Skip to main content

Full text of "Ons volksleven"

See other formats


4, 



Digitized by the Internet Archive 

in 2009 with funding from 

Indiana University 



http://www.archive.org/details/onsvolksleven11brec 



ONS VOLKSLEVEN 

XI. 



" vt} 'Aw UNimsm 



t IQDa 



Ons Volksleven 



fl/£S 

ygion 



TIJDSCHRIFT 
Ooop ^aal*, Öoll^s* en Oudheidkunde 



ONDER LEIDING VAN 



Joz. CORNELISSEN & J. B. VERVLIET 



Onderwijzer 
te S t =Antonius=Brecht. 



Letterkundige 
te Antwerpen. 



« Er is nog een rijke oogst op het veld der ge westsprakeu voorhanden ; 
vele volksuitdrukkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen en 
bewaard te blijven. » 

Zuidnedalandsche Maatschappij van Taalkunde,Wedstrijd 1874 
« De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
i n één woord, het volk sooals het is. » 

Yraagboek voor Vlaamsche Volkskunde 



ELFDE JAARGANG 
1899 



TE BRECHT, 

BIJ L. BRAECOIANS, DRUKKER EN UITGEVER, 



308023 



• OS" 



Medewerkers aan den elfden jaargang 

(1899) 



Am. d'Hooghë 
A.-L. Duprez 
Edm. Geudens 
Alfried Harou 
Jonas van den Zeekant 
Is. Teirlinck 

A. VAN DEN BROECK 
P. VAN DEN BROECK 

K. H. v. H. 
J.-F. Vincx 
X. 

Frans Zand 



te Hamme. 

i) Tongerloo. 

)) Antwerpen. 

» Luik. 

» Oostende. 

» Brussel. 

» Lovenjoel. 

» Hamme. 

» Opwijk. 

n Sint-Martens-Lennik. 

» Antwerpen. 

» Heist-op-den-Berg. 



*: -ft - • " 






: 



Grodsplanten w 



il 

Christusplanten of Lieven-Heerekruiden 

We zullen eerst spreken over de planten, welke naar Christus 
genoemd worden; daarna over die, waaraan legenden verbonden 

zijn. 

A. Christusplanten. 

Een der merkwaardigste is de echte Christusbloem (Hgd. Qfjrtfts 
b(ume), het zwart Nieskruid (Helleborus niger L.), nog Kerstroos ge- 
heeten, omdat zij rondom Kerstmis bloeit; daarom heet men ze te 
Denderwindeke Kerstmisbloeme. 

Bij Tabernaemöntanus wordt de Pensee « 3efu§Blume » ge- 
noemd. 

De vermaarde Marentak (Viscum album L.) heet te Pepingen- 
bij- Hal Kesthout, d. i. Kersthoul, Christushout, wellicht naar de 
heilzame krachten door onze voorouders aan deze schuimplant 
toegekend; het was, zooals men weet, een heilig kruid voorde 
Druïden en de heidensche plant is nu een « gekerstend » hout 
geworden. Het volk zegt ook Kesterhoiit. 

De gewone Brem [Sarothammis scoparius L.) heet, rond Rome, 
Lieven-Heerebloem, omdat men de goudglanzende bloemen ter ver- 
siering der processie op H. Sacramentsdag gebruikt. (2) 



(1) Z. Ons Volksleven, VIII, '65. 

(2) Oomen, 198. Z. een andere legende verder. 



6 « Ons Volksleven. » 

De zurkelbladige Duizendknoop {Polygonum lapathifolium L.) 
en het Perzikkruid (P. persicaria L.) krijgen te Küstrin den naam 
van « ®§riftfmt. » (i) 

Christwortels zijn : het hooger genoemd zwart Nieskruid en, 
bij analogie, het groene Nieskruid {Helleborus viridis L.), het stin- 
kend Nieskruid {H. fcetidus L.) en het wit Nieskruid {Veratrum 
album L.). Den naam « Gtïjrtftttmr^ » vindt men, voor deze planten, 
bij verscheidene Hoogduitsche schrijvers. 

« Scfuêttmr^ », in Oostenrijk, is de zoo gemeene Reinevaar 
{Tanacetum vulgare L.). (2) 

Jtsus-Christuswortel noemt men, in Zwitserland, de Adelaars - 
varen {Pteris aquilina L.), omdat men op dwars doorgesneden 
wortels de letters J. C. heeft (3) meenen te zien; anderen vinden 
er de letters H. I. C. 

« <£§riftftnbeï§trau&e », de Druif van het kindeke Christus, is de 
roode Traminer-druif te Ihringen in Breisgau. (4). 

De Christuspalm (reeds in een oud kruidboek van 1 5 14 vonden 
wij « Cristus palme ») is de Wonderboom {Ricinus communis L.), 
in het Latyn Palma Christi. Sommigen hebben de gemeenste 
Standelkruiden {Orchis latifolia L, O.maculata L.) als Palma Christi 
beschreven. (5) 

« d^nftügerfte », Christusgerst is, in Zwitserland, de tweerijige 
Gerst {Hordeum sativum L. var. distichum.) 

Bij Kramers vindt men Christuspeer voor de goede verscheiden- 
heid, welke in het Fransch Bon Chrétien heet. Doch dit laatste 
woord ontstond door volksetymologie, vermits de Latijnsche 
benaming was : Pira of Bona crustimina (naar de Italiaansche stad 
Crustumium) ; onder deze benaming kwamen deze peren uit Italië 
naar Frankrijk, tijdens de regeering van Karel VII. 

Christusaster is, bij Kramers, de plant, welke meer als Christus- 
oog bekend staat. 

Uit Christusdoornen hebben de Joden de Doornenkroon gevloch- 



(1) Jessen. Legende komt verder. 

(2) Jessen. 

(3) Perger, 217. 

(4) Jessen. 

(5) Dodon.ïus, 38i. 



« Ons Volksleven. » 7 

ten. Volgens de meeste schrijvers bestond deze Kroon uit Door- 
nen en Biezen, dooreengevlochten ; zij bedekte het gansche hoofd 
en had den vorm van het hoofddeksel, dat bij de Romeinen den 
naam van Pileus droeg. Deze Biezen waren, doch men is het 
hierover niet eens : het wild Galigaangras (Scirpus maritimus L.) 
of de scherpe Bies {Juncus acutus Son.). — Over de Doornen loopen 
de meeningen der schrijvers insgelijks uiteen : de meeste nemen 
aan dat de J o dendoorn (Zizyphus Spina C krist i L.) de doornen 
schonk; zoo althans dacht de groote Linnseus. Anderen nemen 
er voor den Stekedoorn (Paliurus aculeatus Lam.); beide stekelige 
heesters behooren overigens tot dezelfde planten familie, de Rham- 
neën, evenals de twee volgende : de Kruis- of Wegedoorn (Rhamnus 
cathartica L.), welke daarom kruisvormige doornen draagt (liever 
de doornen vormen een kruis met de twijgen), en, volgens Bel- 
lonius is Corona spinea de boksdoornachtige Wegedoorn {Rhamnus 
lycioïdes) — Christusdoornen zijn nog : de gemeene Sauseboom (Berberis 
vulgaris L.), bij Dodoens en Bauhinus Spina sancta ; — de Hage- 
doorn (Crataegus oxyacantha L.), de Hulst (Ilex aquifolinm L.), de 
Stekelbezieboom (Ribes grossularia L.), de Maria distel (Silybum ma~ 
rianum L.), welke alle bij Jessen « (Srjviftboni » heeten; — bij Leunis 
heet zoo eene wilde Roos (Rosa rubiginosa L.) en de roode puntjes 
op de twijgen van dezen heester komen van 's Heilands bloed; — 
bij TmsELTON zijn het nog de Bramen. Conway ook vertelt dat de 
doornenkroon uit Rozetwijgen gevormd werd en dat de bloed- 
druppels, welke uit de hoofdwonden vloeiden, op den grond tot 
Rozen werden. (i) — De Gubernatis zegt, dat men in Sicielje den 
Boksdoorn (Lycium barbarum L.) Spina santa heet en dat, in 
Venetië, meer dan een kind een Acaciadoorn over zich draagt, 
ofschoon het denkt, dat deze vergiftig is, omdat uit Acaciadoornen 
de doornenkroon bestond. Deze Acacia zal wel de Robinia wezen 
(Robinia pseudo- acacia.)— In Vlaanderen (Segelsem) noemt men 
Doomenkroone (2) een soort van Rupsklaver, de gevlekte R. (Medi- 
cago maculata L.), naar de spiraal vormige, stekelige peulen. — 
Relikwiën van de Biezen der Doornenkroon bewaart men te 
Parijs, in Notre-Dame, ook bij de Karmelieten ; te Atrecht, te 



(1) Frasers Magazine, 1870. 

(2) Z. legende verder. 



8 « Ons Volksleven. » 

Lyon, te -Chablis. De volgende plaatsen beweren overblijfselen 
der doornen van de kroon te bezitten : de Abdij van S* Denis (reli- 
kwiën gegeven door Karel den Kale in de g e eeuw) ; de kerk van 
Malmesbury (door Keizer Otto I aan koning Ethelstan geschon- 
ken); Trier en Rome (door de H. Helena gegeven aan de twee 
plaatsen); het keurvorstelijk paleis te Munchen ; verscheidene 
kerken te Keulen ; de Broederschap van Weldadigheid te Venetië ; 
de Dominicus-kerk van Bologna; Citta di Castelle (Urbino) ; Ta- 
rago in Catalonië; Valence (door den H. Lodewijk geschonken); 
Toledo ; de abdij van S l Eligius teAtrecht; Parijs (kerken van 
H. Eustachius, van H. Germanus,van de Onnoozele Kinderen). 
Het ware belangrijk te onderzoeken uit welke planten die reli- 
kwiën eigenlijk bestaan, (i) 

Hier komt natuurlijkerwijs de vraag : 

Van welk hout werd het kruis van Christus gemaakt ? Welke 
zija de Kruishoutplanten ? 

« De eerwaarde Beda zegt, dat het opschrift van Palmhout, de 
standaard van Cipressenhout, de armen van Cederhout, het 
gedeelte boven het dwarshout van Dennenhout was. — Johannes 
Cantacumenus beschouwt den standaard als van Cederhout ge- 
maakt, het dwarshout van Dennenhout, het bovenste gedeelte 
van Cipressenhout. — Wilhelmus Durandus zegt : het onderste 
gedeelte van den standaard is van Cederhout, het middengedeelte 
van Cipressenhout, de armen van Palmhout. — Justus Lipsius 
(2) heeft het kruishout als Eikenhout beschreven. — Het is 
sedert eenigen tijd gebleken, door een microscopisch onderzoek, 
door Decaisne en Pietro Savi gedaan, dat de relikwiën van 
het H. Kruis, te Jerusalem, Pisa, Florencië en Parijs bewaard, 
uit Dennenhout bestaan. » Meest al de schrijvers geven drie 
soorten van hout op en beschouwen dit als een zinnebeeld der 
Drieëenheid. (3) 



(1) Z. hierover Oomen, Jessen, Thiselton, Perger, De Gubernatis. 

(2) Ook Bauhinus : « 5. Cnicis lignnm-Quercus » Doch Aloëshout heet bij 
dezen schrijver ook alzoo. 

(3j Oomen, 204. Z. ook Rahault de Fleury, Mémoire sur les Instr. de la 
Passion, Paris 1870. Relikwiën van het Kruis toont men, in ons land : te Brus- 
sel, Doornik, Gent, Geeraardsbergen, Kortrijk, Limburg en Walcourt. 



« Ons Volksleven. » 9 

Vele planten heeft men naar het Kruis genoemd : 
Zoo heet de Veldahorn (Acer campestre'L.) in Silezië " töveu^aum „ ; 
— de Wonderboom {Ricinus communis L.) bij Dodoens en reeds 
vroeger in een kruidboek van i5i4, (i) Kruisboom, bij J essen 
{Niederd. Herb. van 1483) " ,ftru$ebom „ en bij Roesslin {Kreuter- 
buch, i533) " .ftreiqbaum „, dit alles naar den ouderen naam Palma 
Christi ; — de kruisbladige Wolfsmelk {Euphorbia Lathyrus L.) bij 
Cordus " .Hreu^Baum „ en bij Jessen " ^mqftotf „ ; — de gemeene 
Stekelbezie, bij Dodoens, Cruysbesiën, dat evenwel, door volks- 
etymologie, uit Kroesbeziën schijnt ontstaan te zijn : de jonge 
bessen dragen zachte haartjes (vandaar in het Latijn {Ribes uva 
crispa L.) ; — de zuiverende Spork (Rhamnus cathartica L.), in Oos- 
tenrijk, naar Marter, (2) " ^treiqbeerftraucï) „, en " ^reu^eerborn „ 
bij Nemnich {Polyglotten -Lexi kon); de eerste naam was Kruisdoorn 
(z. hooger); — het Kruiskruid {Senecio vulgaris L.), een algemeen 
bekende onkruidsoort, omdat men tusschen den vorm van het blad 
en het veeldeelig byzantijnsch kruis eenige gelijkenis heeft mee- 
nen te ontwaren (3), (ofwel is het misschien eenvoudig een ver- 
draaiing van Grijshruid = Senecio, omdat de bloemen gauw ver- 
welken en de hoofdjes door de witte zaadkuifjes snel grijs zijn) ; — 
de stinkende Barkhausia {B.fcetida L.), bij Dodoens, het derde 
« Cruyscruydt », en de bijtende Fijnstraal {Erigeron acre L.), bij 
denzelfden schrijver, het « vierde oft allerkleynste Cruys-cruydt » : 
beide planten zijn, evenals het echte Kruiskruid, Samengesteld- 
bloemigen; — de Tabak, bij Nemnich, Kruid van het H. Kruis, 
„ Jh'cmt be§ t)etitgen £reu$e3 „ wij begrijpen niet waarom (4); — de 
Madelgeer (Gentiana cruciata) bij Frisius {Dict. latino-germanicum) 
„ 'fèreu^raut „ , bij Roesslin, „ (£reu$itmr$ „, bij Bock en Fuchs 
„ Grcii$ttmr$ „, in Tiro) „ $reu$blum „, bij Dodoens Kruyswortel : 
naar de kruisvormig geschikte bladeren (5) ; — het giftige Paris- 
kruid {Paris quadrifolia L.), in S l Gall aan den Opperrijn „ töreu^ 
blatt „ en in Prattigau „ «ftreu^ïitraut „ : de plant vormt een echt 



(1) Z. Dodoncra, Jaarboek. 

(2) $er$etcf)ttij3 ber Cftreid)ijd)en ïtöume, 1S70, 

(3) Tabernjemontus beweert dit. 

(4) Bauhinus (De Plantis a divis sanctisve nomen habentibus) heet de Tabak 
ook : S. Crucis herba. 

(5) We gaven reeds over die plant een legende. Z. ons vorig artikel. 



10 « Ons Volksleven. » 

kruisblad; — de Eryngium-soortén, bij Dod. en nu ook in de 
Woordenboeken, Kruisdistels, dat uit Kroesdistels schijnt ontstaan 
te zijn : ineen kruidboek van i5i4 vonden wij reeds « Cruis of 
croeschdistelen » ; — de lieve Poly gala-soorten, bij Dodoens Cruys- 
bloemekens (wellicht voor Kruisdagbloemekens, omdat zij omtrent de 
Kruisdagen bloeien), bij Bock {Kreuterbuch, i53o) „ £reu$i6ïümïem ,, 
bij CHYTRiEus [N omcnclaior latino-saxonicus, 1582) „ ftrut^Momen „ 
— de Tormentil {Potentilla Tormenülla Sibth.) met vier kroon- 
blaadjes is hierom in Tirol « &reu$6füme( » ; — de Marentak, bij 
Bechstein, « ^rcug^oïg », bij Bauhinus, 5. Crucis lignum ; — de 
Brandende Liefde (Lychnis chalcedonica L.),in het Fransch Crcix de 
Jérusalem, is bij ons wel Jerusalems Kruis geheeten, bij Nemnich 
« %Ralü)t\txtxtu$ » : de bloem gaf het model voor het Kruis, dat 
lang in de Jerusalemsorde als onderscheidingsteeken diende en 
later door de Ridders van Maltha gedragen werd ; — de Water- 
munt (Mentha aquatica var. crispa L. ), overal Kruismunt, dat een 
verbastering van Kroesmunt is : de bladen zijn gekroezeld ; — het 
Water helmkruid {Scrophularia aquatica L.), in Oost-Pruisen 
« «ftreuuteffel», d. i. Kruisnetel; — de gewone Ruit, bij Nemnich 
« .ftreun'aute » naar hare heilkracht; — eene verscheidenheid der 
gemeene Savie (Salvia officinalis var. auriculata), bij Fuchs « &'reu$s 
jalbet »); — de Benediktendistel (Cnicus benedictus GaRTN.), in 
het Middelnederlandsch volgens Jessen, Crucewort; — de bitter - 
smakendeW 7 aterklaver {Menyanthes trifoliata L.), in Silezië « ^reu^ 
roux] » ; — het kruisbladig Walstroo [Galium cruciata L ), bij Jes- 
sen « ©cïBe ©reugnmra », in het Fransch Croisettc ; — het IJzer- 
kruid {Verbena), in het Engelsch « Herb of the Cross »; — de 
echte Kummel (Cuminum cyminum L.), bij Leunis « ^veiqfümmel », 
eene artsenijplant uit Zuid-Europa; — eindelijk de Mariadistel 
(Silybum marianum), welke Bauhinus « 5. Crucis tribulus » d. i. 
voetangel van het H. Kruis noemt. 

Kalissiesap heet bij J essen « (S^rtflenfaft » ; — het gewone 
doorboord Hertshooi (Hypericum perforatum L.), in Mekkelenburg 
« (£Ijrtftt ^reu^blut » en in Oost Pruisen « (y()rifti 3QBunbcrïraut » : 
het is immer een tooverkruid geweest; — de St-Jobstranen (Coix 
lachryma L.), eene graminee met traan vormige granen, bij Leunis 
(Boianik) « Christustranen ». 

Merat {Dictionn.) geeft den naam Cceur dejèsus op, d. i. Jezus- 



« Ons Volksleven. » 11 

hert, voor een onbepaalde plant van S. Paul (eiland Réunion) wel- 
licht een Aristolochia (gist Baillon in zijn Dict.) ; de klimmende 
plant heeft hartvormige bladeren en wordt tegen adderbeten 
gebruikt. 

Christusoog is de naam van de lieve Lychnis coronaria L., een wel- 
bekende hofplant, naar het Latijn Oculus Christi ; van Ravelingen 
heeft er nog Jesus-ooghen voor. Wilde Christusoogen zijn de bloemen 
van de lichtpurperen Koekoeksbloem [Lychnis diurna). Volgens 
het Idioticon van Tuerlinckx heet de Bolderik (Agrostemma githago 
L.) in het Hageland Christusoog. Oculus Christi is nog, bij sommi- 
gen, de naam van Aster amellus L. een lieve tuinaster, sedert de 
i6 e eeuw in ons land ingevoerd. Al deze planten hebben schoone 
bloemkronen, welke ons als oogen aanstaren. 

De Adderstong (Ophioglossum vulgatum L.), een Varensoort, 
kreeg in het Nederlandsch den naam van Speer kruid en in het 
Latijn dien van Lancea Christi (van hier bij ons volk nog Lance- 
Christi), naar haar speervormig blad. Het was insgelijks een ver- 
maard magisch kruid. 

Ons-H eer enhetndeke of Hemdeke-zonder-naad is de bloem der zuiver 
witte Hagewinde en zulken schilderachtigen naam verdient de 
mooie klimplant wel in der waarheid (De Bo). 

B. De talrijke plantenlegenden welke met Christus verbonden zijn, 
kunnen wij in drie groepen rangschikken : 

a. Plantenlegenden over het Kindeke Jezus. 

Er zijn er vele. Is Jezus niet de bloemenmaker, zooals men in een 
volkslied (Liederboek van 't Willemsfonds) zingt? 

Te Asper (i) vertellen de kinderen, dat een meiske alle dagen 
vóór een Lieve-Vrouwebeeld bloemen zette, en dat eens Jezus en 
zijne Moeder aan die bloemen kwamen rieken. 

In Frankrijk zegt men, dat de Hanekamklaver (Onobrychis sativa 
Lam.) tusschen het gras en de andere kruiden der kribbe lag en 
in eens al zijn bloemen opende om eenen tuil rond het hoofd van 
het Kindeke te vormen. André Theuriet (Le Filleul d'un Marquis) 



\i) Volken Taal lil, i36. 



12 « Ons Volksleven. » 

schrijft : « Quand Ie petit Jésus était dans la crèche, il se trouvait 
du Sainfoin parmi les herbes sèches, qui lui servaient d'oreiller; 
et tout a coup Ie Sainfoin s'est mis, en plein hiver, a épanouir 
ses jolies fleurs autour de la tête de 1'enfant. » Daarom werd het 
kruid zeer geacht en Sainfoin, Sanctum fcenum, d. i. Heilig hooi ge- 
heeten ; doch anderen brengen Sainfoin tot Sain foin, d. w. z, Gezond 
hooi. — Onder andere Kribbeplanten, buiten Gras en Hooi, heeft 
men nog : Mos, M eikdistel {Sonchus), Cipres en Hulst. (Deze laatste 
stekelige plant, wellicht om meer te doen uitschijnen, hoe ellen- 
dig het leger van Jezus moest zijn.) (i) Volgens Pitré (De Gub.) 
leggen de Siciliaansche kinderen de Polei (Mentha pulegium L.) in 
de Kerstkribbe, en de plant begint rond middernacht te bloeien. 

De Ster van Bethlehem, welke de geboorteplaats van den 
Heiland aanwees, werd verbeeld door de gemeene Vogelsmelk 
(Ornithogalnm umbellatum L.), welke schoone stervormige bloemen 
heeft. In Thuringen noemt men ze nog, volgens Jessen, « £)tcnt 
cutê 33et§lef)cnt. » 

Rond de fontein, waarin Maria de bunselkleeren haars zoons 
waschte, schoten de allerschoonste en de zoetst riekende struiken 
op. (2) 

De eerste « witte » Hagerozen ontstonden op den heester, over 
denwelken Maria de windsels van haar kindeke te drogen hing, 
hetgeen zij immer des Vrijdags deed, daar zij enkel op dien dag 
waschte; en juist daarom moet de zon iederen Vrijdag schijnen, 
al doet zij het soms maar voor een enkelen oogenblik. Om dezelfde 
reden werd de witte Hageroos zeer vereerd. (3) 

Met de Driekoningen- legende hangt de volgende samen : 

De eerste Rijksappel — de kogel met het kruis, welken de 
keizer in zijne hand als teeken der heerschappij draagt — werd, 
zoo vertelt men, gemaakt onder Alexander den Groote, uit al het 
goud dat deze vorst in de veroverde landen gevonden had. Deze 
Appel kwam in de macht der Arabische koningen en een dezer, 
met name Melchior, die met Balthazar en Kaspar naar Bethleëm 
vaarde, reikte hem, als geschenk, aan het Kindeke Jesus; doch 
nauwelijks had de Heiland dezen Appel aangeroerd, of hij viel 



(1) This. 25 4 , Folkard, 44. — (2) This. 255. — (3) Perger 23g. 



« Ons Volksleven, r 13 

aan stukken ten gronde : want van nu af moest het aardsche rijk 
voor het onvergankelijke hemelsche wijken, (i) 

Volgens een andere legende (2) speelde Jezus gaarne met 
Appels, welke Engelen voor hem plukten. — Marianescu geeft 
een rumeensch lied op : Jezus zit op den schoot zijner moeder 
en spartelt ongerust en ongedurig ; hij wil niet slapen en weent. 
Om hem te paaien geeft Maria hem twee Appels; hij werpt 
den eersten omhoog, de vrucht werd de maan ; hij werpt daarna 
den tweeden, welke de zon wordt. Maria, die dit zag, voorspelde 
hem toen, dat hij de Koning van de hemelen zijn zoude. (3) 

Ook de Dadels speelden een rol in het leven van den kleinen 
Jezus. In een oude romance luidt het : 

« Maar Jezus was gezeten 
Op lieve moeders schoot. 
En zie, hij hief het handtjen 
Of hij den boom gebood. 
De Palmboom neigde neder 
En boog zijn dadels af, 
Dat zich de moeder spijsde 
En 't kindtjen laafnis gaf. » (4) 

Het Kindeke-Jezus gaat nu nog al de huizen af, om te zien of 
de kleine kinderen braaf zijn. Gebhart (5) vertelt, dat eens twee 
kinderen aan het « Wandelende Kind » in het midden van den 
winter hun bed schonken. Gedurende den nacht hoorden zij een 
hemelsch muziek. Zij stonden recht van de bank, waarop zij 
sliepen en staarden door het venster. In het Oosten gloeide het 
morgenrood en vóór het huis stonden vele kinderen, die lustig 
zoet speelden op luiten en harpen; allen waren in zilver gekleed. 
De twee goedhartige kinderen kregen nu eenen lichten klop op 
den schouder en zij keken om : daar stond Jezus vóór hen met 
gouden kleederen en een gouden kroon op het hoofd. Hij brak 
een rijs van eenen Denneboom en stak het in den grond, zeg- 
gende : « Dat rijs zal tot een boom opgroeien en alle jaren vruch- 
ten schenken. » En waarlijk, het Dennerijs schoot omhoog en 
werd een Kerstboom, die, met gouden Appelen en zilveren Noten 
behangen, nu alle jaren eenmaal bloeide ! 



(1) ld., 33i-332. —(2) Perger332. — (3)Güb, II, 3o5.^(4)Oomen,235. — 
(5) 40. 



14 « Ons Volksleven. » 

De vlucht naar Egypte gaf aanleiding tot menige legende en 
wij geven hier die, welke tot het gebied der plantlore behooren : 

In Andalusië, schrijft de beroemde Caballero, vertelt men, 
dat de Rozemarijn (volgens andere overleveringen is het de Jene- 
verboom) aan Maria, tijdens de vlucht naar Egypte, een schuil- 
plaats schonk (i). Het boompje bloeit op den Passiedag, omdat 
Maria er het linnen en de kleederen van Jezus op spreidde; 
daarom riekt Rozemarijn zoo zoet en brengt hij heil over de fami- 
liën,die er hun huis mede versieren gedurende « la noche buena » 
d. i. den goeden nacht, Kerstnacht. 

Nabij On zag men nog, vóór eenige eeuwen, den gewijden 
Vijgeboom (Ficus sycomorus L.), welke aan de H. Familie, gedu- 
rende de vlucht, frissche lommer verschafte. Over dien Sycomo- 
rus schrijft L'Ayma (2) : Toen Maria en Jozef met Jezus de vlucht 
namen naar Egypte, hadden zij zich onder eenen Sycomorus 
verscholen. Doch nauwelijks was het Kind onder de lommer van 
den boom, of de takken bogen zich over hem en verborgen hem 
gansch aan de blikken van de wreede vervolgers, die juist voorbij 
trokken. — De gekende reiziger Pietro della Valle spreekt 
insgelijks over dien boom in zijne reisbeschrijving; hij stond in 
eenen tuin, buiten Caïro. Sozomenes en Nicephorus gewagen er 
ook van. 

Een duitsche legende vervangt dezen Vijgeboom door den Ha- 
zelaar. Ook de Pijnboom verborg de vluchtelingen voor Herodes' 
soldaten. 

Doch sommige planten werden vervloekt, omdat zij geene 
schuilpaats wilden geven of de vluchtelingen trachten te verraden. 

Een Bulgaarsch lied, dat de gebroeders Miladinov opgeven, 
spreekt van de Maagd, die drie boomen vervloekte, — hun naam 
werd niet bekend gemaakt; doch Maria berouwt zich algauw 
over dien aanval van gramschap ; zij gaat in een klooster, waal- 
een heilige de kaarsen ontsteekt, terwijl een andere heilige de 
kerk uitveegt en S* Niklaas zingt. 

Gevloekt werden Wolfsboon (Lupinus) en Sissererwt (Cicer arte- 
ïinum), omdat zij de vluchtelingen wilden verraden. De Wolfs- 



(l) Gub. II, 317. — (2) Hist. deS. Joseph, Oomen, 281. 



« Ons Volksleven. * 15 

boon was vroeger een groote boom, met goede vruchten; doch 
sedert den vloek is het enkel een nietig kruid, (i) 

Eens kwamen de vluchtelingen in een dicht woud en al de 
boomen bogen zich eerbiedig neder, uitgenomen de Esp. Daar- 
om werd deze vervloekt en moet hij eeuwig ratelen en beven. (2) 

Rond Brussel (Droogenbosch) vertelt men dat de Biesstengel 
een dor topje heeft, omdat, gedurende de vlucht naar Egypte, 
Maria en het Kindeke zich in een gracht verborgen, daar zij 
achter hen de soldaten hoorden afkomen ; doch in die gracht 
groeiden Biezen en een der stengeltopjes stak en kwetste het oog 
vanden Heiland, die een luiden gil liet. Gelukkiglijk hoorden de 
soldaten dezen niet. Het Biestopje werd echter vervloekt en daar- 
om kan het niet groen blijven. Bewijst deze lieve legende niet, 
dat ons volk een juiste en ervaren natuuronderzoeker is? (3) 



b. Plantenlegenden van den leerenden, wandelenden Christus, 
behoorende tot de groep, welke de Duitschers 

Wandemsagen heeten. 

Wij vonden de volgende : 

Het kruid Iseré. 

De IJslandsche Vlecht (Cetraria islandica L.),de koude zoekende 
korstplant, die men enkel in het Noorden en op de bergen van 
Europa vindt, groeide eertijds ook in de dalen. Zij bevatte alsdan 
zooveel voedende stoffen, dat de koeien, welke ervan aten, bui- 
tengewoon goede melk gaven. Als nu de wandelende Christus in 
Tirol kwam — het is een legende uit dit bergland — bereikte hij, 
als bedelaar gekleed, eene hoeve, waar de hoogmoedige meesteres 
een melkbad nam en hem onmeedoogend wegjoeg. Dat vertoorn- 
de den Heer, die tot de melkgevende plant riep : « Iseré, groeie 
onder de sneeuw! » En sedert dien groeit de nuttige Vlecht, 
welke vroeger Iseré hiet, alleen op de sneeuwige hoogten der 
Tirolerbergen. (4) 

Christus deed in eene schuur koren regenen : 

De Tarweregen. 



(1) Gub. I, 201, II, 291. — (2) This. 254. — (3) Er bestaat een andere Bies- 
legende, die wij in onze Pla ntlore hebben opgegeven. — (4) Perger, 209-210. 



16 « Ons Volksleven. » 

Toen hij met Petrus te Nederaltaich in Beieren kwam, vroegen 
zij in eene hoeve nachtverblijf. De gierige boer schonk hun een 
armzalige ruststede, op voorwaarde, dat zij des anderen daags in 
de schuur het graan zouden dorschen, hetgene aangenomen 
werd. Jezus en zijn trouwe wandelgezel kropen in het bed en 
sliepen weldra in. Om twee uren kwam de boer en wekte Petrus, 
die van voren sliep. Daar deze echter niet opstond en weldra 
opnieuw insluimerde, werd de boer toornig en hij gaf hem eenige 
stokslagen. Daarna vertrok hij. De Heer, om Petrus te troosten, 
nam nu de voorste plaats (i). Beiden sliepen weder in. Toen nu 
de boer terugkwam, werd hij grammer en hij sprak : « Met den 
eersten is niets aan te vangen!...» en hij deelde den laatsten, 
dus weeral Petrus, eenige stokslagen toe. Nu stonden zij op en 
gingen ter schure. Jezus nam een aar uit eenen schoof, hield ze 
aan een brandende kaars en, terwijl zij brandde, vielen duizenden 
graankorrels, een echte korenregen, neder ! De boer had dit nage- 
zien en als de twee wandelaars heen waren, wilde de gierige 
boer den Heer nadoen, maar aar en schoof schoten in brand en 
de gansche schuur werd tot asch verbrand. (2) 

Gebhart (3) geeft van dit sprookje een schoone variante : 

Het was reeds laat in den nacht, toen Jezus in een dorp kwam. 
Echter nergens brandde nog een lamp; edoch, in een afgelegen 
schuur was men nog bezig met koren te dorschen. De Heer ging 
naar de schuur en vond er een boer met zijn drie zoons volop 
aan het werk. En hij vroeg : 

« Waarom werkt gij nog zoo laat en zoo vlijtig, lieve man? » 

De boer antwoordde : 

« Moeten is een bitter kruid, goede vriend. Ik moet, binnen 
de drie dagen, mijnen ruwen en harden huismeester pacht beta- 
len en ik heb geenen penning in mijne kas. Daarom moet ik het 
koren vlijtig met mijne kinderen dorschen en het voor geringen 
prijs verkoopen; en ik weet niet wat ik in den winter mij en 
mijne familie geven zal. » 

« Wilt gij mij hier dezen nacht houden en mij op eenen bundel 
stroo laten rusten? » vroeg de Heer. 



(1) Deze slimme trek komt in vele dezer legenden. — (2) Panzer, Beitr. I, 
3o. — (3) BI. i 9 5. 



« Ons Volksleven. .» 17 

« De arme is de vriend der armen », antwoordde de boer ; « wat 
ik bezit, hoe weinig het ook zij, staat te uwen dienste. » 

De Heer sprak : 

« Ten dank wil ik u een weinig helpen dorschen. » 

Hij nam de lantaarn en hield het licht zeer hoog onder de hoo- 
pen schooven, die daar opeengestapeld lagen. 

De boer scheen van schrik in den grond te zinken en de drie 
zoons schreeuwden : 

« Wel, gij gaat schuur en huis in biand steken! » 

Zij wilden den Heer tegenhouden, doch konden niet; zij sche- 
nen als aan den schuurvloer genageld. 

Toen de Heer daar nu stond, met de lamp aan de schooven en 
de ernstige, vriendelijke oogen naar de vier mannen gericht, be- 
gon het als Tarwe te regenen, en gelijk het water uit de bron, 
ruischte een stroom goudgele granen uit de schooven naar bene- 
den, en bedekte schier gansch den dorschvloer, zoodat de mannen 
nu met moeite den tijd vonden al dat koren met de schop op te 
scheppen. Toen sprak de Heer : 

« Wat gij den armen doet, doet gij mij ; dit is het loon uwer 
barmhartigheid... » 

En met die woorden verdween hij. 

Maar de Tarweregen bleef voortruischen en de boer werd een 
rijk man. 

Doch de goederen dezer aarde maken het hart van den 
mensch niet beter, anders zoude het hier op de wereld gansch 
anders gaan. De boer en zijne zoons dankten wel op dit oogenblik 
den Heer en maakten de beste voornemens; doch deze waren, in 
weinige weken, gansch vergeten. Zij leidden een wellustig leven, 
voelden geen erbarming meer voor behoeftigen en noodlijdenden, 
en zij dachten alleen aan hun lijf en hunne genuchten. 

Daarom week alle zegen van hen ; van dag tot dag zonken zij 
al dieper in groote schulden en toch bekeerden zij zich niet. 

Op eenen schoonen herfstdag was de laatste oogstwagen thuis 
gekomen en des avonds zat de boer met zijn drie zoons aan de 
wijntafel en ze brasten. Daar riep de boer vermetel uit : " 

« Slecht vergaat het ons, dat is waar; echter het zal beteren. 
Wat de Christus kon, dat kan ik ook. Geef maar acht! Morgen 



18 « Ons Volksleven. » 

vroeg moet hier alles vol Tarwe liggen, of de duivel zal de keers 
houden! » (i) 

Dit zei hij, en hij nam het licht en waggelde naar de schuur. 
Hij hield het onder de schooven ; maar in stee van goudgele 
korrels, die neder rolden, schoot een lichte gloed omhoog en in 
weinige oogenblikken, stond het heele hoerenhof in vuur en 
vlam ; des morgens vond men er enkel rookende puinen ! 

En de boer en zijne zonen waren nu armer dan te voren en zij 
stierven in de grootste ellende ! 

(Vervolgt.) Is. Teirlinck. 

(Uit mijn : Planten-Kiiltur.) 

De Herbergen 



Een onderwerp dat voorzeker in nauw verband staat met de 
zeden en gebruiken des volks, is eene beschrijving over de her- 
bergen. De drankhuizen zijn ten huidegen dage zoo talrijk en 
worden zoo druk bezocht, dat men zeggen mag, dat de man uit 
het volk er al zijnen ledigen tijd doorbrengt. Uit het oogpunt 
van het familieleven — dat verslapt en verloren gaat door het ver- 
keer in de herbergen — ; uit het oogpunt der gezondheid — 't is 
daar immers dat de werkman leert drinken — ; uit het oogpunt 
van stoffelijk en zedelijk welzijn — 't is daar dat de man het 
grootste gedeelte van zijn werkloon verteert ten nadeele van zijn 
huisgezin — ; mag men zeggen dat de herberg de plaag van onzen 
tijd geworden is. 

I. 
Uithangborden van herbergen 

Eertijds zag men te Borgerhout voor eene herberg een uithang- 
bord, dat eene ton verbeeldde met eene menigte kranen, en het vol- 
gende opschrift droeg : 



(i) Deze uitdrukking is van ons; Gebhart zegt : of de duivel zal er zich 
mee bemoeien ! Doch deze zonderlinge Vlaamsche zegswijs kwam ons hier zoo 
natuurlijkerwijs onder de pen — en de vertelling- kon hier zelfs etymologisch 
dienen — dat wij niet konden nalaten ze hier te gebruiken. 



« Ons Volksleven. » 19 

Komt hier binnen 

Zonder verzinnen. 

Gij zult er van verwonderd zijn, 

Dat alle soorten van likeuren nat 

Tapt men uit hetzelfde vat. 

— Op het uithangbord van eene herberg, nabij de spoorhal van 
Berchem (Antwerpen), in de Statiestraat — het huis is thans af- 
gebroken — las men over eenige jaren : 

In Sint Bastopol. 
De herbergier had Sebastopol voor eenen heilige genomen ! | 

— Op vele plaatsen vindt men voor herbergen een uithangbord 
dat eenen omgekeerden biekorf verbeeldt, en een man die met 
het hoofd naar beneden in den biekorf valt, de beenen in de lucht. 

Daaronder leest men : 

In den Zoeten Inval. 

— Op het Kiel, te Antwerpen : 

In de Donkere Wolk. 
De Baas is eer zat als het volk. 

— Te Fayt-lez-Seneffe las men over 40 jaar op een uithang- 
bord : 6 

Il ne faut pas se battre, 
Maïs boire comme quatre. 

— Op het Kiel, te Antwerpen, kon men het volgende raadsel- 
achtig uithangbord lezen : 

In den vergulden Hamer. 
Als het niet gaat, ga ik terug naar mijn kamer 

— Te Antwerpen : 

In de drij Klakken. 

Veel drinken, maar niet plakken ; 

Want de baas is een man, 

Die er niet tegen kan. 

— De Mondstraat te Ieperen is haren naam verschuldigd aan 
eene herberg, De Mond geheeten, waarvan het uithangbord twee 
hoofden van dronkaards met open mond verbeeldde. Die drinke- 
broers hielden eenen pot en een glas in de hand, en daaronder 
las men : 



20 « Ons Volksleven. » 

Een dronken mond 
Spreekt 's herten grond. 

— Te Cras-Avernas las men op een uithangbord : 

Au Paradis 
On y boit bon marché. 

— Boven de deur van eene drankslijterij te Antwerpen, hing 
een citroen te zwieren en daaronder stond : 

In den Goeden Citroen. 

Daer is 't allemael te doen. 

Verkoopt men met volle pint en maet 

En ge komt nooyt te laet. 

(V. A. Lagye. Le Yieil Anvers etUNouvel Anvers, 84.) 

— Voor sommige geneverkroegen leest men : 

In den Grooten Bak (i) 
Verkoopt men goeden kwak. (2) 

— Te Berchem, bij Brussel, bestonden twee drankhuizen, die 
voor uithangbord hadden : 

Karel, houd de lanteern. 

(A. Wauters, Histoire des Env. de Bruxelles,!, 35i.) 

Dit uithangbord herinnert aan een avontuur, dat zoogezeid 
Keizer Karel V overkwam den 25 Januari 1540. De vorst haastig 
van Gent naar Brussel willende wederkeeren, klopte aan de deur 
van eenen boer, die er in toestemde hem tot leidsman te dienen, 
maar onderweg zich niet geneerde om den keizer de lanteern te 
doen vasthouden, terwijl hij aan eene natuurlijke behoefte vol- 
deed. 

De boer verschrikte, toen hij later vernam wie zijn gezel ge- 
weest was, maar Kaïel wilde hem daarom geen kwaad en ont- 
sloeg hem voor altijd van belastingen. 

— Een drankhuis aan den ingang van de straat « Pont 
d'Avroy » te Luik, heeft het volgende Waalsch uithangbord : 

Aux trois cranes 
en verbeeldt drie mannen, boeren uit den omtrek, zichtbaar 



(1) Groote borrel. 

(2) Genever. 



« Ons Volksleven. » 21 

« aangevezen » (i), maar die toch nog den flinke willen uithangen 
of, gelijk men dat in 't Fransch heet, quifont encore les « crdnes)). 

Deze uitdrukking beteekent : zich flink houden, den ferme uit- 
hangen. 

Onderaan vertoont het hangbord drie kranen. (Het Fr. robinet 
wordt in het Luikerwaalsch, evenals in 't Vlaamsch, door crane, 
d. i. kraan weergegeven.) Het geheele uithangbord is dus een 
woordenspel steunende op de dubbele beteekenis van het woord 
crane (crane.) 

— Mej. Carolina Popp spreekt van eene herberg in de omstre- 
ken van Brugge, langs de vaart van Sluis, welke herberg voor 
uithangbord vijf dooreengevlochte ringen heeft. 

Dit drankhuis droeg eertijds het uithangbord In de drie Koningen. 
De nicht van den herbergier, die met dezes zoon zou trouwen, 
wedde eens met hare vijf vriendinnen, dat zij aan elk hunner ha- 
ren vrijer zou ontnemen, en dat deze vrijers haar op een vastge- 
stelden dag eenen ring zouden brengen. 

Zij won hare wedding en deed de vijf verliefden begrijpen, dat 
zij hen had beetgenomen. Eenige dagen later trouwde zij met 
haren neef. 

Sedert dien veranderde het uithangbord en in de plaats daar- 
vang hing nu eene ketting van vijf breede ringen. 

II. 
Hoe men de Uithangborden vervangt. 

— In de dorpen rond Luik, kent men de herbergen aan twee 
ronde koperen plaatjes, die voor het vensterraam liggen. 

— In 't Walenland, in 't algemeen, en in 't Zuiden van Lim- 
burg erkent men eene herberg, die geen uithangbord heeft, aan 
eenen tak palm of den (Canne, Limburg) ; den of geneverbessenhout 
(Luxemburg) ; hulst, den en in 't algemeen hout dat lang groen 
blijft. (Henegouw.) In de omstreken van Aarlen vervangt een 
bezem dikwijls de takken dezer houtsoorten ; te Godarville dient 
een brem- of een hulsttak voor uithang teeken. 

Deze oorspronkelijke uithangteekens heeten te Dinant « petons » . 



(i) Dronken. 



22 « Ons Volksleven. » 

III. 

Opschriften en Teekens op de vensters 
binnen de herbergen. 

Op den buiten vindt men dikwijls de aankondiging van eenen 
biljart op de volgende wijze : 

Twee gekruiste keu's of biljartstokken en drie ballen staan op 
een venster geschilderd en beteekenen dat de herberg eenen bil- 
jart bezit. (Vlaamsch en Waalsch België.) 

— In de Walen, waar veel herbergen een kegelspel hebben, vei- 
beeldt men op dezelfde manier eenen bol en verschillende kegels. 

— Te Luik ziet men in de kleine herbergen eenen koffiepot, 
eenen melkpot en een stuk taart (gemeenlijk eene rijsttaart) op 
het venster geschilderd. Dat beteekent dat men er koffie op- 
schenkt. Elders vindt men er ook met eenen koffiepot, eene tas, 
eenen melkpot en eene hesp, hetgeen wil zeggen dat men er kan 
gaan eten. 

IV. 

Het Inwendige der herbergen. 

BEMEUBELING 

A. PRINTEN EN VERSCHILLENDE BERICHTEN TEGEN DE MUREN. 

Bericht nopens het krediet. In de voorsteden en inde omstreken 
van Brussel vindt men dikwijls tegen de muren eene print in 
levendige kleuren, eenen haan in omtient natuurlijke grootte 
verbeeldende, met het opschrift : 

« Quand ce coq chantera, 
Crédit on fera. 

— In sommige herbergen — ik heb dit gezien in de Hoogstraat 
te Brussel — vindt men printen tegen den muur gehangen, die 
de begrafenis van het krediet verbeelden (i). 't Is eene gewone be- 
grafenis, en de lijkstoet bestaat uit al de slechte betalers. 



(i) Ik heb dezelfde print gezien in de Lange Leemstraat te Antwerpen, in 
de nabijheid der kazerne, 7-8. 



« Ons Volksleven. » 23 

Berichten nopens het gedrag der klanten. In de herbergen der pro- 
vincie Antwerpen, vooral op den buiten, ziet men eene print, in 
eene lijst gevat, waarop in eenen driehoek het oog Gods verbeeld 
is, omringd van eenen stralenkrans. Boven deze afbeelding leest 
men in groote letters : 

God ziet mij. 
En er onder : 

Hier vloekt men niet. 

Te Sint-Antonius en in de omliggende dorpen vindt men in 
bijna alle herbergen de volgende gedrukte waarschuwing hangen : 

Reglement. 

De dronkaard krijgt hier geenen drank, 

De vloeker gaat hier zijnen gank ; (i) 

Die hier wil vechten of wil kijven, 

Zal men algauw de deur uitdrijven. 

Nochtans verkoop ik geerne drank, 

Op schoon plezier, in schoon gezang, 

Maar hier ook zit gij voor uw geld, 

En gij geen slechten praat vertelt. 

Als de policieklokke slaat, 

Is 't tijd dat gij naar huis toe gaat, 

Want later tapt men hier niet meer, 

Noch voor een boer, noch voor een heer. (2) 

B. — Om de pijp te ontsteken. 

In alle herbergen vindt men eene bussel lange en droge halmen 
van eene bijzondere grassoort, die in de magere en onbebouwde 
gronden der Kempen groeit. Deze halmen heeten te Antwerpen en 
in de omstreken kwaèjongens, te St. Antonius en elders buntpijlen en 
in 't Z. O. der prov. Antwerpen heespieren, en dienen om de pijp 
uitte kuischen. Die kwaèjongens bewaarde men eertijds in daar- 
voor opzettelijk bestemde koperen kokers of bussen, die tegen den 
muur hingen. In sommige ouderwetsche herbergen treft men die 
kokers nog aan. (2) 

— In sommige dorpen van Vlaanderen, o. a. in de omstreken van 
Kortrijk, vindt men hier en daar nog den vuurpot, een koperen pot 
met gloeiende kolen om de pijp te ontsteken. Men moet daaraan 
gewoon zijn, wil men zich niet branden. 



(1) D. i. : De vloeker zal aan de deur gezet worden. 

(2) Aanteekening van J.C. 



24 « Ons Volksleven. » 

C. — Wat men op den toog ziet. 

De Bussen. Wat eerst in het oog valt, zijn de bussen. 

In bijna alle herbergen der steden en in veel op den buiten vindt 
men bussen om geld te zamelen voor werken van liefdadigheid of 
politieke propaganda. Die bussen staan gemeenlijk op den toog 
en zijn van een slot voorzien. 

Wij lezen in de Histoire des Environs de Bruxelles door Alph. 
Wauters, III, 297, dat het gebruik van in de herbergen bussen te 
plaatsen, bestemd om giften voor de ongelukkigen te zamelen, 
reeds in de XVI I e eeuw te Eisene bij Brussel bestond. 

De Draaimolekens. Op den toog der herbergen ziet men dikwijls 
draaimolekens. De klanten maken er gebruik van, om te weten 
wie het gelag zal betalen. 

Zulk draaimoleken vertoont eene verticaal geplaatste, gegra- 
dueerde schijf, die op eene horizontale as draait. Wanneer men 
het moleken draait, rolt de bol die het bevat, rond en blijft op 
het een of ander nummer staan. Hij die het minste cijfer bekomt, 
betaalt het gelag. 

(7 Vervolgt.) Alfried Harou. 



Uolksdichtueerdigheid 

Het bronzen standbeeld van P.P. Rubens, dat reeds ruim 
eene halve eeuw op de Groenplaats (1) te Antwerpen staat, was 
eerst bestemd om geplaatst te worden aan het Burchtplein, vlak 
vóór het Kranenhoofd, die beide verdwenen zijn door de recht - 
making der Schelde. 

Het voetstuk was reeds voltooid met genieën aan de vier hoe- 
ken, verbeeldende de Schoone Kunsten en de Wetenschappen. 
In de plinten waren « bas-reliefs » of half verheven beeldwerken 
aangebracht, de bijzonderste gebeurtenissen uit Rubens' leven 
voorstellende. 

Die bijbehoorten waren nog niet gekapt; zij waren nog maar 



(1) Het volk zegt nog altijd Groen Kerkhof. 



« Ons Volksleven. » 25 

in plaaster en men ging eenen plaasteren Rubens op het voetstuk 
zetten, want, zeide men, de bronzen geut was mislukt en men 
moest herbeginnen. 

De plaasteren Rubens kwam aan in eene groote kas en veron- 
gelukte bij het ophijschen. 

Luister wat het volk op dit voorval dichtte. 

Eerst kwam eene inleiding, die ik mij niet herinner (want het 
gebeurde in mijne kinderjaren) en dan vervolgde het lied : 

Peer Rubens was genageld in een houten kas. 
Niemand wist wie daar in was, 
Maar zoohaast die wierd omhoog gehijscht, 
(Wie had er zoo een ongeluk gepeisd ?) 

De haak die brak, 

Het ging van krik krak, 

Rubens rolde uit zijnen bak 
En brak. 
Het zijn de werken van den Heer; ze hebben hem ons in metaal beloofd 
En nu is hij van slechten plaaster aaneengestoofd. 
Moest men daarom naar Brussel gaan 
Om de spijs van Rubens te beslaan ? 
Neen, neen, hetSinjorken kent beter zijnen stiel. 
Als laatst de Reuzin haren kop afviel, 
Was zij op een, twee, drij gerepareerd 
En reed in den Ommegang ongemankeerd. 

Eens, toen de kop van den Reus afgevallen was, had men daar 
het volgende op gezongen : 

Zij reden door de straten (i) 
Tot aan den Telegraf ; 
De Reus begon te praten 
En zijne kop viel af, 
Het was 'ne nieuwe gemaakte, 
Hij draaide en hij kraakte, 
Hij draaide nog eens rond 
En zijne kop lag op den grond. 
(Antwerpen.) X. 



(i) Namelijk de Reus en de Reuzin. 

<5 V-IS r * ) 



26 « Ons Volksleven. » 

De Hoos in het Volksgeloof en Volksgebruik (l) 

(Vervolg.) 



Offeranden van rozen in de Kerken 
en Kerkelijke plechtigheden. 

— Een laatste overblijfsel van het gebruik der rozen/weden vindt 
men in de gewoonte eene kroon, vontekroon geheeten, aan het kind 
te schenken, dat het eerste gedoopt wordt na de wijding der vont, 
ofwel op Kerstdag. Dat gebruik is nog in zwang in sommige 
kerken in Vlaanderen. Z. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, i. v. 
vonte.) 

— Het eerste kind dat gedoopt wordt na de wijding der vont, 
wordt met bloemen gekroond. 

De kroon heet te Doornik « Capiau des Roses » (rozenhoed, 
hoewel men zich vóór de invoering der rozen uit Bengalen, met 
Paschen noodzakelijk van andere bloemen moest bedienen. De 
Reinsberg. Cal. beige, I, 243.) 

— Doornik had en heeft nog zijne « baillée des roses. » Het is 
heden nog 't gebruik een kind met eenen rozenhoed te kronen, na 
de wijding der doopvont met Paschen en Sinksen ; en op Witten- 
Donderdag giet men rozenwater op de autaren. Chatin, op. cit., 
I, 32 4 .) 

— In de verslagen van de zittingen der Koninklijke Commis- 
sie van Geschiedenis, wordt in deel III, bl. 179, gesproken van 
eene offerande van rozen, die te Doornik gedaan werd in i352. 
Ziehier in welke bewoordingen : 

« Cum capitulum haberet jus levandi decimas rosarum in civi- 
» tate crescentium, domini de civitate volentes se et populum 
)) redimere, promiserunt quod annuation, in festo S.S. Bamabce 
)) ant Joannis Baptist cb curabunt deferri ad ecclesiam per idoneas 
» et honestas personas septem et octo serta rosacea, quibus 
» mediantibus liberati fuere ab hujusmodi rosarum solutione. 
Cartular. F., p. i58. » 



(1) Z. Ons Volksleven, IX, 84-85 ; X, 218-221. 



« Ons Volksleven. » 27 

« N.-B. Hcec serta rosacea ex hibentur in die corporis Christi, 
» in supplicatione deferenda. » 

Daar dit Latijn oprecht keukenlatijn is, voor iedereen verstaan- 
baar, heb ik het niet noodig geoordeeld het te vertalen. 

— In eene godsdienstige plechtigheid hadden de priesters, die 
overhand het H. Sacrament droegen, elk eenen rozenhoed op het 
hoofd. 

25 Juli 1486. « Doe waren gedreghen processyen generael ten 
» Wingaerde. Ende tvoorseyde glorieux, ghebenedyde, helich 
)) sacramend was ghedreghen van den deken van Sinte Donaes, 
» met twee ander priesters onder hem dryen, elc metten blooten 
)) oofde, ende elc een roosen hoed up zyn ooft. » (Gaillard, op. cit.) 

— Te Cras- Avenas dragen kleine meisjes korfjes met rozen in de 
-processie, ontbladeren ze en strooien de blaadjes op den weg. 
Koorden zijn gespannen boven den weg dien de processie volgt, 
en aan deze koorden hangen rozen-kronen, zoodat de processie 
er onder doorgaat. 

De Rozen op de graven. 

— In het land van Wallis, evenals in Engeland, vindt men 
nog het roerend gebruik de graven met bloemen te versieren. De 
week vóór Paschen of Sinksen vernieuwt men op de graven de 
planten en bloemen die er op groeien. De witte roos versiert het 
graf der jonge meisjes; de roode roos is bestemd voor de overlede- 
nen, die zich door hunne deugden hebben onderscheiden. (Tour 
du Monde, i r semestre, 1867, p. 263.) 

Kroning van rozemaagden. 

— Eertijds werd te Tourinne-la-Grosse (Brabant) eene roze- 
maagd gekroond. Dit gebruik ging te niet met de Fransche over- 
heersching. 

— Rond 53o stelde Sint-Medard te Salency in Frankrijk, eenen 
prijs in voor het meisje dat uitmuntte door zedigheid, wijsheid 
en door onderdanigheid aan hare ouders. Die prijs was eene 
kroon van rozen. 

Sindsdien werd in vele streken deze vrome overlevering nage- 
volgd. (De Reinberg, op. cit., I, 397.) 

Wijding der rozen. 

— De feestdag der H. Rosa wordt in April gevierd. Te Ton- 



28 « Ons Volksleven. » 

geren wijdt men te harer eer rozenbladeren, die als pap of als lesch- 
drank tegen de roos gebruikt worden. (Le Vieux Liége, n r van 4 
September 1897.) 

— In den tijd der rozen wijdt men in Limburg rozenbladeren, 
ter eere van de H. Rosa. 

Te Tongeren en in de omstreken bezigt men diezelfde blade- 
ren als thee en als pap bij de huidziekte, die de roos heet. 

Ge mengt delle sottefarenne en gedroogde rozenblaadjes in eenen 
fijn linnen doek en gij legt het op de zieke plaats. (A. Hock. 
Croyances et remèdes pop. au pays de Liége.) 

Rozenfeesten. 

— 's Zondags na Sint-Pieter heeft te Geeraard sbergen het feest 
der « rozenkroon » plaats. Men komt in 't geheim overeen nopens 
de personen die Koning en Koningin moeten zijn. Vervolgens 
danst men onder de bloemkronen die in 't midden der straat op- 
gehangen zijn. Onder den rondendans vallen de kronen op de 
hoofden der uitverkorenen die, van hunnen kant, een feest moe- 
ten geven. (Coremans, bl. 26-27.) 

— Te Hekelghem, op vier uren van Brussel, is een dergelijk 
feest bewaard gebleven. Alle jaren, na den feestdag van SS.Pieter 
en Pau wel, trokken de jonge meisjes strooitje, om eene koningin 
te kiezen. Wie het langste stroopijl bevalt, wordt koningin uitge- 
roepen en krijgt den rozenhoed. Die, na heur, het tweede langste 
stroopijl trekt, is tweede koningin en de rozenkroon is voor haar. 
Beiden hebben het recht eenen tijdelijken echtgenoot te kiezen, 
die met hen het koningschap of onderkoningschap deelt. (Core- 
mans, bl. 27; de Reinsberg, I, 441; A. Wauters. Hist. des Env. 
de Bruxclles, I, 5 18.) 

Rozenteelt. 

— Op den feestdag van Sint- Gal (16 8 ber ) verplant men liefst 
de rozelaars en andere bloemstruiken. (De Reinsberg, II, 217.) 

— De slaapappel is een soort van mosachtigen uitwas op de 
wilde rozelaars. Legt men hem onder het hoofdkussen der kinde- 
ren, dan zullen zij goed slapen. (Coremans. L'Année, etc.) 

— De roos van Jericho bloeit maar in den Kerstnacht. (De 
Reinsb. II, 327.) 



« Ons Volksleven. * 29 

Rozen als geneesmiddelen. 

— De bloemblaadjes van eene zekere soort van roode roos 
dienen om eenen siroop te maken. (Buil. de la Soc. lieg. de UU, 
walt., 2 me série, 16, 199.) 

— Te Braives (prov. Luik) verzamelt men de rozenblaadjes in 
een bokaal en men drukt er van tijd tot tijd op, om er het sap uit 
te persen. Men bewaart deze blaadjes vijf of zes weken, totdat 
het sap er goed uit is. Het dient om de oogziekten te genezen. 

— In de receptenboeken voor artsenijmengkunde van het begin 
dezer eeuw vindt men de bloemen der roode rozen gebruikt met 
eikenschors en den sumakboom (van de familie der harsachtige 
boomen) in de samentrekkende geneesdranken. 

Men vindt er ook een samentrekkend mengsel, samengesteld 
uit een aftreksel van roode rozen, witten honing en aluinpillen van 
Helvetius. 

('t Vervolgt.) Alfried Harou. 



S>int-]\laidtó;n 



Volksgebruiken en Liederen (1) 

7. In Noord-Brabant 

In Zeelst en omstreken verbeeldt een jongen Sint- Mart en. Hij 
draagt geenen staf of mijter, maar is kennelijk aan eenen grooten 
band van stroo om 't lijf en een strooien band om armen en bee- 
nen, — zelfs de pet is dikwijls omwonden met stroo. De jongens, 
met Sint-Marten in hun midden, trekken het dorp rond al zin- 
gende van deur tot deur : 

Sinter Marten stook vuur, 
Sinter Marten is hier, 
Gaef wa, houd wa 
Teigen 't joor en nog wa. 
Dan moet er natuurlijk ook wat gegeven worden : hout, stroo, 
« mutsert )), — alles wat brandbaar is, is goed. Centen zijn ook wel- 



(1) Z. Ons Volksleven, IX, 46; X, 72-75, iq3. 



30 « Ons Volksleven. » 

kom : die worden bewaard en later verdeeld. Op den avond van 
Sint-Marten, den n en November, worden de opgegaarde brand- 
stoffen op eenen geschikten akker buiten 't dorp opgestapeld en 
in brand gestoken. Iedere jongen heeft eenen grooten dikken 
strooien « foakel », dien hij aan 't St. Martensvuurken aansteekt, 
en nu wordt eerst in eenen kring rond het vuur gezongen en ge- 
sprongen : 

Sinter Marten stook vuur, 
Sinter Marten is hier, 
Gaef wa, houd wa, 
Teigen 't joor en nog'wa. 

Ik zou me zoo gaere werme 

Mé m'n bloate erme, 
Toe kwam e menneke mé krukke, 
Dè stiet 'et vuurken in stukke; 
Toe kwam e menneke mé ne groaten tjeen, 
Dè skoarde al d'ummerkes bi-jeen; 
Toe kwam e menneke mé stokke, 
Dè ging 'et vuurke weer aanmoake. 

Dan trekken de knapen met brandende fakkels in alle richtin- 
gen over « d'ekker, » totdat het stroo verteerd, « de foakel op ees. » 

De fakkelaars werden op hunnen tocht bij eventueele ontmoe- 
ting met die van andere dorpen, wel eens handgemeen en « vuur- 
den )) dan tegen elkander, dat de vonken om de ooren stoven. 
Ook wel trokken de fakkelaars van de eene gemeente soms ge- 
zamenlijk naar de grensscheiding van een naburig dorp, waar 
volgens afspraak een troep fakkelaars uit die gemeente reeds 
wachtte of opgewacht werd. Dan ontaarde de pret niet zelden in 
hevige en ruwe vechtpartijen. 

Tegenwoordig is dat vuurke stoken en 't «foakele » bijna geheel 
in onbruik geraakt. Enkele fakkels ziet men nog wel in den 
avond van den n en November als dwaallichtjes rondzwerven en 
St. Marten gaat ook nog wel van deur tot deur en ontvangt liefst 
centen, — mer — 7 hee nie vuil meir te betj eekene, niet 

(Overgenomen uit het Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschie- 
denis, Taal- en Letterkunde, III, 89.) 



« Ons Volksleven. * 31 

DE BIEËN ) 

{Vervolg) 



I. 

Middelen om de bieën het wegvliegen te beletten. 

Om de bieën te beletten zich te verre van de korven te verwij- 
deren, doorloopt men op Lichtmisdag het veld met eene gewijde 
keers. Verder dan den afgelegden kring vliegen zij niet. (E. Mon- 
seur. Le Folklore wallon, 9.) 

— Als de Ardensche bieman wil vermijden, dat zijne zwermen 
te ver van de biehal gaan hangen, verloren vliegen of in ontoe- 
gankelijke plaatsen gaan rusten, moet hij op Palmenzondag een 
takje gewijden palm vóór de biehal planten. 

II. 

Hoe men de zwermen vangt. 

Om eenen bieënzwerm te vangen, wrijft men tusschen de han- 
den takken van den Engel wortel (Angelica.) (Hoei.) 

III. 

De Vijanden der Bieën. 

Men zegt dat de pad de bieën verslindt, met die door haren 
adem aan te trekken. (Holz. Groothert. Luxemb.) 

IV. 

De Bieën als weervoorspellers. 

Wanneer de bieën hunnen korf potdicht sluiten, dan zal de 
winter guur zijn, in het tegenovergestelde geval zal hij zacht zijn. 
(Luik.) 

V. 

De Bieën op Kerstmis. 

Met Kerstmis, juist op middernacht, zingen de bieën. (A. 
Harou. Le Folklore de Godarville, 20.) 



(1) Z. Ons Volksleven, IN, 85-87- 



32 « Ons Volksleven. » 

VI. 
De Bieën op H. Sacramentsdag. 
Zoo men de bieën op H. Sacramentsdag verjaagt, gaan zij 
hunne raten bouwen op eenen naburigen boom en komen nooit 
meer in hunne oude woonplaats weder. (Leuven.) 

— Wanneer de jonge bieën door de oude op H. Sacramentsdag 
uit den korf verjaagd worden, en indien men de voorzorg niet 
genomen heeft eenen korf in gereedheid te zetten, dan gaan zij, 
in eenen boom, eene raat maken. (St. Nicolas-Tilleur.) 

— Op H. Sacramentsdag schikken de bieën hunne raten in 
den vorm van het H. Sacrament. (Questionnaire defolkl. wall.,n° 43.) 

— Een bieënzwerm die op H. Sacramentsdag gevangen wordt, 
maakt in zijnen korf eene der raten in den vorm van het H. Sa- 
crament. (Hoei.) 

— Te Godarville zegt men, dat een zwerm die op H. Sacra- 
mentsdag in eenen korf gevaat wordt, eene zijner raten schikt in 
den vorm van eene remonstrantie. (A. Harou, op. cit., 20.) 

VIL 
Bij de dood van hunnen meester. 
In Poitou (Frankrijk) bestaat het gebruik de biekorven te rou- 
wen, bij de dood van den meester des huizes. Daartoe hangt men 
aan iederen korf een lapje zwarte stof. Liete men dit gebruik na, 
de bieën zouden hunnen overleden meester steken. 

— Te Godarville hangt men, bij 't overlijden van eenen bieman, 
een stuk zwarte stof op de korven. Indien men deze formaliteit ver- 
zuimde, dan zouden de bieën sterven of den korf verlaten. (A. 
Harou. Le Folklore de Godarville, 20.) 

VIII. 
De Bieën en het Rumatismus. 
Ik heb somtijds hooren zeggen, dat de personen, door rumatis- 
mus aangedaan, bevrijd zijn tegen de gevolgen van het venijn 
(de steken) der bieën. 

IX. 

De Vloekers en de Bieën. 

Vloek niet vóór de bieën, want ze zouden u steken. (Almanach 
frovmgal de 1890. Dictions populaires.) 



«Ons Volksleven. » 33 

— De bieën steken degenen die vóór hunne korven komen 
vloeken. (Omstreken van Hoei.) 

X. 
Spreekwoorden. 
Die honing eten wil, moet den steek der bieën kunnen verdra- 
gen. (Arabisch spreekwoord.) 

(7 Vervolgt.) Alfried Harou. 



Kinderspelen, 

UIT HET 

(Vervolg. ) 



ii. Blaaskens maken. 

De kinderen nemen wat zeep en lossen die in een kommetje 
met water op ; vervolgens maken ze een « strooien buisken » van 
eene goede span lang, en aan het een uiteinde breken zij het 
stroo, zoodat zij het in vier of vijf vezels kunnen vouwen. Nu 
steken ze dit uiteinde in het opgeloste zeepsop, trekken het water 
op in het buisken, door de lucht er uit te zuigen, pakken het 
vervolgens uit het water terug en blazen in het buisken, tot- 
dat er eene blaas uitkomt. Deze vliegt dan omhoog, en hoe 
grooter, hoe schooner zij is, hoe meer zij de bewondering der 
kinderen opwekt. Ook geven zij hunne vreugde door luide kre- 
ten te kennen. De schoonheid der blaaskens bestaat in hunne 
velerhande kleuren : rood, blauw, groen, enz. Als de zon schijnt 
staan de 7 kleuren van den regenboog in de blaaskens. Als het 
den kinderen gelukt eens eene zeer groote te maken, blazen zij 
die zachtjes naar omhoog en kijken ze achterna totdat ze « berst » . 

