijn. 
Eene eigenlijke bezoldiging ontvangen zij niet. Dat zij ook nog 
wel op andere wijze uit hun ambt voordeelen weten te verkrijgen, 
hebben wij reeds vernomen. Daaientegen zijn de werkzaamheden , 
welken zij te verrichten hebben , vaak niet gering. Zij behooren de 
belangen hunner gemeenten te behartigen , maar tevens die van 
den Staat niet uit het oog te verliezen ; zij zorgen voor de billijke 
verdeeling der velden en zijn verantwoordelijk voor de betaling der 
landrente en voor den juisten omslag dezer belasting over de desa- 
bewoners; zij waken voor de orde en rust in hun dorp, houden 
allerlei registers bij, en zijn met de handhaving eener goede politie 
belast, terwijl zij ten slotte de bevelen ten uitvoer moeten leggen, 
die hun door het hoogere gezag, zooveel mogelijk door tusschen- 
komst van het Inlandsch bestuur, worden overgebracht en welken 



GEBRUIKEN nij OVERI.IJDr.N. 



315 



op tal van bestimrsaangelegenheden, heerendiensten , cultures en 
wat niet al betrekking hebben; in één woord zij vertegenwoordigen 
hun dorp in alle gevallen , waarin dit betrokken is. Het valt dan 
ook vaak moeilijk geschikte personen voor die betrekking te vinden, 
vooral daar, waar het loon zeer gering is. Zwaar is ook de ver- 
zoeking, waarin het desahoofd geplaatst is door de inning der land- 
rente enz., hem toevertrouwd, want ofschoon er bepalingen bestaan, 
die hem verplichten het geld te storten , zoodra hij / 50 heeft ont- 
vangen, is zelfs dit bedrag eene groote verleiding voor hem, en 
menig desahoofd weet de verzoeking niet te weerstaan dat geld 
geheel of gedeeltelijk voor zich zelf te besteden. 

Keeren wij thans weder tot onzen Javaan terug, wiens loopbaan 
ten einde spoedt. Door ouderdom overvallen legt hij zijne betrekking 
neder en staat zijne velden aan zijne kinderen af, om zijne laatste 
dagen in rust door te brengen. Doch eene zware ziekte overvalt 
hem, en de gewone geneesmiddelen, die elke Inlandsche huismoeder 
van eenigen stand in het medicijnkistje bewaart, baten niet, 't geen 
ons niet verwonderen zal wanneer wij vernemen dat de middelen 
uit de vakjes vaak maar op de gis genomen worden. De ziekte begint 
eenen ernstigen keer te nemen, en de doekoen of Javaansche genees- 
kundige, meestal eene oude vrouw, die nimmer eenige bepaalde 
opleiding genoten heeft, maar volgens oude gewoonten de genees- 
kunst uitoefent, wordt geroepen om genezing aantebrengen. Maar 
al hare middelen , zooals het toedienen van sommige kruiden en 
het wrijven der ledematen baten niet; zelfs kunnen de bezweringen, 
waarmede zij niet spaarzaam is en de djimats, die zij uitdeelt, 
geen herstel te weeg brengen, en de lijder sterft, dikwijls ten 
gevolge der behandeling. ^) Het geheele huisgezin en de bloedver- 
wanten zijn reeds te samen gekomen , ten einde het oogenblik afte- 
wachten , waarop de zieke den geest geeft en zijne aandacht door 
aanroepingen tot Allah en Mohammed bij de hoogere belangen te 
bepalen. Dikwijls worden eenige vromen , santri's enz. geroepen , 
ten einde een gedeelte van den Koran voortelezen. Zoodra de zieke 
gestorven is heffen de vrouwen een geweldig gejammer aan, zoodat 
men den indruk krijgt van eene hopelooze smart, die haar vervult; 
doch in den regel duurt de droefheid niet langer, dan tot de be- 



') Zie J. Kreemer. Med. N. Zend. XXXVI. Zie ook id XXXIV. p. 335. 



316 BEGRAFKNIS. 

ffrafenis en alles keert dan weder tot het oude terug. Onmiddellijk 
lui liet overlijden wordt liet lijk herhaalde malen gewasschen, vour 
welke dienst zij, die dit werk verricht hebben, met wat siiih en 
eenig geld beloond worden. Daarna wordt het lijk in het doods- 
kleed gehulil, uit lijnwaad bestaande, dat om het lichaam gewikkeld 
wordt soms tot zevenmaal toe, en op een draagbank gelegd, met 
het hoofd naar het Noorden gewend, terwijl de geestelijken voort- 
gaan hunne gebeden te prevelen. Gewoonlijk heeft de begrafenis 
binnen 24 uur na den dood plaats; zij is meer of minder plechtig, 
naar mate van het aanzien van den overledene. Uet lijk wordt op de 
lijkbaar gelegd, in de lijkkleederen gewikkeld, en <iaaiover worden op 
gebogen bamboezen een paar sarongs gespreid. Aan bloemen, die over 
de lijkbaar gestrooid worden, ontbreekt het hoogst zelden; boven het 
hoofdeinde van het lijk wordt het zonnescherm gehouden. De priesters, 
familie-leden en bekenden loopen aan de zijden en om de lijkbaar, 
terwijl ook wel een rij personen met witte vlaggetjes zich daarbij 
voegt. Doodkisten schijnen in de Voisteidandeii wel in gebruik te zijn, 
doch elders luet, tenzij het lijk over verre afstanden vervoerd moet 
worden. Wanneer de stoet bij het graf gekomen is wordt het lijk 
in den kuil nedergelaten en op de rechterzijde gelegd met het gelaat 
naar de qibla, d. w. z. de richting van den Kaaba te Mekka, 
werwaarts men zich ook bij het gebed moet wenden. Daarna wordt 
door de priesters de adsan, — de oproeping tot het gebed, — uitge- 
sproken, en de kuil dicht gemaakt, doch zoodanig dat er een vrije 
ruimte overblijft, 't geen vaak geschiedt door bamboezen in den 
grond van den kuil te steken, die men dan met gevlochten bamboe 
bedekt. De Islam leert toch dat elke doode door een tweetal engelen 
zal bezocht worden, die hem over zijn geloof zullen ondervragen, 
en daartoe behoort hij zich in zijn graf te kunnen oprichten. Om 
hem op dit bezoek voortebereiden wordt na het sluiten van den 
kuil eene formule, talqim genaamd, aan het lijk voorgezegd, waarna 
de geestelijke het gebed voor de dooden uitspreekt. Hiermede is de 
plechtigheid afgeloojjen. Het graf wordt meestal slechts door een 
kleine verhevenheid van aarde aangewezen . waar paaltjes aan het 
hoofd en voeteneind van het lijk uitsteken. Bij aanzieidijken is het 
echter wel gebruikelijk, grafteekenen opterichten. Dat op zekere 
tijden na het overlijden sedekahs of oftermaaltijden ter eere van de 
afgestorvenen gegeven worden deelden wij vroegei' (p. 248) mede; 



DE VASTEN. 317 

bovendien is do 8ste maand van het Moslemsdie jaar op vele plaat- 
sen van Java voor de hulde aan de overledenen bestemd, die deels 
in het schoonmaken, met bloemen versieren en met een welriekend 
smeersel bestrijken der graven , deels in ofTermalen bestaat. Naar 
het schijnt meent men dat de geesten na den iS^en dier maand 
hunne graven mogen bezoeken, zoodat het dan de geschikte tijd is 
hunne hulp aftesmeeken. Volgens den Heer Poensen ^) worden op eeu 
van de dagen dier maand olïermalen bij het desahoofd gehouden, 
bij wien de desabewoners de oiTerspijzen brengen, die zij in por- 
tiën verdeelen van welken er vier voor Adam en Eva, en even zoovelen 
aan den beschermgeest der desa gewijd zijn. Voor het overige is de 
avond aan allerlei feestelijkheden gewijd, waarbij ook de noodige 
dowa's niet ontbreken. Algemeen schijnt dit gebruik echter niet op 
Java te zijn; vaak worden de graven den dag vóór het einde der 
poewasa of vasten schoongemaakt, waarna men den volgenden dag 
in feestgewaad de graven gaat bezoeken. 

De vasten, waarvan wij zooeven spraken, is eene verplichting 
door de wet opgelegd aan alle Moslemen die daartoe in staat zijn 
en niet bepaaldelijk zijn vrijgesteld. Zij bestaat hierin , dat de vas- 
tende geen eten of drinken op welke wijze ook in het lichaam mag 
brengen, en zich van alle zingenot, zelfs van het rooken van tabak 
en het gebruik van reukwerk moet onthouden, terwijl hij zooveel 
mogelijk in godsdienstige stemming moet veikeeren. Die verplichting 
bestaat gedurende de geheele negende maand, Ramelan geheeten,en 
moet dan eiken dag worden in acht genomen van zonsopgang tot 
zonsondergang. Zij vangt aan zoodra de nieuwe maan der maand 
Ramelan zichtbaar is of, zoo deze niet kan worden waargenomen, 30 
dagen nadat de maan der vorige maand was gezien. Daar voor de 
Moslemen het maanjaar geldt, waarbij elke maand op 30 dagen 
gesteld wordt, spreekt het van zelf dat de vasten op elke maand 
van ons jaar, en dus in de verschillende moesons kan vallen. 
Op Java bereidt men zich reeds in de 8ste maand door allerlei 
sedekah's op de vasten voor^); den 29sten dier maand viert men 
o. a. de sedekah poenggahan, waarmede men de geesten der ver- 
oordeelden bij hun opvaren uit de hel tegemoetgaat en waarbij de 



') Med. Ned. Zend. X. 31. 

-) W. Hoezoo. Med. Ned. Zend. XXXI, 



318 DK VASTEN. 

maaltijd hoofdzakelijk uit een soort paniiekoeken van rijstineel be- 
staat. Na het eindigen dier sedekah wordt eene algemccne reiniging 
gehouden, terwijl de geloovigen ten half vier uur in den middag 
door het slaan op de bedoeg , hier en daar ook door kanonschoten , 
gewaarschuwd worden dat de vastenmaand op handen is. Dit slaan 
op de bedoeg wordt gedurende de geheele maand van middernacht 
tot half drie uur 's morgens herhaald als teeken dat het etens-tijd 
is, want even goed als het eene verplichting is om gedurende den 
dag te vasten, even zoo is het voorgeschreven dat men na zonsonder- 
gang die vasten door een maaltijd breken moet en nog vóór zonsop- 
gang zich door het nemen van voedsel vooi' de komende onthouding 
moet versterken. In niet weinige streken van Java wordt de verplich- 
ting tot vasten vrij getrouw nagekomen, godsdienstige bijeenkomsten 
hebben allerwege plaats, terwijl ook door de vromen het doen van 
belangrijke zaken liefst buiten de maand Ramelan wordt uitgesteld 
en ook door de Iidandsche rechtbanken in die maand geene zittin- 
gen gehouden worden. Op de avonden van de 5 laatste oneven dagen 
der maand ') worden de zoogen. sedekah-malem gegeven, offermalen 
voor welken het noodige door de desabewoners beurtelings bij hunne 
hoofden moet worden geleverd, evenals de mindere hoofden dit bij 
hunne meerderen moeten doen. Oorspronkelijk was het maal ten 
behoeve der armen bestemd; tegenwoordig wordt het echter door 
de familie enz. genuttigd. 

Na het einde der vasten heeft een der beide groote feesten 
plaats, die volgens de voorschriften van den Islam op godsdienstige 
wijze moeten worden gevierd en wel door het houden van een ge- 
meenschappelijk gebed, evenals op den Vrijdag, thans gevolgd door 
eene preek. Maar bovendien wordt dit feest, de hari raja of bakda 
poewasa, nog op luisterrijke wijze gevierd en aldus de vreugde te 
kennen gegeven dat men gelukkig de vasten ten einde heeft ge- 
bracht. Op dien dag gaan de jongeren aan de ouderen, de minderen 
aan de meerderen en de Inlandsche hoofden in groot kostuum aan 
de regenten den knie- of voetkus brengen ten einde vergiffenis voor 
begane fouten te vragen, terwijl personen van gelijken rang, geen 
familie zijnde, elkaar de hand geven. Ook Europeesche ambtenaren 



') In den Ind. arch. wordt het begin van den dag bij zonsondergang gerekend, 
zoodat de avond tot den, naar onze begrippen daarop volgenden dag behoort. 



MOSLEMSCHE FEESTEN. 319 

en ingezetenen komen den regent hunne opwachting maken om hem 
geluk te wenschen met het einde van de vasten. Zooveel mogelijk 
steekt men zich in de beste plunje; vuurwerk wordt afgestoken, en 
hier en daar wordt er geïllumineerd; de graven worden bezocht; de 
gamelan wordt weder bespeeld, op den aloen-aloen van den regent 
worden soms dierengevechten of tornooi-spelen gegeven ; kortom er 
heerscht een algemeene vreugde en opgewektheid, die vele Euro- 
peanen in den waan heeft gebracht dat men hier met iets als ons 
nieuwjaarsfeest te doen heeft, zoodat deze dag ook wel het Inland- 
sche nieuwe jaar genoemd wordt, niettegenstaande deze maand 
eerst de 10de van het Moslemsche jaar is. Ook wordt op dezen dag 
de vroeger vermelde pitrah gegeven. Vromen vieren dit feest door 
het bijwonen van het gebed in de mesdjid en door godsdienstige 
sedekahs ten hunnen huize; zij vasten ook nog wel van den 2den 
tot 8sten dag der maand, evenals zij, die verzuimde vasten-dagen 
hebben intehalen. Daarna wordt dan op nieuw een feest, de bakda 
sawal gevierd. 

Het tweede der door den Islam voorgeschreven feesten is dat, 
't geen gevierd wordt op den lOden dag der maand waarin de hadj 
gehouden wordt en wanneer de pelgrims een offerdier behooren te 
slachten. Ook buiten het heilig gebied wordt die dag gevierd met 
een feest, op Java de bakda besar genoemd, waarbij ook, behalve 
het voorgeschreven gemeenschappelijke gebed, enkele feestelijkheden 
plaats hebben en ook hier en daar offers gebracht worden. Deze 
dag wordt echter met veel minder opgewektheid gevierd dan het 
eerstgenoemde feest. Maar behalve deze beide groote feesten worden 
in verschillende Moslemsche landen nog verschillende herinnerings- 
dagen gevierd , vaak zelfs met meer luister dan de beide officieele 
feesten , terwijl daarbij vaak allerlei plaatselijke gebruiken bewaard 
zijn die soms van den tijd vóór den Islam afkomstig zijn. Een dezer 
feesten is het Hasan- en Hosein-feest , gevierd ter eere van Hosein , 
den kleinzoon van Mohammed, dat vooral bij de Sjiiten zeer in 
eere is, maar op Java weinig meer wordt gevierd. Des te meer 
hecht men ook daar aan de viering van den Moeloed, het feest ter 
eere van de geboorte van den profeet , die op den 12den dag der 
3de maand gesteld wordt. Bij dit feest worden echter geen gemeen- 
schappelijke gebeden gehouden, doch overal op Java in de mesdjids, 
soms zelfs in particuliere woningen, gemeenschappelijke dsikirs ver- 



320 W. VOrtSTKNI-ANDKN. 

richt. (Vik hierbij hebben verschillende feestelijkheden plaats die 
vaak zclt's zes dagen te voren aanvaiif^en. Willen wij echter eens 
bijzonder luisterrijke viering van dezen dag bijwonen, dan moeten 
wij ons naar de Vorstenlanden begeven. Voordat wij ons echter 
daartoe opmaken, willen wij een enkel woord in het midden brengen 
om de bijzondere toestanden te beschrijven, die daar bestaan en 
enkelen der voornaamste personen te leeren kennen, welken wij 
daar zullen aantreffen. 

Zooals van zelf spreekt wordt onze aandacht het eerst getrokken 
door zijne Hoogheid den Soesoehoenan Pakoe Boewana, Senapati 
Ingalaga, Ngabdoerrahman, Sajidin, Panatagama d. i. voorwerp van 
eerbiedige hulde, spil der wereld, opperbevelhebber in den oorlog, 
dienaar van den Barmhartige, heer van den godsdienst, regelaar 
van den godsdienst. Afstammeling van de oude vorsten van Mataram 
staat hij hoog in de achting der Javanen aangeschreven en ofschoon 
van bijna alle macht beroofd wordt hij met koninklijke pracht en 
luister omgeven, en door alle Inlanders, die hem naderen, met 
bijna godsdienstigen eerbied behandeld. Te midden van een uitge- 
lezen en talrijk serail slijt hij zijne dagen binnen den Kraton; 
vorstelijke inkomsten zijn hem toegelegd, om daaruit de uitgaven 
voor zijne schitterende hofhouding te bestrijden en zijne dienaren 
te beloonen. Zij bestaan hoofdzakelijk uit de opbrengsten zijner 
landen, uit de belastingen, die hij onder Nederlandsch toezicht 
van zijne onderdanen heft en uit eene jaarlijksche uitkeering, die 
onze Regeering hem uitbetaalt, als vergoeding voor het gemis 
van sommige inkomsten, die bij verschillende tractaten aan ons 
bestuur zijn afgestaan. Zijn gezag strekt zich uit over alle Inlanders , 
die zijn gebied bewonen ; de Europeanen en oostersche vreemde- 
lingen zijn echter onmiddellijk aan het Europeesche bestuur onder- 
geschikt. Maar zelfs over zijne eigen onderdanen regeert hij niet 
onbeperkt ; zijne machtige bondgenoot en Souverein, de Nederlandsche 
Regeering, voegt hem eenen raadsman en gids toe, die onder de 
meest hoffelijke vormen te zorgen heeft, dat de gesloten tractaten 
worden nagekomen en dat het bestuur over den Inlander gevoerd 
wordt zooveel mogelijk overeenkomstig onze begrippen van eene 
goede regeering. Deze vertrouwde gevolmachtigde, de resident, heeft 
een geheel andere stelling als zijne ambtgenooten in de Gouver- 
nements-residentiën. Een direct gezag bezit hij niet, en alleen door 



BESTUUR IN SOERAKARTA. 321 

zijne raadgevingen, aan welken hij ecliter, zoo noodig, gepasten klem 
kan bijzetten, oefent hij eencn invloed uit, die weinig van eene 
werkelijke machtsoefening verschilt, vooral sedert 1873, toen in de 
binnenlanden Europeesche assistent-residenten werden aangesteld, 
die ook met het toezicht op de politie zijn belast. Deze laat 
echter veel te wenschen over, daar de politie-hoofden door den 
vorst, den rijksbestierder of de regenten benoemd worden en vaak 
uit het uitschot hunner omgeving gekozen worden. Zonder toestem- 
ming van den resident mag de vorst de hoofdplaats niet verlaten, 
of briefwisseling met andere vorsten voeren, die daarenboven altijd 
door zijne bemiddeling plaats moet hebben. Het is vooral door tus- 
schenkomst van eenen hooggeplaatsten Inlandschen ambtenaar, dat 
de resident invloed op het bestuur uitoefent, want zelden bemoeit 
de Soesoehoenan zich met de onmiddellijke leiding der zaken, en 
bijna altijd laat hij deze aan zijne rechterhand, den Raden Adipati 
over. Deze vizier of rijksbestierder, die door den Gouverneur Gene- 
raal aangesteld en ontslagen wordt, ontvangt behalve zijne, hem 
door den vorst toegelegde apanages, ook een bezoldiging van liet 
Gouvernement waardoor hij zoo goed als geheel afhankelijk van het 
Nedeilandsche gezag is. Hij kan als de spil beschouwd worden, 
waarom het bestuur in Soerakarta zich beweegt. In rang op 
den Soesoehoenan volgt de oudste echte zoon van den vorst, als hij 
meerderjarig geworden is en door het Gouvernement tot Pangéran 
Adipati Anom of troonsopvolger is verklaard; hij ontvangt dan 
hooge titels en aanzienlijke inkomsten in land en geld. De oudste 
der zonen, uit selirs gesproten, draagt den titel van Pangéran 
Ngabéhi; de overige zonen voeren na hunne meerderjarigheid den 
titel Pangéran Aria. Daar de adel op Midden-Java op de afstam- 
ming van den vorst berust, spreekt het van zelf dat de rang honger 
is, naarmate de drager daarvan nader met den regeerenden Soesoe- 
hoenan verwant is en dat hij ook een hoogeren titel voert dan de 
verder verwijderden. Zulke titels zijn voor mannen, behalve de reeds 
genoemde titel Pangéran, die van Raden. Mas en Bagoes, die ook 
vaak gecombineerd gevoerd worden; de afstamming uit padmi's óf selirs 
is eveneens van invloed op den titel, die eenen adellijke toekomt. 
Ook aan de vrouwen worden adellijke titels toegekend; de padmi's 
dragen den naam van Ratoe, evenals de echte dochters na haar 
huwelijk. Vóór dien tijd worden zij Raden ajoe genaamd, terwijl de 
II. 21 



322 BESTL'UR IN SOERAKARTA. 

dochters van selirs den titel van Raden ajoe en vóór haar huwelijk 
dien van Raden adjeng voeren. De selirs zelven behouden hare 
eigen adellijke titels indien zij dezen bezitten; anders worden zij 
gewoonlijk Raden of Raden ajoe genaamd. Eene verdere uiteenzet- 
ting van de adellijke titels in de Vorstenlanden en elders op Java 
gedragen , zou ons te ver voeren ^) ; alloen merken wij op dat titels 
ook vaak in de vrouwelijke lijn overgaan; dat de vorsten ook adellijke 
titels verleenen aan hen, die niet van hooge geboorte zijn, b. v. 
wanneer een zoodanige met een prinses huwt, en dat het ook niet 
zelden voorkomt dat adellijke familiën na eenigen tijd geheel in het 
volk opgaan en hunne afstammelingen zelfs den adellijken titel ver- 
liezen. Ook het Gouvernement verleent soms adellijke titels aan 
personen van mindere geboorte, die tot regenten worden benoemd. 
De Javaansche maatschappij is verdeeld in afdeelingen, golon- 
gans, van welken één alle mannelijke leden der vorstelijke familie 
van echte geboorte omvat en onder den Pangeran Adipati staat. De 
mannen, die uit selirs afstammen, zijn gesteld onder den Pangeran 
Kamisepoeh, gewoonlijk de oudste broeder van den Soesoehoenan , 
uit eene padmi geboren. De vrouwen in den Kraton, die niet tot 
de vorstelijke familie behooren, staan onder eene vrouw met den 
titel van Njaï Mas Adipati. Aan het hoofd der geestelijkheid staat 
de Mas pengoeloe; de militairen met hunne huisgezinnen vormen 
een andere golongan , geplaatst onder het hoofd der lijfwacht, en 
dienen hoofdzakelijk voor vertoon bij feestelijke gelegenheden. Een 
hoogst belangrijke afdeeling eindelijk is de Kapatian, die onder den 
Rijksbestierder staat en de burgerlijke ambtenaren omvat. De hoogsten 
dier ambtenaren voeren den titel van Boepati's, die weder in ver- 
schillende categoriën verdeeld zijn, en tot welken in de eerste 
plaats de Boepati's najaka behooren, die een soort van staatsraad 
vormen en leden zijn van de Pradata of Inlandsche rechtbank ter 
hoofdplaats. De helft hunner hebben hunne bezigheden binnen den 
Kraton; de andere helft daarbuiten. Een vijftal andere Boepati's 
staan aan het hoofd van verschillende departementen, zooals de 
„Onder-Majoor" of thesaurier van den Soesoehoenan, tevens chef van 
diens huis, de chef van het huis van den Kroonprins, het hoofd der 
kalangs (p. 200) , de inspecteur der transportmiddelen en eindelijk 



I 



'; Zie Mr L. W. C. v. d. Berg. De Inl. rangen en titels op Java en M. Bat. 1887. 



BESTUUR IN D.IoK.IAKAIiTA. 



323 



de Boepati-djeksa of hoofdfiskaal. Van veel belang zijn de Boepati's- 
politie of regenten der hoofdplaats en der afdeelingen, die onder 
den rijksbestierder met het voeren van het bestuur belast zijn, in 
overleg met den resident benoemd en ontslagen worden, en hier- 
door, alsmede door eene bezoldiging, die zij van Gouvernementswege 
ontvangen, onder den invloed van het Europeesche gezag staan. 
Ofschoon ook in het rechtswezen die invloed zich eenigszins heeft 
weten te doen gelden, wordt de rechtspraak over Inlanders in 
Soerakarta nog geheel door 's vorsten rechtbanken uitgeoefend, en 
voornamelijk door de Pradata gedé ter hoofdplaats, en de Pradata's 
kaboepaten in de binnenlanden, die geheel uit Inlandsche leden 
zijn samengesteld, terwijl zoowel te Solo als te Djokja een Soerambi 
wordt aangetroffen, een priesterraad, aan welke de berechting van 
geschillen, voortvloeiende uit de godsdienstige wetten en bepalingen 
is opgedragen. De Kadipaten eindelijk spreekt recht over alle burger- 
lijke vorderingen, tegen familie-leden van den Soesoehoenan ingesteld. 
De inrichting van het bestuur te Djokja, waar de bovengenoemde 
titels eenigszins gewijzigd gedragen worden, komt met de beschre- 
vene in hoofdtrekken vrijwel overeen; de vorst, Sultan Amangkoe 
Boewana (die de wereld in zijn schoot draagt), voert behalve de 
titels, ook aan den Soesoehoenan toekomende, nog dien van 
Kalipatoellah of stedehouder van God. Wat het rechtswezen betreft, 
is de macht van den vorst er meer beperkt, daar de strafzaken zoo 
goed als geheel aan zijne rechtbanken onttrokken zijn en beslist 
worden door de crimineele rechtbank, waarin de resident voorzitter 
is. Ook de beide ons reeds bekende zoogen. onafhankelijke prinsen 
(I. p. 495. II. p. 15) hebben, ofschoon leenmannen van het Gou- 
vernement, toch huime eigen ambtenaren en rechtbanken, en ont- 
vangen een subsidie van de Regeering, waarvoor zij verplicht zijn 
eene kleine krijgsmacht te onderhouden. Zij voeren den titel van 
Pangéran Adipati Aria; de Solosche vorst heeft den naam van 
Praboe Prang Wedana (de vorst die opperbevelhebber is in den 
oorlog) , welke op zijn 40ste jaar door het Gouvernement in Mangkoe 
Negara (die het rijk op zijn schoot heeft) veranderd wordt. Zijn 
collega draagt den naam Praboe Soerja di laga (de vorst die zon is 
van den oorlog), welke eveneens later verwisseld wordt in dien 
van Pakoe Alam (spil der wereld). Beide prinsen ontvangen militaire 
rangen van de Regeering, evenals de Soesoehoenan en de Sultan, 



324 i.ANDvrRnri'Ti. 

die den rang van generaal-officier verkrijgen , terwijl ook nog ver- 
scheidene andere Inlandsche groeten als officier a la suite bij het 
Nederlandsch Indische leger worden gevoerd. 

Wij hebben ons tot nog toe hoofdzakelijk bezig gehouden met 
de groeten en aanzienlijken in de Vorstenlanden; het wordt tijd ook 
een woord te wijden aan den minderen man, die daar in de 
binnenlanden gevestigd is, en wiens toestand grootendeels bepaald 
wordt door den eigenaardigen , vroeger (p. 30) reeds met een enkel 
woord besproken vorm van grondbezit, in die residentiën bestaande '). 
In de Vorstenlanden wordt aangenomen dat de vorst, behou- 
dens enkele, weinig beteekenende uitzonderingen, den vollen eigen- 
dom der gronden heeft, en daarover volgens vaste regels mag 
beschikken. De inkomsten van een deel dier gronden behoudt hij 
voor zichzelven. Een ander deel is bestemd tot onderhoud van de 
leden der vorstelijke familie, met dien verstande dat dit genot in 
het 3de geslacht reeds vermindert en in het 5de geheel ophoudt. 
De overige gronden w-orden afgestaan als bezoldiging aan hen, die 
bij den vorst in dienst zijn , van den hoogsten staatsdienaar tot den 
vasten ambachtsman toe, en wel naar de mate van de waardigheid 
van het ambt en van den staat, dien de titularis moet voeren. 
Sommigen dezer apanage-houders exploiteeren nu zelven die landen; 
dit is echter de uitzondering, daar de meesten hunner de exploitatie 
hunner landen aan pachters (bekel) afstaan, die daarvoor een 
zekere huursora betalen benevens een bekti of huldebewijs, dat in 
eens bij het sluiten van het contract voldaan wordt en ook daarna, 
waanneer de pacht verlengd wordt. De bekel laat nu weder vaak 
door anderen den grond bebouwen, dikwijls bij wijze van het 
maron-stelsel , waarbij de verhuurder de helft en de bebouwer de 
andere helft van den oogst verkrijgt. Eene dergelijke overeenkomst 
wordt ook wel door den apanage-houder met zijn bekel aangegaan. 
Op deze wijze van grondbezit werd nu door de Europeesche nijver- 
heid een stelsel van cultures gevestigd. Industriëelen sloten nl. met 
de apanage-houders enz. overeenkomsten, waarbij zij hunne rechten 
op den grond overnamen. Maar daar het hen te doen was om 
producten voor de Europeesche markt te teelen volgden zij niet 






') R. M. C. V. Alphen in Ind. Gids 1882. II. Ind. Weekbl. v. h. Regt. n°. "1331. 
"Versl. Ind. Genootsch. 26 Oct. 1886. 8 Mt. 1887. 12 Jan. 1892. 24 Jan. 1893. 



LANDVF.UllUUn. 325 

het maron-stelsel , maar het zoogen. glebaggan-stelsel, waarbij niet 
de opbrengst van den grond , maar de grond zelf verdeeld werd. 
Met de bevolking werd toch overeengekomen dat deze twee vijfden 
van den grond ter harer beschikking zou verkrijgen; één vijfde 
wordt gewoonlijk aan het hoofd van het dorp afgestaan, als beloo- 
ning voor de moeite aan het toezicht enz. verbonden ^). Het over- 
blijvende deel behoort nu geheel aan den industrieel, gewoonlijk 
landhuurder genaamd, welke nu dien grond met gewassen, voor 
de Europeesche markt geschikt, door de bevolking laat bebouwen 
en daarbij gebruik maakt van de diensten die hij , als plaatsver- 
vanger van den apanage-houder, van haar mag vorderen. Die 
bevolking heeft dus niet, zooals in de Gouvernements-landen het 
geval is, rechten op den grond, maar is niet anders dan eene 
verzameling van daglooners, die wel is waar sommige rechten 
tegenover den landhuurder bezit, maar toch veel minder rechts- 
zekerheid heeft dan in de meeste streken op Java en ook grootere 
opbrengsten heeft aftegeven, dan daar gevorderd worden, terwijl 
het ook niet te ontkennen valt dat de groote macht van den land- 
huurder tegenover de bevolking hare bedenkelijke zijde heeft. Aan 
den anderen kant heeft de geschetste toestand voor den landhuurder 
weder dit bezwaar, dat hij slechts tijdelijk, — gewoonlijk voor 
twintig jaar, — over den grond kan beschikken en daarna aan de 
willekeur van den geapanageerde is prijsgegeven , tenzij , zooals wel 
gebeurd is, door den vorst de aangegane contracten opnieuw, en 
even willekeurig, worden verlengd. Een reglement, in 1884 (S. 9) 
en 1891 (S. 255) herzien, geeft voorschriften omtrent deze landver- 
huur, die overigens door de Inlandsche wetten wordt beheerscht. 
Na ons aldus eenigszins in de Vorstenlanden te hebben georiën- 
teerd, willen wij een der garebegs bijwonen, zooals de 3 feesten 
aldaar genoemd worden en wel de garebeg moeloed in Djokjakarta ^). 
Reeds zeer vroeg in den morgen stroomen de desabewoners te samen ; 
weldra zenden de voornaamste dienaren van den vorst hunne 
gamelans naar den Kraton, waar dezen ten toongesteld worden, terwijl 
ook de krijgslieden, — voor een deel eenvoudige desa-menschen , — 



') Het spreekt van zelf dat deze overeenkomsten naar mate van de behoeften 
der verschillende cultures gewijzigd worden; hier wordt slechts een type uitgekozen. 