De kinderen gebruiken ook eenen « pijpsteel » in de plek van 
een <t strooken ». 

12. Blind ei-slaan. 

Als de eieren bebroed zijn, slaan de jongens dikwijls « blind- 
ei » ; een voor een leggen ze de eieren op den grond, nemen 
eenen stok en « geblinddoekt » slaan zij beurtelings naar het ei, 
totdat het kapot is. 



34 « Ons Volksleven. » 

i3. Boeten (boezen). 
°B °B °a °a oP °a °a °B °B 

Negen « putten » worden gemaakt en in den « t' halvenput » 
legt elke speler één, twee of drie marbollen, volgens overeen- 
komst. Nu « geheuld », om te zien wie de eerste, tweede, derde 
is, enz. Eens dat de volgorde bepaald is, bolt de eerste met zijnen 
marbol naar de putten. De vier buitenste, twee aan beide kan- 
ten, die B geteekend zijn, zijn de « boetputten ». Wie daar 
« inbolt » is « geboet » en hij moet zijnen marbol in den « t' hal- 
venput » leggen. Al die in de putten bolt die a geteekend zijn, 
mag éénen marbol uit den « t' halvenput » pakken. Wie in den 
« t' halvenput » bolt, neemt er uit al wat er in ligt. Daarmee is 
't spel uit. 

— Te Hamme heet dat spel « boezen ». 

14. Boksen. 

Is stompen met de vuisten op eenen tegenstrever overal waar 
gij hem kunt treffen. Zeer gevaarlijk. 

i5. Bollen. 

Ieder kind heeft eene kleine, houten « bolle ». Op de « bolle- 
baan » waar 's Zondags de groote menschen « bollen », mogen ze 
niet komen, nochtans dit doet niets ter zake : bollen zullen ze, 
ja, moeten ze. Ze spreken stout, die kleine bengels. Xu rap eenen 
bessem gehaald, den wegel opgevaagd, twee stokskens in den 
grond gestoken, de baan aan beide uiteinden door eenen kleinen 
« dam » afgesloten en de « bollebaan » is gemaakt. Aan den gang 
nu. Eerst « heulen » ze om te weten, met wien dat ze « zijn », 
immers ze spelen soms één tegen één, twee tegen twee, drij tegen 
drij, enz. volgens 't getal. Zijn ze met drieën, dan is een « de 
vet » ; met vijven zou « de vet en zijne hulp » doen tegen de 
drij anderen. De « vet » telt voor « dobbel ». Eene « winnende 
bol )) telt voor « twee », die van de vet voor « vier ». Ligt men 
op den « stek » dit is vier, voor de vet acht. Het spel o is ten 
twintigen uit ». 't Is een gedurig heen en weer bollen, van den 
eenen kant naar den anderen. Stillekens « bollen » is « malen ». 
Het geweldig « bollen » om de andere « in 't gat » te krijgen, 
heet « schieten ». Ge bolt ja » als ge iemand « af bolt », als ge 



« Ons Volksleven. » 35 

tegen eenen speler wint, als ge dichter bij den « stek » ligt als hij. 
Te Hamme « bollen » de spelers naar het « fos » in plaats van 
naar den « stek ». 

16. Bottemaat leggen. 

Jan en Frans slenteren langshenen de gracht, ze weten niet 
wat doen. Eindelijk zegt Jan : « Laat ons bottemaat leggen ». 
Kunt gij daar over? vraagt Jan, en wip ! daar springt hij over de 
gracht. Frans laat die woorden niet koud worden, op 'nen pink 
is hij ook langs den anderen kant. « 't Is hier niet breed genoeg, 
wij gaan wat verder », zeggen ze. Daar gekomen, gaan ze weer 
aan 't springen. Jan springt over de gracht en Frans op dezelfde 
plaats. Ze komen zoo stillekens op de plaats waar de gracht het 
breedst is. Jan wipt er eerst over ; Frans wil hem achterna doen. 
Maar wat gebeurt er? Jan had zich « 'nen uitloop » gehaald; 
Frans doet dat ook, maar 't en helpt niet, daar ploft hij in 't wa- 
ter, « hij ligt er in ». Ge kunt denken, of Jan hem uitlacht. 

Men kan over de gracht springen : i ste / « zonder uitloop te 
halen » ; 2 e / « met zijnen uitloop te halen » ; 3 e / met de voeten 
samen te voegen, en dat heet men « gelijk(se)voets ». 

17. Dansen in de koorde. 

Dansen in de « koorde » is een der meest geliefde meisjes- 
spelen. Een der kinderen heeft eene « koorde » meegebracht en 
nauwelijks zijn ze op 't schoolhof, of 't spel begint. Twee der 
meiskens moeten draaien, de andere — 't getal is onbepaald — 
mogen inspringen. De koorde is omhoog « gedraaid », en daar 
springen ze in allen gelijk. Poef, poef, klinkt het gedurig op den 
grond, totdat de koorde ergens blijft haperen. Zij, aan wien de 
koorde haperen bleef, is nu « kat ». Zij mag niet meer insprin- 
gen, en moet eene der « draaiers » gaan vervangen. De koorde 
is seffens opnieuw in gang, en allen springen weer gelijk in, tot- 
dat er weer iemand « kat » is. Zij moet dan gaan draaien gelijk 
de eerste. Zoo gaat het spel altijd voort. In plaats van allen gelijk 
in te « springen » doen ze soms één voor één ». Ieder meisken 
« springt » dan beurtelings in, en « doet » twee of drie « spron- 
gen » en wip ! daar loopt zij er langs den anderen kant uit. 

Opmerkingen : i° Wanneer de meiskens in groot getal in 
dezelfde « koorde » dansen, behoeven ze natuurlijk er eene groote 



36 « Ons Volksleven. » 

te hebben. 2° Vele kinderen hebben eene kleine « danskoorde », 
waar zij geheel en gansch alleen meê dansen. Ze komen zóó dik- 
wijls van huis en « dansen » al voortgaande, in hunne koord totdat 
ze aan de school zijn. Soms komen drie of vier meiskens samen 
naar de school en dansen altijd voortgaande, geheel den weg; 
die « kat zijn » moeten dan « draaien », 
Vglkt. « Koorde-dansen. » 

18. Dansen in de ronde (meisjes). 

Zie ze daar op 't speelplein hand aan hand in eene « ronde » 
dansen. Wat zien ze er allen blij uit ! Ze zwieren de armen en 

zingen : 

Daar speelt 'ne man van buiten, 
't Is nog een uur te vroeg. 
Ten één uren slaat de klok (kalot) 
En de man met zijnen stok. 
En hij dee(d) zijn eerste ronde. 
En de handjes (die) gingen van (de) plek, plek, plek ! 
En de voetjes (die) gingen van doei', doef, doef ! 
2 e stroof, 3 e regel : twee uren, enz. 

» 5 e » tweede ronde, enz. 

3 e stroof, drij uren, derde ronde, enz. tot twaalf. 
Hoor ze nu eens slaan op de handen en daarna stampen met 
de voeten. Vervolgens zingen zij weer, al dansende : 

In Holland staat een huis (bis) 
In Holland staat een singelingela. 
(van) Hoepsasa, singelingela. 
In Holland staat een huis. 

Wie woont er in dat huis (bis) 
Wie woont er in dat singelingela 
Hoepsasa, singelingela. 
Wie woont er in dat huis ? 

Het is een herbergier (bis) 
Het is een herberg singelingela. 
Hoepsasa, singelingela. 
Het is een herbergier. 

Het bier is in de kelder (bis) 
Het bier is in de singelingela. 
Hoepsasa, singelingela. 
Het bier is in de kelder. 



« Ons Volksleven. » 37 



2. 

i. Machochelken, Machochelken, 

Van waar komt gij gedreven (getreden\ 
Machochelkerj? 

i. Ik kom van onder de aarde, 

Machochelken, machochelken ; 
Ik kom van onder de aarde, 
Machochelken. 

3. Wat hedde gij (hebt) daar weest halen, 
Machochelken, Machochelken? 

Wat hedde gij daar weest halen, 
Machochelken ? 

4. Een mandeken mee ract) madalzen (medaljen), 
Machochelken, machochelken ; 

Een mandeken mee madalzen, 
Machochelken. 

5. Aan wie zulde gij dat geven, 

Machochelken (bis)? 
Aan wie zulde gij dat geven, 
Machochelken ? 

6. Aan een van mijn beste vrienden, 

Machochelken (bis) ; 
Aan een... enz. 

7. Wie zijn!d)er uw beste vrienden, 

Machochelken (bis) ? 
Wie zijn... enz. 

8. Het ratjen en het muisken, 

Machochelken (bis) ; 
Het ratjen... enz. 

9. Wie schuurt er daar uw huisken, 

Machochelken (bis) ? 
Wie schuurt., enz. 

10. Het ratjen en het muisken, 

Machochelken (bis) ; 
Het ratjen... enz. 

11. Wat voerde gij (voedert) dat ratje en dat muisken. 

Machochelken (bis)? 
Wat voerde... enz. 

12. Zoete melk en wittebrood, 

Machochelken (bis) : 
Zoete... enz. 



38 « Ons Volksleven. » 

3. 

Ik heb een houten ezelken, 
Zijn oorkens zijn wat lang. 
Ik zal 't geheel de week eten geven : 
Hooi en stroo 
Ju ! ju ! 

(Men loopt in de ronde en herbegint daarna weerom te zingen.) 



Appelkens en appelkens 
Verkoopen wij met 't pond 

Half pond. 
En al die op een stiksken zit 

Verschuiven alhier. (Men herbegint.) 



Een, twee, drij draad. 

Jezuken, wilt gij met mij gaan 

Op den boo(m)gaard spelen? 

Appelkens zullen wij rapen, 

Nootjes zullen wij kraken, 

Wat zullen wij met die schelpkens doen ? 

Veren (varen) 
Tot aan Magrietjes deurken. 
Magrietjen zijt ge thuis ? 
Neen, Sisken, kom maar in huis ! 
Wat staat er op dat tafelken ? 

Een gebraden wafelken. 
Wat staat er op dat hangsken ? 

Een lieve Vrouwken. 
Wat staat er in dat hoeksken ? 

Sisken met zijn leêren broeksken. 

Kindjen, gij moet plekken, plekken 

Hedde geen geld of hedde geen goed, 
Rozenbloemen op onzen hoed. 

Kindjen, gij moet knielen, knielen, 

Hedde geen geld of hedde geen goed... enz. 

Kindjen, gij moet dansen, dansen, enz., enz. 

N. B. Zingt men plekken, dan plekken ze allen; zingt men knie- 
len, dan knielen ze allen ; zingt men dansen, dan doet men het, enz. 



« Ons Volksleven. » 39 



Moeder, maakt den koffie klaar, 
Den koffie klaar, de reus is daar. 
« Keer u eens om, reusken, reusken, 

Keer u eens om, reuzeblom. 
Nog - 'nen keer, reusken, reusken, 
Nog 'nen keer en dan niet meer. 

Moeder zet de pap op 't vier, 
De pap op 't vier, de reus is hier. 
Keer u eens om... enz. 

Wie gaat er mee, wie gaat er mee, 
Naar 't land van Sint-André? 
Daar wonen daar twee snuivers. 

Victoria ! 
Daar wonen daar twee snuivers. 

Victoria ! 

Aanmerking. — In plaats van twee snuivers, zegt men ook 
twee niezers, twee dansers, twee springers, enz., en men verlengt 
zoo 't Heken zooveel men wil. 

7- 

Ik zette mijn handjes in mijn zij. 
Kopere(n) panneken (bis). 
Ik zette mijn handjes in mijn zij. 
Kopere(n) pannekens maakt mij blij. 

8. 
Ziet dat boerinreken haar rokskens zwieren, 
Ziet dat boerinneken haar rokskens gaan. 

9- 

Meester maak (mag ik) naar huis gaan? 

'k Heb mijn beste werk gedaan, 

Van leeren en van schrijven. 

De meester begost te kijven. 

Hoe nijger dat de meester keef 

Hoe nijger dat mijn penneken schreef. 

io. 
Visch, visch, gevangen visch, 
Die van den nacht gevangen is. 
Al een, al twee, al drij. 

ii. 
Moeder, mag ik in 't water gaan ? 
Neen, gij zult er in vallen. 
Ik zal mijn kouskens en mijn schoen aandoen. 
Gaat er dan maar in. 



40 « Ons Volksleven. » 

De vier geboden wafelkens, 
Die dansen op een tafelken, 
Wij schuiven, wij ruiven. 

Aftelling. • 

(gebruikt ook bij het loeloeduiken of katje jagen.) 

Op onzen groenen boofm^gaard 

Daar lag een Engelsen schip. 

De Franschen waren gekomen, 

Ze waren zoo rijk als iet. 

Ze droegen 'nen hoed van pluimen, 

'Nen hoed van sacrament, 

Dat geheel de stad moest ruimen 

Voor zulke gierige venten. 

Laat ons tellen onze gezellen, 

Tien. twintig, dertig, enz. 

19. De boom verdikt altijd. 
Al de jongens, de kleinste daargelaten, geven malkander de 
hand en maken eene « rij » uit. De grootste blijft staan, hij is de 
« boom )). Rond hem draaien de andere nu, al zingende van : 
« De;/ boom verdikt altijd, de;/ boom verdikt altijd », enz. Intus- 
schen wordt de boom maar altijd dikker en dikker, totdat einde- 
lijk al de knapen dicht tegen elkander staan en waarlijk 'nen 
boomstam verbeelden. Nu ontrollen ze en zingen : « De;/ boom 
verdunt altijd, de;; boom verdunt altijd »... Stillekens aan neemt 
de boom af, totdat eindelijk de spelers weer eene enkele rij uit- 
maken. Dan herbegint het spel. Soms ontrollen de jongens 
« den boom » gelijk zij hem « verdikt » hebben en dan zingen zij 
gedurig : « De;; boom verdunt altijd ». 

20. De brug is gemaakt van steenen en van staken. 

Al de jongens die op 't speelplein zijn, de kleinste uitgezonderd, 
spelen mêe. Ze maken eene « root » uit en gaan achter malk- 
ander staan : ieder heeft de vest vast van den speler die voor 
hem staat. Twee der grootste zijn uitgezonderd en staan tegen den 
muur. Zij fluisteren malkanderen iets in het oor. Jan, die de 
« Engel » is, kiest eene « gouden kerk », en Emiel, die de 
« Duvel )) is, kiest eene « zilveren kerk ». Wat kiezen die 
twee zooal onder malkanderen ? Als Jan de kerk van Zele kiest, 
zou Emiel die van Hamme nemen. Koze Jan eene gouden ka- 



« Ons Volksleven. » 41 

pel, lepel, vorket, horlogie, enz., de andere koze 't zelfde in 
't zilver. Nemen wij nu dat Jan eene « gouden kerk », en Emiel 
eene « zilveren » gekozen heeft. 
De rij komt af, al zingende : 

« Steene, steene van staken. 
Is de brug nog niet gemaakt, 
We zullen ze t' avend maken 
Steene, steene... » 

Zoo komen ze tot bij Jan en Emiel geloopen, die met 't gezicht 
naar elkander gekeerd zijn, en elkanders hand vasthouden. Onder 
die « brug » kruipt de rij nu door. Elk krijgt een klein slagsken 
op den rug, uitgenomen de laatste, die « gevangen » wordt, in 
hunne armen. 

« Wat kiest ge? » vraagt Emiel of Jan aan den « gevangene ». 
« Eene gouden kerk of eene zilveren? » « Eene zilveren, » zegt 
hij. « Zet u daar dan », zegt Emiel, « langs den linkerkant », 
want 't is een man voor Emiel. De andere spelers maken intus- 
schen altijd al zingende den toer rond 't speelplein, en komen 
weer door de « brug » kruipen. De leste woidt weer « gevangen » 
en ook aan dezen wordt de vraag gesteld : « Wat kiest ge, eene 
gouden kerk of eene zilveren? ». Deze, die misschien reeds weet 
dat goud kostelijker is als zilver, zegt : « Een gouden ! » — « Zet 
u langs den rechterkant, zegt Jan, 't is immers een man voor 
hem. De « root » gaat altijd al zingende rond en kruipt telkens als 
zij door de brug komt. Aan allen wordt een en dezelfde vraag 
gesteld. Die de « gouden kerk » verkiest, is bij Jan; die de 
zilveren pakt, is bij Emiel. Als ieder nu bij den « engel » of 
den « duvel » is, maken ze eene groote « meet)). De mannen 
van den « duvel » stellen zich langs den eenen, de mannen van 
den « engel n langs den anderen kant. De « Engel » staat van 
voren, de « Duvel » ook; en de anderen hangen als de schakels 
eener ketting aaneen. Ja, als eene keten, eene levende keten, die 
dan uitrekt, dan weer krimpt, dan weer krinkelt en wringt als 
eene slang. De « Engel :> met zijne ketting wil den « Duvel » met 
zijne aanhangers over de « meet » trekken. De « Duvel » en zijne 
mannen doen ook hun best om de anderen er over te krijgen, 
't Is een trekken lansrs beide kanten om leven en dood. Breekt er 



42 « Ons Volksleven. » 

eene schakel af, 't geen dikwijls gebeurt, dan stuiken de achterste 
omverre en de anderen vallen op hen. En lachen en schertsen 
dat de anderen die rechtstaan dan doen; ge zoudt zeggen, 't is 
kermis. Grooter nog is de vreugde als ze er een of twee over de 
meet kunnen « trekken ». Het « trekken » duurt, totdat al de 
spelers van een en denzelfden kant over de meet getrokken zijn. 
De pat tij die « overgetrokken » is, moet door de « briets » of 
door den « spriet » loopcn. Daarom stelt de winnende partij zich 
in twee rangen, op ongeveer ecnen stap afstands vaneen, met het 
gezicht naar elkander gekeerd. Daartusschen moeten de « ver- 
liezers » één voor één doorloopen. De andere mogen deze op 
hunnen rug slaan, met het plat der hand, niet « drotsen » met de 
vuist. Na drie keeren door de « brits » of den « spriet » te hebben 
geloopen, is 't gedaan. 

ft Vervolgt.) P. van den Broeck en Am. d'Hooghe. 

Ratten en Muizen w 



i. 

Ratten en Muizen verdrijven. (Vervolg.) 

In eenige dorpen, gelegen op de grens van het groothertogdom 
Luxemburg en Pruisen, gaat men ieder jaar bedevaart naar 
St-Hubert. Men gelooft dat men door de ratten en de muizen 
zou opgeëten worden, indien men dien beeweg naliet en dat deze 
zouden razend w r orden. Het is noodig dat elk huisgezin een 
vertegenwoordiger hebbe, die telken jare ter bedevaart gaat. 

II. 

De Muizen en Ratten in de Volksgeneeskunde. (Vervolg.) 

De ratten hadden in de vorige eeuw de wonderbaarste genees- 
krachtige eigenschappen. 

Eene rat, levend opengesneden en op het lichaam gelegd, trekt 
de doornen uit, de punten der pijlen, het vergif, enz. 



(i)Z. Ons Volksleven, X, 5-14; 65-70; 167-168. 



« Ons Volksleven. » 43 

Tot pulver verbrand en gedronken, beletten zij de kinderen 
's nachts in het bed te pissen. Men kookt ze om te doen eten aan 
degenen die onderhevig zijn aan pisvloeiing. De koppen, verkalkt 
en met honing gemengd om de kale plekken te bestrijken, doen 
het haar schieten. 

De uitwerpselen der rat zuiveren den buik der kleine kinderen; 
zij nemen er van drie tot vier, die men in hunne pap doet. Deze 
uitwerpselen zijn afdrijvend, enz. (Uit een Brusselsen dagblad 
van den i2 n 7 bpr 1896. Het blad voegt er niet bij waar dit geloof 
bestond.) Alfried Harou. 

(0 



ge gieven 



Middelen om de dieven te ontdekken. (Vervolg.) 
VI. 

IX COXGO. 

Zoo een misdrijf begaan wordt, doet men de beschuldigden 
verschijnen en hun de hand leggen op de Mkissis (beeldjes die de 
voorouders voorstellen, 't Zijn geene godheden, zooals men lang 
geloofd heeft.) Die geen gerust geweten heeft, geraakt van zijn stuk 
en eindigt met bekentenissen af te leggen en het gepleegd kwaad 
te herstellen. De Portugeezen der kust doen zich op die wijze het 
gestolene teruggeven ; zij wenden zich tot het opperhoofd der 
inboorlingen en verzoeken hem den fetisj ie doen slaan, om dt n 
dief te ontdekken. (Merlox. Les Noirs. Revue du Monde catholique, 
II, 1892, p. 473.) 

VII. 

In Opper-Coxgo. 

Is de zwarte bestolen, dan loopt hij aanstonds naar zijnen 
fetisj, dien hij vóór zijne hut brengt. Dan schreeuwt hij uit al zijne 
macht en fluit zonder verpoozen, terwijl hij eenen kalebas schudt, 
met keikens gevuld. Men heeft mij bestolen, zegt hij, de dief moet 



(ij Z. Ons Volksleven, X, i33-i34- 



44 « Ons Volksleven. » 

mij mijn goed teruggeven of de dood zal hem spoedig komen 
halen. — In de hand houdt hij een stokje waarop een pakje linten 
van verschillende kh uren gevestigd is; in 't midden van deze 
linten is een fluitje of eenc hand, in hout gesneden en een kleine 
kalebas. Al fluitende en met zijne snuisterijen rammelende, vleit 
hij de godheid, streelt haar, smeekt haar hem gunstig te zijn en 
den dief alle kwalen over te zenden. Die zonderlinge aanroeping 
lukt hem bijna altijd, zoodanig vreest de dief dat de fetisj hem 
met de dood zal treffen. (Ibid., 1892, IV, p. 274.) 

(7 Vervolgt.) Alfried Harou. 



PLAATSBESCHRIJVING 



DER 



STRATEN VAN ANTWERPEN EN OMTREK 

{Vervolg.) 



HOPLAND. 

F° XXIX. — H ud ev etter stratc cn(de) gasthuysstrate. 

Item. vj. oude grote tsiaers erflee op een stucke lands ghele- 
ghen bider veste dat men heet de vissen acker en toebehoert Janne 
vander Heyden, Jans sone beneden ane der vetters molen (1374). 
En nu Jans Blabbeneren sone, Peteren. En nu Jan vander 
Heydë, Coels sone (1422?). Nu Jan Volaert. Nu Aeryaen Smyt. 
Nu Pet. de Gra(m)me. Nu Dictus Tac. (1) 

H opland en Schuttershofstraat (scuiters steghe) vorm- 
den in de eerste helft der XY e eeuw slechts eéne straat, 
't Bewijs vond ik o. a. tusschen de volgende aantee- 
keningen, die, zooals ik onder het artikel over de 



(1) Hiervan bestonden reeds geene bescheiden meer in i55j (reg. 934, f° 5i). 
In het R. B. 653, fo. 117, wordt de cijns geboekt als staande op een kuis ge- 
naamd den Vissenahere. De inv. van 1627, art 1S6, noemt dit huis « den Krieck- 
hoff int hoplant ;>. 



- Ons Volksleven. » 45 

Gasthuisstraat heb aangekondigd, ons de voornaamste 
bewoners van deze straat, in zoo verre dat zij een deel 
der Huidevettersstraat was, maar vooral van deze laat- 
ste zullen leeren kennen. 

Inde huydevcttcr stratc ( i ) 

« Jan de Smit. van sinen huyse en hove, gestaë optë hoec van 
scutters sleghe, naest Jans huyse van Diepenbroec, ter meeren 
waert, telk(en) bamisse ij s. chijs en i hoen. 

« Pet. Pauwels huydevetter, van sinë huyse, gestaë naest Jans 
van Diepenbroec op deë zijde, en Jans huyse vand(er) Heydë, 
dat hij v(er)creg(en) hadde jegens Will. de Visscher, op dander 
side, telk(en) kerss(avonde) vnj oude groete en vj oude miten. » 

« Jan vander Heyden, de huydevetter, van synre huysinge, 
gestaen naest Pet. Pauwels huyse mett(er) eenre zijden, en nef- 
fens Zeghers van Halle huyse mett(er) ander zyden, telk(en) 
kerss"(avonde') xij oude g(ro)te en ix oude miten. » 

« Zegher van Halle, van sinë huyse, gestaë naest Jans vand(er) 
Heyden huysinge voirs. metter eenre siden, en neffens Jans van 
Buyten huyse, metter ander zijden, telken kerss(avonde) iiij oude 
g(ro)te en lij oude miten. » 

« Jan van Buyten, van sinen huyse, gestaë naest Zeghers van 
Halle huys voirs. mett(er) eenre zijden en een huys, dat Jans van 
Buytë voirs. wijf en hoirkijnter(?) toebshoert mett(er) ander siden, 
telk(en) kerss(avonde) viij oude g(ro)te en vj miten. » 

« Jan vander Heyden, de huyde vett(er) voirs. van eenë buyn- 
der lands, geleg(en) acnt scutters sleghe, sti eckende tot sgasthuys 
beemden (2) toe, telken kerss(avonde) ij oude scilde. » 

« Jan vander Heyden, Coels sone, mö(3) Jan Smeets docht(er), 
van ecnen stuc lands geheyten den Vissen acker (4), geleg(en) in 
scutierssteghe, telk(en) kerss(avonde) xij oude g(ro)te. » 



(1) Uit een inventarisken van St-Eiisabethgasthuis. c< gescr(even) en(de) 
v(er)nijet bij Joh(ann)es den Hont meesteer ) des serves gasth. in den jare xiiij c 
en de) xxxiiij bynnen der maent va(n) m(eer)te. » 

(2) Vglk. Fo XXIX, lange Gasthuisstraat. 

(3) Voor modo, d. vv. z. alsnu, heden. 

(4) Vglk. het bovenstaande artikel, fo XXIX uit het Charterboek ; verder de 
aanhaling-en onder Huidevettersstraat. 



46 « Ons Volksleven. » 

HUIDEVETTERSSTRAAT. 

F° XXIX. — Hudevetter strate en(de) gasthuys slrate. 

Itë syn twee Scepën brieve den eenê van vin s. gr. en den an- 
d(er)en van vij s. gr. erflic op twee huyse inde huydevetterstrate 
byden hoec van d(er) gasthuj-s strate. Daer Aechte Zoetmonts 
hae(r) tocht aen heeft. Die nu doet es (XV e ). Nu Jan Pijl. 

Nopens deze belangwekkende buurt vindt men in 
het Charterboek niets bijzonders. Eenige voorname 
bewoners en eigenaars in 1434, leerden wij hier boven 
kennen, door eenen inventaris van S te Elisabethgast- 
huis. Maar ook, ten jare 1419, als het godshuis van 
HH. Crispinus en Crispinianus (huidevetterskapel) 
werd gesticht, stond hetzelve midden van eene me- 
nigte rieten hutten, door schoenmakers en leertouwers 
bewoond en welke op het einde der XV e eeuw door de 
Lieve-Vrouwebroeders werden ingenomen. (1) 

Het aanzien der straat zou dus op korte jaren erg 
verbeterd zijn. En inderdaad : 's gasthuis bezittingen 
bepaalden zich in 1403 bij de navolgende, die aldus 
beschreven staan : (2) 

« Jan van Halle up siin stede en(de) huus gheleghen in de 
hudevetters straete up den horic van den steghe daer men gaet 
ter scuttershove wert, naest Jan Diepenbrouxs stede .ij s. cheins 
en(de) 1 hoen. » 

« Pieter Volaerts wijf van harer stede gheleg(en) in de hude- 
vetters strate tusschen mirvrouwen stede van der Heyden an deen 
side en(de) Diepenbroux stede an dander side .viij. oude gro(ten), 
vj oude mi ten. » 

« Pieter Volaerts wijf van lande gheleghen achter harent bij 
den Vissenacker viij oude gro(ten), vj oude miten ». 



(1) Mertens en Torfs, D. III, bl. 67. 

(2) Rentboek van S te Elisabethgasthuis van den jare 1403, bl. 5 vo , 10 vo , 
en 12. 



« Ons Volksleven, r 47 

« Miin vrouwe vander Heyden van hue(ren) stede inde hude- 
vetterst(rat)e gheleghen .xij. oude gro(ten) .ix. oude miten. » 

« Miin vrouwe vander Heyden van den Vissenacker .xij. oude 
gro(ten). » 

« Jan van der Heyden miir vrouwen zone van lande daer miin 
vrouwe dvvederdeel af heeft .xxxij. oude gro(ten). » 

« Zegher van Halle van lande gheleghen achter sinent nevens 
Jans lant van der Heyden .viij. oude gro(ten) .vj. oude miten. » 

« Jan van der Heyden, Coels zone, van lande gheleghen neven 
Zeghers lant van Halle .hij. oude gro(ten) .nj. oude miten. » 

Slechts eén huis wordt hier vermeld, 't Zijn al steden 
en land, den Vissenacker {HoplandJ erin begrepen. Van 
« rieten hutten », treffen wij hier geene melding aan. 
Wat echter dient opgemerkt, is dat wij de familie van 
der Heyden reeds in de XIV e eeuw in de Huidevet- 
terstraat gevestigd vinden. 

JORISKERKHOF (St.-) 
F° L. — Bi setite Jorijs herchof. 

Item .xxiij. s. en .viij. d. pay.tsiaers erflec op huys en hof met 
sinë toebehortë ieghen tgasthuys over ghestaen bi sente Jorijs 
kerchof dat wilen was Wille Scaerlakens des costers en sint toe- 
hoerde Jan Proven den metsere daer nu Jan van Eedinghen in 
woent (1374). En na hë Jan vanden Valvekene v(er)creghë heeft. 
En nu Heyne Braen (1400). En nu Peet(er) Loyens (1422). Nu h. 
Pet. van Zantvliet. (1) 

Item .xxx. s. pa} 7 tsiaers erflec op huys en hof met sinê toebe- 
hortë alre naest, sond(er) j. huys, den vors. huyse ghestaen ter 
vesten waert dat Kateline van Loebroec toe behoert. En nu Jan 
vandë Eynde de lijnë wevere. En nu Wouter de Smit. En nu h. 
Cornelijs Thoor priester. Nu h. Jans vander Stappen joncwijf. 
Cornelijs de Bot oucleerc(oop)er. (2) 

(1) Volgens rentboek nr 653, f° i25,\verd seiert 1540 niets meer ontva 1 

(2) Volgens het rentboek nr 653, fo 126, werd deze pand op 29 Januari i5oi 
verkocht aan Godevaert Noyts en Margriete Zoeten, zijne echtgenoote « los 



48 « Ons Volksleven. » 

KAASRUI. 

Tot deze straat behooren, in het Charterboek, onder 
rubriek « ane de merct », drie huizen slechts, namelijk 
den Creeft, heden n r i ; Br andenhor ch, thans de n rs 7, g 
en 11 ; den ( gulden) Horen, nu n r i3. Aanpalende kleine 
straten worden onder diezelfde rubriek verstaan, zoo- 
als verder overvloedig zal blijken. 

De benaming van Keesroye dagteekent van de XVI I e 
eeuw, ten minste ik vond ze eerst in den inventaris 
van 1627. Hare oudere benamingen komen allen in 
het onderhavige opstel voor, hetgeen mij ontslaat van 
ze hier op te noemen. Alen vindt ook nog de benaming 
van Kasemerct (1). 

Dit aangemerkt, spreken wij over den Creeft. 

F° XI. — De marct ter varwer brugghen toe. 

Item .iiij. oude scilde tsiaers erflec dene helft te kersavonde en 
dand(er)e helft te sente Jans misse op huys en gront datmen heet 
de Creeft ghestaen opten hoec vander Zuvel steghen ter varwer 
brugghen waert (2), daer nu in woent Jans Bots wijf. De welke 
.iiij. oude scilde vors.Margriete, Lauwereins Maders wijf, den hei- 
leghen gheest gaf in horen testamente metandrë rente en lande dat 
oec bescrevê es onder de p(ro)chie van Dorne, maer (dit)testament 



vrij en'de) quyte van allen commeren en(de') calaengien. » Het huis was aan 
den H. -Geest « gebleven en(de) verstorven, mits de dood van Jan Van Hove 
mesmaker en(de) S}m wyf, die beyde ende de lancxtlevende van hen de proven 
des voirs. heyligeests daer vore gehadt hebben Ergo hier quyte ende ge- 
royeert om de lieden nyet meer te quellen. » 

Op deze manier nu, gaat elk spoor tot verdere toelichting- verloren. De 
beide laatstvermelde eigendommen schijnen te hebben gestaan op de Mechel- 
sche plein, naast elkander, alhoewel mits eén huis tusschen beide. Om deze 
redenen is de oorspronkelijke plaatsbenaming hierboven behouden. 

(1) Z. Marshall, Essai historique et topographique sur Ia ville d'Anvers. 

(2) D. w. z. in de richting der V erwersbrug of van de Jezuïetenrui en de 
Melkmarkt. 



« Ons Volksleven. » 49 

leeght metten groten brievë die op de stat spreken (i). En vandë 
.XLV. s. die de selve Margriete oec bewijsde op huys eiï hof wilë 
Pet(er)s Blabben(er)en, en heft de heilegheest niet, m(aer) na 
datmë v(er)moeden can so sijn si vormaels v(er)wisselt om an- 
d(er)en chijs ane de Vischmarct (1378). Ende dit voerseide hu} T s 
es den heyleghen gheest weder in handë comen ende nu hebbent 
Arnout Brulocht ende Jan van Borsebeke (2) weder uut terve 
ghegheven Aernout Vrayman wolkoepere om .iiij. oude scilde 
dene helft daer af te kersavonde ende dandere helft te S. Jans 
misse ende hier af heeft de heyleghe gheest eene.n scepenen 
brief (3). Ende Peeter de Poertere nu ter tij t de theenghieter. Nu 
Heinric Colema(n)s hoeymaker. Nu Joes Gheeroncx bontwer- 
ker (4). 

F* 1 XII. — De mar et ter varwer brugghen toe. 

Item .xlvj. s. ter stat rechte. Eiï .ij. capoë tsiaers erflee op hu} T s 
en gront dat men heet Brandeborch ghestaen ane doude veemarct 
naest den horen ter marct waert. En dit gheeft nu Jan Limpiaes 
(1374). Eiï na hë Jan vandë Ende. Eiï nu houdet Gielijs Wil- 



(1) Het testament van Margriet, Volbrechts « Lauwereins Maders wijf», 
was gedagteekend van den 5en September i36o, vóór notaris Niklaas Pauli of 
Pauwels. Ilnv. 1040, n» 20.) 

(2) H. -Geestmeesters in 1401-1406. Deze Arn. Brulocht huwde dementia 
van den Werve. In 1409 vindt men hem als kerkmeester van O. L. Vrouwekerk. 

(3) In dezen schepenbrief, gedagteekend 3o Maart 1405 :i4o6 N. S.), leest 
men o. a. dat de H -Geestmeesters de helft van dit huis « uitgaven » aan 
Arnout Vrayman van Peelt. Verder, dat het stond « opten hoec vander Suvel- 
stegen, neffens der vrouwen huysinge van Immerzeele ». (Copyen fo 92.) 

(4) Op den rand staat : den Creeft, als benaming des huizes. In 1608 vond ik 
het bewoond door Jordaen Van Herck, wiens afstammelingen daar ruim hon- 
derd vijftig jaar woonden, in zooverre de boeken toelaten de bewoners op te 
volgen. Uit deze familie zijn ook twee rentmeesters van den H. Geest gespro- 
ten, te weten Jordaen V. H. (1715-1740) en Christiaen V. H.. zijn zoon (1740- 
1700). 

Het groot R. B., fo 204, herleidde den cijns in 16 schellingen Brabandsch, 
cc op een huys p;estaen in de Suvelstege nu genaempt 't Sckoenmakerstraetken, ge- 
heeten den Creeft ». Het was in alle geval het huis staande op den hoek van 
de Kaasrui en het Schoenmakersstraatje. 

De inv. van 1627, nr 6, stelde voor het beloop der rent 3 gd. 4 st. en creeft 
als rubriek : Keesroy. 



50 « Ons Volksleven. » 

maer. En nu Eemond Dorp. En na hem Joffr. Lysbeth, Eemond 
Dorps wcdewe wilen (i). 

Het huis Brandeborch was destijds eene ruime hee- 
renwoning, beslaande de oppervlakte van de tegen- 
woordige nummers 7,9 en 11. Zijne ligging « ane doude 
veemarct » (nu de Eiermarkt), is blijkbaar eene ver- 
keerde aanteekening. 

In 1403 was cleyn Brandenborch (N r 7) er reeds afge- 
scheiden (2). Dit huis werd later de Bodemloose Mand 
geheeten. 



(1) Van dezen cijns bestonden er reeds in i55j geene brieven meer. (Inv. 
nr 934. bl. 106.) 

(2) Ziehier eenen belangwekkenden schepenbriei' over dien eigendom. Ik 
stel in cursief wat dient opgemerkt te worden. 

Wii Willem de Moeln(er)e ende Jan vanden Lare, Scepenen in Antwerpen, 
maken cond, dat vore ons quam Jan van Loenout, Peters sone was van Loen- 
out; Bekende ende verlide alse van twee ende dertich oude(r) groten tsiaers 
erflike(r) renten, die Joffrouwe Katline van Winegeem (?) wettig wii f wilen Arndt 
Boeds, ziin oudermoeder, hadde ende heffende was op een huijs metten gronde 
en(de) met al datter toe behoert van vore tot acht(er), dat wilen meester Janne 
den berbier toebehoerde ende nu toehoert Gielise Damaes, ghestaen ane de 
Wermoesmerct, tusschen Gielijs Wilmaers huijs in deen zideende d'Oude Waghe in 
dand^er)e zide, verschinende alle jare, deen helft daer af te Sente Jans misse 
ende dand(er)e helft te kerssavonde,alsoe wii van hen verstonden; dat Joffrouwe 
Katline van Ymmersele (i), wettich wiif wilen Arndt Boeds voirs. haer leefdage 
lanc ende niet lange(r) de voirs. erflike renten heffen ende hebben sal ende 
sculdich sal siin te heffene ende te hebbene, ende dat vloeghs na haer liif deen 
helft vander selver erflike(r) renten voirg. toecomen sal ende bliven den armen 
Joffrouwen wonende int Aelmoese n) huijs bide herberghe van Sente Bernaerts 
ghestaen, niet verre vander meerpoirten, ende dand(er)e helft der Infermerien 
op Claepdorp, beide dien voirs. steden erflic ende eeuwelic voerdane te heb- 
bene ende te heffene ende niemend anders. 

In kennessen van desen L ettejren besegh(el)t met onsen zeglen. Gegeven 
int jaer Ons Hee(re)n,alsmen screef M.CCCC.ende drie, elleve dage in Julio. 

Op den rug staat geschreven : cc De inf\ir,mer(ie) opt claepdorp : vander 
helft van xxxij ouden gro. erflic op meester Jans Berbiers huijs ane de Wer- 
moesmarct. » 

Een ander opschrift op los papier, van de XV.le eeuw, verwijst in dezer 
voege naar den inventaris van 't godshuis : cc xvj oude grooten, oft iiij s. brs., 
dair aff van gelijcke hebben de vr(ouwen) in d'almoessen huijs, heft men opde 
boomdelooze mande, inde keesruije. Gecomen bij gifte. 



(1) Vglk. nota n r 3 onder Fo XII hierbov< 



« Ons Volksleven. » 51 

Naar luid van eenen schepenbrief van den ig en Oc- 
tober i56o, mij onder meer andere door den tegen- 
woordigen eigenaar van het huis n r 7 welwillend 
getoond, verkochten Hieronymus en Melchior Ma- 
naerts en hunne consoorten, op dien datum, de 
Bodemloose Mand aan Kasper Wouters en Barbara 
Mangelaers, zijne echtgenoote. De acte bedoelde aldus 
het huis : « ddXcleyn Brandenborch te heeten plach, ge- 
staen ende gelegen aende melcmerct alhier, tusschen 
thuys geheeten groot Brandenborch aen deen syde ende 
thuys geheeten den Gulden Voet aen dander zyde ». Dat 
cleyn Brandenborch van groot Brandenborch werd « afge- 
spleten », is in de bedoelde acte ook vastgesteld. 

De Gulden Voet, waarover wij zoo even lazen, stond 
westwaarts den eigendom Brandenborch, en komt voor 
in den schepenbrief van 1403, betreffende de Bodem- 
loose Mand, onder de oudere benaming van de Oude 
Wage. Naast den Gulden Voet stond Lelienborg en daar 
naast de Creeft, op den hoek. 

Onder andere lasten, droeg de Bodemloose Mand den 
« commer » van 4 schel. Brab. erf. aan « d'Infirmery » 
op Clapdorpen aan « 't Aelmoesenhuys » (O. -L. -Vrou- 
wegodshuis) wederzijds verschuldigd. Dit wordt dooi- 
den cijnsbrief van 1403 bevestigd. 

Er is meer nog, en deze aanteekening zal de lezers 
bevredigen, die de ontleding van het Charterboek slechts 
als eenen betrekkelijk nuttigen inventaris aanzien; er 
is meer, zegde ik : volgens het Charterboek, werd Gielis 
Wilmaer(s), weinige jaren na 1374, eigenaar van Bran- 
denborch. Ziehier nu wat wij aangaande zijne woning 
lezen in de verordening van i3gg, voor de groote pro- 
cessie van « Half-oogst » : « Item, dan (opde mar et vore 
Spaengien) sullen comen viij goede cnapen vanden 'eersaem- 



OZ 



« Omó Volksleven. » 



sten vuten ouden voetboge, van ee(n)re lenghden, ende alsoe 
vervolgende van alden anderen ambachten hierna verclaert, 
ende dragent dbeelde tot vore Gieliis Wilmaers. Daer sullen 
sy rusten. 

Dezen tekst met dien van het Charterboek en van de 
aangehaalde schepenbrieven overeenbrengende, kun- 
nen wij vaststellen, niet alleen dat Gillis Wilmaers 
een groot huis bewoonde, dat nu onder de nummers 7, 
9 en 11 is verdeeld, maar clat het vóór die huizen was, 
dat de dragers van het Mariabeeld afgelost werden. 

Noo- andere even raadselachtige staties komen voor 
in het reglement van i3gg, waaraan het huidige jubel- 
jaar (1899) eene warme belangstelling bijzet. 

Mettertijd werd van Gillis Wilmaers' woning, Oud 
Brandenborch, ook oostwaarts een gedeelte afgezonderd, 
dat S t Sebastiaen genaamd werd. Hierop bleef de on- 
derhavige cijns bestaan. Het is heden n r 11 der Kaas- 
rui (1). 

Het R. B., n r 653, bl. 255, zegt dat men in 1575 
viij schellingen, viij grooten Br. hief « op een huys 
gestaen inde Suvelsteghe modo 7 Schoenmakerstraetken, 
eertyts gen. Brandenborch ende nu Sinte Sebastiaen ». 
— Dit huijs genaemt S te Sebastiaen, behoort nu ter 
tyt toe den godtshuyse van S te Salvator datmen noempt 
Peters Pots clooster ». 

De inventaris van 1627, n r 240, zegt er over : « Vier- 
endertich ende eenen halven stuyvers ende tweelff 
myten brabants enz... op een huys inde Suyvelsteghe 
op de Keesroye, genaempt Sinte-Sebastiaen. Ende 
wort het verloop van desen chys gerescontreert te- 



(1) Vglk. het begin van het artikel Kaasriti. 



« Ons Volksleven. » 53 

ghen het verloop van dry gelten wyns siaers den gods- 
huyse van Peter Pots » . 

Deze uitwisseling der cijnsen werd den 5 en April 1601 

tusschen partijen besloten. 

F° XLIIJ. — Ane de mar et. 

Op ten Horen, nu de weduwe Adriaen Meeus, v. s. chys 
xx. s. payments ter stad rechte. (1452?) Nu Cornelijs Meeus. 

Het huis den (gulden) Horen, wij hebben het hier- 
boven gezien, stond naast Brandenborch, oostwaarts. 
Het behoort dus tot de Kaasrui, al schrijft het R. B., 
f° 253, : «5 s. chys en xx s. pay. op den gulden horen 
gestaen inde Suyvelstege ». Dit bewijst slechts dat men 
dezen naam gaf zoowel aan de Kaasrui als aan 't 
Schoenmakersstraatje, zooals wij hierboven onder n r 
XII hebben gezien. Daarentegen schrijft een Rentboek 
van 1403, van het S te Elisabethgasthuis,over dienzelf- 
den pand hetgene volgt : « Item Meeus in den horen 
van eenen huuse dat wilen her Jan Wilmaers tsro- 
den (1) was ghestaen ane de wermoesmercht dat wilen 
de lepele te heetene plach, dat men nu heet in den 
horen, s. v. paym(ent)s (2). 

Men zal, na deze aanteekeningen, gereedelijk be- 
sluiten dat men zeer omzichtig moet omgaan met onze 
middeleeuwsche straatnamen, als men die met de 
hedendaagsche wil doen overeenkomen. 

ft Vervolgt.) Edm. Geudexs. 



(1) Voor « des rooden »(?). 

(2) Rentboek vernieuwd door den rentmeester Hendrik vanden Ber,oe : 
Ao 1403, bl. 27. 

■Mi 



54 « Ons Volksleven. » 

Bijgeloof, Volksmeeningen, Gebruiken en Zegswijzen 
te JVIaastriehfc (l) 

(Vervolg) 

176. Met Nieuwjaar lengen de dagen eenen hanenschrei en 
met Driekoningen twee. 

177. Wanneer men eenen tand verliest, maakt men een kruis 
en werpt hem over het hoofd. Spoedig krijgt men dan een 
nieuwen. (2) 

178. Als de tanden van een kind spoedig uitkomen, is dit een 
teeken dat men weldra een tweede zal hebben. 

179. Wanneer een kind zich als een groote wil aanstellen, toont 
men hem eenen bezem en zegt hem dat hij er over pissen moet. 

180. Als men zich verschrikt heeft, dan moet men aanstonds 
wateren. 

181. Om de sproeten van zijn aangezicht te verdrijven, moet 
men zich met rammenassensap wasschen. 

182. Om het haar te doen groeien, moet men het hoofd met 
wijngaardsap wasschen. Het belet het uitvallen van 't haar en 
doet het uitschieten. 

i83. Als men pensen maakt, sprenkelt men wijwater, opdat ze 
niet zouden bersten. Anderen zeggen, opdat ze langs de schouw 
niet zouden uitvliegen. 

184. Eertijds zegde men dat de gebochelden door eene heks of 
eene kwade hand waren aangeraakt geweest. Men was er bang 
voor. 

i85. Wratten. Men doet eenen boer uit den omtrek komen, die 
eerst de wratten telt en ze vervolgens zechent (beleest, zegent). Hij 
vraagt vervolgens als aalmoes een stukje spek en begint eene 
novene. lederen dag vóór den aanvang der novene, moet de 
persoon die de wratten heeft, deze met het spek slaan. Den 
negenden dag moet hij het spek begraven en weldra zullen de 
wratten losraken en afvallen. 



(1) Z.Ons Volksleven, VIII, 76, 171, 197, 222; IX, ig5. 

(2) Overal. 



« Ons Volksleven. * 55 

186. De inwoners van Wijk (onder Maastricht) heeten Worte- 
lenboeren. 

187. Als men een zwart schaap ziet, dan zegt men dat een 
onweder op handen is. 

188. Als men op zijne nagels bijt, dan zegt men dat men de 
tering krijgt. 

189. Als men droomt dat iemand dood is, dan zal de bedoelde 
persoon lang leven. 

190. Wanneer men droomt dat men op zich of in den omtrek 
eene zwarte beest ziet, die men niet kan verjagen, is dit een tee- 
ken dat u een groot ongeluk zal overkomen. 

191. In de omstreken van Maastricht zegt men tot de kinderen 
die niet wijs zijn, dat de Blauwe Eergisteren hen zal pakken. 

192. Indien men met Kerstmis, te middernacht, water schept, 
dan schept men wijn. 

193. In den Kerstnacht, om 12 uren, zitten de dieren in den 
stal op de knieën. 

194. De regenboog voorspelt drie dagen schoon weder of drie 
dagen regen. 

195. Als de oogen van eenen doode opengaan, zal er binnen 
de zes weken een nieuw sterfgeval in de familie zijn. 

196. De krabben door de nagels der handen veroorzaakt, ge- 
nezen moeilijk, omdat er vergif in de nagels is. 

197. Sint-Apollonia wordt aanroepen tegen de tandpijn (1). 

198. Een zekere koek, die te Maastricht bekend was, hiet in de 
XVI e eeuw « wittebrood van Gabriel ». (Messager des Sciences kist., 
XXXI, 474.) 

199. Bij de aanstelling van eenen o verheidspersoon te Maas- 
tricht, wierp men koeken en wittebrooden onder het volk. (Acadé- 
mie d'Arch. de Belgique, VI, 219.) 

200. Bij de inwijding der vrijmetselaars doet men, naar het 
volk gelooft, den kandidaat die in de sekte wil treden, een Chris- 
tusbeeld in duizend stukken verbrijzelen. Men vertelt dat een 
kandidaat- vrij metselaar bij zijne aanneming deze heiligschenderij 
pleegde en dat er bloed uit het beeld vloeide. Onmiddellijk ver- 
zaakte hij de sekte en werd in 't vervolg een vurige katholiek. 



1) Overal. 



56 * Ons Volksleven. » 

201. Men werpt de waterkan, de vaten en al wat gediend heeft 
om eenen doode te wasschen, weg. 

202. Wanneer een spiegel zonder gekende oorzaak berst, dan 
zegt men dat er zeven jaar van ongeluk volgen of dat er een lijk 
in de familie zijn zal. 

203. Wanneer men droomt dat iemand in 't water springt, dan 
volgt er een groote schrik. 

204. Wanneer men eenen lijkwagen tegenkomt, dan krijgt men 
geluk. 

205. Wanneer men van kinderen droomt, krijgt men onge- 
noegen. 

206. Laat men zout vallen, dat voorspelt niets goeds. 

207. Wanneer eene ster op een huis valt, zal daar een kind 
sterven. 

208. Van eene kerk droomen beteekent een proces. 

209. Van iemand wiens ooren ver van zijn hoofd staan, zegt 
men dat hij de tering heeft of eene voorbeschiktheid voor die 
kwaal. 

210. Men beveelt de kinderen aan niet met katten te spelen, 
want indien zij een haar moesten inslikken, dan zouden ze de 
tering krijgen. 

211. In Meert bleekt het lijnwaad het best; al de plekken gaan 
er dan uit. 

212. Als er spinnewebben in eene kamer of in den gang han- 
gen, zegt men dat het de vrijers zijn van haar, die ze had moeten 
wegnemen. 

2i3. Inden kop van den snoek vindt men al de werktuigen 
van het Lijden Onzes Heeren. 

214. Men krijgt puisten met spek te eten. 

21 5. Wanneer iemand eene weeroog heeft (puistje op het oog- 
scheel), dan heet het : « Ha! gij hebt iets gedaan op den weg » 
(eene natuurlijke behoefte voldaan) (1). 

216. Een drenkeling mag niet uit het water getrokken worden 
vóór de aankomst der policie ; men moet hem tenminste met de 
beenen in het water laten (2). 



(1) Te St-Antonius : « Gij hebt op 't kerkhof gepist. 

(2) Ook in de Antw. Kempen. 



« Ons Volksleven, r 57 

217. Kinderen die roven op het hoofd hebben, worden later 
de schoonste mannen en vrouwen. 

218. Op den dag van iemands overlijden, gaat de koster in 
elk huis der voornaamste personen (van denzelfden stand als de 
overledene) het overlijden aankondigen en voegt er bij : « Morgen 
rozenkrans in het sterfhuis te 7 uren 's avonds (1). 

's Anderendaags, daags vóór de begrafenis, komen twee man- 
men, gekleed in een langen zwarten mantel en met eenen steek 
op het hoofd, de inwoners op den lijkdienst uitnoodigen. 

219. Elk familielid werpt eene schup aarde op het graf. 

220 Te Lommei bakt men taart voor den begrafenisdag, en de 
bloedverwanten en genoodigden eten er van bij hunne terugkomst 
van het kerkhof. 

221. Men huuit knechten en meiden den 2 n Dinsdag van April 
en den i5 n October. Terwijl men ze in dienst neemt, geeft men 
hun een stuk van 5 frank, meidpenning geheeten. Treedt eene meid 
niet in dienst, dan geeft zij dien penning terug. 

In de omstreken van Maastricht begint de huur der dienstboden 
den i n Meert. 

222. Als twee menschen in twist geraken, niet meer overeen- 
komen, dan zegt men dat er een haar in de boter is (2) 

22 3. Wanneer men 't een of ander nieuw kleedingstuk aan- 
heeft, zegt men : Geef mij eenige halve centen om de arme menschen van 
mij af te houden. 

224. Iemand die veel beslag maakt, noemt men eenen zvindzak. 

22 5. Van iemand die eenen hoogen hoed, alias buis opheeft, 
zegt men : hij heeft zijnen hond verkocht, want hij heeft het kot op (3) 

226. Als alle hoeden u passen, zegt men dat gij eenen bedelaars- 
kop hebt. 

227. Als men iets scheurt dat men aanheeft of aan iets vast- 
haakt, zegt men gewoonlijk : Oude lompen en mooie meisjes blijven 
overal aanhangen. 



(1) De familie betaalt eenen man om den rozenkrans te bidden en de anderen 
antwoorden. Dat gebeurt op den sterfdag of 's anderendaags. 

(2) Ook in de Antw. Kempen. 

(3) Overal. 



58 « Oss Volksleven. » 

22S. Als iemand erg rood ziet, zegt men van hem : hij heeft de 
hel geblazen. 

229. Als iemand gaten in zijne kousen heeft, zegt men dat hij 
de paters uit het klooster gejaagd hceeft. 

« Waar? » vraagt hij. En men antwoordt : c In uwe kousen. » 

230. Van dezen die vergeten de deur achter zich te sluiten, 
zegt men dat zij gewoon zijn naar de kerk te gaan (1) 

23i. Van eene vrouw die veel babbelt, zegt men : Haar mond 
gaat als een spijspot. 

2 32. Als men een gat in de kleeren heeft, zegt men dat daar een 
Jood op gespuwd heeft. 

233. Boertige nieuwjaarswensen : 

Ik wensch u een zalig" Nieuwjaar, 

Den kop vol haar, 

Den mond vol tanden 

En een wafel in de handen. 

234. Wanneer een dronkaard door de policie aangehouden en 
in den bak gezet wordt om hem zijnen roes te laten uitslapen, 
zegt men : hij zit in de spekkamer. 

2 35. Als iemand last verkoopt, zegt men : Maak u zoo dik niet, 
want dun is de mjde (2). 

236. Om aan de kinderen te zeggen dat men eene lange reis 
doet, zegt men : « Wij zullen zoo ver gaan, dat wij nog twee 
uren verder zullen gaan als het einde van de wereld. » 

237. Als twee jongelieden verloofd zijn, zegt men : Dat zijn er 
alweer twee die van de straat af zijn (3). 

2 38. In een gezelschap gebeurt het dat de eene vriendschappe- 
lijk op den andere leunt, vooral wanneer eenige der genoodig- 
den gezeten zijn en de andere rechtstaan, b. v. de toeschouwers 
van een spel, dat op de tafel gespeeld wordt. 

Dan zegt degene op wiens schouders men leunt : Ik heb nog 
niet gedroomd van eenen ezel te dragen. Alfried Harou. 



(1) Overal. 

(2) Ook elders, o. a. te Antwerpen en te Lier. 

(3) Ook in de Antw. Kempen. 



« Ons Volksleven. » 59 

T)<z Vogelen w 

(Vervolg.) 



IX. 
De Eend. (Vervolg.) 

Weervoorspellingen . — Als de eenden al waggelende naar het 
water loopen en een oorverdoovend leven maken, is dit een voor- 
teeken van regen. 

— Wanneer de wilde eenden en ganzen uit het Noorden ko- 
men, is dit een teeken van koude; komen zij uit het Zuiden, dan 
zal er zacht weder volgen. {Revue des Trad. pop., X, 58i.) 

— Als de eenden gedurig in het water gaan en driftig hunne 
vederen reinigen, is er regen ophanden. 

— De Rouweenden (Anas nigra). Nooit nestelen de rouweenden 
of zwarte wilde eenden in ons land noch in Frankrijk. Deze om- 
standigheid heeft aanleiding gegeven tot eene zonderlinge fabel. 
Men beweerde dat deze vogelen geene eieren legden, maar hun 
ontstaan verschuldigd waren aan eene gedaanteverandering van 
zekere schaaldieren met schelpen (de eendmosselen), die men in 
verrot hout vindt. 

Wat de vogelen zelf betreft, de meeningen over hunne natuur 
verschilden zeer. Sommigen aanzagen ze voor kampernoeliën, 
anderen voor wormen, vanzelf ontstaan uit de verrotting van 
boomstammen ; anderen nog meenden dat het geheimzinnige 
schepselen waren, onder den invloed der sterren gevormd. 

« Ik vind, zegde Michael Majorus, de werkende oorzaak van 
de voortteling van dezen vogel in de Zon, die door hare leven- 
wekkende warmte in alle voorttelingen bijdraagt. De stoffelijke 
oorzaak is het verrot hout, d^ eindoorzaak is de glorie van God en 
het sieraad der wereld ! » 

Merk op dat deze zonderlinge overlevering ook gangbaar is in 
Engeland ; met dit verschil dat zij er toegepast wordt, niet op de 
rouweenden, maar op de boom- of rotganzen, die in Groenland ver- 
blijven en in Frankrijk uiterst zeldzaam zijn. (Les Plages de la 
France, par Armand Landrin, 287.) 

(1) Z. Ons Volksleven, II, 5o, 65, 73, i35 ; III, 92; IV, 186; V, 110; VI, 28, 
206. 



60 « Ons Volksleven. » 

XI. 

De Gans. 

W eervoorspellingen . — Aan het been der Sint-Martens-gans kan 
men zien, of de winter koud zal zijn of niet. Is dit been zeer rood, 
dan zal een strenge winter volgen. (Coremans. L 'Anne 'e de Van- 
cienne Belgique in de Buil. de la Comm. royale d'hist., VII. 98.) 

— De jonge meisjes en de ganzen. — De meisjes uit het land van 
Franchimont maken eenen kring rondom eene gans; deze die 
het eerst door den vogel aangeraakt wordt, zal weldra trouwen. "! 
(Coremans. Op. cit., VII, 98.) 

— Sinte-Katharina en de ganzen. — 25 Xov. St-Katharina. Lot- 
dag voor de kerstganzen, daar waar men ze mest. (Coremans. 
Op. cit., VII, 98.) 

— Sint-Marten en de ganzen. — In de prov. Luik wordt St-Marten 
aanroepen tegen de ziekte der ganzen. 

— In de prov. Luik en Luxemburg herinnert het been van " 
de St-Martengans, die er immer in eere gebleven is, ons aan de 
groote rol, welke die vogel eertijds speelde in de gastmalen op 
dien dag, zoowel in België als in Duitschland. (De Reinsberg. 
Cal. beige, II, 272.) 

— In de omstreken van Visé at men eertijds eene gans met 
Sint-Marten, zooals in veel andere streken. Nog heden is Visé 
beroemd voor de manier waarop men er de ganzen toebereidt, 
die zeer lekker zijn. 

— Spreuken en zegswijzen. — Zoo dom al- eene gans. 

— Eene domme gans (een dom vrouwmensch). 

— Biesse comme ine awe = béte comme une oie. (Buil. de la 
Société lieg. de litt. wall. 2 me série, IX, 70.) 

— Roter comme ine awe, comme ine cane = marcher comme 
une oie, une cane. (ld. IX, 244.) 

— Volksspelen. — Het ganskappen is nog in zwang in Limburg en 
in Luik. Men hangt eene levende gans met de beenen aan eene 
horizontaal gespannen koord, en de mededingers, geblinddoekt, 
trachten haar den kop af te kappen met eene ijzeren staaf met 
scherpe kanten : een barbaarsch spel, onweerdig voor een be- 
schaafd volk. 

— Om de taal der ganzen te verstaan. — Wil men de taal der ganzen 



« Ons Volksleven. » 61 

verstaan, dan moet men eene witte slang den kop afkappen, dezen 
doorsplijten, er eene erwt in verbergen en vervolgens den kop in 
den grond steken. Er zal eene erwtenplant uit voortkomen en, 
die daar de eerste scheut van eet, zal de taal der ganzen verstaan. 
(Wuttke. Der deutsche Aberglaube, § 468.) 

— De waakzaamheid der ganzen. — De gans wordt in ons land ten 
rechte of ten onrechte voor eenen waakzamen wachter onzer 
neerhoven aanzien, en in dit opzicht kan zij, zegt men, met den 
besten hond wedijveren. Of die hoedanigheid wel waarlijk bewe- 
zen is, weet ik niet. Is het misschien geene herinnering aan de 
ganzen van het Capitool, die Rome reddeden ? 

XII. 

De Reiger. 

De Ouden, waarschijnlijk getroffen door het denkbeeld dat de 
reiger een kommervol leven leidt, geloofden dat hij pijn leed, 
zelfs in het paren en dat het mannetje alsdan uit zijne oogen 
bloed stortte en "angstkreten deed hooren. (Plixius, lib. X, cap. 

79-) 

— Eene andere fabel over den reiger was zijne groote kuisch- 
heid. Xaar het zeggen van Glycas geeft hij zich veertig dagen 
lang aan de droefheid over, wanneer hij den paartijd voelt nade- 
ren. (Mich. Glycas. Annal., lib. I.) 

— Weervoorspelling. — Het is tegen regen dat de reiger zich meest 
in de lucht verheft en de Ouden maken uit zijne bewegingen en 
zijne houding verschillende gissingen over den toestand der lucht 
en de veranderingen der weersgesteldheid. 

Droef en roerloos op het zand van den oever, kondigde hij 
vorst aan. (Plixius, lib. XIII, cap. 87.) 

Onrustiger dan naar gewoonte voorspelde hij regen. (ld.) 

Den kop op de borst, wees hij den wind aan, langs den kant 
waarnaar zijn bek gekeerd was. (Aldroxvande, Avi, t. III, 373.) 

De reiger, koninklijke spijs. — In de middeleeuwen behielden de 
vorsten zich het slechte vleesch van den reiger als eerewild voor, 
dat met den naam van koninklijk vleesch bestempeld werd en op de 
gastmalen als een pronkgerecht werd opgedischt 

De reiger en het wassen der maan. — De reiger wordt vetter bij 
wassende maan en magerder bij afgaande maan, zoodanig dat 



62 « Ons Volksleven. » 

hij bij de nieuwe maan zoo mager is als een geraamte en bij de 
volle maan zoo vet als een otter. (Caroline Popp. Récits et Légendes 
des Flandres, 219.) 

Spreekwoorden en zegswijzen. — 't Is een reiger (een lange, magere 
mensch). 

— Beenen hebben gelijk een reiger. 

— Gesteld zijn gelijk een reigei op het ijs. 

— Hij is zoo vet als een reiger op zijn schenen (zeer mager). 
Verscheidenheid van reigers, — In de taal van Taïti is Otoo de 

eigen naam van den grijzen reiger ; de eilandbewoners hebben voor 
dezen vogel een bijgeloovigen eerbied. (Buffon.) 

— Op Taïti en de Gezelschapseilanden zijn een ijsvogel met wit- 
ten buik en een grijze reiger het voorwerp van eene groote veree- 
ring ; de inboorlingen geven hun den naam van eatouas, waardoor 
zij hunne goden aanduiden. (Voyagedu capitaine Cooh, 265 en 345, 
in de Bibliothèqne des voyages anciens etmodernes, t. III.) 

('t Vervolgt.) Alfried Harou. 

;*K)l\ Ji\J& ?K '*\ /Tv Ji\ /■Vv^Vv /T- >r- Jr~. ?R JV- JV-. JV-. 7$, •>+■. ?K Jt\ S> Jri. )l\ /+* V+t ) t V. -Tv )V< ;+•• fK ?S ?ït A'i <T% 7K ?Jt ,'IK ,V\ ,'¥•. J+-, ?R V+V ?K 

$ragen en $anteekeningen 



i. (143.) Jefken de Strijker. — Hier volgen 2 koepletten van 
het lied op den vermaarden wonderdokter : 

1. 

'k Heb van den Koning hooien zeggen, 
Al die naar Brasschaat wil gaan, 
Dat hij 'nen ijzerenweg zal leggen, 
Om naar Jefken de Strijker te gaan. 

REFREIN. 

Ha, ha, ha! strijken doet niet zeer! [bis). 
Jefken de Strijker is een* man, 
Die alle menschen genezen kan. 



Variante 



Ha, ha, ha! strijken doet niet zeer ! (bis.) 
Jefken de Strijker is eenen heer 
En hij doet het strijken niet meer. 



« Ons Volksleven. » 63 



Jefken die kan alles genezen : 

Hij strijkt eens over uw pijn, 

Al mocht het de kanker wezen, 

Gij zult gauw genezen zijn. 

Refrein : Ha, ha, ha ! strijken doet niet zeer, enz. 

Kan niemand onzer lezers dat lied volledigen ? 

J.C. 

2. (144.) Palmtakken. — De boom, die bij ons algemeen met 
den naam van palm bestempeld wordt, is de buksboom. (Buxus 
Sempervirens), en 't zijn de takken van dezen boom, welke met 
Palmzondag in de Rocmsche kerken gewijd worden, tot herin- 
nering aan de intrede van onzen Zaligmaker in Jerusalem. Ook 
in het Noorden van Frankrijk gebruikt men bukstakken (buis). In 
Provence gebruikt men tot dat einde olijf- en lauriertakken. In 
Vaz is het de myrt, die het altaar versiert ; in de Jura zijn het de 
jonge scheuten van den beukenboom die hiertoe dienen, terwijl 
men, op de groote eilanden der Middellandsche Zee, in Italië en 
op de Zuidkusten van Spanje en Portugal de echte palmtakken 
gebruikt. Op de kusten van Ligurië wordt de palmboom ge- 
kweekt voor het gebruik der Roomsche Kerk en het Joden- 
Paaschfeest in Italië, en te Rome wordt jaarlijks eene geheele 
scheepslading daarvan met Palmzondag aangevoerd. De asch, 
die op Asschen-Woensdag bij ons zinnebeeldig gebezigd wordt, 
is de asch van buksboomtakken. (A. M. Oomen. Het Plantenrijk, 
zijne Legenden, Poëzie en Symboliek, enz., bl. 23 1.) 

In oostelijk Duitschland en in Rusland worden de bloemkatjes 
van den wilgenboom op Palmenzondag in de kerken gewijd en, 
evenals onze buksboomtakken, tot een godvruchtig aandenken in 
de huizen bewaard. J. C. 

3. (145.) Spreekwoorden. — Het spreekwoord : De duivel sch... 
altijd op 'nen grooten hoop, luidt in Groningen : de duvel schit altied 
op de dikste bult (hoop) ; in Meurs : den Duwel drit et liewste op eunen 
grooten Haup ; in Solingen : der Teufel kackt emmer op den grötzten 
Haup ; in Ritscheinb. : wou eh Hauffm is, tuid da Hunt nou uann 
dazui (waar reeds een hoop is, doet de hond er nog een' bij.) 

J.C. 



64 « Ons Volksleven. » 

4. (146.) Ik lees in G. Gezelle's Duikalmanak : 

« Hred-, redmaand, de Oude heidensche name van guldenmaand, 
komt overeen met het geroep der kempensche jonkheden, 
's avonds voor dezen dag : « Red, Red, breng raad, raad! » 

Waar bestaat of bestond gemeld gebruik? Wij hebben er nooit 
van gehoord. J. C. 

5. (147.) Russische spreekwoorden. — 1. Men heeft honderd 
vijanden, maar men heeft slechts twee armen. 

2. Wanneer de rijke vecht, beschermt hij zijn gelaat, maar de 
arme tracht, wanneer hij vecht, zijn kleed te beschermen. 

3. W T anneer gij een hemd geeft aan eenen schooier, dan zal hij 
klagen dat het lijnwaad te grof is. 

4. Meet tienmaal en snijd slechts éénmaal. 

5. Men heeft goed eenen wolf te voeden, hij ziet altijd langs 
den kant der bosschen. Fr. Z. 

Ontvangen Boeken 



Adolf Hauffen. — Einfiihrung in die deutsch-böhmische Volkskun- 
de, nebst einer Bibliographie. Prag, 1896. (Boekdeel van 224 blz. 8°. 
Prijs : 2 Kr. 80 H. = 2 M. 80 Pf.) 

Prof. D r Gustav Laube. — Volksthümliche Ueberlieferungen aus 
Teplitz und Umgebung. Prag, 1896. (Bd. van 107 blz. 8°. Prijs 1 
Kr. 20 H. = 1 M.) 

Julius Lippert. — Das alte Mittelgebir gshaus in Böhmen und sein 
Bautypus. Mit 6 Tafeln. Prag, 1898. (Bd. van 24 blz. 8°. Prijs : 
80 Heller = 80 Pf.) 

J. J. Ammann. — Volksschauspiele aus dein Böhmerwalde. 1 und 2 
Theil. Prag. 1898-99. (Boekd. van 187 en 168 blz. 80.) 



GrocLspl anten 



( Vervolg) 

De sprekende Korenaren. 

Jezus ging eens met zijne apostelen door de rijpe zaaivelden, 
en zij nokken eenige aren af en wreven (i) er de korrels uit, ten 
einde hunnen honger te stillen. 

Daar spraken^de rijpe Korenaren tot den Heer : 

« Geerne spijzen wij U en uwe apostelen met onze kracht, 
want gij brengt aan de menschen het brood en het eeuwige leven. 
Maar zoo menige onwaardige snijdt onze halmen af en voedt 
zich met ons meel. Verbied hun dit, o Heer, en laat ons wassen 
te uwer eere en enkel den redelijken ter spijze dienen. » 

Maar de Heer antwoordde : 

« Mijn geliefde graan, immer toch blijft gij een beeld mijner 
Goedheid en een gelijkenis mijner Barmhartigheid, die over god- 
deloozen, evenals over vromen, wordt uitgeschud. Daarom zij 
getroost, mijn geliefde Koren, en wasse vroolijk uit den schoot 
der aarde — zoowel voor den onwaardige als voor den waardige, 
voor den booze als voor den vrome. Gij blijft toch wat gij zijt, 
het verkwikkend en voedend Koren. » (2) 

Waarom de Lindauer wijn zoo zuur is. 

Eens wandelde de Heer met Petrus in Zwitserland, en zij kwa- 
men te Lindau aan de Bodensee, waar zij in stee van nachtver- 
blijf te krijgen, door de hardvochtige burgers werden weggejaagd. 



(1) Dit is overal een gemeen gebruik. 

(2) Naar Gebhart, 194. Deze parabel schijnt mij weinig « volksch » te zijn. 



66 « Ons Volksleven. » 

Toch vonden zij onderkomen bij een armen daglooner en dezes 
vrouw, die alles vriendelijk en hartelijk met hen deelden. Ten 
loon liet de Heer deze arme menschen toe Hem eene gunst te vra- 
gen; en zij vroegen Hem een klein hofje en eenen akker. Des 
morgens vonden zij dat hun wensch meer dan voldaan was. 

Toen de inwoners van Lindau zulks te wete kwamen, zonden 
zij den Heer een bode om Hem te zeggen, dat zij Hem wel 
geerne een nachtleger zouden gegund hebben, doch niet wisten 
dat Hij het was. De Heer liet zich overhalen en Hij bleef bij die 
van Lindau middagmalen. Dat keurde Petrus evenwel zeer af. 
Na het eten, baden de mannen van Lindau om wijngaarden, daar 
zij al het overige reeds bezaten. De Heer schonk ze hun en ver- 
trok. 

Onderwege vroeg Petrus : 

« Waarom hebt Gij, Heer, bij die nijdige menschen den Wijn- 
stok laten groeien ? » 

« Zij gerust, Petrus ; zij zullen zich aan hunnen wijn niet dood 
drinken ! » 

En waarlijk de Lindauer wijn is zoo zuur, dat niemand, met 
genoegen, er een flesch van ledigen kan. (i) 

Waarom de Den (2) zijne twijgen laat hangen. 

Toen Christus met zijne discipelen op de wereld wandelde, 
kwam hij ook in Voigtland. Het regende en allen werden doornat. 
Daar ontwaarde een apostel een grooten Den en riep : « O komt 
toch hier, onder dezen Den is het goed! » 

Maar de Heer antwoordde : 

« Wie regen zendt, kan ook zonneschijn zenden ! » 

En hij bleef, waar hij was. 

Doch de discipel, die gesproken had, wilde niet alleen van 
hoop leven : hij ging onder den boom schuilen. Deze sloeg echter 
met zijne twijgen evenals de huishaan met zijn vleugels, en zoo 
maakte hij den apostel nat tot op de huid. 

En op het veld, waar de Heer stond, scheen de zon. 

Sedert dien laat de Den zijne takken neerhangen. (3) 



(1) Perger, 227. 

(2) Het is de Picea vulgaris Lam. Eigenlijk de Zilverden (Abies pectinata Lam.) 
laat zijne takken handen; doch bij het volk volstaat een « bijna. » 

(3) Perger, 33;. 



« Ons Volksleven. » 67 

Waarom de Rietstengel tweemaal gebogen is en aan eiken knoop een 
beet spoor vertoont. 

In de Mark vertelt men : 

A ] s Petrus op een stormnacht, op het meer van Galilea vaarde 
en eigenwillig verlangde van den Heer, dat deze op de golven gaan 
zoude, wilde de Heer den hoogmoed van zijnen apostel bestraffen. 
Hij ging op het water en riep Petrus om bij hem te komen. Doch 
als Petrus over het water schreed, zag hij in eens Christus, die 
naar hem met een geweldigen stormwind toekwam. Petrus' ver- 
trouwen verzwond en hij begon te zinken. 

Wat nu ieder mensch in zulken toestand doet, dat deed ook 
Petrus : hij greep namelijk naar alles wat maar eenigzins als 
steun dienen konde. Dit was, in dit geval, een hooge Rietstengel, 
welke uit den meerbodem in de hoogte gewassen was. Doch het 
Riet kon niet wederstaan : het bukte zich onder den druk van 
Petrus' hand naar beneden. De visscher wilde zich evenwel met 
alle geweld boven houden en hij beet in zijnen angst in eenen 
knoop van den rietstengel. 

Daar kwam de Heer; hij nam den zinkende bij de hand en 
sprak : 

« Gij, kleingeloovige ! Waarom twijfelt gij? » 

Sedert dien is de Rietstengel tweemaal gebogen (namelijk in 
het derde en het vierde lid) en toont iedere knoop een duidelijke 
beetspoor! (i) 

c. Passielegenden 

Onder de talrijke gekende behooren de volgende tot de plant- 
lore : 

Christusoog. 

Toen Christus, in den Olivetenhof, zijn Vader smeekte den 
bitteren kelk van hem weg te nemen, viel een traan uit zijn oog 
en hij werd een lieve bloem, die men voortaan Christusoog heet- 
te. Het is onze tuinplant, die men in Holland, Prikneus noemt 
(Lychnis coronaria L.)(2). 



(i) Handtmann, 82. 

(21 Gebhart, 99. in " ber yiatï „ heet men " ©otteêaugen „ en " ©ejtcfrt 
(Sfyrifti „ het ringvormige teeken van een Tarwe- of Roggegraan (Handtmann. 
95). 



68 * Ons Volksleven. » 

Waarom de Brem (Sarothamnus scoparius L.) veel geraas maakt, als 
men ze verbrandt. 

Een Siciliaansche legende zegt, dat de Brem veel geraas 
maakte, terwijl Christus in den hof van Gethsemanie aan 't bidden 
was, zoodat zijne vervolgers Hem daar ontdekten. Aan de ver- 
raderlijke plant zou de Heer daarom gezegd hebben : « Gij zult 
immer veel geraas maken, als men u verbrandt ! )) En inderdaad 
Brem of Genst krakelt onophoudend in het vuur. (i) 

Van den Steckpalm of Hulst (Ilex aquifolium L). 

Men vertelt, dat hij ontstond uit de Palmen, welke men voor 
Jezus' blijde intrede in Jeruzalem gebruikt had en die van schrik 
doornen kregen, als zij de Joden hoorden roepen : 
« Kruisigt hem, kruisigt hem! » 

Daarom blijft die heester immer groen. (2) 

Het Nootkiempje. 

Te Segelsem heet men het Nootkiempje, het « Nageltje ». Men 
zegt er, dat het het nageltje is, waarmede Jeezeke aan het kruis 
genageld werd. In de Kempen noemt men het « Deezekensnagel.)) 

Twee Eiken tot kruis vergroeid. 

Volgens velen is de Wandelende Jood een Jood, die Jesus' 
kruis niet wilde helpen dragen. In Westfalen zegt men, dat 
Ahasverus enkel rusten kan, daar waar twee Eiken, tot kruis 
vergroeid, gevonden worden. (3) 

Jezus' Schept er. 

De Schepter, hem tot spot in de hand gegeten, was de Lisch- 
dodde (Typha) en zoo verbeeldt Rubens den Heiland; doch in 
Polen geeft men hem een stengel van Look. 

Veronica-legenden. 

Wij kennen er twee in de plantlore : 

De lieve blauwe bloempjes van Eereprijs (4) {Veronica chamcudrys 
L vooral) toonen, zegt Thiselton, de lijnen, welke op het doek 
van Veronica het afbeeldsel van Christus vormden. 

Toen Veronica het aangezicht van Jezus afgedroogd had en 
met den kostbaren doek vluchten wilde, achtervolgden haar de 



(1) Gub. II, i5i. 

(2) Pergek, 255. 

(3) This, 49. 

(4) 258. 



* Ons Volksleven. » 69 

Joden; want zij konden niet dulden, dat het afbeeldsel van 
Christus zou bewaard blijven. De maagd liep in eenen hof, wierp 
den doek in eenen Hazelstruik en vlood verder. De Hazelaar 
liet al zijne bladeren vallen en bedekte aldus de relikwie. 

Daarom zijn zijn Noten, als zij rijp zijn, bloedrood, (i) 

De Treurwilg (Salix babilonica h.J 

Van Pilatus werd Christus naar eene heide gevoerd, waar 
sedert oude tijden de geeselzuil stond. De Heer werd van zijne 
kleederen beroofd en aan de kolom gebonden, terwijl de Joden 
naar eenen Wilg liepen en uit dezes twijgen geeselroeden sneden. 

Bedroefd zag Christus het na en zuchtte : 

« Treure, Wilg, treure ! » 

En sedert dien treurt de Wilg en hangen zijne twijgen schier 
ien gronde. 

Anderen beweren, dat de Berk de geeselroeden schonk, daar- 
om hangen zijne twijgen neder en maakt men van hem modder- 
bezems. (2) 

Handtmann (3) zegt, dat het Vliertwijgen waren, waarmede 
men Jezus geeselde. De Vlier behoorde eertijds tot het geslacht 
der schoone en welriekende Seringen. Onder zijn loover gaven 
de leeraars uit het Oosten hunne lessen en met hunne takken straf- 
ten zij de onoplettende leerlingen. Als nu Christus aan de krijgs- 
knechten ter geeseling werd overgeleverd boden de booze hooge- 
priesters en schriftgeleerden hunne tuchtroeden aan de geeselaars. 
Doch het bracht schade aan den schoonen Vlierboom : zijne huid 
werd gelijk aan die van den gegeeselden Heiland; zij kwam vol 
groeven en spleten. Hij liet zijn witte bloemen nu droevig hangen 
en daaruit ontstonden bloedige traanbessen. Het werd een ver- 
vallen struik. 

Oorsprong van de Braam. 

Na de geeseling des Heeren werd de geeselroede onachtzaam 
in eenen hoek geworpen. Maar o wonder ! door het bloed des 
Heilands kwam er nieuw leven in : een nieuwe struik ontstond, 
en door zijne wortelen, twijgen en bladeren schemert planten- 



(1) Gebhart, 93. 

(2) Is. Teirlinck, Bloeiende Ritezen, 54. 

(3) BI. 5. 



70 « Ons Volksleven. » 

groen en bloedrood zonderling dooreen. Ditzelfde bloed vormt 
de bloedroode vruchten, die als uit droppen bestaan, (i) 

De Immergroene Eik (Quercus ilex L.) 

In Acarnanië en op de Ionische eilanden (S T Maura) schreef 
dichter Aristoteles Valaoritis de volgende legende op : 

Toen het in Jerusalem vast besloten was Christus te kruisigen, 
vergaderden al de boomen en zij beloofden plechtig niet hun 
hout tot de onwaardige marteldood te geven. Doch er bevond 
zich ook een Judas onder de boomen. Als nu de Joden met bijlen 
kwamen om het kruis te maken, sprongen al de boomstammen 
in duizenden stukjes, zoodat men ze niet tot het vervaardigen van 
het kruis benuttigen kon. Enkel de immergroene Eik bleef ge- 
heel alleen staan en leverde zijn hout, daarom verfoeit het volk 
van Santa-Maura den boom, en de houtkappers vreezen hunne 
bijlen en hunnen haard te vervuilen met aan den vervloekten 
boom te raken. (2) 

Lans Christi. 

De Adderstong, waarvan wij hooger spraken, is Lancea Christi, 
bij ons volk nog Lanse Christi, naar den vorm. Doch eene legende 
voor deze plant kennen wij niet. 

Stok met spons. 

Volgens eene legende zou de Hyssoop door Christus zelf ge- 
plant geweest zijn ; daarom zegt Johannes de Evangelist : « En 
zij vulden eene spons met edik, hechtten ze aan eenen Hyssoop- 
stengel en brachten ze aan zijnen mond. » Hyssoop (Hyssopus 
officinalis L .) is een Lipbloemige plant uit Zuid-Europa; doch 
volgens Royle is de Hyssoop van de H. Schrift, « Esobh )>, de 
Kapperstruik (Capparis spinosa L). 

In YYestprignitz en Ruppin vertelt men : 

« Ieder Rietblad toont onder de plaats, waar het aan den sten- 
gel zit, een duidelijk beetspoor (3). Dit ontstond als volgt : 
Toen de kiijgsknecht den stervenden Heiland de spons vol edik 
en myrrhe reikte, wilde Jezus den drank niet innemen en hij beet, 
om het naar binnen vlieten te beletten, dwars door de spons in 



(1) Handtmann, 48. 

(2) Gub., II, 85. 

(3) Z. hooger. 



« Ons Volksleven. » 71 

den Rietstengel, welke als staf diende. Vandaar het nog immer 
zichtbare beetspoor (i). 

De bibberende Esp. 

De Esp of Ratelaar moet eeuwig ratelen en bibberen, omdat 
hij alleen, bij Jezus' dood, niet van droefheid en wee beven 
wilde (2). 

S t Janskruid. 

S* Janskruid of Hertshooi (Hypericum perf omturn L.) is een 
Passiebloem : de kroonblaadjes, tusschen de vingeren gepletterd, 
geven roodbruin sap : dat is Christusbloed. De vijf kroonblaadjes 
zijn de vijf wonden; de bladeren des stengels werden door den 
Booze met fijne naalden doorstoken, omdat hij dit heilig kruid 
den mensch niet gunde (3). 

Chrisii bloed. 

Overigens ontstonden vele planten uit Christus' bloed : 

Een druppel Christusbloed viel in het Mos : hij werd de lieve 
Mosroos. — De Doornenkroonplant (Medicago maculata) heeft drie 
rosgeverfde klaverblaadjes : een bloed drop van Christus, die aan 
het kruis hing, was er op gevallen. — Rosa rubiginosa, de Wijn- 
roos, heet rond Tubingen /; beê §ettcmb§ ^omentvone „ en men ver- 
telt, dat de roode stippeltjes, welke hare twijgen versieren, van 
Christusbloed komen. — De Muurbloem of Stokviolier (Chciran- 
thus Cheiri L.) noemt men nog in Palestina « Bloeddroppen van 
Christus » en zou uit het bloed des Gekruisigden ontstaan zijn. — 
Komen nog van Christusbloed : de gevlekte Duizendknoop 
(Polygonum Persicaria L), de Kalfsvoet (Ar urn) met bloekvlekkige 
bladeren, de purperkleurige Orchis (Orchis maculata L. en O. lati- 
folia L.) en de roode Anemone. (Z. Is. Teirlinck, Plantlore.) 

Het hout des hruises. 

Hooger gaven we de namen op van verscheidene planten, 
welke hun hout voor het kruis gaven, ook eene kruislegende, die 
van den immergroenen Eik. Een kabbalistisch handschrift (4) 
geeft de volgende edenische legende : 



(1) Handtmann, 83. 

(2) Uitvoerlijk behandeld in Is. Teirlinck, Bloeiende Reuzen. 

(3) Benno Martiny, 28. 

(4) Le Livre de la Pénitence dAdam. Z. Eliphas Levi, Hist. de la Magie, 43. 



72 * Ons Volksleven. » 

Adam had twee zonen : Caïn, die de ruwe macht verbeeldt, en 
Abel, de verstandige zachtmoedigheid. Zij konden niet overeen- 
komen en de eene stierf door den anderen ; ook kwam hun 
erfdeel aan een derden zoon Seth. 

Nu, Seth, die rechtvaardig was, kon aan den ingang van het 
aardsch paradijs komen, zonder door den engel met het vlam- 
mende zwaard verdreven te worden. 

Seth zag toen dat de Boom der wetenschap en de Boom des 
levens vereenigd waren en maar één vormden. 

En de engel schonk hem drie zaden, welke de levenskracht voor 
dezen Boom in zich bevatten. 

Toen Adam gestorven was, volgde Seth de raadgevingen van 
den engel : hij legde de drie zaden in den mond zijns vaders 
tot pand van het eeuwige leven. 

De twijgen, welke uit deze drie zaden sproten, vormden den 
vurigen Braambosch, in wiens midden God aan Mozes zijnen 
eeuwigen naam bekend maakte : 

« Het wezen dat is, dat was, dat zal zijn ! » 

Mozes plukte een driedubbelen twijg van den heiligen struik : 
dat was voor hem de mirakuleuze roede. 

Deze roede, ofschoon gescheiden zijnde van haren wortel, 
groeide en bloeide voort, en aldus werd zij in de Ark bewaard. 

Koning David plaatste dezen levenden twijg op den berg Sion; 
en Salomo, later, nam het hout van dezen Boom met de drie 
stammen om er de twee kolommen Jakin en Bohaz van te maken, 
welke aan den ingang des tempels stonden ; hij bekleedde ze met 
brons en hij zette het derde stuk van het mystische hout vóór den 
gevel der bijzonderste poort. 

Het was een talisman, die alle onzuiveren belette in den tem- 
pel te treden. 

Doch de bedorven levieten rukten gedurende den nacht, dezen 
hinderpaal voor hunne wandaden uit, en zij wierpen hem in het 
probatische badwater en legden er steenen op. 

Sedert dit oogenblik schudde de engel alle jaren dit badwater en 
gaf het eene wonderbare deugd en zette aldus de menschen aan 
tot het zoeken van den Boom van Salomo. 

Ten tijde van Jezus-Christus werd het bad gereinigd, en de 
Joden vonden er den balk, welken zij gansch nutteloos dachten 



- Ons Volksleven. » 73 

en zij droegen hem buiten de stad en wierpen hem over den 
vloed van Cedron. 

Over deze brug ging Jezus na zijne nachtelijke aanhouding in 
den Oli vetenhof; van daarboven smeten zij hem in den vloed en 
in hunne haast om bij voorbaat het werktuig der marteling te be- 
reiden, namen zij de brug mede : nu, deze was een balk van drie 
stukken, elk van verschillend hout, en zij maakten er een kruis 
van. 

De echte Passiebloem. 

De echte Passiebloem is de Passiflova ccerulea L. eene Ameri- 
kaansche sierplant, welke echter maar in de 17e eeuw in ons land 
werd ingevoerd. Dodoens, uitgave van 1618, spreekt er reeds over : 
<( De bloemen zijn als witte Roosen, eenighe teeckenen hebbende 
al oft die gheschildert waren, de Passie ons Heeren eenighsins 
vertoonende, seydt Monardes. Ende men noemt se nu doorgaens 
Flos Passionis : ende in der waerheydt, nae sy gheschildert wordt, 
soo is 't een seldsaetn ende aenmerekensweerdigh maecksel van 
bloeme (1). » De plant vertoont al de foltertuigen der Passie : de 
drie stempels zijn de nagels, de rood gespikkelde blauwe draden- 
krans de doornen kroon, de gesteelde stamper den bitteren kelk uit 
het hofje, de vijf meeldraden de wonden, het drielobbige (of vijf- 
lobbige) blad de lans, de 1 anken (het is een klimplant) de geesel- 
roeden, de witte verf der kroon, Christi onschuld, enz. Pieter de 
Cieza schijnt het eerst de aandacht hierop getrokken te hebben; 
de Jezuïet Ferrari, in zijn werk [De flor urn cultura, i633) breidt de 
gelijkenis uit. 

d. Eenige sagen en legenden konden in de vorige groepen 
geen plaatsje vinden. 

De K ruislinde bij Süderheistede. 

Bij Süderheistede stond eene Linde, welke door de Ditmar- 
schers den « Wonderboom » genoemd werd, omdat zijne twijgen 
kruisen verbeeldden. Toen zij echter hunne vrijheid verloren, 
verwelkte deze Kruis' inde en zij zal enkel opnieuw groenen, als 
eene ekster op haar nestelt en vijf witte jongen uitbroedt. (2) 



(1) 1424, volgens de uitg. van 1644. 

(2) Perger, 287. 



74 « Ons Volksleven. » 

# 

£)^ vervloekte Vijgeboom. 

De Evangelist Mattheus vertelt (21.19) : 

« En eenen Vijgeboom bij den weg ziende, ging Jezus der- 
waarts ; maar daarop niets gevonden hebbende, dan enkel blade- 
ren, sprak Hij aldus tot den Vijgeboom : « Dat er nooit meer 
vruchten uit u in der eeuwigheid voortkomen... » En de Vijge- 
boom verdroogde op denzelfden stond. » 

De Wondernoot. 

Een ridder, wiens burgslot te Riempst (tusschen Tongeren en 
Maastricht) stond, was naar Palestina getrokken. Intusschen 
voerden zijne vrouw en kinderen thuis een godvruchtig leven; 
doch de godvruchtigste was de jongste dochter. 

Eens dat deze naar de S l Martinuskerk was gaan bidden, 
kwam de vader van de verre reis terug en gaf aan ieder der thuis 
gebleven kinderen een geschenk. 

Toen de jongste naar huis terugkeerde, kon de ridder haar 
niets meer geven en dat deed hem pijn, want hij zag ook zijn 
jongste kind hartelijk geerne. Hij zocht toen nog eenmaal in 
zijne tesch en vond er eene Noot, die hij op den Kalvarieberg van 
eenen boom geplukt had. Hij gaf ze aan het goede meisje, die 
verheugd naar den hof liep en er de Noot plantte. 

lederen morgen kwam ze de Noot begieten, en ze bad den 
Heer de vrucht tot eenen boom te laten gedijen. Haar gebed 
werd verhoord : uit den grond schoten twee blaadjes; deze wer- 
den een twijg, de twijg een stengeltje, het stengeltje een stam. 
Doch als de boom zijn vollen groei had, had hij een wonderbaren 
vorm : het was een gekruiste Christus. Dit beeld werd geschon- 
ken aan het Klooster der Witte- Vrouwen, waar de dochter later 
non werd ; en na het verdwijnen van het Klooster kwam het in 
de Martinuskerk, waar men het nog zien kan. (1) 

III. 

H. Geestplanten 

De H. Geest, de derde persoon der Drieëenheid, speelt in het 
volksgeloof een ondergeschikte rol. Wij kunnen maar twee plan- 
ten aanhalen, welke naar Hem genoemd worden : 



(1) Wolf, 261. 



« Ons Volksleven. » 75 

De Archangelica (Archangelica officinalis L.), welke in Duitsch- 
land « £)e§ §et)ïtgïjeti ©etft SSur^eï soo Leonarthus Fuchsius be- 
tuyght » heet. (i) 

Het S' Joriskruid {Valeriana Phu L.), wordt in Oostenrijk, 
volgens J essen, « §etlige ©eiftrourgel » genoemd. 

Delbeke (2) zegt dat de kinderen (waar?) het binnenste dei- 
Noot, naar de lobben, een soort van vleugels, Heiligen Geest noemen. 

Wij zouden hier kunnen spreken over Sinksen of Pinksterplan- 
ten; doch dit behoort eigenlijk tot een ander deel der plantlore. 

IV. 

Drievuldigheidsplanten 

Deze vormen de laatste groep der Godsplanten. Zij zijn ge- 
woonlijk gekenmerkt door het getal drie, het heilige getal bij 
uitmuntendheid. 

Het lieve driekleurig Viooltje (Viola tricolor, L.) heet Drievuldig- 
heidsbloem, het is met « drijderleie verwen blinckende endeverciert; 
te weten : eensdeels purper, eensdeels geel ende eensdeels wit ofte 
blauw (3). » Bij Bock vindt men : « ~DrctfaittiifcH » ; bij Fuchs 
«SDreifaïttgïettè föraut » ; bij Brunschwyg « £)reifaltig!eit§ï)lume » ; en 
in Augsburg : « §etIigbreifaIHg!ett§Mume. » 

R. J. Pierik (Mariabloemcn) verziert, dat de Almacht het drie- 
kleurig viooltje koos 

«... om te pralen 
Met godlijk stralen 
In 't eeuwige rijk. » 

En Perger beweert dat het eens veel lieflijker geurde dan het 
Maartviooltje {Viola odorata L.). Het wies in het koren en daar 
de lieden het, om zijn geur en kleur, zoo ijverig opzochten en 
vele halmen vertraden, deed dit het bloempje leed en, in zijnen 
ootmoed, bad het de H. Drievuldigheid het allen reuk te ontne- 
men — hetgene gedaan werd. Sedert dien heet het plantje Drie 
vuldigheidsbloem. (4) 

(1 ) Bauhinus geeft dien naam aan de Angelica (Angelica sylvestris) : « Sancti 
Spiritus radix. » 

(2) Harmonie universelle et omniverselle, I, y3. 

(3) Dod. 233. 

(4) Panzer, II, 2o3. 



76 « Ons Volksleven. » 

Het edel Leverkruid {Hepatica triloba L.) wordt bij Baptistus 
Sardus « Trinitas » en « Trinitatis kerba » genoemd, omdat de bla- 
deren drielobbig zijn. 

Het drielobbig Eendekroos (Lemna trisulca L.) krijgt bij Lo- 
belius den naam van Trinitas aquatica en heet, volgens Jessen, in 
Silezië « üBaffer XH'ctfaUttjtcit. » 

Een schoone Alpenplant {Cortusa Matthioli L.) wordt in het 
Vehsche gebergte, volgens Tabern.emontanus, « ITreifalttgrettö= 
iilöcfletn » geheeten. 

Het Kruishout, dat uit drie planten (Ceder, Cipres en Palm of 
Olijfboom of Pijn) bestond, was het zinnebeeld der Drieëenheid. 

In de S. Patrickslegende vertelt men, dat de H. Patrick, de 
Klaver als zinnebeeld der Drievuldigheid aan de Ieren toonde, 
omdat de drie blaadjes uit eenen steel spruiten. Daarom versieren 
de Ieren, op S. Patricksdag, hunne kleederen meteen Klavertakje. 

Is. Teirlinck 
(Uit mijn : Planten- Kultus.) 

( Vervolg) 



XVI. 

M. Yervliet heeft in mijn werk een woord ingelascht over den 
« Klapperstein » , die in den gevel van het stadhuis te Mühlhausen 
te zien is. 

Nopens dien steen zijn eenige aanvullende inlichtingen te ge- 
ven, die wij vinden in Tour du Monde, 1886, II, 174 : 

« Het magistraat van Mühlhausen deed dezen steen aan den 
hals hangen van kwaadsprekers of twisters, om ze vervolgens 
door de straten der stad rond te leiden. 

De steen en de ketting wegen niet min dan 12 kilog. 

Nu eens moesten de veroordeelden den steen te voet dragen, 
dan weer eens, omgekeerd zittende op eenen ezel. Daar dit rond- 



(1) Z. Ons Volksleven. VIII, 211; IX, 46, 120; X, 36, 7; 



« Ons Volksleven, r 77 

leiden plaats had op eenen merktdag, maakte de straf grooten 
indruk. 

Gewoonlijk werd zij op vrouwen toegepast. 

Zoo men te Mühlhausen de lastertongen strafte, men wist er 
ook de vrouwen te beloonen, die bekwaam waren om hunne bab- 
belzucht in te toornen. 

Volgens het dagboek van den burgemeester Ziegler, aangehaald 
door den Mühlhausenschen kroniekschrijver Mieg, ontvingen in 
1626 drie vrouwen van de stad prijzen, o tri in zes maanden tijds 
geen kwaad van hunnen naaste gesproken te hebben. 

XVII. 

Te Verre (Zeeland) ziet men in het raadhuis een grooten steen, 
hangende aan eene zware ijzeren keten en den vorm hebbende 
van een wapenschild. 

Dit slag van halsketen is eene herinnering aan het oude rechts- 
gebruik, dat eertijds in Zeeland in zwang was. De kwaadspreek- 
sters en twistzieke vrouwen werden door de straten der stad geleid 
met dit lastig en onaangenaam sieraad om den hals. 

XVIII. 

De oorkonden, doorGrimm en Michelet verzameld, doen die 
soort van straf (het dragen van steenen) opklimmen tot de XIV e 
eeuw, doch eene wet, die in de kleine stad Argonne van kracht 
was, bewijst dat gezegde straf reeds in de tweede helft der XIII e 
eeuw in Frankrijk bekend was. 

1263. — « Loi contre les geus qui médisent des autres. » 

« Femme qui dira lait a une autre femme, s'il est preuvé par 
» témoignage de deux hommes ou de deux femmes, elle payera 
)) cinq solz, au Seigneur quatre solz, au majeur six deniers, et celle 
)) a laquelle elle aura dit lait six deniers. Et selle (si elle) ne veut 
» payer 1'argent, e\\e fiortera la pierre Ie Dimanche a la procession 
» en peure sa chemise (en pure chemise). » 

« Se (si) la femme dit lait a homme et s'il est prouvé par lovaulx 
» témoignages, elle payera cinq solz, et si li homme dit lait a 
» femme, il payera cinq solz, sans devise faire (sans faire de récla- 
» mation; sans autre forme de proces). » 



78 « Ons Volksleven. » 



XIX. 



De straf met den steen was ook in gebruik in Friesland, Vlaan- 
deren en Scandinavië, alsook overal in Duitschland. In dit laatste 
land bestond het straftuig somtijds uit eene groote steenen nesch, 
Büttels/lasche (beulüesch) genaamd, waarop twee twistende wijven 
waren afgebeeld. 

Andere benamingen waren : Krötenstein (paddensteen), Schand- 
stcin, Lasterstein, Fiedel, Pfeife, enz. (Z. daarover Grimm.) 

{'t Vervolgt.) Alfried Harou. 



Sagen. 



i. (240.) De Tooverheksen van het Rondeken 
der Merkt, te Lier. 

Vele, vele jaren geleden woonde in de Eikelstraat, te Lier, een 
oud mannetje, dat van iedereen gekend was en, wat meer zegt, 
bemind. Vriendelijk en gedienstig jegens elkeen, was hij toch 
gansch in het bijzonder de hertevriend der woelige straatjeugd, 
en geen kind zou hem ooit voorbijgegaan zijn, zonder hem een 
hertelijken goedendag toegestuurd te hebben. 

De oude Lierenaars zullen er misschien nog wel wat van mede 
te praten weten : het was vaderken Vandergeest. 

Wanneer vaderken Vandergeest zijn dagelijksch uitstapje deed, 
wist hij van tijd tot tijd degenen die hem groetten, zulk een grap- 
pig antwoord te geven, dat het verscheidene dagen lang in de stad 
rondgedragen wierd. Doch, wanneer een aantal bengels hem 
omringden, wanneer de honden hem vriendelijk toeblaften of de 
katten hem liefkoozend en verleidelijk tegenmiauwden^ dan was 
zijn gewone welkomsgroet : 

— « God zegene u, mijne lieve kinderkens ! » 

Op zekeren winteravond nu, was vaderken Vandergeest als 
naar gewoonte ter herberg gegaan in de Lispestraat, alwaar hij 
zijn dagelijksch kaartje ging spelen. Gewoonlijk eindigde dit spel 
rond den tienen, doch dien avond, hetzij dat er « wreed » was 
gespeeld geworden — iets wat rechtstreeks met het getal veror- 



« Ons Volksleven. * 79 

berde druppels in verband staat — hetzij dat de vinnige koude 
den spelers verplicht had eenige borreltjes meer dan naar ge- 
woonte te drinken, dien avond, zeggen wij, was het reeds gerui- 
men tijd half twaalf geslagen, eer de vrienden besloten het spel 
te staken. Moede van zitten en een weinig onder den invloed van 
den drank, betaalde elkeen zijn gelag en vertrok. 

Ook vaderken Vandergeest trok huiswaarts. Toen hij bijna 
aan de Merkt gekomen was, klonk het van den hoogen toren 
middernacht. Hij verschrok : nog nooit was hij zoo lang uitge- 
bleven, en nog nooit had hij zoo stevig den reus gezien als 
thans... 

Daar was hij op de Merkt, en om van de Lispestraat in de 
Eikelstraat te komen, moest hij in de nabijheid van het rondeken 
der Merkt gaan. 

Plotseling blijft hij pal staan... bedriegen hem zijne oogen 
niet?... Een aantal katten zijn rond den steen vereenigd en voe- 
ren al krijschend eenen duizelingwekkenden heksendans uit... 
Hij wrijft koortsig aan zijne oogen... 't Is toch waar... de katten 
houden elkander bij de voorpooten vast, en vliegen rond als een 
wervelwind. 

Vaderken Vandergeest stond als aan den grond genageld... 
Eindelijk toch vermande hij zich en ging met onzekere schreden 
vooit, totdat hij in de nabijheid van den kattendans kwam. 

Daar houdt opeens de geheele rei stil en honderd woeste katte- 
muilen staren hem aan... Maar wat is dat? zij zingen?... Ja, 
inderdaad, ze zingen... luister : 

— « Vaderken Vandergeest 
« Is zoo zat als eene beest ! » 

Wat is dat nu? De oude man staat verslagen; doch wil, nu 
zeker niet, zonder groeten die plaats voorbijgaan. Maar wat hun 
zeggen? De gewoonte van altijd vriendelijk te zijn brengt hem de 
woorden op de lippen, en onwetend, vloeit het hertelijk uit zijnen 
mond : 

— « God zegene u, mijne lieve kinderkens ! » 

Een bliksemschicht : alles was verdwenen ! 

Vaderken Vandergeest is nooit meer tot den twaalven in de 



80 « Ons Volksleven. » 

Lispestraat gebleven, want het bleek klaar dat die nacht een 
Sabbatnacht geweest was, en dat al de heksen van den omtrek 
zich daar vergaderd hadden, om hun verbond met den Booze te 
vernieuwen, en van hem nieuwe bevelen te ontvangen. 

JONAS VAX DEN ZEEKANT. 

De Herbergen « 

(Vervolg.) 



De Uithangborden (Vervolg.) 

— « In 't Vliegende Peerd » is een opschrift, dat men vaak op 
uithangborden van Viaamsche herbergen aantreft. 

Het komt voort van Odins of Wodan's driftig peerd, waarop 
hij, volgens de heidensche overlevering, vooral gedurende den 
wintertijd, door de lucht reed, om straffen of belooningen uit te 
deelen. 

— « In den Rood en Haan » leest men dikwijls op uithangborden 
van herbergen. 

't Is eene zinspeling op de roodgeschilderde houten hanen, die 
onze heidensche voorouders op den nok hunner woningen, 
schuren, enz. plaatsten, om ze tegen het hemelsch vuur te be- 
schermen. 

— Een heidensch denkbeeld is gehecht aan het uithangbord : 
« In den Wildeman )), dat men zoo veelvuldig in de Vlaamsche 
gewesten aantreft. 

Een oude sage vertelt dat aan het uiteinde der wereld, nabij 
een somber woud, dat den ingang van den hemel en de hel ver- 
bergt, eene herberg bestaat, die tot verblijfplaats dient aan de 
dooden, die nog niet ten volle aan de godheid voldaan hebben. 
Dit woud en deze wachtplaats worden bewaakt door eenen wil- 
deman, een echten reus, met eenen boomstam gewapend. Hij is 
gelast met degenen die hier beneden niets meer uit te boeten 
hebben, in den hemel te geleiden. (Zie over den Wildeman eene 
belangrijke verhandeling in Rond den Heerd, III, 1868, bl. 6S-69.) 



(1) Z. Ons Volksleven, XI, 18. 



« Ons Volksleven. » 81 

Hoe men de l ithan gborden 
vervangt (Vervolg.) 

In de omstreken van Binche dient de marentak tot uithangteeken 
aan herbergen, alsmede de den en de geneverbessenboom . 

(7 Ve? volgt.) Alfried Harou. 

VOLKSGEBRUIKEN 



i. In de omstreken van Antwerpen, wanneer men pannekoe- 
ken bakt, heet men den eersten koek den zieltjeskoeh. Wanneer. hij 
op de telloor ligt, wordt er gezamenlijk een Vader-ons gebeden 
voor de geloovige zielen, waarna de koek in zooveel stukken 
verdeeld wordt, als er deelgenooten zijn. 

In sommige streken werpt men, met hetzelfde inzicht, den 
zieltjeskoek in de assche. 

2. In dezelfde streek, w T anneer er iemand dood is, wordt een 
kruis voor de deur gelegd, van twee baksteenen gemaakt ; tus- 
schen de steenen legt men een Andreaskruis met stroopijlen. Is 
de overledene een jonkman, dan legt men palm tusschen de 
steenen. 

In het Meetjesland heerscht hetzelfde gebruik. 

3. De vreemdeling, die de eerste maal den zeedijk opklimt te 
Oostende, zal niet nalaten dit klimmen zeer lastig te vinden. Zegt 
hij daar iets over, dan antwoordt de Oostendnaar hem : 

« Dit komt doordien Lamgat hier begraven ligt. » 

Jonas van den Zeekant. 




82 « Ons Volksleven. » 



Kinderspelen 

UIT HET 

(Vervolg. ) 



21. De Haan en de Klok. 

Haan, Klok. 

| -o-o-o-o-o-o. Dit spel wordt op den koer door de jon- 
gens gespeeld. Het getal der spelers is onbepaald. De «klok» 
staat vooruit en achter haar staan heure « kiekens », als de scha- 
kels eener keten aan elkaar vast. De « haan » staat voor de « root » 
en zegt aan de « klok » : 

De haan : Roere, roere, waterken. 

De klok : Waarvoor dient dat waterken? 

De haan : Om mijn mesken te slijpen. 

De klok : Waarvoor dient dat mesken ? 

De haan : Om allemaal uw kiekens den nek af te snijden. 

En nu valt de « haan » op de bende : hij tracht een der « kie- 
kens » te grijpen en bij den kop te pakken. Maar de « klok » is 
tegen hem. Zij verdedigt uit al hare macht het leven harer lievelin- 
gen, en duwt den aanvaller geduiig achteruit, zoodat hij hare 
« kiekens » niet kan genaken. Eindelijk toch is de « haan » de 
« klok )) te rap : hij heeft een harer « kiekens » vast. Deze moet 
zich nu tegen den muur gaan stellen. Nu is er eene korte poos en de 
reeds gemelde samenspraak tusschen « haan en klok » wordt 
hernomen. Daarna weer aanvallen totdat er weder eenen «gepakt » 
is. Zoo gaat men voort, totdat al hare « kiekens » den « nek afge- 
sneden zijn. » 

22. De Hamer, de Spie en de Blok. 

De kinderen geven malkanderen de hand en maken zoo eene 
« ronde n uit. Midden in de ronde zoo gevormd, zetten ze een 
stoksken recht. Ze draaien en trekken er vervolgens rond, achter- 
waarts of voorwaarts, links of rechts, noesch of dwars, ten einde 
het stoksken te doen vallen. Eindelijk doet een der spelers het 
stoksken vallen, die is de « blok ». Hij gaat uit de « root » 
om zich tegen de muur te zetten. Weer zijn ze aan 't trekken en 



« Ons Volksleven. » 83 

ze slingeren en loopen rond 't stoksken, totdat het weer iemand 
vallen doet : die is de « spie ». Nu nog eens rond het stoksken 
geloopen, totdat het valt : wie het nu doet vallen, is « de hamer ». 
Hij die de « blok » is, plaatst zich tegen de muur; die de « spie » 
is, stelt zich met gebukten hoofde tegen de rug van den « blok ». 
Nu pakken de andere spelers den « hamer » bij armen en lijf 
vast en stampen hem drijmaal tegen den rug der « spie ». 
Daarmee is het spel uit, dat het meest op straat gespeeld wordt. 

23. De Hond kan de Kat niet krijgen. 

Kat, staak, hond. 

Drij kinderen geven eikanderen de hand en 
plaatsen zich op eene rij. Ik ben de « hond » en gij zijt de « kat » 
zegt Frans tegen Emiel. Jan is de « staak ». Nu beginnen ze te 
draaien en te loopen rond den « staak ». De « kat » altijd vooruit 
en de « hond » er achter. Nooit kan de « hond » de « kat » 
krijgen, ze draaien rond totdat ze moe zijn. 

24. De Ronker. 

De jongens snijden een cirkelvormig berd van eenen duim 
straal en eenen vinger dik. Langs den omtrek snijden zij er 
allemaal kleine « kertels » in. Nu maken ze in den « ronker » 
— zoo heet dit rond berdeken, — t' halven een holleken en 
steken daar een koordeken door. Zij houden het koordeken ste- 
vig vast, terwijl zij het « betreken » doen « vluchtig rondzwieren ». 
De lucht wordt met geweld doorkloven, ze ronkt, en daarom 
noemen ze het speeltuig « ronker ». 

25. Djakken (Djekken). 

In den « kemptijd » gaan de jongens naar 't veld, om in de 
plekken kemp de gedroogde « stekken » op te zoeken, ten einde 
ze te « pellen » en er « djakken » van te « luiken. » Als ze eene 
goede « pop » bijeen hebben, gaan ze maar aanstonds aan het 
werk. De « pop » kemp verdeelen ze in twee of drie, ja, soms 
vier « strengen ». Als de « djek » met twee « strengen geleuken » 
is, is het een « tweeluik », met drie, een « drijluik », met 
vier, een « vierluik. De « djek » bestaat dus uit één, twee, drie 
of vier « luiken. » Dat luiken is niet gemakkelijk, want, zeggen 
de kinderen : « luiken en luiken is twee », « vast of niet vast 



84 « Ons Volksleven. » 

geleuken is een groot verschil ». Eene « djek » die vast « geleu- 
ken » is, zal nijg « kletteren, djekken». Eene djek die niet 
nijg en klettert, is niets weerd. Eens dat de « djek » geleuken is, 
is het nog niet gedaan, ze zou nog niet kletteren, er is immers 
eerst nog een « veurslag » aan te maken. De « veurslag » is 
een dun, fijn koordeken van ongeveer eenen voet lang. De 
veurslag wordt van onder aan de « djek » geknoopt en deze 
met een klein koordeken van boven aan den « djekstok » 
vastgemaakt. Nu is alles gereed. Nu gezien of het « nijg 
klettert ». 't Is goed. De kinderen hooren het djakken bijzonder 
geerne op de plaats waar er een weergalm is, immers daar wordt 
de slag een of meermalen herhaald. Zijn de jongens samen met 
iwee, drie of meer « djekken », dan slaan ze gelijk de dorscher 
den « tweeslag », den « drijslag », den « vierslag » enz. Dan is 
het een leven, want ieder « djekt » zoo nijg hij maar kan. De 
koewachters hebben allen eene dikke « djak. » 

Opmerking. — In plaats van de « djek » te « luiken » wordt zij 
somtijds « gekeperd », die heet dan eene « keperdjak ». Om eene 
« keperdjak » te maken, moet ge eerst « zeelkens luiken ». Die drie 
of vier <t geleukene zeelkens » worden dan « gekeperd » tot eene 
enkele koord. 

Eene « djek » waar knoopen in gelegd zijn, heet « kogeldjak. » 
In dees spel is het « luiken )) eene andere kinderbezigheid, dus 
ook beschreven. 

26. Dretsen. 

Emiel heeft zoolang geknipt, dat hij maar éénen marbol 
meer over heeft, 't Is zijn knipbol. Die toch mist hij niet geerne, 
want 't is zijn winbol. Wat nu gedaan! Hij kan niet meer meê- 
knippen, want hij en heeft geen « zaaiken » meer om in te zetten. 
« Wacht eens, jongens, zegt hij, « straks kom ik weer ». Hij ver- 
laat het spel, vragende aan iedereen die 't hooren wil : « Mag ik 
'nen keer dretsen? » Ja, 't is gelukt. Frans legt 'nen marbol in 
Emiels hand. Deze legt (die) twee marbollen op een rootje en 
werpt ze met geweld tegen den grond. Ze « knetsen » op malk- 
aar, en « vliegen open ». De eene ligt aan Emiel zijn voeten, 
de andere bolt ginder wel twee roeden ver weg. Frans « gaat er 
naar schieten ». « Niet te huksen (fuksen) » roept Emiel, « want 



* Ons Volksleven. » 85 

dat en is geen spel. » Frans doet zijn best om er zoo dicht moge- 
lijk bij te schieten, maar 't lukt niet al te goed, want hij blijft er 
nog wel 'nen stap af. Ja, maar hij mag nog eens schieten. Nu 
opgepast! « 't Is er nevens. » Emiel is gewonnen. Hadde Frans 
er « op geschoten », de twee marbollen waren voor hem geweest. 
Xu is het Frans zijne beurt van te « dretsen », en zoo krijgt elk 
zijnen toer. 

27. Drillen. 

Het « drillen » bestaat hierin : Twee jongens gaan tegenover 
elkander staan, brengen de voeten samen, geven elkander de 
beide handen, houden zich zooveel mogelijk achterover en 
maken dan draaiende bewegingen. 

28. Druppelen. 

« Druppelen » doen de jongens gelijk als het dretsen, met twee 
marbollen. Maar in plaats van deze met geweld tegen den grond 
te gooien, steekt hij die mag « druppelen », zijne rechterknie wat 
vooruit en laat de « merrebollen » van aan de knie op den grond 
vallen. Gebeurt het, dat de marbollen enkel zoo ver vaneen lig- 
gen, dat hij die « gedruppeld » heeft, het kan «sperren», of dat 
de « merrebollen » bij het vallen niet « geknetst » hebben, dan 
mag hij « opnieuw », want dan « is het niet », zooals ze dat 
noemen. Nochtans mag men maar drijmaal herbeginnen. Ge kunt 
denken hoe ze de « klauwen » open zetten, om ver te kunnen 
« sperren ». De andere moet er nu maar éénmaal naar « schie- 
ten ». Is het « er op », dan is hij « gewonnen », en de twee 
« merrebollen » zijn voor hem. Is het er niet « op », dan is hij 
« verloren ». Elk krijgt zijne beurt om te « druppelen. » 

29. Dulleman jagen. 

Een der meiskens is de « dulleman ». Zij maakt zich een « kot, » 
terwijl al de andere gaan wandelen. Als dit gedaan is, begint 
ze de andere meiskens te vervolgen. Ze « pakt » wie ze krijgen 
kan, en doet ze meê naar 't kot. Als allen « gepakt » zijn, is het 
spel gedaan. Wie lest gepakt is, is de « dulleman » voor 't vol- 
gende spel. 



86 - Ons Volksleven. » 

3o. Ezelken op den bal. 

Zie Ballepeerd(Jen) doen of jagen. 

3i. Ezelken springen. 

Er zijn twee partijen, bestaande elk uit drie tot zes man : de 
eene partij moet staan, de andere mag springen. De partij die 
moet staan, stelt men man recht tegen den muur. Tegen dezes 
lijf zich steunende, staat de tweede met gebogen rug, daar- 
achter een derde, een vierde, een vijfde. De andere partij zal 
nu, man voor man, op die « ezels » springen. Zie met wat groo- 
ten « uitloop » Frans afkomt. Hij « wipt » den eersten en den 
tweeden man over, en daar zit hij op den derden man zijnen rug. 
Gauw « geplekt », roept Emiel, « en houdt er u maar goed op. » 
Frans « plekt » driemaal in zijne handen. Nu volgt er een ande- 
re, 't is Jozef. Die zit mij daar juist in den nek van den tweeden 
man. Hij plekt algauw drie keeren. en trekt zijne beenen zoo ver 
mogelijk in, om niet aan den grond te raken. De derde man 
volgt, maar spijtig voor zijne partij, hij springt nauwelijks tot op 
den rug van den eersten man. Nu moeten er nog drij kunnen 
opspringen. « Jongens, past op van niet door te zakken », roept 
hij die tegen den muur staat; « ze kunnen er niet op en wij zijn 
straks verlost. » Een vierde man komt afgeloopen, springt, maar 
valt op den grond eer hij drie keeren geplekt heeft, 't Is mij nu 
een gejuich! De « staande » partij is verlost, en nu is het hunne 
beurt van te springen. 

In welke gevallen zijn de « staanders » verlost? 

i° Als iemand der tegenpartij van den rug der « ezels » valt; 
2° als iemand der « springers » niet driemaal geplekt heeft; 
3° als iemand der « springers » den grond raakt, terwijl hij op 
den rug zit. 

Het kan gebeuren dat de « staanders » in een dier gevallen 
niet verlost zijn; dat is, wanneer iemand van hen, onder 't ge- 
wicht of anderszins met de « springers » op den grond nederzakt. 
Dan zegt men d ze vielen in » of « ze zakken in ». 

32. Feepkens, schuifelkens en schalmeien maken. 

In 't voorjaar als de koesterende zonne het sap van boomen en 
struiken in beweging brengt, dan zeggen de kinderen dat « het 



« Ons Volksleven. » 87 

hout afgaat », d. i. te zeggen dat de schors dan gemakkelijk van 
het hout scheidt. Zij nemen dat te baat om « feepkens, schuifel- 
kens en schalmeien » te maken. Om een « feepken » te maken, 
gaan de kinderen volgenderwijze te werk. Zij nemen een versch 
afgesneden en groen stoksken van ongeveer eenen vinger lengte 
en dikte, maken van voren eene insnede ; omtrent eenen duim 
verder nog eene insnede rond 't stoksken, maar hier nauwelijks 
door de schors. Nu bevochtigen zij het stoksken tot aan dien ring, 
en beginnen met den hecht van een mes het zachtjes te overklop- 
pen. Gedurig doen zij er speeksel aan, en na eenigen tijd geklopt 
te hebben, beproeven ze om de schors er af te « wringen ». Ein- 
delijk gaat de schors er netjes af, zonder scheuren. Nu is de 
« feep » nog niet gemaakt : van boven aan het afgestroopte hout 
wordt eene diepe « kert » uitgesneden, waar vroeger eene snede 
gemaakt was. Als dit gedaan is, wordt juist daarboven nog een 
klein « pelleken » afgesneden. De schors wordt er vervolgens 
opnieuw opgeschoven en het « feepken of schuifelken » is ge- 
maakt. De « schalmei » is niets anders dan de schors van een 
dikken stok die dicht tegeneen gerold is. Zij is moeilijk om 
maken. 

De jongens maken ook kleine « feepkens » van groene graan- 
halmen. 

33. Frullen, Frutselen of Freutelen (ook Reutelen). 

Men speelt met tweeën, bij uitzondering gedrieën. De spelers 
staan van vijf tot tien stappen van malkander. De bal wordt ge- 
durig over end'weer « geslagen ». Ze pakken hem « in de vlucht », 
dat is, zonder hem den grond te laten aanraken, ofwel met den 
eersten, tweeden of derden « bot ». Voor « 't frullen » gebruikt 
men meest eenen elastieken « kaatsebal » die, omdat hij zoo 
goed « bot », soms « botbal » genoemd wordt. 

Opmerking. — Te Hamme geeft men ook den naam van 
« freutelen » aan het spel, dat men op volgende manier speelt. 
Jan kaatst zoolang zijnen bal tegen den muur, totdat hij « brot » 
of « gebrot » is. Daarna begint hij weer opnieuw. Soms spelen 
ze met drij of vier man, en dan moet ieder wachten totdat de 
voorgaande « gebrot » is of « gebrot » wordt, en zoo krijgt ieder 
zijne beurt. Men « brot het spel » als men op eene welkdanige 



88 - Ons Volksleven. » 

manier nevens den « bal » slaat. De meiskens kennen ook dat 
spel. Als de meiskens « freutelen », zingen ze veel het volgende 
rijmken : 

Achter de gordijn, 

Daar stond een potjen met wijn, 

Een potjen mee waterken, 

'k Waschte daar mijn handjes in, 

"k Droog ze aan mijn voorschoot af, 

'k Maakte mij daar 'nen knieval bij, 

'k Lei mijn handjes achter mijn rugsken. 

'k Zette mijn handjes in mijn zij. 

'k Bid tot God, 

Dat 't leste balleken overschiet. 

('t Vervolgt.) P. van den Broeck en Am. d'Hooghe. 

De flaan en de Hen in het Volksgeloof (l) 

(Vervolg.) 

Eieren (Vervolg.) 
Middelen om de broedsels te doen gelukken. 

— In het nest der laatste broedsels legt men een stalen hoef- 
ijzer. Dit hoefijzer beschermt de eieren tegen d?n bliksem. 
(Hamoir, Luik.) 

— Een nagel, ijzervijlsel of een stuk ijzer, van welken aard 
ook, in het hennennest gelegd, beschermt het tegen den bliksem. 
(Florenville.) 

— Te Spa legt men in het nest der hennen die broeden, eenen 
nagel en soms twee, kruisgewijs geplaatst. 

— Als men eieren onder eene hen te broeden legt, plaatst men 
een stuk ijzer in het nest, opdat de donder de jonge kiekens niet 
zou dooden. (Trad. et Superst. du Bocage normand et du Cinglais. 
Revue des Tra i. pop., IX, 55g.) 

— Men moet een onpaar getal eieren in den nest leggen ; anders 
zal het broedsel mislukken. (Plamoir.) 

— In het Noorden van Luxemburg gelooft men, dat men, met 



(ij Z. Ons Volksleven, V, ig3, 226; VI, i65, 218; VII, 148 ; X, 23o. 



* Ons Volksleven. » 89 

een onpaar getal eieren onder de hen te leggen, meer hennen en 
minder hanen zal bekomen. 

— Te Bouiliy (Loiret) neemt men de broedsters van de eieren, 
gedurende den nacht van den 23 n tot den 24 11 Juni, zoodanig 
vreest men de spreuk : 

Si S* Jean trouve poule couvant, 
Il y aura mort de béte ou de gent. 

Volgens Le Vieux Liège (n r van den 5 n Juni 1897) bestaat de- 
zelfde spreekwijze te Luik. 

— In al de Waalsche provinciën beweren de boeren, dat men 
tijdens de uitbroeding, wanneer het dondert, de hennen van de 
eieren moet jagen, anders versmachten de kiekens in het ei. 
Hetzelfde geloof bestaat op het eiland Mauritius, waar het in den 
creoolschen tongval heet : « Tonere ronflé, di zelfs couvé pour 
tourné. » (Buil. de la Soc. lieg. de lift. wall., VII, 2 me série, i3o.) 

— In sommige streken van Henegouw, bepaaldelijk te Fayt- 
lez-Seneffe, plukt men den buik der hennen, kalkoenen, eenden, 
enz. die, als zij broeden, te dikwijls hunne eieren verlaten en 
men wrijft het ontbloote gedeelte met netelen. De alzoo gefolterde 
hen loopt terug naar heure eieren en gevoelt door de aanraking 
met de koude eieren eene zekere frischheid, die de pijn verzacht. 

— Men moet onder de hen een paar getal eieren leggen, die 
merkbaar « rond » zijn : er komen pullen uit, en één ei, dat 
merkbaar « langwerpig » is : dit zal eenen haan geven. Dus een 
oneven getal eieren. (Florenville, Lux.) 

— Wanneer eene hen die broedt, tijdelijk het nest heeft ver- 
laten, en men de eieren gaat nazien, moet men zorgen de hand 
voor den mond te houden ; anders zou de adem de eieren kunnen 
bederven (Henegouw), of de klok beletten naar het nest terug te 
keeren. (Namen.) Deze laatste omstandigheid legt men uit als 
volgt : de hen, ziende dat haar nest ontdekt is en riekende dat 
men het genaderd heeft, verlaat de eieren en broedt niet meer 
voort. 

— Soms gaan de hennen in een bosch leggen en broeden en 
komen terug met kiekens, zonder dat men er aan gedacht had. 

Dit zijn de beste kipsels, want al de eieren gelukken. (Hamoir, 
Luik.) 

— Als de hennen gedurig willen broeden, hetwelk bij sommige 



90 « Ons Volksleven. » 

soorten plaats heeft, zegt men in Henegouw, dat men ze met 
hun achterste in het water moet dompelen, om hun het broeden 
te beletten. (Fayt-lez-Seneffe.) 

De droomen en de eieren. 

— Wanneer men van eieren droomt, dan zal men zich in den 
loop van den dag kwaad maken. (Trad. et Superst. de la Creuse. 
Revue des Trad. pop., IX, 5 80.) 

— Van eieren droomen is een slecht voorteeken. Er zal u alsdan 
een ongeluk, een geldverlies of iets anders dat niet deugt, over- 
komen. (Antwerpen.) 

Eieren als geneesmiddelen. 

— Tegen de wormen ; Eene pap van kemp en het wit van een ei 
op de maag leggen. (Superst. du Mentonnais. Revue des Trad. pop., 
IX, 260.) 

— Tegen den buikloop : Hardgekookte eieren. (Sup. du Menton- 
nais. Revue des Trad. pop., IX, 260.) 

Hier te lande is dit middel insgelijks bekend. 

— Hoofdpijn : Het wit van een ei op een lapje lijnwaad. (ld., 
IX, 2 5 9 .) 

— V er stuikingen : Het wit van een ei met zeep, die nog niet in 
aanraking met water is geweest. (ld., IX, 263.) 

— Lendenpijn. Eieren eten, die op Goeden Vrijdag gelegd zijn, 
bevrijdt tegen lendenpijn. (Haut-Fays, Lux.) 

— Razernij. In zijne Hist. du Luxembourg vermeldt P. Bertholet 
den leefregel te volgen door de personen die van eenen razenden 
hond gebeten zijn en de behandeling van St-Hubert volgen. 

In de talrijke voorschriften die hij geeft, vindt men deze : 
« Gekookte, doch koude eieren eten. 

« Vleesch eten van eenen kapuin of eene hen, maar zorgen, dat 
het dier eenjaar oud zij. » (Liv. XVII, 342-43, t. II.) 
De eieren en de liefde. 

— Er zijn zeven liefdegedachten in een ei. (Wardin, Bastogne, 
Lux.) 

— Te Laroche zegt men : « Er zijn zeven doodzonden in een 
ei. » (Monseur. Le Foïkl. wall. s 16.) 

— Om een onstandvastigen vrijer te doen terugkeeren, moet 
het meisje een ei nemen, er het wit uit doen, maar den dooier er 



« Ons Volksleven. » 91 

in laten ; vervolgens een haar van den ontrouwen minnaar in het 
ei steken en het in den mesthoop verbergen. 

Zoodra het ei bedorven is, zal de vrijer bij zijn lief terugkeeren. 
(Spa.) 

— Om een ontrouwen minnaar te doen terugkeeren, moet men 
zich wat van zijn haar zien aan te schaffen, een klein gaatje in 
een ei maken en er het haar insteken. Daarna moet men het ei 
koken en het begraven. Er zullen geen twee dagen verloopen, of 
de minaar zal terugkomen. (Luik.) 

Eierschalen. 

— Men gelooft dat eene heks iemand betooveren kan door 
middel van eene klis van zijn haar, met dit b. v. in een ei te ste- 
ken. (Quest. defolkl. ivall., n° 1240, p. 97.) 

— In de middeleeuwen geloofde men dat men de bezweringen, 
die de tooveraars op de eierschalen schreven, kon machteloos 
maken, met de schaal te verbrijzelen. Vandaar het gebruik van 
de schelpen te breken, nadat men eieren heeft geëten. {Académie 
d'archéol. de Belg., 2 me série, I, 546, note.) 

— Men verbrijzelt de ledige eierschalen, omdat de tooverhek- 
sen er eene klis van uw haar zouden kunnen insteken en u alzoo 
betooveren (Thuin) ; omdat de duivel er op danst. (Waalsch 
Brabant.) 

De eierschelpen mag men niet in 't vuur werpen, omdat de 
hennen dan niet meer zouden leggen. (Cras-Avernas.) 

— Men bewaart de eierschelpen om de flesschen uit te spoelen ; 
het vlies der eierschalen wordt gebruikt om lichte kneuzingen of 
sneden te genezen. (Antwer £ \sche Kempen.) 

(7 Vervolgt.) Alfried Harou. 




92 « Ons Volksleven. » 

PLAATSBESCHRIJVING 



DER 



STRATEN VAN ANTWERPEN EN OMTREK 

(Vervolg.) 



KAASSTRAAT 

Deze straat droeg oudtijds en achtervolgens de na- 
men van Silversmitstrate, Potterstrate en Lynmaker strate. 
Wij vinden ze onder al deze benamingen in het Char- 
ter boek vermeld. Sedert de tweedehelft der XVI e eeuw, 
vermelden de registers van de H. -Geestkamer ze onder 
de benaming van Keesstrate. Oorkonden van jongeren 
datum, die zorgvuldig worden aangeduid, zullen tot 
bewijs strekken, dat elke eigendom zijne echte plaats 
in de Kaasstraat heeft bekomen. 

Xemen wij ze thans in oogenschouw, beginnende 
met 

F° VIIJ. (vervolg van) : De vischmarct up (1) en(de) de zilversmit 
strate rechte vort metier lijnmaker strate. 

Item .v. lib. pay tsiaers erflec daer scepenë lrën af sijn op huys 
en hof met sinë toebehoerten datmen heet de drake in de zilver- 
smit strate daer nu Pet(er) Saren sone in woent (i 374-1 378). En 
na hem Jan Blampeyn. En na hem Lauwerette. Xu M(ar)ten 
vanden Hove (XV e ). 

Itë opt serve huys vj s. gr. vleems, v(er)schine(nde) te Kerss. (2) 



(1) D. w. z. Boven de Vischmarkt. 

(2) De inventaris van 1040 verzendt, onder N r 76, nopens dezen cijns naar een 
stuk in 't latijn opgesteld, maar dat ik slechts in de Copyen (fo 11 5) terugvond. 
Deszelfs inhoud is in 't kort als volgt : op iS November i3o8, bekenden, vóór 
schepenen, Niklaas en Godschalk van Wyneghem, Niklaas zonen, alsook 
Margaretha en Ida van Wyneghem, dezes dochters, dat aan de H. -Geesttafels 
jaarlijks, op St.-Stephanusdag (26 December), honderd schellingen [centiim 
solidos) gangbare munt toekwamen op eenen grond gelegen in de « Zilversmit- 
strate », waarop het huis gebouwd was geheeten Den Draek. De brief dezer 



« Ons Volksleven, r 93 

(F° VIIJ). Item .vj. s.ter stat rechte en .ij. 1/2 .s. svverter tor- 
noyse tsiaers erflec op huys eiï gront ghestaen in de potter strate 
naest den sporware ter potter brugghen waert (1) dat wilen was 
Willems Lijnmakers. En daer nu in woent Jan de Lijnmake(r) 
(1374/78). En na he(m) Wille(m) de mandemake(r). En nu Jan 
van Tricht vercreghen heeft. En na hem Jans wijf van Linth was 
(XV e ). Xu Zegers kint van Linth. Nu Adryaen de H(er)toge. 

Hiervan bestonden reeds in i557 geene brieven 
meer, naar luid van den inv. n r 934, bl. 58. Het huis 
was genaamd de Linde. 

(F° VIIJ). Item .xx. s. pay tsiaers erflec daer scepenë lrën af 
sijn (2) op huys en gront datmë" heet den halsberch, ghestaen in 
de potterstrate daer Woute(r) Mickaert de backe(r) in woent 
(1 374-1 378). En nu Peter Snacke. Eiï na hem Ghysbrecht van 
Papëdonc. Xu Danckaert Janss. (3). 

Deze 20 schellingen « payements » werden den 
H. -Geest bij wisseling opgedragen, van wege het 



bezetting werd op i September 1334 ambtshalve herzien. Tot dezen vidimus 
waren aanwezig : de H. -Geestmeesters, Simon Daen en Willem Limpiaes ; 
anderzijds : Jan van Wyneghem, Jan's zoon. Door partijen werd erkend, dat, 
eeuwig en erflijk, deze ioo schellingen in gangbare munt moesten uitbetaald 
worden tot het aankoopen van brood, bier, vleesch, visch en andere naar den 
tijd van 't jaar in 't klein uitgeleurde eetwaren. 