■) Eene uitvoerige beschrijving der feesten geeft v. Delden Laërne in Ind. Gids 
1887. I. 



326 



DE GAREDEG MOKI.OEI). 



zich met huniio vlaggetjes, lansen en pieken opstellen en aan het 
geheel eon vioolijk aanzien geven. Allen, die den vorst, in welke 
hoedanigheid ook dienen, komen hem hulde bewijzen. Intusschen 
begeven zich de ambtenaren, officieren en voornaamste Europeesche 
ingezetenen naar de woning van den resident, waarheen zich ook de 
onafhankelijke prins met zijn gevolg begeeft. Tegen tien uur zendt 
de Sultan een tweetal zijner hofbeambten naar den resident, om 
hem uittenoodigen met zijn gevolg in den Kraton te komen en in 
plechtigen optocht trekt men naar den vorst, die zich in groote 
staatsie in de receptiezaal, een vierkanten open pendapa, ophoudt. 
Gezeten op een gouden dampar, — een stoel met vier pooten, doch 
zonder leuning, — wordt hij omstuwd door talrijke volgelingen, 
die thans allen in de hof kleeding gedost zijn, daar alleen bij Euro- 
peesche feesten door de grooten , die een officiersrang bekleeden , 
de uniform mag worden aangelegd. Zij , die de hof kleeding dragen , 
bedekken hun hoofd met een zwarte muts, die van onder en boven 
even wijd is en waaronder het haar, alleen in den nek samen- 
gebonden, verder geheel los over den rug hangt. Hun bovenlijf is 
naakt; een tot boven den enkel reikende, aan de pijpen eenigszins 
met galon versierde nauw sluitende broek bedekt het benedenlijf dat 
ook door een bijzondere soort van sarong bekleed is, die om het lijf met 
een gordel wordt vastgemaakt, waarin de kris steekt. Ook de vrouwen 
bedekken het bovenlijf niet en dragen slechts de sarong, boven de 
borst vastgemaakt, die de armen en schouders geheel bloot laat. 
De vorst treedt den resident tot bij den ingang van de pendapa 
te gemoet, en noodigt hem uit op een stoel plaats te nemen, die 
aan zijne linkerzijde staat en met geele zijde bedekt is, terwijl het 
gevolg zich naar rang en stand ordent. Nadat de resident eenige 
oogenblikken gezeten heeft, en daarna met den Sultan en enkele 
Europeanen een bezoek aan de Ratoe's gebracht heeft , gaat de vorst , 
met den resident gearmd, naar den Siti inggil; zijn geheel gevolg, 
mannelijk en vrouwelijk, volgt hem, terwijl de rijkssieraden , uit 
gouden voorwerpen bestaande, hem door dochters der meest aan- 
zienlijken achterna worden gedragen. Nadat de gamelans zich heb- 
ben doen hooren, heeft er parade plaats van de troepen van den 
vorst; dezen, voor een deel allerpotsierlijkst in uniformen van de 
vorige eeuw uitgedost en met ruikers en groen versierd, trekken al 
tandakkende of dansende den vorst voorbij; de gamelans worden 



DE OAREBEG MOELOED. 327 

bespeeld en de rijkssieraden voorbij gedragen en iets later komen 
een tweetal hoofden der dansmeiden , wier bovenlijf' met boréh is 
ingesmeerd, en die een allerzonderlingsten dans voor den vorst uit- 
voeren. Een aantal dienaren van den vorst zijn reeds te voren gena- 
derd, en dragen groots ramen van ruwbekapte djatihouten balken, 
opgestapeld met allerlei eetwaren; bergen (goenoengans) van gebak, 
rijst, vruchten enz, welken voor de bevolking zijn bestemd. Zoodra 
de last om ze uittedeelen uitgevoerd is, wijdt de Sultan een dronk 
aan het heil van den garebeg, die door een aantal andere toasten 
gevolgd wordt, welke in eene volgorde worden uitgebracht die sinds 
jaren dezelfde is, zooals trouwens alles, wat deze feesten betreft, 
met de meest mogelijke nauwkeurigheid volgens de gewoonte gere- 
geld is. Hierna gaat de stoet in optocht, waarbij zelfs olifanten, 
albino's en dwergen niet ontbreken , naar het residentie-huis , waar 
een groot feestmaal wordt aangerecht ; ook hierbij worden een aantal 
vastgestelde dronken uitgebracht, waarna de Sultan, door den assistent- 
resident begeleid, weder naar den Kraton terugkeert. Eens in de 
8 jaren wordt dit feit met buitengewone plechtigheid gevierd; dan 
worden alle rijks-erfstukken aan de bevolking vertoond en begeeft 
de resident met zijn gevolg zich naar de moskee waar de Sultan 
uit een kleinen aarden pot rijst aan de prinsen en aanzienlijken 
uitdeelt, op hetzelfde oogenblik dat de goenoengans op den aloen- 
aloen onder het volk worden verdeeld. 

Zijn deze plechtigheden door den invloed der Europeanen gewij- 
zigd, een echt Javaansch feest mag het tijgergevecht genoemd 
worden. Op allerlei wijzen zoekt de Inlander zich van het roofdier 
te ontdoen, dat zijn kudden belaagt; daar de tijger gewoonlijk eerst 
den volgenden dag, nadat hij een dier gedood heeft, terug komt 
om zijn prooi te verslinden, plaatst men vaak in de nabijheid water 
met rattenkruid of verbindt een geweer zoodanig aan het gedoode 
beest, dat het wapen van zelf afgaat, als de tijger het aas aan- 
raakt. Maar vaak is het er om te doen den vijand levend te vangen; 
dit geschiedt op verschillende wijzen, o. a. door het graven van 
een gat, met dunne takken en graszoden bedekt of door het stellen 
van vallen. Een soort van val is bijzonder vernuftig bedacht. Een 
gesloten kooi wordt geplaatst in het midden van een dubbele rij 
palisaden, die van boven bedekt zijn, en een cirkel om de kooi 
vormen, terwijl in de buitenste palisade een deur is aangebracht, 



328 TlJGKnOKVECHT. 

dit^ alleen van buiten kan pfenpenrl worrlcn. Een geit of ander dier 
woidt in de kooi geplaatst; de tijger, die haar geblaat hoort, sluipt 
door de openstaande deui' binnen de ruimte, door de palisaden 
omgeven, en die juist breed genoeg is om hem doortelaten. Hij 
gaat nu in die ruimte door en aan de plaats gekomen, waar de 
deur naar binnen gevallen is, duwt hij die voort maar sluit juist 
daardoor de eenige opening af waardoor hij zou kunnen ontsnappen. 
Gelukt het nu den tijger levend te vangen, dan brengt men hem 
naar de tijgerhokken in den Kraton en zoodra er een zeker getal 
van deze dieren bij elkander is, neemt het spel een aanvang. Wij 
begeven ons daartoe naar den aloen-aloen, en nemen de zitplaatsen 
in, die ons de gelegenheid geven het strijdperk te overzien, waar 
de tegenpartij van den tijger, de buffel, reeds. heen en weer stapt. 
Het geweldige roofdier bevindt zich in een hok , door een schuifdeur 
van het perk gescheiden; op eenen wenk van den vorst wordt de 
schuif geopend en de tijger in de gelegenheid gesteld zich met den 
bullel te meten. Zeer dikwijls gebeurt het echter, dat geen van 
beide partijen lust heeft, den doodelijken kamp aantevangen; ten 
einde hen daartoe aantevuren, prikkelt men dan de huid van den 
buffel met eene stekelige plant, of men begiet hem met een aftreksel 
van Spaansche peper; den tijger bedekt men met stroo, dat men 
daarna in brand steekt. Gewooidijk is de buffel de overwinnaar, 
vooral omdat de tijger in de beperkte ruimte de gelegenheid mist, 
behoorlijk zijn sprong te nemen. De overwinning van den buffel is zeer 
ten genoege van de toeschouwende volksmassa, die in hem haren kamp- 
vechter ziet. Een andere wijze om den gevangen tijger te bestrijden, 
is het zoogenaamde rampok. Een aantal Javanen, in twee of meer 
rijen geschaard en met pieken gewapend, vormt een vierkant om 
het hok, waarin de tijger zich bevindt, dat met brandbare stoffen 
bedekt is. Op een wenk van den vorst nadert een tweetal mannen 
het hok, opent de schuif en steekt het hok in den brand, alles op 
eene langzame en eerbiedige wijze, terwijl zij het niet zullen wagen 
de nabijheid van den tijger te verlaten, vóór de vorst hun daartoe 
de vergunning verleent, waarna zij zich even langzaam en statig 
verwijderen als zij gekomen zijn. De tijger, door den rook en de 
vlammen bedwelmd, heeft in den aanvang gewoonlijk geen besef 
van den toestand, waarin hij verkeert; zijn eenig streven is om 
zoo spoedig mogelijk zich te verwijderen, maar weldra bemerkt hij, 



bedaja's en serimpi's. 329 

dat een levende heining hem den uitweg verspert. Overal blikt hij 
rond, of hij geene opening vindt om te ontsnappen, maar waar hij 
komt worden hem de gestrekte pieken tegengehouden. „Hij laat" 
zoo beschiijft v. Hoëvell i) een dergelijk schouwspel , „een kort en 
schor gebrul hooren, en loopt in galop, dwars door 't carré naar 
den tegenovergestelden kant. Maar overal dalen een dozijn lansen 
als een ijzeren heg hem tegen . . . Zijn galop wordt nog sneller en 
gejaagder, — al langs de rijen, — met fonkelende oogen — daar 
valt hij in woede en vertwijfeling op de speerlieden aan! Maar 't is 
zijn laatste sprong. Op de lansen opgevangen, tuimelt hij achteruit, 
rolt een paar malen, hals over kop, over den grond, springt weer 
op de beenen, doet nog eenige stappen verder, werpt zich nog eens, 
maar flauw en wankelend op zijne vijanden — tot hij nieuwe won- 
den ontvangt, en zich omwentelende en den grond met zijn bloed 
vervende , als een onverschrokken held voor de overmacht is gevallen." 
Vroeger liet men ook wel, bij wijze van Godsoordeel, beschuldigden 
met stompe krissen tegen tijgers vechten; overwonnen zij in den 
strijd dan werden zij voor onschuldig gehouden. Een geheel ander 
soort van dierengevecht is de op Java wel gebruikelijke strijd van 
een bok tegen een wild zwijn, waarbij de toeschouwers zich verma- 
ken met de vlugge sprongen van den bok en de logge bewegingen, 
die het wilde zwijn maakt. 

Liefelijker is het tooneel , dat de serimpi's en bedaja's aan de 
Vorstenhoven ons aanbieden ^). Deze namen duiden bepaalde dansen 
aan, maar worden vaak ook aan hen gegeven, die de dansen opvoeren. 
De serimpi-dans wordt slechts door 4, in een enkel geval door 5 
danseressen verricht, nooit door mannen; de bedaja-dansen kunnen 
ook door als vrouwen verkleede mannen worden opgevoerd , terwijl 
danseressen of dansers ten getale van negen optreden, die even- 
zoovele nimfen der Godin van het Zuiden, de Ratoe kidoel (bl. 36), 
voorstellen. Deze danseressen, die uit de aanzienlijkste vrouwen van 
den Kraton , met uitzondering van de dochters van den vorst, gekozen 
worden, behooren tot het „corps de ballet" van den vorst, dat te 
Djokja uit 30 a 40 adellijke meisjes bestaat, die zelden ouder dan 
17 jaar zijn en in den regel eerst op haar 13de a 14de jaar kunnen 

') Uit het Ind. leven 2e dr. Amst. 1865 p. 115. 

=) J. Groneman. In den Kedaton te Jogjakarta. Leiden 1888 en in Tijdschr. Ind. 
aaidr. Gen. 1882. 



330 bedaja's kn skrimpi's. 

optreden; ook knapen van hooge peboorte behooren daartoe. Sommige 
regenten bezitten ook zulk een corps (luiiseressen en dansers, rnaar 
mogen slechts zeven hunner laten optreden. De dans bestaat in 
bewegingen van alle licliaamsdeelen, zelfs van vingers en teenen, 
naar vaste regels, die het karakter der handeling, welke de danse- 
ressen voorstellen, moeten uitdrukken; zij spreken zelven niet maar 
worden begeleid door den gamelan en een koor van zangeressen 
en zangers, terwijl een dalang de inleiding tot het optevoeren stuk 
voorleest. Prachtig is de dos dezer edelvrouwen, die verandert naar 
mate van het verhaal, dat zij aanschouwelijk voorstellen. Een denk- 
beeld daarvan kan ons de volgende beschrijving geven , aan het 
werk van Dr. Groneraan ontleend. De bedaja's, die den dans Praboe 
déwa opvoeren, dragen een sarong met bepaalde batikfiguren die, 
in strijd met de dagelijksche gewoonte, aan de linkerzijde afhangt 
om het rechterbeen meer vrijheid van beweging te geven. Het kapsel 
is met tal van bloemen versierd, bovendien rijzen langgesteelde 
trilbloemen van edel metaal boven den juweelen kam omhoog. De 
ooren zijn met zilveren bladeren getooid die, even als de bloemen 
van metaal met juweelen bezet zijn, terwijl juweelen de ooren ver- 
sieren. Een zwartfluweelen , met goud geboorde krijgsrok omsluit 
het bovenlijf en dekt de schouders, de armen bloot latend die, 
evenals al wat onbedekt is, met boréh zijn ingesmeerd; een zijden 
sjerp, door een gordel van gouden of zilveren platen gesteund, omgordt 
het midden. De beide vóór de beenen afhangende slippen worden 
onder het dansen beurtelings en naar vaste regels opgenomen en 
weder losgelaten of over armen of schouder geslingerd; de beide 
voeten behandelen den sleep op ongeveer dezelfde wijze. Een dolk 
met gouden scheede, de greep met melati-bloemen omkranst, steekt 
links in den gordel ; tal van gouden en zilveren en met juweelen 
bezette sieraden, waaronder de driedubbele halvemaanvormige borst- 
platen uitblinken, tooien hals en boezem, bovenarm, pols en vingers. 
De hoogstgeboren danseressen dragen nog een diamanten vlinder 
achter op de haarwrong. Een viertal vrouwelijke beambten begeleiden 
de danseressen om onmiddellijk alle schade te herstellen, die gedu- 
rende den dans aan het toilet mocht worden toegebracht. Langzaam 
en statig bewegen de danseressen zich op de maat van den gamelan; 
hare dans bestaat niet in eene luchtige en losse rythmus, maar in 
het aannemen van plastische. en sierlijke standen, die er op berekend 



TORNOOI-SPEL. 331 

zijn om hare lenigheid en de schoonheid der lichaamsvormen te 
doen uitkomen. Mare dans stelt steeds het een of ander gedeelte 
van een heldendicht voor; dan weder eens dagen zij elkander ten 
strijde uit, grijpen naar den gouden boog en schieten hare lichte 
vederen pijlen af; een oogenblik later vallen zij op de knieën, om 
de genade van den overwinnaar aftesmeeken , of zij vertoonen zich 
in al hare schoonheid, terwijl zij zich fier verheffen, en met hare 
pauwenveeren schilden elkander uittartend toewenken ! Een zeld- 
zaam schouwspel, dat vooral aan het hof te Djokja in zijn grootste 
pracht kan worden aanschouwd , is de vroeger genoemde wajang- 
orang, aan welke aldaar vaak 100 — 150 mannen en vrouwen deel- 
nemen. Die groote opvoeringen, welke echter niet dikwijls, soms 
slechts om de 10 a 15 jaren voorkomen, duren van 3 tot 5 dagen 
en vorderen 3 a 4 maanden voorbereiding. Minder zeldzaam zijn de 
beksan-dansen, die slechts stukken uit dichtwerken of krijgsdansen 
voorstellen en in den regel door zeer fraai gekostumeerde jonge 
mannen of knapen van goeden huize worden vertoond. 

Een mannelijker vermaak is het tornooi-spel of senenan, dat 
alleen door de hoofden of grooten wordt gehouden, bij de vorsten 
op Saterdag plaats heeft en bij de regenten alleen op Maandag 
werd vertoond. Een aantal dier grooten verzamelt zich daartoe te 
paard en in staatsiekleeding op den aloen-aloen, met lange speren 
gewapend, die van de scherpe punten ontdaan zijn, en rijden paars- 
gewijze het plein in het rond, terwijl de gamelan hare toonen doet 
hooren. Op een gegeven teeken verlaten de beide voorste ruiters 
den stoet en snellen in scherpen draf op elkander toe, terwijl elk 
hunner zijn tegenpartij uit het zadel tracht te lichten of zijne lans te 
breken; daarna voegen zij zich weder bij den stoet en worden door 
een tweetal der andere ruiters gevolgd, totdat allen hunne krachten 
gemeten hebben. Potsenmakers vergezellen den optocht en brengen 
door huime kluchten en sprongen eenige afwisseling in den ernst 
van het spel. Somtijds wordt het spel besloten door eene belachelijke 
nabootsing van het tornooi. Een aantal op dwaze wijze uitgedoste 
poppen, die van binnen met vuurwerk zijn opgevuld, worden op 
paarden vastgebonden, welken men den aloen-aloen opjaagt; daarna 
ontsteekt men het vuurwerk en groot is het vermaak van de ver- 
zamelde menigte, wanneer de paarden, door het rumoer verschrikt, 
door elkander loopen en de poppen de zotste houdingen aannemen. 



33!2 EXOGAMlIi. MATItlARCIlAAT. 

Een bij uitstek geliefd vermaak levert de jaclit aan fle Javaaiische 
lioofden op. Daarop komen wij later terug. Thans willen wij ons 
elders begeven, om ook met andere volkeren van den Indischen 
archipel kennis te maken. 

Vóór dat wij ons bezighouden met de eigenaardigheden van de 
volkshuishouding der Maieiers in de Padangsche bovenlanden ^) 
moeten wij de aandacht van onze lezers vestigen op enkele instel- 
lingen en gebruiken, die bij verscheidene minder ontwikkelde volkeren 
ook buiten den Indischen archipel zijn opgemerkt, en welken bij 
die Maieiers nog worden aangetrulTen ^). Allereerst noemen wij de, 
bij verscheidene Polynesische volkeren nog bestaande veideeling in 
stammen, die oorspronkelijk waarschijnlijk streng van elkander ge- 
scheiden leefden, doch later door elkander in dezelfde plaatsen gingen 
wonen, met dien verstande dat ieder weet tot welken stam 
hij behoort en zich daarmede nauw verbonden gevoelt. Vaak gaat 
daarmede gepaard de zoogen. exogamie , d. w. z. het verbod om eene 
vrouw uit denzelfden stam te huwen, — waartegenover de endogaraie 
staat, waarbij integendeel het huwelijk buiten den stam is verbo- 
den. Een andere instelling, die ook buiten den Indischen archipel 
bestaat, doch in Ned. Indië thans alleen bij de Menangkabausche 
Maieiers wordt aangetroffen ^), is het zoogen. matriarchaat, waaronder 
men het geheel der instellingen verstaat, die medebrengen dat de man 
en vrouw geene afzonderlijke familie vormen, maar krachtens welken 
de echtgenoot niet uit zijne familie treedt, terwijl de vrouw met 
hare kinderen in hare familie blijft en de laatsten dus ook tot den 
stam der moeder behooren, zoodat de familie uitsluitend in de 
vrouwelijke linie wordt voortgezet. 

Waarschijnlijk waren nu de Menangkabausche Maieiers oorspron- 
kelijk verdeeld in vier stammen of soekoe's, die de namen Kota, Piliang, 
Eodi en Tjeniago dragen. Hun getal vermeerderde echter later, 
zoodat er thans 40 worden aangetroffen. Twee aan twee waren deze 
4 soekoe's weder tot een laras verbonden , welker geschiedenis 



1) A. L. V. Hasselt. Volksbeschrijving van Midden-Sumatra, in het werk der 
Sumatra-expeditie. Verkerk Pistorius. Studiën over de Inl. hui,5h. in de Pad. bovenl. 
Zalt-Bommel 187-1. v. d. Toorn. T. B. G. XXVI. 

2) Dr. G. A. Wilken. Ind. Gids 1880. II. 1881. II. 1883. I. 

') Voor Indragiri zie Graafland in Bijdr. 1. 1. 1. en vik. V. 5. 



soekoe's. 333 

door de Maleische legenden op fantastische wijze wordt beschreven. 
Een tweetal wetgevers, Datoe Katoemenggoengan en Perpatih Saba- 
tang, zouden de bevolking in de twee hoofdstammen hebben verdeeld 
en daarna aan bet hoofd van. hunnen stam elkander een tijd lang 
bestreden hebben. Na hunne verzoening wilden zij naar Atjeh varen, 
maar hunne vaartuigen werden op het strand geworpen, en om 
dezen weder vlot te krijgen verlangden zij van hunne kinderen, dat 
zij zich als rollen zouden laten gebruiken. Dezen bedankten echter 
voor de eer, maar de zusters-kinderen boden zich vrijwillig 
daartoe aan en tot belooning werd bepaald dat het erfrecht niet in 
de rechte lijn maar in de zijlinie zou overgaan. Eene andere legende 
verhaalt dat Perpatih, het hoofd der laras Bodi tjeniago, verreweg 
de ijverigste der beide broeders was, zóó zelfs, dat hij des nachts 
zijn hoofd op een klapperdop nederlegde om niet te vast in te slapen. 
Zijn ijver bleef niet onbeloond. Bij het verdeelen der velden zorgde 
hij er voor, dat de beste gronden, die in de vlakte lagen, voor zijn 
aandeel kwamen, terwijl zijn broeder met diens laras Kota piliang zich 
met de minder vruchtbare landen in het gebergte moest vergenoegen, 
ledere Maleier weet, tot welke soekoe en laras hij behoort, ofschoon 
de leden der verschillende soekoe's thans in hetzelfde dorp door 
elkander wonen i). Voor het overige onderscheiden de leden van de 
eene laras zich niet van die der andere. Volgens de resultaten van 
het onderzoek naar de rechten door de Inlandsche bevolking op de 
onbebouwde gronden in de Buitenbezittingen uitgeoefend ^) , zou de 
verdeeling in twee larassen slechts steunen op de omstandigheid, 
dat Katoemenggoengan met zijne soekoe's de conservatieve richting 
volgde, terwijl de beide andere soekoe's zich minder slaafs aan de 
oude gewoonten hielden en meer gewicht hechtten aan onderlinge 
beraadslaging. Waarschijnlijker is echter de gissing van prof. Wilken, 
dat men hier te doen heeft met een verband van 2 stammen, 
tusschen welker leden eene vriendschappelijke verhouding bestond, 
zoodat zij onderling huwden en er vaak over en weder verhuizingen 
plaats hadden. En terwijl de leden eener soekoe oorspronkelijk in 



') In de zuidelijke Bovenlanden schijnt dit echter niet het geval te zijn; daar 
■weten de meesten der dorpelingen niet tot welke laras zij behooren. (v. Hasselt 
pag. 143). 

2) De belangrijke Résumés daarvan zijn afzonderlijk uitgegeven ; voor Sumatra 
in 1872. Zie echter J. T. A. de Rooy. Ind. Gids 1890 I, 



334 DE NKGAIU. 

hetzelfde gebied gevestigd waren , en zulks met uitsluiting van leden 
oonor andere soekne, zouden dio omstandigheden dus ook eene ver- 
klaring geven van het thans algemeen waargenomen feit dat lieden, 
tot verschillende soekoe's behoorende, door elkander in dezelfde negari 
wonen. Het geschetste stamverband en de daarmede gepaard gaande 
exogamie bestaat nog, zooals wij zien zullen, bij andere volkeren 
van den Indischcn archipel; het matriarchaat schijnt echter alleen 
bij de Menangkabausche Maleiers te bestaan. 

Een op zich zelf staand gebied vormt in de Padangsche boven- 
landen de negari, die door een of meer dorpen, kota's, gevormd 
wordt, welken weder bij gebrek aan bouwland in de buurt, hunne 
gehuchten, tarataq's, uitzenden, evenals wij dit op Java hebben 
zien geschieden. Wanneer wij zulk een dorp bezoeken dan schijnt 
het ons uit de verte toe als een Javaansche desa, een woud van 
palmen , in groepen verdeeld en door eene zee van sawahs omgeven. 
Maar naderen wij de woningen , die zich onder het gebladerte van 
boomen en struiken verbergen en soms door een haag van koffie- 
heesters van den smallen weg gescheiden worden, dan wacht ons, 
althans in de welvarende streken der noordelijke Bovenlanden , een 
bevalliger en vioolijker schouwspel dan de hut van den Javaanschen 
landbouwer oplevert. Vóór ons verrijst eene lange woning, of liever 
een reeks van gebouwen onder één dak vereenigd , die 4 a 5 voet 
boven den grond op palen rusten , zoodat men de woning op een 
trap moet binnen klimmen. Helder en vroolijk ziet zulk een gebouw 
er dan vaak uit, althans van buiten gezien. De geheele wand, die 
bij aanzienlijken geheel van hout is, bij minderen aan 3 zijden van 
bamboe, is met heldere tinten gekleurd; rood, zwart en wit zijn 
de meest voorkomende verven, die ook het snijwerk opluisteren, dat 
vaak rijkelijk aan de woning is aangebracht, terwijl hier en daar 
spiegeltjes glinsteren die aan den buitenkant van het huis zijn 
bevestigd. Onze bijzondere aandacht trekt het dak , dat bedekt is met 
idjoek, d. w. z. de donkergrauwe , dradige vezels van den anau-palm, 
aan de kanten niet zelden met randen en bloemen van blik beslagen 
is en aan het uiteinde , en soms ook in het midden met spitse 
hoorns uitloopt. Laten wij wel op het getal palen letten, dat de 
woning draagt; hoe meer palen zij hi de diepte heeft, — d. w. z. niet 
in het front langs den weg , maar wat wij den zijgevel zouden 
noemen, — des te aanzienlijker is zij in de oogen van den Inlander. 



WONINGEN IN DE PAD. BOVENLANDEN. 335 

Een ander teeken van aanzien is het getal andjoengs dat het huis 
telt, en waaronder men een soort van uitbouwsel verstaat, waarvan 
de vloer iets hooger is dan die der woning zelve, terwijl het dak 
daarentegen iets lager is, zoodat zulk een woning de gedaante van 
een huis heeft waartegen aan weerszijden kleinere woningen zijn 
aangebracht. Deze andjoengs, van welken er niet meer dan zes bij 
elke woning mogen gebouwd worden , zijn de eereplaatsen voor 
gasten van aanzien. 

In zulk een huis woont nu vaak eene talrijke familie, die soms 
wel 50 tot 75 leden telt. Om aan deze allen plaats te geven is liet 
achterste gedeelte der woning in kleine vertrekjes verdeeld, die van 
het overige gedeelte der woning en van elkander afgescheiden zijn 
door een omwanding van planken, bamboe, boomschors of zelfs 
maar door wit of gekleurd katoen. Deze kamertjes heeten biliq en 
dienen tot slaapplaats voor gehuwden en huwbare meisjes ; de kinderen 
en andere ongehuwden slapen in de tangah roemah, zooals het 
gedeelte van het huis genoemd wordt, dat niet door de biliq's en 
andjoeng's wordt ingenomen, en dat tevens als gemeenschappelijke 
huiskamer voor de bewoners gebruikt wordt. Jongelingen en onge- 
trouwde mannen slapen echter veelal buiten's huis, in de soerau enz. 
Terzijde van de deur is de stookplaats, een raam van planken, opge- 
vuld met aarde, waarop in driehoeken eenige steenen geplaatst zijn; 
in groote woningen vindt men meerdere dergelijke stookplaatsen 
binnen's huis. Zij maken het verblijf in het huis niet aangenamer 
daar de rook gewoonlijk de geheele woning vervult om door deur, 
luiken en reten der omwanding te ontsnappen. De ruimte onder 
den vloer, — die dikwijls ook door de omwanding is omgeven, — 
dient voor een deel tot stalling van het vee , en voor een ander 
deel als bergplaats en werkplaats voor het malen van suikerriet 
enz. Op de erven vinden wij ook hier de rijstschuren , die van ver- 
schillenden vorm zijn , en soms evenals de woningen beschilderd 
en met snijwerk versierd worden. 