Op bl. n5 van den ligger Nr 934, leest men : « v £. paijments erff. d(aer)men 
jaerl. voore bet. xv d. Br. op een huys aen(de) Vismert in(de) Keesstrate, 
gen(aem)pt Den Draeke ». 

Naar luid van het R. B. nr 653, f° 277, beliep de cijns in 1574 nog hondert 
s. loopende munt of i5 grooten Br. en werd hij geheven « op een huys gestaen 
inde Silversmitstrate, nu de Keesstrate bijde vismerct, genaempt Den 
Draeck ». 

De inv. van 1627, bij nr iS, meldt dat de oorspronkelijke schepenbrief te 
niet was gegaan en de cijns destijds met 5 stuivers werd betaald. 

(1) Het huis genaamd de Sperwer (id. Spor-waer en Spoor-waer), in de richting der 
Potterbrug. Te vergelijken met hetgene dat over de ligging dezer brug reeds 
aangeboekt is. 

(2) Van 't jaar i355 namelijk, Donderdags voor St-Laurentiusdag (6 Augus- 
tus). 

(3) L. Janssone of Janssen. 



94 u On& Volksleven. » 

Ste-Elisabethgasthuis. In de Copyen vindt men het 
huis genaamd den Halsberch, en ter zijde staat bijge- 
schreven : 7 Pantsier (i). Dezen naam vindt men voorts 
opgeteekend in 't register n r 934, bl. 58, te weten in 
i557. In den inventaris van 1540, bij n r 290, leest men 
Halfborch, en ook, later bijgevoegd, 7 Pantsier. 

Volgens het R. B., n r 653, bl. 140, gold deze cijns 
in de XVI e eeuw 3 grooten Brabandsch. De inventaris 
van 1627, bij n r 86, vermeldt hierover : « eenen stuy- 
ver gront chys diemen betaelt voor twintich schellin- 
gen payements siaers enz., op een huys eertyden ge- 
heeten den Halsborch ende nu 't Pansier, gestaen inde 
Potterstrate nu genaemt de Keesstrate... » 



(1) De Copyen zeggen hierover, op bl. 63 : «brueder Aernoudt de meester van 
den grooten gasthuyse in Ant\v(er)pe n) gaf ende droech op met vertyene, 
vandes selfs gasthuys wegen, Peeteren van Hoboken ende Laureinse Vol- 
kaerde, nu onsen medescepenen, die nu montboren en(de) berechters zyn der 
tafelen des heylechs geests van onser Vrouwen kercke in Antwerpen, terselver 
tafelen behoef, die twintich scellinge payements tsiaers erfleker renten, die 
vorseyde gasthuys hadde ende houdende was op een huys, hof, grond en(de) 
op al datter toebehoirt, dat wilen was Heinricx des Salechs (?) en(de) dat nu 
toebehoren(de) is Arnoude van Gaver, geheeten den Halsberch, dat gestaen 
es inde Potterstrate, aldernaest den huyse datmen heet 't Bijlken, gelijc dat 
dese rente voirs. den vorseyden gasthuyse vormaels vander voirs. tafelen we- 
gen in wisselinge overgegeven vverdt omme andere rente, die de voirs. mont- 
boren ende berechteren vander voirs. tafelen wegen, by goetdunckene en(de) 
consente gemeenlick nu der scepenen van Antwerpen oic nu weder overgege- 
ven hebbenden voirs. gasthuijse, alsoe die L(ette)ren, die de vorseyde brue- 
der Arnoud tes gasthuys behoef daer af heeft, bezegelt met onsen zegelen wel 
begrepen hebben, alzoe dat de voirs. brueder Aernoud, alse meester van des 
vorseyds gasthuys wegen dese voirs. twintech scellinge paijements tsiaers 
erfleker renten claerleke quijte scout ter vorseyder tafelen behoef teeweliken 
dagen en(de) alse aldit aldus geschiet ende gedaen was, soe quamen vore ons 
de vorseide montboren en(de) berechteren der tafelen des heylichs geests 
vorseid in deen zyde, en(de) Arnoud van Gaver, de jonge, in dander zide, 
ende bekenden in beiden zyden, dat de selve Arnoud van Gaver dit vorseide 
huys datmen heet den Halsberch, gestaen in de Potterstrate, metten gronde 
en(de) met al datter toebehoirt, van der voirs. tafelen des heylichs geest hou- 
dende es terve en(de) in erfleken rechte op dese voirgen. twintich scellinge 



« Ons Volksleven, r 95 

F° X. Zilver smit strate. 

Item sijn scepën lrên van der ghiften daer meester Gielijs Ly(n)- 
makers testamenteurs (i) den heiligh. (geest) mede overgaven die 
helft van anderhalven ouden scilden tsiaers, te hebbene eiï te 
heffene opten kemp in die Silversmitst(ra)te, half te Kerssavonde 
en te S.Jansmisse. Maer den brief daer meest(er) Giel' die Ly(n)- 
makere den erfch) r s mede ghecreech es onder meest(er) Giel' 
erfghenamen. (XY e ) Dit gheeft Mechiels Moleneren wiif. Nu Jan 
van Oerderen, vischcoper (1422). Nu Woute(r) van Oerde(re)n. 
Nu de weduwe Smeets. Nu de weduwe Claes V(er)juvs, in de 
Muelen. 

Dit artikel is op het R. B. 653 met het volgende in 
verband gesteld, hetwelk van veel ouderen datum is. 

Wat er van zij, wij vestigen de aandacht op het 
huis dat hier, zoowel als in de inventarissen van S*. 
Anna-godshuis, den Kemp wordt genoemd. Een dezer, 
opgemaakt den io e April 1412 (2), vermeldt, op bl. 2S : 
« ui 1/2. ouden scilden op een huijs staende inde Sil- 
versmit strate, geheeten den Kemp, die vercocht heb- 
ben de testamentuers vander grevin(n)en van Wesele, 
den regeerders des goidshuys voirs. welke 111 1/2 oude 
scilde de grevin(n)e plach te heffen opt huys voirs. van 
Janne van Oerderen, die nu geeft Wouter van Oerde- 



payements tsiaers erfleker renten, te geldene ende te gevene vanden voirs. 
Arnoude en(de) van synen nacomelingen den voirs. montboren en(de) berech- 
te(re)n, die nu zyn ende hier nae wesen zelen, altoes ter voirs. tafelen behoef, 
erflec en(de) eewelec dueren(de), alle jare te Kerssavonde, dats te verstaene 
in alselcken payemente alse telcken Kerssavonde binnen Antwerpen gemeen- 
lic in borssen gaen zal. In kennissen van desen L(ette'ren bezegelt met onsen 
zegelen. Gegeven int jaar ons Heeren, alsmen screef M.CCC vyftech ende 
vive, des Donredaechs voir sente Laureins dach. 

(1) « Hr Jan Cant, pr., Jan vanden Lare, Peter de Bloxoemakere, Peter de 
Pape, Maria 's Papen » (de Pape\ Deze droegen de gifte aan den Arme op den 
26 en Juli 1412. {Copyen. fr 92, alwaar men op den rand des afschrifts leest : 
« modo de Appehtraet », in zestiende-eeuwsch geschrift. 

(2) Archief der Godshuizen nr 8432. 



96 « Ons Volksleven. » 

ren syn sone, want dit huys Woute(re)n toehoirt. Litte- 
ram habetn., d. \v. z. wij (regeerders) bezitten daervan 
eenen schepenbrief. 

Deze schepenbrief, in wat S l . Annagodshuis betrof, 
is gedagteekend 22 Juni 1450, en heeft twee aanhang- 
sels of brieven van herkomst, die mij toelaten van nog 
hooger op te klimmen dan het jaar van het C hart er- 
boek (1). 

De hoofdzakelijke schepenbrief van 22 Juni 1450 
leert ons dat de grevinne van Weselc, Elisabeth van 
Wezele was, weduwe van Aerdt van den Houte. Dien 
dag verkochten Jan en Wouter van Doerne, die men 
hiet van Sompeken, gebroeders, als hare testamen- 
teurs, 3 1/2 oude schilden erflijke en onkwijtbare rent 
aan de regeerders van 't godshuis (2), tot last van Jan 
van Oirderen, die in ons artikel voorkomt. De eigen- 
dom wordt wederom genaamd « den Pellicaen, ge- 
staen inde Silversmitstrate, tusschen thuys geheeten 
Venegien toebehoirende den kinderen Symons Cly(mj- 
mers wylen aen deen zyde ende thuys geheeten Gelre 
aen dander zyde ». 

Uit eenen schepenbrief van denzelfden datum volgt, 
dat Wouter van Schille tegenover de regeerders voor- 
loopig borg bleef, tot dat de koop ter vierschaar zou 
bekrachtigd wezen. Deze laatste brief bevat niets 
nieuws voor de plaatsbeschrijving. 

De tweede bijhoorige brief luidt in dezer voege : 

Op Sinte-Lambrechtsdag, (17 September) i35g, ver- 
kochten « Katlyne, Peeters baertmakers wyff was ende 



(1) Inv. n r 620, van den jare i55g, voor 't godshuis S*. Anna, K. Nieuw- 
straat. 

(2) Gillis Breem, Aerdt van Vucht, Aerdt de Hont en Jan Heesterman. 



* Ons Volksleven. » 97 

Margriete haer zuster .... Mabelie vander Haghe, 
Michiels dochtere was vander Haghe .... de eene helft 
van den huys, met gronde ende met allen dat daertoe 
behoirt, daer dweder gedeel aff toebehoirt der selver 
Mabelien, alsoe zy ons seyden, geheeten den Pelli- 

caen, ^estaen in de Silversmitstrate 

tsiaers om(m)e sevene guldene pen- 

ninge diemen heet oude schilde met den Aren(d) ge- 

teekent 

« Oick is voirwaerde dat de voirs. Mabelie den 
eenen vanden sevenen ouden schilden erflikere renten 
voirgen. lossen ende afquyten sal moegen bynnen 
twee jaren die naestvolgen der date vandre l(ett)ren, 
met vyfthienen ouden schilden voirs. ende met dei- 
renten vanden geheelen jare » (i). 

De inventaris van 1540, onze oudste na het Chart er- 
boek, vermeldt onder n r 70 den schepenbrief van 26 
Juli 1412, nopens « ander halven ouden schilt opt huys 
geheeten de Kam, inde Silversmitstr . , nu de Keesstrate. 

In den ligger, n r 984, f° 55, leest men dat het huis 
genaamd den Pellecaen, te weten in i55j, aan de erf- 
genamen Gillis Hoffman toebehoorde. 

Het R. B. 653, f° i3o, geeft het in 1574 de bena- 
ming van cc den Pellecaen, achter de Dry Coningen », ter- 
wijl de inv. van 1627, onder n r 16, er van zegt : « eenen 
w gulden vier stuyvers siaers diemen betaelt voor 
» anderhalven ouden schilt erfflyck, geheven wor- 
)) den(de) op een huys eertyts genaempt den Kam, nu 
» den Pellicaen, gestaen inde Silversmitstrate, nu de 
» Keesstrate, na luyt van den brieve gedateert den 
xxvj en dach July A° xiiij c tweelve, verleden by heer 



(1) Inv. nr 620 van S* Annagodshuis, bl. 117. 



98 « Ons Volksleven. » 

Jan Cant priester ende zyne medeexecuteurs van M r 
Gillis de Lynmaker ». 

De Pelikaan schijnt wel de oudste benaming geweest 
te zijn, volgens alles wat hier over dezen eigendom 
verzameld is. 

F° XLIJ. — Potter strate modo de Keesstrate. 

(i) Inden jerstcn .1 l / 3 . ouden scilt tsiaers erflec die her Willem 
vanden Gheere, canonc (i), den heileghen gheest voor sine ziele 
gaf en bewijsde op huys en gront met sinë toebehoerten opten 
hoec vander cleinre potter straten ghestaen ter borch uut (2), daer 
Willem Vlotgars in woent (1374-1378). Dat nu Peter Reynere 
hout. En nu Jan die Molenere (1422). Nu Jan vanden Wyn- 
gaerde, m(er)chenier. Nu Jan van Ieghem (?). 

Hoe dit artikel met het voorgaande in verband staat, 
blijkt uit geene bescheiden. Het staat ons vrij te gis- 
sen dat de drije Coningen en den Pellicaen tot éénen 
eigendom werden versmolten (3). 

F° LV. — Potter strate modo de Keesstrate. 

Item .XYJ. oude grote tornoyse en .iij. capoene tsiaers erflec 
op huys en gront met sinë toe behorten in de potter strate ghe- 
staen alre naest den halsberghe sond)er) .j . huys t(er) vischmarct ^ 
waert dat wilen was Jan Sprongs en nu Willem Neeringhe toebe- 
hoert en datmë heet Rupelmonde (1374). En nu Claeus de Tolle- 
nere gheeft (1422?) Nu Jacop vander Mast (4). 



(1) Op deze hoogte staat op den rand geschreven : modo genaempt de drije 
coningen, als rentboek folio i3o. Modo den pellicaen. 

(2) D. w. z. den noorderhoek van de Appelstraat en de Kaasstraat. 

(3) Z. de eerste nota. 

(4) R. B. fo 1391 alwaar te lezen staat dat het huis genaamd was St-Joris, 
alsook dat de rent, afgelegd werd. Hierom bestaan er geene papieren meer 
in 't archief der H. -Geestkamer. 

('t Vervolgt.) Edm. Geudens. 



« üns Volksleven. » 99 

(i) 



(Vervolg.) 



XIII. 
De Ekster. 

— Weersvoorspelling. — De ekster kondigt den regen aan, wan- 
neer zij meer babbelt dan naar gewoonte. (Aldrovaxde. Orni- 
tholog., 781.) 

— Als de ekster haar nest bouwt in den top van den boom, dan 
zal het jaar nat zijn; maakt zij het ongeveer in het midden van 
den boom, dan zal het jaar droog wezen. (Holtz. Groothert. Lux- 
emburg.) 

— Het Mappen der eksters. — Alen snijdt den tongriem bij de 
eksters, om ze te leeren klappen. (Overal.) 

— Reeds in de middeleeuwen vermaakte men zich met den 
vogelen eenige woorden te leeren spreken. J. Zingerle (Das deut- 
sche Kinderspiel im Mittel alter, i5q) heeft daarover veel opgeteekend 
uit de oude Duitsche schrijvers, betrekkelijk de spreeuw, de ek- 
ster en den papegaai. 

— Van eene ekster eten. — Dia van eene ekster geëten heeft, kan 
niet genezen van de razernij. Eene bedevaart naar St-Hubert 
blijft voor hem vruchteloos. (Sprimont.) 

— De ekster en de dieven. — Wanneer men uit stelen gaat en eene 
ekster op dit oogenblik schettert, dan wordt men altijd ontdekt 
(Seraing.) 

— Te Luik zegt men dat dieven altijd gepakt worden, als de 
eksters schetteren. {Buil. de laSoc. lieg. de litt. toall., i re série, XII, 
n5.) 

— Daar, waar de eksters schetteren, worden de dieven gegre- 
pen. (A. Hock. Croyances et Remèdes pop., 58.) 

— Te Sprimont zegt men dat de ekster den boschwachters en 
gendarmen tot gids dient om de stroopers te ontdekken ; zij gaat 
boven deze op eenen boom zitten. 



(i) Z. Ons Volksleven, II, 5o, 65, 73, i35; III, 92; IV, 1S6; V, 110; VI, 28, 
206; XI, 59. 



100 « Ons Volksleven. » 

— De ekster en de blinkende voorwerpen. — Men gelooft dat de ek- 
ster de blinkende voorwerpen die zij vindt, weghaalt en in haren 
nest draagt of ergens verbergt. Iedereen kent de legende van de 
diefachtige ekster. 

Voorspellingen. — Eéne ekster zien beteekent verdriet; twee 
eksters beteekent geluk; drie beteekent een huwelijk; vier, eenen 
doop. (La Reid, bij Spa.) 

— Te Antwerpen zegt men : Wanneer men ééne ekster ziet 
vliegen : geluk; twee eksters, een huwelijk en drie, een ongeluk. 

— Oude vrouwen gelooven dat het geschetter der ekster een 
zeker teeken is, dat zij nieuws zullen krijgen. 

— Onze voorouders — en daarin stemden zij met de Atheners 
overeen, die van den uil Minerva's gezel hadden gemaakt — 
vereerden insgelijks den uil, dien zij aanzagen voor het zinne- 
beeld der voorzichtigheid en der bedachtzaamheid, terwijl de 
ekster, volgens hen, de lichtzinnigheid en de babbelzucht ver- 
beeldt. 

De uil wordt met de ekster op oude tafereelen afgebeeld; de 
eerste is rechts, de tweede links geplaatst; zij stellen een goed en 
een slecht voorteeken voor. 

— Zien wij ten huidigen dage geene lieden, die als zij 's mor- 
gens uitgaan, de vlucht der vogelen raadplegen? Wanneer zij een e 
ekster zien, vóór eenen anderen vogel, dan zal de dag noodlottig 
wezen. [Société d' êmulation de Bruges, XIII, 2 me partie, no, note.) 

— Ziet men eene ekster aan zijne rechterzijde, dat voorspelt 
geluk ; eene ekster aan den linkerkant is een onheilspellend voor- 
teeken. 

— Wanneer eene ekster nabij een huis komt schetteren, zijn de 
bewoners overtuigd, dat er weldra een doode in de familie zijn 
zal. (Superst. béarnaises. Revue des Trad. pop., 1891, p. 154.) 

— Waarom men in het woud van Weert geene eksters meer ziet. — 
Door het gedurig geschreeuw der eksters, die in het woud van 
Weert verbleven, in hare godvruchtige overdenkingen gestoord, 
vroeg Sinte Oda den Heer, dat Hij de voortzetting dezer vogelen 
in het woud van Weert zou willen beletten, 't Is daarom dat men 
sedert dien geene eksters meer in die streek zag. (B un de Reins- 
berg. Cal. beige, II, 288.) 

— De eksters op verschillende tijdstippen. — Eene ekster, gedurende 



* Ons Volksleven. » 101 

de Meertsche maan gedood, verwijdert de vliegen. De boeren be- 
waren de gedroogde koppen dezer eksters, welke ter oorzake van 
deze eigenschap tot 3 fr. het stuk verkocht worden. (Sprimont.) 
('t Vervolgt.) Alfried Harou. 

Spotnamen op Steden en §orpen 



(Vervolg. ) 
i. (106.) Bonheiden, Rijmenam en Keerbergen. 

In den tijd, dat de steden en dorpen nog geenen naam hadden, 
kwam Ons Heer waar nu Bonheiden ligt. 

« Hier is 't bonne heike7i (i), » zegde Hij, « laat ons verder 
zien. » 

Hij kwam dan te Rijmenam. 

« Rammenant, Rammenant ! (2) » riep Hij. 

En wat later kwam de goede God te Keerbergen. 

« Het zijn hier allemaal bergen ; » zegde Hij, « laat ons maar 
keeren ! » 

En sinds toen hebben Bonheiden, Rijmenam en Keerbergen 
den naam, die hun tot heden toe is bijgebleven. 

(Bonheiden.) 

2. (107.) Okegem. 

Het was ten tijde, dat de steden en dorpen nog geenen naam 
hadden. 

Onze Lieve Heer en Sint-Pieter doorreisden heel ons vader- 
land en gaven alle steden en dorpen eenen naam. 

Zoo kwamen zij in Vlaanderen op de boorden van den Dender, 
waar deze rivier Brabant van Oost- Vlaanderen scheidt. 

Daar ligt nu, in de laatste gouw, het dorp Okegem. 

— « En wat is dat hier? » vroeg Sint-Pieter. 

— a Ook een gem (3), » antwoordde Ons Heer. 



(1) Goede heide, « bonne bruyère. » 

(2) Uitschot, bocht. 

(3) Gem, in de vorming van plaatsnamen, beteekent streek, woonplaats. Oke- 
gem, ook een-gem, is dus : ook eene plaats. 



102 - Ons Volksleven. » 

En dat dorp hiet later, en heden nog, Okegem. 

{Pantel.) 

3. (108.) Halmaal. 

Toen Ons Heer nu alle steden en dorpen eenen naam gegeven 
had, bleef er ten slotte, in 't Zuiden van Limburg, nog ééne plaats 
over, die daar heelemaal vergeten en zonder naam stond. 

De goede God dacht een oogenblik na en sprak dan : 

— « Zie, ik geef u de namen allemaal ! « 

En dat dorp hiet Allemaal, en later schreef men Halmaal. 

4. (109.) Diest : de Mostaardschijters. 

« Vuile naam ! » roept gij ! 

Hij is nu zoo, en wat kunnen wij er aan veranderen? 
En van waar komt die aardige spotnaam ? 

Boven de prachtige Sint-Sulpitiuskerk, te Diest, staat een 
torentje, dat zoo wat op eenen mostaardpot gelijkt. 
Vandaar die onverdiende, ja, ongegronde spotnaam. 

5. (110.) Scherpenheuvel : de Keerskatten of Keerskaters. 

De inwoners van Scherpenheuvel, de roemrijke bedevaartplaats, 
drijven, wat men licht begrijpt, grooten handel in keersen, pater- 
nosters, beeldekens en al wat Maria's heiligdom aanbelangt. 

Jaarlijks, den Zondag na Allerheiligen, geschiedt de vermaarde 
Keerskensprocessic ; dan dragen de duizenden geloovigen, die de 
processie volgen, allen verscheidene keersen. 

Dit alles heeft den spotnaam doen ontstaan. 

6. (111.) S^Kwintens-Lennik : de Windheeren. 

vS f -Kwintens-Lennik is de hoofdplaats van het kanton van dien 
naam. 

In het Noorden van het kanton zegt men : « De Stroobr anders 
van Lcnnik ». — Waarom? (1) 

In het Zuiden, o. a. te Oetingen, heet het : « De Windheeren 
van Lennik ». 

Men noemt de Lennikenaars alzoo, omdat zij veel « wind ma- 
ken », d. i., hoogmoedig zijn. 



(1) Zie Ons Volksleven, IX n jrg\, afl. 8-9, bladz i52. 



« Ons Volksleven. » 103 

In « Ons Volksleven », VII» Jrg., i e afl., bladz. 12, zegt 
M r Alfried Harou : 

« Lennik : de Poorters. 

» Dit dorp was oudtijds eene belangrijke gemeente. Vandaar 
» de spotnaam Poorters of burgers. » 

Alzoo volgens A. Wauters, Histoire des Environs de Bruxel- 
les, I, bladz. 53g. 

Er zijn twee gemeenten van bovengemelden naam : S^Kwin- 
tens-Lennik en S^Martens-Lennik. 

Deze laatste was, tot over eene halve eeuw, de kantonhoofd- 
plaats. 

Zooals wij vroeger in « Ons Volksleven » zegden, heeten die 
van St-Martens-Lennik heden nog de Boeren of de Pachters, 
waardoor men den welstand der inwoners bedoelt. 

Van S^Martens-Lennik gewaagt dus ongetwijfeld de heer 
Alfried Harou, als hij, volgens de geschiedkundige gegevens 
van A. Wauters, die van Lennik de Poorters heet. 

De inwoners van S^Kwintens- Lennik hebben geene andere 
spotnamen dan Siroobranders en Windheeren. 

7. (112.) Gooik : de Telloorlekkers of Pennelekkers. 

Eertijds was de spotnaam de Telloorlekkers, zegt M r Alfried 
Harou (1), volgens A. Wauters, Histoire des Environs de Bru- 
xelles, I, bladz. 5i3. 

Heden zegt men de Botermelk\akken (2) en ook de Pennelek- 
kers van Gooik. 

Penne- of Pannelekkers is hetzelfde als Telloorlekkers. 

Die oude spotnaam leeft dus heden nog voort in den mond 
van het volk. 

8. (11 3.) Spotrijmpjes en Spotzegzels. 

1/ In (S* Kwintens-) Lennik is de pracht en in (S l Martens-) 
Lennik is het geld. 

2/ Hoboken, 

Waar de boeren str... koken, 



(1) Zie Ons Volksleven, VII« jrg., afl. i, bladz. 11-12. 

(2) Zie Ons Volksleven. IX» jrg., afl. 8-9, bladz. i52. 



104 * Ons Volksleven. » 

Waar de plattekèzeboterhammen op de haag wassen, 
Waar dat de honden met hun g.. bassen. 
{Gehoord te Muiden.) 
3/ Och God! Och God! 

De Mechelaars zijn zoo zot, 
De toren is gevallen, 
En hij is kapot ! 
(Gehoord te Hombeek.) 

4 In « Ons Volksleven », IX n jrg., afl. 8-9, bladz. i52, hebben 
wij een spotrijmpje medegedeeld op Schriek en op Groote Loo. 
Dit zelfde rijmpje komt in het volgende, dat spreekt van vijf 
dorpen en gehuchten. 

Te Baal 

Hangen ze den papketel aan den haal (1) ; 

Te Schriek 

Steken ze drij koten met éénen riek ; 

Te Groote Loo 

Doen ze 't ook zoo ; 

En te Beggijnendijk 

Is 't van 's gelijk; 

En te He(i)st 

Sch ze, dat 't van den berg drest (2) ! 

(Gehoord te Beersel.) 

5 Elingen : « Pover » (arm) Elingen. 

6/ In « Ons Volksleven », -VII n jrg., afl. 1, bladz. 11, zegt de 
Heer Alfried Harou, dat de spotnaam van Glabbeek de Turken 
is. 

Als men dit leest, denkt men aan Glabbeek-Zuurbeemden, eene 
kantonhoofdplaats in het arrondissement Leuven. 

Er is echter van dit Glabbeek geen e spraak, maar wel van 
Glabais, eene gemeente van het arrondissement Nijvel, zooals 
hij in nota aanduidt : Tarlier en Wauters. Histoire des Com- 
munes belges, Glabais, bl. 23. 

Is Glabbeek de Vlaamsche benaming van Glabais? 



ii) Hangel, schouwvijs, Fr. crémaillère. 
(2) Dressen = spatten. 



* Ons Volksleven. » 105 

9. (114.) Eene Beschouwing over den Oorsprong van 
Plaatsnamen en Spotnamen. 
Vele dorpen en steden hebben, volgens de volksoverlevering, 
hunnen naam of spotnaam te danken aan de rechtstreeksche tus- 
schenkomst van Onzen Lieven Heer en Sint-Pieter. 

Wij noemen slechts de volgende, welke de lezers van « Ons 
Volksleven » alle reeds in hun tijdschrift hebben opgemerkt : 

Eindhout : Tut; Veerlc : Trotsch Vecrle ; Bonheiden, Rij- 
menam en Keerbergen ; Okegem ; Halmaal. 

Ongetwijfeld hebben onze geachte medezanters en lezers er 
nog vele andere opgemerkt en zullen ze eerlang mededeelen. 

J.-F. Vinxx. 



floe mzn dinnkt 



« 



X. 
Hoornen en schedels als drinkvaten 

— De hoornen van sommige dieren, inzonderheid ossenhoor- 
nen, waren de eerste drinkvaten in het begin van alle beschaving. 
De Grieksche en Romeinsche schrijvers, alsook de H. Schrift, 
leveren ons duizenden bewijzen van dit feit, hetwelk bevestigd 
wordt door den vorm, dien de drinkvaten nog lang bij sommige 
Aziatische volken bewaarden. 

— Julius-Cesar leert ons dat de Germaansche volken geene 
andere drinkvaten hadden dan ossenhoornen; bij het begin van 
de 2 e eeuw onzer tijdrekening, vond men bij het stoffelijk over- 
schot van Decebalus, koning van een barbaarsch volk, eenen 
ossenhoorn, waar deze vorst uit dronk. 

— In zijne Deipnosophisten (de sophisten aan tafel) — een werk 
dat rond 23o voltooid werd — zegt iVthenaeus uitdrukkelijk, dat 
de drinkvaten van het slag dat de Grieken olmoï hieten, eene 
ellebooglengte hoog waren en den vorm hadden van hoornen. 
Wat de rytons betreft, zij hadden ook die gedaante, maar men door- 



(1) Z. Ons Volksleven, IX. 2o5 ; X, 33. 



106 « Ons Volksleven, r 

boorde ze langs onder, om den te matigen genoodigde te verplichten 
geheel zijn vat in eenmaal uit te drinken, vermits hij het niet 
op tafel kon zetten, dan na het geledigd te hebben. Om te drinken 
sloot men het verraderlijk gat, met er eenen vinger of den palm op 
te leggen, naar gelang van de grootte van het vat. Uit dit zonder- 
ling gebruik ziet men dat de menschen van overlang de dwaas- 
heid hebben er roem op te stellen veel te drinken (Magasin pittores- 
que (édition beige), i835, p. 373.) 

— Het gebruik van den drinkhoorn werd in Germanië ver- 
spreid door de Angelsaksen. De koning Mercier Wittas vermaak- 
te bij testament zijnen drinkhoorn aan monniken, op voorwaarde 
dat zij er zich bij de groote plechtigheden van bedienden. De 
wijn, dien zij bij deze gelegenheden dronken, werd « cornua » 
geheeten. De Duitsche benaming Hornung voor Februari schijnt 
haren oorsprong te vinden in het woord Hom (hoorn) ; deze 
maand was immers overal de maand der tafelvreugden en der 
drinkgelagen. (Ibid., i836, p. 140.) 

— De rijk besneden zilveren en ivoren drinkhoornen, die men 
in 1867 op de tentoonstelling te Parijs kon zien, toonen dat het 
gebruik van uit hoornen te drinken nog niet lang geleden in 
Zwitserland en Tyrol bestond. 

— De Mingreliërs (Rusland) kennen geene glazen; het zijn te 
groote drinkers om zulke kleine drinkvaten te bezigen ; zij be- 
hoeven bokalen van grooter afmeting. Bij de eenen zijn dit 
« koulah », groote flesschen met langen hals, bij anderen kale- 
bassen met pijpen of lepels, « quabi » geheeten, ofwel hoornen van 
dieren. Ieder van die drinkvaten, die een of meer flesschen inhou- 
den, wordt in eenen teug geledigd. Schande dengene, die het in 
tweemaal doet ! (Tour du monde, 1881, p. 414.) 

— Het Magasin pittoresque, jaarg. 1862, bl. 44, geeft het facsi- 
mile van een drinkvat in rhinoceroshoorn, het werk van eenen 
kunstenaar uit Thibet, te Java gekocht. 

Men weet dat, naar eene zeer oude overlevering, het vergift dat 
in eenen rhinoceroshoorn wordt gegoten, aanstonds alle nadeelige 
eigenschap verliest. Ook waren de drinkvaten, uit deze stof ver- 
veerdigd, eertijds in het Oosten van veel grooter weerde dan die 
van goud of jaspisteen. 

— Den 25 n Mei, die een loidag is, genazen de heldere bronnen 



« Ons Volksleven. » 107 

die door de heilige bosschen vloten, verscheidene ziekten. Men 
schepte er water uit in drinkhoomen, die ook de eigenschap hadden 
van ziekten te genezen. Dit volksgeloof is bij ons bewaard ge- 
bleven, maar heeft verschillende wijzigingen ondergaan. (D r 
Coremans. Buil. de la Comm. royale d'hist., VII, 3i.) 

— Volgens Aristotes bewaarden de inwoners van Tauris de 
schedels van de vijanden, door hen gedood ; zij reinigden die 
schedels en gebruikten ze als drinkvaten bij hunne oorlogsfeest- 
malen. De rijksten versierden deze drinkvaten met eenen gouden 
band of deden er eenige edelgesteenten inzetten. 

Men vindt dit gebruik nog bij sommige wilde volkeren. 

V. 
Op de gezondheid drinken (Vervolg) 

De gewoonte van op de gezondheid te drinken is zoo oud, dat 
Homeros en andere schrijvers uit de Oudheid er melding van 
maken. De uitdrukkingen, die de Ouden hierbij gebruikten, waren 
een teeken van vriendschap om elkander tot drinken op te wek- 
ken : philotésie beteekent in 't Grieksch vriendschap, groet. De 
schrijvers, na Homeros, hebben dit woord in dezelfde beteekenis 
opgevat, alsook het propino der Grieken, door de Romeinen aan- 
genomen en dat niet beteekende : « Ik drink, opdat het wel met 
u ga, » maar : « Ik drink vóór u, opdat gij drinket » of : « Ik 
noodig u uit om te drinken. » (Didionnaire de la conversation). 

— Wanneer de Grieken, en na hen de Romeinen, op elkanders 
gezondheid dronken, spraken zij deze woorden uit : « Ik wensch 
dat gij en wij » of « gij en ik welvarend mogen blijven. » Deze 
formuul veranderde soms ; zoo zien wij in het feestmaal van 
Lucianus, dat Alcidamus, na wel gedronken te hebben, den 
naam vroeg van de gehuwde en op hare gezondheid dronk, zeg- 
gende : « Ik drink op uwe gezondheid, Cleanthis, in den naam 
van Herculus die heerscht. n Overigens was het niet geoorloofd 
op de gezondheid te drinken van al degenen die aan tafel waren. 
Alleen de vreemdelingen en de gasten mochten op de gezondheid 
van eens anders vrouw drinken en deze toelating strekte zich 
enkel uit tot de bloedverwanten dezer vrouw. Wanneer iemand 
van een eetmaal opstond, zonder dat men op zijne gezondheid 
gedronken had of zonder door zijnen vriend tot drinken uitge- 



108 « Ons Volksleven, r 

noodigd te zijn, werd die vergetelheid, zegt Petronus, als eene 
beleediging aanschouwd en dat hij gelooft den naam van vriend 
niet meer te verdienen, zoo hem dit mocht overkomen. Daaruit 
kan men opmaken dat iemand eenen beker aanbieden na hem 
aan zijne lippen te hebben gebracht, een teeken was van bijzon- 
dere vriendschap, (ld.) 

— Van de Grieken en Romeinen ging het gebruik van op de 
gezondheid te drinken op bijna al de volken der aarde over, en 
allereerst op de Kelten en Germanen, die bij hen aan tafel de 
kruik met wijn of bier hadden staan, welke weldra van hand tot 
hand rondging. Degene die dronk, groette zijnen buurman en gaf 
hem de kruik over, waarna deze persoon hetzelfde deed. Dus 
mochten de genoodigden niet drinken dan wanneer de kruik of 
het drinkvat dat rondging, bij hen was en, als het hun aangebo- 
den werd, mochten zij het niet weigeren. Dit gebruik, hetwelk 
langen tijd algemeen bij de verschillende volken der aarde in 
zwang was, is onmerkbaar in Frankrijk verdwenen, waar het 
thans aan het volk overgelaten is, met de vroolijkheid die het 
verwekte, en de gulheid waarvan het de waarborg was. (ld.) 

— De eerste Christenen dronken ook op de gezondheid, als zij 
hunne gasten ontvingen, hetwelk blijkt uit een geschrift van den 
H. Ambrosius over Elias en het vasten. Hier volgt de vertaling 
van die plaats : « Wat zal ik zeggen van de betuigingen welke 
degenen die samen drinken elkander toesturen? Wat is het noo- 
dig te spreken van hunne eeden, die het nooit toegelaten is 
te overtreden, zoo zij meenen? Drinken wij, zeggen ze, op de 
gezondheid van den Keizer, en dat deze die niet drinkt, be- 
schouwd worde als een man die zijnen vorst weinig genegen is! 
Want weigeren op zijne gezondheid te drinken, een blijk van 
vrome gehechtheid, is den keizer niet beminnen; drinken wij op 
de gezondheid des legers en op den voorspoed onzer gezellen en 
onzer kinderen!... en zij gelooven dat God getroffen is door zoo- 
danige wenschen ! » 

Volgens dezen tekst ziet men niet duidelijk, of de H. Ambro- 
sius door deze woorden het inzicht heeft een gebruik goed- of af 
te keuren, waarvan hij enkel het bestaan schijnt vast te stellen. 

(ia.) 

— De Engelsche Presbyteraan Prynne schreef een dik boek 



« Ons Volksleven. » 109 

tegen het goddeloos gebruik van op de gezondheid der Christenen te drin- 
ken; ook in Frankrijk werd tegen dit gebruik geijverd door Jean 
Geré, pastoor van S te Foi, die uitgaf : De goddelijke drank om 
de geestelijke gezondheid te bewaren door de geneeskuur tegen de 
ingekankerde ziekte van op de gezondheid te drinken. (Ibid.) 

— Men weet dat het Engelsen woord toast, dat gebezigd wordt 
om aan tafel eene gezondheid voor te stellen, door alle beschaaf- 
de volken aangenomen is; men heeft er het werkw. toasten van 
gemaakt, (op iemands gezondheid drinken). De Engelschen heb- 
ben dit woord toast afgeleid van het Latijn tostus, verl. deelw. van 
torrere (roosteren, doen roosteren). 

Het woord beteekent dus eigenlijk geroosterd brood en komt 
voort van het Engelsch gebruik om soms geroosterd brood in 
hunnen wijn te doen, als zij op de gezondheid drinken. {Nouveau 
Dictionnaire des origines, etc., par Xoël et Carpentier, II, 742.) 

(7 Vervolgt.) Alfried Harou. 

f ef? otier 5ofdafen&ijgefoof 

Het is een gemakkelijk te verklaren feit, dat de tooverkunsten 
voorheen druk beoefend werden door lieden die, uit hoofde van 
hun beroep, met menigvuldige lijfs- en levensgevaren te kampen 
hebben. Visschers, matrozen, jagers en soldaten maakten daarom 
te allen tijde eene klas werkdadige bijgeloovigen uit. Het is klaar 
dat de soldaten gedurende den dertigjarigen oorlog, aan den 
krijg gewoon geraakt en onophoudelijk door gevaren ormingd, 
zich vooral moesten aangetrokken voelen om met den Booze in 
betrekking te komen en de zwarte kunst te beoefenen. In ruil van 
hun verbond met Satan, eischten zij van hem bescherming tegen 
de vijandelijke kogels en verder een leven van vermaken en goede 
sier. Dat reeds in vroege tijden de zwarte kunst bij de legers van 
landsknechten in bloei en^aanzien was, is algemeen geweten. In 
den beginne werd zij beoefend door de landloopers en plunde- 
raars, die den legertros volgden; later drong zij door in het leger. 
Gedurende den dertigjarigen krijg waren het vooral de beul en 
zijne knechten, de provoost en menige vergrijsde soldaat zelf, die 



110 « Ons Volksleven. » 

den gemeenen soldaten en officieren wonderbare middeltjes aan 
de hand deden. Deze waren van drieërlei aard : vooreerst, toover- 
middelen die hem, welke ze ontving, onkwetsbaar maakten; ten 
tweede, zulke die zijnen tegenstander onschadelijk konden 
maken, en eindelijk middelen, waarvan het bezit rijkdommen, 
weelde en alle soort van geluk waarborgden. Deze laatste beston- 
den o. a. in gelukaanbrengende dobbelsteenen, wichelroeden, 
enz. en waren zoo talrijk en verschillend, dat wij ze hier niet 
kunnen bespreken en ons tot de twee eerste soorten moeten be- 
palen. 

Vooraf dient opgemerkt, dat de kunst om zich onkwetsbaar te 
maken, zoomin als het bezweren der wapens uitvindingen zijn 
van de topveraars der XVI e of XVI I e eeuw, maar van den hei- 
densch-mythischen voortijd afstammen. Hetbad van Achilles in den 
Styx, dat van Siegfried in drakenbloed, menige nooit haar doel 
missende speer van helden uit den voortijd, zoo menig toover- 
kruid der Ouden leveren daarvan genoegzaam het bewijs. Ook 
dat de door tooverkracht verkregen onkwetsbaarheid niet vol- 
strekt was, maar dat voortdurend een achterpoortje openbleef, 
waardoor de dood heimelijk kon binnensluipen, is eene in 't oog 
vallende overeenkomst tusschen den mythus der Ouden en het 
tooverwezen der latere eeuwen. Evenals de betooveide lands- 
knecht den kogelvrijen soldaat vreezen moest, om eenmaal onder 
het staal des tegenstanders of den vijandelijken kogel te vallen — 
al mocht deze laatste betooverd zijn of niet — zoo was ook 
Achilles aan den hiel tref baar geweest, zoo had Siegfried zijne 
kwetsbare plek tusschen de schouders gehad en was Baldur, de 
lieveling der goden, door den mistelhouten pijl van den arglis- 
tigen Loki neergeveld geworden. 

Eene soort van kunst, door de soldaten van den dertigjarigen 
krijg met voorliefde aangewend om zich tegen lijfsgevaar te be- 
schermen, was de « Passauer kunst », zoogezeid door den beul 
van Passau, Kasper Neidhardt van Hersbruck uitgevonden. 
Hij schreef met eene raven veder, in vledermuizenbloed gedoopt, 
op een briefje van papier, zijde of maagdenperkament — ook 
wel op eene hostie — allerhande kabbalistische spreuken en tee- 
kens. Die « Passauer briefjes » onder den linkerarm gebonden, 
golden voor een zeker amulet, dat den drager tegen het vijande- 



«Ons Volksleven. » 111 

lijk, zelfs betooverd, geschut beschermde. De opvolgers van 
Neidhardt maakten in den loop van den grooten oorlog met dit 
artikel zeer winstgevende zaken. 

Ten minste even krachtig als het hierboven gemelde toover- 
middel, was het « galgemanneken » of de « alruinwortel », welk 
tooverkruid zijnen bezitter daarenboven onveranderlijk geluk in 
het spel verschafte. Stellig werd het bezit er van met den aller- 
kostbaarsten prijs betaald, namelijk met het onherstelbaar verlies 
der eeuwige zaligheid van hem, die het bij 't sterven op zich 
droeg. De alruin of het « galgemanneken » bestond uit den wor- 
tel van eene plant, die op woeste plaatsen groeide (bij voorkeur 
onder eene galg) en dikwijls recht zonderlinge vormen had, 
waar men, met eenigen goeden wil, wel eene menschelijke gelij- 
kenis in ontdekken kon. Zij moest Vrijdags, vóór zonnenopgang, 
in het bijzijn van eenen zwarten hond ontgraven worden. Bij dit 
werk moest men echter zorgvuldig de ooren stoppen, vermits de 
wortel, als hij uit den grond getrokken werd, een geschreeuw gaf, 
dat den mensch onverdraaglijk en gevaarlijk was. Over de plan- 
ten, die uitgegraven werden, moesten drie kruisen gemaakt wor- 
den, ten teeken dat de wortelgraver afstand deed van de bescher- 
ming der H. Drieënheid, en rondom de planten diende men de 
aarde uit te graven. Daarna bevestigde men eenen strik aan het 
gewas, die aan den steert van den hond was gebonden, men liep 
voort en lokte den hond met een stuk vleesch. Het dier trok dan 
den wortel uit, doch viel daarbij dood neder. Er dient opgemerkt, 
dat de uitgetrokken wortel enkel de verlangde tooverkracht had, 
wanneer hij de menschelijke gedaante vertoonde. 

Een ander toovermiddel van nog heelkrachtiger aard was de 
« wapenzalf », welke iedere wonde, zoo zij niet in het hert of in 
hersenen was, genezen kon. Het recept om dit geneesmiddel te 
maken, luidde als volgt : mos van eenen menschenschedel, best 
van eenen aan de galg gestorven dief, echt mummiënsap en 
menschenbloed, van ieder één ons; menschen vet, twee onsen; 
lijnolie, terpentijn en bolusaarde, van elk twee drachman ; alles 
in eenen mortier goed gemengd en tot eene zalf vereenigd, die in 
een langwerpig, eng vat moest bewaard worden. Zooals men ziet, 
was het gereedmaken van die zalf geene kleinigheid, maar het 
gebruik er van was eerst een kunststuk. Niet de wonde, maar het 



112 « Ons Volksleven. » 

wapen dat ze veroorzaakt had, moest met de heilzame zalf be- 
streken worden! Hoe daaraan geraakt zonder het te stelen? 

Nog een middel om zich te beschutten, was de « gemzenkogel », 
een knobbelachtige aanwas, uit de maag eener gems gesneden, 
dat men onder tooverkunstige ceremoniën tot pulver vermorzelen 
en daarna innemen moest. Merk wel op, dat de gems op O. L. V. 
Lichtmis moest gedood zijn. 

Men moet aannemen dat dit laatste middel van jagersoorsprong 
is, immers de jagers waren van oudsher in de pract:sche toover- 
kunst zeer bedreven. Zoo was b. v. onder de Nemrods in 't begin 
der i7 e eeeuw — eerst van dien tijd dagteekent het algemeen ge- 
bruik van de buks als jacht wapen in plaats van den tot dan toe 
gebruikten hand- of kruisboog — het gebruik zeer in zwang eenen 
anderen schutter zijn vuurroer te bederven, d. i. het onbekwaam 
om te treffen te maken. Die tooverij had volgender wijze plaats : 
De too veraar trachtte in de nabijheid eens schutters te komen, 
terwijl deze zijn geweer poetste, en poogde daarna een stukje van 
het poetslapje te bemachtigen. Was hij daarin gelukt, dan ging 
hij naar eenen eikeboom, boorde er een gat in tegen den morgen, 
stak er het lapje in en stopte het gat dicht met eene pin van haag- 
doornhout. Dan was de schutter zijn roer bedorven en kon hij er 
niets of niemand meer mee treffen. Hetzelfde middel nu werd 
later ook door soldaten tegen vijandelijke kameraden beproefd en 
geraakte sindsdien bekend onder den naam van kogel- of buksen- 
betoo vering. 

Het volk schreef de dood van Gustaaf-Adolf bij Lützen niet 
toe aan een gewonen kogel; de duivel zou in de bereiding van 
de lading, die den Zweedschen koning doodelijk trof, eene rol 
gespeeld hebben. Hiermede zijn wij dus op het gebied van de 
toovermiddelen, die men aanwendde om den tegenstander te 
hinderen. 

De tooverkogelen, waarover in bovenstaande regelen reeds ge- 
rept werd, vormen de soort der onheilbarende bovennatuurlijke 
strijdmiddelen. Men hiet ze « vrijkogelen » en maakte ze op 
spookuren in akelige, geheimzinnige plaatsen, zooals in de nabij- 
heid eener galg of op eene kruisbaan. De Duitsche schrijver 
Kind geeft in zijn romantisch zangspel « Freischütz » een aan- 
schouwelijk beeld van zulke heksenplaats. De vrijkogelen gin- 



« Ons Volksleven. » 113 

gen door voor kogels, die onfeilbaar de dood veroorzaakten. 
Nochtans, niet alle troffen en vernielden, zooals de schutter het 
wenschte; de vrijkogels, die hem laatst overbleven, bestuurde de 
hellevorst naar zijn goeddunken, en niet zelden werd de schutter 
zelf het slachtoffer zijner eigen tooverkunst. 

Ook gouden en zilveren kogels hadden den naam helsche 
eigenschappen te bezitten en zelfs onkvvetsbaren doodelijk te 
treffen. Daarover werd de volgende anecdote verhaald : Na den 
slag van Pavia trad een Spaansche soldaat uit het leger van Keizer 
Karel op den gevangen koning van Frankrijk, Frans I, toe en 
reikte hem een gouden kogel over, met de woorden : « Daar ik 
in den slag geene gelegenheid vond om er mij van te bedienen, 
veroorloof ik mij hem u als geschenk aan te bieden. » Naar het 
schijnt, zou Frans I die gift met eene licht te begrijpen verwon- 
dering aangenomen hebben, doch niet hebben nagelaten den 
vrijmoedigen gever met een mild tegengeschenk te beloonen. 

Ook jagers en wildstroopers kenden vrijkogels. Wie een vuur- 
roer hebben wilde dat nooit miste, moest in den Kerstnacht naar 
de mis gaan met een geladen geweer. Eenige gezellen, die wis- 
ten wat zijn plan was, moesten dicht om hem heen gaan staan, 
opdat anderen niet zouden zien wat hij verrichtte. Het geweer 
moest gereed zijn om te schieten. Hief de priester het Hoogweer- 
dige op, dan moest de jager scherp daarop mikken, maar niet 
vuren (natuurlijk!). Elke kogel, die later op het geweer werd ge- 
laden, werd daardoor een vrijkogel, die 'altijd juist zijn doel trof. 

Terloops zij hier aangestipt, dat men ingelijks eenen vrijkogel 
behoefde om eenen weerwolf doodelijk te treffen, want met een 
gewonen kogel kon men niet het minste hinderen. Deze vrijkogel 
moest van zilver zijn en gewijd worden of tenminste gewijd zilver 
bevatten. 

Dat het soldatenbijgeloof nog niet gansch verdwenen is, bewijst 
het feit, dat men tijdens den Fransch-Duitschen oorlog van 
1870/71 op veel Duitsche gedooden en gekwetsten gedrukte 
schutsbrieven vond, waarvan de inhoud het bijgeloovig karakter 
van lang vervlogen tijden vertoonde. 

Jozef CORNELISS EX. 



114 « Ons Volksleven. » 



Sprookjes uit den vreemd^ 



5. — De gouden Visch 
(Russisch speookje) 

Er was eens een oude man, die met zijne vrouw aan den oever 
der Blauwe Zee leefde. Zij woonden sinds drij en dertig jaar in 
eene armoedige hut, de man hield zich met de vischvangst bezig, 
terwijl de vrouw van den morgen tot den avond aan het spinne- 
wiel draaide. Zij hadden het volstrekt niet breed, maar zij waren 
tevreden en daarom gelukkig. 

Het gebeurde nu op zekeren dag, dat de man zijn net in de zee 
wierp, maar toen hij het na eenigen tijd ophaalde, was er geen 
vischjc in. Opnieuw zette hij de netten, maar met even ongunstig 
gevolg. Toen hij voor de derde maal eindelijk zijn net ophaalde, 
spartelde er een visch in, die in de mazen van het net gevangen 
zat. Het was evenwel geen gewone visch, maar een echte gouden. 
En de gouden visch begon te klagen en sprak : 

— Laat mij weer in de zee terugkeeren, goede man. Ik zal u 
daarvoor rijkelijk beloonen : alles wat ge- verlangt, zult ge ont- 
vangen. 

De oude man was ten hoogste verwonderd en begon te beven. 
Reeds drie en dertig jaar oefende hij de vischvangst uit, maar had 
nog nooit gehoord, dat visschen spraken. Daarom antwoordde hij 
met eene stem, die van ontroering getuigde : 

— God geleide u, gouden visch, ik geef u, zonder belooning te 
vragen, de vrijheid weer. Blijf hier in de Blauwe Zee wonen en 
wandel in hare onmetelijkheid. 

Thuis bij zijne vrouw gekomen, vertelde de man, wat hem bij 
de vischvangst wedervaren was. Ik heb vandaag eenen visch ge- 
vangen, zegde hij, geen gewonen visch, maar een gouden, die 
sprak zooals wij. Hij beloofde mij eene rijke belooning, als ik hem 
weer in de Blauwe Zee liet. Maar ik heb hem niets durven vragen 
en hem de vrijheid weergegeven. 

Als door eene giftige slang gebeten, sprong de oude vrouw op. 
Domkop, ezel, waarom hebt ge niets aan dien visch durven vra- 



« Ons Volksleven. » 115 

gen! riep zij uit. Ge hadt toch ten minste om eenen drinkbak 
kunnen verzoeken, want de onze is heelemaal gespleten. 

De oude visscher keerde op bevel van zijne \rouw naar de 
Blauwe Zee terug, wier wateren licht golfden. Hij riep den gouden 
visch , die aanstonds naar den oever zwom en hem vroeg : 

— Welnu, wat verlangt ge, goede man? 
De visscher groette hem en antwoordde : 

Vergeef mij, gouden visch, mijne vrouw heeft geweldig op mij 
gebromd, ze laat mij geen oogenblik met rust, en verlangt eenen 
nieuwen drinkbak, omdat de onze heelemaal gespleten is. 

De gouden visch antwoordde hem : Bedroef u niet, keer naar 
huis terug, en God geleide u. Gij zult eenen nieuwen drinkbak 
hebben. 

Toen de man thuis kwam, zag hij den drinkbak reeds aan de 
voeten zijner vrouw liggen. Maar zij beknorde hem nu nog veel 
erger. Domkop, ezel, zei ze, gij hebt in uwe onnoozelheicl wel eenen 
drinkbak durven vragen, maar wat hebben wij daar aan? Keer 
naar den visch terug, en vraag hem eene hoeve ! 

En de man keerde naar de Blauwe Zee terug, die thans hevig 
golfde. Hij riep den gouden visch, die aanstonds naar den oever 
zwom en hem vroeg : 

— Welnu, wat verlangt ge, goede man? 
De visscher groette hem en antwoordde : 

— Vergeef mij, gouden visch, maar mijne vrouw is nog lastiger 
dan de eerste maal, en laat me geen oogenblik met rust. Nu ver- 
langt ze weer eene hoeve. 

De gouden visch antwoordde hem : 

— Bedroef u niet, keer naar huis terug en God geleide u. Het 
zal aldus geschieden, gij zult eene hoeve hebben. 

Hij keerde naar huis terug. Van zijne armoedige hut was geen 
spoor meer over; voor hem stond eene hoeve met eene schoone 
kamer en groote vensters, waarvoor zijne vrouw zat, die hem met 
alle verwenschingen overlaadde. 

— Groote gek, domoor, zei ze, die in uw domheid eene hoeve 
vraagt. Keer terug, groet den visch en zeg hem, dat ik niet langer 
eene geringe boerin, maar van hoogen adel verlang te zijn. 

De oude man kwam weer aan de Blauwe Zee, die ditmaal zeer 
onstuimig was. Hij riep den gouden visch, die aanstonds naar den 



116 « Ons Volksleven. » 

oever zwom en hem vroeg : Welnu, wat verlangt ge, goede man? 

De visscher groette hem en antwoordde : 

Vergeef mij, gouden visch, maar mijne vrouw is boos, boozer 

dan ooit en laat mij, armen man, geen oogenblik met rust. Zij wil 
niet langer eene eenvoudige boerin zijn, maar van den deftigsten 
adel worden. 

De gouden visch antwoordde hem : 

— Bedroef u niet, keer naar huis terug, God geleide u. 

De arme man keert naar zijne vrouw terug. Maar wat ziet hij? 
Een heerlijk paleis doemt voor zijne oogen op. Op het balkon zit 
zijne vrouw. Op haar hoofd draagt zij eene kroon van kostbare 
steenen, om haren hals heeft zij een snoer van de zeldzaamste 
perelen, aan hare vingers schitteren gouden ringen, en fijne roode 
schoentjes bedekken hare voeten. Rondom haar staan talrijke be- 
dienden, die op eenen wenk van hunne meesteres vliegen. 

De man, haar ziende, boog nederig voor haar en zei : 

— Gegroet, edele dame, thans zal uw hert zeker tevreden 
zijn? 

Maar de trotsche vrouw overlaadde den man met bedreigingen 
en scheldwoorden en zond hem daarna naar de stallen, om daar 
te werken. 

Nauwelijks was eene week voorbij, of de lastige, ontevreden 
vrouw geraakte opnieuw in hevigen toorn en gaf den man bevel 
den gouden visch een bezoek te brengen. 

— Keer terug, zeide ze, en groet den visch, ik wil niet langer 
eene adelijke dame zijn, maar eene vrije czarin wil ik worden. 

De eenvoudige man keek haar met verbaasde oogen aan en 
vroeg : 

— Maar vrouw, waar is dan toch uw verstand gebleven? Weet 
ge wel dat ge dan noch zult kunnen spreken, noch wandelen en u 
bovendien bespottelijk maakt voor het gansche rijk?.. 

Bij het hooren dezer woorden werd de vrouw woedender dan 
ooit, en beet haren man toe : 

— Durft gij, ellendige moejik, aldus met mij spotten, die van 
ouden adel ben? Spoed u naar de aee en gehoorzaam als men u 
iets beleefd verzoekt, anders zal ik u met geweld dwingen. 

En de arme grijsaard keerde bij het hooren dezer bedreigingen 
naar de Blauwe Zee terug, die geheel en al zwart was geworden. 



« Ons Volksleven. » 117 

Hij riep den gouden visch, die aanstonds naar den oever zwom 
en hem vroeg : 

— Welnu, wat verlangt ge, goede man? 
De visscher groette hem en antwoordde : 

— Vergeef mij, gouden visch, mijne vrouw is opnieuw ontevre- 
den over hetgeen haar is geschonken; zij is weer tegen mij opge- 
staan, zij wil niet langer eene dame van ouden adel ziju, maar 
vrije czarin van het groote rijk. 

De gouden visch antwoordde hem : 

— Bedroef u niet, ga en dat God u geleide! Het geschiede 
zooals zij gezegd heeft, uwe vrouw 7 zal czarin worden. 

De arme man keerde huiswaarts. Maar wat zag hij daar? Voor 
hem lagen groote, heerlijke kasteelen en in een dier kasteelen 
bemerkte hij zijne vrouw, gezeten op eenen prachtigen troon, 
gekroond als czarin. Rondom haar stonden edelen en schildkna- 
pen en daarnaast hare lijfwacht met uitgetrokken zweerd. 

De grijsaard boog met eene knie op den grond, groette zijne 
\rouw en zei bevend : 

— Wees gegroet, o machtige en verschrikkelijke Czarin! Thans 
hoop ik, dat uw hert geheel en al voldaan zal zijn. 

Maar de trotsche vrouw, zonder den armen, ouden man aan te 
zien, gaf door een teeken met de hand bevel, hem uit hare tegen- 
woordigheid te jagen. 

Aanstonds snelden een aantal edellieden en schildknapen toe, 
die den ongelukkige bij de schouders grepen en hem woest buiten 
de deur gooiden. Daarna schoot nog de lijfgarde van de czarin toe 
en dreigde den visscher in stukken te hakken, terwijl het volk met 
hem den spot dreef, hem uitlachte en eveneens bedreigde. 

Zoo verliep eene kleine week, toen de oude vrouw opnieuw 
hevig vertoornd werd. Zij zond eenige dienstknechten uit om 
haren man op te sporen, en toen deze hem eindelijk na lang zoe- 
ken terugvonden en bij hunne meesteres brachten, sprak de ver- 
schrikkelijke vrouw : 

— Keer terug naar de Blauwe Zee en groet den gouden visch. 
Ik wil niet langer czarin zijn, maar heerscheres der zeeën om te 
wonen in den grooten Oceaan en den gouden visch tot mijnen 
dienst te hebben als bode. 

De grijsaard waagde het thans niet een woord tegen te spreken 



118 « Ons Volksleven. » 

en zonder iets te zeggen, sloeg hij den weg in naar de Blauwe 
Zee. 

En zie, op de zee heerschte een vreeselij ke storm, de golven 
verhieven zich hemelhoog, een zwart schuim bedekte het strand 
en een ontzettend geluid als dat van den donder kwam in de verte 
over de golven rollen. 

Sidderend van angst riep de visscher den gouden visch, die 
aanstonds naar den oever zwom en hem vroeg : 

— Welnu, wat verlangt ge, goede man? 

En de grijsaard groette hem en antwoordde : 

— Vergeef mij, gouden visch; maar wat moet ik toch met mijne 
ontevreden vrouw aanvangen? Nu wil zij niet langer czarin zijn, 
maar heerscheres der zeeën om in den grooten Oceaan te wonen 
en u als bode in haren dienst te hebben. 

De gouden visch antwoordde ditmaal niets, sloeg met zijnen 
steert tegen de golven en verdween daarna in de diepte der zee. 

Lang, zeer lang wachtte de oude man aan het strand op ant- 
woord, maar toen de gouden visch niet meer verscheen, keerde 
hij met kloppend hert huiswaarts, bang voor zijne verschrikke- 
lijke vrouw... 

Hij keek op : voor hem stond opnieuw zijne oude, armoedige 
hut, zijne vrouw zat op den drempel en voor hare voeten lag de 
gespleten drinkbak... 

[Ga\et van Antwerpen.*) 

Dit sprookje is overal zeer verspreid. In Vlaamsch-België be- 
staan er verschillende varianten van. Zie Volkskunde, I, bl. 22, 
waar men de volgende titels opgeeft : V Vischken uit de Roö-Zee, 
Van 7 Manneken Timpentee of Tiktoektee, Van Janneken Tieten- 
tater ; Is. Teiklinck, Contes flamands, bl. 41; Vischke, Vischke 
Kreupelenteen; Am. Joos, Vertelsels van het Vlaamsche Volk, 
I, bl. 171 : Van « Vischken uit de Zee » ; Ons Volksleven, VI, 
bl. 86; 7 Manneke van Tintelenteen; Sloet, De Dieren in het 
Germaansch Volksgeloof en Volksgebruik, bl. 356. 

J. C. 



« Ons Volksleven. » 119 

IpndeFFijmen en Kinderspelen uit Vlaanderen 

Aftelrijmen. 



Achter de kerke 
Ligt er een blok ; 
Als i niet gestolen is, 
Hi ligt er nog. 



Me vader heeft een kraam opgeslegen, 

Als dat kraam opgeslegen was, 

Raad ne keer hoeveel spikels er in geslegen waren ? 

Het kind, waarop het leste woord valt, zegt dan een getal 
beneden 10, waarop de zegger dan tot aan het opgegeven cijfer 
telt. 

3. 

Een, twee, drij, vier, vijf, zes, zeven, 
Waar hebt gij zoo lange gebleven ? 

Op het Hazegras (i), 

Met den kleinen trommel 

En den grooten bas. 

4- 
Mikke,likke de zwarte nunne, 
Jet (2) 'n buuk gelijk een tunne 
En een kop gelijk een top. 
Irribonbeene, Bakeland alleene 
Irribonbeene, Bakeland allot, 
Bakeland al met z'n stok. 



Achter den boer z'n wagen, 

Ligt er een hondje dood ; 

Z'n billetjes waren vervrozen, 

Z'n gatje, die lag bloot. 

Don kwam Jan de dronker, 

Je (3) zei : dat hondje is dronken, 

Don kwam Jan de zager, 

Je zei : dat hondje is mager, 



(1) De zuiderwijk van Oostende. — (2) Je hebt. — (3) Hij 



120 «Ons Volksleven. » 

Don kwam Jan de timmerman, 

Je kapt dat hondje z'n staartje(n) af. 

Danke! zei da(t) hondje, 
Me staartje is af me kontje ; 

Danke! zei da(t) katje, 
Me staartje is af me gatje. 

Dit zijn eenige aftelliedjes uit Oostende. Te Maldeghem (Oost- 
VI.) hoort men nog de volgende : 



Molle, molle, martje, 
Koopt dat kind een tartje (taartje). 
Man en vrouw, 
Geef mij de knecht, 
Ik zal trouwen 
En gij moet weg. 

7- 
Boerken wilde karootjes schrepen (i) 
En 't en vond zijn mesken niet. 
Telde een, twee, drij, 
En 't en vond het nog niet; 
Telde vier, vijf, zes, 
En het lag in de smes (smis). 



Onder de brugge 
Ligt er een mugge 
Met zijn muile open. 

Zeven wezels 

En twee kwezels. 

Telt tien, twintig, dertig, veertig, enz. {Oostende.) 

Te Maldeghem zegt men : 

9- 
Op de brugge 
Zit er een mugge, 
Met heur muile wijd open. 
Zeven ezels 
En acht kwezels, 
Zijn er in gekropen. 



(i) Peeën, wortelen schrabben. 



« Ons Volksleven. » 121 



Onder de groene boompjes 
Lag er een english schip. 
De Franschen zijn gekomen, 
Zij zijn zoo rijk als ik. 
Ik heb eerst kapitein geweest 
En nu ben ik soldaatje ; 
Waarom moet ik op schildwacht staan ? 
Of kapitein of katje. Af. 

{Oostende. 

ii. 

Toeren, toeren, roerenpot, 
Waar is Klaai en waar is Zot ? 
Zot is in Oostende geboren, 
Wat heeft hij daar verloren ? 
Alle bei zijn ooren. 

Telt 10, 20, 3o, 40, 5o, 60, 70, 80, go, 100. (7^-) 

Te Lier zingt men het aldus : 

12. 

Rommele, rommele in den pot, 
Waar is Klaas en waar is Zot ? 
Zot is in den stal verbleven. 

Wa(t) doet em daar? 

Pakkenballen. (i) 
Wa(t) heet-em daar verloren ? 

Alle bei zijn ooren ; 
Als cm thuis komt zal em wathooren. 



Wie kent de eigenlijke beteekenis van het volgende aftelliedje, 
dat we te Maldeghem hoorden : 

i3. 

Allemaladi 

Secoetancoeri 
Pipette, villette, visette, 
Pipo, vallovis. Of (= af). 

14. 

Zinge, zinge, zage, 
De toren gaa(t) mede naar Gent. 



(1) Met den bal spelen tegen den muur. 



122 « Ons Volksleven, r 

En als mijn moeder koeken bakt, 

Dan zit ik er zoo geren omtrent, 

Die zit al in het hoekje, 

Die krijgt al een beetje koekje ; 

Die zit al onder de tafel, 

Die krijgt een beetje wafel; 

Die zit al onder de klinke, 

Die krijgt een beetje drinke(n) ; 

Die zit al onder den trap, 

Die krijgt een schop al onder zijn g... 

Telt tien, twintig, dertig, enz. {Oostende.) 



Te Maldeghem begint men met « zegge, zegge, zage » ; ook het 
einde moet een weinig verschillen, doch dit hebben wij niet 
kunnen achterhalen. 

16. 

Onder de tafel, 
Ligt er een wafel, 
Die hem niet mag 
Is af. 

(ld.) 

17- 
Achter de kerke 
Ligt er een blok ; 
Die hem heeft gestolen, 
Is er aan. (/^*) 

18. 

Un, deux, dive, riverence 
Zijt gij alle moeder France 
Van un, deux, dive, 
Van un, deux, divevaan, 
Van alle jonkheiden. Af. 

Wat dit mag beteekenen, weten wij niet. C^O 



Onder de brugge 
Ligt er een mugge 

Met zijn muile wijd open. 
Zeven ezels 
En acht kwezels, 

Zijn er door re gekropen 



« Ons Volksleven. » 123 

In de stad Oostende, 
Leugens zonder ende, 
Leugens zonder wittebrood. 
Slaat de dolle koeien dood, 
Geeft ze nog een steke, 
Een kleine steke, 
Een groote steke, 
En laat ze daar mee uit leeke'n). 
Telt 10, 20, 3o, 40, enz. {Oostende.) 

Volksrijmen. 

1. 

't Was op 'nen Nieuwjaaravond 
Den bakker sloeg z'n wijf, 
Al met de^n) heete(n) pale 
Zoo deerlijk op heur lijf. 
Wa(t) zal men den bakker geven 
Al voor zijn Nieuwejaar ? 
Een kindeken in de wiege 
Met schoon gekroezeld haar. 

Dol, dol, 
Geeft den bakker 'nen schup in zijn h... 
Dat hij van de trappen rolt. (Maldeghem.) 

2. 
Peer de Wind, 
Die kocht een kind ; 
En hij was zoo blij, 
En hij kocht er drij ; 
En hij was zoo verwonderd, 
En hij kocht er honderd ; 
En hij was zoo verwuust (verdwaasd ?) 
En hij kocht er duust (duizend) 
En hij wierd zoo dul, 
En hij smeet ze al in nen eeken hul. (/^«) 

Kinderliedjes. 

Het Mossellied 
1. 

Mij(n) vader is op zee, 
Mij(n) vader is op de mosselzee 
En arranplanpan, mijne mosselman, 
Mij(n) vader is op zee. (bis) 
Wa(t) doet hij op de zee ? 
Wa(t) doet hij op de mosselzee, enz. ? 



124 «Ons Volksleven. » 

Hij vangt daar eenen visch, 
» » » » mossel visch. 
Wa(t) doet hij met die(n) visch? 

» » » » » mosselvisch? 
Hij maakt daarvan wat geld, 
» » » » mosselgeld. 

Wa(t) doet hij met da(t) geld ? 

» » )> » » mosselgeld ? 
Hij koopt daarmee een kind. 
» » » w mosselkind. 

Wa(t) doet hij met da(t) kind? 

» » » » » mosselkind? 
Hij zendt da(t) kind naar '/ school 
» » » » » de mosselschool. 
Wa(t) doet da(t) kind in 't school ? 

» » » » » de mosselschool ? 
Da(t) kind da(t) leert daar Fransch, 
» » » » « mosselfransch. 

(Maldeghem.) 
2. 

Klinkaard en zij(n) wijveke(n) 
Gingen samen naar de markt, 
De straten waren zoo donker, 
En de wegels die waren zoo glad. 
Klinkaard en zij(n) wijveke(n), 
Die vielen te gaar in de gracht, 
cc 't En spijt mij van de boter niet 
cc Maar wel van mijnen doek, 
cc Die(n) 'k gisteren getrokken heb 
cc Van Klinkaards beste broek. » (ld.) 

3. 
Osschaart, (i) 
Scheer mijnen baard, 
Scheer hem schoon, 
Voor een kroon ; 
Scheer hem net, 
Voor een plaket ; 
Scheer hem rond, 
Voor 'nen grooten hondenstr. ... (ld.) 

('t Vervolgt.) Jonas van den Zeekant. 



(i) De kwelgeest der Meetjeslanders. Zie onze bijdrage : De kwelgeesten in 
Vlaanderen. Ons Volksl. 1898. 




Qijdpoge tot de poll^lope 

dep Öloams^he Zeel^üst 



a. GEBRUIKEN. 

1. Processiestrooisel. 

Te Knocke strooit men riet op den doortocht der processie ; 't is 
de eenige plant, die ik tot dat einde heb zien bezigen. 

2. Doodsgebruiken. 

De overledenen der afgelegen gehuchten worden op boerekarren 
naar de parochiekerk gevoerd. 

De lijkkist rust op een bed van stroo en op de kar, aan den 
voet der kist, fitten twee vrouwen, de naaste bloedverwanten van 
den of de afgestorvene. 

De kar houdt stil aan de kerkdeur, waar men het lijk afneemt. 

De kist van den lijkstoet, dien ik zag voorbijgaan, was overdekt 
met eene wollen sargie, in den aard van die men over de bedden 
spreidt. (Knocke.) 

— Het lijkstroo, waar de kist op rustte, wordt verbrand. De 
inwoners gaan voor het meerendeel naar eene plaats in de duinen, 
om er dit stroo te verbranden ; echter zijn er anderen, die deze 
formaliteit in de nabijheid van hunne woning vervallen. 



126 « Ons Volksleven. » 

3. Gebruiken bij het bouwen. 

Wanneer een gebouw onder dak is, steekt men gewij den palm 
op de J'/er hoeken der schouwen, opdat het huis zou gezegend zijn 
en bevrijd voor alle ongelukken. (1) 

4. Gebruiken der Visschers. 

Te Blankenberge dragen veel oude visschers nog gordelriemen, 
waarop aan de uiteinden twee zilveren stukken van Maria-Theresia 
genaaid zijn, nagenoeg ter grootte van onze vijffrankstukken. De 
riem dient om hunne broek op te houden ; op het eerste stuk is 
een oog en op het andere een haak gesoldeerd, zoodanig dat de 
twee naast elkander geplaatste stukken tot slot aan den gordel- 
band dienen. 

Men verzekert mij dat dit gebruik zijnen oorsprong heeft in het 
volgende : 

De visschers zijn menigmaal aan schipbreuken en andere geva- 
ren blootgesteld. Wanneer een ongeluk hun op zee overkomt, zijn 
zij dus nooit zonder geld. 

5. Onze-Lieve-Yrouwe-schud-de-panne. 

Maria's Geboorte, die den 8 n September gevierd wordt, dus na 
het inhalen van den oogst, heet te Knocke : On^e-Lieve-Vrouwe- 
schud- de-panne, omdat men alsdan in de meeste huizen koeken 
bakt om het inschuren van den oogst te vieren en dus de pan 
schudt. 

b. SPOTNAMEN. 

De inwoners van Knocke worden Duijzen^eekers geheeten. 

Er woonde te Knocke over een 30-40 jaar een pachter, die drie 
zonen had, waarvan de eene eene opmerkelijke, hoewel tamelijk 
vuile begaafdheid bezat : hij wierp zijn water op verbazenden 
afstand. Zijne faam verspreidde zich weldra in de omstreken, en 
de Kuockenaren kregen den spotnaam, die slechts op een van hen 
toepasselijk was. 

c. RIJMEN. 

Op de vlag der Sint-Sebastiaansgilde van Knocke staat de leus : 



(i) Dit gebruik bestaat ook elders, o. a. in de Antwerpsche Kempen. 

Nota der Redactie. 



« Ons Volksleven. » 127 

" Knocke is hier. » Deze woorden zijn getrokken uit liet volgende 
plaatselijk lied, dat de leden der gilde of andere inwoners zingen, 
wanneer zij feestvieren : 

Vrij van 't Noorden (i), 
Knocke is hier, 
Knocke is hier ; 
Vrij van 't Noorden, 
Knocke is op den zwier ! 

En had er Knocke nie gewist, 

't En had er geen plaizier gewist. 

Vrij van 't Noorden, 

Knocke is hier, 

Knocke is hier; 

Vrij van 't Noorden, 

Knocke is op den zwier! 

d. PLANTEN. 

De blauwe distel, die in de duinen groeit, heet te Knocke 
^ On^e -Vrouw e-distel. ^ Die naam komt ongetwijfeld hiervan- 
daan, dat de plant rond O. L. Vrouw-Hemelvaart begint te bloeien. 

e. STERREKUNDE. 

— Hellewagen is de naam van het gesternte de Groote Beer (2). 

— Een sterrebeeld wordt de Drie Koningen genaamd (3). 

— Een ander gesternte — hetwelk zou ik niet kunnen zeggen — 
wordt de \even martelaars geheeten. Deze zeven martelaars 
ondergingen de marteldood, omdat zij geweigerd hadden verken- 
vleesch te gebruiken, dat een koning hun had bevolen te eten (4). 

— Ziet men eenen regenboog op de zee, dan zegt men dat het 
zeewater langs den eenen kant van den regenboog opklimt en 
langs den anderen kant wegvloeit. 

— Iu de maan staat een man, die eenen bussel doornen op den 
rug heeft. 



(1) Het Noorden van Brugge. 

(2) Ook elders. 

(3) Idem. 

(4) De zeven Machabeesche broeders ? 



128 « Ons Volksleven. » 

f. WEER VOORSPELLING. 

Het gerucht der zeegolven, dat men bij stillen avond in de verte 
hoort, heet hier ^eerot. 

Wanneer het « zeerot » van het Westen komt, dan zegt men 
dat het slecht weder zal zijn; maar wanneer het van 't Oosten 
komt, dan zal het schoon weder zijn. 



g. TOOVERIJ, BIJGELOOF EX SAGEN. 
1. Wonderbare Schepen. 

— Over 30-40 jaar kon men te Knocke het vervloekt schip zien. 
't Was een driemaster, •• Concordia » geheeten, die met roode 
matronen bemand was. 

Op de vier groote feestdagen voer het schip des nachts door de 
duinen, alsof het zich in volle zee bevond. 

Naar het schijnt, zou de " Concordia •• een vaartuig zijn geweest, 
met haver geladen, dat eertijds op de kust van Knocke zou 
gestrand zijn. 

— Eene dergelijke sage wordt ook verteld van een ander schip. 
Een vaartuig van Oostende, een driemaster, waaraan men den 

naam van Osschaart geeft, is een verwenscht schip, dat zijn 
kapitein in brand gestoken had. Het was met goud geladen. De 
kapitein « had genade gevraagd voor hem en niet voor zijne 
bemanning??. (ï) 

Dit schip verschijnt thans nog op de groote feestdagen van het 
jaar en vaart r s middernachts door de duinen. 

Volgens een ander verhaal had het vaartuig in kwestie tegen 
zeven Turksche schepen gestreden. Men geeft zelfs den naam op 
van den kapitein : hij hiet Jan van Jacob en was geboortig van 
Oostende. 

Wanneer dit wonderschip, dat op \ee en in de duinen vaart, op 
zee visschersbooten ontmoet, vraagt het hun of de vangst goed is. 

Zoo men ja antwoordt, dan mag men verzekerd zijn, dat men 
niets meer vangen zal. 

Het spookschip komt uit het Zuid-Westen. 



Ii; Ik versta daardoor (de woorden worden komen letterlijk in de sage voor) 
dat de kapitein gebeden had om gered te worden, zonder zich om zijne 
manschap te bekommeren; dat hij enkel aan zich zelven gedacht had. 



* Ons Volksleven. » 129 

De matrozen waren allen gekwetst geworden in den strijd tegen 
de Turken ; de kapitein alleen had niets geleden. Hij vroeg aan 
God hem te beschermen en verwaarloosde zijne matrozen in zijn 
gebed mede te rekenen; daarom werd hij veroordeeld om eeuwig 
met zijn vaartuig op het land en de zee te dwalen. 

Zijn schip strandde op het zand, zeggen de eenen ; maar volgens 
anderen deed hij het springen. In het eerste geval zou hij zijne 
matrozen tijdens de schipbreuk verlaten hebbeu, en zou al vloe- 
kende en God lasterende vertrokken zijn. 

2. De brandende Keersen uit de zee. 

Een visscher was op zekeren avond aan de zee met eene hengel- 
roede aan 't visschen. Eensklaps zag hij brandende keersen uit 
de zee opstijgen. Hevig verschrikt door die verschijning, stak hij 
de handen uit, maar zie! de lichten kwamen op zijne vingertoppen 
staan. 

3. De wonderbare Visch. 

Een visscher vong op zekeren dag met den angel eenen visch, 
Basloden genaamd (ï). 

Toen de visch op den grond lag, kwamen er kleine vischjes uit 
het lijf hunner moeder ; maar niet zoodra Avilde de visscher ze 
grijpen, of zij kropen terug in den grooten visch, en hij zag ze 
niet meer weder. 

4. Het Menschenhoofd. 

Op zekeren dag wierp de zee te Knocke een menschenhoofd op 
het strand. De kinderen begonnen aanstonds met dit hoofd te 
spelen, dat altijd vanzelf terugkwam op de plaats waar de kleine 
deugnieten het hadden opgeraapt. 

5. Legendarische Oorsprong van « de Haan ». 

(Zeekust, West- Vlaanderen.) 

Over zeer vele jaren hoorden de inboorlingen van die streek bij 
het morgenkrieken het gekraai van eenen haan, dat uit de zee 
scheen te komen. 



(i) Die visch wordt te Heist speelman geheeten ; hij heeft den vorm van 
eenen bas of groote viool; daarom zal men hem te Knocke — althans in deze 
sage — basloden (van bas, speeltuig -j- loden — Lodewijk?) heeten. 



130 «Ons Volksleven. » 

Spoedig lieten zij eene sloep in zee en reddeden de bemanning 
van een schip, dat omgeslagen was en naar de kust dreef. Op dat 
vaartuig stond een haan te kraaien. Vandaar de benaming aan 
die kust gegeven. 

G. De Waterduivel. 

De waterduivels houden hun verblijf in de duinen, de moerassen, 
de beken en het Zwijn; zij schijnen eerst zeer klein en worden 
eensklaps zeer groot. Gewoonlijk hebben ze de gedaante van 
dieren, van konijnen, peerden, menschen zonder hoofd, enz., 
maar hunne oogen, alsook hun kop zijn machtig groot. Er zijn 
groote en kleine waterduivels. 

Zij achtervolgen de boeren, die zich te laat opgehouden hebben ; 
wanneer deze thuis gekomen zijn, ontsteken zij eene gewijde keers 
om de nikkers te verjagen, 

't Is vooral ten tijde van den winter, wanneer de arme lieden 
het hout gaan oprapen, dat de zee op het strand gespoeld heeft, 
dat men de waterduivels ontmoet, die uit de duinen komen en hen 
volgen, terwijl zij de grilligste gedaanten aannemen. 

Een boer kwam op zekeren avond eenen waterduivel tegen, die 
de gedaante had van een peerd ; hij mengde zich onder andere 
peerden en ging den stal binnen. De boer bezigde hem aan zijn 
werk eenen halven dag lang, doch terwijl de boer aan 't middag- 
malen was, verdween de geest en de boer zag hem niet meer weder. 

7. De Duivelsput. 

Te Knocke bestaat een duivelsput, een soort van vijver te mid- 
den van eene kleine weide, waarover men menige sage vertelt. 
In dien put zou, naar het schijnt, eene kerk verzonken zijn (1). 
Wanneer daar des avonds menschen voorbijgingen, steeg eene 
brandende keers (2) uit het water en vergezelde hen. 

Eertijds hoorde men er, op hooge feestdagen, de klokken der 
verzonken kerk luiden. 

Een herbergier uit de omstreken beweert in de nabijheid van 



ii) Vlen zegt dat het eene vervloekte kerk was. Wat verstaat men daardoor? 
Zou het geene hervormde of protestantsche kerk geweest zijn, uit den tijd der 
godsdienstberoerten in de XVle eeuw? 

1 2< Voordat de poel bestond, was die plaats slijkachtig; en er stegen uit 
dit moeras dwaallichten op, hetwelk de sage der keers verklaart. 



* Ons Volksleven. » 131 

den put vier mannen zonder hoofd gezien te hebben, die eene 
doodskist droegen. Meer andere verveerlij ke vertellingen zijn 
nopens dien poel in omloop. 

De overlevering wil ook dat de put zoo diep is, dat men nooit 
den grond heeft kunnen vinden. Ook zou iedereen die in het water 
van den duivelsput zou baden of er bij ongeluk zou invallen, 
terstond naar de diepte getrokken worden en onvermijdelijk ver- 
drinken. 

8. De Grave-Jansdijk. 

Te Knocke is een dijk, die de Grave-Jansdijk genaamd wordt. 
Het werkvolk, dat er aan gearbeid heeft, werd met leêren geld 
betaald. 

9. De helsche Geit, 

Een boer keerde 's avonds vreedzaam huiswaarts, toen eensklaps 
eene geit met bliksemsnelheid tusschen zijne beenen sprong en 
hem bijna den geheelen nacht in een helschen galop medevoerde. 
Zijne beenen waren ganschd oorwond door de takken en de distels, 
die op den weg groeiden. Eindelijk hield zij stil met haren ruiter 
op eene plaats, waar men eene hemelsche muziek hoorde en ver- 
dween. 

10. Tegen Hekserij. 

— Men strooit \out op den dorpel der huisdeuren. (Knocke.) 

— Als men botert, maakt men een kruis over de boterstand, 
opdat zij niet betooverd worde. (ld.) 

— Eertijds wierp men muntstukken in de karn, opdat aan de 

boter geen ongeval zou overkomen. Dit bestaat tegenwoordig niet 

meer. 

11. De spokende Hazen. 

Een wildstrooper, die op den loer lag, zag eensklaps een, twee, 
vervolgens drie hazen. 

* Hij schiet op den eersten en doodt hem ; ook op den tweeden en 
ziet hem pijnlijk mankende voortkrnipen. De derde haas nam de 
vlucht. 

Toen de pensjager naar de plaats ging, waar hij geschoten had, 
om den gedooden haas op te rapen, was deze verdwenen, zoowel 
als de twee andere. Het aardigste van al was dat hij op den grond 
geen het minste spoor van hazenpooten vond. 



132 «Ons Volksleven. » 

12. Een Godslasteraar gestraft. 

Pietje (men geeft ook den familienaam) danste in eene herberg- 
en vloekte gelijk een ketter, toen de pastoor met de berechting 
voorbijkwam, die hij naar eenen zieke droeg. Toen Pietje de 
herberg uittrad, volgde hem de duivel, in de gedaante van eenen 
overgrooten hond, tot aan zijn huis toe. Wanneer Pietje, die in 
den peerdenstal sliep, er binnen wilde gaan, ging de hond met 
open muil op zijne achterpooten voor de deur staan en verdween 
niet, dan nadat Pietje een kruis gemaakt had. Sedert dien is de 
godslasteraar arm en ongelukkig geworden. 

13. Het spokend Konijn. 

Een boer vertelde mij dat hij, langs de duinen van Heist naar 
Knoeke gaande, gedurig op zijnen weg een konijn met een licht zag. 

Deze verschijning vergezelde hem tot aan de spoorhalle van 
Heist, waar zij verdween. 

14. Van den Weg afgeleid. 

Een boer vertelde dat hij langs de duinen van Heist naar Knoeke 
gaande, onderwege eene vrouw ontmoette, die hij zeer goed kende 
en die hem vroeg : - waar gaat gij naartoe? » 

— « Ik ga naar Knoeke. » 

Maar in stede van naar Knoeke te gaan, ging hij naar Klems- 
kerke. Het wijf was eene heks en deed hem verdwalen. 

Iedere maal dat de boer van Knoeke naar Heist wilde gaan en 
deze vrouw oiltmoette, liep hij verloren. 

15. De spokende Nonnen. 

Aan het Kalf (gehucht van Kuocke), zeggen de boeren dat zij 
's avonds dikwijls twee nonnen hebben gezien, die 50 of 60 cen- 
timeters hoog boven den grond zweefden. Als zij de verschijning 
wildon naderen, was deze altijd plotseling verdwenen. 

16. De Nachtmaar. 

Eene maar bereed eens een paard, dat daarna zoo mager werd, 
dat het spoedig aan 't kwijnen viel en kort daarna stierf. 

17. Tooverij. 

Twee boeren gingen zekeren avond naar de zee om er de wrak- 



« Ons Volksleven. » 133 

stukken op te rapen, die de golven op liet strand spoelen. Zij zagen 
zeven tooveraars, die zich veranderden in zeven eksters, zeven 
juffrouwen en zeven katten- 

De zeven juffrouwen raapten het hout' rondom de golfbrekers en 
maakten er stapels van ; en wanneer onze mannen een dezer hout- 
stapels wilden naderen om hem op te nemen, werd het hout 
uiteengeslagen en verstrooid. 

Onderwijl vochten de zeven eksters en de zeven katten en 
schreeuwden om het hardst. 

18. De Rog. 

Op eenige mijlen afstand van Knocke, op Nederlandsen grond- 
gebied gaat de rog door voor eene onreine spijs. Men verzekert 
mij dat de rog om deze reden in geheel Nederland minder geëten 
wordt dan allen anderen visch. 

Men verzekert mij insgelijks dat dit fabeltje eerst uitgegaan is 
van de talrijke Joden die in Nederland wonen, en dezen visch 
niet eten. 

19. De Bieën. 

Men zegt dat in den Kerstnacht, op klokslag van middernacht, 
de bieën in hunne korven beginnen te zingen (ï). 

20. Koeien. 

De zwarte koeien zijn de slechtste; de beste zijn de grijze : zij 
geven meer melk en meer boter. 

('t Vervolgt.) Alfried Haeou. 



(§e herbergen 



i. 

Uithangborden van Herbergen. (Vervolg.) 

Een mijner vrienden vertelt, dat, toen hij ten jare 1880 Hoog- 
straten bezocht, hij daar op een groot ouderwetsch gasthof het 



(i) Algemeen. 

(2) Zie Ons Volksleven, XI, bladz. 18-24 en 80. 



134 « Ons Volksleven. » 

volgende uithangbord ontwaarde : 

In den Houvast wijd vermaard. 
Kom binnen, kameraad. 

Er is nog nat 

Op het vat 
Altoos voor den vrome. 
Die het borgen haat 
En het vechten laat, 
Mag vrij hier binnenkomen. 

— Het volgende bemerkt men op het grondgebied van Wam- 
beek, op de kasseide naar Ternath, niet ver van deze gemeente : 

Ik woon hier aan de Steenstraat, 
Waar eenieder voorbijgaat. 
Wat kan men beter wenschen 
Dan den zegen van God - 
En zijn huis vol menschen? 

— Te O.-L.-V. Waver, aan den tramstilstand, leest men het 
volgende op de herberg : 

Waar kan men zich beter bevinden 
Dan bij Kareltje Verlinden ? 

— Te Hoegaarden bemerkte men op een uithangbord het 
volgende : 

Hier op deze baan 

Mag- men niet blijven staan : 

Laat ons bij Jeuten binnengaan ! 

— Tusschen Sichem en Scherpenheuvel, op eene eenzame 
plaats gelegen, ver van alle andere woningen, trof men over enkele 
jaren eene herberg aan met het volgende uithangbord : 

Ik woon hier gansch alleen 
Met den zegen van den Heer, 
't Bezoek van vreemde menschen, 
Wat kan men beter wenschen ? 

— Te Sempst is eene oude herberg, waar boven de ingangdeur 
een groot uithangbord prijkt, beschilderd met groene boomen 
waartusschen een ruiter zijn peerd stilhoudt. Men leest er op : 

Onder de groene linde 
Sal men den ruyter vinden, 
Tapt men goed bier en W3^n, 
Drinkt maer sonder sat te syn. 



« Ons Volksleven. » 135 

— Te Mechelen, over de Leuvensche vaart, niet ver van den 
Brusselschen steenweg, leest men op het uithangbord van eene 
onlangs geopende herberg : 

In den vijand van de leege pint. 

II. 

Hoe men de Uithangborden vervangt. (Vervolg.) 

« Een enkel klein venster was aan dit huis (de herberg : « in 

)) den Rooden Os ») merkbaar en gaf uitzicht op het dorpsplein; 

» voor allen ingang bemerkte men eene tamelijk lage deur, waar- 

» boven eenige saamgebonden jeneverboomtakjes aan den muur gehecht 

» waren, een teeken, — tot heden toe in Limburg in gebruik — waaraan 

)) men zien kon dat men in dat huis taveerne hield. » (Lod. Janssens, 

Reginald van Valkenburg, II, bladz. 44.) 

J.-F. Vincx. 



De f^undeFs in hei Voll^fgeloof 



1. Koeien en Ossen als godheden vereerd. 

— In Egypte werd de goddelijke eer bewezen aan den os Apis. 
Deze os, het levend symbool van den weidoenden Osiris, was 
zwart van kleur met eene witte, vierkante vlek op het voorhoofd 
en eene witte plek, in den vorm eener halve maan op de zijde. 
Hij werd gevoed te Memphis en in twee tempels verzorgd door 
bijzondere priesters en mocht 25 jaar leven. Alsdan verdronk 
men hem en na prachtige lijkplechtigheden, werd hij gebalsemd 
en in het Serapeum begraven. Zijne dood werd door gansch 
Eg} T pte beweend, totdat men een anderen os Apis vond, hetwelk 
aanleiding gaf tot groote vreugdebedrij ven in geheel het rijk. 

— De eeredienst der koe is langen tijd in Zweden staande ge- 
bleven; het voornaamste voorwerp van den eeredienst van koning 
Eisten of Osten, zoon van Herald Hildestond, die in de VIII e eeuw 
leefde, was eene koe, wier geloei zijne vijanden met schrik had 
geslagen. (Geyer. Hist. de Sucde, 47.) 

— Bij onze voorouders waren de veerzen de geliefkoosde dieren 
van de godin Hertha. 



136 « Ons Volksleven. » 

De koe was haar toegewijd en ontving in verschillende streken 
de goddelijke eerbewijzingen. 

— De Druïden slachtofferden witte stieren, die nog nooit het juk 
hadden gedragen. 

— De Agows, levende aan de bronnen van den Nijl, en de 
naburige bevolking van Xubië rekenen de koeien en de slangen 
onder hunne goden. (James Bruce. Voyage en Xubie, etc. (einde 
der XVIID eeuw), II, j5. 

2. Het Dekken der koeien. 

— Voor het dekken der peerden en koeien, moet men altijd het 
eerste kwartier der maan kiezen. (Prov. Namen.) 

— In de Middeleeuwen hadden eenige eigenaars het recht in 
hunne stallen eenen stier en eenen beer (mannelijk zwijn) te hou- 
den, die de velden mochten doorloopen om er hun voedsel te 
vinden en die in vergelding moesten dienen tot het bespringen der 
koeien en zeugen, zooals blijkt uit eene schenking, in 1194 aan 
de abdij van Steinfeld gedaan. (Lacomblet. Urkundenbuchfiir die 
Ge se kickte des Niederrheins, I, 379.) 

3. Hoe de Koeien onvruchtbaar worden. 

— In natte tijdperken zitten de weiden soms vol slakken ; men 
beweert dat de koeien, door die slakken met het gras in te zwelgen, 
onvruchtbaar worden. (Luxemburg.) 

4. Om het kalven te vergemakkelijken. 

— Men aanroept Sinte-Brigitta om het kalven der koeien te 
vergemakkelijken. (A. Harou. LeFolkl. de Godarville, 21.) 

— Om eene koe bij 't kalven te helpen, geeft men ze ruit (eene 
plant) te eten. (Omstreken van Namen.) 

— Alen vergemakkelijkt het kalven, als men de koe een afkook- 
sel van erwtschelpen opgeeft. (A. Harou, op. cit. , 21.) 

5. Het Geslacht van het toekomstig kalf. 

— Eene bekalfde koe zal eenen stier kalven, wanneer het haar- 
bosje dat zij tusschen de hoornen heeft, rechtstaat; en eene veers, 
als dit haarbosje neerligt. {Quest. de Folkl. watt., n° 226.) 

Hetzelfde gelooven de boeren in de Antwerpsche Kempen. 

— Eene koe zal eene veers werpen, wanneer zij watert bij het 



« Ons Volksleven. » 137 

dekken. In het tegenovergesteld geval, zal zij een en stier ter we- 
reld brengen. (A. Harou. Lc Folkl. de Godarville, 21.) 

— Als eene koe eenen stier werpt bij wassende maan, zal zij 
het volgende jaar eene veers voortbrengen, krachtens de spreuk: 
« Nieuwe maan, nieuwe vrucht. » (ld.) 

Zoo de koe integendeel kalft bij afnemende maan, zal zij het 
volgende jaar een kalf werpen van hetzelfde geslacht : « Oude 
maan, oude vrucht. » (ld., 21.) 

— Te Grand- Han zegt men dat eene koe eenen stier zal wer- 
pen, als de aars fel opgezwollen is; in het tegenovergesteld geval 
zal het eene veers zijn. 

6. Het Kalf bij zijne geboorte. 

— Men steekt zout in den muil van het pasgeboren kalf. (Quest. 
de Folkl. wall., n° 248.) 

— 't Is het gebruik zout en genever in den muil van een kalf te 
steken, dat geboren is; dat heet men een kalf doopen.(A. Harou. 
Le Folklore de Godarville, 21.) 

— Wanneer een kalf geboren wordt met wormen, legt men peper 
en azijn op zijne tong. (Cras-Avernas.) 

7. Het Kalf van zijne moeder gescheiden. 

— Als men te Arleuf (Nièvre) een kalf van zijne moeder scheidt 
om het aan den slachter te verkoopen, draagt men zorg een bosje 
haar van den steert te snijden, dat men in het hooi steekt. Dit 
belet de moeder haar kalf te betreuren en doet haar meer melk 
geven, als men ze melkt. [Revue des Trad. pop., XI, 675.) 

Wij hebben hetzelfde volksgeloof in Belgisch Luxemburg 
ontmoet. 

— Als in het dep. der Sarthe (Frankrijk) een beenhouwer een 
kalf op eene hoeve gaat halen, moet hij het achterwaarts den stal 
doen uitgaan, opdat de moeder minder verdriet zou hebben, 
ofwel een weinig haar van den steert van 't kalf snijden, dit 
haar in een koolblad wikkelen en het blad alzoo aan de koe te 
eten geven. {Revue des Trad. pop., XIV, 383.) 

8. Eene nieuwe Koe in den stal. 

— Wanneer een boer in de omstreken van Sombreffe eene 
nieuwe koe koopt, doet hij ze achterwaarts den stal binnengaan. 



138 « Ons Volksleven. * 

— Te Godarville doet men eene koe of een zwijn dat men ge- 
kocht heeft, achterwaarts in den stal gaan, om de betooveringen 
te weren. (A. Harou. Le Folkl. de Godarville.) 

— Te Neerharen (Limburg) was het over 40 jaar een algemeene 
regel — het gebruik bestaat misschien nog — dat een boer die 
eene koe op de markt of van eenen vreemdeling kocht, het dier 
achterwaarts in den stal deed gaan, om de kwade hand te verwij- 
deren. 

— Hetzelfde gebruik bestaat ook in sommige streken van 
Frankrijk. (Z. Revue des Trad. pop., XI, 675) en in de Ardennen. 

— Wanneer men eene koe kocht, maakte de kooper, zoodra de 
koop gesloten was, met den duim een kruis op de ruggraat van 
het dier. Vele boeren namen eene flesch wijwater om het aange- 
kochte vee te zegenen. (A. Hock. Croyances et Remèdes, etc, 286.) 

9. Koedrek als geneesmiddel. 

— Een Brusselsch dagblad van den 24 Mei 1890, trekt uit een 
zeer aardig boek, dat meer dan 2000 recepten bevat, het volgend 
geneesmiddel : 

De koedrek, met 5oo gram zout in ouden wijn gekookt, is een 
balsem die niet zonder weerde is ; maar men moet zich vooraf 
inwrijven met zalf, samengesteld uit peerde-, katte-, honde-, 
wezel-, egel- en addervet. 

— Om het fijt te genezen, moet men er eene plaaster van koe- 
drek opleggen. (Henegouw.) 

— Om wonden, brand en beten te heelen, legt men er eene 
plaaster op van koedrek. (A. Hock. CEuvres complètes, 53.) 

— Men geneest het fijt en de nagelgaten met er eene plaaster 
van koedrek op te leggen. (Henegouw.) 

— Ver stuiking of verrekking. Warme uitwerpselen der koe. 

— De boeren leggen koedrek op steken, door insekten veroor- 
zaakt; dit is gevaarlijk en verandert die beten in fijt. 

— Om eene kinderlooze vrouw te zien moeder worden, zegt 
Albertus Magnus, moet zij hertshoorn tot poeder gestampt en 
met koedrek vermengd, bij zich dragen. (A. de Cock. Volksgenees- 
kunde in Vlaanderen, 5 o.) 

— Om keelpijn te genezen, legt men er koedrek op, elders goed 



« Ons Volksleven. » 139 

verteerd stalmest met azijn begoten. Ook in Stiermarken bezigt 
men daarvoor « frischen Kuhfladen ». (ld., 147.) 

— Tandpijn heelt men met op de kaak eene plaaster verschen 
koedrek te leggen. (Kempen.) 

— Huidontsteking wordt genezen, als men de huid belegt met 
koedrek. (A. de Cock, op. cit., 248.) 

— In de Antwerpsche Kempen bindt men koedrek op de voe- 
ten om de pokken te genezen. (ld., 258.) 

10. Weilanden. 

— De oude wetten eischten dat iedere soort van vee op afzon- 
derlijke en afgezonderde weilanden graasde, ongetwijfeld om on- 
gevallen te voorkomen : « Hom wüh hom » zeiden de Engelsche 
wetten : « cornutum cum comuto. » 

— In de Ardennen wordt de openbare veehoeder : koewachter, 
zwijnen- of geitenhoeder voor zijnen dienst als volgt betaald : 
ieder bijzondere geeft hem eene gematigde som en voedt en huis- 
vest hem daarboven zooveel dagen als hij hem beesten heeft toe- 
vertrouwd. (Quest. de Folkl. watt., n° i5g6.) 

— Het Frankisch recht van te grazen bestaat nog in het mee- 
rendeel onzer dorpen; het begint den 8 n September. : t Is te dezer 
gelegenheid dat men nog heden het feest der koehoeders viert. Allen 
vergaderen s'avonds en geven muziek, gepaard met zweepgeklets, 
aan de deur van elke hoeve en vervolgens in het dorp vóór de 
kerk. Vóór 1793 werd de eerste serenade gebracht aan den baljuw, 
die den uitvoerders wat drinkgeld gaf . (J. Huyttens. Messager des 
sciences kist., XXVIII, 23i.) 

— In de omstreken van Namen worden de weiden, Sint-Jans- 
weiden geheeten, banweiden (iedereen mag er zijne beesten op laten 
grazen), na de eerste snede, gewoonlijk rond Sint-Jan. 

— Te Branchon (Namen) waren er in de XV e eeuw weiden, 
dienende tot iedereens gebruik, te beginnen met St. Jan, na den 
hooitijd. Iedereen mocht er zijne beesten op laten grazen. (Soc. 
d'Art et d'Hist. du diocese de Liege, II, 196.) 

— In de weiden waar koeien grazen, vindt men altijd plekken, 
waar het gras dikker staat en donkergroen van kleur is. Die plek- 
ken komen voort van de uitwerpsels der koeien. In sommige kan- 
tons van de Ardennen schrijft men die plekken toe aan de heksen, 



140 « Ons Volksleven, r 

die in den maneschijn hunne rondedansen in de weiden komen 
uitvoeren. 

ii. De Koeien op Kerstmis. 

— Wie met Kerstmis, op klokslag van middernacht in den stal 
treedt, vindt de beesten neergeknield zitten, maar hij zou aan- 
stonds doodvallen, of ten minste in den loop van het jaar sterven. 
(Spa.) 

— Op Kerstmis, op klokslag van middernacht, vallen al de 
hoornbeesten in de stallen op hunne knieën. Wie ze in die hou- 
ding zou trachten te zien, zou blind worden. Nochtans zouden zij 
zonder gevaar kunnen gezien worden door iemand die te midder- 
nacht in eenen stal ginge, zonder te vermoeden wat er gaat ge- 
beuren. (Moxseur. Le Folkl.wall., i34-i55.) 

— De koeien die met Kerstmis het gewijde voeder eten (dat 
men in den Kerstnacht vóór de staldeur gelegd heeft), kunnen 
ongestraft des zomers in den natten klaver weiden. (ld., i35.) 

12. De Koeien op Allerzielen. 

De koeien mogen op Allerzielen niet naar de weiden geleid 
worden, omdat de geloovige zielen dien dag op de boomen en in 
de struiken zitten. (A. Harou. Le Folkl. de Godarville, 68.) 

i3. De Wolven en de Koeien. 

In de Ardennen wordt beweerd dat de wolf door zijnen adem 
de koeien en schapen verpest. 

14. Het beste stuk van den os. 

— Op Madagascar is de bult van den os (eene verscheidenheid 
van ossen heeft eenen bult) een keurig stuk en de beleefdheid 
bezigt het als een geliefdkoosd formuul. 

De Malgache zal u zeggen : « Ik wensch u eeuwig eenen ossen- 
bult in den mond. » (Tour du Monde, 1864, II, 210 J 

— In Madagascar hebben de koning en de grooten alleen het 
recht den steert van den os te eten. Het vleesch er van, althans ze- 
kere gedeelten, wordt voor heilig aangezien. (ld., II, 210.) 

i5. Ossenhert en verliefden. 

Om een ontrouwen minnaar te doen terugkeeren, laat men een 
ossenhert braden, steekt er met spelden in en zegt : « Steek, steek, 



«Ons Volksleven. » 141 

ontrouwe, kom tot mij weder. » De ontrouwe voelt de steken en 
keert terug. [W alloma, V, 37.) 

16. Wanneer men geen vleesch moet eten. 

— Om bevrijd te zijn van tandpijn, mag men geen vleesch eten 
op de vier groote feestdagen van het jaar (Kerstmis, O. H. He- 
melvaart, O. L. V. Hemelvaart en Allerheiligen.) (A. Harou. Le 
Folkl. de Godarville, 32.) 

— Geen vleesch eten op Paschen is te Luik voldoende om u 
voor tandpijn te bevrijden. (A. Hock. Croyances et Légendes, etc.) 

17. Voorteekens. 

— Als eene koe nevens u al loeiende voorbijgaat, is dit een 
teeken van vreugde. (Luik.) 

— Komt men koeien tegen, dan zal men goed ontvangen wor- 
den in het huis waar men heengaat; hetzelfde, als men schapen 
ontmoet. (Luik.) 

18. Dieren die aan de koeien zuigen. 

— Oude lieden gelooven dat de naterslangen aan de koeien zui- 
gen, die in het veld staan. (Huypt, Ardennen.) 

— De das zuigt aan de koeien. (Micheroux.) 

— De egel insgelijks. (Overal.) 

— De pad doet dit ook. (Luxemburg.) 

— De geitenmelker (Caprimulgus europceus) heeft ook dien naam. 
(Overal.) 

19. Ziekten van het vee. 

— De koeien worden dik staan, w r anneer zij zomerdraden eten 
(witte draden die in de lucht vliegen of in den herfst op het gras 
hangen en door zekere spinnen voortgebracht worden). (Godar- 
ville.) 

— Opdat zij niet zouden opzwellen, moet men hun met Kerst- 
mis, te middernacht, gedroogden klaver geven. (ld.) 

— De koeien die het voeder eten, dat door den invloed van het 
middernachtelijk uur van Kerstmis gewijd is, mogen des zomers 
ongestraft in den vochtigen klaver weiden. (Quest. de folkl. walL, 
n° 1847.) 

— De mistel- of marentak, die op den eik en andere boomen 



142 « Ons Volksleven. » 

groeit, wordt door sommige boeren beschouwd als een tegengif 
tegen alle vergiften. Men geeft ook een afkooksel van die plant 
aan onvruchtbare koeien, die dan onmiddellijk kalf inkrijgen. 
(Ardennen.) 

— Eene ziekte der koeien bestaat, volgens de boeren, in een 
blaasje, dat zich in 't inwendige en aan 't uiteinde van den steert 
vormt. 

Om dit te verhelpen, snijden de boeren in den steert, halen er 
het blaasje uit en vermaken de wonde. Zoo die operatie niet ge- 
beurde, zeggen zij, de steert zou rotten en afvallen. Dit is niets 
anders dan een vooroordeel. De verz wering die men somtijds aan 
't uiteinde van den steert ziet, komt enkel voort uit gebrek aan 
zuiverheid. 

De Kempische boeren zeggen dat er eene made of een worm 
in den steert zit, en noemen de ziekte de wolf in den steert. 

— Oudtijds bestond een bijgeloovig gebruik, vooral in de heide- 
en dennestreken, waar de voornaamste rijkdom uit kudden be- 
stond : men bediende zich van het vuur om de dieren te reinigen 
en den geest op de vlucht te drijven, die de kudde betooverd had. 

Wanneer eene besmettelijke ziekte onder het vee uitbrak en 
merkelijke verwoestingen aanrichtte, kwamen de boeren bijeen, 
om den geest te verjagen die er de oorzaak van was, en zij noem- 
den dit vuur Noth Feur (noodvuur). Op den aangeduiden dag zet- 
ten zij vóór hunne deuren een komfoor, en ieder huis of pachthof 
was gehouden een bepaald getal brandhouten te leveren, die men 
verplicht was naar eene vooraf overeengekomen plaats te dragen : 
daar sloeg men eenen eikenpaal in den grond; deze paal was door- 
boord en in het gat stak men een houten haspel. Men bestreek 
den paal met vet, opdat hij des te beter zou branden, en rondom 
stapelde men het hout op en stak het in brand. Na deze cere- 
monie namen verscheidenen eenen brander mede naar huis, dien 
zij tot poeder stampten en onder het voedsel der dieren mengden. 
(J. Huyttens. Etudes sur les mceurs, les superstitions et Ie langage de 
nos ancêtres {les Menapiens), 107-108.) 

— Columellus, die rond het jaar 42 na Jesus-Christus leefde, 
zegt dat de ossen, die buik- of darmpijn hebben, onmiddellijk van 
hunne pijn verlost zijn, als zij eene eend zien. (Columellus, cap. 
VII, lib. VI, p. 467.) 



« Ons Volksleven. » 143 

— Cato roemde het gebruik van een versch ei, in ziekten van 
het vee. Dit ei moest gegeven worden door eenen persoon, die 
nuchter was. 

20. Om de koeien te laten purgeeren. 

Op Palmenzondag dompelen de boeren vijf blaadjes gewijden 
palm in den drank der koeien, om ze te laten purgeeren. (Lie- 
brecht, 227-229-239.) 

21. Heiligen tegen de ziekten van het vee aanroepen. 

— Op Sint-Brigitta's dag wonen de landbouwers de mis bij 
die te harer eer opgedragen wordt, om goede koeien te hebben en 
ze te bevrijden van alle ziekten. 

— Te Gerpinnes aanroept men St. Rolande tegen de onvrucht- 
baarheid en de sterfte van het vee. De begankenis heeft plaats op 
den tweeden Sinksendag. 

— Den 6 n Juni is het bedevaart naar St.Gerlachus te Houthem. 
Men gaat er water halen om de beesten te genezen. 

— Te Houthem, bij Maastricht, gaan de boeren gewijde aarde 
halen om het hun vee te doen eten ; hetzelfde bestaat te Haken- 
dover bij Tienen ; te S te Brigitte d'Amay wordt de aarde met 
water vermengd. (A. Hock. Croyances et Remèdes, etc, i3.) 

— Men aanroept S te Pharaïldis tegen de ziekten van het vee, 
alsook om goede boter te hebben, (de Reinsberg. Cal. beige.) 

— De landlieden branden keersen te Scherpenheuvel en gaan 
processiesgewijs rondom de kerk ; zij steken die keersen opnieuw 
aan, als hunne beesten ziek zijn. (A. Hock, op. cit., 455.) 

— Te Dréhan, bij Dinant, aanroept men Sinte-Genoveva voor 
het vee. (ld., 119.) 

— Te Horpael in Haspengouw, vereert men St. Gerlachus voor 
peerden, koeien en schapen. (ld., 125.) 

Te Verlaine gaan de boeren St. Elooi bidden voor de ziekten 
van het vee. (ld., 12S.) 

— In sommige streken van ons land, o. a. te Anderlecht, leidt 
men het ziek vee driemaal rond de kerk. Er zijn bedevaarten voor 
de kalveren, de koeien, enz. 

— Den eersten Zondag in Mei komen de boeren der omstreken 
in menigte naar Amay, om er de mis te hooren ter eere van de 



144 « Ons Volksleven. *» 

H. Brigitta. Zij gaan te zegenen en dragen vervolgens bereide en 
gewijde aarde mede, die in eene groote schotel van geel koper 
ligt, met gedreven boorden. Dit drijfwerk stelt koeien, zwijnen, 
enz. voor. Iedere boerin draagt zorg dit drijfwerk met de hand 
te streelen ten voordeele van hare beesten. De mandjes en zak- 
doeken worden met deze goede aarde gevuld, die men onder het 
voedsel der hoornbeesten mengt. (Hock, 119.) 

— Op den feestdag van Sinte-Brigitta is de heilige in de Sint- 
Remigiuskerk te Hoei uitgesteld met hare kleine zwarte koe, en 
de menigte verdringt zich om de koe te streelen. Degenen die ze 
met de hand niet kunnen bereiken, raken ze aan met het uiteinde 
van hunnen stok. (Quest. (UfoTkl. ivall., n° 1770.) 

22. Voorbehoedmiddelen in de stallen gehangen. 

— Bij de Vlamingen zoowel als bij de Walen, hangt men ge- 
wijden palm in de stallen, om de beesten tegen ziekten en too- 
verij te beschermen. 

— In de provincie Luik, met name te Cras-Avernas,, plakt men 
tegen de stalmuren keersen, op Lichtmisdag gewijd. Dat heet 
men kruisen maken. Men neemt gemeenlijk twee kleine keersen, de 
eene rood en de andere groen, die men kruiselings over elkan- 
der plakt. 

De muren dragen soms wel twintig kruisen, die twintig achter- 
eenvolgende jaren voorstellen, want die kruisen bewaren zeer 
lang. Men koopt die kruisen in de kerk. Ook plaatst men er in 
de huizen, om ze tegen alle ongelukken te bevrijden. 

Die kruisen plakken gemakkelijk aan den muur, daar men den 
kant warm maakt, die tegen den muur moet gehecht worden. 

— De drakenstaak (eene plant), aan eene staldeur gehangen, 
beschermt de beesten tegen kwade bezoekers. (Coremans. Buil. 
de la comm. royale d'hist., VII, 88.) 

— Te Godarville hangt men boven de staldeuren een doorboor- 
den vuursteen. (A. Harou. Le Folkl. de Godarville, 44.) 

Dit bijgeloof bestaat ook in de omstreken van Charleroi. (Docu- 
ments et rapp. de la Soc. pal. et arch. de Charleroi, VI, 466.) 

Men vindt het ook in Schotland. (Ivans. Les dges de la pierre, etc, 
trad. de E. Barbier. Paris, 1878.) 

— Te Angleur (Luik) plaatste men in den koestal, boven den 



« Ons Volksleven. » 145 

kop der koeien, eenen doorboorden vuurkei of twee kruiswijs 
liggende baksteenen, opdat de feeën geen vat op de dieren zouden 
hebben; en, om de heksen te beletten in den stal te komen, 
nagelde men boven de deur eenen aidant (oude munt) van St. 
Lambert, met het kruis naar omlaag. (A. Hock. Croyances et Re- 
mèdes, etc., 285-286.) 

— Wanneer een boer een doorboorden vuursteen vindt, hangt 
hij hem in het midden van zijnen stal. Hij gelooft dat deze steen 
de betooveringen tegenhoudt, die in de gaten van den steen 
blijven en niet het minste kwaad aan de beesten kunnen doen. 
(ld., 264.) 

— Wordt een stal bezocht door eenen geest, die de beesten be- 
let te slapen, aanstonds hangt men boven de koeien eenen steen of 
tichel, die het vermogen heeft de kwelgeesten te verjagen. (Om- 
streken van Gent) (J. Huyttens, op. cit.) 

— Te Stambruges, bij Doornik, raken de boeren met roeden 
het beeld aan van St. Servaas, op den Zondag na het feest van 
den heilige. Zij koopen eene prent, die zij na hunnen terugkeer 
in den stal hangen naast de roede, waarmede zij het beeld des 
heiligen hebben aangeraakt. De roede dient om de zieke beesten 
door aanraking te genezen. (Moxseur. Le Folkl. wall., n° 1772.) 

— In de omstreken van Doornik gelooft men dat de spinnen 
de lucht in de stallen zuiveren. (1) 

('t Vervolgt.) Alfried Harou. 



(1) In een volgend art. spreken wij over de melk en de boter. 

Kinderspelen 

UIT HET 



(Vervolg.) 
3 4 . Geld. 

De meiskens trekken twee « roeden » of « meten » op de speel- 
plaats, zoo een tien stappen vaneen. «Niet zijn, niet zijn! » 



146 «Ons Volksleven. » 

roepen ze allemaal gelijk. Die lest geroepen heeft, mag alleen 
gaan staan op eene der « roeden » ; de overige staan op de andere 
« roede. » Nu roept het meisken dat alleen staat : « waar is 't 
geld? » Hare vriendinnen antwoorden allen gelijk : « Allemaal in 
eenen rooster gesteld ! » En daarmee loopen ze allen om ter 
hardst «over», naar de andere «roe». Zij die alleen stond, 
tracht de overloopers te « pakken » . Daartoe is het voldoende dat 
zij iemand aanraakt. Ze zijn nu allen « overgeloopen »,ter uitzon- 
dering van vier of vijf. Dit zijn nu de « helpers » in het « pakken, n 
Deze roepen dan samen : « Waar is 't geld? Waar is 't geld? » 
« Allemaal in eenen rooster gesteld ? » antwoorden de andere, en 
ze « loopen over. » Zoo gaat het voort, totdat er maar één meisje 
meer te « pakken » blijft; deze zal dan het spel op dezelfde wijze 
als vroeger beginnen. 

35. Henkeien. 
I. Het groot henkelperk. 

Een « henkelperk » maken is voor de kinderen geen lang werk. 
Zij nemen een stoksken en « trekken » eerst den omtrek, dan 
wordt de « moen » gemaakt, daarop volgt een klein beddeken, 
dan een groot, weer een klein, nog een groot, nog een klein ; 
vervolgens de « Helle » en den « Hemel ». Nu eens gezien naar 
den « henkeisteen ». O! 't is een goede. Hij is gemaakt van den 
voet van een gebroken kofhekopken, van een gebroken glas of 
anderszins. « Ik ben de eerste », zegt Jan tegen Emiel. Gewoon- 
lijk zijn er niet meer als twee of drie spelers. Jan staat dicht bij 
de lijn A B en laat den « henkelplekker » in n r i van den « moen » 
vallen. Hij « henkelt binnen — op één been staande — en schupt 
met den rechtervoet den « henkeisteen » uit. « Hij is niet kat ». 
Wanneer zijt ge « kat? » i° Als ge staat; 2° wanneer ge op eene 
meet « tert » ; 3° wanneer de « henkelplekker » op eene meet 
ligt; 4° als ge den steen niet over de lijn A B buitenschupt ; 5° 
als ge een « beddeken » overschiet ; 6° als ge naar een « bedde- 
ken roeit » en er niet inligt. 

Jan roeit nu in n r 2 van den « moen », henkelt binnen en 
schupt den steen buiten, langsover de lijn A B. Nu in n r 3, ver- 
volgens in n r 4, want er mag geen enkel beddeken overge- 
schoten worden. Jan is uit zijn « moen » geraakt en hij is nog 



« Ons Volksleven. » 147 

niet kat. Nu is hij in zijn eerste « kleintjen » en geraakt van daar 
in zijn eerste groot. Maar nu gaat het hem tegen : Hij werpt den 
« henkelplekker » naar 't eerste groot bed(deken), maar hij ligt er 
niet in. Nu is hij « kat » en 't is de beurt van Emiel. Deze is 
zeer gelukkig, want hij geraakt tot in zijn tweede klein « bedde- 
ken. )) Maar daar keert de kans, hij werpt zijnen steen dicht bij 
de « meet » van 't ander « bedde », en nu tracht hij met den punt 
van den schoen den steen eraf te halen, maar integendeel geraakt 
hij er alzoo op en hij is « kat ». Wederom is het de beurt van Jan, 
hij geraakt tot in de « helle », maar daar werpt hij den steen op 
de « meet ». Emiel geraakt tot in den « hemel » ; daar mag hij 
staan en eens rusten. O! wat is hij blij, voorzichtig schupt hij nu 
den steen eerst in de « helle », en vandaar zachtjes door de 
andere « bedden ». Ligt hij ergens dicht tegen eene meet, zacht- 
jes haalt hij den « henkelplekker » er af, en eindelijk geraakt hij 
uit. Hij is de eerste voor het volgende spel. 

Opmerkingen : Zoolang men in den « moen » is, staat men 
voor de lijn A B om den « henkeisteen » in 't beddeken te werpen. 
Eens den « moen » uit, zetten ze zich scherrelings over het 
« kruis )) van den « moen », en werpen vandaar naar de « bedde- 
kens » . 

II. Het gesplitst Henkelperk. 

Hier wordt de « moen » overgeschoten. Men stelt zich scher- 
relings over het « kruis » en « roeit » den « henkeisteen )) in n r i. 
In de richting der pijlkens wordt hij voortgeschupt. Bemerkt het 
v/el, geen enkel bëddeken mag overgeschoten worden, d. i., men 
schupt den steen van n r i in n r 2, dan 3, dan 4, enz. tot het 
einde toe. Men is kat : i°/ Als men één « beddeken » te verre 
schupt; 2 / als de henkelplekker op eene « meet » ligt; 3°/ als hij 
buiten 't beddeken geraakt. In 't voorgaande spel mocht men op 
de « meten » niet trappen, hier wel. Is men niet kat, zoo werpt 
men den steen in n r 2, en volgt den weg hooger beschreven en 
door de pijlkens aangeduid. Vervolgens in n r 3, enz. 

III. Het klein Henkelperk. 

Van in n r 1 schuppen ze den steen in n r 2, vandaar in n r 3, en 
vandaar naar n r 4. Nergens mag men staan noch op de « meet » 



148 « Ons Volksleven. » 

trappen. De steen mag op geene « meet » liggen. Als men in den 
« hemel » is, moet men in eens uitschuppen. 

36. Huksken-springen. 

Zie ZAK OVER 't huis. 

37. Huksken-trekken. 

Dit spel doen meiskens en jongens in den winter op 't ijs, ofwel 
op den besneeuwden grond. Het eene kind zet zich neer op zijn 
« huksken » en pakt met beide handen de vest of het kleed van 
den anderen vast. De « trekker » valt aan 't loopen, baan op, baan 
af, totdat hij moe is. Dan moet de andere hem op zijne beurt 
« voorttrekken ». In plaats van zich aan de kleeren vast te hou- 
den, geven de spelers veelal eikanderen de hand, en zoo kunnen 
er soms twee, drij zijn die den anderen voorttrekken, aan beide 
kanten. 

38. Hulleken-drummen. 

Wanneer het koud is, staan de kinderen op 't schoolhof dikwijls 
in eene « rij » langsheen den muur. Lang staan ze daar niet, 
want daar zijn ze reeds aan « 't drummen » om zich te verwar- 
men. Ze stampen dan « om 't nijgst » van weerskanten. Wie het 
niet kan volhouden, moet achteruit of valt op den grond. 

Te Hamme loopen de kinderen bij koud weder in eenen hoek 
en « drummen » dan tegen eikanderen op. Zij roepen dan gedurig 
(( hulleken drummen » . Op dat geroep komen er gedurig kinderen 
bij. Zij « drummen » zoo totdat ze moe zijn. 

3g. IJsmeulen maken. 

Eenen staak in 't ijs zetten. — Den IJsstoel met een koorde er 
aan vast maken. — Den IJsstoel in gang steken, zoodanig snel 
dat hij geruimen tijd alleen rondrijdt. 

40. IJsstoel-rijden. 

Op het ijs « schaverdijn en » en o schuiven » alsook met den 
« ijsstoel rijden » ziedaar de grootste vermaken die de winter aan 
de knapen kan verschaffen. 

Voorzien van eenen ijsstoel en eene koppel « prekels » trekken 
zij naar 't ijs. De « prekei » is een houten stok van ongeveer eene 
el lengte, waar van onder een puntig ijzer in zit. Ze zetten zich 



« Ons Volksleven. » 149 

op den ijsstoel neder, steken met de beide prekels gelijk in 't ijs 
en dan gaan ze weg. Hoe nijger dat ze steken, hoe nijger dat ze 
vooruitgaan op de gladde baan. Soms ziet men 3, 4 « ijsstoelen » 
gelijk van op een punt vertrekken en « rijden om 't nijgst ». Ge 
moet ze dan eens zien geweld doen en hun « weren » om « voren 
te geraken » . 

Soms wordt de ijsstoel voortgetrokken bij middel van een 
« zeel », en dan krijgt ieder der « trekkers » zijne beurt om op 
den « ijsstoel » te zitten. 

41. Kaarten. 

ft Kaarten » is bij de kinderen weinig in gebruik en daar zijn 
immers verscheidene reden voor : i° Weinige kinderen zijn er mede 
bekend, en 't onbekende maakt 't onbeminde ; 2 het is een spel 
dat veel nadenken en opletten vereischt, nu, de geest eens kinds 
kan zich niet lang met eene en dezelfde zaak bezighouden : het 
wil gedurig verandering en afwisseling ; 3° het kaartspel is eene 
zittende bezigheid, en elk gezond kind is genegen om gedurig in 
gang en beweging te zijn; het moet van 't een naar 't ander, 
loopen en ketsen, springen, dansen en dus weinig zitten. 

Daarom denken wij dat het onnoodig is het « kaartspel » hier 
te beschrijven. 

42. Kaatsen. (Gewoon kaatsspel.) 

Er zijn twee « partijen », elk kiest zelf zijnen man, tegen wien 
hij zal « opgaan ». Gewoonlijk zijn er in iedere partij niet meer 
dan vijf mannen. « Nu gekozen », zegt Frans, « wie er moet 
opgaan ». Hij steekt dan rap eene hand in zijnen zak, trekt ze er 
terug uit, vragende aan Piet : « iet(s) of niet(s), paar of onpaar ». 
« Niet », antwoordt deze. Hij is mis, Frans had een klein papierken 
in zijne hand, en dus is Frans gewonnen, 't Staat dezen nu vrij te 
kiezen wat hij wil, of « hand » of « keer ». Hij neemt « keer » 
't geen van meest allen gekozen wordt. Zijne « partij » mag nu 
de ballen van de andere « partij » « keeren » of terugslaan. De 
anderen moeten de ballen « uitslaan » of « opgeven » . Nu worden 
de « roeden » getrokken. Hoeveel wel? Ten minste vier : De 
roede vanwaar men zal « opslaan » ; degene die aanduidt hoever 
men ten minste moet « uitslaan » en twee « kwaroeden » ; de 



150 « Ons Volksleven. » 

ballen die daarover geslagen zijn, 't zij in 't « uitslaan » 't zij in 
't « keeren », zijn « kwaad ». 

Als al de roeden getrokken zijn, gaat het spel beginnen. Ja, 
maar eerst den bal eens beproefd. Nemen wij dat elke partij be- 
staat uit twee man, die wij voor 't gemak zullen noemen : Piet 
en Jan « zijn op de hand », Frans en Emiel « zijn op keer ». 
Piet speelt tegen Frans, en Jan speelt tegen Emiel. Piet « gaat 
de eerste op » tegen Frans. « Eenen voor den man », roept Piet, 
en hij « slaat » 'nen bal « uit ». Nu is het voor goed. Hij slaat 
uit », nauwelijks eenige voeten over de « roede » en dicht tegen 
Frans. Deze is gereed, hij ziet dat de bal « hem wat te kort is » 
en daarom laat hij hem vallen. Met « den eersten bot » dien de 
bal geeft, slaat hij er op dat hij « achtervliegt », d. i. hij loopt tot 
over de roede, van waar hij « uitgeslagen » is. « Vijftien voor 
ons », roept Frans. « Maar waar stondt gij nu? » vraagt Piet aan 
Jan, « waarom dien bal niet tegengehouden, hij liep tusschen 
uwe beenen weg ». — « Ik zal den naasten keer wel rapper zijn », 
antwoordt Jan. Jan mocht, zoo 't hem mogelijk was, den bal 
« terugslaan », terwijl hij nog in de « vlucht of omhoog was », 
alsook bij den eersten « bot ». Na den eersten « bot » mocht hij 
hem enkel nog « tegenhouden ». Op die plaats zou hij dan een 
meetje trekken, en daar zou dan de eerste « kaats » liggen. Kon 
hij den bal « terugslaan », en werd hij nu insgelijks van de andere 
partij, 't zij in de vlucht, 't zij op den eersten bot « weergekeerd », 
dan moet hij « geteekend » worden, waar hij blijft liggen. Loopt 
of springt hij over de kwade roede, zoo wordt hij geteekend, daar 
waar hij er over liep of sprong. Elke bal die, 't zij in het « kee- 
ren, terugslaan, in 't uitslaan » enz., over de « kwade roede » 
valt, is kwaad, en telt als verlies voor de partij die hem er 
« overslaat » . 

Maar keeren wij terug naar de spelers. 

Frans heeft « vijftien » met den bal « achter » te slaan. Piet 
« slaat » een tweeden bal, deze wordt een weinig « ingeslagen » 
door de « keerders », hij « rolt » eenige stappen in 't spel en 
wordt^daar « geteekend » . Dit is de « eerste kaats » . Piet « slaat 
nog 'nen bal uit o, en deze wordt zeer ver « gekeerd », maar Jan 
« houdt » hem toch nog « intijds in » eer hij « achterloopt », dit 
is de « tweede kaats » . 



« Ons Volksleven. » 151 

Nu veranderen de « partijen ». Piet en zijn gezel mogen « kee- 
ren » en Frans en zijn maat moeten « op de hand ». Daar 
Frans tegen Piet « opging», is het zijne beurt van « uit te slaan ». 
Hij raapt den bal op en roept tegen zijnen gezel : « Opgepast! 
zet u aan de roe ! wij hebben eene slechte en ook eene goede kaats 
liggen, als ge oplet, winnen wij ze alle twee ». Hij « slaat uit n 
en Piet « keert » den bal 't spel « in », en hij loopt voorbij de 
eerste kaats. « Hij is er door! » roept hij, « vijftien gelijk! » 
Wanneer, zult ge mij nu zeggen, « is de bal er door? » Als hij 
door den keerder zoo ver teruggeslagen wordt, dat hij de « kaats » 
voorbijloopt. Geraakt hij zoover niet, dan is de winst voor de 
tegenpartij. Die « op de hand staan », mogen den bal « weer- 
keeren » met de « vlucht » of met den « eersten bot », de andere 
ook nog eens, enz. Nu geslagen naar de tweede kaats. Piet « slaat 
uit », maar, hoe spijtig toch! de bal is « kwaad! » « Dertig om 
vijftien! » roept de andere partij. Nu moeten er weer « twee 
kaatsen » door Piet « gelegd worden ». Indien beide partijen elk 
vijftien, of elk dertig hebben, zoo leggen ze ook twee « kaatsen ». 
Hebben ze ieder « veertig » of, gelijk zij het noemen, « veertig 
gelijk », dan legt men er ook twee. Ingeval er enkel eene partij 
met « veertig staat » , zoo wordt er maar ééne « kaats gelegd » . 

Hoe telt men op? Eerst «vijftien, dan dertig, veertig». Ze 
kunnen ook « vijftien, dertig, en veertig gelijk » hebben, d. w. z. 
de eene kan « vijftien, dertig en veertig » en de andere ook ter- 
zelfdertijd « vijftien, dertig of veertig » hebben. Na « veertig gelijk » 
komt « voorspel » en dan « spelaf ». Indien' beide « partijen » 
« veertig gelijk hebben » en wordt er een bal « kwaad gesla- 
gen )) of « binnengelaten » dan heeft de partij in wier voordeel 
de bal is, « voorspel », en men legt insgelijks alsdan maar eene 
kaats. 

Keeren wij, na dezen uitleg, nog eens terug naar Piet en Frans. 
Wij zagen straks dat de eene vijftien, de andere dertig had, en 
dat Piet twee kaatsen moest leggen. Maar het gaat hem nu alle- 
maal tegen. « Laat hij me daar niet eenen bal binnen ! » Nu heeft 
de andere partij veertig om vijftien, ze hadden immers reeds 
dertig! Piet moet nu slechts eene kaats leggen. » Dit doet hij. 
Frans komt nu weer « op de hand » om « uit te slaan ». Hij slaat 
'nen bal hoog in de lucht, en 't gelukt aan Piet hem zeer ver 't 



152 « Ons Volksleven. » 

spel in te slaan. Maar daar stond de wakkere Emiel, de maat van 
Frans; deze geeft me daar een lap aan den bal, dat hij vliegt tot 
op de beenen van Jan. « Kwaad! kwaad! » roept hij, en 't spel 
is af. « Wij hebben één spel ! » Kan dus een bal nog anders 
« kwaad geslagen worden » dan over de « kwa-roeden » ? Wel 
zeker, 't Gebeurt op de volgende wijzen : i°/ Een « keerder » raakt 
den bal aan, en zijn maat die achter of nevens hem staat, geraakt 
hem ook voor den « tweeden bot » ; 2 / een keerder slaat op den 
bal, maar daarna valt deze op zijnen arm, been, lijf, enz; 3°/ in 
't « heen- en weerkeeren » raakt de bal aan iemands lijf vóór den 
« tweeden bot » — de bal mag enkel de hand raken. 

Een bal « kwaadgeslegen » door eene partij, telt als winst voor 
de andere, die dan vijftien of tien vooruitgaat, volgens het getal 
dat ze reeds bereikte. 

Keeren wij terug naar de beide partijen. Frans heeft zijn « spel 
gewonnen ». Nu is het de beurt van Emiel, — den maat van 
Frans, — om « op te gaan » . Dezelfde manier van spelen wordt 
gevolgd gelijk de eerste maal. Laat de « opgever » eenen bal 
« binnen », of « slaat » hij eenen « kwaad », dat telt op voor de 
andere partij. Slaan de keerders eenen bal achter, 't is tien of 
vijftien meer voor hen, enz. Als er « kaatsen » liggen, moeten de 
« keerders », om deze te winnen, den bal voorbij de kaats doen 
loopen, anders is zij voor de « tegenpartij » en men telt weer met 
vijftien of tien op, enz. 

Elke « man » krijgt zoo zijne beurt van op te gaan. 

('t Vervolgt.) P. van den Broeck en Am. d'Hooghe. 



« Ons Volksleven. » 153 

PLAATSBESCHRIJVING 

DER 

STRATEN VAN ANTWERPEN EN OMTREK 



KAMMENSTRAAT 

Niets is zoo ongerijmd, zoó aanstootelijk, als de ver- 
bastering van sommige straatnamen, niet zoozeer door 
eene onbehendige vertaling in 't Fransch, als door 
eene verkneede spelling in 't Vlaamsch. Op deze ma- 
nier heeft o. a. de Cammer- of Kammet straat haren oor- 
spronkelijken naam verloren. Deze naam beteekent 
brouwer en herinnert dat er in die straat verschillende 
brouwerijen bestonden, met name den Spiegel, deLelij, 
den Sleutel, de Sterre, het Sw eert. (i) 

Het Historisch onderzoek, dat in 1825-28 met dit doel 
werd vervaardigd, stelde, in wat de Kammenstraat be- 
treft, het behoud voor van Kamvierstraet en deze be- 
naming werd destijds door het Schepencollege aange- 
nomen en voorgeschreven. 

Tot in i3i4, was langs dien kant de stad nog door 
de Gillis Sanders' vest (de huidige Lombaardevest) en 
de Steenhouwersvest bespoeld. (2) 

De Cammerstrate bestond aanvankelijk uit dat ge- 
deelte van onze Oude Koornmarkt, dat aan het gast- 
hof de Spiegel en het dein W aelhemstraetken (het Zwaluw- 
straatje !) begint en tot aan de Hage-oï Reinier f van der 
Eist) steghe (de Reindersstraat!) strekt ; verder liep zij 
tot aan de Cammet -poort, die zich stadwaarts bij de hoo- 



(1) Historisch onderzoek enz. bl. 83. 