Wij willen thans kennis maken met de bewoners dier huizen, 
en daarbij vooral de aandacht vestigen op het eigenaardige familie- 
leven, het gevolg van het matriarchaat. De opvoeding der kinderen 
is al even weinig beteekenend als op Java; hierbij komt nog de 
losheid van den band tusschen den vader en zijne kinderen, zoodat 
de mamaq, — de oom van moederszijde, — het gewoonlijk kwalijk 



336 HUWELIJK IN DE PAD. nOVENLANDEN. 

neemt als de vader zijn kind straft of maar beknort. Ook in de 
Padangsche bovenlanden is liet gebruikelijk om van de jongens zoo 
spoedig mogelijk nut te trekken door hen op het veld of als herders- 
jongen te gebruiken, althans zoo zij niet tot eene iniii of meer 
gegoede familie hehooren, daar het dan licht gebeurt dat zij na 
de besnijdenis de wereld intrekken, om op de een of andere school 
onderricht te ontvangen. Zoodia de jongen huwbaar is, meest op zijn 
14de of 15de jaar, behoort hij zich in het huwelijk te begeven, en het 
is ook hier weder in den regel niet hij zelf, die de keus doet, maar 
een andere, en wel zijne moeder, tenzij het huwelijksaanzoek van 
den kant van de familie der aanstaande vrouw komt; iets dat bij 
meer vermogenden meermalen gebeurt. De moeder van onzen jongen, 
die in den regel reeds lang te voren heeft rondgekeken , begint nu 
ernstig eene vrouw voor haren zoon te zoeken ; de vader wordt 
buiten de zaak gehouden , of hoogstens slechts voor den vorm 
gehoord, om redenen, die later zullen blijken. Als eerste stap legt 
een der bloedverwanten , oom of tante b. v. , een bezoek af bij de 
moeder van het meisje, dat tot vrouw voor den jongen bestemd 
is, en wanneer deze hare toestemming verleent, dan wordt het ver- 
lovingsgeschenk gegeven, in een voorwerp van waarde bestaande, 
dat aan de moeder der bruid wordt overgereikt ten bewijze , dat 
het aanzoek ernstig gemeend is; wordt het huwelijk daarna verbro- 
ken , dan is schadeloosstelling verschuldigd. Soms wordt deze tanda 
gegeven kort na de geboorte van den zoon , en deze dus tot echtge- 
noot bestemd van de dochter der vrouw, die dit teeken ontvangt! 
Het uitreiken van de tanda geschiedt in eene plechtige bijeenkomst 
van vrienden van den bruigom en van de familie van de bruid , en 
er wordt scherp op gelet of het onderpand wel geheel in orde is, 
want na het huwelijk moet dit weder worden teruggegeven. De dag 
van het huwelijk wordt nu bepaald en een aantal feesten worden 
gevierd, die hoofdzakelijk in optochten bestaan, waarbij men den 
hoofden lekkernijen aanbiedt, terwijl dezen op hunne beurt de feest- 
vierenden op koffie en rijst onthalen. Soms duren deze feesten dagen 
lang, naarmate van de vrijgevigheid van de gastheeren en van de 
waarde van het dier, dat door hen geslacht wordt, zoodat de optocht 
slechts twee dagen duurt als een geit wordt gegeven , maar 7 dagen 
als een karbouw wordt aangeboden. Wanneer de dag van het huwelijk 
daar is, wordt de bruigom naar de woning van de bruid geleid; 



HUWKLIJK IN I)F, I'Al). liOVKNLANDKN. 33? 

liaar woonvertrek is met matten enz. behangen en de grond met 
matten en kussens bedekt. De fraai opgetooide bruid zit onge- 
veer in liet midden, door hare vrouwelijke bloedverwanten omringd, 
terwijl de mannelijke bloedverwanten bij den bruigom plaatsnemen, 
die zich niet ver van de bruid nederzet. Elders neemt de bruigom 
aan bet hooger eind der woning plaats , terwijl de bruid aan het 
lager eind zit. De Imam of moskee-priester verricht hier dezelfde 
functiën als de naib op Java (p. 26Ü) en treedt als gevolmachtigde 
van den wali op, wanneer deze althans niet zelf het formulier uit- 
spreekt, waarbij de bruid, onder beding van een huwelijksgift (isi 
kawin), aan den bruigom wordt aangeboden. Daarna spreekt de 
bruigom, wiens duim door den Imam wordt vastgehouden, het 
formulier uit waarbij hij de bruid als echtgenoote aanneemt en de 
huwelijksgift J^elooft te geven, en hiermede is het huwelijk voltrokken. 
Daarna wordt de maaltijd gehouden, terwijl het geheel besloten wordt 
door een gebed der geestelijken, die tegenwoordig zijn, en waaraan 
al de feestgenooten deelnemen. In sommige streken worden de jonge 
echtgenooten nog enkele dagen van elkander verwijderd gehouden, 
bij rijken worden soms nog maanden na het huwelijk feesten gevierd 
en aan de jonggehuwden geschenken in vee of in geld gegeven. 
Maar al te vaak wordt ook hier dit eerste huwelijk verbroken door 
echtscheiding, die plaats kan hebben op verzoek der echtgenooten 
of door verstooting van den kant des echtsgenoots, doch steeds in tegen- 
woordigheid der familie, die gewoonlijk nog pogingen aanwendt om 
de partijen te verzoenen. Veelwijverij komt ook in de Bovenlanden 
niet zelden voor, ook onder minder gegoeden, die voor hun handel 
moeten reizen en dan op verschillende plaatsen vrouwen hebben. 
Men meene nu niet dat de vrouw bij haren man intrekt, en 
dat zij gezamenlijk een nieuw gezin vormen ; integendeel de vrouw 
blijft in het huis, door hare familie bewoond, waar ook de man, 
als hij althans een goed echtgenoot is, den nacht doorbrengt en 
haar ook overdag wel eens komt bezoeken, maar zonder voor goed 
daar zijn intrek te nemen, dewijl hij in zijn eigen huis gevestigd 
blijft. Want de vrouw treedt niet in de familie van den echtgenoot, 
of deze in die van zijne vrouw, maar ieder blijft in zijne eigene 
familie. De man staat in nauwere betrekking tot zijne broeders dan 
tot zijne vrouw en ook met deze is het eveneens gesteld. „Men 
moet" zoo zegt Verkerk Pistorius „zich voorstellen dat de mannen 
II. 22 



B38 



HET GEZIN IN DE 1'AI). IIOVENI.ANDEN. 



in het dorp „stuivertje verwisselen" spelen, en elk (ik spreek in 
het algemeen) in eene andere familie dan de zijne, de moeder, de 
zuster cl' het nichtje van den ander in hare woning gaat opzoeken. 
De huizen worden des nachts niet door hunne mannelijke eigenaars 
bewoond." De vrouw, die huwt, betrekt dus geene nieuwe woning; 
zij blijft waar zij is, maar krijgt zij kinderen, zoodat het huis te 
klein wordt, welnu, dan bouwt men eenvoudig een nieuw vertrek 
aan de woning waarin zij met hare kinderen haren intrek neemt. 
Elk dezer afzonderlijke woonplaatsen is met een oven of keuken 
voorzien en zij, voor wie daar gekookt wordt, vormen een gezin, 
uit moeder en kinderen bestaande. De bewoners van het gemeen- 
schappelijke huis maken eene familie uit, allen afstammelingen in de 
vrouwelijke lijn van één zelfde stammoeder, zoodat in de woning 
bijeen zijn kinderen met hunne moeder, ooms, tantes,- grootmoeders, 
oud-ooms en oud-tantes enz. Ongehuwde, volwassen meisjes vormen 
met de moeder één gezin, maar zijn alle dochters getrouwd dan 
nemen de ouders hunnen intrek bij de verschillende gezinnen in het huis. 
De gezinnen staan onder een hoofd, oorspronkelijk de oudste oom van 
moeders zijde; thans wordt ook wel hij, die men er het meest geschikt 
voor acht, tot hoofd verkozen, zonder dat men op den leeftijd let, terwijl 
zelfs eene vrouw als hoofd kan optreden. Na het overlijden van alle broe- 
ders wordt het gezin ontbonden; elke zuster vormt met hare kinderen 
dan een nieuw gezin, terwijl de kinderen na den dood der moeder met 
den oudsten zoon aan het hoofd weder een gezin uitmaken. Het toezicht 
over de gezinnen, die hetzelfde huis bewonen, wordt door een der 
gezinshoofden uitgeoefend; het hoofd of de toengganei van de oudste 
familie , soms echter de meest ontwikkelde , staat als panghoeloe aan 
het hoofd der kampoeëng. waaronder men hier de bij elkander hoorende 
huizen in de kota moet verstaan , die door familieleden bewoond 
worden, terwijl hetzelfde woord ook gebruikt wordt om den band 
tusschen de leden derzelfde familie aan te duiden. Niet alleen 
bestaat zoodoende het eigenlijk huiselijke familieleven niet in 
de Padangsche bovenlanden, maar ook de eenheid in materieele 
belangen, die bij ons in den regel het gevolg is van een huwelijk, 
ontbreekt daar bijna geheel. Het vermogen van de vrouw en van 
den man wordt niet vereenigd; hetgeen beiden bezitten, behoort 
grootendeels althans aan hunne familiën, zoodat de nalatenschap 
van den Maleier op zijne broeders en zusters overgaat en op de 



ERFRECHT IN 1)10 l'AD. BOVKNLAM)KN. 339 

kinderen van dezen, maar niet op zijne vrouw en eigen kinderen, 
terwijl de Idnderen van de moeder erven of, zoo dezen er niet zijn, 
de broeders en zusters. Met vermogen wordt verdeeld in harta 
poesaka, de eigenlijke familie-goederen of het erfgoed, en de harta 
pentjarian, de goederen die men zelf verworven heeft, en van welken 
de soearang, of het door man en vrouw gemeenschappelijk verworven 
vermogen een onderdeel uitmaakt. Ovei' deze harta pentjarian kan 
de eigenaar bij zijn leven beschikken en nu gebeuit het wel eens 
dat hi.i zijne kinderen daarmede bevoordeelt, maar dit moet op eene 
wettige wijze geschieden, wil de schenking van kracht zijn, daar er 
anders veel kans is dat de broers en zusters, na het overlijden van 
hunnen broeder, bij diens vrouw en kinderen komen en het ge- 
schonkene terughalen. Maar desniettemin heeft slechts zeer zelden 
eene schenking op de wettige wijze plaats, daar zij in het bijzijn 
der nabestaanden moet plaats hebben en dezen er zooveel mogelijk 
tegen waken, dat de vader iets aan zijne kinderen geeft, evenals 
bij ons de kinderen er tegen op zouden komen, als deze zijne 
goederen aan neven en nichten schonk. Heelt er geene wettige 
schenking aan anderen plaats, dan vervallen ook de harta pentjarian 
aan de broers, zusters en zusterskinderen; gewoonlijk bepaalt zich 
dan ook datgene, wat de kinderen van hunnen vader bij diens leven 
ontvangen , tot een wapen of de een of andere kostbaarheid. In den 
regel echter blijven de goederen onverdeeld in de familie en staan 
zij onder het toezicht van het hoofd van het gezin; deze kan met 
voorkennis der andere rechthebbenden een deel der poesaka-goederen 
aan een familie-lid afstaan om handel te drijven enz., die dit dan 
schuldig blijft en de helft der gemaakte winst moet uitkeeren. 
Soms krijgt ook wel een familielid, dat in het huwelijk treedt, een 
stuk srond voor het onderhoud van vrouw en kinderen doch alleen 
dan, wanneer de vrouwelijke leden van zijn familie land genoeg 
overhouden vooi' het onderhoud van hare gezinnen , want de poesaka- 
goederen moeten vooral dienen om de viouwelijke familie-leden met 
hare kinderen tegen armoede te behoeden. Tusschen de leden der 
familie bestaat nauwe solidariteit, zoodat ook de poesaka-goederen 
binnen zekere grenzen kunnen worden aangesproken voor schulden 
van een der leden, mits de schulden zijn ontstaan tengevolge van 
transacties, aangegaan met medeweten van het hoofd van het gezin. 
Ook voor het betalen van boeten wegens misdrijven en overtredin- 



340 SOEKOF.-nESTUUIt. 

gen, — flc gewone straf volgens de vroeger lieerschende Maleische 
instellingen, — konden de jjoesaka-goederen worden aangesproken; 
onverbeterlijke misdadigers mochten echter, na vonnis der hoofden 
en afbetaling hunner schulden, uit de familie, soekoe of negari 
worden gestooten , waardoor alle aansprakelijkheid ten opzichte van 
den aldus uitgeworpene verviel, die daardoor vaak zoo goed als 
rechteloos werd. Onder de leden van de semandei, — de moeder 
met hare kinderen, — heeft nooit verdeeling der goederen plaats; 
de sawahs, tot één huis behoorende, worden zelden onder de 
gezinnen verdeeld , doch gewoonlijk blijven zij in het bezit van 
alle huisgenooten , die ieder een aandeel voor levensonderhoud ver- 
krijgen. Van de roerende poesaka-goederen heeft ieder gezin zijn 
eigen aandeel, behalve van de kostbaarheden, die onverdeeld in 
algemeen gebruik blijven en door den toengganei of door de oudste 
vrouwelijke bloedverwante bewaard worden. Alleen dan, wanneer 
iemand overblijft als de laatste van zijne geheele familie (kampoeëng), 
is er dus sprake van persoonlijk eigendom; sterft ook deze dan 
erft de soekoe of ten slotte , als ook de soekoe uitgestorven is , de 
negari; de nalatenschap wordt dan onder de verschillende kam- 
poeëngs verdeeld , die aan elk huis een gedeelte toewijzen. 

Het bestuur eener negari staat nu in nauw verband met de 
geschetste splitsing der bevolking in familiën en soekoe's. Zooals 
wij weten staat aan het hoofd van elke familie een panghoeloe, 
waarschijnlijk aanvankelijk de oudste stamvader, doch die thans 
door keuze wordt aangewezen. Deze familiehoofden zijn allen gelijk 
in rang, doch de vertegenwoordiger der oudste familie, panghoeloe 
poetjoeq genaamd , neemt eene eenigszins hoogere stelling in , daar 
hij in de vergadering (rapat) der familiehoofden de eereplaats 
bekleedt, en vaak een niet onbelangrijken invloed op de leden der 
soekoe uitoefent. Een drietal personen waren hem van oudsher toe- 
gevoegd : de malim , de manli en de doebalang. De eerste gaf raad 
in godsdienstige aangelegenheden en bij sommige rechtszaken, 
terwijl hij ook met de inning der djakat belast was, die in de 
Padangsche bovenlanden evenmin als op Java met gestrengheid 
wordt ingevorderd en meerendeels voor de behoeftige geestelijken en 
fakirs wordt aangewend. De manti was met het voorloopig onder- 
zoek in sommige misdrijven belast, terwijl de doebalang verant- 
woordelijk was voor de uitvoering der besluiten van de rapat der 



SOEKOE-BESTUUR. 



341 



panghoeloe's, en in oorlogstijd tevens de voorvechter was. Eigen- 
aardig is de uitdrukking waarmede de Maleiers den werkkring dier 
bestuurders omsclirijven. „De panghoeloe's" zeggen zij, „zijn de 
ziel, de malims de fakkel, en de manti's en doebalangs de beenderen 
der negari." Al deze waardigheden waren erfelijk in de geslachten, 
waaruit vroeger de eerste titularis gekozen was. Waar het zaken gold 
waarbij de geheele negari betrokken was , kwamen de panghoeloe's 
poetjoeq bij elkander, en vereenigden zich tot een raad, die voor- 
gezeten werd door den panghoeloe van de soekoe waartoe de eerste 
bewoners van de plaats behoorden. Vaak kwam het voor dat geschillen 
niet door deze hoofden konden worden beslist, vooral als zij tusschen 
personen van verschillende soekoe's bestonden ; zooveel mogelijk 
werd de zaak dan slepende gehouden, en zocht men naar een 
middel om haar ten algemeene genoegen te beslissen. Maar 
vreesde men voor ongenoegen in de negari dan werd de toevlucht 
genomen tot een soort van godsoordeel, de prang batoe (het 
gevecht met steenen), waarbij de partijen wel gewapend uittrokken, 
maar er zich toe bepaalden elkander met steenen te werpen. Als 
ook daardoor het geschil niet beslist werd dan ging men over tot 
den prang bedil (vechten met geweren); wanneer daarbij eenige 
dooden waren gevallen volgde gewoonlijk de verzoening, maar het 
gebeurde ook wel dat daaruit bloedige oorlogen ontstonden, die ook 
meermalen tusschen verschillende negari's werden gevoerd '). Het 
bestuur in de negari bleef zelfstandig, ook dan wanneer sommige 
negari's zich met elkander verbonden, zooals allengskens in vele 
streken het geval was, en waardoor de ons reeds bekende namen 
L kota's enz. ontstaan zijn, die ontleend werden aan het aantal 
negari's, die tot het bondgenootschap toetraden. 

Al deze hoofden staan buiten de bestuurs-organisatie , door het 
Gouvernement ingevoerd; zij ontvangen derhalve geene bezoldiging, 
maar hebben enkele toevallige inkomsten, zooals het geld, dat bij 
het overlijden of de aanstelling van eenen panghoeloe betaald moet 
worden, de nalatenschap van eenen vreemdeling, zonder bloedver- 
wanten stervende, soms ook van een uitgestorven soekoe, enz., 
't geen alles door de gezamenlijke panghoeloe's genoten wordt, en 



') Mr. T. H. der Kinderen. De alg. verord. tot regeling van het rechtswezen in 
het Gouv'. V. Sum. Westk. II. 22. 



342 GALAR. 

andere inkomsten die aan de bestuurders in de soekoe behooren, 
zooals eene kleine som bij het sluiten van een huwelijk, aandeel 
in boeten eir/. Zeer opvalleiul blijkt het verschil van volksaard 
tusschen den Javaan en den Maleier der Pad. bovenlanden uit den 
graad van eerbied , dien zij aan hunne hoofden betoonen. In de 
Bovenlanden heeft men alleen dan ontzag voor den panghoeloe, 
wanneer hij zich waardig gedraagt. Is hij niet in zijn ambtsgewaad 
gekleed, — dat uit een blauw katoenen hoofddoek of destar bestaat, 
tweemaal om het hoofd geslagen, alsmede uit een baadje van blauw 
katoen met wijde mouwen , een korte broek , een sarong met een 
punt over het linkerbeen tot op den voet afhangende en een kris, — 
of loopt hij 's nachts zonder licht of stok, dan behoeft men hem 
niet als panghoeloe te erkennen; klimt hij in een boom, dan mag 
men zijn kleeren of het geplukte meenemen en de vruchten stelen 
die hij draagt, behalve de rijst van zijn eigen veld. Toch wordt 
aan het bekleeden van de betrekking van panghoeloe vaak hooge 
waarde 'gehecht ; de bevestiging van een nieuwen panghoeloe wordt 
met groote feesten gevierd, waarbij aan de gave van welbespraakt- 
heid, die menig Maleier in hooge mate bezit, ruimschoots gelegen- 
heid gegeven wordt zich te uiten '). Aan de betrekking van panghoeloe 
is ook een galar verbonden , een soort van titel of bijnaam die van 
geslacht tot geslacht overgaat. Elke familie heeft namelijk een 
zoodanige galar-poesaka, die door den panghoeloe gevoerd wordt, 
op straffe van boete door niemand anders in de negari mag worden 
aangenomen en sedert onheugelijke tijden dezelfde blijft. Wanneer, 
tengevolge van het ontstaan van nieuwe families, het getal panghoe- 
loe's zich uitbjeidt, dan wordt door de gezamenlijke hoofden een 
nieuwe galar gemaakt. Ook voor den panghoeloe poetjoeq in iedere 
soekoe is een vaste galar-poesaka vastgesteld. In de meeste streken 
der Bovenlanden hebben ook de manti's, doebalangs en malims een 
eigen galar-poesaka, maar bovendien heeft daar nog elke volwassen 
Maleier zijn galar, die bij de naaste familie-leden van den bezitter 
van den galar-poesaka slechts wehiig van dien titel verschilt, maar 
overigens bij vaders bestaat in den naam van het kind, met bijvoe- 
ging van Pa, bij ooms in den naam van den neef en bij grootvaders 



') Voor eene beschrijving van een dergelijk feest zie S. Stibbe. T. N. I. 1869. I. 
Eene vertaling van een pidato of toespraak bij eene feestelijke gelegenheid vindt men 
Feestnummer Kon. Inst. 1883. 



BESTUUR IN DE PAD. BOVENLANDEN. 343 

in den naam van den kleinzoon nnot bijvoeging van Maq en Njiëq; 
b. V. Pa-, Maq-, of Njiëq Oeniboeï. Allerlei iiooge titels worden in ver- 
sclieidene galars opgenomen, zooals baginda, radja, soetan enz. Zij 
bewijzen echter volstrekt niet den hoogen stand van den betrok- 
kene; alleen de titel van datoeq duidt den rang van panghoeloe 
aan. Eigenaardig is bet gebruik, algemeen in de Bovenlanden 
verspreid, dat men zich den rang van panglioeloe, — met bijvoe- 
ging van limbago, — kan verschaffen, door aan de panghoeloes 
een zekere som uittekeeren en een feest in de negari te geven, 
waardoor men aanspraak heeft op den titel van datoeq. Aan het 
bestuur heeft zoo'n titulair hoofd geen deel; hij wordt echter van 
heerendiensten vrijgesteld, wat een rijke bron voor misbruiken oplevert. 
Ten slotte moeten wij nog vermelden dat hier en daar in de zuide- 
lijke Bovenlanden dit bestuur van familie-hoofden door een meer 
autocratisch gezag verdrongen is, en dat daar een radja met rijks- 
grooten nevens zich boven de hoofden der gezinnen gesteld is, 
wiens macht zich vaak over meerdere negari's uitstrekt. 

Met deze talrijke hoofden, die door de adat gebonden zijn, kon 
het Nederlandsche Gouvernement aan geen geregeld bestuur denken. 
Daarom riep het een nieuw soort hoofden in het leven; over elke 
soekoe in de negari werd een hoofd onder den titel panghoeloe- 
soekoe gesteld, die door de bevolking gekozen werd en spoedig 
den naam van panghoeloe rodi (omzetting van ordi, order, bevel) 
verkreeg, met het oog op de heerendiensten, waarop hij het toezicht 
moet uitoefenen. Over elke negari werd een panghoeloe kapala aan- 
gesteld , terwijl de negari's tot lara's of districten werden vereenigd, — 
gewoonlijk door de oude bondgenootschappen gevormd, — en aan 
het hoofd van elk dezer een toeangkoe lara geplaatst werd. Naar het 
schijnt nam men daarbij Java als voorbeeld, en trachtte een soort 
van Inlandsche aristocratie in het leven te roepen, maar gezwegen 
dat de aard van den Maleier zich weinig leent tot den slaafschen 
eerbied van den Javaan , en dat eene aristocratie uit het volk ont- 
staan moet en niet plotseling geschapen kan worden, beging men 
daarbij nog den misslag, dat men de nieuwe hoofden door de 
bevolking liet kiezen, 't geen allerlei kuiperijen tengevolge had, 
zoodat personen van lagen rang zich van die posten meester wisten 
te maken, soms onder belofte dat de bevolking, zoo zij hen kiest, 
van heerendiensten bevrijd zal zijn. Deze hoofden hebben dan ook 



344 SLAVERNIJ. 

weinig invloed; de bevolkinfi; bescliouwt hen als personen, die uit- 
sluitend het toezicht hebben op verplichte diensten, maar die zich 
overigens met de aangelegenheden der soekoe's niet mogen inlaten , 
terwijl de familie-hoofden veel hooger in de achting der bevolking 
zijn aangeschreven. 

Van bepaalde standen, zooals wij die op Java in de desa aan- 
treffen, is in de negari geen sprake. Het spreekt van zelf dat zich 
ook daar, buiten de reeds genoemde hoofden, personen bevinden 
welken zich in meerder of minder aanzien verheugen ; de neven en 
kinderen der panghoeloe's b. v. die hier en daar bij feestelijke 
gelegenheden eenige voorrechten hebben, de geestelijken, raet wie wij 
later zullen kennismaken , benevens de oude lieden en zij , die met 
de gewoonten bekend zijn en soms niet geringen invloed uitoefenen, 
daar zij menigmaal door de panghoeloe's worden geraadpleegd. De 
vroeger scherp afgescheiden klasse der slaven bestaat gelukkig sedert 
1876 niet meer in die streken. De slavernij in den Indischen archipel, 
ofschoon, zooals onvermijdelijk was, tot allerlei gruwelen, menschen- 
jacht en zeeroof aanleiding gevende, was nimmer zoo drukkend 
als die, welke de Europeanen in West-Indië en Amerika invoerden, 
daar men er de slaven slechts voor huiselijken arbeid gebruikte, 
en hen dikwijls als leden in het gezin opnam, ja niet zelden ge- 
beurde het dat slaven tot hooge betrekkingen in de Inlandsche 
maatschappij geraakten. Ook bij de Europeanen in Indië was het 
lot van den slaaf betrekkelijk zacht te noemen; allerlei bepalingen 
waakten voor eene goede behandeling en verboden b. v. den verkoop 
van kinderen zonder hunne ouders. Maar met dat al was misbruik 
en ruw geweld niet te weren, en daar bovendien de oeconoraische 
toestand onzer Oost-Indische bezittingen niet bij het behoud der 
slavernij betrokken was, vond de bepaling van het Reg.-Reglement 
(art. 115), dat de slavernij uiterlijk op 1 Januari 1860 zou zijn afge- 
schaft, althans op Java algemeenen bijval, te meer, daar de eigenaars 
behoorlijk schadeloos gesteld werden. Maar op de Buitenbezittingen 
ging dit niet zoo gemakkelijk; in verscheidene landen toch, waar 
de bevolking het recht behouden had hare eigen huishouding te 
regelen, bezat het Gouvernement het recht niet, dwingend opte- 
treden en moest het zich bepalen tot het doen van pogingen om de 
eigenaars overtehalen, hunne slaven uit eigen beweging tegen ver- 
goeding vrijtelaten. Op Sumatra's Westkust werden die pogingen 



SLAVERNIJ. 345 

met gunstigen uitslag bekroond. In de Padangsche bovenlanden 
was de slavernij grootendoels liet gevolg der Padii-beweging (p. 60); 
vóór dien tijd waren er .slechts weinige slaven aanwezig, die door 
rooftochten in naburige landen verkregen werden, terwijl ook van 
tijd tot tijd enkele vrije lieden bij wijze van straf tot dien staat 
gebracht werden of door het niet-betalen van schulden allengskens 
tot den staat van slavernij afdaalden. Doch met het optreden der 
Padri's vermeerderde het getal der Slaven aanmerkelijk, want 
ofschoon de Islam verbiedt, geloovigen tot slaven te maken, bekom- 
merden de Padri's zich niet over dat verbod, terwijl zij beweerden 
dat hunne tegenstanders, die niet alle voorschriften van de wet na- 
kwamen, daardoor kafirs geworden waren. Duizenden Maleiers werden 
gedood of tot slaven gemaakt en hunne vrouwen en dochters als slavin- 
nen door de Padri's tot bijzitten genomen. Zelfs werden de bewoners 
der IV Angkat, die niet alleen de besnijdenis getrouw toepasten en 
den godsdienst onderhielden , maar zich zelfs de „zuiveren bij uit- 
nemendheid" noemden, tot slavernij gedoemd. In 1874 waren er 
in de Bovenlanden nog 3 klassen van slaven : de boedaq's , over 
welken de meester de volle beschikking had, de boedaq's poesaka, 
die niet verkocht mochten worden en de kamanakan di bawah loetoeï 
(zusters-kinderen onder de knie), wier schuld, koopprijs of losprijs 
reeds was afbetaald , maar die nog niet de door de adat geëischte 
belasting hadden gestort of het feest voor de vrijlating niet gegeven 
hadden. In overleg met de hoofden werd tot de vrijlating der slaven 
besloten; de bevolking verleende vrijwillig hare medewerking zoodat 
de schadeloosstelling, die het Gouvernement betaalde, slechts 
f 34.350 bedroeg, welke som bijna geheel besteed werd voor het 
betalen der belasting aan de panghoeloe's en voor de feesten bij 
de vrijlating. Ook in Tapanoeli werden in 1876 de slaven vrij ver- 
klaard ; daar had men echter met tegenwerking der meesters te 
kampen, terwijl ook de geldelijke opoffering van het Gouvernement 
belangrijk hooger was en f 359.614 bedroeg. Ongeveer 20.000 slaven 
verkregen op deze wijze hunne vrijheid; zij werden terstond met 
de overige bewoners gelijkgesteld, wat bij vroegere vrijlatingen 
niet altijd het geval is geweest. Ook later in 1880 en 1883 
werden de slaven in pas ingelijfde streken van het Gouvernement 
van Sumatra's Westkust in vrijheid gesteld ; in de afdeelingen 
Padang lawas en Toba en Silindong worden echter nog slaven aan- 



340 



PANDELINGSCHAP. 



getroffen, wier getal evenwel afneemt. Een andere instelling, die 
soms weinig van slaveinij verscliilt is liet [landelingscliaii. Een 
pandeling is iemand, die zich voor een schuld persoonlijk verbindt 
en daarvoor moet werken bij den schuldeisclier of bij hem, aan 
wien deze dat recht heeft overgedaan. Deze instelling, die in de 
zeden der Inlanders over den ganschen Indischen archipel geworteld 
is, leidde tot grove misbruiken, vooral daar, waar men de oorspron- 
kelijke bepaling verwaarloosde, dat het verrichte werk in mindering 
van de schuld moest strekken en de betrekking van pandeling van 
den vader op de kinderen overging, zoodat geheele huisgezinnen 
in eenen staat van afhankelijkheid geraakten, die nimmer ophield, 
daar de schuld niet afbetaald kon worden. Zoolang de pandeling 
in het land bleef, waar hij tehuis behoorde, was zijn toestand in 
den regel vrij dragelijk, maar toen de gewoonte ontstond, om de 
pandelingen ook elders heen te vervoeren, en zij zelfs over zee 
naar een ander eiland werden vervoerd, leidde dit tot feitelijke 
slavernij, die vooral op het eiland Nias bij Sumatra, waar de 
vrouwen door schoonheid uitmunten , door hebzuchtige Atjehers 
gedreven werd. Het Nederlaiidsche Gouvernement ging daarom het 
pandelingschap zooveel mogelijk te keer, door het eerst op Java en 
Madoera te verbieden (1822) en elders alleen onder beperkende 
voorwaarden toe te laten, waaronder bijzondere vermelding verdienen 
het verbod van vervoer der pandelingen over zee, het aanleggen 
van een register voor pandelingen , en de bepaling dat het pande- 
lingschap niet op de kinderen overgaat. Doch in 1872 (S. 114) 
ging de Regeering nog een stap verder en bepaalde, in overeen- 
stemming met art. 118 Reg.-Regl., dat het pandelingschap zou zijn 
afgeschaft in alle streken, waar het Ned. Gouvernement onmiddellijk 
gezag uitoefent. Elders bestaan slavernij en pandelingschap nog op 
den ouden voet. In de onafhankelijke streken van Midden-Sumatra 
is de machtigste radja degene, die de meeste slaven heeft om zijn 
velden te bebouwen en voor hem in den krijg dienst te doen; de 
„zusterskinderen onder de knie", onder welke benaming hier de 
pandelingen verstaan worden , zijn na het betalen hunner schuld 
„zoo vrij als een vogel", terwijl de slaven, die door hunne meesters 
zijn vrijverklaard, slechts „zoo viij zijn als een kip", bij hunnen 
meester moeten inwonen, hem bij den arbeid behulpzaam zijn, en 
in een ondergeschikte stelling verkeeren, zoodat zij zich niet als 



DAGELIJKSCII LEVEN VAN UEN MALEIER. 347 

vrije Maleiers mogen kleeden, noch met dezen aanzitten, terwijl 
zij in hunne tegenwoordigheid eerbiedig moeten nederhuiken. Hunne 
huizen mogen geen hoorns hebben , en ook in hunnen rechtstoestand 
zijn zij niet met de vrijen gelijkgesteld. 