(2) Naar aanleiding hiervan, gelieve men het jaartal 1410 te veranderen, het- 
welk in de inleiding tot het kapittel der korte Gasthuisstraat bij misslag voor- 
komt. 



154 « Ons Volksleven, r 

gergenoemde vesten bevond. Deze poort, in 1467 door 
Jan van Ranst aan de stad geschonken, werd eerst in 
i5i8 afgebroken. (1) Langs genen kant der vestings- 
gracht, welken men, natuurlijk over eene brug, be- 
reikte, heette het dan ook : buten Cammerpoorte, eene 
benaming, die jaren lang en alvast tot na het afbreken 
der poort in zwang bleef bij het beschrijven der eigen- 
dommen. Alen bezigde ze bijgevolg in 1374, toen het 
Charterboek werd opgesteld, en men gaf toen ook nog 
den naam van Cortc Cammerstrate aan het zoo even 
vermelde gedeelte van de Oude Koornmarkt. 

Buiten de « Cam merpoort » liep de Kammenstraat 
tot aan de Brcede Beggijnenstraet, de kleine Markt en 
het Vlamingsveld ; zelfs vindt men stukken, waarin de 
beide laatstgemelde straten — zelfs de S^Antonius- 
straat — onder de benaming van Cammerstrate voorko- 
men, alhoewel soms met bijvoeging van V tamingsvelt 
of Gansevelt en Schuttersput wederzijds. 

In het Charterboek is dus onze Kammenstraat te 
vinden onder verschillende rubrieken. 

F° HIJ. — Ane de corenmarct ter cammer porten toe, en(de) wed (er) 
neve(n) den kerchof ter cortstrate toe (1). 

Item sija scepenë lrën van .ij. antw(er)pschen scilden metten 
.iiij. leeuwê gheteekent tsiaers erflec, dene helft altoes te kers. en 
dand(er)e helft te S. Jans misse, die h' Claus van Ympegheem en 
Laureins van Aerscot priest(er)en , al se testamëtore van h' Janne 
Vrymanne priest(er) verlijdden int jaer ons h(er)en .M.CCC. eiï 
XC. datse de vors. h' Jan Vryma in sinë testamëte den heilegh. 
in aelmoesenë gaf en bewijsde uten .vj. antw(er)pschë scilden die 
hi erflec hadde en houdende was op huys, hof en gront met allen 



(1) Mertens en Torfs. Gesch. van Antw. D. IV, bl. 107. 

(2) De hierop volgende tekst is het vervolg van hetgene onder dezelfde 
rubriek op de bladen iiij [ad sinistram) geboekt staet. 



« Ons Volksleven. » 155 

sinê toebehoerten in de camerst(ra)te ghestaë opten hoec vand(er) 
haghe steghë (i) naest Wille(m) Eycmans herb(er)ghe, daer 
Heinrijc Rutgheer d'oud(er)e nu in woent. En daer toe .ij. camerë 
met hove, gronde en allen horë toebehoertë daer achter in de 
haghe steghe ghestaen naest der vors. stede, daer broeder Heinrijc 
de smoutslagh(er)e nu in woent. Behoudelec altoes dien dat 
broed(er) Heinrijc vors. sine tocht en bilevinghe ane dese .ij. 
camerê behoudë sal oft also langhe als hi daer in wonë wille en 
niet langh(er)e. En voert es te wetene dat de vors. testamëtore 
den p(ri)ncipalen brief (2) vandë .vj. antw(er)pschê scilden vors. 
daer Jan vand(er) Heyde de brouw(er)e de vors. stede mede 
terve nam jeghen den vors. h' Janne Yrymane ond(er) den heilegh. 
gheleecht hebben (3), toet dier meyninghë datmë dien brief andrë 
p(er)sonë, steden en gods huysen daer h' Jan Vryma vors. dan- 
d(er)e .iiij. antw(er)psche scilde beset heeft en gheghevë, te goede 
sal laten worden om hore renten mede te ghecrighene al sijs te 
doene hebben. En dese principale brief hout in van .xj. antwerp- 
schen scilden daert Jan vand(er) Heyden vors. op t(er)ve nam eiï 
op .iij. vla. grö. Maer des v(er)storvend(er) .ij. met den vors. 
h' Janne Yrymanne, en dand(er)e .iij. heeft Heinrijc Rutgheer 
vors. af ghequijt ieghen den vors. h' Janne Yrymane daer hi 
scepen lrën af heeft. Nu Claus Bollaert. Nu Jan Dijc. 

De twee laatste aanteekeningen zijn van de XY e 
eeuw. Het lijdt geenen twijfel, of het artikel werd in 
i3go of kort daarna opgesteld, wat overigens door 
't geschrift zelve bewezen is. Wij hebben gezien dat 
de priester Jan Yryman de H.-Geesttafel begiftigde 
met twee Antwerpsche schilden met de vier leeuwen getee- 
kend,van elf alzulke schilden die hij op dit huis bezat. 
Ik verhaast mij te zeggen dat het gelegen was op den 



(1) Op den hoek van de Reindersstraat. Z. hierboven onder Hoogstraat. 

(2) Deze brief was gedagteekend 21 Maart i362'63. (R. B. 653. bl. 38.) 

(3) D. w. z. aan de H. -Geestmeesters hebben toevertrouwd, met de voor- 
waarde, zooals verder het opstel uitwijst, dat zij den schepenbrief ten dienste 
der medebegiftigde personen, stichtingen en godshuizen moesten stellen, 
wanneer deze hem tot het in voorderen hunner renten zouden noodig hebben. 



156 « Ons Volksleven. » 

zuiderhoek der Reindersstraat en het Vereken genaamd 
werd (i). Priester Vryman liet vier andere schilden 
tot onderscheidene godvruchtige werken en, van de vijf 
schilden die er nog over bleven, « verstierven » er 
twee met hem ; de drie overige werden afgelegd door 
Hendrik Rutgheer. Tot daar ons artikel. 

Het legaat kwam den H. -Geestmeesters in handen 
den i5 en December i3go (2). De inventarissen van de 
godshuizen d'Infirmerije en Blauwbroeders vermelden 
op denzelfden datum hunne wederzijdsche legaten van 
eenen Antwerpsehen schild. De laatstgemelde inventaris 
noemt het huis 't Zwynken, en leert bovendien dat het 
godshuis Blauwbroers eerst na den dood van Alida van 
den Lare in bezit zijner rente zou treden. Al de aan- 
gehaalde schepenbrieven zijn nog in wezen, doch be- 
vatten verder niets merkwaardigs. 

Het Rentboek van 1403 van het S te -Elisabethgast- 
huis, spreekt als volgt over dezes cijnsen op eigendom- 
men op of omtrent den hoek van de Kammen- en 
Reindersstraten : 

F° 5v°. — « Her Jan vander Heyden up siin stede en{dé) huns ghele- 
ghenin de camfmjerstraete up den horic van der haghe steghen naest Louwer 
van Ar se ot .VI. s. cheins. » 

F° 9. — a De vrouwe Coevoels up haer stede en(de) huns en(de) was 
Jans 's Voghels gheleghen in de Cam(m)erstrate up den horic van der 
paddegracht naest Godevfaerjt 'sMaerscalxs stede .XIII. s. payments 
en(de) .1. hoen. » 

« Godevert de maerscalc up siin stede en(de) huus gheleghen in de 
cam{m)erstrate en(de) was Pi eter 's Cupers tusschen der vrouwen Coevoets 
stede an deen side en(de) Willem Eychmans stede an dander side .V . s. 
.VI. d. payments en^de). I. hoen. » 



(1) Inv. 1627, nr 122. 

(2) Rentboek, nr 653, bl. 38. 



« Ons Volksleven. » 157 

In i557 behoorde het huis aan Cornelis de Ram, 
in i582 aan Melchior Verbruggen, (i) In 1627, vond ik 
er Godfried Rysheuvels ; in 1677, Lambrecht Martin ; 
in 1697, dezes erfgenamen en in 1733, Peter van Her- 
bruggen. (2) 

F° XXX. — Cammer strate. Everdey st{ra)te. En(de) de veste ten 
gasthuys steegh(er)e (3). 

Item .vij. andwerpsche scilde tsiaers daer scepenë lrën af sijn, 
dene helft te ghevene te kersavonde en dandë helft te sente Jans 
misse, also langhe als Peter van Berghen leven sal en niet lan- 
gh(er)e,dieWoutre vanden Broeke den heileghen gheest gaf op een 
huys in de camerstrate ghestaen, tusschen Jans Smeeds hu} r s en 
Jans huys van Wesenbeke, daer nu in woent Heine de Maech de 
Jonghe, de backere (1374). En Peter van Berghen staif int jaer 
ons hen .M.CCC. en LXXY. doe v(er)starf dese rente met hem. 

De post is doorgehaald. Wat de ligging van dezen 
eigendom betreft, het moet niet verre van de Sterre 
geweest zijn, waarvan het volgende artikel spreekt. In 
beide vindt men Jan Smeets of Smeeds (Smits?) ge- 
noemd. 

(F° XXX.) — Item es te wetene dat na Amelb(er)ghë Blancs lijf 
Jans wijf was vandë Dame, toecomë sal de heilighë gheest ent(er) 
kerke va Ons(er) vrouwe ond(er) hë beide evëghelijc neghene chijs 
guldene tsiaers arfelaec blivës ghelts (4), deë helft te kers. en 
dand. helft tot S. Jans misse, vand(er) helft va ene huse dat ghe- 
staë es in die Camerstrate, datmë heet die Sterre, tusschë Jan 
Spaels huys in deë side eiï Jan Gheraerds huys in dand(ere) side; 
welc vors. halve huijs Jan vandë Dame dë heilighë gheest enter 
kerke in aelmossenë gaf, streecs te hebbene na Amelb(er)ghë sijns 
wijfs lijf eiï niet eer ; welc vors. halve huijs de heilighë gheestmees- 



(1) Inv. nr 934. bl. 16. 

(2) Inv. en liggers van die jaren. 

(3) De vest loopende naar de Gasthuissteeg, namelijk Gillis Sanders' rest. 

(4) D. \v. z. onkwijtbaar, volgens den inhoud der schepenbiïeven. 



158 « Ons Volksleven, r 

t(er)s en de kercmeest(er)s uut gheghevë hebbë terve Pet(er)en 
van Biervliet (i) ome de vors. neghë chys guldene blivës ghelts 
also vors. es met alsulk(er) vorw(ar)dë, dat Peter vors. twee der 
vorseid. guldene af sal moeten quitë te kers. int jaer van .XCVIIJ. 
efkë guldë met .XVI. der vorseid. guldene en met v(er)schenë 
chise, en als de heiligh. meest(er)s ente kercmeest(er)s dat ghelt 
ötfaë hebbë, so sullë si d. vors. Amelb(er)ghë ghevë te hare live 
elcs jaers twee guldene të t(e)rmine dat si te v(er)schinë pleghë 
en als Amelberch va live ter doot comë es, so sullë de heiligh. 
meest(er)s ente kercmeest(er)s na d(er) vors. quiti(n)ghë die and. 
vij. guldene ghemeë ontfaë të t(er)minë dat si te v(er)schine ple- 
ghë, ghelijc als scepenë lrën va alle sake wel verclarë (1396). En 
dese vors. Amelberch Blancs, Jans wijf vandë Damme sterf int 
jaer M.CCCC en X. Alsoe dat de voirs. vij. gulden ghemeijne toe- 
behoren den heiligh. en der fabriken van Ons. Vrouwen, half 
en half op te heffene ten t(er)minen datse verschillen. Hier af en 
heft de heiligegeest nu m(aer) iij gul. want weder in handë comë 
es gel. scepefi lrën dat wel verclae(re)n d(ae)rmede dat vutgegeven 
es (2). X T u Jan Truydensoen. 

Het gekende huis « de Sterre » (3) behoorde omtrent 
het einde der XIV e eeuw aan Jan vanden Damme en 
Amelberga Blancs, zijne echtgenoote. De eerstge- 
noemde schonk de helft van dien eigendom aan de 
H. -Geesttaf el en aan de kerk van O. L. Vrouwe, zoo 
nochtans dat zijne weduwe daarvan het vruchtgebruik 
behield. 

't Was om die reden dat de Sterre den ig en October 
i3g6 niet kon vercijnsd worden, tenzij mits het optre- 
den van de drie gerechtigde partijen, waartusschen de 
H. -Geestmeesters voor den naakten eigendom van de 
helft van het huis voorkwamen. 



(1) Den igen October i3g6. 

(2) Schepenbrief van den 2oen Augustus 141 5, 

(3) Heden nr* 39-41. 



« Ons Volksleven. » 159 

Op dien datum werd het huis « terve gegeven » aan 
Pieter van Biervliet, voor 18 gulden Hallinge, waarvan 
de H. -Geestmeesters en de Kerkmeesters hunne se- 
zamenlijke helft aan Amelberga Blancs moesten 
afstaan haar leven gedurende. 

Ziehier hoe het paart van de H. -Geestkamer op 
3 1/2 chijnsgulden verviel. 

Pieter van Biervliet moest binnen het jaar 2 gulden 
aan penning 16 afleggen, in handen van Amelberga 
Blancs en op korting van hare rente. Het jaar daarop, 
moest hij andermaal 2 gulden afleggen in handen van 
de H. -Geestmeesters en de Kerkmeesters, insgelijks 
op korting van hunne gezamenlijke helft, doch deze 
moesten daarvoor eene j aarlij ksche lijf rent van 2 
chijnsgulden bezetten ten voordeele van de weduwe 
Van den Damme, op de goederen van den H. -Geest 
en van de Fabriek. 

Van Biervliet mocht tot 8 gulden toe afleggen, 
maar niet minder dan éénen gulden per keer, inder- 
voege dat telkens het kapitaal van den H. -Geest en 
van O.-L.-Vrouwekerk ten voordeele van Amelberga 
zou bezet worden. (1) 

Vermits er nu, zooals het Charterboek zegt, 7 chijns- 
gulden overschoten langs den kant der begiftigden, 
zoo moet Van Biervliet zich stipt aan zijne acte van 
i3g6 gedragen en in 't geheel het kapitaal van 4 gul- 
den afgelegd hebben. 

Hoe die rente op 3 chijnsgulden (1 gulden 16 stui- 
vers Brab.) verviel, heb ik niet gevonden. Op 20 Au- 
gustus 1415 gaf men het huis in erfpacht, mits 12 



(1) Copyen . f° 45. 



160 «Ons Volksleven. » 

chijnsgulden, aan Herman de Lichte, bijgenaamd de 
Wisseleer. Alsdan stond zekere Peeter Bernier vóór 
de schepenbank, als aandeelhebber van de helft die 
aan Amelberga Blancs had toebehoord. Toen waren 
de naaste buren van de Sterre : Jan Scatz en de weduwe 
Jan Smeets (i). 

Herman de Lichte of zijne nakomelingen moesten 
binnen de vier eerstkomende jaren 4 chijnsgulden 
afleggen, en zijn broer, Jan de Lichte, priester, stelde 
zich borg daarvoor. Deze verbintenis moet niet nage- 
leefd zijn geweest. Inderdaad, wat de H. -Geestkamer 
betreft, haar chijns is dezelfde gebleven tot in de 
XVII I e eeuw. Hij werd betaald, voor zooveel ik heb 
kunnen vinden : in i528, door Jan de Cammeren 
« weerd in de Star » ; in i557, door de erfgenamen 
Willem Courtois; in i63o, door de wed e Courtois. In 
1697, maakte Frans Van Dyck plaats voor de wed e 
Karel Van Dyck, welke in 1710 door Kasper de Helt 
wordt vervangen. Dan komt Corn. van Hesbeens tot 
in 1733; vervolgens zekeren Collin tot in de jaren 5o 
van de afgeloopen eeuw. 

(F° XXX.) — Item het sijn scepenen letteren van .ij. ouden 
groeten tsiaers erfelec op een huys eiï hof ghestaen eiï gheleghë 
inde kammer strate bi des gorters putte dat men heet de meerle 
die Kateline 's kersmakers Jan Gheeroncs wijf daer op gaf ver- 
schinende alle jare te kersavonde. D(aer) nu den enghel vuthangt. 
Nu Peter van Zoersele schoemake(r). 

Deze post is doorgehaald. Zij opgemerkt dat de «gor- 
ters- of schuttersput » op de Kleinmarkt gelegen was, 
weshalve, gelijk alreeds is aangemerkt, de benaming 
van Cannner strate niet volstrekt de huidige Kammen- 



(1) Vglk. hierboven onder fa XXX, eerste artikel. 



« Ons Volksleven. » 161 

straat bedoelde. Vermits het artikel geen bijzonder 
aanbelang heeft, vergde het geene nadere opsporingen. 
Dient nog opgemerkt, dat het tweede huis naast de 
Oudaanstraat, stadwaarts, in de Kammenstraat, den 
Blauwen Engel heette. 

(F° XXX) — Item .iiij. s. oud(er)e grote tsiaers erflec daer 
scepenë lrën af sijn dene helft te ghevene te Kersavonde en 
dand(er)e helft te Sente Jans misse, die Ghijsbrecht Bracke ën 
Marie sijn wijf den heilighë gheest in aelmoesenë gave (i) ghe- 
lijc dat ond(er) de coepoert strate oec v(er)claert staet, en bewijs- 
dense te hefïene op de helft ter stratë waert vore vandëhoec huyse 
m(etten) g(ro)nde, butë de camer porte ane de side te sente jans 
portë waert ghestaen, daer meester Rombout de maerscalc in 
woent en ene smisse vore staende heeft (i375). En dat nu Coppen 
de Maech de back(er)e v(er)creghen heeft. En na hem Peter 
Louman de back(er)e. En nu Mechiel die Kemelere back(er)e. 

Item int iaer .M.CCCC. en X. Soe bewijsde Wouter Clemmë 
den heilighengh. iaerlycs te hefïene op dit voirs. huis .ij. guldene 
hallinge ten terminen voirs. die de selve Wouter Clemmen plach 
jaerlicxs te ghevene vander huijsingë gheheeten den brnijne(n) baert 
ën die hi vormaels daer op ieghen die heiligheest(meester)en terve 
nam. En nu Sijmoen de Huek(er)e backere. Heet nu de Moeien 
(XVIe). 

Dit artikel toovert ons waarlijk den hoek van de 
Kammenstraat en van de Steenhouwersvest voor den 
geest (veronderstellende dat de eerstgenoemde straat 
nog niet door de Nationalestraat doorgesneden zij). 
Rekening houdende van hetgene aan 't hoofd van dit 
kapittel is gezegd, staan wij in i368 binnen de nieuwe 
stadsomheining, alhoewel « buyten de Cammerpoorte » . 
Op den zuidwesterhoek, bij de oude vest, is meester 
Rombout's smidse gelegen en hij smeedt daar, vóór de 
deur zijner woning, In de XI V e eeuw kwam daar een 



(i) Op 12 Maart i368 f 69. Inv.. 1.540, n? 119. 



162 «Ons Volksleven. » 

bakker wonen. Deze nering werd er voortgezet tot in 
de jaren 20 der XV e eeuw. 

In 1540 heette deze eigendom de Molen, en het daar- 
van gescheiden gedeelte, op de Steenhouwersvest, 
was genaamd de Bonte Coe. 

De cijns werd feitelijk op de Bonte Coe geheven ; des- 
niettemin bleef hij wettelijk verschuldigd op de Molen 
en zoodoende onder de rubriek Cammerstrate geboekt. 

De inventaris van 1627 verplaatst hem niettemin, 
onder n r 34, naar de Steenhouwersvest : « drij gulde- 
nen, tweelff stuyvers erfflyck geheven wordende op 
een huys nu twee wooninghen zynde, genaempt de 
Bonte Coe, gestaen op de Steenhouwersveste achter 
thoeckhuys gen. den Meulen inde Cammerstrate 
gestaen, daeraff dit huys is gespleten » enz. 

Het doortrekken der voormalige Boeksteeg, nu de 
Xationalestraat, heeft op den even beschreven hoek 
der Kammenstraat de twee huizen, bijgevolg den 
Meiden en de bonte Koe, doen sloopen. 

(F° XXX). — Item De helft van ene huyse, hove efi gronde met 
sinë toebehortê inde camer strate ghestaë naest der oudanë 
inwaert (1) sond(er) i ij huyse diere tusschë staen, dat Yde vandë 
Hoghe(n)huys, Gielijs Roeden wijf was, den heileghë gheest in 
horë testamëte in aelmoesenë gaf en daer hi Gielijs en si 
tsamene in te wonë plaghë, ghelijc dat vore on (der) de keyser 
strate wel v(er)claert staet (2). Also dat de heylegheest sine helft 
vandë vors. huyse, bi rade vandë scepenë, terve ute ghegevë 
heeft Michiele Scutë den metsere op .ij. oude scilde tsiaers, dene 
helft te gevene te kers. eiï dand(er)e helft te s' Jans misse (3). En 
hi moet ghelden allen andren chijs dier meer ute gaet ghelijc dat 

(i) Stadwaarts (?). 

(2) Ten gevolge der indeeling die ik aan 't Charterboek gegeven heb, komt 
de Keizersiraat natuurlijk verder. 

(3) Erfgeving van den 2^ in Louwmand i386 87. Inv. 1540, nr i38. 



« Ons Volksleven. » 163 

scepenê lrën dier af sijn wel verclaren. Ende vaert so sal de vors. 
Michiel ene vandë .ij. ouden scilden vors. binnê ene iare na 
s' Jans dach baptisten in midden somere int jaer .LXXXV. (i) 
moeten bewisen op ene andren goeden pant binnê der vriheit 
van Antvverpë gheleghë daers de heilegh. wel ane versekert sal 
sijn of waert dat hi dat also niet en dade, so heeft hi ghelooft op 
hem selvë en op al sijn goet dat hi dan sond(er) ver tree ene vandë 
.ij. oude scilden vors. af sal moeten quite met .xv. der vors. 
oud(er)e scilde. En metter rente na davenant dat hi verlopen sal 
sijn. En Michiel vors. heeft desen enë ouden scilt vors. af ghe- 
quijt ghelijc dat vorscrevë es. Also dat de heilgh. maer enë ouden 
scilt tsiaers erflec daer op en behout ghelijc dat een and(er) son- 
deriinghe brief (2), die van desen 1 ouden scilde verlijt wert int 
jaer .M.CCC. en LXXXVI. wel in hout. En den andrë brief 
vanden .ij. guldenë vors. es ghecanseleert (3) en te niente ghe- 
daen. En nu Jan die Cupere, Woyts sone. En nu Merten die 
tijmerman. Nu Lenaert. Xu B(er)telmeeus ... smit (XVI e ). 

Dit artikel betreft het huis de Roode Swaen, ofschoon 
het enkel luidt : « naest den oudanen inwaert, sonder 
iij huyse diere tusschen staen ». Te beginnen aan de 
Oudaanstraat, had men de volgende huizen : het 
Papegaeyken, den Blauwen Engel, de Gulden Cordewagen, 
den Haenkensganck, den Rooden Haen, waarna de Roode - 
Swaen volgde, heden het n r 97 (?). Sinds S* Jansdag 
i63o, werd de cijns betaald door de PP. Augustij- 
nen (4). 

(F° XXX). — Item Jacop de Vos, mets(er)e van sinë huyse by 
Gielys Zanders xiij s. gr. erflic,half kerss. en Joh, na inhoudt der 
br(ieven) (XV e ). 

Soortgelijke artikeltjes vooral de doorgehaalde, heb 
ik meestal daargelaten. Het bovenstaande spreekt van 



(1) i385. 

(2) Een afzonderlijke brief. 

(3) D. w. z. geschrapt of doorgehaald. 

(4) Inv. nr 934, bl. 11, R. B. nr 653, bl. 27 en inv. van 1627 n*^!.. 



164 « Ons Volksleven, r 

Gillis Sanders, naar wiens naam de Gilles Sandersvest 
werd gedoopt (?) 

Het volgende artikel, dat in 1468 doorgehaald werd, 
vestigt de aandacht op eene gift aan de H.Geesttafel. 

(F° XXX). — Item upt huys geheeten de Roeze inde Camer- 
strate, iij s. gr. erflic, half te kerss. en half Joh. die Mathys Pari- 
daens d'oude gaf na inhoudt der Scepën brieve. Nu Jan van 
Yorspoele mets(er)e. Afgequyt ano lxviij (i) te kerss(avonde). 

Op dit huis de Roos, heden het n r 79, betaalden de 
PP. Augustijnen, sedert 1668, eenen cijns van 12 stui- 
vers aan het godshuis Blauw Broeders. 

Een schepenbrief van den 6 en Augustus i386, ra- 
kende deze bezetting, meldt als volgt de ligging van 
de Roos : « in(de) Cammerstrate tusschen sherWillems 
huys van der Clincken aen dene zide en(de) Claus 
Lam(mens) soens huys ane dand(er)e zide ». De stich- 
ting kwam van « Claus Reynere Jans van Hoboken 
die men heet Claes de boghemakere ». 

(F u XXX). — Item een loeve die der tanen toecomë is van vrou- 
wen Betkens die inde p(ro)vende starf, geit tsiaers in hueren ij 
£. xvj s. gr. Daer gaen vute ij chysgulden den erfgenamen 
van Ribelyoeyen. Dit verstarf int jaer M. CCCC en LVIJ. 
Dit is verwisselt jegens de taflë sheylichs (geests) van Sinte 
Jorys voe(r) tsestendeel vandes heylichs gheests huyse, geheeten 
't hof vanden Werve. Anno LXIIJ (2), XXV dage in meye. 

Deze eigendom verviel aan de H. Geesttafel krach- 
tens een reglement van 1434, hetweLk o. a. voorschreef 
dat de H. Geesttafel erfgenaam was van de personen 
die zij in hun leven onderhouden had. 

(F° XXX). — Item opte Lelye inde Camerstrate, nu Claus 
Smit, xx s. gr. erflic, te Kerss. en Joh. (XV e ). 



(1) In 1468. 

(2) Ik denk 1468. 



« Ons Volksleven. » 165 

Eene raadselachtige aanteekening, maar die stof 
opleverde tot wetenswaardige ophelderingen. 

Den n en Maart 1423/24 vercijnsden de H. Geest- 
meesters, Gielis Willemssone en Laureis Mussche — 
of « gaven t'erve » — aan Peter vanden Wouwere, die 
men heette Peter Claus, om 2 pond grooten 's jaars : 
« de helft van eender huysingen met hove, gronde en- 
(de) metter stallinge(n) van achter tot vore en(de) met 
al datter toebehoirt, geheeten de Lelye, gestaen inde 
Camerstrate tusschen de huysinge geheeten den 
Beyaert aen deen zide en(de) Jans vanden Woude erve 
in dander zide, gelijc dat der selver tafelen toecomen 
en(de) bleven is van Magrieten vanden Steene . 

« Voerd soe geloifde de vors. Peter noch voer hem 
en(de) voer siin nacomelinge van nu voirdane eeuwe- 
lic duerende dat zy betalen zullen al alsulken chijs 
als mij Joffr. 's Coninx jae(r)lix heffende is op drie 
cameren gestaen in d'Ev(er)dey strate die der selver 
tafelen toebehoren en(de) bleven siin van Margrieten 
vanden Steene vors. ». 

« Ende o(m)me dat de vors. tafele van harer vors. 
erfrenten te bat verzekert ende gehouden soude siin 
tallen dagen, soe heeft de vors. Peter totter vors. hal- 
ver huijsinge die hi bove(n) terve genome(n) heeft ver- 
bonden en(de) te pan de geset d' ander helft vander helft 
vander vors. hitysinge(n) met harer toebehoirten », enz. (1) 

Peter van den Wouwer, alias Claus, verkreeg op 
die manier den geheelen eigendom, de Lelie, dien hij 
tot dusverre slechts voor de helft bezat. 



(1) De oorkonde in de verzameling Toog O. -L.- Vrouwe. Verder R. B. X r 653, 
bl. 3i en inv. 1540, n r i3o6. 



166 « Ons Volksleven. « 

Wat den cijns betreft, welken P. vanden Wouwer 
te betalen kreeg, op drie « cameren » in d'Everdey- 
straat, ziehier deszelfs oorsprong. Ten jare 1421, 
den 2 en October, werden die panden belast met 4 
schellingen Brabandsch, door Hendrik van Borsele 
en Maria van Coelne (1), zijne vrouw, ten voordeele 
van Peter van der Steene. Deze stelden hun huis te 
pand, gelegen in d'Ever-dystraat, tusschen Jan vanden 
Morter en Aerd Luyten (2). 

Hieruit ontstaat een dubbel vermoeden : ofwel, de 
« cameren » in quaestie waren reeds in 1424 aan het 
huis de Lelie gebracht, toen P. van den Wouwer het- 
zelve kocht; ofwel, hij zelf breidde op die manier 
zijnen eigendom uit. Wat hiervan zij, de inventaris 
van 1627, onder n r i36, brengt alles overeen in dezer 
voege : cc vier guldenen (3) sestien stuyvers (4) erflyc, 
daeraf de vier guldenen grontchys zyn, geheven wor- 
dende opde huysinghe genaempt de Lelie, inde Cam- 
merstate gestaen, d(aer)aff bevonden is, ierst eenen 
brieff gedateert den tweeden Octobris XIIIJ C eenen- 
twintich, daermede Henricke van Borsele ende zyn 
wyff bekent hebben schuldich te zyn Peteren vanden 
Steene, elcx jaers, vier schellinghen grooten brabants, 
op een huys inde Everdeystrate nu totte voors. huy- 
singhe de Lelie geappliceert. Ende noch eenen brieff 
gedateert den elffsten meerte xiiij c dryentwintich, 
daerby de proviseuren der voors. tafele terve gegeven 



(1) ld. van Colen, van Ceulen en van Keulen. 

(2) Verzameling- als hierboven. Inv. 1040, nr 1092. 

(3) Het overblijvende pond Brabandsch van de twee pond op de Lelie, waar- 
over de sehepenbrief handelt van 11 Maart 142324. Het eene pond werd 
afgekvveten in 1328. 

(4) Beloop van den cijns van 4 schell. Brab. op de « cameren » der Everdy- 
straat. 



« Ons Volksleven. » 167 

hebben Peeter vanden Wouwer diemen heet Peter 
Claus de helft vande voors. huysinghe de Lelie omme 
twee ponden brabants erfflyck, daeraff een pont bra- 
bants erfflyc gequeten is enz... 

De Lelie draagt heden het n r 67 (1). In 1404, kwa- 
men er de wethouders den vastenavondtoer zien voor- 
bijtrekken, zooals zij jaarlijks deden in eene of andere 
voorname herberg, alwaar zij te dier gelegenheid 
ondereen een ferm gelag sloegen (2). 

In i55y vond ik als eigenaars de erfgenamen van de 
wed e Adriaan Geertssen; in i632-35, Jan Hersselm; 
in i63q-i658, Paul du Pont alias Pontius, den beroem- 
den plaatsnijder; in 1669, Guill. Bogaerts ; tot in 1684, 
dezes weduwe; van i685 tot 1717, Jan Geerincx; dan 
Elisabeth Geerincx; in 1734, de wed e Veven. 

(F° XXX). — Item Willem vander Me(r)e vanden vogelhuyse 
opte veste (3) acht(er) de moeien (4) xx s. gr. erflic, kerss. en 
Jöh. 

Zou dit artikeltje niet bij misslag met bl. 3o van R. 
B. n r 653 in verband zijn gebracht? Althans ik vind 
er zoo weinig betrekking in met hetgene uit dit ver- 
band voortvloeit. 

In alle geval, men leest op bl. 3o van gemeld boek : 
« xx s. brabants erffelyck onquytbaer heft den heyli- 
gengeest op een huys gestaen inde Cammerstrate ge- 
naempt de vier hemskinderen, verschynende jaerlycx 
Sint Jansmisse, daeromme Gielis Willemssone ende 
Laureys Mussche als proviseurs der tafelen des voirs. 



(1) A. Thys, Historiek enz., bl. 404. 

(2) Mertens en Torfs, D. III, bl. 471 

(3) De Gillis Sanders- of Lombaardevest (?) 

(4) Welke Molen : een huis aldus geheeten (z. b. v. onder fo XXX hierboven), 
of een windmolen staande bij de veste ? 



168 « Ons Volksleven. » 

heyligeests tvoors. hu}^s terve gegeven hebben Peete- 
ren vanden Wouwere diemen hiet Peeter Claus, vol- 
gende de brieven gepasseert voor schepenen van Ant- 
werpen op den ii Meerte anno 1423 (1). De oorspron- 
kelijke schepenbrief (2) is vergezeld van eenen anderen 
betreffende den oorsprong en de ligging van het huis 
de Vier Hemskinderen (3) .Die brief luidt, dat den 5 en 
Maart i38i 82, de H. Geestmeesters, Laurens Noker- 
boom en Andries van den Moere, te zamen met Goris 
van Halmale, namens de kerkmeesters, aan Peter van 
Biervliet, Arnoud's zoon, verkochten : 

cc Een huys metten hove, gronde en(de) met al dat- 
ter toe hoert, dat wilen was broeder Jans van Wezele, 
ghestaen opten hoec vander everdeystraten en(de) met 
tween Came(re)n d^e daertoe hoeren achterwaertstrec- 

ke(n)de inde everdeystrate vors 

o(m)me drie scellinghe ende) sesse pe(n)ninghe oude(r) 
grote tornoy van munten tsconinghs van Vrankerike 
goet en(de) custbaer, eenen goeden guldenen pe(n)ninc 
gheheeten ouden scilt goet van goude en(de) swaer van 
ghewichte voer sestiene der vors. ouder grote ghere- 
kent, oft de weerde daer afin goeden ande(re)n ghelde 
jaerliker ende erfliker renten 

« Daer toe soe geloefden de voirs. Peeter en(de) Ma- 
griete siin wijf dat zy en(de) hore nacomelinghe jaer- 
lecx ghelden zelen en(de) betalen die dertiene oude 
enghelsche en(de) twee capoene die her Jan Daen, 
priester, van lantchise opt vors. huys en(de) cameire'n 



(1) In 1424 volgens onze tijdrekening. 

(2) Verzameling Toog 0. L. Vrouwe. Ook inv. 1540 nr 171, meldende «x s. 
erf. op een huys gest aenj inde Ca(m)merstr., noest de Lelie. » 

(3) Zelfde verzameling. Ook nr 170 van den im'entaris van 1540, alwaar op 
den rand bijgeschreven staat : « nu 4 gl. op de 4 hemskinderen. » 



« Ons Volksleven. » 169 

houdende es, sonder mindernisse oft afslaen vanden 
vors. drien scellingen en(de) sesse pe(n)ningen ouder 

grooten tornoy tsiaers 

« Maer het es vorwaerde en(de) ondersproken dat Kat- 
line van Wesele hare levedaghe lanc en(de) niet lan- 
ghere behouden sal de vors. twee came(re)n in te 
woenne en(de) in te wesene. Ende dat oec de selve 
Peter en(de) Magriete siin wijf oft hore nacomelinghe 
af selen moeten lossen en(de) quiten binnen drien 
jaeren nu naest toecomende achtiene der vors. ouder 
grote tsiaers erfliker renten in mindernissen vanden 
vors. drien scellinghen en(de) sesse pe(n)ninghe(n) 
ouder grot. tornoy. tsiaers erfliker renten, eiken pe(n)- 
ninc daer af met veertienen pe(n)ninghen der munten 
vors. » enz. 

Tot slot, bewijst ons de inventaris van 1627, dat wij 
dezen eigendom nauwkeurig in oogenschouw namen, 
want die inventaris zegt, bij n r 5i : « vier guldenen oft 
twintich schell. brabants op eene huysinghe met- 
ten toebehoorten genaempt de vier hemskinderen ge- 
staen inde Cammerstrate ende uutcomende inde 
Everdeystrate, d(aer)aff bevonden zyn twee Schepen - 
brieven deser stadt, den eenen gedateert den vyfden 
Meerte xiij c tachentich ende een, daermede Laureys 
Nokerboom en(de) Andries vanden Moere, als provi- 
seurs vander voors. tafele mette kerckmeesters der 
voors. kercke terve gegeven hebben Peeter van Bier- 
vliet, een huys metten hove, gestaen opden hoeck 
vande Everdeystrate ende met twee cameren die daer- 
toe hooren achterwestw T aerts streckende inde Everdey- 
strate voors. omme enz 



170 « Ons Volksleven. » 

den anderen brief! in date den xj n Meerte a° xiiij c 
dryentwintich, inhoudende erffgevin(ghe) gedaen byde 
proviseurs der voors. tafele aen Peeter vanden Wou- 
were diemen heet Peeter Claus vande helft van eene 
huysinghe metten hove gestaen inde Cammerstrate 
neffens de huysinghe geheeten de Lelie, omme thien 
schellinghen grooten b rs erflyc » enz. 

Hoe schoon rijzen hier de oude stad, hare huizen en 
inwoners voor de verbeelding op ! 

(F° XXX). — Item syn scepën brieve van xx s. gr. erflic opt 
huys geheeten den Scriftorys dat Aven Tol toetebehoren plach 
en van haer d(er) tanen bleven is, v(er)schinë half te kerssavonde 
en half tsinte Jansmisse. 

(F° XXX). — Item x s. gr. erflyc op twee huysinghen neffens 
een gestaen inde Ca(m)merstrate neffens den Scriftorys, verschy- 
nende jaerlyx deen helft Sinte Jansdage baptistë ende dander 
helft te kerssavonde ende syn gecomen van Janne van Tichelt 
tenghiet(er). 

Het huis de Scriftorys, ook genaemd de Schryf koker, 
waarvan hier sprake is, stond naast de Sterre, gaande 
naar d'Everdijstraat (i). 



(i) Opteekening uit de Oude Wijkbocktn. Stadsarchief. 

('t Vervolgt.) Edm. Geudens. 




• 



« Ons Volksleven. » 17 j 

Kinderrijmen en Kinderspelen uit Vlaanderen 

(Vervolg) 

Kinderspelen. 

i. 
De kinderen dansen hand aan hand in de ronde onder het 
zingen van : 

Blauwe, blauwe blomme, 

Als ik zaai. 

Als ik maai, 
Juffrouw e, keer u omme. 
Achterwie hedde da' liekske geleerd? (i) 

Van Jantje. 
Jantje was maar zeven jaar, 

Zeven jaar is omme, 

Klits, klets, omme, 

Dat zal zijn 

Rozemarijn, 
Dat zal (hier den naam van een kind) zijn. 

Het aangeduide kind moet zich omkeeren, en het spel herbe- 
gint, totdat al de kinderen omgekeerd zijn, en dan begint men 
opnieuw. (Maldeghem.) 

2 . 

Een groot meisje neemt eene lange reke kleine, kleine kinde- 
ren bij de hand, en stapt vooruit onder het zingen van : 

Lange, lange reke, 

Potjes, kanneke(n)s breke(n). 

Morgen achternoene 

Komt de vette kapoene ; 
Komt ze niet, 
Ze komt van g'heel de weke niet. 

De brugge die is gebrokAen 
We zullen ze maken met stokken, 

De stokken zijn te kleene, 
We zullen ze maken met steene(n), 

De steene(n) zijn te groot, 
We zullen ze maken met roggestroo* 1 

Rolleke, rolleke toebak. 

Bij dit leste woord hurken al de kinderen zich neder en na 
eene wijle beginnen zij opnieuw. (ld.) 



i) Van wie hebt gij dat liedje geleerd 



172 « Ons Volksleven. » 

3. 

De kinderen zetten zich met paren en kruisen hunne armen 
overeen, en doen de beweging van den zager : 
Haver maaien, 
Boek(w)eit zaaien, 
Ga(r)s trekken, 
Paling stekAen, 
Snik, snoek, snorium. 

4- 
Bij het pikkelen (met de pikkels spelen) zingen de meisjes : 
Hijster de klijster, 
De brobbeldewijster, 
Het eerste gebots, 
Het tweede gezots, 
Het derde pispot, 
Het vierde pallematijn, (?) 
Het vijfde heere \va(t) blieft 'r u, 
Het zesde Anneke bid, 
Het zevende aan, 

Het achtste uit, ,__ 77 . 

(Maldeghem.) 

Wanneer de kinderen in de ronde staan en één hunner met 
een zakdoek rondloopt : 

Hoep, den hoep, den ezele. 
Mijn ar^ms zijn zoo lang. 
Wa(t) gaan w'hem geven t'eten, 
Geheel de weke lang. 

Hooi en strooi, 

Peerdemachooi, 
Mijn ezelken wil niet voortgaan, 

Hoep zei den ezele, 

Hoe, hoe, hoe ! C^-) 

6. 

Wanneer de kleine meisjes in de koord springen, zingen zij de 

volgende rijmpjes : 

Toerderon, toerderon 
Je neus is krom. 
Magemet is, 
Magemet is, 
Magemet is drie ! 

(Oostende.) 



« Ons Volksleven. » 173 

Wat die « magemet » mag bedieden, is niet te achterhalen ge- 
weest. 

7- 
Ik heb verloren 
Mijne broek in de school, (bis) 

(Oostende.) 
8. 

Ik heb een groene beier (i) in mijn hand, 

Aan wie zal ik dat geven? 
Aan degene die voor mij staat, 

Ik zal ze presenteeren. 
Waar is mijn speelgoed gegaan ? 

Xaar de weide, (bis) 
En kust diegene, die voor mij staat, 
Die recht naar zijne plaatse gaat. (/" •) 



(i) Bezie. 



Jonas van den Zeekant. 

' lii ii^ ^ ^ ^ ^ ^ l±^ i±i i^ ^ iii ^ ^ l±i ^ ^ ^ ^ lii ^ ^ 



2. (241.) Van « hard zetten ». 

Het is lang geleden. De Turken verwoestten en vernielden hier 
alles wat zij tegenkwamen. Door geen enkel dorp trokken zij heen, 
of zij vermoordden er de inwoners, plunderden de huizen en wan- 
neer in deze laatste niets meer te vinden was, staken zij ze in 
brand, zoodat van het bloeiendste dorp, bij hun vertrek niets meer 
dan rookende puinen overbleven. 

Vele dorpen hadden zij reeds dit akelig lot doen ondergaan, 
toen zij te Opwijk aanrukten ; maar de pastoor van dit dorp wist 
van hunne komst en hij deed, zoo spoedig mogelijk als hij maar 
kon, al de strijdbare mannen van het heele dorp bijeenkomen; 
ook bevool hij hun al de wapens die zij bezaten, mede te brengen. 

Wanneer zij allen vergaderd waren « zette hij hen hard », zoo- 
danig dat hen noch zweerd, noch lood kon kwetsen. 

Nog maar pas was dit gedaan, of de Turken waren daar. De 
Opwijkenaren, die nu geene vrees moesten hebben, begonnen er 
op te schieten, dat hooren en zien verging. Hoe groot was echter 



174 «Ons Volksleven. » 

hunne verwondering! Hoe hevig zij ook schoten, niet een Turk 
viel neder! Geen wonder : die mannen, waren evenals zij, « hard 
gezet n. 

De pastoor zag dit, en hij deed zich met den grootsten spoed 
eene schotel tarwebloem brengen ; hij wijdde die, en bevool voor- 
aleer te schieten, de kogels daarin te dompelen. 

Dit werd gedaan, en van dien oogenblik schoten ze door de 
Turken, alsof deze van boter waren geweest. Nadat zij zoo eenen 
tijd gevuurd hadden, was het leger der Turken zoodanig gekrom- 
pen, dat er maar eenige meer overbleven. Alsdan riep hun bevel- 
hebber uit : " Mannen, laat ons vluchten, want het volk van den 
botten toren (1) gaat meer dan met den duivel om ! » 

Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen en vluchtten heen, 
zooveel zij maar konden. De Opwijkenaren achtervolgden hen en 
doodden er nog menige. 

De Turken bleven bijna allen dood en van de Opwijkenaren 
had niet een enkele de minste schram bekomen. 

Sindsdien, zoo zegt men, heeft Opwijk nooit iets meer van de 
Turken te lijden gehad (2). K. A. V. H. 



(1) De toren der kerk van Opwijk heeft eene korte stompe spits. 

(2) Verg. die sage met Iets over Soldatenbijgeloof, blz. iog-n3 van den loopen- 
den jrg. 

De Duitschers heeten de kunst van « hard te zetten » festmachen. J. C. 

De Dponl^ens(jhap in de Öoll^staal 

(Vervolg.) 

Doenighaid = toestand van dronken zijn in lichten graad; 
Oost/r. dünigheid, dünskheid. Onder anderen heeft men nog de 
volgende uitdrukkingen voor verschillende graden van dronken- 
schap : stom-, stik-, stoapel bezopen; sikkel; storm 
in de muts; snee in 't oor; stok in de kraag; scheet 
in de neuze; drai-, jui-, snor-, brom-, stok (of: 
stuk) in; wai-, steek-, streep-, tik-, reep •, scheuve 1-, 
stevel an; plak lood op kop, 'n plakje; half zeuven 



« Ons Volksleven. » 175 

(ook Oostfr .) ; anschoten; hom sproken hebben; an- 
stoken wezen; 't lood hebben; de pei vol hebben, 
enz. Voor: dronkaard: zoepen as 'n kreupel, ook : — as 'n 
kertau (bij Harreb. Hij is zoo dronken als eene kartouw); an 
de borrel wezen = an drank (aan den drank) ; 't is 'n 
putter; — 'n dranksteern; — 'n oustj ebitter ; 'n 
sjaskebruier, enz. = een zuiper. 

(H. Molema. Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de ig c eeuw, 
blz. 80.) J. C. 



VOLKSGEBRUIKEN 



Boekweit dorschen. 

Over een veertigtal jaren zaaiden de boeren nog veel boekweit, 
zoodat men vier of A'ijf namiddagen standvastig met zessen moest 
dorschen. Daarbij hadden verschillige gebruiken plaats. 

Xu wordt er bijna geene meer gezaaid en zijn die gebruiken 
natuurlijk ook verdwenen. 

Op de laatste kar boekweit, die de voerman naar de schuur 
bracht, stak men eenen grooten tak of « mei ». Gewoonlijk was 
het eenen elzen, dit beduidde dat men 's avonds moest koeken 
bakken van boekweitbloem, doch was het een « rijzelaren » of 
berken, dan verlangde men rijstpap. De kinderen die boven op 
de boekweitkar hadden plaats genomen, zongen het volgende 
liedje, het schokken der kar nabootsende : 

Koekeloeren haan, 

De leste boekweitkar komt daar al aan, 

Om naar huis te gaan, 

't Avond zullen we koeken bakken 

En morgen is 't gedaan. 

Gelijk er gezegd is, dorschte men gewoonlijk met zes man. De 
persoon die laatst zijnen vlegel op de laatste omgeworpen « brei ;> 
had liggen, was « pedden ». Men nam dan ook goed aandacht, 
want niemand was dit geerne, bijzonder de jongelingen niet, 
omdat daar den geheelen avond mede gegekt werd. Nochtans 



176 « Ons Volksleven. * 

was er iets aan vast. Voor den « pedden » werd een afzon- 
derlijke koek gebakken, drij vier koeken dik, en dien mocht hij 
mede naar huis nemen voor vrouw en kinderen. Doch wat de 
« pedden » zich ook moest laten welgevallen, in dien koek werd 
de vod gebakken, waarmede men geheel den avond de pan had 
gesmeerd. 

't Was stillekens aan donker geworden, alles was in de schuur 
gedaan en men zette zich aan 't avondmaal. Dat het er luidruch- 
tig toeging, hoeft bijna niet gezegd. Rondborstige vroolijkheid in 
eer en deugd, was altijd het kenmerk van den Kempischen boer. 
Eerst at men « koekweik ». Dat was koek van boekweitbloem, 
welke in stukken gesneden en met zoetemelksaus overgoten, in 
eene groote schotel werd opgediend. Nadat men zich daaraan 
had te goed gedaan, at men nog zooveel pannekoek met honig of 
siroop overgoten, als men lustte. 

Xa het Rozenkransgebed gebeden en een pijpje gerookt te 
hebben, ging het werkvolk welgemoed naar rmis. 

[H eist- op -den-B erg.) Frans Zand. 

Volksliedsi^ii 



Het Soldaatje van Weenen. 

i. 

En al in de stad van Weenen, al in die schoone stad, 
Waar duizenden soldaatjes plezieren hebben gehad, 
Daar woonde een soldaatje, soldaatje in het hjn 
En die ging deserteeren om bij zijn lief te zijn. 

2. 
Soldaat ging deserteeren, deserteeren van zijn post : 
De Wet heeft hem gevangen en naar 't prison gebrocht. 

— « Soldaatje, gij moet sterven, ja, sterven, ja, de dood : 
» Voor u is geen genade, voor u is geen pardon ! » 

3. 
Het meisje ging naar den koning : « Och ! laat mijn soldaatje vrij, 
» 't Is een goede kameraadje, een beste vriend van mij. » 

— « 'k Wil geven u vier raadsels, zei de koning, vier raadsels fijn, 
» En zoo gij die kunt raden, soldaat zal bij u zijn. )) 



« Ons Volksleven. » 177 

4- 
« Ze^ mij, wat is een koning-, een koning zonder land? 
« Zeg mij, wat is een water, een water zonder zand ? 
« Zeg mij, wat is een spiegel, een spiegel zonder glas ? 
« Zeg mij, wat is een sleutel, die op alle sloten past ? » 



— « Een koning in een kaartspel is een koning zonder land 
» En de tranen uit zijn oogen zijn water zonder zand ; 
» En een hertje vol van liefde is een spiegel zonder glas ; 
» En het geld is de sleutel, die op alle sloten past. » 



't Soldaatje kreeg genade, 't soldaatje kreeg pardon. 
Omdat zijn mooie meisje die raadsels raden kon. 
En nu gaan zij samen trouwen, ja, trouwen voor de Wet : 
Vindt gij dat mooie meisjen en 't soldaatje nu niet net ? 
(Sint-Antonius.) t q 

Leugenlied. 



Daar waren twee vlooien 
In 't broek aan 't hooien, 

Ei, dat gaf mij wonder! 
Datdie vlooien 
Zóo kosten hooien. 

Ei, dat gaf mij wonder ! 



Daar waren twee luizen 
Het kind aan 't pluizen, 

Ei, dat gaf mij wonder ! 
Dat die luizen 
Zóo kosten pluizen, 

Ei, dat gaf mij wonder! 



Daar waren twee slekken 
De schuur aan 't plekken, 

Ei, dat gaf mij wonder ! 
Dat die slekken 
Zóo kosten plekken, 

Ei, dat gaf mij wonder! 



178 « Ons Volksleven. » 

4- 
Daar waren twee vorschen 
In de schuur aan 't dorsenen, 

Ei, dat gaf mij wonder ! 
Dat die vorschen 
Zóo kosten dorschen, 

Ei, dat gaf mij wonder ! 

5. 

Daar waren twee vliegen 
Het kind aan 't wiegen, 

Ei, dat gaf mij wonder ! 
Dat die vliegen 
Zóo kosten wiegen, 

Ei, dat gaf mij wonder ! 



Daar waren twee beren 
Het huis aan 't keren, 

Ei, dat gaf mij wonder ! 
Dat die beren 
Zóo kosten keren, 

Ei, dat gaf mij wonder! 
(Westerloo en omstreken.) A. L. Duprez. 



Eene Jroeue uan Oostendsch Idioticon 



De woorden in deze Proeve vervat, zijn bij onze wete, nog in geen enkel 
Idioticon te vinden, zelfs De Bo gewaagt er niet van in zijn nochtans zoo 
uitgebreid West-Ylaamsch Idioticon, tenzij voor enkele woorden, over 
welke beteekenis wij het met hem niet eens zijn. 

Bechten, komt van buchten (zie Schuermans, bl. 83 en De Bo, 
I, bl. 170) met klankverandering. Buchten wordt in het Oostendsch 
als belichten (met korten ^//-klank) uitgesproken; van dien korten 
£«-klank is de korte e- klank gekomen. Bechten beteekent iemand 
bedriegen, het is het Antwerpsen kullen. 

Beuterschuïte of Butterschutte, beteekent vlinder (papilion). 
Elders schoenlapper , zomervogel, enz. 



« 0n6 Volksleven. » 171» 

Bult wordt zeer eigenaardig gebruikt in : zijnen buil uitsteken, 
voor : hard werken. 

Dok, klanknabootsend woord voor stoot of stamp. Het vvw. 
is dokken = pijnlijk slaan. Schuermans geeft : tokken, slaan, klop- 
pen; mijn herte dokt; ook : genaken, raken. Dit is echter onvol- 
doende. De Bo komt er dichter bij, daar hij het stamwoord dok 
door coup vertaalt. 

Gelf = geel, en staat als gel uw in Schuermans, bl. 146 en als 
geehi', ge luw, gelw in De Bo, I, bl. 3o6. 

Huizekotje. Een spel waarbij de kinderen onder hen het huis- 
houden nadoen; in Antw. : kokeneten, of met de pottekens spelen. 
Staat als huizekot (waarvan huizekotje) in De Bo, I, bl. 3g3, doch 
met de beteekenis van het Fr. cel luie. 

Katijen. Eene katij is een steenen, aarden en wissen rug, die 
zich van op het strand tot in de zee uitstrekt om de golven te 
breken. VI. : golfbreker ; Fr. : brise-lames De Bo geeft katei, waar- 
door hij echter met zich zelven niet overeenstemt, daar hij ook 
schijnt aan te nemen dat er verwantschap moet bestaan tusschen 
katij en het Hollandsche hadijk (kaaidijk). 

Kegge, bij Schuermans en De Bo een soort van ploeg, is te 
Oostende een van de reis teruggebrachte zeebeschuit, die dan 
met boter besmeerd wordt. (Zie Ons Volksleven, io c jg. bl. 112.J 

Lieze. Lieze van hooren zijn zegt men voor : goed hooren. Lieze 
komt hier waarschijnlijk van het Duitsche letfe = zacht, of van 
het Oudduitsch li|"o. Schuermans vermeldt (bl. 338) liesde of lies 
zijn = hjnhoorig zijn, en (bl. 341) lijs, soms lies uitgesproken = 
zacht. Dit leste eveneens bij De Bo, I, 58g, die ook lijzig gehoor 
vermeldt. 

Lifboot, d. i. de boot, waarmede de mannen van den besten- 
digen reddingsdienst de in nood verkeerende sloepen of schepen 
ter hulpe snellen. Het is het Engelsche life-boat, met Oostend- 
schen tongval (ij =i). VI. : reddingsboot. 

Massepaaie. De visschers zeilen jaarlijks verscheidene malen 
de Noordzee in : bij eiken terugkeer wordt de opbrengst van den 
visch in drij deelen verdeeld, het eerste voor den reeder. het 
tweede voor de mas (la masse, evenals bij de soldaten), en het 
derde is de zuivere winst der schippers, de paaie (la paie). Wan- 
neer zij echter van hunne reis terugkeeren rond Paschen — het 



180 «Ons Volksleven. » 

visschersjaar begint en eindigt met Paschen, en dan zijn al de 
sloepen binnen — ontvangen zij niet alleen hunne paaie, maar 
ook het overschietende van de mas. Massepaaie is dus de mas en 
de paaie (la masse et la paie). 

Seenappel, het Antwerspsche appelsien met verplaatsing van 
lettergreep en klankverwisseling. 

Strand wordt eigenaardig en zeer schilderachtig gebruikt in : 
Op strand liggen, d. i. in grooten nood verkeeren of reddeloos 
verloren zijn. 

Uitzeiliën (= uitzeilen). De spreekwijze : Ik kan dit niet blijven 
uitzeilïèn, klinkt zeer schilderachtig voor : Ik kan zulke uitgaven 
niet blijven volhouden. 

Vin wordt heel eigenaardig gebruikt in de volgende spreekwij- 
zen : Alles aan de vinnen hangen = te veel geld aan kleederen beste- 
den ; ik wil met dat volk niet achter de vinnen (= achter mij) hopen; 
vuile vin = vuile vrouw. 

Wei-je. Gewestelijke uitdrukking van weet gij ; wordt gebruikt 
in den zin van het Antwerpsche zulle. Het voornaamwoord je 
voor ge of gij wordt te Oostende algemeen gebruikt. 

Jonas van den Zeekant. 

^ragen en (Aanteekeningen 



6. (148.) Vastenavondstoeten in 't begin dezer eeuw : 

Kort beeigt 

van onze belachelyke verzameling ; verbééldende 

HET VAT DER YDELHEID : 

Het welk vóór Faem of Aenleyclster zal hebben ; eene slordige 
gevleugelde Vrouw, te peêrd zittende, op welkers Trompet-vlag 
zal te leézen zyn : 

Zotte dagen, \otte werken, 
Zoo den wagen geeft te merken. 

Waer by een kleyn gevolg zal te peêrd zyn, aengetakeld op de 
zelve wys. 

Dan zullen het ons Vrienden van de Wereld niet kwalyk afneé- 
men, dat wy dit Vat, dóór de Kinderen van Bacchus en Venus 
laeten woord voeren, en dat wy tot hen zeggen : 



« Ons Volksleven. » 181 

Dat Drank en Vrouwen baeren 't \oet, 
7 Géén menigen betreuren moet. 

' Het onderste van het Vat is geschikt tot eene Dans-zael, waer 
in gy, volgens deéze spreuk, zult hespeuren : 

Amoureu^en 
En roode neuken. 

Op de eerste stagie, zult gy beschouwen eenen Hoórndraeger, 
en eene Vrouw met een Kind op den erm : vóór spreuk hebbende : 
hangt het aen 7 Klok-^eel. 

Aen de andere zyde, eene Kwezel met eenen ouden Bobbelaer, 
vegtende om de Genever-flesch : waer by men deéze spreuk zal 
zien : schynheylige lieden \yn vie\e gebueren. 

Aen den agterkant, waer 'er twee zitten te vryden, zult gy tot 
spreuk vinden : de woorden \yn goed, \eyde den duyvel, en hy 
\agin den Almanach. 

En in 't laetste verdiep ; eenen Advocaet, twistende met eenen 
Boer : waer by 'er vóór spreuk te leézen is : Dat wint gy, of den 
duyvel houd de keêrs. 

Op de bovenste stagie, langs vóór, eenen die in pragt van klee- 
ren uytgedost is : vóór spreuk hebbende : Zoo den wind keert, 
plakt \ynen Vlieger. 

In het tweede gat; eenen Spotter of Afspuyter, hangende met 
zyn kleedsel aen eene kram of nagel, waer by staet : hier scheuren 
wy on\e kleeren aen. 

Langs agter eenen Vreet- en- zuip bast ; waer by vóór spreuk 
is : eens weelde is altyd geene armoe. 

In het laeste verdiep, eenen dolzinnigen ; waer by staet : Zot- 
ten \eggen dikwils de waerheyd. 

Boven in het Vat zal eene kraen zyn, gemaekt als eene schouw, 
waer in eenen Schouwvaeger zal weezen, met deéze spreuk : 
geene kraen of " 'er past eenen tap op. 

Waer neven eenen Liedekens-zanger zal staen, hebbende tot 
spreuk : iïoude Liedekens \yn de besten. 

Aen het Vat zal eenen, in eenen hang-stoel, bezig zyn met 
schilderen ; waer by men leézen zal : 7 is kwaed aen 7 straet te 
werken . 

Nevens het Vat van onder, langs den voorkant, zal eene Blae>- 
kaek in eenen leunstoel zitten; en tot spreuk hebben : was den 
Meert al uyt. 



182 « Ons Volksleven. » 

Aon den anderen kant ; eene Vrouw in een Bad ; als uytroe- 
pende : ach! Zuster! geen brood vóór my in de soup. 

Van agter, voor het slot, zullen eenige vol kwaelen en ellende 
(veroorzaekt docr liet slempen en snoepen met Dacchus en Venus) 
in 't Onder-vat zitten, die, dóór eenen Doctor, genees-middelen 
zullen ingegeéven worden : waer op dit Vers zal toegepast zyn : 

Zoo vaeren \y, die geyV Zottinnen, 
En den Drank, te véél beminnen. 

Dit alles zal uytgevoert worden, dóór de Societeyt-WiTDOECK. 

t' Antwerpen 2 Meert 1813. 



Nota. Den Wagen zal uytryden, Dynsdags op Vasten-avond, korts na 
noen, van aen St. Jacobs, langs de St. Jacobs-straet, Padden-gragt en Hobo- 
ken-straet, Ossen-merkt en Roode-straet, Peêrde-merkt en Klapdorp, Koey- 
poort-straet, Melk-merkt en Eyer-merkt, Meir en Jesus-straet, St. Jacobs- 
merkt, Kipdorp en Wol-straet, Melk-Merkt, Korte- en Lange-nieuw-straet, 
Clara-straet, Meir en Schoen-merkt, langs het groen Kerk- hof, Kammer-straet, 
Klein-merkt en Breede-straet, keerende langs 't Vlamings-veld, en voords 
dóór de Boogkeêrs, Gasthuys-straet, Huydevetters-straet, Meir en Clara-straet, 
na huys. 

Uyt de Drukkery van J. S. Schoesetters. 

Edm. G. 

7. (149.) Het Snuiven. — Terwijl het rooken steeds toe- 
neemt, neemt het snuiven langzamerhand af, zoodat eene snuifdoos, 
met fijn gemalen tabak gevuld, weldra tot de antiquiteiten zil bc- 
hooren, en binnen eene eeuw nog enkel in eene verzameling van 
oudheden zal te zien zijn. 

Vroeger, toen de menschen alles meer op hun gemak deden dan 
thans, was bij vele oudjes het nemen van een snuifje aan heel een 
ceremonieel verbonden. Wie zich als elegant wilde doen doorgaan, 
moest een aantal voorschriften, aan het nemen van een snuifje 
verbonden, nauwkeurig toepassen. 

Voor de aardigheid wil ik die hier neerschrijs T en. 

De 12 voorschriften bij 't snuiven. — 1. Neemt de snuifdoos 
in de rechterhand. 2. Breng ze naar de linker over. 3. Sla er op. 
4. Open ze. 5. Bied de snuifdoos aan 't gezelschap. 6. Neem de 
doos terug. 7. Schud den snuif bij eikaar, door op den kant van 
de doos te kloppen. 8. Neem een snuifje eenige oogenblikken 
tusschen de vingers. 9. Breng het snuifje aan den neus. 10. Snuif 
het op met beide neusgaten zonder het gezicht te vertrekken. 11. 
Sluit de snuifdoos, niest. 12. Snuit den neus! 



« Ons Volksleven. » 183 

Ziedaar ! Zeker wist ge niet dat er zooveel beslag moest ge- 
maakt worden, voordat de « prise » ter bestemder plaatse geko- 
men was. Merk echter op, dat dit alles vlugger gedaan was, dan 
gij het lezen kunt. 

Hoe men elders snuift. — Dat niet alle snuivers beweging bij 
dat werk maken, zal wel niet hoeven gezegd te worden. 

In IJsland hebben de boeren, en zelfs de geestelijken, geen 
eigenlijke snuifdoos hij zich, maar in plaats daarvan eene soort 
van kruithoorn. 

Als zij willen snuiven, steken ze dezen hoorn in den neus en 
schudden er een deel snuif in. Dan reiken ze met de grootste voor- 
komendheid den hoorn aan hunnen buurman ; deze geeft hem 
verder, en zoo gaat hij door het gansche gezelschap, totdat hij 
weder bij zijn eigenaar terug komt. 

De Schot doet het nog beter, hij brengt den snuif met een klein 
lepeltje in den neus ! 

Het record slaan echter de Moschans, een zenuwachtig, zwak 
volk in Zuid-Afrika, die geheel misvormde neuzen hebben door 
het overgroot gebruik van snuif. 

Zij stoppen hun reukorgaan zoo vol, dat de massa er naderhand 
met ivoren of ijzeren lepeltjes weer wordt uitgehaald. Ieder 
Moschan draagt daarom steeds dergelijk instrumentje in het 
kroeshaar. 

De snuif op huwelijksfeesten. — De snuif speelt bij de negers 
in Zuid-Afrika een groote rol. Het aanbieden er van is eene gelief- 
koosde wijze van begroeten en bij huwelijken is hij onontbeerlijk. 
De bode, die naar den huwelijksmakelaar in de lioetsjoekranen- 
laan komt, zegt eenvoudig : ik ben gekomen om tabak te halen — 
waar is die V 

De vrouwen wrijven dan tabak, doen hem in een kalebas, eene 
uitgeholde pompoen, en zenden hem door een harer naar de kraal 
van den bruidegom, die hem feestelijk met zijne familie opsnuift en 
de leege doos terugzendt. 

De bruid versiert deze laatste met peerlsnoeren en draagt 
ze nu, totdat zij haar eerste kind heeft. Dan worden de peerlen het 
kleine zwartje omgehangen. 

Snuif dooien. — Ook onder de snuifdoozen heerscht eene groote 
verscheidenheid. 

Op de westkust van Afrika doen gedroogde kalebassen als snuif- 
doos dienst. In sommige streken worden ze kunstig uit zeldzame 



184 « Ons Volksleven. » 

houtsoorten gesneden. Sommige dragen in 't geheel geene doos bij 
zich, evenals Frederik de Groote, die den snuif eenvoudig in zijn 
vestzakje bewaarde. 

Aan snuifdoozen zijn allerhande anekdoten verbonden, waarvan 
onze lezers er zeker kennen, zoodat wij er kortheidshalve kunnen 
over heenstappen. 

Vijanden van snuiven. — Evenals het rooken heeft het snuiven 
te allen tijde zijne belagers, zijne vijanden gehad. 

Het heeft trouwens tegenwoordig nog wel vijanden, maar die 
laten zich toch niet zoo heftig uit als vooeger. 

Paus Urbanus VIII sloeg in het jaar 1624 alle snuivers in den 
ban, omdat het snuiven stoornis veroorzaakte onder de gods- 
dienstoefeningen. Een ander hooggeplaatste geestelijke, de la 
Camera, verbood den priesters ten strengste 2 uren vóór en 2 
uren na de mis te snuiven. 

Doktor Fragon, de lijfarts van Lodewijk XIV, moest eens eene 
openbare voordracht tegen den tabak houden ; wegens ongesteld- 
heid kon hij niet verschijnen en benoemde nu een plaatsvervanger, 
die alle mogelijk kwaad van den tabak zou verteld hebben. 

Deze plaatsvervanger zal zeker wel als een afschrikwekkend 
voorbeeld gewerkt hebben, daar hij niet spreken kon, doordien 
zijn neus vol met tabak was gestopt! 

Vereerders van snuiven. — In tegenstelling met de vele ver- 
schrikkelijke belagers van de « prise », had dit gebruik ook veel 
vurige vrienden. 

Van den Saksischen minister Bruhl, die een oprecht vereerder 
van den tabak was, wordt verteld, dat hij in elk zijner 365 kle- 
dingstukken eene snuifdoos had, om toch nooit aonder tabak te 
zijn. 