Keeren wij thans tot de negari terug, waar wij reeds het 
gewone model eener Inlandsche woning hebben leeren kennen. 
Klimmen wij het huis binnen dan vinden wij in de afgeschoten 
ruimte, die tot slaapvertrek dient, gewoonlijk niet veel meer dan 
een katoenen matras, met een bont gordijn behangen, soms nog 
de kist waarin de harta poesaka bewaard worden. Heeft het gezin 
nog een ander vertrek ter zijner beschikking, dan vinden wij ook 
daar niet veel dat ons zou aantrekken. Een paar kisten bevatten 
de kleedingstukken der bewoners; een groote rijstkorf, die tot de 
zoldering reikt, matjes, kussens, kleedingstukken door elkander 
opgehangen, een paar schotels en borden, ziedaar in hoofdzaak 
den rijkdom aan huisraad , dien de Maleier bezit. Ook zijne tafel- 
gereedschappen zijn zeer eenvoudig en verschillen niet veel van die des 
Javaans; wij merken echter het koperen voetstuk op, dat de rijst- 
schotel draagt en den bak of schaal van hetzelfde metaal, waarin 
de schoteltjes met toespijs bij de rijst gezet worden. Rijst is ook 
hier het hoofdvoedsel , met gedroogde vischjes en zout benevens 
spaansche peper en vaak allerlei toespijzen ; om zich te ontnuchteren 
is den Maleier een handvol rijst voldoende , terwijl tegen den middag 
en omstreeks zeven ure de genoemde spijzen genuttigd worden , en 
tusschenbeiden nog eeiiige keeren kawah , of aftreksel van koffie- 
bladeren, met gebak of vruchten gebruikt wordt. Het dagelijksch 
leven van den Maleier verschilt niet veel van dat van den Javaan. 
De man moet den veldarbeid verrichten voor de familie, waartoe hij 
behoort; is hij echter een goed echtgenoot dan werkt hij ook op de 
velden zijner vrouw of keert, als hij een handwerk uitoefent, de 
verdiensten daarvan voor een deel aan zijne vrouw, voor een ander 
deel aan zijne familie uit. Allerlei andere werkzaamheden , zooals het 
herstellen der woning en werktuigen, het zoeken van bosch producten 
enz. vallen hem ten deel. Maar de vrouw heeft een niet minder 
zware taak; zij bereidt niet alleen de spijzen voor het gezin, maar 
moet ook vaak de producten naar de markt dragen , en het onver- 
kochte weder terugbrengen , terwijl zij de padi moet stampen , en 
de koffie voor het Gouvernement bereiden , en bij den veldarbeid de 



348 VKUMAKKN VAN DKN MAI.KIEH. 

behulpzame hand hiederi. Daarbij hoeft zij voor de kinderen te 
zurgeii en wanneer, zooals niet zelden gebeurt, de man haar ver- 
stoot of verlaat om heen en weer te zwerven , dan valt de geheele 
last van het onderhoud des gezins op ih; vrouw. Geen wonder, 
dat deze zooveel mogeliji< dien last van zich tracht afteschuiven en 
de vermeerdering van het gezin zoekt te voorkomen, waartoe talrijke 
middelen haar ten dienste staan. Dit schandelijk misbruik wordt 
ook vaak door de mannen in do hand gewerkt, die eene vrouw 
met veel kinderen belachelijk maken. De avond wordt dikwijls met 
lange gesprekken of verhalen doorgebracht, die soms tot in den 
nacht duren; olie-lampjes of damarkaarsen , in kandelaars gesto- 
ken, — althans daar, waar dezen nog niet door petroleum zijn ver- 
drongen, — verlichten met haar walmend schijnsel de aanwezigen. 
Voor het overige zijn er maar weinige vermaken die bij den Maleier 
in de Bovenlanden den tijd korten. Jacht en visscherij en vooral 
de hartstochtelijk geliefde hanengevechten komen daarbij in de 
eerste plaats in aanmerking; duiven en kwartels laat men ook met 
elkander strijden, even als de jongens dit krekels laten doen , terwijl 
ook in sommige streken karbouwen-gevechten worden gehouden. 
Spiegelgevechten met of zonder wapens zijn evenzeer een geliefd 
vermaak ; de doebalangs spelen daarbij een groote rol en winden 
zich daartoe op door een drank , bereid uit het gegiste sap van den 
anau- of areng-palm en velerlei kruiden, dien zij uit een buffelhoorn 
drinken, 's Avonds amuseeren de jongelieden zich ook wel door het 
voordragen van pantoens , vierregelige versjes , die vaak voor de vuist 
worden vervaardigd en waarvan de beide eerste regels gewoonlijk 
geen beteekenis hebben en slechts dienen om de eindrijmen aan 
te geven. Gewoonlijk zijn de versjes van verliefden aard, doch 
bevatten soms toespelingen op de wederpartij, want die pantoens 
worden door de jonge mannen en meisjes elkander toegezongen , 
zoolang totdat de een den ander tot zwijgen heeft gebracht. Het 
w-ajangspel is in de Bovenlanden niet bekend ; hier en daar worden 
soms pantomine's opgevoerd die dikwijls niet onaardig zijn, maar 
vaak weder in ergerlijke onkieschheden vervallen. Het dansen — 
menari, — vervult een groote rol onder de volksvermaken; het 
komt grootendeels overeen met de bewegingen der ronggengs, doch 
wordt niet door danseressen van beroep verricht, maar door jonge- 
lingen en meisjes; — in vele streken van Midden-Sumatra uitslui- 



KLEEDING IN DE PAD. BOVENLANDEN. 349 

tend door mannen, die soms als vrouwen verkleed zijn. Allerlei 
instrumenten worden ter begeleiding der dansenden bespeeld , voor 
een deel overeenkomende met die, welken op Java in gebruik zijn, 
zonder dat er echter van een bepaald orchest, zooals de Javaansche 
gamelan, sprake is. 

Hoogst eigenaardig is de kleederdracht, welke op verschillende 
plaatsen der Bovenlanden door de bevolking en vooral door de schoone 
sekse is aangenomen. Tehuis en bij den veldarbeid draagt de man 
in den regel slechts een korte broek en eenen hoofddoek; tegen 
de stralen der zon bedient hij zich bovendien van een toedoeng. 
Een donkerblauwe badjoe, die van voren bij den hals opengesneden 
en voorzien is van korte, wijde mouwen, tot de ellebogen reikende, 
bedekt het bovenlijf; de sarong, die over den broek gedragen wordt, 
is in den regel opgehaald en om de lendenen geslagen. Zooveel 
mogelijk zijn deze kleedingstukken en vooral ook de broekband , die 
gewoonlijk met een kris prijkt, met goud en zilver gestikt. Niet 
zelden wordt de breede Atjehsche broek gedragen , die bij de bewoners 
van Sumatra's noordkust in gebruik is en in het kruis wijd en laag 
afhangt. Zelfs onder de mannen is er verschil in kleederdracht, 
naar mate van de verschillende streken, waar zij thuis behooren, 
maar bij de vrouwen is dit nog veel meer het geval, ja zelfs wordt 
op sommige plaatsen door haar een bijzonder kostuum onder ver- 
schillende omstandigheden gedragen. In het district Pajakombo 
draagt de vrouw van hoogeren stand, die geene kinderen heeft 
gekregen, een viertal met goud galon afgezette sarongs boven 
elkander, benevens een slendang van gouddraad, bloedkoralen 
halsband en een hoofdtooisel van bladgoud en koraal ; wordt zij 
moeder , dan wordt het aangezicht nauw door een doek omsloten , 
en draagt zij een tweeden doek , als tulband gevouwen , op het 
hoofd; een tweetal sarongs bedekken het benedenlijf. Wordt zij 
weduwe, dan draagt zij eenen witten doek, die aan de randen 
geborduurd is. De vrouwen , die de bergstreken van den Singkalang 
bewonen, dragen eenen met goud- of zilver-galon versierden sarong, 
die op de eene zijde tot aan de lendenen open is, en bij eiken 
stap de beenen bloot laat; eene gewoonte, die verklaard kan worden 
uit de noodzakelijkheid, dat deze lichaamsdeelen zich bij het klimmen 
vrij kunnen bewegen, maar die te recht door de Padri's als onzedelijk 
bestreden werd. Kolossale versierselen ter grootte van 5 a 6 duim 



350 KLEEDING IN UK PAD. BOVKNLANDF.N. 

tooien do ooren , of liever misvormen dezen, daar zij vaai< tot eene 
buitengewone lengte worden uitgerekt, en soms tot bijna op de 
schouders komen. Wanneer deze vrouwen koopwaren vervoeren 
dragen zij dikwijls op het hoofd een hoog en zeer licht scherm, 
dat met de wind ronddraait en de goederen, die er onder geplaatst 
worden, tegen regen beveiligt. Schoon beschriji't de hr. Verkerk 
Pistorius de gewone dracht der Maleische vrouwen : „Op de donkere, 
nauwsluitende badjoe, die veel langer dan het buis der mannen, 
op den fraai gekleurden sarong hangt, teekenen zich de kleine, in 
den regel schoon gevormde boisten; de sierlijke slendang, vooral 
de donkerroode, met goud gestikte kasoemba, die zij nu eens als 
een bandelier omgeslagen, dan weer met afhangende tippen om 
het hoofd heeft gevouwen, verhoogt den glans der blauwzwarte haar- 
vlechten of den gloed van het donkere oog." De kinderen kunnen 
zich ook hier niet op eene fraaie kleeding verheiTen , daar zij tot 
hun 5de of (3de jaar naakt gaan , ofschoon ook bij hen versierselen 
niet ontbreken , onder welken vooral de halssnoeren van aan een 
touwtje geregen muntstukken vermelding verdienen. Met hunne 
geschoren hoofdjes, waarop eenige plekken zijn uitgespaard en in 
vlechtjes vereenigd, en hunne dikke buikjes, — bij de meisjes vaak 
met eenig bedeksel om het midden , — maken de kleine schepseltjes 
op ons een komischen indruk. Ook in de Bovenlanden geven de 
passers de geschikste gelegenheid om eene groote menigte bij 
elkander te zien, met uitzondering van jonge vrouwen en meisjes, 
wien het op vele plaatsen niet voegt tei' markt te gaan. Wij kunnen 
daar ook opmerken dat vele ouderen aan kropgezwellen lijden, die 
hun vaak een afzichtelijk voorkomen geven. 

Doch het wordt tijd dat wij verder gaan en de negari eens 
opwandelen. Bij de woning van den panghoeloe of een der door 
het bestuur aangestelde hoofden zien wij een klein gebouwtje, van 
snijwerk voorzien en met heldere kleuren beschilderd , waar de taboe 
bewaard wordt, die bestaat uit een gedeelte van een uitgeholden 
boomstam, aan de eene zijde met een stuk van een koehuid be- 
spannen, en als trom dient om de bevolking bij elkander te roepen. 
Ongeveer in het midden der negari betreden wij een open plek, 
door zwaar geboomte beschaduwd, — de padamaian, — waar de 
balai staat, het eveneens fraai beschilderde en van snijwerk ver- 
sierde raadhuis of rapatzaal, die in vorm met de gewone Malei- 



RECHTSPRAAK IN DE PAD. BOVENLANDEN. 351 

sche woningen overeenkomt, maar aan de lengtezijden geheel open 
is. Volgens de mededeelingen van den Heer V. Pistorius zou er 
verschil bestaan tusschen de balai's der iiegari's, die tot de ver- 
schillende lara's behooren; die van Kola piiiang zouden toch van een 
zoogen. olifanten-pad voorzien zijn d. w. z. in den vloer zouden eenige 
planken ontbreken zoodat, naar de Maleier zegt, een olifant er door 
heen kan loopen. Volgens den Heer v. Hasselt heeft deze eigen- 
aardigheid in de bouworde der balai niets met de verdeeling der 
bevolking in lara's te maken. In de balai komen de hoofden bijeen , 
wanneer de belangen der negari besproken moeten worden en werd 
ook vroeger door de hoofden recht gesproken volgens de Inlandsche 
rechtsinstellingen, die voor een deel in de oendang-oendang (verza- 
meling van overleveringen en wetten) zijn opgeteekend. Volgens 
deze instellingen werd doodslag ge.straft met de bangoen of bloed- 
prijs, die in 1842 op f 960 gesteld werd, en voor twee derden aan 
de familie van den gedoode, en voor de rest aan de hoofden 
toekwam. Ook hier bestond het solidariteits-stelsel, zoodat de familie, 
en bij onvermogen van deze de soekoe, het bloedgeld moest betalen; 
geschiedde dit niet dan werd de doodslager ter dood gebracht of 
als slaaf aan een hoofd toegewezen. Verwonding werd met pampas 
of smartegeld en diefstal met boete gestraft; het bedrag der boete 
kwam aan de hoofden toe. Die Inlandsche rechtspraak leidde tot 
beslissingen , die met ons rechtsgevoel in volkomen strijd waren. 
Zoo vermoordde in Tanah datar een Maleier zijne moeder, en hij 
werd slechts met een derde der bangoen gestraft omdat de ver- 
moorde maar eene vrouw was, terwijl in diezelfde afdeeling 3 
Maleiers, die een meisje hadden mishandeld en vermoord, er even- 
eens ieder met een derde der bangoen afkwamen. Elders werd een 
krankzinnige ter dood veroordeeld, die in zijn waanzin iemand 
gedood had. Zoolang nu de rechtspraak uitsluitend in handen der 
hoofden berustte moest dit wel geduld worden , maar toen ook onze 
ambtenaren daarbij betrokken werden , konden botsingen niet uit- 
blijven. Oorspronkelijk toch waren het gewoonlijk de hoofden van 
den verweerder, gewoonlijk door andere hoofden bijgestaan, die 
geschillen beslisten bestaande tusschen de leden derzelfde soekoe of 
der negari; konden zij het niet eens worden, of wilden de partijen 
zich niet aan hunne uitspraak onderwerpen, dan nam men de toe- 
vlucht tot de vroeger beschreven gevechten. Maar toen door ons 



3r)2 HERVORMINO DKR RRCIITSPRAAK. 

bestuur nuniwe lioofdon werdou aaupostolrl , kwam de pmceslievende 
Maleicr vaak zicli bij hen beklagen, wanneer liij met de uitspraak 
der volkshoofden niet te vreden was, ja hij wendde zich eindelijk tot 
onze ambtenaren, die dan de laras-hooCden bijeen riepen, welken 
onder zijne lei(iing einduitspraak deden. Van zelf ontstond hieruit 
de gewoonte, dat men zich terstond richtte tot den door den Euro- 
peeschen ambtenaar voorgezeten rapat der laras-hoofden, zoodat weldra 
vele burgerlijke gedingen en de meest belangrijke strafzaken onmid- 
dellijk voor die rechtbank kwamen. Maar deze sprak volgens de volks- 
instellingen recht en de voorzitter, die geen stem uitbracht, zag 
zich vaak genoodzaakt medetewerken tot uitspraken die, van ons 
standpunt gezien, hoogst onrechtvaardig waren. In zulke gevallen 
werd dan de toevlucht genomen tot het recht van gratie, den Gou- 
verneur-Generaal toekomende, terwijl het ook niet zelden voorkwam 
dat de Gouverneur der Westkust het vonnis eigenmachtig veranderde. 
Doch dit waren slechts hulpmiddelen, terwijl bovendien de geheele 
rechtspraak op geene wettelijke voorschriften steunde. Ten einde 
hierin verbeteringen aan te brengen werd reeds in 18G5 de Heer der 
Kinderen als Regeerings-Commissaris naar Sumatra gezonden, om 
met medewerking der hoofden en bevolking een onderzoek in te 
stellen, welke hervormingen konden worden ingevoerd. De vrucht 
daarvan was het invoeren eener rechtelijke organisatie (1875), die 
voor een deel op Javaansche leest geschoeid werd, maar toch in ver- 
scheidene punten van dat model afwijkt. De rechtspraak over Inlanders 
wordt nu hoofdzakelijk uitgeoefend door Inlandsche rechtbanken , in 
de Bovenlanden rapats genoemd, die uit Inlandsche hoofden bestaan, 
welke onder voorzitterschap van den betrokken ambtenaar bij het 
binnenl. bestuur, — vaak den controleur, — vergaderen en in straf- 
zaken het strafwetboek voor Inlanders moeten toepassen. Kleine 
zaken worden beslist door het laras-hoofd, door eenige adviseurs 
bijgestaan, terwijl de ambtenaren van het binnenlandsch bestuur 
als magistraten in politiezaken recht spreken. De Raad van justitie 
te Padang en het residentie-gerecht oordeelen ook in sommige zaken , 
waarin Inlanders betrokken zijn. 

Op of in de nabijheid van dezelfde padamaian , die ook als 
passer dienst doet, vindt men een of meer lapau's, — winkel, restau- 
ratie en herberg, — kenbaar aan den pisangtros, die in het breede 
luik is opgehangen, en aan den hoogen bank, die vóór het huis 



l.ANDnOUW-CICHKKDSCIlAI'l'KN ICN llUISKAAl). 




.-Ei 



1. Bijl om boomen te vellen (Borneo). 2. Patjol (houweel). 3. Ploeg (Java). 4. Chineesche 
ploeg (Java). 5. Handploeg. 6. Mesje Toor de besnijdenis. 7. Pedatti (kar) Java. 8. Ani-ani 
(rijstmes). 9. Lijkenluiis iDajaks). 10. Kintjir (waten-ad) Sumatra. 11. Koekoesau (mandje) Java. 
12. Bord om rijst te bekoelen. 13. Koperen waterketel om rijst gaar te stoomen. 14. Wakoel 



^mnndin nm rijst on te dissplien'l. 



MOSKEE-llEAMBTEN. 353 

geplaatst is. Ook de masrljid is daar gelegen, een eenvoudig houten 
gebouw met 8, soms echter met 4 oi' 5 steeds kleiner wordende 
daken, zoodat het bovenste gedeelte van het bedehuis uit een aantal 
boven elkander geplaatste daken schijnt te bestaan. Bij de masdjids 
der lara Bodi tjeniago loopt het bovenste dak niet spits toe, maar 
is het aan den top afgeknot, met een vierkant vlak bovenaan, 
waarop een verlengsel gemaakt is in den vorm van een kegel, die 
op een bol rust. ') Van binnen is er in liet vierkante gebouwtje 
niets bijzonders te zien, behalve de ons reeds bekende mimbar en 
mikrab; vaak hebben de masdjids een of twee verdiepingen, van 
welken de laagste we! gebruikt wordt om de soeloeq of gods- 
dienstige afzondering te verrichten , die echter ook te huis achter 
een gordijn of in de soerau kan plaats hebben, en waaraan ook 
vrouwen wel deelnemen, 't geen, naar men zegt, niet altijd bevor- 
derlijk is voor de goede zeden. De bovenste verdieping was vroeger 
voor het afroepen van het gebed bestemd ; thans dient daartoe een 
klein, maar vrij hoog gebouwtje, in den vorm van een cilinder, 
dat vlak bij de masdjid staat. De personen, aan de moskee ver- 
bonden, zijn de Imam, de Katib en de Bilal; de eerste, ook kapala 
sambajang genaamd, gaat voor in het gebed, terwijl de Bilal de 
gebedstijden afroept. Het schoonhouden van het gebouwtje is aan 
een garim opgedragen, die in zekeren zin tot de geestelijken gere- 
kend wordt, evenals zij, die door kennis der schriften uitmunten en 
den naam van orang siaq, pikie of labaï dragen. De waardigheid 
van moskee-beambte is wel is waar niet erfelijk, maar de titu- 
larissen worden toch altijd uit bepaalde soekoe's gekozen; hunne 
installatie gaat weder met groote feestelijkheden gepaard. Vaste 
bezoldiging ontvangen zij niet, zoodat zij grootendeels hun onder- 
houd uit de opbrengst hunner landen moeten verkrijgen, 't geen 
echter door liefdegaven en een aandeel in de zakat wordt aangevuld. 
Sommige personen, uit bepaalde soekoe's afkomstig, kunnen door het 
geven van feesten^) en het betalen eener som gelds de titels van 
imam- en katib-adat bekomen , die slechts eershalve gevoerd worden. 
Evenals op Java in de pesantren en langgar wordt de kennis 
van het Koran-lezen, soms ook die der kitabs, in de Padangsche 



') Ind. Gids 1888. I. p. 3-15. 

■} Een beschrijving daarvan gaf J. L. v. d. Toorn T. B. G. XXV. 466. 

II. 23 



354 DE SOEHAU. 

bovenlanden in de soerau opgedaan. Allerlei soorten van leerlingen 
of moerids bezoeken deze scholen; men vindt er zoowel jongelingen 
op huwbaren leeftijd als jongere knapen, ünder hen zijn vele fakirs 
of rondzwervende scholieren, die buiten de negari tehuis behooren, 
want nog veel meer dan op Java is op Sumatra's westkust, waar 
het eigenlijk huiselijke leven onbekend is, het zwerven buiten het 
geboortedorp gebruikelijk, ten einde verschillende scholen te bezoeken. 
Zij, die hier les geven, behoeven geene bewijzen hunner kunde 
afteleggen. Verschillende soerau's zijn door de soekoe's opgericht; 
vaak worden zij echter gesticht door vrome geestelijken of andere 
personen die, na eenige soerau's bezocht te hebben, er zei ven een 
opzetten en door hunne kennis der godsdienstige voorschriften, 
soms ook door den titel van hadji, een grooter of kleiner getal 
leerlingen weten te trekken. Sommige hoofden laten ook soerau's 
bouwen, bestemd voor hunne dagelijksche gebeden en tevens voor 
het geven van onderwijs. Een bepaald loon ontvangt de meester 
niet; zijne inkomsten bestaan in geschenken, die de ouders zijner 
leerlingen hem uitreiken , en die zeer verschillend zijn , naar mate van 
zijne geleerdheid en van de vrijgevigheid dier ouders. Als tegen- 
liancrer van het tafereel der langgars en pesantrens moge hier de 
beschrijving eener grootere en kleinere soerau dienen, beiden aan 
Verkerk Pistorius ontleend, „'t Is een woning van de eenvoudigste 
soort, uit een enkel vertrek bestaande. De stookplaats naast de 
deur, daarboven de bamboezen stellaadje, waarop eenige aarden 
pannen en kopjes van ruw Europeesch maaksel, de geroosterde 
koffiebladeren , die aan stokjes geregen boven de deur hangen, de 
potten, die ordeloos over den vloer liggen en met zakjes gevuld 
zijn, waarin waarschijnlijk wat rijst en kruiderijen bewaard worden, 
en eindelijk de matten en kleedingstukken, die dwars over het ver- 
trek aan een paar bamboezen hangen , dit alles duidt aan dat de 
school tevens tot woning dient. Een goede 20 jongens zitten neerge- 
hurkt op den vloer. De les begint. Van een plank aan den wand 
neemt de fakir een dikken foliant, in een menigte vellen en banden 
gewikkeld en legt dien voor zich. Na lang talmen dreunt hij eenige 
zinsneden voor, die telkens door een der knapen om beurten her- 
haald worden. Nadat dit een poosje geduurd heeft, deelt de fakir 
een twintigtal boekjes uit, die door hem zelven geschreven zijn en 
uittreksels uit den Koran bevatten. Nu beginnen al de leerlingen 



DE SOERAU. 355 

tegelijk hardop te dreunen. Op de vraag of de jongens verstaan 
wat ze lezen antwooi'dt de fakir door eenvoudig zijn hoofd te schudden. 
Zelfs rijst de twijfel op of de meester zijn eigen schrift begiijpt." 
Beter is het in een grootere soerau gesteld, zooals blijken kan uit 
de beschrijving van de school te Siloengkang, die na den dood 
van den hoofdleeraar zeer in verval geraakte, doch als model 
eener soerau kan dienen. Evenals de andere soerau's is deze van 
een pontjaq voorzien, die in het midden van het dak als een torentje 
oprijst. Aan het hoofdgebouw sluiten zich een zevental nette houten 
woningen aan, waarvan 2 voor de soeloeq der vrouwen bestemd 
zijn en de overigen voor de fakirs, in den regel 20 of 3Ü, die zoo- 
veel mogelijk naar de plaats hunner geboorte in groepen onder een 
opziener of goeroe-toea vereenigd zijn en zelveii in hun onderhoud 
moeten voorzien, niet zelden evenals de santri's door bedelen. Treedt 
men op een van de uren dat de Sjech, het hoofd der school, onder- 
wijs geeft, het ruime en hooge vertrek binnen, dat het gansche 
hoofdgebouw inneemt en uitsluitend tot het geven van onderricht 
of het vieren van eene plechtigheid, dsikir of sedekah, dient, dan 
treft men hem aan, omringd van eenige goeroe-toea's, leerlingen 
en soms een paar ingezetenen uit het dorp. „Zij zitten op een 
matje neergehurkt, in een halven cirkel om den Sjech, die soms 
met zijn tulband getooid op een bontgekleurd kleedje troont. Met 
de eene hand op het handschrift, dat in eene menigte geitenvellen 
gewikkeld op een lessenaartje vóór hem ligt, verklaart hij, soms 
wel wat zalvend, de zoo even gelezen woorden, of heldert ze op 
met een menigte voorbeelden en voegt er dan soms een wenk bij , 
die vruchten draagt voor het praktische leven. De lessen van den 
Sjech stekken de" goeroe-toea's weer over onder hunne leerlingen. 
Maar bij het formeele onderwijs wordt de gewone leerwijze gevolgd; 
eerst leeren de kinderen van buiten, wat hun na jaren zal worden 
verklaard." Het onderlicht omvat, buiten het min of meer werktui- 
gelijk lezen van den Koran, ook het onderwijs in de kitabs, ons van 
Java reeds bekend ; i) in de soerau te Siloengkang werd ook schrij- 
ven en soms ook de kennis van het land onderwezen. 

Ofschoon de Maleier in zijne rechtsbegiippen aan zijn adat een 



') Een overzicht dier kitabs gaf Dr. S. Hurgronje. Feestnummer van het Kik. 
Inst. 1883. 



356 nKVAi-UNG. nvicni.uDF.N. 

veol hoogere plaats gooft, dan de Islam daaraan toekent, en vele 
bepalingen van het Moslemsche recht voor de gewoonteti moeten 
onderdoen, zou men verkeerd handelen door te meenen dat hij 
geen Moslem is. Integendeel worden in verscheidene streken der 
Boveidanden niet alleen door de mannen, maar ook door vrouwen 
de gebeden nauwgezet verricht, worden ook de overige verplichtingen 
meer of min nauwkeurig opgevolgd en de ons van Java bekende 
feesten eveneens met opgewektheid gevierd. Met dat al bekleeden , 
nevens de hoofdwaarheden van den Islam, de oud-Polynesische denk- 
beelden een groote plaats in de godsdienstige voorstellingen van den 
Maleier, en speelt het animisme daarin een groote rol. De ons 
toegestane ruimte verbiedt ons, daarover in bijzonderheden uitte- 
wijden; daarvoor moeten wij, behalve naar het werk van den heer 
V. Hasselt, naar een belangrijk opstel van den heer v. d. Toorn') 
verwijzen. Wij kunnen hier nog slechts enkele regels wijden aan 
enkele gebruiken, in de Bovenlanden gevolgd. Omtrent de geboorte 
is niet veel optemerken; de zwangere vrouw moet ook hier zich 
voor allerlei zaken in acht nemen , aan welken eene bijgeloovige 
beteekenis gehecht wordt. Evenals op Java is het eene vrouwelijke 
geneeskundige, de doekoen, die de hoofdrol speelt. Zij moet beginnen 
met den Koran, zoo die er is, uit het huis te brengen, om hem 
niet te verontreinigen en kisten en ramen te openen, daar de 
nabijheid van een gesloten voorwerp de verlossing bemoeilijkt, 
terwijl ook de mannen zich moeten verwijderen om niet beschaamd 
te worden. Van belang is de eerste gang met het kind om het te 
baden , wat met eenige formaliteiten door de doekoen en de vrouwe- 
lijke bloedverwanten gedaan wordt, terwijl een maaltijd, waaraan 
ook eenige orang siaq deelnemen, de plechtigheid besluit. Over 
het haarsnijden, de besnijdenis en het tandenvijlen behoeven wij, 
na datgene wat wij ten dien opzichte vroeger met het oog op de 
Javanen gezegd hebben, niet uittewijden. Bij het overlijden van 
een Maleier hebben natuurlijk allerlei plechtigheden plaats. Nadat 
het lijk gewasschen is wordt het op een praalbed in feestgewaad 
ten toon gesteld. Bloedverwanten en vrienden komen van alle kanten 
te samen en brengen het een en ander mede om de kosten der 
begrafenis te bestrijden. De vrouwen heffen de gewone weeklachten 



') Bijdr. t. t. 1. en vlk. V. 5. 



VORSTEN-BESTUUR Bi) DE MALEIERS. 357 

aan; eenige orang siaq, soms zelfs de Imam, komen om de lijk- 
kleeden te scheuren ten einde den doode daarin te wikkelen, tenzij 
deze eene vrouw is, daar dan eene roebiali , — eene vrouw, in den 
godsdienst ervaren, — hunne plaats inneemt. Bij de begrafenis 
zelve worden in het algemeen dezelfde gebruiken in acht genomen 
als die , welken wij op Java leerden kennen. De 3 eerste dagen 
na het overlijden zijn gewijd aan de herinnering aan de over- 
ledenen; ook later, de 7de, 14cle en 40ste dag worden de gestorvenen 
op nieuw herdacht, maar het grootste doodenfeest wordt op den 
lOOsten dag gevierd. De weduwe legt dan een afscheidsbezoek af 
bij de familie van haren overleden man en gaat dan met haar naar 
zijn graf; daarna is het der weduwe weder geoorloofd te huwen , 
althans wanneer zij niet zwanger is, daar de iddah. de door den 
Islam voorgeschreven tijd van afzondering, dan geëindigd is. 

Bij het overgroot aantal Maleische volkeren , die elders in den 
Indischen archipel verspreid leven , laat ons bestek niet toe langen 
tijd stil te staan ; wij moeten er ons toe bepalen om enkele hoofd- 
punten van verschil aantegeven tusschen hen en hunne stambroe- 
ders in de Padangsche bovenlanden bestaande. Een voorname 
reden van verschil is het gevolg van het ontbi'eken van een vorsten- 
bestuur in de Bovenlanden, — iets wat ook in Bengkoelen, de 
Lampongs en Palembang het geval is. In bijna alle andere Maleische 
staatjes wordt het bestuur door vorsten uitgeoefend die, hoewel in 
hun gezag beperkt, toch nog genoeg macht bezitten om op den 
toestand der bevolking grooten invloed uitteoefenen. Merkwaardig is 
daarbij de omstandigheid dat , ofschoon deze vorsten hunne minderen 
vaak op despotische wijze regeeren, hun bestuur toch den vorm 
eener getemperde monarchie vertoont, daar zij in den regel door 
rijksraden worden terzijde gestaan , die volgens de aloude instellingen 
grooten invloed kunnen uitoefenen . en waarbij de eigenlijke volks- 
hoofden vaak een niet onbelangrijke rol spelen. Met enkelen dezer 
vorsten willen wij nader kennis maken. In Siak b. v. staat aan het 
hoofd een Sultan of Jang di pertoean besar, wien, zooals wij weten 
(p. 86), een rijksbestierder , Mangkoe boemi of Jang di pertoean 
moeda, is toegevoegd. De rijksraad bestaat daar uit de 4 orang 
besar dalem t. w. de Datoe laksamana of vlootvoogd, de Datoe djaja 
pahlawan mentara kiri en de Datoe mentaxa kanan, chefs der 



358 RIJKSRADEN. 

vorstelijke lniishniidinp; tevens wapenherauten , en de Datoe baiidar 
of bandaliara, schatbewaarder of belieerder van don liandel. luui 
viertal soekoe-hoofden maken ook deel uit van den rijksraad, dien 
de Sultan moet raadplegen over alles, wat hij wil ondernemen en 
zonder wiens toestemming hij geene zaken van gewicht kan behan- 
delen. In Riouw bestaat, tengevolge van vroeger (Deel I p. 508) 
beschreven gebeurtenissen, een zeer eigenaardige organisatie van 
het bestuur. De Sultan wordt daar ter zijde gestaan door een rijks- 
bestierder, Jang di pertoean moeda Riouw, of Radja moeda Riouw, 
uit oen Boegineesch voi'stengeslacht afkomstig, die bovendien het 
onmiddellijk gezag uitoefent over een deel der eilanden, welken het 
rijk van Riouw bevat. De verschillende eilanden worden onder het 
toezicht van den Sultan of den rijksbestierder door hoofden bestuurd. 
Het vasalstaatje Indragiri staat onder een Soetan of Jang di pertoean 
besar, wiens waardigheid in zijn geslacht erfelijk is, maar die 
gewoonlijk door de bevolking onder goedkeuring van den Sultan 
van Riouw gekozen wordt; de rijksbestierder, Soetan moeda of Jang 
di pertoean moeda, heeft daar de macht hoofdzakelijk in handen. 
Op Borneo is het gezag van den Sultan van Pontianak zoo goed 
als onbeperkt; zooals wij weten (Deel I p. 512) is hij van Arabische 
afkomst en maakt er, blijkens zijn titel van Sjerief, aanspraak op 
van den profeet Mohammed aftestammen. In Sambas zijn aan den 
Sultan zes Mantri radja's toegevoegd t. w. de Pangeran bandhara, 
schatmeester en rijksbestierder, de Pangeran pakoe negara, tweede 
rijksbestierder, de P. toemenggoeng of veldheer, de P. soema 
laga en de P. soema di laga, beide onderbevelhebbers, en de 
P. laksamana of vlootvoogd. Met deze grootwaardigheidbekleeders 
nemen een viertal volkshoofden, Kjahi's of Atsal negari, en even 
zooveel Orangkaja's of Mantri's hoeloebalaiig met den Imam of hoofd 
der geestelijken zitting in den rijksraad, die over alle zaken van 
belang beslist, terwijl de vorst niet veel meer dan voorzitter is. 
De Kjahi's hebben zelfs het recht, den troonsopvolger aantewijzen. 
In Ternate wordt de Sultan of Kolano bijgestaan door een Djo- 
goegoe of rijksbestierder, voorzitter van den rijksraad of raad 
van achttien , waarin zitting nemen de Kapitein laoet of bevel- 
hebber ter zee, en 16 volkshoofden; zonder den Raad, die tevens 
de hoogste rechtsmacht uitoefent , mogen geene belangrijke beslis- 
singen worden genomen. Merkwaardig zijn de zoogenaamde kabe- 



RIJKSSIERADEN. 359 

saran of rijkssieradeti, die de meeste Maloische vorsten en vele 
hoofden bezitten en welken met de vereeiing der vooiouders scliijnen 
samen te hangen. Zij bestaan uit allerlei, vaak zeer kostbare voor- 
werpen, maar menigmaal zijn het in onze oogen onbeteekenende zaken 
zooals de kabesaian van hoofden der Redjangers, een oude, roestige 
kris, een gebroken loop van een geweer en andere oude vodden, 
die bij eedsaflegging dienst doen. Aan de vorstenhoven te Solo en 
Djükja vindt men zeer kostbare rijkssieraden en vorstelijke erfstukken, 
die men in oepatjara's en ampilans verdeelt '). De eersten zijn de 
eigenlijke rijkssieraden; in Djokja zijn het 5 gouden doozen, in den 
vorm van dieren vervaardigd, 2 eenvoudiger bewerkte gouden doozen 
en één uit goud en zilver gemaakte lantaarn. De ampilans zijn 
waardigheidsteekenen, voorvaderlijke erfstukken, die den vorst bij 
plechtige gelegenheden achterna gedragen worden; zij zijn veel 
grooter in getal en bevatten allerlei voorwerpen, zooals een groote 
ronde zilveren trommel , die het kinderspeelgoed van den Sultan 
bevat, een gouden theepot, verscheidene wapenen enz. Ook de 
regenten en hoofden op Java hebben het recht soortgelijke voor- 
werpen, die in S. 1820. 22 en 1824. 13 zijn aangewezen, achter 
zich te laten nadragen. In sommige streken wordt de uitoefening 
der vorstelijke waardigheid onafscheidelijk verbonden geacht aan 
het bezit der rijkssieraden, zoodat de vorst, die van dezen afstand 
doet, daarmede zijn troon verbeurt. Vooral bij de Makassaren en 
Boegineezen spelen deze rijkssieraden een groote rol; wij komen 
daarop later terug. 

Ofschoon nu het gezag der volkshoofden den vorst binnen 
zekere perken heudt, strekt hunne tusschenkomst zelden of niet 
ten voordeele der lagere volksklasse, daar deze aan de willekeur 
van den vorst en der grooten en vaak ook van den adel is blootge- 
steld. De laatste bestaat in die staten hoofdzakelijk uit de leden der 
vorstelijke geslachten en uit de afstammelingen van hen, die als 
staatsbeambten of volkshoofden met een erfelijk gezag bekleed zijn, 
mits zij in geene te ver verwijderde betrekking tot dezen staan, daar 
zij zich dan vaak onder de mindere volksklassen verliezen ^). Soms 



') Voor Djokja zie Groneman. In den Kraton enz. p. 15; voor Solo Bijdr. t. t. 1. 
en vlk. N. V. II. p. 358, waar ook afbeeldingen gegeven zijn. 

■) Een andere soort van adel , de eenige welke door den Islam wordt erkend , 
is die welke op de afstamming van den profeet berust; zij, die daarop aanspraak 



3(50 EERBETOONINGEN IN DE LAMPONGS. 

worden zij door de bevolking met grooten eerbied behaiidcid; elders 
hebben zij minder invloed, zoodat zelfs de personen, in betrekkelijk 
lagen rang bij den vorst geplaatst, zooals zijne lijfeigenen die een 
soort van lijfwacht uitmaken, door haar meer worden ontzien. 
Merkwaardig zijn de eerbetooningen in de Lampongs aan hen toe- 
gekend, die het recht daartoe hebben gekocht; eerbewijzen, die 
uit den tijd der Bantamsche overheersching schijnen aftestammen. 
Zulke personen verkrijgen nl. het recht een soort van tafel te be- 
klimmen, die soms met dunne gouden of zilveren plaatjes overtrokken 
is. Een enkel hoofd, dat van vorstelijke afkomst is, heeft zelfs 
het recht zich onder een soort van troonhemel te laten ronddragen. 
Met deze eerbewijzen hangt de i)angkat samen , de titel dien elk 
Lamponger kan verkrijgen wanneer hij de karbouwen, stukken 
wit linnen , goudwerken of rijksdaalders maar geven kan , die voor 
eiken titel moeten betaald worden, en welken aan de overige adel- 
lijken worden uitgekeerd i). De Lamponger is bijzonder op dergelijke 
paiigkats gesteld, niet alleen om de eer maar ook om de inkom- 
sten, die hij daarvan hoopt te trekken door zijn aandeel in de 
voordeelen, die het verkoopen der pangkats verschaft, maar vooral 
ook omdat zij hem het recht geven een grooten bruidschat voor 
zijne dochter te vragen. Want dit is eene eigenaardigheid in het 
leven der Maleiers van Zuid-Sumatra^) , die echter ook elders wordt 
aangetroffen , dat de huwelijken er onder voorwaarden gesloten 
worden, die verschillen naarmate van den stand van bruid en 
bruigom. Algemeen in den Indischen archipel gebruikelijk is het 
huwelijk, waarbij de aanstaande echtgenoot een meer of minder 
aanzienlijken prijs aan den vader van het meisje uitkeert, en dat 
in Midden- en Zuid-Sumatra djoedjoer genoemd wordt en elders 

maken, dragen de titels van Sjerief of Sayid, en wel in vele gevallen naarmate zij 
van een der beide beroemde kleinzonen van den profeet, Hasan of Hoesein, afstammen. 
Niet altijd echter wordt die regel in acht genomen, en evenmin wordt tegenwoordig 
overal het dragen van den groenen tulband als een recht beschouwd, uitsluitend 
aan die adellijken toekomende. 

') D. W. Horst Ind. Gids 1880. I. Vooral bij de Aboengers, een volkstam in de 
Lampongs, zijn deze eerbewijzen zeer gezocht, en hebben daar meerdere hoofden het 
recht zich op een troon te laten dragen. Andere eerbewijzen zijn het recht bij feesten 
tegen een gebeeldhouwd rugsteunsel te mogen leunen, met hunne familie eene eere- 
poort doortegaan enz. De Aboengers zijn tot den Islam overgegaan, doch nog in 
vele opzichten getrouw gebleven aan de voorvaderlijke begrippen. Veth T. aardr. Gen. II. 

■) Dr. G. A. Wilken in Bijdr. t. t. 1. en vlk. Ve. vlgr. 6. 



DJOEDJOER. 361 

andere namen draagt. Daardoor treedt de vrouw geheel uit hare 
familie en wordt als het ware het eigendom van den man, die 
later in den koopprijs zijner dochters een vergoeding tracht te vinden 
voor de som, die hij voor zijne vrouw heeft betaald. De vrouw 
komt geheel in de macht van den man; eigenaardig wordt dit in 
Rawas uitgedrukt door de benaming, daar aan het djoedjoer-huwelijk 
gegeven: „de sprong van het vvitgevlekte hert". Dit hert toch houdt 
gewoonlijk verblijf m de bergen, maar daalt het bij uitzondering 
naar de vlakte af, dan blijft het daar tot het sterft. Dit is ook het 
geval met de vrouw, die voor goed hare familie verlaat, zóó zelfs, 
dat haar vader geen gezag meer over haar uitoefent, ja zelfs als 
zij door haren echtgenoot slecht wordt behandeld, niet tusschen 
beiden mag komen. Om die tusschenkomst nog mogelijk te maken 
wordt vaak dit huwelijk gesloten bij wijze van tali-koelo, waarbij 
een gedeelte van den huwelijksprijs niet betaald wordt; daardoor 
wordt de band tusschen vader en dochter niet geheel verbroken. 
Maar bij de volkomen djoedjoer is de vrouw als het ware de slavin 
van den man, en wordt zij zelfs na zijn dood het eigendom van 
zijne familie, zoodat zijne verwanten haar of zelven kunnen huwen 
of aan anderen ten huwelijk geven. Dit leidt dus in vele gevallen 
tot het bekende leviraatshuwelijk, d. w. z. het overgaan van de weduwe 
krachtens recht van erfgenaamschap op den broeder van haren over- 
leden man, dat ook op Zuid-Sumatra wordt aangetroffen en daar „van 
mat verwisselen" genoemd wordt. Soms krijgt zelfs de stiefzoon zijne 
stiefmoeder ten huwelijk. Hier en daar kan de weduwe echter deze 
huwelijken afkoopen. Het huwelijk bij wijze van djoedjoer heeft 
ook nog andere gevolgen. Daar waar, zooals in de Lampongs en 
in Bengkoelen, de huwelijksprijs zeer hoog is, — soms f 1000 tot 
f 2000 voor de dochter van een aanzienlijk hoofd, — wordt het 
huwelijk vaak gesloten, zonder dat de bruigom in staat is die som te 
betalen. In dat geval neemt hij aan bij zijne schoonouders te werken 
en bij hen te blijven, totdat de schuld is afgedaan; hij en zijne 
kinderen komen dan in pandelingschap bij de ouders zijner vrouw en 
blijven daarin , totdat de schuld is afgedaan , — niet zelden eerst uit 
den koopprijs der dochters, geboren uit het gesloten huwelijk. Wanneer 
zulke hooge koopprijzen gevorderd worden, werkt de djoedjoer het 
sluiten van huwelijken tegen en daarom hebben de Nederlandsche 
ambtenaren vaak getracht, dit tegentegaan. Bij het djoedjoer-huwelijk 



3Ö2 AMBIL-ANAK. 

zijn do kindiMcii nitsliiitfiiil in de macht van d«ni man pn behooren 
tot zijne familie. 

Een tweede vorm vuii huwelijk, ook op Sumatra bekend, is 
het semendo-ambil-anak , waarbij juist het tegenovergestelde [ilaats 
heeft. De man betaalt daarbij niets voor de vrouw, maar daaren- 
tegen verlaat hij dan ook zijne familie en komt bij zijne vrouw 
inwonen, terwijl de kinderen uit het huwelijk tot de familie der 
vrouw behooren. Soms wordt deze wijze van huwelijk gevolgd als 
de man niet in staat is den bruidsprijs te voldoen; betaalt hij dezen, 
dan volgt zijne vrouw hem naar zijne familie. Maar vaak is dit 
ambil-anak het gevolg van de omstandigheid, dat er slechts viouwe- 
lijke afstammelingen in een gezin zijn. Wanneer het djoedjoer- 
huwelijk gesloten werd zou het gezin uitsterven en daarmede de 
erfelijke waardigheden vervallen , aan dat gezin toekomende. Bij het 
huwelijk arabil-anak is dit niet het geval en wordt het gezin door 
de vrouw in stand gehouden die zoodoende „het gezin stut of over- 
eind houdt." De echtgenoot bekleedt dan een geheel ondergeschikte 
stelling; de kindeien behooren in den regel aan de moeder. Hier 
en daar, o. a. bij de Makassaren en Boegineezen, is de zoogen. 
kinderverdeeling in zwang en worden de kinderen gelijkelijk onder 
de ouders verdeeld. Een ander soort van huwelijk is dat, wat wel 
semendo beradat genoemd wordt, en waai'bij de echtgenooten onge- 
veer gelijke rechten verkrijgen, de kinderen aan beiden behooren 
en slechts een kleine huwelijksgift, antaran, gegeven wordt, die 
naar den stand van het meisje geregeld wordt. 

Eindelijk moeten wij nog de aandacht vestigen op een bijzon- 
deren vorm van huwelijksvoltrekking, de schaking'). Hiermede 
bedoelen wij niet zoozeer het rooven der vrouw, — hetzij met, 
hetzij zonder hare toestemming, — als middel om tegen den zin 
der ouders het meisje , dat men begeert , tot vrouw te nemen. 
Dit komt ook vrij veelvuldig in den Indischen archipel voor. Maar 
wij hebben hier het oog op de voorgewende schaking, die slechts 
een gedeelte der huwelijksplechtigheden uitmaakt, zooals in de 
Lampongs, waar vaak, nadat de ouders der jongelieden in het 
huwelijk hebben toegestemd, de bruigom het meisje rooft en in 
zijn huis verbergt; daarna komen de ouders van de bruid met eene 



») Dr. G. A. Wilken. Biidr. t. t. 1. en vlk. Ve volgr. I. 



VORSTEN-BESTUUR IN ZUID-CELEBES. 363 

gewapende bende hunne dochter opvorderen, doch worden door de 
ingezetenen van het dorp van den bruigom eveneens gewapend 
ontvangen en eerst na een hanengevecht en tornooi, — dat echter 
steeds ten gunste van den bruigom afloopt, — mag het huwelijk 
doorgaan. Dat men hierin een overblijfsel heeft te zien van de 
zoogen. exogamie is wel waarschijnlijk ; over dit punt en voor 
meerdere bijzonderheden moeten wij naar de geschriften van prof. 
Wilken verwijzen, daar ons bestek ons niet veroorlooft, langer bij 
dit onderwerp stil te staan. 

Aan twee der meest belangrijke volkeren van den Indischen 
archipel, de Boegineezen en Makassaren, moeten wij echter nog 
eenige woorden wijden '). Vroeger merkten wij reeds op, dat het 
despotisch vorstenbestuur, 't geen daar gevonden wordt, eenen 
hoogst ongunstigen invloed op de bevolking uitoefent. Niet dat de 
vorst geheel onafhankelijk in zijn bestuur zou zijn; integendeel, 
ook in de meeste staten van Celebes is hij door een meer of min 
groot getal rijksgrooten in zijne macht beperkt, maar deze breidel 
strekt in den regel niet in het belang der bevolking. Het leenstelsel 
heerscht er op uitgebreide schaal ; maar even als dit in Europa in 
de middeleeuwen geruimen tijd het geval was, is ook op Celebes 
de invloed van den leenheer gewoonlijk viij gering en genieten de 
leenmannen , paseadjingangs of palili's ^) , eene vrij groote onaf- 
hankelijkheid, zoodat zij slechts verplicht zijn hunnen leenheer in 
den strijd bij te staan, hem bij plechtige gelegenheden hunne 
opwachting te maken en enkele opbrengsten uit te keeren bij het 
bouwen eener vorstelijke woning. Valt het leenroerige rijk in banden 
eener vrouw, — iets dat niet zelden voorkomt, — dan moet de 
leenvorst zijne toestemming tot haar huwelijk verleenen. Voor het 
overige is de vasal heer en meester in zijn rijk, en kan hij zelfs 
zonder toestemming van den vorst oorlog verklaren. Dikwijls zijn 
deze leenen weder in achterleenen gesplitst, en zoodoende ontstaat 
eene overgroote menigte vorsten , die een geweldig bezwaar A'oor 
de bevolking zijn, welke op allerlei wijze wordt uitgezogen, zoodat 
zij zelfs niet zeker is te oogsten, wat zij zaait en daardoor zich 



') Dr. B. F. Matthes. Bijdr. t. d. ethnologie v. Zuid-Celebes. 'sGrav. -1875. 
') De eerstgenoemden zijn bloedverwanten van den vorst; de palili's zijn bestuur- 
ders van vroeger onafhankelijke rijken, die bij het hoofdrijk werden ingelijfd. 



364 VOUSTEN-BESTUUR IN ZUin-CELERES. 

weinig op den landbouw toelegt. Als een süiallje van de willekeur 
der vorsten dcelen wij mede, dat liet een Boeginees van geringe 
geboorte niet geoorloofd is om een zeker symbool, uit een omge- 
keerd rijstpotje met witte strepen van kalk Ijestaande, voor zijne 
woning te hangen; deed hij het toch, 't zou hem vooral in Boni 
allicht het leven kosten! Aan het leven van een mensch wordt 
bij die volkeren trouwens niet veel gehecht. Een der weinige uit- 
zonderingen op den regel , dat in de Buitenbezittingen geene danse- 
ressen van beroep, zooals de ronggengs op Java, worden aange- 
troffen, vindt men bij de Makassaren en Boegineezen. Ieder man 
mag met de danseressen tegen betaling dansen; loopt nu een 
Inlander door de dansenden heen dan is dit een schending van 
den adat en mag de danser hem met een kris afmaken. Niet alleen 
aan de willekeur der vorsten is de mindere man overgegeven ; ook 
de leden der vorstelijke familie, anakaraengs, en de adellijken met 
hunne volgelingen wedijveren hierin met de vorsten, zoodat de 
mindere man wel genoodzaakt is zich onder de bescherming der 
aanzienlijken te plaatsen om althans tegen aanslagen van anderen 
beschermd te worden. 

Als voorbeeld van den gewonen vorm van bestuur moge Boni 
dienen, waar een vorst of vorstin aan het hoofd staat, die den titel 
van Aroe draagt, welke door de Boegineezen ook aan niet regee- 
rende vorsten gegeven wordt, teiwijl de regeerende vorst Aroe of 
Paetta mangkau genoemd wordt, en de titels in het Makassaarsch , 
met dezelfde onderscheiding, Karaëng en Karaëng magau zijn. De 
vorst wordt in Boni door eenen To-marilalang (dé persoon die 
in de binnenkamer is) of rijksbestierder bijgestaan en door een 
raad van Aroe pitoe, zeven vorsten of erfelijke kiesheeren, die den 
rijksraad vormen , in zijne macht beperkt. Een zeker aantal soero's 
of zendelingen, onder eenen djematongaeng geplaatst, brengen de 
bevelen van den vorst naar de vei'wijderde districten over. Een 
honderdtal administrateurs waken voor de belangen van den vorst; 
onder hen bekleedt de Sjahbandar een voorname plaats. De leden 
van den rijksraad kiezen den vorst en den rijksbestierder; de 
keuze moet echter door het Gouvernement worden bekrachtigd, 
dat ook het recht heeft beide personen af te zetten op voordracht 
van den rijksraad. Een dergelijke bestuursvorm bestaat ook in 
de vijf staatjes, die het bondgenootschap van Adja tapparang 



VOnSTKN-BESTUUR IN ZUin-CELEBES. 305 

uitmaken '). Hier rogeeren devorsten eveneens met een rijksraad die 
uit verschillende hoofden is samengesteld. Zeer eigenaardip; is het, 
dat somwijlen een der genoemde vorsten zijn eigen rijk bestuurt 
en tegelijkertijd in een ander land de een of andere betrekking 
bekleedt. Zoo was de vorst van Sidenreng in 1824 kiesheer te Sop- 
peng en wel een der groote kiesheeren, die altijd van vorstelijken 
bloede moeten zijn en recht op de troonsopvolging hebben. In 1809 
bekleedde de rijksbestierder van Sidenreng de betrekking van Aroe 
matowa of voorzittend vorst in het aristocratische gemeenebest Wadjo, 
ofschoon hij zich weinig aan die betrekking liet gelegen liggen en 
zoodoende zijnen broeder, den vorst van Sidenreng, gelegenheid 
gaf, onbehoorlijken invloed in Wadjo uit te oefenen. Dit bondge- 
nootschap wordt door eenen Raad van 40 vorsten bestuurd, die 
echter slechts bij gewichtige zaken te samen komen , zooals bij het 
verklaren van oorlog, het kiezen van den voorzitter enz. De Aroe 
Matowa oefent met een zestal dier vorsten de uitvoerende macht 
uit. De groote mate van onafhankelijkheid, die het Nederlandsche 
Gouvernement aan deze vorsten laat, strekt geenszins ter bevor- 
dering van een rechtvaardig en goed bestuur en van een ruime 
ontwikkeling der bronnen van welvaart, die op Celebes aanwezig 
zijn. Dit zal ons niet verwonderen, wanneer wij vernemen dat de 
opvoeding der grooten en aanzienlijken zich bepaalt tot het onder- 
richt in den Koran of in de Arabische gebeden, terwijl het daarbij 
nog hoogst zelden gebeurt dat de leerling lang genoeg ter school 
gegaan is, om hierin volleerd te zijn. Wat het lezen der moeder- 
taal betreft, daarin wordt zelfs bij de vo7'sten geen geregeld onder- 
richt gegeven, zoodat men dit, zegt Matthes, zoowat spelenderwijze 
aanleert; vandaar dat velen er letterlijk niets van verstaan. En 
buiten hunne eigen taal kennen zij ook geene andere, zoodat het 
gewone hulpmiddel in den omgang met de hoofden, het Maleisch, 
aan onze ambtenaren zoo goed als geen dienst bewijst. Hetzelfde 
vindt men in de Gouvernementslanden op Zuid-Celebes terug, waar 
trouwens de oude bondgenootschappen en het vorstenbestuur, zij 
het ook met andere namen en onder de, uit den aard der zaak 
weinig krachtige leiding van ons bestuur, nog in hoofdzaak bestaan '). 



1) V. Braam Morris. T. B. G. XXXVI. 

2) P. J. Kooreman in Ind. Gid»J883. 



3G6 ORNAMENTEN. 

Een eiponaardige rol spolon bij deze vorsten de rijkssieraden, 
gewoonlijk ornauicriten gonoeind , die het voorwerp eericr bijge- 
loovige hulde der bevolking uitmaken, terwijl afzonderlijke prieste- 
ressen, pinati's, den diciist daarbij waarnemen.') Zij worden bewaard 
in de woidngen der vorsten , regenten of hoofden , die dan ook ge- 
woonlijk ornaments-buizen genoemd vvoiden, en wel op den zolder 
in een alzonderlijk kamertje of miniatuur-huisje, behangen meteen 
gordijn van verschillend gekleurd katoen. Aan die ornamenten 
worden in geval van i-ampen enz. offers gebracht en feesten gegeven '), 
geloften worden daarbij afgelegd , ja zelfs hebben die ornamenten 
hunne eigen gronden , die niet mogen worden vervreemd , terwijl 
het vruchtgebruik daarvan aan de vorsten en hoofden volgens de 
bestaande gebruiken toekomt. Het spreekt dan ook wel van zelf dat 
de hoofden er naar streven die ornaments-velden , die ook ben ver- 
rijken, zooveel mogelijk uittebreiden, waaibij aan willekeur ruim spel 
is gelaten. Want terwijl gronden, waarvan de gebruikers niet aan 
hunne verplichtingen voldoen, dan wel voortvluchtig zijn of zonder 
erfgenamen overlijden, aan een lid van het district, en bij voorkeur 
aan een familielid van die gebruikers, moeten worden uitgegeven, zijn 
zij thans dikwijls het middel om het ornament, en dus ook de hoofden 
te verrijken. Zij, die zich tegen bevelen der hoofden verzetten, ver- 
loren op dezelfde wijze hunne gronden, ja zij werden zelfs ornarnents- 
slaven , althans vóór de invoering van het Gouvernementsbestuur. De 
slavernij bestaat overigens nog in Zuid-Celebes en zelfs in de Gou- 
vernementslanden ; de daarop betrekking hebbende algemeene veror- 
deningen (S. 1875. 140. 287) hebben echter de strekking haar door het 
aanleggen van registers en door de bepaling, dat overgang van slaven 
alleen door erfopvolging geschiedt, te beperken als voorbereiding tot 
eene geheele afschaffing dezer mensch-onteerende instelling. 



1) De heer Kooreraan onderscheidt onder de gewone ornamenten den gankang, 
een of ander vreemdsoortig voorwerp, een steen, stuk liout enz., dat op eene ge- 
heimzinnige wijze gevonden zou zijn op de plek, die de bakermat van het rijkje zou 
zijn geweest, en oorspronkelijk het vereerde voorwerp was. De vereering ging van 
dat voorwerp over op de andere ornamenten, die het vroeger slechts waren toe- 
gevoegd, wat noodig was daar men aan den gankang menschelijke behoeften toekende. 
Onder de meest bekende ornamenten behoort de Kaïaëng lowe van Gantarang keke, 
in welks vereering men wel eens een overblijfsel van den Siwa-dienst heeft gezien. 
Zie Med. N. Zend. IX p. 75 vlg. 289 vgl. 

") Een beschrijving van een dergelijk feest is te vinden Med. N. Zend. XIX. 



bissoe's. 367 

Moet de verecring der ornamenten waarschijnlijk wel in verband 
gebracht worden met liet i'etisisme, — een der vormen waaiin de 
vereering der geesten zich openbaai't, — ook in vele andere opzicbten 
vindt men de sporen dier vereering bij Makassaren en Boegineezen 
terug, welke trouwens, zooals wij weten, in dit o|)zicht niet veel 
van andere Moslemsche stammen in den archipel verschillen. Maar 
wel is het opmerkelijk dat die Moslemsche Makassaren en Boegi- 
neezen een college van priesters erkeinien en eerbiedigen, dat aan 
de vereering der geesten gewijd is en bunnen eeredienst met mede- 
werking van de groote meerderheid der bevolking uitoefent. Het 
zijn de Bissoe's i), priesters en priesteressen aan den dienst van 
Batara goeroe en zijne gemalin We-njili-timo gewijd en meestal uit 
het Boegineesche rijk Loewoe afkomstig, en die tot de zoogen. 
Sjamanen behooren. Onder dezen verstaat men personen welken 
door den een of anderen geest, die hen tot woning heeft uitgekozen, 
bezield zijn, en door deze over de toekomst worden ingelicht, voor- 
lichting krijgen omtrent de genezing van ziekten enz. Niet voort- 
durend huist de geest in zulk een persoon ; om deze tot dien staat 
te brengen en dus ook te maken dat de geest door den bezetene 
spreekt, worden allerlei middelen aangewend: branden van wierook, 
gezang, muziek en dans ; soms ook bedwelmende middelen. De Bissoe's, 
mannen zoowel als vrouwen , genieten het grootste vertrouwen van 
de bevolking en worden zelfs tot de binnenvertrekken der jonge 
prinsessen toegelaten ; de mannelijke priesters hebben dan ook de 
vrouwelijke kleeding aangenomen en bootsen vrouwelijke manieren 
na, zoodat zij, volgens de uitdrukking van den heer Matthes, iets 
walgelijks over zich hebben, vooral ook door eene soort van gemeen- 
zaamheid, die men ongaarne bij mannen aantreft. Behalve de 
uitoefening der geneeskunst bepalen hunne werkzaamheden zich 
hoofdzakelijk tot het aanleggen en regelen van feesten, natuurlijk 
op kosten van anderen, die zij op allerlei wijzen daartoe weten 
over te halen, vooral ook door partij te trekken van het bijgeloof 



') Dr. B. F. Matthes. Letterk. verh. der Kon. Akademie van wetensch. VII. Ook 
elders vindt men in den Ind. archipel sporen van Sjamanisme, zonder echter zulk 
een geordend priestei'college aantetreffen. Merkwaardig is het dat de eeredienst der 
Bissoe's onder de talrijke Boegineezen te Samarinda (Koetei) door den invloed van 
den streng-Moslenischen Pangeran Bandahara geheel in onbruik geraakt is. Bijdr, 
t. t. 1. en vlk. Ve volgr. 2. p. 193. 