Terwijl de eenen beweerden dat de tabak het denkvermogen 
verstompt, waren de vrienden van het tegenovergesteld gevoelen 
en beweerden dat het de moeielijkste wijsgeerige denkbeelden 
doet rijpen. 

Veel is er voor en tegen geschreven en ge-proken. Het zou ons 
te ver brengen moesten we daarvan melding maken. Orn te sluiten, 
een opschrift, dat men in de vorige eenw boven eenen tabakswin- 
kel kon vinden : 

cc Tabak dat is goed kruid, voor die het wel kan drinken ; 
't Haalt fluimen uit het hoofd, en doet katharren zinken; 
Het maakt de menschen jong, zoo veel daarvan getuigen, 
Want die lang zijn gespeend, beginnen weer te zuigen. » 



De Qogelen in het Öoll^sgeloor (I) 

(Vervolg.) 



De Ijsvogel (2) 

et nest van den ijsvogel. Aristotes beschrijft het nest 
van dezen vogel, als hebbende eene roode kleur 
en den vorm van eenen krommen hoorn. 

Volgens Plinius is het rond als een bal met 
eene zeer smalle opening, en zoo hard, dat men 
het noch doorhakken noch doorsteken kan met 
het zweerd of met de bijl ; maar met een kor- 
ten, drogen slag breekt het gelijk zeeschuim. 
— Bijgeloof in Turkije. — Volgens de Turken, dragen de ijsvogels 
de zielen der geloovigen naar het Paradijs. Ook beschermt en 
voedt men ze uit dankbaarheid en eerbied en onthaalt ze feestelijk 
rondom de huizen, op zee en op de graven. (Edmondo de Amicis, 
Constantinople, trad. de 1'Italien par M me Colomb. Paris, 1892, 
p. 99.) 




(1) Z. Ons Volksleven, II, 5o, 65, y3, i35; III, 92; IV, 110; VI, 28, 206 
XI, 5 9 , 99. 

(2) Vervolg yan blz. 5o en 73, 2 e jaarg. 



186 « Ons Volksleven. » 

II. 

De Koekoek (i) 

Nest van den koekoek. De boeren uit Haspegouw gelooven dat de 
koekoek nooit legt dan in het nest van den Winterzanger of 
Blauwe Haagmusch, Lat. Accentor modularis. {Buil. de la Soc. lieg. 
de UU. wall., 2 me série, XII, i5g.) 

— Xaar het algemeen geloof legt de koekoek zijne eieren in 't 
nest van het Roodborstje. Als de jonge koekoek groot is, verslindt 
hij zijne voedster. 

— Het geroep van den koekoek. Telkens dat de koekoek roept, legt 
hij een ei. (Oud-Turnhout.) 

— Als een koekoek 's avonds roept nabij eene kamer, waar een 
zieke ligt, zegt men dat er 's morgens een doode in huis zal zijn. 
(Veurne.) 

— In Bretagne gelooft men dat het geroep van den koekoek 
geluk aanbrengt. 

— Zoodra de kinderen den koekoek hooren roepen, maken zij 
drie tuimelaars in de netelen en gelooven dat zij alsdan een mesje 
zullen vinden. {Le Folkl. de Godarville, i3.) 

— Men moet, op het oogenblik dat de koekoek roept, zilveren 
geld aanraken; dan maakt men later fortuin. (A. Hock. Ouv. 
compl., 55.) 

— Als de kinderen den koekoek hooren roepen, maken zij een 
kruisteeken en vervolgens eenen tuimelaar; zij gelooven alsdan 
zeker te mogen zijn eene aangename vondst te doen, gewoonlijk 
een klein mesje. (Namen en Henegouw.) (E. Monseur. Le Folkl. 
wall.,) i3.) 

— Te Sommethomme (Lux.) zingen de kinderen, als zij den 
koekoek hooren roepen : 

Coucou jaloux ! 

Mon père fait des clous, 

Ma mère va les vendre 

Pour acheter une corde pour te pendre. 

— Het meisje, dat het eerste geroep van den koekoek in de 
lente hoort en eenen vrijer aan den arm heeft, zal er eenen hebben 
het heele jaar door. (Micheroux.) 

(i) Vervolg van blz. 65 en 73, 2 e jaarg. 



« Ons Volksleven. * 187 

— V-oor zorgen te nemen tegen den koekoek. Als de kinderen met 
tweeën vogelnesten gaan uitrooven, den mag degene die in den 
boom zit, nooit tot zijnen kameraad die beneden is, roepen hoe- 
veel eieren er in 't nest liggen : de koekoek zou het kunnen 
hooren en de eieren komen opeten. (Hamoir.) 

— De koekoek wordt roofvogel. In den ouderdom van 2 jaar 
verandert de jonge koekoek in eenen sperwer. (Sclessin, Luik.) 

— Waarom de koekoek in Augustus niet meer roept. In de maand 
Augustus hoort men den koekoek niet meer roepen. Hierover het 
volgende sprookje, dat men in Franche-Comté vertelt : 

De arme koekoek, die niets te eten had, werd zoo mager, dat 
men nog heden zegt : « Zoo mager als een koekoek. » Om in 't 
leven te kunnen blijven, was hij genoodzaakt twee maten graan 
te leenen. Hij had wel beloofd ze terug te geven, maar hij is ze 
nog schuldig, 't Is daarom dat men nooit eenen koekoek ziet ge- 
durende de maand Augustus. Zoodra hij de pikken en zeisens 
hoort weerklinken, trekt hij het land uit. {Revue des Trad. pop., 
XIV, 5o6.) 

VII. 
De Kraanvogel (1) 

Als de kraanvogels in den herfst voorbijtrekken, is de winter 
aanstaande; komen zij in de lente weer voorbij, dan is dit een 
teeken van het aanstaande schoon weder. (Overal). 

IX. 

De Eend (2) 

In China is eene volksklas, de aanhangers van de godheid 
Hong-Yum-Shum, die geen gebruik van eendenvleesch mag 
maken. Naar hun geloof zou de moeder van Hong-Yum- 
Shum, tijdens eene lange ziekte, door eene eend zijn gevoed 
geweest, die haar iederen dag met den bek kruiden aanbracht, 
om haar te voeden en van hare ziekte te genezen. Hung-Yum- 
Shum, die weinig tijds daarna geboren werd, moest den aanhan- 
gers zijner moeder beloven nooit het vleesch van den « heiligen 



(1) Vervolg van blz. i35, 2* jaarg. 

(2) Vervolg van blz. 92 en 93, 3ejaarg., en blz. 59, 9e jaarg. 



188 « Ons Volksleven. » 

vogel )) te nuttigen. De inwoners van Sa-Tou, gelegen op het 
eiland Hanam, aanbidden deze godheid en in gansch de plaats 
is geene enkele eend te vinden. 

— Weervoorspelling. Te Montbeliard (Frankrijk) moet men van 
de eerste dagen in den herfst eene eend dooden, ze open snijden 
en de borst nazien. Is deze overal wit, dan zal de winter warm 
zijn ; is zij rood aan het bovendeel, dan zal het in 't begin van 
den winter koud zijn; en, is het onderdeel der borst rood, dan 
zal de winter streng eindigen. (Revue des Trad. pop., XIV, 5i2.) 

X. 

De Zwaluw (i) 

Zwaluwen die de reisduiven vervangen. Wanneer de duiven aan de 
Romeinsche kamp vechters ontbraken, om aan hunne vrienden te 
melden dat zij als overwinnaars uit het krijt kwamen, bedienden 
zij zich van zwaluwen. 

Plinius verhaalt dat Cecina van Volaterra, aannemer der wa- 
gens voor de wedrennen, zwaluwen medenam naar Rome en ze 
terugzond om zijne vrienden met den uitslag bekend te maken; 
de kleur, waarmede hij ze had doen verven, duidde de winnende 
partij aan. 

Ten huidigen dage doen de groote militaire mogendheden van 
Europa proeven om de reisduiven door zwaluwen te vervangen. 
Men ziet dat er niets nieuws onder de zon is. 

— Fabius Pictor, zegt Plinius nog, verhaalt in zijne annalen, 
dat een Romeinsche wachtpost, door de Liguriërs ingesloten, 
hem eene zwaluw toezond, die men aan hare jongen had ontrukt, 
opdat zij, met haar eenen draad aan den poot te binden, door een 
zeker getal knoopen den dag van de aankomst zijns hulplegers 
zou aanduiden, op welken dag de verdedigers dien ten gevolge 
eenen uitval moesten doen. (Plinius. Hist. nat.) 

— De Zivahizi'en en O. L. Vrouw. In verschillende heiligdom- 
men der H. Maagd is de dag van O. L. V. Bezoeking de voor- 
naamste feestdag des jaars. De kapel van O. L. Vrouw der 
Zwaluwen te Gent, was van dat getal. 



(i) Vervolg van blz. 186, 4c jaarg., en blz. 28 en 206, 6 e jaarg. 



« Ons Volkslevem. » 189 

Zooals de naam aanduidt, waren de zwaluwen, die rondom 
eenen ouden eik vlogen en hem dag noch nacht verlieten, de 
oorzaak dat men in de omstreken van Gent een wonderdadig 
Mariabeeld ontdekte. Men droeg het in de oude bidplaats der 
Tempeliers, die den naam kreeg van kapel van O. L. Vrouw der 
Zwaluwen en, na de afbraak dezer kapel, werd het beeld ge- 
plaatst op den autaar der kerk van het St Jacobsgasthuis, welke 
kerk reeds in de XIV e eeuw aan Maria was toegewijd. Eene 
plechtige octaaf begint er jaarlijks den 2 11 Juli. (De Smet. Nouveau 
mois de Marie. 29- 3o.) 

— Waarom de zwaluw geen rust heeft. Onze Lieve Heer hing aan 
het kruis en stond schrikkelijke pijnen uit. Een zwaluw, die daar 
in den omtrek vloog, kwam, zonder medelijden voor den Zalig- 
maker, op zijnen bebloeden arm rusten en een lustig liedeken 
zingen. 

— Zwaluw, zerde Jesus, die komt zingen terwijl ik zucht, gij 
zult voortaan de ongelukkigste der vogels zijn en uwen kost al 
vliegende moeten zoeken. 

En sedert dien heeft de zwaluw niet mogen rusten en al vlie- 
gende heur eten moeten vinden. (Amaat Joos. Vertelsels van het 
Vlaamsche Volk, I, 36.) 

— Waarom de zwaluw geluk aanbrengt. Onze Lieve Vrouw heeft 
veel moeten reizen en verre vluchten. 

Maar hoeverre zij ook reisde, hoe rap zij ook vluchtte, altijd 
was er eene zwaluw bij haar, die haar overal vergezelde. 

Daarom is zwaluw de vogel van Onze Lieve Vrouw ; daarom 
brengt zij geluk aan 't hof waar zij verblijft. (Idem, I, 38.) 

— Waarom de zwaluw niet op den grond gaat zitten. Zoo de zwaluw 
op den grond gaat zitten, kan zij hare vlucht niet meer hernemen, 
want zij is een « hemelvogel ». (Bergen, Henegouw.) 

— De zwaluwen en de jonge meisjes. Wanneer eene zwaluw nevens 
een zeer jong meisje vliegt, terwijl zij over het water scheert, zal 
dit meisje vóór den ouderdom van 19 jaar trouwen. (Xijvel.) 
(Wallonia, III, 64.) 

— Waarom de zwaluw een gevorkt en steert heeft. Eene zwaluw werd 
eens vervolgd en. vastgegrepen door eenen arend ; zij gelukte er 
nochtans in uit zijne klauwen te ontsnappen, maarzij verloor een 
deel harer steertvederen, die tusschen de klauwen van den arend 



190 « Ons Volksleven. » 

bleven, 't Is sedert dien dat de zwaluw een gevorkten steert 
heeft. (Brussel.) 

— Hoe de zwaluwen den winter doorbrengen. De Ouden geloofden 
dat de zwaluwen zich in den winter in holen verborgen en daar 
verstijfd bleven gedurende gansch het koude jaargetijde {Revue 
nationale de Belgique, XIII, 10.) 

— Het volk gelooft dat de zwaluw verstijven kan en den winter 
doorbrengen in het slijk der vijvers, de holle boomen en de 
rotsspleten. (Buil. de la Soc. lieg. de litt. wall., 2 me série, XII, 23.) 

— Een Brusselsen werkman zeide mij eens, dat de zwaluwen 
den winter op den bodem der rivieren doorbrachten. 

— In de XVII e eeuw geloofde men nog met Guagin, dat som- 
mige volken van Rusland telken jare rond den 27 11 September 
stierven, evenals de zwaluwen en de kikvorschen, en dat rond den 
24 n April, de lente hen deed herleven. (Bulletin de la Commission 
royale d'hist., XI, 42.) 

Terugkeer der zivaluwen. Komt Paschen vroeg of laat, altijd 
keeren de zwaluwen in de Goede Week terug. (Kempen.) 

— Den 4 11 Mei keeren de gierzwaluwen terug. Er zijn nochtans 
lieden die beweren dat die vogelen den 2 n Mei terugkomen. (Le 
vieux Liège, n r van den 24" April 1897.) 

— Bijgeloof in Turkije. Volgens de Turken bevrijden de zwa- 
luwen de huizen van brand, waar zij hunne nesten hebben 
gebouwd. (Edmondo de Amicis. Constantinople. Vertaling uit het 
Italiaansch door M me J. Colomb. Paris, 1892, p. 99.) 

XI. 

De Ooievaar (1) 

Bij de Ouden. Plinius zegt dat, na het vertrek der ooievaars, het 
geen tijd meer is om te zaaien. (Plinius, lib. VIII, cap. XLL) 

— Galliënus en Plinius zeggen dat de Egyptenaars het gebruik 
der lavementen van den ibis hebben geleerd. Anderen beweren 
dat het van den ooievaar is, dat de menschen dit geneesmiddel 
geleerd hebben. (Buffon.) 

— Deze vogel, wien onze voorouders het voorrecht toekenden 
geluk over de huizen te brengen, waarop hij zijn nest bouwde, 



(1) Vervolg vanbl. 110, 10e jaarg. 



« Ons Volksleven. » 191 

was daarenboven het zinnebeeld der kinderliefde, der dankbaar- 
heid voor genoten weldaden, der waakzaamheid en der gehecht- 
heid aan den gastvrijen grond. 

Voorteehens van het weder. Als de ooievaars voorbijtrekken — het- 
welk gemeenlijk in ons land in October plaats heeft — op het 
einde van Augustus en September, zegt men dat dit vroegtijdige 
koude voorspelt. (Overal.) 

De ooievaar, brenger der kinderen. In 't Noorden van West-Vlaan- 
deren, evenals in Duitschland, doen de ouders hunne kinderen 
gelooven, dat het de ooievaars zijn, die hen bij hunne geboorte 
brengen. 

Bijgeloof in Rusland. De ooievaar is eene lijdende ziel, die om 
de eeuwige gelukzaligheid te bekomen, veroordeeld is om nagels 
(van de vingeren) op te rapen, die op de aarde gevallen zijn. Het 
is verboden hem tedooden. (Fédérowski. Les peaples de la Russie 
blanche (Ruthènes, Lithuaniens.) 

— Bijgeloof in Turkije. Volgens de Turken doen de ooievaars 
eiken winter eene bedevaart naar Mekka. (Edmondo de Amicis. 
Contantinople. Vert. uit het Italiaansch door M me J. Colomb. Paris, 
1892, p. 99.) 

— De ooievaars in Holland. In Holland planten de boeren staken 
waarboven eene groote houten schijf, om de ooievaars uit te 
noodigen er hun nest op te maken, want het zijn, evenals de 
zwaluwen, gelukaanbrengende vogelen. (Edm. de Amicis. La 
Hollande, trad. de F. Bernard, p. 102.) 

XI. 

De Gans (1) 

Weervoorspellingen . Het voorbijtrekken der ganzen en kraanvo- 
gels in de maand Meert, kondigt den terugkeer der lente aan. 

— Een voorteeken van regen en onweder is het, als de eenden 
en ganzen bij schoon weder hier en daar vliegen, en al schreeu- 
wende in 't water duikelen. 

— De Ganzenmerkt. Weldra wordt te Warschau de ganzenmerkt 
geopend, die sedert onheuglijken tijd alle jaren in die stad ge- 
houden wordt en waar jaarlijks meer dan drie millioen stuks van 



(1) Vervolg van blz. 60, ne jaarg. 



192 « Ons Volksleven. » 

dit gevogelte verkocht worden. Nu, het schijnt dat deze dieren, 
voor den uitvoer naar Duitschland bestemd, niet per spoor ver- 
zonden worden, zooals men zou kunnen gelooven. Zij komen te 
voet in kudden van drie- of vierhonderd te zamen onder het ge- 
leide van eenen wachter van stiel die, alvorens hun de reis te 
laten doen, ze verscheidene weken lang aan de volgende oefenin- 
gen onderwerpt : 

De ganzen worden vooreerst geoefend in het gaan op eene 
dunne laag pek, waarmede hunne pooten doortrekken en hard 
worden. Daarna gewent men ze aan lange wandelingen en het 
doorkruisen van allerhande terreinen : moerassige of rotsachtige, 
vlakke of beboschte. Eerst dan begint de eigenlijke reis, die te 
Warschau eindigt en dikwijls zeer lastig is. Inderdaad het groot- 
ste gedeelte der ganzenkudden worden gevormd te Wilna, te 
Dunaburg en soms nog verder. De reizen, die dikwijls verschei- 
dene kilometers lang zijn, moeten spoedig geschieden, ter oorzake 
van de hitte. Ook, als de uitgeputte dieren te Warschau aanko- 
men, worden zij goed gevoed en verzorgd. (Etoile beige, n juin 
1899.) 

— Het mesten der ganzen. Het waren de Romeinen die de eerste 
op het denkbeeld kwamen om de ganzen buitenmate te mesten, 
om bij dit ongelukkig gevogelte den vetten lever te krijgen, die 
door de hedendaagsche lekkerbekken zoozeer gezocht wordt. 

Men weet dat Straatsburg tegenwoordig het monopolium van 
het vetmesten der ganzen heeft. 

XIII. 
De Ekster (1) 

In de Sint-Antoniuskerk te Luik leest men, volgens de over- 
levering alle dagen eene mis, gezegd van de ekster. Dit is ter 
gedachtenis van eene dienstmeid, onplichtig voor diefstal veroor- 
deeld en wier onschuld later erkend werd. 't W T as eene ekster, 
die het zilverwerk stool en er mede op het dak vloog. 

('t Vervolgt.) Alfried Harou. 



(1) Vervolg van blz. 99, 11e jaarg. 



« Ons Volksleven. » 193 

Aftfikaansche ]?olkloi?(2 



Fabelen en Vertellingen, aangehaald in zijn werk « Dix années 
en Equatoria », door den onderzoeksreiziger Casati. 

I. Het Luipaard en de Hond 

Op zekeren keer kwam het Luipaard bij den Hond, en verzocht 
hem zijne drij welpen bij hem te houden en er voor te zorgen ; op 
deze voorwaarde zou het Luipaard hem genoeg vleesch aanbren- 
gen om geene beenen meer te moeten af knagen. 

Gedurende eenigen tijd ging alles opperbest, maar eens dat de 
Hond een smakelijk been vond, kon hij de bekoring niet weder- 
staan, en begon het af te knagen en te malen tusschen zijne tan- 
den. Ongelukkiglijk sprong er eene splinster van het been af en 
trof een der kleine luipaarden zoo geweldig, dat het dood neder- 
viel. Hij wist echter het wijfje des Luipaards te misleiden, door 
haar telkens maar één klein tegelijk te zuigen te geven. 

Doch, door dit eerste ongeluk niet wijzer geworden, wilde hij 
nogmaals zijnen lust voldoen, en een tweede luipaardje onderging 
hetzelfde lot als zijn broertje. Nu dorst de Hond daar niet langer 
meer blijven : hij vluchtte en ging de hulp en de bescherming 
van den Mensch inroepen. Deze willigde zijn verzoek in, op voor- 
waarde dat de Hond nooit de woning zou verlaten. Hij stemde 
er in toe, maar daar hij op zekeren dag een weinig van daar eenen 
hoop beenen zag liggen, vergat hij zijn gegeven woord, en liep er 
heen. 

Dit verwachtte het Luipaard, belust om den dood zijner kinde- 
ren te wreken. Nauw was de hond buiten de omheining gekomen, 
of het sprong woedend op hem toe en verscheurde hem. 

Sedert dien heeft nooit een luipaard nog eenen hond kunnen 
lijden ; wanneer zij er eenen te zien krijgen, werpen zij zich op 
hem en verslinden hem onmeedoogend. 

II. Het Luipaard en de Jakhals 

Het Luipaard had eene gazelle gevangen en verslonden. De 
Jakhals, dit ziende, zeide hem : « Voorzeker zijt gij een gulzig 



194 « Ons Volksleven. » 

dier, maar ik durf er op wedden dat uwe vraatzucht de mijne 
nog niet nabij komt. » Het Luipaard begon te lachen : « Dat zou 
ik willen zien ! » sprak het. 

De Jakhals liep tot bij een veld met witte pompoenen, trok er 
de bladeren af en zette er zich te midden in neder, na zich het 
geheele hoofd rood geverfd te hebben. Wanneer nu het Luipaard 
daar aankwam en dien geheelen hoop pompoenen zag, dien hij 
voor zoovele afgeknaagde schedels hield, zette hij zich aan het 
loopen. « Wat schort u ? » vroeg de Jakhals. — « Ik ben bevreesd, » 
riep het Luipaard, zonder zijnen loop te vertragen, « en ik beken 
dat gij veel wreeder en bloeddorstiger zijt dan ik. » 

III. De Olifant en de Kameleon 

Eens daagde de Kameleon den Olifant op eenen loopstrijd uit. 
Deze nam de uitdaging aan en den volgenden morgend zou men 
beginnen. Maar, gedurende den nacht, had de Kameleon alle 
zijne broeders van afstand tot afstand op de te doorloopen baan 
geplaatst. Wanneer nu de dag opkwam, vertrok de Olifant, en 
de Kameleon sprong hem op den rug. « Zijt ge nog niet ver- 
moeid ? » vroeg de Olifant aan den eersten Kameleon dien hij 
ontmoette. — « Verre van daar ! » antwoordde deze, welke nu 
aanstonds den korten afstand begon af te leggen, die hem van 
zijnen gebuur scheidde. 

Zoo gebeurde het verscheidene malen, en wel zoo dikwijls, dat 
de Olifant, gansch uitgeput, zich eindelijk overwonnen verklaarde. 

IV. De Olifant en de Spitsmuis 

Op zekeren keer ontmoette de Olifant de Spitsmuis op zijne 
baan. « Uit den weg! » riep deze. — « Ik ben grooter dan gij, » 
wedervoer het reusachtige dier, « het is dus aan u uit den 
weg te gaan » — « Vervloekt ! » riep de Spitsmuis woedend, 
« mochte het hooge gras zich om uwe beenen slingeren ! » — 
« En gij, » hervatte de andere, terwijl hij haar onder zijnen lom- 
pen poot verpletterde, « mochtet gij telkens den dood vinden, 
wanneer gij u op den weg durft wagen ! » 

Beide verwenschingen zijn uitgevallen. Sedert dien kwetst het 
hooge gras immer den olifant die er zich durft in wagen, en vindt 
de spitsmuis den dood, van zoohaast zij zich op eenen weg waagt 



« Ons Volksleven. » 195 

V. De Leeuw en het Everzwijn 

De dieren kwamen eens bijeen om eenen koning te kiezen en, 
nadat de keus eene wijle op den Olifant was blijven hangen, viel 
hij op den Leeuw. In den beginne leefde deze in goede verstand- 
houding met de andere dieren, doch weldra stak het hem tegen, 
evenals zijne onderdanen gras te eten. «Waarom zoudet gij niet 
eens het vleesch der jonge dieren beproeven? » bliezen zij hem 
in. « Dat is zacht en kloek. » 

Nu gebeurde het dat het Everzwijn ziek werd en, daar het nu 
zelf niet zijnen eerbied aan den koning betuigen kon, zond hij 
hem een zijner zonen. Deze kwam echter niet weer; een tweede 
ging er ook heen en die ook zag men niet meer terug. De vader, 
gansch verontrust, begon nasporingen te doen en bekwam weldra 
de zekerheid dat de koning zijne kinderen verslonden had. 

Thans verspreidde hij overal het wreede nieuws der bloed- 
dorstigheid van den Leeuw, die de kinderen zijner onderdanen 
verslond. En de verschrikte dieren verwijderden zich allen van 
het koninklijk hof, en sedert dien heeft de Leeuw nog niet opge- 
houden oorlog te voeren tegen zijne onderdanen. 

VI. Het Boschhoen en de Schildpad 

Eens zegde het Boschhoen tot de Schildpad : « Ik ben veel 
beter bedeeld dan gij, want ik kan niet alleen rap loopen, maar 
ook nog vliegen! » — « Wat moet gij gelukkig zijn, » antwoordde 
de Schildpad, « wat mij betreft, ik moet mij voortslepen om zoo 
goed mogelijk mijne zaakjes te doen! » 

Nu gebeurde het dat de mensch lust kreeg om te jagen, en hij 
stak het gras der uitgestrekte vlakte in brand. Het vuur kronkelde 
zich om de twee dieren, die beiden in levensgevaar verkeerden. 
Doch de Schildpad verborg zich in de grondopening, door den 
poot eens olifants veroorzaakt, terwijl het Boschhoen, dat zijne 
vlucht had willen nemen, in den rook verstikte en stierf. 

De boffer verliest. 

VII. De Doode en de Maan 

Een grijsaard zag eenen Doode, waarop de lichtglans der maan 
viel. Hij riep een aantal dieren bij elkaar en zegde hun : « Wie 
van u wil den Doode of de Maan naar den anderen oever der 



196 « Ons Volksleven. » 

rivier dragen ? » Twee schildpadden boden zich aan : de eene, die 
lange pooten had, greep de Maan en bracht haar veilig over het 
water; de andere, die maar kleine pooten had, nam den Doode 
op en verdronk. 

Het is daarom dat men de doode Maan alle dagen terugziet 
maar dat de doode mensch nooit meer wederkeert. 

VIII. De Haas en de Aarde 

De Haas zegde eens tot de Aarde : « Gij beweegt dus nooit? 
Gij blijft altijd op dezelfde plaats! » — « Gij bedriegt u, » 
antwoordde de Aarde, « want ik ben vlugger dan gij! » — « Dat 
zullen wij zien ! » hernam de Haas en hij zette zich op een 
loopen. 

Wanneer hij echter na eenigen tijd stilhield, zeker van overwin- 
naar te zijn, moest hij vaststellen dat hij nog immer de aarde 
onder zich had. Hij herbegon zijnen loop en snelde zoo vlug 
vooruit, dat hij weldra uitgeput terne der viel en stierf. 

Jonas van den Zeekant. 

(Rivieren, Bronnen, jutten, enz. (I) 

(Vervolg) 

Water als geneesmiddel (2) 

Vallende ziekte. In het begin der XVI I e eeuw schreef het volk uit 
Brabant aan het water der kleine Zenne eene bijzondere kracht 
toe, namelijk om de lijders aan de vallende ziekte te genezen, die 
men er in wierp. Het gebeurde dan dikwijls, dat de bloedverwan- 
ten der ongelukkige zieken hen met geweld naar de befaamde 
brug (van Molenbeek) sleepten, vanwaar de nedertuimeling moest 
gebeuren. Nu, die brug was niet hoog en de Zenne stond mees- 
tentijds droog; het gevaar was dus heel gering. Nochtans — 
wondere zaak — het gebeurde soms dat de schrik, dien de lijders 



(1) Z. Ons Volksleven, II, 87, 97, 109, 123; III, 85; IV, 42. 

(2) Vervolg van blz. 87, 2 e jaarg. 



« Ons Volksleven. » 197 

ondervonden terwijl zij de tuimeling maakten, hunne genezing 
bewerkte. (Le Globe illustré, 1889, p. 738.) 

Koorts. Te Suxy (Lux.) ziet men in eene weide de St. Theo- 
baldusbron, die de koorts geneest. 

— Nabij de H. Kruiskapel, in de vallei der Voere, dicht bij 
Brussel, zag men eertijds eene bron, aan Ste-Verona toegewijd, 
die de koorts genas. 

— Te Hoei is eene bron van den H. Domitianus, liggende 
tusschen twee armen der Hoyoux. Men schrijft haar eene koorts- 
verdrijvende kracht toe, die zij bezit sedert den tijd dat de H. 
Domitianus ze verloste van een afschuwelijk serpent dat, zegt 
Melart, door zijnen vergiftigen en verpestenden adem het water 
bedierf. (J. Pimpurniaux. Guide du voyageur en Ardenne, II, 404.) 

— Te Tervuren zag men eertijds eenen put, aan de H. Gertru- 
dis toegewijd. Deze put werd aanzien als tegen de koorts bevrij- 
dende. (A. Wauters. Hist. des Env. de Bruxelles, III, 404.) 

— Andere putten, aan Ste-Gertrudis toegewijd, gaan op onze 
dagen door als hebbende eene koortsverdrijvende kracht. (De 
Reinsberg. Cal. beige.) 

— Eene bron nabij het kasteel Noirmont, naast eene kapel aan 
Sint-Pieter toegewijd — die kapel bestaat niet meer — was eer- 
tijds het voorwerp van eene aanhoudende bedevaart ; de bede- 
vaarders dronken van het bronwater en aanriepen den heilige, 
om van de koorts verlost te worden. (Tarlier et Wauters. Hist. 
des communes belges. La commune de Cortil-sur-Orne, Brabant.) 

— De Sint-Annabron of bron der vijf Wonden, te Laken, ge- 
neest de koorts. (A. W t auters, op. cit. 355.) 

— De H. Godelieve, geboren op het kasteel van Longfort, in het 
Boulonneesche, plantte nabij haars vaders kasteel haren spinrok 
in de aarde, en aanstonds sproot eene bron uit den grond. Eene 
kapel werd op die plaats gebouwd en de pelgrims komen van dit 
mirakuleus water drinken, hetwelk de koorts geneest. (Bertrand. 
Précis de Vhist. de Boulogne, II, 182.) 

— In de gemeente Deux-Acren (Henegouw) vindt men eene 
fontein, de fontein der Doloque geheeten (een woord afgeleid van 
het Keltisch dilocha, déloché, wat beteekent : heengaan, vertrekken), 
waarvan het water, zeggen de boeren, de koorts geneest. 

— Op eenigen afstand van de kerk te Laken, naar het Noorden, 



198 « Ons Volksleven. » 

is eene bron, waarvan het water, zegt men, een e groote kracht 
heeft tegen de koorts. Deze bron, die men de bron der vijf won- 
den genoemd heeft, hiet in i5i2 den Borrekene (de kleine bron.) 
(A. Wauters, op. cit., II, 354-355.) 

— Te Neder-Over-Hombeek komen de inwoners van 't omlig- 
gende in eene kleine kapel St. Landrik aanroepen en het water 
van eenen put scheppen dat, naar men zegt, de koorts geneest. 
Op den verjaardag der wijding zag men er een grooten toeloop 
van volk, en het is niet zeldzaam kousebanden aan de deur der 
kapel te zien hangen. Op deze wijze, zeggen de boeren, gelukt 
men er in de koorts te binden. 

— Ter plaatse de Kluis, bij Amigem, was eene fontein waarvan 
het water de kwaadaardige koortsen genas. 

Rachitisme of Engelsche Ziekte. Te Mecher (Groothert. Lux.) 
wordt de fontein van St. Firminus door het volk als eene miraku- 
leuze bron vereerd. Zij heeft den naam van kinderen te genezen, 
die aan rachitisme lijden. (Glaesener. Le Grand Duché de Lux., 
210.) 

Geelzucht. In de abdij van Brogne (graafsch. Namen) was een 
mirakuleuze put. In de XVI I e eeuw zag men er eene menigte 
zieken naartoe stroomen, vooral degenen die de koorts of de 
geelzucht hadden. 

Huidziekten. De St. Rochusbron te Lasne (Brabant) werd vroe- 
ger door een groot getal bedevaarders bezocht, die er in baadden, 
om van huidziekten genezen te worden. 

Pest. De fontein der zieken, te Marche (Lux.), diende eertijds 
om de pestlijders te genezen. 

Lamheid. Nabij de St. Hilariuskapel, tusschen Matogne en 
Vierves, in de Ardennen, vindt men eene bron, wier mirakuleus 
water den naam heeft de lamheid, het rumatismus, enz. te gene- 
zen. (De Reinsberg, op. cit., I, 49.) 

Brandwonden. Er bestaat te Trazignies (Henegouw) eene bron 
aan St. Laurens toegewijd, die vele kwalen geneest en inzonder- 
heid brandwonden. 

Keelziekten. De put van Ste-Godelieve te Ghistel genas verschil- 
lende ziekten, als ongeneesbaar aanzien, bepaaldelijk de keel- 
ziekten. Rondom deze bron richtte men eenen muur op, en deze 
plaats, het fiitken (putteken) genaamd, dat men nog heden toont, 
wordt voortdurend door bedevaarders bezocht. 



« Ons Volksleven. » 199 

Oogziekten. Te Mussy-la-Ville (Lux.) ziet men eene kleine bron, 
waarvan het -water de oogziekten geneest. Zoo deze bron dikwijls 
uitdroogt, 't is dat de toovernimf die ze bewaakt, degenen wil 
straffen, die water komen scheppen zonder aan zijne heilzame 
uitwerksels geloof te hechten. 

— De bron van Ste-Adela, te Orp-le-Grand (Brab.) geneest de 
oogziekten. 

— Eene bron op het gehucht Wihou (Argentau) geneest de 
oogziekten. (A. Hock. Croyances et remedes pop., etc.) 

— Te West-Rozebeke bestaat de bron Roosebeek of O. L. V. 
Fontein, nabij de oude kapel der Zeven Weeën van Maria. Men 
maakt gebruik van haar water in de oogziekten. (De Reinsb., 
op. cit., II, 44.) 

— De feestdag der H. Godelieve lokt te Gent veel bedevaarders 
naar het klein Begijnhof, waar men water uit haren put en 
eene relikwie bewaart. Gedurende de negen dagen dat de plech- 
tigheid duurt, komen de bedevaarders er toegestroomd om van 
het water te drinken, ten einde zich tegen keel- en oogziekten 
te vrijwaren. 

— De beek van de kluis van Cocars te Elouges (Borinage) 
geneest de kwade oogen. (A. Debove. Recherches hist. sur les comm. 
du canton de Dour, 84.) 

— Te Chatelinau (Henegouw) geneest het water van eene 
kleine beek, een toevloeisel van de Samber, de oogziekten en 
eenige andere kwalen. 

— Niet verre van onze zuidergrenzen, geneest de bron van 
O. L. V. der zeven Koorden, te Try St. Léger, bij Valencijn, 
insgelijks van oogziekten. 

Kanker, zweren, enz. De bron van St. Hilarius te Metagne-la- 
Grande (Namen) geneest zweren, gezwellen, kanker, tandpijn en 
zelfs lammen en kreupelen. (Zie hierboven Lamheid.) 

Huiveringen. Sint-Evermar te Tongeren, is de patroon tegen de 
rillingen of huiveringen. Men neemt eenen steen met eenen ring 
op, om een snuifje aarde te nemen, dat men in een glas helder 
water mengt; dat water wordt geschept uit eene bron, die nabij 
de kerk loopt. Men drinkt het mengsel uit en de huiveringen 
houden op. (A. Hock, op. cit.) 

Roven op het hoofd. Eene mirakuleuze bron van S te Aragona, 



200 « Ons Volksleven. ■ 

te Villers-Potterie (Henegouw), geneest de roven op het hoofd bij 
de kinderen. 

— Aan het uiteinde van den boomgaard die aan de kapel van 
Villers, afhangende van Emines (Namen) raakt, ontspringt de 
S x Jorisfontein, aan welke de ouders de genezing komen vragen 
hunner kinderen, die aan de gevolgen van roven op het hoofd 
lijden. Deze ziekte, door het volk onder den naam van S* Joris- 
ziekte aangeduid, verdwijnt, zegt men, door de afwassching in 
het heldere water der bron. Het was eertijds eene druk gevolgde 
bedevaart, die men eindigde met godvruchtig driemaal rond de 
kapel te gaan. 

De razernij. Te Maroilles, een dorp in 't departement van 
't Noorden (Frankrijk), op 5 kilom. van Landrecies, vereert men 
eene bron en schrijft haar mirakuleuze krachten toe tegen de 
razernij, de koorts en de tandpijn, 't Is de S* Humbertsbron. 

Kr op gezwellen. Op de plaats der oude S l Calixtuskapel, te Luik, 
die rond 966 afgebroken is, om plaats te maken voor de collegiale 
kerk van S* Paulus, ontsprong eene mirakuleuze bron. 

De lijders aan kropgez wellen, o. a., kwamen ervan alle kanten 
naar toegeloopen. Na godvruchtig den heilige te hebben gebeden, 
dronken zij van 't water der bron, aten het brood, door den pries- 
ter gewijd, die de kapel bediende, en keerden na eenige dagen 
genezen huiswaarts. 

In den loop der tijden geraakte de herinnering aan de wonder- 
dadige bron verloren en men wist zelfs niet juist de plaats meer, 
waar zij eens geweest is. (Albert de Lymborch, Fundatio S. Pauli.) 

Onbepaalde ziekten. De S* Germanusbron, te Couture-S* Germain 
(Brabant), ligt in eenen hoek eener moerassige weide. Een groot 
getal bedevaarders, die te Couture de relikwiën van den H. Ger- 
manus komen bezoeken, dompelen hunne kinderen in deze bron 
of besproeien ze met haar water, om ze tegen ziekten te bevrij- 
den. (TARLIER etWAUTERS, op. cit.) 

— Te Villers-la-Bonne-Eau (Lux.), ziet men de fontein van 
S te Barbara, waar de lieden van het omliggende het geneesmiddel 
tegen zekere kwalen (?) komen zoeken. 

— Te Temsche, op de Schelde, heeft men de S te Amelberga- 
bron, waar de zieken de genezing gaan zoeken, die de genees- 
kunde hun weigert. (D r Coremans. Les Fètes de Joul, 23.) 



« Ons Volksleven. » 201 

— De St-Lambertfontein te Emines (Namen), is beroemd voor 
hare mirakelen. 

— Een der dagen van de achtdaagsche begankenis ter eere van 
den H. Gommarus. gaat het volk van Lier naar den S^Gomma- 
rusput, op het grondgebied van Emblehem, en daalt in den 
onderaardschen kelder af om er water te scheppen, dat zijnen 
oorsprong verschuldigd is aan den H. Gommarus en aan hetwelk 
het volk buitengewone krachten toeschrijft. 

— Eene fontein bij Chiny draagt nog den naam van Theobalds- 
fontein, omdat de heilige, zegt men, er zijnen dorst kwam les- 
schen. Deze bron had langen tijd den naam mirakuleus te zijn. 

— 't Is aan Adelfried, een edelman, wiens zoon door St. Omaar 
genezen werd en dien hij doopte met verscheidene inwoners der 
heerlijkheid, dat de gemeente Elverdinghe — oudtijds Adelfride- 
ghem — haren naam ontleende ; de put waar de eerste christenen 
werden gedoopt, heeft den naam van St.-Omaarsputteken be- 
houden. Een groote toeloop van volk komt jaarlijks die plaats 
vereeren. Op den dag, door de overlevering bekend, komt de 
geestelijkheid de bron zegenen, en ieder huisgezin draagt van het 
water mede, om het aan de zieken en het vee te laten drinken en 
er de huizen mede te besprenkelen. (Annales de la Soc. d' 'Emulation 
pour Vuist, et les Antiquités de la Flandre, VIII, 2 me série, 200.) 

Over de vereering van stroomen, 
rivieren en bronnen (1) 

— De Germanen deden hunne geloften aan de fonteinen, 
meren, rivieren, stroomen en voornamelijk aan den Rijn. (Tacitus. 
Hist. IV. — Procop. Bell. Goth. II, 2 5.) 

— De Germanen offerden zwarte lammeren aan de water- 
geesten. 

— De Gallen hadden een grooten eerbied voor de meren, 
afgronden, moeren en andere waters, want zij geloofden dat 
godheden er in verbleven. (Le P. Dom ***. Religion des Gaulois, 
I, 23.) 

— Bij de Gallen wierpen de Druïden, onder de aanroeping van 
Esus de offeranden (dit waren goud of menschenoffers) in de 



(i) Vervolg van blz. 97, 2e jaarg. 



202 « Ons Volksleven. » 

geheiligde waters,, en de peerden in de afgronden. (Diodorus, 

V, 212.) 

— Bij de Kelten was Laga de godin der bronnen en fonteinen. 
Zij woonde in het paleis Soquabekr (het gemurmel der wate- 
ren), waarboven al de waters der aarde stroomden. Odin bezoekt 
haar dagelijks om in hare fonteinen te baden. 

't Was uit het gemurmel der wateren dat de waarzegsters in 't 
leger van Ariovistus hunne voorspellingen deden. (Plutarchus 
in Cces. 19.) 

— In het reisboek van Antonius worden de wateren van Bath 
(Engeland) Aqua solis, wateren der zon, genoemd. 

— Onder Dagobert verbood St-Eligius aan de bekeerde Fran- 
ken lampen te ontsteken op de boorden der bronnen en er duivel- 
sche amuletten op te hangen. 

— De Germanen beeldden zich in dat de godin Hertha in de 
wateren verbleef. 

Daar onze bevolking voor het meerendeel een Germaanschen 
oorsprong heeft, zal het niet ongepast zijn een klein overzicht te 
geven van de zeden der Germanen, die de oevers der Elbe be- 
woonden en de aarde onder den naam van Hertha aanbaden. 
Deze godheid werd voorgesteld op eenen open wagen {veste contec- 
tum). Deze wagen werd getrokken door twee koeien, geliefkoosde 
dieren der godin. De priesters trokken hem met groote pracht 
voort, totdat gansch de trein, vermoeid, zich ofwel in 't afgele- 
genste deel van een meer ofwel in eene rivier (1) wierp, waar een 
afgrond was, en bij gebrek aan zulke plaats, in eenen waterpoel. 

In het land der Angelsassen waren talrijke plaatsen, waar men 
geloofde dat de godin Hertha verbleef. 

Deze plaatsen stonden bij hen in groote vereering, en daarom 
kwam men er in bedevaart heen met offeranden van goud, klee- 
deren en soms peerden, op den vijand veroverd. Men dompelde 
deze ex-voto's met veel godsvrucht in het water. (Zie over dit 
onderwerp Eutrop, 1. 5, 6, 2; Callema, Hym. V, 4, en CEschyl. 



(1) Het koekoeksfeest van Stembert, te Polleur (Luik), waarin menden 
ongelukkigen Koekoek (een arme drommel die de voornaamste rol in de grap 
speelt en daarvoor betaald wordt) tot driemaal toe in de rivier werpt, heeft 
veel gelijkenis met den trein van Hertha, die zich in het meer werpt. Zou men 
hier met eene Germaansche overlevering te doen hebben ? 



« Ons Volksleven. » 203 

Suppl. V, 56i.) De Elbe had veel van die plaatsen, door de tegen- 
woordigheid der godin geheiligd, waar de bedevaarders nog wel 
heengingen vooraan in de XV e eeuw. 

— Na de invoering van het Christendom is ons land, ging men 
voort met de fonteinen te vereeren, die, volgens de heidensche 
godgeleerdheid, hunne titulaire godheid hadden, aan wie het 
volk offers opdroeg. Reeds had de H. Eligius deze bijgeloovige 
praktijken veroordeeld en Karel de Groote strafte streng degenen, 
die er zich aan overgaven. 

— In een Romeinsch opschrift, te Flémalle bij Luik, gevon- 
den, is er spraak van de godheid van den « Flumen Mosa » (den 
Maasstroom). (Buil. de la comm. royale d'art et d'archéol. VI, 97.) 

— De oude Gallen zagen de meren voor goden aan, of althans 
voor plaatsen, waar zij hun verblijf vestigden. Zij wierpen in het 
meer van Toulouse den buit, dien zij op den vijand veroverd 
hadden. 

— De eerbied, dien men eertijds den Rijn toedroeg, werd met 
der tijd tot den uitersten graad van bijgeloof gedreven. Men was 
er toe gekomen aan zijn water eene zoo groote zuiverende kracht 
toe te schrijven, dat men geloofde dat het bekwaam was om de 
rechter en de wreker der echtelijke reinheid te worden, 't Was in 
dit geloof dat de volkeren in de nabijheid van den Rijn wonende, 
hunne kinderen in den stroom legden, om te oordeelen of zij 
wettig waren, en men spaarde ze niet, dan wanneer ze boven- 
dreven. Dit zonderling en barbaarsch gebruik wordt bevestigd 
door Keizer Juliaan, door Claudianus en door den H. Gregorius 
van Nazianzus. De eerste brief van kap. XXXXIII der Antho- 
logie geeft de bijzonderheden der ceremonie. 

De verblindheid nopens de kracht des Rijnwaters duurde 
nog voort in de XI V e eeuw. Een tijdgenoot (1) verzekert op Sint- 
Jansavond eene tallooze menigte vrouwen te hebben gezien, die 
hunne armen in het water van den Rijn dompelden. Zij waren 
met bloemen versierd, hadden de mouwen opgeschort en mur- 
melden zekere woorden. Voor reden van deze praktijk gaf men 
op, dat het volk en voornamelijk de vrouwen, van de gansche 
oudheid af, geloofd hadden, dat men door middel van deze 



(1) Wie? 



204 « Ons Volksleven. » 

afwassching, al de ramppen van een geheel jaar in de wateren 
van den Rijn verdronk en men zich gelukkige dagen verschafte. 
Daarom herhaalde men telken jare die zoo heilzame reiniging. 

— De Perzen dreven den eerbied voor de stroomen zoo verre, 
dat zij verboden er de handen in te wasschen en er iets onbeta- 
melijks in te doen. 

— Hesiodus maakt van de stroomen kinderen van den Oceaan 
en Tethys; volgens hem mocht men nooit de stroomen overva- 
ren, zonder ze te aanroepen en zich de handen te wasschen. 
Men slachtofferde hun peerden en stieren. Elke stroom werd, 
volgens de fabel, bestuurd door eenen god, dien men voorstelde 
onder de gedaante van eenen grijsaard, met dikken baard en 
eene kroon van biezen op het hoofd. Zittende te midden van 
het riet, leunt hij op eene urn, waaruit het water vloeit dat de 
rivier vormt, die hij bestuurt. 

— Een Brusselsen dagblad van den n n April 1892 schreef: 
« Eene groote woeling heerscht de Delhi (Engelsch Indië) onder 
de inlandsche bevolking, die het Staatsbestuur beschuldigt ge- 
heime zendelingen gestuurd te hebben, gelast met zeven jonge 
kinderen van het mannelijk geslacht op te lichten en ze als slacht- 
offer aan de godheden der wateren op te dragen . » 

(H Vervolgt.) Alfried Harou. 

(Eijntje de (Melkboerin en de (Eierboer 



Men heeft dikwijls gepoogd familiebetrekkingen uit te vinden 
tusschen Lijntje de Melkboerin, wier beeld vroeger op eene pomp 
op de Melkmarkt, te Antwerpen, stond en den zoogenaamden 
Eierboer, wiens beeld op de Eiermarkt, ingelijks boven eene pomp 
staat. De reden daarvan is, dat in de hekeldichtjes, bij zekere 
gelegenheden, aan den voet van dit laatste beeld, eene soort van 
Antwerpschen Pasquino, aangeplakt, Lijntje weleens zijne vrouw, 
zijne dochter of zijne nicht genoemd wordt. De waarheid dwingt 
ons te bekennen, dat nergens, dan in bedoelde hekeldichten , : 
melding van die gewaande bloedverwantschap wordt gemaakt. 
Misschien is men het denkbeeld dier familiebetrekkingen enkel 



« Ons Volksleven. » 205 

aan de omstandigheid verschuldigd, dat dergelijke hekeldichten 
ook meer dan eens op de pomp van Lijntje werden aangeplakt, 
en dat zij somwijlen zelfs een antwoord op die van den Eierboer 
behelsden, gelijk meermalen de hekeldichten van den Eierboer 
en die van het Melkboerinneken antwoordden. Zoo herinneren 
wij ons een geestig spotvers van den volksdichter J. Th. van 
Ryswyck, dat in 1840, weinige dagen voor de opening der 
Rubensfeesten, al de Antwerpenaars verlustigde. Men had voor 
die feesten een pleisteren Rubensbeeld laten maken, dat op het 
Kranenhoofd, in stede van het nog niet voltooide bronzen, zoude 
worden ingehuldigd. Dit pleisteren beeld was echter bij het plaat- 
sen verbrijzeld. Ook werd in de stad veel van razende honden 
gesproken. Een gedicht op de pomp der Melkmarkt de vreemde- 
lingen op de feesten hebbende uitgenoodigd, zoo antwoordde de 
volksdichter, door den mond van den Eierboer : 

Burgers van Parijs en Londen, 
't Beeld van Rubens ligt in gruis ; 
En de feesten zijn geschonden ; 
En er loopen razend' honden : 
Blijft gerust maar liever t'huis. 

(Verhaald naar Sleeckx' Straten van Antwerpen. 

(Zie u Ons Volksleven » loopende jaargang, bl. 24. j 

A. VAN DEN BROECK. 

D N KuïaïODgeDw 

( Vervolg.) 



XX. 

De wet van Beaumont, kleine stad door den bisschop van Reims 
gebouwd, sprak eene dubbele straf uit tegen allen man, « die zich 
ten onrechte zal beroemd hebben eene vrouw te hebben aange- 
raakt. » 

Xiet enkel werd hij tot eene boete veroordeeld, maar hij moest 
in de kerk, in de tegenwoordigheid van al het volk, voor het 



(i) Z. Ons Volksleven, VIII, 211; XI, 46, 120; X, 36, 77; XI, 76. 



206 * Ons Volksleven. » 

kruisbeeld en slechts in zijn hemd gekleed, zijne woorden intrek- 
ken (1182). (De Soignie. Les manvaises Langues, 69-70). 

XXI. 

Wanneer in de middeleeuwen eene vrouw eene andere hoonde, 
moest zij niet enkel eene boete betalen, maar men hing haar — 
althans in sommige plaatsen — aan eene ketting eenen of twee 
steenen om den hals. Zij was verplicht deze in 't openbaar door 
de stad te dragen, voorafgegaan en gevolgd door de gerechtsdie- 
naren, die op den hoorn of de tromp bliezen om haar te begek- 
ken. Dikwijls ook volgde de veroordeelde de processie in « haar 
hemd » en, na alzoo door de stad geleid te zijn van de eene stads- 
poort naar de andere, knielde zij aan den ingang der kerk neder. 
Gedurende den doortocht, had de beleedigde persoon het recht 
haar met eenen prikkel te steken, om ze te doen voortgaan. (J. de 
Soignie, op. cit., 7.) 

XXII. 

Aan den schandpaal van 's-Gravenbrakel hing een korf {mande 
in het plaatselijk dialect), in den vorm van een bootje met koor- 
den opgetuigd, en waarin men de schuldigen aan de bespotting 
van het volk ten toon stelde. In 1410 werden aan den schandpaal 
gesteld « toutes femmes de mauvais langage et de désordonnée vie » ; 
in den loop van het jaar 141 1 werd eene vrouw, van lastertaal 
overtuigd, vóór de halle gebracht, op de bank der kastellanie, om 
hare woorden in te trekken. Dat gebeurde op eenen Zondag, na 
de hoogmis. (Dujardix. Gïossaire toponymique de lavillede Braine-le- 
Comte, 24.) 

XXIII. 

De lasteraars werden in de XVI I e eeuw nog veroordeeld om 
blootsvoets en blootshoofds rondgeleid te worden. 

Wij vinden daarvan een voorbeeld in Kaisin, Annal. kist. de la 
comm. de Chdtelineau (Hainaat), année 161 4, p. 126 : 

« Un individu ayant appelé un marchand « voleur ». Ie 
marchand Ie fit citer devant la justice et demanda qu'il fut 
condamné a, une « esconduite pieds nus et tète nue » et a payer 
une amende. » 



« Ons Volksleven. j» 207 

XXIV. 

De vrouwen — vooral de vrouwen die een slecht leven leidden 
— werden te Oudenburg voor onderscheidene misdrijven veroor- 
deeld tot i jaar ballingschap of 3 jaar ten hoogste, voornamelijk 
voor onzedige feiten. 

Ten einde degenen te kastijden, wier verbanning niet was 
uitgesproken, deed de wet te Brugge in 1445 bij Jan van Cutse- 
ghem twee steenen gewichten verveerdigen (steenine boutaillen), 
die men deze vrouwen liet dragen, na hen op eenen merktdag 
op de merkt te hebben tentoongesteld. 

Deze steenen, met verniste ijzeren banden voorzien, waren met 
olie geverfd, om tegen het water bestand te zijn. Zij droegen de 
wapenteekens van den hertog en van de stad en hingen met twee 
ketens buiten aan de halle te Oudenburg. Tegenwoordig ziet men 
nog twee steenen van dien aard aan het raadshuis te Damme 
hangen. (E. Feys en D. van de Casteele. Hist. d'Oudenbourg, 
etc, p. 494 et note.) 

XXV. 

Aan den zuidhoek van het stadhuis te Damme ziet men tegen 
den muur twee groote steenen hangen ; de overlevering wil dat 
men deze aan den hals der kwaadspreeksters hing, welke men 
dan alzoo door de stad leidde. (J. d'Ardenne. Guide descriptif de 
la cote de Flandre, 338.) 

XXVI. 

Op het eiland Schouwen werden de ontrouwe vrouwen (1) 
gansch naakt door de straten der stad geleid, met twee steenen 
om den hals gehangen en een ijzeren cilinder op het hoofd. De 
steenen bestaan nog en iedereen kan ze zien in het raadshuis te 
Brouwershaven. (Edm. de Amicis. La Hollande, traduit de Fr. 
Bernard, 27.) 

XXVII. 

Te Nuremberg vindt men in de kelders van het kasteel ijzeren 
maskers, die gediend hebben voor de kwaadsprekers, welke men 
op den openbaren weg tentoonstelde. (Jules de Soignie, op. 
cit., 70.) 

(1) Men ziet, dat het niet enkel de kwatongen waren, die deze straf moesten 
ondergaan. 



208 - Ons Volksleven. 



XXVIII. 



De wetgevers van Egypte, Judea en G'ermanië pasten op de 
lasteraars de straf der wedervergelding toe, d. i. de plichtigen 
werden zelfs met de dood gestraft, zoo deze straf op de misdaad 
stond, waarvan zij iemand valschelijk hadden beticht. 

Te Rome werd het merk der schande bij de straf der wederver- 
gelding gevoegd. De lasteraar die ter kwader trouw handelde, 
werd er op het voorhoofd, door middel van een gloeiend ijzer, 
met de letter K geteekend, beginletter van het woord calumnia, 
hetwelk oudtijds met eene k geschreven werd. Zoo wilde het de 
wet Remmia, 149 jaar vóór de christene jaartelling, welke wet 
Cicero inriep in zijne pleitrede voor Roscius. De uitdrukking 
« integrce frontis homo » om een eerlijk man aan te duiden, heeft 
geen anderen oorsprong. (J. de Soigxie, op. cit., 69.) 

XXIX. 

Te Okeamo, ten Noorden van Dahomey (West- Afrika), op de 
grenzen van Yorouba en Barida, hebben de inboorlingen eenen 
god, Ochéaco genaamd, die de kwdtongen doodt met uit den hemel eenen 
degen op de kwaadsprekers te doen vallen. 

Zijn vlijmend zweerd valt uit de wolken, treft de schuldigen in 
den nek en stijgt terug naar den hemel, zonder dat iemand den 
tijd heeft om dit te zitn. 

De vrouwen verwaarloozen geenszins den eeredienst van dezen 
god, aan wiens straffen het moeilijk zou zijn zich te onttrekken. 

De tempel van Ochéaca te Okeamo wordt dus druk door de 
vrouwen bezocht. 

Wanneer de priesteressen van den tempel de smeeksters ontvan- 
gen, nemen zij hunne puntige mutsen af. 

Als de vrouwen « fetisj willen doen » voor Ochéacho (wij zullen 
verder zien wat dit beteekent), brengen zij aan de priesteressen 
van den tempel bijzondere geschenken en een slachtoffer, dat 
moet opgedragen worden, 't zij een lam, eene hen, enz. 

XXX. 

Eene der priesteressen verwurgt het slachtoffer en offert, in een 
bijzonder vat, het bloed aan den god, terwijl zij gebeden zingt. 
Acht dagen later keeren de boetplegenden, die moede zijn van 



« OlSS \ OLKSLEVEN. » 209 

hunne tong in toom te houden (want die week hebben zij moeten 
zwijgen) met een nieuw slachtoffer terug. 

Alsdan zegt de priesteres de eindbezweringen en drukt het 
fetisj merk op het voorhoofd der kliënten. 

De vrouwen mogen voortaan babbelen en kwaadspreken. De 
god hoort hen niet meer en laat zijn zweerd niet vallen. Zij 
hebben « fetisj gedaan » voor den god in kwestie. (Magasin pitto- 
resque, 1895, p. 341-342.) 

XXXI. 

In zijne beschrijving van Afrika (Parijs, 1660, blz. 410), spreekt 
Davity van de volgende gewoonte bij de Bissagos, die de Afri- 
kaansche eilanden ten Westen van het grondgebied des Nalou's 
bewonen. 

De vrouwen, zegt hij, om de babbelzucht en den soeplust tegen 
te gaan, nemen 's morgens vroeg een beetje water, en houden, ter- 
wijl zij het huiswerk verrichten, dit in den mond totdat de tijd 
van het ontbijt of het middagmaal daar is. Om dit water niet te 
moeten uitspuwen, spreken of eten zij gedurende dien tijd vol- 
strekt niet. 

XXXII. 

In Histoire des choses mêmorables advenues aux Indes, 3 e deel, blz. 
65, uitgegeven te Bordeaux door Pater du Jaric, is spraak van 
vrouwen, die eenc zekere hoeveelheid water in den mond houden, 
hetwelk hun belet hunnen tijd in gebabbel te verspillen. 

XXXIII. 

De negerinnen van Gambië houden den mond vol water, ter- 
wijl zij arbeiden, om de kwaadsprekerij en de nuttelooze gesprekken 
te vermijden. (Demeunier. Esprit des Usages, I, i35.) 

Alfried Harou. 



210 « Ons Volksleven. » 

LIEDEREN 



Nieuwjaarslied. 



Kozijntje, ik heb er uw schouwken zien rooken, 
Ik wensch u een zalig nieuwejaar; 
'k Heb van op straat wat goeds geroken, 
Om u te bezoeken, zoo kom ik eens naar. 
'k Heb mijn hoofd vol muizenesten : 
Hebt ge mij niets, niets meer ten besten ? 
Een kanneken^bier of een kanneken wijn, 
Dat wij te samen eens vroolijk zijn ? 



Kozijntje, gij zijt er mij wellekom 
Met dezen zaligen nieuwejaar. 
Maar 'k mag mij toch niet veel beroemen : 
Magrietjen is er niet ver vandaar. 
Zet u neer, wij zullen eens tappen 
Maseurken is thuis, zij zal het niet klappen, 
Ze zal zoo stil zwijgen als een lam; 
Komt ze 't te ontdekken, 't is van den dam. 

3. 

Maseurken, wil de pinten eens spoelen, 
Tapt een kanneken Leuvensch bier 
Om ons tong wat te verkoelen, 
Terwijl we zitten bij het vier. 
Breng de pijpen en solferstekken ! 
Kozijntje, wil er uw mesje eens trekken 
Kerven we een pijpken vier of vijf, 
Terwijl w'hier zitten tot tijdverdrijf. 



Kozijntje, wat dunkt u van dit tabaksken? 
't Riekt er zoo vriendelijk als een roos 
'k Kocht er laatst te Antwerpen een paksken 
Wilt ge eens stoppen, daar is de doos ! 
Ofwel wat brandewijnken drinken, 
Maseurken is daar, ze zal 'ne keer schinken, 
Opdat wij samen doen goed bescheed : 
Ik heb u nog wat goeds gereed. 



«Ons Volksleven. » 211 



'k Ben zoo geerne bij mijn vrienden, 
Als ze zitten aan den disch; 
Als ze op de tafel brengen 
Kreeften, oesters, mosselen, visch, 
Vette kalkoenen, sneppen, patrijzen, 
Kiekens en duiven om ons te spijzen, 
Hazen, konijnen en fezant : 
Dit is al kost naar mijnen tand. 

6. 

Ja, maar ik kan op tafel niet bringen 

Dan 't geen ik moet winnen met mijn spaai 

'k Kom ook niet lachen en ook zingen 

'Lijk de ekster en de papegaai. 

Maar toch wil ik u presenteeren 

Al waar 'k u kan meê vereeren : 

Al het beste uit ons schapraai 

En een liedje daar nog bij. 



Men vindt veel vrekken hier in 't leven, 
Die de boter sparen van hun brood. 
Ze durven den buik het zijne niet geven 
Helaas ! hoe gaat het na hun dood ! 
Vechten, kijven, procedeeren. 
Laat ons den tijd in vreugde passeeren, 
Verteren ons goed, ja gansch en geheel, 
Dan hebben ons vrienden geen krakeel ! 
{Opwijk.) K. A. V. H. 



Bijgeloof, tfolksmeeningen, Zegswijzen en 
Gebruiken te flntmeppen « 

(Vervolg) 

25. Het zoutvat omwerpen voorspelt twist in het huishouden. 

26. Twee messen die kruisgewijs overeen liggen, zijn ook een 
voorteeken van huiselijken twist. 

(1) Z. Ons Volksleven, I. 9, 29; II, 21. 



212 * Ons Volksleven. * 

27. Hoort men 's avonds of 's nachts eenen hond huilen, dan 
is er een lijk in de geburen. 

28. Wanneer de eerste persoon, dien ge 's morgens ontmoet, 
eene in 't zwart gekleede vrouw is, dan zult ge dien dag ongeluk 
hebben. 

29. Koffie, die in de kom schuimt, terwijl men hem inschenkt, 
is een teeken van geld. 

30. De Hervekaas wordt, zegt men, van verrotte beenderen 
gemaakt. 

3i. Alle kaas, die slecht riekt, wordt « grootmoeder » geheeten. 

32. Alvorens het brood aan te snijden, maakt men met het mes 
een kruis op den onderkant. 

33. Die het afwaschwater laat overkoken, zal in zeven jaar 
niet trouwen. 

34. Raap nooit eene speld van de straat op, want indien gij er 
u van bediendet, zoudt gij « de armoede op u speten. » 

35. Als eene vrouw eene haarspeld verliest, is dit een teeken 
dat men aan haar denkt. 

36. Als een jonge hond gedurig in de voorwerpen bijt die hij 
vindt, en ze verscheurt, dan is dit een teeken dat hij eenen worm 
onder de tong heeft. Men verwijdert dien. 

37. Als men een kattenhaar inslikt, teert men uit. 

38. Die 's morgens zingt, zal 's avonds weenen. 

3g. Als men eenen bult tegenkomt, dan zegt men dat het nog 
zal regenen. 

40. Als iemand eenen brief krijgt van eenen persoon dien hij 
verfoeit, brandt hij er de hoeken af en zendt hem weder. 

41. Als een meisje rond den tijd van haar huwelijk veel zingt, 
zal zij ongelukkig zijn. 

42. Bij donderweder trouwen is zich blootstellen aan eene 
ongelukkige verbintenis. 

43. Als de scheer van eene naaister ter aarde valt en de punten 
in den vloer dringen, is dit een teeken van werk. 

44. Als men 's Zaterdags iets breekt, dit brengt geluk aan. 

45. Als men eenen stoel doet draaien, komt er twist in 't huis- 
houden. 

46. Als een jongen uit een glas of eene kom drinkt, waar een 



« Ons Volksleven. * 213 

stukje uit is, dan zal hij eene weduwe trouwen ; is het een meisje, 
zij zal een weduwnaar huwen. 

47. Is het eene zwangere vrouw die uit dergelijke kom drinkt, 
dan zal haar kind eenen hazemond hebben. 

48. Een kleedingstuk averechts aantrekken is een voorteeken 
van nieuws. 

49. Als men 's avonds gedruisch hoort (op Allerzielen ?) zegt 
men, dat het de zielen zijn die weerkomen. 

50. Als de deur opengaat door den tocht of den wind, zegt 
men : « Kom maar binnen, Sinte-Peeter ! n 

5i. Van soldaten droomen is een voorteeken van geluk, van 
werk. 

52. Van haren droomen beteekent profijt. 

53. Van kinderen, twist in het huishouden. 

54. Van zwarte peerlen, een aanstaand overlijden. 

55. Droomen van vruchten vóór den tijd is een bruid of een 
lijk. 

56. Droomt men van vet vleesch, dan zal men veel geld ver- 
gaderen. 

5y. Droomt men van mager vleesch, dan zal men weinig voor- 
spoed genieten. 

58. Als men het eerste kwartier der maan door eene ruit ziet, 
dan zal men eene maand lang ongeluk hebben. 

5g. Wanneer een gaatje in een kleedingstuk is, dan zegt men i 
« de vliegende mot zit er in. » 

60. Heeft iemand kousen aan met gaten in de hielen, dan heet 
het : « de ajuinen komen uit. » 

61. Het is niet goed op eenen Vrijdag eene meid in dienst te 
nemen. 

62. « Hij gaat zijn grootvader uit het graf halen », zegt men 
van iemand met zeer lange nagelen. 

63. Men riep vroeger, als men kersen bedoelde : 

Rijp en rond, 

Ze smilten in den mond ! 

64. Aardbeziën, koop, koop, 
Met een torentje daar op ! 

Dat riepen over eenige jaren de leurders met aardbeziën. Deze 
lieden zijn Hollanders en roepen thans : 



214 « Ons Volksleven. » 

Aardbeziën, koop, koop! 
Van daar de naam « koop-koop », te Antwerpen gegeven aan 
die kleine Hollandsche aardbeziën. 

65. « Hij heeft wormen in zijn verstand » (hij is zot of dom.) 

66. Waar men wafels bakt, hangt men een witten doek aan een 
stok voor het venster. 

67. Voor eene grap legt men in het bed van jonggehuwden den 
eersten nacht eene pop of een gekleeden stok. 

68. In eene kapel op de Schoenmerkt gaan de vrouwen die 
zich ter merkt begeven, eerst een gedeelte van hunne eieren en 
hunne boter op den autaar van O. L. Vrouw offeren, opdat zij 
veel zouden mogen verkoopen. 

In dezelfde kapel laten de jongedochters keersen branden om 
eenen vrijer te vinden, en de wereldsche juffers, om eenen man 
te krijgen. 