368 nissoF.'s. 

van den Roeginees en door bedreigingen met den goddelijken toorn. 
Zijn zij in grootcn getale in een plaats aanwezig, dan vereeriigen 
zij zich tot een college, aan welks hoofd de poewa-matowa of oude 
heer staat, die soms door den poewa-lolo wordt vervangen. Eenaantal 
geree'dschappen , en vooral duivelhaMiiers van allerlei gedaanten, 
zijn bij de leesten tot het inwijden van een Bissoe noodig, terwijl 
ook de woning van hem, die het feest geeft, daartoe geheel moet 
worden ingericht. Behalve een afgeschutte plaats voor het orkest, 
dat meestal slechts uit trommen en een gong bestaat, vindt men 
er een trap, uit weversspoelen gemaakt, voor de geesten om naar 
beneden te klimmen, een slaapkamer eveneens voor de geesten 
bestemd en een kamertje, uit bamboe bestaande, van onderen met 
doek overspannen en van boven met een wit linnen behangsel 
voorzien. Een aantal voorwerpen, te veel om op te noemen, zijn 
in dit gebouwtje nedergezet of worden aan de stijlen gehangen ; 
merkwaardig is het zoogenaamde bosch, dat uit een aantal bladeren 
en takken , soms ook dunne stammen van zekere boomen en planten 
bestaat en om den middelpaal is vastgebonden. Een viertal potten 
met gewijd water treft men bovendien in het kamertje aan. Het 
feest vangt gewoonlijk hiermede aan, dat men zich netjes aange- 
kleed aan den ingang van de slaapkamers der geesten plaatst en 
een tweetal zangen opdreunt. Daarna begeeft de poewa-matowa 
zich in bet heiligdom om het te bewierooken en door het slingeren 
van de armbanden, die in het midden der kamer hangen, de geesten 
wakker te schudden, terwijl de andere Bissoe's allerlei dansen uit- 
voeren en zingen. Eene herhaling van den zang heeft bij het 
beschreven kamertje plaats; daarbij wordt hulde gebracht aan de 
onderscheidene boomsoorten, het badwater en de muziekinstru- 
menten, flij of zij , die tot Bissoe gewijd zal worden , ondergaat 
een soort van bad, waardoor de nieuweling, zegt men, op eens 
nederstort en als een lijk blijft liggen. Aan neus, n^vel en voeten 
worden dan vischhaken vast gehecht, om te voorkomen dat de 
levengeest de aarde ontvliede en het lichaam wordt met fijn lijn- 
waad bedekt. Dagen lang blijft hij in dien toestand; naar 't heet 
vertoeft hij in hooge sfeeren. Maar om hem het aardsche niet te 
doen vergeten, wordt hij ten slotte voor 3 dagen en nachten, in 
een soort van mat gewikkeld, te water gelaten, waarin hij onder 
oorverdoovende muziek op zee bij het strand blijft ronddrijven. 



MAKASSAARSCHE EN BOEGINEESCHE KAMPONGS. 369 

Het feest eindigt met een maal om den nieuwen bissoe weder 
krachten te geven, maar, zooals wel te begrijpen is, laten ook de 
vroeger ingewijden zich daarbij niet onbetuigd. Het zou ons te ver 
voeren, indien wij de andere godsdienstige feesten der bissoe's 
beschreven ; het zij dus voldoende hier mede te deelen , dat der- 
gelijke plechtigheden gevierd worden zoowel bij het vervullen van 
eene belofte, als om een vorst te huldigen, ja zelfs om den be- 
schermgeest op te sporen van hem, die het feest geeft. 

Een Boegineesche of Makassaarsche kampong maakt geen aan- 
genaraen indruk. De huizen, die er meestal smerig en verwaarloosd 
uitzien, zijn op palen hoog boven den grond gebouwd; de ruimte 
daaronder dient deels voor bergplaats en paardenstal, gedeeltelijk 
echter voor mesthoop, zoodat het verblijf binnen de daarboven 
gelegen woning niet zeer aangenaam is, en evenmin zonder gevaar 
daar het niet zelden gebeurt dat de een of andere vijand van een 
der huisgenooten 's nachts onder den vloer sluipt om, na te hebben 
onderzocht waar deze slaapt, hem met zijn piek een doodelijke wonde 
toetebrengen. Hier en daar vindt men tusschen de woningen de 
karbouwen-kralen, niet veel meer dan modderpoelen door eene ruwe 
omheining afgesloten. Boomen, die aan verschillende eigenaars be- 
hooren, maar ordeloos door elkaar geplant zijn, beschaduwen de 
woningen; onkruid en struikgewas groeit overigens overal welig. 
Wegens den weinig veiligen toestand die in velen der Makassaar- 
sche en Boegineesche landen heerscht, zijn de meeste huizen met 
omheiningen van levende en doode takken, oude gespleten bamboe 
enz. omgeven, welke als versperringen dienst doen, doch als dezen 
niet noodig zijn, — dat is als de controleur of regent de kampong 
bezoekt, — worden uitgekapt, maar weder hersteld worden als die 
periode van rust voorbij is. 

In hunne kleeding onderscheiden de besproken volkeren zich 
eenigszins van de Maleiers. Zij bestaat hoofdzakelijk uit een openhan- 
gend katoenen buis, een korte broek, die tot boven de knie reikt 
en een sarong, die men los om het lijf slingert en waarmede men 
in het bijzijn zijner meerderen den knop van de kris omwoelt. Aan 
den buikband hangt een rood zakje, waarin de Makassaar zijne 
duiten, sirih enz. bewaart. Bij aanzienlijken wordt deze kleeding 
dikwijls door een lange zijden broek vervangen en door een zijden 
badjoe, een gordel met gouden borduarsel en een sarong, die 
II. 24 



370 DE ATJEIIERS. 

schittert van den glans, welke men er op heeft aangebracht. De 
^vrouwen dragen sarong en badjoe; de laatste is bij huwbare meisjes 
soms van een doorzichtige stof. Meer aanzienlijke vrouwen dragen 
lange kabaaien met mannenmouwen, die boven de polsen met 
gouden knoojijes worden vastgemaakt, terwijl de sarong met een 
gouden of zilveren gordel wordt opgehouden. De kinderen loopen 
in den regel naakt, maar zijn met gouden of andere muntstukken 
en bij rijkeren met ringen opgesmukt. 

Reeds vroeger (Dl I 328, II 209) vestigden wij de aandacht 
onzer lezers op de groote neiging, die de Boegineezen voor de 
zeevaart aan den dag leggen. In dit opzicht is vooral merkwaardig 
het bovengenoemde wetboek van 1076, dat door Dr. Matthes ver- 
taald is en waarin met groote zorgvuldigheid allerlei voorschriften 
gegeven worden omtrent gevallen , die in den handel en zeevaart 
voorkomen, en o. a. omtrent de verhouding tusscben reedeis, schip- 
pers, bemanning en passagiers zeer eigenaardige bepalingen voor- 
komen, welken bewijzen dat reeds toen ter tijde de scheepvaart 
der Boegineezen groote ontwikkeling had verkregen. Op tal van 
plaatsen in den archipel zijn Boegineesche kolonisten gevestigd. 

Waar wij thans nog het een en ander omtrent de Atjehers in 
het midden brengen, moeten wij ons bepalen tot de mededeeling 
van enkele eigenaardigheden in hun volksleven, terwijl wij voor 
verdere bijzonderheden naar het standaardwerk van Dr. S. Hurgronje 
verwijzen ^). Wij vangen daartoe aan met de mededeeling van een 
en ander, dat betrekking heeft op het huwelijk bij de Atjehers; de 
gebruiken bij de geboorte en tijdens de eerste levensjaren van de 
Atjehers vertoonen niet zulke belangrijke afwijkingen van datgene, 
wat wij elders bij de Moslemen in den archipel waarnamen, dat het 
noodig zou zijn daarop de bijzondere aandacht van onze lezers te 
vestigen. Een eigenaardigheid, bij de bevalling voorkomende, mag 
echter niet onvermeld blijven; zoo spoedig mogelijk na de verlos- 
sing wordt de moeder gedurende 44 dagen op een bank boven 



') Dr. C. Snoiick Hurgronje. De Atjehers. Bat. Leiden 1893, welk werk de 
hoofdbron is voor de. boven medegedeelde bijzonderheden. Tot heden verscheen slechts 
het eerste deel. Het werk van Dr. J. Jacobs «Het familie- en kampongleven op groot 
Atjeh" Leiden 1894, dat belangrijke bijzonderheden bevat, zag even vóór het afdruk- 
ken der volgende bladzijden het licht en kon dus nog geraadpleegd worden. 



HUWELIJK BIJ DE ATJEHERS. 371 

een oven gelegd waarin gestadig vuur wordt onderhouden. Naar 
het schijnt dient dit gebruik, — dat voor de vrouw, die haren 
dorst zelfs niet met water mag stillen, een zwaar lijden tengevolge 
heeft, — om de opeenhooping van vochten in haar lichaam te voor- 
komen; een dergelijke gewoonte bestaat ook in het vermoedelijke 
stamland der Maleiers, Achter-Indië ^). De hakikah , het offer voor 
het kind, door den Islam aanbevolen, dat liefst op den zevenden 
dag na de geboorte moet worden gebracht en op Java onder den 
naam kékah bekend is (p. 248j, is ook in Atjeh gebruikelijk; de 
besnijdenis, ook der meisjes, heeft gewoonlijk zonder plechtigheid 
plaats, terwijl het vijlen der tanden bij de Atjehers veel minder 
voorkomt dan bij de volken, die wij reeds leerden kennen. De 
eerste aanraking van het kind met den grond wordt ook in Atjeh 
op feestelijke wijze gevierd. 

Het huwelijk der Atjehsche meisjes valt in den regel met de 
kinderjaren samen. Terwijl het ook elders, b. v. op Java, geene 
zeldzaamheid is, dat kinderen op jeugdigen leeftijd aan elkander 
worden uitgehuwelijkt, maar de feitelijke voltrekking dan tot later 
wordt uitgesteld, huwen in Atjeh de meisjes niet zelden reeds als 
zij 8 a '10 jaar oud zijn en worden dan aan hare echtgenooten 
overgegeven. De mannen huwen eerst als zij 16 jaar of ouder zijn; 
de aanvrage tot het huwelijk gaat van den aanstaanden^ echtgenoot 
uit, doch in den regel niet dan nadat er te voren vertrouwelijke 
besprekingen tusschen de wederzijdsche ouders hebben plaats gehad. 
Ook in Atjeh wordt gewoonlijk een tusschenpersoon met het aanzoek 
belast; berekeningen of het huwelijk tusschen bepaalde personen 
gelukkig zal zijn en welke dagen voor de handelingen, daarop 
betrekkelijk, moeten worden uitgekozen, ontbreken ook onder de 
Atjehers niet. Evenals in de Padangsche bovenlanden wordt in 
Atjeh een verlovingsgeschenk gegeven , dat de bruid behouden mag 
wanneer het huwelijk buiten hare schuld niet doorgaat. De vader 
der bruid, die zonder geldige reden zijn woord breekt, moet een 
zware boete betalen, terwijl de tanda steeds moet worden terug- 
gegeven wanneer het voorgenomen huwelijk tengevolge van de 
schuld der bruid niet wordt voltrokken. Behalve de naaste familie- 
leden, die hier even goed als elders bij het huwelijk betrokken zijn, 



') G. K. Niemann. Bijdr. t. t. 1. en vlk. Ve vlgr. VI p. 36. 



3?2 HUWELIJK BIJ DE ATJEHERS. 

oefenon in Atjeh diuireriboven de dorpslioofilen vaak een grooten 
invluüd uit op het al of niet tot stand i<onien van een huwelijk. 
Dit hangt samen met eene eigenaardigheid in het Atjehsche volks- 
leven, waarin nog de sporen van een vroeger matriarchaat zicht- 
baar zijn. In stede dat de vrouw haren man volgt, blijft zij ook 
na haar huwelijk in de kampong, waar zij te voren tehuis behoorde; 
in de woning harer moeder wordt een vertrek ter harer beschik- 
king gesteld of des noods aangebouwd; soms wordt wel een afzon- 
derlijke woning in de kampong aan haar gegeven. Hier komt haar 
echtgenoot haar meer of minder getrouw bezoeken; hij blijft echter 
behooren tot de kampong zijner moeder, en wanneer hij daar ver- 
toeft, houdt hij er niet de ongehuwde mannen verblijf in het bedehuis, 
de minasah of binasah. Slechts zelden wordt van dien regel afge- 
weken; dit komt nog het irieest voor bij Oeleebalangs of ketjiks, 
die hunne vrouwen naar huinie kampong brengen, daar zij deze 
niet voor langen tijd kunnen verlaten. 

Terwijl dus in dit opzicht groote overeenkomst heerscht met 
datgene, wat wij onder de Maleiers in de Padangsche bovenlanden 
waarnamen, is echter in Atjeh de familie in den meest uitgebreiden 
zin, de Kaoem^), samengesteld uit de afstammelingen van één man 
in de mannelijke lijn, en berust zij niet, zooals in die Bovenlanden, 
op de afstamming van eene gemeenschappelijke moeder. Maar de 
adat brengt niet alleen mede, dat de Atjehsche vrouw in de 
kampong harer moeder blijft, — ook het onderhoud van het jonge 
huisgezin is voor rekening van de ouders der vrouw, en dat wel 
voor langer of korter tijd naarmate van het bedrag der bruidschat, 
door den echtgenoot uitgekeerd. De echtgenoot is wel verplicht in 
dien tijd zekere geschenken aan zijne vrouw te geven, die voor 
een deel bijna kunnen beschouwd worden als kostgeld voor de J O a 15 



') De mededeeling omtrent het ontstaan der 4 Kaoems, vroeger (p. 91) gegeven, 
schijnt minder juist (S. Hurgronje p. 51). De vroeger gevolgde adat, dat huwehjken 
tusschen leden der Kaoem Imam pet en van de 3 overige Kaoems verboden waren, 
•wordt thans niet meer gehandhaafd , 't geen soms tot groote bezwaren aanleiding 
geeft als deze Kaoem vijandelijk tegen een der anderen optreedt. Dit laatste kan 
licht voorkomen, omdat in zaken van bloedwraak de leden eener Kaoem solidair 
met elkander verbonden zijn en daardoor 2 stammen soms geriiimen tijd op voet 
van oorlog met elkander geraken. Zooals bekend is wonen thans de leden eener 
Kaoem door elkander in dezelfde kampong ; volgens Dr. Jacobs zouden verscheidene 
Atjehers niet meer weten tot welke Kaoem zij behooren. 



SCHOONOUDERS EN SCHOONZOON, 373 

dagen in de maand, die hij bij haar doorbrengt, maar overigens 
is hij van alle bijdragen in de onkosten van zijn gezin ontslagen, 
totdat die periode voorbij is. Daaina wordt de vrouw aan zijne 
zorgen overgedragen; zonder veel formaliteiten als zij wees is, doch 
met groote plechtigheid als zij haren vader of moeder nog bezit. 
Gedurende die periode heeft de man noch de vrouw bij overlijden 
van hunne wederhelft aanspraak op een aandeel in de nalatenschap. 
De weduwnaar krijgt in dat geval slechts de helft van den gegeven 
bruidschat terug, tenzij hij met een zuster of zeer na bestaande 
bloedverwante van de overledene huwt; de weduwe ontvangt eene 
geldsom , gelijkstaande aan de helft van haren bruidschat. Waar nu 
de kosten van het huisgezin door de ouders der vrouw gedragen 
worden, zou men allicht denken dat tusschen hen en hunnen 
schoonzoon een vertrouwelijke verhouding zou bestaan. Het tegendeel 
is echter het geval. Reeds tijdens de verloving mogen noch de 
bruidegom, noch zijne ouders de woning der bruid betreden; ook 
daarna geldt alle verkeer tusschen schoonzoon en schoonouders als 
onbetamelijk. „Schoonzoon en schoonvader vermijden eikaars tegen- 
woordigheid als de pest, en waar het noodlot hen op dezelfde plaats 
brengt wenden zij de blikken van elkander af. Mocht eenig gesprek 
tusschen hen onvermijdelijk worden dan geschiedt dit door tusschen- 
komst van een derde, tot wien beiden het woord richten. Wanneer 
de schoonzoon zijn vrouw bezoekt, bemerkt hij van hare familie 
niets, ook al blijft hij maanden, ja jaren in hetzelfde huis. Na 
elke afwezigheid kondigt hij zijn terugkeer door luid en langdurig 
kuchen aan , opdat men tijd hebbe , zich uit de voeten te maken. 
In een goed gezin is dit gekuch de eenige hoorbare gedachten- 
wisseling tusschen de ouders der vrouw en haren man!" Bij de 
beide groote Moslemsche feesten ontvangt de man geschenken van 
zijne vrouw; dan zorgen zijne schoonouders in den gang te zijn als 
hij uitgaat, om hem gelegenheid te geven hun in der ijl zijnen 
eerbiedigen groet te brengen. Terwijl dus de verplichting tot onder- 
houd geenszins bijdraagt tot eene vertrouwelijke verhouding tusschen 
schoonouders en schoonzoon, heeft zij echter dit goede gevolg, dat 
verstooting van de vrouw betrekkelijk zelden in Atjeh voorkomt, 
en dat ook de echtgenoot daardoor vaak weerhouden wordt om eene 
tweede vrouw te nemen. Voor het feit dat vele Atjehers zich met 
één wettige vrouw tevreden stellen, worden echter ook andere. 



374 DE KETJIllIK (dorpshoofd). 

afkeurcnswaaidige redenen opgegeven: de gemakkelijkheid om ook 
buiten huwelijk betrekkingen aanteknoopen en eeno vrij algemeen 
verspreide volkszonde bij de Atjehers, waarbij de sedati's of dans- 
jongens een hoofdrol spelen '). Omgang buiten den echt met slavin- 
nen komt nog hier en daar, vooral bij hoofden voor, terwijl ook 
wel bijzitten boven het geoorloofde getal vrouwen worden onder- 
houden. Over het algemeen genomen is echter de stelling der 
vrouw in Atjeh eerie betrekkelijk vrij hooge ; vrouwen-regeeringen 
kwamen ook in onze dagen in de onderhoorigheden wel voor, en 
ook bij vrouwen, die niet tot de voorname familiën behooren, treft 
men, volgens het getuigenis van Dr. S. Hurgronje mee.stal groote 
vrijmoedigheid en, voor zoover de Atjehsche gezichtskring reikt, 
zaakkennis en gezond verstand aan. 

In datgene, wat hier in het midden is gebracht, ligt de reden 
van de gewoonte, dat het dorpshoofd invloed uitoefent op het al of 
niet tot stand komen van een huwelijk. Ongaarne toch ziet men 
dat een jongen uit een weinig bevolkte kampong buiten zijne 
woonplaats huwt, terwijl men het daarentegen goedkeurt als een 
meisje een man van elders krijgt, omdat dan de kinderen uit zulk 
een huwelijk „beschouwd kunnen worden als hoornen, door vreemden 
geplant, maar waarvan men zelf het uitsluitend genot en voordeel 
heeft." Het dorpshoofd, de ketjihik of ketjik, tracht dan ook het huwe- 
lijk van zijne mannelijke onderhoorigen buiten de kampong zooveel 
mogelijk te keeren; zijn raad heeft daarbij grooten invloed, evenals 
bij echtscheiding, opvoeding van vader- of moederlooze kinderen 
enz., en niet licht zal men zich tegen zijne meening verzetten 
omdat men in hem den „vader der kampong" ziet, die geacht wordt 
slechts het belang der kampong te betrachten en die, zoolang hij 
zich aan de gewoonten houdt, door de meerderheid van de bevol- 
king gesteund wordt, ook omdat hij in den regel het meest op de 
hoogte der volksinstellingen is. Dit moet wel voor een goed deel 
worden toegeschreven aan de omstandigheid dat zijne betrekking, 
evenals de meeste anderen in Atjeh, erfelijk geworden is. Toch kan 
de Oeleebalang hem ten allen tijde uit zijn ambt ontzetten dat, 
behalve de enkele inkomsten die hij volgens de adat trekt, vaak 

') Verzwegen mag het niet worden dat, volgens de meening van Dr. Jacobs, 
de bedoelde zonde veel minder verspreid zou zijn, dan gewoonlijk wordt aangenomen, 
terwijl hij ook mededeelt dat verstootingen van de vrouw volstrekt niet zeldzaam zijn. 



DORPSHOOFDEN. 375 

niet onaardige bijverdiensten oplevert en in groot aanzien staat. De 
ketjik wordt in zijn bestuur bijgestaan door den tcungkoe, „de moeder 
der kampong", die met het dorpshoofd vooral voor de handhaving der 
godsdienstige wet heeft te zorgen. Hem is opgedrongen te waken 
dat de binasah aan hare bestemming voldoet; in de salat gaat hij 
min of meer regelmatig voor; bij godsdienstige feesten mag hij niet 
ontbreken, en wanneer hij op de hoogte van zijn taak is geeft hij 
ook onderwijs en wordt hij bij ziekte en rampen geroepen, om gebeden 
en bezweringsformules optezeggen enz. Bij het huwelijk bekleedt 
de teungkoe ongeveer dezelfde plaats als, naar wij vroeger (p. 269) 
mededeelden, op Java door den naïb wordt ingenomen. Voor al 
deze bemoeiingen wordt hij schadeloos gesteld door zijn aandeel in 
de pitrah en zakat en door geschenken bij huwelijken en begrafe- 
nissen en andere gelegenheden, waarbij hij optreedt. Eindelijk zijn 
aan de beide bestuurders der kampong nog eenige oudsten ter zijde 
gesteld, mannen van kennis en ervaring in de adat, wier getal 
onbepaald is en die als het ware door de openbare meening worden 
aangewezen en bij de beraadslagingen^, welken aan het nemen van 
gewichtige maatregelen gewoonlijk voorafgaan, een belangrijk aan- 
deel hebben. Kan men den invloed , welke door deze dorpshoofden 
wordt uitgeoefend, over het algemeen heilzaam noemen, zoo is 
dit zeker niet het geval met de meer algemeene hoofden, de 
Oeleebalangs en de Imams die, door hunne talrijke volgelingen 
gesteund, maar al te vaak tegenover minderen van hunne macht 
misbruik maken. Ofschoon de Atjehers in het algemeen tot de 
minst fijngemanierde bewoners van den archipel behooren, zorgen 
zij wel tegenover hunne hoofden de vereischte vormen in acht te 
nemen; de gewone Atjeher, die gewend is tegenover zijne gelijken 
bij de minste beleediging van leer te trekken, laat zich deemoedig 
zelfs mishandelingen van die hoofden welgevallen; „hij vreest hen," 
zoo zegt Dr. S. Hurgronje, en dezen wenk mogen ook onze bestuur- 
ders ter harte nemen „wijl zijne natuur medebrengt zich voor over- 
macht, maar voor deze dan ook zonder voorwaarden, te buigen." 
Om een echt-Atjehsche kampong, geheel in het groen verscholen 
en zelfs van dichtbij ternauwernood als bewoonde plaats herkenbaar, 
te beschouwen , moet men niet uitsluitend in het door ons bezette 
gedeelte van Groot-Atjeh vertoeven. De zorg voor de openbare 
veiligheid heeft daar groote veiandering teweeggebracht; de meeste 



376 WONINGEN IN ATJEH. 

kampongs zijn eerst na onze vestiging aangelegd of herbouwd, 
zuodat nog slechts enkele dorpen daar het ooispronkclijke type 
vertoonen. Een echt-Atjehsche kampong is zonder uitzondering 
omgeven door een natuurlijke versterking, een bijna ondoordringbare, 
levende heg, vaak aan de binnenzijde door een vrij breede sloot 
begrensd, en slechts hier en daar met smalle openingen voorzien 
die afgesloten kunnen worden. Binnen deze omtuining bevinden 
zich de onregelmatig door elkander gelegen woningen, die met 
hunne erven eveneens door eene heining van elkander gescheiden 
zijn en ook van het smalle pad, dat door de kampong voert. De 
woning, — of ingeval er voor de gehuwde dochters afzonderlijke 
huizen gebouwd zijn, de woningen, die zich op het erf bevinden, 
zijn op palen gebouwd ; ook te Atjeh wordt de ruimte onder het 
huis gebruikt als bewaarplaats voor allerlei, en als stalling van 
het vee, — met uitzondering van koeien en bulYeis, die in eene 
afzonderlijke stal worden gehuist en van de weinige paarden, 
die slechts aan een boom worden vastgebonden. Bovendien wordt 
allerlei vuil er neergeworpen, en toch vertoeven daar ook vaak de 
vrouwen om het een of ander werk te verrichten , en worden er 
soms gasten ontvangen, terwijl de ruimte onder het huis van een 
hoofd wel eens gebruikt wordt als bewaarplaats voor gevangenen, 
die de hun opgelegde boeten niet betalen. Voor het overige dient 
de voorgalerij van het huis als plaats waar vreemden worden toe- 
gelaten ; de achtergalerij , die vaak ook als keuken wordt gebruikt , 
is als het ware de huiskamer. Van de achtergalerij komt men door 
een deur in het binnenvertrek, dat als slaapvertrek der ouders 
dient, tenzij dezen bij een huwelijk hunner dochter aan haar dat 
vertrek afstaan en zelven een andjong of bijvertrek betrekken, dat 
aan de oost- of westzijde van het huis wordt aangebouwd, wanneer 
de ruimte daarbinnen voor de bewoners niet meer toereikt. Grootere 
woningen hebben meer dan één binnenvertrek. Een Atjehsch huis 
is gemakkelijk te verplaatsen en wordt dan ook als roerend goed 
beschouwd ; de pennen , die de stijlen en planken verbinden , zijn 
in den regel te klein voor de gaten en worden slechts met groote 
keggen vastgeslagen. Geen wonder dan ook dat zelfs het meest 
soliede huis schudt, wanneer men aan een stijl rukt ; dieven trachten 
op die wijs wel eens gewaar te worden of de bewoners vast genoeg 
slapen, vóór dat zij hun slag slaan, en evenzoo doen mannen die 



BEDEHUIZEN. 377 

tot de bewoonsters van het huis in ongeoorloofde verhouding staan. 
Behalve dergelijke particuliere woningen, — die ook in Atjeh vaak 
slechts uit piimitieve hutten bestaan. — vindt men in of bij de 
kampong een gebouwtje, dat uiterlijk het aanzien eener gewone 
woning heeft, doch zonder kamers of inwendige verdeeling. Het is 
de minasah, de verblijfplaats voor huwbare en gehuwde mannen, 
voor zoover de laatsten niet bij hunne vrouwen in de kampong 
vertoeven. De balei, een overdekte, op stijlen staande vierkante 
loods, die aan alle zijden open is, doet in vele kampongs als hulp- 
gebouw voor de minasah dienst. De minasah is ook bestemd voor 
het gemeenschappelijk gebed, dat echter zelden gehouden wordt; 
ook andere godsdienstige bijeenkomsten hebben daar wel plaats. 
Meer aanzienlijke dorps-bedehuizen zijn de diahs, die niet op stijlen 
gebouwd zijn, maar op een verhoogd steenen fundament rusten , 
dat van boven gepleisterd is. De Vrijdagdienst wordt in geen van 
beide gebouwtjes veriicbt, maar uitsluitend in de missigits, van 
welken er minstens één in elke moekim wordt aangetroflen. Zij 
schijnen thans vaak zeer in verval te zijn ; veel wordt daarover door 
de vromen geklaagd en ook over de verwaarloozing der verschil- 
lende godsdienstige plichten, die de Islam aan de geloovigen oplegt. 
Dat ook onder de Atjehers het bijgeloof welig voortwoekert zal ons 
niet verwonderen ; het geloof aan geesten , die den mensch schaden , 
is onder hen algemeen verspreid, terwijl zij ook aan sommige 
rnenschen het vermogen toekennen om op geheimzinnige wijze 
rampen te veroorzaken, zoodat bezweringsformulen bij hen een 
groote rol spelen. Toch zou men zeer veikeerd doen door te meenen 
dat de Islam te Atjeh in kracht afneemt. Het tegendeel is misschien 
het geval en de invloed der oeiema's of wetgeleerden, wier belang 
bij het voortduren van den oorlog met de ongeloovigen nauw betrok- 
ken is, vormt een overwegend element in het verzet der bevolking 
tegen ons gezag. Bij de opvoeding der kinderen bekleedt het leeren 
lezen van den Koran nog steeds de voornaamste plaats; verscheidene 
andere oorzaken dragen er verder toe bij om het besef van de 
groote kloof, die de Moslemen van de ongeloovigen scheidt, ook bij 
de Atjehers voortdurend levendig te houden. 

In het dagelijksch leven van den Atjeher, dat in hoofdzaken 
overeenkomt met dat zijner stamgenooten op Sumatra, brengen de 
kandoeri's nog de meeste afwisseling. Deze feesten bestaan, evenals 



378 GODSDIENSTIGE BIJEENKOMSTEN. 

de Javaansche sedekahs of slainettans, iiit maaltijden met een gods 
dienstig doel , die bij allerlei gelegenliedon worden gegeven , ook 
om geluk te verkrijgen of om onheil afteweren. Merkwaardig is 
daarbij de zoogenaamde „verkoeling", een middel om , nadat men 
aan de aanval eener „heete" d. w. z. verderfelijke macbt gelukkig 
is ontkomen, het herkregen welzijn te behouden of ook zulke 
aanvallen te bezweren, b. v. na den bouw van een huis, bij het 
uitplanten der padi enz. Zulke middelen zijn o. a. het besprenkelen 
van den persoon of de zaak die „verkoeld" moet worden met water, 
met een weinig rijstmeel vermengd enz. Bepaalde deskundigen, 
vooral oude vrouwen, moeten zulke middelen toepassen, willen deze 
werkzaam zijn. Godsdienstige bijeenkomsten hebben veelal gedurende 
de vasten plaats, die in den regel trouw wordt gehouden en door 
niemand in het openbaar wordt geschonden. Zij bestaan vooral uit 
de trawih's, het verrichten van een zeker aantal salats, waaraan 
alle aanwezigen moeten deelnemen ; in Atjeh geschiedt dit slechts 
door enkelen, de anderen vallen van tijd tot tijd in bij het i'eciteeren 
van sommige formules, die zij vaak geweldig radbraken en waarbij 
zij zulk een leven maken dat oelema's en andere vromen bij deze 
oefeningen slechts zelden verschijnen. Gedurende de vastenmaand 
wordt het lezen van den Koran in de Moslemsche wereld als een 
dubbel verdienstelijk werk beschouwd. In Atjeh wordt nu vaak door 
een gezelschap van lezers de rateb tsaman gevierd, ter eere van het 
feit dat men den Koran doorgelezen heeft. Deze bestaat uit eene zeer 
luidruchtige litanie, waarbij eenige, Allah verheerlijkende formules 
steeds sneller worden opgezegd, totdat de deelnemers in een staat 
van overgroote opwinding verkeeren en eindelijk dikwijls zelfs in 
zwijm vallen. Ook ter eere van de Moeloed wordt te Atjeh luister- 
rijk feest gevierd, al is het niet altijd op den dag, die voor de 
geboorte van den profeet wordt aangenomen ; tot de kandoeri's , 
die daarbij in de kampong worden gevierd, moeten alle moekim- 
genooten worden uitgenoodigd. Spiegel- en dierengevechten hebben 
ook te Atjeh plaats, ofschoon thans minder dan vroeger; geliefd 
zijn vooral de dansen der vroeger genoemde sedati's, knapen die 
meestal op jeugdigen leeftijd van elders komen en niet zelden 
gestolen zijn, en dan onderricht worden in al de lichaamsbewe- 
gingen, welke bij Inlandsche dansen vereischt worden en tevens 
maar al te dikwijls de slachtolTeis eener te Atjeh vaak schaamteloos 



KLEEDING DER ATJEHEUS. 379 

bedreven zonde zijn. In vele gevallen behnoren zij aan eene vereeni- 
ging in de kaïnpong; totdat zij volwassen zijn blijven zij in haar 
bezit, maar zijn daarna vrij om te gaan of in de kampong te blijven, 
waar zij menigmaal nog een huwelijk sluiten. 

Bij de kleeding der Atjehers valt vooral de reeds vroeger ver- 
melde „reusachtig wijde" broek in het oog, die zij zelfs beschouwen 
als een onderscheidingsteeken tegenover de ongeloovigen , evenals 
het lendenkleed, dat zij gewoon zijn te dragen, „daar alleen kafirs 
zich niet schamen , zich in nauw gesloten broeken te vertoonen." 
Baadjes met lange of korte mouwen en met groote gouden knop 
worden door de benedenlanders gebruikt; in stede daarvan dragen de 
bergbewoners meest een kleed, dat soms over de schouders geslagen 
wordt, doch soms, als men iets draagt, op het hoofd gelegd wordt, 
en ook wel om het middel wordt vastgebonden. Het hoofd wordt 
gewoonlijk door een hooge muts, de kopiah, gedekt, — in de bene 
denlanden meer dan elders door een hoofddoek. Een saamgevouwen 
doek, aan de 4 punten bijeengehouden, bevat benoodigdheden voor 
het sirihkauwen, toilet-behoeften enz.; hij ontbreekt nimmer, wan- 
neer de Atjeher uitgaat, evenmin als de rintjong, de aan één kant 
scherpe, puntige dolk. De vrouwen dragen eveneens de Atjehsche 
broek en het lendenkleed, en algemeen de badjoe en de slendang; 
de vrouwen der Benedenlanden bedekken , als zij uitgaan , het hoofd 
nog met een doek. Gouden en zilveren versiersels ontbreken ge- 
woonlijk niet; zoolang eene vrouw nog geen 2 kinderen heeft 
gekregen , draagt zij arm- en voetbanden. Bij huwelijken zijn bruid 
en bruigom sierlijk opgetooid ; wij kunnen echter daarbij niet langei' 
stilstaan, evenmin als bij de gebruiken bij huwelijken en sterf- 
gevallen voorkomende, die trouwens in hoofdzaken overeenkomen 
met dat, wat wij vroeger opmerkten. Wij moeten thans de Atjehers 
verlaten om kennis te maken met de volkeren, die den Islam nog 
niet hebben aangenomen. 



380 



HOOFDSTUK III. 



TAFEREELEN UIT HET VOLKSLEVEN ONDER DE UEIDENSCIIE STAMMEN. 



Konden wij ons onmidflellijk uit een Javaansche desa in een 
dorp verplaatsen , dat door Mataks bewoond wordt , dan zouden wij 
getroffen worden door de groote tegenstelling, welke zij aanbieden '). 
Een aantal hutten, uit bamboe of hout bestaande en meestal van 
wanden voorzien, die uit boomschors vervaardigd worden, zijn in 
sommige streken door elkander verspreid , meestal echter in twee 
lange rijen geschaard, welken door een breed pad gescheiden zijn. 
Geen enkele boom of plant, ja zelfs geen grashalmpje verlevendigt 
het tooneel en behalve de woningen bespeuren wij slechts den 
opgewoelden, met allerlei vuil bedekten bodem. Komen wij van 
buiten in het dorp, dan is het of wij eene vesting naderen; eene 
omheining van palissaden, die ongeveer 6 tot 7 voet hoog zijn, 
omringt het geheele dorp; gewoonlijk vindt men daarachter nog 
een gracht en een haag van stekelachtige bamboe, die eene hoogte 
van 30 tot 40 vt. bereikt, een ondoordringbare wildernis vormt en 
met de pallisaden dient om eenen aanval van vijandelijke naburen te 
keer te gaan. Daar, waar het Ned. Gouvt. rust en vrede waarborgt, 
laat men deze verschansingen in den regel vervallen. Eene smalle 
opening, aan de beide zijden der omheining aangebracht, verleent 
den toegang tot het dorp; in geval van nood kan zij door balken 



') Bij de beschrijving der heidensche staramen is er slechts naar gestreefd een 
algemeenen indruk van de besproken volkeren te geven. Bij de groote verscheiden- 
heid van gewoonten, bestaande bij stammen die onder één naam worden samen- 
gevat, kon in een beperkte ruimte niet meer worden gegeven. Zóó zijn bij de 
Bataks, onder ons bestuur staande, door vereenigden invloed van godsdienst (Christen- 
dom en Islam) en beschaving verscheidene echt-Bataksche gebruiken niet meer in 
zwang en onderscheiden de Karo -Bataks zich in vele opzichten van de Toba's enz. 
Voor bijzondei-heden vgl. v. Brenner. Besuch bei den Kannibalen Sumatra's. Würz- 
burg. 1893 en de daar opgegeven literatuur; vooral de werken van Junghuhn, v. d. 
Tuuk en Neumann. 



BATAKSCHE WONINGEN. 381 

gesloten worden. De huizen , die binnen deze omheining gelegen 
zijn, uit een langwerpig vierkant bestaan en met de smalle zijde 
naar het pad gekeerd zijn, staan op palen 4 tot 8 vt. boven den 
grond verheven , zoodat men met een ladder naar boven moet 
klimmen ; de ruimte onder den vloer wordt als stalling voor runderen, 
paarden en vooral ook van zwijnen gebruikt, want terwijl de Mos- 
lemen eene diepe verachting voor het laatstgemelde dier koesteren, 
staat het bij den Batak, die gaarne varkensvleesch eet, in hoog 
aanzien; niet zonder reden, daar het de dorpen van de onreinheden 
bevrijdt, die de niet zeer zindelijke Batak nimmer opruimt. Het 
dak der woning, van idjoek vervaardigd, is van eene zeer eigen- 
aardige bouworde. Even als in de Padangsche bovenlanden eindigt 
het in een tweetal horens, vaak met karbouwenkoppen versierd, 
maar de bovenzijde van het dak is langer, dan de benedenkanten, 
zoodat de uiteinden van het dak in een scherpen punt buiten het 
huis uitsteken. Kamers vindt men in de woning niet; zij bestaat 
uit één vertrek, dat tot aan het dak reikt; de grond is in den 
regel vlak en slechts hier en daar bevindt zich aan de beide zijden 
een soort van bank, die langs de wanden loopt en tot rustplaats 
dient. Des nachts worden de slaapplaatsen wel door het neerlaten 
van matten van de overige ruimte afgescheiden. Naarmate van 
het getal gezinnen, dat een huis bewoont, en soms tot 4 of meer 
stijgt, bevinden zich eenige kookplaatsen — ruw opeengestapelde 
steenen — aan de hoeken der woning; de rook verspreidt zich door 
het geheele huis en bedekt de balken en het overige houtwerk 
spoedig met eene dikke laag roet. Veel bijzonders vindt men in 
de huizen niet; eenige potten, bamboezen kokers, om water in te 
bewaren, en die tevens als drinkvaten dienen, spinrad en weef- 
gestoel en dergelijk eenvoudig huisraad is al zoo het voornaamste 
wat men er ziet; bedden, kussens en tafelgereedschap zal men er 
gewoonlijk te vergeefs zoeken. In het Tobasche onderscheiden de 
woningen der hoofden zich door hare bouworde; zij zijn geheel van 
hout vervaardigd en met snijwerk versierd en bestaan als het ware 
uit 2 verdiepingen, daar een gedeelte van het dak afgeschut en 
tot zolder en voorraadschuur ingericht is. Een soort van balkon 
is ter hoogte van dien zolder aangebracht; het dient dikwijls als 
logeerkamer voor vreemde gasten en is door het vooruitstekende 
dak en door een balustrade genoegzaam tegen wind en weder 



382 sopo's. 

beschut. Behalve deze woonhuizen vindt men in een Bataksch dorp 
nog andere gebouwen; de voorraadschuren of magazijnen, waarin 
de rijst bewaard wordt en rlic dcii voim der liuizen nabootsen en 
de sopo of het raadhuis, dat gewooidijk midden in het dorp staat. 
Dit gebouw, dat gewoonlijk met snijwerk versierd wordt, is aan 
alle kanten open , en slechts met eene borstwering voorzien , die 
ongev. 3 vt. hoog boven den vloer verheven is, zoodat men eenen 
vrijen blik naar buiten heeft i). De sopo's zijn als het ware het 
middenpunt van het openbare leven der Bataks ; zij dienen tot het 
herbergen van vreen)delingen, — althans wanneer het dorp meer 
dan één raadhuis telt, — tot het bewaren van de heiligdommen 
van het dorp en tot het houden van bijeenkomsten van allerlei 
aard. Soms is een der sopo's buiten het dorp gelegen; het wordt 
dan voor het ontvangen van gezanten van vreemde dorpen gebruikt, 
welken men niet vertrouwt of die zich niet binnen het dorp willen 
wagen. De verzamelplaats voor de vrouwen is dé aan alle kanten 
open loods, waar zij te samen komen om de rijst te stampen in 
een boomstam die met ronde gaten voorzien is. 

Laten wij thans nagaan, hoe de bewoners dezer dorpen hun- 
nen tijd doorbrengen. Natuurlijk is hun leven vrij eentonig; hunne 
werkkring is geheel en al bepaald binnen het dorp, dat zij bewonen 
en waaraan zij bijna onafscheidelijk verbonden zijn, en binnen de 
gronden, die zij bebouwen en die zij niet mogen vervreemden, 
en alleen de krijg is in staat hierin eenige afwisseling te brengen. 
Het zijn ook weder de vrouwen op wie de grootste last der dage- 
lijksche werkzaamheden nederkomt. Reeds vóór zonsondergang zijn 
zij in de weer om buiten het dorp het noodige water te halen 
en zich te baden; daarna wacht haar de taak om de rijst, voor den 
dag benoodigd, te stampen en in gereedheid te brengen. Ondertusschen 
verlaten hare wederhelften de matten, die hun tot rustplaats heb- 
ben verstrekt, gaan zich op hunne beurt baden en loopen daarna 
in het dorp heen en weder, houden een praatje, waarvan zij groote 
liefhebbers zijn en ontnuchteren zich met een handvol rijst of djagong 
(Turksche tarwe), om tegen 9 ure den eigenlijken maaltijd te nemen, 
die s'avonds door een tweede gevolgd wordt, welken beiden gewoonlijk 
uit rijst, gedroogde visch en toespijzen bestaan, met water of koffie 



') Op de plaat «Bataksch dorp" (Dl p. 216) is de sopo in het midden afgebeeld. 



DAGELIJKSCII LEVEN DER BATAKS. 383 

doorgespoeld en waarbij vaak het vleesch niet ontbreekt, al zon dat aan 
onzen smaak niet voldoen, daar de Ratak er niet tegen opziet om 
vleesch te eten, dat reeds in staat van ontbinding verkeert, en zelfs 
vleesch van olifanten , beeren , tijgers , apen , slangen , en ook vleer- 
muizen , sprinkhanen, kikkers enz. nuttigt. Zelfs bij Bataks, die den 
Islam hebben aangenomen, komt deze afwijking van de spijswetten niet 
zelden voor. Na den eersten maaltijd trekken de mannen naar de 
akkers, terwijl de vrouwen het huiselijk werk bezorgen, kleeding- 
stukken weven en verven, het vee voederen enz. en de velden wieden, 
een arbeid dien de man niet in staat schijnt te verrichten. In Toba, 
en elders b. v. bij de nog grootendeels onafhankelijke Karo-Bataks, 
valt alle veldarbeid aan de vrouwen ten deel ; de mannen doen daar 
niet veel meer dan met de kinderen spelen , en te rooken ; vroeger 
rookten de voornamen uit groote pijpen (gendoet) van koper of mes- 
sing, wier lengte en zwaarte den rang hunner eigenaars aanduidden, 
maar die thans, naar het schijnt, meer en meer zeldzaam worden. 
Alleen dan, wanneer een huis gebouwd moet worden, steken de 
mannen hunne handen uit. De talrijke arbeiders, welken bij dien 
bouw gebruikt worden , ontvangen geen loon ; zij worden slechts van 
tijd tot tijd op een feestmaal onthaald, waarbij zwijns- of rundvleesch 
de hoofdrol speelt. Over dag wordt de veldarbeid door tijden van 
rust onderbroken ; na vier uur houden alle werkzaamheden op en 
geniet althans de mannelijke bevolking van een genoegelijk niets-doen. 
Om het knappende vuur verzameld — want de Bataks bewonen 
grootendeels het hooge gebergte, waar de avonden vrij koel en 
vaak regenachtig zijn — en door het gewone pitje in een kokos- 
schaal of door den harsfakkel verlicht, houden zij zich, onder het 
genot van den smakelijken palmwijn. bezig met praten, met het 
opgeven van allerlei raadsels en het verhalen van geschiedenissen, 
die, ofschoon meestal hoogst onkiesch, toch niet onaardig zijn en 
bij voorkeur over hoogere wezens handelen. Een aantal dier ver- 
halen zijn op schrift gesteld, want ofschoon de Bataks geen gere- 
geld onderricht in nuttige zaken of in de kennis hunner godsdienst 
ontvangen, zoo is dit althans voor de kinderen der hoofden wel 
met lezen en schrijven het geval. Wanneer dezen den ouderdom 
van 8 jaren bereikt hebben , worden zij ter school gestuurd bij 
iemand, die den roep heeft, in de kennis van lezen en schrijven 
bijzonder uit te munten ; gewoonlijk is de cursus binnen een maand 



384 DAGEI.IJKSCH LEVEN DEU BATAKS. 

al'geloopen en de volleerde scholier keert weder naar het ouderlijke 
huis terug, en het eerste gebruik, dat hij van zijne verworven 
kennis maakt, bestaat gewoonlijk in het schrijven van minnebrieven 
aan 'teen of' ander meisje, dat hem bijzonder getroffen heeft, en 
met wie hij spoedig op zeer vertrouwelijken voet geraakt '). Bij 
sommige stammen schijnt de kennis van lezen en schrijven meer 
algemeen bekend te zijn; de Hr. v. Brenner berekende dat bij de 
Karo-Bataks ongeveer de helft der maimen die kunst verstaan. 
Meestal zijn de verhalen, die onder de Bataks van mond tot mond 
gaan, geheel oorspronkelijk, en zelfs dan, als zij aan andere talen 
ontleend zijn, krijgen zij door den verhaler een zóó inheemsche 
kleur, dat slechts een hier of daar voorkomende eigennaam de af- 
komst uit den vreemde verraadt. Sommige algemeene feesten bren- 
gen afwisseling in dit eentonig bestaan ; maaltijden , voor welken 
kippen, varkens, honden en runderen geslacht worden, vormen 
daarvan het hoofdbestanddeel. Bij de geboorte van een kind, die 
zonder geneeskundige hulp geschiedt, hebben geene bijzondere 
plechtigheden plaats; met meerder luister wordt de dag gevierd 
waarop het kind zijn naam ontvangt, die met behulp van wichelarij 
gekozen wordt. Vooral is dit het geval als het een kind van een 
hoofd geldt; dan wordt een groot feest gegeven, een varken of buffel 
geslacht om de dorpsbewoners te onthalen en de muziekanten ont- 
boden ten einde de menigte gelegenheid te geven zich met het vroeger 
beschreven tandakken te vermaken. Vroeger namen, schijnt het, 
alleen mannen aan den dans deel ; thans treden , althans bij de 
Karo-Bataks, ook wel vrouwen bij het dansen op. Het orkest 
bestaat in hoofdzaak uit de rebab, pauken, koperen ketels en de 
sordan, een soort van klarinet, die een scherp en oorverscheurend 
geluid geeft. De galar der Maleiers uit de Padangsche bovenlanden 
is in eenigszins gewijzigden vorm ook bij de Bataks bekend ; deze 
naam blijft in den regel in het geslacht bewaard, met dien ver- 
stande, dat hij van grootvader op kleinzoon overgaat en zóó eeuwen 
lang in dezelfde familie gedragen wordt. Niet alleen de adellijken, 
maar ook velen uit het volk nemen een dergelijken galar aan. 

Over de eerste levensjaren van den Bataks behoeven wij niet 



') Over deze »galante" briefwisseling, waarbij gebruik wordt gemaakt van bla- 
deren en andere voorwerpen, die een eigen beteekenis hebben, zie C. A. v. Ophuy- 
sen in Bijdr. t. t. 1. en vlk. Ve. vlgr. I. 



i 




HUWELIJKEN BIJ DK BATAKS. 385 

uittewijden ; veel zorg wordt er niet aan de opvoeding der kinderen 
besteed, die in dfn arbeid van hunne ouders deelen, als zij daartoe 
in staat zijn. Het vijlen der tanden ontsiert ook de ouderen onder 
hen ; zelfs bij de heidensche Bataks bestaat de gewoonte zich te laten 
besnijden. Vóór het huwelijk is de omgang tusschen beide geslachten 
volkomen vrij; het Bataksch meisje, dat na haar huwelijk in den 
regel eene zeer getrouwe echtgenoote is, mag zich te voren onge- 
straft aan de grootste losbandigheid overgeven. De gewoonte, in 
sommige streken heerschende, dat de huwbare meisjes niet in het 
ouderlijke huis slapen , maar eenigen te samen den nacht door- 
brengen in de woning van eene weduwe of van haar man gescheiden 
levende vrouw , waar zij bezoeken van jongelieden ontvangen , schijnt 
deze losheid van zeden zeer in de hand te werken. 

Gewoonlijk treedt de Batak eerst op zijn 17de jaar in het huwelijk; 
de meisjes, die zelden tegen haren zin worden uitgehuwelijkt, trouwen 
meestal op haar 15de jaar. Voor het huwelijk onder de Bataks is 
ook weder de verdeeling in stammen (marga's) van belang. In het 
district (koeria) — uit het moederdorp (hoeta) met zijne neder- 
zettingen bestaande, — komen gewoonlijk twee staramen voor, 
waarvan de een, de marga namora-mora, de overheerschende is, 
aan wien de andere, de marga bajo-bajo, dus ondergeschikt is. 
Het hoofd van de koeria, — de radja, — behoort steeds tot den 
eerstgenoemden stam; hem is de natobang bajo-bajo, het hoofd der 
andere marga, als onderhoorige toegevoegd. Het huwelijk tusschen 
leden derzelfde marga is nu verboden; man en vrouw behooren dus 
tot verschillende marga's, en de kinderen volgen den stam van 
hunnen vader, die uitsluitend in de mannelijke lijn wordt voort- 
gezet. Maar bovendien huwt de Batak nog bij voorkeur de dochter 
van een oom van moederszijde'); zelfs dan, wanneer hij dit niet 
doet, noemt hij zijne vrouw toch vaak „dochter van moeders-broeder". 
Het gebeurt nu niet zelden, dat een huwbaar meisje op deze wijze 
uitgehuwelijkt wordt aan een nog zeer jongen knaap, en dan trekt 
zij bij hare schoonouders in en blijft daar, totdat haar echtgenoot 
volwassen is. Zij wordt dan „schoondochter bij het rijstblok" genoemd; 



') J. H. Meerwaldt in Bijdr. 1. 1. 1. en vlk. Ve vlgr. 7 komt op tegen de raeening 
\an Prof. Wilken, dat dit gebruik, evenals verscheidene andere Bataksche ge- 
woonten, een overblijfsel van het matriarchaat zou zijn. 

II. 25 



386 I)K BATAKSCHE VROUW. 

naar men veronderstolt omdat zij gedurende dien tijd sleciits met 
luüselijlc werk, o. a. rijststampen, belast mag worden. 

De voorwaarden, waaronder het huwelijk bij de Bataks gesloten 
wordt en de gevolgen , die dit voor de echtgenooten heeft , komen 
in vele opzichten overeen met datgene, wat wij elders hebben leeren 
kennen. De gewone wijze van huwen is die, welke mangoli genoemd 
wordt, en in hoofdzaken met het djoedjoer-huwelijk overeenkomt. 
De koopsom, die voor de vrouw betaald wunlt, is verschillend naar 
mate van den stand der vrouw; bij de Karo-Bataks bedraagt zij 
van 40 tot 120 Spaansche dollars. De vrouw komt daardoor geheel 
in de macht van den man en is zoo goed als rechteloos; zij bezit 
niets, en alles wat zij verwerft, zelfs hare bruidsieraden, komt den 
man toe. De namen, die de man gewoonlijk aan zijne echtgenoote 
geeft: „koopsel", „middel om aan spijs te komen", „spijsopschepster" 
e. a. geven deze verhouding duidelijk weder. Daar de vrouw slechts 
eene gekochte waar is kan zij zich niet eigenmachtig aan den 
huwelijksband onttrekken; echtscheiding schijnt zelfs volgens den 
adat bij de Bataks niet geoorloofd te zijn , ofschoon zij thans, — deels 
ook onder den invloed van den Islam, — in sommige streken in 
gebruik schijnt te komen. De vrouw neemt haren intrek bij den 
man in de ouderlijke woning, waar een der vroeger beschreven 
slaapsteden aan het nieuwe gezin wordt toegewezen. Zij behooi't 
voortaan, evenals de kinderen die zij krijgt, tot de marga van den 
man; blijft zij na zijn dood zonder mannelijk kroost over dan is 
het de regel dat zij trouwt met een jongeren broeder van haren 
overleden echtgenoot. Een huwelijk met zijn ouderen broeder zou 
echter als bloedschande beschouwd en met den dood gestraft worden. 
Bij ontstentenis van dien jongeren broeder gaat de weduwe op andere 
bloedverwanten over en kan zelfs aan eenen vreemde in de marga 
worden uitgehuwelijkt; soms wordt zij dan, als zij reeds bedaagd is, 
eenvoudig met het slechtste kleedingstuk aan het lijf weggezonden, 
om hare eigen bloedverwanten op te zoeken. Gelukkiger is zij er 
aan toe wanneer zij één of meer zonen heeft ; zij wordt dan wel 
het eigendom harer kinderen, maar het gezin blijft voortbestaan en 
zelfs na het huwelijk van dezen gaat het mannelijk gezin niet uit 
elkander, en oefent de moeder niet zelden een vrij belangrijken 
invloed uit. Ofschoon de stelling van de vrouw tegenover den 
man bij dit huwelijk eene zeer ondergeschikte is wordt zij echter in 



VOLKSVERGADERINGEN. 387 

den regel met zachtheid behandeld; veelwijverij komt zelden voor, 
en alleen de hoofden veroorloven zich de vrij kostbare weelde meer 
vrouwen te koopen. Een andere vorm van huwelijk is het manding- 
ding, dat in vele opzichten met het semindo-huwelijk overeenkomt, 
maar waarbij de kinderen toch den marga-naam van den vader 
dragen en dat vaak in het mangoli-huwelijk overgaat, wan- 
neer de man in staat is den koopprijs te betalen. Schaking der 
vrouw, ook tegen den zin harer ouders, komt niet zelden voor en 
wordt dan bijna altijd door een huwelijk met toestemming dier 
ouders gevolgd. Hoewel natuurlijk bij het huwelijk feesten niet 
ontbreken, hebben geene bijzondere plechtigheden daarbij plaats. 
Hier en daar worden een tweetal oudsten geroepen om bij het 
huwelijk te assisteeren; algemeen schijnt het gebruikelijk te zijn 
dat de bruid vóór dat het huwelijk gesloten wordt, in het dorp en 
ook elders rond gaat om weeklachten te uiten over het feit, dat zij 
weldra den kring der maagden zal moeten verlaten. 

De macht der hoofden, van welken wij hierboven melding 
maakten is, ofschoon erfelijk, toch gewoonlijk uiterst gering. Elk 
dorp maakt met zijne nederzettingen een onafhankelijk staatje uit, 
door een Radja bestuurd, die echter niets anders is dan de uit- 
voerder van den wil van de meerderheid der bevolking. Wanneer 
het een of ander gemeenschappelijk belang eene bijeenkomst der 
bevolking noodig maakt, verzamelen alle dorpsbewoners, die de 
kinderjaren ontwassen zijn, zich in de sopo. Allen hebben stem- 
recht, ja zelfs gebeurt het wel, dat ook de vrouwen zich doen hooren 
en soms eenen beslissenden invloed uitoefenen , en dat ook kinderen 
de bijeenkomst bijwonen. Gewoonlijk voert de Radja het eerst het 
woord; in eene lange rede, — want de Batak is een geboren 
redenaar, — die soms een paar uren duurt, zet hij de gronden 
uiteen voor de rneening, die hij voorstaat; daarna volgen de anderen 
en zoo ontwikkelt zich eene redetwist, die soms met groote heftig- 
heid en gebarenspel gevoerd wordt. De menigte hoort zwijgend toe, 
totdat ook zij eindelijk invalt; van alle kanten uiten de omstanders 
hunne meening, zoodat alles in een geweldig tumult en geschreeuw 
eindigt. Daarna brengen de Radja en de voornaamste dorpelingen 
nogmaals hun advies uit, totdat alles naar algemeen genoegen 
beslist is, dat soms niet gemakkelijk gaat, en wel eens verscheidene 
bijeenkomsten vordert. Even als bij westersche vergaderingen heeft 



388 nESTUuii nu dk ijataks. 

men onder de Bataks bet-weters, die altijd het laatsti^ woord willen 
hebben; in plaats van de schel des voorzitters brengen het geschreeuw 
en de verwijtingen der menigte hen tot zwijgen. Dat bij eene 
zoo redeueerende bevolking het gezag der hoofden gering moet zijn , 
spreekt wel van zelf; het kost hun dan ook groote moeite, iets van 
hunne onderhoorigen gedaan te krijgen en dikwijls gelukt het hun 
zelfs met de grootste inspanning niet om dezen over te halen 
vreemden als gidsen of dragers te vergezellen. Sommige Radja's 
hebben zich echter eene grootere macht weten te verwerven, waar- 
van zij soms met groote willekeur gebruik maken; de eenige uitweg, 
die den minderen man dan overblijft, is naar een ander dorp te 
verhuizen, waar hij gewoonlijk door het hoofd met open armen 
ontvangen wordt. In geval van oorlog kiezen de dorpen, die tot 
een verbond behooren , zich een gemeenschappelijk opperhoofd , die 
in vredestijd wel een zeker aanzien geniet maar weinig invloed 
heeft. Met dat al wijzen de overleveringen der Bataks toch op eene 
oorspronkelijk monarchale regeering. Het plateau van Toba zou de 
zetel geweest zijn van een eenhoofdig bestuur, maar na den dood 
van een der vorsten verdeelden zijne 9 zonen het rijk onder zich, 
zoodat elk hunner een dorp verkreeg, en dezen stelden op hunne 
beurt hunne afstammelingen tot Radja's aan over de nieuwe dorpen, 
die gesticht werden. Want ofschoon bij de Bataks als beginsel 
wordt aangenomen, dat elk vrij man onafscheidelijk verbonden is 
aan de gemeente, waarin hij geboren is, zoo wordt toch daarop een 
uitzondering toegelaten, wanneer de gronden, aan het dorp behoorende, 
niet toereikende zijn, en dan wordt eene nieuwe gemeente gesticht 
te midden der bosschen, die geveld en tot rijstakkers ingericht 
worden. In den ons reeds bekenden Si Singa Maharadja (p. 75) heeft 
men wel eens het overblijfsel willen zien van het eenhoofdig bestuur, 
dat vroeger bij de Bataks zou hebben bestaan. 

In den godsdienst der Bataks ^) speelt het animisme een groote 
rol. De geesten of goden (debata) , die deels de boven- of onder- 
wereld, deels de aarde bewonen, en onder welken Batara Goeroe 
in de eerste plaats genoemd moet worden, schijnen weinig in tel 
te zijn; daarentegen bekleedt de vereering der afgestorvenen in 



') C. J. Westenberg in Bijdr. t. t. 1. en vlk. Ve vlgs. "VII; G. K. Niemann, T. v. 
N. I. 1870. I.; Dr. B. Hagen in T. B. G. XXVIII. 



GODSDIENST DV.ll ÜATAKS. 389 

dien godsdienst eene overwegende plaats en hangt zij ten nauwste 
met de godsdienstige opvattingen der Bataks samen. Naar hunne 
meening liunnen de zielen de lichamen, door hen bewoond, zelfs 
gedurende het leven verlaten en allerlei goed of kwaad berokkenen. 
Deze zielen voeren, na den dood van het lichaam waarin zij 
huisden, als geesten, Begoe's, een afzonderlijk bestaan, en hebben 
dan stoiTelijke behoeften, die bevredigd moeten worden door het 
brengen van offers; zij straffen hunne bloedverwanten, wanneer 
dezen dien plicht niet vervullen, en ook anderen, die hen op de 
een of andere wijze beleedigen, door ziekten en rampen en kunnen 
dan alleen door het, geven van een welvoorzienen maaltijd worden 
verzoend. De fetisjen, die door hen worden vereerd, zooals de 
pengoeloebalangs (steenen menschenfiguren) , too verstokken, amu- 
letten enz. hebben bij de Bataks vooral kracht door de vulling met een 
too verbrij , die door een goeroe of datoe — een soort van geesten- 
bezweerder, — wordt vervaardigd en waarvan enkele deelen van 
het menschelijke lichaam het hoofdbestanddeel uitmaken. Om dezen 
te verkrijgen wordt soms niet tegen moord opgezien; enkele malen 
gaat dit zelfs met groote wreedheden gepaard. Deze goeroe's ver- 
staan de kunst om met behulp der tooverstokken en door toover- 
formulen, tabas, datgene van de geesten en zelfs van de 
menschen te verkrijgen wat men hebben wil, en o. a. regen te 
verwekken; zij kunnen de toekomst uit zekere voorteekenen, o. a. 
uit droomen voorspellen en treden ook als geneesmeesters op, 
waarbij hunne hoofdwerkzaamheden bestaan in het uitbannen der 
geesten, die de ziekte veroorzaakten. Hunne wetenschap putten 
zij uit de wichelboeken , overgeleverde geschriften in eene geheim- 
zinnige taal geschreven en van vreemde teekens voorzien, zoodat 
zij voor den niet-ingewijden Batak onverstaanbaar zijn '). Nevens 
hen treden ook Sjamanen op. Si Basso genoemd, meestal vrou- 
wen, die door een Begoe heeten bezield te zijn en op de vroeger 
(p. 367) beschreven wijze als medium tusschen de levenden en de 



') Zij behooren tot de zoogen. poestaka's, boeken, geschreven op gladgemaakte 
en met rijstwater geprepareerde stukken boombast die, nadat zij met pennen van 
idjoek beschreven zijn, op elkaar gelegd worden en zoo een bundel vormen, aan den 
boven- en benedenkant beschut door een houten deksel, dat soms niet onaardig 
is uitgesneden. Zij handelen hoofdzakelijk over godsdienstige onderwerpen; ook 
geneeskunde en andere zaken worden er wel in behandeld. Zie o. a. G. K. Niemann. 
Bijdr. t. t. 1. en vlk. Ille vlgs I. 



390 RECHTSBKDEELING. 

geesten fungeereii, en als wier hoofd Si Singa Maharadja werd 
beschouwd. Een eigenlijke priesterstand vindt men echter bij de 
Bataks niet, en evenmin gebouwen, aan de Godsvereering gewijd. 
Voor zoover het streken geldt, waar het Ned. Gouvt de macht 
in handen heeft, is door het meer en meer veldwinncn van 
den Islam veel van dit alles, althans voor het uiterlijke, ver- 
anderd. Gelukkig werkt de Christelijke zending thans de uit- 
breiding van de leer van den profeet tegen, en begint zij ook bij 
de Regeering den steun te vinden , dien zij , al ware het slechts 
uit staatkundig oogpunt, in heidensche landen tegenover den Islam 
ten volle verdient. 