69. Het is niet goed zich des Vrijdags het haar te laten snijden 
en de nagelen te knippen. 

70. Als eene brandende kool in de kachel of den heerd met ge- 
rucht vaneenspringt, ofwel als de plaat der stoof eenen slag geeft, 
als de meubels kraken, dan zal er nieuws komen. 

71. Om den winter aan handen of voeten te genezen, moet men 
er met een verschen ajuin over wrijven. 

72. Als men eene ster ziet rijzen, dan zegt men dat eene ziel 
naar den hemel gaat, dat er een doode op de aarde is. 

73. Om het haar te doen groeien of uitschieten, laat men witte 
ajuinen weeken in ammoniak, regenwater of zout en bestrijkt 
daarmede het haar of de kale plekken. 

74. Het sap der donderbladeren geneest de wratten en uit- 
wassen. 

75. Om de geelzucht (te Antwerpen : « het geel ») te genezen, 
snijdt men eenen louw levend open en legt hem op de borst. 

76. Om bevrijd te blijven van de roos, moet men gedurig eene 
wilde kastanie in den zak dragen; anderen zeggen netelbloemen. 

77. Om de roos niet te krijgen, moet men Spaansche zeep in 
den zak dragen. 

78. Eene wilde kastanie in den zak dragen, is een goed middel 
tegen de krampen en het flericijn. 

79. Om keelziekten te genezen, moet men porrei koken of wor- 



« Ons Volksleven . r 215 

telen (penen), in stukken gesneden, en die op de keel leggen. 

80. Thee van kersestelen is een goed middel tegen de ziekten 
der blaas. Alfried Harou. 



DE NACHTWAKERS W 

(Vervolg.) 



XXIII. 
De nachtwakers te Gent 

Velen herinneren zich nog de legendarische nachtwakers die 
vóór hunne herinrichting, in 1854, te Gent, eene zekere ver- 
maardheid genoten. 

Van een uiterst vreedzaam karakter, was de nachtwaker de ge- 
zworen vijand van alles wat de zoete rust van zijn ambt storen 
kon. Bij het minste gerucht, bij het minste noodsein was zijn 
eerste werk, indien hij op zijnen post was, hetgeen niet altijd 
gebeurde — zich langs den tegenovergestelden kant te begeven 
van dezen waar zijne tusschenkomst zou kunnen ingeroepen zijn 
geworden. 

Ook was het om zoo te zeggen maar indien hij er toe gedwongen 
was, dat hij er toe besloot tegen de stoorders der nachtrust en 
der openbare orde handelend op te treden. 

Het was dan ook nog noodig dat dezen gewillig medegingen 
en zich zonder tegenstand naar de permanencie lieten medeleiden. 

In geval van weerstand, verhaastte de nachtwaker zich er van 
door te trekken en bepaalde hij er zich bij de overtreders te be- 
dreigen met al de strengheid van de wet, waarvan hij de officiëele 
vertegenwoordiger was. 

Aanvankelijk werden de nachtwakers benoemd door de sche- 
penen van de keure. 

Ziehier hoe de inleiding der verordening van 3 December i563 
hierover handelt : 



(1) Z. Ons Volksleven, X, i5g. 



216 - Ons Volksleven. » 

« Eerst dat in elcke ghebuerte ofte wyck ghecomitteert sal wer- 
)) den by heer ende weth eenen persoon van Eere, de welcke met 
)> het luyden vander leste clocke ghehauden sal svn hem te vin- 
» den met lucht, ende daer sonder niet, op de straete \v3xk ofte 
» ghebuerte daer hy ghestelt sal wezen omme aldaer den gehee- 
» len nacht tot het luydene van de dagheclocke de waecke 't hou- 
» dene, goeden toezicht nemende wat ghebueren ofte persoonen 
» over de straeten passerende syn, ende de selve ist noode te 
» ondervraegene wie sy syn...» 

Het reglement somt de plichten op van den nachtwaker ; onder 
deze moet gemeld worden het afroepen der uren. 

Deze verplichting welke in i53y was vastgesteld geworden 
voor de nachtwakers van het Belfort, werd behouden tot bij de 
herinrichting der nachtpolicie in 1854. (?) 

Het is met slepende stem dat de nachtwakers gedurende onge- 
veer drie eeuwen aan de inwoners het uur zongen : Wacht uw 
vuur en kaarslicht wel, de klok is tien, tien is de klok, tiene. Zij steunden 
bijzonder hard op het laatste woord, waarbij het uur werd aan- 
geduid. 

Het getal der nachtwakers en de wijze waarop ze benoemd 
werden, veranderden verscheidene malen. 

Wij zullen ons bepalen met te herinneren dat in de verleden 
eeuw de nachtpolicie samengesteld was uit achttien wakers, nacht- 
roepers. 

Verscheidene verordeningen, onder andere deze van i563, 
i568, 1675, 1687, 1703, 1735 en 1786, om maar deze te vermel- 
den, regelen de benoemingen en bepalen de plichten en de rech- 
ten der nachtwakers. 

Men mag gelöoven dat deze wakers niet altijd hunne bedienin- 
gen op voorbeeldige wijze vervulden, want verscheidene keeren 
moesten maatregelen genomen worden om hun het nakomen 
hunner plichten te herinneren. Men legde hun onder andere ten 
laste dat zij den nacht doorbrachten in de herbergen. Eene der 
laatste verordeningen, deze welke den 4 11 Augustus 1787 werd 
uitgevaardigd, luidt als volgt : 

« Dat sy byna al hun devoire zyn negligerende by middel van 
des nagts 'thuis te blyven ofte in herberghen sig syn ophou- 
dende. )) 



« Ons Volksleven. » 217 

Op het einde der XVI I e eeuw, nam men zijne toevlucht tot eeu 
zoo eenvoudig als vernuftig middel om zich te verzekereu of de 
nachtwakers in hunne wijk de ronde maakten. De verordening 
van 16 November 1690 zegde dat de Nachtroeper moest voor- 
zien zijn van eenen ratel, welken hij alle kwartieren moest draai- 
en tot proeve dat hy is op syn defvoore. 

Dat gerucht van den ratel verwittigde de dieven en de schurken 
van alle soort van de aankomst van den waker en alzoo konden 
zij hun bedrijf in volle zekeiheid uitoefenen, zonder te moeten 
vreezen dat zij zouden gestoord worden. 

Dezelfde verordening verbood de nachtwakers in de herbergen 
te gaan. De schepenen lieten hun nochtans toe eenen stond stil 
te houden aan de deur eener herberg en er een klein glaasje te 
drinken om hunnen dorst te lesschen. Onnoodig erbij te voegen 
dat de Nachtroepers van deze vergunning ruimschoots gebruik 
maakten en dat zij gedurende den nacht herhaaldelijk voor de 
herbergen stil hielden. 

«... sonder daeronder nogtans te begrypen degonne die tot het 
laeven van hunnen dorst eenighen wyn, bier ofte ghebrande wyn 
in cleene quantiteyt voor d'herberghen sonder tyt verlies van 
hunne raetelwacht sullen hebben ghedroncken. » 

Dat verbod dat verscheidene keeren vernieuwd werd, had zeer- 
weinig uitwerksel, want in 1787 verweten de schepenen nog aan 
de nachtroepers dat zij een groot deel van hunnen tijd in de her- 
bergen doorbrachten, welke zij, dit zij hier ter loops gezegd, om 
9 uren of om 10 uren des avonds moesten doen sluiten. 

(H Vervolgt.) 



Kinderspelen, 

UIT HET 

Li^-ISriD VAN JD EIST DEÏ^I^EOÏT IDE 
( Vervolg) 



43. Kalle-drijven. 
Het getal spelers is vijf. Elk heeft nen stok, en verder is er 
eene «kalle». Een vierkant wordt getrokken en op eiken hoek 
een put gemaakt, daarbij nog een in 't midden, den « t'halven- 



218 « Ons Volksleven. » 

put ». Vier spelers « staan met hunnen put ». De andere « staat 
buiten», op eenigen afstand, met de «kalle)). Hij drijft 
ze met zijnen stok 't spel in, naar den « t'halvenput » toe. Die 
in den « put staan », trachten de « kalle » terug te stooten. Ze 
moeten rap zijn, want de vijfde man houdt gedurig een oog in 't 
zeil om zijnen stok in eenen der « putten » te steken, waar geen 
stok in en staat. Wie dus de kalle wil « terugdrijven », stelt zich 
in 't gevaar uit zijnen put te geraken, want geraakt de stok des 
vijfden mans eer in den put dan de zijne, zoo moet hij er uit; 
en 't is aan hem van de « kalle » te gaan verdrijven. Hoe kan 
een die de « kalle » drijft, van dien lastigen post afgeraken ? 
Daarvoor moet hij enkel zijnen stok weten te steken in eenen 
put, waar geen stok in is. Welke gelegenheid heeft hij daarvoor? 
ai Hij tracht de « kalle » gedurig in 't spel te brengen, om in den 
« t'halvenput » te geraken. De andere vier doen met hunne 
stokken al hun best om ze terug te drijven. Terwijl ze alzoo met 
hunne stokken werken, heeft hij allicht eens de kans, als hij rap 
is, den zijnen in eenen put te steken, vóór den man die er in staat. 
bj Gelukt het den « kalle-drijver » de kalle in den t'halvenput 
te krijgen, zoo moeten alle vier de « spelers » van put veranderen, 
dan moeten ze « verloopen ». — Geraakt hij nu in eenen put, dan 
is hij er af, en die geen en en heeft, kan dan maar de kalle gaan 
« drijven ». De spelers staan niet geerne lang in eenen en den- 
zelfden put. Gedurig willen ze veranderen. Als ze nu de « kalle » 
eene ferme lap gegeven hebben, zoodat ze eenige stappen buiten 
't spel rolt, dan zijn ze gauw aan 't verloopen. De « kalledrijver » 
kan dan, na eerst aan de « kalle » met den stok geraakt te heb- 
ben, in den eenen of anderen put loopen. Ik zeg, na eerst aan 
de « kalle » geraakt te hebben, anders mag hij in geenen put 
komen. B. v. Hij brengt de « kalle » in 't spel en iemand slaat 
er op, zoo moet hij eerst met den stok de « kalle » aanraken, eer 
hij naar eenen put mag uitsteken. Ge ziet van hier hoe men hem 
kan tergen. Inderdaad, veronderstellen wij dat de « kalle » reeds 
dicht bij den « t'halvenput » ligt, en iemand slaat er op. Deze 
heeft natuurlijk den stok uit den put getrokken ; rap als de weer- 
licht, raakt de « kalledrijver » den stok aan, en meent reeds zijnen 
stok in den ledigen put te steken ; maar eer hij dezen geraakt, 
heeft reeds een andere speler op de « kalle » geslagen, en nu 



« Ons Volksleven. » 219 

mag hij den stok in den put niet zetten, want hij is niet de leste 
aan de kalle geweest. 

Opmerking. — De « t'halveput » dient enkel om er de « kalle » 
in te « drijven » . 

44. Kalleken-schieten. 

Eene tuit, een stopsel, of een stuksken hout dient voor « kalle ». 
Ieder heeft zijn « lood ». Elk zet zijnen knop op de « kalle » en 
na het « heulen » begint het spel. Van op de « meet », ongeveer 
drij stappen van de « kalle n getrokken, schiet de eerste er naartoe. 
Hij is er nevens. De tweede schiet er naartoe. Hij is er nevens, 
de derde ook. Niemand is er « op ». Zij hebben nu allen « ge- 
schoten » en nu is het weder de beurt van den eersten. Weer 
« mis ». De tweede raakt met zijn « lood » aan de « kalle » en 
doet er de « knoppen afspeeten ». 't Was Karel die « geschoten » 
had. Maar hij « heeft niets », noch Jan noch Pieter ook niet, 
want de drie knoppen die er liggen, « zijn aan de kalle ». Nie- 
mand mag ze dus oprapen, daar ze dichter bij de « kalle » dan 
bij hun « lood » liggen. Nu schiet Jan « op ». 't Gelukt hem, hij 
« schiet )> eenen knop, want de afstand tusschen zijn « lood » en 
den knop is kleiner dan tusschen den knop en de « kalle ». Pieter 
schiet daarachter op, maar de twee andere knoppen blijven aan de 
« kalle ». 't Is aan Karel. Deze « schiet » ze alle twee gelijk, want 
de knoppen liggen dichter tegen zijn « lood » als tegen de « kalle ». 
Daarna begint het spel opnieuw en elk zet zijn « zaad » op. 

Opmerkingen. — I. Wanneer zijn de knoppen aan de « kalle » ? 
i° Zij zijn er aan, wanneer zij dichter bij de « kalle » dan bij het 
« lood )) van eenen speler liggen. 2 Wanneer zij aan de « kalle » 
raken. 3° Als een knop, die nochtans zelf niet aan de « kalle » 
komt, raakt aan eenen of meer anderen, die er « aan komen ». 
4 De knop zal nog aan de kalle zijn, zoo een « lood » aan de 
kalle raakt, en de afstand tusschen dit « lood » en den knop 
kleiner is dan tusschen dien knop en een ander « lood ». In dit 
geval moeten ze « meten », niet naar de « kalle », maar naar het 
« lood » dat er aan raakt. 

II. Zoo twee af meer « looden » elkander raken, en er een of 
meer « knoppen » aan toekomen, worden deze onder elkander 
verdeeld; ofwel zij « komen toe » aan het « lood », dat er dichtst 
bij « ligt )), volgens besprek. 



220 « Ons Volksleven. » 

III. Een speler die « geschoten » heeft, mag zijn « lood » laten 
liggen, totdat het zijne beurt is om te « schieten ». Zoo immers 
kan hem door het « afspeeten of afvliegen » der knoppen nog iets 
geworden. 

IV. Wie aan de « kalle » raakt, heeft niets, al lagen al de knop- 
pen op zijn « lood ». 

V. Zoo twee of meer « looden » op elkander liggen, mag de 
speler wiens beurt het is, 't zijne « oppakken », en de andere dan 
« 'nen wip geven ». Nochtans moet dit vóór het spel besproken 
worden. Is het niet besproken, dan zeggen ze: « wippers telt 
niet ». 

VI. In de plaats van knoppen, gebruikt men soms ook centen 
om op de kalle te zetten. 

45. Kallesjoeken of Kallesjoepen. 

In dit spel heeft men een « kallesjoekberd » en eene « kalle >). 
Het « kallesjoekberd » is gemaakt van hout, het « blad » ervan is 
ongeveer o,oi5 m 2 groot, het handvat is ruim 1 dm. lang. 
De « kalle » is een stoksken van ruim 1 dm. lang en aan beide 
uiteinden tot eenen punt gescherpt. Men trekt eene o ronde » en 
verdeelt dan de spelers in twee partijen, die gewoonlijk niet meer 
dan vier man tellen. Nu « ka gelken » of « kavelken getrokken », 
om te zien wie er « binnen of buiten » is. Jan en Remi zijn 
« binnen » ; Karel en Frans « buiten ». jan nam vier strookens 
van ongelijke lengte, keerde zich om en verborg ze in de vuist. 
Elk trekt er nu zijn « kagelken » uit. Die 't langste trekt, mag 
eerst « kiezen binnen of buiten », dan volgt hij die het « tweede 
langste » heeft, enz. Zoo kwam het dat Jan en Remi « binnen » 
waren, immers zij hadden beiden de langste strookens getrokken, 
en die mag « kiezen », zal altijd « binnen » zeggen. Jan is de eerste 
om de kalle « uit te slaan ». Zijn makker mag er op staan kijken. 
De tegenpartij staat buiten op vijftien of twintig meters afstand 
gereed om de « kalle » te pakken, die Jan zal uitslaan. « Ten 
hoevelen » is het spel uit » ? vraagt Karel, die « tegen Jan moet 
doen » . — « Ten duizenden n , roept Jan. Bemerkt hier dat ze « uit 
doen )> ten vijfhonderden, ten duizenden, enz. naar keus der spe- 
lers. Jan « slaat uit » en de kalle vliegt hoog de lucht in, en de 
tegenpartij pakt er naar, maar niemand heeft ze. Hadde ze 



« Ons Volksleven. » 221 

iemand kunnen « pakken », dan verwisselden de partijen aan- 
stonds van plaats; die « binnen waren », moeten « buiten ». De 
« kalle )) is hier nu door niemand gepakt. Wat gaan ze nu doen? 
Jan komt tot aan de « kalle ». « Hits » zegt hij, en hij « tikt » 
met den kant van het « kallesjoekberd » op eenen der punten van 
de « kalle », deze springt omhoog, en zoo rap als de wind die 
waait, vliegt Jan haar achterna en geeft ze eenen slag met zijn 
« berd » dat ze wel tien roeden verre vliegt. Jan loopt er al jui- 
chende naartoe en slaat nogmaals op een der punten van de 
kalle, zeggende « dwits ». Deze geeft nu weer 'nen « bot » en ze 
krijgt nogmaals eenen slag, zoodat ze weer eenige stappen verder 
vliegt en altijd hoe langer hoe meer van de « O » verwijdert. 
Maar mag de tegenpartij nu niets doen? Ja zeker, ze mag, als ze 
kan, de kalle in de vlucht pakken, als Jan er op geslagen heeft. 
Gelukt zij daarin, dan gaan zij aanstonds « binnen ». Ziet ge Karel 
omhoog springen om de « kalle » te pakken, maar 't gelukt 
hem niet. Jan loopt nu weer bij de kalle en slaat, voor de leste 
maal, met het « kallesjoekberd » op een der punten, zeggende 
« drets )). De kalle springt en hij slaat ze weder een eind voort, 
zonder dat iemand der tegenpartij ze kan pakken. Wat volgt er 
nu? Jan loopt naar zijne « ronde », ondertusschen soms eens 
omkijkende, om op 't zicht den afstand te schatten van de « kalle » 
tot aan de « ronde ». Karel, die gereed is om de kalle op te rapen, 
roept « hoeveel? » « Honderd vijftig, » antwoordt Jan kortaf. 
Wat is dat nu die « honderd vijftig » ? Jan wil daarmee zeg- 
gen, dat hij schat dat de lengte van zijn « berd » honderd vijftig- 
maal begrepen is in den afstand van aan de « kalle » tot aan de 
«ronde». Jamaar, moet de tegenpartij daar nu meê tevreden 
zijn? Bijlange niet. Vindt ze dat Jan wat te veel pakt, dan biedt 
zij af, en geraakt men niet gauw t' akkoord, dan aan 't meten. 
Komt men te kort, dan trekt men af; is er te veel, men telt bij, maar 
niet met een of twee, maar wel met vijf, tien, twintig, enz. Hier 
is nu de tegenpartij tevreden : « 't gaat er zoo nauw niet, » zegge n 
ze. Jan heeft nu « honderd vijftig » en Karel grijpt de kalle vast 
en smijt ze met geweld recht naar de «O ». Kan hij ze er in krij- 
gen — hij mag maar eens werpen — dan moeten de partijen van 
plaats verwisselen. Hij smijt dus, maar Jan staat op wacht, aan 
de « ronde », en hij is rap genoeg om de « kalle » er uit te hou- 



222 « Ons Volksleven. » 

den. Xu mag Jan weer drij keeren de kalle gaan wegslaan en 
gelijk den eersten keer zegt hij « hits », dan « dwits », daarna 
« drets ». Hoe verder hij de kalle van de « O » kan wegkrijgen, 
hoe meer hij zal kunnen tellen, en hoe moeilijker het aan de 
tegenpartij zal vallen ze in de « O » te krijgen. Jan tikt weer 
op een der punten, maar 't en gaat hem nu niet mee, want bij 
« hits )) en « dwits » sprong de kalle niet omhoog, en als het « drets » 
was, gaf ze zulk eenen flauwen « bot » dat hij er nauwelijks kon 
op slaan en dat ze zoo maar eenige stappen ver vloog. « Hoeveel 
moet ge hebben? » vraagt Karel al lachende. « Niets », zegt Jan. 
Xu opgepast! Karel raapt de kalle op en brengt de hand achter den 
rug. Hij dreigt gedurig ze in de « ronde » te smijten dan langs 
den eenen, dan langs den anderen kant. Jan volgt al die bewe- 
gingen, en staat gereed om met hand en berd de kalle terug te 
slaan of ze enkel tegen te houden. Zie, daar meent Karel de kans 
schoon te hebben : hij smijt op 't onverwachts de « kalle » in de 
« ronde », tusschen Jan zijne beenen. Karel en Frans komen nu 
«binnen », Jan en zijn maat moeten « buiten ». Voor hoelang 
wel ? Totdat iemand der tegenpartij de « kalle » kan pakken of in 
de ronde werpen. Het spel gaat zoo voort. Die eerst « duizend » 
heeft, gelijk ze zeggen, is eerst « uit ». Heeft iemand die binnen 
is, a zijn spel gewonnen », dan is het de beurt van zijnen maat 
om « op te slaan » . 

46. Kalluiten. 

Kalluiten of kalluiteren wordt door kinderen en groote men- 
schen op 't ijs gedaan bij middel van eene platte houten schijf 
waar een ijzeren band rond ligt en die ze « kalluitblok » heeten. 
In den « kalluitblok » steekt een « stek » om gemakkelijk te 
kunnen vasthouden. Het spel wordt gespeeld gelijk 't gewoon 
bolspel. 

47. Kampen in de O of O-kampen. 

Een der spelers trekt met den punt der « nonne » eenen cirkel 
op den grond en 't spel begint, 't Getal spelers is onbepaald, en 
hier wordt noch « geheuld », noch « gekozen », noch « kagelken 
getrokken » wie er eerst op moet. Een der spelers kampt te 
midden van de « O », een tweede doet hetzelfde, een derde ook, 
enz. De « nonnen » staan te draaien in de « ronde », en niemand 



« Ons Volksleven. » 223 

mag ze er uit pakken. Als ze « uitgedraaid » zijn, moeten ze er 
vanzelfs « uitloopen ». Geraken ze tot buiten niet, dan blijven 
ze er maar « in liggen », totdat zij er uitgekampt worden. Zie, 
daar liggen er reeds twee in de « O ». Let op hoe ieder dei- 
kampers zijn best doet om op de « liggende nonnen » te kampen, 
en om er zoo eene groote « hoes » of eenen grooten « does » op te 
zetten, 't is te zeggen om er putten in te « kampen ». Hoort eens 
wat gejuich als er eene nonne wordt « uitgekampt », en er eene 
groote « hoes » op gezet is. Spelers die benauwd zijn dat hunne 
« nonne » liggen blijft, durven bijna niet in 't midden der ronde 
kampen, ofwel zij « winden » hunne « nonne » vrijwillig « dicht 
op », opdat ze zou « afslooven ». Gedurig hoort ge van de spe- 
Iers : « Schenevleesch ! ik roep maar eens ! » Het spel gaat voort 
tot zoolang als men wil. 

48. Katje-jagen. 

De deur van 't schoolhof is nauwelijks open, of ge hoort reeds 
de kinderen zingen : « Wie doet er mee « katje-jagen », wie doet 
er mee « katje-jagen? » Ze gaan zoo arm aan arm rond het school- 
hof en de hoop groeit gedurig aan. Eindelijk klinkt het : « Hoops 
genoeg, hoops genoeg ! » en ze houden op. «Wat is 't ;> ? vraagt de 
eene, « katje van niet » of « katje van steen? » — « Neen, valt de 
andere in, 't is « katje van hout ». — « Ik ben 't », zegt deze. 
Daarop stuiven ze allen uiteen, de eenen naar hier, de anderen 
naar daar. Ze zijn allen op en weg,, enkel hij die de « kat 1 is, 
staat daar nog. De eene komt met zijne hand aan deze deur, de 
andere aan gene. Nu komt 't « katje » tot dicht bij hen. Daar 
loopt er een van de deur weg recht naar het houten schutsel aan 
den anderen kant van den koer ; hij wordt dapper achtervolgd 
door de « kat », maar hij is er toch niet « aan ». Ondertusschen 
is het een weg- en weerloopen door al de spelers, van rechts 
naar links, van den eenen hoek naar den anderen. Elk haast 
zich om aan 't « hout » te zijn, als 't katje achter hem « zit » of 
loopt. De ergsten van den hoop, die zich ver op hunne rappe 
beenen betrouwen, hebben wel eens de stoutmoedigheid van 
rond de « kat » te gaan staan dansen. Zij tergen hem dan, en 
dagen hem uit hen te pakken. Komt hij wat dichtbij, ze loopen 
weg. Hoelang nu moet ge 't « katje » zijn en blijven ? Totdat gij 



224 * Ons Volksleven. » 

iemand « pakt », totdat er iemand « aan is ». 't Is te zeggen dat, 
als gij « achter iemand zit », gij hem ergens aanraakt met de 
hand, eer hij aan 't hout komt. Daar immers ware hij « vrij ». 
Wie er « aan is », heeft nu 'tzelfde te doen, als zijn voorganger; 
hij mag de spelers vervolgen, die aan 't hout niet raken. Hij blijft 
het katje, tot zoolang hij iemand gepakt heeft. Zoo wordt er 
voortgespeeld. Als de school inbelt, roept ieder, « katje » uitge- 
nomen, « 'k houd mij vrij, 'k houd mij vrij ! » en allen gaan aan- 
stonds naar hunnen rang, om in de uitspanning voort te spelen. 
Opmerking. — In plaats van « katje van hout », speelt men 
ook « katje van steen », « katje van ijzer », of « katje van 
niemand ». In het eerste geval is men aan steen, in 't tweede aan 
ijzer, in 't derde, nergens vrij. Voor 't overige, dezelfde voor- 
waarden. 

49. Katje van dekkens jagen. 

Zie LOELOE DUIKEN. 

5o. Keele-kuile. 

Het getal spelers is onbepaald. Eene « ronde » wordt op den 
koer getrokken, en allen komen er « binnen staan ». Voor alle 
gerief heeft men eenen bal noodig. Een wordt uitgekozen. Deze 
legt den bal in 't putje, dat te midden der « ronde » gemaakt is, 
stelt er zijnen voet op en zegt dan : 

Keele, kuile, 

Vleeze muile, 
Peper, olie en azijn, 
Wiens kat zal 't zijn ? 

Dat zal zijn 

Rozemarijn, 
Dat zal (hij noemt iemand) zijn. 

Bij 't roepen van dien naam gaan allen loopen, de « O » uit. 
Enkel hij die geroepen werd, springt naar den bal toe en pakt 
hem op. Meent hij de gelegenheid goed, zoo werpt hij maar aan- 
stonds naar eenen der spelers die « buiten zijn ». Soms wacht hij, 
als hij denkt er niet op te kunnen smijten. Intusschen zijn er al 
die op zij of achter hem komen « binnengesprongen ». Die « bin- 
nen » geraakt, is vrij, daar mag hij niet meei naar werpen. Soms 
vindt men er die, buiten staande, zich met hunne armen wijd 



« Ons Volksleven. » 225 

open tegen den muur gaan stellen, roepende : « Roeit maar, ik 
blijf staan, ik verzet mij niet. Durft gij niet? » De andere werpt, 
maar 't is er nevens. Nu komen allen die nog « buiten » zijn, 
« binnen ». Een der spelers zet nu met krijt eene u meet » op 
den schoen van hem die daar komt te werpen. Ware het er op 
geweest, zoo zou de « getroffene » eene « meet » moeten « gehad 
hebben ». Hij die nu eene meet heeft, legt den bal in den put, en 
zegt, terwijl ze allen rond hem staan : 

Keele, kuile... enz. 

De geroepene neemt den bal op om te smijten naar de spelers 
die « buiten zijn ». Werpt hij er nevens, of weten ze allen « bin- 
nen te springen » zonder dat hij met den bal geworpen heeft, 
dan heeft hij eene « meet » . Die de « meet heeft » , legt den bal 
in den put, en terwijl ze allen rond hem staan, zegt hij : 

Keele, kuile... enz. 

Er wordt zoo voortgespeeld totdat iemand vijf « meten » heeft. 
Deze moet dan staan. Hij zet zich tegen den muur, met het aan- 
gezicht er naartoe gekeerd, brengt de linkerhand aan het oor en 
smijt met de rechterhand den bal zoo ver hij kan, door de ope- 
ning die er bestaat tusschen zijn hoofd en zijnen linkerarm. De 
bal loopten. waar hij blijft liggen, trekken ze eene «meet». 
Vandaar mogen ze naar hem « roeien » (werpen). Maar 't is op te 
passen waar ge w r erpt : immers alwie op den kop of de armen 
van den « staander » smijt, moet er zich gaan bijzetten, en wel 
zóó, dat het lichaam van den anderen gedekt is. Iedereen mag 
drie keeren werpen, en 't spel is ten einde. 

Opmerking. — Het spel van « keele-kuile » wordt door de 
kinderen ook soms « olie-giet » genoemd. 

('t Vervolgt.) P. van den Broeck en Am. d'Hooghe. 




226 « Ons Volksleven. » 

PLAATSBESCHRIJVING 

DER 

STRATEN VAN ANTWERPEN EN OMTREK 

( Vervolg) 



F° XXX J. (Rubriek als hierboven.) 

Item sijn scepenë lettere, dat Lijsbeth, dochter Adam Taeijaerts, 
met eenê mombore h(eur) gegevê metten Rechte, bekende datsi 
gegevê heeft in gestadiger giften puerlec om Gode, den heijligen- 
geest van ons(er) Vrouwe kerke t' Antw(er)pen twee gulden va 
Florenciê, en de tweedeel van eenen guldene erniker rente, deen 
helft te kerss. ende dand(er) helft te S. Jansmisse, op een huijs 
gestaen inde camm(er)strate, geheetê de grote mane. (XV e ). 
D(aer) nu de zo(n(ne) wthangt. (ld.) 

Slechts de inventaris n r 934, bl. i5, zegt iets bijzon- 
ders over dezen pand, namelijk dat de H. Geestmees- 
ters eene rente daarop hadden van 8 schel. Brab. en 
dat, in i557-i586, « Bertelmeeus Vanden Grave wert 
int scaeckbert» de cijnsplichtige eigenaar was. In i63i, 
vond ik er Lucas de Wael; tot in 1669, de wed e van 
Cantelbeeck; tot in 1676, Jan Schutt; dan dezes we- 
duwe tot in 1697. Een ligger, geteekend n r 623, bl. 10, 
vermeldt dan Jan Schutt, priester, tot in 1730. Van dit 
laatste tijdstip schijnt eene aanteekening te wezen, die 
het huis noemt de Sonne ofte de bodtschap. Tot half 
Maart 1734, vinden wij er Jan vander Eist, vervolgens 
d'heer van Wangen (waarschijnlijk ook een priester) tot 
in 1745 en dan Ed. van Tilborgh tot in 1752. 

(F° XXXJ). — Item sijn scepsn. lrên van ene ouden scilde 
tsiaers erflic die ionfr. Lijsbet Bruylochts de heilighëgh. in ael- 
moesenë gegevë heeft en bewijst te heffene op die huysingê met 
hove, gronde en met al datter toebehoirt, geheten den guldenen 
cop ghestaen in die Ca(m)merstrate. (1) Voerdane ziin scepen 



(1) De dagteekening van het bedoelde testament wordt nergens vermeld. 



« Ons Volksleven. » 227 

lrën hoe dat Aernout Brulocht en Jan vandë W(er)ve, als hei- 
ligheestmeeste(re)n ghecocht en gecregë hebben ter tafelen behouf 
ieghen ionfv. Lijsbetten vander Heiden ene oude scilt tsiaers 
erflic op den gulden cop voirs. (i) vandë welken .ij. ouden scil- 
den voirg. die eene verschijnt te kerssavonde en dandere te sinte 
Jans misse. (XV e ) Dit gheeft nu Lippen vandë Boghaerde, was- 
senkeersmak(er). (ld.) Nu Medaert Wouters. (XVI e ) 

Volgens eenen schepenbrief van den i8 en September 
1404, kocht Elisabeth Bruylocht, echtgenoote Jan van 
der Heijden, de rente van eenen ouden schild van 
Elisabeth 'sWinds en Marten Vrysele, haren echtge- 
noot. Naest den eigendom in qusestie stond het huis 
« den roeden Cop », daer Jan Wils inwoent. » 

Deze Jan Wils verkocht den i6 en Juli 1407 eene 
rente van 4 schel. Vlaamsche grooten, ten bate van 
't godshuis d'Infermerije in 't Klapdorp, « op siin helft 
vander huijsinghen... gheheeten in den Roeden Cop ten 
Drie Coninghen ghestaen inde Ca(m)merstrate buijten 
de Ca(m)merpoerten tusschen Joes Moens huijs ane 
deene side en(de) thuijs gheheeten 't Cauken ane d'an- 
d(er)e zide... » (2) 

Volgens den inventaris n r 934, bl. 14, was, in i557, 
« den gulden Cop, aenden houck van het Cop straetken, 
een backerije, toebehoirende Jasp. de Coninck, 
backer ». Dit geldt den noorderhoek van het Kop- 
straatje. Het huis den rooden Cop stond op deszelfs 
zuiderhoek. Den schepenbrief van 1404 in overweging 
nemende, is men geneigd te besluiten dat het Kop- 



(1) Op 23 Januari 1410/11, datum op denwelken de H. Geestkamer insgelijks 
het legaat van Elisabeth Bruylocht inbeurde. (R. B. 653, fo 33.) 

In den schepenbrief leest men dat Elisabeth Vander Heyden de echtgenoote 
was van Willem de Moelenere en dat Elisabeth Bruylocht hare « oudermoe- 
der )> was. 

(2) Schepenbrieven van 't godshuis voormeld. 



228 « Ons Volksleven. » 

straatje over een gedeelte van het laatst gemelde huis 
getrokken werd. 

Onder 't opstellen van dit kapittel, drong zich bij 
mij de vraag op : is 't Kopstr aatje wel goed vertaald 
door ruelle de la Coupe? Het Historisch Onderzoek (reeds 
gemeld) zegt : ja, en stelt zelfs voor titel Guldekopstraet ; 
elders wordt voorgestaan het vertalen door me de la 
Tête d'or (i). Ik verklaar mij onbevoegd om te beslis- 
sen wie gelijk had. Men late mij slechts de aanmer- 
king toe, dat cop veel meer wordt aangetroffen in den 
zin van hoofd, dan in den zin van beker, waarvoor 
men schier altijd het woord schale, schael zal vinden. 
Wie verklaart ons den zin van deze benaming : in den 
roeden Cop ten Drie Coninghen? Anderzijds vindt men 
in de Kammenstraat gelijksoortige benamingen, zooals 
het Moriaenshoot, het Ossenhoot. In de boeken van de 
H. Geestkamer wordt het straatje ook genaamd Coppe- 
ganckstraet, naar aanleiding, hoogst waarschijnlijk, 
van de namen der beide hoekhuizen. Allee of Ruelle des 
deux Têtes ware in dit geval de vertaling. 

Die boeken geven de volgende eigenaars aan. Van 
den gulden Cop : in 1584, Renier Smeesters; in 1597, 
Pieter Cambier; in 1631-1667, de w e Frans Beys ; in 
1681, Maria Dumont; in 1711, J. Figé ; in 1718, J.-B. 
Backx en in 1724, Frans Lefever. Van den Rooden Cop : 
in i63i-34, Joris Radocx; in 1669-1678, Simon Bon(ne)- 
foy; dan Isabella Guyot, geestelijke dochter tot in 
1709; de weduwe Greyns tot in 1734; Catharina 
Greyns. 

(F° LJ). Item es te wetene dat na Amelberghë Jan Gheens scut- 
ters wijfs live toecomë sal dê heilighen gheest en den broeders 



(1) Als door E.-J.-C Marshall : Essai historique et topographique sur la ville 
d'Anvers, enz. 



« Ons Volksleven. » 229 

vander Coepoertë onder hem beide evë ghelijc de helft van enë 
huse dat ghestaë es indië Camer strate tusschë Peters huys van 
Scoelant diemë heet Peter Druijs an deen side en Aernds Mole- 
narë huijs diemë heet Aernd Cromvoet an dand(er) side, welke 
vors. helft vandë vors. huse Jan Gheens vors. in aelmoesenë gaf 
na Amelb(er)ghë sijns wijfs lijf ghelijc als scepenë lettre van allen 
saken wel verclaren. (Einde der XIY e .) En Amele voirs. starf int 
jair M.CCCC eiï xiiij. Alsoe dat Claus vanden Mort(er)e en Gielys 
Bachel(ier) te dier tij t heiligeestmeest(eren) tvoirs. ghedeel van- 
den huyse vercochten int jair van XIIIJ (i) omë in 1/2 c(r)oone 
vranxsche eens henendraghens. 

Het artikel is geschrapt. Het blijkt nergens tot welk 
gedeelte van de Kammenstraat de gift van Jan Gheens 
aan den H. Geest, behoorde. De koopprijs, 3 12 fran- 
sche Kronen, eens betaald, welke ook hiervan de 
geldwaarde geweest zij, schijnt vrij gering (2). 

Het moet verwondering wekken, dat een eigendom 
voor zulken geringen prijs verkocht werd, het artikel 
zegt dit al te duidelijk. Anders is het nog gelegen met 
het « vercijnsen w, t'erve of in erflijk recht overgeven. 
Zelfs in dit geval, schijnt de cijns een spotprijs. Het 
is tijd, dunkt mij, dat hierover een woordje volge. 

Het uitgeven van eenen eigendom tegen eenen cijns 
of eene rente, berustte op de gebruiken van het leen- 
roerig tijdperk. De heer, de eigenaar, leende zijn goed 
uit; de aanvaarder of gebruiker betaalde eene zekere 
som, kleine of groote, zoowel tot erkentenis van diens 
heerschappij, als tot waarborg van zijn beheer, dat 
hem al de lasten en baten eens eigenaars aanbracht. 
Deze lasten overtroffen soms de baten, ingezien de 
geringe waarde der eigendommen, want niet alleman 



(1) Lees 1414. 

(2) In 1460 vond ik de waarde der Vrancxe Croont op 20 stuivers gesteld. 



230 « Ons Volksleven. » 

was in staat panden in gebruik en in beheer tevens te 
ontleenen. Van daar : « den pand laten varen voor den 
cijns », hetgeen beteekende : van eenen pand afzien, 
hem verlaten, omdat hij meer kostte dan hij opbracht. 
Deze aanhaling zullen wij in deze studiën meermaals 
aantreffen. 

Zoodoende had een eigenaar slechts den naakten 
eigendom van zijn goed. Zijne huizen onderhouden, 
verbouwen desnoods, zijne gronden beploegen en 
beplanten, dit alles werd den gebruiker opgedragen, 
mits zekere vaste jaarlijksche opbrengst in geld of in 
natura. Deze opbrengst schijnt meermaals gering. Bui- 
ten de evenredige geringe waarde der eigendommen, 
dient nog aangemerkt, dat zij dikwijls verschillende 
eigenaars hadden, 'tzij voor de helft, een derde, een 
vierde, enz. De ontleener betaalde dus cijnsen aan 
verscheidene personen, zoodat, met de openbare belas- 
tingen aan stad of dorp, hij, bij slot van rekening, 
werkelijk eene behoorlijke huursom te betalen had. 

Ik heb niet voor taak het rechtsbegrip uit te vor- 
schen. Ik stel hier alleen vast, hoe het er toeging in 
de praktijk, en besluit deze aanteekeningen met een 
voorbeeld. 

Toen de Aalmoezeniers, in 1710, hunne schouwburg- 
zaal in den Tapitsierspand overbrachten, verkregen zij 
daarvoor van de stad de noodige plaats, « op den last 
van eenen moderaten grontchyns ». De stad stelde 
dezen cijns op 5o gulden, niets meer, welke de Armen- 
kamer betaald heeft tot in den Franschen tijd. Toen de 
Tapitsierspand afgebroken werd, in 1829, eischte de 
stad, krachtens het verouderde contract, haren grond 
weder. 



« Ons Volksleven. » 231 

(F° LJ). Item .xj. oude enhgelsche tsiaers erflec op huys en 
gront met sinë toebehoerten in de cammer strate ghestaen dat Jan 
van Wesenbeke toehoert tusschen Michiel Scuten huys ane dene 
side en een huys dat hem selven toehoert ane dandere side. 

Item op dit selve huys metten gronde so gaf meester Jan van 
Odenbeke, canonc, in aelmoesenë vor sijn ziele .vij. oude grote 
en .j. enghelschë tsiaers erflec daer scepenê lrën af sijn. En van al 
den renten die meester Jan van Odenbeke vors. gheghevë heeft, 
so gaf hi dene helft den heileghen gheest van Onser Vrouwe en 
dand(er)e helft den heileghen gheest van sente Joiïjs op datter 
een ware. Eiï hoe dat elc p(er)cheel bi hem in sijn strate ghescrevë 
staet, de brieve daer af ligghen onder de brieve vander corenmarct 
en vander royen (1374- 1378). En nu Peter va Pantgate de lijnë 
wev(er)e (i3go-i3g6). D(aer)na Jan van Schelle. D(aer)na Symoen 
Snoe} r e. Nu Aerd van Cruyninge. Wier nu meest(er) Peet(er) de 
Molemaker. 

Vermits wij onder F° XXX (5°) Michiel Scuten heb- 
ben aangetroffen, mogen wij dit artikel bij de heden- 
daagsche Kammenstraat rekenen, nagenoeg zoowat 
over de St. Antoniusstraat. Ik heb den naam van het 
huis niet kunnen opsporen, want de jongere oorkonden 
gewagen niet meer van deze renten. Doch, de nog 
bestaande schepenbrieven van i368, bevatten aantrek- 
kelijke bijzonderheden, vooral inzake familienamen. 

Die brieven hooren eigenlijk thuis onder de rubriek 
Suikerrui, alwaar men ze zal te lezen krijgen. 

F° LI IJ. — Ane de Coren mar et ter cammer porten toe. 

Inden Jersten .vnj. oude grote tornoyse en .iiij. hoë (1) ter 
stat rechte tsiaers erflec in de camerstrate ghestaen tusschen Jan 
Aert Jans huys dat hi ghecreghen heeft jeghen Lijsbetten Joes 
Daens wijf ane dene side en Zegher Bollij ns huys ane dand(er)e 
side, dat Gielise den Cost(er)e den back(er)e toe hoert (1 374-1 378). 
En nu hout Heine de Maech (i3go ?). Ende nu houdet Willem 



(1) L. hoenders. 



232 « Ons Volksleven. » 

Claes de back(er)e (1400- 1405). En nu Peter Koevoet (1418?). 
En nu Hijn Kerreman (1428?). Nu Ector Moens (XV e ). 

Op den rand staat er bijgeschreven : Conynsberch. 

Is deze aanteekening nauwkeurig, zoo bedoelde het 
artikel het huis de Conyn- of Conynsberg, dat in 1546/47 
door Gilb. van Schoonbeke werd aangekocht om op 
deszelfs grond de Bergstraat te openen. Men vindt dan 
later denzelfden cijns op het huis « de Kerre byden 
Rooden Leen » (1). 't Is wel mogelijk dat de noorderhoek 
van de nieuwe straat als pand voor dien cijns ware 
gebleven (2). De « Konynsberg » bestaat dus sinds 
lang niet meer. Mij dunkt echter, dat het geen gering 
belang oplevert, de bewoners en de bezitters van hui- 
zen of gronden van over ruim vijfhonderd jaar hande- 
lend te zien optreden. Het tijdperk binnen ons Charter- 
boek besloten, is nog zeer duister in onze plaatselijke 
geschiedenis en, niet het minst in het opzicht van 
familieaangelegenheden. Inderdaad, waar zou men 
deze gaan zoeken, zooals zij, ongekunsteld doch leer- 
zaam, in dat aloude boek sinds eeuwen schuilden? In 
verband hiermede, heb ik vele jaartallen neerge- 
schreven die niet altoos uit ofhciëele oorkonden zijn 
getrokken. Ik heb ze dan aangestipt naar den aard 
van het geschrift, waaruit de aanteekeningen zijn 
samengesteld. Ingeval van twijfel, staat er, gelijk 
hierboven, een vraagteeken bij. Het bestudeeren van 
het Charterboek deed mij ondervinden dat, tusschen 
1374 en het einde der XV e eeuw, de schrijfletters ten 
naasten bij het tijdstip verraden, waarop het opstel 
gemaakt werd, eene ondervinding, die door menig 
officieel stuk werd bekrachtigd. 



(t) Men vindt ook de Vrachtharre en de MoUnharre. 
(2) Inv. ^934, bl. 11. 



« Ons Volksleven. » 233 

F° LXVIJ. - Cammer strate. 

Item .iiij. oude grö tornoyse .ij 1/2. enghelschen en .iiij. hoé 
ter stat rechte tsiaers erflec, op huys en hof met sinë toebehorten 
in de ca:m)mer strate ghestaê tusschen Heins Maeghs huys ane 
dene side en IanSroyen(i) huys ane dand(er)e side, daer Ian 
vandë Hoghenhuys in woende (1374). En nu houdende es Claus 
Bonaert (1378). En nu Heyn Caloets de tymmerman. Ende nu 
Ian Caloets de teengietere. Ende nu Claeus Bouwens sone 
(XV e ). Ende nu Willem Adryaenss(en) cuyp(er). 

Over dezen pand heb ik geene stof tot aanteekenin- 
gen. Men merke nochtans op, dat er gesproken wordt 
van Hein de Maech, welke in het voorgaande artikel 
ook voorkomt. 

KASTEELPLEIN 

De Kasteelplein, heden door een gansch nieuw en 
bevolkt kwartier ingenomen, lag vóór het Zuidkasteel 
en begrensde de stad van aan de Schelde tot aan de 
Beggijnepoortvest. Scheldewaarts, op het einde van 
de Kloosterstraat, eindigde « de plein » met eene 
scheepstimmerzaat. Daar, omtrent den Kroonenburg- 
toren en de poort van denzelfden naam, heette het 
den Verloren cost, tot op het tijdstip dat Al va het kas- 
teel deed maken (i567). De benaming ging evenwel 
niet gansch verloren. 

Het Charterboek bevat onder die benaming een enkel 
artikel, dat moeilijk onder eene moderne straatbena- 
ming kan teruggebracht worden. Overigens, in jongere 
bescheiden wordt er niets meer van gevonden, zoodat 
ik het enkel heb overgeschreven om een klein gedacht 
van den « Verloren Cost » te geven, onder de jongste 
benaming, te w T eten de Kasteelplein van onzen tijd. 



(1) Staet voor Sroeden, "s Roeden, des Rooden, dus de eigennaam van de 
Rode ot van Rode. Z. verder de Keizerstraat. 



234 « Ons Volksleven. » 

F° LIJ. — Bw/f« verloren cost. 

Item syn scepenen hen van enen gulden hallinc van Floreri- 
chen tsiaers arfelic die Jan vanden Mortere in sinen utersten den 
heilighen gheest in aelmoesenen gaf ende bew} T sde te hebbene 
alle jare te S. Jans misse op Claes Papë calchoven, die ghestaen 
es naest verloren cost poerte, alsoe scepenen lrën die d(aer) af sijn 
wel begrepen hebben. Ende alsoe h' Jacop van Parijs p(ro)chiaen 
en canonc in onser vrouwen kerke t'Antwerpen als testamentoer 
van Janne vandë Mortere vors. met scepenen lrën hem ghewijt (i) 
heeft int jaer ons He(er)en .Mo CCC. endeXCIIIJ. XIX daghe 
in november. Ende desen vors. calchovë es Coel de Pape hou- 
dende. Ende nu Aert van Ranst kijnd(er)e (1402). 

KAUWENBERG. 

Bij de derde stadsvergrooting van I2g5-i3i4, werd 
de Couwenberch met deVekenstraat, de Stijfselrui enz., 
de uiterste stadsgrens langs dien kant. « De sectie tus- 
schen de St. Jacobsmarkt en den Kauwenberg, zal op 
weinige diepte afgestoken en in den staat van gracht 
verlaten zijn geweest, van waar de benaming van Pad- 
dengracht is overgebleven » (2). 

Deze aanhaling legt volkomen uit, waarom men eerst 
in de XV e eeuw, na eene nieuwe uitbreiding der noord- 
oostelijke stadsgrens, den Kauwenberg druk bebouw- 
de. Zij bewijst tevens, dat de benaming van Padden- 
gracht ouder is dan die van Couwenberch of Coudenbergh, 
welke deze straat insgelijks had gedragen, alvorens 
opnieuw de Paddengracht en eindelijk de Prinses- 
straat te worden. 

Toen het Charterboek werd opgesteld, bestond er 



(1) Voor gheuut, een woord dat meermaals voorgekomen en reeds uitgelegd 
is onder F° V van Boterrui, eerste noot. 

(2) Mertens en Torfs, Geschiedenis van Antwerpen, D. I, bl. 280. Deze 
benaming van Paddengracht werd nog op andere plaatsen van de uitgediende 
stadsvesten toegepast. Men vergelijke Kammenstraat, bij F° iiij. 



« Ons Volksleven. » 235 

geen onderscheid tusschen groote- en kleine Kauwen- 
berg. De oorspronkelijke Couwenberch liep van de 
Vekenstraat naar de Keizerstraat. Hij bevatte dus het 
gedeelte der Paddengracht (thans de Prinsesstraat), lig- 
gende tusschen de Keizerstraat en de Prins- en de 
Hobokenstraten. Natuurlijk heb ik voor de Prinses- 
straat de artikels weggelegd, die tot deze straat be- 
hooren, maar onder de benaming van Couwenberch 
voorkomen. Anderzijds heb ik voor den eigenlijken 
Kauwenberg verschillende artikels verzameld, die 
onder de rubrieken Clapdorp en Keyserstratc geboekt 
staan. 

Binnen het tijdverloop dat aan deze studiën ten 
gronde ligt, kan ik slechts op den kleinen Kauwen- 
berg wijzen, als zijnde oorspronkelijk eene steeg ge- 
weest. 

Het ware te lang, vervelend wellicht, eenige sche- 
penbrieven over te schrijven, ten bewijze dat de aller- 
eerste Couwenberch vooral uit hoven en zoogenaamde 
raemvelden bestond (i). Van dit oogpunt uit, wil ik er 
eénen mededeelen, omdat daarin Wouter van Egel- 
voort voorkomt, welken wij insgelijks in het Chart er- 
boek aantreffen (2). Zou de Molensteeg, « 'tstraetken dat 



(i)Vglk. Mertens en Torfs, D. III, bl. 217. 

(2) (1414) Wy Jan Stevens ende Heinric van Velthem scep(en)en in Antwer- 
pe(n) make(n) cont dat vore ons quam Jan de Hoghe ende bekende dat hi 
omme ene somme gelds die hem al en(de) wel es vergoude(n) vercocht heeft 
wel ende wittelec Wout(er) Mag(erïman ende Gielise Snacken regerers van- 
de(n) gasthuse vandein) blauwe(n) broeders aen die coepoerte tot des gasthuus 
behoef die sesse scellinge grote tsiaers erfiiker renten die hi hadde en(de) 
houdende was op een huus met .iij. cameren mette(n) hove, gronde, bogaerde 
en(de) met al dat daer toebehoert, ghestaen opte(n) couden berch neffens de 
molenstege aen deen side ende) Wouters huus vander Egelvoer t aen dander 
zide. Ende die Jan Mostaert jaerlyx te ghevefn) pleeght alle iare te kers- 
avonde also wi verstonde(n), de welke vors. vj. s. grote tsiaers erfiiker rentein ) 
de vors. Jan de Hoghe op droech met verthiene ende claerlyc quite scant 
tallefn) daghe(n) tes vors. gasthuus behoef met alle den rechte dat hi daer ane 
hadde en(de) houdende was. Ende bekende dat hi gheen recht meer d(aer) 



236 - Ons Volksleven. » 

gaet ter molc(n)waert », zooals het verder meermaals zal 
luiden, de Vekenstraat bedoelen? Immers, langs daar 
was de weg van den Couwenberch naar de Watermolen- 
brug (i). Aan de Paardenmarkt was deze weg afgeslo- 
ten door een hek of veken, waaraan de Vekenstraat 
haren huidigen naam dankt (2). Het zou dus, mij 
dunkt, oudtijds eene steeg geweest zijn. 

('t Vervolgt.) Edm. Geudens. 



ane en behielt. En(de) die geloefde hi den vors. gasthuse te waren iaer en(de) 
dach ieghen alle die ghene die te rechte comen wille' n) ende te claerne los 
quite ende vry va;n) alle(n) commere v n) enfde) calangien. In kennissen van 
desen l(ette ren besegelt met) onsen seghele(n). Gnegeve(n) int Jaer ons 
here.n) alsme(n) screef M CCCC en(de) XI1IJ. XXIX daghe in September. 
(Inv. van schepenbrieven van 1447, van 't Godshuis Blauu'broeders, bl.vnj.) 

(1) Nu de Hessenbrug. 

(2) A. Thvs, Historiek, enz., bl. 277. 

Boelctoesprelcing 



Eugène Rolland. — Flore populaire ou Histoire natu- 
relle des Plantesdansleursrapportsavec la Linguistique 
et Ie Folklore. Tomé II. — Paris, Librairie Rolland, 2, Rue des 
Chantiers, 1899. (Boekd. van 267 blz. 8°. Prijs : 6 fr.) 



Van dit uitstekend gewrocht, merkweerdig in het driedubbel 
opzicht van taal-, kruidkunde en folklore, en dat volledig zij 11 zal 
in zes deelen, is thans het 2 e deel verschenen. Het behandelt elf 
plantenfamiliën : Crucifères (suite et fin), Capparidées, Flacour- 
tianées, Passiflorées, Violariées, Polygalées, Résédacées, Drose- 
racées, Frankéniacées, Cistinées en Caryophyllées. Evenals voor 
het eerste deel, verdient de schrijver hier wederom allen lof voor 
den oveivloedigen rijkdom en de uitmuntende bewerking der 
verzamelde stof. Dat aan de Kool (Brassica oleracea) alleen 53 
blz. gewijd worden, geeft een denkbeeld van de uitgebreidheid des 
werks, hetwelk, door zijnen aard zelf, niet vatbaar is voor eene 
ontleding, hoe beknopt ook. Voor het plan van het werk, verwij- 
zen we den lezer naar de bespreking die wij gaven over het l e deel, 
op blz. 232 van den 8 e!1 jaarg. Naar de twee eerste boeken te 
oordeelen, zal het volledig werk eene echte goudmijn wezen 
voor den taalgeleerde, en niet minder voor den beoefenaar der 
volkskunde. J. C. 



INHOUD 



TAALKUNDE 



De Dronkenschap in de Volkstaal 174 
Eene proeve van Oostendsch 

Idioticon 178 



Spreekwoorden en Zegswijzen 5j , 
58, 60, 62, 63, 64, Si, 174, 2i3 



VOLKSKUNDE 



Godsplanten 5 

De Herbergen 18, 80, 

Volksdichtveerdigheid 

De Roos in het Volksgebruik 

en Volksgeloof 
Sint-Marten 
De Bieën 
Kinderspelen uit het Land van 

Dendermonde 33, 82, 145, 
Ratten en Muizen 
De Dieven 
Bijgeloof, Volksmeeningen, 

Gebruiken en Zegswijzen te 

Maastricht 
De Vogelen 5g, 99, 

De Kwatongen 76. 

Volksgebruiken 
De Haan en de Hen in het 

Volksgeloof 
Spotnamen op Steden en Dorpen 
Hoe men drinkt 
Iets over Soldatenbijgeloof 
Sprookjes uit den Vreemde 
Kinderrijmen en Kinderspelen 

uit Vlaanderen 119, 

Bijdrage tot de Folklore der 

Vlaamsche Zeekust 
De Runders in het Volksgeloof 
De Dronkenschap in de 

Volkstaal 
Volksliederen 176, 

Afrikaansche Folklore 
Rivieren, Bronnen, Putten, enz. 
Lijntje de Meliboerin en de 

Eierboer 
Bijgeloof, Volksmeeningen, 

Zegswijzen en Gebruiken te 

Antwerpen 
De Nachtwakers. XXIII. De 

Nachtwakers te Gent 
Vragen en Aanteekeningen 62, 



65 
133 

24 

26 

29 
3i 



42 

43 



54 
185 
2o5 

81 

88 
101 
io5 
109 
114 

171 

125 

i35 

174 
210 
i 9 3 
196 

204 



210 
180 



Sprookjes, Vertelsels 
en Sagen 

Plantenlegenden over het Kin- 
deken Jesus 1 

Plantenlegenden van den leeren- 
den, wandelenden Christus 

Het kruid Iseré 

De Tarweregen i5 

De Sprekende Korenaren 

Waarom de Lindauer wijn zoo 
zuur is 

Waarom de Den zijne twijgen 
laat hangen 

Waarom de Rietstengel twee- 
maal gebogen is 

Passielegenden 

Christusoog 

Waarom de Brem veel geraas 
maakt, als men ze verbrandt 

Van den Steekpalm of Hulst 

Het Nootkiempje 

Twee Eiken tot kruis vergroeid 

Jezus' Schepter 

Veronica-legenden 

De Treurwilg 

Oursprong der Braam 

De immergroene Eik 

Lans Chnsti 

Stok met spons 

De bibberende Esp 

Sint Janskruid 

Christi blosd 

Het hout des Kruizes 

De echte Passiebloem 

De Kruislinde bij Süderheide 

De vervloekte Vijgeboom 

De Wondernoot 

De Tooverheksen van het Ronde 
ken der Merkt, te Lier 

Waarom men in het woud van 
Weert geene ekstersmeer ziet 100 

De gouden Visch 114 

Wonderbare Schepen 128 



i5 
i5 
16 
65 

65 

66 

67 
67 
67 

68 
68 
68 
68 
68 
68 
69 
69 
70 



7'" 



238 



* Ons Volksleven. » 



De brandende Keersen uit de 
Zee 

De wonderbare Visch 

Het Menschenhoofd 

Legendarische oorsprong van 
cc de Haan » 

De Waterduivel 

De Duivelsput 

De Grave-Jansdijk 

De helsche Geit 

De spokende Hazen 

Een Godslasteraar gestraft 

Het spokend Konijn 

Van den weg afgeleid 

De spokende Nonnen 

Van cc hard zetten » 

Waarom de Koekoek in Augus- 
tus niet meer roept 

Waarom de Zwaluw geen rust 
heeft 

Waarom de Zwaluw geluk 
aanbrengt 

Wnarom de Zwaluw een gevork 
ten steert heeft 

Het Luipaard en de Hond 

Het Luipaard en de Jakhals 

De Olifant en de Kameleon 

De Olifant en de Spitsmuis 

De Leeuw en het Everzwijn 

Het Boschhoen en de Schildpad 

De Doode en de Maan 

De Haas en de Aarde 



129 
129 
129 

129 
i3o 
i3o 
i3i 
i3i 
i3i 

l32 
l32 
132 
132 

i;3 
187 



189 

189 
193 
193 
194 
194 
195 
i 9 5 
i 9 5 
196 



Spotnamen op Steden 
en Dorpen 

Bonheiden, Rijmenam en Keer- 
bergen 101 
Okegem 101 
Halmaal 102 
Diest : de Mostaardschijters 102 
Scherpenheuvel : de Keerskatten 

of Keerskaters 102 

St-Kwintens-Lennik : de Wind- 

heeren 102 

Gooik : de Telloorlekkers of 

Pannelekkers io3 

Spotrijmpjes en Spotzegsels io3 

Eene beschouwing over den 

oorsprong van plaatsnamen 

en spotnamen io5 

Knocke : de Duinenzeekers 126 

Liederen 

Sint-Martenlied 3o 

Het Soldaatje van Weenen 176 



Leugenlied 

Lied op Jefken de Strijk 

(fragment) 
Nieuwjaarsli 



:er 



lied 



177 



62 
211 



Rijmen 



Volksrijmen 25, 123, 127 

Berijmde Uithangborden 19, 20, 134 
Berijmd herbergreglement 23 

Sint-Martenrijmen 29, 3o 

Rondedansen 36, 37, 38, 3g 

Spelrijmen 40, 41, 88, 171 

Berijmde Nieuwjaarswensch 58 

Spotrijmen io3, 104 

Aftelrijmen 119 

Kinderliedjes 123, 175 

Berijmde Spreuken 1S0 

Zeden en Gebruiken 

Uithangborden van herbergen 

19, i33 
Hoe men Uithangborden 

vervangt 21, i35 
Opschriften en teekenen op de 

vensters binnen de herbergen 22 

Het inwendige der herbergen 22 
Offeranden van rozen in de 

kerken 26 

De Rozen op de graven 27 

Kroning van Rozemaagden 27 

Wijding der rozen 27 

Rozenfeesten 28 

Sint-Marten in Xoord-Brabant 29 

Het rouwen der bieënkorven 32 
Bedevaarten tegen ratten en 

muizen 42 

Godsoordeelen 43 

Doodsgebruiken 56, 57, 81, 125 

Huren van Dienstboden 37 

Palmtakken 63 
Straffen 76, 2o5 

Zieltjeskoek 81 
Hoornen en schedels als drink- 

vaten io5 

Op de gezondheid drinken 107 

Processiestrooisel 125 

Het dekken der koeien i36 

Weilanden i3g 

Het beste stuk van den os 140 

Boekweit dorschen 175 
Vastenavondstoeten in 't begin 

dezer eeuw 180 

Gebruiken bij 't brouwen 126 

Gebruiken der Visschers 126 

Het Snuiven 182 



« Ons Volksleven. 



239 



Zwaluwen die de reisduiven 

vervangen 188 

De Ganzenmerkt te Warschau 191 
Het mesten der ganzen 192 

Heiligen 27, 28, 29, 60, 100, 108, 
i36. 143, 18^, 197, 198, 199 
Bedevaarten 42, 143, 200, 201 

Spelen 



Blaaskens maken 


33 


Blind ei-slaan 


33 


Boeten (boezen) 


3 4 


Boksen 


34 


Bollen 


34 


Bottemaat leggen 


35 


Dansen in de koorde 


35 


Dansen in de ronde 


36 


De boom verdikt altijd 


40 


De brug is gemaakt van steenen 




en van staken 


40 


De Haan en De Klok 


82 


De Hamer, de Spie en de Blok 


82 


De Hond kan de Kat niet krijgen 83 


De Ronker 


83 


Djakken (djekken) 


83 


Dretsen 


84 


Drillen 


85 


Druppelen 


85 


Dulleman jagen 


85 


Ezelken op den Bal 


86 


Ezelken springen 


86 


Feepkens, schuifelkens, schal- 




meien maken 


86 


Frullen, frutselen of freutelen 




(ook : reutelen) 


87 


Geld 


145 


Henkeien 


146 


Huksken-springen 


148 


Huksken-trekken 


148 


Hulleken- drummen 


148 


IJsmeulen maken 


148 


IJsstoel-rijden 


148 


Kaarten 


149 


Kaatsen 


J 49 


Kalle drijven 


217 


Kalleke schieten 


219 


Kallesjoeken of kallesjoepen 


220 


Kalluiten 


222 


Kampen in de of O-Kampen 


222 


Katje-jagen 


223 


Katje van dekkens jagen 


224 


Keele-kuile 


224 



Volksgeloof, 
Bijgeloof, enz* 

Rozenteelt 



2S 



Rozen als geneesmiddelen 
Middelen om de Ineen het 

wegvliegen te beletten 
Gewijde palm 3i, 

De Bieën als weervoorspellers 
De Bieën op Kerstmis 
De Bieën op U. Sai ramentsdag 
De Bieën en het rumatismus 
De Vloekers en de Bieën 
Middelen om de dieven te 

ontdekken 43 

Bijgeloof te Maastricht 
Tanden 

Om de sproeten te verdrijven 
Om het haar te doen groeien 
Opdat de pensen niet zouden 

bersten 
Om de wratten te verdrijven 
Voorteekens 55, 56, 100, 141, 211. 
Droomen 55. 56, 90, 

Vrijmetselaars 

De Eend 59, 

Weervoorspellingen 5g, 60, 61 

128, 191 
De Gans 60, 

De Reiger 

Heksen 78, 91, i3i, i32, 

Middelen om de broedsels te 

doen gelukken 
Eieren als geneesmiddelen 
De Eieren en de liefde 
Eierschalen 

De Ekster 99, 

Soldatenbij geloof 
« Passauer brie'jes » 
Het « Galg-emanneken » of de 

Alruinwortel 
De Wapenzalf 
De Gemzenkogel 
Kogel- of buksenbetoovering 
Vrijkogels 
Sterrekunde 
De Waterduivel 
De Duivelsput 
Koeien en Ossen als godheden 

vereerd 
Het dekken der koeien 
Hoe de koeien onvruchtbaar 

worden 
Om het kalven te vergemakke- 
lijken 
Het geslacht van het toekomstig 

kalf bepalen 
Het kalf bij zijne geboorte 
Het kalf van zijne moeder 

gescheiden 



29 

3i 

i 4 3 

3i 
3i 
32 
32 
32 

54 

3 4 
5 4 

5 4 

54 

54 
212 
2i3 

55 
187 
. 99 

191 

61 

i3 9 

88 

90 

90 

9i 

192 

109 

110 

in 
in 
112 
n3 
n3 
127 
i3o 
i3o 

i35 
i36 

i36 

i36 

i36 
137 

i3 7 



240 



« Ons Volksleven. » 



Eene nieuwe koe in den stal 137 

Koedrek als geneesmiddel i38 
De koeien op Kerstmis en 

Allerzielen 140 

Ossenhert en verliefden 140 
Wanneer men geen vleesch 

moet eten 141 
Dieren die aan de koeien zuigen 141 

Ziekten van het vee 141 
Voorbehoedmiddelen in de 

stallen gehangen 144 

Vuursteenen 144 



De Ijsvogel i85 

De Koekoek 186 

De Kraanvogel 187 

De Zwaluw 188 

De Ooievaar 190 

Water als geneesmiddel 196 

Over de vereering van stroomen, 

rivieren en bronnen 201 

Bijgeloof te Antwerpen 211 

Volksgeneeskunde 29, 54, 90, i38 

141, 195, 214 



GESCHIEDENIS EN OUDHEIDKUNDE 



De Roos in het Volksgebruik 26, 28 
Plaatsbeschrijving der straten 

van Antwerpen en omtrek 14, 92 

i53, 226 
Oude straffen 76, 2o5 

Hoornen en Schedels als 

drinkvaten ic5 

Op de gezondheid drinken 107 



Weilanden 

Vastenavondstoeten in 't begin 
dezer eeuw 

Het Snuiven 

De stroomen, rivieren en bron- 
nen bij de Germanen en de 
Gallen 

De Nachtwakers te Gent 



i3g 

180 

182 



201 
2i5 



BOEKBESPREKING 

Eug. Rolland. — Flore populaire cu Histoire naturelle des Plantes dans 
ïeurs rapport 's avec la linguïst /que et Ie folklore. Tomé II. 236 



^*rxf 




THIS.BOOK DOES NOI 
CIRCULATË 




I 



m 



NATIONAL 
UBRARY BIMOERK I