De oorspronkelijke rechtsbegrippen der Bataks staan op eenen 
zeer lagen trap. Het stelsel van af kooping der stralTen wordt op 
bijna alle misdrijven toegepast. Geldboeten zijn de meest gebruike- 
lijke straffen; kan de veroordeelde ze niet betalen, dan moet hij 
daartoe hulp bij zijn hoofd zoeken; deze schiet hem het geld voor, 
maar bedraagt de som meer dan de waarde van eenen slaaf dan 
wordt hij dadelijk het eigendom van den Radja. Is dit bedrag 
echter minder groot, dan moet hij bij zijnen schuldeischer werken 
maar intusschen wordt de schuld elk jaar verdubbeld, totdat zij ten 
laatste zóó groot wordt, dat zij de waarde van eenen slaaf ver- 
tegenwoordigt en dan geraakt de schuldenaar in de macht van het 
hoofd. Hetzelfde is het geval wanneer een Batak wegens andere 
redenen geld van zijnen Radja leent, b. v. om in het huwelijk te 
treden en den koopprijs zijner vrouw te betalen. Het hoofd is ver- 
plicht zijne slaven te kleeden en te voeden ; daarentegen moeten 
zij hem volgen en zijne velden bearbeiden, iets dat beneden de 
waardigheid van de aanzienlijken is. Eene maar al te vaak voor- 
komende aanleiding tot het aangaan van schulden is de lust tot 
spelen, die den Batak aangeboren schijnt. Bij de onafhankelijke 
Bataks komt het voor, dat een speler naar de speelplaats gaat met 
een touw om zijn hoofd; verliest hij, zonder te kunnen betalen, 
dan wordt hij daarmede gebonden en door den winner medegevoerd en, 
tenzij zijne verwanten de schuld betalen, tot slaaf gemaakt. Schuld- 
eischers hebben zelfs het recht om bij gebreke van den schuldenaar 
een zijner dorpsgenooten aan te houden tot dat de schuld betaald 
of de gevangene met geweld verlost wordt, want zulke schulden 
geven niet zelden aanleiding tot oorlogen tusschen de dorpen; zij 



KANNIBALISME. 



391 



worden aanpfekondigd door poela's, brandbiieven ') waarin met 
moord en biaiid gedreigd worcit, als de schuld niet betaald wordt. 
De rechtsbedeeling geschiedt door de geheele bevolking van 
het dorp, volgens de oude gebruiken, die echter willekeur geenszins 
buitensluiten. Op eenige misdrijven staat de doodstraf, maar ook 
deze kan in den regel worden afgekocht. In sommige gevallen kan 
deze straf nog worden verscherpt, door de bepaling dat de veroor- 
deelde zal worden opgegeten. Want het menscheneten , dat reeds 
van oudsher op Sumatra bekend was ^) , is bij de Bataks aan vaste 
regels onderworpen en maakt een onderdeel van hun strafstelsel 
uit. Wettig kan deze straf in drie gevallen worden toegepast. In 
de eerste plaats wanneer iemand van geringere afkomst echtbreuk 
pleegt met de vrouw van een hoofd. Deze straf kan nooit worden 
losgekocht, doch met dien verstande dat een overspelige Radja zich 
van de straf door eene boete kan vrijmaken. Landverraders, spionnen 
en overloopers worden eveneens ter dood gebracht en opgegeten, 
doch kunnen door de betaling van een zekere geldsom het leven 
behouden. Maar aan de krijgsgevangenen, die met de wapenen in 
de hand gegrepen zijn, valt het zwaarste lot te beurt; zij worden 
levend opgegeten. Wanneer een dergelijk slachtoffer moet vallen 
worden naar alle kanten boden gezonden om bevriende hoofden tot 
het feest op te roepen ; de veroordeelde wordt aan een paal gebonden, 
en onder het geluid der muziekinstrumenten treedt een uit de om- 
standers te voorschijn, trekt het mes en houdt een aanspraak, 
waarin hij den ongelukkige als den vreeselijksten misdadiger be- 
schrijft, dien men zoo spoedig mogelijk moet dooden. Onder deze 
redevoering , zegt Junghuhn , komt aan de omstanders het water in 
den mond, een onwederstaanbaar verlangen vervult hen om hunne 
wraak aan den booswicht te koelen en een stuk van zijn vleesch 
te eten , daar zij dan zeker zijn , dat hij hen niet meer schaden kan. 
De Radja of de beleedigde heeft het recht, het eerste stuk vleesch 
af te snijden; doorgaans kiest hij daartoe een stuk van den boven- 
arm of van den wang en ijlt daarmede naar een der vuren, die 
aangestoken zijn, om het vleesch een weinig te roosteren voordat hij het 



') G. W. W. C. V. Hoëvell in T. v. N. I. 187S. II.; G.K. Niemann inFeestnommer 
Kik. Inst. Zelfs aan ons Gouvt. werden dergelijke brandbrieven gericht voor schulden, 
door Bataks aangegaan. 

=) Zie mijne Merveilles de l'Inde p. 235. 



392 KI-EKDING DER HATAKS. 

verslindt. Allen volgen nu zijn voorbeeld en het ongelukkige slacht- 
offer ziet te midden van onbeschrijfelijke smarten, hoe de stukken 
van zijn lichaam gebraden en verslonden worden. Gewoonlijk duurt 
zijn lijden een kwartier uurs, Tlaaina wordt zijn lichaam van alle 
vleesch ontdaan en zijn gebeente buiten het dorp begraven. IJehalvc 
in de bovenvermelde gevallen mag eigenUjk geen mensch geslacht 
worden, maar, naar men zegt, worden er soms hoofden gevonden 
die slaven opkoopen en aan hunnen onnatuurlijken lust opofferen. 
Hun gedrag wordt echter door de andere Bataks ten sterkste afge- 
keurd. De Karo-Bataks schijnen zich niet aan kannibalisme schuldig 
te maken; het spreekt van zelf dat daar, waar ons gezag gevestigd 
is, het menscheneten ten strengste wordt tegengegaan, ofschoon 
het niet geheel is uitgeroeid. 

Hoewel de kleeding der Bataks in verschillende streken uit- 
eenloopt, kan men in het algemeen zeggen dat zij bij de Karo's en 
Toba's hoofdzakelijk uit een soort van sarong bestaat, hapit genaamd, 
die tot op de voeten reikt, en waarbij vaak een doek gedragen 
wordt, die om de schouders wordt geslagen, doch ook wel door een 
baadje vervangen wordt. Een hoofddoek, die bij de Toba-Bataks op 
eene bijzondere wijze om het hoofd geslagen wordt, voltooit het 
toilet. De vrouwen dragen slechts de hapit; zoolang zij ongetrouwd 
zijn of nog geene kinderen hebben, bedekken zij daarmede ook de 
borst, maar laten, moeder geworden, dit kleedingstuk tot op de 
heupen neervallen, en bezigen dan vaak een doek, om hare kinderen 
op den rug te dragen. Een hoofddoek, die bij de Karo-vrouwen 
zoo wordt aangelegd dat hij van voren een soort van scherm vormt, 
wordt buiten's huis ook door de vrouwen gebezigd. Dochters van 
een Radja dragen soms wel een tweetal sarongs, die boven 
elkander omgeslagen worden en een buisje, met glaskralen ver- 
sierd, dat van achteren met koperen klokjes bezet is. Koperen of 
gouden halsbanden en een muts, met kralen bezet, voltooien haar 
gewaad. In het algemeen zijn de ongehuwde meisjes met dergelijke 
ringen om hals, armen en enkels getooid, terwijl bovendien nog 
koralen , koperen of tinnen oorsieraden bij haar gevonden worden ; 
zoodra zij echter gehuwd zijn ontdoen zij zich van deze sieraden. 
Ook de hoofden dragen ivoren armringen. De slaven en slavinnen 
zijn in den regel slechts door een sarong gedekt, die onder de 
armen wordt vastgemaakt; niet zelden zijn ook zij met koperen 



BEGRAFENIS VAN EEN BATAKSCH HOOFD. 393 

armbanden versierd en dragen zij een tweetal helderklinkende 
klokjes, die in het liaar vastgemaakt zijn. 

Laten wij ten slotte, vóórdat wij onze Bataks verlaten, het 
feest bijwonen dat ter eere van de uitvaart van een aanzienlijk 
hoofd gegeven wordt. Bij de begrafenis van gewone dorpelingen 
hebben er bijna geene plechtigheden plaats en wordt er slechts een 
feestmaal gegeven aan hen, die aan de begrafenis deel namen. 
Maar bijaldien een Radja ter aarde besteld wordt, en vooral wanneer 
hij groot aanzien genoot, is het geheele dorp er mede gemoeid en 
talrijk zijn de ceremoniën die opgevolgd moeten worden. Zoodra de 
zieke overleden is heffen zijne vrouwen haar gejammer aan , en 
van alle kanten beijveren de vrienden en verwanten zich om een 
rouwbezoek te brengen en deel te nemen aan het maal, waartoe 
een karbouw geslacht wordt. De naaste bloedverwant begeeft zich 
intusschen buiten het dorp en bezaait een stuk land met rijst; 
want het lijk moet zoolang in het huis blijven, totdat de rijst, die 
op den sterfdag geplant is, tot rijpheid komt. Ondertusschen houden 
anderen zich bezig met het vervaardigen van de doodkist, waartoe 
een groote boomstam wordt uitgezocht, dien men dan uitholt. Zoo- 
lang de kist nog bewerkt wordt, 't geen 14 dagen duurt, laat men 
het lijk op een laag van turksch koorn en rijst open liggen, maar 
bestrooit het van tijd tot tijd met kamfer, die de lucht verdrijft en 
de uitdrooging van het lijk bevordert. Is de kist klaar dan wordt 
het lijk, in staatsiekleeding gedost, er in gelegd en met kamfer 
bestrooid ; het deksel wordt daarna gesloten en de spleten met hars 
gestopt en het lijk in dien toestand in huis bewaard, totdat de rijst 
rijp is. Even te voren wordt een buffel geslacht, en de beenderen 
naar alle vrienden en verwanten gestuurd , als eene uitnoodiging 
om de begrafenis bijtewonen en , want daartoe is elk hunner ver- 
plicht, een karbouw medetebrengen. Het lijk wordt nu naar buiten 
gebracht en op een stellaadje geplaatst, die met doeken omspannen 
en met hoogst onkiesch beeldwerk versierd is; inmiddels worden de 
aangevoerde karbouwen aan palen gebonden, en nu vangt een 
geweldig weeklaag van al de familieleden des gestorvenen aan, die 
zevenmaal achtereen om de buffels loopen en daarbij door muziek 
in de sopo met vreeselijk geraas begeleid worden, waarna een der 
vrouwen een pot met rijst op den kop van een der dieren in stuk- 
ken slaat, 't geen het teeken is om zoo mogelijk nog meer leven 



394 DA J AKS. 

dan te voren te makon. Eindelijk kiinniMi de weeklagfunlcn liet 
gejammer niet meer volhouden, en mi hegeven de vrouwen zich 
naar het bad om zkli gereed te maken het vleesch der karbouwen 
voor het feestmaal te bereiden. Elk der vreemde gasten volgt nu 
het gegeven voorbeeld en loopt zevenmaal om zijnen buffel, om 
dien ten slotte met een lanssteek af te maken. Weldra stelt zich 
de stoet in beweging; de stellaadje, door een 50tal mannen gedragen 
en door de verzamelde menigte gevolgd, wordt naar het graf gebracht. 
Daar wordt het deksel van de kist opgelicht en de naaste bloed- 
verwant van den overledene zegt, met de hand ten hemel geheven: 
„Nu ziet gij ten laatsten male de zon, dien ge nooit weder zien 
zult." Daarna wordt de kist in het graf geplaatst en met aarde 
bedekt, terwijl dezelfde figuren, die de stellaadje tooiden, thans 
bij het graf worden gezet, en de hoornen en schedels der geslachte 
buffels, later aan houten stokken bevestigd, daarbij gevoegd worden. 
Vroolijk en tevreden keert nu de stoet naar het dorp terug, waar 
haar een overvloedige maaltijd wacht, die hoofdzakelijk uit het 
vleesch der geslachte karbouwen bestaat. Voor de graven wordt 
verder weinig zorg gedragen; wel is waar zet men nog tweemalen 
eten op het graf neer, maar verder bekommert men zich er niet 
over. In den regel zijn de begraafplaatsen in de nabijheid der dorpen 
aangelegd en met eene heining omgeven , maar niet zelden treft 
men te midden der bosschen eenzame grafsteden aan, waar de een 
of ander uit den minderen stand de laatste rust geniet. Bij som- 
mige stammen is de verbranding der lijken gebruikelijk, terwijl o. a. 
bij de Karo-Bataks de lijken in een daarvoor bestemd huisje, — 
soms ook wel in het woonhuis bewaard worden, totdat zij vergaan zijn 
en de beenderen dan in een miniatuur-huisje op een hoogen paal 
bijgezet worden. 

In vele opzichten zijn de Dajaks niet minder belangrijk dan de 
bevolking, die wij zoo even verlieten. Dat zij uit een aantal stam- 
men bestaan , die in vele opzichten van elkander verschillen , merkten 
wij reeds vroeger op. Wij moeten ons hier tevreden stellen met 
eene beschrijving van enkelen der voornaamste Dajakstammen, welken 
het Nederlandsche gebied van Borneo bewonen ^) , en willen daartoe 



') Over de Dajaks in Britsch-Borneo bevatten belangrijke bijzonderheden o. a. H. Löw. 



DAJAKSCHE WONINGEN. 395 

met (Ie bewoners van de Westerafdeeling van het eiland aan- 
vangen i), en in vluchtige trekken een beeld van hunne levens- 
wijze ophangen , onder voorbehoud op enkele stammen , die 
zich door bijzondere eigenaardigheden onderscheiden , nader terug 
te komen. 

Wanneer wij van een Uajaksch doip spreken, dan geeft deze 
uitdrukking slechts zeer onvolkomen den indruk terug, dien de 
woonplaatsen der Dajaks maken. Want in den regel bestaat het 
dorp slechts uit één zeer lange , op vaak 18 voet hooge palen 
gebouwde woning, — soms echter uit 2, 3 en meer — waarin zich 
tal van gezinnen ophouden ^). Even als bij de Bataks is de slijkerige 
en met vuil bedekte ruimte onder de huizen de verblijfplaats der 
varkens, wier vleesch een geliefdkoosd gerecht voor den Dajak 
oplevert, ofschoon hij zich ook niet ontziet honden, katten, des- 
noods ook kaaimans en slangen te nuttigen, want hij eet bijna alles wat 
leven ontvangen heeft, terwijl ook niet zelden eetbare aarde door 
hem wordt genuttigd. Dit laatste is trouwens ook in andere 
landen van den archipel niet zeldzaam. De woning die gewQonlijk 
van hout vervaardigd wordt, is aan de achterzijde in een aantal 
vertrekken verdeeld , welken ieder een eigen haard hebben en op 
eenen gemeenschappelijken gang uitkomen. Een soort van valluik 
verleent aan lucht en licht den toegang; van den gemeenschappe- 
lijken gang zijn de kamers door een soort van schut gescheiden, 
dat tegen de binnenzijde van den wand geplaatst is. De afscheiding 
tusschen elk vertrek bestaat uit een wand, van boomschors ver- 
vaardigd en gewoonlijk van een kijkgaatje voorzien, terwijl de vloer 
uit latten bestaat, die niet samengevoegd zijn, zoodat men in de 



Serawak, its inhabitants etc. London 1848. H. Brooke Low in Journal of the anthrop. 
Inst. XXI. 1892. p. 110 en C. Hose id. XXIIl. 1893 p. 156. 

') Schwaner, Boineo. P. J. Veth, Borneo's Westerafdeeling. — Med. N. Zend. 
Gen. XIII. De heer Tromp (T. Aardr. Gen. 2e Ser. VII. 757) geeft eene uitstekende 
beschrijving van het verschil tusschen de Tanian-Dajaks van de Kapoeas, die «ons 
tegemoet komen gekleed met Chineesche broek, Maleisch buis en hoofddoek van 
Europeesch fabriekaat; geen kapmes of wapen op zij", en den Bahan aan de Mendalam 
met het pantervel over de schouders, de krijgsmuts op het hoofd, de schaamgordel 
om de lendenen, de mandau om den middel." Vraagt men beiden of zij nog snellen, 
dan zal de eerste antwoorden : ndat doen wij reeds lang niet meer", en de laatste 
»als het mag, liever van daag dan morgen". 

2) Zoo spreekt de heer Tromp van een dorp uit één huis bestaande met 92 kamers 
en 559 bewoners. 



396 TEMI'AJANS. 

laagte op den groml ziul on hel genot heeft van don rook, die door 
het vuur wordt veioorzaakt, dat 's avonds onder de woning wordt 
aangelegd on» de inillioenen muskieten te verjagen, wolken zich 
daar ophouden. Aan 'den anderen kant van het gebouw bevinden 
zich de openbare haarden , waar de ongetrouwde mannen verblijf 
houden, welken niet binnen de vertrekken mogen slapen, en die ook 
voor vreemdelingen bestemd is, tenzij een afzonderlijk gebouwtje, 
de ponggo, voor beide doeleinden en tevens als raadhuis dient, 
even als de sopo bij de Bataks. Eene gaanderij loopt voor deze 
haarden, terwijl eene niet overdekte buitengaanderij voor de woning 
aangebracht is, waar allerlei huiselijke werkzaamheden verricht 
worden. Een paar trappen verleenen den toegang tot het gebouw; 
zij komen onmiddellijk in de gemeenschappelijke gang uit, die niet 
gesloten is, zoodat het ook in verband met de later te beschrijven 
veiraderlijke aanvallen van buiten, geene ijdele voorzorg is, dat elk 
der ongehuwde mannen beurt om beurt wacht moet houden. Van 
de meubels, die in de vertrekken te vinden zijn, kan de lezer zich 
gemakkelijk een denkbeeld voimen; zij bestaan uit de mat met een 
houten blok, dat 's nachts als hoofdkussen en over dag als zitplaats 
dient; uit de wapenen en muziekinstrumenten van den bewoner, 
eenige manden en schenkbladen, maar vooral ook uit een soort van 
verglaasde geelbruine potten, tempajans of balanga's genaamd, die 
veel op onze keulsche potten gelijken en met draken en andere 
„en relief" gewerkte beelden versierd zijn. Deze potten, die van 
oude afkomst zijn en misschien uit Pegoe in Achter-Indië werden 
ingevoerd, staan in hoog aanzien bij de bevolking; soms wordt eene 
som van /" 4000 en meer daarvoor betaald. Het is hoofdzakelijk om 
de bovennatuurlijke eigenschappen , die de bevolking aan deze potten 
als het werk van geesten toekent, dat de tempajans zoo gezocht 
zijn, en merkwaardig is het, dat het slechts hoogst zelden gelukt 
om eenen nagemaakten pot, hoe kunstig ook vervaardigd, aan den 
Dajak tegen een hooge prijs in de handen te stoppen. Zij worden 
in maimelijke en vrouwelijke onderscheiden en jaarlijks met het 
bloed van geslachte hoenders bestreken. Gewoonlijk staan zij tegen 
de wanden, met kostbare kleeden bedekt; het water, dat er in 
bewaard wordt, heeft naar de raeening der bevolking een heilzame 
kracht; vaak wordt na den aankoop van zulk een pot een feest 
gegeven, naar het schijnt om van de daarin huizende ziel bescher- 



DAUELUKSCK LEVEN DEK DA.IAKS. 397 

ming te vragen '). Eerie andere afschuwelijke versiering van deze 
vertrekken zullen wij later leeren kennen. 

Het dagelijksch leven der Dajaks verschilt niet van dat der 
reeds beschreven stammen. Bij het aanbreken van den dag staan 
zij op en baden zich in de rivier, terwijl de vrouwen het water 
scheppen voor de behoeften van den dag. Daarna gebruiken allen 
eenen eersten soberen maaltijd , waarna het grootste gedeelte der 
bevolking van het gemeenschappelijke huis, zoo vrouwen als mannen, 
zich tot den veldarbeid begeeft of, op andere tijden, in de bosschen 
de middelen tot levensonderhoud gaat opzoeken, waarbij zij gewoon- 
lijk voorzien zijn van een mand, van rotan gevlochten en aan een 
over de schouders geworpen band op den rug gedragen. Tegen den 
middag keeren zij terug tot een tweeden maaltijd en hervatten daarna 
den arbeid op het veld. De tehuis gebleven mannen houden zich 
bezig met het maken van vaartuigen, wapenen of vlechtwerk; de 
vrouwen met het stampen van rijst of sago en het weven en maken 
van kleedingstukken. Des avonds komen talrijke gezelschappen bij 
elkander om te praten en verzamelen zich bij het licht van fijn 
gestampte en in een blad gerolde hars om de publieke haarden, 
waar zij zich met vertellingen en raadsels onderhouden. 

Het uitwendig voorkomen van de Dajaks heeft in de oogen 
van den Europeaan vaak grooter aantrekkelijkheid dan gewoonlijk 
met de leden van het Maleische ras het geval is. In den regel zijn 
zij welgemaakt, vooral de vrouwen munten door fijnheid van gelaats- 
trekken en door zekere rankheid van gestalte uit, ofschoon de 
magerheid van armen en beenen, die zoowel bij haar als bij de 
mannen wordt waargenomen, en aan gebrekkige voeding wordt 
toegeschreven, niet bij allen even sterk uitkomt, zoodat sommige 
schrijvers met eene zekere opgewondenheid van de bevallige vormen 
der Dajaksche vrouwen gewag maken. Ofschoon de kleur der Dajaks 
bruin genoemd wordt, is zij gewoonlijk lichter dan bij de eigenlijke 
Maleiers; de vrouwen, zegt men, zijn soms zelfs zoo licht gekleurd, 
dat zij de geele tint der Chineezen nabijkomen. Jammer maar dat 
kropgezwellen onder de Dajaks niet zeldzaam zijn en dat verreweg 
het grootste deel der mannelijke bevolking, — en ook een goed deel 
der vrouwen — met eenen walgelijken huiduitslag bedekt is, die 



1) T. B. G. XXVIII p. 26. 



398 KI.EEDING DER DAJAKS. 

hun het aanzien geeft, alsof zij met schubben van eene vale asch- 
grauwe kleur bedekt zijn en geweldige jeukte veroorzaakt. Naar 
men beweert is deze ziekte aanstekelijk. Het voornaamste, dikwijls 
het eenige kleedingstuk van den Dajak is de tjawat, een lap van 
blauw katoen, dien hij als een gordel boven de heupen slaat en 
van achteren met een knoop bevestigt. Ilct overblijvende einde haalt 
hij tusschen de beenen door en trekt het van voren nog eens door 
den gordel, zoodat het met een slip neerhangt. Zeer dikwijls bestaat 
deze gordel uit geklopten boombast. Wanneer er een boom geveld 
is wordt de schors in het rond geklopt en dan afgeschild ; daarna 
wordt de binnenbast afgehaald en weggeworpen en het overblij- 
vende aan de zonnestralen blootgesteld en, na genoegzaam gedroogd 
te zijn, nogmaals geklopt, in den vorm gebracht, waarin men het 
verlangt en dan met het sap van een bes op verschillende wijze getee- 
kend. Bij ruw weder wordt het bovenlijf dikwijls met een soort van 
katoenen buis bedekt. Het hoofd wordt gewoonlijk met een stuk katoen 
of boombast omwonden, dat echter de kruin bloot laat. Een paar koker- 
tjes, die de Dajak aan het lijf draagt, dienen om de ingrediënten voor 
de sirihpruim, een mesje om rotan te snijden en meer dergelijke zaken 
te bergen; op reis draagt hij een mandje op den rug om zijn voor- 
raad rijst en zout medetevoeren. Maar zijne uitrusting is niet vol- 
maakt, zoo er de parang of houwer aan ontbreekt, die gewoonlijk 
den vorm van een scheermes heeft, breed van rug is en van voren 
stomp uitloopt; het gevest is dikwijls inet menschenhaar voorzien. 
De eigenlijke oorlogsdos van den Dajak bevat meerdere wapenen ; 
wij komen daar aanstonds op terug. De uitrusting der vrouwen 
bepaalt zich tot een korte sarong, die boven de heupen vastgemaakt 
is en boven de knieën eindigt en zoo nauw om de dijen sluit, dat 
zij slechts korte schreden kunnen doen, 't geen haar eenen trippe- 
lenden gang doet aannemen, die voor bijzonder sierlijk gehouden 
wordt. Gewoonlijk blijft het bovenlijf onbedekt; maar soms trekken 
zij een buisje aan, dat dan niet zelden fraai bestikt is. Het hoofd 
wordt door een groeten hoed van gevlochten rotan tegen de zon 
beschermd; dikwijls echter wordt hetzelfde hoofddeksel door haar 
gebezigd dat ook de mannen gebruiken. Koperen en ivoren been- en 
armringen, koralen halssnoeren, banden van koperdraad of rood- 
geverwde rotan om de heupen en koperen ringen aan de vingers 
maken de voornaamste versierselen uit, waarmede de schoone 



HUWELIJKEN BIJ DE DAJAKS. 399 

sekse op Borneo zich tooit. De kinderen dragen in den regel gcene 
kleeding, tenzij men snoeren tanden of dergelijke versierselen zoo 
noemen wil. 

Van bijzondere plechtigheden , welken elders bij de geboorte of 
naamgeving van een kind plaats hebben, vindt men bij de Dajaks 
geene melding gemaakt. Maar het bijgeloof, dat den Dajak in hooge 
mate eigen is, speelt ook hier soms een groote rol. De droomen , 
die de vader na de geboorte van het kind heeft, zijn dikwijls voor 
het lot van het pasgeboren wicht beslissend , want zijn zij ongunstig 
dan gebeurt het meermalen dat het kind wordt weggegeven of te 
vondeling gelegd , vooral wanneer het eene dochter is. Aan de 
opvoeding der kinderen wordt niet veel moeite besteed en aan 
onderwijs in het geheel niet gedacht. Gewoonlijk worden zij op 
jeugdigen leeftijd verloofd, ofschoon het huwelijk in den regel later 
wordt gesloten, dan bij de Maleiers het geval is; mochten de ouders 
geene zorg voor de verloving gedragen hebben, dan roept de jongeling 
de hulp in van het hoofd van het huis en door diens tusschenkomst 
hebben de onderhandelingen tusschen de ouders der aanstaande 
echtgenooten plaats, die hoofdzakelijk over den bruidschat loopen, 
want het huwelijk bij wijze van djoedjoer is ook onder de Dajaks 
gebruikelijk. Gewoonlijk is de bruidschat of antaran gering en 
soms wordt zij zelfs in het geheel niet betaald; doch bij rijkeren 
worden meestal eenige tempajans gevorderd. De Dajaks huwen in 
hunnen stam; de bruidschat heeft bij hen ook niet het zuiver karakter. 
van een koopprijs, en in den regel neemt de man zijn intrek in het 
huis, bewoond door de ouders der vrouw, waar aan het jonge gezin 
een eigen vertrek wordt toegewezen. De stelling der viouw bij de 
Dajaks is dan ook geene ondergeschikte; in vele opzichten wordt zij 
als de gelijke van den man beschouwd; niet zelden vindt men zelfs 
vrouwelijke hoofden. Eigenaardig zijn de ceremoniën, die bij het huwe- 
lijk in acht worden genomen: de bruid en bruigom zitten buiten 
het huis naast elkander op een gong met het gezicht naar de op- 
komende zon gericht. Zij worden daarna bij vele stammen met het 
bloed van een kip besprenkeld en een ei wordt tegen hunne tanden 
gekneusd en onder den neus geduwd om er aan te ruiken. Vervol- 
gens kauwen bruid en bruigom te samen sirih, — eene handelwijze, 
die bijna overal in den archipel op minnehandel duidt, — en dan 
verklaren de ouders dat het huwelijk voltrokken is. De huwelijks- 



4lX) KOPPENSNELLEN. 

feesten bestaan lioofdzakolijk in feestmalen, waarbij bet varkens- 
vleesch de hooidrol speelt. 

Maar dikwijls gaat, altbans bij de stammen die meer in het 
binnenland zich ophouden, eene andere handeling aan het huwelijk 
vooraf — het gruwelijke koi)pensnellen, dat trouwens niet alleen op 
Boriieo in gebruik is of was. ^) Geen jongeling onder de Dajaks kan 
op den roem van dapperheid en krijgskunst aanspraak maken , tenzij 
hij een hoofd kunne vertoonen , dat hij zelf van den romp eens ver- 
slagene heeft gescheiden, doch zonder dat het er op aankomt, of 
de gedoode een vijand of onbekende was, ja zelfs zonder dat de 
roem in het minst vermindert, wanneer de gesnelde kop van een vrouw 
of kind is. Want het geldt hier niet het streven om in den eerlijken 
strijd zijnen tegenstander te bekampen en te overwinnen; neen, de 
kunst van den koppensneller bestaat hoofdzakelijk hierin , dat hij 
van uit een hinderlaag het op geen aanval verdachte slachtoffer 
plotseling bespringt zonder gevaar voor zich zelven, en het met 
één slag den kop van het lichaam houwt. Vergezellen wij eenige 
Dajaks, die zich tot eenen dergelijken sneltocht opmaken. In den 
regel vereenigen zich niet meer dan 3 tot 10 personen tot zulk een 
onderneming, want een aanzienlijker getal zou grooter kans hebben 
opgemerkt te worden. Alleen bij eenen bepaalden krijgstocht, die 
echter altijd met koppensnellen gepaard gaat, en waarbij men de 
vijandelijke dorpen zooveel mogelijk plotseling overvalt en uitmoordt, 
nemen de Dajaks in grooten getale aan zulke tochten deel. Nadat 
de voorteekenen geraadpleegd zijn tooien zij zich met het oorlogs- 
gewaad, dat gewoonlijk uit een buis zonder mouwen bestaat, met 
watten van kapok gevuld of van touwwerk gevlochten en dus tegen 
sabelhouwen bestand. Soms wordt dit buis gedeeltelijk door den 
badjoe soelan bedekt, een strook boombast, rondom met rood linnen 
geboord, aan de beide einden met bundels menschenhaar versierd 
en op de bovenzijde dicht bezet met witte, knoopvormige schijfjes, 
geslepen uit de stompe punten van een soort van zeehoorn. In het 
midden is een langwerpig gat, waar het hoofd wordt doorgestoken, 
zoodat rug en borst gedekt en tegen vergiftige pijlen beschermd 
zijn. Minder kostbaar zijn dergelijke bekleedsels van geiten of bee- 
renvellen vervaardigd; soms worden zij vervangen door een buis 



') C. M. Pleyte in T. Aardr. Gen. 2e. Ser. VIII. 908, 



KOPPENSNELLEN. 401 

met vischscliubben of schubben van den miereneter bekleed. Het ach- 
terdeel wordt beschut door een vierkant matje of een stuk dieren- 
vel, dat tevens tot zitmat dient, terwijl he